Categorie

Overig

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 3

Door | 2003, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

20ejflBIng 2003
82
C.C. was O.K.!!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
CC her MS OX/
DANK VOOR. HETpRACJHWE FEEST
De voltallige CC, na de uitgebreide jubileumfeestelijkheden in 1948 getekend door Teun van der Veen en afgedrukt in de ‘Zwolse
Courant’ van 9 september dat jaar. Boven in het midden voorzitter J.M. Wansink. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
De Centrale Commissie Oranje (CCO) bestaat dit
jaar een eeuw. In het leven geroepen om de viering
van nationale feestdagen in Zwolle op een ordentelijke
en verantwoorde manier te laten verlopen,
ontpopte de CCO zich al snel als toch vooral de
club die verantwoordelijk was voor de organisatie
van feestelijkheden op Koninginnedag. De viering
van de verjaardag van de vorstin was lange tijd één
van de hoogtepunten op de jaarlijkse evenementenkalender.
In een periode dat vrije tijd en recreatie nog
schaarse goederen vormden werd Koninginnedag
door jong en oud enthousiast gevierd. Naar de
mening van de redactie reden genoeg om eens
terug te kijken op honderd jaar geschiedenis van
de CCO, een door en door Zwolse instelling.
Voorwoord H.W.F. Scholte 84
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje
te Zwolle (1903-2003)
Harry Stalknecht
Het begin
Oorlog en bevrijding
Naoorlogse heroriëntatie
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Vijftig jaren
85
86
94
100
108
114
Een kroonprins geboren
Activiteiten onder druk
Eeuwfeest
Auteur
119
122
126
130
Omslag: In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig
jaar vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter Juliana.
Omslag van het programmaboekje dat de CC naar
aanleidingvan dejubileumfeestelijkheden uitbracht.
(Collectie HCO)
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voorwoord
Voor de Centrale Commissie Oranje te
Zwolle is het jaar 2003 het jaar van het
eeuwfeest. Dankzij belangrijke bijdragen
van het Zwolse bedrijfsleven en het gemeentebestuur
van Zwolle konden de gebruikelijke door de
CCO jaarlijks te organiseren evenementen versierd
worden met een aantal extra strikken. Deze
‘jubileumevenementen’, die inmiddels achter ons
liggen, hebben veel waardering gekregen.
Als apotheose van de viering van het 100-jarig
bestaan is er voor de CCO nog de organisatie van
het jaarlijkse congres van de Bond van Oranjeverenigingen
in Nederland. Dit congres zal op vrijdag
3 en zaterdag 4 oktober 2003 plaatsvinden.
Het aanbod van de Zwolse Historische Vereniging
om in de jaarreeks van het Zwols Historisch Tijdschrift
een themanummer gewijd aan ‘100 jaar
Centrale Commissie Oranje te Zwolle’ uit te
geven, is door het bestuur van de CCO volgaarne
aanvaard. Omdat dit themanummer in het derde
kwartaal van dit jaar verschijnt, kan aan de congresgangers
ook een exemplaar worden uitgereikt.
Met dit themanummer, dat een uitstekend
overzicht geeft over een periode van honderd jaar
CCO, wordt – naar mijn weten – voor het eerst
CCO-geschiedenis vastgelegd. De geschiedenis
van de vormgeving van onze nationale gedenkdagen
tot een algemeen meegevierde traditie.
Interessant in het verhaal is de vermelding dat
in 1903 de heer K. Admiraal, de eerste socialist in
de gemeenteraad van Zwolle, ‘mordicus’ tegen
toekenning van 300 gulden subsidie voor de CCO
was. De geschiedenis leek zich dit jaar te herhalen,
want bij de behandeling van de begroting 2003
werd uit dezelfde hoek bezwaar gemaakt tegen het
collegevoorstel om aan de CCO, in verband met
de viering van het 100-jarig bestaan, incidenteel
een bedrag van ruim 15.000 euro beschikbaar te
stellen. De overweging was dat ‘de CCO appelleert
aan gevoelens ten aanzien van het koningshuis die
niet algemeen zijn’.
Dit bezwaar werd terecht verworpen. Want
weliswaar bestaat bij het bestuur van de CCO de
diepe overtuiging van het belang voor ons land
van de constitutionele monarchie in het algemeen
en van het Huis van Oranje in het bijzonder, maar
juist daarom geven deze vrijwilligers, en met hen
tientallen anderen, hun vrije tijd aan het organiseren
van jaarlijkse evenementen voor de gehele
Zwolse bevolking.
Deze uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift
is alleszins het lezen waard, niet alleen voor Zwollenaren
maar ook voor leden van zuster-Oranjeverenigingen.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging,
de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift
en de schrijver van dit themanummer, de
heer Harry Stalknecht, zijn wij zeer erkentelijk
voor de realisatie.
O R A N J E
1903 – 2003
Henk W.F. Scholte
voorzitter Stichting Centrale Commissie Oranje
te Zwolle, augustus 2003
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje te Zwolle (1903-2003)
w=”-anneer ik terugdenk aan de jaren
voor de Eerste Wereldoorlog, dan is
Koninginnedag voor mij een glorieuze
herinnering in de eerste plaats aan stralend
zonnig weer. Ik geloof zeker, dat velen er toen heilig
van overtuigd waren, dat de Schepper zelf op
die dag speciaal zorgde voor dat veelbezongen en
stichtelijk ompreekte Oranjezonnetje. Verder zie
ik in mijn gedachten de enorme grote vlaggen, die
men bijna huis aan huis, ook in de winkelstraten,
placht uit te hangen. Bij ons thuis moest er elke
keer een timmerman aan te pas komen. En dan
hoor ik weer de muziek van de Reveille, die op de
Grote Markt begon, en van daaruit Zwolle feestelijk
deed ontwaken. Ik woonde toen in mijn
geboortehuis aan de Melkmarkt, en ook klinkt me
nog de roep in de oren van de verkopers van oranje
strikjes, sjerpen en wat dies meer zij, en het
gezang door oudere kinderen, die achter de
muziek aan mochten: “levende Willemien, weg
met de sosejalen”, wat ik helemaal niet begreep.’
Zo zette boekhandelaar B. Kok (destijds gevestigd
op de Melkmarkt 22) in 1978 zijn herinneringen
aan het jaarlijkse koninginnefeest op papier.
Koninginnedag, wie heeft er eigenlijk niet iets
mee? Of je nu een Oranjeklant of een ‘rooie rakker’
bent, de jaarlijkse feestelijkheden rond de verjaardag
van de majesteit laten niemand onberoerd.
Ze vormen al zo lang een vertrouwd onderdeel
van de jaarkalender, dat het haast ondenkbaar
is ze weg te denken. Voorloper van de
Koninginnedag was de zogenoemde Prinsessedag
die in 1889 op de verjaardag van het toen negenjarige
prinsesje Wilhelmina werd gehouden. Het
was een initiatief van de liberalen die er de nationale
eenheid mee wilden benadrukken. Pas een
jaar later, na het overlijden van koning Willem III,
werd de eerste echte Koninginnedag gehouden.
De viering van Koninginnedag kreeg een grote
impuls nadat Wilhelmina in 1902 ernstig ziek was
geweest. Het bericht van haar herstel zorgde overal
voor een uitbundige viering. Natuurlijk is er in
de meer dan honderd jaar dat Koninginnedag
gevierd wordt veel veranderd. De maatschappij
veranderde, opvattingen veranderden, de positie
van de monarchie veranderde. En ook Koninginnedag
zelf veranderde. Maar veel van die veranderingen
zijn vooral in vorm geweest. Wat bleef was
een dag van vrolijkheid en vertier, en niet te vergeten
muziek, veel muziek.
Harry Stalknecht
Al in 1895 bracht koningin Wilhelmina, nog maar
15 jaar oud, met haar moeder de koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle. Voor die gelegenheid
lagen er in de stadsgrachten tal van prachtig versierde
schepen. (Foto Deutmann, collectie HCO)
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het begin
In september 1895
bracht het jonge
koninginnetje Wilhelmina
met haar moeder
de koningin-regentes
Emma een bezoek aan
Zwolle. Hier rijdt de
koninklijke stoet door
de versierde Luttekestraat.
(Foto Deutmann,
collectie HCO)
De viering van de verjaardag van de koningin
kreeg in het eerste kwart van de vorige
eeuw steeds meer vorm. In de Zwolse Courant
van 22 juni 1903 riep H. van Gorkum, als
voorzitter van de Zwolse Commissie van Vreemdelingenverkeer,
belangstellenden op tot de ‘bijwoning
eener vergadering op Dinsdag 23 juni, des
avonds om 81 ‘2 uur, in de Buitensociëteit, ten einde
een commissie te benoemen welke de leiding
van feesten op nationale feestdagen op zich kan
nemen’. Deze oproep bleek niet aan dovemansoren
gericht, niet minder dan 65 man kwam opdagen.
Een belangrijk deel van hen vertegenwoordigde
verschillende Zwolse verenigingen die via
een brief persoonlijk gevraagd waren te komen.
De aanwezigen werden het al snel eens. Zwolle
had behoefte aan een club mensen die de organisatie
van nationale feestdagen op zich zou nemen.
De CC wordt geboren
En zo werd de CC, voluit de Centrale Commissie
voor Nationale Feesten, een feit. De eerste leden
van de CC waren voor het merendeel afkomstig
uit de gegoede middenstand. Zo was voorzitter H.
van Gorkum een handelaar in wijnen, H.W.
Heekman firmant van een laken- en confectiemagazijn,
C.H. von Stein gymnastiekleraar, J.S.
van Deventer firmant van de stoom-likeurstokerij
en wijn- en cognachandel Doijer en Van Deventer,
C. Kossen secretaris-boekhouder van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noordooster Locaal Spoorweg, L.H.J. Poortier
directeur van de eerste onderlinge aannemersverzekeringsmaatschappij
en leraar boekhouden
en was M. Meijerink architect. Later werden daar
nog aan toegevoegd drogist C.J.H. Haeck en meubelfabrikant
L.M.H. Schoemaker.
‘Zwolle zal voortaan geregeld en op waardige wijze
de nationale feestdagen meevieren’, met deze
woorden gaf de Zwolse Courant op 24 juni 1903
officieel kennis van de oprichting van de Centrale
Commissie. De instelling van de commissie werd
algemeen met instemming ontvangen. Al langer
werd er in Zwolle geklaagd dat de viering van de
verjaardag van H.M. de koningin beter kon en
moest. ‘Het ontbreekt aan leiding’, was de veel
gehoorde klacht. Met de oprichting van de Centrale
Commissie leek in dit hiaat te worden voorzien.
Het was nu zaak de burger bij dit initiatief te
betrekken en om financiële steun te vragen: ‘thans
moeten de dubbeltjes komen en de medewerking
van allen.’
Discussie
Maar die dubbeltjes bleken toch moeilijker te vinden
dan gedacht. De door particulieren en het
bedrijfsleven toegezegde gelden waren bij lange na
niet voldoende om een gedegen feestprogramma
op poten te zetten. Besloten werd bij de gemeente
een subsidie los te peuteren. Zegge 300 gulden
werd gevraagd als bijdrage voor de feestelijkheden
ter gelegenheid van de verjaardag van de nog jonge
koningin Wilhelmina. B en W adviseerden
positief. Meer moeite leverde de gemeenteraad op.
Daar was niet iedereen enthousiast. Vooral de
heer K. Admiraal, sinds 1902 de eerste socialist in
de raad, was mordicus tegen. Het debat in de raad
was fel. ‘Van de zeer uitvoerige gedachtewisseling
die omtrent dit punt plaats heeft, kunnen wij met
het oog op de beperkte ruimte slechts een beperkt
overzicht geven’, zo verontschuldigde de plaatselijke
krant zich bij zijn lezers. De socialisten zagen
in die tijd de monarchie vooral als een institutie
uit de koker van het kapitalisme, bedoeld om de
bevolking klein te houden. Van een koninginnefeest
moesten zij dan ook niets weten, nee, een
socialist vierde 1 mei, als dag van de arbeid.
De eerste optocht Een beeld van een van
Hoewel een definitieve beslissing over de subsidie de eerste optochten,
nog even op zich liet wachten, ging de commissie begin twintigste eeuw.
met fris elan verder met de voorbereidingen van (Collectie HCO)
het programma voor 31 augustus, de verjaardag
van koningin Wilhelmina. Een belangrijk onderdeel
moest een grote fakkeloptocht worden. Deze
optocht kende vier afdelingen: verenigingen,
groepen van twee of meer personen, ‘enkele’ personen
en reclame en vakorganisaties (uiteraard
tegen betaling). Aan de tocht was een wedstrijd
Valse noot
Ondanks alle lovende woorden over het eerste door de CC georganiseerde
koninginnefeest, was er toch ook een wanklank te horen, letterlijk zelfs. In de
‘Zwolse Courant’ van 3 september meldde zich ‘een liefhebber van schoon
klokgelui’. Deze liefhebber had zich nogal geërgerd aan het ochtendlijk klok-
: gelui van de Grote Toren op de dag van de feestelijkheden. Iedereen die een
‘ beetje muzikaal was moest volgens de briefschrijver toch toegeven dat ‘de
samenklank dezer […] klokken horrible is en tegen alle schoonheidsgevoel
indruischt’. Boosdoener was volgens de ‘liefhebber’ het kleinste klokje D dat
volgens hem maar zo snel mogelijk omgegoten moest worden tot een kleine
F. Pas dan zou niemand zich meer hoeven te ergeren aan wat hij smalend
‘die Armsünderglocke’ noemde.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koninginnedag 1905.
De wagen van vereniging
Wilhelmina
poseert voor bakkerij
van H.A. de Vries destijds
Beestenmarkt 4, nu
Harm Smeengekade.
Op de voorgrond staan
de hekken van de beestenmarkt
die hier toen
nog iedere vrijdag werd
gehouden. (Collectie
HCO)
verbonden. Zo was er een prijs voor de mooiste
wagen wat betreft versiering en verlichting, en een
prijs voor de ‘eigenaardigste voorstelling’. De origineelste
zouden we nu zeggen. Voor de kinderen
was er ’s middags een eigen optocht, waarbij bijvoorbeeld
ezel- en bokkenwagens, karren en rijwielen
versierd konden worden. Blijkbaar wilden
de Zwollenaren de kat eerst nog wat uit de boom
kijken, want met de aanmeldingen liep het nog
niet meteen storm. Het noopte de Zwolse Courant
tot het plaatsen van een oproep: ‘De versiering van
ezel- of bokkewagen, sportkar of fiets is zoo
gemakkelijk in dezen tijd. De heide bloeit prachtig,
en al is er geen zon, de mooie zonnebloem
schittert in al haar pracht. Keur van zaaibloemen,
die zich zoo uitermate goed leenen voor een losse
effectvolle versiering, zijn voor weinig geld te krijgen
en wie niets wil geven dan zijn goeden smaak,
ga naar de heide of Jan Koetsier in de Watersteeg
en plukke Erica’.
En zo begon langzamerhand de optocht dan
toch te leven en meldden zich steeds meer kinderen
aan, daarbij vaak geholpen door de aansporing
van hun onderwijzer, zoals de ongeveer 200
kinderen van de bewaarschool op het Assiesplein
met als hoofdonderwijzeres mej. J.C. Hoogedoorn.
Zij waren van plan H.M. de koningin en
Z.K.H, de prins-gemaal met gevolg uit te beelden.
Vrij of niet?
Ondertussen kwam Koninginnedag snel dichterbij.
Een vrije dag was dat toen nog niet. Een anonieme
‘medelezer’ van de Zwolse Courant deed
daarom via een ingezonden brief de volgende
oproep: ‘Mijnheer de redacteur! Verzoeke beleefd
plaatsing in uw veelgelezen blad. Ter volmaking
der feestvreugde op a.s. Maandag zou het dan niet
wenschelijk wezen, dat alle patroons en werkgevers
zooveel mogelijk aan hun ondergeschikten
een vrijen middag gaven? Mij dunkt, daardoor
zou het meer een feest voor iedereen zijn’.
Wenselijk misschien wel, maar het zou toch
nog heel lang duren voordat Koninginnedag ook
werkelijk een verplichte vrije dag werd. Toch werd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Zwolsch Dilettantenorkest
Kort voor de oprichting van de CC werd op 22 juni
1903 ook het Zwolsch Dilettantenorkest in het leven
geroepen. Dit orkest was vooral een initiatief van
de heer C. Kossen, die we ook al zagen als een van
de oprichters en eerste secretaris van de CC. Een
gebrek aan goede muziekkorpsen, dat was er volgens
Kossen in Zwolle. Daardoor hadden de nationale
feesten onvoldoende luister en schwung.
De zaterdag voor Koninginnedag 1903 was het voor
het prille orkest een belangrijke dag. Die avond zou
het door vele dameshanden met zorg en liefde
genaaide korpsvaandel met het nodige ceremonieel
worden ingewijd. De nog omhulde banier werd
’s avonds door de leden, ‘met insigne op de borst en
opgetoomde hoed met kokarde’ afgehaald van de
woning van de heer Kossen. Van daar ging het met
fakkels en acetyleenlantaarns in optocht naar
Odeon, volgens de krant gadegeslagen door een
‘dichte volksmenigte’. Daar werd de banier onder
luid applaus onthuld.
Het orkest was klaar voor zijn eerste koninginnefeest.
Het Zwolsch Dilettantenorkest, in 1903 opgericht door C. Kossen, poserend voor de Buitensociëteit.
Kossen was in datzelfde jaar ook een van de ‘founding fathers’ van de CC. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een aanbieding in de
‘Zwolse Courant’ van
31 augustus 1903 voor
‘Oranje-Stokj es’ en
Wilhelmina Keekjes’.
KONINGINNEDAG
Wilhelmina Keel
BIJ
G B, AGKERMANS
door veel bedrijven in ieder geval de middag
meestal wel vrij gegeven. Sommige deden daarvan
in de krant melding, zoals het magazijn en kantoor
van ijzerwarenhandel O. de Leeuw aan de
Diezerstraat en de nering in suikerwaren van de
gebroeders Meulink aan de Thorbeckegracht.
