Categorie

Aflevering 2

Zwolse Historisch Tijdschrift 2014, Aflevering 2

Door | 2014, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

31e jaargang 2014 nummer 2 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
150 jaar Spoor in Zwolle
ZHT2 2014 EPOS.indd 1 23-07-14 11:47
Suikerhistorie
Hotel Café Restaurant Dijkstra
Eeuwenlang heeft Grote Markt 11 een horecafunctie gehad onder verschillende benamingen.
Vanaf de late middeleeuwen stond het pand
bekend als ‘De Cronenberg’, waar in de vijftiende
eeuw de wijnman woonde. Toen het perceel in
1769 van eigenaar wisselde, werd het aangeprezen
als een gunstig gelegen en kapitaal pand voorzien
van een ‘weergalose’ wijnkelder. Rond 1800 gaf de
nieuwe uitbater een andere naam aan het pand:
Het (Nieuwe) Heerenlogement. Onder deze naam
bleef het bekend tot 1937 toen H. Peeters zich
hier vestigde. Hij noemde het hotel naar zichzelf.
Op de gevel stond zijn naam echter als ‘Peters’
vermeld. In de periode 1968-1976 stond het
pand bekend als Hotel Dijkstra. Op een zonnige
zaterdagmiddag sprak je hier af op het terras (of
bij Beenen, de buurman) voor een kop koffie of
een glaasje bier om te kijken naar de drukte op de
Grote Markt en… om zelf gezien te worden.
Rond 1990 ging het pand op de Italiaanse tour.
Beneden kwam een broodjeszaak en boven een
restaurant met de naam ‘La Meridiana’, dat in het
Italiaans zonnewijzer betekent. Een zonnewijzer
siert namelijk al ruim tweeënhalve eeuw de gevel.
En zoals de tijd valt af te lezen aan de schaduw op
de zonnewijzer, zo vliegt de tijd hier als een schaduw heen als je beneden of op het terras geniet
van een knapperig broodje pastrami of boven van
een heerlijk diner met uitzicht op de Grote Markt
en de Michaëlskerk. De weergaloze wijnkelder
heeft niet aan betekenis ingeboet. La Meridiana
beschikt ook over een uitgelezen assortiment Italiaanse wijnen. Salute!
46 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Grote Markt 11, zomer 2014. (Foto Elske Bootsma)
(Collectie ZHT)
ZHT2 2014 EPOS.indd 2 23-07-14 11:47
Omslag: Het Zwolse station in 1868. (Foto Deutmann, collectie HCO)
zwols historisch tijdschrift 47
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 46
150 jaar Spoor in Zwolle
Sjaak Onderdelinden 48
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 4: Zwolsche Courant spon garen
bij de toename van handel en verkeer
Willem van der Veen 56
De Eerste Zwolse Paaltjes Voetbalvereniging
Het clubje van Reinier Paping Jan Gulikers 63
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 11: Een avondje uit in Zwolle
(juli – december 1964) Jan van de Wetering 69
Boeken / Recent verschenen 74
Mededelingen / Auteurs 76
Redactioneel
Voor u ligt het tweede nummer van dit jaar.
De redactie heeft geprobeerd er een luchtig zomernummer van te maken zodat u
zich niet hoeft te vervelen. Zo kunt u zich op middagen dat het onverhoopt regent verdiepen in de
wat langere artikelen en wanneer de stralende zon
aan de hemel staat te schijnen, lekker relaxt buiten genieten van de wat kortere artikelen.
De artikelen gaan van vijftig tot ruim honderdvijftig jaar terug. Het is dit jaar 150 jaar geleden dat de eerste trein Zwolle binnenreed. Sinds
die tijd zijn Zwolle en het spoor onlosmakelijk
met elkaar verbonden, Sjaak Onderdelinden
besteedt hier aandacht aan.
De voetbalclub PEC Zwolle is bij elke rechtgeaarde Zwollenaar bekend, zeker na het winnen
van de zinderende finale om de KNVB-beker op
20 april van dit jaar. Die club bestaat sinds 1910.
Een minder bekende voetbalvereniging is de Eerste Zwolse Paaltjes Voetbalvereniging (EZPVV),
opgericht door elfstedentochtwinnaar Reinier
Paping. Vorig jaar bestond de EZPVV vijftig jaar
en Jan Gulikers licht een tipje van de sluier op van
dit onbekende clubje.
Willem van der Veen continueert zijn Tijlstory en met Jan van de Wetering gaan we stappen
in Zwolle. Hij volgt het voetspoor van een journalist van de Zwolse Courant van vijftig jaar geleden.
De Beatles kwamen in juni 1964 naar Blokker,
André van Duin kwam optreden voor de bezoekers van de kunstmarkt op de Zwolse Suikerberg
en vermaakte hen met zijn bandparodie. Niet alle
zomerse vermaak speelde zich toen buiten de deur
af. Tenminste een Zwollenaar genoot thuis, zittend voor een open raam en met zijn voeten in een
teiltje, kijkend naar de tv. Wellicht een hint voor u
voor een heel warme dag.
ZHT2 2014 EPOS.indd 3 23-07-14 11:47
48 zwols historisch tijdschrift
Op zaterdag 4 juni 1864 werd het allemaal
officieel: na diverse testritten arriveerde
die dag de eerste trein in Zwolle. Daarvoor was de voltooiing noodzakelijk van een
belangrijk kunstwerk: de spoorbrug over de
IJssel. De geschiedenis van die brug is een essentieel hoofdstuk in de ontsluiting van het oosten
en noorden van het land. Als minister van Binnenlandse Zaken had Thorbecke, liberaal en
oud-Zwollenaar, zich de kans niet laten ontnemen
in 1862 de eerste steen voor die belangrijke IJsselbrug te leggen – die kwam tenslotte met privékapitaal en zonder staatsbemoeienis tot stand.
De opening van 1864 kon hem minder boeien,
daarbij was hij niet aanwezig. Maar hij had zijn
rol voor het Zwolse treinverkeer toen al gespeeld.
Dat hij ruim een eeuw later geëerd werd met een
standbeeld op de rotonde van het Stationsplein
mag dus ruimschoots verdiend heten en ook de
gekozen plek is van een duidelijk symbolische
waarde (daarbij is van minder belang dat de kunstenaar een pose gekozen heeft die althans mij
sterk doet denken aan de manier waarop Marten
Toonder in zijn fameuze Bommelstrips diens
schurkachtige tegenstrever professor Sickbock
placht af te beelden…). Overigens is de geschiedenis van de spoorbrug voorbeeldig beschreven in
een themanummer van het Zwols Historisch Tijdschrift (28e
jaargang nr. 4, 2011), waarvan ik hier
dankbaar gebruik maak.
Zonder twee andere kunstwerken is de status van
het spoor in Zwolle niet voorstelbaar: het station
dat in 1868 afgebouwd werd – de eerste vier jaren
had men zich met een houten noodstationnetje
aan de Veerallee moeten behelpen. Dat station
was state of the art, de hoogste en mooiste categorie, met niet alleen een imposant neoclassicistisch
gebouw maar ook een indrukwekkende overkapping, wel niet zo indrukwekkend als die van het
Centraal Station in Amsterdam, maar toch.
En toen er spoorlijnen richting zuiden, oosten en noorden waren aangelegd, ontstond de
Het standbeeld van Thorbecke op het Stationsplein. (Foto Elske Bootsma) behoefte aan een derde kunstwerk: om Assendorp
150 jaar Spoor in Zwolle
Sjaak Onderdelinden
ZHT2 2014 EPOS.indd 4 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 49
en Schelle met elkaar te verbinden moest het uitgebreide spooremplacement overspannen worden
met een Hoge Brug, een fraai staaltje ijzerbouwkunst uit de jaren tachtig van de negentiende
eeuw. Als punt van kritiek mag daarbij worden
aangetekend dat men indertijd voor een op- en
afrit heeft gekozen die zo steil was, dat het geen
stijl meer was – maar de brug zelf was er niet minder monumentaal om (en ook als zodanig, namelijk als gemeentelijk monument erkend).
De spoorbrug over de IJssel
Het uiterlijk is opzienbarend veranderd. De huidige Hanzeboog (het rode gevaarte) mag dan een
eigentijds spectaculair bouwwerk zijn, de vorige
varianten waren dat in grotere of kleinere mate
ook. Het minst geldt dat wellicht voor de vorm die
de tweede helft van de twintigste eeuw beheerst
heeft: een enkele boog met ernaast, aan de Gelderse kant, een hefbrug voor de scheepvaart. Die
enkele boog was de naoorlogse reductie van de
trotse dubbele boogbrug die in 1935 tot stand
kwam (en dus maar heel kort, tot de Tweede
Wereldoorlog, dienst gedaan heeft). In de oorlog is
er heel wat vernielzucht op de brug losgelaten, in
het begin door het Nederlandse leger, aan het eind
door de terugtrekkende bezetter en tussendoor
nog eens per bombardement door de geallieerden.
Om na de oorlog tenminste provisorisch verkeer
mogelijk te maken was zelfs een deel van Waterloobridge uit Londen overgebracht. De brug van
1935 had dus in korte tijd erg veel te lijden gehad,
hij is langer gepland (het hele Interbellum) dan in
bedrijf geweest. Een grote vernieuwing vormde de
hefbrug, de oorspronkelijke variant was nog voorzien van een draaigedeelte. Treffend is dat men bij
die oorspronkelijke brug al met vooruitziende blik
rekening gehouden had met uitbreiding: de pijlers
werden direct voor dubbel spoor gebouwd. Daar
kon men in 1935, toen het dubbel spoor er eindelijk van kwam, dus letterlijk op voortbouwen. Een
andere vooruitziende blik werd destijds niet gehonoreerd: er is lang over gediscussieerd, voor welk
verkeer de brug geschikt gemaakt moest worden.
Voetgangers-, fiets-, wagen- en treinverkeer, alles
kwam ter sprake. Maar alleen het spoor werd
gerealiseerd, het wegverkeer bleef nog tot 1930 (!)
veroordeeld tot het Katerveer. Het is een mooie
concessie aan de toenmalige discussie dat de huidige Hanzeboog wandelaars en fietsers doorgang
De tralieliggerbrug in
1929, gefotografeerd
vanaf een bevroren IJssel. Een van de weinige
foto’s waarop deze brug
zo mooi te zien is in z’n
volle lengte. (Foto Eelsingh, collectie HCO)
ZHT2 2014 EPOS.indd 5 23-07-14 11:47
50 zwols historisch tijdschrift
verleent, de voorstanders van 1860 kregen dus na
anderhalve eeuw alsnog hun zin. Destijds hadden ze ook weinig te melden gehad, de spoorbrug
was een particulier initiatief van een zelfstandige spoorwegmaatschappij, de Nederlandsche
Centraal Spoorweg Maatschappij (NCSM). De
aanduiding ‘Centraal’ werd ook voor de stations
van deze maatschappij gebruikt – en heeft dus
niets te maken met een eventuele centrale ligging,
maar slechts met de dienstdoende maatschappij,
lang voor er sprake was van de NS. Die NCSM
ging de lijn Amersfoort-Zwolle aanleggen en deed
dat met Frans kapitaal en met Franse bouwbedrijven, die met de staalverwerking veel verder
waren dan eventuele Nederlandse concurrenten.
Ook de spoorbrug over de IJssel betrof dus Frans
fabricaat. Het moet voor die tijd een uitstekende
technische prestatie geweest zijn, gebruikmakend
van een bekend negentiende-eeuws bruggenbouwtype, de tralieliggerbrug. Kenmerkend voor
dit type brug is de getraliede bovenbouw, die om
voldoende draagkracht en stevigte te bereiken
‘bestond uit een raster van schuinlopende staven
van gewalst smeedijzer. Tezamen vormden deze
schuine staven ruiten, die onderling waren verbonden met verticale smeedijzeren staven.’ (ZHT
28 nr. 4, p. 187). Franse smeedijzer-technologie
(Eiffel!) doet wellicht een hoge mate aan elegantie
vermoeden en verwachten, maar in dat opzicht is
de IJsselbrug van 1864 een bittere teleurstelling,
voor huidige ogen is die fameuze tralieliggerconstructie maar een lompe bak, hopelijk vond de
eindnegentiende-eeuwer het technische hoogstandje ook nog slank en mooi…
In elk geval was de voltooiing in 1864 een
belangrijke mijlpaal, als gezegd: een beslissende
stap in de ontsluiting van het oosten en het noorden van het land. De opening van de brug op
4 juni 1864 werd dan ook aangegrepen voor uitgebreide feestelijkheden. Wat opvalt is het gebrek
aan hoogwaardigheidsbekleders, de burgemeester
en de directie van de NCSM, dat was alles, geen
Thorbecke en geen koning, die waren meer voor
eerste stenen, de koning in 1861 bij de IJsselbrug
van Zutphen, Thorbecke in 1862 bij die van
Zwolle. Maar ter verwelkoming van de eerste trein
in Zwolle zijn er vooral volksfeesten, de hele stad
is bevlagd en bewimpeld en na de officiële plichtplegingen zijn er van vier uur ’s middags tot elf
uur ’s avonds in Spoolde (ik neem aan: met zicht
op de brug!) volksspelen, allerlei ‘vertooningen’,
De tralieliggerbrug van
binnenuit gezien, 1933.
(Archief NS, Utrechts
Archief)
Aankondiging van het
volksfeest in juni 1864,
met fraaie gravure van
de nieuwe brug. (Collectie HCO)
ZHT2 2014 EPOS.indd 6 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 51
er is militaire muziek en ter afsluiting natuurlijk
vuurwerk.
Station Zwolle
De eerste trein was nog verwelkomd op een noodstationnetje ter hoogte van de Veerallee. Maar een
eindje verderop was al aan de bouw van een volwaardig station begonnen. Die bouw duurde van
1863 tot 1868. Opdrachtgever waren de Staatsspoorwegen (dus geen ‘Zwolle Centraal’), omdat
de knooppuntfunctie van het Zwolse station
samenwerking van meerdere spoorondernemingen vereiste. Zo kwam in 1866 de lijn naar Deventer tot stand, in 1867 die naar Meppel, in 1881 die
naar Almelo. Tussen 1903 en 1905 volgde nog de
aanleg van de spoorlijn naar Emmen en Stadskanaal. Voor de knooppuntfunctie was ruimte
nodig en daar was rekening mee gehouden. Het
station lag oorspronkelijk een heel eind buiten
de bebouwde kom, althans buiten het centrum.
Dat gaf voor de combinatie Stationsplein – Stationsweg – Singel planologische prachtkansen,
die voornamelijk werden benut door middel van
boombeplanting. Dat lukte aanvankelijk zo spectaculair, dat Zwolle er een bijzonder fraaie entree
aan overhield, zo fraai, dat het zelfs vermelding
in internationale reisgidsen opleverde: Zwolle
scoorde met stadsgroen!
Aan de andere kant van de spoorlijn, in de
bocht van Veerallee naar Station, was een ontwikkeling van geheel andere aard gaande: in
1869 werd door de Spoorwegen aan knooppunt
Zwolle een vestiging van de Centrale Werkplaats
gegund, een staaltje industrialisering waar de
witte boordenstad Zwolle wel even bij moest slikken. Toch ging de vestiging minder schokkend in
zijn werk dan de opheffing: in 1937/38 werd de
gigantische Werkplaats gesloten (overgeheveld
naar Haarlem en Tilburg). Velen verloren hun
werk of zagen zich met gedwongen verhuizing
geconfronteerd, kortom, de gevolgen waren niet
gering, ook bijvoorbeeld voor het Zwolse verenigingsleven. Zo leidde de sluiting rechtstreeks
tot degradatie van voetbalclub PEC uit de eerste
klasse…
Het was een vreemd gezicht, dat reusachtige
station op een nog nagenoeg kale vlakte, er werd
duidelijk op de groei gebouwd. Het neoclassicistische ontwerp was uit de Randstad afkomstig,
spendeerde dus weinig gedachten aan inpassing in
de omgeving, zoals bijna dertig jaar eerder met het
Paleis van Justitie aan de Blijmarkt wel gebeurd
was. Dat was in dezelfde stijl opgetrokken en op
die plek veel beter geïntegreerd (de ‘Wolk’ was nog
anderhalve eeuw niet aan de orde…). Maar het
station positioneerde zich dus geheel zelfstandig:
vooruitziende blik.
Het was een station van de hoogste categorie.
Daar was bijvoorbeeld geen wc of toilet, maar
een ‘Retirade’, met aparte ruimtes voor ‘Mannen’,
‘Vrouwen’ en ‘Dames’. Bovendien kon men op zo’n
eerste klas station zijn stoof met heet water laten
vullen voor een comfortabele voortzetting van
de treinreis. Zo’n luxe station had een reusachtige
overkapping, een smeedijzeren kunstwerk op zich.
De constructie had uiteraard veel te lijden – van
bovenaf door weersinvloeden, van binnenuit door
de rook van de stoomlocomotieven. Geen wonder, dat de slijtage aanzienlijk was, en dat ondanks
rijksmonumentale status vervanging uiteindelijk
niet te vermijden was. Een gedenkplaat, midden
Het gloednieuwe station in 1868. (Foto
Deutmann, collectie
HCO)
ZHT2 2014 EPOS.indd 7 23-07-14 11:47
52 zwols historisch tijdschrift
Ontwerptekening van het Zwolse station, neo-classistisch en symmetrisch van opzet. De getekende balustrades aan de zijvleugels zijn niet uitgevoe rd. (Uit: Ach Lieve Tijd, deel 8)
ZHT2 2014 EPOS.indd 8 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 53
Ontwerptekening van het Zwolse station, neo-classistisch en symmetrisch van opzet. De getekende balustrades aan de zijvleugels zijn niet uitgevoe rd. (Uit: Ach Lieve Tijd, deel 8)
ZHT2 2014 EPOS.indd 9 23-07-14 11:47
54 zwols historisch tijdschrift
in de doorgang van perron 1 naar de stationshal,
herinnert daaraan. De tekst is opmerkelijk:
‘1868-1995. In 1868 verrees dit stationsgebouw met een “moderne” ijzeren kap. Na 125 jaar
trouwe dienst in weer en wind maakten corrosie
en vervorming vervanging van deze kap noodzakelijk. Rechts van U in de nieuwe kap herinnert
één van de oude sikkelspanten aan de stationskap
van weleer. Dit spant is gemaakt van welijzer, dat
werd gefabriceerd door kruiselings opgestapelde
ijzerstaven uit te smeden (aaneen te wellen) tot
platen. De smid smeedde ogen aan de trekstangen
en bevestigde die met spie en contraspie in knoopplaten. Een stevige bovenrand werd verkregen
door een bulbijzer en een randplaat op elkaar te
klinken. Samengestelde drukstaven geven het
spant een levendig silhouet.’
Informatief voor insiders. De huidige kap
oogt wat lichter en luchtiger door het gebruik van
modernere materialen, veel kunststof ook, dus of
ook deze het 125 jaar gaat volhouden?
Onaantastbaar staat het stationsgebouw er
voor. Bij een horizontale gevellengte van zo’n honderd meter is een neoclassicistische strenge symmetrie gehanteerd.
Een middendeel met twee maal twee zijvleugels in dalende lijn, met een grote verbindende
functie voor de doorgecomponeerde ramen en
deuren: strenger en klassieker ging het niet. De
al te speelse, nutteloze balustrades op de eerste
zijvleugels verdwenen al spoedig , voor de obligate neoclassicistische pilaren zijn we gelukkig
gespaard gebleven. De totale compositie van Station, Stationsplein, Stationsweg, uitmondend op
de Stadsgracht, was van grote allure.
De Hoge Brug
Waar de spoorbrug over de IJssel in eerste instantie voor de treinen bestemd was en is, deed zich
aan de andere kant van het station het omgekeerde
probleem voor: verkeer moest het spoor over
kunnen. Oorspronkelijk ging het in het verlengde
van de Van Karnebeekstraat over aansluiting op
de weg naar Deventer, maar toen die verlegd was,
bleef het gewenst de wijken Assendorp en Schelle
met elkaar te verbinden. Van de eerste planning
af aan ging het dan ook om een brug over het stationsemplacement ter vervanging van een gelijkvloerse spoorwegovergang, dus van puur lokaal
karakter, geschikt voor ‘voetgangers, handkarren
en vee’; vandaar waarschijnlijk dat aan op- en afrit
zo min mogelijk dure grond opgeofferd mocht
worden. In 1953 werd de Hoge Brug, zoals hij in
de volksmond altijd geheten heeft, in reactie op de
elektrificatie van het spoor nog wat verder opgehoogd en deed zo zijn naam tot frustratie van vele
fietsers alle eer aan, totdat ook aan die frustratie
wat gedaan werd: met een tunnel.
De Hoge Spoorbrug
omstreeks 1900.
(Collectie HCO)
ZHT2 2014 EPOS.indd 10 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 55
Over de brug bestaat veel nostalgische jeugdlyriek, vele generaties Zwolse jeugd hebben zich
vermaakt, zij het met wedstrijden op de op- en
afrit, zij het met onderdompeling in de spoorwegromantiek. Toen de stoomtreinen nog bestonden,
was het blijkbaar een hele sport, zich door de
stoomwolken te laten omhullen, en later kon je in
ieder geval nog volop genieten van een uniek zicht
op treinen en station.
De brug, in gebruik genomen in 1884, is
inmiddels een beschermd voorbeeld van negentiende-eeuwse bruggenbouw, zowel vanwege de
gebruikte techniek als door de fraaie vorm. Was
de spoorbrug over de IJssel twintig jaar eerder nog
onder voornamelijk Franse regie opgetrokken,
inmiddels sprak Duitsland een woordje mee, en
de Nederlandse Staatsspoorwegen profiteerden
daar gaarne van. Het gaat om de optimale verwerking van welijzer, een door smelten en smeden
verkregen materiaal, waarmee de niet geringe
trekspanningen van een brug konden worden
opgevangen. In Duitsland waren de bouwdirecteuren van de koninkrijken Hannover en Beieren,
Laves en Pauli, productief met talrijke bruggen.
Die zijn in de twintigste eeuw allemaal verdwenen, om wat voor redenen dan ook. Het maakt de
Zwolse Hoge Brug werkelijk exclusief.
De technische benaming voor een brug van dit
type is: lensliggerbrug. In het Duits heeft men een
veel beeldender woord gevonden, waarin vorm en
techniek plastisch samengaan: ‘Fischträger’-brug.
Door de diverse restauraties en door het oprukken
van belendende bebouwing staat de Hoge Brug er
wellicht wat minder spectaculair bij dan aan het
eind van de negentiende eeuw. Maar monumentaal is hij nog steeds.
Zwolle en de spoorwegen zijn al honderdvijftig
jaar onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het
Zwolse emplacement vormt één van de belangrijkste knooppunten in het spoorwegnet. De
invloed van het spoor op de stad mag dan ook niet
onderschat worden. Symbolisch voor die symbiose zijn de drie hier behandelde bouwwerken. Het
begon met de spoorbrug over de IJssel. Lang voor
het wegverkeer kreeg het spoor met die brug toegang tot het oosten en noorden van het land. Het
belang van die positie kwam vervolgens tot uiting
in de tamelijk grootse opzet van station Zwolle,
terwijl het belang van Zwolle door de spoorwegen
nog werd benadrukt met de Centrale Werkplaats.
De mede daardoor toenemende lokale verkeersbewegingen maakten op hun beurt de bouw van
de Hoge Brug noodzakelijk. De jaren 1864, 1868
en 1884 – het zijn drie mijlpalen. Van de oudste
is door de diverse vervangingen niets meer over,
van de middelste nog de helft, en de jongste is nog
het meest authentiek. Daar moeten we dus maar
zuinig op zijn.
Literatuur
– Zwols Historisch Tijdschrift 28 (2011) nr. 4
– Zwolle mijn stad. Lemma’s: Hoge Spoorbrug, Spoorwegen, Spoorbrug IJssel, Station. Zwolle, zonder
jaartal
– Ach lieve tijd. Afl.8: ‘750 jaar Zwolsen, Zwollenaren
tussen tram en trein’. Zwolle, z.j., pp.178-198
– J.P. van den Berg, ‘De Hoge Brug over het stationsemplacement te Zwolle, wegwijzer naar een nabij en
ver verleden’. In: Zwols Historisch Jaarboek 1988,
pp. 127-148
De Hoge Spoorbrug
van binnenuit gezien,
omstreeks 1920.
(Collectie HCO)
ZHT2 2014 EPOS.indd 11 23-07-14 11:47
56 zwols historisch tijdschrift
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 4: Zwolse Courant spon garen bij de toename
van handel en verkeer
Willem van der Veen Toen Martinus Tijl in de achttiende eeuw
nog maar net met zijn krant was begonnen, braken er roerige, zelfs beslissende
jaren aan op het toch al nooit zo rustige toneel van
Europese landen en volkeren. Daarom was het
begrijpelijk dat Tijls bescheiden nieuwspapiertje zich decennialang uitvoerig bezig hield met
het nieuws van over de grenzen. De voorpagina
stond er vaak helemaal vol mee. En terecht, want
wat hadden stad en land van Overijssel in die
jaren anders te bieden dan plaatselijke beslommeringen, markt- en familieberichten, zakelijke
kwesties en heel af en toe een calamiteit, zoals de
verschrikkelijke watersnood van 1824 en ’25.
Maar toen de negentiende eeuw goed op gang
kwam, het Nederlandse avontuur van de Fransen onder leiding van Napoleon ten einde was
gekomen en de economie een beetje begon aan te
trekken, veranderde langzamerhand het karakter
van de krant. Dat werd natuurlijk ook in de hand
gewerkt doordat de bereikbaarheid van Zwolle
ten opzichte van de andere delen van ons land
aanmerkelijk werd vergroot. De krant spon garen
bij de toename van het verkeer, hetgeen de handel
zeer bevorderde en levendigheid in de stad bracht.
Zwolle werd in enkele decennia een belangrijk
knooppunt, zowel op het water als met het spoor.
In 1819 was dat al begonnen met de aanleg van de
Willemsvaart, waarmee de stad eindelijk haar vurig
begeerde verbinding met de IJssel verwierf, die eeuwenlang via verdragen tegengehouden was door de
concurrerende IJsselsteden Kampen en Deventer.
Daarna moest Zwolle nog vier decennia
wachten voordat het ook zijn eigen spoorhalte
kreeg. Maar toen in 1864 de spoorbrug over de
IJssel werd voltooid was de bouw van een station
een logisch gevolg. Even vanzelfsprekend won de
stad daardoor aan levendigheid, hetgeen ook zijn
weerslag had op de inhoud van de krant die voor
een groter publiek aantrekkelijker werd. Het was
daarom niet verwonderlijk dat in 1869 besloten
werd er een dagblad van te maken.
Bekijken we eens een willekeurig gekozen voorpagina van omstreeks de helft van de negentiende
eeuw, uit mei 1845, dan treffen we daar al een
nieuwskeuze met meer variatie aan. Dat geldt
overigens niet voor het uiterlijk van de krant. De
opmaker begon zijn lay-out linksboven in de eerste kolom en eindigde onderaan in de laatste.
Toen schrijver dezes in 1951, meer dan een
eeuw later, als leerling-redacteur bij de Zwolse
Courant begon, was in die werkwijze nauwelijks
iets veranderd. Opmaker Remmers van de stadspagina plaatste de eerste zetregels linksboven in
de eerste kolom en eindigde… enfin, zie boven.
De enige verschillen met een eeuw eerder waren
toevoegingen van een enkel fotootje en het feit dat
die regels niet meer één-voor-één met de hand
uit loden letters waren vervaardigd, maar uit een
zetmachine kwamen. Een twee-kolomskop op de
stadpagina was toen nog een zelden toegepaste
De stad Zwolle werd
heel wat levendiger
door de spoorverbinding en het nieuwe
station. Het kwam de
krant ten goede.
(Collectie HCO)
ZHT2 2014 EPOS.indd 12 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 57
nieuwigheid, die Remmers dan ook onder protest
uitvoerde.
Op die willekeurige voorpagina uit de negentiende eeuw stond helemaal linksboven in de
eerste kolom – op de plek waar veel later de grote
hoofdkop van de voorpagina met het belangrijkste
nieuws zou beginnen – een klein berichtje over de
benoeming van een plaatsvervangende rechter in
Enschede. In onze ogen nu niet bepaald hot news.
En zeker niet voor een krant uit Zwolle. Daaronder stond vervolgens al evenmin een nieuwskraker, namelijk het feit dat de heer D.J.C. Luttenberg
te Zwolle was bevorderd tot doctor in de rechten.
Vervolgens een aankondiging van een optreden
van de Leipziger Musikverein in schouwburg
Odeon en nog verder naar onderen een bericht
over het tekenen van een concessie voor de aanleg
van de ‘Rhijn-Spoorweg’ van Amsterdam over
Utrecht naar Arnhem, gevolgd door aankondigingen van ‘besluiten en in werking stellen met
betrekking tot de Spoorwegen.’
Op pagina twee dient zich eindelijk wat
aantrekkelijker leeskost aan. Deze gaat over een
geheimzinnige geschiedenis rond de overleden
graaf Varel de Vessag, die eigenlijk, zoals Tijls
krant meldde, Leonardus Cornelius van der Valk
heette. Hij oefende eerder de functie van legatiesecretaris bij het Bataafs gezantschap te Parijs uit.
‘Blijkens de gevondene papieren en onderscheidene testamenten’ zat de vroegere luitenant er zeer
warmpjes bij. Hij bezat volgens de krant ‘een aanzienlijk vermogen mitsgaders aandelen in fabrieken en andere affaires’. Vele bloedverwanten van
de graaf in Amsterdam bestierden zijn bezittingen
en stuurden hem inkomsten ‘over Münster en
Kassel’. Op de achtergrond figureerde ook nog een
gehuwde dame, Angès Barthelemij geb. Daniels,
die omwille van haar kinderen niet wilde scheiden
van haar wettige echtgenoot, maar van wie men
vermoedde dat zij, ‘eene niet gescheidene vrouw’,
in het geheim met De Vessag samenwoonde… De
graaf zou haar overladen hebben met geschenken. Verder in deze krant uit 1845 onder meer
nog meldingen als een brand in Constantinopel,
een ter dood veroordeling van een zekere doctor
Steiger in Zwitserland (wat de man had misdaan,
stond er niet bij), alsmede Engelse en Russische
gezanten die de Griekse koning maanden tot rentebetaling en aflossing van de voorgeschoten zestig miljoen francs. Een minister, Kolettis geheten,
antwoordde namens de koning dat Griekenland
hier nog in lange tijd niet aan kon voldoen. Wist
De voorpagina van de
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 27 mei 1845.
(Kranten.delpher.nl)
ZHT2 2014 EPOS.indd 13 23-07-14 11:47
58 zwols historisch tijdschrift
succes van zijn bedrijf, maar Willem wilde meer
dan alleen krantendirecteur zijn. Hij streefde ook
naar cultureel aanzien als gerespecteerd uitgever
van boeken. Die kans werd hem geboden door de
aloude Vader Cats. En wel vanwege de volledige
uitgave van diens moraliserende gedichten, waarin
hij zijn medeburgers in de zeventiende eeuw vaderlijk waarschuwde voor honderd-en-één gevaren
in de maatschappij van zijn tijd. Willem Tijl had
gemerkt dat de burgerlijke moraal die in de achttiende eeuw leek te verslappen, in zijn tijd weer in
hoog aanzien begon te staan. Hij durfde een groot
financieel risico aan: twee enorme banden, waarin
het reusachtige oeuvre van Jacob Cats, de dichtende
zedenmeester van de Gouden Eeuw, stond samengepakt. Voor verreweg het merendeel waren het
zeer brave teksten, die Cats’ lezers moesten sterken
en terechtwijzen. Maar af en toe zette de dichter
toch ook het lelieblanke masker af met een ontboezeming als:
‘Het is gesont voor siel en lijf.
Elck zijn glas en elck zijn wijf’
De werklust die Jacob Cats twee eeuwen eerder
had opgebracht, werd minstens geëvenaard door
de illustrator Johan Wilhelm Kaiser die rond 1860
in opdracht van Willem Tijl liefst achthonderd
gecompliceerde voorstellingen met zijn burijn
in het staal sneed. Het risico van deze gewaagde
uitgave werd voor een deel gedekt door de intekening van honderden liefhebbers, onder wie zich
zowaar ‘Zijne Majesteit de Koning’, in casu Willem
III (voor twee exemplaren) bevond.
Achteraf bekeken kon Willem Tijl opgelucht
uitblazen en tevreden achterom kijken op een
financieel succes.
Werktijden
Uitblazen was in die dagen voor Tijls personeel
niet weggelegd, om maar te zwijgen van financieel
succes. Dat gold overigens voor alle werknemers
in de gehele drukkers- en uitgeversbranche in
Nederland en eigenlijk ook voor het gehele vaderlandse bedrijfsleven. Het lag aan de tijdgeest. De
periode van de gilden was in het midden van de
negentiende eeuw definitief ten einde gekomen.
Eeuwenlang was het gebruikelijk geweest dat
De, voor die tijd, breed
uitgemeten geschiedenis
rond ‘graaf’ Varel de
Vessag in de krant van
27 mei 1845. (Kranten.
delpher.nl)
een ander het beter, dan nam hij gaarne ontslag.
Welke lezer denkt dan niet bij zo’n bericht uit
1845, aan het cliché ‘niets nieuws onder de zon’,
zeker aan het begin van de eenentwintigste eeuw.
Vader Cats
Willem Tijl (1829-1900) zal de samenstelling van
bovenstaande pagina’s ongetwijfeld aan zijn onderhorigen hebben overgelaten. De krant vormde
wellicht de belangrijkste schakel in het economisch
ZHT2 2014 EPOS.indd 14 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 59
meesters en gezellen met elkaar omgingen zonder
veel moreel en praktisch verschil. Door technische
ontwikkelingen brak halverwege de negentiende
eeuw vrij onverwacht het industriële vrijbuiterstijdperk aan. De knechten werden volkomen
overgeleverd aan de steeds machtiger wordende
patroons. Tijl vormde daarop nog een vrij milde
uitzondering. De menselijkheid kon er een beetje
blijven regeren. Onder werknemers in Zwolle
bestond allang het gezegde: ‘A’j bi’j Tiel wärkt, is
oew kössien ‘eköcht.’ Maar dat gold dan alleen
voor de vastigheid van de werkkring, waarop een
personeelslid kon rekenen.
Ook in dit bedrijf bestond er niets wat ook
maar in vage verten ging lijken op een 48-urige
werkweek of ziektewetgeving. Het was heel normaal dat letterzetters in de zomertijd van ’s ochtends zes tot ’s avonds zeven aan de bok stonden,
met een uurtje schaft. Per jaar kwamen volwassen
krachten gemiddeld per jaar wekelijks 64 uur in
actie voor een loon van zes-en-een-halve gulden,
waarbij de volledige zaterdag inbegrepen was.
Vooral in de maand juni kwam het vaak voor dat
er bij Tijl ook ’s zondags gewerkt moest worden,
omdat de Handelingen van de Provinciale Staten
gedrukt moesten zijn alvorens de afgevaardigden
weer bijeen kwamen. Van uitbetaling van overuren had niemand ooit gehoord.
Voor ziektegevallen was er wél iets geregeld bij
Tijl, maar de gevolgen daarvan kwamen ten laste
van de overige werknemers. Bij ziekte werd een
doktersbewijs van de wegblijver gevraagd en als
dit in orde was bevonden, dan werd van de overige
werklieden verwacht dat zij wekelijks drie gulden
van hun verdiensten aan de zieke zouden afstaan.
Was het een ziektegeval van slepende aard, dan
eindigde deze verplichting na drie maanden. Voor
de rest van zijn genezing werd de zieke afhankelijk verklaard van de vrijwillige liefdadigheid van
zijn collega’s. In elk geval bleef de baas financieel
buiten schot. En dan was Tijl nog een van de weinige bedrijven waar überhaupt zo’n soort regeling
bestond.
Willem Tijl liet zich in de tweede helft van de
negentiende eeuw kennen als een van de weinigen
