Zoek in ons tijdschrift

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 3

Door | 2010, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Speuren naar Spoolde
historische verhalen over
een bijzondere buurtschap
Pier Karenbeld

27e jaargang 2010 nummer 3 – 7,50 euro

90 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Hotel Café Restaurant ‘De Jongejan’
Veerallee
Aan de weg van de stad naar het Katerveer ston­den vroeger een aantal uitspanningen. Een van deze pleisterplaatsen heette Halfweg omdat het letterlijk halfweg de stad en het Katerveer gelegen was. In het begin van de vorige eeuw stond de heer Beumer achter de tap. In 1917 nam F.H. Willigenburg de uitspanning over. Het adres was Spoolde A 20, later Oude Veerweg 22. Hij kreeg heel wat mensen over de vloer. Op zondag wan­delde half Zwolle naar het Engelse Werk en streek dan neer bij een van de uitspanningen. Al het verkeer dat Zwolle tot circa 1940 over de weg pas­seerde, kwam over de Veerallee langs Halfweg.
In 1951 nam Jaap Jongman het bedrijf over. Hij maakte er een hotel café restaurant van.
De naam werd gewijzigd in ‘De Jongejan’ omdat ‘De Jongejaap’ minder geschikt geacht werd. Het pand werd gemoderniseerd en smaakvol ingericht om ook ‘auto-reizigers van verre aan te trekken’. Goede tijden braken aan toen de afdeling Zwolle van het CBR er gehuisvest was. Dat was tot circa 1965. Hier heeft menigeen zijn rijbewijs gehaald of mocht na het onjuist nemen van de lastige Spoolder rotonde gelijk weer terug: gezakt.
In verband met plannen voor de aanleg van de
IJsselallee moest ‘De Jongejan’ worden afgebro­ken. De klandizie was al hard achteruitgegaan door de rondweg en de nieuwe IJsselbrug. In juni 1973 kwam de sloper om het horecabedrijf af te breken.
Daarmee verdween voor veel Zwollenaren een brokje jeugdsentiment. Waar eens ‘De Jongejan’ stond, rijdt nu het verkeer in een nimmer afla­tende stroom over de IJsselallee.

(Collectie ZHT)

Op dit punt van de IJsselallee, ongeveer ter hoogte van de oranje pijl, stond eens ‘De Jongejan’. Rechts de daken van de laatste huizen van de Veerallee, links de IJsseltoren. (Foto redactie)

zwols historisch tijdschrift 91

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans90
Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een
bijzondere buurtschap Pier Karenbeld

Inleiding92
Spoolde en de vroegste geschiedenis94
Spoolde op de kaart95
De marke Spoolde97
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg99
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’103
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’106
Erve de Venus108
De Beukenallee114
Terug naar Theetuin Thijssen120
De Zalkerveerweg126
De buurtschap Spoolde130
Spoolde en het boerenbedrijf133
De oprukkende stad en het
verdwenen Spoolde137
Tenslotte140
Auteur142

Redactioneel
‘Spoolde vind ik een prachtige buurtschap’, vertelt Jurrien Stroomberg, wijkbeheerder van Spoolde, op de site van de gemeente Zwolle. En gaat hij door: ‘De saamhorigheid in de wijk is enorm en de kreet Samen maken wij Spoolde, vind ik hier erg op zijn plaats.’ Onze nieuwsgierigheid is gewekt. In dit themanummer van het Zwols Historisch Tijdschrift geven we Pier Karenbeld, auteur van vele artikelen over de geschiedenis van Spoolde, de ruimte om te vertellen over het heden en verleden van ‘zijn’ wijk.
Wijken, districts, quartiers, Viertel of barrios, we vinden ze in alle steden ter wereld. Een stad die groeit heeft ruimte nodig voor zijn bewoners. Een nieuwe wijk is dan al snel geboren. Maar soms heeft zo’n wijk de oudste rechten. In Spoolde treffen we al sporen van bewoning aan tijdens de Jongste Steentijd. Nou ja, wijk, dat is een relatief moderne term. Een buurtschap was het, of zoals sommige historici liever zeggen ‘een buurschap’, een term waarin een lange traditie van burenhulp ligt besloten. Zoals de Engelsen naast het woord ‘district’ ook wel van ‘neighbourhood’ spreken.
De naam van een wijk geeft soms iets van de geschiedenis ervan prijs. In Zwolle verwijzen de wijknamen Assendorp, Dieze en Spoolde naar land dat al eeuwenlang zo genoemd werd. Soms kan de relatie tussen steden en hun wijken moei­zaam zijn. Menigeen vindt zichzelf geen Zwol­lenaar, maar Assendorper, Diezenaar of Spoolde­naar. Misschien door dat gevoel van ‘saamhorig­heid’, waar de wijkbeheerder van Spoolde het over heeft. Mocht u dat een wat wazig begrip vinden, dan helpt dit themanummer u misschien om uw eigen oordeel over Spoolde en zijn bewoners te vellen.

Omslag: Spoolde in de slagschaduw van de zich opdringende stad. (Foto Henk Tuinman)

92 zwols historisch tijdschrift

Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een bijzondere buurtschap
Inleiding
De Zwolse wijk Spoolde wordt begrensd door de IJssel, de spoorlijn Zwolle-Amersfoort, de IJsselallee en Westen­holte. De A28, de Willemsvaart en het Zwolle-IJsselkanaal doorkruisen de wijk. Spoolde vormt nog steeds een levendige buurtschap en doet dap­pere pogingen een eigen identiteit te bewaren. Een wijkkrant speelt daarbij een belangrijke rol.
In 1997 richtten de Spooldenaren Paola de Bruyn en Arnold Zwakenberg het wijkblad de Papenacker op. Ze besloten het twee keer per jaar te laten verschijnen. De naam verwijst naar de vroegste geschiedenis van Spoolde, wanneer in de markeboeken gesproken wordt over een stuk dijk dat ‘de Papenackere’ genoemd wordt. Enkele jaren later verhuisden beide initiatiefnemers en werd mij gevraagd of ik in de redactie plaats wilde nemen. Aangezien ik net met werken gestopt was leek me dat een aardige start voor een nieuwe invulling.
Op dit moment bestaat het blad dertien jaar en zorgt een enthousiaste redactie voor een regel­matige verschijning en een gevarieerde invulling. Sinds enkele jaren verschijnt het ook digitaal: home.zonnet.nl/papenacker. Vaste rubriek is altijd een artikel over een onderwerp uit de geschiedenis van de buurtschap Spoolde. Dit onderdeel sprak me extra aan omdat ik sinds mijn jeugd meer dan gemiddeld geïnteresseerd ben in geschiedenis. Daarbij heeft ook locale geschiede­nis altijd mijn belangstelling gehad.
Zo heb ik vanaf 1998 geprobeerd om in elke aflevering een stukje Spoolder geschiedenis op te diepen. De keuze van de onderwerpen was niet systematisch. Vaak vormden huizen die een lang­durige geschiedenis deden vermoeden de aanlei­ding, maar soms ook de historie van een weg of straat. In het jaar van de boerderij (2003) mocht een duik in Spooldes rijke agrarische verleden natuurlijk niet ontbreken.
Elke keer was het weer een uitdaging om te voorkomen dat de verhalen louter uit een opsom­ming van feitelijke gegevens gingen bestaan, maar dat ze, waar mogelijk, gekleurd zouden worden met persoonlijke herinneringen van Spooldena­ren. Gelukkig is het vrijwel altijd gelukt om een stukje ‘oral history’ toe te voegen.
In het kader van deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift was het de kunst de op zichzelf staande verhalen zo te bewerken, dat er toch wat lijn in ontstond. Vandaar de start met een stukje geschiedenis over de vroegste tijd van Spoolde, waarbij zowel het Katerveer als de Spool­derberg een belangrijke rol spelen. Daarna volgt een keuze uit de verschillende verhalen die in de loop der jaren in het wijkblad verschenen zijn.
Hopelijk geven ze al met al een aardige inkijk in de lange en ook rijke historie van de buurtschap Spoolde.
Spoolde en de vroegste geschiedenis
Een gangbare verklaring voor de naam Spoolde was altijd het verband met het Middelnederlandse werkwoord spoelen, ook wel spuelen of spoilen genoemd. Spoolde werd vroeger ook wel Spoelde of Spolde genoemd. Het betekent met water over­spoelen, of overstromen, iets wat vroeger regel­matig langs de IJssel voorkwam. In zijn Geschiede­nis van Zwolle uit 2005 komt Jan ten Hove met een andere verklaring. De naam Spoolde zou net als bij Westenholte en Langenholte naar de naam van een bos verwijzen en ons herinneren aan de tijd dat het gebied met uitgestrekte bossen was bedekt. In de Middeleeuwen zouden die bossen door kaalslag en intensief gebruik van het land verdwenen zijn.
In de prehistorie ontstonden er een aantal ver­hogingen, langwerpige rivierduinen, ondermeer bij Spoolde. Hierop werd de allereerste bewoning mogelijk. Dat er toen inderdaad bewoning moet zijn geweest, bewijst bodemkundig onderzoek.
Tijdens de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal werden er onder leiding van G.D. van der Heide, archeoloog bij de directie IJsselmeerpolders, in de Spoolder uiterwaarden niet alleen talloze herten­geweidelen gevonden, maar ook grote hoeveel­heden middeleeuws aardewerk. Sommige gewei­delen bleken bewerkt te zijn tot beitels en bijlen, waarmee je een behoorlijke kracht kon uitoefe­nen. Hoewel men de ouderdom van de geweien moeilijk kon vaststellen, gaat men er van uit dat het op zijn minst vierduizend jaar terugwijst, naar de bronstijd.
Dat spoort aardig met de ontdekking die de amateurarcheoloog R. van Beek deed tijdens de aanleg eind jaren tachtig van het, vlak naast het Zwolle-IJsselkanaal gelegen, industrieterrein Voorst 3. Hij ontdekte sporen van een rondbouw­huis, daterend uit de Midden-Bronstijd.
Ook Jan ten Hove vermeldt dat bodemon­derzoek heeft uitgewezen dat er tijdens de brons­tijd en de ijzertijd bewonerskernen moeten zijn geweest in ondermeer Spoolde. Er zijn zogeheten grondsporen van woonstalboerderijen aangetrof­fen, boerderijen die doorgaans 21 tot 25 m lang waren en wel 5 tot 7 m breed konden zijn.
Bisschop wordt landsheer
Rond de jaartelling vestigden zich in het gebied waartoe ook Spoolde behoorde de Sassen (Sak­sen), een volk van Germaanse oorsprong. Aan­vankelijk leidden ze een zwervend bestaan en waren ze vooral herders en jagers, maar langza­merhand werd het meer een volk van landbou­wers dat voor vaste verblijfplaatsen koos.
Vergaderingen (holtspraken) en religieuze bijeenkomsten vonden vaak plaats op bijzondere plekken, bij een rivier, een bron of op een heu­vel. Volgens het informatiepaneel onder aan de Spoolderberg is het zeer waarschijnlijk dat de Ger­manen het rivierduin bij Spoolde ook als plaats voor bijeenkomsten en rituelen hebben gebruikt.
Ook al hadden de diverse Saksische stammen zich op den duur samengevoegd tot een Sassen­verbond, ze waren uiteindelijk niet opgewassen tegen de zuidelijker gelegen Germaanse stammen. Deze hadden zich verenigd in een Frankenbond waarin Karel de Grote een hoofdrol zou gaan spe­len; hij stichtte een immens rijk.
Rond 800 lijfde Karel het rijk der Saksen bij zijn rijk in. Hij bekeerde zich tot het christendom en deed er alles aan om de veroverde volken ook tot zijn nieuwe geloof te brengen. Tegelijkertijd wilde hij afrekenen met alles wat herinnerde aan het heidense geloof. Niet alleen volksvergaderin­gen en gewone rechtsdagen werden verboden, maar ook voorouderlijke zeden en gebruiken wer­den in de ban gedaan. Het christendom breidde zich meer en meer in noordelijke richting uit, al in 777 werd het bisdom Utrecht gesticht.
Na de dood van Karel de Grote ging het berg­afwaarts met het centrale bestuur en ging het rijk langzamerhand ten onder door onderlinge twis­ten tussen de erfopvolgers. Salland, dat toen ook wel Salaland genoemd werd, ging uiteindelijk tot het Oost-Frankische Rijk behoren en kwam bin­nen de provincie IJsselgouw te liggen.
Voor het besturen van het land stelde de koning plaatsvervangers, vazallen, aan die daarvoor een stuk grond te leen kregen. Toen deze leenmannen steeds meer macht naar zich toetrokken en, zelfs ongevraagd, het land van vaders op zoons lieten overgaan, besloot de koning voortaan steeds meer grond aan de bisschoppen te schenken, omdat bij hen erfopvolging niet aan de orde was.
In 1086 werd de gouwe Salland aan de bis­schop van Utrecht geschonken. Hij had in de loop van de tiende en elfde eeuw naast het Nedersticht (Utrecht) ook het Oversticht onder zijn beheer gekregen, een gebied waartoe het latere Overijs­sel, Drenthe en de stad Groningen met omgeving behoorde.
De bisschop had zijn handen zo vol aan wereldlijke beslommeringen, dat hij steeds meer werk moest uitbesteden. Vooral de kanunniken van het invloedrijke bisdom Deventer werden ingezet. Deze kanunniken kregen steeds meer bezittingen. Zij waren zich ook bewust van de voordelen die de steeds verder gaande ontginnin­gen hen boden.
Omdat de waterbeheersing verbeterd was kon er steeds meer onland, onbruikbare woeste grond, in cultuur worden gebracht en nam het aantal grazige weiden toe.
Spoolde op de kaart
De IJssel ten noorden van Deventer was langza­merhand ook beter bevaarbaar geworden. Daar­door nam de handel stroomafwaarts toe, maar er was ook een keerzijde voor de bisschop.
Het aantal doorwaadbare plaatsen was zo afgenomen dat de landsheer naar een andere oversteek op zoek moest om in het Oversticht te belanden. Extra probleem daarbij was dat zijn grote tegenspeler, de hertog van Gelre, het groot­ste deel aan die kant van de IJssel bezat. Gelukkig liep even ten noorden van Hattem de grens met zijn grondgebied. Daar lag het allang verdwenen kerkdorp Katen met een veerstal, van waaruit hij rechtstreeks de oversteek naar het Oversticht kon maken. In het dorpje Katen stond een kerspelkerk waar ook de Spooldenaren tot ver in de Middel­eeuwen ter kerke gingen. Tijdens een watersnood­ramp, in 1444, werd het dorpje uiteindelijk door de golven verzwolgen en kwam het midden in de nieuwe bedding van de IJssel te liggen.
Het Katerveer
De plek werd Cathendol of Catertol genoemd, wat oorspronkelijk een heffing op visvangst inhield. Pas later, met het beter bevaarbaar worden van de rivier, werd hier ook de Katentol van passerende schepen mee aangeduid.
Het Katentol behoorde aanvankelijk tot de abdij van Elten, die het in 1240 in ‘eigen gebruik’ en ‘eeuwigdurende erfpacht’ aan Deventer gaf.
Frederick van Blankenham, bisschop van Utrecht, gaf in 1396 aan dat het veer in bezit moest komen van de pastoor van Cothen (Katen), om zo het kerkbezoek mogelijk te maken voor de inwo­ners van het aan de overkant liggende Spoolde.
In 1437 verdween het veer uit bisschoppelijke handen, maar daarbij was wel bedongen dat het nooit in handen van de Geldersen mocht komen. Het Katerveer kwam in 1454 in zijn geheel in eigendom van de stad Zwolle. Het zou pas na de totstandkoming van de eerste IJsselbrug in 1930 uit de vaart worden genomen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de pont nog twee keer, zij het voor korte tijd, in de vaart. In 1940 nadat het Nederlandse leger de IJs­selbrug had opgeblazen en in 1945 toen de Duit­sers, vlak voor hun nederlaag, hetzelfde deden.
De keuze van de plek bracht niet alleen Spool­de in beeld maar was ook van belang voor de ont­wikkeling van de stad Zwolle, want Zwolle werd nu een belangrijke pleisterplaats voor het verkeer naar het noorden.
Spoolderberg
Dat de bisschop van Utrecht de Spoolderberg als vergaderplaats uitkoos, was niet toevallig. Het sloot mooi aan bij gebruiken uit de Germaanse tijd, waar verhogingen ook vaak als ‘hulde- en rechtplaats’ werden aangeduid. Beide aspecten kregen in de nieuwe situatie een vervolg.
In 1308 was het de toenmalige bisschop van Utrecht, Guy van Avesnes, die de IJssel overstak en op de Spoolderberg, in aanwezigheid van ‘rid­dere ende knapen en dat mene Lant’, het dijkrecht vaststelde. De bijeenkomst was opgezet om de waterstaatszaken definitief goed te regelen. In die tijd was men er ook al van overtuigd geraakt dat het water een vijand was die gezamenlijk aange­pakt moest worden. Geen overbodige luxe, zoals uit de geschiedenis van Spoolde zal blijken.
In het jaar 1456 vond er weer een belangrijke gebeurtenis plaats, want toen kwam landsheer David van Bourgondië naar de plek om vrede te sluiten met de Overijsselse steden.
Ook inhuldigingen van de nieuwe landsheer vonden op de Spoolderberg plaats. De Spool­derberg zou tot aan de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke vergaderplaats blijven.
Het aanzien van de Spoolderberg is na eeuwen drastisch veranderd. Het is nog slechts een bergje, een restant van het eens allergrootste rivierduin van Salland, dat door de automobilist die richting oude IJsselbrug rijdt, nog nauwelijks opgemerkt wordt.
In de loop van de tijd werd het zand voor allerlei doeleinden gebruikt, onder meer voor de aanleg van een schans, die deel uitmaakte van een verdedigingslinie van de stad tot de IJssel, terwijl ook bewoners er regelmatig zand haalden voor eigen doeleinden. De berg zou misschien totaal verdwenen zijn als niet in 1644 het markebestuur had besloten dat afgraven voortaan alleen tegen betaling was toegestaan. Alleen de stad Zwolle zou er nog voor niets mogen graven.
Bij de aanleg van de Willemsvaart was de Spoolderberg een storende hindernis. De water­weg werd er omheen gelegd maar aan de zuidkant werd toch nog een stuk van de berg afgegraven.
Het kunstwerk ‘Le Chêne’ (de machtige eik) van kunstenaar André Boone dat onder aan de Spoolderberg staat, symboliseert de verschillende culturen die in de loop der eeuwen aan dit rivier­duin zijn voorbij getrokken.
De marke Spoolde
Ondanks het feit dat de bewoners neerstreken op de hoger gelegen rivierduinen, hadden ze het toch niet altijd gemakkelijk. Aanvankelijk lag het omringende veen nog hoog genoeg om geschikt te zijn voor veeteelt, maar in de eeuwen daarna ging het veen zo inklinken dat het veel lager kwam te liggen. Dat leidde, vooral in herfst en winter, regelmatig tot wateroverlast en overstromingen.
Niettemin is Jan van de Wetering in zijn boek Vergeten levens van mening dat er omstreeks 1600 in Salland door ontginning en bijpassende ont­watering al een tamelijk stabiele situatie was ont­staan. Spoolde, liggend in het stroomdal van de IJssel, lag toen in een vruchtbaar deel. De grond was samengesteld uit rivierklei en klei op veen dat uitermate geschikt bleek voor veeteelt. Toch heeft Spoolde eeuwenlang een gebied gehad dat geschikt was voor akkerbouw; het gebied tussen de Spoolderenkweg en de IJssel, dat ook nu nog steeds de Spoolderenk heet.
Spoolde was een marke. Een marke is een middel­eeuws collectief van grotere boeren die gezamen­lijk het beheer en gebruik van hun gemeenschap­pelijke gronden regelden. De marke Spoolde werd begrensd door de marken Assendorp, Schelle, Voorst, Westenholte en de rivier de IJssel. Het centrum van de marke bestond uit cultuurgrond met boerderijen, omgeven door woeste gronden.
Regelmatig kwamen de markegenoten bij elkaar om, onder voorzitterschap van de mar­kerichter, diverse zaken betreffende de marke te bespreken. Niet iedereen mocht deel uitmaken van het bestuur, alleen de zogenaamde geërfden of gewaarden, zij die eigendom bezaten. Zij kregen daarmee het recht vee in te scharen in de gemeen­schappelijke weide, de meente, die tussen de huidi­ge Meenteweg en de wetering gelegen was. Het was gebruikelijk weidegronden af te sluiten met doorn­hagen die tot circa 1.20 m gesnoeid werden. De akkerbouw vond voornamelijk plaats op de Spool­derenk, waarbij elke markegenoot, al naar gelang zijn bezit, een of meer akkers toebedeeld kreeg.
Het buitendijkse land gerekend vanaf de Katerveersluis werd achtereenvolgens genoemd: de Spoolderwaard, de Spoolderwelle, de Spool­derzaaiwaard – kennelijk een gebied waarop ook landbouw mogelijk was – en de Vreugderijker­waard, die nu volledig omgevormd is tot natuur­gebied.
De Spoolder Hang (een oude rivierarm) was evenals de rivier de IJssel van groot belang voor de visvangst. Het markebestuur bemoeide zich dan ook nadrukkelijk met de visrechten.
Naast de eigenaren van de gewaarde boerde­rijen konden keuters of katers (kleine boeren) soms tegen betaling ook gebruik maken van mar­kegronden. Een enkele keer mochten ze zelfs een stukje grond ontginnen.
De markerichters woonden zelf vaak niet in Spoolde, want de erven werden meestal bewoond door de pachters, ook wel meyers (meiers) of huysluyden genoemd. De markerichters werden bij toerbeurt gekozen. Vrouwen zaten niet in het markebestuur, zij moesten voor een waarnemer zorgen. Het waren de notabelen die eeuwenlang het markebestuur vormden. Het duurde tot na de Franse tijd voordat de eerste boer, Meyerink, ook zitting mocht nemen in het markebestuur, nadat hij eigenaar was geworden van ‘Erve de Venus’ (zie het hoofdstukje over deze boerderij, pagina ..).
De markeboeken van Spoolde
De afspraken binnen het markebestuur werden gemaakt, werden jarenlang opgetekend in de mar­keboeken. Het eerste Spoolder markeboek dateert uit 1489, het laatste werd in 1870 geschreven. Het is jammer dat er geen gegevens van honderd jaar eerder zijn. We hadden dan kunnen weten of Gheerd van Spoelde, een bekende naam uit de vroege Zwolse geschiedenis, ook daadwerkelijk iets met Spoolde te maken heeft gehad, zoals de naam doet vermoeden. Deze schepen van Zwolle liet in 1394, ter wille van zijn zielenheil en dat van zijn familie, een testament opmaken waarin stond dat veel van zijn goederen aan de kerk zouden worden nagelaten. Daarvoor moest een kapel gebouwd worden en een kerk. Dit was het begin van de bouw van de Onze Lieve Vrouwekerk.
In de oudste boeken wordt wel gesproken van een ‘Hof thoe Spoolde’, maar het blijft gissen of Gheerd have en/of goed in Spoolde heeft gehad.
In het eerste markeboek (1489) wordt in hoeveelheden roeden en voeten aangegeven hoe groot ieders bezit was. Op dat moment waren er nog maar tien hoeven in Spoolde, in 1626 gaat het over vijftien hoeven.
Zorgvuldig worden belangen van iedereen vastgelegd: ‘Ganzen en eenden die in ’t land van andere luyden komen mag men doodslaan!’. Heel vaak gaat het over zaken als het onderhoud van de IJsseldijk en kribben, het hakken en verkopen van hout, het onderhoud van sloten, wegen en dui­kers, maar ook wel over het recht op visserij.
In de hierna volgende stukken komt de rol van het markebestuur verschillende keren naar voren.
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg
Eeuwenlang stond midden in de zogenaamde Spoolder polder, gelegen tussen het Mercure hotel en de Nilantsweg, boerderij de Hertsenberg. Met de sloop van de boerderij in 1997, werd er ook een stuk geschiedenis afgesloten.
Van oudsher lag de gemeente Zwollerkerspel als een ring om de stad Zwolle. De invloed van de stad was groot. Aanvankelijk was de kerk eigenaar van de omliggende gronden van de stad, later waren het de adel en rijke burgers uit de stad die landerijen en huizen bezaten in het kerspel.
Vaak werd er op hun bezittingen een zogehe­ten spieker gebouwd, doorgaans niet veel meer dan een voorraadschuur. Meestal werd die in de loop van de tijd uitgebouwd tot een bewoonbaar pand, waarna het een buitenplaats werd. Veel moet men zich aanvankelijk nog niet voorstellen van het woongenot. De huizen werden meestal alleen ’s zomers bewoond, ’s winters trokken de bewoners naar de comfortabele binnenstad. Dit zal ook het geval geweest zijn met de Hertsenberg.
Benedictus van Hertenbergh
De naam Benedictus van Hertenbergh is gekop­peld aan het huis dat eeuwenlang midden in de Spoolder polder lag. Benedictus had een smederij in de Voorstraat op nummer 43, waar vooral spel­den werden gesmeed.
In 1690 duikt de naam Hertsenberg voor het eerst in de archieven op. Benedictus zat toen ken­nelijk in geldnood en leende van een zekere Arent van Brevoort honderd caroli guldens. Hij gaf hier­voor zijn huis en akkers genaamd ‘den Herten­berg’, gelegen in Spoolde, in onderpand.
Uit de registers kunnen we opmaken wat hopman Abraham van Sonsbeek (kapitein in het leger) zoal in bezit kreeg toen hij het in 1789 erfde:
– een caterstede (keuterboerderij) den Hertsen­berg* met daarbij gelegen weide en plantsoen, benevens twee en een halve koeweyde op de Spoolder Weerd;
– de weydekamp genaamt het Lange campjen, groot 1 morgen** mede gelegen in Spoolde;
– de weydecamp genaamt den Boomgaard groot ½ morgen mede gelegen in Spoolde;
– het hooycampje genaamt het Laage campje groot ½ morgen mede in Spoolde gelegen;
– een Hagentje genaamt Uilengaren groot ¼ mor­gen meede in Spoolde gelegen.
Verder nog wat akkertjes bouwland, die zowel in Spoolde als in Westenholte lagen.
Het huis bleef een aantal jaren in handen van Van Sonsbeek, hoewel ook hij weer geld leende en daarbij de buitenplaats in onderpand gaf. In die tijd moet er ook een nieuw gebouw bijgezet zijn, want in het huis dat de familie Zieleman later jaren lang zou bewonen, is een eerste steen gemet­seld met het jaartal 1818.
Van kamerbewoner tot eigenaar
In 1832 komen de eerste kadasterkaarten. We krijgen dan een beeld van wat er zoal aan opstallen in Spoolde staat. Het gebied van de Hertsenberg strekte zich toen uit vanaf de Beukenallee tot aan de IJssel.
Naast de oorspronkelijke spieker, die tot caterstede uitgebouwd was, zien we het (nieuwe) gebouw dat uit 1818 dateerde. Er was toen al weer een andere eigenaar, Franciscus Clement Tine­ken. Tineken woonde er zelf niet, hij verhuurde kamers. Eén daarvan werd bewoond door tim­merman H. van Zwolle, die de opdracht kreeg maar liefst 97 zware bomen (eiken en linden) die op dat moment op de buitenplaats Hertsenberg stonden, te verkopen. In 1840 overleed Tineken, waarna de Hertsenberg opnieuw verkocht werd. Uit een advertentie in de Zwolse Courant uit 1841 blijkt dat er sprake was van twee gebouwen, een huis en een caterstede met lanen, tuin en plan­tagien en zelfs een duiventil. De oorspronkelijke caterstede had intussen zijn beste tijd gehad en was vrijwel een bouwval. Fortuin, de nieuwe eige­naar, liet het in 1849 afbreken.
Ook nu weer bewoonde de eigenaar niet de buitenplaats maar verhuurde een kamer, aan­vankelijk aan ene Jacob van den Berg en later aan Gerrit Willem Zieleman. Wijnkoper Nicolaas Pruimers was tussen 1852 en 1860 eigenaar van de Hertsenberg. Hij was bang dat het verblijf ver­loederde als het niet regelmatig bewoond werd en deed daarom zijn uiterste best om Zwolse families voor ‘een gezond’ verblijf naar zijn buitentje te lokken. Hij plaatste hiervoor kleine advertenties in de Zwolse Courant. Uit de advertenties blijkt dat er sprake was van meerdere kamers, waarvan één nog steeds werd bewoond door Gerrit Willem Zieleman. Op de kadasterkaart van 1880 valt te zien dat er intussen ook een boerenschuur naast gezet was. Bovendien valt er uit op te maken dat het huidige Hertsenbergpad al een duidelijke voorganger had. Zowel vanaf de Meenteweg als vanaf de Beukenallee was er een toegangsweg naar de boerderij.
Na de Franse tijd ontstonden er andere ideeën over het nut van de markegenootschappen, deze zouden moderne ontwikkelingen te veel in de weg staan. Vooral in Oost-Nederland werd toen veel ‘gemene’ grond aan particulieren verkocht. Ook in Spoolde gebeurde dit tussen 1837 en 1847. Een deel van de vrijkomende grond werd door boeren gekocht, het overgrote deel kwam echter in han­den van rijke particulieren.
Zo kocht Eusebius Alexander Buisman in 1875 een flink deel van het grondgebied van de Hertsenberg om daar zijn villa de Vijverberg te laten bouwen. Ook het ZAC-terrein (nu Kater­veerpark) werd op een voormalig stuk grond van de Hertsenberg aangelegd.
In 1910 kreeg Gerrit Willem Zieleman de kans om van huurder, eigenaar te worden. Vanaf dat moment tot het midden van de jaren negentig van de twintigste eeuw zou de naam Zieleman gekop­peld blijven aan de Hertsenberg. Geen wonder dat in Spoolde het begrip ‘Zielemanpaadje’ gemakke­lijker in de mond lag dan Hertsenbergpad.
Zoon Jan, getrouwd met Geertruida van de Wetering, werd in 1918 zijn opvolger. Het echt­paar kreeg vijf kinderen. Het weggetje naar de Nilantsweg kreeg voor hen een bijzondere beteke­nis, want maar liefst drie kinderen haalden hun geliefde uit dat stukje Spoolde. Zoon Gerrit Wil­lem (geb. 1922) bleef op de boerderij achter en zette het bedrijf voort.
Gerrit Willem (Gait) Zieleman
Oud-Spooldenaar Wolter Groeneveld groeide op in één van de afgebroken punthuisjes aan de Nilantsweg, die plaats moesten maken voor de aanleg van de A28. Hij schreef, in een terugblik op zijn leven, over herinneringen aan de Hertsenberg en de familie Zieleman. Hij was ongeveer van dezelfde leeftijd als de toekomstige boer Gait. Hij verhaalt over de eindfase van de Tweede Wereld­oorlog, toen de IJssellinie aangelegd werd en de Duitsers jonge Nederlanders verplichtten om zich te melden voor werk in Duitsland, de ‘Arbeitsein­satz’:
‘Wolter en Gerrit Zieleman zitten op dat moment in hetzelfde schuitje en lopen gevaar. Ze besluiten onder te duiken en buiten de greep van de bezetter te blijven. Overdag lukt dat het best door werkzaamheden te verrichten in en om de Hertsenbergboerderij. Het plukken van appels is daarbij een veelvoorkomende bezigheid. De grote boomgaard, met zijn grote hoeveelheid hoogstam-fruitbomen biedt een prachtige schuil­plaats. Je hebt een hoge ladder nodig om helemaal bovenin te komen. Van daaruit maken ze soms spannende dingen mee. Vaak zijn ze getuige van overvliegende geallieerde jachtvliegtuigen, die het gemunt hebben op station en treinwagons. Duits afweergeschut probeert deze vliegtuigen neer te halen, dus al met al levert dat nogal wat span­nende taferelen op.
Spoolde is in die tijd een belangrijke verde­digingslinie voor de Duitsers; er moet heel wat gegraven worden om de IJssellinie sterk te maken. Ook dat werk wordt gedaan met te werk gestelde Nederlanders, vooral Twentenaren, die dagelijks verplicht komen opdraven. Spitters of gravers worden ze genoemd, de benodigde schoppen en bijlen halen ze elke dag op bij de Hertsenberg waar ze ook ’s avonds weer ingeleverd worden. Wolter en Gerrit proberen te midden van dit alles zo min mogelijk op te vallen.’
Het echtpaar Gerrit en Gerrie Zieleman-Katten­berg kreeg zes kinderen, drie zoons en drie doch­ters. Een gesprek met zoons Dik en Jan in 2007 bracht de tijd weer terug:
‘De woonomgeving was in de jaren vijftig nog jarenlang dezelfde gebleven. Het grootste gedeelte van de grond om de boerderij was nog weiland, er lag ook nog een stuk weidegrond daar waar nu de testbaan van Scania ligt. Er was ook bouwland. Op de plek van het huidige hotel Mercure werd maïs verbouwd, waar nu de A28 ligt was nog een grote strook bouwland waar graan verbouwd werd.
Het boerenbedrijf was aanvankelijk nog niet gemoderniseerd. Twee paarden, een zwarte en een bles, verrichtten nog veel werk. Pas in de jaren zes­tig verscheen de eerste trekker en kwam je er meer vormen van mechanisatie tegen. Langzamerhand maakte het hooien plaats voor het inkuilen van gras.
In die jaren verscheen aan de horizon ook de hoog gelegen A28, duidelijk zichtbaar vanaf de boerderij, want bomen stonden er nog niet. De hoeveelheid verkeer stond in geen verhouding tot de verkeersdrukte van nu.
De veestapel bestond in hoofdzaak uit koeien. Ook in die tijd hadden boeren al met tegenslag te kampen. Vrijwel de hele koeienstapel moest geruimd worden toen in de jaren zestig mond- en klauwzeer uitbrak. Met de fruitteelt ging het ook niet goed meer en uiteindelijk werden de fruitbo­men vrijwel allemaal gekapt.’
Verkocht… gekocht… verkocht… gesloopt!
In het midden van de jaren zeventig werd de boer­derij verkocht aan de gemeente die dacht dat het gebied goed paste in haar uitbreidingsplannen. Door de bouw van het motel werd het boerenbe­staan er niet gemakkelijker op. Bovendien wilde geen van de kinderen het bedrijf voortzetten. Ger­rit besloot toen zijn koeien te verkopen en ging ‘buiten de deur’ werken. Stil zitten lag niet in zijn aard, hij was een doener. Dat leidde er toe dat hij het huis grondig ging verbouwen en het aanpaste aan de eisen van de tijd. Ook werd besloten om een gedeelte van het huis te verhuren.
Op een gegeven moment had Gerrit zoveel tijd, geld en energie in het huis geïnvesteerd, dat hij spijt kreeg van de verkoop en het tegen dezelf­de prijs probeerde terug te kopen. De gemeente ging er mee akkoord, maar stelde als voorwaarde dat zij bij verkoop het voorkeursrecht verkreeg.
Leeftijd, gezondheidstoestand, maar ook de staat van het huis leidden uiteindelijk opnieuw tot de verkoop van het huis. Midden jaren negentig verhuisden Gerrit Zieleman en zijn vrouw naar de Stinsweg in Westenholte, waar ze enkele jaren later overleden.
De gemeente zag geen enkele reden om de boerderij met opstallen in stand te houden: ‘dat zou alleen maar geld kosten!’. In 1997 werd boer­derij ‘de Hertsenberg’ gesloopt en is het pand met een lange historie voorgoed verdwenen.
* De oorspronkelijke naam Hertenbergh is veranderd in Hertsenberg.
** Een morgen is een oude landmaat, waaronder verstaan werd de hoeveelheid land die men op een morgen zou kunnen ploegen. Dat kon per plaats en gebied nog al uiteen lopen.
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’
Jarenlang was er ook sprake van een Klein Hertsen­berg. Het stond op de plaats waar de Nilantsweg een bocht maakt, nu Nilantsweg 89, en waar een weg­getje afbuigt naar de dijk. Het weggetje is er nog en werd ooit de Zwarte Weg genoemd.
Toen hopman Abraham van Sonsbeek in 1789 eigenaar werd van Groot Hertsenberg, kwam hij ook in bezit van Klein Hertsenberg, dat bestond uit twee catersteden, keuterboerderijtjes. De boer­derijtjes werden meestal bewoond door mensen die werkzaam waren voor de marke Spoolde, vooral weerdmeesters. In het bevolkingsregister van 1741 staat dat aan de ene kant timmerman Arend Wijnkoop woonde, met naast hem Lam­bertus Reinders en zijn vrouw Willemina.
Lambertus was weerdmeester van de marke en moest toezicht houden op alles op en om de dijken. Hij speelde een belangrijke rol in een door markerigter Nilant in het markeboek beschreven vete tussen de buurtschap Spoolde en het Gel­derse Ierst (zie pagina 106).
Van twee katersteden naar drie huizen onder
één dak
Toen in 1832 de eerste kadasterkaarten versche­nen, vielen daarop duidelijk de twee huizen van Klein Hertsenberg te herkennen. Op den duur werd Klein Hertsenberg losgeweekt van zijn grote broer, ook al kwam het ook nu weer in handen van gegoede families.
Zo werd mr. J.M. van Rhijn in 1841 als eige­naar genoemd. Hij was getrouwd met Elisabeth Nilant, dochter van burgemeester Nilant, die op dat moment in het vlakbij gelegen IJsselvliet woonde.
Bij de volkstelling van 1860 kwam Klein Hert­senberg opnieuw in beeld. In één van de huizen woonde toen de weduwe Halfwerk. Kennelijk had zij enige tijd later het huis kunnen kopen, want in de Zwolse Courant van 1883 staat een advertentie waarin zij als eigenares een katerstede, genaamd Klein Hertsenberg, te koop aanbood, bestaande uit huis, schuur, bakhuisje en tuingrond, groot vijf are.
Er moet na die tijd een ingrijpende verande­ring hebben plaats gevonden. Uit een advertentie van 1888 blijkt dat baron De Vos van Steenwijk op dat moment eigenaar was en zijn bezit wilde ver­kopen. Het ging om de verkoop van drie huizen onder één dak met bouwland, groot 21 roeden,
24 ellen. Uit de advertentie valt verder op te maken dat de drie huizen enkele jaren daarvoor gebouwd waren en dat twee ervan verhuurd waren voor ‘elk ƒ 1,40 per week’. Waarom de oorspronkelijke huizen verdwenen zijn is niet bekend. Deze huizen mogen dan verdwenen zijn, de naam Klein Hertsenberg bleef bestaan. Ook in 1922 dook die naam nog op toen een zekere Bredewout zijn bezit te koop aanbood als ‘war­moezerij Klein Hertsenberg’. Het ging om een ‘boerenhuis, met schuren, hooiberg, steltenberg en tuingrond’. De naam warmoezerij duidt op goede tuingrond. Kennelijk kon de groente in de luwte van de dijk goed gedijen.
Ook na de oorlog, in de jaren vijftig, werd op die plek nog volop groente geteeld. In die tijd woonde groenteteler Piet Kluin in het middelste huisje. Het was weliswaar een klein huisje, maar hij had wel de beschikking over alle achter het perceel gelegen tuingrond. Zijn zelfteelt was niet voldoende voor zijn handel. Dagelijks moest hij naar de veiling om het assortiment aan te vullen. Op de bakfiets trok hij de wijk in om zijn groente uit te venten.
Van sloop naar nieuwbouw
Veel oudere Spooldenaren zullen zich de drie huisjes met hun diverse bewoners nog herinne­ren. Erg comfortabel wonen was het er niet. De huisjes waren vochtig en het woei er soms dwars door heen, de slaapkamers op zolder lagen direct onder de pannen. Uiteindelijk zijn ze in 1969 onbewoonbaar verklaard en geveild.
Joop Stoffer werd toen de nieuwe eigenaar voor een bedrag van 24.000 gulden. Hij wilde de optrekjes slopen en er één nieuw pand voor in de plaats zetten. Het duurde nog wel even voor hij daarvoor toestemming kreeg, maar in 1974 kwam de vergunning af. Voor de nummers 85, 87 en 89 mocht één huis terugkeren: Nilantsweg 89.
Uit de oude bouwtekening kunnen we nog enigs­zins het beeld van vroeger terugvinden. De nieu­we eigenaar nam zelf de sloop en bouw ter hand en kwam daarbij wel voor verassingen te staan. De wanden van één van de huisjes waren met leem aangesmeerd, geen wonder dat er een vochtpro­bleem was. Eén huisje had een zijkamer waar nog heel veel gereedschap van een klompenmaker lag. De vondst duidt wellicht op een vroegere klom­penmakerij. Elk huisje had een schoorsteen en het wemelde er nog van de bedsteden. Bij één van de huisjes zat zelfs een waterput in de kamer.
In de achtertuin kwam hij ook een grote waterput tegen. Joop groef hem uit en maakte hem schoon. Dat leverde vooral veel stukken porselein op. Hij lijmde de stukken zo goed en zo kwaad als het kon aan elkaar, maar niet met de juiste lijm. Het museum aan de Melkmarkt had daarom geen belangstelling voor zijn bodem­vondst. Dat lag anders met een gevonden Zeeuwse spreukschaal. Na deskundige restauratie werd die in de museumcollectie opgenomen. De schaal draagt ook nog een spreuk: ‘Luiheid wordt beloond met armoede’.
Bij de sloop van het huis bleek ook dat het dak nog steeds gedragen werd door dennenstammen. Na de afbraak is rondom de bestaande fundering een nieuwe gemaakt, een zogenaamde schort. Bij het metselen van deze nieuwe fundering ontdekte men dat de oorspronkelijke fundering verder doorliep, want er kwamen fundamenten van een boerderij te voorschijn. Misschien is het vroegere Klein Hertsenberg toch groter geweest dan het latere en zijn de drie huisjes op een deel van het oorspronkelijke Klein Hertsenberg neergezet.
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’
Eeuwen geleden lagen er in de IJssel, niet ver van het Katerveer, een paar eilandjes, eigenlijk een paar zandplaten. Eén daarvan werd, vanwege zijn vorm, ook wel ‘frikadelleneiland’ genoemd, al werd er ook wel over ‘Twiegwelle’ gesproken. Er groeide daar nogal wat twijg, in die dagen van groot belang voor het verstevigen van de dijken. Terwijl men in Spoolde dacht dat de eilandjes hen toebehoorden, dachten ze daar aan de overkant, in Ierst*, anders over. Dat leidde uiteindelijk tot een stevige vete tus­sen beide rivalen.
IJsselvliet
Wim Huijsmans heeft in 1993 in het Zwols Histo­risch Tijdschrift uitgebreid geschreven over het in 1870 afgebroken landgoed ‘IJsselvliet’. Het werd al in 1647 genoemd en was toen in het bezit van de Zwolse burgemeester Arnoldus Greven. Het land­goed lag vlak bij de IJssel en omvatte een gebied dat ongeveer vanaf de huidige Katerveersluizen liep in de richting van het Zwolle-IJsselkanaal ter hoogte van Nilantsweg 47. Ook aan de overkant van de Nilantsweg lagen nog de nodige bezittin­gen. Door vererving kwam het landgoed in bezit van Lucas Nilant, die ook een aantal keren marke­richter was. In die hoedanigheid hield hij het mar­keboek bij waarin hij een gebeurtenis beschreef, die tot het volgende verhaal bewerkt is.
Ongenode gasten
Het was november 1757. Weerdmeester Lam­bertus Reinders ging ’s ochtends bijtijds van huis om zijn dagelijkse werk te doen. Zijn eerste gang was naar de dijk, want hij had bemoeienis met alle werkzaamheden op en rond de dijk. Het was maar een klein eindje lopen want zijn huis stond niet ver van de dijk af, hij woonde al jaren met vrouw en kinderen in Klein Hertsenberg.
Juist toen hij de dijk opgeklommen was viel hem iets ongewoons op. Op het ‘frikadellenei­landje’ in de IJssel waren twee mannen bezig twijg te snijden en zo te zien waren het geen Spooldena­ren. Nee het waren lui van de overkant, uit Ierst.
Lambertus liet dat niet over zijn kant gaan. Had Spoolde immers niet het eigendomsrecht over dat eilandje? Hij regelde bij buurtgenoot Cooyman een boot, charterde twee mannen en roeide naar het eilandje toe. De twee mannen uit Ierst hadden niets in de gaten en gingen rustig door met het snijden van twijg. Ook merkten ze niet dat Lambertus en zijn mannen hun schuit inpikten en daarmee naar de Spoolder kant terug voeren.
Eenmaal terug bracht Lambertus verslag uit bij markerigter Nilant. Op diens advies stopten ze de boot goed weg in de sloot bij een boer, iets ver­derop; voor alle zekerheid hadden ze de riemen er ook uit gehaald. Toch was die boot in februari van het jaar daarop al weer in Ierst terug. De Ierstena­ren kozen daarvoor het juiste moment, want hun actie vond plaats op het moment dat de Spoolder boerenjongens hun vastenavondfeest vierden in de Moriaen, een herberg onderaan de Spoolder­berg.
Spoolde in actie en zegeviert
Toen markerigter Nilant in het daarop volgend najaar vanuit zijn raam naar buiten keek, kon hij zijn ogen bijna niet geloven. In de verte, op het frikadelleneiland, zag hij een hele horde, onbe­kende mannen twijg snijden. Met volle vrachten vertrokken ze naar de Gelderse kant.
Nilant wist wat hem te doen stond. Hij wist een dertiental boeren zo ver te krijgen dat ze met een geleende boot van veerman De Leeuw ook naar het twijgeiland voeren.
‘Probeer zoveel mogelijk twijg te snijden als je kunt’, voegde hij de mannen toe, ‘maar denk er aan, er wordt geen geweld gebruikt en gescholden wordt er evenmin; mocht het zo zijn dat je over­meesterd wordt en ze vragen je wie jullie gestuurd heeft, dan zeg je: de Heeren erfgenamen van Spoolde!’
Toen de Spooldenaren in de middag vertrok­ken, zagen ze al gauw dat de lui van Ierst met z’n veertienen waren. Eén man meer schrok hen niet af en aangekomen op het eiland begonnen ook zij hun twijg te snijden. Zwijgend deden beide par­tijen hun werk.
Markerigter Nilant sloeg vanuit zijn landhuis met de verrekijker het schouwspel gade. Hij zag twee mannen van Ierst wegvaren, terwijl de schuit nog maar halfvol lag met twijg. Dat leek hem niet helemaal pluis, zeker niet toen hij één van de Iers­tenaren, eenmaal aan wal beland, ‘met gezwinde pas’ naar Huize Ierst zag rennen. Dat leek hem geen zuivere koffie. Gauw stuurde Nilant iemand naar het eiland om zijn mensen te waarschuwen op hun hoede te zijn. Nilant maakte zich niet ten onrechte ongerust, want het duurde niet lang of hij zag vanuit Ierst vier mannen naar het eilandje varen. Erger nog, twee van hen hadden een gela­den snaphaan (geweer) bij zich. Bij het eilandje gekomen losten ze zelfs een paar schoten in de lucht, kennelijk wilden ze de tegenpartij intimide­ren. Tevergeefs, onverstoorbaar bleven de Spool­denaren hun twijg snijden. Er werd nog een paar keer geschoten. Ook aan de vaste wal hadden ze nu in de gaten dat er iets aan de hand moest zijn. Boven aan de dijk sloeg Papen Hendrik met een zekere ongerustheid het schouwspel gade, zelfs de meid kwam op het lawaai af. Er vielen verder geen schoten meer. Wel gingen beide partijen gewoon door met twijg snijden. Het was al laat toen de Spooldenaren met grote bossen twijg aan de wal terugkeerden.
De volgende dag wilden ze weer gaan, maar zware regen stond dat in de weg. De Ierstenaren waren er wel, maar niet voor lang, ook zij moesten buigen voor de regen. De heer van Ierst scheen ook even langs geweest te zijn en hij had zijn men­sen gevraagd of er gisteren ook ‘van die donders bij waren die destijds de schuit weggehaald had­den?’. Nou die waren er zeker bij geweest!
Nilant was nog niet helemaal tevreden en kwam met een nieuwe actie. Hij vroeg de boeren of ze de maandag daarop ieder met twee man wilden komen om vervolgens met z’n allen, met de schuit van veerman De Leeuw, af te varen naar het andere eiland, de Grote Welle. Met maar liefst 23 mensen gingen ze op pad. Er was die dag geen Ierstenaar te bekennen. Aan het eind van de dag keerden ze met een enorme hoeveelheid twijg terug. De bossen twijg werden opgeslagen in de ‘Bourenhof’ bij IJsselvliet. Het zou later gebruikt worden voor versterking van het lange hoofd aan de IJssel.
De strijd leek beslecht. Ierst had zich kennelijk gewonnen gegeven. Spoolde ging er vanuit dat het eigendomsrecht over de eilandjes sindsdien defi­nitief aan hen toebehoorde.
* Aan de Gelderse kant tegenover Spoolde lag ooit het kasteel Ierst. Begin negentiende eeuw werd op de plek van het vervallen kasteel boerderij de Ierst gebouwd. De naam Iersterweg herinnert ons ook nog aan het vroegere kasteel.
Erve de Venus
Wie de stad Zwolle, komend vanaf de oude IJssel­brug, binnenrijdt, ziet al gauw een gebouw opdoe­men dat je niet direct de benaming Venus zou geven. Zo mooi is het verzorgingshuis, architectonisch gezien, nou ook weer niet. Als we weten dat Venus de godin van de liefde voorstelt en vaak als symbool van de eeuwige schoonheid gezien wordt, kan men zich afvragen waarom ooit voor deze naam gekozen is. De naam heeft echter alles met de geschiedenis van het pand te maken.
‘Van de Vene’s hoeve?’
Rond de Middeleeuwen was de bebouwing in Spoolde nog heel beperkt. Alleen op de hoger gelegen gronden kon men zich veilig vestigen: op de rivierduinen langs de Meenteweg en gedeelte­lijk van de huidige Nilantsweg. En natuurlijk ook op en langs de in die tijd nog aanzienlijke Spool­derberg met z’n zich redelijk ver uitstrekkende uitlopers. De nederzettingen waren aanvankelijk in bezit van de kerk, voornamelijk van het Bethle­hemklooster, maar later ook van mensen van adel en uit de gegoede burgerij. Grootgrondbezit bleek een goede manier van geld beleggen te zijn.
In het markeboek van 1489 staat vermeld dat een zekere mevrouw Van de Vene een hoeve bezat. Er wordt wel beweerd dat de benaming ‘Van de Vene’s hoeve’ tot de verbastering ‘De Venus’ heeft geleid. Het blijft slechts gissen.
De ‘Venusredoute’
Duikend in de markeboeken stuiten we in 1647 op ‘Erve de Venus’. Een zekere Nicolaes van Hemich en Elsemien Waeckmans kwamen op dat moment in het bezit van erve en goed ‘De Venus’.
De Tachtigjarige Oorlog was toen bijna afge­lopen (1648). Het gebied waarin de Venus lag maakte deel uit van een verdedigingslinie, aan­gelegd op aandringen van prins Maurits om een opmars van de Spanjaarden naar de Noordelijke Nederlanden te verhinderen.
De linie, die aanvankelijk in een rechte lijn liep van het toenmalige Katerveer naar de stad Zwolle, had drie versterkingen: de Katerschans (bij de IJssel aan het Katerveer), de Bergschans (bij de Spoolderberg) en de Luurderschans, op de plaats van de huidige fietstunnel onder het spoor bij de Nieuwe Veerallee. Later werd er een schans over de IJsseldijk, in de richting van het huidige Engelse Werk, bijgebouwd die de naam Nieuwe Schans kreeg. Deze moest vooral de zwakke plek in de verdedigingslinie ‘afdekken’.
Jarenlang werd de linie verwaarloosd. Mensen uit de buurt stalen zelfs zand en stenen van de ver­dedigingswerken. In het rampjaar 1672 (de Repu­bliek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bis­dommen van Munster en Keulen) kwam hen dat duur te staan. Dat vroeg om maatregelen. Menno van Coehoorn (1641-1704), de bekende vesting­bouwer, maakte plannen om de Zwolse linie te verbeteren en vooral om de Nieuwe Schans ingrij­pend te moderniseren. De Nieuwe Schans op de IJsseldijk moest wijken voor een zogenaamd dub­bel hoornwerk met daarnaast een drietal nieuwe redoutes. Dat waren wat kleinere schansen met alleen uitstekende hoeken. Eén van die redoutes kreeg de naam Venusredoute. Het kan haast niet anders of die naam is gekozen vanwege de in de nabijheid gelegen Venushoeve.
Na het overlijden van zijn vrouw trouwde Nicolaes van Hemich in 1654 opnieuw. Uit de beschrijving van de erfenis bleek dat er sprake was van een huis en een erve, niet ongebruikelijk in die tijd. Enerzijds een soort van buitentje met daaraan verbonden een katerstede (keuterboerderij), waar de meier (de pachter) op woonde. Hij zorgde voor onderhoud en inkomsten, terwijl de eigenaar, doorgaans ’s zomers, op z’n buitentje kon vertoe­ven. Meestal ging het bezit door vererving over in andere handen. Soms werd maar een deel van het bezit geërfd, zoals in 1733 toen een zekere majoor Goris Rouse tweederde deel kreeg. Enkele jaren later werd het bezit opgedeeld in de helft voor de weduwe Rouse en de andere helft voor een zekere Walraven.
Toch waren het nog steeds vooraanstaande families, zoals Rouse en Walraven, uit de stad Zwolle die erf en goed in bezit hadden. Zo stamde Rouse uit een familie van officieren en Zwolse regenten en behoorde de familie Walraven ook tot de notabelen.
Uit de archieven komen we meer te weten over de eigenaren dan over de bewoners van ‘Erve de Venus’. De markeboeken moeten ons inzicht geven over hun bewoners, Gerrits bijvoorbeeld. Rondom hem speelde zich in de achttiende eeuw een merkwaardige affaire af.
Optocht met koeien
Het markebestuur, dat bestond uit mensen die huizen en/of landerijen in de buurtschap bezaten, zag er streng op toe dat men zich aan de regels hield en dat betalingen door de meiers voor gebruik van gronden op tijd plaatsvonden. Zo was Spooldenaar Gerrit Gerrits volgens hen jarenlang in gebreke gebleven. Hij had gebruik gemaakt van de weilanden in de Spoolderenk, maar er drie jaar lang niet voor betaald. In 1728 nam het bestuur maatregelen en schakelde de ‘gerichtsdienaar’ in.
Zo zien we op een gegeven moment niet min­der dan vijf mannen met vier koeien vanuit de Spoolderenk door de buurtschap trekken. Twee markeknechten, aangevuld met enkele extra krachten, moesten de klus klaren. Het waren de koeien van Gerrit Gerrits die op de Venus woon­de. Gerrit was stomverbaasd toen hij de stoet zag aankomen, hij was zich van geen kwaad bewust. Er moest een misverstand in het spel zijn. Dat was inderdaad het geval, want zijn vrouw Geesje was eerder getrouwd geweest, ook met een Gerrit Ger­rits, die inmiddels overleden was. Dat was degene die zijn verplichtingen niet was nagekomen. Het markebestuur moest uiteindelijk bakzeil halen en moest zelfs in de buidel tasten, want de mannen die extra ingeschakeld waren presenteerden de rekening voor de geleverde assistentie: vier gulden en vier stuivers.
In boeren handen
In de Franse tijd constateerde men dat de verdedi­gingslinie onherstelbare gebreken vertoonde.
Herstel zou ontzettend veel geld kosten en dat geld was er niet. Bovendien hadden dergelijke ver­dedigingswerken geen militaire betekenis meer. Koning Lodewijk Napoleon gaf opdracht de ves­ting te slopen. In 1809 werd de verdedigingslinie al voor een deel ontmanteld.
Langzamerhand kwamen er ook meer erven in handen van de boeren zelf. Wat de Venus betreft was dat al het geval in 1778. Veerman Jan Meye­rink, getrouwd met Trijntje Zwakenberg, kreeg via de erfgenamen van Rouse en Walraven ‘Erve en Goed’ in handen. Als eigenaar van ‘de Venus’ behoorde hij nu ook tot het College van Erfge­namen waarmee het recht verkregen werd toe te treden tot het markebestuur.
Verschillende generaties Meyerink zijn vervol­gens eigenaar van de Venus geweest. Een Jan Mey­erink werd later zelfs markerigter, ondenkbaar in de eeuw daarvoor. Als voorzitter deed hij onder­meer het voorstel bij de toegang tot de Spoolder­berg een slagboom te plaatsen om te voorkomen dat iedereen er zomaar zand weghaalde.
Meyerink was niet de enige boer in het mar­kebestuur geweest. In 1842 werd ook W. Aalbers genoemd, die de boerderij aan de Nilantsweg (101) had gekocht van nazaten van Rhijnvis Feith.
‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop,
andere bestemming
In 1857 bood Jan Meyerink de ‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop aan. De advertentie in de Zwolse Courant geeft ons een aardig kijkje op aard en omvang van het erf. Er was sprake van twee gebouwen, een herenhuis en een boerenhuis. Het herenhuis stond tegen het boerenhuis aan, had ruime vertrekken, een kelder, keuken en zolder en was ‘geschikt voor zomer en winterverblijf’. Bovendien had het ‘fraaie uitzichten op de rivier den IJssel’. In een tussenzinnetje stond dat het herenhuis ‘voor weinige jaren geheel nieuw gebouwd’ was.
Of de boerderij in die tijd ook vernieuwd was staat nergens vermeld. Wel krijgen we de volgende informatie: het ‘zeer sterk en ruim gebouwd boe­renhuis’ heeft drie ruime vertrekken, twee water­vrije melkkelders en ‘een deele met stallingen voor paarden en koeyen’.
Het agrarische krijgt nog meer nadruk als we lezen dat er ook nog twee grote schuren bij horen met berging voor wagens, gereedschappen en stal­ling voor paarden en rundvee, met daarnaast nog een paar varkenshokken, twee hooibergen met daarbij behorende wei-, hooi- en bouwlanden, alsmede bos en tuingrond die zich her en der in Spoolde bevond, naast de Willemsvaart bij land­goed de Hertsenberg en in de Spoolderenk.
Buysman, de nieuwe eigenaar, had kennelijk ook andere bedoelingen met het pand. Zowel in 1870 als in 1875 vinden we advertenties in de Zwolse Courant waarbij gesproken wordt over uit­spanning de Venus. Er was muziek te horen en je kon er kijken naar het oplaten van ‘twee luchtbal­lons’, waarvan één groot ‘met een schuitje waarin zich twee personen zullen bevinden’. In 1890 werd op landgoed de Venus een zendingsfeest georganiseerd.
De uitspanning heeft zich waarschijnlijk in en rond het herenhuis afgespeeld, want er was nog steeds sprake van een boerenbedrijf wanneer de volgende eigenaar, H. van Ittersum, in beeld komt. Zelf woonde hij in het herenhuis, maar zijn boerderij ‘met de daarbij behorende landerijen, boomgaard en moestuin, groot 8 ha’, bood hij voor een periode van zes jaar te huur aan. Hij ging niet zo maar met iedereen in zee want hij wilde dat elke inschrijving vergezeld werd door ‘twee solide borgen’. Na het overlijden van Van Ittersum zette zijn vrouw de verhuur nog even door. Ze pro­beerde in haar advertentie gegadigden te lokken met de vermelding dat de Venus in de nabijheid lag van de nieuw te bouwen IJsselbrug (1930).
In 1927 bood ze het geheel te koop aan als een vruchtbaar boerenerf bestaande uit huis met schuur, tuin, vijver, arbeiderswoning, stelten­berg, alsmede bouw- en weiland, opgedeeld in de nodige percelen.
Toen verscheen de bij veel oud-Spooldenaren nog bekende Dries Tempelman op het toneel. Hij is de laatste in de lange reeks van eigenaren van Erve de Venus.
De nadagen van ‘de Venus’
De in Zalk geboren nieuwe eigenaar, Andrie (Dries) Tempelman, was aanvankelijk spoorweg­beambte en vervolgens jarenlang seinwachter. Na een ongeluk werd hij afgekeurd en ging hij verder als huizen- en landmakelaar.
Hij kocht in 1927 ‘de Venus’ met alle grond en opstallen. Het grondgebied strekte zich uit tot aan de dijk, het Engelse Werk, de bloemisterij van De Groot en liep aan de voorkant door tot aan de toekomstige Spoolderbergweg, die toen nog maar een klein weggetje was want de IJsselbrug met z’n ruime toegangsweg kwam pas twee jaar later tot stand. De familie ging wonen in het achterhuis, dat nog steeds een boerderijachtig aanzien had. Via een dubbele achterdeur kwam je van het ach­terhuis op de deel waar zich een pomp en ook een toilet bevond. Huisbaas Tempelman had kippen, konijnen en een geit. In de steltenberg lag nog hooi opgeslagen en rondom het hele huis ston­den vruchtbomen. Er was behoorlijk veel woon­ruimte. Dat mocht ook wel want het gezin telde uiteindelijk vijf kinderen, van wie alleen Annie en Andries nog in leven zijn. Zij kijken terug op een heerlijke jeugd. Er was veel vrijheid om te spelen rond het Engelse Werk maar ook aan de overkant bij de modelboerderij van Dubbeldam en niet te vergeten in de uiterwaarden. Het voorhuis, dat uit twee woongelegenheden bestond en met z’n front richting Spoolderbergweg wees, werd verhuurd en herbergde in de loop der jaren heel wat bewoners.
Het koetshuis
In de advertentie van 1927 werd het koetshuis al niet meer genoemd, de tijd van de koetshuizen was voorbij. Vaak werden ze omgebouwd tot garage voor de in opkomst zijnde auto, maar in dit geval was er een woninkje van gemaakt. Ook dat werd verhuurd. Mevrouw Walgien die toen nog Adri van den Bos heette, had daar voor de oorlog enkele jaren van haar jeugd doorgebracht. Haar vader, Piet van den Bos, afkomstig uit het Westland, was naar Zwolle gekomen omdat daar op een grote tuinderij geen werk meer voor hem was. ‘In Zwolle liggen wel mogelijkheden’, was hem verteld. Daar leerde hij z’n vrouw Jansje Schouten kennen. In 1932, toen ze inmiddels twee dochters hadden, huurden ze het arbeiderswo­ninkje van Dries Tempelman voor een bedrag van vijf gulden in de week, ‘best wel een hoog bedrag voor die tijd’. Het huis was klein, een kamer met een keuken maar met daarnaast wel een grote schuur. Hij verbouwde niet alle groente zelf maar kocht ook in. Dat betekende elke dag vroeg op het land en met z’n spullen naar de veiling aan de Deventerstraatweg. Daarna ging hij met paard en wagen, gemaakt door de bekende wagenmaker Van Weeghel, op stap om z’n handel uit te venten. Niet in de Veerallee, want dat was het domein van de Spoolder tuinder Mensink, maar vooral in de wijken Assendorp, Wipstrik en de Pierik. Doch­ter Adri mocht regelmatig proberen in Spoolde wat sinaasappels te verkopen: ‘als je met een gul­den thuis komt, krijg je een nieuwe band op de fiets’, had haar vader gezegd. De familie Van den Bos vertrok in 1938 naar Assendorp, omdat de gemeente Zwolle in die dagen een hogere uitke­ring gaf dan het toenmalige Zwollerkerspel.
De oorlogsjaren
In 1941 kwam er familie van Tempelman in het voormalige koetshuis te wonen, de familie Evert­sen. Moeder Evertsen moest oom tegen Andries Tempelman zeggen. Ongestoord kon de familie er niet wonen, want aan het eind van de oorlog moest ze naar Westenholte evacueren omdat hun huis in de vuurlinie lag. Oom en tante bleven wel achter.
De Duitsers hadden een hele verdedigingslinie langs de IJssel opgetrokken om met afweerge­schut de aanvallen van de geallieerden te kunnen weerstaan. Die hadden het vooral op de brug en het station gemunt. De IJsselbrug werd bewaakt door Duitse soldaten die ingekwartierd waren in de voorste woningen van de Venus, de oor­spronkelijke bewoners waren weggejaagd. Voor vader Tempelman werd de situatie lastig toen ze hem zochten voor de ‘Arbeitseinsatz’. Fanatieke NSB’ers waren soms op zoek naar Dries, die op dat moment ondergedoken zat in z’n eigen huis. Zoon Andries vertelde in 2009:
‘Wij kinderen noemden hem toen oom Dries. Hij stond altijd vroeg op en ging dan in de tuin werken. Op zekere dag kwamen ze toch huiszoe­king doen. Dries had zich verstopt in een schuur onder een grote berg hooi. Eén van de NSB’ers sloeg met de platte kant van een zeis op het hooi. Dries voelde het wel maar wist zich stil te houden. Zonder resultaat dropen ze af.’
Toch bleef de situatie gevaarlijk. Regelmatig probeerden de geallieerden de brug te bombarde­ren. Zo ook op de dag dat Andries met z’n vader in het Engelse Werk bezig was hout te kappen. Er kwam een bom terecht op de waterleiding. Andries werd door de luchtdruk weggeslagen en zag even later z’n vader tot z’n knieën in de mod­der staan. Zijn vader kon het maar weinig waarde­ren dat hij om de situatie moest lachen.
Aan het eind van de oorlog bleek dat veel Duitse soldaten, er waren hier vooral veel oudere manschappen, de oorlog behoorlijk beu waren. Ook zij verlangden naar het einde. Stiekem luis­terden ze soms mee naar de geheime Engelse zen­der. De radio was al die jaren goed verstopt geble­ven tussen de slaapkamervloer en het plafond van beneden.
Woonzorgcentrum ‘De Venus’
Na de oorlog keerden de vele huurders weer terug, de familie Evertsen in het Koetshuis en diverse andere huurders in de huizen aan de voorkant, waar nog steeds twee woongedeelten waren. In de tijd van de wederopbouw was de woningnood groot en elke woonruimte was welkom.
De tegenover de Venus wonende Henk Dub­beldam heeft veel bewoners zien komen en gaan. Dubbeldam herinnert zich nog de boomgaard met daaronder de vele aardbeienplantjes. Vooral de aardbeien werden liefdevol gekoesterd door Dries Tempelman, daar zat handel in. In de zomertijd zag je vader Dries met een tas vol aard­beien aan het stuur van de fiets naar de stad gaan op zoek naar een extraatje. Dries Tempelman, ook wel Rooie Dries genoemd was ook nauw betrok­ken bij het wel en wee van de IJsclub Spoolde. Hij was van alles tegelijk, baanveger, baancommis­saris, ijsmeester en waakte nauwkeurig over de betrouwbaarheid van het ijs op de vijvers van het Engelse Werk. Het was zijn zorg dat alles piekfijn voor elkaar was. Hij kon ook behoorlijk driftig worden en zich wild ergeren aan mensen die tij­dens het schaatsen hun toegangskaartje niet zicht­baar droegen.
In 1955 overleed Dries Tempelman. Rijdend op de Hattemerdijk op zijn Kapteyn Mobylette werd hij geraakt door een tegemoetkomende fietser. Hij viel met z’n hoofd zodanig tegen een geparkeerd staande auto dat hij in coma raakte en kort daarna overleed.
Wat daarna gebeurde valt moeilijk meer te achterhalen. Zoon Jan, die de nalatenschap regelde, leeft niet meer. Wel is bekend dat er lange tijd twee koks van hotel Wientjes hebben gewoond. Er gaan geruchten dat Frans Wientjes ooit deze plek op het oog had om een nieuwe locatie te bouwen, maar dat hij de vereiste vergunning niet kon krijgen.
In 1963 kwam het voormalige buitentje de Venus in handen van de ‘Stichting Doopsgezind Bejaardenhuis’, die heel andere bedoelingen had met het pand. Het gebouw werd gesloopt en er verrees een bejaardencentrum. In de loop van de tijd is het regelmatig verbouwd en is er organisa­torisch ook het nodige veranderd. Tegenwoordig spreken we van woonzorgcentrum ‘De Venus’ dat onder ‘Driezorg’ valt.
De Beukenallee
Bij een speurtocht naar de geschiedenis van een straat kom je soms tot verrassende ontdekkingen. Archieven en boeken staan je ten dienste om een tipje van de sluier van de vroegste geschiedenis op te lichten. Gesprekken met mensen die er soms al een levenlang gewoond hebben geven de jongste geschie­denis kleur. Een op het oog doodgewone straat, ooit een zandpad, kan zo tot leven komen.
‘Een vette gansch’
Neem nou de Beukenallee. Deze zijweg van de voormalige Veerallee dateert al vanaf 1736 en was toen niet veel meer dan een naamloze zandweg. De weg voerde naar het wat verder gelegen land­goed ‘Kortenberg’, dat op een smalle zandrichel lag en sinds 1868 Mariënheuvel heette.
Het naamloze zandpad stond een tijd later aangeduid als ‘Nieuwe Allee’, een weg met nog nauwelijks bebouwing, slechts hier en daar een boerenhoeve. Pas in 1949 kreeg het zijn defini­tieve naam, de Beukenallee. Die naam kwam niet zo maar uit de lucht vallen. Het vroegere zandpad werd jarenlang omzoomd door metershoge beu­ken.
Volgens de kadastrale kaart van 1832 stonden er in de Beukenallee, die toen nog Nieuwe Weg heette, maar twee huizen. Het verst van de Veer­weg af lag de woning van Hofman.
Op 26 december 1817 hadden de erfgenamen van Spoolde vergaderd over het verzoek van Hen­drik Hofman en zijn vrouw om hun een leven lang in gebruik te geven ‘een stukje grond om een huisje op te bouwen met zoveel land om te bebouwen als aangewezen’. Het verzoek werd goedgekeurd, maar het markebestuur liet ook duidelijk weten dat er wel wat beperkingen aan vast zaten. Zo moest na het overlijden van de echtelieden het huisje getaxeerd worden door twee onpartijdige perso­nen. De marke zou het dan kunnen overnemen, maar als men dat niet van plan was, konden de nazaten van Hofman verplicht worden het huisje af te breken. In dat geval zouden land en ondergrond weer volop eigendom van de marke worden.
Het is nooit zover gekomen, want de nazaten van Hofman kregen steeds de mogelijkheid de huur te prolongeren. Op een gegeven moment kon het pand zelfs gekocht worden. Erfgenamen en heemraden vonden het eenparig goed dat Hofman op eigen kosten een huisje zou bouwen, mits hij maar in de gaten hield dat ‘er voldoende ruimte achter de bomen bleef’. Over het huur­bedrag werd op dat moment nog niets vermeld, wel dat ‘de lasten die thans op de grond rusten voor rekening komen van Hofman en de vrouwe’. Bovendien moesten zij elk jaar op Sint Maarten (11 november) ‘een vette gansch’ aan de marke betalen. Dit laatste vanwege ‘recognitie’, als wijze van erkenning. Deze manier van betaling werd toegepast wanneer er gebruik gemaakt was van iets dat aan een ander, in dit geval de gemeen­schap, toebehoorde.
Het ging bij die extra ‘betaling’ niet altijd om een gans. We lezen ook dat een zekere Gerrit Kolthoorn zes hoenders moest aanreiken. Zelfs de stad Zwolle ontkwam niet aan een dergelijke wijze van betalen, want voor het gebruik van het land ‘Kostverloren’ dat toen naast de Spoolderberg lag, moest ze jaarlijks ook een ‘vette gansch’ leveren. Later kwam het markebestuur van Spoolde met het voors

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2009, Aflevering 4

Door | 2009, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Wim Huijsmans
Suikerhistorie

Snackcorner Norp. (Foto Jan van de Wetering)
Banketbakkerij / Tearoom A. Norp
In een nummer dat in het teken staat van de jarige Sassenpoort mag een suikerzakje met die poort erop natuurlijk niet ontbreken. Vlakbij de Sassen-poort aan de Burgemeester Van Roijensingel 24 is snackcorner Norp al ruim een halve eeuw geves­tigd. In dit pand, zo rond 1890 in neorenaissance stijl opgetrokken en voorzien van een tuitgevel, begon A. Norp op 1 januari 1952 een banketbak­kerszaak, kokerij en automatiek. Het pand was op een gunstig punt gelegen. Er was veel klandizie. In 1953 kon de zaak daarom al in een nieuw jasje gestoken worden. Drie jaar later breidde Norp zijn zaak verder uit. Hij kocht het naast gelegen pand (nr. 23). Daarin kwam een tearoom die in september 1956 werd geopend. De tearoom was volgens de krant smaakvol ingericht met modern meubilair. En men zat ‘uiteraard zeer dichtbij het gebak’.
Het fenomeen tearoom was voor Zwolle nieuw. De tearoom werd vooral door dames bezocht voor een lekker kopje thee en een heerlijk gebakje. Wim Sonneveld heeft de tearoom onsterfelijk gemaakt met zijn tragikomische Tearoom Tango, waarin hij bezingt hoe hij zich ‘belazerd’ voelt. Het lied eindigt met de onvergetelijke woorden: ‘Deze dame hier, ober, wil nou even alles afrekenen.’ Of Norp ook van deze gasten gehad heeft, vermeldt de historie niet.
Na het overlijden van Norp sr. in 1960 zette
A. Norp jr. het bedrijf voort. De tearoom annex lunchroom werd in 1972 opgeheven. De activitei­ten vonden van toen af aan alleen nog maar in nr. 24 plaats. Het bedrijf ging met zijn tijd mee. Norp is in Zwolle nog altijd een begrip. Zoals de Sas­senpoort om haar schoonheid wordt geroemd, zo worden de kroketten van snackcorner Norp wijd en zijd geroemd.

Redactioneel Inhoud

De Sassenpoort is, naast de Peperbus, nog altijd gezichtsbepalend voor Zwolle.
In 2009 werd het 600-jarig bestaan van deze enig overgebleven stadspoort herdacht. Jan van de Wetering beschrijft in dit nummer niet alleen de geschiedenis van de poort zelf, maar ook wat er zich zo al in en om de poort in de loop van de eeuwen heeft afgespeeld. In de tweede helft van de vijftiende eeuw heeft Wolf van Ittersum er ‘vrij­willig’ gevangen gezeten, en zo’n vijftig jaar later zat Karel van Gelre er vast. In de twintigste eeuw heeft het Rijksarchief Overijssel lang gebruikt gemaakt van de toen tochtige en stoffige ruimtes.
In het begin van de zeventiende eeuw werden nieuwe vestingwerken om de stad aangelegd. Er werd voor de toegang tot de Sassenpoort een zogenaamd hoornwerk aangelegd. Dit bestaat nu ongeveer vierhonderd jaar. Kees Canters, zelf woonachtig ‘aan het hoornwerk’, toont aan dat dit verdedigingswerk nog duidelijk terug te vin­den is in het stratenpatroon ter plaatse. Eén van de bekendste gelegenheden op het terrein van het voormalige hoornwerk is snackcorner Norp. Wim Huijsmans beschrijft de geschiedenis van dit bedrijf aan de hand van een suikerzakje waarop de Sassenpoort is afgebeeld.
Een ander jubileum, negentig jaar, wordt gevierd door de Groninger vereniging De Mol­leboon. Martin Werkman gaat vooral in op de vooroorlogse periode van deze vereniging, aan de hand van stukken die hij in de nalatenschap van zijn vader vond.
Frank Inklaar en Jan van de Wetering hebben historicus Wim Coster geïnterviewd van wege zijn proefschrift (2008) over mr. B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1807-1884). Deze Zwollenaar heeft veel betekend voor de emancipatie van het platte­land. Coster noemt hem dan ook treffend ‘Baron op klompen’.
Suikerhistorie Wim Huijsmans 142
600 jaar Sassenpoort Jan van de Wetering 144
Het hoornwerk van Zwolle Een merkwaardig verlopende straat en twee bijzondere voordeuren Kees Canters 158
Mollebonen en blauwvingers Groningers in Zwolle 1919-1940, een kleine geschiedenis van de Grönniger Verainen ‘De Molleboon’ Martin Werkman 167

Welvaart, welvaart

De inspanningen van een Zwolse baron op klompen
Frank Inklaar en Jan van de Wetering 174 Boekbesprekingen 178 Mededelingen 180 Auteurs 182
Omslag: De Sassenpoort gezien vanaf het Van Nahuijsplein, door Joan Willem Meijer, 1840-1929. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

600 jaar Sassenpoort

Jan van de Wetering Ruim honderd jaar geleden, op de Tweede Pinksterdag van 1905, kwamen de leden van het Zwolsch Vrijwilligerscorps terug van een tweedaagse fietstocht die hen helemaal

naar Duitsland had gevoerd. Een noviteit in die dagen, want fietsen was destijds lang niet voor iedereen weggelegd. Via Arnhem, over de Veluwe fietsten ze richting Zwolle. De Zwolse Courant vond het zo bijzonder dat er een volledig verslag van de tocht in de krant verscheen. Daaruit blijkt dat de blijdschap van de deelnemers over hun veilige terugkeer groot was. Op de IJsseldijk bij Hattem kregen ze Zwolle in zicht. En hun reactie op het zien van de stad is nu, honderd jaar later, voor veel Zwollenaren nog steeds herkenbaar. We lezen: ‘Zoodra wij te Hattem de Peperbus met het Olie- en Azijnstel wederom in het zicht kregen, ging er een luid hoera op, blij en dankbaar dat de tocht zo goed was verlopen, terwijl het toch slechts huurfietsen waren, waaraan de berijders niet gewend waren.’1
De Peperbus met het ‘Olie- en Azijnstel’. Ja, dat weet elke Zwollenaar: als je van verre de Peperbus ziet, ben je eigenlijk alweer in Zwolle. Zo heb ik het ook mijn dochters van kindsbeen af geleerd. Maar dat Olie- en Azijnstel, daar heeft niemand het meer over. Honderd jaar geleden wist iedere Zwollenaar dat daar de Sassenpoort mee werd bedoeld. Tot op de dag van vandaag geven men­sen markante gebouwen bijnamen. Zo heet in de volksmond de Martinitoren in Groningen ‘de Olle Grieze’ en de Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort ‘de Lange Jan’. Dat we die bijnaam voor de Sassenpoort zijn vergeten, heeft misschien te maken met het feit dat de poort in tegenstelling tot de Peperbus niet meer van verre zichtbaar is. Het Olie- en Azijnstel is verdwenen achter de in de afgelopen eeuw verrezen hogere gebouwen.
Maar markant is de Sassenpoort tot op de dag van vandaag. Dat kunnen we zelfs beschouwen als een kernfunctie van de poort in onze tijd: de Sas­senpoort is niet alleen gezichtsbepalend voor de directe omgeving, maar net als de Peperbus en de Grote Kerk voor de hele stad. Het zijn monumen­tale iconen. Laten we eerlijk zijn: onze moderne tijd is arm aan gebouwen met een zekere allure. Niet elk groot gebouw bezit die eigenschap: zo ken ik weinig Zwollenaren bij wie het hoge en massale ABN-gebouw warme gevoelens wakker maakt. Om markant te zijn, in positieve zin, moet er sprake zijn van wat de bekende kunsthistoricus Gombrich in zijn gelijknamige boek ‘Eeuwige schoonheid’ heeft genoemd. En om misverstanden te vermijden: dan hoeft het niet alleen om kunst- of bouwwerken uit lang vervlogen tijden te gaan.

Markantheid als kernfunctie dus. Maar eeu­wenlang had de Sassenpoort voor de Zwollenaren andere, belangrijker functies. Daarover gaat dit verhaal.

Wanneer is de Sassenpoort gebouwd?
We vieren dit jaar het 600-jarig bestaan van de Sassenpoort. Dat brengt ons bij het jaar 1409.
Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat échte zekerheid hierover niet bestaat. In verschillende publicaties staan dan ook even zoveel verschil­lende geboortejaren vermeld. De site van VVV Zwolle vermeldt bijvoorbeeld 1406, evenals het Architectenweb en de Geschiedenis van Zwolle van Thom. de Vries. De doorgaans goed geïnformeer­de W.A. Elberts noemt in zijn Historische wande­lingen in en om Zwolle 1408 als geboortejaar. Zelfs 1436 wordt in oude bronnen vermeld. De laatste geschiedschrijver van Zwolle, Jan ten Hove, noemt 1409, evenals De Zwolse canon. Tot dat jaar zijn namelijk bedragen voor de aankoop van stenen ten behoeve van de poort in de stadsreke­ningen te vinden, daarna niet meer. Hoe dan ook, zeker is dat de huidige Sassenpoort een voorloper heeft gehad, want er zijn documenten bekend uit de veertiende eeuw waarin de naam ‘Sassink­poort’ of andere verbasteringen al voorkomen.
Ook over de herkomst van de naam Sassen-poort blijft het bij speculaties. Die worden helder

De Sassenpoort vanaf het Van Nahuijsplein. Detail aquarel uit 1860 van Willem Hekking, 1825-1904. (Collectie HCO) Sassenpoort met rechts de molen op het Sas­senpoortenbolwerk (nu Van Nahuijsplein). Aquarel van Gerrit Grasdorp (1659-1716), rond 1700. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

op een rij gezet in het dertiendelige Aardrijkskun­dig Woordenboek der Nederlanden (1839-1851) van A.J. van der Aa. In dat boek laat hij geen vlek in Nederland onbesproken. Over de naam Sassen-poort schrijft hij:
‘De oorsprong van de naam der Sassenpoort is twijfelachtig. Oudstijds werd hij Sassingpoort of Sassinkpoort geschreven, zoo als men meent naar de oude Saksen of Sassen, die ook eenige tijd in deze landstreek gewoond hebben. Andere oudheidkundigen beweren, dat zij eertijds de Assendorperpoort of Assenpoort, naar het nabij­gelegen Assendorp genoemd werd, en de naam Assenpoort naar verloop van eenige eeuwen, in Sassenpoort veranderd is.’
Hoe het ook zij, tegenwoordig denken de meeste historici en naamkundigen dat de naam Sassenpoort van het woord ‘Saksen’ is afgeleid.

Waarom een poort?

De geschiedenis van de Sassenpoort begint bij de opkomst van de steden in de dertiende eeuw. In de vroege Middeleeuwen, pakweg van 600-1100, waren er geen steden in Nederland. De mensen woonden hoofdzakelijk in nederzettingen op het platteland en voorzagen in hun onderhoud door landbouw en visserij. Het toenemend belang van de handel trok allerlei ambachtslieden aan waar­door een eigen dynamiek ontstond op bepaalde geconcentreerde plaatsen. Die lagen dan vooral langs de handelsroutes, in onze streek langs de IJs­sel. Zo ontstonden de latere Hanzesteden Deven­ter, Kampen, Zutphen, Doesburg en ook Zwolle. Met de groei van de steden nam hun macht toe. Voor de bewoners was het wonen in een stad als Zwolle een soort bevrijding. Van horige boeren werden ze vrije poorters.
De landsheren uit die tijd, hier de bisschop van Utrecht, bevorderden zeer bewust steden­bouw. Ze hielden daarbij de touwtjes stevig in handen door onder voorwaarden stadsrechten te verlenen. Zwolle verkreeg het stadsrecht in 1230.

Dat bood grote voordelen: Zwolle kreeg een eigen bestuur, eigen rechtspraak en het privilege om versterkingen aan te leggen. De groei van de stad kon beginnen.
Was de opkomst van de stad in de dertiende eeuw een belangrijke ommekeer, het recht zich tegen de boze buitenwereld te beschermen hield een soort revolutie binnen die revolutie in. Want tot dusver waren met name de kastelen en burch­ten traditioneel de plek waar belangrijke militaire conflicten werden uitgevochten. Denk in Zwolle maar aan het voormalige kasteel Voorst, dat met enige regelmaat het middelpunt van regionale schermutselingen was. Pas met de val van het kas­teel in 1362 was de stad verlost van de permanente dreiging van de heren van Voorst.