Jacob Albrecht uit de Sassenstraat bood in dezelfde
krant ‘vlaggen te huur voor den verjaardag van
H.M. de Koningin’ en tuinman en bloemist
H. Rigter uit de Zeven Alleetjes ‘feest oranjebloemen
en rozen’. Ook bakker G.B. Ackermans aan
de Diezerstraat wilde zich de oranjeclientèle niet
aan zijn neus voorbij laten gaan en adverteerde
met ‘Oranje-stokjes’ en ‘Wilhelmina-keekjes’.
De vuurdoop
Eindelijk werd het dan 31 augustus 1903. Voor de
CC naderde het uur van de waarheid. Zou zij in
staat blijken de festiviteiten rond de verjaardag
van Wilhemina in Zwolle in goede, en vooral feestelijke
banen te leiden?
Al om zeven uur ’s ochtends riep klokgelui de
Zwolse bevolking de verjaardag van koningin Wilhelmina
aandringend en brutaal in herinnering.
En wie dacht toch nog even op het andere oor te
gaan liggen werd door het kersverse Zwols(ch)e
Dilettantenorkest, dat al spelend met een reveille
Straatversiering in de
Bitterstraat ter gelegenheid
van het koninklijk
bezoek in mei 1921,
gezien vanaf de Roggenstraat.
(Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Koninginnedagoptocht
trekt door de
Thomas a Kempisstraat,
1927. (Collectie
HCO)
de stad door trok, muzikaal gemaand toch vooral
nu op te staan. Daarbij maakten de muzikanten
halt aan de voet van de Peperbus, om via de nauwe
trap naar boven te klimmen en vanaf deze torenhoge
positie hun muzikale opwekking verder over
de stad uit te storten. Dat was nog helemaal niet zo
eenvoudig, want zij die na de klim nog voldoende
lucht over hadden moesten alle moeite doen zich
op de krappe omloop staande te houden vanwege
de ferme wind die straf langs de toren woei.
Zwolle was wakker. Om half tien was het rond het
Stationsplein een drukte van belang. Vanaf hier
vertrokken het Stedelijk Muziekkorps en de
Utrechtse muziekkapel voor een rondgang door
de stad. ’s Middags was er in de Grote Kerk een
drukbezocht orgelconcert met zang.
Om half drie ’s middags was het de beurt aan
de kleintjes. Op de Wipstrikkerallee boden de versierde
ezel- en bokkenwagens, sportkarren en rijwielen
een bonte en vermakelijke aanblik. Nadat
de jury zijn werk had gedaan en de prijswinnaars
waren bepaald, ging de hele stoet in optocht de
stad door. Voorop vier marechaussees, gevolgd
door een rijtuig met de heer Van Gorkum en de
drie dames van de jury, daarna de Utrechtse
muziekkapel, de versierde fietsen en wagens en het
Zwols Dilettantenorkest.
Pijnlijke vergissing
Tijdens de optochten waren natuurlijk veel van de deelnemers geschminkt.
Pruiken, snorren en baarden sierden de anders zo kale gezichten. Al dat
kunsthaar moest er natuurlijk ook weer af. Ook voor dat klusje werden vrijwilligers
ingezet. Een voor een werden dan, niet altijd zachtzinnig, snorren en
baarden van de gezich ten afgetrokken. Dat ook deze klus met zorg moest
gebeuren spreekt voor zich. Toch kon het eens gebeuren dat één van de
omstanders bij dit vrolijke tafereel zonder pardon ook onbedoeld zelf aan de
ruwe behandeling werd onderworpen. Dat zou niet zo erg zijn geweest, maar
de beste man in kwestie had helemaal geen valse snor, maar een onvervalste
echte ‘Gerbrandy-snor’. De eigenaar kon het zich nog lang heugen.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijst van voorzitters
H. van Gorkum
J.S. van Deventer
H.J. Jansen
A. Willinge Gratama
M. Meijerink
C.C. Hermsen
M. Meijerink
J.M. Wansink
J. Mühlenfeld
S. van der Wal
N.S.Arriens
Chr. van Ahee
H.W.F. Scholte
1903
1908
1912
1913A4
1919
1920
1921
1927
1964
1966
1971
1987
IQ8Q
-1908
-1912
-im
-1919
-1920
-1921
-1927
-1964
-1966
-1971
-1987
-1989
– heden
Tot in de kleine uurtjes
Ook tijdens de optocht ’s avonds was het kersverse
Zwolse Dilettantenorkest weer present, ditmaal
op een versierde wagen. Als verlichting had men
zo’n 600 verkadelichtjes aangebracht, gevat in een
gekleurd doorschijnend omhulsel. Dat het gehobbel
van de wagen wellicht voor problemen kon
zorgen, was blijkbaar vergeten. De krant wist in
ieder geval te melden dat door het schudden de
meeste lampjes waren uitgegaan en dat de muzikanten
een veilig heenkomen hadden moeten zoeken
vanwege het hete rondspattende vet!
Dat het nog lang onrustig bleef in de stad
spreekt haast vanzelf. Tot twee uur ’s nachts werd
er in de straten van Zwolle feestgevierd, terwijl de
lichtjes waarmee de hoofdwacht aan de Grote
Markt speciaal was opgesierd zelfs tot drie uur bleven
branden. Voor de politieagenten en veldwachten
was het dus een lange ruk. Maar echt
geleden hebben ze niet, ze werden Van gemeentewege’
op bier en sigaren onthaald.
En daarmee was de eerste Koninginnedag
onder auspiciën van de CC een feit. Er kon worden
teruggekeken op een geslaagde dag, waarbij
zelfs het ‘Oranjezonnetje’ in een voor de rest sombere
augustusmaand, zich niet onbetuigd had
gelaten.
Oranjebitter
Lovende woorden dan ook tijdens de eerstvolgende
bijeenkomst van de CC in de Piussociëteit aan
de Oude Vismarkt. Het leek vice-voorzitter Van
Deventer de ideale gelegenheid de woorden van
het socialistische raadslid Admiraal te pareren.
Die had gezegd dat bij de Oranjefeesten ‘geen
geestdrift heerscht, wanneer niet de Oranjebitter
krachtig meewerkt’ en dat hij verder niet wist wat
hij meer afkeurde, ‘Kermis of een Oranjefeest,
omdat bij beide gelegenheden schromelijk misbruik
werd gemaakt van sterken drank’. Van
Deventer meende dat deze woorden door de afgelopen
feestelijkheden meer dan gelogenstraft
waren en daarom de krachtigste afkeuring verdienden.
Een oproep die door de vergadering vanzelfsprekend
met ‘donderend applaus’ werd
begroet.
Een reactie kon natuurlijk niet uitblijven. En
die kwam van Admiraal zelf. In een ingezonden
brief in de Zwolse Courant hield hij zijn beweringen
staande en staafde ze met voorbeelden uit
eigen ondervinding. Zo vertelde hij dat hij al vroeg
op de middag iemand was tegengekomen die zo
dronken was dat zelfs de weg van het Groot
Wezenland hem nog te smal was geweest. ‘Dergelijke
tooneelen vervullen mij met medelijden en
weerzin. Het is meer dan treurig en bedroefd, en
vooral voor de arbeidende klasse, dat zij zichzelf
zozeer vergeten, zij hebben waarachtig wel iets
beters te doen en voor hun belangen op te komen,
dan zich te bedrinken’. En, zo ging Admiraal verder,
al die dronkenschap was nog enkel maar de
weergalm van het eigenlijke gebeuren geweest:
‘Wat moet dan het feest zelf geweest zijn? Jonge
meisjes, kinderen van 15,16 jaar midden in de herrie,
er werd gehost, geduwd, gegrepen op een
weerzinwekkende manier, het was in één woord
treurig’. Ja, zelfs de politie deed mee aan dit
drankgelag. Een gunstige uitzondering vormde
volgens Admiraal een jonge marechaussee die
keer op keer de drank weigerde die hem bij de fanfares
werd aangeboden: ‘Ik breng hem een eeresaluut.
Deze man kon tenminste nuchter zijn
plicht doen’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Een blijvertje
Maar afgezien van dit kritische geluid had het succesvolle
verloop van de Koninginnedag het
bestaansrecht van de CC meer dan bewezen. Ook
in de volgende jaren wisten de mannen van de
commissie de feestelijkheden in goede banen te
leiden. Aanvankelijk waren er nauwe banden tussen
de CC en VW in de persoon van H. van Gorkum,
die tot 1908 de voorzittershamer zwaaide.
Hij werd in dat jaar opgevolgd door de Zwolse
handelaar in en fabrikant van spiritualiën J.S. van
Deventer.
In 1914 braken er zware tijden aan. Met het uitbreken
van de Eerste Wereldoorlog ontstond in
ons land grote schaarste. Veel goederen gingen op
de bon. Onder die omstandigheden kon er van het
organiseren van festiviteiten geen sprake zijn. De
CC leidde gedurende die jaren dan ook een sluimerend
bestaan. Pas in 1919 kon er weer feest
gevierd worden. En dat gebeurde met groot
enthousiasme. Misschien ook wel omdat een klein
jaar eerder de socialistische voorman J.P. Troelstra
de socialistische republiek had uitgeroepen.
Een revolutiepoging die overigens jammerlijk was
mislukt en vurige Oranjesentimenten had opgeroepen.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw
zien we de klassieke Koninginnedag zich uitkristalliseren:
optochten, muziek en kinderzang
waren daarin belangrijke elementen. Aan de andere
kant werden ook de ï-meivieringen van de
socialisten verder gecultiveerd. Op het punt van
de monarchie bleven Oranjeklanten en ‘rooien’
nog tegenover elkaar staan, zij het dat de scherpste
kantjes er wel wat afgingen.
De jongens van de katholieke Sint-]ozef school trots paraderend in de optocht van
1936. (Collectie HCO)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oorlog en bevrijding
In de loop van de jaren dertig pakten zwarte
wolken van een naderende oorlog zich samen.
Op 3 mei 1939 kwamen de leden van de CC bij
elkaar om zich op de toestand te beraden. Centraal
stond de vraag of, gezien de dreigende internationale
situatie, er dat jaar wel een Koninginnedag
moest worden gevierd. Gevreesd werd dat de jaarlijkse
collecte onder de gegeven omstandigheden
een minimale opbrengst zou opleveren. De leden
verkeerden in dubio maar besloten toch door te
gaan met de voorbereidingen. Op 23 augustus
werd definitief besloten de feestelijkheden het
groene licht te geven, behalve wanneer onverhoeds
een oorlog toch nog mocht uitbreken. Het
zou voor lange tijd de laatste Koninginnedag blijken
te zijn. Want dat die oorlog er kwam, weten
we ondertussen.
Barre tijden
Voor de CC waren de jaren van de bezetting barre
tijden. Iedere verwijzing naar het koningshuis
werd door de Duitsers verboden. Zwolse straten
die verwezen naar het koningshuis kregen een
andere naam. In het notulenboek van de CC staat
de periode van de bezetting kernachtig samengevat:
‘Uit den aard der zaak was de CC gedurende
deze jaren geheel non-actief en vertoont het notulenboek
hier wel de grootste gaping welke ooit in
het bestaan der CC is voorgekomen. De eenige
activiteit van de leden bestond uit het opbergen
van de bezittingen enz. en aan het eind van de
bezetting bleek alles nog in goede orde aanwezig,
de financiën incluis!’
Maar ook aan deze donkere periode kwam een
einde. Op maandag 16 april 1945 om 11 uur ’s ochtends,
twee dagen nadat Zwolle door de Canadezen
was bevrijd, kwamen de leden van de CC voor
het eerst na bijna vijf jaar weer bij elkaar. Zwolle
was vrij en dat moest gevierd worden. Niet dat de
Zwollenaren daar de aanmoediging van de CC
voor nodig hadden, maar de commissie zag het als
haar natuurlijke taak de organisatie van de officiële
evenementen op zich te nemen. De herdenkingsdiensten
die al op zondag 15 april zouden
plaatsvinden, waren afgelast vanwege Duits mortiervuur
waar Zwolle die dag onverwacht toch nog
op vergast werd. Ze werden een week later alsnog
gehouden. De CC wilde op 30 april, de verjaardag
van prinses Juliana, de bevrijding herdenken. Zo
had men, zo meende men, meer tijd een en ander
fatsoenlijk te organiseren en bovendien ving men
zo twee vliegen in één klap.
Zuivering
Hoewel er geen aanleiding was aan te nemen dat
leden van de CC tijdens de bezetting ‘fout’ waren
geweest, werd er in die hectische dagen direct na
de bevrijding toch heel kritisch gekeken. Zo waren
er bij de commissie bezwaren binnengekomen
over het lidmaatschap van de heer F. Leonards, in
het dagelijks leven handelsagent. Na een onderhoud
met hem was de commissie tot de overtuiging
gekomen dat de klacht tegen hem ongegrond
was en kon voorzitter J.M. Wansink de heer Leonards
‘tot zijn groot genoegen volledig in eer herstellen.
De vergadering onderstreepte deze woorden
met applaus’.
Ook Zwolle’s muzikale vedette de heer Cor
Ponten ontkwam niet aan de argwaan van de dag.
Naar aanleiding van een aanbod van hem om tijdens
de herdenking een samenzang met volksliederen
te organiseren werd gevraagd naar zijn verhouding
tot de gehate ‘cultuurkamer’, destijds
door de Duitsers ingesteld. De voorzitter verzekerde
iedereen dat de heer Ponten volstrekt smetvrij
was, waarop de commissie zijn aanbod in
dank aanvaarde. Maar de kwestie van de cultuurZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
kamer bleef wel de aandacht van het bestuur houden.
Er werd besloten ‘om te informeren naar de
houding van de korpsen tegenover de Cultuurcorpsen
en verdere eventuele zonden. Dat de
commissie ook zelf wel eens een onbedoeld slippertje
maakte, bewijst de zanghulde van Koninginnedag
1949. Zonder dat iemand van het bestuur
het blijkbaar was opgevallen prijkte daar het oude
Hollandse lied ‘Hou Zee’ op het programma. Na
protesten werd dit vers ijlings vervangen door het
evenzo mooie ‘Wie gaat mee over zee?’ Ter verduidelijking;
Hou Zee was jarenlang de groet van
de NSB, de Nederlandse nationaal-socialisten die
tijdens de bezetting vergaand met de Duitsers
hadden gecollaboreerd.
De eerste bevrijdingsfeesten
De dag van de Zwolse bevrijdingsfeestelijkheden
op 30 april 1945 zelfwas, in weerwil van het mythische
Oranjezonnetje, een sombere en natte. De
kinderen van Ponten’s koor en de muzikanten van
de verschillende orkesten werden drijfnat, ’s Middags
was er op het parkeerterrein van de Veemarkt
de officiële herdenkingsbijeenkomst. Hiervoor
had de CC een vijftal sprekers uitgenodigd: burgemeester
Van Karnebeek, kolonel Brown als Zwolse
commandant van het Amerikaanse leger,
majoor J.A. Baart als vertegenwoordiger van het
Militair Gezag, P.A. Jongsma als vertegenwoordiger
van de Ondergrondse en dr. J.C.P Eeftinck
Schattenkerk. Natuurlijk was ook voorzitter
Wansink van de partij. ‘De scepter van Oranje
blijft de speer, waarop Holland zijn vrijheidsmuts
zwaait’, zo hield deze de toehoorders beeldend
voor. Het waren woorden die na vijfjaar Duitse
bezetting maar al te graag werden gehoord. De dag
werd afgesloten met een kerkdienst ’s avonds in de
Grote Kerk. De dienst was opgedragen aan de
Zwolse gefusilleerden, waarvan de meesten op
5 mei gezamenlijk herbegraven zouden worden.
Ondertussen kwam juist op die dertigste april het
bericht dat de Duitse troepen in Nederland zich
hadden overgegeven en dat die capitulatie op
5 mei zou ingaan. Moest ook dat niet gevierd worden?
De CC twijfelde. Had men niet juist de
bevrijding uitbundig gevierd? Daar kwam nog
eens bij dat juist op 5 mei de Zwolse gefusilleerden
Direct na de bevrijding
in april 1945 waren er in
de straten van Zwolle
spontane volksfeesten.
De mannen op het midden
van de foto laten
zich met paard en
wagen met hun muziekinstrumenten
door de
stad rijden. (Collectie
HCO)
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Immorele omgang
De dankbaarheid van de Zwollenaren jegens hun bevrijders was groot. Vooral
de Zwolse meisjes staken hun enthousiasme voor de in uniform geklede
jongemannen niet onder stoelen of banken. Ook de Zwolse Trees was blij met
een Canadees. Dit tot verontrusting van sommigen. De predikanten Van
Noppen (Nederlands Hervormd) en Vreugdenhil (gereformeerd) schreven op
30 april 1945 aan de burgemeester: ‘Of hij wilde bevorderen dat zich na 10 uur
’s avonds géén minderjarige meisjes op straat bevinden ter voorkoming van
immorele omgang ook met den geallieerden soldaat’. Een voorstel dat de burgemeester
in antwoord praktisch niet haalbaar achtte.
aliseerd kunnen worden. Bij het defilé zou iedere
Zwollenaar zich mogen aansluiten, dus niet speciaal
in verenigingsverband, zoals gebruikelijk.
Deelnemers moesten zich verzamelen op de Veemarkt
en het Rodetorenplein. De route voerde
langs het gemeentehuis waar de Commissaris der
Koningin en de burgemeester het defilé zouden
afnemen, vervolgens naar hotel Wientjes aan de
Stationsweg, waar de geallieerde autoriteiten hun
hoofdkwartier hadden.