in het drukkers-, uitgevers- en krantenvak die
begreep dat typografen algemene ontwikkeling
nodig hadden om hun beroep goed uit te kunnen
oefenen. Zetters en drukkers vormden immers de
belangrijkste tussenpersonen voordat het werk
van journalisten en andere schrijvers in druk
verscheen. Hij riep een schooltje voor leerjongens
in het leven. Op zijn kosten kwam er eens in de
week een stedelijk onderwijzer naar het bedrijf,
die poogde de jongens te doen beseffen dat kennis
macht kan zijn. Dat lukte niet altijd, want de lessen begonnen ’s avonds om half acht, direct na een
dertienurige werkdag..! Als ze niet van moeheid
gaapten, waren ze wel van jonkheid te ongedurig
om de aandacht er bij te houden.
Nieuwe baas
Nadat Willem Tijl precies een halve eeuw achter
het roer had gestaan, droeg hij de verantwoording over aan zijn zoon Jan Jacob de Tweede
(1860-1927), die al jaren in het bedrijf werkte.
Het betekende een verbetering in de situatie van
de leerjongens. De nieuwe directeur verplaatste
de lesuren naar de ochtend en schafte echte
schoolbanken aan. Voor het overige personeel
deed hij nog veel meer. Hij zorgde ervoor dat er
in 1893 een pensioenfonds en enkele jaren later
Jan Jacob de Tweede
(1860-1927), zoon van
Willem Tijl, nam in
het zicht van de nieuwe
eeuw het bewind van
zijn vader over. (Uit:
Tijls Curiosa)
ZHT2 2014 EPOS.indd 15 23-07-14 11:47
60 zwols historisch tijdschrift
Twee redacteuren: een eeuw verschil
Hein Eskens (1924-2007), redacteur Zwolse
Courant vanaf eind jaren vijftig, was tevens een
vooraanstaande persoonlijkheid in de Zwolse
politiek. In de jaren tachtig bekleedde hij het
wethouderschap. Meer dan een eeuw eerder
had hij een opmerkelijke voorganger die zich op
dezelfde antecedenten kon beroepen: mr. Jan Derk
van Ketwich Verschuur (1819-1887) voerde het
redacteurschap van Tijls krant van 1845 tot 1853
en bewoog zich minstens zo intensief als Eskens in
de Zwolse politiek.
Maar waar Eskens zijn werk voor de krant
strikt gescheiden wist te houden van zijn politieke
ambities, was dat bij Van Ketwich allerminst
het geval. Hij gebruikte zijn redactionele arbeid
herhaaldelijk om politieke ideeën te spuien.
Klaarblijkelijk gebeurde dat met toestemming van
zijn baas Willem Tijl. Kennelijk keek niemand
in die tijd op van zo’n verstrengeling van functies
die elkaar volgens de huidige begrippen zouden
moeten bijten. Jarenlang was Van Ketwich lid
van de Zwolse gemeenteraad en van 1851 tot en
met 1859 wethouder. Men kende hem als een
scherpzinnig jurist en uitnemend spreker die ook
nog journalistiek en politiek combineerde met een
advocatenpraktijk.
Als een der Overijsselse voormannen van de
liberale partij onderhield Van Ketwich een zowel
politieke als vriendschappelijke band met zijn
leermeester Thorbecke, Zwollenaar van geboorte.
Hij gaf de grote staatsman herhaaldelijk adviezen
over Overijsselse, maar ook algemeen staatkundige onderwerpen.
Een kenmerkend voorbeeld van Van Ketwichs
voortvarendheid en scherpte was diens botsing
met leden van de groep ‘Vaderland en Koning’.
Hij waarschuwde dat hun optreden bedenkelijke
gevolgen kon hebben voor het behoud van (Thorbeckes) grondwet.
Van Ketwich ging hoogst persoonlijk langs
de huizen van de kiezers, die hij opriep diezelfde avond een bijeenkomst van ‘Vaderland en
Koning’ bij te wonen en hun mening te vormen.
Vervolgens richtte hij een eigen kiesvereniging op
onder de naam ‘Vrijheid en Orde’. Daarmee was
in Zwolle een scheiding der geesten een feit. In de
krant gaf redacteur Van Ketwich zijn visie op het
gebeuren. Hij beschuldigde ‘Vaderland en Koning’
van kiezersbedrog en riep op de verkiezingsstrijd
waardig en kalm te voeren.
Hein Eskens liet het een eeuw later als redacteur wel uit zijn hoofd om zich zo voor een politiek karretje te laten spannen. Daar was het de
tijd niet meer voor.
Hein Eskens, in de twintigste eeuw tegelijk
redacteur van de Zwolse Courant en vooraanstaand Zwols politicus, had meer dan een eeuw
eerder een opmerkelijke voorganger in mr. Jan
Dirk van Ketwich Verschuur, die evenals Eskens
politicus, redacteur bij Tijl en Zwols wethouder
was. (Uit: Tijls Curiosa)
ZHT2 2014 EPOS.indd 16 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 61
een ziekenfonds tot stand kon komen. Dat waren
verworvenheden die voor die jaren in het Nederlandse bedrijfsleven als modern golden. In het
oude verbouwde pand werkten bij Tijl toen al zestig typografen, journalisten, binders en kantoorbedienden. De Zwolsche Courant telde als dagblad
ruim vierduizend vaste lezers.
Jan Jacob de Tweede was zijn tijd, wat karakter
en hobby’s betreft, al een beetje vooruit. In zijn
jonge jaren, toen vader Willem het in het bedrijf
nog voor het zeggen had, wijdde hij zich als een
der eerste Zwollenaren aan de wielersport. Als
sportieve toerist maakte hij met drie vrienden
lange tochten, zelfs tot ver in het buitenland. Ook
trok zijn hart naar de muziek, hij zong als enthousiaste bariton in een vooraanstaand Zwols koor.
Na de eeuwwisseling bleef voor dit soort liefhebberijen geen gelegenheid meer over.
Hans Alma schreef in zijn boekje Tijls
Curiosa: ‘Zijn dagtaak als directeur begon met
het openen van alle post, stipt om negen uur.’ Hij
verhaalt over een leerjongen die de post binnen
bracht en die vervolgens de opdracht kreeg bij
het bureau te wachten op de consignes die zijn
patroon hem uiteindelijk zou geven. Dat wachten moest stil en rechtopstaand gebeuren, want
anders hoorde hij de vermaning: ‘Jongen, sta niet
zo te wiebelen.’
In de avonduren besloot Jan Jacob zijn dagtaak
pas als hij van zeven tot acht gegeten had. Daarna
ging hij nog een uurtje naar kantoor. Een deel van
de avonduren wijdde hij zich thuis aan de aandachtige bestudering van de courant waaraan hij
zijn hart had verpand. Als fervent liefhebber van
de schone kunsten zag hij bijvoorbeeld tot zijn
vreugde dat de krant in de laatste twee decennia
Het oude bedrijf in de
panden van Tijl op de
Melkmarkt, anno 1895.
(Uit: Tijls Curiosa)
ZHT2 2014 EPOS.indd 17 23-07-14 11:47
62 zwols historisch tijdschrift
was begonnen met het publiceren van recensies en
beschouwingen. Ondertekend met de namen van
de schrijvers werden deze niet. In Jan Jacobs tijd
werd de krant nog beschouwd als één monsieur,
waaruit vele monden spraken.
Hij was een bezige man, die Jan Jacob de Tweede.
Als zijn levenstaak zag hij het verder uitbouwen
en gezond houden van de oude familiezaak aan
de Melkmarkt De baas hield ook van vormen en
traditie. Geen man die het oude zonder scrupules aan de kant deed. Heel lang peinsde hij over
het besluit om de oude gevel aan de Melkmarkt
op te ruimen. Het vertrouwde, antiek stijlvolle,
maar langzamerhand onbruikbaar geworden
decor, waarachter vijf generaties Tijl elk op hun
eigen wijze hadden gewerkt. In het voor dit doel
te smalle huis, waar Martinus en Catharina Tijl
ruim honderd jaar eerder hun boekhandel waren
begonnen, werkten nu meer dan zestig mensen.
Er waren snelpersen gekomen, een steendrukkerij en machines voor de opwekking van de nog
slechts kortgeleden toepasbaar gemaakte energiebron elektriciteit. Een geheel nieuw gebouw kon
niet lang meer op zich laten wachten. Het werd in
1907 betrokken.
Een klein maar vernuftig apparaat vormde een
simpel symbool van een nieuwe tijd in een nieuwe
eeuw. Op het kantoor van Tijls administratie verscheen de allereerste schrijfmachine.
(Wordt vervolgd)
De allereerste schrijfmachine in het kantoor
van Tijl. (Uit: Tijls
Curiosa)
ZHT2 2014 EPOS.indd 18 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 63
Zwolse voetbalverenigingen hebben veelal
een rijke historie. Op hun website geven
de verenigingen meestal een beknopte
beschrijving van hun ontstaansgeschiedenis. ZAC
is al in 1893 opgericht, PEC Zwolle is in 1910
ontstaan uit een fusie van Prins Hendrik en EDN
(ende desespereert nimmer) en bij Be Quick ’28
en CSV ’28 staat het jaar van oprichting al in de
naam vermeld.
In de schaduw van de ‘echte’ verenigingen
die meedraaien in een van de competities van de
KNVB, heeft het kleine Zwolse recreatieclubje
EZPVV in 2013 het vijftigjarig jubileum gevierd.
De geschiedenis van het clubje is opmerkelijk. Er
zijn geen officiële leden, er zijn geen statuten, er
is geen bestuur, het clubje is niet ingeschreven bij
de Kamer van Koophandel, het is geen lid van de
KNVB en toch bestaat het al meer dan vijftig jaar.
Historie
Na zijn overwinning in de Elfstedentocht van
1963, vanwege de barre omstandigheden ook
wel aangeduid als ‘de hel van ‘63’, richtte Reinier
Paping een trimclubje op dat aanvankelijk vooral
bestond uit schaatsers, een viertal voetbalscheidsrechters (onder meer Peter Gans) en een paar loslopende enthousiastelingen. Tot die laatste categorie behoorden Albert Dost en Paul Benning, die in
een latere periode een leidende rol zouden spelen.
Op woensdagavond kwamen ze met z’n tienen bij
elkaar rond de vijver van sportcomplex de Pelikaan om hun conditie op peil te houden. Er werden pittige rondjes gelopen, eindigend bij de trimbaan. Na drie kwartier werd er een veldje uitgezet,
met aan beide kanten twee waspoederbussen.
Scherpschieten op de waspoederbussen was het
doel, een vorm van paaltjesvoetbal. Na een paar
stevige regenbuien zakten deze ‘doelen’ roemloos
in elkaar. Om verzekerd te zijn van voldoende
kartonnen dozen werden de leden verplicht om
uitsluitend grootverpakkingen waspoeder aan te
schaffen.
Kennelijk was het partijtje voetbal toch aantrekkelijker dan de conditietraining onder leiding
van Reinier, want al na een half jaar bleef er van
de conditietraining niet veel meer over dan een
warming-up voor het voetbal. Het moest wel leuk
blijven. ’s Winters werd er wel eens uitgeweken
naar een trainingsveld van het naburige HTC,
maar sneeuw en ijs werden niet geschuwd. Dat
kon ook niet met een elfstedentochtwinnaar binnen de gelederen.
In 1974 nam Reinier Paping afscheid van zijn
clubje. Een versleten heup en andere lichamelijke ongemakken hadden hem gedwongen om
niet alleen zijn schaatsen, maar ook zijn voetDe Eerste Zwolse Paaltjes Voetbalvereniging
Het clubje van Reinier Paping
Jan Gulikers
In 2013 werd de
heroïsche overwinning
van Reinier Paping in
de Elfstedentocht van
2013 op een officiële
postzegel vastgelegd.
(Collectie auteur)
ZHT2 2014 EPOS.indd 19 23-07-14 11:47
64 zwols historisch tijdschrift
balschoenen aan de wilgen te hangen. Had hij
in 1963 toch te veel van zijn lichaam gevraagd?
Albert Dost nam de leiding over en vanaf die tijd
werd er ook een bescheiden archief opgebouwd,
met onder meer brieven van de Gemeentelijke
Stichting voor Lichamelijke Oefening aan ‘club
Dost v.h. Paping’. ‘Onzerzijds is geconstateerd
dat u op uw oefenavond – woensdagavond – van
20.00 – 21.00 uur oefent op de korfbalstrook aan
de Pelikaan… U dient echter gebruik te maken
van de oefenhoek van HTC met verlichting.’…
Voorts delen wij u mede dat de gebruikskosten
ƒ 6,50 per keer bedragen, te vermeerderen met
de kosten inzake het stroomgebruik.’ (oktober
1974).
Vanaf 1975 werd ’s winters gebruik gemaakt
van het half verharde veld met verlichting bij de
Stilosporthal. In 1976 waren de kosten voor het
gebruik van de recreatiestrook op sportpark de
Pelikaan opgelopen tot ƒ 12,50 per keer. De Stilo
bevestigde jaarlijks het gebruik van de recreatiestrook en plaatste er soms een kanttekening bij:
‘Wel willen wij opmerken dat bij uw gebruik de
Kaatsclub Swol hierdoor niet wordt gehinderd.
Tevens verzoeken wij u niet op de korfbalvelden
te komen.’
Nieuwe leden
In de loop der jaren werd de club aangevuld met
nieuwe leden. Reinier wilde het aantal beperkt
houden tot een man of vijftien, maar door het
vertrek van de scheidsrechters en de schaatsers
ontstond er ruimte voor nieuwe leden. Zelf nam
hij zijn broers Hennie en Hans Paping mee, Albert
Dost maakte collega’s van de jeugdhulpverlening,
van de geestelijke gezondheidszorg en van tennisvereniging De Pelikaan enthousiast en Paul Benning droeg een aantal buurtgenoten en vrienden
voor. Zo werden Chris Jagersma, Daan Brethouder, Wim de Groot (omgekomen met zijn vrouw
bij de vliegramp op Tenerife), Hans Woudstra,
John ten Wolde, Freek Kraayer, Wim Udo, Ruud
van Wijnen, Hans Scholten, Henk Volkers, Jaap
Boerée, Bert de Leeuw en Jan Duin lid van het
illustere gezelschap.
Ook Hans Borrel voetbalde een aantal jaren
mee. Dat had zo zijn voordelen. In het ‘Eigen
Gebouw’ aan de Badhuiswal verzorgden Hans
en Joke in 1985 voor spelers en hun vrouwen een
‘smakelijk, sfeervol en jolig etentje’ in Japanse
stijl. Het etentje bij Borrel was een compromis.
Wekenlang werd er in de kleedkamer gesproken
over een gezamenlijk uitje, samen met onze partners. Zeilen in Friesland, zwieren in Limburg,
misschien zelfs een weekendje naar Duitsland,
maar over een datum konden we het niet eens
worden. Misschien was het toch ook een beetje te
veel gevraagd om een heel weekend met elkaar op
te trekken. Hans stopte na enkele jaren omdat hij
te druk was met het opbouwen van zijn horecabedrijven.
Tonnetjesvoetbal
Jan Duin bracht op een woensdagavond vier
stukjes grote gele gasbuis mee, een restproduct
van zijn werkgever Gazo. De stukjes gasbuis (de
‘tonnetjes’) waren heel geschikt als doelpaaltjes en
de waspoederbussen waren nodig aan vervanging
toe. De gele tonnetjes bleken onverslijtbaar en ze
worden nog steeds gebruikt.
Bij aanvang van het partijtje werden de teams
zodanig samengesteld dat de krachtsverhoudingen ongeveer gelijk lagen. Meestal bestonden
de partijtjes uit vijf of zes personen. Albert Dost
en Paul Benning, leden van het eerste uur, overlegden met elkaar wie bij welke partij hoorde en
zagen er ook op toe dat de spelregels min of meer
in acht werden genomen. Sommigen mochten
wat meer fysieke kracht in de strijd gooien dan
anderen. Dat hoorde nu eenmaal bij hun spelstijl. Bij onenigheid had Albert, de ongekroonde
leider in die tijd, het laatste woord. Tijdens de
wedstrijd mocht je elkaar verrot schelden, in de
kleedkamer moest het ‘gezeik’ afgelopen zijn.
Scoren deed je door een van de beide tonnen van
de tegenpartij te raken. Wie niet meer zo snel uit
de voeten kon of niet zo handig was met de bal,
deed er verstandig aan zich in de buurt van de
tonnen op te houden. Dan kon je je nog nuttig
maken door de ton te verdedigen of bij een voorzet de bal het laatste zetje te geven. Maar je moest
niet overdrijven. Wie eenmaal het predicaat ‘tonnenklever’ had gekregen kwam daar niet gemakkelijk meer van af.
ZHT2 2014 EPOS.indd 20 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 65
Trimpost
Albert Dost zorgde vanaf het begin van de jaren
tachtig ook voor de zogenaamde ‘trimpost’. Op
humorvolle manier passeerden anekdotes over de
afgelopen periode de revue en terloops werd herinnerd aan het betalen van de jaarlijkse bijdrage.
Mede dankzij de trimpost kon ook de geschiedenis van het clubje en de ledenlijst gereconstrueerd
worden. Van de ‘trimpost’ ging zeker een bindende invloed uit. Toch durfde Bert de Leeuw het aan
om een kritische kanttekening te plaatsen: voor de
portokosten zouden we eventueel ook een extra
biertje kunnen kopen…
Ik werd ‘lid’ in 1983. Er was een vacature ontstaan
door het plotseling overlijden van Hans Woudstra. Na een partijtje woensdagavondvoetbal was
hij thuis onwel geworden. Voormalig collega
Henk Schmidt had me bij de club geïntroduceerd.
Als je geluk had werd je gevraagd om een keer op
proef te komen spelen en meestal werd je dan stilzwijgend als deelnemer aan de groep toegevoegd.
In de ‘trimpost’ werd gesproken over een ‘oogstrelend debuut’. Zoveel waardering had ik tijdens
mijn voetbalcarrière bij officiële verenigingen niet
gekregen. Na 23 jaar en ongeveer negenhonderd
woensdagavondpartijtjes kwam een einde aan een
lange periode. Een van mijn knieën weigerde nog
langer mee te werken. Bij mijn afscheid in 2006
kreeg ik een zilveren schoen voor mijn hele ‘oeuvre’ en de toezegging dat ik ook in de toekomst
uitgenodigd zou worden voor het jaarlijkse voetbalgala.
Jubileumfoto
Op een foto uit 1993, gemaakt ter gelegenheid
van het dertigjarig bestaan, staat een deel van
het clubje dat in die tijd actief was. De foto is
gemaakt op het sportcomplex van Tempo ’41. Op
de foto ontbreken onder anderen Henk Fincken,
Jo Nijens, Henk Schmidt – de RIAGG was goed
vertegenwoordigd – Henk van der Wal en Ruud
van Wijnen. Vanaf 1987 was het miniveldje van
de hockeyclub onze vaste thuisbasis, zomer en
winter. Tot op de dag van vandaag wordt er nog
gespeeld.
Een aantal leden van
de EZPVV bij het dertigjarig jubileum in
1993. Staand v.l.n.r.:
Jaap Boerée, Jonnie ten
Wolde, Aat Bosch, Paul
Benning, Jan Gulikers,
Henk Volkers, Bert
de Leeuw en zittend
op de tonnetjes Chris
Jagersma en Albert
Dost. (Foto Jaap Boerée
/ Henk van der Wal)
ZHT2 2014 EPOS.indd 21 23-07-14 11:47
66 zwols historisch tijdschrift
In die tijd bestond het clubje nog min of meer
uit leeftijdgenoten, in leeftijd variërend van 45 tot
55 jaar. Albert Dost was met zijn 61 jaar de oudste
van het stel. Hij hield zijn conditie op peil door
stiekem op zondagmorgen ook nog een balletje
te trappen met buurtgenoten uit de Aa-landen.
Een jaar later moest hij vanwege hartproblemen
stoppen, letterlijk en figuurlijk met pijn in het
hart. In 1994 droeg Albert de leiding over aan Paul
Benning en bij die gelegenheid gaf hij het clubje
ook een officiële naam: Eerste Zwolse Paaltjes
Voetbalvereniging, kortweg EZPVV. Van tonnetjes naar paaltjes, een kleine stap. Als herinnering
aan dertig jaar lidmaatschap, waarvan twintig jaar
als leider, werd aan Albert een voetbal met alle
handtekeningen van de leden aangeboden. In zijn
dankwoord gaf hij te kennen dat de woensdagavond voor hem heilig was geworden en dat alle
sociale en zakelijke verplichtingen daaraan ondergeschikt gemaakt waren.
Verjonging
Het clubje ontkwam niet aan de noodzakelijke
verjonging. Nieuwe leden van middelbare leeftijd,
zoals Folly van Dam (voorheen PEC), Henk van
der Wal en William Meulman, waren moeilijk te
vinden. Jan Frans Benning, zoon van Paul, was
een van de eerste jonkies. In zijn kielzog kwamen
Lex Smit, Marcel Meulhof, Ritsie Plantinga, Jan
Pieter Winhof en André Volker de gelederen versterken. Voor de oude garde was het soms moeilijk te verteren om door een jonge gast voorbij
gelopen te worden, maar alles went. Het had trouwens ook wel zijn voordelen, het echte loopwerk
kon voortaan aan anderen overgelaten worden.
In de zomermaanden ligt de normale voetbalcompetitie stil, maar het voetbalclubje gaat
gewoon door. Soms is het wel behelpen, dan zijn
er te veel spelers tegelijk op vakantie en worden de
teampjes wel erg klein.
Op een van die zomeravonden stond een jongen van Algerijnse afkomst naar het spelletje te
kijken. ‘Wil je soms meedoen?’ Dat was niet aan
dovenmansoren gezegd. Vanaf die tijd speelde
Omar wekelijks zijn partijtje mee. Zinedine
Zidane was zijn grote idool. Echt integreren deed
hij niet, na afloop van het partijtje ging hij niet
met de anderen douchen, maar vertrok meteen
naar huis. Niemand maakte er een punt van. Toch
kwam er een kink in de kabel. Aan het einde van
het jaar kreeg ook hij het verzoek om contributie
te betalen. Hij begreep het niet, hij dacht dat hij
in de maling werd genomen. Er was toch nooit
over contributie gesproken? Maar ja, de huur van
het veld en van de kleedkamer moest toch op een
of andere manier betaald worden. Omar liet zich
niet meer zien. Toen ik hem later in de stad tegen
kwam heb ik het hem nog proberen uit te leggen,
maar het kwam niet meer goed.
Rood en groen
Een van de jongere leden die de club was komen
versterken was Jan Bierbooms, een vertegenwoordiger in sportkleding uit Roosendaal. Hij plande
zijn werkzaamheden zo dat hij op woensdagavond
in Zwolle een partijtje mee kon spelen. Hij had
altijd het hoogste woord, op het veld, maar vooral
in de kleedkamer achteraf. Iedereen kreeg van
hem een beoordeling: ‘Johnny een 3: te weinig
techniek, veel kansen gemist. Bert een 6: verdedigend goed, redelijke passes, maar aanvallend te
weinig inbreng. Ik geef mezelf een 9: uitstekende
balbehandeling, goed spelinzicht. Bij een iets
betere conditie zou ik een 10 verdiend hebben.’
Met zijn vlotte babbel smeerde hij ons ook trainingspakken aan, we moesten er toch een beetje
gelikt uitzien. Als tegenprestatie leverde hij groene
en rode hesjes, zodat niemand meer een excuus
had als hij de bal zomaar inleverde bij een tegenstander. Het wakkerde wel de onderlinge competitie aan en geleidelijk aan ontstond er bij elke kleur
een vaste kern spelers. Een belangrijke aanwinst
voor het clubje was het ‘contracteren’ van de drie
gebroeders Broekhaar: Henri, Gert en Marcel. In
de wandelgangen worden zij ook wel de ‘Daltons’
genoemd. Gert gaat meestal in zijn rode hesje op
een fanatieke manier de strijd aan met zijn broers
in het groen. Dertig jaar na het optreden van de
gebroeders Paping worden weer broedertwisten
op het veld uitgevochten.
Strakke leiding
Vanaf 1994 tot 2014 heeft Paul Benning met
‘ijzeren vuist’ leiding gegeven aan het clubje. Bij
ZHT2 2014 EPOS.indd 22 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 67
zijn aantreden heeft hij eigenmachtig de eerste en
enige regel ingevoerd: ‘Ieder lid wordt geacht op
woensdagavond altijd aanwezig te zijn. Alleen op
de dag van je eigen begrafenis heb je toestemming
om er niet te zijn, op voorwaarde dat je er de week
erop weer bent’. Maar er was toch een uitzondering op deze regel. Sommige leden kregen stilzwijgend toestemming om op de woensdagavond na
het carnaval afwezig te zijn. Medisch gezien was
het niet verantwoord om van de leden van Pärremetösie te vragen om dan op het veld te staan.
Paul kweet zich met verve van zijn functie. Hij
was behalve voorzitter ook secretaris, penningmeester, materiaalman en kascontrolecommissie.
En hij introduceerde op de eerste woensdag in
januari ‘Het Groot Voetbalgala’, bij Stroomberg
aan de Brink. Bij die gelegenheid worden door de
voorzitter (Paul) de statistieken van het afgelopen
jaar gepresenteerd: het aantal overwinningen voor
‘rood’ en ‘groen’, het aantal doelpunten, het aantal
wedstrijden met het aantal deelnemers, enzovoort. Aangezien er geen ingekomen stukken zijn
heeft de secretaris (Paul) verder niets te melden.
De penningmeester (Paul) constateert vervolgens
dat er ook dit jaar weer evenveel is uitgegeven als
door de leden is bijgedragen. De maker van het
mooiste doelpunt van het jaar krijgt de ‘Gouden
Bal’ uitgereikt en de beste speler krijgt de ‘Zilveren Schoen’. Ook de schlemiel van het jaar deelt
in de prijzen. Soms wordt er bij die gelegenheid
ook afscheid genomen van een trouw lid. Dit jaar
was het de beurt aan Ruud van Wijnen, een van
de leden van het eerste uur en inmiddels tweeënzeventig. Na drie fracturen in één jaar (rib, sleutelbeen en bovenarm) vond hij het toch verstandiger
om te stoppen.
Jubileumfeest in de Proosdij
Het was niet eenvoudig om een geschikte datum te
vinden om het vijftigjarig bestaan van ons clubje
te vieren. Oprichter en eregast Reinier Paping
was begin 2013 druk met optredens in talkshows
De uitreiking van de
Zilveren Schoen in café
Stroomberg, januari
2014, met v.l.n.r. Herman Naaijen, Gertjan
Luiten, Joris Blom,
André Volker, barkeeper, Ritsie Plantinga,
Jonnie ten Wolde, Paul
Benning en Bert de
Leeuw. (Foto Olivier
Burgering)
ZHT2 2014 EPOS.indd 23 23-07-14 11:47
68 zwols historisch tijdschrift
waarin aandacht werd besteed aan zijn legendarische overwinning in de Elfstedentocht van 18
januari 1963. Een paar jaar eerder, in 2009, werd
zijn heldenstatus opnieuw opgepoetst door het
verschijnen van een film van Steven de Jong over
de barre tocht. Bij de première van de ‘Hel van ‘63’
in Zwolle stond Reinier Paping op de rode loper in
het middelpunt van de belangstelling.
Op 25 januari 2013 was het dan zover. Spelers
en ex-spelers waren uitgenodigd in de Proosdij
voor een Groot Voetbalgala ter gelegenheid van
het vijftigjarig jubileum. Paul Benning sprak onze
eregast toe met de woorden: ‘Reinier, dankzij
jou hebben velen de afgelopen vijftig jaar aan dit
clubje plezier beleefd. Jij had de victorie van de
winnaar, wij mochten in jouw schaduw mee.’
Nieuw bewind
In de afgelopen jaren heeft het clubje getoond
nog jarenlang mee te kunnen. De groep bestaat
momenteel uit ongeveer twintig leden, in leeftijd
variërend van begin twintig tot boven de zeventig.
Paul Benning heeft gemeend al zijn bestuurlijke
functies voor de club ter beschikking te moeten
stellen, zodat hij al zijn aandacht en energie op het
voetballen kan richten. Ook bij hem beginnen de
jaren te tellen. Hij heeft nog één doel voor ogen:
hij wil het record als actief speler – nu nog met 72
jaar in handen van Ruud van Wijnen – proberen
te breken.
Een driemanschap heeft de leiding overgenomen: Jan Willem Bruins (voorzitter), Theo Bloks
(secretaris) en Rob van de Ploeg (penningmeester). Bij zijn aantreden dankte de nieuwe voorzitter de aftredende voorzitter/secretaris/penningmeester voor het vele werk dat hij voor het clubje
gedaan heeft. En met verwondering keek hij terug
op het ontstaan en de ontwikkeling van wat ooit
als het trimclubje van Reinier Paping begon. Hoe
is het mogelijk dat een clubje zo lang blijft bestaan,
zonder dat er een echte organisatie achter staat.
Er is geen bestuur, er zijn geen officiële leden, er is
geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel,
het clubje heeft niet eens een officiële naam. En
toch bestaat het al meer dan vijftig jaar en hebben
sommige leden meer dan duizend wedstrijden
gespeeld.
Reinier Paping,
initiator en boegbeeld
van het voetbalclubje
EZPVV, tijdens het
Groot Voetbalgala in
de Proosdij, januari
2013. Rechts met rode
pet Paul Benning.
(Foto’s Jan Willem
Bruins)
ZHT2 2014 EPOS.indd 24 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 69
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 11: Een avondje uit in Zwolle
(juli – december 1964)
Jan van de Wetering (67) verplaatst zich vijftig jaar Jan van de Wetering
terug in de tijd. Hij laat zich verrassen door wat hij
in de kolommen van de Zwolse Courant tegenkomt
over de stad van zijn jeugd. Zelf herinnert hij zich
weinig tot niets van de hier beschreven gebeurtenissen. Overdag vulde hij duizenden elementennota’s
in bij de Belastingdienst in het Gouverneurshuis bij
het Kerkbrugje. Daarop stonden de inkomens en
vermogens tot achter de komma vermeld van alle
‘aangeslagen’ Zwollenaren. In zijn vrije tijd was hij
zo bezeten van het maken van ‘experimentele foto’s’,
dat hij weinig oog had voor de stad waarin hij
woonde. Terug naar Zwolle in de jaren zestig is voor
hem een inhaalslag.
Middenin de jaren zestig lijkt het leven
in Zwolle rustig voort te kabbelen. Het
stadsbestuur dacht daar anders over:
de stad werd in 1964 voortvarend ingericht voor
de nieuwe tijd die meer inwoners, meer economische bedrijvigheid en meer verkeer zou brengen.
Er kwam weer een stuk van de nieuwe rondweg
gereed, het Zwolle-IJsselkanaal werd geopend, de
eerste werkzaamheden voor de demping van de
negentiende-eeuwse Willemsvaart aan de Veerallee gingen van start en de raad zette de discussie
voort over de sanering van de binnenstad en de
bouw van een nieuw stadhuis.
Teleurstellingen waren er ook: de door Zwolle
fel begeerde Technische Hogeschool ging naar
Twente. Onze stad opende zes nieuwe kleuterscholen, dat dan weer wel. Wat de sport betreft
leek er een einde te komen aan de al tientallen
jaren durende spanningen tussen de voetbalclubs
Zwolsche Boys en PEC. De beide kemphanen gingen in 1964 eindelijk praten over samenwerking.1
Naast deze voor Zwolle ‘grote’ gebeurtenissen
waren er in 1964 weer overstelpend veel kleinere
voorvallen, historisch gruis dat doorgaans de
geschiedenisboeken niet haalt. Zo was er op een
avond in augustus een dronken man die wankelend de verkeerde deur binnenstapte: die van het
politiebureau. In zijn hand droeg hij volgens de
Zwolse Courant ‘een portie sateh, een vleesgerecht
dat men bij de chinees-indische restaurants kan
kopen.’ Zijn naam wist hij nog wel en ook dat hij
in 1727 (geen typefout) was geboren. De uitleg
van de journalist wat precies ‘sateh’ is, maakt duidelijk dat ‘eten van de Chinees’ in 1964 nog geen
gewone kost was. En dat terwijl restaurant Wen
Chow al in 1945 was geopend in de Walstraat
(later Sassenstraat), in 1951 gevolgd door restaurant Shanghai op het Eiland.2
Wat is er te doen?
Eten bij de Chinees of gaan eten bij wat voor restaurant ook, was in 1964 onder Zwollenaren nog
allerminst een ingeburgerde gewoonte zoals nog
duidelijk zal worden. En in wat breder perspectief,
afgezien van kermissen en zomerfeesten kwamen
ze niet gauw de deur uit. Kwam dat omdat ze daar
geen zin in hadden, of was er domweg te weinig
te doen in Zwolle? Een anonieme journalist van
de Zwolse Courant vroeg zich dat ook af en nam
op een warme dinsdagavond de proef op de som.
Het was 7 juli 1964. Hij ging om acht uur de straat
op en noteerde op beeldende wijze wat hij zag.
Zijn eerste waarneming is al veelzeggend: ‘Op de
Langenholterweg zit een man voor het open raam
met zijn voeten in een teiltje water en kijkt naar de
blauw stralende beeldbuis.’3
Gewoon thuisblijven lijkt een gewoonte van
meer Zwollenaren. We volgen, verspreid over dit
artikel, het voetspoor van de journalist:
Zwolle, 7 juli 1964, acht uur
‘De rubriek Wat is er te doen op de stadspagina van
deze krant vertelt dat we kunnen kiezen uit twee
ZHT2 2014 EPOS.indd 25 23-07-14 11:47
70 zwols historisch tijdschrift
films. En dan is er nog de expositie Catastrophe
in park Eekhout. Om acht uur is de Diezerstraat
praktisch leeg. We tellen er twaalf mensen. De terrasjes op de Grote Markt bieden aan negen mensen
in totaal, uitzicht op een uitgestorven plein. In de
Kroon kopen 204 mensen een kaartje voor De mannen met de vijf paspoorten. In de Buitensociëteit
kunnen 53 mensen kiezen uit meer dan duizend
stoelen voor de film ’t Is feest vandaag. In Odeon is
niets te doen.’4
André van Duynen
Het is de stilte voor de storm: in de weken daarna
vindt net als in het jaar daarvoor De Zwolse Kunstmarkt op de Suikerberg plaats. Het woord ‘kunstmarkt’ dekt de lading niet helemaal: duizenden
Zwollenaren komen vooral af op de optredens
van vele regionaal en landelijk bekende artiesten.
Al dagen eerder is de wandelroute over de singels
en door het park feestelijk met gekleurde lampjes
versierd. Tegelijkertijd blijkt het gemeentebestuur
de economische belangen van de stad niet uit het
oog te verliezen. Als dank voor de grote financiële
bijdrage van Scania-Vabis aan de Zwolse kunstmarkt mocht de Zweedse zaakgelastigde B. Holmquist het feest openen. De vestiging van vrachtwagenfabrikant Scania-Vabis op industrieterrein de
Grote Voort was een belangrijke stap voorwaarts
voor de plannen van Zwolle om meer industrie
naar de stad te halen. In januari 1965 zou prins
Bernhard de vestiging openen.
Gezien de optredende artiesten lijkt het meer
een feest voor oud dan voor jong: zangeres Corry
Brokken (winnares van het songfestival van
1957), tv-omroepster Karin Kraaykamp, die op de
Suikerberg als gastvrouw optrad, het orkest van
trompettist Willy Schobben met zanger John de
Mol en ook een opkomend talent: de zestienjarige
imitator André van ‘Duynen’, een paar dagen later
correct aangeduid als André van Duin. Andere
bekende namen waren zangeres Rita Corita (‘Koffie, koffie, lekker bakkie koffie’), het vioolduo Sem
Nijveen en Benny Behr en het Ballroomorkest van
Jan Corduwener.5
Was er dan helemaal niets voor jongeren?
Toch wel, op 27 juli, ruim twee weken na opening
van het festival was de Suikerberg volgens een
recensent van de Zwolse Courant herschapen
in een ‘Rocky Mountain’. Erg waarderen kon hij
de optredens van onder andere de Gamblers, en
De fabriek van ScaniaVabis in aanbouw,
zomer 1964. Op de
achtergrond is het
uitbaggeren van het
nieuwe Zwolle-IJsselkanaal zichtbaar.
(Archief Scania-Vabis)
Rechts: Het domein van
kunst en vertier, kunstmarkt op de Suikerberg
juli 1964. (Zwolse Courant)
ZHT2 2014 EPOS.indd 26 23-07-14 11:47
zwols historisch tijdschrift 71
Jerry en zijn Vaillant Fighters uit Kampen niet:
‘De harde rock en de beat knalden door het oude
geboomte, maar veroorzaakten niet veel opwinding onder de tieners, die in grote getale naar het
lido waren getogen. De emotie beperkte zich tot
wat heupengezwaai en een enkele aanmoedi