De vestingstad Zwolle

Toen Zwolle stadsrechten kreeg, hield dat onder meer in dat de jonge stad zijn grondgebied mocht beschermen door de aanleg van grachten en muren. Dat was ook nodig, want naast roofrid­ders als die van Voorst, zwierf er volk rond dat je liever niet in je stad aantrof: afgedankte soldaten, stropende bendes en ander ongeregeld volk. Zo begon Zwolle zich langzaam te ontwikkelen als een echte vestingstad. Van die beginjaren is weinig bekend. Wel is bij Achter de Broeren een restant gevonden van een stenen stadsmuur van voor 1300. Dat was opmerkelijk omdat Zwolle toen nog in hoofdzaak een stad van hout was.
Na een alles verwoestende grote stadsbrand in 1324 stimuleerde Zwolle nog meer het bouwen in steen. De stad kocht bakstenen van steenbak­kerijen uit de directe omgeving: Kampen, Hat­tem, Harculo, Kathen, Zalk en Wilsum. Dat ging om enorme aantallen. In 1374 nam het Zwolse stadsbestuur het besluit om zes jaar lang jaarlijks
500.000 bakstenen aan de stadsmuur te besteden. Nog in 1411 leverde een steenbakkerij in Wilsum honderdduizend stenen aan Zwolle.
Zwolle had vermoedelijk al in de dertiende eeuw drie stadspoorten: de Diezerpoort, de Kamper-poort en de Sassenpoort (en een waterpoort: de Rodepoort). Hoe deze voorlopers van de latere poorten eruit zagen, weten we niet. Met de (ver­moedelijke) oplevering van ‘onze’ Sassenpoort in 1409 was de eerste fase van de fortificatie van Zwolle voltooid.
Zo komen we bij de oorspronkelijke functie van de Sassenpoort. Net als de andere twee stads­poorten had de Sassenpoort twee hoofdfuncties: de poort gaf toegang tot de stad, maar de poort maakte ook deel uit van de verdedigingswerken van de stad. Vanuit de hoogte van een poort kon je ongewenst bezoek van verre zien aankomen. Daarom kregen de poorten ook zware deuren en valhekken. Vóór de Sassenpoort lag nog een ver­dedigingslinie: een gracht met een ophaalbrug. De poorten werden bewaakt door een zogenoemde portier of door een wacht van poorters. De naam zegt het al. Bij donker werden de poorten geslo­ten. Dat was ’s zomers om negen uur ’s avonds, en ’s winters al om zeven uur. De bevolking werd vooraf gewaarschuwd door het luiden van de waakklok. Na sluiting trad de wacht aan en ging de nacht in. De sleutels moesten de poortwachters inleveren bij de magistraat.
De diepte van stadspoorten (8-10 meter) werd meestal bepaald door de lengte van een hooi­wagen. Die moest uit veiligheidsoverwegingen kunnen worden onderzocht voordat hij de stad werd binnengelaten. Het zou zo maar een Paard van Troje kunnen zijn. Ook de breedte van de poort was afhankelijk van die van de hooiwagens: voetgangers moesten niet het risico lopen geplet te worden door zo’n wagen. Het uiterlijk van de poorten was belangrijk: ze moesten allure uitstra­len. Veel poorten komen voor op de stadszegels van een stad. Niet in Zwolle, maar bijvoorbeeld wel in Kampen (de Koornmarktspoort).

Een vrijwillige gevangene
We weten niet precies wanneer, maar de Sas­senpoort moet al vroeg naast de functies van stadspoort en verdedigingswerk een derde functie hebben gekregen: die van gevangenis. Veel is daarover niet bekend, op één zeer opmerkelijke geschiedenis na.
Het begon allemaal in het jaar 1464. De Sas­senpoort was toen net een halve eeuw oud. Het waren de jaren van Zwolle’s Gouden Eeuw (1380­1480). De bouw van de Grote Kerk was zes jaar Maar dan nu die bijzondere geschiedenis, waarin de Sassenpoort een hoofdrol speelt. Voor een goed begrip van de gebeurtenissen is het van belang te weten dat Zwolle in die tijd onder het wereldlijk en geestelijk bestuur van de bisschop van Utrecht viel. Hij was de baas over het Sticht dat uit twee delen bestond, het Sticht Utrecht (vergelijkbaar met de tegenwoordige provincie) en het Oversticht, waar onder andere Salland onder viel. Sticht en Oversticht werden van elkaar gescheiden door het hertogdom Gelre (verge­lijkbaar met het tegenwoordige Gelderland). Dat leverde voortdurend conflicten op tussen de hertogen van Gelre aan de ene kant en de bisschop van Utrecht (en later de Habsburgse keizers) aan de andere kant.

Gevelbeeld Sassenpoort. eerder voltooid en bijna direct daarna waren de
(Foto Jan van de Wete- Zwollenaren begonnen met de bouw van de Onze
ring) Lieve Vrouwekerk. Het was ook de tijd van de
beroemde Latijnse school van Joan Cele, al leefde
die toen zelf al niet meer. De studenten zorgden
voor veel – soms ongewenste – levendigheid in
de stad. Ook in 1464. Daarover vertelt geschied­
schrijver Van Hattum in zijn Geschiedenissen der
stad Zwolle:
‘Ongemeen groot was nog, omtrent dese tyd,
de toeloop na Stads Schole, welke, volgens het
verhaal van sommige, toen door Adriaan Florens
Soon, in de volgende eeuw de Sesde Paus van
die naam geworden, betreden wierdt. Onder het
groot getal Studenten waren er verscheiden, van
een los en ongebonden leven, die veele baldadig­
heden bedreven. (…) Anderen liepen des nagts in
de herbergen en met lange messen over de straten,
en regteden vele moetwilligheden aan; so door het krakelen, als vegten met Stads inwoonders.’ 2
De situatie liep zo uit de hand, schrijft Van Hat-
Geromantiseerd portret tum, dat maatregelen geboden waren. Uiteinde-
van Wolf van Ittersum. lijk beval men dat: ‘(…) alle de Clerken en Studen-
De schildering bevindt ten die na de klokkeslag van 9 uur, in slegte Her-
zich in het vertrek in bergen, ofte op de straten met wapens gevonden
de Sassenpoort waarin wierden, ofte met iemand sloegen of vogten, door
Van Ittersum zeventien Stads dienaars vryelyk aangetast, en tot den ande­
jaar gevangen werd gehouden. (Foto Jan ren morgen in de gevangenisse gesmeten mogten worden (…)’.3 Die gevangenis zou wel eens de Sas-
van de Wetering) senpoort geweest kunnen zijn.

In 1464 ontstond een conflict binnen de bekende Zwolse familie Van Ittersum. De pater familias Johan van Ittersum overleed dat jaar en al snel ontstond ruzie over de verdeling van de erfe­nis tussen zijn zoon Wolf en diens zwager, Wolter van Keppel. Die zwager woonde in het hertogdom Gelre. Van Keppel lokte Wolf van Ittersum naar Deventer, zogenaamd om het conflict op te los­sen. Bij Olst werd Van Ittersum opgewacht door zijn zwager, die in gezelschap was van vijftien gewapende ruiters. De Gelderlanders trokken Van Ittersum van zijn paard, doodden twee van zijn knechten en voerden hem mee naar een slot in de buurt van Zutphen. Daar sloten ze hem op.

Dat was zeer tegen de zin van de Zwollena­ren, die sympathie voor de familie Van Ittersum hadden. Het stadsbestuur legde een boete op van twintig ponden aan iedereen die Van Keppel in
Op deze kaart zien we hoe het hertogdom Gelre lag ingeklemd tussen het Sticht en Oversticht. Het zorgde regelmatig voor grote conflicten tussen de hertog van Gelre en de bisschop van Utrecht, de landsheer van het Sticht en het Oversticht. (Uit de ‘Bosatlas van Nederland’, Groningen, 2007)

zijn huis toeliet. Maar daar liet Zwolle het niet bij. Het stadsbestuur schreef een brief aan de hertog van Gelre om hulp. Die was immers als landsheer van Gelre verantwoordelijk voor het gedrag van Van Keppel. Ze zetten de hertog van Gelre daarbij onder druk door te schrijven dat als hij zijn hulp niet verleende, Zwolle de bisschop van Utrecht zou informeren. De hertog van Gelre had geen zin in moeilijkheden en werd direct een stuk toeschie­telijker. Na een bijeenkomst van alle partijen kwa­men ze overeen dat de hertog van Gelre dringend aan Van Keppel zou verzoeken om Van Ittersum vrij te laten.
Van Keppel gehoorzaamde, maar niet zonder een wel zeer bijzondere list. Hij liet Van Ittersum op erewoord zweren dat deze zich direct weer in de boeien zou laten slaan zodra Van Keppel dat zou verzoeken of gebieden. Van Ittersum werd vrij gelaten en keerde vliegensvlug naar Zwolle terug. Daar werd het bericht over de afgeperste belofte al snel bekend. Nu was het de beurt aan de Zwollenaren om iets slims te bedenken. En dat deden ze:
Mezekouw van de Sas­senpoort. Door deze luiken konden de ver­dedigers van de stad pek of kokende olie op de vijand gooien. (Foto Jan van de Wetering)
‘Den raad (…) stelde een andere list in het werk, waar door [Van] Ittersum verhindert moest worden, om syn eed en woord van eere te volbrengen. Op de binnenste Sassenpoort wierdt Wolf van Ittersum, met syn vrouw en kinderen, gevangen geset. Om hem dese spiegelgevangenisse [= een soort schijngevangenis] te minder lastig te doen vallen, liet de Raad voor hem, boven de binnen syde van de Poorte een uitstek, of een soort van een Puye maken, waar na toe hy door een nieuw vervaardigde deur een toegang hadt. Hier door hadt hy gelegenheid om, nu en dan een frissche lugt te scheppen, en met de naburen, en de gene, die in en uit de poort traden, pratende de tyd te slyten. Gedurende verscheiden jaren bleef hij alhier sitten, en hy heeft ’er verscheiden kinde­ren by syn Ehegemalinne gewonnen gehadt.’ 4
Zo zat Van Ittersum voor zijn eigen bestwil vrijwillig gevangen in de Sassenpoort. Elke keer wanneer Van Keppel aan Van Ittersum door brie­ven of boden opdracht gaf zich weer in Gelre te laten opsluiten, antwoordde Van Ittersum naar eer en geweten dat hij zich best weer in dat hertog­dom gevangen wilde laten zetten, maar dat het stadsbestuur van Zwolle hem in de Sassenpoort gevangen hield. Maar de prijs was hoog: hij zou er zeventien jaar opgesloten blijven.

Merkwaardig is de nadruk die de oude bronnen leggen op de speciale ruimte waar Van Ittersum met Zwollenaren kon praten. Die ruimte was bijna tien meter boven de grond, zodat hij min of meer moest schreeuwen om verstaanbaar te zijn. Je kunt alleen maar speculeren waar die gesprek­ken dan over gingen. Behalve over koetjes en kalf­jes en de regelmatige gezinsuitbreidingen was er in die zeventien jaar gespreksstof genoeg. Dat leert ons de stadsgeschiedenis van Van Hattum weer. Een kleine greep uit de vele beschreven gebeurte­nissen: 1471: ‘Een felle Pest begon ter selfder tyd op het Berg-Clooster weder te heerschen, alwaar Thomas van Kempen, in syn twe-en-tnegentigste Jaar, (…) aan een waterzuchtigheid overleet.’ 1474: De Zwolse raad neemt een besluit op de badstoven in Zwolle. Badstoven waren ver­warmde ruimten waarin men onder toezicht van een stoofmeester een bad kon nemen. Mannen konden er op alle dagen terecht, vrouwen alleen op donderdag. Op overtreding van deze regel kon de stad een boete opleggen tot twintig pond per overtreding. 1478: De boekdrukkunst werd in Zwolle geïntro­duceerd. Het jaar daarop rolden in Zwolle al vier boeken van de pers. Er zouden er nog vele volgen. 1480: Drie jaar voor de vrijlating van Van Itter­sum was Zwolle zonder enig overleg met Kampen en Deventer verder gegaan met het graven van een kanaal van de IJssel naar de stad. Onze buursteden waren woest en riepen de bisschop van Utrecht erbij om de Zwollenaren te stoppen. Het conflict liep uit de hand toen Deventer en Kampen gezan­ten naar Zwolle stuurden en de arbeiders daar verboden verder te graven. De stadshistoricus schreef:
‘Dese menschen [waren] onnosel genoeg om aan dit bevel te gehoorsamen [en] verlieten hun werk: dog voor een korte tijd, want so dra men hier van binnen de Stad verwittigt wierdt, leide de Schout hen, bij het vallen van den avond, na de werkplaats te rug, en geboot hen de begonnene uitdiepinge voort te zetten (…).’
Uiteindelijk gaf de bisschop van Utrecht bevel het graafwerk te stoppen en Zwolle gehoorzaam­de. Het zou enkele eeuwen duren voordat Zwol­lenaren de schop opnieuw ter hand namen. Tot zover enkele gebeurtenissen tijdens de gevangen­schap van Van Ittersum.5 Toen zijn wraakzuch­tige zwager in 1483 overleed, werd Van Ittersum eindelijk vrij gelaten. Maar Zwolle was na al die jaren nog steeds verbolgen op de familie Van Kep­pel. De stad loofde een beloning uit om de zonen van Van Keppel dood of levend aan het stadsbe­stuur uit te leveren. Een dode Van Keppel leverde 150 Rijnse guldens op, een nog levende Van Kep­pel 300 guldens.

Zwolle gaat vreemd:
het avontuur met de hertog van Gelder

De Sassenpoort maakte zoals gezegd deel uit van de vesting Zwolle, samen met de andere stads­poorten, de grachten, de muren en de vele torens. De vraag is gerechtvaardigd of al die versterkingen van de stad zin hebben gehad. Een lastig te beant­woorden vraag, want misschien waren de verdedi­gingswerken van Zwolle zo afschrikwekkend dat mogelijke vijanden een aanval op de stad bij voor­baat kansloos achtten. Maar er bestaat minstens één sprekend voorbeeld in de Zwolse geschiedenis waaruit het nut van al die stenen verdedigings­werken duidelijk is gebleken. En wat zo aardig is: de Sassenpoort speelt daarin een hoofdrol.
Die geschiedenis begint zo’n vijftig jaar na de vrij­willige gevangenschap van Wolf van Ittersum. In het Zwolse stadsbestuur waren rond 1520 nogal wat sympathisanten van één van volgende herto­gen van Gelre, Karel van Egmond, ook wel Karel van Gelre genoemd. Zwolle vond dat zijn eigen landsheer, de bisschop van Utrecht, onvoldoende voor het stadsbelang opkwam. In 1521 sloot Zwolle daarom eenzijdig, dus zonder Kampen en Deventer, een verbond met de hertog van Gelre. Zwolle liep dus in feite over naar de vijand, een in die tijd ongekende stap en de eigenlijke reden, het plegen van meineed aan de eigen landsheer, van de bijnaam ‘blauwvingers’. Maar de stad kwam van een koude kermis thuis. Om de oor­logskas te vullen perste Karel van Gelre al gauw de Zwolse bevolking uit. Het economisch leven kwam tot stilstand en de hertog werd snel zeer impopulair bij de bevolking. Drie jaar later, in het vroege voorjaar van 1524, barstte de bom. In een negentiende-eeuws verslag van Evert Moulin uit Kampen staan de turbulente gebeurtenissen hel­der beschreven:
‘Bij de andersdenkende Zwollenaren [begon] het besluit te herleven om zich van de overheer­sching te ontslaan en het juk af te werpen. De burgerij begon te morren en op de regenten te schelden. Deze, voor oproer beducht, zonden de burgemeesters (…) naar hertog Karel om zijne hulp in te roepen. Drie vaandels Gelderschen, op het huis den Doorn in bezetting liggende, kregen last om de stad binnen te trekken; maar voor de Diezerpoort genaderd werden de deuren voor hen gesloten. De burgerij kwam op de been en verzette zich tegen het inlaten der Gelderschen.’6
Karel van Gelre door de Zwollenaren gevangen. Schilderij in de Staten-zaal, Diezerstraat. (Uit: Ten Hove ‘De geschiedenis van Zwolle’)

Langzaam ging het stadsbestuur overstag: de Zwollenaren openden geheime onderhandelingen met Kampen om Overijssel onder bisschoppelijk bestuur terug te brengen. Tijdens de verkiezin­gen van 1524 kwam er een machtswisseling in het stadsbestuur en Zwolle schikte zich weer als vanouds onder het gezag van de bisschop van Utrecht. Maar daar nam de hertog van Gelre geen genoegen mee. Hij schreef het nieuwe stadsbe­stuur dat hij genegen was de bezwaren van de Zwolse burgerij te horen. Daarom zou hij met een klein gevolg naar Zwolle komen, om de orde en rust te herstellen. En hij voegde al gauw de daad bij het woord. In de Kamper Kronyk lezen we:
‘Op den 4 maart 1524 trok hij met eene bende ruiters, drie vaandelen voetvolk en vergezeld van eenige edellieden den IJssel over. De burgemeester van Zwolle, Reinier van den Bussche, begaf zich met 300 schutters hem tegemoet en begroette den vorst aan het Katerveer. Maar [hij] gaf zijne bevreemding te kennen hem van zoveel krijgsvolk vergezeld te zien. En op des hertogs vraag of het hem niet vrij stond met dit gevolg binnen Zwolle te komen, gaf de burgemeester een weigerend ant­woord (…).’
Daar aan het Katerveer zagen de Zwolse bestuurders de bui al hangen. Als al dat krijgsvolk de stad binnen zou komen, dan waren de rapen gaar. Ze zeiden tegen de hertog dat hij de stad wel binnen mocht komen, maar dan alleen met een klein gevolg van edelen, dus zonder soldaten. Maar Karel van Gelre liet zich niet tegenhouden en trok met zijn drie vaandels krijgsvolk naar de stad.
Voor een goed begrip van de nu volgende gebeurtenissen merken we op dat waar in dit artikel over de Sassenpoort wordt gesproken, we het eigenlijk hebben over de Binnen-Sassenpoort. Er was ook een Buiten-Sassenpoort, ter hoogte van de brug over de stadsgracht. Die poort was aanmerkelijk kleiner en vermoedelijk van hout gebouwd. Wie Zwolle op die plek in of uit wilde, moest dus door twee poorten heen. Tussen beide poorten was een omsloten ruimte (bijna twintig jaar later veranderd in ommuurd binnenplein).
Terug naar Karel van Gelre, die met zijn leger­tje van het Katerveer naar Zwolle was gereden en nu voor de buitenste Sassenpoort stond. We geven weer het woord aan de Kamper kroniek­schrijver:

‘De hertog tot aan de Sassenpoort genaderd, steeg van zijn paard en schaarde zich nevens zijne edellieden in de eerste gelederen der voetknech­ten, om met dezelve de stad in te trekken. De bur­gers die de poort bezet hielden, wilden (…) alleen den hertog met zijn gevolg van edelen binnen laten, maar konden den aandrang der gelederen niet tegenhouden. Alzoo de poortdeuren welke zij wilden sluiten, door de piekeniers weder openge­duwd werden en reeds was de hertog met een goed getal van zijn volk binnen de eerste poort, toen de burgers die op dezelve de wacht hadden, het val­hek lieten nedervallen, waardoor eenige Gelder­schen werden gekwetst. De hertog, voorttredende en ook de binnenpoort gesloten vindende, sprong naar alle zijden in het rond om zich een uitweg te banen, maar de raad deed spoedig de binnenpoort openen en den hertog noodigen om de stad in te treden, hetwelk hij gramstorig weigerde. Toen vernemende dat de burgerij in de wapens was en tot eene geduchte tegenweer voorbereid, gelaste hij de zijnen om het gevecht hetwelk voor de poort reeds begonnen was, te staken.’
Zo zat de hertog tussen de twee Sassenpoorten gevangen en zijn leger stond machteloos aan de overkant van de gracht. Hij kon geen kant meer op. Volgens verschillende verslagen schijnt hij daar stampvoetend en rood van woede te hebben rondgelopen. Hij koos eieren voor zijn geld en gaf opdracht aan zijn troepen, inmiddels 2000 man sterk, de strijd te staken. Maar Zwolle bleef waak­zaam: ‘In de stad werden de muren en torens door de burgers bezet, het kanon op de wallen en in de straten geplant en de wachten verdubbeld, terwijl de burgerij in gespannen verwachting de nacht doorbracht.’
De volgende dag werd de hertog beleefd uitgeleide gedaan, waarop Van Gelre zich met zijn krijgsvolk over de IJssel terugtrok. Maar hij liet het er niet bij zitten. Hij was zwaar in zijn eer aangetast. Een maand later ging hij met een grote troepenmacht in de aanval. Bij de nade­ring van het Gelderse leger brandde Zwolle het nonnenklooster, het Buschconvent, en andere

Op deze uitsnede van huizen voor de Sassenpoort af, zodat de vijand
een kaart van Braun en daar geen gebruik van kon maken. Vanaf die tijd
Hogenberg uit 1581 is waren de Zwolse kloosters uitsluitend binnen
het ommuurde voor­ de stadsmuren te vinden. Vervolgens werd de
plein van de Sassen- Zwolse vesting nog één keer door de hertog van
poort goed te zien. In Gelre op de proef gesteld: ‘Op den 6 april [1524]
1524 werd hertog Karel verscheen het Geldersch leger voor de stad, en na
van Gelre hier door de een vruchteloos aanbod van vergelijk, deed hertog
Zwollenaren ingesloten. Karel het geschut planten en begon de vesten te
(Collectie Stedelijk beschieten, waardoor aanmerkelijke schade ver-
Museum Zwolle) oorzaakt werd. Een toren stortte in en de muren
geraakten hier en daar omver, maar de belegerden
herstelden de breuken zooveel doenlijk en gaven
daarbij zoo dapper vuur van torens en wallen dat
eene vijandelijke schans bijkans geheel vernield en
Soldaat Zwols garni­ derzelver geschut tot zwijgen gebragt werd.’
zoen ten tijde van de Karel van Gelre voelde dat de belegering van
Tachtigjarige Oorlog. Zwolle hem te veel geld zou kosten en een paar
(Uit: ‘Vestingroute, weken later werd de vrede tussen de strijdende
Historische wandeling partijen getekend. En Zwolle, dat gehoorzaamde
door de voormalige ves­ de komende jaren als vanouds de bisschop van
ting Zwolle’) Utrecht.

De Sassenpoort en de Tachtigjarige Oorlog
De avonturen van Zwolle met de hertog van Gelre hebben nog een typisch middeleeuws karakter. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) gin­gen de verschillende gewesten zich verenigen tot een republiek, waarmee een einde kwam aan het gezag van bisschoppen, hertogen en keizers. Maar daarmee kwam nog geen einde aan Zwolle als ves­tingstad. In tegendeel. Zwolle hield de poorten – vaak uit opportunistische redenen – aanvankelijk gesloten voor afwisselend de Spaanse en staatsge­zinde troepen. Maar in 1579 waren de Spanjaar­den definitief uit Zwolle verdreven en werden ze spoedig opgevolgd door de troepen van de jonge Republiek der Verenigde Provinciën. Het nieuwe bewind ging zich met zaken bemoeien die tot dus­ver aan de stad zelf voorbehouden waren. Prins Maurits wilde dat Zwolle deel ging uitmaken van een grote verdedigingslinie, die het noorden van ons land Spanjaardvrij moest houden. Daarom vond hij dat Zwolle betere vestingwerken moest aanleggen. De al aanwezige stadsmuren en grach­ten waren niet voldoende; er waren beter verde­digbare bastions, bolwerken en wallen nodig. Ook bij de Sassenpoort werd een bolwerk gebouwd: het Sassenpoortenbolwerk (nu Van Nahuysplein). Bovendien kwam aan de overkant van de gracht een hoornwerk te liggen (tegenwoordig ongeveer het gebied tussen de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat en de Zeven Alleetjes). Door de bouw van de bastions en bolwerken kreeg de stadskern tussen 1606 en 1619 de stervorm die tot op de dag van vandaag herkenbaar is.

Verwaarlozing en afbraak
In 1648 was de Tachtigjarige Oorlog voorbij, maar de vesting Zwolle bleef onder landelijk toezicht in stand. Als vanouds ging de Sassenpoort als het donker werd op slot en nog steeds werd de poort ook als gevangenis gebruikt. Maar de rol van de poort als onderdeel van de verdediging van Zwol­le verloor door nieuwe technieken in de manier van oorlogvoeren jaar na jaar aan betekenis. Tegen het einde van de achttiende eeuw waren de verdedigingswerken in verval geraakt. De Franse tijd bracht daar geen verandering in.
Toen het Franse garnizoen eind 1813 uit de stad vertrokken was, ontbrak geld om al die oude muren, torens en poorten te onderhouden. En als dat geld er wel was geweest dan zou onderhoud, gezien met de ogen van die tijd, slecht besteed zijn geweest. De verdedigingswerken hadden hun waarde verloren. Dat alles had tot gevolg dat
ze nog verder in verval raakten wat voor de stad Aartsengel Sint
erger was: ze stonden in de weg! Michaël, bescherm­
heilige van Zwolle.
In 1838 verdedigde het stadsbestuur als volgt het Raamversiering in de
besluit de vestingwerken op te ruimen: ‘De tij- Sassenpoort. (Foto Jan
den en de omstandigheden zijn (…) aanzienlijk van de Wetering)
veranderd. Sedert het laatst der vorige eeuw is
Zwolle gelukkig geene vesting meer. (…) Oudtijds
was men genoodzaakt de stad zoo veel mogelijk
ontoegankelijk te maken, en ze tot een groot bol- De Sassenpoort gezien
werk te stichten. Thans kan men ze geheel ópen­ vanaf het Van Nahuijs­
stellen, en de huivering verwekkende bolwerken, plein, door Joan Willem
bastions en hooge wallen kunnen nu tot aange- Meijer, 1840-1929.
naame lustplaatsen en wandeldreven aangelegd (Collectie Stedelijk
worden.’ Museum Zwolle)

Dit plan werd – naar Zwolse begrippen – in ongekend tempo gerealiseerd. Vijf jaar later al, in 1843, zei de burgemeester in een toespraak het volgende:
‘Oude nauwe poorten, die geene bouwkundi­ge waarde bezaten, zijn gesloopt en opgeruimd; de hooge wallen en borstweringen, overblijfsels van een verdedigings-stelsel dat in onze eeuw doelloos is geworden, zijn gevallen en in aangename wan­deldreven herschapen’. Van de drie stadspoorten bleef er één over: de Sassenpoort.
Het nieuwe stadsbeeld na de sloop en de aan­leg van wandelplaatsen wordt ons verteld door een Amsterdams koopman, die op 4 mei 1848 Zwolle aandeed voor een toeristisch bezoek. Uiteraard ging hij ook de Sassenpoort bekijken:
‘De Koestraat brengt ons aan de Sassenpoort, die bij de Zwollenaren, vooral van den echten stempel, in hooge achting staat, wijl hier de ondeu­gende hertog Karel als eene rot in den val liep – anno 1524. De booze wereld, en vooral de altijd op Zwolle jaloersche steden Deventer en Kampen, ver­telden al spoedig, dat Karel (…) voor een grooten losprijs was vrijgelaten, en dat de raad der stad daaraan zijne vingers had blaauw geteld, waarom

De Sassenpoort. Ano­niem, derde kwart negentiende eeuw. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
al den Zwolschen onmeedoogend den bijnaam van blaauwvingers werd aangewreven. (…)
Aan deze geschiedkundige herinneringen heeft Zwolle het voor een groot deel te danken, dat in dezen anti-poortgezinden tijd, dit fraai gedenkteken van vroegere dagen voor den ver­woestenden moker is beveiligd gebleven. Meer echter dan die geschiedkundige herinneringen, pleit voor het in wezen blijven dezer poort, en dit is haar inderdaad behagelijk uiterlijk. Die spitse torentjes met hare leijen daken, geven aan den bevalligen omtrek eene romantische tint. Het is nu, alsof die poort daar is opgetrokken, ten einde het deftig en ernstig verleden aan het jolig lachende heden te huwen. Daarom: Leve de Sas­senpoort! (…).’
Onze Amsterdamse koopman vervolgt zijn wandeling door de stad met een sneer: ‘Wij verla­ten de Sassenpoort, wier doorgang wij wat meer reinheid toewenschen.’ 7

Bewaarplaats Rijksarchief Overijssel
Het had niet veel gescheeld of de Sassenpoort was in 1877 alsnog afgebroken. Dat jaar was onderhoud dringend nodig. De kosten werden op 2000 gulden geraamd. De Zwolse Raad boog zich over de kwes­tie. Eerst kwam raadslid De Vos van Steenwijk aan het woord. Hij zei:
‘Men moet bij deze uitgave niet vergeten dat de Sassenpoort zijn tijd gehad heeft en een monument is dat niet meer in onzen tijd past. Daarbij is ’t eene belemmering voor de passage. ’t Zou de Zwolschen die aan het gebouw gewend zijn, misschien in den aanvang vreemd zijn als het opgeruimd werd, maar het kon wel eens noodzakelijk zijn.’
De notulist hield het zakelijk, maar uit alles valt te merken dat de emoties in de raad hoog oplie­pen. Uiteindelijk maakte raadslid Van der Voort een einde aan het debat met de woorden: ‘Het is mijn innige overtuiging dat er nooit een Raad zal opstaan die de schendende hand aan den Sassen­poortentoren zal slaan.’ 8
De door De Vos van Steenwijk genoemde belemmering van de passage bij de Sassenpoort werd in 1904 opgelost door een extra doorgang naast de poort te maken. In 1898 kreeg de Sassenpoort een nieuwe bestemming: de poort werd in gebruik geno­men als bewaarplaats van het Rijksarchief in Over­ijssel. Een paar jaar daarvoor was de poort door de gemeente aan het Rijk overgedragen, onder beding dat het gebouw in staat en stijl zou worden gerestau­reerd en dat op de toren het uit de achttiende eeuw daterende slaguurwerk gaande zou blijven.

Tot 1977 zou de Sassenpoort de functie van Rijksarchief behouden. Onder omstandigheden die een archief onwaardig zijn. De woorden gesproken bij het afscheid van archivaris Albert Mensema, nu twee jaar geleden, vatten het probleem kort en bondig samen: ‘Het was een archiefgebouw, even romantisch als ondoelmatig, met z’n wenteltrappen en verborgen hoeken en gaten, koud en vochtig in de winter en met veel stof, vleermuizen en vliegen.’9

Met het verdwijnen van het archief verloor de poort alweer een functie, niet voor de eerste keer en naar alle waarschijnlijkheid ook niet voor de laatste keer. Maar na 600 jaar staat de Sassenpoort er nog steeds en er wordt alweer nagedacht over een nieu­we bestemming. Misschien wel een verbreding van de huidige museale functie. Ook zijn er plannen om de poort in 2010 af te sluiten voor het verkeer. De geschiedenis stopt na 600 jaar niet: de Sassen-poort gaat op weg naar nieuwe avonturen. Laten we de poort in ere houden en ons aansluiten bij de woorden van die negentiende-eeuwse koopman uit Amsterdam: Leve de Sassenpoort!
* Dit artikel is een bewerking van de gel;ijknamige lezing die in de cyclus Historische Avonden op 10 september 2009 in het HCO werd gehouden.
Literatuur

Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Ne­derlanden uit 1839-1851 Ach lieve tijd, 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en hun ves­tingwerken Bouwen in Nederland, 600-2000, red. Prof. dr. Koos Bosma, e.a., Zwolle, 2007 Hattum, B.J. van, Geschiedenissen der stad Zwolle, I-V, 1767-1775. (Zwolle, 1975) Wetering, Jan van de, De Zwolse canon, De geschiedenis van Zwolle in 50 vensters, Zwolle, 2008 Elberts, W.A., Historische wandelingen in en om Zwolle, Schiedam, z.j. Vries, Thom. J., Geschiedenis van Zwolle, deel I en II, Zwolle, 1954-1961

Noten

1.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant,jaargang 1905

2.
B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle, II, p. 2-3

3.
Idem, p. 4

4.
Idem, p. 14

5.
Idem, p. 18-48

6.
Evert Moulin, Historische Kamper Kronyk (1839), p. 362­365

7.
UitNederlandschMuseum,Geschied-enletterkundige merkwaardigheden (1848), p. 542

8.
HCO, Handelingen van den raad der gemeente Zwolle, 1877

9.
HCO: Uit toespraak Piet den Otter op 14 september 2007

Gezicht op het Van Nahuijsplein onder de boog van de Sas­senpoort. Circa 1938. (Eigen Erf, collectie HCO)
Medewerkers van het Rijksarchief in de Sas­senpoort, zittend archi­varis J. Geesink, circa 1922. (Collectie HCO)
Kees Canters

Het hoornwerk van Zwolle

Een merkwaardig verlopende straat en twee bijzondere voordeuren

D
e Zuiderkerkstraat in de Stationswijk van Zwolle vertoont halverwege een flauwe bocht die niet direct valt te verklaren op basis van wat er ter plaatse is te zien. Toch blijkt deze bocht een duidelijk aanwijsbare herkomst te hebben: een verslag van een kleine, historische rondtocht ter plaatse.

De kaart van Blaeu

Een kaart uit de atlas ‘Toonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden, met haar Beschrij­vingen’, uitgegeven bij Joan Blaeu in 1649, toont ‘Swolla’. De kaart geeft een prachtig en gaaf beeld van Zwolle ‘binnen haar veste’: de middeleeuwse muur omsluit de stad en als tweede verdedigings­gordel liggen er om de stad heen elf bastions naar buiten te prikken. Het betreft een stervormige vesting, gebouwd geheel conform de regels van de toentertijd geldende vestingbouwkunde. In de middeleeuwse muur vallen vier grote stadspoorten te onderscheiden met elk een of twee bruggen over de aangrenzende wateren. Alleen bij de Vispoort aan de huidige Thorbeckegracht is geen doorgaan­de verbinding naar de wereld buiten de stad.
Buiten de drie grote poorten, Diezerpoort, de Sassenpoort en de Kamperpoort, ontwikkelden zich later, vooral in de twintigste eeuw, de karakteristieke oude wijken van Zwolle: Diezerpoort (oorspron­kelijk Nieuwstad geheten), Assendorp en Kamper-poort. Alleen bij de Kamperpoort is al iets van deze ontwikkeling aangeduid, een paar verspreid liggende huizen met in de tuinen keurige patronen van haag­jes en fruitbomen. Een tweede staat van deze kaart, een korte tijd later gemaakt, laat overigens zien dat er toen ook al sprake was van bebouwing buiten de Diezerpoort en buiten de Sassenpoort.
Er is een tijd geweest dat er twee Sassen-poorten waren: een Binnen- en een Buiten-Sassenpoort. De Binnen-Sassenpoort was de uit 1409 stammende en nog steeds bestaande, grote stenen poort. Omstreeks 1700 werd de buiten-poort geschetst door de tekenaar Gerrit Grasdorp, die veel locaties in en om Zwolle vereeuwigde. De Buiten-Sassenpoort was toen niet meer dan een wat zwaar uitgevallen houten poort, zoals we die wel kennen van foto’s van de erepoorten opgericht voor het bezoek van koningin Wilhel­mina en regentes Emma in 1895 en van koningin Wilhelmina en prinses Juliana in 1921. Deze buitenpoort was dus niet vergelijkbaar met de grote binnenpoort. Op een stadsplattegrond uit 1823 getekend door G. Haasloop Werner staat de Buiten-Sassenpoort nog summier aangeduid.

De plattegrond van Joan Blaeu van ‘ Swol­la’, omstreeks 1650. (Collectie HCO) Poort buiten de Sassen-poort, omstreeks 1700 geschetst door Gerrit Grasdorp, 1659 – 1716. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

Detail uit de platte­grond van Joan Blaeu met de Sassenpoort en omliggende gebouwen. Voor de wal met de zeventiende-eeuwse stadsmuur ligt een deel van de vesting buiten de stadsgracht, het hoorn-werk. Omstreeks 1650. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

Door de aanleg van de bastions aan het begin van de zeventiende eeuw (zie hieronder) moest de rechtdoorgaande uitvalsweg om het Sassenpoort­enbolwerk – het tegenwoordige Van Nahuysplein
– iets verlegd worden. De huidige weg vanuit de oude binnenstad naar de brug vertoont nog steeds de merkwaardige slinger die hiervan het gevolg was. Rechts op de genoemde tekening van Gras-dorp is de wal van het bastion duidelijk te zien, inclusief een houten wachthuisje er bovenop, de voorloper van het later op precies dezelfde plek gebouwde stenen wachthuis ter hoogte van de bushalte – tegenwoordig ‘onderdeel’ van Fortis… Dat het hier oorspronkelijk een gebouw van de gemeente betreft, blijkt uit het duidelijk zichtbaar aangebrachte, blauwwitte gemeentewapen van Zwolle.

Hoornwerk

Wanneer we op de kaart van Blaeu iets nauwkeu­riger naar de omgeving van de poorten kijken, valt op dat er voor de buitenste Diezerbrug als een soort taartpunt een kleine wal is aangelegd, een ravelijn, en bij de brug van de Sassenpoort zelfs een nog groter verdedigingswerk. Bij de Kamper-poort is niets toegevoegd.
Het type verdedigingswerk zoals aange­bracht bij de Sassenpoort wordt een hoornwerk genoemd, volgens A.H. Mohr (in Vestingbouw-kundige Termen, 1983): ‘buitenwerk van een ves­ting, bestaande uit een gebastionneerd front [= twee halve bastions verbonden door een wal, de zogenoemde courtine, KC] en twee lange, doorgaans evenwijdige, flanken, aansluitend aan de vestinggracht.’
In de loop van de zestiende eeuw veranderden de opvattingen over de aard en kracht van een verdedigbare stad. Een gevolg hiervan was dat de uit de Middeleeuwen stammende stenen verde­digingsmuren rond een stad vervangen moesten worden door aarden verdedigingswerken. Dit was veel goedkoper dan stenen muren, ook in het onderhoud. Bovendien waren dit soort werken veel beter bestand tegen het steeds zwaarder wordende kanonvuur. Een alternatief voor vervanging kon zijn de aarden verdedigingswerken vóór de stenen

Ruïne van een stads­poort buiten de Sassen-poort, omstreeks 1700 geschetst door Gerrit Grasdorp, 1659-1716. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

omwalling en / of óver de verdedigingsgracht aan­leggen. Daarnaast was het zaak om de extra kwets­bare bruggen goed te beschermen. Dit bereikte men door het aanleggen van een zogenoemd voor­werk, waardoor de afstand tot de belegeraar werd vergroot met als gevolg dat de effectiviteit van het vijandelijk geschut werd verminderd.

Het hoornwerk van Zwolle
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd ook de verdediging van Zwolle aangepast aan de eisen des tijds. Op aandringen van en met aanzienlijke financiële steun vanuit de Staten-Generaal wer­den de te vernieuwen verdedigingswerken van Zwolle ingepast in een nieuw concept, een frontli­nie langs de IJssel. De nieuwe verdedigingsfunctie maakte deel uit van de verdedigingsstrategie van de Staten-Generaal tegen de koning van Spanje. Belangrijkste doel hiervan was een linie opwer­pen tegen de mogelijk uit het oosten oprukkende Spaanse troepen. Die waren omstreeks 1600 in het oosten van het land namelijk succesvol geweest door de herovering van enkele steden op de opstandelingen. Er dreigde daardoor gevaar uit
Detail van de kaart van
G. Haasloop Werner waarop de Sassenbin­nenpoort, de huidige Sassenpoort, en de Sas­senbuitenpoort zijn aangegeven, 1823. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
het oosten voor Utrecht en Holland.
Het hoornwerk van Zwolle vormt van deze veranderende inzichten een fraaie uitwerking. Door de wel 150 meter lange flanken van dit voorwerk werd metterdaad de afstand tussen de brug en de eventuele vijandelijke batterijen aan­zienlijk vergroot. De Sassenpoort met brug was waarschijnlijk de belangrijkste toegang tot Zwolle en, aangezien deze eerste ‘IJssellinie’ ook toen al naar het oosten gericht was, was dit mogelijk ook de reden dat met name de hier gelegen brug extra aandacht kreeg door de aanleg van een eigen hoornwerk.
Door onderhandelingen over de respectieve bijdragen van Zwolle en van de Staten in de kos­ten voor de aanleg van de nieuwe verdedigings­werken duurde het nog zo’n tien jaar voordat ermee begonnen kon worden. Dat had wel als voordeel dat de werkzaamheden uiteindelijk in een relatief rustige periode konden worden gere­aliseerd, namelijk tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Dit betekent dat er dezer jaren naast het vieren van de zes eeuwen oude Sassenpoort, nog een ander eeuwfeest te vieren is, namelijk dat van de vier eeuwen bestaande, en nog steeds goed herkenbare Zwolse verdedigingsopzet met gracht, bastions, poorten en bruggen. Een geschikte aanleiding om eens na te gaan of een (tijdelijke) reconstructie van de Diezerpoort en de Kamper-poort te overwegen valt, bij voorbeeld in de vorm van stalen steigerbouw? Dat zou als bijkomend effect kunnen hebben dat er wat meer balans komt tussen de drie oude Zwolse buitenkernen, Assendorp, Dieze(rpoort) en Kamperpoort. Op de plaats waar vroeger de Diezerpoort stond is in ieder geval voldoende ruimte voor zo’n (tijde­lijke) herbouw beschikbaar.

Het hoornwerk nu

Uit de vorm of de naam van sommige openbare ruimtes valt op indirecte wijze nog steeds de invloed van de oorspronkelijke aanwezigheid van het hoornwerk af te leiden. Aan de oostzijde was voldoende ruimte aanwezig om een lange lijnbaan voor een touwslagerij in te richten waar strengen hennep tot touw konden worden gedraaid. Tot het eind van de jaren tien van de twintigste eeuw bestond deze touwslagerij nog. In de jaren twintig werd het gebouw van deze touwslagerij door de Coöperatieve Groente- en Fruitveiling gebruikt als veilinggebouw. Na de Tweede Wereldoorlog leende deze plek zich uitstekend voor de aanleg van een parkeerplaats. De langgerekte vorm van deze parkeerplaats voert dus niet terug op de lijn­baan maar op de oostelijke flank van het hoorn-werk.
De merkwaardige naam van de straat aan de westzijde van het hoornwerk, Zeven Alleetjes, herinnert er aan dat de gemeente Zwolle in de loop van de negentiende eeuw het hoornwerk tot een wandelpark bestemde. Daartoe werden zeven rijen lindes aangeplant, die met elkaar zeven allee­tjes omzoomden. Dat de directe omgeving van het hoornwerk nog lang groen bleef, blijkt ook uit de naam Tuinstraat. Hier maar ook elders lagen de warmoezerijen van Zwolle, waar groente en krui­den werden gekweekt voor de stedelingen.
Een belangrijk deel van het hoornwerk werd sinds 1885 in beslag genomen door de in opdracht van J.F.G. van Reede, wijnkoper te Zwolle, door architect S.J.H. Trooster ontworpen grande villa met bijbehorende tuin: Burgemeester Van Roij­ensingel 18. In het boekje Het deurtje van Zwolle (1988) beschrijft mevrouw Wiet Kühne-van Diggelen op boeiende wijze de sfeer die er in de jaren dertig in dit woonhuis hing, toen ze daar als kleinkind van de toenmalige eigenaar, mr. B.P.G. van Diggelen jr., heerlijke, lange zomers met haar beide zussen logeerde. De titel van het boekje slaat op de voordeur van de villa: een twee meter brede en drie meter hoge poort met twee openslaande deuren, met zijn vele neorenaissance en neoclas­sicistische stijlkenmerken goed passend in de rest van de imponerende gevel: een wel héél bijzon­dere voordeur en dus bepaald geen ‘deurtje’.
Grootvader Van Diggelen had het uitzon­derlijk grote huis (23 ruime kamers!) al in 1891 gekocht, voor ƒ 41.005, hij was toen nog student in de rechten te Leiden. In het boekje is echter nergens sprake van het hoornwerk. De huidige parkeerplaats aan de Van Roijensingel beslaat voor een groot deel de oorspronkelijke tuin van deze villa en dus ook van het Zwolse hoornwerk.

Wiet Kühne-van Dig­gelen, ‘Het deurtje van Zwolle’. Hoogeveen, 1988. (Particuliere col­lectie)
‘Het deurtje van Zwol­le’, de voordeur van het imposante pand Burge­meester van Roijensin­gel 18. (Foto auteur) Het gebouw van de voormalige NV Electriciteits Fabriek IJsselcentrale aan de Zeven Alleetjes; tegen­woordig is hier de GGD IJsselland gevestigd. (Foto’s auteur)

Het hoornwerk wordt tegenwoordig voor een ander groot deel in beslag genomen door het kantoorgebouw van de voormalige NV Electrici­teits Fabriek IJsselcentrale, een interessant en met oog voor het ambachtelijke detail ontwerp van de architecten A.J. van der Steur en M. Meijerink, uitgevoerd in de periode 1936-1945. Eerstge­noemde werkte op landelijk niveau en ontwierp bij voorbeeld ook het Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam. Meijerink woonde en werkte in Zwolle; hij was de oprichter van Architectenbureau Meijerink waar later ook zijn zoon en kleinzoon de scepter zwaaiden. De latere uitbreiding van het kantoorgebouw richting Van Roijensingel springt met zijn donkerbruine pane­len van cortenstaal in het oog, maar contrasteert – om niet te zeggen detoneert – daardoor ook des te meer met de statige, imponerende gevels van de eindnegentiende-eeuwse villa’s die Zwolse nota­belen hier toen langs de stadssingel lieten bouwen.
Nog een ander groot gebouw op het hoorn-werk is dat van de Stichting De Vilsterenshuizen aan de Zuiderkerkstraat, begin jaren dertig van de vorige eeuw ontworpen door architect J.D.C. Koch. Het bouwwerk heeft een groot volume, maar valt mede door zijn vorm en wat verscholen ligging aan de buitenkant nauwelijks op. Inwen­dig is het kenmerkend voor de wijze waarop men in de jaren dertig aankeek tegen de huisvesting van alleenstaanden: de robuuste afwerking en de met kleurige maar toch saaie tegels beklede, holklinkende gangen roepen associaties op met een sportfondsenbad, hier en daar zelfs met een gevangenis; de oorspronkelijke naam van dit gebouw, ‘Gesticht Vilsterenhuizen’, wijst in dezelfde richting. De huidige eigenaar, Woning­stichting Openbaar Belang, heeft plannen om dit gebouw te gaan slopen en het dan vrijkomende, grote perceel een andere bestemming te geven.
Verder is natuurlijk de Zuiderkerk van de Nederlands Gereformeerde Kerk een beeldbe­palend gegeven op het hoornwerk, een gebouw dat in 1923 werd opgetrokken naar een ontwerp van architect J.H. van der Veen. Door het gebruik van verschillende soorten baksteen in hoekige, classicistische banden gemetseld, door de quasi-gotisch vormgegeven ramen, door een klein ‘art deco’-achtig vieringtorentje op de kruising van schip en dwarsbeuk en door de stevige kerktoren, waarvan de spits wel wat weg heeft van een aantal over elkaar geplaatste puntmutsen, maakt het gebouw een wat eclectische indruk. Twee borden aan de buitenkant herinneren aan de Tweede Wereldoorlog, toen hier bijeenkomsten van ver­zetsmensen plaatsvonden. Zo werd hier in maart 1943 onder leiding van ‘Frits de Zwerver – in wer­kelijkheid dominee F. Slomp – de eerste ruilbeurs voor onderduikers gehouden.

Op de noordelijke hoek van het hoornwerk, hoek Van Karnebeekstraat – Van Roijensingel, is Snackcorner Norp gevestigd, waar de lekkerste dingen uit het frituurvet komen en de altijd vrien­delijke heer Norp de regie voert. Onder de klanten bevindt zich ook wel eens een gehaaste wethouder die tussen twee afspraken door snel nog even ‘iets warms’ consumeert. ’s Avonds vormt de goed zichtbare buitenreclame, uitgevoerd in neonver­lichting, het bewijs dat de vooruitgang ook het hoornwerk niet ongemoeid heeft gelaten.

Voortbestaan van (de naam) het hoornwerk
Tot voor kort was er nog steeds sprake van het hoornwerk, namelijk door de ‘Clematistuin het Hoornwerk’, gelegen naast de al eerder genoemde parkeerplaats aan het begin van de Van Karne­beekstraat. Op het oppervlak van een middelgrote tuin groeiden en bloeiden hier onder (bege)lei­ding van mevrouw Roelie van der Meulen meer dan vierhonderd verschillende clematissoorten. De tuin kon worden bezocht en was in de wereld van tuinliefhebbers wijd en zijd bekend. Om haar missie voor het plantengeslacht Clematis te

Voordeur van Zuider­kerkstraat 12, ‘Aan het hoornwerk’. (Foto auteur)

Detail uit de kaart van Zwolle omstreeks 1960, het door de Burgemees­ter Van Roijensingel, Van Karnebeekstraat, Zuiderkerkstraat (met de merkwaardige bocht) en de Zeven Alleetjes gevormde hoornwerk valt nog duidelijk te onderscheiden. (Parti­culiere collectie) completeren verkocht mevrouw Van der Meulen op kleinschalige wijze ook clematissen aan het publiek, waaronder de meest gewone maar ook zeer exotische, met bloemen zo groot als ontbijt­bordjes. Vooral de boeiende en stevig gedirigeerde rondleidingen van mevrouw Van der Meulen door haar eigen Hof van Eden waren bijzonder. Je kreeg precies aangewezen waar je je voeten moest zetten en waar je op moest letten, met tot slot, in een donkere, wat geheimzinnige kamer, de ver­toning van een cd met bewegende (!) beelden van spectaculair bloeiende exemplaren uit haar tuin. Of de Clematistuin ooit weer open zal gaan? Inmiddels is het voortbestaan van de naam
‘hoornwerk’ in de openbare ruimte van Zwolle toch verzekerd – voor zolang als het duurt. Alweer enige jaren geleden heb ik mijn eigen woning in de Zuiderkerkstraat van de naam ‘Aan het hoorn-
werk’ voorzien, als zichtbare herinnering aan de fysiekhistorische oorsprong van de omgeving.

Ik heb bij het aanbrengen van deze naam op mijn voordeur geprobeerd hetzelfde lettertype te gebruiken als architect C.J. Vriens, die het blokje van drie woningen ontwierp waarvan de woning deel uitmaakt, heeft gebruikt. Het is een prach­tig, uitbundig en zeer sprekend lettertype – naar ik aanneem, een eigen ontwerp van Vriens. Het blokje is gebouwd in 1935 en de letter past precies bij de gehanteerde bouwstijl, die in de jaren dertig als modern gold. Hiermee is een tweede bijzon­dere voordeur gesignaleerd op of rond het hoorn-werk – en er zijn er nog meer!

De bocht
Op basis van het bovenstaande is nu goed te verkla­ren waarom er halverwege de Zuiderkerkstraat zo’n merkwaardige bocht zit: de Zuiderkerkstraat volgt precies de rooilijn van het Zwolse hoornwerk.

Mollebonen en blauwvingers
Groningers in Zwolle 1919-1940, een kleine geschiedenis van de Grönniger Verainen ‘De Molleboon’
E
ind maart 1920 viel bij een aantal inwoners van Zwolle en omstreken een brief in de bus. ‘An de leden van De Molleboon’ stond erboven. Het was een in het Gronings gestelde uit­nodiging voor een bijeenkomst in Odeon, alwaar op woensdagavond 7 april om acht uur ‘wie de eerste jaordag van onze verainen vieren.’ Het pro­gramma, dat zoveel jaar later door de blauwpaarse vlekken op het papier toont dat er vele doorslagen van getypt werden, vermeldde naast de Opening, ook ‘Verslag van Secretaores en Puutholder’ (pen­ningmeester) en ‘Rondvraog en Veurdrachten’. Na de pauze was er tijd voor ‘Gezelschapsspeulen en Bal’.
Groningse gebruiken werden op de bijeen­komsten in ere gehouden. Dat blijkt uit de vol­gende teksten: ‘Veur de pauze ken kovviedronken worden oet kraentjespotten. Dai hier gebruuk maöken wil wordt dringend verzocht veur zuk en zien gezelschap tiedeg ’n kovviepot te bezör­gen an ’t Odeon.’ En verder: ‘Dai gain kovviepot machteg worden ken mout tiedeg an ’t Bestuur opgeven veur houveul man hai graog hebben wil. ’t Bestuur zörgt den as ‘t even ken veur ’n kov­viepot.’ De toegang voor leden was vrij op vertoon van hun ‘diplomao’. Huisgenoten niet-leden mochten er voor vijftig cent in, vreemden moes­ten één gulden betalen.
Het echtpaar Werkman-Bos
Een van die genoemde kraantjeskannen stond thuis in de kast bij mijn in 2006 overleden moe­der. Zij, Hennie Werkman-van der Vegt, geboren en getogen Zwolse (Assendorp, nicht van de in 2001 in dit tijdschrift beschreven Wim Peters) en haar enkele jaren eerder overleden man Chris Werkman, geboren in Winschoten en getogen in Zwolle, erfden die kan van hun (schoon)moeder, mevrouw T. Werkman-Bos, echtgenote van M.H.
Werkman. Deze beiden, mijn grootouders, ver-Martin Werkman huisden in 1920 uit Winschoten, waar hij hoofd­redacteur was van de Nieuwe Winschoter Courant, naar Zwolle. Daar werd mijn grootvader eerst

M.H Werkman, hoofd­redacteur van de ‘Pro­vinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant’ en lid van De Molle­boon. Omstreeks 1927. (Collectie auteur)

redacteur Letteren en Kunst, later hoofdredacteur van de Zwolse Courant (destijds voluit de Provin­ciale Overijsselsche en Zwolsche Courant geheten). Ze vestigden zich in de Prins Hendrikstraat 20, waar ze tot hun dood woonden. Ik heb er vele zomervakanties doorgebracht.
Beiden hadden in Winschoten actief deel­genomen aan het maatschappelijke en culturele leven. Mijn grootmoeder speelde niet onverdien­stelijk toneel – ze kreeg er in Nieuwolda een gou­den medaille voor – en mocht graag piano spelen. Mijn grootvader schreef niet alleen voor de krant, maar regisseerde ook toneel, zat in vele commis­sies en publiceerde gedichten in tijdschriften als De Nieuwe Gids en Groot Nederland. Zijn broer – de vandaag nog altijd bekende drukker-graficus
H.N. Werkman – drukte in 1910 M.H. Werkmans poëziedebuut Museum van Plastische Verzen. In 1917 deed hij dat nog eens voor Werkmans Inlei­ding tot de Poëzie. Ten tijde van zijn verhuizing verscheen zijn eerste (en laatste) roman Ennema­heert. In Zwolle werden beiden lid van De Mol­leboon, een vereniging van Groningers in Zwolle en omstreken die een jaar eerder, in april 1919 was opgericht.
De oprichting
De feestrede bij het tienjarig bestaan van De Molleboon, 2 maart 1929, doet het oprichtings­verhaal uit de doeken. Drie Groningse Zwolle­naren stonden aan de wieg: dr. D.A.C. Dornheck Busscher, conrector van het gymnasium, H.W. Heckman, eigenaar van een herenkledingzaak aan de Melkmarkt 28 en K. van Zandbergen, belas­tingcontroleur. Ze belegden op 14 maart 1919 een vergadering in de Harmonie aan de Grote Markt voor de oprichting van een afdeling van de ‘Grunneger Sproak’, waar nog zes andere Zwol­lenaren bij aanwezig waren. Dat waren de heren
A.B.W. van de Beek, L. Beertema, J.R. Derksema,
T.H. van Dijk, dr. L.E. Eerkes en ir. H. Blankstein. De eerste avond die zij op 12 april 1919 in Odeon organiseerden, werd een groot succes. Er kwam een honderdtal Groninger Zwollenaren op af. Die belangstelling was zo groot, omdat de destijds in Groninger kring bekende auteur Geert Teis Pzn., pseudoniem van G.J. Ritzema, optrad. Hij was de schrijver van het overal in Nederland opgevoerde stuk Dizzepi-Dizzepu, maar ook van populaire teksten als het Grönnens Laid en een Groningse versie van Heinrich Heine’s Die Lorelei: de Knaol­ster Lorelei (‘Ik wait nait wat zel ’t toch beduden, dat ik zo miesderig bin’). De aanwezigen waren enthousiast. Een maand later was het eerste bestuur van de Groninger Vereniging De Molle­boon een feit. Dat bestond uit de heren Dornheck Busscher (voorzitter), Van Zandbergen (secreta­ris) en De Jonge, Heckman en Beertema (leden). Van Zandbergen was bestuurslid tot in 1931. Mijn grootvader volgde hem in 1922 op als secretaris, bleef dat tot in 1940 en werd bij zijn vertrek in 1946 benoemd tot erelid.

Krantenknipsel over de viering van het tienjarig bestaan in april 1929. Geheel links zittend mevrouw T. Werkman-Bos, zittend derde van links mevrouw Blank­stein- van Noord, met achter haar staand, H.Blankstein. Zit­tend, derde van rechts: M.H.Werkman. (Collectie auteur)
De Prins Hendrikstraat omstreeks 1920, gezien vanaf de Veerallee. (Collectie HCO)

De ‘Knaolster Lorelei’ In ’t Grönnens
door Geert Teis Pzn. De Grönniger Verainen De Molleboon wilde ‘de
(Collectie auteur) in Zwolle en omstreken wonende Groningers met
elkaar in kennis brengen’. Dat blijkt uit het elf
artikelen tellende reglement. Niet alleen om over
Groningen te praten, maar ook om een biblio­
theek van boeken en tijdschriften in het Gronings
samen te stellen. Vergaderingen, voordrachten
en toneelspelen ‘alles zooveul as ’t ken in ’t Grön­
nens’, hoorden daar ook bij. Die bibliotheek

telde 47 titels, in schoonschrift neergepend in een schrift met blauw gemarmerd kaft.* De toneel­vereniging, later aangesloten bij het Nederlands Tooneelverbond, zag in de loop van 1919 het levenslicht en voerde al in het voorjaar van 1920 het eerste stuk op: Dizzepi-Dizzepu van de eerder genoemde Geert Teis Pzn.
In de nalatenschap van mijn in 1997 overleden vader Chris (C.K.) Werkman, journalist te Den Haag, bevinden zich nog vele bescheiden over De Molleboon. Uit die brieven, programma’s, toneel­stukken (typoscripten en drukken), uitnodigin­gen, correspondentie, liedteksten en dergelijke blijkt dat het een zeer actieve vereniging was. In 1923 en 1924 telde De Molleboon respectievelijk 167 en 162 leden. Vanaf het najaar 1919 tot april 1940 organiseerde het bestuur elk jaar – in het voor- en najaar – twee feestelijke bijeenkomsten.
In januari was er altijd een ‘Neijaorsvezide’ (nieuwjaarsvisite of -bijeenkomst) in Hotel Van Gijtenbeek, met voordrachten, muziek en zang door het eigen dameskoor. Steevast zongen alle leden uit volle borst het ‘Verainigingslaid’. Met Pasen werd er ‘neut’n riestern’ of ‘neut’n schai­t’n’ georganiseerd. Met de hak werd er dan een streep getrokken in het zand, waarop op geregelde afstanden walnoten werden gelegd. Met een meta­len kogel moesten die

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2007, Aflevering 2

Door | 2007, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Annèt Bootsma-
Groeten uit Zwolle
van Hulten en Wim Huijsmans

Zwolle – Groeneweg Poststempel 1926
‘Gel[ie]f[de] Oom en Tante, Zooals U reeds van Corrie vernomen heb, neemen we gaarne van U[w] aanbod gebruik om een paar da[gen] in Enkhuizen door te brengen en hopen
D.V. as. Zaterdag met de boot te komen. Ons plan is Gerrit mee te brengen maar mocht het soms Zater­dag heel slecht weer wezen dan laten wij hem bij Moeder. ’t Wil in Maartens vacantie nog wel eens regenen, maar U bestelt wel goed weer hé. want dat is al een voornaam ding met een boottochtje. Nu Oom en Tante, Neven en Nicht tot ziens dan, we hopen elkander in goede gezondheid te ontmoeten. Ontvang dan onze hartelijke groeten. Uw liefh [ebbende] neef en nicht Maarten en Marie.’
Een oude ansicht met een herkenbare tekst: het wil in de vakantie nog wel eens regenen, dus daar­om maar mooi weer ‘bestellen’ voor een leuk boottochtje… Volgens de Zwolsche Almanak uit 1915 vertrok er elke vrijdag om 13.00 uur een schip vanaf het Rodetorenplein naar Enkhuizen. Waar­schijnlijk was dat in 1920 nog steeds het geval en konden Maarten en Marie de tocht dus recht­streeks vanuit Zwolle maken.
De in het begin van de twintigste eeuw aange­legde Groeneweg ligt in Assendorp. De naam ver­wijst nog naar het oorspronkelijke agrarische karakter van de wijk, waar met de komst van de Centrale Werkplaats in 1870 verandering kwam. Rond 1900 werkten daar ruim 800 man, wat een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg bracht. Van 1906 tot 1914 woonde op Groeneweg 150 de kleine Piet Kasteel, hoofdpersoon van het artikel Een rooms jongetje uit Assendorp op pagina
65.

zwols historisch tijdschrift
47

Redactioneel

In deze a.evering van het tijdschrift vindt u twee nieuwe rubrieken: Kleurrijk verleden en Zwolse plaatsen van herinnering. De heer Martin Wasse­naar die meewerkte aan het onlangs verschenen boekje Zwolle in kleur, heeft een groot aantal dia’s van Zwolle na de Tweede Wereldoorlog overge­dragen aan het Zwols Historisch Tijdschrift. Als eerste is hier de Grote Markt afgebeeld, zoals velen zich deze nog zullen herinneren.
In de tweede nieuwe rubriek worden plaatsen van herinnering beschreven van bekende Zwolle­naren. Oud-redactielid Wil Cornelissen bijt hier de spits af met zijn herinneringen aan de Vecht-brug.
Jonn van Zuthem beschrijft de jeugd van de katholieke Piet Kasteel in Assendorp. Kasteel pro­moveerde op een proefschrift over de antirevolu­tionair Abraham Kuyper, en werd in de oorlogsja­ren benoemd tot gouverneur van de Antillen. Zijn jeugd en de omgeving waarin hij opgroeide, waar de verschillende christelijke bevolkingsgroepen bij elkaar leefden, is zeker van invloed geweest op zijn gevoel voor de ingewikkelde verhoudingen bin­nen de orthodox-protestantse groeperingen in Nederland.
Al eerder putte Maria Hansen uit de vele docu­menten en brieven die van de familie Van Haer­solte bij het Historisch Centrum Overijssel wor­den bewaard. In 2002 verscheen het artikel over Sophie van Haersolte, dit keer staat haar moeder, Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk centraal. Geertruid moest haar huishouden en haar gezin veelal alleen draaiend houden. Haar man Carel zat als politicus in Den Haag, waar hij lid van de Tweede Kamer was. Zij schikte zich in haar lot, maar werd er af en toe wel depressief van. Pas toen haar man eind 1848 weer naar Zwolle kwam, knapte zij op.

Inhoud

Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma – van Hulten en Wim Huijsmans 46
Kleurrijk verleden 48
Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874 Maria Hansen 49
De plek waar het begon en de plek waar het eindigde Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen Frank Inklaar 62
Een rooms jongetje uit Assendorp Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw Jonn van Zuthem 65
Mededelingen 76
Auteurs 78

Omslag: Een zomerse opname uit rond 1970 van het hart van Zwolle, de Grote Markt. Foto: M. Wassenaar

49

Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder
Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874
A
dellijke families hadden veel belangstelling voor hun verleden en de familie Van Haer­solte had een heel lang verleden. De oudst bekende voorouder had zich al in de veertiende eeuw in Zwolle gevestigd en hoewel de familie zich uitbreidde naar Gelderland en Friesland, bleef Zwolle talloze Van Haersoltes tot woonplaats die­nen. Velen van hen bekleedden hier een openbare en leidende functie. In de stad zijn diverse panden die herinneren aan de Van Haersoltes1 en Swier van Haersolte bouwde – in 1617 -vlak bij de stad een prestigieus stamhuis voor de familie: de (inmiddels afgebroken) havezate Haerst.
De familie Van Haersolte bewaarde generatie op generatie vele documenten, brieven en herin­neringen, die uiteindelijk in het Historisch Cen­trum Overijssel gedeponeerd zijn. Het uitgebreide familiearchief is een rijke bron over het familiele­ven van deze adellijke familie. In 2002 schreef ik in dit tijdschrift al eens over Een ‘redelyk zoet’ meisje, Sophia Cornelia (Sophie) baronesse van Haersol­te. Nu staat Sophie’s moeder Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk, echtgenote van Johan Christi­aan van Haersolte tot Haerst, centraal.
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk was het eerste kind van Carel de Vos van Steenwijk en Sophia Cornelia Huygens en werd op 24 oktober 1813 op Dikninge in Drenthe geboren. Dikninge was een adellijk stift geweest en lag niet ver van Meppel, bij de Wijk. Het oude klooster was door een broer van Geertruids vader gekocht en had plaats gemaakt voor een ruim landhuis, waar Geertruids ouders kort voor haar geboorte introk­ken. Het gezin werd nog uitgebreid met een twee­de dochter en een zoon.2
Geertruids vader bezat, in tegenstelling tot de meeste van zijn standgenoten, geen buitenhuis hoewel hij uit een belangrijke aristocratische fami-Maria Hansen lie uit Drenthe en Overijssel stamde. Hij trouwde eerst op tweeënvijftigjarige leeftijd en had toen een veelzijdige en turbulente carrière achter de rug. Hij was een politicus en was het patriotse en

Het huis Dikninge bij De Wijk, waar Geer­truid geboren werd, opgroeide en ook na haar huwelijk graag logeerde. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)
Bataafse standpunt toegedaan. Als jongeman was hij in de delegatie van de eerste Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten naar Ameri­ka gereisd, een land dat door de patriotten tot voorbeeld werd gesteld. Weer thuis raakte hij betrokken bij het verzet tegen de stadhouder en werd in Drenthe de leider van de patriotse bewe­ging. Na het herstel van de macht van de stadhou­der in 1787 verloor Carel de Vos van Steenwijk al zijn openbare ambten. Acht jaar later nam hij in de Bataafse republiek echter weer vooraanstaande functies in. Bij een staatsgreep raakte hij enige tijd in gevangenschap en van 1802 tot 1803 was hij ambassadeur in Frankrijk. Hij bereikte het hoog­tepunt van zijn carrière tijdens de regering van koning Lodewijk Napoleon, toen hij feitelijk het hoofd van de Nederlandse staat was. In 1811 werd hij door keizer Napoleon tot vertegenwoordiger in het Corps Legislatief in Parijs benoemd. Na de val van Napoleon was het geenszins gedaan met de politieke carrière van Carel de Vos van Steenwijk: hij werd namelijk door koning Willem de Eerste tot lid van de Eerste Kamer benoemd en bleef dat tot zijn dood in 1830.3
Carel de Vos van Steenwijk was niet de enige politicus in de familie. Integendeel, zijn vader was drost van Vollenhove geweest4 en zijn drie broers waren, net zoals hij, betrokken bij de patriotten-beweging. De enige zoon van Carel de Vos van Steenwijk – en enige broer van Geertruid – ging eveneens de politiek in. Hij werd in 1846 burge­meester van Vollenhove, in 1853 lid en later ook voorzitter van de Eerste Kamer en in 1856 werd hij benoemd tot burgemeester van Zwolle, een ambt
zwols historisch tijdschrift
dat hij elf jaar bekleedde. Zijn laatste functie, Commissaris des Konings in de provincie Utrecht, bekleedde hij slechts een jaar omdat hij niet naar Utrecht wilde verhuizen.5
Hoewel Geertruid pas zeventien jaar was toen haar vader overleed, had zij ongetwijfeld veel over politieke zaken gehoord maar er is – zoals meestal het geval – weinig bekend over haar jeugd. Adellij­ke meisjes werden thuis opgevoed en opgeleid en dat laat weinig sporen na. Uit alles blijkt evenwel dat zij een goede educatie kreeg die paste bij haar stand. Zij groeide op in een harmonische sfeer. Met haar moeder en haar zus kon zij uitstekend opschieten, het contact met haar broer was goed maar zij zag hem, zeker toen hij nog niet in Zwolle woonde, minder vaak.6 De herinnering aan haar vader werd levend gehouden door zijn portret, hij had zich door de kunstenaar Hodges drie maal laten portretteren en elk van zijn kinderen kreeg een schilderij.7
Geheel volgens verwachting trouwde Geer­truid met een man van adel, Johan Christiaan baron van Haersolte. Zij was vierentwintig en hij was zevenentwintig jaar oud. Het huwelijk vond te Zwolle plaats op 26 april 1837. Johan was geboren op het buitenhuis van de familie Van Haersolte, de voormalige havezate Den Doorn en woonde bij zijn ouders aan de Melkmarkt (nu Grote Markt 12-13) te Zwolle. Hij had een aantal jaren de wereldzeeën bevaren, eerst als adelborst en later als of.cier van de Koninklijke Marine en was aan­sluitend de politiek in gegaan. In het jaar van zijn huwelijk was hij lid van de ridderschap van Overijssel en werd hij burgemeester van Zwol­lerkerspel. Bovendien nam hij zitting in de Pro­vinciale Staten van Overijssel.
Vanuit Zwolle gingen Geertruid en Johan ruim drie maanden op huwelijksreis naar Duits­land, Zwitserland en Italië. Geertruid liet de orga­nisatie helemaal aan Johan over. Zij moet haar ogen uitgekeken hebben: de sprookjesachtige ruïnes op de bergen langs de Rijn, de rotsen, de gletschers en de besneeuwde bergen rondom de spiegelgladde meren. Bij de ‘menigvuldige roman­tische vallen’ van de Giessbach waar het water wel vierhonderd meter naar beneden stortte, werden de jonggehuwden onthaald op Zwitserse volkslie­deren. Aan de arm van haar man wandelde Geer­truid door schilderachtige stadjes, zag kerken, paleizen en kunst. Zo af en toe was het erg ver­moeiend voor haar en was zij genoodzaakt rust te nemen. Op hele moeilijke trajecten zorgde Johan voor ezeltjes of voor een draagstoel. Bij het meer van Genève aangekomen, werd Geertruid ziek. Niet erg, maar ze moest toch een dag het bed hou­den. Johan was bezorgd, hij zag van een voorgeno­men tochtje af en was verheugd toen hij de vol­gende avond een kleine wandeling met zijn ‘lieve vrouw’ kon maken. Na nog een dag was Geertruid zo goed als beter. In Italië werden de reisplannen aangepast omdat er cholera was uitgebroken. Johan besloot Italië te laten voor wat het was en in een rustig tempo reisden zij naar huis waar ze bij­na veertien weken na hun vertrek arriveerden.8
In mei 1838 werd hun eerste kind, Sophie, geboren. In de loop van dertien jaar volgden nog twee zonen en zes dochters. De eerste jaren van hun huwelijk schijnen nogal wolkeloos te zijn geweest. Zij woonden in een ruim huis in de Koe-straat (nu Koestraat 18) te Zwolle dat Geertruid ten huwelijk had gebracht.9 Beiden waren gezond en de kinderen bleven allemaal in leven. Maar Geertruid had een weinig opgewekt karakter, ze was melancholisch van aard en hield niet van ingrijpende veranderingen. Eind 1845 veranderde haar leven drastisch, ze werd er treurig door en soms zelfs depressief.

Alleen in Zwolle
Ze waren acht jaar getrouwd toen Johan Christi­aan van Haersolte lid van de Tweede Kamer werd.10 Net nu het gemeentehuis van Zwol­lerkerspel op een steenworp afstand van hun huis werd ingericht, op de hoek Koestraat en het Kromme Jak11 en Geertruid het vooruitzicht had haar man dicht bij huis te weten, moest hij vaak en langdurig in Den Haag zijn. Geertruid zag er enorm tegenop en voelde een ‘gemenelijke ge­moedsstemming’ waartegen zij zich niet kon ver­zetten. Half oktober 1845 vertrok Van Haersolte naar Den Haag en Geertruid bleef met de kinde­ren in Zwolle. Doordat zij een hekel had aan af­scheid nemen, waren de laatste gezamenlijke

Carel baron de Vos van Steenwijk (1759-1830), de vader van Geertruid. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)

ogenblikken onaangenaam. In een naargeestige stemming zat Geertruid de eerste uren na Johans vertrek te kniezen, de tijd leek haar ‘eens zoo lang als gewoonlijk’ te duren. In huis was alles ‘dodelijk stil en leeg’, alles herinnerde haar aan hem, en ze was blij toen haar moeder ’s avonds op bezoek kwam. Binnen een week vertrok Geertruid naar haar ouderlijk huis Dikninge. Vandaar schreef zij een brief aan haar man: ‘Waarde vriend! Geloof niet dat ik ooit gewen aan uwe afwezigheid, neen, wanneer de twee jaren voorbij zullen zijn, dan zal ik U vurig smeeken deze betrekking niet langer te behouden.’ Johan had haar beloofd dat hij regel­matig enige dagen in Zwolle zou doorbrengen, maar alras bleek de werkelijkheid weerbarstiger. Het was een grote teleurstelling toen hij schreef dat aan een bezoek niet te denken viel. De zittin­gen zouden naar verwachting uitlopen, hij kon niet weg. Na weken scheen het Geertruid dat zijn belofte ‘nooit verwezenlijkt’ zou worden. Ze had er zo op gerekend dat hij vaak naar huis kwam. Omdat zij wist dat haar man een hekel had om de reis van Den Haag naar Zwolle voor slechts een paar dagen te ondernemen, deed het haar genoe­gen dat hij toch voor zeer korte tijd naar huis kwam. Maar het was voor Geertruid niet vol­doende, zij klaagde dat hij na twee maanden amper drie dagen thuis was geweest. Dagen die veel te snel voorbij vlogen, die visite leek haar na zijn vertrek een droom te zijn geweest.
In de volgende tijd wende Geertruid niet aan zijn ‘gedurige vertrekken’. Toch probeerde zij zich zo veel mogelijk in haar lot te schikken, maar zij bleef het als een beproeving beschouwen: ‘het is toch eene treurige noodzakelijkheid, zoo geheel gescheiden ieder onzen eigen werkkring te heb­ben!’ Geen enkel moment schijnt Geertruid over­wogen te hebben haar man te volgen. Ze hadden immers in Den Haag een huis kunnen huren en voor de opvoeding van de kinderen waren er in die stad minstens zoveel mogelijkheden als in Zwolle.
Geertruid keek uit naar de brieven van haar man en schreef zelf minimaal elke week een brief. En als er een mogelijkheid was de post met iemand mee te geven, kreeg Johan een brief extra. Zij schreef zonder reserve over zijn tekortkomingen als echt­genoot en vader, en over haar gevoelens voor hem. Ze tobde veel en twijfelde dan aan zijn liefde. Geertruid verwachtte van haar ‘lieve Johan’ dat hij ook regelmatig schreef. Soms kwam zijn brief niet snel genoeg naar haar zin. Vijf dagen na zijn ver­trek uit Zwolle verweet zij hem dat ze nog steeds geen post had ontvangen. ‘Zijt gij dan zoo gewik­keld in de staatszaken dat gij geen oogenblik kunt afzonderen om u met mij bezig te houden?’ vroeg zij verwijtend en herhaalde voor de zoveelste keer: ‘o, dit stilzwijgen maakte mij regt treurig.’ Zij
zwols historisch tijdschrift
53
merkte op dat het leven in Den Haag hem ‘perfect’ beviel en trok de bittere conclusie: ‘U schijnt het vooruitzigt van dese lange afwesigheid volstrekt geen moeite te kosten’. Zijn volgende brief beves­tigde haar bange gedachten, zij merkte duidelijk dat hij ‘den huisselijken omgang’ niet miste. Het was voor hem wel goed dat hij niet veel aan zijn gezin dacht, begreep Geertruid, maar ze was bang dat hij zich bij haar en de kinderen niet meer thuis voelde. Zij zuchtte: ‘Mijne gelukkige dagen zijn thans voorbij!’ Ze herinnerde hem aan de verjaar­dag van hun huwelijksdag die zij in 1846 voor de eerste keer niet samen doorbrachten. ‘Hebt gij de 26ste dezer maand herdacht?’ vroeg zij, het ant­woord eigenlijk wel wetend, want ze had niets van hem vernomen. Geen brief of cadeau was in Zwol­le afgeleverd. Geertruid had het gevoel dat ze uit elkaar groeiden en werd er verdrietig van. Zelfs zo zeer dat zij haar dood overdacht. De volgende ver­jaardag van hun huwelijk zou ze waarschijnlijk niet halen, schreef ze haar man. En vervolgde: ‘U bent meer gewend van mij verwijderd gelukkig te zijn, het los maken van de band zal U minder moeite kosten als vroeger’.
Zij wilde zo graag geloven dat de lange afwe­zigheid van huis hem op de lange duur ook niet zou bevallen, maar daar leek het niet op. Hij had het in Den Haag druk, hij had vele connecties en bezocht theatervoorstellingen en feestelijke bij­eenkomsten. Johan besteedde weinig woorden aan het uitgaansleven. Misschien kwam dat omdat hij haar mening kende, ze vond dat hij niet mocht klagen als hij een keer een toneelvoorstelling misliep doordat hij te veel werk had. ‘Ik beklaag U niet zeer, dat gij tot heden belet wordt Robert le Diable te zien, vooral niet als zulks wordt verhin­derd door belangrijke werkzaamheden’. De ‘veelvuldige genietingen, welke het séjour van den Haag U aanbiedt, geeft immers ruime vergoeding voor eene enkele teleurstelling’. Geertruid vond ook dat hij niet moest klagen over de late werku­ren en informeerde of hij al gewend was ‘aan het laat naar bed gaan’.
In 1848 werd Johan van Haersolte herkozen tot lid van de Tweede Kamer waardoor zijn Haagse ver­blijf, tot grote spijt van Geertruid, werd verlengd.
Soms was hij zo in beslag genomen door staatsza­ken dat hij nergens anders over schreef. Geertruid begreep het wel, maar het gaf haar toch een ‘onaangename indruk’ dat hij zelfs niet naar de kinderen informeerde. De zesde verjaardag van hun dochtertje Annette vergat hij. Geertruid was blij dat hij de verjaardag van de kleine Caroline wel onthield. Zij hanteerde een zachtaardige methode om hem aan zijn gezin te herinneren. De

De Koestraat omstreeks 1910. Geertruid woonde met haar gezin op num­mer 18, het vierde pand van links. (Collectie HCO) Johan Christiaan baron van Haersolte, heer van Haerst (1809-1881), de echtgenoot van Geer­truid. Zij trouwden in 1837. (Iconographisch bureau)

oudste dochter werd meermalen aangemoedigd haar vader te schrijven, en het meisje deed haar best er mooie brieven van te maken. Op zijn verjaardag ontving Johan een brief van Geertruid èn een briefje van elk van zijn kinderen. De brief van Geertruid was weinig feestelijk. Ze hoopte wel dat hij nog lang bleef leven maar zelf richtte ze haar blik op de dood. ‘Het uur onzes doods is onzeker’, was de macabere boodschap van haar felicitatie.
Haar eigen verjaardag bracht Geertruid in een weemoedige stemming door omdat deze dag zo rijk aan herinneringen was. Zij vierde de dag alleen met de kinderen die het een heel feest von­den; ‘s’est un beau jour!’ zoals een van hen zei. Ze waren die ochtend bij Geertruid gekomen met ‘lieve boeketten’ en gelukwensen. Van de oudste, Sophie, kreeg ze een zelfgemaakt speldenkussen en van nummer twee een paar gebreide kou­senbanden. Ook Johan vergat de geboortedag van zijn ‘Lieve Truitje’ niet. Vanuit Den Haag stuurde hij een ‘garnituur’ – waarschijnlijk een set juwelen -dat Geertruid ‘allerliefst’ vond. Zij was van plan het veel te dragen. Blij met het tastbare cadeau hoopte zij toch ook dat hij haar speciaal die dag in zijn gebeden niet zou vergeten.
Rond de geboorte van hun vijfde kind was Johan zeer waarschijnlijk voor langere tijd in Zwolle. Toen de bevalling van het zesde kind naderde, wilde hij weer bij Geertruid blijven. Haar plichtsbesef over zijn taak won het echter van haar tegenzin over zijn afwezigheid, zodat zij hem maande naar Den Haag te gaan. Voor de bevalling had zij hulp genoeg, stelde zij hem gerust. Haar moeder kwam helpen en de dokter ging op Geer­truids verzoek de stad niet uit. Ze voelde zich kalm, de baker arriveerde op tijd en zij beviel van een gezonde dochter.
Als Johan liet blijken dat hij een verblijf ver van huis ook niet altijd even prettig vond, deed dat Geertruid genoegen. Ze bemerkte ‘niet zonder satisfactie dat de tijd U ook een weinig lang valt’. Eerst na een jaar of drie raakte zij min of meer gewend aan zijn afwezigheid, al was het na elk bezoek weer vreemd om alleen te zijn. Ze .eurde op als haar man plannen had naar huis te komen. Alle gezelschap en a.eiding, hoe prettig ook ‘ver­goedt mij toch uw afzijn slechts onvolkomen’, schreef zij hem. Toen zijn ambtstermijn a.iep en hij voor de laatste keer uit Den Haag vertrok, stel­de Geertruid hem nog snel van de laatste nieuw­tjes op de hoogte en verzocht om een laatste bood­schap. Zij besloot met: ‘Nu adieu, komt zoo spoe­dig als gij kunt.’

