Categorie

Zoek in ons tijdschrift

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 3

Door | 2010, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Speuren naar Spoolde
historische verhalen over
een bijzondere buurtschap
Pier Karenbeld

27e jaargang 2010 nummer 3 – 7,50 euro

90 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Hotel Café Restaurant ‘De Jongejan’
Veerallee
Aan de weg van de stad naar het Katerveer ston­den vroeger een aantal uitspanningen. Een van deze pleisterplaatsen heette Halfweg omdat het letterlijk halfweg de stad en het Katerveer gelegen was. In het begin van de vorige eeuw stond de heer Beumer achter de tap. In 1917 nam F.H. Willigenburg de uitspanning over. Het adres was Spoolde A 20, later Oude Veerweg 22. Hij kreeg heel wat mensen over de vloer. Op zondag wan­delde half Zwolle naar het Engelse Werk en streek dan neer bij een van de uitspanningen. Al het verkeer dat Zwolle tot circa 1940 over de weg pas­seerde, kwam over de Veerallee langs Halfweg.
In 1951 nam Jaap Jongman het bedrijf over. Hij maakte er een hotel café restaurant van.
De naam werd gewijzigd in ‘De Jongejan’ omdat ‘De Jongejaap’ minder geschikt geacht werd. Het pand werd gemoderniseerd en smaakvol ingericht om ook ‘auto-reizigers van verre aan te trekken’. Goede tijden braken aan toen de afdeling Zwolle van het CBR er gehuisvest was. Dat was tot circa 1965. Hier heeft menigeen zijn rijbewijs gehaald of mocht na het onjuist nemen van de lastige Spoolder rotonde gelijk weer terug: gezakt.
In verband met plannen voor de aanleg van de
IJsselallee moest ‘De Jongejan’ worden afgebro­ken. De klandizie was al hard achteruitgegaan door de rondweg en de nieuwe IJsselbrug. In juni 1973 kwam de sloper om het horecabedrijf af te breken.
Daarmee verdween voor veel Zwollenaren een brokje jeugdsentiment. Waar eens ‘De Jongejan’ stond, rijdt nu het verkeer in een nimmer afla­tende stroom over de IJsselallee.

(Collectie ZHT)

Op dit punt van de IJsselallee, ongeveer ter hoogte van de oranje pijl, stond eens ‘De Jongejan’. Rechts de daken van de laatste huizen van de Veerallee, links de IJsseltoren. (Foto redactie)

zwols historisch tijdschrift 91

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans90
Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een
bijzondere buurtschap Pier Karenbeld

Inleiding92
Spoolde en de vroegste geschiedenis94
Spoolde op de kaart95
De marke Spoolde97
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg99
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’103
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’106
Erve de Venus108
De Beukenallee114
Terug naar Theetuin Thijssen120
De Zalkerveerweg126
De buurtschap Spoolde130
Spoolde en het boerenbedrijf133
De oprukkende stad en het
verdwenen Spoolde137
Tenslotte140
Auteur142

Redactioneel
‘Spoolde vind ik een prachtige buurtschap’, vertelt Jurrien Stroomberg, wijkbeheerder van Spoolde, op de site van de gemeente Zwolle. En gaat hij door: ‘De saamhorigheid in de wijk is enorm en de kreet Samen maken wij Spoolde, vind ik hier erg op zijn plaats.’ Onze nieuwsgierigheid is gewekt. In dit themanummer van het Zwols Historisch Tijdschrift geven we Pier Karenbeld, auteur van vele artikelen over de geschiedenis van Spoolde, de ruimte om te vertellen over het heden en verleden van ‘zijn’ wijk.
Wijken, districts, quartiers, Viertel of barrios, we vinden ze in alle steden ter wereld. Een stad die groeit heeft ruimte nodig voor zijn bewoners. Een nieuwe wijk is dan al snel geboren. Maar soms heeft zo’n wijk de oudste rechten. In Spoolde treffen we al sporen van bewoning aan tijdens de Jongste Steentijd. Nou ja, wijk, dat is een relatief moderne term. Een buurtschap was het, of zoals sommige historici liever zeggen ‘een buurschap’, een term waarin een lange traditie van burenhulp ligt besloten. Zoals de Engelsen naast het woord ‘district’ ook wel van ‘neighbourhood’ spreken.
De naam van een wijk geeft soms iets van de geschiedenis ervan prijs. In Zwolle verwijzen de wijknamen Assendorp, Dieze en Spoolde naar land dat al eeuwenlang zo genoemd werd. Soms kan de relatie tussen steden en hun wijken moei­zaam zijn. Menigeen vindt zichzelf geen Zwol­lenaar, maar Assendorper, Diezenaar of Spoolde­naar. Misschien door dat gevoel van ‘saamhorig­heid’, waar de wijkbeheerder van Spoolde het over heeft. Mocht u dat een wat wazig begrip vinden, dan helpt dit themanummer u misschien om uw eigen oordeel over Spoolde en zijn bewoners te vellen.

Omslag: Spoolde in de slagschaduw van de zich opdringende stad. (Foto Henk Tuinman)

92 zwols historisch tijdschrift

Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een bijzondere buurtschap
Inleiding
De Zwolse wijk Spoolde wordt begrensd door de IJssel, de spoorlijn Zwolle-Amersfoort, de IJsselallee en Westen­holte. De A28, de Willemsvaart en het Zwolle-IJsselkanaal doorkruisen de wijk. Spoolde vormt nog steeds een levendige buurtschap en doet dap­pere pogingen een eigen identiteit te bewaren. Een wijkkrant speelt daarbij een belangrijke rol.
In 1997 richtten de Spooldenaren Paola de Bruyn en Arnold Zwakenberg het wijkblad de Papenacker op. Ze besloten het twee keer per jaar te laten verschijnen. De naam verwijst naar de vroegste geschiedenis van Spoolde, wanneer in de markeboeken gesproken wordt over een stuk dijk dat ‘de Papenackere’ genoemd wordt. Enkele jaren later verhuisden beide initiatiefnemers en werd mij gevraagd of ik in de redactie plaats wilde nemen. Aangezien ik net met werken gestopt was leek me dat een aardige start voor een nieuwe invulling.
Op dit moment bestaat het blad dertien jaar en zorgt een enthousiaste redactie voor een regel­matige verschijning en een gevarieerde invulling. Sinds enkele jaren verschijnt het ook digitaal: home.zonnet.nl/papenacker. Vaste rubriek is altijd een artikel over een onderwerp uit de geschiedenis van de buurtschap Spoolde. Dit onderdeel sprak me extra aan omdat ik sinds mijn jeugd meer dan gemiddeld geïnteresseerd ben in geschiedenis. Daarbij heeft ook locale geschiede­nis altijd mijn belangstelling gehad.
Zo heb ik vanaf 1998 geprobeerd om in elke aflevering een stukje Spoolder geschiedenis op te diepen. De keuze van de onderwerpen was niet systematisch. Vaak vormden huizen die een lang­durige geschiedenis deden vermoeden de aanlei­ding, maar soms ook de historie van een weg of straat. In het jaar van de boerderij (2003) mocht een duik in Spooldes rijke agrarische verleden natuurlijk niet ontbreken.
Elke keer was het weer een uitdaging om te voorkomen dat de verhalen louter uit een opsom­ming van feitelijke gegevens gingen bestaan, maar dat ze, waar mogelijk, gekleurd zouden worden met persoonlijke herinneringen van Spooldena­ren. Gelukkig is het vrijwel altijd gelukt om een stukje ‘oral history’ toe te voegen.
In het kader van deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift was het de kunst de op zichzelf staande verhalen zo te bewerken, dat er toch wat lijn in ontstond. Vandaar de start met een stukje geschiedenis over de vroegste tijd van Spoolde, waarbij zowel het Katerveer als de Spool­derberg een belangrijke rol spelen. Daarna volgt een keuze uit de verschillende verhalen die in de loop der jaren in het wijkblad verschenen zijn.
Hopelijk geven ze al met al een aardige inkijk in de lange en ook rijke historie van de buurtschap Spoolde.
Spoolde en de vroegste geschiedenis
Een gangbare verklaring voor de naam Spoolde was altijd het verband met het Middelnederlandse werkwoord spoelen, ook wel spuelen of spoilen genoemd. Spoolde werd vroeger ook wel Spoelde of Spolde genoemd. Het betekent met water over­spoelen, of overstromen, iets wat vroeger regel­matig langs de IJssel voorkwam. In zijn Geschiede­nis van Zwolle uit 2005 komt Jan ten Hove met een andere verklaring. De naam Spoolde zou net als bij Westenholte en Langenholte naar de naam van een bos verwijzen en ons herinneren aan de tijd dat het gebied met uitgestrekte bossen was bedekt. In de Middeleeuwen zouden die bossen door kaalslag en intensief gebruik van het land verdwenen zijn.
In de prehistorie ontstonden er een aantal ver­hogingen, langwerpige rivierduinen, ondermeer bij Spoolde. Hierop werd de allereerste bewoning mogelijk. Dat er toen inderdaad bewoning moet zijn geweest, bewijst bodemkundig onderzoek.
Tijdens de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal werden er onder leiding van G.D. van der Heide, archeoloog bij de directie IJsselmeerpolders, in de Spoolder uiterwaarden niet alleen talloze herten­geweidelen gevonden, maar ook grote hoeveel­heden middeleeuws aardewerk. Sommige gewei­delen bleken bewerkt te zijn tot beitels en bijlen, waarmee je een behoorlijke kracht kon uitoefe­nen. Hoewel men de ouderdom van de geweien moeilijk kon vaststellen, gaat men er van uit dat het op zijn minst vierduizend jaar terugwijst, naar de bronstijd.
Dat spoort aardig met de ontdekking die de amateurarcheoloog R. van Beek deed tijdens de aanleg eind jaren tachtig van het, vlak naast het Zwolle-IJsselkanaal gelegen, industrieterrein Voorst 3. Hij ontdekte sporen van een rondbouw­huis, daterend uit de Midden-Bronstijd.
Ook Jan ten Hove vermeldt dat bodemon­derzoek heeft uitgewezen dat er tijdens de brons­tijd en de ijzertijd bewonerskernen moeten zijn geweest in ondermeer Spoolde. Er zijn zogeheten grondsporen van woonstalboerderijen aangetrof­fen, boerderijen die doorgaans 21 tot 25 m lang waren en wel 5 tot 7 m breed konden zijn.
Bisschop wordt landsheer
Rond de jaartelling vestigden zich in het gebied waartoe ook Spoolde behoorde de Sassen (Sak­sen), een volk van Germaanse oorsprong. Aan­vankelijk leidden ze een zwervend bestaan en waren ze vooral herders en jagers, maar langza­merhand werd het meer een volk van landbou­wers dat voor vaste verblijfplaatsen koos.
Vergaderingen (holtspraken) en religieuze bijeenkomsten vonden vaak plaats op bijzondere plekken, bij een rivier, een bron of op een heu­vel. Volgens het informatiepaneel onder aan de Spoolderberg is het zeer waarschijnlijk dat de Ger­manen het rivierduin bij Spoolde ook als plaats voor bijeenkomsten en rituelen hebben gebruikt.
Ook al hadden de diverse Saksische stammen zich op den duur samengevoegd tot een Sassen­verbond, ze waren uiteindelijk niet opgewassen tegen de zuidelijker gelegen Germaanse stammen. Deze hadden zich verenigd in een Frankenbond waarin Karel de Grote een hoofdrol zou gaan spe­len; hij stichtte een immens rijk.
Rond 800 lijfde Karel het rijk der Saksen bij zijn rijk in. Hij bekeerde zich tot het christendom en deed er alles aan om de veroverde volken ook tot zijn nieuwe geloof te brengen. Tegelijkertijd wilde hij afrekenen met alles wat herinnerde aan het heidense geloof. Niet alleen volksvergaderin­gen en gewone rechtsdagen werden verboden, maar ook voorouderlijke zeden en gebruiken wer­den in de ban gedaan. Het christendom breidde zich meer en meer in noordelijke richting uit, al in 777 werd het bisdom Utrecht gesticht.
Na de dood van Karel de Grote ging het berg­afwaarts met het centrale bestuur en ging het rijk langzamerhand ten onder door onderlinge twis­ten tussen de erfopvolgers. Salland, dat toen ook wel Salaland genoemd werd, ging uiteindelijk tot het Oost-Frankische Rijk behoren en kwam bin­nen de provincie IJsselgouw te liggen.
Voor het besturen van het land stelde de koning plaatsvervangers, vazallen, aan die daarvoor een stuk grond te leen kregen. Toen deze leenmannen steeds meer macht naar zich toetrokken en, zelfs ongevraagd, het land van vaders op zoons lieten overgaan, besloot de koning voortaan steeds meer grond aan de bisschoppen te schenken, omdat bij hen erfopvolging niet aan de orde was.
In 1086 werd de gouwe Salland aan de bis­schop van Utrecht geschonken. Hij had in de loop van de tiende en elfde eeuw naast het Nedersticht (Utrecht) ook het Oversticht onder zijn beheer gekregen, een gebied waartoe het latere Overijs­sel, Drenthe en de stad Groningen met omgeving behoorde.
De bisschop had zijn handen zo vol aan wereldlijke beslommeringen, dat hij steeds meer werk moest uitbesteden. Vooral de kanunniken van het invloedrijke bisdom Deventer werden ingezet. Deze kanunniken kregen steeds meer bezittingen. Zij waren zich ook bewust van de voordelen die de steeds verder gaande ontginnin­gen hen boden.
Omdat de waterbeheersing verbeterd was kon er steeds meer onland, onbruikbare woeste grond, in cultuur worden gebracht en nam het aantal grazige weiden toe.
Spoolde op de kaart
De IJssel ten noorden van Deventer was langza­merhand ook beter bevaarbaar geworden. Daar­door nam de handel stroomafwaarts toe, maar er was ook een keerzijde voor de bisschop.
Het aantal doorwaadbare plaatsen was zo afgenomen dat de landsheer naar een andere oversteek op zoek moest om in het Oversticht te belanden. Extra probleem daarbij was dat zijn grote tegenspeler, de hertog van Gelre, het groot­ste deel aan die kant van de IJssel bezat. Gelukkig liep even ten noorden van Hattem de grens met zijn grondgebied. Daar lag het allang verdwenen kerkdorp Katen met een veerstal, van waaruit hij rechtstreeks de oversteek naar het Oversticht kon maken. In het dorpje Katen stond een kerspelkerk waar ook de Spooldenaren tot ver in de Middel­eeuwen ter kerke gingen. Tijdens een watersnood­ramp, in 1444, werd het dorpje uiteindelijk door de golven verzwolgen en kwam het midden in de nieuwe bedding van de IJssel te liggen.
Het Katerveer
De plek werd Cathendol of Catertol genoemd, wat oorspronkelijk een heffing op visvangst inhield. Pas later, met het beter bevaarbaar worden van de rivier, werd hier ook de Katentol van passerende schepen mee aangeduid.
Het Katentol behoorde aanvankelijk tot de abdij van Elten, die het in 1240 in ‘eigen gebruik’ en ‘eeuwigdurende erfpacht’ aan Deventer gaf.
Frederick van Blankenham, bisschop van Utrecht, gaf in 1396 aan dat het veer in bezit moest komen van de pastoor van Cothen (Katen), om zo het kerkbezoek mogelijk te maken voor de inwo­ners van het aan de overkant liggende Spoolde.
In 1437 verdween het veer uit bisschoppelijke handen, maar daarbij was wel bedongen dat het nooit in handen van de Geldersen mocht komen. Het Katerveer kwam in 1454 in zijn geheel in eigendom van de stad Zwolle. Het zou pas na de totstandkoming van de eerste IJsselbrug in 1930 uit de vaart worden genomen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de pont nog twee keer, zij het voor korte tijd, in de vaart. In 1940 nadat het Nederlandse leger de IJs­selbrug had opgeblazen en in 1945 toen de Duit­sers, vlak voor hun nederlaag, hetzelfde deden.
De keuze van de plek bracht niet alleen Spool­de in beeld maar was ook van belang voor de ont­wikkeling van de stad Zwolle, want Zwolle werd nu een belangrijke pleisterplaats voor het verkeer naar het noorden.
Spoolderberg
Dat de bisschop van Utrecht de Spoolderberg als vergaderplaats uitkoos, was niet toevallig. Het sloot mooi aan bij gebruiken uit de Germaanse tijd, waar verhogingen ook vaak als ‘hulde- en rechtplaats’ werden aangeduid. Beide aspecten kregen in de nieuwe situatie een vervolg.
In 1308 was het de toenmalige bisschop van Utrecht, Guy van Avesnes, die de IJssel overstak en op de Spoolderberg, in aanwezigheid van ‘rid­dere ende knapen en dat mene Lant’, het dijkrecht vaststelde. De bijeenkomst was opgezet om de waterstaatszaken definitief goed te regelen. In die tijd was men er ook al van overtuigd geraakt dat het water een vijand was die gezamenlijk aange­pakt moest worden. Geen overbodige luxe, zoals uit de geschiedenis van Spoolde zal blijken.
In het jaar 1456 vond er weer een belangrijke gebeurtenis plaats, want toen kwam landsheer David van Bourgondië naar de plek om vrede te sluiten met de Overijsselse steden.
Ook inhuldigingen van de nieuwe landsheer vonden op de Spoolderberg plaats. De Spool­derberg zou tot aan de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke vergaderplaats blijven.
Het aanzien van de Spoolderberg is na eeuwen drastisch veranderd. Het is nog slechts een bergje, een restant van het eens allergrootste rivierduin van Salland, dat door de automobilist die richting oude IJsselbrug rijdt, nog nauwelijks opgemerkt wordt.
In de loop van de tijd werd het zand voor allerlei doeleinden gebruikt, onder meer voor de aanleg van een schans, die deel uitmaakte van een verdedigingslinie van de stad tot de IJssel, terwijl ook bewoners er regelmatig zand haalden voor eigen doeleinden. De berg zou misschien totaal verdwenen zijn als niet in 1644 het markebestuur had besloten dat afgraven voortaan alleen tegen betaling was toegestaan. Alleen de stad Zwolle zou er nog voor niets mogen graven.
Bij de aanleg van de Willemsvaart was de Spoolderberg een storende hindernis. De water­weg werd er omheen gelegd maar aan de zuidkant werd toch nog een stuk van de berg afgegraven.
Het kunstwerk ‘Le Chêne’ (de machtige eik) van kunstenaar André Boone dat onder aan de Spoolderberg staat, symboliseert de verschillende culturen die in de loop der eeuwen aan dit rivier­duin zijn voorbij getrokken.
De marke Spoolde
Ondanks het feit dat de bewoners neerstreken op de hoger gelegen rivierduinen, hadden ze het toch niet altijd gemakkelijk. Aanvankelijk lag het omringende veen nog hoog genoeg om geschikt te zijn voor veeteelt, maar in de eeuwen daarna ging het veen zo inklinken dat het veel lager kwam te liggen. Dat leidde, vooral in herfst en winter, regelmatig tot wateroverlast en overstromingen.
Niettemin is Jan van de Wetering in zijn boek Vergeten levens van mening dat er omstreeks 1600 in Salland door ontginning en bijpassende ont­watering al een tamelijk stabiele situatie was ont­staan. Spoolde, liggend in het stroomdal van de IJssel, lag toen in een vruchtbaar deel. De grond was samengesteld uit rivierklei en klei op veen dat uitermate geschikt bleek voor veeteelt. Toch heeft Spoolde eeuwenlang een gebied gehad dat geschikt was voor akkerbouw; het gebied tussen de Spoolderenkweg en de IJssel, dat ook nu nog steeds de Spoolderenk heet.
Spoolde was een marke. Een marke is een middel­eeuws collectief van grotere boeren die gezamen­lijk het beheer en gebruik van hun gemeenschap­pelijke gronden regelden. De marke Spoolde werd begrensd door de marken Assendorp, Schelle, Voorst, Westenholte en de rivier de IJssel. Het centrum van de marke bestond uit cultuurgrond met boerderijen, omgeven door woeste gronden.
Regelmatig kwamen de markegenoten bij elkaar om, onder voorzitterschap van de mar­kerichter, diverse zaken betreffende de marke te bespreken. Niet iedereen mocht deel uitmaken van het bestuur, alleen de zogenaamde geërfden of gewaarden, zij die eigendom bezaten. Zij kregen daarmee het recht vee in te scharen in de gemeen­schappelijke weide, de meente, die tussen de huidi­ge Meenteweg en de wetering gelegen was. Het was gebruikelijk weidegronden af te sluiten met doorn­hagen die tot circa 1.20 m gesnoeid werden. De akkerbouw vond voornamelijk plaats op de Spool­derenk, waarbij elke markegenoot, al naar gelang zijn bezit, een of meer akkers toebedeeld kreeg.
Het buitendijkse land gerekend vanaf de Katerveersluis werd achtereenvolgens genoemd: de Spoolderwaard, de Spoolderwelle, de Spool­derzaaiwaard – kennelijk een gebied waarop ook landbouw mogelijk was – en de Vreugderijker­waard, die nu volledig omgevormd is tot natuur­gebied.
De Spoolder Hang (een oude rivierarm) was evenals de rivier de IJssel van groot belang voor de visvangst. Het markebestuur bemoeide zich dan ook nadrukkelijk met de visrechten.
Naast de eigenaren van de gewaarde boerde­rijen konden keuters of katers (kleine boeren) soms tegen betaling ook gebruik maken van mar­kegronden. Een enkele keer mochten ze zelfs een stukje grond ontginnen.
De markerichters woonden zelf vaak niet in Spoolde, want de erven werden meestal bewoond door de pachters, ook wel meyers (meiers) of huysluyden genoemd. De markerichters werden bij toerbeurt gekozen. Vrouwen zaten niet in het markebestuur, zij moesten voor een waarnemer zorgen. Het waren de notabelen die eeuwenlang het markebestuur vormden. Het duurde tot na de Franse tijd voordat de eerste boer, Meyerink, ook zitting mocht nemen in het markebestuur, nadat hij eigenaar was geworden van ‘Erve de Venus’ (zie het hoofdstukje over deze boerderij, pagina ..).
De markeboeken van Spoolde
De afspraken binnen het markebestuur werden gemaakt, werden jarenlang opgetekend in de mar­keboeken. Het eerste Spoolder markeboek dateert uit 1489, het laatste werd in 1870 geschreven. Het is jammer dat er geen gegevens van honderd jaar eerder zijn. We hadden dan kunnen weten of Gheerd van Spoelde, een bekende naam uit de vroege Zwolse geschiedenis, ook daadwerkelijk iets met Spoolde te maken heeft gehad, zoals de naam doet vermoeden. Deze schepen van Zwolle liet in 1394, ter wille van zijn zielenheil en dat van zijn familie, een testament opmaken waarin stond dat veel van zijn goederen aan de kerk zouden worden nagelaten. Daarvoor moest een kapel gebouwd worden en een kerk. Dit was het begin van de bouw van de Onze Lieve Vrouwekerk.
In de oudste boeken wordt wel gesproken van een ‘Hof thoe Spoolde’, maar het blijft gissen of Gheerd have en/of goed in Spoolde heeft gehad.
In het eerste markeboek (1489) wordt in hoeveelheden roeden en voeten aangegeven hoe groot ieders bezit was. Op dat moment waren er nog maar tien hoeven in Spoolde, in 1626 gaat het over vijftien hoeven.
Zorgvuldig worden belangen van iedereen vastgelegd: ‘Ganzen en eenden die in ’t land van andere luyden komen mag men doodslaan!’. Heel vaak gaat het over zaken als het onderhoud van de IJsseldijk en kribben, het hakken en verkopen van hout, het onderhoud van sloten, wegen en dui­kers, maar ook wel over het recht op visserij.
In de hierna volgende stukken komt de rol van het markebestuur verschillende keren naar voren.
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg
Eeuwenlang stond midden in de zogenaamde Spoolder polder, gelegen tussen het Mercure hotel en de Nilantsweg, boerderij de Hertsenberg. Met de sloop van de boerderij in 1997, werd er ook een stuk geschiedenis afgesloten.
Van oudsher lag de gemeente Zwollerkerspel als een ring om de stad Zwolle. De invloed van de stad was groot. Aanvankelijk was de kerk eigenaar van de omliggende gronden van de stad, later waren het de adel en rijke burgers uit de stad die landerijen en huizen bezaten in het kerspel.
Vaak werd er op hun bezittingen een zogehe­ten spieker gebouwd, doorgaans niet veel meer dan een voorraadschuur. Meestal werd die in de loop van de tijd uitgebouwd tot een bewoonbaar pand, waarna het een buitenplaats werd. Veel moet men zich aanvankelijk nog niet voorstellen van het woongenot. De huizen werden meestal alleen ’s zomers bewoond, ’s winters trokken de bewoners naar de comfortabele binnenstad. Dit zal ook het geval geweest zijn met de Hertsenberg.
Benedictus van Hertenbergh
De naam Benedictus van Hertenbergh is gekop­peld aan het huis dat eeuwenlang midden in de Spoolder polder lag. Benedictus had een smederij in de Voorstraat op nummer 43, waar vooral spel­den werden gesmeed.
In 1690 duikt de naam Hertsenberg voor het eerst in de archieven op. Benedictus zat toen ken­nelijk in geldnood en leende van een zekere Arent van Brevoort honderd caroli guldens. Hij gaf hier­voor zijn huis en akkers genaamd ‘den Herten­berg’, gelegen in Spoolde, in onderpand.
Uit de registers kunnen we opmaken wat hopman Abraham van Sonsbeek (kapitein in het leger) zoal in bezit kreeg toen hij het in 1789 erfde:
– een caterstede (keuterboerderij) den Hertsen­berg* met daarbij gelegen weide en plantsoen, benevens twee en een halve koeweyde op de Spoolder Weerd;
– de weydekamp genaamt het Lange campjen, groot 1 morgen** mede gelegen in Spoolde;
– de weydecamp genaamt den Boomgaard groot ½ morgen mede gelegen in Spoolde;
– het hooycampje genaamt het Laage campje groot ½ morgen mede in Spoolde gelegen;
– een Hagentje genaamt Uilengaren groot ¼ mor­gen meede in Spoolde gelegen.
Verder nog wat akkertjes bouwland, die zowel in Spoolde als in Westenholte lagen.
Het huis bleef een aantal jaren in handen van Van Sonsbeek, hoewel ook hij weer geld leende en daarbij de buitenplaats in onderpand gaf. In die tijd moet er ook een nieuw gebouw bijgezet zijn, want in het huis dat de familie Zieleman later jaren lang zou bewonen, is een eerste steen gemet­seld met het jaartal 1818.
Van kamerbewoner tot eigenaar
In 1832 komen de eerste kadasterkaarten. We krijgen dan een beeld van wat er zoal aan opstallen in Spoolde staat. Het gebied van de Hertsenberg strekte zich toen uit vanaf de Beukenallee tot aan de IJssel.
Naast de oorspronkelijke spieker, die tot caterstede uitgebouwd was, zien we het (nieuwe) gebouw dat uit 1818 dateerde. Er was toen al weer een andere eigenaar, Franciscus Clement Tine­ken. Tineken woonde er zelf niet, hij verhuurde kamers. Eén daarvan werd bewoond door tim­merman H. van Zwolle, die de opdracht kreeg maar liefst 97 zware bomen (eiken en linden) die op dat moment op de buitenplaats Hertsenberg stonden, te verkopen. In 1840 overleed Tineken, waarna de Hertsenberg opnieuw verkocht werd. Uit een advertentie in de Zwolse Courant uit 1841 blijkt dat er sprake was van twee gebouwen, een huis en een caterstede met lanen, tuin en plan­tagien en zelfs een duiventil. De oorspronkelijke caterstede had intussen zijn beste tijd gehad en was vrijwel een bouwval. Fortuin, de nieuwe eige­naar, liet het in 1849 afbreken.
Ook nu weer bewoonde de eigenaar niet de buitenplaats maar verhuurde een kamer, aan­vankelijk aan ene Jacob van den Berg en later aan Gerrit Willem Zieleman. Wijnkoper Nicolaas Pruimers was tussen 1852 en 1860 eigenaar van de Hertsenberg. Hij was bang dat het verblijf ver­loederde als het niet regelmatig bewoond werd en deed daarom zijn uiterste best om Zwolse families voor ‘een gezond’ verblijf naar zijn buitentje te lokken. Hij plaatste hiervoor kleine advertenties in de Zwolse Courant. Uit de advertenties blijkt dat er sprake was van meerdere kamers, waarvan één nog steeds werd bewoond door Gerrit Willem Zieleman. Op de kadasterkaart van 1880 valt te zien dat er intussen ook een boerenschuur naast gezet was. Bovendien valt er uit op te maken dat het huidige Hertsenbergpad al een duidelijke voorganger had. Zowel vanaf de Meenteweg als vanaf de Beukenallee was er een toegangsweg naar de boerderij.
Na de Franse tijd ontstonden er andere ideeën over het nut van de markegenootschappen, deze zouden moderne ontwikkelingen te veel in de weg staan. Vooral in Oost-Nederland werd toen veel ‘gemene’ grond aan particulieren verkocht. Ook in Spoolde gebeurde dit tussen 1837 en 1847. Een deel van de vrijkomende grond werd door boeren gekocht, het overgrote deel kwam echter in han­den van rijke particulieren.
Zo kocht Eusebius Alexander Buisman in 1875 een flink deel van het grondgebied van de Hertsenberg om daar zijn villa de Vijverberg te laten bouwen. Ook het ZAC-terrein (nu Kater­veerpark) werd op een voormalig stuk grond van de Hertsenberg aangelegd.
In 1910 kreeg Gerrit Willem Zieleman de kans om van huurder, eigenaar te worden. Vanaf dat moment tot het midden van de jaren negentig van de twintigste eeuw zou de naam Zieleman gekop­peld blijven aan de Hertsenberg. Geen wonder dat in Spoolde het begrip ‘Zielemanpaadje’ gemakke­lijker in de mond lag dan Hertsenbergpad.
Zoon Jan, getrouwd met Geertruida van de Wetering, werd in 1918 zijn opvolger. Het echt­paar kreeg vijf kinderen. Het weggetje naar de Nilantsweg kreeg voor hen een bijzondere beteke­nis, want maar liefst drie kinderen haalden hun geliefde uit dat stukje Spoolde. Zoon Gerrit Wil­lem (geb. 1922) bleef op de boerderij achter en zette het bedrijf voort.
Gerrit Willem (Gait) Zieleman
Oud-Spooldenaar Wolter Groeneveld groeide op in één van de afgebroken punthuisjes aan de Nilantsweg, die plaats moesten maken voor de aanleg van de A28. Hij schreef, in een terugblik op zijn leven, over herinneringen aan de Hertsenberg en de familie Zieleman. Hij was ongeveer van dezelfde leeftijd als de toekomstige boer Gait. Hij verhaalt over de eindfase van de Tweede Wereld­oorlog, toen de IJssellinie aangelegd werd en de Duitsers jonge Nederlanders verplichtten om zich te melden voor werk in Duitsland, de ‘Arbeitsein­satz’:
‘Wolter en Gerrit Zieleman zitten op dat moment in hetzelfde schuitje en lopen gevaar. Ze besluiten onder te duiken en buiten de greep van de bezetter te blijven. Overdag lukt dat het best door werkzaamheden te verrichten in en om de Hertsenbergboerderij. Het plukken van appels is daarbij een veelvoorkomende bezigheid. De grote boomgaard, met zijn grote hoeveelheid hoogstam-fruitbomen biedt een prachtige schuil­plaats. Je hebt een hoge ladder nodig om helemaal bovenin te komen. Van daaruit maken ze soms spannende dingen mee. Vaak zijn ze getuige van overvliegende geallieerde jachtvliegtuigen, die het gemunt hebben op station en treinwagons. Duits afweergeschut probeert deze vliegtuigen neer te halen, dus al met al levert dat nogal wat span­nende taferelen op.
Spoolde is in die tijd een belangrijke verde­digingslinie voor de Duitsers; er moet heel wat gegraven worden om de IJssellinie sterk te maken. Ook dat werk wordt gedaan met te werk gestelde Nederlanders, vooral Twentenaren, die dagelijks verplicht komen opdraven. Spitters of gravers worden ze genoemd, de benodigde schoppen en bijlen halen ze elke dag op bij de Hertsenberg waar ze ook ’s avonds weer ingeleverd worden. Wolter en Gerrit proberen te midden van dit alles zo min mogelijk op te vallen.’
Het echtpaar Gerrit en Gerrie Zieleman-Katten­berg kreeg zes kinderen, drie zoons en drie doch­ters. Een gesprek met zoons Dik en Jan in 2007 bracht de tijd weer terug:
‘De woonomgeving was in de jaren vijftig nog jarenlang dezelfde gebleven. Het grootste gedeelte van de grond om de boerderij was nog weiland, er lag ook nog een stuk weidegrond daar waar nu de testbaan van Scania ligt. Er was ook bouwland. Op de plek van het huidige hotel Mercure werd maïs verbouwd, waar nu de A28 ligt was nog een grote strook bouwland waar graan verbouwd werd.
Het boerenbedrijf was aanvankelijk nog niet gemoderniseerd. Twee paarden, een zwarte en een bles, verrichtten nog veel werk. Pas in de jaren zes­tig verscheen de eerste trekker en kwam je er meer vormen van mechanisatie tegen. Langzamerhand maakte het hooien plaats voor het inkuilen van gras.
In die jaren verscheen aan de horizon ook de hoog gelegen A28, duidelijk zichtbaar vanaf de boerderij, want bomen stonden er nog niet. De hoeveelheid verkeer stond in geen verhouding tot de verkeersdrukte van nu.
De veestapel bestond in hoofdzaak uit koeien. Ook in die tijd hadden boeren al met tegenslag te kampen. Vrijwel de hele koeienstapel moest geruimd worden toen in de jaren zestig mond- en klauwzeer uitbrak. Met de fruitteelt ging het ook niet goed meer en uiteindelijk werden de fruitbo­men vrijwel allemaal gekapt.’
Verkocht… gekocht… verkocht… gesloopt!
In het midden van de jaren zeventig werd de boer­derij verkocht aan de gemeente die dacht dat het gebied goed paste in haar uitbreidingsplannen. Door de bouw van het motel werd het boerenbe­staan er niet gemakkelijker op. Bovendien wilde geen van de kinderen het bedrijf voortzetten. Ger­rit besloot toen zijn koeien te verkopen en ging ‘buiten de deur’ werken. Stil zitten lag niet in zijn aard, hij was een doener. Dat leidde er toe dat hij het huis grondig ging verbouwen en het aanpaste aan de eisen van de tijd. Ook werd besloten om een gedeelte van het huis te verhuren.
Op een gegeven moment had Gerrit zoveel tijd, geld en energie in het huis geïnvesteerd, dat hij spijt kreeg van de verkoop en het tegen dezelf­de prijs probeerde terug te kopen. De gemeente ging er mee akkoord, maar stelde als voorwaarde dat zij bij verkoop het voorkeursrecht verkreeg.
Leeftijd, gezondheidstoestand, maar ook de staat van het huis leidden uiteindelijk opnieuw tot de verkoop van het huis. Midden jaren negentig verhuisden Gerrit Zieleman en zijn vrouw naar de Stinsweg in Westenholte, waar ze enkele jaren later overleden.
De gemeente zag geen enkele reden om de boerderij met opstallen in stand te houden: ‘dat zou alleen maar geld kosten!’. In 1997 werd boer­derij ‘de Hertsenberg’ gesloopt en is het pand met een lange historie voorgoed verdwenen.
* De oorspronkelijke naam Hertenbergh is veranderd in Hertsenberg.
** Een morgen is een oude landmaat, waaronder verstaan werd de hoeveelheid land die men op een morgen zou kunnen ploegen. Dat kon per plaats en gebied nog al uiteen lopen.
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’
Jarenlang was er ook sprake van een Klein Hertsen­berg. Het stond op de plaats waar de Nilantsweg een bocht maakt, nu Nilantsweg 89, en waar een weg­getje afbuigt naar de dijk. Het weggetje is er nog en werd ooit de Zwarte Weg genoemd.
Toen hopman Abraham van Sonsbeek in 1789 eigenaar werd van Groot Hertsenberg, kwam hij ook in bezit van Klein Hertsenberg, dat bestond uit twee catersteden, keuterboerderijtjes. De boer­derijtjes werden meestal bewoond door mensen die werkzaam waren voor de marke Spoolde, vooral weerdmeesters. In het bevolkingsregister van 1741 staat dat aan de ene kant timmerman Arend Wijnkoop woonde, met naast hem Lam­bertus Reinders en zijn vrouw Willemina.
Lambertus was weerdmeester van de marke en moest toezicht houden op alles op en om de dijken. Hij speelde een belangrijke rol in een door markerigter Nilant in het markeboek beschreven vete tussen de buurtschap Spoolde en het Gel­derse Ierst (zie pagina 106).
Van twee katersteden naar drie huizen onder
één dak
Toen in 1832 de eerste kadasterkaarten versche­nen, vielen daarop duidelijk de twee huizen van Klein Hertsenberg te herkennen. Op den duur werd Klein Hertsenberg losgeweekt van zijn grote broer, ook al kwam het ook nu weer in handen van gegoede families.
Zo werd mr. J.M. van Rhijn in 1841 als eige­naar genoemd. Hij was getrouwd met Elisabeth Nilant, dochter van burgemeester Nilant, die op dat moment in het vlakbij gelegen IJsselvliet woonde.
Bij de volkstelling van 1860 kwam Klein Hert­senberg opnieuw in beeld. In één van de huizen woonde toen de weduwe Halfwerk. Kennelijk had zij enige tijd later het huis kunnen kopen, want in de Zwolse Courant van 1883 staat een advertentie waarin zij als eigenares een katerstede, genaamd Klein Hertsenberg, te koop aanbood, bestaande uit huis, schuur, bakhuisje en tuingrond, groot vijf are.
Er moet na die tijd een ingrijpende verande­ring hebben plaats gevonden. Uit een advertentie van 1888 blijkt dat baron De Vos van Steenwijk op dat moment eigenaar was en zijn bezit wilde ver­kopen. Het ging om de verkoop van drie huizen onder één dak met bouwland, groot 21 roeden,
24 ellen. Uit de advertentie valt verder op te maken dat de drie huizen enkele jaren daarvoor gebouwd waren en dat twee ervan verhuurd waren voor ‘elk ƒ 1,40 per week’. Waarom de oorspronkelijke huizen verdwenen zijn is niet bekend. Deze huizen mogen dan verdwenen zijn, de naam Klein Hertsenberg bleef bestaan. Ook in 1922 dook die naam nog op toen een zekere Bredewout zijn bezit te koop aanbood als ‘war­moezerij Klein Hertsenberg’. Het ging om een ‘boerenhuis, met schuren, hooiberg, steltenberg en tuingrond’. De naam warmoezerij duidt op goede tuingrond. Kennelijk kon de groente in de luwte van de dijk goed gedijen.
Ook na de oorlog, in de jaren vijftig, werd op die plek nog volop groente geteeld. In die tijd woonde groenteteler Piet Kluin in het middelste huisje. Het was weliswaar een klein huisje, maar hij had wel de beschikking over alle achter het perceel gelegen tuingrond. Zijn zelfteelt was niet voldoende voor zijn handel. Dagelijks moest hij naar de veiling om het assortiment aan te vullen. Op de bakfiets trok hij de wijk in om zijn groente uit te venten.
Van sloop naar nieuwbouw
Veel oudere Spooldenaren zullen zich de drie huisjes met hun diverse bewoners nog herinne­ren. Erg comfortabel wonen was het er niet. De huisjes waren vochtig en het woei er soms dwars door heen, de slaapkamers op zolder lagen direct onder de pannen. Uiteindelijk zijn ze in 1969 onbewoonbaar verklaard en geveild.
Joop Stoffer werd toen de nieuwe eigenaar voor een bedrag van 24.000 gulden. Hij wilde de optrekjes slopen en er één nieuw pand voor in de plaats zetten. Het duurde nog wel even voor hij daarvoor toestemming kreeg, maar in 1974 kwam de vergunning af. Voor de nummers 85, 87 en 89 mocht één huis terugkeren: Nilantsweg 89.
Uit de oude bouwtekening kunnen we nog enigs­zins het beeld van vroeger terugvinden. De nieu­we eigenaar nam zelf de sloop en bouw ter hand en kwam daarbij wel voor verassingen te staan. De wanden van één van de huisjes waren met leem aangesmeerd, geen wonder dat er een vochtpro­bleem was. Eén huisje had een zijkamer waar nog heel veel gereedschap van een klompenmaker lag. De vondst duidt wellicht op een vroegere klom­penmakerij. Elk huisje had een schoorsteen en het wemelde er nog van de bedsteden. Bij één van de huisjes zat zelfs een waterput in de kamer.
In de achtertuin kwam hij ook een grote waterput tegen. Joop groef hem uit en maakte hem schoon. Dat leverde vooral veel stukken porselein op. Hij lijmde de stukken zo goed en zo kwaad als het kon aan elkaar, maar niet met de juiste lijm. Het museum aan de Melkmarkt had daarom geen belangstelling voor zijn bodem­vondst. Dat lag anders met een gevonden Zeeuwse spreukschaal. Na deskundige restauratie werd die in de museumcollectie opgenomen. De schaal draagt ook nog een spreuk: ‘Luiheid wordt beloond met armoede’.
Bij de sloop van het huis bleek ook dat het dak nog steeds gedragen werd door dennenstammen. Na de afbraak is rondom de bestaande fundering een nieuwe gemaakt, een zogenaamde schort. Bij het metselen van deze nieuwe fundering ontdekte men dat de oorspronkelijke fundering verder doorliep, want er kwamen fundamenten van een boerderij te voorschijn. Misschien is het vroegere Klein Hertsenberg toch groter geweest dan het latere en zijn de drie huisjes op een deel van het oorspronkelijke Klein Hertsenberg neergezet.
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’
Eeuwen geleden lagen er in de IJssel, niet ver van het Katerveer, een paar eilandjes, eigenlijk een paar zandplaten. Eén daarvan werd, vanwege zijn vorm, ook wel ‘frikadelleneiland’ genoemd, al werd er ook wel over ‘Twiegwelle’ gesproken. Er groeide daar nogal wat twijg, in die dagen van groot belang voor het verstevigen van de dijken. Terwijl men in Spoolde dacht dat de eilandjes hen toebehoorden, dachten ze daar aan de overkant, in Ierst*, anders over. Dat leidde uiteindelijk tot een stevige vete tus­sen beide rivalen.
IJsselvliet
Wim Huijsmans heeft in 1993 in het Zwols Histo­risch Tijdschrift uitgebreid geschreven over het in 1870 afgebroken landgoed ‘IJsselvliet’. Het werd al in 1647 genoemd en was toen in het bezit van de Zwolse burgemeester Arnoldus Greven. Het land­goed lag vlak bij de IJssel en omvatte een gebied dat ongeveer vanaf de huidige Katerveersluizen liep in de richting van het Zwolle-IJsselkanaal ter hoogte van Nilantsweg 47. Ook aan de overkant van de Nilantsweg lagen nog de nodige bezittin­gen. Door vererving kwam het landgoed in bezit van Lucas Nilant, die ook een aantal keren marke­richter was. In die hoedanigheid hield hij het mar­keboek bij waarin hij een gebeurtenis beschreef, die tot het volgende verhaal bewerkt is.
Ongenode gasten
Het was november 1757. Weerdmeester Lam­bertus Reinders ging ’s ochtends bijtijds van huis om zijn dagelijkse werk te doen. Zijn eerste gang was naar de dijk, want hij had bemoeienis met alle werkzaamheden op en rond de dijk. Het was maar een klein eindje lopen want zijn huis stond niet ver van de dijk af, hij woonde al jaren met vrouw en kinderen in Klein Hertsenberg.
Juist toen hij de dijk opgeklommen was viel hem iets ongewoons op. Op het ‘frikadellenei­landje’ in de IJssel waren twee mannen bezig twijg te snijden en zo te zien waren het geen Spooldena­ren. Nee het waren lui van de overkant, uit Ierst.
Lambertus liet dat niet over zijn kant gaan. Had Spoolde immers niet het eigendomsrecht over dat eilandje? Hij regelde bij buurtgenoot Cooyman een boot, charterde twee mannen en roeide naar het eilandje toe. De twee mannen uit Ierst hadden niets in de gaten en gingen rustig door met het snijden van twijg. Ook merkten ze niet dat Lambertus en zijn mannen hun schuit inpikten en daarmee naar de Spoolder kant terug voeren.
Eenmaal terug bracht Lambertus verslag uit bij markerigter Nilant. Op diens advies stopten ze de boot goed weg in de sloot bij een boer, iets ver­derop; voor alle zekerheid hadden ze de riemen er ook uit gehaald. Toch was die boot in februari van het jaar daarop al weer in Ierst terug. De Ierstena­ren kozen daarvoor het juiste moment, want hun actie vond plaats op het moment dat de Spoolder boerenjongens hun vastenavondfeest vierden in de Moriaen, een herberg onderaan de Spoolder­berg.
Spoolde in actie en zegeviert
Toen markerigter Nilant in het daarop volgend najaar vanuit zijn raam naar buiten keek, kon hij zijn ogen bijna niet geloven. In de verte, op het frikadelleneiland, zag hij een hele horde, onbe­kende mannen twijg snijden. Met volle vrachten vertrokken ze naar de Gelderse kant.
Nilant wist wat hem te doen stond. Hij wist een dertiental boeren zo ver te krijgen dat ze met een geleende boot van veerman De Leeuw ook naar het twijgeiland voeren.
‘Probeer zoveel mogelijk twijg te snijden als je kunt’, voegde hij de mannen toe, ‘maar denk er aan, er wordt geen geweld gebruikt en gescholden wordt er evenmin; mocht het zo zijn dat je over­meesterd wordt en ze vragen je wie jullie gestuurd heeft, dan zeg je: de Heeren erfgenamen van Spoolde!’
Toen de Spooldenaren in de middag vertrok­ken, zagen ze al gauw dat de lui van Ierst met z’n veertienen waren. Eén man meer schrok hen niet af en aangekomen op het eiland begonnen ook zij hun twijg te snijden. Zwijgend deden beide par­tijen hun werk.
Markerigter Nilant sloeg vanuit zijn landhuis met de verrekijker het schouwspel gade. Hij zag twee mannen van Ierst wegvaren, terwijl de schuit nog maar halfvol lag met twijg. Dat leek hem niet helemaal pluis, zeker niet toen hij één van de Iers­tenaren, eenmaal aan wal beland, ‘met gezwinde pas’ naar Huize Ierst zag rennen. Dat leek hem geen zuivere koffie. Gauw stuurde Nilant iemand naar het eiland om zijn mensen te waarschuwen op hun hoede te zijn. Nilant maakte zich niet ten onrechte ongerust, want het duurde niet lang of hij zag vanuit Ierst vier mannen naar het eilandje varen. Erger nog, twee van hen hadden een gela­den snaphaan (geweer) bij zich. Bij het eilandje gekomen losten ze zelfs een paar schoten in de lucht, kennelijk wilden ze de tegenpartij intimide­ren. Tevergeefs, onverstoorbaar bleven de Spool­denaren hun twijg snijden. Er werd nog een paar keer geschoten. Ook aan de vaste wal hadden ze nu in de gaten dat er iets aan de hand moest zijn. Boven aan de dijk sloeg Papen Hendrik met een zekere ongerustheid het schouwspel gade, zelfs de meid kwam op het lawaai af. Er vielen verder geen schoten meer. Wel gingen beide partijen gewoon door met twijg snijden. Het was al laat toen de Spooldenaren met grote bossen twijg aan de wal terugkeerden.
De volgende dag wilden ze weer gaan, maar zware regen stond dat in de weg. De Ierstenaren waren er wel, maar niet voor lang, ook zij moesten buigen voor de regen. De heer van Ierst scheen ook even langs geweest te zijn en hij had zijn men­sen gevraagd of er gisteren ook ‘van die donders bij waren die destijds de schuit weggehaald had­den?’. Nou die waren er zeker bij geweest!
Nilant was nog niet helemaal tevreden en kwam met een nieuwe actie. Hij vroeg de boeren of ze de maandag daarop ieder met twee man wilden komen om vervolgens met z’n allen, met de schuit van veerman De Leeuw, af te varen naar het andere eiland, de Grote Welle. Met maar liefst 23 mensen gingen ze op pad. Er was die dag geen Ierstenaar te bekennen. Aan het eind van de dag keerden ze met een enorme hoeveelheid twijg terug. De bossen twijg werden opgeslagen in de ‘Bourenhof’ bij IJsselvliet. Het zou later gebruikt worden voor versterking van het lange hoofd aan de IJssel.
De strijd leek beslecht. Ierst had zich kennelijk gewonnen gegeven. Spoolde ging er vanuit dat het eigendomsrecht over de eilandjes sindsdien defi­nitief aan hen toebehoorde.
* Aan de Gelderse kant tegenover Spoolde lag ooit het kasteel Ierst. Begin negentiende eeuw werd op de plek van het vervallen kasteel boerderij de Ierst gebouwd. De naam Iersterweg herinnert ons ook nog aan het vroegere kasteel.
Erve de Venus
Wie de stad Zwolle, komend vanaf de oude IJssel­brug, binnenrijdt, ziet al gauw een gebouw opdoe­men dat je niet direct de benaming Venus zou geven. Zo mooi is het verzorgingshuis, architectonisch gezien, nou ook weer niet. Als we weten dat Venus de godin van de liefde voorstelt en vaak als symbool van de eeuwige schoonheid gezien wordt, kan men zich afvragen waarom ooit voor deze naam gekozen is. De naam heeft echter alles met de geschiedenis van het pand te maken.
‘Van de Vene’s hoeve?’
Rond de Middeleeuwen was de bebouwing in Spoolde nog heel beperkt. Alleen op de hoger gelegen gronden kon men zich veilig vestigen: op de rivierduinen langs de Meenteweg en gedeelte­lijk van de huidige Nilantsweg. En natuurlijk ook op en langs de in die tijd nog aanzienlijke Spool­derberg met z’n zich redelijk ver uitstrekkende uitlopers. De nederzettingen waren aanvankelijk in bezit van de kerk, voornamelijk van het Bethle­hemklooster, maar later ook van mensen van adel en uit de gegoede burgerij. Grootgrondbezit bleek een goede manier van geld beleggen te zijn.
In het markeboek van 1489 staat vermeld dat een zekere mevrouw Van de Vene een hoeve bezat. Er wordt wel beweerd dat de benaming ‘Van de Vene’s hoeve’ tot de verbastering ‘De Venus’ heeft geleid. Het blijft slechts gissen.
De ‘Venusredoute’
Duikend in de markeboeken stuiten we in 1647 op ‘Erve de Venus’. Een zekere Nicolaes van Hemich en Elsemien Waeckmans kwamen op dat moment in het bezit van erve en goed ‘De Venus’.
De Tachtigjarige Oorlog was toen bijna afge­lopen (1648). Het gebied waarin de Venus lag maakte deel uit van een verdedigingslinie, aan­gelegd op aandringen van prins Maurits om een opmars van de Spanjaarden naar de Noordelijke Nederlanden te verhinderen.
De linie, die aanvankelijk in een rechte lijn liep van het toenmalige Katerveer naar de stad Zwolle, had drie versterkingen: de Katerschans (bij de IJssel aan het Katerveer), de Bergschans (bij de Spoolderberg) en de Luurderschans, op de plaats van de huidige fietstunnel onder het spoor bij de Nieuwe Veerallee. Later werd er een schans over de IJsseldijk, in de richting van het huidige Engelse Werk, bijgebouwd die de naam Nieuwe Schans kreeg. Deze moest vooral de zwakke plek in de verdedigingslinie ‘afdekken’.
Jarenlang werd de linie verwaarloosd. Mensen uit de buurt stalen zelfs zand en stenen van de ver­dedigingswerken. In het rampjaar 1672 (de Repu­bliek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bis­dommen van Munster en Keulen) kwam hen dat duur te staan. Dat vroeg om maatregelen. Menno van Coehoorn (1641-1704), de bekende vesting­bouwer, maakte plannen om de Zwolse linie te verbeteren en vooral om de Nieuwe Schans ingrij­pend te moderniseren. De Nieuwe Schans op de IJsseldijk moest wijken voor een zogenaamd dub­bel hoornwerk met daarnaast een drietal nieuwe redoutes. Dat waren wat kleinere schansen met alleen uitstekende hoeken. Eén van die redoutes kreeg de naam Venusredoute. Het kan haast niet anders of die naam is gekozen vanwege de in de nabijheid gelegen Venushoeve.
Na het overlijden van zijn vrouw trouwde Nicolaes van Hemich in 1654 opnieuw. Uit de beschrijving van de erfenis bleek dat er sprake was van een huis en een erve, niet ongebruikelijk in die tijd. Enerzijds een soort van buitentje met daaraan verbonden een katerstede (keuterboerderij), waar de meier (de pachter) op woonde. Hij zorgde voor onderhoud en inkomsten, terwijl de eigenaar, doorgaans ’s zomers, op z’n buitentje kon vertoe­ven. Meestal ging het bezit door vererving over in andere handen. Soms werd maar een deel van het bezit geërfd, zoals in 1733 toen een zekere majoor Goris Rouse tweederde deel kreeg. Enkele jaren later werd het bezit opgedeeld in de helft voor de weduwe Rouse en de andere helft voor een zekere Walraven.
Toch waren het nog steeds vooraanstaande families, zoals Rouse en Walraven, uit de stad Zwolle die erf en goed in bezit hadden. Zo stamde Rouse uit een familie van officieren en Zwolse regenten en behoorde de familie Walraven ook tot de notabelen.
Uit de archieven komen we meer te weten over de eigenaren dan over de bewoners van ‘Erve de Venus’. De markeboeken moeten ons inzicht geven over hun bewoners, Gerrits bijvoorbeeld. Rondom hem speelde zich in de achttiende eeuw een merkwaardige affaire af.
Optocht met koeien
Het markebestuur, dat bestond uit mensen die huizen en/of landerijen in de buurtschap bezaten, zag er streng op toe dat men zich aan de regels hield en dat betalingen door de meiers voor gebruik van gronden op tijd plaatsvonden. Zo was Spooldenaar Gerrit Gerrits volgens hen jarenlang in gebreke gebleven. Hij had gebruik gemaakt van de weilanden in de Spoolderenk, maar er drie jaar lang niet voor betaald. In 1728 nam het bestuur maatregelen en schakelde de ‘gerichtsdienaar’ in.
Zo zien we op een gegeven moment niet min­der dan vijf mannen met vier koeien vanuit de Spoolderenk door de buurtschap trekken. Twee markeknechten, aangevuld met enkele extra krachten, moesten de klus klaren. Het waren de koeien van Gerrit Gerrits die op de Venus woon­de. Gerrit was stomverbaasd toen hij de stoet zag aankomen, hij was zich van geen kwaad bewust. Er moest een misverstand in het spel zijn. Dat was inderdaad het geval, want zijn vrouw Geesje was eerder getrouwd geweest, ook met een Gerrit Ger­rits, die inmiddels overleden was. Dat was degene die zijn verplichtingen niet was nagekomen. Het markebestuur moest uiteindelijk bakzeil halen en moest zelfs in de buidel tasten, want de mannen die extra ingeschakeld waren presenteerden de rekening voor de geleverde assistentie: vier gulden en vier stuivers.
In boeren handen
In de Franse tijd constateerde men dat de verdedi­gingslinie onherstelbare gebreken vertoonde.
Herstel zou ontzettend veel geld kosten en dat geld was er niet. Bovendien hadden dergelijke ver­dedigingswerken geen militaire betekenis meer. Koning Lodewijk Napoleon gaf opdracht de ves­ting te slopen. In 1809 werd de verdedigingslinie al voor een deel ontmanteld.
Langzamerhand kwamen er ook meer erven in handen van de boeren zelf. Wat de Venus betreft was dat al het geval in 1778. Veerman Jan Meye­rink, getrouwd met Trijntje Zwakenberg, kreeg via de erfgenamen van Rouse en Walraven ‘Erve en Goed’ in handen. Als eigenaar van ‘de Venus’ behoorde hij nu ook tot het College van Erfge­namen waarmee het recht verkregen werd toe te treden tot het markebestuur.
Verschillende generaties Meyerink zijn vervol­gens eigenaar van de Venus geweest. Een Jan Mey­erink werd later zelfs markerigter, ondenkbaar in de eeuw daarvoor. Als voorzitter deed hij onder­meer het voorstel bij de toegang tot de Spoolder­berg een slagboom te plaatsen om te voorkomen dat iedereen er zomaar zand weghaalde.
Meyerink was niet de enige boer in het mar­kebestuur geweest. In 1842 werd ook W. Aalbers genoemd, die de boerderij aan de Nilantsweg (101) had gekocht van nazaten van Rhijnvis Feith.
‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop,
andere bestemming
In 1857 bood Jan Meyerink de ‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop aan. De advertentie in de Zwolse Courant geeft ons een aardig kijkje op aard en omvang van het erf. Er was sprake van twee gebouwen, een herenhuis en een boerenhuis. Het herenhuis stond tegen het boerenhuis aan, had ruime vertrekken, een kelder, keuken en zolder en was ‘geschikt voor zomer en winterverblijf’. Bovendien had het ‘fraaie uitzichten op de rivier den IJssel’. In een tussenzinnetje stond dat het herenhuis ‘voor weinige jaren geheel nieuw gebouwd’ was.
Of de boerderij in die tijd ook vernieuwd was staat nergens vermeld. Wel krijgen we de volgende informatie: het ‘zeer sterk en ruim gebouwd boe­renhuis’ heeft drie ruime vertrekken, twee water­vrije melkkelders en ‘een deele met stallingen voor paarden en koeyen’.
Het agrarische krijgt nog meer nadruk als we lezen dat er ook nog twee grote schuren bij horen met berging voor wagens, gereedschappen en stal­ling voor paarden en rundvee, met daarnaast nog een paar varkenshokken, twee hooibergen met daarbij behorende wei-, hooi- en bouwlanden, alsmede bos en tuingrond die zich her en der in Spoolde bevond, naast de Willemsvaart bij land­goed de Hertsenberg en in de Spoolderenk.
Buysman, de nieuwe eigenaar, had kennelijk ook andere bedoelingen met het pand. Zowel in 1870 als in 1875 vinden we advertenties in de Zwolse Courant waarbij gesproken wordt over uit­spanning de Venus. Er was muziek te horen en je kon er kijken naar het oplaten van ‘twee luchtbal­lons’, waarvan één groot ‘met een schuitje waarin zich twee personen zullen bevinden’. In 1890 werd op landgoed de Venus een zendingsfeest georganiseerd.
De uitspanning heeft zich waarschijnlijk in en rond het herenhuis afgespeeld, want er was nog steeds sprake van een boerenbedrijf wanneer de volgende eigenaar, H. van Ittersum, in beeld komt. Zelf woonde hij in het herenhuis, maar zijn boerderij ‘met de daarbij behorende landerijen, boomgaard en moestuin, groot 8 ha’, bood hij voor een periode van zes jaar te huur aan. Hij ging niet zo maar met iedereen in zee want hij wilde dat elke inschrijving vergezeld werd door ‘twee solide borgen’. Na het overlijden van Van Ittersum zette zijn vrouw de verhuur nog even door. Ze pro­beerde in haar advertentie gegadigden te lokken met de vermelding dat de Venus in de nabijheid lag van de nieuw te bouwen IJsselbrug (1930).
In 1927 bood ze het geheel te koop aan als een vruchtbaar boerenerf bestaande uit huis met schuur, tuin, vijver, arbeiderswoning, stelten­berg, alsmede bouw- en weiland, opgedeeld in de nodige percelen.
Toen verscheen de bij veel oud-Spooldenaren nog bekende Dries Tempelman op het toneel. Hij is de laatste in de lange reeks van eigenaren van Erve de Venus.
De nadagen van ‘de Venus’
De in Zalk geboren nieuwe eigenaar, Andrie (Dries) Tempelman, was aanvankelijk spoorweg­beambte en vervolgens jarenlang seinwachter. Na een ongeluk werd hij afgekeurd en ging hij verder als huizen- en landmakelaar.
Hij kocht in 1927 ‘de Venus’ met alle grond en opstallen. Het grondgebied strekte zich uit tot aan de dijk, het Engelse Werk, de bloemisterij van De Groot en liep aan de voorkant door tot aan de toekomstige Spoolderbergweg, die toen nog maar een klein weggetje was want de IJsselbrug met z’n ruime toegangsweg kwam pas twee jaar later tot stand. De familie ging wonen in het achterhuis, dat nog steeds een boerderijachtig aanzien had. Via een dubbele achterdeur kwam je van het ach­terhuis op de deel waar zich een pomp en ook een toilet bevond. Huisbaas Tempelman had kippen, konijnen en een geit. In de steltenberg lag nog hooi opgeslagen en rondom het hele huis ston­den vruchtbomen. Er was behoorlijk veel woon­ruimte. Dat mocht ook wel want het gezin telde uiteindelijk vijf kinderen, van wie alleen Annie en Andries nog in leven zijn. Zij kijken terug op een heerlijke jeugd. Er was veel vrijheid om te spelen rond het Engelse Werk maar ook aan de overkant bij de modelboerderij van Dubbeldam en niet te vergeten in de uiterwaarden. Het voorhuis, dat uit twee woongelegenheden bestond en met z’n front richting Spoolderbergweg wees, werd verhuurd en herbergde in de loop der jaren heel wat bewoners.
Het koetshuis
In de advertentie van 1927 werd het koetshuis al niet meer genoemd, de tijd van de koetshuizen was voorbij. Vaak werden ze omgebouwd tot garage voor de in opkomst zijnde auto, maar in dit geval was er een woninkje van gemaakt. Ook dat werd verhuurd. Mevrouw Walgien die toen nog Adri van den Bos heette, had daar voor de oorlog enkele jaren van haar jeugd doorgebracht. Haar vader, Piet van den Bos, afkomstig uit het Westland, was naar Zwolle gekomen omdat daar op een grote tuinderij geen werk meer voor hem was. ‘In Zwolle liggen wel mogelijkheden’, was hem verteld. Daar leerde hij z’n vrouw Jansje Schouten kennen. In 1932, toen ze inmiddels twee dochters hadden, huurden ze het arbeiderswo­ninkje van Dries Tempelman voor een bedrag van vijf gulden in de week, ‘best wel een hoog bedrag voor die tijd’. Het huis was klein, een kamer met een keuken maar met daarnaast wel een grote schuur. Hij verbouwde niet alle groente zelf maar kocht ook in. Dat betekende elke dag vroeg op het land en met z’n spullen naar de veiling aan de Deventerstraatweg. Daarna ging hij met paard en wagen, gemaakt door de bekende wagenmaker Van Weeghel, op stap om z’n handel uit te venten. Niet in de Veerallee, want dat was het domein van de Spoolder tuinder Mensink, maar vooral in de wijken Assendorp, Wipstrik en de Pierik. Doch­ter Adri mocht regelmatig proberen in Spoolde wat sinaasappels te verkopen: ‘als je met een gul­den thuis komt, krijg je een nieuwe band op de fiets’, had haar vader gezegd. De familie Van den Bos vertrok in 1938 naar Assendorp, omdat de gemeente Zwolle in die dagen een hogere uitke­ring gaf dan het toenmalige Zwollerkerspel.
De oorlogsjaren
In 1941 kwam er familie van Tempelman in het voormalige koetshuis te wonen, de familie Evert­sen. Moeder Evertsen moest oom tegen Andries Tempelman zeggen. Ongestoord kon de familie er niet wonen, want aan het eind van de oorlog moest ze naar Westenholte evacueren omdat hun huis in de vuurlinie lag. Oom en tante bleven wel achter.
De Duitsers hadden een hele verdedigingslinie langs de IJssel opgetrokken om met afweerge­schut de aanvallen van de geallieerden te kunnen weerstaan. Die hadden het vooral op de brug en het station gemunt. De IJsselbrug werd bewaakt door Duitse soldaten die ingekwartierd waren in de voorste woningen van de Venus, de oor­spronkelijke bewoners waren weggejaagd. Voor vader Tempelman werd de situatie lastig toen ze hem zochten voor de ‘Arbeitseinsatz’. Fanatieke NSB’ers waren soms op zoek naar Dries, die op dat moment ondergedoken zat in z’n eigen huis. Zoon Andries vertelde in 2009:
‘Wij kinderen noemden hem toen oom Dries. Hij stond altijd vroeg op en ging dan in de tuin werken. Op zekere dag kwamen ze toch huiszoe­king doen. Dries had zich verstopt in een schuur onder een grote berg hooi. Eén van de NSB’ers sloeg met de platte kant van een zeis op het hooi. Dries voelde het wel maar wist zich stil te houden. Zonder resultaat dropen ze af.’
Toch bleef de situatie gevaarlijk. Regelmatig probeerden de geallieerden de brug te bombarde­ren. Zo ook op de dag dat Andries met z’n vader in het Engelse Werk bezig was hout te kappen. Er kwam een bom terecht op de waterleiding. Andries werd door de luchtdruk weggeslagen en zag even later z’n vader tot z’n knieën in de mod­der staan. Zijn vader kon het maar weinig waarde­ren dat hij om de situatie moest lachen.
Aan het eind van de oorlog bleek dat veel Duitse soldaten, er waren hier vooral veel oudere manschappen, de oorlog behoorlijk beu waren. Ook zij verlangden naar het einde. Stiekem luis­terden ze soms mee naar de geheime Engelse zen­der. De radio was al die jaren goed verstopt geble­ven tussen de slaapkamervloer en het plafond van beneden.
Woonzorgcentrum ‘De Venus’
Na de oorlog keerden de vele huurders weer terug, de familie Evertsen in het Koetshuis en diverse andere huurders in de huizen aan de voorkant, waar nog steeds twee woongedeelten waren. In de tijd van de wederopbouw was de woningnood groot en elke woonruimte was welkom.
De tegenover de Venus wonende Henk Dub­beldam heeft veel bewoners zien komen en gaan. Dubbeldam herinnert zich nog de boomgaard met daaronder de vele aardbeienplantjes. Vooral de aardbeien werden liefdevol gekoesterd door Dries Tempelman, daar zat handel in. In de zomertijd zag je vader Dries met een tas vol aard­beien aan het stuur van de fiets naar de stad gaan op zoek naar een extraatje. Dries Tempelman, ook wel Rooie Dries genoemd was ook nauw betrok­ken bij het wel en wee van de IJsclub Spoolde. Hij was van alles tegelijk, baanveger, baancommis­saris, ijsmeester en waakte nauwkeurig over de betrouwbaarheid van het ijs op de vijvers van het Engelse Werk. Het was zijn zorg dat alles piekfijn voor elkaar was. Hij kon ook behoorlijk driftig worden en zich wild ergeren aan mensen die tij­dens het schaatsen hun toegangskaartje niet zicht­baar droegen.
In 1955 overleed Dries Tempelman. Rijdend op de Hattemerdijk op zijn Kapteyn Mobylette werd hij geraakt door een tegemoetkomende fietser. Hij viel met z’n hoofd zodanig tegen een geparkeerd staande auto dat hij in coma raakte en kort daarna overleed.
Wat daarna gebeurde valt moeilijk meer te achterhalen. Zoon Jan, die de nalatenschap regelde, leeft niet meer. Wel is bekend dat er lange tijd twee koks van hotel Wientjes hebben gewoond. Er gaan geruchten dat Frans Wientjes ooit deze plek op het oog had om een nieuwe locatie te bouwen, maar dat hij de vereiste vergunning niet kon krijgen.
In 1963 kwam het voormalige buitentje de Venus in handen van de ‘Stichting Doopsgezind Bejaardenhuis’, die heel andere bedoelingen had met het pand. Het gebouw werd gesloopt en er verrees een bejaardencentrum. In de loop van de tijd is het regelmatig verbouwd en is er organisa­torisch ook het nodige veranderd. Tegenwoordig spreken we van woonzorgcentrum ‘De Venus’ dat onder ‘Driezorg’ valt.
De Beukenallee
Bij een speurtocht naar de geschiedenis van een straat kom je soms tot verrassende ontdekkingen. Archieven en boeken staan je ten dienste om een tipje van de sluier van de vroegste geschiedenis op te lichten. Gesprekken met mensen die er soms al een levenlang gewoond hebben geven de jongste geschie­denis kleur. Een op het oog doodgewone straat, ooit een zandpad, kan zo tot leven komen.
‘Een vette gansch’
Neem nou de Beukenallee. Deze zijweg van de voormalige Veerallee dateert al vanaf 1736 en was toen niet veel meer dan een naamloze zandweg. De weg voerde naar het wat verder gelegen land­goed ‘Kortenberg’, dat op een smalle zandrichel lag en sinds 1868 Mariënheuvel heette.
Het naamloze zandpad stond een tijd later aangeduid als ‘Nieuwe Allee’, een weg met nog nauwelijks bebouwing, slechts hier en daar een boerenhoeve. Pas in 1949 kreeg het zijn defini­tieve naam, de Beukenallee. Die naam kwam niet zo maar uit de lucht vallen. Het vroegere zandpad werd jarenlang omzoomd door metershoge beu­ken.
Volgens de kadastrale kaart van 1832 stonden er in de Beukenallee, die toen nog Nieuwe Weg heette, maar twee huizen. Het verst van de Veer­weg af lag de woning van Hofman.
Op 26 december 1817 hadden de erfgenamen van Spoolde vergaderd over het verzoek van Hen­drik Hofman en zijn vrouw om hun een leven lang in gebruik te geven ‘een stukje grond om een huisje op te bouwen met zoveel land om te bebouwen als aangewezen’. Het verzoek werd goedgekeurd, maar het markebestuur liet ook duidelijk weten dat er wel wat beperkingen aan vast zaten. Zo moest na het overlijden van de echtelieden het huisje getaxeerd worden door twee onpartijdige perso­nen. De marke zou het dan kunnen overnemen, maar als men dat niet van plan was, konden de nazaten van Hofman verplicht worden het huisje af te breken. In dat geval zouden land en ondergrond weer volop eigendom van de marke worden.
Het is nooit zover gekomen, want de nazaten van Hofman kregen steeds de mogelijkheid de huur te prolongeren. Op een gegeven moment kon het pand zelfs gekocht worden. Erfgenamen en heemraden vonden het eenparig goed dat Hofman op eigen kosten een huisje zou bouwen, mits hij maar in de gaten hield dat ‘er voldoende ruimte achter de bomen bleef’. Over het huur­bedrag werd op dat moment nog niets vermeld, wel dat ‘de lasten die thans op de grond rusten voor rekening komen van Hofman en de vrouwe’. Bovendien moesten zij elk jaar op Sint Maarten (11 november) ‘een vette gansch’ aan de marke betalen. Dit laatste vanwege ‘recognitie’, als wijze van erkenning. Deze manier van betaling werd toegepast wanneer er gebruik gemaakt was van iets dat aan een ander, in dit geval de gemeen­schap, toebehoorde.
Het ging bij die extra ‘betaling’ niet altijd om een gans. We lezen ook dat een zekere Gerrit Kolthoorn zes hoenders moest aanreiken. Zelfs de stad Zwolle ontkwam niet aan een dergelijke wijze van betalen, want voor het gebruik van het land ‘Kostverloren’ dat toen naast de Spoolderberg lag, moest ze jaarlijks ook een ‘vette gansch’ leveren. Later kwam het markebestuur van Spoolde met het voors