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2016, Aflevering 2

Door | 2016, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Zwolse
Olympiërs
33e jaargang 2016 nummer 2 – 8,50 euro
ZHT2 2016.indd 1 6-7-2016 14:04:56
Suikerhistorie
Café Restaurant ‘De Peperbus’,
Diezerstraat 123
De Sassenpoort en de Peperbus behoren tot de
bekendste gebouwen in Zwolle. Het is dan ook
niet verwonderlijk dat vele ondernemingen of
verenigingen met hun naam naar beide iconen
verwijzen. Zo ook dit horecapand dat niet meer
bestaat.
Het stond niet ver van de Diezerpoortenbrug,
links naast het hoekpand van Jan Bosch (bakkerij
De Zoete Inval) en liep aan de achterzijde door tot
aan de stadsgracht.
Het smalle pand deed in het begin van de vorige eeuw dienst als melksalon, waar stadsbewoners
melk van boeren uit de buurt konden kopen of
een glas melk konden drinken. Rond 1930 werd
de uitbater niet meer als melksalonhouder aangeduid maar als koffiehuishouder, zeg maar kroegbaas. Melkboeren gingen voortaan de melk in de
stad uitventen en de salons raakten in onbruik.
Het was G.J.M. Wijngaarden (geb. 1890) die rond
1935 overschakelde op koffie en zwak alcoholische
dranken. Hij gaf het pand de naam De Peperbus.
Zijn zoon Peter (geb. 1917) nam de zaak in 1950
over en sindsdien stond het omschreven als caférestaurant. In 1957 kwam het bedrijf in handen
van B.J. van Groningen, die daarvoor had gewerkt
als kelner bij Hotel Peters aan de Grote Markt. Om
het de klanten naar de zin te maken schafte hij een
biljart aan bij de Zwolse biljartfabriek Hoffscholze
ter waarde van ruim 1.000 gulden en een tv bij de
firma Van Nieuwenhoven van ruim 1.200 gulden.
In verband met de stadsvernieuwing werd het
café-restaurant in 1970 opgeheven en het pand in
1973 afgebroken. Ter plekke verrees de stadsmuur
in hernieuwde glorie.
70 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Café Restaurant ‘De Peperbus’ en bakkerij De Zoete Inval begin jaren zeventig.
Het hele blok huizen werd gesloopt om plaats te maken voor de reconstructie
van de stadsmuur. Rechts is nog een slagboom van de Diezerpoortenbrug zichtbaar. (Foto Han Prins, collectie HCO)
ZHT2 2016.indd 2 6-7-2016 14:04:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 71
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 70
Zwolse Olympiërs Steven ten Veen 72
De Zwolse timmerman Jannes Ligtenbergh
en de Groningse Stadhuisprijs van 1775
Thomas H. von der Dunk 83
Ten Clarenwater of Klaarwater:
een plaats vol bedrijvigheid Wim Coster 101
Twee eeuwen de krant van Tijl
Slot: Van binnenstad naar kaal terrein
en vervolgens het einde
Willem van der Veen 111
Levensbericht Pieter Lettinga (1952-2016)
Jan Drentje 122
In memoriam Gerrit Banck (1931-2016)
Annèt Bootsma – van Hulten 124
Mededelingen 124
Auteurs 125
Redactioneel
I
n de afgelopen periode is een groot aantal mensen ons ontvallen die ieder op hun
manier hebben bijgedragen aan de geschiedschrijving van Zwolle en het behoud van zijn
cultureel erfgoed: Pieter Lettinga, Gerrit Banck,
journalist Michael Amsman en oud-burgemeester
Job Drijber De eerst twee waren als respectievelijk
oprichter en als actief en betrokken lid nauw aan
onze vereniging verbonden. Hun in memoriam
vindt u in dit nummer.
De voor u liggende editie van het Zwols Historisch
Tijdschrift is weer een typische afspiegeling van
de geschiedenis van de nobele stad Zwolle: veelzijdig en soms onverwacht. Want wie zou kunnen
bedenken dat een Zwolse timmerman ooit een
poging deed het nieuwe stadhuis van de grote stad
Groningen te mogen ontwerpen en bouwen?
Jannes Ligtenbergh (1733-1796) deed het en
Thomas H. von der Dunk laat zien hoe het hem
daarbij verging. Wim Coster toont hoe een kleine
Zwolse enclave aan de Gelderse kant van de IJssel
door de eeuwen heen een plek was van devotie en
bedrijvigheid, totdat de natuur zijn rechtmatige
plaats opeiste. Het olympisch jaar 2016 is voor
Steven ten Veen aanleiding de Zwolse deelnemers
aan de Olympische Spelen door de jaren heen
eens op een rijtje te zetten. Willem van der Veen
komt met de afsluiting van zijn serie over Tijl,
waarbij al verklapt kan worden dat er geen sprake
is van een ‘happy ending’. Natuurlijk is er weer het
suikerzakje ditmaal met een zoete terugblik op
café-restaurant De Peperbus, tot 1970 gevestigd
aan de Diezerstraat 123 op de plaats waar nu de in
oude luister herstelde stadsmuur te vinden is.
Wij wensen u veel leesplezier en een zonnige
zomer!
Coverfoto: Nico Rienks met zijn gouden medaille in 1988 in Seoul.
(Foto ANP)
ZHT2 2016.indd 3 6-7-2016 14:04:58
72 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
Zwolse Olympiërs
Van 5 tot en met 21 augustus worden in
Rio de Janeiro de 28e editie van de Olympische Zomerspelen gehouden. Van de
meer dan 10.000 atleten die er aan de start verschijnen, zal slechts een handjevol een binding
met Zwolle hebben. Anna van Breggen en Kirsten
Wild doen mee aan het wielrennen en worden
als kanshebsters voor een medaille beschouwd.
Dat geldt zeker ook voor Jeroen Dubbeldam,
die in 2000 in Seoel op de hoogste trede van het
erepodium stond. De oud-Zwollenaar, hij woont
tegenwoordig in Weerselo, is er nu zestien jaar
later weer bij en het is zeker niet uitgesloten dat
de springruiter opnieuw een greep naar het goud
doet. Beachvolleyballer Reinder Nummerdor
doet in Rio voor de derde keer aan de Spelen mee.
Samen met partner Richard Schuil greep hij vier
jaar geleden in Londen net naast een medaille, ze
werden er vierde. Met zijn nieuwe partner Christiaan Varenhorst gaat hij een nieuwe poging doen
om een olympische medaille te winnen. Daarmee
is het contingent van atleten met een Zwolse achtergrond compleet.
De eerste Zwollenaar die aan Olympische
Spelen meedeed, was Walter Middelberg. Hij
roeide in 1900 mee in de Nederlandse acht, die
derde werd. De Zwolse inbreng bij olympiades
zou daarna altijd bescheiden blijven. Pas vanaf
de jaren tachtig werd voorzichtig zichtbaar dat
Zwolle langzaam maar zeker een sportstad aan het
worden was. Groot was het aantal Zwolse sporters
dat naar de Spelen werd afgevaardigd tot nu toe
echter nooit.
Walter Middelberg
Parijs stond in 1900 in het teken van de Wereldtentoonstelling, waarvan de Eiffeltoren als trotse
herinnering al meer dan een eeuw over de Franse
hoofdstad waakt. Maar Parijs was in 1900 ook
het decor voor de tweede editie van de moderne
Olympische Spelen, die vier jaar daarvoor in
Athene voor de eerste keer waren gehouden.
Nederlanders deden toen niet mee, maar in Parijs
verschenen 42 landgenoten – allen man – aan
de start, waaronder de in Zwolle geboren Walter
Middelberg, die als lid van de acht met stuurman
de derde plaats behaalde.
Die goede prestatie van de toen 25-jarige Middelberg ging aan iedereen in Zwolle voorbij. In
de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
(verder: Zwolse Courant) verscheen nauwelijks
nieuws over de Spelen in Parijs. Sport was geen
activiteit om je over op te winden. De gewone man
Affiche voor de Olympische Spelen en de
Wereldtentoonstelling in Parijs in 1900.
(Internet)
Steven ten Veen
ZHT2 2016.indd 4 6-7-2016 14:04:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 73
had het druk genoeg om een schamele boterham
te verdienen en wie lid was van een van de sportverenigingen die Zwolle rijk was, kwam bijna
altijd uit de betere kringen. Zoals Walter Middelberg, geboren op 30 januari 1875 als zoon van
een ingenieur die bij de Staatsspoorwegen werkte.
Toen hij naar de Olympische Spelen in Parijs werd
uitgezonden, studeerde hij chemie aan de Rijks
Universiteit Leiden en was daar lid van de studentenroeivereniging Njord. Bij de in 1887 opgerichte
Zwolsche Roei- en Zeilvereniging had hij het
roeien geleerd.
De Spelen van 1900 in Parijs verliepen nogal
chaotisch. Pierre de Coubertin, de Franse baron
die in 1894 het Internationale Comité voor de
Olympische Spelen had opgericht, kreeg het aan
de stok met het comité dat de sportwedstrijden
van de Wereldtentoonstelling organiseerde en
trok zich terug. Daardoor is er later veel discussie geweest over de vraag of in 1900 wel sprake
was geweest van echte Olympische Spelen, ook
al omdat er regels werden gehanteerd die anders
waren dan die bij de Spelen van 1896 en alle latere
edities. Goud, zilver en brons voor de atleten die
als de nummers één, twee en drie eindigden, kende men toen nog niet. Walter Middelberg heeft
vermoedelijk, net zoals de andere leden van de
acht, een bronzen beeld als prijs ontvangen. Maar
uiteindelijk is Parijs toch in de officiële uitslagenlijsten opgenomen en is het brons van het beeld
van Middelberg dus echt brons. Van de uit Zwolle
afkomstige roeier is verder niet veel bekend. Hij
promoveerde in 1902 in Leiden tot doctor in de
chemie en werd later leraar scheikunde aan de
HBS in Hengelo (Ov.), waar hij op 15 september
1944 overleed.
Van Blijenburgh en Athene 1906
Schermer Willem Hubert van Blijenburgh werd
op 11 juli 1881 in Zwolle geboren. Van Blijenburgh heeft de tak van sport die hem de deelname
aan niet minder dan vijf Olympiades en twee
bronzen medailles opleverde ongetwijfeld niet
in zijn geboortestad geleerd. Hubert, zoals zijn
roepnaam luidde, deed namelijk aan schermen
en dat werd in Zwolle zeker in clubverband niet
beoefend. Hij maakte er tijdens zijn carrière in het
leger kennis mee. Hij deed mee aan de Spelen van
1906 in Athene, 1908 Londen, 1912 Stockholm,
1920 Antwerpen en 1924 Parijs. In het memorabele rijtje van sporters die aan vier of meer Olympische Spelen hebben meegedaan, staat overigens
nog een Zwollenaar: Nico Rienks. Net zoals Van
Links: Baron Pierre de
Coubertin, 1863-1937.
(Wikimedia)
Onder: Hubert van
Blijenburgh (links)
in actie tijdens een
schermtoernooi in Den
Haag, begin twintigste
eeuw. (Collectie Jonker)
ZHT2 2016.indd 5 6-7-2016 14:05:01
74 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
Blijenburgh verscheen hij bij vijf olympiades aan
de start, waarbij hij twee keer goud en één keer
brons won.
In 1916 moesten de Spelen, die in Berlijn
zouden worden gehouden, vanwege de Eerste
Wereldoorlog worden afgelast. Die van 1906 in
Athene roepen vragen op, omdat het sportevenement immers om de vier jaar plaats vindt. Na de
Olympische Spelen van 1896 in Athene, die zeer
succesvol waren verlopen, hoopten de Grieken
dat hun land de permanente arena zou worden
voor de Spelen. Pierre de Coubertin wilde daar
niets van weten, maar daar trok men zich in
Griekenland weinig van aan en in 1906 werden in
Athene ‘gewoon’ weer Olympische Spelen georganiseerd, die wederom als geslaagd konden worden
beschouwd. Het was de bedoeling om daar in
1910 en 1914 mee door te gaan, maar interne problemen maakten dat onmogelijk.
De Spelen van 1906 zijn uiteindelijk door
het Internationaal Olympisch Comité (IOC)
niet als echte Olympische Spelen in de boeken
opgenomen, maar Nederland heeft dat altijd wel
gedaan en dat brengt het aantal deelnames voor
Van Blijenburgh dan op vijf. In 1912 en 1920 won
hij brons als lid van het Nederlandse degenteam.
Individueel kwam hij uit op zowel degen als sabel,
maar werd hij in de voorrondes steeds uitgeschakeld. Van Blijenburgh, die in ons land de eerste
hoogleraar in de lichamelijke opvoeding werd,
heeft grote invloed uitgeoefend op de manier
waarop in Nederland gymnastiekonderwijs werd
gegeven. De methode die hij propageerde en binnen de strijdmacht in praktijk bracht, verschilde
nogal van wat toen gebruikelijk was en daardoor
werd hij mikpunt van hevige kritiek en zelfs persoonlijke aanvallen binnen de wereld van de lichamelijke opvoeding. Uiteindelijk heeft het werk
van Van Blijenburgh, die op 14 oktober 1936 in
Bilthoven overleed, geleid tot nieuwe inzichten in
de manier waarop het Nederlandse gymnastiekonderwijs moest worden gegeven.
Atletiek
De eerste medaille die ons land op het onderdeel
atletiek behaalde, was in 1924 in Parijs: brons op
de 4 x 100 meter estafette. De derde loper van die
Zwolse Olympiërs vanaf 1980
Te beginnen vanaf 1980 (Moskou) hebben de volgende Zwolse sporters aan
Olympische Spelen (Zomerspelen) meegedaan:
Moskou 1980
John Pierik (9 augustus 1949 Hengelo), kleiduiven skeet 11e
Los Angeles 1984
Eric Pierik (21 maart 1959 Zwolle), hockey, 6e plaats Nederlands team
Nico Rienks, roeien dubbel vier 9e
John Pierik kleiduiven skeet 4e
Seoel 1988
Nico Rienks (1 februari 1962 Tiel), roeien dubbel twee goud.
Henk Jan Zwolle (30 november 1964 Enschede), roeien skiff 12e
Barcelona 1992
Nico Rienks, roeien dubbel twee 3e
Henk Jan Zwolle, roeien dubbel twee 3e
Atlanta 1996
Ellen Kuipers (8 april 1971 Hattem), hockey brons Nederlands team.
Ellen Meliesie (2 januari 1963 Zwolle), roeien lichte dubbel twee 6e
Arie Middag (24 januari 1973 Zwolle), roeien dubbel vier 10e
Nico Rienks, roeien acht goud
Sydney 2000
Marten Eikelboom (12 oktober 1973 Zwolle), hockey goud Nederlands
team
Arie Middag, roeien acht 8e
Nico Rienks, roeien acht 8e
Reinder Nummerdor (10 september 1976 IJsselmuiden), volleybal 5e
Nederlands team
Karin Kuipers (18 juli 1972 Zwolle), waterpolo 4e Nederlands team
Athene 2004
Marten Eikelboom, hockey zilver Nederlands team
Reiner Nummerdor, volleybal 9e Nederlands team
Beying 2008
Reiner Nummerdor, beachvolleybal in kwartfinale uitgeschakeld
Sandra Kosterink (13 augustus 1984 Zwolle), softbal 7e Nederlands team
Londen 2012
Reiner Nummerdor, beachvolleybal 4e
Kirsten Wild (15 oktober 1982 Almelo), wielrennen omnium 6e en ploegachtervolging 6e
ZHT2 2016.indd 6 6-7-2016 14:05:01
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 75
ploeg was Jan Cornelis de Vries, lid van Z.A.C., de
Zwolsche Athletische Club. De Vries, geboren op
2 maart 1896 in Zwolle als zoon van een touwslager, voetbalde als rechtsbuiten in het eerste elftal
van Z.A.C. Zijn snelheid was zijn grootste wapen
en dat bracht hem eigenlijk vanzelfsprekend bij de
atletiekafdeling van de club die zijn sportterrein
vlakbij de Katerveersluizen aan de Oude Veerweg
had. De Vries werd kampioen van Nederland
op de 100 meter en in 1920 uitgezonden naar de
Olympische Spelen in Antwerpen, waar hij weinig
succes had. De Zwolse Courant plaatste op dinsdag
17 augustus het volgende bericht over zijn optreden: ‘Jan de Vries viel voor de 100 M. onmiddellijk af. Hij werd niet geplaatst, doordat hij reeds
dadelijk na de start naar ’t schijnt tengevolge van
zenuwachtigheid struikelde, waardoor hij eenige
meters achterop raakte. Hij herstelde nog snel,
maar kon het nadeel op den korten afstand niet
meer goed maken.’
Vanwege zijn voetbalcapaciteiten zou De Vries
bij deze olympiade ook nog bijna zijn toegevoegd
aan het Nederlands elftal. De voetballers waren in
Antwerpen ondergebracht op het schip de Hollandia, dat in de haven lag afgemeerd. De omstandigheden waren er ronduit slecht. De hutten
waren klein en een goede ventilatie ontbrak, het
eten smaakte niet en er kon niet worden getraind.
Uit protest stapte een aantal spelers van boord en
zocht een hotel op. Een echte rel werd het toen
een viertal spelers in de stad aan de boemel ging
en pas na twee dagen weer boven water kwam. De
leiding wilde ze naar huis sturen en de vervangers,
waaronder dus De Vries, stonden al klaar. Maar
de andere spelers van de selectie verklaarden zich
solidair met de vier ‘muiters’, die na lang overleg
tenslotte toch mochten blijven.
Na Antwerpen besloot De Vries, die officier bij
de bereden artillerie van de Landmacht was, om
de atletiek voor gezien te houden. Hij verhuisde
naar Den Haag en ging bij HBS voetballen. Maar
in 1923 vroeg de bekende atletiekcoach Kreigsman hem weer te gaan lopen. De Vries werkte bij
V.E.L. aan een comeback, die hem een bronzen
medaille bij de Spelen van 1924 in Parijs opleverde. Op de 200 meter werd hij al in de series
De Nederlandse deelnemers aan de Spelen van 1920 in Antwerpen waren ondergebracht op het schip de Hollandia, dat in de haven was afgemeerd. Hier proberen
van voren naar achteren Jan Cornelis de Vries, Adje Paulen, Cor Wezepoel,
Harry van Rappard en Albert Heijnneman op het dek te oefenen. Rechts kijkt
Evert de Herder, secretaris/penningmeester van de Nederlandsche Athletiek Unie
toe. De Herder, afkomstig uit Zwolle, was jarenlang lid van ZAC. (Internet)
De Nederlandse atletiekploeg van de Spelen van 1924 in Parijs. Achterste rij van
links naar rechts Teun Sprong, Harry de Keijser, Hendrik Koomink, Rinus van
den Berge, Henk Kamerbeek, Johan Hardeman (secretaris Nederlandse Athletiek Unie), Hannes de Boer, Jaap Boot, Adje Paulen, Oscar van Rappard, Jan
Cornelis de Vries en Harry Broos.
Middelste rij van links naar rechts: Jan Zeegers, J.H. van Dijk (official), Vuijk
(bestuurslid NAU), H. Hjertberg (trainer) en Frits Lamp. Voorste rij van links
naar rechts: Willem Bolten, Wim Peters, Cornelis Brouwer, Wim Kat, Menso
Johannes Menso, Lau Spel en Johannes van Kampen. (Internet)
ZHT2 2016.indd 7 6-7-2016 14:05:01
76 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
uitgeschakeld, maar op de 4 x 100 meter estafette
ging het zeer voorspoedig. De Nederlandse ploeg
liep in de series zelfs naar een wereldrecord van
42.0, dat echter al snel door de oppermachtige
Amerikaanse ploeg werd verbeterd (41.2). In de
finale werd Nederland vierde, maar doordat Zwitserland vanwege een foute wissel werd gediskwalificeerd, schoof de ploeg op naar de derde plaats.
De Vries had een belangrijk aandeel in dit succes.
Hij was een meester in de bochten en dus niet
voor niets de derde loper van de bronzen ploeg.
Voor de Zwolse Courant was dat overigens geen
reden om jubelend te berichten over de prestatie
van de oud-Zwollenaar. ‘Eindelijk eenige Hollandsche successen. De estafette-ploeg Boot, v.d.
Berg, de Vries en Broos plaatste zich als derde achter Amerika en Engeland’, luidde het bericht in de
krant, die zich tijdens de Spelen dagelijks beperkte
tot uitslagen. Wel werd vermeld dat de ‘kranige
Hollandsche athleten, waaronder de Zwollenaren
Willem Peters en Harry de Keijser en oud-Z.A.C.-
er de Vries’ in Parijs waren aangekomen…
Na de Spelen van 1924 stopte Jan de Vries
definitief met atletiek. Hij ging weer voetballen bij HBS, waarmee hij in 1925 kampioen van
Nederland werd. Tijdens de Olympische Spelen
van 1928 in Amsterdam was De Vries, die na
zijn militaire loopbaan als administrateur bij de
Stoomvaart Maatschappij ‘Nederland’ in Den
Haag werkte, leider van de atletiekploeg en lid van
de technische commissie van de KNAU. Hij overleed op 19 april 1939 in Den Haag.
Een van de beste en meest veelzijdige leden van
de afdeling atletiek van Z.A.C. was in de twintiger
jaren Harry de Keijser (geboren 11 september
1900 in Roosendaal), die als soldaat was gelegerd
bij de Instructie Bataljonschool in Kampen. In
1924 in Parijs deed hij mee aan polsstokhoogspringen (uitgeschakeld in de series) en de tienkamp, waarop hij als tiende eindigde, maar wel
de beste op het onderdeel discuswerpen was en
nummer twee op de 100 meter en het polsstokhoog. Aan de Spelen van 1928 in Amsterdam had
hij ook graag meegedaan, maar de Ned.-Indische
Athletiek Unie beschikte niet over de financiële
middelen om de overtocht van de beroepsmilitair
naar het moederland te betalen. ‘Jammer, want
ik was in topvorm’, zei hij er later over. De Keijser
was na zijn pensionering hoofd administratie en
conservator van Bronbeek bij Arnhem. Hij overleed op 2 januari 1995 in Leusden.
Wim Peters
Wim Peters maakte in Parijs zijn entree als specialist op de hinkstapsprong, die tot een imposante
carrière zou leiden, maar jammer genoeg niet een
olympische medaille opleverde. Tijdens de Spelen
van Parijs in 1924 was de op 5 juli 1903 in Meppel geboren atleet van P.E.C. nog een broekie, die
door Henk Kamerbeek, de vader van de bekende
tienkamper Eef Kamerbeek, bij de arm werd genomen. Peters haalde de finale van het hinkstapspringen niet, maar kwam bij de Spelen van 1928
in Amsterdam – hij was inmiddels in het bezit van
het Europees record – als favoriet aan de start. In
de eerste ronde maakte hij de verste sprong van
alle deelnemers, maar die werd door een Engels
jurylid afgekeurd omdat hij bij de afzet de balk
Harry de Keijser
(midden) tijdens een
hardloopwedstrijd
in Nederlands-Indië,
augustus 1925. (Archief
ZAC, collectie HCO)
ZHT2 2016.indd 8 6-7-2016 14:05:01
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 77
Links: Wim Peters
(links) met een estafetteploeg van PEC, verder
vlnr.: E. v.d. Vegt,
R. Koekkoek, M. v.d.
Voort. (Archief ZAC,
collectie HCO)
De sprong van Wim
Peters tijdens de Spelen
in Amsterdam. Die
zou waarschijnlijk
goed voor goud zijn
geweest als het Engelse
jurylid geen rode vlag
had opgestoken, omdat
Peters met zijn voet
over de balk zou zijn
geweest. (Particuliere
collectie)
Om Wim Peters naar Los Angeles te krijgen, moest
1.500 gulden bij elkaar worden gebracht. Dat geld
kwam er dankzij een aantal gulle gevers, waaronder de bekende Zwolse arts dokter Spanjaard, de
recette van een vriendschappelijke wedstrijd tussen
PEC en ZAC en een inzameling van de Zwolse Courant. Het toen nog ontbrekende bedrag van 223,25
werd gedoneerd door prof. Snapper, die als keuringsarts Peters fit genoeg had bevonden om aan de
Spelen mee te doen. (Archief PEC, collectie HCO)
Een ansichtkaart van de ‘SS Rotterdam’ waarmee
de Nederlandse olympische ploeg, die uit dertien
mannen en elf vrouwen bestond, in 1932 naar de
Verenigde Staten reisde. Op de kaart hebben de
Nederlandse atleten hun handtekening gezet. De
namen van Wim Peters en Tollien Schuurman zijn
met pijltjes aangegeven. (Collectie Jonker)
Op het dek van de SS
Rotterdam vermaken
de Nederlandse sporters
zich tijdens de lange
reis (zeven dagen) van
Rotterdam naar New
York. Daarna volgde
nog een treinreis dwars
door Amerika naar Los
Angeles, die ook zeven
dagen duurde. (Collectie Jonker).
ZHT2 2016.indd 9 6-7-2016 14:05:05
78 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
zou hebben overschreden. Onterecht volgens
hemzelf en ooggetuigen. Door dit voorval raakte
Peters helemaal uit zijn concentratie en hij eindigde tenslotte als zevende. Voor de Spelen van 1932
in Los Angeles was de Zwollenaar aanvankelijk
niet geselecteerd omdat hij geblesseerd was. Peters
zelf vond evenwel dat hij voldoende hersteld was,
werd door de als medisch deskundige ingeschakelde professor Snapper in het gelijk gesteld, maar
kreeg vervolgens van het Nederlands Olympisch
Comité en de Atletiek Unie te horen dat het geld
op was. Alleen als er 1.500 gulden op tafel werd
gelegd, zou Peters naar de Spelen mogen. Twee
Zwolse raadsleden (Houtsma en Oosterwijk,
beide RK Volkspartij) trokken hun voorstel om
als gemeente duizend gulden beschikbaar te stellen schielijk terug, toen duidelijk werd dat het
overgrote deel van de raad gruwde bij de gedachte
om zoveel geld ten bate van de sport uit te moeten
geven. Uiteindelijk organiseerde de Zwolse Courant een actie, die net genoeg geld opbracht om
Peters naar de Spelen van Los Angeles te krijgen.
Hij kwam er niet verder dan de vijfde plaats. ‘In
de finale nam ik een geweldigen aanloop. Met
den vasten wil om het uiterste te presteren stoof
ik op den balk af, doch vlak voor het doel zakte
ik door mijn knie en moest onmachtig tot eenige
prestatie naar de kleedkamer afdruipen’, aldus het
relaas van Peters in een brief die hij naar de Zwolse
Courant stuurde. Aan de Spelen van 1936 in Berlijn deed hij niet mee. ‘Ik moest niets van Hitler
en zijn fascistische ideeën hebben. Ik wist dat de
Spelen in Berlijn één grote propaganda van naziDuitsland zouden worden’, zei hij er later over.
Wim Peters, die niet minder dan 36 jaar lang het
nationaal record op de hink-stap-sprong in zijn
bezit had en als ambtenaar bij de gemeente Zwolle
werkte, overleed op 30 maart 1995.
Amsterdam 1928
Voor Jan Hermannus van Reede, op 12 januari
1878 in Zwolle geboren, werd Amsterdam wel
een groot succes. De dressuurruiter, die vier
jaar daarvoor in Parijs had gedebuteerd met een
veertiende plaats in het individueel klassement,
behaalde als lid van het dressuurteam de bronzen
medaille. In het individueel klassement werd Van
Het olympisch dorp tijdens de Spelen van 1932 in Los Angeles bestond uit houten
woningen, die meer op barakken leken. Links een woning van de Deense ploeg en
daarnaast twee van de Nederlanders. De man die op een stoel naast de deur zit, is
Wim Peters. Hij heeft zijn handtekening ook op de kaart gezet. (Collectie Jonker)
Links: Alle deelnemers van de Spelen in Los Angeles hadden een badge die hen
toegang tot de olympische accommodaties verschafte. Op de badge van Wim
Peters stond 341, het nummer dat hij als deelnemer had. (Collectie Jonker).
Rechts: De sleutel van het onderkomen in het Olympisch dorp van Wim Peters.
(Collectie Jonker)
ZHT2 2016.indd 10 6-7-2016 14:05:10
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 79
Reede, die beroepsmilitair was, achtste. Lid van de
atletiekploeg bij die Spelen was behalve Peters ook
zijn clubgenoot Jan Gerard Britstra. Hij kwam uit
op de 110 meter horden, maar werd in de series
uitgeschakeld. Britstra, op 10 april 1905 in Norg
geboren, was in Zwolle een bekende leraar lichamelijke opvoeding en is heel lang als trainer actief
geweest bij P.E.C. Hij overleed op 7 maart 1987 in
Zwolle.
Tollien Schuurman
Zoals gezegd wilde Wim Peters om principiële
redenen niet meedoen aan de Spelen van 1936 in
Berlijn, die op 6 februari officieel door Adolf Hitler werden geopend. Hetzelfde gold voor Tollien
Schuurman (20 januari 1913 Zorgvlied), die in de
jaren dertig in Windesheim woonde, waar haar
vader hoofd was van de openbare school. Tollien
werd getraind door Jan Britstra en werd daarom
Links: Poster van de
Olympische Spelen
in Amsterdam, 1928.
(Internet)
Rechts: Jan Hermannus
van Reede, 1878-1987.
(Internet)
Voor het clubblad De
P.E.C. ’er maakte Teun
van der Veen deze
karikatuur van Jan
Gerard Britstra (1904-
1987), die meedeed
aan de Spelen van 1928
in Amsterdam. In het
dagelijks leven was hij
niet alleen sportleraar,
maar ook masseur van
de voetballers en atleten
van PEC. Omdat hij
dat laatste werk met
krachtige hand verrichtte, werd hij ‘de
beul’ genoemd. (Archief
PEC, collectie HCO)
ZHT2 2016.indd 11 6-7-2016 14:05:12
80 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
lid van P.E.C. Daar was nog een besluit van de
ledenvergadering voor nodig, omdat volgens het
reglement van de club damesleden niet welkom
waren. De Drentse was een supertalent op de
sprint. Zij verbeterde twee keer het wereldrecord
op de 100 meter en werd vele malen nationaal
kampioene op de 100 en 200 meter. De olympiade
van Los Angeles werd een deceptie voor haar. De
voorbereiding werd verpest door een conflict over
de begeleiding. Tollien wilde dat Britstra mee naar
LA ging, de Koninklijke Nederlandse Atletiek
Unie weigerde dat. Uiteindelijk ging zij ter wille
van de estafetteploeg, die zonder Schuurman thuis
zou blijven, overstag. In de halve finale werd het
Hollandse loopwonder uitgeschakeld.
Voor de Spelen van 1936 in Berlijn gold
Schuurman als favoriete voor goud op de 100
meter. Maar het meisje uit Windesheim trok zich
het lot van de joden in Duitsland aan en weigerde
mee te doen. De Atletiekunie oefende grote druk
uit op Schuurman om dat standpunt te herzien.
KNAU-voorzitter A.J.G. Strengholt, directeur van
De Telegraaf, reisde persoonlijk naar Windesheim
om te proberen de atlete op andere gedachten te
brengen, maar dat hielp niet. In De Telegraaf werd
Schuurman beschuldigd van onvaderlands gedrag
De Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles werden op 30 juli geopend. Op de
foto de binnenkomst van de Nederlandse ploeg met als vlaggendrager de ruiter
Charles F. Pahud de Mortanges, die een gouden plak zou winnen. De ploeg telde
in tegenstelling tot de Spelen vier jaar daarvoor in Amsterdam, toen er maar liefst
214 Nederlandse deelnemers waren, slechts 24 sporters. (Collectie Jonker)
Links: De halve finale
van de 100 meter voor
dames in Los Angeles
met rechts Tollien
Schuurman, die zou
worden uitgeschakeld.
(Internet)
Rechts: De dames estafetteploeg 4 x 100 meter
die meedeed aan de
Spelen van 1932 in Los
Angeles. Van links naar
rechts Cor Aalten, Jo
Dalmolen, Bep du Mée
en Tollien Schuurman.
(Internet)
ZHT2 2016.indd 12 6-7-2016 14:05:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 81
wat er toe leidde dat er veel anonieme scheldbrieven bij haar thuis in Windesheim werden bezorgd.
Verbitterd besloot zij al snel een punt achter haar
atletiekcarrière te zetten. Na de oorlog, zij had een
pedicurepraktijk in Apeldoorn, was Schuurman
nog trainer van de atletiekvereniging Olympic
in deze plaats. De laatste jaren van haar leven
woonde zij in Elspeet, waar zij op 29 januari 1994
op 81-jarige leeftijd overleed.
Melbourne 1956
Aan de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn
deed uiteindelijk geen enkele Zwollenaar mee.
Bij de olympiades die na de Tweede Wereldoorlog zijn gehouden, zou dat ook lang zo blijven.
In Londen (1948) zat de in Zwolle geboren (22
juni 1926) Sietze Haarsma, die aan de Technische Universiteit in Delft studeerde, in de vier
zonder stuurman. De roeiers haalden de finale
niet. In Melbourne (1956) verscheen geen enkele
Nederlander aan de start. Vanwege de Russische
inval in Hongarije (4 november, minder dan een
maand voor de opening van de Spelen) had het
Nederlands Olympisch Comité besloten niet
mee te doen. Een van de sporters die daarvan het
slachtoffer werden, was Willem van der Veen.
De Zwolse journalist die lid was van de Zwolse
Mixed Hockey Club (ZMHC) had tijdens een
oefenduel tussen het Nederlands hockeyteam en
een B-selectie zoveel indruk gemaakt, dat hij als
wisselspeler aan de olympische ploeg werd toegevoegd. ‘Ik had mijn olympisch kostuum al gepast.
Het was een grote teleurstelling dat we thuis
moesten blijven’, aldus Van der Veen.
Rienks, Dubbeldam en Eikelboom
De oogst aan gouden medailles voor Zwolse sporters is vier, waarvan er door Nico Rienks twee
werden behaald. De op 1 februari 1962 in Tiel
geboren roeier verhuisde al op jonge leeftijd naar
Zwolle, waar hij lid werd van de Zwolse Roei- en
Zeilvereniging ZRZV. De top van deze sport
bereikte hij toen hij aan de Vrije Universiteit in
Amsterdam bewegingswetenschappen studeerde
en als lid van Okeanor en later Willem III op
de Bosbaan roeide. De eerste gouden medaille
behaalde Rienks samen met Ronald Florijn in
1988 in Seoel in de dubbel-twee. Acht jaar later,
in Atlanta, zat hij in de Holland acht die in een
schitterende race naar het goud roeide. Rienks,
eigenaar van Rienks Arbodienst, woont inmiddels
weer in Zwolle. Hij is getrouwd met Harriët van
Ettekoven, die als lid van de damesacht bij de Spelen van 1984 in Los Angeles brons veroverde.
Jeroen Dubbeldam (15 april 1973) is een geboren
en getogen Zwollenaar. Zijn ouderlijk huis stond
aan de Hessenweg, waar zijn vader een manege
Nico Rienks (links) en
Ronald Florijn met
hun gouden medailles
in 1988 in Seoul. (Foto
Paul Stolk, internet)
Jeroen Dubbeldam
maakt met zijn paard
De Sjiem een ereronde
na het behalen van de
gouden medaille bij de
Spelen van 2000 in Sydney. (Internet)
ZHT2 2016.indd 13 6-7-2016 14:05:13
82 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
had. Toen hij op 12-jarige leeftijd paard ging
rijden, bleek al snel dat hij over uitzonderlijke
talenten beschikte. Dat resulteerde tenslotte in de
gouden medaille bij de Olympische Spelen van
2000 in Sydney. De Sjiem heette het paard dat
Dubbeldam bereed. Jaren geleden verhuisde hij
naar Weerselo, waar hij een eigen stal heeft. Dat de
oud-Zwollenaar nog altijd een topruiter is, bewees
hij vorig jaar door in Frankrijk wereldkampioen
te worden.
Goud was er in 2000 in Sydney voor Marten Eikelboom. De op 12 oktober 1973 in Zwolle geboren
hockeyer groeide op in Hattem, waar zijn vader
een van de belangrijkste spelers in de Veluwse
hoofdklasser was en twee keer in het Nederlands
elftal mocht spelen. Maar dat aantal werd door
zoon Marten ruimschoots verbeterd; hij bracht
het tot niet minder dan 177 interlands, waarvan
de meeste als lid van de hockeyclub Amsterdam.
Bij de Spelen van Sydney was Marten in de eerste
vijf wedstrijden wisselspeler, maar in de halve
finale en finale stond hij in de basis. Die twee wedstrijden waren bloedstollend spannend en werden
pas na het nemen van strafballen beslist. Tegen
Australië in de halve finale scoorde Marten de
belangrijke vijfde goal en in de finale tegen ZuidKorea zorgde hij voor 4-3.
Mega-sportgebeuren
Hockey is de sport die ons land veel medailles heeft opgeleverd, waaronder twee keer goud
voor de dames en drie keer goud voor de heren.
Dameshockey werd overigens pas in 1980 op het
programma gezet, zoals er door het Internationaal
Olympisch Comité regelmatig wijzigingen worden aangebracht. Zo is touwtrekken verdwenen,
terwijl het lange tijd als serieus onderdeel van de
atletiek werd beschouwd. Ons land behaalde er
bij de Spelen van 1920 in Antwerpen de zilveren
medaille mee. Sporten waarbij motorische kracht
als bron wordt gebruikt, zijn op de Spelen taboe.
Max Verstappen, onze nieuwe nationale sportheld, zal als autocoureur dus nooit een olympische
medaille kunnen behalen.
Winterspelen werden in 1924 ingevoerd.
Nederland deed die eerste keer in Chamonix niet
mee, maar stuurde vier jaar later twee schaatsers
naar St. Moritz, die voor alle afstanden werden
ingeschreven. Ze vielen niet in de prijzen, de
medailleoogst van de schaatsers moest nog beginnen. Daarbij ligt de gouden plak die Zwollenaar
Michel Mulder twee jaar geleden in Sotsji won
natuurlijk nog vers in het geheugen. Hij werd
bovendien derde op de 1000 meter en zijn tweelingbroer Ronald veroverde het brons op de 500
meter. Lotte van Beek, brons op de 1500 meter,
maakte het Zwolse feestje in Sotsji compleet.
Straks in Rio de Janeiro doen meer dan tienduizend sporters aan de 28e
editie van de Zomerspelen mee. Voor de meesten zal de slogan van Pierre
de Coubertin – ‘Meedoen is belangrijker dan winnen’ – van toepassing zijn. Maar winnen is anno
2016 wel heel belangrijk geworden. Niet alleen
om een beroemde sportman of sportvrouw te
zijn, zeker ook om lucratieve contracten binnen te
halen. Want de Olympische Spelen zijn een megasportgebeuren geworden, waar miljoenen mensen
in alle delen van de wereld vastgekluisterd aan
de televisie naar kijken. Hoe anders dan in 1900
toen Walter Middelberg brons won en niemand in
Zwolle daar iets van wist…
Bronnen en literatuur
Ton Bijkerk, Olympisch Oranje, 2012
Steven ten Veen, 100 Jaar Atletiek in Zwolle / De Geschiedenis van av PEC 1910, Waanders 2010
Adri van Drielen en Steven ten Veen, Jan Drost, heer
met camera, Waanders & De Kunst, 2013
Steven ten Veen, ‘Jasper Warner’, in Zwols Historisch
Tijdschrift 25 (2008) nummer 3/4, p. 108-127
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
Zestig jaren Z.A.C. (1893-1953)
Olympisch sportarchief en aanvullende informatie van
Laurentz Jonker
Op weg naar goud.
Marten Eikelboom
juicht na de gewonnen
(3-2) halve finale tegen
Duitsland tijdens de
Spelen van Sydney in
2000. (Internet)
Rechts: Touwtrekken
was tot 1920 een olympische sport. Ons land
won er bij de Spelen
van 1920 in Antwerpen
een zilveren medaille
mee. Deze foto werd
gemaakt bij de Spelen
van 1900 in Parijs, welk
team hier trekt is niet
bekend. (Internet)
ZHT2 2016.indd 14 6-7-2016 14:05:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 83
De Zwolse timmerman Jannes Ligtenbergh
en de Groningse Stadhuisprijsvraag van 1775
Thomas H. von der D Dunk
e achttiende eeuw staat in de Nederlandse architectuurgeschiedenis in zekere
zin nog altijd te boek als een eeuw van
rust. Omdat na de gouden zeventiende eeuw
de welvaart en de bevolkingsgroei in de Republiek stagneerde, namen de bouwactiviteiten in
omvang en betekenis af. Nieuwe prestigieuze
stedelijke bouwprojecten, zoals grote kerken of
stadhuizen, werden schaars. Er vonden nauwelijks meer stadsuitbreidingen plaats, zodat er ook
veel minder nieuwe woonhuizen opgetrokken
werden – en zeker geen hele wijken – dan voorheen. Kleinere verbouwingen zetten de toon,
waaronder het optrekken van nieuwe statige
gevels; daarnaast ondergingen veel interieurs een
modernisering.1
Zwolle vormt geen uitzondering op de regel,
wat ongetwijfeld mede verklaart waarom er –vergeleken met andere periodes – ook in deze stad
relatief nog weinig onderzoek naar de bouwkunst
van de achttiende eeuw gedaan is. Ook door het
ontbreken van ‘grote’ namen spreekt die minder
tot de verbeelding. Veel voor particulieren verricht werk blijft bij gebrek aan uitvoerige archivalia voor ons sowieso anoniem. Tot de bestaande
literatuur is tot dusverre maar een hoogst enkele
bouwmeester doorgedrongen, wat voor het hele
gewest Overijssel geldt.2
Een van de vele bouwkundigen die in die periode werkzaam was, was de Zwolse timmerman
Jannes Ligtenbergh (1733-1796). Dankzij zijn
deelname aan de Stadhuisprijsvraag van Groningen van 1775, waarbij zijn inzending bewaard
is gebleven, zijn wij sinds kort überhaupt met
zijn bestaan bekend. Of hij ook in zijn eigen stad
bouwkundige sporen van betekenis heeft nagelaten, is niet zeker. Met enig speurwerk viel wel iets
over zijn levensloop te achterhalen. Ook een vergelijking van zijn Groningse ontwerp met enkele
bestaande panden in de Zwolse binnenstad blijkt
zinvol, om enige context te bieden.
Dit artikel behelst een bescheiden poging om
hem, op basis van de thans beschikbare informatie, weer op de kaart te zetten. Omdat de enige
tekeningen die van zijn hand bewaard zijn de Groningse betreffen en er verder geen werk met zekerheid aan hem kan worden toegeschreven, zal eerst
die prijsvraag aan bod komen, omdat die daarom
nog het meeste licht op Ligtenbergh als bouwkundige werpt. Het werpt daarmee natuurlijk ook
zijdelings een licht op de laat achttiende-eeuwse
bouwkunst in Zwolle als geheel.
De eerste Nederlandse architectuurprijsvraag
In het jaar 1770 nam de stadsregering van Groningen het besluit om haar bouwvallig geworden
middeleeuwse stadhuis op de Grote Markt door
nieuwbouw te vervangen. De burgemeesters wilden van deze gelegenheid gebruik maken om een
supermodern gebouw neer te zetten, dat hun stad
tot eer en aanzien strekken moest. Dat betekende:
een stadhuis in een streng neoclassicistische stijl,
die de tot dan toe overheersende ‘Nieuwe Zwier’
van de als decadent beschouwde rococo met zijn
vele krullerige versiersels moest doen wijken voor
een strakke rechtlijnige bouwtrant, die veel nauwer bij de voorbeeldig geachte klassieke Oudheid
aansloot. Dit conform de idealen van de ‘Edele
Eenvoud’ van de bekende aartsvader der kunsthistorische wetenschap Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), die in deze decennia in heel
Europa furore maakten.3
Om dit doel te bereiken werd in de nazomer
van 1774 besloten om een prijsvraag uit te schrijven, de eerste op het gebied van de bouwkunst in
Nederland, waaraan dan ook naast menig amateur en ambachtsman door nagenoeg de volledige
nationale architectenelite deelgenomen werd.4
ZHT2 2016.indd 15 6-7-2016 14:05:13
84 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
De initiatiefnemers waren de oppermachtige
burgemeester Anthony Adriaan van Iddekinge
(1711-1789)5 en het alzijdig geleerde factotum
Petrus Camper (1722-1789), in de loop der jaren
hoogleraar in de medicijnen en enige andere
disciplines aan de universiteiten van Amsterdam,
Franeker en Groningen.6 Als hoofdkenmerk van
de gewenste nieuwe bouwstijl werd, naast de voorgeschreven kubusvorm met vier vleugels van drie
bouwlagen onder omlopend schilddak rondom
binnenplaats, uitdrukkelijk een vrijstaande zuilenportiek over de volle hoogte van het gebouw
verlangd, in de terminologie van die tijd: een
‘peristyle’.7 Overigens was het, hoofdzakelijk door
Camper opgestelde, programma van eisen met
name gevuld met praktische punten, zodat men
daarin vooral een opsomming vond van de voor
het nieuwe stadhuis benodigde vertrekken, van
luchtig verlichte banketzaal tot (niet minder verplicht) duister en stevig ommuurd cachottenblok.
Als sluitingsdatum werd 1 februari 1775 vastgelegd. Meer dan drie dozijn projecten werden
ingestuurd, waarvan de helft in het Groningse
stadsarchief bewaard gebleven is. Eind maart ging
vervolgens de Amsterdamse architect Jacob Otten
Husly (1738-1796)8 met de premie strijken. Naar
zijn, als gevolg van inmiddels gerezen financiële
problemen, uiteindelijk sterk vereenvoudigde ontwerp werd tenslotte tussen 1793 en 1810 in twee
fases het nieuwe, thans nog bestaande stadhuis
opgetrokken.
De beide initiatiefnemers hadden er alles
aan gedaan om de prijsvraag bekendheid te verschaffen, via persoonlijke relaties in binnen- en
buitenland waarbij zelfs de gezanten van de Republiek werden ingeschakeld om het prijsvraagprogramma onder de aandacht van professionele
architecten elders in Europa te brengen.9 Binnenslands werd de focus mede dankzij Campers
contacten sterk op Amsterdam gericht, met als
gevolg dat de prijsvraag zeker negen deelnemers
uit deze stad telde – zo’n kwart dus van het totaal.
Daaronder bevond zich ook niemand minder dan
de nog jeugdige dilettant Willem Bilderdijk (1756-
1831).10 De overigen kwamen – afgezien van een
Deen, een Fransman en twee Duitsers11 – vooral
uit de rest van Holland, of dichter bij huis: de
gewesten Friesland en Groningen. Onder de laatsten bevond zich, anders dan in het geval van de
Hollanders, geen enkele bouwkundige van naam,
en alle ‘Friese’ en ‘Groningse’ ontwerpen maakten
zodoende geen enkele kans. Geen der vijf met
naam bekende noordelijke mededingers haalde
zelfs maar de eerste selectie van veertien stuks die
Camper, die behalve met de opstelling van het
prijsvraagprogram ook met de beoordeling van
de inzendingen was belast, medio maart voor zijn
rekening nam.12
Het ontwerp van Jannes Ligtenbergh
Tot die categorie direct afgewezen deelnemers
behoorden ook de makers van de twee inzendingen uit Overijssel: de ene van meestertimmerman
Eberhard Philip Seydel (1728-1814) en meestermetselaar Anthonie Polman (1740-1813) uit Vollenhove13 en de andere dus van Ligtenbergh. De
inzending van het eerste duo is verloren gegaan,
die van Ligtenbergh niet. Juist de zijne maakt
meer dan welk ander bewaard gebleven ontwerp
het onderscheid duidelijk tussen theoretisch
geschoolde architecten, die snapten wat in Groningen werd verlangd, en praktisch werkzame
ambachtslieden, die daarvan niet de geringste
notie hadden. Het maakt daarmee misschien ook
Het tussen 1793 en
1810 gebouwde stadhuis van Groningen,
naar een ontwerp van
Jacob Otten Husly
(1738-1796).
(Foto auteur)
ZHT2 2016.indd 16 6-7-2016 14:05:14
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 85
meer dan welk ander ontwerp duidelijk hoe ongewoon modern de bouwtrant was die Camper en
Van Iddekinge voor hun nieuwe stadhuis voor
ogen stond. Veel deelnemers hadden bijvoorbeeld
duidelijk niet begrepen wat met een ‘peristyle’
bedoeld was – een klassiek tempelfront – en
waren dientengevolge met een klein portiekje van
twee zuiltjes ter hoogte van slechts de bel-etage
aan komen zetten, zoals dat voor buitenhuizen
al vele decennia gebruikelijk was. Maar van allen
wier geesteskind tot ons gekomen is, maakte onze
Zwolse timmerman het wel het bontst.
‘Sunt bona mixta malis et absurdis’ (het is een
mix van goede, slechte en ongerijmde ontwerpen), zo had Van Iddekinge al op 23 februari na
een eerste blik op de binnengekomen plannen aan
Camper geschreven.14 Een blik op Ligtenberghs
inzending maakt in een oogopslag duidelijk: diens
creatie viel zonder twijfel in de laatste categorie.
De vijf bladen van het in het Groningse stadsarchief bewaard gebleven project tonen plattegronden van beide verdiepingen – de laatste met
doorsnede van de kap – alsmede aanzichten ‘Van
fooren’, ‘Van agter’ en ‘Op Sijd’.15
Een motto ontbreekt, maar beide plattegrondtekeningen zijn – in strijd met de prijsvraagvoorwaarden, die door de verplichting van een motto
juist anonimiteit en daarmee onpartijdigheid bij
de jury beoogden te waarborgen – deels (plattegrond en doorsnee) gesigneerd met ‘Jannes Ligtenbergh’, zich bij deze noemende ‘In de Eertûra
Mester te Zwol’ (Meester in de architectuur). Een
erudiet bouwkundige was hij niet. De spelling van
deze betiteling doet al het ergste vermoeden. Van
hem is tot dusverre geen ander werk met zekerheid bekend dan dit en misschien is dat – mede
Ontwerp van Ligtenbergh, grondplan.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 17 6-7-2016 14:05:17
86 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
gezien de onbeholpen tekenstijl – maar goed ook.
Van alle bewaarde ontwerpen voldeed het wel
het minste aan de voorstelling van Camper en
de zijnen en de geleerde zal het ongetwijfeld vol
afschuw van tafel hebben geveegd.
Het enige wat nog enigszins deugde was de
grondvorm: vrijwel exact een vierkant, ietsje breder dan diep, zij het met een vrij klein uitgevallen
binnenplaats. Maar voor de rest hield de maker
zich nauwelijks aan enige essentiële voorwaarde
van het prijsvraagprogram. Om te beginnen telde
het maar twee bouwlagen in plaats van drie, die
bovendien tezamen een zeer gedrongen indruk
maakten onder de welhaast even hoge (en daarmee een wanstaltige omvang aannemende), met
drie schoorstenen per zijde (twee op de hoeken,
een in het midden) gemarkeerde kap. Eindeloze
rijen gelijksoortige vensters met lichtgebogen
latei – elf in de beide zijgevels, dertien in de voorgevel, liefst vijftien in de achtergevel – geleedden
de langgestrekte wanden, die door krachteloze geblokte hoeklisenen werden begrensd. Een
peristyle, toch duidelijk voorgeschreven, ontbrak.
Aan de voorzijde trof men in plaats daarvan in de
middenas boven een lage stoep een in de meest
wulpse rococo-ornamentiek vormgegeven klein
ingangsportaal met dito venster daarboven; aan
de achterzijde waren er drie van zulke portalen en
in elk der zijgevels ook nog eens één. Aan de achterzijde, waar zij behalve de middelste ook de derde travee (van buitenaf gerekend) innamen, gaven
de flankerende deuren toegang tot respectievelijk
de waag en het wijnhuis, en de centrale deur tot
het stadhuis zelf. Dit alles was geenszins de edele
eenvoud van het neoclassicisme die de Groningse
burgemeesters voor ogen stond.
Maar het ergste kwam nog boven de kroonlijst. Ronduit bizar was de in enorme krullen
uitwaaierende kuif, die aan alle zijden de volledige
breedte van het gebouw besloeg en zodoende ook
in de hoogte een buitenproportionele omvang
aannam. In de afgebeelde zijgevel bleef deze nog
het meest binnen de perken, met een door een
keizerskroon bekroond soort wapenschild in het
midden. In de hoofdfaçade trof men er mismaakte
sculpturen aan, waarvan er in elk geval eentje,
blijkens de weegschaal, de rechtspraak moest
verbeelden. In de achtergevel tenslotte rustten op
de kuif een viertal vrouwelijke beelden, waarvan
de wulpse vormen eerder voor bordeelhouders
dan voor burgemeesters toepasselijk schenen.
Direct achter de hoofdingang van de voorgevel
bevond zich de vestibule, met aansluitend de binnenplaats, die ook vanuit het middelste achterporOntwerp van
Ligtenbergh, voorgevel.
(Groninger Archieven)
Ontwerp van Ligtenbergh, achtergevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 18 6-7-2016 14:05:22
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 87
taal en via een op de twee zijportalen uitkomende
gang kon worden bereikt. Vermoedelijk moet men
de twee grotere ruimtes in de hoek tussen deze
gangen en de vestibule als de raadskamer en banketzaal beschouwen, die aan de deelnemers expliciet voorgeschreven waren; uitwendig werden zij
niet in de gevelopstanden aangeduid, de axiale
symmetrie bleef zo bewaard. Waar de gevangenen
van Ligtenbergh gelaten moesten worden, wordt,
afgezien van twee kleine cellen ter weerszijden
van de monding van de achtergang op de binnenplaats, niet duidelijk; mogelijk verdwenen de
overigen ergens onder de grond.
Ligtenbergh had met zijn ontwerp iets
geleverd dat voor de nieuwe lichting van bouwkunstkenners van die dagen ongetwijfeld als een
schoolvoorbeeld van ontaarde architectuur kon
dienen. Het toonde de door de neoclassicisten
verafschuwde ‘Nieuwe Zwier’ in optima forma,
in een uitbundig overdadige vorm zoals die in de
praktijk eigenlijk vrij zelden aangetroffen werd en
zodoende bijna ontleend leek aan een doelbewust
de neoclassicistische ‘tegenpartij’ demoniserende
karikatuur.
Een tweede ouderwets project
Ligtenberghs project mag dan wel voor de
moderne ogen van Camper het meest afstotelijk
van allen geweest zijn, het meest door de tijd
achterhaalde was het niet. Daarvoor moet vermoedelijk een ander doorgaan dat onder het motto ‘Labor Inproobus omnia vinzit’ (= labor improbus omnia vincit – noeste arbeid overwint alles)
was ingediend. In zijn terughoudende decoratie
vormt het het tegendeel van het zojuist besprokene, maar soberheid en strakheid waren niet de
enige criteria waarop Camper de binnengekomen
ontwerpen beoordeelde. Zodoende verdween ook
deze creatie meteen in de prullenmand: het overleefde de eerste selectieronde evenmin. Tezamen
met Ligtenberghs geesteskind laat het zien dat
uit-de-tijd-zijn in het nieuwe neoclassicistische
tijdvak twee tegenovergestelde dingen betekenen
kon: een teveel aan vorm én totale vormeloosheid.
Het project, dat uit vijf bladen met een soort
van legenda bestaat, is eveneens in het Groningse
stadsarchief bewaard gebleven.16 De maker is
onbekend en evenmin weten we uit welke contreien van Nederland hij stamde. Uit een bijgevoegde
anonieme brief valt alleen op te maken dat de uitvoering, die vier jaar in beslag zou nemen, maximaal f 350.000 zou kosten.17 De bouwtekeningen,
alle van het bewuste motto voorzien, zijn een
‘Grondt van de Voornaamste Vokade’, een ‘Grondt
van de trap na de Cappitale Verdieping. Onderste
Verdieping of Vokade’, een ‘Standt van de Voorseyde Naa’t oosten’, een ‘Standt van de Seyde Naa’t
Noorden’, en een ‘Door Gesneede Standt Naa’t
Noorde’. Ook ditmaal duidt de beroerde spelling,
bijvoorbeeld van het woord ‘façade’, op een eenvoudige ambachtsman.
Zij tonen ons een kubusvormig, nagenoeg
vierkant en vermoedelijk in baksteen gedacht
gebouw van vier vleugels rond een ruime binnenplaats, met aan de buitenzijde eindeloze rijen
rechthoekige ramen zonder enig gebruik van het
klassieke ordenapparaat om de gevels te geleden.
Het is een lompe stenen klomp, waarvan de opzet
niet minder ver dan in Ligtenberghs geval afwijkt
van hetgeen de uitschrijvers van de prijsvraag
voor ogen moet hebben gestaan. Het ontwerp
bezat met zijn grote koepeltoren aan de voorzijde
– bestaande uit een enorm en tamelijk lomp vierkant onderstuk op dakhoogte met dubbele open
Ontwerp van
Ligtenbergh, zijgevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 19 6-7-2016 14:05:24
88 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
achtkante lantaarn daarboven – in combinatie met
het volledig ontbreken van een klassieke peristyle,
veel meer de inmiddels ouderwetse trekken van
een Hollands stadhuis uit het midden van de
zeventiende eeuw dan van een modern openbaar
gebouw in internationale neoclassicistische bouwtrant. Ook het zeer hoge en steile schilddak met
de simpele dakkapellen en dito hoekschoorstenen
droeg daaraan bij.
Niet alleen in de dominante klokkentoren,
die in zijn opzet – gesloten vierkant onderstuk,
open achtkante lantaarn, koepeldak, minilantaarn
en topkoepeltje – een grove en in de proporties
geperverteerde versie van de cupola van het
befaamde Amsterdamse Stadhuis (1648-’65) van
Jacob van Campen lijkt,18 week deze inzending
van de meeste anderen af. Ook anderszins was
zeer vrijmoedig – of misschien beter gezegd: zonder enig begrip – met het prijsvraagprogramma
omgesprongen. Alle vier zijden van het gebouw
bezaten een middenrisaliet, die de vensterrijke
gevels – dertien traveeën voor en achter, veertien
aan de beide zijden – hun monotonie ontnam.
Ook waren telkens de twee buitenste vensterassen
in een hoekrisaliet samengevat, waarbij overigens
niet helemaal duidelijk is hoe dit met het strak en
ononderbroken doorlopende schilddak te rijmen
valt. Die omtrek van de plattegrond was duidelijk
aan het Amsterdamse Stadhuis ontleend. De risalietindeling van de gevel houdt daarbij overigens
nog minder rekening met de vertrekindeling van
het gebouw erachter dan al in Amsterdam het
geval was.
De, op enkele zeer smalle geblokte verticale
liseenbanden na, effen gevels telden liefst vijf
van deze vensterrijen boven elkaar, waarbij alle
vensters dezelfde rechthoekige of – naar gelang
Ontwerp Labor
Inproobus, grondplan.
(Groninger Archieven)
Rechts: Ontwerp Labor
Inproobus, voorgevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 20 6-7-2016 14:05:28
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 89
de hoogte – vierkante vorm bezaten. Cordonlijsten zorgden ervoor dat de tweede en derde,
en de vierde en vijfde reeks, tot verdiepingen
werden gegroepeerd, precies als in Amsterdam.
Alleen de kolossale pilasterorde, waarmee
Van Campen dit daar nog extra zichtbaar had
benadrukt, ontbreekt. En net als daar was bij
dit anonieme ontwerp de derde en vijfde reeks
ramen veel lager (nagenoeg vierkant) dan de
tweede en vierde. ‘Labor Inproobus’ was van
alle bewaarde prijsvraagontwerpen het enige
waarvoor dit gold – zowel het eigenmachtig
grote ‘Amsterdamse’ aantal van vijf vensterrijen,
als de bedoelde dito groepering ervan. Mogen
we hier een relatie veronderstellen – en daarmee misschien een herkomst van het ontwerp
uit Amsterdam?19
Het feit dat de bewuste liseenbanden bij de
eerste bouwlaag niet geblokt zijn, zou kunnen
suggereren dat voor de onderverdieping natuursteen en voor de overige etages baksteen gekozen
is. Door die liseenbanden kreeg ‘Labor Inproobus’
Maaslandse trekken; in zijn contouren doet het
vaag denken aan het uit 1675 daterende, in 1779-
’80 verbouwde stadhuis van Hasselt in Belgisch
Limburg20 en het Maastrichtse Stadhuis (1659-
’64) van Pieter Post.21
Van alle bewaarde projecten was in dit geval
de ingangspartij het meest bescheiden uitgevallen. Een tegen de massiviteit van het grote
aantal ramen in het niet vallende dubbele trap
ter breedte van de vijf vensterassen tellende
middenrisaliet voert naar een klein bordes, dat
door een minuscuul portiekje ter hoogte van de
Ontwerp Labor
Inproobus, zijgevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 21 6-7-2016 14:05:31
90 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
tweede vensterlaag wordt overhuigd. De middenrisaliet zelf, die door precies eendere eenvoudige vensters als de rest van de gevels is geleed,
wordt afgesloten door een driehoekig fronton
met stadswapen, waarboven dan de genoemde
stadhuistoren volgt. Waar de zijgevel dit centrale
accent ontbeert, werkt deze nog massiever en
eentoniger: het is één grote wand met reeksen
rechthoekige ramen, als gezegd vijf rijen van
veertien stuks boven elkaar. Een zijingang ontbreekt.
Al met al was het project kansloos. Het was
weliswaar sober, maar ook alleszins plomp en
daardoor geenszins van Edele Eenvoud. Hadden
nogal wat inzendingen door hun rococo-uiterlijk
moeiteloos enige decennia eerder ontworpen
kunnen zijn, in dit geval was ook een datering van
een eeuw terug heel geloofwaardig geweest. Van
alle projecten die Camper onder ogen kreeg was
het misschien nog wel het meest ouderwetse, ook
vanwege die zo weinig gestileerde logge koepeltoren van hout.
Gravure van het door
Jacob van Campen
ontworpen stadhuis van
Amsterdam, gebouwd
tussen 1648-1665, voorgevel. (Uit: Architecture,
peinture et sculpture
de la Maison de Ville
d’Amsterdam, 1719)
Het uit 1675 daterende,
in 1779-1780 verbouwde stadhuis van Hasselt
in Belgisch Limburg.
(Foto auteur)
Rechts: Gravure van
het uit 1659-1664
daterende stadhuis van
Maastricht van Pieter
Post. (Uit: Les Ouvrages
d’Architecture de Pierre
Post, 1715)
ZHT2 2016.indd 22 6-7-2016 14:05:33
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 91
De kwestie van de toren
Die toren als zodanig is opvallend: dit is het enige
bewaarde ontwerp dat er eentje bezit. Wel is van
twee inzenders, wier plan niet is teruggevonden,
bekend dat zij ook voor een toren gekozen hadden.22 In het prijsvraagprogram was nergens
over de wenselijkheid of onwenselijkheid ervan
gesproken, ofschoon die in Nederland vanouds
voor stadhuizen gangbaar was: eerst, in de late
Middeleeuwen en de zestiende eeuw in de vorm
van een vanaf de grond opgetrokken rijzig belfort,
dan, vanaf het midden van de zeventiende eeuw
in de vorm van een elegante cupola. Het Amsterdamse Stadhuis was daarvan de belangrijkste – zij
het niet de eerste – vertegenwoordiger geweest,
dat sindsdien school had gemaakt: zowel bij
grotere als bij kleinere exemplaren. Voorbeelden
uit die tijd vormen Zaltbommel (1763, Anthony Viervant),23 Sneek (1767, Aarnt Boeikema),24
Ootmarsum (1768, Egbert Schrader)25 en niet in
de laatste plaats Weesp, in 1772-’76 door de latere
prijsvraagwinnaar in Groningen, Jacob Otten
Husly, opgetrokken.26
Men had dus ook een opmerking dienaangaande in het Groningse prijsvraagprogamma
kunnen verwachten, maar dat zwijgt daarover
opvallend genoeg geheel. Anders dan in Weesp
zou Husly zelf ditmaal dan ook geen toren(tje)
ontwerpen, maar een paar andere mededingers
deden dat op eigen initiatief wel. Zo moet de
Medemblikse stadsfabriek Cornelis Jans Stikker
(1708?-1788) een achtkantig houten torentje getekend hebben.27 Eén van de weinige buitenlandse
deelnemers, Paul-Antoine Bouchu, koninklijk
architect in Parijs, had eveneens een exemplaar
toegevoegd.28 Hoe groot of klein die laatste was
– laat staan hoe hij eruit zag – is onbekend, maar
ook voor Frankrijk was dit in deze jaren geenszins
ongebruikelijk; voorbeelden bieden de stadhuizen
van Rennes (1734-’43, Jacques Gabriel) en Cambrai (1782-’86, Nicolas Henri Jardin).29
Die ‘nalatigheid’ in het prijsvraagprogramma
hangt misschien samen met de nabijheid van de
Martinitoren, die met zijn imposante formaat zo’n
elegante cupola op het stadhuis toch zou hebben
doodgedrukt. Juist Camper kan zich, als ingezetene van Amsterdam, dat risico hebben gerealiseerd
omdat hij ongetwijfeld weet had van het – op een
kleine stomp na – nooit gerealiseerde project
voor een zeer hoge toren (hoger dan de Utrechtse
Dom) voor de Nieuwe Kerk, pal naast het stadhuis
op de Dam.30 Daaraan was in 1647, vrijwel gelijktijdig met het stadhuis, begonnen en gedurende
vijf jaar ijverig voortgebouwd, totdat het werk als
gevolg van het overlijden van de burgemeester
die als de belangrijkste beschermheer had gefungeerd weer was stopgezet. Van dit project waren
niet alleen twee maquettes bewaard gebleven,
maar circuleerden ook diverse prenten die de
geprojecteerde kerktoren in volle glorie toonden
en waarop juist die toren door zijn nabijheid Van
Campens stadhuiscupola naar verhouding een erg
nietig voorkomen gaf. Zoals prijswinnaar Husly
het in zijn toelichting formuleerde:
‘Ik heb geen Tooren op het Gebouw geordineert om dat het Programma daar niets van
bepaald. en de Tooren van de St.Martens kerk 328
vt hoog zijnde, dit Toorentje te klyn zoude doen
schijnen, daar het evenwel naar het Gebouw diende geproportioneerd te zijn. Ik denk daarom dat
het Gebouw zig kloeker en grooter zal vertoonen
zonder Tooren. Ook kan geen Tooren welstandig
op t Gebouw blijven omdat men twee voornaame
en groote Pleijnen heeft, te weeten aan de Noord
en Oostzijden. op een van beijde die Facaden
diend den Tooren te staan en wel op de Voornaamste dat is in mijn Plan in ’t Noorden. Die zal
zig dan ook zeer wel van de Ebbingestraat enz
vertoonen maar van de oostzijde of Groote Markt
gesien sijnde zal deselve scheev op ‘t Gebouw
schijnen te staan, en t zelve dus ontsieren en het
selve heeft Plaats in ‘t Stadhuijs te Amsterdam
doch is bijnaa niet merkbaar om dat op beijde
zijden geen Plijnen maar alleen naauwe Passages
zijn die beletten den Tooren te sien, en van agteren
is ook geen genoegzaame ruimte, daar ziet men
alleen het spits. Echter scheev op ’t gebouw als
men niet juijst in de Middellijn staad.’31
Heeft ook Camper deze uitkomst in Groningen,
waar de Martinitoren duidelijk het ‘eerstegeboorterecht’ bezat, bewust willen vermijden? Als het niet
hierom was dat een torentje op het nieuwe stadhuis
beter achterwege kon blijven, dan wel vanwege het
ZHT2 2016.indd 23 6-7-2016 14:05:33
92 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
feit dat het gebouw twee hoofdgevels zou hebben,
zodat zo’n toren hoe dan ook bij één hoofdaanzicht
de beoogde symmetrie zou verstoren – tenzij men
voor de Maastrichtse oplossing koos deze geheel in
het midden te plaatsen, wat de maker van ‘Labor
Inproobus’ dus niet heeft gedaan. In dat geval zou
er namelijk van een centrale, licht scheppende binnenplaats – een andere belangrijke eis van het prijsvraagprogramma, waaraan de ontwerper zich wel
gehouden heeft, maar die bijvoorbeeld bij Lightenbergh weer zeer klein uitgevallen was – geen sprake
meer geweest kunnen zijn.
Bij ‘Labor Inproobus’ was het probleem ‘opgelost’ door slechts voor één hoofdfaçade te kiezen.
Door niet uit eigener beweging voor een toren te
kiezen, had Ligtenbergh zich in elk geval dit soort
extra complicaties bespaard. Hoe Bouchu het had
aangepakt is onbekend, zoals dat ook voor het
achtkante torentje geldt dat in Stikkers ontwerp
optrad. Vermoedelijk hadden ook zij gewoon
maar één voorgevel ontworpen; Husly was in zijn
ingewikkelde keuze voor twee, waarmee hij met
de speciale stedebouwkundige situatie rekening
hield, vrij uitzonderlijk, maar had mogelijk mede
daaraan zijn uiteindelijke uitverkiezing te danken.
Het onbekende leven van Ligtenbergh
Wie was Jannes Ligtenbergh? Deze tot voor kort
nog volstrekt onbekende bouwkundige laat zich
met hulp van enkele gegevens in het stadsarchief
van Zwolle enigszins traceren. Hij werd op
4 december 1733 gedoopt als zoon van Hermannus Ligtenberg en diens vrouw Geertruy Sibels,32
die op 24 juni 1726 met elkaar waren getrouwd.33
Het beroep van Hermannus is niet bekend maar
het is niet onaannemelijk dat hij, net als zijn zoon,
ook timmerman is geweest; zijn broer Hendrikus
was dat in elk geval eveneens.34 Met zijn vrouw
kreeg hij zes kinderen, drie zonen en drie dochters, waarvan er drie al zeer snel overleden; onze
Jannes was de vierde op rij.35 Hermannus stierf
begin februari 1750, om op het Grote Kerkhof te
worden begraven.36
Jannes Ligtenbergh deed op 19 september
1757, woonachtig in de Walstraat, belijdenis,
huwde vervolgens op 3 mei 1762 Lamberta van
der Haar en verwierf op 16 januari 1763 het kleine
burgerschap.37 Met zijn vrouw kreeg hij vier kinderen, twee zonen en twee dochters, waarvan er
drie al zeer jong stierven.38 In die tijd woonde
hij, als meestertimmerman werkzaam, in de
Bitterstraat, zoals blijkt uit de aankoop van een
huis aldaar naast de hof van juffrouw Noppen in
september 1761, vermoedelijk vooruitlopend op
zijn huwelijk.39 Het heeft er veel van weg dat Ligtenbergh daarbij financieel enigszins boven zijn
macht gegrepen heeft; tot tweemaal toe moest hij
in de daarop volgende jaren geld lenen, waarvoor
zijn huis dan als onderpand diende,40 terwijl hij in
februari 1766 de rekening ad f 123 aan de ‘Nieuwe
Sagemole’ voor enige ontvangen houtwaren niet
kon betalen en zo andermaal op de desbetreffende
schuldbekentenis zijn huis als onderpand fungeerde.41 Of het daardoor kwam of niet: een half
jaar later zag Ligtenbergh zich gedwongen zijn
huis te verkopen.42
Over zijn verdere materiële lotgevallen in de
volgende drie decennia weten we niets, maar erg
goed is het met Jannes uiteindelijk niet afgelopen.
In zijn laatste dagen trok hij, wonend buiten de
Kamperpoort, van de Gereformeerde Armenkas.
Op 28 december 1796 werd hij van de armen
begraven op het kerkhof van het Buitengasthuis.43
Ligtenberghs ontwerp voor de Groningse
prijsvraag uit begin 1775 is, als gezegd, het enige
dat van zijn hand bekend is. Verder weten we
überhaupt niet welke timmermansactiviteiten
hij in zijn vaderstad zélf ontwikkeld heeft. We
mogen aannemen dat hij lid is geweest van het
stedelijke St. Maartensgilde, dat de metselaars
en de timmerlieden verenigde.44 Zijn woonadres
spoort daarbij uitstekend met de geografische
indeling die in Zwolle in sociaal opzicht bestond:
de helft van de timmerknechten woonde buiten de
stadspoorten, maar alle timmerbazen hadden binnen de muren domicilie gekozen; de Bitterstraat
bevindt zich in het noordwestelijke kwadrant van
de binnenstad en bood in die decennia onderdak
aan een reeks van pottenbakkerijen.45
Bouwen in Zwolle in de achttiende eeuw:
het Drostenhuis
De achttiende eeuw en zeker de tweede helft daarvan was op het gebied van de bouwkunst ook voor
ZHT2 2016.indd 24 6-7-2016 14:05:33
zwols historisc