Familiecontacten
Geertruid onderhield een hartelijk contact met haar moeder en met haar zus Annette. Haar moe­der had twee huizen, in de zomermaanden was haar buitenhuis Dikninge favoriet en in het win­terseizoen woonde zij in Zwolle, in de Nieuw­straat.12 Op Dikninge bracht Geertruid vele
zwols historisch tijdschrift
55
zomermaanden door en als haar moeder in Zwol­le was, zagen zij elkaar vrijwel dagelijks. De dames soupeerden ‘en petit comité’ en pasten samen kle­ding door. Ook Geertruids zus Annette was vaak in Zwolle. Zij was getrouwd met haar neef Reint de Vos van Steenwijk en sedert 1843 woonde dit echtpaar op het voorname Voorwijk bij De Wijk in Drenthe.13 Geertruids broer Jan woonde met zijn vrouw Wilhelmina Louise van Aerssen Beye­ren van Voshol op Oldenhof buiten Vollenhove, dat hij huurde van de familie Sloet.
Geertruid stelde een goede sfeer in de familie zeer op prijs, zodat zij een wrijving tussen haar moeder en Jan onaangenaam vond. Ze maakte zich zorgen om haar depressieve broer en haalde haar moeder over hem op Oldenhof te bezoeken. Het gaf haar voldoening dat het bezoek aan Oldenhof tot meer begrip voor Jan leidde.
Met haar schoonfamilie had Geertruid soms een moeizame relatie. Van de negen nog in leven zijnde kinderen van haar schoonouders woonden er nog vijf thuis, en dat waren degenen waar Geer­truid het meeste contact mee had. Vooral met haar schoonzus Agatha kon zij het goed vinden. Geertruid ging wel vaker ‘aan de Markt’ eten. Maar hoewel het oppervlakkig allemaal in orde leek te zijn, was Geertruids verhouding met de familie van haar man niet geheel zoals zij het zich wenste. Toen een van hen ziek was, hoorde zij dat van bekenden die zeer verwonderd waren dat zij
Gezicht op het begin van de Melkmarkt omstreeks 1885. Geer­truids schoonouders woonden in het derde pand van links, Nu Grote Markt 12-13. Tegenwoordig is in dit pand een Mac Donalds gevestigd. (Collectie HCO) De voormalige havezate Den Doorn in Haerst, het buitenhuis van de familie Van Haersolte. (Collectie HCO)
van niets wist. Ze was gepikeerd, ‘daar ik er zoo duidelijk in zie, dat ik na elf jaar in de famille geweest te zijn, geheel als vreemde word behan­deld’. Ze had er vast op vertrouwd dat de familie haar over zoiets belangrijks zou inlichten. Ze informeerde dadelijk bij haar schoonfamilie en trachtte zich te onthouden van ‘bittere reproches, daar men toch later altijd berouw van heeft’. Toen haar kinderen kinkhoest kregen kwam de wrevel weer boven omdat haar schoonfamilie weg bleef uit angst voor besmetting. Haar moeder schoot te hulp. ‘Indien ik Mama niet had zoude ik mij nog ongelukkiger alleen voelen’, klaagde Geertruid bij haar man. Van de andere kant reageerde zij koel­tjes op nieuws dat haar schoonvader gevallen was. Ze hoorde er niets meer over en trok de conclusie dat het dus wel mee zou vallen. De kinderen had­den geen weet van de wrijving tussen hun moeder en hun grootouders Van Haersolte. Zij gingen ’s zomers op Den Doorn in Haerst logeren en met Sint-Nicolaas stonden aan de Melkmarkt cadeau­tjes voor hen klaar.14
zwols historisch tijdschrift

Leed en plicht
Geertruid kreeg regelmatig met de dood te maken. Het overlijden van haar vader wist zij zich nog goed te herinneren, ze was zeventien jaar toen hij op eenenzeventigjarige leeftijd overleed. Maar juist kort voor en in de periode dat haar man meestal in Den Haag verbleef en zij veel alleen in Zwolle was, waren er in haar direkte omgeving vele sterfgevallen. Geertruids oudste zwager Van Haersolte overleed begin maart 1845 en haar schoonzus Betje van Haersolte stierf op het einde van diezelfde maand, ze was slechts zevenen­twintig jaar geworden en nog geen twee jaar getrouwd. De weduwnaar bewaarde voor Geer­truid en Johan een aandenken aan Betje. Voor Johan was dat een parelmoeren vouwbeen en Geertruid kreeg het werkmandje dat zij eens aan Betje had geschonken.15 Na deze twee zo snel op elkaar volgende sterfgevallen kreeg de familie Van Haersolte een jaar later nieuw verdriet te verwer­ken toen een dochtertje van Geertruids schoonzus Antje overleed. En in 1848 overleed in het Friese Weinum de man van haar schoonzus Lize. Zodra Geertruid gelegenheid had, reisde ze naar Wei­num. Dat zijzelf zeven maanden zwanger was, hield haar niet tegen. Zij vertrouwde op God. Het verdriet van iemand die haar dierbaar was, deed haar steeds weer pijn. Ze toonde zielsveel medelij­den met haar zus Annette toen deze een kind ver­loor. Enige tijd later zag Geertruid met opluchting dat Annette, hoewel nog bedroefd, berustte en zich onderwierp aan het gezag van God. Maar ze maakte zich zorgen dat haar zus bijna onverschil­lig was voor alles om haar heen.
Geertruid dacht niet dat zij een hoge leeftijd zou bereiken. Meer dan eens waarschuwde zij haar man dat zij weinig plezier in haar bestaan vond. Het waren niet alleen de veelvuldige sterf­gevallen in haar directe omgeving die haar het levensplezier ontnamen. Ze had het gevoel dat het haar aan geluk ontbrak en dat veroorzaakte bij haar een afkeer van het leven, waardoor zij depres­sief werd. In het nieuws aan haar man berichtte Geertruid veel treurigheid, het verdriet van haar zus, de depressie van haar broer, een freule Ben­tinck die bedroefd maar ‘bedaard’ was, dat Mietje Wicherlinck zo ‘diep bedroefd’ was en dat een nicht Feith treurig was gestemd omdat ze ‘zich zoo alleen!’ voelde.
Johan schreef haar dat hij een bezoek had gebracht aan tante Backer, die een overledene te betreuren had.16 Dat de vrouw in een terneerge­slagen stemming was, begreep Geertruid heel goed. Maar het gedrag van de nichten vond zij onbegrijpelijk. ‘Ik vind het gelukkig dat zij onder­worpen zijn en zich met kalmte schikken in hun lot, maar hoe zij vrolijk en opgeruimd kunnen zijn is mij een raadsel’, luchtte zij haar hart bij haar man. Geertruid neigde in deze voor haar zo som­bere jaren niet tot oppervlakkig vertier. Toen haar schoonmoeder haar vroeg af te zien van een fees­telijke avond omdat het precies een jaar geleden was dat Betje van Haersolte was overleden, gaf Geertruid daar met instemming gehoor aan. De ‘grote soirée’ trok haar toch al niet bijzonder aan.
De politieke spanningen in binnen- en buitenland in 1848 veroorzaakten bij Geertruid nieuwe som­berheid. Toen men in de stad uiting gaf aan de vreugde over de nieuwe grondwet, vond zij dat helemaal niet prettig. Maar toen zij merkte dat er overal vlaggen uitgestoken werden, deed zij dat ook maar. Een vreugdeblijk was het zeker niet. Ze peinsde meer over de zelfmoord van de chef van een tapijtfabriek vanwege een te kort in de kas van vierduizend gulden. Alsof zo’n bedrag een reden was je het leven te benemen, schreef zij haar man. Wat er in revolutionair Parijs gebeurde, waar de monarchie onder zware druk stond, was veel erger. ‘Dat in de tegenwoordige beschaafde eeuw zoo veel bloed op zulk eene gruwzame wijz zoude stroomen’, boezemde haar afschuw in.
Het relativeringsvermogen van Geertruid was groot, ook als het niet in haar eigen belang was. Een voorbeeld daarvan was haar al gememoreerde instemming met het vertrek van haar man naar Den Haag ondanks haar ophanden zijnde beval­ling. Met verwikkelingen rond het personeel ging het net zo. Een van de meiden accepteerde buiten haar medeweten een andere werkkring, wat Geer­truid uitermate onaangenaam vond. Maar toen de meid terugkrabbelde, maande Geertruid dat een gegeven woord niet teruggenomen mocht wor­den. En toen de gouvernante van de kinderen bericht kreeg dat haar moeder in Zwitserland doodziek lag, deed Geertruid geen enkele poging de vrouw van de reis te weerhouden. Ze had er begrip voor, al veroorzaakte het veel ongemak.17

Ondanks haar melancholieke buien was Geer­truid over dagelijkse zaken heel reëel. Als er iets geregeld moest worden omtrent een nieuwe meid, een andere gouvernante of leraar, dan was dat een taak die zij snel ter hand nam en voortvarend afhandelde. Geen spoor van de onzekerheid die haar mijmeringen over haar man zo kenmerken.
Als moeder had Geertruid een traditionele opvatting, ouders behoorden ‘met getrouwheid de plichten te vervullen die op hen rustten’. Zij voedde haar kinderen met toewijding op. De eer­ste stapjes of een uitgevallen wisseltand, een slech­te houding of een kinderziekte, waren voor Geer­truid memorabele gebeurtenissen. Zij volgde hun opleiding met belangstelling en verzuimde niet hen godvruchtig op te voeden. De kinderen hiel­den van haar, en vonden het – ook toen zij wat ouder waren – heerlijk haar te verrassen met vele verjaardagscadeau’s die zij op een plank uitstalden en met een bloemenguirlande versierden. Het gaf een leuk effect, constateerde de oudste tevreden. Om haar moeder nog meer te plezieren droeg zij een japon die bij haar moeder in de smaak viel.18

Herenigd
Eind 1848 keerde Johan Christiaan van Haersolte voorgoed naar Zwolle terug. Geertruids melan­cholie verdween, haar gemoed werd opgewekter. Vervelen deed zij zich helemaal niet. Integendeel, de tijd ging zo snel voorbij dat zij zich elke keer weer verbaasde dat er alweer een week voorbij was. Zelfs het overlijden van haar schoonzus van Oldenhof bracht haar niet uit balans.19
Een nieuwe periode brak aan toen de kinderen een voor een het ouderlijk huis verlieten om elders hun opvoeding te voltooien. Geertruids oudste zoon verbleef vijf jaar op een kostschool in de buurt van Den Haag en studeerde aansluitend in Leiden.20 Vlak voor het vertrek van haar oudste dochter Sophie naar een internaat – het ‘opus l’époque’ zoals Geertruid het noemde – twijfelde ze over haar beslissing. Zij bad God om zijn zegen voor haar besluit. De scheiding van het meisje viel haar – net zoals eerder van haar man – erg zwaar.21
Na de kostschooljaren kwam Sophie weer naar huis en de relatie van Geertruid met haar oudste dochter werd hechter. Sophie werd gepresenteerd in de beau monde en de dames kregen het in ‘het seizoen’ dat in Zwolle rond half januari goed op gang kwam, druk met ‘sorties’. Zij bezochten vele soirees, diners, soupers en bals. Soms ging het er zo vrolijk aan toe dat de gasten niet weg wilden gaan. Een keer speelde een van Geertruids doch­ters na het eten muziek en het gezelschap begon spontaan te dansen hoewel de rijtuigen om te ver­trekken al klaarstonden. Geertruid gaf nu ook zelf partijen. Zij gaf een diner voor jonge mensen, en met haar man gaf zij een kinderbal in de Zwolse Kolfbaan, de kinderen spraken opgewonden over niets anders. De huwelijken van haar dochter Annette en van de oudste zoon waren ook reden tot feestelijkheid en de familie werd met kleinkin­deren uitgebreid. De zilveren bruiloft van Geer­truid en Johan werd in de familiekring en met het personeel gevierd.22
Diners in de familiekring waardeerde Geer­truid als ‘zeer amusant’. Met haar opgroeiende dochters, met veel gebabbel en gekwetter, was het levendig in het huis in de Koestraat. Af en toe maakte Geertruid met haar man en een paar van de kinderen een plezierreisje. Een verjaardag van Johan werd gevierd bij de heer Van Heeckeren op Molecate, een ‘très joli sîté’ bij Hattem. Geertruid beschreef met genoegen het charmante uitzicht vanaf de ‘fameux montange’ de Frieselenberg op de Veluwe. Ze maakte met haar man en de jongste kinderen een uitje naar het paleis het Loo bij Apel­doorn. Ze reisde naar haar schoonzus in het Friese Weinum en bezocht haar nicht De Vidal de Saint Germain op het Relaer te Raalte.23 Haar broer woonde nu met zijn tweede vrouw Agatha Maria Françoise van Aerssen Beyeren van Voshol in de Kamperstraat te Zwolle.24 Geertruid bezocht ook vaker haar zus die met haar man van Voorwijk naar Dikninge was verhuisd en waar Geertruid geamuseerd werd met vrolijke brieven van haar man en haar dochters uit Zwolle.25
Hoewel het uitgaansleven Geertruid goed leek te bevallen, hield zij veel van de intimiteit van het huiselijk leven. Omringd door haar man en
zwols historisch tijdschrift
59
opgroeiende kinderen, deed zij haar best het huis in de Koestraat tot een prettige, mooie woning in te richten. Met zorg liet zij meubelen maken en zocht nieuwe fraaie attributen uit. Er werd geschilderd en behangen, en Geertruid zag toe op de jaarlijkse grote schoonmaak en op het con.­turen en de inmaak.26
In de zomermaanden was Zwolle ‘vrijwel ver­laten’, omdat de aristocratische families op hun buitenhuizen verbleven. Ook de familie Van Haersolte was vaak op De Doorn waar Geertruid thee ging drinken en waar haar kinderen regel­matig een paar dagen doorbrachten. Op Dikninge trok zij met de kinderen naar buiten om kruiden te plukken, voor in de kruidenazijn. Maar Geer­truid vond de zomerse rust in de stad ook heel prettig, ze genoot van mooi weer en was veel in de tuin met de kinderen. Ze vond het jammer als een mooie dag bedorven werd door sterke ‘vene­damp’. De tuin in de Koestraat, fraai gelegen aan de stadsgracht, werd door een tuinman onder­houden. Johan van Haersolte was dol op de tuin. In het vroege voorjaar wees hij op het uitbotten van de vruchtbomen en op de eerste vioolknop­pen. Toen hij in Den Haag een hele ‘bloemenwin­kel’ bestelde, liet hij de vracht naar Zwolle sturen. Het bleef niet bij één zending, Geertruid verweet hem koopziekte. De tuinman zette de bloemen in de tuin of in manden. Maandenlang genoot Geer­truid van bloesems en viooltjes, van fuchsia’s en camelia’s. De bloemen bleven zo lang mogelijk in de tuin staan. Pas als de eerste nachtvorst werd verwacht, werden de planten weggebracht voor een veilige overwintering. Dan kwamen ook de laatste druiven van De Doorn naar de stad. Maar een warme lenteavond beantwoordde toch het meest aan Geertruids gevoelens. Voor het open raam luisterde zij naar de nachtegaal.27

De dood
In de zomer van 1856 stierf Geertruids moeder zonder een testament na te laten. Haar bezittingen en de goederen, ‘vruchten, inkomsten en huren’ en waardepapieren van haar reeds in 1830 overle­den echtgenoot, werden onder haar drie kinderen verdeeld. Ieder ontving, tot op de halve cent nauwkeurig, even veel. De erfenis voor Geertruid bestond uit land, een huis en een erf, veertig certi­.caten, negenendertig obligaties, vierentwintig aandelen in diverse banken en maatschappijen en een schuldbekentenis. Aangevuld met een klein bedrag aan contanten vertegenwoordigde het een waarde van bijna honderdveertigduizend gulden. Uit haar moeders persoonlijke bezittingen – juwe-

De Kamperstraat omstreeks 1900. In de Kamperstraat woonde Geertruids broer J.A.G. de Vos van Steenwijk. (Collectie HCO)
len, zilver, linnen, boeken, meubelen en rijtuigen ­ontving Geertruid eveneens eenderde deel, ter waarde van ruim tienduizend gulden.28
In de zomer van 1866 nam Geertruid een velle­tje schrijfpapier en schreef kort en bondig, zonder overschrijvingen of doorhalingen, haar testament. Het woonhuis in de Koestraat legateerde zij aan haar man. Ook haar overige erfenis werd eigen­dom van haar man maar zij beschikte dat hij het vruchtgebruik moest delen met de kinderen. Zij verzocht haar kinderen hier genoegen mee te nemen en hun vader niet verder aan te spreken op enige uitkering van de moederlijke erfportie.29
Geertruids laatste verdriet was de dood van haar dochter Sophie in 1873. Na jarenlang sukke­len was Sophie onder behandeling gesteld van een Duitse arts maar het ging niet goed met haar. De behandeling werd stopgezet en Sophie werd naar een arts in Leiden gebracht, die haar net zo min als alle vorige artsen kon helpen. Haar toestand ging snel achteruit. In Zwolle werd een alarmerend telegram bezorgd en Johan van Haersolte reisde spoorslags naar Leiden. Hij stuurde telegram na telegram naar Zwolle om Geertruid op de hoogte te houden van Sophie’s toestand. Het laatste tele­gram bevestigde haar bange vermoedens, Sophie was overleden. Geertruid wachtte op de terug­komst van haar man en het lichaam van Sophie. Na de dood van haar oudste kind raakte ze enige tijd onwel. Troostrijke brieven konden het leed niet verzachten.30 De geboorte van haar derde kleinkind – vier maanden na Sophie’s overlijden ­deed haar levenslust niet merkbaar opleven.
Na de dood van Sophie ging Geertruids gezond­heid achteruit. Een paar maanden na het verlies reisden Geertruid en Johan naar het kuuroord Muhlheim, een badplaats in het Rijngebied. Geer­truid consulteerde er een arts en dronk het heil­zame water. Ze moest veel in de zuivere buiten­lucht verblijven en met open raam slapen. Tegen­over de mooi gelegen villa waar zij logeerden lag een park waar zij prettig kon wandelen of in de schaduw kon zitten. Met haar man maakte ze een mooie excursie, de ‘charmant site’ herinnerde hen aan hun huwelijksreis. Nadat Geertruid kennis had gemaakt met andere gasten en geïntroduceerd was in de plaatselijke ‘Holli Club’ reisde haar man alleen naar huis. De kuur werd geen succes. De volgende zomer reisde Geertruid met haar man naar Scheveningen vanwege de zeelucht, maar haar gezondheid ging zienderogen achteruit. Na a.oop van een uitstapje naar Den Haag was Geer­truid zo moe dat zij geen tweede keer wilde gaan. ‘Met kunst en vliegwerk’, schreef haar man naar Zwolle, was zij ‘één maal aan Zee geweest, maar dit ging met groote moeite gepaard’ zodat hij niet op herhaling aandrong. Haar eetlust was gering, haar krachten namen af. Zij dineerde aan de open tafel in de eetzaal maar wilde dat niet meer omdat het te vermoeiend was. Een diner ‘en famille’ op de kamer, met de kleinkinderen aan tafel, was druk genoeg. De arts adviseerde haar naar huis te gaan want de zeelucht had geen effect en thuis was het gerie.ijker. Na nog een paar dagen rust, reisde Geertruid met haar man per trein naar Zwolle, waar bij het station een vigilante klaarstond om hen naar de Koestraat te brengen.31
Geertruid hoopte dat de dood haar niet onver­wachts zou overvallen. De gedachte om zonder veel voorbereiding uit het leven weggerukt te wor­den en onvoorbereid voor Gods rechtbank te moeten verschijnen, greep haar zeer aan. Het sterfbed van ene mevrouw Ooster was voor haar een voorbeeld, deze vrouw had met vol verstand ‘van alle haar omstanders afscheid genomen en hen vermaand toch zonder aarzelen genade te zoeken waar zij alleen te vinden is, in het bloed van Christus’. Geertruid vertrouwde op ‘Christus genade, op Wien alleen onze hoop moet zijn’.32
Ruim een jaar na het overlijden van Sophie was Geertruids ‘taak hier beneden voleindigd’, zij overleed op vijftien augustus 1874. In het over­lijdensbericht gaf Johan van Haersolte kennis dat ‘na eene korte ongesteldheid overleed, in den ouderdom van ruim 60 jaren, mijne hartelijk geliefde Echtgenoote en onzer kinderen zorgdra­gende Moeder, Vrouwe Geertruijd Agnis Baro­nesse De Vos van Steenwijk, na eene gelukkige echtvereniging van ruim 37 jaren’.33
Johan Christiaan van Haersolte overleefde zijn vrouw nog zeven jaar, haar nagedachtenis hield hij in ere. Een jaar na haar dood schreef hij aan een van zijn dochters: ‘Gij gevoelt wel dat my dezen
zwols historisch tijdschrift
dag in het byzonder indachtig zyn aan Mama, en dat wederom veel verlevendigd word’. Op verjaar­dagen en sterfdagen werd ‘alles wederom verle­vendigd’ en miste hij zijn vrouw en oudste doch­ter. In 1877 schreef hij zijn kinderen dat het al weer drie jaar geleden was dat ‘wy uwe goede Mama hebben moeten verliezen!’ Zijn verjaardag was voor hem een treurige dag die hij in stilte door­bracht, vol herinneringen en gemengd met een gevoel van erkentelijkheid voor Geertruid.34
Noten
1 Kamperstraat 10 en 11-13, Koestraat 18, Blijmarkt 1, Bloemendalstraat 11 en Grote Markt 12-13.
2 Stads Athenaeum en Bibliotheek Deventer 100 F21 KL HS II no. 35 KL; Vos van Steenwijk, A.N. baron de, Het geslacht De Vos van Steenwijk in het licht van de geschiedenis van de Drentse adel, Assen 1976.
3 Brake, W. te (ed.), Een grand tour naar de nieuwe republiek: journaal van een reis door Amerika, 1783­1784. Carel de Vos van Steenwijk, Hilversum 1999, 28-32.
4 Js. Mooijweer,’Vos van Steenwijk, Jan Arent Godert de (1713-1779), drost van Vollenhove’, in: J. Folkerts
(e.a. red.), Overijsselse biogra.eën 3, Amsterdam Meppel 1993, 121-125. 5 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk.
6 Nederland’s Adelsboek 78 (1987), 253; De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk. Te Brake, Een grand tour naar de nieuwe republiek, 28­33; Historisch Centrum Overijssel Familiearchief Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
7 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk, 361.
8 M.L. Hansen (ed.), Aller treffendst en stout. De hu­welijksreis van J.C. baron van Haersolte naar Duits­land, Zwitserland en Italië in 1837, Overijsselse hand­schriften 11, Epe 2002.
9 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120. Koe-straat 18 werd in de twintigste eeuw bewoond door het echtpaar Harro en Carina Bouman, zie de spe­cial van het Zwols Historisch Tijdschrift, 22 (2005) nr. 1, ‘Bijzonder echtpaar op Koestraat 18’.
10 De gegevens uit de periode 1845 tot 1848 zijn – tenzij anders aangegeven – afkomstig uit de correspon­dentie van Geertruid Agnes barones de Vos van Steenwijk aan haar man Johan Christiaan baron van Haersolte (HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113).
11 Zwolle mijn stad. Een stadswandeling van A naar Z, Zwolle 2002, 225.
12 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
13 J. Bos, e.a. (red.), Huizen van stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners, Meppel/Amsterdam 1989, 264.
14 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
15 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 162.
16 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 341; HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113; Nederland’s Adelsboek 4 (1906), 542. Tante Backer was mogelijk de echtgenote van Cornelis Backer uit Amsterdam, een vriend van Geertruids vader Carel de Vos van Steenwijk. Of het was Josina Petronella Sichterman, gehuwd met Jan Willem Jacobus Backer. Hun dochter Hermanna Elisabeth was gehuwd met Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk.
17 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
18 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
19 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64; De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 388.
20 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199.
21 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64.
22 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 117, 182.
23 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
24 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 389.
25 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 119.
26 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 182.
27 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 64, 113, 182, 275 en (236), inv. nr. 687; HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64. Het huis in de Koestraat ‘gele­gen agter de wal uitkomende’.
28 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
29 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120.
30 M.L. Hansen, ‘Een “redelyk zoet” meisje, Sophia Cornelia baronesse van Haersolte, 1838-1873’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002) nr. 2, 62-72.
31 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
32 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
33 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 122.
34 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.

Frank Inklaar

De plek waar het begon en de plek waar het eindigde
Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen
T
oen de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift vorig jaar een special uitbracht over de Grote Markt, kreeg dit nummer als titel: Een plaats van herinneringen: De Grote Markt. Deze titel sluit naadloos aan bij een nieuwe trend in de geschiedschrijving, die door de Franse histo­ricus Pierre Nora in de laatste decennia van de vorige eeuw in gang is gezet. Nora stelt dat mensen hun identiteit niet alleen ontlenen aan de algeme­ne geschiedschrijving, maar ook aan de publieke herinnering. Sommige plekken roepen onwille­keurig en onmiddellijk de herinnering op aan ingrijpende historische gebeurtenissen. Deze plekken worden door Nora ‘lieux de mémoire’ genoemd, letterlijk plaatsen van herinnering. Vol­gens Nora zijn dat niet alleen fysieke plaatsten, maar kan de term ook in overdrachtelijk zin wor­den gebruikt, zodat symbolen, instellingen, perso­nen, herdenkingsdagen, en dergelijke lieux de mémoire kunnen zijn. Nora heeft aan de hand van lieux de mémoire de geschiedenis van Frankrijk in kaart gebracht. Nederland is hier niet bij achter gebleven. In de afgelopen twee jaar hebben vier delen van Plaatsen van herinnering het licht gezien. Anders dan bij Nora zijn in de Nederland­se opvatting alleen fysieke plaatsen van herinne­ring opgenomen.
Plaatsen van herinnering zijn er natuurlijk niet alleen op nationale schaal. Elke streek, elke stad, elk dorp kent voor zijn inwoners eigen plaatsen van herinnering. Dit gegeven heeft de redactie van het ZHT er toe gebracht met ‘Zwolse plaatsen van herinnering’ een nieuwe rubriek te starten. Beken­de Zwollenaren vertellen over hun Zwolse plaats van herinnering. De spits wordt afgebeten door Wil Cornelissen, bekend Zwollenaar en ook nog eens oud-redactielid.
Tweede Wereldoorlog
Wil Cornelissen heeft veel herinneringen en ook veel plaatsen van herinnering in de aanbieding. Als hij door de stad rijdt komen bij diverse huizen herinneringen aan familieleden die niet uit de oorlog zijn teruggekomen. Al die adressen zijn stuk voor stuk persoonlijke plaatsen van herinne­ring. Een wat algemenere plaats van herinnering zou het stoepje bij de Oosterkerk kunnen zijn. Daar keek hij bijvoorbeeld naar de opbouw van circus Sarasani op de Turfmarkt. Of naar die prachtige watertoren. Uiteindelijk kiest Cornelis­sen toch voor een plek die voor hem, maar ook voor veel Zwollenaren, direct herinneringen oproept aan de Tweede Wereldoorlog. De oorlog die tot op de dag van vandaag een centrale positie inneemt in zijn leven.

De Vechtbrug
De uitverkoren plaats van herinnering is de Vechtbrug, de brug over de Nieuwe Vecht, tussen de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee, met aan weerszijden de Vondelkade en de Philosophen­allee. Welke herinneringen maakt deze plaats los? Het is voor Cornelissen de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Het is de plek waar op 10 mei 1940 de Duitsers en op 14 april 1945 de Canadezen Zwolle binnentrokken. En zowel in 1940 als in 1945 stond een jonge Wil Cornelissen bij de brug. Niet zo verwonderlijk, want zijn ouderlijk huis stond op de Vondelkade. In 1940 riep zijn vader de twaalfjarige Wil om bij de brug weg te gaan, bang als hij was dat het tot vechten zou komen en dat zijn zoon tussen de schietende partijen terecht zou komen. In 1945 werd de zeventienjarige Wil weer door zijn vader bij de brug weggehaald, om precies dezelfde reden. Bei­de keren gebeurde er eigenlijk niets. Ja, waar­schijnlijk zal er in beide gevallen een doffe knal

De Vechtbrug over de Nieuwe Vecht, gezien vanaf de Philosofen­allee. De brug verbindt de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee. Het is een in 1928 gebouwde basculebrug. De opna­me is omstreeks 1940 gemaakt. Links is huize Molenzicht te zien, rechts het later afgebro­ken brugwachtershuis. (Collectie HCO)
De Vechtbrug gezien vanaf de Wipstrikker­allee aan het eind van de jaren dertig. De Vechtbrug vormde (en vormt) een belangrijke schakel in het wegennet van Zwolle, de Duitsers trokken hierlangs de stad binnen in 1940 en de Canadezen in 1945. (Collectie HCO)
weerklonken hebben door het in de lucht laten vliegen van de IJsselbrug. Maar op de Vechtbrug zelf gebeurde niets. In 1940 zag je de Duitse troe­pen binnentrekken op paarden en met gemotori­seerde voertuigen, soldaten in andere uniformen en met andere helmen dan de Nederlandse solda­ten. Ze hadden geen beenwindsels zoals de Neder­landers. En in 1945 kwamen de Canadezen. ‘Ik moet toen mijn goede vriend Leo Major gezien hebben, maar dat kan ik mij niet meer herinne­ren.’ Leo Major was de eerste Canadees die als bevrijder Zwolle binnenkwam. Herinneringen zijn toch lastig volgens Cornelissen. Van wat hij zich nu herinnert over die periode, wat zijn nu echte herinneringen en wat is informatie die hij later gelezen heeft? ‘Was 10 mei 1940 de dag dat mijn vader huilde, of zorgt de titel van een boek voor deze herinnering? Het zou allebei kunnen.’

Een plek waar eigenlijk niets gebeurde
Wat maakt een plaats waar niets is gebeurd voor Cornelissen toch tot een belangrijke plaats van herinnering? Het is leuk om je te herinneren dat op de oude Vechtbrug, een ophaalbrug, brug­wachtershuisjes stonden. Dat er een piepklein winkeltje was van niet meer dan twee à drie meter, waar meneer Wever tabakswaren verkocht. Dat je voor je vader voor 35 cent vijf sigaren moest halen en dat bij die gedachte je in je herinnering de geur van de tabakszaak weer ruikt. Maar daarom is de Vechtbrug niet door Cornelissen uitgekozen. De brug staat symbool voor het begin en het einde van de Tweede Wereldoorlog.
In 1940 is er de angst, de onzekerheid, de gedachte van wat zal er gebeuren. Of dat nu exact bij de Vechtbrug op het moment van het binnen­trekken van de Duitsers de overheersende emotie van Cornelissen is geweest weet hij niet, maar dat deze gevoelens duidelijk aanwezig waren is wel zeker. Immers als twaalfjarige was Wil al wel dege­lijk op de hoogte van de kwalijke daden van het Hitler-regime. Hij kende de verhalen uit Duits­land van zijn gevluchte oom Erich Passmann, die in Zwolle was blijven hangen, vertrouwend op de neutraliteit van Nederland. Van zijn Joodse moe­der en haar grote Zwolse familie hoorde hij menigmaal de bezorgdheid voor de toekomst. Zijn vader was actief in het plaatselijk bestuur van de antitotalitaire Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie (EDD), een organisatie die zowel het communisme als het fascisme bes­treed. Voor nationaal-socialistisch Duitsland was in deze kringen geen sympathie. Vader droeg dit bewustzijn over op zijn zoon. Wil mocht voor een van de bijeenkomsten van de EDD met Oost-Indi­sche inkt de uitnodigingen kalligraferen. En dan had je nog de nieuwsberichten op de radio. In hui­ze Cornelissen diende je dan je mond te houden, want naar het nieuws moest in stilte geluisterd worden. Wil was dus op die 10de mei 1940 bij de Vechtbrug wel degelijk zich volledig bewust van de onzekere toekomst.
De overheersende emotie op de 14de april 1945 zal er een van vreugde zijn geweest. Het beeld van vlaggen en wimpels komt naar boven, maar ook de verbazing over waar al die vlaggen vandaan kwamen. ‘Heb ik staan zwaaien? Ik weet het niet.’ Spontane feestvreugde moet er in ieder geval wel geweest zijn. Al snel kwam daar een andere emotie bij. Wie van de weggevoerde familieleden zou er terug komen? Wat was er van hen geworden? Dat het verhaal van de tewerkstelling van Joden in Duitsland niet klopte was voor Cornelissen toen al duidelijk. Wat kon zijn doodzieke opa, die met een ambulance was weggevoerd naar Westerbork nu nog voor werk doen? Maar hoe zat het met al die ooms en tantes, neven en nichtjes, leeftijdge­noten? Uiteindelijk keerde maar één achternichtje terug.
Als Wil Cornelissen nu de Vechtbrug passeert overheerst toch het gevoel van de bevrijding.
De Vechtbrug, de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Een plek waar eigenlijk niets gebeurde, maar ook de plek die zoveel herin­neringen oproept.
zwols historisch tijdschrift
65

Een rooms jongetje uit Assendorp
Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw
O
verkomt u dat ook wel eens? Dat wanneer u in een tekst uw geboorteplaats tegen­komt u extra aandachtig gaat lezen? Mij overkomt dat zelfs met enige regelmaat, net zoals ik dat ook bij mijn geboortedatum heb. Zo ben ik er in de loop der jaren achtergekomen dat Jozef Luns en Joop Doderer – mooi duo toch? – op dezelfde dag als ik zijn geboren. Door de opkomst van het internet boeten dergelijke kleine histori­sche sensaties helaas steeds meer aan kracht in. Want u hoeft tegenwoordig maar op bijvoorbeeld de internetsite wikipedia.nl de zoekterm ‘Zwolle’ in te toetsen en alle bekende Zwollenaren worden op een presenteerblaadje aangereikt.
Toch wordt er nog wel eens een enkeling over het hoofd gezien. En dat kan zelfs mensen betref­fen met een bijzonder grote staat van dienst. Zo ook in het geval van Petrus Albertus Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ier­land, Chili en Israël – is in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werk­zaam als journalist en besloot, omdat hij kritische artikelen over het nazi-regime had geschreven, kort na de Duitse inval in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Londen werd hij secretaris van de gereformeerde premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Op 12 december 2003 overleed Kasteel op 102-jarige leeftijd.
Het moet in het najaar van 1994 zijn geweest dat ik Kasteels naam voor het eerst tegenkwam. Ik was toentertijd net begonnen met een zoektocht naar het onder orthodox-protestanten levend antipapisme en stuitte al snel op de door hem geschreven uitgaven van het apologetische Gilde van de Klare Waarheid. In een tijd waarin het anti­papisme nog hoogtij vierde, toonde de jonge jour­nalist Kasteel moed door als een van de weinige katholieken de pen op te nemen tegen de niet-godsdienstige uitingsvormen van dit fenomeen. Halverwege de jaren twintig vervaardigde hij onder de geheimzinnige ‘schuilnaam’ PAK in totaal drie brochures met prikkelende titels als
Vuile Papen!, In Dogma’s Gekluisterd (Stomme papen) en De misdaden der katholieke kerk.1
Toen ik ontdekte dat deze Kasteel dezelfde persoon was als de ‘latere’ Piet Kasteel van het proefschrift over de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper2, kreeg mijn interesse voor diens levenswandel een extra impuls. Helemaal toen ook nog bleek dat wij in dezelfde stad zijn geboren. In deze bijdrage wil ik kort schetsen in wat voor een omgeving de jonge Piet Kasteel opgroeide. Want, in wat tegenwoordig zo mooi de formative years worden genoemd, moet deze van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van zijn karakter.

Een katholieke familie
Petrus Albertus (‘Piet’) Kasteel werd op 4 novem­ber 1901 in Zwolle geboren aan de Deventerdwars­straat 14. Deze woning werd toentertijd nog aan­geduid met het huis- cq. wijknummer L 460. Een paar jaar later, in 1905, werd bij de gemeentelijke omnummering van wijknummers naar straat­namen met huisnummers het huis of.cieel voor­zien van nummer 14. Tegenwoordig heet de Deventerdwarsstraat de Zuiderkerkstraat.
Volgens het geboorteregister was Piet ‘des voormiddags ten zeven ure’ ter wereld gekomen. Vader Bernardus (geboren 30 januari 1859 te Arn­hem) was van beroep zadelmaker bij de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen. Hij had zich op 16 januari 1892 samen met zijn vrouw Geertrui­da Nijenhuis (geboren 19 april 1868 te Wagenin­gen) in Zwolle gevestigd. Het rooms-katholieke
Jonn van Zuthem
echtpaar had ten tijde van de verhuizing al een zoontje, dat Bernardus Gijsbertus heette en een jaar daarvoor in Arnhem was geboren. Het jonge­tje stierf 10 november 1897 op zesjarige leeftijd.3
In Zwolle werden de ouders achtereenvolgens gezegend met de zonen Gijsbertus Jacobus Johan

Piet (Petrus Albertus) Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ierland, Chili en Israël – werd in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werkzaam als journalist. Hij wist in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Lon­den werd hij secretaris van premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Kasteel overleed in 2003 op 102-jarige leeftijd. (Collectie auteur)
(geboren 5 oktober 1893), Hendrikus Johan (gebo­ren 29 januari 1896) en Bernardus Gijsbertus (geboren 23 februari 1898). Deze laatste kreeg dus dezelfde naam als de kort daarvoor overleden oudste zoon. In die tijd woonde ook nog een klei­ne twee jaar de uit Arnhem afkomstige weduw­naar Bernardus Kasteel bij zijn zoon en schoond­ochter in. De eerste dochter werd in 1899 geboren, zij kreeg de doopnamen Wendelina Maria Hen­drika Berendina (geboren 17 september 1899). Opa Kasteel was toen inmiddels weer terugge­keerd naar zijn geboorteplaats Arnhem.
Bij de aangifte van de geboorte bij de burgerlij­ke stand van Petrus Albertus (met de overleden eerste zoon meegerekend dus het zesde kind van het echtpaar Kasteel-Nijenhuis) waren twee colle­ga-zadelmakers van de vader als getuige aanwezig. Deze getuigen, Johannes van Buren en Willem Johannes Christiaan Burbach, tevens buurtgeno­ten, waren niet katholiek, maar hervormd. De voor katholieken steeds stringenter in acht te nemen religieuze scheidslijnen – de bloeitijd van de verzuiling ving omstreeks de eeuwwisseling aan -golden in die tijd schijnbaar niet voor ‘wereldse’ zaken als een aangifte bij de burgerlijke stand.
Piet Kasteel werd, naar goed katholiek gebruik, nog op de dag van zijn geboorte gedoopt. De doopgetuigen waren, zo vermeldt het doop­boek van de parochie, oom Joannes en tante Joan­na Maria Ratering-Nijenhuis. Deze peter en meter waren, zoals dat ook bij vader en moeder het geval was, respectievelijk geboren in Arnhem en Wage­ningen. Ook bij de andere kinderen, onder ande­ren bij Hendricus Joannes, Bernhardus Gijsbertus en ‘Berendina’ kwamen de doopgetuigen meestal uit de regio Arnhem-Wageningen.4 De band met de familie uit het Gelderse moet stevig zijn geweest.
Het verschil tussen de protestantse en de katholieke schrijfwijze van de mannelijke en de vrouwelijke vervoeging van de naam Jo(h)an komt overigens in de verschillende documenten veelvuldig naar voren.5 Door de ambtenaren van het Zwolse bevolkingsregister werd in ieder geval nog consequent de ‘protestantse’ spelling gehan­teerd, ook waar het dus katholieke kinderen betrof.
zwols historisch tijdschrift
67
Na Piet kreeg het echtpaar Kasteel nog twee kinderen, een zoon Johannes Lodevicus (geboren 24 januari 1903) en een dochter Hendrica Johanna Maria Wilhelmina (geboren 22 juni 1904).

Onder de rook van de Centrale Werkplaats
De wijk waarin het gezin woonde, Assendorp (een middeleeuwse verbastering van ‘oostendorp’), was een typische woonwijk voor personeel van de Staatsspoorwegen, de zogenaamde ‘spoorhazen’. Vanaf 1860 was er in deze buurt voorzichtig begonnen met de bouw van arbeiderswoningen. De aansluiting in 1864 van Zwolle op het spoor­wegnet en de spoedige komst van de Centrale Werkplaats (CW), die in de volksmond ook wel de ‘constructiewinkel’ werd genoemd, bracht een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg. Bood de CW in 1870 nog aan 136 man werkgele­genheid, in 1900, een jaar dus voor de geboorte van onze hoofdrolspeler, verdienden al 815 men­sen er een relatief goedbelegde boterham. In ver­gelijking met andere werkgevers betaalde de CW namelijk hoge lonen.
Assendorp had desondanks de naam een ‘rode wijk’ te zijn. De geschoolde arbeiders van de werk­plaats en ander personeel van de Staatsspoorwe­gen, zoals bijvoorbeeld conducteurs en machinis­ten, stonden vaak kritisch tegenover de bestaande maatschappelijke verhoudingen. Meer dan de meeste van hun tijdgenoten kwamen zij in contact met mensen uit andere gedeelten van het land. Het spoorwegpersoneel kon namelijk vrij per trein reizen. Bovendien las het merendeel kranten en was men georganiseerd in vakverenigingen. De vaak van elders, veelal uit het westen van het land afkomstige Assendorpers bewogen zich – ook al omdat het personeel van de Staatsspoorwegen regelmatig werd overgeplaatst – min of meer apart van de oorspronkelijke, wellicht wat meer gezags­getrouwe Zwollenaren.6
De behuizing aan de Deventerdwarsstraat 14 was erg klein. Een bouwtekening uit 1922 laat zien

Gebouwen van de Centrale Werkplaats omstreeks 1985. De vader van Piet Kasteel werkte hier als zadel­maker. (Collectie HCO) De Groeneweg omstreeks 1930. Het huis waar Piet Kasteel opgroeide staat er net niet op, het huis uiterst links is nummer 146. (Collectie Hogenkamp)

dat het huis tot dan toe nog geen aparte eigen keu­ken kende. Wellicht dat moeder Kasteel bij de buren kookte; het privaat werd in ieder geval met hen gedeeld. Daar komt bij dat in de grootste van de twee beschikbare kamers, de zolder niet meege­rekend, nog twee bedsteeën waren ingebouwd.7
Op regenachtige dagen zullen de kinderen Kasteel in het huis nauwelijks speelruimte hebben gehad. Rond 1906 betrok het gezin, inmiddels dus negen personen tellend, een andere woning. Deze lag aan de eveneens in de wijk Assendorp gelegen Groeneweg. De nieuwe behuizing betekende, naast het feit dat het aanzienlijk meer ruimte bood, nog een duidelijke verbetering ten opzichte van die van de Deventerdwarsstraat; het betrof hier namelijk een nieuwbouwwoning met keuken. Het huis, nadrukkelijk bedoeld als arbeiderswo­ning, was op een oorspronkelijk door de gemeente aangekocht terrein gebouwd door bouwvereni­ging De Verwachting.8
Het gebeurde in die tijd wel vaker dat particu­lieren hun krachten bundelden in dergelijke bouwverenigingen. De gevraagde woekerprijzen voor slechte huurhuizen – soms wel meer dan vijf gulden per maand – droegen ertoe bij dat mensen het initiatief in eigen hand namen om zodoende de wens van een eigen huis te kunnen realiseren. Ook in Zwolle waren deze hoge huren geen zeld­zaamheid, mede omdat door de groei van de CW de stad in de periode 1870-1900 een van de snelst groeiende gemeenten van Nederland was.9

Een kinderrijke buurt
Een wijklijst uit 1912 geeft een goed beeld van de samenstelling van de bewoners van de Groene-weg. In het huizenblok, de Groeneweg 134 tot en met 152, waarin het gezin Kasteel op nummer 150 woonde, werkten van de tien huisvaders er liefst negen bij de Staatsspoorwegen. Van die negen verdienden er vijf de kost als wagenmaker, twee als bankwerker en twee als zadelmaker, waaronder dus vader Kasteel. Die laatste groep was onder meer belast met het bekleden van de banken in de treinwagons. Op nummer 142 woonde een in dat opzicht vreemde eend in de bijt, de boekdrukker
J. Egbers met vrouw en kind.
De naaste buren waren, zo vermeldt het bevol­kingsregister, allen van Nederlands-hervormde huize. Op nummer 148 woonde het gezin Van Hensbergen met een zoon en een dochter. Zoon Matthijs was een jaartje jonger dan Piet. De ande­re buren, het gezin Polleman bestond eveneens uit vier personen. Van de twee dochters was de oud­ste, Alijda Gesina, in hetzelfde jaar geboren als Piet.
Het was een kinderrijke buurt waar de jonge Kasteel opgroeide. De gezinnen met het grootst aantal kinderen waren meestal katholiek. De gees­telijke herders van de parochie hielden scherp toe­zicht op de vorderingen van hun schapen. Zo wer­den vormsel en eerste communie nauwlettend opgetekend. Op nummer 134 woonde het echt­paar Franken met liefst negen kinderen.10 Bij het gezin woonde ook nog oma van moederszijde in, de weduwe Jacoba van de Heuvel-Vos.11
Zelfs in een nieuwbouwhuis met een relatief groot oppervlak van pakweg 80 vierkante meter woonruimte moet dat met twaalf personen voort­durend inschikken zijn geweest. De woonkamer mat namelijk in het gunstigste geval 4,35 bij 3,60 m.12 Toch waren de meeste arbeiderswonin­gen in Assendorp in vergelijking met die in andere wijken in Zwolle niet ‘overbewoond’. In 1908/1909 woonden er volgens een rapport van de Gezond­heidscommissie slechts in negen procent van de Assendorper huizen te veel mensen. Elders in de Overijsselse hoofdstad lag dat percentage aanmer­kelijk ongunstiger.13

Een religieus gemengde stad
Wat was dat eigenlijk voor een stad, dat Zwolle uit de jeugdjaren van de jonge Kasteel? In ieder geval ­en dat is volgens Kasteel belangrijk geweest voor zijn latere denken14 -was het een religieus gemengde stad. In 1914, het jaar dat Piet de stad de rug toekeerde om in Grave naar het kleinsemina­rie te gaan, telde de oude Hanzestad met een bevolking van 33.850 inwoners: 58,6 procent her­vormden, 9,7 procent gereformeerden en 22,8 procent katholieken.15 Voorts herbergde de stad nog kleine groepen lutheranen, doopsgezinden en joden, die allen nog geen twee procent van de

De Groeneweg op de kru

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 3

Door | 2003, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

20ejflBIng 2003
82
C.C. was O.K.!!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
CC her MS OX/
DANK VOOR. HETpRACJHWE FEEST
De voltallige CC, na de uitgebreide jubileumfeestelijkheden in 1948 getekend door Teun van der Veen en afgedrukt in de ‘Zwolse
Courant’ van 9 september dat jaar. Boven in het midden voorzitter J.M. Wansink. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
De Centrale Commissie Oranje (CCO) bestaat dit
jaar een eeuw. In het leven geroepen om de viering
van nationale feestdagen in Zwolle op een ordentelijke
en verantwoorde manier te laten verlopen,
ontpopte de CCO zich al snel als toch vooral de
club die verantwoordelijk was voor de organisatie
van feestelijkheden op Koninginnedag. De viering
van de verjaardag van de vorstin was lange tijd één
van de hoogtepunten op de jaarlijkse evenementenkalender.
In een periode dat vrije tijd en recreatie nog
schaarse goederen vormden werd Koninginnedag
door jong en oud enthousiast gevierd. Naar de
mening van de redactie reden genoeg om eens
terug te kijken op honderd jaar geschiedenis van
de CCO, een door en door Zwolse instelling.
Voorwoord H.W.F. Scholte 84
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje
te Zwolle (1903-2003)
Harry Stalknecht
Het begin
Oorlog en bevrijding
Naoorlogse heroriëntatie
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Vijftig jaren
85
86
94
100
108
114
Een kroonprins geboren
Activiteiten onder druk
Eeuwfeest
Auteur
119
122
126
130
Omslag: In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig
jaar vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter Juliana.
Omslag van het programmaboekje dat de CC naar
aanleidingvan dejubileumfeestelijkheden uitbracht.
(Collectie HCO)
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voorwoord
Voor de Centrale Commissie Oranje te
Zwolle is het jaar 2003 het jaar van het
eeuwfeest. Dankzij belangrijke bijdragen
van het Zwolse bedrijfsleven en het gemeentebestuur
van Zwolle konden de gebruikelijke door de
CCO jaarlijks te organiseren evenementen versierd
worden met een aantal extra strikken. Deze
‘jubileumevenementen’, die inmiddels achter ons
liggen, hebben veel waardering gekregen.
Als apotheose van de viering van het 100-jarig
bestaan is er voor de CCO nog de organisatie van
het jaarlijkse congres van de Bond van Oranjeverenigingen
in Nederland. Dit congres zal op vrijdag
3 en zaterdag 4 oktober 2003 plaatsvinden.
Het aanbod van de Zwolse Historische Vereniging
om in de jaarreeks van het Zwols Historisch Tijdschrift
een themanummer gewijd aan ‘100 jaar
Centrale Commissie Oranje te Zwolle’ uit te
geven, is door het bestuur van de CCO volgaarne
aanvaard. Omdat dit themanummer in het derde
kwartaal van dit jaar verschijnt, kan aan de congresgangers
ook een exemplaar worden uitgereikt.
Met dit themanummer, dat een uitstekend
overzicht geeft over een periode van honderd jaar
CCO, wordt – naar mijn weten – voor het eerst
CCO-geschiedenis vastgelegd. De geschiedenis
van de vormgeving van onze nationale gedenkdagen
tot een algemeen meegevierde traditie.
Interessant in het verhaal is de vermelding dat
in 1903 de heer K. Admiraal, de eerste socialist in
de gemeenteraad van Zwolle, ‘mordicus’ tegen
toekenning van 300 gulden subsidie voor de CCO
was. De geschiedenis leek zich dit jaar te herhalen,
want bij de behandeling van de begroting 2003
werd uit dezelfde hoek bezwaar gemaakt tegen het
collegevoorstel om aan de CCO, in verband met
de viering van het 100-jarig bestaan, incidenteel
een bedrag van ruim 15.000 euro beschikbaar te
stellen. De overweging was dat ‘de CCO appelleert
aan gevoelens ten aanzien van het koningshuis die
niet algemeen zijn’.
Dit bezwaar werd terecht verworpen. Want
weliswaar bestaat bij het bestuur van de CCO de
diepe overtuiging van het belang voor ons land
van de constitutionele monarchie in het algemeen
en van het Huis van Oranje in het bijzonder, maar
juist daarom geven deze vrijwilligers, en met hen
tientallen anderen, hun vrije tijd aan het organiseren
van jaarlijkse evenementen voor de gehele
Zwolse bevolking.
Deze uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift
is alleszins het lezen waard, niet alleen voor Zwollenaren
maar ook voor leden van zuster-Oranjeverenigingen.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging,
de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift
en de schrijver van dit themanummer, de
heer Harry Stalknecht, zijn wij zeer erkentelijk
voor de realisatie.
O R A N J E
1903 – 2003
Henk W.F. Scholte
voorzitter Stichting Centrale Commissie Oranje
te Zwolle, augustus 2003
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje te Zwolle (1903-2003)
w=”-anneer ik terugdenk aan de jaren
voor de Eerste Wereldoorlog, dan is
Koninginnedag voor mij een glorieuze
herinnering in de eerste plaats aan stralend
zonnig weer. Ik geloof zeker, dat velen er toen heilig
van overtuigd waren, dat de Schepper zelf op
die dag speciaal zorgde voor dat veelbezongen en
stichtelijk ompreekte Oranjezonnetje. Verder zie
ik in mijn gedachten de enorme grote vlaggen, die
men bijna huis aan huis, ook in de winkelstraten,
placht uit te hangen. Bij ons thuis moest er elke
keer een timmerman aan te pas komen. En dan
hoor ik weer de muziek van de Reveille, die op de
Grote Markt begon, en van daaruit Zwolle feestelijk
deed ontwaken. Ik woonde toen in mijn
geboortehuis aan de Melkmarkt, en ook klinkt me
nog de roep in de oren van de verkopers van oranje
strikjes, sjerpen en wat dies meer zij, en het
gezang door oudere kinderen, die achter de
muziek aan mochten: “levende Willemien, weg
met de sosejalen”, wat ik helemaal niet begreep.’
Zo zette boekhandelaar B. Kok (destijds gevestigd
op de Melkmarkt 22) in 1978 zijn herinneringen
aan het jaarlijkse koninginnefeest op papier.
Koninginnedag, wie heeft er eigenlijk niet iets
mee? Of je nu een Oranjeklant of een ‘rooie rakker’
bent, de jaarlijkse feestelijkheden rond de verjaardag
van de majesteit laten niemand onberoerd.
Ze vormen al zo lang een vertrouwd onderdeel
van de jaarkalender, dat het haast ondenkbaar
is ze weg te denken. Voorloper van de
Koninginnedag was de zogenoemde Prinsessedag
die in 1889 op de verjaardag van het toen negenjarige
prinsesje Wilhelmina werd gehouden. Het
was een initiatief van de liberalen die er de nationale
eenheid mee wilden benadrukken. Pas een
jaar later, na het overlijden van koning Willem III,
werd de eerste echte Koninginnedag gehouden.
De viering van Koninginnedag kreeg een grote
impuls nadat Wilhelmina in 1902 ernstig ziek was
geweest. Het bericht van haar herstel zorgde overal
voor een uitbundige viering. Natuurlijk is er in
de meer dan honderd jaar dat Koninginnedag
gevierd wordt veel veranderd. De maatschappij
veranderde, opvattingen veranderden, de positie
van de monarchie veranderde. En ook Koninginnedag
zelf veranderde. Maar veel van die veranderingen
zijn vooral in vorm geweest. Wat bleef was
een dag van vrolijkheid en vertier, en niet te vergeten
muziek, veel muziek.
Harry Stalknecht
Al in 1895 bracht koningin Wilhelmina, nog maar
15 jaar oud, met haar moeder de koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle. Voor die gelegenheid
lagen er in de stadsgrachten tal van prachtig versierde
schepen. (Foto Deutmann, collectie HCO)
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het begin
In september 1895
bracht het jonge
koninginnetje Wilhelmina
met haar moeder
de koningin-regentes
Emma een bezoek aan
Zwolle. Hier rijdt de
koninklijke stoet door
de versierde Luttekestraat.
(Foto Deutmann,
collectie HCO)
De viering van de verjaardag van de koningin
kreeg in het eerste kwart van de vorige
eeuw steeds meer vorm. In de Zwolse Courant
van 22 juni 1903 riep H. van Gorkum, als
voorzitter van de Zwolse Commissie van Vreemdelingenverkeer,
belangstellenden op tot de ‘bijwoning
eener vergadering op Dinsdag 23 juni, des
avonds om 81 ‘2 uur, in de Buitensociëteit, ten einde
een commissie te benoemen welke de leiding
van feesten op nationale feestdagen op zich kan
nemen’. Deze oproep bleek niet aan dovemansoren
gericht, niet minder dan 65 man kwam opdagen.
Een belangrijk deel van hen vertegenwoordigde
verschillende Zwolse verenigingen die via
een brief persoonlijk gevraagd waren te komen.
De aanwezigen werden het al snel eens. Zwolle
had behoefte aan een club mensen die de organisatie
van nationale feestdagen op zich zou nemen.
De CC wordt geboren
En zo werd de CC, voluit de Centrale Commissie
voor Nationale Feesten, een feit. De eerste leden
van de CC waren voor het merendeel afkomstig
uit de gegoede middenstand. Zo was voorzitter H.
van Gorkum een handelaar in wijnen, H.W.
Heekman firmant van een laken- en confectiemagazijn,
C.H. von Stein gymnastiekleraar, J.S.
van Deventer firmant van de stoom-likeurstokerij
en wijn- en cognachandel Doijer en Van Deventer,
C. Kossen secretaris-boekhouder van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noordooster Locaal Spoorweg, L.H.J. Poortier
directeur van de eerste onderlinge aannemersverzekeringsmaatschappij
en leraar boekhouden
en was M. Meijerink architect. Later werden daar
nog aan toegevoegd drogist C.J.H. Haeck en meubelfabrikant
L.M.H. Schoemaker.
‘Zwolle zal voortaan geregeld en op waardige wijze
de nationale feestdagen meevieren’, met deze
woorden gaf de Zwolse Courant op 24 juni 1903
officieel kennis van de oprichting van de Centrale
Commissie. De instelling van de commissie werd
algemeen met instemming ontvangen. Al langer
werd er in Zwolle geklaagd dat de viering van de
verjaardag van H.M. de koningin beter kon en
moest. ‘Het ontbreekt aan leiding’, was de veel
gehoorde klacht. Met de oprichting van de Centrale
Commissie leek in dit hiaat te worden voorzien.
Het was nu zaak de burger bij dit initiatief te
betrekken en om financiële steun te vragen: ‘thans
moeten de dubbeltjes komen en de medewerking
van allen.’
Discussie
Maar die dubbeltjes bleken toch moeilijker te vinden
dan gedacht. De door particulieren en het
bedrijfsleven toegezegde gelden waren bij lange na
niet voldoende om een gedegen feestprogramma
op poten te zetten. Besloten werd bij de gemeente
een subsidie los te peuteren. Zegge 300 gulden
werd gevraagd als bijdrage voor de feestelijkheden
ter gelegenheid van de verjaardag van de nog jonge
koningin Wilhelmina. B en W adviseerden
positief. Meer moeite leverde de gemeenteraad op.
Daar was niet iedereen enthousiast. Vooral de
heer K. Admiraal, sinds 1902 de eerste socialist in
de raad, was mordicus tegen. Het debat in de raad
was fel. ‘Van de zeer uitvoerige gedachtewisseling
die omtrent dit punt plaats heeft, kunnen wij met
het oog op de beperkte ruimte slechts een beperkt
overzicht geven’, zo verontschuldigde de plaatselijke
krant zich bij zijn lezers. De socialisten zagen
in die tijd de monarchie vooral als een institutie
uit de koker van het kapitalisme, bedoeld om de
bevolking klein te houden. Van een koninginnefeest
moesten zij dan ook niets weten, nee, een
socialist vierde 1 mei, als dag van de arbeid.
De eerste optocht Een beeld van een van
Hoewel een definitieve beslissing over de subsidie de eerste optochten,
nog even op zich liet wachten, ging de commissie begin twintigste eeuw.
met fris elan verder met de voorbereidingen van (Collectie HCO)
het programma voor 31 augustus, de verjaardag
van koningin Wilhelmina. Een belangrijk onderdeel
moest een grote fakkeloptocht worden. Deze
optocht kende vier afdelingen: verenigingen,
groepen van twee of meer personen, ‘enkele’ personen
en reclame en vakorganisaties (uiteraard
tegen betaling). Aan de tocht was een wedstrijd
Valse noot
Ondanks alle lovende woorden over het eerste door de CC georganiseerde
koninginnefeest, was er toch ook een wanklank te horen, letterlijk zelfs. In de
‘Zwolse Courant’ van 3 september meldde zich ‘een liefhebber van schoon
klokgelui’. Deze liefhebber had zich nogal geërgerd aan het ochtendlijk klok-
: gelui van de Grote Toren op de dag van de feestelijkheden. Iedereen die een
‘ beetje muzikaal was moest volgens de briefschrijver toch toegeven dat ‘de
samenklank dezer […] klokken horrible is en tegen alle schoonheidsgevoel
indruischt’. Boosdoener was volgens de ‘liefhebber’ het kleinste klokje D dat
volgens hem maar zo snel mogelijk omgegoten moest worden tot een kleine
F. Pas dan zou niemand zich meer hoeven te ergeren aan wat hij smalend
‘die Armsünderglocke’ noemde.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koninginnedag 1905.
De wagen van vereniging
Wilhelmina
poseert voor bakkerij
van H.A. de Vries destijds
Beestenmarkt 4, nu
Harm Smeengekade.
Op de voorgrond staan
de hekken van de beestenmarkt
die hier toen
nog iedere vrijdag werd
gehouden. (Collectie
HCO)
verbonden. Zo was er een prijs voor de mooiste
wagen wat betreft versiering en verlichting, en een
prijs voor de ‘eigenaardigste voorstelling’. De origineelste
zouden we nu zeggen. Voor de kinderen
was er ’s middags een eigen optocht, waarbij bijvoorbeeld
ezel- en bokkenwagens, karren en rijwielen
versierd konden worden. Blijkbaar wilden
de Zwollenaren de kat eerst nog wat uit de boom
kijken, want met de aanmeldingen liep het nog
niet meteen storm. Het noopte de Zwolse Courant
tot het plaatsen van een oproep: ‘De versiering van
ezel- of bokkewagen, sportkar of fiets is zoo
gemakkelijk in dezen tijd. De heide bloeit prachtig,
en al is er geen zon, de mooie zonnebloem
schittert in al haar pracht. Keur van zaaibloemen,
die zich zoo uitermate goed leenen voor een losse
effectvolle versiering, zijn voor weinig geld te krijgen
en wie niets wil geven dan zijn goeden smaak,
ga naar de heide of Jan Koetsier in de Watersteeg
en plukke Erica’.
En zo begon langzamerhand de optocht dan
toch te leven en meldden zich steeds meer kinderen
aan, daarbij vaak geholpen door de aansporing
van hun onderwijzer, zoals de ongeveer 200
kinderen van de bewaarschool op het Assiesplein
met als hoofdonderwijzeres mej. J.C. Hoogedoorn.
Zij waren van plan H.M. de koningin en
Z.K.H, de prins-gemaal met gevolg uit te beelden.
Vrij of niet?
Ondertussen kwam Koninginnedag snel dichterbij.
Een vrije dag was dat toen nog niet. Een anonieme
‘medelezer’ van de Zwolse Courant deed
daarom via een ingezonden brief de volgende
oproep: ‘Mijnheer de redacteur! Verzoeke beleefd
plaatsing in uw veelgelezen blad. Ter volmaking
der feestvreugde op a.s. Maandag zou het dan niet
wenschelijk wezen, dat alle patroons en werkgevers
zooveel mogelijk aan hun ondergeschikten
een vrijen middag gaven? Mij dunkt, daardoor
zou het meer een feest voor iedereen zijn’.
Wenselijk misschien wel, maar het zou toch
nog heel lang duren voordat Koninginnedag ook
werkelijk een verplichte vrije dag werd. Toch werd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Zwolsch Dilettantenorkest
Kort voor de oprichting van de CC werd op 22 juni
1903 ook het Zwolsch Dilettantenorkest in het leven
geroepen. Dit orkest was vooral een initiatief van
de heer C. Kossen, die we ook al zagen als een van
de oprichters en eerste secretaris van de CC. Een
gebrek aan goede muziekkorpsen, dat was er volgens
Kossen in Zwolle. Daardoor hadden de nationale
feesten onvoldoende luister en schwung.
De zaterdag voor Koninginnedag 1903 was het voor
het prille orkest een belangrijke dag. Die avond zou
het door vele dameshanden met zorg en liefde
genaaide korpsvaandel met het nodige ceremonieel
worden ingewijd. De nog omhulde banier werd
’s avonds door de leden, ‘met insigne op de borst en
opgetoomde hoed met kokarde’ afgehaald van de
woning van de heer Kossen. Van daar ging het met
fakkels en acetyleenlantaarns in optocht naar
Odeon, volgens de krant gadegeslagen door een
‘dichte volksmenigte’. Daar werd de banier onder
luid applaus onthuld.
Het orkest was klaar voor zijn eerste koninginnefeest.
Het Zwolsch Dilettantenorkest, in 1903 opgericht door C. Kossen, poserend voor de Buitensociëteit.
Kossen was in datzelfde jaar ook een van de ‘founding fathers’ van de CC. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een aanbieding in de
‘Zwolse Courant’ van
31 augustus 1903 voor
‘Oranje-Stokj es’ en
Wilhelmina Keekjes’.
KONINGINNEDAG
Wilhelmina Keel
BIJ
G B, AGKERMANS
door veel bedrijven in ieder geval de middag
meestal wel vrij gegeven. Sommige deden daarvan
in de krant melding, zoals het magazijn en kantoor
van ijzerwarenhandel O. de Leeuw aan de
Diezerstraat en de nering in suikerwaren van de
gebroeders Meulink aan de Thorbeckegracht.
Jacob Albrecht uit de Sassenstraat bood in dezelfde
krant ‘vlaggen te huur voor den verjaardag van
H.M. de Koningin’ en tuinman en bloemist
H. Rigter uit de Zeven Alleetjes ‘feest oranjebloemen
en rozen’. Ook bakker G.B. Ackermans aan
de Diezerstraat wilde zich de oranjeclientèle niet
aan zijn neus voorbij laten gaan en adverteerde
met ‘Oranje-stokjes’ en ‘Wilhelmina-keekjes’.
De vuurdoop
Eindelijk werd het dan 31 augustus 1903. Voor de
CC naderde het uur van de waarheid. Zou zij in
staat blijken de festiviteiten rond de verjaardag
van Wilhemina in Zwolle in goede, en vooral feestelijke
banen te leiden?
Al om zeven uur ’s ochtends riep klokgelui de
Zwolse bevolking de verjaardag van koningin Wilhelmina
aandringend en brutaal in herinnering.
En wie dacht toch nog even op het andere oor te
gaan liggen werd door het kersverse Zwols(ch)e
Dilettantenorkest, dat al spelend met een reveille
Straatversiering in de
Bitterstraat ter gelegenheid
van het koninklijk
bezoek in mei 1921,
gezien vanaf de Roggenstraat.
(Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Koninginnedagoptocht
trekt door de
Thomas a Kempisstraat,
1927. (Collectie
HCO)
de stad door trok, muzikaal gemaand toch vooral
nu op te staan. Daarbij maakten de muzikanten
halt aan de voet van de Peperbus, om via de nauwe
trap naar boven te klimmen en vanaf deze torenhoge
positie hun muzikale opwekking verder over
de stad uit te storten. Dat was nog helemaal niet zo
eenvoudig, want zij die na de klim nog voldoende
lucht over hadden moesten alle moeite doen zich
op de krappe omloop staande te houden vanwege
de ferme wind die straf langs de toren woei.
Zwolle was wakker. Om half tien was het rond het
Stationsplein een drukte van belang. Vanaf hier
vertrokken het Stedelijk Muziekkorps en de
Utrechtse muziekkapel voor een rondgang door
de stad. ’s Middags was er in de Grote Kerk een
drukbezocht orgelconcert met zang.
Om half drie ’s middags was het de beurt aan
de kleintjes. Op de Wipstrikkerallee boden de versierde
ezel- en bokkenwagens, sportkarren en rijwielen
een bonte en vermakelijke aanblik. Nadat
de jury zijn werk had gedaan en de prijswinnaars
waren bepaald, ging de hele stoet in optocht de
stad door. Voorop vier marechaussees, gevolgd
door een rijtuig met de heer Van Gorkum en de
drie dames van de jury, daarna de Utrechtse
muziekkapel, de versierde fietsen en wagens en het
Zwols Dilettantenorkest.
Pijnlijke vergissing
Tijdens de optochten waren natuurlijk veel van de deelnemers geschminkt.
Pruiken, snorren en baarden sierden de anders zo kale gezichten. Al dat
kunsthaar moest er natuurlijk ook weer af. Ook voor dat klusje werden vrijwilligers
ingezet. Een voor een werden dan, niet altijd zachtzinnig, snorren en
baarden van de gezich ten afgetrokken. Dat ook deze klus met zorg moest
gebeuren spreekt voor zich. Toch kon het eens gebeuren dat één van de
omstanders bij dit vrolijke tafereel zonder pardon ook onbedoeld zelf aan de
ruwe behandeling werd onderworpen. Dat zou niet zo erg zijn geweest, maar
de beste man in kwestie had helemaal geen valse snor, maar een onvervalste
echte ‘Gerbrandy-snor’. De eigenaar kon het zich nog lang heugen.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijst van voorzitters
H. van Gorkum
J.S. van Deventer
H.J. Jansen
A. Willinge Gratama
M. Meijerink
C.C. Hermsen
M. Meijerink
J.M. Wansink
J. Mühlenfeld
S. van der Wal
N.S.Arriens
Chr. van Ahee
H.W.F. Scholte
1903
1908
1912
1913A4
1919
1920
1921
1927
1964
1966
1971
1987
IQ8Q
-1908
-1912
-im
-1919
-1920
-1921
-1927
-1964
-1966
-1971
-1987
-1989
– heden
Tot in de kleine uurtjes
Ook tijdens de optocht ’s avonds was het kersverse
Zwolse Dilettantenorkest weer present, ditmaal
op een versierde wagen. Als verlichting had men
zo’n 600 verkadelichtjes aangebracht, gevat in een
gekleurd doorschijnend omhulsel. Dat het gehobbel
van de wagen wellicht voor problemen kon
zorgen, was blijkbaar vergeten. De krant wist in
ieder geval te melden dat door het schudden de
meeste lampjes waren uitgegaan en dat de muzikanten
een veilig heenkomen hadden moeten zoeken
vanwege het hete rondspattende vet!
Dat het nog lang onrustig bleef in de stad
spreekt haast vanzelf. Tot twee uur ’s nachts werd
er in de straten van Zwolle feestgevierd, terwijl de
lichtjes waarmee de hoofdwacht aan de Grote
Markt speciaal was opgesierd zelfs tot drie uur bleven
branden. Voor de politieagenten en veldwachten
was het dus een lange ruk. Maar echt
geleden hebben ze niet, ze werden Van gemeentewege’
op bier en sigaren onthaald.
En daarmee was de eerste Koninginnedag
onder auspiciën van de CC een feit. Er kon worden
teruggekeken op een geslaagde dag, waarbij
zelfs het ‘Oranjezonnetje’ in een voor de rest sombere
augustusmaand, zich niet onbetuigd had
gelaten.
Oranjebitter
Lovende woorden dan ook tijdens de eerstvolgende
bijeenkomst van de CC in de Piussociëteit aan
de Oude Vismarkt. Het leek vice-voorzitter Van
Deventer de ideale gelegenheid de woorden van
het socialistische raadslid Admiraal te pareren.
Die had gezegd dat bij de Oranjefeesten ‘geen
geestdrift heerscht, wanneer niet de Oranjebitter
krachtig meewerkt’ en dat hij verder niet wist wat
hij meer afkeurde, ‘Kermis of een Oranjefeest,
omdat bij beide gelegenheden schromelijk misbruik
werd gemaakt van sterken drank’. Van
Deventer meende dat deze woorden door de afgelopen
feestelijkheden meer dan gelogenstraft
waren en daarom de krachtigste afkeuring verdienden.
Een oproep die door de vergadering vanzelfsprekend
met ‘donderend applaus’ werd
begroet.
Een reactie kon natuurlijk niet uitblijven. En
die kwam van Admiraal zelf. In een ingezonden
brief in de Zwolse Courant hield hij zijn beweringen
staande en staafde ze met voorbeelden uit
eigen ondervinding. Zo vertelde hij dat hij al vroeg
op de middag iemand was tegengekomen die zo
dronken was dat zelfs de weg van het Groot
Wezenland hem nog te smal was geweest. ‘Dergelijke
tooneelen vervullen mij met medelijden en
weerzin. Het is meer dan treurig en bedroefd, en
vooral voor de arbeidende klasse, dat zij zichzelf
zozeer vergeten, zij hebben waarachtig wel iets
beters te doen en voor hun belangen op te komen,
dan zich te bedrinken’. En, zo ging Admiraal verder,
al die dronkenschap was nog enkel maar de
weergalm van het eigenlijke gebeuren geweest:
‘Wat moet dan het feest zelf geweest zijn? Jonge
meisjes, kinderen van 15,16 jaar midden in de herrie,
er werd gehost, geduwd, gegrepen op een
weerzinwekkende manier, het was in één woord
treurig’. Ja, zelfs de politie deed mee aan dit
drankgelag. Een gunstige uitzondering vormde
volgens Admiraal een jonge marechaussee die
keer op keer de drank weigerde die hem bij de fanfares
werd aangeboden: ‘Ik breng hem een eeresaluut.
Deze man kon tenminste nuchter zijn
plicht doen’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Een blijvertje
Maar afgezien van dit kritische geluid had het succesvolle
verloop van de Koninginnedag het
bestaansrecht van de CC meer dan bewezen. Ook
in de volgende jaren wisten de mannen van de
commissie de feestelijkheden in goede banen te
leiden. Aanvankelijk waren er nauwe banden tussen
de CC en VW in de persoon van H. van Gorkum,
die tot 1908 de voorzittershamer zwaaide.
Hij werd in dat jaar opgevolgd door de Zwolse
handelaar in en fabrikant van spiritualiën J.S. van
Deventer.
In 1914 braken er zware tijden aan. Met het uitbreken
van de Eerste Wereldoorlog ontstond in
ons land grote schaarste. Veel goederen gingen op
de bon. Onder die omstandigheden kon er van het
organiseren van festiviteiten geen sprake zijn. De
CC leidde gedurende die jaren dan ook een sluimerend
bestaan. Pas in 1919 kon er weer feest
gevierd worden. En dat gebeurde met groot
enthousiasme. Misschien ook wel omdat een klein
jaar eerder de socialistische voorman J.P. Troelstra
de socialistische republiek had uitgeroepen.
Een revolutiepoging die overigens jammerlijk was
mislukt en vurige Oranjesentimenten had opgeroepen.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw
zien we de klassieke Koninginnedag zich uitkristalliseren:
optochten, muziek en kinderzang
waren daarin belangrijke elementen. Aan de andere
kant werden ook de ï-meivieringen van de
socialisten verder gecultiveerd. Op het punt van
de monarchie bleven Oranjeklanten en ‘rooien’
nog tegenover elkaar staan, zij het dat de scherpste
kantjes er wel wat afgingen.
De jongens van de katholieke Sint-]ozef school trots paraderend in de optocht van
1936. (Collectie HCO)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oorlog en bevrijding
In de loop van de jaren dertig pakten zwarte
wolken van een naderende oorlog zich samen.
Op 3 mei 1939 kwamen de leden van de CC bij
elkaar om zich op de toestand te beraden. Centraal
stond de vraag of, gezien de dreigende internationale
situatie, er dat jaar wel een Koninginnedag
moest worden gevierd. Gevreesd werd dat de jaarlijkse
collecte onder de gegeven omstandigheden
een minimale opbrengst zou opleveren. De leden
verkeerden in dubio maar besloten toch door te
gaan met de voorbereidingen. Op 23 augustus
werd definitief besloten de feestelijkheden het
groene licht te geven, behalve wanneer onverhoeds
een oorlog toch nog mocht uitbreken. Het
zou voor lange tijd de laatste Koninginnedag blijken
te zijn. Want dat die oorlog er kwam, weten
we ondertussen.
Barre tijden
Voor de CC waren de jaren van de bezetting barre
tijden. Iedere verwijzing naar het koningshuis
werd door de Duitsers verboden. Zwolse straten
die verwezen naar het koningshuis kregen een
andere naam. In het notulenboek van de CC staat
de periode van de bezetting kernachtig samengevat:
‘Uit den aard der zaak was de CC gedurende
deze jaren geheel non-actief en vertoont het notulenboek
hier wel de grootste gaping welke ooit in
het bestaan der CC is voorgekomen. De eenige
activiteit van de leden bestond uit het opbergen
van de bezittingen enz. en aan het eind van de
bezetting bleek alles nog in goede orde aanwezig,
de financiën incluis!’
Maar ook aan deze donkere periode kwam een
einde. Op maandag 16 april 1945 om 11 uur ’s ochtends,
twee dagen nadat Zwolle door de Canadezen
was bevrijd, kwamen de leden van de CC voor
het eerst na bijna vijf jaar weer bij elkaar. Zwolle
was vrij en dat moest gevierd worden. Niet dat de
Zwollenaren daar de aanmoediging van de CC
voor nodig hadden, maar de commissie zag het als
haar natuurlijke taak de organisatie van de officiële
evenementen op zich te nemen. De herdenkingsdiensten
die al op zondag 15 april zouden
plaatsvinden, waren afgelast vanwege Duits mortiervuur
waar Zwolle die dag onverwacht toch nog
op vergast werd. Ze werden een week later alsnog
gehouden. De CC wilde op 30 april, de verjaardag
van prinses Juliana, de bevrijding herdenken. Zo
had men, zo meende men, meer tijd een en ander
fatsoenlijk te organiseren en bovendien ving men
zo twee vliegen in één klap.
Zuivering
Hoewel er geen aanleiding was aan te nemen dat
leden van de CC tijdens de bezetting ‘fout’ waren
geweest, werd er in die hectische dagen direct na
de bevrijding toch heel kritisch gekeken. Zo waren
er bij de commissie bezwaren binnengekomen
over het lidmaatschap van de heer F. Leonards, in
het dagelijks leven handelsagent. Na een onderhoud
met hem was de commissie tot de overtuiging
gekomen dat de klacht tegen hem ongegrond
was en kon voorzitter J.M. Wansink de heer Leonards
‘tot zijn groot genoegen volledig in eer herstellen.
De vergadering onderstreepte deze woorden
met applaus’.
Ook Zwolle’s muzikale vedette de heer Cor
Ponten ontkwam niet aan de argwaan van de dag.
Naar aanleiding van een aanbod van hem om tijdens
de herdenking een samenzang met volksliederen
te organiseren werd gevraagd naar zijn verhouding
tot de gehate ‘cultuurkamer’, destijds
door de Duitsers ingesteld. De voorzitter verzekerde
iedereen dat de heer Ponten volstrekt smetvrij
was, waarop de commissie zijn aanbod in
dank aanvaarde. Maar de kwestie van de cultuurZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
kamer bleef wel de aandacht van het bestuur houden.
Er werd besloten ‘om te informeren naar de
houding van de korpsen tegenover de Cultuurcorpsen
en verdere eventuele zonden. Dat de
commissie ook zelf wel eens een onbedoeld slippertje
maakte, bewijst de zanghulde van Koninginnedag
1949. Zonder dat iemand van het bestuur
het blijkbaar was opgevallen prijkte daar het oude
Hollandse lied ‘Hou Zee’ op het programma. Na
protesten werd dit vers ijlings vervangen door het
evenzo mooie ‘Wie gaat mee over zee?’ Ter verduidelijking;
Hou Zee was jarenlang de groet van
de NSB, de Nederlandse nationaal-socialisten die
tijdens de bezetting vergaand met de Duitsers
hadden gecollaboreerd.
De eerste bevrijdingsfeesten
De dag van de Zwolse bevrijdingsfeestelijkheden
op 30 april 1945 zelfwas, in weerwil van het mythische
Oranjezonnetje, een sombere en natte. De
kinderen van Ponten’s koor en de muzikanten van
de verschillende orkesten werden drijfnat, ’s Middags
was er op het parkeerterrein van de Veemarkt
de officiële herdenkingsbijeenkomst. Hiervoor
had de CC een vijftal sprekers uitgenodigd: burgemeester
Van Karnebeek, kolonel Brown als Zwolse
commandant van het Amerikaanse leger,
majoor J.A. Baart als vertegenwoordiger van het
Militair Gezag, P.A. Jongsma als vertegenwoordiger
van de Ondergrondse en dr. J.C.P Eeftinck
Schattenkerk. Natuurlijk was ook voorzitter
Wansink van de partij. ‘De scepter van Oranje
blijft de speer, waarop Holland zijn vrijheidsmuts
zwaait’, zo hield deze de toehoorders beeldend
voor. Het waren woorden die na vijfjaar Duitse
bezetting maar al te graag werden gehoord. De dag
werd afgesloten met een kerkdienst ’s avonds in de
Grote Kerk. De dienst was opgedragen aan de
Zwolse gefusilleerden, waarvan de meesten op
5 mei gezamenlijk herbegraven zouden worden.
Ondertussen kwam juist op die dertigste april het
bericht dat de Duitse troepen in Nederland zich
hadden overgegeven en dat die capitulatie op
5 mei zou ingaan. Moest ook dat niet gevierd worden?
De CC twijfelde. Had men niet juist de
bevrijding uitbundig gevierd? Daar kwam nog
eens bij dat juist op 5 mei de Zwolse gefusilleerden
Direct na de bevrijding
in april 1945 waren er in
de straten van Zwolle
spontane volksfeesten.
De mannen op het midden
van de foto laten
zich met paard en
wagen met hun muziekinstrumenten
door de
stad rijden. (Collectie
HCO)
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Immorele omgang
De dankbaarheid van de Zwollenaren jegens hun bevrijders was groot. Vooral
de Zwolse meisjes staken hun enthousiasme voor de in uniform geklede
jongemannen niet onder stoelen of banken. Ook de Zwolse Trees was blij met
een Canadees. Dit tot verontrusting van sommigen. De predikanten Van
Noppen (Nederlands Hervormd) en Vreugdenhil (gereformeerd) schreven op
30 april 1945 aan de burgemeester: ‘Of hij wilde bevorderen dat zich na 10 uur
’s avonds géén minderjarige meisjes op straat bevinden ter voorkoming van
immorele omgang ook met den geallieerden soldaat’. Een voorstel dat de burgemeester
in antwoord praktisch niet haalbaar achtte.
aliseerd kunnen worden. Bij het defilé zou iedere
Zwollenaar zich mogen aansluiten, dus niet speciaal
in verenigingsverband, zoals gebruikelijk.
Deelnemers moesten zich verzamelen op de Veemarkt
en het Rodetorenplein. De route voerde
langs het gemeentehuis waar de Commissaris der
Koningin en de burgemeester het defilé zouden
afnemen, vervolgens naar hotel Wientjes aan de
Stationsweg, waar de geallieerde autoriteiten hun
hoofdkwartier hadden.