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2009, Aflevering 4

Door | 2009, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Wim Huijsmans
Suikerhistorie

Snackcorner Norp. (Foto Jan van de Wetering)
Banketbakkerij / Tearoom A. Norp
In een nummer dat in het teken staat van de jarige Sassenpoort mag een suikerzakje met die poort erop natuurlijk niet ontbreken. Vlakbij de Sassen-poort aan de Burgemeester Van Roijensingel 24 is snackcorner Norp al ruim een halve eeuw geves­tigd. In dit pand, zo rond 1890 in neorenaissance stijl opgetrokken en voorzien van een tuitgevel, begon A. Norp op 1 januari 1952 een banketbak­kerszaak, kokerij en automatiek. Het pand was op een gunstig punt gelegen. Er was veel klandizie. In 1953 kon de zaak daarom al in een nieuw jasje gestoken worden. Drie jaar later breidde Norp zijn zaak verder uit. Hij kocht het naast gelegen pand (nr. 23). Daarin kwam een tearoom die in september 1956 werd geopend. De tearoom was volgens de krant smaakvol ingericht met modern meubilair. En men zat ‘uiteraard zeer dichtbij het gebak’.
Het fenomeen tearoom was voor Zwolle nieuw. De tearoom werd vooral door dames bezocht voor een lekker kopje thee en een heerlijk gebakje. Wim Sonneveld heeft de tearoom onsterfelijk gemaakt met zijn tragikomische Tearoom Tango, waarin hij bezingt hoe hij zich ‘belazerd’ voelt. Het lied eindigt met de onvergetelijke woorden: ‘Deze dame hier, ober, wil nou even alles afrekenen.’ Of Norp ook van deze gasten gehad heeft, vermeldt de historie niet.
Na het overlijden van Norp sr. in 1960 zette
A. Norp jr. het bedrijf voort. De tearoom annex lunchroom werd in 1972 opgeheven. De activitei­ten vonden van toen af aan alleen nog maar in nr. 24 plaats. Het bedrijf ging met zijn tijd mee. Norp is in Zwolle nog altijd een begrip. Zoals de Sas­senpoort om haar schoonheid wordt geroemd, zo worden de kroketten van snackcorner Norp wijd en zijd geroemd.

Redactioneel Inhoud

De Sassenpoort is, naast de Peperbus, nog altijd gezichtsbepalend voor Zwolle.
In 2009 werd het 600-jarig bestaan van deze enig overgebleven stadspoort herdacht. Jan van de Wetering beschrijft in dit nummer niet alleen de geschiedenis van de poort zelf, maar ook wat er zich zo al in en om de poort in de loop van de eeuwen heeft afgespeeld. In de tweede helft van de vijftiende eeuw heeft Wolf van Ittersum er ‘vrij­willig’ gevangen gezeten, en zo’n vijftig jaar later zat Karel van Gelre er vast. In de twintigste eeuw heeft het Rijksarchief Overijssel lang gebruikt gemaakt van de toen tochtige en stoffige ruimtes.
In het begin van de zeventiende eeuw werden nieuwe vestingwerken om de stad aangelegd. Er werd voor de toegang tot de Sassenpoort een zogenaamd hoornwerk aangelegd. Dit bestaat nu ongeveer vierhonderd jaar. Kees Canters, zelf woonachtig ‘aan het hoornwerk’, toont aan dat dit verdedigingswerk nog duidelijk terug te vin­den is in het stratenpatroon ter plaatse. Eén van de bekendste gelegenheden op het terrein van het voormalige hoornwerk is snackcorner Norp. Wim Huijsmans beschrijft de geschiedenis van dit bedrijf aan de hand van een suikerzakje waarop de Sassenpoort is afgebeeld.
Een ander jubileum, negentig jaar, wordt gevierd door de Groninger vereniging De Mol­leboon. Martin Werkman gaat vooral in op de vooroorlogse periode van deze vereniging, aan de hand van stukken die hij in de nalatenschap van zijn vader vond.
Frank Inklaar en Jan van de Wetering hebben historicus Wim Coster geïnterviewd van wege zijn proefschrift (2008) over mr. B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1807-1884). Deze Zwollenaar heeft veel betekend voor de emancipatie van het platte­land. Coster noemt hem dan ook treffend ‘Baron op klompen’.
Suikerhistorie Wim Huijsmans 142
600 jaar Sassenpoort Jan van de Wetering 144
Het hoornwerk van Zwolle Een merkwaardig verlopende straat en twee bijzondere voordeuren Kees Canters 158
Mollebonen en blauwvingers Groningers in Zwolle 1919-1940, een kleine geschiedenis van de Grönniger Verainen ‘De Molleboon’ Martin Werkman 167

Welvaart, welvaart

De inspanningen van een Zwolse baron op klompen
Frank Inklaar en Jan van de Wetering 174 Boekbesprekingen 178 Mededelingen 180 Auteurs 182
Omslag: De Sassenpoort gezien vanaf het Van Nahuijsplein, door Joan Willem Meijer, 1840-1929. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

600 jaar Sassenpoort

Jan van de Wetering Ruim honderd jaar geleden, op de Tweede Pinksterdag van 1905, kwamen de leden van het Zwolsch Vrijwilligerscorps terug van een tweedaagse fietstocht die hen helemaal

naar Duitsland had gevoerd. Een noviteit in die dagen, want fietsen was destijds lang niet voor iedereen weggelegd. Via Arnhem, over de Veluwe fietsten ze richting Zwolle. De Zwolse Courant vond het zo bijzonder dat er een volledig verslag van de tocht in de krant verscheen. Daaruit blijkt dat de blijdschap van de deelnemers over hun veilige terugkeer groot was. Op de IJsseldijk bij Hattem kregen ze Zwolle in zicht. En hun reactie op het zien van de stad is nu, honderd jaar later, voor veel Zwollenaren nog steeds herkenbaar. We lezen: ‘Zoodra wij te Hattem de Peperbus met het Olie- en Azijnstel wederom in het zicht kregen, ging er een luid hoera op, blij en dankbaar dat de tocht zo goed was verlopen, terwijl het toch slechts huurfietsen waren, waaraan de berijders niet gewend waren.’1
De Peperbus met het ‘Olie- en Azijnstel’. Ja, dat weet elke Zwollenaar: als je van verre de Peperbus ziet, ben je eigenlijk alweer in Zwolle. Zo heb ik het ook mijn dochters van kindsbeen af geleerd. Maar dat Olie- en Azijnstel, daar heeft niemand het meer over. Honderd jaar geleden wist iedere Zwollenaar dat daar de Sassenpoort mee werd bedoeld. Tot op de dag van vandaag geven men­sen markante gebouwen bijnamen. Zo heet in de volksmond de Martinitoren in Groningen ‘de Olle Grieze’ en de Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort ‘de Lange Jan’. Dat we die bijnaam voor de Sassenpoort zijn vergeten, heeft misschien te maken met het feit dat de poort in tegenstelling tot de Peperbus niet meer van verre zichtbaar is. Het Olie- en Azijnstel is verdwenen achter de in de afgelopen eeuw verrezen hogere gebouwen.
Maar markant is de Sassenpoort tot op de dag van vandaag. Dat kunnen we zelfs beschouwen als een kernfunctie van de poort in onze tijd: de Sas­senpoort is niet alleen gezichtsbepalend voor de directe omgeving, maar net als de Peperbus en de Grote Kerk voor de hele stad. Het zijn monumen­tale iconen. Laten we eerlijk zijn: onze moderne tijd is arm aan gebouwen met een zekere allure. Niet elk groot gebouw bezit die eigenschap: zo ken ik weinig Zwollenaren bij wie het hoge en massale ABN-gebouw warme gevoelens wakker maakt. Om markant te zijn, in positieve zin, moet er sprake zijn van wat de bekende kunsthistoricus Gombrich in zijn gelijknamige boek ‘Eeuwige schoonheid’ heeft genoemd. En om misverstanden te vermijden: dan hoeft het niet alleen om kunst- of bouwwerken uit lang vervlogen tijden te gaan.

Markantheid als kernfunctie dus. Maar eeu­wenlang had de Sassenpoort voor de Zwollenaren andere, belangrijker functies. Daarover gaat dit verhaal.

Wanneer is de Sassenpoort gebouwd?
We vieren dit jaar het 600-jarig bestaan van de Sassenpoort. Dat brengt ons bij het jaar 1409.
Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat échte zekerheid hierover niet bestaat. In verschillende publicaties staan dan ook even zoveel verschil­lende geboortejaren vermeld. De site van VVV Zwolle vermeldt bijvoorbeeld 1406, evenals het Architectenweb en de Geschiedenis van Zwolle van Thom. de Vries. De doorgaans goed geïnformeer­de W.A. Elberts noemt in zijn Historische wande­lingen in en om Zwolle 1408 als geboortejaar. Zelfs 1436 wordt in oude bronnen vermeld. De laatste geschiedschrijver van Zwolle, Jan ten Hove, noemt 1409, evenals De Zwolse canon. Tot dat jaar zijn namelijk bedragen voor de aankoop van stenen ten behoeve van de poort in de stadsreke­ningen te vinden, daarna niet meer. Hoe dan ook, zeker is dat de huidige Sassenpoort een voorloper heeft gehad, want er zijn documenten bekend uit de veertiende eeuw waarin de naam ‘Sassink­poort’ of andere verbasteringen al voorkomen.
Ook over de herkomst van de naam Sassen-poort blijft het bij speculaties. Die worden helder

De Sassenpoort vanaf het Van Nahuijsplein. Detail aquarel uit 1860 van Willem Hekking, 1825-1904. (Collectie HCO) Sassenpoort met rechts de molen op het Sas­senpoortenbolwerk (nu Van Nahuijsplein). Aquarel van Gerrit Grasdorp (1659-1716), rond 1700. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

op een rij gezet in het dertiendelige Aardrijkskun­dig Woordenboek der Nederlanden (1839-1851) van A.J. van der Aa. In dat boek laat hij geen vlek in Nederland onbesproken. Over de naam Sassen-poort schrijft hij:
‘De oorsprong van de naam der Sassenpoort is twijfelachtig. Oudstijds werd hij Sassingpoort of Sassinkpoort geschreven, zoo als men meent naar de oude Saksen of Sassen, die ook eenige tijd in deze landstreek gewoond hebben. Andere oudheidkundigen beweren, dat zij eertijds de Assendorperpoort of Assenpoort, naar het nabij­gelegen Assendorp genoemd werd, en de naam Assenpoort naar verloop van eenige eeuwen, in Sassenpoort veranderd is.’
Hoe het ook zij, tegenwoordig denken de meeste historici en naamkundigen dat de naam Sassenpoort van het woord ‘Saksen’ is afgeleid.

Waarom een poort?

De geschiedenis van de Sassenpoort begint bij de opkomst van de steden in de dertiende eeuw. In de vroege Middeleeuwen, pakweg van 600-1100, waren er geen steden in Nederland. De mensen woonden hoofdzakelijk in nederzettingen op het platteland en voorzagen in hun onderhoud door landbouw en visserij. Het toenemend belang van de handel trok allerlei ambachtslieden aan waar­door een eigen dynamiek ontstond op bepaalde geconcentreerde plaatsen. Die lagen dan vooral langs de handelsroutes, in onze streek langs de IJs­sel. Zo ontstonden de latere Hanzesteden Deven­ter, Kampen, Zutphen, Doesburg en ook Zwolle. Met de groei van de steden nam hun macht toe. Voor de bewoners was het wonen in een stad als Zwolle een soort bevrijding. Van horige boeren werden ze vrije poorters.
De landsheren uit die tijd, hier de bisschop van Utrecht, bevorderden zeer bewust steden­bouw. Ze hielden daarbij de touwtjes stevig in handen door onder voorwaarden stadsrechten te verlenen. Zwolle verkreeg het stadsrecht in 1230.

Dat bood grote voordelen: Zwolle kreeg een eigen bestuur, eigen rechtspraak en het privilege om versterkingen aan te leggen. De groei van de stad kon beginnen.
Was de opkomst van de stad in de dertiende eeuw een belangrijke ommekeer, het recht zich tegen de boze buitenwereld te beschermen hield een soort revolutie binnen die revolutie in. Want tot dusver waren met name de kastelen en burch­ten traditioneel de plek waar belangrijke militaire conflicten werden uitgevochten. Denk in Zwolle maar aan het voormalige kasteel Voorst, dat met enige regelmaat het middelpunt van regionale schermutselingen was. Pas met de val van het kas­teel in 1362 was de stad verlost van de permanente dreiging van de heren van Voorst.

De vestingstad Zwolle

Toen Zwolle stadsrechten kreeg, hield dat onder meer in dat de jonge stad zijn grondgebied mocht beschermen door de aanleg van grachten en muren. Dat was ook nodig, want naast roofrid­ders als die van Voorst, zwierf er volk rond dat je liever niet in je stad aantrof: afgedankte soldaten, stropende bendes en ander ongeregeld volk. Zo begon Zwolle zich langzaam te ontwikkelen als een echte vestingstad. Van die beginjaren is weinig bekend. Wel is bij Achter de Broeren een restant gevonden van een stenen stadsmuur van voor 1300. Dat was opmerkelijk omdat Zwolle toen nog in hoofdzaak een stad van hout was.
Na een alles verwoestende grote stadsbrand in 1324 stimuleerde Zwolle nog meer het bouwen in steen. De stad kocht bakstenen van steenbak­kerijen uit de directe omgeving: Kampen, Hat­tem, Harculo, Kathen, Zalk en Wilsum. Dat ging om enorme aantallen. In 1374 nam het Zwolse stadsbestuur het besluit om zes jaar lang jaarlijks
500.000 bakstenen aan de stadsmuur te besteden. Nog in 1411 leverde een steenbakkerij in Wilsum honderdduizend stenen aan Zwolle.
Zwolle had vermoedelijk al in de dertiende eeuw drie stadspoorten: de Diezerpoort, de Kamper-poort en de Sassenpoort (en een waterpoort: de Rodepoort). Hoe deze voorlopers van de latere poorten eruit zagen, weten we niet. Met de (ver­moedelijke) oplevering van ‘onze’ Sassenpoort in 1409 was de eerste fase van de fortificatie van Zwolle voltooid.
Zo komen we bij de oorspronkelijke functie van de Sassenpoort. Net als de andere twee stads­poorten had de Sassenpoort twee hoofdfuncties: de poort gaf toegang tot de stad, maar de poort maakte ook deel uit van de verdedigingswerken van de stad. Vanuit de hoogte van een poort kon je ongewenst bezoek van verre zien aankomen. Daarom kregen de poorten ook zware deuren en valhekken. Vóór de Sassenpoort lag nog een ver­dedigingslinie: een gracht met een ophaalbrug. De poorten werden bewaakt door een zogenoemde portier of door een wacht van poorters. De naam zegt het al. Bij donker werden de poorten geslo­ten. Dat was ’s zomers om negen uur ’s avonds, en ’s winters al om zeven uur. De bevolking werd vooraf gewaarschuwd door het luiden van de waakklok. Na sluiting trad de wacht aan en ging de nacht in. De sleutels moesten de poortwachters inleveren bij de magistraat.
De diepte van stadspoorten (8-10 meter) werd meestal bepaald door de lengte van een hooi­wagen. Die moest uit veiligheidsoverwegingen kunnen worden onderzocht voordat hij de stad werd binnengelaten. Het zou zo maar een Paard van Troje kunnen zijn. Ook de breedte van de poort was afhankelijk van die van de hooiwagens: voetgangers moesten niet het risico lopen geplet te worden door zo’n wagen. Het uiterlijk van de poorten was belangrijk: ze moesten allure uitstra­len. Veel poorten komen voor op de stadszegels van een stad. Niet in Zwolle, maar bijvoorbeeld wel in Kampen (de Koornmarktspoort).

Een vrijwillige gevangene
We weten niet precies wanneer, maar de Sas­senpoort moet al vroeg naast de functies van stadspoort en verdedigingswerk een derde functie hebben gekregen: die van gevangenis. Veel is daarover niet bekend, op één zeer opmerkelijke geschiedenis na.
Het begon allemaal in het jaar 1464. De Sas­senpoort was toen net een halve eeuw oud. Het waren de jaren van Zwolle’s Gouden Eeuw (1380­1480). De bouw van de Grote Kerk was zes jaar Maar dan nu die bijzondere geschiedenis, waarin de Sassenpoort een hoofdrol speelt. Voor een goed begrip van de gebeurtenissen is het van belang te weten dat Zwolle in die tijd onder het wereldlijk en geestelijk bestuur van de bisschop van Utrecht viel. Hij was de baas over het Sticht dat uit twee delen bestond, het Sticht Utrecht (vergelijkbaar met de tegenwoordige provincie) en het Oversticht, waar onder andere Salland onder viel. Sticht en Oversticht werden van elkaar gescheiden door het hertogdom Gelre (verge­lijkbaar met het tegenwoordige Gelderland). Dat leverde voortdurend conflicten op tussen de hertogen van Gelre aan de ene kant en de bisschop van Utrecht (en later de Habsburgse keizers) aan de andere kant.

