Categorie

2010

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 4

Door | 2010, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

27e jaargang 2010 nummer 4 – 7,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Achter de IJssel begint
het land … Ben Kam
Suikerhistorie
(Collectie ZHT)
Wim Huijsmans
Omslag: Eenzame man op de hoogste boog van de IJsselbrug in
aanbouw (1929). (Collectie HCO)
Ben Kam …
De Harmonie, ca. 1960
In dit Kam-nummer mag De Harmonie niet
ontbreken. Niet alleen omdat dit gebouw zo’n
centrale plaats inneemt aan de Grote Markt en tal
van prominenten binnen zijn muren heeft gehad.
Maar ook omdat in de zeventiende eeuw op deze
plek een huis gestaan heeft met de naam de
Gouden Kam. Ben Kam verdient vanwege zijn
lange staat van dienst voor de Zwolse geschiedbeoefening ook goud. Twee gouden Kammen verbonden aan één suikerzakje.
De eerste steen voor De Harmonie werd
gelegd op 21 juni 1828. Afgezien van de Gouden
Kam stonden op de hoek Grote Markt/Melkmarkt vier huizen, die tegen de vlakte gingen om
plaats te maken voor een nieuw sociëteitsgebouw.
In de Koestraat was de Grote Sociëteit gevestigd,
bedoeld voor de upperten van Zwolle. De Harmonie functioneerde als sociëteitsgebouw voor
de heren, die daar net onder kwamen, de gegoede
en deftige burgers. Vóór De Harmonie stonden
tot aan de Eerste Wereldoorlog elke ochtend en
avond boeren en boerinnen in klederdracht in een
lange rij opgesteld om melk en eieren te verkopen.
De Harmonie diende tot in de jaren dertig als
sociëteitsgebouw. Op de bovenverdieping vonden
en vinden tal van activiteiten plaats zoals vergaderingen, feesten, exposities en ontvangsten. In 1851
werd Thorbecke een serenade gebracht door leden
van de sociëteit en in 2010 hield Van Agt er nog
een lezing over het Palestijnse volk voor studenten
van de Hogeschool Windesheim.
Onlosmakelijk verbonden met De Harmonie
zijn de namen van Jan Stappenbeld en Grolsch.
De bekende Zwolse horecaman begon in 1949 een
café-restaurant in De Harmonie. Het biermerk
stond tientallen jaren meters breed op het dak en
later in groene neonletters op de gevel.
De Harmonie op de Grote Markt, december 2010. (Foto Jan van de Wetering)
146 zwols historisch tijdschrift146 zwols historisch tijdschrift 147
Een gepassioneerd erelid
Het is weinigen gegeven om een lemma te krijgen als
bekende Zwollenaar in de serie Zwolle mijn stad. Ben
Kam heeft maar liefst een hele kolom gekregen. Het is
weinig Zwollenaren gegeven om op geheel eigen wijze een aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift te mogen vullen. Uit
beide feiten mag worden geconcludeerd dat Ben Kam een bijzonder persoon is in de Zwolse historische wereld. Een terechte
conclusie. Ben Kam’s historische belangstelling werd gewekt
door het huis aan de Koestraat waar hij in 1964 kwam wonen.
Over de huizen aan de zuidzijde van de Koestraat ging zijn eerste wetenschappelijke historische artikel. Vele zouden er volgen
over van allerlei, veelal Zwolse, onderwerpen. Uit de enorme
hoeveelheid beeldmateriaal die Ben Kam’s handen is gepasseerd
als vrijwilliger in het HCO, heeft hij voor dit nummer van het
ZHT een keuze gemaakt van foto’s met een verhaal. En al die
verhalen zijn weer ingeweven in Ben’s eigen levensverhaal. Dat
tezamen heeft een nummer opgeleverd dat een rijk geïllustreerde persoonlijke geschiedenis van Zwolle kan heten.
Ben Kam is erelid van de Zwolse Historische Vereniging.
In 1990, na zijn pensionering als huisarts, nam hij zitting in het
bestuur. Van 1996 tot 1998 was hij voorzitter. In deze periode
heeft hij ontzettend veel voor de vereniging gedaan, met name
op het gebied van ledenwerving en naamsbekendheid. Maar
ook na zijn bestuurstijd bleef Ben actief voor de vereniging.
Ben Kam is voor de Zwolse Historische Vereniging van
onschatbare waarde geweest. Het was een van de podia waar hij
uiting gaf aan zijn passie: de Zwolse geschiedenis.
Frank Inklaar,
Zwols Historisch Tijdschrift /
Zwolse Historische Vereniging
De vrijwilliger
De vrijwilliger, een onmisbare kracht in de erfgoedsector. Zonder vrijwilliger, geen goede publiekstoegankelijkheid van archieven. Naast de structurerende professionele archivaris is de vrijwilliger altijd een trouwe steun en
toeverlaat geweest voor archieven bij het beschrijven van akten
en foto’s op ‘stuksniveau’. www.Genlias.nl , de meest bezochte
website van de overheid, was zonder vrijwilligers een onmogelijk project geweest.
Bij het Historisch Centrum Overijssel werkte zo’n vrijwilliger, de heer Ben Kam. Niet voor het toegankelijk maken van
akten van de burgerlijke stand, maar voor de toegankelijkheid
van de beeldcollectie. Jarenlang in samenwerking met Jeanine
Otten, de laatste jaren in samenwerking met Ester Smit.
Ben Kam, wie kent hem niet. Op mijn eerste dag als directeur
van het Historisch Centrum Overijssel kreeg ik van Ben Kam
de allereerste memo. Of ik vooral aandacht wilde geven aan de
beeldcollectie van het HCO en een nieuwe medewerker beeldmateriaal wilde aanstellen. Dat heb ik dus maar gedaan, wie kan
de wens van Ben Kam negeren.
Gedreven, wellicht zelfs koppig en volhardend, maar met
een ongelooflijk hart voor de zaak. Dit jaar zag ik zelfs nog een
reactie van hem op weblogzwolle.nl. Iemand had gepost dat
Ben Kam nog zo’n vitale man was en Ben reageerde later op diezelfde blog. Fascinerend, zo’n leeftijd en toch zo bij de tijd.
Maar goed, ook voor Ben Kam is er zo’n moment dat je
afscheid neemt. Dit tijdschrift en dit voorwoord is een ode aan
Ben Kam als liefhebber en als vrijwilliger. Tegelijk wil ik het een
ode laten zijn aan de vrijwilliger in het algemeen! De vrijwilliger
die, zoals een boer immer voortploegt, een onmisbare bijdrage
levert aan de toegankelijkheid van ons erfgoed.
Ben Bedankt!
Bert de Vries,
directeur Historisch Centrum Overijssel
Kerkplein naar de Koestraat verwezen, naar een
huisarts Klinkert. Die zou me wel verder op weg
helpen. Nou, dat heb ik geweten, want toen de
voordeur (die trouwens niet op slot was) voor
mij werd geopend, stond daar een stevige jongedame. Zij heeft mij van dat moment af aan in de
peiling genomen op een zeer efficiënte manier.
We trouwden in 1952 en die voordeur ben ik duizenden malen in- en uitgegaan, op weg naar alle
mogelijke gebeurtenissen die zich in mensenlevens kunnen voordoen.
Haar vader, de ‘jonge’ Klinkert, heeft me
nadrukkelijk als beginnend huisarts gevormd,
zoals hij ook zelf gevormd was door zijn eigen
vader, de ‘oude’ Klinkert, beter bekend als ‘Olde
Evert’, die zijn Zwolse patiënten met spit in de
rug genas door een pak slaag met de pantoffel en
die zijn leven lang plat Zwols sprak. Het Zwolse
dialect is nu vrijwel geheel verdwenen, maar in het
fotoarchief zijn er nog duidelijke sporen van terug
te vinden, waarover later. Deze twee artsen heb-
‘Achter de IJssel begint het land’ is een in
de jaren vijftig door de Zwolse archivaris en geschiedschrijver Thom. de Vries
geciteerde uitspraak van oud-burgemeester Strick
van Linschoten, wanneer deze bezoekers uit Holland moest ontvangen.1 Deze foto van het Katerveer, genomen vanaf de Gelderse kant, illustreert
de rust en de schoonheid van het land zoals vele
‘immigranten’ uit de Randstad dit hebben ondergaan. Nu ik ruim 65 jaar geleden ook als immigrant uit Brabant in Zwolle ben neergestreken,
heb ik de gehele ontwikkeling van een rustgevend
klein provinciestadje naar de bruisende metropool van heden ten dage op allerlei manieren
meegemaakt. De redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft mij gevraagd een poging te doen
iets van deze ontwikkeling, ook in mijzelf, op
schrift te zetten.
Omdat ik na mijn 35 jaar als huisarts in Zwolle
een ‘werkkring’ heb gevonden in de archieven
die deze ontwikkeling mede hebben vastgelegd,
wil ik aan de hand van enkele der vele tienduizenden foto’s en andere afbeeldingen, die door
mijn handen zijn gegaan, proberen om niet alleen
de feiten die zij tonen te verduidelijken en in
hun historische context te plaatsen, maar ook de
emoties die vaak achter de droge werkelijkheid
naar boven komen, weer te geven. Een voorbeeld
hiervan zouden de vele foto’s kunnen zijn die de
bevrijding van Zwolle illustreren, maar er is veel
meer dan dat.
Wie hebben mij gevormd?
Toen ik begin mei 1945 als net 21-jarige directeur
van een regionaal oud-illegaal blad Zwolle binnenkwam met de missie om te trachten enige
eenheid te brengen in de zich overal boven de
grote rivieren legaliserende Parooluitgaven, werd
ik vanuit de feestvierende menigte op het Grote
Achter de IJssel begint het land …
148 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 149
Ben Kam
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 146
Achter de IJssel begint het land… Ben Kam
Wie hebben mij gevormd? 149
Thomas de Vries 150
De Koestraat 151
Een landmeterkaart uit 1642 154
De kaart van Bloemaert 154
Schutters 156
Het rosse leven 157
Verzet Parool 158
Schoolfoto Lorentzlyceum 1939 158
Bouw IJsselbrug 159
De eenzame man 160
Weggeradeerde bruggen 161
Op- / afrit 161
Skeletten 162
Carillon 163
Het Geregt van Zwolle 165
Infrarode luchtfoto’s 166
Huis van Bewaring 167
ARTS 168
Wildplassen 170
Heilsoldaat Wiebe Palstra 171
De Schepenzaal 172
Jacomina 177
Evangelisatie Kamperpoort, 1895 179
Bedelaar 181
De azijn- en waskaarsenfabriek 182
De Bisschopsschans 182
Verzekeringsgeneeskundige 183
De Atlas van het gemeentearchief 184
Goossen Veldhuis 184
Naoberplicht 186
Beginnend huisarts 186
Kindertjesweilanden 187
Bevallingen 187
Het Hilberdink 188
Zwolle in 1960, deel 3 Jan van de Wetering 191
Mededelingen 193
Auteur 194
Het Katerveer, begin
jaren zestig gezien
vanaf de Gelderse kant,
illustreert de rust en
de schoonheid van het
land. (Foto auteur, collectie HCO)
150 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 151
ben op mijn werken en denken als medicus een
grote invloed gehad, al genas ik spit niet meer met
de pantoffel.
In 1964 verhuisden wij, vrouw, man, vier kindertjes en de poes van de Vondelkade naar Koestraat
22, waar negentien jaar eerder mijn kennismaking
met Zwolle was begonnen. Door het plotseling
overlijden van Henk Klinkert kwam zijn patiëntenkring zonder arts te zitten. Als je die kring
bij elkaar wilt houden is het voor de opvolger
verstandig om ook het huis waarheen de patiënt
zijn schreden richt over te nemen. Zo kwam mijn
echtgenote terug in haar ouderlijk huis en moesten we opnieuw beginnen een nu dubbele praktijk
op te bouwen in een wat gedateerde spreekkamer
en behandelkamer. De ‘klanten’ van mijn schoonvader noemden dat zijn ‘werkplaotsien’, een van
de spreekkamer afgeschoten pijpenlaatje met één
tl-buis als verlichting, dat nog wel.
De gevel van dit huis had echter bijzondere
kenmerken die nog steeds in de daklijst te zien
zijn, met in het midden een afbeelding van een
zonnegod die in Zwolle verder slechts op één
ander huis, Bloemendalstraat 2, te vinden is. In de
zolderbalken vond ik raadselachtige merktekens
die met een guts in het hout aangebracht leken te
zijn. Toen we er een half jaar woonden ben ik eens
naar het gemeentearchief gestapt om te zien of er
wat meer over de bouwgeschiedenis te vinden zou
zijn. Op dat moment begon mijn interesse voor de
geschiedenis van Zwolle, die vanaf toen een groot
deel van mijn denken en doen heeft beheerst en
die leidde tot een groot aantal publicaties over de
stad en haar bewoners.
Thomas de Vries
Niemand in de familie Klinkert kon mij iets over
de bouw van de zolder vertellen en zo kwam ik
terecht in het toenmalige gemeentearchief: drie
tafels, zes stoelen, in een kamer over de breedte
van de achtergevel van het oude stadhuis aan het
Grote Kerkplein. Die kamer had het volle licht,
lag zonder zonwering op het zuiden en als je heel
goed keek zag je achter een glazen scheidingswand
met de rest van die ruimte (die doorliep tot aan de
voorgevel aan de Sassenstraat) een lange tafel. Alle
wanden waren gevuld met boekenkasten en boeken, er hing één plafondlantaarn aan een koord en
daaronder zat halverwege de tafel een wat oudere
heer altijd te lezen, met een vestzakhorloge op een
standaard voor zich.
Om je aanwezigheid als bezoeker kenbaar te
maken moest je door een deur in die glazen scheidingswand stappen en deze persoon tot attentie
zien te krijgen. Dat viel niet mee, want naast dat
horloge was hij nog voorzien van een leesbril en
van een duimendik slap hangend koord tussen
een van zijn oren en een zwarte bakelieten kast
ter grootte van een handpalm, die ergens in zijn
vest een plaats had gevonden. Hij was dus doof,
en niet zo maar een beetje doof, maar echt levensgevaarlijk doof. Hij kon daar slim gebruik van
maken, want als mijn vraag of monoloog hem niet
interesseerde verdween zijn hand naar het vest,
deed daar iets met die doos en dan was hij volledig onbereikbaar en werd je getrakteerd op een
uitgebreide verhandeling over een onderwerp dat
mijlenver was verwijderd van je vraag.
Dat was mijn eerste kennismaking met archivaris Thomas J. de Vries, later uitgegroeid tot een
eigenaardige, monumentale vriendschap gebaseerd op mijn nieuwsgierigheid en zijn encyclopedische kennis, die zich tot ver buiten Zwolle’s
grenzen uitstrekte.
Vanaf die tijd dateert mijn vrijwel dagelijks
bezoeken van dit archief, soms niet langer dan een
half uur, soms wat langer op de Sassenpoort, waar
het toenmalige Rijksarchief was gevestigd. Beide
instellingen, gemeente- en rijksarchief, die in een
haat-liefde verhouding in Zwolle coëxisteerden,
waren voor mij makkelijk binnen enkele minuten
te voet bereikbaar, ik liep nog trappen als de beste.
Thomas was toen al op leeftijd en verkoos mij
tot huisarts; ik heb hem tot aan zijn overlijden zo
goed en zo kwaad als dat ging mogen begeleiden,
twee eigenwijze en eigengereide wetenschappers
bij elkaar. Maar ik wist het wel zo te regelen dat
hij steeds de laatste was op het middagspreekuur,
zodat ik zijn monologen (meestal over Zwolle)
rustig kon laten voortduren.
Ik beschouw het als een voorrecht dat ik in
staat ben geweest om, naast andere publicaties,
zijn twee boekdelen Geschiedenis van Zwolle
met de nu mogelijke techniek te digitaliseren.
Hierdoor is zijn werk veel makkelijker toegankelijk geworden; dat er geen notenapparaat is
toegevoegd was indertijd een compromis met de
uitgever. Hij was zich dat zeer goed bewust, maar
zijn eigen exemplaar mét de bronvermeldingen is
nimmer boven water gekomen. Hij vermeldt het
in de inleiding op deel II. Anderzijds: de man had
een gietijzeren geheugen, ik heb hem tot op de dag
van vandaag nog steeds niet op een duidelijke fout
kunnen betrappen, ook niet na het drie keer (in
verband met het digitaliseren) letterlijk woordelijk doorlezen van zijn boeken.
Ik vond Thomas de Vries op een zonnige
vrijdagmorgen in mei 1975, thuis op zijn kamer
temidden van zijn verzameling klokken, overleden aan een hartstilstand. Hij heeft op mijn denken en schrijven grote invloed uitgeoefend en ik
ben hem daar nog steeds dankbaar voor.
De Koestraat
Mijn eerste wetenschappelijke artikel verscheen
in 1969 in de Verslagen en Mededelingen van de
Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt
en Geschiedenis en handelde niet zozeer over
het huis in de Koestraat, maar gaf een overzicht
van alle huizen aan de zuidkant van die straat
en over de in de zeventiende en achttiende eeuw
invloedrijke stratenbroederschappen.2 Dat waren
in theorie kiesgezelschappen die waren ontstaan
Gevel van Koestraat 22,
met een afbeelding van
een zonnegod. (Foto
auteur, collectie HCO)
Gemeentearchivaris
Thomas Josef de Vries
(1904 – 1975), in 1967
geportretteerd door
Teun van der Veen.
(Collectie HCO)
De plattegrond van Joan Blaeu van ‘Swolla’ toont Zwolle met de nieuwe vestingwerken omstreeks 1650. De Koestraat (rechts) valt hierop duidelijk te zien.
(Collectie HCO)
152 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 153
uit de Meente, maar in de praktijk vooral eet- en
drinkgezelschappen, die het reilen en zeilen in
hun wijk met enige regelmaat tijdens hun maaltijden bespraken. De reglementen van twee dezer
stratenbroederschappen zijn bewaard gebleven,
het reglement van de broederschap Sassenstraat
zelfs vanaf het ontstaan voor 1595. Daarna zijn er
herziene exemplaren uit 1611, 1623, 1632 en 1690
bekend, die steeds nadere specificaties vermelden
over de regels waaraan men zich te houden heeft.
Hieruit ziet men dat het gezelschap uit zeer gefortuneerde heren moet hebben bestaan: wie niet ter
Raadskeur (verkiezing van nieuwe raadsleden)
of Meentekeur (verkiezing van nieuwe meenteleden) verscheen werd beboet, waarbij de bedragen
van zes carolusgulden in 1597 opliepen tot twintig
goudgulden voor ontbreken bij de Raadskeur en
tot 105 carolusgulden bij niet verschijnen bij de
Meentekeur in 1690. Voor allerlei kleine en grote
tekortkomingen ten opzichte van de broederschap werden geldboetes geheven: wie een erfenis
kreeg of wie in het huwelijk trad betaalde tien
goudgulden, en wie te laat op de broederschap
vergadering verscheen betaalde veertien stuiver.
Ook de dagelijkse gewoonten worden gememoreerd: ‘Imandt van de Stratebroederen met den
anderen questie krijgende en realiter injurierende,
zal tot boete betalen thien carolus gulden; verbaliter twee goltgulden.’ Schelden doet dus alleen pijn
in de portemonnee, maar elkaar letsel toebrengen
is niet alleen met de hand: ‘Mantel dragen zonder
degen op vergaderingen van Raadt en Meente’
wordt ook bestraft en degenwonden kunnen snel
dodelijk zijn.
Een van de bewoners van het huis was Bernard
Huete, lid van de stratenbroederschap. In dit
eerste artikel publiceerde ik zijn parenteel en een
aantal gegevens over zijn vermogen, waarvan hij
samen met zijn broer Theodorus veertienduizend goudgulden schonk voor de bouw van het
Schnitgerorgel in de Grote Kerk. Uitgedrukt in
euro’s komt dat bedrag afhankelijk van de omrekeningsfactor (bouwgrond, goudprijs, kosten van
een doodskist) op een bedrag tussen de twee en
de tien miljoen gulden. Dit feit en hun namen zijn
vereeuwigd in een paneel aan de voorzijde van het
orgel en het is aannemelijk dat Huete mede door
deze gift in 1718 tot burgemeester is gekozen. Het
orgel werd ‘ingespeeld’ tussen 21 september en 20
oktober 1721, maar Huete overleed, 71 jaar oud,
op 1 oktober van dat jaar. Over zijn laatste ziekte
heb ik indertijd niets kunnen vinden.
Wat echter uit het onderzoek naar het orgel
ook naar voren kwam, waren de gegevens over
de betaling en de honoraria van de organisten die
het instument moesten goedkeuren. Het geld dat
Huete schonk werd letterlijk in zakken naar het
stadhuis gedragen en daar in de schatkamer van
de gemeente, mogelijk in de zilverkast die nog
steeds in de hal van het oude stadhuis staat, opgeborgen. Betalingen aan rechthebbenden zoals
Caspar Schnitger en enkele burgemeesters werden
rechtstreeks uit de geldzakken gedaan.
Nog verrassender is dat duidelijk valt aan te tonen
dat de Zwollenaar in 1720 al geneigd is om de letter H aan het begin van een woord in te slikken.
Een van de drie organisten die het orgel komen
inspelen en die allen uit het westen van het land
hierheen komen varen,3 heet Havercamp, maar
de klerk in het stadhuis die de afrekening schrijft
betitelt hem als Avercamp. Het zal ongetwijfeld
in aktes uit die periode en ook later, zolang er nog
geen schrijfmachines waren, voorgekomen zijn
dat een letter H niet werd mee geschreven, maar
een bevestiging zoals in dit geval zal men niet vaak
kunnen vinden.
De Koestraat vertoont in het beeldmateriaal van
de stad een aantal andere aspecten die terug gaan
op het ontstaan van de stad en de ommuring,
zoals deze tussen 1230 en 1640 is ontstaan, en die
nog steeds in het stratenpatroon duidelijk herkenbaar is. De kaarten van Braun en Hogenberg
en die van Guiccardini geven een duidelijk beeld
van een bijna eironde stad, die drie poorten heeft
waardoor men het grondgebied van de stad kan
betreden. Die ronde vorm komt in moderne tijden soms hinderlijk terug in de kromming van de
trottoirs in Koe- en Walstraat, waardoor bij het
inparkeren van de auto banden en velgen beschadigd kunnen raken. Vanuit de bestuurdersplaats
lijkt de straat recht, maar achteruitrijdend wordt
de kromming snel duidelijk.
Op de foto van de Koestraat genomen uit
de toren van de Sassenpoort, maar vooral op de
luchtfoto valt het goed te zien. Op deze foto ziet
men aan de achterkant van de huizen ook de uitleg van de vesting, zoals deze tijdens het Twaalfjarig Bestand werd gerealiseerd. Het wandelpad
over de Potgietersingel geeft de loop van de eerste
stadsgracht aan, met links daarvan de huidige
stadsgracht en achter de bomen de Suikerberg (zo
genoemd naar de vorm van vroeger gangbare suikerbroden). Op de kaart van Blaeu is een en ander
duidelijk zichtbaar
Han Prins, die jarenlang in de Vrienden van de
Stadskern een vooraanstaande rol heeft gespeeld,
maakte op mijn verzoek een overzichtstekening
Bernard Huete schonk
samen met zijn broer
Theodorus veertienduizend goudgulden voor
de bouw van het Schnitgerorgel in de Grote
Kerk. Hier de specificatie van de betalingen.
(Collectie HCO)
Links: De kaart van
Braun en Hogenberg uit
1581 geeft een duidelijk
beeld van een bijna
eironde stad, met drie
poorten: de Diezerpoort, de Sassenpoort en
de Kamperpoort. (Collectie HCO)
De Koestraat gezien
vanuit de toren van
de Sassenpoort, jaren
zestig. (Foto auteur, collectie HCO)
Luchtfoto van de Koestraat tot de Nieuwe
Havenbrug, begin jaren
zestig. (Collectie HCO)
154 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 155
van de verschillende stadia waarin de zuidkant
van de stad zich in de loop der jaren heeft vertoond.
Een landmeterkaart uit 1642
Er is echter nog een mogelijkheid om de veranderingen in de vestingstad te volgen. Wie de luchtfoto van de Koestraat goed bekijkt, zal het opvallen
dat de rooilijn (om de moderne terminologie even
te gebruiken) langs de achterzijde van de huizen
vrijwel parallel loopt aan de rooilijn aan de straat.
De huizen zijn even diep gebouwd en de er achter
liggende bouwsels zijn onregelmatig en variëren
onderling sterk in breedte en diepte. Thomas de
Vries wees mij toen ik net met mijn onderzoek
naar het woonhuis was begonnen op een archiefstuk in de vorm van een cahier, een in varkensleer
gebonden landmeterschetsboekje Metinge van
de stadsgrond agter de huijsen in de Koestraat uit
1642. Vrijwel geheel in potlood geschreven met
enkele inktnotities in een andere hand toegevoegd, waarin een exacte opmeting is weergegeven van de grond die na de uitleg van de vesting
achter de huizen droogviel. Die stukjes grond,
allen exact 21 voet breed, werden door de bewoners vrij snel geannexeerd. Men beriep zich op
de zinsneden in de koop- en overdrachtaktes die
als hun eigendomsbewijs golden, dat daarin hun
grondbezit werd beschreven als ‘zegt haer brieven
zeggen was 2 Stadtsmuijren en hoffkens’. Op de
tekeningen zijn ook heel duidelijk verschillende
muurtorentjes te zien die in de eerste stadsmuur
aanwezig waren. Deze eigendomsbewijzen, die
van koper op koper steeds werden overgedragen,
stammen uit ondermeer 1559 en 1599, duidelijke
argumenten dus voor eigendom van de grondrechten.
Hierover heeft zich tussen de bewoners van
Koestraat en Walstraat en het stadsbestuur van
1642 tot 1744 met behulp van vele juristen een
monumentale ruzie afgespeeld, waarbij de bewoners uiteindelijk aan het langste eind hebben
getrokken en hun schuld aan grondgelden met
een eenmalige canon konden afkopen.
De kaart van Bloemaert
In het midden van de jaren negentig was ik druk
bezig met het inventariseren van de dia’s in het
gemeentearchief, toen de pas aangestelde atlasbeheerder mij inschakelde om voor haar het aanwezige cartografische materiaal te inventariseren
in een database. Ik kon daartoe beschikken over
een toen al wat antieke computer met DOS 3.1 als
besturingsprogramma. Dat was na het catalogiseren van de door mij ingebrachte dia’s van Zwolle
en het (toen nog niet voltooide) invoeren van de
dia’s in de collectie de eerste echte bezigheid die
ik voor het gemeentearchief ondernam. Geheel
onverwacht werd ik geconfronteerd met een nauwelijks nog leesbare pentekening van de vesting
Zwolle, die mij deed denken aan een kaart die ik
in de jaren zestig had gezien en gefotografeerd in
het Algemeen Rijksarchief, toen mijn vader mij op
mijn eerste archiefschreden vergezelde. En inderdaad bleek ik er een dia van te hebben in mijn
eigen verzameling en zelfs gebruikt te hebben
voor een lezing over de binnenstad in 1968.
Het exemplaar uit het Algemeen Rijksarchief
laat ik hier zien omdat het de eerste kaart is (in
1592 door de cartograaf Cornelis Bloemaert vervaardigd) waarvan de schaal en de onderlinge
verhoudingen vrijwel exact overeen komen met
de tegenwoordig gebruikte kaarten. Bloemaert
maakte in opdracht van prins Maurits een ontwerp voor het versterken van de IJssellinie, waarbij de stad Zwolle werd ‘uitgelegd’ en er dus een
tweede versterking rondom de oude eivormige
Overzichtstekening
door Han Prins van
de verschillende stadia
waarin de zuidkant
van de stad zich in de
loop der jaren heeft vertoond, eind jaren zestig.
(Collectie HCO)
Een blad uit het landmetersboekje ‘Metinge
van de stadsgrond agter
de huijsen in de Koestraat’ uit 1642. (Collectie HCO)
De kaart van Bloemaert
van Zwolle uit 1592.
Dit is de eerste kaart
waarvan de schaal en
de onderlinge verhoudingen vrijwel exact
overeenkomen met de
tegenwoordig gebruikte
kaarten. (Foto auteur,
collectie Nationaal
Archief Den Haag)
De monumentenkaart
van de gemeente Zwolle
over de kaart van Bloemaert geprojecteerd. De
verhoudingen komen
vrijwel exact overeen.
(Foto auteur)
156 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 157
vesting werd aangebracht. Men ziet de poorten
exact in vorm gebracht en vooral de oudste muren
weergegeven met de steeds terugkerende kleine
torentjes, waarvan er ook een is te zien op de hier
weergegeven kaart van de landmeter die vijftig
jaar later werd getekend. De vergelijking is niet
zo moeilijk: ik heb de monumentenkaart van de
gemeente Zwolle opgehangen en de dia in een
projector gezet, en net zo lang geheen-en-weerd
tot de afbeelding passend op de kaart kwam en het
geheel gefotografeerd. Men oordele zelf.
Schutters
In tijd van oorlog moesten de vestingmuren
natuurlijk verdedigd worden tegen ‘de vijand’,
wie dat dan wel wezen mocht. Dat is altijd zowel
een landsbelang als een lokaal belang geweest.
Tot het eerste doel werd een stad voorzien van
een garnizoen, dat in kazernes in de stad werd
ondergebracht. Zo hebben we in Zwolle nog de
Broerenkazerne gekend. Dat was dus een verdediging op rijkskosten. Daarnaast bestond lokaal
de schutterij, een militair gevormde en geoefende
eenheid die kon worden gemobiliseerd bij dreigend gevaar en die bestond uit mannen die hun
dienstplicht hadden voltooid, maar die nog jong
genoeg waren om mee te helpen. In 1922 zijn de
schutterijen opgeheven, maar vooral in het zuiden van ons land worden regelmatig in de zomer
verschillende schuttersfeesten gevierd waar de
oude tradities in stand worden gehouden, zoals
het prijsschieten op de haan, mooi marcheren,
en vooral mooie uniformen dragen en met vaandels zwaaien. Juist omdat deze tradities boven de
rivieren zijn uitgestorven, lijkt het mij met mijn
Brabantse jeugdherinneringen goed om hier nog
enkele foto´s van te laten zien.
Het rosse leven
Hoe komt iemand er toe om een onderzoek in
te stellen naar sociale omstandigheden zoals die
honderd en meer jaren eerder in een kleine provinciestad van rond de 25.000 inwoners hebben
bestaan? Is het alleen nieuwsgierigheid, kunnen
we er in de huidige tijd nog iets van leren om de
huidige sociale relaties te verbeteren?
De eerste vraag valt makkelijk te beantwoorden. Bij het voorbereiden van een artikel voor
de pilot-uitgave van Waanders in 1980, getiteld
Ach lieve tijd. 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en
hun…, werd een aantal schrijvers die enigszins
met de geschiedenis van de stad bekend geacht
werden uitgenodigd om een katern te schrijven
over een specifiek onderwerp. Deze katernen zouden om de veertien dagen worden uitgebracht,
zodat na een half jaar een stevig boekwerk kon
worden ingezien dat de stad vanuit allerlei kanten
belichtte. Daarbij zorgde de redactie, waarin de
Zwolse kunstenaar en tekenaar Han Prins een
vooraanstaande rol speelde, voor een grote hoeveelheid illustratiemateriaal. Mij werd gevraagd
om een artikel te schrijven over de Zwolse ziekten
en tussen de illustraties die men geschikt achtte
om mijn onderwerp te illustreren, vond ik een
afbeelding van een Boekje, dienende tot bewijs van
inschrijving als publieke vrouw. Daarmee ging er
geheel onverwacht een ‘deurtje’ open naar een tot
dan geheel verborgen aspect van de Zwolse maatschappij. Publieke vrouwen vond men in publieke
huizen en die aanduiding is vooral in Engeland
gebruikt voor openbare gelegenheden, waar men
heenging om alcoholische versnaperingen te
gebruiken. De vrouw kreeg de gelegenheid om
zich in een ladies-only kamer op te houden, een
instelling die in Zwolle indertijd geheel onbekend
was. Aparte ingangen voor mannen en vrouwen
werden echter wel gehandhaafd in de badhuizen
die in de tweede helft van de negentiende eeuw in
zwang waren, of de seksen werden op verschillende tijden schoongewassen. Maar in ons land was
de term publieke vrouw in de negentiende eeuw
specifiek voor hoer.
De tegenstellingen zijn door de eeuwen heen
steeds groot geweest en aan verandering onderhevig. De vrije middeleeuwer ging naakt te bed en
sliep met vrouw, kinderen, knecht, meid en het
vee in hetzelfde vertrek. Al in die tijd ging de betere stand naar het badhuis, waar seksuele contacten
zo gewoon werden dat de kerk er aanmerkingen
op ging maken. De goudeneeuwer waste zich
nauwelijks en verstopte zijn seksuele gevoelens
achter het gordijn of achter de slaapkamerdeur.
Als men al seksualiteit openbaarde, dan waren
dat altijd soldaten of dronken kroegklanten die
daarmee werden afgeschilderd. De betere stand,
maar vooral de militaire autoriteiten trachtten
door reglementering al vanaf de zeventiende
eeuw het optreden van prostituees tegen te gaan,
door het instellen van zware lichamelijke straffen
zoals spitsroeden lopen, neus en oren afsnijden
en brandmerken, maar het lijkt niet veel te hebben geholpen. En zo bleef de reglementering, met
daaraan verbonden een wekelijks doktersonderzoek, tot ver in de eenentwintigste eeuw bestaan
en werden militairen die zich met een geslachtsziekte meldden onverbiddelijk (in het Duitse leger
naar het Oost-) front gestuurd.
Luitenant van de schutterij. (Collectie auteur)
Commandant van de
schutters. (Collectie
auteur)
Rechts: Luitenant
van de schutterij met
hanenveren (Collectie
auteur)
Boekje, dienende tot
bewijs van inschrijving
als publieke vrouw.
(Collectie HCO)
158 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 159
Toen de redactie van Ach lieve tijd mij vertelde
dat er een aantal sinaasappelkistjes gevuld met
deze boekjes de verhuizing van het politiebureau
aan de Lombardstraat naar de nieuwbouw in de
Weezenlanden begin jaren zeventig had overleefd,
leek het dat er een wetenschappelijk onderzoek
mogelijk zou moeten zijn. Dit leidde uiteindelijk
tot mijn promotie in Nijmegen, in 1983.
Verzet Parool
In mei 1940 werden de oudste kinderen van mijn
vader, mijn oudste zus en ik, door hem naar
zijn zuster in Haarlem gestuurd. Hij leefde zoals
zovelen in de veronderstelling dat de Hollandse
Waterlinie een onneembare vesting was voor de
al jaren als vijand bestempelde Duitsers en dat wij
daar veilig buiten de oorlog konden blijven. Dit
alles gebaseerd op zijn eigen ervaringen tijdens de
Eerste Wereldoorlog toen hij gemobiliseerd was
en de vaderlandse grens mede moest bewaken.
Die begrippen, ‘Vaderland, Koningin, het Wilhelmus’ heb ik van hem meegekregen; de vaderlandse liederen over de ‘Watergeus voor den Briel’
en ‘Valerius’ gedenkklanck’ kreeg ik op de lagere
school al wekelijks mee. Toen de Duitse bezetting
een feit was en we de rookwolken van Rotterdam
zagen, was er maar één gevoel mogelijk: dat zal ik
jullie betaald zetten, met daarachter de gedachte:
na mijn eindexamen wat ik in 1942 hoopte te
kunnen doen, zo praktisch dacht ik toen al wel.
Het werd dus het Parool, vrij onverveerd,
waarmee ik in 1942 in aanraking kwam, achttien