De Canadese bevrijders, hier in de binnenstad, lustten graag een borrel; niet
zelden leidde overmatig drankgebruik tot ruzie en andere overlast. [Collectie
HCO)
ter aarde zouden worden besteld. En eigenlijk
begonnen de werkzaamheden van de leden van de
CC zo wel erg op te lopen. De heer Leonards
meende dat de capitulatie wel degelijk gevierd
moest worden. Ook al, omdat volgens hem de
feestvieringen de laatste tijd nogal eens letterlijk in
het water waren gevallen. ‘Het publiek heeft nog
weinig gehad’, was zijn oordeel. Veel woorden
werden er verder niet meer aan vuil gemaakt. Het
was toch roeien tegen de stroom in. Besloten werd
om voor 5 mei een defilé te organiseren. Zo’n
optocht zou in de korte tijd die restte nog net gere-
Alweer een herdenking
En daarmee hoopte de CC het voorlopig gehad te
hebben. Maar het liep anders, rust was de leden
nog niet gegund. De Amerikaanse en Engelse
radiozenders hadden namelijk het bericht de
wereld in gestuurd dat 8 mei was uitgeroepen tot
‘V-E day’; ‘Victory in Europe day’. De meeste
commissieleden meenden dat het nu wel even
mooi was geweest en dat V-E day niet speciaal
voor Zwolle gold. Maar, zo lezen we haast met een
verzuchting in de notulen, ‘het publiek dacht er
anders over. Er kwam deining in de stad en de
vraag rees; wat wij deden’. Na overleg met de burgemeester
kwam de CC in de vroege ochtend van
8 mei in spoedvergadering bijeen. Daar kon
Wansink vertellen dat de burgemeester van de CC
voor twee uur ’s middag voorstellen verwachtte.
Nu bleek dat improviseren een sterk punt was van
de CC. Men wist nog voor diezelfde avond een
compleet programma voor elkaar te krijgen. Om
acht uur zou de rede van de Engelse premier
Winston Churchill via luidsprekers op de Grote
Markt worden uitgezonden, gevolgd door een
concert van het Stedelijk Orkest. Ondertussen
zouden vanuit de buitenwijken muziekkorpsen
naar het stadscentrum trekken, begeleid door de
verschillende buurtcommissies van de CC. Om
negen uur was er dan op het Grote Kerkplein de
radiorede van de Engelse koning te horen en was
er aansluitend gelegenheid tot dansen, ‘speciaal
wordt dit programmaonderdeel voorgesteld met
het oog op de Engelse militairen’. Het Stedelijk
Orkest zou voor Hotel Wientjes een serenade
brengen aan de geallieerde militairen. De poging
om ook nog een militaire parade van de grond te
krijgen mislukte, te meer omdat de troepen vanZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
wege V-E day natuurlijk ook een vrije dag hadden.
De Zwolse Radiodistributiedienst verzorgde een
rechtstreeks verslag van de gebeurtenissen op de
Grote Markt. Voorzitter Wansink sprak vanaf
Hotel Peters aan de Grote Markt de menigte toe
waarbij hij eindigde met de woorden ‘leve de
Geallieerden, leve het Vaderland, leve de Koningin’,
woorden die met luid gejuich werden ontvangen.
Uitbreiding van de taken
Het was even zweten geweest, maar de CC had het
hem dan toch maar gefikst en een hele rits van
feestelijkheden succesvol weten af te ronden. Op
15 mei werd een vertegenwoordiging van de commissie
bij de burgemeester geroepen. Die toonde
zich vol lof over de manier waarop de CC de festiviteiten
en herdenkingen had weten te leiden,
‘geen excessen kwamen voor dankzij de Commissie,
de geheele burgerij vertegenwoordigend’.
Maar wie hoopte dat de burgemeester alleen daarom
de leden bijeen had geroepen, kwam bedrogen
uit. Er zouden volgens Van Karnebeek in de toekomst
nog veel meer festiviteiten op de stad af
komen; een nationale bevrijdingsdag, een feestdag
voor de bevrijding van ‘het gehele rijk’ en natuurlijk
de verjaardagen van de leden van het konink-
Hotel Peters aan de
Grote Markt na de
bevrijding in 1945. Voor
het hotel staan geallieerdepantservoertuigen.
Op ‘V-E day’
(8 mei 1945) sprak CC
voorzitter J.M. Wansink
vanaf het balkon
van het hotel de menigte
toe. (Collectie HCO)
Genodigden bij de door
de CC georganiseerde
bevrijdingsherdenking
op de Veemarkt op
30 april 1945. (Collectie
HCO)
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijk huis. De burgemeester draaide er verder niet
omheen en stelde de aanwezigen de volgende
vraag: ‘Is u bereid in deze samenstelling, vertegenwoordigend
de bevolking van Zwolle, leiding te
geven aan de feestelijkheden welke nog zullen volgen?’
Nu was het de beurt aan Wansink het woord te
nemen. Hij dankte de burgemeester voor zijn
vriendelijke woorden. Hij schetste een beeld van
de CC die tijdens de bezetting was geslonken tot
zo’n tien man. Na de bevrijding was dit aantal
aangevuld met verschillende personen, onder
meer uit de voormalige verzetsbeweging. Hij kon
zich voorstellen dat voor sommige van de huidige
leden het lidmaatschap van de CC niet te combineren
was met hun drukke werkzaamheden. Maar
verder was hij ervan overtuigd dat de commissie
met plezier en elan de door de burgemeester
gevraagde taak op zich zou willen nemen. Hij
werd daarin niet tegengesproken. Wel bracht de
heer Rigter slim de vraag aan de orde of de commissie
in het vervolg dan ook zou kunnen
beschikken over gemeenschapsgelden. De oorspronkelijke
subsidie van 1000 gulden was immers
door de jaren heen via 400 en 200 gulden geslonken
tot nul. De burgemeester beloofde daar wel
aan mee te willen werken.
Bevrijdingsfeesten en dodenherdenking
Behalve het organiseren van de feestelijkheden op
hoogtijdagen van het koninklijk huis had de CC er
nu een nieuwe taak bij gekregen: de viering van de
bevrijding van Zwolle. Op 14 april 1946 was het
Bevrijdingsfestival
Vanaf 1991 kent Zwolle een nieuw nationaal feest, het provinciale bevrijdingsfestival
op 5 mei, een initiatief van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
De doelstelling hiervan is ‘niet alleen het herdenken van de bevrijding maar
ook het onder de aandacht brengen van de begrippen vrijheid, gelijkheid en
democratie van de jongere generatie en wel op een manier die hen aanspreekt’.
De organisatoren van het eerste Overijsselse bevrijdingsfestival wilden
de bevrijding actualiseren met popmuziek en theater als uitingen van
hedendaagse gevoelens over vrijheid. Optredens van popgroepen, straattheater
en een drcusinstuif zorgden voor een verlevendiging.
precies een jaar geleden dat de stad werd bevrijd.
Maar omdat die dag op een zondag viel werd de
herdenking een dag eerder gehouden. Plaats van
samenkomst was het Ter Pelkwijkpark, waar sinds
kort een (voorlopig) monument voor de Zwolse
oorlogsslachtoffers was geplaatst. In de toespraken
die die dag werden gehouden, lag de nadruk
op het belang van eenheid als voorwaarde voor de
nieuwverworven vrijheid. Begin mei werd landelijk
de bevrijding herdacht. Oud-verzetsmensen
en ex-politieke gevangenen hielden op vrijdag
3 mei een stille omgang naar het Ter Pelkwijkpark.
Om acht uur namen duizenden aanwezigen twee
minuten stilte in acht, waarna kransen werden
gelegd bij het voorlopig monument. Daarna volgde
onder grote belangstelling een dankdienst in de
Grote Kerk. Op zaterdag 4 mei werden de gevallenen
herdacht met één minuut stilte om 11 uur
’s ochtends.
Het voorlopige oorlogsmonument werd in
1950 vervangen door het huidige, door de kunstenaar
Titus Leeser ontworpen beeld. Het patroon
voor de herdenking van de doden en de bevrijding
lag toen inmiddels in grote lijnen vast. Op 4 mei
was er een stille omgang vanaf het Huis van Bewaring
naar het monument in het Ter Pelkwijkpark.
Op 5 mei volgden festiviteiten als volksdansdemonstraties,
een wielerwedstrijd, een optocht
en muziekuitvoeringen. Aan de herdenking van
de bevrijding op 14 april werd meestal maar
beperkt vorm gegeven met bijvoorbeeld klokkengebeier
of enige aandacht in de pers.
Pas in de laatste decennia van de vorige eeuw
veranderde de inhoud en vorm van het herdenken.
Meer en meer werd toen geprobeerd een relatie
te leggen met hedendaags onrecht en onvrijheid.
Deze koerswijziging sloeg aan: de laatste
jaren is de aandacht voor de herdenkingen rond
oorlog en bevrijding fors gegroeid, vooral ook
onder jongeren.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
Na de bevrijding in 1945
nam de CCO ook de
organisatie van de
dodenherdenking op
zich. Hier de stille
omgang op 4 mei 1956.
Op de achtergrond de
Menno van Coehoornsingel,
via de Stenen
Pijpbrug draait de stoet
de Diezerkade op.
(Collectie HCO)
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Naoorlogse heroriëntatie
Nu de oorlog voorbij was kon het normale
leven weer op gang komen. Maar zoals bij
zoveel mensen destijds heerste er ook
onder de leden van de CC het gevoel dat het allemaal
anders moest. Dat de vooroorlogse hokjesgeest
moest worden doorbroken, dat iedere burger
toch in de eerste plaats Nederlander was en dat
dat hen allen bond, ook waar het ging om feesten
en herdenkingen. Was het voor de oorlog zo dat
vooral ter linker zijde weinig enthousiasme voor
het Oranjehuis was, de rol van Wilhelmina tijdens
de jaren van bezetting hadden in die houding verandering
gebracht. Dat maakte dat de eensgezindheid
onder de Nederlandse bevolking groter was
dan ooit. Van dit gegeven moest de CC gebruik
maken. De naoorlogse CC wilde bezield met een
nieuw nationaal elan een bindende factor voor de
gehele Zwolse bevolking worden.
Allen voor allen
Al op de vergadering van 16 mei 1945 was deze
nieuwe houding te zien. De heer Peters benaderde
aan het begin van de vergadering de zaak principieel.
‘We staan’, zo betoogde hij met vuur, ‘voor
een nieuwe periode in het bestaan van ons volk.
Een vrede moet worden georganiseerd die inhoud
heeft. Het besteden van de vrije tijd zal zinvol
moeten zijn en de feestcultuur is ondeelbaar daarvan’.
Er zouden volgens Peters meer feestdagen
dan vroeger komen. Als mogelijkheden noemde
hij de stichting van de stad Zwolle en, hier kwam
de aap uit de mouw, een feest van de arbeid. Daarmee
maakte Peters natuurlijk een politiek ‘statement’.
Als het aan Peters lag zou de naoorlogse CC
inderdaad een heel andere worden!
Voorzitter Wansink wist dat omzichtigheid nu
geboden was. Hij dankte Peters voor zijn woorden
maar voegde daar direct aan toe dat hij als voorzitter
altijd al zijn best had gedaan ook leden uit de
arbeidersbeweging bij het werk van de CC te
betrekken. Maar het idee om als CC ook de socialistische
i-meiviering onder de hoede te nemen ging
hem toch echt te ver, ‘niet te hoog’, voegde hij daar
fijntjes aan toe. Een feest als de dag van de arbeid
moest volgens Wansink aan de zorgen van andere,
zelfstandige commissies worden overgelaten.
Waar het hier natuurlijk om draaide was om de
kloof die voor de oorlog bestond tussen links en
rechts te overbruggen en dit ook in de CC een
vorm te geven. Dat was de doorbraakgedachte, die
in brede lagen van de samenleving leefde. Peters
liet zich niet zo makkelijk van zijn standpunt
afbrengen. Hij riep om eendracht, maak van: ’31
augustus niet alleen een oranje-dag maar [een]
uiting van een grootsche gedachte die ons bij
elkaar heeft gebracht’. De tijd was er volgens hem
rijp voor: ‘bezwaren tegen Oranje worden dan van
linksche groepen weggenomen en overbrugt’.
Peters kreeg voor zijn betoog steun van het prominente
lid Eeftinck Schattenkerk. Ook hij vond dat
de naoorlogse CC een andere rol had te spelen.
Maar zijn standpunt was dat de bestaande organisaties
daarbij zoveel mogelijk in tact moesten blijven
en dat het zaak was hun werkzaamheden te
coördineren. Niet nivelleren maar bundelen, was
zijn motto.
Besloten werd de hete aardappel nog even te
laten liggen en een en ander in studie te nemen
door een toekomstcommissie bestaande uit drie
leden van de CC, drie leden van de ‘Zwolsche
Gemeenschap’ en de heer Haan, lid van beide.
Ondertussen zou de Zwolse bevolking in een vergadering
worden geraadpleegd.
Zwolse Gemeenschap
Parallel aan de ideeën van Peters liep de verhouding
tussen de CC en de Zwolse Gemeenschap
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
Een man met stijl
Bijna veertig jaar was hij lid van de CC waarvan
het overgrote deel als voorzitter: Jacob Marinus
Wansink. In 1964 gaf de 73-jarige oudgediende de
voorzittershamer over aan de heer]. Mühlenfeld.
Op donderdag 28 mei werd Wansink in de foyer
van de Buitensociëteit als dank voor zijn trouwe
dienst uitvoerig in het zonnetje gezet. ‘Een man
met stijl’zo karakteriseerde burgemeester]. Roeien
de scheidende voorzitter, ‘een onbetwist leider’ ook.
Flexibel en bereid tot veranderen: ‘Voortdurend
heeft de heer Wansink de veranderende opvattingen
moeten volgen’. Hij werd geëerd met het erevoorzitterschap
en talloze cadeaus, waaronder een
schilderij van Teun van der Veen met daarop feestelijkheden
op de Grote Markt.
Wansink werd op 2 mei 1890 geboren te Voorst.
In 1922 kwam hij naar Zwolle waar hij zich ontpopte
als een actieve burger. In 1926 werd Wansink
gekozen tot lid van de CC om eenjaar later het
voorzitterschap op zich te nemen. In het dagelijks
leven was hij hoofd van de Oranjeschool aan de
Jufferenwal. Ook speelde hij een belangrijke rol in
de Christelijke Gezondheids- en Vacantiekolonies
afdeling Zwolle, was hij lid van vele besturen en
auteur van tal van schooluitgaven. Hij overleed op
6 december 1981 te Zwolle.
J.M. Wansink was jarenlang het gezicht van de
CCO. Hij was van 192J tot 1964 voorzitter.
(Collectie HCO)
(ZG). De ZG was direct na de oorlog ontstaan met
daarin nadruk op burgerschap, gemeenschapszin
en cultuur. Er waren in de CC personen die vonden
dat de CC nauw moest gaan samenwerken
met deze ZG. Binnen de CC bestond daarover
echter beslist geen overeenstemming. Het was
Eeftinck Schattenkerk die in de vergadering van
12 juli 1945 de knuppel in het hoenderhok gooide.
Hij noemde de toetreding van de CC tot de ZG
‘noodzakelijk’. Helemaal onbevooroordeeld zal
hij daarbij niet zijn geweest; Eeftinck Schattenkerk
was zelf nauw bij de Zwolse Gemeenschap betrokken
en zou later ook als voorzitter optreden. Zijn
roep om vergaande samenwerking viel niet bij alle
leden in goede aarde, zo bespeurde de heer Haan
in de woorden van Eeftinck Schattenkerk ‘een
zekere dwang’. Was dit niet iets wat de ingestelde
toekomstcommissie juist zou onderzoeken? A.J.J.
Craghs stelde voor in ieder geval alvast een adhesiebetuiging
aan de ZG te sturen. Maar voorzitter
Wansink had zo zijn twijfels over het democratische
gehalte van de ZG: ‘hij [Wansink] is demo102
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kapper Drent was in de
jaren vijftig langere tijd
voorzitter van de buurtvereniging
Assendorp.
Tevens had hij zitting in
de CC. Hier zien we zijn
praalwagen, destijds
goed voor een derde
prijs. (Collectie HCO)
craat en kan de leiding van bovenaf niet appreciëren’,
zo staat genotuleerd. Wansink vond dat de
studiecommissie de zaak eerst eens nader moest
onderzoeken. Eeftinck Schattenkerk op zijn beurt
betoogde dat iedereen die niet principieel tegen de
ZG was ‘er bij behoord’. En sussend: ‘Het lidmaatschap
van de ZG brengt niet met zich mee dat zij
de CC gaat decreteren’. Uit de hele discussie kwam
naar voren dat sommige CC-leden vreesden dat
toetreding tot de ZG het einde van de CC in zou
luiden. Schattenkerk wierp daar tegen in dat zoiets
alleen zou gebeuren wanneer de CC zou worden
‘opgelost’ in de afdeling ‘Feestcultuur’ van de ZG
en deze afdeling moest zelfs nog worden opgestart.
Waar waren de leden bang voor? Hij eiste een
adhesiebetuiging, zo niet dan stapte hij op. Wansink
op zijn beurt hield de leden voor dat het bij
een adhesiebetuiging niet zou blijven. Later zou
volgens hem ongetwijfeld geprobeerd worden de
CC in commissies in te schakelen. Duidelijk is dat
de kwestie de CC ernstig verdeelde en dat het laatste
woord er nog niet over was gezegd. Uiteindelijk
was het resultaat dat de CC zich wel bij de ZG
aansloot, maar ijverig bleef toezien op de eigen
onafhankelijkheid.
Emancipatie der wijken
Een andere kwestie die vlak na de oorlog boven
kwam drijven was de positie van de wijken. Direct
na de bevrijding rezen de buurt- en straatverenigingen
als paddestoelen uit de grond. Iedereen
wilde immers feesten. Alleen al in Assendorp konden
er twintig worden geteld. Al deze clubjes werden
in Assendorp in de loop van 1945 samengesmolten
tot een grote wijkvereniging onder het
voorzitterschap van de heer H. Krisman, in het
dagelijks leven hoofdgeleider bij de Nederlandse
Spoorwegen. Dat de vereniging over een groot
draagvlak beschikte bewijzen de cijfers. Ten tijde
van het tienjarig bestaan in 1955 telde de wijkvereniging
Assendorp niet minder dan 2000 leden!
De nieuwe wijkverenigingen hadden een groot
zelfbewustzijn en wilden binnen de CC een grote
rol spelen. Steeds vaker gebeurde het dat de wijken
eigenstandig de lokale feestelijkheden organiseerden,
zonder al te veel rekening te houden met de
centrale leiding van de CC. Die werd vanuit arbeiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
derswijken als Assendorp toch vooral gezien als
een elitair clubje van gegoede burgers. Assendorp
wierp zich ook op als de stem van de buurten. Dat
bleek al tijdens een bijeenkomst in de zomer van
1945, toen een voorstel om de helft van de geïnde
gelden die Assendorp aan de CC overdroeg naar
de buurt terug te laten vloeien, door de wijkvereniging
werd afgewezen. Assendorp wilde driekwart
van het geld terug zien. Ook de Kamperpoort
leek dat wel wat. Wansink probeerde de
buurtcommissies met alle macht op andere
gedachten te brengen. Het voorstel van de buurten,
zo waarschuwde hij, zou de optochten en
muziekuitvoeringen in gevaar brengen, die kostten
immers veel geld en werden door de CC georganiseerd.
Pas na een oproep toch vooral de
gemeenschappelijkheid in het oog te houden gingen
de buurtcommissies – waarvan Assendorp
licht mokkend – akkoord.
Ook toen de vertegenwoordiging van de nieuwe
buurtcommissies in de CC aan de orde kwam
lag de ‘spoorhazenwijk’ dwars. Was het voorstel
per wijk één afgevaardigde in de CC op te nemen,
Assendorp zette in op niet minder dan drie.
Veemarkt te ver
Begin juli 1945 was er weer een aanvaring. Het
kwam naar buiten dat de wijkvereniging Assendorp
van plan was op 31 augustus, Koninginnedag,
een eigen avondfeest te organiseren. De festiviteiten
die op dat tijdstip door de CC waren gepland,
zouden plaatsvinden op de Veemarkt, ‘veel te ver
van Assendorp’. Het Assendorper voornemen viel
bij de leden van de CC bepaald verkeerd. Er werd
om wat meer respect voor de CC gevraagd. De
verjaardag van de koningin was per slot juist de
dag dat Zwolle in eenheid feest behoorde te vieren.
Het avondfeest op de Veemarkt moest daarvan
de climax zijn. Voor de wijkfeesten was in de visie
van de CC 1 september een goed alternatief.
Allengs liepen de gemoederen op. Krisman wees
nog eens fijntjes op het geld dat Assendorp
inbracht en hij betichtte de CC van dictatoriale
neigingen. De CC beschuldigde Assendorp op
haar beurt van schotjesgeest en egoïsme. Maar
Assendorp hield het been stijf. Voorzitter Krisman
stelde het klip en klaar: Assendorp wil geen eigen
feest op 30 augustus, ook niet op 1 september, nee,
het Assendorper feest zal op 31 augustus plaats
vinden. Krisman bespeurde een ‘vijandige houding’
tegenover de buurtcommissie en daar moest
het maar eens mee uit zijn. Droogjes werd genotuleerd
‘dat de stemming in de vergadering er niet
beter op wordt’. Het lijkt een understatement. De
beide groepen stonden frontaal tegenover elkaar.
Op verzoek van de CC wilde Krisman de mening
van de CC nog wel weer in de wijkcommissie
bespreken en hij nodigde de CC uit daarbij aanwezig
te zijn. Nadat Krisman de vergadering had verlaten
besloot de CC ondertussen de eigen plannen
gewoon door te zetten en deze ook al in de pers te
laten publiceren.
Een akkoord
De verhouding tussen de wijken en de CC was
duidelijk een andere dan voor de oorlog. Ook het
bestuur van de CC besefte dat de naoorlogse organisatie
van de commissie een andere moest zijn.
Het was weer Assendorp die in 1946 een voorstel
indiende voor een CC ‘uit en door de wijken’. Op
10 juni 1946 vond in hotel Van Gijtenbeek aan het
Stationsplein de vergadering plaats waarin het
voorstel zou worden besproken. Een belangrijke
gebeurtenis, zo vond de notulist, om vervolgens
wat teleurgesteld neer te schrijven: ‘hoewel uitgenodigd
blijkt de pers door afwezigheid te schitteren’.
Voorzitter Wansink opende de vergadering
en nam als eerste het woord: ‘Versterking en verdieping
van de liefde voor ons Volk tot Land en
Vorst is een der schoonste taken van de CC’. Wat
De juffrouw van de aubade
Mies Brinkman was sinds 1918 lerares aan de Stedelijke Muziekschool in de
Bloemendalstraat. Haar grote liefde was de opera. Tijdens haar zilveren jubileum
in 1943 nam deze kunsttak dan ook een belangrijke plaats in. Zelfs
onderduikers (het was midden in de oorlog) speelden daarbij mee. De meeste
oudere Zwollenaren zullen zich mevrouw Brink herinneren als de juffrouw
die op het Grote Kerkplein de jaarlijkse kinderaubade ter gelegenheid van
Koninginnedag leidde. Na de oorlog was zij een tijdlang ook directrice van de
muziekschool.
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerbetoon aan Wilhelmina
Koninginnedag 1948 was een heel speciale Koninginnedag.
Koningin Wilhelmina vierde haar gouden
regeringsjubileum. Maar tegelijkertijd was het
een feest met een dubbel gevoel, want Wilhelmina
had aangekondigd af te zullen treden en de troon
over te dragen aan haar dochter Juliana. De Turfmarkt
was de centrale plaats waar uitbundig het
50-jarig koninklijk bewind van Wilhelmina werd
gevierd. Op het groteplein aan de voetvan de
watertoren was een enorm podium opgericht. Daar
werd ’s avonds het openluchtspel ‘Je Maintiendrai’
opgevoerd.
Die avond was de stad getooid in een fonkelend
kleed van lichtjes. ‘Zwolle is’, aldus een verslaggever,
‘een lichtpunt in het Oosten’. De middag daaraan
voorafgaand was er een grote optocht. Al ruim
van tevoren hadden de eerste toeschouwers zich
langs de weg opgesteld. Het was bloedheet. Eén persoon
werd bevangen door de hitte en viel flauw.
Een oud moedertje pakte het slimmer aan en nestelde
zich langs de weg in een gemakkelijke stoel.
Maar ze dommelde langzaam in slaap. Pas toen de
koninklijke harmonie Thomas a Kempis luid toeterend
voorbijtrok, schrok ze weer wakker. Tot diep
in de nacht vierde Zwolle feest.
DE FEESTEUIKHTOEN TE ZW01J.K VAN 30 Al.’G.-* SEPT.
In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig jaar
vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter
Juliana. Omslag van het programmaboekje dat
de CC naar aanleiding van de jubileumfeestelijkheden
uitbracht. (Collectie HCO)
zou het nageslacht over deze vergadering zeggen?
Als een vergadering waarbij de deelnemers elkaar
het licht niet in de ogen gunden en de nieuwe tijd
niet begrepen? Waar het volgens Wansink om
moest gaan was de eendracht van Zwolle. En die
eenheid was door de CC het beste te waarborgen:
‘We doen hier geen slooperswerk, maar gaan bouwen.
We zullen daarbij gebruik maken van het
goede van het oude en het nieuwe’. Grote woorden
over de rol van de CC. Nu was het de beurt
aan Krisman. Ook hij riep op tot eenheid. Maar
hoe die het beste te bewaren was, dat was natuurlijk
de vraag. Volgens Krisman had Zwolle in de
jaren voor de oorlog een zeer eenzijdige, van
boven af geredigeerde feestviering gekend. Direct
na de bevrijding kwamen veel wijkcommissies
weer spontaan tot leven, diep wortelend in straat,
buurt en wijk. En het waren deze wijkverenigingen
die de basis moesten vormen van een nieuwe
CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
mm
De drie afgevaardigden
in de CC van de buurtvereniging
Assendorp
staan op de Oosterlaan
gereed voor de optocht,
jaren vijftig. In het midden
H. Drent. Links
vooraan is nog een stuk
van de Renaultgarage
van Simonse en Bokkers
te zien, die gevestigd
was op de hoek van de
Terborchstraat en de
Oosterlaan. (Collectie
HCO)
WSMH ‘ ” ..,.••” f TBmi TÜniii» ^’ita Ai b. i^MBi , J I
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Logo van de CC, jaren
veertig. (Collectie
HCO)
cenTRALe commissie
I/OOR HeT uiepen URH
GeoenKDRGen
Te zu/one
Er ontspon zich, zoals dat heet, een levendige
discussie. Daarin kwam naar voren, zij het niet
met zoveel woorden gezegd, dat Assendorp vond
dat de oude CC vooral een organisatie was van de
gegoede burgerij met daarin maar weinig ruimte
voor de ‘gewone’ man. En dat was niet goed. Niet
het kapitaal, maar het volk diende te tellen. De discussie
ging dan ook onder andere over de weging
van de gelden die de verschillende wijken ieder
jaar weer opbrachten in verband met hun vertegenwoordiging.
De heer Markus van Assendorp
bracht dit punt het meest duidelijk onder woorden.
Hij wenste een ‘behoorlijk onderscheid tusschen
den gulden van den werkman en het tientje
van den groote zakenman’. De vergadering sloot
zonder een definitieve beslissing te nemen. Uiteindelijk
kwam het volgende uit de bus. Het
bestuur van de CC zou voortaan bestaan uit
22 leden. Daarvan waren er tien ‘uit de burgerij’.
De wijken leverden de overige leden. De Kamperpoort,
Stationswijk, Veerallee en het Wipstrikkwartier
kregen ieder één afgevaardigde. De Binnenstad
werd vertegenwoordigd met twee leden.
Assendorp en de Diezerpoort leverden ieder drie
leden aan de CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
Hoge hoeden
De leden van de CC waren bij de feestelijkheden altijd prominent
aanwezig. Ze droegen een insigne; een zilveren monogram aan
een strik van oranje, blauw en wit lint. Maar bovenal waren zij al
van verre herkenbaar door de hoge hoeden die lange tijd traditioneel
werden gedragen.
Wat zou de CC zijn zonder die hoge hoeden? zo werd in het
jubileumjaar1953 in een krantenartikel gevraagd. ‘Een trotse oceaanstomer
zonder schoorsteen’ was het antwoord. In hetzelfde
artikel werd gezegd dat de vooroorlogse CC een ‘knus clubje’ was:
‘als er een uit de gelederen trad, zei men tegen elkaar: “zullen we
die of die erin halen, hij lijkt ons wel geschikt”, en zo gebeurde het
dan’.
Die informele werkwijze veranderde na de oorlog toen de wijken
hun afvaardiging in de CC kregen.
De jubilerende CC in 1953. Van links naar rechts staande: E. Kamphuis, J. T. Teunis, H.A.J. Verhagen, H. Drent, P.H. Reinbergen,
E.H. Veenstra, J. Oostindiënjr., Th. Thalen, E. Conradie, J.A. Pot, L. ter Heide, B. v.d. Vegte. Zittend van links naar rechts het
bestuur: J. Poulussen (2de secretaris), P.J. Bennekers (secretaris), J.M. Wansink (voorzitter), J.G. Akkerman (penningmeester),
H. Hollander en J. Haan (commissarissen). De leden J. Doedens en C.H. Koop ontbreken op deze foto. (Collectie HCO)
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Gedenkpenning geslagen
ter gelegenheid van
het bezoek van het
koninklijk paar aan
Zwolle in oktober 1949,
met de beeltenis van
Juliana en aan de andere
kant de tekst: ‘Lichtstoet
Industrie, Koninklijk
bezoek n-io-’49.
C.C. Zwolle’. (Collectie
O. de Leeuw)
Hoewel de jaarlijkse oranjevieringen vanzelfsprekend
tot de hoofdtaken van de
CC behoren, waren er in het lange leven
van de commissie ook andere gebeurtenissen die
de aandacht vroegen. Het waren vooral de bezoeken
van leden van het koninklijk huis aan Zwolle
die steeds weer een hoogtepunt vormden. Want
zo heel vaak gebeurde het natuurlijk niet dat de
Oranjefamilie de Blauwvingerstad aandeed.
De koningin komt
Het jaar 1949 was wat dat betreft voor de CC
gedenkwaardig. Na meer dan een kwart eeuw zou
de koningin weer een officieel bezoek aan Zwolle
brengen. De laatste keer dat Zwolle die eer te beurt
was gevallen was in 1923. Toen betrof het Wilhelmina,
nu was het Juliana die inmiddels de scepter
zwaaide.
De periode van onthouding had de dorst naar
de vorstin alleen maar versterkt. En zeker na de
moeilijke jaren van de Duitse bezetting was de
populariteit van het huis van Oranje gestegen tot
ongekende hoogte.
Onnodige spanning
De Centrale Commissie had het er druk mee.
Gehoopt werd dat de meeste Zwollenaren de dag
van het bezoek vrij zouden krijgen. Misschien, zo
suggereerde men, konden de werknemers alvast
dagelijks een halfuurtje extra werken om de snipperdag
mogelijk te maken. In ieder geval riep de
Centrale Commissie de werkgevers op de dag van
het koninklijk bezoek vrijaf te geven. Dit tot groot
verdriet van de Nijverheidsraad. Volgens de leden
van die raad leidde de oproep bij sommige bedrijven
tot onnodige spanning. Er werden verwachtingen
gewekt die niet altijd beantwoord konden
worden. Beter was het als de CC zich voortaan niet
meer over dergelijke zaken zou uitspreken voordat
er met het bedrijfsleven overleg was geweest.
Ondertussen maakte de stad zich op voor de
komst van het koninklijk paar. En niet alleen
Zwolle. Vanuit de wijde omgeving zouden groepen
en mensen naar de Overijsselse hoofdstad
komen om een glimp van Hare Majesteit op te
vangen. Zo hadden delegaties uit Urk, Staphorst
en Haerst hun komst al aangemeld.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Feestverlichting
De organisatie wilde niets aan het toeval overlaten.
Zo werd op de avond voor het bezoek de door particulieren
aangebrachte feestverlichting gecontroleerd.
Daarbij werd vooral gelet of er geen lampen
waren die de verschillende optochten zouden hinderen.
Ook moesten verkeersmaatregelen worden
genomen. De gehele binnenstad zou worden afgesloten
voor gemotoriseerd verkeer en bespannen
wagens. Ook de stadsdienst ontkwam niet aan dit
gebod. De Veerallee was tijdens de doorkomst van
de koningin voor fietsers taboe. Rond de Roopoort,
waar de majesteit en haar gemaal in de ambtswoning
van de commissaris van de koningin zouden
overnachten, was geen publiek toegestaan. Aan de
oproep om de stad uitbundig te versieren werd
massaal gehoor gegeven, ’s Avonds brandden overal
duizenden lichtjes. Vooral Hotel Wientjes had er
veel werk van gemaakt. De Westerstraat, om de
hoek van de Roopoort, zag er ook prachtig uit, net
als vele andere straten. Overal waar men keek zag
men bloemen, slingers, vlaggen en erepoorten. In
het hartje van de stad stond een fraaie muziektent,
ontworpen door de Zwolse kunstenaar Teun van
der Veen. In het licht van de vele speciaal voor het
bezoek opgestelde schijnwerpers bood de stad een
betoverende aanblik. Het was de avond voor het
bezoek van het koninklijk paar dan ook enorm
druk in de stad. Duizenden waren gekomen om
van de sprookjesachtige verlichting te genieten.
Koningin Juliana en
prins Bernhard inspecteren
op 11 oktober 1949
de erewacht voor het
huis van de commissaris
van de koningin aan de
Roopoort, waar zij ook
de nacht zullen doorbrengen.
(Foto ANP,
collectie HCO)
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Sssst!
In de nacht van u op 12 oktober 1949 wapperde de koninklijke standaard van
huize Roopoort 1. Koningin enprins logeerden, naar oud gebruik, in de
woning van de commissaris van de koningin. Op dat moment was dat
ir. B. J.G.M, ridder de van der Schueren. Voorde oorlog was het gouverneurshuis
in het Ter Pelkwijkpark de ambtswoning. Het werd ook wel ‘het hotel
van de Commissaris der Koningin’ genoemd. In 1895 had de toen vijftienjarige
Wilhelmina er overnacht. Omdat het Gouverneurshuis midden in de stad
lag, werd aan de posterende agenten gevraagd er voor te zorgen dat er
’s avonds niet te veel lawaai op straat zou worden gemaakt. Dat hoefde men
de Zwollenaren niet twee keer te zeggen. ‘Ssst… het koninginnetje slaapt’,
werden gevleugelde woorden.
Massaal onthaal
De ochtend van de elfde oktober brak aan. In alle
vroegte klonken de klanken van de reveille door de
stad. Op de Turfmarkt: werd die ochtend door
leden van rijvereniging ‘Rijden is Kunst’ uit Ittersum
een ruiterdemonstratie gegeven. Op het Grote
Kerkplein verzamelde zich de jeugd uit de verschillende
wijken voor de grote kinderoptocht. Ondertussen
voerden bussen voortdurend bezoekers van
buiten aan. Vooral uit de kop van Overijssel waren
velen gekomen. Het was iets over half drie ’s middags
toen de koninklijke stoet van over de IJsselbrug
arriveerde, een juichkreet ontlokkend aan de
duizenden die daar, op het grondgebied van de
toenmalige rondom Zwolle gelegen gemeente
Zwollerkerspel, het paar opwachtten. Onder de
tonen van het Wilhelmus stapten Juliana en Bernhard
over in een gereedstaande landauer. Aan de
wachtende burgemeester van Zwollerkerspel, C.
Slager, vroeg de koningin nog vlug: ‘Burgemeester,
zien wij u vandaag nog?’ waarop Slager antwoordde,
‘ik hoop vanavond, mevrouw’, waarna Juliana
met een ‘dan, tot ziens’ eindelijk richting Zwols
grondgebied vertrok. De koninklijke stoet reed
over de Veerallee de stad binnen, toegejuicht door
het enthousiaste publiek. Kinderen zwaaiden fanatiek
met oranje en rood-wit-blauwe vlaggetjes.
Voor de stoet uit reden drie vrachtwagens van de
gemeentereiniging. Ze waren gevuld met zand. Dit
zand werd op de weg gestrooid om te voorkomen
dat de paarden zouden uitglijden op de toch wat
gladde stenen van het wegdek. Duizenden mensen
waren op de been om een glimp van het koninklijk
paar op te vangen. Aangekomen op het Stationsplein
werd de koningin een vaandelgroet

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 4

Door | 2003, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

• f cü/
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
/LUCHTPOST’
(Collectie HCO)
Sophia Ziekenhuis Zwolle. Kindertuin
Poststempel 22 december 1938
‘Beste Vrienden, allemaal hartelijk gefeliciteerd met
de verjaardag van Tante Wim en nog maar vele
jaartjes. Hoe is het kan U nog al dooi blijven, wat een
wintertje is het. Het is met mij zelf alles nog Oké dus
nu maar afwachten. Nu luidjes prettige dag en ook
maar prettige kerstdagen met vele groeten van M.B.
Rigter- Vreeswijk.
[Rondom in potlood geschreven:] Ik geloof dat
het met het kindje niets word, de dokter ziet het tenminste
niet erg goed in Gonnieje doet maar of je er
nog niks van weet.
Het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis kwam voort
uit de hervormde armenzorg. Het Sophia Ziekenhuis
werd geopend in 1884 en was gevestigd op een
deel van de zogeheten Bagijneweide, op de hoek
van de Rhijnvis Feithlaan en de Nieuwe Vecht. In
de loop der tijd werden verschillende delen aangebouwd.
De grootste uitbreidingen vonden plaats
in 1915 en 1935. De hoofdingang bevond zich tot
1935 aan de zijde van de Nieuwe Vecht, daarna
werd het nieuwe door stadsarchitect J.G. Wiebenga
opvallend strak vormgegeven gedeelte geopend
en werd de hoofdingang verplaatst naar de Rhijnvis
Feithlaan.
In de prachtige tuin van het ziekenhuis was het
bij mooi weer goed toeven voor de patiënten. Het
ziekenhuis verhuisde in 1972 naar de rand van de
stad. Het oude gebouw aan de Rhijnvis Feithlaan
is nu rijksmonument. Het wordt momenteel
gerenoveerd voor een nieuwe gebruiker, de kunstacademie
Constantijn Huygens. Zie voor meer
afbeeldingen van het oude Sophia pagina 143.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
Redactioneel Inhoud
De inhoud van het laatste nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift uit 2003 is weer zeer gevarieerd.
Aan bod komt de negentiende-eeuwse Zwolse
stadsarchitect Berend Reinders, onder meer ontwerper
van de voormalige RHBS aan de Bagijnesingel.
Daarna switchen we naar de manier hoe in
de zeventiende eeuw met huwelijkstrouw werd
omgegaan.
Verder wordt beschreven hoe een ondernemende
Zwolse boerenfamilie in 1895 hofleverancier
werd en en passant wordt verklaard waarom
bioscoop de Kroon deze naam draagt.
De moord op een marechaussee in Ommen
zorgde begin twintigste eeuw voor de nodige consternatie,
lees het verhaal hierover.
Een afbeelding die bij een artikel in het ZHT
nr. 2 van dit jaar stond, leverde een unieke foto op
van koningin Juliana op de bank bij een gewoon
Zwols echtpaar.
Ook op de ansicht in datzelfde nummer werd
gereageerd, deze reactie valt te lezen onder de
Mededelingen.
De ansicht in dit nummer biedt een kijkje in
het oude Sophia Ziekenhuis. Omdat daar veel te
zien was, treft u in dit nummer nog meer ansichten
van dit voormalige ziekenhuis aan.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten
en Wim Huijsmans 134
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-Hameete 136
Het oude Sophia in ansichtkaarten
Jeanine Otten 143
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd 146
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’ Jeanine Otten 153
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en Jennie Pruim 156
Met Juliana op de bank
Annèt Bootsma-van Hulten 162
Mededelingen 164
Auteurs 166
Omslag: Lijkwagen met het stoffelijk overschot van
marechaussee A. Hoekstra voor de kazerne van de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle op Beestenmarkt
7 (nu Harm Smeengekade), 9 augustus 1902.
(Foto P.J. Bieseman, collectie HCO)
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-
Hameete Het ambt van stadsarchitect bestaat in
Zwolle al vanaf de late middeleeuwen en
heeft sindsdien een forse ontwikkeling
doorgemaakt. Toch is er relatief weinig bekend
over dit ambt dat herkenbaar zijn sporen in de
stad heeft nagelaten. In het onderstaand artikel
wordt een kleine tijdspanne gelicht, namelijk de
periode van 1855 tot 1875, waarin Berend Reinders
als stadsarchitect diende in Zwolle.
Berend Reinders
In de negentiende eeuw bleef de bouwkunst in
Zwolle stevig geworteld in de plaatselijke traditie.
Er bevond zich hier geen op internationaal niveau
geschoolde architect. Toen in 1854 Zeger van der
Bie als stadsarchitect het veld ruimde, zag de raad
zich genoodzaakt een nieuwe stadsarchitect aan te
stellen. Het was de Groninger Berend Reinders,
die deze post verwierf. Hij was vooral technisch
goed op de hoogte van zowel bruggen als gebouwen
door zijn ervaring opgedaan als provinciaal
opzichter van Waterstaat en als meester-timmerman
in de stad Groningen.
Berend Reinders was op het moment van zijn
aanstelling dertig jaar oud. Van Reinders is een
aantal brieven bewaard gebleven die van zakelijke
aard zijn. Een familiearchief als informatieve bron
over zijn leven ontbreekt. Daarom is over zijn
privé-leven weinig bekend. De belangrijkste feiten
uit zijn persoonlijk leven, ontleend aan de akten
van de burgerlijke stand, zijn snel opgesomd.
Berend Reinders werd op 4 januari 1825 geboren te
Groningen. Zijn vader, Reinder Reinders, was
klerk en zesentwintig jaar oud toen zijn zoon werd
geboren. Zijn moeder Hillegien Woldring, zonder
beroep, was negenentwintig jaar toen zij haar
zoon ter wereld bracht. Berend Reinders woonde
met zijn ouders aan de Aa in Groningen. Toen
Berend was opgegroeid oefende hij eerst het
beroep van meester-timmerman uit en later werd
hij provinciaal opzichter van Waterstaat en
onderwijzer aan de Academie van Beeldende
Kunsten in Groningen. Op 30 januari 1855 werd
hij door de gemeenteraad van Zwolle aangesteld
als stadsarchitect.1 Zijn infunctietreding zou per
1 maart 1855 ingaan. Op die datum verscheen
Berend Reinders tijdens de vergadering van burgemeester
en wethouders. Hij legde de eed af en
beloofde hiermee zich aan de voorgeschreven
instructie te houden.2
Reinders vertrok met zijn vrouw Dorothea
Reinders-Pothoff en zoon Berend naar Zwolle.
Eenmaal hier gevestigd breidde het gezin zich uit.
In het jaar 1856 werd hun tweede zoon, weer
Berend genaamd, geboren en in 1858 een dochter
genaamd Maria, in 1861 een zoon Hermannes, in
1867 een dochter Lucintia en in 1870 een zoon
Theodoor. Het laatst geboren kind overleed na
drie maanden aan enteritis chronica, een chronische
ontsteking van het darmslijmvlies.3 In 1875
werd na een dienstverband van twintig jaar met de
stad Zwolle Reinders eervol ontslag verleend. Op
12 januari 1875 werd hij aangesteld als architectdirecteur
in Den Haag.4 In deze stad bleef hij
werkzaam tot zijn dood in 1890.5
De fabricage
De fabricage, zoals de verzamelnaam luidde voor
het stadsbedrijf ten tijde van Reinders ambtsperiode,
bestond uit verschillende onderdelen:
de civiele bouwkunde, de waterbouwkunde, de
stadsplanning en de verschillende taken die na
de aanstelling van de werklieden door de stadsarchitect
werden bewerkstelligd.
Civiele bouwkunde
De belangrijkste taak van de stadsarchitect lag op
het gebied van de civiele bouwkunde. De stad had
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
veel gebouwen onder haar hoede die groot en
bewerkelijk in onderhoud waren, zoals het stadhuis,
de kazerne, het passantenhuis, de scholen, de
torens en de poorten. Veel aandacht werd besteed
aan de brugwachtershuisjes, de brandspuithuisjes,
de lantaarnpalen en de stadspompen. Bovendien
stonden onder toezicht van de stadsarchitect de
openbare straten, wegen, plantsoenen, stadsgronden
en wateren.6
Jaarlijks vond de inspectie van de stadsgebouwen
en werken plaats. In de maand september
diende de stadsarchitect een verslag in bij burgemeester
en wethouders. Het verslag gaf de toestand
van de gebouwen weer en de beraming van
de kosten van onderhoud of vernieuwing voor het
komend jaar.7 Maandelijks stelde de stadsarchitect
burgemeester en wethouders op de hoogte
van de werkzaamheden die naar zijn oordeel aan
de gemeentelijke eigendommen of werken moesten
worden uitgevoerd. Wekelijks rapporteerde
Reinders schriftelijk aan de raad over de werkzaamheden
van de afgelopen en de komende
week. Het stadsbestuur hechtte veel waarde aan de
toelichting van de stadsarchitect, vooral waar het
ging om de technische aspecten die bij veel stadswerken
aan de orde kwamen. Het stadsbestuur
besliste op grond van tekeningen die Reinders of
een ondergeschikte van de objecten maakte. Enkele
tekeningen van Reinders zijn bewaard gebleven.
Hij besteedde veel zorg aan deze vaak gesigneerde
tekeningen.8 Slechts met voorkennis en goedkeuring
van burgemeester en wethouders werden
werken uitgevoerd.9
Was er sprake van direct gevaar voor dé
publieke veiligheid, dan gaf de stadsarchitect
onmiddellijk order tot het uitvoeren van de nodige
voorzieningen. De raad werd vervolgens zo snel
mogelijk in kennis gesteld.10 Bij uitbrekende
brand diende de stadsarchitect direct hulp te bieden.
Immers door zijn kennis van het stadsplan,
was hij goed op de hoogte van de aanwezigheid
van water, eventuele brandspuiten en pompen in
de omgeving van de brandhaard.”
Een onvoorziene omstandigheid was de cholera-
epidemie die in Zwolle voor de tweede keer uitbrak
in 1855, net na de aanstelling van Reinders. In
zijn functie als stadsarchitect was hij direct belast
met het uitvoeren van restrictieve maatregelen.
Hij diende de stad hygiënischer te maken, de choleralijders
onder te brengen, twee grachten te
dempen en een riolering aan te leggen. Met deze
maatregelen dacht de raad een herhaling van een
cholera-epidemie te voorkomen. Helaas brak in
1866 opnieuw een hevige epidemie uit. In 1865 en
1866 vielen de oogsten tegen en schoten de voedselprijzen
omhoog. Veel mensen waren ondervoed
en daardoor vatbaar voor de cholera. De
conditie van vooral de armen diende daarom verbeterd
te worden en dat gebeurde door middel
van voedseluitdelingen, het bevorderen van de
hygiëne door het schoonmaken van huizen, straten
en openbare privaten en tenslotte het branden
van teertonnen. Grote epidemieën kwamen na
1866 niet meer voor. De succesvolle bestrijding
van de cholera-epidemie gaf aan dat Berend Reinders
prima in staat was het veelomvattende takenpakket
waar de stadsarchitect verantwoordelijk
voor was uit te voeren.
Waterbouwkunde
Een deel van Reinders taken lag op het terrein van
de waterbouwkunde. Hij had voor dit onderdeel
van de architectuur veel belangstelling. Zwolle
was afhankelijk van een goede waterhuishouding.
Daarom diende de stadsarchitect de dijken,
wegen, bruggen en waterleidingen regelmatig aan
een inspectie te onderwerpen. Bovendien vergden
de sluis- en waterwerken veel aandacht en met
name voor de onderhoudswerkzaamheden, zoals
de beschoeiingen gemaakt van houten wallen,
steigers met paalwerk en de balkenconstructies en
stenen pijlers.12 Elk kwartaal in de eerste week van
januari, april, juli en oktober rapporteerde de
stadsarchitect schriftelijk aan de raad over de toestand
van de bruggen.13
Zoals bijvoorbeeld het geval was bij de brug
over de Willemsvaart. Na eeuwenlange pogingen
om te komen tot een waterverbinding tussen Zwolle
en de IJssel, was op 24 augustus 1819 de Willemsvaart
officieel geopend. Dit gebeurde op de verjaardag
van koning Willem I. Zwolle had de vaart aan
hem te danken, omdat hij het rijk tot betaling had
overgehaald. De vaart was in eerste instantie niet
gegraven voor de waterhuishouding, maar voor de
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
scheepvaart. De nieuwe waterweg maakte oeververbindingen
noodzakelijk. Vanaf halverwege de
negentiende eeuw was er namelijk sprake van een
toename van het verkeer. Reinders droeg zorg voor
een verbeterde infrastructuur en waterbeheersing
door het ontwerpen van een aantal beweegbare
bruggen in Zwolle. De bruggen kregen vanwege het
gebruik van verbeterde technieken, nieuwe materialen
en daarmee samenhangende vormgeving een
heel ander karakter dan gebruikelijk. Tijdens de
ambtsperiode van Reinders waren de bruggen van
hout, daarna vooral van ijzer, zoals de brug over de
Willemsvaart (een draaibrug) en de Vis(ch)poortenbrug
(een valbrug).14 Hoewel de bruggen niet
mooi werden gevonden, duidde zijn bouwkunst
wel op architectonische kennis.
Aankoop van materialen
De aankoop, aanvoer en opslag van materialen
viel ook onder het takenpakket van de stadsarchitect.
De aankoop werd geregeld bij publieke aanbesteding
of in openbare veiling. Dat gebeurde
vooral bij materialen die veel gebruikt werden.
Reinders hield nauwkeurig de direct gebruikte en
de nog te gebruiken materialen bij in zijn weekrapporten.
Zo bleef men precies op de hoogte van
de hoeveelheden die gebruikt werden, zodat de
materialen op tijd bij de leveranciers besteld konden
worden. Per kwartaal leverde Reinders de
aantekeningen in bij de raad, twee keer per jaar
vergezeld met de rekeningen.
Er werden hoge eisen gesteld aan de materialen
die uit de kas van de stad betaald werden. De
keuring ervan was een belangrijke bezigheid. De
opslag van de materialen gebeurde in speciale
opslagloodsen. Enkele stadswerklieden waren
aangesteld voor het beh eer van de materialen in de
verschillende stadswerkplaatsen. Alle arbeiders
die met de materialen en gereedschappen van de
gemeente werkten waren verplicht hierover verantwoording
af te leggen. Bij schade of verlies
werd de desbetreffende arbeider op zijn loon
gekort. Bij diefstal moest de raad ingelicht worden,
die dan een straf oplegde.
De gereedschappen en werktuigen werden niet
alleen in stadsdienst gebruikt. Particulieren waren
in de gelegenheid deze te huren tegen een door de
stadsarchitect vastgesteld tarief. Wekelijks gaf de
stadsarchitect aan de raad op welk bedrag daarvoor
was geïnd.
Invullen van de stadsgrond
De stadsarchitect droeg ook zorg voor het zo nuttig
mogelijk gebruiken van de stadsgrond. Gevallen
van eerste uitgifte van grond of van nieuwe
bestemming kwamen in de praktijk bij hem
terecht. Er werd verwacht, dat hij kon optreden als
onderhandelaar.
Tot zijn takenpakket hoorde het ontwerpen
van plannen, tekeningen, bestekken en het doen
van aanbestedingen op het gebied van onderhoud,
vernieuwing van stadswerken of geheel nieuwe
gebouwen of werken. Bovendien was hij ervoor
verantwoordelijk dat alle beschikbare gronden en
percelen van de stad een maximum aan rendement
opleverden.15 Zoals het geval was bij de
nieuwbouwvan de Rijks Hogere Burgerschool.
De Rijks Hogere Burgerschool
De geschiedenis van de Rijks Hogere Burgerscholen
begon in het midden van de negentiende
eeuw. Dit schooltype werd opgericht voor leerlingen
die scholing wilden op het gebied van de handel,
nijverheid en staatsdienst. Het was opmerkelijk
dat Zwolle van minister Thorbecke toestemming
kreeg één van de eerste Rijks Hogere Burgerscholen
van Nederland te plaatsen. Mogelijk had
hij een zwak voor zijn geboortestad. Naar buiten
toe gaf Thorbecke als reden voor het bouwen van
een hogere burgerschool in Zwolle op, dat de stad
een centrale plaats in Nederland innam. De minister
verzocht de raad een schetstekening te laten
maken van een gebouw en een terrein aan te wijzen
waarop de school gevestigd zou worden.16 Op
5 april 1865 viel de definitieve beslissing van de
raad om de school op de Bagijnenweide te plaatsen.
17 De Rijks Hogere Burgerschool zou
ƒ 60.000,- gaan kosten.18 Na de bouw bleken de
kosten te zijn opgelopen tot ƒ 81.250,-. Zwolle
kreeg een subsidie van ƒ 20.000,- van het rijk. Het
plan kreeg goedkeuring van de minister. Reinders
rechtvaardigde zijn werk met het argument dat hij
duurzaam wilde bouwen, om in de toekomst de
onderhoudskosten laag te kunnen houden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
Voor Reinders was het een uitgelezen kans een
rijksgebouw in Neoclassicistische stijl te bouwen
met toepassing van eigen kenmerken.19 Deze
bouwstijl werd in Nederland in de periode tussen
ongeveer 1800 en 1870 veel toegepast. In september
1867 was het gebouw gereed.20 Het werd voordat
het in gebruik werd genomen ter bezichtiging
opengesteld voor publiek.21 Vooral de vorm van
het gebouw trok de aandacht van de bezoekers.
Het pand was gebouwd in een rechthoekige hoef,
waarbij de diepte van het arrière-corps in de voorgevel
0,75 ellen bedroeg. Hij plaatste aan beide zijden
van de hoofdingang twee zuilen. Bij enkele
van zijn eerder ontworpen gebouwen paste hij
eenvoudige versiering rond de vensters toe, maar
die liet hij bij de Rijks Hogere Burgerschool achterwege.
Ter verfraaiing van het gebouw werd
besloten het uurwerk van de Diezerpoort naar de
nieuwe school over te brengen. In 1953 besloot de
raad echter de klok uit het gebouw van de RHBS te
halen en voor tenminste tien jaar in bruikleen af te
staan aan het kerkbestuur van de Sint-Jozefkerk in
de Assendorperstraat.22
Werklieden bij de fabricage
Uit het voorgaande blijkt dat de stadsarchitect veel
verantwoordelijkheden droeg. Hij diende zich,
wilde hij zijn functie naar behoren uitoefenen,
nauwgezet aan de instructie te houden die hij bij
zijn aanstelling had aanvaard. Met de eedaflegging
nam hij die grote verantwoordelijkheid op zich.
Tot zijn taak hoorde ook het selecteren en voordragen
van werklieden. Reinders was voor een
deel afhankelijk van goede stadsarbeiders wilde hij
de stadswerkzaamheden op tijd gereed krijgen.
Ontwerp tekening van
de voorgevel van de
Rijks Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin
KNOB 2000-4)
Ontwerp plattegrond
begane grond en eerste
verdieping van de Rijks
Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin KNOB
2000-4)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Rijks Hogere Burgerschool
aan de Bagijnesingel
omstreeks 1890.
(Collectie HCO)
Het aantal vaste werklieden
Het aantal werklieden van de fabriek gedurende
de tijd dat Reinders zijn ambt uitoefende, betrof
drieëndertig vaste werknemers. Uiteraard waren
verschillende beroepen vertegenwoordigd. Om
een indruk te geven, volgt hier de staat van de
ambtenaren en vaste arbeiders bij de fabricage in
1855. Drie opzichters stonden in rang onder de
stadsarchitect en zorgden afzonderlijk voor het
dagonderhoud, de arbeiders en de stadsgoederen.
Verder waren er vier timmerlieden in vaste dienst.
Er werkten bij de stadsfabriek twee metselaars, één
loodgieter, één stratenmaker en één opperman
van het cholera-hospitaal. Vervolgens was er één
opzichter over de wandelplaatsen en onder hem
werkten zes arbeiders. Tevens was er een opzichter
werkzaam met vier arbeiders die aangenomen
waren om de lantaarns bij te vullen. Negen arbeiders
sloten de rij waarvan er één de openbare privaten
schoonhield en waarvan de andere acht
inzetbaar waren waar nodig.23
De stadsarchitect behoorde niet alleen zijn
eigen taken naar behoren te vervullen, hij moest
tevens de stadswerklieden motiveren goed werk af
te leveren. De stadswerklieden waren net als de
stadsarchitect gebonden aan een instructie. Indien
een stadsarbeider, om wat voor reden ook, niet
naar behoren functioneerde beschikte de stadsarchitect
over voldoende mogelijkheden om de man
tot de orde te roepen of in het ergste geval te ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
slaan. Midden negentiende eeuw was er voor de
stadswerklieden op (hoge) leeftijd, voor zover valt
na te gaan in de bronnen, geen pensioen geregeld.
Zolang ze konden werken hield de stadsarchitect
deze oudere stadsarbeiders beschikbaar voor lichte
werkzaamheden.
Uitbetaling van de lonen
Wekelijks, op maandag, gaf de stadsarchitect aan
de hand van het aantal gewerkte uren de werklonen
van de stadsarbeiders schriftelijk door aan de
raad. In 1862 deed Reinders een voorstel tot verhoging
van het dagloon van de stadswerklieden. Het
loon werd gemiddeld ƒ 0,05 a ƒ 0,10 per dag verhoogd
en kwam op een gemiddelde van ƒ 1,00 per
dag.
Het loon werd per uur betaald. Dit had te
maken met de lengte van de dagen. In de winter
waren de dagen kort omdat het ’s ochtends laat
licht was en ’s avonds vroeg donker. Daarom kon
er hoogstens zeven uur gewerkt worden. In het
voor- en najaar werd er acht uur gewerkt en in de
zomer gemiddeld tien a elf uur. De raad had aan
de hand van de seizoenen een staat van uren opgesteld,
waaraan de stadswerklieden zich dienden te
houden.24
Betaling stadsarchitect
Bovenstaande beoogt een indruk te geven van wat
de functie van stadsarchitect zoal omvatte. Tot eer
van de stad dient gezegd dat Reinders voor zijn
vele werk behoorlijk werd betaald. Bij zijn aanstelling
in 1855 werd zijn salaris vastgesteld op ƒ 1500,-
per jaar. Uit de verslagen van de raad van de
gemeente Zwolle bleek dat de stadsarchitect bij
aanvang van zijn ambtstermijn inderdaad ƒ 1500,-
ontving. In de loop der jaren werd zijn traktement
nog enkele malen verhoogd. Bij zijn vertrek in 1875
bestond de jaarwedde van Reinders uit ƒ 2100,-.25
Nevenactiviteiten
In de eerste decennia van de negentiende eeuw
viel er in Nederland nog niets te bespeuren van
een economische ontwikkeling die gelijkenis vertoonde
met de industriële revolutie, zoals die zich
in de omringende landen aan het voltrekken was.
Pas rond 1850 begonnen de eerste veranderingen
zich af te tekenen, hetgeen ook het Zwolse economische
leven niet onberoerd liet. De eerste stoommachine
hier ter stede werd geplaatst in 1853 in de
ijzergieterij van G.J. Wispelweij & Co, toentertijd
een bedrijf met tweeënveertig arbeiders. De
fabriek van Krol, de machinefabriek aan de Veerallee,
de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen
en de Gemeentelijke Gasfabriek volgden, zodat
omstreeks 1875 al achtenveertig stoommachines in
bedrijfwaren.26
Bij deze industriële ontwikkeling speelde de
afdeling Zwolle van de ‘Vereeniging ter bevordering
van de Fabrieks- en Handwerknijverheid’ een
belangrijke rol. Reinders was lid van deze vereniging.
In 1853 bracht de vereniging een industrieschool
tot stand. Verder was er in Zwolle een
Commissie van Werkverschaffing waarin Reinders
als voorzitter zitting had. Deze Commissie
bracht verscheidene initiatieven naar voren, zoals
een ‘Vereerend Getuigschrift’ dat uitgereikt werd
aan arbeiders die meer dan twintig jaar in hetzelfde
bedrijf werkzaam waren geweest. Daarnaast
werden door de ‘Vereeniging’ prijsvragen uitgeschreven
waarbij een beroep werd gedaan op de
vindingrijkheid en beheersing van veel technieken.
De belangrijkste activiteiten die georganiseerd
werden waren de industriële tentoonstellingen.
De eerste tentoonstelling was in 1840, waar
slechts eenendertig inzendingen waren. Twintig
jaar later kwamen bijna duizend inzendingen binnen
en ongeveer vijfduizend bezoekers.27 Hoe
succesvol de tentoonstelling ook was, industrie
van enige omvang kwam er niet uit voort. Zwolle
had een gunstige geografische ligging, maar kapitaal
en grondstoffen ontbraken. Wat betreft Reinders
kan uit zijn optreden in deze commissies
opgemaakt worden dat hij zeer begaan was met de
industriële ontwikkeling van Zwolle.
Goede stadsbeambte
Reinders behoorde niet tot degenen die door hun
enorme prestaties een stempel op hun tijd zetten.
Hij had de maat van zijn omgeving en moet
beoordeeld worden in het verband van zijn tijd
om datgene, wat hij tot de bouwkunst heeft bijgedragen,
op de juiste betekenis te schatten. Door
alle gegevens die over de stadsarchitect te verkrij142
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen waren te verzamelen, is een beeld opgebouwd
van vooral de omstandigheden waaronder hij
werkte. Reinders heeft voor zover de bronnen
onthullen geen gebouwen ontworpen en uitgevoerd
in opdracht van particulieren in zijn vrije
tijd. Dit is niet met zekerheid te zeggen, omdat
geen persoonlijk dossier van hem is gevonden.
Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat zijn ontwerpen
voortkwamen uit opdrachten die hij als
stadsarchitect kreeg van de raad.
De stadsarchitect uit: de negentiende eeuw stak
in de communis opinio niet uit boven de gemiddelde
burgerman. Een dergelijke sfeer van eenvoud
lijkt te passen bij Reinders. Het is in dit verband
tekenend dat er van hem geen portret
bekend is. Vooral de eigenschappen ijver, toewijding,
stiptheid, zin voor orde, bereidwilligheid om
dienstbaar te zijn, maakten hem tot een goede
stadsbeambte.
* Dit artikel verscheen eerder, in uitgebreidere vorm,
in het Bulletin, orgaan van de KNOB (Koninklijke
Nederlandse Oudheidkundige Bond), 2OOO-4.
Noten
Gebruikte afkortingen:
GAZ Historisch Centrum Overijssel,
collectie voormalig Gemeentearchief Zwolle
AAZ01 Administratieve stadsarchieven
AAZ02 Administratieve stadsarchieven
DA002 Dienst openbare werken, 1842-1949
1 GAZ, AAZ02-24, Register van de Notulen van de
Gemeenteraad te Zwolle, 30 januari 1855.
2 GAZ, AAZ02-704,1 maart 1855.
3 GAZ, AAZ02-03123, Sterfte-statistiek 1865-1876,
21 juli 1870.
4 R. Vijfwinkel, K.P. Companje, W.J. de Geus en
M.M. Hegener, ’s Haags werken en werkers, 350 jaar
gemeentewerken (1636-1986), p.130.
5 Gemeentearchief Den Haag, Algemeen Verslag van
de Werkzaamheden en Notulen der Vergaderingen,
in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs
(Instituutsjaar 1889-1890), 11 februari 1890,
P-36-37-
6 GAZ, AAZ01-409, Register voor de ambtenaren
der Gemeente 1821-1842, artikel 1.
7 GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, artikel 3.
GAZ, AAZ01 art.8.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 3, art.4.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 4, art.4.
GAZ, AAZ01 art.16.
GAZ, AAZ01 art.17.
GAZ, AAZ02-3041, Instructies voor het gemeentepersoneel
1778, art.3.
B. Lamberts en H. Middag, Architectuur en stedebouw
in Overijssel 1850-1940 (Zwolle 1991) p.134.
GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, art.8.
W.A.Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle (1973 Zwolle) p.243.
Het Nationaal Archief, Tweede Afdeling, archief
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Vijfde
Afdeling Onderwijs, 1848-1876, inventarisnummer
755, no.93,5 april 1865, p.192.
GAZ, DA002-105,24 juli 1865, p.663.
L.H. Eberson, Ebersons Bouwkunst, Overzicht van
de onuitgegeven werken onzer Nederlandsche tijdgenooten,
uitgegeven tussen 1873-1875.
Het Nationaal Archief, 186,16 juli 1867, p.716.
Eberson, 1873-1875 Arnhem.
Jubileumcommissie, Gedenkboek; honderd jaar rhbs
Zwolle 1867-1967, p.20.
GAZ, DA002-461,21 september 1855.
GAZ, DA002-13,6 januari 1862.
Verslag van de Raad der Gemeente Zwolle 1875, p.8.
P.J.C, de Boer, De Zwolse ‘Fabrieks- en handwerknijverheidstentoonstelling’
van 1860, p.62.
De Boer, p.63.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 143
Het oude Sophia in ansichtkaarten
In 1884 werd op de hoek van de Rhijnvis Feithlaan
en de Nieuwe Vecht een uiterst modern
ziekenhuis geopend. De naam was ontleend
aan koningin Sophie (1818-1877), de eerste echtgenote
van koning Willem III. De Zwolse raad wilde
met deze vernoeming de nagedachtenis eren van
de koningin, die Zwolle op 18 juli 1874 had bezocht
en die zoveel voor de ziekenverpleging had
gedaan. In 1880 begon de bouw en op 1 oktober
1884 kon het ziekenhuis geopend worden. Het
ontwerp was van de toenmalige stadsarchitect J.L.
van Essen en kostte, compleet met inventaris,
ƒ70.000,-.
Sindsdien vond meermalen verbouwing en
nieuwbouw plaats. Op 13 maart 1915 werd een
nieuwe vleugel, die was ontworpen door stadsarchitect
Lourens Krook, met veel redevoeringen in
gebruik genomen. In 1935 kreeg het Sophia Ziekenhuis
een uitbreiding, van een voor die tijd
ongekend moderne architectuur. Stadsarchitect
Jan Gerko Wiebenga ontwierp de nieuwe vleugel
in de stijl van het Functionalisme.
Het Sophia bleef bijna negentig jaar aan de Rhijnvis
Feithlaan gevestigd. In 1972 verhuisde het hospitaal
naar de Ceintuurbaan aan de rand van de
stad. De hoofdingang kwam aan de Dokter van
Heesweg. Na de fusie met het ziekenhuis De Weezenlanden
in 1998 werd het Sophia Ziekenhuis een
locatie van de Isala-klinieken. Beide ziekenhuizen
willen in 2010 een nieuw gebouw betrekken, dat
op de grond van het nieuwe Sophia Ziekenhuis
moet verrijzen.
Van ziekenhuis tot kunstacademie
Op de zolderverdieping van het oude Sophia Ziekenhuis
was gedurende ruim twintig jaar kunstenaarsvereniging
Het Palet gehuisvest. In juli 2002
kreeg de vereniging van de gemeente Zwolle te
horen dat ze het pand zo snel mogelijk moest verlaten
om plaats te maken voor de kunstacademie
van Hogeschool Constantijn Huygens te Kampen.
Het voormalige ziekenhuis zal daartoe worden
verbouwd naar een ontwerp van architect Hubert-
Jan Henket. Henket heeft een nieuwe vleugel langs
de Nieuwe Vecht ontworpen die in stijl en hoogte
aansluit op het ontwerp uit de jaren dertig van
architect Wiebenga. Ook achter het hoofdgebouw
van het voormalige ziekenhuis komt nieuwbouw.
Het oude Sophia Ziekenhuis is eigendom van
de gemeente. Renovatie en nieuwbouw ten behoeve
van de Hogeschool Constantijn Huygens worden
op kosten van de gemeente uitgevoerd. De
totale kosten worden geraamd op ongeveer elf
miljoen euro.
Jeanine Otten
Zwolle
Jto-J-i
Het oude Sophia Ziekenhuis, ontworpen door stadsarchitect J.L. van Essen, geopend
1 oktober 1884. Prentbriefkaart uitgegeven door J.H. Schaefer te Amsterdam,
met poststempel Zwolle, 2 oktober 1901. (Collectie HCO)
144 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Sophia Ziekenhuis in 1950, vanuit de lucht.
Links de Nieuwe Vecht, rechts de Rhijnvis Feithlaan.
Op de voorgrond de nieuwbouw uit de jaren
dertig door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door Aerofoto KLM, met poststempel
Zwolle, 15 oktober 1956. (Collectie HCO)
Het trappenhuis in het Sophia Ziekenhuis, ontworpen
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever, zonderpoststempel.
(Collectie HCO)
Het gedeelte van het Sophia Ziekenhuis gebouwd
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven doorN.V. Vroom & Dreesman te Zwolle,
met poststempel Zwolle, 15 augustus 1948. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT H5
Uitzicht vanuit het trappenhuis naar het oudste
gedeelte van het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door H. Hartman te Zwolle circa 1935,
met poststempel Zwolle, 21 juli 1938. (Collectie
HCO)
De binnentuin van het Sophia Ziekenhuis, met links
het oudste gedeelte uiti884, rechts het gedeelte uit
1935- Prentbriefkaart uitgegeven doorH. Hartman
te Zwolle circa 1935, zonder poststempel. (Collectie
HCO)
De operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever,
zonder poststempel. (Collectie HCO)
146 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd
Boerderij van de familie
J. Logtenberg (geb. 1827)
aan de Assendorperstraat
O/387, tegenover
het latere kerk I kloostercomplex,
omstreeks
1887. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
Zwolle heeft, in tegenstelling tot de buursteden
Hattem en Kampen, in de vorige eeuw
niet te maken gehad met het uitplaatsen
van binnenstadsboerderijen. De boerderijen hier
bevonden zich al buiten de grachten. In Dieze,
voor de Kamperpoort en in Assendorp trof men
tal van kleine melkveebedrijven aan, die als neveninkomst
vaak ook nog groenten op de ‘koude
grond’ verbouwden.
De boerengezinnen zorgden doorgaans zelf
voor de afzet van de producten. Op sommige
boerderijen werd ook nog boter of kaas gemaakt,
maar vrijwel altijd werd geprobeerd de melkproducten
en de groenten aan het eigen klantenbestand
uit te venten.
Jan Logtenberg (1827-1896) die getrouwd was met
Gerridina Schutte, woonde vanaf 1861 aan de
Assendorperstraat O/387. Tegenover zijn boerderij
zou later, in 1902, de Dominicanenkerk en het
klooster verrijzen. Zowel van deze boerderij als
van het interieur is nog een foto aanwezig. Deze
twee foto’s geven een duidelijk beeld van hun
woon- en leefomgeving. Het is opvallend hoe de
familie zocht naar nieuwe afzetmogelijkheden
voor de melkproducten, met het doel meer omzet
en betere prijzen te behalen. Zoon Antonie (geb.
1866) bezat daarvoor een creatieve en zakelijke
geest.
Waarschijnlijk exploiteerde veehouder en
melkverkoper Jan Logtenberg samen met Antonie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 147
reeds vanaf 1895 een melksalon aan de Oude Vismarkt
36. Eind 1900 werd een herenhuis met tuin,
Diezerstraat E/33, later als 66 genummerd,
gekocht van de handelaar in ijzerwaren en landbouwwerktuigen
Oeds de Leeuw. Via een openbare
veiling deed deze het, met de aanwezige gaskronen
en gasarmaturen, onder het toeziend oog van
notaris Van Reede van de hand voor ruim veertienduizend
gulden. Timmerman Tijmen Disselhof
verklaarde ‘te hebben geboden voor Koopman
en Winkelier Antonie Logtenberg’. De verhuizing
van de Oude Vismarkt naar de Diezerstraat betekende
dat de zaak voortaan op een A-locatie was
gevestigd. De nieuwe salon was ook vanaf het
Gasthuisplein te bereiken. Op de tuinmuur daar
stond met forse letters aangegeven: ‘Melkinrichting
J. Logtenberg’.
De kroon op het werk
Begin september 1895 kreeg Zwolle hoog bezoek.
Koningin-regentes Emma en haar dochter het
jonge koninginnetje Wilhelmina waren enkele
dagen in Zwolle te gast. Het stadsbestuur, met
burgemeester jhr. W.C.Th, van Nahuijs voorop,
was al een hele tijd druk geweest met de voorbereiding.
Niet alleen moesten de feestelijkheden
goed verlopen, ook het bedrijfsleven zag een schone
kans zich bij dit bezoek te presenteren in de
hoop zo een graantje mee te pikken van dit niet
alledaagse gebeuren. Uniek was dat het koninklijk
bezoek eerst aan vier en later nog aan enkele andere
bedrijven een eervolle en blijvende herinnering
naliet in de vorm van een hofleverancierpredikaat.
Burgemeester Van Nahuijs heeft bij de verlening
daarvan zeker een belangrijke rol gespeeld.
J. Logtenberg ‘veehouder en melkverkooper’
aan de Assendorperstraat; de gebroeders F.G. en
D. Boerboom, die een zaak dreven in galanterieën
aan de Melkmarkt; de boven al genoemde handelaar
in ijzerwaren en landbouwwerktuigen O. de
Leeuw uit de Diezerstraat en de lakfabrikanten
A.C. en H. Klinkert in de Bloemendalstraat, handelende
onder de firma Klinkert & Co, zagen hun
wens om zich hofleverancier te mogen noemen,
bekroond.
Op 23 oktober 1895 werd hen via de hofcom-
Interieur van de boerderij
van de familie
Logtenberg aan de
Assendorperstraat.
Waarschijnlijk is deze
foto genomen in 1887.
Het meeste meubilair is
nog steeds in familiebezit.
Rechts van de
staartklok hangt een
geborduurd ‘trouwdoek’
uit 1861; het jaar
dat Jan Logtenberg en
Gerridina Schutte, de
ouders van Antonie,
trouwden. De foto is
vermoedelijk in de
zomer genomen, want
de kachel is verwijderd.
Op de kachelplaat staat
nu de Statenbijbel met
koperen sloten. Boven
de schoorsteen hangt
een ingelijste plaat met
een bijbelse voorstelling,
uitgegeven door Joh. de
Liefde. Op dezelfde
hoogte links daarvan
hangt een verzamelplaatvan
bekende kerkreformatoren
uit verschillende
landen. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
148 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
missie, de instantie die deze verzoeken behandelde,
een Vergunning verleend tot het voeren van
het Wapen van Hare Majesteit de Koningin-
Weduwe’. Burgemeester van Nahuijs berichtte op
25 oktober de hofcommissie, dat hij de bijbehorende
diploma’s had uitgereikt en de benodigde
verklaringen bijgaand en ondertekend terug
stuurde. Klinkert was kennelijk slechts gedeeltelijk
aan zijn trekken gekomen want de burgemeester
schreef in dezelfde brief: ‘laatstgenoemden [A.C.
en H. Klinkert] is meegedeeld, dat hun verzoek,
‘Aan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden
Mevrouw!
Geeft met den diepsten eerbied te kennen: Jan Logtenberg veehouder en melkverkooper
woonende in de Assendorperstraat te Zwolle;
dat hem de hooge eer te beurt gevallen is, tijdens het verblijf van Hare
Majesteiten de Koningin en de Koningin Regentes in de gemeente Zwolle,
twee malen per dag ter Hoogst derzelver gebruik, melk te mogen leveren aan
den Heer Commissaris der Koningin in de Provincie Overijssel;
dat hij vertrouwt dat op de qualiteit der geleverde melk in geen enkel
opzigt eenige aanmerking is gemaakt, maar zij integendeel in allen deele goed
zal zijn bevonden en dat hij dat vertrouwen grondt, allereerst op de omstandigheid
dat hij er eenen uitmuntenden veestapel op na houdt (zijnde hij
immers ter dier zake reeds tweemalen van wege de Geldersch Overijsselsche
Maatschappij van Landbouw met verguld zilver en zilver bekroond) en in de
tweede plaats op het feit dat hij vooral gedurende het verblijf der vorstinnen in
Zwolle, met buitengewone voorzichtigheid en nauwkeurigheid bij het melken
enz. is te werk gegaan;
dat hij zoo gaarne, mede als herinnering aan de onvergetelijke dagen van
2 tot 5 september 1895, verlof zoude bekomen om den titel van Hofleverancier
te voeren;
Redenen waarom requestrant met diepen eerbied Uwe Majesteit verzoekt;
Dat het Uwe Majesteit moge behagen, requestrant den titel van Hofleverancier
te verleenen.
Zwolle 9 september 1895
’t welk doende enz.
Jan Logtenberg.’
Transcriptie van de brief van Jan Logtenberg aan koningin Emma, gedateerd 9 september
1895. Moeder en dochter logeerden tijdens hun bezoek aan Zwolle in het
Gouverneurshuis, de residentie van de commissaris van de koningin. Logtenberg
refereert daarom in de brief aan zijn leveranties aan de commissaris.
1
om hun zaak Koninklijke Fabriek te noemen,
door Hare Majesteit niet is ingewilligd.’ Ook een
herhaald verzoek sorteerde geen effect.
‘In een der voorsteden’
Uit raadpleging van het Koninklijk Huisarchief
blijkt dat de toekenning van het predikaat hofleverancier
aan Logtenberg nogal wat voeten in de
aarde heeft gehad.
Een brief (zie kader) die Jan Logtenberg op
9 september 1895 aan de koningin-regentes stuurde,
straalt verbondenheid uit met het Koninklijk
Huis. Op een bescheiden manier vroeg hij daarin
om een blijvende herinnering aan de voor hem
onvergetelijke septemberdagen.
Zoals toen gebruikelijk moest de burgemeester
een nader onderzoek instellen en een standaard
formulier invullen over de aspirant hofleverancier.
Welnu, over de omvang van de zaak kon de
burgemeester kort zijn: ‘Groote omzet, behoort
tot de voornaamste melkverkoopers.’ De soliditeit
van de zaak was: ‘Hoogstgunstig’. Dat de zaak, in
dit geval, de boerderij, al vanaf 1829 had bestaan en
dat Logtenberg Nederlands Hervormd was, werkte
zeker in zijn voordeel. Maar op de vraag hoe het
uiterlijk voorkomen der zaak was en ‘of dezelve op
een gunstig gelegen stand in de gemeente gedreven
wordt’, antwoordde burgemeester van
Nahuijs vernietigend: ‘Onaanzienlijk en wordt
gedreven in één der voorsteden.’ Het advies van de
burgemeester luidde dan ook: ‘Wijl adressant tot
de boerenstand behoort en zijn zaak op een min
goeden stand wordt gedreven, wordt in overweging
gegeven het verzoek niet in te willigen.’
De hofcommissie nam het advies van de burgemeester
over en adviseerde de koningin-regentes
negatief. Toen de particulier secretaris van de
koningin het advies bestudeerd had en met Emma
had gesproken, gaf het hem aanleiding een brief
op poten terug te sturen naar de hofcommissie.
De koningin was namelijk wel bereid aan Logtenberg
het wapen te verlenen, ‘en overigens, [zo
deelde de secretaris mee] een Veehouder en Melkverkooper
wel meestal niet in het midden van
eene stad zal wonen, en veelal een boer zijn zal.’
De opstelling van koningin Emma en haar
manier van handelen in deze zaak komt precies
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 149
overeen met wat haar dochter Wilhelmina ruim
vijftig jaar later over haar moeder schreef: ‘Zij
[Emma] dreef de spot met hoogmoed, ijdelheid
en het zich verhovaardigen of op iets laten voorstaan.’
Min of meer gedwongen schreef vervolgens de
hofcommissie opnieuw aan burgemeester van
Nahuijs. In deze brief werd nog eens fijntjes meegedeeld
dat het voor de koningin welhaast vanzelfsprekend
was dat een boer niet in de binnenstad
zou wonen.
Van Nahuijs berichtte op 11 oktober 1895 dan
ook maar terug dat ‘aangezien Hare Majesteit wel
geneigd blijkt te zijn aan Logtenberg het wapen te
verkenen, er thans voor mij geen overwegende
redenen meer bestaan bij het door mij gegeven
afwijzend advies te volharden.’
Wellicht behoort Logtenberg tot de weinige
boeren en plattelanders die hofleverancier werden
en zó hoffelijk en met respect door de Kroon zijn
benaderd.
Melksalon de Kroon
Eén van de eerste acties die de vier Zwolse bedrijven
na de toekenning van het hofleverancierpredikaat
ondernamen was het laten gieten van de
hofleverancierborden bij het gerenommeerde
bedrijf ‘De Pletterij’ te Den Haag. Zo’n bord aan
de gevel hielp sterk mee om de naamsbekendheid
te vergroten en een zaak nog meer uitstraling te
geven.
Voor de melksalon van vader en zoon Logtenberg,
die voortaan ‘Melksalon de Kroon’ heette,
werd ook het servies aangepast en voorzien van de
opdruk: ‘J. Logtenberg Hofleverancier, veehouder
en melkverkooper Zwolle’. Eén kopje uit 1895
prijkt nog steeds in de oude vitrinekast van de
familie.
‘T is Oranje, ’t blijft Oranje
Ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina
op 31 augustus 1898 werden ook in Zwolle voorbereidingen
voor een feest getroffen. De familie Logtenberg
trok, ditmaal in de persoon van Antonie,
opnieuw de aandacht. Weer probeerde hij het
bedrijf te promoten, door op die dag mee te rijden
in de feestelijke optocht. Zijn melkventerswagen
was voor die gelegenheid omgetoverd tot een waar
kunstwerk waarin de Peperbus boven alles uittorende.
De afbeelding van de jonge vorstin prijkte
in het midden en natuurlijk stonden achter op de
wagen prachtige gepoetste koperen melkbussen.
Ook waren er rijtuiglampen bevestigd. De
opbouw van de wagen was geheel onzichtbaar
door een prachtig, rondom de wagen gehangen,
gekleurd doek met daarop het jaartal 1898, het
devies van de Oranjes ‘Je Maintiendrai’ en daarboven
de kapitale letter W van Wilhelmina. Het
zogenaamde Wilhelminalaken werd geleverd
door de firma Hes & Co in de Diezerstraat. Om
extra kracht bij te zetten was de wagen voor deze
gelegenheid bespannen met twee paarden.
De volgende dag berichtte de Zwolse Courant:
‘De keurige wagen van de firma Logtenberg verwierf
de tweede prijs. Niettegenstaande de kleinere
afmetingen had men hier op zeer smaakvolle
wijze alle attributen van het bedrijf weten aan te
brengen, en ’t geheel maakte, wat juist bij een
melkfirma past, een indruk van groote netheid en
helderheid.’
Gevel van de achteringangvan
‘Melksalon de
Kroon’ aan het Gasthuisplein.
Tekening uit
het verbouwingsplan
voor de heren Wulffen
Wachters ten behoeve
van een bioscoop en
theater, 1911. (Collectie
HCO)
te qualltott MEIiK,
OUDE VISCHMARKT /’ZWOLLE.
Tloerilerijeu te lttersimi on Oldeiiucl.
Deze reclamekaart is waarschijnlijk gedrukt in 1895, het jaar dat Logtenberg hofleverancier
werd. Op het origineel staan de spijlen van het hek opengewerkt in de
kaart, veel fraaier dan op een afdruk is aan te geven. Het hofleverancierbord is
duidelijk zichtbaar in de linkerbovenhoek. (Collectie Dijk/Logtenberg)
150 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Versierde melkwagen
van de familie Logtenberg-
ter Molen ter ere
van het kroningsfeest
van koningin Wilhelmina,
31 augustus 1898.
De Peperbus torent
boven de kunstige versieringen
op de wagen
uit. Op de bok van de
wagen zitAntonie Logtenberg,
zijn broer Gerrit
staat voor de paarden
(kijkt in de lens).
(Foto J.J.D. de Graaf.
Collectie Dijk/Logtenberg)
De duizenden bezoekers en feestgangers in de
stad moeten er, net als Antonie zelf, wel van genoten
hebben.
W-.WËÊK.W
Het prachtige en kleurrijke doek waarmee de wagen van Logtenberg tijdens de
optocht op31 augustus 1898 was behangen. (Foto H. van Dijk)
Blijvende herinneringen aan de Kroon
Tot 1911 kon men bij Logtenberg in de Diezerstraat
heerlijk genieten van een kopje melk, chocolademelk
of koffie en wellicht ook van andere zelfbereide
producten, zoals dikke melk. Wat precies de
aanleiding voor de opheffing van de zaak was, valt
niet meer met zekerheid te achterhalen maar een
sterk vermoeden is er wel. Al vanaf 1903 kon men
in de suite achter de melksalori ook genieten van
natuurpanorama’s uit andere landen. Deze attractie,
door Antonie dan ook Wereldpanorama
genoemd, bood voor enkele stuivers de mooiste
reisimpressies uit verre landen. De Zwolse Courant
had het panorama ook bezocht en schreef op 4
februari 1903: ‘Voor menschen met een beperkte
beurs, die niet in de gelegenheid zijn de natuur
daar ginds zelf te gaan bewonderen, is deze inrichting
een uitkomst en men zal zijn geld zeker niet
beklagen.’
Hoewel er nog geen sprake was van film, werd
Diezerstraat 66 al wel bekend als een plek in Zwolle
waar programma’s met bewegende (fotobeelden
te zien waren. Twee exploitanten van bioZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 151
scooptheaters in Groningen, L.H.J. Wachters en
F.Chr.H.E. Wulff, raakten geïnteresseerd in deze
nevenactiviteiten van Logtenberg. Het pand in de
Diezerstraat werd op 7 april 1911, ruim tien jaar
nadat het werd gekocht, weer van de hand gedaan
en voor een stevige prijs op naam van de Groningers
overgeschreven. Ruim achtduizend gulden
winst leverde deze transactie voor Logtenberg op.
De volgende maand reeds diende de Zwolse
architect Douwe de Herder namens zijn
opdrachtgever Wulff een verbouwingstekening in
bij de gemeente voor een ‘bioscope’. Boven de verbouwde
onderpui moest voortaan volgens tekening
in kapitalen prijken: BIOSCOOP –
THEATER – DE KROON.
Bioscoop de Kroon bleef ruim tachtig jaar op
dezelfde locatie in de Diezerstraat gevestigd.
Tegenwoordig bevindt dit filmtheater zich in een
nieuw pand aan de andere kant van het Gasthuisplein,
maar de naam ‘De Kroon’ is er nog steeds
aan verbonden. Jan Logtenberg uit Oldeneel, in 1943 in opdracht van zijn klanten gefotografeerd
op deEekwal. Aan de achterkant van de foto is vermeld: ‘Ondergetekenden (35),
allen afnemers van uw producten, hebben met veel genoegen aan uw op uw 40-
jarig jubileum gegeven huldeblijk bijgedragen’. Jan, beter bekend als ‘Dikke Jan’,
woonde bij het Kleine Veer en was een zoon van Berend Jan, de oudste broer van
Antonie Logtenberg. Net als de versierde wagen van Antonie was ook deze wagen
van het type kaasbrik. Achter op de wagen zijn twee koperen melkbussen zichtbaar.
(Collectie Dijk/Logtenberg)
Het bewaard gebleven wapenbord zoals het aan de gevels van de melksalons aan
de Oude Vismarkt en de Diezerstraat en de boerderij aan de Kleine Veerweg
heeft gehangen. De kleuren zijn door het overschilderen niet meer oorspronkelijk.
Dit model wapenbord van Koningin Emma werd vervaardigd in de periode
1891-1898. Het wapen rechts is dat van Koningin Emma, eronder is in het Latijn
haar devies vermeld: ‘Palma sub ponder e crescit’, de palm groeit tegen de verdrukking
in. Helemaal onderaan staat nog duidelijk leesbaar ‘Pletterij Den
Haag’, de naam van het bedrijf dat het bord goot. (Foto H. van Dijk)
152 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een kopje uit 1895,
gebruikt in de melksalons
van Logtenberg.
(Foto H. van Dijk)
Logtenberg uut de Krone
Natuurlijk werd na het sluiten van de melksalon
en de daarop volgende verbouwing tot bioscoop
het hofleverancierbord verwijderd. Na enige tijd
werd dit, wellicht in strijd met de gedragscode,
bevestigd aan de nog nieuwe boerderij van Gerrit
Logtenberg, de negen jaar jongere broer van
Een advertentie van
‘Melksalon de Kroon’
in de ‘Zwolse Courant’
van 21 juli 1902.
ZWOtlB
„De fan”
Diezerstraat E 33
Aanbeeeletid
Firma J. LOGTENBEBG
HOFLEVERANCIER
Antonie, aan de Kleine Veerweg 5 in Schelle. Daar
hangt het ook al sinds lang niet meer, want in 1940
viel het oog van de Duitsers er op en moest het
weg. De drie bevestigingspunten in de voorgevel
zijn nog wel steeds duidelijk zichtbaar. Gelukkig is
het bord bij alle consternatie in die tijd niet verloren
gegaan. Hoewel het is overgeschilderd en de
originele kleuren niet meer aanwezig zijn, wordt
het nog zeer gave bord zorgvuldig door de familie
bewaard. Ook in Schelle had het bord een functie.
Enkele ouderen uit de buurtschappen Schelle en
Oldeneel herinneren zich nog dat ter onderscheiding
van andere in de omgeving wonende Logtenberg’s,
deze familie werd aangeduid met: ‘Logtenberg
uut de Krone’.
Literatuur
M.R. van der Krogt, Een koninklijk gebaar. Hofleveranciers
in Nederland. Zaltbommel 2000
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 153
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’
Voor ons ligt een bruinige foto (albuminedruk)
van 16,5 x 22,5 cm met de afbeelding
van een menigte die zich verzameld heeft
voor de kazerne van de Koninklijke Marechaussee,
in de bocht van de paardentram. Links hangen
twee jongens zelfs in de lantaarnpaal om alles
goed te kunnen zien. In het midden staat een lijkkoets,
een zogenaamde zijlader, met opgenomen
gordijnen, getrokken door twee paarden met dekkleden.
Wat meer naar links zijn nog twee landauers
(schuitjesmodel) te zien. Voor de lijkwagen
staan soldaten van de landwacht met muziekinstrumenten
en wat meer op de voorgrond een
groepje marechaussees. Het publiek is zomers
gekleed, tussen de vele pettendragers en vrouwen
in Zwolse dracht zien we ook mannen, vrouwen
en kinderen met strohoeden. De stoet staat op het
punt zich in beweging te zetten.
De foto, gemaakt door de Zwolse fotograaf PJ.
Bieseman (1860-1931), werd in 2003 aan het Historisch
Centrum Overijssel geschonken door de
heer Th.J.C. (Dick) van Zuidam te Elburg. Zijn
grootvader, Augustinus Franciscus Verbeke
(geboren 2 mei 1880 te IJzendijke) was in de periode
dat deze gebeurtenis plaatsvond brigadier bij de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle. Hij staat
ongetwijfeld in het groepje brigadiers voor de
kazerne. De kazerne was van 1889 tot 1931 op Beestenmarkt
7 (later Harm Smeengekade) gevestigd.
Vóór 1889 was dit het logement ‘de Zeven Provinciën’,
vanwaar de omnibussen naar het Katerveer
vertrokken om de passagiers naar de boten der
Rijn- en IJsselstoombootmaatschappijen te brengen.
De kazerne verhuisde in 1931 naar de nieuwe
kazerne aan de Meppelerstraatweg 19.
Arnoldus Hoekstra
De gebeurtenis zelf betreft de uitvaart van marechaussee
Arnoldus Hoekstra op 9 augustus 1902.’
Arnoldus Hoekstra (geboren 13 december 1875 te
Wijtgaard) werd op 5 augustus 1902 als marechaussee
te paard van de te Ommen gevestigde
Brigade Koninklijke Marechaussee bij de achtervolging
van een stroper neergeschoten.
Bij de aanleg van de spoorlijn Zwolle-Ommen
in 1902 waren in Ommen veel personen werkzaam.
Onder hen bevond zich een veertigtal
grondwerkers uit Noord-Brabant, die daar
gehuisvest waren in een keet en die zich in hun
vrije tijd bezig hielden met wildstropen. De marechaussee
verrichtte daarom speciaal dienst in het
jachtveld.
In de namiddag van 5 augustus 1902 waren de
marechaussees Hoekstra en De Lange, beiden
ongehuwd en plichtsgetrouwe, dienstijverige
ambtenaren, met toestemming van hun brigadecommandant
vrijwillig het veld ingetrokken om te
proberen een wildstroper te pakken. Omstreeks
acht uur ’s avonds ontdekten ze in de buurt van de
spoorbrug over de Regge in de buurtschap Giethmen
drie stropers waarvan één in het bezit was van
een geweer. De achtervolging werd onmiddellijk
ingezet. Hoekstra was de stroper met het geweer
tot op zeer korte afstand genaderd toen deze zich
omdraaide, het geweer op Hoekstra richtte en een
schot loste. Hoekstra werd dodelijk in de borst
getroffen. Hij had nog net kans gezien om zijn
revolver te grijpen en een schot te lossen, maar
zonder de stroper te raken. De getroffene werd
naar Ommen vervoerd, waar de plaatselijke arts
dr. Warnsinck direct ter plaatse was. Hij kon echter
geen hulp meer verlenen. Hart, long, lever en
maag waren doorboord, zodat de dood spoedig
intrad. Bij de lijkschouwing in het Sophia Ziekenhuis
door de artsen Frank en Vitringa bleek dat
Hoekstra door 63 hagelkorrels was getroffen,
waarvan enkele tot aan zijn ruggegraat waren
doorgedrongen. Daar marechaussee De Lange de
Jeanine Otten
154 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijkwagen met het stoffelijk
overschot van
marechaussee A. Hoekstra
voor de kazerne van
de Koninklijke Marechaussee
te Zwolle op
Beestenmarkt 7 (nu
Harm Smeengekade),
p augustus 1902. (Foto
P.J. Bieseman, collectie
HCO)
dader had gezien, leverde de arrestatie weinig
moeilijkheden op. Dezelfde avond werden in de
eerder genoemde keet vijf polderwerkers gearresteerd.
De dader was een zekere Jacobus van Groese,
24 jaar oud, uit het Brabantse Wagenberg. Hij
ontkende dat hij op Hoekstra had geschoten. Het
geweer was volgens hem per ongeluk afgegaan
toen de marechaussee hem naderde. Van Groese
werd te Zwolle veroordeeld tot een gevangenisstraf
van zes jaar, wegens het opzettelijk aan een
ander toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de
dood ten gevolge hebbend.2
De begrafenis
Het lichaam van Arnoldus Hoekstra werd op
zaterdag 9 augustus 1902 op plechtige wijze ter
aarde besteld op het rooms-katholieke kerkhof te
Zwolle. Een grote menigte had zich voor de kazerne
aan de Beestenmarkt verzameld om de laatste
eer te bewijzen. Om half twaalf zette de stoet zich
in beweging, voorafgegaan door de muziek van
het instructie-bataljon te Kampen. Uit de hele
divisie waren afgevaardigden gezonden. Op de
baar lagen zes kransen, van de officier van Justitie
te Zwolle, van de burgemeester en van de bevolZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 155
king van Ommen, van de officieren en van de
marechaussee der derde divisie en ten slotte van
zijn kleine vriend Alex Warnsinck. De degen en de
sjako rustten op de kist. De slippen van het lijkkleed
werden gedragen door vier marechaussees,
de naaste kameraden van de overledene, waaronder
De Lange. Enige rijtuigen met familieleden
volgden het stoffelijk overschot.
Met dof tromgeroffel en treurmuziek trok de
stoet langzaam door de Zwolse straten, een dichte
mensenhaag aan weerszijden. Aan het graf werd
Hoekstra door zijn chef de divisie-commandant
majoor W.M. Wijnaendts geprezen als een braaf
en rondborstig mens, door iedereen geacht, maar
ook als een kranige politiedienaar. Daarna sprak
de commandant van het district Zwolle, eerste luitenant
P. van Oort, en tot slot de burgemeester
van Ommen, jhr. J.L. van Nahuijs. Hiermee was
de plechtigheid, die tevens werd bijgewoond door
de president van de arrondissementsrechtbank te
Zwolle, mr. W.F.E. baron van Aerssen, rechter mr.
P.C.A. Sichterman en de officier van justitie mr.
J.P. van Outeren, afgelopen en verlieten de familieleden
en aanwezigen bewogen het kerkhof.
‘Vooral de verloofde van Hoekstra kon men het
aanzien hoeveel zij verloren had aan hem, die haar
het liefst op aarde was’, besloot de Zwolse Courant
haar verslag van 11 augustus 1902.
Noten
1 Een andere foto, enkele ogenblikken later genomen,
werd met het bijbehorende verhaal afgedrukt in De
Prins op 22 augustus 1902.
2 Zwolse Courant, 7 en 8 augustus, 1902; De Prins,
22 augustus 1902, Guldenboek Marechaussee, 1971,
p.22.
156 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en
Jennie Pruim Langzaam ploegend door de notulen van de
hervormde kerk van Zwolle valt het op hoeveel
beroering er in de kerkenraad kan ontstaan
als er iets mis gaat met trouwbeloften.
Als je omstreeks 1650 iemand trouwbeloften
deed in tegenwoordigheid van twee getuigen,
ouders, vrienden of twee eerlijke mensen en je wilde
later die beloften intrekken, dan moest je daar
heel goede redenen voor aanvoeren. De kerkenraad
of de schepenen moesten daar dan hun goedkeuring
aan geven. Heimelijke trouwbeloften
moesten, als er iets mis ging, bewezen en aannemelijk
gemaakt worden door schriftelijke bewijzen,
brieven of documenten, of door het afleggen
van een eed. In tegenstelling tot wat in de tijd
daarvoor gebruikelijk was (de katholieke tijd) kon
je geen recht ontlenen aan de simpele verklaring
dat je elkaar ‘heimelijke trouwbeloften’ had
gedaan.
Ouders konden, zonder opgave van redenen,
het huwelijk van minderjarige kinderen tegenhouden.
Waren de kinderen meerderjarig en de
ouders waren het niet eens met de gegeven trouwbeloften,
dan beslisten de kerkenraden of de schepenen.
Ondertrouwde en verloofde personen die
zich bij de kerkenraad hadden laten aantekenen
werden drie zondagen in de kerk geproclameerd
of afgekondigd. Je werd geacht binnen vier weken
na de laatste afkondiging te trouwen in de hervormde
kerk. Het kerkelijk huwelijk gold ook als
burgerlijk huwelijk. Wilde je thuis trouwen of in
een andere gemeente, dan moest daar weer goedkeuring
voor gevraagd worden en het kostte extra
geld. Als de bruiloft te lang werd uitgesteld, vielen
er boetes.
Om gewichtige redenen
In de notulenboeken van de Zwolse hervormde
kerk zijn het zowel de vaders als de moeders die
met hun zorgen over hun kinderen naar de kerkenraad
gaan. Zo komt op 28 maart 1665 de vrouw
van Hendrick Camphuys de heren vertellen dat
haar zoon zich wel met Engele Berents heeft verloofd,
maar toch niet denkt haar te trouwen, ‘om
gewichtige redenen’, zegt zij. Zij en haar man
mogen het meisje niet, dus, heren, als Engele soms
mocht komen om zich te laten inschrijven voor de
huwelijksvoltrekking, wilt u haar dan zeggen dat u
dat niet doet?
Goed, mevrouw, zeggen de heren, maar als het
meisje uit zichzelf naar de magistraat gaat vanwege
verbroken trouwbeloften dan kunnen wij daar
weinig tegen doen.
De term ‘om gewichtige redenen’ wordt in dit
verband vaak gebruikt. De moeder heeft in dit
geval de kerkenraad kennelijk kunnen overtuigen
dat het meisje een slechte naam heeft, of haar
ouders. Om redenen van privacy, veronderstellen
wij, wordt dat niet met alle details in de notulen
opgenomen.
Het ja-woord en de getuigen
Op 10 april 1662 komt Jan Berentsen Roubol met
zijn zoon Berent Jansen Roubol naar de kerkenraadsvergadering
om te vertellen dat ze op
21 februari in het huis van Lucas Hermsen waren
en dat toen de vrouw van Lucas had toegestemd in
een huwelijk tussen Berent en haar dochter
Gesien: ‘dat sij oock daerop de hant aen de jongman
hadde gelanght ende dat de dochter oock
geseijt hadde dat sij wel daermede tevreden was,
als de moeder tevreden was ende dat sij selff oock
hem als haeren bruydegom de hant hadde gegeven.’
Daarna moet iemand op die belofte zijn teruggekomen
maar Berent, met de steun van zijn
vader, wil het er niet bij laten zitten en roept getuigen
op.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 157
Minnend paartje.
Tekening door Gesina
Terborch, 1653. (Uit:
Drawings from the Ter
Borch Studio Estate 2)
Eerst komen Gesien en haar moeder op het
matje. Het meisje zegt dat de jongen haar wel
trouw had aangeboden, maar dat zij die nog niet
aangenomen had. Maar dat zij de volgende zondag
in aanwezigheid van haar vrienden dat had
willen doen.
Berent wordt om commentaar gevraagd. Hij
geeft toe dat Gesien gelijk heeft maar dat Gesien
en haar vrienden, op aandringen van haar moeder,
samen op het welvaren van bruid en bruidegom
gedronken hebben en dat Gesien de vader
van Berent vader had genoemd. En dat ze, toen ze
een paar dagen tevoren met Berent aan het wandelen
was, hem beloofd had dat ze hem nooit zou
verlaten. Gesien wordt weer binnen geroepen,
maar die houdt vele slagen om de arm. Dan wordt
het tijd voor de eerste getuige: Annechien Peters,
dienstmaagd van Roubol. Ze is er niet bij geweest
toen de trouwbeloften gedaan werden, maar ze
zegt dat ‘Berent Jansen Roubol ende sijn vader alsoock
de moeder van Gesien Jans haer geseyt hadden,
dat het houlijck soo verre was dat het moste
voortgaen, dat sij selff mede op ’t welvaren van
’t houlijck hadde gedroncken. Hadde oock
gehoort dat de jonge luyden de ouders onder
maelkanderen vader ende moeder noemden.’
Dan wordt Annechien Claessen, dienstmaagd
van Lucas Hermsen, gevraagd wat zij van de zaak
weet en zij zegt dat zij haar mevrouw tegen Roubol
heeft horen zeggen dat zij toestemt-in het huwelijk
als de vrienden van haar dochter er ook mee
instemmen (vrienden waren familieleden, ook de
ouders).
Hoe dit geval afgelopen is? Kennelijk is de
weerspannige bruid op haar stuk blijven staan, of
hebben de vrienden haar het huwelijk afgeraden,
want in dat zelfde jaar (1662) gaat Berent Jansen
Roubol in ondertrouw met Catharina Trebes. In
1665 laat hij een zoon Joannes dopen en in 1666
een dochter Catharina.
158 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Interieurfoto van de
Grote Kerk, met zicht
op de preekstoel en het
koorhek, die allebei in
de beschreven periode al
aanwezig waren. De
kerken raadsvergaderin –
gen vonden plaats in de
oude consistoriekamer
van de Grote Kerk.
(Collectie HCO)
Lieve(r) Annichjen
Een zekere Berent Berents komt er onverwacht
gemakkelijk vanaf als Lysbet Roeberts in februari
1664 bij de kerkenraad komt klagen dat Berent
haar trouwbeloften heeft gedaan en haar ook
beslapen heeft, maar haar daarna heeft laten zitten
en nu met Annichjen Jans gaat. Als Berent
gevraagd wordt waarom hij zich zo misdragen
heeft, zegt hij koeltjes dat dat allemaal wel waar is,
maar dat hij: ‘weersin krijgende in Lysbeth,
wederom was gegaan naar Annichjen.’ Daar
wordt deze keer door de kerkenraad niet zwaar
aan getild en het wordt aan Lysbeth overgelaten of
ze er een rechtszaak van wil maken.
Ringetjes en ducatons
Willem Gerrits, een jonge man uit Heino, komt
op 2 oktober 1666 naar de kerkenraadsvergadering
om mee te delen dat het meisje waarmee hij denkt
sinds een halfjaar verloofd te zijn, nu haar huwelijk
met een ander aankondigt. En hij had haar bij
de verloving nog wel een ducaton gegeven ter
bezegeling van zijn trouw. (Hoeveel die ducaton
waard was is niet na te gaan. Je had zilveren ducatons
ter waarde van drie gulden en gouden
ducatons die zes gulden waard waren).
De kerkenraad roept het meisje, Hermtien
Derks, op om verantwoording af te leggen en ze
komt samen met haar moeder. Ze ontkent dat ze
de jongeman trouw beloofd had, ze had alleen
maar stil gezwegen. En wat die ducaton betreft, ze
had geen idee gehad wat dat was en ze had hem
ook terug willen geven aan Willem, maar die had
hem niet willen aannemen.
En de moeder verklaart dat zij, toen haar
dochter haar de ducaton had laten zien, het meisje
opdracht had gegeven hem terug te sturen. Met
een briefje erbij dat haar moeder het huwelijk
nooit goed zou keuren en dat zijzelf ook niet met
hem wilde trouwen.
De kerkenraad heeft daarna Willem Gerrits
‘eernstlik en met vele reden vermaant Hermtien
niet te begeeren tot een huysvrou.’ En als hij voet
bij stuk wilde houden, dan moest hij zich maar
wenden tot de magistraat, maar ze raadden hem
dat ten sterkste af, want Hermtien is minderjarig.
De jongeman verzet zich met hand en tand en
roept dat hij wel eens eventjes naar de magistraat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 159
zal gaan. Maar al op 9 oktober blijkt dat Willem
‘door een brieften van sijn eygen hant Hermtien
heeft vrij gekent.’ Hij had zich plotseling herinnerd
dat hij zijn ducaton indertijd toch terug
gekregen had en daarmee was de zaak afgedaan.
De weduwe
Ook de zorgen van de weduwe van Arent Lentink
zijn groot als ze heeft ontdekt dat haar dochter,
‘litmaet van onse kerk, sig met de soon van Peter
van Berkum, een paaps jongman, soo ver te buyten
gegaen heeft dat sij malkander troubeloften
gedaen ende een ringetien [ringetje] wedersijts op
trouw gegeven hebben’ en ze wendt zich op
25 februari 1668 tot de kerkenraad om haar ‘de
hant te willen bieden om dat huwelijk te stuyten’.
De kerkenraad is het met de moeder eens: de kans
dat het meisje ‘in de blintheijt des pausdoms’ zal
vallen en dat ‘de kinderen die uyt sodanigen
huwelik geprocreeert mogten werden, tot de
paapsche afgoderie souden afgetrocken werden’ is
groot. Daarom worden dominee Crans en ambtman
Boelen namens de kerkenraad er op af
gestuurd om de zoon van Peter van Berkum te
intimideren, zodat hij het meisje het ringetje zal
teruggeven.
Het meisje wordt ook onder druk gezet. Ze
haalt onmiddellijk bakzeil en verklaart dat ze
nooit toestemming had willen geven als haar moeder
het niet goed zou vinden, maar de jongen
houdt voet bij stuk! Wat de hele boze wereld ook
doet, hij geeft het ringetje niet terug. Het feit dat
de jongelui elkaar een echt ringetje hebben gegeven,
ligt iedereen zwaar op de maag en kan niet
zomaar over het hoofd worden gezien. De wederzijdse
ouders werken er naar toe, dat de geliefden
elkaar officieel en ‘vrijwillig’ de ringetjes weer
terug zullen geven.
Op de volgende kerkenraadsvergadering komt
de jonge ridder niet zelf, maar wordt vertegenwoordigd
door zijn moeder. Die verklaart dat zij
zelf ook niet gelukkig is met dit voorgenomen
huwelijk, maar dat haar zoon het ringetje absoluut
niet wil teruggeven.
Dan grijpt de kerkenraad met harde hand in
en laat de jongen en het meisje arresteren en voor
de magistraat (=stadsbestuur) brengen. Daar zakt
f
de dappere ridder de moed in de schoenen en hij
geeft het ringetje aan het meisje terug; zij accepteert
het en hij accepteert het hare.
Hoe hard kan het leven toch zijn voor jonge
geliefden. Maar: de orde is hersteld, het jonge paar
wordt weer op vrije voeten gesteld en iedereen
gaat opgelucht naar huis. Over het liefdesverdriet

