Categorie

Aflevering 2

Zwolse Historisch Tijdschrift 2007, Aflevering 2

Door | 2007, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Annèt Bootsma-
Groeten uit Zwolle
van Hulten en Wim Huijsmans

Zwolle – Groeneweg Poststempel 1926
‘Gel[ie]f[de] Oom en Tante, Zooals U reeds van Corrie vernomen heb, neemen we gaarne van U[w] aanbod gebruik om een paar da[gen] in Enkhuizen door te brengen en hopen
D.V. as. Zaterdag met de boot te komen. Ons plan is Gerrit mee te brengen maar mocht het soms Zater­dag heel slecht weer wezen dan laten wij hem bij Moeder. ’t Wil in Maartens vacantie nog wel eens regenen, maar U bestelt wel goed weer hé. want dat is al een voornaam ding met een boottochtje. Nu Oom en Tante, Neven en Nicht tot ziens dan, we hopen elkander in goede gezondheid te ontmoeten. Ontvang dan onze hartelijke groeten. Uw liefh [ebbende] neef en nicht Maarten en Marie.’
Een oude ansicht met een herkenbare tekst: het wil in de vakantie nog wel eens regenen, dus daar­om maar mooi weer ‘bestellen’ voor een leuk boottochtje… Volgens de Zwolsche Almanak uit 1915 vertrok er elke vrijdag om 13.00 uur een schip vanaf het Rodetorenplein naar Enkhuizen. Waar­schijnlijk was dat in 1920 nog steeds het geval en konden Maarten en Marie de tocht dus recht­streeks vanuit Zwolle maken.
De in het begin van de twintigste eeuw aange­legde Groeneweg ligt in Assendorp. De naam ver­wijst nog naar het oorspronkelijke agrarische karakter van de wijk, waar met de komst van de Centrale Werkplaats in 1870 verandering kwam. Rond 1900 werkten daar ruim 800 man, wat een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg bracht. Van 1906 tot 1914 woonde op Groeneweg 150 de kleine Piet Kasteel, hoofdpersoon van het artikel Een rooms jongetje uit Assendorp op pagina
65.

zwols historisch tijdschrift
47

Redactioneel

In deze a.evering van het tijdschrift vindt u twee nieuwe rubrieken: Kleurrijk verleden en Zwolse plaatsen van herinnering. De heer Martin Wasse­naar die meewerkte aan het onlangs verschenen boekje Zwolle in kleur, heeft een groot aantal dia’s van Zwolle na de Tweede Wereldoorlog overge­dragen aan het Zwols Historisch Tijdschrift. Als eerste is hier de Grote Markt afgebeeld, zoals velen zich deze nog zullen herinneren.
In de tweede nieuwe rubriek worden plaatsen van herinnering beschreven van bekende Zwolle­naren. Oud-redactielid Wil Cornelissen bijt hier de spits af met zijn herinneringen aan de Vecht-brug.
Jonn van Zuthem beschrijft de jeugd van de katholieke Piet Kasteel in Assendorp. Kasteel pro­moveerde op een proefschrift over de antirevolu­tionair Abraham Kuyper, en werd in de oorlogsja­ren benoemd tot gouverneur van de Antillen. Zijn jeugd en de omgeving waarin hij opgroeide, waar de verschillende christelijke bevolkingsgroepen bij elkaar leefden, is zeker van invloed geweest op zijn gevoel voor de ingewikkelde verhoudingen bin­nen de orthodox-protestantse groeperingen in Nederland.
Al eerder putte Maria Hansen uit de vele docu­menten en brieven die van de familie Van Haer­solte bij het Historisch Centrum Overijssel wor­den bewaard. In 2002 verscheen het artikel over Sophie van Haersolte, dit keer staat haar moeder, Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk centraal. Geertruid moest haar huishouden en haar gezin veelal alleen draaiend houden. Haar man Carel zat als politicus in Den Haag, waar hij lid van de Tweede Kamer was. Zij schikte zich in haar lot, maar werd er af en toe wel depressief van. Pas toen haar man eind 1848 weer naar Zwolle kwam, knapte zij op.

Inhoud

Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma – van Hulten en Wim Huijsmans 46
Kleurrijk verleden 48
Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874 Maria Hansen 49
De plek waar het begon en de plek waar het eindigde Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen Frank Inklaar 62
Een rooms jongetje uit Assendorp Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw Jonn van Zuthem 65
Mededelingen 76
Auteurs 78

Omslag: Een zomerse opname uit rond 1970 van het hart van Zwolle, de Grote Markt. Foto: M. Wassenaar

49

Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder
Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874
A
dellijke families hadden veel belangstelling voor hun verleden en de familie Van Haer­solte had een heel lang verleden. De oudst bekende voorouder had zich al in de veertiende eeuw in Zwolle gevestigd en hoewel de familie zich uitbreidde naar Gelderland en Friesland, bleef Zwolle talloze Van Haersoltes tot woonplaats die­nen. Velen van hen bekleedden hier een openbare en leidende functie. In de stad zijn diverse panden die herinneren aan de Van Haersoltes1 en Swier van Haersolte bouwde – in 1617 -vlak bij de stad een prestigieus stamhuis voor de familie: de (inmiddels afgebroken) havezate Haerst.
De familie Van Haersolte bewaarde generatie op generatie vele documenten, brieven en herin­neringen, die uiteindelijk in het Historisch Cen­trum Overijssel gedeponeerd zijn. Het uitgebreide familiearchief is een rijke bron over het familiele­ven van deze adellijke familie. In 2002 schreef ik in dit tijdschrift al eens over Een ‘redelyk zoet’ meisje, Sophia Cornelia (Sophie) baronesse van Haersol­te. Nu staat Sophie’s moeder Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk, echtgenote van Johan Christi­aan van Haersolte tot Haerst, centraal.
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk was het eerste kind van Carel de Vos van Steenwijk en Sophia Cornelia Huygens en werd op 24 oktober 1813 op Dikninge in Drenthe geboren. Dikninge was een adellijk stift geweest en lag niet ver van Meppel, bij de Wijk. Het oude klooster was door een broer van Geertruids vader gekocht en had plaats gemaakt voor een ruim landhuis, waar Geertruids ouders kort voor haar geboorte introk­ken. Het gezin werd nog uitgebreid met een twee­de dochter en een zoon.2
Geertruids vader bezat, in tegenstelling tot de meeste van zijn standgenoten, geen buitenhuis hoewel hij uit een belangrijke aristocratische fami-Maria Hansen lie uit Drenthe en Overijssel stamde. Hij trouwde eerst op tweeënvijftigjarige leeftijd en had toen een veelzijdige en turbulente carrière achter de rug. Hij was een politicus en was het patriotse en

Het huis Dikninge bij De Wijk, waar Geer­truid geboren werd, opgroeide en ook na haar huwelijk graag logeerde. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)
Bataafse standpunt toegedaan. Als jongeman was hij in de delegatie van de eerste Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten naar Ameri­ka gereisd, een land dat door de patriotten tot voorbeeld werd gesteld. Weer thuis raakte hij betrokken bij het verzet tegen de stadhouder en werd in Drenthe de leider van de patriotse bewe­ging. Na het herstel van de macht van de stadhou­der in 1787 verloor Carel de Vos van Steenwijk al zijn openbare ambten. Acht jaar later nam hij in de Bataafse republiek echter weer vooraanstaande functies in. Bij een staatsgreep raakte hij enige tijd in gevangenschap en van 1802 tot 1803 was hij ambassadeur in Frankrijk. Hij bereikte het hoog­tepunt van zijn carrière tijdens de regering van koning Lodewijk Napoleon, toen hij feitelijk het hoofd van de Nederlandse staat was. In 1811 werd hij door keizer Napoleon tot vertegenwoordiger in het Corps Legislatief in Parijs benoemd. Na de val van Napoleon was het geenszins gedaan met de politieke carrière van Carel de Vos van Steenwijk: hij werd namelijk door koning Willem de Eerste tot lid van de Eerste Kamer benoemd en bleef dat tot zijn dood in 1830.3
Carel de Vos van Steenwijk was niet de enige politicus in de familie. Integendeel, zijn vader was drost van Vollenhove geweest4 en zijn drie broers waren, net zoals hij, betrokken bij de patriotten-beweging. De enige zoon van Carel de Vos van Steenwijk – en enige broer van Geertruid – ging eveneens de politiek in. Hij werd in 1846 burge­meester van Vollenhove, in 1853 lid en later ook voorzitter van de Eerste Kamer en in 1856 werd hij benoemd tot burgemeester van Zwolle, een ambt
zwols historisch tijdschrift
dat hij elf jaar bekleedde. Zijn laatste functie, Commissaris des Konings in de provincie Utrecht, bekleedde hij slechts een jaar omdat hij niet naar Utrecht wilde verhuizen.5
Hoewel Geertruid pas zeventien jaar was toen haar vader overleed, had zij ongetwijfeld veel over politieke zaken gehoord maar er is – zoals meestal het geval – weinig bekend over haar jeugd. Adellij­ke meisjes werden thuis opgevoed en opgeleid en dat laat weinig sporen na. Uit alles blijkt evenwel dat zij een goede educatie kreeg die paste bij haar stand. Zij groeide op in een harmonische sfeer. Met haar moeder en haar zus kon zij uitstekend opschieten, het contact met haar broer was goed maar zij zag hem, zeker toen hij nog niet in Zwolle woonde, minder vaak.6 De herinnering aan haar vader werd levend gehouden door zijn portret, hij had zich door de kunstenaar Hodges drie maal laten portretteren en elk van zijn kinderen kreeg een schilderij.7
Geheel volgens verwachting trouwde Geer­truid met een man van adel, Johan Christiaan baron van Haersolte. Zij was vierentwintig en hij was zevenentwintig jaar oud. Het huwelijk vond te Zwolle plaats op 26 april 1837. Johan was geboren op het buitenhuis van de familie Van Haersolte, de voormalige havezate Den Doorn en woonde bij zijn ouders aan de Melkmarkt (nu Grote Markt 12-13) te Zwolle. Hij had een aantal jaren de wereldzeeën bevaren, eerst als adelborst en later als of.cier van de Koninklijke Marine en was aan­sluitend de politiek in gegaan. In het jaar van zijn huwelijk was hij lid van de ridderschap van Overijssel en werd hij burgemeester van Zwol­lerkerspel. Bovendien nam hij zitting in de Pro­vinciale Staten van Overijssel.
Vanuit Zwolle gingen Geertruid en Johan ruim drie maanden op huwelijksreis naar Duits­land, Zwitserland en Italië. Geertruid liet de orga­nisatie helemaal aan Johan over. Zij moet haar ogen uitgekeken hebben: de sprookjesachtige ruïnes op de bergen langs de Rijn, de rotsen, de gletschers en de besneeuwde bergen rondom de spiegelgladde meren. Bij de ‘menigvuldige roman­tische vallen’ van de Giessbach waar het water wel vierhonderd meter naar beneden stortte, werden de jonggehuwden onthaald op Zwitserse volkslie­deren. Aan de arm van haar man wandelde Geer­truid door schilderachtige stadjes, zag kerken, paleizen en kunst. Zo af en toe was het erg ver­moeiend voor haar en was zij genoodzaakt rust te nemen. Op hele moeilijke trajecten zorgde Johan voor ezeltjes of voor een draagstoel. Bij het meer van Genève aangekomen, werd Geertruid ziek. Niet erg, maar ze moest toch een dag het bed hou­den. Johan was bezorgd, hij zag van een voorgeno­men tochtje af en was verheugd toen hij de vol­gende avond een kleine wandeling met zijn ‘lieve vrouw’ kon maken. Na nog een dag was Geertruid zo goed als beter. In Italië werden de reisplannen aangepast omdat er cholera was uitgebroken. Johan besloot Italië te laten voor wat het was en in een rustig tempo reisden zij naar huis waar ze bij­na veertien weken na hun vertrek arriveerden.8
In mei 1838 werd hun eerste kind, Sophie, geboren. In de loop van dertien jaar volgden nog twee zonen en zes dochters. De eerste jaren van hun huwelijk schijnen nogal wolkeloos te zijn geweest. Zij woonden in een ruim huis in de Koe-straat (nu Koestraat 18) te Zwolle dat Geertruid ten huwelijk had gebracht.9 Beiden waren gezond en de kinderen bleven allemaal in leven. Maar Geertruid had een weinig opgewekt karakter, ze was melancholisch van aard en hield niet van ingrijpende veranderingen. Eind 1845 veranderde haar leven drastisch, ze werd er treurig door en soms zelfs depressief.

Alleen in Zwolle
Ze waren acht jaar getrouwd toen Johan Christi­aan van Haersolte lid van de Tweede Kamer werd.10 Net nu het gemeentehuis van Zwol­lerkerspel op een steenworp afstand van hun huis werd ingericht, op de hoek Koestraat en het Kromme Jak11 en Geertruid het vooruitzicht had haar man dicht bij huis te weten, moest hij vaak en langdurig in Den Haag zijn. Geertruid zag er enorm tegenop en voelde een ‘gemenelijke ge­moedsstemming’ waartegen zij zich niet kon ver­zetten. Half oktober 1845 vertrok Van Haersolte naar Den Haag en Geertruid bleef met de kinde­ren in Zwolle. Doordat zij een hekel had aan af­scheid nemen, waren de laatste gezamenlijke

Carel baron de Vos van Steenwijk (1759-1830), de vader van Geertruid. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)

ogenblikken onaangenaam. In een naargeestige stemming zat Geertruid de eerste uren na Johans vertrek te kniezen, de tijd leek haar ‘eens zoo lang als gewoonlijk’ te duren. In huis was alles ‘dodelijk stil en leeg’, alles herinnerde haar aan hem, en ze was blij toen haar moeder ’s avonds op bezoek kwam. Binnen een week vertrok Geertruid naar haar ouderlijk huis Dikninge. Vandaar schreef zij een brief aan haar man: ‘Waarde vriend! Geloof niet dat ik ooit gewen aan uwe afwezigheid, neen, wanneer de twee jaren voorbij zullen zijn, dan zal ik U vurig smeeken deze betrekking niet langer te behouden.’ Johan had haar beloofd dat hij regel­matig enige dagen in Zwolle zou doorbrengen, maar alras bleek de werkelijkheid weerbarstiger. Het was een grote teleurstelling toen hij schreef dat aan een bezoek niet te denken viel. De zittin­gen zouden naar verwachting uitlopen, hij kon niet weg. Na weken scheen het Geertruid dat zijn belofte ‘nooit verwezenlijkt’ zou worden. Ze had er zo op gerekend dat hij vaak naar huis kwam. Omdat zij wist dat haar man een hekel had om de reis van Den Haag naar Zwolle voor slechts een paar dagen te ondernemen, deed het haar genoe­gen dat hij toch voor zeer korte tijd naar huis kwam. Maar het was voor Geertruid niet vol­doende, zij klaagde dat hij na twee maanden amper drie dagen thuis was geweest. Dagen die veel te snel voorbij vlogen, die visite leek haar na zijn vertrek een droom te zijn geweest.
In de volgende tijd wende Geertruid niet aan zijn ‘gedurige vertrekken’. Toch probeerde zij zich zo veel mogelijk in haar lot te schikken, maar zij bleef het als een beproeving beschouwen: ‘het is toch eene treurige noodzakelijkheid, zoo geheel gescheiden ieder onzen eigen werkkring te heb­ben!’ Geen enkel moment schijnt Geertruid over­wogen te hebben haar man te volgen. Ze hadden immers in Den Haag een huis kunnen huren en voor de opvoeding van de kinderen waren er in die stad minstens zoveel mogelijkheden als in Zwolle.
Geertruid keek uit naar de brieven van haar man en schreef zelf minimaal elke week een brief. En als er een mogelijkheid was de post met iemand mee te geven, kreeg Johan een brief extra. Zij schreef zonder reserve over zijn tekortkomingen als echt­genoot en vader, en over haar gevoelens voor hem. Ze tobde veel en twijfelde dan aan zijn liefde. Geertruid verwachtte van haar ‘lieve Johan’ dat hij ook regelmatig schreef. Soms kwam zijn brief niet snel genoeg naar haar zin. Vijf dagen na zijn ver­trek uit Zwolle verweet zij hem dat ze nog steeds geen post had ontvangen. ‘Zijt gij dan zoo gewik­keld in de staatszaken dat gij geen oogenblik kunt afzonderen om u met mij bezig te houden?’ vroeg zij verwijtend en herhaalde voor de zoveelste keer: ‘o, dit stilzwijgen maakte mij regt treurig.’ Zij
zwols historisch tijdschrift
53
merkte op dat het leven in Den Haag hem ‘perfect’ beviel en trok de bittere conclusie: ‘U schijnt het vooruitzigt van dese lange afwesigheid volstrekt geen moeite te kosten’. Zijn volgende brief beves­tigde haar bange gedachten, zij merkte duidelijk dat hij ‘den huisselijken omgang’ niet miste. Het was voor hem wel goed dat hij niet veel aan zijn gezin dacht, begreep Geertruid, maar ze was bang dat hij zich bij haar en de kinderen niet meer thuis voelde. Zij zuchtte: ‘Mijne gelukkige dagen zijn thans voorbij!’ Ze herinnerde hem aan de verjaar­dag van hun huwelijksdag die zij in 1846 voor de eerste keer niet samen doorbrachten. ‘Hebt gij de 26ste dezer maand herdacht?’ vroeg zij, het ant­woord eigenlijk wel wetend, want ze had niets van hem vernomen. Geen brief of cadeau was in Zwol­le afgeleverd. Geertruid had het gevoel dat ze uit elkaar groeiden en werd er verdrietig van. Zelfs zo zeer dat zij haar dood overdacht. De volgende ver­jaardag van hun huwelijk zou ze waarschijnlijk niet halen, schreef ze haar man. En vervolgde: ‘U bent meer gewend van mij verwijderd gelukkig te zijn, het los maken van de band zal U minder moeite kosten als vroeger’.
Zij wilde zo graag geloven dat de lange afwe­zigheid van huis hem op de lange duur ook niet zou bevallen, maar daar leek het niet op. Hij had het in Den Haag druk, hij had vele connecties en bezocht theatervoorstellingen en feestelijke bij­eenkomsten. Johan besteedde weinig woorden aan het uitgaansleven. Misschien kwam dat omdat hij haar mening kende, ze vond dat hij niet mocht klagen als hij een keer een toneelvoorstelling misliep doordat hij te veel werk had. ‘Ik beklaag U niet zeer, dat gij tot heden belet wordt Robert le Diable te zien, vooral niet als zulks wordt verhin­derd door belangrijke werkzaamheden’. De ‘veelvuldige genietingen, welke het séjour van den Haag U aanbiedt, geeft immers ruime vergoeding voor eene enkele teleurstelling’. Geertruid vond ook dat hij niet moest klagen over de late werku­ren en informeerde of hij al gewend was ‘aan het laat naar bed gaan’.
In 1848 werd Johan van Haersolte herkozen tot lid van de Tweede Kamer waardoor zijn Haagse ver­blijf, tot grote spijt van Geertruid, werd verlengd.
Soms was hij zo in beslag genomen door staatsza­ken dat hij nergens anders over schreef. Geertruid begreep het wel, maar het gaf haar toch een ‘onaangename indruk’ dat hij zelfs niet naar de kinderen informeerde. De zesde verjaardag van hun dochtertje Annette vergat hij. Geertruid was blij dat hij de verjaardag van de kleine Caroline wel onthield. Zij hanteerde een zachtaardige methode om hem aan zijn gezin te herinneren. De

De Koestraat omstreeks 1910. Geertruid woonde met haar gezin op num­mer 18, het vierde pand van links. (Collectie HCO) Johan Christiaan baron van Haersolte, heer van Haerst (1809-1881), de echtgenoot van Geer­truid. Zij trouwden in 1837. (Iconographisch bureau)

oudste dochter werd meermalen aangemoedigd haar vader te schrijven, en het meisje deed haar best er mooie brieven van te maken. Op zijn verjaardag ontving Johan een brief van Geertruid èn een briefje van elk van zijn kinderen. De brief van Geertruid was weinig feestelijk. Ze hoopte wel dat hij nog lang bleef leven maar zelf richtte ze haar blik op de dood. ‘Het uur onzes doods is onzeker’, was de macabere boodschap van haar felicitatie.
Haar eigen verjaardag bracht Geertruid in een weemoedige stemming door omdat deze dag zo rijk aan herinneringen was. Zij vierde de dag alleen met de kinderen die het een heel feest von­den; ‘s’est un beau jour!’ zoals een van hen zei. Ze waren die ochtend bij Geertruid gekomen met ‘lieve boeketten’ en gelukwensen. Van de oudste, Sophie, kreeg ze een zelfgemaakt speldenkussen en van nummer twee een paar gebreide kou­senbanden. Ook Johan vergat de geboortedag van zijn ‘Lieve Truitje’ niet. Vanuit Den Haag stuurde hij een ‘garnituur’ – waarschijnlijk een set juwelen -dat Geertruid ‘allerliefst’ vond. Zij was van plan het veel te dragen. Blij met het tastbare cadeau hoopte zij toch ook dat hij haar speciaal die dag in zijn gebeden niet zou vergeten.
Rond de geboorte van hun vijfde kind was Johan zeer waarschijnlijk voor langere tijd in Zwolle. Toen de bevalling van het zesde kind naderde, wilde hij weer bij Geertruid blijven. Haar plichtsbesef over zijn taak won het echter van haar tegenzin over zijn afwezigheid, zodat zij hem maande naar Den Haag te gaan. Voor de bevalling had zij hulp genoeg, stelde zij hem gerust. Haar moeder kwam helpen en de dokter ging op Geer­truids verzoek de stad niet uit. Ze voelde zich kalm, de baker arriveerde op tijd en zij beviel van een gezonde dochter.
Als Johan liet blijken dat hij een verblijf ver van huis ook niet altijd even prettig vond, deed dat Geertruid genoegen. Ze bemerkte ‘niet zonder satisfactie dat de tijd U ook een weinig lang valt’. Eerst na een jaar of drie raakte zij min of meer gewend aan zijn afwezigheid, al was het na elk bezoek weer vreemd om alleen te zijn. Ze .eurde op als haar man plannen had naar huis te komen. Alle gezelschap en a.eiding, hoe prettig ook ‘ver­goedt mij toch uw afzijn slechts onvolkomen’, schreef zij hem. Toen zijn ambtstermijn a.iep en hij voor de laatste keer uit Den Haag vertrok, stel­de Geertruid hem nog snel van de laatste nieuw­tjes op de hoogte en verzocht om een laatste bood­schap. Zij besloot met: ‘Nu adieu, komt zoo spoe­dig als gij kunt.’

Familiecontacten
Geertruid onderhield een hartelijk contact met haar moeder en met haar zus Annette. Haar moe­der had twee huizen, in de zomermaanden was haar buitenhuis Dikninge favoriet en in het win­terseizoen woonde zij in Zwolle, in de Nieuw­straat.12 Op Dikninge bracht Geertruid vele
zwols historisch tijdschrift
55
zomermaanden door en als haar moeder in Zwol­le was, zagen zij elkaar vrijwel dagelijks. De dames soupeerden ‘en petit comité’ en pasten samen kle­ding door. Ook Geertruids zus Annette was vaak in Zwolle. Zij was getrouwd met haar neef Reint de Vos van Steenwijk en sedert 1843 woonde dit echtpaar op het voorname Voorwijk bij De Wijk in Drenthe.13 Geertruids broer Jan woonde met zijn vrouw Wilhelmina Louise van Aerssen Beye­ren van Voshol op Oldenhof buiten Vollenhove, dat hij huurde van de familie Sloet.
Geertruid stelde een goede sfeer in de familie zeer op prijs, zodat zij een wrijving tussen haar moeder en Jan onaangenaam vond. Ze maakte zich zorgen om haar depressieve broer en haalde haar moeder over hem op Oldenhof te bezoeken. Het gaf haar voldoening dat het bezoek aan Oldenhof tot meer begrip voor Jan leidde.
Met haar schoonfamilie had Geertruid soms een moeizame relatie. Van de negen nog in leven zijnde kinderen van haar schoonouders woonden er nog vijf thuis, en dat waren degenen waar Geer­truid het meeste contact mee had. Vooral met haar schoonzus Agatha kon zij het goed vinden. Geertruid ging wel vaker ‘aan de Markt’ eten. Maar hoewel het oppervlakkig allemaal in orde leek te zijn, was Geertruids verhouding met de familie van haar man niet geheel zoals zij het zich wenste. Toen een van hen ziek was, hoorde zij dat van bekenden die zeer verwonderd waren dat zij
Gezicht op het begin van de Melkmarkt omstreeks 1885. Geer­truids schoonouders woonden in het derde pand van links, Nu Grote Markt 12-13. Tegenwoordig is in dit pand een Mac Donalds gevestigd. (Collectie HCO) De voormalige havezate Den Doorn in Haerst, het buitenhuis van de familie Van Haersolte. (Collectie HCO)
van niets wist. Ze was gepikeerd, ‘daar ik er zoo duidelijk in zie, dat ik na elf jaar in de famille geweest te zijn, geheel als vreemde word behan­deld’. Ze had er vast op vertrouwd dat de familie haar over zoiets belangrijks zou inlichten. Ze informeerde dadelijk bij haar schoonfamilie en trachtte zich te onthouden van ‘bittere reproches, daar men toch later altijd berouw van heeft’. Toen haar kinderen kinkhoest kregen kwam de wrevel weer boven omdat haar schoonfamilie weg bleef uit angst voor besmetting. Haar moeder schoot te hulp. ‘Indien ik Mama niet had zoude ik mij nog ongelukkiger alleen voelen’, klaagde Geertruid bij haar man. Van de andere kant reageerde zij koel­tjes op nieuws dat haar schoonvader gevallen was. Ze hoorde er niets meer over en trok de conclusie dat het dus wel mee zou vallen. De kinderen had­den geen weet van de wrijving tussen hun moeder en hun grootouders Van Haersolte. Zij gingen ’s zomers op Den Doorn in Haerst logeren en met Sint-Nicolaas stonden aan de Melkmarkt cadeau­tjes voor hen klaar.14
zwols historisch tijdschrift

Leed en plicht
Geertruid kreeg regelmatig met de dood te maken. Het overlijden van haar vader wist zij zich nog goed te herinneren, ze was zeventien jaar toen hij op eenenzeventigjarige leeftijd overleed. Maar juist kort voor en in de periode dat haar man meestal in Den Haag verbleef en zij veel alleen in Zwolle was, waren er in haar direkte omgeving vele sterfgevallen. Geertruids oudste zwager Van Haersolte overleed begin maart 1845 en haar schoonzus Betje van Haersolte stierf op het einde van diezelfde maand, ze was slechts zevenen­twintig jaar geworden en nog geen twee jaar getrouwd. De weduwnaar bewaarde voor Geer­truid en Johan een aandenken aan Betje. Voor Johan was dat een parelmoeren vouwbeen en Geertruid kreeg het werkmandje dat zij eens aan Betje had geschonken.15 Na deze twee zo snel op elkaar volgende sterfgevallen kreeg de familie Van Haersolte een jaar later nieuw verdriet te verwer­ken toen een dochtertje van Geertruids schoonzus Antje overleed. En in 1848 overleed in het Friese Weinum de man van haar schoonzus Lize. Zodra Geertruid gelegenheid had, reisde ze naar Wei­num. Dat zijzelf zeven maanden zwanger was, hield haar niet tegen. Zij vertrouwde op God. Het verdriet van iemand die haar dierbaar was, deed haar steeds weer pijn. Ze toonde zielsveel medelij­den met haar zus Annette toen deze een kind ver­loor. Enige tijd later zag Geertruid met opluchting dat Annette, hoewel nog bedroefd, berustte en zich onderwierp aan het gezag van God. Maar ze maakte zich zorgen dat haar zus bijna onverschil­lig was voor alles om haar heen.
Geertruid dacht niet dat zij een hoge leeftijd zou bereiken. Meer dan eens waarschuwde zij haar man dat zij weinig plezier in haar bestaan vond. Het waren niet alleen de veelvuldige sterf­gevallen in haar directe omgeving die haar het levensplezier ontnamen. Ze had het gevoel dat het haar aan geluk ontbrak en dat veroorzaakte bij haar een afkeer van het leven, waardoor zij depres­sief werd. In het nieuws aan haar man berichtte Geertruid veel treurigheid, het verdriet van haar zus, de depressie van haar broer, een freule Ben­tinck die bedroefd maar ‘bedaard’ was, dat Mietje Wicherlinck zo ‘diep bedroefd’ was en dat een nicht Feith treurig was gestemd omdat ze ‘zich zoo alleen!’ voelde.
Johan schreef haar dat hij een bezoek had gebracht aan tante Backer, die een overledene te betreuren had.16 Dat de vrouw in een terneerge­slagen stemming was, begreep Geertruid heel goed. Maar het gedrag van de nichten vond zij onbegrijpelijk. ‘Ik vind het gelukkig dat zij onder­worpen zijn en zich met kalmte schikken in hun lot, maar hoe zij vrolijk en opgeruimd kunnen zijn is mij een raadsel’, luchtte zij haar hart bij haar man. Geertruid neigde in deze voor haar zo som­bere jaren niet tot oppervlakkig vertier. Toen haar schoonmoeder haar vroeg af te zien van een fees­telijke avond omdat het precies een jaar geleden was dat Betje van Haersolte was overleden, gaf Geertruid daar met instemming gehoor aan. De ‘grote soirée’ trok haar toch al niet bijzonder aan.
De politieke spanningen in binnen- en buitenland in 1848 veroorzaakten bij Geertruid nieuwe som­berheid. Toen men in de stad uiting gaf aan de vreugde over de nieuwe grondwet, vond zij dat helemaal niet prettig. Maar toen zij merkte dat er overal vlaggen uitgestoken werden, deed zij dat ook maar. Een vreugdeblijk was het zeker niet. Ze peinsde meer over de zelfmoord van de chef van een tapijtfabriek vanwege een te kort in de kas van vierduizend gulden. Alsof zo’n bedrag een reden was je het leven te benemen, schreef zij haar man. Wat er in revolutionair Parijs gebeurde, waar de monarchie onder zware druk stond, was veel erger. ‘Dat in de tegenwoordige beschaafde eeuw zoo veel bloed op zulk eene gruwzame wijz zoude stroomen’, boezemde haar afschuw in.
Het relativeringsvermogen van Geertruid was groot, ook als het niet in haar eigen belang was. Een voorbeeld daarvan was haar al gememoreerde instemming met het vertrek van haar man naar Den Haag ondanks haar ophanden zijnde beval­ling. Met verwikkelingen rond het personeel ging het net zo. Een van de meiden accepteerde buiten haar medeweten een andere werkkring, wat Geer­truid uitermate onaangenaam vond. Maar toen de meid terugkrabbelde, maande Geertruid dat een gegeven woord niet teruggenomen mocht wor­den. En toen de gouvernante van de kinderen bericht kreeg dat haar moeder in Zwitserland doodziek lag, deed Geertruid geen enkele poging de vrouw van de reis te weerhouden. Ze had er begrip voor, al veroorzaakte het veel ongemak.17

Ondanks haar melancholieke buien was Geer­truid over dagelijkse zaken heel reëel. Als er iets geregeld moest worden omtrent een nieuwe meid, een andere gouvernante of leraar, dan was dat een taak die zij snel ter hand nam en voortvarend afhandelde. Geen spoor van de onzekerheid die haar mijmeringen over haar man zo kenmerken.
Als moeder had Geertruid een traditionele opvatting, ouders behoorden ‘met getrouwheid de plichten te vervullen die op hen rustten’. Zij voedde haar kinderen met toewijding op. De eer­ste stapjes of een uitgevallen wisseltand, een slech­te houding of een kinderziekte, waren voor Geer­truid memorabele gebeurtenissen. Zij volgde hun opleiding met belangstelling en verzuimde niet hen godvruchtig op te voeden. De kinderen hiel­den van haar, en vonden het – ook toen zij wat ouder waren – heerlijk haar te verrassen met vele verjaardagscadeau’s die zij op een plank uitstalden en met een bloemenguirlande versierden. Het gaf een leuk effect, constateerde de oudste tevreden. Om haar moeder nog meer te plezieren droeg zij een japon die bij haar moeder in de smaak viel.18

Herenigd
Eind 1848 keerde Johan Christiaan van Haersolte voorgoed naar Zwolle terug. Geertruids melan­cholie verdween, haar gemoed werd opgewekter. Vervelen deed zij zich helemaal niet. Integendeel, de tijd ging zo snel voorbij dat zij zich elke keer weer verbaasde dat er alweer een week voorbij was. Zelfs het overlijden van haar schoonzus van Oldenhof bracht haar niet uit balans.19
Een nieuwe periode brak aan toen de kinderen een voor een het ouderlijk huis verlieten om elders hun opvoeding te voltooien. Geertruids oudste zoon verbleef vijf jaar op een kostschool in de buurt van Den Haag en studeerde aansluitend in Leiden.20 Vlak voor het vertrek van haar oudste dochter Sophie naar een internaat – het ‘opus l’époque’ zoals Geertruid het noemde – twijfelde ze over haar beslissing. Zij bad God om zijn zegen voor haar besluit. De scheiding van het meisje viel haar – net zoals eerder van haar man – erg zwaar.21
Na de kostschooljaren kwam Sophie weer naar huis en de relatie van Geertruid met haar oudste dochter werd hechter. Sophie werd gepresenteerd in de beau monde en de dames kregen het in ‘het seizoen’ dat in Zwolle rond half januari goed op gang kwam, druk met ‘sorties’. Zij bezochten vele soirees, diners, soupers en bals. Soms ging het er zo vrolijk aan toe dat de gasten niet weg wilden gaan. Een keer speelde een van Geertruids doch­ters na het eten muziek en het gezelschap begon spontaan te dansen hoewel de rijtuigen om te ver­trekken al klaarstonden. Geertruid gaf nu ook zelf partijen. Zij gaf een diner voor jonge mensen, en met haar man gaf zij een kinderbal in de Zwolse Kolfbaan, de kinderen spraken opgewonden over niets anders. De huwelijken van haar dochter Annette en van de oudste zoon waren ook reden tot feestelijkheid en de familie werd met kleinkin­deren uitgebreid. De zilveren bruiloft van Geer­truid en Johan werd in de familiekring en met het personeel gevierd.22
Diners in de familiekring waardeerde Geer­truid als ‘zeer amusant’. Met haar opgroeiende dochters, met veel gebabbel en gekwetter, was het levendig in het huis in de Koestraat. Af en toe maakte Geertruid met haar man en een paar van de kinderen een plezierreisje. Een verjaardag van Johan werd gevierd bij de heer Van Heeckeren op Molecate, een ‘très joli sîté’ bij Hattem. Geertruid beschreef met genoegen het charmante uitzicht vanaf de ‘fameux montange’ de Frieselenberg op de Veluwe. Ze maakte met haar man en de jongste kinderen een uitje naar het paleis het Loo bij Apel­doorn. Ze reisde naar haar schoonzus in het Friese Weinum en bezocht haar nicht De Vidal de Saint Germain op het Relaer te Raalte.23 Haar broer woonde nu met zijn tweede vrouw Agatha Maria Françoise van Aerssen Beyeren van Voshol in de Kamperstraat te Zwolle.24 Geertruid bezocht ook vaker haar zus die met haar man van Voorwijk naar Dikninge was verhuisd en waar Geertruid geamuseerd werd met vrolijke brieven van haar man en haar dochters uit Zwolle.25
Hoewel het uitgaansleven Geertruid goed leek te bevallen, hield zij veel van de intimiteit van het huiselijk leven. Omringd door haar man en
zwols historisch tijdschrift
59
opgroeiende kinderen, deed zij haar best het huis in de Koestraat tot een prettige, mooie woning in te richten. Met zorg liet zij meubelen maken en zocht nieuwe fraaie attributen uit. Er werd geschilderd en behangen, en Geertruid zag toe op de jaarlijkse grote schoonmaak en op het con.­turen en de inmaak.26
In de zomermaanden was Zwolle ‘vrijwel ver­laten’, omdat de aristocratische families op hun buitenhuizen verbleven. Ook de familie Van Haersolte was vaak op De Doorn waar Geertruid thee ging drinken en waar haar kinderen regel­matig een paar dagen doorbrachten. Op Dikninge trok zij met de kinderen naar buiten om kruiden te plukken, voor in de kruidenazijn. Maar Geer­truid vond de zomerse rust in de stad ook heel prettig, ze genoot van mooi weer en was veel in de tuin met de kinderen. Ze vond het jammer als een mooie dag bedorven werd door sterke ‘vene­damp’. De tuin in de Koestraat, fraai gelegen aan de stadsgracht, werd door een tuinman onder­houden. Johan van Haersolte was dol op de tuin. In het vroege voorjaar wees hij op het uitbotten van de vruchtbomen en op de eerste vioolknop­pen. Toen hij in Den Haag een hele ‘bloemenwin­kel’ bestelde, liet hij de vracht naar Zwolle sturen. Het bleef niet bij één zending, Geertruid verweet hem koopziekte. De tuinman zette de bloemen in de tuin of in manden. Maandenlang genoot Geer­truid van bloesems en viooltjes, van fuchsia’s en camelia’s. De bloemen bleven zo lang mogelijk in de tuin staan. Pas als de eerste nachtvorst werd verwacht, werden de planten weggebracht voor een veilige overwintering. Dan kwamen ook de laatste druiven van De Doorn naar de stad. Maar een warme lenteavond beantwoordde toch het meest aan Geertruids gevoelens. Voor het open raam luisterde zij naar de nachtegaal.27

De dood
In de zomer van 1856 stierf Geertruids moeder zonder een testament na te laten. Haar bezittingen en de goederen, ‘vruchten, inkomsten en huren’ en waardepapieren van haar reeds in 1830 overle­den echtgenoot, werden onder haar drie kinderen verdeeld. Ieder ontving, tot op de halve cent nauwkeurig, even veel. De erfenis voor Geertruid bestond uit land, een huis en een erf, veertig certi­.caten, negenendertig obligaties, vierentwintig aandelen in diverse banken en maatschappijen en een schuldbekentenis. Aangevuld met een klein bedrag aan contanten vertegenwoordigde het een waarde van bijna honderdveertigduizend gulden. Uit haar moeders persoonlijke bezittingen – juwe-