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2007, Aflevering 2

Door | 2007, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Annèt Bootsma-
Groeten uit Zwolle
van Hulten en Wim Huijsmans

Zwolle – Groeneweg Poststempel 1926
‘Gel[ie]f[de] Oom en Tante, Zooals U reeds van Corrie vernomen heb, neemen we gaarne van U[w] aanbod gebruik om een paar da[gen] in Enkhuizen door te brengen en hopen
D.V. as. Zaterdag met de boot te komen. Ons plan is Gerrit mee te brengen maar mocht het soms Zater­dag heel slecht weer wezen dan laten wij hem bij Moeder. ’t Wil in Maartens vacantie nog wel eens regenen, maar U bestelt wel goed weer hé. want dat is al een voornaam ding met een boottochtje. Nu Oom en Tante, Neven en Nicht tot ziens dan, we hopen elkander in goede gezondheid te ontmoeten. Ontvang dan onze hartelijke groeten. Uw liefh [ebbende] neef en nicht Maarten en Marie.’
Een oude ansicht met een herkenbare tekst: het wil in de vakantie nog wel eens regenen, dus daar­om maar mooi weer ‘bestellen’ voor een leuk boottochtje… Volgens de Zwolsche Almanak uit 1915 vertrok er elke vrijdag om 13.00 uur een schip vanaf het Rodetorenplein naar Enkhuizen. Waar­schijnlijk was dat in 1920 nog steeds het geval en konden Maarten en Marie de tocht dus recht­streeks vanuit Zwolle maken.
De in het begin van de twintigste eeuw aange­legde Groeneweg ligt in Assendorp. De naam ver­wijst nog naar het oorspronkelijke agrarische karakter van de wijk, waar met de komst van de Centrale Werkplaats in 1870 verandering kwam. Rond 1900 werkten daar ruim 800 man, wat een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg bracht. Van 1906 tot 1914 woonde op Groeneweg 150 de kleine Piet Kasteel, hoofdpersoon van het artikel Een rooms jongetje uit Assendorp op pagina
65.

zwols historisch tijdschrift
47

Redactioneel

In deze a.evering van het tijdschrift vindt u twee nieuwe rubrieken: Kleurrijk verleden en Zwolse plaatsen van herinnering. De heer Martin Wasse­naar die meewerkte aan het onlangs verschenen boekje Zwolle in kleur, heeft een groot aantal dia’s van Zwolle na de Tweede Wereldoorlog overge­dragen aan het Zwols Historisch Tijdschrift. Als eerste is hier de Grote Markt afgebeeld, zoals velen zich deze nog zullen herinneren.
In de tweede nieuwe rubriek worden plaatsen van herinnering beschreven van bekende Zwolle­naren. Oud-redactielid Wil Cornelissen bijt hier de spits af met zijn herinneringen aan de Vecht-brug.
Jonn van Zuthem beschrijft de jeugd van de katholieke Piet Kasteel in Assendorp. Kasteel pro­moveerde op een proefschrift over de antirevolu­tionair Abraham Kuyper, en werd in de oorlogsja­ren benoemd tot gouverneur van de Antillen. Zijn jeugd en de omgeving waarin hij opgroeide, waar de verschillende christelijke bevolkingsgroepen bij elkaar leefden, is zeker van invloed geweest op zijn gevoel voor de ingewikkelde verhoudingen bin­nen de orthodox-protestantse groeperingen in Nederland.
Al eerder putte Maria Hansen uit de vele docu­menten en brieven die van de familie Van Haer­solte bij het Historisch Centrum Overijssel wor­den bewaard. In 2002 verscheen het artikel over Sophie van Haersolte, dit keer staat haar moeder, Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk centraal. Geertruid moest haar huishouden en haar gezin veelal alleen draaiend houden. Haar man Carel zat als politicus in Den Haag, waar hij lid van de Tweede Kamer was. Zij schikte zich in haar lot, maar werd er af en toe wel depressief van. Pas toen haar man eind 1848 weer naar Zwolle kwam, knapte zij op.

Inhoud

Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma – van Hulten en Wim Huijsmans 46
Kleurrijk verleden 48
Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874 Maria Hansen 49
De plek waar het begon en de plek waar het eindigde Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen Frank Inklaar 62
Een rooms jongetje uit Assendorp Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw Jonn van Zuthem 65
Mededelingen 76
Auteurs 78

Omslag: Een zomerse opname uit rond 1970 van het hart van Zwolle, de Grote Markt. Foto: M. Wassenaar

49

Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder
Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874
A
dellijke families hadden veel belangstelling voor hun verleden en de familie Van Haer­solte had een heel lang verleden. De oudst bekende voorouder had zich al in de veertiende eeuw in Zwolle gevestigd en hoewel de familie zich uitbreidde naar Gelderland en Friesland, bleef Zwolle talloze Van Haersoltes tot woonplaats die­nen. Velen van hen bekleedden hier een openbare en leidende functie. In de stad zijn diverse panden die herinneren aan de Van Haersoltes1 en Swier van Haersolte bouwde – in 1617 -vlak bij de stad een prestigieus stamhuis voor de familie: de (inmiddels afgebroken) havezate Haerst.
De familie Van Haersolte bewaarde generatie op generatie vele documenten, brieven en herin­neringen, die uiteindelijk in het Historisch Cen­trum Overijssel gedeponeerd zijn. Het uitgebreide familiearchief is een rijke bron over het familiele­ven van deze adellijke familie. In 2002 schreef ik in dit tijdschrift al eens over Een ‘redelyk zoet’ meisje, Sophia Cornelia (Sophie) baronesse van Haersol­te. Nu staat Sophie’s moeder Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk, echtgenote van Johan Christi­aan van Haersolte tot Haerst, centraal.
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk was het eerste kind van Carel de Vos van Steenwijk en Sophia Cornelia Huygens en werd op 24 oktober 1813 op Dikninge in Drenthe geboren. Dikninge was een adellijk stift geweest en lag niet ver van Meppel, bij de Wijk. Het oude klooster was door een broer van Geertruids vader gekocht en had plaats gemaakt voor een ruim landhuis, waar Geertruids ouders kort voor haar geboorte introk­ken. Het gezin werd nog uitgebreid met een twee­de dochter en een zoon.2
Geertruids vader bezat, in tegenstelling tot de meeste van zijn standgenoten, geen buitenhuis hoewel hij uit een belangrijke aristocratische fami-Maria Hansen lie uit Drenthe en Overijssel stamde. Hij trouwde eerst op tweeënvijftigjarige leeftijd en had toen een veelzijdige en turbulente carrière achter de rug. Hij was een politicus en was het patriotse en

Het huis Dikninge bij De Wijk, waar Geer­truid geboren werd, opgroeide en ook na haar huwelijk graag logeerde. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)
Bataafse standpunt toegedaan. Als jongeman was hij in de delegatie van de eerste Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten naar Ameri­ka gereisd, een land dat door de patriotten tot voorbeeld werd gesteld. Weer thuis raakte hij betrokken bij het verzet tegen de stadhouder en werd in Drenthe de leider van de patriotse bewe­ging. Na het herstel van de macht van de stadhou­der in 1787 verloor Carel de Vos van Steenwijk al zijn openbare ambten. Acht jaar later nam hij in de Bataafse republiek echter weer vooraanstaande functies in. Bij een staatsgreep raakte hij enige tijd in gevangenschap en van 1802 tot 1803 was hij ambassadeur in Frankrijk. Hij bereikte het hoog­tepunt van zijn carrière tijdens de regering van koning Lodewijk Napoleon, toen hij feitelijk het hoofd van de Nederlandse staat was. In 1811 werd hij door keizer Napoleon tot vertegenwoordiger in het Corps Legislatief in Parijs benoemd. Na de val van Napoleon was het geenszins gedaan met de politieke carrière van Carel de Vos van Steenwijk: hij werd namelijk door koning Willem de Eerste tot lid van de Eerste Kamer benoemd en bleef dat tot zijn dood in 1830.3
Carel de Vos van Steenwijk was niet de enige politicus in de familie. Integendeel, zijn vader was drost van Vollenhove geweest4 en zijn drie broers waren, net zoals hij, betrokken bij de patriotten-beweging. De enige zoon van Carel de Vos van Steenwijk – en enige broer van Geertruid – ging eveneens de politiek in. Hij werd in 1846 burge­meester van Vollenhove, in 1853 lid en later ook voorzitter van de Eerste Kamer en in 1856 werd hij benoemd tot burgemeester van Zwolle, een ambt
zwols historisch tijdschrift
dat hij elf jaar bekleedde. Zijn laatste functie, Commissaris des Konings in de provincie Utrecht, bekleedde hij slechts een jaar omdat hij niet naar Utrecht wilde verhuizen.5
Hoewel Geertruid pas zeventien jaar was toen haar vader overleed, had zij ongetwijfeld veel over politieke zaken gehoord maar er is – zoals meestal het geval – weinig bekend over haar jeugd. Adellij­ke meisjes werden thuis opgevoed en opgeleid en dat laat weinig sporen na. Uit alles blijkt evenwel dat zij een goede educatie kreeg die paste bij haar stand. Zij groeide op in een harmonische sfeer. Met haar moeder en haar zus kon zij uitstekend opschieten, het contact met haar broer was goed maar zij zag hem, zeker toen hij nog niet in Zwolle woonde, minder vaak.6 De herinnering aan haar vader werd levend gehouden door zijn portret, hij had zich door de kunstenaar Hodges drie maal laten portretteren en elk van zijn kinderen kreeg een schilderij.7
Geheel volgens verwachting trouwde Geer­truid met een man van adel, Johan Christiaan baron van Haersolte. Zij was vierentwintig en hij was zevenentwintig jaar oud. Het huwelijk vond te Zwolle plaats op 26 april 1837. Johan was geboren op het buitenhuis van de familie Van Haersolte, de voormalige havezate Den Doorn en woonde bij zijn ouders aan de Melkmarkt (nu Grote Markt 12-13) te Zwolle. Hij had een aantal jaren de wereldzeeën bevaren, eerst als adelborst en later als of.cier van de Koninklijke Marine en was aan­sluitend de politiek in gegaan. In het jaar van zijn huwelijk was hij lid van de ridderschap van Overijssel en werd hij burgemeester van Zwol­lerkerspel. Bovendien nam hij zitting in de Pro­vinciale Staten van Overijssel.
Vanuit Zwolle gingen Geertruid en Johan ruim drie maanden op huwelijksreis naar Duits­land, Zwitserland en Italië. Geertruid liet de orga­nisatie helemaal aan Johan over. Zij moet haar ogen uitgekeken hebben: de sprookjesachtige ruïnes op de bergen langs de Rijn, de rotsen, de gletschers en de besneeuwde bergen rondom de spiegelgladde meren. Bij de ‘menigvuldige roman­tische vallen’ van de Giessbach waar het water wel vierhonderd meter naar beneden stortte, werden de jonggehuwden onthaald op Zwitserse volkslie­deren. Aan de arm van haar man wandelde Geer­truid door schilderachtige stadjes, zag kerken, paleizen en kunst. Zo af en toe was het erg ver­moeiend voor haar en was zij genoodzaakt rust te nemen. Op hele moeilijke trajecten zorgde Johan voor ezeltjes of voor een draagstoel. Bij het meer van Genève aangekomen, werd Geertruid ziek. Niet erg, maar ze moest toch een dag het bed hou­den. Johan was bezorgd, hij zag van een voorgeno­men tochtje af en was verheugd toen hij de vol­gende avond een kleine wandeling met zijn ‘lieve vrouw’ kon maken. Na nog een dag was Geertruid zo goed als beter. In Italië werden de reisplannen aangepast omdat er cholera was uitgebroken. Johan besloot Italië te laten voor wat het was en in een rustig tempo reisden zij naar huis waar ze bij­na veertien weken na hun vertrek arriveerden.8
In mei 1838 werd hun eerste kind, Sophie, geboren. In de loop van dertien jaar volgden nog twee zonen en zes dochters. De eerste jaren van hun huwelijk schijnen nogal wolkeloos te zijn geweest. Zij woonden in een ruim huis in de Koe-straat (nu Koestraat 18) te Zwolle dat Geertruid ten huwelijk had gebracht.9 Beiden waren gezond en de kinderen bleven allemaal in leven. Maar Geertruid had een weinig opgewekt karakter, ze was melancholisch van aard en hield niet van ingrijpende veranderingen. Eind 1845 veranderde haar leven drastisch, ze werd er treurig door en soms zelfs depressief.