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 1

Door | 2002, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1< I JKEXEMPLAAR Historisch m •in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boven: De Thorbeckegracht
vlak voor de
afbraak van de Marsmanpanden,
ca. 1970.
Onder: De huidige situatie
op dezelfde plaats.
Foto’s: Dick Hogenkamp
Toen het nieuwe winkelcentrum bij de
Broerenkerk voltooid was, werden er plannen
ontwikkeld om ook de panden aan het
water op de kop van de Thorbeckegracht bij de
Diezerpoortenbrug onder handen te nemen. Deze
panden stonden bekend als de zogenaamde Marsmanpanden.
Na de Tweede Wereldoorlog waren
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
deze, van oorsprong i8de-eeuwse pakhuizen sterk
verwaarloosd. Vanaf de Diezerpoortenbrug boden
ze een trieste aanblik.
In een van deze panden zat jarenlang Ten Doesschate
Kruiden met een eigen malerij. De heerlijke
kruidengeur verspreidde zich over het water van
de Thorbeckegracht tot ver in de omtrek. Kenners
konden ogenblikkelijk vertellen of er nootmuskaat
of peper gemalen werd.
De panden waren in de jaren zeventig in een
zodanige staat geraakt dat restauratie of renovatie
niet of nauwelijks meer mogelijk was. Voordat
besloten werd tot de bouw van appartementen die
er nu staan, ging er heel wat water door de gracht.
Het aanvankelijk gepresenteerde ontwerp harmonieerde
totaal niet met de structuur van de
bebouwde omgeving. Dankzij hevige protesten
van de Vrienden van de Stadskern en persoonlijk
‘ingrijpen’ van burgemeester Drijber, die van
mening was dat het bouwplan qua schaal en
karakter te zeer afweek van het bestemmingsplan,
werd uiteindelijk gekozen voor een architectuur
die zich in hoofdvorm voegde naar de aanwezige
bebouwing, zoals nu blijkt uit de verspringingen
in gevels en daken van het appartementencomplex,
de sterk verticale structuur, de kleur van de
baksteen en van de dakpannen. Het is vooral de
inbreng van Han Prins geweest, die met zijn schetsen
toekomstige veranderingen op deze plek
zichtbaar maakte en definitief afrekende met het
oorspronkelijk ontworpen glazen gedrocht.
Toen de appartementen in de verkoop gingen
bleek er zo’n grote belangstelling voor te bestaan
dat ze als warme broodjes over de toonbank van
de makelaar vlogen. De plek was en is zeer gewild
en het uitzicht is uniek. In december 1983 kwamen
de 31 appartementen voor bewoning gereed. Het is
jammer dat spuitgasten de kademuur alweer met
graffiti hebben bewerkt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Met dit nummer begint de Zwolse Historische
Vereniging aan haar tweede decennium.
De redactie hoopt dat de vereniging
zich in de komende jaren door haar activiteiten
en natuurlijk ook door publicaties in dit
tijdschrift, in een nog grotere belangstelling zal
mogen verheugen.
Het vierkleurenomslag van het jubileumnummer
was helaas een eenmalige zaak. Nu prijkt, weer
in wit-zwart, het interieur van de Grote Kerk op
het omslag. Op het orgel van deze kerk zal meermaals
de muziek van Johann Carl Röhner te horen
zijn geweest, zoals blijkt uit het artikel van Frits
David Zeiler. Deze musicus zou twintig jaar lang
zijn stempel drukken op het muziekleven in Zwolle.
Hij componeerde, dirigeerde uitvoeringen en
werkte samen met Rhijnvis Feith door diens
gedichten op muziek te zetten. Tijdens het onderzoek
kwam een dichtbundel van Röhner te voorschijn,
die tot nu toe een stil bestaan in het Provinciaal
Overijssels Museum geleid had.
In de tijd dat Röhner zijn muziek ten gehore
bracht in de Grote Kerk, hing het door Bob Erdtsieck
beschreven rouwbord van Johannes van de
Linde daar al enige jaren.
Zo’n 100 jaar na Röhner deed een heel ander
fenomeen zijn intree in de stad: de hockeysport.
Willem van der Veen beschrijft het wel en wee van
de Zwolsche Mixed Hockeyclub, die zich van een
aanvankelijk zeer elitaire club waar hockey onder
wat primitieve omstandigheden werd beoefend,
ontwikkelde tot een goed geoutilleerde vereniging-
Wat de overige artikelen betreft, de redactie
heeft geprobeerd de inhoud gevarieerd samen te
stellen in de hoop dat er ‘voor elk wat wils’ is te
lezen. Veel leesplezier.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle Willem van der Veen
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek Wil Cornelissen
Johann Carl Röhner (1774-1837) Frits David Zeiler
Zwolse fraters / 3 AafjeLem
De tamme spreeuw, Pieter van Noort (1621-1672) Lydie van Dijk
Een rouwbord in de Grote kerk Bob Erdtsieck
Literatuur
Agenda
Auteurs
10
13
26
28
30
33
34
35
Omslag: Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B.,
eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle.
Foto: Provinciaal Overijssels museum.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle
‘Een club der vrijage van de goede standen
Willem van der Veen
Een beeld uit de prilste
begintijd van de Zwolsche
Mixed Hockey
Club. In 1904 was de
(men mag wei aannemen:
vrijwel gehele)
club bijeen op het toenmalige
terrein in Frankhuis
bij de houthandel
Eindhoven. Links op de
achtergrond het huis
van de familie Van
Hall.
Zakelijk opportunisme was in 1902 een
belangrijke factor bij de oprichting van de
Zwolsche Mixed Hockeyclub. Dit is een
des te merkwaardiger geluid als men bedenkt dat
de hockeysport bijna een eeuw synoniem is
geweest met ver doorgevoerde amateurprincipes,
waarbij financiële belangen streng buiten de deur
werden gehouden.
Historische naspeuringen leiden naar één
bepaalde figuur: H.J.van Straten, die aan de Melkmarkt
een zaak in rijwielen en sportartikelen dreef
en die ook bestuurslid was van de thans 100-jarige
Zwolse sportvereniging ZAC. Het verdroot Van
Straten dat omstreeks de eeuwwisseling bij ZAC
alleen maar aan voetbal en wielerpolo werd
gedaan. Hij zag winst in een handeltje van hockeysticks,
dure kromme knuppels die uit Engeland
moesten worden geïmporteerd en waarmee
een voor die tijd gloednieuwe sport kon worden
beoefend.
Wat het spelletje precies inhield wist alleen Jasper
Warner, de legendarisch geworden Zwollenaar
die als één van de Nederlandse sportpioniers
kan worden beschouwd. Rond de eeuwwisseling
was hij voorzitter van ZAC en ook (van 1897 tot
1919) voorzitter van de Nederlandse Voetbalbond
die later het predikaat Koninklijk zou verwerven.
Jasper Warner had hockey in Engeland zien
spelen en toonde zich bereid het in Zwolle eens
met wat ZAC-leden te proberen. Van Straten
voelde er natuurlijk alles voor. Hij importeerde
een partijtje sticks (met onmetelijk lange haken,
twee platte kanten en een rubber ring in het midden
om de handen te beschermen) en vond al
spoedig een twintigtal afnemers die schuchter
tegen de ‘sinaasappel’ (de hockeybal was toen
oranje gekleurd) gingen slaan.
Dit opmerkelijk commerciële detail rond de
oprichting van de ZMHC, die daarmee de hockeysport
als eerste in Oost- en Noord-Nederland
introduceerde, kreeg ik in 1962 – bij het zestigjarig
bestaan van de club – van twee kanten te horen.
Het werd mij verteld in gesprekken met twee destijds
reeds hoogbejaarde oud-Zwollenaren, dr. L.
Bierens de Haan en N.J. Beversen die beiden vóór
1910 in Zwolle met de stick hebben gezwaaid.
Twee vrouwen
De hockeybal rolde voor het eerst op een klein
weilandje achter het huis van de familie Ten Doesschate
die toen in het Klein Weezenland woonde.
Wie kon men daar op zondagochtenden meestal
aantreffen? Natuurlijk Jasper Warner en verder
figuren als Jan Hoven (één van de pioniers van de
landelijke sportjournalistiek), S. ten Doesschate
en H. Deking Dura.
Vaak kwamen er ook twee jonge vrouwen, te
weten Nettie Bierens de Haan (oudere zuster van
een onzer zegslieden) en Mena de Vries. Zij kunnen
beschouwd worden als de eigenlijke oprichtZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
sters van de Zwolsche Mixed Hockeyclub. Deze
geëmancipeerde dames vonden het op dat stoppelveldje
bij Ten Doesschate allemaal heel knus en
gezellig – met veel thee en zo -, maar zij voelden
met enkele anderen de behoefte aan een échte club
met een meer geregelde, minder provisorische
beoefening van de hockeysport.
Heren konden – niet dan na strenge ballotage – lid
worden als ze de leeftijd van twintig jaar hadden
bereikt. Voor de dames gold een iets minder strak
omlijnde limiet. Voor haar gold de leeftijd waarop
ze bij de verschillende Zwolse families werden
‘gepresenteerd’ en dan mochten deelnemen aan
de bals en diners, teneinde voor een huwelijk-van-
Samen met o.a. luitenant Van Woelderen (de
latere burgemeester van Vlissingen) en J.D. van
Hall vonden de dames een redelijk geschikt terrein,
een weiland in Frankhuis vlakbij de houthandel
Eindhoven.
Denk niet dat sportfanatisme, atletisch vermogen
en hoog tempo daar toen gewaardeerd werden.
Hockey werd uitsluitend in gemengde vorm
beoefend, dus vrouwen en mannen (zeg in die tijd
liever dames en heren) knus door elkaar heen. Het
ging er rustig en gezapig aan toe. Als de aanvalslinie
zich eens een tijdje uitzonderlijke actief
betoonde, kon het gebeuren dat de backs doodgemoedereerd
een pijpje opstaken.
Witte wiev’n
De heren droegen lange kniebroeken en hoog aan
de hals gesloten truien. De pet op het hoofd ontbrak
vrijwel nooit. De dames waren gestoken in
lange witte gebreide truien en rokken van ribfluweel
die tot op de enkels hingen. Baronesse De
Vos van Steenwijk die in de beginjaren ook meespeelde,
vertelde me in 1962 in haar woning in De
Wijk dat voorbijgangers de handen van verbazing
ineen sloegen wanneer ze dames met zulk een
krankzinnig gedoe bezig zagen. Een boer noemde
ze ‘wiev’n met witte jakk’n’.
stand te worden klaar gestoomd. In de regel was
die leeftijd omstreeks achttien jaar.
Het is wel duidelijk dat hockey in die jaren uitsluitend
weggelegd was voor de gegoede standen,
wat heet!: de allerbeste Zwolse families. Bekijk de
volgende namen die uit enkele oude ledenlijsten
konden worden opgediept: jhr. C. Greven, S. van
Roijen, baronesse De Vos van Steenwijk-van Roijen,
A. baronesse Van Ittersum-van Reede, Jacques
van Reede, mevrouw Braakman-Quarles de Quarles,
ridder J. Bosch Van Rosenthal, J. Schaepman,
J. Doyer en H. van Velzen Coster, allen telgen van
de meest vooraanstaande Zwolse families.
De Pelikaan
Een historisch jaar in het bestaan van de ZMHC is
1906, toen de hockeyers van Frankhuis verhuisden
naar een veld bij De Pelikaan aan de Meppelerstraatweg,
de roemruchte uitspanning van de
familie Dijk. Precies zestig jaar later, in 1966, viel
dit pittoreske café ten offer aan het moderne verkeer.
De plek waar het stond, werd bedolven
onder de vele meters dikke zandlagen van de A 28.
Maar het sportterrein dat zijn naam aan deze uitspanning
ontleende, bleef tot de dag van vandaag
het domein van de Zwolsche Mixed Hockeyclub.
In datzelfde jaar 1906 legden de Zwolse hockey-
Eenfoto uit 1908 van
een (mixed) oefenpartijtje
op de Pelikaan.
Het ‘zwakkegeslacht’
zag er toen geen been in
om de bal in de lange
rokken op te vangen. Op
de achtergrond de toegangsweg
naar de Kranenburg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ers de eerste contacten met andere verenigingen.
Er werden, zoals dat toen heette, ‘matches aangegaan’
met elftallen uit o.a. Zutphen, Velp, en Den
Haag. Het eerste wapenfeit van betekenis was in
1909 het veroveren van de Nijmeegse Samovar, die
in dat jaar voor de eerste maal werd verspeeld.
De gezelligheid stond niettemin voorop. Na
In 1908, toen de ZMHC
zojuist naar de Pelikaan
was verhuisd, poseerde
het herenelftal in het
doel, dat groter van
formaat was dan tegenwoordig.
Van links naar rechts:
staand: S. van Royen,
Louis Bosch van Rosenthal,
E.]. C. Greven,
Jacques van Reede,
Albert Mouw, C.
Hermsen, J.E. baron De
Vos van Steenwijk, Ru
de Goeyen; zittend: Jo
Bosch van Rosenthal,
Jan Schaepman, Boy
Royer, Piet Lechner.
afloop versloegen de heren samen met hun tegenstanders
de dorst in de Grote Sociëteit in de Koestraat.
De dames werden daar niet toegelaten,
maar zij verzonnen een ander uitje. Ze gingen zich
bij banketbakker Baggelaar op de Melkmarkt te
buiten aan taartjes die ze zelf op de rekken in de
winkel konden uitzoeken en daarna in de opkamer
van Baggelaar mochten opeten.
Wanneer het mooi weer was, wandelde de hele
hockeyfamilie na de strijd op de Pelikaan naar de
uitspanning op de Agnietenberg, waar ‘dikke
melk’ werd gegeten en de jongelui een thans vergeten
spel beoefenden dat ze ‘wandspringen’
noemden. Volgens één van mijn zegslieden, de
heer A.D. Wentholt, hielden de hockeyers tedere
herinneringen over aan die tijd. Niet voor niets
betitelden ondeugende Zwolse tongen de ZMHC
in die dagen als ‘een club der vrijage van de goede
standen’.
Met de Jan Plezier
Tot 1915 werden uitsluitend wedstrijden in
gemengd verband gespeeld, maar in dat jaar nam
voor het eerst een herenelftal aan de oostelijke
competitie deel. Hete duels werden uitgevochten
met Deventer, Zutphen, Arnhem en Nijmegen,
maar over resultaten staat in zeer schaars overgebleven
clubannalen bijna niets te lezen. Die werden
in die jaren blijkbaar niet belangrijk geacht…
De Zwolse club werd in hockeykringen beroemder
door de ceremonie die na 1915 aan de wedstrijden
op De Pelikaan voorafging. Wanneer de gasten
– meestal per trein – in de stad waren gearriveerd,
togen zij naar het voormalige hotel De Keizerskroon
in de Kamperstraat, waar ze zich in
sporttenu staken. Daarna ging het in een Jan Plezier
in optocht naar het veld aan de andere kant
van de stad. De Zwolse hockeyers reden er op de
fiets achteraan, waarbij de sportschoenen aan het
stuur bungelden.
In een hoekje van het terrein stond een soort
prieeltje, afgeschut door drie doeken, waar in de
rust gezellig thee gedronken werd. Na afloop
besprak men in de gelagkamer van De Pelikaan
het verloop van de hockeystrijd onder het genot
van ettelijke glaasjes boerenjongens die door de
waardin, Moeke Dijk genaamd, zelf was gebrouwen.
Deze ceremonie bleef tientallen jaren bestaan
(overigens met een wisselend drankenpatroon),
tot in het begin van de jaren vijftig. Schrijver
dezes, die vlak na de Tweede Wereldoorlog ging
hockeyen, heeft nog een teug geproefd van deze
onvergelijkelijke sfeer – een mengeling van studentikoos
standbewustzijn, bravour en boerengemoedelijkheid.
Moeke Dijk
Als middelpunt van rust fungeerde daarin Dina
‘Moeke’ Dijk die met haar omvangrijke gestalte,
gehuld in een zwarte boerenjapon, een tegenwicht
vormde tegen de exclusieve toon die vroeger in
hockeykringen gebruikelijk was. Temidden van de
dubbele tot viervoudige namen, al of niet verlucht
met adellijke titels, voelde Moeke Dijk zich even
goed thuis als in later jaren, toen hockeyende Jansens
en Pietersens geen uitzondering meer waren.
Ze schonk rustig haar kopje koffie, bereid met
degelijke melk – zó van de koe -, tapte haar glaasZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
jes of verkocht een ‘reepien sukela’ uit het antieke
glazen kastje dat niet van de tapkast weg te denken
was.
Nieuwsgierig was ze wel, hetgeen ze in de praktijk
bracht door haar klanten op een handige, terloopse
manier uit te horen. Vaak stelde ze haar
huiskamer achter het café ter beschikking van de
hockeyers als er op de zondagmiddagen teveel
‘gewoon’ publiek in de gelagkamer zat. Op die
dagen werd er meestal bediend door de bejaarde
kelner Beekman die, als de feeststemming tot een
hoogtepunt was gestegen, weieens bereid bleek op
een stoel te klimmen om lichtelijk scabreuze liederen
uit de oude doos te zingen.
In de jaren vijftig kwam er een einde aan het
knusse, oubollige samenzijn bij Dijk. Op den duur
voelden de ZMHC-ers zich niet meer thuis in de
gelagkamer, waar de sfeer langzaam veranderde.
Een nieuw, agressiever cafépubliek mengde zich
op de zondagmiddagen tussen de Zwolse hockeyers
en hun gasten. Dat botste. Aangeschoten lieden
bemoeiden zich met de hockeyers, waardoor
vaak een onbehaaglijke stemming ontstond.
Enkele ZMHC-ers die meer te verteren hadden
dan de gemiddelde schooljongen, hadden er
genoeg van. Zij ontdekten ’t Pothuys, een van de
eerste bars van Zwolle. En tegelijk een van de sjieke
soort, gevestigd als hij was in het souterrain van
Grand Hotel Wientjes, het duurste etablissement
van de stad.
Deze horeca-gelegenheid-van-de-modernesoort
met zijn populaire barkeeper Ynze Conradi
– een échte heer die prima in hockeykringen paste
– bleef meer dan twintig jaar de vaste uitwijkplaats
na de wedstrijden. Totdat in de jaren zeventig het
eigen ZMHC-clubhuis, dat inmiddels op de Pelikaan
was gebouwd, een zodanige accomodatie
kreeg dat de ontvangst van gasten – heilig in de
hockeywereld – in eigen beheer genomen kon
worden.
Primitief
Terug naar de jaren twintig. Toen konden de
ZMHC-ers in hun stoutste dromen niet aan een
eigen clubhuis denken. Het was maar een primitief
gedoe op de Pelikaan, ondanks het feit dat het
herenelftal in de hoogste afdeling speelde. Kleedruimte
ontbrak nagenoeg en vele maanden van
het jaar graasden de schapen van Dijk op het veld.
Onder de leden moeten overigens voldoende
financiële middelen hebben gezeten, maar de club
merkte daar niet veel van. Kijk eens naar de
namen van een elftal dat omstreeks 1920 op de
oostelijke velden opereerde en waarvan de opstelling
bewaard is gebleven. Het bestond uit: J. Schaepman,
F.A.C. Gregory, jhr. J.F. Berg, jhr. H. Hora
Siccama, W. Loos, mr. J.W. Willinge Gratama,
ridder J. Bosch van Rosenthal, jhr. J.G. van Spengler,
W.C. Graaf van Rechteren Limpurg, S.M.S.
Reitsma en J.C. van Reede, de ‘grote kleine Sjakie’,
zoals deze gefortuneerde Zwollenaar werd
genoemd.
Ook de damesafdeling uit die tijd mag niet vergeten
worden. Enkele vooraanstaande speelsters
waren de dames Kloos-Thiebout, baronesse J.J.M,
van Boetzelaer-Royaards, Jentink-van Holthe en
A.E. Eeftinck Schattenkerk-Tjeenk Willink.
Nieuwe generatie
In de jaren twintig begon de glorie van de oude
‘Mixed’, die jarenlang een steunpilaar van het oostelijk
hockey was gweest, te tanen. Vele goede spelers
verlieten de middelbare school, gingen elders
studeren of werden opgeslokt door de handelswereld.
Daarbij liet de aanvoer van jong bloed zeer te
wensen over, zozeer zelfs dat in 1924 het trieste
besluit moest worden genomen het clubleven
Een ZMHC-feest rond
1934 in de gelagkamer
van De Pelikaan. Rechts
(op een stoel) ‘Moeke’
Dijk en de legandarische
kelner-zanger
Beekman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
geheel stil te leggen. Een kleine vijfjaar bestond de
club alleen in naam. Maar als men aan het einde
van de jaren twintig eens bij het weilandje van de
Boschbleek in het Klein Weezenland ging kijken,
kon men daar de eerste levenstekenen van een
nieuwe, minder exclusief aristocratische hockeygeneratie
aanschouwen.
Telgen van de katholieke, kinderrijke familie
Oldenhof en hun yriendjes sloegen met zelf
gemaakte sticks (krom getrokken knuppels) tegen
een hockeybal. Spoedig daarna werd de ZMHC
met succes nieuw leven ingeblazen en werd er
weer druk gehockeyed op de Pelikaan. In een oud
jaarverslag staat: ‘Het terrein is oneffen, de kleedgelegenheid
zeer primitief, maar de mooie ligging
en de gastvrijheid bij Dijk maken veel goed.’
De club ging weer meetellen in het oosten en
bereikte in 1934 opnieuw de eerste klasse. Namen
uit die vooroorlogse jaren: Karel Remmers, Pim
Lankhorst, Jurriaan Tjeenk Willink, Henk Fernhout,
Hein Sluiter, Harry Koedijk, Coen Oosterwijk
en Pieter Potasse. In 1935 kreeg de ZMHC
zowaar een permanent onderkomen, een houten
kleedgebouwtje dat van de voetbalclub Swift was
overgenomen.
Merkwaardig genoeg was in de oorlogsjaren
van een vermindering van het clubleven geen
sprake. Dat had zelfs rechtstreeks met die oorlogsomstandigheden
te maken. Het Centrale Distributiekantoor
werd van Den Haag naar Zwolle verhuisd,
hetgeen een flinke import van goede westelijke
hockeyspelers veroorzaakte. De ZMHC
boekte een record aantal leden en was korte tijd
schier onverslaanbaar op de oostelijke velden.
Rampzalig plan
Na de bevrijding kwam er snel een einde aan deze
bloei en ging de ZMHC een van haar moeilijkste
perioden tegemoet, ondanks heldhaftig verweer
van de toenmalige voorzitter Wim Gepkens en de
jonge wedstrijdsecretaris Theo Föster. Juist in die
tijd zette schrijver dezes als jonge scholier zijn eerste
schreden op het hockeyveld en was dus in de
gelegenheid om de deplorabele toestand waarin
de club buiten haar schuld was komen te verkeren,
uit de eerste hand mee te maken. De gemeente
Zwolle had namelijk een voor de ZMHC rampzalig
plan opgevat om vlak achter de Pelikaan een
crematorium te bouwen. Uit overwegingen van
piëteit moesten de hockeyers van het toneel verdwijnen.
De treurende nabestaanden zouden weieens
geschokt kunnen worden door dravende
vrouwen en mannen met een schaars stukje bloot
been…
Er werd een nieuw onderkomen gevonden: het
Wilhelminaterrein in de Veeralleebuurt, waar de
Zwolse Lawn Tennisbond zojuist een aantal nieuwe
tennisbanen was gaan bespelen. Een even
onvermijdelijke als financieel armlastige stichting
moest zorgen voor de uitvoering van deze plannen.
Het oude hockeykleedhok werd alvast naar
de Veerallee verhuisd om ook de tennissers onderdak
te verschaffen. Op dit Wilhelminapark is in
clubverband nooit één hockeybal geslagen, sterker:
de operatie kostte de ZMHC bijna het leven.
Rond 1948 was er op de Pelikaan niets meer
over dan een paar vermolmde hockeydoelen. De
club kwijnde snel weg. De damesafdeling ging
geheel ter ziele en er kon nog slechts één herenelftal
op de been gebracht worden. Wonder boven
wonder mocht dit dankzij de inbreng van een
handjevol zeer ervaren spelers als Fons Toebosch,
Wim Quirijns, Hein Sluiter, Sjef van der Muur,
Jan Overmars, Frans Oldenhof en de uit Den Haag
afkomstige oud-international Paul van de Rovaart
in de hoogste afdeling uitkomen.
De gerenommeerde gastelftallen troffen in
Zwolle een accomodatie die elke beschrijving tartte.
Of liever: er was helemaal geen accomodatie.
De spelers moesten zich verkleden in de oude veestal
van Dijk, letterlijk tussen de dampende koeien
en in de stank van het persvoer. Wie zich na de
strijd wilde verfrissen was – in hartje winter – aangewezen
op de koperen pomp met houten zwengel
die buiten op het erf van Dijk stond.
Gelukkig ging de verhuizing naar het Wilhelminapark,
waar slechts ruimte voor één veld was,
op de valreep niet door. De gemeente zag haar
plannen voor het crematorium in de ijskast belanden
en de ZMHC kon aan de Pelikaan blijven.
Groei
Rond 1950 tekenden zich de eerste verschijnselen
af van de later zo onstuimige groei. Er verscheen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het hockeyveld aan de
Pelikaan, zoals het er
tot het eind van de jaren
vijftig bij lag. Middenachter
het houten clubhuisje.
Rechts de stal
van de uitspanning die
na de oorlog enige jaren
als kleedgelegenheid
diende.
een wekelijks clubblad dat de sfeer in de vereniging
zeer ten goede kwam, er werd een – overigens
nog bescheiden – houten clubhuis gebouwd en er
kwam een plotselinge toevloed van jeugdige leden.
Spelers als Theo Föster, Willem van der Veen,
Jarig Haasdijk, Wilfred Alberts en Jan de Gruyter
zorgden er in 1953 eerst voor dat de ZMHC in de
eerste klasse terugkeerde en zetten in 1958 de
kroon op hun werk met een oostelijk kampioenschap
en eervolle deelname aan de strijd om de
landstitel.
Het eerste dameselftal promoveerde in 1955
naar de eerste klas en werd het jaar daarop direct
reeds oostelijk kampioen met speelsters als Alette
Huytker, Toos de Jong, de zusjes Eeftinck Schattenkerk,
Elly van der Waarde en Els van Hees.
Sinds die tijd groeide de ZMHC uit tot een
strak geleide, goed geoutilleerde hockeyvereniging.
Zij bracht een aantal internationals en nationale
bestuurders voort, zij introduceerde kunstgras
in Zwolle en zij acteert met tussenpozen op
het hoogste landelijk niveau. Met een ledental uit
een brede laag van de Zwolse bevolking heeft de
ZMHC de oude betiteling ‘club der vrijage van de
goede standen’ ver achter zich gelaten.
SONNET OP DE PELIKAAN
Begraven onder dikke lagen
haastig opgespoten zand
die gestaag de wielen dragen
ligt mijn oude dromenland.
De kroeg mocht niet geweldig heten
met het hobbelig biljart,
laken tot de draad versleten,
en de kachel, roestig zwart.
Maar het was de eerste plek
waar ik vorst’lijk heb gezeten,
klappen op de schouder kreeg
en na zwoegen, rennen, zweten,
van rechtsbuiten tot linksback,
af en toe een wolk besteeg.
WILLEM VAN DER VEEN
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek
Wil Cornelissen Bij de herinwijding van de Zwolse synagoge
op 20 september 1989 hield de toenmalige
burgemeester van de stad mr. G. Loopstra
een indrukwekkende rede. Daarin schetste hij het
wel en wee van de Joodse Gemeente van Zwolle
door de eeuwen heen.
Aan het eind van deze redevoering maakte de
heer Loopstra (tegenwoordig voorzitter van de
Stichting Voortbestaan Synagoge) bekend, dat in
Zwolle-Zuid in Schellerbroek een aantal straten
genoemd zou worden naar joodse Zwollenaren,
die het slachtoffer werden van de vervolging.
De zes vernoemden zijn te beschouwen als een
‘vertegenwoordiging’ van al die honderden Zwolse
joden die in de Tweede Wereldoorlog om het
leven zijn gebracht. Deze zes zijn door de gemeente
gekozen uit een aantal dat was voorgedragen
door de Israëlitische gemeenschap. De doorgaande
straat heeft de naam Diasporalaan gekregen,
waarmee de verstrooiing van de joden buiten
Palestina wordt aangeduid.
De straten zijn – van west naar oost – genoemd
naar:
Izak Os
27.12.1870 Zwolle – 9.7.1943 Sobibor
Izak Os, mijn grootvader, op latere leeftijd voor
veel Zwollenaren, ook buiten de familie ‘oom
Izak’, was handelsman. Met zijn vrouw Lea Os-
Spits en hun vijf kinderen heeft hij op vele adressen
gewoond. Op de kaart van het bevolkingsregister
Boven: Gezicht vanaf de brug over de Zandwetering
bij de Bierton in de richting van de stad. Op deze
weilanden verrees de nieuwbouw van de wijk Schellerbroek.
In de verte is links Stork Dieselmotoren te
zien. Rechts van de Peperbus staat het huis van
D. Sluiter, vroeger aan het Schellerpad geadresseerd,
thans Pilotenlaan 64. De foto dateert uit 1972.
Onder: Plattegrond van de wijk Schellerbroek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
staan vermeld: Wilhelminasingel, Diezerstraat,
Spoelstraat, Bitterstraat, Eiland, Jufferenwal, Roggenstraat,
Thorbeckegracht, Deventerstraat, Tuinstraat,
Derk Buismanstraat. Deze reeks straatnamen,
aangevuld met de familieverhalen, geven een
(onvolledig) beeld van de op- en neergang van de
handel. Soms verdiende opa goed, maar soms ging
ook alles verkeerd. Hij staat te boek als ‘koopman
in emaille goederen’ en de potten en pannen kan ik
mij uit m’n jeugd nog wel herinneren. Maar ook in
andere zaken is wel gehandeld als dat zo uitkwam.
Enigszins ongewoon voor iemand in zaken is
het feit, dat Izak Os zich al in een heel vroeg stadium
aansloot bij de SDAP. Bekend is het verhaal
(hij vertelde dat zelf zo graag), dat hij dan wel niet
behoorde bij de twaalf oprichters van de partij –
zij werden spottend de twaalf apostelen genoemd
– ‘maar ik was dan toch zeker de dertiende’. Hij
heeft ook nog een aantal jaren voor SDAP in de
Zwolse gemeenteraad zitting gehad.
Doodziek is hij, samen met zijn vrouw, als een
der laatste joden uit zijn huisje in de Derk Buismanstraat
gehaald.’
David Spanjar
12. 6.1886 Zwolle – 27.11.1943 Auschwitz
Een bekende bakker. Zijn winkel, Praubstraat 1
(ongeveer op de plaats waar nu de VW is gevestigd),
was goed beklant. Vooral op zondagmorgen
stond de zaak vol met joodse en niet-joodse Zwollenaren,
die allemaal vers brood en/of gebak kwamen
kopen.
David Spanjar was een van de joden die bijna
iedere dag naar de ochtenddienst in sjoel gingen, ‘t
Was er nooit erg vol, maar er was wel minjan.2
Spanjar was niet de enige kosjere bakker in
Zwolle. Er waren ook nog de zaken van Andries
Troostwijk en Abraham Wolff.
Hartog Stibbe
2. 6.1886 Zwolle -19.10.1942 Auschwitz
Siegfried Hartog Stibbe was musicus. Hij is lange
tijd concertmeester van het Berlijns Philharmonisch
Orkest geweest. Zijn eerste opleiding kreeg
hij op de Zwolse muziekschool.
In Duitsland liet hij zich Henri noemen.
Omdat hij als klassiek musicus niet dik werd
betaald, leidde hij ook een zigeunerkapel, waarmee
hij ’s avonds laat in restaurants speelde. Als
leider hiervan had hij veel succes.
In de jaren dertig kwarri faij terug naar Nederland.
Hij heeft toen nog een tijdje in de Van Hattumstraat
2a in zijn geboortestad gewoond. Later
is hij naar Amsterdam verhuisd. Vandaar is hij
naar Polen gedeporteerd.
Flora Bilderbeek
2. 8.1883 Zwolle -19. 2.1943 Auschwitz
Eigenlijk Flora Bilderbeek-Denneboom. Zij was Laatste foto van Izak Os
Op heden den iC–^-2—*>>^ <-^ ^-^*-*-»^»--i^w^<^^^— ><^*^-^-* des jaars negentienhonderd negen en dertig, verschen/i voor nrffAmbtenaar van den burgerlijken :Stand der gemeente Zwolle, in het openbaar in het gemeentehuis: Deel van de huwelijksakte van Flora Denneboom en Onder: Hartog Stibbe David Bilderbeek (2/juli 1939) 12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Links: Ter Pelkwijkpark nr. 5, waar Hendrina Broekman haar pianolessen gaf. Foto: W. Cornelissen Rechts: Burgerlijke stand uit de Zwolse Courant van 4.1.1943 een in Zwolle zeer bekende vroedvrouw. Er moeten nog veel Zwollenaren zijn, die door haar op de wereld zijn geholpen. Haar laatst bekende adres was Rodetorenplein 9. Zij is nog in 1939 getrouwd met David Bilderbeek. Hendrina Broekman 9. 4.1889 Zwolle - 3. 9.1943 Auschwitz Hendrina Broekman was pianolerares. Ze woonde eerst in de Kamperstraat op nummer 8, boven de zaak van Olland. Later gaf ze lessen in haar huis Ter Pelkwijkpark nr. 5. Zij was een ongetrouwde, statige, beetje dikke dame 'met prachtig haar'. Haar twee broers hadden een veilinghuis: 'De Witte Roos' op de Melkmarkt op nr. 20. Mirjam van Zwaanenburgh 1.1.1943 Zwolle - 23. 7.1943 Sobibor Mirjam Chaja van Zwaanenburgh was de kleindochter van de laatste opperrabbijn, Samuel Juda Hirsch. Haar ouders waren Nathan van Zwaanenburgh en Jenny Hirsch. Haar vader was secretaris BURGERLIJKE STANTD Ondertrouwd: 4 Jan F. W. Feith, van Rossumstraat 21 en M. de Jong. van Ittersumstraat 51 Getrouwd: 4 Jan B. Flikken en N Talma, Sophiastraat 37. Geboren: 31 Dec Willem Marinus, z. van J. Zwart en E. van Wingerden Hattem — 1 Jan. Mirjam Chaia. d' van N. van Zwaanenburgh en J Hirsch, Schoutenstr 14. — 2 Jan. Rensje, d. van G. Beernink en L Dekker, Gennestraat 15. — Johanna Gerridina. d van D. Heidoorn en J. Bosch. Assendorperdijk 5 — Pieter Christiaan Wilhelm, z. van P. van den Akker en W van der Horst, Molenweg 125. — Marrigie d. van K. Vis en J. Souwman, Vollenhove. — Hendrik je d. van G van het Hul en A Popping. Thomas a Kempisstraat 31. — 3 Jan. Lambertus. z. van K Huisman en A. Grevelink. Lindestraat 75 — Hendrika Maria Francisca. d van A. Th Overmars en M Visscher, Achterom 140.— Hendrik, z. van M. Riesebosch en J. Withaar, Molenwes 90 — 4 Jan. Maria Agatha Elisabeth. d van J. H Basseijn en van de Zwolse joodse gemeente. Het gezin woonde in de Schoutenstraat op nr. 14, naast de synagoge. Mirjam is een halfjaar oud geworden. Ik heb de stellige indruk dat de Mirjam van Zwaanenburghstraat de enige straat in Nederland is, die naar een baby is vernoemd... Noten 1. Zie ook W. Cornelissen, Izak Os (1870-1943), in: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1992) 47-50. 2. Tien volwassen mannen, een minimum aantal dat aanwezig moet zijn om dienst te kunnen houden. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Johann Carl Röhner (1774-1837) Een muzikant met hartstocht Sinds de laatste restauratie wordt de Zwolse Broerenkerk met enige regelmaat gebruikt voor concertuitvoeringen. Daarmee is een oude traditie in ere hersteld. In het begin van de vorige eeuw kon de burgerij in dezelfde omgeving namelijk kennis maken met 'het alom beroemde Meesterstuk van den grootsten der Toonkunstenaren', Joseph Haydn's 'Schöpfung'. De première vond plaats op 2 december 1803 en had zoveel succes, dat een herhaling volgde in maart 1804.' De leiding berustte bij de Kamper organist en 'muziekdirecteur' Cornelis Berghuijs, die de in 1801 in Amsterdam geïntroduceerde Nederlandstalige versie van Johannes Kinker gebruikte.2 Behalve de dirigent kwam ook een deel van de instrumentalisten (en vocalisten) van buiten Zwolle; het Deventer muziekgezelschap 'Unis par les sons de la musique' had in 1803 natuurlijk niet zonder bedoeling de partituur van Haydn's oratorium aangeschaft.3 Trouwens, ook de enkele jaren eerder overleden Zwolse 'primarius' Johann Gottlieb Nicolai had deze muziek in zijn bezit.4 Naast de Broerenkerk werden ook de Bethlehemse Kerk en de Grote Kerk voor uitvoeringen in grote bezetting gebruikt, terwijl de Nieuwe Concertzaal in de Bloemendalstraat geschikt was Frits David Zeiler Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B., eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle. Foto: Provinciaal Overijssels museum. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT ir., ''érf/*»"P% de het spoor van zovele musicerende landgenoten en kwam in Nederland terecht (zijn broer Georg Wilhelm zou hem een jaar of tien later volgen). Begin 1797 vinden we hem in dienst van de Bataafse Republiek als 'Musicant by de tweede halve Brigade Infantery', die in Arnhem in garnizoen lag. Daar had hij de 'jongedochter' Anna (ook: Johanna) Maria Bergman leren kennen, die hij op 19 februari 1797 huwde. Zij kregen vier kinderen, van wie Johann Ludwig Moritz (1798) en Carolina Elisabetha (1800) in Arnhem, Friederica Amalia (1803) en Georg Wilhelm (1806) in Zwolle werden geboren. De beide zoons zouden net als hun vader beroepsmuzikant worden.6 Een musicus was in die tijd een generalist. Hij moest niet slechts één instrument beheersen, maar naast het 'klavier' (orgel, clavecimbel en spoedig ook fortepiano) ook tenminste de viool kunnen bespelen, liefst de fluit, daarbij goed kunnen zingen, improviseren en ensemblespelen.7 Muziektheoretische kennis, vaardigheid met directie en enige compositorische gaven strekten tot aanbeveling. Röhner beheerste het allemaal, toen ej9 r££.>?% preoZ
Autograaf van de cantate
‘Het Onweder’ op
tekst van Rhijnvis Feith.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
Eigenhandig geschreven
titelblad van de cantate
‘Het Onweder’, 1806.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
voor kamermuziek en vocale muziek, waaronder
opera, van wat bescheidener omvang. Al met al
komt een beeld naar voren van een tamelijk levendig
muziekleven in de Overijsselse hoofdstad kort
na 1800.5 Een man vooral zou er gedurende bijna
twintig jaar zijn stempel op drukken: Johann Carl
Röhner.
Een nieuwe ‘muzijk-directeur’
Johann Carl Röhner werd op 18 juni 1774 geboren
in Coburg als oudste zoon van de boekdrukker
Johann Moritz Röhner en Catharina Johanna
Ostertag. ‘Carl’, zoals zijn roepnaam luidde, volg-
/ur
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hij in 1801 op de vacature-Nicolai solliciteerde, en
zal met hoge verwachtingen in Zwolle zijn binnengehaald.
8
De nieuwe ‘muzijk-directeur’ kon voortbouwen
op de basis, die onder zijn voorganger voor
het Zwolse muziekleven was gelegd. Hoe de contacten
met zijn Kamper collega Berghuijs waren, is
niet bekend, maar de indruk bestaat dat pas na
diens overstap naar Deventer Röhners activiteiten
tot hun volle ontplooiing konden komen. De
Zwolsche Courant maakt begin 1803 voor het eerst
melding daarvan: op 11 januari zou de organist in
de Nieuwe Concertzaal ‘een vocaal en instrumentaal
concert geven, met eigen composities voor
viool, clarinet en pianoforte’. Daarna zou Röhner
vele seizoenen lang niet meer ontbreken, noch in
de reeksen in de concertzaal (waar in 180618 voorstellingen
werden gegeven), noch bij muzikale
manifestaties elders in de stad.9
Dat de lijst na 1810 grote lacunes vertoont, is
vermoedelijk te wijten aan onze bron. We moeten
er trouwens rekening mee houden, dat de vermelding
van musici en te spelen werken lang niet
M ü % IJ K A A L
ZAK-WOORDENBOEK.
V E R K L A R I N G < » BESCHRIJVING) VOCALE IK INSTRUMENTALE TOONKUNST IN O&SltUftt ZIJNDE, KUNSTTERM&N EN INSTRUMENTEN. si an al In jnsx en unpnsmmmt der Hlu/.IJK locgcivyd. D O O R J. C. Ji Ó JJ N £ II, XomipenJtnt dtr ^itrie Kim f* cm è*t Kanttt* tijk Ntd*rlmn4Ctbc tttftituut, Ut»iijh~ Oi' te~ tuur $* Orgfitt it Z&otti. re Z m i 1 E, • v D i m V A M S r È o s i 1, 8 2 o . altijd volledig is, zodat Röhner waarschijnlijk bij veel meer uitvoeringen betrokken is geweest dan we uit de aankondigingen kunnen opmaken. Tot de belangrijkste werken die onder Röhners leiding in Zwolle tot klinken werden gebracht behoorden Haydn's 'Jahreszeiten', vermoedelijk opnieuw in een Nederlandse vertaling, in 1805 in de Bethlehemse kerk, en Mozarts 'Zauberflöte' in 1806 in de Nieuwe Concertzaal. De laatste uitvoering betrof niet de gehele opera, doch wel de 'voornaamste stukken' daaruit. In 1808 waren opnieuw hoogtepunten uit 'De Schepping der Waereld' te horen. Bij dezelfde gelegenheid bespeelde Röhner 'het nieuw uitgevonden instrument het Melodium'. Röhner als componist10 Regelmatig ook kon de Zwolse burgerij kennis nemen van composities van zijn muziekdirecteur zelf. We zagen al, hoe hij in 1803 kamermuziek van eigen hand ten gehore bracht. Begin 1805 volgde de opera 'De Storm of het betooverde eiland', in maart 1807 de cantate 'Het Onweder' op tekst van Rhijnvis Feith (herhaald op 25 juli d.a.v. en in maart 1809), begin 1810 de opera 'Meifort en Clare', eveneens op tekst van Feith, op 1 april 1817 de opera 'Het kleine Duimpje en de Reus Fayel' en op 6 april 1819 de wederom door Feith berijmde cantate 'De verlossing van Nederland'. Gemiddeld eens in de drie jaar leverde Röhner dus een groot vocaal werk af, terwijl hij in dezelfde periode nog een drietal missen moet hebben gecomponeerd (waarvan de nos. 1 en 3 bewaard zijn) alsmede tientallen liederen. De meeste daarvan zijn in druk verschenen bij J.B. Nolting in Amsterdam; het Haags Gemeentemuseum bezit 22 nummers van deze uitgever, met titels als 'A ma lyre', 'Verlangen' en 'Abendlied', het laatste met opdracht aan Georg Wilhelm. Helaas zijn maar weinig werken gedateerd of van een opusnummer voorzien. Dat geldt evenzeer voor de instrumentale werken, met uitzondering van de 'Simphonie a grand orchestre' (in D) opus 3 uit 1802, de 'Musique militaire pour Ie piano' uit 1820 en de 'Potpourri pour flüte principale' uit 1821. Van Rohner's versie van 'Het Onweder' is de autograaf bewaard gebleven, die via het genootschap Felix Meritis bij de Maat- Titelblad van Röhners 'Muzijkaal Zak- Woordenboek', 1820. Particuliere collectie. Foto: F.D. Zeiler. 16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Uit de liederencyclus 'Fanny' van Röhner en Feith, 1808. Toonkunst- Bibliotheek, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. schappij tot Bevordering der Toonkunst terecht is gekomen.'' Opvallend is de dubbele bezetting van een groot aantal instrumentgroepen (waaronder de altviolen) en de vooraanstaande rol van de blazers, die het natuurgeweld in deze half geestelijke, half op een pastorale lijkende cantate zo krachtig mogelijk moeten oproepen. Op de keerzijde van het titelblad heeft Röhner geschreven: 'De inleiding stelt eenen schonen zomerschen dag voor. Dann spoedig zwellen donkere onweerswolken te zamen en bedekken den gezichtseinder. Reeds rollt van verre de donder en van lieverlee nadert het onweer. Bliksems doorkruisen zich, de stormwind huilt en de donder ratelt. Van langzamerhand trekt het onweder over; de Bliksems worden flaauwer, de donder bromt in de verte en de Wind gaat liggen. Vrolijk verheldert zich de hemel en alles gevoelt nieuw leven en juicht van vreugde in de opnieuw bezielde natuur. J.C. Röhner.' (Volgt eenzelfde tekst in het Duits.) tï.* fc. V V HII|JN IS V KITII: v *B?;IH0 cd ! IHH S"S' A X!' I1I,W(!KVj A% ' V . HOÏfXF. tl' il S i" jl irï. R . ' N Ï 01' II KT (ll'.AI' VAX ElM'Allll . SS» A».-/f, .stf,,miam,--:/rhMll/ir *ir.ir m/b, t/7ft.è wmtr een /u.rA 1 fijt „•&**.* vanJ* trim/ Jfn ?*,i£ .. H hlirt Jhtrrtn fiAr.f9Cwftil/ il Met i/e. Htti/ti ü pil *> üicr Je
Uit het feit, dat ‘Het Onweder’ meer dan een
keer is opgevoerd (en in 1827 nogmaals in een
Duitstalige versie in première is gegaan), kunnen
we opmaken dat het werk in de smaak is gevallen.
Het was in elk geval een langer leven beschoren
dan de toonzetting door Röhners voorganger
Nicolai, waarvan we slechts een vermelding over
hebben. Vooral de dichter zal er tevreden mee zijn
geweest. De samenwerking tussen Feith en Röhner
was trouwens over de hele linie hecht en
vruchtbaar. Hierboven noemden we al de opera
‘Meifort en Clare’ uit 1805 en de cantate ‘De verlossing
van Nederland’ uit 1819. Daarnaast dient
nog vermelding de liederencyclus ‘Fanny’, gedrukt
in 1808 te Amsterdam.’2
Het dramatische jaar 1820
Aan waardering zal het Röhner niet hebben ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
broken. ‘Unis’ bijvoorbeeld schafte zijn symfonie
in D al een jaar na verschijning aan, tegelijk met
werken van o.a. Berwald en Fodor.13 Het is een
opgewekt, goed uitgewerkt stuk dat de invloed van
Haydn verraadt zonder tot namaak te vervallen.
Röhners muzikale jargon is in het algemeen trouwens
levenslustig te noemen, zelfs al zijn de
onderwerpen droef-romantisch.14
Wat dat betreft was hij een typische overgangsfiguur
tussen classicisme en romantiek,
waarop ook zijn werken vol storm, onweer en
sprookjesfiguren wijzen. Overigens was de muzikale
uitbeelding van onweer of ‘batailles’ geen typisch
verschijnsel van de romantiek; de orgelvirtuoos
Abt Vogler had in 1786 al eens een demonstratie
daarvan in de Grote Kerk ten beste gegeven.
15
De Belgische musicoloog Gregoir vermeldt in
zijn lexicon uit 186416 drie werken van Röhner: het
populaire lied Corine a Oswald, het in 1820 te
Zwolle uitgegeven ‘Muzijkaal Zak-Woordenboek’
17 en de in hetzelfde jaar ingezonden cantate
‘De verlossing van Nederland’.18 Deze werd door
de jury van het Koninklijk Instituut als volgt
beoordeeld: ‘Dat de klasse den welverdienden lof
aan de samenstelling dezer cantate niet mogt weigeren,
en dezelve alleszins waardig keurde in
tegenwoordigheid van Zyne Majesteit, en hoogst
deszelfs huis te worden uitgevoerd, ofschoon men
misschien niet zonder grond, zou kunnen aanmerken,
dat dezelve met de hedendaagsche kompositien
niet overal gelijken zang houdt, en vooral
verscheidene aria’s in een’ eenigzins verouderden
stijl geschreven zijn, waartoe de woonplaats van
den kunstenaar en de mindere gelegenheid om
goede nieuwe muzijk te hooren welligt aanleiding
geven, dat echter vele stukken die vol vuur en
kracht zijn en waaronder men vooral de meeste
kooren mag rekenen, wanneer zij wel werden uitgevoerd,
de aandacht des kunstenaars op eene
waardige wijze zouden bezighouden, en vaderlandsch
gevoel bij het kunstminnend publiek zouden
opwekken en ontvonken.’ Was getekend:
Fodor, Wilms en De Vos, de eerste twee de meest
vooraanstaande componisten van hun tijd, de
laatste behalve amateurmusicus ook een invloedrijk
criticus te Amsterdam. Behalve lof van de jury
;*3 2. J’k .È. XZ XJ Jt
w^
(//’?/ML (.’./’c/li’+ii/’t
f(‘*c,^c •/. ^ M<*y'Sf£% SSg^5«aft V f o 1, r v o I ' K J Titelblad van Röhners symfonie in D, een van zijn populairste werken, uitgegeven in 1802. Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam. Foto: F.D. Zeiler. 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Berichten uitdeZwolsche Courant over Röhners muzikale activiteiten: Haydns 'Jahreszeiten' (1805) en de in samenwerking met Feith geschreven cantate 'Het Onweder' (1809) en opera 'Meifort en Clare' (1810). Gemeentearchief Zwolle. Foto's: T. Rudolphij. verwierf Röhner met dit werk ook een koninklijke onderscheiding in de orde van de Nederlandse Leeuw en het correspondentschap van het Koninklijk Instituut. Deze nationale bekendheid viel hem ten deel op het moment, dat zijn persoonlijk leven een dramatische wending had genomen. Bij brief van 24 augustus 1820, verzonden vanuit Den Haag, had hij ontslag genomen als stadsmusicus.19 Wat bewoog hem, om een behoorlijk betaalde positie20 in een plaats, waar hij als uitvoerend musicus, componist en pedagoog zeer werd gewaardeerd, zomaar op te geven? Het antwoord is even eenvoudig als menselijk: zijn liefde voor Sophie.21 Anna Sophia Thorbecke was het tweede kind van Jan Everhard Hendrik Thorbecke (1756-1825) en Johanna Geertruyda Ritberg (1758-1805) en als zodanig een nichtje van Johan Rudolf, de latere staatsman. Zij werd geboren op 8 januari 1785 en was dus bij de komst van Röhner naar Zwolle 16 jaar oud. Waarschijnlijk heeft zij les genomen bij de nieuwe 'muzijk-meester'; van haar muzikale gave getuigt de enige van haar bekende afbeelding, waarop zij in het ouderlijk huis aan de Dijk haar broers en zuster met klavierspel onderhoudt.22 In 1812 wordt zij 'rentenierse' genoemd; zij is dan ongehuwd.23 De relatie tussen Carl en Sophie moet zowel in de stad als in familiekring een schandaal hebben veroorzaakt. Weliswaar past een dergelijke getuigenis van 'Sturm und Drang' in ons beeld van de romantiek, maar in de brave Biedermeiertijd was verbeelding natuurlijk iets heel anders dan de dagelijkse werkelijkheid. De eigentijdse bronnen zijn merkwaardig stil over de zaak en latere geschiedschrijvers, zoals Van Apeldoorn, gaan na een niet erg ter zake doende anecdote maar snel over naar Röhners opvolgers.24 We zullen echter proberen de bij het drama betrokkenen na meer dan anderhalve eeuw enig recht te doen. Vrijplaats Freiburg Na de nodige omzwervingen kwamen Carl en Sophie in het Zuidduitse Freiburg terecht. Daar verwierf de gewezen 'muzijk-directeur' zich een goede positie bij het stadstheater. Vanaf het seizoen 1825-26 was hij 'Kapellmeister' van het theaterorkest, een functie die met enkele onderbrekingen tot 1834-35 werd voortgezet en die in laatstgenoemd jaar werd gecombineerd met die van algemeen muziekdirecteur. Alle toen bekende opera's stonden in Freiburg op het repertoire; Röhner dirigeerde er onder meer Webers 'Freischütz' en Rossini's 'Tancredi' en 'Othello'. Ook voor enig eigen werk was nog plaats. Zo gingen Duitstalige versies van de opera 'De Storm of het J. C, RBHNK&, Jtujj HJyficui en Otftntit, ruift! by' deteb bekend, iu oodet JJDC directie, en «et de tdüfentic *«neen gtoote metltt»LJ«fhehbeM «Ibler,op Dlnürdttdcn 9 de«r dei «»ond> ow 5 naren, in de feihtetUfttfciie Ker*,
?»} wotdeo uitgev*«n htt gtoote eo beroemd» ,G<»;lr/>»< //«• fitt/ttk «in dnjgrooifttD der Toontutficuirtii J HAVDN, j g f , De ewft* Mm» t* ft * 41® ét twetdt u Die plttMM gtMevea (• bef>tcfctn vetvtrtfMi ttehop Moedig
den gfte 4èt mfcWtfi vut s tot o wn de Bahlehtmfche Kctkterf.
•De T# f » É t e fc Wö^ritOiiMiKRöfl*1»
m btkoewn.
B U t N D Ü A K t N 6.
Met Permifit v » d(n Heer BURCEMEtSTEtt
Stad , ui de Orgwht ra MuCe* Dlircteor J. C. 1(
de £el kebbt» op DWvgj4»t den 38 M«>rt ‘f ivondi te
texen uur, ia de poote Kerk •, rnet nüfteurit m d t mmr’
n»UD(te Utfhtbber» té MalMk, n eeacocd b«k«tOtrtar
f«r, «ft te vt#m
HIT ONWEKlJtR’. etiie Gmttlyke Cioiètt vtn den
Heer f>. ftitft, ca moot fco^togenyróide Orftslat opMu.
fiek febricttt. . , ,
Be Eotre vóór dés «rite p^sto ii . ƒ 1 : 4 : 0
Voor de Tweede p)«»u . . , /o : 14 : •
. En voot & D«rle pint» , . . . / o .- » 8 o
De Biilet.ee ïjfo te bfkwnto teo Holte T* J.
*o 00* bjr M Etm<. .... , Die f'!n:zcn icriocn M (Kfprteken, fctratfcn tl d»g iicn »8 Murt '«rtxrtiten» vlo 8 tot 11 uur ft>.. ,
Kerk vetvoefea, iÉttt berttende 3 ftoivtrt dur voor.
De mgtfli ii 0^ * Markt by «e Hoof^rtgr.
NB. |Ut»nt)>ry)2tldeHcet
RoBMER.Mflick Directeur eo Otgttiit ilbici, decei hek
tau EEN G&OüT VOCAL co 1NSTROMENTAL
CONCE&T, Op de Nüuwta Ceaetrizwl te geveo, ia
Bet wei W üe Opera Milferi eo C!m»% v«n tiea Heeic R.
Fiith, eo door tjoveflftooemde o/f MuStk geb)t|t, tal ua.
fAOerd wfltddeeOO- *
Het Entr< voo« Uder Perfooo ia. / r — 4 — De Billetteo 1¥P ft «ekutma, lea bulse v a f. e. aer, «o by dm Ê«t«. Den unvu| u te o u u n ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 19 betooverde eiland' ('Der Sturm') en de cantate 'Het Onweder' ('Das Ungewitter') in 1827 resp. 1828 in het Freiburger Theater in premiere.25 Van verdere compositorische activiteit vernemen we nauwelijks iets, al blijkt uit een brief van Sophie uit 1843 dat er na Carls dood veel 'mooije heerlijke Compositionen' onuitgegeven zijn blijven liggen. 26 Johann Carl Röhner stierf in Freiburg op 24 september 1837 na een slopende ziekte, die hem 14 weken aan het bed gekluisterd had gehouden. In de laatste maanden van zijn leven heeft hij getracht zich met zijn familie te verzoenen. Hoe de verhouding met zijn kinderen was, en of hij met hen nog contact heeft gehad, is niet meer te achterhalen. Dat het niet boterde tussen Sophie en de in Zwolle achtergebleven eerste vrouw van Carl, van wie hij nooit officieel gescheiden is, valt te begrijpen; beiden noemen zich naderhand 'de weduwe Röhner'.27 'Leeft dan die Ahrnemsche nog, gy verstaat my wel, wie ik meene', schrijft Sophie in 1843 aan haar zwager in Deventer. Met deze Georg Wilhelm was een moeizaam hernieuwd contact tot stand gekomen. Naast het familieschandaal moeten ook de botsende karakters van de beide muzikale broers de verhouding hebben vertroebeld. Of was de een jaloers op het onmiskenbaar grotere talent van de ander? In Carls hekeldicht 'Der Bruder' wordt G.W. als egoïst neergezet: 'Doch diese Bruder hegte nicht gleichen Bruder Sinn. Er liebte nur sich Selbsten, Sein Wahlspruch hiess: Gewinn. Leichtsinnig brach er immer was heilig er versprach, kam seinen Worten nimmer so wie er sollte nach.' Desondanks verzekert Sophie haar zwager keer op keer, dat Carl hem zeer was toegenegen: 'Want heeft ooit een Broeder met Liefde aan een Broeder gehangen, dan is 't gewis, myn Dierbare Zalige Röhner...' Zij is ontroostbaar door zijn dood:'... troosteloos laufe ich hin und her, eenzaam en verlaaten, want wy.waren ja een Hart en e e n e Ziel ... ik overleeve zijn Dood niet lange, bald lieber theurer Carl bin ich bey Dir ..." Toch zou zij hem nog meer dan twintig jaar overleven. Ze stierf in Freiburg in 1859. Misschien kunnen we haar en haar talentvolle Röhner na al die jaren toch de eer bewijzen die hen toekomt, en uit 'die mooije heerlijke Compositionen' weer eens iets in Zwolle tot klinken brengen. Noten 1. Zwolsche Courant, 26 november 1803 en 17 maart 1804. Vgl. Th.M. van Mierlo en J.C. Streng, 'Kerk en klooster na de hervorming', in: A.J. Gevers en A.J. Mensema (red.), De Broerenkerk te Zwolle (Zwolle 1989) 37-76, i.h.b. 53. 2. Johannes Kinker (Nieuwer-Amstel 1764 - Amsterdam 1845) was dichter, taalkundige en filosoof; in de laatste hoedanigheid een tegenstander van de opvattingen van Rhijnvis Feith. Cornelis Berghuijs (Kampen 1762 - Alkmaar 1816) was werkzaam in Apeldoorn, IJsselstein, Kampen, Deventer en Alkmaar. Over hem: F.D. Zeiler, 'Cornelis Berghuijs (1762-1816), stadsorganist van Kampen en Deventer', in: J. Folkerts et al., Overijsselse biografieën 2 (Meppel/Amsterdam 1992) 17-20. 3. GA Deventer, Archief'Unis par les sons de la musique' 1, Catalogue van Musicq Werken gehoorende aan dit Musicq-College, jaar 1803. Sophie Thorbecke als ongeveer vijftienjarige aan de piano in het huis op de Dijk. Particuliere collectie. Foto: J.P. de Koning, Gemeentelijke Fo todienst Zwolle. 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 9 f rfcr<.. Jlncfcnü, Over hem: H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler, 'J.G. Nicolai, stadsmusicus en organist', in: Zwo/s Historisch Tijdschrift^ (1992) 94-104. J.G.A. ten Bokum, Muziek in de IJsselsteden. Beschrijving van het muziekleven in Deventer, Zutphen, Zwolle en Kampen in de 19de en het begin van de 20ste eeuw met bijzondere aandacht voor de familie Brandts Buys. (Utrecht/Antwerpen 1988). F.D. Zeiler, 'Door de klanken der muziek vereend.' Muziekleven in Overijssel 1740-1810. Zwolle, Tentoonstellingsdienst Overijssel 1991. De huwelijksakte is te vinden in GA Arnhem, Retroacta BS 170, Huwelijken 1796-1800. De ondertrouw is geschied op 3 februari, het eerste, tweede en derde gebod zijn van resp. 5,12 en 19 februari 1797. Tegelijk met Carl trad zijn collega Johan Hierschwig, afkomstig uit Wenen, in het huwelijk met de zuster van Anna Maria, Johanna Sabina Bergman. De beide oudste kinderen zijn gedoopt in de Evangelisch Lutherse kerk te Arnhem (GAA Retroacta BS 164, Doopboek 1648-1811, fol. 240 en 243). De verdere genealogische gegevens werden mij ter beschikking gesteld door G.J. Röhner te Utrecht, die tevens inzage verleende in de voor Johann Carl van belang zijnde stukken in het familiearchief. Hiervoor zeg ik hem graag mijn hartelijke dank. 7. Een goed voorbeeld van deze veelzijdigheid vormt de Zwolse amateurmusicus J.C.E. Schlüter, die in !797) overigens zonder succes, solliciteerde naar de betrekking van organist bij de Doopsgezinde gemeente in Almelo. Hij speelde klavier, fluit viool en was voorzanger en hulporganist in de Lutherse kerk in Zwolle. RAO, Arch. Doopsgezinde gemeente Almelo 26. 8. De benoeming door de municipaliteit is van 5 october 1801 (GAZ AAZ01-00109, fol. 561). 9. GA Zwolle, AAZ01-04578 (Patentregister, 1806 blz. 463). Zwolsche Courant, 8 jan. 1803; 5 jan. 1805; 6 apr. 1805; 8 jan. 1806; 26 mrt. 1806; 19 juli 1806; 8 jan. 1807; 18 mrt. 1807; 25 juli 1807; 6 apr. 1808; 28 feb. 1809; 24 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 SH OVtrA£i.' Dichtbundel van Röhner, 1802, Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle. De tekeningen zijn alle gesigneerd metA. Bergman; zij was Röhners eerste echtgenote. a. Titelblad. b. Gedicht op Röhners eerste symfonie, waarschijnlijk de in 1802 verschenen symfonie in D. c. Een der vele gedichten, gewijd aan de belevenissen aan boord van het marineschip 'Haarlem'. d. Tekeningen van A. Bergman bij het gedicht 'Der gehobene Schatz'. Foto's: F.D. Zeiler. mrt. 1809; 16 jan. 1810; 10 apr. 1810; 28 mrt. 1817; 30 mrt. 1819; 4 en 8 feb. 1820. 10. Zie bijlage: Composities van Johann Carl Röhner. 11. Toonkunst-Bibliotheek Amsterdam T 3959/Ms- Roe-i. 12. De eerste druk van 'Fanny' dateert overigens al van 1787. Persoonlijke mededeling van R. de Bree, Zwolle. 13. Als noot 3. 14. Bij een zeldzame uitvoering van de liederencyclus 'Fanny' in 1974 in Zwolle viel het de toehoorders op, 'dat de tekst zo droevig, maar de muziek zo vrolijk was'. Persoonlijke mededeling van H.J.H. Knoester, Zwolle. 15. GAZ, Resoluties S. en R., 30 dec. 1785. Ten Bokum, 16. 16. GJ. Gregoir, Biographie des artistes-musiciens néerlandais des XVIIIe et XlXe sièdes, et des artistes étrangers, résidents ou ayant résidés en Néerlande a la même époque, (Anvers 1864) 151-152. Het citaat uit het juryrapport van 1820 is uit dit biografisch woordenboek afkomstig. 17. Een exemplaar hiervan bevindt zich in FA Röhner 13. Bij brief van 3 oktober 1819 droeg Röhner de rechten op zijn 'Toonkunst- woordenboek' over op de boekverkoper D. van Stegeren te Zwolle; in 1855 gingen deze weer over op de Erven J.J. Tijl (GAZ BA 026, Archief Tijl, doos 1). 18. De autograaf van dit werk is bewaard gebleven in de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de opvolger van het Koninklijk Instituut. Onder het nummer W 277 bevindt zich zowel een band met partituur (406 bladzijden, 3 delen, 18 'nommers') als een grote bundel partijen. Op een achttal zangpartijen staan de namen van de solisten genoteerd, waaronder Ramaer, Schaapman, Doijer en Helmich. 19. GAZ AAZ02-00053, Resoluties B & W, 16 sept. 1820; GAZ KA017-009, Acten van de Kerkeraad, fol. 396, 20 sept. 1820. 2 2 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Autograaf van de cantate 'De verlossing van Nederland' op tekst van Feith, waarmee Röhner in 1820 een prijs verwierf van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Bibliotheek KNAW, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. 20.GAZ KA017-413, Lijst van tractementen van het kerkelijk personeel, 1810. Röhner staat voor f500 op de loonlijst (hij was in 1801 begonnen met f450). Vgl. GAZ AAZ02-00010, Resoluties Gemeenteraad, 134- 135, 12 sept. 1818, waarbij Röhner een extra vergoeding krijgt toegezegd voor het stemmen en spelen ter gelegenheid van het uitdelen van prijzen aan de leerlingen van de Latijnse school. 21. Biografische gegevens uit: GAZ, fiches op achternamen 1800-1899; FA Röhner; Genealogie Thorbecke. Nederlands Patriciaat. Genealogieën van bekende geslachtenjo (1986), 340-367. 22. De kinderen Thorbecke in het huis aan de Dijk, ca. 1800 (de gebruikelijke datering, ca. 1810, is gezien de leeftijd van de kinderen onwaarschijnlijk). Afgebeeld zijn v.l.n.r. Sophie, Lubbertus, Friedrich Wilhelm, Franz Heinrich en Katharine. Part. coll., kopie aanwezig in GAZ, neg.nr. 72RO38.D. 23. GAZ AAZ01-06039, Register van alle huizen, 1812, fol. 133-134. Röhner wordt hierin op fol. 42-43 vermeld, inwonend bij horlogemaker Frederik de Haen in de Waterstraat. 24. J.C. van Apeldoorn, Het orgel in de Groote- of St. Michielskerk te Zwolle (Zwolle 1896) 28. Vgl. ook noot 17. De Zwolsche Courant maakt van het ontslag geen melding. 25. W. Schlang & O. Ritter von Maurer, Das Freiburger Theater (Freiburg 1910) 41,53,119-120. 26. FA Röhner 34, Brief van J.C. aan G.W. Röhner, 1837. Ibid. 35, Afscheidsgedicht 'Der Bruder', 1837. Ibid. 36, Brieven van A.S. Thorbecke aan G.W. Röhner, 1838,1842-43. Stadtarchiv Freiburg, Bestand Hinterlassenschaftsakten H 2762. 27. GAZ Overlijdensakten 1846 no. 479, 30 nov. 1846: Johanna Maria Bergman, oud 71 jaar, geboren te Arnhem, dochter van Johan Lodewijk Bergman en Johanna Elisabeth Franken, zonder beroep, weduwe van Karel Röhner, overleden 26 nov. te 22.30 uur in de Papenstraat te Zwolle. Het bestand echtscheidings- procedures 1813-1838 uit het archief der Rechtbank van eersten aanleg te Zwolle (RAO, inv.nr. 79) bevat geen materiaal over een eventueel door haar of Röhner begonnen procedure. Bijlage Composities van Johann Carl Röhner (Coburg 18 juni 1774 - Freiburg 24 september 1837) Instrumentale muziek Het eerste werk aanwezig bij TA en RAU; de overige in GM - Simphonie a grand orchestre (in D) opus 3. Hummel, Berlin / Grand Magasin de Musique, Amsterdam 1802 - Air favori varié pour Ie violon principal avec accompagnement de deux violons, viola et violoncelle. Nolting, Amsterdam z.j. - Caprice et variations pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, alto et basse. Steup, Amsterdam z.j., no. 205 - Musique militaire pour Ie piano; contenant une marche, 3 pas redoubles et une valse. Steup, Amsterdam 1820 - Ouverture a grand orchestre. Simrock, Bonn / Cologne z.j., no. 1514 - Potpourri pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, deux hautbois, deux cors, alto et basse. Steup, Amsterdam 1821 - Potpourri pour la flüte avec accompagnement de pianoforte. Steup, Amsterdam z.j. - Sonate pour Ie pianoforte avec accompagnement d'un violon. Nolting, Amsterdam z.j. - Marche pour la flüte de St. Jean (voor piano). Steup, Amsterdam z.j. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Liederen, uitgegeven bijf.B. Nolting te Amsterdam Alle in druk aanwezig in GM; de nrs. 28 en 30 tevens bij TA, de nrs. 33 en 48 in FA Röhner 28 L'Absence uitgave nr. 239 29 L'Attente 240 30 Corine a Oswald 241 31 Mon dernier mot... si! 242 32 La pensee 248 33 Mesadieux 249 35 Un jour dans unegrotte obscure 253 36 Regrets d'une mère sur la mort de son jeune enfant 254 37 Atoi 255 38 Souvenir 256 39 Amalyre 257 40 La malheureuse 258 2 Verlangen 265 (1819) 43 L'amitié 267 44 Le vaucluse 268 45 Que Ie jour me dure 269 46 Les quatres saisons 270 48 L'enseignement mutuel 280 48 Ma philosophie 287 4 Abendlied (tekst van Cramer, opgedragen aan G.W. Röhner) 289 5 Minnesold 290 6 DieErscheinung 291 Liederen, uitgegeven bij anderen Alle aanwezig in GM; 'Fanny' tevens bij TA, UBA en POM - Aan Nederland (volkslied, tekst L. Rietberg). Steup, Amsterdam z.j. - Wiegenlied. Vermaazen, Amsterdam z.j. - Fanny (liederencyclus, tekst Rhijnvis Feith). Allart, Amsterdam 1808 Overige vocale muziek De eerste drie werken aanwezig bij TA; 'Het Onweder' in afschrift in RAO; de cantate 'De verlossing van Nederland' in bibliotheek KNAW; de opera 'Het kleine Duimpje' in UBA; van de overige werken slechts vermeldingen aangetroffen - Het Onweder, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, 1806. In 1827 in Duitstalige versie 'Das Ungewitter' in Freiburg opgevoerd. - Missa no. 1. Handschrift (niet van Röhner) z.j., afkomstig uit de Mozes en Aaronkerk te Amsterdam. - Missa no. 3. Handschrift, 1847, herkomst als no. 1. - De verlossing van Nederland, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, ca. 1819. - De Storm of het betooverde eiland. Opera, 1805. Vermeld in ZC; in 1826 in Duitstalige versie 'Der Sturm' in Freiburg opgevoerd. - Meifort en Clare. Opera, tekst Rhijnvis Feith, 1810. Vermeld in ZC. - Het kleine Duimpje en de reus Fayel. Opera op tekst van Hendrik Kraijenstein, 1814. Vermeld in ZC. Diversen Aanwezig in POM, afdeling documenten - Gedichte von Joh. Ca. Röhner. Autograaf, met tekeningen van A. Bergman, Zwolle 1802 Aanwezig in FA Röhner 13 - Muzijkaal Zak-Woordenboek, bevattende eene beknopte verklaring en beschrijving der voornaamste, thans bij de vocale en instrumentale toonkunst in gebruik zijnde, kunsttermen en instrumenten. Dirk van Stegeren, Zwolle 1820. Afkortingen: KNAW Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam TA Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam UBA Universiteitsbibliotheek, Amsterdam GM Haags Gemeentemuseum, Den Haag FA Familie-archief Röhner, Utrecht RAO Rijksarchief Overijssel, Zwolle RAU Rijksarchief in Utrecht, Utrecht POM Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle ZC Zwolsche Courant (aanwezig in Gemeentearchief Zwolle en Rijksarchief in Overijssel, Zwolle) restant bijschrift pagina 22: a. Begin van het eerste koor. c. Partij voor altstem, blijkens het opschrift gezongen door 'juffrouw Ramaer' (mogelijk familie van een in Zwolle woonachtige arts). ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Zwolse fraters/3 Aafje Lem Op deze manier komt de naam voor in een charter van 2 mei 1415: Gherardus Vollenhoe. De geschiedenis van de moderne devotie in Zwolle is ons onder meer in de kroniek van het Zwolse fraterhuis overgeleverd. ' De periode van bijna een eeuw die volgt op de stichting van het Zwolse huis rond 1384, wordt in deze kroniek uitgebreid beschreven, met als leidraad de levensgeschiedenissen (vitae) van de in die tijd in het huis verblijvende fraters. Sommige van deze fraters zijn slechts in een enkele zin of korte paragraaf vertegenwoordigd in de kroniek; andere hebben door hun levenslange toewijding een stempel gedrukt op de geschiedenis van het huis. In de beide voorgaande artikeltjes over de Zwolse fraters 2 is steeds sprake geweest van fraters en andere personen uit die eerste groep: mannen die slechts zijdelings hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het fraterhuis: Tilmannus Honf bijvoorbeeld, die een groot deel van zijn leven niet in het Zwolse, maar in het Harderwijkse fraterhuis heeft doorbracht; Wessel Gansfort, die nooit deel heeft uitgemaakt van het fraterhuis, maar door zijn karakter en levenswijze een stempel heeft gedrukt op de periode waarin hij leefde en de mensen die met hem in contact kwamen. Daarnaast zijn er de fraters uit de tweede groep: zij duiken in allerlei verhalen in de kroniek telkens weer op. Gedurende tientallen jaren verrichtten zij vele functies zowel in als buiten het fraterhuis en hebben zo diens geschiedenis mede bepaald. Een van deze fraters is al eens kort ter sprake geweest, maar zijn leven verdient meer dan een terloopse vermelding. Het gaat om Gerardus (Gheert) van Vollenhoe, die in de ruim 40 jaar dat hij deel uitmaakte van de communiteit, zijn sporen heeft nagelaten. Gerardus bezocht eerst de Zwolse school. Zijn schooltijd moet gevallen zijn aan het begin van de vijftiende eeuw, want toen er in 1415 statuten werden gemaakt voor het fraterhuis, was hij al toegetreden tot de broederschap; uit de stukken blijkt dat hij een van de medebepalers van deze huisregels was.3 Aan het eind van het j

