Categorie

Aflevering 3

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 3

Door | 2013, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

30e jaargang 2013 nummer 3 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Als een balletje
rollen gaat …
ZHT3 2013.indd 1 15-10-13 09:08
Suikerhistorie
Hotel café restaurant Muthert
Op 28 oktober 1963 opende Christianus Muthert
(geb. 1919) zijn horecazaak aan het Rodetorenplein nr. 11. Hij had het pand overgenomen van
Hendrik Beijer, die hier vanaf begin jaren dertig
een café en expeditiebedrijf dreef. In die jaren
stond het pand bekend als Beijer’s Bestelhuis.
Het vertrek van Beijer hing nauw samen met
de verplaatsing van het Bodecentrum van het
Rodetorenplein naar de Boerendanserdijk. Het
Bodecentrum moest vertrekken omdat er in 1961
een doorgaande weg om het Hopmanshuis heen
aangelegd was, die aansloot op de Jufferenwal.
Daardoor werd het plein stukken kleiner.
Het Bodecentrum was onder de blote hemel
op het Rodetorenplein ‘gevestigd’. Vrachtauto’s
uit de wijde omgeving voerden goederen aan
en namen andere spullen weer mee. Tot na de
Tweede Wereldoorlog gebeurde dat ook nog wel
per schip. Het plein stond de hele dag vol met
vrachtauto’s, omgeven door stapels kisten, dozen
en ander vrachtgoed. De ‘bodes’ (chauffeurs)
waren te vinden naast hun wagen of in een van de
cafés rond het plein. Het was er altijd een gezellige
boel, maar voor een buitenstaander een ‘ordeloze
troep’. Na veel plannenmakerij ging in april 1965
het nieuwe Bodecentrum officieel van start aan de
Boerendanserdijk, nu onder dak.
De zaak van Muthert draaide goed. Volgens
een reclameleus ‘was je uit … en toch thuis in HCR
Chr. Muthert’. Voor dertig gulden konden kamerbewoners er een hele week warm eten van 6 tot 8
uur. In 1976 kwam in dit pand het eerste Joegoslavische restaurant in Zwolle. Nu kun je er op zijn
Spaans eten en zit hier het City Hotel. Op het terras
heb je een prachtig uitzicht. De bodes van vroeger
hadden er in hun schafttijd lekker kunnen chillen…
122 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Het pand aan het Rodetorenplein waar Muthert gevestigd was,
tegenwoordig voorzien van ‘chill’terras. (Foto Jan van de Wetering)
(Collectie ZHT)
ZHT3 2013.indd 2 15-10-13 09:08
Omslag: Het Zwolse balletjeshuis, oktober 2013. (Foto Jan van de Wetering)
zwols historisch tijdschrift 123
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 122
Als een balletje rollen gaat…
Alet Boukes-Okkels 124
Beeldhouwer en activist Guiseppe Ceracchi
Maker van het grafmonument van
Joan Derk van der Capellen
Lydie van Dijk 135
De Republiek belaagd en Zwolle bezet
door Bommen Berend:
Gesprek met historicus Luc Panhuysen
over het Rampjaar 1672 Wouter Geerling 143
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 2: Een venster op de wereld in een
achttiende-eeuws tuintje
Willem van der Veen 153
Boekbesprekingen en Recent verschenen 158
Mededelingen 160
Auteurs 162
Redactioneel
Voor u ligt het derde nummer van het
Zwols Historisch Tijdschrift van 2013.
Ook dit keer weer met een leeslustopwekkende variëteit aan artikelen. We beginnen met
een smakelijk verhaal over de oorsprong van het
(in zijn voortbestaan bedreigde) Zwolse balletje,
een snoepje dat in 150 jaar geen steek is veranderd. Dat de oorsprong van dit Zwolse zoetigheidje in Kampen te zoeken is, bewijst maar weer
eens hoe vreemd een balletje kan rollen.
Vervolgens nemen wij u mee naar Italië, waar
een monumentaal beeldhouwwerk ter ere van
‘onze’ patriot Joan Derk van der Capellen al meer
dan twee eeuwen wacht op verscheping naar
Zwolle. Nu schijnt het er dan toch daadwerkelijk
van te komen.
Op basis van een gesprek met de in Zwolle
woonachtige historicus Luc Panhuysen, die een
boek schreef over het Rampjaar 1672, beschrijft
ons redactielid Wouter Geerling vervolgens deze
roerige periode vanuit een landelijk en een Zwols
perspectief. Willem van der Veen tot slot gaat verder met zijn serie over de geschiedenis van Tijl en
de Zwolse Courant.
Verder zijn er weer nieuwe boeken verschenen, en vragen wij uw speciale aandacht voor
twee in de Mededelingen behandelde items, het
aanstaande concert van het Haarlems Klein Koor
in november in de Statenzaal (zie ook de bijgevoegde flyer) en de oprichting van de Stichting
Zwolse Stolpersteine.
De redactie wenst u veel leesplezier!
ZHT3 2013.indd 3 15-10-13 09:08
124 zwols historisch tijdschrift
Als een balletje rollen gaat …
De recente berichtgeving over het (mogelijke) einde van de productie en verkoop van de Zwolse
Balletjes en daarmee ook het einde van het Zwolse Balletjeshuis aan het Grote Kerkplein 13 heeft
veel losgemaakt in Zwolle en daarbuiten.
Voor mij was het bericht de aanleiding om me te verdiepen in de geschiedenis van het pand, zijn bewoners en het geheime recept van de balletjes. Hoewel het pand hoogstwaarschijnlijk dateert uit de late
Middeleeuwen, heb ik er voor gekozen om de geschiedenis vanaf 1815 in kaart te brengen. Volgens de
folder die wordt uitgereikt bij aankoop van een zakje worden de balletjes sinds 1845 vervaardigd en verkocht in de winkel. Maar wat was de bestemming van het pand vlak daarvoor? Van wie kocht toenmalig
eigenaar Jan van der Kolk het pand? En heeft Jan daadwerkelijk het geheime recept van zijn schoonvader
gekocht? Is daar nog iets van te vinden?
Bij mijn onderzoek werd ik ter zijde gestaan door Jan Wigger van het Historisch Centrum Overijssel,
een uiterst plezierige samenwerking met een kundig en bevlogen archivaris. Ik ben hem zeer erkentelijk
voor zijn professionele ondersteuning.
Het werd een hele ontdekkingstocht. Zo stuitte ik bij voorbeeld op twee Anthony’s van der Kolk, hetgeen
aanvankelijk voor veel verwarring zorgde. Dan zijn er ook nog twee Jannen en drie personen met de achternaam Rei(j)nders. En dan speelt ook nog eens een uit Kampen afkomstige persoon een prominente rol.
Het Zwolse Balletjeshuis aan het Grote
Kerkplein omstreeks
1970. Op de foto is
goed te zien dat de
achterkant van het
huis eigenlijk gevormd
wordt door een ander
pand. (Collectie HCO)
Alet Boukes-Okkels
ZHT3 2013.indd 4 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 125
Van der Kolk I, 1815-1832
Op 18 mei 1815 kopen Anthony van der Kolk
en Aaltje Rupsina van Magteld van der Baan te
Zwolle het huis aan het Grote Kerkhof (nu Grote
Kerkplein) en de Prauwenstraat (nu Praubstraat)
2e
Wijk Sassenstraat nr. 226 voor 800 gulden.1
Het gaat hier om het voorste deel van het huidige
Zwolse Balletjeshuis, dat rechtstreeks aan het
Grote Kerkplein is gelegen. In dit pand was reeds
sinds mensenheugenis een winkel gevestigd.
In 1812 worden de winkelier Lucas Pals en zijn
vrouw en dochter als bewoners genoemd.2 Bij de
totstandkoming van het kadaster in 1832 krijgt dit
pand het kadastrale nummer Gemeente Zwolle,
sectie F nr. 1842.3
Anthony van der Kolk blijkt tot de aankoop
van het huis gewoon Teunis Kolk, bediende van
beroep, te hebben geheten. Hij is op 7 september
1783 te Zwartsluis geboren als zoon van Jacob
Gerrits Kolk, arbeider, en Aaltjen Jochems Boes.
Als Teunis op 15 januari 1813 trouwt met Aaltje
Rupsina, heet hij Teunis van Kolk. Later blijkt
hij zowel zijn voornaam als achternaam ‘sjieker’
te hebben gemaakt: hij noemt zich dan Anthony
van der Kolk. Dat paste beter bij zijn status als
winkelier, moet Anthony gedacht hebben. De
bruid, Aaltje Rupsina, geboren te Deventer op 28
oktober 1789, is een dochter van Jelle Rupsina,
schoenmaker, en Gardina Florijns. Aaltje is ten
tijde van haar huwelijk dienstmaagd van beroep.
De koopsom voor het pand wordt in de vorm
van een hypotheek tegen 5 procent per jaar van de
verkoopster Magteld van der Baan geleend.4 Deze
hypotheekinschrijving wordt in 1825 vernieuwd
voor ƒ 920,-.5 Ondanks de nog niet afgeloste
hypotheek op de winkel aan het Grote Kerkhof
en de zorgen die naderhand aan het licht komen,
kopen Anthony en Aaltje in 1828 een huis op het
adres Buiten de Sassenpoort nr. 65 voor ƒ 250,-.6
In 1831 worden door Anthony en Aaltje nog twee
hypotheken op het pand aan het Grote Kerkhof
opgenomen, de eerste ten bedrage van 600 gulden
bij de firma Doijer en Kalf op 23 april 1831,7 en
de tweede van 300 gulden bij notaris W.H. Roijer
op 24 oktober 1831. Bij de laatste hypotheek dient
óók het in 1828 gekochte huis buiten de Sassenpoort als onderpand.8
In 1832 wordt Anthony van der Kolk als
eigenaar van beide panden met ‘winkelier’ aangeduid. Echter, de zaak loopt niet zoals gehoopt,
waardoor hij niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Op 25 oktober 1831, slechts
één dag ná de opname van de tweede hypotheek,
wordt Anthony failliet verklaard. Als oorzaken
voor het faillissement voert Anthony de volgende
redenen aan: – hij was niet tot de handel opgeleid;
– hij was met heel weinig vermogen (800 gulden)
een handel begonnen; – hij had geen journaal
gehouden, noch jaarlijks een inventarisatielijst
gemaakt; – hij had snel veel kinderen gekregen en
dus veel monden te voeden; – er waren veel ziekteen sterfgevallen geweest, die het nodige hadden
gekost; en tenslotte, er was veel concurrentie als
kruidenier.
Door dit faillissement wordt ook een inventarisatie opgemaakt van de baten en schulden.
Behalve de twee huizen (de winkel aan het Grote
Kerkhof en het huis Buiten de Sassenpoort) wordt
de inventaris in de kruidenierswinkel ook tot de
baten gerekend. Deze bestaat onder meer uit:
een toonbank met een vaste koffiemolen, 6 paar
koperen winkelschalen, diverse trechters, tinnen
maten, blikken maten, strooptrommen, winkeltonnen, theekistjes, mandjes met pijpen, 3 kluwens katoen, een vijzel en stamper, bussen, een
koperen aker, een winkeltrap, een olietrom, een
zeef. Het totaal van de baten bedraagt ƒ 2.699,72.
Dit bedrag valt in het niet bij de totale schuld,
die op ƒ 11.130, 03 gesteld wordt. Naast de drie
hypotheken zijn de niet betaalde rekeningen aan
leveranciers van winkelwaren onderdeel van de
schulden. Er is een lijst met namen van in totaal
54 crediteuren. Daarop treffen we onder meer
aan: B.L. Conink Boddendijk uit Doetinchem,
eigenaar van een branderij waar men aardappelmoutwijn en aardappelbrandewijn maakt;
Stadlander, een tabaksfirmant uit Amsterdam;
de blauwselhandelaar Walig Meijn uit Zaandijk;
de chicorei-fabrikant H.A. Röbken uit Albergen;
de fa. Heerkens en Schaepman (fabriek in azijn
en kaarsen) uit Zwolle; Frans Willem Visscher,
koopman te Zwolle als gemachtigde van de in
Oostzaan wonende Cornelis Avis, koopman en
ZHT3 2013.indd 5 15-10-13 09:08
126 zwols historisch tijdschrift
fabrikant in ‘stijfzel en blaauwzel, zoo op deszelfs eigennaam als ter firma van de Sociëteit der
Blauwselfabriek’ te Westzaan. Ook Jelle Rupsina,
vader van Aaltje is één der crediteuren. Heel
dichtbij zit ook een crediteur, namelijk Magteld
van der Baan uit de Praubstraat, van wie Anthonij
in 1815 de koopsom van het winkelpand leende.
Voor nog hetzelfde bedrag als in 1815, te weten
800 gulden, staat zij als crediteur genoteerd. De
balans, die van de failliete boedel wordt opgemaakt, geeft ons een inkijkje in de voor Anthony
uitzichtloze situatie.9
De door de Zwolse Rechtbank gelaste executoriale verkoop van de beide panden en de winkelinventaris geschiedt ten overstaan van de rechter
op 21 februari en 6 maart 1832 in het – eveneens
aan het Grote Kerkhof staande – Stadswijnhuis
door notaris W.H. Roijer.10 Daartoe wordt door
de notaris op 14 februari 1832 de volgende advertentie in de Zwolse (voluit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche) Courant geplaatst:
‘Mr. W.H. Roijer, Notaris te Zwolle, als
daartoe benoemd, is voornemens, ten overstaan
van het Vredegeregt van het Kanton Zwolle, op
Dingsdag den 21sten Februarij 1832, des avonds
te vijf uren, op het Stad Wijnhuis te Zwolle, in te
zetten, en 14 dagen daarna, op tijd en plaats voorschreven, te verkoopen: Een Huis en Where te
Zwolle, bij het Groote Kerkhof, op den hoek der
Praauwenstraat, zeer geschikt tot het doen van
Het Grote Kerkplein,
op de kaart aangeduid
als ‘De Kerkhof’ op de
kadastrale kaart (uitsnede) van 1832. Daarop is te zien dat het
tegenwoordige Balletjeshuis uit drie kadastrale panden bestaat.
(Collectie HCO)
ZHT3 2013.indd 6 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 127
Winkel Affaire, bewoond geweest door Antoni
van der Kolk. Nog een Huisje te Zwolle, buiten de
Sassenpoort, S.P. No. 65, ter Meulen ter eenre en
de Ruiter ter andere zijde. Nadere informatie ten
kantore van den Notaris, en dagelijks te bezien.’
Na de executoriale veiling van hun bezittingen
verhuist het echtpaar Van der Kolk-Rupsina naar
de Diezerstraat. Aaltje overlijdt op 6 april 1856 op
de leeftijd van 66 jaar. Anthony sterft ruim twee
en een half jaar later, op 27 november 1858 op
75-jarige leeftijd.
Naamgenoten Van der Kolk en Rei(j)nders
Op 6 juni 1832, enkele maanden na de veiling,
overlijdt een naamgenoot van Anthony van der
Kolk in zijn huis aan de Ossenmarkt, op loopafstand van het Grote Kerkhof. Het gaat hier om
Anthony (veelal Teunis genaamd) van der Kolk,
geboren op 3 februari 1771 te Zwollerkerspel
als zoon van Harm van der Kolk, schipper, en
Geertruid Jansen. Anthony is jong wees geworden en hij wordt met zijn broer en twee zusjes in
het Kinderhuis ondergebracht. Op 1 juni 1793
doet hij belijdenis. Hij wordt timmerman en op
4 januari 1796 huwt hij in de Bethlehemkerk
met Johanna Gesina Reinders. Op 9 juli 1805
verkrijgen Teunis en Johanna Gesina van hun
respectievelijke zwager en broer Jacob Reinders
de helft van hun gemeenschappelijke huis aan
de Korte Kamperstraat. Zeven dagen later, op 16
juli, nemen de echtelieden een hypotheek op van
325 gulden tegen 5 procent rente per jaar van
Hendrikus Smeing te Amsterdam, met het eerder genoemde huis als onderpand.11 Ofschoon
de situering van dit huis een week later gewijzigd
wordt in de Ossenmarkt, betreft dit hetzelfde
huis. Op 3 maart 1806 wordt volgens het Patentregister Zwolle van dat jaar aan Teunis patent
verleend als ‘timmermansknegt’. Later valt ook
te lezen ‘winkelier’. Hierbij moet worden opgemerkt dat winkelier in de negentiende eeuw een
ruim begrip was. Het betekende vaak dat iemand
aan huis een winkeltje had. Uit dit huwelijk zijn
een aantal kinderen geboren, onder wie Jan in
1812. Teunis overlijdt op 6 juni 1832 en zijn
weduwe Johanna Gesina volgt hem op 1 maart
1837 in de dood.
Naar alle waarschijnlijkheid is er geen sprake
van directe familiebanden tussen de beide
Anthony’s, en Pieter Reijnders (zie hierna) en
Johanna Gesina Reinders, al bestaat natuurlijk de
mogelijkheid dat ze elkaar gekend hebben. De in
1812 geboren zoon Jan van Teunis van der Kolk
en Johanna Gesina Reinders zal in 1845 de koper
worden van het winkelpand aan het Grote Kerkhof en sindsdien prijkt zijn naam op de voorgevel.
Opschrift op de voorgevel van het Zwolse
balletjeshuis. (Foto Jan
van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 7 15-10-13 09:08
128 zwols historisch tijdschrift
Reijnders-Van Santen, 1832-1845
Het pand aan het Grote Kerkhof wordt bij de veiling van de failliete boedel van Anthony van der
Kolk op 21 februari en 6 maart 1832 voor 1540
gulden verkocht aan Pieter Reijnders, koopman
te Zwolle. De nieuwe eigenaar is ter wereld gekomen op 29 april 1808 te Deventer, als het zesde en
jongste kind van Harmen Jan Reinders, hovenier
van het huis Den Berg te Dalfsen, later cipier van
het huis van Bewaring te Deventer, en Johanna
Werff. Pieter huwt te Zwolle op 24 maart 1831,
achttien dagen ná de aankoop van het winkelpand, met Johanna van Santen, die op 26 december 1807 in Zwolle als dochter van de looier Evert
van Santen en Hilligien Mandemaker is geboren.
Zij is een telg van een geslacht waarin zich vele
meesterbakkers bevinden.
Lang heeft de nieuwe eigenaar Pieter Reijnders niet van zijn aankoop kunnen genieten. Op
1 januari 1835 sterft hij, 27 jaar jong, in zijn huis
aan de Praubstraat met achterlating van zijn
zwangere weduwe Johanna en hun twee jonge
kinderen Hermen Jan en Hillegien. Johanna
blijft de winkel voortzetten. Op 31 augustus 1837
hertrouwt zij als ‘winkeliersche’ met Jan Antonie
Visscher, sergeant-majoor, die naderhand winkelier wordt. Johanna overlijdt op 26 december
1844. Zij laat vijf kinderen achter, waarvan twee
van haar tweede man Jan Antonie Visscher. Al
deze vijf kinderen, naast de reeds genoemde
Herman Jan en Hilligien zijn dit Pieter, Derk Jan
en Evert Johannes, zijn nog minderjarig en worden onder de voogdij van hun ooms uit de families Reijnders, Van Santen en Visscher gesteld.
Ter afwikkeling van de moederlijke nalatenschap moet het een en ander verkocht worden,
zo ook de winkel aan het Grote Kerkhof, alsmede
de inboedel en de winkelinventaris en -waren.
De veiling van het winkelpand vindt op 22 april
en 6 mei 1845 plaats in het koffiehuis Belle Vue,
getuige de advertenties welke de notaris Van
Roijen in de Zwolse Courant van 18 en 25 april
en 2 mei 1845 heeft laten plaatsen. De verkoop
van ‘mobilaire goederen, winkelinventaris en
-waren’ geschiedt op 7 mei 1845 door de deurwaarders Koeroo, Jansen en Voetelink in het
winkelpand zelf.12
Van der Kolk II, 1845-1919
Bij de eerste veilingsdag op 22 april 1845 wordt
1700 gulden voor het winkelpand geboden. Twee
weken later kan dit pand gemijnd worden door
Jan van der Kolk te Zwolle voor het bedrag van
ƒ 2150,-.13 De nieuwe eigenaar is winkelier van
beroep en heeft reeds sinds 1841 een kruidenierswinkel aan de Drietrommeltjesteeg te Zwolle.
Of Jan van der Kolk ook wat gekocht heeft bij
de verkoop van de aangeboden inventaris op 7
mei daaropvolgend, is niet bekend. Aan het flink
hogere bedrag van ƒ 2.724,-, dat Jan van der Kolk
kort daarna van D.J. Storm Buijsing als hypotheek
op het winkelpand heeft geleend, kan mogelijk
afgeleid worden dat hij inderdaad een deel daarvan heeft overgenomen.14
Zoals al aangegeven, is Jan van der Kolk een
in 1812 geboren zoon van de timmerman Teunis (Anthony) van der Kolk en Johanna Gesina
Reinders. Jan huwt op 23 juli 1840 in Zwolle met
Elsje Arink, dochter van Gerhardus Jansz. Arink
en Maria van Olst uit Kampen, die in hetzelfde
jaar naar Zwolle verhuist. Op de huwelijksakte
staat bij de bruidegom kastenmaker als beroep
vermeld, bij de bruid naaister. Van 1840 tot en
met 1845 wonen Jan en Elsje in het ouderlijk huis
2e wijk Voorstraat 169 (kadastrale nummer F
1746, nu aan de Kamperstraat). In dat huis wonen
ook kostgangers uit diverse windstreken. In 1841
hebben Jan en Elsje voor 725 gulden een kruideniersaffaire aan de Drietrommeltjessteeg op het
Eiland gekocht.15 Deze winkel wordt na vier jaar
weer van de hand gedaan en op 5 september 1845
overgeschreven naar Hendrik van der Hoogte.16
Jan en Elsje en hun kinderen verhuizen in
1845 dus van de ene naar de andere kruidenierszaak, ofwel van de Drietrommeltjessteeg naar het
Grote Kerkhof. De prominentere ligging van het
laatste pand, zo dicht bij het stadhuis en het Stadswijnhuis en vlakbij de voorname Koestraat zal bij
die keuze ongetwijfeld een rol gespeeld hebben.
Om het eigentijds te zeggen: een A-locatie.
Achter het pand aan het Grote Kerkhof dat Jan
en Elsje bezitten, bevinden zich twee kleinere
panden, sinds 1832 kadastraal bekend onder de
nummers F 1841 en F 1843. Eén van die panden,
ZHT3 2013.indd 8 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 129
het pand op de hoek Praubstraat / Papendwarsstraat staat van 1585-1774 bekend onder de huisnaam ‘De Pelgrim’. In 1832 wordt de koopman
Jan Vredeveld vermeld als eigenaar van beide
panden.17 Hij overlijdt op 4 mei 1858 te Zwolle
en zijn weduwe Cornelia Plattel verkoopt beide
panden op 9 mei 1860 voor 1150 gulden aan Jan
en Elsje.18 Nu hebben Jan en Elsje drie aangrenzende panden in bezit. Het hoofdpand, dus de
winkel met het perceelsnummer F 1842 aan het
Grote Kerkhof, wordt in dienstjaar 1869 (= 1868)
verbouwd en het perceelsnummer wordt gewijzigd in F 3614. Vier jaar later, in 1872, wordt het
pand F 1843 afgebroken en opnieuw herbouwd,
het kadastrale nummer blijft echter ongewijzigd.
Door bouwkundige aanpassingen worden de
drie panden in 1877 kadastraal hernummerd
van F 1841, F 3614 (= oud 1842) en F 1843 tot F
4266.19 Jan en Elsje hebben tussen 1860 en 1872
vier hypotheken opgenomen, te weten: ƒ 1380,- in
1860, ƒ 2875 in 1865, ƒ 5750,- in 1867 en ƒ 3304,-
in 1872.20
Jan en Elsje van der Kolk-Arink krijgen vier
kinderen, maar drie ervan verlaten Zwolle. Het
gaat om de zoons Teunis (geb. 1841) en Jan jr.
(geb. 1853), en de dochters Maria (geb. 1856) en
Johanna Gesina (geb. 1860). De beide dochters
trouwen in Amsterdam. Teunis, vroeg weduwnaar geworden, overlijdt uiteindelijk in Den
Haag. Elsje Arink overlijdt in december 1882 en
haar man Jan in augustus 1886. Bij de boedelscheiding van de ouderlijke nalatenschap krijgt
Jan jr. per 1 november 1886 de winkel met toebehoren, waarvan de waarde op 8000 gulden wordt
getaxeerd, toebedeeld.21 Jan jr. is op 25 augustus
1881 met de ruim vijf jaar oudere Cornelia Weerts
uit Zwolle getrouwd. Uit dit huwelijk komen twee
zoons voort, namelijk Jan (III) en Daniël. Jan jr.
overlijdt op 14 november 1918 aan de Rhijnvis
Feithlaan, waarschijnlijk in het Sophia Ziekenhuis. Het winkelpand met de winkelinventaris
wordt verkocht en ruim acht maanden na de
verkoop vertrekt Cornelia van der Kolk-Weerts
uit Zwolle. Op 5 mei 1919 wordt ze uitgeschreven
naar de gemeente Arnhem.22
De familie Arink uit Kampen of de oorsprong
van de Zwolse Balletjes
Om de loop van het verhaal goed te kunnen volgen, is het nodig om een uitstapje naar Kampen
te maken. In deze voorname Hanzestad wordt op
14 oktober 1788 Gerhardus Jansz. Arink geboren
en vijf dagen later in de Bovenkerk gedoopt. Hij is
een zoon van Jan Arink (1748-1836), trijpwever
en kostkoper en vanaf 1796 ook aanspreker, en
Elsien Schreuder, ook wel Schruedter genoemd
(1750-1823). Beiden zijn geboren en getogen
Kampenaren, maar de familie Arink komt van
oorsprong uit de omgeving van Groenlo en Eibergen. In 1810 trouwt Gerhardus, die (banket)bakker van beroep is, met Maria van Olst, geboren
te Hattem, maar dan al wonende te Kampen. Er
Op de gevel van het
huis dat vroeger bekend
stond als ‘De Pelgrim’
staat tegenwoordig dit
opschrift. (Foto Jan van
de Wetering)
ZHT3 2013.indd 9 15-10-13 09:08
130 zwols historisch tijdschrift
worden minstens tien kinderen geboren, waarvan
velen niet in leven blijven of op zeer jeugdige leeftijd overlijden. Drie kinderen zullen het beroep
van hun vader voortzetten. Het zijn Elsje (1818-
1882), Lambertus (1815-1900) en Berend Jan
(1830-1904). Elsje trouwt met de eerder genoemde Jan van der Kolk. Gerhardus Arink wordt zo
de schoonvader van Jan. Hij wordt in diverse
bronnen met verschillende beroepen aangeduid:
als winkelier, koopman, bakker, banketbakker,
suikerbakker en ook stekenbakker. In 1831 vertrekt hij met zijn gezin naar Amsterdam, maar
keert al gauw weer terug in Kampen. In 1840
verhuist de bakkersfamilie Arink van Kampen
naar Zwolle. In 1840, worden de echtelieden Gerhardus en Maria tot lidmaten van de Nederlands
Hervormde Gemeente van Zwolle aangenomen.
Hun dochters Elsje en Maria, dan wonende aan
het Grote Kerkhof – dus niet ver van de winkel
van Johanna van Santen en haar tweede echtgenoot Jan Anthonie Visscher – worden in juni van
dit jaar lidmaten.23 De familie woont aanvankelijk
aan het Grote Kerkhof, om naderhand naar de
Broerenstraat te verhuizen.24 In 1845 koopt Gerhardus het huis op de hoek van de Kamperstraat
(nu het pand van Olland), en gaat daar wonen en
werken. In 1851 verhuist hij weer, dit keer heeft
hij een huis gekocht bij de Roopoort.25
In de folder die iedere klant bij aankoop van een
zakje of blikje Zwolse balletjes ontvangt staat te
lezen dat de heer J(an) van der Kolk in 1845 het
geheime recept voor de ouderwetse specialiteit
‘steken’ heeft gekocht van zijn schoonvader. De
vraag is echter of deze bewering juist is. Een akte
van de aankoop van het recept is bij het onderzoek niet boven tafel gekomen, maar er komt wel
iets anders aan het licht. In de Zwolse Courant
van vrijdag 9 september 1853 staat een kort verslag van de zitting van het Kantongerecht aan de
Blijmarkt op 8 september afgedrukt. Daarin valt
te lezen:
‘Veroordeeld
G.A., stekenbakker te Zwolle, tot uitoefening van
zijn bedrijf eene stookplaats te hebben gebruikt,
dewelke niet door den stadsarchitect was goedgekeurd. Een geldboete van ƒ 10.’
G.A., hij/het zal toch niet..? Een korte samenvatting uit het proces-verbaal van de rechtbankzitting op 8 september 1853: het kantongerecht acht
Gerhardus Arink schuldig aan de onrechtmatige
uitoefening van zijn bedrijf van stekenbakker in
de tuin achter het door hem bewoonde huis aan
het (Klein) Weezenland (nu Burgemeester Van
Roijensingel), bij de Roopoort, waar hij ‘een vroegere steltenberg [hooiberg] heeft ingerigt tot eene
rookplaats om steeken te bakken en daarin heeft
geplaatst een ijzere stookmachine waarop de suiker benoodigd tot het vervaardigen van steeken
gekookt werden, waarvan de rook door eene pijp
naar buiten werd uitgeleid.’ Deze stookplaats is
in de nacht van 9 op 10 augustus 1853 afgebrand.
Doordat de stookplaats, in strijd met de stedelijke
voorschriften uit 1825, niet door de stadsarchitect gekeurd en dus clandestien gebouwd is, is
Gerhardus gedaagd voor het kantongerecht en
veroordeeld tot de geldboete.26
In 1853 vervaardigt Gerhardus Arink dus
steken in de illegaal gebouwde stookplaats in
zijn tuin van het in 1851 verworven huis bij de
Roopoort. Steken, die hij waarschijnlijk levert aan
diverse winkeliers onder wie zijn schoonzoon Jan
van der Kolk. Of er vanaf 1845 door Jan in de kelder van het pand aan het Grote Kerkhof al steken
gebakken worden, moet dan ook ernstig betwijDe zwarte steek, het
meest oorspronkelijke
balletje, beschikt zelfs
over medicinale krachten …. (Foto Jan van de
Wetering)
ZHT3 2013.indd 10 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 131
feld worden. Het zou ook heel goed kunnen dat er
steken aan het Grote Kerkhof worden gebakken
vanaf het moment dat de clandestiene stookplaats
van Gerhardus verbrand is, dan wel dat de beide
zoons en later kleinzoons van Gerhardus zich
niet meer toeleggen op het steken bakken. Daar
speelt ook nog mee dat Gerhardus in 1854 definitief naar Amsterdam vertrekt. Zijn vrouw Maria
overlijdt namelijk op 11 oktober 1854 en al op 30
oktober daaropvolgend wordt het huis en erf aan
het Weezenland bij de Roopoort door Gerhardus en zijn kinderen voor 1325 gulden verkocht
aan Hendrik Klinkert, meester-timmerman te
Zwolle.27 Anderhalve maand later trouwt Gerhardus te Amsterdam – slechts twee maanden na het
overlijden van Maria – met Johanna Ziegelaar.
Hij is dan 66 jaar, zij 30. Uit het tweede huwelijk
worden drie kinderen geboren. In 1870 overlijdt
Gerhardus in Amsterdam. Zijn weduwe hertrouwt aldaar twee jaar later met de schoenmaker
en weduwnaar Anthonie Wedemeier. Zij overlijdt
in 1891.
In het pand hoek Kamperstraat / Van Hattumstraat is in de jaren 1854-1916 de banketbakkerij van Berend Jan (de broer van Elsje) Arink
gevestigd. Nicolaas Christiaan Arink, de zoon van
Berend Jan en Dominika Magdalena Taverne,
neemt deze zaak later over. In diverse adressenboeken van Zwolle, waaronder dat van 1898,
wordt hij stekenbakker genoemd. Ook de andere
broer van Elsje, Lambertus, verhuist in 1860 van
Kampen naar Zwolle. Hij is eveneens balletjesbakker van beroep. Lambertus en zijn tweede
vrouw Fennigje Tusveld wonen tussen 1860 en
1900 op verschillende adressen in Zwolle. Lambertus sterft op 11 maart 1900 en Fennigje op 7
augustus van datzelfde jaar. Hun zoon Marinus
Johannes (geb. Zwolle 1846) is eveneens balletjesbakker. Hij komt in 1900 vanuit Amsterdam in
Zwolle wonen en hij verhuist in 1902 naar Zwollerkerspel.28
Concluderend kunnen we stellen dat diverse
leden van de familie Arink als balletjes- ofwel stekenbakkers in Zwolle blijven, ook nadat vader cq.
grootvader Gerhardus in 1854 naar Amsterdam
verhuist. Het zou daarom heel goed kunnen dat
de beide Jannen van der Kolk de balletjes geleverd
krijgen van respectievelijk eerst schoonvader en
na 1854 van zwagers / neven Arink, dan wel dat ze
deze door hen in de kelder van hun winkelpand
laten vervaardigen. Mocht het laatste niet het
geval zijn, dan is het niet ondenkbaar dat de firma
J. van der Kolk op den duur – vermoedelijk begin
twintigste eeuw – balletjes voor zichzelf ging steken.
Van 1918 tot heden
Ruim zes maanden na het overlijden van Jan II
van der Kolk op 14 november 1918, wordt het
huis met de winkel aan het Grote Kerkhof ten
overstaan van de Zwolse notaris W.C. van Reede
door zijn erfgenamen, te weten zijn weduwe Cornelia Weerts en haar twee zoons Jan III en Daniël
van der Kolk, verkocht aan Albertus Worst, winkelier te Meppel, en zijn echtgenote Margje van
Werven. De koopsom bedraagt 10.000 gulden en
het pand wordt op 6 mei 1919 op hun naam overgeschreven.29
Na ruim 39 jaar de winkel gedreven te hebben,
verkoopt het echtpaar Worst-van Werven op 15
september 1958 de zaak voor 17.500 gulden aan
Wolter Vaartjes, bakker van beroep.30 Wolter
Vaartjes, geboren te Oldemarkt in 1901 als zoon
van een turfmaker, is aangesloten bij het Leger
Prijslijst omstreeks
1920. (Foto Jan van de
Wetering)
ZHT3 2013.indd 11 15-10-13 09:08
132 zwols historisch tijdschrift
des Heils. Met de Zwolse Klazina Oosterbroek
trouwt Wolter te Zwolle op 16 november 1926
en uit dit huwelijk komen vier kinderen voort.
Vaartjes overlijdt op 10 december 1985 en na een
herdenking in het gebouw van het Leger des Heils
aan de Geert Grootestraat wordt hij begraven
op de begraafplaats Kranenburg. Zijn erfgenamen dragen kort daarop de winkel over aan hun
neef Klaas Kappers. Sinds 1999 zijn de heer en
mevrouw Van Wegen eigenaars van het Zwolse
Balletjeshuis. Maar zij zijn nu op de leeftijd dat ze
met de winkel willen stoppen en de zaak graag aan
een jongere generatie willen overdragen. Of dit
lukt is echter de vraag. De huidige stekenbakker,
Bert Hulshof, heeft inmiddels de leeftijd bereikt
dat hij het ‘geheime’ recept en de bereidingswijze
graag door wil geven aan een opvolger. Zijn
vrouw Henny Hulshof is verkoopster in de winkel, tot 1 oktober nog samen met Marjolijn van
Rens, nu alleen.
De ‘fabricage’ van de Zwolse balletjes.
De Zwolse balletjes, die eigenlijk steken zijn,
worden op ambachtelijke wijze in de kelder van
het Zwolse balletjeshuis gemaakt. Het recept is al
eeuwenoud en nog steeds geheim.
Tegenwoordig kunnen de balletjes allerlei
kleur en smaak hebben, maar ook het meest oorspronkelijke balletje wordt nog steeds gemaakt, de
zwarte steek. Vroeger werd een balletje gebruikt
om de koffie te zoeten. De steek werd achter een
De Zwolse Balletjes zijn
al decennialang een
Zwols icoon: zo kreeg
ook koningin Juliana
in 1962 een doosje aangeboden toen zij de
miljoenste naoorlogse
woning in Nederland
bezocht, een huis aan
de Hogenkampsweg.
(Collectie HCO)
Het deels nog authentieke winkelinterieur,
achter de toonbank
staat Henny Hulshof.
(Foto Jan van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 12 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 133
kies geklemd en de koffie er langs gespoeld. Het
was de bedoeling dat het snoepje meerdere kopjes
meeging. Toppunt van zuinigheid was daarbij na
ieder kopje even de steek uit de mond nemen en
op een schoteltje leggen tot het volgende kopje zich
aandiende. Mogelijk komt de naam steek van dit
‘achter de kiezen steken’, maar het zou ook kunnen
duiden op het afsteken van het suikerdeeg.
De smaken zijn pepermunt, vanille, citroen,
roomboter, anijs, mokka, kaneel, honingmenthol,
reine claude, framboos en mandarijn. Alle balletjes worden bereid met suiker en daaraan toegevoegde natuurlijke smaakstoffen. Aan de laatste
vier worden natuurlijke kleurstoffen toegevoegd.
Een oud snoepje te koop in een oud interieur.
Want ook de inrichting van de winkel, die wellicht nog ten dele uit 1845 dateert, is het waard
behouden te blijven. Onder het pand bevindt
zich de kelder, waarschijnlijk evenals het casco
laat middeleeuws. Twee luiken leiden naar de
kelder van het pand. Daarin worden de balletjes
gemaakt, vermoedelijk pas vanaf het begin van de
twintigste eeuw.
De balletjes worden gepresenteerd vanuit een
trommeltje, iedere bezoeker krijgt een balletje.
De trommeltjes, met beelden van Zwolle erop,
zijn ook te koop. Daarnaast worden de balletjes
verkocht in katoenen zakjes met daarop een oud
gedicht .
Stekenbakker, het moet al een heel oud
ambacht zijn. Ik vermoed dat er in Nederland
geen stekenbakkers meer zijn. Misschien staat
daarom in Zwolle nog wel de enige Nederlandse
stekenbakkerij. Een oud ambacht, dat naar mijn
bescheiden mening doorgegeven, gekoesterd en
verzekerd zou mogen en moeten worden. Opdat
er in 2045 en lang daarna ook nog Zwolse balletjes
mogen zijn. De smaak van vroeger, Zwols culinair
en cultureel erfgoed. Culturinair – woord van
mezelf – erfgoed, dus.*
Bij dit alles blijft het opmerkelijk en toch ook
wel bijzonder te noemen dat de receptuur van de
steken (Zwolse Balletjes) oorspronkelijk van de
familie Arink uit Kampen komt. Als een Zwols
Balletje rollen kon (maar dat kan het gelukkig
niet), rolde het richting Kampen. Naast het verhaal van de Blauwvingers kan dit verhaal en dit
product ook met Kampen verbonden worden.
Uit Zwolle, en ja, ook een heel klein beetje uit
Kampen. Alleen dat gegeven al…
* Goed nieuws! Op 1 oktober meldt de Stentor dat
er een stichting opgericht is en dat het Zwolse Balletjeshuis een doorstart gaat maken. De toekomst
van de balletjes lijkt, in ieder geval op korte termijn,
verzekerd.
Noten
Tenzij anders vermeld bevinden de onderstaande bronnen zich op het HCO te Zwolle
1. Archieven Zwolse Notarissen, toegang 828, inv.nr.
620 (notaris LHC. Nilant d.d. 18 mei 1815, akte nr.
157)
2. Archief Stad Zwolle, 1230-1813, toegang 700, inv.
nr. 1019 Volkstelling 1812, Wijk 2e Sassenstraat nr.
226
3. Archieven Kadaster Overijssel, toegang 145, inv.
nr. 760 (Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel der
Grondeigenaren van de gemeente Zwolle, sectie
E-F)
4. Arch. Kad. Ov., inv.nrs. 123 (Register van Inschrijvingen, deel 13/242)
5 Arch. Kad. Ov., inv.nr. 152 (Reg. van Inschrijvingen, deel 30/354)
6. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 35 (Reg. van Overschrijvingen, deel 21/49)
7. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 152 (Reg. van Inschrijvingen, deel 42/242)
Zwolse balletjes… (Foto
Jan van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 13 15-10-13 09:08
134 zwols historisch tijdschrift
8. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 153 (Reg. van Inschrijvingen, deel 43/247)
9. Archief Rechtbank van Eerste Aanleg Zwolle, toegang 91, inv.nr. 163a
10. Archieven Zwolse Notarissen, inv.nr. 1035 (notaris
W.H. Roijer, d.d. 21 februari en 6 maart 1832, akte
nr. 4506)
11. Archief Stad Zwolle, 1230-1813, inv.nr. 2032
12. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van
29 april 1845
13. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2370 (Reg. van Overschrijvingen deel 66/107)
14. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 5678 (Algemeen Register
deel 29/358)
15. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2330 (Reg. van Overschrijvingen deel 26/36)
16. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2372 (Reg. van Overschrijvingen deel 68/13)
17. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 760 (OAT Gemeente Zwolle
E-F)
18. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2535 (Reg. van Overschrijvingen deel 231/26)
19. Arch. Kad. Ov., inv.nrs 1417 en 1424 (Artikelgewijze Kadastrale leggers Gem. Zwolle, delen 6 en 1,
art.nr. 1955 J. van der Kolk)
20. Arch. Kad. Ov., inv.nrs. 5663 en 5678 (Algemeen
Register delen 14/43 en 29/358)
21. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2851 (Reg. van Overschrijvingen, deel 547/6)
22. Bevolkingsregister Zwolle, 1860-1940, blz. K 187
23. Archief N.H. Gemeente Zwolle, toegang 1140, inv.
nr. 144, p. 319
24. Archief Gemeente Zwolle, 1813-1923, toegang 702,
inv.nr. AAZ01-443 (Wijkboek 2e Diezerstraat, 712
zijnde kadastraal perceel F 862)
25. Archief Gem. Zwolle, 1813-1923, inv.nr AAZ 01-
499 (Wijkboek 2e Voorstraat) en Arch. Kad. Ov.,
inv.nr. 5678 (Algemeen Register deel 29/341)
26. Archieven Kantongerecht Zwolle, toegang 109, inv.
nrs. 5432 én 5474, rolnr. 1067
27. Archieven Zwolse Notarissen, inv.nr. 821 (notaris
W.S. van der Gronden d.d. 30 oktober 1854, akte
nr. 3119)
28. Bevolkingsregister Zwolle 1860-1940, blz. A 77
29. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 5502 (Reg. van Overschrijvingen, deel 929/107)
30. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 11473 (Reg. van Overschrijvingen, deel 1435/108)
Het Zwolse balletjeshuis, oktober 2013.
(Foto Jan van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 14 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 135
Beeldhouwer en activist Guiseppe Ceracchi
Maker van het grafmonument van
Joan Derk van der Capellen
Over niet al te lange tijd zullen beelden die
al meer dan tweehonderd jaar in Rome
staan en die onderdeel uitmaken van het
grafmonument voor de patriot Joan Derk van der
Capellen eindelijk naar Zwolle komen.
Wie was de beeldhouwer en hoe kwam het
dat dit monument nog in Rome staat? Waarom is
het niet direct nadat het voltooid was naar Zwolle
getransporteerd?
Joan Derk van der Capellen
Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol
(1741-1784) was de bekendste patriot in Overijssel. Hij was lid van de Staten van Overijssel en
profileerde zich daar nadrukkelijk als verlicht
man. Hij maakte zich onder meer sterk voor
vlootversterking – tegen de wens van de stadhouder –, een grotere vrijheid van meningsuiting en
afschaffing van de drostendiensten. Dit waren
diensten die de drosten twee maal per jaar aan
de boeren konden opleggen, onder meer tijdens
het zaaien en oogsten. Vooral de drost in Twente,
Van Heiden Hompesch, maakte hier gebruik van.
De strijd liep hoog op. Door de uitlatingen van
Van der Capellen in de Staten en het publiceren
van zijn toespraken, soms voor hij ze had uitgesproken, werd hij in 1778 als Statenlid geschorst.
In 1782 werd hij weer toegelaten en uiteindelijk
werden de drostendiensten in 1783 afgeschaft. In
pamfletten die hierna verschenen werd hij binnen en buiten Overijssel uitbundig bejubeld. Ook
penningen werden geslagen om vast te leggen dat
de drostendiensten beëindigd waren.
Van der Capellen schreef ook geschiedenis
vanwege zijn steun aan de Amerikaanse vrijheidsstrijd. Door zijn inspanningen erkende het soevereine gewest Overijssel in april 1782 de jonge
Amerikaanse Republiek. En tenslotte schreef hij
in 1781, tijdens zijn schorsing als Statenlid, een
felle aanklacht tegen Willem V in het pamflet Aan
het volk van Nederland, dat overigens anoniem
verscheen. Pas ruim een eeuw later werd met
zekerheid vastgesteld dat hij dit geschreven had.
Van der Capellen had een zwakke gezondheid.
Hij overleed op 6 juni 1784, slechts 42 jaar oud,
in zijn huis in de Bloemendalstraat 12 in Zwolle.
Ook naar aanleiding van zijn overlijden verschenen veel pamfletten en vooral in Twente werden
de kerkklokken lang geluid.
Joan Derk van der
Capellen tot den Pol,
1741-1784, omstreeks
1780. Pastel, anoniem.
(Particuliere collectie)
Lydie van Dijk
ZHT3 2013.indd 15 15-10-13 09:08
Zeven jaar later, in 1795, voltrok zich de
Bataafse Omwenteling. Er kwam een einde aan
de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Het bestuur, zowel in de steden als in de provincie,
werd samengesteld uit volksrepresentanten. Toen
pakte men de ideeën van de patriotten weer op.
Roerige periode
Het was dus een onrustige periode na de dood van
Van der Capellen. Aanvankelijk hadden de patriotten veel invloed op het politieke terrein, maar
dat veranderde door de Pruisische inval in 1787.
In 1784 was al het plan opgevat een monument ter nagedachtenis aan Joan Derk van der
Capellen te laten ontwerpen. Daarvoor werd
door inwoners van Zwolle contact opgenomen
met een comité van vooraanstaande patriotten in
Amsterdam. Dat waren bekenden van Van der
Capellen. Er werd een nationaal fonds opgericht
waarvoor op grote schaal inzamelingen werden
gehouden. De Amsterdammers lieten de Italiaanse beeldhouwer Guiseppe Ceracchi drie ontwerpen maken. Uit de drie, in grootte verschillende ontwerpen, werd uiteindelijk gekozen voor
een ontwerp met vier beelden. Dit zou in Zwolle
in de Grote Kerk geplaatst moeten worden. Door
misverstanden op financieel gebied, het rusteloze
leven van de beeldhouwer en vooral door de veranderde politieke omstandigheden is de beeldengroep nooit naar Zwolle gekomen.
Guiseppe Ceracchi
Een overzicht van het leven van Ceracchi toont
aan dat hij niet alleen beeldhouwer was, maar
ook politiek zeer betrokken. Ceracchi werd in
1751 geboren. Toen hij twintig jaar oud was,
ontving hij een prijs voor beeldhouwen in de
Accademia de San Luca in Rome voor een terracotta beeld dat hij gemaakt had. Zijn carrière
begon in Rome, maar vanwege zijn rusteloosheid
en vanwege lucratievere opdrachten verliet hij
de Kerkelijke Staat. Hij ging eerst naar Milaan
en Florence. In beide steden kreeg hij opdrachten. In Florence ontmoette hij Sir Horace Mann,
een Engelse consul, die hem aanmoedigde naar
Engeland te gaan. In Londen, waar hij in 1773
aankwam, raakte hij bevriend met Italiaanse en
Patriotten
Eind jaren zeventig van de achttiende eeuw begon
een aantal gegoede burgers zich af te zetten tegen
het beleid van stadhouder Willem V, zowel in
het westen van de Republiek van de Verenigde
Provinciën als in het oosten. Zij wilden een einde
maken aan het bewind van de stadhouder en
streefden naar meer democratie. De patriotten
vormden vrijkorpsen, verenigingen van gewapende burgers, om de macht over te nemen en zich
te verdedigen. Door de onrust die hun acties veroorzaakten, voelden stadhouder Willem V en zijn
vrouw Wilhelmina van Pruisen zich niet meer
veilig. Zij riepen in 1787 de Pruisische troepen te
hulp en zo kwam een abrupt einde aan de patriottenbeweging. Velen vluchtten naar Frankrijk.
Hoe groot de tegenstellingen tussen patriotten en prinsgezinden waren geworden, bleek ook
uit wat er gebeurde met het familiegraf van Joan
Derk. Dit graf op het Gorsselse veld, waarin Van
der Capellen met zijn vrouw, die een jaar na hem
stierf, was begraven, werd in 1788 door orangisten
met buskruit opgeblazen. Hun lichamen waren
kort daarvoor al door hun schoonzoon, de graaf
van Rechteren tot Westerveld, uit de graftombe
gehaald en elders begraven.
Portret van Giuseppe
Ceracchi, circa 1792,
door de Amerikaanse
schilder John Trumbull. (Collectie Metropolitan Museum of Art,
New York)
136 zwols historisch tijdschrift
ZHT3 2013.indd 16 15-10-13 09:08
van keizerin Maria Teresia en keizer Joseph II
mocht uitvoeren in 1781 en 1783. De keizer bood
hem het directeurschap van de beeldhouwschool
aan, maar Ceracchi weigerde dat.
De werken die Ceracchi in de jaren in Rome,
Londen, Berlijn en Wenen maakte, worden
gekenmerkt door een continu door elkaar lopen
van zijn werk als portrettist en als kunstenaar van
beelden, die als antieke figuren zijn uitgebeeld.
Amerikaanse kunstenaars. Met de beeldhouwer
Agostino Carlini, afkomstig uit Genua, voerde
hij decoraties uit in Somerset House. Dit ligt
in Londen aan de Theems. Bij het maken van
beelden volgde hij de vorm van antieke beelden,
maar gaf er een totaal andere betekenis aan. Tussen 1776 en 1779 poseerde hij twaalf werken in
de Royal Academy. Een van die beelden was van
Anne Seymour Damer, een van zijn leerlingen,
uitgebeeld als de muze van de beeldhouwkunst.
Zijn grootste succes was het portret van Joshua
Reynolds, geïnspireerd op de buste van Caracalla
in de Farnese collectie. Deze collectie was verzameld door kardinaal Alessandro Farnese, de
latere paus Paulus III (1543-1549). De collectie
met de buste van Caracalla bevindt zich nu in het
Archeologisch Museum in Napels. Reynolds was
kunstschilder en de eerste voorzitter van de Royal
Academy. Ceracchi maakte ook modellen voor
de Wedgwood Company. Na Londen verbleef hij
kort in Nederland en Pruisen. In 1779 was hij in
Wenen, waar hij met een introductiebrief van de
Oostenrijkse ambassadeur in Londen opdrachten
Anne Seymour Damer
als de muze van de
beeldhouwkunst,
Guiseppe Ceracchi,
omstreeks 1779, marmer. (© Trustees of
the British Museum,
Londen)
Links: Buste van Joshua
Reynolds, Guiseppe
Ceracchi, 1778-1779,
marmer. (© Royal Academy of Arts, Londen)
zwols historisch tijdschrift 137
ZHT3 2013.indd 17 15-10-13 09:08
In 1785 was hij terug in Rome. Maar nog in
datzelfde jaar verruilde hij deze stad voor Berlijn,
waar hij een portret maakte van Frederik de Gro