De Kamperstraat omstreeks 1900. In de Kamperstraat woonde Geertruids broer J.A.G. de Vos van Steenwijk. (Collectie HCO)
len, zilver, linnen, boeken, meubelen en rijtuigen ­ontving Geertruid eveneens eenderde deel, ter waarde van ruim tienduizend gulden.28
In de zomer van 1866 nam Geertruid een velle­tje schrijfpapier en schreef kort en bondig, zonder overschrijvingen of doorhalingen, haar testament. Het woonhuis in de Koestraat legateerde zij aan haar man. Ook haar overige erfenis werd eigen­dom van haar man maar zij beschikte dat hij het vruchtgebruik moest delen met de kinderen. Zij verzocht haar kinderen hier genoegen mee te nemen en hun vader niet verder aan te spreken op enige uitkering van de moederlijke erfportie.29
Geertruids laatste verdriet was de dood van haar dochter Sophie in 1873. Na jarenlang sukke­len was Sophie onder behandeling gesteld van een Duitse arts maar het ging niet goed met haar. De behandeling werd stopgezet en Sophie werd naar een arts in Leiden gebracht, die haar net zo min als alle vorige artsen kon helpen. Haar toestand ging snel achteruit. In Zwolle werd een alarmerend telegram bezorgd en Johan van Haersolte reisde spoorslags naar Leiden. Hij stuurde telegram na telegram naar Zwolle om Geertruid op de hoogte te houden van Sophie’s toestand. Het laatste tele­gram bevestigde haar bange vermoedens, Sophie was overleden. Geertruid wachtte op de terug­komst van haar man en het lichaam van Sophie. Na de dood van haar oudste kind raakte ze enige tijd onwel. Troostrijke brieven konden het leed niet verzachten.30 De geboorte van haar derde kleinkind – vier maanden na Sophie’s overlijden ­deed haar levenslust niet merkbaar opleven.
Na de dood van Sophie ging Geertruids gezond­heid achteruit. Een paar maanden na het verlies reisden Geertruid en Johan naar het kuuroord Muhlheim, een badplaats in het Rijngebied. Geer­truid consulteerde er een arts en dronk het heil­zame water. Ze moest veel in de zuivere buiten­lucht verblijven en met open raam slapen. Tegen­over de mooi gelegen villa waar zij logeerden lag een park waar zij prettig kon wandelen of in de schaduw kon zitten. Met haar man maakte ze een mooie excursie, de ‘charmant site’ herinnerde hen aan hun huwelijksreis. Nadat Geertruid kennis had gemaakt met andere gasten en geïntroduceerd was in de plaatselijke ‘Holli Club’ reisde haar man alleen naar huis. De kuur werd geen succes. De volgende zomer reisde Geertruid met haar man naar Scheveningen vanwege de zeelucht, maar haar gezondheid ging zienderogen achteruit. Na a.oop van een uitstapje naar Den Haag was Geer­truid zo moe dat zij geen tweede keer wilde gaan. ‘Met kunst en vliegwerk’, schreef haar man naar Zwolle, was zij ‘één maal aan Zee geweest, maar dit ging met groote moeite gepaard’ zodat hij niet op herhaling aandrong. Haar eetlust was gering, haar krachten namen af. Zij dineerde aan de open tafel in de eetzaal maar wilde dat niet meer omdat het te vermoeiend was. Een diner ‘en famille’ op de kamer, met de kleinkinderen aan tafel, was druk genoeg. De arts adviseerde haar naar huis te gaan want de zeelucht had geen effect en thuis was het gerie.ijker. Na nog een paar dagen rust, reisde Geertruid met haar man per trein naar Zwolle, waar bij het station een vigilante klaarstond om hen naar de Koestraat te brengen.31
Geertruid hoopte dat de dood haar niet onver­wachts zou overvallen. De gedachte om zonder veel voorbereiding uit het leven weggerukt te wor­den en onvoorbereid voor Gods rechtbank te moeten verschijnen, greep haar zeer aan. Het sterfbed van ene mevrouw Ooster was voor haar een voorbeeld, deze vrouw had met vol verstand ‘van alle haar omstanders afscheid genomen en hen vermaand toch zonder aarzelen genade te zoeken waar zij alleen te vinden is, in het bloed van Christus’. Geertruid vertrouwde op ‘Christus genade, op Wien alleen onze hoop moet zijn’.32
Ruim een jaar na het overlijden van Sophie was Geertruids ‘taak hier beneden voleindigd’, zij overleed op vijftien augustus 1874. In het over­lijdensbericht gaf Johan van Haersolte kennis dat ‘na eene korte ongesteldheid overleed, in den ouderdom van ruim 60 jaren, mijne hartelijk geliefde Echtgenoote en onzer kinderen zorgdra­gende Moeder, Vrouwe Geertruijd Agnis Baro­nesse De Vos van Steenwijk, na eene gelukkige echtvereniging van ruim 37 jaren’.33
Johan Christiaan van Haersolte overleefde zijn vrouw nog zeven jaar, haar nagedachtenis hield hij in ere. Een jaar na haar dood schreef hij aan een van zijn dochters: ‘Gij gevoelt wel dat my dezen
zwols historisch tijdschrift
dag in het byzonder indachtig zyn aan Mama, en dat wederom veel verlevendigd word’. Op verjaar­dagen en sterfdagen werd ‘alles wederom verle­vendigd’ en miste hij zijn vrouw en oudste doch­ter. In 1877 schreef hij zijn kinderen dat het al weer drie jaar geleden was dat ‘wy uwe goede Mama hebben moeten verliezen!’ Zijn verjaardag was voor hem een treurige dag die hij in stilte door­bracht, vol herinneringen en gemengd met een gevoel van erkentelijkheid voor Geertruid.34
Noten
1 Kamperstraat 10 en 11-13, Koestraat 18, Blijmarkt 1, Bloemendalstraat 11 en Grote Markt 12-13.
2 Stads Athenaeum en Bibliotheek Deventer 100 F21 KL HS II no. 35 KL; Vos van Steenwijk, A.N. baron de, Het geslacht De Vos van Steenwijk in het licht van de geschiedenis van de Drentse adel, Assen 1976.
3 Brake, W. te (ed.), Een grand tour naar de nieuwe republiek: journaal van een reis door Amerika, 1783­1784. Carel de Vos van Steenwijk, Hilversum 1999, 28-32.
4 Js. Mooijweer,’Vos van Steenwijk, Jan Arent Godert de (1713-1779), drost van Vollenhove’, in: J. Folkerts
(e.a. red.), Overijsselse biogra.eën 3, Amsterdam Meppel 1993, 121-125. 5 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk.
6 Nederland’s Adelsboek 78 (1987), 253; De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk. Te Brake, Een grand tour naar de nieuwe republiek, 28­33; Historisch Centrum Overijssel Familiearchief Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
7 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk, 361.
8 M.L. Hansen (ed.), Aller treffendst en stout. De hu­welijksreis van J.C. baron van Haersolte naar Duits­land, Zwitserland en Italië in 1837, Overijsselse hand­schriften 11, Epe 2002.
9 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120. Koe-straat 18 werd in de twintigste eeuw bewoond door het echtpaar Harro en Carina Bouman, zie de spe­cial van het Zwols Historisch Tijdschrift, 22 (2005) nr. 1, ‘Bijzonder echtpaar op Koestraat 18’.
10 De gegevens uit de periode 1845 tot 1848 zijn – tenzij anders aangegeven – afkomstig uit de correspon­dentie van Geertruid Agnes barones de Vos van Steenwijk aan haar man Johan Christiaan baron van Haersolte (HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113).
11 Zwolle mijn stad. Een stadswandeling van A naar Z, Zwolle 2002, 225.
12 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
13 J. Bos, e.a. (red.), Huizen van stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners, Meppel/Amsterdam 1989, 264.
14 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
15 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 162.
16 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 341; HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113; Nederland’s Adelsboek 4 (1906), 542. Tante Backer was mogelijk de echtgenote van Cornelis Backer uit Amsterdam, een vriend van Geertruids vader Carel de Vos van Steenwijk. Of het was Josina Petronella Sichterman, gehuwd met Jan Willem Jacobus Backer. Hun dochter Hermanna Elisabeth was gehuwd met Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk.
17 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
18 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
19 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64; De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 388.
20 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199.
21 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64.
22 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 117, 182.
23 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
24 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 389.
25 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 119.
26 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 182.
27 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 64, 113, 182, 275 en (236), inv. nr. 687; HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64. Het huis in de Koestraat ‘gele­gen agter de wal uitkomende’.
28 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
29 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120.
30 M.L. Hansen, ‘Een “redelyk zoet” meisje, Sophia Cornelia baronesse van Haersolte, 1838-1873’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002) nr. 2, 62-72.
31 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
32 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
33 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 122.
34 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.

Frank Inklaar

De plek waar het begon en de plek waar het eindigde
Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen
T
oen de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift vorig jaar een special uitbracht over de Grote Markt, kreeg dit nummer als titel: Een plaats van herinneringen: De Grote Markt. Deze titel sluit naadloos aan bij een nieuwe trend in de geschiedschrijving, die door de Franse histo­ricus Pierre Nora in de laatste decennia van de vorige eeuw in gang is gezet. Nora stelt dat mensen hun identiteit niet alleen ontlenen aan de algeme­ne geschiedschrijving, maar ook aan de publieke herinnering. Sommige plekken roepen onwille­keurig en onmiddellijk de herinnering op aan ingrijpende historische gebeurtenissen. Deze plekken worden door Nora ‘lieux de mémoire’ genoemd, letterlijk plaatsen van herinnering. Vol­gens Nora zijn dat niet alleen fysieke plaatsten, maar kan de term ook in overdrachtelijk zin wor­den gebruikt, zodat symbolen, instellingen, perso­nen, herdenkingsdagen, en dergelijke lieux de mémoire kunnen zijn. Nora heeft aan de hand van lieux de mémoire de geschiedenis van Frankrijk in kaart gebracht. Nederland is hier niet bij achter gebleven. In de afgelopen twee jaar hebben vier delen van Plaatsen van herinnering het licht gezien. Anders dan bij Nora zijn in de Nederland­se opvatting alleen fysieke plaatsen van herinne­ring opgenomen.
Plaatsen van herinnering zijn er natuurlijk niet alleen op nationale schaal. Elke streek, elke stad, elk dorp kent voor zijn inwoners eigen plaatsen van herinnering. Dit gegeven heeft de redactie van het ZHT er toe gebracht met ‘Zwolse plaatsen van herinnering’ een nieuwe rubriek te starten. Beken­de Zwollenaren vertellen over hun Zwolse plaats van herinnering. De spits wordt afgebeten door Wil Cornelissen, bekend Zwollenaar en ook nog eens oud-redactielid.
Tweede Wereldoorlog
Wil Cornelissen heeft veel herinneringen en ook veel plaatsen van herinnering in de aanbieding. Als hij door de stad rijdt komen bij diverse huizen herinneringen aan familieleden die niet uit de oorlog zijn teruggekomen. Al die adressen zijn stuk voor stuk persoonlijke plaatsen van herinne­ring. Een wat algemenere plaats van herinnering zou het stoepje bij de Oosterkerk kunnen zijn. Daar keek hij bijvoorbeeld naar de opbouw van circus Sarasani op de Turfmarkt. Of naar die prachtige watertoren. Uiteindelijk kiest Cornelis­sen toch voor een plek die voor hem, maar ook voor veel Zwollenaren, direct herinneringen oproept aan de Tweede Wereldoorlog. De oorlog die tot op de dag van vandaag een centrale positie inneemt in zijn leven.

De Vechtbrug
De uitverkoren plaats van herinnering is de Vechtbrug, de brug over de Nieuwe Vecht, tussen de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee, met aan weerszijden de Vondelkade en de Philosophen­allee. Welke herinneringen maakt deze plaats los? Het is voor Cornelissen de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Het is de plek waar op 10 mei 1940 de Duitsers en op 14 april 1945 de Canadezen Zwolle binnentrokken. En zowel in 1940 als in 1945 stond een jonge Wil Cornelissen bij de brug. Niet zo verwonderlijk, want zijn ouderlijk huis stond op de Vondelkade. In 1940 riep zijn vader de twaalfjarige Wil om bij de brug weg te gaan, bang als hij was dat het tot vechten zou komen en dat zijn zoon tussen de schietende partijen terecht zou komen. In 1945 werd de zeventienjarige Wil weer door zijn vader bij de brug weggehaald, om precies dezelfde reden. Bei­de keren gebeurde er eigenlijk niets. Ja, waar­schijnlijk zal er in beide gevallen een doffe knal

De Vechtbrug over de Nieuwe Vecht, gezien vanaf de Philosofen­allee. De brug verbindt de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee. Het is een in 1928 gebouwde basculebrug. De opna­me is omstreeks 1940 gemaakt. Links is huize Molenzicht te zien, rechts het later afgebro­ken brugwachtershuis. (Collectie HCO)
De Vechtbrug gezien vanaf de Wipstrikker­allee aan het eind van de jaren dertig. De Vechtbrug vormde (en vormt) een belangrijke schakel in het wegennet van Zwolle, de Duitsers trokken hierlangs de stad binnen in 1940 en de Canadezen in 1945. (Collectie HCO)
weerklonken hebben door het in de lucht laten vliegen van de IJsselbrug. Maar op de Vechtbrug zelf gebeurde niets. In 1940 zag je de Duitse troe­pen binnentrekken op paarden en met gemotori­seerde voertuigen, soldaten in andere uniformen en met andere helmen dan de Nederlandse solda­ten. Ze hadden geen beenwindsels zoals de Neder­landers. En in 1945 kwamen de Canadezen. ‘Ik moet toen mijn goede vriend Leo Major gezien hebben, maar dat kan ik mij niet meer herinne­ren.’ Leo Major was de eerste Canadees die als bevrijder Zwolle binnenkwam. Herinneringen zijn toch lastig volgens Cornelissen. Van wat hij zich nu herinnert over die periode, wat zijn nu echte herinneringen en wat is informatie die hij later gelezen heeft? ‘Was 10 mei 1940 de dag dat mijn vader huilde, of zorgt de titel van een boek voor deze herinnering? Het zou allebei kunnen.’

Een plek waar eigenlijk niets gebeurde
Wat maakt een plaats waar niets is gebeurd voor Cornelissen toch tot een belangrijke plaats van herinnering? Het is leuk om je te herinneren dat op de oude Vechtbrug, een ophaalbrug, brug­wachtershuisjes stonden. Dat er een piepklein winkeltje was van niet meer dan twee à drie meter, waar meneer Wever tabakswaren verkocht. Dat je voor je vader voor 35 cent vijf sigaren moest halen en dat bij die gedachte je in je herinnering de geur van de tabakszaak weer ruikt. Maar daarom is de Vechtbrug niet door Cornelissen uitgekozen. De brug staat symbool voor het begin en het einde van de Tweede Wereldoorlog.
In 1940 is er de angst, de onzekerheid, de gedachte van wat zal er gebeuren. Of dat nu exact bij de Vechtbrug op het moment van het binnen­trekken van de Duitsers de overheersende emotie van Cornelissen is geweest weet hij niet, maar dat deze gevoelens duidelijk aanwezig waren is wel zeker. Immers als twaalfjarige was Wil al wel dege­lijk op de hoogte van de kwalijke daden van het Hitler-regime. Hij kende de verhalen uit Duits­land van zijn gevluchte oom Erich Passmann, die in Zwolle was blijven hangen, vertrouwend op de neutraliteit van Nederland. Van zijn Joodse moe­der en haar grote Zwolse familie hoorde hij menigmaal de bezorgdheid voor de toekomst. Zijn vader was actief in het plaatselijk bestuur van de antitotalitaire Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie (EDD), een organisatie die zowel het communisme als het fascisme bes­treed. Voor nationaal-socialistisch Duitsland was in deze kringen geen sympathie. Vader droeg dit bewustzijn over op zijn zoon. Wil mocht voor een van de bijeenkomsten van de EDD met Oost-Indi­sche inkt de uitnodigingen kalligraferen. En dan had je nog de nieuwsberichten op de radio. In hui­ze Cornelissen diende je dan je mond te houden, want naar het nieuws moest in stilte geluisterd worden. Wil was dus op die 10de mei 1940 bij de Vechtbrug wel degelijk zich volledig bewust van de onzekere toekomst.
De overheersende emotie op de 14de april 1945 zal er een van vreugde zijn geweest. Het beeld van vlaggen en wimpels komt naar boven, maar ook de verbazing over waar al die vlaggen vandaan kwamen. ‘Heb ik staan zwaaien? Ik weet het niet.’ Spontane feestvreugde moet er in ieder geval wel geweest zijn. Al snel kwam daar een andere emotie bij. Wie van de weggevoerde familieleden zou er terug komen? Wat was er van hen geworden? Dat het verhaal van de tewerkstelling van Joden in Duitsland niet klopte was voor Cornelissen toen al duidelijk. Wat kon zijn doodzieke opa, die met een ambulance was weggevoerd naar Westerbork nu nog voor werk doen? Maar hoe zat het met al die ooms en tantes, neven en nichtjes, leeftijdge­noten? Uiteindelijk keerde maar één achternichtje terug.
Als Wil Cornelissen nu de Vechtbrug passeert overheerst toch het gevoel van de bevrijding.
De Vechtbrug, de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Een plek waar eigenlijk niets gebeurde, maar ook de plek die zoveel herin­neringen oproept.
zwols historisch tijdschrift
65

Een rooms jongetje uit Assendorp
Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw
O
verkomt u dat ook wel eens? Dat wanneer u in een tekst uw geboorteplaats tegen­komt u extra aandachtig gaat lezen? Mij overkomt dat zelfs met enige regelmaat, net zoals ik dat ook bij mijn geboortedatum heb. Zo ben ik er in de loop der jaren achtergekomen dat Jozef Luns en Joop Doderer – mooi duo toch? – op dezelfde dag als ik zijn geboren. Door de opkomst van het internet boeten dergelijke kleine histori­sche sensaties helaas steeds meer aan kracht in. Want u hoeft tegenwoordig maar op bijvoorbeeld de internetsite wikipedia.nl de zoekterm ‘Zwolle’ in te toetsen en alle bekende Zwollenaren worden op een presenteerblaadje aangereikt.
Toch wordt er nog wel eens een enkeling over het hoofd gezien. En dat kan zelfs mensen betref­fen met een bijzonder grote staat van dienst. Zo ook in het geval van Petrus Albertus Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ier­land, Chili en Israël – is in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werk­zaam als journalist en besloot, omdat hij kritische artikelen over het nazi-regime had geschreven, kort na de Duitse inval in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Londen werd hij secretaris van de gereformeerde premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Op 12 december 2003 overleed Kasteel op 102-jarige leeftijd.
Het moet in het najaar van 1994 zijn geweest dat ik Kasteels naam voor het eerst tegenkwam. Ik was toentertijd net begonnen met een zoektocht naar het onder orthodox-protestanten levend antipapisme en stuitte al snel op de door hem geschreven uitgaven van het apologetische Gilde van de Klare Waarheid. In een tijd waarin het anti­papisme nog hoogtij vierde, toonde de jonge jour­nalist Kasteel moed door als een van de weinige katholieken de pen op te nemen tegen de niet-godsdienstige uitingsvormen van dit fenomeen. Halverwege de jaren twintig vervaardigde hij onder de geheimzinnige ‘schuilnaam’ PAK in totaal drie brochures met prikkelende titels als
Vuile Papen!, In Dogma’s Gekluisterd (Stomme papen) en De misdaden der katholieke kerk.1
Toen ik ontdekte dat deze Kasteel dezelfde persoon was als de ‘latere’ Piet Kasteel van het proefschrift over de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper2, kreeg mijn interesse voor diens levenswandel een extra impuls. Helemaal toen ook nog bleek dat wij in dezelfde stad zijn geboren. In deze bijdrage wil ik kort schetsen in wat voor een omgeving de jonge Piet Kasteel opgroeide. Want, in wat tegenwoordig zo mooi de formative years worden genoemd, moet deze van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van zijn karakter.

Een katholieke familie
Petrus Albertus (‘Piet’) Kasteel werd op 4 novem­ber 1901 in Zwolle geboren aan de Deventerdwars­straat 14. Deze woning werd toentertijd nog aan­geduid met het huis- cq. wijknummer L 460. Een paar jaar later, in 1905, werd bij de gemeentelijke omnummering van wijknummers naar straat­namen met huisnummers het huis of.cieel voor­zien van nummer 14. Tegenwoordig heet de Deventerdwarsstraat de Zuiderkerkstraat.
Volgens het geboorteregister was Piet ‘des voormiddags ten zeven ure’ ter wereld gekomen. Vader Bernardus (geboren 30 januari 1859 te Arn­hem) was van beroep zadelmaker bij de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen. Hij had zich op 16 januari 1892 samen met zijn vrouw Geertrui­da Nijenhuis (geboren 19 april 1868 te Wagenin­gen) in Zwolle gevestigd. Het rooms-katholieke
Jonn van Zuthem
echtpaar had ten tijde van de verhuizing al een zoontje, dat Bernardus Gijsbertus heette en een jaar daarvoor in Arnhem was geboren. Het jonge­tje stierf 10 november 1897 op zesjarige leeftijd.3
In Zwolle werden de ouders achtereenvolgens gezegend met de zonen Gijsbertus Jacobus Johan

Piet (Petrus Albertus) Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ierland, Chili en Israël – werd in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werkzaam als journalist. Hij wist in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Lon­den werd hij secretaris van premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Kasteel overleed in 2003 op 102-jarige leeftijd. (Collectie auteur)
(geboren 5 oktober 1893), Hendrikus Johan (gebo­ren 29 januari 1896) en Bernardus Gijsbertus (geboren 23 februari 1898). Deze laatste kreeg dus dezelfde naam als de kort daarvoor overleden oudste zoon. In die tijd woonde ook nog een klei­ne twee jaar de uit Arnhem afkomstige weduw­naar Bernardus Kasteel bij zijn zoon en schoond­ochter in. De eerste dochter werd in 1899 geboren, zij kreeg de doopnamen Wendelina Maria Hen­drika Berendina (geboren 17 september 1899). Opa Kasteel was toen inmiddels weer terugge­keerd naar zijn geboorteplaats Arnhem.
Bij de aangifte van de geboorte bij de burgerlij­ke stand van Petrus Albertus (met de overleden eerste zoon meegerekend dus het zesde kind van het echtpaar Kasteel-Nijenhuis) waren twee colle­ga-zadelmakers van de vader als getuige aanwezig. Deze getuigen, Johannes van Buren en Willem Johannes Christiaan Burbach, tevens buurtgeno­ten, waren niet katholiek, maar hervormd. De voor katholieken steeds stringenter in acht te nemen religieuze scheidslijnen – de bloeitijd van de verzuiling ving omstreeks de eeuwwisseling aan -golden in die tijd schijnbaar niet voor ‘wereldse’ zaken als een aangifte bij de burgerlijke stand.
Piet Kasteel werd, naar goed katholiek gebruik, nog op de dag van zijn geboorte gedoopt. De doopgetuigen waren, zo vermeldt het doop­boek van de parochie, oom Joannes en tante Joan­na Maria Ratering-Nijenhuis. Deze peter en meter waren, zoals dat ook bij vader en moeder het geval was, respectievelijk geboren in Arnhem en Wage­ningen. Ook bij de andere kinderen, onder ande­ren bij Hendricus Joannes, Bernhardus Gijsbertus en ‘Berendina’ kwamen de doopgetuigen meestal uit de regio Arnhem-Wageningen.4 De band met de familie uit het Gelderse moet stevig zijn geweest.
Het verschil tussen de protestantse en de katholieke schrijfwijze van de mannelijke en de vrouwelijke vervoeging van de naam Jo(h)an komt overigens in de verschillende documenten veelvuldig naar voren.5 Door de ambtenaren van het Zwolse bevolkingsregister werd in ieder geval nog consequent de ‘protestantse’ spelling gehan­teerd, ook waar het dus katholieke kinderen betrof.
zwols historisch tijdschrift
67
Na Piet kreeg het echtpaar Kasteel nog twee kinderen, een zoon Johannes Lodevicus (geboren 24 januari 1903) en een dochter Hendrica Johanna Maria Wilhelmina (geboren 22 juni 1904).

Onder de rook van de Centrale Werkplaats
De wijk waarin het gezin woonde, Assendorp (een middeleeuwse verbastering van ‘oostendorp’), was een typische woonwijk voor personeel van de Staatsspoorwegen, de zogenaamde ‘spoorhazen’. Vanaf 1860 was er in deze buurt voorzichtig begonnen met de bouw van arbeiderswoningen. De aansluiting in 1864 van Zwolle op het spoor­wegnet en de spoedige komst van de Centrale Werkplaats (CW), die in de volksmond ook wel de ‘constructiewinkel’ werd genoemd, bracht een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg. Bood de CW in 1870 nog aan 136 man werkgele­genheid, in 1900, een jaar dus voor de geboorte van onze hoofdrolspeler, verdienden al 815 men­sen er een relatief goedbelegde boterham. In ver­gelijking met andere werkgevers betaalde de CW namelijk hoge lonen.
Assendorp had desondanks de naam een ‘rode wijk’ te zijn. De geschoolde arbeiders van de werk­plaats en ander personeel van de Staatsspoorwe­gen, zoals bijvoorbeeld conducteurs en machinis­ten, stonden vaak kritisch tegenover de bestaande maatschappelijke verhoudingen. Meer dan de meeste van hun tijdgenoten kwamen zij in contact met mensen uit andere gedeelten van het land. Het spoorwegpersoneel kon namelijk vrij per trein reizen. Bovendien las het merendeel kranten en was men georganiseerd in vakverenigingen. De vaak van elders, veelal uit het westen van het land afkomstige Assendorpers bewogen zich – ook al omdat het personeel van de Staatsspoorwegen regelmatig werd overgeplaatst – min of meer apart van de oorspronkelijke, wellicht wat meer gezags­getrouwe Zwollenaren.6
De behuizing aan de Deventerdwarsstraat 14 was erg klein. Een bouwtekening uit 1922 laat zien

Gebouwen van de Centrale Werkplaats omstreeks 1985. De vader van Piet Kasteel werkte hier als zadel­maker. (Collectie HCO) De Groeneweg omstreeks 1930. Het huis waar Piet Kasteel opgroeide staat er net niet op, het huis uiterst links is nummer 146. (Collectie Hogenkamp)

dat het huis tot dan toe nog geen aparte eigen keu­ken kende. Wellicht dat moeder Kasteel bij de buren kookte; het privaat werd in ieder geval met hen gedeeld. Daar komt bij dat in de grootste van de twee beschikbare kamers, de zolder niet meege­rekend, nog twee bedsteeën waren ingebouwd.7
Op regenachtige dagen zullen de kinderen Kasteel in het huis nauwelijks speelruimte hebben gehad. Rond 1906 betrok het gezin, inmiddels dus negen personen tellend, een andere woning. Deze lag aan de eveneens in de wijk Assendorp gelegen Groeneweg. De nieuwe behuizing betekende, naast het feit dat het aanzienlijk meer ruimte bood, nog een duidelijke verbetering ten opzichte van die van de Deventerdwarsstraat; het betrof hier namelijk een nieuwbouwwoning met keuken. Het huis, nadrukkelijk bedoeld als arbeiderswo­ning, was op een oorspronkelijk door de gemeente aangekocht terrein gebouwd door bouwvereni­ging De Verwachting.8
Het gebeurde in die tijd wel vaker dat particu­lieren hun krachten bundelden in dergelijke bouwverenigingen. De gevraagde woekerprijzen voor slechte huurhuizen – soms wel meer dan vijf gulden per maand – droegen ertoe bij dat mensen het initiatief in eigen hand namen om zodoende de wens van een eigen huis te kunnen realiseren. Ook in Zwolle waren deze hoge huren geen zeld­zaamheid, mede omdat door de groei van de CW de stad in de periode 1870-1900 een van de snelst groeiende gemeenten van Nederland was.9

Een kinderrijke buurt
Een wijklijst uit 1912 geeft een goed beeld van de samenstelling van de bewoners van de Groene-weg. In het huizenblok, de Groeneweg 134 tot en met 152, waarin het gezin Kasteel op nummer 150 woonde, werkten van de tien huisvaders er liefst negen bij de Staatsspoorwegen. Van die negen verdienden er vijf de kost als wagenmaker, twee als bankwerker en twee als zadelmaker, waaronder dus vader Kasteel. Die laatste groep was onder meer belast met het bekleden van de banken in de treinwagons. Op nummer 142 woonde een in dat opzicht vreemde eend in de bijt, de boekdrukker
J. Egbers met vrouw en kind.
De naaste buren waren, zo vermeldt het bevol­kingsregister, allen van Nederlands-hervormde huize. Op nummer 148 woonde het gezin Van Hensbergen met een zoon en een dochter. Zoon Matthijs was een jaartje jonger dan Piet. De ande­re buren, het gezin Polleman bestond eveneens uit vier personen. Van de twee dochters was de oud­ste, Alijda Gesina, in hetzelfde jaar geboren als Piet.
Het was een kinderrijke buurt waar de jonge Kasteel opgroeide. De gezinnen met het grootst aantal kinderen waren meestal katholiek. De gees­telijke herders van de parochie hielden scherp toe­zicht op de vorderingen van hun schapen. Zo wer­den vormsel en eerste communie nauwlettend opgetekend. Op nummer 134 woonde het echt­paar Franken met liefst negen kinderen.10 Bij het gezin woonde ook nog oma van moederszijde in, de weduwe Jacoba van de Heuvel-Vos.11
Zelfs in een nieuwbouwhuis met een relatief groot oppervlak van pakweg 80 vierkante meter woonruimte moet dat met twaalf personen voort­durend inschikken zijn geweest. De woonkamer mat namelijk in het gunstigste geval 4,35 bij 3,60 m.12 Toch waren de meeste arbeiderswonin­gen in Assendorp in vergelijking met die in andere wijken in Zwolle niet ‘overbewoond’. In 1908/1909 woonden er volgens een rapport van de Gezond­heidscommissie slechts in negen procent van de Assendorper huizen te veel mensen. Elders in de Overijsselse hoofdstad lag dat percentage aanmer­kelijk ongunstiger.13

Een religieus gemengde stad
Wat was dat eigenlijk voor een stad, dat Zwolle uit de jeugdjaren van de jonge Kasteel? In ieder geval ­en dat is volgens Kasteel belangrijk geweest voor zijn latere denken14 -was het een religieus gemengde stad. In 1914, het jaar dat Piet de stad de rug toekeerde om in Grave naar het kleinsemina­rie te gaan, telde de oude Hanzestad met een bevolking van 33.850 inwoners: 58,6 procent her­vormden, 9,7 procent gereformeerden en 22,8 procent katholieken.15 Voorts herbergde de stad nog kleine groepen lutheranen, doopsgezinden en joden, die allen nog geen twee procent van de