jaar oud maar nog steeds met die alles doortrekkende boosheid: dít laat ik mijn vaderland niet
aandoen. Dat werd nog eens versterkt door de
reactie van algemene gelatenheid die over ons
volk was gekomen en waaraan ik ook al om niet
op te vallen meedeed. We gingen gewoon naar
school, we hamsterden shag en sigaretten, we
kochten niet zwart, we conformeerden ons en
dat zat ook in onze volksaard. Wij Nederlanders
waren en zijn nog steeds opgevoed met gezagsgetrouwheid, we houden ons aan de wetten ook
als die door een overheerser worden opgelegd en
verkracht. En wie zijn mond opendeed, ging naar
het concentratiekamp.
Dus moest je je mond dichthouden en dat was
een zaak die maar weinigen tijdens de bezetting
goed beheersten. Ik kon dat wel: zelfs mijn ouders
hebben tot na de oorlog niet geweten dat ik eind
1943 op weg was om hoofdverspreider van het
Parool te worden voor Noord-Brabant, en later
nog een stuk Zeeland en Noord-Limburg. Daarbij
kwam dan ook nog wekelijks een nieuwsvoorziening op folio of A4 formaat gestencild, waarmee
de directe omgeving van Eindhoven en Helmond
werd voorzien van enigszins betrouwbaar nieuws.
Alle radiotoestellen waren immers begin 1943
door de bezetter in beslag genomen.
Schoolfoto Lorentzlyceum 1939
Onvoorstelbaar dat deze twee pubers, die hier nog
op hun krent zitten aan de voet van een aantal
leraren, zich vijf jaar later hebben bewezen als
directie van een uit de onderdrukking opgerezen
krant.
Toch is deze activiteit van grote invloed
geweest op mijn verdere leven. Nog tijdens de
laatste fase van de bevrijding van ons land ging
ik liftend de rivieren over richting noordoost,
omdat wij wisten dat ook dáár pogingen zouden
worden ondernomen om het Parool als dagblad
uit te gaan geven. Op die route deed ik ook Zwolle
aan. De Paroolcontacten waren snel gelegd en ik
bleef nog enkele dagen hangen in de stad, hoorde
de verhalen over de gravers en het bevrijden van
gevangenen uit het concentratiekamp Amersfoort
die in de Buitensociëteit waren opgesloten. Over
het Medisch Contact en over de dood van mijn
goede Paroolvriend Hans Schippers, die ook bij
de familie Klinkert te gast was geweest en die
bij de represailles na de executie van Rauter in
Amsterdam werd gefusilleerd.4 Hij werd gepakt
omdat zijn fiets een lekke band had…
De landelijke bevrijding van 5 mei maakte
ik in Zwolle mee en een dag of twee later was ik
op gezag van mijn perskaart in Amsterdam en in
gesprek met de Paroolredactie, op het kantoor van
de Telegraaf. Enkele dagen later werd ik door het
Militair Gezag terug gecommandeerd, heel west
Nederland was onder quarantaine gesteld en als ik
niet snel maakte dat ik weg kwam dan dreigde de
politiecel, ondergrondse pers of niet.
Dus terug naar Eindhoven waar de Paroolzaken goed waren geregeld en ik mijn medische studie, die ik daar in februari aan de Tijdelijke Academie was begonnen, weer opnam. Wie schetst
mijn verbazing toen eind juni ineens de dochter
van Henk Klinkert uit Zwolle in Eindhoven voor
mijn neus stond, met een rieten koffertje en vanuit haar logeeradres in Aalst of Waalre bij kennissen van de familie mij kwam opzoeken. Zij heeft
mij vele jaren later bekend dat zij op het moment
dat zij mij zag, in mei 1945 aan die voordeur in de
Koestraat, vuil in een leren jas waarin een scheur
(en het kán zijn dat ik mijn gitaar toen ook al bij
me had), wíst: díe man moet ik hebben. En zo
gebeurde het, al trouwden we pas zeven jaar later,
vrijwel op de dag af nadat zij in Eindhoven beslag
op mij wist te leggen.
Bouw IJsselbrug
Tussen die trouwerij en de werkzaamheden in
de Atlas van het gemeentearchief in Zwolle ligt
een half mensenleven. Een enkel beeld daaruit zal
misschien nog wel in dit relaas verdwalen, maar
ik probeer me te houden aan de oorspronkelijke
vraag, dat is om te laten zien wat mij in de beeldverzamelingen van het Gemeentearchief Zwolle
en later het Historisch Centrum Overijssel méér
heeft gegrepen dan alle andere foto’s, die ik niet
kan laten zien. Een hele grove taxatie leert dat ik
vanaf eind jaren tachtig tot nu toe circa veertigduizend foto’s, kaarten en prenten heb bekeken,
De twee pubers Nico
van de Sande Bakhuyzen en Ben Kam (naast
elkaar zittend, links
vooraan) op een schoolfoto van het Lorentzlyceum in Eindhoven
uit 1939. (Collectie
auteur)
De bouw (1929) van de verkeersbrug over de IJssel. De arbeiders klonken de
brugonderdelen op een hoogte van veertig meter boven het water aan elkaar,
zonder verdere veiligheidsmaatregelen als touwen of onder de werkplek gespannen netten. (Collectie HCO)
De vlag in top tijdens de bouw van de verkeersbrug over de IJssel, 1929.
(Collectie HCO)
160 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 161
geanalyseerd en in een database heb ondergebracht, en dat is een voorzichtige schatting.
Toch moet ik weer beginnen bij mijn vader.
Hij was civiel ingenieur en was, nadat hij hersteld
was van een nekwerveloperatie wegens een in de
mobilisatie van 1914-1918 opgelopen bottuberculose, met steun van zijn vader aangesteld als hoofd
van de constructiewerkplaats bij de Machinefabriek Begemann in Helmond. Mijn grootvader
was daar mededirecteur. Die fabriek had een ruim
tweehonderd meter lange constructiewerkplaats,
waar alle te leveren bruggen en andere staalconstructies in eerste instantie werden voorgemonteerd, zodat men zeker wist dat alle gaten op de
juiste plaats waren geboord. Ik mocht als jongetje
van 5-7 jaar na het gezamenlijke zwemmen met
hem mee naar die werkplaats, daarna naar huis
om uitgebakken spek bij het ontbijt te krijgen en
vervolgens, ja, naar school terwijl mijn vader dan
weer naar de fabriek terugliep of fietste.
En wat gebeurt me dan ruim zeventig jaar
later? Dan stuit ik op deze foto van de bouw
(1929) van de verkeersbrug bij het Katerveer, in
hetzelfde jaar waarin ik die uitgebakken spekjes
at. De arbeiders zijn hooggeschoold personeel,
zij klinken de brugonderdelen op een hoogte van
veertig meter boven het water aan elkaar, zonder verdere veiligheidsmaatregelen als touwen
of onder de werkplek gespannen netten en dat
gebeurt met witheet gestookte klinknagels, die
zij toegeworpen krijgen vanuit een op dezelfde
hoogte opgesteld smidsvuur. Bekijk de foto en
verwonder u. Daar kwam geen Arbo-wet aan te
pas. Bij het bouwen van al die bruggen over de
grote rivieren volgens het rijkswegenplan van
1928 is geen enkele man verongelukt.
De eenzame man
Toch vind ik de foto van de eenzame man die op
de hoogste boog heeft plaatsgenomen naast het
te sluiten bruggedeelte het meest sprekend. Hij
heeft een slappe gleufhoed op, een rouwband om
de linkerarm, wat in die periode gebruikelijk was
bij verlies van een dierbaar familielid, hij kijkt met
een zekere standvastige blik van zich af, heeft geen
veiligheidslijn om en draagt een wat onverzorgd,
uit de vorm hangend pak. Net zoals ik mij mijn
vader herinner, met jaszakken waar allerlei klein
gereedschap in zat, tabakszak en pijp, kleding ruikend naar de werkplaatslucht die zich niet precies
laat omschrijven: een mengsel van rook, vuur, as,
metaalslijpsel, menie, zweet, stoom, steenkool en
nog een aantal niet nader te definiëren geuren, die
ik echter als geheel direct weer zou herkennen.
Weggeradeerde bruggen
Ik ben dus geen ingenieur geworden maar heb
mij gewijd aan het repareren van mensen, aan het
begin helpen bij het ter wereld brengen en aan het
einde begeleiden naar wat er daarna komt. Dat
lijkt iets heel gewoons maar is iedere keer weer
aangrijpend, vooral wanneer je in hetzelfde uur
met beide situaties wordt geconfronteerd en daarbij ook nog uit je diepe slaap wordt gehaald.
De oude verkeersbrug heeft echter nog voor
twee extra verrassingen in de Atlas gezorgd. Eind
jaren tachtig kreeg het gemeentearchief een serie
luchtfoto’s in bezit, die afkomstig waren van een
legeronderdeel in de Boreelkazerne te Deventer
en die het gebied van onze gemeente ruim omvatten. De foto’s zijn gemaakt op 3 februari 1947 en
werden vrijgegeven voor archiefgebruik. Dat betekende dat zij (in beginsel) werden geregistreerd en
door hun formaat in diepe en brede kaartenladen
werden opgeborgen, in afwachting van opname in
een inventaris. In de praktijk kwam dit er op neer
dat dit materiaal, omdat het niet beschreven was,
eigenlijk ontoegankelijk bleef: je moet er dan toevallig tegenaan lopen.
Zo ook hier. Op de foto’s van het Katerveer
hadden ijverige (militaire?) censuurambtenaren
niet alleen de verkeersbrug, maar ook de spoorbrug weggeradeerd. Maar dit was op een dergelijke onbenullige manier gedaan (de dijklichamen
naar de bruggenhoofden waren nog duidelijk
zichtbaar) dat de vijand, wie dat dan ook mocht
wezen, zich een bult zou hebben gelachen om
deze infantiele contraspionage, om het een naam
te geven.
Op- / afrit
Toen de verkeersbrug dan eindelijk werd geopend
(onder muziekgeschal van de harmonieën de Eendracht uit Wezep en de Eendracht uit Spoolde)
bleek al snel dat het denkraam van de toenmalige
Eenzame man op de
hoogste boog van de
brug, naast het te sluiten bruggedeelte, met
slappe gleufhoed en
een rouwband om de
linkerarm, zonder veiligheidslijn. (Collectie
HCO)
Militaire luchtfoto uit
1947, waarop de
IJsselbrug en de spoorbrug weggeradeerd zijn.
(Collectie HCO)
Twee marechaussees houden in verband met een veeziekte de wacht bij de
opgang naar de IJsselbrug, begin jaren dertig. Vanwege de flinke helling van deze
oprit/afrit gaf dit de eerste jaren veel problemen voor met name paard en wagencombinaties. (Collectie HCO)
162 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 163
bestuurders geen rekening had gehouden met het
hoogteverschil tussen het midden van de brug en
de brughoofden. De overtocht met de scholde,5
motorpont of gierpont was tot 1929 nauwelijks
een probleem: de karren waren niet zo zwaar geladen dat een ferm boerenpaard deze niet over de
neergelaten klep van de pont de wal op zou kunnen trekken. Maar na de ingebruikname van de
nieuwe brug bleek dat vooral de afrit aan de Zwolse kant problemen gaf, die na begin 1930 herhaaldelijk tot discussie in de Zwolse raad leidden. De
karren, die meestal niet of slechts lacunair van
enig remwerktuig waren voorzien, kwamen door
het aflopende wegdek op een holletje de brug af en
het paard kon slechts met moeite de vier hoeven
gebruiken om de kar af te remmen. Dat was nodig
omdat de afrit van de brug abrupt eindigde op de
flank van de IJsseldijk en er een hoek van bijna
negentig graden naar rechts gemaakt moest worden om, via het Engelse werk, de verderop liggende draaibrug over de Willemsvaart en vervolgens
via de Veerallee de stad en de markt te bereiken.
Linksaf slaan vanaf de IJsselbrug zou leiden naar
de volgende hindernis, een enkele en een dubbele
ophaalbrug over de Katerveersluizen en opnieuw
een scherpe bocht naar rechts.
Skeletten
Toen uiteindelijk in 1936 een betere aansluiting
tot stand kwam met een basculebrug over de Willemsvaart en een rechtstreekse aansluiting via
het verkeersplein Spoolde op de rijksrondweg
om Zwolle, werden tijdens de werkzaamheden
twee schedels en skeletdelen gevonden die met
enige overdrijving fotografisch werden vastgelegd. De Zwolse Courant vermeldt er geen namen
bij, maar het zijn hoogstwaarschijnlijk de resten
van twee kozakken, die in 1813 zijn gesneuveld
toen de kozakken vanuit het Engelse werk, toen
Grote Schans geheten, een uitval deden naar de
Gelderse oever van de IJssel waar een restje Fransen zich had verschanst. Ik vond de bevestiging
in een artikel van Hoefer,6 dat teruggrijpt op een
dagboek van A.H. Flavard de Wolff die in 1813
de Gendarmerie in Zwolle commandeerde. Het
verhaal kon ik in Zwolle niet vinden, maar na wat
zoeken in het streekarchief NW Veluwe vond ik
de transcriptie. Het blijkt dat de kozakken uit het
oosten langs de IJssel naar Zwolle zijn gekomen,
maar niet dan nadat zij in de omstreken van
Wijhe en Olst kampementen hadden opgeslagen
met zelfs een hospitaal. Er is vanaf Fortmont
tussen Wijhe en Olst een schipbrug geslagen,
waardoor het mogelijk werd om op hun kleine
steppenpaardjes de rivier over te steken en de nog
resterende Fransen aan te vallen en te verdrijven.
In het verslag van Flavard de Wolff wordt verteld,
dat de kozakken ook vanaf Zwolle lelijke dingen
tegen de Fransen aan de Hattemse kant hebben
staan roepen, maar daar kregen ze de Fransen niet
mee op de loop. Er zijn toen een vijftal ‘roeijaken’
gerekwireerd die bemand werden door vrijwillige
en gepreste turfdragers ‘van Zwol’. Die hebben de
met lansen en geweren bewapende kozakken vanaf de steenfabriek van de heer Greve, ter hoogte
van het huis IJsselstijn aan de Gelderse kant, overgevaren. Maar de Fransen hebben toen een sterker
bewapend detachement in stelling gebracht en
ondanks het feit dat een Franse korporaal een
musketkogel in de bil kreeg en een ander dodelijk
werd getroffen in de buik, wisten zij de aanval af te
slaan. Maar ook de kozakken leden verliezen, een
man door een kogel in het hoofd en een tweede
door een andere dodelijke verwonding, wat maakte dat deze aanval mislukte. Dit alles speelde zich
af als een boeiend schouwspel waar vele inwoners
van Zwolle naar hebben staan kijken:
‘Dat enige cozakken op het zien dat de voorgenomen expeditie niet naar wensch stond te
gelukken… zig tot op het hembt ontkledende,
derzelver paarden ontzadelden, op dezelven slegts
met hunne lans off piek gingen zitten en zoo den
IJssel inreden, om die alzoo met hunne paarden
over te zwemmen en, ware het mogelijk derzelver
krijgsmakkers bijstand te bieden…’.
Maar omdat ze wind en stroom tegen hadden,
lukte dat niet. Intussen was hun hoogste bevelvoerder Narischkin ook in Zwolle aangekomen
en die wist twee drieponder veldstukjes (kanonnen dus) uit de gracht van het huis De Gelder bij
Wijhe (waar ze ‘geborgen’ waren) op te vissen, ze
vonden ook de affuiten er bij en die werden toen
in Zwolle bij het Katerveer en tegenover IJsselstijn opgesteld en ziet, de Fransen namen snel de
benen en een deel deserteerde zelfs. Hattem was
dan ook snel in handen van de kozakken en bleek
helemaal vrij te zijn van de overheersers. Ook dit
treffen speelde zich af onder de ogen van een grote
menigte inwoners van de stad Zwolle.
Carillon
Ruim honderd jaar later herhaalt zich de historie,
maar dan is de belangstelling veel vreedzamer en
komen de Zwolsen in groot getal kijken naar de
opening van de eerste vaste oeververbinding aan
het Katerveer op 15 januari 1930. Toen ook het
nieuwe carillon in de Peperbus die avond werd
Stafkaart van het Katerveergebied begin jaren dertig. Hierop is duidelijk te
zien dat de afrit van de brug abrupt eindigde op de flank van de IJsseldijk en
er een hoek van bijna negentig graden naar rechts gemaakt moest worden om,
via het Engelse werk, de verderop liggende draaibrug over de Willemsvaart en
vervolgens via de Veerallee de stad en de markt te bereiken. Linksaf slaan vanaf
de IJsselbrug zou leiden naar de volgende hindernis, een enkele en een dubbele
ophaalbrug over de Katerveersluizen en opnieuw een scherpe bocht naar rechts.
(Collectie HCO)
Bij de aanleg van de
Spoolderbergweg in
1936 werden tijdens de
werkzaamheden twee
schedels en skeletdelen
gevonden, die met enige
overdrijving – de twee
heren die een zakdoek
voor de mond houden
– fotografisch werden
vastgelegd. (Collectie
HCO)
164 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 165
ingewijd, leidde dit opnieuw tot enige feestelijkheden. Het carillon was gefinancierd uit het
batig saldo dat was overgebleven uit de vanaf de
eeuwwisseling reeds lopende geldinzameling ten
behoeve van de bouw van de verkeersbrug bij het
Katerveer. Immers, steeds wanneer de bouw van
de Katerveerbrug ter sprake kwam, werd de nota
bij de gemeente Zwolle neergelegd. Dat liet zich
verklaren door het feit dat het recht op het veer
en dus ook de opbrengsten daarvan al sinds de
Middeleeuwen aan de stad Zwolle toekwamen.
Naarmate de verkeersdrukte toenam, zeker met
de komst van het gemotoriseerde verkeer na de
Eerste Wereldoorlog, kwam er steeds meer druk
op de Provinciale en Rijksoverheid te staan om
een betere rivierovergang te bewerkstelligen.
Maar erg veel beweging zat er niet in. Particulier
initiatief leidde uiteindelijk tot het oprichten van
een fonds, waarbij ook de direct belanghebbende
gemeenten Zwollerkerspel, Hattem en Oldebroek
niet werden vergeten. Toen uiteindelijk bleek
dat er na het afbouwen van de brug nog een batig
saldo was overgebleven werd dit gebruikt om
de stad van een carillon te voorzien, dat door de
firma Taylor uit Loughborough, Engeland, werd
geleverd. De gemeente leverde uiteindelijk ook
een bijdrage aan het nieuwe carillon, in de vorm
van een speeltrommel voor automatisch spel.
Deze speeltrommel werd op 10 april 1931 officieel
in werking gesteld.
Het Geregt van Zwolle
Sinds ik in nader contact met de ins en outs van
het archiefwezen in Zwolle ben gekomen, heb
ik mij te pas en te onpas druk gemaakt over de
misvatting dat de Wipstrikkerallee ooit de weg
zou zijn geweest waarlangs veroordeelden naar
de galg werden gevoerd. Deze canard is ontstaan
na de publicatie van een artikel van de heer J.
Geesink (1876-1968), gemeentelijk archivaris van
Zwolle vanaf 1933, in de Zwolse Courant van 20
april 1940. Hierin lokaliseert hij de galg, meestal
‘het Geregt’ van Zwolle genoemd, weliswaar ook
buiten de Diezerpoort zoals het in vele vonnissen
wordt beschreven, maar hij zoekt te ver naar het
oosten. Het Gerecht (Geregt) van Zwolle moet
gezocht worden aan de oude weg naar Meppel,
nu Kranenburgweg, waar vroeger de groenteveiling heeft gestaan. De veldnaam wordt vermeld
op de kadasterkaart van 1832 en op de kaart van
Hottinger van 1783 op dezelfde plek. Patiënten uit
Berkum die ik er naar heb gevraagd, wezen de plek
feilloos aan: ‘Wij gingen als kinderen altijd spelen
op “het galgje”.’
Aan het einde van de Wipstrikkerallee heeft
vroeger een herberg gestaan die Wipstrik heette,
en die naam is zeer waarschijnlijk afkomstig van
de herbergier met de familienaam Wipstrik die er
heeft gewoond. De naam kwam rond 1800 voor in
Hattem en in Mastenbroek. Verder onderzoek, met
name in de maandrekeningen van Zwolle tussen
1500 en 1640, geeft ondubbelzinnig aan dat de galg
aan de oude weg naar Meppel heeft gestaan. Na
1640 werden de doodvonnissen niet meer zo ver
buiten de stad maar op de Grote Markt voltrokken,
ten aanzien van Schepenen en Raden, die uit de
bovenraampjes van de Hoofdwacht toezagen.
Maar de oudste gerechtsplaats van Zwolle
wordt in de maandrekeningen aangeduid als ‘de
Konijnenbelten’ en is gevonden op het voorterrein van het kasteel van de heren van Voorst
in Westenholte. Die plek is als zodanig (als een
figuratieve galg) te zien op een kaart van de polder Mastenbroek uit 1633, die voorkomt in Dat
geheele dyckrecht der landen van Sallandt en Mastenbroeck, dat in het HCO is ondergebracht.
In Westenholte wordt een stuk land in de driehoek van de Stinsweg (genoemd naar de Stins te
Voorst) nog steeds als ‘De Konijnenbelten’ aangeduid. Ook de Beltenweg herinnert daaraan.
Infrarode luchtfoto’s
Rond 1995 heb ik op mijn oude dag een seizoen
college gelopen bij professor Schilder, toen hoogleraar Historische Cartografie aan de Utrechtse
Universiteit. Dat was uitermate verhelderend. In
een klein gezelschap, waaronder meer ‘bejaarden’,
ook een piloot van de KLM, was daar erg veel
te zien (iedere bijeenkomst een kleine tentoonstelling) en heel erg veel te leren. De hoogleraar
vertelde meermalen dat hij tijdens zijn vakanties
en bij contacten in het buitenland regelmatig de
kans waarnam om ergens eventjes in een kelder
of op een zolder te gaan kijken en dat hij vaak
zeldzame en vergeten juweeltjes van kaarten aan
het licht had gebracht. Nu is dat iets waarvoor je
niet naar Utrecht hoeft te gaan, want het is mij
ook meermalen in de depots van het voormalige gemeentearchief en het HCO gebeurd. Het
gebeurt ook andersom, in de zin dat een van de
archiefmedewerkers mij opmerkzaam maakte
op, bijvoorbeeld, een uit Italië afkomstige kaart
van Hasselt die in het voormalige Rijksarchief was
geïnventariseerd. Maar als medewerkers met pensioen gaan kan het gebeuren dat je niet weet waar
je exact moet gaan zoeken, of dat de medewerker
helemáál niet geïnteresseerd is in de plaats van
Burgemeester I.A. van
Roijen (midden vooraan) staat met enige
heren naar het nieuwe
carillon in de Peperbus
te luisteren, 10 april
1931. (Collectie HCO)
De ‘Geregt Plaats
Zwolle’ op de kaart van
Hottinger van 1783.
(Collectie HCO)
Detail uit een kaart van
de polder Mastenbroek
uit 1633, waar galg en
rad zijn afgebeeld vlakbij het kasteel van de
heren van Voorst. (Collectie HCO)
166 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 167
het ‘Geregt van Zwolle’. Dan kan het jaren duren
voordat je er een keer tegen aanloopt.
Zo is dat mij ook een aantal malen gebeurd,
niet in het minst geholpen door een herinrichting
van de depots en het verplaatsen van dozen. Een
van de boeiendste ontdekkingen was het bestaan
van een verzameling luchtfoto’s van de gemeente
Zwolle die tussen 1972 en 1986 in opdracht van
het gemeentebestuur werden gemaakt. Daarbij
werd bij mooi weer op een vastgestelde hoogte
een aantal stroken over de stad gevlogen, waarbij
het grondoppervlak rechtstandig werd gefotografeerd. De eerste paar series nog in zwart-wit,
maar daarna in kwalitatief steeds beter wordende
infrarood positief-film. Deze filmbladen hebben
ongeveer de grootte van een standaard archiefdoos en worden ook daarin opgeborgen. Per
opdracht zijn dat dan rond de zeshonderd negatieven en het zal duidelijk zijn dat die niet zo maar
even toegankelijk zijn op precies dát plekje dat
de onderzoeker graag wil zien. Maar, with a little
help from my friends, is het gelukt om voor deze
publicatie enkele scans te maken waardoor onverwachte aspecten van de anders toch wel saaie
luchtfotografie aan het licht komen. In het infrarood worden de groene bomen rood afgebeeld,
en de foto’s zijn scherper, gedetailleerder dan het
eerder gebruikte zwart-wit materiaal, wat echter
pas goed duidelijk wordt wanneer het originele
materiaal onder de loep wordt gelegd.
Zo laat de vlucht die in augustus 1973 werd
gemaakt de binnenstad zien terwijl nét de zomerkermis in volle glorie is opgebouwd en het publiek
zich snel en langzaam laat ronddraaien, genietend
van suikerspin en nougat. Ook is te zien dat er
zelfs een achtbaan in de toch kleine binnenstad
kan worden opgezet. De achtbaan is neergezet op
het dan voor het uitvoeren van het Aldo van Eyckplan kaalgeslagen terrein tussen de Waterstraat en
de Nieuwstraat en er is zelfs nog ruimte over voor
enkele draaimolens. De grote woonwagens van
de exploitanten zijn hier nog niet naar de buitenwijken verbannen en kunnen vlak bij de attracties
worden geparkeerd.
Zeven jaar later, ook tijdens de zomerkermis,
is er opnieuw een serie foto’s van de binnenstad
gemaakt en heeft men ruimte voor een achtbaan
weten te vinden op de in 1976 klaargekomen
Kamperpoortenbrug, die zó breed was gebouwd
dat er gemakkelijk een dergelijke attractie bij op
kon…
Huis van Bewaring
De binnenkant van het Huis van Bewaring, dat
na veel pourparlers thans is omgebouwd tot een
vijfsterrenhotel, zal noch in de vroegere toestand,
noch in de huidige toestand door de lezers van dit
tijdschrift vaak in ogenschouw zijn genomen.
Deze instelling werd als Provinciaal Tuchthuis
in 1737 bij loting tussen de drie grote steden van
Overijssel toegewezen aan Zwolle. Mijn relatie
tot het Huis van Bewaring was een medische: van
1962 tot 1975, en nog een aantal maanden in de
jaren tachtig, fungeerde ik als huisarts voor de
gedetineerden. Die medische zorg bestond uit het
houden van een spreekuur, wat door de broederverpleger iedere werkdag en door mij als huisarts
op maandag-, woensdag- en vrijdagmorgen
werd gehouden. Wij hadden de beschikking over
een als spreekkamer ingerichte celruimte, met
daarnaast een door een tussendeur verbonden
ziekencel met één bed, die vooral werd gebruikt
om gedetineerden door middel van de toen nog in
gebruik zijnde dieetmethode van hun maagklachten af te helpen. Verder was er een tandartsbehandelkamer ingericht.
Mijn eerste vijf jaar, tot aan zijn pensionering
in 1967, was broeder Abram van de Grijp eigenlijk de centrumfiguur van de medische dienst.
Hij was er direct na de oorlog in dienst gekomen
en was bij medische problemen steeds het eerste
aanspreekpunt. In 1919 was hij uit Heemstede,
waar hij als ziekenverpleger in Meer en Bosch zijn
opleiding had voltooid, naar Zwolle verhuisd als
verpleger bij de Zwolse Wijkverpleging, later het
Groene Kruis en de daaruit voortgekomen associaties in de zorg. Als jong doktertje heb ik in die vijf
jaar enorm veel van hem opgestoken. Hij was een
hele rustige, charismatische man, die maar even
naar een zich in zijn ogen te slungelig meldende
gedetineerde hoefde te kijken om die tot de orde
te roepen. Veel gedetineerden zagen het medische
spreekuur als een mogelijkheid om een wat milder regiem te verkrijgen. Nieuwelingen kwamen
zo vaak met allerlei vage klachten, hoofdpijn,
maagpijn, of een vraag om slaappillen. Maar ook
trachtte men aan de cel te ontsnappen door het
inslikken van ijzerwaren en glas, tot soms lepels
aan toe wat dan weer leidde tot een ziekenhuisopname. In mijn tijd gebeurde dat in Zwolle alleen
in spoedgevallen. Maar het gevangeniswezen had
in Den Haag een eigen hospitaal waar de medici
alle faciliteiten ten dienste stonden om de maagbeschadiging van slikkende gedetineerden teniet
te doen.
Bij Van de Grijp heb ik ook geleerd om de
meest fantastische verhalen van onze steeds
‘onschuldige’ klanten te doorzien. Zij konden
zich aanmelden als predikant, of als bedrogen
Infrarode opname van
een groot deel van de
binnenstad, begin jaren
zeventig. (Collectie
HCO)
Infrarode opname
van de zomerkermis
in augustus 1973, op
de hoek van het Rodetorenplein en de Buitenkant en op het toen
kaalgeslagen terrein
tussen de Waterstraat
en de Nieuwstraat.
(Collectie HCO)
De achtbaan op de
Kamperpoortenbrug,
infrarode opname
van de zomerkermis
16 augustus 1980.
(Collectie HCO)
Broeder Abram van de
Grijp. (Collectie HCO)
Deur in het Huis van
Bewaring. (Foto auteur,
collectie HCO)
168 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 169
man met schulden die onterecht was gearresteerd,
maar de broeder had meestal heel snel in de gaten
dat er in het verhaal lacunes optraden.
Het opgesloten zijn heb ik iedere keer als ik
het huis binnenkwam als onwennig en bedreigend ervaren. Steeds gingen de deuren, vooral
de getraliede tussendeuren, op slot en het geluid
van de rammelende sleutelbossen bleef je achtervolgen. Dit leidde een keer tot een wonderlijk
soort paniek: het toen nog achttiende-eeuwse
voordeurslot dat nog steeds met een handgrote
sleutel voor iedere passant werd ontsloten, raakte
defect tijdens een spreekuur en er moest een
rijkshoefsmid annex slotenmaker komen uit,
ik meen, Almelo, om de boel te herstellen. Dat
betekende niemand er in of er uit en ik kon het
slechts omzeilen met een spoedboodschap uit de
praktijk, maar ik had snel gezien dat de binnenkant van het slot, afgedekt met een houten plank,
meer was dan dat. Er waren letters in uitgesneden
die bij de oplevering van het gebouw moeten zijn
aangebracht: Ian H(oon)Horst Annemer van het
Timeer Werk 1740.
Toch is het ondanks al deze sloten en spijkers
enkele malen aan gedetineerden gelukt om te ontsnappen: tijdens de bezetting met hulp van buiten
(de Zwolse verzetsgroep de Groene op 2 oktober
1944) en daarna onder bedreiging met een echt of
nagemaakt vuurwapen in 1986. Het doorspijkeren van alle houten vloeren met lange klinknagels
zoals dat bij de bouw van het huis al was toegepast
heeft dus weinig geholpen!
Met de onpartijdigheid van de Zwolse Vrouwe
Justitia zou het wel eens tegen kunnen vallen: ze
staat al bijna driehonderd jaar zonder blinddoek
voor de ogen boven de toegangsdeur te pronken.
Het zijn wel mooie beelden, zeker na de inkleuring, maar toch…
ART
S
Johan Rudolf Thorbecke werd als zoon van een
uit Duitsland afkomstige textielhandelaar op 14
januari 1798 in Zwolle geboren. Na zijn gymnasiale opleiding studeerde hij in Amsterdam en in
Leiden. Ik vermeld hem hier omdat hij niet alleen
de grondwet in 1848 moderniseerde, maar ook in
1865 een aantal wetten formuleerde waarin het
uitoefenen van de geneeskunst werd gereguleerd.
Tot deze tijd was eigenlijk alleen de doctor medicinae, afgestudeerd aan een van de universiteiten
en na verdediging van een thesis of een aantal stellingen gepromoveerd, zonder meer in het gehele
land bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen.
Daarnaast werd voor chirurgijns of heelmeesters,
vroedmeesters, verloskundigen, vroedvrouwen
en combinaties van deze kennis een lokaal register
bijgehouden, omdat al deze niet aan een academie
gevormde medici hun bevoegdheid verkregen
op grond van een ter plaatse ingestelde commissie van twee of meer gevestigde collegae. Het
invoeren van de wetten op het uitoefenen van de
geneeskunst leidde zoals bij iedere ingrijpende
verandering in een bestaand systeem tot hevige
protesten: de in 1849 opgerichte Nederlands(ch)e
Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
verloor een aantal plaatselijke afdelingen (onder
wie die van Zwolle), die uit protest tegen de
nieuwlichterij uit Den Haag hun lidmaatschap
opzegden: in Zwolle waren in 1847 zeven verschillend opgeleide medici actief. De echo van
het oude systeem was in de periode waarin ik in
Zwolle als huisarts begon nog duidelijk zichtbaar
in sommige naambordjes aan het praktijkadres
van de huisartsen (die vrijwel steeds hun bedrijf
vanuit hun woonhuis uitoefenden), omdat zij
zichzelf daarop vermeldden als ‘genees-, heel-,
en verloskundige, arts’. Arts was de titel die men
verkreeg na het behalen van het door Thorbecke
ingestelde artsdiploma. Daarnaast kwam in de
vorige eeuw ook de vermelding ‘artis obstetriciae
doctor’, ook wel ‘artis chirurgiae doctor’, voor,
waarbij het begrip artis in het Latijn de tweede
naamval van ars – kunst (ars medicinae = geneeskunst) afgekort werd geschreven als ARTS. Het
zou mij niets verbazen dat de wetgever het begrip
arts hiervan heeft afgeleid en dat de afleiding van
de Griekse term hiatros (=geneesheer), zoals die
in de woordenboeken door elkaar opvolgende
editors van elkander wordt overgenomen, toch
wel erg vergezocht is.
Het standsverschil tussen de verschillende beoefenaren der geneeskunde was vóór de wetten van
Thorbecke levensgroot. Men keek huizenhoog op
tegen de medicinae doctor, die immers zijn wijsheid aan de hoogste instantie had vergaard, maar
(in onze ogen) op puur theoretische grond deze
wijsheid toepaste. Bij de in de negentiende eeuw
veelvuldig, ook in Zwolle, voorkomende choleraepidemieën werd aangenomen dat de besmetting
voortkwam uit de kwade dampen die in de stad
meestal heersten. Men denke aan slachtafval en
dierlijke en menselijke uitwerpselen die gewoon
op straat in de goot werden gedeponeerd en die
hier mede de oorzaak van waren. Wat leerde de
theorie? Men moest stank met stank verdrijven,
dus werden er in de straten potten met brandende
teer geplaatst waarmee nog meer (kwade) dampen aan de atmosfeer werden toegevoegd. Pas na
de ontdekking van een Londense arts, John Snow,
die in 1854 kon vaststellen dat de cholera-epidemie ontstond met als middelpunt een waterput of
Interne trap met getraliede tussendeur in het
Huis van Bewaring.
(Foto auteur, collectie
HCO)
Met lange klinknagels
doorgespijkerde houten
vloer (zolder) in het
Huis van Bewaring.
(Foto auteur, collectie
HCO)
De Zwolse Vrouwe
Justitia staat al bijna
driehonderd jaar zonder blinddoek voor de
ogen boven de toegangsdeur te pronken. (Foto
auteur, collectie HCO)
Binnenkant van het
achttiende-eeuwse voordeurslot, met uitgesneden letters: het Timeer
Werk 1740. (Foto
auteur, collectie HCO)
‘Register der Steedelijke Comissie van geneeskundig Toevoorsigt binnen deese
Stad Zwoll, houdende de alhier tans practiserende en in het vervolg sich etabilisserende Medicijne Doct[or]en , Chirurgijns, Apothecars, Knegts en Leerlingen en
Vroedvrouwen’ uit 1809. De niet aan een academie gevormde medici verkregen
hun bevoegdheid op grond van een ter plaatse afgelegd examen voor een commissie van twee of meer m