te, en vervolgens voor Nederland, waar hij een
contract tekende voor het monument van Joan
Derk van der Capellen. Drie jaar later was hij weer
in Rome. Hij kreeg opdracht een portret van paus
Pius VI te maken.
De jaren negentig van de achttiende eeuw
waren de meest turbulente jaren in zijn leven. Hij
werd politiek actief en nam deel aan de opstan

den in Frankrijk. Na in 1790 even in Nederland
geweest te zijn voor overleg over het monument
voor Van der Capellen, vertrok hij naar de Ver

enigde Staten. Ceracchi had een introductiebrief
voor Thomas Jefferson gekregen van de ban

kiers N. en J. van Staphorst in Amsterdam. Hij
ging daar niet alleen heen omdat hij de nieuwe
Republiek een goed hart toe droeg, maar ook
omdat hij wist dat het Congres een monument
voor George Washington wilde oprichten. De
opdracht ging niet naar hem. In juli 1792 was hij
weer in Amsterdam. Een jaar later was hij terug in
Rome. Wegens een aanval op zijn atelier, een ont

moetingsplaats van kunstenaars en intellectuelen,
moest hij vluchten. Eerst naar München, toen
naar Florence, vanwaar hij uiteindelijk in 1794
naar de Verenigde Staten vluchtte. Hij werd daar
niet meer zo plezierig ontvangen als voorheen
en keerde daarom een jaar later weer terug naar
Europa.
In Parijs raakte hij bevriend met de schilder
David. Daar maakte hij ook een portret van de
jonge generaal Napoleon Bonaparte. Aanvanke

lijk kon Ceracchi het goed met Napoleon vinden.
In 1796 trok Napoleon triomferend Milaan bin

nen en wilde Ceracchi bij zich hebben. Hij gaf
hem opdracht een portret in marmer te maken,
wat echter nooit is voltooid. Ook in Parijs werd
hem weer een officiële functie aangeboden, net als
eerder in Wenen, namelijk ‘Eerste beeldhouwer
van de regering’. Maar ook deze keer weigerde hij.
Napoleon voerde een machtsgreep uit op
9 november 1799 en trok langzamerhand alle
macht naar zich toe. Toen Ceracchi zich reali

seerde dat Napoleon zo een autoritair regime
vestigde, keerde hij zich tegen hem. Met enkele
Plaquette van dr.
Joseph Priestley, door
Josiah Wedgwood
en Thomas Bentley
naar een model van
Guiseppe Ceracchi,
1779. Priestley was een
verlichte Brits/Ameri

kaanse wetenschapper.
(© Trustees of the Bri

tish Museum, Londen)
Buste van George
Washington, Guiseppe
Ceracchi, 1795, mar

mer. (Collectie Metro

politan Museum of Art,
New York)
138 zwols historisch tijdschrift
ZHT3 2013.indd 18 15-10-13 09:08
Ceracchi was hiervan op de hoogte, want hij
bezocht Amsterdam eind 1788, dus na de Pruisische invasie van het jaar daarvoor. Hij presenteerde drie ontwerpen voor het monument aan het
comité. De keuze van de aanwezigen viel op het
tweede ontwerp met vier beelden. Dat was niet
het goedkoopste, dat uit drie beelden bestond,
maar wel veel goedkoper dan het ontwerp nummer drie met zeven beelden. Dit kostte ƒ 90.000,-.
Ceracchi zelf ging ervan uit dat hij dit laatste ontwerp als opdracht voor het monument zou krijgen. Een collega beeldhouwer in Rome, Vincenzo
andere kunstenaars voerde hij op 10 oktober 1800
een aanslag uit op Napoleon toen deze de Opera
verliet. Hij werd gevangen genomen en ter dood
veroordeeld. Op 30 januari 1801 verloor hij zijn
leven onder de guillotine.
Ceracchi was dus vooral in zijn latere leven
een politiek geëngageerde kunstenaar. Zijn werken behoren tot de stijl van het neoclassicisme.
In het begin van zijn artistieke loopbaan maakte
hij beelden geïnspireerd op de klassieken, elegant
gemanipuleerd. Daar vroegen zijn klanten om.
Later gebruikte hij in zijn ontwerpen allegorieën
en symbolisme in de monumentale sculpturen
met een sterke politieke en educatieve lading.
Het monument
Ceracchi heeft drie ontwerpen gemaakt voor het
monument van Joan Derk van der Capellen. Het
gekozen ontwerp bestond uit drie figuren en een
leeuw. De staande man gekleed in een Romeinse
toga met in zijn linkerhand een zwaard is de classicistische uitbeelding van Joan Derk van der Capellen. De twee andere figuren zijn zittende vrouwen.
De ene vrouw draagt een helm en houdt met haar
linkerhand een schild vast, de andere wijst met
haar rechterhand omhoog naar Van der Capellen.
De eerste stelt de godin Minerva als de Vrijheid
voor, de tweede is de verpersoonlijking van de
provincie Overijssel of de Dankbaarheid. De leeuw
houdt zeven pijlen vast, wat staat voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het was
Ceracchi’s eerste opdracht voor een monument na
de vele portretten die hij had gemaakt.
In het contract, opgesteld op 17 en 19 maart
1785 in Amsterdam, werd het bedrag van
ƒ 45.000,- genoemd voor het monument, vervaardigd van marmer. Aan Ceracchi werd, in fases,
een bedrag van ƒ 30.000,- gegeven om marmer
te kopen. Als de beelden klaar waren zou hij
ƒ 7.500,- ontvangen, en bij transport van de werken nogmaals ƒ 7.500,-.
De beelden waren in 1789 klaar, maar ze
konden niet naar de Republiek getransporteerd
worden omdat de politieke situatie veranderd
was. Stadhouder Willem V had de touwtjes weer
stevig in handen en de patriotten konden alleen
nog ondergronds zaken regelen.
Ontwerp nummer
twee voor het monument voor Joan Derk
van der Capellen,
Guiseppe Ceracchi,
1785. (Nationaal
Archief, Den Haag)
zwols historisch tijdschrift 139
ZHT3 2013.indd 19 15-10-13 09:08
Pacetti, schreef in augustus 1787 in zijn dagboek
dat Ceracchi een grote opdracht voor Holland
had, bestaande uit zeven figuren waarvoor 90.000
gulden werd betaald. Toen had het Amsterdamse
Comité er echter nog niets over beslist!
Op 20 december is met de toen nog aanwezige
leden van het Amsterdamse Comité, een aantal
was naar het zuiden gevlucht, een tweede, aanvullend contract afgesloten. Gezien de politieke
situatie werd hierin de naam van Joan Derk van
der Capellen niet meer genoemd. Ook de locatie
waar het monument zou komen werd niet vermeld. In dit tweede contract wordt ook ingegaan
op de financiële kant. Ceracchi verklaarde in dit
contract dat hij al ƒ 30.000,- had ontvangen. Bij
ondertekening zou hij ƒ 7.500,- krijgen. Het restant van ƒ 7.500,- zou hij ontvangen wanneer de
beelden voltooid waren. Gezien de moeilijke politieke situatie waarin de patriotten zich bevonden,
was nog een bonus in het contract opgenomen: er
zou nog eens ƒ 7.000,- worden uitbetaald wanneer
het monument op de plaats van bestemming werd
geplaatst. Wanneer het elders zou kunnen worden geplaatst zou hij de helft van de bonus krijgen, maar wanneer de beelden in Rome moesten
blijven, had hij geen recht op een bonus.
De laatste ƒ 7.500,– zijn waarschijnlijk
nooit betaald. En de bonus ook niet, omdat de
beelden nooit in Nederland zijn aangekomen.
In protestbrieven beschuldigde Ceracchi zijn
opdrachtgevers van een wanprestatie en dat zij
ƒ 45.000,- niet hadden betaald. Mogelijk ging hij
uit van het bedrag voor het derde ontwerp, waarvan de uitvoering ƒ 45.000,- duurder was dan de
beelden van ontwerp nummer twee. Zou hij dan
de ƒ 7.500,- toch ontvangen hebben?
Ook na de stichting van de Bataafse Republiek
in 1795 hebben vrienden en bewonderaars geen
pogingen gedaan de beelden naar Nederland te
krijgen. Ceracchi zat toen in Amerika en later in
Frankrijk en Italië waar hij zich naast zijn beeldhouwwerk met politiek bezighield. Zoals boven
vermeld kostte dit hem in 1801 zijn leven.
De beelden bleven in Rome
Tot enkele jaren geleden stonden de vier beelden
verspreid in de tuinen van de Villa Borghese in
Rome. Hoe kwamen ze daar terecht?
Het was duidelijk dat de beelden na de inval
van de Pruisische troepen niet afgeleverd konden
worden. En na de dood van de beeldhouwer bleven ze in zijn werkplaats staan. In een beschrijving uit 1830 blijkt dat de beelden er nog steeds
stonden, samen met delen van het onderstel
bestaande uit drie stukken wit marmer die als
voetstuk voor het belangrijkste onderdeel van het
monument, het standbeeld dat Joan Derk van der
Capellen moet voorstellen. Verder waren er nog
ongeveer dertig platen van verschillende soorten
en kleuren marmer. Ceracchi moet van zijn oorspronkelijk ontwerp zijn afgeweken en een meer
lineair voetstuk hebben bedacht, opgebouwd uit
verschillende kleuren marmeren platen.
De werkplaats bevond zich niet ver van het
Piazza del Popolo, in de Via della Penna, in een
pand dat eigendom was van de familie Borghese.
In 1827 begonnen onderhandelingen tussen een
vertegenwoordiger van prins Camillo Borghese
Van der Capellen als
Romein, onderdeel van
het monument; beeld in
de tuin van het Museo
Canonica in Rome.
(Uit: A marble revolutionary)
140 zwols historisch tijdschrift
ZHT3 2013.indd 20 15-10-13 09:08
en Ceracchi’s zonen over de beelden als compensatie voor de vele jaren waarin geen huur was
betaald. Maar er werd geen overeenkomst bereikt
over het bedrag dat prins Borghese wilde betalen
voor de beelden. De broers Ceracchi vonden het
bedrag veel te laag. Na de dood van prins Camillo
probeerden de Cerracchis met zijn broer prins
Francesco de onderhandelingen weer op gang
te krijgen. In 1838 leek de overdracht plaats te
gaan vinden, maar ook nu ging het niet door
omdat de beelden niet als monument zouden
worden geplaatst, maar afzonderlijk in de tuin.
Door een architect van de familie Borghese werd
voorgesteld de zaak dan maar zo snel mogelijk
op een andere manier te regelen door de beelden
te verkopen en ze tot dit plaatsvond maar in het
atelier te laten staan. Ondanks de publiciteit die
hier in een Romeinse krant in het jaar daarop aan
gegeven werd, bleef de groep beelden onverkocht.
Geen enkele maal is in de papieren de naam van
Joan Derk van der Capellen genoemd.
De erfgenamen van de beeldhouwer hadden
geen andere keus dan de beelden van het monument toch aan de familie Borghese te verkopen.
Dat gebeurde, maar helaas is niet bekend onder
welke voorwaarden. Op 10 maart 1845 werden
drie standbeelden, een leeuw en diverse marmeren platen afgeleverd aan de Villa Pinciana. Daar
is nu de Galleria Borghese gevestigd.
Het gehele complex van de familie Borghese
werd in 1901 door de Staat aangekocht en in 1903
overgedragen aan de stad Rome. Sindsdien zijn de
tuinen voor het publiek toegankelijk.
Voor de beelden van het monument van Joan
Derk van der Capellen was dat niet altijd gunstig:
op het marmer werd geschreven, kinderen gingen
op de rug van de leeuw zitten, vingers van de beelden werden afgebroken, en dergelijke.
De stad Rome heeft hiertegen actie ondernomen en de beelden in 1993 uit de tuin van de Villa
Borghese gehaald en in een afgesloten tuin, een
soort depot, achter het Museo Canonica geplaatst.
Ze zijn schoongemaakt en gerestaureerd. Toch
ontbreken er onderdelen wanneer je de huidige
beelden vergelijkt met het ontwerp. Zo heeft
Van der Capellen alleen nog het handvat van het
zwaard in zijn hand.
De marmeren vrouwen hebben een enigszins
andere houding dan op de ontwerptekening:
Vrouwe Overijssel kijkt niet omhoog naar Van
der Capellen en Minerva kijkt hem wel aan, maar
heeft haar rechter hand omlaag. Op het ontwerp
heeft zij haar arm gebogen omhoog en houdt
hierin een lange speer vast met een vrijheidshoed
daar bovenop. Op de tekening die de erfgenamen
van Ceracchi van het monument maakten om de
beelden te verkopen heeft zij haar hand, net als
het beeld dat in de tuin van het Museo Canonica
staat, omlaag.
Reconstructie van het
monument door de
zonen van Ceracchi in
verband met verkoop,
gravure 1839. (Museo
Napoleonico, Rome)
zwols historisch tijdschrift 141
ZHT3 2013.indd 21 15-10-13 09:08
142 zwols historisch tijdschrift
Plaatsing in de Grote Kerk in Zwolle
De opdracht aan beeldhouwer Ceracchi was om
een monument te maken dat in de Grote Kerk in
Zwolle geplaatst moest worden. Door de veranderde politieke situatie was het niet mogelijk de
beelden in Zwolle af te leveren. Ondanks het feit
dat ze betaald waren, is er nadien geen poging
meer gedaan ze naar Nederland te krijgen.
Ook rond 1984 toen in Overijssel de tweehonderdste sterfdag van Joan Derk van der Capellen
werd herdacht met tentoonstellingen en lezingen,
bleek het Rijk, degene die de eerste contacten met
Rome zou moeten leggen, geen belangstelling te
hebben om zich hiervoor in te spannen. Al vier
jaar daarvoor werden door vier Kamerleden van
het CDA vragen gesteld over de beelden en de
regering verzocht pogingen te doen om de beelden alsnog naar Nederland te laten komen. De
regering voelde hier toen weinig voor.
Een paar jaar geleden is dat veranderd. Dagblad de Stentor publiceerde verschillende artikelen over de beeldengroep. Als vervolg daarop
werden in mei 2009 opnieuw Kamervragen
gesteld, nu door de voormalige leden van de
Zwolse gemeenteraad Eddy van Heijum en Arie
Slob. Minister Plasterk wilde pogingen om de
beelden naar Nederland te halen ondersteunen.
Ook de provincie Overijssel en de gemeente
Zwolle waren bereid contacten te leggen met
huidige eigenaren, de stad Rome, om de beelden
in bruikleen te krijgen en in de Grote Kerk in
Zwolle te plaatsen, de plaats waar het monument
volgens de opdrachtgevers voor bedoeld was. Het
maken van afspraken over het bruikleen van de
beelden met de stad Rome bleek geen eenvoudige
zaak. Maar na een paar jaar lijken de afspraken nu
voor beide partijen, de stad Rome en de gemeente
Zwolle, vast te liggen. De beelden zullen, als alles
volgens plan gaat, in het voorjaar van 2014 naar
Nederland komen.
Literatuur
De wekker van de Nederlandse Natie, Joan Derk van der
Capellen 1741-1784, Waanders, 1984
A marble revolutionary, The Dutch Patriot Joan Derk
van der Capellen and his Monument, Royal Netherlands Institute Rome, 2011
Vrouwe Overijssel, in
de tuin van het Museo
Canonica in Rome.
(Uit: A marble revolutionary)
ZHT3 2013.indd 22 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 143
De Republiek belaagd en Zwolle bezet door
Bommen Berend:
Gesprek met historicus Luc Panhuysen over
het Rampjaar 1672
Begin jaren negentig zat ik als jong broekie in
twee Atheneum, op het Meander College te
Zwolle. Ik was een echte leerbal, al ontkende
ik dat altijd heftig. Geschiedenis was toen al een van
de vakken waar ik me het meest voor interesseerde.
Later zou het mijn studie worden. Onze docent
Geschiedenis op het Atheneum, de heer Bakker, gaf
ons de opdracht een werkstuk te maken. Ik koos voor
het Rampjaar 1672, want ik vond het intrigerend
dat Nederland destijds van alle kanten werd aangevallen en toch op wonderbaarlijke wijze overeind
bleef. Als kind had ik in het Groningse Vlagtwedde
gewoond. Het werkstuk behandelde daarom ook de
lotgevallen van het nabijgelegen fort Bourtange, als
een persoonlijke noot. Bourtange was de vesting die
net als de grote stad Groningen stand hield tegen
Bommen Berend, een van de agressoren tijdens het
Rampjaar. Ik was een aantal keer in Bourtange
geweest en dat had grote indruk gemaakt; de verdedigingswallen, de grachten, de kanonnen, de oude
bebouwing, enzovoort.
1
Luc Panhuysen
Nu, zo’n twintig jaar later, schrijf ik weer over dat
bijzondere jaar 1672, waarin ‘het volk redeloos, de
regering radeloos en het land reddeloos’ was. Dit
keer heb ik gekozen voor het Zwols perspectief
en een interview met de Zwolse historicus Luc
Panhuysen (1962), schrijver van het boek Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang
ontsnapte. In dit boek beschrijft Panhuysen aan
de hand van de correspondentie van het vooraanstaande gezin Van Reede – een vader, een moeder
en hun zoon – deze dramatische periode in het
bestaan van de Republiek.
Het gesprek vindt plaats in Panhuysens fraaie
huis. We zitten in zijn werkkamer, tussen de
boekenkasten, vol prachtige geschiedenisboeken
en andere bronnen. Wat begint als een interview
over zijn boek, wordt al gauw een geanimeerd Wouter Geerling
gesprek met een gepassioneerd historicus. Panhuysen haalt zo nu en dan enthousiast een boek
uit de kast of wijst op een landkaart om zijn verhaal over het Rampjaar te illustreren.
Waarom schreef Panhuysen een boek over dat
Rampjaar? ‘Ik schrijf graag over mensen van het
verleden. Geschiedenis is niet een ontwikkeling
van instituties, ook niet van gebouwen, maar van
mensen! Mensen worden interessant als ze in uitzonderlijke situaties terecht komen.
Rampjaar 1672. Hoe de Republiek
aan de ondergang ontsnapte
Hoe kwam het dat de Republiek het Rampjaar overleefde? De briefwisseling van de adellijke familie Van Reede brengt het Rampjaar tot leven.
Godard Adriaan, baron van Reede (1621-1691) en vader van het gezin,
werkt als ambassadeur in Berlijn aan de belangrijkste opdracht van zijn
leven: het redden van zijn vaderland.
Zijn vrouw, Margaretha Turnor
(1613-1700), bevindt zich in de
stroom vluchtelingen op zoek naar
veiligheid in het gewest Holland. En
Godard, heer van Ginkel (1644-1703),
de zoon, vecht als officier mee in het
leger van stadhouder Willem III.
Auteur Luc Panhuysen baseerde zijn
boek voornamelijk op de brieven die
de drie gezinsleden elkaar schreven en
bestudeerde daarnaast de kranten uit
die tijd. [De VPRO maakte in 2009 de
OVT-radiodocumentaire Rampjaar
1672, gebaseerd op het boek. Deze
documentaire is te beluisteren op
http://www.geschiedenis24.nl.]
Luc Panhuysen
ZHT3 2013.indd 23 15-10-13 09:08
144 zwols historisch tijdschrift
Oorlog is zo’n uitzonderlijke situatie.’ Bovendien had de historicus prachtige bronnen tot zijn
beschikking; de briefwisseling binnen een vooraanstaande familie. ‘De bronnen die ik had, waren
fantastisch. De ervaringskant komt sterk naar
voren, dat is leuk voor de lezer. Het gaat in mijn
boek om overleven, het is de overlevingsstrijd van
het gezin Van Reede. Die gebruik ik als spiegel
voor het grotere geheel.’
Wat gebeurde er ook alweer in dat beruchte
jaar 1672? En hoe onderging Zwolle deze beproevingen?
Nederland van alle kanten belaagd
Het was de zeventiende eeuw, een tijd van constante oorlogsvoering in Europa. En nu moest
ook de Republiek er aan geloven. In 1672 begon
de Hollandse Oorlog. De Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden werd aangevallen
door Frankrijk, Engeland en de Duitse bisdommen Münster en Keulen, met de Franse koning
als grootste antagonist. Het was een aanval op
ongekende schaal: de Zonnekoning, Lodewijk
XIV, liet niets aan het toeval over. Hij wilde wraak
nemen op de ketterse Republiek, nadat raadpensionaris Johan de Witt hem tijdens de Devolutieoorlog (1667-1668) had verhinderd de Spaanse
Nederlanden in te lijven. De koning had daarom
middels sluwe diplomatie en aanzienlijke geldbedragen zowel Karel II van Engeland als de twee
Duitse bisschoppen Christoph Berend van Galen
en Maximiliaan Hendrik van Beieren aan zijn
zijde gekregen. Daarnaast sloot hij met de Duitse
keizer Leopold I in 1671 een geheim neutraliteitsverdrag, waarin de keizer beloofde bij een Franse
invasie van de Republiek afzijdig te zullen blijven.
Nadat hij alles tot in de puntjes had voorbereid,
viel Lodewijk in 1672 vanuit het zuiden aan met
een ongekend groot leger van 120.000 soldaten.
De Engelse vloot bestookte de Republiek in het
westen en het noorden en de twee Duitse bisschoppen vielen aan vanuit het oosten. De Republiek was totaal omsingeld en het land leek ten
dode opgeschreven.
Blitzkrieg
Het Franse leger had niet de geijkte korte route
door de Spaanse Nederlanden (België) kunnen nemen, omdat Lodewijk de machtige Duitse keizer (familie van het Spaanse koningshuis)
niet in de oorlog wilde betrekken. Frankrijk had
daarom de Duitse bisdommen tot bondgenoot
gemaakt, zodat de Zonnekoning via hun grondgebied de Republiek kon binnenvallen. Het enorme
Franse leger was pijlsnel opgetrokken, als een
Blitzkrieg avant la lettre. ‘Lodewijk had een walk
over gepland,’ vertelt Panhuysen. ‘Het begin van
die veldtocht is uniek, vanwege de hoge snelheid
door gebruik van het zogenaamde “magazijnstelsel”.’ Langs de route van de optrekkende troepen
Overzicht van de aanvallen op de Republiek
in 1672. Niet ingetekend is de EngelsFranse vloot die vanaf
de Noordzee kwam.
(Uit: De Bosatlas van
de geschiedenis van
Nederland)
ZHT3 2013.indd 24 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 145
waren opslagplaatsen aangelegd met voorraden
voedsel, wapens en uitrusting. ‘De Fransen
konden daardoor veel sneller optrekken dan de
Nederlanders dachten.’
Nadat de troepen van Lodewijk XIV de Republiek waren binnengevallen, staken zij in juli 1672
onverwachts de Rijn over, bij Lobith. Door de IJssellinie op die manier te omzeilen was Frankrijk in
staat op snelle wijze veel grondgebied te bezetten.
Ook de twee bisschoppen lieten zich niet onbetuigd en veroverden grote delen van het noorden
en oosten van het land. Ondertussen bedreigde de
Engelse vloot de Nederlandse kusten.
Wat vo