De Groeneweg op de kru

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 2

Door | 2002, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Terborchstraat 10
2 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
ZWOLLE, — hoek Statlonsw
en Van Nagelstraat
ÏD 51
{Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
Ansichtkaart hoek Stationweg en Van Nagellstraat
Poststempel 14 november 1911
‘Eerwaarde Broeder,
Uw brief hebben we Zaterdag in goede gezondheid
ontvangen en met genoegen gezien dat U het ook
goed maakt, maar druk. Nu zoo gaat het mij ook,
van den morgen tot de avond bezet. G. Meijnders is
Zaterdagavond nog een poosje hier geweest, hij is al
druk voor St. Nicolaas. Met den H.E. Heer Deken
aan het hoofd is hier een comité gevormd om Z.E.
Kardinaal v.Rosschum een huldeblijk aan te bieden.
Ook de Heeren Geestelijken uit Zw. geboren met de
Proost Deken Mulder van Wolvega hebben zooiets
op touw gezet.
Nu Heer broer de hartelijke groeten van Vader en
Moederen van Uw Zus Anna.’
Jarenlang was Wilhelmus Marinus van Rossum de
trots van katholiek Zwolle. Deze in 1854 geboren
Zwollenaar maakte een indrukwekkende kerkelijke
loopbaan met als bijzonder hoogtepunt de
benoeming tot kardinaal door paus Pius X in
november 1911. Deze eer was slechts twee Nederlanders
te beurt gevallen en de laatste keer was bijna
vier eeuwen geleden. In Zwolle werd deze
heuglijke benoeming onder meer gevierd met een
plechtig lof en een feestpredikatie in de Dominicanenkerk.
In de ansicht wordt, met verkeerd gespelde
naam van de kersverse kardinaal, aan de
voorbereiding van deze huldeblijken gerefereerd.
De genoemde geestelijke Mulder, proostdeken
van Wolvega, was een boerenzoon uit Wijthmen.
De Van Nagellstraat (met dubbel 1) was in het
begin van de twintigste eeuw een nieuwe straat, de
meeste huizen zijn er gesierd met fraaie Jugendstil-
tegeltableau’s. Het gebied waar de straat werd
aangelegd was voordien eigendom van de familie
Van Nagell.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
In deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift
speelt de negentiende eeuw een belangrijke
rol.
Maria Hansen beschrijft het korte leven van
een meisje ‘van stand’, Sophie van Haersolte.
Ondanks haar zwakke gezondheid nam zij deel
aan uitjes naar familie, en, juist ter verbetering van
haar gesteldheid, maakte zij reizen naar het buitenland.
Vader Johan Christiaan, lid van de Tweede
Kamer, liet niets achterwege om haar de beste
verzorging te geven. Het mocht niet baten: op 35-
jarige leeftijd werd zij op Bergklooster begraven.
Een van de fraaiste straten in Zwolle is de Terborchstraat.
Theo de Boer beschrijft het pand
waarin hij zelf tot voor kort woonde en als antiquaar
gevestigd was: Terborchstraat 10. Hij beschrijft
tevens het ontstaan van de straat. De succesvolle
architect Steven Trooster was verantwoordelijk
voor deze imposante villa, een ‘plaatje’
in de stijl van de neorenaissance. De Boer begon al
met het pand in oude luister te herstellen, de nieuwe
eigenaar, makelaar Chris van Beek, zal dit voltooien.
Jan ten Hove zet in zijn artikel uiteen hoe het
nieuwe standaardwerk over de Zwolse geschiedenis
opgezet wordt en hoe de vorderingen zijn. Hij
geeft nu al vast de feiten rond een paar Zwolse
eigenaardigheden weer, nl. de verklaring van de
Zwolse blauwvingers en, zoals hij het noemt, de
Hanzemythe. Het geeft aan hoe elke tijd de
geschiedenis gebruikt om de stad er zo voordelig
dan wel roemrijk mogelijk uit naar voren te laten
komen.
In december 2000 wilde Wim Coster informatie
over een dienstmakker van zijn opa. Wat zijn
oproep opleverde, kunt u in dit nummer lezen.
Feestelijkheden van katholiek Zwolle komen
aan bod bij de beschrijving van de ansichtkaart en
in de bespreking van het boek Carnaval in Zwolle.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een oubaas,
een bottendokter en een antiquaar Theo de Boer 40
Een nieuwe Geschiedenis van Zwolle Jan ten Hove 56
Een ‘redelyk zoet’meisje, Sophia Cornelia
baronesse van Haersolte, 1838-1873 Maria L. Hansen 62
Werd vervolgd: Een oude dienstmakker Wim Coster 73
Recent verschenen Marieke Schaap-Steegmans 75
Boekbesprekingen 77
Mededelingen 80
Auteurs 82
Omslag: Terborchstraat 10-12, een zeer rijk pand in neorenaissancestijl en het
enige in de Terborchstraat dat zowel van binnen (nr. 10) als van buiten nog veel
originele stijlelementen bevat. (Collectie HCO)
40 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een
oubaas, een bottendokter en een antiquaar
Theo de Boer
Plattegrond van Zwolle
uit de Atlas van Kun,
1845. Er is nog nauwelijks
sprake van bebouwing
buiten de stadsgracht.
De huidige Stationswijk
heette toen de
‘Landen achter de
Hoven’. Duidelijk valt
het hoornwerk te onderscheiden,
een verdedigingswerk
in de vorm
van een ‘M’, gelegen
waar nu de Van Karnebeekstraat,
de Zuiderkerkstraat
en de Zeven
Alleetjes lopen. (Particuliere
collectie)
In 1850 was Zwolle een kleine provinciestad. De
bebouwing bevond zich nog grotendeels binnen
de grachtengordel. Het kaartbeeld uit die
tijd verschilt maar weinig van de vroegste kaart
van Zwolle, rond 1560 getekend door Jacob van
Deventer. Al die tijd had het leven zich binnen de
grachten afgespeeld. Daarbuiten woonden alleen
boeren en tuinders.
De ‘uitleg’ van de stad begon rond 1860. Met
de aanleg van Assendorp werd een begin gemaakt.
Daartoe was al in 1861 de Sassenpoortenbrug verbeterd
door de bekende Zwolse aannemer B.H.
Trooster. Notabelen begonnen aan de overkant
van de stadsgracht, de huidige Van Roijensingel,
fraaie villa’s te bouwen. Omstreeks dezelfde tijd,
in 1864, kreeg Zwolle zijn station; toen nog een
houten gebouwtje bij de Willemsvaart, ver buiten
de bebouwde kom gelegen. Dit stationnetje bleek
al snel te klein. In 1868 verrees een nieuw emplacement,
gelegen op de huidige locatie en gebouwd
volgens de eisen van de hoogste bouwklasse van de
spoorwegen. De aanwezigheid van dit station gaf
een enorme impuls aan de ontwikkeling van de
daar in de buurt gelegen wijken. De Stationsstraat
werd na de gereedkoming van het station aangelegd
als eerste verbinding tussen station en het
stadshart. Straten waren daar verder nog nauwelijks:
van de Terborchstraat valt in deze tijd nog
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
niets te bespeuren. Enkele straten bestonden al
wel: de Zeven Alleetjes (welke indertijd een wandelplaats
was voor de binnenstadsbewoners,
beplant met zeven niet even lange rijen lindebomen);
de Deventer Dwarsstraat (de huidige Zuiderkerkstraat)
en de Achtersteeg (de huidige
Tuinstraat). De directe omgeving van de huidige
Terborchstraat heette Hertenkamp. De naam van
de huidige Hertenstraat is hier nog een verwijzing
naar. Het terrein ten zuiden van de gracht, de huidige
Stationswijk, heette oorspronkelijk de ‘Landen
achter de Hoven’, zoals op een kaart uit 1845 is
te zien. Duidelijk valt daarop het ‘hoornwerk’ te
onderscheiden, één van de twee voorwerken welke
Zwolle rijk is geweest. Een hoornwerk was een
zeventiende-eeuws verdedigingswerk gelegen buiten
de ommuring en stadsgracht in de vorm van
een ‘M’. Deze ‘M’ is nu nog terug te vinden in de
loop van de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat
en de Zeven Alleetjes. In 1875 werd een plan
voor een nieuwe wijk tussen station en stadscentrum
getekend door de Zwolse stadsarchitect J.L.
van Essen. Dit plan werd later uitgebreid doordat
er de Van Nagellstraat en de Hertenstraat aan toe-
Opname halverwege de
Terborchstraat, vanaf
de kant van het station.’
Omstreeks 1885. Het
pand 10-12 is nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
Al een zeer herkenbare
Terborchstraat,
omstreeks 1885, gefotografeerd
vanaf de kant
van het station. Het eerste
pand links in de
straat, met overdekte
veranda, is Terborchstraat
22. De nummers
10-12 zijn nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Steven H.J. Trooster
(1849-1910) in 1885.
(Particuliere collectie)
gevoegd zijn. Het was een gedurfd project, waar de
veemarkt direct naast de spoorbaan geprojecteerd
werd.
Aanleg Terborchstraat
In 1882 werd een tweede straat tussen de inmiddels
grotendeels bebouwde gracht en het station aangelegd:
de huidige Terborchstraat. Deze straat was
het verlengde van de Zeven Alleetjes. Enkele Zwolse
gemeenteraadsleden maakten zich zorgen dat de
aanleg van de nieuwe straten, waaronder de Terborchstraat,
tot een financieel debacle zou leiden.
De discussie in de gemeenteraad getuigt hiervan.
De architect had de kosten in 1880 begroot op
13.163,- gulden bij een breedte van 12 meter en
inclusief aanschaf van de grond, welke nog van het
Weeshuis verworven moest worden. Het college
zag wel heil in de aanleg en vermoedde dat er snel
bebouwing zou plaatsvinden, met name van burgerwoonhuizen.
Mr. J. Gratama, lid van de Zwolse
gemeenteraad, was een van de weinige gemeenteraadsleden
met een vooruitziende blik. Hij
betoonde zich een groot voorstander van de aan te
leggen straat: ‘Overal breiden zich de steden bij de
stations uit, de bevolking verplaatst zich bij voorkeur
naar den omtrek van stationsgebouwen’. Ook
de heer J.H. Schellwald was een voorstander: ‘Dat
zal een kalme aangename binnenweg zijn, in het
klein gelijk aan de Stationsweg’ en spreker hoopte
dan ook, dat er enige villa’s zullen worden
geplaatst. Hij achtte het tot stand komen ‘van den
weg bepaald een verbetering voor de Gemeente’.
Mr. G. Roijer was een van de tegenstanders, hij
beargumenteerde dat: ‘… de grond bij het station
daar jaren heeft gelegen voor hij kopers vond…
Wellicht wakkert de lust aan [! ]’. Uiteindelijk werd
het voorstel met dertien tegen vier stemmen aangenomen.
Dit alles speelde zich in het voorjaar van
1880 af. In oktober 1881 werd én het plan voor de
riolering én het bestek goedgekeurd en in 1882 kon
de nieuwe straat aangelegd worden. De straat werd
vernoemd naar de vermaarde zeventiende-eeuwse
Zwolse schilder Gerard Terborch. ‘Gerard Terborchlaan’
zou een betere benaming zijn geweest:
de straat werd omzoomd door lommerrijke
bomen en was bijzonder rustig gelegen tussen het
station en het stadshart. Uiteindelijk heeft de heer
Schellwald gelijk gekregen en werden de villa’s
gebouwd. Anno 2001 staan er nog steeds aan beide
zijden bomen: in de winter klimmen de boomklevers
hierin omhoog en in het voorjaar broeden de
pimpel- en koolmezen in nestkastjes. In 1864
woonden er 20.500 mensen in Zwolle, anno 2001
meer dan 105.000; de Terborchstraat heeft als één
van de weinige haar originele karakter behouden.
De gevels van bijna alle panden zijn nagenoeg
identiek aan de oorspronkelijke gevels. De meeste
huizen zijn tussen 1880 en 1890 gebouwd; alleen het
pand met de huisnummers 9-11 dateert uit 1914 en
nummer 17 dateert uit 1924. De aarde die eerst
woest en ledig was, zou omgetoverd worden tot de
‘doktersstroate’ van Zwolle. Een plattegrond van
Zwolle uit 1904, waar de gehele Stationswijk op
staat, geeft al bijna, op de genoemde latere panden
na, de huidige situatie weer.
ZWOLLE
Frillikutil.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
De architect
De architect van Terborchstraat 10 is Stephanus
Hermannus Joseph Trooster, roepnaam Steven.
Steven Trooster werd geboren te Zwolle op 22
december 1849 e n is overleden te Utrecht op 26
november 1910. Hij was een zoon van de boven al
genoemde bekende Zwolse aannemer, beter
gezegd projectontwikkelaar avant la lettre, Bernardus
H. Trooster. Over Bernardus is in 2000 in
dit tijdschrift een uitgebreid en aardig artikel verschenen
van de hand van een nazaat. De eerste
levensjaren van Steven zullen wel onbekommerd
zijn geweest daar zijn vader, toen nog, een bemiddeld
man was. Regelmatig verhuisde het gezin
Trooster naar één van de door Bernardus nieuw
gebouwde huizen. Het tot dan bewoonde pand
werd vervolgens, met de nodige winst, verkocht.
Over de opleiding van Steven tot architect is niets
Bouwtekening van het
vooraanzicht van Terborchstraat
10-12 van de
hand van de architect,
Steven J.H. Trooster.
(Collectie HCO)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plan van de bei-etage
van Terborchstraat 10-
12 van de hand van de
architect, Steven J.H.
Trooster. (Collectie
HCO)
concreets bekend, maar vermoedelijk heeft de
zoon het vak van zijn vader geleerd en daarnaast
gestudeerd. Zijn eerste bouwwerk dateert uit 1872,
een verbouwing van een huis aan de Zeven Alleetjes.
In 1881 trouwt Steven met Cornelia Maria
Kamphuis uit Zaandam, de dochter van een welgestelde
familie van houtkopers. Vader Trooster
ging in 1883 failliet. Steven stond zowel zijn vader
als zijn beide broers Bernard Jr. en Martinus
financieel bij. Dit moet een behoorlijke belasting
voor hem betekend hebben; het vermogen dat hij
desondanks bezat is vermoedelijk voor een groot
gedeelte afkomstig geweest van zijn schoonfamilie.
Want Trooster was op het eind van zijn leven
geenszins een onbemiddeld man, hetgeen duidelijk
blijkt uit de akte van scheiding en deling na
zijn overlijden in 1910. Hij liet zijn vrouw de volgende
onroerende zaken, ter waarde van circa
135.000,- gulden, na: vijf huizen in de Terborchstraat;
tien huizen in de Celestraat; de steenfabriek
‘De Koppel’ te Houten en een bouwterrein aan het
Wilhelminapark te Utrecht.
Troosters werk
Architect Trooster was in Zwolle zeer succesvol en
bouwde in de tachtiger en negentiger jaren tal van
imposante villa’s. Bijna al zijn ontwerpen zijn in
de neorenaissancestijl, een stijl die jarenlang verfoeid
is, maar die tegenwoordig meer en meer
erkenning begint te krijgen.
Panden die hij naast de huizen in de Terborchstraat
ontworpen heeft zijn onder meer:
1882 Het Bestevaershofje, Potgietersingel 5 (nu
Monuta Stichting);
1883 De villa van wijnhandelaar J.F.G. van Reede,
Burgemeester van Roijensingel 18 (nu:
Bramer Bedrijfsmakelaardij);
1884 Ter Pelkwijkpark 18, het voormalig gemeentehuis
van Zwollerkerspel (nu
uitvaartcentrum);
1883 Stationsweg 2. In dit pand is geruime tijd
het Kadaster gehuisvest geweest. In de
nieuwe behuizing van het Kadaster op het
Hanzeland hangt achter de publieksbalie
een zeer fraaie aquarel van Stationsweg 2
van de hand van Trooster.
1889 De Buitensociëteit. Bij de opening van de
Buitensociëteit tegenover het station
schreef het tijdschrift De Opmerker op 8
februari 1890: ‘Dezer dagen werd te Zwolle
de nieuwe concertzaal van de Buitensociëteit
feestelijk ingewijd. De geringe beschikbare
middelen waren oorzaak dat bij den
bouw de grootste economie moest worden
betracht. Toch is het den architect, den
heer S.J.H. Trooster, gelukt een gebouw te
stichten dat blijkens de eenstemmige getuigenis
in alle opzichten aan de verwachting
beantwoordt. Aan het slot van de rede viel
den architect een warme ovatie ten deel’.
Ongetwijfeld heeft Trooster meer panden ontworpen
in Zwolle. Hij genoot ook landelijke
bekendheid. De man moet een goed katholiek
geweest zijn, hetgeen blijkt uit de aanpassingen
van het priesterkoor, de kapellen en catechisatieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
lokaal en -kamer in 1888 en 1889 van de Onze-Lieve-
Vrouwe Kerk (de Peperbus), die hij heeft
mogen realiseren.
Troosters visie
In 1895 werd Trooster gekozen in de Zwolse
gemeenteraad. Hij blijkt wederom een man van
grote sociale gevoelens, nu niet alleen voor zijn
armlastige familieleden maar in het bijzonder
voor de arbeidende klasse. Trooster staat namelijk
aan de wieg van de eerste bouwverordening in
Zwolle. Hij had in de gemeenteraad verreweg de
modernste ideeën over het bouwen voor ‘Jan met
de Pet’. Gedurende het gehele jaar 1897 weerde
Trooster zich dapper om zijn opvattingen over
bredere straten, grotere huizen, hogere huizen en
huizen met plafonds in de bouwverordening te
krijgen. Dit speelde vooral in de nieuwe wijk
Assendorp, gebouwd als echte arbeidersbuurt
voor de ‘spoorhazen’. Helaas, de strijd werd grotendeels
verloren door Trooster. Het college van B
en W kwam met een veel ‘bekrompener’ bouwverordening,
welke in december 1897 werd goedgekeurd.
De handelingen van de Zwolse gemeenteraad
getuigen hiervan:
‘Hij [Trooster] kan zich niet begrijpen, dat
Burgemeester en Wethouders de cijfers van ’t concept
verlagen willen. Bij een hoogte van 3 M. zal
een vertrek van 48 M2, nog niet meer zijn dan 4 bij
4 M, en dat is toch werkelijk niet te veel voor de
woonkamer van een gezin, dat er dan in den regel
nog in slaapt ook en waarin gekookt en gegeten.
Spr. kan het zich niet begrijpen hoe men die afmeting
nog te groot kan noemen. Neem een gezin
van 6 personen: man, vrouw en 4 kinderen, dan
heeft men bij de afmetingen, in het concept aangegeven,
juist 8 M2 per persoon om te wonen en te
slapen. Het is eigenlijk al te klein. Het geeft op verre
na niet wat uit een oogpunt van gezondheid
mag worden geëischt.’
HOLLANDSCHË SOCIËTEIT VAN LEVENSVERZEKERINGEN, Opgericht in ’t jaar 1 8 0 7 te AMSTERDAA
ZWOLLE. ,j X
3 Bank vnn LMnlng.
H BMhlohomneho Kort.
l BroeroDkork.
pgodo
8 Doioliilrctiitir Kloos
K, C. Kort.
O OerecbUbof.
CO Pent’ an TOosnaf kantoer.
81 RUfcf» U. B. School.
3 & n p o o r t ,
ulü.
fU Slaiftm
Btoomtmm.
36 Ht. Ulohnftltitork.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2001, Aflevering 2