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 3

Door | 2010, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Speuren naar Spoolde
historische verhalen over
een bijzondere buurtschap
Pier Karenbeld

27e jaargang 2010 nummer 3 – 7,50 euro

90 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Hotel Café Restaurant ‘De Jongejan’
Veerallee
Aan de weg van de stad naar het Katerveer ston­den vroeger een aantal uitspanningen. Een van deze pleisterplaatsen heette Halfweg omdat het letterlijk halfweg de stad en het Katerveer gelegen was. In het begin van de vorige eeuw stond de heer Beumer achter de tap. In 1917 nam F.H. Willigenburg de uitspanning over. Het adres was Spoolde A 20, later Oude Veerweg 22. Hij kreeg heel wat mensen over de vloer. Op zondag wan­delde half Zwolle naar het Engelse Werk en streek dan neer bij een van de uitspanningen. Al het verkeer dat Zwolle tot circa 1940 over de weg pas­seerde, kwam over de Veerallee langs Halfweg.
In 1951 nam Jaap Jongman het bedrijf over. Hij maakte er een hotel café restaurant van.
De naam werd gewijzigd in ‘De Jongejan’ omdat ‘De Jongejaap’ minder geschikt geacht werd. Het pand werd gemoderniseerd en smaakvol ingericht om ook ‘auto-reizigers van verre aan te trekken’. Goede tijden braken aan toen de afdeling Zwolle van het CBR er gehuisvest was. Dat was tot circa 1965. Hier heeft menigeen zijn rijbewijs gehaald of mocht na het onjuist nemen van de lastige Spoolder rotonde gelijk weer terug: gezakt.
In verband met plannen voor de aanleg van de
IJsselallee moest ‘De Jongejan’ worden afgebro­ken. De klandizie was al hard achteruitgegaan door de rondweg en de nieuwe IJsselbrug. In juni 1973 kwam de sloper om het horecabedrijf af te breken.
Daarmee verdween voor veel Zwollenaren een brokje jeugdsentiment. Waar eens ‘De Jongejan’ stond, rijdt nu het verkeer in een nimmer afla­tende stroom over de IJsselallee.

(Collectie ZHT)

Op dit punt van de IJsselallee, ongeveer ter hoogte van de oranje pijl, stond eens ‘De Jongejan’. Rechts de daken van de laatste huizen van de Veerallee, links de IJsseltoren. (Foto redactie)

zwols historisch tijdschrift 91

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans90
Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een
bijzondere buurtschap Pier Karenbeld

Inleiding92
Spoolde en de vroegste geschiedenis94
Spoolde op de kaart95
De marke Spoolde97
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg99
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’103
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’106
Erve de Venus108
De Beukenallee114
Terug naar Theetuin Thijssen120
De Zalkerveerweg126
De buurtschap Spoolde130
Spoolde en het boerenbedrijf133
De oprukkende stad en het
verdwenen Spoolde137
Tenslotte140
Auteur142

Redactioneel
‘Spoolde vind ik een prachtige buurtschap’, vertelt Jurrien Stroomberg, wijkbeheerder van Spoolde, op de site van de gemeente Zwolle. En gaat hij door: ‘De saamhorigheid in de wijk is enorm en de kreet Samen maken wij Spoolde, vind ik hier erg op zijn plaats.’ Onze nieuwsgierigheid is gewekt. In dit themanummer van het Zwols Historisch Tijdschrift geven we Pier Karenbeld, auteur van vele artikelen over de geschiedenis van Spoolde, de ruimte om te vertellen over het heden en verleden van ‘zijn’ wijk.
Wijken, districts, quartiers, Viertel of barrios, we vinden ze in alle steden ter wereld. Een stad die groeit heeft ruimte nodig voor zijn bewoners. Een nieuwe wijk is dan al snel geboren. Maar soms heeft zo’n wijk de oudste rechten. In Spoolde treffen we al sporen van bewoning aan tijdens de Jongste Steentijd. Nou ja, wijk, dat is een relatief moderne term. Een buurtschap was het, of zoals sommige historici liever zeggen ‘een buurschap’, een term waarin een lange traditie van burenhulp ligt besloten. Zoals de Engelsen naast het woord ‘district’ ook wel van ‘neighbourhood’ spreken.
De naam van een wijk geeft soms iets van de geschiedenis ervan prijs. In Zwolle verwijzen de wijknamen Assendorp, Dieze en Spoolde naar land dat al eeuwenlang zo genoemd werd. Soms kan de relatie tussen steden en hun wijken moei­zaam zijn. Menigeen vindt zichzelf geen Zwol­lenaar, maar Assendorper, Diezenaar of Spoolde­naar. Misschien door dat gevoel van ‘saamhorig­heid’, waar de wijkbeheerder van Spoolde het over heeft. Mocht u dat een wat wazig begrip vinden, dan helpt dit themanummer u misschien om uw eigen oordeel over Spoolde en zijn bewoners te vellen.

Omslag: Spoolde in de slagschaduw van de zich opdringende stad. (Foto Henk Tuinman)