De Canadese bevrijders, hier in de binnenstad, lustten graag een borrel; niet
zelden leidde overmatig drankgebruik tot ruzie en andere overlast. [Collectie
HCO)
ter aarde zouden worden besteld. En eigenlijk
begonnen de werkzaamheden van de leden van de
CC zo wel erg op te lopen. De heer Leonards
meende dat de capitulatie wel degelijk gevierd
moest worden. Ook al, omdat volgens hem de
feestvieringen de laatste tijd nogal eens letterlijk in
het water waren gevallen. ‘Het publiek heeft nog
weinig gehad’, was zijn oordeel. Veel woorden
werden er verder niet meer aan vuil gemaakt. Het
was toch roeien tegen de stroom in. Besloten werd
om voor 5 mei een defilé te organiseren. Zo’n
optocht zou in de korte tijd die restte nog net gere-
Alweer een herdenking
En daarmee hoopte de CC het voorlopig gehad te
hebben. Maar het liep anders, rust was de leden
nog niet gegund. De Amerikaanse en Engelse
radiozenders hadden namelijk het bericht de
wereld in gestuurd dat 8 mei was uitgeroepen tot
‘V-E day’; ‘Victory in Europe day’. De meeste
commissieleden meenden dat het nu wel even
mooi was geweest en dat V-E day niet speciaal
voor Zwolle gold. Maar, zo lezen we haast met een
verzuchting in de notulen, ‘het publiek dacht er
anders over. Er kwam deining in de stad en de
vraag rees; wat wij deden’. Na overleg met de burgemeester
kwam de CC in de vroege ochtend van
8 mei in spoedvergadering bijeen. Daar kon
Wansink vertellen dat de burgemeester van de CC
voor twee uur ’s middag voorstellen verwachtte.
Nu bleek dat improviseren een sterk punt was van
de CC. Men wist nog voor diezelfde avond een
compleet programma voor elkaar te krijgen. Om
acht uur zou de rede van de Engelse premier
Winston Churchill via luidsprekers op de Grote
Markt worden uitgezonden, gevolgd door een
concert van het Stedelijk Orkest. Ondertussen
zouden vanuit de buitenwijken muziekkorpsen
naar het stadscentrum trekken, begeleid door de
verschillende buurtcommissies van de CC. Om
negen uur was er dan op het Grote Kerkplein de
radiorede van de Engelse koning te horen en was
er aansluitend gelegenheid tot dansen, ‘speciaal
wordt dit programmaonderdeel voorgesteld met
het oog op de Engelse militairen’. Het Stedelijk
Orkest zou voor Hotel Wientjes een serenade
brengen aan de geallieerde militairen. De poging
om ook nog een militaire parade van de grond te
krijgen mislukte, te meer omdat de troepen vanZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
wege V-E day natuurlijk ook een vrije dag hadden.
De Zwolse Radiodistributiedienst verzorgde een
rechtstreeks verslag van de gebeurtenissen op de
Grote Markt. Voorzitter Wansink sprak vanaf
Hotel Peters aan de Grote Markt de menigte toe
waarbij hij eindigde met de woorden ‘leve de
Geallieerden, leve het Vaderland, leve de Koningin’,
woorden die met luid gejuich werden ontvangen.
Uitbreiding van de taken
Het was even zweten geweest, maar de CC had het
hem dan toch maar gefikst en een hele rits van
feestelijkheden succesvol weten af te ronden. Op
15 mei werd een vertegenwoordiging van de commissie
bij de burgemeester geroepen. Die toonde
zich vol lof over de manier waarop de CC de festiviteiten
en herdenkingen had weten te leiden,
‘geen excessen kwamen voor dankzij de Commissie,
de geheele burgerij vertegenwoordigend’.
Maar wie hoopte dat de burgemeester alleen daarom
de leden bijeen had geroepen, kwam bedrogen
uit. Er zouden volgens Van Karnebeek in de toekomst
nog veel meer festiviteiten op de stad af
komen; een nationale bevrijdingsdag, een feestdag
voor de bevrijding van ‘het gehele rijk’ en natuurlijk
de verjaardagen van de leden van het konink-
Hotel Peters aan de
Grote Markt na de
bevrijding in 1945. Voor
het hotel staan geallieerdepantservoertuigen.
Op ‘V-E day’
(8 mei 1945) sprak CC
voorzitter J.M. Wansink
vanaf het balkon
van het hotel de menigte
toe. (Collectie HCO)
Genodigden bij de door
de CC georganiseerde
bevrijdingsherdenking
op de Veemarkt op
30 april 1945. (Collectie
HCO)
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijk huis. De burgemeester draaide er verder niet
omheen en stelde de aanwezigen de volgende
vraag: ‘Is u bereid in deze samenstelling, vertegenwoordigend
de bevolking van Zwolle, leiding te
geven aan de feestelijkheden welke nog zullen volgen?’
Nu was het de beurt aan Wansink het woord te
nemen. Hij dankte de burgemeester voor zijn
vriendelijke woorden. Hij schetste een beeld van
de CC die tijdens de bezetting was geslonken tot
zo’n tien man. Na de bevrijding was dit aantal
aangevuld met verschillende personen, onder
meer uit de voormalige verzetsbeweging. Hij kon
zich voorstellen dat voor sommige van de huidige
leden het lidmaatschap van de CC niet te combineren
was met hun drukke werkzaamheden. Maar
verder was hij ervan overtuigd dat de commissie
met plezier en elan de door de burgemeester
gevraagde taak op zich zou willen nemen. Hij
werd daarin niet tegengesproken. Wel bracht de
heer Rigter slim de vraag aan de orde of de commissie
in het vervolg dan ook zou kunnen
beschikken over gemeenschapsgelden. De oorspronkelijke
subsidie van 1000 gulden was immers
door de jaren heen via 400 en 200 gulden geslonken
tot nul. De burgemeester beloofde daar wel
aan mee te willen werken.
Bevrijdingsfeesten en dodenherdenking
Behalve het organiseren van de feestelijkheden op
hoogtijdagen van het koninklijk huis had de CC er
nu een nieuwe taak bij gekregen: de viering van de
bevrijding van Zwolle. Op 14 april 1946 was het
Bevrijdingsfestival
Vanaf 1991 kent Zwolle een nieuw nationaal feest, het provinciale bevrijdingsfestival
op 5 mei, een initiatief van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
De doelstelling hiervan is ‘niet alleen het herdenken van de bevrijding maar
ook het onder de aandacht brengen van de begrippen vrijheid, gelijkheid en
democratie van de jongere generatie en wel op een manier die hen aanspreekt’.
De organisatoren van het eerste Overijsselse bevrijdingsfestival wilden
de bevrijding actualiseren met popmuziek en theater als uitingen van
hedendaagse gevoelens over vrijheid. Optredens van popgroepen, straattheater
en een drcusinstuif zorgden voor een verlevendiging.
precies een jaar geleden dat de stad werd bevrijd.
Maar omdat die dag op een zondag viel werd de
herdenking een dag eerder gehouden. Plaats van
samenkomst was het Ter Pelkwijkpark, waar sinds
kort een (voorlopig) monument voor de Zwolse
oorlogsslachtoffers was geplaatst. In de toespraken
die die dag werden gehouden, lag de nadruk
op het belang van eenheid als voorwaarde voor de
nieuwverworven vrijheid. Begin mei werd landelijk
de bevrijding herdacht. Oud-verzetsmensen
en ex-politieke gevangenen hielden op vrijdag
3 mei een stille omgang naar het Ter Pelkwijkpark.
Om acht uur namen duizenden aanwezigen twee
minuten stilte in acht, waarna kransen werden
gelegd bij het voorlopig monument. Daarna volgde
onder grote belangstelling een dankdienst in de
Grote Kerk. Op zaterdag 4 mei werden de gevallenen
herdacht met één minuut stilte om 11 uur
’s ochtends.
Het voorlopige oorlogsmonument werd in
1950 vervangen door het huidige, door de kunstenaar
Titus Leeser ontworpen beeld. Het patroon
voor de herdenking van de doden en de bevrijding
lag toen inmiddels in grote lijnen vast. Op 4 mei
was er een stille omgang vanaf het Huis van Bewaring
naar het monument in het Ter Pelkwijkpark.
Op 5 mei volgden festiviteiten als volksdansdemonstraties,
een wielerwedstrijd, een optocht
en muziekuitvoeringen. Aan de herdenking van
de bevrijding op 14 april werd meestal maar
beperkt vorm gegeven met bijvoorbeeld klokkengebeier
of enige aandacht in de pers.
Pas in de laatste decennia van de vorige eeuw
veranderde de inhoud en vorm van het herdenken.
Meer en meer werd toen geprobeerd een relatie
te leggen met hedendaags onrecht en onvrijheid.
Deze koerswijziging sloeg aan: de laatste
jaren is de aandacht voor de herdenkingen rond
oorlog en bevrijding fors gegroeid, vooral ook
onder jongeren.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
Na de bevrijding in 1945
nam de CCO ook de
organisatie van de
dodenherdenking op
zich. Hier de stille
omgang op 4 mei 1956.
Op de achtergrond de
Menno van Coehoornsingel,
via de Stenen
Pijpbrug draait de stoet
de Diezerkade op.
(Collectie HCO)
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Naoorlogse heroriëntatie
Nu de oorlog voorbij was kon het normale
leven weer op gang komen. Maar zoals bij
zoveel mensen destijds heerste er ook
onder de leden van de CC het gevoel dat het allemaal
anders moest. Dat de vooroorlogse hokjesgeest
moest worden doorbroken, dat iedere burger
toch in de eerste plaats Nederlander was en dat
dat hen allen bond, ook waar het ging om feesten
en herdenkingen. Was het voor de oorlog zo dat
vooral ter linker zijde weinig enthousiasme voor
het Oranjehuis was, de rol van Wilhelmina tijdens
de jaren van bezetting hadden in die houding verandering
gebracht. Dat maakte dat de eensgezindheid
onder de Nederlandse bevolking groter was
dan ooit. Van dit gegeven moest de CC gebruik
maken. De naoorlogse CC wilde bezield met een
nieuw nationaal elan een bindende factor voor de
gehele Zwolse bevolking worden.
Allen voor allen
Al op de vergadering van 16 mei 1945 was deze
nieuwe houding te zien. De heer Peters benaderde
aan het begin van de vergadering de zaak principieel.
‘We staan’, zo betoogde hij met vuur, ‘voor
een nieuwe periode in het bestaan van ons volk.
Een vrede moet worden georganiseerd die inhoud
heeft. Het besteden van de vrije tijd zal zinvol
moeten zijn en de feestcultuur is ondeelbaar daarvan’.
Er zouden volgens Peters meer feestdagen
dan vroeger komen. Als mogelijkheden noemde
hij de stichting van de stad Zwolle en, hier kwam
de aap uit de mouw, een feest van de arbeid. Daarmee
maakte Peters natuurlijk een politiek ‘statement’.
Als het aan Peters lag zou de naoorlogse CC
inderdaad een heel andere worden!
Voorzitter Wansink wist dat omzichtigheid nu
geboden was. Hij dankte Peters voor zijn woorden
maar voegde daar direct aan toe dat hij als voorzitter
altijd al zijn best had gedaan ook leden uit de
arbeidersbeweging bij het werk van de CC te
betrekken. Maar het idee om als CC ook de socialistische
i-meiviering onder de hoede te nemen ging
hem toch echt te ver, ‘niet te hoog’, voegde hij daar
fijntjes aan toe. Een feest als de dag van de arbeid
moest volgens Wansink aan de zorgen van andere,
zelfstandige commissies worden overgelaten.
Waar het hier natuurlijk om draaide was om de
kloof die voor de oorlog bestond tussen links en
rechts te overbruggen en dit ook in de CC een
vorm te geven. Dat was de doorbraakgedachte, die
in brede lagen van de samenleving leefde. Peters
liet zich niet zo makkelijk van zijn standpunt
afbrengen. Hij riep om eendracht, maak van: ’31
augustus niet alleen een oranje-dag maar [een]
uiting van een grootsche gedachte die ons bij
elkaar heeft gebracht’. De tijd was er volgens hem
rijp voor: ‘bezwaren tegen Oranje worden dan van
linksche groepen weggenomen en overbrugt’.
Peters kreeg voor zijn betoog steun van het prominente
lid Eeftinck Schattenkerk. Ook hij vond dat
de naoorlogse CC een andere rol had te spelen.
Maar zijn standpunt was dat de bestaande organisaties
daarbij zoveel mogelijk in tact moesten blijven
en dat het zaak was hun werkzaamheden te
coördineren. Niet nivelleren maar bundelen, was
zijn motto.
Besloten werd de hete aardappel nog even te
laten liggen en een en ander in studie te nemen
door een toekomstcommissie bestaande uit drie
leden van de CC, drie leden van de ‘Zwolsche
Gemeenschap’ en de heer Haan, lid van beide.
Ondertussen zou de Zwolse bevolking in een vergadering
worden geraadpleegd.
Zwolse Gemeenschap
Parallel aan de ideeën van Peters liep de verhouding
tussen de CC en de Zwolse Gemeenschap
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
Een man met stijl
Bijna veertig jaar was hij lid van de CC waarvan
het overgrote deel als voorzitter: Jacob Marinus
Wansink. In 1964 gaf de 73-jarige oudgediende de
voorzittershamer over aan de heer]. Mühlenfeld.
Op donderdag 28 mei werd Wansink in de foyer
van de Buitensociëteit als dank voor zijn trouwe
dienst uitvoerig in het zonnetje gezet. ‘Een man
met stijl’zo karakteriseerde burgemeester]. Roeien
de scheidende voorzitter, ‘een onbetwist leider’ ook.
Flexibel en bereid tot veranderen: ‘Voortdurend
heeft de heer Wansink de veranderende opvattingen
moeten volgen’. Hij werd geëerd met het erevoorzitterschap
en talloze cadeaus, waaronder een
schilderij van Teun van der Veen met daarop feestelijkheden
op de Grote Markt.
Wansink werd op 2 mei 1890 geboren te Voorst.
In 1922 kwam hij naar Zwolle waar hij zich ontpopte
als een actieve burger. In 1926 werd Wansink
gekozen tot lid van de CC om eenjaar later het
voorzitterschap op zich te nemen. In het dagelijks
leven was hij hoofd van de Oranjeschool aan de
Jufferenwal. Ook speelde hij een belangrijke rol in
de Christelijke Gezondheids- en Vacantiekolonies
afdeling Zwolle, was hij lid van vele besturen en
auteur van tal van schooluitgaven. Hij overleed op
6 december 1981 te Zwolle.
J.M. Wansink was jarenlang het gezicht van de
CCO. Hij was van 192J tot 1964 voorzitter.
(Collectie HCO)
(ZG). De ZG was direct na de oorlog ontstaan met
daarin nadruk op burgerschap, gemeenschapszin
en cultuur. Er waren in de CC personen die vonden
dat de CC nauw moest gaan samenwerken
met deze ZG. Binnen de CC bestond daarover
echter beslist geen overeenstemming. Het was
Eeftinck Schattenkerk die in de vergadering van
12 juli 1945 de knuppel in het hoenderhok gooide.
Hij noemde de toetreding van de CC tot de ZG
‘noodzakelijk’. Helemaal onbevooroordeeld zal
hij daarbij niet zijn geweest; Eeftinck Schattenkerk
was zelf nauw bij de Zwolse Gemeenschap betrokken
en zou later ook als voorzitter optreden. Zijn
roep om vergaande samenwerking viel niet bij alle
leden in goede aarde, zo bespeurde de heer Haan
in de woorden van Eeftinck Schattenkerk ‘een
zekere dwang’. Was dit niet iets wat de ingestelde
toekomstcommissie juist zou onderzoeken? A.J.J.
Craghs stelde voor in ieder geval alvast een adhesiebetuiging
aan de ZG te sturen. Maar voorzitter
Wansink had zo zijn twijfels over het democratische
gehalte van de ZG: ‘hij [Wansink] is demo102
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kapper Drent was in de
jaren vijftig langere tijd
voorzitter van de buurtvereniging
Assendorp.
Tevens had hij zitting in
de CC. Hier zien we zijn
praalwagen, destijds
goed voor een derde
prijs. (Collectie HCO)
craat en kan de leiding van bovenaf niet appreciëren’,
zo staat genotuleerd. Wansink vond dat de
studiecommissie de zaak eerst eens nader moest
onderzoeken. Eeftinck Schattenkerk op zijn beurt
betoogde dat iedereen die niet principieel tegen de
ZG was ‘er bij behoord’. En sussend: ‘Het lidmaatschap
van de ZG brengt niet met zich mee dat zij
de CC gaat decreteren’. Uit de hele discussie kwam
naar voren dat sommige CC-leden vreesden dat
toetreding tot de ZG het einde van de CC in zou
luiden. Schattenkerk wierp daar tegen in dat zoiets
alleen zou gebeuren wanneer de CC zou worden
‘opgelost’ in de afdeling ‘Feestcultuur’ van de ZG
en deze afdeling moest zelfs nog worden opgestart.
Waar waren de leden bang voor? Hij eiste een
adhesiebetuiging, zo niet dan stapte hij op. Wansink
op zijn beurt hield de leden voor dat het bij
een adhesiebetuiging niet zou blijven. Later zou
volgens hem ongetwijfeld geprobeerd worden de
CC in commissies in te schakelen. Duidelijk is dat
de kwestie de CC ernstig verdeelde en dat het laatste
woord er nog niet over was gezegd. Uiteindelijk
was het resultaat dat de CC zich wel bij de ZG
aansloot, maar ijverig bleef toezien op de eigen
onafhankelijkheid.
Emancipatie der wijken
Een andere kwestie die vlak na de oorlog boven
kwam drijven was de positie van de wijken. Direct
na de bevrijding rezen de buurt- en straatverenigingen
als paddestoelen uit de grond. Iedereen
wilde immers feesten. Alleen al in Assendorp konden
er twintig worden geteld. Al deze clubjes werden
in Assendorp in de loop van 1945 samengesmolten
tot een grote wijkvereniging onder het
voorzitterschap van de heer H. Krisman, in het
dagelijks leven hoofdgeleider bij de Nederlandse
Spoorwegen. Dat de vereniging over een groot
draagvlak beschikte bewijzen de cijfers. Ten tijde
van het tienjarig bestaan in 1955 telde de wijkvereniging
Assendorp niet minder dan 2000 leden!