Alleen in Zwolle
Ze waren acht jaar getrouwd toen Johan Christi­aan van Haersolte lid van de Tweede Kamer werd.10 Net nu het gemeentehuis van Zwol­lerkerspel op een steenworp afstand van hun huis werd ingericht, op de hoek Koestraat en het Kromme Jak11 en Geertruid het vooruitzicht had haar man dicht bij huis te weten, moest hij vaak en langdurig in Den Haag zijn. Geertruid zag er enorm tegenop en voelde een ‘gemenelijke ge­moedsstemming’ waartegen zij zich niet kon ver­zetten. Half oktober 1845 vertrok Van Haersolte naar Den Haag en Geertruid bleef met de kinde­ren in Zwolle. Doordat zij een hekel had aan af­scheid nemen, waren de laatste gezamenlijke

Carel baron de Vos van Steenwijk (1759-1830), de vader van Geertruid. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)

ogenblikken onaangenaam. In een naargeestige stemming zat Geertruid de eerste uren na Johans vertrek te kniezen, de tijd leek haar ‘eens zoo lang als gewoonlijk’ te duren. In huis was alles ‘dodelijk stil en leeg’, alles herinnerde haar aan hem, en ze was blij toen haar moeder ’s avonds op bezoek kwam. Binnen een week vertrok Geertruid naar haar ouderlijk huis Dikninge. Vandaar schreef zij een brief aan haar man: ‘Waarde vriend! Geloof niet dat ik ooit gewen aan uwe afwezigheid, neen, wanneer de twee jaren voorbij zullen zijn, dan zal ik U vurig smeeken deze betrekking niet langer te behouden.’ Johan had haar beloofd dat hij regel­matig enige dagen in Zwolle zou doorbrengen, maar alras bleek de werkelijkheid weerbarstiger. Het was een grote teleurstelling toen hij schreef dat aan een bezoek niet te denken viel. De zittin­gen zouden naar verwachting uitlopen, hij kon niet weg. Na weken scheen het Geertruid dat zijn belofte ‘nooit verwezenlijkt’ zou worden. Ze had er zo op gerekend dat hij vaak naar huis kwam. Omdat zij wist dat haar man een hekel had om de reis van Den Haag naar Zwolle voor slechts een paar dagen te ondernemen, deed het haar genoe­gen dat hij toch voor zeer korte tijd naar huis kwam. Maar het was voor Geertruid niet vol­doende, zij klaagde dat hij na twee maanden amper drie dagen thuis was geweest. Dagen die veel te snel voorbij vlogen, die visite leek haar na zijn vertrek een droom te zijn geweest.
In de volgende tijd wende Geertruid niet aan zijn ‘gedurige vertrekken’. Toch probeerde zij zich zo veel mogelijk in haar lot te schikken, maar zij bleef het als een beproeving beschouwen: ‘het is toch eene treurige noodzakelijkheid, zoo geheel gescheiden ieder onzen eigen werkkring te heb­ben!’ Geen enkel moment schijnt Geertruid over­wogen te hebben haar man te volgen. Ze hadden immers in Den Haag een huis kunnen huren en voor de opvoeding van de kinderen waren er in die stad minstens zoveel mogelijkheden als in Zwolle.
Geertruid keek uit naar de brieven van haar man en schreef zelf minimaal elke week een brief. En als er een mogelijkheid was de post met iemand mee te geven, kreeg Johan een brief extra. Zij schreef zonder reserve over zijn tekortkomingen als echt­genoot en vader, en over haar gevoelens voor hem. Ze tobde veel en twijfelde dan aan zijn liefde. Geertruid verwachtte van haar ‘lieve Johan’ dat hij ook regelmatig schreef. Soms kwam zijn brief niet snel genoeg naar haar zin. Vijf dagen na zijn ver­trek uit Zwolle verweet zij hem dat ze nog steeds geen post had ontvangen. ‘Zijt gij dan zoo gewik­keld in de staatszaken dat gij geen oogenblik kunt afzonderen om u met mij bezig te houden?’ vroeg zij verwijtend en herhaalde voor de zoveelste keer: ‘o, dit stilzwijgen maakte mij regt treurig.’ Zij
zwols historisch tijdschrift
53
merkte op dat het leven in Den Haag hem ‘perfect’ beviel en trok de bittere conclusie: ‘U schijnt het vooruitzigt van dese lange afwesigheid volstrekt geen moeite te kosten’. Zijn volgende brief beves­tigde haar bange gedachten, zij merkte duidelijk dat hij ‘den huisselijken omgang’ niet miste. Het was voor hem wel goed dat hij niet veel aan zijn gezin dacht, begreep Geertruid, maar ze was bang dat hij zich bij haar en de kinderen niet meer thuis voelde. Zij zuchtte: ‘Mijne gelukkige dagen zijn thans voorbij!’ Ze herinnerde hem aan de verjaar­dag van hun huwelijksdag die zij in 1846 voor de eerste keer niet samen doorbrachten. ‘Hebt gij de 26ste dezer maand herdacht?’ vroeg zij, het ant­woord eigenlijk wel wetend, want ze had niets van hem vernomen. Geen brief of cadeau was in Zwol­le afgeleverd. Geertruid had het gevoel dat ze uit elkaar groeiden en werd er verdrietig van. Zelfs zo zeer dat zij haar dood overdacht. De volgende ver­jaardag van hun huwelijk zou ze waarschijnlijk niet halen, schreef ze haar man. En vervolgde: ‘U bent meer gewend van mij verwijderd gelukkig te zijn, het los maken van de band zal U minder moeite kosten als vroeger’.
Zij wilde zo graag geloven dat de lange afwe­zigheid van huis hem op de lange duur ook niet zou bevallen, maar daar leek het niet op. Hij had het in Den Haag druk, hij had vele connecties en bezocht theatervoorstellingen en feestelijke bij­eenkomsten. Johan besteedde weinig woorden aan het uitgaansleven. Misschien kwam dat omdat hij haar mening kende, ze vond dat hij niet mocht klagen als hij een keer een toneelvoorstelling misliep doordat hij te veel werk had. ‘Ik beklaag U niet zeer, dat gij tot heden belet wordt Robert le Diable te zien, vooral niet als zulks wordt verhin­derd door belangrijke werkzaamheden’. De ‘veelvuldige genietingen, welke het séjour van den Haag U aanbiedt, geeft immers ruime vergoeding voor eene enkele teleurstelling’. Geertruid vond ook dat hij niet moest klagen over de late werku­ren en informeerde of hij al gewend was ‘aan het laat naar bed gaan’.
In 1848 werd Johan van Haersolte herkozen tot lid van de Tweede Kamer waardoor zijn Haagse ver­blijf, tot grote spijt van Geertruid, werd verlengd.
Soms was hij zo in beslag genomen door staatsza­ken dat hij nergens anders over schreef. Geertruid begreep het wel, maar het gaf haar toch een ‘onaangename indruk’ dat hij zelfs niet naar de kinderen informeerde. De zesde verjaardag van hun dochtertje Annette vergat hij. Geertruid was blij dat hij de verjaardag van de kleine Caroline wel onthield. Zij hanteerde een zachtaardige methode om hem aan zijn gezin te herinneren. De

De Koestraat omstreeks 1910. Geertruid woonde met haar gezin op num­mer 18, het vierde pand van links. (Collectie HCO) Johan Christiaan baron van Haersolte, heer van Haerst (1809-1881), de echtgenoot van Geer­truid. Zij trouwden in 1837. (Iconographisch bureau)

oudste dochter werd meermalen aangemoedigd haar vader te schrijven, en het meisje deed haar best er mooie brieven van te maken. Op zijn verjaardag ontving Johan een brief van Geertruid èn een briefje van elk van zijn kinderen. De brief van Geertruid was weinig feestelijk. Ze hoopte wel dat hij nog lang bleef leven maar zelf richtte ze haar blik op de dood. ‘Het uur onzes doods is onzeker’, was de macabere boodschap van haar felicitatie.
Haar eigen verjaardag bracht Geertruid in een weemoedige stemming door omdat deze dag zo rijk aan herinneringen was. Zij vierde de dag alleen met de kinderen die het een heel feest von­den; ‘s’est un beau jour!’ zoals een van hen zei. Ze waren die ochtend bij Geertruid gekomen met ‘lieve boeketten’ en gelukwensen. Van de oudste, Sophie, kreeg ze een zelfgemaakt speldenkussen en van nummer twee een paar gebreide kou­senbanden. Ook Johan vergat de geboortedag van zijn ‘Lieve Truitje’ niet. Vanuit Den Haag stuurde hij een ‘garnituur’ – waarschijnlijk een set juwelen -dat Geertruid ‘allerliefst’ vond. Zij was van plan het veel te dragen. Blij met het tastbare cadeau hoopte zij toch ook dat hij haar speciaal die dag in zijn gebeden niet zou vergeten.
Rond de geboorte van hun vijfde kind was Johan zeer waarschijnlijk voor langere tijd in Zwolle. Toen de bevalling van het zesde kind naderde, wilde hij weer bij Geertruid blijven. Haar plichtsbesef over zijn taak won het echter van haar tegenzin over zijn afwezigheid, zodat zij hem maande naar Den Haag te gaan. Voor de bevalling had zij hulp genoeg, stelde zij hem gerust. Haar moeder kwam helpen en de dokter ging op Geer­truids verzoek de stad niet uit. Ze voelde zich kalm, de baker arriveerde op tijd en zij beviel van een gezonde dochter.
Als Johan liet blijken dat hij een verblijf ver van huis ook niet altijd even prettig vond, deed dat Geertruid genoegen. Ze bemerkte ‘niet zonder satisfactie dat de tijd U ook een weinig lang valt’. Eerst na een jaar of drie raakte zij min of meer gewend aan zijn afwezigheid, al was het na elk bezoek weer vreemd om alleen te zijn. Ze .eurde op als haar man plannen had naar huis te komen. Alle gezelschap en a.eiding, hoe prettig ook ‘ver­goedt mij toch uw afzijn slechts onvolkomen’, schreef zij hem. Toen zijn ambtstermijn a.iep en hij voor de laatste keer uit Den Haag vertrok, stel­de Geertruid hem nog snel van de laatste nieuw­tjes op de hoogte en verzocht om een laatste bood­schap. Zij besloot met: ‘Nu adieu, komt zoo spoe­dig als gij kunt.’

Familiecontacten
Geertruid onderhield een hartelijk contact met haar moeder en met haar zus Annette. Haar moe­der had twee huizen, in de zomermaanden was haar buitenhuis Dikninge favoriet en in het win­terseizoen woonde zij in Zwolle, in de Nieuw­straat.12 Op Dikninge bracht Geertruid vele
zwols historisch tijdschrift
55
zomermaanden door en als haar moeder in Zwol­le was, zagen zij elkaar vrijwel dagelijks. De dames soupeerden ‘en petit comité’ en pasten samen kle­ding door. Ook Geertruids zus Annette was vaak in Zwolle. Zij was getrouwd met haar neef Reint de Vos van Steenwijk en sedert 1843 woonde dit echtpaar op het voorname Voorwijk bij De Wijk in Drenthe.13 Geertruids broer Jan woonde met zijn vrouw Wilhelmina Louise van Aerssen Beye­ren van Voshol op Oldenhof buiten Vollenhove, dat hij huurde van de familie Sloet.
Geertruid stelde een goede sfeer in de familie zeer op prijs, zodat zij een wrijving tussen haar moeder en Jan onaangenaam vond. Ze maakte zich zorgen om haar depressieve broer en haalde haar moeder over hem op Oldenhof te bezoeken. Het gaf haar voldoening dat het bezoek aan Oldenhof tot meer begrip voor Jan leidde.
Met haar schoonfamilie had Geertruid soms een moeizame relatie. Van de negen nog in leven zijnde kinderen van haar schoonouders woonden er nog vijf thuis, en dat waren degenen waar Geer­truid het meeste contact mee had. Vooral met haar schoonzus Agatha kon zij het goed vinden. Geertruid ging wel vaker ‘aan de Markt’ eten. Maar hoewel het oppervlakkig allemaal in orde leek te zijn, was Geertruids verhouding met de familie van haar man niet geheel zoals zij het zich wenste. Toen een van hen ziek was, hoorde zij dat van bekenden die zeer verwonderd waren dat zij
Gezicht op het begin van de Melkmarkt omstreeks 1885. Geer­truids schoonouders woonden in het derde pand van links, Nu Grote Markt 12-13. Tegenwoordig is in dit pand een Mac Donalds gevestigd. (Collectie HCO) De voormalige havezate Den Doorn in Haerst, het buitenhuis van de familie Van Haersolte. (Collectie HCO)
van niets wist. Ze was gepikeerd, ‘daar ik er zoo duidelijk in zie, dat ik na elf jaar in de famille geweest te zijn, geheel als vreemde word behan­deld’. Ze had er vast op vertrouwd dat de familie haar over zoiets belangrijks zou inlichten. Ze informeerde dadelijk bij haar schoonfamilie en trachtte zich te onthouden van ‘bittere reproches, daar men toch later altijd berouw van heeft’. Toen haar kinderen kinkhoest kregen kwam de wrevel weer boven omdat haar schoonfamilie weg bleef uit angst voor besmetting. Haar moeder schoot te hulp. ‘Indien ik Mama niet had zoude ik mij nog ongelukkiger alleen voelen’, klaagde Geertruid bij haar man. Van de andere kant reageerde zij koel­tjes op nieuws dat haar schoonvader gevallen was. Ze hoorde er niets meer over en trok de conclusie dat het dus wel mee zou vallen. De kinderen had­den geen weet van de wrijving tussen hun moeder en hun grootouders Van Haersolte. Zij gingen ’s zomers op Den Doorn in Haerst logeren en met Sint-Nicolaas stonden aan de Melkmarkt cadeau­tjes voor hen klaar.14
zwols historisch tijdschrift

Leed en plicht
Geertruid kreeg regelmatig met de dood te maken. Het overlijden van haar vader wist zij zich nog goed te herinneren, ze was zeventien jaar toen hij op eenenzeventigjarige leeftijd overleed. Maar juist kort voor en in de periode dat haar man meestal in Den Haag verbleef en zij veel alleen in Zwolle was, waren er in haar direkte omgeving vele sterfgevallen. Geertruids oudste zwager Van Haersolte overleed begin maart 1845 en haar schoonzus Betje van Haersolte stierf op het einde van diezelfde maand, ze was slechts zevenen­twintig jaar geworden en nog geen twee jaar getrouwd. De weduwnaar bewaarde voor Geer­truid en Johan een aandenken aan Betje. Voor Johan was dat een parelmoeren vouwbeen en Geertruid kreeg het werkmandje dat zij eens aan Betje had geschonken.15 Na deze twee zo snel op elkaar volgende sterfgevallen kreeg de familie Van Haersolte een jaar later nieuw verdriet te verwer­ken toen een dochtertje van Geertruids schoonzus Antje overleed. En in 1848 overleed in het Friese Weinum de man van haar schoonzus Lize. Zodra Geertruid gelegenheid had, reisde ze naar Wei­num. Dat zijzelf zeven maanden zwanger was, hield haar niet tegen. Zij vertrouwde op God. Het verdriet van iemand die haar dierbaar was, deed haar steeds weer pijn. Ze toonde zielsveel medelij­den met haar zus Annette toen deze een kind ver­loor. Enige tijd later zag Geertruid met opluchting dat Annette, hoewel nog bedroefd, berustte en zich onderwierp aan het gezag van God. Maar ze maakte zich zorgen dat haar zus bijna onverschil­lig was voor alles om haar heen.
Geertruid dacht niet dat zij een hoge leeftijd zou bereiken. Meer dan eens waarschuwde zij haar man dat zij weinig plezier in haar bestaan vond. Het waren niet alleen de veelvuldige sterf­gevallen in haar directe omgeving die haar het levensplezier ontnamen. Ze had het gevoel dat het haar aan geluk ontbrak en dat veroorzaakte bij haar een afkeer van het leven, waardoor zij depres­sief werd. In het nieuws aan haar man berichtte Geertruid veel treurigheid, het verdriet van haar zus, de depressie van haar broer, een freule Ben­tinck die bedroefd maar ‘bedaard’ was, dat Mietje Wicherlinck zo ‘diep bedroefd’ was en dat een nicht Feith treurig was gestemd omdat ze ‘zich zoo alleen!’ voelde.
Johan schreef haar dat hij een bezoek had gebracht aan tante Backer, die een overledene te betreuren had.16 Dat de vrouw in een terneerge­slagen stemming was, begreep Geertruid heel goed. Maar het gedrag van de nichten vond zij onbegrijpelijk. ‘Ik vind het gelukkig dat zij onder­worpen zijn en zich met kalmte schikken in hun lot, maar hoe zij vrolijk en opgeruimd kunnen zijn is mij een raadsel’, luchtte zij haar hart bij haar man. Geertruid neigde in deze voor haar zo som­bere jaren niet tot oppervlakkig vertier. Toen haar schoonmoeder haar vroeg af te zien van een fees­telijke avond omdat het precies een jaar geleden was dat Betje van Haersolte was overleden, gaf Geertruid daar met instemming gehoor aan. De ‘grote soirée’ trok haar toch al niet bijzonder aan.
De politieke spanningen in binnen- en buitenland in 1848 veroorzaakten bij Geertruid nieuwe som­berheid. Toen men in de stad uiting gaf aan de vreugde over de nieuwe grondwet, vond zij dat helemaal niet prettig. Maar toen zij merkte dat er overal vlaggen uitgestoken werden, deed zij dat ook maar. Een vreugdeblijk was het zeker niet. Ze peinsde meer over de zelfmoord van de chef van een tapijtfabriek vanwege een te kort in de kas van vierduizend gulden. Alsof zo’n bedrag een reden was je het leven te benemen, schreef zij haar man. Wat er in revolutionair Parijs gebeurde, waar de monarchie onder zware druk stond, was veel erger. ‘Dat in de tegenwoordige beschaafde eeuw zoo veel bloed op zulk eene gruwzame wijz zoude stroomen’, boezemde haar afschuw in.
Het relativeringsvermogen van Geertruid was groot, ook als het niet in haar eigen belang was. Een voorbeeld daarvan was haar al gememoreerde instemming met het vertrek van haar man naar Den Haag ondanks haar ophanden zijnde beval­ling. Met verwikkelingen rond het personeel ging het net zo. Een van de meiden accepteerde buiten haar medeweten een andere werkkring, wat Geer­truid uitermate onaangenaam vond. Maar toen de meid terugkrabbelde, maande Geertruid dat een gegeven woord niet teruggenomen mocht wor­den. En toen de gouvernante van de kinderen bericht kreeg dat haar moeder in Zwitserland doodziek lag, deed Geertruid geen enkele poging de vrouw van de reis te weerhouden. Ze had er begrip voor, al veroorzaakte het veel ongemak.17

Ondanks haar melancholieke buien was Geer­truid over dagelijkse zaken heel reëel. Als er iets geregeld moest worden omtrent een nieuwe meid, een andere gouvernante of leraar, dan was dat een taak die zij snel ter hand nam en voortvarend afhandelde. Geen spoor van de onzekerheid die haar mijmeringen over haar man zo kenmerken.
Als moeder had Geertruid een traditionele opvatting, ouders behoorden ‘met getrouwheid de plichten te vervullen die op hen rustten’. Zij voedde haar kinderen met toewijding op. De eer­ste stapjes of een uitgevallen wisseltand, een slech­te houding of een kinderziekte, waren voor Geer­truid memorabele gebeurtenissen. Zij volgde hun opleiding met belangstelling en verzuimde niet hen godvruchtig op te voeden. De kinderen hiel­den van haar, en vonden het – ook toen zij wat ouder waren – heerlijk haar te verrassen met vele verjaardagscadeau’s die zij op een plank uitstalden en met een bloemenguirlande versierden. Het gaf een leuk effect, constateerde de oudste tevreden. Om haar moeder nog meer te plezieren droeg zij een japon die bij haar moeder in de smaak viel.18

Herenigd
Eind 1848 keerde Johan Christiaan van Haersolte voorgoed naar Zwolle terug. Geertruids melan­cholie verdween, haar gemoed werd opgewekter. Vervelen deed zij zich helemaal niet. Integendeel, de tijd ging zo snel voorbij dat zij zich elke keer weer verbaasde dat er alweer een week voorbij was. Zelfs het overlijden van haar schoonzus van Oldenhof bracht haar niet uit balans.19
Een nieuwe periode brak aan toen de kinderen een voor een het ouderlijk huis verlieten om elders hun opvoeding te voltooien. Geertruids oudste zoon verbleef vijf jaar op een kostschool in de buurt van Den Haag en studeerde aansluitend in Leiden.20 Vlak voor het vertrek van haar oudste dochter Sophie naar een internaat – het ‘opus l’époque’ zoals Geertruid het noemde – twijfelde ze over haar beslissing. Zij bad God om zijn zegen voor haar besluit. De scheiding van het meisje viel haar – net zoals eerder van haar man – erg zwaar.21
Na de kostschooljaren kwam Sophie weer naar huis en de relatie van Geertruid met haar oudste dochter werd hechter. Sophie werd gepresenteerd in de beau monde en de dames kregen het in ‘het seizoen’ dat in Zwolle rond half januari goed op gang kwam, druk met ‘sorties’. Zij bezochten vele soirees, diners, soupers en bals. Soms ging het er zo vrolijk aan toe dat de gasten niet weg wilden gaan. Een keer speelde een van Geertruids doch­ters na het eten muziek en het gezelschap begon spontaan te dansen hoewel de rijtuigen om te ver­trekken al klaarstonden. Geertruid gaf nu ook zelf partijen. Zij gaf een diner voor jonge mensen, en met haar man gaf zij een kinderbal in de Zwolse Kolfbaan, de kinderen spraken opgewonden over niets anders. De huwelijken van haar dochter Annette en van de oudste zoon waren ook reden tot feestelijkheid en de familie werd met kleinkin­deren uitgebreid. De zilveren bruiloft van Geer­truid en Johan werd in de familiekring en met het personeel gevierd.22
Diners in de familiekring waardeerde Geer­truid als ‘zeer amusant’. Met haar opgroeiende dochters, met veel gebabbel en gekwetter, was het levendig in het huis in de Koestraat. Af en toe maakte Geertruid met haar man en een paar van de kinderen een plezierreisje. Een verjaardag van Johan werd gevierd bij de heer Van Heeckeren op Molecate, een ‘très joli sîté’ bij Hattem. Geertruid beschreef met genoegen het charmante uitzicht vanaf de ‘fameux montange’ de Frieselenberg op de Veluwe. Ze maakte met haar man en de jongste kinderen een uitje naar het paleis het Loo bij Apel­doorn. Ze reisde naar haar schoonzus in het Friese Weinum en bezocht haar nicht De Vidal de Saint Germain op het Relaer te Raalte.23 Haar broer woonde nu met zijn tweede vrouw Agatha Maria Françoise van Aerssen Beyeren van Voshol in de Kamperstraat te Zwolle.24 Geertruid bezocht ook vaker haar zus die met haar man van Voorwijk naar Dikninge was verhuisd en waar Geertruid geamuseerd werd met vrolijke brieven van haar man en haar dochters uit Zwolle.25
Hoewel het uitgaansleven Geertruid goed leek te bevallen, hield zij veel van de intimiteit van het huiselijk leven. Omringd door haar man en
zwols historisch tijdschrift
59
opgroeiende kinderen, deed zij haar best het huis in de Koestraat tot een prettige, mooie woning in te richten. Met zorg liet zij meubelen maken en zocht nieuwe fraaie attributen uit. Er werd geschilderd en behangen, en Geertruid zag toe op de jaarlijkse grote schoonmaak en op het con.­turen en de inmaak.26
In de zomermaanden was Zwolle ‘vrijwel ver­laten’, omdat de aristocratische families op hun buitenhuizen verbleven. Ook de familie Van Haersolte was vaak op De Doorn waar Geertruid thee ging drinken en waar haar kinderen regel­matig een paar dagen doorbrachten. Op Dikninge trok zij met de kinderen naar buiten om kruiden te plukken, voor in de kruidenazijn. Maar Geer­truid vond de zomerse rust in de stad ook heel prettig, ze genoot van mooi weer en was veel in de tuin met de kinderen. Ze vond het jammer als een mooie dag bedorven werd door sterke ‘vene­damp’. De tuin in de Koestraat, fraai gelegen aan de stadsgracht, werd door een tuinman onder­houden. Johan van Haersolte was dol op de tuin. In het vroege voorjaar wees hij op het uitbotten van de vruchtbomen en op de eerste vioolknop­pen. Toen hij in Den Haag een hele ‘bloemenwin­kel’ bestelde, liet hij de vracht naar Zwolle sturen. Het bleef niet bij één zending, Geertruid verweet hem koopziekte. De tuinman zette de bloemen in de tuin of in manden. Maandenlang genoot Geer­truid van bloesems en viooltjes, van fuchsia’s en camelia’s. De bloemen bleven zo lang mogelijk in de tuin staan. Pas als de eerste nachtvorst werd verwacht, werden de planten weggebracht voor een veilige overwintering. Dan kwamen ook de laatste druiven van De Doorn naar de stad. Maar een warme lenteavond beantwoordde toch het meest aan Geertruids gevoelens. Voor het open raam luisterde zij naar de nachtegaal.27

De dood
In de zomer van 1856 stierf Geertruids moeder zonder een testament na te laten. Haar bezittingen en de goederen, ‘vruchten, inkomsten en huren’ en waardepapieren van haar reeds in 1830 overle­den echtgenoot, werden onder haar drie kinderen verdeeld. Ieder ontving, tot op de halve cent nauwkeurig, even veel. De erfenis voor Geertruid bestond uit land, een huis en een erf, veertig certi­.caten, negenendertig obligaties, vierentwintig aandelen in diverse banken en maatschappijen en een schuldbekentenis. Aangevuld met een klein bedrag aan contanten vertegenwoordigde het een waarde van bijna honderdveertigduizend gulden. Uit haar moeders persoonlijke bezittingen – juwe-

De Kamperstraat omstreeks 1900. In de Kamperstraat woonde Geertruids broer J.A.G. de Vos van Steenwijk. (Collectie HCO)
len, zilver, linnen, boeken, meubelen en rijtuigen ­ontving Geertruid eveneens eenderde deel, ter waarde van ruim tienduizend gulden.28
In de zomer van 1866 nam Geertruid een velle­tje schrijfpapier en schreef kort en bondig, zonder overschrijvingen of doorhalingen, haar testament. Het woonhuis in de Koestraat legateerde zij aan haar man. Ook haar overige erfenis werd eigen­dom van haar man maar zij beschikte dat hij het vruchtgebruik moest delen met de kinderen. Zij verzocht haar kinderen hier genoegen mee te nemen en hun vader niet verder aan te spreken op enige uitkering van de moederlijke erfportie.29
Geertruids laatste verdriet was de dood van haar dochter Sophie in 1873. Na jarenlang sukke­len was Sophie onder behandeling gesteld van een Duitse arts maar het ging niet goed met haar. De behandeling werd stopgezet en Sophie werd naar een arts in Leiden gebracht, die haar net zo min als alle vorige artsen kon helpen. Haar toestand ging snel achteruit. In Zwolle werd een alarmerend telegram bezorgd en Johan van Haersolte reisde spoorslags naar Leiden. Hij stuurde telegram na telegram naar Zwolle om Geertruid op de hoogte te houden van Sophie’s toestand. Het laatste tele­gram bevestigde haar bange vermoedens, Sophie was overleden. Geertruid wachtte op de terug­komst van haar man en het lichaam van Sophie. Na de dood van haar oudste kind raakte ze enige tijd onwel. Troostrijke brieven konden het leed niet verzachten.30 De geboorte van haar derde kleinkind – vier maanden na Sophie’s overlijden ­deed haar levenslust niet merkbaar opleven.
Na de dood van Sophie ging Geertruids gezond­heid achteruit. Een paar maanden na het verlies reisden Geertruid en Johan naar het kuuroord Muhlheim, een badplaats in het Rijngebied. Geer­truid consulteerde er een arts en dronk het heil­zame water. Ze moest veel in de zuivere buiten­lucht verblijven en met open raam slapen. Tegen­over de mooi gelegen villa waar zij logeerden lag een park waar zij prettig kon wandelen of in de schaduw kon zitten. Met haar man maakte ze een mooie excursie, de ‘charmant site’ herinnerde hen aan hun huwelijksreis. Nadat Geertruid kennis had gemaakt met andere gasten en geïntroduceerd was in de plaatselijke ‘Holli Club’ reisde haar man alleen naar huis. De kuur werd geen succes. De volgende zomer reisde Geertruid met haar man naar Scheveningen vanwege de zeelucht, maar haar gezondheid ging zienderogen achteruit. Na a.oop van een uitstapje naar Den Haag was Geer­truid zo moe dat zij geen tweede keer wilde gaan. ‘Met kunst en vliegwerk’, schreef haar man naar Zwolle, was zij ‘één maal aan Zee geweest, maar dit ging met groote moeite gepaard’ zodat hij niet op herhaling aandrong. Haar eetlust was gering, haar krachten namen af. Zij dineerde aan de open tafel in de eetzaal maar wilde dat niet meer omdat het te vermoeiend was. Een diner ‘en famille’ op de kamer, met de kleinkinderen aan tafel, was druk genoeg. De arts adviseerde haar naar huis te gaan want de zeelucht had geen effect en thuis was het gerie.ijker. Na nog een paar dagen rust, reisde Geertruid met haar man per trein naar Zwolle, waar bij het station een vigilante klaarstond om hen naar de Koestraat te brengen.31
Geertruid hoopte dat de dood haar niet onver­wachts zou overvallen. De gedachte om zonder veel voorbereiding uit het leven weggerukt te wor­den en onvoorbereid voor Gods rechtbank te moeten verschijnen, greep haar zeer aan. Het sterfbed van ene mevrouw Ooster was voor haar een voorbeeld, deze vrouw had met vol verstand ‘van alle haar omstanders afscheid genomen en hen vermaand toch zonder aarzelen genade te zoeken waar zij alleen te vinden is, in het bloed van Christus’. Geertruid vertrouwde op ‘Christus genade, op Wien alleen onze hoop moet zijn’.32
Ruim een jaar na het overlijden van Sophie was Geertruids ‘taak hier beneden voleindigd’, zij overleed op vijftien augustus 1874. In het over­lijdensbericht gaf Johan van Haersolte kennis dat ‘na eene korte ongesteldheid overleed, in den ouderdom van ruim 60 jaren, mijne hartelijk geliefde Echtgenoote en onzer kinderen zorgdra­gende Moeder, Vrouwe Geertruijd Agnis Baro­nesse De Vos van Steenwijk, na eene gelukkige echtvereniging van ruim 37 jaren’.33
Johan Christiaan van Haersolte overleefde zijn vrouw nog zeven jaar, haar nagedachtenis hield hij in ere. Een jaar na haar dood schreef hij aan een van zijn dochters: ‘Gij gevoelt wel dat my dezen
zwols historisch tijdschrift
dag in het byzonder indachtig zyn aan Mama, en dat wederom veel verlevendigd word’. Op verjaar­dagen en sterfdagen werd ‘alles wederom verle­vendigd’ en miste hij zijn vrouw en oudste doch­ter. In 1877 schreef hij zijn kinderen dat het al weer drie jaar geleden was dat ‘wy uwe goede Mama hebben moeten verliezen!’ Zijn verjaardag was voor hem een treurige dag die hij in stilte door­bracht, vol herinneringen en gemengd met een gevoel van erkentelijkheid voor Geertruid.34
Noten
1 Kamperstraat 10 en 11-13, Koestraat 18, Blijmarkt 1, Bloemendalstraat 11 en Grote Markt 12-13.
2 Stads Athenaeum en Bibliotheek Deventer 100 F21 KL HS II no. 35 KL; Vos van Steenwijk, A.N. baron de, Het geslacht De Vos van Steenwijk in het licht van de geschiedenis van de Drentse adel, Assen 1976.
3 Brake, W. te (ed.), Een grand tour naar de nieuwe republiek: journaal van een reis door Amerika, 1783­1784. Carel de Vos van Steenwijk, Hilversum 1999, 28-32.
4 Js. Mooijweer,’Vos van Steenwijk, Jan Arent Godert de (1713-1779), drost van Vollenhove’, in: J. Folkerts
(e.a. red.), Overijsselse biogra.eën 3, Amsterdam Meppel 1993, 121-125. 5 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk.
6 Nederland’s Adelsboek 78 (1987), 253; De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk. Te Brake, Een grand tour naar de nieuwe republiek, 28­33; Historisch Centrum Overijssel Familiearchief Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
7 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk, 361.
8 M.L. Hansen (ed.), Aller treffendst en stout. De hu­welijksreis van J.C. baron van Haersolte naar Duits­land, Zwitserland en Italië in 1837, Overijsselse hand­schriften 11, Epe 2002.
9 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120. Koe-straat 18 werd in de twintigste eeuw bewoond door het echtpaar Harro en Carina Bouman, zie de spe­cial van het Zwols Historisch Tijdschrift, 22 (2005) nr. 1, ‘Bijzonder echtpaar op Koestraat 18’.
10 De gegevens uit de periode 1845 tot 1848 zijn – tenzij anders aangegeven – afkomstig uit de correspon­dentie van Geertruid Agnes barones de Vos van Steenwijk aan haar man Johan Christiaan baron van Haersolte (HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113).
11 Zwolle mijn stad. Een stadswandeling van A naar Z, Zwolle 2002, 225.
12 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
13 J. Bos, e.a. (red.), Huizen van stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners, Meppel/Amsterdam 1989, 264.
14 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
15 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 162.
16 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 341; HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113; Nederland’s Adelsboek 4 (1906), 542. Tante Backer was mogelijk de echtgenote van Cornelis Backer uit Amsterdam, een vriend van Geertruids vader Carel de Vos van Steenwijk. Of het was Josina Petronella Sichterman, gehuwd met Jan Willem Jacobus Backer. Hun dochter Hermanna Elisabeth was gehuwd met Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk.
17 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
18 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
19 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64; De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 388.
20 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199.
21 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64.
22 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 117, 182.
23 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
24 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 389.
25 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 119.
26 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 182.
27 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 64, 113, 182, 275 en (236), inv. nr. 687; HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64. Het huis in de Koestraat ‘gele­gen agter de wal uitkomende’.
28 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
29 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120.
30 M.L. Hansen, ‘Een “redelyk zoet” meisje, Sophia Cornelia baronesse van Haersolte, 1838-1873’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002) nr. 2, 62-72.
31 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
32 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
33 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 122.
34 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.