92 zwols historisch tijdschrift

Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een bijzondere buurtschap
Inleiding
De Zwolse wijk Spoolde wordt begrensd door de IJssel, de spoorlijn Zwolle-Amersfoort, de IJsselallee en Westen­holte. De A28, de Willemsvaart en het Zwolle-IJsselkanaal doorkruisen de wijk. Spoolde vormt nog steeds een levendige buurtschap en doet dap­pere pogingen een eigen identiteit te bewaren. Een wijkkrant speelt daarbij een belangrijke rol.
In 1997 richtten de Spooldenaren Paola de Bruyn en Arnold Zwakenberg het wijkblad de Papenacker op. Ze besloten het twee keer per jaar te laten verschijnen. De naam verwijst naar de vroegste geschiedenis van Spoolde, wanneer in de markeboeken gesproken wordt over een stuk dijk dat ‘de Papenackere’ genoemd wordt. Enkele jaren later verhuisden beide initiatiefnemers en werd mij gevraagd of ik in de redactie plaats wilde nemen. Aangezien ik net met werken gestopt was leek me dat een aardige start voor een nieuwe invulling.
Op dit moment bestaat het blad dertien jaar en zorgt een enthousiaste redactie voor een regel­matige verschijning en een gevarieerde invulling. Sinds enkele jaren verschijnt het ook digitaal: home.zonnet.nl/papenacker. Vaste rubriek is altijd een artikel over een onderwerp uit de geschiedenis van de buurtschap Spoolde. Dit onderdeel sprak me extra aan omdat ik sinds mijn jeugd meer dan gemiddeld geïnteresseerd ben in geschiedenis. Daarbij heeft ook locale geschiede­nis altijd mijn belangstelling gehad.
Zo heb ik vanaf 1998 geprobeerd om in elke aflevering een stukje Spoolder geschiedenis op te diepen. De keuze van de onderwerpen was niet systematisch. Vaak vormden huizen die een lang­durige geschiedenis deden vermoeden de aanlei­ding, maar soms ook de historie van een weg of straat. In het jaar van de boerderij (2003) mocht een duik in Spooldes rijke agrarische verleden natuurlijk niet ontbreken.
Elke keer was het weer een uitdaging om te voorkomen dat de verhalen louter uit een opsom­ming van feitelijke gegevens gingen bestaan, maar dat ze, waar mogelijk, gekleurd zouden worden met persoonlijke herinneringen van Spooldena­ren. Gelukkig is het vrijwel altijd gelukt om een stukje ‘oral history’ toe te voegen.
In het kader van deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift was het de kunst de op zichzelf staande verhalen zo te bewerken, dat er toch wat lijn in ontstond. Vandaar de start met een stukje geschiedenis over de vroegste tijd van Spoolde, waarbij zowel het Katerveer als de Spool­derberg een belangrijke rol spelen. Daarna volgt een keuze uit de verschillende verhalen die in de loop der jaren in het wijkblad verschenen zijn.
Hopelijk geven ze al met al een aardige inkijk in de lange en ook rijke historie van de buurtschap Spoolde.
Spoolde en de vroegste geschiedenis
Een gangbare verklaring voor de naam Spoolde was altijd het verband met het Middelnederlandse werkwoord spoelen, ook wel spuelen of spoilen genoemd. Spoolde werd vroeger ook wel Spoelde of Spolde genoemd. Het betekent met water over­spoelen, of overstromen, iets wat vroeger regel­matig langs de IJssel voorkwam. In zijn Geschiede­nis van Zwolle uit 2005 komt Jan ten Hove met een andere verklaring. De naam Spoolde zou net als bij Westenholte en Langenholte naar de naam van een bos verwijzen en ons herinneren aan de tijd dat het gebied met uitgestrekte bossen was bedekt. In de Middeleeuwen zouden die bossen door kaalslag en intensief gebruik van het land verdwenen zijn.
In de prehistorie ontstonden er een aantal ver­hogingen, langwerpige rivierduinen, ondermeer bij Spoolde. Hierop werd de allereerste bewoning mogelijk. Dat er toen inderdaad bewoning moet zijn geweest, bewijst bodemkundig onderzoek.
Tijdens de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal werden er onder leiding van G.D. van der Heide, archeoloog bij de directie IJsselmeerpolders, in de Spoolder uiterwaarden niet alleen talloze herten­geweidelen gevonden, maar ook grote hoeveel­heden middeleeuws aardewerk. Sommige gewei­delen bleken bewerkt te zijn tot beitels en bijlen, waarmee je een behoorlijke kracht kon uitoefe­nen. Hoewel men de ouderdom van de geweien moeilijk kon vaststellen, gaat men er van uit dat het op zijn minst vierduizend jaar terugwijst, naar de bronstijd.
Dat spoort aardig met de ontdekking die de amateurarcheoloog R. van Beek deed tijdens de aanleg eind jaren tachtig van het, vlak naast het Zwolle-IJsselkanaal gelegen, industrieterrein Voorst 3. Hij ontdekte sporen van een rondbouw­huis, daterend uit de Midden-Bronstijd.
Ook Jan ten Hove vermeldt dat bodemon­derzoek heeft uitgewezen dat er tijdens de brons­tijd en de ijzertijd bewonerskernen moeten zijn geweest in ondermeer Spoolde. Er zijn zogeheten grondsporen van woonstalboerderijen aangetrof­fen, boerderijen die doorgaans 21 tot 25 m lang waren en wel 5 tot 7 m breed konden zijn.
Bisschop wordt landsheer
Rond de jaartelling vestigden zich in het gebied waartoe ook Spoolde behoorde de Sassen (Sak­sen), een volk van Germaanse oorsprong. Aan­vankelijk leidden ze een zwervend bestaan en waren ze vooral herders en jagers, maar langza­merhand werd het meer een volk van landbou­wers dat voor vaste verblijfplaatsen koos.
Vergaderingen (holtspraken) en religieuze bijeenkomsten vonden vaak plaats op bijzondere plekken, bij een rivier, een bron of op een heu­vel. Volgens het informatiepaneel onder aan de Spoolderberg is het zeer waarschijnlijk dat de Ger­manen het rivierduin bij Spoolde ook als plaats voor bijeenkomsten en rituelen hebben gebruikt.
Ook al hadden de diverse Saksische stammen zich op den duur samengevoegd tot een Sassen­verbond, ze waren uiteindelijk niet opgewassen tegen de zuidelijker gelegen Germaanse stammen. Deze hadden zich verenigd in een Frankenbond waarin Karel de Grote een hoofdrol zou gaan spe­len; hij stichtte een immens rijk.
Rond 800 lijfde Karel het rijk der Saksen bij zijn rijk in. Hij bekeerde zich tot het christendom en deed er alles aan om de veroverde volken ook tot zijn nieuwe geloof te brengen. Tegelijkertijd wilde hij afrekenen met alles wat herinnerde aan het heidense geloof. Niet alleen volksvergaderin­gen en gewone rechtsdagen werden verboden, maar ook voorouderlijke zeden en gebruiken wer­den in de ban gedaan. Het christendom breidde zich meer en meer in noordelijke richting uit, al in 777 werd het bisdom Utrecht gesticht.
Na de dood van Karel de Grote ging het berg­afwaarts met het centrale bestuur en ging het rijk langzamerhand ten onder door onderlinge twis­ten tussen de erfopvolgers. Salland, dat toen ook wel Salaland genoemd werd, ging uiteindelijk tot het Oost-Frankische Rijk behoren en kwam bin­nen de provincie IJsselgouw te liggen.
Voor het besturen van het land stelde de koning plaatsvervangers, vazallen, aan die daarvoor een stuk grond te leen kregen. Toen deze leenmannen steeds meer macht naar zich toetrokken en, zelfs ongevraagd, het land van vaders op zoons lieten overgaan, besloot de koning voortaan steeds meer grond aan de bisschoppen te schenken, omdat bij hen erfopvolging niet aan de orde was.
In 1086 werd de gouwe Salland aan de bis­schop van Utrecht geschonken. Hij had in de loop van de tiende en elfde eeuw naast het Nedersticht (Utrecht) ook het Oversticht onder zijn beheer gekregen, een gebied waartoe het latere Overijs­sel, Drenthe en de stad Groningen met omgeving behoorde.
De bisschop had zijn handen zo vol aan wereldlijke beslommeringen, dat hij steeds meer werk moest uitbesteden. Vooral de kanunniken van het invloedrijke bisdom Deventer werden ingezet. Deze kanunniken kregen steeds meer bezittingen. Zij waren zich ook bewust van de voordelen die de steeds verder gaande ontginnin­gen hen boden.
Omdat de waterbeheersing verbeterd was kon er steeds meer onland, onbruikbare woeste grond, in cultuur worden gebracht en nam het aantal grazige weiden toe.
Spoolde op de kaart
De IJssel ten noorden van Deventer was langza­merhand ook beter bevaarbaar geworden. Daar­door nam de handel stroomafwaarts toe, maar er was ook een keerzijde voor de bisschop.
Het aantal doorwaadbare plaatsen was zo afgenomen dat de landsheer naar een andere oversteek op zoek moest om in het Oversticht te belanden. Extra probleem daarbij was dat zijn grote tegenspeler, de hertog van Gelre, het groot­ste deel aan die kant van de IJssel bezat. Gelukkig liep even ten noorden van Hattem de grens met zijn grondgebied. Daar lag het allang verdwenen kerkdorp Katen met een veerstal, van waaruit hij rechtstreeks de oversteek naar het Oversticht kon maken. In het dorpje Katen stond een kerspelkerk waar ook de Spooldenaren tot ver in de Middel­eeuwen ter kerke gingen. Tijdens een watersnood­ramp, in 1444, werd het dorpje uiteindelijk door de golven verzwolgen en kwam het midden in de nieuwe bedding van de IJssel te liggen.
Het Katerveer
De plek werd Cathendol of Catertol genoemd, wat oorspronkelijk een heffing op visvangst inhield. Pas later, met het beter bevaarbaar worden van de rivier, werd hier ook de Katentol van passerende schepen mee aangeduid.
Het Katentol behoorde aanvankelijk tot de abdij van Elten, die het in 1240 in ‘eigen gebruik’ en ‘eeuwigdurende erfpacht’ aan Deventer gaf.
Frederick van Blankenham, bisschop van Utrecht, gaf in 1396 aan dat het veer in bezit moest komen van de pastoor van Cothen (Katen), om zo het kerkbezoek mogelijk te maken voor de inwo­ners van het aan de overkant liggende Spoolde.
In 1437 verdween het veer uit bisschoppelijke handen, maar daarbij was wel bedongen dat het nooit in handen van de Geldersen mocht komen. Het Katerveer kwam in 1454 in zijn geheel in eigendom van de stad Zwolle. Het zou pas na de totstandkoming van de eerste IJsselbrug in 1930 uit de vaart worden genomen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de pont nog twee keer, zij het voor korte tijd, in de vaart. In 1940 nadat het Nederlandse leger de IJs­selbrug had opgeblazen en in 1945 toen de Duit­sers, vlak voor hun nederlaag, hetzelfde deden.
De keuze van de plek bracht niet alleen Spool­de in beeld maar was ook van belang voor de ont­wikkeling van de stad Zwolle, want Zwolle werd nu een belangrijke pleisterplaats voor het verkeer naar het noorden.
Spoolderberg
Dat de bisschop van Utrecht de Spoolderberg als vergaderplaats uitkoos, was niet toevallig. Het sloot mooi aan bij gebruiken uit de Germaanse tijd, waar verhogingen ook vaak als ‘hulde- en rechtplaats’ werden aangeduid. Beide aspecten kregen in de nieuwe situatie een vervolg.
In 1308 was het de toenmalige bisschop van Utrecht, Guy van Avesnes, die de IJssel overstak en op de Spoolderberg, in aanwezigheid van ‘rid­dere ende knapen en dat mene Lant’, het dijkrecht vaststelde. De bijeenkomst was opgezet om de waterstaatszaken definitief goed te regelen. In die tijd was men er ook al van overtuigd geraakt dat het water een vijand was die gezamenlijk aange­pakt moest worden. Geen overbodige luxe, zoals uit de geschiedenis van Spoolde zal blijken.
In het jaar 1456 vond er weer een belangrijke gebeurtenis plaats, want toen kwam landsheer David van Bourgondië naar de plek om vrede te sluiten met de Overijsselse steden.
Ook inhuldigingen van de nieuwe landsheer vonden op de Spoolderberg plaats. De Spool­derberg zou tot aan de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke vergaderplaats blijven.
Het aanzien van de Spoolderberg is na eeuwen drastisch veranderd. Het is nog slechts een bergje, een restant van het eens allergrootste rivierduin van Salland, dat door de automobilist die richting oude IJsselbrug rijdt, nog nauwelijks opgemerkt wordt.
In de loop van de tijd werd het zand voor allerlei doeleinden gebruikt, onder meer voor de aanleg van een schans, die deel uitmaakte van een verdedigingslinie van de stad tot de IJssel, terwijl ook bewoners er regelmatig zand haalden voor eigen doeleinden. De berg zou misschien totaal verdwenen zijn als niet in 1644 het markebestuur had besloten dat afgraven voortaan alleen tegen betaling was toegestaan. Alleen de stad Zwolle zou er nog voor niets mogen graven.
Bij de aanleg van de Willemsvaart was de Spoolderberg een storende hindernis. De water­weg werd er omheen gelegd maar aan de zuidkant werd toch nog een stuk van de berg afgegraven.
Het kunstwerk ‘Le Chêne’ (de machtige eik) van kunstenaar André Boone dat onder aan de Spoolderberg staat, symboliseert de verschillende culturen die in de loop der eeuwen aan dit rivier­duin zijn voorbij getrokken.
De marke Spoolde
Ondanks het feit dat de bewoners neerstreken op de hoger gelegen rivierduinen, hadden ze het toch niet altijd gemakkelijk. Aanvankelijk lag het omringende veen nog hoog genoeg om geschikt te zijn voor veeteelt, maar in de eeuwen daarna ging het veen zo inklinken dat het veel lager kwam te liggen. Dat leidde, vooral in herfst en winter, regelmatig tot wateroverlast en overstromingen.
Niettemin is Jan van de Wetering in zijn boek Vergeten levens van mening dat er omstreeks 1600 in Salland door ontginning en bijpassende ont­watering al een tamelijk stabiele situatie was ont­staan. Spoolde, liggend in het stroomdal van de IJssel, lag toen in een vruchtbaar deel. De grond was samengesteld uit rivierklei en klei op veen dat uitermate geschikt bleek voor veeteelt. Toch heeft Spoolde eeuwenlang een gebied gehad dat geschikt was voor akkerbouw; het gebied tussen de Spoolderenkweg en de IJssel, dat ook nu nog steeds de Spoolderenk heet.
Spoolde was een marke. Een marke is een middel­eeuws collectief van grotere boeren die gezamen­lijk het beheer en gebruik van hun gemeenschap­pelijke gronden regelden. De marke Spoolde werd begrensd door de marken Assendorp, Schelle, Voorst, Westenholte en de rivier de IJssel. Het centrum van de marke bestond uit cultuurgrond met boerderijen, omgeven door woeste gronden.
Regelmatig kwamen de markegenoten bij elkaar om, onder voorzitterschap van de mar­kerichter, diverse zaken betreffende de marke te bespreken. Niet iedereen mocht deel uitmaken van het bestuur, alleen de zogenaamde geërfden of gewaarden, zij die eigendom bezaten. Zij kregen daarmee het recht vee in te scharen in de gemeen­schappelijke weide, de meente, die tussen de huidi­ge Meenteweg en de wetering gelegen was. Het was gebruikelijk weidegronden af te sluiten met doorn­hagen die tot circa 1.20 m gesnoeid werden. De akkerbouw vond voornamelijk plaats op de Spool­derenk, waarbij elke markegenoot, al naar gelang zijn bezit, een of meer akkers toebedeeld kreeg.
Het buitendijkse land gerekend vanaf de Katerveersluis werd achtereenvolgens genoemd: de Spoolderwaard, de Spoolderwelle, de Spool­derzaaiwaard – kennelijk een gebied waarop ook landbouw mogelijk was – en de Vreugderijker­waard, die nu volledig omgevormd is tot natuur­gebied.
De Spoolder Hang (een oude rivierarm) was evenals de rivier de IJssel van groot belang voor de visvangst. Het markebestuur bemoeide zich dan ook nadrukkelijk met de visrechten.
Naast de eigenaren van de gewaarde boerde­rijen konden keuters of katers (kleine boeren) soms tegen betaling ook gebruik maken van mar­kegronden. Een enkele keer mochten ze zelfs een stukje grond ontginnen.
De markerichters woonden zelf vaak niet in Spoolde, want de erven werden meestal bewoond door de pachters, ook wel meyers (meiers) of huysluyden genoemd. De markerichters werden bij toerbeurt gekozen. Vrouwen zaten niet in het markebestuur, zij moesten voor een waarnemer zorgen. Het waren de notabelen die eeuwenlang het markebestuur vormden. Het duurde tot na de Franse tijd voordat de eerste boer, Meyerink, ook zitting mocht nemen in het markebestuur, nadat hij eigenaar was geworden van ‘Erve de Venus’ (zie het hoofdstukje over deze boerderij, pagina ..).
De markeboeken van Spoolde
De afspraken binnen het markebestuur werden gemaakt, werden jarenlang opgetekend in de mar­keboeken. Het eerste Spoolder markeboek dateert uit 1489, het laatste werd in 1870 geschreven. Het is jammer dat er geen gegevens van honderd jaar eerder zijn. We hadden dan kunnen weten of Gheerd van Spoelde, een bekende naam uit de vroege Zwolse geschiedenis, ook daadwerkelijk iets met Spoolde te maken heeft gehad, zoals de naam doet vermoeden. Deze schepen van Zwolle liet in 1394, ter wille van zijn zielenheil en dat van zijn familie, een testament opmaken waarin stond dat veel van zijn goederen aan de kerk zouden worden nagelaten. Daarvoor moest een kapel gebouwd worden en een kerk. Dit was het begin van de bouw van de Onze Lieve Vrouwekerk.
In de oudste boeken wordt wel gesproken van een ‘Hof thoe Spoolde’, maar het blijft gissen of Gheerd have en/of goed in Spoolde heeft gehad.
In het eerste markeboek (1489) wordt in hoeveelheden roeden en voeten aangegeven hoe groot ieders bezit was. Op dat moment waren er nog maar tien hoeven in Spoolde, in 1626 gaat het over vijftien hoeven.
Zorgvuldig worden belangen van iedereen vastgelegd: ‘Ganzen en eenden die in ’t land van andere luyden komen mag men doodslaan!’. Heel vaak gaat het over zaken als het onderhoud van de IJsseldijk en kribben, het hakken en verkopen van hout, het onderhoud van sloten, wegen en dui­kers, maar ook wel over het recht op visserij.
In de hierna volgende stukken komt de rol van het markebestuur verschillende keren naar voren.
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg
Eeuwenlang stond midden in de zogenaamde Spoolder polder, gelegen tussen het Mercure hotel en de Nilantsweg, boerderij de Hertsenberg. Met de sloop van de boerderij in 1997, werd er ook een stuk geschiedenis afgesloten.
Van oudsher lag de gemeente Zwollerkerspel als een ring om de stad Zwolle. De invloed van de stad was groot. Aanvankelijk was de kerk eigenaar van de omliggende gronden van de stad, later waren het de adel en rijke burgers uit de stad die landerijen en huizen bezaten in het kerspel.
Vaak werd er op hun bezittingen een zogehe­ten spieker gebouwd, doorgaans niet veel meer dan een voorraadschuur. Meestal werd die in de loop van de tijd uitgebouwd tot een bewoonbaar pand, waarna het een buitenplaats werd. Veel moet men zich aanvankelijk nog niet voorstellen van het woongenot. De huizen werden meestal alleen ’s zomers bewoond, ’s winters trokken de bewoners naar de comfortabele binnenstad. Dit zal ook het geval geweest zijn met de Hertsenberg.
Benedictus van Hertenbergh
De naam Benedictus van Hertenbergh is gekop­peld aan het huis dat eeuwenlang midden in de Spoolder polder lag. Benedictus had een smederij in de Voorstraat op nummer 43, waar vooral spel­den werden gesmeed.
In 1690 duikt de naam Hertsenberg voor het eerst in de archieven op. Benedictus zat toen ken­nelijk in geldnood en leende van een zekere Arent van Brevoort honderd caroli guldens. Hij gaf hier­voor zijn huis en akkers genaamd ‘den Herten­berg’, gelegen in Spoolde, in onderpand.
Uit de registers kunnen we opmaken wat hopman Abraham van Sonsbeek (kapitein in het leger) zoal in bezit kreeg toen hij het in 1789 erfde:
– een caterstede (keuterboerderij) den Hertsen­berg* met daarbij gelegen weide en plantsoen, benevens twee en een halve koeweyde op de Spoolder Weerd;
– de weydekamp genaamt het Lange campjen, groot 1 morgen** mede gelegen in Spoolde;
– de weydecamp genaamt den Boomgaard groot ½ morgen mede gelegen in Spoolde;
– het hooycampje genaamt het Laage campje groot ½ morgen mede in Spoolde gelegen;
– een Hagentje genaamt Uilengaren groot ¼ mor­gen meede in Spoolde gelegen.
Verder nog wat akkertjes bouwland, die zowel in Spoolde als in Westenholte lagen.
Het huis bleef een aantal jaren in handen van Van Sonsbeek, hoewel ook hij weer geld leende en daarbij de buitenplaats in onderpand gaf. In die tijd moet er ook een nieuw gebouw bijgezet zijn, want in het huis dat de familie Zieleman later jaren lang zou bewonen, is een eerste steen gemet­seld met het jaartal 1818.
Van kamerbewoner tot eigenaar
In 1832 komen de eerste kadasterkaarten. We krijgen dan een beeld van wat er zoal aan opstallen in Spoolde staat. Het gebied van de Hertsenberg strekte zich toen uit vanaf de Beukenallee tot aan de IJssel.
Naast de oorspronkelijke spieker, die tot caterstede uitgebouwd was, zien we het (nieuwe) gebouw dat uit 1818 dateerde. Er was toen al weer een andere eigenaar, Franciscus Clement Tine­ken. Tineken woonde er zelf niet, hij verhuurde kamers. Eén daarvan werd bewoond door tim­merman H. van Zwolle, die de opdracht kreeg maar liefst 97 zware bomen (eiken en linden) die op dat moment op de buitenplaats Hertsenberg stonden, te verkopen. In 1840 overleed Tineken, waarna de Hertsenberg opnieuw verkocht werd. Uit een advertentie in de Zwolse Courant uit 1841 blijkt dat er sprake was van twee gebouwen, een huis en een caterstede met lanen, tuin en plan­tagien en zelfs een duiventil. De oorspronkelijke caterstede had intussen zijn beste tijd gehad en was vrijwel een bouwval. Fortuin, de nieuwe eige­naar, liet het in 1849 afbreken.
Ook nu weer bewoonde de eigenaar niet de buitenplaats maar verhuurde een kamer, aan­vankelijk aan ene Jacob van den Berg en later aan Gerrit Willem Zieleman. Wijnkoper Nicolaas Pruimers was tussen 1852 en 1860 eigenaar van de Hertsenberg. Hij was bang dat het verblijf ver­loederde als het niet regelmatig bewoond werd en deed daarom zijn uiterste best om Zwolse families voor ‘een gezond’ verblijf naar zijn buitentje te lokken. Hij plaatste hiervoor kleine advertenties in de Zwolse Courant. Uit de advertenties blijkt dat er sprake was van meerdere kamers, waarvan één nog steeds werd bewoond door Gerrit Willem Zieleman. Op de kadasterkaart van 1880 valt te zien dat er intussen ook een boerenschuur naast gezet was. Bovendien valt er uit op te maken dat het huidige Hertsenbergpad al een duidelijke voorganger had. Zowel vanaf de Meenteweg als vanaf de Beukenallee was er een toegangsweg naar de boerderij.
Na de Franse tijd ontstonden er andere ideeën over het nut van de markegenootschappen, deze zouden moderne ontwikkelingen te veel in de weg staan. Vooral in Oost-Nederland werd toen veel ‘gemene’ grond aan particulieren verkocht. Ook in Spoolde gebeurde dit tussen 1837 en 1847. Een deel van de vrijkomende grond werd door boeren gekocht, het overgrote deel kwam echter in han­den van rijke particulieren.
Zo kocht Eusebius Alexander Buisman in 1875 een flink deel van het grondgebied van de Hertsenberg om daar zijn villa de Vijverberg te laten bouwen. Ook het ZAC-terrein (nu Kater­veerpark) werd op een voormalig stuk grond van de Hertsenberg aangelegd.
In 1910 kreeg Gerrit Willem Zieleman de kans om van huurder, eigenaar te worden. Vanaf dat moment tot het midden van de jaren negentig van de twintigste eeuw zou de naam Zieleman gekop­peld blijven aan de Hertsenberg. Geen wonder dat in Spoolde het begrip ‘Zielemanpaadje’ gemakke­lijker in de mond lag dan Hertsenbergpad.
Zoon Jan, getrouwd met Geertruida van de Wetering, werd in 1918 zijn opvolger. Het echt­paar kreeg vijf kinderen. Het weggetje naar de Nilantsweg kreeg voor hen een bijzondere beteke­nis, want maar liefst drie kinderen haalden hun geliefde uit dat stukje Spoolde. Zoon Gerrit Wil­lem (geb. 1922) bleef op de boerderij achter en zette het bedrijf voort.
Gerrit Willem (Gait) Zieleman
Oud-Spooldenaar Wolter Groeneveld groeide op in één van de afgebroken punthuisjes aan de Nilantsweg, die plaats moesten maken voor de aanleg van de A28. Hij schreef, in een terugblik op zijn leven, over herinneringen aan de Hertsenberg en de familie Zieleman. Hij was ongeveer van dezelfde leeftijd als de toekomstige boer Gait. Hij verhaalt over de eindfase van de Tweede Wereld­oorlog, toen de IJssellinie aangelegd werd en de Duitsers jonge Nederlanders verplichtten om zich te melden voor werk in Duitsland, de ‘Arbeitsein­satz’:
‘Wolter en Gerrit Zieleman zitten op dat moment in hetzelfde schuitje en lopen gevaar. Ze besluiten onder te duiken en buiten de greep van de bezetter te blijven. Overdag lukt dat het best door werkzaamheden te verrichten in en om de Hertsenbergboerderij. Het plukken van appels is daarbij een veelvoorkomende bezigheid. De grote boomgaard, met zijn grote hoeveelheid hoogstam-fruitbomen biedt een prachtige schuil­plaats. Je hebt een hoge ladder nodig om helemaal bovenin te komen. Van daaruit maken ze soms spannende dingen mee. Vaak zijn ze getuige van overvliegende geallieerde jachtvliegtuigen, die het gemunt hebben op station en treinwagons. Duits afweergeschut probeert deze vliegtuigen neer te halen, dus al met al levert dat nogal wat span­nende taferelen op.
Spoolde is in die tijd een belangrijke verde­digingslinie voor de Duitsers; er moet heel wat gegraven worden om de IJssellinie sterk te maken. Ook dat werk wordt gedaan met te werk gestelde Nederlanders, vooral Twentenaren, die dagelijks verplicht komen opdraven. Spitters of gravers worden ze genoemd, de benodigde schoppen en bijlen halen ze elke dag op bij de Hertsenberg waar ze ook ’s avonds weer ingeleverd worden. Wolter en Gerrit proberen te midden van dit alles zo min mogelijk op te vallen.’
Het echtpaar Gerrit en Gerrie Zieleman-Katten­berg kreeg zes kinderen, drie zoons en drie doch­ters. Een gesprek met zoons Dik en Jan in 2007 bracht de tijd weer terug:
‘De woonomgeving was in de jaren vijftig nog jarenlang dezelfde gebleven. Het grootste gedeelte van de grond om de boerderij was nog weiland, er lag ook nog een stuk weidegrond daar waar nu de testbaan van Scania ligt. Er was ook bouwland. Op de plek van het huidige hotel Mercure werd maïs verbouwd, waar nu de A28 ligt was nog een grote strook bouwland waar graan verbouwd werd.
Het boerenbedrijf was aanvankelijk nog niet gemoderniseerd. Twee paarden, een zwarte en een bles, verrichtten nog veel werk. Pas in de jaren zes­tig verscheen de eerste trekker en kwam je er meer vormen van mechanisatie tegen. Langzamerhand maakte het hooien plaats voor het inkuilen van gras.
In die jaren verscheen aan de horizon ook de hoog gelegen A28, duidelijk zichtbaar vanaf de boerderij, want bomen stonden er nog niet. De hoeveelheid verkeer stond in geen verhouding tot de verkeersdrukte van nu.
De veestapel bestond in hoofdzaak uit koeien. Ook in die tijd hadden boeren al met tegenslag te kampen. Vrijwel de hele koeienstapel moest geruimd worden toen in de jaren zestig mond- en klauwzeer uitbrak. Met de fruitteelt ging het ook niet goed meer en uiteindelijk werden de fruitbo­men vrijwel allemaal gekapt.’
Verkocht… gekocht… verkocht… gesloopt!
In het midden van de jaren zeventig werd de boer­derij verkocht aan de gemeente die dacht dat het gebied goed paste in haar uitbreidingsplannen. Door de bouw van het motel werd het boerenbe­staan er niet gemakkelijker op. Bovendien wilde geen van de kinderen het bedrijf voortzetten. Ger­rit besloot toen zijn koeien te verkopen en ging ‘buiten de deur’ werken. Stil zitten lag niet in zijn aard, hij was een doener. Dat leidde er toe dat hij het huis grondig ging verbouwen en het aanpaste aan de eisen van de tijd. Ook werd besloten om een gedeelte van het huis te verhuren.
Op een gegeven moment had Gerrit zoveel tijd, geld en energie in het huis geïnvesteerd, dat hij spijt kreeg van de verkoop en het tegen dezelf­de prijs probeerde terug te kopen. De gemeente ging er mee akkoord, maar stelde als voorwaarde dat zij bij verkoop het voorkeursrecht verkreeg.
Leeftijd, gezondheidstoestand, maar ook de staat van het huis leidden uiteindelijk opnieuw tot de verkoop van het huis. Midden jaren negentig verhuisden Gerrit Zieleman en zijn vrouw naar de Stinsweg in Westenholte, waar ze enkele jaren later overleden.
De gemeente zag geen enkele reden om de boerderij met opstallen in stand te houden: ‘dat zou alleen maar geld kosten!’. In 1997 werd boer­derij ‘de Hertsenberg’ gesloopt en is het pand met een lange historie voorgoed verdwenen.
* De oorspronkelijke naam Hertenbergh is veranderd in Hertsenberg.
** Een morgen is een oude landmaat, waaronder verstaan werd de hoeveelheid land die men op een morgen zou kunnen ploegen. Dat kon per plaats en gebied nog al uiteen lopen.
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’
Jarenlang was er ook sprake van een Klein Hertsen­berg. Het stond op de plaats waar de Nilantsweg een bocht maakt, nu Nilantsweg 89, en waar een weg­getje afbuigt naar de dijk. Het weggetje is er nog en werd ooit de Zwarte Weg genoemd.
Toen hopman Abraham van Sonsbeek in 1789 eigenaar werd van Groot Hertsenberg, kwam hij ook in bezit van Klein Hertsenberg, dat bestond uit twee catersteden, keuterboerderijtjes. De boer­derijtjes werden meestal bewoond door mensen die werkzaam waren voor de marke Spoolde, vooral weerdmeesters. In het bevolkingsregister van 1741 staat dat aan de ene kant timmerman Arend Wijnkoop woonde, met naast hem Lam­bertus Reinders en zijn vrouw Willemina.
Lambertus was weerdmeester van de marke en moest toezicht houden op alles op en om de dijken. Hij speelde een belangrijke rol in een door markerigter Nilant in het markeboek beschreven vete tussen de buurtschap Spoolde en het Gel­derse Ierst (zie pagina 106).
Van twee katersteden naar drie huizen onder
één dak
Toen in 1832 de eerste kadasterkaarten versche­nen, vielen daarop duidelijk de twee huizen van Klein Hertsenberg te herkennen. Op den duur werd Klein Hertsenberg losgeweekt van zijn grote broer, ook al kwam het ook nu weer in handen van gegoede families.
Zo werd mr. J.M. van Rhijn in 1841 als eige­naar genoemd. Hij was getrouwd met Elisabeth Nilant, dochter van burgemeester Nilant, die op dat moment in het vlakbij gelegen IJsselvliet woonde.
Bij de volkstelling van 1860 kwam Klein Hert­senberg opnieuw in beeld. In één van de huizen woonde toen de weduwe Halfwerk. Kennelijk had zij enige tijd later het huis kunnen kopen, want in de Zwolse Courant van 1883 staat een advertentie waarin zij als eigenares een katerstede, genaamd Klein Hertsenberg, te koop aanbood, bestaande uit huis, schuur, bakhuisje en tuingrond, groot vijf are.
Er moet na die tijd een ingrijpende verande­ring hebben plaats gevonden. Uit een advertentie van 1888 blijkt dat baron De Vos van Steenwijk op dat moment eigenaar was en zijn bezit wilde ver­kopen. Het ging om de verkoop van drie huizen onder één dak met bouwland, groot 21 roeden,