Door | 2001, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
itPÓT
OCR
etnanummer: i
Fotografen in Z
• A I ^ – ••’• -I96O
DBDBGHAi
2OO1 NUMMER 2
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
ZVVOLLE
ARCHIEF
96»
Groeten uit Zwolle
Ansichtkaart Luttekestraat – Peperbus
Poststempel 22 mei 1937
Op een zomerse dag verheft de Peperbus zich
majestueus boven de huizen aan het begin van de
Luttekestraat. Stoelen staan uitnodigend klaar op
het dakterras. Hoe dominant de Peperbus ook is,
deze ansichtkaart is gekozen vanwege het pand
Luttekestraat 4-1. Ten tijde van de opname
(ca. 1935) was daar de foto en brillenzaak van Herman
Heukels gevestigd, zoals boven de entree te
lezen valt. Aan de erker hangt een reclamebord
van Kodak. Zowel Herman als zijn broer Jan, ook
fotograaf, keerden na de oorlog niet in Zwolle
terug vanwege hun nazi-sympathieën. Naast de
zaak van Heukels hadden de gezusters Van den
Berg een ‘parapluie magazyn’ genaamd Colombine.
Het pand Luttekestraat 4 vormde eeuwenlang
een geheel met het – niet afgebeelde – hoekpand
(nr. 2) en deed van 1605-1880 dienst als stadswaag.
Het merkwaardige dak van het hoekpand laat ook
nu nog duidelijk zien dat er wat van het dak ‘verdwenen’
is. In 1904 werd nr. 4 in Jugendstil opgetrokken.
De gevel is rijk gedetailleerd. Bij de bouw
kwam de eerste etage op dezelfde hoogte te liggen
als die van het hoekpand, duidelijk hoger dan wat
gangbaar was. Ook dat herinnert nu nog aan de
waagfunctie.
Piet Hekkert, die de kaart ontving, was een
zoon van Bernardus Hekkert, chauffer, en van
Catharina Kluessjen. Als achtjarige ging hij in 1937
op vakantie naar Schiermonnikoog. Zjn ouderlijk
huis stond aan de Ossenmarkt 8a, dus net achter
de afgebeelde huizen. Van daaruit kon hij dagelijks
de Peperbus zien. En omdat hij die als echte
Zwollenaar natuurlijk miste, zal Lien Thalen hem
deze kaart gezonden hebben.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt een forse aflevering van het tijdschrift,
een themanummer gewijd aan de fotografie in
Zwolle sinds zich hier omstreeks 1860 de eerste
fotografen vestigden.
De laatste jaren staat dit medium steeds meer
in de belangstelling. Zo vierde de Fotoclub Zwolle,
voorheen de Zwolse Amateur-Fotografen Vereniging,
in 1994 zijn 100-jarig bestaan met een tentoonstelling
in de Broerenkerk. In 1998 besteedde
het Gemeentearchief Zwolle met een expositie
aandacht aan de amateur-fotograaf Bertus Meulenbelt.
Van 2 juni tot en met 5 augustus 2001 zijn in
het Stedelijk Museum Zwolle drie tentoonstellingen
te zien, waarvan één onder dezelfde titel als dit
themanummer. De andere twee zijn ‘Assendorp,
de geschiedenis van een Zwolse wijk in foto’s’ en
‘Ger Dekkers, Horizons Unlimited’. De eerste
genoemde tentoonstelling is een samenwerkingsproject
tussen het Historisch Centrum Overijssel
(voorheen het Gemeentearchief) en het museum.
Het HCO heeft een grote fotografische collectie,
deels originelen, deels kopieën van originelen. Alle
in dit nummer besproken foto’s, met uitzondering
van die van Aarts Everaarts, bevinden zich in
die collectie.
De samenstelling van dit themanummer is
geheel verzorgd door vier leden van de redactie:
Annèt Bootsma-van Hulten, Lydie van Dijk, Wim
Huijsmans en Jean Streng en één gastredacteur:
Jeanine Otten.
De uitvoering van dit extra dikke nummer
werd mogelijk dankzij een financiële bijdrage van
het HCO.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Van Adrian tot Ziegler, Fotografen in Zwolle 1860-1960
Jeanine Otten 40
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann (1840-1906) Jeanine Otten 48
Gerrit Jacobus Wispelweij (1850-1916) Annèt Bootsma-van Hulten 53
Jan Anthonie Eelsingh (1866-1949) Wim Huijsmans 57
Christoffer Jacobus Josephus Schaepman (1872-1962) Jeanine Otten 61
Pieter Nicolaas Louis Keuzekamp (1890-1964)
Annèt Bootsma-van Hulten 66
Albertus Meulenbelt (1904-1967) Lydie van Dijk 70
AdolfHermanusHenneke (1914-1976) Wim Huijsmans 74
Adrianus Everaarts (1931) Lydie van Dijk 80
Biografisch overzicht Zwolse fotografen 1860-1960 Jeanine Otten 84
Auteurs 90
Omslag: Vispoortenplas, 1893. Een letterlijk en figuurlijk vroege foto van
Wispelweij. De opname werd gemaakt op 10 april 1893 ’s morgens om zeven uur,
belichtingstijd ‘2 seconden bij helder weer’. Lees verder oppaginasó
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
VanAdrian totZiegler
Fotografen in Zwolle 1860-1960
Jeanine Otten Voor de geschiedenis van de fotografie in
Zwolle is de periode 1860-1960 om diverse
redenen interessant. Evenals in andere steden
ontwikkelden zich hier in deze 100 jaar de
beroeps- en de amateur-fotografie en kwamen
beroepsfotografendynastieën voor. Het beroep
werd van vader op zoon en soms op kleinzoon
doorgegeven. Nadat de stad in de jaren 1842-1860
diverse keren werd bezocht door rondtrekkende
daguerreotypisten, vestigden zich hier kort na
1860 de eerste beroepsfotografen. Deze hielden
zich voornamelijk bezig met portretfotografie op
visitekaartformaat en groter. Vanaf omstreeks
1875 werden ook stadsgezichten gefotografeerd.
Deutmann is de enige Zwolse fotograaf die in de
periode 1885-1900 ook historische gebeurtenissen
fotografeerde.
Door diverse ontwikkelingen in de fotografie
werd kort voor 1900 dit medium ook voor amateurs
bereikbaar. Fabrikanten als Wispelweij,
Schaepman en textielhandelaar Remmers maakten
rond 1900 foto’s van hun families en van het
Zwolse straatleven. Na 1900 kwam er een hausse in
het aantal fotografen, zowel beroeps als amateurs.
Het aantal beroepsfotografen in Zwolle bleef
vrij constant tot de wederopbouwperiode na de
Tweede Wereldoorlog. Toen stortte een ‘leger’
van ondernemende winkeliers zich op de fotografie
en de handel in fotografische artikelen. Na 1950
kon bijna iedereen zich een fototoestel permitteren.
Beroepsfotografen maakten niet langer meer
alleen studioportretten of huwelijksreportages,
maar handelden ook in fotoapparatuur. Naast
gespecialiseerde fotohandelaren zien we in Zwolle
overigens al vanaf 1930 winkeliers die naast bijvoorbeeld
tabak of boeken ook fotoapparatuur
verkochten en achterin de zaak pasfoto’s maakten.
Ook ontwikkelde het merendeel van de amateurfotografen
niet langer zelf de negatieven maar
bracht ze naar de fotohandel die voor de afdrukken
zorgde. Omstreeks 1960 was dit allemaal
gewoon en massaal geworden.
Fotocollecties Historisch Centrum Overijssel
Uit de grote hoeveelheid fotografen in Zwolle die
tussen 1860 en 1960 werkzaam zijn geweest wordt
in de volgende pagina’s een beperkt aantal nader
belicht. Van een achttal fotografen, vijf beroeps en
drie amateurs, zijn foto’s geselecteerd. Gekozen is
voor die fotografen die belangrijk zijn geweest
voor de geschiedenis en / of ontwikkeling van de
beroeps- en amateur-fotografie in Zwolle in de
periode 1860-1960. Uitgangspunt hierbij was, met
uitzondering van de collectie Everaarts, de aanwezigheid
van hun werk in de fotocollectie van het
Gemeentearchief Zwolle, sinds maart 2001 gefuseerd
met het Rijksarchief in Overijssel in het Historisch
Centrum Overijssel (HCO).
In de collecties van het HCO speelt de fotografie
vooral een documentaire rol. De fotocollectie is
onderdeel van de Topografisch-Historische Atlas
Zwolle, de. verzameling die door middel van kaarten,
prenten, tekeningen, foto’s, dia’s, affiches en
prentbriefkaarten de geschiedenis van de stad in
beeld brengt. De doelstelling van deze verzameling
brengt met zich mee dat voor de foto als louter
artistiek medium geen plaats is ingeruimd. Dat
wil zeggen, het HCO verzamelt geen fotografie als
individueel kunstwerk. In de fotocollectie Zwolle
bevinden zich ca. 17.000 foto’s van Zwolse straten
en gebouwen en ca. 20.000 foto’s van historische
gebeurtenissen, personen en afbeeldingen van het
maatschappelijk leven in Zwolle. De foto’s worden
gebruikt bij historisch onderzoek, als illustratie
in diverse publicaties, als referentie bij verbouwingen
en restauraties, als nostalgische herinnering,
enzovoorts.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De daguerreotypisten
In 1842 maakte Zwolle voor het eerst kennis met
de fotografie, vijfjaar na de uitvinding van de daguerreotypie
(1837) door L.J.M. Daguerre (1787-
1851) en drie jaar na de bekendmaking van de
methode (1839). In 1839 kocht de Franse regering
het door Daguerre gevonden procédé en bood het
als geschenk aan de hele wereld aan, op grond
waarvan 1839 wel als ‘geboortejaar’ van de fotografie
beschouwd wordt. De daguerreotypie
behoort met de calotypie tot de vroegste fotografische
techniek. Een gepolijste koperen plaat werd
voorzien van een dun laagje zilver dat lichtgevoelig
werd gemaakt door chemische reactie met jodium-
en broomdampen. De plaat werd daarna in
de camera geplaatst en belicht. Het beeld werd
ontwikkeld met kwikdamp. Het kwik hechtte zich
alleen aan de zilverdeeltjes waarop licht had ingewerkt
en vormde zo een beeld. Omdat een negatief
ontbreekt waarvan afdrukken gemaakt kunnen
worden, zijn daguerreotypieën unicaten. Een daguerreotypie
kenmerkt zich door een hevig spiegelend
oppervlak, waardoor de afbeelding alleen
onder een bepaalde hoek bekeken kan worden.
Gewoonlijk zijn daguerreotypieën in een etui of in
een lijstje geplaatst.
Auvry
Op 23 augustus 1842 adverteerde de rondreizende
Franse daguerreotypist Auvry iri de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant dat hij in 30
seconden portretten ‘au Daguerreotype’ maakte.
De gelijkenis was ‘onfeilbaar’. Auvry verbleef te
Zwolle in Café Belle Vue. Dit etablissement werd
gedreven door H.G. Breyinck (1796-1881), koffiehuishouder,
en was gevestigd in de Praubstraat
16-18. Breyinck heeft aan diverse rondreizende
fotografen onderdak geboden. Misschien had hij
een speciale belangstelling voor fotografie want we
komen ook tentoonstellingen en veilingen van
fotografieën in Café Belle Vue tegen.
Auvry was de eerste van een groep rondreizende
fotografen die op hun tochten door Nederland
ook Zwolle aandeden. Deze fotografen werkten,
net als Auvry, in logementen of bij winkeliers en
richtten daar een tijdelijk atelier in. In die eerste
jaren van de fotografie zullen ze niet veel klanten
hebben gehad. Voor een portret moest men al
gauw tien gulden betalen, in die tijd een tamelijk
hoge prijs zodat alleen de gegoede burgerij zich
een fotografisch portret kon veroorloven.
Fotograaf op de Grote
Markt, omstreeks 1930.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In de maanden november 1842 tot februari
1843 was de reizende daguerreotypist Jacobus P. C.
Meijlink (1820 -1862) werkzaam in Zwolle. Aanvankelijk
was hij van plan acht dagen in Zwolle te
blijven, zo bleek uit zijn advertentie. Hij maakte in
één minuut daguerreotype portretten ‘naar de
volmaaktste gelijkenis’. Van ’s morgens tien tot
’s middags vier uur werkte hij in Odéon, ingang
Praubstraat. De prijzen van zijn daguerreotypieën
varieerden tussen de vier en zes gulden. Meijlink
verhuisde in de jaren vijftig naar Amerika waar hij
het beroep van fotograaf voortzette. Vanuit Amerika
zond hij zijn familie in Nederland een stereoscopisch
zelfportret in daguerreotypie. Dit bijzondere
zelfportretje is nog steeds in familiebezit.
Auvry en Meijlink werden gevolgd door andere
daguerreotypisten zoals A. Perin in 1843 en de
familie Guyard in 1844.
Het lijkt er op alsof er na 1844 geen rondreizende
daguerreotypisten meer waren die Zwolle
aandeden. Pas in 1859 vinden we een vermelding
van de rondreizende fotograaf Désiré Bernard.
Deze was kort in Zwolle werkzaam: gedurende
twee dagen vervaardigde hij fotoportretten bij
gegadigden aan huis. Hij hield verblijf bij Van der
Mook op de Grote Markt.
In 1861 bevond fotograaf L.R. van den Braak
zich tot twee keer toe tijdelijk in Zwolle om portretten
te maken. Zijn atelier was op de Oude Vismarkt,
tegenover J.W. Holtkamp.
Met de komst van veranderende fototechnieken
kwam omstreeks die tijd een einde aan de vervaardiging
van daguerreotypieën.
De camera obscura en stereoscopische opnamen
Op 30 juli 1852 kon men de camera obscura van
D. Kinsbergen bewonderen op het Rodetorenplein.
De camera obscura (Latijn voor donkere
kamer) is een voorloper van de toverlantaarn. Het
is een optisch toestel dat in beginsel bestaat uit een
lichtdichte ruimte waarin een beeld gevormd
wordt door een klein gaatje in een positieve lens.
Het principe van de camera obscura wordt teruggevonden
in fotocamera’s en filmcamera’s. Oorspronkelijk
werd het toestel gebruikt voor het
waarnemen van zonsverduisteringen, als hulpmiddel
bij het tekenen en als amusementsartikel.
Behalve de cartes-de-visite, de fotoportretjes
op visitekaartformaat (6×9 cm) die vanaf 1860
een ware rage werden, mochten ook stereoscopische
opnamen zich in een warme belangstelling
van het publiek verheugen. Door de dubbele
opname met een speciale kijker te bekijken vallen
de twee beelden in het oog ineen en krijgt men een
suggestie van diepte. Op de zomerkermis in 1860
bevond zich in een tent op de Nieuw Markt het
‘groot Nieuw Museum van Amerikaansche Stereoskoopen’.
In de collectie van het HCO bevinden
zich repro-afdrukken van stereoscopische
opnamen uit omstreeks 1895 van Zwolse stadsgezichten
en kerkinterieurs door amateur-fotograaf
Gerrit Wispelweij.
Het visitekaartportret
Tussen ca. 1855 en ca. 1870 was op het gebied van
portretfotografie de albuminedruk op visitekaartformaat,
afgedrukt van natte-collodiumglasnegatieven,
de populaire fotografische techniek. Het
visitekaartportret was ontwikkeld in Frankrijk.
Het was een relatief goedkope techniek, er konden
acht afdrukken uit een negatiefplaat, terwijl daarvoor
één portret per negatiefplaat gemaakt kon
worden. Visitekaartportretten werden aan relaties
gegeven ter vervanging van het gedrukte visitekaartje.
Omstreeks 1870 kostte een dozijn visitekaartportretten
één gulden. Er waren speciale
albums te koop om de portretjes in te verzamelen.
Rond 1870 ontstond naast het visitekaartportret
het grotere kabinetportret (11 x 16 cm). Deze duurdere
foto was meer bedoeld voor de gegoede burgerij.
Een hele verbetering in de fotografische techniek
vormde de in 1871 uitgevonden droge negatiefplaat,
die aan het eind van de jaren zeventig
fabrieksmatig werd geproduceerd. Fotografen
hoefden nu niet langer direct voor gebruik hun
platen te prepareren en te belichten voor het collodium
droog was, maar konden nu met een aantal
glasnegatieven op pad om bijvoorbeeld stadsgezichten
vast te leggen.
Kunstschilders
Een aantal beroepsfotografen zoals J.P.C. Meijlink,
F.W.H. Deutmann, G.J. Verhulst en J.A. EelZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
singh, was oorspronkelijk kunstschilder. Onder
druk van de dreigende concurrentie van de portretfotografie
schoolden zij zich om tot portretfotograaf.
Hun vaardigheden als schilder zullen te
pas zijn gekomen bij het schilderen van de achtergronddecors
in hun ateliers. Verder waren hun
ateliers gestoffeerd met draperieën, zuilen, tapijten
en diverse bankjes, hekjes, stoelen en tafeltjes.
Omdat de geportretteerden bij de toen gangbare
sluitertijden langdurig stil moesten zitten of staan,
waren er in het atelier ook diverse klemmen en
steunen aanwezig (soms onbedoeld zichtbaar op
de fotoafdruk). Kinderen mochten met een hobbelpaardje,
een pop of een hond op de foto. Baby’s
werden op schapen- of luipaardvellen gelegd.
Sommige afdrukken werden nog mooier gemaakt
met een mee afgedrukt lijstje van droogbloemen.
Na de eeuwwisseling liep de klassieke portretfotografie
langzaam ten einde. Na 1900 daalden de
prijzen van portretfoto’s nogal. In 1900 kostten zes
albumfoto’s nog één gulden, in 1915 kon men al
twaalf grote foto’s voor een kwartje krijgen. Een
nieuwigheid eind november 1912 was de kinosnel-
fotografie inrichting in Bioscoop De Kroon
aan de Diezerstraat. Twee kamers waren voor het
publiek ingericht. De klanten werden op een
bankje gezet waarna een fotograaf met behulp van
een magnesium-fiits een opname maakte. Een
machine vermenigvuldigde de afdrukken, een
dozijn foto’s kostte een kwartje. Die kon men al
een dag na de opname ophalen.
Beroepsfotografenfamilies
De eerste beroepsfotografen die langdurig in
Zwolle werkten, waren vader Mozes (1822-1899)
en zoon Abraham Cohen (1848-1923). Bij zijn
huwelijk in 1846 was de uit Hasselt afkomstige
Mozes Cohen nog koopman van beroep, in 1860
noemde hij zich ‘photograaph’.
In januari 1862 begonnen Cohen & Cie. in een
‘welingerichte’ verwarmde glazen tent in de Diezerstraat.
Ze hoopten ‘met een talrijk bezoek vereerd
te worden, daar zij niets hebben gespaard,
om hun Atelier zoo veel mogelijk luister bij te zetten’.
De Cohens namen zich voor zich hoofdzakelijk
toe te leggen op het vervaardigen van visitekaarten
‘welke voor in de grootste steden vervaardigde
in sieraad niet behoeven achter te staan, het
dozijn a 6 gulden’. Ook zouden zij zich voortaan
onledig houden met het vervaardigen van portretten
op glas vanaf 50 cent en hoger. Tijdens de kermis
van eind juli, begin augustus 1862 kostten
Cohens fotografische portretten op visitekaartformaat
5,50 gulden per dozijn ‘zeer verminderde
prijs tijdens de kermis!’. Blijkens advertenties was
het fotografisch atelier nog in 1868 in de Diezerstraat
bij de Broerenstraat.
Uit het adresboek 1877-1878 en een advertentie
in de catalogus van de Geschiedkundige Overijsselsche
Tentoonstelling in Zwolle uit 1882 blijkt
dat Mozes Cohen vanaf 1877 een atelier in de
Nieuwstraat (bij de Broerenstraat) had waar vergrotingen
naar albumportretten, glasplaten, in
alle afmetingen tot levensgroot ‘zeer kunstmatig
bewerkt’ werden aangenomen. Het atelier was
dagelijks geopend.
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann (1840-1906)
was de zoon van Franz Wilhelm Deutmann (1808-
1895), een uit Duitsland afkomstige schrijnwerker,
rondreizend koopman, reizend fotograaf en een
van de eerste vakfotografen in Amsterdam met
een eigen zaak. F.W.H.’s zoon H.F.J.M. (1870 –
1925) zou het in Den Haag tot hoffotograaf brengen.
In Amsterdam bestierde F.W.H, vanaf 1850
het atelier van zijn vader in de Hartenstraat.
In 1865 vestigde Franz W.H. Deutmann zich in
Zwolle. Aanvankelijk werkte hij in een fotografisch
atelier in de Bitterstraat tegenover de Roggenstraat,
tegenover de school van het Nut. Waarschijnlijk
had Deutmann dit atelier overgenomen
van fotograaf G. Hoogwinkel die blijkens een
advertentie op 4 juni 1864 hier gevestigd was.
G. Hoogwinkel had volgens deze advertentie
tevens een atelier in de Hoogstraat te Rotterdam.
Over Hoogwinkel zijn verder geen gegevens
bekend. Uit een advertentie in 1867 blijkt dat het
atelier van Deutmann in de Bitterstraat dagelijks
geopend was van 10 tot 4 uur, zondags van 10 tot 2
uur. Een dozijn albumportretten kostte 5 gulden.
Hiermee was Deutmann duurder dan concurrent
Mozes Cohen, die op dezelfde krantenpagina
adverteerde met 3,50 gulden voor een dozijn
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
albumportretten. Later, het jaar is niet met zekerheid
vast te stellen, richtte Deutmann een atelier
in in de Kamperstraat 9. Volgens een advertentie
in het Zwolse adresboek 1877-1878 vroeg Deutmann
(atelier Kamperstraat) in dat jaar 4 gulden
voor een dozijn visitekaarten, en 6 gulden voor zes
portretten op kabinetformaat. Tevens konden
artistieke vergrotingen van elk bestaand portret
van overledenen, in alle afmetingen tot levensgroot,
gemaakt worden. Het procédé was kooldruk,
een ‘nieuw, onveranderlijk procédé, te
Parijs, Amsterdam en Berlijn bekroond’.
Deutmann werkte met het natte-collodionprocédé,
een techniek die in Nederland vanaf ca.
1855 tot ongeveer 1880 in gebruik was. Bij deze
techniek moest snel gewerkt worden. Op een glasplaat
werd een laag collodion aangebracht waarin
kaliumjodide was opgelost. Voor de opname werd
de plaat gedompeld in een oplossing van zilvernitraat
in water. De belichting diende te gebeuren
terwijl de plaat nog nat was, waarna onmiddellijk
moest worden ontwikkeld en gefixeerd. Door uitdrogen
van de plaat zouden de zilverzouten uitkristalliseren
en zou het collodion minder doorlaatbaar
worden voor de ontwikkelvloeistof. Natte-
collodiumglasnegatieven werden vaak afgedrukt
op albuminepapier. Daarnaast maakte hij
ook afdrukken door middel van platinadruk en
kooldruk.
Vanaf ca. 1875 tot 1900 fotografeerde Deutmann
behalve personen in zijn atelier ook buiten
op straat. Foto’s van Zwolse stadsgezichten verkocht
hij op kabinetformaat, geplakt op kartons
met zijn adres. Deze foto’s werden in 1882 voor 75
cent per stuk verkocht in de boekhandel van
J.M.W. Waanders. In de collectie van het HCO
bevinden zich drie fotoalbums van Waanders, met
in totaal 221 foto’s op prentbriefkaartformaat,
gemaakt tussen ca. 1875 en 1900. Namen van fotografen
worden niet genoemd. De albums zijn een
soort zichtcatalogus waaruit men fotoafdrukken
kon nabestellen. Op een aantal foto’s staat
geschreven dat ze niet meer voorhanden zijn.
Door de foto’s in de albums te vergelijken met de
foto’s met adres van de fotograaf is van een aantal
opnamen met zekerheid vast te stellen dat deze
door Deutmann zijn gemaakt. Ook van fotograaf
Johan G. Lubbers (1849-1923) en fotograaf H.W.
Nieuwenhuis te Apeldoorn zijn zowel kabinetfoto’s
met adres als dezelfde foto’s in een van de
albums van Waanders aanwezig. Sommige foto’s
in de albums blijken ook als prentbriefkaart voor
te komen en zijn rond 1900 uitgegeven door
Waanders te Zwolle en door Joh. Schaeffer te
Amsterdam.
Behalve portretten en stadsgezichten maakte
Deutmann ook opnamen van historische gebeurtenissen.
Zo fotografeerde hij op 8 augustus 1886
de ballonvaart van kapitein Julhes vanaf het terrein
van de gasfabriek op het Noordereiland. Van
2 tot 5 september 1895 maakte hij opnamen van
het bezoek van de koninginnen Emma en Wilhelmina
aan Zwolle en op 31 augustus en 1 september
1898 fotografeerde hij in Zwolle de optochten en
versieringen tijdens de feesten ter gelegenheid van
de kroning van Wilhelmina. Deze foto’s werden in
september 1898 in de formaten 17 x 23 cm en 12 x 17
cm in de boekhandel van Waanders tentoongesteld
en kostten tussen de 75 cent en 1,50 gulden.
Van de werkzaamheden aan de Willemsvaart
in het kader van de verbetering van de waterweg
van Zwolle naar de Zuiderzee maakte Deutmann
in 1878 een prachtige serie foto’s (o.a. aanwezig in
de collectie van het Stedelijk Museum Zwolle en
de Bibliotheek van de Technische Universiteit
Delft).
Robert en Franz Ziegler
In 1905 nam de eveneens als Deutmann uit Duitsland
afkomstige Robert Ziegler (geb. 1865) het atelier
van Deutmann aan de Kamperstraat 9 over.
Robert Ziegler was vooral portretfotograaf. In 1912
verhuisde Ziegler naar het atelier van Jan Eelsingh
aan de Nieuwe Markt 9. Het fotografisch atelier
aan de Nieuwe Markt 9 is bijna honderd jaar lang
onafgebroken in handen van fotografen geweest.
Eelsingh had hier van 1898 tot 1912 zijn atelier. Bij
zijn vertrek naar Den Haag in 1929 deed Robert
Ziegler het atelier, inclusief alle bestaande negatieven,
over aan de Zwolse fotograaf Ulrich Roosdorp
die er tot 1939 zou werken. Vanaf 1939 tot
1989 was de fotozaak van vader Dirk en zoon Aart
Everaarts hier gevestigd. De gewoonte om negatievencollecties
aan de volgende fotograaf door te
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
geven blijkt uit de mondelinge overlevering dat in
1989 nog negatieven van Ziegler aanwezig waren.
Helaas zijn bij de opdoeking van het atelier in 1989
de negatievencollecties bij gebrek aan belangstelling
verloren gegaan. In de jaren negentig kreeg
het pand Nieuwe Markt 9 een andere bestemming.
Robert Zieglers zoon Franz (1893-1939) vertrok in
1911 naar Duitsland om het vak te leren. In 1916
werd hij lid van de Zwolsche Amateur-Fotografen
Vereeniging (ZAFV). Hij ontpopte zich al snel als
de stuwende kracht achter de ZAFV. Hij gaf de
leden deskundig advies en schonk aandacht aan
moderne stromingen binnen de fotografie. In 1919
richtte Franz Ziegler in Enschede een fotoclub op,
in hetzelfde jaar werkte hij in Den Haag twee
weken bij kunstschilder en fotograaf Henri Berssenbrugge.
In 1927 vertrok Franz Ziegler vanuit
Zwolle naar Den Haag en nam daar het atelier van
de in 1925 overleden H.F.J.M. Deutmann (zoon
van F.W.H.) over. In 1929 mocht hij zich, evenals
H.F.J.M. Deutmann, officieel hoffotograaf noemen.
Jan en Wim Eelsingh
Jan Anthonie Eelsingh (1866-1949) vestigde zich
omstreeks 1898 als fotograaf aan de Nieuwe Markt
9. Hij werd een van de bekendste portretfotografen
in Zwolle. In 1912 verhuisde hij naar villa Linquenda
aan de Veerallee (nu aan het begin van de
Beukenallee) en vestigde daar zijn fotografisch
bedrijf ‘Lux’-Veerallee. Jan Eelsingh legde ook
stadsgezichten en historische gebeurtenissen vast.
In 1910 maakte hij een serie foto’s van de vlucht
van Jan Olieslagers boven Zwolle. De vliegkunsten
die deze Belg bij herberg De Hanekamp in de lucht
uitvoerde, fotografeerde Jan vanaf de grond. In de
jaren dertig maakte hij onder andere prachtige
opnamen van de voor Zwolle zo belangrijke veemarkt.
Zoon Wim (1895-1976) trad in de voetsporen
van zijn vader en bracht het eind jaren twintig tot
hoffotograaf. Op 14 april 1945 legde Wim Eelsingh
onder andere de verwoestingen vast die de Duitse
bezetters op hun uittocht uit Zwolle aanrichtten,
namelijk de brand in het huis van Van Haersolte
aan de Potgietersingel en de brandende munitiewagen
voor Huize Eekhout aan de Burgemeester
van Roijensingel.
Familie Keuzekamp
Al vanaf 1926 drijven drie generaties Keuzekamp
een fotohandel aan de Oude Vismarkt. Pieter
Keuzekamp (1890-1964), grondlegger van het
bedrijf, was van beroep opticien. Daarnaast was
hij ook fotograaf en handelaar in fotoapparatuur.
In de jaren twintig en dertig legde Keuzekamp
honderden gebeurtenissen in Zwolle fotografisch
vast: van toneelvoorstellingen tot voetbalwedstrijden,
van auto-ongelukken tot jubilerende bruidsparen.
Daarnaast maakte hij in de jaren dertig
filmopnamen van de bouw van het Stilobad aan
de Turfmarkt, zwemwedstrijden in het openluchtbad
in het Zwartewater en het asfalteren van
de Hortensiastraat. In het pand Oude Vismarkt 20
is nu fotozaak Combi Keuzekamp gevestigd,
gedreven door kleinzoon Hans Keuzekamp.
Wim Voerman
Wim Voerman (1896-1963) is een van de verdienstelijke
beroepsfotografen uit de jaren dertig en
veertig. Aanvankelijk was hij inspecteur bij een
verzekeringsmaatschappij. In januari 1927 vestigde
hij zich in Zwolle als fotograaf aan Groot
Wezenland 6. Zijn zoon Jan zette het bedrijf van
zijn vader voort. Foto Voerman, vanaf oktober
1967 aan de Van Karnebeekstraat 7, is nog steeds
een begrip in Zwolle. In de jaren dertig maakte
Wim Voerman diverse opnamen van stadsgezichten
in Zwolle en, waarschijnlijk in opdracht van de
directie, een serie lantaarnplaatjes (positief doorzichtig
materiaal) van het interieur van de splinternieuwe
Ambachtsschool aan de Hortensiastraat.
Persfotografie
De eerste krantenfoto’s verschenen in 1904 in de
Engelse Daily Mirror, eerst als zondagsbijlage,
later dagelijks. De fotografen konden aanvankelijk
niet snel ter plaatse zijn met hun zware camera’s
en glasplaten. Bovendien was het druktechnisch
nog moeilijk foto’s in de krant te reproduceren.
Door ontwikkelingen in de fotografie en in de
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
druktechniek verschenen pas vanaf de jaren twintig
in de meeste kranten foto’s. In 1924 kwam de
kleine compacte camera Ermanox in de handel, in
de jaren dertig werd de handzame Leica populair.
In 1922 verschenen de eerste foto’s in de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant: ze waren
gemaakt ter gelegenheid van de plaatsing van de
Burgemeester van Roijen-bank aan de Potgietersingel.
LA. van Roijen kreeg die bank bij gelegenheid
van zijn 25-jarig burgemeesterschap van
Zwolle. Tot aan het einde van de jaren twintig was
de Zwolsche Courant spaarzaam geïllustreerd met
persfoto’s. Pas vanaf 1928 verscheen er een hele
pagina met foto’s van gebeurtenissen uit het
wereldnieuws in. Deze foto’s werden betrokken
van verschillende persbureaus. Een enkele foto bij
Zwolse nieuwsfeiten zien we eveneens pas vanaf
1928. Namen van fotografen werden doorgaans
niet genoemd. Afgaand op de praktijk bij andere
kranten zal ook de redactie van de Zwolsche Courant
regelmatig een Zwolse fotograaf hebben verzocht
een plaatje te schieten van een nieuwsfeit.
Fotografen die in de jaren 1920-1930 hiervoor in
aanmerking kwamen waren onder meer Jan en
Wim Eelsingh, Wim Voerman, Herman Heukels
en Pieter Keuzekamp. Tussen 1925 en 1935 verschenen
foto’s met naamsvermelding van Eelsingh
en Heukels in geïllustreerde tijdschriften als
De Prins en Eigen Erf.
DolfHenneke
Dolf Henneke (1914-1976) is de eerste echte Zwolse
(freelance) persfotograaf van na de Tweede
Wereldoorlog. In opdracht van de Zwolsche Courant
versloeg hij samen met journalist Jan Louwen
menige gebeurtenis. Henneke was van 1946 tot in
de jaren zeventig werkzaam als freelance persfotograaf
voor de Zwolsche Courant. Zijn foto’s verschenen
zonder naamsvermelding, destijds nog
niet verplicht.
Hennekes foto’s van de bevrijding van Zwolle
op 14 april 1945 verschenen in het boekje van
David Wijnbeek Vrij Zwolle. Verder staan in Vrij
Zwolle foto’s van E. Kamphuis (4), Kuipers (1),
Hendrikx drogisterij ‘Novum'(2), M. van Hezel
(1), Lammers (1) en D. Everaarts (1). De meeste
foto’s zijn echter van Henneke.
Met Dolf Henneke eindigt het overzicht van
Zwolse beroepsfotografen tot 1960, die vertegenwoordigd
zijn in het HCO.
Aantal beroepsfotografen
Het aantal beroepsfotografen in Zwolle was vanaf
1890 tot en met 1906 vrij constant (vier a vijf). In
1907 steeg het aantal naar negen, in 1910 waren er
nog steeds negen: sommige nieuw aangekomen
fotografen bleken geen blijvertjes te zijn. Tussen
1912 en 1919 waren er slechts zeven beroepsfotografen
en handelaren in fotografieartikelen, in
1933 was dit aantal nog steeds hetzelfde. Tussen
1937 en 1953 schommelde het aantal tussen tien en
twaalf. Pas in 1957 werden de gevolgen van de
wederopbouw merkbaar: het aantal beroepsfotografen
en handelaren in fotografieartikelen steeg
toen naar zeventien. Opmerkelijk is dat vanaf de
jaren twintig en dertig behalve opticiens ook
tabakshandelaren, rijwielhandelaren, drogisten en
boekhandelaren zich op de handel in fotografische
benodigdheden stortten.
Amateur-fotografen
De amateur-fotografie kwam rond 1895 in Zwolle
op gang. Er verschenen eenvoudiger handcamera’s
op de markt, het afdrukken van de glasnegatieven
ging gemakkelijker dan voorheen, de fotograaf
hoefde niet meer zoals daarvoor bijna een
chemicus te zijn. Het fotograferen was in eerste
instantie nog een bezigheid voor gegoede burgers.
Ijzerfabrikant Gerrit Wispelweij, azijn- en kaarsenfabrikant
Chris Schaepman en de jong gestorven
textielhandelaar Bé Remmers schaften zich
ieder een fotocamera aan en maakten prachtige
opnamen van hun familie en het Zwolse straatleven.
Gerrit Wispelweij
Gerrit J. Wispelweij (1850-1916) was ijzerfabrikant.
In het HCO bevinden zich van hem ca. 200 opnamen
(waaronder 50 stereoscopische), gemaakt
tussen 1892 en 1897, van stadsgezichten in Zwolle,
portretten van familieleden, opnamen van uitstapjes
en van producten uit de ijzergieterij (voornamelijk
gietijzeren tuinbanken en tuinstoelen,
paraplustandaarden en kapstokken). Wispelweij
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
beschikte over verschillende camera’s en lenzen
waarmee hij experimenteerde. Veel meer dan
beroepsfotograaf Deutmann probeerde hij bij het
fotograferen van stadsgezichten (letterlijk) dichtbij
zijn onderwerp te staan. Hierdoor zijn zijn
foto’s veel minder afstandelijk dan die van Deutmann.
Zo was Wispelweij niet bang om met zijn
camera boven op een turfschip te gaan staan, om
de schippers in hun bedrijvigheid vast te leggen.
Bé Remmers
Een andere fervente amateur-fotograaf die dicht
bij zijn onderwerpen bleef was Johannes B.J. (Bé)
Remmers (1877-1916), handelaar in textiel in de
Diezerstraat. Hij was getrouwd met Grade Oldenhof
(1884-1950), dochter van Gé Oldenhof, eigenaar
van wasserij De Boschbleek te Zwolle. Behalve
van zijn en haar familie maakte Bé Remmers
rond 1900 ook opnamen in en om Zwolle. Deze
foto’s plakte hij in een album getiteld ‘Sunny
Memories’. De bladen van dit album hebben
voorgestanste openingen waarachter de foto’s
geplakt dienden te worden. Het album toont
behalve familiekiekjes ook gebeurtenissen in
Zwolle als de intocht in 1900 van het circus Barnum
& Bailey en het leren fietsen bij de rijwielschool
achter de Hanekamp. De opnamen werden
tijdens diverse uitstapjes gemaakt. Het album