Gevelbeeld Sassenpoort. eerder voltooid en bijna direct daarna waren de
(Foto Jan van de Wete- Zwollenaren begonnen met de bouw van de Onze
ring) Lieve Vrouwekerk. Het was ook de tijd van de
beroemde Latijnse school van Joan Cele, al leefde
die toen zelf al niet meer. De studenten zorgden
voor veel – soms ongewenste – levendigheid in
de stad. Ook in 1464. Daarover vertelt geschied­
schrijver Van Hattum in zijn Geschiedenissen der
stad Zwolle:
‘Ongemeen groot was nog, omtrent dese tyd,
de toeloop na Stads Schole, welke, volgens het
verhaal van sommige, toen door Adriaan Florens
Soon, in de volgende eeuw de Sesde Paus van
die naam geworden, betreden wierdt. Onder het
groot getal Studenten waren er verscheiden, van
een los en ongebonden leven, die veele baldadig­
heden bedreven. (…) Anderen liepen des nagts in
de herbergen en met lange messen over de straten,
en regteden vele moetwilligheden aan; so door het krakelen, als vegten met Stads inwoonders.’ 2
De situatie liep zo uit de hand, schrijft Van Hat-
Geromantiseerd portret tum, dat maatregelen geboden waren. Uiteinde-
van Wolf van Ittersum. lijk beval men dat: ‘(…) alle de Clerken en Studen-
De schildering bevindt ten die na de klokkeslag van 9 uur, in slegte Her-
zich in het vertrek in bergen, ofte op de straten met wapens gevonden
de Sassenpoort waarin wierden, ofte met iemand sloegen of vogten, door
Van Ittersum zeventien Stads dienaars vryelyk aangetast, en tot den ande­
jaar gevangen werd gehouden. (Foto Jan ren morgen in de gevangenisse gesmeten mogten worden (…)’.3 Die gevangenis zou wel eens de Sas-
van de Wetering) senpoort geweest kunnen zijn.

In 1464 ontstond een conflict binnen de bekende Zwolse familie Van Ittersum. De pater familias Johan van Ittersum overleed dat jaar en al snel ontstond ruzie over de verdeling van de erfe­nis tussen zijn zoon Wolf en diens zwager, Wolter van Keppel. Die zwager woonde in het hertogdom Gelre. Van Keppel lokte Wolf van Ittersum naar Deventer, zogenaamd om het conflict op te los­sen. Bij Olst werd Van Ittersum opgewacht door zijn zwager, die in gezelschap was van vijftien gewapende ruiters. De Gelderlanders trokken Van Ittersum van zijn paard, doodden twee van zijn knechten en voerden hem mee naar een slot in de buurt van Zutphen. Daar sloten ze hem op.

Dat was zeer tegen de zin van de Zwollena­ren, die sympathie voor de familie Van Ittersum hadden. Het stadsbestuur legde een boete op van twintig ponden aan iedereen die Van Keppel in
Op deze kaart zien we hoe het hertogdom Gelre lag ingeklemd tussen het Sticht en Oversticht. Het zorgde regelmatig voor grote conflicten tussen de hertog van Gelre en de bisschop van Utrecht, de landsheer van het Sticht en het Oversticht. (Uit de ‘Bosatlas van Nederland’, Groningen, 2007)

zijn huis toeliet. Maar daar liet Zwolle het niet bij. Het stadsbestuur schreef een brief aan de hertog van Gelre om hulp. Die was immers als landsheer van Gelre verantwoordelijk voor het gedrag van Van Keppel. Ze zetten de hertog van Gelre daarbij onder druk door te schrijven dat als hij zijn hulp niet verleende, Zwolle de bisschop van Utrecht zou informeren. De hertog van Gelre had geen zin in moeilijkheden en werd direct een stuk toeschie­telijker. Na een bijeenkomst van alle partijen kwa­men ze overeen dat de hertog van Gelre dringend aan Van Keppel zou verzoeken om Van Ittersum vrij te laten.
Van Keppel gehoorzaamde, maar niet zonder een wel zeer bijzondere list. Hij liet Van Ittersum op erewoord zweren dat deze zich direct weer in de boeien zou laten slaan zodra Van Keppel dat zou verzoeken of gebieden. Van Ittersum werd vrij gelaten en keerde vliegensvlug naar Zwolle terug. Daar werd het bericht over de afgeperste belofte al snel bekend. Nu was het de beurt aan de Zwollenaren om iets slims te bedenken. En dat deden ze:
Mezekouw van de Sas­senpoort. Door deze luiken konden de ver­dedigers van de stad pek of kokende olie op de vijand gooien. (Foto Jan van de Wetering)
‘Den raad (…) stelde een andere list in het werk, waar door [Van] Ittersum verhindert moest worden, om syn eed en woord van eere te volbrengen. Op de binnenste Sassenpoort wierdt Wolf van Ittersum, met syn vrouw en kinderen, gevangen geset. Om hem dese spiegelgevangenisse [= een soort schijngevangenis] te minder lastig te doen vallen, liet de Raad voor hem, boven de binnen syde van de Poorte een uitstek, of een soort van een Puye maken, waar na toe hy door een nieuw vervaardigde deur een toegang hadt. Hier door hadt hy gelegenheid om, nu en dan een frissche lugt te scheppen, en met de naburen, en de gene, die in en uit de poort traden, pratende de tyd te slyten. Gedurende verscheiden jaren bleef hij alhier sitten, en hy heeft ’er verscheiden kinde­ren by syn Ehegemalinne gewonnen gehadt.’ 4
Zo zat Van Ittersum voor zijn eigen bestwil vrijwillig gevangen in de Sassenpoort. Elke keer wanneer Van Keppel aan Van Ittersum door brie­ven of boden opdracht gaf zich weer in Gelre te laten opsluiten, antwoordde Van Ittersum naar eer en geweten dat hij zich best weer in dat hertog­dom gevangen wilde laten zetten, maar dat het stadsbestuur van Zwolle hem in de Sassenpoort gevangen hield. Maar de prijs was hoog: hij zou er zeventien jaar opgesloten blijven.

Merkwaardig is de nadruk die de oude bronnen leggen op de speciale ruimte waar Van Ittersum met Zwollenaren kon praten. Die ruimte was bijna tien meter boven de grond, zodat hij min of meer moest schreeuwen om verstaanbaar te zijn. Je kunt alleen maar speculeren waar die gesprek­ken dan over gingen. Behalve over koetjes en kalf­jes en de regelmatige gezinsuitbreidingen was er in die zeventien jaar gespreksstof genoeg. Dat leert ons de stadsgeschiedenis van Van Hattum weer. Een kleine greep uit de vele beschreven gebeurte­nissen: 1471: ‘Een felle Pest begon ter selfder tyd op het Berg-Clooster weder te heerschen, alwaar Thomas van Kempen, in syn twe-en-tnegentigste Jaar, (…) aan een waterzuchtigheid overleet.’ 1474: De Zwolse raad neemt een besluit op de badstoven in Zwolle. Badstoven waren ver­warmde ruimten waarin men onder toezicht van een stoofmeester een bad kon nemen. Mannen konden er op alle dagen terecht, vrouwen alleen op donderdag. Op overtreding van deze regel kon de stad een boete opleggen tot twintig pond per overtreding. 1478: De boekdrukkunst werd in Zwolle geïntro­duceerd. Het jaar daarop rolden in Zwolle al vier boeken van de pers. Er zouden er nog vele volgen. 1480: Drie jaar voor de vrijlating van Van Itter­sum was Zwolle zonder enig overleg met Kampen en Deventer verder gegaan met het graven van een kanaal van de IJssel naar de stad. Onze buursteden waren woest en riepen de bisschop van Utrecht erbij om de Zwollenaren te stoppen. Het conflict liep uit de hand toen Deventer en Kampen gezan­ten naar Zwolle stuurden en de arbeiders daar verboden verder te graven. De stadshistoricus schreef:
‘Dese menschen [waren] onnosel genoeg om aan dit bevel te gehoorsamen [en] verlieten hun werk: dog voor een korte tijd, want so dra men hier van binnen de Stad verwittigt wierdt, leide de Schout hen, bij het vallen van den avond, na de werkplaats te rug, en geboot hen de begonnene uitdiepinge voort te zetten (…).’
Uiteindelijk gaf de bisschop van Utrecht bevel het graafwerk te stoppen en Zwolle gehoorzaam­de. Het zou enkele eeuwen duren voordat Zwol­lenaren de schop opnieuw ter hand namen. Tot zover enkele gebeurtenissen tijdens de gevangen­schap van Van Ittersum.5 Toen zijn wraakzuch­tige zwager in 1483 overleed, werd Van Ittersum eindelijk vrij gelaten. Maar Zwolle was na al die jaren nog steeds verbolgen op de familie Van Kep­pel. De stad loofde een beloning uit om de zonen van Van Keppel dood of levend aan het stadsbe­stuur uit te leveren. Een dode Van Keppel leverde 150 Rijnse guldens op, een nog levende Van Kep­pel 300 guldens.

Zwolle gaat vreemd:
het avontuur met de hertog van Gelder

De Sassenpoort maakte zoals gezegd deel uit van de vesting Zwolle, samen met de andere stads­poorten, de grachten, de muren en de vele torens. De vraag is gerechtvaardigd of al die versterkingen van de stad zin hebben gehad. Een lastig te beant­woorden vraag, want misschien waren de verdedi­gingswerken van Zwolle zo afschrikwekkend dat mogelijke vijanden een aanval op de stad bij voor­baat kansloos achtten. Maar er bestaat minstens één sprekend voorbeeld in de Zwolse geschiedenis waaruit het nut van al die stenen verdedigings­werken duidelijk is gebleken. En wat zo aardig is: de Sassenpoort speelt daarin een hoofdrol.
Die geschiedenis begint zo’n vijftig jaar na de vrij­willige gevangenschap van Wolf van Ittersum. In het Zwolse stadsbestuur waren rond 1520 nogal wat sympathisanten van één van volgende herto­gen van Gelre, Karel van Egmond, ook wel Karel van Gelre genoemd. Zwolle vond dat zijn eigen landsheer, de bisschop van Utrecht, onvoldoende voor het stadsbelang opkwam. In 1521 sloot Zwolle daarom eenzijdig, dus zonder Kampen en Deventer, een verbond met de hertog van Gelre. Zwolle liep dus in feite over naar de vijand, een in die tijd ongekende stap en de eigenlijke reden, het plegen van meineed aan de eigen landsheer, van de bijnaam ‘blauwvingers’. Maar de stad kwam van een koude kermis thuis. Om de oor­logskas te vullen perste Karel van Gelre al gauw de Zwolse bevolking uit. Het economisch leven kwam tot stilstand en de hertog werd snel zeer impopulair bij de bevolking. Drie jaar later, in het vroege voorjaar van 1524, barstte de bom. In een negentiende-eeuws verslag van Evert Moulin uit Kampen staan de turbulente gebeurtenissen hel­der beschreven:
‘Bij de andersdenkende Zwollenaren [begon] het besluit te herleven om zich van de overheer­sching te ontslaan en het juk af te werpen. De burgerij begon te morren en op de regenten te schelden. Deze, voor oproer beducht, zonden de burgemeesters (…) naar hertog Karel om zijne hulp in te roepen. Drie vaandels Gelderschen, op het huis den Doorn in bezetting liggende, kregen last om de stad binnen te trekken; maar voor de Diezerpoort genaderd werden de deuren voor hen gesloten. De burgerij kwam op de been en verzette zich tegen het inlaten der Gelderschen.’6
Karel van Gelre door de Zwollenaren gevangen. Schilderij in de Staten-zaal, Diezerstraat. (Uit: Ten Hove ‘De geschiedenis van Zwolle’)

Langzaam ging het stadsbestuur overstag: de Zwollenaren openden geheime onderhandelingen met Kampen om Overijssel onder bisschoppelijk bestuur terug te brengen. Tijdens de verkiezin­gen van 1524 kwam er een machtswisseling in het stadsbestuur en Zwolle schikte zich weer als vanouds onder het gezag van de bisschop van Utrecht. Maar daar nam de hertog van Gelre geen genoegen mee. Hij schreef het nieuwe stadsbe­stuur dat hij genegen was de bezwaren van de Zwolse burgerij te horen. Daarom zou hij met een klein gevolg naar Zwolle komen, om de orde en rust te herstellen. En hij voegde al gauw de daad bij het woord. In de Kamper Kronyk lezen we:
‘Op den 4 maart 1524 trok hij met eene bende ruiters, drie vaandelen voetvolk en vergezeld van eenige edellieden den IJssel over. De burgemeester van Zwolle, Reinier van den Bussche, begaf zich met 300 schutters hem tegemoet en begroette den vorst aan het Katerveer. Maar [hij] gaf zijne bevreemding te kennen hem van zoveel krijgsvolk vergezeld te zien. En op des hertogs vraag of het hem niet vrij stond met dit gevolg binnen Zwolle te komen, gaf de burgemeester een weigerend ant­woord (…).’
Daar aan het Katerveer zagen de Zwolse bestuurders de bui al hangen. Als al dat krijgsvolk de stad binnen zou komen, dan waren de rapen gaar. Ze zeiden tegen de hertog dat hij de stad wel binnen mocht komen, maar dan alleen met een klein gevolg van edelen, dus zonder soldaten. Maar Karel van Gelre liet zich niet tegenhouden en trok met zijn drie vaandels krijgsvolk naar de stad.
Voor een goed begrip van de nu volgende gebeurtenissen merken we op dat waar in dit artikel over de Sassenpoort wordt gesproken, we het eigenlijk hebben over de Binnen-Sassenpoort. Er was ook een Buiten-Sassenpoort, ter hoogte van de brug over de stadsgracht. Die poort was aanmerkelijk kleiner en vermoedelijk van hout gebouwd. Wie Zwolle op die plek in of uit wilde, moest dus door twee poorten heen. Tussen beide poorten was een omsloten ruimte (bijna twintig jaar later veranderd in ommuurd binnenplein).
Terug naar Karel van Gelre, die met zijn leger­tje van het Katerveer naar Zwolle was gereden en nu voor de buitenste Sassenpoort stond. We geven weer het woord aan de Kamper kroniek­schrijver:

‘De hertog tot aan de Sassenpoort genaderd, steeg van zijn paard en schaarde zich nevens zijne edellieden in de eerste gelederen der voetknech­ten, om met dezelve de stad in te trekken. De bur­gers die de poort bezet hielden, wilden (…) alleen den hertog met zijn gevolg van edelen binnen laten, maar konden den aandrang der gelederen niet tegenhouden. Alzoo de poortdeuren welke zij wilden sluiten, door de piekeniers weder openge­duwd werden en reeds was de hertog met een goed getal van zijn volk binnen de eerste poort, toen de burgers die op dezelve de wacht hadden, het val­hek lieten nedervallen, waardoor eenige Gelder­schen werden gekwetst. De hertog, voorttredende en ook de binnenpoort gesloten vindende, sprong naar alle zijden in het rond om zich een uitweg te banen, maar de raad deed spoedig de binnenpoort openen en den hertog noodigen om de stad in te treden, hetwelk hij gramstorig weigerde. Toen vernemende dat de burgerij in de wapens was en tot eene geduchte tegenweer voorbereid, gelaste hij de zijnen om het gevecht hetwelk voor de poort reeds begonnen was, te staken.’
Zo zat de hertog tussen de twee Sassenpoorten gevangen en zijn leger stond machteloos aan de overkant van de gracht. Hij kon geen kant meer op. Volgens verschillende verslagen schijnt hij daar stampvoetend en rood van woede te hebben rondgelopen. Hij koos eieren voor zijn geld en gaf opdracht aan zijn troepen, inmiddels 2000 man sterk, de strijd te staken. Maar Zwolle bleef waak­zaam: ‘In de stad werden de muren en torens door de burgers bezet, het kanon op de wallen en in de straten geplant en de wachten verdubbeld, terwijl de burgerij in gespannen verwachting de nacht doorbracht.’
De volgende dag werd de hertog beleefd uitgeleide gedaan, waarop Van Gelre zich met zijn krijgsvolk over de IJssel terugtrok. Maar hij liet het er niet bij zitten. Hij was zwaar in zijn eer aangetast. Een maand later ging hij met een grote troepenmacht in de aanval. Bij de nade­ring van het Gelderse leger brandde Zwolle het nonnenklooster, het Buschconvent, en andere

Op deze uitsnede van huizen voor de Sassenpoort af, zodat de vijand
een kaart van Braun en daar geen gebruik van kon maken. Vanaf die tijd
Hogenberg uit 1581 is waren de Zwolse kloosters uitsluitend binnen
het ommuurde voor­ de stadsmuren te vinden. Vervolgens werd de
plein van de Sassen- Zwolse vesting nog één keer door de hertog van
poort goed te zien. In Gelre op de proef gesteld: ‘Op den 6 april [1524]
1524 werd hertog Karel verscheen het Geldersch leger voor de stad, en na
van Gelre hier door de een vruchteloos aanbod van vergelijk, deed hertog
Zwollenaren ingesloten. Karel het geschut planten en begon de vesten te
(Collectie Stedelijk beschieten, waardoor aanmerkelijke schade ver-
Museum Zwolle) oorzaakt werd. Een toren stortte in en de muren
geraakten hier en daar omver, maar de belegerden
herstelden de breuken zooveel doenlijk en gaven
daarbij zoo dapper vuur van torens en wallen dat
eene vijandelijke schans bijkans geheel vernield en
Soldaat Zwols garni­ derzelver geschut tot zwijgen gebragt werd.’
zoen ten tijde van de Karel van Gelre voelde dat de belegering van
Tachtigjarige Oorlog. Zwolle hem te veel geld zou kosten en een paar
(Uit: ‘Vestingroute, weken later werd de vrede tussen de strijdende
Historische wandeling partijen getekend. En Zwolle, dat gehoorzaamde
door de voormalige ves­ de komende jaren als vanouds de bisschop van
ting Zwolle’) Utrecht.

De Sassenpoort en de Tachtigjarige Oorlog
De avonturen van Zwolle met de hertog van Gelre hebben nog een typisch middeleeuws karakter. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) gin­gen de verschillende gewesten zich verenigen tot een republiek, waarmee een einde kwam aan het gezag van bisschoppen, hertogen en keizers. Maar daarmee kwam nog geen einde aan Zwolle als ves­tingstad. In tegendeel. Zwolle hield de poorten – vaak uit opportunistische redenen – aanvankelijk gesloten voor afwisselend de Spaanse en staatsge­zinde troepen. Maar in 1579 waren de Spanjaar­den definitief uit Zwolle verdreven en werden ze spoedig opgevolgd door de troepen van de jonge Republiek der Verenigde Provinciën. Het nieuwe bewind ging zich met zaken bemoeien die tot dus­ver aan de stad zelf voorbehouden waren. Prins Maurits wilde dat Zwolle deel ging uitmaken van een grote verdedigingslinie, die het noorden van ons land Spanjaardvrij moest houden. Daarom vond hij dat Zwolle betere vestingwerken moest aanleggen. De al aanwezige stadsmuren en grach­ten waren niet voldoende; er waren beter verde­digbare bastions, bolwerken en wallen nodig. Ook bij de Sassenpoort werd een bolwerk gebouwd: het Sassenpoortenbolwerk (nu Van Nahuysplein). Bovendien kwam aan de overkant van de gracht een hoornwerk te liggen (tegenwoordig ongeveer het gebied tussen de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat en de Zeven Alleetjes). Door de bouw van de bastions en bolwerken kreeg de stadskern tussen 1606 en 1619 de stervorm die tot op de dag van vandaag herkenbaar is.

Verwaarlozing en afbraak
In 1648 was de Tachtigjarige Oorlog voorbij, maar de vesting Zwolle bleef onder landelijk toezicht in stand. Als vanouds ging de Sassenpoort als het donker werd op slot en nog steeds werd de poort ook als gevangenis gebruikt. Maar de rol van de poort als onderdeel van de verdediging van Zwol­le verloor door nieuwe technieken in de manier van oorlogvoeren jaar na jaar aan betekenis. Tegen het einde van de achttiende eeuw waren de verdedigingswerken in verval geraakt. De Franse tijd bracht daar geen verandering in.
Toen het Franse garnizoen eind 1813 uit de stad vertrokken was, ontbrak geld om al die oude muren, torens en poorten te onderhouden. En als dat geld er wel was geweest dan zou onderhoud, gezien met de ogen van die tijd, slecht besteed zijn geweest. De verdedigingswerken hadden hun waarde verloren. Dat alles had tot gevolg dat
ze nog verder in verval raakten wat voor de stad Aartsengel Sint
erger was: ze stonden in de weg! Michaël, bescherm­
heilige van Zwolle.
In 1838 verdedigde het stadsbestuur als volgt het Raamversiering in de
besluit de vestingwerken op te ruimen: ‘De tij- Sassenpoort. (Foto Jan
den en de omstandigheden zijn (…) aanzienlijk van de Wetering)
veranderd. Sedert het laatst der vorige eeuw is
Zwolle gelukkig geene vesting meer. (…) Oudtijds
was men genoodzaakt de stad zoo veel mogelijk
ontoegankelijk te maken, en ze tot een groot bol- De Sassenpoort gezien
werk te stichten. Thans kan men ze geheel ópen­ vanaf het Van Nahuijs­
stellen, en de huivering verwekkende bolwerken, plein, door Joan Willem
bastions en hooge wallen kunnen nu tot aange- Meijer, 1840-1929.
naame lustplaatsen en wandeldreven aangelegd (Collectie Stedelijk
worden.’ Museum Zwolle)

Dit plan werd – naar Zwolse begrippen – in ongekend tempo gerealiseerd. Vijf jaar later al, in 1843, zei de burgemeester in een toespraak het volgende:
‘Oude nauwe poorten, die geene bouwkundi­ge waarde bezaten, zijn gesloopt en opgeruimd; de hooge wallen en borstweringen, overblijfsels van een verdedigings-stelsel dat in onze eeuw doelloos is geworden, zijn gevallen en in aangename wan­deldreven herschapen’. Van de drie stadspoorten bleef er één over: de Sassenpoort.
Het nieuwe stadsbeeld na de sloop en de aan­leg van wandelplaatsen wordt ons verteld door een Amsterdams koopman, die op 4 mei 1848 Zwolle aandeed voor een toeristisch bezoek. Uiteraard ging hij ook de Sassenpoort bekijken:
‘De Koestraat brengt ons aan de Sassenpoort, die bij de Zwollenaren, vooral van den echten stempel, in hooge achting staat, wijl hier de ondeu­gende hertog Karel als eene rot in den val liep – anno 1524. De booze wereld, en vooral de altijd op Zwolle jaloersche steden Deventer en Kampen, ver­telden al spoedig, dat Karel (…) voor een grooten losprijs was vrijgelaten, en dat de raad der stad daaraan zijne vingers had blaauw geteld, waarom

De Sassenpoort. Ano­niem, derde kwart negentiende eeuw. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
al den Zwolschen onmeedoogend den bijnaam van blaauwvingers werd aangewreven. (…)
Aan deze geschiedkundige herinneringen heeft Zwolle het voor een groot deel te danken, dat in dezen anti-poortgezinden tijd, dit fraai gedenkteken van vroegere dagen voor den ver­woestenden moker is beveiligd gebleven. Meer echter dan die geschiedkundige herinneringen, pleit voor het in wezen blijven dezer poort, en dit is haar inderdaad behagelijk uiterlijk. Die spitse torentjes met hare leijen daken, geven aan den bevalligen omtrek eene romantische tint. Het is nu, alsof die poort daar is opgetrokken, ten einde het deftig en ernstig verleden aan het jolig lachende heden te huwen. Daarom: Leve de Sas­senpoort! (…).’
Onze Amsterdamse koopman vervolgt zijn wandeling door de stad met een sneer: ‘Wij verla­ten de Sassenpoort, wier doorgang wij wat meer reinheid toewenschen.’ 7

Bewaarplaats Rijksarchief Overijssel
Het had niet veel gescheeld of de Sassenpoort was in 1877 alsnog afgebroken. Dat jaar was onderhoud dringend nodig. De kosten werden op 2000 gulden geraamd. De Zwolse Raad boog zich over de kwes­tie. Eerst kwam raadslid De Vos van Steenwijk aan het woord. Hij zei:
‘Men moet bij deze uitgave niet vergeten dat de Sassenpoort zijn tijd gehad heeft en een monument is dat niet meer in onzen tijd past. Daarbij is ’t eene belemmering voor de passage. ’t Zou de Zwolschen die aan het gebouw gewend zijn, misschien in den aanvang vreemd zijn als het opgeruimd werd, maar het kon wel eens noodzakelijk zijn.’
De notulist hield het zakelijk, maar uit alles valt te merken dat de emoties in de raad hoog oplie­pen. Uiteindelijk maakte raadslid Van der Voort een einde aan het debat met de woorden: ‘Het is mijn innige overtuiging dat er nooit een Raad zal opstaan die de schendende hand aan den Sassen­poortentoren zal slaan.’ 8
De door De Vos van Steenwijk genoemde belemmering van de passage bij de Sassenpoort werd in 1904 opgelost door een extra doorgang naast de poort te maken. In 1898 kreeg de Sassenpoort een nieuwe bestemming: de poort werd in gebruik geno­men als bewaarplaats van het Rijksarchief in Over­ijssel. Een paar jaar daarvoor was de poort door de gemeente aan het Rijk overgedragen, onder beding dat het gebouw in staat en stijl zou worden gerestau­reerd en dat op de toren het uit de achttiende eeuw daterende slaguurwerk gaande zou blijven.

Tot 1977 zou de Sassenpoort de functie van Rijksarchief behouden. Onder omstandigheden die een archief onwaardig zijn. De woorden gesproken bij het afscheid van archivaris Albert Mensema, nu twee jaar geleden, vatten het probleem kort en bondig samen: ‘Het was een archiefgebouw, even romantisch als ondoelmatig, met z’n wenteltrappen en verborgen hoeken en gaten, koud en vochtig in de winter en met veel stof, vleermuizen en vliegen.’9

Met het verdwijnen van het archief verloor de poort alweer een functie, niet voor de eerste keer en naar alle waarschijnlijkheid ook niet voor de laatste keer. Maar na 600 jaar staat de Sassenpoort er nog steeds en er wordt alweer nagedacht over een nieu­we bestemming. Misschien wel een verbreding van de huidige museale functie. Ook zijn er plannen om de poort in 2010 af te sluiten voor het verkeer. De geschiedenis stopt na 600 jaar niet: de Sassen-poort gaat op weg naar nieuwe avonturen. Laten we de poort in ere houden en ons aansluiten bij de woorden van die negentiende-eeuwse koopman uit Amsterdam: Leve de Sassenpoort!
* Dit artikel is een bewerking van de gel;ijknamige lezing die in de cyclus Historische Avonden op 10 september 2009 in het HCO werd gehouden.
Literatuur

Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Ne­derlanden uit 1839-1851 Ach lieve tijd, 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en hun ves­tingwerken Bouwen in Nederland, 600-2000, red. Prof. dr. Koos Bosma, e.a., Zwolle, 2007 Hattum, B.J. van, Geschiedenissen der stad Zwolle, I-V, 1767-1775. (Zwolle, 1975) Wetering, Jan van de, De Zwolse canon, De geschiedenis van Zwolle in 50 vensters, Zwolle, 2008 Elberts, W.A., Historische wandelingen in en om Zwolle, Schiedam, z.j. Vries, Thom. J., Geschiedenis van Zwolle, deel I en II, Zwolle, 1954-1961

Noten

1.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant,jaargang 1905

2.
B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle, II, p. 2-3

3.
Idem, p. 4

4.
Idem, p. 14

5.
Idem, p. 18-48

6.
Evert Moulin, Historische Kamper Kronyk (1839), p. 362­365

7.
UitNederlandschMuseum,Geschied-enletterkundige merkwaardigheden (1848), p. 542

8.
HCO, Handelingen van den raad der gemeente Zwolle, 1877

9.
HCO: Uit toespraak Piet den Otter op 14 september 2007

Gezicht op het Van Nahuijsplein onder de boog van de Sas­senpoort. Circa 1938. (Eigen Erf, collectie HCO)
Medewerkers van het Rijksarchief in de Sas­senpoort, zittend archi­varis J. Geesink, circa 1922. (Collectie HCO)
Kees Canters

Het hoornwerk van Zwolle

Een merkwaardig verlopende straat en twee bijzondere voordeuren

D
e Zuiderkerkstraat in de Stationswijk van Zwolle vertoont halverwege een flauwe bocht die niet direct valt te verklaren op basis van wat er ter plaatse is te zien. Toch blijkt deze bocht een duidelijk aanwijsbare herkomst te hebben: een verslag van een kleine, historische rondtocht ter plaatse.

De kaart van Blaeu

Een kaart uit de atlas ‘Toonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden, met haar Beschrij­vingen’, uitgegeven bij Joan Blaeu in 1649, toont ‘Swolla’. De kaart geeft een prachtig en gaaf beeld van Zwolle ‘binnen haar veste’: de middeleeuwse muur omsluit de stad en als tweede verdedigings­gordel liggen er om de stad heen elf bastions naar buiten te prikken. Het betreft een stervormige vesting, gebouwd geheel conform de regels van de toentertijd geldende vestingbouwkunde. In de middeleeuwse muur vallen vier grote stadspoorten te onderscheiden met elk een of twee bruggen over de aangrenzende wateren. Alleen bij de Vispoort aan de huidige Thorbeckegracht is geen doorgaan­de verbinding naar de wereld buiten de stad.
Buiten de drie grote poorten, Diezerpoort, de Sassenpoort en de Kamperpoort, ontwikkelden zich later, vooral in de twintigste eeuw, de karakteristieke oude wijken van Zwolle: Diezerpoort (oorspron­kelijk Nieuwstad geheten), Assendorp en Kamper-poort. Alleen bij de Kamperpoort is al iets van deze ontwikkeling aangeduid, een paar verspreid liggende huizen met in de tuinen keurige patronen van haag­jes en fruitbomen. Een tweede staat van deze kaart, een korte tijd later gemaakt, laat overigens zien dat er toen ook al sprake was van bebouwing buiten de Diezerpoort en buiten de Sassenpoort.
Er is een tijd geweest dat er twee Sassen-poorten waren: een Binnen- en een Buiten-Sassenpoort. De Binnen-Sassenpoort was de uit 1409 stammende en nog steeds bestaande, grote stenen poort. Omstreeks 1700 werd de buiten-poort geschetst door de tekenaar Gerrit Grasdorp, die veel locaties in en om Zwolle vereeuwigde. De Buiten-Sassenpoort was toen niet meer dan een wat zwaar uitgevallen houten poort, zoals we die wel kennen van foto’s van de erepoorten opgericht voor het bezoek van koningin Wilhel­mina en regentes Emma in 1895 en van koningin Wilhelmina en prinses Juliana in 1921. Deze buitenpoort was dus niet vergelijkbaar met de grote binnenpoort. Op een stadsplattegrond uit 1823 getekend door G. Haasloop Werner staat de Buiten-Sassenpoort nog summier aangeduid.

De plattegrond van Joan Blaeu van ‘ Swol­la’, omstreeks 1650. (Collectie HCO) Poort buiten de Sassen-poort, omstreeks 1700 geschetst door Gerrit Grasdorp, 1659 – 1716. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

Detail uit de platte­grond van Joan Blaeu met de Sassenpoort en omliggende gebouwen. Voor de wal met de zeventiende-eeuwse stadsmuur ligt een deel van de vesting buiten de stadsgracht, het hoorn-werk. Omstreeks 1650. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

Door de aanleg van de bastions aan het begin van de zeventiende eeuw (zie hieronder) moest de rechtdoorgaande uitvalsweg om het Sassenpoort­enbolwerk – het tegenwoordige Van Nahuysplein
– iets verlegd worden. De huidige weg vanuit de oude binnenstad naar de brug vertoont nog steeds de merkwaardige slinger die hiervan het gevolg was. Rechts op de genoemde tekening van Gras-dorp is de wal van het bastion duidelijk te zien, inclusief een houten wachthuisje er bovenop, de voorloper van het later op precies dezelfde plek gebouwde stenen wachthuis ter hoogte van de bushalte – tegenwoordig ‘onderdeel’ van Fortis… Dat het hier oorspronkelijk een gebouw van de gemeente betreft, blijkt uit het duidelijk zichtbaar aangebrachte, blauwwitte gemeentewapen van Zwolle.

Hoornwerk

Wanneer we op de kaart van Blaeu iets nauwkeu­riger naar de omgeving van de poorten kijken, valt op dat er voor de buitenste Diezerbrug als een soort taartpunt een kleine wal is aangelegd, een ravelijn, en bij de brug van de Sassenpoort zelfs een nog groter verdedigingswerk. Bij de Kamper-poort is niets toegevoegd.
Het type verdedigingswerk zoals aange­bracht bij de Sassenpoort wordt een hoornwerk genoemd, volgens A.H. Mohr (in Vestingbouw-kundige Termen, 1983): ‘buitenwerk van een ves­ting, bestaande uit een gebastionneerd front [= twee halve bastions verbonden door een wal, de zogenoemde courtine, KC] en twee lange, doorgaans evenwijdige, flanken, aansluitend aan de vestinggracht.’
In de loop van de zestiende eeuw veranderden de opvattingen over de aard en kracht van een verdedigbare stad. Een gevolg hiervan was dat de uit de Middeleeuwen stammende stenen verde­digingsmuren rond een stad vervangen moesten worden door aarden verdedigingswerken. Dit was veel goedkoper dan stenen muren, ook in het onderhoud. Bovendien waren dit soort werken veel beter bestand tegen het steeds zwaarder wordende kanonvuur. Een alternatief voor vervanging kon zijn de aarden verdedigingswerken vóór de stenen

Ruïne van een stads­poort buiten de Sassen-poort, omstreeks 1700 geschetst door Gerrit Grasdorp, 1659-1716. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

omwalling en / of óver de verdedigingsgracht aan­leggen. Daarnaast was het zaak om de extra kwets­bare bruggen goed te beschermen. Dit bereikte men door het aanleggen van een zogenoemd voor­werk, waardoor de afstand tot de belegeraar werd vergroot met als gevolg dat de effectiviteit van het vijandelijk geschut werd verminderd.

Het hoornwerk van Zwolle
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd ook de verdediging van Zwolle aangepast aan de eisen des tijds. Op aandringen van en met aanzienlijke financiële steun vanuit de Staten-Generaal wer­den de te vernieuwen verdedigingswerken van Zwolle ingepast in een nieuw concept, een frontli­nie langs de IJssel. De nieuwe verdedigingsfunctie maakte deel uit van de verdedigingsstrategie van de Staten-Generaal tegen de koning van Spanje. Belangrijkste doel hiervan was een linie opwer­pen tegen de mogelijk uit het oosten oprukkende Spaanse troepen. Die waren omstreeks 1600 in het oosten van het land namelijk succesvol geweest door de herovering van enkele steden op de opstandelingen. Er dreigde daardoor gevaar uit
Detail van de kaart van
G. Haasloop Werner waarop de Sassenbin­nenpoort, de huidige Sassenpoort, en de Sas­senbuitenpoort zijn aangegeven, 1823. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
het oosten voor Utrecht en Holland.
Het hoornwerk van Zwolle vormt van deze veranderende inzichten een fraaie uitwerking. Door de wel 150 meter lange flanken van dit voorwerk werd metterdaad de afstand tussen de brug en de eventuele vijandelijke batterijen aan­zienlijk vergroot. De Sassenpoort met brug was waarschijnlijk de belangrijkste toegang tot Zwolle en, aangezien deze eerste ‘IJssellinie’ ook toen al naar het oosten gericht was, was dit mogelijk ook de reden dat met name de hier gelegen brug extra aandacht kreeg door de aanleg van een eigen hoornwerk.
Door onderhandelingen over de respectieve bijdragen van Zwolle en van de Staten in de kos­ten voor de aanleg van de nieuwe verdedigings­werken duurde het nog zo’n tien jaar voordat ermee begonnen kon worden. Dat had wel als voordeel dat de werkzaamheden uiteindelijk in een relatief rustige periode konden worden gere­aliseerd, namelijk tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Dit betekent dat er dezer jaren naast het vieren van de zes eeuwen oude Sassenpoort, nog een ander eeuwfeest te vieren is, namelijk dat van de vier eeuwen bestaande, en nog steeds goed herkenbare Zwolse verdedigingsopzet met gracht, bastions, poorten en bruggen. Een geschikte aanleiding om eens na te gaan of een (tijdelijke) reconstructie van de Diezerpoort en de Kamper-poort te overwegen valt, bij voorbeeld in de vorm van stalen steigerbouw? Dat zou als bijkomend effect kunnen hebben dat er wat meer balans komt tussen de drie oude Zwolse buitenkernen, Assendorp, Dieze(rpoort) en Kamperpoort. Op de plaats waar vroeger de Diezerpoort stond is in ieder geval voldoende ruimte voor zo’n (tijde­lijke) herbouw beschikbaar.

Het hoornwerk nu

Uit de vorm of de naam van sommige openbare ruimtes valt op indirecte wijze nog steeds de invloed van de oorspronkelijke aanwezigheid van het hoornwerk af te leiden. Aan de oostzijde was voldoende ruimte aanwezig om een lange lijnbaan voor een touwslagerij in te richten waar strengen hennep tot touw konden worden gedraaid. Tot het eind van de jaren tien van de twintigste eeuw bestond deze touwslagerij nog. In de jaren twintig werd het gebouw van deze touwslagerij door de Coöperatieve Groente- en Fruitveiling gebruikt als veilinggebouw. Na de Tweede Wereldoorlog leende deze plek zich uitstekend voor de aanleg van een parkeerplaats. De langgerekte vorm van deze parkeerplaats voert dus niet terug op de lijn­baan maar op de oostelijke flank van het hoorn-werk.
De merkwaardige naam van de straat aan de westzijde van het hoornwerk, Zeven Alleetjes, herinnert er aan dat de gemeente Zwolle in de loop van de negentiende eeuw het hoornwerk tot een wandelpark bestemde. Daartoe werden zeven rijen lindes aangeplant, die met elkaar zeven allee­tjes omzoomden. Dat de directe omgeving van het hoornwerk nog lang groen bleef, blijkt ook uit de naam Tuinstraat. Hier maar ook elders lagen de warmoezerijen van Zwolle, waar groente en krui­den werden gekweekt voor de stedelingen.
Een belangrijk deel van het hoornwerk werd sinds 1885 in beslag genomen door de in opdracht van J.F.G. van Reede, wijnkoper te Zwolle, door architect S.J.H. Trooster ontworpen grande villa met bijbehorende tuin: Burgemeester Van Roij­ensingel 18. In het boekje Het deurtje van Zwolle (1988) beschrijft mevrouw Wiet Kühne-van Diggelen op boeiende wijze de sfeer die er in de jaren dertig in dit woonhuis hing, toen ze daar als kleinkind van de toenmalige eigenaar, mr. B.P.G. van Diggelen jr., heerlijke, lange zomers met haar beide zussen logeerde. De titel van het boekje slaat op de voordeur van de villa: een twee meter brede en drie meter hoge poort met twee openslaande deuren, met zijn vele neorenaissance en neoclas­sicistische stijlkenmerken goed passend in de rest van de imponerende gevel: een wel héél bijzon­dere voordeur en dus bepaald geen ‘deurtje’.
Grootvader Van Diggelen had het uitzon­derlijk grote huis (23 ruime kamers!) al in 1891 gekocht, voor ƒ 41.005, hij was toen nog student in de rechten te Leiden. In het boekje is echter nergens sprake van het hoornwerk. De huidige parkeerplaats aan de Van Roijensingel beslaat voor een groot deel de oorspronkelijke tuin van deze villa en dus ook van het Zwolse hoornwerk.

Wiet Kühne-van Dig­gelen, ‘Het deurtje van Zwolle’. Hoogeveen, 1988. (Particuliere col­lectie)
‘Het deurtje van Zwol­le’, de voordeur van het imposante pand Burge­meester van Roijensin­gel 18. (Foto auteur) Het gebouw van de voormalige NV Electriciteits Fabriek IJsselcentrale aan de Zeven Alleetjes; tegen­woordig is hier de GGD IJsselland gevestigd. (Foto’s auteur)

Het hoornwerk wordt tegenwoordig voor een ander groot deel in beslag genomen door het kantoorgebouw van de voormalige NV Electrici­teits Fabriek IJsselcentrale, een interessant en met oog voor het ambachtelijke detail ontwerp van de architecten A.J. van der Steur en M. Meijerink, uitgevoerd in de periode 1936-1945. Eerstge­noemde werkte op landelijk niveau en ontwierp bij voorbeeld ook het Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam. Meijerink woonde en werkte in Zwolle; hij was de oprichter van Architectenbureau Meijerink waar later ook zijn zoon en kleinzoon de scepter zwaaiden. De latere uitbreiding van het kantoorgebouw richting Van Roijensingel springt met zijn donkerbruine pane­len van cortenstaal in het oog, maar contrasteert – om niet te zeggen detoneert – daardoor ook des te meer met de statige, imponerende gevels van de eindnegentiende-eeuwse villa’s die Zwolse nota­belen hier toen langs de stadssingel lieten bouwen.
Nog een ander groot gebouw op het hoorn-werk is dat van de Stichting De Vilsterenshuizen aan de Zuiderkerkstraat, begin jaren dertig van de vorige eeuw ontworpen door architect J.D.C. Koch. Het bouwwerk heeft een groot volume, maar valt mede door zijn vorm en wat verscholen ligging aan de buitenkant nauwelijks op. Inwen­dig is het kenmerkend voor de wijze waarop men in de jaren dertig aankeek tegen de huisvesting van alleenstaanden: de robuuste afwerking en de met kleurige maar toch saaie tegels beklede, holklinkende gangen roepen associaties op met een sportfondsenbad, hier en daar zelfs met een gevangenis; de oorspronkelijke naam van dit gebouw, ‘Gesticht Vilsterenhuizen’, wijst in dezelfde richting. De huidige eigenaar, Woning­stichting Openbaar Belang, heeft plannen om dit gebouw te gaan slopen en het dan vrijkomende, grote perceel een andere bestemming te geven.
Verder is natuurlijk de Zuiderkerk van de Nederlands Gereformeerde Kerk een beeldbe­palend gegeven op het hoornwerk, een gebouw dat in 1923 werd opgetrokken naar een ontwerp van architect J.H. van der Veen. Door het gebruik van verschillende soorten baksteen in hoekige, classicistische banden gemetseld, door de quasi-gotisch vormgegeven ramen, door een klein ‘art deco’-achtig vieringtorentje op de kruising van schip en dwarsbeuk en door de stevige kerktoren, waarvan de spits wel wat weg heeft van een aantal over elkaar geplaatste puntmutsen, maakt het gebouw een wat eclectische indruk. Twee borden aan de buitenkant herinneren aan de Tweede Wereldoorlog, toen hier bijeenkomsten van ver­zetsmensen plaatsvonden. Zo werd hier in maart 1943 onder leiding van ‘Frits de Zwerver – in wer­kelijkheid dominee F. Slomp – de eerste ruilbeurs voor onderduikers gehouden.

Op de noordelijke hoek van het hoornwerk, hoek Van Karnebeekstraat – Van Roijensingel, is Snackcorner Norp gevestigd, waar de lekkerste dingen uit het frituurvet komen en de altijd vrien­delijke heer Norp de regie voert. Onder de klanten bevindt zich ook wel eens een gehaaste wethouder die tussen twee afspraken door snel nog even ‘iets warms’ consumeert. ’s Avonds vormt de goed zichtbare buitenreclame, uitgevoerd in neonver­lichting, het bewijs dat de vooruitgang ook het hoornwerk niet ongemoeid heeft gelaten.

Voortbestaan van (de naam) het hoornwerk
Tot voor kort was er nog steeds sprake van het hoornwerk, namelijk door de ‘Clematistuin het Hoornwerk’, gelegen naast de al eerder genoemde parkeerplaats aan het begin van de Van Karne­beekstraat. Op het oppervlak van een middelgrote tuin groeiden en bloeiden hier onder (bege)lei­ding van mevrouw Roelie van der Meulen meer dan vierhonderd verschillende clematissoorten. De tuin kon worden bezocht en was in de wereld van tuinliefhebbers wijd en zijd bekend. Om haar missie voor het plantengeslacht Clematis te

Voordeur van Zuider­kerkstraat 12, ‘Aan het hoornwerk’. (Foto auteur)

Detail uit de kaart van Zwolle omstreeks 1960, het door de Burgemees­ter Van Roijensingel, Van Karnebeekstraat, Zuiderkerkstraat (met de merkwaardige bocht) en de Zeven Alleetjes gevormde hoornwerk valt nog duidelijk te onderscheiden. (Parti­culiere collectie) completeren verkocht mevrouw Van der Meulen op kleinschalige wijze ook clematissen aan het publiek, waaronder de meest gewone maar ook zeer exotische, met bloemen zo groot als ontbijt­bordjes. Vooral de boeiende en stevig gedirigeerde rondleidingen van mevrouw Van der Meulen door haar eigen Hof van Eden waren bijzonder. Je kreeg precies aangewezen waar je je voeten moest zetten en waar je op moest letten, met tot slot, in een donkere, wat geheimzinnige kamer, de ver­toning van een cd met bewegende (!) beelden van spectaculair bloeiende exemplaren uit haar tuin. Of de Clematistuin ooit weer open zal gaan? Inmiddels is het voortbestaan van de naam
‘hoornwerk’ in de openbare ruimte van Zwolle toch verzekerd – voor zolang als het duurt. Alweer enige jaren geleden heb ik mijn eigen woning in de Zuiderkerkstraat van de naam ‘Aan het hoorn-
werk’ voorzien, als zichtbare herinnering aan de fysiekhistorische oorsprong van de omgeving.