24 ellen. Uit de advertentie valt verder op te maken dat de drie huizen enkele jaren daarvoor gebouwd waren en dat twee ervan verhuurd waren voor ‘elk ƒ 1,40 per week’. Waarom de oorspronkelijke huizen verdwenen zijn is niet bekend. Deze huizen mogen dan verdwenen zijn, de naam Klein Hertsenberg bleef bestaan. Ook in 1922 dook die naam nog op toen een zekere Bredewout zijn bezit te koop aanbood als ‘war­moezerij Klein Hertsenberg’. Het ging om een ‘boerenhuis, met schuren, hooiberg, steltenberg en tuingrond’. De naam warmoezerij duidt op goede tuingrond. Kennelijk kon de groente in de luwte van de dijk goed gedijen.
Ook na de oorlog, in de jaren vijftig, werd op die plek nog volop groente geteeld. In die tijd woonde groenteteler Piet Kluin in het middelste huisje. Het was weliswaar een klein huisje, maar hij had wel de beschikking over alle achter het perceel gelegen tuingrond. Zijn zelfteelt was niet voldoende voor zijn handel. Dagelijks moest hij naar de veiling om het assortiment aan te vullen. Op de bakfiets trok hij de wijk in om zijn groente uit te venten.
Van sloop naar nieuwbouw
Veel oudere Spooldenaren zullen zich de drie huisjes met hun diverse bewoners nog herinne­ren. Erg comfortabel wonen was het er niet. De huisjes waren vochtig en het woei er soms dwars door heen, de slaapkamers op zolder lagen direct onder de pannen. Uiteindelijk zijn ze in 1969 onbewoonbaar verklaard en geveild.
Joop Stoffer werd toen de nieuwe eigenaar voor een bedrag van 24.000 gulden. Hij wilde de optrekjes slopen en er één nieuw pand voor in de plaats zetten. Het duurde nog wel even voor hij daarvoor toestemming kreeg, maar in 1974 kwam de vergunning af. Voor de nummers 85, 87 en 89 mocht één huis terugkeren: Nilantsweg 89.
Uit de oude bouwtekening kunnen we nog enigs­zins het beeld van vroeger terugvinden. De nieu­we eigenaar nam zelf de sloop en bouw ter hand en kwam daarbij wel voor verassingen te staan. De wanden van één van de huisjes waren met leem aangesmeerd, geen wonder dat er een vochtpro­bleem was. Eén huisje had een zijkamer waar nog heel veel gereedschap van een klompenmaker lag. De vondst duidt wellicht op een vroegere klom­penmakerij. Elk huisje had een schoorsteen en het wemelde er nog van de bedsteden. Bij één van de huisjes zat zelfs een waterput in de kamer.
In de achtertuin kwam hij ook een grote waterput tegen. Joop groef hem uit en maakte hem schoon. Dat leverde vooral veel stukken porselein op. Hij lijmde de stukken zo goed en zo kwaad als het kon aan elkaar, maar niet met de juiste lijm. Het museum aan de Melkmarkt had daarom geen belangstelling voor zijn bodem­vondst. Dat lag anders met een gevonden Zeeuwse spreukschaal. Na deskundige restauratie werd die in de museumcollectie opgenomen. De schaal draagt ook nog een spreuk: ‘Luiheid wordt beloond met armoede’.
Bij de sloop van het huis bleek ook dat het dak nog steeds gedragen werd door dennenstammen. Na de afbraak is rondom de bestaande fundering een nieuwe gemaakt, een zogenaamde schort. Bij het metselen van deze nieuwe fundering ontdekte men dat de oorspronkelijke fundering verder doorliep, want er kwamen fundamenten van een boerderij te voorschijn. Misschien is het vroegere Klein Hertsenberg toch groter geweest dan het latere en zijn de drie huisjes op een deel van het oorspronkelijke Klein Hertsenberg neergezet.
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’
Eeuwen geleden lagen er in de IJssel, niet ver van het Katerveer, een paar eilandjes, eigenlijk een paar zandplaten. Eén daarvan werd, vanwege zijn vorm, ook wel ‘frikadelleneiland’ genoemd, al werd er ook wel over ‘Twiegwelle’ gesproken. Er groeide daar nogal wat twijg, in die dagen van groot belang voor het verstevigen van de dijken. Terwijl men in Spoolde dacht dat de eilandjes hen toebehoorden, dachten ze daar aan de overkant, in Ierst*, anders over. Dat leidde uiteindelijk tot een stevige vete tus­sen beide rivalen.
IJsselvliet
Wim Huijsmans heeft in 1993 in het Zwols Histo­risch Tijdschrift uitgebreid geschreven over het in 1870 afgebroken landgoed ‘IJsselvliet’. Het werd al in 1647 genoemd en was toen in het bezit van de Zwolse burgemeester Arnoldus Greven. Het land­goed lag vlak bij de IJssel en omvatte een gebied dat ongeveer vanaf de huidige Katerveersluizen liep in de richting van het Zwolle-IJsselkanaal ter hoogte van Nilantsweg 47. Ook aan de overkant van de Nilantsweg lagen nog de nodige bezittin­gen. Door vererving kwam het landgoed in bezit van Lucas Nilant, die ook een aantal keren marke­richter was. In die hoedanigheid hield hij het mar­keboek bij waarin hij een gebeurtenis beschreef, die tot het volgende verhaal bewerkt is.
Ongenode gasten
Het was november 1757. Weerdmeester Lam­bertus Reinders ging ’s ochtends bijtijds van huis om zijn dagelijkse werk te doen. Zijn eerste gang was naar de dijk, want hij had bemoeienis met alle werkzaamheden op en rond de dijk. Het was maar een klein eindje lopen want zijn huis stond niet ver van de dijk af, hij woonde al jaren met vrouw en kinderen in Klein Hertsenberg.
Juist toen hij de dijk opgeklommen was viel hem iets ongewoons op. Op het ‘frikadellenei­landje’ in de IJssel waren twee mannen bezig twijg te snijden en zo te zien waren het geen Spooldena­ren. Nee het waren lui van de overkant, uit Ierst.
Lambertus liet dat niet over zijn kant gaan. Had Spoolde immers niet het eigendomsrecht over dat eilandje? Hij regelde bij buurtgenoot Cooyman een boot, charterde twee mannen en roeide naar het eilandje toe. De twee mannen uit Ierst hadden niets in de gaten en gingen rustig door met het snijden van twijg. Ook merkten ze niet dat Lambertus en zijn mannen hun schuit inpikten en daarmee naar de Spoolder kant terug voeren.
Eenmaal terug bracht Lambertus verslag uit bij markerigter Nilant. Op diens advies stopten ze de boot goed weg in de sloot bij een boer, iets ver­derop; voor alle zekerheid hadden ze de riemen er ook uit gehaald. Toch was die boot in februari van het jaar daarop al weer in Ierst terug. De Ierstena­ren kozen daarvoor het juiste moment, want hun actie vond plaats op het moment dat de Spoolder boerenjongens hun vastenavondfeest vierden in de Moriaen, een herberg onderaan de Spoolder­berg.
Spoolde in actie en zegeviert
Toen markerigter Nilant in het daarop volgend najaar vanuit zijn raam naar buiten keek, kon hij zijn ogen bijna niet geloven. In de verte, op het frikadelleneiland, zag hij een hele horde, onbe­kende mannen twijg snijden. Met volle vrachten vertrokken ze naar de Gelderse kant.
Nilant wist wat hem te doen stond. Hij wist een dertiental boeren zo ver te krijgen dat ze met een geleende boot van veerman De Leeuw ook naar het twijgeiland voeren.
‘Probeer zoveel mogelijk twijg te snijden als je kunt’, voegde hij de mannen toe, ‘maar denk er aan, er wordt geen geweld gebruikt en gescholden wordt er evenmin; mocht het zo zijn dat je over­meesterd wordt en ze vragen je wie jullie gestuurd heeft, dan zeg je: de Heeren erfgenamen van Spoolde!’
Toen de Spooldenaren in de middag vertrok­ken, zagen ze al gauw dat de lui van Ierst met z’n veertienen waren. Eén man meer schrok hen niet af en aangekomen op het eiland begonnen ook zij hun twijg te snijden. Zwijgend deden beide par­tijen hun werk.
Markerigter Nilant sloeg vanuit zijn landhuis met de verrekijker het schouwspel gade. Hij zag twee mannen van Ierst wegvaren, terwijl de schuit nog maar halfvol lag met twijg. Dat leek hem niet helemaal pluis, zeker niet toen hij één van de Iers­tenaren, eenmaal aan wal beland, ‘met gezwinde pas’ naar Huize Ierst zag rennen. Dat leek hem geen zuivere koffie. Gauw stuurde Nilant iemand naar het eiland om zijn mensen te waarschuwen op hun hoede te zijn. Nilant maakte zich niet ten onrechte ongerust, want het duurde niet lang of hij zag vanuit Ierst vier mannen naar het eilandje varen. Erger nog, twee van hen hadden een gela­den snaphaan (geweer) bij zich. Bij het eilandje gekomen losten ze zelfs een paar schoten in de lucht, kennelijk wilden ze de tegenpartij intimide­ren. Tevergeefs, onverstoorbaar bleven de Spool­denaren hun twijg snijden. Er werd nog een paar keer geschoten. Ook aan de vaste wal hadden ze nu in de gaten dat er iets aan de hand moest zijn. Boven aan de dijk sloeg Papen Hendrik met een zekere ongerustheid het schouwspel gade, zelfs de meid kwam op het lawaai af. Er vielen verder geen schoten meer. Wel gingen beide partijen gewoon door met twijg snijden. Het was al laat toen de Spooldenaren met grote bossen twijg aan de wal terugkeerden.
De volgende dag wilden ze weer gaan, maar zware regen stond dat in de weg. De Ierstenaren waren er wel, maar niet voor lang, ook zij moesten buigen voor de regen. De heer van Ierst scheen ook even langs geweest te zijn en hij had zijn men­sen gevraagd of er gisteren ook ‘van die donders bij waren die destijds de schuit weggehaald had­den?’. Nou die waren er zeker bij geweest!
Nilant was nog niet helemaal tevreden en kwam met een nieuwe actie. Hij vroeg de boeren of ze de maandag daarop ieder met twee man wilden komen om vervolgens met z’n allen, met de schuit van veerman De Leeuw, af te varen naar het andere eiland, de Grote Welle. Met maar liefst 23 mensen gingen ze op pad. Er was die dag geen Ierstenaar te bekennen. Aan het eind van de dag keerden ze met een enorme hoeveelheid twijg terug. De bossen twijg werden opgeslagen in de ‘Bourenhof’ bij IJsselvliet. Het zou later gebruikt worden voor versterking van het lange hoofd aan de IJssel.
De strijd leek beslecht. Ierst had zich kennelijk gewonnen gegeven. Spoolde ging er vanuit dat het eigendomsrecht over de eilandjes sindsdien defi­nitief aan hen toebehoorde.
* Aan de Gelderse kant tegenover Spoolde lag ooit het kasteel Ierst. Begin negentiende eeuw werd op de plek van het vervallen kasteel boerderij de Ierst gebouwd. De naam Iersterweg herinnert ons ook nog aan het vroegere kasteel.
Erve de Venus
Wie de stad Zwolle, komend vanaf de oude IJssel­brug, binnenrijdt, ziet al gauw een gebouw opdoe­men dat je niet direct de benaming Venus zou geven. Zo mooi is het verzorgingshuis, architectonisch gezien, nou ook weer niet. Als we weten dat Venus de godin van de liefde voorstelt en vaak als symbool van de eeuwige schoonheid gezien wordt, kan men zich afvragen waarom ooit voor deze naam gekozen is. De naam heeft echter alles met de geschiedenis van het pand te maken.
‘Van de Vene’s hoeve?’
Rond de Middeleeuwen was de bebouwing in Spoolde nog heel beperkt. Alleen op de hoger gelegen gronden kon men zich veilig vestigen: op de rivierduinen langs de Meenteweg en gedeelte­lijk van de huidige Nilantsweg. En natuurlijk ook op en langs de in die tijd nog aanzienlijke Spool­derberg met z’n zich redelijk ver uitstrekkende uitlopers. De nederzettingen waren aanvankelijk in bezit van de kerk, voornamelijk van het Bethle­hemklooster, maar later ook van mensen van adel en uit de gegoede burgerij. Grootgrondbezit bleek een goede manier van geld beleggen te zijn.
In het markeboek van 1489 staat vermeld dat een zekere mevrouw Van de Vene een hoeve bezat. Er wordt wel beweerd dat de benaming ‘Van de Vene’s hoeve’ tot de verbastering ‘De Venus’ heeft geleid. Het blijft slechts gissen.
De ‘Venusredoute’
Duikend in de markeboeken stuiten we in 1647 op ‘Erve de Venus’. Een zekere Nicolaes van Hemich en Elsemien Waeckmans kwamen op dat moment in het bezit van erve en goed ‘De Venus’.
De Tachtigjarige Oorlog was toen bijna afge­lopen (1648). Het gebied waarin de Venus lag maakte deel uit van een verdedigingslinie, aan­gelegd op aandringen van prins Maurits om een opmars van de Spanjaarden naar de Noordelijke Nederlanden te verhinderen.
De linie, die aanvankelijk in een rechte lijn liep van het toenmalige Katerveer naar de stad Zwolle, had drie versterkingen: de Katerschans (bij de IJssel aan het Katerveer), de Bergschans (bij de Spoolderberg) en de Luurderschans, op de plaats van de huidige fietstunnel onder het spoor bij de Nieuwe Veerallee. Later werd er een schans over de IJsseldijk, in de richting van het huidige Engelse Werk, bijgebouwd die de naam Nieuwe Schans kreeg. Deze moest vooral de zwakke plek in de verdedigingslinie ‘afdekken’.
Jarenlang werd de linie verwaarloosd. Mensen uit de buurt stalen zelfs zand en stenen van de ver­dedigingswerken. In het rampjaar 1672 (de Repu­bliek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bis­dommen van Munster en Keulen) kwam hen dat duur te staan. Dat vroeg om maatregelen. Menno van Coehoorn (1641-1704), de bekende vesting­bouwer, maakte plannen om de Zwolse linie te verbeteren en vooral om de Nieuwe Schans ingrij­pend te moderniseren. De Nieuwe Schans op de IJsseldijk moest wijken voor een zogenaamd dub­bel hoornwerk met daarnaast een drietal nieuwe redoutes. Dat waren wat kleinere schansen met alleen uitstekende hoeken. Eén van die redoutes kreeg de naam Venusredoute. Het kan haast niet anders of die naam is gekozen vanwege de in de nabijheid gelegen Venushoeve.
Na het overlijden van zijn vrouw trouwde Nicolaes van Hemich in 1654 opnieuw. Uit de beschrijving van de erfenis bleek dat er sprake was van een huis en een erve, niet ongebruikelijk in die tijd. Enerzijds een soort van buitentje met daaraan verbonden een katerstede (keuterboerderij), waar de meier (de pachter) op woonde. Hij zorgde voor onderhoud en inkomsten, terwijl de eigenaar, doorgaans ’s zomers, op z’n buitentje kon vertoe­ven. Meestal ging het bezit door vererving over in andere handen. Soms werd maar een deel van het bezit geërfd, zoals in 1733 toen een zekere majoor Goris Rouse tweederde deel kreeg. Enkele jaren later werd het bezit opgedeeld in de helft voor de weduwe Rouse en de andere helft voor een zekere Walraven.
Toch waren het nog steeds vooraanstaande families, zoals Rouse en Walraven, uit de stad Zwolle die erf en goed in bezit hadden. Zo stamde Rouse uit een familie van officieren en Zwolse regenten en behoorde de familie Walraven ook tot de notabelen.
Uit de archieven komen we meer te weten over de eigenaren dan over de bewoners van ‘Erve de Venus’. De markeboeken moeten ons inzicht geven over hun bewoners, Gerrits bijvoorbeeld. Rondom hem speelde zich in de achttiende eeuw een merkwaardige affaire af.
Optocht met koeien
Het markebestuur, dat bestond uit mensen die huizen en/of landerijen in de buurtschap bezaten, zag er streng op toe dat men zich aan de regels hield en dat betalingen door de meiers voor gebruik van gronden op tijd plaatsvonden. Zo was Spooldenaar Gerrit Gerrits volgens hen jarenlang in gebreke gebleven. Hij had gebruik gemaakt van de weilanden in de Spoolderenk, maar er drie jaar lang niet voor betaald. In 1728 nam het bestuur maatregelen en schakelde de ‘gerichtsdienaar’ in.
Zo zien we op een gegeven moment niet min­der dan vijf mannen met vier koeien vanuit de Spoolderenk door de buurtschap trekken. Twee markeknechten, aangevuld met enkele extra krachten, moesten de klus klaren. Het waren de koeien van Gerrit Gerrits die op de Venus woon­de. Gerrit was stomverbaasd toen hij de stoet zag aankomen, hij was zich van geen kwaad bewust. Er moest een misverstand in het spel zijn. Dat was inderdaad het geval, want zijn vrouw Geesje was eerder getrouwd geweest, ook met een Gerrit Ger­rits, die inmiddels overleden was. Dat was degene die zijn verplichtingen niet was nagekomen. Het markebestuur moest uiteindelijk bakzeil halen en moest zelfs in de buidel tasten, want de mannen die extra ingeschakeld waren presenteerden de rekening voor de geleverde assistentie: vier gulden en vier stuivers.
In boeren handen
In de Franse tijd constateerde men dat de verdedi­gingslinie onherstelbare gebreken vertoonde.
Herstel zou ontzettend veel geld kosten en dat geld was er niet. Bovendien hadden dergelijke ver­dedigingswerken geen militaire betekenis meer. Koning Lodewijk Napoleon gaf opdracht de ves­ting te slopen. In 1809 werd de verdedigingslinie al voor een deel ontmanteld.
Langzamerhand kwamen er ook meer erven in handen van de boeren zelf. Wat de Venus betreft was dat al het geval in 1778. Veerman Jan Meye­rink, getrouwd met Trijntje Zwakenberg, kreeg via de erfgenamen van Rouse en Walraven ‘Erve en Goed’ in handen. Als eigenaar van ‘de Venus’ behoorde hij nu ook tot het College van Erfge­namen waarmee het recht verkregen werd toe te treden tot het markebestuur.
Verschillende generaties Meyerink zijn vervol­gens eigenaar van de Venus geweest. Een Jan Mey­erink werd later zelfs markerigter, ondenkbaar in de eeuw daarvoor. Als voorzitter deed hij onder­meer het voorstel bij de toegang tot de Spoolder­berg een slagboom te plaatsen om te voorkomen dat iedereen er zomaar zand weghaalde.
Meyerink was niet de enige boer in het mar­kebestuur geweest. In 1842 werd ook W. Aalbers genoemd, die de boerderij aan de Nilantsweg (101) had gekocht van nazaten van Rhijnvis Feith.
‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop,
andere bestemming
In 1857 bood Jan Meyerink de ‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop aan. De advertentie in de Zwolse Courant geeft ons een aardig kijkje op aard en omvang van het erf. Er was sprake van twee gebouwen, een herenhuis en een boerenhuis. Het herenhuis stond tegen het boerenhuis aan, had ruime vertrekken, een kelder, keuken en zolder en was ‘geschikt voor zomer en winterverblijf’. Bovendien had het ‘fraaie uitzichten op de rivier den IJssel’. In een tussenzinnetje stond dat het herenhuis ‘voor weinige jaren geheel nieuw gebouwd’ was.
Of de boerderij in die tijd ook vernieuwd was staat nergens vermeld. Wel krijgen we de volgende informatie: het ‘zeer sterk en ruim gebouwd boe­renhuis’ heeft drie ruime vertrekken, twee water­vrije melkkelders en ‘een deele met stallingen voor paarden en koeyen’.
Het agrarische krijgt nog meer nadruk als we lezen dat er ook nog twee grote schuren bij horen met berging voor wagens, gereedschappen en stal­ling voor paarden en rundvee, met daarnaast nog een paar varkenshokken, twee hooibergen met daarbij behorende wei-, hooi- en bouwlanden, alsmede bos en tuingrond die zich her en der in Spoolde bevond, naast de Willemsvaart bij land­goed de Hertsenberg en in de Spoolderenk.
Buysman, de nieuwe eigenaar, had kennelijk ook andere bedoelingen met het pand. Zowel in 1870 als in 1875 vinden we advertenties in de Zwolse Courant waarbij gesproken wordt over uit­spanning de Venus. Er was muziek te horen en je kon er kijken naar het oplaten van ‘twee luchtbal­lons’, waarvan één groot ‘met een schuitje waarin zich twee personen zullen bevinden’. In 1890 werd op landgoed de Venus een zendingsfeest georganiseerd.
De uitspanning heeft zich waarschijnlijk in en rond het herenhuis afgespeeld, want er was nog steeds sprake van een boerenbedrijf wanneer de volgende eigenaar, H. van Ittersum, in beeld komt. Zelf woonde hij in het herenhuis, maar zijn boerderij ‘met de daarbij behorende landerijen, boomgaard en moestuin, groot 8 ha’, bood hij voor een periode van zes jaar te huur aan. Hij ging niet zo maar met iedereen in zee want hij wilde dat elke inschrijving vergezeld werd door ‘twee solide borgen’. Na het overlijden van Van Ittersum zette zijn vrouw de verhuur nog even door. Ze pro­beerde in haar advertentie gegadigden te lokken met de vermelding dat de Venus in de nabijheid lag van de nieuw te bouwen IJsselbrug (1930).
In 1927 bood ze het geheel te koop aan als een vruchtbaar boerenerf bestaande uit huis met schuur, tuin, vijver, arbeiderswoning, stelten­berg, alsmede bouw- en weiland, opgedeeld in de nodige percelen.
Toen verscheen de bij veel oud-Spooldenaren nog bekende Dries Tempelman op het toneel. Hij is de laatste in de lange reeks van eigenaren van Erve de Venus.
De nadagen van ‘de Venus’
De in Zalk geboren nieuwe eigenaar, Andrie (Dries) Tempelman, was aanvankelijk spoorweg­beambte en vervolgens jarenlang seinwachter. Na een ongeluk werd hij afgekeurd en ging hij verder als huizen- en landmakelaar.
Hij kocht in 1927 ‘de Venus’ met alle grond en opstallen. Het grondgebied strekte zich uit tot aan de dijk, het Engelse Werk, de bloemisterij van De Groot en liep aan de voorkant door tot aan de toekomstige Spoolderbergweg, die toen nog maar een klein weggetje was want de IJsselbrug met z’n ruime toegangsweg kwam pas twee jaar later tot stand. De familie ging wonen in het achterhuis, dat nog steeds een boerderijachtig aanzien had. Via een dubbele achterdeur kwam je van het ach­terhuis op de deel waar zich een pomp en ook een toilet bevond. Huisbaas Tempelman had kippen, konijnen en een geit. In de steltenberg lag nog hooi opgeslagen en rondom het hele huis ston­den vruchtbomen. Er was behoorlijk veel woon­ruimte. Dat mocht ook wel want het gezin telde uiteindelijk vijf kinderen, van wie alleen Annie en Andries nog in leven zijn. Zij kijken terug op een heerlijke jeugd. Er was veel vrijheid om te spelen rond het Engelse Werk maar ook aan de overkant bij de modelboerderij van Dubbeldam en niet te vergeten in de uiterwaarden. Het voorhuis, dat uit twee woongelegenheden bestond en met z’n front richting Spoolderbergweg wees, werd verhuurd en herbergde in de loop der jaren heel wat bewoners.
Het koetshuis
In de advertentie van 1927 werd het koetshuis al niet meer genoemd, de tijd van de koetshuizen was voorbij. Vaak werden ze omgebouwd tot garage voor de in opkomst zijnde auto, maar in dit geval was er een woninkje van gemaakt. Ook dat werd verhuurd. Mevrouw Walgien die toen nog Adri van den Bos heette, had daar voor de oorlog enkele jaren van haar jeugd doorgebracht. Haar vader, Piet van den Bos, afkomstig uit het Westland, was naar Zwolle gekomen omdat daar op een grote tuinderij geen werk meer voor hem was. ‘In Zwolle liggen wel mogelijkheden’, was hem verteld. Daar leerde hij z’n vrouw Jansje Schouten kennen. In 1932, toen ze inmiddels twee dochters hadden, huurden ze het arbeiderswo­ninkje van Dries Tempelman voor een bedrag van vijf gulden in de week, ‘best wel een hoog bedrag voor die tijd’. Het huis was klein, een kamer met een keuken maar met daarnaast wel een grote schuur. Hij verbouwde niet alle groente zelf maar kocht ook in. Dat betekende elke dag vroeg op het land en met z’n spullen naar de veiling aan de Deventerstraatweg. Daarna ging hij met paard en wagen, gemaakt door de bekende wagenmaker Van Weeghel, op stap om z’n handel uit te venten. Niet in de Veerallee, want dat was het domein van de Spoolder tuinder Mensink, maar vooral in de wijken Assendorp, Wipstrik en de Pierik. Doch­ter Adri mocht regelmatig proberen in Spoolde wat sinaasappels te verkopen: ‘als je met een gul­den thuis komt, krijg je een nieuwe band op de fiets’, had haar vader gezegd. De familie Van den Bos vertrok in 1938 naar Assendorp, omdat de gemeente Zwolle in die dagen een hogere uitke­ring gaf dan het toenmalige Zwollerkerspel.
De oorlogsjaren
In 1941 kwam er familie van Tempelman in het voormalige koetshuis te wonen, de familie Evert­sen. Moeder Evertsen moest oom tegen Andries Tempelman zeggen. Ongestoord kon de familie er niet wonen, want aan het eind van de oorlog moest ze naar Westenholte evacueren omdat hun huis in de vuurlinie lag. Oom en tante bleven wel achter.
De Duitsers hadden een hele verdedigingslinie langs de IJssel opgetrokken om met afweerge­schut de aanvallen van de geallieerden te kunnen weerstaan. Die hadden het vooral op de brug en het station gemunt. De IJsselbrug werd bewaakt door Duitse soldaten die ingekwartierd waren in de voorste woningen van de Venus, de oor­spronkelijke bewoners waren weggejaagd. Voor vader Tempelman werd de situatie lastig toen ze hem zochten voor de ‘Arbeitseinsatz’. Fanatieke NSB’ers waren soms op zoek naar Dries, die op dat moment ondergedoken zat in z’n eigen huis. Zoon Andries vertelde in 2009:
‘Wij kinderen noemden hem toen oom Dries. Hij stond altijd vroeg op en ging dan in de tuin werken. Op zekere dag kwamen ze toch huiszoe­king doen. Dries had zich verstopt in een schuur onder een grote berg hooi. Eén van de NSB’ers sloeg met de platte kant van een zeis op het hooi. Dries voelde het wel maar wist zich stil te houden. Zonder resultaat dropen ze af.’
Toch bleef de situatie gevaarlijk. Regelmatig probeerden de geallieerden de brug te bombarde­ren. Zo ook op de dag dat Andries met z’n vader in het Engelse Werk bezig was hout te kappen. Er kwam een bom terecht op de waterleiding. Andries werd door de luchtdruk weggeslagen en zag even later z’n vader tot z’n knieën in de mod­der staan. Zijn vader kon het maar weinig waarde­ren dat hij om de situatie moest lachen.
Aan het eind van de oorlog bleek dat veel Duitse soldaten, er waren hier vooral veel oudere manschappen, de oorlog behoorlijk beu waren. Ook zij verlangden naar het einde. Stiekem luis­terden ze soms mee naar de geheime Engelse zen­der. De radio was al die jaren goed verstopt geble­ven tussen de slaapkamervloer en het plafond van beneden.
Woonzorgcentrum ‘De Venus’
Na de oorlog keerden de vele huurders weer terug, de familie Evertsen in het Koetshuis en diverse andere huurders in de huizen aan de voorkant, waar nog steeds twee woongedeelten waren. In de tijd van de wederopbouw was de woningnood groot en elke woonruimte was welkom.
De tegenover de Venus wonende Henk Dub­beldam heeft veel bewoners zien komen en gaan. Dubbeldam herinnert zich nog de boomgaard met daaronder de vele aardbeienplantjes. Vooral de aardbeien werden liefdevol gekoesterd door Dries Tempelman, daar zat handel in. In de zomertijd zag je vader Dries met een tas vol aard­beien aan het stuur van de fiets naar de stad gaan op zoek naar een extraatje. Dries Tempelman, ook wel Rooie Dries genoemd was ook nauw betrok­ken bij het wel en wee van de IJsclub Spoolde. Hij was van alles tegelijk, baanveger, baancommis­saris, ijsmeester en waakte nauwkeurig over de betrouwbaarheid van het ijs op de vijvers van het Engelse Werk. Het was zijn zorg dat alles piekfijn voor elkaar was. Hij kon ook behoorlijk driftig worden en zich wild ergeren aan mensen die tij­dens het schaatsen hun toegangskaartje niet zicht­baar droegen.
In 1955 overleed Dries Tempelman. Rijdend op de Hattemerdijk op zijn Kapteyn Mobylette werd hij geraakt door een tegemoetkomende fietser. Hij viel met z’n hoofd zodanig tegen een geparkeerd staande auto dat hij in coma raakte en kort daarna overleed.
Wat daarna gebeurde valt moeilijk meer te achterhalen. Zoon Jan, die de nalatenschap regelde, leeft niet meer. Wel is bekend dat er lange tijd twee koks van hotel Wientjes hebben gewoond. Er gaan geruchten dat Frans Wientjes ooit deze plek op het oog had om een nieuwe locatie te bouwen, maar dat hij de vereiste vergunning niet kon krijgen.
In 1963 kwam het voormalige buitentje de Venus in handen van de ‘Stichting Doopsgezind Bejaardenhuis’, die heel andere bedoelingen had met het pand. Het gebouw werd gesloopt en er verrees een bejaardencentrum. In de loop van de tijd is het regelmatig verbouwd en is er organisa­torisch ook het nodige veranderd. Tegenwoordig spreken we van woonzorgcentrum ‘De Venus’ dat onder ‘Driezorg’ valt.
De Beukenallee
Bij een speurtocht naar de geschiedenis van een straat kom je soms tot verrassende ontdekkingen. Archieven en boeken staan je ten dienste om een tipje van de sluier van de vroegste geschiedenis op te lichten. Gesprekken met mensen die er soms al een levenlang gewoond hebben geven de jongste geschie­denis kleur. Een op het oog doodgewone straat, ooit een zandpad, kan zo tot leven komen.
‘Een vette gansch’
Neem nou de Beukenallee. Deze zijweg van de voormalige Veerallee dateert al vanaf 1736 en was toen niet veel meer dan een naamloze zandweg. De weg voerde naar het wat verder gelegen land­goed ‘Kortenberg’, dat op een smalle zandrichel lag en sinds 1868 Mariënheuvel heette.
Het naamloze zandpad stond een tijd later aangeduid als ‘Nieuwe Allee’, een weg met nog nauwelijks bebouwing, slechts hier en daar een boerenhoeve. Pas in 1949 kreeg het zijn defini­tieve naam, de Beukenallee. Die naam kwam niet zo maar uit de lucht vallen. Het vroegere zandpad werd jarenlang omzoomd door metershoge beu­ken.
Volgens de kadastrale kaart van 1832 stonden er in de Beukenallee, die toen nog Nieuwe Weg heette, maar twee huizen. Het verst van de Veer­weg af lag de woning van Hofman.
Op 26 december 1817 hadden de erfgenamen van Spoolde vergaderd over het verzoek van Hen­drik Hofman en zijn vrouw om hun een leven lang in gebruik te geven ‘een stukje grond om een huisje op te bouwen met zoveel land om te bebouwen als aangewezen’. Het verzoek werd goedgekeurd, maar het markebestuur liet ook duidelijk weten dat er wel wat beperkingen aan vast zaten. Zo moest na het overlijden van de echtelieden het huisje getaxeerd worden door twee onpartijdige perso­nen. De marke zou het dan kunnen overnemen, maar als men dat niet van plan was, konden de nazaten van Hofman verplicht worden het huisje af te breken. In dat geval zouden land en ondergrond weer volop eigendom van de marke worden.
Het is nooit zover gekomen, want de nazaten van Hofman kregen steeds de mogelijkheid de huur te prolongeren. Op een gegeven moment kon het pand zelfs gekocht worden. Erfgenamen en heemraden vonden het eenparig goed dat Hofman op eigen kosten een huisje zou bouwen, mits hij maar in de gaten hield dat ‘er voldoende ruimte achter de bomen bleef’. Over het huur­bedrag werd op dat moment nog niets vermeld, wel dat ‘de lasten die thans op de grond rusten voor rekening komen van Hofman en de vrouwe’. Bovendien moesten zij elk jaar op Sint Maarten (11 november) ‘een vette gansch’ aan de marke betalen. Dit laatste vanwege ‘recognitie’, als wijze van erkenning. Deze manier van betaling werd toegepast wanneer er gebruik gemaakt was van iets dat aan een ander, in dit geval de gemeen­schap, toebehoorde.
Het ging bij die extra ‘betaling’ niet altijd om een gans. We lezen ook dat een zekere Gerrit Kolthoorn zes hoenders moest aanreiken. Zelfs de stad Zwolle ontkwam niet aan een dergelijke wijze van betalen, want voor het gebruik van het land ‘Kostverloren’ dat toen naast de Spoolderberg lag, moest ze jaarlijks ook een ‘vette gansch’ leveren. Later kwam het markebestuur van Spoolde met het voors