De nieuwe wijkverenigingen hadden een groot
zelfbewustzijn en wilden binnen de CC een grote
rol spelen. Steeds vaker gebeurde het dat de wijken
eigenstandig de lokale feestelijkheden organiseerden,
zonder al te veel rekening te houden met de
centrale leiding van de CC. Die werd vanuit arbeiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
derswijken als Assendorp toch vooral gezien als
een elitair clubje van gegoede burgers. Assendorp
wierp zich ook op als de stem van de buurten. Dat
bleek al tijdens een bijeenkomst in de zomer van
1945, toen een voorstel om de helft van de geïnde
gelden die Assendorp aan de CC overdroeg naar
de buurt terug te laten vloeien, door de wijkvereniging
werd afgewezen. Assendorp wilde driekwart
van het geld terug zien. Ook de Kamperpoort
leek dat wel wat. Wansink probeerde de
buurtcommissies met alle macht op andere
gedachten te brengen. Het voorstel van de buurten,
zo waarschuwde hij, zou de optochten en
muziekuitvoeringen in gevaar brengen, die kostten
immers veel geld en werden door de CC georganiseerd.
Pas na een oproep toch vooral de
gemeenschappelijkheid in het oog te houden gingen
de buurtcommissies – waarvan Assendorp
licht mokkend – akkoord.
Ook toen de vertegenwoordiging van de nieuwe
buurtcommissies in de CC aan de orde kwam
lag de ‘spoorhazenwijk’ dwars. Was het voorstel
per wijk één afgevaardigde in de CC op te nemen,
Assendorp zette in op niet minder dan drie.
Veemarkt te ver
Begin juli 1945 was er weer een aanvaring. Het
kwam naar buiten dat de wijkvereniging Assendorp
van plan was op 31 augustus, Koninginnedag,
een eigen avondfeest te organiseren. De festiviteiten
die op dat tijdstip door de CC waren gepland,
zouden plaatsvinden op de Veemarkt, ‘veel te ver
van Assendorp’. Het Assendorper voornemen viel
bij de leden van de CC bepaald verkeerd. Er werd
om wat meer respect voor de CC gevraagd. De
verjaardag van de koningin was per slot juist de
dag dat Zwolle in eenheid feest behoorde te vieren.
Het avondfeest op de Veemarkt moest daarvan
de climax zijn. Voor de wijkfeesten was in de visie
van de CC 1 september een goed alternatief.
Allengs liepen de gemoederen op. Krisman wees
nog eens fijntjes op het geld dat Assendorp
inbracht en hij betichtte de CC van dictatoriale
neigingen. De CC beschuldigde Assendorp op
haar beurt van schotjesgeest en egoïsme. Maar
Assendorp hield het been stijf. Voorzitter Krisman
stelde het klip en klaar: Assendorp wil geen eigen
feest op 30 augustus, ook niet op 1 september, nee,
het Assendorper feest zal op 31 augustus plaats
vinden. Krisman bespeurde een ‘vijandige houding’
tegenover de buurtcommissie en daar moest
het maar eens mee uit zijn. Droogjes werd genotuleerd
‘dat de stemming in de vergadering er niet
beter op wordt’. Het lijkt een understatement. De
beide groepen stonden frontaal tegenover elkaar.
Op verzoek van de CC wilde Krisman de mening
van de CC nog wel weer in de wijkcommissie
bespreken en hij nodigde de CC uit daarbij aanwezig
te zijn. Nadat Krisman de vergadering had verlaten
besloot de CC ondertussen de eigen plannen
gewoon door te zetten en deze ook al in de pers te
laten publiceren.
Een akkoord
De verhouding tussen de wijken en de CC was
duidelijk een andere dan voor de oorlog. Ook het
bestuur van de CC besefte dat de naoorlogse organisatie
van de commissie een andere moest zijn.
Het was weer Assendorp die in 1946 een voorstel
indiende voor een CC ‘uit en door de wijken’. Op
10 juni 1946 vond in hotel Van Gijtenbeek aan het
Stationsplein de vergadering plaats waarin het
voorstel zou worden besproken. Een belangrijke
gebeurtenis, zo vond de notulist, om vervolgens
wat teleurgesteld neer te schrijven: ‘hoewel uitgenodigd
blijkt de pers door afwezigheid te schitteren’.
Voorzitter Wansink opende de vergadering
en nam als eerste het woord: ‘Versterking en verdieping
van de liefde voor ons Volk tot Land en
Vorst is een der schoonste taken van de CC’. Wat
De juffrouw van de aubade
Mies Brinkman was sinds 1918 lerares aan de Stedelijke Muziekschool in de
Bloemendalstraat. Haar grote liefde was de opera. Tijdens haar zilveren jubileum
in 1943 nam deze kunsttak dan ook een belangrijke plaats in. Zelfs
onderduikers (het was midden in de oorlog) speelden daarbij mee. De meeste
oudere Zwollenaren zullen zich mevrouw Brink herinneren als de juffrouw
die op het Grote Kerkplein de jaarlijkse kinderaubade ter gelegenheid van
Koninginnedag leidde. Na de oorlog was zij een tijdlang ook directrice van de
muziekschool.
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerbetoon aan Wilhelmina
Koninginnedag 1948 was een heel speciale Koninginnedag.
Koningin Wilhelmina vierde haar gouden
regeringsjubileum. Maar tegelijkertijd was het
een feest met een dubbel gevoel, want Wilhelmina
had aangekondigd af te zullen treden en de troon
over te dragen aan haar dochter Juliana. De Turfmarkt
was de centrale plaats waar uitbundig het
50-jarig koninklijk bewind van Wilhelmina werd
gevierd. Op het groteplein aan de voetvan de
watertoren was een enorm podium opgericht. Daar
werd ’s avonds het openluchtspel ‘Je Maintiendrai’
opgevoerd.
Die avond was de stad getooid in een fonkelend
kleed van lichtjes. ‘Zwolle is’, aldus een verslaggever,
‘een lichtpunt in het Oosten’. De middag daaraan
voorafgaand was er een grote optocht. Al ruim
van tevoren hadden de eerste toeschouwers zich
langs de weg opgesteld. Het was bloedheet. Eén persoon
werd bevangen door de hitte en viel flauw.
Een oud moedertje pakte het slimmer aan en nestelde
zich langs de weg in een gemakkelijke stoel.
Maar ze dommelde langzaam in slaap. Pas toen de
koninklijke harmonie Thomas a Kempis luid toeterend
voorbijtrok, schrok ze weer wakker. Tot diep
in de nacht vierde Zwolle feest.
DE FEESTEUIKHTOEN TE ZW01J.K VAN 30 Al.’G.-* SEPT.
In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig jaar
vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter
Juliana. Omslag van het programmaboekje dat
de CC naar aanleiding van de jubileumfeestelijkheden
uitbracht. (Collectie HCO)
zou het nageslacht over deze vergadering zeggen?
Als een vergadering waarbij de deelnemers elkaar
het licht niet in de ogen gunden en de nieuwe tijd
niet begrepen? Waar het volgens Wansink om
moest gaan was de eendracht van Zwolle. En die
eenheid was door de CC het beste te waarborgen:
‘We doen hier geen slooperswerk, maar gaan bouwen.
We zullen daarbij gebruik maken van het
goede van het oude en het nieuwe’. Grote woorden
over de rol van de CC. Nu was het de beurt
aan Krisman. Ook hij riep op tot eenheid. Maar
hoe die het beste te bewaren was, dat was natuurlijk
de vraag. Volgens Krisman had Zwolle in de
jaren voor de oorlog een zeer eenzijdige, van
boven af geredigeerde feestviering gekend. Direct
na de bevrijding kwamen veel wijkcommissies
weer spontaan tot leven, diep wortelend in straat,
buurt en wijk. En het waren deze wijkverenigingen
die de basis moesten vormen van een nieuwe
CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
mm
De drie afgevaardigden
in de CC van de buurtvereniging
Assendorp
staan op de Oosterlaan
gereed voor de optocht,
jaren vijftig. In het midden
H. Drent. Links
vooraan is nog een stuk
van de Renaultgarage
van Simonse en Bokkers
te zien, die gevestigd
was op de hoek van de
Terborchstraat en de
Oosterlaan. (Collectie
HCO)
WSMH ‘ ” ..,.••” f TBmi TÜniii» ^’ita Ai b. i^MBi , J I
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Logo van de CC, jaren
veertig. (Collectie
HCO)
cenTRALe commissie
I/OOR HeT uiepen URH
GeoenKDRGen
Te zu/one
Er ontspon zich, zoals dat heet, een levendige
discussie. Daarin kwam naar voren, zij het niet
met zoveel woorden gezegd, dat Assendorp vond
dat de oude CC vooral een organisatie was van de
gegoede burgerij met daarin maar weinig ruimte
voor de ‘gewone’ man. En dat was niet goed. Niet
het kapitaal, maar het volk diende te tellen. De discussie
ging dan ook onder andere over de weging
van de gelden die de verschillende wijken ieder
jaar weer opbrachten in verband met hun vertegenwoordiging.
De heer Markus van Assendorp
bracht dit punt het meest duidelijk onder woorden.
Hij wenste een ‘behoorlijk onderscheid tusschen
den gulden van den werkman en het tientje
van den groote zakenman’. De vergadering sloot
zonder een definitieve beslissing te nemen. Uiteindelijk
kwam het volgende uit de bus. Het
bestuur van de CC zou voortaan bestaan uit
22 leden. Daarvan waren er tien ‘uit de burgerij’.
De wijken leverden de overige leden. De Kamperpoort,
Stationswijk, Veerallee en het Wipstrikkwartier
kregen ieder één afgevaardigde. De Binnenstad
werd vertegenwoordigd met twee leden.
Assendorp en de Diezerpoort leverden ieder drie
leden aan de CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
Hoge hoeden
De leden van de CC waren bij de feestelijkheden altijd prominent
aanwezig. Ze droegen een insigne; een zilveren monogram aan
een strik van oranje, blauw en wit lint. Maar bovenal waren zij al
van verre herkenbaar door de hoge hoeden die lange tijd traditioneel
werden gedragen.
Wat zou de CC zijn zonder die hoge hoeden? zo werd in het
jubileumjaar1953 in een krantenartikel gevraagd. ‘Een trotse oceaanstomer
zonder schoorsteen’ was het antwoord. In hetzelfde
artikel werd gezegd dat de vooroorlogse CC een ‘knus clubje’ was:
‘als er een uit de gelederen trad, zei men tegen elkaar: “zullen we
die of die erin halen, hij lijkt ons wel geschikt”, en zo gebeurde het
dan’.
Die informele werkwijze veranderde na de oorlog toen de wijken
hun afvaardiging in de CC kregen.
De jubilerende CC in 1953. Van links naar rechts staande: E. Kamphuis, J. T. Teunis, H.A.J. Verhagen, H. Drent, P.H. Reinbergen,
E.H. Veenstra, J. Oostindiënjr., Th. Thalen, E. Conradie, J.A. Pot, L. ter Heide, B. v.d. Vegte. Zittend van links naar rechts het
bestuur: J. Poulussen (2de secretaris), P.J. Bennekers (secretaris), J.M. Wansink (voorzitter), J.G. Akkerman (penningmeester),
H. Hollander en J. Haan (commissarissen). De leden J. Doedens en C.H. Koop ontbreken op deze foto. (Collectie HCO)
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Gedenkpenning geslagen
ter gelegenheid van
het bezoek van het
koninklijk paar aan
Zwolle in oktober 1949,
met de beeltenis van
Juliana en aan de andere
kant de tekst: ‘Lichtstoet
Industrie, Koninklijk
bezoek n-io-’49.
C.C. Zwolle’. (Collectie
O. de Leeuw)
Hoewel de jaarlijkse oranjevieringen vanzelfsprekend
tot de hoofdtaken van de
CC behoren, waren er in het lange leven
van de commissie ook andere gebeurtenissen die
de aandacht vroegen. Het waren vooral de bezoeken
van leden van het koninklijk huis aan Zwolle
die steeds weer een hoogtepunt vormden. Want
zo heel vaak gebeurde het natuurlijk niet dat de
Oranjefamilie de Blauwvingerstad aandeed.
De koningin komt
Het jaar 1949 was wat dat betreft voor de CC
gedenkwaardig. Na meer dan een kwart eeuw zou
de koningin weer een officieel bezoek aan Zwolle
brengen. De laatste keer dat Zwolle die eer te beurt
was gevallen was in 1923. Toen betrof het Wilhelmina,
nu was het Juliana die inmiddels de scepter
zwaaide.
De periode van onthouding had de dorst naar
de vorstin alleen maar versterkt. En zeker na de
moeilijke jaren van de Duitse bezetting was de
populariteit van het huis van Oranje gestegen tot
ongekende hoogte.
Onnodige spanning
De Centrale Commissie had het er druk mee.
Gehoopt werd dat de meeste Zwollenaren de dag
van het bezoek vrij zouden krijgen. Misschien, zo
suggereerde men, konden de werknemers alvast
dagelijks een halfuurtje extra werken om de snipperdag
mogelijk te maken. In ieder geval riep de
Centrale Commissie de werkgevers op de dag van
het koninklijk bezoek vrijaf te geven. Dit tot groot
verdriet van de Nijverheidsraad. Volgens de leden
van die raad leidde de oproep bij sommige bedrijven
tot onnodige spanning. Er werden verwachtingen
gewekt die niet altijd beantwoord konden
worden. Beter was het als de CC zich voortaan niet
meer over dergelijke zaken zou uitspreken voordat
er met het bedrijfsleven overleg was geweest.
Ondertussen maakte de stad zich op voor de
komst van het koninklijk paar. En niet alleen
Zwolle. Vanuit de wijde omgeving zouden groepen
en mensen naar de Overijsselse hoofdstad
komen om een glimp van Hare Majesteit op te
vangen. Zo hadden delegaties uit Urk, Staphorst
en Haerst hun komst al aangemeld.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Feestverlichting
De organisatie wilde niets aan het toeval overlaten.
Zo werd op de avond voor het bezoek de door particulieren
aangebrachte feestverlichting gecontroleerd.
Daarbij werd vooral gelet of er geen lampen
waren die de verschillende optochten zouden hinderen.
Ook moesten verkeersmaatregelen worden
genomen. De gehele binnenstad zou worden afgesloten
voor gemotoriseerd verkeer en bespannen
wagens. Ook de stadsdienst ontkwam niet aan dit
gebod. De Veerallee was tijdens de doorkomst van
de koningin voor fietsers taboe. Rond de Roopoort,
waar de majesteit en haar gemaal in de ambtswoning
van de commissaris van de koningin zouden
overnachten, was geen publiek toegestaan. Aan de
oproep om de stad uitbundig te versieren werd
massaal gehoor gegeven, ’s Avonds brandden overal
duizenden lichtjes. Vooral Hotel Wientjes had er
veel werk van gemaakt. De Westerstraat, om de
hoek van de Roopoort, zag er ook prachtig uit, net
als vele andere straten. Overal waar men keek zag
men bloemen, slingers, vlaggen en erepoorten. In
het hartje van de stad stond een fraaie muziektent,
ontworpen door de Zwolse kunstenaar Teun van
der Veen. In het licht van de vele speciaal voor het
bezoek opgestelde schijnwerpers bood de stad een
betoverende aanblik. Het was de avond voor het
bezoek van het koninklijk paar dan ook enorm
druk in de stad. Duizenden waren gekomen om
van de sprookjesachtige verlichting te genieten.
Koningin Juliana en
prins Bernhard inspecteren
op 11 oktober 1949
de erewacht voor het
huis van de commissaris
van de koningin aan de
Roopoort, waar zij ook
de nacht zullen doorbrengen.
(Foto ANP,
collectie HCO)
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Sssst!
In de nacht van u op 12 oktober 1949 wapperde de koninklijke standaard van
huize Roopoort 1. Koningin enprins logeerden, naar oud gebruik, in de
woning van de commissaris van de koningin. Op dat moment was dat
ir. B. J.G.M, ridder de van der Schueren. Voorde oorlog was het gouverneurshuis
in het Ter Pelkwijkpark de ambtswoning. Het werd ook wel ‘het hotel
van de Commissaris der Koningin’ genoemd. In 1895 had de toen vijftienjarige
Wilhelmina er overnacht. Omdat het Gouverneurshuis midden in de stad
lag, werd aan de posterende agenten gevraagd er voor te zorgen dat er
’s avonds niet te veel lawaai op straat zou worden gemaakt. Dat hoefde men
de Zwollenaren niet twee keer te zeggen. ‘Ssst… het koninginnetje slaapt’,
werden gevleugelde woorden.
Massaal onthaal
De ochtend van de elfde oktober brak aan. In alle
vroegte klonken de klanken van de reveille door de
stad. Op de Turfmarkt: werd die ochtend door
leden van rijvereniging ‘Rijden is Kunst’ uit Ittersum
een ruiterdemonstratie gegeven. Op het Grote
Kerkplein verzamelde zich de jeugd uit de verschillende
wijken voor de grote kinderoptocht. Ondertussen
voerden bussen voortdurend bezoekers van
buiten aan. Vooral uit de kop van Overijssel waren
velen gekomen. Het was iets over half drie ’s middags
toen de koninklijke stoet van over de IJsselbrug
arriveerde, een juichkreet ontlokkend aan de
duizenden die daar, op het grondgebied van de
toenmalige rondom Zwolle gelegen gemeente
Zwollerkerspel, het paar opwachtten. Onder de
tonen van het Wilhelmus stapten Juliana en Bernhard
over in een gereedstaande landauer. Aan de
wachtende burgemeester van Zwollerkerspel, C.
Slager, vroeg de koningin nog vlug: ‘Burgemeester,
zien wij u vandaag nog?’ waarop Slager antwoordde,
‘ik hoop vanavond, mevrouw’, waarna Juliana
met een ‘dan, tot ziens’ eindelijk richting Zwols
grondgebied vertrok. De koninklijke stoet reed
over de Veerallee de stad binnen, toegejuicht door
het enthousiaste publiek. Kinderen zwaaiden fanatiek
met oranje en rood-wit-blauwe vlaggetjes.
Voor de stoet uit reden drie vrachtwagens van de
gemeentereiniging. Ze waren gevuld met zand. Dit
zand werd op de weg gestrooid om te voorkomen
dat de paarden zouden uitglijden op de toch wat
gladde stenen van het wegdek. Duizenden mensen
waren op de been om een glimp van het koninklijk
paar op te vangen. Aangekomen op het Stationsplein
werd de koningin een vaandelgroet

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 4

Door | 2003, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

• f cü/
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
/LUCHTPOST’
(Collectie HCO)
Sophia Ziekenhuis Zwolle. Kindertuin
Poststempel 22 december 1938
‘Beste Vrienden, allemaal hartelijk gefeliciteerd met
de verjaardag van Tante Wim en nog maar vele
jaartjes. Hoe is het kan U nog al dooi blijven, wat een
wintertje is het. Het is met mij zelf alles nog Oké dus
nu maar afwachten. Nu luidjes prettige dag en ook
maar prettige kerstdagen met vele groeten van M.B.