Ik heb bij het aanbrengen van deze naam op mijn voordeur geprobeerd hetzelfde lettertype te gebruiken als architect C.J. Vriens, die het blokje van drie woningen ontwierp waarvan de woning deel uitmaakt, heeft gebruikt. Het is een prach­tig, uitbundig en zeer sprekend lettertype – naar ik aanneem, een eigen ontwerp van Vriens. Het blokje is gebouwd in 1935 en de letter past precies bij de gehanteerde bouwstijl, die in de jaren dertig als modern gold. Hiermee is een tweede bijzon­dere voordeur gesignaleerd op of rond het hoorn-werk – en er zijn er nog meer!

De bocht
Op basis van het bovenstaande is nu goed te verkla­ren waarom er halverwege de Zuiderkerkstraat zo’n merkwaardige bocht zit: de Zuiderkerkstraat volgt precies de rooilijn van het Zwolse hoornwerk.

Mollebonen en blauwvingers
Groningers in Zwolle 1919-1940, een kleine geschiedenis van de Grönniger Verainen ‘De Molleboon’
E
ind maart 1920 viel bij een aantal inwoners van Zwolle en omstreken een brief in de bus. ‘An de leden van De Molleboon’ stond erboven. Het was een in het Gronings gestelde uit­nodiging voor een bijeenkomst in Odeon, alwaar op woensdagavond 7 april om acht uur ‘wie de eerste jaordag van onze verainen vieren.’ Het pro­gramma, dat zoveel jaar later door de blauwpaarse vlekken op het papier toont dat er vele doorslagen van getypt werden, vermeldde naast de Opening, ook ‘Verslag van Secretaores en Puutholder’ (pen­ningmeester) en ‘Rondvraog en Veurdrachten’. Na de pauze was er tijd voor ‘Gezelschapsspeulen en Bal’.
Groningse gebruiken werden op de bijeen­komsten in ere gehouden. Dat blijkt uit de vol­gende teksten: ‘Veur de pauze ken kovviedronken worden oet kraentjespotten. Dai hier gebruuk maöken wil wordt dringend verzocht veur zuk en zien gezelschap tiedeg ’n kovviepot te bezör­gen an ’t Odeon.’ En verder: ‘Dai gain kovviepot machteg worden ken mout tiedeg an ’t Bestuur opgeven veur houveul man hai graog hebben wil. ’t Bestuur zörgt den as ‘t even ken veur ’n kov­viepot.’ De toegang voor leden was vrij op vertoon van hun ‘diplomao’. Huisgenoten niet-leden mochten er voor vijftig cent in, vreemden moes­ten één gulden betalen.
Het echtpaar Werkman-Bos
Een van die genoemde kraantjeskannen stond thuis in de kast bij mijn in 2006 overleden moe­der. Zij, Hennie Werkman-van der Vegt, geboren en getogen Zwolse (Assendorp, nicht van de in 2001 in dit tijdschrift beschreven Wim Peters) en haar enkele jaren eerder overleden man Chris Werkman, geboren in Winschoten en getogen in Zwolle, erfden die kan van hun (schoon)moeder, mevrouw T. Werkman-Bos, echtgenote van M.H.
Werkman. Deze beiden, mijn grootouders, ver-Martin Werkman huisden in 1920 uit Winschoten, waar hij hoofd­redacteur was van de Nieuwe Winschoter Courant, naar Zwolle. Daar werd mijn grootvader eerst

M.H Werkman, hoofd­redacteur van de ‘Pro­vinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant’ en lid van De Molle­boon. Omstreeks 1927. (Collectie auteur)

redacteur Letteren en Kunst, later hoofdredacteur van de Zwolse Courant (destijds voluit de Provin­ciale Overijsselsche en Zwolsche Courant geheten). Ze vestigden zich in de Prins Hendrikstraat 20, waar ze tot hun dood woonden. Ik heb er vele zomervakanties doorgebracht.
Beiden hadden in Winschoten actief deel­genomen aan het maatschappelijke en culturele leven. Mijn grootmoeder speelde niet onverdien­stelijk toneel – ze kreeg er in Nieuwolda een gou­den medaille voor – en mocht graag piano spelen. Mijn grootvader schreef niet alleen voor de krant, maar regisseerde ook toneel, zat in vele commis­sies en publiceerde gedichten in tijdschriften als De Nieuwe Gids en Groot Nederland. Zijn broer – de vandaag nog altijd bekende drukker-graficus
H.N. Werkman – drukte in 1910 M.H. Werkmans poëziedebuut Museum van Plastische Verzen. In 1917 deed hij dat nog eens voor Werkmans Inlei­ding tot de Poëzie. Ten tijde van zijn verhuizing verscheen zijn eerste (en laatste) roman Ennema­heert. In Zwolle werden beiden lid van De Mol­leboon, een vereniging van Groningers in Zwolle en omstreken die een jaar eerder, in april 1919 was opgericht.
De oprichting
De feestrede bij het tienjarig bestaan van De Molleboon, 2 maart 1929, doet het oprichtings­verhaal uit de doeken. Drie Groningse Zwolle­naren stonden aan de wieg: dr. D.A.C. Dornheck Busscher, conrector van het gymnasium, H.W. Heckman, eigenaar van een herenkledingzaak aan de Melkmarkt 28 en K. van Zandbergen, belas­tingcontroleur. Ze belegden op 14 maart 1919 een vergadering in de Harmonie aan de Grote Markt voor de oprichting van een afdeling van de ‘Grunneger Sproak’, waar nog zes andere Zwol­lenaren bij aanwezig waren. Dat waren de heren
A.B.W. van de Beek, L. Beertema, J.R. Derksema,
T.H. van Dijk, dr. L.E. Eerkes en ir. H. Blankstein. De eerste avond die zij op 12 april 1919 in Odeon organiseerden, werd een groot succes. Er kwam een honderdtal Groninger Zwollenaren op af. Die belangstelling was zo groot, omdat de destijds in Groninger kring bekende auteur Geert Teis Pzn., pseudoniem van G.J. Ritzema, optrad. Hij was de schrijver van het overal in Nederland opgevoerde stuk Dizzepi-Dizzepu, maar ook van populaire teksten als het Grönnens Laid en een Groningse versie van Heinrich Heine’s Die Lorelei: de Knaol­ster Lorelei (‘Ik wait nait wat zel ’t toch beduden, dat ik zo miesderig bin’). De aanwezigen waren enthousiast. Een maand later was het eerste bestuur van de Groninger Vereniging De Molle­boon een feit. Dat bestond uit de heren Dornheck Busscher (voorzitter), Van Zandbergen (secreta­ris) en De Jonge, Heckman en Beertema (leden). Van Zandbergen was bestuurslid tot in 1931. Mijn grootvader volgde hem in 1922 op als secretaris, bleef dat tot in 1940 en werd bij zijn vertrek in 1946 benoemd tot erelid.

Krantenknipsel over de viering van het tienjarig bestaan in april 1929. Geheel links zittend mevrouw T. Werkman-Bos, zittend derde van links mevrouw Blank­stein- van Noord, met achter haar staand, H.Blankstein. Zit­tend, derde van rechts: M.H.Werkman. (Collectie auteur)
De Prins Hendrikstraat omstreeks 1920, gezien vanaf de Veerallee. (Collectie HCO)

De ‘Knaolster Lorelei’ In ’t Grönnens
door Geert Teis Pzn. De Grönniger Verainen De Molleboon wilde ‘de
(Collectie auteur) in Zwolle en omstreken wonende Groningers met
elkaar in kennis brengen’. Dat blijkt uit het elf
artikelen tellende reglement. Niet alleen om over
Groningen te praten, maar ook om een biblio­
theek van boeken en tijdschriften in het Gronings
samen te stellen. Vergaderingen, voordrachten
en toneelspelen ‘alles zooveul as ’t ken in ’t Grön­
nens’, hoorden daar ook bij. Die bibliotheek

telde 47 titels, in schoonschrift neergepend in een schrift met blauw gemarmerd kaft.* De toneel­vereniging, later aangesloten bij het Nederlands Tooneelverbond, zag in de loop van 1919 het levenslicht en voerde al in het voorjaar van 1920 het eerste stuk op: Dizzepi-Dizzepu van de eerder genoemde Geert Teis Pzn.
In de nalatenschap van mijn in 1997 overleden vader Chris (C.K.) Werkman, journalist te Den Haag, bevinden zich nog vele bescheiden over De Molleboon. Uit die brieven, programma’s, toneel­stukken (typoscripten en drukken), uitnodigin­gen, correspondentie, liedteksten en dergelijke blijkt dat het een zeer actieve vereniging was. In 1923 en 1924 telde De Molleboon respectievelijk 167 en 162 leden. Vanaf het najaar 1919 tot april 1940 organiseerde het bestuur elk jaar – in het voor- en najaar – twee feestelijke bijeenkomsten.
In januari was er altijd een ‘Neijaorsvezide’ (nieuwjaarsvisite of -bijeenkomst) in Hotel Van Gijtenbeek, met voordrachten, muziek en zang door het eigen dameskoor. Steevast zongen alle leden uit volle borst het ‘Verainigingslaid’. Met Pasen werd er ‘neut’n riestern’ of ‘neut’n schai­t’n’ georganiseerd. Met de hak werd er dan een streep getrokken in het zand, waarop op geregelde afstanden walnoten werden gelegd. Met een meta­len kogel moesten die

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2007, Aflevering 2

Door | 2007, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Annèt Bootsma-
Groeten uit Zwolle
van Hulten en Wim Huijsmans

Zwolle – Groeneweg Poststempel 1926
‘Gel[ie]f[de] Oom en Tante, Zooals U reeds van Corrie vernomen heb, neemen we gaarne van U[w] aanbod gebruik om een paar da[gen] in Enkhuizen door te brengen en hopen
D.V. as. Zaterdag met de boot te komen. Ons plan is Gerrit mee te brengen maar mocht het soms Zater­dag heel slecht weer wezen dan laten wij hem bij Moeder. ’t Wil in Maartens vacantie nog wel eens regenen, maar U bestelt wel goed weer hé. want dat is al een voornaam ding met een boottochtje. Nu Oom en Tante, Neven en Nicht tot ziens dan, we hopen elkander in goede gezondheid te ontmoeten. Ontvang dan onze hartelijke groeten. Uw liefh [ebbende] neef en nicht Maarten en Marie.’
Een oude ansicht met een herkenbare tekst: het wil in de vakantie nog wel eens regenen, dus daar­om maar mooi weer ‘bestellen’ voor een leuk boottochtje… Volgens de Zwolsche Almanak uit 1915 vertrok er elke vrijdag om 13.00 uur een schip vanaf het Rodetorenplein naar Enkhuizen. Waar­schijnlijk was dat in 1920 nog steeds het geval en konden Maarten en Marie de tocht dus recht­streeks vanuit Zwolle maken.
De in het begin van de twintigste eeuw aange­legde Groeneweg ligt in Assendorp. De naam ver­wijst nog naar het oorspronkelijke agrarische karakter van de wijk, waar met de komst van de Centrale Werkplaats in 1870 verandering kwam. Rond 1900 werkten daar ruim 800 man, wat een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg bracht. Van 1906 tot 1914 woonde op Groeneweg 150 de kleine Piet Kasteel, hoofdpersoon van het artikel Een rooms jongetje uit Assendorp op pagina
65.

zwols historisch tijdschrift
47

Redactioneel

In deze a.evering van het tijdschrift vindt u twee nieuwe rubrieken: Kleurrijk verleden en Zwolse plaatsen van herinnering. De heer Martin Wasse­naar die meewerkte aan het onlangs verschenen boekje Zwolle in kleur, heeft een groot aantal dia’s van Zwolle na de Tweede Wereldoorlog overge­dragen aan het Zwols Historisch Tijdschrift. Als eerste is hier de Grote Markt afgebeeld, zoals velen zich deze nog zullen herinneren.
In de tweede nieuwe rubriek worden plaatsen van herinnering beschreven van bekende Zwolle­naren. Oud-redactielid Wil Cornelissen bijt hier de spits af met zijn herinneringen aan de Vecht-brug.
Jonn van Zuthem beschrijft de jeugd van de katholieke Piet Kasteel in Assendorp. Kasteel pro­moveerde op een proefschrift over de antirevolu­tionair Abraham Kuyper, en werd in de oorlogsja­ren benoemd tot gouverneur van de Antillen. Zijn jeugd en de omgeving waarin hij opgroeide, waar de verschillende christelijke bevolkingsgroepen bij elkaar leefden, is zeker van invloed geweest op zijn gevoel voor de ingewikkelde verhoudingen bin­nen de orthodox-protestantse groeperingen in Nederland.
Al eerder putte Maria Hansen uit de vele docu­menten en brieven die van de familie Van Haer­solte bij het Historisch Centrum Overijssel wor­den bewaard. In 2002 verscheen het artikel over Sophie van Haersolte, dit keer staat haar moeder, Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk centraal. Geertruid moest haar huishouden en haar gezin veelal alleen draaiend houden. Haar man Carel zat als politicus in Den Haag, waar hij lid van de Tweede Kamer was. Zij schikte zich in haar lot, maar werd er af en toe wel depressief van. Pas toen haar man eind 1848 weer naar Zwolle kwam, knapte zij op.

Inhoud

Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma – van Hulten en Wim Huijsmans 46
Kleurrijk verleden 48
Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874 Maria Hansen 49
De plek waar het begon en de plek waar het eindigde Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen Frank Inklaar 62
Een rooms jongetje uit Assendorp Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw Jonn van Zuthem 65
Mededelingen 76
Auteurs 78

Omslag: Een zomerse opname uit rond 1970 van het hart van Zwolle, de Grote Markt. Foto: M. Wassenaar

49

Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder
Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874
A
dellijke families hadden veel belangstelling voor hun verleden en de familie Van Haer­solte had een heel lang verleden. De oudst bekende voorouder had zich al in de veertiende eeuw in Zwolle gevestigd en hoewel de familie zich uitbreidde naar Gelderland en Friesland, bleef Zwolle talloze Van Haersoltes tot woonplaats die­nen. Velen van hen bekleedden hier een openbare en leidende functie. In de stad zijn diverse panden die herinneren aan de Van Haersoltes1 en Swier van Haersolte bouwde – in 1617 -vlak bij de stad een prestigieus stamhuis voor de familie: de (inmiddels afgebroken) havezate Haerst.
De familie Van Haersolte bewaarde generatie op generatie vele documenten, brieven en herin­neringen, die uiteindelijk in het Historisch Cen­trum Overijssel gedeponeerd zijn. Het uitgebreide familiearchief is een rijke bron over het familiele­ven van deze adellijke familie. In 2002 schreef ik in dit tijdschrift al eens over Een ‘redelyk zoet’ meisje, Sophia Cornelia (Sophie) baronesse van Haersol­te. Nu staat Sophie’s moeder Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk, echtgenote van Johan Christi­aan van Haersolte tot Haerst, centraal.
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk was het eerste kind van Carel de Vos van Steenwijk en Sophia Cornelia Huygens en werd op 24 oktober 1813 op Dikninge in Drenthe geboren. Dikninge was een adellijk stift geweest en lag niet ver van Meppel, bij de Wijk. Het oude klooster was door een broer van Geertruids vader gekocht en had plaats gemaakt voor een ruim landhuis, waar Geertruids ouders kort voor haar geboorte introk­ken. Het gezin werd nog uitgebreid met een twee­de dochter en een zoon.2
Geertruids vader bezat, in tegenstelling tot de meeste van zijn standgenoten, geen buitenhuis hoewel hij uit een belangrijke aristocratische fami-Maria Hansen lie uit Drenthe en Overijssel stamde. Hij trouwde eerst op tweeënvijftigjarige leeftijd en had toen een veelzijdige en turbulente carrière achter de rug. Hij was een politicus en was het patriotse en

Het huis Dikninge bij De Wijk, waar Geer­truid geboren werd, opgroeide en ook na haar huwelijk graag logeerde. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)
Bataafse standpunt toegedaan. Als jongeman was hij in de delegatie van de eerste Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten naar Ameri­ka gereisd, een land dat door de patriotten tot voorbeeld werd gesteld. Weer thuis raakte hij betrokken bij het verzet tegen de stadhouder en werd in Drenthe de leider van de patriotse bewe­ging. Na het herstel van de macht van de stadhou­der in 1787 verloor Carel de Vos van Steenwijk al zijn openbare ambten. Acht jaar later nam hij in de Bataafse republiek echter weer vooraanstaande functies in. Bij een staatsgreep raakte hij enige tijd in gevangenschap en van 1802 tot 1803 was hij ambassadeur in Frankrijk. Hij bereikte het hoog­tepunt van zijn carrière tijdens de regering van koning Lodewijk Napoleon, toen hij feitelijk het hoofd van de Nederlandse staat was. In 1811 werd hij door keizer Napoleon tot vertegenwoordiger in het Corps Legislatief in Parijs benoemd. Na de val van Napoleon was het geenszins gedaan met de politieke carrière van Carel de Vos van Steenwijk: hij werd namelijk door koning Willem de Eerste tot lid van de Eerste Kamer benoemd en bleef dat tot zijn dood in 1830.3
Carel de Vos van Steenwijk was niet de enige politicus in de familie. Integendeel, zijn vader was drost van Vollenhove geweest4 en zijn drie broers waren, net zoals hij, betrokken bij de patriotten-beweging. De enige zoon van Carel de Vos van Steenwijk – en enige broer van Geertruid – ging eveneens de politiek in. Hij werd in 1846 burge­meester van Vollenhove, in 1853 lid en later ook voorzitter van de Eerste Kamer en in 1856 werd hij benoemd tot burgemeester van Zwolle, een ambt
zwols historisch tijdschrift
dat hij elf jaar bekleedde. Zijn laatste functie, Commissaris des Konings in de provincie Utrecht, bekleedde hij slechts een jaar omdat hij niet naar Utrecht wilde verhuizen.5
Hoewel Geertruid pas zeventien jaar was toen haar vader overleed, had zij ongetwijfeld veel over politieke zaken gehoord maar er is – zoals meestal het geval – weinig bekend over haar jeugd. Adellij­ke meisjes werden thuis opgevoed en opgeleid en dat laat weinig sporen na. Uit alles blijkt evenwel dat zij een goede educatie kreeg die paste bij haar stand. Zij groeide op in een harmonische sfeer. Met haar moeder en haar zus kon zij uitstekend opschieten, het contact met haar broer was goed maar zij zag hem, zeker toen hij nog niet in Zwolle woonde, minder vaak.6 De herinnering aan haar vader werd levend gehouden door zijn portret, hij had zich door de kunstenaar Hodges drie maal laten portretteren en elk van zijn kinderen kreeg een schilderij.7
Geheel volgens verwachting trouwde Geer­truid met een man van adel, Johan Christiaan baron van Haersolte. Zij was vierentwintig en hij was zevenentwintig jaar oud. Het huwelijk vond te Zwolle plaats op 26 april 1837. Johan was geboren op het buitenhuis van de familie Van Haersolte, de voormalige havezate Den Doorn en woonde bij zijn ouders aan de Melkmarkt (nu Grote Markt 12-13) te Zwolle. Hij had een aantal jaren de wereldzeeën bevaren, eerst als adelborst en later als of.cier van de Koninklijke Marine en was aan­sluitend de politiek in gegaan. In het jaar van zijn huwelijk was hij lid van de ridderschap van Overijssel en werd hij burgemeester van Zwol­lerkerspel. Bovendien nam hij zitting in de Pro­vinciale Staten van Overijssel.
Vanuit Zwolle gingen Geertruid en Johan ruim drie maanden op huwelijksreis naar Duits­land, Zwitserland en Italië. Geertruid liet de orga­nisatie helemaal aan Johan over. Zij moet haar ogen uitgekeken hebben: de sprookjesachtige ruïnes op de bergen langs de Rijn, de rotsen, de gletschers en de besneeuwde bergen rondom de spiegelgladde meren. Bij de ‘menigvuldige roman­tische vallen’ van de Giessbach waar het water wel vierhonderd meter naar beneden stortte, werden de jonggehuwden onthaald op Zwitserse volkslie­deren. Aan de arm van haar man wandelde Geer­truid door schilderachtige stadjes, zag kerken, paleizen en kunst. Zo af en toe was het erg ver­moeiend voor haar en was zij genoodzaakt rust te nemen. Op hele moeilijke trajecten zorgde Johan voor ezeltjes of voor een draagstoel. Bij het meer van Genève aangekomen, werd Geertruid ziek. Niet erg, maar ze moest toch een dag het bed hou­den. Johan was bezorgd, hij zag van een voorgeno­men tochtje af en was verheugd toen hij de vol­gende avond een kleine wandeling met zijn ‘lieve vrouw’ kon maken. Na nog een dag was Geertruid zo goed als beter. In Italië werden de reisplannen aangepast omdat er cholera was uitgebroken. Johan besloot Italië te laten voor wat het was en in een rustig tempo reisden zij naar huis waar ze bij­na veertien weken na hun vertrek arriveerden.8
In mei 1838 werd hun eerste kind, Sophie, geboren. In de loop van dertien jaar volgden nog twee zonen en zes dochters. De eerste jaren van hun huwelijk schijnen nogal wolkeloos te zijn geweest. Zij woonden in een ruim huis in de Koe-straat (nu Koestraat 18) te Zwolle dat Geertruid ten huwelijk had gebracht.9 Beiden waren gezond en de kinderen bleven allemaal in leven. Maar Geertruid had een weinig opgewekt karakter, ze was melancholisch van aard en hield niet van ingrijpende veranderingen. Eind 1845 veranderde haar leven drastisch, ze werd er treurig door en soms zelfs depressief.

Alleen in Zwolle
Ze waren acht jaar getrouwd toen Johan Christi­aan van Haersolte lid van de Tweede Kamer werd.10 Net nu het gemeentehuis van Zwol­lerkerspel op een steenworp afstand van hun huis werd ingericht, op de hoek Koestraat en het Kromme Jak11 en Geertruid het vooruitzicht had haar man dicht bij huis te weten, moest hij vaak en langdurig in Den Haag zijn. Geertruid zag er enorm tegenop en voelde een ‘gemenelijke ge­moedsstemming’ waartegen zij zich niet kon ver­zetten. Half oktober 1845 vertrok Van Haersolte naar Den Haag en Geertruid bleef met de kinde­ren in Zwolle. Doordat zij een hekel had aan af­scheid nemen, waren de laatste gezamenlijke

Carel baron de Vos van Steenwijk (1759-1830), de vader van Geertruid. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)

ogenblikken onaangenaam. In een naargeestige stemming zat Geertruid de eerste uren na Johans vertrek te kniezen, de tijd leek haar ‘eens zoo lang als gewoonlijk’ te duren. In huis was alles ‘dodelijk stil en leeg’, alles herinnerde haar aan hem, en ze was blij toen haar moeder ’s avonds op bezoek kwam. Binnen een week vertrok Geertruid naar haar ouderlijk huis Dikninge. Vandaar schreef zij een brief aan haar man: ‘Waarde vriend! Geloof niet dat ik ooit gewen aan uwe afwezigheid, neen, wanneer de twee jaren voorbij zullen zijn, dan zal ik U vurig smeeken deze betrekking niet langer te behouden.’ Johan had haar beloofd dat hij regel­matig enige dagen in Zwolle zou doorbrengen, maar alras bleek de werkelijkheid weerbarstiger. Het was een grote teleurstelling toen hij schreef dat aan een bezoek niet te denken viel. De zittin­gen zouden naar verwachting uitlopen, hij kon niet weg. Na weken scheen het Geertruid dat zijn belofte ‘nooit verwezenlijkt’ zou worden. Ze had er zo op gerekend dat hij vaak naar huis kwam. Omdat zij wist dat haar man een hekel had om de reis van Den Haag naar Zwolle voor slechts een paar dagen te ondernemen, deed het haar genoe­gen dat hij toch voor zeer korte tijd naar huis kwam. Maar het was voor Geertruid niet vol­doende, zij klaagde dat hij na twee maanden amper drie dagen thuis was geweest. Dagen die veel te snel voorbij vlogen, die visite leek haar na zijn vertrek een droom te zijn geweest.
In de volgende tijd wende Geertruid niet aan zijn ‘gedurige vertrekken’. Toch probeerde zij zich zo veel mogelijk in haar lot te schikken, maar zij bleef het als een beproeving beschouwen: ‘het is toch eene treurige noodzakelijkheid, zoo geheel gescheiden ieder onzen eigen werkkring te heb­ben!’ Geen enkel moment schijnt Geertruid over­wogen te hebben haar man te volgen. Ze hadden immers in Den Haag een huis kunnen huren en voor de opvoeding van de kinderen waren er in die stad minstens zoveel mogelijkheden als in Zwolle.
Geertruid keek uit naar de brieven van haar man en schreef zelf minimaal elke week een brief. En als er een mogelijkheid was de post met iemand mee te geven, kreeg Johan een brief extra. Zij schreef zonder reserve over zijn tekortkomingen als echt­genoot en vader, en over haar gevoelens voor hem. Ze tobde veel en twijfelde dan aan zijn liefde. Geertruid verwachtte van haar ‘lieve Johan’ dat hij ook regelmatig schreef. Soms kwam zijn brief niet snel genoeg naar haar zin. Vijf dagen na zijn ver­trek uit Zwolle verweet zij hem dat ze nog steeds geen post had ontvangen. ‘Zijt gij dan zoo gewik­keld in de staatszaken dat gij geen oogenblik kunt afzonderen om u met mij bezig te houden?’ vroeg zij verwijtend en herhaalde voor de zoveelste keer: ‘o, dit stilzwijgen maakte mij regt treurig.’ Zij
zwols historisch tijdschrift
53
merkte op dat het leven in Den Haag hem ‘perfect’ beviel en trok de bittere conclusie: ‘U schijnt het vooruitzigt van dese lange afwesigheid volstrekt geen moeite te kosten’. Zijn volgende brief beves­tigde haar bange gedachten, zij merkte duidelijk dat hij ‘den huisselijken omgang’ niet miste. Het was voor hem wel goed dat hij niet veel aan zijn gezin dacht, begreep Geertruid, maar ze was bang dat hij zich bij haar en de kinderen niet meer thuis voelde. Zij zuchtte: ‘Mijne gelukkige dagen zijn thans voorbij!’ Ze herinnerde hem aan de verjaar­dag van hun huwelijksdag die zij in 1846 voor de eerste keer niet samen doorbrachten. ‘Hebt gij de 26ste dezer maand herdacht?’ vroeg zij, het ant­woord eigenlijk wel wetend, want ze had niets van hem vernomen. Geen brief of cadeau was in Zwol­le afgeleverd. Geertruid had het gevoel dat ze uit elkaar groeiden en werd er verdrietig van. Zelfs zo zeer dat zij haar dood overdacht. De volgende ver­jaardag van hun huwelijk zou ze waarschijnlijk niet halen, schreef ze haar man. En vervolgde: ‘U bent meer gewend van mij verwijderd gelukkig te zijn, het los maken van de band zal U minder moeite kosten als vroeger’.
Zij wilde zo graag geloven dat de lange afwe­zigheid van huis hem op de lange duur ook niet zou bevallen, maar daar leek het niet op. Hij had het in Den Haag druk, hij had vele connecties en bezocht theatervoorstellingen en feestelijke bij­eenkomsten. Johan besteedde weinig woorden aan het uitgaansleven. Misschien kwam dat omdat hij haar mening kende, ze vond dat hij niet mocht klagen als hij een keer een toneelvoorstelling misliep doordat hij te veel werk had. ‘Ik beklaag U niet zeer, dat gij tot heden belet wordt Robert le Diable te zien, vooral niet als zulks wordt verhin­derd door belangrijke werkzaamheden’. De ‘veelvuldige genietingen, welke het séjour van den Haag U aanbiedt, geeft immers ruime vergoeding voor eene enkele teleurstelling’. Geertruid vond ook dat hij niet moest klagen over de late werku­ren en informeerde of hij al gewend was ‘aan het laat naar bed gaan’.
In 1848 werd Johan van Haersolte herkozen tot lid van de Tweede Kamer waardoor zijn Haagse ver­blijf, tot grote spijt van Geertruid, werd verlengd.
Soms was hij zo in beslag genomen door staatsza­ken dat hij nergens anders over schreef. Geertruid begreep het wel, maar het gaf haar toch een ‘onaangename indruk’ dat hij zelfs niet naar de kinderen informeerde. De zesde verjaardag van hun dochtertje Annette vergat hij. Geertruid was blij dat hij de verjaardag van de kleine Caroline wel onthield. Zij hanteerde een zachtaardige methode om hem aan zijn gezin te herinneren. De

De Koestraat omstreeks 1910. Geertruid woonde met haar gezin op num­mer 18, het vierde pand van links. (Collectie HCO) Johan Christiaan baron van Haersolte, heer van Haerst (1809-1881), de echtgenoot van Geer­truid. Zij trouwden in 1837. (Iconographisch bureau)

oudste dochter werd meermalen aangemoedigd haar vader te schrijven, en het meisje deed haar best er mooie brieven van te maken. Op zijn verjaardag ontving Johan een brief van Geertruid èn een briefje van elk van zijn kinderen. De brief van Geertruid was weinig feestelijk. Ze hoopte wel dat hij nog lang bleef leven maar zelf richtte ze haar blik op de dood. ‘Het uur onzes doods is onzeker’, was de macabere boodschap van haar felicitatie.
Haar eigen verjaardag bracht Geertruid in een weemoedige stemming door omdat deze dag zo rijk aan herinneringen was. Zij vierde de dag alleen met de kinderen die het een heel feest von­den; ‘s’est un beau jour!’ zoals een van hen zei. Ze waren die ochtend bij Geertruid gekomen met ‘lieve boeketten’ en gelukwensen. Van de oudste, Sophie, kreeg ze een zelfgemaakt speldenkussen en van nummer twee een paar gebreide kou­senbanden. Ook Johan vergat de geboortedag van zijn ‘Lieve Truitje’ niet. Vanuit Den Haag stuurde hij een ‘garnituur’ – waarschijnlijk een set juwelen -dat Geertruid ‘allerliefst’ vond. Zij was van plan het veel te dragen. Blij met het tastbare cadeau hoopte zij toch ook dat hij haar speciaal die dag in zijn gebeden niet zou vergeten.
Rond de geboorte van hun vijfde kind was Johan zeer waarschijnlijk voor langere tijd in Zwolle. Toen de bevalling van het zesde kind naderde, wilde hij weer bij Geertruid blijven. Haar plichtsbesef over zijn taak won het echter van haar tegenzin over zijn afwezigheid, zodat zij hem maande naar Den Haag te gaan. Voor de bevalling had zij hulp genoeg, stelde zij hem gerust. Haar moeder kwam helpen en de dokter ging op Geer­truids verzoek de stad niet uit. Ze voelde zich kalm, de baker arriveerde op tijd en zij beviel van een gezonde dochter.
Als Johan liet blijken dat hij een verblijf ver van huis ook niet altijd even prettig vond, deed dat Geertruid genoegen. Ze bemerkte ‘niet zonder satisfactie dat de tijd U ook een weinig lang valt’. Eerst na een jaar of drie raakte zij min of meer gewend aan zijn afwezigheid, al was het na elk bezoek weer vreemd om alleen te zijn. Ze .eurde op als haar man plannen had naar huis te komen. Alle gezelschap en a.eiding, hoe prettig ook ‘ver­goedt mij toch uw afzijn slechts onvolkomen’, schreef zij hem. Toen zijn ambtstermijn a.iep en hij voor de laatste keer uit Den Haag vertrok, stel­de Geertruid hem nog snel van de laatste nieuw­tjes op de hoogte en verzocht om een laatste bood­schap. Zij besloot met: ‘Nu adieu, komt zoo spoe­dig als gij kunt.’

Familiecontacten
Geertruid onderhield een hartelijk contact met haar moeder en met haar zus Annette. Haar moe­der had twee huizen, in de zomermaanden was haar buitenhuis Dikninge favoriet en in het win­terseizoen woonde zij in Zwolle, in de Nieuw­straat.12 Op Dikninge bracht Geertruid vele
zwols historisch tijdschrift
55
zomermaanden door en als haar moeder in Zwol­le was, zagen zij elkaar vrijwel dagelijks. De dames soupeerden ‘en petit comité’ en pasten samen kle­ding door. Ook Geertruids zus Annette was vaak in Zwolle. Zij was getrouwd met haar neef Reint de Vos van Steenwijk en sedert 1843 woonde dit echtpaar op het voorname Voorwijk bij De Wijk in Drenthe.13 Geertruids broer Jan woonde met zijn vrouw Wilhelmina Louise van Aerssen Beye­ren van Voshol op Oldenhof buiten Vollenhove, dat hij huurde van de familie Sloet.
Geertruid stelde een goede sfeer in de familie zeer op prijs, zodat zij een wrijving tussen haar moeder en Jan onaangenaam vond. Ze maakte zich zorgen om haar depressieve broer en haalde haar moeder over hem op Oldenhof te bezoeken. Het gaf haar voldoening dat het bezoek aan Oldenhof tot meer begrip voor Jan leidde.
Met haar schoonfamilie had Geertruid soms een moeizame relatie. Van de negen nog in leven zijnde kinderen van haar schoonouders woonden er nog vijf thuis, en dat waren degenen waar Geer­truid het meeste contact mee had. Vooral met haar schoonzus Agatha kon zij het goed vinden. Geertruid ging wel vaker ‘aan de Markt’ eten. Maar hoewel het oppervlakkig allemaal in orde leek te zijn, was Geertruids verhouding met de familie van haar man niet geheel zoals zij het zich wenste. Toen een van hen ziek was, hoorde zij dat van bekenden die zeer verwonderd waren dat zij
Gezicht op het begin van de Melkmarkt omstreeks 1885. Geer­truids schoonouders woonden in het derde pand van links, Nu Grote Markt 12-13. Tegenwoordig is in dit pand een Mac Donalds gevestigd. (Collectie HCO) De voormalige havezate Den Doorn in Haerst, het buitenhuis van de familie Van Haersolte. (Collectie HCO)
van niets wist. Ze was gepikeerd, ‘daar ik er zoo duidelijk in zie, dat ik na elf jaar in de famille geweest te zijn, geheel als vreemde word behan­deld’. Ze had er vast op vertrouwd dat de familie haar over zoiets belangrijks zou inlichten. Ze informeerde dadelijk bij haar schoonfamilie en trachtte zich te onthouden van ‘bittere reproches, daar men toch later altijd berouw van heeft’. Toen haar kinderen kinkhoest kregen kwam de wrevel weer boven omdat haar schoonfamilie weg bleef uit angst voor besmetting. Haar moeder schoot te hulp. ‘Indien ik Mama niet had zoude ik mij nog ongelukkiger alleen voelen’, klaagde Geertruid bij haar man. Van de andere kant reageerde zij koel­tjes op nieuws dat haar schoonvader gevallen was. Ze hoorde er niets meer over en trok de conclusie dat het dus wel mee zou vallen. De kinderen had­den geen weet van de wrijving tussen hun moeder en hun grootouders Van Haersolte. Zij gingen ’s zomers op Den Doorn in Haerst logeren en met Sint-Nicolaas stonden aan de Melkmarkt cadeau­tjes voor hen klaar.14
zwols historisch tijdschrift

Leed en plicht
Geertruid kreeg regelmatig met de dood te maken. Het overlijden van haar vader wist zij zich nog goed te herinneren, ze was zeventien jaar toen hij op eenenzeventigjarige leeftijd overleed. Maar juist kort voor en in de periode dat haar man meestal in Den Haag verbleef en zij veel alleen in Zwolle was, waren er in haar direkte omgeving vele sterfgevallen. Geertruids oudste zwager Van Haersolte overleed begin maart 1845 en haar schoonzus Betje van Haersolte stierf op het einde van diezelfde maand, ze was slechts zevenen­twintig jaar geworden en nog geen twee jaar getrouwd. De weduwnaar bewaarde voor Geer­truid en Johan een aandenken aan Betje. Voor Johan was dat een parelmoeren vouwbeen en Geertruid kreeg het werkmandje dat zij eens aan Betje had geschonken.15 Na deze twee zo snel op elkaar volgende sterfgevallen kreeg de familie Van Haersolte een jaar later nieuw verdriet te verwer­ken toen een dochtertje van Geertruids schoonzus Antje overleed. En in 1848 overleed in het Friese Weinum de man van haar schoonzus Lize. Zodra Geertruid gelegenheid had, reisde ze naar Wei­num. Dat zijzelf zeven maanden zwanger was, hield haar niet tegen. Zij vertrouwde op God. Het verdriet van iemand die haar dierbaar was, deed haar steeds weer pijn. Ze toonde zielsveel medelij­den met haar zus Annette toen deze een kind ver­loor. Enige tijd later zag Geertruid met opluchting dat Annette, hoewel nog bedroefd, berustte en zich onderwierp aan het gezag van God. Maar ze maakte zich zorgen dat haar zus bijna onverschil­lig was voor alles om haar heen.
Geertruid dacht niet dat zij een hoge leeftijd zou bereiken. Meer dan eens waarschuwde zij haar man dat zij weinig plezier in haar bestaan vond. Het waren niet alleen de veelvuldige sterf­gevallen in haar directe omgeving die haar het levensplezier ontnamen. Ze had het gevoel dat het haar aan geluk ontbrak en dat veroorzaakte bij haar een afkeer van het leven, waardoor zij depres­sief werd. In het nieuws aan haar man berichtte Geertruid veel treurigheid, het verdriet van haar zus, de depressie van haar broer, een freule Ben­tinck die bedroefd maar ‘bedaard’ was, dat Mietje Wicherlinck zo ‘diep bedroefd’ was en dat een nicht Feith treurig was gestemd omdat ze ‘zich zoo alleen!’ voelde.
Johan schreef haar dat hij een bezoek had gebracht aan tante Backer, die een overledene te betreuren had.16 Dat de vrouw in een terneerge­slagen stemming was, begreep Geertruid heel goed. Maar het gedrag van de nichten vond zij onbegrijpelijk. ‘Ik vind het gelukkig dat zij onder­worpen zijn en zich met kalmte schikken in hun lot, maar hoe zij vrolijk en opgeruimd kunnen zijn is mij een raadsel’, luchtte zij haar hart bij haar man. Geertruid neigde in deze voor haar zo som­bere jaren niet tot oppervlakkig vertier. Toen haar schoonmoeder haar vroeg af te zien van een fees­telijke avond omdat het precies een jaar geleden was dat Betje van Haersolte was overleden, gaf Geertruid daar met instemming gehoor aan. De ‘grote soirée’ trok haar toch al niet bijzonder aan.
De politieke spanningen in binnen- en buitenland in 1848 veroorzaakten bij Geertruid nieuwe som­berheid. Toen men in de stad uiting gaf aan de vreugde over de nieuwe grondwet, vond zij dat helemaal niet prettig. Maar toen zij merkte dat er overal vlaggen uitgestoken werden, deed zij dat ook maar. Een vreugdeblijk was het zeker niet. Ze peinsde meer over de zelfmoord van de chef van een tapijtfabriek vanwege een te kort in de kas van vierduizend gulden. Alsof zo’n bedrag een reden was je het leven te benemen, schreef zij haar man. Wat er in revolutionair Parijs gebeurde, waar de monarchie onder zware druk stond, was veel erger. ‘Dat in de tegenwoordige beschaafde eeuw zoo veel bloed op zulk eene gruwzame wijz zoude stroomen’, boezemde haar afschuw in.
Het relativeringsvermogen van Geertruid was groot, ook als het niet in haar eigen belang was. Een voorbeeld daarvan was haar al gememoreerde instemming met het vertrek van haar man naar Den Haag ondanks haar ophanden zijnde beval­ling. Met verwikkelingen rond het personeel ging het net zo. Een van de meiden accepteerde buiten haar medeweten een andere werkkring, wat Geer­truid uitermate onaangenaam vond. Maar toen de meid terugkrabbelde, maande Geertruid dat een gegeven woord niet teruggenomen mocht wor­den. En toen de gouvernante van de kinderen bericht kreeg dat haar moeder in Zwitserland doodziek lag, deed Geertruid geen enkele poging de vrouw van de reis te weerhouden. Ze had er begrip voor, al veroorzaakte het veel ongemak.17

Ondanks haar melancholieke buien was Geer­truid over dagelijkse zaken heel reëel. Als er iets geregeld moest worden omtrent een nieuwe meid, een andere gouvernante of leraar, dan was dat een taak die zij snel ter hand nam en voortvarend afhandelde. Geen spoor van de onzekerheid die haar mijmeringen over haar man zo kenmerken.
Als moeder had Geertruid een traditionele opvatting, ouders behoorden ‘met getrouwheid de plichten te vervullen die op hen rustten’. Zij voedde haar kinderen met toewijding op. De eer­ste stapjes of een uitgevallen wisseltand, een slech­te houding of een kinderziekte, waren voor Geer­truid memorabele gebeurtenissen. Zij volgde hun opleiding met belangstelling en verzuimde niet hen godvruchtig op te voeden. De kinderen hiel­den van haar, en vonden het – ook toen zij wat ouder waren – heerlijk haar te verrassen met vele verjaardagscadeau’s die zij op een plank uitstalden en met een bloemenguirlande versierden. Het gaf een leuk effect, constateerde de oudste tevreden. Om haar moeder nog meer te plezieren droeg zij een japon die bij haar moeder in de smaak viel.18

Herenigd
Eind 1848 keerde Johan Christiaan van Haersolte voorgoed naar Zwolle terug. Geertruids melan­cholie verdween, haar gemoed werd opgewekter. Vervelen deed zij zich helemaal niet. Integendeel, de tijd ging zo snel voorbij dat zij zich elke keer weer verbaasde dat er alweer een week voorbij was. Zelfs het overlijden van haar schoonzus van Oldenhof bracht haar niet uit balans.19
Een nieuwe periode brak aan toen de kinderen een voor een het ouderlijk huis verlieten om elders hun opvoeding te voltooien. Geertruids oudste zoon verbleef vijf jaar op een kostschool in de buurt van Den Haag en studeerde aansluitend in Leiden.20 Vlak voor het vertrek van haar oudste dochter Sophie naar een internaat – het ‘opus l’époque’ zoals Geertruid het noemde – twijfelde ze over haar beslissing. Zij bad God om zijn zegen voor haar besluit. De scheiding van het meisje viel haar – net zoals eerder van haar man – erg zwaar.21
Na de kostschooljaren kwam Sophie weer naar huis en de relatie van Geertruid met haar oudste dochter werd hechter. Sophie werd gepresenteerd in de beau monde en de dames kregen het in ‘het seizoen’ dat in Zwolle rond half januari goed op gang kwam, druk met ‘sorties’. Zij bezochten vele soirees, diners, soupers en bals. Soms ging het er zo vrolijk aan toe dat de gasten niet weg wilden gaan. Een keer speelde een van Geertruids doch­ters na het eten muziek en het gezelschap begon spontaan te dansen hoewel de rijtuigen om te ver­trekken al klaarstonden. Geertruid gaf nu ook zelf partijen. Zij gaf een diner voor jonge mensen, en met haar man gaf zij een kinderbal in de Zwolse Kolfbaan, de kinderen spraken opgewonden over niets anders. De huwelijken van haar dochter Annette en van de oudste zoon waren ook reden tot feestelijkheid en de familie werd met kleinkin­deren uitgebreid. De zilveren bruiloft van Geer­truid en Johan werd in de familiekring en met het personeel gevierd.22
Diners in de familiekring waardeerde Geer­truid als ‘zeer amusant’. Met haar opgroeiende dochters, met veel gebabbel en gekwetter, was het levendig in het huis in de Koestraat. Af en toe maakte Geertruid met haar man en een paar van de kinderen een plezierreisje. Een verjaardag van Johan werd gevierd bij de heer Van Heeckeren op Molecate, een ‘très joli sîté’ bij Hattem. Geertruid beschreef met genoegen het charmante uitzicht vanaf de ‘fameux montange’ de Frieselenberg op de Veluwe. Ze maakte met haar man en de jongste kinderen een uitje naar het paleis het Loo bij Apel­doorn. Ze reisde naar haar schoonzus in het Friese Weinum en bezocht haar nicht De Vidal de Saint Germain op het Relaer te Raalte.23 Haar broer woonde nu met zijn tweede vrouw Agatha Maria Françoise van Aerssen Beyeren van Voshol in de Kamperstraat te Zwolle.24 Geertruid bezocht ook vaker haar zus die met haar man van Voorwijk naar Dikninge was verhuisd en waar Geertruid geamuseerd werd met vrolijke brieven van haar man en haar dochters uit Zwolle.25
Hoewel het uitgaansleven Geertruid goed leek te bevallen, hield zij veel van de intimiteit van het huiselijk leven. Omringd door haar man en
zwols historisch tijdschrift
59
opgroeiende kinderen, deed zij haar best het huis in de Koestraat tot een prettige, mooie woning in te richten. Met zorg liet zij meubelen maken en zocht nieuwe fraaie attributen uit. Er werd geschilderd en behangen, en Geertruid zag toe op de jaarlijkse grote schoonmaak en op het con.­turen en de inmaak.26
In de zomermaanden was Zwolle ‘vrijwel ver­laten’, omdat de aristocratische families op hun buitenhuizen verbleven. Ook de familie Van Haersolte was vaak op De Doorn waar Geertruid thee ging drinken en waar haar kinderen regel­matig een paar dagen doorbrachten. Op Dikninge trok zij met de kinderen naar buiten om kruiden te plukken, voor in de kruidenazijn. Maar Geer­truid vond de zomerse rust in de stad ook heel prettig, ze genoot van mooi weer en was veel in de tuin met de kinderen. Ze vond het jammer als een mooie dag bedorven werd door sterke ‘vene­damp’. De tuin in de Koestraat, fraai gelegen aan de stadsgracht, werd door een tuinman onder­houden. Johan van Haersolte was dol op de tuin. In het vroege voorjaar wees hij op het uitbotten van de vruchtbomen en op de eerste vioolknop­pen. Toen hij in Den Haag een hele ‘bloemenwin­kel’ bestelde, liet hij de vracht naar Zwolle sturen. Het bleef niet bij één zending, Geertruid verweet hem koopziekte. De tuinman zette de bloemen in de tuin of in manden. Maandenlang genoot Geer­truid van bloesems en viooltjes, van fuchsia’s en camelia’s. De bloemen bleven zo lang mogelijk in de tuin staan. Pas als de eerste nachtvorst werd verwacht, werden de planten weggebracht voor een veilige overwintering. Dan kwamen ook de laatste druiven van De Doorn naar de stad. Maar een warme lenteavond beantwoordde toch het meest aan Geertruids gevoelens. Voor het open raam luisterde zij naar de nachtegaal.27