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 1

Door | 2002, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Honderd jaar
Zwolse interieurs
19e jaargang 2002 nummer 1 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
(Collectie HCO)
Ansichtkaart Zwolland
Poststempel 8 januari 1930
‘In haast.
Lieve Lien, Juist toen ik de brief aan jou gepost had,
vond ik thuis je briefkaart, waarvoor hartelijk dank.
‘k Zal zorgen present te zijn om je intocht hier mee te
maken, ‘k Vind ’t heel prettig [dat] je komt en ook
m’n ouders hopen je gauw te zien. Watje bezorgdheid
voor vervoermiddel betreft is in orde, we hebben
een geregelde busdienst. Volgende week wordt hier
de brug geopend en begint voor ’t eerst hier ’t klokkenspel
te spelen, ’t Lijkt me bar leuk, ‘k zit bijna
onder de toren, dus hooren kan ik ’t wel. Misschien
komt er nog wel een feest hier. Adieu Lien tot zondag.
Hart. gr. aan je ouders en jij een z. v. Stien.’
Op 2 oktober 2001 verbleven kroonprins Willem-
Alexander en Maxima tijdens hun bezoek aan
Overijssel enige uren in Zwolle. In september 1928
was de koninklijke familie hier ook. Koningin
Wilhelmina, prins Hendrik en prinses Juliana
brachten toen een bezoek aan de grote provinciale
landbouwtentoonstelling ‘Zwolland’. Op de kaart
wordt de koningin welkom geheten.
De ansicht is verzonden door Stien Eelsingh
(1903-1964), de schilderes, aan Lien Heerma van
Voss. Lien en Stien waren op dat moment allebei
met een jongen Stroink verloofd, de broers Fokko
en Herbert. Lien trouwde ook daadwerkelijk met
Fokko; Stien zou haar verloving een paar jaar later
verbreken. Stiens vader was hoffotograaf – vandaar
deze kaart?- en had een zaak in de Kamperstraat.
Stien had zelf een atelier aan de Ossenmarkt,
dus inderdaad bijna onder de Peperbus.
Het carillon werd gefinancierd met geld dat was
overgebleven na de bouw van de (eerste) IJsselbrug,
die op 15 januari 1930 werd geopend. Het
carillon zou uiteindelijk pas op 10 april 1931 voor
het eerst zijn klanken over de stad uitstorten.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt het eerste nummer van de negentiende
jaargang van het Zwols Historisch Tijdschrift. Na
ruim tien jaar vonden bestuur en redactie het tijd
om het tijdschrift in een nieuw jasje te steken. De
oproep om te komen tot een logo voor de Zwolse
Historische Vereniging is daartoe indirect de aanleiding
geweest; bestuurslid Miriam Schneiders
licht dit verder toe.
De Open Monumentendag 2001 had als thema
‘Wonen’. De fototentoonstelling die de Zwolse
Historische Vereniging in dit kader in september
2001 in de Grote Kerk organiseerde, bood zoveel
moois dat de redactie besloot om een selectie hieruit
te publiceren in het tijdschrift. De foto’s worden
van commentaar voorzien door Jeanine Otten
en Dirk Baaiman. Niet als voyeurs, kijkend naar
‘het bankstel van Mien en haar dressoir met plastic
rozen’ (Sonneveld), maar als deskundigen
geven zij in twee artikelen tekst en uitleg bij diverse
Zwolse interieurs. Het zal de lezer wellicht doen
besluiten bij een komende opruimwoede wat
terughoudender te zijn.
De ansicht en het Zwolse glazenmakersgilde
hebben iets gemeenschappelijks. Niet alleen is een
van de auteurs bij beide artikelen betrokken, er is
beide keren sprake van een schilder. Adrianus
Hulsbergen penseelde zichzelf en de overige leden
van het glazenmakersgilde in 1807, terwijl de
bekende Zwolse schilderes Stien Eelsingh in 1930
de afgedrukte ansichtkaart verstuurde. Wie de
‘mystery guest’ met de hoge zwarte hoed op het
schilderij van Hulsbergen zou kunnen zijn, wordt
ragfijn ontrafeld. Het tijdschrift besluit met een
tweetal boekbesprekingen.
De mededelingen van het bestuur worden zeer
ter lezing aanbevolen, want er vallen binnenkort
weer fraaie prijzen te winnen. Hou in elk geval de
Zwolse Courant van 27 april aanstaande en de
website van de Zwolse Historische Vereniging in
de gaten! Veel leesplezier.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 2
Nieuw omslag Zwols Historisch Tijdschrift Miriam Schneiders 4
Honderd jaar Zwolse wooninterieurs Jeanine Otten 5
Zwolse interieurs nader bekeken Dirk Baaiman 14
Het Zwolse glazenmakersgilde in 1807
Wim Huijsmans, Otto Schutte, Jean Streng 24
Boekbesprekingen 28
Mededelingen 33
Auteurs 34
Omslag: Studeerkamer van Anna Maria van Gilse, Thorbeckegracht 28,
ca. 1910 -1915 (foto P.H.G. van Gilse, collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Nieuw omslag Zwols Historisch Tijdschrift
Miriam Schneiders Vermoedelijk is het u direct opgevallen: het
Zwols Historisch Tijdschrift heeft een
nieuw jasje. Alleen de omslag is veranderd,
u zult de gebruikelijke rubrieken in de vertrouwde
lay-out aantreffen.
De indirecte aanleiding tot deze verandering
was de oproep tot deelname aan een prijsvraag
van drie jaar geleden. Gevraagd werd een logo te
ontwerpen, waarin het karakter van zowel de
Zwolse Historische Vereniging als de stad Zwolle
duidelijk herkenbaar naar voren zou komen. Een
jury, samengesteld uit leden van het bestuur en de
redactie bijgestaan door deskundige externe adviseurs,
zou uit de binnengekomen inzendingen een
keuze maken. Goede en minder goede ontwerpen
werden beoordeeld. Toch besloot de jury geen van
de inzendingen te honoreren. De plannen lagen
vervolgens stil tot we vorig jaar contact hebben
opgenomen met Ontwerpburo Thijs Verster
(sinds 1 januari 2002 bekend onder de nieuwe
naam Buro 1 Hoog). We kwamen bij Thijs Verster
terecht omdat hij de ontwerper bleek te zijn van
het opmerkelijke silhouet van de stad Zwolle, aangebracht
op de gele omleidingsborden die bij gelegenheid
in de stad – de laatste jaren dus veelvuldig
– geplaatst worden. Thijs had er geen moeite mee
dit ontwerp af te staan aan onze vereniging. Het
siert nu het briefpapier van de Zwolse Historische
Vereniging. Verster was tevens bereid het silhouet
zo aan te passen dat het geschikt was voor de
omslag van het Zwols Historisch Tijdschrift. In
het silhouet zijn ondermeer duidelijk herkenbaar
de IJsselspoorbrug, de Mastenbroekerbrug, de
Peperbustoren, het stadhuis, de Sassenpoort en
molen de Passiebloem. We zijn het tegenwoordige
Buro 1 Hoog zeer erkentelijk voor het gebruik van
dit silhouet. Onze vaste opmaker Ger Bomans van
Different Design Deventer heeft de verdere uitwerking
ter hand genomen. Het resultaat is een
verrassende vormgeving waarmee we het jaar
2002 starten en waarvan we hopen dat u er net zo
tevreden mee bent als wij.
Silhouet van de omslag
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Honderd jaar Zwolse wooninterieurs
De Open Monumentendag in het weekend
van 8 en 9 september 2001, speelde zich af
rond het thema wonen. Het thema had als
titel ‘Huis en haard: monumenten van het
wonen’. Aanleiding voor dit onderwerp was het
feit dat de Woningwet in 2001 honderd jaar
bestond. Tevens sloot de Open Monumentendag
aan bij de Manifestatie Historisch Interieur 2001,
een initiatief vanuit de rijksoverheid dat op grote
schaal aandacht vraagt voor het beheer en het
behoud van het historische wooninterieur.
In het kader van het thema ‘Huis en haard’
waren op Open Monumentendag 2001 in diverse
plaatsen veel soorten panden opengesteld die
gebouwd zijn om in te wonen, variërend van villa’s,
grachtenpanden en hofjes tot kloosters, weeshuizen
en woonboten. Soms waren het woningen
waar tevens gewerkt werd, bijvoorbeeld een boerderij,
een burgemeesterswoning of een ander
soort dienstwoning. In andere gevallen kon het
gaan om tijdelijk wonen zoals in een logement of
herberg, om buiten wonen, wonen in luxe, of
wonen in het groen. Arbeiderswoningen en sociale
woningbouw hadden eveneens een belangrijke
plaats in het thema.
Er zijn nog heel wat ongeschonden zestiendeen
zeventiende-eeuwse interieurs. Vooral in kastelen
en buitenverblijven is vaak eeuwenlang weinig
of niets aan de inrichting veranderd. Originele
negentiende-eeuwse interieurs van woonhuizen
zijn al moeilijker te vinden en huiskamers uit de
jaren dertig of vijftig van de twintigste eeuw al
helemaal. In Zwolle bestaat voor zover bekend één
ongeschonden kamer uit de jaren vijftig: een
kamertje in het Vrouwenhuis aan de Korte Kamperstraat.
Fototentoonstelling ‘Honderd jaar Zwolse wooninterieurs’
Juist foto’s van het gewone wooninterieur roepen
een tijdsbeeld op en kunnen een visie geven op
hoe mensen in een bepaalde tijd leven (of leefden).
Wie herinnert zich bijvoorbeeld niet de verschillende
trends in het wonen van de tweede helft
van de twintigste eeuw, zoals de niervormige bijzettafeltjes
en ‘Picasso’-gordijnen uit de jaren vijftig,
het nostalgische interieur met spulletjes uit
grootmoeders tijd uit de jaren zeventig of het
zakelijke interieur met chromen buisstoelen en
tafels uit de jaren negentig?
In mei 2001 vatte het bestuur van de Zwolse
Historische Vereniging (ZHV) daarom het plan
op om op Open Monumentendag 8 september
2001 in de Grote Kerk een tentoonstelling van
Zwolse wooninterieurs te organiseren. Door middel
van folders en oproepen in de Zwolse Courant
en huis-aan-huisbladen werden de inwoners van
Zwolle opgeroepen om vóór 1 augustus één of
meer foto’s van hun wooninterieur in te sturen.
Het mochten nieuwe maar ook oude foto’s zijn,
foto’s van woonkamers, keukens, eetkamers,
slaapkamers, studeerkamers, badkamers en kinderkamers.
Ongeveer 50 foto’s werden ingezonden.
Het Historisch Centrum Overijssel (HCO)
vulde deze aan met 30 foto’s uit eigen collectie.
Veiligheidshalve werden voor de tentoonstelling
in de Grote Kerk van alle foto’s digitale fotokopieën
gemaakt. Eigenlijk zou de expositie maar
één dag, namelijk alleen op Open Monumentendag,
te zien zijn, maar tot verrassing en blijdschap
van de ZHV en het HCO gaf de koster van de Grote
Kerk toestemming de expositie tot en met 7
oktober 2001 te laten duren.
Jeanine Otten
De 80 foto’s op de tentoonstelling gaven een beeld
van de inrichting van Zwolse woningen in de afgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lopen honderd jaar. Foto’s uit 1916-1918 toonden
het interieur van Naftali Herman Frank, de eerste
chirurg in Zwolle, wonend op Eekwal 31 (nu het
makelaarskantoor De Graaf Van Vilsteren BV); de
jongste uit juli 2001 lieten de inrichting van twee
studentenkamers zien. Bijzonder waren twee
series foto’s: één uit 1956 van elk vertrek van een
woonhuis in de Lijsterbesstraat, bedoeld om een
tante in Venezuela op de hoogte te stellen van de
inrichting van de nieuwe woning (zie het artikel
van Dirk Baaiman), en één van een interieur aan
de Herenweg 14, dat zowel in 1927 als in 2001 is
gefotografeerd: dezelfde meubels staan nog op
dezelfde plaats, de huidige bewoner is de kleindochter
van degene die in 1927 zowel het huis als
de meubels heeft ontworpen. In het hiernavolgende
zullen de interieurfoto’s van Eekwal 31 uit 1916-
1918, van Herenweg 14 uit 1927-2001 en Thorbeckegracht
28 uit 1915 nader toegelicht worden.
Aanklachtfoto’s
Op de tentoonstelling waren vooral interieurfoto’s
van de ‘gegoede en gewone burgerij’ te zien.
Deze had vanaf het begin van de twintigste eeuw
geld om foto’s van het interieur te laten maken of
om zelf over een fotocamera te beschikken. Toch
zijn interieurfoto’s over het algemeen zeldzaam.
Dit is ook de reden waarom vooroorlogse interieurfoto’s
van arbeiderswoningen zeer weinig op
de tentoonstelling te zien waren en foto’s van het
interieur van krotwoningen geheel ontbraken.
Anders dan in sommige andere steden in Nederland
zijn in Zwolle in het verleden geen ‘aanklachtfoto’s’
gemaakt van het interieur van onbewoonbare
sloppen en kelderwoningen. In dit verband
is het opmerkelijk dat C.J.J. Schaepman,
directeur van de Zwolse azijn- en kaarsenfabriek
‘De Ster’ en medeoprichter van de Zwolse Amateurfotografen
Vereniging, in de jaren 1925-1935
een serie foto’s heeft gemaakt van ellendige woonomstandigheden.
Schaepman fotografeerde
(krot)woningen in het Achterom, op het Eiland,
aan het Klein Grachtje en de houten noodwoningen
aan de Vermeerstraat, met als contrast de pas
verrezen nieuwbouwprojecten van de gemeente
Zwolle, van Zwolse woningbouwverenigingen als
Openbaar Belang, Beter Wonen, Providentia,
Sint-Joseph, de Algemene Zwolse Coöperatieve
Woningbouwvereniging en van particulieren. In
die jaren werd in Zwolle hard gewerkt aan de verbetering
van de volkshuisvesting door het afbreken
van krotwoningen en het bouwen van woningen
voor minder draagkrachtigen. Of de foto’s
van Schaepman van onbewoonbare woningen als
‘aanklachtfoto’s’ zijn bedoeld, of dat Schaepman
datgene wilde vastleggen wat verdwijnen zou, is
helaas niet bekend.
Eekwal 31, omstreeks 1916-1918
Van ongeveer 1898 tot 1920 woonde Naftali Herman
Frank (geboren Veendam 2 mei 1860, overleden
Montreux na 1920) op Eekwal 31. Naftali was
de eerste chirurg in Zwolle. Hij was gehuwd met
Charlotte Sara Spanjaard (geboren 1869), het
echtpaar kreeg drie dochters: Dina Henriëtte
(geboren 3 april 1891, overleden 1 september 1900),
Lenie (geboren 31 januari 1893) die na haar huwelijk
in 1914 naar Boekarest verhuisde, en Dora
Hermanna Charlotte (geboren 18 augustus 1901).
Afbeelding 1: foto voorzijde Eekwal 31. Het huis
zelf is een prachtig voorbeeld van de negen tiendeeeuwse
villabouw langs de Zwolse stadsgracht.
Nadat Zwolle vanaf 1790 niet langer vestingstad
was, werden de stadspoorten in de loop van de
negentiende eeuw afgebroken, de stadsmuren
geslecht en de bolwerken ‘omgetoverd’ in ‘stadswandelingen’.
Langs de stadsgracht verrezen
imposante stadsvilla’s voor notabelen. Bij de verbreding
van de weg in 1918 sneuvelden de bomen
en kwam de weg vlak langs Eekwal 31 te liggen.
Afbeelding 2: foto studeerkamer. In de boekenkast
staan behalve boeken twee portretfotootjes en
een langwerpige groepsfoto met heel veel heren
(waarschijnlijk medici op een NMG-congres).
Tegen de planken van de boekenkast zijn met
meubelnagels strookjes textiel gespijkerd, zodat er
niet te veel stof op de boeken komt. Rechts naast
de boekenkast een groot olieverfschilderij met een
figuur met een kelk (?) in zijn handen. Onder het
schilderij is een met een motief bedrukte wandbespanning
te zien. Twee leren fauteuils en een klein
rond tafeltje waarop een bosje narcissen en asbakken
met een doosje zwaluw-lucifers staan klaar
voor de rokers. De kolenkachel wordt afgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 1: voorzijde
Eekwal^i, omstreeks
1917 (particuliere collectie)
Afbeelding 2: studeerkamer
Eekwal 31,
omstreeks 1917 (particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeeldingy. damessalon
Eekw al 31,
omstreeks 191J (particuliere
collectie)
Afbeelding 4: serre
Eekwal^i, omstreeks
1917 (particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
schermd door een in het midden scharnierend
tweedelig haardscherm met glazen panelen. Erop
staat een waterketel. Boven de schouw hangt een
spiegel, op de schouw staan een klok, twee kandelaars
en een viertal portretfotootjes.
Afbeelding3: foto damessalon. Gordijnen markeren
de overgang naar de salon en de serre. Links
in de hoek staat een piano waarop portretfotootjes
en een vaasje met tulpen staan. Vijf fauteuils en
een stoel staan in een cirkel opgesteld. In het midden
staat een rond tafeltje op ranke pootjes. Erop
staat een klein bloemenvaasje op een kleedje en
een doosje. Rechts bevindt zich een venster. In de
toegang naar de serre hangen vitrages. Op de achtergrond
zien we door de vensters van de serre een
schip in de stadsgracht met daarachter de schoorpalen
voor het vee op de Beestenmarkt (nu Harm
Smeengekade).
Afbeelding 4: foto serre. De foto’s van de
damessalon en de serre zijn op dezelfde dag genomen.
Dat is te zien aan dezelfde vaas met tulpen
die zowel op de piano in de salon als op het tafeltje
in de serre figureert. De inrichting van de serre
doet exotisch aan door de jaloezieën, de vier rotan
stoelen en de elektrische bamboe hanglamp.
Rechts in het hoekje staat een piëdestal met een
elektrische tafellamp, het snoer is om de voet
gewikkeld (in 1916 kreeg Zwolle elektriciteit).
Over het ronde tafeltje in het midden ligt een
gebatikt kleedje, erop staan de al genoemde vaas
met een bos tulpen, een asbak en een waaier.
Herenweg 14 in 1927 en in 2001
Afbeeldingen 5, 6, 7, en 8: op de foto’s zien we de
inrichting van Herenweg 14 in 1927 en in 2001.
Zeer bijzonder aan de inrichting is dat meubels uit
1927 in de zakelijke stijl van de Amsterdamse
School bewaard zijn gebleven en in het huidige
interieur zijn opgenomen. Het zijn strak vormgegeven
fauteuils, een in die tijd als modern geldend
dressoir, een theetafel, een eetkamertafel en eetkamerstoelen,
alles in zwart gebeitst eikenhout. De
geglazuurde wandtegels in de woonkamer zijn
gemêleerd bordeauxrood en mosgroen. Opval-
Afbeelding 5: zitkamer
Herenweg 14,1927 (particuliere
collectie)
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 6: eetkamer
Herenweg 14,1927 (particuliere
collectie)
Afbeelding 7: eetkamer
Herenweg 14, 2001 (par- l£*
ticuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
lend is dat de traditionele schouw heeft plaats
gemaakt voor twee uitspringende hoeken, belegd
met een dik houten blad. Boven het dressoir zien
we een glazen doorgeefluik. Het doorgeefluikje
tussen keuken en woon/eetkamer bestond al in de
negentiende eeuw, maar werd pas na de Tweede
Wereldoorlog standaard in woningen ingebouwd,
totdat het met de komst van de open keuken als
een symbool van ouderwetse burgerlijkheid weer
verdween. Zowel woning als meubels zijn ontworpen
door de eerste bewoner van het huis, Dirk
Hartzuiker (geboren Zwolle 2 oktober 1898, overleden
Zwolle 31 juli 1982).
Dirk Hartzuiker was aanvankelijk kantoorbediende,
maar vertrok in januari 1917 naar Utrecht
om daar een studie bouwkunde te volgen. In
november 1918 keerde hij weer terug in Zwolle. Hij
werd bouwkundig tekenaar bij de gemeente Zwolle
en klom op tot chef tekenkamer. In Zwolle
werkte hij onder de stadsarchitecten Lourens
Krook, Jan Gerko Wiebenga en W.B.M. Beumer.
Halverwege de jaren zestig ging hij met pensioen.
Hartzuiker ontwierp in 1921 een dubbel woonhuis
aan het begin van de Herenweg, in april 1926
ontwierp hij zijn eigen woonhuis Herenweg 14:
een vrijstaande woning met twee bouwlagen
onder een schilddak, met een gedeeltelijk gepotdekselde
voorgevel (zie bouwtekening afbeelding
9). Het huis heeft drie opvallende schoorstenen en
een loggia in de linkerzijgevel.
Op 26 april 1927 trouwde Hartzuiker met
Egberdina van der Gronde. Aanvankelijk woonde
het echtpaar op Herenweg 2. Nadat de bouw voltooid
was, verhuisden ze naar Herenweg 14. Bij
Afbeelding 8: zitkamer
Herenweg 14, 2001 (particuliere
collectie)
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 9: bouwtekening
Herenweg 14 (collectie
HCO)
Herenweg 14 hoort ook het door Hartzuiker in
1926 ontworpen bijgebouwtje (afbeelding 10). Dit
bijgebouwtje was bedoeld voor de smederij van
zijn schoonvader Van der Gronde, die na het
huwelijk bij het echtpaar Hartzuiker-van der
Gronde inwoonde. Van deze smederij is nu nog
alleen de blaasbalg aanwezig. Naast zijn bouwkundige
werk maakte hij tussen de jaren dertig en
veertig een serie tekeningen en aquarellen van
gevelstenen in Zwolle (nu in de collectie van het
Afbeelding 10: bouwtekening
bijgebouwtje
Herenweg 14 (collectie
HCO)
Stedelijk Museum Zwolle), schilderde hij landschappen,
was hij lid van de Zwolse kunstenaarsvereniging
Het Palet en zat hij in het bestuur van
de Vrienden van de Stadskern. Herenweg 14 wordt
nu bewoond door een kleindochter van Dirk
Hartzuiker.
Bezoekster Grote Kerk herkent moeder op oude
foto’s
Op de eerste dag van de expositie, zaterdag 8 september
Open Monumentendag, vond er een aardig
voorval plaats. Een in Zwolle woonachtige
bezoekster, mevrouw A.H.P. Viehof-van Bolhuis,
herkende op oude foto’s uit ca. 1910 haar moeder,
Maria Anna van Gilse (zie voor deze foto het artikel
van Dirk Baaiman). Dat deze foto’s bewaard
zijn gebleven mag wel een wonder heten. De glasnegatieven
werden namelijk vorig jaar, samen met
nog wat paperassen, gered liggend op de rand van
een glasbak in Laren. De Larense kringloopwinkel
stond op het punt de glasnegatieven in de glasbak
te gooien, toen de heer B.W. Treijtel uit Ilpendam
toevallig langskwam en vroeg of hij ze mocht hebben.
Hij drukte ze uit nieuwsgierigheid af en zag
dat het om afbeeldingen van Zwolle ging. In juli
2001 schonk hij 30 glasnegatieven aan het Historisch
Centrum Overijssel. Uit documentatie blijkt
dat de foto’s tussen 1910 en 1915 zijn gemaakt door
de Amsterdamse arts Peter Heinrich Gerhard van
Gilse (geb. Leer, Duitsland, 1881). De glasnegatieven
zaten in de inboedel van één van zijn dochters,
die na haar overlijden bij een Larense kringloopwinkel
terechtkwam. Een aantal van deze geredde
foto’s was op de tentoonstelling in de Grote Kerk
te zien.
Thorbeckegracht 28, woonhuis familie Van Gilse,
1897 -1923
Op 28 november 1890 kwam Alexander Gerhard
van Gilse (geboren Amsterdam 1847) met zijn
echtgenote Henriette Johanne Brouër (geboren
Leer, Duitsland, 1858) en hun zoon Peter Heinrich
Gerhard van Gilse (geboren Leer, Duitsland, 31
mei 1881) vanuit Leer naar Zwolle. Op 18 december
1891 werd in Zwolle dochter Maria Anna geboren.
A.G. van Gilse was van 1890 tot 1923 werkzaam
als predikant van de Zwolse Doopsgezinde
Gemeente. Het gezin woonde aanvankelijk aan de
Schellerweg, van 1897 tot 1923 aan de Thorbeckegracht
28 (op de begane grond zit nu het Grenen
Meubel Centrum). Zoon P.H.G. van Gilse vertrok
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in september 1900 naar Amsterdam om medicijnen
te studeren. Op 30 juni 1910 trouwde hij,
inmiddels arts geworden, met de uit Haarlem
afkomstige Julie van West, eveneens arts. Tussen
1910 en 1915 maakte P.H.G. van Gilse in Zwolle een
serie opnamen in en om het ouderlijk huis Thorbeckegracht
28; van zijn vader in de woonkamer,
van zijn zuster Maria Anna aan de studie, van het
uitzicht op de pakhuizen aan de Waterstraat, van
een familie-uitstapje naar de Agnietenberg. Maria
Anna van Gilse vertrok in oktober 1910 naar
Utrecht om daar rechten te studeren. In november
1913 liet zij zich weer in Zwolle inschrijven. Op
14 december 1922 trouwde zij te Hilversum met
Evert van Bolhuis. A.G. van Gilse en zijn vrouw
verhuisden in juli 1923 naar Hilversum.
Afbeelding 11: woonkamer Thorbeckegracht
28, Alexander G. van Gilse zit aan een ronde tafel
op één poot. Erop ligt een tafelkleed met bladmotief.
Boven de tafel hangt een gaslamp. Voor de
schouw staat een bewerkte gietijzeren kachel.
Boven de schouw een rococo spiegel. Volgens
mededeling van mevrouw A.H.P. Viehof-van Bolhuis
kon deze spiegel opzij geschoven worden
waardoor een wandschildering met een pastoraal
landschap zichtbaar werd. In de hoek van de
kamer staat een grote kast, boven op de kast is een
beeldje zichtbaar. Op de vloer ligt parket, onder de
tafel ligt een wat versleten karpet. In de loop van
de tijd is er veel aan het interieur van Thorbeckegracht
28 verbouwd, de spiegel boven de schoorsteen
is verdwenen, maar de wandschildering is
nog intact.
Afbeelding 11: woonkamer Thorbeckegracht28, ca. 1910-1915 (foto: P.H.G. van
Gilse, collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse interieurs nader bekeken
Dirk Baaiman
Afbeelding 1: werkkamer
van advocaat en
procureur mr. dr. J.G.
Stenfert Kroese, Koestraat
10, ca. 1923 (collectie
HCO)
Als spin-off van de fototentoonstelling ‘100
jaar Zwolse wooninterieurs’, die van 8 september
tot 8 oktober 2001 in de Grote Kerk
te zien was, hield Dirk Baaiman op 28 september
2001 in het Zwols Historisch Café een korte presentatie
over Zwolse interieurs. Hij was daartoe
uitgenodigd door het bestuur van de Zwolse Historische
Vereniging. Baaiman selecteerde uit de
tentoonstelling veertien foto’s en vertelde aan het
verzamelde publiek wat hem als architectuurhistoricus
bij het bekijken was opgevallen. Het hiernavolgende
is een bewerking van zijn presentatie*.
Werkkamer van advocaat en procureur mr. dr.
J.G. Stenfert Kroese, Koestraat 10, circa 1923
Afbeelding 1: deze foto is heel fascinerend omdat
het interieur, in plaats van uit 1923, ook uit 1892
had kunnen dateren. Alleen de elektrische lamp,
de telefoon en het pak van de heer Stenfert Kroese
wijzen erop dat de foto van een latere datum dan
1892 moet zijn. De degelijkheid van het pak moet
een vorm van waardigheid oproepen, evenals het
bureau waarachter Stenfert Kroese zit. Het is een
bureau in de stijl van de Hollandse neorenaissance,
getimmerd in de jaren 1883-1886 toen deze stijl
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in Nederland in de mode was. De stoel waarop hij
zit, heeft gedraaide poten en past door zijn neozeventiende-
eeuwse stijl bij het bureau. Uit de verschillend
gedraaide poten blijkt dat de meubels
niet in één stijl zijn ontworpen. Het bureau is niet
gepolitoerd en gepolijst, maar bovenop ligt een
glasplaat, een innovatie, want toen het bureau
eind negentiende eeuw gemaakt werd, werd een
vloeiblad gebruikt om de oneffenheden van het
houten blad te maskeren. De telefoon is ook een
noviteit. Opmerkelijk is de draad ervan, die vanaf
het plafond naar beneden komt zakken. Stenfert
Kroese wilde de draad kennelijk niet over de vloer
hebben. De vloer is belegd met parket, met daaroverheen
een geknoopt tapijt. Aan de planken van
de boekenkast zijn met koperen spijkers stofstroken
bevestigd, een uitermate nuttige voorziening
(om te voorkomen dat stof zich op de boeken nestelt),
die iedereen nu echter lelijk vindt. De haard
in de kamer werd ’s zomers aan het gezicht onttrokken
door een gordijntje. In de kamer bevindt
zich nog een bijzondere houten stoel, naast het
bureau. In de rugleuning zijn de letters ‘IHS’
gegraveerd. De letters zijn een afkorting van ‘In
Hoc Signo’: een nieuwtestamentische term voor
het kruis van Christus: ‘In dit teken (zult gij overwinnen)’.
Dat betekent dat de stoel niet gemaakt is
voor de kamer van Stenfert Kroese, maar afkomstig
is uit bijvoorbeeld een kerk of een pastorie. De
fotograaf heeft voor de opname vermoedelijk in
de deuropening van de kamer gestaan, als het ware
in de positie van de bezoeker, in de as van de
kamer, net als het indrukwekkende bureau en
Stenfert Kroese zelf.
Interieur dokter Evert Klinkert, later dokter B.J.
Kam, Koestraat 22, omstreeks 1926 en in 1987
Afbeelding 2 toont de werkkamer van dokter Klinkert
omstreeks 1926. Elementen daaruit zijn de
vulkachel en de natuurstenen schoorsteen, rechts
staat een uit het derde kwart van de negentiende
eeuw daterende kolommenkast, met prachtige
Ionische kolommen, links een cilinderbureau uit
het midden van de negentiende eeuw of later.
Afbeelding 2: werkkamer
dokter Evert
Klinkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeeldingy. woonkamer
dokter Evert
KMnkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
Het is heel zeldzaam wanneer je over foto’s van
één en hetzelfde vertrek uit verschillende periodes
beschikt. Dit is het geval bij een aantal vertrekken
in Koestraat 22.
Afbeelding 3 toont de woonkamer omstreeks
1926. Links bevindt zich een buffetkast. Oorspronkelijk
was de buffetkast bedoeld om het eten op uit
te stallen, als het ware tentoon te stellen, voordat
het op tafel gezet werd. De buffetkast fungeerde
als een soort parkeerplaats tussen de keuken en de
tafel. In de kastjes boven en onder het buffet werden
het servies en andere tafelbenodigdheden
opgeborgen. Bij Klinkert heeft de buffetkast een
andere functie gekregen: het is een nutteloos
ornament geworden, een soort ‘bergkast’, waarop
familiefoto’s uitgestald kunnen worden. Bovenop
is een vijfdelig kaststel neergezet. In de vazen werd
misschien wel eens een bloemetje gezet, maar over
het algemeen werden de voorwerpen voor de sier
gekocht. Aan de wand bevindt zich een telefoon.
De kamerdeur is ongelukkig geplaatst: deze draait
de verkeerde kant op, het scharnier zit aan de
rechterkant en de deurknop zit in de hoek. De
deur moet helemaal opengeslagen worden voorbij
de buffetkast, voordat men de kamer kan betreden.
Onhandig.
Afbeelding 4 en 5 tonen de woonkamer in 1987:
in de jaren 1936-1937 zijn enkele vertrekken in
opdracht van Klinkert verbouwd door de meubelontwerper
en architect Gerrit Th. Rietveld (1888-
1964). In Zwolle staan twee werken van Rietveld:
het ene is het in 1957-1959 voor Schrale Beton ontworpen
pand Willemsvaart 21, dat momenteel
(2001) gerestaureerd wordt, het andere is Koestraat
22. De verbouwing door Rietveld van Koestraat
22 heeft vooral betrekking op interieuronderdelen.
Hij heeft geen grote verbouwingsingrepen
als muurdoorbraken uitgevoerd. Een interessant
onderdeel in het interieur (afbeelding 4) is de
losse kast aan de linkerkant, 2,55 meter lang, 55 cm
diep, 1,05 meter hoog (ik weet de maten zo precies,
omdat de kast bij mij thuis gestaan heeft). Bovenop
ligt een gegoten glasplaat van 2,5 cm dik, waarop
dokter Kam de familieportretten en kandelaars
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 4: woonkamer
dokter B.J. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
Afbeelding 5: woonkamer
dokter B.J. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 6: slaapkamer
dokter Evert
Klinkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
heeft neergezet. De schoorsteen, schouw en kachel
die zich oorspronkelijk in de woonkamer van
dokter Klinkert bevonden, zijn gesloopt. Tegen de
nu vlakke wand staat een negentiende-eeuwse
vitrinekast (afbeelding5). De stoelen aan weerszijden
dateren uit de achttiende eeuw. De deur is
blijven zitten en draait nog steeds de verkeerde
kant op.
Afbeelding 6: foto slaapkamer, 1926. Het litsjumeaux
(stel van twee gelijke éénpersoonsledikanten
naast elkaar) is, net als het bureau van
Stenfert Kroese, in Hollandse neorenaissancestijl
uitgevoerd, herkenbaar aan de diamantknoppen
en de frontonnetjes op het hoofdeinde van de beide
bedden. In de hoek van het plafond en de wand
is een kleine platte stuclijst te zien, die in het
behang op de strook en op het plafond met schildering
is aangevuld. De deur bevindt zich ongeveer
twee meter uit de hoek en staat open. Rechts
bevindt zich in de hoek, bijna onzichtbaar in het
behang, nog een tweede deur die toegang gaf tot
een alkoof. Opvallend is de ophanging van de
schilderijen vlak onder het plafond.
Afbeelding y. foto slaapkamer, 1987. Bij de verbouwing
heeft Rietveld de bijna onzichtbare deur
naar de alkoof zichtbaar gemaakt. Het is duidelijk
dat het hier om een dubbele wand gaat. Bij het
wegbreken van de voorwand is een nis ontstaan,
waarin het tweepersoonsbed staat. Voor de symmetrie
is aan de linkerkant van de nis een kast
gemaakt. Naast de slaapkamerdeur links staat een
boekenkast (niet door Rietveld, maar later, in
opdracht van dokter Kam, door een gewone timmerman
gemaakt) die precies in de hoogte en
breedte van het interieur past. De kachel is verdwenen.
Onder het blad van de schoorsteenmantel
staat een kastje dat dokter Kam op maat heeft
laten maken. Het kastje heeft precies de breedte
van de schoorsteen en maakt daardoor het gat van
de schoorsteen onzichtbaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De verbouwing van Koestraat 22 is uitgevoerd
in de zakelijke stijl van de jaren dertig. Rietveld
behoorde tot de ‘Stijl’-groep. De Stijl vermeed
principieel elke niet-nuttige vorm, er werd ruimte
geschapen door alles zoveel mogelijk open te houden.
De achtergevel van het pand Koestraat 22 is
door Rietveld nogal drastisch aangepakt. Oorspronkelijk
was het een prachtige gevel met drie
vensters en mooi lijstwerk. Rietveld verving deze
door stalen ramen in een vlak gestucte gevel. Dat
zouden we nu niet meer doen, maar omdat het
‘een Rietveld’ is, moeten we het toch maar laten
zitten.
Interieur Lijsterbesstraat 33,1956
De Lijsterbesstraat loopt van de Assendorperstraat
naar de Goudsbloemstraat. De woningen aan Lijsterbesstraat
– Goudsbloemstraat en Leliestraat
werden gebouwd in 1928 naar een ontwerp van
architect H.W.T. Schoenmaker. De woning Lijsterbesstraat
33 ligt in de hoek Lijsterbesstraat –
Goudsbloemstraat. De voordeur bevindt zich aan
de Lijsterbesstraat, terwijl de woon- en eetkamer
aan de Goudsbloemstraat gelegen zijn. Een verklaring
voor de vreemde indeling van de woning is
waarschijnlijk dat het oorspronkelijk een woonwinkelhuis
moest worden. Zo was de voordeur de
deur van een winkel, de hal was enorm groot, de
gang was zes meter lang en twee meter breed. De
foto’s zijn gemaakt voor een familielid in Venezuela,
om te laten zien hoe het interieur er uit zag in
de Lijsterbesstraat.
Afbeelding 8: moeder en dochter zitten een
beetje geposeerd voor de foto, met een tijdschriftje
in een fauteuil. Het portret van de dochter aan de
muur is geschilderd door een leerling van Stien
Eelsingh. Opvallend zijn de interieuronderdelen
die iedereen wel kent, zoals de worteldoek aan de
schoorsteen. Iedereen had vroeger zo’n doek aan
de muur. Het verwijderen van stof uit de plooien
was een moeilijk werkje. Daarom werd de doek
maar één keer per jaar van de muur genomen, om
uitgeklopt of gestofzuigd te worden. Andere
onderdelen zijn de televisie (heel nieuw in 1956!)
Afbeelding 7: slaapkamer
dokter BJ. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 8: zitkamer
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
Afbeelding 9: eetkamer
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
en de sanseveria. (Aan de sanseveria heb ik nog
persoonlijke herinneringen. In de jaren vijftig
woonde ik als kind op Curacao. Daar is de sanseveria
een onkruid, dat wel meters hoog kan worden
en met een kapmes verwijderd wordt. Toen
we weer in Nederland kwamen, zag ik bij mijn
oma dat dat onkruid hier als kamerplant in de
vensterbank stond).
Afbeelding 9: opmerkelijk is verder dat het een
kamer en suite betreft; de woonkamer en de eetkamer
worden gescheiden door schuifdeuren met
komgrepen en kasten met panelen. De bewoners
waren echter helemaal niet geïnteresseerd in een
kamer en suite, want de doorgang is volledig
gebarricadeerd door een kastje en een stoel. Interessant
is dat men in de volkswoningbouw zo’n
kamer ensuite maakte en zorgde dat de kamers
goed op elkaar betrokken werden, maar dat de
bewoners in het gebruik liever gewoon twee aparte
kamers wilden, omdat de eetkamer veel meer
een relatie met de keuken heeft dan met de zitkamer.
Afbeelding 10: keuken Lijsterbesstraat 33,1956.
De foto’s op de tentoonstelling gaven interessante
informatie over de ontwikkeling van de keuken.
Op de foto van de keuken in de Lijsterbesstraat
zien we een schouw. Dat betekent dat er een trekgat
is voor de afzuiging, er is geen ventilatiekap of
ventilator. Er staat een tweepits gasstel op een
plank boven een nis met een plank of spijlen om
wat op te bergen. Daarvoor is een praktisch gordijntje
bevestigd, iets wat we tegenwoordig niet
meer doen. Rechts is een aanrecht van granito, liggend
op keukenkastjes die, net zoals de bovenkastjes,
speciaal voor het project zijn gemaakt. De
seriegrootte van de keukenkastjes en de aanrechtkastjes
is de seriegrootte van de twintig woningen
die in 1928 aan de Lijsterbesstraat-Goudsbloemstraat-
Leliestraat werden gebouwd. Het zijn dus
geen standaardproducten, zoals we die tegenwoordig
bij bouwmarkten kopen. De granitowerker
kwam in de keuken om ter plekke het granito
aanrecht te maken. In die tijd was het heel
gewoon, maar wie tegenwoordig een granitowerker
in zijn keuken een aanrecht wil laten maken,
zit al gauw in de topklasse van de keukens.
Keuken in het Vrouwenhuis, jaren vijftig
Afbeelding 11: het eeuwenoude Vrouwenhuis, gelegen
aan de Melkmarkt, Korte Kamperstraat en
Voorstraat, bestaat uit een aaneenschakeling van
vertrekken en gangen. Dit keukentje is in de jaren
vijftig ingebouwd in een zitslaapkamer in het
Vrouwenhuis. Nu is het één van de stijlkamers:
Afbeelding 10: keuken
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding u: keuken in
het Vrouwenhuis,
Melkmarkt 53, jaren
vijftig (foto S. Zwiers,
collectie Vrouwenhuis)
Afbeelding 12 en 13: keuken
aan de Molenweg,
voor en na de renovatie,
ca. 1980 (collectie HCO)
het is een onvermoed origineel interieur uit de
jaren vijftig. De kamer werd in die jaren bewoond
door een oudere dame, de aanwezige meubels vertonen
niet de moderne stijl die Goed Wonen in
die jaren propageerde. Het keukentje is een
Bruynzeel keuken, een standaard product, met
standaard kastjes en een standaard aanrechtblad
dat niet van granito, maar van een soort cementplaat
of een bepaald betonachtig mengsel is
gemaakt. Deze platen werden pre-fab gemaakt en
in de ruimte op de kastjes gemonteerd.
Keuken aan de Molenweg, voor en na de renovatie,
circa 1980
Afbeelding 12: vóór de renovatie stond er een keuken
in de seriegrootte van de woningen die in de
jaren dertig aan de Molenweg werden gebouwd.
De keuken werd speciaal voor het project op maat
gemaakt, met een granito aanrechtblad dat ter
plekke werd gestort. De enkele kraan boven de
gootsteen getuigt nog van de tijd dat er alleen
koud stromend water was. In de planken vloer is
een luikje gemaakt. Verder had de keuken een
schouw met een natuurlijke trek.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 13: de kwaliteiten van zo’n ouderwetse
keuken worden duidelijk, als we deze vergelijken
met de standaard keuken na de renovatie.
Nieuw is de gasgeiser. Het roestvrijstalen aanrecht
is misschien wel praktisch, maar om het mooi te
houden moet je je een ongeluk poetsen. De volslagen
liefdeloosheid waarmee een leiding aan de
muur is bevestigd en waar men de rest van zijn
leven tegenaan moet kijken, spreekt van een
gewijzigde opvatting over ‘ambacht’.
Studeerkamer en slaapkamer van Maria Anna
van Gilse, Thorbeckegracht 28, circa 1910 -1915
Afbeeldingen 14 en 15: Maria Anna van Gilse, dochter
van een Zwolse doopsgezinde predikant, studeerde
van 1910-1913 rechten te Utrecht, kwam
daarna weer terug in Zwolle en woonde tot haar
huwelijk in 1922 bij haar ouders op de Thorbeckegracht
28 (zie ook het artikel van Jeanine Otten).
Haar broer Peter van Gilse fotografeerde haar studerend
achter haar bureau en in haar slaapkamer.
De eerste foto toont een studerende jonge
vrouw, modern gekleed, in een modern interieur.
Het bureau in de studeerkamer is door de sobere
decoratie omstreeks 1905-1906 te dateren. De uitvoering
staat in groot contrast met het bureau van
Stenfert Kroese uit het midden van de jaren tachtig
van de negentiende eeuw.
De foto van Maria Anna in haar slaapkamer
toont haar zittend op haar ledikant. Het ledikant
is strak vormgegeven en sober geornamenteerd,
met in de hoeken een motief bestaande uit een
paar lijnen. Dit motief komt ook voor op de wastafel
met marmeren blad, waarop een lampetkan
staat, op het handdoekenrek en op de kledingkast
die nog juist in de spiegel zichtbaar is. Opvallend
is verder de vloerbedekking in de studeerkamer en
de slaapkamer. In de slaapkamer ligt een kleed en
in de studeerkamer een (in die tijd heel moderne)
biezen mat.
* Bewerking door Jeanine Otten van bandopname
28 september 2001.
Afbeelding 14: studeerkamer
van Anna Maria
van Gilse, Thorbeckegracht
28, ca. 1910 -1915
(foto P.H.G. van Gilse,
collectie HCO)
Afbeelding 15: slaapkamer
van Anna Maria
van Gilse, Thorbeckegracht
28, ca. 1910 -1915
(foto P.H.G. van Gilse,
collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse glazenmakersgilde in 1807
Wim Huijsmans, Otto
Schutte, Jean Streng A;an het schilderij van Adrianus Hulsbergen
(1755-1827) waarop hij de leden, zichzelf
-incluis, van het Zwolse glazenmakersgilde
vastlegde, is reeds in diverse publicaties aandacht
besteed. Terecht, want het is een bijzonder schilderij.
Het is het enige groepsportret van Zwolse
middenstanders. De aanleiding was ook bijzonder:
het herstel van de gilden in 1807 nadat ze in
1798 waren opgeheven. In de praktijk hadden de
gilden in afwachting van nadere wetgeving trouwens
een sluimerend bestaan geleid. De heroprichting
was te danken aan de hier uit Frankrijk
gedropte koning Lodewijk Napoleon, die het overigens
goed met dit voor hem vreemde land en
zijn bewoners voor had.
Het Zwolse glazenmakersgilde in 180/, groepsportret door Adrianus van Hulsbergen; hij beeldde zichzelf af staand uiterst links. Tussen de
staande heren aan de rechterkant valt nog het restant van de hoge hoed te ontwaren van een ‘weggemoffelde’persoon. Uiterst rechts
staat, zonder hoed, een (onbekende) knecht. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De leden van het glazenmakersgilde schematisch weergegeven: 1. Johannes van Otten 2. Nicolaus terMeulen
3. Klaas Voskuil 4. Jan Bouwmeester 5. Matthijs Hoefman 6. Adrianus Hulsbergen 7. Johannes Vernhout
8. Leendert Parkementis 9. Evert Veenhuizen.
De gilden in het hele land waren over het herstel
van hun organisaties zeer te spreken, al waren
er in de nieuwe reglementen beperkingen opgenomen
die voorheen niet golden. Met groot enthousiasme
vatte men overal de onderbroken
continuïteit weer op. Het glazenmakersgilde vond
het herstel belangwekkend genoeg om het in een
collectief (zelf)portret vast te leggen. De gildeleden
keken daarbij niet op een vierkante centimeter:
het schilderij meet liefst 180 bij 235 centimeter.
De geportretteerden zitten of staan rond
een tafel met paperassen en ieder draagt een zelfde
deftige hoge hoed. Sommigen roken een lange
pijp. Alleen de knecht is zonder hoed, want waar
zou het zonder sociaal onderscheid met de wereld
heengaan? Duidelijke hoofdletters die het belangrijke
momentum eens benadrukken, bejubelen
het heugelijke feit:
GLAZEMAKERS GILD HERBOREN
DAT VERNIETIGD WAS TE VOREN
WEER HERSTELD IN ZYN GEHEEL
ADRIEANUS KUNST PENSEEL
SCHILDERT ACHTIENHONDERDZEVEN
DEZE LEDEN NAAR HET LEVEN
DIE ZOO ALS MEN EERTYDS PLAG
NU WEER HOUDEN GILDEDAG
Nieuw licht
Maar dit is allemaal bekend, waarom dit schilderij
dan toch opnieuw tot onderwerp van een
beschouwing gemaakt? Nader genealogisch
onderzoek door Otto Schutte bracht meer over de
afgebeelde leden van het gilde aan het licht. Wim
Huijsmans bekeek het schilderij kritisch en wist
een niet-afgebeeld of beter gezegd weggemoffeld
gildelid te identificeren.
26 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bovendien is inmiddels bekend dat Adrianus
Hulsbergen een stiefbroer had die ook kunstschilder
was, en wel in Friesland. Deze Christoffel
Frederik Franck werd te Zwolle op 4 mei 1755 in de
Lutherse kerk gedoopt. Hij was de zoon van
Christiaan Franck (Vrancke) en Hendrika van
Doesburg. Hendrika hertrouwde in 1772 met de
weduwnaar en timmerman Lambertus Hulsbergen,
de vader van Adrianus. Na de dood van
Christoffel in 1821 werd Adrianus de enige erfgenaam
van zijn nalatenschap. Adrianus ontving
schilderijen, tekeningen, prenten, een schildersezel,
een lessenaar, teken- en schildermateriaal,
een tabaksdoos, een dwarsfluit, een paar zilveren
broeksgespen en wat kleding. De schilderijen
betroffen afbeeldingen met landschappen, portretten,
een boerenkermis, een heremiet, de verrijzenis
van Christus, een Maria en een armoedig
gezin. Wat Adrianus met de schilderijen heeft
gedaan is onduidelijk, vermoedelijk heeft hij ze te
Zwolle verkocht.
De gildeleden
Op het schilderij van Hulsbergen staan de volgende
personen afgebeeld:
1. Johannes van Otten werd op 24 september
1747 in Zwolle gedoopt. Hij trouwde in Zwolle op
7 juni 1773 met Jantje Stolte en op 6 mei 1819
wederom in Zwolle met Aartje Nouland. Johannes
stierf in Zwolle op 1 juni 1832. Hij was verver en
glazenmakersbaas.
2. De rooms-katholieke Nicolaus ter Meulen
werd op 29 november 1740 in de statie van de Koestraat
gedoopt. Hij was de zoon van de molenaar
Johannes ter Meulen en Johanna Kops. Nicolaus
huwde twee maal in Zwolle. De eerste keer op 20
mei 1776 met Johanna Paschala Tidink en
opnieuw op 8 februari 1795 met Anna Maria van
Berkum. Zijn beroep was verver, glazenmakersbaas
en schilder. Nicolaus stierf op 21 juni 1816 in
Zwolle.
3. Op 27 september 1767 lieten de kleermaker
Arent Voskuil en zijn vrouw Lamberta Pasman in
de Grote Kerk hun zoontje Klaas dopen. Deze
Klaas zou als verversknecht beginnen om als verver,
glazenmaker en schilder zijn loopbaan te vervolgen.
Klaas maakte ook aquarellen; in het Stedelijk
Museum Zwolle wordt er een bewaard. Op 23
november 1789 huwde Klaas in Zwolle met Johanna
Weemhof. Hij stierf in zijn geboorteplaats op
28 juli 1842.
4. Jan, de zoon die de schilder Klaas Bouwmeester
en zijn vrouw Arentien van Arriën op 16
september 1756 lieten dopen, zou hetzelfde vak als
zijn vader kiezen. Jan verdiende gedurende zijn
leven de kost als verver en glazenmakersbaas. Op 8
augustus 1791 huwde hij in de Bethlehemse kerk
met Anna Gesiena van Engelen. Op 28 september
1813 stierf Jan in Zwolle.
5. Matthijs Hoefman werd op 30 mei 1765 in de
Grote Kerk gedoopt. Hij was de zoon van Jan
Hoefman en Willemina Stuul. Bij zijn huwelijk in
de Bethlehemse kerk met Jacoba Erdtsiek op 17
mei 1790 was hij nog verversknecht. Spoedig daarna
werd hij verver en glazenmakersbaas. Hij stierf
in Zwolle op 1 april 1821.
6. Het bekendste personage in dit groepsportret
is de reeds vaker genoemde Adrianus Hulsbergen,
de maker van dit schilderij. Hij werd in
Nijmegen gedoopt op 30 maart 1755 als zoon van
de timmerman Lambertus Hulsbergen en Berendina
van der Linde. Adrianus was aanvankelijk als
fijnschilder en meesterschilder lid van het schildersgilde,
maar na een verzoek aan de magistraat
mocht hij zich inschrijven in het glazenmakersgilde.
Hij meende als verver en glazenmakersbaas
beter voor zijn huishouding te kunnen zorgen.
Adrianus huwde driemaal. De eerste keer op 8
april 1776 in Zwolle met linnennaaister Ida Bouwman.
De tweede maal in het afgelegen Koekange
op 6 november 1791 met de dienstmeid Hendrikje
ten Oever of Oeven. Tenslotte huwde hij in Zwolle
op 16 oktober 1817 met de veel jongere Gesina Platel.
Zij was in 1788 als dochter van de looiersknecht
Simon Platel en Antonia Nieuwmeijer geboren.
Adrianus stierf op 31 mei 1827 als aanspreker. Gesina
overleefde haar man bijna vijftig jaar, zij stierf
in 1875.
7. Te Zwolle lieten Hendrik Jan Vernhout en
Rebekka van den Berg op 28 september 1749 hun
zoon Johannes dopen. Zijn leven lang was hij verver
en glazenmakersbaas. In Wezel huwde hij op
19 augustus 1781 met Geertruid Anthonetta
Rochel. Johannes stierf op 31 mei 1813 in Zwolle.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
8. Antonij, de bierdrager met de deftige achternaam
Parkementis liet op 29 mei 1768 zijn zoon
Leendert in de Broerenkerk dopen. Hij was volgens
het doopregister getrouwd met Jacoba van
Uunen, vermoedelijk een verschrijving want ze
komt als Jacoba van Neuringen in andere bronnen
voor. Leendert verdiende overigens niet met het
bewerken van lamsvellen zijn brood, maar als
schilder en glazenmaker. In de Grote Kerk huwde
hij op 11 mei 1794 met Zwaantje Hassink. Leendert
stierf in Zwolle op 15 mei 1837. Hij was toen de
echtgenoot van Johanna Gesina Weenink.
9. Op 21 juni 1806 werd Evert Veenhuizen
kleinburger van Zwolle. Hij was op 28 april 1776 in
Wijhe geboren als zoon van de schilder Jan Veenhuizen
en Angenis Voerman. In Zwolle zette Evert
het beroep van zijn vader voort. In dezelfde stad
huwde Evert op 25 mei 1806 met Petronella Broekhuizen
en stierf hij op 13 december 1849.
Weggemoffeld
Wanneer je het schilderij van het glazenmakersgilde
bekijkt, lijkt het net of er een persoon is verwijderd.
Een restant van zijn hoge zwarte hoed is nog
zichtbaar, en het is duidelijk dat de aanwezigheid
van een persoon op juist die plek het totaalbeeld
evenwichtiger zou maken.
Wat zou de reden kunnen zijn? Wie was dit
weggemoffelde gildelid?
De meest voor de hand liggende verklaring
zou kunnen zijn het overlijden van een glazenmaker
op het moment dat Adrianus aan het schilderij
werkte. Deze glazenmaker zou dan in 1807 gestorven
moeten zijn, omdat het schilderij in dat jaar
voltooid werd. Een archiefstuk met een opgave
van de glazenmakers en ververs uit het begin van
de negentiende eeuw is helaas niet bewaard gebleven.
Onderzoek in de begraafboeken had uitsluitsel
kunnen geven, maar leverde jammer genoeg
niets op omdat het beroep niet altijd vermeld
werd. Dankzij het kaartsysteem van het voormalige
Gemeentearchief Zwolle (inmiddels opgegaan
in het HCO) was het toch mogelijk verder te zoeken.
Dat kon door in de rubriek ‘hoedanigheden’
de fiches met ‘glazenmaker’ en ‘verver’ door te
nemen. Van hen zou er een voor december 1807
overleden moeten zijn om in aanmerking te
komen. Uit de periode rond 1800 leverde dat een
dertigtal namen van glazenmakers en ververs op.
Een van deze dertig personen zou dus in 1807
overleden moeten zijn.
Inderdaad was er in september 1807 ene Peter
van Santen overleden. Hij was 34 jaar oud en
woonde in de Smeden, zonder vermelding van
zijn beroep. Met grote waarschijnlijkheid is hij de
op het schilderij weggemoffelde persoon. De
opdrachtgevers wensten blijkbaar dat bij het herstel
van de gilden alleen de levende gildeleden op
het schilderij werden afgebeeld.
Peter van Santen werd op 11 juni 1773 katholiek
gedoopt in de statie in het Hoornsteegje als Petrus,
zoon van Jacob van Santen en Maria Fortuin. Hij
trouwde op 15 mei 1799 in Zwolle met Hendrica
Tentman, die op 29 mei 1805 overleed en in de
Broerenkerk werd begraven. Uit dit zesjarig huwelijk
ontsproten geen kinderen. Op 28 juli 1806
werd aan Peter – evenals aan de andere afgebeelde
personen – patent verleend om het beroep van
verver en glazenmaker uit te oefenen. Als baas of
meester betaalde hij daarvoor vier gulden. De glazen
makersknechten en verversknechten waren
voor dit patent een gulden kwijt. Slechts korte tijd
heeft hij van dit recht kunnen genieten. Hij overleed
op 4 september 1807 en werd vier dagen later
’s avonds om 10 uur in de Broerenkerk bij zijn
vrouw begraven. Voor het luiden van de klokken
betaalden zijn erfgenamen twee gulden en 16 stuivers,
waaruit een zekere gegoedheid valt af te leiden.
Bronnen en literatuur
Historisch Centrum Overijssel: de( generale index Zwolle
en het patentregister uit 1806.
E.A. van Dijk, ‘Hulsbergen, Adrianus (1755-1827) ku’fistschilder’,
in: Overijsselse biografieën 2, Meppel-Arn^
sterdam 1992,76-79.
E.A. van Dijk, Schilders in Zwolle, Zwolle 1993,34-35.
A. Meddens-van Borseen, ‘Christoffel Frederik Franck
(1755-1816). Een veelzijdig kunstschilder in Friesland’,
in: Fryslan 6 (2000), 22-25.
J.C. Streng, Vrijheid, gelijkheid, broederschap en gezelligheid.
Het Zwolse Sint Nicolaasgilde tijdens het ancien
régime, Hilversum 2001,157-178.
28 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boekbesprekingen
Hilde van Wijngaarden, Zorg voor de kost. Armenzorg,
arbeid en onderlinge hulp in Zwolle 1650 -1700.
Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam 2000.
ISBN 90 5333 9671- 346 pagina’s. Prijs ƒ 52,75.
De tekeningen van Gesina ter Borch en haar
broers of van Gerrit en Jan Grasdorp behoren tot
de bekendste beelden van het zeventiende-eeuwse
Zwolle. De levendige en realistische figuurtjes van
mannen, vrouwen en kinderen vormen scènes uit
het straatleven waarmee het stadsbeeld, dat we van
de topografische schilderijen en prenten zo goed
kennen, kan worden ingevuld. De ventsters, werklieden
en straatschoffies blijven echter naamloos;
het zijn tenslotte geen portretten.
Toch kunnen we sinds kort een veel beter idee
krijgen van het dagelijks geploeter van deze mensen
aan de arme kant van de Gouden Eeuw. Hilde
van Wijngaarden heeft ze dichterbij gebracht met
haar studie over de armenzorg, waarop ze vorig
jaar in Groningen promoveerde en waarvoor ze in
2000 terecht de Prijs voor de Zwolse Geschiedenis
ontving. Dat ze deze studie heeft kunnen uitvoeren
was behalve aan haar eigen motivatie te danken
aan twee factoren: de inpassing in een landelijk
onderzoeksproject en de aanwezigheid van
uniek archiefmateriaal. Het feit dat er in het Zwolse
gemeentearchief bedeeldenregisters, visitatiebcjeken
en registers van andere uitdelingen zoals
kleding en turf uit ongeveer dezelfde periode
bewaard zijn gebleven, maakte het mogelijk om
een groot aantal mensen gedurende langere tijd te
volgen.
Zwolle was in de tweede helft van de zeventiende
eeuw de grootste stad van Overijssel geworden
met 11 a 12.000 inwoners. Daarvan werd ongeveer
zes procent bedeeld, dat wil zeggen dat deze
min of meer structureel steun ontving van de
Stadsarmenkamer. Dit is in vergelijking met andere
steden tijdens de Republiek geen extreem hoog
aantal, waarbij overigens wel moet worden gezegd
dat de gegevens en de interpretatie ervan vaak heel
verschillend en vooral onzeker zijn. Zo rekenden
de Zwolse armbestuurders niet per huishouden –
alle mensen die in één huis woonden – maar per
gezin. Een moeder en een bij haar inwonende volwassen
dochter konden dus ieder afzonderlijk
steun ontvangen omdat zij ieder als ‘gezin’ werden
beschouwd. Hilde van Wijngaarden volgt deze
redenatie en komt zo, anders dan in veel vergelijkbare
studies, tot een realistischer beeld van de
zeventiende-eeuwse werkelijkheid.
Het boek is systematisch opgezet en volgt een
vrij strak schema. Dit heeft het grote voordeel, dat
de verschillende aspecten van de armenzorg helder
kunnen worden uiteengezet en dat op deze
manier ondanks het unieke materiaal toch een
vergelijking kan worden gemaakt met de situatie
in andere steden. Nadeel is, dat de mensen zelf wat
achter de theorie verborgen blijven, al raakt men
in de loop van het boek met sommigen van hen
wel enigszins vertrouwd. Nu en dan gunt de
schrijfster ons doorkijkjes a la Van Deursen in het
echte doen en laten van de hoofdpersonen, die
doen verlangen naar meer. Maar het schrijven van
een collectieve biografie was natuurlijk niet het
oogmerk van haar studie. Dat we ons nu een veel
diepgaander voorstelling kunnen maken van de
armenwoninkjes in de Broerentrans dan de
bekende tekening van Gerrit Grasdorp (afgebeeld
op p. 228) is tenslotte al geen geringe verdienste.
Zoals de titel al aangeeft, behandelt Hilde van
Wijngaarden drie aspecten van de armenzorg. Na
een heldere inleiding over armoede in het algemeen
en het dagelijks leven in het zeventiendeeeuwse
Zwolle gaat zij allereerst in op de organisatie
en het functioneren van de armenzorg. De
Stadsarmenkamer, gevestigd in de later afgebroZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ken verbinding tussen Bethlehemsekerk en Refter,
had in beginsel de zorg voor alle Zwollenaren die
beneden het bestaansminimum dreigden te
komen. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt
tussen officiële burgers en inwoners; een goede
reputatie, een langdurig verblijf en eventuele
vroegere verdiensten voor de stad waren belangrijker.
Er bestond ook toen waarschijnlijk al een
uitgebreide informele netwerkstructuur, waarvan
nu en dan sporen terug te vinden zijn in de beslissingen
over het al dan niet verlenen van steun.
Ook de religie speelde in beginsel geen rol. De
gereformeerde diaconie was bij de armenkamer
ondergebracht en lidmaten kregen vaak wel iets
extra’s. Maar aan de andere kant kon ook de voorspraak
van een pastoor van een van de schuilkerken
er toe leiden, dat een katholieke arme een uitkering
van de stad ontving.
Het tweede aspect dat aan de orde komt is dat
van de arbeid. Dit levert nu en dan zeer directe
confrontaties op met de echte strijd om het
bestaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kinderarbeid.
Vergelijking met de algemene situatie in de
zeventiende eeuw blijkt heel slecht mogelijk,
omdat de stelling dat de economie toen mede
door de inzet van kinderen draaiende werd
gehouden niet gebaseerd blijkt te zijn op diepgaand
onderzoek. Het gegeven, dat Zwolse ouders
hun kinderen bewust weghielden van het speciaal
voor hun opgerichte werkhuis (dat mede daardoor
mislukte), lijkt erop te wijzen dat deze
exploitatie niet zo vanzelfsprekend werd gevonden
als historici wel denken. Kijken we hier soms
teveel door een negentiende-eeuwse bril? Een
ander gemis in dit deel van Zorg voor de kost is dat
van een goede sociaal-economische beschrijving
van Zwolle in de vroegmoderne tijd. Zoals veel
schrijvers moet ook Hilde van Wijngaarden terugvallen
op de inmiddels sterk verouderde onderzoeksgegevens
van Slicher van Bath. Zo is haar
stelling op pagina 163, dat de linnenindustrie in
Zwolle en Kampen ‘van weinig betekenis was’ in
verhouding tot die in Twente onhoudbaar, en
wordt deze trouwens door haar eigen gegevens
over de aantallen beroepsbeoefenaren gelogenstraft.
Een ander interessant aspect is dat van de
knopenmakerij. Deze huisindustrie, die vooral
door (arme) kinderen werd uitgevoerd, had in
Zwolle een enorme omvang aangenomen en de
vraag hoe dit mogelijk was kan niet direct worden
beantwoord. Mijn idee is, dat deze net als het sterk
verbreide schoenmakersvak een direct gevolg is
van de Zwolse veehandel. Knopen werden immers
gemaakt van been. Wellicht kan de archeologie
ons daar meer over vertellen.
Het laatste deel van Hilde van Wijngaardens
studie is gewijd aan de onderlinge hulpverlening.
Deze kon plaatsvinden onder verwanten, tussen
buren, dankzij bekenden maar ook via de al eerder
genoemde, in de bronnen vrijwel ongrijpbare,
informele netwerken. Dat hierover toch iets
gezegd kan worden is een voorbeeld van inlevingsvermogen
maar ook van minutieuze wetenschappelijke
interpretatiekunst. Zorg voor de kost
is daarmee een fraaie tegenhanger geworden van
Zwolle in de Gouden Eeuw door Jean Streng en
Lydie van Dijk. De geschiedschrijving zal er wel bij
varen.
Frits David Zeiler
ï
Woningen in de Broerentrans,
doorGerrit
Grasdorp (collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Afbeelding uit besproken
boek.
30 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schnitgerorgel in de
Grote of Sint Michaé’lskerk.
Afbeelding uit
besproken boek.
J. Erdtsieck, M.P. Logtenberg en J.M. de Ruiter
(t), Koninklijke instrumenten rond de Peperbus.
Kampen (Stichting IJsselacademie) 2001.
ISBN 90-6697-132-0; prijs €20,40.
In de Hanzesteden Deventer, Kampen en Zwolle
kreeg de orgelbouwkunst in een vroeg stadium
een kans. Voor de orgelhistoricus zijn de oudste
archiefstukken over Zwolse orgels van groot
belang. Deze stukken hebben betrekking op de
Onze Lieve Vrouwe Kerk, de Grote of Sint
Michaëlskerk en de kloosterkerken.
Maarten Albert Vente, de eerste onderzoeker
in ons land die de orgelkunde op academisch
niveau beoefende, heeft velen gestimuleerd bij
orgelhistorisch onderzoek.1 Door zijn aanstelling
in 1958 als wetenschappelijk hoofdmedewerker
aan het Instituut voor Muziekwetenschap te
Utrecht werd het mogelijk de orgelkunst als verplicht
onderdeel in de studie van de muziekwetenschap
op te nemen. De laatste decennia zijn grote
vorderingen gemaakt op een terrein dat bij het
aantreden van Vente nagenoeg geheel braak lag.
Saillant detail is dat Vente kort voor zijn overlijden
kennis nam van de gewelfschilderingen in de
Broerenkerk, in het bijzonder de schildering die
het middeleeuwse orgel omlijstte.2 Van zijn hand
verscheen in 1971 het eerste boek van enige
omvang met beschouwingen over de Zwolse
orgelgeschiedenis.3 Recentelijk verscheen een
kloek boek onder de titel Koninklijke instrumenten
rond de Peperbus.
Dinsdagavond 11 december 2001 vond de presentatie
van dit boek plaats in de Grote of Sint
Michaëlskerk. Voor de muzikale omlijsting zorgde
organist Toon Hagen. De eerste twee exemplaren
werden uitgereikt aan de heer J. Berends, wethouder
van de gemeente Zwolle en aan de heer
J.M. Meulenkamp, directeur van Vestia Projectontwikkeling
BV.
In Koninklijke instrumenten worden de in de
Zwolse kerken, het conservatorium, de Isala klinieken
en het Zonnehuis aanwezige orgels
beschreven en middels een kleurenfoto afgebeeld.
Een hele klus, zeker als men zich realiseert dat het
fotograferen van orgels geen sinecure is wegens de
veelal ongunstige omstandigheden ter plaatse. Een
compliment verdient daarom M.J. Heilhof, want
hij is erin geslaagd met zijn kleurenfotografie een
substantieel aandeel te leveren in de aantrekkelijkheid
van het boek. Slechts een enkele foto is van
mindere kwaliteit (Bethlehemkerk, Broerenkerk,
Noorderkerk).
De ordening van de beschrijvingen vindt
plaats binnen vier tijdsperioden: orgels uit kerken
van voor de reformatie (6), kerken uit de periode
1600 tot 1900 (4), kerken uit de periode 1900 tot
195° (4) e n kerken uit de periode 1950 tot heden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(17); in totaal 31 orgels. Binnen de gehanteerde
perioden zijn de kerken alfabetisch op naam geordend
en het toeval wil dat in de eerste twee perioden
een chronologische reeks is ontstaan.
De gehanteerde systematiek bij het kopje
‘orgel’ voldoet niet. Men vergelijke Windesheim,
hervormde kerk, met de Onze-Lieve-Vrouwe ten
Hemelopnemingbasiliek. Het kerkgebouw van
het Apostolisch Genootschap aan de Pilotenlaan
bezit een orgel van Michael Maarschalkerweerd
uit 1993, aldus het kopje. Maar Maarschalkerweerd
leefde van 1838 tot 1915.
In het Vooraf (blz. 7) wordt gerefereerd aan de
encyclopedie Het historische orgel in Nederland.
De chronologische volgorde in deze encyclopedie
wordt strikt bepaald door de ouderdom van het
oorspronkelijke orgel, voor zover delen, inclusief
kas, resteren en in het huidige instrument zijn verwerkt.
Het eerste deel verscheen overigens twintig
jaar later dan Logtenberg ons wil doen geloven;
prins Claus ontving op 19 februari 1997 in de Dom
te Utrecht het eerste exemplaar.
Iedere orgelbeschrijving wordt voorafgegaan
door een korte geschiedenis van het kerkgebouw.
Waar nodig wordt het kerkgenootschap nader
belicht. Dit facet was bij J. Erdtsieck in vertrouwde
handen.
Voor wat de orgelhistorische aspecten betreft
volstaan we met enige op- en aanmerkingen, die
kunnen worden opgevat als zijnde illustratief voor
het geheel. Voor de orgels gebouwd tot 1840 kon
men te rade gaan bij de gedetailleerde dispositiegegevens
in de encyclopedie. In dit verband is het
merkwaardig dat alleen het eerste deel in de literatuurlijst
staat vermeld.
De volledige orgelgeschiedenis van de Grote
Kerk verdient een fraaie monografie. Met het
onderhavige werk dient men bereid te zijn concessies
te accepteren. In mindere mate speelt deze
overweging een rol bij de Bethlehemkerk, waar
met zevenmijls laarzen door de orgelgeschiedenis
van voor 1825 wordt gestapt op basis van een niet
authentieke bron uit 1965.
Bij de Lutherse kerk staat vermeld: ‘Het orgel
werd in 1788 gerenoveerd door Frans Caspar’.
Men leze: Frans Caspar Schnitger, die overigens in
1729 was overleden. Terecht kan worden tegengeworpen
dat in het kasboek bij de datum 17 juli 1786
wel degelijk melding wordt gemaakt van F.C.
Schnitger. We hebben hier te doen met Frans Caspar
Schnitger junior (1724-1799), die, zoals de jaartallen
laten zien, het vak niet van zijn vader heeft
geleerd: ‘aan d’orgelmaker F.C. Schnitger voor het
renoveren van het orgel ingevolge Resolutie van
de Groten Kerkenraad L.Q. (- luydt quitansie)
bet. ad. 130.-.’4
We zouden dit geen renovatie of restauratie
willen noemen maar een schoonmaakbeurt, eventueel
met herstel van kleine gebreken, waarover
Knock in 1788 berichtte.
Op dezelfde bladzijde 57 wordt een dispositie
uit 1926 vermeld, hoewel het Schnitger-orgel in
1917 was ingeruild voor een pneumatisch instrument
van Standaart. Opvallend is het dat de dispositie
vrijwel geheel overeenkomt met die van
Knock. Waarschijnlijk is hier sprake van een simpele
lees- en drukfout; in plaats van 1726 is zonder
bronvermelding abusievelijk 1926 overgenomen.
Bij de Sint Jozefkerk lezen we dat niet meer te
achterhalen is wie het orgel maakte. Het orgel is
afkomstig uit een Benedictinessenklooster te
Driebergen. Zonder voorbehoud kan het instrument
worden toegeschreven aan Friedrich Fleiter
(1836-1924), die in het jaar 1872 te Munster een
orgelmakerij oprichtte. Dit bedrijf bestaat tot op
de huidige dag. De spelling van de Duitse registernamen
zijn niet alle correct. Het is opmerkelijk
dat de dispositie geen enkele vulstem bezit. Fleiter
bouwde ook het orgel van het inmiddels gesloopte
klooster Bethlehem aan de Molenstraat te Oldenzaal,
in de volksmond aangeduid met het Duitse
klooster. Als gevolg van de politieke situatie waren
de zusters Benedictinessen in 1875 gedwongen hun
klooster in Osnabrück te verlaten. Zij zochten in
Tegelen, Driebergen en Oldenzaal veilige vestigingsplaatsen
voor nieuwe kloosters.
Verdwenen orgels zijn ten dele vermeld,
slechts voor zover zij bij de beschrijvingen van de
huidige instrumenten worden gememoreerd, terwijl
aan kabinet-, secrétaire- en andere huispijporgels
geen aandacht is geschonken. Terecht zijn
de instrumenten van de Ichtus-, Sions- en Stinskerk
niet opgenomen. Organisten zijn buiten
beeld gebleven.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De kassen zijn niet vergeten, maar de behandeling
is summier en beperkt zich doorgaans tot
het noemen van de