Rigter- Vreeswijk.
[Rondom in potlood geschreven:] Ik geloof dat
het met het kindje niets word, de dokter ziet het tenminste
niet erg goed in Gonnieje doet maar of je er
nog niks van weet.
Het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis kwam voort
uit de hervormde armenzorg. Het Sophia Ziekenhuis
werd geopend in 1884 en was gevestigd op een
deel van de zogeheten Bagijneweide, op de hoek
van de Rhijnvis Feithlaan en de Nieuwe Vecht. In
de loop der tijd werden verschillende delen aangebouwd.
De grootste uitbreidingen vonden plaats
in 1915 en 1935. De hoofdingang bevond zich tot
1935 aan de zijde van de Nieuwe Vecht, daarna
werd het nieuwe door stadsarchitect J.G. Wiebenga
opvallend strak vormgegeven gedeelte geopend
en werd de hoofdingang verplaatst naar de Rhijnvis
Feithlaan.
In de prachtige tuin van het ziekenhuis was het
bij mooi weer goed toeven voor de patiënten. Het
ziekenhuis verhuisde in 1972 naar de rand van de
stad. Het oude gebouw aan de Rhijnvis Feithlaan
is nu rijksmonument. Het wordt momenteel
gerenoveerd voor een nieuwe gebruiker, de kunstacademie
Constantijn Huygens. Zie voor meer
afbeeldingen van het oude Sophia pagina 143.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
Redactioneel Inhoud
De inhoud van het laatste nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift uit 2003 is weer zeer gevarieerd.
Aan bod komt de negentiende-eeuwse Zwolse
stadsarchitect Berend Reinders, onder meer ontwerper
van de voormalige RHBS aan de Bagijnesingel.
Daarna switchen we naar de manier hoe in
de zeventiende eeuw met huwelijkstrouw werd
omgegaan.
Verder wordt beschreven hoe een ondernemende
Zwolse boerenfamilie in 1895 hofleverancier
werd en en passant wordt verklaard waarom
bioscoop de Kroon deze naam draagt.
De moord op een marechaussee in Ommen
zorgde begin twintigste eeuw voor de nodige consternatie,
lees het verhaal hierover.
Een afbeelding die bij een artikel in het ZHT
nr. 2 van dit jaar stond, leverde een unieke foto op
van koningin Juliana op de bank bij een gewoon
Zwols echtpaar.
Ook op de ansicht in datzelfde nummer werd
gereageerd, deze reactie valt te lezen onder de
Mededelingen.
De ansicht in dit nummer biedt een kijkje in
het oude Sophia Ziekenhuis. Omdat daar veel te
zien was, treft u in dit nummer nog meer ansichten
van dit voormalige ziekenhuis aan.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten
en Wim Huijsmans 134
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-Hameete 136
Het oude Sophia in ansichtkaarten
Jeanine Otten 143
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd 146
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’ Jeanine Otten 153
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en Jennie Pruim 156
Met Juliana op de bank
Annèt Bootsma-van Hulten 162
Mededelingen 164
Auteurs 166
Omslag: Lijkwagen met het stoffelijk overschot van
marechaussee A. Hoekstra voor de kazerne van de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle op Beestenmarkt
7 (nu Harm Smeengekade), 9 augustus 1902.
(Foto P.J. Bieseman, collectie HCO)
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-
Hameete Het ambt van stadsarchitect bestaat in
Zwolle al vanaf de late middeleeuwen en
heeft sindsdien een forse ontwikkeling
doorgemaakt. Toch is er relatief weinig bekend
over dit ambt dat herkenbaar zijn sporen in de
stad heeft nagelaten. In het onderstaand artikel
wordt een kleine tijdspanne gelicht, namelijk de
periode van 1855 tot 1875, waarin Berend Reinders
als stadsarchitect diende in Zwolle.
Berend Reinders
In de negentiende eeuw bleef de bouwkunst in
Zwolle stevig geworteld in de plaatselijke traditie.
Er bevond zich hier geen op internationaal niveau
geschoolde architect. Toen in 1854 Zeger van der
Bie als stadsarchitect het veld ruimde, zag de raad
zich genoodzaakt een nieuwe stadsarchitect aan te
stellen. Het was de Groninger Berend Reinders,
die deze post verwierf. Hij was vooral technisch
goed op de hoogte van zowel bruggen als gebouwen
door zijn ervaring opgedaan als provinciaal
opzichter van Waterstaat en als meester-timmerman
in de stad Groningen.
Berend Reinders was op het moment van zijn
aanstelling dertig jaar oud. Van Reinders is een
aantal brieven bewaard gebleven die van zakelijke
aard zijn. Een familiearchief als informatieve bron
over zijn leven ontbreekt. Daarom is over zijn
privé-leven weinig bekend. De belangrijkste feiten
uit zijn persoonlijk leven, ontleend aan de akten
van de burgerlijke stand, zijn snel opgesomd.
Berend Reinders werd op 4 januari 1825 geboren te
Groningen. Zijn vader, Reinder Reinders, was
klerk en zesentwintig jaar oud toen zijn zoon werd
geboren. Zijn moeder Hillegien Woldring, zonder
beroep, was negenentwintig jaar toen zij haar
zoon ter wereld bracht. Berend Reinders woonde
met zijn ouders aan de Aa in Groningen. Toen
Berend was opgegroeid oefende hij eerst het
beroep van meester-timmerman uit en later werd
hij provinciaal opzichter van Waterstaat en
onderwijzer aan de Academie van Beeldende
Kunsten in Groningen. Op 30 januari 1855 werd
hij door de gemeenteraad van Zwolle aangesteld
als stadsarchitect.1 Zijn infunctietreding zou per
1 maart 1855 ingaan. Op die datum verscheen
Berend Reinders tijdens de vergadering van burgemeester
en wethouders. Hij legde de eed af en
beloofde hiermee zich aan de voorgeschreven
instructie te houden.2
Reinders vertrok met zijn vrouw Dorothea
Reinders-Pothoff en zoon Berend naar Zwolle.
Eenmaal hier gevestigd breidde het gezin zich uit.
In het jaar 1856 werd hun tweede zoon, weer
Berend genaamd, geboren en in 1858 een dochter
genaamd Maria, in 1861 een zoon Hermannes, in
1867 een dochter Lucintia en in 1870 een zoon
Theodoor. Het laatst geboren kind overleed na
drie maanden aan enteritis chronica, een chronische
ontsteking van het darmslijmvlies.3 In 1875
werd na een dienstverband van twintig jaar met de
stad Zwolle Reinders eervol ontslag verleend. Op
12 januari 1875 werd hij aangesteld als architectdirecteur
in Den Haag.4 In deze stad bleef hij
werkzaam tot zijn dood in 1890.5
De fabricage
De fabricage, zoals de verzamelnaam luidde voor
het stadsbedrijf ten tijde van Reinders ambtsperiode,
bestond uit verschillende onderdelen:
de civiele bouwkunde, de waterbouwkunde, de
stadsplanning en de verschillende taken die na
de aanstelling van de werklieden door de stadsarchitect
werden bewerkstelligd.
Civiele bouwkunde
De belangrijkste taak van de stadsarchitect lag op
het gebied van de civiele bouwkunde. De stad had
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
veel gebouwen onder haar hoede die groot en
bewerkelijk in onderhoud waren, zoals het stadhuis,
de kazerne, het passantenhuis, de scholen, de
torens en de poorten. Veel aandacht werd besteed
aan de brugwachtershuisjes, de brandspuithuisjes,
de lantaarnpalen en de stadspompen. Bovendien
stonden onder toezicht van de stadsarchitect de
openbare straten, wegen, plantsoenen, stadsgronden
en wateren.6
Jaarlijks vond de inspectie van de stadsgebouwen
en werken plaats. In de maand september
diende de stadsarchitect een verslag in bij burgemeester
en wethouders. Het verslag gaf de toestand
van de gebouwen weer en de beraming van
de kosten van onderhoud of vernieuwing voor het
komend jaar.7 Maandelijks stelde de stadsarchitect
burgemeester en wethouders op de hoogte
van de werkzaamheden die naar zijn oordeel aan
de gemeentelijke eigendommen of werken moesten
worden uitgevoerd. Wekelijks rapporteerde
Reinders schriftelijk aan de raad over de werkzaamheden
van de afgelopen en de komende
week. Het stadsbestuur hechtte veel waarde aan de
toelichting van de stadsarchitect, vooral waar het
ging om de technische aspecten die bij veel stadswerken
aan de orde kwamen. Het stadsbestuur
besliste op grond van tekeningen die Reinders of
een ondergeschikte van de objecten maakte. Enkele
tekeningen van Reinders zijn bewaard gebleven.
Hij besteedde veel zorg aan deze vaak gesigneerde
tekeningen.8 Slechts met voorkennis en goedkeuring
van burgemeester en wethouders werden
werken uitgevoerd.9
Was er sprake van direct gevaar voor dé
publieke veiligheid, dan gaf de stadsarchitect
onmiddellijk order tot het uitvoeren van de nodige
voorzieningen. De raad werd vervolgens zo snel
mogelijk in kennis gesteld.10 Bij uitbrekende
brand diende de stadsarchitect direct hulp te bieden.
Immers door zijn kennis van het stadsplan,
was hij goed op de hoogte van de aanwezigheid
van water, eventuele brandspuiten en pompen in
de omgeving van de brandhaard.”
Een onvoorziene omstandigheid was de cholera-
epidemie die in Zwolle voor de tweede keer uitbrak
in 1855, net na de aanstelling van Reinders. In
zijn functie als stadsarchitect was hij direct belast
met het uitvoeren van restrictieve maatregelen.
Hij diende de stad hygiënischer te maken, de choleralijders
onder te brengen, twee grachten te
dempen en een riolering aan te leggen. Met deze
maatregelen dacht de raad een herhaling van een
cholera-epidemie te voorkomen. Helaas brak in
1866 opnieuw een hevige epidemie uit. In 1865 en
1866 vielen de oogsten tegen en schoten de voedselprijzen
omhoog. Veel mensen waren ondervoed
en daardoor vatbaar voor de cholera. De
conditie van vooral de armen diende daarom verbeterd
te worden en dat gebeurde door middel
van voedseluitdelingen, het bevorderen van de
hygiëne door het schoonmaken van huizen, straten
en openbare privaten en tenslotte het branden
van teertonnen. Grote epidemieën kwamen na
1866 niet meer voor. De succesvolle bestrijding
van de cholera-epidemie gaf aan dat Berend Reinders
prima in staat was het veelomvattende takenpakket
waar de stadsarchitect verantwoordelijk
voor was uit te voeren.
Waterbouwkunde
Een deel van Reinders taken lag op het terrein van
de waterbouwkunde. Hij had voor dit onderdeel
van de architectuur veel belangstelling. Zwolle
was afhankelijk van een goede waterhuishouding.
Daarom diende de stadsarchitect de dijken,
wegen, bruggen en waterleidingen regelmatig aan
een inspectie te onderwerpen. Bovendien vergden
de sluis- en waterwerken veel aandacht en met
name voor de onderhoudswerkzaamheden, zoals
de beschoeiingen gemaakt van houten wallen,
steigers met paalwerk en de balkenconstructies en
stenen pijlers.12 Elk kwartaal in de eerste week van
januari, april, juli en oktober rapporteerde de
stadsarchitect schriftelijk aan de raad over de toestand
van de bruggen.13
Zoals bijvoorbeeld het geval was bij de brug
over de Willemsvaart. Na eeuwenlange pogingen
om te komen tot een waterverbinding tussen Zwolle
en de IJssel, was op 24 augustus 1819 de Willemsvaart
officieel geopend. Dit gebeurde op de verjaardag
van koning Willem I. Zwolle had de vaart aan
hem te danken, omdat hij het rijk tot betaling had
overgehaald. De vaart was in eerste instantie niet
gegraven voor de waterhuishouding, maar voor de
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
scheepvaart. De nieuwe waterweg maakte oeververbindingen
noodzakelijk. Vanaf halverwege de
negentiende eeuw was er namelijk sprake van een
toename van het verkeer. Reinders droeg zorg voor
een verbeterde infrastructuur en waterbeheersing
door het ontwerpen van een aantal beweegbare
bruggen in Zwolle. De bruggen kregen vanwege het
gebruik van verbeterde technieken, nieuwe materialen
en daarmee samenhangende vormgeving een
heel ander karakter dan gebruikelijk. Tijdens de
ambtsperiode van Reinders waren de bruggen van
hout, daarna vooral van ijzer, zoals de brug over de
Willemsvaart (een draaibrug) en de Vis(ch)poortenbrug
(een valbrug).14 Hoewel de bruggen niet
mooi werden gevonden, duidde zijn bouwkunst
wel op architectonische kennis.
Aankoop van materialen
De aankoop, aanvoer en opslag van materialen
viel ook onder het takenpakket van de stadsarchitect.
De aankoop werd geregeld bij publieke aanbesteding
of in openbare veiling. Dat gebeurde
vooral bij materialen die veel gebruikt werden.
Reinders hield nauwkeurig de direct gebruikte en
de nog te gebruiken materialen bij in zijn weekrapporten.
Zo bleef men precies op de hoogte van
de hoeveelheden die gebruikt werden, zodat de
materialen op tijd bij de leveranciers besteld konden
worden. Per kwartaal leverde Reinders de
aantekeningen in bij de raad, twee keer per jaar
vergezeld met de rekeningen.
Er werden hoge eisen gesteld aan de materialen
die uit de kas van de stad betaald werden. De
keuring ervan was een belangrijke bezigheid. De
opslag van de materialen gebeurde in speciale
opslagloodsen. Enkele stadswerklieden waren
aangesteld voor het beh eer van de materialen in de
verschillende stadswerkplaatsen. Alle arbeiders
die met de materialen en gereedschappen van de
gemeente werkten waren verplicht hierover verantwoording
af te leggen. Bij schade of verlies
werd de desbetreffende arbeider op zijn loon
gekort. Bij diefstal moest de raad ingelicht worden,
die dan een straf oplegde.
De gereedschappen en werktuigen werden niet
alleen in stadsdienst gebruikt. Particulieren waren
in de gelegenheid deze te huren tegen een door de
stadsarchitect vastgesteld tarief. Wekelijks gaf de
stadsarchitect aan de raad op welk bedrag daarvoor
was geïnd.
Invullen van de stadsgrond
De stadsarchitect droeg ook zorg voor het zo nuttig
mogelijk gebruiken van de stadsgrond. Gevallen
van eerste uitgifte van grond of van nieuwe
bestemming kwamen in de praktijk bij hem
terecht. Er werd verwacht, dat hij kon optreden als
onderhandelaar.
Tot zijn takenpakket hoorde het ontwerpen
van plannen, tekeningen, bestekken en het doen
van aanbestedingen op het gebied van onderhoud,
vernieuwing van stadswerken of geheel nieuwe
gebouwen of werken. Bovendien was hij ervoor
verantwoordelijk dat alle beschikbare gronden en
percelen van de stad een maximum aan rendement
opleverden.15 Zoals het geval was bij de
nieuwbouwvan de Rijks Hogere Burgerschool.
De Rijks Hogere Burgerschool
De geschiedenis van de Rijks Hogere Burgerscholen
begon in het midden van de negentiende
eeuw. Dit schooltype werd opgericht voor leerlingen
die scholing wilden op het gebied van de handel,
nijverheid en staatsdienst. Het was opmerkelijk
dat Zwolle van minister Thorbecke toestemming
kreeg één van de eerste Rijks Hogere Burgerscholen
van Nederland te plaatsen. Mogelijk had
hij een zwak voor zijn geboortestad. Naar buiten
toe gaf Thorbecke als reden voor het bouwen van
een hogere burgerschool in Zwolle op, dat de stad
een centrale plaats in Nederland innam. De minister
verzocht de raad een schetstekening te laten
maken van een gebouw en een terrein aan te wijzen
waarop de school gevestigd zou worden.16 Op
5 april 1865 viel de definitieve beslissing van de
raad om de school op de Bagijnenweide te plaatsen.
17 De Rijks Hogere Burgerschool zou
ƒ 60.000,- gaan kosten.18 Na de bouw bleken de
kosten te zijn opgelopen tot ƒ 81.250,-. Zwolle
kreeg een subsidie van ƒ 20.000,- van het rijk. Het
plan kreeg goedkeuring van de minister. Reinders
rechtvaardigde zijn werk met het argument dat hij
duurzaam wilde bouwen, om in de toekomst de
onderhoudskosten laag te kunnen houden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
Voor Reinders was het een uitgelezen kans een
rijksgebouw in Neoclassicistische stijl te bouwen
met toepassing van eigen kenmerken.19 Deze
bouwstijl werd in Nederland in de periode tussen
ongeveer 1800 en 1870 veel toegepast. In september
1867 was het gebouw gereed.20 Het werd voordat
het in gebruik werd genomen ter bezichtiging
opengesteld voor publiek.21 Vooral de vorm van
het gebouw trok de aandacht van de bezoekers.
Het pand was gebouwd in een rechthoekige hoef,
waarbij de diepte van het arrière-corps in de voorgevel
0,75 ellen bedroeg. Hij plaatste aan beide zijden
van de hoofdingang twee zuilen. Bij enkele
van zijn eerder ontworpen gebouwen paste hij
eenvoudige versiering rond de vensters toe, maar
die liet hij bij de Rijks Hogere Burgerschool achterwege.
Ter verfraaiing van het gebouw werd
besloten het uurwerk van de Diezerpoort naar de
nieuwe school over te brengen. In 1953 besloot de
raad echter de klok uit het gebouw van de RHBS te
halen en voor tenminste tien jaar in bruikleen af te
staan aan het kerkbestuur van de Sint-Jozefkerk in
de Assendorperstraat.22
Werklieden bij de fabricage
Uit het voorgaande blijkt dat de stadsarchitect veel
verantwoordelijkheden droeg. Hij diende zich,
wilde hij zijn functie naar behoren uitoefenen,
nauwgezet aan de instructie te houden die hij bij
zijn aanstelling had aanvaard. Met de eedaflegging
nam hij die grote verantwoordelijkheid op zich.