De dood
In de zomer van 1856 stierf Geertruids moeder zonder een testament na te laten. Haar bezittingen en de goederen, ‘vruchten, inkomsten en huren’ en waardepapieren van haar reeds in 1830 overle­den echtgenoot, werden onder haar drie kinderen verdeeld. Ieder ontving, tot op de halve cent nauwkeurig, even veel. De erfenis voor Geertruid bestond uit land, een huis en een erf, veertig certi­.caten, negenendertig obligaties, vierentwintig aandelen in diverse banken en maatschappijen en een schuldbekentenis. Aangevuld met een klein bedrag aan contanten vertegenwoordigde het een waarde van bijna honderdveertigduizend gulden. Uit haar moeders persoonlijke bezittingen – juwe-

De Kamperstraat omstreeks 1900. In de Kamperstraat woonde Geertruids broer J.A.G. de Vos van Steenwijk. (Collectie HCO)
len, zilver, linnen, boeken, meubelen en rijtuigen ­ontving Geertruid eveneens eenderde deel, ter waarde van ruim tienduizend gulden.28
In de zomer van 1866 nam Geertruid een velle­tje schrijfpapier en schreef kort en bondig, zonder overschrijvingen of doorhalingen, haar testament. Het woonhuis in de Koestraat legateerde zij aan haar man. Ook haar overige erfenis werd eigen­dom van haar man maar zij beschikte dat hij het vruchtgebruik moest delen met de kinderen. Zij verzocht haar kinderen hier genoegen mee te nemen en hun vader niet verder aan te spreken op enige uitkering van de moederlijke erfportie.29
Geertruids laatste verdriet was de dood van haar dochter Sophie in 1873. Na jarenlang sukke­len was Sophie onder behandeling gesteld van een Duitse arts maar het ging niet goed met haar. De behandeling werd stopgezet en Sophie werd naar een arts in Leiden gebracht, die haar net zo min als alle vorige artsen kon helpen. Haar toestand ging snel achteruit. In Zwolle werd een alarmerend telegram bezorgd en Johan van Haersolte reisde spoorslags naar Leiden. Hij stuurde telegram na telegram naar Zwolle om Geertruid op de hoogte te houden van Sophie’s toestand. Het laatste tele­gram bevestigde haar bange vermoedens, Sophie was overleden. Geertruid wachtte op de terug­komst van haar man en het lichaam van Sophie. Na de dood van haar oudste kind raakte ze enige tijd onwel. Troostrijke brieven konden het leed niet verzachten.30 De geboorte van haar derde kleinkind – vier maanden na Sophie’s overlijden ­deed haar levenslust niet merkbaar opleven.
Na de dood van Sophie ging Geertruids gezond­heid achteruit. Een paar maanden na het verlies reisden Geertruid en Johan naar het kuuroord Muhlheim, een badplaats in het Rijngebied. Geer­truid consulteerde er een arts en dronk het heil­zame water. Ze moest veel in de zuivere buiten­lucht verblijven en met open raam slapen. Tegen­over de mooi gelegen villa waar zij logeerden lag een park waar zij prettig kon wandelen of in de schaduw kon zitten. Met haar man maakte ze een mooie excursie, de ‘charmant site’ herinnerde hen aan hun huwelijksreis. Nadat Geertruid kennis had gemaakt met andere gasten en geïntroduceerd was in de plaatselijke ‘Holli Club’ reisde haar man alleen naar huis. De kuur werd geen succes. De volgende zomer reisde Geertruid met haar man naar Scheveningen vanwege de zeelucht, maar haar gezondheid ging zienderogen achteruit. Na a.oop van een uitstapje naar Den Haag was Geer­truid zo moe dat zij geen tweede keer wilde gaan. ‘Met kunst en vliegwerk’, schreef haar man naar Zwolle, was zij ‘één maal aan Zee geweest, maar dit ging met groote moeite gepaard’ zodat hij niet op herhaling aandrong. Haar eetlust was gering, haar krachten namen af. Zij dineerde aan de open tafel in de eetzaal maar wilde dat niet meer omdat het te vermoeiend was. Een diner ‘en famille’ op de kamer, met de kleinkinderen aan tafel, was druk genoeg. De arts adviseerde haar naar huis te gaan want de zeelucht had geen effect en thuis was het gerie.ijker. Na nog een paar dagen rust, reisde Geertruid met haar man per trein naar Zwolle, waar bij het station een vigilante klaarstond om hen naar de Koestraat te brengen.31
Geertruid hoopte dat de dood haar niet onver­wachts zou overvallen. De gedachte om zonder veel voorbereiding uit het leven weggerukt te wor­den en onvoorbereid voor Gods rechtbank te moeten verschijnen, greep haar zeer aan. Het sterfbed van ene mevrouw Ooster was voor haar een voorbeeld, deze vrouw had met vol verstand ‘van alle haar omstanders afscheid genomen en hen vermaand toch zonder aarzelen genade te zoeken waar zij alleen te vinden is, in het bloed van Christus’. Geertruid vertrouwde op ‘Christus genade, op Wien alleen onze hoop moet zijn’.32
Ruim een jaar na het overlijden van Sophie was Geertruids ‘taak hier beneden voleindigd’, zij overleed op vijftien augustus 1874. In het over­lijdensbericht gaf Johan van Haersolte kennis dat ‘na eene korte ongesteldheid overleed, in den ouderdom van ruim 60 jaren, mijne hartelijk geliefde Echtgenoote en onzer kinderen zorgdra­gende Moeder, Vrouwe Geertruijd Agnis Baro­nesse De Vos van Steenwijk, na eene gelukkige echtvereniging van ruim 37 jaren’.33
Johan Christiaan van Haersolte overleefde zijn vrouw nog zeven jaar, haar nagedachtenis hield hij in ere. Een jaar na haar dood schreef hij aan een van zijn dochters: ‘Gij gevoelt wel dat my dezen
zwols historisch tijdschrift
dag in het byzonder indachtig zyn aan Mama, en dat wederom veel verlevendigd word’. Op verjaar­dagen en sterfdagen werd ‘alles wederom verle­vendigd’ en miste hij zijn vrouw en oudste doch­ter. In 1877 schreef hij zijn kinderen dat het al weer drie jaar geleden was dat ‘wy uwe goede Mama hebben moeten verliezen!’ Zijn verjaardag was voor hem een treurige dag die hij in stilte door­bracht, vol herinneringen en gemengd met een gevoel van erkentelijkheid voor Geertruid.34
Noten
1 Kamperstraat 10 en 11-13, Koestraat 18, Blijmarkt 1, Bloemendalstraat 11 en Grote Markt 12-13.
2 Stads Athenaeum en Bibliotheek Deventer 100 F21 KL HS II no. 35 KL; Vos van Steenwijk, A.N. baron de, Het geslacht De Vos van Steenwijk in het licht van de geschiedenis van de Drentse adel, Assen 1976.
3 Brake, W. te (ed.), Een grand tour naar de nieuwe republiek: journaal van een reis door Amerika, 1783­1784. Carel de Vos van Steenwijk, Hilversum 1999, 28-32.
4 Js. Mooijweer,’Vos van Steenwijk, Jan Arent Godert de (1713-1779), drost van Vollenhove’, in: J. Folkerts
(e.a. red.), Overijsselse biogra.eën 3, Amsterdam Meppel 1993, 121-125. 5 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk.
6 Nederland’s Adelsboek 78 (1987), 253; De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk. Te Brake, Een grand tour naar de nieuwe republiek, 28­33; Historisch Centrum Overijssel Familiearchief Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
7 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk, 361.
8 M.L. Hansen (ed.), Aller treffendst en stout. De hu­welijksreis van J.C. baron van Haersolte naar Duits­land, Zwitserland en Italië in 1837, Overijsselse hand­schriften 11, Epe 2002.
9 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120. Koe-straat 18 werd in de twintigste eeuw bewoond door het echtpaar Harro en Carina Bouman, zie de spe­cial van het Zwols Historisch Tijdschrift, 22 (2005) nr. 1, ‘Bijzonder echtpaar op Koestraat 18’.
10 De gegevens uit de periode 1845 tot 1848 zijn – tenzij anders aangegeven – afkomstig uit de correspon­dentie van Geertruid Agnes barones de Vos van Steenwijk aan haar man Johan Christiaan baron van Haersolte (HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113).
11 Zwolle mijn stad. Een stadswandeling van A naar Z, Zwolle 2002, 225.
12 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
13 J. Bos, e.a. (red.), Huizen van stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners, Meppel/Amsterdam 1989, 264.
14 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
15 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 162.
16 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 341; HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113; Nederland’s Adelsboek 4 (1906), 542. Tante Backer was mogelijk de echtgenote van Cornelis Backer uit Amsterdam, een vriend van Geertruids vader Carel de Vos van Steenwijk. Of het was Josina Petronella Sichterman, gehuwd met Jan Willem Jacobus Backer. Hun dochter Hermanna Elisabeth was gehuwd met Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk.
17 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
18 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
19 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64; De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 388.
20 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199.
21 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64.
22 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 117, 182.
23 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
24 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 389.
25 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 119.
26 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 182.
27 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 64, 113, 182, 275 en (236), inv. nr. 687; HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64. Het huis in de Koestraat ‘gele­gen agter de wal uitkomende’.
28 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
29 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120.
30 M.L. Hansen, ‘Een “redelyk zoet” meisje, Sophia Cornelia baronesse van Haersolte, 1838-1873’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002) nr. 2, 62-72.
31 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
32 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
33 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 122.
34 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.

Frank Inklaar

De plek waar het begon en de plek waar het eindigde
Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen
T
oen de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift vorig jaar een special uitbracht over de Grote Markt, kreeg dit nummer als titel: Een plaats van herinneringen: De Grote Markt. Deze titel sluit naadloos aan bij een nieuwe trend in de geschiedschrijving, die door de Franse histo­ricus Pierre Nora in de laatste decennia van de vorige eeuw in gang is gezet. Nora stelt dat mensen hun identiteit niet alleen ontlenen aan de algeme­ne geschiedschrijving, maar ook aan de publieke herinnering. Sommige plekken roepen onwille­keurig en onmiddellijk de herinnering op aan ingrijpende historische gebeurtenissen. Deze plekken worden door Nora ‘lieux de mémoire’ genoemd, letterlijk plaatsen van herinnering. Vol­gens Nora zijn dat niet alleen fysieke plaatsten, maar kan de term ook in overdrachtelijk zin wor­den gebruikt, zodat symbolen, instellingen, perso­nen, herdenkingsdagen, en dergelijke lieux de mémoire kunnen zijn. Nora heeft aan de hand van lieux de mémoire de geschiedenis van Frankrijk in kaart gebracht. Nederland is hier niet bij achter gebleven. In de afgelopen twee jaar hebben vier delen van Plaatsen van herinnering het licht gezien. Anders dan bij Nora zijn in de Nederland­se opvatting alleen fysieke plaatsen van herinne­ring opgenomen.
Plaatsen van herinnering zijn er natuurlijk niet alleen op nationale schaal. Elke streek, elke stad, elk dorp kent voor zijn inwoners eigen plaatsen van herinnering. Dit gegeven heeft de redactie van het ZHT er toe gebracht met ‘Zwolse plaatsen van herinnering’ een nieuwe rubriek te starten. Beken­de Zwollenaren vertellen over hun Zwolse plaats van herinnering. De spits wordt afgebeten door Wil Cornelissen, bekend Zwollenaar en ook nog eens oud-redactielid.
Tweede Wereldoorlog
Wil Cornelissen heeft veel herinneringen en ook veel plaatsen van herinnering in de aanbieding. Als hij door de stad rijdt komen bij diverse huizen herinneringen aan familieleden die niet uit de oorlog zijn teruggekomen. Al die adressen zijn stuk voor stuk persoonlijke plaatsen van herinne­ring. Een wat algemenere plaats van herinnering zou het stoepje bij de Oosterkerk kunnen zijn. Daar keek hij bijvoorbeeld naar de opbouw van circus Sarasani op de Turfmarkt. Of naar die prachtige watertoren. Uiteindelijk kiest Cornelis­sen toch voor een plek die voor hem, maar ook voor veel Zwollenaren, direct herinneringen oproept aan de Tweede Wereldoorlog. De oorlog die tot op de dag van vandaag een centrale positie inneemt in zijn leven.

De Vechtbrug
De uitverkoren plaats van herinnering is de Vechtbrug, de brug over de Nieuwe Vecht, tussen de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee, met aan weerszijden de Vondelkade en de Philosophen­allee. Welke herinneringen maakt deze plaats los? Het is voor Cornelissen de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Het is de plek waar op 10 mei 1940 de Duitsers en op 14 april 1945 de Canadezen Zwolle binnentrokken. En zowel in 1940 als in 1945 stond een jonge Wil Cornelissen bij de brug. Niet zo verwonderlijk, want zijn ouderlijk huis stond op de Vondelkade. In 1940 riep zijn vader de twaalfjarige Wil om bij de brug weg te gaan, bang als hij was dat het tot vechten zou komen en dat zijn zoon tussen de schietende partijen terecht zou komen. In 1945 werd de zeventienjarige Wil weer door zijn vader bij de brug weggehaald, om precies dezelfde reden. Bei­de keren gebeurde er eigenlijk niets. Ja, waar­schijnlijk zal er in beide gevallen een doffe knal

De Vechtbrug over de Nieuwe Vecht, gezien vanaf de Philosofen­allee. De brug verbindt de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee. Het is een in 1928 gebouwde basculebrug. De opna­me is omstreeks 1940 gemaakt. Links is huize Molenzicht te zien, rechts het later afgebro­ken brugwachtershuis. (Collectie HCO)
De Vechtbrug gezien vanaf de Wipstrikker­allee aan het eind van de jaren dertig. De Vechtbrug vormde (en vormt) een belangrijke schakel in het wegennet van Zwolle, de Duitsers trokken hierlangs de stad binnen in 1940 en de Canadezen in 1945. (Collectie HCO)
weerklonken hebben door het in de lucht laten vliegen van de IJsselbrug. Maar op de Vechtbrug zelf gebeurde niets. In 1940 zag je de Duitse troe­pen binnentrekken op paarden en met gemotori­seerde voertuigen, soldaten in andere uniformen en met andere helmen dan de Nederlandse solda­ten. Ze hadden geen beenwindsels zoals de Neder­landers. En in 1945 kwamen de Canadezen. ‘Ik moet toen mijn goede vriend Leo Major gezien hebben, maar dat kan ik mij niet meer herinne­ren.’ Leo Major was de eerste Canadees die als bevrijder Zwolle binnenkwam. Herinneringen zijn toch lastig volgens Cornelissen. Van wat hij zich nu herinnert over die periode, wat zijn nu echte herinneringen en wat is informatie die hij later gelezen heeft? ‘Was 10 mei 1940 de dag dat mijn vader huilde, of zorgt de titel van een boek voor deze herinnering? Het zou allebei kunnen.’

Een plek waar eigenlijk niets gebeurde
Wat maakt een plaats waar niets is gebeurd voor Cornelissen toch tot een belangrijke plaats van herinnering? Het is leuk om je te herinneren dat op de oude Vechtbrug, een ophaalbrug, brug­wachtershuisjes stonden. Dat er een piepklein winkeltje was van niet meer dan twee à drie meter, waar meneer Wever tabakswaren verkocht. Dat je voor je vader voor 35 cent vijf sigaren moest halen en dat bij die gedachte je in je herinnering de geur van de tabakszaak weer ruikt. Maar daarom is de Vechtbrug niet door Cornelissen uitgekozen. De brug staat symbool voor het begin en het einde van de Tweede Wereldoorlog.
In 1940 is er de angst, de onzekerheid, de gedachte van wat zal er gebeuren. Of dat nu exact bij de Vechtbrug op het moment van het binnen­trekken van de Duitsers de overheersende emotie van Cornelissen is geweest weet hij niet, maar dat deze gevoelens duidelijk aanwezig waren is wel zeker. Immers als twaalfjarige was Wil al wel dege­lijk op de hoogte van de kwalijke daden van het Hitler-regime. Hij kende de verhalen uit Duits­land van zijn gevluchte oom Erich Passmann, die in Zwolle was blijven hangen, vertrouwend op de neutraliteit van Nederland. Van zijn Joodse moe­der en haar grote Zwolse familie hoorde hij menigmaal de bezorgdheid voor de toekomst. Zijn vader was actief in het plaatselijk bestuur van de antitotalitaire Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie (EDD), een organisatie die zowel het communisme als het fascisme bes­treed. Voor nationaal-socialistisch Duitsland was in deze kringen geen sympathie. Vader droeg dit bewustzijn over op zijn zoon. Wil mocht voor een van de bijeenkomsten van de EDD met Oost-Indi­sche inkt de uitnodigingen kalligraferen. En dan had je nog de nieuwsberichten op de radio. In hui­ze Cornelissen diende je dan je mond te houden, want naar het nieuws moest in stilte geluisterd worden. Wil was dus op die 10de mei 1940 bij de Vechtbrug wel degelijk zich volledig bewust van de onzekere toekomst.
De overheersende emotie op de 14de april 1945 zal er een van vreugde zijn geweest. Het beeld van vlaggen en wimpels komt naar boven, maar ook de verbazing over waar al die vlaggen vandaan kwamen. ‘Heb ik staan zwaaien? Ik weet het niet.’ Spontane feestvreugde moet er in ieder geval wel geweest zijn. Al snel kwam daar een andere emotie bij. Wie van de weggevoerde familieleden zou er terug komen? Wat was er van hen geworden? Dat het verhaal van de tewerkstelling van Joden in Duitsland niet klopte was voor Cornelissen toen al duidelijk. Wat kon zijn doodzieke opa, die met een ambulance was weggevoerd naar Westerbork nu nog voor werk doen? Maar hoe zat het met al die ooms en tantes, neven en nichtjes, leeftijdge­noten? Uiteindelijk keerde maar één achternichtje terug.
Als Wil Cornelissen nu de Vechtbrug passeert overheerst toch het gevoel van de bevrijding.
De Vechtbrug, de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Een plek waar eigenlijk niets gebeurde, maar ook de plek die zoveel herin­neringen oproept.
zwols historisch tijdschrift
65

Een rooms jongetje uit Assendorp
Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw
O
verkomt u dat ook wel eens? Dat wanneer u in een tekst uw geboorteplaats tegen­komt u extra aandachtig gaat lezen? Mij overkomt dat zelfs met enige regelmaat, net zoals ik dat ook bij mijn geboortedatum heb. Zo ben ik er in de loop der jaren achtergekomen dat Jozef Luns en Joop Doderer – mooi duo toch? – op dezelfde dag als ik zijn geboren. Door de opkomst van het internet boeten dergelijke kleine histori­sche sensaties helaas steeds meer aan kracht in. Want u hoeft tegenwoordig maar op bijvoorbeeld de internetsite wikipedia.nl de zoekterm ‘Zwolle’ in te toetsen en alle bekende Zwollenaren worden op een presenteerblaadje aangereikt.
Toch wordt er nog wel eens een enkeling over het hoofd gezien. En dat kan zelfs mensen betref­fen met een bijzonder grote staat van dienst. Zo ook in het geval van Petrus Albertus Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ier­land, Chili en Israël – is in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werk­zaam als journalist en besloot, omdat hij kritische artikelen over het nazi-regime had geschreven, kort na de Duitse inval in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Londen werd hij secretaris van de gereformeerde premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Op 12 december 2003 overleed Kasteel op 102-jarige leeftijd.
Het moet in het najaar van 1994 zijn geweest dat ik Kasteels naam voor het eerst tegenkwam. Ik was toentertijd net begonnen met een zoektocht naar het onder orthodox-protestanten levend antipapisme en stuitte al snel op de door hem geschreven uitgaven van het apologetische Gilde van de Klare Waarheid. In een tijd waarin het anti­papisme nog hoogtij vierde, toonde de jonge jour­nalist Kasteel moed door als een van de weinige katholieken de pen op te nemen tegen de niet-godsdienstige uitingsvormen van dit fenomeen. Halverwege de jaren twintig vervaardigde hij onder de geheimzinnige ‘schuilnaam’ PAK in totaal drie brochures met prikkelende titels als
Vuile Papen!, In Dogma’s Gekluisterd (Stomme papen) en De misdaden der katholieke kerk.1
Toen ik ontdekte dat deze Kasteel dezelfde persoon was als de ‘latere’ Piet Kasteel van het proefschrift over de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper2, kreeg mijn interesse voor diens levenswandel een extra impuls. Helemaal toen ook nog bleek dat wij in dezelfde stad zijn geboren. In deze bijdrage wil ik kort schetsen in wat voor een omgeving de jonge Piet Kasteel opgroeide. Want, in wat tegenwoordig zo mooi de formative years worden genoemd, moet deze van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van zijn karakter.

Een katholieke familie
Petrus Albertus (‘Piet’) Kasteel werd op 4 novem­ber 1901 in Zwolle geboren aan de Deventerdwars­straat 14. Deze woning werd toentertijd nog aan­geduid met het huis- cq. wijknummer L 460. Een paar jaar later, in 1905, werd bij de gemeentelijke omnummering van wijknummers naar straat­namen met huisnummers het huis of.cieel voor­zien van nummer 14. Tegenwoordig heet de Deventerdwarsstraat de Zuiderkerkstraat.
Volgens het geboorteregister was Piet ‘des voormiddags ten zeven ure’ ter wereld gekomen. Vader Bernardus (geboren 30 januari 1859 te Arn­hem) was van beroep zadelmaker bij de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen. Hij had zich op 16 januari 1892 samen met zijn vrouw Geertrui­da Nijenhuis (geboren 19 april 1868 te Wagenin­gen) in Zwolle gevestigd. Het rooms-katholieke
Jonn van Zuthem
echtpaar had ten tijde van de verhuizing al een zoontje, dat Bernardus Gijsbertus heette en een jaar daarvoor in Arnhem was geboren. Het jonge­tje stierf 10 november 1897 op zesjarige leeftijd.3
In Zwolle werden de ouders achtereenvolgens gezegend met de zonen Gijsbertus Jacobus Johan

Piet (Petrus Albertus) Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ierland, Chili en Israël – werd in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werkzaam als journalist. Hij wist in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Lon­den werd hij secretaris van premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Kasteel overleed in 2003 op 102-jarige leeftijd. (Collectie auteur)
(geboren 5 oktober 1893), Hendrikus Johan (gebo­ren 29 januari 1896) en Bernardus Gijsbertus (geboren 23 februari 1898). Deze laatste kreeg dus dezelfde naam als de kort daarvoor overleden oudste zoon. In die tijd woonde ook nog een klei­ne twee jaar de uit Arnhem afkomstige weduw­naar Bernardus Kasteel bij zijn zoon en schoond­ochter in. De eerste dochter werd in 1899 geboren, zij kreeg de doopnamen Wendelina Maria Hen­drika Berendina (geboren 17 september 1899). Opa Kasteel was toen inmiddels weer terugge­keerd naar zijn geboorteplaats Arnhem.
Bij de aangifte van de geboorte bij de burgerlij­ke stand van Petrus Albertus (met de overleden eerste zoon meegerekend dus het zesde kind van het echtpaar Kasteel-Nijenhuis) waren twee colle­ga-zadelmakers van de vader als getuige aanwezig. Deze getuigen, Johannes van Buren en Willem Johannes Christiaan Burbach, tevens buurtgeno­ten, waren niet katholiek, maar hervormd. De voor katholieken steeds stringenter in acht te nemen religieuze scheidslijnen – de bloeitijd van de verzuiling ving omstreeks de eeuwwisseling aan -golden in die tijd schijnbaar niet voor ‘wereldse’ zaken als een aangifte bij de burgerlijke stand.
Piet Kasteel werd, naar goed katholiek gebruik, nog op de dag van zijn geboorte gedoopt. De doopgetuigen waren, zo vermeldt het doop­boek van de parochie, oom Joannes en tante Joan­na Maria Ratering-Nijenhuis. Deze peter en meter waren, zoals dat ook bij vader en moeder het geval was, respectievelijk geboren in Arnhem en Wage­ningen. Ook bij de andere kinderen, onder ande­ren bij Hendricus Joannes, Bernhardus Gijsbertus en ‘Berendina’ kwamen de doopgetuigen meestal uit de regio Arnhem-Wageningen.4 De band met de familie uit het Gelderse moet stevig zijn geweest.
Het verschil tussen de protestantse en de katholieke schrijfwijze van de mannelijke en de vrouwelijke vervoeging van de naam Jo(h)an komt overigens in de verschillende documenten veelvuldig naar voren.5 Door de ambtenaren van het Zwolse bevolkingsregister werd in ieder geval nog consequent de ‘protestantse’ spelling gehan­teerd, ook waar het dus katholieke kinderen betrof.
zwols historisch tijdschrift
67
Na Piet kreeg het echtpaar Kasteel nog twee kinderen, een zoon Johannes Lodevicus (geboren 24 januari 1903) en een dochter Hendrica Johanna Maria Wilhelmina (geboren 22 juni 1904).

Onder de rook van de Centrale Werkplaats
De wijk waarin het gezin woonde, Assendorp (een middeleeuwse verbastering van ‘oostendorp’), was een typische woonwijk voor personeel van de Staatsspoorwegen, de zogenaamde ‘spoorhazen’. Vanaf 1860 was er in deze buurt voorzichtig begonnen met de bouw van arbeiderswoningen. De aansluiting in 1864 van Zwolle op het spoor­wegnet en de spoedige komst van de Centrale Werkplaats (CW), die in de volksmond ook wel de ‘constructiewinkel’ werd genoemd, bracht een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg. Bood de CW in 1870 nog aan 136 man werkgele­genheid, in 1900, een jaar dus voor de geboorte van onze hoofdrolspeler, verdienden al 815 men­sen er een relatief goedbelegde boterham. In ver­gelijking met andere werkgevers betaalde de CW namelijk hoge lonen.
Assendorp had desondanks de naam een ‘rode wijk’ te zijn. De geschoolde arbeiders van de werk­plaats en ander personeel van de Staatsspoorwe­gen, zoals bijvoorbeeld conducteurs en machinis­ten, stonden vaak kritisch tegenover de bestaande maatschappelijke verhoudingen. Meer dan de meeste van hun tijdgenoten kwamen zij in contact met mensen uit andere gedeelten van het land. Het spoorwegpersoneel kon namelijk vrij per trein reizen. Bovendien las het merendeel kranten en was men georganiseerd in vakverenigingen. De vaak van elders, veelal uit het westen van het land afkomstige Assendorpers bewogen zich – ook al omdat het personeel van de Staatsspoorwegen regelmatig werd overgeplaatst – min of meer apart van de oorspronkelijke, wellicht wat meer gezags­getrouwe Zwollenaren.6
De behuizing aan de Deventerdwarsstraat 14 was erg klein. Een bouwtekening uit 1922 laat zien

Gebouwen van de Centrale Werkplaats omstreeks 1985. De vader van Piet Kasteel werkte hier als zadel­maker. (Collectie HCO) De Groeneweg omstreeks 1930. Het huis waar Piet Kasteel opgroeide staat er net niet op, het huis uiterst links is nummer 146. (Collectie Hogenkamp)

dat het huis tot dan toe nog geen aparte eigen keu­ken kende. Wellicht dat moeder Kasteel bij de buren kookte; het privaat werd in ieder geval met hen gedeeld. Daar komt bij dat in de grootste van de twee beschikbare kamers, de zolder niet meege­rekend, nog twee bedsteeën waren ingebouwd.7
Op regenachtige dagen zullen de kinderen Kasteel in het huis nauwelijks speelruimte hebben gehad. Rond 1906 betrok het gezin, inmiddels dus negen personen tellend, een andere woning. Deze lag aan de eveneens in de wijk Assendorp gelegen Groeneweg. De nieuwe behuizing betekende, naast het feit dat het aanzienlijk meer ruimte bood, nog een duidelijke verbetering ten opzichte van die van de Deventerdwarsstraat; het betrof hier namelijk een nieuwbouwwoning met keuken. Het huis, nadrukkelijk bedoeld als arbeiderswo­ning, was op een oorspronkelijk door de gemeente aangekocht terrein gebouwd door bouwvereni­ging De Verwachting.8
Het gebeurde in die tijd wel vaker dat particu­lieren hun krachten bundelden in dergelijke bouwverenigingen. De gevraagde woekerprijzen voor slechte huurhuizen – soms wel meer dan vijf gulden per maand – droegen ertoe bij dat mensen het initiatief in eigen hand namen om zodoende de wens van een eigen huis te kunnen realiseren. Ook in Zwolle waren deze hoge huren geen zeld­zaamheid, mede omdat door de groei van de CW de stad in de periode 1870-1900 een van de snelst groeiende gemeenten van Nederland was.9

Een kinderrijke buurt
Een wijklijst uit 1912 geeft een goed beeld van de samenstelling van de bewoners van de Groene-weg. In het huizenblok, de Groeneweg 134 tot en met 152, waarin het gezin Kasteel op nummer 150 woonde, werkten van de tien huisvaders er liefst negen bij de Staatsspoorwegen. Van die negen verdienden er vijf de kost als wagenmaker, twee als bankwerker en twee als zadelmaker, waaronder dus vader Kasteel. Die laatste groep was onder meer belast met het bekleden van de banken in de treinwagons. Op nummer 142 woonde een in dat opzicht vreemde eend in de bijt, de boekdrukker
J. Egbers met vrouw en kind.
De naaste buren waren, zo vermeldt het bevol­kingsregister, allen van Nederlands-hervormde huize. Op nummer 148 woonde het gezin Van Hensbergen met een zoon en een dochter. Zoon Matthijs was een jaartje jonger dan Piet. De ande­re buren, het gezin Polleman bestond eveneens uit vier personen. Van de twee dochters was de oud­ste, Alijda Gesina, in hetzelfde jaar geboren als Piet.
Het was een kinderrijke buurt waar de jonge Kasteel opgroeide. De gezinnen met het grootst aantal kinderen waren meestal katholiek. De gees­telijke herders van de parochie hielden scherp toe­zicht op de vorderingen van hun schapen. Zo wer­den vormsel en eerste communie nauwlettend opgetekend. Op nummer 134 woonde het echt­paar Franken met liefst negen kinderen.10 Bij het gezin woonde ook nog oma van moederszijde in, de weduwe Jacoba van de Heuvel-Vos.11
Zelfs in een nieuwbouwhuis met een relatief groot oppervlak van pakweg 80 vierkante meter woonruimte moet dat met twaalf personen voort­durend inschikken zijn geweest. De woonkamer mat namelijk in het gunstigste geval 4,35 bij 3,60 m.12 Toch waren de meeste arbeiderswonin­gen in Assendorp in vergelijking met die in andere wijken in Zwolle niet ‘overbewoond’. In 1908/1909 woonden er volgens een rapport van de Gezond­heidscommissie slechts in negen procent van de Assendorper huizen te veel mensen. Elders in de Overijsselse hoofdstad lag dat percentage aanmer­kelijk ongunstiger.13

Een religieus gemengde stad
Wat was dat eigenlijk voor een stad, dat Zwolle uit de jeugdjaren van de jonge Kasteel? In ieder geval ­en dat is volgens Kasteel belangrijk geweest voor zijn latere denken14 -was het een religieus gemengde stad. In 1914, het jaar dat Piet de stad de rug toekeerde om in Grave naar het kleinsemina­rie te gaan, telde de oude Hanzestad met een bevolking van 33.850 inwoners: 58,6 procent her­vormden, 9,7 procent gereformeerden en 22,8 procent katholieken.15 Voorts herbergde de stad nog kleine groepen lutheranen, doopsgezinden en joden, die allen nog geen twee procent van de