bleef in familiebezit tot mevrouw J.M. van Orden –
Oldenhof te Apeldoorn, dochter van Herman
Oldenhof van wasserij De Waterstroom te Zwolle,
het in 2000 aan het Gemeentearchief Zwolle
schonk.
Chris Schaepman
Chris J.J. Schaepman (1872-1962) is een amateurfotograaf
van een heel ander kaliber. In 1894 was
hij één van de oprichters van de Zwolsche Amateur-
Fotografen Vereeniging (ZAFV), de tweede
amateurfotografenvereniging in Nederland. Veel
meer dan zijn tijdgenoten Wispelweij en Remmers
hield hij zich bezig met kunstfotografie. Hij
werkte bij voorkeur in de stijl van de traditionele
romantische school en won met zijn werk vele
nationale en internationale prijzen. De Zwolse
amateur-fotografen gebruikten in de eerste
decennia vooral de toen in gebruik zijnde edelprocédés
als broom- en gomdrukken. Door
bewuste onscherpte en afdruktechnieken kregen
foto’s het uiterlijk van een geschilderde voorstelling.
Franz Ziegler, zoon van fotograaf Robert
Ziegler, die in juni 1919 twee weken bij fotograaf
Henri Berssenbrugge had gewerkt, hield door
middel van het geven van lezingen de ZAFV-leden
op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen en
stromingen.
Opmerkelijk is een serie foto’s uit ca. 1925-1930
van houten noodwoningen in de Vermeerstraat,
onbewoonbaar verklaarde woningen in de Eindstraat
en op het Eiland tegen de Broerenkerk en
van nieuwgebouwde woonblokken in de Tulpstraat.
Wellicht zat Schaepman in het bestuur van
een woningbouwvereniging en legde hij zo oude
en nieuwe woontoestanden vast.
Bertus Meulenbelt
In 1922 werd A. (Bertus) Meulenbelt (1904-1967)
lid van de ZAFV. Tot zijn dood in 1967 was hij
actief als amateur-fotograaf. Met zijn werk
behaalde hij, evenals Schaepman, vele prijzen op
fotowedstrijden. Aanvankelijk fotografeerde hij in
de stijl van de traditionele romantische school,
maar in de jaren vijftig ontwikkelde hij zich meer
in de richting van de nieuwe zakelijke fotografie.
Beknopt biografisch overzicht
Om een indruk te geven van het grote aantal fotografen
dat in Zwolle werkzaam is geweest, wordt
achter in dit tijdschrift in een bijlage een beknopt
biografisch overzicht gegeven van alle in Zwolle
werkzame (beroeps)fotografen van 1842 tot 1960.
De namen zijn gebaseerd op vermeldingen in het
Zwolse bevolkingsregister, advertenties in de
Zwolse Courant, Zwolse adresboeken en aanwezige
foto’s in de collectie van het HCO. Adrian is tot
nu toe alfabetisch de eerste Zwolse fotograaf, de
reeks wordt beëindigd met Ziegler.
Literatuur:
I.Th. Leijerzapf, (red.), Fotografie in Nederland 1839-
1920, Den Haag 1978.
H. Wierts, Photographieën en Dynastieën. Beroepsfotografie
in Groningen 1842-1940, Bedum 2000.
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann
(1840-1906)
Jeanine Otten Franz Deutmann werd te Haarlem geboren als
zoon van een uit Duitsland afkomstige fotograaf.
Na een tijd te Amsterdam gewerkt te
hebben, vestigde Franz zich in 1865 in de Bitterstraat
te Zwolle. Hij werd er de tweede Zwolse
beroepsfotograaf. Vanaf 1868 hield Deutmann atelier
in de Kamperstraat 9. Franz trouwde in 1866
met Theresia J.F. Kors, ze kregen zeven kinderen.
In 1905 verliet hij Zwolle. Hij overleed al het jaar
daarop te Soest. Aanvankelijk fotografeerde Franz
voornamelijk portretten. Afdrukken waren verkrijgbaar
als visitekaart op het formaat 6×9 cm, of
als ‘cabinetportret’ op het grotere formaat van 11 x
16 cm. De geportretteerden stonden of zaten in de
regel op hun paasbest voor een geschilderde achtergrond.
In opdracht van de boekhandelaar en
uitgever J.M.W. Waanders fotografeerde Franz
ook vele Zwolse stadsgezichten. De foto’s werden
voor 75 cent verkocht. Bekend zijn verder zijn
opnamen van de ballonvaart van kapitein Julhes
uit 1886 en het bezoek van koningin Wilhelmina en
regentes Emma in 1895 a a n Zwolle. Ook zijn foto’s
van de Zwolse kroningsfeesten in 1898 waren bij
Waanders te koop.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
Pieter Johannes Gezinus van Diggelen, 16 oktober 1896
Pieter van Diggelen (geboren 24 oktober 1894) is op het moment
van de opname bijna twee jaar oud. Hij gaat gekleed in een
matrozenpakje, in zijn hand heeft hij een zweepje. De fotograaf
heeft hem naast een bankje opgesteld waarop een keeshondje zit.
Op de grond liggen nog een bulldog en een labrador. Het bankje
en de geschilderde achtergrond geven een suggestie van buiten.
Het fotograferen van kinderen was in de tijd van lange belichtingstijden
niet eenvoudig. Vaakkregen kinderen een stuk speelgoed,
ook mochten ze op stoelen en tafels staan. De foto (op cabinetformaat,
10 x 15 cm) is gevignetteerd: de voorstelling loopt
geleidelijk over naar een witte achtergrond.
Bezoek van Koningin Wilhelmina en Koningin-
Regentes Emma aan Zwolle, 2-4 september 1895
Om het koningshuis te promoten bezochten koningin-
regentes Emma en koningin Wilhelmina de
verschillende provincies van Nederland. In september
2895 waren Overijssel en Drenthe aan de beurt.
Wekenlang was Zwolle in de weer om zich infeesttooi
te hullen. Overal in de stad werden erepoorten
opgericht en versieringen aangebracht. Langs het
water van de stadsgracht stonden kleine paaltjes
waarlangs zich olielampjes in lange rijen slingerden.
De foto is genomen op 4 september 1895, de laatste
dag van het bezoek, als de koninklijke stoet zich naar
het station begeeft. Deutmann heefteen mooie hoge
plaats uitgezocht om het rijtuig met de beide koninginnen
vast te leggen. Hij staat op het balkon van
Stationsweg 2 en kijkt naar het westen over het toenmalige
Klein Wezenland. Goed zichtbaar zijn de
rails van de paardentram. De villa’s prijken met
vlaggen, een rijke bloementooi ofmetgasilluminaties.
Rechts zien we een rij vlaggenstokken met wimpels,
deze stonden langs het hele Wezenland tot aan
de Sassenpoortenbrug.
3*
Kampersiraat.
De familie Van Diggelen woonde aan Klein Wezenland 18 (nu
Burg. van Roijensingel). Vader Bernard P.G. van Diggelen
(1866-1944) was advocaat, lid van de gemeenteraad en van 1907
tot 1922 wethouder der Gemeente Zwolle. In december 1891 kocht
hij zijn kapitale huis van wijnhandelaar Johan F. G. van Reede.
Het huis telde 23 kamers. In 1940 werd het huis door de Deutsche
Wehrmacht gevorderd en gebruikt als doorgangslager voor Duitse
officieren. De familie Van Diggelen verliet op 26 juni 1941
noodgedwongen de villa en betrok een woning aan de Hortensiastraat.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Luchtvaart van kapitein Julhes, 8 augustus 1886
Op 8 augustus 1886 waren zeer velen op het terrein
bij het Assiesplein bijeengekomen om het vullen en
het opstijgen van de ‘Etoile du Nord’ gade te slaan.
Het stedelijk muziekcorps deed zich geregeld horen.
Aeronaut Julhes deed alles zelf, geen touw werd
gespannen, geen knoop gelegd, geen verbinding
aangebracht of hij zelf deed het of keek er op toe.
Eindelijk tegen half zes was alles gereed. De ballon
werd naar de oostzijde van het terrein gebracht.
Mr.dr. LA. van Roijen (de latere burgemeester) en
predikant G. van Stenden die de reis zouden meemaken,
namen plaats in de mand en Julhes stond,
in zijn met linten en ordetekenen bedekte jas, in de
ring. Kort voor het opstijgen hield Julhes nog een
korte toespraak, waarin hij hulde bracht aan
Zwolle, aan burgemeester Jhr. W.C.T. vanNahuijs
en aan de beide reizigers die de moed hadden met
hem op te stijgen. Eindigend met een ‘Vive Ie Roi,
vive la Reine’ging het naar boven. De volgende dag
kwamen de reizigers in goede orde in Lingen aan,
net over de Duitse grens.
Kapitein Julhes heeft in Nederland verschillende
luchtvaarten gemaakt. Zo was hij, kort voor hij in
Zwolle zijn kunsten vertoonde, op 3 augustus 1886
’s avonds om 9 uur uit de Prinsentuin in Leeuwarden
opgestegen. Daar Julhes onder aan de ballon
wat vuurwerk had aangebracht, leverde de fantastisch
verlichte ballon, die daardoor helder tegen de
donkere betrokken avondlucht afstak, een prachtig
schouwspel op. Perpostduifbericht werd op 4
augustus meegedeeld dat Julhes ongedeerd te Bergum
was neergedaald.
Fotograaf Deutmann heeft van het vullen en
opstijgen van de ballon op het terrein van de gasfabriek
zeker zeven verschillende opnamen gemaakt.
De afdrukken hebben een bijschrift in het Frans
mee gekregen: ‘Souvenir de l’ascension du Capitaine
Julhes-Zwolle Ie 8 aoüti886’.
De Diezerkade en Thomas a Kempisstraat, ca. 1900
De fotograaf heeft zich opgesteld op de Badhuiswal en kijkt naar de
Diezerkade en het begin van de Thomas a Kempisstraat. Het grote
herenhuis geheel links is Diezerkade 15. Vroeger was hierin instituut
Loman gevestigd, destijds een bekende kostschool. Hier werden jongelui
opgeleid voor de examens die dienden om toegelaten te worden bij
de posterijen en op de kadettenscholen van Alkmaar en Willemsstad.
Weldra was door de grote toeloop een grotere behuizing gewenst en
bouwde directeur Loman in 1896 het herenhuis Emmawijk 1. Van 1896
tot 1923 woonde J.F.G. van Reede, firmant van de wijnhandel Ten
Bruggencate en Van Reede en van de bierbrouwerij H. T.J. Schaepman
en Co, aan Diezerkade 15. Het pand ernaast is de scheersalon van
J.C.M, van Kessel die hier tot 1921 gevestigd was. Blijkens het bordje
boven de ingang verkocht hij ook tabak en sigaren. Geheel rechts op de
kade- voor wat nu café Stroomberg is – ligt een grote stapel turf.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT .51
‘Uni par les Sons de la Musique’, ca. 1875
In het atelier van Deutmann aan de Kamperstraat
heeft zich een muziekgezelschap verzameld,
bestaande uit vijf heren en zeven dames. Het is het
ca. 1875 opgerichte ‘Unipar les Sons de la Musique’.
De fotograaf heeft zijn best gedaan om iedereen
er zo duidelijk mogelijk op te krijgen. Portefeuilles
en muziekbladen zijn afwisselend over de
aanwezigen verdeeld. De dame in het midden
houdt een blad vast waarop staat ‘Stabat Mater de
Rossini Henri Herz’. Met de destijds gangbare
belichtingstijden was het niet mogelijk ‘actiefoto’s’
te maken, vandaar dat de hele groep er nogal stijf –
jes bijzit en staat. Twee dames hebben zich niet
goed stil weten te houden.
Op de eerste rij zien we van links naar rechts Hilda
Wispelweij (later mevrouw Coster), Marie Doijerdejong,
‘tante’Cato,AlbertinaM.J. Vernède-
Maas met de ‘Stabat Mater’ en Anna P. van Cleef.
Op de tweede rij staan van links naar rechts met
een viool André Riemsdijk, muziekonderwijzer,
J.S. Piquet, leraar aan de Rijks HBS, ‘tante’ Saar,
Jean Henri Vernède hoofdingenieur van de Centrale
Werkplaats, Jan Doijer uit de Nieuwstraat
(man van Marie), Riek Wispelweij en, leunend op
een stoelleuning, GerritJ. Wispelweij, fabrikant en
amateur-fotograaf. Door de aanwezigheid van het
echtpaar Vernède kan de foto gedateerd worden op
omstreeks 1875. De Vernèdes vestigden zich in 1870
vanuit Den Haag in Zwolle. In 1877 verhuisden ze
naar Rotterdam.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Diezerstraat/ Smeden, ca. 1900
Het laatste deel van de Diezerstraat heette tot 1916
de Smeden. De naam herinnert aan het voorschrift
dat de smeden vroeger alleen hier, aan de uiterste
rand van de stad, hun bedrijf mochten uitoefenen.
Vlak voor de Smeden, bij de ingang naar de Korte
Smeden, hebben zich – waarschijnlijk op verzoek
van de fotograaf – maar liefst 41 mannen, vrouwen
en kinderen in een rij opgesteld. Uiterst links zien
we een politieagent, de zesde persoon van links met
een vleesbak op zijn schouder is slager G.J. Paalman.
Achter de twaalf de persoon van links is nog
juist de travalje van hoefsmederij ‘De Gekroonde
Hoefijzers’ (nu Diezerstraat 11/) zichtbaar. G.B.
Poppe oefende hier tot 1902 zijn bedrijf uit. Op de
gevel aan de ingang van de Korte Smeden verwijst
een reclamebord naar een meubelfabriek in de
Diezerstraat. Rechts in ‘De Gouden Roos’ (destijds
Smeden 14) bevond zich de stoom-tabaksfabriek
van de firma W.A. Wijgmans.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Gerritjacobus Wispelweij
(1850-1916)
Gerrit Wispelweij werd in 1850 te Zwolle in
een familie van ondernemers geboren. Hij
werd zelf ook fabrikant. De firma G.J.
Wispelweij & Co produceerde in de ijzergieterij en
machinefabriek ‘De Nijverheid’ allerlei gietijzeren
producten, variërend van meubels, straatlantaarns
en stoomketels tot complete bruggen en
vuurtorens. Gerrit woonde aan de Thorbeckegracht
76 en later op Groot Wezenland 37.
Wispelweij beoefende de fotografie als ama- Annèt Bootsma •
teur. Hij maakte stereoscopische opnamen van vanHulten
vooral Zwolse stadsgezichten en kerkinterieurs.
Hij experimenteerde met diverse camera’s en lenzen.
Bij buitenopnamen noteerde hij nauwgezet
de door hem gebruikte belichtingstijden en de
weersomstandigheden tijdens het moment suprême.
Curieus en uniek zijn de foto’s die hij voor zijn
bedrijf fotografeerde: gietijzeren tuinbanken en
-stoelen, paraplustandaards en kapstokken.
Gerritjacobus Wispelweij,
(zelflportret omstreeks 1895
Het is niet bekend of deze foto inderdaad een zelfportret
was, technisch was dat toen wel mogelijk.
Het paste wel in de lijn van werken van Wispelweij,
om veel verschillende technieken en camera’s uit te
proberen. Toen de opname gemaakt werd was
Wispelweij ongeveer 45 jaar en sinds enige jaren
actief als amateurfotograaf.
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Diezerpoortenbrug vanaf de Kerkstraat gezien, 1896
Helft van een stereoscopische opname
Dankzij Wispelweij’s eigen aantekeningen weten we precies wanneer
deze opname gemaakt is, op 10 juli 1896 om tien uur ’s morgens.
Wispelweij heeft de bedrijvigheid op de Zwolse kades diverse
malen in beeld gebracht. Deze foto toont een stadsbeeld dat nu
praktisch geheel verdwenen is. Het eerste pand aan de linkerkant
was het ‘Veerhuis op Almelo’, vandaar vertrok de trekschuit in
die richting. Het veerhuis werd in 1924 afgebroken, de schuit voer
voor het laatst in 192J. De halfronde muur die daarachter te zien
valt was een restant van de in 1829 gesloopte Diezerpoort. Deze
muur moest in 1912 plaats maken voor nieuwbouw. Het links van
het midden zichtbare brugwachtershuisje, gebouwd in 1880, werd
in 1924 afgebroken. De panden aan de overkant, de Thorbeckegracht,
zijn ook allemaal verdwenen behalve het pand rechts.
Daar is tegenwoordig een horeca gelegenheid in gevestigd. De
schoorsteen behoorde bij koffiebranderij H.E. van IJsendijk,
Thorbeckegracht 8.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
Eekwal met de molen en de Peperbus, 1896
Helft van een stereoscopische opname
Deze opname werd gemaakt op 9 juli 1896 om half
drie ’s middags. Voordat de bovenbouw van molen
De Herstelder (in de wandeling de Eekwalmolen
genaamd) in 1916 werd afgebroken was dit één van
de meest gefotografeerde stadsgezichten van Zwolle.
De foto geeft een mooi zicht op de voormalige
timmerwerf annex steenhouwerij van de aannemer
I metselaar en stadstimmerman Willem Klinkert.
Willem was de tweelingbroer van Hendrik
Klinkert, eveneens aannemer en stadstimmerman
en vader van de bekende oer Zwolse arts Evert
Klinkert. Ten tijde van de opname waren beide
broers Klinkertal overleden (Hendrik in 1882 en
Willem in 1888) en was de werf overgenomen. In
het midden van de overkapping valt dan ook te
lezen ‘L.W. de Vries, bouwmaterialen’. Kennelijk
was dat niet zijn enige activiteit; bij De Vries,
Eekwal, wordt in het adresboek van Zwolle vermeld:
‘handel in bouwmaterialen en steenkolen,
kantoor voor vaste goederen en assurantiën’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vispoortenplas, 1893
Een letterlijk en figuurlijk vroege
foto van Wispelweij. De opname
werd gemaakt op 10 april 1893 ‘s
morgens om zeven uur, belichtingstijd
‘2 seconden bij helder weer’.
Imposant torent de toen pas een
jaar eerder voltooide St. Michaëlkerk
in het ochtendlicht. Ook hier is
sprake van een bijna volledig verdwenen
stadsbeeld, de kerk werd in
1965 gesloopt en op de plaats van de
huizen daarvoor staat nuV&D.
Het plein werd destijds opgesierd
door een stadspomp. Het pand
links vooraan werd in de jaren vijftig
afgebroken om alvast plaats te
maken voor de daar geplande brede
weg door de binnenstad. Zover is
het gelukkig niet gekomen. In 1981
werd het pand herbouwd om het
stadsbeeld weer wat meer beslotenheid
te geven. In het huis rechts op
de voorgrond, Vispoortenplas 13 en
Buitenkant31, woonde van 18/8 tot
1926 borstelmaker D. Burghart.
Blijkens het bord op de gevel verkocht
hij ook brood. Voor ons
gevoel een wat bijzondere combinatie
maar het adresboek vermeldde
inderdaad een aantal jaren achter
zijn naam ‘schuiermaker en
broodverkoper’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Jan Anthonie Eelsingh
(1866-1949)
Jan Eelsingh werd te Groningen geboren. Hij
vestigde zich in 1892 als schilder te Zwolle.
Rond 1895 werd hij fotograaf en exploiteerde
een fotozaak aan de Assendorpersteeg, vanaf 1898
aan de Nieuwe Markt 9. Vanaf 1912 woonde hij in
een huis in de Veerallee op de hoek met de Beukenallee.
Het huis droeg de welluidende naam
‘Huize Linquenda’. Na zijn overlijden in 1949
bewoonde zijn zoon Wim, die de titel hoffotograaf
mocht voeren, dit huis. Jan’s dochter Stien
verwierf bekendheid als schilderes.
Als beroepsfotograaf maakte Jan Eelsingh
vooral portretten. In 1898 bood hij ‘7 Albumportretten’
aan voor anderhalve gulden. Op gestempeld
fotokarton heette zijn atelier vanaf 1912
‘LUX-Veerallee’. Eelsingh legde ook veel stadsgezichten
en historische gebeurtenissen vast.
Bekend zijn zijn opnamen van de befaamde ‘aviateur’
Jan Olieslagers in 1910. In de jaren dertig
maakte hij fraaie opnamen van de Zwolse veemarkt.
Wim Huijsmans
Hoek Grote Markt/Roggenstraat, ca. 1925
Vaak wordt tegenwoordig geklaagd over het storende element
van reclame, zowel op straat als via de media. Uit bijgaande foto
uit ca. 1925 blijkt dat het toen niet veel anders was. Op Grote
Markt 8 was de winkel van G.A. Dassen gevestigd, die tabak,
sigaren en sigaretten verkochten reclame maakte voor Havana
Star en Horma sigaren. Bij H. Scholten op de hoek van de Grote
Markt en de Roggenstraat
ging je naar binnen
voor groenten en
fruit. Opvallend is de
smalle stoep. Tussen de
keien van de Grote
Markt zijn de rails van
de paardentram te zien.
Achter de Zwolsche
Fruithandel in de Roggenstraat
was mantelhuis
De Ster gevestigd. Aan het begin van de Diezerstraat was de
zaak van Benjamin Dalenoord, die vanaf 1892 op deze plek zat.
Daar ging je naar binnen voor een heerlijk gebakje. Hij prees
zichzelf aan als confiseur-cuisinier. De zijgevel van zijn pand
bood nog de mogelijkheid de passanten te attenderen op Hengelosche
Bieren, kapper J. van der Sluis, even verderop in de Roggenstraat,
en het wondermiddel voor elke huisvrouw voor een
kraakheldere, witte was: Reckitt’s zakje Blauw. (©fotoMollink).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse Gymnastiek Vereniging, 1901
Op 18 april i8yy werd de Zwolsche Gymnastiek Vereeniging
opgericht. Ook in Zwolle was men van mening dat gymnastiek
zou bijdragen aan het geestelijk en lichamelijk welzijn van de
mens. Immers in de klassieke oudheid kende men al de spreuk:
mens sana in corpore sano.
De foto is gemaakt in het atelier van Eelsingh. Goed zichtbaar
zijn decorstukken als gordijnen en de beschilderde achtergronddoeken.
Op de achterkant van de foto staat vermeld:
Wedst(rijd) Rotterdam 1901, Kamp(ioen) P. Spruit, Gouden
med(aille).
Op 1 januari 1902 telde de vereniging93 mannelijke leden, verdeeld
in werkende leden, ereleden en kunstlievende leden. De
jaarlijkse contributie bedroeg tien gulden. Naast het turnen en
het vertonen van gymnastiekoefeningen gaf men jaarlijks uitvoeringen,
ook welpropaganda-avonden geheten, een soort
maskerade met een spetterend bal na. In 1901 werd ook een
damesafdeling opgericht van ‘turneressen’, die meteen al 25
leden telde.
Al moeten de turners op de foto een ontspannen indruk maken,
hun gezichten stralen weinig vrolijkheid uit. Misschien dachten
ze even niet aan het eerste couplet van hun turnerslied:
‘Metfieren moed en vasten tred, marcheeren wij gezwind,
vrij jaagt de borst, vrij stroomt het bloed, blij zijn wij steeds
gezind
Gezondheid straalt uit ieders oog, en kracht stijft hem de voet,
die met ons, turners, mee wil gaan, trouw met ons mededoet’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
Eekwal/Nieuwe Havenbrug, ca. 1930
De foto toont een prachtig winters tafereeltje van
de omgeving van de Eekwal en de Nieuwe Havenbrug.
De masten op de schepen geven aan dat dit
gedeelte van de stadsgracht ’s winters nog echt als
haven gebruikt werd. In de verte zijn de herenhuizen
op de Potgietersingel te zien. De Nieuwe
Havenbrug, die in de negentiende eeuw ook wel
Lutteke- of Polkabrug heette, is op deze foto niet
nieuw meer. De brug met de sierlijke lantaarns uit
de ijzergieterij van Wispelweij dateert uit 1875 en
werd in 1939 vervangen door de huidige brug.
Opvallend zijn de hoopjes zand(?) die een soort
parkeerplaats afbakenen voor karren. Naast de
handkar op de voorgrond staat een man met pet
naast een hondenkar, waarmee bussen melk vervoerd
werden. De hond spitst zijn oren en houdt de
fotograaf scherp in de gaten. Een bestuurder van
een hondenkar werd destijds op de bon geslingerd
als hij geen bak met water voor de hond bij zich
had. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de
hondenkar uit het straatbeeld, (©foto Mollink).
6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Diezerkade, ca. 1925
Gezellig keuvelen twee schippers, leunend op een
vrachtje turf op een kar aan de Diezerkade, in het
zonnetje. De kade stond vroeger ook wel bekend als
de Nijstad. Turfschippers waren destijds een
bekende verschijning in de stad met hun zwarte
petten en vaak opvallende baarden. De Turfmarkt
herinnert nog altijd aan die tijd. Veel turf werd of
per schip of met de Dedemsvaartse tram vanuit het
Drentse veengebied naar Zwolle getransporteerd.
Bij het Blekerswegje was een steiger waar de turf,
dieper spoor werd aangevoerd, in schepen kon
worden geladen. Turf die niet onmiddellijk verder
werd getransporteerd, werd zolang opgeslagen op
de Turfmarkt.
De foto is gemaakt voor 1931. Tot dat jaar woonde
Lucas Bosch in het pand Diezerkade 6. Op dat
adres was zijn sigarenmagazijn. Bosch was daarnaast
horlogemaker. Zijn dochter zette de winkel
in sigaren en tabak voort, (©foto Mollink).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 61
Christoffer Jacobus Josephus Schaepman
(1872-1962)
Chris Schaepman werd in Zwolle geboren.
In het dagelijks leven was hij directeur van
de azijn- en waskaarsenfabriek ‘De Ster’ op
de hoek van het Groot Wezenland en de Assendorperstraat.
Vanwege de intense lucht die zijn
bedrijf verspreidde stond hij algemeen bekend als
‘Zoere Chris’.
Chris was amateur-fotograaf. Hij behoorde in
1894 tot de oprichter van de Zwolsche Amateur-
Fotografen Vereniging. Het was de tweede fotovereniging
in Nederland. Chris nam meer dan
tweehonderd keer deel aan fotowedstrijden, hij
kreeg meer dan vijftig onderscheidingen en trad
ook op als jurylid. In 1903 won hij brons op een
internationale fototentoonstelling te Hamburg.
Op de jonge Bertus Meulenbelt maakte het werk
van Schaepman grote indruk. Behalve impressionistische
foto’s in de stijl van de romantische
school maakte Schaepman ook foto’s zonder
poespas van woonblokken of van de bezoeken van
koningin Wilhelmina en prins Hendrik aan Zwolle.
Om de fotografie in zijn woonplaats te stimuleren
schonk Chris een wisselbeker aan de Zwolsche
Amateur-Fotografen Vereniging, de zogenaamde
‘ Schaepman-beker’.
Jeanine Otten
Zaaiende boer, ca. 1920
Door een gedeeltelijk omgeploegd land loopt een boer met een
zinken teiltje voor zijn buik. Hij staat op het punt om een hand
vol zaad over het land uit te werpen. Achter hem staan vier
knotwilgen langs een wetering. Het moet aan het begin van de
lente zijn: het geboomte op de foto is nog niet vol in blad. Wat
meer naar achteren staat een gewas op het veld en helemaal
links op de foto ontwaren we een grote stapel kistjes. Mogelijk
bevinden we ons in de buurt van een kwekerij. Geheel rechts
tussen de twee wilgen is het dak van een boerderij zichtbaar.
Waar Schaepman deze fraaie foto gemaakt heeft is niet
bekend. Mogelijk bevond hij zich met zijn camera in Oldeneel
of in de buurt van de Schellerbergweg.
De dieptewerking in de foto wordt versterkt door de van rechtsboven
naar linksonder lopende lijn van de tegen de lucht afstekende
knotwilgen en de tegengestelde lijn van de lichte baan
van de wetering. Deze lijnen trekken ons oog als vanzelf naar
het lichte vlak van de stapel kistjes links. De foto is een reproopname
van een glasnegatief.
V ‘Jt’
62 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hoogstraat, Oranjefeest 1935
Het is warm weer in de Kamperpoort op Koninginnedag3i
augustus 1935. Een grote groep acht- tot
tienjarige meisjes staat in de rij op de stoep van de
Hoogstraat ter hoogte van de nummers 88 (geheel
rechts), 90 en 92 (links). Om hun hals hebben de
meisjes een kaartje, waarschijnlijk met de naam
van de school erop. In het midden op de voorgrond
lopen een druk gesticulerende man en vrouw over
straat, misschien de juf en de meester van de
school? Waarschijnlijk is de groep op weg naar het
gymnastieklokaal van de Willemsschool aan het
eind van de Hoogstraat.
In de Hoogstraat bevonden zich vroeger twee scholen:
achter in de Hoogstraat de Willemsschool en
vooraan in de Hoogstraat, vlakbij de Beestenmarkt,
de zogenaamde Zieltjesschool. Deze scholen
zijn beginjaren zestig afgebroken. Hoogstraat 88
heeft als het oudste arbeidershuisje in de Hoogstraat
onlangs de monumentenstatus gekregen. Tot
het begin van de jaren negentig woonde in Hoogstraat
90 een kippenkoopman, die ‘De Motte’ als
bijnaam had.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Beestenmarkt (Harm Smeengekade), ca. 1910
Omstreeks 1910 fotografeerde Schaepman een oud
boertje en jong meisje op de Beestenmarkt, de huidige
Harm Smeengekade. We zien stro liggen tussen
de schoorpalen en kettingen waaraan het vee
werd vastgezet op de vrijdagse veemarkt. Op achtergrond
bevindt zich nog meer volk. Links staan
wat mannen voor Bierhuis Welgelegen. De veemarkt
op de Beestenmarkt verhuisde in 1931 naar
het nieuwe veemarktterrein achter de Emmastraat
(nu de IJsselhallen). De huizen op de foto maakten
in de jaren dertig plaats voor het bejaardenhuis
van de Theodora Vos de Waelstichting, dat weer in
de jaren zeventig vervangen werd door de bejaardenflat
De Keersluis, Harm Smeengekade 18, en
verzorgingshuis De Nieuwe Haven, Harm Smeengekade
20.
Het origineel is een zogenaamd lantaarnplaatje, de
voorloper van de latere dia. De boogvorm die het
nostalgische van de voorstelling nog verhoogt, is
eigenlijk een stukje zwart papier dat tussen de twee
glasplaatjes is gelegd.
64 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Broerenkerkplein ca. 1930
In deze dramatische tegenlichtopname van een
vegende man op een vrijwel leeg Broerenkerkplein
vallen vooral de eigenaardige hooglichten op
schouders, bezem, handkarren en straatstenen op.
Ook de lichtstralen die door de takken van de
bomen vallen, zijn bij het afdrukken door Schaepman
nog extra aangezet. Handkarren waren in de
jaren twintig en dertig een veelvoorkomend verschijnsel
in de noordelijke binnenstad. Ze werden
per dag verhuurd aan de vele venters die in die tijd
op het Eiland en rond het Broerenkerkplein woonden.
Vanaf het midden van de vijftiende eeuw tot op
heden vormen Broerenkerkplein en Broerenkerk
het middelpunt van de noordelijke binnenstad. In
de loop van de eeuwen zijn de functie van kerk en
plein wel veranderd.
Vanaf de jaren vijftig tot
ongeveer 1965 was er midden
op het Broerenkerkplein
een kleine speeltuin meteen
hek erom. Het gebied van
het Broerenkerkplein viel in
het midden van de jaren
zestig onder de slopershamer.
Bij de afbraak van de
graanpakhuizen van Bergia,
die de Wijndragerstoren
flankeerden, werd de buurt
geteisterd door een ware rattenplaag.
In de Wijndragerstoren
zat tot beginjaren
negentig de Zwolse mosterdmakerij.
De Librije, die van
1/58 tot 1899 dienst deed als
Synagoge, fungeerde tot
eind 1996 als expositieruimte
van De Librije, het centrum
voor hedendaagse
kunst. Na de verhuizing van
De Librije naar het Stedelijk
Museum Zwolle werd het
oude gebouw geheel in
gebruik genomen dooreen
sterrenrestaurant dat voordien
alleen de kelder benutte.
Het plein fungeert vanaf
de jaren zeventig als parkeerplaats
voor het in 1974
geopende winkelcentrum.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vermeerstraat,
ca. 1922
Hoewel dit straatje
met zestien brandnieuwe
houten woonblokken
er keurig bijligt,
mogen we blij zijn dat
we niet de geur ruiken die er heeft gehangen. Afgebeeld
zijn de in 1921 door de Gemeente Zwolle
gebouwde noodwoningen aan de latere Vermeerstraat.
Er was in die jaren zo’n woningnood dat de
gemeente behalve op de afgebeelde plaats ook houten
noodwoningen liet bouwen op de Turfmarkt.
Het zal niet echt aangenaam wonen zijn geweest
aan de Vermeerstraat: de huizen lagen vlak achter
het terrein van de Gemeentereiniging.
De 32 woningen waren bedoeld voor grote gezinnen.
Er was geen riolering, men moest het met houten
tonnetjes doen, net als zoveel Zwollenaren in
die tijd. Die tonnen werden door de Gemeentereiniging
opgehaald en gereinigd op de Gemeentewerf,
in de onmiddellijke nabijheid van deze houten
huizen. Midden jaren dertig zijn de woningen
gesloopt voor de aanleg van de Schildersbuurt. De
Schildersbuurt was één van de eerste uitbreidingsbuurten
van Zwolle. De buurt kreeg voor die tijd
een enorme woondichtheid. In totaal werden er 166
woningen op een terrein van ongeveer 1,5 hectare
gebouwd. Na ongeveer 70 jaar waren de woningen
aan vervanging toe. Dit bleek uit een in 1994
gehouden enquête: een ruime meerderheid van de
bewoners gaf er de voorkeur aan om de buurt te
slopen en er nieuwe woningen te bouwen. Dit
gebeurde in 1999. In 2001 worden 150 koopwoningen,
vier winkels en een wijkcentrum opgeleverd.
Het ontwerp is van de Rotterdamse architect Koos
Kok, verbonden aan het bureau van de voormalige
Rijksbouwmeesterprof. Wytze Patijn.
66 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Pieter Nicolaas Louis Keuzekamp
(1890-1964)
Annèt Bootsma –
van Hulten Pieter Keuzekamp werd te Naarden geboren.
Hij huwde in 1920 met de Deense Oda Söncken.
In 1926 vestigde hij zich te Zwolle,
waar hij aan de Oude Vismarkt 20 een winkel
opende. Hij was opticien, handelaar in fotografische
benodigdheden en fotograaf. Pieter stierf te
Zwolle op 6 maart 1964. De winkel aan de Oude
Vismarkt werd voortgezet door zijn zoon Bob en
is nu in handen van de derde generatie, Hans Keuzekamp.
Pieter was vooral geïnteresseerd in de
actualiteit. Hij fotografeerde veel opmerkelijke
gebeurtenissen te Zwolle. Toneelvoorstellingen,
voetbalwedstrijden, auto-ongelukken en zelfs
jubilerende bruidsparen legde hij vast. Net als
andere beroepsfotografen uit die tijd hanteerde hij
ook wel eens de filmcamera. In de jaren dertig
maakte hij ‘bewegende beelden’ van de asfaltering
van de Hortensiastraat, van de bouwvan het Stilobad
aan de Turfmarkt en van zwemwedstrijden
van de Zwolse Bad- en Zwemvereniging Zwarte
Water B.Z.Z. bij de Hofvlietbrug.
Kind voor onbewoonbaar
verklaarde woning, ca. 1930
Een aandoenlijk tafereel van een meisje
aan een looplijn ergens in een krottenbuurt.
De foto kan in die tijd op
diverse plaatsen in Zwolle genomen
zijn; in de Diezerpoort, de Kamperpoort
of ergens rond de Broerenkerk
waren genoeg gangen en steegjes met
deplorabele woonomstandigheden.
Hoewel de kleine behoorlijk in haar
bewegingvrijheid beperkt is lijkt ze er
niet onder te lijden, ze kijkt nog guitig
uit haar ogen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kerkstraat, bij de Diezerpoortenbrug, 1930
Jarenlang ging al het doorgaande verkeer dwars door de Zwolse
binnenstad. Om de Diezerstraat te ontlasten werd hiervan al in
1925 een eenrichtingsweggemaakt. Het verkeer van de Grote
Markt richting noorden en oosten werd voortaan via de Oude
Vismarkt, Gasthuisplein en Kerkstraat de binnenstad uitgeleid.
Op zaterdagmorgen 13 december 1930 vond ’s morgens in de
vroegte een dramatisch ongeluk plaats op de Kerkstraat, vlak
voor de Diezerpoortenbrug. Een man uitSittard, die onderweg
was met zijn schoonvader en driejarig zoontje, verkeek zich in het
donker op de (nog altijd) verraderlijke bocht naar de brug. De
auto – een Oldsmobile — schoot door, geraakte te water en zonk
snel. Toegesnelde omstanders sloegen met een roeispaan een
groot gat in de kap van de auto maar voor de inzittenden was het
al te laat. Deze foto van het uitt