Tot zijn taak hoorde ook het selecteren en voordragen
van werklieden. Reinders was voor een
deel afhankelijk van goede stadsarbeiders wilde hij
de stadswerkzaamheden op tijd gereed krijgen.
Ontwerp tekening van
de voorgevel van de
Rijks Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin
KNOB 2000-4)
Ontwerp plattegrond
begane grond en eerste
verdieping van de Rijks
Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin KNOB
2000-4)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Rijks Hogere Burgerschool
aan de Bagijnesingel
omstreeks 1890.
(Collectie HCO)
Het aantal vaste werklieden
Het aantal werklieden van de fabriek gedurende
de tijd dat Reinders zijn ambt uitoefende, betrof
drieëndertig vaste werknemers. Uiteraard waren
verschillende beroepen vertegenwoordigd. Om
een indruk te geven, volgt hier de staat van de
ambtenaren en vaste arbeiders bij de fabricage in
1855. Drie opzichters stonden in rang onder de
stadsarchitect en zorgden afzonderlijk voor het
dagonderhoud, de arbeiders en de stadsgoederen.
Verder waren er vier timmerlieden in vaste dienst.
Er werkten bij de stadsfabriek twee metselaars, één
loodgieter, één stratenmaker en één opperman
van het cholera-hospitaal. Vervolgens was er één
opzichter over de wandelplaatsen en onder hem
werkten zes arbeiders. Tevens was er een opzichter
werkzaam met vier arbeiders die aangenomen
waren om de lantaarns bij te vullen. Negen arbeiders
sloten de rij waarvan er één de openbare privaten
schoonhield en waarvan de andere acht
inzetbaar waren waar nodig.23
De stadsarchitect behoorde niet alleen zijn
eigen taken naar behoren te vervullen, hij moest
tevens de stadswerklieden motiveren goed werk af
te leveren. De stadswerklieden waren net als de
stadsarchitect gebonden aan een instructie. Indien
een stadsarbeider, om wat voor reden ook, niet
naar behoren functioneerde beschikte de stadsarchitect
over voldoende mogelijkheden om de man
tot de orde te roepen of in het ergste geval te ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
slaan. Midden negentiende eeuw was er voor de
stadswerklieden op (hoge) leeftijd, voor zover valt
na te gaan in de bronnen, geen pensioen geregeld.
Zolang ze konden werken hield de stadsarchitect
deze oudere stadsarbeiders beschikbaar voor lichte
werkzaamheden.
Uitbetaling van de lonen
Wekelijks, op maandag, gaf de stadsarchitect aan
de hand van het aantal gewerkte uren de werklonen
van de stadsarbeiders schriftelijk door aan de
raad. In 1862 deed Reinders een voorstel tot verhoging
van het dagloon van de stadswerklieden. Het
loon werd gemiddeld ƒ 0,05 a ƒ 0,10 per dag verhoogd
en kwam op een gemiddelde van ƒ 1,00 per
dag.
Het loon werd per uur betaald. Dit had te
maken met de lengte van de dagen. In de winter
waren de dagen kort omdat het ’s ochtends laat
licht was en ’s avonds vroeg donker. Daarom kon
er hoogstens zeven uur gewerkt worden. In het
voor- en najaar werd er acht uur gewerkt en in de
zomer gemiddeld tien a elf uur. De raad had aan
de hand van de seizoenen een staat van uren opgesteld,
waaraan de stadswerklieden zich dienden te
houden.24
Betaling stadsarchitect
Bovenstaande beoogt een indruk te geven van wat
de functie van stadsarchitect zoal omvatte. Tot eer
van de stad dient gezegd dat Reinders voor zijn
vele werk behoorlijk werd betaald. Bij zijn aanstelling
in 1855 werd zijn salaris vastgesteld op ƒ 1500,-
per jaar. Uit de verslagen van de raad van de
gemeente Zwolle bleek dat de stadsarchitect bij
aanvang van zijn ambtstermijn inderdaad ƒ 1500,-
ontving. In de loop der jaren werd zijn traktement
nog enkele malen verhoogd. Bij zijn vertrek in 1875
bestond de jaarwedde van Reinders uit ƒ 2100,-.25
Nevenactiviteiten
In de eerste decennia van de negentiende eeuw
viel er in Nederland nog niets te bespeuren van
een economische ontwikkeling die gelijkenis vertoonde
met de industriële revolutie, zoals die zich
in de omringende landen aan het voltrekken was.
Pas rond 1850 begonnen de eerste veranderingen
zich af te tekenen, hetgeen ook het Zwolse economische
leven niet onberoerd liet. De eerste stoommachine
hier ter stede werd geplaatst in 1853 in de
ijzergieterij van G.J. Wispelweij & Co, toentertijd
een bedrijf met tweeënveertig arbeiders. De
fabriek van Krol, de machinefabriek aan de Veerallee,
de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen
en de Gemeentelijke Gasfabriek volgden, zodat
omstreeks 1875 al achtenveertig stoommachines in
bedrijfwaren.26
Bij deze industriële ontwikkeling speelde de
afdeling Zwolle van de ‘Vereeniging ter bevordering
van de Fabrieks- en Handwerknijverheid’ een
belangrijke rol. Reinders was lid van deze vereniging.
In 1853 bracht de vereniging een industrieschool
tot stand. Verder was er in Zwolle een
Commissie van Werkverschaffing waarin Reinders
als voorzitter zitting had. Deze Commissie
bracht verscheidene initiatieven naar voren, zoals
een ‘Vereerend Getuigschrift’ dat uitgereikt werd
aan arbeiders die meer dan twintig jaar in hetzelfde
bedrijf werkzaam waren geweest. Daarnaast
werden door de ‘Vereeniging’ prijsvragen uitgeschreven
waarbij een beroep werd gedaan op de
vindingrijkheid en beheersing van veel technieken.
De belangrijkste activiteiten die georganiseerd
werden waren de industriële tentoonstellingen.
De eerste tentoonstelling was in 1840, waar
slechts eenendertig inzendingen waren. Twintig
jaar later kwamen bijna duizend inzendingen binnen
en ongeveer vijfduizend bezoekers.27 Hoe
succesvol de tentoonstelling ook was, industrie
van enige omvang kwam er niet uit voort. Zwolle
had een gunstige geografische ligging, maar kapitaal
en grondstoffen ontbraken. Wat betreft Reinders
kan uit zijn optreden in deze commissies
opgemaakt worden dat hij zeer begaan was met de
industriële ontwikkeling van Zwolle.
Goede stadsbeambte
Reinders behoorde niet tot degenen die door hun
enorme prestaties een stempel op hun tijd zetten.
Hij had de maat van zijn omgeving en moet
beoordeeld worden in het verband van zijn tijd
om datgene, wat hij tot de bouwkunst heeft bijgedragen,
op de juiste betekenis te schatten. Door
alle gegevens die over de stadsarchitect te verkrij142
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen waren te verzamelen, is een beeld opgebouwd
van vooral de omstandigheden waaronder hij
werkte. Reinders heeft voor zover de bronnen
onthullen geen gebouwen ontworpen en uitgevoerd
in opdracht van particulieren in zijn vrije
tijd. Dit is niet met zekerheid te zeggen, omdat
geen persoonlijk dossier van hem is gevonden.
Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat zijn ontwerpen
voortkwamen uit opdrachten die hij als
stadsarchitect kreeg van de raad.
De stadsarchitect uit: de negentiende eeuw stak
in de communis opinio niet uit boven de gemiddelde
burgerman. Een dergelijke sfeer van eenvoud
lijkt te passen bij Reinders. Het is in dit verband
tekenend dat er van hem geen portret
bekend is. Vooral de eigenschappen ijver, toewijding,
stiptheid, zin voor orde, bereidwilligheid om
dienstbaar te zijn, maakten hem tot een goede
stadsbeambte.
* Dit artikel verscheen eerder, in uitgebreidere vorm,
in het Bulletin, orgaan van de KNOB (Koninklijke
Nederlandse Oudheidkundige Bond), 2OOO-4.
Noten
Gebruikte afkortingen:
GAZ Historisch Centrum Overijssel,
collectie voormalig Gemeentearchief Zwolle
AAZ01 Administratieve stadsarchieven
AAZ02 Administratieve stadsarchieven
DA002 Dienst openbare werken, 1842-1949
1 GAZ, AAZ02-24, Register van de Notulen van de
Gemeenteraad te Zwolle, 30 januari 1855.
2 GAZ, AAZ02-704,1 maart 1855.
3 GAZ, AAZ02-03123, Sterfte-statistiek 1865-1876,
21 juli 1870.
4 R. Vijfwinkel, K.P. Companje, W.J. de Geus en
M.M. Hegener, ’s Haags werken en werkers, 350 jaar
gemeentewerken (1636-1986), p.130.
5 Gemeentearchief Den Haag, Algemeen Verslag van
de Werkzaamheden en Notulen der Vergaderingen,
in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs
(Instituutsjaar 1889-1890), 11 februari 1890,
P-36-37-
6 GAZ, AAZ01-409, Register voor de ambtenaren
der Gemeente 1821-1842, artikel 1.
7 GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, artikel 3.
GAZ, AAZ01 art.8.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 3, art.4.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 4, art.4.
GAZ, AAZ01 art.16.
GAZ, AAZ01 art.17.
GAZ, AAZ02-3041, Instructies voor het gemeentepersoneel
1778, art.3.
B. Lamberts en H. Middag, Architectuur en stedebouw
in Overijssel 1850-1940 (Zwolle 1991) p.134.
GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, art.8.
W.A.Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle (1973 Zwolle) p.243.
Het Nationaal Archief, Tweede Afdeling, archief
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Vijfde
Afdeling Onderwijs, 1848-1876, inventarisnummer
755, no.93,5 april 1865, p.192.
GAZ, DA002-105,24 juli 1865, p.663.
L.H. Eberson, Ebersons Bouwkunst, Overzicht van
de onuitgegeven werken onzer Nederlandsche tijdgenooten,
uitgegeven tussen 1873-1875.
Het Nationaal Archief, 186,16 juli 1867, p.716.
Eberson, 1873-1875 Arnhem.
Jubileumcommissie, Gedenkboek; honderd jaar rhbs
Zwolle 1867-1967, p.20.
GAZ, DA002-461,21 september 1855.
GAZ, DA002-13,6 januari 1862.
Verslag van de Raad der Gemeente Zwolle 1875, p.8.
P.J.C, de Boer, De Zwolse ‘Fabrieks- en handwerknijverheidstentoonstelling’
van 1860, p.62.
De Boer, p.63.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 143
Het oude Sophia in ansichtkaarten
In 1884 werd op de hoek van de Rhijnvis Feithlaan
en de Nieuwe Vecht een uiterst modern
ziekenhuis geopend. De naam was ontleend
aan koningin Sophie (1818-1877), de eerste echtgenote
van koning Willem III. De Zwolse raad wilde
met deze vernoeming de nagedachtenis eren van
de koningin, die Zwolle op 18 juli 1874 had bezocht
en die zoveel voor de ziekenverpleging had
gedaan. In 1880 begon de bouw en op 1 oktober
1884 kon het ziekenhuis geopend worden. Het
ontwerp was van de toenmalige stadsarchitect J.L.
van Essen en kostte, compleet met inventaris,
ƒ70.000,-.
Sindsdien vond meermalen verbouwing en
nieuwbouw plaats. Op 13 maart 1915 werd een
nieuwe vleugel, die was ontworpen door stadsarchitect
Lourens Krook, met veel redevoeringen in
gebruik genomen. In 1935 kreeg het Sophia Ziekenhuis
een uitbreiding, van een voor die tijd
ongekend moderne architectuur. Stadsarchitect
Jan Gerko Wiebenga ontwierp de nieuwe vleugel
in de stijl van het Functionalisme.
Het Sophia bleef bijna negentig jaar aan de Rhijnvis
Feithlaan gevestigd. In 1972 verhuisde het hospitaal
naar de Ceintuurbaan aan de rand van de
stad. De hoofdingang kwam aan de Dokter van
Heesweg. Na de fusie met het ziekenhuis De Weezenlanden
in 1998 werd het Sophia Ziekenhuis een
locatie van de Isala-klinieken. Beide ziekenhuizen
willen in 2010 een nieuw gebouw betrekken, dat
op de grond van het nieuwe Sophia Ziekenhuis
moet verrijzen.
Van ziekenhuis tot kunstacademie
Op de zolderverdieping van het oude Sophia Ziekenhuis
was gedurende ruim twintig jaar kunstenaarsvereniging
Het Palet gehuisvest. In juli 2002
kreeg de vereniging van de gemeente Zwolle te
horen dat ze het pand zo snel mogelijk moest verlaten
om plaats te maken voor de kunstacademie
van Hogeschool Constantijn Huygens te Kampen.
Het voormalige ziekenhuis zal daartoe worden
verbouwd naar een ontwerp van architect Hubert-
Jan Henket. Henket heeft een nieuwe vleugel langs
de Nieuwe Vecht ontworpen die in stijl en hoogte
aansluit op het ontwerp uit de jaren dertig van
architect Wiebenga. Ook achter het hoofdgebouw
van het voormalige ziekenhuis komt nieuwbouw.
Het oude Sophia Ziekenhuis is eigendom van
de gemeente. Renovatie en nieuwbouw ten behoeve
van de Hogeschool Constantijn Huygens worden
op kosten van de gemeente uitgevoerd. De
totale kosten worden geraamd op ongeveer elf
miljoen euro.
Jeanine Otten
Zwolle
Jto-J-i
Het oude Sophia Ziekenhuis, ontworpen door stadsarchitect J.L. van Essen, geopend
1 oktober 1884. Prentbriefkaart uitgegeven door J.H. Schaefer te Amsterdam,
met poststempel Zwolle, 2 oktober 1901. (Collectie HCO)
144 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Sophia Ziekenhuis in 1950, vanuit de lucht.
Links de Nieuwe Vecht, rechts de Rhijnvis Feithlaan.
Op de voorgrond de nieuwbouw uit de jaren
dertig door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door Aerofoto KLM, met poststempel
Zwolle, 15 oktober 1956. (Collectie HCO)
Het trappenhuis in het Sophia Ziekenhuis, ontworpen
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever, zonderpoststempel.
(Collectie HCO)
Het gedeelte van het Sophia Ziekenhuis gebouwd
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven doorN.V. Vroom & Dreesman te Zwolle,
met poststempel Zwolle, 15 augustus 1948. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT H5
Uitzicht vanuit het trappenhuis naar het oudste
gedeelte van het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door H. Hartman te Zwolle circa 1935,
met poststempel Zwolle, 21 juli 1938. (Collectie
HCO)
De binnentuin van het Sophia Ziekenhuis, met links
het oudste gedeelte uiti884, rechts het gedeelte uit
1935- Prentbriefkaart uitgegeven doorH. Hartman
te Zwolle circa 1935, zonder poststempel. (Collectie
HCO)
De operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever,
zonder poststempel. (Collectie HCO)
146 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd
Boerderij van de familie
J. Logtenberg (geb. 1827)
aan de Assendorperstraat
O/387, tegenover
het latere kerk I kloostercomplex,
omstreeks
1887. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
Zwolle heeft, in tegenstelling tot de buursteden
Hattem en Kampen, in de vorige eeuw
niet te maken gehad met het uitplaatsen
van binnenstadsboerderijen. De boerderijen hier
bevonden zich al buiten de grachten. In Dieze,
voor de Kamperpoort en in Assendorp trof men
tal van kleine melkveebedrijven aan, die als neveninkomst
vaak ook nog groenten op de ‘koude
grond’ verbouwden.
De boerengezinnen zorgden doorgaans zelf
voor de afzet van de producten. Op sommige
boerderijen werd ook nog boter of kaas gemaakt,
maar vrijwel altijd werd geprobeerd de melkproducten
en de groenten aan het eigen klantenbestand
uit te venten.
Jan Logtenberg (1827-1896) die getrouwd was met
Gerridina Schutte, woonde vanaf 1861 aan de
Assendorperstraat O/387. Tegenover zijn boerderij
zou later, in 1902, de Dominicanenkerk en het
klooster verrijzen. Zowel van deze boerderij als
van het interieur is nog een foto aanwezig. Deze
twee foto’s geven een duidelijk beeld van hun
woon- en leefomgeving. Het is opvallend hoe de
familie zocht naar nieuwe afzetmogelijkheden
voor de melkproducten, met het doel meer omzet
en betere prijzen te behalen. Zoon Antonie (geb.
1866) bezat daarvoor een creatieve en zakelijke
geest.
Waarschijnlijk exploiteerde veehouder en
melkverkoper Jan Logtenberg samen met Antonie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 147
reeds vanaf 1895 een melksalon aan de Oude Vismarkt
36. Eind 1900 werd een herenhuis met tuin,
Diezerstraat E/33, later als 66 genummerd,
gekocht van de handelaar in ijzerwaren en landbouwwerktuigen
Oeds de Leeuw. Via een openbare
veiling deed deze het, met de aanwezige gaskronen
en gasarmaturen, onder het toeziend oog van
notaris Van Reede van de hand voor ruim veertienduizend
gulden. Timmerman Tijmen Disselhof
verklaarde ‘te hebben geboden voor Koopman
en Winkelier Antonie Logtenberg’. De verhuizing
van de Oude Vismarkt naar de Diezerstraat betekende
dat de zaak voortaan op een A-locatie was
gevestigd. De nieuwe salon was ook vanaf het
Gasthuisplein te bereiken. Op de tuinmuur daar
stond met forse letters aangegeven: ‘Melkinrichting
J. Logtenberg’.
De kroon op het werk
Begin september 1895 kreeg Zwolle hoog bezoek.
Koningin-regentes Emma en haar dochter het
jonge koninginnetje Wilhelmina waren enkele
dagen in Zwolle te gast. Het stadsbestuur, met
burgemeester jhr. W.C.Th, van Nahuijs voorop,
was al een hele tijd druk geweest met de voorbereiding.