De Groeneweg op de kru

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 3

Door | 2003, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

20ejflBIng 2003
82
C.C. was O.K.!!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
CC her MS OX/
DANK VOOR. HETpRACJHWE FEEST
De voltallige CC, na de uitgebreide jubileumfeestelijkheden in 1948 getekend door Teun van der Veen en afgedrukt in de ‘Zwolse
Courant’ van 9 september dat jaar. Boven in het midden voorzitter J.M. Wansink. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
De Centrale Commissie Oranje (CCO) bestaat dit
jaar een eeuw. In het leven geroepen om de viering
van nationale feestdagen in Zwolle op een ordentelijke
en verantwoorde manier te laten verlopen,
ontpopte de CCO zich al snel als toch vooral de
club die verantwoordelijk was voor de organisatie
van feestelijkheden op Koninginnedag. De viering
van de verjaardag van de vorstin was lange tijd één
van de hoogtepunten op de jaarlijkse evenementenkalender.
In een periode dat vrije tijd en recreatie nog
schaarse goederen vormden werd Koninginnedag
door jong en oud enthousiast gevierd. Naar de
mening van de redactie reden genoeg om eens
terug te kijken op honderd jaar geschiedenis van
de CCO, een door en door Zwolse instelling.
Voorwoord H.W.F. Scholte 84
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje
te Zwolle (1903-2003)
Harry Stalknecht
Het begin
Oorlog en bevrijding
Naoorlogse heroriëntatie
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Vijftig jaren
85
86
94
100
108
114
Een kroonprins geboren
Activiteiten onder druk
Eeuwfeest
Auteur
119
122
126
130
Omslag: In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig
jaar vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter Juliana.
Omslag van het programmaboekje dat de CC naar
aanleidingvan dejubileumfeestelijkheden uitbracht.
(Collectie HCO)
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voorwoord
Voor de Centrale Commissie Oranje te
Zwolle is het jaar 2003 het jaar van het
eeuwfeest. Dankzij belangrijke bijdragen
van het Zwolse bedrijfsleven en het gemeentebestuur
van Zwolle konden de gebruikelijke door de
CCO jaarlijks te organiseren evenementen versierd
worden met een aantal extra strikken. Deze
‘jubileumevenementen’, die inmiddels achter ons
liggen, hebben veel waardering gekregen.
Als apotheose van de viering van het 100-jarig
bestaan is er voor de CCO nog de organisatie van
het jaarlijkse congres van de Bond van Oranjeverenigingen
in Nederland. Dit congres zal op vrijdag
3 en zaterdag 4 oktober 2003 plaatsvinden.
Het aanbod van de Zwolse Historische Vereniging
om in de jaarreeks van het Zwols Historisch Tijdschrift
een themanummer gewijd aan ‘100 jaar
Centrale Commissie Oranje te Zwolle’ uit te
geven, is door het bestuur van de CCO volgaarne
aanvaard. Omdat dit themanummer in het derde
kwartaal van dit jaar verschijnt, kan aan de congresgangers
ook een exemplaar worden uitgereikt.
Met dit themanummer, dat een uitstekend
overzicht geeft over een periode van honderd jaar
CCO, wordt – naar mijn weten – voor het eerst
CCO-geschiedenis vastgelegd. De geschiedenis
van de vormgeving van onze nationale gedenkdagen
tot een algemeen meegevierde traditie.
Interessant in het verhaal is de vermelding dat
in 1903 de heer K. Admiraal, de eerste socialist in
de gemeenteraad van Zwolle, ‘mordicus’ tegen
toekenning van 300 gulden subsidie voor de CCO
was. De geschiedenis leek zich dit jaar te herhalen,
want bij de behandeling van de begroting 2003
werd uit dezelfde hoek bezwaar gemaakt tegen het
collegevoorstel om aan de CCO, in verband met
de viering van het 100-jarig bestaan, incidenteel
een bedrag van ruim 15.000 euro beschikbaar te
stellen. De overweging was dat ‘de CCO appelleert
aan gevoelens ten aanzien van het koningshuis die
niet algemeen zijn’.
Dit bezwaar werd terecht verworpen. Want
weliswaar bestaat bij het bestuur van de CCO de
diepe overtuiging van het belang voor ons land
van de constitutionele monarchie in het algemeen
en van het Huis van Oranje in het bijzonder, maar
juist daarom geven deze vrijwilligers, en met hen
tientallen anderen, hun vrije tijd aan het organiseren
van jaarlijkse evenementen voor de gehele
Zwolse bevolking.
Deze uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift
is alleszins het lezen waard, niet alleen voor Zwollenaren
maar ook voor leden van zuster-Oranjeverenigingen.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging,
de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift
en de schrijver van dit themanummer, de
heer Harry Stalknecht, zijn wij zeer erkentelijk
voor de realisatie.
O R A N J E
1903 – 2003
Henk W.F. Scholte
voorzitter Stichting Centrale Commissie Oranje
te Zwolle, augustus 2003
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje te Zwolle (1903-2003)
w=”-anneer ik terugdenk aan de jaren
voor de Eerste Wereldoorlog, dan is
Koninginnedag voor mij een glorieuze
herinnering in de eerste plaats aan stralend
zonnig weer. Ik geloof zeker, dat velen er toen heilig
van overtuigd waren, dat de Schepper zelf op
die dag speciaal zorgde voor dat veelbezongen en
stichtelijk ompreekte Oranjezonnetje. Verder zie
ik in mijn gedachten de enorme grote vlaggen, die
men bijna huis aan huis, ook in de winkelstraten,
placht uit te hangen. Bij ons thuis moest er elke
keer een timmerman aan te pas komen. En dan
hoor ik weer de muziek van de Reveille, die op de
Grote Markt begon, en van daaruit Zwolle feestelijk
deed ontwaken. Ik woonde toen in mijn
geboortehuis aan de Melkmarkt, en ook klinkt me
nog de roep in de oren van de verkopers van oranje
strikjes, sjerpen en wat dies meer zij, en het
gezang door oudere kinderen, die achter de
muziek aan mochten: “levende Willemien, weg
met de sosejalen”, wat ik helemaal niet begreep.’
Zo zette boekhandelaar B. Kok (destijds gevestigd
op de Melkmarkt 22) in 1978 zijn herinneringen
aan het jaarlijkse koninginnefeest op papier.
Koninginnedag, wie heeft er eigenlijk niet iets
mee? Of je nu een Oranjeklant of een ‘rooie rakker’
bent, de jaarlijkse feestelijkheden rond de verjaardag
van de majesteit laten niemand onberoerd.
Ze vormen al zo lang een vertrouwd onderdeel
van de jaarkalender, dat het haast ondenkbaar
is ze weg te denken. Voorloper van de
Koninginnedag was de zogenoemde Prinsessedag
die in 1889 op de verjaardag van het toen negenjarige
prinsesje Wilhelmina werd gehouden. Het
was een initiatief van de liberalen die er de nationale
eenheid mee wilden benadrukken. Pas een
jaar later, na het overlijden van koning Willem III,
werd de eerste echte Koninginnedag gehouden.
De viering van Koninginnedag kreeg een grote
impuls nadat Wilhelmina in 1902 ernstig ziek was
geweest. Het bericht van haar herstel zorgde overal
voor een uitbundige viering. Natuurlijk is er in
de meer dan honderd jaar dat Koninginnedag
gevierd wordt veel veranderd. De maatschappij
veranderde, opvattingen veranderden, de positie
van de monarchie veranderde. En ook Koninginnedag
zelf veranderde. Maar veel van die veranderingen
zijn vooral in vorm geweest. Wat bleef was
een dag van vrolijkheid en vertier, en niet te vergeten
muziek, veel muziek.
Harry Stalknecht
Al in 1895 bracht koningin Wilhelmina, nog maar
15 jaar oud, met haar moeder de koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle. Voor die gelegenheid
lagen er in de stadsgrachten tal van prachtig versierde
schepen. (Foto Deutmann, collectie HCO)
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het begin
In september 1895
bracht het jonge
koninginnetje Wilhelmina
met haar moeder
de koningin-regentes
Emma een bezoek aan
Zwolle. Hier rijdt de
koninklijke stoet door
de versierde Luttekestraat.
(Foto Deutmann,
collectie HCO)
De viering van de verjaardag van de koningin
kreeg in het eerste kwart van de vorige
eeuw steeds meer vorm. In de Zwolse Courant
van 22 juni 1903 riep H. van Gorkum, als
voorzitter van de Zwolse Commissie van Vreemdelingenverkeer,
belangstellenden op tot de ‘bijwoning
eener vergadering op Dinsdag 23 juni, des
avonds om 81 ‘2 uur, in de Buitensociëteit, ten einde
een commissie te benoemen welke de leiding
van feesten op nationale feestdagen op zich kan
nemen’. Deze oproep bleek niet aan dovemansoren
gericht, niet minder dan 65 man kwam opdagen.
Een belangrijk deel van hen vertegenwoordigde
verschillende Zwolse verenigingen die via
een brief persoonlijk gevraagd waren te komen.
De aanwezigen werden het al snel eens. Zwolle
had behoefte aan een club mensen die de organisatie
van nationale feestdagen op zich zou nemen.
De CC wordt geboren
En zo werd de CC, voluit de Centrale Commissie
voor Nationale Feesten, een feit. De eerste leden
van de CC waren voor het merendeel afkomstig
uit de gegoede middenstand. Zo was voorzitter H.
van Gorkum een handelaar in wijnen, H.W.
Heekman firmant van een laken- en confectiemagazijn,
C.H. von Stein gymnastiekleraar, J.S.
van Deventer firmant van de stoom-likeurstokerij
en wijn- en cognachandel Doijer en Van Deventer,
C. Kossen secretaris-boekhouder van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noordooster Locaal Spoorweg, L.H.J. Poortier
directeur van de eerste onderlinge aannemersverzekeringsmaatschappij
en leraar boekhouden
en was M. Meijerink architect. Later werden daar
nog aan toegevoegd drogist C.J.H. Haeck en meubelfabrikant
L.M.H. Schoemaker.
‘Zwolle zal voortaan geregeld en op waardige wijze
de nationale feestdagen meevieren’, met deze
woorden gaf de Zwolse Courant op 24 juni 1903
officieel kennis van de oprichting van de Centrale
Commissie. De instelling van de commissie werd
algemeen met instemming ontvangen. Al langer
werd er in Zwolle geklaagd dat de viering van de
verjaardag van H.M. de koningin beter kon en
moest. ‘Het ontbreekt aan leiding’, was de veel
gehoorde klacht. Met de oprichting van de Centrale
Commissie leek in dit hiaat te worden voorzien.
Het was nu zaak de burger bij dit initiatief te
betrekken en om financiële steun te vragen: ‘thans
moeten de dubbeltjes komen en de medewerking
van allen.’
Discussie
Maar die dubbeltjes bleken toch moeilijker te vinden
dan gedacht. De door particulieren en het
bedrijfsleven toegezegde gelden waren bij lange na
niet voldoende om een gedegen feestprogramma
op poten te zetten. Besloten werd bij de gemeente
een subsidie los te peuteren. Zegge 300 gulden
werd gevraagd als bijdrage voor de feestelijkheden
ter gelegenheid van de verjaardag van de nog jonge
koningin Wilhelmina. B en W adviseerden
positief. Meer moeite leverde de gemeenteraad op.
Daar was niet iedereen enthousiast. Vooral de
heer K. Admiraal, sinds 1902 de eerste socialist in
de raad, was mordicus tegen. Het debat in de raad
was fel. ‘Van de zeer uitvoerige gedachtewisseling
die omtrent dit punt plaats heeft, kunnen wij met
het oog op de beperkte ruimte slechts een beperkt
overzicht geven’, zo verontschuldigde de plaatselijke
krant zich bij zijn lezers. De socialisten zagen
in die tijd de monarchie vooral als een institutie
uit de koker van het kapitalisme, bedoeld om de
bevolking klein te houden. Van een koninginnefeest
moesten zij dan ook niets weten, nee, een
socialist vierde 1 mei, als dag van de arbeid.
De eerste optocht Een beeld van een van
Hoewel een definitieve beslissing over de subsidie de eerste optochten,
nog even op zich liet wachten, ging de commissie begin twintigste eeuw.
met fris elan verder met de voorbereidingen van (Collectie HCO)
het programma voor 31 augustus, de verjaardag
van koningin Wilhelmina. Een belangrijk onderdeel
moest een grote fakkeloptocht worden. Deze
optocht kende vier afdelingen: verenigingen,
groepen van twee of meer personen, ‘enkele’ personen
en reclame en vakorganisaties (uiteraard
tegen betaling). Aan de tocht was een wedstrijd
Valse noot
Ondanks alle lovende woorden over het eerste door de CC georganiseerde
koninginnefeest, was er toch ook een wanklank te horen, letterlijk zelfs. In de
‘Zwolse Courant’ van 3 september meldde zich ‘een liefhebber van schoon
klokgelui’. Deze liefhebber had zich nogal geërgerd aan het ochtendlijk klok-
: gelui van de Grote Toren op de dag van de feestelijkheden. Iedereen die een
‘ beetje muzikaal was moest volgens de briefschrijver toch toegeven dat ‘de
samenklank dezer […] klokken horrible is en tegen alle schoonheidsgevoel
indruischt’. Boosdoener was volgens de ‘liefhebber’ het kleinste klokje D dat
volgens hem maar zo snel mogelijk omgegoten moest worden tot een kleine
F. Pas dan zou niemand zich meer hoeven te ergeren aan wat hij smalend
‘die Armsünderglocke’ noemde.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koninginnedag 1905.
De wagen van vereniging
Wilhelmina
poseert voor bakkerij
van H.A. de Vries destijds
Beestenmarkt 4, nu
Harm Smeengekade.
Op de voorgrond staan
de hekken van de beestenmarkt
die hier toen
nog iedere vrijdag werd
gehouden. (Collectie
HCO)
verbonden. Zo was er een prijs voor de mooiste
wagen wat betreft versiering en verlichting, en een
prijs voor de ‘eigenaardigste voorstelling’. De origineelste
zouden we nu zeggen. Voor de kinderen
was er ’s middags een eigen optocht, waarbij bijvoorbeeld
ezel- en bokkenwagens, karren en rijwielen
versierd konden worden. Blijkbaar wilden
de Zwollenaren de kat eerst nog wat uit de boom
kijken, want met de aanmeldingen liep het nog
niet meteen storm. Het noopte de Zwolse Courant
tot het plaatsen van een oproep: ‘De versiering van
ezel- of bokkewagen, sportkar of fiets is zoo
gemakkelijk in dezen tijd. De heide bloeit prachtig,
en al is er geen zon, de mooie zonnebloem
schittert in al haar pracht. Keur van zaaibloemen,
die zich zoo uitermate goed leenen voor een losse
effectvolle versiering, zijn voor weinig geld te krijgen
en wie niets wil geven dan zijn goeden smaak,
ga naar de heide of Jan Koetsier in de Watersteeg
en plukke Erica’.
En zo begon langzamerhand de optocht dan
toch te leven en meldden zich steeds meer kinderen
aan, daarbij vaak geholpen door de aansporing
van hun onderwijzer, zoals de ongeveer 200
kinderen van de bewaarschool op het Assiesplein
met als hoofdonderwijzeres mej. J.C. Hoogedoorn.
Zij waren van plan H.M. de koningin en
Z.K.H, de prins-gemaal met gevolg uit te beelden.
Vrij of niet?
Ondertussen kwam Koninginnedag snel dichterbij.
Een vrije dag was dat toen nog niet. Een anonieme
‘medelezer’ van de Zwolse Courant deed
daarom via een ingezonden brief de volgende
oproep: ‘Mijnheer de redacteur! Verzoeke beleefd
plaatsing in uw veelgelezen blad. Ter volmaking
der feestvreugde op a.s. Maandag zou het dan niet
wenschelijk wezen, dat alle patroons en werkgevers
zooveel mogelijk aan hun ondergeschikten
een vrijen middag gaven? Mij dunkt, daardoor
zou het meer een feest voor iedereen zijn’.
Wenselijk misschien wel, maar het zou toch
nog heel lang duren voordat Koninginnedag ook
werkelijk een verplichte vrije dag werd. Toch werd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Zwolsch Dilettantenorkest
Kort voor de oprichting van de CC werd op 22 juni
1903 ook het Zwolsch Dilettantenorkest in het leven
geroepen. Dit orkest was vooral een initiatief van
de heer C. Kossen, die we ook al zagen als een van
de oprichters en eerste secretaris van de CC. Een
gebrek aan goede muziekkorpsen, dat was er volgens
Kossen in Zwolle. Daardoor hadden de nationale
feesten onvoldoende luister en schwung.
De zaterdag voor Koninginnedag 1903 was het voor
het prille orkest een belangrijke dag. Die avond zou
het door vele dameshanden met zorg en liefde
genaaide korpsvaandel met het nodige ceremonieel
worden ingewijd. De nog omhulde banier werd
’s avonds door de leden, ‘met insigne op de borst en
opgetoomde hoed met kokarde’ afgehaald van de
woning van de heer Kossen. Van daar ging het met
fakkels en acetyleenlantaarns in optocht naar
Odeon, volgens de krant gadegeslagen door een
‘dichte volksmenigte’. Daar werd de banier onder
luid applaus onthuld.
Het orkest was klaar voor zijn eerste koninginnefeest.
Het Zwolsch Dilettantenorkest, in 1903 opgericht door C. Kossen, poserend voor de Buitensociëteit.
Kossen was in datzelfde jaar ook een van de ‘founding fathers’ van de CC. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een aanbieding in de
‘Zwolse Courant’ van
31 augustus 1903 voor
‘Oranje-Stokj es’ en
Wilhelmina Keekjes’.
KONINGINNEDAG
Wilhelmina Keel
BIJ
G B, AGKERMANS
door veel bedrijven in ieder geval de middag
meestal wel vrij gegeven. Sommige deden daarvan
in de krant melding, zoals het magazijn en kantoor
van ijzerwarenhandel O. de Leeuw aan de
Diezerstraat en de nering in suikerwaren van de
gebroeders Meulink aan de Thorbeckegracht.
Jacob Albrecht uit de Sassenstraat bood in dezelfde
krant ‘vlaggen te huur voor den verjaardag van
H.M. de Koningin’ en tuinman en bloemist
H. Rigter uit de Zeven Alleetjes ‘feest oranjebloemen
en rozen’. Ook bakker G.B. Ackermans aan
de Diezerstraat wilde zich de oranjeclientèle niet
aan zijn neus voorbij laten gaan en adverteerde
met ‘Oranje-stokjes’ en ‘Wilhelmina-keekjes’.
De vuurdoop
Eindelijk werd het dan 31 augustus 1903. Voor de
CC naderde het uur van de waarheid. Zou zij in
staat blijken de festiviteiten rond de verjaardag
van Wilhemina in Zwolle in goede, en vooral feestelijke
banen te leiden?
Al om zeven uur ’s ochtends riep klokgelui de
Zwolse bevolking de verjaardag van koningin Wilhelmina
aandringend en brutaal in herinnering.
En wie dacht toch nog even op het andere oor te
gaan liggen werd door het kersverse Zwols(ch)e
Dilettantenorkest, dat al spelend met een reveille
Straatversiering in de
Bitterstraat ter gelegenheid
van het koninklijk
bezoek in mei 1921,
gezien vanaf de Roggenstraat.
(Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Koninginnedagoptocht
trekt door de
Thomas a Kempisstraat,
1927. (Collectie
HCO)
de stad door trok, muzikaal gemaand toch vooral
nu op te staan. Daarbij maakten de muzikanten
halt aan de voet van de Peperbus, om via de nauwe
trap naar boven te klimmen en vanaf deze torenhoge
positie hun muzikale opwekking verder over
de stad uit te storten. Dat was nog helemaal niet zo
eenvoudig, want zij die na de klim nog voldoende
lucht over hadden moesten alle moeite doen zich
op de krappe omloop staande te houden vanwege
de ferme wind die straf langs de toren woei.
Zwolle was wakker. Om half tien was het rond het
Stationsplein een drukte van belang. Vanaf hier
vertrokken het Stedelijk Muziekkorps en de
Utrechtse muziekkapel voor een rondgang door
de stad. ’s Middags was er in de Grote Kerk een
drukbezocht orgelconcert met zang.
Om half drie ’s middags was het de beurt aan
de kleintjes. Op de Wipstrikkerallee boden de versierde
ezel- en bokkenwagens, sportkarren en rijwielen
een bonte en vermakelijke aanblik. Nadat
de jury zijn werk had gedaan en de prijswinnaars
waren bepaald, ging de hele stoet in optocht de
stad door. Voorop vier marechaussees, gevolgd
door een rijtuig met de heer Van Gorkum en de
drie dames van de jury, daarna de Utrechtse
muziekkapel, de versierde fietsen en wagens en het
Zwols Dilettantenorkest.
Pijnlijke vergissing
Tijdens de optochten waren natuurlijk veel van de deelnemers geschminkt.
Pruiken, snorren en baarden sierden de anders zo kale gezichten. Al dat
kunsthaar moest er natuurlijk ook weer af. Ook voor dat klusje werden vrijwilligers
ingezet. Een voor een werden dan, niet altijd zachtzinnig, snorren en
baarden van de gezich ten afgetrokken. Dat ook deze klus met zorg moest
gebeuren spreekt voor zich. Toch kon het eens gebeuren dat één van de
omstanders bij dit vrolijke tafereel zonder pardon ook onbedoeld zelf aan de
ruwe behandeling werd onderworpen. Dat zou niet zo erg zijn geweest, maar
de beste man in kwestie had helemaal geen valse snor, maar een onvervalste
echte ‘Gerbrandy-snor’. De eigenaar kon het zich nog lang heugen.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijst van voorzitters
H. van Gorkum
J.S. van Deventer
H.J. Jansen
A. Willinge Gratama
M. Meijerink
C.C. Hermsen
M. Meijerink
J.M. Wansink
J. Mühlenfeld
S. van der Wal
N.S.Arriens
Chr. van Ahee
H.W.F. Scholte
1903
1908
1912
1913A4
1919
1920
1921
1927
1964
1966
1971
1987
IQ8Q
-1908
-1912
-im
-1919
-1920
-1921
-1927
-1964
-1966
-1971
-1987
-1989
– heden
Tot in de kleine uurtjes
Ook tijdens de optocht ’s avonds was het kersverse
Zwolse Dilettantenorkest weer present, ditmaal
op een versierde wagen. Als verlichting had men
zo’n 600 verkadelichtjes aangebracht, gevat in een
gekleurd doorschijnend omhulsel. Dat het gehobbel
van de wagen wellicht voor problemen kon
zorgen, was blijkbaar vergeten. De krant wist in
ieder geval te melden dat door het schudden de
meeste lampjes waren uitgegaan en dat de muzikanten
een veilig heenkomen hadden moeten zoeken
vanwege het hete rondspattende vet!
Dat het nog lang onrustig bleef in de stad
spreekt haast vanzelf. Tot twee uur ’s nachts werd
er in de straten van Zwolle feestgevierd, terwijl de
lichtjes waarmee de hoofdwacht aan de Grote
Markt speciaal was opgesierd zelfs tot drie uur bleven
branden. Voor de politieagenten en veldwachten
was het dus een lange ruk. Maar echt
geleden hebben ze niet, ze werden Van gemeentewege’
op bier en sigaren onthaald.
En daarmee was de eerste Koninginnedag
onder auspiciën van de CC een feit. Er kon worden
teruggekeken op een geslaagde dag, waarbij
zelfs het ‘Oranjezonnetje’ in een voor de rest sombere
augustusmaand, zich niet onbetuigd had
gelaten.
Oranjebitter
Lovende woorden dan ook tijdens de eerstvolgende
bijeenkomst van de CC in de Piussociëteit aan
de Oude Vismarkt. Het leek vice-voorzitter Van
Deventer de ideale gelegenheid de woorden van
het socialistische raadslid Admiraal te pareren.
Die had gezegd dat bij de Oranjefeesten ‘geen
geestdrift heerscht, wanneer niet de Oranjebitter
krachtig meewerkt’ en dat hij verder niet wist wat
hij meer afkeurde, ‘Kermis of een Oranjefeest,
omdat bij beide gelegenheden schromelijk misbruik
werd gemaakt van sterken drank’. Van
Deventer meende dat deze woorden door de afgelopen
feestelijkheden meer dan gelogenstraft
waren en daarom de krachtigste afkeuring verdienden.
Een oproep die door de vergadering vanzelfsprekend
met ‘donderend applaus’ werd
begroet.
Een reactie kon natuurlijk niet uitblijven. En
die kwam van Admiraal zelf. In een ingezonden
brief in de Zwolse Courant hield hij zijn beweringen
staande en staafde ze met voorbeelden uit
eigen ondervinding. Zo vertelde hij dat hij al vroeg
op de middag iemand was tegengekomen die zo
dronken was dat zelfs de weg van het Groot
Wezenland hem nog te smal was geweest. ‘Dergelijke
tooneelen vervullen mij met medelijden en
weerzin. Het is meer dan treurig en bedroefd, en
vooral voor de arbeidende klasse, dat zij zichzelf
zozeer vergeten, zij hebben waarachtig wel iets
beters te doen en voor hun belangen op te komen,
dan zich te bedrinken’. En, zo ging Admiraal verder,
al die dronkenschap was nog enkel maar de
weergalm van het eigenlijke gebeuren geweest:
‘Wat moet dan het feest zelf geweest zijn? Jonge
meisjes, kinderen van 15,16 jaar midden in de herrie,
er werd gehost, geduwd, gegrepen op een
weerzinwekkende manier, het was in één woord
treurig’. Ja, zelfs de politie deed mee aan dit
drankgelag. Een gunstige uitzondering vormde
volgens Admiraal een jonge marechaussee die
keer op keer de drank weigerde die hem bij de fanfares
werd aangeboden: ‘Ik breng hem een eeresaluut.
Deze man kon tenminste nuchter zijn
plicht doen’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Een blijvertje
Maar afgezien van dit kritische geluid had het succesvolle
verloop van de Koninginnedag het
bestaansrecht van de CC meer dan bewezen. Ook
in de volgende jaren wisten de mannen van de
commissie de feestelijkheden in goede banen te
leiden. Aanvankelijk waren er nauwe banden tussen
de CC en VW in de persoon van H. van Gorkum,
die tot 1908 de voorzittershamer zwaaide.
Hij werd in dat jaar opgevolgd door de Zwolse
handelaar in en fabrikant van spiritualiën J.S. van
Deventer.
In 1914 braken er zware tijden aan. Met het uitbreken
van de Eerste Wereldoorlog ontstond in
ons land grote schaarste. Veel goederen gingen op
de bon. Onder die omstandigheden kon er van het
organiseren van festiviteiten geen sprake zijn. De
CC leidde gedurende die jaren dan ook een sluimerend
bestaan. Pas in 1919 kon er weer feest
gevierd worden. En dat gebeurde met groot
enthousiasme. Misschien ook wel omdat een klein
jaar eerder de socialistische voorman J.P. Troelstra
de socialistische republiek had uitgeroepen.
Een revolutiepoging die overigens jammerlijk was
mislukt en vurige Oranjesentimenten had opgeroepen.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw
zien we de klassieke Koninginnedag zich uitkristalliseren:
optochten, muziek en kinderzang
waren daarin belangrijke elementen. Aan de andere
kant werden ook de ï-meivieringen van de
socialisten verder gecultiveerd. Op het punt van
de monarchie bleven Oranjeklanten en ‘rooien’
nog tegenover elkaar staan, zij het dat de scherpste
kantjes er wel wat afgingen.
De jongens van de katholieke Sint-]ozef school trots paraderend in de optocht van
1936. (Collectie HCO)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oorlog en bevrijding
In de loop van de jaren dertig pakten zwarte
wolken van een naderende oorlog zich samen.
Op 3 mei 1939 kwamen de leden van de CC bij
elkaar om zich op de toestand te beraden. Centraal
stond de vraag of, gezien de dreigende internationale
situatie, er dat jaar wel een Koninginnedag
moest worden gevierd. Gevreesd werd dat de jaarlijkse
collecte onder de gegeven omstandigheden
een minimale opbrengst zou opleveren. De leden
verkeerden in dubio maar besloten toch door te
gaan met de voorbereidingen. Op 23 augustus
werd definitief besloten de feestelijkheden het
groene licht te geven, behalve wanneer onverhoeds
een oorlog toch nog mocht uitbreken. Het
zou voor lange tijd de laatste Koninginnedag blijken
te zijn. Want dat die oorlog er kwam, weten
we ondertussen.
Barre tijden
Voor de CC waren de jaren van de bezetting barre
tijden. Iedere verwijzing naar het koningshuis
werd door de Duitsers verboden. Zwolse straten
die verwezen naar het koningshuis kregen een
andere naam. In het notulenboek van de CC staat
de periode van de bezetting kernachtig samengevat:
‘Uit den aard der zaak was de CC gedurende
deze jaren geheel non-actief en vertoont het notulenboek
hier wel de grootste gaping welke ooit in
het bestaan der CC is voorgekomen. De eenige
activiteit van de leden bestond uit het opbergen
van de bezittingen enz. en aan het eind van de
bezetting bleek alles nog in goede orde aanwezig,
de financiën incluis!’
Maar ook aan deze donkere periode kwam een
einde. Op maandag 16 april 1945 om 11 uur ’s ochtends,
twee dagen nadat Zwolle door de Canadezen
was bevrijd, kwamen de leden van de CC voor
het eerst na bijna vijf jaar weer bij elkaar. Zwolle
was vrij en dat moest gevierd worden. Niet dat de
Zwollenaren daar de aanmoediging van de CC
voor nodig hadden, maar de commissie zag het als
haar natuurlijke taak de organisatie van de officiële
evenementen op zich te nemen. De herdenkingsdiensten
die al op zondag 15 april zouden
plaatsvinden, waren afgelast vanwege Duits mortiervuur
waar Zwolle die dag onverwacht toch nog
op vergast werd. Ze werden een week later alsnog
gehouden. De CC wilde op 30 april, de verjaardag
van prinses Juliana, de bevrijding herdenken. Zo
had men, zo meende men, meer tijd een en ander
fatsoenlijk te organiseren en bovendien ving men
zo twee vliegen in één klap.
Zuivering
Hoewel er geen aanleiding was aan te nemen dat
leden van de CC tijdens de bezetting ‘fout’ waren
geweest, werd er in die hectische dagen direct na
de bevrijding toch heel kritisch gekeken. Zo waren
er bij de commissie bezwaren binnengekomen
over het lidmaatschap van de heer F. Leonards, in
het dagelijks leven handelsagent. Na een onderhoud
met hem was de commissie tot de overtuiging
gekomen dat de klacht tegen hem ongegrond
was en kon voorzitter J.M. Wansink de heer Leonards
‘tot zijn groot genoegen volledig in eer herstellen.
De vergadering onderstreepte deze woorden
met applaus’.
Ook Zwolle’s muzikale vedette de heer Cor
Ponten ontkwam niet aan de argwaan van de dag.
Naar aanleiding van een aanbod van hem om tijdens
de herdenking een samenzang met volksliederen
te organiseren werd gevraagd naar zijn verhouding
tot de gehate ‘cultuurkamer’, destijds
door de Duitsers ingesteld. De voorzitter verzekerde
iedereen dat de heer Ponten volstrekt smetvrij
was, waarop de commissie zijn aanbod in
dank aanvaarde. Maar de kwestie van de cultuurZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
kamer bleef wel de aandacht van het bestuur houden.
Er werd besloten ‘om te informeren naar de
houding van de korpsen tegenover de Cultuurcorpsen
en verdere eventuele zonden. Dat de
commissie ook zelf wel eens een onbedoeld slippertje
maakte, bewijst de zanghulde van Koninginnedag
1949. Zonder dat iemand van het bestuur
het blijkbaar was opgevallen prijkte daar het oude
Hollandse lied ‘Hou Zee’ op het programma. Na
protesten werd dit vers ijlings vervangen door het
evenzo mooie ‘Wie gaat mee over zee?’ Ter verduidelijking;
Hou Zee was jarenlang de groet van
de NSB, de Nederlandse nationaal-socialisten die
tijdens de bezetting vergaand met de Duitsers
hadden gecollaboreerd.
De eerste bevrijdingsfeesten
De dag van de Zwolse bevrijdingsfeestelijkheden
op 30 april 1945 zelfwas, in weerwil van het mythische
Oranjezonnetje, een sombere en natte. De
kinderen van Ponten’s koor en de muzikanten van
de verschillende orkesten werden drijfnat, ’s Middags
was er op het parkeerterrein van de Veemarkt
de officiële herdenkingsbijeenkomst. Hiervoor
had de CC een vijftal sprekers uitgenodigd: burgemeester
Van Karnebeek, kolonel Brown als Zwolse
commandant van het Amerikaanse leger,
majoor J.A. Baart als vertegenwoordiger van het
Militair Gezag, P.A. Jongsma als vertegenwoordiger
van de Ondergrondse en dr. J.C.P Eeftinck
Schattenkerk. Natuurlijk was ook voorzitter
Wansink van de partij. ‘De scepter van Oranje
blijft de speer, waarop Holland zijn vrijheidsmuts
zwaait’, zo hield deze de toehoorders beeldend
voor. Het waren woorden die na vijfjaar Duitse
bezetting maar al te graag werden gehoord. De dag
werd afgesloten met een kerkdienst ’s avonds in de
Grote Kerk. De dienst was opgedragen aan de
Zwolse gefusilleerden, waarvan de meesten op
5 mei gezamenlijk herbegraven zouden worden.
Ondertussen kwam juist op die dertigste april het
bericht dat de Duitse troepen in Nederland zich
hadden overgegeven en dat die capitulatie op
5 mei zou ingaan. Moest ook dat niet gevierd worden?
De CC twijfelde. Had men niet juist de
bevrijding uitbundig gevierd? Daar kwam nog
eens bij dat juist op 5 mei de Zwolse gefusilleerden
Direct na de bevrijding
in april 1945 waren er in
de straten van Zwolle
spontane volksfeesten.
De mannen op het midden
van de foto laten
zich met paard en
wagen met hun muziekinstrumenten
door de
stad rijden. (Collectie
HCO)
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Immorele omgang
De dankbaarheid van de Zwollenaren jegens hun bevrijders was groot. Vooral
de Zwolse meisjes staken hun enthousiasme voor de in uniform geklede
jongemannen niet onder stoelen of banken. Ook de Zwolse Trees was blij met
een Canadees. Dit tot verontrusting van sommigen. De predikanten Van
Noppen (Nederlands Hervormd) en Vreugdenhil (gereformeerd) schreven op
30 april 1945 aan de burgemeester: ‘Of hij wilde bevorderen dat zich na 10 uur
’s avonds géén minderjarige meisjes op straat bevinden ter voorkoming van
immorele omgang ook met den geallieerden soldaat’. Een voorstel dat de burgemeester
in antwoord praktisch niet haalbaar achtte.
aliseerd kunnen worden. Bij het defilé zou iedere
Zwollenaar zich mogen aansluiten, dus niet speciaal
in verenigingsverband, zoals gebruikelijk.
Deelnemers moesten zich verzamelen op de Veemarkt
en het Rodetorenplein. De route voerde
langs het gemeentehuis waar de Commissaris der
Koningin en de burgemeester het defilé zouden
afnemen, vervolgens naar hotel Wientjes aan de
Stationsweg, waar de geallieerde autoriteiten hun
hoofdkwartier hadden.

De Canadese bevrijders, hier in de binnenstad, lustten graag een borrel; niet
zelden leidde overmatig drankgebruik tot ruzie en andere overlast. [Collectie
HCO)
ter aarde zouden worden besteld. En eigenlijk
begonnen de werkzaamheden van de leden van de
CC zo wel erg op te lopen. De heer Leonards
meende dat de capitulatie wel degelijk gevierd
moest worden. Ook al, omdat volgens hem de
feestvieringen de laatste tijd nogal eens letterlijk in
het water waren gevallen. ‘Het publiek heeft nog
weinig gehad’, was zijn oordeel. Veel woorden
werden er verder niet meer aan vuil gemaakt. Het
was toch roeien tegen de stroom in. Besloten werd
om voor 5 mei een defilé te organiseren. Zo’n
optocht zou in de korte tijd die restte nog net gere-
Alweer een herdenking
En daarmee hoopte de CC het voorlopig gehad te
hebben. Maar het liep anders, rust was de leden
nog niet gegund. De Amerikaanse en Engelse
radiozenders hadden namelijk het bericht de
wereld in gestuurd dat 8 mei was uitgeroepen tot
‘V-E day’; ‘Victory in Europe day’. De meeste
commissieleden meenden dat het nu wel even
mooi was geweest en dat V-E day niet speciaal
voor Zwolle gold. Maar, zo lezen we haast met een
verzuchting in de notulen, ‘het publiek dacht er
anders over. Er kwam deining in de stad en de
vraag rees; wat wij deden’. Na overleg met de burgemeester
kwam de CC in de vroege ochtend van
8 mei in spoedvergadering bijeen. Daar kon
Wansink vertellen dat de burgemeester van de CC
voor twee uur ’s middag voorstellen verwachtte.
Nu bleek dat improviseren een sterk punt was van
de CC. Men wist nog voor diezelfde avond een
compleet programma voor elkaar te krijgen. Om
acht uur zou de rede van de Engelse premier
Winston Churchill via luidsprekers op de Grote
Markt worden uitgezonden, gevolgd door een
concert van het Stedelijk Orkest. Ondertussen
zouden vanuit de buitenwijken muziekkorpsen
naar het stadscentrum trekken, begeleid door de
verschillende buurtcommissies van de CC. Om
negen uur was er dan op het Grote Kerkplein de
radiorede van de Engelse koning te horen en was
er aansluitend gelegenheid tot dansen, ‘speciaal
wordt dit programmaonderdeel voorgesteld met
het oog op de Engelse militairen’. Het Stedelijk
Orkest zou voor Hotel Wientjes een serenade
brengen aan de geallieerde militairen. De poging
om ook nog een militaire parade van de grond te
krijgen mislukte, te meer omdat de troepen vanZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
wege V-E day natuurlijk ook een vrije dag hadden.
De Zwolse Radiodistributiedienst verzorgde een
rechtstreeks verslag van de gebeurtenissen op de
Grote Markt. Voorzitter Wansink sprak vanaf
Hotel Peters aan de Grote Markt de menigte toe
waarbij hij eindigde met de woorden ‘leve de
Geallieerden, leve het Vaderland, leve de Koningin’,
woorden die met luid gejuich werden ontvangen.
Uitbreiding van de taken
Het was even zweten geweest, maar de CC had het
hem dan toch maar gefikst en een hele rits van
feestelijkheden succesvol weten af te ronden. Op
15 mei werd een vertegenwoordiging van de commissie
bij de burgemeester geroepen. Die toonde
zich vol lof over de manier waarop de CC de festiviteiten
en herdenkingen had weten te leiden,
‘geen excessen kwamen voor dankzij de Commissie,
de geheele burgerij vertegenwoordigend’.
Maar wie hoopte dat de burgemeester alleen daarom
de leden bijeen had geroepen, kwam bedrogen
uit. Er zouden volgens Van Karnebeek in de toekomst
nog veel meer festiviteiten op de stad af
komen; een nationale bevrijdingsdag, een feestdag
voor de bevrijding van ‘het gehele rijk’ en natuurlijk
de verjaardagen van de leden van het konink-
Hotel Peters aan de
Grote Markt na de
bevrijding in 1945. Voor
het hotel staan geallieerdepantservoertuigen.
Op ‘V-E day’
(8 mei 1945) sprak CC
voorzitter J.M. Wansink
vanaf het balkon
van het hotel de menigte
toe. (Collectie HCO)
Genodigden bij de door
de CC georganiseerde
bevrijdingsherdenking
op de Veemarkt op
30 april 1945. (Collectie
HCO)
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijk huis. De burgemeester draaide er verder niet
omheen en stelde de aanwezigen de volgende
vraag: ‘Is u bereid in deze samenstelling, vertegenwoordigend
de bevolking van Zwolle, leiding te
geven aan de feestelijkheden welke nog zullen volgen?’
Nu was het de beurt aan Wansink het woord te
nemen. Hij dankte de burgemeester voor zijn
vriendelijke woorden. Hij schetste een beeld van
de CC die tijdens de bezetting was geslonken tot
zo’n tien man. Na de bevrijding was dit aantal
aangevuld met verschillende personen, onder
meer uit de voormalige verzetsbeweging. Hij kon
zich voorstellen dat voor sommige van de huidige
leden het lidmaatschap van de CC niet te combineren
was met hun drukke werkzaamheden. Maar
verder was hij ervan overtuigd dat de commissie
met plezier en elan de door de burgemeester
gevraagde taak op zich zou willen nemen. Hij
werd daarin niet tegengesproken. Wel bracht de
heer Rigter slim de vraag aan de orde of de commissie
in het vervolg dan ook zou kunnen
beschikken over gemeenschapsgelden. De oorspronkelijke
subsidie van 1000 gulden was immers
door de jaren heen via 400 en 200 gulden geslonken
tot nul. De burgemeester beloofde daar wel
aan mee te willen werken.
Bevrijdingsfeesten en dodenherdenking
Behalve het organiseren van de feestelijkheden op
hoogtijdagen van het koninklijk huis had de CC er
nu een nieuwe taak bij gekregen: de viering van de
bevrijding van Zwolle. Op 14 april 1946 was het
Bevrijdingsfestival
Vanaf 1991 kent Zwolle een nieuw nationaal feest, het provinciale bevrijdingsfestival
op 5 mei, een initiatief van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
De doelstelling hiervan is ‘niet alleen het herdenken van de bevrijding maar
ook het onder de aandacht brengen van de begrippen vrijheid, gelijkheid en
democratie van de jongere generatie en wel op een manier die hen aanspreekt’.
De organisatoren van het eerste Overijsselse bevrijdingsfestival wilden
de bevrijding actualiseren met popmuziek en theater als uitingen van
hedendaagse gevoelens over vrijheid. Optredens van popgroepen, straattheater
en een drcusinstuif zorgden voor een verlevendiging.
precies een jaar geleden dat de stad werd bevrijd.
Maar omdat die dag op een zondag viel werd de
herdenking een dag eerder gehouden. Plaats van
samenkomst was het Ter Pelkwijkpark, waar sinds
kort een (voorlopig) monument voor de Zwolse
oorlogsslachtoffers was geplaatst. In de toespraken
die die dag werden gehouden, lag de nadruk
op het belang van eenheid als voorwaarde voor de
nieuwverworven vrijheid. Begin mei werd landelijk
de bevrijding herdacht. Oud-verzetsmensen
en ex-politieke gevangenen hielden op vrijdag
3 mei een stille omgang naar het Ter Pelkwijkpark.
Om acht uur namen duizenden aanwezigen twee
minuten stilte in acht, waarna kransen werden
gelegd bij het voorlopig monument. Daarna volgde
onder grote belangstelling een dankdienst in de
Grote Kerk. Op zaterdag 4 mei werden de gevallenen
herdacht met één minuut stilte om 11 uur
’s ochtends.
Het voorlopige oorlogsmonument werd in
1950 vervangen door het huidige, door de kunstenaar
Titus Leeser ontworpen beeld. Het patroon
voor de herdenking van de doden en de bevrijding
lag toen inmiddels in grote lijnen vast. Op 4 mei
was er een stille omgang vanaf het Huis van Bewaring
naar het monument in het Ter Pelkwijkpark.
Op 5 mei volgden festiviteiten als volksdansdemonstraties,
een wielerwedstrijd, een optocht
en muziekuitvoeringen. Aan de herdenking van
de bevrijding op 14 april werd meestal maar
beperkt vorm gegeven met bijvoorbeeld klokkengebeier
of enige aandacht in de pers.
Pas in de laatste decennia van de vorige eeuw
veranderde de inhoud en vorm van het herdenken.
Meer en meer werd toen geprobeerd een relatie
te leggen met hedendaags onrecht en onvrijheid.
Deze koerswijziging sloeg aan: de laatste
jaren is de aandacht voor de herdenkingen rond
oorlog en bevrijding fors gegroeid, vooral ook
onder jongeren.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
Na de bevrijding in 1945
nam de CCO ook de
organisatie van de
dodenherdenking op
zich. Hier de stille
omgang op 4 mei 1956.
Op de achtergrond de
Menno van Coehoornsingel,
via de Stenen
Pijpbrug draait de stoet
de Diezerkade op.
(Collectie HCO)
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Naoorlogse heroriëntatie
Nu de oorlog voorbij was kon het normale
leven weer op gang komen. Maar zoals bij
zoveel mensen destijds heerste er ook
onder de leden van de CC het gevoel dat het allemaal
anders moest. Dat de vooroorlogse hokjesgeest
moest worden doorbroken, dat iedere burger
toch in de eerste plaats Nederlander was en dat
dat hen allen bond, ook waar het ging om feesten
en herdenkingen. Was het voor de oorlog zo dat
vooral ter linker zijde weinig enthousiasme voor
het Oranjehuis was, de rol van Wilhelmina tijdens
de jaren van bezetting hadden in die houding verandering
gebracht. Dat maakte dat de eensgezindheid
onder de Nederlandse bevolking groter was
dan ooit. Van dit gegeven moest de CC gebruik
maken. De naoorlogse CC wilde bezield met een
nieuw nationaal elan een bindende factor voor de
gehele Zwolse bevolking worden.
Allen voor allen
Al op de vergadering van 16 mei 1945 was deze
nieuwe houding te zien. De heer Peters benaderde
aan het begin van de vergadering de zaak principieel.
‘We staan’, zo betoogde hij met vuur, ‘voor
een nieuwe periode in het bestaan van ons volk.
Een vrede moet worden georganiseerd die inhoud
heeft. Het besteden van de vrije tijd zal zinvol
moeten zijn en de feestcultuur is ondeelbaar daarvan’.
Er zouden volgens Peters meer feestdagen
dan vroeger komen. Als mogelijkheden noemde
hij de stichting van de stad Zwolle en, hier kwam
de aap uit de mouw, een feest van de arbeid. Daarmee
maakte Peters natuurlijk een politiek ‘statement’.
Als het aan Peters lag zou de naoorlogse CC
inderdaad een heel andere worden!
Voorzitter Wansink wist dat omzichtigheid nu
geboden was. Hij dankte Peters voor zijn woorden
maar voegde daar direct aan toe dat hij als voorzitter
altijd al zijn best had gedaan ook leden uit de
arbeidersbeweging bij het werk van de CC te
betrekken. Maar het idee om als CC ook de socialistische
i-meiviering onder de hoede te nemen ging
hem toch echt te ver, ‘niet te hoog’, voegde hij daar
fijntjes aan toe. Een feest als de dag van de arbeid
moest volgens Wansink aan de zorgen van andere,
zelfstandige commissies worden overgelaten.
Waar het hier natuurlijk om draaide was om de
kloof die voor de oorlog bestond tussen links en
rechts te overbruggen en dit ook in de CC een
vorm te geven. Dat was de doorbraakgedachte, die
in brede lagen van de samenleving leefde. Peters
liet zich niet zo makkelijk van zijn standpunt
afbrengen. Hij riep om eendracht, maak van: ’31
augustus niet alleen een oranje-dag maar [een]
uiting van een grootsche gedachte die ons bij
elkaar heeft gebracht’. De tijd was er volgens hem
rijp voor: ‘bezwaren tegen Oranje worden dan van
linksche groepen weggenomen en overbrugt’.
Peters kreeg voor zijn betoog steun van het prominente
lid Eeftinck Schattenkerk. Ook hij vond dat
de naoorlogse CC een andere rol had te spelen.
Maar zijn standpunt was dat de bestaande organisaties
daarbij zoveel mogelijk in tact moesten blijven
en dat het zaak was hun werkzaamheden te
coördineren. Niet nivelleren maar bundelen, was
zijn motto.
Besloten werd de hete aardappel nog even te
laten liggen en een en ander in studie te nemen
door een toekomstcommissie bestaande uit drie
leden van de CC, drie leden van de ‘Zwolsche
Gemeenschap’ en de heer Haan, lid van beide.
Ondertussen zou de Zwolse bevolking in een vergadering
worden geraadpleegd.
Zwolse Gemeenschap
Parallel aan de ideeën van Peters liep de verhouding
tussen de CC en de Zwolse Gemeenschap
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
Een man met stijl
Bijna veertig jaar was hij lid van de CC waarvan
het overgrote deel als voorzitter: Jacob Marinus
Wansink. In 1964 gaf de 73-jarige oudgediende de
voorzittershamer over aan de heer]. Mühlenfeld.
Op donderdag 28 mei werd Wansink in de foyer
van de Buitensociëteit als dank voor zijn trouwe
dienst uitvoerig in het zonnetje gezet. ‘Een man
met stijl’zo karakteriseerde burgemeester]. Roeien
de scheidende voorzitter, ‘een onbetwist leider’ ook.
Flexibel en bereid tot veranderen: ‘Voortdurend
heeft de heer Wansink de veranderende opvattingen
moeten volgen’. Hij werd geëerd met het erevoorzitterschap
en talloze cadeaus, waaronder een
schilderij van Teun van der Veen met daarop feestelijkheden
op de Grote Markt.
Wansink werd op 2 mei 1890 geboren te Voorst.
In 1922 kwam hij naar Zwolle waar hij zich ontpopte
als een actieve burger. In 1926 werd Wansink
gekozen tot lid van de CC om eenjaar later het
voorzitterschap op zich te nemen. In het dagelijks
leven was hij hoofd van de Oranjeschool aan de
Jufferenwal. Ook speelde hij een belangrijke rol in
de Christelijke Gezondheids- en Vacantiekolonies
afdeling Zwolle, was hij lid van vele besturen en
auteur van tal van schooluitgaven. Hij overleed op
6 december 1981 te Zwolle.
J.M. Wansink was jarenlang het gezicht van de
CCO. Hij was van 192J tot 1964 voorzitter.
(Collectie HCO)
(ZG). De ZG was direct na de oorlog ontstaan met
daarin nadruk op burgerschap, gemeenschapszin
en cultuur. Er waren in de CC personen die vonden
dat de CC nauw moest gaan samenwerken
met deze ZG. Binnen de CC bestond daarover
echter beslist geen overeenstemming. Het was
Eeftinck Schattenkerk die in de vergadering van
12 juli 1945 de knuppel in het hoenderhok gooide.
Hij noemde de toetreding van de CC tot de ZG
‘noodzakelijk’. Helemaal onbevooroordeeld zal
hij daarbij niet zijn geweest; Eeftinck Schattenkerk
was zelf nauw bij de Zwolse Gemeenschap betrokken
en zou later ook als voorzitter optreden. Zijn
roep om vergaande samenwerking viel niet bij alle
leden in goede aarde, zo bespeurde de heer Haan
in de woorden van Eeftinck Schattenkerk ‘een
zekere dwang’. Was dit niet iets wat de ingestelde
toekomstcommissie juist zou onderzoeken? A.J.J.
Craghs stelde voor in ieder geval alvast een adhesiebetuiging
aan de ZG te sturen. Maar voorzitter
Wansink had zo zijn twijfels over het democratische
gehalte van de ZG: ‘hij [Wansink] is demo102
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kapper Drent was in de
jaren vijftig langere tijd
voorzitter van de buurtvereniging
Assendorp.
Tevens had hij zitting in
de CC. Hier zien we zijn
praalwagen, destijds
goed voor een derde
prijs. (Collectie HCO)
craat en kan de leiding van bovenaf niet appreciëren’,
zo staat genotuleerd. Wansink vond dat de
studiecommissie de zaak eerst eens nader moest
onderzoeken. Eeftinck Schattenkerk op zijn beurt
betoogde dat iedereen die niet principieel tegen de
ZG was ‘er bij behoord’. En sussend: ‘Het lidmaatschap
van de ZG brengt niet met zich mee dat zij
de CC gaat decreteren’. Uit de hele discussie kwam
naar voren dat sommige CC-leden vreesden dat
toetreding tot de ZG het einde van de CC in zou
luiden. Schattenkerk wierp daar tegen in dat zoiets
alleen zou gebeuren wanneer de CC zou worden
‘opgelost’ in de afdeling ‘Feestcultuur’ van de ZG
en deze afdeling moest zelfs nog worden opgestart.
Waar waren de leden bang voor? Hij eiste een
adhesiebetuiging, zo niet dan stapte hij op. Wansink
op zijn beurt hield de leden voor dat het bij
een adhesiebetuiging niet zou blijven. Later zou
volgens hem ongetwijfeld geprobeerd worden de
CC in commissies in te schakelen. Duidelijk is dat
de kwestie de CC ernstig verdeelde en dat het laatste
woord er nog niet over was gezegd. Uiteindelijk
was het resultaat dat de CC zich wel bij de ZG
aansloot, maar ijverig bleef toezien op de eigen
onafhankelijkheid.
Emancipatie der wijken
Een andere kwestie die vlak na de oorlog boven
kwam drijven was de positie van de wijken. Direct
na de bevrijding rezen de buurt- en straatverenigingen
als paddestoelen uit de grond. Iedereen
wilde immers feesten. Alleen al in Assendorp konden
er twintig worden geteld. Al deze clubjes werden
in Assendorp in de loop van 1945 samengesmolten
tot een grote wijkvereniging onder het
voorzitterschap van de heer H. Krisman, in het
dagelijks leven hoofdgeleider bij de Nederlandse
Spoorwegen. Dat de vereniging over een groot
draagvlak beschikte bewijzen de cijfers. Ten tijde
van het tienjarig bestaan in 1955 telde de wijkvereniging
Assendorp niet minder dan 2000 leden!
De nieuwe wijkverenigingen hadden een groot
zelfbewustzijn en wilden binnen de CC een grote
rol spelen. Steeds vaker gebeurde het dat de wijken
eigenstandig de lokale feestelijkheden organiseerden,
zonder al te veel rekening te houden met de
centrale leiding van de CC. Die werd vanuit arbeiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
derswijken als Assendorp toch vooral gezien als
een elitair clubje van gegoede burgers. Assendorp
wierp zich ook op als de stem van de buurten. Dat
bleek al tijdens een bijeenkomst in de zomer van
1945, toen een voorstel om de helft van de geïnde
gelden die Assendorp aan de CC overdroeg naar
de buurt terug te laten vloeien, door de wijkvereniging
werd afgewezen. Assendorp wilde driekwart
van het geld terug zien. Ook de Kamperpoort
leek dat wel wat. Wansink probeerde de
buurtcommissies met alle macht op andere
gedachten te brengen. Het voorstel van de buurten,
zo waarschuwde hij, zou de optochten en
muziekuitvoeringen in gevaar brengen, die kostten
immers veel geld en werden door de CC georganiseerd.
Pas na een oproep toch vooral de
gemeenschappelijkheid in het oog te houden gingen
de buurtcommissies – waarvan Assendorp
licht mokkend – akkoord.
Ook toen de vertegenwoordiging van de nieuwe
buurtcommissies in de CC aan de orde kwam
lag de ‘spoorhazenwijk’ dwars. Was het voorstel
per wijk één afgevaardigde in de CC op te nemen,
Assendorp zette in op niet minder dan drie.
Veemarkt te ver
Begin juli 1945 was er weer een aanvaring. Het
kwam naar buiten dat de wijkvereniging Assendorp
van plan was op 31 augustus, Koninginnedag,
een eigen avondfeest te organiseren. De festiviteiten
die op dat tijdstip door de CC waren gepland,
zouden plaatsvinden op de Veemarkt, ‘veel te ver
van Assendorp’. Het Assendorper voornemen viel
bij de leden van de CC bepaald verkeerd. Er werd
om wat meer respect voor de CC gevraagd. De
verjaardag van de koningin was per slot juist de
dag dat Zwolle in eenheid feest behoorde te vieren.
Het avondfeest op de Veemarkt moest daarvan
de climax zijn. Voor de wijkfeesten was in de visie
van de CC 1 september een goed alternatief.
Allengs liepen de gemoederen op. Krisman wees
nog eens fijntjes op het geld dat Assendorp
inbracht en hij betichtte de CC van dictatoriale
neigingen. De CC beschuldigde Assendorp op
haar beurt van schotjesgeest en egoïsme. Maar
Assendorp hield het been stijf. Voorzitter Krisman
stelde het klip en klaar: Assendorp wil geen eigen
feest op 30 augustus, ook niet op 1 september, nee,
het Assendorper feest zal op 31 augustus plaats
vinden. Krisman bespeurde een ‘vijandige houding’
tegenover de buurtcommissie en daar moest
het maar eens mee uit zijn. Droogjes werd genotuleerd
‘dat de stemming in de vergadering er niet
beter op wordt’. Het lijkt een understatement. De
beide groepen stonden frontaal tegenover elkaar.
Op verzoek van de CC wilde Krisman de mening
van de CC nog wel weer in de wijkcommissie
bespreken en hij nodigde de CC uit daarbij aanwezig
te zijn. Nadat Krisman de vergadering had verlaten
besloot de CC ondertussen de eigen plannen
gewoon door te zetten en deze ook al in de pers te
laten publiceren.
Een akkoord
De verhouding tussen de wijken en de CC was
duidelijk een andere dan voor de oorlog. Ook het
bestuur van de CC besefte dat de naoorlogse organisatie
van de commissie een andere moest zijn.
Het was weer Assendorp die in 1946 een voorstel
indiende voor een CC ‘uit en door de wijken’. Op
10 juni 1946 vond in hotel Van Gijtenbeek aan het
Stationsplein de vergadering plaats waarin het
voorstel zou worden besproken. Een belangrijke
gebeurtenis, zo vond de notulist, om vervolgens
wat teleurgesteld neer te schrijven: ‘hoewel uitgenodigd
blijkt de pers door afwezigheid te schitteren’.
Voorzitter Wansink opende de vergadering
en nam als eerste het woord: ‘Versterking en verdieping
van de liefde voor ons Volk tot Land en
Vorst is een der schoonste taken van de CC’. Wat
De juffrouw van de aubade
Mies Brinkman was sinds 1918 lerares aan de Stedelijke Muziekschool in de
Bloemendalstraat. Haar grote liefde was de opera. Tijdens haar zilveren jubileum
in 1943 nam deze kunsttak dan ook een belangrijke plaats in. Zelfs
onderduikers (het was midden in de oorlog) speelden daarbij mee. De meeste
oudere Zwollenaren zullen zich mevrouw Brink herinneren als de juffrouw
die op het Grote Kerkplein de jaarlijkse kinderaubade ter gelegenheid van
Koninginnedag leidde. Na de oorlog was zij een tijdlang ook directrice van de
muziekschool.
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerbetoon aan Wilhelmina
Koninginnedag 1948 was een heel speciale Koninginnedag.
Koningin Wilhelmina vierde haar gouden
regeringsjubileum. Maar tegelijkertijd was het
een feest met een dubbel gevoel, want Wilhelmina
had aangekondigd af te zullen treden en de troon
over te dragen aan haar dochter Juliana. De Turfmarkt
was de centrale plaats waar uitbundig het
50-jarig koninklijk bewind van Wilhelmina werd
gevierd. Op het groteplein aan de voetvan de
watertoren was een enorm podium opgericht. Daar
werd ’s avonds het openluchtspel ‘Je Maintiendrai’
opgevoerd.
Die avond was de stad getooid in een fonkelend
kleed van lichtjes. ‘Zwolle is’, aldus een verslaggever,
‘een lichtpunt in het Oosten’. De middag daaraan
voorafgaand was er een grote optocht. Al ruim
van tevoren hadden de eerste toeschouwers zich
langs de weg opgesteld. Het was bloedheet. Eén persoon
werd bevangen door de hitte en viel flauw.
Een oud moedertje pakte het slimmer aan en nestelde
zich langs de weg in een gemakkelijke stoel.
Maar ze dommelde langzaam in slaap. Pas toen de
koninklijke harmonie Thomas a Kempis luid toeterend
voorbijtrok, schrok ze weer wakker. Tot diep
in de nacht vierde Zwolle feest.
DE FEESTEUIKHTOEN TE ZW01J.K VAN 30 Al.’G.-* SEPT.
In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig jaar
vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter
Juliana. Omslag van het programmaboekje dat
de CC naar aanleiding van de jubileumfeestelijkheden
uitbracht. (Collectie HCO)
zou het nageslacht over deze vergadering zeggen?
Als een vergadering waarbij de deelnemers elkaar
het licht niet in de ogen gunden en de nieuwe tijd
niet begrepen? Waar het volgens Wansink om
moest gaan was de eendracht van Zwolle. En die
eenheid was door de CC het beste te waarborgen:
‘We doen hier geen slooperswerk, maar gaan bouwen.
We zullen daarbij gebruik maken van het
goede van het oude en het nieuwe’. Grote woorden
over de rol van de CC. Nu was het de beurt
aan Krisman. Ook hij riep op tot eenheid. Maar
hoe die het beste te bewaren was, dat was natuurlijk
de vraag. Volgens Krisman had Zwolle in de
jaren voor de oorlog een zeer eenzijdige, van
boven af geredigeerde feestviering gekend. Direct
na de bevrijding kwamen veel wijkcommissies
weer spontaan tot leven, diep wortelend in straat,
buurt en wijk. En het waren deze wijkverenigingen
die de basis moesten vormen van een nieuwe
CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
mm
De drie afgevaardigden
in de CC van de buurtvereniging
Assendorp
staan op de Oosterlaan
gereed voor de optocht,
jaren vijftig. In het midden
H. Drent. Links
vooraan is nog een stuk
van de Renaultgarage
van Simonse en Bokkers
te zien, die gevestigd
was op de hoek van de
Terborchstraat en de
Oosterlaan. (Collectie
HCO)
WSMH ‘ ” ..,.••” f TBmi TÜniii» ^’ita Ai b. i^MBi , J I
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Logo van de CC, jaren
veertig. (Collectie
HCO)
cenTRALe commissie
I/OOR HeT uiepen URH
GeoenKDRGen
Te zu/one
Er ontspon zich, zoals dat heet, een levendige
discussie. Daarin kwam naar voren, zij het niet
met zoveel woorden gezegd, dat Assendorp vond
dat de oude CC vooral een organisatie was van de
gegoede burgerij met daarin maar weinig ruimte
voor de ‘gewone’ man. En dat was niet goed. Niet
het kapitaal, maar het volk diende te tellen. De discussie
ging dan ook onder andere over de weging
van de gelden die de verschillende wijken ieder
jaar weer opbrachten in verband met hun vertegenwoordiging.
De heer Markus van Assendorp
bracht dit punt het meest duidelijk onder woorden.
Hij wenste een ‘behoorlijk onderscheid tusschen
den gulden van den werkman en het tientje
van den groote zakenman’. De vergadering sloot
zonder een definitieve beslissing te nemen. Uiteindelijk
kwam het volgende uit de bus. Het
bestuur van de CC zou voortaan bestaan uit
22 leden. Daarvan waren er tien ‘uit de burgerij’.
De wijken leverden de overige leden. De Kamperpoort,
Stationswijk, Veerallee en het Wipstrikkwartier
kregen ieder één afgevaardigde. De Binnenstad
werd vertegenwoordigd met twee leden.
Assendorp en de Diezerpoort leverden ieder drie
leden aan de CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
Hoge hoeden
De leden van de CC waren bij de feestelijkheden altijd prominent
aanwezig. Ze droegen een insigne; een zilveren monogram aan
een strik van oranje, blauw en wit lint. Maar bovenal waren zij al
van verre herkenbaar door de hoge hoeden die lange tijd traditioneel
werden gedragen.
Wat zou de CC zijn zonder die hoge hoeden? zo werd in het
jubileumjaar1953 in een krantenartikel gevraagd. ‘Een trotse oceaanstomer
zonder schoorsteen’ was het antwoord. In hetzelfde
artikel werd gezegd dat de vooroorlogse CC een ‘knus clubje’ was:
‘als er een uit de gelederen trad, zei men tegen elkaar: “zullen we
die of die erin halen, hij lijkt ons wel geschikt”, en zo gebeurde het
dan’.
Die informele werkwijze veranderde na de oorlog toen de wijken
hun afvaardiging in de CC kregen.
De jubilerende CC in 1953. Van links naar rechts staande: E. Kamphuis, J. T. Teunis, H.A.J. Verhagen, H. Drent, P.H. Reinbergen,
E.H. Veenstra, J. Oostindiënjr., Th. Thalen, E. Conradie, J.A. Pot, L. ter Heide, B. v.d. Vegte. Zittend van links naar rechts het
bestuur: J. Poulussen (2de secretaris), P.J. Bennekers (secretaris), J.M. Wansink (voorzitter), J.G. Akkerman (penningmeester),
H. Hollander en J. Haan (commissarissen). De leden J. Doedens en C.H. Koop ontbreken op deze foto. (Collectie HCO)
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Gedenkpenning geslagen
ter gelegenheid van
het bezoek van het
koninklijk paar aan
Zwolle in oktober 1949,
met de beeltenis van
Juliana en aan de andere
kant de tekst: ‘Lichtstoet
Industrie, Koninklijk
bezoek n-io-’49.
C.C. Zwolle’. (Collectie
O. de Leeuw)
Hoewel de jaarlijkse oranjevieringen vanzelfsprekend
tot de hoofdtaken van de
CC behoren, waren er in het lange leven
van de commissie ook andere gebeurtenissen die
de aandacht vroegen. Het waren vooral de bezoeken
van leden van het koninklijk huis aan Zwolle
die steeds weer een hoogtepunt vormden. Want
zo heel vaak gebeurde het natuurlijk niet dat de
Oranjefamilie de Blauwvingerstad aandeed.
De koningin komt
Het jaar 1949 was wat dat betreft voor de CC
gedenkwaardig. Na meer dan een kwart eeuw zou
de koningin weer een officieel bezoek aan Zwolle
brengen. De laatste keer dat Zwolle die eer te beurt
was gevallen was in 1923. Toen betrof het Wilhelmina,
nu was het Juliana die inmiddels de scepter
zwaaide.
De periode van onthouding had de dorst naar
de vorstin alleen maar versterkt. En zeker na de
moeilijke jaren van de Duitse bezetting was de
populariteit van het huis van Oranje gestegen tot
ongekende hoogte.
Onnodige spanning
De Centrale Commissie had het er druk mee.
Gehoopt werd dat de meeste Zwollenaren de dag
van het bezoek vrij zouden krijgen. Misschien, zo
suggereerde men, konden de werknemers alvast
dagelijks een halfuurtje extra werken om de snipperdag
mogelijk te maken. In ieder geval riep de
Centrale Commissie de werkgevers op de dag van
het koninklijk bezoek vrijaf te geven. Dit tot groot
verdriet van de Nijverheidsraad. Volgens de leden
van die raad leidde de oproep bij sommige bedrijven
tot onnodige spanning. Er werden verwachtingen
gewekt die niet altijd beantwoord konden
worden. Beter was het als de CC zich voortaan niet
meer over dergelijke zaken zou uitspreken voordat
er met het bedrijfsleven overleg was geweest.
Ondertussen maakte de stad zich op voor de
komst van het koninklijk paar. En niet alleen
Zwolle. Vanuit de wijde omgeving zouden groepen
en mensen naar de Overijsselse hoofdstad
komen om een glimp van Hare Majesteit op te
vangen. Zo hadden delegaties uit Urk, Staphorst
en Haerst hun komst al aangemeld.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Feestverlichting
De organisatie wilde niets aan het toeval overlaten.
Zo werd op de avond voor het bezoek de door particulieren
aangebrachte feestverlichting gecontroleerd.
Daarbij werd vooral gelet of er geen lampen
waren die de verschillende optochten zouden hinderen.
Ook moesten verkeersmaatregelen worden
genomen. De gehele binnenstad zou worden afgesloten
voor gemotoriseerd verkeer en bespannen
wagens. Ook de stadsdienst ontkwam niet aan dit
gebod. De Veerallee was tijdens de doorkomst van
de koningin voor fietsers taboe. Rond de Roopoort,
waar de majesteit en haar gemaal in de ambtswoning
van de commissaris van de koningin zouden
overnachten, was geen publiek toegestaan. Aan de
oproep om de stad uitbundig te versieren werd
massaal gehoor gegeven, ’s Avonds brandden overal
duizenden lichtjes. Vooral Hotel Wientjes had er
veel werk van gemaakt. De Westerstraat, om de
hoek van de Roopoort, zag er ook prachtig uit, net
als vele andere straten. Overal waar men keek zag
men bloemen, slingers, vlaggen en erepoorten. In
het hartje van de stad stond een fraaie muziektent,
ontworpen door de Zwolse kunstenaar Teun van
der Veen. In het licht van de vele speciaal voor het
bezoek opgestelde schijnwerpers bood de stad een
betoverende aanblik. Het was de avond voor het
bezoek van het koninklijk paar dan ook enorm
druk in de stad. Duizenden waren gekomen om
van de sprookjesachtige verlichting te genieten.
Koningin Juliana en
prins Bernhard inspecteren
op 11 oktober 1949
de erewacht voor het
huis van de commissaris
van de koningin aan de
Roopoort, waar zij ook
de nacht zullen doorbrengen.
(Foto ANP,
collectie HCO)
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Sssst!
In de nacht van u op 12 oktober 1949 wapperde de koninklijke standaard van
huize Roopoort 1. Koningin enprins logeerden, naar oud gebruik, in de
woning van de commissaris van de koningin. Op dat moment was dat
ir. B. J.G.M, ridder de van der Schueren. Voorde oorlog was het gouverneurshuis
in het Ter Pelkwijkpark de ambtswoning. Het werd ook wel ‘het hotel
van de Commissaris der Koningin’ genoemd. In 1895 had de toen vijftienjarige
Wilhelmina er overnacht. Omdat het Gouverneurshuis midden in de stad
lag, werd aan de posterende agenten gevraagd er voor te zorgen dat er
’s avonds niet te veel lawaai op straat zou worden gemaakt. Dat hoefde men
de Zwollenaren niet twee keer te zeggen. ‘Ssst… het koninginnetje slaapt’,
werden gevleugelde woorden.
Massaal onthaal
De ochtend van de elfde oktober brak aan. In alle
vroegte klonken de klanken van de reveille door de
stad. Op de Turfmarkt: werd die ochtend door
leden van rijvereniging ‘Rijden is Kunst’ uit Ittersum
een ruiterdemonstratie gegeven. Op het Grote
Kerkplein verzamelde zich de jeugd uit de verschillende
wijken voor de grote kinderoptocht. Ondertussen
voerden bussen voortdurend bezoekers van
buiten aan. Vooral uit de kop van Overijssel waren
velen gekomen. Het was iets over half drie ’s middags
toen de koninklijke stoet van over de IJsselbrug
arriveerde, een juichkreet ontlokkend aan de
duizenden die daar, op het grondgebied van de
toenmalige rondom Zwolle gelegen gemeente
Zwollerkerspel, het paar opwachtten. Onder de
tonen van het Wilhelmus stapten Juliana en Bernhard
over in een gereedstaande landauer. Aan de
wachtende burgemeester van Zwollerkerspel, C.
Slager, vroeg de koningin nog vlug: ‘Burgemeester,
zien wij u vandaag nog?’ waarop Slager antwoordde,
‘ik hoop vanavond, mevrouw’, waarna Juliana
met een ‘dan, tot ziens’ eindelijk richting Zwols
grondgebied vertrok. De koninklijke stoet reed
over de Veerallee de stad binnen, toegejuicht door
het enthousiaste publiek. Kinderen zwaaiden fanatiek
met oranje en rood-wit-blauwe vlaggetjes.
Voor de stoet uit reden drie vrachtwagens van de
gemeentereiniging. Ze waren gevuld met zand. Dit
zand werd op de weg gestrooid om te voorkomen
dat de paarden zouden uitglijden op de toch wat
gladde stenen van het wegdek. Duizenden mensen
waren op de been om een glimp van het koninklijk
paar op te vangen. Aangekomen op het Stationsplein
werd de koningin een vaandelgroet