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 2

Door | 2002, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Terborchstraat 10
2 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
ZWOLLE, — hoek Statlonsw
en Van Nagelstraat
ÏD 51
{Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
Ansichtkaart hoek Stationweg en Van Nagellstraat
Poststempel 14 november 1911
‘Eerwaarde Broeder,
Uw brief hebben we Zaterdag in goede gezondheid
ontvangen en met genoegen gezien dat U het ook
goed maakt, maar druk. Nu zoo gaat het mij ook,
van den morgen tot de avond bezet. G. Meijnders is
Zaterdagavond nog een poosje hier geweest, hij is al
druk voor St. Nicolaas. Met den H.E. Heer Deken
aan het hoofd is hier een comité gevormd om Z.E.
Kardinaal v.Rosschum een huldeblijk aan te bieden.
Ook de Heeren Geestelijken uit Zw. geboren met de
Proost Deken Mulder van Wolvega hebben zooiets
op touw gezet.
Nu Heer broer de hartelijke groeten van Vader en
Moederen van Uw Zus Anna.’
Jarenlang was Wilhelmus Marinus van Rossum de
trots van katholiek Zwolle. Deze in 1854 geboren
Zwollenaar maakte een indrukwekkende kerkelijke
loopbaan met als bijzonder hoogtepunt de
benoeming tot kardinaal door paus Pius X in
november 1911. Deze eer was slechts twee Nederlanders
te beurt gevallen en de laatste keer was bijna
vier eeuwen geleden. In Zwolle werd deze
heuglijke benoeming onder meer gevierd met een
plechtig lof en een feestpredikatie in de Dominicanenkerk.
In de ansicht wordt, met verkeerd gespelde
naam van de kersverse kardinaal, aan de
voorbereiding van deze huldeblijken gerefereerd.
De genoemde geestelijke Mulder, proostdeken
van Wolvega, was een boerenzoon uit Wijthmen.
De Van Nagellstraat (met dubbel 1) was in het
begin van de twintigste eeuw een nieuwe straat, de
meeste huizen zijn er gesierd met fraaie Jugendstil-
tegeltableau’s. Het gebied waar de straat werd
aangelegd was voordien eigendom van de familie
Van Nagell.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
In deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift
speelt de negentiende eeuw een belangrijke
rol.
Maria Hansen beschrijft het korte leven van
een meisje ‘van stand’, Sophie van Haersolte.
Ondanks haar zwakke gezondheid nam zij deel
aan uitjes naar familie, en, juist ter verbetering van
haar gesteldheid, maakte zij reizen naar het buitenland.
Vader Johan Christiaan, lid van de Tweede
Kamer, liet niets achterwege om haar de beste
verzorging te geven. Het mocht niet baten: op 35-
jarige leeftijd werd zij op Bergklooster begraven.
Een van de fraaiste straten in Zwolle is de Terborchstraat.
Theo de Boer beschrijft het pand
waarin hij zelf tot voor kort woonde en als antiquaar
gevestigd was: Terborchstraat 10. Hij beschrijft
tevens het ontstaan van de straat. De succesvolle
architect Steven Trooster was verantwoordelijk
voor deze imposante villa, een ‘plaatje’
in de stijl van de neorenaissance. De Boer begon al
met het pand in oude luister te herstellen, de nieuwe
eigenaar, makelaar Chris van Beek, zal dit voltooien.
Jan ten Hove zet in zijn artikel uiteen hoe het
nieuwe standaardwerk over de Zwolse geschiedenis
opgezet wordt en hoe de vorderingen zijn. Hij
geeft nu al vast de feiten rond een paar Zwolse
eigenaardigheden weer, nl. de verklaring van de
Zwolse blauwvingers en, zoals hij het noemt, de
Hanzemythe. Het geeft aan hoe elke tijd de
geschiedenis gebruikt om de stad er zo voordelig
dan wel roemrijk mogelijk uit naar voren te laten
komen.
In december 2000 wilde Wim Coster informatie
over een dienstmakker van zijn opa. Wat zijn
oproep opleverde, kunt u in dit nummer lezen.
Feestelijkheden van katholiek Zwolle komen
aan bod bij de beschrijving van de ansichtkaart en
in de bespreking van het boek Carnaval in Zwolle.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een oubaas,
een bottendokter en een antiquaar Theo de Boer 40
Een nieuwe Geschiedenis van Zwolle Jan ten Hove 56
Een ‘redelyk zoet’meisje, Sophia Cornelia
baronesse van Haersolte, 1838-1873 Maria L. Hansen 62
Werd vervolgd: Een oude dienstmakker Wim Coster 73
Recent verschenen Marieke Schaap-Steegmans 75
Boekbesprekingen 77
Mededelingen 80
Auteurs 82
Omslag: Terborchstraat 10-12, een zeer rijk pand in neorenaissancestijl en het
enige in de Terborchstraat dat zowel van binnen (nr. 10) als van buiten nog veel
originele stijlelementen bevat. (Collectie HCO)
40 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een
oubaas, een bottendokter en een antiquaar
Theo de Boer
Plattegrond van Zwolle
uit de Atlas van Kun,
1845. Er is nog nauwelijks
sprake van bebouwing
buiten de stadsgracht.
De huidige Stationswijk
heette toen de
‘Landen achter de
Hoven’. Duidelijk valt
het hoornwerk te onderscheiden,
een verdedigingswerk
in de vorm
van een ‘M’, gelegen
waar nu de Van Karnebeekstraat,
de Zuiderkerkstraat
en de Zeven
Alleetjes lopen. (Particuliere
collectie)
In 1850 was Zwolle een kleine provinciestad. De
bebouwing bevond zich nog grotendeels binnen
de grachtengordel. Het kaartbeeld uit die
tijd verschilt maar weinig van de vroegste kaart
van Zwolle, rond 1560 getekend door Jacob van
Deventer. Al die tijd had het leven zich binnen de
grachten afgespeeld. Daarbuiten woonden alleen
boeren en tuinders.
De ‘uitleg’ van de stad begon rond 1860. Met
de aanleg van Assendorp werd een begin gemaakt.
Daartoe was al in 1861 de Sassenpoortenbrug verbeterd
door de bekende Zwolse aannemer B.H.
Trooster. Notabelen begonnen aan de overkant
van de stadsgracht, de huidige Van Roijensingel,
fraaie villa’s te bouwen. Omstreeks dezelfde tijd,
in 1864, kreeg Zwolle zijn station; toen nog een
houten gebouwtje bij de Willemsvaart, ver buiten
de bebouwde kom gelegen. Dit stationnetje bleek
al snel te klein. In 1868 verrees een nieuw emplacement,
gelegen op de huidige locatie en gebouwd
volgens de eisen van de hoogste bouwklasse van de
spoorwegen. De aanwezigheid van dit station gaf
een enorme impuls aan de ontwikkeling van de
daar in de buurt gelegen wijken. De Stationsstraat
werd na de gereedkoming van het station aangelegd
als eerste verbinding tussen station en het
stadshart. Straten waren daar verder nog nauwelijks:
van de Terborchstraat valt in deze tijd nog
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
niets te bespeuren. Enkele straten bestonden al
wel: de Zeven Alleetjes (welke indertijd een wandelplaats
was voor de binnenstadsbewoners,
beplant met zeven niet even lange rijen lindebomen);
de Deventer Dwarsstraat (de huidige Zuiderkerkstraat)
en de Achtersteeg (de huidige
Tuinstraat). De directe omgeving van de huidige
Terborchstraat heette Hertenkamp. De naam van
de huidige Hertenstraat is hier nog een verwijzing
naar. Het terrein ten zuiden van de gracht, de huidige
Stationswijk, heette oorspronkelijk de ‘Landen
achter de Hoven’, zoals op een kaart uit 1845 is
te zien. Duidelijk valt daarop het ‘hoornwerk’ te
onderscheiden, één van de twee voorwerken welke
Zwolle rijk is geweest. Een hoornwerk was een
zeventiende-eeuws verdedigingswerk gelegen buiten
de ommuring en stadsgracht in de vorm van
een ‘M’. Deze ‘M’ is nu nog terug te vinden in de
loop van de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat
en de Zeven Alleetjes. In 1875 werd een plan
voor een nieuwe wijk tussen station en stadscentrum
getekend door de Zwolse stadsarchitect J.L.
van Essen. Dit plan werd later uitgebreid doordat
er de Van Nagellstraat en de Hertenstraat aan toe-
Opname halverwege de
Terborchstraat, vanaf
de kant van het station.’
Omstreeks 1885. Het
pand 10-12 is nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
Al een zeer herkenbare
Terborchstraat,
omstreeks 1885, gefotografeerd
vanaf de kant
van het station. Het eerste
pand links in de
straat, met overdekte
veranda, is Terborchstraat
22. De nummers
10-12 zijn nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Steven H.J. Trooster
(1849-1910) in 1885.
(Particuliere collectie)
gevoegd zijn. Het was een gedurfd project, waar de
veemarkt direct naast de spoorbaan geprojecteerd
werd.
Aanleg Terborchstraat
In 1882 werd een tweede straat tussen de inmiddels
grotendeels bebouwde gracht en het station aangelegd:
de huidige Terborchstraat. Deze straat was
het verlengde van de Zeven Alleetjes. Enkele Zwolse
gemeenteraadsleden maakten zich zorgen dat de
aanleg van de nieuwe straten, waaronder de Terborchstraat,
tot een financieel debacle zou leiden.
De discussie in de gemeenteraad getuigt hiervan.
De architect had de kosten in 1880 begroot op
13.163,- gulden bij een breedte van 12 meter en
inclusief aanschaf van de grond, welke nog van het
Weeshuis verworven moest worden. Het college
zag wel heil in de aanleg en vermoedde dat er snel
bebouwing zou plaatsvinden, met name van burgerwoonhuizen.
Mr. J. Gratama, lid van de Zwolse
gemeenteraad, was een van de weinige gemeenteraadsleden
met een vooruitziende blik. Hij
betoonde zich een groot voorstander van de aan te
leggen straat: ‘Overal breiden zich de steden bij de
stations uit, de bevolking verplaatst zich bij voorkeur
naar den omtrek van stationsgebouwen’. Ook
de heer J.H. Schellwald was een voorstander: ‘Dat
zal een kalme aangename binnenweg zijn, in het
klein gelijk aan de Stationsweg’ en spreker hoopte
dan ook, dat er enige villa’s zullen worden
geplaatst. Hij achtte het tot stand komen ‘van den
weg bepaald een verbetering voor de Gemeente’.
Mr. G. Roijer was een van de tegenstanders, hij
beargumenteerde dat: ‘… de grond bij het station
daar jaren heeft gelegen voor hij kopers vond…
Wellicht wakkert de lust aan [! ]’. Uiteindelijk werd
het voorstel met dertien tegen vier stemmen aangenomen.
Dit alles speelde zich in het voorjaar van
1880 af. In oktober 1881 werd én het plan voor de
riolering én het bestek goedgekeurd en in 1882 kon
de nieuwe straat aangelegd worden. De straat werd
vernoemd naar de vermaarde zeventiende-eeuwse
Zwolse schilder Gerard Terborch. ‘Gerard Terborchlaan’
zou een betere benaming zijn geweest:
de straat werd omzoomd door lommerrijke
bomen en was bijzonder rustig gelegen tussen het
station en het stadshart. Uiteindelijk heeft de heer
Schellwald gelijk gekregen en werden de villa’s
gebouwd. Anno 2001 staan er nog steeds aan beide
zijden bomen: in de winter klimmen de boomklevers
hierin omhoog en in het voorjaar broeden de
pimpel- en koolmezen in nestkastjes. In 1864
woonden er 20.500 mensen in Zwolle, anno 2001
meer dan 105.000; de Terborchstraat heeft als één
van de weinige haar originele karakter behouden.
De gevels van bijna alle panden zijn nagenoeg
identiek aan de oorspronkelijke gevels. De meeste
huizen zijn tussen 1880 en 1890 gebouwd; alleen het
pand met de huisnummers 9-11 dateert uit 1914 en
nummer 17 dateert uit 1924. De aarde die eerst
woest en ledig was, zou omgetoverd worden tot de
‘doktersstroate’ van Zwolle. Een plattegrond van
Zwolle uit 1904, waar de gehele Stationswijk op
staat, geeft al bijna, op de genoemde latere panden
na, de huidige situatie weer.
ZWOLLE
Frillikutil.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
De architect
De architect van Terborchstraat 10 is Stephanus
Hermannus Joseph Trooster, roepnaam Steven.
Steven Trooster werd geboren te Zwolle op 22
december 1849 e n is overleden te Utrecht op 26
november 1910. Hij was een zoon van de boven al
genoemde bekende Zwolse aannemer, beter
gezegd projectontwikkelaar avant la lettre, Bernardus
H. Trooster. Over Bernardus is in 2000 in
dit tijdschrift een uitgebreid en aardig artikel verschenen
van de hand van een nazaat. De eerste
levensjaren van Steven zullen wel onbekommerd
zijn geweest daar zijn vader, toen nog, een bemiddeld
man was. Regelmatig verhuisde het gezin
Trooster naar één van de door Bernardus nieuw
gebouwde huizen. Het tot dan bewoonde pand
werd vervolgens, met de nodige winst, verkocht.
Over de opleiding van Steven tot architect is niets
Bouwtekening van het
vooraanzicht van Terborchstraat
10-12 van de
hand van de architect,
Steven J.H. Trooster.
(Collectie HCO)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plan van de bei-etage
van Terborchstraat 10-
12 van de hand van de
architect, Steven J.H.
Trooster. (Collectie
HCO)
concreets bekend, maar vermoedelijk heeft de
zoon het vak van zijn vader geleerd en daarnaast
gestudeerd. Zijn eerste bouwwerk dateert uit 1872,
een verbouwing van een huis aan de Zeven Alleetjes.
In 1881 trouwt Steven met Cornelia Maria
Kamphuis uit Zaandam, de dochter van een welgestelde
familie van houtkopers. Vader Trooster
ging in 1883 failliet. Steven stond zowel zijn vader
als zijn beide broers Bernard Jr. en Martinus
financieel bij. Dit moet een behoorlijke belasting
voor hem betekend hebben; het vermogen dat hij
desondanks bezat is vermoedelijk voor een groot
gedeelte afkomstig geweest van zijn schoonfamilie.
Want Trooster was op het eind van zijn leven
geenszins een onbemiddeld man, hetgeen duidelijk
blijkt uit de akte van scheiding en deling na
zijn overlijden in 1910. Hij liet zijn vrouw de volgende
onroerende zaken, ter waarde van circa
135.000,- gulden, na: vijf huizen in de Terborchstraat;
tien huizen in de Celestraat; de steenfabriek
‘De Koppel’ te Houten en een bouwterrein aan het
Wilhelminapark te Utrecht.
Troosters werk
Architect Trooster was in Zwolle zeer succesvol en
bouwde in de tachtiger en negentiger jaren tal van
imposante villa’s. Bijna al zijn ontwerpen zijn in
de neorenaissancestijl, een stijl die jarenlang verfoeid
is, maar die tegenwoordig meer en meer
erkenning begint te krijgen.
Panden die hij naast de huizen in de Terborchstraat
ontworpen heeft zijn onder meer:
1882 Het Bestevaershofje, Potgietersingel 5 (nu
Monuta Stichting);
1883 De villa van wijnhandelaar J.F.G. van Reede,
Burgemeester van Roijensingel 18 (nu:
Bramer Bedrijfsmakelaardij);
1884 Ter Pelkwijkpark 18, het voormalig gemeentehuis
van Zwollerkerspel (nu
uitvaartcentrum);
1883 Stationsweg 2. In dit pand is geruime tijd
het Kadaster gehuisvest geweest. In de
nieuwe behuizing van het Kadaster op het
Hanzeland hangt achter de publieksbalie
een zeer fraaie aquarel van Stationsweg 2
van de hand van Trooster.
1889 De Buitensociëteit. Bij de opening van de
Buitensociëteit tegenover het station
schreef het tijdschrift De Opmerker op 8
februari 1890: ‘Dezer dagen werd te Zwolle
de nieuwe concertzaal van de Buitensociëteit
feestelijk ingewijd. De geringe beschikbare
middelen waren oorzaak dat bij den
bouw de grootste economie moest worden
betracht. Toch is het den architect, den
heer S.J.H. Trooster, gelukt een gebouw te
stichten dat blijkens de eenstemmige getuigenis
in alle opzichten aan de verwachting
beantwoordt. Aan het slot van de rede viel
den architect een warme ovatie ten deel’.
Ongetwijfeld heeft Trooster meer panden ontworpen
in Zwolle. Hij genoot ook landelijke
bekendheid. De man moet een goed katholiek
geweest zijn, hetgeen blijkt uit de aanpassingen
van het priesterkoor, de kapellen en catechisatieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
lokaal en -kamer in 1888 en 1889 van de Onze-Lieve-
Vrouwe Kerk (de Peperbus), die hij heeft
mogen realiseren.
Troosters visie
In 1895 werd Trooster gekozen in de Zwolse
gemeenteraad. Hij blijkt wederom een man van
grote sociale gevoelens, nu niet alleen voor zijn
armlastige familieleden maar in het bijzonder
voor de arbeidende klasse. Trooster staat namelijk
aan de wieg van de eerste bouwverordening in
Zwolle. Hij had in de gemeenteraad verreweg de
modernste ideeën over het bouwen voor ‘Jan met
de Pet’. Gedurende het gehele jaar 1897 weerde
Trooster zich dapper om zijn opvattingen over
bredere straten, grotere huizen, hogere huizen en
huizen met plafonds in de bouwverordening te
krijgen. Dit speelde vooral in de nieuwe wijk
Assendorp, gebouwd als echte arbeidersbuurt
voor de ‘spoorhazen’. Helaas, de strijd werd grotendeels
verloren door Trooster. Het college van B
en W kwam met een veel ‘bekrompener’ bouwverordening,
welke in december 1897 werd goedgekeurd.
De handelingen van de Zwolse gemeenteraad
getuigen hiervan:
‘Hij [Trooster] kan zich niet begrijpen, dat
Burgemeester en Wethouders de cijfers van ’t concept
verlagen willen. Bij een hoogte van 3 M. zal
een vertrek van 48 M2, nog niet meer zijn dan 4 bij
4 M, en dat is toch werkelijk niet te veel voor de
woonkamer van een gezin, dat er dan in den regel
nog in slaapt ook en waarin gekookt en gegeten.
Spr. kan het zich niet begrijpen hoe men die afmeting
nog te groot kan noemen. Neem een gezin
van 6 personen: man, vrouw en 4 kinderen, dan
heeft men bij de afmetingen, in het concept aangegeven,
juist 8 M2 per persoon om te wonen en te
slapen. Het is eigenlijk al te klein. Het geeft op verre
na niet wat uit een oogpunt van gezondheid
mag worden geëischt.’
HOLLANDSCHË SOCIËTEIT VAN LEVENSVERZEKERINGEN, Opgericht in ’t jaar 1 8 0 7 te AMSTERDAA
ZWOLLE. ,j X
3 Bank vnn LMnlng.
H BMhlohomneho Kort.
l BroeroDkork.
pgodo
8 Doioliilrctiitir Kloos
K, C. Kort.
O OerecbUbof.
CO Pent’ an TOosnaf kantoer.
81 RUfcf» U. B. School.
3 & n p o o r t ,
ulü.
fU Slaiftm
Btoomtmm.
36 Ht. Ulohnftltitork.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 3

Door | 2002, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

N
mmer
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
> f e s . Ktiss, Amstaröarri. Ho. BOS!
/ – * . – Drukwerk
BRIEFKAART
(CA.HTE POSTALE)
Algemeene Postve
jjde. voor het adrc ‘
-• Universelle)
Oude ViFtcbimirkt. ZWOLLE.!
j B
,.ilrul«iit’,’divr>Drdio
trlt (taart IA
CIMI poauli doorichfsppift
ID allim
naam in datun ir
ip schiijm.
AAN..
(Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
Prentbriefkaart Oude Vis(ch)markt
De prentbriefkaart toont een prachtig tafereel van
een rustige Oude Vismarkt met op de achtergrond
de Grote Markt en de sociëteit De Harmonie. De
Oude Vismarkt dankt zijn naam aan het feit dat
hier tot 1792 de verkoop van vis plaats vond. Daarna
werd de vis op het Rodetorenplein verkocht.
Onder de Oude Vismarkt stroomde de Grote Aa,
die rond 1860 gedempt werd.
De foto is gemaakt op Koninginnedag. Dat
feest werd vanaf 1898 gevierd op 31 augustus. Vele
vlaggen met wimpels sieren de huizen. Het is hoog
zomer; de man met de mand loopt in hemdsmouwen
over straat en de bomen zitten volop in het
blad.
Het straatbeeld werd nog niet verstoord door
schreeuwende reclames en flikkerende neonverlichting.
De enige reclameuiting bestond uit het
aanbrengen van een uithangbord, zoals links op
de voorgrond: Paul van Hulzen, beddenfabriek.
Rechts zien we op het uitspringende pand Oude
Vismarkt 7 tussen de eerste en tweede verdieping
de naam F.J. Schoemaker. Dit was een stoommeubelfabriek.
We zien de in 1901 gemoderniseerde
gevel. Na een brand in 1907 werd het pand nogmaals
verbouwd en door architect M. Meijerink in
Jugendstil opgetrokken. Meer over de geschiedenis
van de firma Schoemaker kunt u lezen vanaf
pagina 103 in dit themanummer.
Uit het pand van Schoemaker en de adreszijde
van de kaart valt op te maken dat de opname tussen
1901 en 1905 gemaakt is. Vanaf 1905 is de adreszijde
van prentbriefkaarten in tweeën gesplitst: het
rechterdeel voor adresgegevens, het linkerdeel om
te beschrijven. Voor 1905 was de adreszijde uitsluitend
bestemd voor het adres; vandaar dat op
die prentbriefkaarten teksten op de voorzijde
voorkomen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Inhoud
111
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 86
Zwolse koopmansgeest Redactioneel 88
De Oude Gaper en de firma J. ten Doesschate
Annèt Bootsma-van Hulten 89
Tabaksfabriek Van den Helm Lydie van Dijk 93
Doijer en Van Deventer, likeurstokerij en bitterfabriek
Annèt Bootsma-van Hulten 98
‘Richt u in naar uw zin’de firma F.J. Schoemaker & Zn. (1843-1958)
Miriam Schneiders 103
Tingieterij Kamphof (1864-1938) Annèt Bootsma-van Hulten 108
Biljartfabriek Princesse J.A. Hoffscholze Wim Huijsmans en
Menno van der Laan 111
Geweermakers aan de Luttekestraat, de firma H.J. Bremer
Annèt Bootsma-van Hulten 115
Gevavi Wim Huijsmans en Menno van der Laan 117
Walter Stern Wil Cornelissen 119
IJsmakers Talamini op de Grote Markt Jeanine Otten 122
Smederij en rijwielhandel Tensen in Berkum Theo de Kogel 127
Runhaar; specialist in zonweringen en rolluiken Wim Huijsmans 130
Auteurs 134
Omslag: De Oude Gaper, Diezerstraat 14, in volle bedrijvigheid in 1903. Duidelijk
zijn de in de gevel ingehouwen woorden ‘Drogerijen’ en ‘Verfwaren’ te zien.
(Particuliere collectie)
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse koopmansgeest
Redactioneel Zwolle heeft bij sommigen altijd de naam
gehad een beetje saaie ambtenarenstad te
zijn. Dat beeld is zeker niet juist. Zwolle was
van oudsher een Hanzestad maar vooral ook een
regionaal centrum waar de handel floreerde. De
industrie nam een bescheidener plaats in maar
was wel degelijk aanwezig. Tegenwoordig zijn er
in de industrie zelfs zo’n 9.000 arbeidsplaatsen
voor handen en daarmee neemt deze bedrijfstak
een volwaardige plaats in het arbeidsbestel in.
Kenmerkend voor een middelgrote stad als
Zwolle waren de vele bedrijven die ter plekke productie
en handel combineerden. Sommige daarvan
bestaan nog steeds. Het zijn de bedrijven die
Zwolle in de vorige eeuw kleur hebben gegeven.
De meeste waren gevestigd in de binnenstad en
konden dan ook niet over het hoofd worden
gezien. Vele Zwollenaren hebben herinneringen
aan zo’n bedrijf.
In het kader van het thema van Open Monumentendag
2002 (‘Koopmansgeest’) besteedt het
Zwols Historisch Tijdschrift in een extra dik nummer
aandacht aan Zwolse ondernemingen waarbij
ambachtelijk vakmanschap en handel hand in
hand gingen: ze combineerden in oorsprong een
werkplaats met een winkel waar de producten ter
plekke verkocht konden worden.
De keuze van de beschreven bedrijven is verder
tamelijk willekeurig en voor een deel bepaald
door de beschikbaarheid van literatuur of archiefmateriaal.
Sommige bedrijven bestaan nog, zoals
Talamini, andere zijn reeds lange tijd opgeheven,
zoals tingieter Kamphof. Sommige zijn eeuwenoud
geworden, zoals drogisterij de Oude Gaper
(vanaf 1782), andere zijn pas in 1937 gesticht (Walter
Stern). Bijna allen waren in hartje binnenstad
gevestigd, twee in Zwollerkerspel (smederij Tensen
in Berkum en Gevavi in Westenholte).
Eén ding hebben ze gemeenschappelijk: na de
start was het jarenlang hard werken, waarna
meestal een succesvolle uitbreiding volgde.
Een niet onaanzienlijk deel van de starters
kwam overigens van buiten Zwolle. Meubelmaker
Schoemaker kwam uit Twello, Jurriaan ten Doesschate
kwam uit Goor. Johannes Hoffschulte
kwam in 1840 uit het Duitse Neuenhaus naar
Zwolle, Heinrich Joseph Bremer kwam in 1865
eveneens uit Duitsland en Walter Stern vluchtte in
1936 voor de nazi’s naar Nederland. Pietro Talamini
vertrok in 1932 naar Nederland. En daarmee
is het verhaal van de typisch Zwolse ondernemingen
ook een beetje een verhaal van Zwolse nieuwkomers.
Ondernemende types en harde werkers,
die met hun specifieke kennis, zoals het maken
van geweren maar ook ijs, iets wisten toe te voegen
aan de plaatselijke cultuur.
Tot de sanering in de jaren zestig waren vele
bedrijven en bedrijfjes nog in de binnenstad
gevestigd. De meesten kampten met ruimtegebrek,
versnipperde huisvesting en werden geconfronteerd
met verkeerstechnische problemen. De
biljartfabriek Hoffscholze zat aan Achter de Broe-
“ren. Likeurstokerij Doijer en Van Deventer (wie
herinnert zich niet de penetrante zoete geur) had
de hele hoek Gasthuisplein en Wolweverstraat in
gebruik. En de ‘markies van de Voorstraat’, Runhaar,
maakte, repareerde en verhandelde zijn zonweringen
in de twee panden aan de Voorstraat en
de Ossenmarkt. Vanaf de jaren zestig vestigden
met name de bedrijven waarbij de winkelfunctie
ondergeschikt was of was geworden, zich op nieuwe
industrieterreinen en zijn daarmee een beetje
uit het blikveld van de Zwollenaar verdwenen.
Andere zijn er nog steeds. Samen hebben ze de
geur en kleur van Zwolle bepaald en laten ze zien
dat Zwollenaren een nijver en ondernemend volkje
vormen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
De Oude Gaper en de firma J. ten Doesschate
De bekendmaking in 1990 dat drogisterij de
Oude Gaper haar deuren ging sluiten veroorzaakte
veel beroering in Zwolle. De
drogisterij was al ruim 200 jaar, sinds 1782, in hetzelfde
pand aan de Diezerstraat (nr. 14) gevestigd
en was in de loop der jaren uiterlijk nauwelijks van
karakter veranderd. De winkel was daarmee meer
dan alleen een locale bijzonderheid geworden; het
was ook de oudste drogisterij in Nederland. In de
Oude Gaper was het tot 1990 nog mogelijk allerlei
bijzondere producten te verkrijgen die ter plekke
werden afgevuld in stopflesjes of afgewogen in
papieren zakjes met opdruk. Het oorspronkelijke
karakter van de winkel en de traditionele wijze
waarop het drogisterijvak uitgevoerd werd, spraken
velen aan maar was aan het eind van de twintigste
eeuw niet meer rendabel.
De firma J. ten Doesschate
Dat was in de twee eeuwen daarvoor wel anders.
In 1782 werd er in het pand Diezerstraat 14 een
kaarsenmakerij annex grutterszaak gevestigd.
Wanneer de verkoop van drogerijen daarbij kwam
is niet helemaal zeker, maar dat was in ieder geval
zeker vanaf 1785 het geval. De bedrijfsvoering in
drogerijen bleef vervolgens aan het pand gekoppeld.
Vanaf 1785 waren de achtereenvolgende eigenaren
ook regelmatig aan elkaar verwant.
Rond 1900 bestond de Oude Gaper niet alleen
uit een drogisterij maar ook uit een grossierderij
in drogerijen en verfwaren. Het bedrijf was in die
tijd eigendom van de heer J. ten Doesschate en
zijn echtgenote J. ten Doesschate – Nellensteijn.
De winkel droeg de naam In d’Oude Gaper maar
de grossierderij werd gevoerd onder de naam de
firma J. ten Doesschate. De zaak telde in 1903 elf
personeelsleden.
Jurriaan ten Doesschate (1842-1916) was
afkomstig uit Goor en stamde uit een textielfamilie.
Hij trouwde in 1878 de Zwolse apothekersdochter
Jansje Nellensteijn (1846-1924). Volgens
de familieoverlevering was Jans (zoals zij
genoemd werd) Nellensteijn een flinke en intelligente
vrouw. Jurriaan en zij moeten hun kennis
van zaken in de praktijk opgedaan hebben, waarbij
(schoon)vader Nellensteijn ongetwijfeld ook
een rol gespeeld heeft.
De grossierderij omvatte de handel in drogerijen,
specerijen, chemicaliën, de fabricage en
handel in verf en de import en handel in levertraan.
In het pand aan de Diezerstraat was behalve
de winkel een kantoor gevestigd, een kruidenzolder
en een verfwarenzolder, een verfkamer en een
chloorafweging, een taplokaal voor olijf- en slaolie,
een taplokaal voor de levertraan, een kistenmakerij
en een schaftlokaal. De firma bezat daarnaast
ook nog een pakhuis aan de Bitterstraat,
gelegen recht tegenover de Nutsschool. De knechten
die in het pakhuis aan de Bitterstraat werkten,
Annèt Bootsma –
van Hulten
De verfkamer in de
Oude Gaper in 1903.
(Particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1888 liet Jurriaan ten Doesschate een nieuw huis aan de Oude Vismarkt 7
bouwen, waar hij met zijn gezin ging wonen. De familie Ten Doesschate woonde
naast de meubelfabriek Schoemaker. Dit bedrijf half zichtbaar op de foto, wordt
elders in dit tijdschrift beschreven. (Particuliere collectie)
moesten zich ’s morgens eerst in de winkel aan de
Diezerstraat melden.
In 1888 liet Ten Doesschate aan de Oude Vismarkt
7, in het verlengde van Diezerstraat 14, een
nieuw huis bouwen waar hij zelf met zijn gezin
ging wonen. Beide panden stonden met elkaar in
verbinding, een situatie die tegenwoordig nog
steeds zo is. De werktijden waren lang, in de jaren
tachtig van de negentiende eeuw begon men om
zes uur ’s morgens en werd er tot ongeveer acht
uur ’s avonds doorgewerkt. Wel hield men zeker
twee pauzes, om tien uur en om vier uur, waarbij
het personeel koffie en thee kreeg, iets wat toen
nog lang niet algemeen gebruikelijk was. Het echtpaar
Ten Doesschate – Nellensteijn stond in aanzien
bij hun medewerkers. Ter gelegenheid van
hun 25-jarig huwelijk in 1903 kregen ze van het
gezamenlijke personeel een prachtig fotoalbum
cadeau waarin onder meer het hele bedrijf op de
gevoelige plaat werd vastgelegd. Dit album
bevindt zich nog in familiebezit, de bij dit artikel
afgedrukte foto’s zijn hieruit afkomstig.
Levertraan en verf
Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw
moesten alle Nederlandse kindertjes in de wintermaanden
levertraan slikken. De levertraan van
Ten Doesschate was wijd en zijd vermaard. Ten
Doesschate importeerde de levertraan zelf rechtstreeks
uit Noorwegen. Hij ging ook zelf op zakenreis
naar Noorwegen. De levertraan werd aangevoerd
in vaten en in de Diezerstraat overgetapt in
flessen die vervolgens hun weg door heel Nederland
vonden. Deze zogeheten ‘Lotodinsche’ levertraan
werd verkocht onder de naam ‘In de
Gekroonde Oude Gaper’. Opmerkelijk was dat de
levertraan in vierkante flessen zat, een idee van
Ten Doesschate omdat vierkante flessen beter in
kisten verpakt konden worden. Op de flessen zat
statiegeld, zij werden, na in sodawater te zijn uitgekookt,
eindeloos hergebruikt.
Een ander vermaard product van de firma Ten
Doesschate betrof verf. Niet toevallig staat nog
altijd op de gevel van Diezerstraat 14 met grote
ingehouwen letters de woorden ‘drogerijen’ en
‘verfwaren’ te lezen. De verkoop hiervan beleefde
altijd een hausse in het vroege voorjaar wanneer
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
GAPER DiezeRSTRAAT.
de grote schoonmaak werd gehouden. Het was
met name onder de boeren een goed gebruik met
de schoonmaak ook een en ander van een fris
laagje verf te voorzien. De grondleggers van de
huidige verffabriek Van Wijhe leerden het vak bij
Ten Doesschate; D.H. van Wijhe en D. Vermeulen
werkten eerst in de Oude Gaper voor zij in 1916 in
de Goudsteeg voor zichzelf begonnen met een
groothandel in drogerijen en verfwaren. Ten
Doesschate bleek overigens ook een leerschool
voor Zwolse drogisten, de heren Westenberg en
Kinket werkten in de Oude Gaper voordat zij
eigen zaken begonnen.
A.J. ten Doesschate
Rond 1885 nam het echtpaar Ten Doesschate –
Nellensteijn een verweesde neef uit Goor op in
huis. Deze neef, genaamd Anthonij Judany ten
Doesschate (geb. 1862), stak veel kennis op bij zijn
oom en tante; hij bracht dit in praktijk door in
1899 in dezelfde branche voor zichzelf te beginnen.
Er ontstond toen een verwarrende situatie,
twee firma’s die zich in dezelfde stad onder bijna
dezelfde naam, firma J. en firma A.J., met dezelfde
handel bezighielden. Ter illustratie, de firma J. ten
Doesschate verkocht zijn levertraan onder de
naam ‘In de Gekroonde Oude Gaper’; de firma
A.J. ten Doesschate, in dezelfde vierkante flessen,
onder de naam ‘De 3 Gapers’. A.J. was overigens
Het fotoalbum dat het
echtpaar Ten Doesschate
– Nellensteijn ter
gelegenheid van hun 25-
jarig huwelijk in 1903
van het personeel aangeboden
kreeg, was versierd
met originele pentekeningen.
Deze fraaie
Jugendstilafbeelding is
daaruit afkomstig.
(Particuliere collectie)
Etiket van de ‘Lotodinsche’
levertraan van de
firma J. ten Doesschate,
in de vierkante flessen
verkocht onder de naam
‘De Gekroonde Oude
Gaper’. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Oude Gaper, Diezerstraat
14, in volle
bedrijvigheid in 1903.
Duidelijk zijn de in de
gevel ingehouwen woorden
‘Drogerijen’ en
‘Verfwaren’ te zien.
(Particuliere collectie)
zeer succesvol, uit zijn bedrijf ontstond de bekende
in Wapenveld gevestigde onderneming Euroma,
producent van kruiden, specerijen, mengsels,
sauzen etc. Beide firma’s Ten Doesschate bestonden
lang naast elkaar, maar uiteindelijk ging dit
ten koste van de firma J. ten Doesschate. Het
duurde overigens nog tot eind jaren zestig voordat
de firma J. ten Doesschate officieel overgenomen
werd door de toenmalige Handelsvereniging A.J.
ten Doesschate.
Drie generaties Piquet
Drogisterij de Oude Gaper en de fima J. ten Doesschate
waren toen al lang verschillende wegen
ingeslagen. Jurriaan ten Doesschate was in 1916
overleden. Zijn twee zoons Anton en Gezienus
traden niet in de voetsporen van hun vader maar
begaven zich wel op een aanverwant terrein, zij
werden allebei arts. De dochter van Jurriaan en
Jans ten Doesschate – Nellensteijn, Wilhelmina
Johanna (geb. 1881), trouwde met Jacques Sully
Piquet (1879-1928). Dit echtpaar Piquet – ten
Doesschate zette de Oude Gaper en aanvankelijk
ook de firma J. ten Doesschate voort. De in 1928
weduwe geworden mevrouw Piquet – ten Doesschate
verkocht de firma J. ten Doesschate in 1936
aan de heer B. Deuzeman; haar zoon Jurriaan
Piquet (geb. 1909) zette toen de drogisterij voort.
De Oude Gaper bleef in de twintigste eeuw een
familiebedrijf. Jurriaan Piquet bepaalde tientallen
jaren lang het gezicht van de Oude Gaper; menig
Zwollenaar zal zich hem nog voor de geest kunnen
halen, een kleine levendige man die in witte jas
achter de antieke toonbank van de drogisterij
stond. Vanaf 1957 mocht Piquet zich hofleverancier
noemen, dat predikaat werd aan de Oude
Gaper verleend in 1957 bij het 175-jarig bestaan.
Jurriaan Piquet overleed in 1987. Het was zijn
zoon Eelco Piquet die zich in 1990 gedwongen zag
de deur van de drogisterij te sluiten, waarmee een
eind kwam aan een 218 jaar oud Zwols bedrijf.
Epiloog
Toen de oorspronkelijke drogisterij in 1990 sloot
ontstond er spontaan een actiecomité ter behoud
van pand en interieur. Onder voorwaarde dat het
vertrouwde uiterlijk gehandhaafd werd, was er
van 1992 tot 1996 een Trekpleister-filiaal gevestigd.
Daarna werd het in 1997 een Benetton-winkel. De
Oude Gaper verloor daarmee waarschijnlijk
definitief zijn drogisterijbestemming, maar het
oorspronkelijke karakter is nog herkenbaar.
* Bij deze wil ik graag postuum dank zeggen aan de
heer Mr. J. ten Doesschate, die mij waardevolle informatie
verschafte over zijn grootouders Ten
Doesschate – Nellensteijn. Helaas heeft de heer Ten
Doesschate de verschijning van dit artikel niet meer
mogen meemaken, hij overleed in juni 2002.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Tabaksfabriek Van den Helm
Het Historisch Centrum Overijssel bewaart
in haar collectie drie plakboeken waarin
de laatste eigenaar van de tabaksfabriek
Van den Helm, de heer BJ. Roelfsema, de geschiedenis
van het bedrijf reconstrueert.
In deze plakboeken zijn ook enkele archiefstukken,
brieven en verpakkingsmateriaal opgenomen.
Het onderstaande is op de beschrijving van
Roelfsema gebaseerd en op gegevens uit het
archief van de Kamer van Koophandel te Zwolle.
Kruidenier en tabakshandel
Celius Dirk van den Helm (1749-1833) begon in
1805 met een tabakskerverij. Deze kerverij groeide
in korte tijd uit tot een tabaksbedrijfje in combinatie
met een kruidenierswinkel. Winkel en
bedrijf waren gevestigd in de Diezerstraat op het
huidige nummer 56. Dit pand, ‘Het groene Rad’
genaamd, was in 1747 gekocht van de med. dr. Van
Sonsbeek door de vader van Celius Dirk, Jacobus
Casparus van den Helm. Jacobus Casparus woonde
zelf niet in het pand, maar in een erachter gele-
Lydie van Dijk
%*•••?%
Reclameplaat met doorsnede
van de fabriek
aan het Gasthuisplein
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ansichtkaart van de
winkel in de Diezerstraat
met de twee
gevelbeelden (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
gen huis aan het huidige Gasthuisplein. Hij was
lakenhandelaar en gemeensman en overleed in
1795. Zijn kleinzoon Coenraad Derk (1787-1849),
zoon van Celius Dirk, wordt in het patentregister
in 1810 vermeld als winkelier in tabak, snuif, koffie
en thee. Deze Coenraad Derk zette dus het bedrijf
van zijn vader voort. Na zijn dood werd de firmanaam
gewijzigd in Wed. CD. van den Helm.
Overname
De weduwe was Anna Gesina Wispelweij, de tweede
vrouw van Coenraad Derk. Zij leidde het
bedrijf tot haar overlijden in 1856. Daarna heeft
Jacobus Casparus van den Helm, een zoon uit het
eerste huwelijk van Coenraad Derk met Magdalena
van Rees, het bedrijf enige tijd beheerd. In 1872
verkochten de drie kinderen uit het eerste huwelijk
de panden aan de Diezerstraat en het Gasthuisplein
aan Anthonij Dengerink. Bij de koopsom
van f 12.000 waren voorraden ruwe tabak,
MM
Receptuur
Johannes van den Helm heeft in november1872
zijn inkoopkennis en receptuur van snuif via een
receptenbrief overgedragen aan Anthonij Dengerink.
Volgens de aantekeningen van de heer
Roelfsema is dit document van een ontwapenende
eenvoud.
Voorbeelden hiervan zijn:
• Oud Snuif 20 et verkoop: fabriek stelen
• Roode Snuif 50 et verkoop: gekleurde stelen,
fijn gezeefd, goed vochtig en reuk olie naar
verkiezing (Nagelolie en Bergamot)
• Zwarte reuk Snuif 80 et verkoop: Brokling en
fabriek stelen, fijn ziften, alleen Bergamotolie
Memorandum
• De snuif moet gezeefd worden naar verkiezing
(grof of fijn)
• De reuk olie bij droppels door de aangemaakte
snuif doen, en laten doortrekken I niet door
de pekel doen, dan blijft er te veel aan de rand
van depot waar de pekel in is, hangen. Zoo
kan men alle soort van reuksnuif maken.
(Archief Van den Helm, HCO)
apparatuur en inventaris niet inbegrepen, deze
worden althans niet in de akte van verkoop
genoemd. Ook het kruideniersbedrijf is onvermeld.
Blijkbaar hield men zich vóór 1872 uitsluitend
bezig met de tabaksproductie, met de verkoop
daarvan en met sigarenhandel. De nieuwe
eigenaar Dengerink beschikte kennelijk in ruime
mate over middelen, want in korte tijd waren alle
kosten van koop en overname betaald.
De firma Van den Helm was in die tijd lang
niet de enige tabakskerverij in Zwolle. Rond 1880
waren er dertien tabaksfabrieken in de stad. Landelijk
gezien was het onrustig in deze bedrijftak.
In sigarenfabrieken kwamen stakingen veelvuldig
voor. Dit zal een van de aanleidingen zijn geweest
voor de oprichting van de Vereeniging van
Tabaksfabrikanten in Nederland op 14 februari
1906. De overige tabaksindustrie heeft echter nauwelijks
last gehad van stakingen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
fOA
Gevelbeelden en tabakspotten
Anthonij Dengerink handhaafde aanvankelijk de
naam firma Wed. CD. van den Helm, later gewijzigd
in firma A. Dengerink v/h Wed. CD. van den
Helm. Na zijn dood in 1906 zetten zijn twee zonen
het bedrijf voort. Eigenaar was Hendrik Sybrand
Dengerink. Deze woonde aan het Gasthuisplein
nr. 5. In 1924 verhuisde hij naar Van Nahuysplein
8, in 1937 naar nr. 12. Briefpapier vari 1907 laat de
volgende bedrijfsnaam zien: Stoom-tabaksfabriek
Eén van de twee gevelbeelden
die de winkel
aan de Diezerstraat
flankeerden. Het gevelbeeld
is gemaakt van
beschilderd gietijzer en
stelt een man voor steunend
op een zogeheten
karot. De hoogte van
het beeld is 66 cm. (Collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
Het Wapen van Amsterdam, opgericht 1805. De
brief is ondertekend met A. Dengerink, voorheen
Wed. CD. van den Helm. Deze naam en het
beeldmerk Het Wapen van Amsterdam werd in
1909 als merk gedeponeerd.
In een van de plakboeken in het HCO zit een
(niet erg scherpe) ansichtkaart van het interieur
van de winkel in de Diezerstraat. Hierop zijn twee
snuiftabakspotten te zien zijn die de heer Roelfsema
enkele jaren geleden heeft overgedragen aan
het Stedelijk Museum Zwolle. Behalve deze
tabakspotten kwamen toen ook de beide beelden
die de ingang van de winkel flankeerden, evenals
een reclameplaat die een doorsnede van de fabriek
laat zien, in bezit van het museum. De gevelbeelden
zijn van beschilderd gietijzer en stellen twee
mannen voor steunend op een karot. Een karot
zijn tabaksbladeren, ontdaan van de hoofdnerf,
om elkaar gewikkeld, gedroogd en vermalen tot
snuif. Op het voetstuk van het ene beeld staat
‘sigaren’, op dat van het andere ‘tabak’.
Volautomatisch
Tot ver in de jaren dertig vervaardigden de meeste
tabaksfabrieken uitsluitend pruim- en pijptabak.
Slechts enkele grote bedrijven fabriceerden daarnaast
ook shagtabak, hoofdzakelijk bestemd voor
de export. In Nederland werd shag vooral verkocht
aan zeelui en verlofgangers en gepensioneerden
uit Nederlands-Indië. De firma Wed.
CD. van den Helm was een van de eerste ondernemingen
die dit betrekkelijk nieuwe artikel met
veel succes op de markt bracht. Een volautomati-
Sigarenautomaat trekt aandacht
De winkel van weduwe Van der Helm in de Diezerstraat mag zich verheugen
in ruime belangstelling. Reden is het nieuwtje dat Van der Helm voor haar
zaak heeft geplaatst: een sigarenautomaat. Na inworp va een dubbeltje krijgt
men naar keuze 3,4,5 of 6 sigaren. Een pakje sigaretten kan ook. Sommigen
zien het als een stap in de richtingvan eerbiediging van de zondagsrust. Nu
kunnen de mensen immers op zondag een rokertje kopen zonder dat een
ander er voor hoeft te werken. Critici van de automaat wijzen er echter op dat
de keuze die de machine biedt wel erg beperkt is.
(Zwolsche Courant, 25 oktober 1904, bewerkt)
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door de firma Van den
Helm gebruikte verpakking
(collectie HCO).
Ansichtkaart Thorbeckegracht;
situatie vlak
voor de tabaksfabriek
zich er vestigde (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle).
sche pakmachine, een Quester uit Keulen, werd
daarvoor aangekocht. Het was de laatste gewone
machine die dit Duitse bedrijf nog leverde, daarna
werd volledig omgeschakeld op oorlogstuig.
In 1936 kocht H.S. Dengerink het pand Thorbeckegracht
nr. 8 en verhuisde het bedrijf. Later
wordt ook het aangrenzende pand gekocht. Deze
verhuizing was ongetwijfeld een belangrijke verbetering,
maar een groot bezwaar was dat de
betrekkelijk zware machines op de eerste verdie-
Thorbeckegracht.
ping moesten worden geplaatst, omdat kantoren,
magazijn en expeditie te veel van de ruimten op de
begane grond in beslag namen.
Een tweede overname
Uit een rapport van de gemeente Zwolle naar de
welvaartsbronnen van de stad blijkt dat er in 1937
nog maar één bedrijf over is van de vele tabaksfabriekjes
die er zestig jaar daarvoor waren. De afzet
is, volgens dit rapport, geheel regionaal georiënteerd,
hetgeen de transportkosten drukt. Voor de
werkgelegenheid was de betekenis gering, er
waren maar elf arbeiders in dienst. In 1876 had de
tabaksindustrie nog 28 werknemers.
Op 1 januari 1938 trad H.S. Dengerink uit de
firma. De handelsnaam werd weer gewijzigd in
Firma Wed. CD. van den Helm. Blijkbaar was de
negentiende-eeuwse naam nog steeds een begrip.
Het bedrijf werd eind 1938 overgenomen door
Johannes Lubbert Roelfsema uit Winschoten, die
in Zwolle aan de Stationsweg 7 ging wonen. Roelfsema
was afkomstig uit de tabaksindustrie. Zijn
familie had in Winschoten ook een fabriek.
Het Zwolse bedrijf had een goede naam. Dit
kwam tot uiting in de koopsom. In totaal moest
Roelfsema f52.000 betalen, waarvan f 10.000 voor
goodwill, f 7.000 voor de machines en f 35.000
voor de voorraad tabak. Het machinepark
bestond uit een grote kerfbank, een kleine kerfbank,
een droogtrommel, een koel- en zeefmachine,
een messenslijpmachine, twee pakmachines,
een banderolleerapparaat en een goederenlift.
De overdracht vond plaats op 1 januari 1939.
De huurprijs voor de panden Thorbeckegracht 7
en 8 bedroeg f 1.500.
Moeilijke oorlogsjaren
Het eerste jaar onder J.L. Roelfsema was succesvol.
Er werd een winst gemaakt van ca. f 7.000. Kort
daarop brak de Tweede Wereldoorlog uit. Zoals
voor vele bedrijven, was dit ook voor de tabaksindustrie
een rampzalige tijd. De bezetter richtte het
Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten op.
Dit bureau saneerde de bedrijfstak, waardoor er in
het hele land nog maar twaalf tabaksbedrijven
over bleven. Hieronder waren de Wed. CD. van
den Helm en de firma Roelfsema in Winschoten.
Zicolle,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Bij de volgende sanering vielen de beide bedrijven
echter uit de boot. Om het bedrijf draaiende te
houden en om aan de vraag tegemoet te komen,
werd toestemming gevraagd zogenaamde amateur-
tabak te mogen verwerken. Deze ‘amateurtabak’
is tabak die verkregen wordt uit door particulieren
gekweekte tabaksplanten. Deze ‘amateurs’
wisten natuurlijk niet hoe zij van de bladeren
goede tabak moesten maken.
De toestemming van het Rijksbureau werd pas
verkregen na herhaalde verzoeken en het toestoppen
van steekpenningen in de vorm van cosmetica.
De firma had te horen gekregen dat men voor
de tabak zelf geen belangstelling had (daar kon
men genoeg van krijgen), en dus werd tabak eerst
geruild tegen cosmetica en dit werd meegenomen
naar het bureau. Voor het verkrijgen van deze toestemming
moest wel een volledige lijst van alle
werknemers worden ingeleverd. Dit kon als
gevolg hebben dat werknemers werden opgeroepen
om in Duitsland te gaan werken. Geen van
hen is echter daar te werk gesteld.
Het einde
Na de Tweede Wereldoorlog werd de firma in
Winschoten opgeheven. Berend Jan Roelfsema, de
zoon van J.L. Roelfsema, werkte aanvankelijk in
Winschoten, maar werdvervolgens mede-eigenaar
van de Vereenigde Tabaksfabrieken Roelfsema
van den Helm in Zwolle. De vennootschap
legde zich toe op de vervaardiging van en handel
in tabaksproducten en aanverwante artikelen, dit
alles in de ruimste zin. Wat onder dit laatste verstaan
werd, blijkt uit een vermelding bij de Kamer
van Koophandel: vanaf 1 april 1953 was de NV Verenigde
Tabaksfabrieken Roelfsema van den Helm
tevens groothandel in rokersartikelen, metaalwaren,
huishoudelijke artikelen, galanteriën, zoetwaren,
luchtbuksen en luchtbukskogels, mondharmonica’s.
De groothandel werd gevoerd onder de
naam ‘Pyro’.
In 1956 verkocht Roelfsema de Verenigde
Tabaksfabrieken aan collega-tabakshandelaar de
Gebroeders Jakobs uit Meppel. Kort hierop kwam
het in handen van Theodorus Niemeijer uit Groningen.
Toen was het snel afgelopen met de
tabaksindustrie in Zwolle.
Roelfsema ging door met de bovengenoemde
groothandel onder de naam handelsonderneming
Roelfsema – van den Helm, gevestigd aan de
Thorbeckegracht 7. In 1960 waren hier nog negen
personen werkzaam, vier jaar later nog zes.
Het definitieve einde kwam op 1 oktober 1965,
toen de groothandel werd overgenomen door BV
Vipero te Meppel. B.J. Roelfsema aanvaardde een
functie als bedrijfsleider bij de sigarenfabriek Smit
en Ten Hove in Kampen.
Het pand Thorbeckegracht 8 werd al in 1957
verkocht aan Handelsvereniging AJ. ten Doesschate,
die in 1965 ook nummer 7 kocht. Rond
1980 zijn deze panden afgebroken en zijn op deze
plaats nieuwe woningen gebouwd.
Pakmachine aan de
Thorbeckegracht (collectie
HCO).
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Doijer en Van Deventer, likeurstokerij en
bitterfabriek
Annèt Bootsma –
van Hulten De firma Doijer en Van Deventer was jarenlang
een klassiek Zwols familiebedrijf. De
familie Van Deventer bleef met drie generaties
tot 1935 bij het bedrijf betrokken, de familie
Doijer met zes generaties zelfs tot 1989. Hoe de
families Van Deventer en Doijer tot het maken van
alcoholhoudende dranken zijn gekomen, is onbekend.
Wat wel vast staat is de exacte oprichtingsdatum
van het bedrijf en waar het van start ging.
Roode Bessenwijn
’19 Juli 1894. Roode Bessenwijn gemaakt van de
Roode Bessen van Cnopius (208 K°) en van
Wagenberg Festen te Vlijmen (1456 K°). Verhouding
45 K° Bessen & 30 K° Melis op 100 Liter.
Dit jaar besloten de Bessenwijnen te liggen in
het Strooppakhuis, zijnde deze plaats veel warmer
als het Vruchtenpakhuis. De ondervinding
heeft geleerd dat sinds de Bessenwijn gelegen heeft
in het Vruchtenpakhuis, wij ook last hebben
gehad van gistige Bessenwijn, wat wij toeschrijven
aan de vochtigheid van dat lokaal, daarom
dit jaar een proef genomen met het strooppakhuis.
Verder is genomen voor de fabricatie
eenigszins verwarmd water. Het leidingwater
toch is zeer koud & daardoor niet bevorderlijk
voor de gisting. Er is daarom gebruikt 5 liter
kokend water op 40 liter, om de koude weg te
nemen. De te maken fusten zijn op circa 5 liter na
vol gemaakt & iedere avond en morgen na gisting
weer aangevuld met lauw water. Het overloopend
drafis opgevangen voorloopig in een vat
gebracht om later opgestookt te worden’.
(Verslag van de rode bessenwijnproductie uit
1894, archief Doijer en Van Deventer).
‘Stookerij van fijne likeuren’
Op 2 mei 1814 werd een likeurstokerij opgericht
door Hendrik Arnoldus van Deventer (1788-1839),
echtgenoot van Sara Catharina Doijer (1788-1871),
met zijn oom Thomas Doijer (1754-1833) als commanditaire
vennoot. Het bedrijf werd gevestigd in
het pand Diezerstraat 58, waar daarvoor bierbrouwerij
‘De Witte Leeuw’ gevestigd was. Afbeeldingen
van biervaten en een leeuw in de fraaie gevel
herinneren daar heden ten dage nog aan. Dat juist
deze locatie eerst een bierbrouwerij en vervolgens
een likeurstokerij huisvestte, kwam doordat zich
in de tuin een wel bevond, een natuurlijke waterbron,
die zowel voor de brouwerij als de likeurstokerij
een belangrijke grondstof vormde.
Het bedrijf ging van start als een ‘Stookerij van
fijne Likeuren, Aromatiek Zwolsch Bitter, Ordinaire
Likeuren’ enz. De eerste jaren opereerde de
firma onder de naam H.A. van Deventer en Co. In
1826 werd Van Deventers neef Jan Jacob Doijer
(1801-1875, zoon van Thomas Doijer) mede-firmant;
vanaf dat moment was er ook officieel sprake
van de firma Doijer en Van Deventer.
In het pand aan de Diezerstraat waren aan de
straatkant de winkel en het kantoor gevestigd; aan
de tuinkant, bij de wel, lag de stokerij. De kelder
en zolder dienden voor opslag. De firma maakte
likeuren, bitters, jenever, limonadesiropen en na
enige tijd ook vruchtenwijnen. De opslag van met
name bessenwijn vereiste al spoedig extra pakhuis
en kelderruimte die her en der gehuurd werden.
Oude Vismarkt
Vanwege ruimtegebrek verhuisde het bedrijf in
1866 naar een pand op de Oude Vismarkt, hoek
Wolweverstraat. Dit pand zou goed honderd jaar
de hoofdvestiging van de firma blijven; de gevel
vermeldt nog altijd de naam Doijer en Van
Deventer, Likeurstokerij en de jaartallen 1814 en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
Intercommunaal
telefoonnummer
FoL
1866. De voorgevel lag weliswaar aan de Oude Vismarkt,
maar het officiële adres was Wolweverstraat.
In dit pand was daarvoor een jeneverstokerij
gevestigd, genaamd ‘De Eendracht’. Tegelijkertijd
werd ook de mouterij waar het graan voor de
jeneverstokerij te kiemen werd gelegd aangekocht,
Wolweverstraat 7. Vanwege die graanopslag huisden
hier veel ratten, maar volgens overlevering
werden die door de toenmalige firmant J.J. Doijer
effectief uitgeroeid. De nieuwe behuizing was weliswaar
ruimer, maar had het bezwaar dat men niet
meer kon beschikken over een eigen waterbron.
Zwolle beschikte pas in 1892 over een eigen waterleiding.
Voor de vervaardiging van de vele producten
was veel water nodig dat moest worden
aangedragen vanaf de stadspomp in de Sassenstraat,
hoek Koestraat.
Het ging het bedrijf voor de wind, in de jaren
tachtig werden nog meer panden in de Wolweverstraat
en aan het aangrenzende Gasthuisplein aangekocht
voor de opslag en productie. De dranken
werden onder de eigen naam in het hele land, weliswaar
in die tijd nog met de nadruk op het oosten
en noorden, verkocht. Er werd ook geëxporteerd
naar het buitenland.
Rond 1900 waren firmant de heren Jan Jacob
Doijer Jzn. (1859-1920, kleinzoon van de eerste Jan
Jacob) en Jan Salomon van Deventer (geb. 1858,
kleinzoon van Hendrik Arnoldus). Volgens een
beschrijving uit 1947 van ‘baas’ M. Hendriks,
meesterknecht van 1895 tot 1935, werkten er in die
tijd twee personen op het kantoor, was er een
parttime boekhouder en waren er twee reizigers.
In de fabriek werkten negen vaste krachten: een
meesterknecht, een machinist, een kuiper, twee
kruikenvullers, twee tappers, een knecht en een
jongmaatje voor boodschappen en dergelijke.
Afhankelijk van het seizoen maakte men veelvuldig
gebruik van tijdelijke krachten en werd er,
indien nodig, gewoon langer gewerkt (zie ook
Briefhoofd van de firma
Doijer en Van Deventer
uit 1918, met daarop
afgebeeld het hoofdpand
aan de Oude Vismarkt/
Wolweverstraat.
(Briefhoofdencollectie,
HCO)
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door Teun van der
Veen gemaakte schets
van het hoofdgebouw
van Doijer en Van
Deventer aan de Oude
Vismarkt en de door het
bedrijf gebruikte panden
aan de Wolweverstraatuit
1968, vlak
voor de verhuizing naar
de Marslanden. Op de
schets is de neonreclame
in de vorm van een
schenkende fles en een
glas zichtbaar die in die
tijd aan de gevel van het
hoofdgebouw bevestigd
was. (Particuliere collectie)
kader). Omstreeks 1875 werd ook de fabricage van
parfumerieën onder het merk Idoze, afgeleid van
J(an) Do(ijer) Z(woll)e, ter hand genomen. In
1903 werd het merk officieel ingeschreven. Oorspronkelijk
legde men zich hoofdzakelijk toe op
Eau de Cologne die in mandflessen en in fusten
aan de groothandel werd geleverd. Later specialiseerde
men zich ook op flaconverpakkingen en
werd de sortering belangrijk uitgebreid. Idoze
bleef in productie tot 1963, toen het merk werd
verkocht aan een collega in Zutphen.
Vooruitgang
Goed twintig jaar na de aanleg van de waterleiding
deed elektriciteit in Zwolle zijn intrede, in 1915.
Daarvoor werd de verlichting geregeld met gaslampen
en als het nodig was werd er bijgelicht met
kaarsen. In de donkere dagen voor de decemberfeestdagen,
wanneer er erg lange werkdagen werden
gemaakt (zie kader) was dit moeizaam werken.
Elektrische verlichting betekende daarom
een enorme vooruitgang. Van elektrische apparatuur
werd verder overigens nog nauwelijks
gebruikt gemaakt, dat begon pas na de Tweede
Wereldoorlog een grote vlucht te nemen. Omdat
gedistilleerd de hoofdmoot van de bedrijvigheid
uitmaakte, vormden de distilleerketels het belangrijkste
bezit van de firma. Tijdens de oorlog wist
men ze met moeite uit handen van de Duitsers te
houden, onder het mom dat ze gebruikt moesten
worden in de Zwolse gaarkeuken. Zover is het niet
gekomen. Er was een prachtige collectie, een grote
stoomketel voor de distilleerketels, suikersmelters,
een advocaatmachine en alles in rood koper
uitgevoerd. De productie kon in de oorlog maar
zeer beperkt doorgaan, vanwege de rantsoenering
van belangrijke grondstoffen als alcohol en suiker.
Ook na de oorlog duurde het geruime tijd voordat
deze artikelen weer normaal te verkrijgen waren.
Naoorlogse expansie
Na de oorlog veranderde de drankenmarkt snel.
De belangrijkste verandering betrof de massale
overstap op glas (in plaats van aardewerk). Doijer
en Van Deventer was een van de eerste distillateurs
die daarop over ging. Het bedrijf introduceerde
in die tijd ook ‘Red Berry’, een goede en
lekkere vruchtenwijn. Dit product sloeg aan, er
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
Uit vroeger tijden; een impressie van de dagelijkse
gang van zaken bij Doijer en Van Deventer
rond 1900.
‘Flesschen kregen we per wagon uit Duitschland en
we waren een heelen dag bezig met lossen en opbergen.
Hierbij hielpen de Wijndragers en de welbekende
Gait Mulder (toen nog een jong mensch van
± 18 jaar) met de verhuiswagen om flesschen te
brengen en lege manden terug te nemen.
Glas van kapotte flesschen ging in de glaskelder,
die meteen luik gesloten was en zich ook nog onder
de straat bevond. Ééns in ’t jaar moest die leeg. Het
gruisglas ging per schipper naar Loenen a/d Vecht,
vanwaar we ook nieuwe flesschen kregen. Kruiken
kwamen uit Duitschland (Girmscheidt). Stroop
(10 a 20 vaten), suiker (20 zakken a 100 kilo) en
citroenen (80 groote kisten) werden gebracht.
Brandewijn, jenever, cognac, rum, arac, spriritus
96% werden bezorgd door de Wijndragers.
Voor de spiritus waren twee reservoirs, één van
11.000 L inhoud, en één van 13.000 liter. Hieruit
ziet ge dat er veel werk gebeurde buiten het personeel
zelf en kunt ge begrijpen dat er zoo groote
kwantums dagelijks de fabriek konden verlaten.
Iedere dag was de groote wagen vol geladen met
manden, kisten en vaten voor het spoor.
Voorjaars en in ’t najaar ging de heer Van
Deventer de groote Twentsche reis maken. Hij was
daar drie weken voor noodig. Daarna ging de heer
Doijer op reis naar Amsterdam en verder geheel N.
Holland, tot Den Helder. Deze reizen gaven veel
commissies en was er volop werk.
De maanden Nov. en Dec. waren drukke
maanden, niet alleen met de verzending, maar dan
kwam er het citroenenpersen ook bij. Twee vrouwen
schilden per dag drie kisten citroenen en twee
mannen waren voor het uitpersen. Twee noodhulpen
vulden het personeel aan om zoo alles op tijd
voor elkaar te krijgen. De feestdagen als St. Nicolaas,
Kerstmis en Nieuwjaar gaven extra werk, en
dan ging het doorgaans tot negen uur ’s avonds
door. Tegen dien tijd werden een groot aantal kisten
met likeur in ’t voren klaar gemaakt, er stonden
dan welyo stuks om vlotte aflevering te bewerken.
Dan waren er ook vaak orders voor het buitenland.
De commiezen moesten de kisten verzegelen.
Om iets te noemen: 6 kisten met halve flesschen
“Zwolsch Bitter” [maag elixer] naar Egypte, kisten
met likeur naar Batavia, Buitenzorg, Semarang,
Soerabaja. Kisten met Elixer Longue Vita, ook voor
Indië. Kisten met likeur op kruikjes van ïdl. naar
Zweden. Verder ook nog verzending naar Amerika
(Argentinië). Ten tijde van de Transvaalsche Oorlog
naar de Delagoabaai, 48 kisten diverse wijnen, enz.
In het begin van het jaar ging alles gewoon van
7 tot 7. Overwerk werd betaald met 10 cent per uur.
In Juni begon het voorbereidende werk voor de bessencampagne.
Voor de kuiper was er dan veel werk.
De stukvaten AA, BB, enz, 26 in getal, moesten
klaar voor de bessenwijn plus nog een 30tal oxhoofden,
dan 12 stukvaten voor zwarte bessen en 2 voor
boschbessen en 15 halve booten voorframboozen.
Het persen van de roode bessen gebeurde in de
stokerij, maar daar was maar ruimte voor één pers,
waardoor slechts 4 vaten per dag gemaakt konden
worden, en ’s middags het werk doorging. De heer
Doijer bleef dan aan de fabriek. Van ’s morgens 6
uur tot ’s avonds 8 uur was men daarmee bezig.
Later ging dit werk naar de overkant [Wolweversstraat],
waar met 2 persen gewerkt kon worden en
dus per dag meer gemaakt. Daarna kwam de
motor om te draaien, zoodat het toen nog vlugger
ging.
Als de bessen genoeg getrokken waren, kwam
tegen de Zwolsche kermis de verzending. Wij werkten
dan van ’s morgens 6 tot ’s avonds 9 uur en
zagen anderen kermis vieren, ’s Middags in schofttijd
van 5 tot half 6 kwam een kermisman met zijn
orgel een poosje muziek maken. Hij kreeg wat centen
in zijn pet, een bittertje en zijn vrouw een glaasje
limonade. Ze gingen dan weer verder en we gingen
weer aan ’t werk met bessen afwegen en in de
vaten brengen voor den volgende dag’.
(Fragment uit een toespraak van de oud-meesterknecht
M. Hendriks – werkzaam bij de firma
van 1895 tot 1935 – ter gelegenheid van de opening
van een nieuwe fabrieksafdeling in juni 1947.
Archief Doijer en Van Deventer).
102 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werden jaarlijks zo’n honderdduizend flessen van
verkocht. Een ander succesvol product was het
merk ‘1814’, onder welke naam binnenlands gedistilleerd
verkocht werd.
Er kwam ook steeds meer systematiek in de
manier van werken; voorheen verpakte men op
order maar geleidelijk ging men steeds meer vooruit
verpakken en op voorraad in het magazijn zetten.
Marslanden
Het bedrijf expandeerde, maar liep daarbij tegen
een oud probleem aan: ruimtegebrek. In de loop
der jaren had het bedrijf een complex panden aan
de Wolweverstraat en het Gasthuisplein aangekocht,
waar eindeloos in was verbouwd en verplaatst.
De verzameling oude panden vereiste echter
veel onderhoud, was bovendien structureel te
klein en totaal ongeschikt om efficiënt naar de
eisen des tijds te kunnen werken. Bovendien
beschikte men midden in de stad niet over een
open opslagterrein en werd de bereikbaarheid
door het toenemende verkeer ook steeds problematischer.
Er bestonden daarom al lang plannen
om de binnenstad te verlaten en tot algehele
nieuwbouw over te gaan. In 1966 kon eindelijk
met verwezenlijking daarvan begonnen worden,
als eerste fase werd toen een nieuwe vruchtenwijnfabriek
geopend op het nieuwe bedrijventerrein
van de Marslanden. Medio 1968 kon het hele
bedrijf daar een gloednieuwe behuizing betrekken
en werd de periode in de binnenstad afgesloten.
Omstreeks dezelfde tijd werden de Zwolse
drankengroothandel Koekkoek en de Delftse distilleerderij
Hellebrekers overgenomen.
Intercaves
In de jaren zeventig schakelde het bedrijf steeds
meer over op wijn. Begin jaren tachtig besloot
toenmalig directeur H.H. Doijer, geboren in 1926
en laatste telg uit de familie die bij het bedrijf
betrokken was, om samenwerking te zoeken met
een vooraanstaande branchegenoot. Er was geen
opvolging uit de familie en Doijer wilde op deze
manier de voortzetting van het bedrijf zo goed
mogelijk waarborgen. Zo kwam in 1982 de fusie
met distilleerderij M. Dirkzwager, onder meer
producent van Florijn, tot stand. De productie
van het gedistilleerd verhuisde naar Schiedam en
de wijnbelangen werden in Zwolle geconcentreerd.
Doijer en Van Deventer heette voortaan
Intercaves. De heer Doijer combineerde zijn
afscheid van het bedrijf met het 175-jarig bestaan
in 1989. De heer A.J. Brouwer, al mededirecteur
sinds 1968, zette de directie voort met de heer
R.J.A. Würzer.
De heer Brouwer was in 1989 al jaren bij het
bedrijf werkzaam en maakte de periode in de binnenstad
nog uitgebreid mee. Hij was tot 1999 bij
het bedrijf betrokken.
De periode aan de Marsweg behoort inmiddels
ook definitief tot het verleden; Intercaves verhuisde
in juli 2001 naar Nijkerk vanwege een in de
bedrijfsgeschiedenis van Doijer en Van Deventer
– Intercaves bekende reden: ruimtegebrek en
logistieke overwegingen. In tegenstelling tot het
voormalige hoofdpand aan de Oude Vismarkt,
dat er nog steeds staat, zijn de panden aan de
Marsweg gesloopt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
‘Richt u in naar uw zin’
de firma FJ. Schoemaker & Zn. (1843-1958)
De Zwolse firma F.J. Schoemaker & Zn.,
opgericht in 1843 en opgeheven in 1958,
dreef jarenlang handel onder het motto:
‘Richt u in naar uw zin’. De ‘Stoommeubelfabriek
& Behangerij F.J. Schoemaker en Zonen’ was
gedurende haar 115-jarig bestaan voor lange tijd
gevestigd aan de Oude Vismarkt 9.
Wat weten we van deze meubelfabrikant en
wat is er bewaard gebleven van de producten die
dit bedrijf leverde, dat ook hofleverancier was van
onze toenmalige koningin Wilhelmina, de koningin-
moeder Emma en de sultan van Koetei.
Economische situatie in Zwolle
Rond 1900 was Zwolle, naast hoofdstad van de
provincie en zetel van het gewestelijk bestuur, een
industriestad in ontwikkeling. Op het gebied van
handel, scheepvaart en het marktwezen beleefde
de stad in korte tijd een snelle groei door de sterk
verbeterde infrastructuur. Zwolle was door de
opening van de Willemsvaart toegankelijker
geworden voor de scheepvaart en de aanleg van
het spoorwegnet zorgde voor een snellere verbinding
over land. Voor de nijverheid van destijds,
die nauw verbonden was met handel, scheepvaart
en het marktwezen betekenden deze structurele
verbeteringen een stimulerende factor. Dit leidde
in 1902 tot de oprichting van ‘De Maatschappij
van Nijverheid te Zwolle’.1 Weliswaar bestond het
Departement Zwolle van Nijverheid al een tiental
jaren, terwijl de Maatschappij van Nijverheid,
voortgekomen uit de opheffing van de gilden, al in
1777 opgericht was. Door behartiging van belangen
fuseerden de twee landelijke verenigingen, de
‘Groote’ en de ‘Kleine’ Nijverheid tot de Maatschappij
van Nijverheid. Aanleiding tot deelname
van Zwolle aan de nieuwe vereniging was een door
Kampen georganiseerde wedstrijd voor werklieden
met een daaraan verbonden vaktentoonstelling.
Eén van de Zwolse industriëlen die deel uitmaakten
van de jury was Lodevicus M.H. Schoemaker,
zoon van de oprichter van de firma Frederikus
Johannes Schoemaker.2
Meubelindustrie
In de loop van de negentiende eeuw ontstonden in
Nederland twee soorten meubelindustrie: de luxemeubel-
en de massa-meubelindustrie. De eerste
groep was het oudst en nog rechtstreeks voortgekomen
uit de gilden. Het ging daarbij meestal om
kleine werkplaatsen. Meubelen of complete
inrichtingen die aan de hand van voorbeelden in
modelkamers of -boeken werden besteld, werden
vervaardigd door vakkundige en gespecialiseerde
meubelmakers. Goede kwaliteit kon worden gegarandeerd
door de zorgvuldige afwerking en het
gebruik van dure houtsoorten. De prijs van de
producten lag hoog, wat echter voor de opdrachtgever
geen bezwaar was, omdat hij voor zichzelf
iets exclusiefs wilde.3
Miriam Schneiders
Het vignet met het motto
‘Richt u in naar uw
zin’. (Uit: ‘Zwolle als
industriestad’, 1914,
HCO)
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het pand van Schoemaker
op de Oude Vismarkt
omstreeks 1900,
voor de verbouwingen
van 1901 en 1907 (collectie
HCO).
De firma Schoemaker
De meubelfabriek Schoemaker werd in januari
1843 op zeer bescheiden schaal opgericht. Frederikus
Johannes Schoemaker (1821-1880), afkomstig
uit Twello en gehuwd met de Zwolse Catharina
Hermanna van der Kolk (1818-1902), vestigde zich
in Zwolle als timmerman. Uit dit huwelijk werden
vijf kinderen geboren, onder wie twee zonen die
hun vader later in het bedrijf zouden opvolgen. Al
spoedig gingen de zaken zo goed dat men op zoek
moest naar een grotere ruimte. In 1851 werd in de
Diezerstraat een pand gekocht, dat zowel aan de
zijde van de Diezerstraat als aan de zijde van de
Oude Vismarkt voor meubelinrichting en fabricage
werd ingericht. Stelselmatig vond uitbreiding
plaats, zodat in 1872 nog een tweede magazijn in
de Diezerstraat aangekocht werd, waar de meer
courante meubelen verkocht zouden worden.
De firma Schoemaker nam geregeld deel aan
vaktentoonstellingen en zelfs wereldtentoonstellingen.
Zo behaalde de firma Schoemaker op de
tentoonstelling te Zwolle in 1862 voor zijn inzending
een bronzen medaille. En over de tentoonstelling
van 1879 wordt geschreven dat er een toenemende
aandacht is besteed aan een correcte
navolging van stijlen zoals het genre renaissance,
Louis XIV en Louis XVI. Verschillende malen
wordt in de Officieele Gids vermeld dat meubels
‘streng’ of ‘keurig in stijl’ waren uitgevoerd. De
firma F.J. Schoemaker en Zonen uit Zwolle wordt
speciaal genoemd omdat zij exposeerde met
‘… meubelen, die ieder afzonderlijk beschouwd,
streng het karakter toonen van het tijdvak, waarnaar
ze zijn vervaardigd. Het schijnt dat genoemde
firma hier een proef wil leveren, een ieder naar
zijn keuze, hetzij uit het tijdvak van Henri II, Louis
XIV, XV, XVI of uit den Griekschen stijl een greep
te doen, waarnaar gemakkelijk een geheele salon,
boudoir of eetzaal is in te richten.’4 Met deze
beschrijving krijgen we een aardige indruk van
wat de meubelfabrikant leverde. Deze firma
behoorde inderdaad tot de ‘luxe’-meubelindustrie
van die tijd.
In 1876, toen de firma F.J. Schoemaker het
grootste meubelbedrijf in Zwolle was, werkten er
zestien volwassen knechts en vier jongens. Schoemaker
had in dat jaar een inkomen tussen ƒ 2.400
en ƒ 3.000. Nadat de beide zonen Lodevikus Maria
Hermanus (1848-1917) en Hermanus Johannes
(1852-1913) in de zaak waren gekomen, werd de
naam van het bedrijf veranderd in: F.J. Schoemaker
en Zonen, Stoommeubelfabriek, Behangerij,
Zwolle. (Onder deze naam werd overigens in 1880
een tweede werkplaats opgericht voor de productie
van biljarttafels, die echter na 1901 door uittreding
van een der firmanten niet meer onder deze
naam werd gevoerd). Ook de zoon van Lodevikus,
Frederikus J.G.M. Schoemaker (geb. 1876), werd
lid van de firma.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
Landelijke afzet
De verkochte goederen werden geproduceerd in
de eigen werkplaats. Een advertentie van 1878 vermeldt
dat men meubelen, stoelen, spiegels, lijsten
en complete ameublementen maakte in alle stijlen.
Landelijk stond het bedrijf goed bekend. Van
de productie werd bijna alles landelijk afgezet,
slechts ‘/8 deel vond in Zwolle aftrek. Onder de
clientèle in Zwolle bevond zich in ieder geval de
gemeente. Op een betalingsbewijs van 24 december
1904 staat een bedrag van ƒ 28,78 voor de levering
van meubelen voor het bureau van de afdeling
Gemeentewerken, getekend door de gemeentearchitect
Lourens Krook. De meubelen werden
hoofdzakelijk met handmatig vervaardigd, maar
de firma liet het grovere werk machinaal verrichten.
Iets waar men trots op was, aangezien de
arbeidsomstandigheden ook in de luxe-meubelfabriekën
over het algemeen slecht waren. Toch
bleef het werk in de ambachtelijke werkplaatsen
zwaar en ook in de gemechaniseerde bedrijven
zorgden stof, lawaai en lijmdampen voor problemen.
Bovendien waren de machines niet altijd
even veilig. De waarborg voor een uitstekende
kwaliteit van de meubelen lag volgens de firma
Schoemaker aan het gebruik van prima grondstoffen
en de grote voorraden droog hout, opgestapeld
in houtstekken aan de Wolweverstraat en het
Eiland.
Vaktentoonstellingen
Op de vele vaktentoonstellingen mocht de firma
zich intussen blijven verheugen in de hoogste
onderscheidingen. Op de tentoonstelling te
Amsterdam in 1877 kreeg Schoemaker een eervolle
vermelding omdat hij ijverig scheen te zoeken ‘om
op den goeden weg te geraken: de uitvoering der
ornamentatie is niet slecht, doch alle samenhang
ontbreekt.’5 Het neigt haast naar een vernietigende
kritiek, omdat het er op lijkt dat Schoemaker de
neostijlen met elkaar vermengde, maar het bleek
toch voldoende te zijn voor een eervolle vermelding.
Twee jaar later in 1879 exposeerde de firma
in Arnhem met een ‘cabinet style Henri II, ƒ 650,-,
een ingelegde salonkast, fantasie, ƒ 340,-, een
damessecretaire genre neogrec, ƒ 225,- en ander
meubilair’. Maar dan wordt al weer geschreven
• * J
K « -X- Z W O L L E * -X- «
STOQM-MEUBEIFABRIEK
GORDIJNEN ï: TAPIJTEN, enz.
_ , , , , Nu. 2H Kunloor -:- -:- -:-
T…IOO» l « — » l . N)|_ 2„ Hu|s … … … …
HOFuratncieis
. . . VAK – – –
B. M. dl Koilnjln. – – –
‘f –
Z. H. ds Sollin 1. Kotld.
Jj
OIEZERSTRAAT l(i (Hooldraüuiln)
OUUE VISCIIMARKT 69 -:- -:-
Fabriek -:- -:- -:- -:-
OUDE VISCIIMARKT.
Briefhoofd van de firma F.J. Schoemaker uit 1908 met links een afbeelding van
het pand aan de Diezerstraat en rechts het hofleverancierwapen (collectie briefhoofden,
HCO).
dat er een toenemende aandacht is besteed aan
een correcte navolging van stijlen. Blijkbaar heeft
Schoemaker de eerdere kritiek positief opgevat.
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het ‘hoofdmagazijn’ van Schoemaker aan de Diezerstraat 16. (Uit: ‘Zwolle als
industriestad’, 1914, HCO).
De meubelmakerij, afdeling handwerk, van Schoemaker aan de Oude Vismarkt
9. (Uit: ‘Zwolle als industriestad’, 1914, HCO).
Predikaat
Volgens een verschenen uitgave van vóór 1914
over de Nederlandse meubelindustrie behoorde
de firma Schoemaker & Zonen tot de zeer weinige
meubelfabrikanten die aan haar producten de
‘hoogsten eischen’ stelden, iets wat slechts bij 15 %
van de fabrikanten het geval scheen te zijn. In 1905
mocht Schoemaker leveren aan het hof, zodat het
nu gerechtigd was tot het voeren van het koninklijke
wapen van koningin-moeder Emma. In 1906
viel hem nog eens deze eer ten deel voor koningin
Wilhelmina. In datzelfde jaar was de firma Schoemaker
ook nog eens gerechtigd het wapen te voeren
van de Sultan van Koetei. Maar waar ligt Koetei?
Op Borneo? En wat deed de sultan van Koetei
in 1906 met een biljartzaal van Schoemaker als
blijkt dat er na 1901 geen biljarttafels meer geleverd
werden onder naam van Schoemaker?
Oude Vismarkt 9
Ter ere van het 50-jarig bestaan in 1893 werd het
pand Diezerstraat nr. 16 voorzien van een nieuwe
gevel. In 1901 liet men ook de gevel aan de Oude
Vismarkt ‘moderniseren’, maar deze brandde in
1907 af. De Zwolse architect M. Meijerink kreeg de
opdracht een nieuw pand te ontwerpen. Het
resultaat is het nu nog steeds bestaande gebouw.
Het pand is in Jugendstilarchitectuur opgetrokken
en staat tegenwoordig geregistreerd als
gemeentelijk monument. Volgens de mode van
die tijd is gebruik gemaakt van geglazuurde witte
verblendsteen, afgewisseld met een blauwe steen
in de horizontale gevelbanden. Het gebruik van
gekleurde materialen was kenmerkend voor de
Jugendstil. Opvallende elementen zijn de halfronde
bovenetalages en de gepleisterde nissenreeksen.
De meubelmakerij had oorspronkelijk een winkelruimte
op de begane grond, het magazijn en de
werkplaats bevonden zich op de twee bovenverdiepingen.
De dubbele pakhuisdeur met hijsbalk
in de kap herinnert nog aan deze functie. De ruime
vensters zorgden voor een goede verlichting
van de werkplaatsen.
Overname en opheffing
In het Handelsregister van de Kamer van Koophandel
en Fabrieken wordt de firma voor het eerst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
genoemd in 1918 als het zich als Stoommeubelfabriek
& Behangerij laat inschrijven als vennootschap
onder de naam van de toenmalige eigenaar
Frederikus J.G.M. Schoemaker (kleinzoon van de
oprichter) wonende Emmawijk 19. De zaak werd
gedreven met hulp van geleende gelden, schuldbrieven,
één van ƒ 15.000 zonder onderpand tegen
5 %. De aangever was enig firmant .6
In 1949 verkocht F.J.G.M. Schoemaker de firma
en verhuisde naar Den Haag.7 De ooit zo
beroemde firma werd overgenomen door
G.J.Th.J. Leering, afkomstig uit Enschede. Leering
handhaafde de bedrijfsnaam F.J. Schoemaker, nu
met de omschrijving ‘Kleinhandel in meubelen en
woningtextielgoederen’. De productie van de
exclusieve meubelen waar Schoemaker nationaal
zoveel furore mee maakte bleek niet langer haalbaar.
De heer Leering stuurde op 30 december
1957 zijn clientèle een brief, waarin hij aankondigde
zijn zaak per 1 januari 1958 verkocht te hebben
aan de NV Batjes, Interieurinrichtingsbedrijven.
Leering vertrok naar Den Haag om firmant te
worden van een Perzische tapijtenhandel.8 Dit
betekende het definitieve einde van de firma F.J.
Schoemaker & Zonen, 1843-1958.
Het Stedelijk Museum Zwolle heeft enkele meubelen
van de firma Schoemaker in de collectie.
Wellicht heeft uzelf nog een origineel exemplaar
van Schoemaker in uw bezit. Schoemaker signeerde
haar meubelen (voor het eerst in 1929?) met het
brandmerk: F.J. Schoemaker
Hofleveranciers
Zwolle
De gunst dit predikaat te mogen gebruiken is
zeker benut.
Noten
1 Zwolle als industriestad in 1914, Uitgegeven ter gelegenheid
van de Algemeene Vergadering van de
Maatschappij van Nijverheid te Zwolle, op 25,26 en
27 juni 1914, p.III-IV.
2 Idem, p.V.
3 E. Bergvelt et all, Industrie & Vormgeving in Nederland
1850-1950, Amsterdam 1985,
4 J.M.W. van Voorst tot Voorst, Tussen Biedermeier
en Berlage. Meubel en Interieur in Nederland 1835-
1895, Amsterdam 1992, p226 en 234.
Idem, p.283.
HCO Zwolle, Handelsregister van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken te Zwolle, Jaarletter A,
no.6, dossiernr. 6.
Idem, Jaarletter AL, no.2226, dossiernr. 6.
HCO Zwolle, Briefhoofdencollectie.
Het in 1907 voor de firma Schoemaker gebouwde Jugendstilpand Vismarkt 9. De
foto dateert uit 1972, het pand was toen nog in gebruik door Batjes. (collectie
HCO) •••^^^^^«B
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tingieterij Kamphof (1864-1938)
Annèt Bootsma –
van Hulten Van 1864 tot 1938 was in Zwolle de tingieterij
Kamphof gevestigd. Het grootste deel van
deze periode, van 1875 tot 1938, was dit
bedrijfin het geboortehuis van Potgieter, Luttekestraat
14, gehuisvest. In het algemeen was de twee-
De tinnegieterij Kamphofaan de Luttekestraat 14 omstreeks 1895. Voor de
ramen staan de tinnen voorwerpen geëtaleerd. (Foto Deutmann, collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
de helft van de negentiende eeuw een slechte tijd
voor de tinnegieterij; het ambacht bevond zich in
een crisis waar slechts weinig gieterijen aan wisten
te ontkomen. Kamphof was zo’n gieterij. Het was
een gerenommeerd en landelijk bekend bedrijf.
Afnemende vraag
Eeuwenlang hadden tinnen voorwerpen een substantieel
deel uitgemaakt van het huisraad maar in
de loop van de negentiende eeuw nam de vraag
naar tinnen gebruiksvoorwerpen sterk af. De productie
beperkte zich toen voornamelijk tot het
gieten van lepels, bordjes, bedkruiken, thee- en
koffiepotten en vloeistofmaten. Er bestond nog
wel wat behoefte aan siertin, in het laatste kwart
van de eeuw beleefde de vraag daarnaar zelfs weer
een lichte opleving, maar daaraan kon echter
gemakkelijk door een klein aantal gieters voldaan
worden. Deze ontwikkelingen werden in 1953 zeer
beeldend door J.A. Kamphof zelf beschreven:
‘Men wilde geen tin meer. Steeds meer ging men
over tot het gebruik van aardewerk en porcelein,
dat wel brak maar geen onderhoud vroeg. De
geheele inventaris van de eens zoo schitterende
“tinkast” werd soms ineens opgeruimd. Prachtige
verzamelingen met gegraveerde familie-wapens,
collecties die nu in ieder museum een eereplaats
zouden vinden, werden bij zakken vol verkocht en
gesmolten voor het maken van soldeer en door de
enkele gieters vergoten tot boerenlepels, ruwe
theepotten, bedkruiken etc. Maakten de gieters
voorheen kandelaars, tafelcomforen, sauskommen,
schalen, kannen en borden, thans maakten
deze in overeenstemming met de smadelijke
ondergang van het vak meest nog een onmisbaar
gebruiksartikel dat men, als niet brekend, toch
nog van tin prefereerde.’
Vele nog bestaande bedrijven werden in die
jaren dan ook opgeheven. Hun voornaamste
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Dit tinnen inktstel werd
omstreeks 1925 door de
firma Kamphof vervaardigd.
Het bevindt
zich tegenwoordig in de
collectie van het Stedelijk
Museum Zwolle.
(Collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
gereedschap, de bronzen gietvormen die de kern
van het bedrijf uitmaakten, verdwenen of in de
smeltkroes of werden door de overblijvende
bedrijven opgekocht. In Zwolle nam zo tingieter
Arend ten Klooster (geb. 1783) de gietvorm collecties
van twee Zwolse gieters en één Kampenaar
over. Ten Klooster overleed in 1860. Zijn weduwe
verkocht de gieterij per 1 januari 1864 aan de toen
31-jarige tingieter en geboren Zwollenaar Hendrik
Kamphof.
Hendrik Kamphof
Ten Klooster had zijn bedrijf uitgeoefend aan de
Melkmarkt. Van Kamphof is bekend dat hij aan de
Nieuwstraat woonde, het valt aan te nemen dat hij
daar ook zijn werkplaats had. Hij zette de gieterij
in ieder geval onder zijn eigen naam voort. In 1875
kocht hij Luttekestraat 14. Hierin werd aan de
voorkant een winkel gevestigd, aan de achterkant
aan de Ossenmarkt was de werkplaats en boven
woonde de tingieter met zijn gezin.
Aanvankelijk vervaardigde Kamphof de boven
beschreven gewone gebruiksvoorwerpen, zoals
lepels en vloeistofmaten, voor de stad en naaste
omgeving. De eerste grote uitbreiding van de zaak
vond plaats met de overname van een gieterij uit
Deventer met een collectie van onder meer originele
zeventiende-eeuwse gietvormen. Daarna
begon Kamphof meer gieterijen over te nemen:
een bedrijfin Leeuwarden, in Alkmaar, Hoorn en
drie in Amsterdam. Sommige van deze gieters verkochten
hun bedrijf onder voorwaarde dat in hun
oorspronkelijke vormen gegoten artikelen nog
voorzien moesten worden van hun eigen meestermerk.
Zo verscheen hier en daar ‘oud tin’ met de
merken van vroegere gieters maar uit Kamphof s
bedrijf afkomstig.
In 1902 wist Kamphof bij een publieke veiling het
belendende perceel, Luttekestraat 16 – een pas
gebouwd fraai Jugendstil-neorenaissance pand –
te verwerven voor f 9.650. Vanaf dat moment
werd in de beide panden een winkel gevestigd niet
alleen voor tin, maar ook voor galanterieën,
goud-, zilver-, nikkelwerken, etc. Toen Kamphof
overging tot deze uitbreiding van de winkel was
hij al 69 jaar. Waarschijnlijk deed hij dit ten
behoeve van drie ongetrouwde dochters, die met
z’n drieën de winkel runden en vanaf 1913 ook officieel
firmant werden in hun eigen firma H. Kamphof,
handel in huishoudelijke en luxe artikelen,
galanterieën etc. Hendrik Kamphof had in totaal
zes kinderen, vier dochters en twee zonen. Zijn
oudste zoon, Jacobus Arnoldus (geb. 1871), trad in
de voetsporen van zijn vader en werd ook tinnegieter.
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door de firma Kamphof
in de loop der jaren
gebruikte merken. (Uit:
Dubbe, ‘Tin en tinnegieters
in Nederland’).
Jacobus Arnoldus Kamphof
Toen J.A. Kamphof het bedrijf van zijn vader
overnam, gaf hij al vrij spoedig de productie van
gewone artikelen op. Hij nam nog enkele gieterijen
over, uit Delft en Breda, en diepte toen uit de
inmiddels aanwezige kapitale collectie alles op wat
uit een historisch of artistiek oogpunt waardering
verdiende. Hij voerde ook veel nieuwe ontwerpen
uit en speelde daarmee in op de aan het eind van
de negentiende eeuw ontstane opleving in de
belangstelling voor siertin. Men begon, zoals
Kamphof in het boven al eerder geciteerde artikel
beschrijft, die oude schotels en kannen ‘toch wel
aardig’ te vinden. Vooral in een oud interieur, op
een oude kast ‘deed’ tin het. J.A. Kamphof: ‘Zooals
reeds is gezegd is het reveil van het oude vak voor
de nog bestaande gieters een aangename tijd
geweest: te beleven, dat na zooveel onrecht en
minachting het tin weer recht gedaan en in eere
hersteld werd; te zien dat voor een goed stuk weer
een goede plaats was; te weten dat het vak weer een
naam had onder de kunstambachten. Die eeuwige
boerenlepels in een hoek te kunnen gooien en in
die oude vormen te gaan zoeken naar mooie dingen;
die weer te kunnen maken en daarvoor koopers
en waardeering te vinden; zelfs voortwerkende
in de oude stijl; met nieuwe stukken de oude collecties
te kunnen uitbreiden, dat alles was als de
herstelling na een zware ziekte: een tijd om nooit
te vergeten.’
Direct achter het pand aan de Luttekestraat,
aan de Ossenmarkt, werd een nieuwe ruime gieterij
ingericht. Men had een uitgebreide clientèle
onder de detailhandel en er werd geëxporteerd
naar Engeland, Amerika en Nederlands-Indië.
Dit alles duurde tot 1937. J.A was inmiddels
66 jaar. Zijn huwelijk met Gesiena W. de Vries
(geb. 1882) was kinderloos gebleven. Bij gebrek
aan een opvolger, uit de familie of daarbuiten,
werd het bedrijf per 1 januari 1938 opgeheven.
Hendrik Kamphof was in 1923 op negentigjarige
leeftijd overleden; net als zijn vader bereikte ook
Jacobus Arnoldus een achtenswaardige leeftijd, hij
overleed i