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 1

Door | 2010, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Wim Huijsmans
Suikerhistorie

(Collectie ZHT)

Diezerpoortenplas 3 en 5 anno 2010. (Foto Jan van de Wetering)
IJssalon / cafetaria D. van Akker
Op zaterdag 30 juni 1956 ging aan de Diezerpoor­tenplas de royaal ingerichte ijssalon van Douwe van Akker voor het publiek open. Hij had dit pand aangekocht van J.A. Alferink, grossier in suikerwerken. Vlak voor de oorlog waren twee huizen, die tussen dit pand en de Diezerpoorten­brug stonden, afgebroken. Dat gaf Van Akker de mogelijkheid om een gezellig terras aan de gracht in te richten. In de ijssalon waren niet alleen allerlei soorten ijs, sorbets en coupes maar ook niet-alcoholische drankjes, patat, kroketten en gehaktballen verkrijgbaar. Uit de jukebox klonken de laatste tophits. Geen wonder dat deze ijssalon voor de Zwolse jeugd een gezellige ontmoetings­plek werd. Hier ontstonden romances en werden afspraakjes gemaakt. Een andere groep teenagers ontmoette elkaar bij Talamini op de hoek van de Roggenstraat en de Grote Markt. Tussen beide groepen bestond een zekere rivaliteit. Je behoorde of tot de Kakkers of tot de Talamini’s. Van Akker verkocht zijn laatste ijsjes in 1972 toen de zaak werd opgeheven.
Na een ingrijpende verbouwing was hier vanaf 1973 het kantoor van de gemeentelijk sociaal raadsman gevestigd. Hij was de redder in nood voor mensen die problemen hadden met regels en instanties.
In het rechter deel van het pand is nu uitzend­bureau Ung gevestigd. Het linker deel van het pand (Diezerpoortenplas 3) huisvest sinds 2004 het Thais restaurant BaiYok. Het restaurant is sfeervol ingericht en het eten is tongstrelend. Op het terras met twee palmbomen als blikvangers geniet je zomers van een mooi uitzicht. Het is een plek waar opnieuw romances kunnen ontstaan…

Redactioneel Inhoud

Voor u ligt weer een gloednieuwe uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift. Het is bijna een open deur, maar er valt weer een grote verscheidenheid aan Zwolse wetenswaardigheden en geschiede­nissen te lezen. Het verhaal van Maria Hansen over Johan Christaan van Haersolte (1809-1881) neemt u mee tot ver over de Zwolse stadsgrenzen. Deze telg van een welgestelde familie zwierf in zijn jonge jaren tien jaar lang over de wereldzeeën. Daarbij onderhield hij middels brieven het con­tact met zijn familie in Zwolle. Niet alleen geven deze brieven een beeld van het bestaan aan boord en in den vreemde, ook werpen ze licht over het leven in het negentiende-eeuwse (welgestelde) Zwolle. Dat doet ook het artikel van Wim Huijs­mans over de Roopoort, waarin verhaald wordt over de herkomst van de naam Roopoort, maar ook hoe de gegoede burgerij vlak buiten de stads-grenzen ‘lusthoven’ liet aanleggen.
Rob Enthoven en Willem Oosterwijk brengen een (bijna) vergeten Zwolse kunstschilder onder de aandacht: Herman J. Oosterwijk, die leefde van 1886 tot 1979. Deze autodidact schilderde vooral veel landschappen in de omgeving van Zwolle. Maar ook de Van Roijensingel en de Sassenpoort werden vaak op het doek vastgelegd, populair als deze voorstellingen waren bij toeristen.
Tot slot is er nog de eerste aflevering in een nieuwe serie over Zwolle in de jaren zestig die door Jan van de Wetering wordt opgestart. Daarin stelt hij zich de vraag: ‘Wat gebeurde er – bezien met de wijsheid van nu – in de jaren zestig in Zwolle? Ja, juist in Zwolle, die wat slaperige pro­vinciestad.’ Bezie al deze bijdragen nog aangevuld met boekbesprekingen en het Suikerzakje en het kan weer zonder overdrijving gesteld worden: het Zwols Historisch Tijdschrift, een veelzijdig blad!
Suikerhistorie Wim Huijsmans 2
Een Zwolse wereldreiziger Maria Hansen 4
Zwolle in 1960 Jan van de Wetering 16
De Roopoort Wim Huijsmans 19
Herman J. Oosterwijk (1886-1979), een weinig bekende Zwolse kunstschilder Rob Enthoven en Willem Oosterwijk 28
Overdracht redactiearchief Zwolse Courant Steven ten Veen 33

Zwolle heeft nu ook een woordenboek
Na Deventer en Kampen

Philomène Bloemhoff – de Bruijn 35 Boekbespreking 39 Mededelingen 40 Auteurs 42

Omslag: Het smalle deel van de Roopoort, richting Burgemeester van Roijen­singel, maart 2010. (Foto Jan van de Wetering)

Een Zwolse wereldreiziger

Maria Hansen
Johan Christiaan van Haersolte, 1809­1881. (Iconographisch Bureau)

J
ohan Christiaan van Haersolte (1809-1881) was een Zwolse jongen die op de jeugdige leeftijd van vijftien jaar een in de familie Van Haersolte ongebruikelijke beroepskeuze maakte: hij monsterde aan bij de marine. Waarschijnlijk was hij op het idee gebracht door zijn oom Wiete Hora Siccama, een ervaren scheepscommandant in dienst van de zeemacht. Tien jaar zeilde Johan over zee, eerst naar Afrika en Zuid-Amerika en over de Stille Zuidzee naar Oost-Indië, daarna werd hij enige jaren in de Middellandse Zee gesta­tioneerd. Tijdens de oorlog met België lag hij bij Antwerpen en de gevreesde invasie van de Engel­sen en de Fransen wachtte hij bij Den Helder af. Daarna ging hij nog enige maanden naar de Mid­dellandse Zee terug.1 Het leven op zee was voor Johan van Haersolte een hele nieuwe ervaring, maar na een paar maanden raakte hij gewend aan het ritme aan boord van een oorlogsschip. De aankomende marine-officieren in opleiding werden flink aan het werk gezet. Ze hielpen mee het schip netjes en zeewaardig te houden. Vooral na een storm kon de schade aanzienlijk zijn en deze werd noodge­dwongen zo snel mogelijk op open zee hersteld. In rustiger water of in de havens werd het schip schoon gekrabd en geverfd. De zeilschepen van de nationale vloot werden met regelmaat geïn­specteerd en zo nodig naar een dok gebracht, dat gaf aan de bemanning extra werk omdat het schip eerst onttakeld en na afloop weer helemaal opgetuigd moest worden. De jongens kregen aan boord ook theoretische lessen en legden exa­mens af. In Nederlands Oost-Indië slaagde Johan voor zijn examen als adelborst eerste klasse. Op aanraden van zijn oom hield hij minutieus een scheepsjournaal bij met gegevens over wind en temperatuur, snelheid en positie. Doordat menige collega ziek werd – cholera, pest en scheurbuik kwamen regelmatig voor – had Johan het vaak erg druk. In Oost-Indië werd de schaarste aan perso­neel nog nijpender door de vele jongens en man­nen die de binnenlanden ingestuurd werden en sneuvelden in de koloniale strijd. In Vlaanderen was het verlies aan manschappen minder groot, maar het oorlogsgeweld bulderde langs en op de Schelde; Johan was er pas een week toen het grote bombardement op Antwerpen in 1830 plaats vond. Op het Belgische land was het zo gevaarlijk dat hij in geen vijf maanden het schip kon verla­ten. Op de Noordzee bood de marine konvooi aan vissersschepen vanwege de dreigende houding van Engeland en Frankrijk en in de Middellandse Zee bood de marine konvooi aan handelsschepen omdat het daar door de oorlog tussen Turkije en Griekenland gevaarlijk was. Johan zeilde er kris kras van haven naar haven en hield ’s nachts bij toerbeurt de wacht. Zijn tweede reis naar de Middellandse Zee had tot doel de ambassadeur naar Griekenland te begeleiden, hetgeen Johan de unieke gelegenheid bood een audiëntie bij de Griekse koning mee te maken. Na deze reis zwaai­de hij als luitenant tweede klasse af.

Een in Oost-Indië door ziekte opgelopen doofheid wilde hij ‘aan de wal door meer deskun­digen op eene geschikte wijze’ laten behandelen. Er bleek weinig aan te verhelpen, hij bleef slecht­horend, volgens sommigen was hij zelfs stokdoof.2 Johan van Haersolte kwam naar Zwolle terug en hij maakte een geslaagde tweede carrière, dit keer in de politiek: hij werd burgemeester van Zwoller-kerspel, lid van de Provinciale Staten van Overijs­sel en lid van de Tweede Kamer. Op reis ging hij nog maar zelden. Hij verhuisde slechts één keer, van zijn ouderlijk huis aan de Melkmarkt naar de Koestraat waar hij sedert 1837 met zijn echtgenote Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk woonde. Over Geertruid Agnes en over hun dochter Sophie publiceerde ik al eerder in dit tijdschrift.3 In 1880 verleende koning Willem III Johan eervol ontslag, hij werd geprezen in een plechtig gedicht en hij werd postuum door de Maatschappij tot Bevor­dering van Landwinning – waarvan hij voorzitter was geweest – vereerd met een gedenkteken op het Zwolse Diep.4

Het gezin aan de Melkmarkt
Johan van Haersolte werd op 9 juli 1809 te Zwolle geboren als zoon van Coenraad Willem Anthony baron van Haersolte tot Haerst en jonkvrouwe Louise Christine Egbertine Françoise Hora Sicca­ma. Hij was het derde van veertien kinderen en hij woonde met zijn ouders en zijn broers en zusters in een groot huis aan de Melkmarkt te Zwolle.5 In de zomermaanden vertoefde het gezin vaak bij hun (groot)ouders op het buitenhuis Den Doorn, vlak bij Zwolle gelegen, waar de kinderen konden ravotten in de grote tuinen en met een bootje het water op gingen. Grootvader Van Haersolte was zeer gesteld op het kleine volkje en ondersteunde het kinderrijke gezin van zijn enige zoon met financiële bijdragen.6 Dat was, na verminderde inkomsten tijdens de onzekere Napoleontische tijd, wel nodig. Toen ene heer Van Nalderen, bij­genaamd het Nekje, wenste: ‘dat uwe Kinderen op mogen groeijen als de Ceder op de Berg-Libanon’, antwoordde Johans vader gevat: ‘ik niet want dan moet ik nieuwe bedden laten maken’.7 Maar Coenraad van Haersolte was desondanks een van de rijkste inwoners van Zwolle, zeker na de dood van zijn vader in 1820. Het ontbrak zijn kinde­ren aan niets, als zorgzame ouder gaf hij hen een opvoeding die paste bij hun stand.
Aan boord miste Johan de huiselijke gezellig­heid, vooral op feestelijke dagen. ‘Onbegrijpelijk is de lust die ik heb deze dag te huis te zijn ten einde de verjaring van Antje’s geboorte mede te vieren. Hiervan echter verstoken zijnde ben ik genoodzaakt hetzelve in mijn eenzaamheid te doen en Ulieden benevens Antje met dezelve per pen te feliciteren’. Hij probeerde zijn gelukwensen zo te versturen dat ze Zwolle op tijd bereikten. Vanaf de andere kant van de aardbol feliciteerde Johan zijn vader en zijn moeder met hun ver­jaardagen en dronk hij een glaasje port op hun gezondheid. De verjaardagen van zijn jongere broers en zusters zaten minder vast in zijn geheu­gen, ‘den 20sten is immers die van Lize? buiten die zijn er geloof ik nog 3 jarig in October, maar de datums ben ik vergeten’, schreef hij openhartig.
In Zwolle werkten zijn zusjes aan Johans welzijn. Lize maakte voor hem een tafelkleed en Antje zorgde voor ingelijste tekeningen. De meisjes zoomden zijn dassen, voorzagen zijn zakdoeken van een monogram en breiden zijn sokken. Als tegenprestatie kopieerde Johan ‘een twintigtal romances, met accompagment van Guitaar’. De beurs waar Betje veel werk aan had gehad vond Johan allerliefst. De meegegeven bouillonkoek­jes bleken een succes, het was een middel om scheurbuik te voorkomen. In de Stille Zuidzee sloeg de ziekte toe en Johan schreef naar huis: ‘de Chirurgijn Majoor er achter gekomen zijnde dat ik – nadat de kakkerlakken de helft hadden opge­geten – nog eenige bouillon koekjes had, vroeg mij om dezelven om ze aan de voornaamste of zwaarste zieken te kunnen geven, daar het toch op zijn langst slechts een dag of vier meer duren
Titelblad van een scheepsjournaal dat Johan Chr. van Haer­solte minutieus bijhield: ‘Aanteekeningen gehou­den aan boord Z.M. Fregat Maria Reigers-bergen onder komman­do van den kapitein ter Zee F. Coertzen, op eene Reis uit de Nederlan­den, langs de kust van Guinea, die van Zuid Amerika rond Kaap Hoorn en vervolgens door den Stillen Oceaan naar de Nederlandsche bezittingen in Oost Indië 1824 à 1826.’ (FA Van Haersolte, HCO)

kon tot wij verversing bekomen konden en ik nog geen teekenen van Schoorbuik vertoonde. Op 2 der zieken heeft mijn afstand de beste uitwerking gehad en ik ben gelukkig de geheele reis nog niet ziek geweest’.
Door een ongesteldheid van zijn moeder ont­ving Johan een tijd lang geen brieven. Onwetend dat het door zwangerschap werd veroorzaakt, verzocht Johan dat mocht het weer gebeuren een van de broers of zusters moest schrijven, ‘dat heb ik vrij wat liever als in het geheel geen tijding’. Blij en verrast vernam hij ‘de gelukkige vermeerdering der Famille’. Uit het schrijven van Lize maakte hij op dat ze buitengewoon in haar schik was met het broertje, dat ze naar hartelust kon kussen en ‘lik­ken’. Ook de komst van een nieuw zusje hoorde Johan pas na de geboorte toen een kennis hem schreef dat de bevalling goed was verlopen en dat ‘alle famille in Zwol wel was’.
Johan had begrijpelijker wijze met zijn oudste broers en zusters het meeste contact, voor de klein­tjes toonde hij evenwel belangstelling en moedigde hen aan goed hun best te doen. ‘Lieve Daantje en Betje!’ – schreef Johan – ‘Gij moet niet denken dat ik u vergeten heb, ten bewijze van dit zal ik u een klein briefje schrijven.’ Hij had gehoord dat ‘gijlie­den zoo zoet zijt en gij zoo goed begint te lezen, als dit zoo is zal ik niet mankeeren u een klein present­je mede te brengen. Vergeet niet Agaat en Sanna te zoenen en zij, als zij goed leeren, ik hen ook eens schrijven zal.’ Hij vroeg zijn zusjes ‘de correspon­dentie helpen onderhouden, opdat ik arme sukkel geen zes weken zonder tijding blijve.’ Van Lize ont­ving hij, bij uitzondering, een goede brief en Johan vreesde dat in dit tempo ‘de 3 kwaterns van Lijs’ nog in geen twee jaar vol zouden zijn. Het meisje verwachtte wel antwoord van haar grote broer. ‘Nu moet ik Lijs ook nog eenige woorden schrijven, anders is zij boos’, besloot Johan een brief aan zijn ouders. Zijn antwoord bleef evenwel uit en hij her­innerde zijn zusje ‘aan Van Alphen “geduld, is zulk een schoone zaak”.’
Met zijn ouders deelde Johan de zorgen voor zijn broers Willem en Daan. Willem gaf gedu­rig aanleiding tot onaangenaamheden en met leedvermaak hoorde Johan dat Willem in Leiden geplaagd werd. Ze konden iemand daar ‘nog al tam krijgen’, had hij van een collega gehoord en dat zou hem makker maken. Groot was Johans verbazing toen hij hoorde dat Willem in hun nichtje Jeanette zijn toekomstige echtgenote zag, ‘ik had nooit gedacht dat Willem er een gevonden zoude hebben naar zijn keus. Ik geloof dat zij juist het tegenovergestelde zijn: Willem ongepolijst en ruw. Nicht daarentegen scheen mij eene zeer fijne of liever delecate opvoeding genoten te heb­ben, die zij mijns inziens zeer ten nutte gebruikte; daarbij is zij geloof ik bedaard. Heb ik dit regt? of niet?’ Enige jaren later trouwde Jeanette met een ander en Willem bleef vrijgezel.
Daan moest kiezen of hij ‘zeeman of landkrap’ wilde worden. Johan raadde hem af bij de marine te gaan zonder ambitie voor het vak te voelen, want dan ging het nooit goed. Hun vader bezorgde de jongen een plaats in de cavalerie bij Eindhoven. Ook daar bleef Daan problemen geven. Johan schreef Daan dat hij door moest zetten omdat ‘anders de zaak in de geboorte gesmoord’ zou wor­den. Daan gaf ook te veel geld uit en bleef ‘een rare seigneur’. Toen Johan hem na lange tijd ontmoette, herkende hij hem eerst niet, ‘de uniform, waar ik hem nog niet in gezien had, deed hier zeker veel toe’. Maar veel veranderd bleek Daan niet te zijn, de jongen was nog steeds veel te driftig. Johan meende dat zijn broer geluk had met zijn ‘sevère Kaptein’ die Daans financiën bestierde, de jongen onder de duim hield en hem vooral nooit gelijk gaf, ‘zoo het hem niet ten volste toe komt’. In de laatste maand van 1834 ontving Johan slecht nieuws over Daans gezondheid. ‘Met leedwezen heb ik uit de brief van Antje vernomen dat het met Daan minder gunstig was, als toen ik Zwolle verliet en, begreep dus dat Gijlieden welligt nog eenige dagen bij hem zoudt vertoeven’. Op 22 december schreef Johan: ‘Heden geene tijding van Antje gekregen hebbende, zoo maak ik daaruit op dat het met Daan niet slimmer is en, begrijp dus dat Gijlieden wel weder in Zwolle terug zult zijn of ten minsten spoedig komen.’ Maar Daan bleef ziek en overleed in Eindhoven op 30 december 1834.