Frank Inklaar

De plek waar het begon en de plek waar het eindigde
Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen
T
oen de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift vorig jaar een special uitbracht over de Grote Markt, kreeg dit nummer als titel: Een plaats van herinneringen: De Grote Markt. Deze titel sluit naadloos aan bij een nieuwe trend in de geschiedschrijving, die door de Franse histo­ricus Pierre Nora in de laatste decennia van de vorige eeuw in gang is gezet. Nora stelt dat mensen hun identiteit niet alleen ontlenen aan de algeme­ne geschiedschrijving, maar ook aan de publieke herinnering. Sommige plekken roepen onwille­keurig en onmiddellijk de herinnering op aan ingrijpende historische gebeurtenissen. Deze plekken worden door Nora ‘lieux de mémoire’ genoemd, letterlijk plaatsen van herinnering. Vol­gens Nora zijn dat niet alleen fysieke plaatsten, maar kan de term ook in overdrachtelijk zin wor­den gebruikt, zodat symbolen, instellingen, perso­nen, herdenkingsdagen, en dergelijke lieux de mémoire kunnen zijn. Nora heeft aan de hand van lieux de mémoire de geschiedenis van Frankrijk in kaart gebracht. Nederland is hier niet bij achter gebleven. In de afgelopen twee jaar hebben vier delen van Plaatsen van herinnering het licht gezien. Anders dan bij Nora zijn in de Nederland­se opvatting alleen fysieke plaatsen van herinne­ring opgenomen.
Plaatsen van herinnering zijn er natuurlijk niet alleen op nationale schaal. Elke streek, elke stad, elk dorp kent voor zijn inwoners eigen plaatsen van herinnering. Dit gegeven heeft de redactie van het ZHT er toe gebracht met ‘Zwolse plaatsen van herinnering’ een nieuwe rubriek te starten. Beken­de Zwollenaren vertellen over hun Zwolse plaats van herinnering. De spits wordt afgebeten door Wil Cornelissen, bekend Zwollenaar en ook nog eens oud-redactielid.
Tweede Wereldoorlog
Wil Cornelissen heeft veel herinneringen en ook veel plaatsen van herinnering in de aanbieding. Als hij door de stad rijdt komen bij diverse huizen herinneringen aan familieleden die niet uit de oorlog zijn teruggekomen. Al die adressen zijn stuk voor stuk persoonlijke plaatsen van herinne­ring. Een wat algemenere plaats van herinnering zou het stoepje bij de Oosterkerk kunnen zijn. Daar keek hij bijvoorbeeld naar de opbouw van circus Sarasani op de Turfmarkt. Of naar die prachtige watertoren. Uiteindelijk kiest Cornelis­sen toch voor een plek die voor hem, maar ook voor veel Zwollenaren, direct herinneringen oproept aan de Tweede Wereldoorlog. De oorlog die tot op de dag van vandaag een centrale positie inneemt in zijn leven.

De Vechtbrug
De uitverkoren plaats van herinnering is de Vechtbrug, de brug over de Nieuwe Vecht, tussen de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee, met aan weerszijden de Vondelkade en de Philosophen­allee. Welke herinneringen maakt deze plaats los? Het is voor Cornelissen de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Het is de plek waar op 10 mei 1940 de Duitsers en op 14 april 1945 de Canadezen Zwolle binnentrokken. En zowel in 1940 als in 1945 stond een jonge Wil Cornelissen bij de brug. Niet zo verwonderlijk, want zijn ouderlijk huis stond op de Vondelkade. In 1940 riep zijn vader de twaalfjarige Wil om bij de brug weg te gaan, bang als hij was dat het tot vechten zou komen en dat zijn zoon tussen de schietende partijen terecht zou komen. In 1945 werd de zeventienjarige Wil weer door zijn vader bij de brug weggehaald, om precies dezelfde reden. Bei­de keren gebeurde er eigenlijk niets. Ja, waar­schijnlijk zal er in beide gevallen een doffe knal

De Vechtbrug over de Nieuwe Vecht, gezien vanaf de Philosofen­allee. De brug verbindt de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee. Het is een in 1928 gebouwde basculebrug. De opna­me is omstreeks 1940 gemaakt. Links is huize Molenzicht te zien, rechts het later afgebro­ken brugwachtershuis. (Collectie HCO)
De Vechtbrug gezien vanaf de Wipstrikker­allee aan het eind van de jaren dertig. De Vechtbrug vormde (en vormt) een belangrijke schakel in het wegennet van Zwolle, de Duitsers trokken hierlangs de stad binnen in 1940 en de Canadezen in 1945. (Collectie HCO)
weerklonken hebben door het in de lucht laten vliegen van de IJsselbrug. Maar op de Vechtbrug zelf gebeurde niets. In 1940 zag je de Duitse troe­pen binnentrekken op paarden en met gemotori­seerde voertuigen, soldaten in andere uniformen en met andere helmen dan de Nederlandse solda­ten. Ze hadden geen beenwindsels zoals de Neder­landers. En in 1945 kwamen de Canadezen. ‘Ik moet toen mijn goede vriend Leo Major gezien hebben, maar dat kan ik mij niet meer herinne­ren.’ Leo Major was de eerste Canadees die als bevrijder Zwolle binnenkwam. Herinneringen zijn toch lastig volgens Cornelissen. Van wat hij zich nu herinnert over die periode, wat zijn nu echte herinneringen en wat is informatie die hij later gelezen heeft? ‘Was 10 mei 1940 de dag dat mijn vader huilde, of zorgt de titel van een boek voor deze herinnering? Het zou allebei kunnen.’

Een plek waar eigenlijk niets gebeurde
Wat maakt een plaats waar niets is gebeurd voor Cornelissen toch tot een belangrijke plaats van herinnering? Het is leuk om je te herinneren dat op de oude Vechtbrug, een ophaalbrug, brug­wachtershuisjes stonden. Dat er een piepklein winkeltje was van niet meer dan twee à drie meter, waar meneer Wever tabakswaren verkocht. Dat je voor je vader voor 35 cent vijf sigaren moest halen en dat bij die gedachte je in je herinnering de geur van de tabakszaak weer ruikt. Maar daarom is de Vechtbrug niet door Cornelissen uitgekozen. De brug staat symbool voor het begin en het einde van de Tweede Wereldoorlog.
In 1940 is er de angst, de onzekerheid, de gedachte van wat zal er gebeuren. Of dat nu exact bij de Vechtbrug op het moment van het binnen­trekken van de Duitsers de overheersende emotie van Cornelissen is geweest weet hij niet, maar dat deze gevoelens duidelijk aanwezig waren is wel zeker. Immers als twaalfjarige was Wil al wel dege­lijk op de hoogte van de kwalijke daden van het Hitler-regime. Hij kende de verhalen uit Duits­land van zijn gevluchte oom Erich Passmann, die in Zwolle was blijven hangen, vertrouwend op de neutraliteit van Nederland. Van zijn Joodse moe­der en haar grote Zwolse familie hoorde hij menigmaal de bezorgdheid voor de toekomst. Zijn vader was actief in het plaatselijk bestuur van de antitotalitaire Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie (EDD), een organisatie die zowel het communisme als het fascisme bes­treed. Voor nationaal-socialistisch Duitsland was in deze kringen geen sympathie. Vader droeg dit bewustzijn over op zijn zoon. Wil mocht voor een van de bijeenkomsten van de EDD met Oost-Indi­sche inkt de uitnodigingen kalligraferen. En dan had je nog de nieuwsberichten op de radio. In hui­ze Cornelissen diende je dan je mond te houden, want naar het nieuws moest in stilte geluisterd worden. Wil was dus op die 10de mei 1940 bij de Vechtbrug wel degelijk zich volledig bewust van de onzekere toekomst.
De overheersende emotie op de 14de april 1945 zal er een van vreugde zijn geweest. Het beeld van vlaggen en wimpels komt naar boven, maar ook de verbazing over waar al die vlaggen vandaan kwamen. ‘Heb ik staan zwaaien? Ik weet het niet.’ Spontane feestvreugde moet er in ieder geval wel geweest zijn. Al snel kwam daar een andere emotie bij. Wie van de weggevoerde familieleden zou er terug komen? Wat was er van hen geworden? Dat het verhaal van de tewerkstelling van Joden in Duitsland niet klopte was voor Cornelissen toen al duidelijk. Wat kon zijn doodzieke opa, die met een ambulance was weggevoerd naar Westerbork nu nog voor werk doen? Maar hoe zat het met al die ooms en tantes, neven en nichtjes, leeftijdge­noten? Uiteindelijk keerde maar één achternichtje terug.
Als Wil Cornelissen nu de Vechtbrug passeert overheerst toch het gevoel van de bevrijding.
De Vechtbrug, de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Een plek waar eigenlijk niets gebeurde, maar ook de plek die zoveel herin­neringen oproept.
zwols historisch tijdschrift
65

Een rooms jongetje uit Assendorp
Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw
O
verkomt u dat ook wel eens? Dat wanneer u in een tekst uw geboorteplaats tegen­komt u extra aandachtig gaat lezen? Mij overkomt dat zelfs met enige regelmaat, net zoals ik dat ook bij mijn geboortedatum heb. Zo ben ik er in de loop der jaren achtergekomen dat Jozef Luns en Joop Doderer – mooi duo toch? – op dezelfde dag als ik zijn geboren. Door de opkomst van het internet boeten dergelijke kleine histori­sche sensaties helaas steeds meer aan kracht in. Want u hoeft tegenwoordig maar op bijvoorbeeld de internetsite wikipedia.nl de zoekterm ‘Zwolle’ in te toetsen en alle bekende Zwollenaren worden op een presenteerblaadje aangereikt.
Toch wordt er nog wel eens een enkeling over het hoofd gezien. En dat kan zelfs mensen betref­fen met een bijzonder grote staat van dienst. Zo ook in het geval van Petrus Albertus Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ier­land, Chili en Israël – is in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werk­zaam als journalist en besloot, omdat hij kritische artikelen over het nazi-regime had geschreven, kort na de Duitse inval in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Londen werd hij secretaris van de gereformeerde premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Op 12 december 2003 overleed Kasteel op 102-jarige leeftijd.
Het moet in het najaar van 1994 zijn geweest dat ik Kasteels naam voor het eerst tegenkwam. Ik was toentertijd net begonnen met een zoektocht naar het onder orthodox-protestanten levend antipapisme en stuitte al snel op de door hem geschreven uitgaven van het apologetische Gilde van de Klare Waarheid. In een tijd waarin het anti­papisme nog hoogtij vierde, toonde de jonge jour­nalist Kasteel moed door als een van de weinige katholieken de pen op te nemen tegen de niet-godsdienstige uitingsvormen van dit fenomeen. Halverwege de jaren twintig vervaardigde hij onder de geheimzinnige ‘schuilnaam’ PAK in totaal drie brochures met prikkelende titels als
Vuile Papen!, In Dogma’s Gekluisterd (Stomme papen) en De misdaden der katholieke kerk.1
Toen ik ontdekte dat deze Kasteel dezelfde persoon was als de ‘latere’ Piet Kasteel van het proefschrift over de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper2, kreeg mijn interesse voor diens levenswandel een extra impuls. Helemaal toen ook nog bleek dat wij in dezelfde stad zijn geboren. In deze bijdrage wil ik kort schetsen in wat voor een omgeving de jonge Piet Kasteel opgroeide. Want, in wat tegenwoordig zo mooi de formative years worden genoemd, moet deze van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van zijn karakter.

Een katholieke familie
Petrus Albertus (‘Piet’) Kasteel werd op 4 novem­ber 1901 in Zwolle geboren aan de Deventerdwars­straat 14. Deze woning werd toentertijd nog aan­geduid met het huis- cq. wijknummer L 460. Een paar jaar later, in 1905, werd bij de gemeentelijke omnummering van wijknummers naar straat­namen met huisnummers het huis of.cieel voor­zien van nummer 14. Tegenwoordig heet de Deventerdwarsstraat de Zuiderkerkstraat.
Volgens het geboorteregister was Piet ‘des voormiddags ten zeven ure’ ter wereld gekomen. Vader Bernardus (geboren 30 januari 1859 te Arn­hem) was van beroep zadelmaker bij de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen. Hij had zich op 16 januari 1892 samen met zijn vrouw Geertrui­da Nijenhuis (geboren 19 april 1868 te Wagenin­gen) in Zwolle gevestigd. Het rooms-katholieke
Jonn van Zuthem
echtpaar had ten tijde van de verhuizing al een zoontje, dat Bernardus Gijsbertus heette en een jaar daarvoor in Arnhem was geboren. Het jonge­tje stierf 10 november 1897 op zesjarige leeftijd.3
In Zwolle werden de ouders achtereenvolgens gezegend met de zonen Gijsbertus Jacobus Johan

Piet (Petrus Albertus) Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ierland, Chili en Israël – werd in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werkzaam als journalist. Hij wist in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Lon­den werd hij secretaris van premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Kasteel overleed in 2003 op 102-jarige leeftijd. (Collectie auteur)
(geboren 5 oktober 1893), Hendrikus Johan (gebo­ren 29 januari 1896) en Bernardus Gijsbertus (geboren 23 februari 1898). Deze laatste kreeg dus dezelfde naam als de kort daarvoor overleden oudste zoon. In die tijd woonde ook nog een klei­ne twee jaar de uit Arnhem afkomstige weduw­naar Bernardus Kasteel bij zijn zoon en schoond­ochter in. De eerste dochter werd in 1899 geboren, zij kreeg de doopnamen Wendelina Maria Hen­drika Berendina (geboren 17 september 1899). Opa Kasteel was toen inmiddels weer terugge­keerd naar zijn geboorteplaats Arnhem.
Bij de aangifte van de geboorte bij de burgerlij­ke stand van Petrus Albertus (met de overleden eerste zoon meegerekend dus het zesde kind van het echtpaar Kasteel-Nijenhuis) waren twee colle­ga-zadelmakers van de vader als getuige aanwezig. Deze getuigen, Johannes van Buren en Willem Johannes Christiaan Burbach, tevens buurtgeno­ten, waren niet katholiek, maar hervormd. De voor katholieken steeds stringenter in acht te nemen religieuze scheidslijnen – de bloeitijd van de verzuiling ving omstreeks de eeuwwisseling aan -golden in die tijd schijnbaar niet voor ‘wereldse’ zaken als een aangifte bij de burgerlijke stand.
Piet Kasteel werd, naar goed katholiek gebruik, nog op de dag van zijn geboorte gedoopt. De doopgetuigen waren, zo vermeldt het doop­boek van de parochie, oom Joannes en tante Joan­na Maria Ratering-Nijenhuis. Deze peter en meter waren, zoals dat ook bij vader en moeder het geval was, respectievelijk geboren in Arnhem en Wage­ningen. Ook bij de andere kinderen, onder ande­ren bij Hendricus Joannes, Bernhardus Gijsbertus en ‘Berendina’ kwamen de doopgetuigen meestal uit de regio Arnhem-Wageningen.4 De band met de familie uit het Gelderse moet stevig zijn geweest.
Het verschil tussen de protestantse en de katholieke schrijfwijze van de mannelijke en de vrouwelijke vervoeging van de naam Jo(h)an komt overigens in de verschillende documenten veelvuldig naar voren.5 Door de ambtenaren van het Zwolse bevolkingsregister werd in ieder geval nog consequent de ‘protestantse’ spelling gehan­teerd, ook waar het dus katholieke kinderen betrof.
zwols historisch tijdschrift
67
Na Piet kreeg het echtpaar Kasteel nog twee kinderen, een zoon Johannes Lodevicus (geboren 24 januari 1903) en een dochter Hendrica Johanna Maria Wilhelmina (geboren 22 juni 1904).

Onder de rook van de Centrale Werkplaats
De wijk waarin het gezin woonde, Assendorp (een middeleeuwse verbastering van ‘oostendorp’), was een typische woonwijk voor personeel van de Staatsspoorwegen, de zogenaamde ‘spoorhazen’. Vanaf 1860 was er in deze buurt voorzichtig begonnen met de bouw van arbeiderswoningen. De aansluiting in 1864 van Zwolle op het spoor­wegnet en de spoedige komst van de Centrale Werkplaats (CW), die in de volksmond ook wel de ‘constructiewinkel’ werd genoemd, bracht een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg. Bood de CW in 1870 nog aan 136 man werkgele­genheid, in 1900, een jaar dus voor de geboorte van onze hoofdrolspeler, verdienden al 815 men­sen er een relatief goedbelegde boterham. In ver­gelijking met andere werkgevers betaalde de CW namelijk hoge lonen.
Assendorp had desondanks de naam een ‘rode wijk’ te zijn. De geschoolde arbeiders van de werk­plaats en ander personeel van de Staatsspoorwe­gen, zoals bijvoorbeeld conducteurs en machinis­ten, stonden vaak kritisch tegenover de bestaande maatschappelijke verhoudingen. Meer dan de meeste van hun tijdgenoten kwamen zij in contact met mensen uit andere gedeelten van het land. Het spoorwegpersoneel kon namelijk vrij per trein reizen. Bovendien las het merendeel kranten en was men georganiseerd in vakverenigingen. De vaak van elders, veelal uit het westen van het land afkomstige Assendorpers bewogen zich – ook al omdat het personeel van de Staatsspoorwegen regelmatig werd overgeplaatst – min of meer apart van de oorspronkelijke, wellicht wat meer gezags­getrouwe Zwollenaren.6
De behuizing aan de Deventerdwarsstraat 14 was erg klein. Een bouwtekening uit 1922 laat zien

Gebouwen van de Centrale Werkplaats omstreeks 1985. De vader van Piet Kasteel werkte hier als zadel­maker. (Collectie HCO) De Groeneweg omstreeks 1930. Het huis waar Piet Kasteel opgroeide staat er net niet op, het huis uiterst links is nummer 146. (Collectie Hogenkamp)

dat het huis tot dan toe nog geen aparte eigen keu­ken kende. Wellicht dat moeder Kasteel bij de buren kookte; het privaat werd in ieder geval met hen gedeeld. Daar komt bij dat in de grootste van de twee beschikbare kamers, de zolder niet meege­rekend, nog twee bedsteeën waren ingebouwd.7
Op regenachtige dagen zullen de kinderen Kasteel in het huis nauwelijks speelruimte hebben gehad. Rond 1906 betrok het gezin, inmiddels dus negen personen tellend, een andere woning. Deze lag aan de eveneens in de wijk Assendorp gelegen Groeneweg. De nieuwe behuizing betekende, naast het feit dat het aanzienlijk meer ruimte bood, nog een duidelijke verbetering ten opzichte van die van de Deventerdwarsstraat; het betrof hier namelijk een nieuwbouwwoning met keuken. Het huis, nadrukkelijk bedoeld als arbeiderswo­ning, was op een oorspronkelijk door de gemeente aangekocht terrein gebouwd door bouwvereni­ging De Verwachting.8
Het gebeurde in die tijd wel vaker dat particu­lieren hun krachten bundelden in dergelijke bouwverenigingen. De gevraagde woekerprijzen voor slechte huurhuizen – soms wel meer dan vijf gulden per maand – droegen ertoe bij dat mensen het initiatief in eigen hand namen om zodoende de wens van een eigen huis te kunnen realiseren. Ook in Zwolle waren deze hoge huren geen zeld­zaamheid, mede omdat door de groei van de CW de stad in de periode 1870-1900 een van de snelst groeiende gemeenten van Nederland was.9

Een kinderrijke buurt
Een wijklijst uit 1912 geeft een goed beeld van de samenstelling van de bewoners van de Groene-weg. In het huizenblok, de Groeneweg 134 tot en met 152, waarin het gezin Kasteel op nummer 150 woonde, werkten van de tien huisvaders er liefst negen bij de Staatsspoorwegen. Van die negen verdienden er vijf de kost als wagenmaker, twee als bankwerker en twee als zadelmaker, waaronder dus vader Kasteel. Die laatste groep was onder meer belast met het bekleden van de banken in de treinwagons. Op nummer 142 woonde een in dat opzicht vreemde eend in de bijt, de boekdrukker
J. Egbers met vrouw en kind.
De naaste buren waren, zo vermeldt het bevol­kingsregister, allen van Nederlands-hervormde huize. Op nummer 148 woonde het gezin Van Hensbergen met een zoon en een dochter. Zoon Matthijs was een jaartje jonger dan Piet. De ande­re buren, het gezin Polleman bestond eveneens uit vier personen. Van de twee dochters was de oud­ste, Alijda Gesina, in hetzelfde jaar geboren als Piet.
Het was een kinderrijke buurt waar de jonge Kasteel opgroeide. De gezinnen met het grootst aantal kinderen waren meestal katholiek. De gees­telijke herders van de parochie hielden scherp toe­zicht op de vorderingen van hun schapen. Zo wer­den vormsel en eerste communie nauwlettend opgetekend. Op nummer 134 woonde het echt­paar Franken met liefst negen kinderen.10 Bij het gezin woonde ook nog oma van moederszijde in, de weduwe Jacoba van de Heuvel-Vos.11
Zelfs in een nieuwbouwhuis met een relatief groot oppervlak van pakweg 80 vierkante meter woonruimte moet dat met twaalf personen voort­durend inschikken zijn geweest. De woonkamer mat namelijk in het gunstigste geval 4,35 bij 3,60 m.12 Toch waren de meeste arbeiderswonin­gen in Assendorp in vergelijking met die in andere wijken in Zwolle niet ‘overbewoond’. In 1908/1909 woonden er volgens een rapport van de Gezond­heidscommissie slechts in negen procent van de Assendorper huizen te veel mensen. Elders in de Overijsselse hoofdstad lag dat percentage aanmer­kelijk ongunstiger.13

Een religieus gemengde stad
Wat was dat eigenlijk voor een stad, dat Zwolle uit de jeugdjaren van de jonge Kasteel? In ieder geval ­en dat is volgens Kasteel belangrijk geweest voor zijn latere denken14 -was het een religieus gemengde stad. In 1914, het jaar dat Piet de stad de rug toekeerde om in Grave naar het kleinsemina­rie te gaan, telde de oude Hanzestad met een bevolking van 33.850 inwoners: 58,6 procent her­vormden, 9,7 procent gereformeerden en 22,8 procent katholieken.15 Voorts herbergde de stad nog kleine groepen lutheranen, doopsgezinden en joden, die allen nog geen twee procent van de

De Groeneweg op de kru

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 2

Door | 2002, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Terborchstraat 10
2 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
ZWOLLE, — hoek Statlonsw
en Van Nagelstraat
ÏD 51
{Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
Ansichtkaart hoek Stationweg en Van Nagellstraat
Poststempel 14 november 1911
‘Eerwaarde Broeder,
Uw brief hebben we Zaterdag in goede gezondheid
ontvangen en met genoegen gezien dat U het ook
goed maakt, maar druk. Nu zoo gaat het mij ook,
van den morgen tot de avond bezet. G. Meijnders is
Zaterdagavond nog een poosje hier geweest, hij is al
druk voor St. Nicolaas. Met den H.E. Heer Deken
aan het hoofd is hier een comité gevormd om Z.E.
Kardinaal v.Rosschum een huldeblijk aan te bieden.
Ook de Heeren Geestelijken uit Zw. geboren met de
Proost Deken Mulder van Wolvega hebben zooiets
op touw gezet.
Nu Heer broer de hartelijke groeten van Vader en
Moederen van Uw Zus Anna.’
Jarenlang was Wilhelmus Marinus van Rossum de
trots van katholiek Zwolle. Deze in 1854 geboren
Zwollenaar maakte een indrukwekkende kerkelijke
loopbaan met als bijzonder hoogtepunt de
benoeming tot kardinaal door paus Pius X in
november 1911. Deze eer was slechts twee Nederlanders
te beurt gevallen en de laatste keer was bijna
vier eeuwen geleden. In Zwolle werd deze
heuglijke benoeming onder meer gevierd met een
plechtig lof en een feestpredikatie in de Dominicanenkerk.
In de ansicht wordt, met verkeerd gespelde
naam van de kersverse kardinaal, aan de
voorbereiding van deze huldeblijken gerefereerd.
De genoemde geestelijke Mulder, proostdeken
van Wolvega, was een boerenzoon uit Wijthmen.
De Van Nagellstraat (met dubbel 1) was in het
begin van de twintigste eeuw een nieuwe straat, de
meeste huizen zijn er gesierd met fraaie Jugendstil-
tegeltableau’s. Het gebied waar de straat werd
aangelegd was voordien eigendom van de familie
Van Nagell.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
In deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift
speelt de negentiende eeuw een belangrijke
rol.
Maria Hansen beschrijft het korte leven van
een meisje ‘van stand’, Sophie van Haersolte.
Ondanks haar zwakke gezondheid nam zij deel
aan uitjes naar familie, en, juist ter verbetering van
haar gesteldheid, maakte zij reizen naar het buitenland.
Vader Johan Christiaan, lid van de Tweede
Kamer, liet niets achterwege om haar de beste
verzorging te geven. Het mocht niet baten: op 35-
jarige leeftijd werd zij op Bergklooster begraven.
Een van de fraaiste straten in Zwolle is de Terborchstraat.
Theo de Boer beschrijft het pand
waarin hij zelf tot voor kort woonde en als antiquaar
gevestigd was: Terborchstraat 10. Hij beschrijft
tevens het ontstaan van de straat. De succesvolle
architect Steven Trooster was verantwoordelijk
voor deze imposante villa, een ‘plaatje’
in de stijl van de neorenaissance. De Boer begon al
met het pand in oude luister te herstellen, de nieuwe
eigenaar, makelaar Chris van Beek, zal dit voltooien.
Jan ten Hove zet in zijn artikel uiteen hoe het
nieuwe standaardwerk over de Zwolse geschiedenis
opgezet wordt en hoe de vorderingen zijn. Hij
geeft nu al vast de feiten rond een paar Zwolse
eigenaardigheden weer, nl. de verklaring van de
Zwolse blauwvingers en, zoals hij het noemt, de
Hanzemythe. Het geeft aan hoe elke tijd de
geschiedenis gebruikt om de stad er zo voordelig
dan wel roemrijk mogelijk uit naar voren te laten
komen.
In december 2000 wilde Wim Coster informatie
over een dienstmakker van zijn opa. Wat zijn
oproep opleverde, kunt u in dit nummer lezen.
Feestelijkheden van katholiek Zwolle komen
aan bod bij de beschrijving van de ansichtkaart en
in de bespreking van het boek Carnaval in Zwolle.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een oubaas,
een bottendokter en een antiquaar Theo de Boer 40
Een nieuwe Geschiedenis van Zwolle Jan ten Hove 56
Een ‘redelyk zoet’meisje, Sophia Cornelia
baronesse van Haersolte, 1838-1873 Maria L. Hansen 62
Werd vervolgd: Een oude dienstmakker Wim Coster 73
Recent verschenen Marieke Schaap-Steegmans 75
Boekbesprekingen 77
Mededelingen 80
Auteurs 82
Omslag: Terborchstraat 10-12, een zeer rijk pand in neorenaissancestijl en het
enige in de Terborchstraat dat zowel van binnen (nr. 10) als van buiten nog veel
originele stijlelementen bevat. (Collectie HCO)
40 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Terborchstraat 10: over een likeurstoker, een
oubaas, een bottendokter en een antiquaar
Theo de Boer
Plattegrond van Zwolle
uit de Atlas van Kun,
1845. Er is nog nauwelijks
sprake van bebouwing
buiten de stadsgracht.
De huidige Stationswijk
heette toen de
‘Landen achter de
Hoven’. Duidelijk valt
het hoornwerk te onderscheiden,
een verdedigingswerk
in de vorm
van een ‘M’, gelegen
waar nu de Van Karnebeekstraat,
de Zuiderkerkstraat
en de Zeven
Alleetjes lopen. (Particuliere
collectie)
In 1850 was Zwolle een kleine provinciestad. De
bebouwing bevond zich nog grotendeels binnen
de grachtengordel. Het kaartbeeld uit die
tijd verschilt maar weinig van de vroegste kaart
van Zwolle, rond 1560 getekend door Jacob van
Deventer. Al die tijd had het leven zich binnen de
grachten afgespeeld. Daarbuiten woonden alleen
boeren en tuinders.
De ‘uitleg’ van de stad begon rond 1860. Met
de aanleg van Assendorp werd een begin gemaakt.
Daartoe was al in 1861 de Sassenpoortenbrug verbeterd
door de bekende Zwolse aannemer B.H.
Trooster. Notabelen begonnen aan de overkant
van de stadsgracht, de huidige Van Roijensingel,
fraaie villa’s te bouwen. Omstreeks dezelfde tijd,
in 1864, kreeg Zwolle zijn station; toen nog een
houten gebouwtje bij de Willemsvaart, ver buiten
de bebouwde kom gelegen. Dit stationnetje bleek
al snel te klein. In 1868 verrees een nieuw emplacement,
gelegen op de huidige locatie en gebouwd
volgens de eisen van de hoogste bouwklasse van de
spoorwegen. De aanwezigheid van dit station gaf
een enorme impuls aan de ontwikkeling van de
daar in de buurt gelegen wijken. De Stationsstraat
werd na de gereedkoming van het station aangelegd
als eerste verbinding tussen station en het
stadshart. Straten waren daar verder nog nauwelijks:
van de Terborchstraat valt in deze tijd nog
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
niets te bespeuren. Enkele straten bestonden al
wel: de Zeven Alleetjes (welke indertijd een wandelplaats
was voor de binnenstadsbewoners,
beplant met zeven niet even lange rijen lindebomen);
de Deventer Dwarsstraat (de huidige Zuiderkerkstraat)
en de Achtersteeg (de huidige
Tuinstraat). De directe omgeving van de huidige
Terborchstraat heette Hertenkamp. De naam van
de huidige Hertenstraat is hier nog een verwijzing
naar. Het terrein ten zuiden van de gracht, de huidige
Stationswijk, heette oorspronkelijk de ‘Landen
achter de Hoven’, zoals op een kaart uit 1845 is
te zien. Duidelijk valt daarop het ‘hoornwerk’ te
onderscheiden, één van de twee voorwerken welke
Zwolle rijk is geweest. Een hoornwerk was een
zeventiende-eeuws verdedigingswerk gelegen buiten
de ommuring en stadsgracht in de vorm van
een ‘M’. Deze ‘M’ is nu nog terug te vinden in de
loop van de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat
en de Zeven Alleetjes. In 1875 werd een plan
voor een nieuwe wijk tussen station en stadscentrum
getekend door de Zwolse stadsarchitect J.L.
van Essen. Dit plan werd later uitgebreid doordat
er de Van Nagellstraat en de Hertenstraat aan toe-
Opname halverwege de
Terborchstraat, vanaf
de kant van het station.’
Omstreeks 1885. Het
pand 10-12 is nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
Al een zeer herkenbare
Terborchstraat,
omstreeks 1885, gefotografeerd
vanaf de kant
van het station. Het eerste
pand links in de
straat, met overdekte
veranda, is Terborchstraat
22. De nummers
10-12 zijn nog niet
gebouwd. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Steven H.J. Trooster
(1849-1910) in 1885.
(Particuliere collectie)
gevoegd zijn. Het was een gedurfd project, waar de
veemarkt direct naast de spoorbaan geprojecteerd
werd.
Aanleg Terborchstraat
In 1882 werd een tweede straat tussen de inmiddels
grotendeels bebouwde gracht en het station aangelegd:
de huidige Terborchstraat. Deze straat was
het verlengde van de Zeven Alleetjes. Enkele Zwolse
gemeenteraadsleden maakten zich zorgen dat de
aanleg van de nieuwe straten, waaronder de Terborchstraat,
tot een financieel debacle zou leiden.
De discussie in de gemeenteraad getuigt hiervan.
De architect had de kosten in 1880 begroot op
13.163,- gulden bij een breedte van 12 meter en
inclusief aanschaf van de grond, welke nog van het
Weeshuis verworven moest worden. Het college
zag wel heil in de aanleg en vermoedde dat er snel
bebouwing zou plaatsvinden, met name van burgerwoonhuizen.
Mr. J. Gratama, lid van de Zwolse
gemeenteraad, was een van de weinige gemeenteraadsleden
met een vooruitziende blik. Hij
betoonde zich een groot voorstander van de aan te
leggen straat: ‘Overal breiden zich de steden bij de
stations uit, de bevolking verplaatst zich bij voorkeur
naar den omtrek van stationsgebouwen’. Ook
de heer J.H. Schellwald was een voorstander: ‘Dat
zal een kalme aangename binnenweg zijn, in het
klein gelijk aan de Stationsweg’ en spreker hoopte
dan ook, dat er enige villa’s zullen worden
geplaatst. Hij achtte het tot stand komen ‘van den
weg bepaald een verbetering voor de Gemeente’.
Mr. G. Roijer was een van de tegenstanders, hij
beargumenteerde dat: ‘… de grond bij het station
daar jaren heeft gelegen voor hij kopers vond…
Wellicht wakkert de lust aan [! ]’. Uiteindelijk werd
het voorstel met dertien tegen vier stemmen aangenomen.
Dit alles speelde zich in het voorjaar van
1880 af. In oktober 1881 werd én het plan voor de
riolering én het bestek goedgekeurd en in 1882 kon
de nieuwe straat aangelegd worden. De straat werd
vernoemd naar de vermaarde zeventiende-eeuwse
Zwolse schilder Gerard Terborch. ‘Gerard Terborchlaan’
zou een betere benaming zijn geweest:
de straat werd omzoomd door lommerrijke
bomen en was bijzonder rustig gelegen tussen het
station en het stadshart. Uiteindelijk heeft de heer
Schellwald gelijk gekregen en werden de villa’s
gebouwd. Anno 2001 staan er nog steeds aan beide
zijden bomen: in de winter klimmen de boomklevers
hierin omhoog en in het voorjaar broeden de
pimpel- en koolmezen in nestkastjes. In 1864
woonden er 20.500 mensen in Zwolle, anno 2001
meer dan 105.000; de Terborchstraat heeft als één
van de weinige haar originele karakter behouden.
De gevels van bijna alle panden zijn nagenoeg
identiek aan de oorspronkelijke gevels. De meeste
huizen zijn tussen 1880 en 1890 gebouwd; alleen het
pand met de huisnummers 9-11 dateert uit 1914 en
nummer 17 dateert uit 1924. De aarde die eerst
woest en ledig was, zou omgetoverd worden tot de
‘doktersstroate’ van Zwolle. Een plattegrond van
Zwolle uit 1904, waar de gehele Stationswijk op
staat, geeft al bijna, op de genoemde latere panden
na, de huidige situatie weer.
ZWOLLE
Frillikutil.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
De architect
De architect van Terborchstraat 10 is Stephanus
Hermannus Joseph Trooster, roepnaam Steven.
Steven Trooster werd geboren te Zwolle op 22
december 1849 e n is overleden te Utrecht op 26
november 1910. Hij was een zoon van de boven al
genoemde bekende Zwolse aannemer, beter
gezegd projectontwikkelaar avant la lettre, Bernardus
H. Trooster. Over Bernardus is in 2000 in
dit tijdschrift een uitgebreid en aardig artikel verschenen
van de hand van een nazaat. De eerste
levensjaren van Steven zullen wel onbekommerd
zijn geweest daar zijn vader, toen nog, een bemiddeld
man was. Regelmatig verhuisde het gezin
Trooster naar één van de door Bernardus nieuw
gebouwde huizen. Het tot dan bewoonde pand
werd vervolgens, met de nodige winst, verkocht.
Over de opleiding van Steven tot architect is niets
Bouwtekening van het
vooraanzicht van Terborchstraat
10-12 van de
hand van de architect,
Steven J.H. Trooster.
(Collectie HCO)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plan van de bei-etage
van Terborchstraat 10-
12 van de hand van de
architect, Steven J.H.
Trooster. (Collectie
HCO)
concreets bekend, maar vermoedelijk heeft de
zoon het vak van zijn vader geleerd en daarnaast
gestudeerd. Zijn eerste bouwwerk dateert uit 1872,
een verbouwing van een huis aan de Zeven Alleetjes.
In 1881 trouwt Steven met Cornelia Maria
Kamphuis uit Zaandam, de dochter van een welgestelde
familie van houtkopers. Vader Trooster
ging in 1883 failliet. Steven stond zowel zijn vader
als zijn beide broers Bernard Jr. en Martinus
financieel bij. Dit moet een behoorlijke belasting
voor hem betekend hebben; het vermogen dat hij
desondanks bezat is vermoedelijk voor een groot
gedeelte afkomstig geweest van zijn schoonfamilie.
Want Trooster was op het eind van zijn leven
geenszins een onbemiddeld man, hetgeen duidelijk
blijkt uit de akte van scheiding en deling na
zijn overlijden in 1910. Hij liet zijn vrouw de volgende
onroerende zaken, ter waarde van circa
135.000,- gulden, na: vijf huizen in de Terborchstraat;
tien huizen in de Celestraat; de steenfabriek
‘De Koppel’ te Houten en een bouwterrein aan het
Wilhelminapark te Utrecht.
Troosters werk
Architect Trooster was in Zwolle zeer succesvol en
bouwde in de tachtiger en negentiger jaren tal van
imposante villa’s. Bijna al zijn ontwerpen zijn in
de neorenaissancestijl, een stijl die jarenlang verfoeid
is, maar die tegenwoordig meer en meer
erkenning begint te krijgen.
Panden die hij naast de huizen in de Terborchstraat
ontworpen heeft zijn onder meer:
1882 Het Bestevaershofje, Potgietersingel 5 (nu
Monuta Stichting);
1883 De villa van wijnhandelaar J.F.G. van Reede,
Burgemeester van Roijensingel 18 (nu:
Bramer Bedrijfsmakelaardij);
1884 Ter Pelkwijkpark 18, het voormalig gemeentehuis
van Zwollerkerspel (nu
uitvaartcentrum);
1883 Stationsweg 2. In dit pand is geruime tijd
het Kadaster gehuisvest geweest. In de
nieuwe behuizing van het Kadaster op het
Hanzeland hangt achter de publieksbalie
een zeer fraaie aquarel van Stationsweg 2
van de hand van Trooster.
1889 De Buitensociëteit. Bij de opening van de
Buitensociëteit tegenover het station
schreef het tijdschrift De Opmerker op 8
februari 1890: ‘Dezer dagen werd te Zwolle
de nieuwe concertzaal van de Buitensociëteit
feestelijk ingewijd. De geringe beschikbare
middelen waren oorzaak dat bij den
bouw de grootste economie moest worden
betracht. Toch is het den architect, den
heer S.J.H. Trooster, gelukt een gebouw te
stichten dat blijkens de eenstemmige getuigenis
in alle opzichten aan de verwachting
beantwoordt. Aan het slot van de rede viel
den architect een warme ovatie ten deel’.
Ongetwijfeld heeft Trooster meer panden ontworpen
in Zwolle. Hij genoot ook landelijke
bekendheid. De man moet een goed katholiek
geweest zijn, hetgeen blijkt uit de aanpassingen
van het priesterkoor, de kapellen en catechisatieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
lokaal en -kamer in 1888 en 1889 van de Onze-Lieve-
Vrouwe Kerk (de Peperbus), die hij heeft
mogen realiseren.
Troosters visie
In 1895 werd Trooster gekozen in de Zwolse
gemeenteraad. Hij blijkt wederom een man van
grote sociale gevoelens, nu niet alleen voor zijn
armlastige familieleden maar in het bijzonder
voor de arbeidende klasse. Trooster staat namelijk
aan de wieg van de eerste bouwverordening in
Zwolle. Hij had in de gemeenteraad verreweg de
modernste ideeën over het bouwen voor ‘Jan met
de Pet’. Gedurende het gehele jaar 1897 weerde
Trooster zich dapper om zijn opvattingen over
bredere straten, grotere huizen, hogere huizen en
huizen met plafonds in de bouwverordening te
krijgen. Dit speelde vooral in de nieuwe wijk
Assendorp, gebouwd als echte arbeidersbuurt
voor de ‘spoorhazen’. Helaas, de strijd werd grotendeels
verloren door Trooster. Het college van B
en W kwam met een veel ‘bekrompener’ bouwverordening,
welke in december 1897 werd goedgekeurd.
De handelingen van de Zwolse gemeenteraad
getuigen hiervan:
‘Hij [Trooster] kan zich niet begrijpen, dat
Burgemeester en Wethouders de cijfers van ’t concept
verlagen willen. Bij een hoogte van 3 M. zal
een vertrek van 48 M2, nog niet meer zijn dan 4 bij
4 M, en dat is toch werkelijk niet te veel voor de
woonkamer van een gezin, dat er dan in den regel
nog in slaapt ook en waarin gekookt en gegeten.
Spr. kan het zich niet begrijpen hoe men die afmeting
nog te groot kan noemen. Neem een gezin
van 6 personen: man, vrouw en 4 kinderen, dan
heeft men bij de afmetingen, in het concept aangegeven,
juist 8 M2 per persoon om te wonen en te
slapen. Het is eigenlijk al te klein. Het geeft op verre
na niet wat uit een oogpunt van gezondheid
mag worden geëischt.’
HOLLANDSCHË SOCIËTEIT VAN LEVENSVERZEKERINGEN, Opgericht in ’t jaar 1 8 0 7 te AMSTERDAA
ZWOLLE. ,j X
3 Bank vnn LMnlng.
H BMhlohomneho Kort.
l BroeroDkork.
pgodo
8 Doioliilrctiitir Kloos
K, C. Kort.
O OerecbUbof.
CO Pent’ an TOosnaf kantoer.
81 RUfcf» U. B. School.
3 & n p o o r t ,
ulü.
fU Slaiftm
Btoomtmm.
36 Ht. Ulohnftltitork.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2001, Aflevering 2