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2001, Aflevering 1

Door | 2001, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

r^
«.4
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
216957
(GemeentearchiefZwolle).
Ansichtkaart Wilhelminasingel met Sassenpoort
Poststempel 23 november 1910
‘Zwolle, 22/11/10
LM.,
‘k Had graag bij het pakket (mof en br…) ook werd
ingesloten waar ik om vroeg in m ’n brief, ‘k Heb dan
met geen bewijs of wissel noodig en vergeet Pa dan
niet op de berichtkaart een postzegel te plakken? Het
huis met een kruisje aangeduid is de achterkant van
no.5. De overkant van ’t water is Groot Weezenland.
Is je nekje weer beter?- Mevrouw is bijna den ganschen
dag al weer op, zoodat ik wel gauw weer thuis
zal komen. – Nu dag. JeA.’
De ansichtkaart laat ons een plekje van Zwolle
zien dat weinig veranderd is. Ook nu weerspiegelen
zich op een zomerse dag de huizen en de
bomen in het water van de stadsgracht. Het pand
waarvan sprake is, Wilhelminasingel 5-6, werd in
1895 gebouwd voor M. Oppenheimer, procureur.
De architect was H.G. Treep en het geheel werd in
neorenaissancestijl opgetrokken. Oppenheimer
bewoonde zelf Wilhelminasingel 6. Op Wilhelminasingel
5 woonde in 1910 Jan Carel Elemans.
Achter zijn naam stond in het adresboek vermeld:
‘agentuur en comm[issiehandel], assuranties,
brandstoffenhandel, dir. Informatie-bureau
“Creditform”, kantoor Thorbeckegr. 72’. Volgens
het wijkboek was A[altje] ten Klooster in 1910
dienstbode bij de familie Elemans. Mevrouw Elemans
was op 12 november 1910 bevallen van haar
derde zoon. Dat is wellicht de reden dat Aaltje
schrijft dat mevrouw bijna de hele dag al weer op
is. Het pand Wilhelminasingel 5 werd na het vertrek
van de familie Elemans jarenlang bewoond
door J. Hagenbeek, wijnhandelaar; daarna door
zijn dochter.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
heeft heel wat interessants te bieden. De artikelen
zijn gebaseerd op oorspronkelijk onderzoek, zoals
dat van Tineke Loggers over stadsarchitect Lourens
Krook. Hij was de bouwer van de Sassenpoortenbrug,
de Parkschool en het Gymnasium
Celeanum.
De historica Ingrid Wormgoor heeft al haar
kunnen ingezet bij het onderzoek naar Zwolse
vrouwenhuizen omstreeks 1400. Dat waren de
zogeheten begijnenhuizen van de Moderne Devotie.
Tussen beide artikelen beschrijft journalist
Willem Boxma zijn jeugdherinneringen aan de
Rijks HBS aan de Bagijnesingel en in het bijzonder
aan ‘Herr Ober’, de leraar Duits. Lees hoe de klas
in het oorlogsjaar 1942 weigerde een stuk uit Mein
Kampfte vertalen en wat de gevolgen waren.
Wil Cornelissen is voor het Tijdschrift in de
archieven van Joodse Gemeente in Zwolle gedoken.
Aan de hand van toevallig gevonden restanten
‘binnengekomen post’ schetst hij een sfeertekening
van de naoorlogse periode in de joodse
gemeenschap. De rest van de bevolking muntte
niet uit in het tonen van begrip en medelijden
voor het doorstane leed.
Deze aflevering wordt begonnen met een
amuse: Annèt Bootsma en Wim Huijsmans hebben
weer de geschiedenis achter een Zwolse
ansichtkaart weten te ontrafelen.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma – van Hulten en Wim Huijsmans 2
Lourens Krook (1865 -1944),
Zwols gemeentearchitect Tineke Loggers 4
Herr Ober Willem Boxma 12
Zwolse vrouwenhuizen omstreeks 1400 Ingrid Wormgoor 18
Flarden Wil Cornelissen 27
Literatuur Marieke Schaap – Steegmans , 30
Onderzoek onderweg 31
Mededelingen 32
Agenda 33
Auteurs 34
Omslag: Walstraat, bouwresten van het St.-Geertruidenconvent, 1987.
(Collectie Gemeentearchief Zwolle)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lourens Krook (1865 -1944),
Zwols gemeentearchitect
Tineke Loggers
Veerallee3i, woonhuis
van Lourens Krook. Het
werd naar zijn eigen
ontwerp gebouwd in
1904/1905 (collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
Lourens Krook werd op 15 oktober 1865 in
Zwolle geboren. Hij was het jongste kind
van een Zwolse timmerman/aannemer, die
eveneens Lourens Krook heette. Als jongeman
volgde Lourens jr. een opleiding aan de Rijksnormaalschool
voor Tekenonderwijs in Amsterdam
en aan de Technische Hochschule in Aken.
Nadat hij deze opleidingen had afgerond, ging
Krook naar Halle aan de Saaie, bij Leipzig. Vervolgens
trad hij op 6 maart 1896 in overheidsdienst in
Lübeck, waar de ‘Baudeputation’ een ervaren
technicus vroeg voor de ‘Bearbeitung und
demnachstigen Bauführung grosserer Hochbauen’.
In december van dat jaar was Krook werkzaam
bij de aanleg van het Elbe-Travekanaal. Dit
kanaal loopt vanaf de Elbe bij Lauenburg naar
Lübeck, het verbindt de Lübecker Bucht in de
Oostzee met de Elbe en werd op 16 juni 1900 officieel
geopend. Krook werkte daarna nog twee jaar
voor de gemeente Lübeck. Op 29 november 1902
vertrok hij echter naar Amsterdam om daar
bureauchef te worden bij architect Eduard Cuypers
(1859-1927), een neef van de bekende Petrus
J.H. Cuypers (1827-1921). In die tijd leidde Ed.
Cuypers een architectenbureau en kunstnijverheidsatelier
in de Jan Luykenstraat, vlakbij het
Rijksmuseum. In 1902 ontwierp dit bureau onder
meer het gebouw van het Algemeen Dagblad aan
de Nieuwezijds Voorburgwal. De latere bekende
Amsterdamse-schoolarchitect Michel de Klerk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(1884-1923) genoot in diezelfde periode bij Cuypers
een opleiding. Ed. Cuypers ontwierp in een
eclectische stijl, maar liet zich daarbij beïnvloeden
door allerlei internationale architectonische ontwikkelingen
en door elementen uit de traditionele
landelijke bouwkunst. Krook werkte tot juni 1904
in Amsterdam, hij woonde toen in Naarden
Eind mei 1904 keerde Lourens Krook terug
naar zijn geboortestad Zwolle, waar hij tot 1930
zou werken als gemeentearchitect en enkele jaren
later tevens als directeur Bureau Gemeentewerken.
Hij kwam hier als opvolger van J.L. van
Essen, die per 1 april 1904 eervol ontslag had
gekregen. De gemeente had kennelijk dringend
behoefte aan hem, want er werd onderhandeld
over een vervroegd vertrek bij Cuypers. Krook liet
voor zichzelf in 1904/1905 een villa aan de Veerallee,
nummer 31, bouwen.
Gemeentearchitect en directeur Bureau Gemeentewerken
Krook stond hier al spoedig bekend om zijn ongelooflijke
plichtsbesef en werkkracht. Hij beheerste
alle facetten van het vak maar had een hekel aan
zinloze bureaucratie. Krook gebruikte verschillende
stijlen voor zijn ontwerpen, van neo-stijlen tot
de Amsterdamse-schoolstijl en het Rationalisme
van Berlage. Zijn kracht lag in de civiel-technische
aspecten. Het Zwolse archief bezit van Krook een
aantal tekeningen, op dik papier, prachtig uitgevoerd
in pen en Oost-Indische inkt, soms ingekleurd
en beletterd met een aan gotisch verwant
schrift.
Krooks werkzaamheden in Zwolle omvatten
het maken van ontwerpen voor gemeentelijke
nieuwbouw, zoals gebouwen voor openbare werken,
het stadhuis, scholen, bruggen en voor verschillende
verbouwingen en gemeentelijke uitbreidingsplannen.
Bekende objecten in het stadsgezicht
zoals het Gymnasium Celeanum en de
Sassenpoortenbrug zijn van zijn hand, evenals de
Parkschool en de Menistenbrug.
Een aantal gebouwen die Krook ontwierp voor
de Dienst Gemeentewerken is helaas inmiddels
gesloopt zoals gebouwen aan de Dijkstraat-Friesewal
en Rembrandtlaan. De oorspronkelijke
bestemming van deze gebouwen geeft weer hoe
Lourens Krook, in 1930
(collectie Gemeentearchief
Zwolle).
die dienst in die tijd functioneerde. In 1906 kwam
er een dienstwoning voor het Bureau Gemeentewerken
aan de Rembrandtlaan, in 1907 een passantenhuis
aan de Dijkstraat-Friesewal. In 1912
werd aan de Zamenhofsingel een dienstwoning
gecombineerd met een paardenstal voor de Dienst
Gemeentereiniging, waar in 1913 nog een hooizolder
bij kwam.
Krook bleek ook een zorgvuldig restauratiearchitect,
hetgeen tot uiting kwam bij de verbouwing
van het Reventer en bij de perikelen rond een
nieuw stadhuis, een al jarenlang slepende discussie
die in Zwolle bekend stond als de ‘stadhuiskwestie’.
De stadhuiskwestie
De stadhuiskwestie speelde van 1882 tot 1915, toen
de Eerste Wereldoorlog voor jaren een einde aan
al het gekrakeel maakte. Het stadhuis van Zwolle
stond en staat op de hoek Sassenstraat-Grote
Kerkplein. Door de bebouwing aldaar was er geen
ruimte voor uitbreiding. Voor de komst van
Krook waren er al diverse ideeën de revue gepasseerd,
waarbij de bestemming van de eeuwenoude
Schepenzaal (1448) een omstreden punt was. De
zaak bevond zich in een impasse toen Krook in
1904 in Zwolle werd aangesteld.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ontwerp van Krook
voor de verbouwing van
een paardenstal voor de
Dienst Gemeentereiniging,
1912 (collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
Op 15 april 1907 was er sprake van een uitbreiding
van het bestaande stadhuis. Dat zou gebeuren
op de hoek Sassenstraat-Lombardstraat, waarbij
dan de Brouwerschool moest wijken.
Op 1 september 1908 presenteerde Krook twee
schetsplannen: één ontwerp waarbij de Schepenen
trouwzaal verplaatst werd en één waarbij deze
in tact bleef. Bij de ruimteverdeling in het bestaande
stadhuis speelde naast de Schepenzaal ook het
archief een rol. Zwolle beschikte over een kostbaar
archief met veel middeleeuwse stukken. De
gemeente wilde echter geen geld beschikbaar stellen
voor het onderhoud en had daarom een contract
met de staat gesloten, dat er op neer kwam
dat het gemeentearchief samen met het rijksarchief
naar de Sassenpoort zou gaan. Dit gebeurde
in 1898, op initiatief van de rijksarchivaris. De
poort werd gerestaureerd; een restauratie waarvan
de kosten beraamd waren op 22.000 gulden maar
die uiteindelijk 140.000 gulden bedroeg. Het
gemeentearchief bleef echter in de Sassenpoort
een ‘ondergeschoven kindje’. Deze situatie was in
1908 verergerd door de houding van de nieuwe
rijksarchivaris. Het archief was vanaf dat moment
niet meer toegankelijk. In 1912 werd het uiteindelijk
weer teruggebracht naar het gemeentehuis,
waardoor de ambtenaren gingen klagen over
ruimtegebrek.
De gemeenteraad was in 1908 voor verplaatsing
van de Schepenzaal, in tegenstelling tot
Krook. Een verplaatsing was voor Krook eigenlijk
onaanvaardbaar, daarom riep hij de hulp in van
een commissie van prominente Nederlandse
architecten bestaande uit Ed. Cuypers, K.P.C, de
Bazel, Salm en W. Kromhout. Uit de samenstelling
blijkt de belangrijke relaties die Krook had.
De Zwolse stadhuiskwestie bezorgde Krook ook
landelijke bekendheid. Het gerenommeerde
architectenblad Architectura besteedde in de jaren
1909 tot 1911 regelmatig aandacht aan zijn planZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nen. De commissie oordeelde dat verplaatsing van
Schepenzaal ‘een schending van het houwkunstmonument’
zou zijn en maakte een plattegrond
die met behoud van de Schepenzaal aan alle
gestelde diensteisen voldeed.
Krook ontwierp de gevel voor dit plan; een statig
gebouw op een voetstuk met een toren. De
ingang was via een bordes te bereiken. Dit plan
werd met 12 tegen 6 stemmen aangenomen, de
Schepenzaal scheen gered. Het plan werd echter
niet uitgevoerd.
Krook doorbrak tenslotte de ontstane impasse
met een ontwerp voor een nieuw stadhuis op het
terrein van villa Eekhout. Het was een variant van
het ontwerp voor de verbouwing: een U-vormige
plattegrond met een binnentuin en een voorgevel
met een toren en ingangspartij. De topgevel naast
de toren had een raamverdeling die nog is terug te
vinden in Krooks ontwerp van de voorgevel van
het Gymnasium Celeanum. De ingang van dit
stadhuis was gesitueerd tegenover de toen nog
smalle Nieuwe Havenbrug en de toren stond in de
zichtlijn van de brug, een belangrijke uitvalspoort
van de stad. Op 9 maart 1913 werd dit plan door de
raad met 16 tegen 3 stemmen goedgekeurd.
Het raadsbesluit werd echter afgekeurd door
Gedeputeerde Staten, een beslissing waartegen de
gemeente vervolgens op 20 oktober 1913 in beroep
ging. In november 1915 was het plan met plattegronden
en opstanden uitgewerkt en werd onderhandeld
over de grondaankopen.
De internationale ontwikkelingen doorkruisten
echter de realisatie omdat de gemeente eerst
het einde van de oorlog wilde afwachten. Daarna
kwam er niets meer van terecht. Van het stadhuisontwerp
van Krook resten alleen nog de maquette
en tekeningen.
Restauratiearchitect
De Zwolse oud-archivaris en geschiedschrijver
Thom. J. de Vries beschreef Krook als een architect
die tegen restauraties was: ‘Hij was een fervent
voorstander van nieuwbouw en haatte alle restauratiewerk.
Van restauratie van Reventer of politiebureau
wilde hij niet weten dat gold in zijn ogen
als tweederangs werk.’ Dat blijkt anders te zijn,
want al in 1902 was Krook corresponderend lid
van de Nederlandsche Oudheidkundige Bond. Bij
de bouw van het stadhuis had Krook, in tegenstelling
tot de raadsleden, blijk gegeven voorstander
te zijn van behoud van de oude Schepenzaal.
Op 7 september 1915 keurde de raad de
opdracht aan Krook goed, om het Reventer of
Refter aan het Bethlehemse Kerkplein te restaureren
en te verbouwen tot handelsschool.
De restauratie is beschreven in het Bouwkun-
Schetsontwerp van
Krook voor een overbrugging
van de IJssel
aan het Katerveer, 1907.
Niet uitgevoerd (collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Maquette van het stadhuisontwerp
van Krook
uit1912 (foto Joos Lensink).
dig Weekblad van 2 oktober 1915, waarbij een uitvoerige
geschiedenis van het gebouw en het belang
van de restauratie is opgenomen. Volgens dit blad
had in 1875 een restauratie plaatsgevonden die in
strijd was met het advies van de Rijksadviseurs
voor Monumenten van Geschiedenis en Kunst en
die het gebouw onherkenbaar had verminkt. Voor
de restauratie naar het ontwerp van Krook in 1912
kreeg de gemeente een rijkssubsidie omdat het
gebouw ‘oordeelkundig’ zou worden gerestaureerd.
Bij de restauratie werd het pleisterwerk van de
muren gebikt en werden deze van een nieuwe buitenhuid
voorzien met stenen naar oude vorm en
kleur. De Handelsschool bleef tot 1966 in het Refter
gevestigd.
Uitbreidingsplannen
In de tijd dat Krook in Zwolle werkte, kwamen er
veel uitbreidingsplannen voor het gebied buiten
de stadsgracht tot stand. Op de oeuvrelijst van het
Bureau Gemeentelijke Monumenten worden verschillende
maquettes genoemd die Krook van uitbreidingen
maakte. In 1911 ontwierp Krook het
uitbreidingsplan Assendorp. In het gemeentearchief
is nog een schitterende tekening van hem
van een speelveld in die wijk. Toen verschillende
woningbouwverenigingen actief werden, kwamen
er belangrijke uitbreidingen buiten de stadskern.
Zo was er in 1922 een uitbreiding aan de Rembrandtlaan
en Frans Halsstraat, in 1927 in de Bollebieste,
waar door aannemer Witzand uit Zeist
werd gebouwd, en in 1928 een uitbreiding in de
Kamperpoort. Op de bouwgrond tussen de Wipstrikkerallee
en het Almelo’s kanaal werd een
tuinstad geprojecteerd volgens Engelse principes.
Scholen
Krook ontwierp aan het eind van de jaren twintig
verschillende scholen, zoals de Hobbemaschool
aan de Hobbemastraat, de Parkschool aan de
Westerlaan en de Elbertsschool aan de Lijnbaan.
In 1929 maakte hij het ontwerp voor het gymnasium
aan de Veerallee, naast zijn eigen huis. De aanbesteding
daarvoor vond plaats op 9 mei 1929. De
hoogste inschrijving was van de Gebroeders H. en
H. Schenkel uit Veendam, met een bedrag van
188.900 gulden; laagste inschrijving was van de firma
A. Kingsma en Zn. uit Leeuwarden met een
bedrag van 174.920 gulden. Een timmerman of
metselaar verdiende in die tijd 78 cent per uur een
opperman 65 cent. Op de plaats van de school
stond een woning die werd afgebroken en waarvan
de stenen opnieuw werden gebruikt.
In 1932/1934 ontwierp Krook samen met architect
A. Baart uit Leeuwarden een ambachtsschool
aan de Mimosastraat. Dit pand is nu Rijksmonument.
Het Oversticht
In 1926 werd op aandringen van een aantal Overijsselse
architecten en de ‘Vereeniging tot beoefening
van Overijssels regt en geschiedenis’ het
genootschap ‘Het Oversticht’ opgericht, waarin
opgenomen de Provinciale Schoonheidscommissie.
Het doel van dit genootschap was en is nog
steeds: ‘bevordering en instandhouding van het
landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel’.
De Zwolse burgemeester mr.dr. LA. van
Roijen werd voorzitter van Het Overstidht en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lourens Krook van de Provinciale Schoonheidscommissie.
In deze commissie zaten afgevaardigden
van verschillende belangengroeperingen als
de Bond van Nederlandse Architecten (BNA), de
Maatschappij tot Bevordering van Bouwkunst,
Gedeputeerde Staten, een afgevaardigde van de
afdeling Overijssel van de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en de hoofden van gemeentewerken
in Overijssel. Tenslotte was er een vertegenwoordiger
van de Bond van Nederlandse
Tuinarchitecten.
De schoonheidscommissie kreeg de bouw- en
uitbreidingsplannen in de verschillende Overijsselse
gemeenten te beoordelen. Bovendien trachtte
de commissie te stimuleren dat ontwerpen door
bevoegde architecten werden gemaakt, in plaats
van door allerlei plaatselijke bouwers. Dit was een
vorm van kwaliteitsbewaking en beroepsbescherming.
Krooks taak was het om met zijn commissie
bekendheid en vooral vertrouwen van gemeenten
en opdrachtgevers te krijgen. Hij werkte samen
met de landschapscommissie van Het Oversticht
onder voorzitterschap van ir. W.P.C. Knuttel uit
Deventer en met ir. R…le Poole van het Staatstoezicht
op de Volksgezondheid voor Overijssel, die
ook een tijdlang bestuurslid van Het Oversticht
was.
De Holterberg
Een belangrijk voorbeeld van deze samenwerking
was het behoud van de Holterberg als natuurgebied.
Eind jaren twintig bestond er een grote
drang dit natuurgebied vol te bouwen met villa’s.
Het gebied werd beheerd door grootgrondbezitters
die uit waren op grondspeculatie, daarbij
inspelend op de toenmalige trend om buiten te
wonen. Architect T.J. Loggers (1900-1984) uit
Holten maakte als alternatief een uitbreidingsplan
waarbij de Holterberg als onbebouwd natuurgebied
gehandhaafd bleef. Loggers was oud-Zwollenaar
en twaalf jaar lang tekenaar bij Krook
geweest. Zijn initiatief ondervond erg veel weerstand
van de grootgrondbezitters en de bestuurders
van de gemeente Holten. Na een bezoek aan
1 •» J > ,
‘ ‘•’:’ 1 •
Restauratieplan voor
het Reventer of Refter,
1912 (collectie Gemeentearchief
Zwolle)
MUSEUM TE ZWOLLE l’.ENAAMD D£ REVENTER.
RESTM.T4TIEPLAN.
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Elbertsschool, 1930,
aan de Lijnbaan (collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
de Holterberg schreef voorzitter Krook: ‘Al moge
een enkele uiting van abnormaal vormenspel
duldbaar zijn, indien deze wordt beheerscht door
een fijngevoelige geest, al spoedig zullen zij, die op
en nabij Uwen berg wenschen te bouwen, zich
gedrongen voelen, dergelijke bizarre uitingen van
bouwkunst te imiteeren. Hij die “gewoon” bouwt,
zal spoedig meenen, voor conservatief te worden
gehouden en het besef, dat normale vormen zich
het best aanpassen bij schoone natuur – die ook
door de eeuwen heen zichzelf gelijk en toch zo
boeiend bleef – zal geheel verdwijnen.’ Daarnaast
vestigde Krook ook de aandacht op de kleuren die
volgens hem het best tot zijn recht kwamen als ze
geen schrille tegenstelling met het omringend
groen vormden: ‘Groote witte vlakken zijn daarom
te veroordelen. Zij scheuren elk natuurtafereel
uiteen.’ Dankzij de tussenkomst van Krook, Le
Poole en de Bond Heemschut werd door Gedeputeerde
Staten aan de gemeente Holten het Plan
Loggers dwingend opgelegd. De steun die Krook
aan Loggers gaf, maakte dat de Holterberg nu een
nationaal landschapspark kan worden.
In april 1940 legde Krook zijn functie als voorzitter
van de schoonheidscommissie neer, hij werd
opgevolgd door ir. W.P.C. Knuttel.
Markante gebouwen
Bij bestudering van de verschillende ontwerpen
van Krook is niet vast te stellen in welke stijl hij
Het Gymnasium Celeanum,
1929, aan de
Veerallee (collectie
Gemeentearchief Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
ontwierp. De expressieve stijl van de Amsterdamse
School gebruikte Krook voor de Elbertsschool
uit 1930 en de Sassenpoortenbrug uit 1908. De stijl
van deze brug is verwant aan de strakke (Amsterdamse)
variant van de Jugendstil; het is een zeer
geslaagd werk van Krook. De brug is een gemeentelijk
monument. De ambachtsschool aan de
Mimosastraat is als voorbeeld van het Nieuwe
Bouwen eveneens een gemeentelijk monument.
Het gymnasium is evenals de Parkschool in een
stijl verwant aan die van Eduard Cuypers. Krooks
eigen huis, Veerallee 31, lijkt beïnvloed door villa’s
van Kromhout in het Gooi. Hij gebruikte dus verschillende
stijlen en volgde hiermee de negentiende-
eeuwse gewoonte van Cuypers, die ook in verschillende
stijlen heeft ontworpen. De civiel-technische
benadering was waarschijnlijk belangrijker.
Architect Lourens Krook is enigszins in de vergetelheid
geraakt, maar zijn werk is nog terug te
vinden in de stadsontwikkeling van Zwolle en een
aantal markante gebouwen van zijn hand. Als
voorzitter van de Provinciale Schoonheidscommissie
van Het Oversticht gaf hij de aanzet tot een
vorm van monumentenbescherming.
Krook vertrok op eigen verzoek bij de gemeente;
er werd hem per 1 juni 1930 eervol ontslag verleend.
Hij werd opgevolgd door J.G. Wiebenga.
Lourens Krook overleed op 16 mei 1944. Hij
was ridder in de Orde van Oranje Nassau.
Verantwoording
De enige gegevens over architect Lourens Krook in
Zwolle zijn te lezen in: Geschiedenis van Zwolle deel II
door drs. Thom. J. de Vries. Waar deze auteur zijn
gegevens vandaan heeft, is niet na te gaan omdat hij
geen bronnen vermeldt. De gegevens voor bovenstaand
artikel zijn ontleend aan een onderzoek uit 1994 voor
het NAI Stichting BONAS voor de opstelling van een
catalogus van bibliografieën en oeuvrelijsten van architecten
uit dezelfde periode; en aan het onderzoek voor
mijn publicatie Eenvoudige architectuur in een schoone
omgeving. T.J.Loggers architect (1900-1984). Daarbij is
gebruik gemaakt van het Zwolse gemeentearchief (in
1994) dus voor de Inventarisatie 1842-1949 van
dec. 1999), informatie van de gemeente Lübeck, is literatuuronderzoek
in landelijk vakbladen verricht en is het
archief Oversticht, aanwezig in Rijksarchief Overijssel,
geraadpleegd.
Boven: De fraaie aan de Jugendstil verwante Sassenpoortenbrug uit 1908. Het is
de oudste vaste brug van Zwolle en hij is staat op de monumentenlijst (collectie
Gemeentearchief Zwolle).
Onder: De Sassenpoortenbrug in aanbouw, 1908. De draagconstructie werd vervaardigd
van het toen moderne materiaal beton (collectie Gemeentearchief
Zwolle).
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herr Ober
Willem Boxma
De Rijks HBS aan de
Bagijnesingel (uit: Vijfmaal
Zilver, 125 jaar
RHBS, MMS, Van der
Capellen Scholengemeenschap,
Zwolle,
1992).
Waarom hij op onze RHBS ooit met de
spotnaam ‘Herr Ober’ werd vereerd, is
me nooit duidelijk geworden. Misschien
was het vanwege zijn statige houding, de
platvoeten of het vlinderstrikje; eigenschappen
waaraan men ook de kelner herkent. De bijnaam
bestond trouwens al lang voor ik op de Rijks
Hogere Burgerschool mijn intree deed en er zal
moeilijk meer een leerling van vroegere jaargangen
te vinden zijn die nog kan vertellen wat spontaan
tot de ‘onderonze’ bekendheid had geleid.
Veelal doemen aliassen plotseling op, zonder een
duidelijke verklaring en zonder dat de bedenker
bekend is.
De ober was leraar Duits en voor de meidagen
van 1940 deed niets vermoeden dat hij meer
‘deutschfreundlich’ was dan alleen op grond van
zijn vak verondersteld mocht worden. Ik kan niet
anders zeggen dan dat ik hem wel een geschikte
vent vond. Nooit liep hij als een spitsvondige miezerik
langs de schoolbanken in een poging een van
ons te betrappen op een open leerboekje op de
knieën of op een andere traditionele, dan wel originele
spiekmethode. Het was bij de ober mogelijk
hoge cijfers voor proefwerken te behalen. Hij
placht te zeggen: ‘Je doet maar. Als je voor je eindexamen
zit, zul je op jezelf aangewezen zijn.’ Vandaar
dat we de ober steeds hoffelijk groetten als
mijn vriend en ik hem op weg naar school voorbijfietsten.
Een prater was de ober niet, eerder kwam hij
zwijgend de klas binnen en hij muntte ook in zijn
doceren niet uit in veelsprakigheid. Eens liet hij
zich tijdens een gesprek over de eigen taal en
vreemde talen ontvallen, dat de Nederlandse taal
in wezen niet meer dan een hulpmiddel in de
communicatie was. Elk mens sprak in Nederland
wel een dialect, waarbij de een wat verder van en
de ander wat dichter bij het officiële Nederlands
stond. Hij was zelf een Groninger, zei hij, en
gebruikte het Nederlands om zich in de rest van
het land verstaanbaar te maken. Zo was het ook
met het Duits. Als Nederlander sprak je in je eigen
land Nederlands, maar je redde je in Duitsland
met Duits. Zijn noordelijke herkomst verklaarde
misschien ook de neiging zich met weinig woorden
te behelpen.
Hoezeer Herr Obers doceren in de Duitse taal
en letterkunde tevens verwant was aan het nazisme,
kwam enige weken nadat de Duitsers ons land
waren binnengetrokken aan het licht. Een speldje
met een priemende wolfsangel op de revers van
zijn colbertjasje bevestigden de geruchten die hem
vooruit waren gesneld: de ober was NSB-er! Nou
en, hij was dan ‘fout’, maar hij was toch altijd een
geschikte vent geweest? Een kwaaie Mussert-klant
kon hij toch niet zijn. En dus gingen we door met
hem te groeten als we hem fietsend inhaalden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lang zou de gedoogde animositeit niet duren.
Allengs kwam de politieke gezindheid van de
doorgaans kortaf pratende leraar naar boven. Met
de toenemende afkeer jegens Duitsers en des te
meer jegens landverraders waarvoor leden van de
NSB werden gehouden, steeg ook de distantie
tegenover de ober. Dus reden we hem niet langer
voorbij, maar bleven we tot aan de school op
gepaste afstand achter hem fietsen, om een groet
te vermijden. Soms reed de ober zo langzaam dat
je wel genoodzaakt was hem te passeren. Het werd
dan wel moeilijk aan hem voorbij te gaan en net te
doen of je hem niet kende. Van huis uit was je
immers geleerd je beleefd tegenover dames en
heren te gedragen en bij een treffen je hoedje af te
nemen. Eerlijk gezegd, ik voelde me ondanks mijn
anti-gevoelens onbehoorlijk als ik trappend als
een gek, met de neus bijna op het stuur, langs hem
heen snelde.
De ober kreeg het kat-en-muis spelletje al
gauw in de gaten en op een middag gaf hij lucht
aan zijn gevoelens. Waarom we hem niet groeten!
Hij wilde duidelijk stellen dat ieder zijn mening
over de huidige politieke situatie mocht hebben,
dus moesten ook wij zo sportief zijn hem in zijn
opvattingen te respecteren. Hij was er daarom
voor de politiek buiten de school te houden. ‘Je
kunt’, poogde hij ons op het hart te drukken,
‘eikaars mening toch ontzien en als fatsoenlijke
burgers met elkaar omgaan.’ Hij wenste dat wij als
welopgevoede jongelui, die we toch waren, hem
op straat netjes gedag zouden zeggen.
Nou, op straat? Verwachtte hij soms ook dat
we hem als nette leerlingen zouden groeten als we
hem in volledig WA-tenue, nota bene met stampende
laarzen voorop een zwarte stoet van brullende
NSB-kompanen marcherend, aan ons voorbij
zagen trekken? Nee, toch! Zijn wrange uitnodiging
‘Gij, Dietse gouwen, reikt elkaar de hand’
ging ons te ver. De ober kon ons wat! We gingen
dus consequent door met hem op straat niet te
groeten, ook al moesten we desnoods op gepaste
afstand achter hem blijven fietsen.
Met het verstrijken van de bezettingsjaren
scheen Herr Obers sympathie voor het nationaalsocialisme
niet te tanen. Hij verscheen vaker
zwart-geüniformeerd op school, niet zelden in een
Gjalt Spijkstra, 27/12
1923 – 23/n 1996 (collectie
auteur).
zeldzaam geworden DKW. Van lieverlee van collega’s
en leerlingen geïsoleerd geraakt, bleef hem
niets anders dan steun te putten uit het gezelschap
van partijgenoten in het Kringhuis. Of was er misschien
sprake van Groningse koppigheid en wilde
hij zich ook binnen het naderende uur van de
waarheid niet laten kennen? Hoe dit ook zij, hij
bleef halsstarrig ‘deutschfreundlich’ en zou tot op
de laatste dag lid blijven van de wankelende meelopersbeweging.
Tot hoever de gezindheid van de ober zich uitstrekte,
kwam aan het licht op een winterse dag in
december 1942. We zouden ’s middags proefwerk
Duits hebben, van de ober natuurlijk, ’s Morgens
had 5b repetitie van hem gehad. Tijdens de pauze
kwamen opgewonden leerlingen uit die klas op
ons af. ‘Moet je horen, weet je wat als vertaling
werd gevraagd? Een stuk uit Mein Kampf!’ In de
eerste regels van de tekst, in Herr Obers fraaie
hand van schrijven – en mooi schrijven kon hij –
op het bord hadden ze de herkomst niet direct
onderkend. Eerst toen er tien zinnen stonden was
tot hen doorgedrongen dat die bepaald niet van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
T k i j f ÖUlt-pt/UiJtwH, . l
O-(.-/U*M*M>S -S*A S<4A&vuM, v< Drie fragmenten uit de eerste brief, die Gjalt op 23/121942 vanuit het Huis van Bewaring in Arnhem aan zijn ouders schreef. Zie voor transcriptp. ij {privé-collectie). Goethe en zeker niet van Rainer Maria Rilke afkomstig waren. Overrompeld en misschien ook bevreesd voor eventuele gevolgen hadden ze zich, zij het morrend, bij de opgaaf neergelegd en er opzettelijk slordig werk van gemaakt of een vertaling die nergens op sloeg. Lekker zat hun dat achteraf niet. We waren dus gewaarschuwd voor die middag. Goede raad was duur. Straks zou de ober ook ons een passage uit Hitlers verfoeide boek voorleggen en ons opdragen die te vertalen. Na kort beraad besloten we min of meer eendrachtig zo'n opdracht te weigeren. Had de ober niet zelf voorgesteld de politiek buiten de school te houden? Wat deed hij dan nu? Verdommen dus! Mijn vriend Gjalt, klassenvertegenwoordiger en anti in hart en ziel - hij bestond het regelmatig propaganda- affiches voor dienstneming in de Waffen SS van de muur in de hal te scheuren - nam het op zich namens de klas het woord te doen. Het uur des oordeels naderde. Zwijgend en statig als gewoonlijk trad Herr Ober de klas binnen, in de hand een boek waarvan het antracietkleurige omslag al in een oogopslag verried dat het niet behoorde tot de gebruikelijke schoolliteratuur. Het kon niet anders, ook hier werd de fnuikende lectuur binnengebracht waarvoor 5b alarm had geslagen. Gespannen wachtten we op wat de ober aan ons ter vertaling zou voorleggen. Enkelen koesterden nog de hoop, dat de aversie in 5b de ober had weerhouden ten tweede male Hitlers gewraakte opvattingen aan zijn leerlingen op te dringen. Maar zie, zonder ons op zijn keus voor te bereiden, stelde de ober zich voor het bord op, sloeg het meegebrachte boek, waarvan hij de pagina met het uitgekozen citaat al met een papierstrook had' aangegeven, open en begon in zijn getekend handschrift het bord te vullen. Na twee regels Duits in krijt op de zwarte achtergrond - alsof het zo, in zwart-wit, geschreven had moeten zijn - beseften we dat het uur U was aangebroken. Het werd angstig stil in de klas. Hitlers vuil spoot krassend in schoonschrift over het bord. Een vulpen kletterde van een bank. Nu en dan kuchte iemand. Achterin fluisterden twee bankgenoten. Een enkeling, onrustig geworden door de dreigende sfeer, nam aarzelend de pen op en deed er niets of iets nietszeggends mee. De ober bereikte het eind van het citaat uit Mein Kampf en sloot het af met een punt, een ferme uiteenspattende tik met het krijtje tegen het bord. Vervolgens kruiste hij demonstratief de armen en sprak: 'Dat is het. Ik wil nu van jullie zien wat je er van maakt.' Even leek er twijfel over en tussen de banken te waren. Van doen we het nu wel of doen we het niet. Aller blik richtte zich op Gjalt, die het nu maar zeggen moest. Onze man stond op, zijn kaarsrecht uit de schoolbank oprijzende, robuuste gestalte straalde onverzettelijkheid en vastbeslotenheid uit. In hem zagen we de leider die ons door de één uur durende staking zou loodsen. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 'Meneer', sprak hij, de klassenvertegenwoordiger. Rustig, overtuigd van zijn gelijk, bewust van zijn positie en verantwoordelijkheid jegens ons die met kloppend hart dit moment tegemoet hadden gezien. Gjalt bleef beleefd en netjes. Welopgevoed, zoals de ober ons immers wilde zien, sprak hij zijn opponent aan met 'meneer'. 'Meneer, namens de klas wil ik u zeggen dat wij hebben besloten deze vertaling niet uit te voeren.' Hij herinnerde de ober aan de afspraak dat politiek, of het nu Nederlandse of Duitse politiek was, niet op school thuishoorde en ging weer zitten. De ober verbleekte. 'Dat wordt dan een onvoldoende. Voor jullie allemaal!' riep hij en wierp het krijtje, dat hij nog steeds in de hand hield, nijdig in het bakje naast het bord. Zichtbaar aangeslagen door het falen van zijn macht verviel hij in zijn gewoonlijke zwijgzaamheid. Hij zeeg neer op de leraarstoel en vond klaarblijkelijk moed noch aanleiding meer ons op andere gedachten te brengen. Besluiteloosheid verbergend stond hij vervolgens plotseling op en verliet het lokaal, naar we aannamen om steun te zoeken bij de directeur, die ook van zijn partij was. De rest van de middag ging in verwarring voorbij. Er was geen aandacht meer voor het volgende en laatste uur, wat spijtig was voor de docent die het vullen moest. De volgende dag hadden we geen les van de ober en geleidelijk verliep de spanning, waarmee we naar school waren gekomen. Tot tijdens een bepaald uur de conciërge in de deuropening verscheen. Of Gjalt mee wilde komen. Hij noemde hem niet Gjalt, maar bij diens achternaam zoals in die jaren gebruikelijk was. Mijn dappere vriend stond op uit zijn bank en volgde de man. We zagen hem niet in de klas terug. Aan het eind van het laatste lesuur pakte ik zijn tas en besloot die naar zijn ouders te brengen. Ik besefte dat ik er geen prettige boodschap aan toe te voegen had. Moeder overstuur natuurlijk. Vader haastte zich naar het politiebureau en vernam daar dat hij te laat was om zijn zoon nog te spreken. Gjalt was nog dezelfde middag naar het Huis van Bewaring in Arnhem overgebracht. Samen met een klasgenoot trachtte ik, in jeugdige overmoed, in het kringhuis van de NSB de ober te pakken te krijgen en hem te bewegen moeite te doen mijn vriend vrij te krijgen. Maar de ober was er niet en werd er ook niet meer verwacht. Jaren later vertelde Gjalt me dat de Nederlandse politieagenten die hem van school hadden gehaald, hem het aandoen van handboeien hadden bespaard op voorwaarde dat hij gewillig mee zou lopen en een vluchtpoging uit zijn hoofd zou laten. De klas vergat Gjalt niet. Ludieke kaarten met opbeurende slogans als 'kop op' en 'de oorlog gaat over', gingen regelmatig op de brievenbus. De jongen bleef waar hij was opgesloten, naar hij me later vertelde in een cel die hij met andere opgepakte verzetsstrijders deelde. Tegen kerst besloten de klasgenoten een campagne te starten om zijn afzondering enigszins te verlichten. Elke leerling van de klas kwam met iets aan om het karige gevangenisvoedsel - meestal een 'diner' bestaande uit soep van aardappelschillen - wat aan te vullen. Van de luxe als een ontbijtkoek en een blikje sardientjes tot koude zelfgebakken pannenkoeken toe. Ook fruit ontbrak niet. Het kon niet op! Wat de mensen toch nog in huis hadden! Een koffer was gauw gevuld. Twee vrienden, tevens klasgenoten, in 1942. Rechts Gjalt Spijkstra, naast hem Willem (Wim) Boxma (collectie auteur). 16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Twee fragmenten uit een tweede brief van Gjalt, eveneens aan zijn ouders gericht, gedateerd 3/1 1943. Zie voor transcriptp. ij (privécollectie). 'X JJLL ..JJ~~dd...Ma*. 3- !-'(,! yJLJLk ^MAJLI hJUlJL JLJLk , h^JUlJL X Mr tk. ujUtvXk , ~-AMJL L^|* Niet alleen omdat ik zijn vriend was, maar ook omdat ik vanwege het beroep van mijn vader, spoorwegambtenaar, gratis kon reizen nam ik het op mij de zwaar gevulde koffer naar het Huis van Bewaring in Arnhem te brengen. Daar binnengelaten vroeg ik gevangene Gjalt te spreken. Ik wilde hem graag persoonlijk de koffer met inhoud overhandigen, zei ik. De bewaker die mij ontving was een beminnelijk mens, daar niet van. Hij maakte op mij niet de indruk een militair te zijn en zeker geen Duitse, want hij droeg voorzover ik kon beoordelen een gewoon cipierspak. Aan mijn verzoek, dat hij stellig uitermate jongensachtig naïef vond, kon hij niet voldoen. Nee, nee, die persoon zat in de SD-afdeling en daar werd geen enkel contact met de arrestanten toegelaten. Hij wilde de koffer wel even voor me wegbrengen, maar de inhoud moest natuurlijk vooraf worden gecontroleerd. Of ik maar even wilde wachten, de koffer kreeg ik beslist na lediging terug. Hij liet mij een ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT kale wachtkamer met banken rondom de muren binnengaan. Het knarsen van het deurslot deed mij beseffen, dat de bewaker het zekere voor het onzekere nam. Stel je voor dat ik een ijzerzaag in de worst of zelfs een wapen in de ontbijtkoek had verstopt. Een half uur later kwam de gevangenbewaarder terug, met de lege koffer. Later heb ik van mijn vriend gehoord dat hij de inhoud inderdaad en in goede orde had ontvangen, er zeer dankbaar voor was geweest en hem met zijn celgenoten had gedeeld. Na vier weken hechtenis mocht Gjalts vader zijn zoon uit het gevang ophalen. Nadat wij de HBS achter ons hadden gelaten en Gjalt en ik elk ons weegs waren gegaan, verdween de ober uit mijn gedachten. Na de bevrijding, toen ik al uit Zwolle was vertrokken, kwam mij in de plaatselijke krant het verslag van een Tribunaal-zitting onder ogen. In de naam van de veroordeelde vond ik Herr Ober terug. Gek misschien - het deed me wat. Ergens had ik hem immers toch een geschikte vent gevonden. Transcript afgebeelde brieffragmenten: 20-12- 42 Ik ben hier Vrijdagavond om 7U45 aangekomen. Toen zaten we hier met 8 man. Zaterdag zijn er 4 ergens anders heengebracht; s'middags kwam er weer een nieuwe bij. Wij hebben hier een kamer en suite, n.1. een huiskamer met een lange houten tafel met krukjes er om heen, en een klein W.C.tje in de hoek. Door een ijzeren hek kom je in de slaapzaal, waar vier ijzeren kooien met kribben staan. Die kooien en het hek worden s'avonds om ± 8U30 gesloten. We kunnen hier kartonnen ijscobakjes en mappen met etiketjes maken, waarmee we 15 et per 1000 verdienen. We worden twee maal daags gelucht gedurende een half uur. We lopen dan 8 passen heen, 8 passen terug. We mogen één maal in de 14 dagen naar huis schrijven. We hebben vier ramen, twee in de huiskamer en twee in de slaapkamer. Ze zijn helemaal tegen de zolder, zodat we alleen de lucht kunnen bewonderen. 3-1- 43 In de tweede plaats bedank ik jullie en de eventuele andere gulle gevers voor het paket, door Wim gebracht en de koffer met inhoud, gebracht door "de Grote Onbekende". Beiden bedank ik nog wel voor hun moeiten. Jonge, jonge, wat was ik blij met die spulletjes. Ik ben, denk ik, wel een uur bezig geweest alles te onderzoeken; ik kon er bijna niet bij wegkomen. Van een gedeelte is reeds een buitengewoon dankbaar gebruik gemaakt. Met Kerstmis hebben we als Kerstgave een brief van de dominee en een stukje boter extra gehad. Het zal wel verkeerd zijn, maar het laatste werd meer gewaardeerd dan het eerste. De werkmeester heeft vorige week een grote stapel papiertjes en lijm gebracht, zodat wij zakjes kunnen plakken. Het is de bedoeling, dat er in die zakjes shampoo wordt gedaan. Aan de voorzijde staat dan ook een heel mooie juffrouw met nog mooier haar afgebeeld. Over haar gesproken, mijn tandenborstel begint ook al aardig kaal te worden. Nu, mijn brief begint al aardig vol te worden, dus zal ik met het nieuws maar uitscheiden tot nader order. De groeten aan Wim en de andere kennissen. Diezelfde, personen wens ik ook nog een "Gelukkig Nieuw Jaar". Vraag Wim, de groeten aan onze kennissen te doen. Met de beste groeten en een tot spoedig weerziens, Gjalt.' 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Zwolse vrouwenhuizen omstreeks 1400 Ingrid Wormgoor Zwolle rond 1550. Plattegrond van Jacob van Deventer (collectie Gemeentearchief Zwol- Ie). Voor veel mensen zijn de Middeleeuwen onlosmakelijk verbonden met kloosters. Vóór het eind van de veertiende eeuw bestonden er in Zwolle, en ook in de rest van Overijssel, echter maar weinig kloosters. De stad heeft het zelfs lange tijd zonder kloostergemeenschappen gesteld. Pas een kleine tachtig jaar nadat Zwolle in 1230 stadsrechten kreeg, kwam het eerste mannenklooster in de stad: in 1309 werd het Bethlehemklooster gesticht. Enkele decennia later ontstond de eerste kloosterlijke instelling voor vrouwen: het Oldeconvent.1 r Na dit rustige en bescheiden begin van het Zwolse kloosterleven, nam het aantal kloosters en kloosterachtige instellingen vanaf het eind van de veertiende eeuw plotseling snel toe. In een periode van ongeveer twintig jaar verrezen het klooster bij Windesheim (officieel het Domus Beatae Mariae Virginis geheten), het Agnietenbergklooster op de Nemelerberg en het Fraterhuis in de stad voor de mannen. De vrouwen kregen er, afgezien van het al langer bestaande Oldeconvent, zes nieuwe huizen bij; allemaal in of vlakbij de stad gelegen. Hieronder wil ik nagaan hoe al deze vrouwenhuizen ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT tot stand kwamen en wie daar bij betrokken waren. Uiteraard speelde ook het godsdienstig klimaat aan het einde van de veertiende eeuw daarbij een grote rol. Moderne Devotie De Moderne Devotie was ongetwijfeld de belangrijkste godsdienstige stroming in de IJsselstreek vanaf het eind van de veertiende eeuw. Het was een hervormingsbeweging waarvan Geert Grote de belangrijkste inspirator was. Deze burgemeesterszoon uit Deventer bekeerde zich omstreeks 1374 tot een sobere levenshouding. Hij deed afstand van een groot deel van zijn bezittingen en trok zich gedurende enkele jaren terug in een klooster. In 1379 werd hij tot diaken gewijd en daarmee had hij toestemming om te preken. Hij trok al predikend rond - vooral in de IJsselstreek - en bezocht Zwolle verschillende malen. Door zijn preken verwierf hij grote bekendheid. Hij stierfin 1384. Ook in Zwolle sloegen de preken van Geert Grote aan en verwierf hij aanhangers en volgelingen zoals de stadspastoor Regnerus van Drynen en de rector van de stadsschool Johannes Cele. Deze twee mogen we misschien wel als sleutelfiguren zien bij de verspreiding van het ideeëngoed van de Moderne Devotie, omdat ze allebei de mogelijkheid hadden om op grote aantallen mensen hun ideeën over te brengen; de een door middel van preken in de Michaëlkerk en de ander via de scholieren. Verder speelde Henricus van Gouda een belangrijke rol in de stad. Hij was door Geert Grote vanuit Deventer naar Zwolle gestuurd. Daar was hij betrokken bij de oprichting van het Agnietenbergklooster en het Fraterhuis. Misschien is Geert Grote wel het meest bekend als grondlegger van de Broeders en Zusters van het Gemene Leven, ofwel gemeenschappen van mensen die wilden leven naar zijn idealen. In het huis van Geert Grote in Deventer leefde vanaf 1374 een groep arme, vrome vrouwen. In 1379 stelde Grote leefregels voor hen vast. Ook het eerste fraterhuis, het Meester Florenshuis in Deventer, ontstond uit een aantal mensen die bij elkaar waren gaan wonen en aanvankelijk geen leefregels of gemeenschappelijk bezit kenden. Veel van wat bekend is over het leven van Moderne Devoten in en om Zwolle, staat beschreven in de kronieken van Jacobus de Voecht en Johannes Busch. Jacobus kwam omstreeks het jaar 1450 in het Zwolse Fraterhuis wonen en schreef zijn kroniek aan het eind van de vijftiende eeuw. Johannes Busch was kloosterling in het klooster Windesheim en schreef zijn Chronicon tussen 1456 en 1459.2 Vooral Jacobus de Voecht benadrukte het belang van het Zwolse Fraterhuis en met name van Henricus van Gouda en Gerard van Kalker (de eerste rector van het Fraterhuis) voor de totstandkoming van de vrouwenhuizen. De vraag is of zijn voorstelling terecht en volledig is. Ter Kinderhuis Het oudste zusterhuis waarvoor de bovengenoemde Henricus van Gouda als biechtvader optrad, is waarschijnlijk het Caeciliaconvent of het Ter Kinderhuis in de Nyer Deserstrate (de huidige Nieuwstraat). De eerste oorkonde waarin het huis voorkomt, dateert van 25 april 1389. Het huis bestond op dat moment al, want Bertrade, dochter van Herman Wermboldeszone, schonk toen haar moederlijk erfdeel aan de ongetrouwde vrouwen die in gemeenschap leefden in het huis dat tussen dat van Johan van Tibencampe en dat van Dirik van Versene in de Nyer Deserstrate lag.3 Dezelfde Bertrade of Bertruut had, samen met 'Het Kinderenhuijs te Zwoll 162/ tekening uit de achttiende eeuw van Jacobus Stellingwerf (collectie Stedelijk Museum Zwolle). -/.e 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Walstraat 13 -19 omstreeks 1910. De panden 11 - ij hebben deel uitgemaakt van de kloostervleugel van het St. -Geertruidenconvent = Kadenetershuis (collectie Gemeentearchief Zwolle). haar oom Jacob Wermerssoen en Liese diens vrouw, Berthe dochter van Jan van Tibencampe en Ghese dochter van Jacob Wermerssoen, dit huis aan de maagden en weduwen geschonken. Wanneer ze dat deden is echter niet duidelijk. De schenking wordt namelijk alleen vermeld in een akte van 1394, maar de schenkingsakte zelf is verloren gegaan.4 Johannes Busch, de schrijver van een kroniek over het klooster Windesheim en ook de auteur van een anoniem geschrift, het zogenoemde Frensweger handschrift, geven een aanvulling op deze feiten. Volgens Busch werd de stichting van het klooster in Windesheim mogelijk gemaakt door schenkingen van een aantal aanzienlijke personen uit Deventer, Kampen en Zwolle. Eén van hen was Aleyda Dreyer, 'een seer devote vrouwe, die ierste beghinster, mater ende regierster der devoter susteren toe Swolle, ghehieten der kinder hues'. Deze Aleyda woonde samen met enkele andere dames (matronae) zoals Aleidis Scutken, Gertrude Kadeneter, de grondlegster van het Kadenetershuis en Bertrude, zuster in het domus puellarum gedurende de beginperiode op het nieuwe kloostercomplex. Ze zorgden er voor de keuken, de bakkerij, de brouwerij en voor de wasserij. Aleidis Scutken bleef tot het einde van haar leven in het klooster 'als een Martha' voor de kloosterlingen zorgen. De andere drie vrouwen vertrokken daarentegen naar Zwolle toen er voldoende leken in het klooster waren om dit werk te verrichten.5 Eenmaal terug in Zwolle wilden Bertrude (waarschijnlijk was dat dezelfde Bertrade die verschillende schenkingen aan het Ter Kinderhuis had gedaan) en Aleida Dreyer ongetwijfeld hun devote levenswijze voortzetten. Mogelijk heeft Bertrude toen samen met haar familie het huis in de Nieuwstraat beschikbaar gesteld voor maagden en weduwen. Aleida Dreyer ging er ook wonen en kreeg er de leiding; ze werd de eerste 'moeder' zoals Busch meedeelt. Henricus van Gouda werd hun eerste rector en biechtvader.6 Behalve de namen van deze twee aanzienlijke dames en hun biechtvader, is niet veel bekend over de beginperiode van het Ter Kinderhuis. Hun idealen en levenswijze waren geïnspireerd door de Moderne Devotie en de vrouwen zullen dus op een eenvoudige, sobere manier geleefd hebben. Hun rector en biechtvader Henricus van Gouda voerde een gemeenschappelijk leven in. Verder schrijft een biograaf van Henricus van Gouda dat Zwolse burgers hun kinderen naar de vrouwen zonden om de eerste basisvaardigheden aan te leren (in prima fundacione) en voor het aanleren van goede gewoonten en discipline. Dit was volgens hem ook de verklaring van de naam 'Ter Kinderhuis' voor het Caeciliaconvent. Het Caeciliaconvent werd namelijk Ter Kinderhuis genoemd omdat burgers die er hun kinderen (pueros) lieten onderrichten, zeiden 'Wij gaan ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 naar het huis van onze kinderen' wanneer ze op feestdagen hun kinderen gingen bezoeken.7 De kinderen woonden er dus in huis.8 Kadenetershuis Het is te verwachten dat Gertrude Kadeneter (of Cadeneter) bij terugkeer in de stad Zwolle de levenswijze die ze bij het klooster Windesheim had leren kennen, wilde voortzetten, net zoals Bertrude en Aleida Dreyer hadden gedaan in het Ter Kinderhuis. Over de oprichting van 'haar' huis, het Kadeneters- of St.-Gertrudishuis is echter zeer weinig bekend. Mogelijk ging Gertrude na haar terugkeer uit Windesheim alleen, of samen met andere alleenstaande vrouwen in de stad wonen. Aangezien ze uit een welgestelde familie kwam - de familie Kadeneter had verschillende schepenen voortgebracht - zullen de inkomsten en huisvesting bij de stadsmuur in de Schoutensteeg, geen onoverkomelijke bezwaren hebben opgeleverd. Het is heel goed mogelijk dat ze rond 1390 een eigen huis had ingericht. Schoengen en Post noemen dat jaar als het stichtingsjaar van het Kadenetershuis.9 In die beginperiode vormden de vrouwen een informeel gezelschap: er was geen sprake van beloften of van gemeenschappelijk bezit. Gertrude was de toonaangevende figuur in huis. Toen Lubba, de weduwe van Volkerus Hungerus, namelijk in 1409 haar testament opmaakte, bedacht ze Ghertruet Kadeneter met vier gulden. De andere vrouwenhuizen die inmiddels in en bij de stad waren verrezen, werden in het testament allemaal genoemd met hun vestigingsplaats, eventueel met de vermelding 'begijnen' erbij. Zo kregen bijvoorbeeld de begijnen in de Nygenstad (het Ter Kinderhuis), de begijnen bij het huis van Gherd ten Bussche en up der Maet elk vier gulden. De oude begijnen in het Oldeconvent kregen een jaarrente.10 Gertrude Kadeneter was de enige die alleen met haar naam werd genoemd. Walstraat, bouwresten van het St.-Geertruidenconvent, 1987. (Collectie Gemeentearchief Zwolle). 22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT De Waalse kerk in de Schoutenstraat, omstreeks 1915. De huidige Waalse kerk was vroeger de kapel van het Kadenetershuis (collectie Gemeentearchief Zwolle). Negen jaar later was er sprake van een meer gereglementeerd huis. In 1417 sloten de stad Zwolle en een aantal vrouwen, onder wie Gertrude Kadeneter, een overeenkomst waarbij de stad aan de vrouwen een stuk land bij de stadsmuur in erfpacht gaf. Dit stuk land lag naast hun huis; vroeger had de stadspaardenmolen er gestaan. De stad stond de vrouwen tegelijk toe hun huis erfelijk te gebruiken als een gemeenschappelijke woning die niet zou vererven aan hun erfgenamen. In ruil voor deze gebiedsuitbreiding moesten ze beloven rustig, in onderdanigheid en in kuisheid te leven. Ze mochten niet trouwen, niet zonder toestemming van hun bewaarster buitenshuis overnachten en niet tot een kloosterorde toetreden zonder toestemming van schepenen en raad. Tenslotte moesten ze beloven om op dezelfde wijze als andere burgers hun diensten te vervullen.11 Kortom, op initiatief van het stadsbestuur werd hier een summier begin van regelgeving vastgelegd. Bij de overgang van een groep(je) vrouwen die in een huis samenwoonden naar een zusterhuis, speelden vertegenwoordigers van de Moderne Devotie een rol. Net zoals bij het Ter Kinderhuis was Henricus van Gouda er rector en biechtvader. Ook Gerard van Kalker, de eerste rector van het Fraterhuis, was vanaf het begin bij het Kadenetershuis betrokken. Nadat Henricus van Gouda in 1410 was overleden, volgde Johannes van Haarlem hem op als rector en biechtvader bij vier vrouwenhuizen: niet alleen bij het Ter Kinderhuis en het Kadenetershuis, maar ook bij het Huis op die Maat en het Huis ten Busch. Huis op die Maat Volgens Jacobus de Voecht, een van de bewoners van het Zwolse Fraterhuis die aan het eind van de vijftiende eeuw een kroniek schreef over dit huis, namen Henricus van Gouda en Gerard van Kalker het initiatief voor het Kadenetershuis en voor de Huizen op die Maat en Ten Busch.12 Voor het Kadenetershuis lijkt dat enigszins gechargeerd en datzelfde geldt voor het Huis op die Maat. Op z'n minst benadrukt De Voecht de rol van zijn huisgenoten wat sterk. In het geval van het Kadenetershuis ging dat ten koste van het klooster te Windesheim, waar Gertrude Kadeneter woonde; in het geval van het Huis op die Maat is de rol van het Bethlehemklooster onderbelicht. Dat klooster - dat inmiddels ook onder de invloed van de Moderne Devotie was gekomen - maakte in 1397 de oprichting van dit vrouwenhuis mogelijk doordat het een hofstede gelegen in de Voetzmaet voor het zeer geringe bedrag van één pond per jaar in erfpacht gaf aan vijf vrouwen. Deze vijf vrouwen, Greten Zalckinch, Wobbeken van den Berghe, Mette Willamsdochter en Aleyde en Hillen Zibertsdochter kregen het als gemeenschappelijke woning voor alle maagden en weduwen die God daar in kuisheid wilden dienen en die daar zouden wonen. Voor het geval het vrouwenhuis in verval ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT zou raken, stelde het klooster de voorwaarde dat het het huis zou terugkrijgen wanneer het verlaten werd of wanneer de prioren van de kloosters Windesheim en Bethlehem van mening zouden zijn dat het huis niet meer diende tot eer van God.13 De heren van het Bethlehemklooster hadden zich geen zorgen hoeven te maken. Het Huis op die Maat ontwikkelde zich voorspoedig. In 1484 werd het tegelijk met het Huis ten Busch een officieel klooster. De groei en aantrekkingskracht van de twee nieuwe kloosters blijken dan uit het feit dat het stadsbestuur hun inwonersaantal beperkt tot 52; er mogen hoogstens 32 geprofeste nonnen in elk klooster wonen en hooguit 20 conversinnen. Alleen de ligging buiten de stadsmuren werd het klooster uiteindelijk fataal. In de jaren zeventig van de zestiende eeuw werden de gebouwen vernield tijdens een oorlog. De vrouwen vonden toen onderdak in het Agnietenbergklooster. Huis Ten Busch Zoals boven vermeld, noemt Jacobus de Voecht het Huis Ten Busch in het rijtje dat Gerardus Kalker en Henricus van Gouda initieerden. Behalve deze mededeling is niet veel bekend over de vroegste geschiedenis van het huis. We weten wel dat het in 1401 bestond en dat het huis buiten de stadsmuren lag. Op 15 oktober 1401 maakte Lubba, de vrouw van Hugo Olyman namelijk haar testament op en daarin wordt het Huis Ten Busch genoemd: aan de vrome maagden die in het huis van Gerardus ten Bussche (of Bosch) buiten de stadsmuren wonen, stelde zij zes gulden in het vooruitzicht.14 De officiële Latijnse naam van het huis luidde Domus in nemore beatae Mariae, ofwel Mariënbusch. Meestal werd het echter Huis ten Busch genoemd. Gezien deze naam en de huisvesting in het huis van Gerard ten Bussche, lijkt het logisch te veronderstellen dat Gerardus ten Bussche (of diens vrouw of dochter) iets te maken had met de oprichting van het huis. De rol van Gerard van Kalker en Henricus van Gouda bleef waarschijnlijk beperkt tot de geestelijke leiding. De materiële en financiële voorzieningen kwamen van iemand uit de familie Ten Bussche. Deze familie had daarvoor ongetwijfeld voldoende middelen, want evenals de familie Kadeneter had de familie Ten Bussche verschillende schepenen geleverd. Of er ook vrouwelijke leden van de familie in Mariënbusch woonden, kunnen we niet zeggen, omdat er uit de beginperiode geen inwoonsters bekend zijn. Heel misschien was Femme Gherardi, die in 1445 tegelijk met negen andere dames aan de maagden in het Huis ten Bussche al haar roerende en onroerende goederen schonk, de dochter van Gerardus ten Bussche. Ze zou echter ook heel goed de dochter van een andere Gerard kunnen zijn.15 Wytenhuis Over de eerste bewoonsters van het Wytenhuis is iets meer bekend. Het waren drie nichtjes of verwanten (neptes) van Wyte van Windesheim. Deze Wyte was een broer van Meynold van Windesheim, die een hoge functie had bekleed aan het hof van de Utrechtse bisschop Florens van Wevelinckhoven en die de oprichting van het Fraterhuis financieel mogelijk had gemaakt. Hij was ook een oom van Theodericus van Herxen, rector van het Fraterhuis. Wyte en zijn broer Meynold werden in 1396 samen opgenomen in het Fraterhuis waar Meynold korte tijd later overleed.16 De drie nichtjes van Wyte wilden God dienen. Waarschijnlijk om hen in deze wens tegemoet te komen kocht Wyte op 30 juni 1404 een huis en erf in de Musschenhage buiten de Voorsterpoort en 'De Boschbleek' en de Dominicanenkerk omstreeks 1935. De exacte ligging van het Huis ten Busch is niet bekend. De naam Boschbleek doet er nog aan denken. (Collectie Gemeentearchief Zwolle, foto A. Meulenbelt). ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT De Pannekoekendijk, rechts Mussenhage, links de Jufferenwal. Eindjaren zestig. Het Wytenhuis en Zuytemhuis lagen in de Mussenhage, mogelijk waar nu ongeveer de Pannekoekendijk ligt. (Collectie Gemeentearchief Zwolle). gelegen aan het water.17 Op 31 juli 1409 schonk hij dit huis aan de vrouwen die in het huis in reinheid, onderdanigheid en liefderijkheid samenwoonden. Biechtvader van de bewoonsters was op dat moment Henricus van Gouda.18 Ter wille van zijn nichtjes gaf Wyte van Windesheim jaarlijks een vat boter aan de vrouwengemeenschap. Toen hij echter op een gegeven moment de seculiere priester Gerardus Tricht als biechtvader wilde laten aannemen, weigerden de dames dit. Theodericus van Herxen had hen namelijk sterk afgeraden om een seculiere priester te accepteren en had hen voor advies naar de prior van Windesheim gezonden. Deze adviseerde hetzelfde en raadde hen tevens aan om onder het Gregoriushuis te blijven. Toen zij dat inderdaad deden, staakte Wyte verontwaardigd zijn jaarlijkse gift van een vat boter. Bovendien haalde hij zijn nichten weg uit het huis. Twee van hen stuurde hij naar het klooster Klaarwater bij Hattem. De derde trouwde en kreeg een zoon, Johannes ten Kolke. De overgebleven drie of vier zusters bleven in het Wytenhuis wonen en bleven onder de geestelijke leiding van het Fraterhuis staan.19 De onenigheid tussen Wyte van Windesheim en het Fraterhuis over de benoeming van een biechtvader is mogelijk ontstaan na de dood van Henricus van Gouda in 1410, toen er een andere biechtvader moest komen. Waarschijnlijk woonde Wyte toen al enige tijd niet meer bij de fraters. In 1409, bij de dood van de eerste rector, wordt hij namelijk niet vermeld onder de inwoners, terwijl vaststaat dat hij in 1418 nog in leven was.20 Zuytemhuis Niet alle vrome initiatieven hadden een evenlange levensduur als de hiervoor genoemde. Zo woonden er voordat het Wytenhuis tot stand kwam al zusters in het Zuytemhuis. Dit huis lag naast het Wytenhuis in de Musschenhage buiten de Voorsterpoort, maar volgens Jacobus de Voecht kwam het niet tot bloei. Dat kan niet gelegen hebben aan een gebrek aan belangstelling want er woonden elf of twaalf vrouwen. De Voecht vermeldt echter dat het huis tot twee maal toe door brand verwoest werd en dat de maagden en weduwen daarom uiteindelijk vertrokken. Tien van hen gingen naar het huis Ter Maat en één of twee voegden zich bij de drie of vier vrouwen die een nieuwe congregatie in een huisje van Wyte van Windesheim waren begonnen.21 Wanneer dit alles zich afspeelde en of het verhaal van De Voecht volledig is, is niet helemaal duidelijk. Volgens hem bestond het Zuytemhuis al voordat het Wytenhuis bewoond was. In 1414 verkreeg Gertruyd van Zuytem het huis waar ze woonde, gelegen in de Musschenhage naast het Wytenhuis in erfpacht.22 Wanneer ze daar al meer dan tien jaar woonde, eventueel met meerdere vrome vrouwen, klopt het verhaal van De Voecht. Daarna komen echter de problemen. Gertruyd overleed vóór 6 mei 1438 in het huis gelegen naast het Wytenhuis in de Musschenhage; dat zal dus wel om hetzelfde huis gaan. De priesters Tricus van Herxen en Lephardus van Ulsen brachten toen een verdeling tot stand van haar nalatenschap. Het huis ging samen met de twee maagden Mette Berent en Lutghart van der Sande naar het Wytenhuis op voorwaarde dat het Wytenhuis meer goede maagden zou aannemen om God te dienen en het huis met hen te delen. De zusters van het Huis op die Maat, waar de andere maagden van wijlen Gertruyd heen waren gegaan, mochten het huisraad dat ze hadden meegenomen behouden. Bovendien kregen ze een jaarZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT rente van vier mud rogge en een jaarrente van 6,25 stadspond en voorts alle koeien.23 Volgens deze officiële akte verdween het Zuytemhuis dus na het overlijden van Gertruyd en was er van brand geen sprake. Het blijft echter onduidelijk waarom de bewoonsters van het Zuytemhuis niet gewoon een andere 'moeder', of leidster kozen. Eigenlijk was het met elf of twaalf bewoonsters beter levensvatbaar dan het Wytenhuis, waar slechts drie of vier vrouwen woonden. Er moet dus iets anders aan de hand zijn geweest. Maar wat? Was er misschien toch brand zoals De Voecht schrijft? Conclusie In de korte tijd tussen 1387 en 1409 ontstonden binnen en vlak buiten de stadsmuren zes nieuwe vrouwenhuizen. Alle zes huizen lagen binnen de stadsvrijheid, dat wil zeggen het gebied waar het stadsrecht gold. Alleen al dit aantal geeft aan dat de geest van de Moderne Devotie diep was doorgedrongen in het Zwolse stadsleven. In een kleine stad zoals Zwolle in die tijd was, zullen zes nieuwe instellingen immers wel zijn opgevallen. En dat deze nieuwe huizen onder invloed van de nieuwe hervormingsbeweging tot stand kwamen, staat buiten kijf. Van vier huizen is immers bekend dat Henricus van Gouda er als biechtvader optrad. Van de overige twee, het Wytenhuis en het Zuytemhuis, is niet bekend wie de biechtvader was. Van beide huizen mogen we echter aannemen dat ze nauwe betrekkingen hadden met moderne devoten. Het Wytenhuis was immers mogelijk gemaakt door Wyte van Windesheim, die op dat moment nog in het Zwolse Fraterhuis woonde. En toen het Zuytemhuis werd opgeheven gingen alle inwoonsters over naar een ander zusterhuis. Wanneer gekeken wordt naar het aantal inwoners van de stad omstreeks het jaar 1400 en naar het aantal vrouwen dat zich zodanig aangesproken voelde door de Moderne Devotie dat ze in één van de zusterhuizen wilden leven, dan blijkt dat ongeveer een of twee procent van de bevolking in een zusterhuis ging wonen. Dat betekent dat twee tot vier procent van de vrouwen zich terugtrok uit het openbare leven. Vergeleken met het huidige aantal inwoners (Zwolle heeft nu ruim 100.000 inwoners) zou dat betekenen dat 2000 tot 4000 vrouwen zich uit het Zwolse stadsleven zouden terugtrekken. Bij deze berekening ben ik uitgegaan van het gegeven dat er in het jaar 1404 666 vuursteden belastingplichtig waren.24 Om te berekenen hoeveel mensen er bij die vuursteden woonden, gaat men in het algemeen uit van 4,5 of 4,7 persoon per vuurstede. Voor Zwolle kom je dan op ongeveer 3000 inwoners. Wanneer er in elk vrouwenhuis vijf tot tien vrouwen leefden, zou het om dertig tot zestig vrouwen gaan. Met alleen geestelijke invloed van de mannelijke moderne devoten konden echter geen vrouwenhuizen gesticht worden. Vrome intenties waren niet voldoende. De vrouwen leefden weliswaar eenvoudig, maar er waren toch allerlei materiële zaken nodig. De voorstelling die Jacobus de Voecht in zijn kroniek geeft over de vrouwenhuizen moet dan ook genuanceerd en aangevuld worden. Voor De Voecht was eigenlijk alleen de geestelijke leiding van belang. Voor de vrouwen waren daarentegen meer zaken belangrijk. Woonruimte was uiteraard de belangrijkste voorwaarde om een zusterhuis te kunnen stichten, maar verder waren er ook reguliere inkomsten nodig zoals jaarrenten, land en vee. Zonder de financiële en materiële steun van de (vrouwelijke) leden van enkele vooraanstaande Zwolse families, zoals Bertrade de dochter van Herman Gezicht op de Kamperpoort, tekening achttiende eeuw. Het Wytenhuis en Zuytemhuis lagen buiten de Kamperpoort. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle). 26 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Plattegrond van de stad Zwolle in de zestiende eeuw. Naar de plattegrond in de stedenatlas van Georg Braun en Franciscus Hogenberg, 1581. Het is een mooie duidelijke kaart, maar de ronde vorm van de stad komt niet met de werkelijkheid overeen. Rechtsonder ligt de Kamperpoort. (Collectie Gemeentearchief Zwolle). Wermboldeszone, Aleyda Dreyer, Gertrude Kadeneter, (familie van) Gerardus ten Bussche, Wyte van Windesheim en Gertruyd van Zuytem hadden er nooit zoveel vrouwenhuizen gesticht kunnen worden. Deze mensen waren stuk voor stuk van aanzienlijke komaf. De families Ten Bussche en Kadeneter hebben verschillende schepenen voortgebracht; Gertruyd van Zuytem en Wyte van Windesheim behoorden tot de latere riddermatige geslachten van dezelfde naam. Al deze families waren rijk en bekleedden belangrijke functies in de Zwolse of Overijsselse samenleving. Kortom, de idealen van armoede, soberheid en nederigheid van de Moderne Devotie, hadden zonder de steun van de maatschappelijke bovenlaag niet goed van de grond kunnen komen. Noten 1. Een klooster is aangesloten bij een officieel door de kerk goedgekeurde kloosterorde. E

Lees verder