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 4

Door | 2003, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

• f cü/
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
/LUCHTPOST’
(Collectie HCO)
Sophia Ziekenhuis Zwolle. Kindertuin
Poststempel 22 december 1938
‘Beste Vrienden, allemaal hartelijk gefeliciteerd met
de verjaardag van Tante Wim en nog maar vele
jaartjes. Hoe is het kan U nog al dooi blijven, wat een
wintertje is het. Het is met mij zelf alles nog Oké dus
nu maar afwachten. Nu luidjes prettige dag en ook
maar prettige kerstdagen met vele groeten van M.B.
Rigter- Vreeswijk.
[Rondom in potlood geschreven:] Ik geloof dat
het met het kindje niets word, de dokter ziet het tenminste
niet erg goed in Gonnieje doet maar of je er
nog niks van weet.
Het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis kwam voort
uit de hervormde armenzorg. Het Sophia Ziekenhuis
werd geopend in 1884 en was gevestigd op een
deel van de zogeheten Bagijneweide, op de hoek
van de Rhijnvis Feithlaan en de Nieuwe Vecht. In
de loop der tijd werden verschillende delen aangebouwd.
De grootste uitbreidingen vonden plaats
in 1915 en 1935. De hoofdingang bevond zich tot
1935 aan de zijde van de Nieuwe Vecht, daarna
werd het nieuwe door stadsarchitect J.G. Wiebenga
opvallend strak vormgegeven gedeelte geopend
en werd de hoofdingang verplaatst naar de Rhijnvis
Feithlaan.
In de prachtige tuin van het ziekenhuis was het
bij mooi weer goed toeven voor de patiënten. Het
ziekenhuis verhuisde in 1972 naar de rand van de
stad. Het oude gebouw aan de Rhijnvis Feithlaan
is nu rijksmonument. Het wordt momenteel
gerenoveerd voor een nieuwe gebruiker, de kunstacademie
Constantijn Huygens. Zie voor meer
afbeeldingen van het oude Sophia pagina 143.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
Redactioneel Inhoud
De inhoud van het laatste nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift uit 2003 is weer zeer gevarieerd.
Aan bod komt de negentiende-eeuwse Zwolse
stadsarchitect Berend Reinders, onder meer ontwerper
van de voormalige RHBS aan de Bagijnesingel.
Daarna switchen we naar de manier hoe in
de zeventiende eeuw met huwelijkstrouw werd
omgegaan.
Verder wordt beschreven hoe een ondernemende
Zwolse boerenfamilie in 1895 hofleverancier
werd en en passant wordt verklaard waarom
bioscoop de Kroon deze naam draagt.
De moord op een marechaussee in Ommen
zorgde begin twintigste eeuw voor de nodige consternatie,
lees het verhaal hierover.
Een afbeelding die bij een artikel in het ZHT
nr. 2 van dit jaar stond, leverde een unieke foto op
van koningin Juliana op de bank bij een gewoon
Zwols echtpaar.
Ook op de ansicht in datzelfde nummer werd
gereageerd, deze reactie valt te lezen onder de
Mededelingen.
De ansicht in dit nummer biedt een kijkje in
het oude Sophia Ziekenhuis. Omdat daar veel te
zien was, treft u in dit nummer nog meer ansichten
van dit voormalige ziekenhuis aan.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten
en Wim Huijsmans 134
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-Hameete 136
Het oude Sophia in ansichtkaarten
Jeanine Otten 143
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd 146
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’ Jeanine Otten 153
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en Jennie Pruim 156
Met Juliana op de bank
Annèt Bootsma-van Hulten 162
Mededelingen 164
Auteurs 166
Omslag: Lijkwagen met het stoffelijk overschot van
marechaussee A. Hoekstra voor de kazerne van de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle op Beestenmarkt
7 (nu Harm Smeengekade), 9 augustus 1902.
(Foto P.J. Bieseman, collectie HCO)
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-
Hameete Het ambt van stadsarchitect bestaat in
Zwolle al vanaf de late middeleeuwen en
heeft sindsdien een forse ontwikkeling
doorgemaakt. Toch is er relatief weinig bekend
over dit ambt dat herkenbaar zijn sporen in de
stad heeft nagelaten. In het onderstaand artikel
wordt een kleine tijdspanne gelicht, namelijk de
periode van 1855 tot 1875, waarin Berend Reinders
als stadsarchitect diende in Zwolle.
Berend Reinders
In de negentiende eeuw bleef de bouwkunst in
Zwolle stevig geworteld in de plaatselijke traditie.
Er bevond zich hier geen op internationaal niveau
geschoolde architect. Toen in 1854 Zeger van der
Bie als stadsarchitect het veld ruimde, zag de raad
zich genoodzaakt een nieuwe stadsarchitect aan te
stellen. Het was de Groninger Berend Reinders,
die deze post verwierf. Hij was vooral technisch
goed op de hoogte van zowel bruggen als gebouwen
door zijn ervaring opgedaan als provinciaal
opzichter van Waterstaat en als meester-timmerman
in de stad Groningen.
Berend Reinders was op het moment van zijn
aanstelling dertig jaar oud. Van Reinders is een
aantal brieven bewaard gebleven die van zakelijke
aard zijn. Een familiearchief als informatieve bron
over zijn leven ontbreekt. Daarom is over zijn
privé-leven weinig bekend. De belangrijkste feiten
uit zijn persoonlijk leven, ontleend aan de akten
van de burgerlijke stand, zijn snel opgesomd.
Berend Reinders werd op 4 januari 1825 geboren te
Groningen. Zijn vader, Reinder Reinders, was
klerk en zesentwintig jaar oud toen zijn zoon werd
geboren. Zijn moeder Hillegien Woldring, zonder
beroep, was negenentwintig jaar toen zij haar
zoon ter wereld bracht. Berend Reinders woonde
met zijn ouders aan de Aa in Groningen. Toen
Berend was opgegroeid oefende hij eerst het
beroep van meester-timmerman uit en later werd
hij provinciaal opzichter van Waterstaat en
onderwijzer aan de Academie van Beeldende
Kunsten in Groningen. Op 30 januari 1855 werd
hij door de gemeenteraad van Zwolle aangesteld
als stadsarchitect.1 Zijn infunctietreding zou per
1 maart 1855 ingaan. Op die datum verscheen
Berend Reinders tijdens de vergadering van burgemeester
en wethouders. Hij legde de eed af en
beloofde hiermee zich aan de voorgeschreven
instructie te houden.2
Reinders vertrok met zijn vrouw Dorothea
Reinders-Pothoff en zoon Berend naar Zwolle.
Eenmaal hier gevestigd breidde het gezin zich uit.
In het jaar 1856 werd hun tweede zoon, weer
Berend genaamd, geboren en in 1858 een dochter
genaamd Maria, in 1861 een zoon Hermannes, in
1867 een dochter Lucintia en in 1870 een zoon
Theodoor. Het laatst geboren kind overleed na
drie maanden aan enteritis chronica, een chronische
ontsteking van het darmslijmvlies.3 In 1875
werd na een dienstverband van twintig jaar met de
stad Zwolle Reinders eervol ontslag verleend. Op
12 januari 1875 werd hij aangesteld als architectdirecteur
in Den Haag.4 In deze stad bleef hij
werkzaam tot zijn dood in 1890.5
De fabricage
De fabricage, zoals de verzamelnaam luidde voor
het stadsbedrijf ten tijde van Reinders ambtsperiode,
bestond uit verschillende onderdelen:
de civiele bouwkunde, de waterbouwkunde, de
stadsplanning en de verschillende taken die na
de aanstelling van de werklieden door de stadsarchitect
werden bewerkstelligd.
Civiele bouwkunde
De belangrijkste taak van de stadsarchitect lag op
het gebied van de civiele bouwkunde. De stad had
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
veel gebouwen onder haar hoede die groot en
bewerkelijk in onderhoud waren, zoals het stadhuis,
de kazerne, het passantenhuis, de scholen, de
torens en de poorten. Veel aandacht werd besteed
aan de brugwachtershuisjes, de brandspuithuisjes,
de lantaarnpalen en de stadspompen. Bovendien
stonden onder toezicht van de stadsarchitect de
openbare straten, wegen, plantsoenen, stadsgronden
en wateren.6
Jaarlijks vond de inspectie van de stadsgebouwen
en werken plaats. In de maand september
diende de stadsarchitect een verslag in bij burgemeester
en wethouders. Het verslag gaf de toestand
van de gebouwen weer en de beraming van
de kosten van onderhoud of vernieuwing voor het
komend jaar.7 Maandelijks stelde de stadsarchitect
burgemeester en wethouders op de hoogte
van de werkzaamheden die naar zijn oordeel aan
de gemeentelijke eigendommen of werken moesten
worden uitgevoerd. Wekelijks rapporteerde
Reinders schriftelijk aan de raad over de werkzaamheden
van de afgelopen en de komende
week. Het stadsbestuur hechtte veel waarde aan de
toelichting van de stadsarchitect, vooral waar het
ging om de technische aspecten die bij veel stadswerken
aan de orde kwamen. Het stadsbestuur
besliste op grond van tekeningen die Reinders of
een ondergeschikte van de objecten maakte. Enkele
tekeningen van Reinders zijn bewaard gebleven.
Hij besteedde veel zorg aan deze vaak gesigneerde
tekeningen.8 Slechts met voorkennis en goedkeuring
van burgemeester en wethouders werden
werken uitgevoerd.9
Was er sprake van direct gevaar voor dé
publieke veiligheid, dan gaf de stadsarchitect
onmiddellijk order tot het uitvoeren van de nodige
voorzieningen. De raad werd vervolgens zo snel
mogelijk in kennis gesteld.10 Bij uitbrekende
brand diende de stadsarchitect direct hulp te bieden.
Immers door zijn kennis van het stadsplan,
was hij goed op de hoogte van de aanwezigheid
van water, eventuele brandspuiten en pompen in
de omgeving van de brandhaard.”
Een onvoorziene omstandigheid was de cholera-
epidemie die in Zwolle voor de tweede keer uitbrak
in 1855, net na de aanstelling van Reinders. In
zijn functie als stadsarchitect was hij direct belast
met het uitvoeren van restrictieve maatregelen.
Hij diende de stad hygiënischer te maken, de choleralijders
onder te brengen, twee grachten te
dempen en een riolering aan te leggen. Met deze
maatregelen dacht de raad een herhaling van een
cholera-epidemie te voorkomen. Helaas brak in
1866 opnieuw een hevige epidemie uit. In 1865 en
1866 vielen de oogsten tegen en schoten de voedselprijzen
omhoog. Veel mensen waren ondervoed
en daardoor vatbaar voor de cholera. De
conditie van vooral de armen diende daarom verbeterd
te worden en dat gebeurde door middel
van voedseluitdelingen, het bevorderen van de
hygiëne door het schoonmaken van huizen, straten
en openbare privaten en tenslotte het branden
van teertonnen. Grote epidemieën kwamen na
1866 niet meer voor. De succesvolle bestrijding
van de cholera-epidemie gaf aan dat Berend Reinders
prima in staat was het veelomvattende takenpakket
waar de stadsarchitect verantwoordelijk
voor was uit te voeren.
Waterbouwkunde
Een deel van Reinders taken lag op het terrein van
de waterbouwkunde. Hij had voor dit onderdeel
van de architectuur veel belangstelling. Zwolle
was afhankelijk van een goede waterhuishouding.
Daarom diende de stadsarchitect de dijken,
wegen, bruggen en waterleidingen regelmatig aan
een inspectie te onderwerpen. Bovendien vergden
de sluis- en waterwerken veel aandacht en met
name voor de onderhoudswerkzaamheden, zoals
de beschoeiingen gemaakt van houten wallen,
steigers met paalwerk en de balkenconstructies en
stenen pijlers.12 Elk kwartaal in de eerste week van
januari, april, juli en oktober rapporteerde de
stadsarchitect schriftelijk aan de raad over de toestand
van de bruggen.13
Zoals bijvoorbeeld het geval was bij de brug
over de Willemsvaart. Na eeuwenlange pogingen
om te komen tot een waterverbinding tussen Zwolle
en de IJssel, was op 24 augustus 1819 de Willemsvaart
officieel geopend. Dit gebeurde op de verjaardag
van koning Willem I. Zwolle had de vaart aan
hem te danken, omdat hij het rijk tot betaling had
overgehaald. De vaart was in eerste instantie niet
gegraven voor de waterhuishouding, maar voor de
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
scheepvaart. De nieuwe waterweg maakte oeververbindingen
noodzakelijk. Vanaf halverwege de
negentiende eeuw was er namelijk sprake van een
toename van het verkeer. Reinders droeg zorg voor
een verbeterde infrastructuur en waterbeheersing
door het ontwerpen van een aantal beweegbare
bruggen in Zwolle. De bruggen kregen vanwege het
gebruik van verbeterde technieken, nieuwe materialen
en daarmee samenhangende vormgeving een
heel ander karakter dan gebruikelijk. Tijdens de
ambtsperiode van Reinders waren de bruggen van
hout, daarna vooral van ijzer, zoals de brug over de
Willemsvaart (een draaibrug) en de Vis(ch)poortenbrug
(een valbrug).14 Hoewel de bruggen niet
mooi werden gevonden, duidde zijn bouwkunst
wel op architectonische kennis.
Aankoop van materialen
De aankoop, aanvoer en opslag van materialen
viel ook onder het takenpakket van de stadsarchitect.
De aankoop werd geregeld bij publieke aanbesteding
of in openbare veiling. Dat gebeurde
vooral bij materialen die veel gebruikt werden.
Reinders hield nauwkeurig de direct gebruikte en
de nog te gebruiken materialen bij in zijn weekrapporten.
Zo bleef men precies op de hoogte van
de hoeveelheden die gebruikt werden, zodat de
materialen op tijd bij de leveranciers besteld konden
worden. Per kwartaal leverde Reinders de
aantekeningen in bij de raad, twee keer per jaar
vergezeld met de rekeningen.
Er werden hoge eisen gesteld aan de materialen
die uit de kas van de stad betaald werden. De
keuring ervan was een belangrijke bezigheid. De
opslag van de materialen gebeurde in speciale
opslagloodsen. Enkele stadswerklieden waren
aangesteld voor het beh eer van de materialen in de
verschillende stadswerkplaatsen. Alle arbeiders
die met de materialen en gereedschappen van de
gemeente werkten waren verplicht hierover verantwoording
af te leggen. Bij schade of verlies
werd de desbetreffende arbeider op zijn loon
gekort. Bij diefstal moest de raad ingelicht worden,
die dan een straf oplegde.
De gereedschappen en werktuigen werden niet
alleen in stadsdienst gebruikt. Particulieren waren
in de gelegenheid deze te huren tegen een door de
stadsarchitect vastgesteld tarief. Wekelijks gaf de
stadsarchitect aan de raad op welk bedrag daarvoor
was geïnd.
Invullen van de stadsgrond
De stadsarchitect droeg ook zorg voor het zo nuttig
mogelijk gebruiken van de stadsgrond. Gevallen
van eerste uitgifte van grond of van nieuwe
bestemming kwamen in de praktijk bij hem
terecht. Er werd verwacht, dat hij kon optreden als
onderhandelaar.
Tot zijn takenpakket hoorde het ontwerpen
van plannen, tekeningen, bestekken en het doen
van aanbestedingen op het gebied van onderhoud,
vernieuwing van stadswerken of geheel nieuwe
gebouwen of werken. Bovendien was hij ervoor
verantwoordelijk dat alle beschikbare gronden en
percelen van de stad een maximum aan rendement
opleverden.15 Zoals het geval was bij de
nieuwbouwvan de Rijks Hogere Burgerschool.
De Rijks Hogere Burgerschool
De geschiedenis van de Rijks Hogere Burgerscholen
begon in het midden van de negentiende
eeuw. Dit schooltype werd opgericht voor leerlingen
die scholing wilden op het gebied van de handel,
nijverheid en staatsdienst. Het was opmerkelijk
dat Zwolle van minister Thorbecke toestemming
kreeg één van de eerste Rijks Hogere Burgerscholen
van Nederland te plaatsen. Mogelijk had
hij een zwak voor zijn geboortestad. Naar buiten
toe gaf Thorbecke als reden voor het bouwen van
een hogere burgerschool in Zwolle op, dat de stad
een centrale plaats in Nederland innam. De minister
verzocht de raad een schetstekening te laten
maken van een gebouw en een terrein aan te wijzen
waarop de school gevestigd zou worden.16 Op
5 april 1865 viel de definitieve beslissing van de
raad om de school op de Bagijnenweide te plaatsen.
17 De Rijks Hogere Burgerschool zou
ƒ 60.000,- gaan kosten.18 Na de bouw bleken de
kosten te zijn opgelopen tot ƒ 81.250,-. Zwolle
kreeg een subsidie van ƒ 20.000,- van het rijk. Het
plan kreeg goedkeuring van de minister. Reinders
rechtvaardigde zijn werk met het argument dat hij
duurzaam wilde bouwen, om in de toekomst de
onderhoudskosten laag te kunnen houden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
Voor Reinders was het een uitgelezen kans een
rijksgebouw in Neoclassicistische stijl te bouwen
met toepassing van eigen kenmerken.19 Deze
bouwstijl werd in Nederland in de periode tussen
ongeveer 1800 en 1870 veel toegepast. In september
1867 was het gebouw gereed.20 Het werd voordat
het in gebruik werd genomen ter bezichtiging
opengesteld voor publiek.21 Vooral de vorm van
het gebouw trok de aandacht van de bezoekers.
Het pand was gebouwd in een rechthoekige hoef,
waarbij de diepte van het arrière-corps in de voorgevel
0,75 ellen bedroeg. Hij plaatste aan beide zijden
van de hoofdingang twee zuilen. Bij enkele
van zijn eerder ontworpen gebouwen paste hij
eenvoudige versiering rond de vensters toe, maar
die liet hij bij de Rijks Hogere Burgerschool achterwege.
Ter verfraaiing van het gebouw werd
besloten het uurwerk van de Diezerpoort naar de
nieuwe school over te brengen. In 1953 besloot de
raad echter de klok uit het gebouw van de RHBS te
halen en voor tenminste tien jaar in bruikleen af te
staan aan het kerkbestuur van de Sint-Jozefkerk in
de Assendorperstraat.22
Werklieden bij de fabricage
Uit het voorgaande blijkt dat de stadsarchitect veel
verantwoordelijkheden droeg. Hij diende zich,
wilde hij zijn functie naar behoren uitoefenen,
nauwgezet aan de instructie te houden die hij bij
zijn aanstelling had aanvaard. Met de eedaflegging
nam hij die grote verantwoordelijkheid op zich.
Tot zijn taak hoorde ook het selecteren en voordragen
van werklieden. Reinders was voor een
deel afhankelijk van goede stadsarbeiders wilde hij
de stadswerkzaamheden op tijd gereed krijgen.
Ontwerp tekening van
de voorgevel van de
Rijks Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin
KNOB 2000-4)
Ontwerp plattegrond
begane grond en eerste
verdieping van de Rijks
Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin KNOB
2000-4)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Rijks Hogere Burgerschool
aan de Bagijnesingel
omstreeks 1890.
(Collectie HCO)
Het aantal vaste werklieden
Het aantal werklieden van de fabriek gedurende
de tijd dat Reinders zijn ambt uitoefende, betrof
drieëndertig vaste werknemers. Uiteraard waren
verschillende beroepen vertegenwoordigd. Om
een indruk te geven, volgt hier de staat van de
ambtenaren en vaste arbeiders bij de fabricage in
1855. Drie opzichters stonden in rang onder de
stadsarchitect en zorgden afzonderlijk voor het
dagonderhoud, de arbeiders en de stadsgoederen.
Verder waren er vier timmerlieden in vaste dienst.
Er werkten bij de stadsfabriek twee metselaars, één
loodgieter, één stratenmaker en één opperman
van het cholera-hospitaal. Vervolgens was er één
opzichter over de wandelplaatsen en onder hem
werkten zes arbeiders. Tevens was er een opzichter
werkzaam met vier arbeiders die aangenomen
waren om de lantaarns bij te vullen. Negen arbeiders
sloten de rij waarvan er één de openbare privaten
schoonhield en waarvan de andere acht
inzetbaar waren waar nodig.23
De stadsarchitect behoorde niet alleen zijn
eigen taken naar behoren te vervullen, hij moest
tevens de stadswerklieden motiveren goed werk af
te leveren. De stadswerklieden waren net als de
stadsarchitect gebonden aan een instructie. Indien
een stadsarbeider, om wat voor reden ook, niet
naar behoren functioneerde beschikte de stadsarchitect
over voldoende mogelijkheden om de man
tot de orde te roepen of in het ergste geval te ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
slaan. Midden negentiende eeuw was er voor de
stadswerklieden op (hoge) leeftijd, voor zover valt
na te gaan in de bronnen, geen pensioen geregeld.
Zolang ze konden werken hield de stadsarchitect
deze oudere stadsarbeiders beschikbaar voor lichte
werkzaamheden.
Uitbetaling van de lonen
Wekelijks, op maandag, gaf de stadsarchitect aan
de hand van het aantal gewerkte uren de werklonen
van de stadsarbeiders schriftelijk door aan de
raad. In 1862 deed Reinders een voorstel tot verhoging
van het dagloon van de stadswerklieden. Het
loon werd gemiddeld ƒ 0,05 a ƒ 0,10 per dag verhoogd
en kwam op een gemiddelde van ƒ 1,00 per
dag.
Het loon werd per uur betaald. Dit had te
maken met de lengte van de dagen. In de winter
waren de dagen kort omdat het ’s ochtends laat
licht was en ’s avonds vroeg donker. Daarom kon
er hoogstens zeven uur gewerkt worden. In het
voor- en najaar werd er acht uur gewerkt en in de
zomer gemiddeld tien a elf uur. De raad had aan
de hand van de seizoenen een staat van uren opgesteld,
waaraan de stadswerklieden zich dienden te
houden.24
Betaling stadsarchitect
Bovenstaande beoogt een indruk te geven van wat
de functie van stadsarchitect zoal omvatte. Tot eer
van de stad dient gezegd dat Reinders voor zijn
vele werk behoorlijk werd betaald. Bij zijn aanstelling
in 1855 werd zijn salaris vastgesteld op ƒ 1500,-
per jaar. Uit de verslagen van de raad van de
gemeente Zwolle bleek dat de stadsarchitect bij
aanvang van zijn ambtstermijn inderdaad ƒ 1500,-
ontving. In de loop der jaren werd zijn traktement
nog enkele malen verhoogd. Bij zijn vertrek in 1875
bestond de jaarwedde van Reinders uit ƒ 2100,-.25
Nevenactiviteiten
In de eerste decennia van de negentiende eeuw
viel er in Nederland nog niets te bespeuren van
een economische ontwikkeling die gelijkenis vertoonde
met de industriële revolutie, zoals die zich
in de omringende landen aan het voltrekken was.
Pas rond 1850 begonnen de eerste veranderingen
zich af te tekenen, hetgeen ook het Zwolse economische
leven niet onberoerd liet. De eerste stoommachine
hier ter stede werd geplaatst in 1853 in de
ijzergieterij van G.J. Wispelweij & Co, toentertijd
een bedrijf met tweeënveertig arbeiders. De
fabriek van Krol, de machinefabriek aan de Veerallee,
de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen
en de Gemeentelijke Gasfabriek volgden, zodat
omstreeks 1875 al achtenveertig stoommachines in
bedrijfwaren.26
Bij deze industriële ontwikkeling speelde de
afdeling Zwolle van de ‘Vereeniging ter bevordering
van de Fabrieks- en Handwerknijverheid’ een
belangrijke rol. Reinders was lid van deze vereniging.
In 1853 bracht de vereniging een industrieschool
tot stand. Verder was er in Zwolle een
Commissie van Werkverschaffing waarin Reinders
als voorzitter zitting had. Deze Commissie
bracht verscheidene initiatieven naar voren, zoals
een ‘Vereerend Getuigschrift’ dat uitgereikt werd
aan arbeiders die meer dan twintig jaar in hetzelfde
bedrijf werkzaam waren geweest. Daarnaast
werden door de ‘Vereeniging’ prijsvragen uitgeschreven
waarbij een beroep werd gedaan op de
vindingrijkheid en beheersing van veel technieken.
De belangrijkste activiteiten die georganiseerd
werden waren de industriële tentoonstellingen.
De eerste tentoonstelling was in 1840, waar
slechts eenendertig inzendingen waren. Twintig
jaar later kwamen bijna duizend inzendingen binnen
en ongeveer vijfduizend bezoekers.27 Hoe
succesvol de tentoonstelling ook was, industrie
van enige omvang kwam er niet uit voort. Zwolle
had een gunstige geografische ligging, maar kapitaal
en grondstoffen ontbraken. Wat betreft Reinders
kan uit zijn optreden in deze commissies
opgemaakt worden dat hij zeer begaan was met de
industriële ontwikkeling van Zwolle.
Goede stadsbeambte
Reinders behoorde niet tot degenen die door hun
enorme prestaties een stempel op hun tijd zetten.
Hij had de maat van zijn omgeving en moet
beoordeeld worden in het verband van zijn tijd
om datgene, wat hij tot de bouwkunst heeft bijgedragen,
op de juiste betekenis te schatten. Door
alle gegevens die over de stadsarchitect te verkrij142
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen waren te verzamelen, is een beeld opgebouwd
van vooral de omstandigheden waaronder hij
werkte. Reinders heeft voor zover de bronnen
onthullen geen gebouwen ontworpen en uitgevoerd
in opdracht van particulieren in zijn vrije
tijd. Dit is niet met zekerheid te zeggen, omdat
geen persoonlijk dossier van hem is gevonden.
Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat zijn ontwerpen
voortkwamen uit opdrachten die hij als
stadsarchitect kreeg van de raad.
De stadsarchitect uit: de negentiende eeuw stak
in de communis opinio niet uit boven de gemiddelde
burgerman. Een dergelijke sfeer van eenvoud
lijkt te passen bij Reinders. Het is in dit verband
tekenend dat er van hem geen portret
bekend is. Vooral de eigenschappen ijver, toewijding,
stiptheid, zin voor orde, bereidwilligheid om
dienstbaar te zijn, maakten hem tot een goede
stadsbeambte.
* Dit artikel verscheen eerder, in uitgebreidere vorm,
in het Bulletin, orgaan van de KNOB (Koninklijke
Nederlandse Oudheidkundige Bond), 2OOO-4.
Noten
Gebruikte afkortingen:
GAZ Historisch Centrum Overijssel,
collectie voormalig Gemeentearchief Zwolle
AAZ01 Administratieve stadsarchieven
AAZ02 Administratieve stadsarchieven
DA002 Dienst openbare werken, 1842-1949
1 GAZ, AAZ02-24, Register van de Notulen van de
Gemeenteraad te Zwolle, 30 januari 1855.
2 GAZ, AAZ02-704,1 maart 1855.
3 GAZ, AAZ02-03123, Sterfte-statistiek 1865-1876,
21 juli 1870.
4 R. Vijfwinkel, K.P. Companje, W.J. de Geus en
M.M. Hegener, ’s Haags werken en werkers, 350 jaar
gemeentewerken (1636-1986), p.130.
5 Gemeentearchief Den Haag, Algemeen Verslag van
de Werkzaamheden en Notulen der Vergaderingen,
in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs
(Instituutsjaar 1889-1890), 11 februari 1890,
P-36-37-
6 GAZ, AAZ01-409, Register voor de ambtenaren
der Gemeente 1821-1842, artikel 1.
7 GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, artikel 3.
GAZ, AAZ01 art.8.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 3, art.4.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 4, art.4.
GAZ, AAZ01 art.16.
GAZ, AAZ01 art.17.
GAZ, AAZ02-3041, Instructies voor het gemeentepersoneel
1778, art.3.
B. Lamberts en H. Middag, Architectuur en stedebouw
in Overijssel 1850-1940 (Zwolle 1991) p.134.
GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, art.8.
W.A.Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle (1973 Zwolle) p.243.
Het Nationaal Archief, Tweede Afdeling, archief
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Vijfde
Afdeling Onderwijs, 1848-1876, inventarisnummer
755, no.93,5 april 1865, p.192.
GAZ, DA002-105,24 juli 1865, p.663.
L.H. Eberson, Ebersons Bouwkunst, Overzicht van
de onuitgegeven werken onzer Nederlandsche tijdgenooten,
uitgegeven tussen 1873-1875.
Het Nationaal Archief, 186,16 juli 1867, p.716.
Eberson, 1873-1875 Arnhem.
Jubileumcommissie, Gedenkboek; honderd jaar rhbs
Zwolle 1867-1967, p.20.
GAZ, DA002-461,21 september 1855.
GAZ, DA002-13,6 januari 1862.
Verslag van de Raad der Gemeente Zwolle 1875, p.8.
P.J.C, de Boer, De Zwolse ‘Fabrieks- en handwerknijverheidstentoonstelling’
van 1860, p.62.
De Boer, p.63.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 143
Het oude Sophia in ansichtkaarten
In 1884 werd op de hoek van de Rhijnvis Feithlaan
en de Nieuwe Vecht een uiterst modern
ziekenhuis geopend. De naam was ontleend
aan koningin Sophie (1818-1877), de eerste echtgenote
van koning Willem III. De Zwolse raad wilde
met deze vernoeming de nagedachtenis eren van
de koningin, die Zwolle op 18 juli 1874 had bezocht
en die zoveel voor de ziekenverpleging had
gedaan. In 1880 begon de bouw en op 1 oktober
1884 kon het ziekenhuis geopend worden. Het
ontwerp was van de toenmalige stadsarchitect J.L.
van Essen en kostte, compleet met inventaris,
ƒ70.000,-.
Sindsdien vond meermalen verbouwing en
nieuwbouw plaats. Op 13 maart 1915 werd een
nieuwe vleugel, die was ontworpen door stadsarchitect
Lourens Krook, met veel redevoeringen in
gebruik genomen. In 1935 kreeg het Sophia Ziekenhuis
een uitbreiding, van een voor die tijd
ongekend moderne architectuur. Stadsarchitect
Jan Gerko Wiebenga ontwierp de nieuwe vleugel
in de stijl van het Functionalisme.
Het Sophia bleef bijna negentig jaar aan de Rhijnvis
Feithlaan gevestigd. In 1972 verhuisde het hospitaal
naar de Ceintuurbaan aan de rand van de
stad. De hoofdingang kwam aan de Dokter van
Heesweg. Na de fusie met het ziekenhuis De Weezenlanden
in 1998 werd het Sophia Ziekenhuis een
locatie van de Isala-klinieken. Beide ziekenhuizen
willen in 2010 een nieuw gebouw betrekken, dat
op de grond van het nieuwe Sophia Ziekenhuis
moet verrijzen.
Van ziekenhuis tot kunstacademie
Op de zolderverdieping van het oude Sophia Ziekenhuis
was gedurende ruim twintig jaar kunstenaarsvereniging
Het Palet gehuisvest. In juli 2002
kreeg de vereniging van de gemeente Zwolle te
horen dat ze het pand zo snel mogelijk moest verlaten
om plaats te maken voor de kunstacademie
van Hogeschool Constantijn Huygens te Kampen.
Het voormalige ziekenhuis zal daartoe worden
verbouwd naar een ontwerp van architect Hubert-
Jan Henket. Henket heeft een nieuwe vleugel langs
de Nieuwe Vecht ontworpen die in stijl en hoogte
aansluit op het ontwerp uit de jaren dertig van
architect Wiebenga. Ook achter het hoofdgebouw
van het voormalige ziekenhuis komt nieuwbouw.
Het oude Sophia Ziekenhuis is eigendom van
de gemeente. Renovatie en nieuwbouw ten behoeve
van de Hogeschool Constantijn Huygens worden
op kosten van de gemeente uitgevoerd. De
totale kosten worden geraamd op ongeveer elf
miljoen euro.
Jeanine Otten
Zwolle
Jto-J-i
Het oude Sophia Ziekenhuis, ontworpen door stadsarchitect J.L. van Essen, geopend
1 oktober 1884. Prentbriefkaart uitgegeven door J.H. Schaefer te Amsterdam,
met poststempel Zwolle, 2 oktober 1901. (Collectie HCO)
144 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Sophia Ziekenhuis in 1950, vanuit de lucht.
Links de Nieuwe Vecht, rechts de Rhijnvis Feithlaan.
Op de voorgrond de nieuwbouw uit de jaren
dertig door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door Aerofoto KLM, met poststempel
Zwolle, 15 oktober 1956. (Collectie HCO)
Het trappenhuis in het Sophia Ziekenhuis, ontworpen
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever, zonderpoststempel.
(Collectie HCO)
Het gedeelte van het Sophia Ziekenhuis gebouwd
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven doorN.V. Vroom & Dreesman te Zwolle,
met poststempel Zwolle, 15 augustus 1948. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT H5
Uitzicht vanuit het trappenhuis naar het oudste
gedeelte van het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door H. Hartman te Zwolle circa 1935,
met poststempel Zwolle, 21 juli 1938. (Collectie
HCO)
De binnentuin van het Sophia Ziekenhuis, met links
het oudste gedeelte uiti884, rechts het gedeelte uit
1935- Prentbriefkaart uitgegeven doorH. Hartman
te Zwolle circa 1935, zonder poststempel. (Collectie
HCO)
De operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever,
zonder poststempel. (Collectie HCO)
146 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd
Boerderij van de familie
J. Logtenberg (geb. 1827)
aan de Assendorperstraat
O/387, tegenover
het latere kerk I kloostercomplex,
omstreeks
1887. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
Zwolle heeft, in tegenstelling tot de buursteden
Hattem en Kampen, in de vorige eeuw
niet te maken gehad met het uitplaatsen
van binnenstadsboerderijen. De boerderijen hier
bevonden zich al buiten de grachten. In Dieze,
voor de Kamperpoort en in Assendorp trof men
tal van kleine melkveebedrijven aan, die als neveninkomst
vaak ook nog groenten op de ‘koude
grond’ verbouwden.
De boerengezinnen zorgden doorgaans zelf
voor de afzet van de producten. Op sommige
boerderijen werd ook nog boter of kaas gemaakt,
maar vrijwel altijd werd geprobeerd de melkproducten
en de groenten aan het eigen klantenbestand
uit te venten.
Jan Logtenberg (1827-1896) die getrouwd was met
Gerridina Schutte, woonde vanaf 1861 aan de
Assendorperstraat O/387. Tegenover zijn boerderij
zou later, in 1902, de Dominicanenkerk en het
klooster verrijzen. Zowel van deze boerderij als
van het interieur is nog een foto aanwezig. Deze
twee foto’s geven een duidelijk beeld van hun
woon- en leefomgeving. Het is opvallend hoe de
familie zocht naar nieuwe afzetmogelijkheden
voor de melkproducten, met het doel meer omzet
en betere prijzen te behalen. Zoon Antonie (geb.
1866) bezat daarvoor een creatieve en zakelijke
geest.
Waarschijnlijk exploiteerde veehouder en
melkverkoper Jan Logtenberg samen met Antonie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 147
reeds vanaf 1895 een melksalon aan de Oude Vismarkt
36. Eind 1900 werd een herenhuis met tuin,
Diezerstraat E/33, later als 66 genummerd,
gekocht van de handelaar in ijzerwaren en landbouwwerktuigen
Oeds de Leeuw. Via een openbare
veiling deed deze het, met de aanwezige gaskronen
en gasarmaturen, onder het toeziend oog van
notaris Van Reede van de hand voor ruim veertienduizend
gulden. Timmerman Tijmen Disselhof
verklaarde ‘te hebben geboden voor Koopman
en Winkelier Antonie Logtenberg’. De verhuizing