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 2

Door | 2000, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

istorisc
Het Zwolse
carillon
P R I J S ^ 1 2 , 5 O
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
SiiBSonpoortbnig. ZWOLLE.
Ansichtkaart Sassenpoortbrug Zwolle
Poststempel: 12 november 1914
‘Zwolle 11 nov. 1914
CherD.J’airecu une carte de monsieur R., il consent
que tu viennes samedi prochain jusqu’a lundi 8 1/2.
Il faut donc prendre samedi Ie train de 2 heures.
Mets ton habit de dimanche et rempli ta valise de
linge sale. Notre oncle nest pas si bien, il est tres
court d’haleine. J’ai vu Coen qui est devenu enorme
et Goderd qui demandait tout de suite comment tu
te portais. Adieu cher te bien des choses de papa et
ton oncle, un gros baiser de ta mère.’
Een kaart met daarop de nieuwe Sassenpoortenbrug,
die in 1909 is ontworpen door stadsarchitect
Lourens Krook. De draagconstructie van de brug
is van be^on, een voor die tijd uiterst moderne
manier van bouwen. De brug ligt er anno 2000
nog net zo bij. Het verkeer is echter wezenlijk
anders en veel drukker. Een paard en wagen zie je
amper meer over de brug rijden.
De kaart, bestemd voor jonkheer Diederik
Gregorius van Teijlingen (geboren in 1902), is
geschreven door zijn moeder, Henrietta C.E.F,
barones Bentinck van Schoonheten. In dit milieu
was het heel gewoon Frans te spreken en te schrijven.
Diederik zat op een kostschool in Utrecht.
Hij ging een weekendje uit logeren. Hij moest van
zijn moeder zijn zondagse kleren aantrekken en de
vuile was;in zijn koffer doen. Ook informeerde zij
hem over de familie. Coen en Godert zijn neven
van elkaar uit de adellijke familie Van Dedem. De
vader var) Diederik was griffier bij het kantongerecht.
De familie woonde aan de Eekwal op nr. 14.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
De twee laatste afleveringen van het Zwols Historisch
Tijdschrift waren geheel (De Onze-Lieve-
Vrouwekerk) en bijna geheel (Tweede Wereldoorlog)
aan één onderwerp gewijd. Het zomernummer
2000 dat voor u ligt biedt u weer een
gevarieerde inhoud.
Twee artikelen in deze aflevering hebben een
kunsthistorisch accent: Lydie van Dijk belicht de
Zwolse schilders en tekenaars Gerhardus Meijer
en zijn zoon Joan Willem, en Jeanine Otten
schrijft over de rondtrekkende maar ook in Zwolle
opgetreden portretschilder Johannes Anspach.
Ank Meliesie verhaalt in het vierde en laatste
deel van haar herinneringen weer alleszins herkenbaar
over feestdagen en verjaardagen, maar ze
gaat ook in op alledaagse zaken zoals schoonmaken
en eten.
Wil Cornelissen heeft de Zwolsche sketsies van
Willem Kloeke herlezen en laat ons meegenieten
van daarin gevonden authentieke Zwolse namen
en uitspraken.
En wist u aan wie de Peperbus zijn carillon te
danken heeft? U kunt het lezen in de bijdrage van
Leon van der Eijk.
In de rubriek Groeten uit Zwolle een ansicht
van de Sassenpoortbrug uit 1914 met een curieuse
tekst die ons een blik gunt in het dagelijks leven
van de adel uit die tijd.
Een lange lijst met nieuw verschenen boeken,
een bespreking van de hand van Wil Cornelissen
van het boek Roelof Horreüs de Haas en tenslotte
een rectificatie bij het artikel over het rijke roomse
leven in het themanummer over de Onze-Lieve –
Vrouwekerk completeren deze aflevering.
Wij wensen u veel leesplezier in een hopelijk
mooie zomer.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Gerhardus en Joan Willem Meijer Lydie van Dijk 40
Herinneringen (4) J.A.M. Meliesie-Appelhof 44
De Zwolsche sketsies van Willem Kloeke Wil Cornelissen 50
‘Een welgelijkend Portrait voor ƒ 5.-.-‘
Johannes Anspach (1751-1823) in 1801 en 1811 in Zwolle
Jeanine Otten 52
Het Zwolse carillon 70 jaar Leon van der Eijk 60
Literatuur 66
Boekbespreking 67
Mededelingen 69
Auteurs 70
Omslag: Op 10 april 1931 vond de officiële overdracht van het carillon aan het
gemeentebestuur plaats. (Gemeentearchief Zwolle).
40 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gerhardus en Joan Willem Meijer’
Lydie van Dijk
De Watermolen in 1847
geschilderd door
Gerhardus Meijer
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
I n de periode dat de schilders en tekenaars Gerhardus
Meijer en zijn zoon Joan Willem in
Zwolle leefden, hebben zij de stad zien veranderen.
Het stadse leven speelde zich aanvankelijk binnen
de zeventiende-eeuwse wallen af. Buiten die
grachten bevonden zich slechts scheepswerven,
molens en blekerijen. In de loop van de negentiende
eeuw trad de stad buiten deze verdedigingswerken
als gevolg van de komst van de spoorwegen en
de industrie, en door de bevolkingstoename. Het
aanzicht van Zwolle veranderde in de eerste helft
van de negentiende eeuw. Dit was deels het gevolg
van het verlies van de militaire funktie van de stad.
De vestingwerken deden geen dienst meer. Op de
bolwerken werden wandelplantsoenen aangelegd
en ze werden gedeeltelijk bebouwd. De stadspoorten
werden afgebroken op één na: de nog steeds
bestaande Sassenpoort.
In de tweede helft van de negentiende eeuw
werden grote villa’s langs de stadsgracht, de huidige
Burgemeester van Royensingel, gebouwd. In de
jaren zestig kwamen de spoorverbindingen met
Utrecht, Kampen en Deventer tot stand. Rond de
eeuwwisseling verrezen in Assendorp, de wijk tussen
de stad en het spoor, vele huizenblokken. De
wijk tussen Stationsweg en Willemsvaart zou pas in
de jaren dertig van de twintigste eeuw gebouwd
worden. In diezelfde periode werd ook een deel van
het landelijke gebied ten noordoosten van de stad,
Dieze, bebouwd.
Het is opvallend dat de bedrijvigheid die deze
veranderingen met zich meebracht, niet is terug te
vinden in het werk van vader en zoon Meijer.
Zowel hun landschappen als de stadsgezichten
laten een rustig en overzichtelijk beeld van stad en
platteland zieri.
Tot de collectie van het Stedelijk Museum
Zwolle behoren schilderijen, een groot aantal tekeningen
en twee schetsboeken van de kunstenaars.
Deze schetsboeken zijn samen met twee portretten
in 1958 via een nazaat in de collectie van het museum
terecht gekomen. De overige schilderijen en
tekeningen zijn merendeels in tweede helft van de
jaren tachtig van de negentiende eeuw door J.W.
Meijer aan het toenmalige Geschiedkundig Overijsselsch
Museum verkocht.
Omdat de schilderijen die bekend waren op
klein formaat geschilderd zijn, rees het vermoeden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat zich in Zwolse huiskamers nog wel eens wat
werk van beide kunstenaars zou kunnen bevinden.
Ruim een halfjaar voor het begin van de expositie
plaatste het museum een oproep in de Zwolse Courant
in de hoop onbekende schilderijen die zich in
particuliere collecties bevinden, te achterhalen. Dit
leverde zo’n vijftien werken op. Evenals de collectie
die zich in het museum bevindt, zijn ook de meeste
van deze werken direct van Joan Willem Meijer
gekocht en zij zijn door vererving in bezit van de
huidige eigenaren gekomen.
Eén van de schilderijen die op de tentoonstelling
te zien was, één van de twee gezichten op de
Nieuwehavenbrug met de Peperbus op de achtergrond,
is door de eigenaar in 1999 ter veiling aangeboden
bij het Venduehuis in Zwolle. Dit schilderij,
gesigneerd J.W. Meijer 1889, is door het museum
aangekocht.
Gerhardus Meijer
Gerhardus Meijer werd geboren op 18 maart 1816 in
Ambt Hardenberg als zoon van Berend Meijer en
Jennigjen Vedelaar. Het gezin verhuisde naar
Zwolle waar Gerhardus op 29 september 1836 in het
huwelijk trad met de tien jaar oudere Janna List. Zij
was geboren in Neuenhaus, gelegen ten noordoosten
van Nordhorn, en woonde sinds 1830 in Zwolle.
Janna was weduwe van Jan Smit en ten tijde van
haar huwelijk met Gerhardus werkzaam als dienstmeid.
Het beroep van Gerhardus wordt in de
trouwakte niet verder gespecificeerd dan ‘geemploijeerde
der Stedelijke Secretarie.’ Vader Berend,
een van de vier getuigen, is dan 42 jaar oud en ‘suppoost’
van beroep. Of dit ook een functie bij de
gemeente was, is niet bekend. Ouders en grootouders
van Janna List waren al overleden. De andere
drie getuigen zijn Hendrikus Josephus Kattenbelt,
38 jaar, kantoorbediende, Johannes Bouwhuis, 42
jaar, vuurstoker, en Willem Bruins, 30 jaar oud en
timmerman van beroep.
Gerhardus en Janna kregen vier kinderen:
Berend Jan Herman, geboren op 13 maart 1837, Joan
Willem, geboren op 21 februari 1840, Gerherdina
Johanna, geboren in september 1843 e n Ia n Harmen,
geboren in oktober 1847.
In 1850 woonde het gezin Meijer in de Praubstraat.
Dit pand bevond zich op de linker helft van
het perceel waar nu nummer 5 staat. Het was eigendom
van de gemeente. Als beroep van de bewoner
wordt dan ‘bode’ vermeld.
Uit adresboeken van de gemeente Zwolle, die
zich op het gemeentearchief bevinden, blijkt dat
Gerhardus enige malen is verhuisd. Ook zijn
beroep wordt in deze boeken duidelijker omschreven:
gemeentebode. Uit het jaarverslag van de
gemeente Zwolle over 1866 komt naar voren dat de
1ste bode een goed salaris had: ƒ 600,- per jaar. Dit
is gelijk aan het jaarsalaris van de opzichter der
gemeentewerken en twee maal zo veel als dat van de
assistent-bode.
In 1867 woonde Gerhardus Meijer op een perceel
in de Hoogstraat, nummer K 501 II, vertaald
naar de huidige straatnamen en nummers is dat
Kleine Baan 17.
Zijn werkgever was niet erg tevreden over hem.
Dit blijkt uit de correspondentie van Burgemeesters
en Wethouders. Op 20 juli 1872 besloten deze:
‘.. in aanmerking nemende dat de gemeentebode
G. Meijer zich herhaaldelijk aan pligtverzuim
schuldig maakt, door niet steeds op den tijd bij de
instructie van den 15 november 1852 bepaalde aanwezig
te zijn, maar eigendunkelijk zich van het
gemeentehuis te verwijderen, hebben goedgevonden
den genoemde bode G. Meijer behalve het
ongenoegen deze vergadering daarvan te kennen te
geven te dier zake te straffen met inhouding ener
week bezoldiging en met ernstige waarschuwing
dat bij het minste pligtsverzuim zwaarder zal
bestrafd worden.’ De hier geuite dreiging heeft niet
geholpen. Op 8 februari 1873 namen B&W het
besluit Meijer een maand te schorsen met inhouding
van zijn salaris wegens het feit dat hij zich ‘herhaaldelijk
aan achteloosheid en pligtsverzuim
schuldig maakt..’. Ook deze maatregel had geen
effect; integendeel. Op 30 april van datzelfde jaar
werd besloten Gerhardus Meijer te ontslaan, omdat
hij ‘zich aanhoudend aan misbruik van sterken
drank en pligtverzuim schuldig maakt.’
Meijer was toen niet alleen zijn baan kwijt, ook
zijn vrouw had hij enige maanden daarvoor verloren.
Speculerend zou men kunnen denken dat hij
door ziekte en het overlijden van zijn vrouw af en
toe zijn werk verzuimde. Hij vertrok in 1874 naar
Amsterdam, maar keerde na niet al te lange tijd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De weg naar Kampen
geschilderd doorjoan
Willem Meijer, 1862
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
terug. Hij overleed op 26 februari 1875 op 58-jarige
leeftijd in een huis aan de Friesche Wal in Zwolle.
Hij liet geen bezittingen na.
Wat Gerhardus Meijer wel heeft nagelaten zijn
enkele schilderijen en vele tekeningen. Dit zijn
vooral landschappen uit de omgeving van Zwolle
en enkele stadsgezichten. Deze landschappen zoals
De Watermolen uit 1847 volgen de romantische uitbeelding
van het landschap zoals dit eind achttiende
en begin negentiende eeuw al door Derk Jan van
der Laan en Willem Gerrit van Ulsen, beiden schilders
in Zwolle, werd vastgelegd. Meijer kreeg les
van Adrianus Serné, een uit Haarlem afkomstige
schilder die in 1830 naar Zwolle kwam. Serné werd
aangesteld als stadstekenmeester na het overlijden
van Willem Gerrit van Ulsen. Van Serné bevinden
zich drie schilderijen in de collectie van het museum:
twee landschappen en een gezicht op de Grote
Markt in Zwolle.
Op een blad uit een van de genoemde schetsboeken
heeft hij een portret van zijn leermeester
getekend. Hieruit blijkt dat hij toen niet erg bedreven
was in het weergeven van personen.
Een aantal tekeningen leveren wat de toeschrijving
betreft problemen op: ze zijn zowel door Gerhardus
als door Joan Willem gesigneerd.
Joan Willem Meijer
Joan Willem werd op 21 februari 1840 geboren als
tweede zoon van Gerhardus Meijer en Janna List.
Joan Willem maakte, waarschijnlijk voor zijn opleiding,
nogal wat omzwervingen door het land. Op
20 april 1858 vertrok hij naar Haarlem; onbekend is
hoelang hij daar verbleef. Op 9 februari 1861 verliet
hij Zwolle weer, nu voor Rotterdam. Zes jaar later
stond hij ingeschreven als wonend bij zijn ouders
aan de Kleine Baan. In 1869 keerde hij terug uit
Genemuiden om zich in Zwolle te vestigen als
hoofd van een schildersbedrijf.
Op 20 november 1873 trad hij in het huwelijk:
‘Joan Willem Meijer, oud 33 jaren, geboren en
wonende te Zwolle, schilder, meerderjarige zoon
van Gerhardus Meijer, zonder beroep (Gerhardus
was toen al als bode ontslagen), wonende te Zwolle,
en Antje Petronella Eskes, geboren en wonende te
Zwolle, oud 26 jaren, zonder beroep, meerderjarige
dochter van Hendrikus Eskes en Gepkea Lutgerdina
van Diepenbroek, beide overleden..’ Als getuigen
traden op Albertus Meijer, 56 jaar en wijndrager
van beroep, oom van de bruidegom, Willem
Onno Eskes, 31 jaar, boekbinder, broer van de
bruid, Johannes Land, 41 jaar, koopman, en Alexander
Houtman, 30 jaar, timmerman, allen wonende
te Zwolle. Uit deze opsomming blijkt dat zijn
vader, toch het meest naaste familielid, niet als
getuige optrad.
Joan Willem heeft in de loop van zijn lange
leven ook na zijn huwelijkssluiting op veel plaatsen
binnen en buiten de stad gewoond. In 1877 woonde
hij in de Papendwarsstraat op nummer 10a, in 1891
aan de Schellerweg 50 en twee jaar later aan de
Deventerstraat nummer 2. In de Zwolse adresboeken
wordt in deze jaren als zijn beroep ‘schilder’
vermeld. Deze vermelding verandert een paar jaar
later. Van 1901 tot 1924 noemde hij zich ‘kunstschilder’
en woonde hij aan de Ossenmarkt 9b. Dit is het
pand De Atlas, waar de Sociaal Democratische
Arbeiders Partij werd opgericht. In dit pand vonden
vergaderingen van zeer verschillende verenigingen
plaats, zoals van vakbonden, verenigingen
voor algemeen kiesrecht en het Leger des Heils, ook
werden er toneel- en variété-voorstellingen gehouden.
Een tijd lang was de leeszaal van de Volksbond
tegen Drankmisbruik hier gevestigd. Hier huurde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
Joan Willem dus woonruimte. De zaal werd in 1920
verbouwd tot garage en kreeg zijn huidige aanzien.
Op hoge leeftijd verhuisde hij nog naar de Diezerstraat
en nam zijn intrek boven een winkel op
nummer 47a. In de winkel was een banketbakkerij
gevestigd. Joan Willem overleed op 30 december
1928. Hij liet twee zonen en twee dochters na en een
aantal kleinkinderen. Een van de zonen, G. Meijer,
tekende ook, hetgeen blijkt uit een gesigneerde
tekening uit 1929.
Evenals zijn vader schilderde Joan Willem
stadsgezichten en landschappen. Zijn tekeningen
tonen vooral het landelijke gebied in de wijde
omgeving van Zwolle. Enkele tekeningen in de
genoemde schetsboeken heeft hij dubbel gesigneerd,
eenmaal in potlood en eenmaal met een bibberende
hand in inkt. Dit laatste zou er op kunnen
wijzen dat hij op hoge leeftijd nogmaals vast heeft
willen leggen dat het om zijn werk ging.
Blijkbaar waren bepaalde stadsgezichten erg in
trek. Op de tentoonstelling was te zien dat hij enkele
onderwerpen meer dan een keer op doek heeft
vastgelegd. Er bestaan twee bijna identieke schilderijen
van de Singel (Burgemeester
van Royensingel) met uitzicht op de ;
Nieuwe Havenbrug en twee schilde- ;
rijen van de Katerdijk met de Peperbus
op de achtergrond. Het formaat
van deze laatste schilderijen is niet
gelijk.
Het museum bezit drie door
hem geschilderde portretten: dat
van een vrouw, traditioneel zijn
moeder genoemd, van zijn vrouw
en een zelfportret. Het zogenaamde
portret van Janna List is gesigneerd
en gedateerd 1867. Zijn moeder was
toen 61 jaar oud, terwijl de afgebeelde
vrouw hooguit dertig is.
Hij schilderde en verkocht niet
alleen zijn eigen werken, hij handelde
ook in schilderijen van anderen.
Dat blijkt uit de inventaris van het
museum. In de jaren tachtig van de
vorige eeuw zijn een aantal zeventiende-,
achttiende- en negentiende-
eeuwse schilderijen aangekocht
van Joan Willem Meijer. Het gaat hier onder andere
om het vroeger aan Gesina ter Borch en nu aan
de zeventiende-eeuwse Utrechtse schilder Hendrik
Bloemaert toegeschreven doek Simson en Delila,
een jachtstilleven van Pieter van Noort, een stilleven
van de negentiende-eeuwse Kamper schilder
Hendrik Jan Hein, portretten van Constantijn Netscher,
een bloemstuk van Carel Borchart Voet van
omstreeks 1700 en twee landschappen van de leermeester
van zijn vader, Adrianus Serné.
Vader en zoon Meijer hebben geen landelijke
bekendheid gekregen met hun werk; dit behoorde
niet tot de eigentijdse nieuwe kunststromingen.
Toch is dit voor de Zwolse regio historisch en topografisch
van belang. Zowel de tekeningen als de
schilderijen laten beelden zien van niet meer
bestaande plekken van de stad en de directe omgeving.
* Dit artikel is een bewerking van het informatieblad
dat door het Stedelijk Museum Zwolle is uitgegeven
bij de tentoonstelling over deze twee schilders. De
tentoonstelling vond plaats van 2 mei tot en met 15
juni 1998.
De Katerdijk in 1890
geschilderd door Joan
Willem Meijer (foto:
Stedelijk Museum
Zwolle).
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen (4)
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
Kinderen uit de buurt
op het Koningsplein:
ranja met een rietje.
Waarschijnlijk is deze
foto gemaakt tijdens een
verjaardagsfeestje (particuliere
collectie).
Feestdagen
Feest- en gedenkdagen werden bij ons thuis
uitgebreid gevierd. Ik keek altijd uit naar alle
verjaardagen en verheugde me niet alleen op
mijn eigen geboortedag (al was dat natuurlijk het
hoogtepunt). ‘Nog twee of drie nachtjes slapen’,
antwoordde mijn moeder altijd geduldig op mijn
herhaaldelijk gestelde vraag hoe lang het nog
duurde voordat ik jarig was. In die tijd leek me dat
een eeuwigheid. ‘Hoe ouder je wordt, hoe sneller
de tijd voorbij gaat’ werd mij vaak voorgehouden.
Nu besefik hoe waar dat is!
Ook de verjaardagen van mijn ouders waren
een groot feest. Sinds ik zelf getrouwd ben, begrijp
ik dat het voor mijn moeder geen onverdeeld
genoegen was. Als ik ’s morgens uit school kwam
zat de kamer al vol mensen: ooms en tantes, die
helemaal uit Enschede, Deventer en Den Helder
waren gekomen om hun felicitaties over te brengen.
En ze bleven allemaal eten! Mijn moeder liep
met een rood hoofd rond om het iedereen naar de
zin te maken. Ook ’s middags was er bezoek en
’s avonds zat de hele kamer vol. De mannen zaten
aan de ene kant en de vrouwen aan de andere.
Later op de avond kon je de overzijde van de
kamer nauwelijks zien, want dan hing er een dikke
blauwe rookwolk.
In de keuken stond een grote houten doos met
gebakjes. Mijn zus en ik zochten er altijd eentje uit
voordat ze op een schaal werden gelegd. Ik nam
steeds een roomhoorn met van die gele pudding
er in. Als de drankjes werden ingeschonken – er
werd bij ons thuis vrijwel nooit alcohol gedronken,
behalve op verjaardagen – lag ik al in bed. Op
zo’n feestdag ging ik met veel tegenzin. Als mijn
moeder mij veelbetekenend aankeek en met een
subtiel hoofdgebaar naar boven wees, keek ik steevast
een andere kant op. Maar dat lukte niet lang,
dus ging ik met frisse tegenzin, nadat ik alle meneren
en mevrouwen keurig een handje had gegeven.
Met pasen kregen we een haantje op een stokje
en een net, gevuld met mandarijntjes en noten.
Die netjes had mijn moeder zelf gehaakt van rode,
witte en blauwe katoen. Ook van mijn oma kregen
we vroeger een net.
Maar het prettigste feest vond – en vind – ik het
kerstfeest. Wij hadden niet elk jaar een kerstboom,
maar ik herinner mij dat we bomen met echte
kaarsjes hadden; die kaarsjes stonden in ijzeren
houdertjes. Ze brandden maar korte tijd, omdat er
altijd een volwassene in de kamer moest blijven,
met het oog op brand. De elektrische lichtjes van
tegenwoordig zijn wel praktischer, maar de echte
kaarsjes veel romantischer.
Ook de grote kerstboom in de gymnastiekzaal
van de Koningin Emmaschool aan de Roemer
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
Visscherstraat, waar altijd het kerstfeest van de
zondagsschool werd gevierd, had echte kaarsen.
Er stonden een spons aan een lange stok en een
emmer met zand naast. Als een dennentak begon
te knetteren werd het vlammetje onmiddellijk
gedoofd. Het kerstfeest van zondagsschool was in
mijn jeugdjaren een prettig evenement. Het kerstverhaal
vond ik altijd weer even prachtig. Ik stelde
mij alles geïllustreerd voor. In mijn gedachten
speelde de geboorte van Jezus zich af op bekende
plaatsen in de omgeving. De stal stond bij een
boerderij aan de Bonepadsweg (ik geloof, dat het
weggetje naar de Kindertjesweilanden zo heette)
en de herdertjes lagen bij nachte in de Kindertjesweilanden,
aan de rand van Herfte.
In de kerstverhalen die op de zondagsschool
verteld werden, sneeuwde het altijd. Ook gingen
ze altijd over arme of zieke mensen. Gelukkig liepen
ze altijd goed af. Na afloop kregen we een zak
met lekkers mee en een boekje van W.G. van der
Hulst. In die boekjes zaten streepjes tus-sen de letter-
gre-pen. Ik vond ze prachtig en las ze in één
adem uit.
Werken
Het leek wel of de mensen vroeger altijd aan het
werk waren.
In veel kringen was het bijna onfatsoenlijk om
als gezond mens overdag rustig te gaan zitten
lezen. De handen moesten uit de mouwen worden
gestoken. Ook mijn moeder was altijd bezig, hoewel
ze een ‘meisje voor de morgenuren’ had. Ik
heb er verscheidene zien komen en gaan. Het eerste
werkje, dat ze ’s ochtends moesten doen was
aardappelen schillen. Dat deden ze in de keuken;
alleen als het koud was mochten ze in de kamer
zitten.
Eén meisje had het buskruit niet uitgevonden.
Als ze in het halletje bij de voordeur bezig was en
er belde iemand aan, dan klopte ze aan de kamerdeur
om dat te melden. ‘Nou, doe de deur dan
open’, kreeg ze dan te horen. Dat deed ze dan wel,
maar als de bel weer ging, deed ze precies hetzelfde.
En er werd dikwijls gebeld, want alle leveranciers
kwamen aan huis. De bakker en de melkboer
kwamen elke dag. Eenmaal in de week kwam de
Cfc4oiu
& p*r rtuV
KEURIG IN DOOS VERPAKT
-45*
Choc MufclVrin.jM. 2)oni2D*
FendantkrwttJai… . 2rmi20&
,E*r« Oióe. Krintju .1i“. Maar
vraag-KLOKZEEPi Daarmee wtrhl .U
veel prettiger en schoner.’ ’t Schuirnt ao
royaal, ziel XJ en de siukken »»JTI *O kloek f
Klok poeder
En sta t.i op. dat V KUthfioexUr hrijet-
Blauwe, grote, bussen »ijn dat 32 cenL’
Onthoud htt ROéd: KLOKPOEDBRT
t Gaat vliegensvlug met icnjetl
Z E E P-M-MH E K „ 0 E • K L 0 K ” H E E R D E
gewenste lengte. Ik werd altijd draaierig van dat
passen en ronddraaien boen op de tafel, omdat ik
hoogtevrees heb. Op medelijden hoefde ik echter
niet te rekenen. ‘Dan kijk je maar niet naar beneden’,
was het advies.
Ik wilde graag eens gekochte kleren hebben,
maar dat was er niet bij. Mijn moeder kon goed
naaien en ze volgde de mode op de voet. Bovendien
had ik wel inspraak. Als kind was je vaak
ondankbaar. In tegenstelling tot mijn vader was
mijn moeder erg handig. Als er spijkers in de
muur moesten worden geslagen of als een stekker
gerepareerd moest worden, dan deed mijn moeder
dat. Mijn vader wilde best weten dat hij twee
linkerhanden had. Hij had genoeg gevoel voor
humor om de opmerkingen van anderen over zijn
onhandigheid naar waarde te schatten. Die linkerhanden
heb ik van hem geërfd.
Poetsen
Vroeger waren de huisvrouwen altijd aan het
schoonmaken. Zij poetsten, boenden, dweilden,
schrobden en klopten dat het een lieve lust was. Ze
hadden altijd een schort voor en vaak ook een
doek om het hoofd. Eenmaal in de week werd de
stoep geschrobd. Dat gebeurde ook in de portieken
en voor de winkels in de binnenstad. Soms
moest je je snel uit de voeten maken, voordat je
een emmer water over je schoenen kreeg. Ik vond
dat geschrob altijd onzin, omdat er toch heel gauw
weer iemand met vuile voeten over zo’n schoon
stoepje heen liep. Zo kon je wel aan de gang blijven.
Eenmaal in de week was het ‘kamerdag’. Dan
werden de stoelen achter elkaar in de gang gezet.
Als klein kind ging ik dan treintje spelen. Het
tapijt werd over een klopstok gehangen en duchtig
geranseld. Het hele huis rook naar boenwas, want
de stoelen werden gewreven totdat je je erin kon
spiegelen. Ook het zeil werd flink gewreven. Je
maakte bijna een doodsmak, wanneer je met het
slaapkamerkleedje over het gladde vloeroppervlak
gleed. Als ik vakantie had bleef ik meestal maar
iets langer in bed liggen, want dan was er beneden
niets aan. Het was koud en ongezellig. Toen ik
groter werd moest ik de franje van het kleed kammen
met een oud kammetje.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
’s Winters werd de haard ’s morgens ‘uitgehaald’.
Dikwijls zaten er slakken in en dan wilde
de haard niet goed branden. Ik zie mijn moeder
nog, met een sjaal om de hals, naar buiten lopen
met een volle asla. Als het glad was werd de as over
de stoep gestrooid. Dan moest er later natuurlijk
weer extra geschrobd worden!
Als ik ziek op de divan lag, lekker warm onder
een plaid, vond ik het wel interessant om al dat
gedoe aan te zien.
De jaarlijkse Grote Schoonmaak was een echte
ramp. In het voorjaar werd het hele huis met bezemen
gekeerd. Als ik uit school kwam stond de hele
boel op z’n kop. De vitrages lagen in het sop, de
overgordijnen hingen over de waslijn en de kleden
over de klopstok. Moeder liep met een rood hoofd
en slordige haarpieken rond. De gebruikelijke
thee, waarmee we na schooltijd werden ontvangen,
kon er op zo’n dag niet af.
In het najaar werd die schoonmaak altijd dunnetjes
overgedaan.
Het leek wel of sommige huisvrouwen er een
wedstrijd van maakten wie het eerst ‘de boel aan
kant’ had. De mannen hoefden niet te helpen. Die
hadden de hele dag al hard gewerkt. Alleen als er
mannenkracht aan te pas kwam of als er overgordijnen
moesten worden opgehangen wilde vader
de handen wel eens uit de mouwen steken.
Netjes
Wat waren we vroeger netjes. Onze ouders voedden
ons op tot keurige meisjes en jongens, die
altijd met twee woorden spraken. We zeiden ‘dag
mevrouw’ en ‘dag meneer’ en niet ‘hallo’, ‘hoi’ of
‘doei’. Dat was wel eens ingewikkeld. Als ik een
schoolvriendinnetje en haar ouders tegenkwam,
liep ik liever een straatje om, omdat je anders
moest zeggen: ‘dag mevrouw, dag meneer, dag
Mientje’. Dat was wel een beetje te veel van het
goede.
Vieze woorden mocht je beslist niet zeggen. Je
praatte over achterwerk of bibs. Schuttingwoorden,
die nu openlijk worden uitgesproken, zag je
Keurig gekleed op de
foto; 1930 voor de nieuwe
IJsselbrug (particuliere
collectie).
Kolen werden thuisbezorgd;
hier aan de Burgemeester
Van Roijensingel
(Gemeentearchief
Zwolle).
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vishandelaar G. Schraa
had een standplaats bij
het Katerveer. De meeste
vishandelaren gingen
een keer per week met
hun kar langs de huizen
(Gemeentearchief
Zwolle).
wel eens op een muur staan, maar daarvan bloosde
je soms al. Veel woorden kende ik niet eens. Ik
vergeet nooit, dat ik eens, zonder aanleiding,
‘ouw’oer’ zei. Mijn moeder reageerde geschokt.
‘Wat zeg je nou?’ Geen idee!!! Ik had het de jongens
in de klas wel eens horen zeggen. Ik dacht dat
het iets met oeroud of zo te maken had. Ik kende
het woord hoer nog niet. Maar het scheen heel erg
te zijn en ik heb het woord nooit meer in de mond
genomen. Het heeft toen kennelijk wel indruk
gemaakt, want ik heb dit onbeduidende voorval
nooit vergeten. ‘Rot’ mocht je ook niet zeggen. Ik
heb mijn ouders nooit een onvertogen woord
horen uitspreken.
Je moest er ook altijd keurig netjes uitzien. Als
ik eens iets nieuws aan had en vroeg hoe het stond,
zei mijn moeder altijd: ‘Keurig’. Dat vond ik vreselijk,
want dat klonk zo tuttig. ‘Wat moet ik dan
zeggen?’ vroeg ze. Nou: leuk of vlot. Als ik nieuwe
schoenen aan had, dan hadden ze in de kortste
keren kale neuzen. Hoe het kwam, weet ik niet.
Waarschijnlijk schopte ik onderweg tegen stenen
of slofte ik tijdens het wandelen. Ik hoor het nog
zeggen: ‘Voeten optillen’. Maar ik liep liever hard,
dan dat saaie gewandel.
Mijn ouders waren overigens wel modern. Ik
mocht wel eens in een – nette – lange broek naar
school. Ook had ik een trainingspak, dat er precies
zo uitzag als de joggingpakken van tegenwoordig.
In de mode komt alles terug. Alleen de plus-fours,
die de jongens droegen, heb ik nooit meer gezien.
Als het korte-broeken-seizoen voorbij was, droegen
de keurig geklede jongelingen deze ‘drollenvangers’.
Het waren pofbroeken die onder de knie
met een boord en een knoopje waren vastgemaakt.
Daaronder droegen ze, vaak geruite, kniekousen.
Meisjes van streng calvinistische of roomskatholieke
huize, mochten geen lange broek dragen.
Alleen met een rok erover mocht het soms,
maar dat was geen gezicht.
Voorlichting
Aan voorlichting werd in mijn tijd niet veel
gedaan. Over veel dingen mocht niet worden
gepraat. Zo nam mijn vader mij zelfs kwalijk, dat
ik hem vroeg op welke partij hij stemde. Zoiets
hoorde je niet te vragen. Dat hij C.H.U. stemde
was blijkbaar een geheim.
Op seksueel gebied was ik zo groen als gras. Als
kinderen raadden we er dikwijls naar, waar de kindertjes
vandaan kwamen. In de ooievaar geloofden
we al gauw niet meer. Zó stom waren we nu
ook weer niet. Mijn nichtje had tenslotte de goede
oplossing. ‘Mijn moeder zegt, dat de kindjes van
God komen’. Dat leek mij wel logisch. Maar zou
zo’n baby dan ineens naast je in bed liggen? Het
was allemaal erg mysterieus. Ik durfde het niet aan
mijn moeder te vragen. Mijn vriendinnetjes wisten
het ook niet. Het schijnt dat moeders het in die
tijd erg moeilijk vonden om over deze zaken te
spreken.
Toen ik in de puberteit kwam ben ik op school
eens flauw gevallen. Ik schaamde me dood. Ik
werd met een auto thuis gebracht. Mijn moeder
stond met een verschrikt gezicht in de deuropening,
toen ze een spierwitte dochter uit de auto
zag stappen. Ik werd op de divan gelegd – wat
waren die divans eigenlijk heerlijke meubelstukken
– en de dokter werd geroepen. Ik weet nog als
de dag van gisteren, dat hij mijn moeder vroeg:
‘Heeft ze – moeilijk woord- al?’ Op mijn moeder’s
antwoord, zei hij streng: ‘Dan zou ik haar dat toch
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
maar gauw vertellen’. Dat moeilijke woord was
vrijwel zeker ‘menstruatie’. Mijn moeder vertelde
daarna iets vaags, maar het hoe en waarom werd
er niet bij gezegd.
Op school smoesden wij wel over ‘het’.
Toen ik op een avond met mijn vader ging
zwemmen in het Openluchtbad, ontdekte ik bij
het uitkleden in het badhokje, dat de grote
gebeurtenis had plaatsgevonden. Mijn vader zal
wel verbaasd zijn geweest dat ik nooit in het bad
verschenen ben, want ik ging in paniek naar huis.
Het enige, wat mijn moeder zei was: ‘Ben je een
grote meid geworden?’ Ik vond er niets aan om
een ‘grote meid’ te zijn met al die narigheid van
buikpijn en van die stomme gordeltjes en badstoffen
verbanden. Die had ik wel eens aan de waslijn
zien hangen, maar ik dacht toen nog dat het een
vreemd soort washandjes waren.
Op school voelde ik mij wel stoer. ‘Ik heb
“het”‘, zei ik trots en ik was de heldin van het
schoolplein, want ik was de eerste van de vriendinnetjes.
Vellen
Bij ons thuis aten we altijd a.v.g., ofwel aardappelen,
groenten en vlees. Pasta’s, pizza’s of chinees
eten werden nooit gemaakt. En buiten de deur
eten was er al helemaal niet bij, want ‘Je hebt het
nergens zo goed als thuis’. Mijn moeder kon goed
koken. Het vlees had meestal een randje vet dat ik
er direct afsneed, omdat ik dat niet door mijn keel
kon krijgen. Wij aten altijd iets na: griesmeel met
bessensap, griesmeelpap met rozijnen, havermout
of karnemelksepap met stroop. Mijn vader maakte
voor mij altijd een tekening van stroop op mijn
bord of hij schreef mijn naam. Dat vond ik prachtig,
’s Zondags was er pudding: chocoladepudding
met vanillesaus of vanillepudding. Die werd op
zaterdag gemaakt en in de kelder op de grond
gezet. Alle desserts werden zelf klaargemaakt en
kwamen niet uit een fles of kuipje. Tijdens het
afkoelen kwam een dik vel op de pudding. Vellen
vond (en vind) ik vreselijk. Ik zat regelmatig in de
warme chocolademelk te roeren om te voorkomen
dat er een vel op kwam. Ik kon geen vel zien!
Daar werd ik vaak mee gepest. ‘Kijk eens’, zeiden
mijn huisgenoten dan en dan legden ze zo’n
afzichtelijk vel over de rand van hun kopje of
beker.
De ongekookte melk werd bij de melkboer
gekocht in een melkkan en op het gasfornuis
gekookt. Je moest er wel bij blijven staan, want
voor je het wist was het overgekookt. Van de vellen,
die op de gekookte melk kwamen maakte
mijn moeder soms ‘slagroom’. Ik hoefde die slagroom
niet
Er werd weinig koffie gedronken bij ons thuis.
Als er koffie was, dan was dat koffie-extract, die
voor een aantal keren tegelijk werd klaargemaakt.
Daar werd kokende melk op gegoten. Met vellen!!
’s Avonds dronken we thee. Bij het eerste kopje
kregen we een koekje, meestal een bitterkoekje, en
bij het tweede kopje een klein stukje chocolade
van een reep, die bij de Gruyter werd gekocht.
Als kind was ik, volgens mijn ouders en de
dokter, veel te mager. Als ik uit school kwam kreeg
ik daarom een beker ovomaltine en twee biskwietjes
met dik boter. We hadden nooit margarine op
brood, maar altijd echte boter. Ook was er altijd
beleg, maar er moest één boterham ‘met tevredenheid’
worden gegeten. Daar mocht alleen boter op
worden gesmeerd. Aan de lijn doen, bestond in
die tijd niet.
Koken in een moderne
keuken: zo prees de
gemeentelijke Gas
Fabriek zichzelf aan in
1932 (Gemeentearchief
Zwolle, collectie kwitanties).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolsche sketsies van Willem Kloeke
Wil Cornelissen
Omslag van het boek
Zwolsche sketsies door
Willem Kloeke.
Op een lange winteravond kun je soms naar
de boekenkast lopen en er ‘zó maar’ een
boekje uitpakken; een boekje over Zwolle.
Als dat dan de Zwolsche sketsies zijn, dan zit je de
eerste paar uur grinnikend en met rode oortjes te
lezen. Het boekje is oorspronkelijk uitgegeven in
1930; de IJsselakademie heeft het in 1986 opnieuw
uitgegeven.
Kloeke heeft het, zoals de titel aangeeft, helemaal
in het Zwolse dialect geschreven. Maar wel,
zo staat er bij, het Zwols zoals dat in de vorige
eeuw in de binnenstad werd gesproken. Kloeke
kon daar uit eigen ervaring uit putten, want hij is
in 1852 in onze stad geboren. Hij overleed in 1934.
Ik sloeg het hoofdstuk ‘Skeldnaemen’ op. Wat
en wie werden er door Kloeke beschreven? Welke
bijnamen hadden veel Zwollenaren? Ik pikte er
een paar uit.
Er was in onze stad een meneer, en Kloeke zegt
‘dette um now maer Kees zal numen’, die door
’t leven ging als Waeter-Kees. Waarom? Omdat hij
geheelonthouder was, Kloeke zegt ‘iie was, zoo
aw’ dat tègensweurdig nuumt van de Blauwe
knoop’, en die man zei dat hij op de sociëteit
alleen maar water dronk. Misschien dronk hij ook
wel koffie of thee, zegt de schrijver, maar sterke
drank was taboe voor hem. Overigens betaalde hij
voor zijn glaasje water wèl de prijs van een borrel,
dus knieperigheid kende hij niet. Waeter-Kees gaf
ook wel geld aan arme mensen.
D’r was ook de Polletoerpoppe, dat was een
kastenmaker, die soms werd geroepen als een kast
opnieuw moest worden gepolitoerd. De Polletoerpoppe
wist ook alle ‘niejgies uut de stad’, ‘ij was ‘n
lèvendege niejspost diie van alles en nog wat wist,
zien geld wasse dubbeld en dwars weerd!’
Jópik met de Konte liep in een broek die wel
erg hoog in de bretels hing. Kloeke noemt overigens
die bretels: ‘ulpzeels.’ Natuurijk heette een
man met een grote neus De Noeuze en een advocaat
met een grote onderlip werd De Lippe
genoemd, dat is allemaal logisch. Maar waarom
De Peppernötte zo heette, wordt niet duidelijk. Er
wordt alleen verteld, dat hij ’n venindig kereltien’
was. Venijnig dus.
Veel namen sloegen op lichaamsgebreken,
zoals Mottege Kae en Kippege Sam.
Dat joden het bijvoegsel De Jeude kregen, was
me bekend. Maar Kloeke zegt ook, ‘dat d’Ummekeerde
Jeude deur d’eele stad bekend was’. Dat
was een afvallige jood. Hij was dus christen geworden,
deze Ummegekeerde Jeude!
Ook moest je niet te vaak een stopwoordje
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
W. Kloeke, de auteur
van Zwolsche sketsies;
circa 1920 (foto: Zwolsche
sketsies, Kampen
1986).
gebruiken. Zo werd de man die zijn verhalen vaak
besloot met de uitdrukking ‘Ma’k barsten as ’t niet
woeur is’ al gauw Ma’k Barsten genoemd.
Tot slot een deel van dit kostelijke hoofdstuk
geheel in het Zwols:
‘Al wat ofweek van ’t gewone, en doeurdeur
d’andacht trok, wier beskimpt en beskölden. Zoo
waren d’er driie breurs, eele braeve fesoenleke
mensen, maer mooi waeren ze now juust niiet,
d’iiene ad ’t eufd altied skiief nö rechs en d’ander
iel zien eufd altied ’n bettien skiief nö links en de
langste van de driie, dii altied in ’t midden liep, ad
’n lange ‘als en iel zien eufd zoo recht in d’eugte,
dat ’t net was off-e ’n wottel ad deur e-slokt. Diie
driie konnen zich best redden (Kloeke verduidelijkt
dit door te zeggen dat ze dus niet onbemiddeld
waren), ze gawen ieder ’t ziende, deeën gien
mense kwód, gongen op geregelde tieden kuieren,
lèfden eel regelmötig en waeren eelemöle mensen
van de klokke; is ’t dan wonder, dat ze biej zoovölle
verskil met andere mensen, met skeldnaemen
wieren beklad? De linkse, diie wat zoer keek, was ‘t
azienflessien, de rechtse, diie d’r wat vrendeleker
uutzag, was ’t öllieflessien, de langste, die in ‘t
midden liep, was de stelle van “t öllie- en azienstellechien’.
Nu er in onze tijd weer meer belangstelling is
voor de diverse Nederlandse dialecten, is het aardig
om Kloeke’s boekje nog eens ter hand te
nemen. ^^^m^^^miÊ^^^^mm
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
‘Een welgelijkend Portrait voor ƒ 5.-.-‘
Johannes Anspach (iysi-i823) in 1801 en 1811
in Zwolle
Jeanine Otten In het Gemeentearchief Zwolle bevindt zich
een paspoort voor de portretschilder Johannes
Anspach, in februari 1811 verleend door de stad
Rotterdam. Zeer opmerkelijk is dat het paspoort
voorzien is van een zelfportret van de schilder ‘en
profil’ in pen in bruine inkt.1 De letterlijke tekst
van het paspoort luidt:
‘De Maire der stad Rotterdam verklaard bij
deze, op het getuigenis van bij denzelve bekende
Ingezetenen dezer stad, dat indien Joh[anne]s
Anspach (in het hiernevenstaande declaratoir vermeld)
welke zich thans te Harderwijk bevind, binnen
deze stad Rotterdam zich in persoon sisteerde
tot opgave van zijn signalement en de ondertekening
vandien, de Maire voorn[oemd] geen zwarigheid
zoude maken, om aan hem, op zijn verzoek,
het noodige bewijs tot verkrijging van een
Paspoort te doen uitgeven.
In kennisse der waarheid is het zegel dezer stad
hierop gedrukt en deze door den Maire geteekent
den 27 van Sprokkelmaand 1811
A: van der Heim’.
Op bijgevoegde brief met zegel, recto geadresseerd
staat te lezen:
‘Mijn Heer / Den Heer Joh. Jacob Anspach /
Woonende op de Booter-Sloot / Nr 448 te / Rotterdam
franco Amsterdam
[handschrift Johannes Anspach]
dass ich bin dein dich liebenter bruder
Joh anspach
alles in aller Eyle
[drie regels in het handschrift van Johannes Anspach
doorgestreept]
Wij ondergen[oemden] Christiaan Bernard
Duffeke en Johannes Jurrien van Fliegener
wonende te Rotterdam verklaren dat wij zeer wel
kennen de heer Joh[anne]s Anspach portraitschilder
van beroep, en ook deszelfs schrift en naamteekening;
en dat wij uit herinnering van hetzelve
in vergelijking met het bovenstaande en t ommestaande
adres ons ter goeden trouwe overtuigd
houden dat de naamteekening hierboven in de
tweede regel staande, door niemand anders dan
door hem zelve is geschreven.
In getuigenis der waarheid is deze bij ons onderteekent
te Rotterdam den 26 van
sprokkelm[aand] 1811
C.B. Duffeke
J.J. van Fliegener
[handschrift Joh. Jacob Anspach]
De alom bekente Portraiteur Joh. Anspach heeft
zich zelfs dus beschreven:
“Ik ben klein van stature et wat gezet, rond van
wezen, blaauw van Oogen, / de Neus wat gebogen,
ben bruin van hairen en omtrent 60 Jaaren oud.”
Uit het hoogduitsche in het hollandsche overgezet
door diens broeder
Rotterdam den 25 feb. 1811.
Joh. Jacob Anspach’
Johannes Anspach
Wie was deze destijds alom bekende portrettist en
wie liet zich in Zwolle en omgeving door hem portretteren?
Johannes Anspach, zoon van Johan
Willem Anspach en Philippina Christina Schweikartin,
werd geboren te Nieder Ingelheim (Duitsland)
in 1751 en overleed te Rotterdam op 25 januari
1823. Hoewel hij Duitser van geboorte is, wordt
hij gerekend tot de Nederlandse schilderschool.
Vanaf 1791 was hij werkzaam in Nederland. In
december 1792 kwam hij naar Rotterdam, waar hij
zich op 8 januari 1793 liet opnemen in het schildersgilde.
Hij was ongehuwd en woonde bij zijn
broer Philip Adam Anspach. Een andere broer
was Joh. Jacob Anspach. Deze woonde op de
Botersloot 448 te Rotterdam en hij vertaalde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Johannes’ beschrijving van zichzelf, behorend bij
het hierboven geciteerde paspoort, in het Nederlands.
Johannes Anspach vervaardigde, ook op reizen
door het land, zeer veel portretten in crayon
en pastei. In zijn tijd was hij een zeer gezien portretschilder.
In het omvangrijke portret-iconografisch
apparaat van het Iconographisch Bureau te
Den Haag (hierna IB) zijn meer dan 400 portretten
van Anspach gedocumenteerd. Op een paar na
zijn het alle borststukken ‘en profil’, in een ovaal
met afmetingen van circa 10 x 14 cm. De houten
(of hout met koper belegde) lijstjes waarin de pastels
gestoken zijn, hebben veelal een dubbele rand
met een parelrand aan de binnenste zijde; de vorm
van de buitenste rand varieert.
Pastelkunst
Het tekenen met pastelkrijt staat van alle tekentechnieken
het dichtst bij de schilderkunst. Men
spreekt wel van pasteltekening bij het gebruik van
afzonderlijke lijnen en van pastelschilderij als het
eindresultaat bestaat uit gedoezelde en vloeiend in
elkaar over lopende kleuren. Anspach werkte in de
laatstgenoemde manier. Halverwege de achttiende
eeuw was de pastelkunst zeer populair geworden:
pastelkunst is snelwerkend en goedkoper dan
schilderen met olieverf. Hoewel pastelkrijt al in de
zestiende eeuw bekend was vond een grote toepassing
van de meerkleurige pastei pas plaats in de
achttiende eeuw. Frankrijk was in die tijd toonaangevend,
zowel op het gebied van de pastelkunst
als van de pastelfabricage. In Nederland
werd het pastei niet zo populair als in veel andere
Europese landen. Verondersteld wordt dat dit te
wijten is aan de Hollandse voorliefde voor degelijkheid:
pastels moeten altijd achter glas worden
ingelijst en zijn erg kwetsbaar. In de eerste helft
van de achttiende eeuw werd in Nederland het
pastei toegepast door Cornelis Troost (Amsterdam
1697-1750 Amsterdam) in zijn portretten ten
voeten uit en scènes uit kluchtspelen. Anspachs
directe voorgangers in Nederland in de tweede
helft achttiende eeuw zijn eveneens uit het buitenland
afkomstige reizende pastellisten. De gerenommeerde
Duitse schilder en portrettist Johann
Friedrich August Tischbein (Maastricht 1750-1812
Heidelberg) werkte in periodes tussen 1782 en 1794
in Nederland. Na de restauratie van de Oranjes in
1787 kreeg hij in 1788 opdracht voor het maken van
een reeks portretten van alle leden van het stadhouderlijk
gezin. Hij voerde deze opdracht niet uit
in olieverf maar maakte ovale pastelportretten die
dienden als voorbeeld voor replica’s in olieverf.2
In 1794 verliet Tischbein om politieke redenen
Amsterdam en vertrok naar Arolsen (Duitsland).
In Frankrijk was Lodewijk XVI onthoofd en als
overtuigd royalist was Tischbein bang voor een
Franse invasie.
Omstreeks 1800 is de belangrijkste pastelportrettist
in Nederland de Engelsman Charles
Howard Hodges (Portsmouth 1764-1837 Amsterdam).
Uitgeweken naar Holland in 1788 begon hij
met kleine ovale olieverfportretjes en kleine of
grotere rechthoekige pastels. Daarna vonden ovale
pastels gretig aftrek, omstreeks 1800 gevolgd
door levensgrote olieverfportretten. Hodges
maakte talrijke portretten in de omgeving van
Amsterdam en Den Haag.3 Hij portretteerde
onder anderen Rutger Jan Schimmelpenninck
Zelfportret van Johannes
Anspach (1751-1823)
in pen in bruin, afm. 8x
6 cm, in een paspoort
uitgegeven door de
Maire te Rotterdam,
februari 1811 (Gemeentearchief
Zwolle; Joos
Lensink 1999).
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ockje Groeneveld
(1748-1813), echtgenote
van Rhijnvis Feith, door
Johannes Anspach,
gedateerd 18 november
1801. Afin. 14,5 x 11 cm.
(Particuliere collectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den Haag).
(1761-1825), raadspensionaris van de Bataafse
Republiek.4
Anspach wordt gerekend tot de pastelportrettisten
van een wat minder garnituur dan Tischbein
en Hodges. Twee eind achttiende-eeuwse
kniestukken van een onbekende dame en heer
laten zien dat hij geen meester was in het perspectief.
5 Terecht heeft hij zich beperkt tot het tekenen
van borststukken ‘en profil’.
Een andere pastellist die in dezelfde tijd op
identieke wijze profielportretten maakte was de
uit Duitsland afkomstige rondreizende Wijnand
Esser (Keulen 1779 – Amsterdam 1860). Wellicht
werden Anspach en Esser voor hun profielen
geïnspireerd door het verschijnsel van de vanaf
1780 zo populair geworden silhouetportretjes. Het
silhouet is een achttiende-eeuws bedenksel, goedkoop
te maken en te vermenigvuldigen. In Nederland
waren veel Duitse silhouettisten werkzaam.
Uit advertenties in kranten uit 1794 en 1797 blijkt
hoe snel en goedkoop het maken was: in vijf
minuten konden twee silhouetten tegen twaalf
stuivers geleverd worden, of een silhouet tegen
vijftien stuivers, met wit afgezet voor een gulden
en vijf stuivers, in een medaillon voor twee gulden
en tien stuivers, in een ring voor vijf gulden.6 Ook
boekhandelaren en uitgevers zorgden voor de verspreiding
van silhouetten van bijvoorbeeld predikanten.
In de Zwolsche Courant, 27 januari 1802, 3
februari 1802,10 februari 1802 en 24 februari 1802,
liet de Zwolse boekhandelaar en uitgever Martinus
Tijl weten dat in zijn boekwinkel
‘thans [zijn] te bekomen de welgelykende
SILHOUETTES van de Zwolsche Nederduitsche
hervormde Leeraaren AITTON, SMIT, TINEKEN
en YSENDYK, met Lyst en Glas voor 2 Gulden het
stuk, en zonder Lyst en Glas a 1 Gulden. Als ook de
Silhouette van wylen den Wel Eerw. Heer
H. ADAMA7, voor dezelfde pryzen, als eerst
gemelde.’
Door middel van advertenties in de plaatselijke
kranten maakte Anspach bekend dat hij tijdelijk
in een stad aanwezig was en dat men zich bij hem
kon laten portretteren. Uit de advertenties blijkt
dat hij kriskras door het land reisde. Zo adverteerde
hij op 29 juni 1791 in de ‘s-Gravenhaagsche Courant:
‘fijnschildêr van Delft naar ‘s-Gravenhage
gekomen.’ Op 22 februari 1792 schreef hij in de
‘s-Gravenhaagsche Courant: ‘kunstschilder van
zijn reizen uit Duitsland, weer naar ‘s-Gravenhage
gekomen.’ Er komen ook advertenties voor in de
Rotterdamsche Courant in 1792, 1793, en 29 mei
1798. Anspach tekende niet alleen portretten maar
verwerkt ook mensenhaar en onder meer ‘hairpaerlen
of coralen, tot hals- en oorcieraadjes.’ In de
advertenties noemt hij zich steeds ‘pourtraiteur.’
Kramm, die in 1811 de kunstenaar zelf nog aan
het werk heeft gezien, vermeldt: ‘In veele aanzienlijke
huizen vindt men soms een aantal van zijne
werken, welke men dan ook voor zijne beste mag
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
houden, als hem ruimer beloond geweest zijnde,
dan door de burgerklasse, voor wie hij zich óók
dienstbereidvaardig betoonde. Ik herinner mij
zeer goed, dat ik als jongeling, te Utrecht veel naar
zijn kunstarbeid kwam zien; dit was in 1811, en dat
ik in hem een vriendelijken, hupschen, vluggen en
eenvoudigen kunstenaar aantrof, van wien ik
eenige jaren later niets meer heb vernomen.’8
Bezoeken aan Zwolle
Ook in de Zwolsche Courant kan men advertenties
van )ohannes Anspach aantreffen. Allereerst werd
gezocht naar advertenties in 1811, het jaar waarin
Anspachs paspoort werd verleend. In de Courant
van het Departement der monden van den Yssel,
zoals de Zwolse Courant tijdens Napoleon tijdelijk
heette, van 30 augustus 1811 en 3 september 1811 liet
Anspach weten: ‘Aan Vrienden en Begunstigers
der edele Pourtraiteerkonst in deze Stad Zwolle en
elders wordt bekend gemaakt, dat de in deze konst
zoo vergevorderde Pourtraitteur JOH. ANSPACH,
waarvan hij reeds in het jaar 180:1 alhier bewijzen er
van heeft afgelegt, is aangekomen, en is te spreeken
of te ontbieden ten huize van W. WERNER, Mr.
Timmerman in de Goudsteeg, het meest in
gebruik zijnde Pourtrait, een Profil, is, met een
schoone Lyst en Glas, ƒ 7-:-:, zonder Lyst, ƒ 5-:-:
Het meerdere kan bij hem gezien of vernomen
worden, van al de geene die er maar eenig belang in
zullen stellen. Het door de meerderheid niet gelykend
bevonden Pourtrait blyft voor rekening van
den Konstenaar.’
Tweeënhalve maand later vinden we op 19
november, 22 november en 26 november 1811 de
volgende advertentie: ‘De portraiteur JOH.
ANSPACH, is van Meppel in deze Stad Zwolle
weder gearriveerd, en is zoo al reeds bekend
gemaakt is, te spreken of te ontbieden ten Huize
van W. WERNER in de Goudsteeg No 10. Daar nu
zijn verblijf, zonder bezigheden, kort van duur zal
wezen, worden de Liefhebbers verzocht, zoo spoedig
mogelijk bestellinge te doen. De Prys is matig;
die verkiest van Lijst en Glas er bij te geven, heeft
een welgelijkend Portrait voor ƒ 5-:-: Nog veertien
dagen zal hij in deze Stad vertoeven.’
Uit de advertenties van augustus en september
1811 blijkt dat Anspach in 1801 ook al in Zwolle verbleef.
In de Zwolsche Courant, 31 oktober 1801 staat
de volgende merkwaardige advertentie:
‘De zo door zyn werk als ook door de Couranten
op veele plaatzen zo zeer bekende PORTRAIT-
SCHILDER en KONSTWERKER IN
MENSCHEN HAIR, brengt de Liefhebbers der
konst tot kennis, dat hy alhier te ZWOLLE is aangekomen.
Die geene welke nu gebruik van zyn
werk gelieft te maken, vooral van de PROFILPORTRAITJES,
die door hem in het land zyn
bekend gemaakt, voor de zo gematigde prijs van 6
guldens, met Lyst en Glas en voor het wel gelyken
hy in staat, zo dat de geene die hem noch niet kennen,
niet bevreest behoeven te weezen. Hy werkt
Rhijnvis Feith (1753-
1824), door Johannes
Anspach, gedateerd 15
november 1801. Afin.
14,5 x 11 cm. (Particulierecollectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den
Haag).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hondje Lindor (1794-3
juli 1809) door Johannes
Anspach, gedateerd
1802. Afm. 11 x 14,5 cm.
(Particuliere collectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den Haag).
ook op eene byzondere manier in Menschen hair,
zelfs Portraitten, daar de Hairen op het hoofd, in
plaats van getekend, met levend Hair gepapt, en
eene nieuwe manier van SILHOUETTEN, onder
de naam van KONST-SILHOUETTEN. Iemand
genegen zynde van het bovenstaande en noch
meer te zien, en hem met deszelfs gunst willende
vereeren, vervoege zich ten huize van J.F. Henning,
Banketbakker by de grote Kerkhof, liefst van
itot3 uren.’
De advertentie is opmerkelijk om twee redenen:
ten eerste verzuimt Anspach in de advertentie
zijn naam te vermelden en ten tweede blijkt uit
de advertentie dat hij mensenhaar verwerkt in
portretten. Of er dergelijke portretten van zijn
hand de tand des tijds hebben doorstaan is niet
bekend. Als we verder de prijzen uit 1801 en 1811
met elkaar vergelijken zien we dat in tien jaar tijd
Anspachs prijs voor een pastelportret met lijst en
glas met een gulden gestegen is (6 gulden in oktober
1801 en 7 gulden in augustus-september 1811).
Het vervaardigen van een pastelportret duurt aanzienlijk
langer dan een silhouet en is daarom aanmerkelijk
duurder.
Twee weken na de advertentie van oktober
1801 liet op 15 november de bekende Zwolse dichter
Rhijnvis Feith (1753-1824) zich door Anspach
portretteren. Zijn echtgenote Ockje Groeneveld
(1748-1813 Boschwijk) werd drie dagen later door
Anspach getekend. De portretjes hebben nogal
geleden: in vergelijking met andere portretten
door Anspach is het kwetsbare pastei vervaagd
waardoor de geportretteerden wat diffuus overkomen.
Waarschijnlijk eveneens in november 18019
ontstonden nog twee ongedateerde portretten:
van één van de dochters van Feith, Henriette
Engelina (Zwolle 1777-1851 Kleef) en van haar
echtgenoot Onno Zwier van Sandick (Den Haag
1759-1822 Den Haag).10 Kort daarna, begin 1802,
maakte Anspach een pastei van het hondje van het
echtpaar Feith-Groeneveld, dat luisterde naar de
naam Lindor (1794-3 juli 1809).” Of ook het overige
Zwolse patriciaat zich door Anspach liet portretteren
is niet bekend. Van bekende Zwolse
families zoals Van Haersolte, Van Fridagh, Van
Isselmuiden, Sloet, Queijsen, Crans, Scriverius,
Royer, Van der Gronden en Pruimers, om maar
enkele te noemen, zijn geen portretten door
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Anspach bekend. Een onbekend gebleven portretje
door Anspach uit 1804 was in het bezit van mr.
Jan Isaac van Doorninck (1804-1889 Zwolle),
advocaat en procureur te Deventer, sinds 1869
archivaris van Overijssel te Zwolle. Hij was in 1866
gehuwd met Alida Adolphine Anspach; misschien
een ver familielid van deportrettist.12
Anspach was in de loop van de tijd regelmatig
in Overijssel werkzaam. Enkele maanden nadat hij
de familie Feith had getekend werkte Anspach in
Deventer en Kampen. In de Zwolsche Courant van
6 maart 1802 en 10 maart 1802 liet Anspach weten
dat hij in Deventer was aangekomen:
‘DEVENTER. De POURTRAITSCHILDER
EN KUNSTWERKER IN MENSCHEN-HAIR,
JOH. ANSPACH, die meer dan vier maanden
lang, met veel succes in ZWOLLE veel personen
gepourtraitteert heeft, is thans alhier in Deventer
aangekomen, maar daar hy belofte gedaan heeft,
noch deezen zoomer, op meer plaatsen te komen,
kan hy zich niet langer dan omtrent 6 weeken blyven
ophouden. Die gene welke hem met zyne
gunst gelieven te vereeren, om zich te laten pourtraitteren,
gelieve zich hoe eerder hoe liever te vervoegen
ten Huize van A. de VRIES, Horologiemaker
aan den Brink, daar hy gelogeert is. Ook
zyn by hem fraaye Lysten voor Silhouette te bekomen.’
Twee maanden later was Anspach in Kampen.
Op 2 juni 1802 portretteerde hij Nicolaas Samuel
Rambonnet (Kampen 1781-1870 Huis Vogelenzang,
Hattemerbroek)13 als luitenant der Bataafse
Ruiters. Vermoedelijk in opdracht van Nicolaas
maakte Anspach elf jaar later, op 23 september
1813, als pendant een postuum portret van zijn
overleden vader Frederik Louis Rambonnet
(Kampen 1751-1811 Kampen).14 Anspachs signatuur
aan de achterzijde van het portretje van
Nicolaas Samuel Rambonnet is goed zichtbaar.
Op een oud etiket aan de achterzijde van het portret
van Frederik Louis Rambonnet staat: ‘Johan
Anspach 1813 9/23 gemaalt.’
In juni, juli en augustus 1802 portretteerde hij
(vermoedelijk in de omgeving van Kampen) leden
van de familie Van Ittersum: op 14 juni Anna
Johanna Judith Sloet tot Plattenburg (1756-1816),’5
weduwe van Frederik Alexander van Ittersum; op
Nicolaas Samuel Rambonnet
(1781-1870) door
JohannesA nspach,
gedateerd 2 juni 1802.
Afm. 13,$ x 11 cm. (Particuliere
collectie. Foto:
Iconographisch Bureau,
Den Haag).
De achterzijde van het
portret van Nicolaas
Samuel Rambonnet,
gesigneerd en gedateerd:
‘]oh. Anspach /1802 61 2
gemaalt.’ (foto: Iconographisch
Bureau, Den
Haag).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ernst Hendrik van
Ittersum (1780-1848)
door Johannes Anspach,
gedateerd 5 augustus
1802. Afin. onbekend
(Particuliere collectie.
Foto: Iconographisch
Bureau, Den Haag).
19 juni zoon Lodewijk A. van Ittersum (1779-
1812)’6 als cadet in uniform; op 7 juli zoon Willem
van Ittersum (1776-1854)17 eveneens in uniform
met epauletten, en vermoedelijk terzelfder tijd
diens echtgenote Geertruyd Agnes de Vos van
Steenwijk (1776-1830).’8 Een derde zoon liet zich
op 5 augustus 1802 portretteren: Ernst Hendrik
van Ittersum (1780-1848).19 Ietwat bevreemdend is
het bijschrift bij dit laatste portret: ‘in politiek 6/11
[11-6] den 18 juni van Zutphen den 5 Aug. in
’t land gezeild’. De betekenis van deze woorden
blijft bij gebrek aan biografische gegevens over
Ernst Hendrik in het duister gehuld. Mogelijk
kwam Ernst Hendrik, na
het sluiten van de Vrede van Amiens met Engeland
op 2 juni 1802, vanaf 11 juni weer ‘aan de bak.’
Op zeker moment vertrok hij echter naar Oost-
Indië, keerde in 1816 terug en huwde in 1825 met
Johanna Philippina Wilhelmina van Westerholte
tot Hackfort (1797-1859).20
Tot slot lieten ook leden van de familie Bentinck
zich in de periode 1802-1820 door Anspach
portretteren. Op 6 februari 1802 liet Carolina
Medioburgensis van Borssele (Den Haag 1758-
1837 Zwolle),21 echtgenote van Berend Hendrick
Bentinck tot Buckhorst, zich door Anspach vereeuwigen.
In dezelfde tijd ontstond ook het pendant
van haar zoon Jan Hendrik Coninck Bentinck
tot Buckhorst (Zutphen 1787-1839 Zwolle).22
Beide portretten moeten, gezien Anspach verblijf
in Zwolle in de periode november 1801-maart
1802, in deze stad zijn ontstaan.
Mogelijk in augustus-september of
november-december 1811, ten tijde van
zijn advertenties in de Courant van
het Departement der monden van
den Yssel, vervaardigde Anspach
in Zwolle twee ongedateerde
portretten van een zoon en
dochter van Berend Hendrik
Bentinck tot Diepenheim en
Bonne Elisabeth Juliana du
Tetre. Het waren Derck Bentinck
tot Diepenheim (Huis
Schoonheten 1741-1813
Zwolle),23 tot de omwenteling
van 1795 o.a. drost van
Salland, daarna lid van het
departementaal bestuur van
Overijssel en Landdrost, in
die tijd wonend in de Diezerstraat
te Zwolle, en zijn zuster
Maria Wilhelmina Bentinck
(1744-1812 Zwolle),24 abdis van
het Stift ter Hunnepe. De laatste
twee portretten door Anspach van
leden van de familie Bentinck zijn niet
geïdentificeerd: op 1 augustus 1814 tekende
Anspach een onbekende dame25 en op 23
februari 1820 een onbekende heer.26
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
Noten:
ï. Gemeentearchief Zwolle, AAZ01, inv.nr. 5353.
2. N. Dekking e.a. (samenst.), Tischbein: een reizend
portrettist in Nederland (Utrecht 1987), 19,31.
3. ‘Het pastei in Nederland’, in: A. Staring, Kunsthistorische
verkenningen (Den Haag 1948), 96.
4. Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. A4227.
5. Den Haag, Iconografisch Bureau (IB).
6. ‘De silhouette in Nederland’, in: Staring, Kunsthistorische
Verkenningen, 120-131.
7. Hendrik Arnold Aitton (1753-1819) was gedurende
1785-1805 predikant te Zwolle. Marten Smit (1757-
1833), stond van 1797-1833 in Zwolle. Wernerus Tieneken
(1759-1829), stond 1798-1827 in Zwolle. Zie
voor een in prent gebracht portret van Tieneken
door H.W. Caspari, uitgegeven door J. v.L. Hulsebosch
1804: J.F. van Someren, Beschrijvende catalogus
van gega veerde portretten van Nederlanders, 3
dln. Amsterdam 1888-1891, nr, 5561. Arent van Ysendijk
(1759-1818), was van 1800-1802 predikant te
Zwolle. Zie voor een in prent gebracht portret van
Van Ysendijk: Van Someren, Catalogus van portretten,
nr. 6256. Henricus Adama (1729-1797) was van
1762-1797 predikant te Zwolle. Een getekend silhouet
van Adama, omgeven door vanitas-attributen,
met daaronder een 8-regelig vers door A. van Meden,
weduwe Snel, bevindt zich in de collectie van
het Stedelijk Museum Zwolle, inv.nr. 53-1.
8. C. Kramm, De Levens en Werken der Hollandsche en
Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en
bouwmeesters van den vroegste tijd tot op onzen , dl.i
(Amsterdam 1857), 19-20.
9. Op 10 juli 1801 vermeldt Rhijnvis Feith in een brief
aan P. Pijpers dat zijn dochter Henriette Engelina
en haar man Onno Zwier van Sandick waarschijnlijk
in oktober 1801 in Zwolle zullen aankomen.
J.C. Streng (ed.), ‘Zo als men aan gemeenzaame
vrienden gewoon is te schrijven’: de correspondentie
van Rhijnvis Feith 1753-1824 (Epe 1994), 145.
10. Particuliere collectie, resp. IB 53189, zonder jaar en
IB 53218, zonder jaar.
11. Collectie Familievereniging Feith, IB 58678, 1802.
Afgebeeld in Gelderman, Hagedoorn, 63.
12. J. Anspach, ‘De familie Anspach’, in: De NederlandscheLeeuw^
i (1894) nr. 7, k. 103, k. 109.
13. Particuliere collectie, IB 13310.
14. Particuliere collectie, IB 13312.
15. Particuliere collectie, IB 36220.
16. Particuliere collectie, IB 36219.
17. Particuliere collectie, IB 36224.
18. Particuliere collectie, IB 36226.
19. Particuliere collectie, IB 36225.
20. Zwolle, Rijksarchief in Overijssel. Familiearchief
Van Ittersum, inv.nr. 523, Genealogie van het Geslacht
Van Ittersum (v. Spaen), fol 14.
21. Particuliere collectie, IB 74035.
22. Particuliere collectie, IB 74036.
23. Particuliere collectie, IB 74038 (afgebeeld in: A.J.
Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Twente en
hun bewoners (Zwolle 1995), 178, abusievelijk als Berend
Bentinck tot Diepenheim) en IB 74039.
24. Particuliere collectie, IB 74026.
25. Particuliere collectie, IB 74091.
26. Particuliere collectie, IB 74090.
6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse carillon 70 jaar
Leon van der Eijk Twaalf jaar, nadat in 1815 het bovenste
gedeelte van de toren van de Onze-Lieve-
Vrouwekerk te Zwolle door brand was verwoest,
verscheen er een gedicht onder de titel ‘De
Zwolsche Toren Spreekt.’ In dit gedicht wendt de
toren zich, bij monde van boekhandelaar en uitgever
Hendrik Assuerus Doijer (1791-1866) op smartelijke
wijze tot de Zwolse bevolking met de beginregels:
‘Ik bid U, Zwolsche Burgerij!
Ai zie, en spiegel U aan mij,
En let wat al beziens hij geeft,
Die aan den weg getimmerd heeft:
Hoe ’t vuur des hemels ’t eerste treft,
Al wat zich hier te hoog verheft; ‘
En verder:
‘Daar sta ik, van mijn spits beroofd,
Nu als een oude zot, wiens hoofd
Geen hoed, noch zelfs een slaapmuts dekt,
Schoon dat de hemel telkens lekt, ‘
Nadat deze klaagzang zich nog enige tijd heeft
voortgezet, wordt er op verwijtende toon herinnerd
aan de vele goede diensten, die de toren de
Zwolse bevolking bewezen heeft:
‘Ik die met statig-klokgebrom,
Oranje’svadren ‘twellekom,
Aan ’t Katerveer reeds weten deed,
Eer dat hun trein de stad in reed;
Die steeds gedeeld heb in Uw vreugd,
En vrij al luider dan Uw jeugd,
Ook zonder aardig klokkenspel,
Weleer verkocht, dat evenwel
Mij innig spijt, wijl men aan ’t geld
Zich blaauwe vingers heeft geteld; ‘
In dit laatste citaat wordt gewag gemaakt van luidklokken
en een klokkenspel die verkocht zouden
zijn. Aan de opbrengst ervan zouden de Zwollenaren,
al tellende, blauwe vingers hebben overgehouden.
Het verhaal over die luidklokken klopt, maar
daarna wordt er een soort pastiche gemaakt van
enkele historische feiten en een hardnekkige
legende. Volgens die l