Door | 2001, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
itPÓT
OCR
etnanummer: i
Fotografen in Z
• A I ^ – ••’• -I96O
DBDBGHAi
2OO1 NUMMER 2
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
ZVVOLLE
ARCHIEF
96»
Groeten uit Zwolle
Ansichtkaart Luttekestraat – Peperbus
Poststempel 22 mei 1937
Op een zomerse dag verheft de Peperbus zich
majestueus boven de huizen aan het begin van de
Luttekestraat. Stoelen staan uitnodigend klaar op
het dakterras. Hoe dominant de Peperbus ook is,
deze ansichtkaart is gekozen vanwege het pand
Luttekestraat 4-1. Ten tijde van de opname
(ca. 1935) was daar de foto en brillenzaak van Herman
Heukels gevestigd, zoals boven de entree te
lezen valt. Aan de erker hangt een reclamebord
van Kodak. Zowel Herman als zijn broer Jan, ook
fotograaf, keerden na de oorlog niet in Zwolle
terug vanwege hun nazi-sympathieën. Naast de
zaak van Heukels hadden de gezusters Van den
Berg een ‘parapluie magazyn’ genaamd Colombine.
Het pand Luttekestraat 4 vormde eeuwenlang
een geheel met het – niet afgebeelde – hoekpand
(nr. 2) en deed van 1605-1880 dienst als stadswaag.
Het merkwaardige dak van het hoekpand laat ook
nu nog duidelijk zien dat er wat van het dak ‘verdwenen’
is. In 1904 werd nr. 4 in Jugendstil opgetrokken.
De gevel is rijk gedetailleerd. Bij de bouw
kwam de eerste etage op dezelfde hoogte te liggen
als die van het hoekpand, duidelijk hoger dan wat
gangbaar was. Ook dat herinnert nu nog aan de
waagfunctie.
Piet Hekkert, die de kaart ontving, was een
zoon van Bernardus Hekkert, chauffer, en van
Catharina Kluessjen. Als achtjarige ging hij in 1937
op vakantie naar Schiermonnikoog. Zjn ouderlijk
huis stond aan de Ossenmarkt 8a, dus net achter
de afgebeelde huizen. Van daaruit kon hij dagelijks
de Peperbus zien. En omdat hij die als echte
Zwollenaar natuurlijk miste, zal Lien Thalen hem
deze kaart gezonden hebben.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt een forse aflevering van het tijdschrift,
een themanummer gewijd aan de fotografie in
Zwolle sinds zich hier omstreeks 1860 de eerste
fotografen vestigden.
De laatste jaren staat dit medium steeds meer
in de belangstelling. Zo vierde de Fotoclub Zwolle,
voorheen de Zwolse Amateur-Fotografen Vereniging,
in 1994 zijn 100-jarig bestaan met een tentoonstelling
in de Broerenkerk. In 1998 besteedde
het Gemeentearchief Zwolle met een expositie
aandacht aan de amateur-fotograaf Bertus Meulenbelt.
Van 2 juni tot en met 5 augustus 2001 zijn in
het Stedelijk Museum Zwolle drie tentoonstellingen
te zien, waarvan één onder dezelfde titel als dit
themanummer. De andere twee zijn ‘Assendorp,
de geschiedenis van een Zwolse wijk in foto’s’ en
‘Ger Dekkers, Horizons Unlimited’. De eerste
genoemde tentoonstelling is een samenwerkingsproject
tussen het Historisch Centrum Overijssel
(voorheen het Gemeentearchief) en het museum.
Het HCO heeft een grote fotografische collectie,
deels originelen, deels kopieën van originelen. Alle
in dit nummer besproken foto’s, met uitzondering
van die van Aarts Everaarts, bevinden zich in
die collectie.
De samenstelling van dit themanummer is
geheel verzorgd door vier leden van de redactie:
Annèt Bootsma-van Hulten, Lydie van Dijk, Wim
Huijsmans en Jean Streng en één gastredacteur:
Jeanine Otten.
De uitvoering van dit extra dikke nummer
werd mogelijk dankzij een financiële bijdrage van
het HCO.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 38
Van Adrian tot Ziegler, Fotografen in Zwolle 1860-1960
Jeanine Otten 40
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann (1840-1906) Jeanine Otten 48
Gerrit Jacobus Wispelweij (1850-1916) Annèt Bootsma-van Hulten 53
Jan Anthonie Eelsingh (1866-1949) Wim Huijsmans 57
Christoffer Jacobus Josephus Schaepman (1872-1962) Jeanine Otten 61
Pieter Nicolaas Louis Keuzekamp (1890-1964)
Annèt Bootsma-van Hulten 66
Albertus Meulenbelt (1904-1967) Lydie van Dijk 70
AdolfHermanusHenneke (1914-1976) Wim Huijsmans 74
Adrianus Everaarts (1931) Lydie van Dijk 80
Biografisch overzicht Zwolse fotografen 1860-1960 Jeanine Otten 84
Auteurs 90
Omslag: Vispoortenplas, 1893. Een letterlijk en figuurlijk vroege foto van
Wispelweij. De opname werd gemaakt op 10 april 1893 ’s morgens om zeven uur,
belichtingstijd ‘2 seconden bij helder weer’. Lees verder oppaginasó
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
VanAdrian totZiegler
Fotografen in Zwolle 1860-1960
Jeanine Otten Voor de geschiedenis van de fotografie in
Zwolle is de periode 1860-1960 om diverse
redenen interessant. Evenals in andere steden
ontwikkelden zich hier in deze 100 jaar de
beroeps- en de amateur-fotografie en kwamen
beroepsfotografendynastieën voor. Het beroep
werd van vader op zoon en soms op kleinzoon
doorgegeven. Nadat de stad in de jaren 1842-1860
diverse keren werd bezocht door rondtrekkende
daguerreotypisten, vestigden zich hier kort na
1860 de eerste beroepsfotografen. Deze hielden
zich voornamelijk bezig met portretfotografie op
visitekaartformaat en groter. Vanaf omstreeks
1875 werden ook stadsgezichten gefotografeerd.
Deutmann is de enige Zwolse fotograaf die in de
periode 1885-1900 ook historische gebeurtenissen
fotografeerde.
Door diverse ontwikkelingen in de fotografie
werd kort voor 1900 dit medium ook voor amateurs
bereikbaar. Fabrikanten als Wispelweij,
Schaepman en textielhandelaar Remmers maakten
rond 1900 foto’s van hun families en van het
Zwolse straatleven. Na 1900 kwam er een hausse in
het aantal fotografen, zowel beroeps als amateurs.
Het aantal beroepsfotografen in Zwolle bleef
vrij constant tot de wederopbouwperiode na de
Tweede Wereldoorlog. Toen stortte een ‘leger’
van ondernemende winkeliers zich op de fotografie
en de handel in fotografische artikelen. Na 1950
kon bijna iedereen zich een fototoestel permitteren.
Beroepsfotografen maakten niet langer meer
alleen studioportretten of huwelijksreportages,
maar handelden ook in fotoapparatuur. Naast
gespecialiseerde fotohandelaren zien we in Zwolle
overigens al vanaf 1930 winkeliers die naast bijvoorbeeld
tabak of boeken ook fotoapparatuur
verkochten en achterin de zaak pasfoto’s maakten.
Ook ontwikkelde het merendeel van de amateurfotografen
niet langer zelf de negatieven maar
bracht ze naar de fotohandel die voor de afdrukken
zorgde. Omstreeks 1960 was dit allemaal
gewoon en massaal geworden.
Fotocollecties Historisch Centrum Overijssel
Uit de grote hoeveelheid fotografen in Zwolle die
tussen 1860 en 1960 werkzaam zijn geweest wordt
in de volgende pagina’s een beperkt aantal nader
belicht. Van een achttal fotografen, vijf beroeps en
drie amateurs, zijn foto’s geselecteerd. Gekozen is
voor die fotografen die belangrijk zijn geweest
voor de geschiedenis en / of ontwikkeling van de
beroeps- en amateur-fotografie in Zwolle in de
periode 1860-1960. Uitgangspunt hierbij was, met
uitzondering van de collectie Everaarts, de aanwezigheid
van hun werk in de fotocollectie van het
Gemeentearchief Zwolle, sinds maart 2001 gefuseerd
met het Rijksarchief in Overijssel in het Historisch
Centrum Overijssel (HCO).
In de collecties van het HCO speelt de fotografie
vooral een documentaire rol. De fotocollectie is
onderdeel van de Topografisch-Historische Atlas
Zwolle, de. verzameling die door middel van kaarten,
prenten, tekeningen, foto’s, dia’s, affiches en
prentbriefkaarten de geschiedenis van de stad in
beeld brengt. De doelstelling van deze verzameling
brengt met zich mee dat voor de foto als louter
artistiek medium geen plaats is ingeruimd. Dat
wil zeggen, het HCO verzamelt geen fotografie als
individueel kunstwerk. In de fotocollectie Zwolle
bevinden zich ca. 17.000 foto’s van Zwolse straten
en gebouwen en ca. 20.000 foto’s van historische
gebeurtenissen, personen en afbeeldingen van het
maatschappelijk leven in Zwolle. De foto’s worden
gebruikt bij historisch onderzoek, als illustratie
in diverse publicaties, als referentie bij verbouwingen
en restauraties, als nostalgische herinnering,
enzovoorts.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De daguerreotypisten
In 1842 maakte Zwolle voor het eerst kennis met
de fotografie, vijfjaar na de uitvinding van de daguerreotypie
(1837) door L.J.M. Daguerre (1787-
1851) en drie jaar na de bekendmaking van de
methode (1839). In 1839 kocht de Franse regering
het door Daguerre gevonden procédé en bood het
als geschenk aan de hele wereld aan, op grond
waarvan 1839 wel als ‘geboortejaar’ van de fotografie
beschouwd wordt. De daguerreotypie
behoort met de calotypie tot de vroegste fotografische
techniek. Een gepolijste koperen plaat werd
voorzien van een dun laagje zilver dat lichtgevoelig
werd gemaakt door chemische reactie met jodium-
en broomdampen. De plaat werd daarna in
de camera geplaatst en belicht. Het beeld werd
ontwikkeld met kwikdamp. Het kwik hechtte zich
alleen aan de zilverdeeltjes waarop licht had ingewerkt
en vormde zo een beeld. Omdat een negatief
ontbreekt waarvan afdrukken gemaakt kunnen
worden, zijn daguerreotypieën unicaten. Een daguerreotypie
kenmerkt zich door een hevig spiegelend
oppervlak, waardoor de afbeelding alleen
onder een bepaalde hoek bekeken kan worden.
Gewoonlijk zijn daguerreotypieën in een etui of in
een lijstje geplaatst.
Auvry
Op 23 augustus 1842 adverteerde de rondreizende
Franse daguerreotypist Auvry iri de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant dat hij in 30
seconden portretten ‘au Daguerreotype’ maakte.
De gelijkenis was ‘onfeilbaar’. Auvry verbleef te
Zwolle in Café Belle Vue. Dit etablissement werd
gedreven door H.G. Breyinck (1796-1881), koffiehuishouder,
en was gevestigd in de Praubstraat
16-18. Breyinck heeft aan diverse rondreizende
fotografen onderdak geboden. Misschien had hij
een speciale belangstelling voor fotografie want we
komen ook tentoonstellingen en veilingen van
fotografieën in Café Belle Vue tegen.
Auvry was de eerste van een groep rondreizende
fotografen die op hun tochten door Nederland
ook Zwolle aandeden. Deze fotografen werkten,
net als Auvry, in logementen of bij winkeliers en
richtten daar een tijdelijk atelier in. In die eerste
jaren van de fotografie zullen ze niet veel klanten
hebben gehad. Voor een portret moest men al
gauw tien gulden betalen, in die tijd een tamelijk
hoge prijs zodat alleen de gegoede burgerij zich
een fotografisch portret kon veroorloven.
Fotograaf op de Grote
Markt, omstreeks 1930.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In de maanden november 1842 tot februari
1843 was de reizende daguerreotypist Jacobus P. C.
Meijlink (1820 -1862) werkzaam in Zwolle. Aanvankelijk
was hij van plan acht dagen in Zwolle te
blijven, zo bleek uit zijn advertentie. Hij maakte in
één minuut daguerreotype portretten ‘naar de
volmaaktste gelijkenis’. Van ’s morgens tien tot
’s middags vier uur werkte hij in Odéon, ingang
Praubstraat. De prijzen van zijn daguerreotypieën
varieerden tussen de vier en zes gulden. Meijlink
verhuisde in de jaren vijftig naar Amerika waar hij
het beroep van fotograaf voortzette. Vanuit Amerika
zond hij zijn familie in Nederland een stereoscopisch
zelfportret in daguerreotypie. Dit bijzondere
zelfportretje is nog steeds in familiebezit.
Auvry en Meijlink werden gevolgd door andere
daguerreotypisten zoals A. Perin in 1843 en de
familie Guyard in 1844.
Het lijkt er op alsof er na 1844 geen rondreizende
daguerreotypisten meer waren die Zwolle
aandeden. Pas in 1859 vinden we een vermelding
van de rondreizende fotograaf Désiré Bernard.
Deze was kort in Zwolle werkzaam: gedurende
twee dagen vervaardigde hij fotoportretten bij
gegadigden aan huis. Hij hield verblijf bij Van der
Mook op de Grote Markt.
In 1861 bevond fotograaf L.R. van den Braak
zich tot twee keer toe tijdelijk in Zwolle om portretten
te maken. Zijn atelier was op de Oude Vismarkt,
tegenover J.W. Holtkamp.
Met de komst van veranderende fototechnieken
kwam omstreeks die tijd een einde aan de vervaardiging
van daguerreotypieën.
De camera obscura en stereoscopische opnamen
Op 30 juli 1852 kon men de camera obscura van
D. Kinsbergen bewonderen op het Rodetorenplein.
De camera obscura (Latijn voor donkere
kamer) is een voorloper van de toverlantaarn. Het
is een optisch toestel dat in beginsel bestaat uit een
lichtdichte ruimte waarin een beeld gevormd
wordt door een klein gaatje in een positieve lens.
Het principe van de camera obscura wordt teruggevonden
in fotocamera’s en filmcamera’s. Oorspronkelijk
werd het toestel gebruikt voor het
waarnemen van zonsverduisteringen, als hulpmiddel
bij het tekenen en als amusementsartikel.
Behalve de cartes-de-visite, de fotoportretjes
op visitekaartformaat (6×9 cm) die vanaf 1860
een ware rage werden, mochten ook stereoscopische
opnamen zich in een warme belangstelling
van het publiek verheugen. Door de dubbele
opname met een speciale kijker te bekijken vallen
de twee beelden in het oog ineen en krijgt men een
suggestie van diepte. Op de zomerkermis in 1860
bevond zich in een tent op de Nieuw Markt het
‘groot Nieuw Museum van Amerikaansche Stereoskoopen’.
In de collectie van het HCO bevinden
zich repro-afdrukken van stereoscopische
opnamen uit omstreeks 1895 van Zwolse stadsgezichten
en kerkinterieurs door amateur-fotograaf
Gerrit Wispelweij.
Het visitekaartportret
Tussen ca. 1855 en ca. 1870 was op het gebied van
portretfotografie de albuminedruk op visitekaartformaat,
afgedrukt van natte-collodiumglasnegatieven,
de populaire fotografische techniek. Het
visitekaartportret was ontwikkeld in Frankrijk.
Het was een relatief goedkope techniek, er konden
acht afdrukken uit een negatiefplaat, terwijl daarvoor
één portret per negatiefplaat gemaakt kon
worden. Visitekaartportretten werden aan relaties
gegeven ter vervanging van het gedrukte visitekaartje.
Omstreeks 1870 kostte een dozijn visitekaartportretten
één gulden. Er waren speciale
albums te koop om de portretjes in te verzamelen.
Rond 1870 ontstond naast het visitekaartportret
het grotere kabinetportret (11 x 16 cm). Deze duurdere
foto was meer bedoeld voor de gegoede burgerij.
Een hele verbetering in de fotografische techniek
vormde de in 1871 uitgevonden droge negatiefplaat,
die aan het eind van de jaren zeventig
fabrieksmatig werd geproduceerd. Fotografen
hoefden nu niet langer direct voor gebruik hun
platen te prepareren en te belichten voor het collodium
droog was, maar konden nu met een aantal
glasnegatieven op pad om bijvoorbeeld stadsgezichten
vast te leggen.
Kunstschilders
Een aantal beroepsfotografen zoals J.P.C. Meijlink,
F.W.H. Deutmann, G.J. Verhulst en J.A. EelZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
singh, was oorspronkelijk kunstschilder. Onder
druk van de dreigende concurrentie van de portretfotografie
schoolden zij zich om tot portretfotograaf.
Hun vaardigheden als schilder zullen te
pas zijn gekomen bij het schilderen van de achtergronddecors
in hun ateliers. Verder waren hun
ateliers gestoffeerd met draperieën, zuilen, tapijten
en diverse bankjes, hekjes, stoelen en tafeltjes.
Omdat de geportretteerden bij de toen gangbare
sluitertijden langdurig stil moesten zitten of staan,
waren er in het atelier ook diverse klemmen en
steunen aanwezig (soms onbedoeld zichtbaar op
de fotoafdruk). Kinderen mochten met een hobbelpaardje,
een pop of een hond op de foto. Baby’s
werden op schapen- of luipaardvellen gelegd.
Sommige afdrukken werden nog mooier gemaakt
met een mee afgedrukt lijstje van droogbloemen.
Na de eeuwwisseling liep de klassieke portretfotografie
langzaam ten einde. Na 1900 daalden de
prijzen van portretfoto’s nogal. In 1900 kostten zes
albumfoto’s nog één gulden, in 1915 kon men al
twaalf grote foto’s voor een kwartje krijgen. Een
nieuwigheid eind november 1912 was de kinosnel-
fotografie inrichting in Bioscoop De Kroon
aan de Diezerstraat. Twee kamers waren voor het
publiek ingericht. De klanten werden op een
bankje gezet waarna een fotograaf met behulp van
een magnesium-fiits een opname maakte. Een
machine vermenigvuldigde de afdrukken, een
dozijn foto’s kostte een kwartje. Die kon men al
een dag na de opname ophalen.
Beroepsfotografenfamilies
De eerste beroepsfotografen die langdurig in
Zwolle werkten, waren vader Mozes (1822-1899)
en zoon Abraham Cohen (1848-1923). Bij zijn
huwelijk in 1846 was de uit Hasselt afkomstige
Mozes Cohen nog koopman van beroep, in 1860
noemde hij zich ‘photograaph’.
In januari 1862 begonnen Cohen & Cie. in een
‘welingerichte’ verwarmde glazen tent in de Diezerstraat.
Ze hoopten ‘met een talrijk bezoek vereerd
te worden, daar zij niets hebben gespaard,
om hun Atelier zoo veel mogelijk luister bij te zetten’.
De Cohens namen zich voor zich hoofdzakelijk
toe te leggen op het vervaardigen van visitekaarten
‘welke voor in de grootste steden vervaardigde
in sieraad niet behoeven achter te staan, het
dozijn a 6 gulden’. Ook zouden zij zich voortaan
onledig houden met het vervaardigen van portretten
op glas vanaf 50 cent en hoger. Tijdens de kermis
van eind juli, begin augustus 1862 kostten
Cohens fotografische portretten op visitekaartformaat
5,50 gulden per dozijn ‘zeer verminderde
prijs tijdens de kermis!’. Blijkens advertenties was
het fotografisch atelier nog in 1868 in de Diezerstraat
bij de Broerenstraat.
Uit het adresboek 1877-1878 en een advertentie
in de catalogus van de Geschiedkundige Overijsselsche
Tentoonstelling in Zwolle uit 1882 blijkt
dat Mozes Cohen vanaf 1877 een atelier in de
Nieuwstraat (bij de Broerenstraat) had waar vergrotingen
naar albumportretten, glasplaten, in
alle afmetingen tot levensgroot ‘zeer kunstmatig
bewerkt’ werden aangenomen. Het atelier was
dagelijks geopend.
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann (1840-1906)
was de zoon van Franz Wilhelm Deutmann (1808-
1895), een uit Duitsland afkomstige schrijnwerker,
rondreizend koopman, reizend fotograaf en een
van de eerste vakfotografen in Amsterdam met
een eigen zaak. F.W.H.’s zoon H.F.J.M. (1870 –
1925) zou het in Den Haag tot hoffotograaf brengen.
In Amsterdam bestierde F.W.H, vanaf 1850
het atelier van zijn vader in de Hartenstraat.
In 1865 vestigde Franz W.H. Deutmann zich in
Zwolle. Aanvankelijk werkte hij in een fotografisch
atelier in de Bitterstraat tegenover de Roggenstraat,
tegenover de school van het Nut. Waarschijnlijk
had Deutmann dit atelier overgenomen
van fotograaf G. Hoogwinkel die blijkens een
advertentie op 4 juni 1864 hier gevestigd was.
G. Hoogwinkel had volgens deze advertentie
tevens een atelier in de Hoogstraat te Rotterdam.
Over Hoogwinkel zijn verder geen gegevens
bekend. Uit een advertentie in 1867 blijkt dat het
atelier van Deutmann in de Bitterstraat dagelijks
geopend was van 10 tot 4 uur, zondags van 10 tot 2
uur. Een dozijn albumportretten kostte 5 gulden.
Hiermee was Deutmann duurder dan concurrent
Mozes Cohen, die op dezelfde krantenpagina
adverteerde met 3,50 gulden voor een dozijn
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
albumportretten. Later, het jaar is niet met zekerheid
vast te stellen, richtte Deutmann een atelier
in in de Kamperstraat 9. Volgens een advertentie
in het Zwolse adresboek 1877-1878 vroeg Deutmann
(atelier Kamperstraat) in dat jaar 4 gulden
voor een dozijn visitekaarten, en 6 gulden voor zes
portretten op kabinetformaat. Tevens konden
artistieke vergrotingen van elk bestaand portret
van overledenen, in alle afmetingen tot levensgroot,
gemaakt worden. Het procédé was kooldruk,
een ‘nieuw, onveranderlijk procédé, te
Parijs, Amsterdam en Berlijn bekroond’.
Deutmann werkte met het natte-collodionprocédé,
een techniek die in Nederland vanaf ca.
1855 tot ongeveer 1880 in gebruik was. Bij deze
techniek moest snel gewerkt worden. Op een glasplaat
werd een laag collodion aangebracht waarin
kaliumjodide was opgelost. Voor de opname werd
de plaat gedompeld in een oplossing van zilvernitraat
in water. De belichting diende te gebeuren
terwijl de plaat nog nat was, waarna onmiddellijk
moest worden ontwikkeld en gefixeerd. Door uitdrogen
van de plaat zouden de zilverzouten uitkristalliseren
en zou het collodion minder doorlaatbaar
worden voor de ontwikkelvloeistof. Natte-
collodiumglasnegatieven werden vaak afgedrukt
op albuminepapier. Daarnaast maakte hij
ook afdrukken door middel van platinadruk en
kooldruk.
Vanaf ca. 1875 tot 1900 fotografeerde Deutmann
behalve personen in zijn atelier ook buiten
op straat. Foto’s van Zwolse stadsgezichten verkocht
hij op kabinetformaat, geplakt op kartons
met zijn adres. Deze foto’s werden in 1882 voor 75
cent per stuk verkocht in de boekhandel van
J.M.W. Waanders. In de collectie van het HCO
bevinden zich drie fotoalbums van Waanders, met
in totaal 221 foto’s op prentbriefkaartformaat,
gemaakt tussen ca. 1875 en 1900. Namen van fotografen
worden niet genoemd. De albums zijn een
soort zichtcatalogus waaruit men fotoafdrukken
kon nabestellen. Op een aantal foto’s staat
geschreven dat ze niet meer voorhanden zijn.
Door de foto’s in de albums te vergelijken met de
foto’s met adres van de fotograaf is van een aantal
opnamen met zekerheid vast te stellen dat deze
door Deutmann zijn gemaakt. Ook van fotograaf
Johan G. Lubbers (1849-1923) en fotograaf H.W.
Nieuwenhuis te Apeldoorn zijn zowel kabinetfoto’s
met adres als dezelfde foto’s in een van de
albums van Waanders aanwezig. Sommige foto’s
in de albums blijken ook als prentbriefkaart voor
te komen en zijn rond 1900 uitgegeven door
Waanders te Zwolle en door Joh. Schaeffer te
Amsterdam.
Behalve portretten en stadsgezichten maakte
Deutmann ook opnamen van historische gebeurtenissen.
Zo fotografeerde hij op 8 augustus 1886
de ballonvaart van kapitein Julhes vanaf het terrein
van de gasfabriek op het Noordereiland. Van
2 tot 5 september 1895 maakte hij opnamen van
het bezoek van de koninginnen Emma en Wilhelmina
aan Zwolle en op 31 augustus en 1 september
1898 fotografeerde hij in Zwolle de optochten en
versieringen tijdens de feesten ter gelegenheid van
de kroning van Wilhelmina. Deze foto’s werden in
september 1898 in de formaten 17 x 23 cm en 12 x 17
cm in de boekhandel van Waanders tentoongesteld
en kostten tussen de 75 cent en 1,50 gulden.
Van de werkzaamheden aan de Willemsvaart
in het kader van de verbetering van de waterweg
van Zwolle naar de Zuiderzee maakte Deutmann
in 1878 een prachtige serie foto’s (o.a. aanwezig in
de collectie van het Stedelijk Museum Zwolle en
de Bibliotheek van de Technische Universiteit
Delft).
Robert en Franz Ziegler
In 1905 nam de eveneens als Deutmann uit Duitsland
afkomstige Robert Ziegler (geb. 1865) het atelier
van Deutmann aan de Kamperstraat 9 over.
Robert Ziegler was vooral portretfotograaf. In 1912
verhuisde Ziegler naar het atelier van Jan Eelsingh
aan de Nieuwe Markt 9. Het fotografisch atelier
aan de Nieuwe Markt 9 is bijna honderd jaar lang
onafgebroken in handen van fotografen geweest.
Eelsingh had hier van 1898 tot 1912 zijn atelier. Bij
zijn vertrek naar Den Haag in 1929 deed Robert
Ziegler het atelier, inclusief alle bestaande negatieven,
over aan de Zwolse fotograaf Ulrich Roosdorp
die er tot 1939 zou werken. Vanaf 1939 tot
1989 was de fotozaak van vader Dirk en zoon Aart
Everaarts hier gevestigd. De gewoonte om negatievencollecties
aan de volgende fotograaf door te
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
geven blijkt uit de mondelinge overlevering dat in
1989 nog negatieven van Ziegler aanwezig waren.
Helaas zijn bij de opdoeking van het atelier in 1989
de negatievencollecties bij gebrek aan belangstelling
verloren gegaan. In de jaren negentig kreeg
het pand Nieuwe Markt 9 een andere bestemming.
Robert Zieglers zoon Franz (1893-1939) vertrok in
1911 naar Duitsland om het vak te leren. In 1916
werd hij lid van de Zwolsche Amateur-Fotografen
Vereeniging (ZAFV). Hij ontpopte zich al snel als
de stuwende kracht achter de ZAFV. Hij gaf de
leden deskundig advies en schonk aandacht aan
moderne stromingen binnen de fotografie. In 1919
richtte Franz Ziegler in Enschede een fotoclub op,
in hetzelfde jaar werkte hij in Den Haag twee
weken bij kunstschilder en fotograaf Henri Berssenbrugge.
In 1927 vertrok Franz Ziegler vanuit
Zwolle naar Den Haag en nam daar het atelier van
de in 1925 overleden H.F.J.M. Deutmann (zoon
van F.W.H.) over. In 1929 mocht hij zich, evenals
H.F.J.M. Deutmann, officieel hoffotograaf noemen.
Jan en Wim Eelsingh
Jan Anthonie Eelsingh (1866-1949) vestigde zich
omstreeks 1898 als fotograaf aan de Nieuwe Markt
9. Hij werd een van de bekendste portretfotografen
in Zwolle. In 1912 verhuisde hij naar villa Linquenda
aan de Veerallee (nu aan het begin van de
Beukenallee) en vestigde daar zijn fotografisch
bedrijf ‘Lux’-Veerallee. Jan Eelsingh legde ook
stadsgezichten en historische gebeurtenissen vast.
In 1910 maakte hij een serie foto’s van de vlucht
van Jan Olieslagers boven Zwolle. De vliegkunsten
die deze Belg bij herberg De Hanekamp in de lucht
uitvoerde, fotografeerde Jan vanaf de grond. In de
jaren dertig maakte hij onder andere prachtige
opnamen van de voor Zwolle zo belangrijke veemarkt.
Zoon Wim (1895-1976) trad in de voetsporen
van zijn vader en bracht het eind jaren twintig tot
hoffotograaf. Op 14 april 1945 legde Wim Eelsingh
onder andere de verwoestingen vast die de Duitse
bezetters op hun uittocht uit Zwolle aanrichtten,
namelijk de brand in het huis van Van Haersolte
aan de Potgietersingel en de brandende munitiewagen
voor Huize Eekhout aan de Burgemeester
van Roijensingel.
Familie Keuzekamp
Al vanaf 1926 drijven drie generaties Keuzekamp
een fotohandel aan de Oude Vismarkt. Pieter
Keuzekamp (1890-1964), grondlegger van het
bedrijf, was van beroep opticien. Daarnaast was
hij ook fotograaf en handelaar in fotoapparatuur.
In de jaren twintig en dertig legde Keuzekamp
honderden gebeurtenissen in Zwolle fotografisch
vast: van toneelvoorstellingen tot voetbalwedstrijden,
van auto-ongelukken tot jubilerende bruidsparen.
Daarnaast maakte hij in de jaren dertig
filmopnamen van de bouw van het Stilobad aan
de Turfmarkt, zwemwedstrijden in het openluchtbad
in het Zwartewater en het asfalteren van
de Hortensiastraat. In het pand Oude Vismarkt 20
is nu fotozaak Combi Keuzekamp gevestigd,
gedreven door kleinzoon Hans Keuzekamp.
Wim Voerman
Wim Voerman (1896-1963) is een van de verdienstelijke
beroepsfotografen uit de jaren dertig en
veertig. Aanvankelijk was hij inspecteur bij een
verzekeringsmaatschappij. In januari 1927 vestigde
hij zich in Zwolle als fotograaf aan Groot
Wezenland 6. Zijn zoon Jan zette het bedrijf van
zijn vader voort. Foto Voerman, vanaf oktober
1967 aan de Van Karnebeekstraat 7, is nog steeds
een begrip in Zwolle. In de jaren dertig maakte
Wim Voerman diverse opnamen van stadsgezichten
in Zwolle en, waarschijnlijk in opdracht van de
directie, een serie lantaarnplaatjes (positief doorzichtig
materiaal) van het interieur van de splinternieuwe
Ambachtsschool aan de Hortensiastraat.
Persfotografie
De eerste krantenfoto’s verschenen in 1904 in de
Engelse Daily Mirror, eerst als zondagsbijlage,
later dagelijks. De fotografen konden aanvankelijk
niet snel ter plaatse zijn met hun zware camera’s
en glasplaten. Bovendien was het druktechnisch
nog moeilijk foto’s in de krant te reproduceren.
Door ontwikkelingen in de fotografie en in de
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
druktechniek verschenen pas vanaf de jaren twintig
in de meeste kranten foto’s. In 1924 kwam de
kleine compacte camera Ermanox in de handel, in
de jaren dertig werd de handzame Leica populair.
In 1922 verschenen de eerste foto’s in de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant: ze waren
gemaakt ter gelegenheid van de plaatsing van de
Burgemeester van Roijen-bank aan de Potgietersingel.
LA. van Roijen kreeg die bank bij gelegenheid
van zijn 25-jarig burgemeesterschap van
Zwolle. Tot aan het einde van de jaren twintig was
de Zwolsche Courant spaarzaam geïllustreerd met
persfoto’s. Pas vanaf 1928 verscheen er een hele
pagina met foto’s van gebeurtenissen uit het
wereldnieuws in. Deze foto’s werden betrokken
van verschillende persbureaus. Een enkele foto bij
Zwolse nieuwsfeiten zien we eveneens pas vanaf
1928. Namen van fotografen werden doorgaans
niet genoemd. Afgaand op de praktijk bij andere
kranten zal ook de redactie van de Zwolsche Courant
regelmatig een Zwolse fotograaf hebben verzocht
een plaatje te schieten van een nieuwsfeit.
Fotografen die in de jaren 1920-1930 hiervoor in
aanmerking kwamen waren onder meer Jan en
Wim Eelsingh, Wim Voerman, Herman Heukels
en Pieter Keuzekamp. Tussen 1925 en 1935 verschenen
foto’s met naamsvermelding van Eelsingh
en Heukels in geïllustreerde tijdschriften als
De Prins en Eigen Erf.
DolfHenneke
Dolf Henneke (1914-1976) is de eerste echte Zwolse
(freelance) persfotograaf van na de Tweede
Wereldoorlog. In opdracht van de Zwolsche Courant
versloeg hij samen met journalist Jan Louwen
menige gebeurtenis. Henneke was van 1946 tot in
de jaren zeventig werkzaam als freelance persfotograaf
voor de Zwolsche Courant. Zijn foto’s verschenen
zonder naamsvermelding, destijds nog
niet verplicht.
Hennekes foto’s van de bevrijding van Zwolle
op 14 april 1945 verschenen in het boekje van
David Wijnbeek Vrij Zwolle. Verder staan in Vrij
Zwolle foto’s van E. Kamphuis (4), Kuipers (1),
Hendrikx drogisterij ‘Novum'(2), M. van Hezel
(1), Lammers (1) en D. Everaarts (1). De meeste
foto’s zijn echter van Henneke.
Met Dolf Henneke eindigt het overzicht van
Zwolse beroepsfotografen tot 1960, die vertegenwoordigd
zijn in het HCO.
Aantal beroepsfotografen
Het aantal beroepsfotografen in Zwolle was vanaf
1890 tot en met 1906 vrij constant (vier a vijf). In
1907 steeg het aantal naar negen, in 1910 waren er
nog steeds negen: sommige nieuw aangekomen
fotografen bleken geen blijvertjes te zijn. Tussen
1912 en 1919 waren er slechts zeven beroepsfotografen
en handelaren in fotografieartikelen, in
1933 was dit aantal nog steeds hetzelfde. Tussen
1937 en 1953 schommelde het aantal tussen tien en
twaalf. Pas in 1957 werden de gevolgen van de
wederopbouw merkbaar: het aantal beroepsfotografen
en handelaren in fotografieartikelen steeg
toen naar zeventien. Opmerkelijk is dat vanaf de
jaren twintig en dertig behalve opticiens ook
tabakshandelaren, rijwielhandelaren, drogisten en
boekhandelaren zich op de handel in fotografische
benodigdheden stortten.
Amateur-fotografen
De amateur-fotografie kwam rond 1895 in Zwolle
op gang. Er verschenen eenvoudiger handcamera’s
op de markt, het afdrukken van de glasnegatieven
ging gemakkelijker dan voorheen, de fotograaf
hoefde niet meer zoals daarvoor bijna een
chemicus te zijn. Het fotograferen was in eerste
instantie nog een bezigheid voor gegoede burgers.
Ijzerfabrikant Gerrit Wispelweij, azijn- en kaarsenfabrikant
Chris Schaepman en de jong gestorven
textielhandelaar Bé Remmers schaften zich
ieder een fotocamera aan en maakten prachtige
opnamen van hun familie en het Zwolse straatleven.
Gerrit Wispelweij
Gerrit J. Wispelweij (1850-1916) was ijzerfabrikant.
In het HCO bevinden zich van hem ca. 200 opnamen
(waaronder 50 stereoscopische), gemaakt
tussen 1892 en 1897, van stadsgezichten in Zwolle,
portretten van familieleden, opnamen van uitstapjes
en van producten uit de ijzergieterij (voornamelijk
gietijzeren tuinbanken en tuinstoelen,
paraplustandaarden en kapstokken). Wispelweij
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
beschikte over verschillende camera’s en lenzen
waarmee hij experimenteerde. Veel meer dan
beroepsfotograaf Deutmann probeerde hij bij het
fotograferen van stadsgezichten (letterlijk) dichtbij
zijn onderwerp te staan. Hierdoor zijn zijn
foto’s veel minder afstandelijk dan die van Deutmann.
Zo was Wispelweij niet bang om met zijn
camera boven op een turfschip te gaan staan, om
de schippers in hun bedrijvigheid vast te leggen.
Bé Remmers
Een andere fervente amateur-fotograaf die dicht
bij zijn onderwerpen bleef was Johannes B.J. (Bé)
Remmers (1877-1916), handelaar in textiel in de
Diezerstraat. Hij was getrouwd met Grade Oldenhof
(1884-1950), dochter van Gé Oldenhof, eigenaar
van wasserij De Boschbleek te Zwolle. Behalve
van zijn en haar familie maakte Bé Remmers
rond 1900 ook opnamen in en om Zwolle. Deze
foto’s plakte hij in een album getiteld ‘Sunny
Memories’. De bladen van dit album hebben
voorgestanste openingen waarachter de foto’s
geplakt dienden te worden. Het album toont
behalve familiekiekjes ook gebeurtenissen in
Zwolle als de intocht in 1900 van het circus Barnum
& Bailey en het leren fietsen bij de rijwielschool
achter de Hanekamp. De opnamen werden
tijdens diverse uitstapjes gemaakt. Het album