Muziek

In het grote pand aan de Melkmarkt werd veel gemusiceerd. Zoals in alle huizen van goedge­situeerden was er natuurlijk een piano in huis, en muziek begeleidde Johan overal en altijd. Hij speelde fluit en kreeg les van ene Benedictus, hij probeerde op de citer te tokkelen en nam aan boord ook de gitaar onder handen. Het bespelen van dat instrument wilde Johan een tijdje probe­ren ‘om te zien of ik er progressen op maak; zoo niet dan leg ik ze onmiddelijk neer om geen tijd te verknoeijen en, mijn confraters aan boord, niet de geheele dag nutteloos met dat geknip lastig te vallen.’ Hij verzocht zijn vader aan Van Raai te schrijven om twee gitaren uit te zoeken ‘van ver­schillende middelbare qualiteit met schroeven en geene gewone sleutels zooals op de violen’, zodat hij kon kiezen. ‘Daar de meeste Guitaren in de hoge tonen valsch zijn, zoude ik gaarne hebben dat Papa hem goed op het hart drukte dat hij ze vooraf goed onderzocht, want dat ik anders de moeite maar heb om ze terug te zenden. Zoo ik hem zelf om die guitaren schrijf dan stuurt hij hetgeen hij kwijt wil zijn, en dan heb ik de last en de onkosten van het terugzenden, en als Papa hem schrijft zal hij hoop ik dit niet durven doen.’ Doordat het schip vroegtijdig vertrok schreef Johan haastig naar huis de aankoop te laten varen, hij zou proberen er onderweg een te kopen. Enige tijd later berichtte hij een geslaagde aankoop, de gitaar was goed van toon ‘maar, zonder mechanic, daar het een Italiaansch instrument is.’

Gezicht op het begin van de Melkmarkt omstreeks 1885. De familie Van Haersolte woonde in het derde pand van links, nu Grote Markt 12-13. Tegenwoordig is in dit pand een Mac Donalds gevestigd. (Collectie HCO)
Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis van 1824­1826 gemaakte schets, Stille Zuidzee. (FA Van Haersolte, HCO) Fragment uit het scheepsjournaal van Johan Chr. van Haer­solte, 1824-1826. (FA Van Haersolte, HCO)

Op de schepen en aan de wal verzorgde Johan menige muziekavond, soms traden profes­sionele musici op en soms speelden de jongens zelf. Hij verzocht in zijn brieven om bladmuziek met ‘solo’s van 1 fluit’ en met duetten voor twee fluiten, voor fluit en viool en voor fluit en gitaar, speciaal het duet van La Dame Blanche. Het liefst had hij ouvertures van opera’s. Op de Molukken bracht hij menige vrolijke avond door met het spelen van ‘eenige duetten of eenig ander muziek’, de een speelde viool, clarinet of fluit, de ander zong zeer aardig en speelde gitaar of piano forte. Op verzoek van de resident gaf Johan een obligaat op de fluit; het was een serenade voor fluit, viool en gitaar, en het viel zeer in de smaak. Op Malta had hij ‘eenige Liefhebberij concerten aan de wal gehad welke tot 1 uur ’s nachts duurden.’ Zelfs bij ‘wilde menschen’ in de Stille Zuidzee hoorde Johan muziek. ‘Zij hebben namentlijk een grootte kinkhoren, hiervan is de bovenste punt afgeslepen en door de daardoor ontstane opening blazen zij en maken de verschillende tonen, door de hand op of van het gat te nemen. Als men zulk een geluid ’s nachts hoorde, zou men verschrikken, zulk een geluid maken zij er meede; het heeft veel van ’t gebrul eener leeuw.’ Beter beviel hem het gezang van een vijftal Tirolers, vermoedelijk een­zelfde groep die ook in Zwolle opgetreden had. De ‘harmonie was overheerlijk’, maar ‘zoo men hun per individu beoordeelt, zoo is het niet veel. Ook is het veel te eentoonnig om het een heele avond achtereenvolgend te horen.’ Johan waardeerde muziek steeds meer. Naar zijn eigen zeggen omdat hij ‘nu eigentlijk voor ’t eerst in de gelegendheid was om er van te profiteren.’ In z’n eentje spelen vond hij niet zo aardig, maar met meerdere men­sen musiceren en ook nog voor een belangstellend publiek beviel hem goed.

Ouderlijke hulp
Zonder de inzet van hun vader en diens sociale netwerk waren de carrières van Johan en zijn broers niet zo goed gelukt. Van nieuws over pro­moties en wijzigingen in de organisatie van de marine was Johans vader als een der eersten op de hoogte en hij bezorgde zijn zonen benoemin­gen en bevorderde overplaatsingen en promo­ties. Johans financiën verliepen via zijn vader, deze ontving Johans gage en betaalde daarvan aan Johan een jaarlijkse som van tweehonderd gulden, in de vorm van bankbiljetten, wissels of kredietbrieven. Soms was het onvoldoende en vroeg Johan: ‘Ik wilde gaarne weten wat Papa mij jaarlijks veroorloofd te trekken boven tractement’ waarna zijn vader hem weer uit de brand hielp.
Johans moeder zorgde voor volle manden, dozen en pakketten met levensmiddelen, kleding en linnengoed, papier, pennen en kaarsen. Johans kleding werd besteld bij ene Pass die de maten van Johan kende en zijn schoenen werden door schoenmaker Rijn geleverd. Johan was ontevre­den over de kwaliteit van de laatste. Het hem toe­gestuurde horloge was ook al niet goed, het liep achter en dat kwam waarschijnlijk doordat zijn broer Anton het verkeerd had ingesteld. Aan zijn vader, die lid was van meerdere leesgezelschappen en van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen,8 vroeg Johan zeekaarten en boeken. ‘Zoo de reis van den Heer Troost van het Leesgezelschap is, wilde ik verzoeken of Papa die voor mijne reke­ning wilde kopen.’ Ook ‘het 2de deel van de Dag­reizen van Baril-hal op de kusten van Z. Amerika’ dat door het leesgezelschap was verkocht, wilde Johan graag hebben en ‘indien er het Engelsche werk over het tuigen van schepen nog bij kan, dan verzoek ik dit ook.’ ‘Het volgende werk Géograp­hie etc. de Malte Bruin van de Gratificatie’ stond eveneens op zijn lijstje, maar hij verzocht zijn vader hierover eerst eens met de onderwijzer en publicist Jan Antonie Oostkamp of andere des­kundigen te spreken.

Belangstelling

Johan van Haersolte las serieuze boeken over geschiedenis en hij schreef over de leefwijzen en de gebruiken van vreemde volken. In Griekenland bezocht hij de koningsgraven in Mycene en kocht er antieke munten, op Malta bewonderde hij de graftombes van de Maltezer Ridders. Dat hij door het uitbreken van de pest weinig van Tripolis en Egypte zag, vond hij erg jammer. Hij waardeerde de natuur en een windstille warme nacht op zee gaf hem ‘eene onuitputbare stof tot beschouwing’. Van Jan Antonie Oostkamp, die onder andere over natuurkundige onderwerpen schreef,9 kreeg Johan een betoog cadeau dat handelde over de waarschijnlijkheid dat de maan en de planeten bewoond waren.
De oorlogssituaties waar Johan keer op keer mee in aanraking kwam, deden hem verzuchten: ‘Overal is er toch oorlog! Twist is overal bekend!’ Zelfs op een eilandje in de Stille Zuidzee. Hij schreef: ‘Deze bewoners van het eiland Nukahiwa zijn namentlijk verdeeld in 4 of 5 takken en voe­ren onderling oorlog. Diegenen die om de baai woonden, waar wij in geankerd lagen, hadden het te kwaad met het volk dat over de gebergten woonde, welke die baai omringden. Zij noemden die Tijpjes; als zij nu met varkens bij ons kwamen was hun geschreeuw: of tokkie, tokkie, dat is een bijl, of Pou Pou tijpie, Mattie, Mattie, dat beteek­ende kruid om Tijpjes te vermoorden’.

Verlof

Toen Johan bij Antwerpen en bij Den Helder voor anker lag probeerde hij regelmatig verlof voor een reis naar Zwolle te regelen. Maar de ene keer was de tijd te kort, de andere keer was de reis te duur, dan weer kon hij wegens gebrek aan collega’s niet gemist worden of werden alle verloven wegens de neemt niet weg dat ze mijn inziens goed zijn, daar het ligchaam onder dezelve continueel evapo­reert’. Hij vroeg zich af of het hulpmiddel om de ziekte uit te zweten in Zwolle al bekend was.

oorlogsomstandigheden ingetrokken. Hij schreef Baai met fraai berg-
zijn ouders: ‘Hoe gaarne ik ook in Zwolle bij u landschap, schets door
zoude willen zijn, zoo verlang ik echter in de tegen- Johan Chr. van Haer­
woordige omstandigheden geene non activiteit. solte, Stille Zuidzee.
Een verlof van 8 of 12 dagen zoude bijzonder aan­ (FA Van Haersolte,
genaam zijn, maar hier valt ook niet aan te denken.’ HCO)
Zelfs veertien dagen was ‘wat kort en kost evenwel
veel geld’. Johan en zijn broers deden hun best op
dezelfde dagen met verlof thuis te zijn en dat was
een onderneming die meestal mislukte. ‘Tegen dat
Mama nu berekent de famille compleet te huis is,
verzoek ik het mij te willen schrijven, om alsdan
ook te trachten verlof te krijgen’, deed Johan een
poging. Hij moest bij het ministerie een reden met
‘hooge noodzakelijkheid’ opgeven en die had hij
niet. Dat hij al heel lang niet thuis was geweest kon
de minister niet vermurwen. Ver van huis moest
hij zich tevreden stellen met ‘een glaasje holland­
sche wijn, bij het licht eener hollandsche waskaars,
rokende hollandsche tabak uit eene gekregen hol­
landsche pijp, snuivende nu en dan hollandsche
zinken snuif uit een in holland gekochte snuifdoos.’
Zo schiep hij de illusie toch een beetje thuis te zijn.
Den Doorn
Een verblijf op het buitenhuis Den Doorn, dat
aan de Vecht in de buurschap Haarst lag,10

lokte Johan zeer aan. Hij verheugde zich ‘met de
gedachten van in de nazomer buiten te zijn’. ‘Is
het water alles weg en zijn de weilanden al bruik­
baar?’, informeerde hij geïnteresseerd. Hij vroeg
hoe zijn vader van de beesten was afgekomen en
hoe de slacht was uitgevallen en wat de grasver­
pachtingen hadden opgeleverd. Hij wilde graag
weten wat Den Doorn aan vruchten opbracht en
hoe het met de vetwijderij van Antje ging. ‘Als
wij niet naar zee moeten, dan kom ik zeker voor
eenige dagen dit zomer op den Doorn’, beloofde
Johan zijn ouders maar hij moest zijn verlangen
naar een zomers buitenleven elf jaar opschorten,
pas na zijn zeemansleven kwam het er weer van.
De familie en vele vrienden brachten in de
zomermaanden veel tijd door op Den Doorn.
Alleen een naderende cholera-epidemie joeg de
familie – eigenaardig genoeg – terug naar de stad,
die toch een centrum van besmetting werd geacht
maar waar wel meer medische hulp te vinden was,
zoals Johan opmerkte. Er was ook meer stank dan
De havezate Den Doorn op het platteland want op het hoogtepunt van de
aan de Vecht te Haarst epidemie werden in de hele stad teertonnen in
in 1980. In de negen- brand gestoken, ook op de Melkmarkt, ter bestrij­
tiende eeuw was het huis aanzienlijk groter. ding van de ziekte. De rook benam de bewoners en de passanten de adem.11 Johan schreef dat hij
(Uit: De havezaten in Salland en hun bewo­ ‘een zoogenaamde anti-cholera gordel van ƒ 12.-’ had aangeschaft. Hij was van mening
ners) ‘dat er capitalen op gewonnen worden, maar dit

De natuurproducten van het landgoed had­den Johans praktische belangstelling en ze werden hem – toen hij bij Den Helder voor anker lag
– vaak en gul toegestuurd, hoewel zijn vader het sturen van zulke dingen gekheid vond. Maar als zijn moeder aanbood hem iets te sturen liet Johan de gelegenheid niet voorbij gaan. Hij accepteerde volgaarne ‘een paar tongen, en een potje bessen of flamboze geleij’. ‘Het zuur en de appelen welke ik ontvangen heb zijn overheerlijk, maar voor de hazenooten schijnt het geen best jaar geweest te zijn. De druiven zijn ook goed overgekomen. De Oranje bloeisem heb ik op brandewijn gezet. Enfin, alles was lekker en goed.’ Hij verzocht zijn zusjes ‘vruchten in makerij’ en hij dankte voor de ‘overheerlijk smakende gekonfijte Citroenen’. ‘Antje zal de kleintjes wel weer koppertjes voor mij laten plukken en wat roode genever voor mij willen maken!’ De ‘bischop’ was ‘perfect wel’. De zuurkool en de ingezouten snijbonen waren ‘delicieus’, ook smaakte de ‘Zwolsche Saucis de Boulogne’ uitstekend. De koek was een beetje vochtig geworden maar toch lekker. Zeer wel­kom was een mand met groenten want de jonge groenten waren schaars en duur. Meloenen en komkommers, ‘beide iets nieuws voor hier’, waren een weinig aangestoken maar hij hield zich aanbevolen voor groenten of vruchten die een reis van twee dagen konden verdragen. De inhoud van een volgende mand was beter, de komkommers en de bloemkolen waren mooi. Op zijn beurt ver­zamelde Johan meloen zaden in de hoop dat ‘de broeierij’ op Den Doorn doorging.

Tabak en wijn
Mannen rookten graag en veel en Johan deed zijn best zijn vader en broers te verrassen met bijzondere rookwaren zoals ‘Curacaosche Ciga­ren’ en ‘echte Woodwill Havana Cigaren’. Turkse tabak en Turkse pijpenkoppen werden in Zwolle afgeleverd en Johan was nieuwsgierig naar de reacties. ‘Hoe bevalt dan die pijp aan Papa? Rookt Papa er uit? De gekorven tabak is voor dezelve en de andere behoort niet gekorven te worden, die moet aan stukjes gebroken worden en dan (de stelen er uit zoekende) in de pijp stoppen’. Zijn moeder schreef dat Anton en Willem veel van de tabak hielden, ‘maar roken zij die uit dat lange kerse-bomen houten roer en amber mondstuk of uit Hollandsche Pijpen’, informeerde Johan. Voor broer Willem had hij een bijzondere aan­koop gedaan: ‘een waterpijp met 3 slangen en 2 pijpekoppen en de bijbehorende Turkse tabak en een barnsteenen of ambre mondstuk met eenige pijpekoppen.’ Het barnstenen mondstuk – onder­richtte hij – ‘is geen aangenaam roken daar men het op zijn Oostersch voor de mond moet houden en niet er in, daar het ook te dik voor is. Echter heeft het een groot voordeel, dat is dat men zon­der voor aansteking van het een of ander bang te zijn, men de pijp kan lenen om te roken, hetgeen hier ook het gebruik is. De tabak moet zeer voch­tig blijven en zeer los in de pijp gestopt worden.’

Steeds was er de onzekerheid of de waren op de plaats van bestemming arriveerden en of er geen water of een kakkerlak bijgekomen was of dat het schip niet aangekomen was. ‘Heeft Papa geen kisje cigaren gekregen van den heer van Heeckeren van Dasselaar op Overvelde bij Wijhe? Ik heb het reeds over de maand verzonden’, waar­schuwde Johan en meldde dat hij – op zijn beurt
– de pijp had ontvangen en dat vooral de sigaren van Schaepman uit Zwolle goed bevielen.
De familie werd door Johan goed voorzien van wijnen, hij verscheepte hele vaten en vele fles­sen naar huis. Bij de consul op Menorca, een van de Balearen, bestelde Johan een vat droge witte ‘Catelogne wijn’, op Malta ‘Marescino’ likeur en van Sicilië kwam ‘Marcella wijn’. ‘Alba Flora Wijn’, ‘Malaga Muscaat’, en ook ‘eenige differente muskaat wijnen op flesschen’ vonden hun weg naar de Melkmarkt. De wijn op fust werd door zijn vader afgetapt en verdeeld.

Uitwisseling van nieuwtjes
Zolang Johan ergens op de wereldzeeën zeilde, keek hij uit naar nieuws van thuis. Een gedetailleerde brief van zijn moeder was hem zeer aangenaam nadat hij ‘eene geruime tijd buiten Zwolsche tijding was geweest’. Hij informeerde naar de concerten

en bals in de stad. ‘Men spreekt hier van een Bal in Door Johan Chr. van
Zwolle waar alles in Nationale Kleeding geweest Haersolte tijdens zijn
zoude zijn, de dames namentlijk. Is dit waar of is zeereis van 1824-1826
het een paskwil?’ Hij stelde honderd-en-een vra­ gemaakte schets. (FA
gen: gaf Groebel nog les aan huis en bleef Baudet Van Haersolte, HCO)
stads-schoolmeester? Wie volgde Randa als kapel­
meester op en wie nam de plaats van Van Hobo­
ken bij de Wener Zangers in? Waarom werd de
Sociëteit van Mühlman verkocht?12 Wie betaalde
de herbouw van het dak van de dertien jaar eerder,
in 1815, afgebrande toren van de OLVrouwekerk?
En hoe was de weddenschap van Van Bommel
afgelopen? Hoe was het met de boedel van Queisen
gegaan? En wie waren de erfgenamen van jufrouw
Van Laer en welke mevrouw Eekhout was overle­
den? Was het de vrouw van ‘den Bankroetier’? De
oude Heer Van Voorst was dat dezelfde die ‘nu en
dan stapel was?’ En hoe was het met die twee broers
Van Hekeren afgelopen, die met die hark gevoch­
ten hadden? De problemen tussen de dominee en
zijn gemeente volgde Johan zo goed mogelijk en
concludeerde dat de Zwolse gemeente met schade
en schande wijzer was geworden en een betere
dominee had gekregen. ‘In wien zijn plaats is hij
gekomen?’ In plaats van de op 11 februari 1829
overleden dominee Wernardus Tineken? Helaas
zijn de brieven van zijn ouders – met de antwoor­
den op alle vragen – niet bewaard gebleven.

De torenbrand in de Peperbus, 12 januari 1815. (Uit: De Vries, Geschiedenis van Zwolle)
Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis van 1824-1826 gemaakte schets van een Javaan. (FA Van Haer­solte, HCO)

Johan ploos de Haarlemmer Courant uit op
zoek naar berichten uit Zwolle. De dood van Cor­nelis Pannekoek, lid van de Raad van Zwolle, had

hij ‘zoo op ’t ogenblik uit de Courant vernomen’. Hij las dat dominee Jorissen ‘voor deszelfs beroep naar ’s Hage bedankt heeft’ en dat mevrouw Stibbe in de kraam lag. Al kreeg hij geen brieven van thuis, ‘zoo weet ik toch wel Zwolsch nieuws’, schreef hij en vertelde dat De Kof met kapitein De Werd uit Zwolle was uitgezeild en dat de schip­per aan boord op het punt stond te trouwen met een meid die bij Foreez, aan de Nieuwmarkt, gewoond had; ‘zij kende mij voort aan ’t gezicht’. Naast de brieven en de krant hoorde Johan ook Zwols nieuws van zijn oom Hora Siccama die hij soms in een haven van de Middellandse Zee trof. Maar het meeste nieuws uit Zwolle hoorde hij van zijn collega De Bruijn, die hij in vrijwel elke haven ontmoette. Deze De Bruijn was waarschijnlijk eveneens uit Zwolle afkomstig, de families Van Haersolte en De Bruijn waren bevriend.
Zijn ouders lazen in Johans brieven veel nieuws over zeevarende familie en stadgenoten. Neefje Tengnagel maakte het wel en neef Bouricius had zich ‘capitaal gedragen’ in het Sluische Gat. Van der Wijck ging de Marine verlaten, hij had gevraagd om bij de artillerie geplaatst te worden. ‘Hij heeft groot gelijk dat hij nu zijne carrière verandert. Evenwel had ik nooit (in zijn plaats) militair gebleven. Hij zal spoedig berouw hebben. Ik weet niet of de Ouden Heer het nog geheim wil houden en verzoek dus hiermede voorzichtig te zijn tot als het gedecideert is’, waarschuwde hij. Een andere keer schreef hij: ‘Mama rappeleert zich nog wel Thierrij die bij den Heer Goudoever aan huis was en doorging voor zeer ondeugend, voor zoover ik mij rapelleer. Deze is thans 2e Luitenant bij de Marine en is gedecoreerd.’ ‘De Vader van Prinsen’ – berichtte Johan – ‘welke bij Clignett aan huis geweest is, is dood, en zijne moeder is hertrouwd en woont tegenwoordig te Sourabaaij. Hier wonen twee Clignetts en, als ik het wel heb, zijn het neven van Mevrouw Clignett in Zwol.’
In Soerabaja deed zich een onverwachte ont­moeting voor: ‘Ik ging in een Societeit, denkende dat het een koffijhuis was, doch binnen komende kwam er een Heer naar mij toe die vroeg of hij mij introduceeren mocht – hieruit begreep ik dat het een Societeit was – waarop ik dit zeer vriendelijk aanbod aannam. Nauwelijks had ik mij neergezet of genoemden Heer vroeg of er geen Haersolte op de Maria Reigersbergen was, waarop ik hem ant­woordde dit zelf te zijn. De genoemde Heer heet Fix, Deurwaarder, gezworene exploteur, voorlezer en koster; hij zeide dat hij in het jaar 1814 bij ons ingekwartierd is geweest en dat alstoen het geheele huisgezin buiten logeerde; hij logeerde in de zoogenoemde Gouverneurs kamer; tegenover de kamer daar hij logeerde was eene groote kamer in derwelke een piano stond, onder de Piano stond een muziek kastje, waar onder anderen dat van Pompernikel in lag, welk stuk hij dikwijls speelde; hieruit zag ik dat hij waarheid sprak. Hij is een Groninger, speelt een zeer goede fluit en verschei­dene andere instrumenten.’

Natuurlijk berichtte Johan ook over de mis­lukkelingen in Oost-Indië: over neef De Groot die ‘mottig en mager’ was, over neef De Vaijnes van Brakell die berucht was, er liederlijk uitzag en niets uitvoerde en over een verre neef Van der Duin, een ‘dendi manqué’ en een ‘baantjes gast’.
In Batavia logeerde Johan bij een heer en mevrouw Thorbecke. De heer Thorbecke had in Oost-Indië zijn grootste rol gespeeld nadat diverse van zijn wissels in Holland waren gewei­gerd, ‘hij is dan ook reeds opgeroepen om zich te verantwoorden, doch met die verantwoording zou het zeer slim gesteld zijn’, zo werd verteld. De zaken van de heer Tengnagel waren al op een fail­lissement uitgelopen, zijn weduwe had de boedel geweigerd en moest van een klein pensioentje zien rond te komen.

Artikelen voor thuis

De familie van Johan maakte van de geboden gele­genheid gebruik buitenlandse waren aan te kopen. Voor de heren waren dat voornamelijk drank en rookwaren, de dames bestelden stoffen, sieraden en geurflesjes (rozen en jasmijn) en Johans moe­der wilde twee tapijten hebben uit Smirna. Vanuit de Middellandse Zee ontving de familie vijgen en olijven, verse Sultana’s en andere rozijnen. Zijn zusters kregen ‘Belletjes en Colliers’. Uit Texel verzond Johan twee vaatjes oesters ‘van differente soorten’ en hij was tevreden dat ze de familie goed hadden gesmaakt, ‘indien ze meer verlangt wor­den moet Papa maar schrijven’.

De kostbare flesjes rosenolie geurden al zon­der ze open te maken, als ze maar eventjes in de handen werden genomen. De familie rook even­wel niet veel en Johan onderwees: ‘De roze olie mag wel open gemaakt worden maar dan is het eene zeer digoutante lucht. Ik kan mij niet begrij­pen dat ze niet genoeg ruikt. Men kan er geen kamer mede parfumeren zonder ze open te doen, dat is zeker, maar in een werkdoosje of in de hand gaat dit wel. In de zon leggen dan zullen de flesjes spoedig leeg zijn’. In een volgende brief vervolgde hij: ‘Wat aan de rose olie ontbreekt weet ik niet, maar als er geen reuk aan is als het vloeibaar in ’t flesje is zonder hetzelve open te doen, dan is zij het bewaren niet waard, dan ben ik bedrogen’. Hij had een flesje tussen zijn linnengoed gelegd en de hele kast rook er naar. In Zwolle had men inmid­dels begrepen hoe de rozenolie het beste geurde zodat Johan tevreden vaststelde dat de rozenolie zeer naar zijn zin werd gebruikt. ‘Dat er nu reuk aan is en voortijds niet’ was hem een raadsel. Een ander product waar veel over gediscussieerd werd waren ‘Pastilles’. Johan struinde in Smirna
Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis gemaakte schets van een Javaan. (FA Van Haersolte, HCO) Door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis gemaakte schets van een palmkust, Stille Zuidzee. (FA Van Haersolte, HCO)

vergeefs de bazar af op zoek naar snoeren ronde zwarte pastilles, men vertelde hem dat de pastilles door het dragen vanzelf zwart werden. Omdat hij zich niet meer herinnerde welke maat hij een vorige keer had gestuurd, pakte hij grote en kleine in, wat nog een kunst op zich was. ‘Ik heb zorg gedragen dat dezelve ongesuikert aan zullen komen en de Pastilles voor den Heer Spengler heb ik in een doosje apart gedaan, ten einde ze niet weer naar de tabak stinken. Ik zal eindelijk het inpakken wel leren’. Hij was nieuwsgierig te horen hoe ‘Mevrouw en Mijnheer Spengler’ de pastilles bevielen.
Speciaal voor de dames ontpopte Johan zich tot een kenner van zijde. In Smirna was ‘gewaterde zijde voor kleedjes’ in allerhande kleuren te koop. De lappen waren ongeveer van gelijke grootte en uit elk stuk konden twee japonnen gemaakt worden en hij gaf de maten bij benadering op. ‘Nu kan Mama zelfs opmaken of zulk een stuk genoeg is voor twee Japons, zoo niet dan verzoek ik, indien de zijde bevalt, het getal oude of nieuwe Ellen op te geven die er voor een kleedje nodig zijn. Men is niet verplicht een heel stuk te nemen’. Hij stuurde vijf kleurstaaltjes op, ‘zoo echter de kleuren niet bevallen, weet ik niet beter als de kleur die begeerd wordt op een stukje teken papier in een brief over de Post mij te doen geworden’. ‘Wat het wateren der zijde aangaat kan men niet op deze staaltjes rekenen, daar de meesten van het staal oud zijn en andere dikwijls door de vingers gegaan en smoezelig geworden zijn. Het eene stuk is meer en het andere minder gewatert.’ Voor Tengnagels moeder had Johan een stuk donker blauwe zijde gekocht. Mevrouw Tengnagel liet er een japon van maken die haar zeer goed beviel. Maar de zijde beviel mevrouw Van Haersolte niet en Johan begreep niet waarom.
Haar verzoek om porselein liep ook op een teleur­stelling uit, Johan schreef zijn moeder: ‘Nu eens over het Porcelijn. Hoe of iemand vertellen kan dat Smyrna het Porcelijn-land is weet ik niet, maar ik kan u verzekeren dat er geen porcelijn te krijgen is als met veel moeite en zonder merken. Al het aardewerk etc. wordt van Engeland alhier ingevoerd.’