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2014, Aflevering 3

Door | 2014, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

31e jaargang 2014 nummer 3 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
De Zwolse Begrafenis Vereniging
en de Zwolse Rijtuig Maatschappij
ZHT3 2014 EPOS.indd 1 29-09-14 12:12
Suikerhistorie
Café-Restaurant Beenen
In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw
streek je na een bezoek aan de binnenstad neer
bij Dijkstra of Beenen aan de Grote Markt voor
een kop koffie of een drankje, lekker op het terras
in het zonnetje, kijkend naar de drukte of – als
het weer het niet toeliet – binnen zittend in de
behaaglijke warmte. In de jaren zeventig werd het
terras bij Beenen verwarmd. Er lag zelfs vloerbedekking om een gezellige en huiselijke sfeer te
scheppen. En meestal trof je daar wel bekenden.
Bijna zestig jaar lang zat Beenen aan de Grote
Markt. Pieter Beenen, geboren in Vledder in 1881,
nam in 1921 de Zwolsche Melkinrichting annex
lunchroom van W. van den Oort over, die op
nr. 12 gevestigd was. Vrij snel kwam het naastgelegen perceel er ook bij en kreeg Grote Markt 12-13
de naam Café-Restaurant Beenen. Na zijn overlijden in 1930 zette zijn weduwe Aaltje Bijmolt de
zaak voort. Hun dochter Aaltje Beenen, getrouwd
met Johannes Wind, kreeg de zaak in 1955 op haar
naam. Aan het eind van de jaren zeventig zette zij
er een punt achter. Café-Restaurant Beenen was
niet meer.
Op 2 januari 1980 opende de fastfood-keten
McDonald’s een vestiging in het pand. Net als
bij Beenen zijn ze er erg vriendelijk. ‘Ze zeggen
meneer tegen me’, is zo’n commercial die je nooit
meer vergeet. Ook al heeft het interieur sinds
Beenen een metamorfose ondergaan, nog steeds
is het een ideaal punt om even iets te eten of te
drinken. Anno 2014 is McDonald’s niet meer weg
te denken uit het hartje van de stad.
82 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Grote Markt 12-13, anno 2014. (Foto Elske Bootsma)
(Collectie ZHT)
ZHT3 2014 EPOS.indd 2 29-09-14 12:12
Omslag: De eerste uitvaart met eigen materieel van de Zwolse Uitvaart
Vereniging, op 28 september 1899. (Collectie HCO)
zwols historisch tijdschrift 83
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 82
De één z’n dood is de ander z’n brood
De Zwolse Begrafenis Vereniging en
de Zwolse Rijtuig Maatschappij als
tweespan Siem van der Weerd 84
Zwolle tijdens de Eerste Wereldoorlog
Een zenuwachtige onrust, juli 1914 –
oktober 1914 Jan van de Wetering 104
Graven met cultuurhistorische waarde
Steven ten Veen 112
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 4: Zwolsche Courant spon garen
bij de toename van handel en verkeer
Willem van der Veen 130
Boeken 136
Auteurs 137
Redactioneel
De dood, zo heet het al jaren, is in de loop
van de vorige eeuw steeds meer uit het
openbare leven gebannen. Zeker was de
dood in vroegere tijden meer aanwezig. De kindersterfte lag hoog en wie ziek werd had een goede
kans te overlijden. In die zin hoorde de dood destijds meer bij het leven van alledag. Maar gewoon
was het nooit en rond sterven en begraven golden
zeker regels en taboes.
Wat dat aangaat valt er voor historici nog veel
te onderzoeken, want geschiedenis is weliswaar de
wetenschap van het leven in vroegere tijden, maar
het sterven hoort daar natuurlijk net zo goed bij.
In dat kader besteden we in deze aflevering van
het Zwols Historisch Tijdschrift veel aandacht aan
begraven in Zwolle. Siem van der Weerd geeft in
zijn artikel over de Zwolse Begrafenis Vereniging
en de Zwolse Rijtuig Maatschappij een boeiend
beeld van het reilen en zeilen van deze onderneming. Steven ten Veen geeft een overzicht van de
in Zwolle aanwezige graven met cultuurhistorische waarde. Het is tegelijkertijd een soort ‘who is
who’ voor wie de graven ooit zelf wil opzoeken.
In dit nummer wordt verder ook stilgestaan
bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, nu
honderd jaar geleden. Nederland was dan wel
neutraal, maar dat betekende niet dat de gebeurtenissen geen invloed op het dagelijks leven uitoefenden. Tot slot is er nog een nieuwe aflevering
in de serie over de geschiedenis van firma Tijl, een
onderneming die zo lang en sterk met de geschiedenis van Zwolle verbonden is geweest. Veel leesplezier!
ZHT3 2014 EPOS.indd 3 29-09-14 12:12
84 zwols historisch tijdschrift
Het vervoer en transport voor, tijdens en
na een begrafenis, is voor een uitvaartleider een bedrijfsonderdeel dat specifieke
vaardigheden vereist. In het verleden, toen het
transport door middel van rijtuigen plaats vond,
was goede kennis van de stalhouderij daarbij van
groot belang.
Van alle particuliere stalhouderijen in Zwolle
zijn, zo moeten we aannemen, de bedrijfsgegevens
verloren gegaan. Onze nog aanwezige kennis van
deze groep ondernemers komt uit krantenberichten, verhalen van ouderen en van foto’s. Van de
Zwolsche Rijtuig Maatschappy (verder: Zwolse
Rijtuig Maatschappij), een in 1913 opgerichte
naamloze vennootschap, zijn gelukkig veel historische gegevens wel bewaard gebleven. Dit komt
mede omdat bij de bestuurders van een NV de
verplichting berust om voor de aandeelhouders
nauwkeurig aantekeningen te maken van gehouden besprekingen en gedane zaken, evenals het
maken van een jaarverslag en het opstellen van
verlies- en winstrekeningen.
De één z’n dood is de ander z’n brood
De Zwolse Begrafenis Vereniging en
de Zwolse Rijtuig Maatschappij als tweespan
Siem van der Weerd
Het gebruik van koetsen bij een uitvaart was van oudsher voorbehouden aan de beter gesitueerden. De verschillende wijzen van begraven in Nederland door welgestelden, burgers, boeren en armen, uitgebeeld door S. Fokke. Gravure, 1758. (Atlas van Stolk, Rotterdam)
ZHT3 2014 EPOS.indd 4 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 85
Omdat de Rijtuigmaatschappij een exclusieve
band onderhield met de Zwolsche Begrafenis Vereeniging (verder: Zwolse Begrafenis Vereniging),
en er ook van deze NV nog veel bekend is, kan
toch een betrouwbaar beeld worden geschetst van
de stalhouderij en het uitvoeren van begrafenissen
in Zwolle tussen 1900 en 1950.* Door het accent
te leggen op de stalhouderij en de uitvoering van
begrafenissen is geprobeerd een kader te vinden
voor dit artikel. Het archief van de beide NV’s
bevat ook boeiend materiaal voor andere onderwerpen, zoals de kringen waaruit de aandeelhouders voortkwamen en hun contacten in het
Zwolse. Ook berust in het archief het notulenboek
van de Rooms Katholieke Begrafenisvereeniging
uit de jaren 1936 tot 1952. Waarschijnlijk zijn
vanwege fraude bij deze vereniging en het spoorloos verdwijnen van de chef in 1936, belangrijke
oudere stukken verloren gegaan. Interessant en
een nader onderzoek waard, zijn ook de zich
steeds weer aandienende concurrenten in het uitvaartbedrijf.
Eerste klas in het zwart
Om een eerste klas begrafenis in stijl te laten uitvoeren, was ruim honderd jaar geleden in Zwolle
nauwelijks mogelijk. Want voor de uitvoering van
zo’n uitvaart waren nogal wat benodigdheden
vereist. Allereerst behoorden alle koetsen zwart te
zijn, evenals de paarden. In het rijtuig bestond de
stoffering uit zwart gecapitonneerd laken. Over
de bok hing een zwart dekkleed. Luxe verzilverde
lampen werden aangebracht, al dan niet met de
monogrammen van de begrafenisvereniging in
het glas. De lijkwagen werd voorzien van vier lampen en royaal behangen met gedrapeerde kleden.
Over de paarden hingen zwarte kleden terwijl de
hoofden en de oren ook werden afgekleed, zodat
niets van het onderliggende tuig te zien was. De
koetsier van de lijkwagen droeg een ruime zwarte
mantel en een steek, soms zelfs een dwarssteek.
Zwarte pluimen waaierden boven de hoofden van
de paarden. Het geheel werd voorafgegaan door
meerdere bedienaars en geflankeerd door tien tot
veertien dragers. Ver voor de rijtuigen uit maakte
de ‘voorbeller’ bekend dat vrij baan gemaakt diende te worden voor de in aantocht zijnde stoet.
Alle begin is moeilijk
Vóór de oprichting van de Zwolse Begrafenis Vereniging moesten voor een voorname begrafenis
de benodigde attributen voor het rijdend materieel her en der bij elkaar worden gezocht, wat uiteindelijk toch nog geen uniform geheel bood. Een
aantal Zwollenaren uit de gegoede burgerij nam
dan ook in 1899 het initiatief tot de oprichting van
een uitvaartbedrijf. De eerste vormgevers en commissarissen van de Zwolse Begrafenis Vereniging
waren: de advocaat mr. B.P.G. van Diggelen, de
notaris G.P. Vroom, de directeur van het postkantoor J.H.A.K. Gualthérie van Weezel, de bankier
J. Kalff en de advocaat en tevens het Statenlid mr.
J. van Setten. Kortom, heren van stand.
Het staat vast dat over de aanpak goed was
nagedacht. Een soort ondernemersplan is zeker
aanwezig geweest, want ontwerpcontracten en
een financieringsplan lagen reeds gereed. Als
rechtspersoon kozen de oprichters voor een
naamloze vennootschap. Het bijeenbrengen van
het eerste bedrijfskapitaal bleek geen probleem,
vele klinkende namen zorgden er voor dat de
intekening op de honderd uitgegeven aandelen
vlot verliep. Het startkapitaal bedroeg tienduizend gulden.
Uit het verslag van de eerste vergadering van
commissarissen op 19 mei 1899 bleek dat de heer
G. Bolkestein al was benoemd tot directeur, maar
het werd met hem geen succes. Voorzitter Van
Diggelen deelde in deze vergadering mee dat ‘de
directeur de heer G. Bolkestein voor eenige dagen,
geheel buiten zijne voorkennis, in de Zwolsche
Courant eene advertentie heeft geplaatst, houdende oproeping van aansprekers en dragers bij
de Nieuwe Zwolsche Begrafenisvereeniging. Hem
is bij onderzoek gebleken dat de heer Bolkestein
eene concurrerende vereeniging heeft opgericht,
welke hij reeds geruime tijd heeft voorbereid
terwijl hij aan onze vereeniging als directeur was
verbonden en met hun voorzitter als zodanig confereerde.’
Een paar dagen later bedankte Bolkestein voor
zijn functie als directeur en plaatste Van Diggelen
een advertentie met de mededeling dat de oproep
van Bolkestein niet was gedaan namens de Zwolse
Begrafenis Vereniging.
ZHT3 2014 EPOS.indd 5 29-09-14 12:12
86 zwols historisch tijdschrift
G. Ridder Jzn., 1899-1911
Twee maanden later plaatste de begrafenisvereniging een oproep voor een nieuwe directeur.
Niet minder dan zeventien personen meldden
zich aan. ‘De verschillende deugden en ondeugden dier sollicitanten worden besproken; waarna
besloten wordt nadere informatiën in te winnen
aangaande de Heeren Burbach, Hardon, Kaspori
en Kok.’
De oud-directeur Bolkestein had gehoord dat
ook G. Ridder Jzn., een toekomstige compagnon
van een ander nieuw op te richten uitvaartbedrijf,
zich op de valreep had gemeld. Bolkestein stuurde
toen alsnog een brief met het verzoek om opnieuw
als directeur te worden benoemd.
De commissarissen benoemden echter niemand uit de vier geselecteerde kandidaten en ook
Bolkestein niet. Ridder werd de nieuwe directeur.
Aan de concurrentie was daarmee een gevoelige
slag toegebracht.
Bolkestein besefte dat hij schaakmat stond,
maar probeerde er toch nog iets uit te halen. Hij
deelde mee ‘onmachtig te zijn de anderhalve aandelen waarvoor hij getekend heeft te betalen’ en
vroeg ‘eenige vergoeding voor de moeite die hij
ten behoeve der Vereeniging’ had gedaan, tevergeefs natuurlijk.
De opbouw van de organisatie en de uitrusting
Op 1 augustus 1899 trad de heer Ridder in dienst
op een jaarsalaris van ƒ 300,- en een aandeel in de
winst. De commissarissen oordeelden dat men
direct goed voor de dag moest komen en er werd
besloten ‘dat Ridder op kosten der Vennootschap
naar Utrecht zal gaan om daar de werking van
de Begrafenis Vereeniging nauwkeurig te leeren
kennen.’ Ook in Arnhem en Amsterdam werd
ter oriëntatie ‘belet’ gevraagd voor de directeur.
Ondertussen werden er drie aansprekers en achttien dragers benoemd. Vooral de aansprekers Visscher, Meijer en Tadema moesten de komende tijd
het gezicht van de vereniging bepalen.
Het uniform kleden van dragers en aansprekers zou een kostbare aangelegenheid blijken.
Voor de levering van jassen werd uitsluitend ingeschreven door in Zwolle gevestigde zaken, namelijk Burbach, Heymans, Heckman en Sebus. De
kwaliteit van de door hen ingeleverde stalen werd
nog weer door een onafhankelijke deskundige
beoordeeld. Heymans uit de Diezerstraat mocht
uiteindelijk de jassen maken voor ƒ 24,50 per stuk.
Als bijkomend werk moest voor de koetsier op de
lijkwagen nog een mantel worden gemaakt. Voor
de levering van de hoeden kregen ook alleen in
Zwolle gevestigde bedrijven een kans. De inschrijving van Hendriksen uit de Diezerstraat won
het van Wilmink en Korpershoek. De firma H.
van Eelen, een modemagazijn in de Diezerstraat,
mocht 24 paar witte handschoenen leveren voor
ƒ 0,40 per paar.
Op nader advies van de directeur werden de
drie aansprekers getooid met een steek van ‘imitatie struisveeren’. Ook werd besloten ‘voor ieder
hunner distinctieven te koopen voor de verschillende klassen der begrafenissen’, dat waren er aanvankelijk acht.
Het maken van de kisten werd gegund aan
timmerman G. van Unen aan de Nieuwe Markt;
hij was niet alleen de laagste inschrijver maar ook
aandeelhouder. Bij O. de Leeuw, ook een aandeelhouder, werden de reclameplaten besteld die aan
de huizen van de aansprekers en de dragers werden bevestigd.
Veel tijd en aandacht werd geschonken aan
het kopen van de lijkkoets en de volgrijtuigen. Het
model dat men van rijtuigbouwer Beijnes in Haarlem had gezien viel in de smaak, maar Beijnes,
vooral een (tram)rijtuigbouwer van naam, kon
Bericht over de nieuwe
Zwolse Begrafenisvereniging in de Zwolse
Courant van 23 september 1899.
ZHT3 2014 EPOS.indd 6 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 87
De eerste uitvaart met
eigen materieel van de
vereniging, 28 september 1899. Het betrof
de begrafenis van L.J.
Harmsen, adjudant
bij het eerste regiment
Vesting Artillerie. De
stoet trekt hier door de
Diezerstraat.
ZHT3 2014 EPOS.indd 7 29-09-14 12:12
88 zwols historisch tijdschrift
het zich permitteren de opdracht voor slechts
één rijtuig te weigeren. De firma Buitenweg in De
Bilt bleek bereid een kopie te maken van het type
Beijnes als ook de opdracht voor twee volgwagens
verkregen werd. De drie rijtuigen werden tenslotte
gegund voor ƒ 5950,-.
Eén van de volgrijtuigen zou worden uitgerust
met een voorziening onder de bok waarin een
kinderlijkkistje geplaatst kon worden. Vervoer
van de familie en het lijkje konden dan met één
rijtuig plaatsvinden. Het leverde een besparing
van kosten op.
Na de bestelling van de wagens zocht men
naar een geschikte remise voor het materieel.
Meerdere panden passeerden de revue, zoals de
oude synagoge naast de Broerenkerk – de huidige
Librije – en een perceel aan de Ossenmarkt dat in
veiling kwam.
Maar vooreerst werd besloten de stal van
J. Hoven, eigenaar van het bekende hotel De
Keizerskroon, aan de Ossenmarkt te huren. De
koetsier van de vereniging, stalhouder E. Diepenheim, huurde de paardenstal en zou ook de rijtuigen schoonhouden en onderhouden. Het eerste
stalhouderscontract werd dus met Diepenheim
gesloten en dateert al van 25 september 1899.
Het document ging uitvoerig in op de kwaliteit
van de bespanningen en de koetsiers. Begraven
vanaf een sterfhuis in de stad naar de Algemene
Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg werd uitgevoerd voor het standaard tarief. De stalhouder
ontving ƒ 17,50 voor het bespannen en rijden van
de lijkkoets en twee volgrijtuigen bij een eerste
klas begrafenis in 1902. Naar begraafplaats Bergklooster rijden kostte 25 procent meer. Ook vanuit
Oldeneel of Frankhuis berekende men een meerprijs. Fooien mochten de koetsiers niet aannemen
en als ze hoeden huurden van de vereniging waren
ze ‘aanspraakelijk voor de waarde vermindering
door slechte bewaring of eigen schuld.’
Zodra de eerste drukte van de aankopen en het
vinden van contractanten achter de rug was,
ontstond er even tijd om aandacht aan enkele
klachten te besteden. Aan de gemeente werd een
lange brief gestuurd over de doodgraver op het
Nieuwe Kerkhof (de Algemene Begraafplaats) die
ruw optrad en slordig was gekleed. Ook moest
het metselwerk van de grafkelders beter worden
uitgevoerd. Commissaris Van Setten besprak ‘de
wenschelijkheid van op de begraafplaatsen lokalen te stichten waarin de aanspraken gehouden
worden, die thans aan de graven geschieden. Bij
ruw weer worden vele menschen daardoor ongesteld.’ Er moest dus een aula komen.
De gehuurde huisvesting voor de rijtuigen
aan de Ossenmarkt voldeed slecht; het was er te
vochtig. Het zoeken naar een andere locatie bleef
noodzakelijk. Over de aankoop van het bierhuis
van de firma Ten Bruggenkate en Van Reede in de
Goudsteeg dacht men acht dagen na. Stalhouder
Diepenheim moest naar het pand gaan en de situatie beoordelen, want de commissarissen betwijfelden of de Goudsteeg wel breed genoeg was om
in en uit te rijden. Wellicht heeft de stalhouder een
negatief advies uitgebracht, want het pand werd
niet gekocht.
In 1903 viel het aantal begrafenissen nogal
tegen, reden genoeg zo werd gevonden, dat ‘het
aanschaffen van Telephoon werd uitgesteld met
het oog op de minder gunstige toestand.’ Maar
twee jaar later werd ‘aansluiting aan de Telephoon
een gebiedende eisch’ genoemd, de aansluiting
zou geschieden met ‘intercommannaat’ (met
intercom).
Kosten van de eerste
begrafenis.
ZHT3 2014 EPOS.indd 8 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 89
In het voorjaar van 1907 deelde commissaris Kalff
mee dat hij een bod had uitgebracht aan ‘Jonkheer
Schelto van Citters, Lid van de Tweede Kamer
der Staten Generaal, gehuwd met Vrouwe Agatha
Johanna van Naamen van Eemnes.’ Het betrof de
opstallen van Nieuwe Markt 16, een stal, koetshuis
en tuin. De koop kwam tot stand voor ƒ 7500,-.
Directeur Ridder en voorzitter Van Diggelen
tekenden het koopcontract. Voortaan zou vanaf
de Nieuwe Markt leiding worden gegeven aan de
Zwolse Begrafenisvereniging en vanaf 1913 ook
aan de Zwolse Rijtuigmaatschappij.
Fragment uit een brief van de commissarissen aan B en W van 20 maart 1901 met klachten over de opzichter van een van de begraafplaatsen:
‘Bij het regelen van begrafenissen wordt gedurig de last ondervonden dat de opzichter niet bij de begraafplaats woont. Wanneer zooals dikwijls het geval is, vóór de begrafenis werkzaamheden aan het graf waarin
begraven zal worden, moeten geschieden, of de registers moeten worden geraadpleegd, komt het telkens
voor dat die bezigheden welke uit den aard der zaak binnen korten tijd moeten geschieden, eerst op het laatste oogenblik kunnen worden ten uitvoer gebracht doordat de opzichter, met wien toch over dit alles moet
gesproken worden, zoo dikwijls afwezig is.
Ook voor personen, welke op de begraafplaats naspeuringen wenschen te doen, is het een groot bezwaar dat
de opzichter niet in de nabijheid van de begraafplaats woont en de plattegrond van de begraafplaats benevens de registers niet op de begraafplaats aanwezig zijn.’
ZHT3 2014 EPOS.indd 9 29-09-14 12:12
90 zwols historisch tijdschrift
De aandeelhouders werden, als het maar
enigszins mogelijk was, betrokken bij zaken die
men moest inkopen of niet in eigen beheer kon
uitvoeren. Een wisseling van bankrelatie vond
zelfs plaats: ‘Besloten wordt voortaan als kassier
der Maatschappij te benoemen de firma Doyer
en Kalff en het saldo der rekening daarheen zoo
spoedig mogelijk over te brengen. Tot dit besluit
wordt overgegaan omdat geen der leden van de
firma A. van Deventer & Zonen van de diensten
onzer Maatschappij gebruik maken.’
Na enkele jaren van intensief gebruik werd
besloten een volgrijtuig te laten lakken bij de rijtuigfabrikant en aandeelhouder Boezeman aan de
Kerkstraat. Boezeman werd regelmatig om advies
gevraagd bij het aankopen van rijtuigen. Voor een
nieuw volgrijtuig mocht hij ook prijsopgave doen,
maar zoals later bleek was een ‘achterom’ aanbieding van de Zutphense firma Kuiler belangrijk
lager. Boezeman had het nakijken en Kuiler zou
voor 1600 gulden een nieuw rijtuig leveren. Goedkoop bleek echter duurkoop te zijn. Reeds na vier
jaar (in 1912) meldden de commissarissen: ‘Het
derde volgrijtuig indertijd geleverd door Köler
[Kuiler] te Zutphen, begint er bedenkelijk uit te
zien. Alleen het schilderwerk zal ƒ 85,- à ƒ 125,-
moeten kosten. Dit rijtuig, ofschoon veel goedkoper, hield zich lang niet zoo goed als enige andere
volgrijtuigen en het verdient overweging in ’t vervolg het beste op dit gebied aan te schaffen, wat op
den duur goedkooper uit komt.’ Nieuwe rijtuigen
werden echter niet meer besteld. Op veilingen zou
voortaan genoeg tweedehands te koop staan. Boezeman zal, zo mag worden aangenomen, voor zijn
aankoopadviezen provisie ontvangen hebben.
Dreigende staking
In januari 1910 zocht het bestuur van de Rooms
Katholieke Begrafenisvereniging contact met de
Zwolse Begrafenisvereniging. Van katholieke zijde
werd meegedeeld dat er problemen waren geweest
met de huurkoetsiers van de diverse stalhouders
en dat het vervoerscontract was beëindigd. Plotseling zat men zonder vervoer. Het contract van
de Zwolse Begrafenisvereniging, gesloten met
Diepenheim, liet het niet toe de katholieke vereniging hulp te bieden. Maar men voelde ook bij de
Zwolse nattigheid, hun contract liep aan het eind
van het jaar af en, zo dachten de commissarissen:
‘Het is blijkbaar de bedoeling onze Vereeniging
te doen verdwijnen terwijl de huurkoetsiers [de
particuliere stalhouders] dan zelf in verbinding
met de particuliere aansprekers de begrafenissen
wenschen te leiden.’
Diepenheim en de leden van de Bond van
Huurkoetsiers moesten ‘met bekwaame spoed’
bevestigen dat de tarieven aanvaardbaar bleven.
Als Diepenheim met een onbevredigend aanbod
zou komen, zou worden geprobeerd een rijtuigmaatschappij of een stalhouderij op te richten.
De prijsaanbieding die binnenkwam van
de Zwolse Stalhoudersbond vond men te hoog.
Besloten werd niet op de aanbieding in te gaan.
Terwijl de spanning bij de Zwolse Begrafenisvereniging opliep, had de katholieke vereniging
zijn zaken weer op orde. Men was, in geval van
nood, zelfs bereid de helpende hand te bieden
tegen tarieven die tot dan toe gebruikelijk waren.
De Zwolse vond het voorstel sympathiek, maar
hield het in beraad.
In september, nog enkele maanden voor
het oude contract met Diepenheim afliep, werd
duidelijk wie voortaan de rijtuigen zou berijden.
Inmiddels beschikte men over twee offertes; één
van de bond van huurkoetsiers en één van de
firma Hooglugt. De offerte van Hooglugt was het
laagst en verdiende ook de voorkeur omdat de
huurkoetsiersbond ook in een andere begrafenisvereniging deelnam. Door voor Hooglugt te
kiezen bleef de concurrentie buiten de deur, zo
werd gedacht. Volgens de directeur had Hooglugt
genoeg paarden ‘om onze vereeniging te kunnen
bedienen.’ Kort daarop overleed directeur Ridder, die ‘sedert de oprichting de betrekking boven
allen lof heeft bekleed.’
J. Oostindiën senior, 1911-1941
In de bestuursvergadering van 4 mei 1911, waarin
het overlijden van directeur Ridder werd herdacht, besloten de commissarissen terstond een
advertentie te plaatsen voor een opvolger. Vóór
20 mei moesten gegadigden zich melden. Aanspreker Meijer werd benoemd tot waarnemend
directeur en de boekhouding werd verzorgd door
ZHT3 2014 EPOS.indd 10 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 91
de heer Kok, die destijds ook op de vacature
Bolkestein had gesolliciteerd. Reeds op 3 juni
maakten de commissarissen een keus: ‘Van de
dertig sollicitanten van de opengevallen betrekking van Directeur der Vereeniging komt naar het
oordeel van de meerderheid der Commissarissen
het meest in aanmerking de Heer J. Oostindiën,
directeur der Zwolsche Tramweg Maatschappij,
omtrent wie de beste inlichtingen zijn verkregen.’
De heer J.C. Tjeenk Willink, ook commissaris
bij de Zwolse Tramweg Maatschappij, kende de
kwaliteiten van Oostindiën. De nieuwe directeur,
geboren in 1876 in Avereest, was voor menigeen
in Zwolle geen onbekende. Bovendien kwam ook
goed van pas dat hij op de hoogte was van dubbele
boekhouding. In de aandeelhoudersvergadering
kreeg Oostindiën op één na alle stemmen; Van
Setten gaf de voorkeur aan de heer D. Verkouw.
De benoeming geschiedde wel onder voorwaarden, want alle andere betrekkingen, behalve die
van de Tramweg Maatschappij, moesten worden
opgezegd. De directeur moest ook ‘een nieuwe
woning meer in het centrum van de stad betrekken.’ Voorgesteld werd de woning bij de stal te
verbouwen en te verhuren voor 200 gulden per
jaar. Aldus geschiedde. De verbouwing werd in
gedeelten uitgevoerd, pas na twee jaar oordeelden
de commissarissen dat ‘de keuken van de woning
van de Directeur kan worden geverfd en de serre
gesaust, terwijl aan de voordeur een electrische
bel zal worden gemaakt.’
Doortastend
Het jaar 1911 was niet alleen vanwege de directeurswisseling een enerverend jaar. Het aantal
begrafenissen viel behoorlijk tegen omdat de
vereniging een scherpe concurrent kreeg. De
stalhouders richtten namelijk zelf een begrafenis
onderneming op.
Maar Oostindiën bleek creatief en doortastend
te zijn; aanspreker Tadema moest verhuizen naar
Assendorp en daar voor meer bekendheid van de
onderneming zorgen. Ontslag dreigde als hij het
niet zou doen. Door verder een samenwerking
aan te gaan met de Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen, die tweeduizend leden had, hoopte
men op meer begrafenissen.
In 1913 vroeg de Zwolse Begrafenisvereniging
een deelofferte aan de Rijtuigmaatschappij voor
het leveren van de lijkkoets en twee volgrijtuigen
bij Israëlitische begrafenissen. Ook hier deed zich
een kans voor op uitbreiding van de werkzaamheden. Mondeling werd het bedrag van ƒ 12,50
doorgegeven. Het was een bijzonder scherpe prijs.
Omdat Israëlitische begrafenissen geen klassenstelsel kenden, berekende men de laagste klasse.
De heer Marcus van de Israëlitische Begrafenis
Vereniging wenste een schriftelijke offerte te
ontvangen. Tot twee keer toe probeerde men het
mondeling te regelen. Hoe het is afgelopen, vermelden de bronnen niet.
Oprichting Zwolse Rijtuig Maatschappij
Het rijden met stalhouder Hooglugt voldeed
aanvankelijk uitstekend. De stalhouder zorgde er
voor dat de rijtuigen van de Begrafenisvereniging
correct werden bespannen en dat er op tijd werd
gereden, Maar de oude Hooglugt stopte ermee
Verslag in de Zwolse
Courant van 3 juni
1911 van de benoeming
van de nieuwe directeur
J. Oostindiën.
ZHT3 2014 EPOS.indd 11 29-09-14 12:12
92 zwols historisch tijdschrift
en een van zijn mede firmanten, de heer H.A.
Schuurman, trad ook uit. De zaak dreef nu nog
alleen op firmant G.P.P. Folkert, die echter voornemens was de stalhouderij op korte termijn van
de hand te doen. Hij deelde op 5 september 1913
per brief mee dat op 20 september het contract
zou worden beëindigd en drie dagen later de
publieke verkoop zou plaatsvinden. De situatie
van enkele jaren geleden dreigde zich te herhalen.
Zonder paarden en koetsiers lag het begrafenisbedrijf stil. Maar het mocht absoluut nooit gebeuren
dat het onzeker zou zijn of een uitvaart wel of niet
kon worden uitgevoerd. Directeur Oostindiën
was duidelijk over het probleem: ‘De firma Hooglugt heeft ons veel moeilijkheden bezorgd en ten
laatste voor een ernstig feit gesteld.’
Intussen liepen de gesprekken met de zich
groeperende stalhouders op niets uit. Eigenlijk
dachten die, dat door hun weigering het moment
dichter bij kwam waarop de Begrafenisvereniging
door de knieën zou gaan en ze eindelijk betere
tarieven konden afspreken. Maar er werd buiten
de waard gerekend. Mr. J. van Setten, advocaat
in Zwolle en een toekomstig aandeelhouder van
de Rijtuigmaatschappij, moest als stakingsbreker gaan fungeren en werd als stroman op pad
gestuurd. Hij kocht vóór de veiling uit, voorlopig
voor eigen risico, de complete stalhouderijinventaris van Folkert voor 5.000 gulden.
Direct daarna probeerde een groep vooraanstaande Zwollenaren, waaronder H.W. J. Rooijaards van den Ham, een wijnhandelaar, J.J. Tijl,
firmant van de Erven Tijl, mr. A. J. van Slooten,
griffier bij de Rechtbank en mr. B.P.G. van Diggelen, medeoprichter van de Begrafenisvereniging,
nu snel het benodigde startkapitaal bijeen te brengen voor de oprichting van een rijtuigmaatschappij. De intekening op de aandelen verliep naar
wens.
De Zwolse stalhouders waren zoals te verwachten viel woedend; één van hen gaf in het
openbaar zelfs blijk geen contract met de Begrafenisvereniging te zullen tekenen. Toch kregen
de stalhouders nog een laatste kans, maar nu probeerde de Begrafenisvereniging voorwaarden te
stellen. De stalhouders moesten oprijden voor de
oude tarieven en de begrafenisonderneming die
in 1911 mede door hen was opgericht en waarvan
ze ook voor de helft eigenaar waren, ontbinden.
Het stalhouderijpersoneel kon in dienst treden bij
de Zwolse Begrafenis Vereniging.
De stalhouders bogen niet. Beide partijen
zouden voortaan hun eigen spoor trekken. Spoedig daarna, op 26 november 1913,werd aan de
Rijtuigmaatschappij de Koninklijke Goedkeuring
voor de ontwerpakte verleend.
Twee-eenheid
De Zwolse Rijtuig Maatschappij stond inmiddels
in de steigers en ‘J. Oostindiën wordt verzocht en
verklaart zich bereid zich tijdelijk met de directie
der op te richten Maatschappij te belasten.’ Maar
tijdelijk duurde in dit geval lang. De directie van
de Rijtuigmaatschappij zou tot aan de liquidatie
ervan in 1972 in handen blijven van een Oostindiën. De Begrafenisvereniging en de Rijtuigmaatschappij waren door de Oostindiëns welhaast
onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Oostindiën had bij zijn aantreden tal van
nieuwe ideeën voor de uitbouw van de Rijtuigmaatschappij. Even na de oprichting haalde hij de
oude stalhouder Hooglugt terug voor acquisitie.
Advertentie in de Zwolse Courant met betrekking tot de oprichting
van de Zwolse Rijtuigmaatschappij.
ZHT3 2014 EPOS.indd 12 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 93
‘Door persoonlijk bezoek als door het verzenden
van circulairen, die op kosten van de Mij worden
verzonden, moet hij proberen oude klanten terug
te winnen.’ Oostindiën opperde ook ‘de wenschelijkheid te bepleiten dat de Maatschappij zich zal
gaan toeleggen op goederen vervoer.’ Als directeur
van de Zwolse Tramweg Maatschappij was hij op
de hoogte van het afnemende goederenvolume bij
de tramwegmaatschappijen. Vrachtauto’s waren
in opkomst en Oostindiën voorzag dat het bedrijf
voor de toekomst een bredere basis nodig had.
Bovendien beschikte hij over een uitstekend relatienetwerk. Zijn eigen aandeelhouders konden
hem brede ingang bij de bedrijven in Zwolle en
omgeving bieden. De commissarissen gaven om
onduidelijke redenen hun directeur echter geen
groen licht voor zijn innoverende plannen en
daarmee bleef de Rijtuigmaatschappij een semizelfstandig bedrijf: een zorgenkind in de schaduw
van de goed lopende begrafenisvereniging.
De voornaamste taak van de directeur bleef de
kwaliteit van het materieel, de paarden en het
‘oprijden’ hoog te houden. Daarnaast moest hij
ook proberen de aandeelhouders tevreden te stellen, maar dat viel niet altijd mee als de dividenduitkering laag was of soms niet plaatsvond.
Scherp inkopen en calculeren, maar ook slim
zijn bleef altijd geboden. Steeds weer met een
goed verhaal voor subsidie aankloppen bij de
Begrafenisvereniging was voor de Rijtuigmaatschappij een vaak terugkerend feit. Uit de correspondentie die gaat over aandelen overdracht, zien
we dat de stukken niet hoog gewaardeerd werden
en verkoop plaatsvond voor 30 à 50 procent van
de nominale waarde. Ook later, tussen 1935 en
1940, werden de aandelen van de Rijtuigmaatschappij die in het bezit waren gekomen van de
Begrafenisvereniging, op de balans gewaardeerd
voor één gulden.
Ondertussen probeerde Oostindiën samen
met rijtuigfabrikant Boezeman op veilingen voordelig een vigilante, victoria, landauer of coupé te
bemachtigen. Ook in het kleine probeerde men
scherp te blijven; de zweepkoetsier, de bijrijder,
kreeg kleding van goedkope stof maar ‘in kleur en
uitvoering geheel gelijk aan die van de koetsier.’
De kistenmaker Van Unen, ook aan de Nieuwe
Markt gevestigd, moest voor 36 gulden boven
de stal een ‘slaapkamertje afschieten’. Nu de stal
beschikte over een telefoonaansluiting moest
er ook iemand aanwezig zijn om ‘telefonische
bestellingen van rijtuigen op te nemen, terwijl
des avonds na zeven uur om beurten zal worden
wacht gehouden door het stalpersoneel. De directeur zal voor het stalpersoneel een dienstrooster
opmaken.’ Het onderhoud van de rijtuigen kreeg
ondanks de ‘dure tijden’ van de Eerste Wereldoorlog toch alle aandacht, want men besloot de
nodige herstellingen aan het materieel te laten uitvoeren en ‘niet op betere tijden te wachten’.
Paarden
De veearts Lubberink had zich erover beklaagd,
dat hij die ‘vroeger van de stal van Hooglugt de
praktijk uitoefende, thans daarvan was verstooken.’ Besloten werd dat de ‘directeur de heer Lubberink zal uitnoodigen om aandeelhouder in de
Zwolsche Rijtuig Maatschappij te worden. Wordt
hij dat, dan zal de praktijk het eene jaar den aandeelhouder Tervoert en het andere jaar aan den
J. Oostindiën sr.
ZHT3 2014 EPOS.indd 13 29-09-14 12:12
94 zwols historisch tijdschrift
aandeelhouder Lubberink worden opgedragen.’
Toch probeerde men de vrije beroepsbeoefenaren nog wat steviger aan te pakken. ‘Na enige
bespreking wordt besloten bij de veearts Lubberink aan te vragen of deze bereid is de paarden
van de Rijtuigmaatschappij tegen vaste som te
behandelen, in welke som de geneesmiddelen
moeten zijn inbegrepen, daarbij aannemende, dat
het minimum waarmee rekening moet worden
gehouden, zes paarden zal bedragen.’
Lubberink probeerde het met de directeur op
een akkoordje te gooien en dat scheen te lukken.
De directeur deelde in een bestuursvergadering
mee, dat door Lubberink een vast contract werd
ontraden. Hij was echter bereid de praktijk uit te
oefenen tegen ƒ 0,75 per visite. Geneesmiddelen
kostten ongeveer ƒ 1,25 per keer. ‘Besloten werd
Dr. Lubberink op te dragen gedurende het jaar
1915 de behandeling der paarden onzer Maatschappij op zich te nemen.’ Regelmatig moest de
veearts verschijnen bij langdurig zieke paarden.
Kreupelheid en verwondingen kwamen veel voor.
De veearts dr. Tervoert, een door en door
paardenman, kwam ook regelmatig over de vloer
als het niet zijn praktijkjaar was omdat hij tevens
directeur was van de ‘Paarden- en Veeverzekerings
Maatschappij’. Een ziek paard dat buiten gebruik
werd gesteld bleef flink geld kosten, want het voederen en de verzorging gingen door. Soms werd
er dan ook strijd geleverd om de uitbetaling van
verzekeringsgelden. Eens werd al meer dan een half
jaar een paard in observatie gehouden dat gewond
was aan de voet, het had in een spijker getrapt. De
verzekering wilde maar niet betalen en dat werd
toch wel eens tijd. Ondertussen moest wel een vervangend paard worden aangeschaft, bij voorkeur
‘een merrie voor den prijs van ongeveer ƒ 600, -.’
Ook stond er nog een kreupel paard op stal dat de
verzekering wel bereid was te onteigenen ‘en de verzekerde waarde zijnde 80 procent van ƒ 600,- uit te
keren.’ Soms ook had een paard kiespijn, een losse
hoef, of was het gek geworden. Niet alleen vanwege
ziekte werden paarden vervangen. ‘Het paard dat
onlangs op de Thomas a Kempisstraat is geschrokken voor de Dedemsvaartsche Stoomtram, die
stoom uitliet, is genezen.’ Maar in het belang van de
maatschappij werd het toch beter geacht het paard
van de hand te doen; de schade aan eigen materieel
viel gelukkig mee.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog schoten de prijzen van het krachtvoer en ruwvoer omhoog. De
directeur merkte fijntjes op dat nu de Rijtuigmaatschappij het moeilijk had, alle aandeelhouders
zich voortaan maar moesten laten rijden door hun
eigen bedrijf, dan zouden ook ‘de baten ruimer
vloeien’. Ondertussen vroeg men ‘vanwege de dure
tijden’ de Begrafenisvereniging om een toeslag
van 10 procent.
Met zo’n tien paarden op stal, waaronder ook
het paard van Doijer (van de likeurstokerij) was er
heel wat nodig voor voer en verzorging. Op jaarbasis alleen al aan haver 223 hectoliter, en verder
67.000 pond hooi en 18.000 pond stro (hooi en
stro werden vroeger afgewogen in ponden). In
drie jaar tijd waren de exploitatiekosten voor de
paarden explosief (26 procent) gestegen. De kosten voor de paarden beliepen in 1917 meer dan
de helft van de inkomsten, die ruim 8500 gulden
bedroegen.
De aanvoer van hooi en stro en de afvoer van
mest waren natuurlijk in de bekrompen stadssituatie niet eenvoudig. Voor de haveropslag bestond
een muisvrije haverkamer. Soms kwamen de leveranties van ver in betrekkelijk kleine hoeveelheden
aan, want de opslagruimte in de stal bleef krap.
Haverbosstro werd betrokken uit Rheezerveen
bij Hardenberg, soms in combinatie met stalhouder Overbeek. Oostindiën schreef: ‘Wil beide
partijen [twee van elk 3000 pond] afzonderlijk
houden bij opladen tramwagen. Dus niet door
elkaar laden. Gelieve s.v.p. vooral bij goed weder
te laden en partijen af te dekken.’ Gerrit Pelleboer
aan de Bisschopswetering in Mastenbroek was de
leverancier voor hooi. Op 17 oktober 1923 kwam
daar een briefje van Oostindiën aan met de vraag:
‘Beleefd verzoek ik U bij goed weder mij Maandag
6000 pond hooi te doen bezorgen.’ De paardenmest moest door de optredende broei en stankoverlast regelmatig worden afgevoerd. De gier liep
aanvankelijk door de stalgoot naar de straatgoot
en verdween daarna in de riolering. In 1917 werd
vanuit de stal een rechtstreekse aansluiting op de
riolering gemaakt.
ZHT3 2014 EPOS.indd 14 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 95
Toen aandeelhouders de dividenduitkering van
de Rijtuigmaatschappij in 1915 door ‘de benarde
tijdsomstandigheden’ aan hun neus voorbij zagen
gaan, werden ze in de algemene vergadering
opeens oplettend. De directeur lanceerde een
voorstel voor de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten, terwijl de heer baron Van Haersolte de
aandacht vestigde op ‘de voedering der paarden,
die zijns inziens te luxueus is, immers zou minder
haver en daarom maïs, melasse of borstel gevoerd
kunnen worden. De heer Wijnaendts is het hiermede niet eens, en acht het voor paarden in een
bedrijf als het onze noodzakelijk als krachtvoer
wordt gevoederd.’
To be or not to be
Door contacten met notaris Bosch uit ’s-Gravenhage kwamen de commissarissen aan de weet dat
de stalhouderij van wijlen zijn moeder de weduwe
Bosch aan de Blijmarkt te koop zou komen. De
directeur had contact gezocht met notaris Bosch
en opende de onderhandelingen. Taxateur Esjer
(bedoeld zal zijn Escher) uit Amsterdam had de
zaak beoordeeld en ‘aldus bepaald: 11 paarden
ƒ 5000,-; 35 rijtuigen ƒ 1750,-; tuigen, dekens, enz.
ƒ 500,- ; gebouwen ƒ 8500,- ; waarde zaak [goodwill] ƒ 750,-, te samen ƒ 16.500,-.’ Algemeen achtte
men deze taxatie te laag. De commissarissen
besloten een bod van 21.000 gulden uit te brengen, maar het mocht ook duizend gulden meer
worden. Het was een ‘Questie van to be or not to
be’, zo vond voorzitter Rooyaards van den Ham,
want ‘Wil de Maatschappij bloeiend worden dan is
aankoop van de stal Bosch voor ons geëischt, want
hebben wij die, dan is het geheele stalhoudersbedrijf in Zwolle zo goed als in onze handen. De
andere stalhouders zijn dan van ons afhankelijk.’
Tijdens de onderhandelingen werd nog de
toezegging gedaan dat het personeel inclusief Van
Riel kon worden gehandhaafd. Twee maanden
later kreeg men te horen dat het bod niet werd
geaccepteerd en in een laatste ontmoeting met
notaris Bosch kreeg men te horen: ‘Bied eerst eens
ƒ 35.000,-.’ Van aankoop moest nu definitief worden afgezien, zo concludeerden de commissarissen na bijna twee jaar onderhandelen in de herfst
van 1917. De bekende stalhouderij aan de Blijmarkt werd tenslotte overgenomen en voortgezet
door Diepenheim.
Fooien
Het fooienstelsel zoals dat vroeger functioneerde
in het geven van vrijwillige giften aan dienstbare
ondergeschikte personen voor bewezen diensten,
was definitief uit de gratie. De kasboeken en het
Algemeen Register uit de eerste jaren van de
Begrafenisvereniging geven een aardig beeld van
degenen die fooien ontvingen. Het personeel van
de eigen vereniging en de ingehuurde koetsiers
Huurcommissie
Aan de Wolweverstraat bezat de Rijtuigmaatschappij sinds 1916 een koetshuis met afzonderlijke bovenwoning. Aan deze bovenwoning heeft Oostindiën nog lange tijd speciale herinneringen behouden. Vanuit het nog aanwezige brievenboek wordt duidelijk dat men heel veel te stellen heeft gehad
met een familie Sjardin. De Rijtuigmaatschappij wilde ontruiming van het
pand om er een dienstwoning van te maken. Bovendien verwaarloosden de
huurders de woning, maar zij weigerden te vertrekken. Uiteindelijk moest
Oostindiën in 1922 voor de gemeentelijke huurcommissie verschijnen. Wat
hem na afloop op weg naar huis overkwam, beschrijft hij de volgende dag
in een brief aan deze commissie:
‘Mijne Heeren,
Ik heb de eer U mede te deelen dat gisteravond, na verschijning voor
Uwe commissie, mij huiswaarts begevende, ik op de Oude Vischmarkt door
den heer P.J. Sjardin in gezelschap van diens vrouw en nog een vriend werd
gemolesteerd.
Ten aanhoore van voorbijgaand publiek werden mij zeer ongepaste
woorden toegevoegd en dreigementen geuit, o.m.: De vuist ballende mij
even in het aangezicht rakende werd gezegd mij van kant te zullen maken
indien hij mij op ’t moment alleen voor zich had. Ware hij niet door zijn
vrouw tegengehouden, zou hij tot handtastelijkheden zijn overgegaan.
Verder gaande werd mij toegeroepen mij in acht te doen nemen daar hij
ter eeniger tijd mijn persoon tot riemen zoude snijden.
In verband hiermede verzoek ik U beleefd bij eventueel volgende verschijning voor Uwe commissie mij te verschoonen het gezelschap van den
heer Sjardin te doen deelen.
Hoogachtend,
Uwen J. Oostindiën.’
Of Sjardin spoedig na het incident het huis heeft moeten verlaten is niet
bekend, maar de stalbaas Luttenberg betrok in 1923 de dienstwoning.
ZHT3 2014 EPOS.indd 15 29-09-14 12:12
96 zwols historisch tijdschrift
was het de eerste jaren verboden, ‘in welken vorm
of welk voorwendsel ook’, fooien aan te nemen.
Maar de directie zelf was tamelijk royaal bij het
uitdelen ervan.
Koetsiers in particuliere dienst werden nogal
eens ingezet bij een eerste klas begrafenis. Bij
zo’n begrafenis was het eigen wagenpark niet
toereikend. Men leende dan van bevriende huizen, meestal ook aandeelhouders, een volledige
bespanning met koetsier. Bij de begrafenis van de
bekende Zwollenaar W.A. Elberts in 1903 werd
ondermeer het rijtuig van Tijl ingezet. Ook van
de huizen van Eekhout, Schaepman, Van Laer,
Van Royen, baron van Voorst tot Voorst en van
Huize de Kolkhof in Laag Zuthem leende men
regelmatig bespanningen. De koetsiers ontvingen
dan ongeveer twee gulden voor zichzelf en twintig gulden om af te dragen. Hoge bedragen, want
voor het oprijden van een volgrijtuig ontving een
stalhouder uit de stad slechts een derde van dat
bedrag. Het waren echter niet alleen deze koetsiers die een fooi ontvingen maar ook een huisknecht, een loopmeisje of stationspersoneel kreeg
soms enkele guldens toegestopt.
Bij een eerste klas begrafenis in 1906 werden
fooien aan drie dienstboden, drie werkvrouwen,
zes knechten en vier dragers uitgedeeld. Ieder
kreeg een rijksdaalder. Bij een andere begrafenis
kregen ‘elk der acht dienstboden vijf gulden’. Voor
bewezen diensten bij de begrafenis van de douarière J.D. van Nahuys deelde ook de veldwachter
mee in een fooi van een paar gulden. Enkele timmerlieden ontvingen ieder een gulden voor het
opruimen van beddengoed.
Einde van de Zwolse Tramweg Maatschappij
Al gedurende lange tijd leed de Zwolse Tramwegmaatschappij een kwijnend bestaan. Andere,
snellere vormen van vervoer deden aan het begin
van de twintigste eeuw hun intrede. In 1919
kwam in Zwolle een einde aan het rijden van de
paardentram. Oostindiën, die als directeur de
liquidatie van de Tramweg Maatschappij moest
voorbereiden, zag toch nog enkele krenten in de
exploitatie van de tram die prima zouden passen
bij de Rijtuigmaatschappij. ‘Besloten wordt aan de
bewoners van ’t Spoolderpark [de huidige Strick
van Linschotenlaan en omgeving] een aanbieding
te doen en om acht en een half, twaalf en een half
en vier uur op iedere werkdag een rijtuig te laten
loopen naar de markt of naar Spoolderpark en op
Woensdag, Donderdag en Zondag van zeven en
een half uur ’s avonds voor ƒ 60,- per week.’
Het Spoolderpark was omstreeks 1920 ontstaan en vormde tot de annexatie van Zwollerkerspel de grens met Zwolle. In het ontwerp van
de ‘Heerenhuizen’ was meestal ook een dienstboden kamer opgenomen. Als service aan deze
bedienden hadden de bewoners gezorgd dat op
gezette tijden gratis vervoer van en naar de stad
beschikbaar werd gesteld. Voortaan zou tweemaal
per week een rijtuig voor de dienstboden worden
besteld voor ƒ 3,50, indien met twee paarden, en
voor ƒ 2,50 indien met één paard gereden werd.
Zeker was toen echter al wel dat de tijden
gingen veranderen, want in dezelfde vergadering werd ook ‘over de aanschaf van auto’s voor
onze Mij lang gesproken. De directeur ontvangt
opdracht om bij de heer Sietsma te informeren, of
met hem een contract kan worden afgesloten.’ Met
Sietsma, garagehouder op de Ossenmarkt, kwam
men nog niet tot een akkoord omdat hij ‘zijn
geheele affaire voor een ton gouds te koop heeft
aangeboden.’ De prijs was dus duidelijk te hoog.
Maar één ding leek echter zeker: de auto’s waren in
aantocht.
Tussen de wereldoorlogen
Steeds meer beseften de stalhouders die het bedrijf
nog wilden voortzetten dat het tijd werd de handen
ineen te slaan en met ruziën op te houden. Vooral
de dreigende internationale economische crisis
versterkte de neiging tot schaalvergroting, terwijl
ook de concurrentie van de auto’s zich deed gevoelen. Met Diepenheim, de voorzitter van de stalhouders, werd in 1919 afgesproken dat indien men
materieel te kort kwam, over en weer zou worden
geholpen. Toen stalhouder Van Til in de Smeden
met zijn bedrijf stopte, kocht de Rijtuigmaatschappij op de veiling een vigilante en een coupé. Voor
aankoop van rijdend materieel was het niet meer
noodzakelijk veilingen in het westen van het land te
bezoeken. Het aanbod van tweedehands rijtuigen
en stalbenodigdheden werd ook in de regio groter.
ZHT3 2014 EPOS.indd 16 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 97
‘Van Mr. Van Laer werd wegens afschaffing
diens geheele stalinventaris bestaande uit een
viertal rijtuigen, een 2 paards gareeltuig en flinke
tuigenkast gekocht voor ƒ 1025,-. Onder deze rijtuigen bevond zich een mooie éénpaards gummi
landauer. Dit rijtuig alleen wenschte de eigenaar
niet te verkoopen.’
De Rijtuigmaatschappij bleef voorlopig vasthouden aan paarden, want in 1921 nam men het
besluit niet deel te nemen in de oprichting van de
automobielgarage Derksen, die zich ging vestigen
in een oude kuiperij in de Voorstraat. Het is niet
ondenkbaar dat de grote investeringen de commissarissen hebben weerhouden. Bovendien dacht
men bij de Rijtuigmaatschappij, mede om financiële redenen, nog niet aan het gebruik van auto’s.
Maar bij de Begrafenisvereniging, die uitstekend
bij kas zat, lag dat anders. Men sprak daar intussen
(1922) volop over de aanschaf van een auto.
In Huize Eekhout stond nog een prachtige tuigenkast die de gemeente wel wilde verkopen. De
meestal krappe beurs van de Rijtuigmaatschappij
bracht de directie op het idee de kast te laten aankopen en te laten stellen op kosten van de Begrafenisvereniging. De directeur werd gemachtigd
eventueel zaken te doen. Hij beschikte over een
goed zakelijk inzicht en had ook vaak succes. In
tijden van oorlogsdreiging, toen men zich tegen
molestrisico moest verzekeren, wist hij zelfs het
bedrijfskapitaal nog uit te breiden en zeventig
aandelen bij vier nieuwe aandeelhouders te plaatsen. Niet alleen uit zijn salaris verhoging bleek van
tijd tot tijd de waardering voor de directeur, ook
aan secundaire arbeidsvoorwaarden werd gedacht
en op kosten der Maatschappij werd in 1923 een
telefoontoestel geplaatst in de slaapkamer van de
directeur.
Investeren in een onzekere tijd
De bedrijfsresultaten vertoonden in de jaren twintig een wat positiever beeld. Met enige regelmaat
werden kleine beleggingsvoorstellen gedaan of
men probeerde in de directe omgeving vastgoed
aan te kopen. In de Walstraat werd een stal aangekocht voor ruim vijfduizend gulden. Het onderste
gedeelte werd in eigen gebruik genomen en de
zolders verhuurd. Zo langzamerhand bezaten de
beide NV’s een conglomeraat van eigen gebouwen
in de omgeving van de Nieuwe Markt.
De jaarverslagen van de Rijtuigmaatschappij
over 1923 en 1924 geven aan dat de overgang van
paardentractie naar auto’s toch voorzichtig op
gang kwam, een ontwikkeling die met zorg tegemoet werd gezien: ‘Het algemeen zich voordoende verschijnsel van velerlei oorzaken het gevolg,
dat in min of meerdere mate teruggang van zaken
in het stalhouders bedrijf valt waar te nemen,
openbaarde zich ook bij ons. Zijn de huidige tijdsomstandigheden hier allerminst vreemd aan, ook
het toenemend autoverkeer moet daarnaast niet
Baas en knecht
Het personeelsbeleid was door de eenhoofdige leiding van beide NV’s strak georganiseerd. Als het zo
uitkwam was Oostindiën streng. De commissarissen van de Begrafenisvereniging bogen zich in 1921
over een brief van hun directeur die zich beklaagde over het ‘onhebbelijk optreden van drager Budde
naar aanleiding van een hem opgelegde boete, wegens het op de treeplank van een volgrijtuig gaan
staan na afloop van de begrafenis van mevrouw Wicherlink, hetgeen streng verboden is.’ Budde moest
in de vergadering verschijnen. ‘De voorzitter vindt Budde’s optreden bedenkelijk en vraagt de man of
hij nog iets in het midden heeft te brengen.’ De werknemer gaf als verklaring dat hij na de begrafenis een
eind had meegereden, ‘omdat hij gewacht had op het aannemen van het bloemenmandje, waarvoor hij
echter geen opdracht had gekregen. Hij moest nog een begrafenis bijwonen en vreest te laat te komen.
Na de beboeting heeft hij zich kras uitgelaten tegen den directeur en meent daartoe gerechtigd te zijn,
omdat hij toen niet meer in dienst was der begrafenisvereniging.’ De commissarissen deelden de mening
van Budde niet en na zijn vertrek werd besloten hem te ontslaan als drager.
ZHT3 2014 EPOS.indd 17 29-09-14 12:12
98 zwols historisch tijdschrift
De lijkkoets staat
gereed voor de begrafenis van pastoor Eshuis,
11 november 1936.
De Rooms Katholieke
Begrafenisvereniging
gebruikte het materieel
van de Zwolse Begrafenisvereniging. (Collectie
HCO)
De begrafenisstoet van
pastoor Eshuis op de
Grote Markt. (Collectie
HCO)
ZHT3 2014 EPOS.indd 18 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 99
uit het oog worden verloren’. En in 1924 verzucht