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1999, Aflevering 2

Door | 1999, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
4 •
NG 1 9 9 9 NU R I J S ¥ 1 2 , 5 0
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsma-van Hulten en
Wim Huijsmans
Wasch-, Mangel- en Strijkinrichting
Bleekerij
„DE BOSCHBLEEK”
A. Westmeljer, Zwolle. Telef. Int 614
Bleekerij „AURORA”
WENUM bij Apeldoorn. Tel. Int. 222.
Moderne Inrichtingen, Hygiënische
behandeling. Keurige, deugdelijke, correcte
en prompte aflevering, tegen billijk tarief.
Vraagt prijzen. Zendt proefwasch.
ü
Ansichtkaart ‘De Boschbleek’
Poststempel: Zwolle 2 november 1917
Beste Dorus,
Namens Moeder kom ik even vragen of je het deze
zomer geleende beddegoed, dezer dagen terug wilt
zenden, maar weer in de waschmand, zeide moeder,
dan zullen we die wel weer terug sturen, want het
moet dienst doen (in ‘t) tweede huis in ’t Weezenland,
voor een verdrukte man. Het ledikant is
onnoodig. Hier alles wel.
Heel veel groeten van Albert en Christine.
Op de kaart, in 1988 aan het Gemeentearchief
geschonken door de heer G.T. Oldenhof uit Westenholte,
zijn de Dominicanenkerk aan de Assendorperstraat
en de Thomasschool, een R.K. jongensschool,
aan de Blekerstraat te zien. E’e Boschbleek
lag aan het Groot Weezenland achter de
Nutsschool. De was ligt te bleken op de plaats
waar nu het politiebureau en de nieuwbouw van
het ziekenhuis De Weezenlanden staan. De
Boschbleek verdween in de jaren zestig.
De wasserij en de bleekvelden van de Boschbleek,
eigendom van A. Westmeyer, waren na zijn
overlijden in 1871 in het bezit gekomen van zijn
stiefzoon, Gerrit Jan Oldenhof. Oldenhof breidde
de wasserij uit en schafte een stoommachine aan
om het zware werk te verlichten. Na zijn overlijden
in 1905 zette de weduwe Oldenhof De Boschbleek
voort, samen met haar zoon Albert. Deze
trouwde in 1916 met Christine Hulshof. Th(eodorus)
Oldenhof, aan wie de kaart geadresseerd is,
was een broer van Albert en werd in 1899 in
Utrecht tot priester gewijd.
Een andere broer, Herman Oldenhof, was in
1916 eigenaar geworden van stoomwasserij ‘De
Waterstroom’ aan het Blekerswegje, vlakbij de
Schoenkuipenbrug. Het Blekerswegje en de
Oldenhofveste zijn anno 1999 getuigen van de
activiteiten van de Oldenhofs als wasbazen en blekers.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
In dit nummer treft u weer een keur aan interessante
artikelen aan over de geschiedenis van Zwolle.
De nadruk ligt op de periode rond de Tweede
Wereldoorlog. Ank Meliesie-Appelhof beschrijft
haar herinneringen aan het leven in de binnenstad
in de jaren dertig: van de voetbaluitslagen bij Piet
Kok tot de koffie bij bakker Appelhof in de Voorstraat.
Kees Ribbens vertelt over Duitse scholieren
die in september 1944 naar Zwolle kwamen om
aan de IJssel verdedigingswerken te graven. Zijn
artikel is voor een deel gebaseerd op de herinneringen
die één van die scholieren, Karl Traupe uit
Braunschweig, kort geleden naar het Gemeentearchief
stuurde. Ook in de jaren vijftig werd Zwolle
met oorlog geconfronteerd: de Russische inval
in Hongarije in 1956. Van de duizenden vluchtelingen
kwamen er ook een paar naar Zwolle. Fiona
de Heus en Anita Klappe onderzochten hoe de
families Vermesi en Schreiber in Zwolle werden
opgevangen. Ze wonen er nog steeds.
Over een andere periode gaat het doorwrochte
artikel van de historicus Jean Streng. Hij beschrijft
hoe Zwolse uitdragers en verkopers van tweedehands
goederen in de achttiende eeuw aan de kost
kwamen. Ze hadden geen dik belegde boterham.
Frivoler is het verhaal achter de ansichtkaart
hiernaast. De uitbaters van blekerij en wasserij De
Boschbleek, lieten hun broer Dorus, die pastoor
was in Frederiksoord, fijntjes weten dat hij het
geleende beddegoed eens terug moest bezorgen.
Lezenswaardig is overigens ook de recensie
door Frits David Zeiler van het alom bejubelde
boek van dr. Jean Streng, Het is thans zeer briljant.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Herinneringen J.A.M. Meliesie-Appelhof 40
Het onverwachte optreden van de Hitler-jugend in Zwolle
K. Ribbens 46
Hongaarse vluchtelingen in Zwolle Fiona de Heus en Anita Klappe 53
Uitdragerij en uitdragers in de achttiende eeuw J.C. Streng 57
Literatuur Marieke Schaap-Steegmans 62
Boekbespreking(en) 63
Mededelingen 67
Agenda 68
Auteurs 70
Omslag: Blekerij en wasserij De Boschbleek. (foto: Gemeentearchief Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
Bakker Jan Appelhof en
zijn vrouw Derkje van
Dorth; ïgiy (foto: particuliere
collectie).
Oude Vismarkt
De eerste jaren van mijn leven, begin jaren
dertig, heb ik doorgebracht in een bovenwoning
aan de Oude Vismarkt. We woonden
boven de sigarenzaak van Piet Kok. Ieder zondagmiddag
wemelde het daar van mannen, die
wachtten tot de voetbaluitslagen op de winkelruit
werden geplakt. Als de favoriete club had gewonnen,
ging er een gejuich op; als diezelfde favoriete
club een nederlaag had geleden, stonden de
gezichten van de voetbalfans somber. Er werd
gediscussieerd over de prestaties van ZAC, PEC en
Zwolsche Boys, maar ik geloof niet dat men elkaar
in de haren vloog. Voetbal was in die tijd nog geen
oorlog!
Mijn vader was voor ZAC. Hij ging regelmatig
naar de ‘mets’. Als de wedstrijd was afgelopen, liep
mijn moeder hem tegemoet over de Veerallee. Op
die manier ging ik al in de kinderwagen in de richting
van het ZAC-terrein, een terrein waar ik later
vele voetstappen heb gezet: eerst op spikes en later
op handbalschoenen.
Onze bovenwoning huurden we van de heer
Hollander. Hij had een drogisterij naast de sigarenzaak
van Piet Kok en woonde boven de zaak.
Mijn zus en ik hebben in onze kinderjaren veel
met zijn drie dochters gespeeld. In de eerste jaren
was er een tuin met een hoog hek eromheen; op
deze plaats kwam later een parapluwinkel. Er
waren een wip en een grote zandbak. Verder hadden
de Hollanders een souterrain, dat als ik het me
goed herinner als keuken dienst deed. Ook daar
heb ik veel gespeeld.
Buiten spelen is er tegenwoordig nauwelijks
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
meer bij in de binnenstad, maar als klein kind
speelde ik wel op straat: op de Oude Vismarkt
waar we woonden en ook op het Koningsplein. Er
was altijd wel iets te zien in de straat. Ons huis had
een balkonnetje aan de voorzijde. Daarom hadden
we altijd bezoek als er op Koninginnedag een
optocht was; de stoet kwam namelijk altijd langs
ons huis.
Op zondagochtend zagen we soms groepen
kinderen langskomen, die op weg waren naar de
Rooms-Katholieke kerk. De meisjes waren als
bruidjes gekleed in mooie witte jurken en ze hadden
een kransje op het hoofd. Ik vond dat prachtig.
Ik wilde daar ook graag bij zijn, maar als lid
van de Hervormde Kerk deed je geen heilige communie.
Wat dat was wist ik uiteraard niet.
Er is heel wat veranderd op de Oude Vismarkt.
De drogisterij van Hollander is er niet meer. De
sigarenzaak van Piet Kok was al veel eerder verdwenen
en ook de kledingzaak van Wieringa, aan
de andere kant, is al vele jaren weg. Ook de groentenboer
en de melkboer, die vroeger met paard en
wagen hun waren kwamen brengen, zijn al lang
verleden tijd. Wat voelde je je de koning te rijk,
wanneer je op de bok mocht zitten.
Als ik in bed lag, hoorde ik soms de eentonige
roep van de visboer. Wat hij precies riep, heb ik
nooit begrepen. Iets met ‘mooie garnalen’. Als het
donker was klonk het een beetje luguber. En
’s morgens hoorde je de ratel van de vuilnisman.
Die vertrouwde geluiden hoorden erbij.
Voorstraat
Mijn grootouders woonden in de Voorstraat.
Mijn opa was bakker en had daar een bakkerij en
winkel. Behalve brood werden er in de winkel ook
kruidenierswaren verkocht. Vooral op marktdagen
– vrijdag – was het vol in de winkel. De boerinnen
uit de omgeving deden hun inkopen en werden
in de kamer achter de winkel gelaafd met koffie.
Achter die kamer was de bakkerij. Op een lange
plank werden de ongebakken broden in de
oven geschoven. Als we ’s morgens op bezoek
kwamen kreeg mijn oudere zus een warme kadet
en ik een warme krentenbol. Verder was er beneden
een kleine keuken en een binnenplaats met
een tonnetjes-WC en een volière met parkieten
van oom Jan. Oom Jan mijn ongetrouwde oom,
was eveneens bakker en nam later, na opa’s dood,
de zaak over.
Aan de voorkant op de eerste verdieping, was
de kamer. Vandaaruit keek je uit op de achterkant
van de Erven J.J.Tijl, waar de Overijsselsche en
Zwolsche Courant werd gemaakt. Heel interessant
vond ik het spionnetje, waardoor je een gedeelte
van de straat kon zien.
De gang liep een beetje af naar de keuken. Het
water dat uit de kraan kwam, was altijd lauw. In de
gang was de WC – eveneens een ouderwetse ton -,
waar ik niet graag op ging, want het stonk er altijd.
Liever ging ik naar de WC op de binnenplaats.
Mijn grootmoeder was een strenge vrouw die
altijd in donkere jurken was gehuld. Over die
japon droeg zij altijd een boezelaar. Of dat een
Zwols woord is, weet ik niet. Zij had haar grijze
haren in een knoetje. Opa was een stille, goedige
man. De laatste jaren van zijn leven bracht hij
door in een leunstoel bij het raam. Naast zijn stoel
stond een wandelstok van donker, gedraaid hout.
Na een beroerte was hij kinds geworden, zoals
dementie destijds werd genoemd. Ik was te jong
om dat allemaal te beseffen. Ik herinner mij flauwtjes,
dat hij verhalen vertelde, die nogal luguber
waren. Het enige verhaal, dat mij is bijgebleven
gaat over twee witte paarden, die uit het bos
tevoorschijn komen en die een doodkist achter
zich aan sleepten.
Er was ook een poes waar ik doodsbang voor
Drogist Hollander had
een tuin met een zandbak
waar de kinderen
Appelhof regelmatig
speelden (foto: particuliere
collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Derkje Appelhof-van
Dorth met kleinkinderen
in de Voorstraat;
1928 (foto: particuliere
collectie).
was. Zij had mijn nichtje dat van mijn leeftijd was
en met wie ik vaak optrok, op haar voorhoofd
gekrabd toen zij per ongeluk op het beest trapte.
Als ik de winkel in kwam – je moest altijd hard
‘blijf maar’ roepen – en de kat zat op de trap
gemeen naar mij te loeren (het dier keek natuurlijk
gewoon) moest oma haar eerst wegjagen,
anders deed ik geen stap verder. Aan deze poes is
het niet te danken, dat ik zoveel van dieren houd!
Ik vond het wel leuk om met de kleine poesjes,
die aan de lopende band geboren werden, te spelen.
Ik zat dan op de grond in de kamer en deed ze
in een omgekeerde stoof, waarmee ik ging rijden.
Opa en oma raakten die jonge poesjes gemakkelijk
kwijt aan de vele boeren die op vrijdag de winkel
bezochten.
De gastvrijheid van mijn grootouders op de
vrijdagochtenden hebben mijn ouders geen windeieren
gelegd. In de oorlogsjaren hebben zij vele
liters melk gehaald bij boerderijen in Haerst,
Wijthmen en Schelle.
Opoe
De grootmoeders van tegenwoordig zien er heel mm1
anders uit dan mijn opoe. Grootmoeders gedragen
zich tegenwoordig ook anders. Ik kan me mijn
grootmoeder onmogelijk voorstellen in een lange
of korte broek, schaatsend, zwemmend, roeiend
of tennissend. Dat deed ze gewoon niet – evenmin
als alle andere opoes. Oudere vrouwen – en wat
was men vroeger gauw oud!- hadden een keurige
jurk aan, droegen een mantel en hoed en meestal
ook handschoenen. Ze deden het huishouden en
waren onderdanig aan hun echtgenoten. (Het is
overigens moeilijk om me voor te stellen dat mijn
oma onderdanig was, omdat ze naar mijn weten
nogal dominant was; opa was daarentegen een
goedige man.)
Vroeger zeiden wij ‘opoe’. Een jonger nichtje
ging op de moderne toer en begon ‘oma’ te zeggen.
Wij namen dat langzamerhand over. Oma
was een echt familiemens. Ze genoot ervan als ze
haar kinderen en kleinkinderen om zich heen had,
hoewel ze dat nooit zou zeggen. Ze had veel gevoel
voor humor, net zoals de meeste van haar zoons
en dochters. Ze kon erg ad rem zijn. Toen ze oud
was verbleef ze regelmatig bij haar dochters. Op
een dag vroeg een nichtje haar moeder of ze een
paar schoenen ‘met doorlopende hakken’ (zoals
wij de toen in de mode zijnde plateauzolen noemden)
mocht kopen. Waarop oma zei: ‘Och kind,
dan stoa’j nooit meer stille in oen lèèv’n.’
Oma was een flinke vrouw. Toen ze oud was
zag ik er vaak tegenop om bij haar op bezoek te
gaan. Het op visite gaan was niet zo’n corvee, want
je kon best gezellig met haar praten. Alleen als je
vroeg hoe het met haar ging, antwoordde ze altijd
op sombere toon: ‘Giet wel.’ Als ik na een poosje
weg wilde gaan durfde ik dat niet te zeggen, want
dan klonk het steevast: ‘Goa’j alweer. Och ja, er is
ook niks an bi’j zo’n old mense.’ En dan vertrok ik
met een schuldgevoel. Haar laatste jaren heeft ze
doorgebracht in bejaardentehuizen. Eerst in huize
Allegonda in Ittersum (waar nu het kantoor van te
Siepe is gevestigd) en later in het oudeliedenhuis
aan de van Karnebeekstraat. Dat was een droefgeestige
omgeving. Hoeveel ze van haar familie
hield bleek uit de laatste woorden die ik van haar
hoorde, vlak voordat ze stierfin de bedompte kleine
kamer van het tehuis: ‘Ik vind het zo erg, dat ik
jullie nou niet meer zal zien.’
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
Oom Jan
Oom Jan was vrijgezel en een erg lastige man. Wij,
de nichtjes en neefjes, waren bang voor hem,
omdat hij zo vreselijk tekeer kon gaan. ‘Angaon’
noemde mijn oma dat.
Ik heb het altijd erg raar gevonden dat mijn
opa en oma twee van hun zoons Jan noemden. De
oudste noemden wij ‘oom Jan de bakker’ en de
jongste zoon werd door de familie aangeduid als
‘kleine Jan’; deze naam bleef gangbaar ook toen hij
later de langste van de kinderen was. Opa heette
eveneens Jan, maar hij werd door zijn vrouw nooit
bij zijn voornaam aangesproken. Hoe ze hem wel
noemde weet ik niet. Jan was duidelijk de familienaam
want de beide kleinzoons van opa en oma
heetten ook allebei Jan.
Oom Jan de bakker was een hoofdstuk apart.
Hij was altijd nadrukkelijk aanwezig. Iedere zondagmorgen
gingen wij op bezoek in de Voorstraat.
Wij speelden met mooi weer buiten.
Tegenover het huis, voor de drukkerij van Tijl,
lagen roosters en het was erg leuk om daar overheen
te rennen. Dat maakte veel lawaai.
In de vakanties kwamen ook de ooms en tantes
die buiten Zwolle woonden, met hun kinderen.
Wij gingen dan winkeltje spelen. De oudste nichtjes
waren winkeljuffrouw. Daar kwamen wij, jongeren,
helaas niet aan te pas. Wij stonden, met een
mand aan de arm, voor de toonbank om boodschappen
te doen. De ‘verkoopsters’ bliezen een
zakje op en dat legden wij in de mand. Wij ‘woonden’
meestal ergens: in de kamer achter de winkel,
in de keuken of in de kamer op de tussenverdieping,
vanwaar je uitkeek op de winkel.
Maar na een poosje kwam steevast oom Jan
furieus naar beneden stuiven. Hij was woest,
omdat we zo’n rommel maakten, hoewel dat best
meeviel en wij alles altijd netjes opruimden. Maar
als oom Jan het op zijn heupen had was Leiden
(Zwolle) in last.
Boven waren de ouders altijd hevig aan het
discussiëren. Het leek alsof ze grote ruzie hadden,
want ze hadden harde stemmen. En boven alles uit
hoorde je de ruzie-achtige stem van oom Jan.
Toen hij op een zondagmorgen weer eens hevig
aan het ‘angaon’ was geweest, zei één van de nichtjes:
‘Als oom Jan dood is huppel ik achter zijn
begrafenis.’ Dat was natuurlijk niet echt gemeend,
maar toen oom Jan overleed moest ik daar weer
aan denken. Hij is niet oud geworden. Toen wij bij
zijn begrafenis met ernstige gezichten in een volgkoetsje
zaten schoten mij die spontane woorden
in gedachten. En het kostte mij, ondanks de droevige
gebeurtenis, even moeite om niet te lachen.
Familie
Mijn opa heb ik niet lang gekend. Ik was nog jong
toen hij overleed. Hij schijnt een goedig mens te
zijn geweest. Zijn wortels lagen in Dalfsen en
omgeving. Verschillende ooms en tantes van zijn
kant woonden in Zwolle.
Oma kwam uit Den Ham. Zo nu en dan kwam
er een familielid op visite. Er moet een tante Betje
geweest zijn, maar die herinner ik mij niet meer.
Verder was er ‘dove oom Jan.’ Hij moest een grote
donkerbruine hoorn tegen zijn oor houden om
ons te kunnen verstaan. De levendigste herinneringen
heb ik aan oom Mannus. Als ik Vader
Abraham zie moet ik aan die aardige oom denken,
want daar leek hij sprekend op. Hij had een lange,
grijze baard, een bolhoed op het grijze hoofd en
een donker kostuum. Het was altijd leuk als oom
Mannus in de Voorstraat kwam, want dan kregen
Wandelen op de Wipstrikkerallee;
1928 (foto:
particuliere collectie).
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boodschappen doen in
de Diezerstraat; 1929
(foto: particuliere collectie).
wij een reep chocola uit de winkel van hem. Hij
was vrijgezel.
Verder was er nog tante Dina die ook ongetrouwd
was. Het was een klein, mager mensje, dat
altijd ziekelijk was. Ze is overigens vrij oud geworden.
Het verhaal ging dat tante Dina altijd flauw
viel als er een familielid binnen kwam. Ze viel echter
nooit op de grond omdat ze steeds viel wanneer
er een stoel achter haar stond. Ik heb haar
overigens nooit flauw zien vallen. Ze zei nauwelijks
iets tegen ons. Je kreeg alleen een slap handje.
Op een zondagochtend ben ik erg geschrokken.
Toen ik de kamer binnen kwam zat er een in het
wit geklede gestalte. Ik dacht, dat ik een spook zag,
maar het was tante Dina in nachtgewaad. Met een
zacht, beverig stemmetje zong ze psalmen mee
met de radio.
Binnenstad
Er is in de loop der jaren heel wat veranderd in de
Zwolse binnenstad. Toen ik kind was kon je overal
fietsen en autorijden. In de Diezerstraat zijn veel
van de oude bekende winkels verdwenen: Oldenhof,
Vroom en Dreesmann, de stoffenzaak van
Covers, de handwerkwinkel van Tine Prins, de
fraaie gevel van de bontzaak van Hendriksen en
niet te vergeten bioscoop de Kroon. In de goede
oude tijd hield men de Nederlandse taal nog in
ere. Wij gingen niet ‘shoppen’, maar winkelen. En
er was nog uitverkoop en geen ‘sale’. E’e Grote
Markt had een ronde vluchtheuvel in het midden.
Daar kon je rustig omheen fietsen. Hotel Peters
was een gezellig restaurant waar heerlijke koffie
werd geschonken.
De Roggenstraat had een rijbaan met blauwe
steentjes. In deze smalle straat nam de St.
Michaëlskerk met zijn sierlijke spitse torentje, een
belangrijke plaats in.
Als kind heb ik vaak op het Gasthuisplein
gespeeld. Daar stonden prachtige kastanjebomen.
In het najaar gingen we kastanjes zoeken. Thuisgekomen
gingen we daar allerlei leuke dingen van
maken, zoals paardenleidsels en poppetjes. Op
vrijdag was er markt. Er werden kippen en konijnen
verkocht en heel dikwijls heb ik met vertedering
gekeken naar donzige, gele eendenkuikens en
zelfs naar jonge hondjes, die ik allemaal wel mee
wilde nemen. Zwolle was toen nog een knusse
provinciestad. Je kon onbezorgd door de straten
lopen en fietsen en het was zelfs niet nodig om je
rijwiel op slot te zetten, want ‘zwijntjesjagers’
waren een zeldzaamheid. Bovendien surveilleerden
er regelmatig politie-agenten – ‘tuten’ noemde
de jeugd hen – door de straten. Als ie zonder
achterlicht fietste kon je geheid een bekeuring verwachten!
Er was een behoorlijke discipline in die
tijd. Toen we later van de Oude Vismarkt naar de
Wipstrikbuurt verhuisden moest ik regelmatig
over het Kerkbrugje. Daar mocht je vroeger niet
overheen fietsen, maar je had niet altijd zin om af
te stappen. Als je een klein eindje de brug op fietste
had je al kans te worden aangehouden. Het leek
wel of er overal ‘tuten’ waren, die voor en achter
ogen hadden!
Op nationale feestdagen was het altijd gezellig
druk in de binnenstad. Op het Grote Kerkplein
hebben wij met alle kinderen van de lagere scholen
veel gezongen. Hier klonken overbekende
vaderlandse liedjes, zoals ‘Wij willen Holland
houden’, ‘O schitterende kleuren van Nederlands’
vlag’, ‘Waar de blanke top der duinen’ en ‘In naam
van Oranje doe open de poort’. Iedereen kende
die versjes, die in de klas eindeloos tweestemmig
werden gerepeteerd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
Zwols
Ik heb altijd gedacht een echte Zwolse te zijn.
Maar dit blijkt volgens deskundigen allesbehalve
waar te zijn. Mijn vader was weliswaar geboren en
getogen in Zwolle, maar mijn moeder kwam uit
Kampen en ook mijn grootouders kwamen uit
andere plaatsen.
Bij ons thuis werd geen Zwols gesproken. In
het ouderlijk huis van mijn vader aan de Voorstraat
spraken mijn vader en zijn broers en zusters
wel het Zwolse dialect. Ik heb me laten vertellen
dat er drie soorten Zwols bestaan: Kamperpoorten-,
Diezerpoorten- en binnenstadszwols. In het
voormalige Zwollerkerspel klonk het dialect weer
anders. Mijn moeder heeft vroeger ongetwijfeld in
haar jeugd thuis Kampers gesproken. Daar plaagde
mijn vader haar wel eens mee. Want volgens
hem klinkt ‘götte’ veel beter dan ‘geute’. Hij leerde
ons ook Zwolse zinnetjes, zoals: ‘Een jonge dodde
op een liekelattien spiekeren’ en ‘Sidi tamentis,
astoe entis paktem’. Maar echt dialect spreken was
er niet bij. Tegenwoordig worden de dialecten
weer in ere hersteld.
Wanneer tante Nellie, de weduwe van een
jong-overleden vriend van mijn vader, op bezoek
kwam kon je echt sappig Zwols horen. Ze had verscheidene
Zwolse stopwoorden: ‘Rojdum’, ’t Ken’
en ‘mu’j mèèmaak’n’. Tante Nellie was een ‘best
mense’, maar ze had één lastige eigenschap: ze
kwam altijd te laat. Ze sloeg geen verjaardag van
mijn ouders over, maar ze had de onprettige
eigenschap pas tegen zes uur op bezoek te komen.
Dan wilde mijn moeder graag eten, want ’s avonds
kwam er weer veel visite en alles moest bijtijds
worden klaargezet. Er was op zo’n feestdag altijd
veel aanloop. Dat vond ik – als kind- erg gezellig.
Nu begrijp ik dat het voor mijn moeder wel eens
een corvee was, want haar hoofd liep om. Vooral
’s avonds was de kamer vol. Aan de ene kant zaten
de mannen en aan de andere kant van de kamer de
vrouwen. Later op de avond kon je de mannenzijde
niet meer zien van de rook.
Maar voordat het zover was kwam tante Nellie,
meestal met haar jongste dochter. Als het middagbezoek
weg was zeiden wij: ‘Gauw tafel dekken,
dan ziet ze tenminste dat we haast hebben’.
Ze zei wel: ‘Mutt’n jullie èt’n. Ik blieve niet lange’,
maar een uur later zat ze er nog. Als ze eindelijk
weg was werden er in allerijl stoelen van boven
gehaald, kopjes klaargezet en dan kwam de eerste
visite al. Dergelijke hoogtijdagen zullen altijd in de
herinnering blijven.
In 1930 werd uitbundig
gevierd dat Zwolle 700
jaar eerder stadsrechten
had gekregen. Op de
Oude Vismarkt was
deze poort gebouwd
(foto: particuliere collectie).
Wandelen in het Ter
Pelkwijkpark; 1930
(foto: particuliere collectie).
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het onverwachte optreden van de Hitlerjugend
in Zwolle1
Kees Ribbens
De Hitlerjugend had
een overweldigend succes.
Volgens Hitler
moest de Hitlerjugend
‘Vlug als windhonden,
taai als leer en hard als
het staal van Krupp’
zijn (Friedrich Heer,
Jeugd in beweging.
Grote stromingen der
20e eeuw. Den Haag
1972,106).
September 1944 was een chaotische maand.
Na meer dan vier jaar Duitse bezetting leek
de bevrijding van Nederland eindelijk naderbij
te komen. Na hun landing in Normandië in
juni 1944, rukten de geallieerde strijdkrachten in
hoog tempo op in noordelijke richting. Begin september
1944 moesten de Duitsers Parijs en Brussel
uit handen geven. Op 5 september, Dolle Dinsdag,
leek het even alsof de geallieerden Nederland
bereikt hadden. Hoewel die indruk niet juist
bleek, voelden de Duitsers de druk toenemen.
Niet alleen hun aanwezigheid in Nederland werd
bedreigd, ook het Derde Rijk zelf leek steeds meer
in gevaar te komen.
Onder de Duitsers die zich bewust werden van
de toenemende druk bevond zich de Gauleiter van
het Bezirk Zuid-Hannover-Braunschweig, Hartmann
Lauterbacher. Deze 35-jarige aanhanger van
Hitler, Oostenrijker van geboorte, was tevens
Reichsverteidigungskommissar voor dit gebied en
had eerder een hoge positie ingenomen in de
organisatie van de Hitlerjugend. De geallieerde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
opmars baarde hem grote zorgen. Lauterbacher
meende zijn Führer een grote dienst te bewijzen
door mensen uit zijn regio in te zetten bij de Duitse
verdediging. Het Duitse Rijk moest volgens
hem verdedigd worden bij de Nederlandse IJssel;
daar diende het geallieerde offensief gekeerd te
worden. Hij besloot daarom op zeer korte termijn
leden van de Hitlerjugend in te zetten bij de Westwallbau:
de aanleg van de IJssellinie. Zo raakten
honderden Duitse scholieren in september 1944 in
Zwolle verzeild.
Op donderdag 7 september 1944 kregen de
vierde- tot achtsteklassers van verschillende Oberschulen
in Braunschweig, allen leden van de Hitlerjugend
(HJ), opdracht om uiterlijk om 6 uur
’s avonds aanwezig te zijn bij de Martino-Katherineumschool.
Ransel, deken, broodzak en kookgerei
dienden meegenomen te worden. De verzamelde
jeugd, allen tussen de 14 en 17 jaar oud,
werd die avond toegesproken door de plaatselijke
Kreisleiter van de NSDAP. De scholieren kregen
niet veel meer te horen dan dat er voor hen een
belangrijke taak was wegggelegd; op de inhoud
daarvan werd niet nader ingegaan. Zij marcheerden
vervolgens naar het station waar zij tegen 10
uur met een speciale trein vertrokken. In die trein
bevonden zich op dat moment 525 scholieren en
negen begeleidende docenten uit Braunschweig,
Wolfenbüttel, Helmstedt en Schöningen. Er werd
eten meegenomen voor drie dagen. Via Peine en
Hannover, waar nog eens 566 scholieren met
enkele begeleiders instapten, ging het transport in
westelijke richting. De bestemming was voor
velen een raadsel; geen van de scholen was eerder
dan 6 september op de hoogte gebracht van deze
operatie.2 Toch was de stemming in de trein goed.
Dat de ernst van de situatie niet geheel tot de jongens
doordrong, bleek uit het feit dat enkelen van
hen af en toe op het dak van hun wagon klommen
of bij korte stops in en uit de trein sprongen.3
Sommigen doodden de reistijd door kaart te
spelen terwijl de trein via Bentheim de Nederlandse
grens bereikte en doorreed naar Deventer. Hoewel
Deventer de geplande eindbestemming was,
werd het transport door de Organisation Todt
(OT) alhier, belast met de aanleg van de IJssellinie,
doorgestuurd naar Zwolle. Pas op vrijdagmiddag
rond 3 uur kwam de trein in Zwolle aan. Een deel
van de passagiers werd verder gezonden naar
Meppel, maar 917 scholieren bleven in Zwolle.4 Zij
werden begeleid door 23 docenten, een arts en vier
verpleegsters. Allen stonden onder leiding van de
rangaltester Hitlerjugendführer, Starnmführer Dr.
Koken, en zijn twee assistenten van de Lehrerbildungsanstalt
Braunschweig, Hauptgefolgschaftsführer
Grasshof en NSFK- Obersturmführer
Erich Ehlers.5
De plaatselijke leiding van de OT was pas twee
uur eerder op de hoogte gebracht van de komst
van dit transport. Onduidelijk is of dit het gevolg
was van de chaotische militaire en administratieve
situatie in deze dagen (in de wirwar van de toch
reeds onduidelijk afgebakende verantwoordelijkheden
van Reichskommissariat, Wehrmacht,
NSDAP, OT en Hitlerjugend) of van belemmeringen
in het telefoonverkeer vanwege een door het
Nederlandse verzet doorgesneden telefoonkabel.6
De sfeer in de stad was bij aankomst van het
transport gespannen. ‘Die Bevölkerung verhielt
sich zwar ruhig, aber sichtlich feindselig.’7 Om de
De Hitlerjugend begon
in de politieke strijd met
hamer en sikkel als
symbool van het nationaal-
socialisme, voordat
Hitler in 1933 aan
de macht kwam (FriedrichHeer,
Jeugd in
beweging. Grote stromingen
der 20e eeuw.
Den Haag 1972,108).
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Wilhelminaschool
en Kweekschool aan het
Assendorperplein waar
een gedeelte van de
Duitse jongens in september
1944 was ondergebracht
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
lhelrninaschöo.t„en Kweek’schoöl
spanning niet verder op te drijven werd afgezien
van de mogelijkheid een groot aantal huizen te
vorderen als onderkomen. Na enkele uren werden
de scholieren vervolgens op verschillende plaatsen
in de stad ondergebracht door de OT. Zo kwam
een van de groepen terecht in een gebouw aan het
Zwarte Water waar zich ook soldaten van de
Kriegsmarine bevonden. De verpleegsters werden
uiteindelijk ondergebracht in de Duitse School
waar zij een ziekenboeg inrichtten.
Op zondag 10 september werden drie scholen
in beslag genomen waar de Duitse scholieren vanuit
hun verspreide eerste onderkomens werden
ondergebracht. In de school aan het Assendorperplein
vonden 333 scholieren een onderkomen. Ze
moesten er in dekens op stro slapen. In de Binnenvaartschool
werden 275 jongens geplaatst en in de
school aan de Westerlaan 309.8 De sanitaire voorzieningen
in de schoolgebouwen waren uiteraard
niet afgestemd op dit verblijf. Bovendien lag de
hygiënische standaard van de jongens nog niet erg
hoog: ‘Ihr Gefühl für körperliche Sauberkeit und
Sauberhaltung der Wasch- und Abort-anlagen
mufite erst geweckt worden.’9 Ernstige gezondheidsproblemen
deden zich echter niet voor.
Op de ochtend van hun verhuizing werden de
jongens en hun begeleiders toegesproken door de
Overijsselse Beauftragte K.G.G. Weidlich, de provinciale
vertegenwoordiger van Reichskommissar
Seyss-Inquart. Hij vertelde iets over de situatie in
Nederland en over de te verrichten werkzaamheden
– de aanleg van een verdedigingslinie – en zegde
voorts uitstekende voeding toe. Die belofte
werd niet nagekomen, omdat de Duitse begeleiders
zich onvoldoende realiseerden dat de voedselsituatie
in Nederland verre van optimaal was.l0
De verstrekte broodmaaltijden werden
beschouwd als voldoende maar eentonig. Bij
gebrek aan een veldkeuken van de OT werd het
warme eten van de Centrale Keuken in de stad
betrokken. Deze weinig gevarieerde stamppotten
met slechts een beperkte hoeveelheid vlees veroorzaakten
geen enthousiasme: ‘Der Hunger trieb es
schlietëlich hinein.'” Onder de docenten rees het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
vermoeden dat er te weinig vlees werd verstrekt,
zodat de OT extra toezicht liet uitoefenen in de
Centrale Keuken of het voor de HJ bestemde vlees
wel in de juiste ketel terechtkwam.
Een ernstiger probleem was dat niet alle HJ-ers
tijdens de haastige voorbereiding het verzoek hadden
ontvangen om werkkleding en stevig schoeisel
mee te nemen. Toezeggingen van Duitse instanties
om zorg te dragen voor werkschoenen en
werkkleding, werden tot kort voor de terugkeer
naar Duitsland niet nagekomen. Omdat vooral de
schoenen flink sleten tijdens het werk, kregen de
plaatselijke schoenmakers daarom uiteindelijk te
horen dat ze alleen nog maar voor de Duitsers
mochten werken. Dat de medewerking van de
Duitse instanties in de stad te wensen overliet,12
gold ook voor de OT, onder wier verwantwoordelijkheid
de Hitlerjugend was geplaatst. Zo werd
een verzoek om enkele fietsen voor de HJ-leiding –
noodzakelijk voor het bereiken van de uiteenliggende
werkplaatsen en onderkomens – pas na acht
dagen ingewilligd.
Ook duurde het enkele dagen voordat de Hitlerjugend
daadwerkelijk werd ingezet. Pas vanaf
maandag 11 september ontvingen de scholieren
aanwijzingen van de OT waar zij zich dienden te
melden voor de Schanzarbeiten. Dat betekende
niet automatisch dat zij nu aan het werk konden.
Sommigen bleken niet in staat de juiste Baustelle
te vinden; anderen die wel op de gezochte plek
aankwamen, ontbrak het aan het benodigde
gereedschap. Dat probleem gold niet voor de jongens
uit Wolfenbüttel die bij hun vertrek in Duitsland
reeds spades, schoppen en houwelen hadden
meegekregen.
De jonge Duitsers vertrokken ’s ochtends in
kleine groepen vanaf hun scholen voor een tocht
van ongeveer zes kilometer in de richting van
Kampen. Bij gebrek aan transportmiddelen begaf
men zich te voet op weg, wat ongeveer een uur in
beslag nam. Tussen de weilanden moesten daar
‘Deckungslöcher gegen Tieffliegerangriffe’ ofte
wel schuttersputjes worden gegraven. Anderen
hielden zich bezig met het afsteken van graszoden
waarmee de geplande drie kilometer lange tankgracht
tussen IJssel en Vecht gecamoufleerd diende
te worden. Vanwege het gebrek aan werktuigen
werd in twee ploegen gewerkt, van 8 uur ’s ochtends
tot 1 uur ’s middags en van 1 uur ’s middags
tot 6 uur ’s avonds.13 Tijdens de werkzaamheden
werden de jeugdige arbeidskrachten nagenoeg
ongemoeid gelaten door overvliegende geallieerde
vliegtuigen. Enkele docenten hadden echter hun
bedenkingen over de gevaarlijke nabijheid van de
vijand, temeer daar de scholieren zich niet altijd
geheel bewust waren van het mogelijke gevaar. ‘Es
war nicht leicht, der unbekümmerten Jugend
klarzumachen, dafi man sich bei Annaherung der
Gefahr sofort in den Einmannlöchern am
StraSenrande und auf der Arbeitsstelle in Sicherheit
bringen mufite.’14
Wie in de ochtendploeg werkte, kon ’s mid-
De Korte ademhalingssteeg
in september 1944,
gefotografeerd door
Horst Beulshausen, één
van de leden van de
Hitlerjugend die in
Zwolle was ondergebracht
(foto: particuliere
collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Wehrmachtslokaal
in de Sassenstraat ïg.
Op hun vrije middagen
gingen jongens van de
Hitlerjugend hier op
bezoek (foto: Gemeentearchief
Zwolle).
dags Zwolle ingaan. De Hitlerjugend liep rond in
het centrum en bezocht het Wehrmachtsheim in
de Sassenstraat. Sommigen bezochten de bioscoop
of gingen roeien met een boot. Dat leidde er
een enkele keer toe dat de HJ-ers door jeugdige
Zwollenaren werden bespuwd. Een enkele Duitse
scholier meende zich bij gebrek aan Nederlands
geld te kunnen veroorloven om winkeldiefstallen
te begaan, wat hem bij ontdekking op een reprimande
en een uitgaansverbod kwam te staan.
Velen schreven brieven naar huis die per veldpost
verstuurd werden. Om 8 uur ’s avonds moesten de
HJ-ers weer binnen zijn. Wanneer een van de
Duitse soldaten die de scholen bewaakte, op dat
uur in de lucht schoot, waren de straten leeg. Ook
Nederlanders mochten zich na dat tijdstip niet
meer buiten vertonen.
Vanaf vrijdag 15 september werden veel graafwerkzaamheden
overgenomen door Nederlandse
burgers. Nadat Amerikaanse troepen eerder die
week in Zuid-Limburg de Nederlandse grens hadden
overschreden, werden alle Zwolse mannen
tussen 18 en 45 jaar verplicht om zich voor graafwerk
aan de IJssellinie te melden.15 Terwijl de
spanning onder zowel Nederlanders als Duitsers
steeg, werd de Hitlerjugend nu ingezet voor het
plaatsen en camoufleren van geschut nabij de
oever van de IJssel. Dit geschiedde in groepen van
ongeveer vijftig jongens onder leiding van enkele
geniesoldaten. Dit werk beviel blijkbaar beter:
‘Diese Arbeit sagte den Jungen im hohen Mafie zu
und führte zu anerkannt guten Ergebnissen.’16
Na nauwelijks een week kwam er al een onverwacht
einde aan de inzet van de Duitse scholieren.
Op zondagmiddag 17 september 1944 ontving de
Wehrmachtskommandantur in Zwolle het: bericht
van de geallieerde luchtlandingen in Noord-Brabant
en Gelderland, de operatie Market Garden.
Deze operatie vormde een ernstige bedreiging
voor Duitsland en voor de verbindingen tussen
Nederland en Duitsland. Alle militaire eenheden
in de regio Zwolle werden in staat van paraatheid
gebracht en de werkzaamheden van de Duitse
scholieren aan de IJssellinie werden abrupt afgebroken.
Nog diezelfde avond werden 61 zieke
scholieren naar het station gebracht, v/aar een
trein hen via Hengelo terug naar Duitsland
bracht. Inmiddels werden pogingen ondernomen
om ook voor de overige scholieren transport te
regelen. Hoewel de HJ-ers eerder op de avond nog
met propagandistisch oogmerk door de stad
gemarcheerd hadden, daartoe aangezet door de
Overijsselse Beauftragte, gaven de Duitse autoriteiten
er de voorkeur aan hun jeugdige landgenoten
te verwijderen uit de mogelijke frontzone.
Blijkbaar ontstond pas op dit moment ook buiten
een klein groepje docenten het besef van het
gevaar waaraan men deze kinderen, zonder noemenswaardige
voorbereiding, had blootgesteld.
Enkele lege goederenwagons met bestemming
Coevorden werden ingeschakeld voor de; haastige
evacuatie. Rond 1 uur ’s nachts in de vroege ochtend
van 18 september vertrok dit transport vanaf
het Zwolse station. De volgende ochtend werd
door Hauptgefolgschaftsführer Grasshof een telegram
gestuurd naar de regionale leiding van de HJ
in Hannover: ‘900 Hitlerjungen des Gaues Südhannover-
Braunschweig aus Zwolle in Coewarden
[sic] eingetroffen. Der Rest auf Transport
nach Hengelo. Alles gesund.’17
Later die dag werd het transport in Bentheim
aangevuld met nog 160 leden van de Hitlerjugend
die uit Deventer kwamen. Rond middernacht ging
de trein met vier personen- en acht goederenwaZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gons op weg naar Braunschweig, waar men de volgende
ochtend om 11 uur aankwam. De volgende
dag was iedereen weer op school aanwezig; de
beëinding van de Fronteinsatz was even snel en
onverwachts verlopen als het plotselinge begin
ervan.
Terugkijkend op deze twaalfdaagse ‘veldtocht’
sprak de HJ-leiding op voorzichtige wijze enige
ontevredenheid uit over het gebrek aan voorbereiding:
‘Die Entsendung eines Vorkommandos in
den Einsatzort wurde viele Schweirigkeiten aus
dem Wege raumen und den Arbeitseffekt wesentlich
vergröfiern.’ Over de inzet van de jeugdige
werkers werd daarentegen niet geklaagd: ‘Der
Kameradschaftsgeist in der HJ war ausgezeichnet.’
18 Een docent merkte op: ‘Disziplin und
Arbeitseifer unserer Jungen waren gut.’19 Iets
realistischer was een begeleidende docent uit
Braunschweig die over de Hitlerjungen opmerkte:
‘Ihre Frische und Einsatzfreudigkeit war bis zum
Abmarschtage vorbildlich, allerdings mit der für
ihr Lebensalter kennzeichnenden Einschrankung,
dafi die Arbeit – wohl auch infolge mangelnder
uebung – leicht in Spielerei ausartete und immer
seht gerauschvoll vor sich ging.’20
De leiding van de Hitlerjugendwas van mening
dat de scholieren ‘vielseitige und tiefe Eindrücke
von einem fremden Lande bekommen [haben]
und sind in dem BewuStsein zurückgekehrt, zu
ihrem bescheidenen Teil bei der Verteidigung des
Reiches mitgeholfen zu haben.’21 Volgens een van
de begeleidende docenten ging er van de aanwezigheid
van de Hitlerjungen zelfs een duidelijke
propagandistische werking ‘von nicht hoch genug
einzuschatzender Bedeutung’ uit op zowel de
Zwolse bevolking – die zich al opmaakte om de
geallieerden te ontvangen – als op de reeds bepakte
De Zwolse binnenstad;
1939 (foto: Gemeentearchief
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Duitsers.22 Blijkbaar meende de man dat er sprake
was van een belangrijke positieve invloed op de
moraal van de aanwezige Duitsers terwijl het
Nederlandse vertrouwen in de geallieerde overwinning
zou zijn afgenomen. De jarenlange nazipropaganda
maakte het hem blijkbaar onmogelijk
te beseffen dat de Nederlanders de inzet van deze
jeugdige arbeidskrachten interpreteerden als een
noodgreep van een instortend Duitsland, een
ineenstorting die in onzekerheid tegemoet werd
gezien.
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op de persoonlijke herinneringen
van één van de betrokken Duitse jongens, de
heer Karl Traupe uit Braunschweig. De heer Traupe
stuurde onlangs zijn herinneringen samen met een
bundeling verslagen in copievorm over Der Kriegseinsatz
braunschweigischer Schuier 1944 in den Niederlanden
([Braunschweig/Brunswijk 1998]). Deze
bundeling is voorzien van een inleiding en aanwezig
in het Gemeentearchief Zwolle. De originele verslagen,
opgesteld in september-oktober 1944 door begeleiders,
bevinden zich in het Niedersachsisches
Staatsarchiv in Wolfenbüttel, Akten 12 Neu 13
Nr. 19615.
2. Diezelfde avond vertrokken ook enkele honderden
volwassenen uit Braunschweig. Vermoedelijk
maakten zij evenals de circa 2000 Hitlerjugend-leden
deel uit van een groep van 5000 Duitse arbeidskrachten
die werden ingezet bij deze operatie. Van
de volwassenen werd een deel naar Meppel gestuurd,
een ander deel kwam eveneens in Zwolle terecht.
De scholieren werden behalve in Zwolle en
Meppel ondergebracht in en rond Deventer,
Zutphen en Arnhem. Traupe, Der Kriegseinsatz
braunschweigischer Schuier 1944 in den Niederlanden
p.2-3, 6; Hauptbannführer Sierk, Hannover 14
september 1944 aan de Bann-Führer in Niedersachsen;
Bericht über den Fronteinsatz der Hitler-Jugend
beim Westwallbau – Bauabschnitt Zwolle –
vom 7.9. bis 19.9.1944 (samengesteld door Hauptgefolgschaftsführer
Grasshof en NSFK-Obersturmführer
Erich Ehlers, Braunschweig 21.9.1944)
p.i; L. de Jong maakt in Het Koninkrijk der Nederlanden
in de Tweede Wereldoorlog dl. 10a eerste helft
(‘s-Gravenhage 1980) p.261 slechts melding van de
inzet van Duitse gravers in Limburg.
3. L. Wacker, Bericht über meine Erfahrungen als
Begleiter der Hitlerjungen der Fr. Schule beim
„Fronteinsatz Holland” (7.-19.9.44) Wolfenbüttel,
7.9.1944 [sic] p.5-6.
4. Ruim de helft van hen kwam uit Braunschweig,
Wolfenbüttel en Goslar, de overigen uit een kleinere
Hj-Bann in die regio.
5. NSFK = National-sozialistisches Fliegerkorps; W.
Lohrengel, Bericht über meine Tatigkeit als Betreuungslehrer
beim Hitlerjugendeinsatz im Herbst
1944, Braunschweig 11. Okt. 1944, p.i.
6. Bericht über den Fronteinsatz der H.J. in Holland,
Wolfenbüttel, 10.X.1944.
7. W. Lohrengel, Bericht über meine Tatigkeit als Betreuungslehrer
beim Hitlerjugendeinsatz im Herbst
1944, Braunschweig 11. Okt. 1944, p.i.
8. Bericht über den Fronteinsatz der Hitler-Jugend
beim Westwallbau – Bauabschnitt Zwolle – vom 7.9.
bis 19.9.1944 (samengesteld door Hauptgefolgschaftsführer
Grasshof en NSFK-Obersturmführer
Erich Ehlers, Braunschweig 21.9.1944) p.2.
9. W. Lohrengel, 2.
10. Gerberding, Bericht über den Hollandeinsatz, Goslar
19.10.1944, p.i-ii.
11. Traupe, 10.
12. De verhouding tussen de begeleidende docenten en
de aanwezige leiding van de Hitlerjugend was evenmin
optimaal. De HJ-leiding was zelfs zo ontevreden
over de opstelling van de docenten – die slechts
oog zouden hebben voor de gevaren en moeilijkheden
– dat overwogen werd hen terug naar Duitsland
te sturen. L. Wacker, 2.
13. Gerberding, iia spreekt van werktijden 7-12 en 13-18
uur.
14. W. Lohrengel, 2; Zie ook Bericht des Studienrats
Dr. Karl Lehmberg über seinen Fronteinsatz in
Holland mit 24 Schülern der Staatlichen Oberschule
für Jungen in Bad Gandersheim, Bad Gandersheim
26. September I944.
15. Kees Ribbens, Bewogen jaren. Zwolle in de Tweede
Wereldoorlog, Zwolle-Kampen 1995, 84-8.1;, 169-171.
16. Gansshof en Ehlers, 3.
17. Idem, 5.
18. Idem, 6.
19. Bericht über den Westeinsatz der Internatschule
Seesen a.Harz, 27. September 1944.
20. W. Lohrengel, 221.
21. Gansshof en Ehlers, 7.
22. L. Wacker, 7-8.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Hongaarse vluchtelingen in Zwolle
In 1956 brak er een volksopstand uit in Hongarije.
Tienduizenden mensen vluchtten vanaf
het eind van dat jaar naar het Westen. Meer
dan tweeduizend Hongaren kwamen in Nederland
terecht, onder wie de families Vermesi en
Schreiber. Zij werden opgevangen door de
gemeente Zwolle, waar ze nu nog steeds wonen.
Dit artikel gaat over hun vlucht uit Hongarije en
de opvang in Zwolle.
In 1956 rommelde het in het Oostblok. In
Polen wisten de Russen een volksopstand de kop
in te drukken, in Hongarije dreigde het mis te
gaan. Na een ware volksopstand op 23 oktober van
dat jaar, probeerde de Communistische Partij van
Hongarije te redden wat er te redden viel door de
populaire en hervormingsgezinde Imre Nagy het
premierschap aan te bieden. Nagy overspeelde
zijn hand, beloofde allerlei hervormingen en
meldde dat Hongarije een meerpartijenstaat zou
worden en uit het Warchaupact wilde treden. De
Russen konden dit niet over hun kant laten gaan
en op 4 november rolden honderden tanks van
het Warschaupact, waarin het Rode Leger de overhand
had, Boedapest binnen. De opstandelingen
boden fel verzet maar waren geen partij voor de
goed bewapende Russische troepen. Chroesjtsjov
had van te voren al met de vice-premier onder
Nagy, Janos Kadar, afgesproken dat hij het premierschap
zou overnemen.
De gevechten in de straten van Boedapest gin-
Fiona de Heus en
Anita Klappe
De families Vermesi en
Schreiber met de fraters,
kort na hun aankomst
uit Hongarije (foto:
particulier bezit).
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
«Is beleend la «irtniamellng bter «aaehit*
op tnltlttltfjtsirtm Zwpli» medlcui na^
dat dei» vernomen nafl dut-eep In Utrec
wonend» Hongaar, aebwr^Tarnócil In
Üja Mpttpluti H D beroep op d» burgerij
had ïwlaah. Tetamen roet e«ni: vertegen.
woordigir vut het Rod* KroUti de hoer
Tamoetl naar OoiitnrUkitnU«ne» de
tngetamelde. kleren, . i . ” ^ – ” ‘ ^ ^ •
lurfc
man
•turfwtg,
ellen
>t WJ
adertMd
htero
en
sdenleert
orgel
uring
togen
l
Woningen voor vluchtelingen
Beroep op burgerij voor menbilering
Naar wü vernemen hebben B. en W. in hun göftmJ*lar renoöSen vtrgaderlng-
In prindpefcetlotöt enige woningen ter: beschikking té’sUXltn >an
Hongaarse vluchtelingen Indien dit gewénst’7!»» »Un.
Het college vertrouwt erop dat de Zwolse burgerij de meubilering van
dete woningen kut venorgen. Waarschijnlijk ligt het in. de bedoeling voor.
dit doel een collecte te organiseren; mogelijk wil men ook geschonken neofiet
len dankbaar aanvaarden. ;
~ De organisatie hleryan dient nog uitgewerkt te worden. Te zijner lijd zul
len we hierover nadere gegeven» publiceren.
ZAC bij Roda op bezoekN
fiei-Dexenter Roda.is een van die
ploegen, die in de—gevaaflljki;
verkeert en als zodanig dient ZAC er
rekeninK mee te houden, dat het in
Gestruikeld en been gebroken.