Het rariteitenkabinet aan de Melkmarkt
Johan stuurde vele onbekende producten naar huis. In Zwolle werden sieraden van de inwoners van Polynesië, gemaakt van boontjes en botten, afgeleverd. De ‘nageldoosjes’ die van kruidnage­len waren gemaakt kwamen uit Oost-Indië. Hij zag er ook een prauw van kruidnagelen, ‘Papa zal zich nog wel dat prauwtje herinneren, dat wij bij den Procureur Schonk in den Haag gezien heb­ben, nu zoo maakt men ze hier ook. Ik heb een paar mandjes en een pennenkoker mede gebracht, maar geen prauw want daar moest men 30 of 40 ropijen voor afschuiven.’ Hij nam ‘extra mooie hoorns en schelpen’ mee en kocht een sprekende kakatoe. Voor zijn vader zette Johan een slang op jenever en een door hem gevangen haai zette hij op arak, van de ‘ruggestreng’ van de haai liet hij een wandelstok maken. Zo vulde het huis aan de Melkmarkt zich met buitenissigheden van over de hele wereld, waar bezoekers zich aan konden vergapen.
De collectie werd aangevuld met beschrijvin­gen en tekeningen. Johan beschreef een zeeleeuw als volgt: ‘Dit dier gelijkt veel op een zeehond, zijn buik is juist zooals die van eene grootte haai, maar zijn kop is juist zooals die van een leeuw. Hij heeft maar twee vinnen – zooals ik ze noem – hoewel zij meer gelijken op een arm zonder huid en met deze twee vinnen zwemt hij.’ Hij deed uitgebreid verslag van een stierengevecht dat hij in Spanje bijwoonde. Hij noteerde de samenstelling van het Egyptische leger, hij beschreef een audiëntie bij de Griekse koning en de veldslag bij Navarino op de Peloponnesos in 1827 en maakte nauwgezette positietekeningen van diverse havens.

Hoewel Johan de tekenlessen die bij zijn opvoeding hoorden weinig gewaardeerd had, pakte hij tot verbazing van zijn moeder op reis pen en penseel weer op, naar eigen zeggen geïn­spireerd door een collega. Op zijn tekeningen konden de Zwollenaren zien hoe een getatoueerde krijger uit Polynesië er uit zag en welke kleder­dracht men op Java en in Griekenland droeg. De rotsen van Dover en de palmeneilanden van de Stille Zuidzee tekende Johan natuurgetrouw uit. Soms stuurde hij schetsen naar zijn zus zodat zij ‘er wat fleur en geur’ aan kon geven.
De gehele collectie vormde een impressie van Johan van Haersolte’s verre reizen, die hij zorg­vuldig koesterde en voor het nageslacht bewaarde. De meegebrachte voorwerpen zijn niet meer te traceren, maar de overige herinneringen – de brieven, de reisverslagen en de tekeningen – zijn bewaard gebleven.
Noten

1. De informatie voor dit artikel is – tenzij anders aan­gegeven – afkomstig uit door Johan van Haersolte geschreven brieven en reisverslagen. Transcripties hiervan zijn uitgegeven als: M.L. Hansen, (ed.), Per­rokieten en papagayen, papaijers en pisangs. Een reis om de wereld 1824-1826, Overijsselse Handschriften 21, Epe 2007. M.L. Hansen, (ed.), Schouwspelen. Een reis naar de Middellandse Zee 1834, Overijsselse Handschriften 22, Epe 2007. M.L. Hansen, (ed.),
Het anker wordt geligt. Brieven vanuit de hele wereld van J.C. baron van Haersolte 1824-1834, Overijsselse Handschriften 23, Epe 2007
2.
HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199

3.
Zie: M.L. Hansen (ed.), Aller treffendst en stout. De huwelijksreis van J.C. baron van Haersolte naar Duitsland, Zwitserland en Italië in 1837, Overijsselse Handschriften 11, Epe 2002

M.L.
Hansen, ‘Een “redelyk zoet” meisje, Sophia Cornelia baronesse van Haersolte, 1838-1873’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002), 62-72

M.L.
Hansen, ‘Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder. Geertruid Agnes barones

van Haersolte, 1813-1874’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 24 (2007), 49-61
4.
HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 145, 146 en 155

5.
Nu Grote Markt 12-13

6.
M..L. Hansen (ed.), Bankroet. De ondergang van Jo­han Willem Simon van Haersolte, 1810, Overijsselse Handschriften 9, Epe 2001, brieven 35, 54 en 113

7.
HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199

8.
J. Brouwer, Lezen en schrijven in de provincie. De boeken van Zwolse boekverkopers 1777-1849. z.p. 1995, 237-238

9.
J.C. Streng, Zwols Biografisch Woordenboek. Een draagbaar mausoleum, Hilversum 2004, 190-191

10.
A.J. Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Sal­land en hun bewoners, Alphen aan de Rijn 1983, 421-429

11.
P.J. Lettinga, ‘Cholera in Zwolle’, in: Zwols Histo­risch Jaarboek, 1984, 42-69

12.
De reden van de verkoop is niet bekend maar in het pand waar sedert vele jaren sociëteit werd gehouden werd na de verkoop in 1828 de sociëteit De Harmo­nie gevestigd (W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle, Zwolle 1890/1973, 17)

Getatoueerde krijger uit Polynesië, geschetst door Johan Chr. van Haersolte tijdens zijn zeereis van 1824-1826. (FA Van Haersolte, HCO)

Zwolle in 1960

Jan van de Wetering

T
waalf jaar was ik, bij het prille begin van de jaren zestig. Een jongetje nog. Ik zou er later met enige regelmaat aan herin­nerd worden: ‘Jij bent dus opgegroeid in de jaren zestig.’ De roemruchte jaren zestig, is de achter­liggende boodschap. Ik kan het niet ontkennen. Op een of andere manier ben ik door die jaren getekend, want of je het wilt of niet, ieder mens is, hoe verschillend ook, een beetje een kind van zijn tijd. Maar wat wil dat zeggen? Nu het stof van die geschiedenis enigszins bezonken is, merk ik dat die jaren zestig bij mij, maar ook bij veel anderen, verschillende beelden oproepen. Een bevrijdende tijd, als je in termen van het doorbreken van traditie en taboes wilt denken. Maar op die leeftijd was ik mij van geen taboe of traditie bewust. Een desastreuze tijd, waarin de eerste stappen werden gezet naar de ongeremde ontplooiing van het ik, waarvan we nu – in mijn opinie – de wrange vruchten plukken. Maar ook dat besefte ik toen niet. Net zo min als ik een scherp beeld heb van de tijd waarin ik nu leef. Wij schrijven met reden onze geschiedenis het liefst achteraf.
En dat is wat ik hier en in de volgende afleveringen van het Zwols Historisch Tijdschrift wil doen. Wat gebeurde er – bezien met de wijsheid van nu – in jaren zestig in Zwolle? Ja juist in Zwolle, die wat slaperige provinciestad, en niet in Amsterdam, ‘waar het toen allemaal gebeurde’, zoals menigeen zegt. Mijn verwachting is dat de veranderingen hier trager gingen en met een minder fel gezicht. Wat was de tijdgeest, wat waren de gebeurtenissen die de stad en haar bewoners zouden veranderen? Een historisch onderzoek is het allerminst. En mijn waarnemingen zijn niet die van een soci­oloog, maar van een nieuwsgierige. Ik laat me meedrijven met het nieuws dat toen zes dagen per week aanspoelde op de bladzijden van de Zwolse krant. Of zoals die krant toen voluit heette de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Dit alles in de hoop dat er ooit een gezaghebbende studie naar deze ook voor Zwolle boeiende jaren zal worden gedaan.

De stad gaat op de schop
Zwolle had zichzelf aan het eind van de jaren vijf­tig wakker geschud, de stad moest mee in de vaart der volkeren. Industrie moest er komen en daar­mee werkgelegenheid en economische voorspoed. En als er toch een universiteit in het oosten van het land nodig was, waarom dan niet in Zwolle, de grootste stad van Overijssel en bovendien cen­traal gelegen. Tijd ook om de oude kleren waarin de stad zich hulde, te vervangen. De binnenstad, maar ook wijken als de Kamperpoort en Dieze vertoonden sleetse plekken. Krotten stonden er, waar je maar keek. Opruimen en er betere wonin­gen voor in de plaats zetten, was de boodschap. Zwolle was zich er goed van bewust dat het op 1 januari 1960 op de drempel van een nieuwe tijd stond.
Maar – en zien wij hier een typisch Zwols trekje?
– de noodzakelijke veranderingen gingen zo traag. Het was de centrale boodschap van de traditionele nieuwjaarswens van Thomasvaer en Pieternel op 1 januari. Ook in 1960 werd die weer op rijm uitgesproken tijdens een bijeen­komst in Odeon. De tekst was van Willem van der Veen (hij publiceert nog regelmatig in het Zwols Historisch Tijdschrift) en werd door twee Zwolse acteurs uitgesproken in Odeon. Thomas­vaer memoreert dat Zwolle een stad van allure wil worden. Den Haag wees Zwolle niet voor niets aan als ontwikkelingskern. Nu nog de daad bij het woord voeren zegt hij:

‘Een plan van de hoge Haagse heren
Om de industrie in Zwolle te stimuleren,
Let wel, het is maar een stimulans
Aan Zwolle de eer om te grijpen die kans.’
De krotopruiming gaat volgens Thomasvaer en Pieternel in een Zwols tempo. Het voor de finan­ciering van de sloop en wederopbouw opgerichte Krotopruimingsfonds dreigt in het vergeetboek te raken. Maar dat is schijn, want het fonds, dat de naam draagt van oud-burgemeester jhr. Strick van Linschoten, wordt in die eerste maanden van 1960 nieuw leven ingeblazen. Regelmatig verschij­nen advertenties in de krant waarin de Zwolse burgers wordt verzocht een financiële bijdrage te leveren. Blijkbaar was de schatkist van de stad niet goed genoeg gevuld.
In de nieuwjaarswens wordt ook gewaar­schuwd voor ongebreidelde bomenkap in Zwolle. Er zijn plannen voor de kap van bomen langs de Wezenlanden en in de Veerallee ging de bijl er al in. Thomasvaer zegt daarover:
‘Sinds zij daar cru met geweld zijn geveld,
Staat men over breedte en kaalheid versteld.’
Tijdens de nieuwjaarswens is al iets van de komende nieuwe tijdgeest in Zwolle zichtbaar, al was men zich dat niet bewust. Pieternel klaagt over de Zwolse jeugd en over ‘de nozemrel’ die zich het afgelopen jaar voordeed. Volgens Tho­masvaer loopt het zo’n vaart niet, alhoewel er blijkbaar klappen vielen:
‘Nou zeur dan niet over dat beetje sensatie,
Anders raak je bij ’t jongvolk uit de gratie;
En ook voor de politie was ’t een festijn.
Ze hoefden niet karig met klappen te zijn.’

Nozem

De lezers van de Zwolse krant maakten in 1955 voor het eerst kennis met het modewoord ‘nozem’. Op 31 augustus van dat jaar krijgen de lezers uitleg over wat nu precies een nozem is: ‘Iemand met peau de suède schoenen met hoge zolen voor het swingen, met opgevulde schouders in de jasjes, met zwarte dassen en met veel ringen aan de pinken.’ Eind jaren vijftig, begin jaren zestig moet het woord voor de modale Zwol­lenaar een negatieve bijklank hebben gehad. Met regelmaat bericht de krant over rellen met nozems in binnen- en buitenland. De politie moet eraan te pas komen om ze in toom te houden. Maar afgezien van het in de nieuwjaarswens vermelde incident in1959 blijft in Zwolle alles nog bij het oude. Wel noemen zes scholieren van het Christe­lijk Lyceum en van de Handelsschool zich Zwolse ‘nozems’, tijdens een inzamelingsactie voor een diaconessenziekenhuis in Suriname. De aanha­lingstekens zijn een knipoog van de Zwolse krant: de lezers moesten vooral niet denken dat het hier om echte nozems ging.

Na nieuwjaarsdag 1960 ging het leven in Zwolle met nieuw elan van start. Een elan dat onder woorden werd gebracht door een nieuwe bur­gemeester. Jhr. Strick van Linschoten was op 1 januari met pensioen gegaan en werd op 28 janu­ari opgevolgd door J.A.F. Roelen, daarvoor bur­gemeester van Delfzijl. Bij zijn installatie liet zijn ambitie niets aan duidelijkheid te wensen over:
‘De fase van belangrijke en noodzakelijke industriële expansie waarin ons land na de oorlog is geraakt, kan Zwolle niet alleen niet onberoerd laten, nee, wanneer er één stad is, die gezien zijn vele mogelijkheden een nationale plicht heeft om deze mogelijkheden gul ter beschikking te stel­len, is het ongetwijfeld Zwolle. Een stad, met alle voordelen van een stedelijk milieu ten aanzien van traditie, cultuur en sociaal leven, maar gelukkig zonder het beklemmende van de mierenhoop van de “grootstad”. Een stad die als het ware gereed ligt om het onvermijdelijk openbarsten van de overbevolkte Randstad Holland op te vangen.’
De Zwollenaren konden hun borst nat maken, want één ding was duidelijk: Zwolle ging op de schop.

De Roopoort

D
e Roopoort vormt de verbinding tussen de Burgemeester van Roijensingel en de Parkstraat. Vanaf de singel is de weg alleen maar toegankelijk voor fietsers en voetgan­gers. Onlangs werd een aantal nieuwe woningen opgeleverd aan de Roopoort. Een van de eigena­ren vroeg zich af hoe de Roopoort aan zijn naam gekomen was. Daar wordt in dit artikel nader op ingegaan. De geschiedenis van de Roopoort gaat zeker drie en een halve eeuw in de tijd terug.

Buitenwonen

Op de kaart van Joan Blaeu, die uit circa 1650 dateert, zien we ter hoogte van het bolwerk De Suikerberg (waar nu de Potgietersingel ligt), aan de overkant van de stadsgracht een weggetje lopen. Dit weggetje begint op het punt waar de singel met een dubbele rij bomen beplant is. Het weggetje loopt vanaf de stadsgracht haaks naar links en vervolgens naar rechts. Het volgt daarmee exact de huidige loop van de Roopoort en de Wes­terstraat. Deze namen waren uiteraard destijds nog niet bekend.
Het gebied rond dit weggetje was nog onbe­bouwd. Om de stad lagen uitgestrekte landerijen. Blaeu heeft dat aangegeven door hier en daar een koe in te tekenen. In de achttiende eeuw veran­derde de situatie. De binnenstad raakte vol. In de voorsteden voor de Diezerpoort (Nieuwstad), voor de Kamperpoort en voor de Sassenpoort
Wim Huijsmans

De Roopoort met rechts drie nieuwe huizen, maart 2010. (Foto Jan van de Wetering)

(Assendorp) vond toen de meeste nieuwbouw plaats. Omdat er geen vaste oeververbinding was vanuit de Luttekestraat naar de (huidige) Burge­meester van Roijensingel, bleef bebouwing aan deze zijde van de stad aanvankelijk achterwege. Komende vanuit de Luttekestraat kon je de stads­gracht alleen maar oversteken met een pontje, het zogeheten Luttekeveer.

Aardse paradijzen

In de achttiende eeuw woonden welgestelde families ’s winters in de stad en zomers op hun buiten. Rond Zwolle stonden tal van havezaten en buitenplaatsen. In de Kamperstraat, de Koestraat en de Bloemendalstraat bezaten veel adellijke en vermogende families een stadshuis dat in het voorjaar verlaten werd. Met het personeel vertrok men in april om pas in het najaar terug te keren. In de zomer genoot men van het landleven en van de natuur. In de vaak prachtig aangelegde tuinen ontving men gasten in prieel of tuinhuis om van gedachten te wisselen over politieke onderwerpen of gezellig bij te praten. Uitgebreide wandelin­gen werden gemaakt en men genoot van de onge­repte natuur. Vaak bleven de gasten ook enkele dagen logeren. Zo ook bij Rhijnvis Feith, die zodra het weer in het voorjaar het toeliet, op Boschwijk (aan de weg naar Heino) verbleef. Het werd hem soms wel eens te druk met al die gasten, want hij had zelf ook een groot gezin. Feith en zijn vrouw hadden namelijk negen kinderen. En zo groot was Boschwijk nu ook weer niet. Aan dezelfde weg naar Heino, op de hoek van de toenmalige Water-steeg (nu Kuyerhuislaan), lag ook het buitentje Landwijk van de familie Gelderman, dat omschre­ven werd als een ‘aardsch paradijs’.1
De gegoede burgerij in de stad probeerde het leven van de rijken na te volgen. Zij hadden meest­al ook een aanzienlijk huis in een van belangrijkste straten van de stad, maar niet het vermogen om een tweede huis op het platteland te kopen. Het lag wel binnen hun financiële mogelijkheden om buiten de stadsgrachten ergens een stukje grond te kopen. Daar werd dan een tuin van gemaakt en een tuinhuisje neergezet.
Dit fenomeen deed zich in heel Nederland voor. Rond de steden lagen vele tuinen en lustho­ven met idyllische namen. Weg van de drukte en de zomerse benauwdheid van de grote stad was het in de lusthoven heerlijk toeven. De zinnen werden geprikkeld door kleurrijke en welriekende bloemen. Het gezang van de vogels was er beto­verend. Vele dichters hebben de lusthof beschre­ven zoals Hildebrand (N. Beets) in zijn Camera Obscura. In het verhaal over de familie Stastok zit Hildebrand in een prieel te lezen en praat hij over vroeger. Willem Bilderdijk bezong de lusthof op lyrische wijze in het volgende gedichtje:
‘In dien lusthof bloeit de vreugd
in omarming van de deugd,
strooit heur zilvren bloesembladen
op met thijm gevloerde paden,
waasemt heil en wellust uit.’

Lust in de hof
In het gebied, dat zich globaal uitstrekte tussen de huidige Van Karnebeekstraat en de Willemsvaart, kochten vermogende burgers aan het begin van de achttiende eeuw een stukje grond en lieten daar een tuinhuisje opzetten. Zat men goed in de slappe was, dan nam men een tuinman in de arm om er een mooie tuin aan te leggen met een tuinhuisje. Evenals de zeer rijke families, die het genot op hun buitenplaatsen zochten, beleefde de gegoede burgerij plezier in hun eigen lusthof, die op loopafstand van hun woning gelegen was. Ook zij ontvingen daar vrienden en gasten. Er werd over alledaagse zaken gesproken of over actuele politieke onderwerpen. Er werd een pijpje gerookt en een glas wijn gedronken. Aan het eind van de dag wandelde men dan – al dan niet vast ter been
– weer naar huis om de nacht binnen de poorten van de stad door te brengen. Als de poort gesloten was, kwam men er niet meer in, behalve tegen betaling.
Het tuinhuis of de hof was voor jonge men­sen een aangename plek om elkaar beter te leren kennen. De romantiek vierde er hoogtij. In de beslotenheid van de hof werden aardige en lieve woordjes gewisseld, die uiteindelijk konden leiden tot een echtelijke verbintenis. Het tuinhuis was ook de plek waar Willem la Clé de herenliefde bedreef. Rond 1780 had hij een hof met een tuin­huisje buiten de Diezerpoort waar tegen de avond jonge heren niet alleen voor een glas wijn en een pijpje tabak werden uitgenodigd. Hij werd voor zijn wellustige en ‘infame’ handelingen zwaar gestraft.2

Vereniging van eigenaren
Rond 1750 bezat een aantal burgers van Zwolle enkele hoven en landerijen in het Klein Wezen-land, die te bereiken waren via een kleine poort. Dat poortje stond aan de ingang van een weggetje, dat later de naam kreeg van Roopoort omdat die kleine poort waarschijnlijk uit rode baksteen was opgebouwd en bedekt met rode dakpannen. Ook de levering van rode verf in latere tijd geeft wel aan dat de poort rood van kleur was. Dit poortje – het was van geringe omvang – werd in 1722 voor het eerst genoemd. Uit 1751 is een document bewaard gebleven waaruit blijkt dat de poort hoognodig gerepareerd moest worden. Het luidt aldus:
‘Vermids de poorte voor de gang na [= naar] de Hoven en Landen in de Kirmerije agter de Gelderse Toren zederd enige tijd vervallen en ein­delijk geheel is weg geraakt, en zulks tot merklijk nadeel en onvrijheid van die Hoven en Landen is strekkende; zo hebben de geinteresseerdens geresolveerd [= besloten] daar ter plaats wederom een nieuw poorte te doen zetten, verbindende zig jeder zijn aandeel daar toe te betalen volgens de aaloude usantie [= gewoonte] zo ras dezelve zal wezen gemaakt, en hebben tot het bezorgen [= zorgen dat het ook gebeurt] van dien verzogt de mede geinteresseerde de Heer D.H. Rietberg. In kennisse van waarheid hebben de geinteres­seerdens deze getekend. Zwolle, 3 junii 1751.’ Dan volgen de namen van Derk Hermen Rietberg, Geertruid Roijer, Henrik Hakvoord, J. Dumpel, E. van Muijden, Ida Weijenberg en J. van Hattum.3
Er was dus sprake van een soort vereniging van eigenaren, die hun bezit in de Kirmerije voor derden hadden afgesloten met een poort. Via deze poort, gelegen aan de singel, kon men de hoven en landen bereiken. Met de Kirmerije, ook wel Kiri­werie genaamd, werd het gebied aangeduid tussen de stadssingel en waar nu ongeveer het station ligt. Aan het eind van de achttiende eeuw kwam een groot deel van dit gebied in het bezit van het

Hervormd Weeshuis en kreeg het de naam Klein Detail uit de platte-
Wezenland. Met het Groot Wezenland werd het grond van ‘Swolla’ van
eigendom van het weeshuis aan de oostzijde van Joan Blaeu, circa 1650.
de stad aangeduid. De Kruidtoren stond aan het Het weggetje waar
eind van de Luttekestraat aan de stadsgracht. tegenwoordig de Roo-
De poort was aan vervanging toe en de gezamen­ poort loopt is omcirkeld.
lijke eigenaren beloofden plechtig dat ieder zijn (Collectie HCO)
deel zou betalen. Rietberg was degene van de
‘geinteresseerdens’, die erop zou toezien dat het
werk werd uitgevoerd en bij wie de rekeningen
konden worden ingediend. Van de ondertekena­
ren behoorden er drie tot families die op bestuur­
lijk gebied in Zwolle de lakens uitdeelden en zeer
goed bij kas waren (Roijer, Van Muijden of Mui­
den, en Rietberg). De overige vier waren ook niet
onbemiddeld. Van Hattum was advocaat en de
vader van Burchard Joan van Hattum, de schrijver
van Geschiedenissen der stad Zwolle, 1767-1775,
en mevrouw Weijenberg bezat twee panden aan
de Grote Markt (waar nu de Harmonie staat).
Van de ‘geinteresseerdens’ van de Roopoort
is een aantal archiefstukken bewaard gebleven. In
1767 werden zij opnieuw opgeroepen voor een
gezamenlijke vergadering op het Refter aan het
Bethlehems Kerkplein. Andermaal was het hoog­
nodig dat de ‘poort weder wierde hersteld en voor
vorder verval bevrijd, opdat niet geheel weg rake,

Rekening van J. Gijswijt voor in het jaar 1800 geleverde smidswaren, onder meer hengsels, krammen, nagels, platen en twintig dakpannen. Het opschrift luidt: ‘Per ord[r]e Mons(ieur) H. Engeler voor de erven Aan De Rode poorte voor de steeg in Het Weezenlant Deb[e]t aan
J. Gijswijt.’ De rekening is voldaan in februari 1801. (Collectie HCO)

tot merkelijk nadeel en onvrijheid van de hoven en landen.’ Onder de opgeroepenen stonden nu ook de namen van P.T. Goltz en R. van Sons­beeck, beiden lid van het Zwolse stadsbestuur.
Het is jammer dat van dit gezelschap, dat de Roopoort in stand wilde houden, slechts weinig archiefstukken bewaard gebleven zijn. Het laatste stuk dateert uit 1828. Tussen de stukken zitten vele kwitanties voor onderhoud van de poort. Om de zoveel jaar moesten de hengsels worden vermaakt of werden er nieuwe grendels geleverd. Het aantal krammen, spijkers (‘nagels’) en boutjes werd op de rekeningen precies vermeld. De uitga­ve voor rode verf op een van kwitanties verklaart andermaal de naam van de poort. Voor het dak van de poort werden in 1800 twintig nieuwe pan­nen aangeschaft.4
Er is een ongedateerde rekening uit circa 1820 bewaard waarbij G.A. Engeler als gemachtigde van de belanghebbenden van de Roopoort optrad. Hij had in totaal een bedrag van negen gulden, zeven stuiver en acht penningen voorgeschoten. Dit bedrag werd hoofdelijk verdeeld. Ieder moest per hof of per stuk land – te bereiken via de Roo­poort – een bedrag van vijftien stuiver en tien penningen betalen. Met grote letters staat onder de rekening: bovenstaande voldaan.

Van hof naar stadsvilla
Rond 1850 veranderde de situatie drastisch. In 1819 was de Willemsvaart gegraven. Een nieuwe haven werd aangelegd nabij de Eekwal. Over de stadsgracht kwam rond 1845 een voetbrug te lig­gen, die de verbinding vormde tussen de Lutte­kestraat en het Klein Wezenland. Deze kleine brug werd in 1875 vervangen door een nieuw exem­plaar die we nu kennen als de Nieuwe Haven-brug. Rond 1860 werd Zwolle aangesloten op het spoorwegennet. In 1864 kwam de spoorbrug over de IJssel klaar en met de bouw van het station werd het gebied tussen het station en de stad een gewilde locatie om te bouwen. Het stadsbestuur was van mening dat de singels, zeker voor reizi­gers die per spoor de stad bezochten, een zekere voornaamheid’ moesten uitstralen. Vandaar dat langs het Klein Wezenland (nu Burgemeester van Roijensingel) uitsluitend stadsvilla’s en riante herenhuizen gebouwd mochten worden met grote tuinen. Dit ging ten koste van de vroegere hoven. De nieuwe huizen werden onder archi­tectuur gebouwd en waren bestemd voor rijke kooplieden, fabrikanten en hoge ambtenaren. Men woonde daar ‘op den hoogsten stand’. Het huis Klein Wezenland (Burgemeester van Roijen­singel) 5 is tussen 1875-1877 gebouwd voor mr.
L.J. Rietberg, kantonrechter. Deze familie had daar grond liggen. Onder

Lees verder