te de directie: ‘Het toenemend autoverkeer heeft
tengevolge dat de opbrengst van de ritten van jaar
tot jaar minder wordt.’ Een kleine rekensom leert,
dat in drie jaar tijd de inkomsten van de ritten met
bijna 40 procent en die van de trouwpartijen met
30 procent waren gedaald. Toch moest er in 1928
een nog zwaardere klap geïncasseerd worden:
‘De verminderde opbrengst van de ritten is grootendeels een gevolg van de concurrentie aangedaan door de dit jaar in exploitatie gebrachte
Stads-autodienst.’
Natuurlijk viel de grootste en meest stabiele
bron van inkomsten, het oprijden bij begrafenis

sen nog niet weg. Maar een enkele stalhouder,
zoals Zwartjens, zag in de opmars van de auto al in
1930 aanleiding om met z’n bedrijf te stoppen. De
Rijtuigmaatschappij pikte er een graantje van mee,
want ‘door het ophouden van de stal Zwartjens
komt tegenwoordig iets meer leven in onze stal,
maar het aantal ritten blijft gering.’
Stalhouder Diepenheim, waarmee de Rijtuig

maatschappij jaren lang een zakelijke relatie had
gehad, bood op Driekoningen (6 januari 1931)
zijn zaak aan de Rijtuigmaatschappij te koop aan
voor 20.000 gulden. Commissaris Tjeenk Wil

link voelde wel voor overname. Waarschijnlijk is
men niet tot een akkoord gekomen, want in mei
van het volgende jaar vonden onderhandelingen
plaats tussen directeur Hollander van de Zwolse,
de in 1928 opgerichte NV Nieuwe Begrafenis Ver

eniging en Diepenheim over de tarieven die men
wilde gaan hanteren voor Patrimonium (de voor

loper van de Monuta Stichting), een potentiële
concurrent die in Apeldoorn 5000 leden had.
In het voorjaar van 1933 werd dan toch de
grote sprong genomen, want er waren ‘twee auto

mobielen’ (van het Duitse merk Horch) gekocht
die gereed gemaakt moesten worden om ‘als volgrijtuigen te dienen bij begrafenissen per auto.’ De
directeur moest proberen een chauffeur te vinden
‘die voorkomende reparaties’ kon uitvoeren.’ Een
paar maanden later werd ook een kleine Opel
voor 1375 gulden gekocht. Indien het echt nodig
zou blijken, mocht de directeur ook nog een
kleine Surge voor 1440 gulden aanschaffen. Uit de
verslaglegging van de voorjaarsvergadering van
Boven: Reclamemateriaal van de Zwol

se Rijtuigmaatschappij,
uit de jaren dertig.
Voorkant van een folder
van de Zwolse Begra