Niet alleen moesten de feestelijkheden
goed verlopen, ook het bedrijfsleven zag een schone
kans zich bij dit bezoek te presenteren in de
hoop zo een graantje mee te pikken van dit niet
alledaagse gebeuren. Uniek was dat het koninklijk
bezoek eerst aan vier en later nog aan enkele andere
bedrijven een eervolle en blijvende herinnering
naliet in de vorm van een hofleverancierpredikaat.
Burgemeester Van Nahuijs heeft bij de verlening
daarvan zeker een belangrijke rol gespeeld.
J. Logtenberg ‘veehouder en melkverkooper’
aan de Assendorperstraat; de gebroeders F.G. en
D. Boerboom, die een zaak dreven in galanterieën
aan de Melkmarkt; de boven al genoemde handelaar
in ijzerwaren en landbouwwerktuigen O. de
Leeuw uit de Diezerstraat en de lakfabrikanten
A.C. en H. Klinkert in de Bloemendalstraat, handelende
onder de firma Klinkert & Co, zagen hun
wens om zich hofleverancier te mogen noemen,
bekroond.
Op 23 oktober 1895 werd hen via de hofcom-
Interieur van de boerderij
van de familie
Logtenberg aan de
Assendorperstraat.
Waarschijnlijk is deze
foto genomen in 1887.
Het meeste meubilair is
nog steeds in familiebezit.
Rechts van de
staartklok hangt een
geborduurd ‘trouwdoek’
uit 1861; het jaar
dat Jan Logtenberg en
Gerridina Schutte, de
ouders van Antonie,
trouwden. De foto is
vermoedelijk in de
zomer genomen, want
de kachel is verwijderd.
Op de kachelplaat staat
nu de Statenbijbel met
koperen sloten. Boven
de schoorsteen hangt
een ingelijste plaat met
een bijbelse voorstelling,
uitgegeven door Joh. de
Liefde. Op dezelfde
hoogte links daarvan
hangt een verzamelplaatvan
bekende kerkreformatoren
uit verschillende
landen. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
148 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
missie, de instantie die deze verzoeken behandelde,
een Vergunning verleend tot het voeren van
het Wapen van Hare Majesteit de Koningin-
Weduwe’. Burgemeester van Nahuijs berichtte op
25 oktober de hofcommissie, dat hij de bijbehorende
diploma’s had uitgereikt en de benodigde
verklaringen bijgaand en ondertekend terug
stuurde. Klinkert was kennelijk slechts gedeeltelijk
aan zijn trekken gekomen want de burgemeester
schreef in dezelfde brief: ‘laatstgenoemden [A.C.
en H. Klinkert] is meegedeeld, dat hun verzoek,
‘Aan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden
Mevrouw!
Geeft met den diepsten eerbied te kennen: Jan Logtenberg veehouder en melkverkooper
woonende in de Assendorperstraat te Zwolle;
dat hem de hooge eer te beurt gevallen is, tijdens het verblijf van Hare
Majesteiten de Koningin en de Koningin Regentes in de gemeente Zwolle,
twee malen per dag ter Hoogst derzelver gebruik, melk te mogen leveren aan
den Heer Commissaris der Koningin in de Provincie Overijssel;
dat hij vertrouwt dat op de qualiteit der geleverde melk in geen enkel
opzigt eenige aanmerking is gemaakt, maar zij integendeel in allen deele goed
zal zijn bevonden en dat hij dat vertrouwen grondt, allereerst op de omstandigheid
dat hij er eenen uitmuntenden veestapel op na houdt (zijnde hij
immers ter dier zake reeds tweemalen van wege de Geldersch Overijsselsche
Maatschappij van Landbouw met verguld zilver en zilver bekroond) en in de
tweede plaats op het feit dat hij vooral gedurende het verblijf der vorstinnen in
Zwolle, met buitengewone voorzichtigheid en nauwkeurigheid bij het melken
enz. is te werk gegaan;
dat hij zoo gaarne, mede als herinnering aan de onvergetelijke dagen van
2 tot 5 september 1895, verlof zoude bekomen om den titel van Hofleverancier
te voeren;
Redenen waarom requestrant met diepen eerbied Uwe Majesteit verzoekt;
Dat het Uwe Majesteit moge behagen, requestrant den titel van Hofleverancier
te verleenen.
Zwolle 9 september 1895
’t welk doende enz.
Jan Logtenberg.’
Transcriptie van de brief van Jan Logtenberg aan koningin Emma, gedateerd 9 september
1895. Moeder en dochter logeerden tijdens hun bezoek aan Zwolle in het
Gouverneurshuis, de residentie van de commissaris van de koningin. Logtenberg
refereert daarom in de brief aan zijn leveranties aan de commissaris.
1
om hun zaak Koninklijke Fabriek te noemen,
door Hare Majesteit niet is ingewilligd.’ Ook een
herhaald verzoek sorteerde geen effect.
‘In een der voorsteden’
Uit raadpleging van het Koninklijk Huisarchief
blijkt dat de toekenning van het predikaat hofleverancier
aan Logtenberg nogal wat voeten in de
aarde heeft gehad.
Een brief (zie kader) die Jan Logtenberg op
9 september 1895 aan de koningin-regentes stuurde,
straalt verbondenheid uit met het Koninklijk
Huis. Op een bescheiden manier vroeg hij daarin
om een blijvende herinnering aan de voor hem
onvergetelijke septemberdagen.
Zoals toen gebruikelijk moest de burgemeester
een nader onderzoek instellen en een standaard
formulier invullen over de aspirant hofleverancier.
Welnu, over de omvang van de zaak kon de
burgemeester kort zijn: ‘Groote omzet, behoort
tot de voornaamste melkverkoopers.’ De soliditeit
van de zaak was: ‘Hoogstgunstig’. Dat de zaak, in
dit geval, de boerderij, al vanaf 1829 had bestaan en
dat Logtenberg Nederlands Hervormd was, werkte
zeker in zijn voordeel. Maar op de vraag hoe het
uiterlijk voorkomen der zaak was en ‘of dezelve op
een gunstig gelegen stand in de gemeente gedreven
wordt’, antwoordde burgemeester van
Nahuijs vernietigend: ‘Onaanzienlijk en wordt
gedreven in één der voorsteden.’ Het advies van de
burgemeester luidde dan ook: ‘Wijl adressant tot
de boerenstand behoort en zijn zaak op een min
goeden stand wordt gedreven, wordt in overweging
gegeven het verzoek niet in te willigen.’
De hofcommissie nam het advies van de burgemeester
over en adviseerde de koningin-regentes
negatief. Toen de particulier secretaris van de
koningin het advies bestudeerd had en met Emma
had gesproken, gaf het hem aanleiding een brief
op poten terug te sturen naar de hofcommissie.
De koningin was namelijk wel bereid aan Logtenberg
het wapen te verlenen, ‘en overigens, [zo
deelde de secretaris mee] een Veehouder en Melkverkooper
wel meestal niet in het midden van
eene stad zal wonen, en veelal een boer zijn zal.’
De opstelling van koningin Emma en haar
manier van handelen in deze zaak komt precies
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 149
overeen met wat haar dochter Wilhelmina ruim
vijftig jaar later over haar moeder schreef: ‘Zij
[Emma] dreef de spot met hoogmoed, ijdelheid
en het zich verhovaardigen of op iets laten voorstaan.’
Min of meer gedwongen schreef vervolgens de
hofcommissie opnieuw aan burgemeester van
Nahuijs. In deze brief werd nog eens fijntjes meegedeeld
dat het voor de koningin welhaast vanzelfsprekend
was dat een boer niet in de binnenstad
zou wonen.
Van Nahuijs berichtte op 11 oktober 1895 dan
ook maar terug dat ‘aangezien Hare Majesteit wel
geneigd blijkt te zijn aan Logtenberg het wapen te
verkenen, er thans voor mij geen overwegende
redenen meer bestaan bij het door mij gegeven
afwijzend advies te volharden.’
Wellicht behoort Logtenberg tot de weinige
boeren en plattelanders die hofleverancier werden
en zó hoffelijk en met respect door de Kroon zijn
benaderd.
Melksalon de Kroon
Eén van de eerste acties die de vier Zwolse bedrijven
na de toekenning van het hofleverancierpredikaat
ondernamen was het laten gieten van de
hofleverancierborden bij het gerenommeerde
bedrijf ‘De Pletterij’ te Den Haag. Zo’n bord aan
de gevel hielp sterk mee om de naamsbekendheid
te vergroten en een zaak nog meer uitstraling te
geven.
Voor de melksalon van vader en zoon Logtenberg,
die voortaan ‘Melksalon de Kroon’ heette,
werd ook het servies aangepast en voorzien van de
opdruk: ‘J. Logtenberg Hofleverancier, veehouder
en melkverkooper Zwolle’. Eén kopje uit 1895
prijkt nog steeds in de oude vitrinekast van de
familie.
‘T is Oranje, ’t blijft Oranje
Ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina
op 31 augustus 1898 werden ook in Zwolle voorbereidingen
voor een feest getroffen. De familie Logtenberg
trok, ditmaal in de persoon van Antonie,
opnieuw de aandacht. Weer probeerde hij het
bedrijf te promoten, door op die dag mee te rijden
in de feestelijke optocht. Zijn melkventerswagen
was voor die gelegenheid omgetoverd tot een waar
kunstwerk waarin de Peperbus boven alles uittorende.
De afbeelding van de jonge vorstin prijkte
in het midden en natuurlijk stonden achter op de
wagen prachtige gepoetste koperen melkbussen.
Ook waren er rijtuiglampen bevestigd. De
opbouw van de wagen was geheel onzichtbaar
door een prachtig, rondom de wagen gehangen,
gekleurd doek met daarop het jaartal 1898, het
devies van de Oranjes ‘Je Maintiendrai’ en daarboven
de kapitale letter W van Wilhelmina. Het
zogenaamde Wilhelminalaken werd geleverd
door de firma Hes & Co in de Diezerstraat. Om
extra kracht bij te zetten was de wagen voor deze
gelegenheid bespannen met twee paarden.
De volgende dag berichtte de Zwolse Courant:
‘De keurige wagen van de firma Logtenberg verwierf
de tweede prijs. Niettegenstaande de kleinere
afmetingen had men hier op zeer smaakvolle
wijze alle attributen van het bedrijf weten aan te
brengen, en ’t geheel maakte, wat juist bij een
melkfirma past, een indruk van groote netheid en
helderheid.’
Gevel van de achteringangvan
‘Melksalon de
Kroon’ aan het Gasthuisplein.
Tekening uit
het verbouwingsplan
voor de heren Wulffen
Wachters ten behoeve
van een bioscoop en
theater, 1911. (Collectie
HCO)
te qualltott MEIiK,
OUDE VISCHMARKT /’ZWOLLE.
Tloerilerijeu te lttersimi on Oldeiiucl.
Deze reclamekaart is waarschijnlijk gedrukt in 1895, het jaar dat Logtenberg hofleverancier
werd. Op het origineel staan de spijlen van het hek opengewerkt in de
kaart, veel fraaier dan op een afdruk is aan te geven. Het hofleverancierbord is
duidelijk zichtbaar in de linkerbovenhoek. (Collectie Dijk/Logtenberg)
150 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Versierde melkwagen
van de familie Logtenberg-
ter Molen ter ere
van het kroningsfeest
van koningin Wilhelmina,
31 augustus 1898.
De Peperbus torent
boven de kunstige versieringen
op de wagen
uit. Op de bok van de
wagen zitAntonie Logtenberg,
zijn broer Gerrit
staat voor de paarden
(kijkt in de lens).
(Foto J.J.D. de Graaf.
Collectie Dijk/Logtenberg)
De duizenden bezoekers en feestgangers in de
stad moeten er, net als Antonie zelf, wel van genoten
hebben.
W-.WËÊK.W
Het prachtige en kleurrijke doek waarmee de wagen van Logtenberg tijdens de
optocht op31 augustus 1898 was behangen. (Foto H. van Dijk)
Blijvende herinneringen aan de Kroon
Tot 1911 kon men bij Logtenberg in de Diezerstraat
heerlijk genieten van een kopje melk, chocolademelk
of koffie en wellicht ook van andere zelfbereide
producten, zoals dikke melk. Wat precies de
aanleiding voor de opheffing van de zaak was, valt
niet meer met zekerheid te achterhalen maar een
sterk vermoeden is er wel. Al vanaf 1903 kon men
in de suite achter de melksalori ook genieten van
natuurpanorama’s uit andere landen. Deze attractie,
door Antonie dan ook Wereldpanorama
genoemd, bood voor enkele stuivers de mooiste
reisimpressies uit verre landen. De Zwolse Courant
had het panorama ook bezocht en schreef op 4
februari 1903: ‘Voor menschen met een beperkte
beurs, die niet in de gelegenheid zijn de natuur
daar ginds zelf te gaan bewonderen, is deze inrichting
een uitkomst en men zal zijn geld zeker niet
beklagen.’
Hoewel er nog geen sprake was van film, werd
Diezerstraat 66 al wel bekend als een plek in Zwolle
waar programma’s met bewegende (fotobeelden
te zien waren. Twee exploitanten van bioZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 151
scooptheaters in Groningen, L.H.J. Wachters en
F.Chr.H.E. Wulff, raakten geïnteresseerd in deze
nevenactiviteiten van Logtenberg. Het pand in de
Diezerstraat werd op 7 april 1911, ruim tien jaar
nadat het werd gekocht, weer van de hand gedaan
en voor een stevige prijs op naam van de Groningers
overgeschreven. Ruim achtduizend gulden
winst leverde deze transactie voor Logtenberg op.
De volgende maand reeds diende de Zwolse
architect Douwe de Herder namens zijn
opdrachtgever Wulff een verbouwingstekening in
bij de gemeente voor een ‘bioscope’. Boven de verbouwde
onderpui moest voortaan volgens tekening
in kapitalen prijken: BIOSCOOP –
THEATER – DE KROON.
Bioscoop de Kroon bleef ruim tachtig jaar op
dezelfde locatie in de Diezerstraat gevestigd.
Tegenwoordig bevindt dit filmtheater zich in een
nieuw pand aan de andere kant van het Gasthuisplein,
maar de naam ‘De Kroon’ is er nog steeds
aan verbonden. Jan Logtenberg uit Oldeneel, in 1943 in opdracht van zijn klanten gefotografeerd
op deEekwal. Aan de achterkant van de foto is vermeld: ‘Ondergetekenden (35),
allen afnemers van uw producten, hebben met veel genoegen aan uw op uw 40-
jarig jubileum gegeven huldeblijk bijgedragen’. Jan, beter bekend als ‘Dikke Jan’,
woonde bij het Kleine Veer en was een zoon van Berend Jan, de oudste broer van
Antonie Logtenberg. Net als de versierde wagen van Antonie was ook deze wagen
van het type kaasbrik. Achter op de wagen zijn twee koperen melkbussen zichtbaar.
(Collectie Dijk/Logtenberg)
Het bewaard gebleven wapenbord zoals het aan de gevels van de melksalons aan
de Oude Vismarkt en de Diezerstraat en de boerderij aan de Kleine Veerweg
heeft gehangen. De kleuren zijn door het overschilderen niet meer oorspronkelijk.
Dit model wapenbord van Koningin Emma werd vervaardigd in de periode
1891-1898. Het wapen rechts is dat van Koningin Emma, eronder is in het Latijn
haar devies vermeld: ‘Palma sub ponder e crescit’, de palm groeit tegen de verdrukking
in. Helemaal onderaan staat nog duidelijk leesbaar ‘Pletterij Den
Haag’, de naam van het bedrijf dat het bord goot. (Foto H. van Dijk)
152 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een kopje uit 1895,
gebruikt in de melksalons
van Logtenberg.
(Foto H. van Dijk)
Logtenberg uut de Krone
Natuurlijk werd na het sluiten van de melksalon
en de daarop volgende verbouwing tot bioscoop
het hofleverancierbord verwijderd. Na enige tijd
werd dit, wellicht in strijd met de gedragscode,
bevestigd aan de nog nieuwe boerderij van Gerrit
Logtenberg, de negen jaar jongere broer van
Een advertentie van
‘Melksalon de Kroon’
in de ‘Zwolse Courant’
van 21 juli 1902.
ZWOtlB
„De fan”
Diezerstraat E 33
Aanbeeeletid
Firma J. LOGTENBEBG
HOFLEVERANCIER
Antonie, aan de Kleine Veerweg 5 in Schelle. Daar
hangt het ook al sinds lang niet meer, want in 1940
viel het oog van de Duitsers er op en moest het
weg. De drie bevestigingspunten in de voorgevel
zijn nog wel steeds duidelijk zichtbaar. Gelukkig is
het bord bij alle consternatie in die tijd niet verloren
gegaan. Hoewel het is overgeschilderd en de
originele kleuren niet meer aanwezig zijn, wordt
het nog zeer gave bord zorgvuldig door de familie
bewaard. Ook in Schelle had het bord een functie.
Enkele ouderen uit de buurtschappen Schelle en
Oldeneel herinneren zich nog dat ter onderscheiding
van andere in de omgeving wonende Logtenberg’s,
deze familie werd aangeduid met: ‘Logtenberg
uut de Krone’.
Literatuur
M.R. van der Krogt, Een koninklijk gebaar. Hofleveranciers
in Nederland. Zaltbommel 2000
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 153
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’
Voor ons ligt een bruinige foto (albuminedruk)
van 16,5 x 22,5 cm met de afbeelding
van een menigte die zich verzameld heeft
voor de kazerne van de Koninklijke Marechaussee,
in de bocht van de paardentram. Links hangen
twee jongens zelfs in de lantaarnpaal om alles
goed te kunnen zien. In het midden staat een lijkkoets,
een zogenaamde zijlader, met opgenomen
gordijnen, getrokken door twee paarden met dekkleden.
Wat meer naar links zijn nog twee landauers
(schuitjesmodel) te zien. Voor de lijkwagen
staan soldaten van de landwacht met muziekinstrumenten
en wat meer op de voorgrond een
groepje marechaussees. Het publiek is zomers
gekleed, tussen de vele pettendragers en vrouwen
in Zwolse dracht zien we ook mannen, vrouwen
en kinderen met strohoeden. De stoet staat op het
punt zich in beweging te zetten.