De dertienjarige leerling van. de-Davld
Wijnbeekachool Henk Asslnk, kwam jftete.
r rn tin ili ‘ i i | l|l itï “fr •Ifl irhPffl **’
acgel.ukklg te vallen, dat hij op twee
nlnntapn e*n ^be^ri brak. HM werd naar
fop*
dag
8.ebi ‘M
‘del’
v*fl
•vooi
riabV
‘grol
had
wei
ven
aam
dier
van
Z.G
srr«
In de Zwolsche Courant
van 10 november 1956
verscheen een oproep
van het college van
B&Wom meubilair
beschikbaar te stellen.
gen door tot 15 november. Twintigduizend Hongaren
lieten het leven, twintigduizend anderen
werden gevangen genomen. Imre Nagy was door
de Russen gearresteerd en stierf voor een vuurpeloton.
Vanaf eind oktober begon een vluchtelingenstroom
van duizenden Hongaren naar het
Westen. De meesten staken ’s nachts te voet de
Oostenrijkse grens over. Uiteindelijk zouden
tweehonderdduizend Hongaren hun vaderland
ontvluchten. Meer dan tweeduizend Hongaren
kwamen voorgoed in Nederland terecht. Via een
centraal punt in Utrecht werden zij in gezinsverband
ondergebracht bij Nederlanders of kregen ze
een eigen huis.
Zwolle
De Russische inval veroorzaakte een storm van
protest in de westerse wereld. Ook de Zwollenaren
trokken zich het lot van de Hongaren aan. Al op 5
november deden burgemeester en wethouders het
voorstel aan de gemeenteraad het lot van de
vluchtelingen te verzachten door een krediet van
10.000 gulden beschikbaar te stellen.
Op 6 november woonden honderden mensen
een protestbijeenkomst bij in de zalen van Odeon.
De bijeenkomst was georganiseerd door de vijf
Zwolse politieke partijen. Vlammende woorden
getuigden van wat er in de harten van de Zwollenaren
leefde. Een van de sprekers was mr. J.P.
Hogerzeil, die zei: ‘Ook al zou het grote offers kosten,
wij moeten de slachtoffers van de strijd om de
vrijheid in onze schaarse huizen en fabrieken een
plaats geven.’ Drs. G.J. Horbach wees op de plicht
om materiële bijstand te verlenen en de Nederlandse
stem te laten klinken in het koor van de
Verenigde Naties. Bij de uitgang werd een collecte
gehouden, die bijna vijfhonderd gulden opleverde.
Het bedrag ging naar het Rode Kruis. Een
Zwolse arts deed een oproep in de krant om luiers
en kinderkleding in te zamelen. Via Utrecht werden
deze vervolgens naar Hongarije gebracht.
Op 10 november werd bekendgemaakt dat er
enkele woningen beschikbaar werden gesteld als
dat nodig zou zijn. Men vormde een kleine commissie
waarin wethouder A. Veltman, de directeur
van Sociale Zaken, S. van de Linde en de directeur
van de Twentsche Bank W.C. Bakker zitting hadden.
De laatste regelde de financiën.
De commissieleden waren het erover eens dat
de Hongaarse vluchtelingen in alle rust ontvangen
moesten worden en dat ze in alle rust hun woningen
moesten kunnen betrekken. De eerste tijd
moesten ze geholpen worden, maar daarna moesten
ze op eigen benen staan. Dat zouden ze waarschijnlijk
zelf het meest op prijs stellen.
Gratis knippen
Op 10 november was er al in de Zwolsche Courant
een oproep verschenen waarin Zwollenaren werd
gevraagd meubels en huisraad af te staan voor de
op te vangen Hongaren. De Zwollenaren gaven
gul. Een winkelier stelde tweemaal vijfhonderd
gulden beschikbaar aan kleding en een schoenwinkel
wilde alle schoenen wel betalen. Een kapper
bood aan de Hongaren gedurende hun tijd in
Zwolle gratis te knippen en hij wilde ze ook voorzien
van toiletzeep. Er kwam voor beide gezinnen
een haard ter beschikking en een gedeeltelijke
woninginrichting. De Twentsche Bank opende
een rekening waarop Zwollenaren geld konden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
storten voor de Hongaren. In totaal werd er ongeveer
2.000 gulden binnengehaald.
De commissie was op zoek naar mensen die
Hongaars spraken en naar werkgevers die werk
hadden.
Ongeveer vierhonderd Zwollenaren stonden
op 11 november een halve liter bloed af in het
GGD-gebouw aan de Turfmarkt ter aanvulling
van de voorraad in Amsterdam die als gevolg van
de Hongaarse gebeurtenissen aanzienlijk geslonken
was.
Padvinders en scholieren voerden op 19
november een bliksemactie onder het motto van
het Rode Kruis ‘Hoe eerder geld, hoe beter.’ Er
kwam een speciale jeugdkrant, die de kinderen
voor een kwartje huis-aan-huis verkochten. De
6.000 kranten brachten samen meer dan 1500 gulden
op.
Anthonie Heinsiusstraat
Eind december werd bekendgemaakt dat er in
januari twee Hongaarse gezinnen naar Zwolle
zouden komen. De twee gezinshoofden waren in
Hongarije chauffeur-monteur geweest en het zou
voor hen niet moeilijk zijn om in Zwolle aan de
slag te komen. Er kwamen eind januari echter
geen chauffeurs naar Zwolle, maar Janos Schreiber
en György Vermesi met vrouw en kinderen.
Zij waren in Hongarije respectievelijk boekhouder
en onderwijzer geweest. ‘We gingen naar de stad
waar werk was. Waterleidingmaatschappij Overijssel
NV had werk voor mijn vader en voor Vermesi’,
vertelt zoon Janos Schreiber. De twee gezinnen
kregen elk een flat aan de Anthonie Heinsiusstraat.
Mevrouw Schreiber woonde er ruim veertig
jaar en mevrouw Vermesi woont er nog steeds.
Mevrouw Schreiber weet niet waarom ze er zolang
gewoond heeft: ‘Volgens mij komt dat door de
emotionele binding.’
De op een na jongste zoon van de familie Vermesi
was György. Hij was pas vijf jaar toen hij
samen met zijn familie uit het dorpje St. Gotthard
aan de Oostenrijkse grens moest vluchten. Hij
weet nog: ‘Het gebeurde vrij plotseling, mijn moeder
werd als het ware van achter het fornuis weg
geplukt. Het enige wat we nog konden doen, was
extra kleding meenemen en de papieren pakken.
Met de fiets vertrokken we richting Oostenrijk.
Op dat moment heerste er verwarring bij de grens.
De douanebeambten kregen geen bevelen dus
iedereen kon zo de grens over.’
In Oostenrijk kwamen ze de familie Schreiber
tegen die ook vanuit St. Gotthard door de prikkeldraadversperring
was gevlucht. Ze besloten bij
elkaar te blijven en samen naar Nederland te gaan.
Janos Schreiber: ‘Mijn vader had positieve verhalen
over Nederland gehoord.’
Medelijden
De Zwolse bevolking had medelijden met de
gezinnen. ‘Het was net of je uit een concentratiekamp
was gekomen en zo werd je ook benaderd.’
Al snel bekommerden de fraters van het Fraterhuis
aan de Burgemeester van Roijensingel zich
Boedapest na de inval
van de Sovjettroepen in
1956 (in: Hoofdwegen
der geschiedenis II,
Groningen 1974,392).
De Hongaren in Nederland
hadden hun eigen
contactblad (Gemeentearchief
Zwolle, IA029,
doos 4).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Contactblad van de katholieke Hongaren Iri Nederland Het krulsdragend volk Verschijnt maandelijkt
over de Hongaarse families. ‘De gezinnen waren
een begrip in Zwolle’, herinnert frater Francino
zich. Door verhalen uit zijn omgeving en zijn
eigen herinnering weet György Vermesi dat de
opvang in Zwolle subliem was. Er zat echter één
minpuntje voor hem en zijn broers en zussen aan
vast: ‘Mijn vader lette goed op ons. We moesten
alles goed doen.’
Janos Schreiber en zijn moeder zijn ook tevreden
over de opvang, maar ze vinden niet dat het
een ‘gespreid bedje’ was: ‘We hadden precies
genoeg.’
Hollandse pot
De families leerden van de fraters de Nederlandse
taal. ‘In het begin ging dat vooral met kleine gebaren
en woordjes.’ Frater Francino lacht als hij
eraan terugdenkt. ‘Wij wezen dingen aan die zij in
het Nederlands moesten zeggen. Woorden zoals
stoel waren erg moeilijk voor ze.’ Toch hadden ze
het Nederlands snel onder de knie: ‘De families
waren goed ontwikkeld, ze waren ontzettend leergierig.’
De fraters leerden ook wie Sinterklaas was
en lieten de Hongaarse families kennis maken met
het Hollands eten. György Vermesi: ‘Niemand
van de familie vond bloemkool lekker en mijn
vader dacht dat jus soep was.’ Mevrouw Schreiber
kan zich het voorval met de soep nog goed herinneren:
‘Wij vonden de aardappels zo droog!’
De fraters traden voor de familie Vermesi
regelmatig rnet hun mannenkwartet op. ‘We zongen
dan oubollige liedjes en er werd wat afgelachen
op die avonden’, vertelt frater Francino.
Janos Schreiber en György Vermesi waren zelf ook
muzikaal. In maart 1957 deden zij mee aan de jaarlijkse
competitie ‘Amateurs zetten hun beide
beentjes voor’ in Odeon. Janos-Schreiber speelde
piano en György Vermesi zong er Hongaarse liefdesliedjes
bij. Tot grote verrassing van het publiek
zong hij later vol overgave ‘Geef mij maar Amsterdam.’
Het was dan wel geen ode aan Zwolle, maar
toch een blijk van dankbaarheid voor de gastvrijheid
die hij had gevonden.
Terugkeer
De eerste zes, zeven jaar kon de familie Vermesi
niet naar Hongarije terug. György Vermesi was al
enkele malen in zijn vaderland opgepakt en riskeerde
bij terugkeer gevangenisstraf. Pas toen het
gezin de Nederlandse nationaliteit had, konden ze
terugkeren naar hun geboortegrond. De familie
Schreiber ging pas eind jaren zestig voor het eerst
terug. ‘Er was veel veranderd. We hadden geen
directe familie meer in Hongarije. Alleen oma
Schreiber, maar die was al naar Nederland gekomen
en heeft hier de laatste jaren van haar leven
doorgebracht. Daardoor hadden we geen directe
familie meer in Hongarije en is het heimwee wel
overgegaan.’
Toch zijn beide families regelmatig teruggeweest
in Hongarije. György Vermesi junior zou er
niet meer willen wonen. ‘Ik ben geen Nederlander
en geen Hongaar. Ik voel me mens, meer niet.’ De
ouders van Janos Schreiber hebben trauma’s overgehouden
aan hun vlucht uit Hongarije. ‘Het was
heel moeilijk. Een situatie die je je nauwelijks voor
kunt stellen.’ Zoon Janos is nog wel bezig met
Hongarije. Een tijdlang organiseerde hij Hongaarse
missen. Ook verzamelt hij krantenknipsels en
boeken over de opstand. Zijn moeder laat het liever
rusten. Het is lang geleden en de familie is nu
gewoon Nederlands. ‘Wij zijn al snel geïntegreerd
in de Nederlandse samenleving.’
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Uitdragerij en uitdragers in
de achttiende eeuw
De handel in tweedehands goederen was te
Zwolle jarenlang het terrein van de ‘vrije
jongens’, zeker in de achttiende eeuw. Het
was handel met goederen, veelal kleren en huisraad,
verworven uit erfhuizen, op veilingen of verkoop
door particulieren. De mogelijkheid dat er
ook gestolen goederen onder terechtkwamen, was
zeer groot.
Taken
De uitdragers waren niet in een gilde verenigd.
Lange tijd konden ze ongereglementeerd hun
gang gaan. Dat duurde tot 1724, toen de uitdragerij
volgens de magistraat van dag tot dag zo was toegenomen
dat er orde, dus een reglement moest
komen. Een andere reden was om te voorkomen
dat ‘ondeugende menschen’ gelegenheid krijgen
‘om zig te ligten van aan anderen ontvreemde goederen’
waardoor de rechtmatige eigenaren daarvan
verstoken bleven. De uitdragers gingen tot de
semi-officiële ‘stadsambten’ behoren, net zoals de
turfdragers en zakophoudsters. In het reglement
werd bepaald dat niemand meer een uitdragerij
als bedrijf mocht uitvoeren zonder permissie van
de magistraat, op straffe van tien gulden. De huidige
‘uitdraagsters’ moesten zich binnen veertien
dagen bij het stadsbestuur aangeven. De geadmitteerde
uitdragers dienden door een eed te beloven
het reglement stipt te volgen. Goed dat op een
publieke veiling werd gekocht, moest binnen zes
weken betaald worden, anders mocht de uitdrager
bij andere erfhuizen niet kopen. De uitdragers was
het verboden om nieuwe kleren of andere nieuwe
goederen die onder een gilde ressorteerden, te
kopen. De boete op een overtreding was vijf gulden.
Goed dat niet uit erfboedels was gekocht,
moesten de uitdragers direct en drie dagen lang
tentoonstellen. En wel ‘voor hun deuren, in de
vensters of op Pothuusen’, dat waren de kleine
aangebouwde werkhuisjes. Pas dan mocht het
goed verkocht worden. Als de uitdrager bemerkte
met gestolen goed van doen te hebben, diende hij
de verkoper ‘zo veel behendig als mogelijk’ uit te
horen over de herkomst, de verkoop aanhouden
of zijn vermoedens aan de magistraat melden. Bij
navraag over gestolen goederen dienden de uitdragers
alle medewerking te verlenen door zoveel
mogelijk informatie in te winnen ofte geven. Was
er bij een van de gildeleden iets ontvreemd, en
koesterde het gilde een verdenking tegen een uitdrager,
dan mocht het gilde met toestemmming
van de magistraat huiszoeking doen. Daarbij
hoefde men zich niets van de onvermijdelijke protesten
van de getroffen uitdrager aan te trekken.’
De uitdragers verkochten hun waar niet alleen
aan huis. Ze hadden voor de verkoop van hun
spullen ook een vaste plaats op de zaterdagse
markt. Vanaf het Hoornsteegje tot aan de Melkmarkt
stalden ze hun waren uit. Bij het stadsbestuur
verdedigden de uitdragers met verve hun
plek tegen de oprukkende groenteverkopers. Deze
gingen steed vaker schuin tegenover de uitdragers
staan, waardoor de doorgang voor het publiek
zeer belemmerd werd. Na een beroep op een zeer
oude gewoonte steunde het stadsbestuur de uitdragers
en verbood vervolgens de verkoop van
groente vanaf het Hoornsteegje tot aan de Melkmarkt.
2
De uitdragers, die natuurlijk uitstekend op de
hoogte waren van de waarde van vele roerende
goederen, waren de aangewezen personen om
boedels te waarderen. Dat gebeurde veelal na het
overlijden van een vader of moeder terwijl er nog
minderjarige kinderen in leven waren. Het
gebeurde om de waarde van de erfenis vast te stellen.
Twee uitdragers kwamen dan in het sterfhuis
om gezamenlijk alle aanwezige spullen te taxeren.
J.C. Streng
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Melk markt
De plaats van de uitdragers
aan de Melkmarkt,
tussen het
Hoornsteegje en de Grote
Markt (foto:
Gemeentearchief Zwolle,
topografische atlas).
Aantal
Iedere Zwolse burger of burgeres kon een uitdragerij
beginnen. Wie dat wilde, kon zich voor een
opengevallen plaats door middel van een rekest
(=verzoekschrift) bij het stadsbestuur aanmelden.
In de regel werd het beroep aan een van de familieleden
doorgegeven. Na de dood van een uitdrager
of uitdraagster vroeg de echtgenoot of echtgenote
toestemming om met de uitdragerij door te
mogen gaan. Opvallend weinig kwam het voor dat
het beroep door een zoon of dochter werd overgenomen.
Soms sloeg men een generatie over. Zo
verwierf Michiel van Oorschot de vacante uitdragersplaats
van wijlen zijn grootvader Albertus
Glaser. Bij een vrijwillige tussentijdse opvolging
dienden de afgaande en de mogelijke nieuwe uitdrager
veelal gezamenlijk een rekest in. Als dat
geen directe familie was, was er mogelijk een
bedrag voor de verwerving betaald. Bewijzen zijn
daar niet voor, maar het was in die tijd niet ongebruikelijk.
Het stadsbestuur maakte bij de toewijzing
geen onderscheid naar religie zodat zowel de
vrouw van de lutherse ‘meester Kok’, de katholieke
armmeester lan Broekhaar en de jood Mozes
Joseph van Goch dit beroep konden uitoefenen.3
Omdat blijkbaar het aantal uitdragers te groot
was om voor ieder van hen een enigszins redelijk
bestaan op te bouwen, besloot het stadsbestuur in
1736 het aantal uitdragers tot twaalf terug te brengen
door tijdelijk geen nieuwe uitdragers toe te
laten. Desondanks bleven er illegale uitdragers
actief. In 1750 kregen de niet-beëdigde uitdragers
de aanzegging om binnen een kwart jaar met de
koop en verkoop op te houden. Blijkbaar was ook
de sociale positie van de uitdragers zorgwekkend
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
gedaald. Want bepaald werd dat alleen nog ordentelijke
burgers met ‘wat vermogen’, na een verzoek
konden worden geautoriseerd om een uitdragerij
te beginnen. Tegelijkertijd werd het aantal
uitdragers op zestien of achttien vastgesteld.
Drie jaar later werd het aantal uitdragers ‘provisioneel’
uitgebreid tot zeventien. Aan de onwettige
uitdragers, zowel joden als christenen, werd
ook nu weer nog drie maanden gegund om zich
van hun goederen te ontdoen en om zich vervolgens
van de uitdragerij te onthouden op een boete
van vijf gulden.
Lang duurde de kracht van deze dreiging niet.
In 1769 werd er op het verzoek van de beëdigde
uitdragers opnieuw ingegrepen. Zoals het in 1753
was gebeurd, werden namens de magistraat de lieden
die zonder toestemming een uitdragerij ‘exerceren’,
door een roedendrager aangezegd zich
voortaan van uitdragerij te onthouden. En ‘zo op
publieke verkopingen als anderzinds generhande
goederen te kopen om als uitdrager daar mede
winst te doen en zulks op een boete van vijf gulden
voor de eerste keer ten profijte van de armenkamer.’
Na de tweede keer volgde de dreiging van
een ‘correctie ter arbitrage’ van de magistraat.4
Het reglement uit 1724 leek vooral bedoeld
voor ‘uitdraagsters’, ze werden althans expliciet
genoemd. In 1806 waren er nog maar weinig vrouwen
in de uitdragerij actief. In dat jaar betaalden
dertien ‘gequalifiseerde uijtdragers’ het vereiste
patentgeld om een beroep te mogen uitoefenen.
Onder hen waren slechts drie vrouwen.5
Kwalijke zaken
Al was de uitdragerij dan in regels vastgelegd, het
zou een illusie zijn te denken dat er alle kwalijke
zaken mee werden voorkomen. Vooral vreesde
men vreemdelingen. Twee joodse bendeleden
werden te Zwolle ter dood gebracht wegens een
reeks misdaden, waaronder diefstal en heling. Ze
waren op de veerboot van Zwolle naar Amsterdam
met de gestolen goederen betrapt. Maria
Agnis de Wolff, een vreemdelinge uit Coesfelt,
werd in 1762 door het gerecht veroordeeld en uit
de stad verbannen wegens het opkopen van gestolen
goederen.6
Maar ook Zwolse uitdragers raakten wel eens
op het verkeerde pad. De uitdrager Jan de Groot
had de ‘banquerottier’ Frederik Vrij bij zijn vertrek
uit Zwolle geholpen met het verzenden van
enige kisten en andere zaken. Op zijn naam had
hij ze naar het veerschip laten brengen. De Groot
werd beboet met vijfentwintig gulden en werd
voor een jaar ‘gesuspenseerd’ als uitdrager. Het
was meer dan de arme man kon verdragen. Hij
werd omwille van zijn vrouw en zeven kinderen
van de opgelegde straf ontheven met de ‘recommandatie
zich van zodane wanbedrijven’ te onthouden.
7
Het waren niet alleen beroepsdieven die voor
de verleiding bezweken. Simon Clement klaagde
bij de magistraat over zijn neefje Franciscus Lodewinus
van Santen die uit de winkel van zijn eigen
moeder enige bijbels had gestolen. De dief had de
bijbels vervolgens ver beneden de waarde aan de
Zwolse uitdragers Van Kuik en Van Borne verkocht.
De beide heren kregen voor hun handelswijze
een boete van vijf gulden en ze mochten zes
weken lang geen uitdragerij uitvoeren. Maar door
de benauwde omstandigheden waarin de gezinnen
terecht dreigden te komen, werd kort daarna
de zes weken teruggebracht tot veertien dagen.8
De uitdrager Jan Ramaker bekende voor het
stadsbestuur dat zijn vrouw van een meisje dat ze
niet van naam kende, twee stukjes ‘vries bond’ had
gekocht. Beide lappen waren nieuw. Het een van
vijf en het ander van vijftien el. De uitdrager had
voor de ene lap zes stuiver en een oortje betaald;
voor de andere zes stuiver de el. Bij navraag bleek
dat de beide stukken naar koopman Rutger Arnoldus
Dumpel teruggebracht waren, omdat ze van
hem gestolen waren. Ramaker had bovendien het
geld dat hij voor de lappen had betaald teruggekregen
van ‘een oude vrouw die hij niet kende dog
gehoort hadde dat de Grootmoeder zoude zijn
van de meid die dat goed ten zijnen huize verkogt
hadde’. Omdat het uitdragers verboden was
nieuw goed te kopen, en omdat verkoop bij de el
onder het kramersgilde viel, kreeg Ramaker een
boete van vijf gulden. Want het bedrag dat Ramaker
aan het meisje had betaald, was meer geweest
dan het goed waard wa

Lees verder