fenisvereniging uit de
jaren dertig. Van de
afgebeelde auto’s zijn
nummer twee en drie
Horch automobielen.
ZHT3 2014 EPOS.indd 19 29-09-14 12:12
100 zwols historisch tijdschrift
1934 valt te lezen dat ook de tweede auto een Opel
was geworden en dat als chauffeur een zekere
Riezebosch was aangesteld voor vier gulden per
week. De chauffeurs moesten de helft van de
kleermakerskosten van hun kleding zelf betalen,
maar als ze ‘over enig jaar geen schade [aanrijdingen] hebben opgelopen’, kregen ze de gemaakte
kosten terug.
Ongeveer tien jaar later dan de Begrafenisvereniging was nu ook de Rijtuigmaatschappij uitgerust met auto’s. De ingebruikname in 1933 van de
begraafplaats Kranenburg, evenals Bergklooster
op grotere afstand van de stad, deed het transport
met auto’s toenemen. Maar regelmatig vonden
toch nog wel aan- en verkopen plaats van tweedehands rijtuigen, waarvan de prijzen intussen flink
waren gedaald. Voor hooguit 300 gulden werden
nu de gewenste rijtuigen gekocht, terwijl men
vroeger voor een rijtuig een paar duizend gulden
moest neertellen.
De eerste auto’s bij de Begrafenisvereniging
In 1922, dus ruim tien jaar eerder dan bij de
Rijtuigmaatschappij, kwam bij de Begrafenisvereniging de vraag al aan de orde ‘of het wenschelijk wordt geacht een lijkauto aan te schaffen.’ In
stilte was er over deze vraag al lang en grondig
nagedacht. De directeur gaf een uitvoerige uiteenzetting hierover met een kostenberekening. Hij
betoogde dat hij het ‘als het zijn eigen zaak gold,
wel zou durven. Maar als directeur der Vennootschap ben ik wat huiverig, waar het gaat om het
aanschaffen van een lijkauto. Het is immers bij
benadering niet na te gaan, of de auto voldoende
zal worden gebruikt om kosten en afschrijving te
dekken en een matige winst te behalen. Als mijn
zoontje een paar jaar ouder was en als chauffeur
dienst zou kunnen doen en andere werkzaamheden zou kunnen verrichten dan zou ik beslist tot
aanschaffen adviseren.’
De kwestie werd daarna nog van alle kanten
bekeken en de vergadering kwam tot de slotsom
dat ‘aanschaffing een groot risico zal meebrengen.
Vooral ook, omdat een vaste chauffeur een eerste
vereiste is, terwijl de auto niet beslist noodzakelijk
is om het bedrijf goed te doen marcheren.’ Besloten werd ‘voorlopig nog geen lijkauto te koopen
en intusschen den directeur te machtigen de automobielen tentoonstelling te Amsterdam [de RAI]
te bezoeken.’ Hij moest zich maar eens oriënteren
op ’t gebied van lijkauto’s.
Een jaar later had Oostindiën voor eigen rekening een auto aangeschaft die ook in dienstverband kon worden ingezet, want ‘aan den directeur
zal een vergoeding van ƒ 0,05 worden gegeven
voor elken kilometer door zijn auto in dienst der
vereniging afgelegd.’
In 1924 was het dan toch zover dat door de
directeur het aanschaffen werd bepleit ‘van een
autokistwagen, waardoor het vervoer van de kisten naar de sterfhuizen belangrijk zal worden vergemakkelijkt, terwijl hierdoor veel tijd zal worden
bespaard. Hij wenscht deze auto zoo in te zetten,
dat deze tevens voor particulier gebruik zal kunnen dienen en hem tot ontspanning strekken om
b.v. Zondags mede uit rijden te gaan.’
De commissarissen bedankten de directeur
voor zijn creatieve manier van denken. Hij mocht
de auto bestellen voor 4.000 gulden en ook voor
ontspanning van zijn gezin gebruiken. Tijdens
de Algemene Vergadering van 1925 werd meegedeeld dat ‘een auto, merk Dodge was aangeschaft,
eens deels voor het bedrijf, anderdeels voor ontSpeelbal
Op 22 augustus 1926 gaf het bestuur van de bekende sportvereniging ZAC
aan de Rijtuigmaatschappij opdracht ‘ten behoeve en voor rekening van de
Voetbal Ver. R.V. en A.V. Excelsior, een rijtuig met 2 paarden aan het Station alhier ter beschikking te stellen ten einde het Rotterdamse Elftal naar
en van het sportterrein Veerallee te rijden.’
De rekening kon gestuurd worden naar de Heer W. Coalsen, Oosteinde
20a, Rotterdam. Twee keer kwam echter de postkwitantie van zeven gulden onbetaald terug. Op een ander adres in Rotterdam lukte het ook niet.
Oostindiën kreeg zelfs geen opgaaf van reden voor de weigering. Ook ZAC
voelde er niets voor de gemaakte kosten te vergoeden, nu verhoogd met 50
cent onkosten, ‘maar deze bedragen meer.’
Waarschijnlijk zijn de ZAC bestuurders te goed van vertrouwen
geweest toen het verzoek voor het vervoer van het elftal uit Rotterdam binnenkwam. De opgegeven naam C[G]oalsen doet vermoeden dat de Zwollenaren een poets is gebakken. Hoe dan ook, de Rijtuigmaatschappij kon
fluiten naar de centen.
ZHT3 2014 EPOS.indd 20 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 101
spanning van de directeur.’ Twee jaar na aanschaf
leverde de auto al een forse bijdrage op in de
winst. De directeur kreeg een pluim en een gratificatie van 400 gulden, waarvan de helft onder
voorwaarde dat hij daarvoor veertien dagen op
reis zou gaan en ‘zich geheel aan het bedrijf onttrekt.’
Met garagehouder Sietsma liep ondertussen
al enige tijd een soort van leasecontract voor de
levering van een lijkauto. In 1926 kreeg hij voor
iedere kilometer ongeveer 30 cent, een kwartje
minder dan in het eerste contract. Waarschijnlijk
is het voor Sietsma geen vetpot geweest, want drie
jaar later zei hij het contract op en werd ‘het autotransport van lijken voortaan in eigen beheer uitgevoerd.’ Omdat het de Begrafenisvereniging niet
aan middelen ontbrak om voor eigen rekening een
lijkauto aan te schaffen, werd zonder veel discussie aan de voorzitter en de directeur gevraagd een
auto uit te kiezen voor ongeveer 7.500 gulden. Na
een tijdje zoeken was het zover: ‘De directeur die
vele wagens heeft gezien, stelt voor een auto merk
Nash [Amerikaans] aan te schaffen, waarvoor
de prijs ƒ 7.410,- zal bedragen, chassis ƒ 4.260,-,
carrosserie ƒ 3150,-.’ Besloten werd de wagen te
kopen.
In tegenstelling tot de Rijtuigmaatschappij
heeft het de Begrafenisvereniging in de crisisjaren nooit aan financiële middelen ontbroken. In
1937 werd voorgesteld het pand Nieuwe Markt
14 aan te kopen. Ingezet op 4500 gulden mocht
het pand zo nodig nog voor drieduizend gulden
meer worden aangekocht. De voormalige eigenaar, slager Ostmann, bleef voorlopig huurder.
Maar twee jaar later had Ostmann zeven weken
huurachterstand opgebouwd, waardoor hij
voortaan ƒ 3,25 per week meer huur moest betalen. Een maand later volgde opnieuw een verhoging, nu bedroeg de huur al bijna tien gulden per
week.
J. Oostindiën junior
In het voorjaar van 1941 vroeg directeur Oostindiën zijn ontslag aan, hij was toen 65 jaar. Tijdens
de aandeelhouders vergadering in februari van
het volgende jaar werd hem op de meest eervolle
wijze ontslag verleend.
J. Oostindiën jr. werd ‘benoemd als opvolger
van zijn vader op voorwaarde dat hij ook directeur van de Zwolsche Begrafenis Vereeniging is.’
De commissarissen deelden ook mee waarom
deze koppeling werd gelegd: ‘Voor de Rijtuig Mij
is het namelijk van zeer groot belang dat de beide
vereenigingen nauw met elkaar verbonden zijn en
de Rijtuig Mij tot haar leedwezen haren directeur
slechts een zeer matig salaris kan toekennen.’ Subsidies, donaties en zelfs de premie voor de pensioenregeling van de directeur werden verstrekt
door de Begrafenisvereniging.
Altijd ook heeft de Begrafenisvereniging eigen
materieel gehad dat werd opgereden door de
Rijtuigmaatschappij. Uit een vergoedingsoverzicht uit 1942 blijkt dat het rijdend materieel van
de Begrafenisvereniging toen bestond uit een
lijkwagen, drie volgrijtuigen, twee auto’s en een
kistenwagen. In ditzelfde jaar omvatte het rijtuigmaterieel van de rijtuigmaatschappij: één coupé,
één brik en vier landauers. Het materieel en de
inventaris verkeerden in een slechte staat, ‘aangeJ. Oostindiën jr.
ZHT3 2014 EPOS.indd 21 29-09-14 12:12
102 zwols historisch tijdschrift
zien de zadelmaker hoegenaamd geen materiaal
heeft voor vernieuwing en de schilder wegens
werkzaamheden voor de Wehrmacht, geen tijd
heeft voor het opnieuw lakken en schilderen van
de rijtuigen.’ Van de rijtuigen waren diverse wielen
in plaats van de gebruikelijke gummibanden nu
voorzien van stroken autoband.
Hoewel alleen het jaarverslag van 1942 voorhanden is, blijkt al wel dat de exploitatie van de
auto’s steeds moeilijker werd. Auto’s mochten
alleen worden ingezet voor patiëntenvervoer
op korte afstand. De stalhouderij had in dat jaar
goed gedraaid, maar ‘de oorzaak van dit gunstige
verloop is een belangrijk gevolg van de genomen
overheidsmaatregelen, waardoor hoegenaamd
geen particuliere- en verhuurauto’s meer loopen,
hetgeen de rijtuigverhuur aanmerkelijk gunstig
beïnvloed heeft. Indien de mogelijkheid bestaan
had de stalhouderij uit te breiden, waren de
resultaten zeker nog veel gunstiger geweest.’ De
opbrengsten voor de ritten en de trouwerijen
waren enorm gestegen en dit zou nog veel hoger
geweest zijn ‘indien niet van overheidswege de
bepaling was gemaakt, dat het aantal paarden niet
hooger mag zijn dan op 10 Mei 1940. Aangezien
wij slechts de beschikking hebben over zes paarden, kan van trouwerijen hoegenaamd geen werk
gemaakt worden, omdat wij gewoonlijk niet in
staat zijn, het gevraagde aantal rijtuigen te leveren.’
De begrafenisstoet van
ds. Van Noppen in
de Diezerstraat,
op 20 februari 1954.
ZHT3 2014 EPOS.indd 22 29-09-14 12:12
zwols historisch tijdschrift 103
De hartenkreet die de secretaris van de Rooms
Katholieke Begrafenisvereniging slaakte in zijn
jaarverslag over 1943 en 1944, zal ook zeker voor
de Rijtuigmaatschappij gegolden hebben: ‘Veel
schade en leed is door den bezetter de levenden
aangedaan, doch ook de dooden werden niet
met rust gelaten. Waren vroeger voor bespanning en aantal der volgrijtuigen geen voorschriften noodig, thans mocht slechts één volgrijtuig
bespannen met één paard de lijkwagen volgen.’
Benzinedampen voor paardengeur
Zodra de oorlog voorbij was probeerde men
natuurlijk zo snel mogelijk de draad weer op te
pakken. Rijtuigen moesten worden opgeknapt,
paarden bijgekocht en de auto’s weer worden
opgelapt. Eerst golden er in Zwolle nog de regels
van het Militair Gezag voor het gezamenlijk
gebruik van een lijkauto, maar al in 1947 wist men
een aankoopvergunning te bemachtigen voor de
aanschaf van een nieuwe auto voor 5.000 gulden.
Door de opgelegde prijsbeheersing werd er dik
verlies geleden, de exploitatie van de auto’s en van
de paarden was negatief. Voor de paarden zou dat
ook zo blijven tot de verkoop er van in 1954.
Toen de levering van auto’s weer op gang was
gekomen, investeerde de Rijtuigmaatschappij met
geleend geld van de Begrafenisvereniging in de
aankoop van enkele zevenpersoons auto’s. Steeds
vaker werden de begrafenissen uitgevoerd met
auto’s en bleven de paarden op stal staan. Kort voordat de paarden van de hand werden gedaan, verruilden deze nog de stal voor het weiland van boer
Dubbeldam aan de IJssel. Een enkele keer werden
ze nog aangespannen, maar in de commissarissenvergadering van 23 maart 1954 viel de beslissing rijtuigen en paarden te verkopen. ‘Nu thans blijkt, dat
bij begrafenissen meer en meer wordt overgegaan
tot het gebruik van een lijkauto met volgauto’s, heeft
het weinig zin de paardentractie te blijven handhaven, temeer waar deze afdeling voortdurend
geld kost.’ Voor de verkoop van de rijtuigen werd
een makelaar uit Amsterdam gevraagd, terwijl de
paarden in een publieke veiling werden gebracht. In
december deelde voorzitter Tjeenk Willink mee dat
de opbrengst van de stalhouderij de balanswaarde
met

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2016, Aflevering 3

Door | 2016, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Het verhaal
van de
Moderne
Devotie
33e jaargang 2016 nummer 3 – 8,50 euro
ZHT3 2016.indd 1 21-9-2016 12:32:06
Suikerhistorie
Café-restaurant Suisse
Luttekestraat 17
Café-restaurant Suisse van de familie Van Vilsteren was decennialang een begrip. Ruim 160 jaar geleden begon Antonius van
Vilsteren een banketbakkerszaak in de Luttekestraat op nr. 17.
Om zich te onderscheiden van de toentertijd vele andere banketbakkers en wellicht ook vanwege de goede kwaliteit van zijn
banket en chocola noemde hij zich ‘confiseur Suisse’. Naast de
verkoop van banket en chocola was het ook mogelijk in de winkel
ijs en ‘ververschingen’ te gebruiken. In 1891 kwam het accent
meer te liggen op de horeca. Op deze locatie werd toen café Suisse
geopend. Van Vilsteren handhaafde de ingeburgerde naam. Vandaar ook het beeldmerk (naar de Zwitserse vlag) op het suikerzakje.
Het café breidde zich van lieverlee uit. In 1926 werd het pand
grondig verbouwd onder leiding van de Zwolse architect G.Th.
Ruberg en de voorgevel vernieuwd in een karakteristieke interbellum baksteenarchitectuur. Groot(s) valt sindsdien de naam
Suisse boven de fraaie glas-in-lood bovenlichten te lezen. Naast
de horeca werd de verhuur van zalen steeds belangrijker. In 1960
kocht Van Vilsteren het belendende perceel – het voormalige
pand van Van Gend en Loos – en liet het er bij aan trekken. Het
café en het restaurant werden daardoor aanzienlijk groter. Veel
bedrijven, zaken, instellingen en verenigingen maakten van de
zalenverhuur gebruik. Zo had de carnavalsvereniging De Eileuvers hier haar residentie, vergaderden veel politieke partijen hier
en werden er dansavonden gehouden. Het Suisse-complex strekte
zich uit van de Luttekestraat tot aan de Blijmarkt. In de jaren
tachtig van de vorige eeuw werd dat gedeelte afgestoten, waarna
discotheek X-Ray er was gevestigd.
Na het overlijden in 1998 van de laatste eigenaar uit de familie
Van Vilsteren werd Suisse gesloten. Nu vindt men hier de zaak
van Piet Zoomers.
130 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Café-restaurant Suisse aan de Luttekestraat 15-17
omstreeks 1970. (Collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 2 21-9-2016 12:32:06
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 131
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 130
Het Verhaal van de Moderne Devotie
Jan Bijlsma 132
Wim Buurlage: organisator
en stadsomroeper Jos Buurlage 145
‘En, mevrouw, ik wil u spreken over liefde’
Wim Coster 155
Zwolle tijdens de Eerste Wereldoorlog
Aflevering 3: Het oorlogsvirus, 1915-1916
Jan van de Wetering 167
Boeken 179
Recent verschenen 180
Mededelingen / Auteurs 181
Redactioneel
De artikelen in dit nummer behandelen
weer zeer verschillende aspecten van de
geschiedenis van Zwolle: godsdienst, een
beknopte biografie. een buitenechtelijke affaire en
de Eerste Wereldoorlog.
De Moderne Devotie wordt door Jan Bijlsma
uitgebreid beschreven. Hoe op instigatie van de
Deventenaar Geert Grote in Zwolle leefgemeenschappen van de Broeders en Zusters des Gemenen
Levens ontstonden en hoe zij moesten leven. Bijlsma
toetst hierbij het beeld dat het Amsterdamse culturele onderzoeksbureau LAGroup eind vorig jaar in
opdracht van de gemeente Zwolle van deze beweging heeft geschetst en komt tot andere conclusies.
Wellicht herinneren lezers zich Wim Buurlage
nog. Hij had een radio- en tv-winkel, verhuurde
geluidsinstallaties, was organisator van evenementen en stadsomroeper. Zijn familie vestigde
zich in 1938 in Zwolle en Wim werkte hier tot
1971. Zijn zaak was gevestigd in de Luttekestraat,
schuin tegenover café-restaurant Suisse, waaraan
het suikerzakje gewijd is.
Wim Coster beschrijft hoe Multatuli reageerde
op het feit dat Johanna Theodora Pruimers, geboren baronesse Van Dedem, uit haar verhouding
met de dominee Johannes Gerrit van Rijn een
buitenechtelijk kind op de wereld bracht. Multatuli was in eerste instantie niet goed op de hoogte
van de feiten, hij dacht dat ze daarom in de Zwolse
gevangenis zat. Toen de werkelijke toedracht tot
hem doordrong, herzag hij zijn mening.
In twee vorige afleveringen van het Zwols Historisch Tijdschrift heeft Jan van de Wetering geschreven over het effect dat de Eerste Wereldoorlog op
Zwolle had. Nu beschrijft hij hoe het er aan toe ging
in 1916. De schaarste aan levensmiddelen nam
toe, waardoor de prijzen stegen, en de stad werd in
januari geteisterd door hoog water. Maar er werden
ook veel feestjes gevierd.Veel leesplezier!
Coverfoto: Thomas van Kempen aan het werk.
Rechts is Thomas opnieuw afgebeeld, nu samen
met een andere kloosterling. Miniatuur in een
handschrift, 1576.(www.literatuurgeschiedenis.nl/
middeleeuwen/literatuurgeschiedenis)
ZHT3 2016.indd 3 21-9-2016 12:32:07
132 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Het verhaal van de Moderne Devotie
‘Ga niet naar buiten, maar keer in tot jezelf,
daar woont de waarheid.’
Aurelius Augustinus, De vera religione 39,72
S
teden presenteren zich tegenwoordig als
merk. City branding heet dat in het jargon.
Je moet je als een aantrekkelijke stad in de
markt weten te zetten waardoor je interessant
wordt voor bedrijven en toeristen. Het is voor
steden elk jaar weer spannend om te kijken welke
plaats ze in de ranking van de Atlas voor gemeenten innemen. Amsterdam staat daarin steevast op
de eerste plek, Emmen en Heerlen leveren strijd
om de positie van de rode lantaarn. Zwolle stond
dit jaar op de zestiende positie. Niet gek. Maar het
kan altijd beter.
Om het merk Zwolle nog beter te ‘positioneren’ is de hulp ingeschakeld van het Amsterdamse
culturele adviesbureau LAGroup. Eind december
2015 verscheen het concept eindrapport Versterking en samenwerking cultuur historisch domein
waarin drie verhaallijnen worden gepresenteerd
die het ‘overkoepelende Verhaal’ van Zwolle vullen. Het gaat om de verhaallijnen Hanzestad,
Moderne Devotie en Democratie. Er wordt geconstateerd dat er in Zwolle veel instellingen zijn die
zich bezig houden met de cultuurhistorie van de
stad. ‘Het Verhaal’ van Zwolle is echter onvoldoende bekend en wordt daardoor onvoldoende
uitgedragen. Dit verhaal, aan de hand waarvan
de cultuurhistorie eenduidig verteld en vermarkt
zou kunnen worden, is er feitelijk nog niet maar
wordt wel wenselijk geacht. Hoe zo’n verhaal er uit
zou kunnen zien wordt in een heuse elevator pitch
getoond:
‘Wij zijn Zwolle! Ondernemende Hanzestad
voor mensen met een open blik en betrokken
geest. (…) we krijgen de ruimte om te groeien en
te vernieuwen omdat we het elkaar gunnen, maar
ook omdat we hier onszelf mogen zijn. We zijn
doorzetters en vrijdenkers. We zijn niet op onszelf
gericht maar geloven in de som der delen en gunnen elkaar succes en geluk. Onze nuchtere handelsmentaliteit uit de Hanzeperiode en ons tolerante karakter als erfenis uit de Moderne Devotie
vormen de grondleggers van ons hedendaags
DNA en verklaren de successen die we boeken.’1
In ‘Het Verhaal’ zoals LAGroup dat voorstelt,
krijgt de Moderne Devotie de rol toebedeeld van
tegenwicht bieden aan de Hanzementaliteit die
het gevaar in zich bergt al te eenzijdig de nadruk
op economische groei te leggen. De Moderne
Devotie zou met haar ‘kernwaarden’ soberheid,
gehoorzaamheid en kuisheid de mens centraal
stellen en met initiatieven op het terrein van het
zorgen een dam kunnen opwerpen tegen moreel
verval. De Moderne Devotie zou in de late Middeleeuwen de basis gelegd hebben voor de Zwolse
mentaliteit die er nog steeds een van verantwoordelijkheidsgevoel is maar ook tegendraads en
spiritueel.
Moderne Devotie moet dus voor de gemeente
Zwolle een USP, een Unique Selling Point, worden. Waar in de citymarketing goed op gelet moet
worden, is of de gecommuniceerde identiteit wel
overeenkomt met de feitelijke identiteit.2 De vraag
is dus of het beeld dat LAGroup van de Moderne
Devotie schetst de toets der kritiek kan doorstaan.