De foto, gemaakt door de Zwolse fotograaf PJ.
Bieseman (1860-1931), werd in 2003 aan het Historisch
Centrum Overijssel geschonken door de
heer Th.J.C. (Dick) van Zuidam te Elburg. Zijn
grootvader, Augustinus Franciscus Verbeke
(geboren 2 mei 1880 te IJzendijke) was in de periode
dat deze gebeurtenis plaatsvond brigadier bij de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle. Hij staat
ongetwijfeld in het groepje brigadiers voor de
kazerne. De kazerne was van 1889 tot 1931 op Beestenmarkt
7 (later Harm Smeengekade) gevestigd.
Vóór 1889 was dit het logement ‘de Zeven Provinciën’,
vanwaar de omnibussen naar het Katerveer
vertrokken om de passagiers naar de boten der
Rijn- en IJsselstoombootmaatschappijen te brengen.
De kazerne verhuisde in 1931 naar de nieuwe
kazerne aan de Meppelerstraatweg 19.
Arnoldus Hoekstra
De gebeurtenis zelf betreft de uitvaart van marechaussee
Arnoldus Hoekstra op 9 augustus 1902.’
Arnoldus Hoekstra (geboren 13 december 1875 te
Wijtgaard) werd op 5 augustus 1902 als marechaussee
te paard van de te Ommen gevestigde
Brigade Koninklijke Marechaussee bij de achtervolging
van een stroper neergeschoten.
Bij de aanleg van de spoorlijn Zwolle-Ommen
in 1902 waren in Ommen veel personen werkzaam.
Onder hen bevond zich een veertigtal
grondwerkers uit Noord-Brabant, die daar
gehuisvest waren in een keet en die zich in hun
vrije tijd bezig hielden met wildstropen. De marechaussee
verrichtte daarom speciaal dienst in het
jachtveld.
In de namiddag van 5 augustus 1902 waren de
marechaussees Hoekstra en De Lange, beiden
ongehuwd en plichtsgetrouwe, dienstijverige
ambtenaren, met toestemming van hun brigadecommandant
vrijwillig het veld ingetrokken om te
proberen een wildstroper te pakken. Omstreeks
acht uur ’s avonds ontdekten ze in de buurt van de
spoorbrug over de Regge in de buurtschap Giethmen
drie stropers waarvan één in het bezit was van
een geweer. De achtervolging werd onmiddellijk
ingezet. Hoekstra was de stroper met het geweer
tot op zeer korte afstand genaderd toen deze zich
omdraaide, het geweer op Hoekstra richtte en een
schot loste. Hoekstra werd dodelijk in de borst
getroffen. Hij had nog net kans gezien om zijn
revolver te grijpen en een schot te lossen, maar
zonder de stroper te raken. De getroffene werd
naar Ommen vervoerd, waar de plaatselijke arts
dr. Warnsinck direct ter plaatse was. Hij kon echter
geen hulp meer verlenen. Hart, long, lever en
maag waren doorboord, zodat de dood spoedig
intrad. Bij de lijkschouwing in het Sophia Ziekenhuis
door de artsen Frank en Vitringa bleek dat
Hoekstra door 63 hagelkorrels was getroffen,
waarvan enkele tot aan zijn ruggegraat waren
doorgedrongen. Daar marechaussee De Lange de
Jeanine Otten
154 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijkwagen met het stoffelijk
overschot van
marechaussee A. Hoekstra
voor de kazerne van
de Koninklijke Marechaussee
te Zwolle op
Beestenmarkt 7 (nu
Harm Smeengekade),
p augustus 1902. (Foto
P.J. Bieseman, collectie
HCO)
dader had gezien, leverde de arrestatie weinig
moeilijkheden op. Dezelfde avond werden in de
eerder genoemde keet vijf polderwerkers gearresteerd.
De dader was een zekere Jacobus van Groese,
24 jaar oud, uit het Brabantse Wagenberg. Hij
ontkende dat hij op Hoekstra had geschoten. Het
geweer was volgens hem per ongeluk afgegaan
toen de marechaussee hem naderde. Van Groese
werd te Zwolle veroordeeld tot een gevangenisstraf
van zes jaar, wegens het opzettelijk aan een
ander toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de
dood ten gevolge hebbend.2
De begrafenis
Het lichaam van Arnoldus Hoekstra werd op
zaterdag 9 augustus 1902 op plechtige wijze ter
aarde besteld op het rooms-katholieke kerkhof te
Zwolle. Een grote menigte had zich voor de kazerne
aan de Beestenmarkt verzameld om de laatste
eer te bewijzen. Om half twaalf zette de stoet zich
in beweging, voorafgegaan door de muziek van
het instructie-bataljon te Kampen. Uit de hele
divisie waren afgevaardigden gezonden. Op de
baar lagen zes kransen, van de officier van Justitie
te Zwolle, van de burgemeester en van de bevolZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 155
king van Ommen, van de officieren en van de
marechaussee der derde divisie en ten slotte van
zijn kleine vriend Alex Warnsinck. De degen en de
sjako rustten op de kist. De slippen van het lijkkleed
werden gedragen door vier marechaussees,
de naaste kameraden van de overledene, waaronder
De Lange. Enige rijtuigen met familieleden
volgden het stoffelijk overschot.
Met dof tromgeroffel en treurmuziek trok de
stoet langzaam door de Zwolse straten, een dichte
mensenhaag aan weerszijden. Aan het graf werd
Hoekstra door zijn chef de divisie-commandant
majoor W.M. Wijnaendts geprezen als een braaf
en rondborstig mens, door iedereen geacht, maar
ook als een kranige politiedienaar. Daarna sprak
de commandant van het district Zwolle, eerste luitenant
P. van Oort, en tot slot de burgemeester
van Ommen, jhr. J.L. van Nahuijs. Hiermee was
de plechtigheid, die tevens werd bijgewoond door
de president van de arrondissementsrechtbank te
Zwolle, mr. W.F.E. baron van Aerssen, rechter mr.
P.C.A. Sichterman en de officier van justitie mr.
J.P. van Outeren, afgelopen en verlieten de familieleden
en aanwezigen bewogen het kerkhof.
‘Vooral de verloofde van Hoekstra kon men het
aanzien hoeveel zij verloren had aan hem, die haar
het liefst op aarde was’, besloot de Zwolse Courant
haar verslag van 11 augustus 1902.
Noten
1 Een andere foto, enkele ogenblikken later genomen,
werd met het bijbehorende verhaal afgedrukt in De
Prins op 22 augustus 1902.
2 Zwolse Courant, 7 en 8 augustus, 1902; De Prins,
22 augustus 1902, Guldenboek Marechaussee, 1971,
p.22.
156 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en
Jennie Pruim Langzaam ploegend door de notulen van de
hervormde kerk van Zwolle valt het op hoeveel
beroering er in de kerkenraad kan ontstaan
als er iets mis gaat met trouwbeloften.
Als je omstreeks 1650 iemand trouwbeloften
deed in tegenwoordigheid van twee getuigen,
ouders, vrienden of twee eerlijke mensen en je wilde
later die beloften intrekken, dan moest je daar
heel goede redenen voor aanvoeren. De kerkenraad
of de schepenen moesten daar dan hun goedkeuring
aan geven. Heimelijke trouwbeloften
moesten, als er iets mis ging, bewezen en aannemelijk
gemaakt worden door schriftelijke bewijzen,
brieven of documenten, of door het afleggen
van een eed. In tegenstelling tot wat in de tijd
daarvoor gebruikelijk was (de katholieke tijd) kon
je geen recht ontlenen aan de simpele verklaring
dat je elkaar ‘heimelijke trouwbeloften’ had
gedaan.
Ouders konden, zonder opgave van redenen,
het huwelijk van minderjarige kinderen tegenhouden.
Waren de kinderen meerderjarig en de
ouders waren het niet eens met de gegeven trouwbeloften,
dan beslisten de kerkenraden of de schepenen.
Ondertrouwde en verloofde personen die
zich bij de kerkenraad hadden laten aantekenen
werden drie zondagen in de kerk geproclameerd
of afgekondigd. Je werd geacht binnen vier weken
na de laatste afkondiging te trouwen in de hervormde
kerk. Het kerkelijk huwelijk gold ook als
burgerlijk huwelijk. Wilde je thuis trouwen of in
een andere gemeente, dan moest daar weer goedkeuring
voor gevraagd worden en het kostte extra
geld. Als de bruiloft te lang werd uitgesteld, vielen
er boetes.
Om gewichtige redenen
In de notulenboeken van de Zwolse hervormde
kerk zijn het zowel de vaders als de moeders die
met hun zorgen over hun kinderen naar de kerkenraad
gaan. Zo komt op 28 maart 1665 de vrouw
van Hendrick Camphuys de heren vertellen dat
haar zoon zich wel met Engele Berents heeft verloofd,
maar toch niet denkt haar te trouwen, ‘om
gewichtige redenen’, zegt zij. Zij en haar man
mogen het meisje niet, dus, heren, als Engele soms
mocht komen om zich te laten inschrijven voor de
huwelijksvoltrekking, wilt u haar dan zeggen dat u
dat niet doet?
Goed, mevrouw, zeggen de heren, maar als het
meisje uit zichzelf naar de magistraat gaat vanwege
verbroken trouwbeloften dan kunnen wij daar
weinig tegen doen.
De term ‘om gewichtige redenen’ wordt in dit
verband vaak gebruikt. De moeder heeft in dit
geval de kerkenraad kennelijk kunnen overtuigen
dat het meisje een slechte naam heeft, of haar
ouders. Om redenen van privacy, veronderstellen
wij, wordt dat niet met alle details in de notulen
opgenomen.
Het ja-woord en de getuigen
Op 10 april 1662 komt Jan Berentsen Roubol met
zijn zoon Berent Jansen Roubol naar de kerkenraadsvergadering
om te vertellen dat ze op
21 februari in het huis van Lucas Hermsen waren
en dat toen de vrouw van Lucas had toegestemd in
een huwelijk tussen Berent en haar dochter
Gesien: ‘dat sij oock daerop de hant aen de jongman
hadde gelanght ende dat de dochter oock
geseijt hadde dat sij wel daermede tevreden was,
als de moeder tevreden was ende dat sij selff oock
hem als haeren bruydegom de hant hadde gegeven.’
Daarna moet iemand op die belofte zijn teruggekomen
maar Berent, met de steun van zijn
vader, wil het er niet bij laten zitten en roept getuigen
op.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 157
Minnend paartje.
Tekening door Gesina
Terborch, 1653. (Uit:
Drawings from the Ter
Borch Studio Estate 2)
Eerst komen Gesien en haar moeder op het
matje. Het meisje zegt dat de jongen haar wel
trouw had aangeboden, maar dat zij die nog niet
aangenomen had. Maar dat zij de volgende zondag
in aanwezigheid van haar vrienden dat had
willen doen.
Berent wordt om commentaar gevraagd. Hij
geeft toe dat Gesien gelijk heeft maar dat Gesien
en haar vrienden, op aandringen van haar moeder,
samen op het welvaren van bruid en bruidegom
gedronken hebben en dat Gesien de vader
van Berent vader had genoemd. En dat ze, toen ze
een paar dagen tevoren met Berent aan het wandelen
was, hem beloofd had dat ze hem nooit zou
verlaten. Gesien wordt weer binnen geroepen,
maar die houdt vele slagen om de arm. Dan wordt
het tijd voor de eerste getuige: Annechien Peters,
dienstmaagd van Roubol. Ze is er niet bij geweest
toen de trouwbeloften gedaan werden, maar ze
zegt dat ‘Berent Jansen Roubol ende sijn vader alsoock
de moeder van Gesien Jans haer geseyt hadden,
dat het houlijck soo verre was dat het moste
voortgaen, dat sij selff mede op ’t welvaren van
’t houlijck hadde gedroncken. Hadde oock
gehoort dat de jonge luyden de ouders onder
maelkanderen vader ende moeder noemden.’
Dan wordt Annechien Claessen, dienstmaagd
van Lucas Hermsen, gevraagd wat zij van de zaak
weet en zij zegt dat zij haar mevrouw tegen Roubol
heeft horen zeggen dat zij toestemt-in het huwelijk
als de vrienden van haar dochter er ook mee
instemmen (vrienden waren familieleden, ook de
ouders).
Hoe dit geval afgelopen is? Kennelijk is de
weerspannige bruid op haar stuk blijven staan, of
hebben de vrienden haar het huwelijk afgeraden,
want in dat zelfde jaar (1662) gaat Berent Jansen
Roubol in ondertrouw met Catharina Trebes. In
1665 laat hij een zoon Joannes dopen en in 1666
een dochter Catharina.
158 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Interieurfoto van de
Grote Kerk, met zicht
op de preekstoel en het
koorhek, die allebei in
de beschreven periode al
aanwezig waren. De
kerken raadsvergaderin –
gen vonden plaats in de
oude consistoriekamer
van de Grote Kerk.
(Collectie HCO)
Lieve(r) Annichjen
Een zekere Berent Berents komt er onverwacht
gemakkelijk vanaf als Lysbet Roeberts in februari
1664 bij de kerkenraad komt klagen dat Berent
haar trouwbeloften heeft gedaan en haar ook
beslapen heeft, maar haar daarna heeft laten zitten
en nu met Annichjen Jans gaat. Als Berent
gevraagd wordt waarom hij zich zo misdragen
heeft, zegt hij koeltjes dat dat allemaal wel waar is,
maar dat hij: ‘weersin krijgende in Lysbeth,
wederom was gegaan naar Annichjen.’ Daar
wordt deze keer door de kerkenraad niet zwaar
aan getild en het wordt aan Lysbeth overgelaten of
ze er een rechtszaak van wil maken.
Ringetjes en ducatons
Willem Gerrits, een jonge man uit Heino, komt
op 2 oktober 1666 naar de kerkenraadsvergadering
om mee te delen dat het meisje waarmee hij denkt
sinds een halfjaar verloofd te zijn, nu haar huwelijk
met een ander aankondigt. En hij had haar bij
de verloving nog wel een ducaton gegeven ter
bezegeling van zijn trouw. (Hoeveel die ducaton
waard was is niet na te gaan. Je had zilveren ducatons
ter waarde van drie gulden en gouden
ducatons die zes gulden waard waren).
De kerkenraad roept het meisje, Hermtien
Derks, op om verantwoording af te leggen en ze
komt samen met haar moeder. Ze ontkent dat ze
de jongeman trouw beloofd had, ze had alleen
maar stil gezwegen. En wat die ducaton betreft, ze
had geen idee gehad wat dat was en ze had hem
ook terug willen geven aan Willem, maar die had
hem niet willen aannemen.
En de moeder verklaart dat zij, toen haar
dochter haar de ducaton had laten zien, het meisje
opdracht had gegeven hem terug te sturen. Met
een briefje erbij dat haar moeder het huwelijk
nooit goed zou keuren en dat zijzelf ook niet met
hem wilde trouwen.
De kerkenraad heeft daarna Willem Gerrits
‘eernstlik en met vele reden vermaant Hermtien
niet te begeeren tot een huysvrou.’ En als hij voet
bij stuk wilde houden, dan moest hij zich maar
wenden tot de magistraat, maar ze raadden hem
dat ten sterkste af, want Hermtien is minderjarig.
De jongeman verzet zich met hand en tand en
roept dat hij wel eens eventjes naar de magistraat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 159
zal gaan. Maar al op 9 oktober blijkt dat Willem
‘door een brieften van sijn eygen hant Hermtien
heeft vrij gekent.’ Hij had zich plotseling herinnerd
dat hij zijn ducaton indertijd toch terug
gekregen had en daarmee was de zaak afgedaan.
De weduwe
Ook de zorgen van de weduwe van Arent Lentink
zijn groot als ze heeft ontdekt dat haar dochter,
‘litmaet van onse kerk, sig met de soon van Peter
van Berkum, een paaps jongman, soo ver te buyten
gegaen heeft dat sij malkander troubeloften
gedaen ende een ringetien [ringetje] wedersijts op
trouw gegeven hebben’ en ze wendt zich op
25 februari 1668 tot de kerkenraad om haar ‘de
hant te willen bieden om dat huwelijk te stuyten’.
De kerkenraad is het met de moeder eens: de kans
dat het meisje ‘in de blintheijt des pausdoms’ zal
vallen en dat ‘de kinderen die uyt sodanigen
huwelik geprocreeert mogten werden, tot de
paapsche afgoderie souden afgetrocken werden’ is
groot. Daarom worden dominee Crans en ambtman
Boelen namens de kerkenraad er op af
gestuurd om de zoon van Peter van Berkum te
intimideren, zodat hij het meisje het ringetje zal
teruggeven.
Het meisje wordt ook onder druk gezet. Ze
haalt onmiddellijk bakzeil en verklaart dat ze
nooit toestemming had willen geven als haar moeder
het niet goed zou vinden, maar de jongen
houdt voet bij stuk! Wat de hele boze wereld ook
doet, hij geeft het ringetje niet terug. Het feit dat
de jongelui elkaar een echt ringetje hebben gegeven,
ligt iedereen zwaar op de maag en kan niet
zomaar over het hoofd worden gezien. De wederzijdse
ouders werken er naar toe, dat de geliefden
elkaar officieel en ‘vrijwillig’ de ringetjes weer
terug zullen geven.
Op de volgende kerkenraadsvergadering komt
de jonge ridder niet zelf, maar wordt vertegenwoordigd
door zijn moeder. Die verklaart dat zij
zelf ook niet gelukkig is met dit voorgenomen
huwelijk, maar dat haar zoon het ringetje absoluut
niet wil teruggeven.
Dan grijpt de kerkenraad met harde hand in
en laat de jongen en het meisje arresteren en voor
de magistraat (=stadsbestuur) brengen. Daar zakt
f
de dappere ridder de moed in de schoenen en hij
geeft het ringetje aan het meisje terug; zij accepteert
het en hij accepteert het hare.
Hoe hard kan het leven toch zijn voor jonge
geliefden. Maar: de orde is hersteld, het jonge paar
wordt weer op vrije voeten gesteld en iedereen
gaat opgelucht naar huis. Over het liefdesverdriet

Lees verder