van de Oude Vismarkt naar de Diezerstraat betekende
dat de zaak voortaan op een A-locatie was
gevestigd. De nieuwe salon was ook vanaf het
Gasthuisplein te bereiken. Op de tuinmuur daar
stond met forse letters aangegeven: ‘Melkinrichting
J. Logtenberg’.
De kroon op het werk
Begin september 1895 kreeg Zwolle hoog bezoek.
Koningin-regentes Emma en haar dochter het
jonge koninginnetje Wilhelmina waren enkele
dagen in Zwolle te gast. Het stadsbestuur, met
burgemeester jhr. W.C.Th, van Nahuijs voorop,
was al een hele tijd druk geweest met de voorbereiding.
Niet alleen moesten de feestelijkheden
goed verlopen, ook het bedrijfsleven zag een schone
kans zich bij dit bezoek te presenteren in de
hoop zo een graantje mee te pikken van dit niet
alledaagse gebeuren. Uniek was dat het koninklijk
bezoek eerst aan vier en later nog aan enkele andere
bedrijven een eervolle en blijvende herinnering
naliet in de vorm van een hofleverancierpredikaat.
Burgemeester Van Nahuijs heeft bij de verlening
daarvan zeker een belangrijke rol gespeeld.
J. Logtenberg ‘veehouder en melkverkooper’
aan de Assendorperstraat; de gebroeders F.G. en
D. Boerboom, die een zaak dreven in galanterieën
aan de Melkmarkt; de boven al genoemde handelaar
in ijzerwaren en landbouwwerktuigen O. de
Leeuw uit de Diezerstraat en de lakfabrikanten
A.C. en H. Klinkert in de Bloemendalstraat, handelende
onder de firma Klinkert & Co, zagen hun
wens om zich hofleverancier te mogen noemen,
bekroond.
Op 23 oktober 1895 werd hen via de hofcom-
Interieur van de boerderij
van de familie
Logtenberg aan de
Assendorperstraat.
Waarschijnlijk is deze
foto genomen in 1887.
Het meeste meubilair is
nog steeds in familiebezit.
Rechts van de
staartklok hangt een
geborduurd ‘trouwdoek’
uit 1861; het jaar
dat Jan Logtenberg en
Gerridina Schutte, de
ouders van Antonie,
trouwden. De foto is
vermoedelijk in de
zomer genomen, want
de kachel is verwijderd.
Op de kachelplaat staat
nu de Statenbijbel met
koperen sloten. Boven
de schoorsteen hangt
een ingelijste plaat met
een bijbelse voorstelling,
uitgegeven door Joh. de
Liefde. Op dezelfde
hoogte links daarvan
hangt een verzamelplaatvan
bekende kerkreformatoren
uit verschillende
landen. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
148 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
missie, de instantie die deze verzoeken behandelde,
een Vergunning verleend tot het voeren van
het Wapen van Hare Majesteit de Koningin-
Weduwe’. Burgemeester van Nahuijs berichtte op
25 oktober de hofcommissie, dat hij de bijbehorende
diploma’s had uitgereikt en de benodigde
verklaringen bijgaand en ondertekend terug
stuurde. Klinkert was kennelijk slechts gedeeltelijk
aan zijn trekken gekomen want de burgemeester
schreef in dezelfde brief: ‘laatstgenoemden [A.C.
en H. Klinkert] is meegedeeld, dat hun verzoek,
‘Aan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden
Mevrouw!
Geeft met den diepsten eerbied te kennen: Jan Logtenberg veehouder en melkverkooper
woonende in de Assendorperstraat te Zwolle;
dat hem de hooge eer te beurt gevallen is, tijdens het verblijf van Hare
Majesteiten de Koningin en de Koningin Regentes in de gemeente Zwolle,
twee malen per dag ter Hoogst derzelver gebruik, melk te mogen leveren aan
den Heer Commissaris der Koningin in de Provincie Overijssel;
dat hij vertrouwt dat op de qualiteit der geleverde melk in geen enkel
opzigt eenige aanmerking is gemaakt, maar zij integendeel in allen deele goed
zal zijn bevonden en dat hij dat vertrouwen grondt, allereerst op de omstandigheid
dat hij er eenen uitmuntenden veestapel op na houdt (zijnde hij
immers ter dier zake reeds tweemalen van wege de Geldersch Overijsselsche
Maatschappij van Landbouw met verguld zilver en zilver bekroond) en in de
tweede plaats op het feit dat hij vooral gedurende het verblijf der vorstinnen in
Zwolle, met buitengewone voorzichtigheid en nauwkeurigheid bij het melken
enz. is te werk gegaan;
dat hij zoo gaarne, mede als herinnering aan de onvergetelijke dagen van
2 tot 5 september 1895, verlof zoude bekomen om den titel van Hofleverancier
te voeren;
Redenen waarom requestrant met diepen eerbied Uwe Majesteit verzoekt;
Dat het Uwe Majesteit moge behagen, requestrant den titel van Hofleverancier
te verleenen.
Zwolle 9 september 1895
’t welk doende enz.
Jan Logtenberg.’
Transcriptie van de brief van Jan Logtenberg aan koningin Emma, gedateerd 9 september
1895. Moeder en dochter logeerden tijdens hun bezoek aan Zwolle in het
Gouverneurshuis, de residentie van de commissaris van de koningin. Logtenberg
refereert daarom in de brief aan zijn leveranties aan de commissaris.
1
om hun zaak Koninklijke Fabriek te noemen,
door Hare Majesteit niet is ingewilligd.’ Ook een
herhaald verzoek sorteerde geen effect.
‘In een der voorsteden’
Uit raadpleging van het Koninklijk Huisarchief
blijkt dat de toekenning van het predikaat hofleverancier
aan Logtenberg nogal wat voeten in de
aarde heeft gehad.
Een brief (zie kader) die Jan Logtenberg op
9 september 1895 aan de koningin-regentes stuurde,
straalt verbondenheid uit met het Koninklijk
Huis. Op een bescheiden manier vroeg hij daarin
om een blijvende herinnering aan de voor hem
onvergetelijke septemberdagen.
Zoals toen gebruikelijk moest de burgemeester
een nader onderzoek instellen en een standaard
formulier invullen over de aspirant hofleverancier.
Welnu, over de omvang van de zaak kon de
burgemeester kort zijn: ‘Groote omzet, behoort
tot de voornaamste melkverkoopers.’ De soliditeit
van de zaak was: ‘Hoogstgunstig’. Dat de zaak, in
dit geval, de boerderij, al vanaf 1829 had bestaan en
dat Logtenberg Nederlands Hervormd was, werkte
zeker in zijn voordeel. Maar op de vraag hoe het
uiterlijk voorkomen der zaak was en ‘of dezelve op
een gunstig gelegen stand in de gemeente gedreven
wordt’, antwoordde burgemeester van
Nahuijs vernietigend: ‘Onaanzienlijk en wordt
gedreven in één der voorsteden.’ Het advies van de
burgemeester luidde dan ook: ‘Wijl adressant tot
de boerenstand behoort en zijn zaak op een min
goeden stand wordt gedreven, wordt in overweging
gegeven het verzoek niet in te willigen.’
De hofcommissie nam het advies van de burgemeester
over en adviseerde de koningin-regentes
negatief. Toen de particulier secretaris van de
koningin het advies bestudeerd had en met Emma
had gesproken, gaf het hem aanleiding een brief
op poten terug te sturen naar de hofcommissie.
De koningin was namelijk wel bereid aan Logtenberg
het wapen te verlenen, ‘en overigens, [zo
deelde de secretaris mee] een Veehouder en Melkverkooper
wel meestal niet in het midden van
eene stad zal wonen, en veelal een boer zijn zal.’
De opstelling van koningin Emma en haar
manier van handelen in deze zaak komt precies
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 149
overeen met wat haar dochter Wilhelmina ruim
vijftig jaar later over haar moeder schreef: ‘Zij
[Emma] dreef de spot met hoogmoed, ijdelheid
en het zich verhovaardigen of op iets laten voorstaan.’
Min of meer gedwongen schreef vervolgens de
hofcommissie opnieuw aan burgemeester van
Nahuijs. In deze brief werd nog eens fijntjes meegedeeld
dat het voor de koningin welhaast vanzelfsprekend
was dat een boer niet in de binnenstad
zou wonen.
Van Nahuijs berichtte op 11 oktober 1895 dan
ook maar terug dat ‘aangezien Hare Majesteit wel
geneigd blijkt te zijn aan Logtenberg het wapen te
verkenen, er thans voor mij geen overwegende
redenen meer bestaan bij het door mij gegeven
afwijzend advies te volharden.’
Wellicht behoort Logtenberg tot de weinige
boeren en plattelanders die hofleverancier werden
en zó hoffelijk en met respect door de Kroon zijn
benaderd.
Melksalon de Kroon
Eén van de eerste acties die de vier Zwolse bedrijven
na de toekenning van het hofleverancierpredikaat
ondernamen was het laten gieten van de
hofleverancierborden bij het gerenommeerde
bedrijf ‘De Pletterij’ te Den Haag. Zo’n bord aan
de gevel hielp sterk mee om de naamsbekendheid
te vergroten en een zaak nog meer uitstraling te
geven.
Voor de melksalon van vader en zoon Logtenberg,
die voortaan ‘Melksalon de Kroon’ heette,
werd ook het servies aangepast en voorzien van de
opdruk: ‘J. Logtenberg Hofleverancier, veehouder
en melkverkooper Zwolle’. Eén kopje uit 1895
prijkt nog steeds in de oude vitrinekast van de
familie.
‘T is Oranje, ’t blijft Oranje
Ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina
op 31 augustus 1898 werden ook in Zwolle voorbereidingen
voor een feest getroffen. De familie Logtenberg
trok, ditmaal in de persoon van Antonie,
opnieuw de aandacht. Weer probeerde hij het
bedrijf te promoten, door op die dag mee te rijden
in de feestelijke optocht. Zijn melkventerswagen
was voor die gelegenheid omgetoverd tot een waar
kunstwerk waarin de Peperbus boven alles uittorende.
De afbeelding van de jonge vorstin prijkte
in het midden en natuurlijk stonden achter op de
wagen prachtige gepoetste koperen melkbussen.
Ook waren er rijtuiglampen bevestigd. De
opbouw van de wagen was geheel onzichtbaar
door een prachtig, rondom de wagen gehangen,
gekleurd doek met daarop het jaartal 1898, het
devies van de Oranjes ‘Je Maintiendrai’ en daarboven
de kapitale letter W van Wilhelmina. Het
zogenaamde Wilhelminalaken werd geleverd
door de firma Hes & Co in de Diezerstraat. Om
extra kracht bij te zetten was de wagen voor deze
gelegenheid bespannen met twee paarden.
De volgende dag berichtte de Zwolse Courant:
‘De keurige wagen van de firma Logtenberg verwierf
de tweede prijs. Niettegenstaande de kleinere
afmetingen had men hier op zeer smaakvolle
wijze alle attributen van het bedrijf weten aan te
brengen, en ’t geheel maakte, wat juist bij een
melkfirma past, een indruk van groote netheid en
helderheid.’
Gevel van de achteringangvan
‘Melksalon de
Kroon’ aan het Gasthuisplein.
Tekening uit
het verbouwingsplan
voor de heren Wulffen
Wachters ten behoeve
van een bioscoop en
theater, 1911. (Collectie
HCO)
te qualltott MEIiK,
OUDE VISCHMARKT /’ZWOLLE.
Tloerilerijeu te lttersimi on Oldeiiucl.
Deze reclamekaart is waarschijnlijk gedrukt in 1895, het jaar dat Logtenberg hofleverancier
werd. Op het origineel staan de spijlen van het hek opengewerkt in de
kaart, veel fraaier dan op een afdruk is aan te geven. Het hofleverancierbord is
duidelijk zichtbaar in de linkerbovenhoek. (Collectie Dijk/Logtenberg)
150 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Versierde melkwagen
van de familie Logtenberg-
ter Molen ter ere
van het kroningsfeest
van koningin Wilhelmina,
31 augustus 1898.
De Peperbus torent
boven de kunstige versieringen
op de wagen
uit. Op de bok van de
wagen zitAntonie Logtenberg,
zijn broer Gerrit
staat voor de paarden
(kijkt in de lens).
(Foto J.J.D. de Graaf.
Collectie Dijk/Logtenberg)
De duizenden bezoekers en feestgangers in de
stad moeten er, net als Antonie zelf, wel van genoten
hebben.
W-.WËÊK.W
Het prachtige en kleurrijke doek waarmee de wagen van Logtenberg tijdens de
optocht op31 augustus 1898 was behangen. (Foto H. van Dijk)
Blijvende herinneringen aan de Kroon
Tot 1911 kon men bij Logtenberg in de Diezerstraat
heerlijk genieten van een kopje melk, chocolademelk
of koffie en wellicht ook van andere zelfbereide
producten, zoals dikke melk. Wat precies de
aanleiding voor de opheffing van de zaak was, valt
niet meer met zekerheid te achterhalen maar een
sterk vermoeden is er wel. Al vanaf 1903 kon men
in de suite achter de melksalori ook genieten van
natuurpanorama’s uit andere landen. Deze attractie,
door Antonie dan ook Wereldpanorama
genoemd, bood voor enkele stuivers de mooiste
reisimpressies uit verre landen. De Zwolse Courant
had het panorama ook bezocht en schreef op 4
februari 1903: ‘Voor menschen met een beperkte
beurs, die niet in de gelegenheid zijn de natuur
daar ginds zelf te gaan bewonderen, is deze inrichting
een uitkomst en men zal zijn geld zeker niet
beklagen.’
Hoewel er nog geen sprake was van film, werd
Diezerstraat 66 al wel bekend als een plek in Zwolle
waar programma’s met bewegende (fotobeelden
te zien waren. Twee exploitanten van bioZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 151
scooptheaters in Groningen, L.H.J. Wachters en
F.Chr.H.E. Wulff, raakten geïnteresseerd in deze
nevenactiviteiten van Logtenberg. Het pand in de
Diezerstraat werd op 7 april 1911, ruim tien jaar
nadat het werd gekocht, weer van de hand gedaan
en voor een stevige prijs op naam van de Groningers
overgeschreven. Ruim achtduizend gulden
winst leverde deze transactie voor Logtenberg op.
De volgende maand reeds diende de Zwolse
architect Douwe de Herder namens zijn
opdrachtgever Wulff een verbouwingstekening in
bij de gemeente voor een ‘bioscope’. Boven de verbouwde
onderpui moest voortaan volgens tekening
in kapitalen prijken: BIOSCOOP –
THEATER – DE KROON.
Bioscoop de Kroon bleef ruim tachtig jaar op
dezelfde locatie in de Diezerstraat gevestigd.
Tegenwoordig bevindt dit filmtheater zich in een
nieuw pand aan de andere kant van het Gasthuisplein,
maar de naam ‘De Kroon’ is er nog steeds
aan verbonden. Jan Logtenberg uit Oldeneel, in 1943 in opdracht van zijn klanten gefotografeerd
op deEekwal. Aan de achterkant van de foto is vermeld: ‘Ondergetekenden (35),
allen afnemers van uw producten, hebben met veel genoegen aan uw op uw 40-
jarig jubileum gegeven huldeblijk bijgedragen’. Jan, beter bekend als ‘Dikke Jan’,
woonde bij het Kleine Veer en was een zoon van Berend Jan, de oudste broer van
Antonie Logtenberg. Net als de versierde wagen van Antonie was ook deze wagen
van het type kaasbrik. Achter op de wagen zijn twee koperen melkbussen zichtbaar.
(Collectie Dijk/Logtenberg)
Het bewaard gebleven wapenbord zoals het aan de gevels van de melksalons aan
de Oude Vismarkt en de Diezerstraat en de boerderij aan de Kleine Veerweg
heeft gehangen. De kleuren zijn door het overschilderen niet meer oorspronkelijk.
Dit model wapenbord van Koningin Emma werd vervaardigd in de periode
1891-1898. Het wapen rechts is dat van Koningin Emma, eronder is in het Latijn
haar devies vermeld: ‘Palma sub ponder e crescit’, de palm groeit tegen de verdrukking
in. Helemaal onderaan staat nog duidelijk leesbaar ‘Pletterij Den
Haag’, de naam van het bedrijf dat het bord goot. (Foto H. van Dijk)
152 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een kopje uit 1895,
gebruikt in de melksalons
van Logtenberg.
(Foto H. van Dijk)
Logtenberg uut de Krone
Natuurlijk werd na het sluiten van de melksalon
en de daarop volgende verbouwing tot bioscoop
het hofleverancierbord verwijderd. Na enige tijd
werd dit, wellicht in strijd met de gedragscode,
bevestigd aan de nog nieuwe boerderij van Gerrit
Logtenberg, de negen jaar jongere broer van
Een advertentie van
‘Melksalon de Kroon’
in de ‘Zwolse Courant’
van 21 juli 1902.
ZWOtlB
„De fan”
Diezerstraat E 33
Aanbeeeletid
Firma J. LOGTENBEBG
HOFLEVERANCIER
Antonie, aan de Kleine Veerweg 5 in Schelle. Daar
hangt het ook al sinds lang niet meer, want in 1940
viel het oog van de Duitsers er op en moest het
weg. De drie bevestigingspunten in de voorgevel
zijn nog wel steeds duidelijk zichtbaar. Gelukkig is
het bord bij alle consternatie in die tijd niet verloren
gegaan. Hoewel het is overgeschilderd en de
originele kleuren niet meer aanwezig zijn, wordt
het nog zeer gave bord zorgvuldig door de familie
bewaard. Ook in Schelle had het bord een functie.
Enkele ouderen uit de buurtschappen Schelle en
Oldeneel herinneren zich nog dat ter onderscheiding
van andere in de omgeving wonende Logtenberg’s,
deze familie werd aangeduid met: ‘Logtenberg
uut de Krone’.
Literatuur
M.R. van der Krogt, Een koninklijk gebaar. Hofleveranciers
in Nederland. Zaltbommel 2000
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 153
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’
Voor ons ligt een bruinige foto (albuminedruk)
van 16,5 x 22,5 cm met de afbeelding
van een menigte die zich verzameld heeft
voor de kazerne van de Koninklijke Marechaussee,
in de bocht van de paardentram. Links hangen
twee jongens zelfs in de lantaarnpaal om alles
goed te kunnen zien. In het midden staat een lijkkoets,
een zogenaamde zijlader, met opgenomen
gordijnen, getrokken door twee paarden met dekkleden.
Wat meer naar links zijn nog twee landauers
(schuitjesmodel) te zien. Voor de lijkwagen
staan soldaten van de landwacht met muziekinstrumenten
en wat meer op de voorgrond een
groepje marechaussees. Het publiek is zomers
gekleed, tussen de vele pettendragers en vrouwen
in Zwolse dracht zien we ook mannen, vrouwen
en kinderen met strohoeden. De stoet staat op het
punt zich in beweging te zetten.
De foto, gemaakt door de Zwolse fotograaf PJ.
Bieseman (1860-1931), werd in 2003 aan het Historisch
Centrum Overijssel geschonken door de
heer Th.J.C. (Dick) van Zuidam te Elburg. Zijn
grootvader, Augustinus Franciscus Verbeke
(geboren 2 mei 1880 te IJzendijke) was in de periode
dat deze gebeurtenis plaatsvond brigadier bij de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle. Hij staat
ongetwijfeld in het groepje brigadiers voor de
kazerne. De kazerne was van 1889 tot 1931 op Beestenmarkt
7 (later Harm Smeengekade) gevestigd.
Vóór 1889 was dit het logement ‘de Zeven Provinciën’,
vanwaar de omnibussen naar het Katerveer
vertrokken om de passagiers naar de boten der
Rijn- en IJsselstoombootmaatschappijen te brengen.
De kazerne verhuisde in 1931 naar de nieuwe
kazerne aan de Meppelerstraatweg 19.
Arnoldus Hoekstra
De gebeurtenis zelf betreft de uitvaart van marechaussee
Arnoldus Hoekstra op 9 augustus 1902.’
Arnoldus Hoekstra (geboren 13 december 1875 te
Wijtgaard) werd op 5 augustus 1902 als marechaussee
te paard van de te Ommen gevestigde
Brigade Koninklijke Marechaussee bij de achtervolging
van een stroper neergeschoten.
Bij de aanleg van de spoorlijn Zwolle-Ommen
in 1902 waren in Ommen veel personen werkzaam.
Onder hen bevond zich een veertigtal
grondwerkers uit Noord-Brabant, die daar
gehuisvest waren in een keet en die zich in hun
vrije tijd bezig hielden met wildstropen. De marechaussee
verrichtte daarom speciaal dienst in het
jachtveld.
In de namiddag van 5 augustus 1902 waren de
marechaussees Hoekstra en De Lange, beiden
ongehuwd en plichtsgetrouwe, dienstijverige
ambtenaren, met toestemming van hun brigadecommandant
vrijwillig het veld ingetrokken om te
proberen een wildstroper te pakken. Omstreeks
acht uur ’s avonds ontdekten ze in de buurt van de
spoorbrug over de Regge in de buurtschap Giethmen
drie stropers waarvan één in het bezit was van
een geweer. De achtervolging werd onmiddellijk
ingezet. Hoekstra was de stroper met het geweer
tot op zeer korte afstand genaderd toen deze zich
omdraaide, het geweer op Hoekstra richtte en een
schot loste. Hoekstra werd dodelijk in de borst
getroffen. Hij had nog net kans gezien om zijn
revolver te grijpen en een schot te lossen, maar
zonder de stroper te raken. De getroffene werd
naar Ommen vervoerd, waar de plaatselijke arts
dr. Warnsinck direct ter plaatse was. Hij kon echter
geen hulp meer verlenen. Hart, long, lever en
maag waren doorboord, zodat de dood spoedig
intrad. Bij de lijkschouwing in het Sophia Ziekenhuis
door de artsen Frank en Vitringa bleek dat
Hoekstra door 63 hagelkorrels was getroffen,
waarvan enkele tot aan zijn ruggegraat waren
doorgedrongen. Daar marechaussee De Lange de
Jeanine Otten
154 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijkwagen met het stoffelijk
overschot van
marechaussee A. Hoekstra
voor de kazerne van
de Koninklijke Marechaussee
te Zwolle op
Beestenmarkt 7 (nu
Harm Smeengekade),
p augustus 1902. (Foto
P.J. Bieseman, collectie
HCO)
dader had gezien, leverde de arrestatie weinig
moeilijkheden op. Dezelfde avond werden in de
eerder genoemde keet vijf polderwerkers gearresteerd.
De dader was een zekere Jacobus van Groese,
24 jaar oud, uit het Brabantse Wagenberg. Hij
ontkende dat hij op Hoekstra had geschoten. Het
geweer was volgens hem per ongeluk afgegaan
toen de marechaussee hem naderde. Van Groese
werd te Zwolle veroordeeld tot een gevangenisstraf
van zes jaar, wegens het opzettelijk aan een
ander toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de
dood ten gevolge hebbend.2
De begrafenis
Het lichaam van Arnoldus Hoekstra werd op
zaterdag 9 augustus 1902 op plechtige wijze ter
aarde besteld op het rooms-katholieke kerkhof te
Zwolle. Een grote menigte had zich voor de kazerne
aan de Beestenmarkt verzameld om de laatste
eer te bewijzen. Om half twaalf zette de stoet zich
in beweging, voorafgegaan door de muziek van
het instructie-bataljon te Kampen. Uit de hele
divisie waren afgevaardigden gezonden. Op de
baar lagen zes kransen, van de officier van Justitie
te Zwolle, van de burgemeester en van de bevolZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 155
king van Ommen, van de officieren en van de
marechaussee der derde divisie en ten slotte van
zijn kleine vriend Alex Warnsinck. De degen en de
sjako rustten op de kist. De slippen van het lijkkleed
werden gedragen door vier marechaussees,
de naaste kameraden van de overledene, waaronder
De Lange. Enige rijtuigen met familieleden
volgden het stoffelijk overschot.
Met dof tromgeroffel en treurmuziek trok de
stoet langzaam door de Zwolse straten, een dichte
mensenhaag aan weerszijden. Aan het graf werd
Hoekstra door zijn chef de divisie-commandant
majoor W.M. Wijnaendts geprezen als een braaf
en rondborstig mens, door iedereen geacht, maar
ook als een kranige politiedienaar. Daarna sprak
de commandant van het district Zwolle, eerste luitenant
P. van Oort, en tot slot de burgemeester
van Ommen, jhr. J.L. van Nahuijs. Hiermee was
de plechtigheid, die tevens werd bijgewoond door
de president van de arrondissementsrechtbank te
Zwolle, mr. W.F.E. baron van Aerssen, rechter mr.
P.C.A. Sichterman en de officier van justitie mr.
J.P. van Outeren, afgelopen en verlieten de familieleden
en aanwezigen bewogen het kerkhof.
‘Vooral de verloofde van Hoekstra kon men het
aanzien hoeveel zij verloren had aan hem, die haar
het liefst op aarde was’, besloot de Zwolse Courant
haar verslag van 11 augustus 1902.
Noten
1 Een andere foto, enkele ogenblikken later genomen,
werd met het bijbehorende verhaal afgedrukt in De
Prins op 22 augustus 1902.
2 Zwolse Courant, 7 en 8 augustus, 1902; De Prins,
22 augustus 1902, Guldenboek Marechaussee, 1971,
p.22.
156 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en
Jennie Pruim Langzaam ploegend door de notulen van de
hervormde kerk van Zwolle valt het op hoeveel
beroering er in de kerkenraad kan ontstaan
als er iets mis gaat met trouwbeloften.
Als je omstreeks 1650 iemand trouwbeloften
deed in tegenwoordigheid van twee getuigen,
ouders, vrienden of twee eerlijke mensen en je wilde
later die beloften intrekken, dan moest je daar
heel goede redenen voor aanvoeren. De kerkenraad
of de schepenen moesten daar dan hun goedkeuring
aan geven. Heimelijke trouwbeloften
moesten, als er iets mis ging, bewezen en aannemelijk
gemaakt worden door schriftelijke bewijzen,
brieven of documenten, of door het afleggen
van een eed. In tegenstelling tot wat in de tijd
daarvoor gebruikelijk was (de katholieke tijd) kon
je geen recht ontlenen aan de simpele verklaring
dat je elkaar ‘heimelijke trouwbeloften’ had
gedaan.
Ouders konden, zonder opgave van redenen,
het huwelijk van minderjarige kinderen tegenhouden.
Waren de kinderen meerderjarig en de
ouders waren het niet eens met de gegeven trouwbeloften,
dan beslisten de kerkenraden of de schepenen.
Ondertrouwde en verloofde personen die
zich bij de kerkenraad hadden laten aantekenen
werden drie zondagen in de kerk geproclameerd
of afgekondigd. Je werd geacht binnen vier weken
na de laatste afkondiging te trouwen in de hervormde
kerk. Het kerkelijk huwelijk gold ook als
burgerlijk huwelijk. Wilde je thuis trouwen of in
een andere gemeente, dan moest daar weer goedkeuring
voor gevraagd worden en het kostte extra
geld. Als de bruiloft te lang werd uitgesteld, vielen
er boetes.
Om gewichtige redenen
In de notulenboeken van de Zwolse hervormde
kerk zijn het zowel de vaders als de moeders die
met hun zorgen over hun kinderen naar de kerkenraad
gaan. Zo komt op 28 maart 1665 de vrouw
van Hendrick Camphuys de heren vertellen dat
haar zoon zich wel met Engele Berents heeft verloofd,
maar toch niet denkt haar te trouwen, ‘om
gewichtige redenen’, zegt zij. Zij en haar man
mogen het meisje niet, dus, heren, als Engele soms
mocht komen om zich te laten inschrijven voor de
huwelijksvoltrekking, wilt u haar dan zeggen dat u
dat niet doet?
Goed, mevrouw, zeggen de heren, maar als het
meisje uit zichzelf naar de magistraat gaat vanwege
verbroken trouwbeloften dan kunnen wij daar
weinig tegen doen.
De term ‘om gewichtige redenen’ wordt in dit
verband vaak gebruikt. De moeder heeft in dit
geval de kerkenraad kennelijk kunnen overtuigen
dat het meisje een slechte naam heeft, of haar
ouders. Om redenen van privacy, veronderstellen
wij, wordt dat niet met alle details in de notulen
opgenomen.
Het ja-woord en de getuigen
Op 10 april 1662 komt Jan Berentsen Roubol met
zijn zoon Berent Jansen Roubol naar de kerkenraadsvergadering
om te vertellen dat ze op
21 februari in het huis van Lucas Hermsen waren
en dat toen de vrouw van Lucas had toegestemd in
een huwelijk tussen Berent en haar dochter
Gesien: ‘dat sij oock daerop de hant aen de jongman
hadde gelanght ende dat de dochter oock
geseijt hadde dat sij wel daermede tevreden was,
als de moeder tevreden was ende dat sij selff oock
hem als haeren bruydegom de hant hadde gegeven.’
Daarna moet iemand op die belofte zijn teruggekomen
maar Berent, met de steun van zijn
vader, wil het er niet bij laten zitten en roept getuigen
op.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 157
Minnend paartje.
Tekening door Gesina
Terborch, 1653. (Uit:
Drawings from the Ter
Borch Studio Estate 2)
Eerst komen Gesien en haar moeder op het
matje. Het meisje zegt dat de jongen haar wel
trouw had aangeboden, maar dat zij die nog niet
aangenomen had. Maar dat zij de volgende zondag
in aanwezigheid van haar vrienden dat had
willen doen.
Berent wordt om commentaar gevraagd. Hij
geeft toe dat Gesien gelijk heeft maar dat Gesien
en haar vrienden, op aandringen van haar moeder,
samen op het welvaren van bruid en bruidegom
gedronken hebben en dat Gesien de vader
van Berent vader had genoemd. En dat ze, toen ze
een paar dagen tevoren met Berent aan het wandelen
was, hem beloofd had dat ze hem nooit zou
verlaten. Gesien wordt weer binnen geroepen,
maar die houdt vele slagen om de arm. Dan wordt
het tijd voor de eerste getuige: Annechien Peters,
dienstmaagd van Roubol. Ze is er niet bij geweest
toen de trouwbeloften gedaan werden, maar ze
zegt dat ‘Berent Jansen Roubol ende sijn vader alsoock
de moeder van Gesien Jans haer geseyt hadden,
dat het houlijck soo verre was dat het moste
voortgaen, dat sij selff mede op ’t welvaren van
’t houlijck hadde gedroncken. Hadde oock
gehoort dat de jonge luyden de ouders onder
maelkanderen vader ende moeder noemden.’
Dan wordt Annechien Claessen, dienstmaagd
van Lucas Hermsen, gevraagd wat zij van de zaak
weet en zij zegt dat zij haar mevrouw tegen Roubol
heeft horen zeggen dat zij toestemt-in het huwelijk
als de vrienden van haar dochter er ook mee
instemmen (vrienden waren familieleden, ook de
ouders).
Hoe dit geval afgelopen is? Kennelijk is de
weerspannige bruid op haar stuk blijven staan, of
hebben de vrienden haar het huwelijk afgeraden,
want in dat zelfde jaar (1662) gaat Berent Jansen
Roubol in ondertrouw met Catharina Trebes. In
1665 laat hij een zoon Joannes dopen en in 1666
een dochter Catharina.
158 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Interieurfoto van de
Grote Kerk, met zicht
op de preekstoel en het
koorhek, die allebei in
de beschreven periode al
aanwezig waren. De
kerken raadsvergaderin –
gen vonden plaats in de
oude consistoriekamer
van de Grote Kerk.
(Collectie HCO)
Lieve(r) Annichjen
Een zekere Berent Berents komt er onverwacht
gemakkelijk vanaf als Lysbet Roeberts in februari
1664 bij de kerkenraad komt klagen dat Berent
haar trouwbeloften heeft gedaan en haar ook
beslapen heeft, maar haar daarna heeft laten zitten
en nu met Annichjen Jans gaat. Als Berent
gevraagd wordt waarom hij zich zo misdragen
heeft, zegt hij koeltjes dat dat allemaal wel waar is,
maar dat hij: ‘weersin krijgende in Lysbeth,
wederom was gegaan naar Annichjen.’ Daar
wordt deze keer door de kerkenraad niet zwaar
aan getild en het wordt aan Lysbeth overgelaten of
ze er een rechtszaak van wil maken.
Ringetjes en ducatons
Willem Gerrits, een jonge man uit Heino, komt
op 2 oktober 1666 naar de kerkenraadsvergadering
om mee te delen dat het meisje waarmee hij denkt
sinds een halfjaar verloofd te zijn, nu haar huwelijk
met een ander aankondigt. En hij had haar bij
de verloving nog wel een ducaton gegeven ter
bezegeling van zijn trouw. (Hoeveel die ducaton
waard was is niet na te gaan. Je had zilveren ducatons
ter waarde van drie gulden en gouden
ducatons die zes gulden waard waren).
De kerkenraad roept het meisje, Hermtien
Derks, op om verantwoording af te leggen en ze
komt samen met haar moeder. Ze ontkent dat ze
de jongeman trouw beloofd had, ze had alleen
maar stil gezwegen. En wat die ducaton betreft, ze
had geen idee gehad wat dat was en ze had hem
ook terug willen geven aan Willem, maar die had
hem niet willen aannemen.
En de moeder verklaart dat zij, toen haar
dochter haar de ducaton had laten zien, het meisje
opdracht had gegeven hem terug te sturen. Met
een briefje erbij dat haar moeder het huwelijk
nooit goed zou keuren en dat zijzelf ook niet met
hem wilde trouwen.
De kerkenraad heeft daarna Willem Gerrits
‘eernstlik en met vele reden vermaant Hermtien
niet te begeeren tot een huysvrou.’ En als hij voet
bij stuk wilde houden, dan moest hij zich maar
wenden tot de magistraat, maar ze raadden hem
dat ten sterkste af, want Hermtien is minderjarig.
De jongeman verzet zich met hand en tand en
roept dat hij wel eens eventjes naar de magistraat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 159
zal gaan. Maar al op 9 oktober blijkt dat Willem
‘door een brieften van sijn eygen hant Hermtien
heeft vrij gekent.’ Hij had zich plotseling herinnerd
dat hij zijn ducaton indertijd toch terug
gekregen had en daarmee was de zaak afgedaan.
De weduwe
Ook de zorgen van de weduwe van Arent Lentink
zijn groot als ze heeft ontdekt dat haar dochter,
‘litmaet van onse kerk, sig met de soon van Peter
van Berkum, een paaps jongman, soo ver te buyten
gegaen heeft dat sij malkander troubeloften
gedaen ende een ringetien [ringetje] wedersijts op
trouw gegeven hebben’ en ze wendt zich op
25 februari 1668 tot de kerkenraad om haar ‘de
hant te willen bieden om dat huwelijk te stuyten’.
De kerkenraad is het met de moeder eens: de kans
dat het meisje ‘in de blintheijt des pausdoms’ zal
vallen en dat ‘de kinderen die uyt sodanigen
huwelik geprocreeert mogten werden, tot de
paapsche afgoderie souden afgetrocken werden’ is
groot. Daarom worden dominee Crans en ambtman
Boelen namens de kerkenraad er op af
gestuurd om de zoon van Peter van Berkum te
intimideren, zodat hij het meisje het ringetje zal
teruggeven.
Het meisje wordt ook onder druk gezet. Ze
haalt onmiddellijk bakzeil en verklaart dat ze
nooit toestemming had willen geven als haar moeder
het niet goed zou vinden, maar de jongen
houdt voet bij stuk! Wat de hele boze wereld ook
doet, hij geeft het ringetje niet terug. Het feit dat
de jongelui elkaar een echt ringetje hebben gegeven,
ligt iedereen zwaar op de maag en kan niet
zomaar over het hoofd worden gezien. De wederzijdse
ouders werken er naar toe, dat de geliefden
elkaar officieel en ‘vrijwillig’ de ringetjes weer
terug zullen geven.
Op de volgende kerkenraadsvergadering komt
de jonge ridder niet zelf, maar wordt vertegenwoordigd
door zijn moeder. Die verklaart dat zij
zelf ook niet gelukkig is met dit voorgenomen
huwelijk, maar dat haar zoon het ringetje absoluut
niet wil teruggeven.
Dan grijpt de kerkenraad met harde hand in
en laat de jongen en het meisje arresteren en voor
de magistraat (=stadsbestuur) brengen. Daar zakt
f
de dappere ridder de moed in de schoenen en hij
geeft het ringetje aan het meisje terug; zij accepteert
het en hij accepteert het hare.
Hoe hard kan het leven toch zijn voor jonge
geliefden. Maar: de orde is hersteld, het jonge paar
wordt weer op vrije voeten gesteld en iedereen
gaat opgelucht naar huis. Over het liefdesverdriet

Lees verder