Het begin
In Zwolle begint het verhaal van de Moderne
Devotie in 1384 als de Deventenaar Geert Grote
(1340-1384) in Zwolle aan de Begijnenstraat
(tegenwoordig Praubstraat) een huis koopt en
dat als broederhuis inricht. Het wordt het arme
klerkenhuis en later het arme fraterhuis genoemd.
De bedoeling is dat het op dezelfde leest geschoeid
Jan Bijlsma
ZHT3 2016.indd 4 21-9-2016 12:32:07
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 133
wordt als de leefgemeenschap die Grote in 1381
in de Engestraat in Deventer had gesticht. Deze
zogenaamde Broeders van het Gemene Leven
hielden zich bezig met bidden, mediteren en het
kopiëren van geestelijke geschriften. Daarnaast
begeleidden ze jongens van de Latijnse school.
Toen enkele broeders van het fraterhuis in
Zwolle te kennen gaven dat ze meer in afzondering wensten te leven, werd hun in maart 1384
door Geert Grote een geschikte plek op de Nemelerberg aangewezen. In 1398 werd dat broederhuis
omgevormd tot klooster. Tot beschermvrouw
werd de heilige Agnes gekozen en de Nemelerberg heette daarom voortaan Agnietenberg. Van
1406 tot aan zijn dood in 1471 verbleef Thomas a
Kempis in dit klooster. In 1387 werd het klooster
Windesheim geopend.
De door Geert Grote geïnitieerde beweging
bleek een groot succes. Pas later kreeg deze beweging de naam Moderne Devotie, wat vertaald kan
worden als ‘innerlijke vernieuwing’ of ‘vernieuwde innigheid’.3
De broeders kregen naast huizen in Nederland, huizen in België en Duitsland. Vanuit het
klooster Windesheim werden talrijke kloosters
gesticht en bestaande kloosters hervormd. Naast
de huizen voor de broeders werden 87 huizen
voor de Zusters van het Gemene Leven gesticht.
Grote’s keuze voor een derde weg
In 1387, drie jaar na Grote’s dood, werd het klooster Windesheim ingewijd. Hoewel binnen deze
instelling ruimte was om zijn opvattingen over
het waarachtige religieuze leven vorm te geven,
was het klooster bepaald niet zijn ideaal. Het was
voor hem een noodoplossing. Voor het geval dat
de toch wel kwetsbare fraterhuizen in hun bestaan
bedreigd zouden worden, zou er een schuilplaats
zijn. Het klooster te Windesheim werd immers
door de toestemming van de bisschop van Utrecht
beschermd.
Wat Grote in vage contouren voor ogen had
staan was een overzichtelijke gemeenschap voor
mannen of voor vrouwen waar men zich binnen een gemeenschappelijke huishouding op de
ontwikkeling van de ‘innerlijke persoon’ zou kunnen richten. Zijn inspiratie voor een dergelijke
leefwijze had hij ontleend aan de beschrijving in
het Bijbelboek Handelingen (4,32) van de eerste
christengemeente:
‘De menigte die het geloof had aangenomen,
was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom
noemde; integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk.’
Het Domus Clericorum
of arme fraterhuis.
(Foto Annèt Bootsma)
Het klooster Windesheim werd tijdens de
Reformatie ontmanteld,
het enige wat resteerde
was (en is) de brouwerij. Tekening uit 1730.
(Schoemaker Atlas,
collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 5 21-9-2016 12:32:09
134 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Grote, geboren in 1340 in Deventer, leek een briljante carrière als geleerde tegemoet te gaan maar
een crisis in zijn leven zorgde ervoor dat hij zich
in 1374 bekeerde. Leven in zelfgekozen armoede
werd voor Grote toen een belangrijk doel. Hij zag
af van zijn kerkelijke inkomsten en stelde zijn huis
aan de Bagijnestraat in Deventer, op één kamer
na, ter beschikking aan arme lieden. Grote had
voor het leven in een klooster kunnen kiezen en
dan een gelofte moeten af leggen om langs die weg
naar religieuze perfectie te streven. De bestaande
kloosterordes sloten echter niet aan bij wat hem
voor ogen stond. Hij zou een nieuwe orde kunnen
stichten, maar deze weg was afgesloten omdat het
kerkelijk recht nieuwe stichtingen verbood.
In plaats van een kloostergelofte af te leggen,
deed hij iets wat later heel gebruikelijk binnen de
Moderne Devotie zou zijn: hij formuleerde een
persoonlijk religieus ontwikkelingsplan:
Conclusa et proposita, non vota, in nomine Domini
a magistro Gerardo edita (Besluiten en voornemens, geen geloften, in de naam des Heren door
meester Geert opgesteld).4 Dit was zijn eigen plan
en de intentie was zijn leven geheel in dienst van
God te stellen. Hij maakte met zichzelf de afspraak
zich niet meer met de ijdele wetenschap in te
laten en niet meer aan openbare disputen mee te
doen. Ook beloofde hij op geen enkele manier,
hetzij door het schrijven van een boek, hetzij door
reizen of studie, naar eerbewijzen te streven. Ook
nam hij zich voor elke dag de mis bij te wonen en
wat daar in de preek gezegd werd op zichzelf toe
te passen, matig te leven, zichzelf te verloochenen
en God te behagen.5 Het was zijn voornemen om
elke dag dit propositum (voorstel) te raadplegen en
eventueel aan te vullen met nieuwe punten.
Uit de vele brieven en preken van Geert Grote
komt duidelijk naar voren dat hij diep doordrongen was van de deplorabele toestand waarin de
kerk zich bevond. De kerk maakte op velen de
indruk een bedrijf te zijn dat zich bijna uitsluitend
om aardse zaken leek te bekommeren. Waar Grote
zich zorgen over maakte, was de verwereldlijking
en veruiterlijking van de kerk. Zo gruwde hij bijvoorbeeld van al de energie die in de bouw van
de Domtoren in Utrecht werd gestoken. In zijn
schotschrift Tegen de toren van Utrecht (Contra
turrim trajectensem) uit 1374 vergeleek hij de
Domtoren met de toren van Babel. Het geld voor
de bouw zou volgens hem beter voor de armen
kunnen worden besteed. Zo’n toren is eigenlijk
een onnut ding dat slechts dient om de klokken
in op te hangen. Zo’n toren leidt alleen maar tot
opschepperij, ijdelheid en hoogmoed.6
Tegenover de veruiterlijking plaatste Geert
Grote de verinnerlijking wat in een bewuste afkeer
van al het wereldse tot uiting kwam. Niet alleen in
woorden distantieerde hij zich van de wereld; ook
in veelzeggende gebaren. Wat hij at, was ronduit
afschuwelijk. Het was ongezouten, vaak aangebrand en opzettelijk met iets onsmakelijks vermengd. Als het zo uitkwam, at hij beschimmeld
brood. Alleen op donderdag waste hij zijn bord af.
De overige dagen liet hij het de kat schoon likken.
De Domtoren te
Utrecht, detail van een
kruisigingstriptiek van
de Meester van Frankfurt, omstreeks 1485
geschilderd. (Internet)
ZHT3 2016.indd 6 21-9-2016 12:32:09
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 135
Ook in zijn kleding liet hij zien dat hij de wereld
verachtte. In zijn talloze malen verstelde grijze pij,
leek hij wel een bedelaar.7 Dit ascetische gedrag
werd door zijn volgelingen zeer op prijs gesteld.
Met zijn preken tegen alles wat er zoal mis was
met de kerk had hij enorm succes. Via aanplakbiljetten werd zijn komst aangekondigd. Ver voor
zijn optreden waren de kerken al vol en dromden
de mensen samen op de kerkhoven om nog maar
iets van de prediking op te vangen. In een brief
aan een van zijn leerlingen vatte hij zijn prediking
als volgt samen:
‘Wat ik altijd vrijwel overal preek is, dat we het
lijden van onze Heer Jezus Christus voortdurend
voor de geest moeten hebben en opnieuw doorleven en dat niet alleen in die zin dat we het door
overpeinzing voor ons oproepen, maar ook en
meer nog, dat we door overgegeven navolging van
zijn boete, smaad en smarten het geheel verwerkelijken.’8
Volgens hem was het klooster niet de ideale plek
om deze navolging vorm te geven. Navolging
moest plaats vinden midden in de stedelijke
samenleving. De zogenaamde status medius, middenpositie of derde weg. Het ging hem om een
gemeenschap waarin het geestelijk leven zich zonder dwang, vrijwillig en in simpele, sobere vormen voltrekt zoals dat ook in de eerste christelijke
gemeente het geval moet zijn geweest.
Hoewel Geert Grote in 1379 zijn geboortehuis
beschikbaar stelde voor vrouwen die in zijn geest
een religieus gemeenschapsleven willen leiden
en die leefden van de opbrengst van het werk van
eigen handen, is de feitelijke totstandkoming
van de frater- en zusterhuizen het werk geweest
van Florens Radewijnsz (1350-1400) en Gerard
Zerbolt (1367-1398). Van cruciaal belang was om
deze religieuze gemeenschappen een juridische
legitimering te geven. Het probleem was dat er
geen nieuwe ordes gesticht mochten worden.
Zerbolt wist evenwel een constructie te bedenken waarmee dit verbod omzeild kon worden:
de ‘gezinsgemeenschap’ van vrome lieden (vaak
leken), waarin de pater familias regels stelt, zonder
dat er bindende geloften werden afgelegd.9 Na
veel juridisch gesteggel gaf de bisschop in 1401
toestemming voor de leefwijze van de Zusters en
Broeders van het Gemene Leven; zonder kloosterregels maar met vastgelegde huisgewoonten.
Zij bezaten alles gemeenschappelijk
Het hebben van eigen bezit is door de eeuwen
heen een heikel punt voor de christelijke kerk
geweest. Had Jezus niet tegen de rijke jongeling
gezegd dat, wilde hij een echte volgeling zijn, hij
zijn bezit moest verkopen en dat aan de armen
moest geven? Ondanks die aansporing was de
kerk in de loop van haar bestaan druk bezig
geweest om enorme schatten op aarde te verzamelen. Het was tegen deze geest dat Geert Grote
ten strijde was getrokken. In de eerste christengemeente hadden de gelovigen toch ook geen
eigen bezit? Vooral de proprietarii, monniken
met eigen bezit, waren hem een doorn in het oog.
Omdat bezit, de zorg voor het bezit en de wens
steeds meer te bezitten, mensen onvrij maakt en
het innerlijk daardoor wordt verwaarloosd, is het
in de nieuwe frater- en zustergemeenschappen uit
den boze. Niet alleen in de frater- en zusterhuizen, maar ook in de aan Windesheim verbonden
kloosters werd er scherp op gelet of er inderdaad
geen bezit werd achter gehouden. Als bij het overlijden bleek dat iemand toch eigen bezit had dan
werd hij niet op het kerkhof begraven en als die
doodzonde pas later aan het licht kwam, dan werd
niet geschroomd het lichaam op te graven en buiten het gewijde kerkhof een plek gegeven.10
De eis dat je afstand deed van alle bezit werd in
de statuten van de frater- en zusterhuizen opgenomen. Als iemand opgenomen wenste te worden in
een dergelijk huis dan werd in het bijzijn van een
notaris vastgelegd dat alle goederen en inkomsten
aan de gemeenschap vervielen. Om later claims
van familie bij het overlijden van de nieuwe frater
voor te zijn, werd ook al een testament opgesteld.
Wie voortijdig vertrok, mocht alleen zijn eigen
kleren meenemen. Kasten, tafel en geldbuidel
waren gemeenschappelijk. Er waren fraterhuizen waarin zelfs niet van ‘mijn’ tuniek gesproken
mocht worden. Niet ‘mijn’ maar ‘onze’ tuniek.11
Het loslaten van eigen bezit was een eerste stap
om de eigen wil te breken. De fraters moesten zich
laten welgevallen dat aan het begin van de vastenZHT3 2016.indd 7 21-9-2016 12:32:09
136 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
tijd de rector alle kamers grondig kwam inspecteren. Onder geen beding mocht iemand geld
bij zich hebben. Om de gemeenschappelijkheid
te bevorderen, mocht niemand aanstoot geven
of met iemand de spot drijven. Speciale vriendschappen waren niet toegestaan. Verwacht werd
dat je voor iedereen even aardig was. Het streven
was er echt op gericht om ‘een van hart en ziel’ te
zijn, zoals men dat in de eerste gemeente geweest
zou zijn.
Niet voor iedereen stond de deur uitnodigend
open. Zo werd aan pas gescheiden mannen en
aan priesters die het wat rustiger aan wilden doen
de toegang geweigerd.12 Eventuele kandidaten
werden beoordeeld op hun gezondheid, leeftijd,
wat ze eerder hadden gedaan en of ze een nuttige
bijdrage konden leveren. Na een proefperiode van
een jaar werd in een toelatingsgesprek getracht
er achter te komen wat de intenties waren. Veel
waarde werd er aan gehecht dat de kandidaat
bereid was zich te laten corrigeren en kritiek te
accepteren. Of anders gezegd: hij moest kneedbaar zijn, dat wil zeggen bereid zijn zichzelf te
vernederen, zich te gedragen als de minste van
allen, het slechtste goed genoeg voor zich te achten, het zwaarste te doen, het minst te nemen, het
onooglijkst gekleed te gaan en zich alles te laten
welgevallen.13 Heel belangrijk was ook de bereidheid om open en eerlijk over eigen zwakheden en
zonden te praten.
Je moest veel van ‘jezelf laten zien’ en je moest
‘feedback’ kunnen geven en kunnen ontvangen.
De zogenaamde correctio fraterna. Je moest bereid
zijn je eigen ik op te geven, het als het ware poreus
maken waardoor het ik in de gemeenschap uit kon
vloeien en de gemeenschap de plek van het ik in
kon nemen.14
Na een dergelijk gesprek werd er gestemd over
toelating. Eenmaal aangenomen werd hun geleerd
hoe je je moest gedragen: hoe je stem te gebruiken, een nederige houding aan te nemen, je de
juiste oogopslag eigen te maken, wanneer je hardop, wanneer je stil moest bidden. De oude manieren moesten ze afleren, openlijk schuld belijden,
zich verootmoedigen, zich laten vernederen, leven
in volslagen gemeenschappelijkheid, nooit over
anderen oordelen en je niet met andermans zaken
bemoeien. Voortaan was het leven geheel in dienst
van God gesteld.15
Wat deze gemeenschappen zo bijzonder maakte,
was dat er zo veel waarde aan goed overleg en
het bereiken van consensus werd gehecht. Geert
Grote had voor het fraterhuis bepaald dat er
maandelijkse vergaderingen waren waar elk lid
van de gemeenschap punten aan de orde kon
stellen. Over zaken als het benoemen van een
rector of een provisor, het aannemen of weigeren
van nieuwe leden, het kopen van land of iemand
opdragen zich tot priester te laten wijden. Als
men het onderling niet eens kon worden dan kon
de rector de beslissing voor zich uit schuiven en
twee gerespecteerde broeders aanwijzen die hem
hielpen om een juiste beslissing te nemen. Aldus
functioneerde een dergelijke gemeenschap als een
mini-republiek waarin de leden er zich bewust
van waren dat ze op basis van vrijwilligheid een
organisatie vormden en in staat waren met stedelijke overheden afspraken te maken.16
‘Heylich is vanden handen te leven’
Met de opvatting dat fraters en zusters arbeid
moesten verrichten om in hun levensonderhoud
te voorzien, namen ze afstand van de praktijk van
de bedelmonniken. Verder werd de hoogst praktische gedachte gekoesterd dat het niet goed is om
altijd maar op geestelijke zaken gericht te zijn. In
de vrouwenhuizen werd door spinnen en weven
geld verdiend, in de fraterhuizen werden boeken
geproduceerd.
Vooral in Zwolle ontwikkelde de boekproductie zich tot een bloeiende onderneming. In
tegenstelling tot de productie van de vrouwenhuizen die voor de gilden een bedreiging vormden,
was de productie van boeken een onderneming
die door de stedelijke overheid zeer op prijs werd
gesteld, zozeer zelfs dat ze de officiële kopiisten
van de stedelijke wetsdocumenten werden.
Veel van wat de devote mannen en vrouwen
geschreven hebben, is verloren gegaan, maar op
basis van wat resteert komt Frits van Oostrom tot
de schatting dat de totale productie op ongeveer
600.000 exemplaren moet worden geschat.17
Volgens Van Oostrom zijn de devoten op één terZHT3 2016.indd 8 21-9-2016 12:32:09
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 137
rein echt vernieuwend geweest. Vanaf het begin
hebben ze zich gericht op tweetalige verspreiding
van hun geschriften. Ze hebben daarmee ingespeeld op een groeiende behoefte aan stichtelijke
literatuur bij de stedelijke bevolking. De devotiebeweging heeft met haar geschriften de grens
gepasseerd die er tussen geestelijkheid en leken
bestond, namelijk tussen het Latijn en de volkstaal. Daarmee hebben de devoten onbedoeld een
weg gebaand voor de latere Reformatie. Ik zeg
onbedoeld omdat de devoten trouwe katholieken
waren die geen moment het gezag van de paus in
twijfel hebben getrokken, streng aan de leer van
de kerk vasthielden, in de werking van aflaten
geloofden en met een sterk geloof aan heiligen.18
Naast de zorg voor de eigen ziel, hadden de
broeders van de fraterhuizen veel oog voor het
zielenheil van anderen. Op zon- en feestdagen
hielden ze vermanende toespraken voor belangstellende burgers. Er werd dan een tekst in de
volkstaal voorgelezen met sterk moraliserende
trekken die meestal over zonden en deugden ging
en over de hellestraffen als je in je zondig leven
bleef volharden.19
Er was één groep die hun speciale aandacht
had: de leerlingen van de Latijnse school. In Zwolle en Deventer waren Latijnse scholen gevestigd
die grote bekendheid genoten. In Zwolle was het
Joannes Cele – een vriend van Geert Grote – die
de school op een hoog niveau had weten te brengen. Vanuit de verre omtrek waren de leerlingen
afkomstig.
Er waren jaren dat de school wel door achthonderd leerlingen bezocht werd. Op een inwonertal van rond de vijfduizend bracht dat heel wat
organisatie met zich mee. Het valt te begrijpen
dat er nog wel eens het nodige mis kon gaan en de
jongens konden gemakkelijk slachtoffer van uitbuiting worden. Zowel in Deventer als in Zwolle
waren er meelevende burgers die zich over deze
jongens ontfermden en voor onderdak, voeding
en veiligheid zorgden. Ook de fraters hebben zich
om deze jongens bekommerd. Voor onbemiddelde jongens werd het zogenaamde ‘arme fraterhuis’
opgericht en voor de leerlingen die wél konden
betalen het ‘rijke fraterhuis’. De stadsbesturen van
Zwolle en Deventer waren zeer ingenomen met
deze initiatieven. De fraters zorgden voor wat je
‘naschoolse opvang’ zou kunnen noemen. Het
huiswerk werd gemaakt en er was veel aandacht
voor het bijbrengen van de juiste mores. Ze moesten onder andere leren elkaar te bekritiseren. De
jongens waren in een leeftijd (12 tot 19 jaar) waarin seksuele gevoelens ontluiken. De fraters zagen
het als hun taak om ze ook op dit terrein mores te
leren. De zweep werd daarbij niet geschuwd.
Voor de fraters was de opvang van rijke leerlingen
niet alleen een interessante bron van inkomen, er
De boekproductie in
de fraterhuizen steeg
kwantitatief en kwalitatief tot grote hoogte.
Hier zielen in het vagevuur, het begin van de
Vigilie. (Sarijs handschrift, collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 9 21-9-2016 12:32:11
138 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
speelde nog iets anders. Ze voelden zich namelijk
geroepen om al die opgroeiende jongens na te
laten denken over hun toekomst. Voor veel ouders
van deze jongens was de Latijnse school het voorportaal tot de universiteit of een carrière binnen
de kerk. In hun begeleidingsgesprekken met de
jongens probeerden ze die op andere gedachten
te brengen. Ze waarschuwden voor ijdele ambitie
en eenzijdige gerichtheid op carrière. ‘Ga niet
naar buiten, maar keer in tot jezelf, daar woont de
waarheid’ was hun advies aan de jongens in navolging van de voor de devoten zo belangrijke kerkvader Aurelius Augustinus (354-430). Wanneer ze
er in slaagden iemand van een wereldlijke carrière
af te houden dan waren ze zeer verheugd en dan
was het alsof ze net op tijd een ziel uit de klauwen
van de duivel hadden gered.20
Het oordeel over de opvoedingstaken van de
fraters is over het geheel genomen positief. Het
vermelden waard is echter wel de hoogst negatieve
waardering van Erasmus voor het onderwijs van
de devoten. Op 26-jarige leeftijd kwam hij op het
Collège Montaigu in Parijs dat door de devoot Jan
Standonck geleid werd. Hij deed dat met harde
hand: slecht voedsel, slecht onderdak, slaag en
vernedering van de leerlingen die in het hospitium voor arme studenten leefden. Dertig jaar
later dacht Erasmus nog altijd met afschuw aan
die periode. Binnen het jaar was hij weg uit die
instelling, waar volgens hem de wanden een theologengeest bezitten.21
Gerard Zerbolt (1367-1398)
Innerlijke vernieuwing; daar was het de devoten
om te doen. Ze waren niet de enigen die aan het
eind van de veertiende eeuw door dit ideaal gedreven werden, maar wat zo specifiek voor de door
Geert Grote gestichte ‘gezinsgemeenschappen’
was, was dat het boek zo’n prominente rol speelde
in de dagelijkse praktijk. Het dagelijks ritme van
de fraters en de zusters werd van ’s ochtends vroeg
tot ’s avonds laat beheerst door boeken en nog
eens boeken. Kenmerkend was dat ze niet, zoals
in de bestaande kloosterordes, gebonden waren
aan een verplichte lijst maar de ruimte kregen om
naar eigen behoefte literatuur te verzamelen en te
bestuderen.22 Van iedereen werd namelijk naar
De broeders aan het
werk, hier twee keer
verbeeldt in de persoon
van Thomas a Kempis.
Miniatuur in een handschrift van de Imitatione Christi, 1576.(www.
literatuurgeschiedenis.
nl/middeleeuwen/literatuurgeschiedenis)
Het eerste fraterhuis in
Zwolle. Later herbouwd
als onderkomen voor de
rijke, betalende, scholieren van de Latijnse
school. (Collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 10 21-9-2016 12:32:11
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 139
het voorbeeld van Geert Grote’s propositum, een
persoonlijk religieus ontwikkelingsplan verwacht.
Bij het lezen ging het niet om vergaren van kennis,
maar om geestliker tymmeringe (geestelijk timmerwerk).23 Wederopbouw van het zelf, groeien
in de deugden; daar was het om te doen. Nauwgezet je eigen ontwikkeling en die van anderen in
de gaten houden. Een belangrijk middel in je weg
naar zo groot mogelijke perfectie was het noteren
in zogenaamde rapiaria van uitspraken die je
raakten en die zo vaak als dat kon te herkauwen
(ruminare).
Om een idee te krijgen van het soort teksten
waarin de fraters aan de Praubstraat zich verdiepten loont het de moeite de De Spiritualibus Ascensionibus (Over Geestelijke Opklimmingen) van
Gerard Zerbolt te lezen. Dat we sinds enkele jaren
toegang tot deze heel bijzondere tekst hebben,
is te danken aan de vertaling en toelichting van
Rudolf van Dijk. Geestelijke opklimmingen is een
op morele verbetering gericht oefenboek. Het uitgangspunt is dat de devoot met de uiterlijke mens
die in de innerlijke mens heerst de strijd aan moet
binden. Deze strijd moet op systematische wijze
worden aangepakt. Het startpunt is dat moet worden ingezien dat de vermogens van de ziel door de
erfschuld ontwricht zijn waardoor de ondeugden,
zonden, vrij spel hebben. Deze ondeugden hebben onder leiding van hun koningin hoogmoed
hun legertenten in de vermogens van de ziel opgeslagen.24 Het uiteindelijk doel van de geestelijke
opklimming is het in relatie treden met Jezus om
zodoende aan een god-menselijke werkelijkheid
deel te krijgen. Die weg naar boven vraagt veel
geduld en doorzettingsvermogen. Er moet namelijk voortdurend strijd worden geleverd. Zo kom
je onderweg de ondeugd van de hebzucht tegen
met haar dochters verraad, bedrog, ronddwalen,
meineed, onrust, verharding van het hart. Om
de hebzucht te overwinnen moet de deugd van
de armoede worden nagestreefd, wat plaatsvindt
op een drietal niveaus. Als beginneling moet je
streven naar tevreden zijn met het rechtmatige,
als gevorderde tevreden met het hoognodige en
op het niveau van de volmaakte wil je niets meer
bezitten.25 En zo moet dan de geestelijke bergbeklimmer eveneens de resterende zes ondeugden
met evenzovele waarachtige deugden bestrijden.
Als de aandacht mocht verslappen dan moet
motivatie worden geput uit het overpeinzen van
de vier uitersten: dood, oordeel, hel en hemel.
Sowieso was opwekking tot ‘schrik voor den dood,
tot vrees voor het oordeel, tot angst voor de hel en
De heilige Augustinus
in contemplatief gebed,
fresco rond 1480 door
Sandro Botticelli,
Florence. (Internet)
ZHT3 2016.indd 11 21-9-2016 12:32:12
140 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
tot liefde voor het hemelsch vaderland’ erg geliefd.
Zo werd tijdens de gezamenlijke maaltijd in het
klooster Windesheim veelvuldig uit het Cordiale
van Gerard van Vliederhoven voorgelezen dat
heel gedetailleerd de helse folteringen beschrijft.26
Gerard Zerbolt is voor de Moderne Devotie van
grote betekenis geweest. Niet alleen door zijn
geschriften op het terrein van systematische meditatie heeft hij zich verdienstelijk gemaakt, maar
ook door zijn grondige kennis van het canonieke
en het Romeins recht. Door het bestaan van de
fraterhuizen juridisch te legitimeren heeft hij het
voortbestaan ervan veilig weten te stellen.
Dat Gerard Zerbolt soms wel heel sterk op het
innerlijk was gericht, komt naar voren in de volgende anekdote. Als hij naar de kerk ging kon hij
zo in zichzelf gekeerd zijn dat hij voorbijgangers
gewoon niet zag. Toen iemand hem eens vroeg
of die voorbijgangers hem niet hinderden, was
zijn reactie: ik zie wel iets maar ik denk dan altijd
er een kudde zwijnen passeert. Wat gaat mij het
uiterlijk van mensen toch aan.27
Gerlach Peters (1378-1411)
Voor veel devoten werd het aardse bestaan
als een verblijf in een vreemd, vijandig land
beschouwd, waarin men gemakkelijk de weg
kwijt kon raken en bekoord kon worden door
allerlei verlokkingen waardoor men van het
eigenlijke doel van het leven – terugkeer naar
het hemels vaderhuis – uit het oog kon verliezen.
Omdat dit streven vaak gericht was op een zeer
intieme ontmoeting met God kan de Moderne
Devotie onder de rubriek van de mystiek worden
gerangschikt. Talloos zijn de beschrijvingen van
broeders en zusters die tijdens hun droevige
pelgrimage in het aardse tranendal al een voorproefje hebben van eenwording met God. Zo
heeft zuster Stijne Zuetelinks uit Deventer het
over ‘het vastgeplakt worden aan God’ als een
ultieme ervaring.28 Ook plastische uitdrukkingen als ‘het rusten in de wonden van onze lieve
Heer’, ‘overstort te zijn met het hete, dierbare
bloed van Christus’, ‘verenigd te zijn met Hem’
en ‘verslonden in Hem’ duiken regelmatig op in
allerlei beschrijvingen.29
Mystiek van een beduidend hoger niveau is
te vinden in het werk van Gerlach Peters die via
Florens Radewijnsz in het klooster Windesheim
terecht was gekomen. Volgens de overlevering
moet hij een allerbeminnelijkst mens zijn geweest
en het kon zomaar tijdens een wandeling met
medebroeders in de boomgaard gebeuren dat
er een ‘hogere bezieling’ in hem opkwam. Hij
verontschuldigde zich dan met woorden als
‘Broeders, ik moet naar mijn cel, daar wacht
mij iemand.’ De vrucht van die ontmoetingen
vertrouwde hij toe aan stukjes lei, strookjes perkament en papier. Na zijn dood werden al die
fragmenten verzameld en gebundeld onder de
titel Soliloquium (Alleenspraak). Het Soliloquium
is een op de mystieke vereniging gerichte verhandeling. Een goede samenvatting geeft het volgende
citaat uit genoemd werk:
‘Tenslotte zal ik met mijn vernieuwde wil al
wat mij te doen staat wakker en gezwind aanpakken. Mijn ziel zal er zich dagelijks toe inspannen
vorderingen te maken in God, zich te ontdoen van
zichzelf, en zich geheel te verliezen, om zichzelf
nooit meer te kunnen terugvinden, en te komen
tot die diepe vernietiging of verwerping van zichzelf, zodat zij zichzelf en alle dingen afsterft in
God, uit God leeft en alles door Hem volbrengt.’30
Peters is er van overtuigd dat als de ziel uit de
verwarrende wereld wil vertrekken naar het
gebied van de vrede er geen andere weg is dan
die van het kruis van Christus. Hij wil er daarom
naar streven om verborgen en verworpen te zijn,
van geen betekenis, arm en verachtelijk. Slechts
door uiterlijke gelijkvormigheid aan de armoede
en de eenvoud van de Heer Jezus bestaat dan de
mogelijkheid dat God in ons gemoed komt zetelen.31
De Imitatione Christi
Waar De Imitatione Christi (De Navolging van
Christus) wordt gelezen, werkt de Moderne
Devotie door, aldus de kerkhistoricus Otto de
Jong. Inderdaad, De Navolging kan met recht het
kroonjuweel van de Moderne Devotie worden
genoemd. De status van dit boek is onaantastbaar. Er bestaan meer dan 3000 verschillende
ZHT3 2016.indd 12 21-9-2016 12:32:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 141
edities van dit werk en het behoort tot de meest
vertaalde en meest gedrukte boeken. Zelfs Johan
Huizinga die in zijn Herfsttij der Middeleeuwen de
devoten als een groep ‘eenvoudige mannetjes en
vrouwtjes wier grote hemel zich welfde boven een
minuscuul wereldje ’ had weg gezet, had een grote
bewondering voor de Navolging. Het eentonige
ritme van de tekst maakt op hem de indruk ‘als de
zee op een zachten regenavond of het zuchten van
den wind in de herfst.’32
De tekst is niet van één persoon, maar is een
bundeling van stichtelijke overdenkingen, rapiaria, die in kringen van devoten circuleerden