bleef in familiebezit tot mevrouw J.M. van Orden –
Oldenhof te Apeldoorn, dochter van Herman
Oldenhof van wasserij De Waterstroom te Zwolle,
het in 2000 aan het Gemeentearchief Zwolle
schonk.
Chris Schaepman
Chris J.J. Schaepman (1872-1962) is een amateurfotograaf
van een heel ander kaliber. In 1894 was
hij één van de oprichters van de Zwolsche Amateur-
Fotografen Vereeniging (ZAFV), de tweede
amateurfotografenvereniging in Nederland. Veel
meer dan zijn tijdgenoten Wispelweij en Remmers
hield hij zich bezig met kunstfotografie. Hij
werkte bij voorkeur in de stijl van de traditionele
romantische school en won met zijn werk vele
nationale en internationale prijzen. De Zwolse
amateur-fotografen gebruikten in de eerste
decennia vooral de toen in gebruik zijnde edelprocédés
als broom- en gomdrukken. Door
bewuste onscherpte en afdruktechnieken kregen
foto’s het uiterlijk van een geschilderde voorstelling.
Franz Ziegler, zoon van fotograaf Robert
Ziegler, die in juni 1919 twee weken bij fotograaf
Henri Berssenbrugge had gewerkt, hield door
middel van het geven van lezingen de ZAFV-leden
op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen en
stromingen.
Opmerkelijk is een serie foto’s uit ca. 1925-1930
van houten noodwoningen in de Vermeerstraat,
onbewoonbaar verklaarde woningen in de Eindstraat
en op het Eiland tegen de Broerenkerk en
van nieuwgebouwde woonblokken in de Tulpstraat.
Wellicht zat Schaepman in het bestuur van
een woningbouwvereniging en legde hij zo oude
en nieuwe woontoestanden vast.
Bertus Meulenbelt
In 1922 werd A. (Bertus) Meulenbelt (1904-1967)
lid van de ZAFV. Tot zijn dood in 1967 was hij
actief als amateur-fotograaf. Met zijn werk
behaalde hij, evenals Schaepman, vele prijzen op
fotowedstrijden. Aanvankelijk fotografeerde hij in
de stijl van de traditionele romantische school,
maar in de jaren vijftig ontwikkelde hij zich meer
in de richting van de nieuwe zakelijke fotografie.
Beknopt biografisch overzicht
Om een indruk te geven van het grote aantal fotografen
dat in Zwolle werkzaam is geweest, wordt
achter in dit tijdschrift in een bijlage een beknopt
biografisch overzicht gegeven van alle in Zwolle
werkzame (beroeps)fotografen van 1842 tot 1960.
De namen zijn gebaseerd op vermeldingen in het
Zwolse bevolkingsregister, advertenties in de
Zwolse Courant, Zwolse adresboeken en aanwezige
foto’s in de collectie van het HCO. Adrian is tot
nu toe alfabetisch de eerste Zwolse fotograaf, de
reeks wordt beëindigd met Ziegler.
Literatuur:
I.Th. Leijerzapf, (red.), Fotografie in Nederland 1839-
1920, Den Haag 1978.
H. Wierts, Photographieën en Dynastieën. Beroepsfotografie
in Groningen 1842-1940, Bedum 2000.
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Franz Wilhelm Heinrich Deutmann
(1840-1906)
Jeanine Otten Franz Deutmann werd te Haarlem geboren als
zoon van een uit Duitsland afkomstige fotograaf.
Na een tijd te Amsterdam gewerkt te
hebben, vestigde Franz zich in 1865 in de Bitterstraat
te Zwolle. Hij werd er de tweede Zwolse
beroepsfotograaf. Vanaf 1868 hield Deutmann atelier
in de Kamperstraat 9. Franz trouwde in 1866
met Theresia J.F. Kors, ze kregen zeven kinderen.
In 1905 verliet hij Zwolle. Hij overleed al het jaar
daarop te Soest. Aanvankelijk fotografeerde Franz
voornamelijk portretten. Afdrukken waren verkrijgbaar
als visitekaart op het formaat 6×9 cm, of
als ‘cabinetportret’ op het grotere formaat van 11 x
16 cm. De geportretteerden stonden of zaten in de
regel op hun paasbest voor een geschilderde achtergrond.
In opdracht van de boekhandelaar en
uitgever J.M.W. Waanders fotografeerde Franz
ook vele Zwolse stadsgezichten. De foto’s werden
voor 75 cent verkocht. Bekend zijn verder zijn
opnamen van de ballonvaart van kapitein Julhes
uit 1886 en het bezoek van koningin Wilhelmina en
regentes Emma in 1895 a a n Zwolle. Ook zijn foto’s
van de Zwolse kroningsfeesten in 1898 waren bij
Waanders te koop.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
Pieter Johannes Gezinus van Diggelen, 16 oktober 1896
Pieter van Diggelen (geboren 24 oktober 1894) is op het moment
van de opname bijna twee jaar oud. Hij gaat gekleed in een
matrozenpakje, in zijn hand heeft hij een zweepje. De fotograaf
heeft hem naast een bankje opgesteld waarop een keeshondje zit.
Op de grond liggen nog een bulldog en een labrador. Het bankje
en de geschilderde achtergrond geven een suggestie van buiten.
Het fotograferen van kinderen was in de tijd van lange belichtingstijden
niet eenvoudig. Vaakkregen kinderen een stuk speelgoed,
ook mochten ze op stoelen en tafels staan. De foto (op cabinetformaat,
10 x 15 cm) is gevignetteerd: de voorstelling loopt
geleidelijk over naar een witte achtergrond.
Bezoek van Koningin Wilhelmina en Koningin-
Regentes Emma aan Zwolle, 2-4 september 1895
Om het koningshuis te promoten bezochten koningin-
regentes Emma en koningin Wilhelmina de
verschillende provincies van Nederland. In september
2895 waren Overijssel en Drenthe aan de beurt.
Wekenlang was Zwolle in de weer om zich infeesttooi
te hullen. Overal in de stad werden erepoorten
opgericht en versieringen aangebracht. Langs het
water van de stadsgracht stonden kleine paaltjes
waarlangs zich olielampjes in lange rijen slingerden.
De foto is genomen op 4 september 1895, de laatste
dag van het bezoek, als de koninklijke stoet zich naar
het station begeeft. Deutmann heefteen mooie hoge
plaats uitgezocht om het rijtuig met de beide koninginnen
vast te leggen. Hij staat op het balkon van
Stationsweg 2 en kijkt naar het westen over het toenmalige
Klein Wezenland. Goed zichtbaar zijn de
rails van de paardentram. De villa’s prijken met
vlaggen, een rijke bloementooi ofmetgasilluminaties.
Rechts zien we een rij vlaggenstokken met wimpels,
deze stonden langs het hele Wezenland tot aan
de Sassenpoortenbrug.
3*
Kampersiraat.
De familie Van Diggelen woonde aan Klein Wezenland 18 (nu
Burg. van Roijensingel). Vader Bernard P.G. van Diggelen
(1866-1944) was advocaat, lid van de gemeenteraad en van 1907
tot 1922 wethouder der Gemeente Zwolle. In december 1891 kocht
hij zijn kapitale huis van wijnhandelaar Johan F. G. van Reede.
Het huis telde 23 kamers. In 1940 werd het huis door de Deutsche
Wehrmacht gevorderd en gebruikt als doorgangslager voor Duitse
officieren. De familie Van Diggelen verliet op 26 juni 1941
noodgedwongen de villa en betrok een woning aan de Hortensiastraat.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Luchtvaart van kapitein Julhes, 8 augustus 1886
Op 8 augustus 1886 waren zeer velen op het terrein
bij het Assiesplein bijeengekomen om het vullen en
het opstijgen van de ‘Etoile du Nord’ gade te slaan.
Het stedelijk muziekcorps deed zich geregeld horen.
Aeronaut Julhes deed alles zelf, geen touw werd
gespannen, geen knoop gelegd, geen verbinding
aangebracht of hij zelf deed het of keek er op toe.
Eindelijk tegen half zes was alles gereed. De ballon
werd naar de oostzijde van het terrein gebracht.
Mr.dr. LA. van Roijen (de latere burgemeester) en
predikant G. van Stenden die de reis zouden meemaken,
namen plaats in de mand en Julhes stond,
in zijn met linten en ordetekenen bedekte jas, in de
ring. Kort voor het opstijgen hield Julhes nog een
korte toespraak, waarin hij hulde bracht aan
Zwolle, aan burgemeester Jhr. W.C.T. vanNahuijs
en aan de beide reizigers die de moed hadden met
hem op te stijgen. Eindigend met een ‘Vive Ie Roi,
vive la Reine’ging het naar boven. De volgende dag
kwamen de reizigers in goede orde in Lingen aan,
net over de Duitse grens.
Kapitein Julhes heeft in Nederland verschillende
luchtvaarten gemaakt. Zo was hij, kort voor hij in
Zwolle zijn kunsten vertoonde, op 3 augustus 1886
’s avonds om 9 uur uit de Prinsentuin in Leeuwarden
opgestegen. Daar Julhes onder aan de ballon
wat vuurwerk had aangebracht, leverde de fantastisch
verlichte ballon, die daardoor helder tegen de
donkere betrokken avondlucht afstak, een prachtig
schouwspel op. Perpostduifbericht werd op 4
augustus meegedeeld dat Julhes ongedeerd te Bergum
was neergedaald.
Fotograaf Deutmann heeft van het vullen en
opstijgen van de ballon op het terrein van de gasfabriek
zeker zeven verschillende opnamen gemaakt.
De afdrukken hebben een bijschrift in het Frans
mee gekregen: ‘Souvenir de l’ascension du Capitaine
Julhes-Zwolle Ie 8 aoüti886’.
De Diezerkade en Thomas a Kempisstraat, ca. 1900
De fotograaf heeft zich opgesteld op de Badhuiswal en kijkt naar de
Diezerkade en het begin van de Thomas a Kempisstraat. Het grote
herenhuis geheel links is Diezerkade 15. Vroeger was hierin instituut
Loman gevestigd, destijds een bekende kostschool. Hier werden jongelui
opgeleid voor de examens die dienden om toegelaten te worden bij
de posterijen en op de kadettenscholen van Alkmaar en Willemsstad.
Weldra was door de grote toeloop een grotere behuizing gewenst en
bouwde directeur Loman in 1896 het herenhuis Emmawijk 1. Van 1896
tot 1923 woonde J.F.G. van Reede, firmant van de wijnhandel Ten
Bruggencate en Van Reede en van de bierbrouwerij H. T.J. Schaepman
en Co, aan Diezerkade 15. Het pand ernaast is de scheersalon van
J.C.M, van Kessel die hier tot 1921 gevestigd was. Blijkens het bordje
boven de ingang verkocht hij ook tabak en sigaren. Geheel rechts op de
kade- voor wat nu café Stroomberg is – ligt een grote stapel turf.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT .51
‘Uni par les Sons de la Musique’, ca. 1875
In het atelier van Deutmann aan de Kamperstraat
heeft zich een muziekgezelschap verzameld,
bestaande uit vijf heren en zeven dames. Het is het
ca. 1875 opgerichte ‘Unipar les Sons de la Musique’.
De fotograaf heeft zijn best gedaan om iedereen
er zo duidelijk mogelijk op te krijgen. Portefeuilles
en muziekbladen zijn afwisselend over de
aanwezigen verdeeld. De dame in het midden
houdt een blad vast waarop staat ‘Stabat Mater de
Rossini Henri Herz’. Met de destijds gangbare
belichtingstijden was het niet mogelijk ‘actiefoto’s’
te maken, vandaar dat de hele groep er nogal stijf –
jes bijzit en staat. Twee dames hebben zich niet
goed stil weten te houden.
Op de eerste rij zien we van links naar rechts Hilda
Wispelweij (later mevrouw Coster), Marie Doijerdejong,
‘tante’Cato,AlbertinaM.J. Vernède-
Maas met de ‘Stabat Mater’ en Anna P. van Cleef.
Op de tweede rij staan van links naar rechts met
een viool André Riemsdijk, muziekonderwijzer,
J.S. Piquet, leraar aan de Rijks HBS, ‘tante’ Saar,
Jean Henri Vernède hoofdingenieur van de Centrale
Werkplaats, Jan Doijer uit de Nieuwstraat
(man van Marie), Riek Wispelweij en, leunend op
een stoelleuning, GerritJ. Wispelweij, fabrikant en
amateur-fotograaf. Door de aanwezigheid van het
echtpaar Vernède kan de foto gedateerd worden op
omstreeks 1875. De Vernèdes vestigden zich in 1870
vanuit Den Haag in Zwolle. In 1877 verhuisden ze
naar Rotterdam.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Diezerstraat/ Smeden, ca. 1900
Het laatste deel van de Diezerstraat heette tot 1916
de Smeden. De naam herinnert aan het voorschrift
dat de smeden vroeger alleen hier, aan de uiterste
rand van de stad, hun bedrijf mochten uitoefenen.
Vlak voor de Smeden, bij de ingang naar de Korte
Smeden, hebben zich – waarschijnlijk op verzoek
van de fotograaf – maar liefst 41 mannen, vrouwen
en kinderen in een rij opgesteld. Uiterst links zien
we een politieagent, de zesde persoon van links met
een vleesbak op zijn schouder is slager G.J. Paalman.
Achter de twaalf de persoon van links is nog
juist de travalje van hoefsmederij ‘De Gekroonde
Hoefijzers’ (nu Diezerstraat 11/) zichtbaar. G.B.
Poppe oefende hier tot 1902 zijn bedrijf uit. Op de
gevel aan de ingang van de Korte Smeden verwijst
een reclamebord naar een meubelfabriek in de
Diezerstraat. Rechts in ‘De Gouden Roos’ (destijds
Smeden 14) bevond zich de stoom-tabaksfabriek
van de firma W.A. Wijgmans.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Gerritjacobus Wispelweij
(1850-1916)
Gerrit Wispelweij werd in 1850 te Zwolle in
een familie van ondernemers geboren. Hij
werd zelf ook fabrikant. De firma G.J.
Wispelweij & Co produceerde in de ijzergieterij en
machinefabriek ‘De Nijverheid’ allerlei gietijzeren
producten, variërend van meubels, straatlantaarns
en stoomketels tot complete bruggen en
vuurtorens. Gerrit woonde aan de Thorbeckegracht
76 en later op Groot Wezenland 37.
Wispelweij beoefende de fotografie als ama- Annèt Bootsma •
teur. Hij maakte stereoscopische opnamen van vanHulten
vooral Zwolse stadsgezichten en kerkinterieurs.
Hij experimenteerde met diverse camera’s en lenzen.
Bij buitenopnamen noteerde hij nauwgezet
de door hem gebruikte belichtingstijden en de
weersomstandigheden tijdens het moment suprême.
Curieus en uniek zijn de foto’s die hij voor zijn
bedrijf fotografeerde: gietijzeren tuinbanken en
-stoelen, paraplustandaards en kapstokken.
Gerritjacobus Wispelweij,
(zelflportret omstreeks 1895
Het is niet bekend of deze foto inderdaad een zelfportret
was, technisch was dat toen wel mogelijk.
Het paste wel in de lijn van werken van Wispelweij,
om veel verschillende technieken en camera’s uit te
proberen. Toen de opname gemaakt werd was
Wispelweij ongeveer 45 jaar en sinds enige jaren
actief als amateurfotograaf.
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Diezerpoortenbrug vanaf de Kerkstraat gezien, 1896
Helft van een stereoscopische opname
Dankzij Wispelweij’s eigen aantekeningen weten we precies wanneer
deze opname gemaakt is, op 10 juli 1896 om tien uur ’s morgens.
Wispelweij heeft de bedrijvigheid op de Zwolse kades diverse
malen in beeld gebracht. Deze foto toont een stadsbeeld dat nu
praktisch geheel verdwenen is. Het eerste pand aan de linkerkant
was het ‘Veerhuis op Almelo’, vandaar vertrok de trekschuit in
die richting. Het veerhuis werd in 1924 afgebroken, de schuit voer
voor het laatst in 192J. De halfronde muur die daarachter te zien
valt was een restant van de in 1829 gesloopte Diezerpoort. Deze
muur moest in 1912 plaats maken voor nieuwbouw. Het links van
het midden zichtbare brugwachtershuisje, gebouwd in 1880, werd
in 1924 afgebroken. De panden aan de overkant, de Thorbeckegracht,
zijn ook allemaal verdwenen behalve het pand rechts.
Daar is tegenwoordig een horeca gelegenheid in gevestigd. De
schoorsteen behoorde bij koffiebranderij H.E. van IJsendijk,
Thorbeckegracht 8.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
Eekwal met de molen en de Peperbus, 1896
Helft van een stereoscopische opname
Deze opname werd gemaakt op 9 juli 1896 om half
drie ’s middags. Voordat de bovenbouw van molen
De Herstelder (in de wandeling de Eekwalmolen
genaamd) in 1916 werd afgebroken was dit één van
de meest gefotografeerde stadsgezichten van Zwolle.
De foto geeft een mooi zicht op de voormalige
timmerwerf annex steenhouwerij van de aannemer
I metselaar en stadstimmerman Willem Klinkert.
Willem was de tweelingbroer van Hendrik
Klinkert, eveneens aannemer en stadstimmerman
en vader van de bekende oer Zwolse arts Evert
Klinkert. Ten tijde van de opname waren beide
broers Klinkertal overleden (Hendrik in 1882 en
Willem in 1888) en was de werf overgenomen. In
het midden van de overkapping valt dan ook te
lezen ‘L.W. de Vries, bouwmaterialen’. Kennelijk
was dat niet zijn enige activiteit; bij De Vries,
Eekwal, wordt in het adresboek van Zwolle vermeld:
‘handel in bouwmaterialen en steenkolen,
kantoor voor vaste goederen en assurantiën’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vispoortenplas, 1893
Een letterlijk en figuurlijk vroege
foto van Wispelweij. De opname
werd gemaakt op 10 april 1893 ‘s
morgens om zeven uur, belichtingstijd
‘2 seconden bij helder weer’.
Imposant torent de toen pas een
jaar eerder voltooide St. Michaëlkerk
in het ochtendlicht. Ook hier is
sprake van een bijna volledig verdwenen
stadsbeeld, de kerk werd in
1965 gesloopt en op de plaats van de
huizen daarvoor staat nuV&D.
Het plein werd destijds opgesierd
door een stadspomp. Het pand
links vooraan werd in de jaren vijftig
afgebroken om alvast plaats te
maken voor de daar geplande brede
weg door de binnenstad. Zover is
het gelukkig niet gekomen. In 1981
werd het pand herbouwd om het
stadsbeeld weer wat meer beslotenheid
te geven. In het huis rechts op
de voorgrond, Vispoortenplas 13 en
Buitenkant31, woonde van 18/8 tot
1926 borstelmaker D. Burghart.
Blijkens het bord op de gevel verkocht
hij ook brood. Voor ons
gevoel een wat bijzondere combinatie
maar het adresboek vermeldde
inderdaad een aantal jaren achter
zijn naam ‘schuiermaker en
broodverkoper’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Jan Anthonie Eelsingh
(1866-1949)
Jan Eelsingh werd te Groningen geboren. Hij
vestigde zich in 1892 als schilder te Zwolle.
Rond 1895 werd hij fotograaf en exploiteerde
een fotozaak aan de Assendorpersteeg, vanaf 1898
aan de Nieuwe Markt 9. Vanaf 1912 woonde hij in
een huis in de Veerallee op de hoek met de Beukenallee.
Het huis droeg de welluidende naam
‘Huize Linquenda’. Na zijn overlijden in 1949
bewoonde zijn zoon Wim, die de titel hoffotograaf
mocht voeren, dit huis. Jan’s dochter Stien
verwierf bekendheid als schilderes.
Als beroepsfotograaf maakte Jan Eelsingh
vooral portretten. In 1898 bood hij ‘7 Albumportretten’
aan voor anderhalve gulden. Op gestempeld
fotokarton heette zijn atelier vanaf 1912
‘LUX-Veerallee’. Eelsingh legde ook veel stadsgezichten
en historische gebeurtenissen vast.
Bekend zijn zijn opnamen van de befaamde ‘aviateur’
Jan Olieslagers in 1910. In de jaren dertig
maakte hij fraaie opnamen van de Zwolse veemarkt.
Wim Huijsmans
Hoek Grote Markt/Roggenstraat, ca. 1925
Vaak wordt tegenwoordig geklaagd over het storende element
van reclame, zowel op straat als via de media. Uit bijgaande foto
uit ca. 1925 blijkt dat het toen niet veel anders was. Op Grote
Markt 8 was de winkel van G.A. Dassen gevestigd, die tabak,
sigaren en sigaretten verkochten reclame maakte voor Havana
Star en Horma sigaren. Bij H. Scholten op de hoek van de Grote
Markt en de Roggenstraat
ging je naar binnen
voor groenten en
fruit. Opvallend is de
smalle stoep. Tussen de
keien van de Grote
Markt zijn de rails van
de paardentram te zien.
Achter de Zwolsche
Fruithandel in de Roggenstraat
was mantelhuis
De Ster gevestigd. Aan het begin van de Diezerstraat was de
zaak van Benjamin Dalenoord, die vanaf 1892 op deze plek zat.
Daar ging je naar binnen voor een heerlijk gebakje. Hij prees
zichzelf aan als confiseur-cuisinier. De zijgevel van zijn pand
bood nog de mogelijkheid de passanten te attenderen op Hengelosche
Bieren, kapper J. van der Sluis, even verderop in de Roggenstraat,
en het wondermiddel voor elke huisvrouw voor een
kraakheldere, witte was: Reckitt’s zakje Blauw. (©fotoMollink).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse Gymnastiek Vereniging, 1901
Op 18 april i8yy werd de Zwolsche Gymnastiek Vereeniging
opgericht. Ook in Zwolle was men van mening dat gymnastiek
zou bijdragen aan het geestelijk en lichamelijk welzijn van de
mens. Immers in de klassieke oudheid kende men al de spreuk:
mens sana in corpore sano.
De foto is gemaakt in het atelier van Eelsingh. Goed zichtbaar
zijn decorstukken als gordijnen en de beschilderde achtergronddoeken.
Op de achterkant van de foto staat vermeld:
Wedst(rijd) Rotterdam 1901, Kamp(ioen) P. Spruit, Gouden
med(aille).
Op 1 januari 1902 telde de vereniging93 mannelijke leden, verdeeld
in werkende leden, ereleden en kunstlievende leden. De
jaarlijkse contributie bedroeg tien gulden. Naast het turnen en
het vertonen van gymnastiekoefeningen gaf men jaarlijks uitvoeringen,
ook welpropaganda-avonden geheten, een soort
maskerade met een spetterend bal na. In 1901 werd ook een
damesafdeling opgericht van ‘turneressen’, die meteen al 25
leden telde.
Al moeten de turners op de foto een ontspannen indruk maken,
hun gezichten stralen weinig vrolijkheid uit. Misschien dachten
ze even niet aan het eerste couplet van hun turnerslied:
‘Metfieren moed en vasten tred, marcheeren wij gezwind,
vrij jaagt de borst, vrij stroomt het bloed, blij zijn wij steeds
gezind
Gezondheid straalt uit ieders oog, en kracht stijft hem de voet,
die met ons, turners, mee wil gaan, trouw met ons mededoet’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
Eekwal/Nieuwe Havenbrug, ca. 1930
De foto toont een prachtig winters tafereeltje van
de omgeving van de Eekwal en de Nieuwe Havenbrug.
De masten op de schepen geven aan dat dit
gedeelte van de stadsgracht ’s winters nog echt als
haven gebruikt werd. In de verte zijn de herenhuizen
op de Potgietersingel te zien. De Nieuwe
Havenbrug, die in de negentiende eeuw ook wel
Lutteke- of Polkabrug heette, is op deze foto niet
nieuw meer. De brug met de sierlijke lantaarns uit
de ijzergieterij van Wispelweij dateert uit 1875 en
werd in 1939 vervangen door de huidige brug.
Opvallend zijn de hoopjes zand(?) die een soort
parkeerplaats afbakenen voor karren. Naast de
handkar op de voorgrond staat een man met pet
naast een hondenkar, waarmee bussen melk vervoerd
werden. De hond spitst zijn oren en houdt de
fotograaf scherp in de gaten. Een bestuurder van
een hondenkar werd destijds op de bon geslingerd
als hij geen bak met water voor de hond bij zich
had. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de
hondenkar uit het straatbeeld, (©foto Mollink).
6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Diezerkade, ca. 1925
Gezellig keuvelen twee schippers, leunend op een
vrachtje turf op een kar aan de Diezerkade, in het
zonnetje. De kade stond vroeger ook wel bekend als
de Nijstad. Turfschippers waren destijds een
bekende verschijning in de stad met hun zwarte
petten en vaak opvallende baarden. De Turfmarkt
herinnert nog altijd aan die tijd. Veel turf werd of
per schip of met de Dedemsvaartse tram vanuit het
Drentse veengebied naar Zwolle getransporteerd.
Bij het Blekerswegje was een steiger waar de turf,
dieper spoor werd aangevoerd, in schepen kon
worden geladen. Turf die niet onmiddellijk verder
werd getransporteerd, werd zolang opgeslagen op
de Turfmarkt.
De foto is gemaakt voor 1931. Tot dat jaar woonde
Lucas Bosch in het pand Diezerkade 6. Op dat
adres was zijn sigarenmagazijn. Bosch was daarnaast
horlogemaker. Zijn dochter zette de winkel
in sigaren en tabak voort, (©foto Mollink).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 61
Christoffer Jacobus Josephus Schaepman
(1872-1962)
Chris Schaepman werd in Zwolle geboren.
In het dagelijks leven was hij directeur van
de azijn- en waskaarsenfabriek ‘De Ster’ op
de hoek van het Groot Wezenland en de Assendorperstraat.
Vanwege de intense lucht die zijn
bedrijf verspreidde stond hij algemeen bekend als
‘Zoere Chris’.
Chris was amateur-fotograaf. Hij behoorde in
1894 tot de oprichter van de Zwolsche Amateur-
Fotografen Vereniging. Het was de tweede fotovereniging
in Nederland. Chris nam meer dan
tweehonderd keer deel aan fotowedstrijden, hij
kreeg meer dan vijftig onderscheidingen en trad
ook op als jurylid. In 1903 won hij brons op een
internationale fototentoonstelling te Hamburg.
Op de jonge Bertus Meulenbelt maakte het werk
van Schaepman grote indruk. Behalve impressionistische
foto’s in de stijl van de romantische
school maakte Schaepman ook foto’s zonder
poespas van woonblokken of van de bezoeken van
koningin Wilhelmina en prins Hendrik aan Zwolle.
Om de fotografie in zijn woonplaats te stimuleren
schonk Chris een wisselbeker aan de Zwolsche
Amateur-Fotografen Vereniging, de zogenaamde
‘ Schaepman-beker’.
Jeanine Otten
Zaaiende boer, ca. 1920
Door een gedeeltelijk omgeploegd land loopt een boer met een
zinken teiltje voor zijn buik. Hij staat op het punt om een hand
vol zaad over het land uit te werpen. Achter hem staan vier
knotwilgen langs een wetering. Het moet aan het begin van de
lente zijn: het geboomte op de foto is nog niet vol in blad. Wat
meer naar achteren staat een gewas op het veld en helemaal
links op de foto ontwaren we een grote stapel kistjes. Mogelijk
bevinden we ons in de buurt van een kwekerij. Geheel rechts
tussen de twee wilgen is het dak van een boerderij zichtbaar.
Waar Schaepman deze fraaie foto gemaakt heeft is niet
bekend. Mogelijk bevond hij zich met zijn camera in Oldeneel
of in de buurt van de Schellerbergweg.
De dieptewerking in de foto wordt versterkt door de van rechtsboven
naar linksonder lopende lijn van de tegen de lucht afstekende
knotwilgen en de tegengestelde lijn van de lichte baan
van de wetering. Deze lijnen trekken ons oog als vanzelf naar
het lichte vlak van de stapel kistjes links. De foto is een reproopname
van een glasnegatief.
V ‘Jt’
62 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hoogstraat, Oranjefeest 1935
Het is warm weer in de Kamperpoort op Koninginnedag3i
augustus 1935. Een grote groep acht- tot
tienjarige meisjes staat in de rij op de stoep van de
Hoogstraat ter hoogte van de nummers 88 (geheel
rechts), 90 en 92 (links). Om hun hals hebben de
meisjes een kaartje, waarschijnlijk met de naam
van de school erop. In het midden op de voorgrond
lopen een druk gesticulerende man en vrouw over
straat, misschien de juf en de meester van de
school? Waarschijnlijk is de groep op weg naar het
gymnastieklokaal van de Willemsschool aan het
eind van de Hoogstraat.
In de Hoogstraat bevonden zich vroeger twee scholen:
achter in de Hoogstraat de Willemsschool en
vooraan in de Hoogstraat, vlakbij de Beestenmarkt,
de zogenaamde Zieltjesschool. Deze scholen
zijn beginjaren zestig afgebroken. Hoogstraat 88
heeft als het oudste arbeidershuisje in de Hoogstraat
onlangs de monumentenstatus gekregen. Tot
het begin van de jaren negentig woonde in Hoogstraat
90 een kippenkoopman, die ‘De Motte’ als
bijnaam had.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Beestenmarkt (Harm Smeengekade), ca. 1910
Omstreeks 1910 fotografeerde Schaepman een oud
boertje en jong meisje op de Beestenmarkt, de huidige
Harm Smeengekade. We zien stro liggen tussen
de schoorpalen en kettingen waaraan het vee
werd vastgezet op de vrijdagse veemarkt. Op achtergrond
bevindt zich nog meer volk. Links staan
wat mannen voor Bierhuis Welgelegen. De veemarkt
op de Beestenmarkt verhuisde in 1931 naar
het nieuwe veemarktterrein achter de Emmastraat
(nu de IJsselhallen). De huizen op de foto maakten
in de jaren dertig plaats voor het bejaardenhuis
van de Theodora Vos de Waelstichting, dat weer in
de jaren zeventig vervangen werd door de bejaardenflat
De Keersluis, Harm Smeengekade 18, en
verzorgingshuis De Nieuwe Haven, Harm Smeengekade
20.
Het origineel is een zogenaamd lantaarnplaatje, de
voorloper van de latere dia. De boogvorm die het
nostalgische van de voorstelling nog verhoogt, is
eigenlijk een stukje zwart papier dat tussen de twee
glasplaatjes is gelegd.
64 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Broerenkerkplein ca. 1930
In deze dramatische tegenlichtopname van een
vegende man op een vrijwel leeg Broerenkerkplein
vallen vooral de eigenaardige hooglichten op
schouders, bezem, handkarren en straatstenen op.
Ook de lichtstralen die door de takken van de
bomen vallen, zijn bij het afdrukken door Schaepman
nog extra aangezet. Handkarren waren in de
jaren twintig en dertig een veelvoorkomend verschijnsel
in de noordelijke binnenstad. Ze werden
per dag verhuurd aan de vele venters die in die tijd
op het Eiland en rond het Broerenkerkplein woonden.
Vanaf het midden van de vijftiende eeuw tot op
heden vormen Broerenkerkplein en Broerenkerk
het middelpunt van de noordelijke binnenstad. In
de loop van de eeuwen zijn de functie van kerk en
plein wel veranderd.
Vanaf de jaren vijftig tot
ongeveer 1965 was er midden
op het Broerenkerkplein
een kleine speeltuin meteen
hek erom. Het gebied van
het Broerenkerkplein viel in
het midden van de jaren
zestig onder de slopershamer.
Bij de afbraak van de
graanpakhuizen van Bergia,
die de Wijndragerstoren
flankeerden, werd de buurt
geteisterd door een ware rattenplaag.
In de Wijndragerstoren
zat tot beginjaren
negentig de Zwolse mosterdmakerij.
De Librije, die van
1/58 tot 1899 dienst deed als
Synagoge, fungeerde tot
eind 1996 als expositieruimte
van De Librije, het centrum
voor hedendaagse
kunst. Na de verhuizing van
De Librije naar het Stedelijk
Museum Zwolle werd het
oude gebouw geheel in
gebruik genomen dooreen
sterrenrestaurant dat voordien
alleen de kelder benutte.
Het plein fungeert vanaf
de jaren zeventig als parkeerplaats
voor het in 1974
geopende winkelcentrum.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vermeerstraat,
ca. 1922
Hoewel dit straatje
met zestien brandnieuwe
houten woonblokken
er keurig bijligt,
mogen we blij zijn dat
we niet de geur ruiken die er heeft gehangen. Afgebeeld
zijn de in 1921 door de Gemeente Zwolle
gebouwde noodwoningen aan de latere Vermeerstraat.
Er was in die jaren zo’n woningnood dat de
gemeente behalve op de afgebeelde plaats ook houten
noodwoningen liet bouwen op de Turfmarkt.
Het zal niet echt aangenaam wonen zijn geweest
aan de Vermeerstraat: de huizen lagen vlak achter
het terrein van de Gemeentereiniging.
De 32 woningen waren bedoeld voor grote gezinnen.
Er was geen riolering, men moest het met houten
tonnetjes doen, net als zoveel Zwollenaren in
die tijd. Die tonnen werden door de Gemeentereiniging
opgehaald en gereinigd op de Gemeentewerf,
in de onmiddellijke nabijheid van deze houten
huizen. Midden jaren dertig zijn de woningen
gesloopt voor de aanleg van de Schildersbuurt. De
Schildersbuurt was één van de eerste uitbreidingsbuurten
van Zwolle. De buurt kreeg voor die tijd
een enorme woondichtheid. In totaal werden er 166
woningen op een terrein van ongeveer 1,5 hectare
gebouwd. Na ongeveer 70 jaar waren de woningen
aan vervanging toe. Dit bleek uit een in 1994
gehouden enquête: een ruime meerderheid van de
bewoners gaf er de voorkeur aan om de buurt te
slopen en er nieuwe woningen te bouwen. Dit
gebeurde in 1999. In 2001 worden 150 koopwoningen,
vier winkels en een wijkcentrum opgeleverd.
Het ontwerp is van de Rotterdamse architect Koos
Kok, verbonden aan het bureau van de voormalige
Rijksbouwmeesterprof. Wytze Patijn.
66 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Pieter Nicolaas Louis Keuzekamp
(1890-1964)
Annèt Bootsma –
van Hulten Pieter Keuzekamp werd te Naarden geboren.
Hij huwde in 1920 met de Deense Oda Söncken.
In 1926 vestigde hij zich te Zwolle,
waar hij aan de Oude Vismarkt 20 een winkel
opende. Hij was opticien, handelaar in fotografische
benodigdheden en fotograaf. Pieter stierf te
Zwolle op 6 maart 1964. De winkel aan de Oude
Vismarkt werd voortgezet door zijn zoon Bob en
is nu in handen van de derde generatie, Hans Keuzekamp.
Pieter was vooral geïnteresseerd in de
actualiteit. Hij fotografeerde veel opmerkelijke
gebeurtenissen te Zwolle. Toneelvoorstellingen,
voetbalwedstrijden, auto-ongelukken en zelfs
jubilerende bruidsparen legde hij vast. Net als
andere beroepsfotografen uit die tijd hanteerde hij
ook wel eens de filmcamera. In de jaren dertig
maakte hij ‘bewegende beelden’ van de asfaltering
van de Hortensiastraat, van de bouwvan het Stilobad
aan de Turfmarkt en van zwemwedstrijden
van de Zwolse Bad- en Zwemvereniging Zwarte
Water B.Z.Z. bij de Hofvlietbrug.
Kind voor onbewoonbaar
verklaarde woning, ca. 1930
Een aandoenlijk tafereel van een meisje
aan een looplijn ergens in een krottenbuurt.
De foto kan in die tijd op
diverse plaatsen in Zwolle genomen
zijn; in de Diezerpoort, de Kamperpoort
of ergens rond de Broerenkerk
waren genoeg gangen en steegjes met
deplorabele woonomstandigheden.
Hoewel de kleine behoorlijk in haar
bewegingvrijheid beperkt is lijkt ze er
niet onder te lijden, ze kijkt nog guitig
uit haar ogen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kerkstraat, bij de Diezerpoortenbrug, 1930
Jarenlang ging al het doorgaande verkeer dwars door de Zwolse
binnenstad. Om de Diezerstraat te ontlasten werd hiervan al in
1925 een eenrichtingsweggemaakt. Het verkeer van de Grote
Markt richting noorden en oosten werd voortaan via de Oude
Vismarkt, Gasthuisplein en Kerkstraat de binnenstad uitgeleid.
Op zaterdagmorgen 13 december 1930 vond ’s morgens in de
vroegte een dramatisch ongeluk plaats op de Kerkstraat, vlak
voor de Diezerpoortenbrug. Een man uitSittard, die onderweg
was met zijn schoonvader en driejarig zoontje, verkeek zich in het
donker op de (nog altijd) verraderlijke bocht naar de brug. De
auto – een Oldsmobile — schoot door, geraakte te water en zonk
snel. Toegesnelde omstanders sloegen met een roeispaan een
groot gat in de kap van de auto maar voor de inzittenden was het
al te laat. Deze foto van het uitt

Lees verder