en uiteindelijk door Thomas a Kempis geredigeerd en gebundeld zijn. Net als bij de hierboven
behandelde geschriften van Zerbolt en Peters is
de grondgedachte dat de wereld waarin we leven
beheerst wordt door ijdelheid. Deze wereld moet
daarom veracht worden.33 Niet alleen de wereld
moet veracht; ook wie zichzelf goed kent, wordt
in zijn ogen een waardeloos wezen.34 In navolging
van Peters moet er serieus werk van het ‘uitwieden
van ondeugden’ worden gemaakt.35 Ook de banden met vrienden en bekenden moeten worden
losgemaakt.36 Uiteindelijk gaat het om de bereidheid om het kruis te dragen, wat inhoudt dat alle
tegenslagen, vijandschap, ongemakken, smaad en
ellende geduldig worden ondergaan. Om met God
één te worden in een altijddurende liefde moet
‘de koninklijke weg van het heilig kruis’ betreden
worden:37
‘Want God wil, dat gij beproevingen leert
dragen zonder vertroosting, en dat gij u algeheel
aan Hem onderwerpt en door de beproeving
nederiger wordt. Niemand ervaart zo hartgrondig
het lijden van Christus als degene aan wie soortgelijk lijden overkomt. Het kruis staat dus altijd
gereed en het wacht u overal. Gij kunt er niet aan
ontvluchten, waar gij ook heen rent, want overal
waar gij komt, draagt gij uzelf mee en zult gij altijd
uzelf vinden. Wend u naar boven, wend u naar
beneden, wend u naar buiten, wend u naar binnen; altijd en overal vindt gij het kruis en gij moet
overal uw verduldigheid bewaren, indien gij de
innerlijke vrede wilt hebben en de eeuwige kroon
wilt verdienen.’38
Noli foras ire
Noli foras ire. Ga niet naar buiten, maar keer
in jezelf, daar woont de waarheid. De devoten
zijn altijd trouw gebleven aan dat advies van de
kerkvader Augustinus. Het sleutelwoord van het
Incipit tractatus devotus de reformatione
virium animae (Hier
begint het tractaat
gewijd aan de hervorming van de ziel), de
eerste pagina van een
geschrift van Gerard
Zerbolt. (Internet)
ZHT3 2016.indd 13 21-9-2016 12:32:13
142 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
verhaal van de Moderne Devotie is dan ook verinnerlijking. Je moet innerlijk vorderingen (profectus) maken, wat je met een aantal gelijkgestemden
– mannen en vrouwen strikt gescheiden – in een
communeachtig verband doet. Om de stedelingen
te tonen dat alleen het innerlijk er toe doet, draag
je opzettelijk kleding en schoeisel van inferieure
kwaliteit.39 Door alles gemeenschappelijk te hebben en van de eigen arbeid te leven, doe je de geest
van de eerste christengemeente herleven.
Titus Brandsma (1881-1942), de grote kenner
van de Nederlandse mystiek, wist in zijn rede ter
gelegenheid van de Geert Grote-herdenking in
1940 in Deventer de kern van de Moderne Devotie nog iets pregnanter te formuleren als ‘een keer
naar den Heer’. Voor Brandsma was Geert Grote
en daarmee de Moderne Devotie ‘een lichtend
voorbeeld ook voor dezen tijd, waarin ook al te
ver doorgevoerd zingenot en al te hooger waardering van het geld opnieuw roepen om “een keer
naar den Heer”.’40
In het rapport van LAGroup spelen deze aspecten
in ‘het overkoepelend Verhaal’ geen enkele rol.
Wel worden als kernwaarden ‘soberheid, gehoorzaamheid en kuisheid’ genoemd, maar wat men
daar precies mee wil, blijft onduidelijk. Het kan
natuurlijk zijn dat gehoorzaamheid en kuisheid in
het Zwolse DNA zit, daar wil ik van af zijn.
Geen verinnerlijking, geen keer naar de Heer,
maar wel zorg en tolerantie spelen een rol in het
verhaal van de citymarketeers. Ja, zorgen dat
deden de fraters en zusters wel voor elkaar, maar
zorgen was niet hun primaire streven. LAGroup
adviseert initiatieven op het terrein van het zorgen
te ontplooien om zo een dam tegen moreel verval
op te werpen. Het is onduidelijk wat de lezer zich
hierbij voor moet stellen.
En wat wordt er in die snelle elevator pitch
eigenlijk met het ‘tolerante’ karakter van de Zwolse gemeenschap bedoeld? In de Oudheid en de
Middeleeuwen betekent het Latijnse werkwoord
tolerare zoveel als het verdragen van lichamelijk
en psychisch onrecht in de vorm van foltering,
pijn of natuurrampen. Pas later kreeg het de betekenis van verdraagzaamheid jegens andersdenkenden. De Zwollenaar zou een tolerant karakter
hebben. Uit zich dat soms in dragen zonder klagen of in het openstaan voor mensen met radicaal
andere opvattingen?
In het begin van dit artikel werd de vraag
geponeerd of het door de citymarketeers van de
LAGroup gepresenteerde verhaal van de Moderne
Devotie de toets der kritiek kan doorstaan. Het
antwoord luidt: nee. De gecommuniceerde identiteit komt niet overeen met de feitelijke identiteit. Het verhaal rammelt omdat de devoten een
modern jasje krijgen aangemeten dat hun niet
past. Dat valt te betreuren omdat het verhaal van
de Moderne Devotie een ijzersterk verhaal is. De
Gravure van Thomas a
Kempis, door T. Mensinck, eind zeventiende
eeuw. In de rand staat
een zinspreuk van Thomas: In omnibus quasivi, et nusquum inveni,
nisi in angello cum
libello (Ik heb overal rust
gezocht en het nergens
gevonden, behalve in een
hoekje met een boekje).
(Foto collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 14 21-9-2016 12:32:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 143
devoten hebben met hun frater- en zusterhuizen
op een inventieve wijze getracht de kerk van binnen uit te hervormen. Hun streven naar innerlijke
vernieuwing heeft voor een grondige kloosterhervorming gezorgd en een voortzetting gevonden
in de spiritualiteit van de Jezuïeten. En zo is de
erfenis van Geert Grote, Gerard Zerbolt, Gerlach
Peters en Thomas a Kempis wel degelijk iets om
als stad trots op te zijn. ‘Een keer naar de Heer’
ligt uiteraard niet op de weg van de gemeentelijke
overheid. Wat wel tot haar taak gerekend mag
worden is het koesteren van wat van deze beweging in de vorm van gebouwen en kostbare handschriften resteert en deze op een zo aantrekkelijk
mogelijke manier voor een geïnteresseerd publiek
te presenteren.
Literatuur
Acquoy, J.G.R. (1984) Het klooster te Windesheim en zijn
invloed. Deel 1, I en II). (Herdruk van de uitgave
Utrecht 1875-1880).Leeuwarden: Gerben Dijkstra.
Augustijn, C. (1988). ‘Erasmus en de Moderne Devotie’.
In: P. Bange (red.), De doorwerking van de Moderne
devotie : Windesheim 1387-1987. Hilversum: Verloren.
Delprat, G.H.M. (1830). Verhandeling over de Broederschap van Geert Groote en over den invloed der
fraterhuizen op den wetenschappelijken en godsdienstigen toestand voornamelijk van de Nederlanden na den XIV. Eeuw. Utrecht: Joh. Altheer.
Dijk, R. van (2002). De Moderne devotie. Haar invloed
in de negentiende en twintigste eeuw, In: Overijsselse Historische Bijdragen 117 (2002) 7-50.
Enghen, J. van (2008). Sisters and Brothers of the Common life. The Devotio Moderna and theWorld of
In het Zwolse fraterhuis
vervaardigd handschrift, tweede helft
vijftiende eeuw. (Sarijs
handschrift, collectie
HCO)
ZHT3 2016.indd 15 21-9-2016 12:32:16
144 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
the Later Middle Ages. Pennsylvania: University of
Pennsylvania Press.
Goudriaan, K. (red.) (2008). Vernieuwde innigheid.
Over de Moderne Devoten, Geert Grote en Deventer.
Nieuwegein: ARKO
Huizinga, J. (1963) tiende druk. Herfsttij der Middeleeuwen. Haarlem: Tjeenk Willink en zoon.
Jong, O.J. de (1988). In: P. Bange (red.), De doorwerking
van de Moderne devotie : Windesheim 1387-1987.
Hilversum: Verloren.
Joosse, U. (2007). Van de (vier) Uitersten. Een onderzoek
naar de functie van de tekst ‘Van de (vier) Uitersten
aan de hand van een analyse uit het handschrift LTK
268 uit de Universiteitsbibliotheek in Leiden. Doctoraalscriptie Mediëvistiek. Universiteit Utrecht.
Kempis, Thomas a (1985). De navolging van Christus.
Vertaald door Gerard Wijdeveld. Antwerpen: De
Nederlandse Boekhandel; Kampen: Kok Agora.
Lücker, M.A. (1950). Meister Eckhart und die Devotio
Moderna. Leiden: E.J. Brill.
Oostrom, F. van (2013). Moderne devoten in tekst en
context. 7e Thomaslezing gehouden op 12 december 2013. http://thomasakempis.nl
Post, R.R. (1967). Geert Grootes Tractaat ‘Contra Turrim Trajectensem’ teruggevonden. ’s Gravenhage:
Martinus Nijhoff.
Post, R.R. (1968). The Modern Devotion. Confrontation
with Reformation and Humanism. Leiden: Brill.
Romein, J. en A. (1959). Erflaters van onze beschaving.
Nederlandse gestalten uit zes eeuwen. AmsterdamAntwerpen: Wereldbibliotheek.
Swart, K. en P. Koppen (2015). Gemeente Zwolle. Versterking en samenwerking cultuur historisch domein
(Concept). Amsterdam LAGroup.
Vos, C.F. (1866). De leer der vier uitersten. Academisch
proefschrift. Hoogeschool te Utrecht. Amsterdam:
Y. Rogge
Zerbolt van Zutphen, Gerard (2011). Geestelijke opklimmingen. Een gids voor de geestelijke weg uit de vroege
Moderne Devotie. Vertaald, ingeleid en toegelicht
door R.Th.M. van Dijk O. Carm. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Noten
1. Swart en Koppen 23
2. www.citymarketingonline.nl/ wat is citymarketing
3. Zerbolt
4. Acquoy 26
5. Acquoy 27
6. Post (1967)
7. Acquoy (I) 53
8. Romein 39
9. Van Enghen 305
10. Acquoy 281
11. Van Enghen 174
12. Van Enghen 174
13. Acquoy (II) 284
14. Van Enghen 186
15. Van Enghen 196
16. Van Enghen 199
17. Van Oostrom 3
18. Acquoy (II) 262
19. Van Enghen 284, 285
20. Van Enghen 151
21. Augustijn 73
22. Van Enghen 278
23. Van Enghen 301
24. Zerbolt 123
25. Zerbolt 129
26. Joosse 37
27. Lücker 58
28. Van Enghen 304
29. Acquoy (II) 307
30. Weiler 42
31. Weiler 43
32. Huizinga 238
33. Kempis I,1,12
34. Kempis I,2,3
35. Kempis I,3,24
36. Kempis I,20,30
37. Kempis I,3,10
38. Kempis II, 12, 18-23
39. Van Enghen 269
40. De Jong 289
ZHT3 2016.indd 16 21-9-2016 12:32:16
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 145
Wim Buurlage: organisator en stadsomroeper
Jos Buurlage Een zwoele zomeravond in het begin van de
jaren zestig. Een vol plein in Zwolle. Dat
kan het Nachtegaalplein zijn, het Assendorperplein, het Rodetorenplein, maar ook een
locatie in een nieuwe wijk, zoals het Simon van
Slingelandtplein in Dieze-Oost. Jonge wielrenners duwen hun fietsen met dikke banden door
de menigte, op weg naar huis. Ze hebben na de
etappe van de Ronde rond Zwolle even moeten uithijgen. Gewoontegetrouw is het tempo beschaafd,
totdat de grens van Zwolle in zicht komt. De rondeleider formeert een kopgroep van vijf renners,
die met de tong op het stuur moeten proberen
in de Zwolse straten het razende peloton voor te
blijven.
Als zij arriveren, is het publiek door de commentator al opgewarmd. De rondeleider neemt
naast hem op het podium plaats. De leiders in de
klassementen krijgen een frisse trui en een kus
van de rondemiss. Maar daar is het merendeel van
de toeschouwers niet voor gekomen. Zij zien uit
naar de prijzenregen. Medewerkers van de ronde
mengen zich onder het publiek. Zij fungeren als
Mister X. De rondeleider geeft instructies. ‘Mister
X, u zet drie passen naar voren, nu gaat u twee
passen naar rechts en u geeft een envelop aan de
dichtstbijzijnde dame aan uw rechterhand. Mister
X, u huppelt nu vier passen vooruit; de envelop is
voor de meest nabije heer met een hoed voor u.’
Na ongeveer tien minuten komen de gelukkigen met de enveloppen op het podium. De rondeleider bekijkt de inhoud. Een deel van de winnaars
krijgt de prijs meteen. Dat kan een schemerlamp
zijn of een bon voor een pakket levensmiddelen.
De rondeleider heeft beroepshalve zoveel theatervoorstellingen bijgewoond, dat hij perfect
weet hoe hij de spanning kan opbouwen. Andere
winnaars krijgen daarom het verzoek even te
wachten. Die worden benijd door het publiek.
Hun wacht een grote prijs. Dat kan een radio zijn,
een gashaard, een reis (zes dagen naar de Moezel),
maar het meest begerenswaardig is in die dagen
de wasmachine.
Die rondeleider, Wim Buurlage, is een bekende Zwollenaar. Men kan hem kennen van de vele
bals die hij leidt. Van de sportevenementen die
hij van commentaar voorziet. Van de tentoonstellingen, waar hij de dagelijkse leiding heeft. Van het
door hem gepresenteerde Oranje-koffie-uurtje op
het Grote Kerkplein op Koninginnedag. Ook van
zijn winkel in de Luttekestraat, waar hij televisies
verkoopt met een onovertroffen beeldkwaliteit.
En natuurlijk van zijn geluidswagen, waarmee hij
vaak door Zwolle rijdt, om bijvoorbeeld een concours hippique of een operettevoorstelling aan te
kondigen.
Jeugd
Wim Buurlage werd in 1923 geboren in Groningen, in een goed katholiek gezin. Zijn beste
vriend was Gerard Veringa, later minister van
Onderwijs en Wetenschappen. Samen waren ze
misdienaar. Samen waren ze ook bij de padvinderij. Vader Joost Buurlage was filiaalhouder van
de VELO, een bedrijf dat wasmachines maakte en
die in eigen winkels verkocht, samen met fietsen,
radio’s, speelgoed en huishoudelijke artikelen. In
1938 waren er al honderd van deze kleine warenhuizen. Zo’n filiaalhouder leidde het bestaan
van een moderne nomade. Joost werd in 1926
overgeplaatst naar Assen. Op zondag zette hij vijf
stoelen in zijn motorbakfiets, waar echtgenote en
kinderen op plaatsnamen, en zo reed het gezin
naar Groningen voor familiebezoek. Later mocht
hij opnieuw een filiaal in de Martinistad leiden.
Maar niet voor lang. De volgende halte was in
1937 Kampen; het eindstation werd in 1938 de
Diezerstraat (nr. 57) in Zwolle.
ZHT3 2016.indd 17 21-9-2016 12:32:16
146 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Wim bezocht hier de St. Antonius MULO aan
de Grote Baan. Hij had de capaciteiten om door
te stromen naar de HBS. Zwolle had echter nog
geen katholieke HBS, zodat die optie verviel. Hij
ging aan de slag als laborant in de azijnfabriek van
Schaepman. Niet voor lang. De VELO stond het
filiaalhouders toe naast hun werk een eigen nering
te drijven. De voorganger van vader Buurlage had
een radiowinkel geopend, die zo goed liep dat
hij volledig kon overstappen. Door dit voorbeeld
geïnspireerd huurde Joost Buurlage in 1939 een
winkelpand op de hoek van de Kamperstraat en
de Van Hattumstraat, nu in gebruik bij Olland.
Zijn radiowinkel vernoemde hij naar zoon Wim.
De combinatie van de eerste twee letters van vooren achternaam leidde tot Radio Wibu.
Zo werd de zestienjarige laborant winkelier,
op het hoogtepunt van de economische crisis.
Hij was het gezicht van de winkel. Zijn vader was
vooral op de achtergrond actief. Diens belangrijkste bezigheid bleef het leiden van het VELOfiliaal. Wim verkocht luxeartikelen als radio’s en
grammofoons. Maar ook onderdelen voor de vele
radioamateurs en goede tweedehands apparaten
voor mensen met een smalle beurs. Bovendien
ontwikkelde Wim zich door cursussen al snel
tot een bekwaam reparateur. Geluidsversterkers
waren destijds schaars. Toch slaagde hij erin een
Philips-versterker met een uitgangsvermogen van
40 watt te verwerven, die hij met microfoons, luidsprekers, een grammofoon en een collectie platen
ging verhuren. Vooral orkesten waren geïnteresseerd. Doordat de solisten nu achter een microfoon konden plaatsnemen, hoefden de musici hun
volume niet meer te dempen.
Sport was voor de familie Buurlage belangrijk.
Vader Joost voetbalde in zijn jonge jaren bij GVAV
Rapiditas, voorloper van FC Groningen. Hij nam
ook deel aan motorraces. Zoon Wim deed aan
atletiek bij PEC. Hij blonk uit in hardlopen en
bezat zeer lange tijd het clubrecord verspringen.
Hij was een belangrijke kracht in het estafettekwartet. Zijn fascinatie voor sport zou hem niet
meer loslaten.
Oorlog en bevrijding
In het midden van de oorlog verhuisde de winkel
naar Luttekestraat 30, het pand van sigarenwinkelier Pieper. Die had nauwelijks nog iets te verkopen en besloot het pand te verhuren. Aan het
fraaie winkelinterieur, een combinatie van Art
Nouveau en Art Deco, mocht de huurder niets veranderen. Daardoor beschikte Wim waarschijnlijk
als enige radiowinkelier over een hoge droogkast
Radio Wibu op de hoek
van de Kamperstraat en
de Van Hattumstraat,
1939. (Collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 18 21-9-2016 12:32:17
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 147
voor sigaren. Niet alleen in de sigarenhandel, ook
in de radiobranche waren de goederen schaars.
Dat blijkt uit het relaas van Hennie Meijer, later
bekend als jazzgitarist en als schrijver, onder het
door Gerard Reve bedachte pseudoniem Henk
Romijn Meijer. In de oorlog behoorde Meijer als
scholier tot de klantenkring van Radio Wibu.
Hij haalde herinneringen aan die tijd op in zijn
bundel Een blauwe golf aan de kust (1986). Onze
gemakkelijk te herkennen hoofdpersoon heet
hier ‘Willem Muiswinkel’, zijn bedrijf ‘Wilmuis’.
Een deel van de beschreven activiteiten blijkt te
bestaan uit ruilhandel. Een goede Amerikaanse
jazzplaat is bijna onbetaalbaar. Maar Muiswinkel is bereid zo’n plaat te ruilen tegen twee door
de klant meegebrachte platen, mits hij die kan
gebruiken.
In 1943 maakte de bezetter een hardhandig
einde aan de handelsactiviteiten van Radio Wibu.
Wim Buurlage werd opgepakt, voor de Arbeitseinsatz. De winkel werd dichtgetimmerd. Wim
belandde in Duitsland eerst in de gevangenis en
later werd hij tewerkgesteld op een boerderij.
Vooral de ervaringen in gevangenschap werkten
traumatiserend. Ze lieten levenslang sporen na.
De buitenwereld merkte daar echter weinig tot
niets van. In mei 1945 keerde hij terug in Zwolle
en meteen ging hij energiek aan de slag. Op 12 mei
1945 liet hij in het Zwols Nieuws- en Advertentieblad weten: ‘Radio Wibu zet haar bedrijf met 100
procent capaciteit voort.’ Die capaciteit benutte hij
aanvankelijk vooral bij het verhuren van geluidsinstallaties. De Canadese bevrijders zorgden voor
veel werkgelegenheid. Voor een grote manifestatie op het Gemeentelijk Sportpark leverde hij de
apparatuur, die door de militairen werd geïnstalleerd. Op de tribune bekeek hij tevreden hoe ze de
luidsprekers ophingen, genietend van een door de
bevrijders aangeboden rokertje. Hij had wel andere ervaringen opgedaan met mannen in uniform.
Befaamd waren de feesten van de Canadezen
in hotel Van Gijtenbeek aan het Stationsplein.
Terwijl voedsel nog zeer schaars was, konden de
gasten daar genieten van een buffet dat ook nu
nog het predicaat luxe zou verdienen. De muziek
werd verzorgd door jonge Zwolse jazzmusici, met
saxofonist Jan Voerman voorop. Die muziek kon
natuurlijk niet zonder geluidsversterking. Die
werd in hotel Van Gijtenbeek, ook in de decennia daarna, altijd verzorgd door Wibu. Musici
en geluidstechnicus prikten uiteraard graag een
vorkje mee van de buffetten.
De atletiek pakte Wim niet meer op. Hij ging
nu voetballen bij PEC. Veel tijd had hij daar overigens niet voor, want in zijn bedrijf was hij in de
jaren na de oorlog creatief en dynamisch bezig.
Omdat er maar weinig radiotoestellen op de
markt kwamen, besloot hij die zelf te gaan fabriceren. Het pand aan de Luttekestraat was smal,
maar diep. Achter de winkel en de werkplaats was
er een derde ruimte, waar vier werknemers de hele
dag radio’s bouwden. De radiomeubels kwamen
van de firma Brandsteder uit Amsterdam, later de
importeur van Sony. De onderdelen hoofdzakelijk
van Amroh uit Muiden.
Wim zag in die naoorlogse jaren volop kansen.
Zo besloot hij wasmachines te gaan verhuren.
’s Morgens gebracht, tegen de avond opgehaald.
Wim Buurlage rond
1950. (Particuliere collectie)
ZHT3 2016.indd 19 21-9-2016 12:32:17
148 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Aanvankelijk vervoerde hij ze zelf op een transportfiets. Later ging de jongste bediende daarvoor
met een bakfiets op pad. Op zaterdagmiddag reed
Wim met een geluidswagen op en neer door de
Luttekestraat. Voor tien winkeliers uit die straat
maakte hij reclame. Korte, pakkende boodschappen. Elke winkelier betaalde daarvoor een rijksdaalder.
Toen er veel militairen in Nederlands-Indië
waren gelegerd, trok Wim de provincie in om
platen op te nemen, waarop familieleden aan het
woord kwamen. Die werden naar Indië gezonden.
Na de opname liet hij via een geluidsinstallatie
een stukje horen. Op die trips liet hij zich graag
vergezellen door zijn verloofde, Willy van Zon.
Haar taak was het de plaat in een hoesje te doen en
die met een brede glimlach aan de klant te overhandigen. Later, toen ze getrouwd waren, had zij
binnen de firma haar eigen handel. Platen die bij
verversing van het repertoire in jukeboxen waren
verwijderd, kocht zij op. Ze verkocht ze voor een
aantrekkelijke prijs.
Geluidsinstallaties
Voor en kort na de oorlog verhuurden veel Zwolse
radiohandelaren geluidsinstallaties. De meesten stopten er na enkele jaren mee. Wibu kocht
van enkele gestopte collega’s de apparatuur. De
klantenkring groeide. In de jaren vijftig waren er
op hoogtijdagen als 30 april en 5 mei wel twaalf
installaties in bedrijf, niet alleen in Zwolle, maar
ook in Kampen, Oldebroek, Dalfsen, Epe en
Zwartsluis. Zaalhouders vormden een flink deel
van de klantenkring. Die beschikten toen over het
algemeen nog niet over eigen geluidsinstallaties.
Om het sjouwen met apparatuur te beperken,
bracht Wim Buurlage vaste luidsprekers aan in de
Buitensociëteit, Odeon, Parovita (parochiehuis
van de St Jozefparochie in de Assendorperstraat),
De Dageraad (Molenweg), Suisse (Blijmarkt) en
zaal Donker (hoek Oude Vismarkt – Gasthuisstraat, eerste etage). Vader Joost was de eerste
jaren vaak achter de knoppen van een geluidsversterker te vinden. Tot hij in 1952 werd getroffen
door een hartaanval. Hij verliet de VELO, beperkte zijn werk voor Wibu tot assistentie in de winkel
en startte een handel in regenkleding.
Een eervolle klus voor Wibu was de verzorging van het geluid in het Openluchttheater in
het Engelse Werk. De eerste versie daarvan werd
geopend in 1949. Na enkele verplaatsingen en
uitbreidingen had het theater in 1952 zijn definitieve vorm, achter de uitspanning van Krisman.
Er waren 1000 zitplaatsen. Het spel was van tamelijk hoog niveau. Toneelspeler en regisseur Ton
Dalenoord, zoon van de banketbakker op de hoek
van de Roggenstraat en de Diezerstraat, legde
er de basis voor een loopbaan als beroepsacteur.
Tegenwoordig plakt men acteurs een microfoontje
op het hoofd. Toen moesten enkele zo onzichtbaar
mogelijk opgestelde microfoons het gesproken
woord registreren. Het geproduceerde geluid
moest een stevige avondbries kunnen weerstaan.
Het werd een specialisme van Wibu. In 1954
werden er in de speeltuin aan de Hortensiastraat
vier voorstellingen gegeven van de operette
Radio Wibu, Luttekestraat 30, in de tweede
helft van de jaren
vijftig. De lampen aan
weerzijden van de gevel
zijn typerend voor de
Art Deco bouwstijl.
(Particuliere collectie)
ZHT3 2016.indd 20 21-9-2016 12:32:17
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 149
Alpenzicht in Weissenthal. De eerste avond waren
er 1500 toeschouwers. De legendarische Zwolse
recensent Henri Th. Timmerman schreef dat de
geluidskwaliteit dankzij de door Wibu ‘goed opgestelde microfoons’ uitstekend was. Toen ze nog
maar nauwelijks op de markt waren, beschikte
geluidstechnisch bureau Wibu al over enkele
bandrecorders. Wim verzuimde uiteraard niet
toneelgezelschappen en verenigingen op de mogelijkheden te wijzen. Hij maakte veel opnames,
waarmee zij hun toneelvoorstellingen en revues
konden verlevendigen.
De meeste sportaccommodaties in Zwolle
en omgeving hadden rond 1950 evenmin eigen
installaties. Wibu verzorgde het geluid bij voetbal, hockey, motorraces, roeien, wielrennen,
tennis, zwemmen, skelteren en vele andere sporten. Aangezien de eigenaar beschikte over een
heldere stem, een zuivere dictie en enige kennis
van zaken, vroeg men hem vaak als microfonist
op te treden. Hij deed dat met genoegen, in het
bijzonder bij zijn oude liefde, atletiek. Op het
Gemeentelijk Sportpark zat hij, samen met enkele
organisatoren, achter een marktkraam, dichtbij
de sintelbaan. Hoewel hij de keus had uit een
groot aantal goede microfoons, gebruikte hij bij
die gelegenheden steevast een Shure 730, onder
kenners befaamd als de Billie-Holidaymicrofoon.
De gevierde jazzzangeres ging er enkele malen
mee op de foto. Het is een kristalmicrofoon met
cardioïde eigenschappen, die een heldere klank
produceert en nauwelijks omgevingsgeluid registreert, waardoor de kans op rondzingen beperkt
is.
Omroeper en balleider
Wim Buurlage was ook de omroeper bij allerlei
wedstrijden die zich in het grensgebied van sport
en amusement afspeelden. Artsen bijvoorbeeld
gingen op het voetbalveld de strijd aan met onderwijzers. Zwolse journalisten voetbalden tegen
leden van de gemeenteraad. In 1954 speelden
artsen tegen veteranen van Zwolse voetbalclubs,
ten bate van het Rode Kruis. De Zwolse Courant
roemde de ‘gloedvolle microfoon-verslaggever
Wim Buurlage’, die ‘spreekkoren en voetgestamp’
organiseerde. Gemeenteraadsleden van Zwolle
speelden in 1959 tegen collega’s uit Kampen. De
opbrengst was voor het Krotopruimingsfonds. De
Kamper Uien maakten de Blauwvingers in: 0-5.
Tot overmaat van ramp was er nauwelijks publiek.
De microfonist merkte schamper op dat van de
opbrengst misschien net één voordeur kon worden aangeschaft.
Zo’n ietwat komische rol speelde hij ook in
1952 in het kader van een actie om de financiële
positie van het Hopmanshuis te verstevigen. In
dat huis was Theater Lumière ingericht. Er werden
stomme films vertoond met muzikale begeleiding.
Onze hoofdpersoon was de ‘explicateur’, voor de
gelegenheid gekleed in een rokkostuum met een
hoge hoed. Een kundige grimeur had hem voorzien van een sierlijke snor. Volgens de Zwolsche
Courant wees hij de bijzonderheden op het filmdoek aan met een biljartkeu, maar op de bijbehorende illustratie van Teun van der Veen hanteerde
hij een klassieke Engelse wandelstok met knop,
die perfect past bij de dandyeske outfit.
De amusementswereld was Wim niet vreemd.
Kort na de oorlog overtuigde hij exploitant Massier van de uitspanning Urbana aan de Wipstrikkerallee ervan dat er een toekomst was voor
dansen bij een grammofoonplaat. Hij mocht voor
deejay gaan spelen. Het werd een groot succes.
In de eerste helft van de jaren vijftig bood zaal
Donker (hoek Oude Vismarkt – Gasthuisstraat)
Als omroeper op het
Gemeentelijk Sportpark, met de BillieHolidaymicrofoon.
(Particuliere collectie)
ZHT3 2016.indd 21 21-9-2016 12:32:17
150 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
mensen die op zondagavond niet vroeg naar bed
wilden, de gelegenheid het weekend op de dansvloer sfeervol af te sluiten. Wim Buurlage leidde
het dansen in goede banen en trad ook op als
conferencier. Hij was er zelfs prins Carnaval. In
het seizoen leidde hij tot het midden van de jaren
zestig elk weekend minstens één bal. Hij hield
orde, maar creëerde met spelletjes en ingewikkelde polonaises ook een uitbundige sfeer. Vond
zo’n bal in Odeon plaats, dan was de kans groot
dat hij voor het volgende bal een stropdas moest
aanschaffen. Gerant Nekkers had namelijk de
gewoonte om tijdens de nazit een schaar uit zijn
binnenzak te halen en aan de aanwezige heren te
vragen: ‘Is ’t te knijp?’ Na een bevestigend antwoord knipte hij ongeveer vijftien centimeter
onder de knoop de stropdas door. Je kon natuurlijk ontkennend antwoorden, maar dat stond
gelijk aan het weigeren van een duel in de negentiende eeuw.
Geluidswagen
Bij een groot publiek was Wibu bekend van de
geluidswagen. Hij kondigde vooral sportieve en
culturele evenementen aan. Maar hij werd ook
ingezet om bijvoorbeeld in perioden van droogte
de Zwollenaren te vragen zeer zuinig te zijn met
water. In de jaren vóór de fusie met Zwollekerspel
(1967) was het mogelijk, zelfs met het lage tempo
van een geluidswagen, in twee uur heel Zwolle te
doorkruisen. De mededelingen werden afgewisseld met vrolijke muziek. Was de schoolgaande
jeugd thuis, dan reed er een hele stoet kinderen
op fietsjes achter de wagen aan. Een ander ritueel
voltrok zich bij het binnenrijden van de Pierik. Als
de wagen stopte, kwam slager Bennie Poppe aangesneld met op de punt van zijn slagersmes een
sappig stukje leverworst voor de ‘stadsomroeper’.
Iemand met zo’n scala aan activiteiten moet
wel over organisatorisch talent beschikken. Dat
bleef niet onopgemerkt. Bij het Openluchttheater
was hij op dit vlak een gewaardeerde adviseur.
Dat gold ook voor de Actie Vakantiebesteding,
een activiteitenprogramma voor de jeugd in de
zomervakantie. De jongeren keken uit naar Jongensstad en Meisjesstad (met veel padvinderachtige activiteiten), de groots opgezette sportdag en
de zeepkistenrace op de Suikerberg. De Stichting
Vrienden van de Buitenschool vroeg hem in
1956 een centrale rol te spelen in de organisatie
van de jaarlijkse ker

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2017, Aflevering 3

Door | 2017, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
30 jaar archeologie
in Zwolle
34e jaargang 2017 nummer 3 – 8,50 euro
ZHT3 2017.indd 1 2-11-2017 13:09:52
Suikerhistorie
Eindhoven en Zn., houthandel
Houthandel Eindhoven werd rond 1785 in Blokzijl opgericht. Nadat de houtzaagmolen daar door
brand was verwoest, vestigde Lambert Eindhoven
zich in 1825 aan het Zwartewater in Zwolle. Dit
had alles te maken met de aanleg van de Willemsvaart in 1819. Zwolle kreeg daardoor een verbinding met de IJssel, waardoor de aanvoerroute voor
hout aanzienlijk werd verkort.
De eerste molen van Eindhoven was een windhoutzaagmolen, die in 1857 vervangen werd door
een molen die gebruik maakte van stoom, later – in
het begin van de vorige eeuw – van elektriciteit.
Men importeerde het hout grotendeels uit het
buitenland. De bomen werden vaak gebundeld tot
enorme houtvlotten, die met sleepboten naar het
terrein aan het Zwartewater werden gebracht. Rond
het bedrijf lagen vele pas gekapte bomen in het
water om de kwaliteit van het hout te verbeteren.
De oprichting van Houthandel voorheen
Eindhoven en Zoon N.V. (zoals vermeld op het
suikerzakje uit ca. 1960) vond plaats in 1900.
Leden van de familie Eindhoven zaten toen al niet
meer in het bedrijf.
Eindhoven werd in 1973 overgenomen door
The Southern Evans Ltd, een grote Engelse houthandel. De aandelen van de Nederlandse dochter
kwamen in 1989 in handen van de Stichtsche
Houthandel (Stiho), met meerdere vestigingen in
Nederland. De Zwolse vestiging aan de Gasthuisdijk 46 biedt een compleet assortiment aan hout-,
bouw- en plaatmaterialen. Met kennis, plezier en
passie wordt de klant er geholpen. En nog steeds
is – ook volgens de website – de klant welkom om
een kop koffie te komen drinken. De naam houthandel Eindhoven is echter van het suikerzakje
verdwenen.
114 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Luchtfoto uit het begin van de jaren zestig van bedrijventerrein Voorst-A (huidige naam), met houthandel Eindhoven prominent op de voorgrond, gelegen op
een punt tussen het Zwartewater en het Zwolle-IJsselkanaal (net niet zichtbaar
op de afbeelding). Achter de houthandel stond nog de Blokmelkfabriek, rechts
voor is de opvallende haloverkapping te zien van de toen recent gebouwde staalgroothandel IJzerleeuw. De rij bomen markeert de loop van de Gasthuisdijk.
De olietanks zijn verdwenen. Op dit terrein verrijst momenteel een bouwmarkt.
(Collectie HCO)
ZHT3 2017.indd 2 2-11-2017 13:09:52
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 115
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 115
Uit Zwolse klei getrokken
Team Archeologie bestaat 30 jaar
Hemmy Clevis en Michael Klomp 116
VV Edon, kroniek van een bedrijfsclub
Harry Bouwhuis 137
Willem Elberts, een wandelaar door
de Zwolse geschiedenis
Jan van de Wetering 148
De kaak aan de kaak gesteld …
een vervolgverhaal
Annèt Bootsma – van Hulten 162
Vernieuwde website Zwolse Historische
Vereniging Jan van de Wetering 166
Mededelingen 168
Auteurs 169
Redactioneel
I
n dit nummer alles over de vuile handen die
je soms moet maken wanneer je het verleden
naar boven wilt halen. En dat mogen we letterlijk nemen. Het hoofdartikel vertelt het verhaal
van dertig jaar archeologisch bodemonderzoek in
Zwolle.
Harry Bouwhuis plaatst ons in gedachten op de
tribune van voetbalvereniging Edon, een club
tachtig jaar geleden ontstaan uit de activiteiten
van de personeelsvereniging van de IJsselcentrale.
Voetbal met vallen en opstaan.
Jan van de Wetering beschrijft, boeiend als altijd,
het leven en werken van de vroegere schoolmeester en geschiedschrijver Willem Elberts. Zijn
Historische wandelingen in en om Zwolle (1865) is
nog steeds het lezen meer dan waard en vormt de
basis voor een serie filmpjes over de geschiedenis
van Zwolle, die de komende maanden te zien zullen zijn op de website van de Zwolse Historische
Vereniging. En nu we het toch over de website
hebben. Die is grondig vernieuwd en biedt een
schat aan informatie over de vereniging en de
Zwolse geschiedenis. Een aanrader. In dit nummer zetten wij de belangrijkste veranderingen op
een rij.
Tot slot is er opmerkelijk nieuws over de onlangs
teruggevonden kaak van Thomas a Kempis. Veel
leesplezier, en lees vooral ook aandachtig, want
binnenkort kunt u uw historische en verdere kennis van Zwolle testen in de Grote Zwolle Quiz
2018, zie de ‘Mededelingen’.
Coverfoto: Team Archeologie van de gemeente
Zwolle aan het werk op het Rodetorenplein, met
op de achtergrond de fundamenten van de Jan
Baghstoren, 2005.
ZHT3 2017.indd 3 2-11-2017 13:10:01
116 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Op 1 januari 2017 bestond het team Archeologie
van de gemeente Zwolle maar liefst dertig jaar.
In deze dertig jaar hebben verschillende spraakmakende onderzoeken plaatsgevonden die de
landelijke media hebben gehaald. In Van Gewest
tot Gewest kwam al eind 1987 het onderzoek in de
Broerenkerk uitgebreid aan de orde. Later volgde
een pikant interview in de laatste ontbijtshow van
Dieuwertje Blok.
De periode vóór 1987
Het eerste bericht in de media dat betrekking
had op archeologie stamt al uit 1959. Het ging
over vondsten die gedaan waren tijdens de grootscheepse verbouwing van schouwburg Odeon
aan de Blijmarkt en leidde tot een ware rel op
archeologisch gebied. Directeur J. Schotman van
het toenmalige Provinciaal Overijssels Museum
sprak van een ‘bulldozermentaliteit’ en hekelde
het verdwijnen en verkopen van gevonden voorwerpen in de kranten. Het college van B en W en
de gemeenteraad sprongen in de verdediging. De
wethouder van Openbare Werken gaf aan dat het
een zaak betrof die alleen de gemeente aanging
en dat er correct gehandeld was. Hij had immers
de gemeentearchivaris op de hoogte gebracht van
de vondsten, maar deze gaf aan dat het allemaal
van weinig betekenis was. Ook de directeur van
Openbare Werken bemoeide zich met de zaak en
rapporteerde dat er geen prehistorische vondsten
waren gedaan en dat goed was gelet op menselijke skeletresten. Het geheel illustreert dat met
betrekking tot archeologische zaken de gemeentearchivaris de belangrijkste persoon was en dat het
ontbrak aan daadkracht en enige vorm van archeologische kennis. Het doel was om de verbouwing
zo snel mogelijk af te ronden. Het inschakelen van
een archeoloog zou een te grote vertraging betekenen en hoge kosten met zich meebrengen.
De aanstelling van een provinciaal archeoloog
van Overijssel, Ad Verlinde, in 1969 zorgde voor een
belangrijke kentering. Onder zijn leiding werden in
Zwolle door een handvol amateurs de eerste gestructureerde archeologische onderzoeken in de binnenstad van Zwolle uitgevoerd. We spreken dan over het
jaar 1973 en doelen op het onderzoek in de kelder
van het zogenoemde Celehuisje in de Papenstraat
en de opgravingen in de bouwput van het nieuwe
stadhuis aan het Grote Kerkplein. Tijdens dit onderzoek werd voor het eerst aangetoond dat de stad veel
ouder was dan 1230, het jaar waarin Zwolle stadsrechten kreeg. Het materiaal dat onder het stadhuis
te voorschijn kwam is enkele jaren geleden opnieuw
gedetermineerd aan de hand van de nieuwste
inzichten. Het dateert uit de periode 825-875. Menig
onderzoek door de amateurs, vaak onder leiding van
de vermaarde Zwolse amateurarcheoloog Ruud van
Beek, volgde en in 1986 werd dan ook gepleit voor
het aanstellen van een gemeentearcheoloog.
Uit Zwolse klei getrokken
Team Archeologie bestaat 30 jaar
Hemmy Clevis en
Michael Klomp
Het zeven van de
vondsten uit de Celekelder, vlnr. Ruud van
Beek, Ger Oostingh en
Dirk de Vries, 1973.
ZHT3 2017.indd 4 2-11-2017 13:10:04
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 117
De aanstelling in 1987
Op 1 januari 1987 werd archeoloog Hemmy
Clevis aangesteld voor de gemeenten Zwolle
en Kampen samen voor respectievelijk 11,4 en
7,6 uur per week. De gemeentearcheoloog werd
ondergebracht bij Monumentenzorg en viel onder
de afdeling Bouwkunde en Monumentenzorg.
De uitwerking en restauratie van de gevonden
voorwerpen vond plaats in de kelder van het Celecomplex (Domus Parva). De ondersteuning vond
vanaf het prille begin al plaats met de inzet van
vrijwilligers, circa twaalf personen. Deze vrijwilligers kwamen op de maandag- en woensdagavonden bijeen. Ze kregen van de gemeentearcheoloog
uitgebreide instructies op het gebied van restauratie en het tekenen van aardewerk. Ze richtten
zich op een groot deel van het vondstmateriaal
dat uit de onderzoeken van zowel vóór als na 1987
afkomstig was.
Het eerste archeologisch onderzoek vond
plaats in de periode van 16 tot 24 februari 1987,
toen het extreem koud was en de grond bijna een
halve meter bevroren. Het onderzoek was gericht
op het lokaliseren van het klooster in Windesheim. Deze opgraving kwam meteen al vaak in
het nieuws en zorgde voor felle discussies. Een
klooster werd niet gevonden, maar wel een halve
boerderijplattegrond uit de Midden Bronstijd.
Het eerste stadskernonderzoek vond nog datzelfde jaar plaats in de bouwput van het Gasthuisplein. Helaas mocht de archeoloog pas
graven na de diepsloop. En dan zijn natuurlijk
alle grondsporen al vernield. Het was duidelijk
dat de gemeente Zwolle nog moest wennen aan
gedegen archeologisch onderzoek, net zo goed als
de archeoloog moest wennen aan het feit dat hij
hierin eerst een stuk opvoedingswerk te doen had.
Dat gebeurde in oktober 1987 met de spectaculaire opgraving in de Broerenkerk. Deze opgraving zorgde niet alleen voor een hoop publiciteit,
maar legde ook de basis voor een grote groep
vrijwilligers. Het tv-programma Van Gewest
tot Gewest besteedde een documentaire aan de
opgraving. Meer dan 30.000 mensen hebben op
beperkte openingstijden de opgraving kunnen
bezoeken.
Hoornen bril van een
van de monniken van
het klooster in Windesheim, 1987.
‘Opgraven’ in de modder op het Gasthuisplein, 1987.
Twee vrijwilligers, Ruud van Beek en Harriët Wevers, begin jaren negentig in
gesprek in het restauratieatelier in de Oranjeschool aan de Jufferenwal, dat daar
toen gevestigd was.
ZHT3 2017.indd 5 2-11-2017 13:10:16
118 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Nog steeds nemen vrijwilligers van het eerste
uur deel aan de opgravingen en de uitwerking
daarvan en er zijn zelfs toenmalige vrijwilligers als
professional in de archeologie werkzaam geraakt.
De periode na 1987 zorgde voor een groei van
de Zwolse archeologie. De deeltijdbaan werd
uiteindelijk een fulltimebaan. De voorraad werk
nam toe en er werd een vast team geformeerd
met een archeoloog, veldtechnicus en een aantal
ondersteuners. Grote opgravingen op het Eiland
en Ittersumerbroek passeerden de revue en menig
nieuwsitem verscheen in de lokale en zelfs landelijke media. Ook werden internationale congressen georganiseerd en ontstonden samenwerkingsverbanden, zoals bijvoorbeeld de samenwerking
met de Clwyd-Powys Archaeological Trust in
Wales.
In 2002 kwam er door de groei van de werkzaamheden behoefte aan een tweede archeoloog
en vanaf dat moment is er sprake van een volwaardig team dat opereert binnen de gemeentegrenzen
van Zwolle. Ook zijn samenwerkingsverbanden
aangegaan met de gemeenten Zwartewaterland,
Kampen en Hattem.
Het begin: de Broerenkerk
Het skeletonderzoek naar aanleiding van de
opgraving in de Broerenkerk in 1987 was spectaculair voor Nederland. Van de honderden
opgegraven skeletten kon een vijftigtal gekoppeld
worden aan een persoon, aan de hand van de
grafboeken. Alle onderzoekers moesten blind hun
onderzoek doen en na afronding daarvan kregen
ze de gegevens van deze vijftig personen. Dit was
nog nooit eerder gebeurd en de verschillende
onderzoeksmethoden moesten naar aanleiding
hiervan bijgesteld worden. Clevis regelde ten tijde
van het onderzoek twee lesbrieven, een vijftal brochures en een expositie, alles met sponsorgelden.
Later volgde het boek De doden vertellen. Eind
dit jaar zal in een publicatie over stedelijke begraArcheologie
Praat je over geschiedenis, dan komt je kennis van geschreven bronnen.
Praat je over archeologie, dan komt je kennis uit opgravingen en de analyse
van de sporen en het vondstmateriaal. Daar waar de geschreven bronnen
ophouden, ben je uitsluitend afhankelijk van archeologisch onderzoek.
Maar ook in de historische tijd vormt archeologie een onmisbare aanvulling op het geschreven woord. Neem bijvoorbeeld de stadsbrand in Zwolle
in 1324. De eerste schriftelijke bron daarover dateert van driekwart eeuw
later. In geen enkele opgraving die in Zwolle heeft plaats gevonden, is echter
bewijs voor een stadsbrand gevonden. Elk spoor daarvan ontbreekt.
Een ander voorbeeld waarin archeologie een onmisbare aanvulling
vormt op de historische gegevens zien we bijvoorbeeld bij de industriële
keramiek die aangetroffen is in de gracht van de havezate Kranenburg of in
de Kleine Aa. Tot circa 1840 is alles geïmporteerd uit Engeland, waarbij de
keramiek eerst uit het westen kwam (Staffordshire) en later uit het oosten
(Sunderland). Zelfs als we nu stortplaatsen uit het begin van de twintigste
eeuw zouden gaan opgraven, komen we zaken tegen waarvan het historisch bronnenmateriaal al verloren is gegaan. Neem bijvoorbeeld het hele
vormenspectrum van geëmailleerd goed. Kortom, archeologisch onderzoek
vult niet alleen de geschiedenis aan, maar verrijkt deze ook.
Links: Vrijwilligers aan
het werk in een van de
sleuven in de Broerenkerk, 1987.
Rechts: Tijdens de
opgraving in de Broerenkerk in 1987 was
publiek op bepaalde
dagen welkom. Meer
dan 30.000 mensen
hebben de opgraving
bezocht.
ZHT3 2017.indd 6 2-11-2017 13:10:18
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 119
ving een update verschijnen van het skeletonderzoek in de Broerenkerk en de resultaten daarvan.
En op dit ogenblik vindt er nog verder onderzoek
plaats aan de Universiteit Leiden, maar nu op
DNA-gebied.
Na dit spectaculaire begin volgde een periode
die iets rustiger was, waarin opnieuw gegraven
moest worden in Ittersumerbroek naar de restanten van het Windesheimer klooster (de archeoloog had het nog niet helemaal voor het zeggen),
er kleine onderzoekjes plaats vonden zoals in de
Waterstraat, waar de restanten van de werkplaats
van een geelgieter (bewerker van (geel)koper)
zijn opgegraven, of aan de Zalnéweg waar een
waterput uit de eerste eeuwen na Christus aan het
licht kwam en aanwijzingen voor een complete
nederzetting op het aangrenzende grasland. Dit
zijn slechts enkele kleine grepen uit een groter
aantal onderzoeken. De archeologie was nog
niet gevestigd waardoor het kon gebeuren dat er
geen archeologisch onderzoek plaats vond in de
bouwput voor de Xenos waar de restanten van
de Kleine Aa onder lagen. Sterker nog: ze werden
door de aannemer met opzet vernietigd zodat de
archeoloog geen onderzoek meer kon doen. Maar
in 1990 kwam de grote verandering.
1990: de omslag
Er zou op het Eiland een parkeergarage komen
en de archeoloog moest aan de slag. En dat moest
nog vóór de bouwvak, want daarna zou met de
bouw begonnen worden. Later bleek dat er nog
zeker tien jaar op die bouw gewacht moest worden, een geluk, want daardoor konden later grote
delen van het Eiland opgegraven worden die van
enorm belang waren voor de geschiedenis van de
stad Zwolle. Terwijl de opgravingen op het Eiland
plaats vonden, ontdekte een amateur in Ittersumerbroek bij de aanleg van cunetten (uitgravingen in de ondergrond) voor de straten verkleuringen in het zand en prehistorische scherven. Dit
gebeurde op zaterdag 21 april 1990. De volgende
dag, zondag, stonden om half negen ’s ochtends
al zestien amateurs en de gemeentearcheoloog in
het veld om de sporen in te tekenen. Het waren
sporen die hoorden bij een bronstijd- en ijzertijdnederzetting. Het college van B en W reageerde
heel alert en in grote delen van de wegcunetten en
aangrenzende terreinen kon opgegraven worden,
gevolgd door later heel belangrijke opgravingscampagnes. Ook deze opgraving haalde het landelijke nieuws op het journaal. Ittersumerbroek
werd een begrip in de Nederlandse archeologie,
maar daar komen we later op terug.
Het Eiland
De opgraving in 1990 op het Eiland werd gevolgd
door een tweede campagne in 1994/95 en daarna
door opgravingen in 1996 en 1999. De opgraving
in 1994 leverde een sensationele ontdekking op:
de wijk ‘de Smeden’ was ommuurd geweest met
een heuse stadsmuur. Allerlei theorieën over de
vroegste ommuringen van de stad Zwolle konden
overboord gegooid worden. Dat werd helemaal
duidelijk bij de opgraving ‘Achter de Broeren’ in
2003, toen hier twee stadsmuren gevonden werden waarbij de oudste uit de periode 1230-1300
dateerde.
Gestaag werden grote delen van het Eiland
opgegraven en in 1996 werd er een vondst gedaan
die jaren later de ontbijtshow van Dieuwertje
Blok zou halen. Aanvankelijk werd besloten om
deze vondst niet in de openbaarheid te brengen
om te voorkomen dat Zwolle ‘voor lul’ zou staan.
Prachtige plattegrond
van drieschepige bronstijdboerderij in Ittersumerbroek.
ZHT3 2017.indd 7 2-11-2017 13:10:19
120 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
De vondst betrof namelijk een natuurgetrouw
handgesneden houten kunstpenis met balzak. Het
geheel had een vloeistofreservoir dat geledigd kon
worden door middel van een zuigerstang zoals bij
een fietspomp. Daarnaast werd nog een kleiner,
meer stilistisch exemplaar gevonden. Natuurlijk
werd gelijk gedacht aan seksspeeltjes, uit de zeventiende eeuw, maar onderzoek, onder andere bij
het Museum Boerhaave in Leiden, wees uit dat het
hier ging om voorwerpen die werden als een soort
voorbehoedsmiddel. Het was de bedoeling om na
de geslachtsdaad de vagina schoon te spoelen met
een vloeistof uit zo’n kunstpenis.
De reden waarom de vondst niet direct openbaar gemaakt werd, was het feit dat Zwolle net
in het nieuws geweest was door een bezoek van
twee burgemeesters van gemeenten uit Drenthe
en Friesland aan een bepaald etablissement waar
dames van lichte zeden verkeerden.
Clevis stemde later toe om bij de ontbijtshow
van Dieuwertje Blok deze bijzondere vondst te
tonen, op voorwaarde dat hij het voorwerp niet
in zijn handen hoefde te nemen om te demonstreren hoe het werkte. Hij wilde niet voor de
eeuwigheid te boek staan als ‘die archeoloog met
de houten kunstlul’. Dieuwertje hield zich niet aan
de afspraak. Maar de schade viel gelukkig mee. De
enige polemiek die ontstond was dat sommigen
vonden dat het toch seksspeeltjes waren en geen
voorbehoedsmiddel. De Zwolse archeologen hebben zich hier echter niet verder in verdiept. Dat
zou een aparte monografie tot gevolg gehad kunnen hebben. De Zwolse vrouwenspuit heeft heel
wat landen bezocht en kon daar bekeken worden
in de reizende expositie ‘100.000 jaar seks’. Het
was een expositie die georganiseerd was door het
Drents museum in Assen.
Grondboog op twee poeren bij de opgraving op
‘Het Eiland’. Het eerste
bewijs van een tot dan
toe onbekende stadsmuur
om ‘De Smeden’, 1994.
Onder: Opgraving op
‘Het Eiland’. Naast de
veldtechnicus die tekent
zijn er twee vrijwilligers
te zien die nu archeoloog
zijn, 1994.
De in 1996 gevonden ‘vrouwenspuit’, een natuurgetrouwe houten kunstpenis uit de zeventiende eeuw,
met het meer stilistische exemplaar ernaast.
ZHT3 2017.indd 8 2-11-2017 13:10:38
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 121
De opgravingen op het Eiland leverden echter
veel meer gegevens op, zoals de restanten van een
glashuis aan de Klokkensteeg, de aanwijzingen
voor een klokkengieter en de restanten van het
proveniershuis van de Dominicanen van het
Broerenklooster aan de hand van vondsten uit
een beerput. De kroon op de opgravingen van
het Eiland vormde de opgraving onder de Aldi,
tussen Eiland, Pijpenbakkerstraat en Drie Pistolengang. Hoewel deelonderzoeken reeds gepubliceerd zijn, moet een publicatie van het totaalbeeld
nog even op zich laten wachten.
De Aldi en de Kleine Aa
Voor de archeologen was bekend dat de Aldi gelegen was op de Kleine Aa. Zij wilden in 1999 derhalve dit terrein koste wat kost onderzoeken. Dat
kon, maar het budget was veel te klein, evenals
de periode waarin opgegraven kon worden. Er is
toen met man en macht met veel vrijwilligers alles
aan gedaan om zoveel mogelijk informatie aan
deze opgraving te ontrekken. Er werd gewerkt met
twee ploegen en alle gelden werden ingezet op de
opgraving. Daarna zouden we wel zien hoe we een
en ander zouden uitwerken en publiceren. Zo was
de tijdgeest. Het terrein kon daarom maar tot een
beperkte diepte worden onderzocht.
Deel van de inhoud van
beerput 17-4 op het
Eiland uit 1996, met op
de voorgrond de inmiddels beroemde twee
zeventiende-eeuwse
houten kunstpenissen.
Zware erfscheidingsmuur voor de huizen
aan de buitenzijde
van de Kleine Aa bij
de opgraving onder de
Aldi. Op de voorgrond
de bedding van een
oude fase van de Kleine
Aa, 1999.
ZHT3 2017.indd 9 2-11-2017 13:10:41
122 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
De grootste aandacht ging uit naar de Kleine
Aa. En dat leverde een enorme bron aan gegevens
op. De Kleine Aa was in de loop der tijd van een
brede gegraven gracht steeds kleiner geworden
tot een smalle, gekanaliseerde watergang, die uiteindelijk gedicht werd en vervangen is door een
gesloten ondergronds riool. Voorafgaand aan die
laatste fase is enorm veel afval van de aangrenzende panden in die laatste open Kleine Aa gedumpt
en kunnen we onder andere herleiden dat er een
school is geweest en Joodse bewoning. De veelal
negentiende-eeuwse vondsten werden gepubliceerd en dat was voor Nederland een novum,
omdat tot dan toe aan deze periode weinig aandacht besteed was. Men ging er altijd van uit dat
archiefonderzoek voldoende was om huisraad uit
deze periode te beschrijven. Niets bleek minder
waar te zijn. Het was pionierswerk.
Eén vraag werd bij deze opgraving nog niet tot
tevredenheid beantwoord: was de Kleine Aa een
natuurlijke watergang of gegraven? Dit werd pas
duidelijk bij de opgraving op de Smeden in 2007.
De Kleine Aa was gegraven.
Ittersumerbroek
Ittersumerbroek is een opgraving die heeft plaats
gevonden over meerdere jaren en zowel nationaal
als internationaal heel wat stof heeft doen opwaaien. Zowel voor de vondsten uit de Bronstijd en de
IJzertijd betrof het boerderijen met bijgebouwen:
een boerenerf dus. De vorm van de boerderijen
heeft in de loop der tijden een ontwikkeling doorgemaakt, waardoor gesproken wordt van verschillende typen.
Wat Ittersumerbroek nu zo bijzonder maakte
is dat Ruud van Beek de boerenerf-theorie ontdekte. Als je een boerderij hebt, dan ligt daar een
beperkte lege ruimte omheen en daarachter krijg
je het hele scala aan bijgebouwen. Dit geldt dus
ook andersom. Als je een scala aan bijgebouwen
hebt, dan ligt op zeer betrekkelijke afstand daarvan de boerderij, het hoofdgebouw. We hebben
deze theorie mogen toetsen op verschillende locaties en het klopte. Revolutionair.
Er waren in het Overijsselse nog twee fenomenen waargenomen. De provinciaal archeoloog Ad Verlinde en Ruud van Beek stonden
hier achter. Dat waren driepalige hooibergen
en schaapskooien, een ronde structuur met een
slurf als ingang. Voorheen werden deze structuren verguisd, maar in Ittersumerbroek kon men
er niet omheen omdat verschillende van deze
grondsporen vrij in het zand te zien waren, zonHemmy Clevis bekijkt
de houten zijkanten
van de jongste bedding
van de Kleine Aa, bij
de opgraving onder de
Aldi, 1999.
Ruud van Beek (1915-1997)
In zijn werkzame leven was Ruud van Beek in dienst van het kadaster.
Daardoor was hij voornamelijk buiten aan het werk en kreeg hij oog voor
het landschap, de details en de veranderingen. Hij zag scherven op het land
liggen en wilde weten hoe oud ze waren. Vervolgens ging hij zich verdiepen
in de literatuur en werd correspondent van de Rijksdienst Oudheidkundig
Bodemonderzoek. Ruud werd de belangrijkste amateurarcheoloog in deze
regio en hij ontpopte zich ook als amateurhistoricus. Hij dook de archieven
in op zoek naar gegevens over de vroegste landindelingen en gegevens over
de marke. Westerheem, het tijdschrift voor amateur archeologen, was zijn
belangrijkste medium, maar artikelen van hem zijn ook opgenomen in een
bundel over Windesheim of in de Kamper Almanak. Dat Ruud gewaardeerd werd bleek wel uit het feit dat hij bij zijn zeventigste verjaardag een
feestbundel kreeg, ‘Van Beek en land en mensenhand’ waaraan niet de
minste beroepsarcheologen hun bijdrage leverden. Bij de opgravingen in
Ittersumerbroek ontwikkelde hij de boerenerf-theorie, die in de praktijk
getoetst kon worden. Zijn verdiensten voor de geschiedenis van Salland en
speciaal Zwolle zijn groot.
ZHT3 2017.indd 10 2-11-2017 13:10:43
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 123
der ruis van andere grondsporen. Zo verdwenen
heilige huisjes.
Maar toen, toen ontdekte Jan de Jong, destijds
hoofd Monumentenzorg en gepromoveerd op
de gulden snede in de Griekse bouwkunst, dat
een van die ronde structuren onderdeel geweest
moest zijn van een zogenaamde zonnekalender.
In Nederland was dit vloeken in de kerk, maar
in Engeland was men uitermate geïnteresseerd,
temeer omdat De Jong niet alleen via een mathematische analyse de zuivere kunstmatige aanleg
kon aantonen, maar ook door middel van kansberekening kon bewijzen dat deze structuur geen
toeval was. Zwolle had een heuse houten Stone
Henge.
Dit was volgens velen onmogelijk. De weerstand was enorm binnen Nederland. Maar
Engeland omarmde Ittersumerbroek. Engeland
was het land van de Stone Henges en de Wood
Henges. Er werd een congres georganiseerd over
het fenomeen in de Buitensociëteit. Ongeveer 700
belangstellenden hebben dit congres bijgewoond,
waarbij een vooraanstaand Engels archeoloog als
Alex Gibson sprak.
Uit deze tijd dateert de uitwisseling tussen
leden van de archeologische dienst van Wales en
de archeologische dienst van Zwolle, wat resulteerde in een tweetal projecten die gefinancierd
zijn door de Europese Unie. Niet om het een of
ander, maar geen enkele archeologische dienst van
een Nederlandse stad heeft dit ooit gerealiseerd.
De Vrouwenlaan
In 1994 vond opnieuw een toevalsvondst plaats
in de wegcunetten die werden aangelegd voor
nieuwbouw in deze buurt. Er werden vele tientallen haardkuilen gevonden uit het Mesolithicum
(9000-5300 vóór Chr.), voornamelijk uit de periode tussen 7300 en 5700 vóór Christus. Jagers/
verzamelaars hebben dit gebied vele eeuwen
aangedaan en er vuren gestookt. Ouder nog was
een vuursteenwerkplaats in dit gebied die in de
periode 8800-7100 vóór Christus gedateerd moet
worden. Later werden op veel meer vindplaatsen
in Zwolle mesolithische haardkuilen gevonden.
Deze grondsporen horen tot de oudste resten van
menselijke activiteit in het Zwolse gebied.
Bikkenrade
Het terrein achter Bikkenrade aan de Hollewandsweg kwam in aanmerking voor beplanting
met bos. Nu lag dit terrein op een dekzandrug
Reactie in de Zwolse
Courant op de ontdekte
zonnekalender in Ittersumerbroek.
Om de mesolitische
haardkuilen aan de
Vrouwenlaan in te
meten en te bemonsteren werd op volle
sterkte gewerkt, 1994.
ZHT3 2017.indd 11 2-11-2017 13:10:48
124 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
tussen de nederzettingen in Ittersumerbroek en
de Aalvangersweg/Vrijhof. Reden om in 2002 te
kijken of er prehistorische sporen aanwezig waren
en wat de aanplanting van bos voor invloed zou
hebben op deze sporen. Een van de vondsten
was een nederzetting uit de tweede helft van de
tweede eeuw tot het begin van de vijfde eeuw, een
zogenaamde Germaanse nederzetting. Er werd
in deze nederzetting aan ijzerwinning gedaan.
Oerslakken werden in de beekdalen verzameld en
in smeltovens opgestookt om ijzer te winnen. Met
hout konden de hoge temperaturen niet gehaald
worden die nodig waren, waardoor er houtskool
geproduceerd werd. In het gebied zijn dan ook
veel ijzersmeltovens en houtskoolmeilers (constructie om houtskool te maken) gevonden. Het
ijzer werd waarschijnlijk als grondstof verhandeld
naar het stedelijk gebied van het Romeinse rijk.
De nederzetting van Bikkenrade maakte onderdeel uit van een heel netwerk van kleine nederzettingen die slechts op enkele kilometers afstand
van elkaar gelegen waren en zich bezig hielden
met ijzerwinning. Toch hebben ze waarschijnlijk ook voor eigen gebruik ijzeren voorwerpen
gemaakt. De grondsporen die voor een deel uit
standgreppels van huizen bestonden, duiden op
houten wanden die gemaakt waren van planken.
Om planken aan elkaar te bevestigen heb je spijkers nodig… En die contacten met het Romeinse
rijk? Er zijn enkele scherven gevonden van import
Romeins aardewerk en glas. Dat wil dan niet zeggen dat de Romeinen hier geweest zijn, maar wel
dat de mensen van hier bij de Romeinen (in Nijmegen) geweest zijn.
Veenbos
Een losliggende veeneik die langs de weg lag en
waargenomen werd door een collega archeoloog
uit Lelystad vormde de aanleiding voor de archeologische dienst Zwolle om een nader onderzoek
te verrichten in de laag gelegen nieuwbouwwijk
Stadshagen, onderdeel van de polder Mastenbroek. Het bleef die dag niet bij één boom. Er
lagen er meer en een eerste datering wees uit dat
deze boom dateerde uit het begin van de jaartelling. Enige tijd later bleek bij het bouwrijp maken
van een nieuw stuk woonwijk dat er vele tientallen
stammen te voorschijn kwamen. Tijd voor actie.
Samen met de onderzoeksinstituten Ring,
Biax en Alterra werd besloten een inventariserend
onderzoek te doen. Dit gebeurde in het jaar 2000.
Op twee stukken van 15 x 80 meter werden 167
bomen bemonsterd voor houtsoort determinatie.
Van 34 eiken en 3 essen zijn monsters genomen
voor dendrochronologisch onderzoek. De resultaten waren veelbelovend en in onderling overleg
werd besloten een stuk bos officieel op te graven.
Dit was nog nooit eerder gebeurd in Nederland.
De opgraving zou veel informatie opleveren over
Restanten van een
ijzersmeltoven uit de
inheems Romeinse tijd
achter Bikkenrade, 2002.
Grondsporen van
huizen en ijzersmeltovens (de donkergrijze
verkleuringen) van
een inheems Romeinse
nederzetting achter
Bikkenrade, 2002.
ZHT3 2017.indd 12 2-11-2017 13:10:49
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 125
het landschap van Nederland in de eerste eeuwen
van de jaartelling.
Duidelijk was al dat het een veenbos was met
een datering tussen 150 voor en 600 na Christus. Er werden nog vier terreinen gekozen waar
opgravingen zouden plaatsvinden. Van de in totaal
520 opgegraven bomen zijn 60 eiken en 40 essen
bemonsterd voor dendrochronologisch onderzoek.
Dit toonde onder meer aan dat de oudste eik 343
jaar is geworden, de oudste es 245 jaar en de laatste
eik doodging in 586 na Christus. De bomen hebben
in natte omstandigheden gestaan waardoor ze heel
dunne groeicirkels hebben. Een eik met een kleine
diameter kan daardoor toch heel oud zijn. Duidelijk is dat dit typische veenbos door verdrinking
aan zijn einde is gekomen. Dat vond plaats in een
tijd dat in Noordwest-Europa hetzelfde bij andere
veenbossen gebeurde. Dat was ook het geval met
groeidepressies die soms wel 20 jaar duurden en
om de 20 tot 40 jaar voorkwamen. Rond 300 was er
een opleving, een minder natte periode en kiemden
vele nieuwe eiken en essen uit, tot de definitieve
teloorgang die rond 530 na Christus inzette. Het
verhaal van het veenbos in Stadshagen is in verschillende internationale vaktijdschriften gepubliceerd. Onlangs werd bij toeval op het landgoed de
Treek in Amersfoort eveneens een oerbos gevonden. Ook hier was veel landelijke publiciteit voor.
Rij je met de auto van Stadshagen naar Hasselt, dan
zie je anno 2017 nog altijd stapels veeneiken bij de
zandwinningsplassen liggen.
Opgravingsput van het
veenbos in de Mastenbroekerpolder, 2000.
Rondleiding bij de
opgraving van het veenbos in Mastenbroek
voor de verschillende
vakdisciplines en de
pers, 2000.
ZHT3 2017.indd 13 2-11-2017 13:10:53
126 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
De POMtuin
De eerste opgraving in het hart van de stad vond
plaats in 1995 in de tuin van het POM (Provinciaal
Overijssels Museum), tegenwoordig de plek onder
de nieuwbouw van het Stedelijk Museum tussen
Voorstraat en Melkmarkt. Voor de geschiedenis
van Zwolle waren de resultaten enorm belangrijk.
Zo kon aangetoond worden dat de perceelsindeling zoals die vooral op de kadastrale minuut van
1832 terug te vinden is, zijn oorsprong al had in
de dertiende eeuw en aantoonde dat het hier ging
om individuele erven. Daarnaast bleek dat deze
locatie onderdeel uitgemaakt heeft van de haven
van Zwolle. De woningen lagen op de zandrug
die de Voorstraat vormde, maar de achtererven
kwamen uit op de Grote Aa. De vroegste vondsten
dateerden uit de Pingsdorf-periode, ca. 900-1200.
De ouderdom van deze site ging niet verder terug
dan de elfde eeuw.
Aplein
De opgravingen aan het Aplein in 1999 waren
belangrijk in verband met de ouderdom van ‘het
Eiland’, het gebied buiten de stadsmuren, die gelegen waren aan binnenzijde van de Kleine Aa. Hier
kwamen niet veel nieuwe gegevens te voorschijn,
vooral omdat de afstand van het opgravingsterrein tot de oorspronkelijke bedding van de Kleine
Aa nog te groot was. Het meest interessante was
de vondst van een verlaagde keuken waarvan de
muren nog tot circa een halve meter bewaard
gebleven waren. Deze muren waren bekleed met
deels blauw geschilderde tegels en rondom de
haard met blauw geschilderde bijbeltegels.
Achter de Broeren
Opnieuw vond in 2003 een opgraving plaats op
een voor de geschiedenis van de stad cruciale
plek. De archeologen vonden hier muurwerk dat
behoorde tot twee stadsmuren uit verschillende
perioden. De oudste stadsmuur die in de periode
1230-1300 gedateerd moet worden, lag aan de
voet van een dekzandhoogte, een hoger gelegen
plateau. Er heeft echter afkalving van deze zandhoogte plaats gevonden door de Kleine Aa waardoor de effectiviteit van de stadsmuur onbetrouwbaar werd. Er moest een nieuwe muur gemaakt
worden. Deze nieuwe muur werd feitelijk in de
bedding van de Kleine Aa gebouwd met allerlei
bouwtechnische aanpassingen. Deze tweede
stadsmuur moet tussen 1324 en 1378 gebouwd
zijn. Aan de Bitterstraatzijde is ook muurwerk
en afval aangetroffen dat bij de werkplaats van
een pottenbakker hoorde. Afval van deze pottenbakker is gevonden in een beerkelder bij de al
genoemde opgraving van de Aldi in 1999.
Palenrij die de scheiding aangeeft tussen
twee individueel opgehoogde percelen onder
de nieuwbouw van het
Stedelijk Museum aan
de Melkmarkt, 1995.
Verlaagde keuken aan
de Waterstraat (Aplein
opgraving), met blauw
geschilderde tegels.
Links de haardplaats
met blauw geschilderde
bijbeltegels, 1999.
ZHT3 2017.indd 14 2-11-2017 13:10:55
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 127
Rodetorenplein
Het terrein naast café-restaurant de Belgische Keizer op de hoek van de Melkmarkt en het Rodetorenplein was een van de vele buitenkansen om in
2005 meer over de vroegste stedelijke verdediging
van de nederzetting Zwolle te weten te komen. Al
vrij snel kwamen de muurfunderingen van de Jan
Baghstoren en van de Rodetoren tevoorschijn,
evenals een heel grote beerput die tegen de Jan
Baghstoren was aangebouwd. Er kon slechts een
deel van de Rodetoren opgegraven worden en het
muurwerk daarvan bestond uit meerdere fasen.
Deze toren moet vóór 1334 gebouwd zijn en de
Jan Baghstoren vóór 1482-83. Van de stadsmuur
resteerde alleen de uitbraaksleuf. Onder die uitbraaksleuf kwamen rechthoekige kuilen tevoorschijn die mogelijk wijzen op spaarbogen. Maar
ook de sporen van houten huizen met gedateerd
hout uit 1243. En dat plaatst de archeologen voor
een raadsel. Heeft de oudste stadsmuur nu net
buiten de opgravingsput gelegen? Vragen nog
voor de toekomst.
Ook van deze opgraving is een monografie
verschenen.
Links de oudste stadsmuur die gebouwd is tussen
1230 en 1300. Rechts de jongere stadsmuur die
dateert uit de periode tussen 1324 en 1378, opgraving 2003.
Boven: Slieten (houten palen) fundering van steenbouw op het Rodetorenplein,
met op de achtergrond de fundamenten van de Jan Baghstoren, 2005.
Onder: De fundamenten van de ronde Jan Baghstoren, met daartegenaan
gebouwd een beerput, 2005.
ZHT3 2017.indd 15 2-11-2017 13:10:59
128 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Pannekoekendijk
In de periode 2008-2011 heeft op de parkeerplaats
van de Pannekoekendijk een opgraving in fasen
plaats gevonden. Naast de woonhuizen die hier
gestaan hebben, sprongen drie zaken in het oog.
In de eerste plaats werden de funderingen gevonden van de blekerij met zijn stookketels die hier
gestaan heeft. Het was nog een geluk dat de hoogbejaarde heer De Vries met zijn zoon kon komen
kijken. Hij was hier beheerder geweest en kon aan
de hand van zijn herinneringen en de funderingen precies beschrijven hoe de blekerij er uit had
gezien.
Op het diepste niveau waren talloze afvalkuilen van een pottenbakker, Godeken Potman, die
hier tot uiterlijk 1410 zijn bedrijf uitoefende. Hij
woonde aan de Mussenhage, maar helaas kon
niet tot aan de straatzijde opgegraven worden.
Godeken Potman voerde hier minder dan twee
decennia zijn bedrijf uit. Zijn bedrijfsafval, de
misbaksels, is helemaal geanalyseerd. Hij heeft
zowel roodbakkend als grijsbakkend aardewerk
geproduceerd, maar veelal ongeglazuurd, of bij de
grapen, kookpotten op drie poten, spaarzaam. Hij
heeft met glazuur en gele slib geëxperimenteerd,
maar het bleef daarbij. Er waren ook bijzondere
vormen onder de vondsten, zoals een kaarsentrekbak. Deze was wellicht voor de inwoners van
het naast hem gelegen witte vrouwenklooster
bedoeld. Ook werd er een alambiek (destilleertoestel) aangetroffen om sterke drank te maken,
alsmede een tweetal keramische kolven met ronde
bodem. Bijzonder was ook de vondst van meer
dan twintig potten met een spongat. Deze potten
moeten een industriële functie gehad hebben, om
bijvoorbeeld een troebele vloeistof te laten bezinken waarbij de heldere vloeistof via het spongat
boven het bezinksel afgetapt kon worden. Dit is
in heel Zwolle op één andere plek aangetroffen,
namelijk aan de Hoogstraat waar ook een schoenmaker en eventueel een leerlooier hun bedrijf
hadden.
Aardewerk van Godeken is goed herkenbaar. Op
verschillende plekken in Zwolle is dit materiaal
Bij de opgraving aan
de Pannekoekendijk
in 2008 werd ook een
zeldzame gemarmerde
Italiaanse veldfles uit
het begin van de zeventiende eeuw gevonden.
Muurwerk van onder
andere de blekerij aan
de Pannekoekendijk,
2008.
ZHT3 2017.indd 16 2-11-2017 13:11:02
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 129
gevonden, onder andere in kuilen in een ophogingspakket tegen de ommuring van de Smeden
die we op het Eiland zijn tegengekomen.
Het derde bijzondere vondstcomplex heeft
toebehoord aan de vrouwen in het Wytenhuis
(begijnhuis) aan de Mussenhage. Een beerput met
huisraad is hier geledigd, waarbij onder andere
een houten klepper is gevonden. Waarschijnlijk is
deze gebruikt om de vrouwen op te roepen voor
het gebed.
Havezate Werkeren
Voorafgaand aan de opgraving in 2001 zijn door
Hemmy Clevis en vele vrijwilligers de nodige
zaterdagen besteed aan het maken van een hoogtelijnenkaart van het gebied. Dat gebeurde in deze
tijd nog met een waterpas, baak en meetlinten.
De hoogtepunten werden ingemeten in een 3×3
meter grid (rooster). Daaruit kwamen redelijk
duidelijk de hoogte en de beide grachten naar
voren, wat bij de opgraving bewezen werd. De
opgraving startte met een aantal lange zoeksleuven. Er werd niets gevonden, ja toch, in het profiel
van één zoeksleuf waren nog net een paar lagen
baksteen te zien. Hier vond uitbreiding plaats
naar een eerste put, die uiteindelijk leidde tot de
opgraving van de complete havezate. Het oudste
gedeelte bestond uit een zaalburcht met in de
fundering brokken tufsteen en kloostermoppen
met een formaat van 32x16x7 cm. Via een brug
kon men op de voorburcht komen en vandaar uit
via een brug bij de zaalburcht. Van de brug naar
de voorburcht kon een paal gedateerd worden
Roodbakkende pot met spongat van Godeken
Potman uit ca 1400.
Houten klepper uit
de beerkelder van het
Vrouwenklooster aan
de Mussenhage,
ca. 1400.
ZHT3 2017.indd 17 2-11-2017 13:11:03
130 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
uit het jaar 1367. Dit geeft een datering voor de
zaalburcht die een paar jaar na de verwoesting
van de burcht van de heren Van Voorst in 1362
is gebouwd. Een van de zonen van Zweder van
Voorst heeft, na zich verzoend te hebben met de
landsheer, de bisschop van Utrecht, in het hart van
de familiebezittingen in de Mastenbroekerpolder
een nieuwe burcht gebouwd. Nieuw historisch
onderzoek van Jan ten Hove kon de Van Voorsten
koppelen aan de Van Ittersums, die in de vijftiende
eeuw de zaalburcht overnamen en uitgebreid hebben tot een fors kasteel. Er werden vele vondsten
gedaan en in 2005 verscheen een monografie over
de havezate Werkeren.
Havezate Kranenburg
Een tweede havezate kon door Michael Klomp in
2004/5 opgegraven worden vanwege de bouw van
een nieuw uitvaartcentrum op de Kranenburg.
Het was een spectaculaire opgraving, waarbij de
complete plattegrond blootgelegd kon worden en
het de moeite waard was om luchtfoto’s te laten
maken. Droons waren er nog niet, dus vond dit
plaats met een klein vliegtuigje. Jan ten Hove werd
ingehuurd voor het historisch onderzoek waardoor vondstmateriaal aan bewoners gekoppeld
kon worden. Daarbij springt de spilzieke Hoyko
Overzicht van de funderingen van het muurwerk van de havezate
Werkeren (2001).
Medewerkers legen de
inhoud van de beerkelder die bij het zaalgebouw van de havezate Werkeren hoorde
(2001).
ZHT3 2017.indd 18 2-11-2017 13:11:05
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 131
Manninge tot Pewsum naar voren die in 1565
de Kranenburg verwerft. Prachtige vloertegels
en majolicategels uit Antwerpen versierden de
vertrekken, alsmede een zogenaamde tegelkachel
met reformatorische symbolen.
Niet alleen de havezate, maar ook het tweede
bouwhuis en de grachten konden opgegraven
worden. In de buitenste gracht kwam een vracht
keramiek uit de negentiende eeuw te voorschijn
die duidde op enerzijds het verblijf van de familie
gedurende de zomer en anderzijds op de werkers
die het landgoed moesten verzorgen. Van havezate en de grachtvondsten zijn twee monografieën
verschenen in 2008.
Hermen
In 2010 werd bij een opgraving aan de Spinhuis/
Bredehoek op het terrein waar de ‘twaalf apostelen’ (kleine huisjes voor arme, oudere alleenstaanden) hebben gestaan, een bijzondere vondst
gedaan. In het zand kwam een skelet tevoorschijn.
Omdat dit hier niet thuis hoorde, is direct een
fysisch antropoloog ingeschakeld. Bijzonder aan
het skelet was dat de handen aan de voorzijde van
het lichaam, ter hoogte van de schenen, bijeen
gebonden waren met een leren band om de polsen. Tussen de elleboog- en kniegewrichten door
was een houten staak geplaatst. Duidelijk was dat
het hier om een moord ging. Voor deze moordzaak werd een cold case team samengesteld.
Duidelijk werd dat het om een 22- à 24-jarige
jongeman ging uit Zwolle of uit de buurt, die
leefde tussen 1316 en 1440. Hij was door een klap
op het hoofd om het leven gebracht.
Luchtfoto van de havezate De Kranenburg.
Midden boven zijn
restanten te zien van de
ringmuur met kantelen
rondom het hoofdgebouw, 2005
Links: De vondst van
‘Hermen’ in 2010.
ZHT3 2017.indd 19 2-11-2017 13:11:07
132 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Er werd een driedimensionale gezichtsreconstructie gemaakt en uiteindelijk kwam de
complete reconstructie van ‘Hermen’ terecht bij
Waanders In de Broeren waar hij voor iedereen
te zien is. Zijn reconstructie ligt in een kist op de
bovenste verdieping. Met dank aan Wim Waanders die dit mogelijk heeft gemaakt.
Kraanbolwerk
In 2013 kon er gegraven worden op het voormalige Schaepmanterrein op het Kraanbolwerk. Eerst
moest er een en ander aan verontreiniging verwijderd worden, maar toen konden de archeologen
aan de slag. De oudste sporen dateren van een
dijklichaam aan de buitenzijde van de Thorbeckegracht, ergens tussen 1325 en 1375. Daarna is er
twee eeuwen niets gebeurd, tot de aanleg van het
Kraanbolwerk kort na 1620. De oudste gebouwen
op het Kraanbolwerk dateren van ongeveer 1650.
Het betreft onder andere een blauwververij. Ook
heeft er een factorijgebouw gestaan dat op exact
dezelfde manier gefundeerd is als het Hopmanshuis (uit 1663) aan de andere kant van de gracht.
Het Hopmanshuis is in oorsprong ook een factorijgebouw geweest. Het gebouw op het Kraanbolwerk heeft meerdere fasen gekend, waarbij
De gereconstrueerde
‘Hermen’ bij Waanders
in de Broeren.
ZHT3 2017.indd 20 2-11-2017 13:11:08
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 133
vooral de vloer met extra zware poeren (steunen)
is versterkt. Tussen de bakstenen poeren werd veel
gruis van Bentheimer zandsteen gevonden. Mogelijk is dit factorijgebouw gebruikt voor de opslag
van Bentheimer zandsteen.
Melkmarkt
Voorafgaand aan het onderzoek aan de Melkmarkt in 2015 heeft een herwaardering plaats
gevonden van de archeologische sporen en
vondsten onder het oude stadhuis aan de Sassenstraat. Daaruit kwam naar voren dat het oudste
materiaal uit de periode 825-850 moet dateren.
Het materiaal wees op een ‘nederzetting’ met
een landelijk karakter. Hierbij moet aangetekend
worden dat de archeologen met twee of drie boerderijen al een ‘nederzetting’ bedoelen. Meer sporen uit deze tijd zijn in de stadskern van Zwolle
niet gevonden. Daaruit moeten we concluderen
dat dit een gebied was met hier en daar een boerderij. Geen wonder dat er geen Noormannen
zijn geweest, want er viel hier niets te halen. De
vondsten aan de kop van de Melkmarkt wijzen
duidelijk op havenactiviteit en internationale
handel. Scheepssintels en keramiek uit Duitsland (Pingsdorf) en de zuidelijke Maasstreek
(Andenne) wijzen hierop. Dat betekent dat er
nog een eeuw overheen gegaan is voordat je van
een kleine ‘handels’nederzetting kunt spreken.
Zo’n nederzetting kan snel groeien, vooral als
De bakstenen fundering
van een factorijgebouw
op het Kraanbolwerk
die identiek is aan die
van het oudste deel
van het Hopmanshuis,
2013.
ZHT3 2017.indd 21 2-11-2017 13:11:10
134 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
van hogerhand (de kant van de landsheer, de bisschop van Utrecht) de groei gestimuleerd wordt,
bijvoorbeeld door de bouw van een kerk. Bewijs
dat er een kerk was is er in 1040. Hoe lang de kerk
er toen al stond is onduidelijk. Daarvoor moeten
de archeologen in de kerk gaan opgraven. De
opgravingssporen en vondsten moeten nog uitgewerkt worden. Maar zovéél is al duidelijk. De
Grote Aa heeft hier ook een aftakking gehad. Hoe
moeten we dit gaan interpreteren. En hoe oud
zijn de oudste vondsten hier precies? Die eerste
nederzetting is niet groot geweest, want de oudste
sporen onder de nieuwbouw van het Stedelijk
Museum dateren uit de eerste helft van de elfde
eeuw en naast café-restaurant de Belgische Keizer
op het Rodetorenplein is sprake van houtbouw
uit het midden van de dertiende eeuw.
Diezerstraat/Spoelstraat
In de jaren zeventig zijn hier door amateurs
grondsporen waargenomen. Deze zouden mogelijk tot de Karolingische periode teruggaan. Dit
was een van de redenen waarom hier archeologisch onderzoek noodzakelijk was. Er werden
echter helemaal geen grondsporen die ouder
waren dan de dertiende eeuw aangetroffen.
Maar de opgraving in 2015 achter de bibliotheek aan de Diezerstraat leverde wel interessante
gegevens op. Eén daarvan is wel héél bijzonder.
Het betreft fragmenten van enkele wijnflessen.
Het is een bijzonder type wijnfles die in Engeland
‘ladies leg’ wordt genoemd, omdat de hals langer is dan het lichaam. Het is een fles die vooral
gebruikt is voor Constantia wijn uit Zuid Afrika.
De fles heeft een inhoud van ongeveer 1/3 liter.
Een pakket grondverbetering, zogenaamde
speklagen, bij de opgraving aan de kop van de
Melkmarkt, 2015.
ZHT3 2017.indd 22 2-11-2017 13:11:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 135
De fles had een glaszegel met de naam Constantia
en kon zo verbonden worden met de Constantia
plantage in Zuid Afrika. Er waren maar liefst drie
glaszegels. En hier begint het verhaal.
De Constantia plantage werd gesticht door
Simon van der Stel in 1684. Hij was door de VOC
in 1679 benoemd als gouverneur van Kaap de
Goede Hoop. De wijnplantage werd gerund met
slaven uit allerlei landen. Van der Stel heeft waarschijnlijk met de VOC een overeenkomst gehad
om elk jaar een aantal vaten van deze exclusieve,
zware wijn te leveren.
Deze wijn werd in Zwolle gedronken door
Arend, baron Sloet van Tweenijenhuizen (1722-
1786). Hij was drost van Salland en voorzitter
van de Staten. Als zodanig had hij invloed op
benoemingen in verschillende commissies voor
de Raad van State, onder andere die van de VOC.
Hij had verder veel familierelaties met adellijke
geslachten, onder andere de Bentincks die in die
tijd op de havezate Werkeren woonden. Tijdens de
opgraving van deze havezate is een zelfde type fles
gevonden, zonder glasmerk.
Het is duidelijk dat deze exclusieve wijn alleen
in de hoogste kringen werd gedronken. De Constantia plantage bestaat nog steeds.
Links: Drie zogenaamde ‘Ladies Legs’ zonder
zegel, uit de achttiende
eeuw.
Rechts: Deel van een
van de drie flessen met
het glaszegel Constantia wijn, tweede helft
achttiende eeuw.
Glaszegel Constantia
wijn, tweede helft achttiende eeuw.
ZHT3 2017.indd 23 2-11-2017 13:11:16
136 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
En de toekomst?
Dertig jaar professionele archeologie in Zwolle
betekent dat de eerste archeoloog reeds op leeftijd
moet zijn. Dat klopt. Hemmy Clevis die vóór zijn
Zwolse periode al tien jaar bij de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek heeft gewerkt met
langdurige opgravingen in Dordrecht, Deventer
en Nijmegen gevolgd door een promotieonderzoek, is reeds 64 jaar. Jaren geleden heeft hij het
buitenwerk al overgedragen aan Michael Klomp,
die inmiddels sinds een tweetal jaren ook de leiding van het team overgenomen heeft. Saillant
detail is dat Michael als twaalfjarige in hetzelfde
jaar als Hemmy Clevis bij archeologie Zwolle
begonnen is, maar dan als vrijwilliger bij de Broerenkerk opgraving. Je zou kunnen zeggen dat
Michael, wiens roots in de Kamperpoort liggen,
bij zijn pensionering dan 55 jaar archeologie in
Zwolle bedreven heeft.
De samenwerking met de gemeenten Kampen,
Zwartewaterland en Hattem bieden een solide
basis voor een professioneel team. Het archeologisch team van Zwolle verstrekt advies en doet
vooral de uitvoering: het opgraven en uitwerken
van de vondsten.
In 2016 en 2017 is veel werk verricht aan de
certificering van het team archeologie. Dit houdt
in dat het team overal opgravingen mag verrichten. Die certificering is gerealiseerd. In 2017 is het
team ook versterkt met een derde deeltijd archeoloog, Sanne van Zanten. Hoewel het team slank is,
is het uitgerust voor de toekomst.
Voor het team archeologie breken spannende
tijden aan. Er zal een oplossing gevonden moeten
worden voor de huisvesting. En in Zwolle zelf liggen nog enkele heel grote projecten op uitvoering
te wachten, waarvan er hier slechts één genoemd
wordt: de Papenstraat.
* Alle afbeeldingen bij dit artikel zijn afkomstig van
het team Archeologie.
Publicaties van het team Archeologie Zwolle
Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle deel 1-5 (1993-
2005).
Overijssels Erfgoed. Archeologische en Bouwhistorische
kroniek (2002-heden).
Clevis, H. en A.D. Verlinde. 1991. Bronstijdboeren in
Ittersumerbroek. Opgraving van een Bronstijdnederzetting in Zwolle-Ittersumerbroek.
Clevis, H. en T. Constandse-Westerman (eds.) 1991.
De doden vertellen. Opgraving in de Broerenkerk te
Zwolle 1987-88.
Clevis, H. 2000. Zwolle ondergronds. Zeven blikvangers
van archeologische vondsten in Zwolle.
Clevis, H. en M. Klomp. 2005. Havezate Werkeren. De
Heren van Werkeren en hun kasteel.
Clevis, H. e.a. 2007. Gevonden verhalen. Archeologische
speurtochten in Zwolle: Het verhaal achter de vondst.
Clevis, H. 2007. Opgeruimd staat netjes. Keukengoed
en tafelgerei van een bouwhuis van de Kranenburg
(1840-1865).
Klomp, M. 2008. Een Steenhuijs ontmanteld. Archeologisch en historisch onderzoek van de havezate Kranenburg in Zwolle.
Hove, J. ten en M. Klomp. 2011. Aan de monding van de
Grote Aa. Het havenfront van Zwolle.
Vries, D.J. de en H. Kranenborg. 2015. Onzichtbaar
Zwolle. Archeologie en bouwhistorie van de stad.
Verder zijn er inmiddels meer dan tachtig Archeologische Rapporten Zwolle verschenen.
ZHT3 2017.indd 24 2-11-2017 13:11:16
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 137
VV Edon, kroniek van een bedrijfsclub
Edon bestaat tachtig jaar. Oorspronkelijk was de Harry Bouwhuis
club onderdeel van de op 10 november 1937 opgerichte personeelsvereniging van de IJsselcentrale.
Lang rekruteerde men haar leden uit het werknemersbestand en directe familie van het energiebedrijf. Door onder meer bedrijfsfusies kwam de
vereniging uit onder de namen Electra, IJC, IJsselmij en Edon en stond (en staat) in de regio vooral
bekend als ‘de club met de houten palen’.
Officieel begint het in restaurant Beenen aan de
Grote Markt in Zwolle. Daar wordt op 10 november 1937 door middel van hand opsteken de
‘Personeelsvereniging der IJsselcentrale Zwolle’
opgericht. Het ontstaan van de PV vloeit feitelijk
voort uit de onderlinge voetbalwedstrijdjes tussen
de technische dienst/administratie en de werknemers van IJC (IJsselcentrale) aan de Weteringkade. Na contacten met de voetballers Van
’t Blik, Mojet, Mooij en Zegeling wordt binnen het
bedrijf een enquête gehouden of er behoefte is aan
een personeelsvereniging. De uitslag is dusdanig
positief dat snel daarna de oprichtingsvergadering
wordt gehouden, gevolgd door een feestavond
in de Pius-Sociëteit aan de Oude Vismarkt. Er
worden vrolijke cabaretliedjes gezongen, er is een
uitvoering door eigen personeel van de eenakter
‘Voor de derde maal’ en Joop Louwen heeft een
speciaal IJC-lied gecomponeerd waaruit een grote
genegenheid voor zijn werkgever blijkt:
De entree naar het voetbalveld vanaf de Weteringkade, oktober 2017.
(Foto Annèt Bootsma)
ZHT3 2017.indd 25 2-11-2017 13:11:18
138 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
‘Des avonds wordt het scheemrig en duister om ons heen
en onwillekeurig gaat er je hand naar ’t knopje heen.
En dra schijnt er een zee van licht tot in de diepste nis.
Was het vroeger soms een helse toer, nu grijp je nimmer
mis
Refrein
Druk op de knop en het licht is daar,
druk op de knop en het is voor elkaar.
’t gaat zo makkelijk, ’t gaat toch zo goed.
Daar de IJC al het werk voor u doet.’
De hommage is kenmerkend voor het ‘wij gevoel’
bij de werknemers van de in 1911 opgerichte NV
Electriciteitsfabriek IJsselcentrale. Na de totstandkoming van de PV worden er allerlei activiteiten
ontwikkeld. Er komen onder meer een tennis-,
klaverjas- en bridgeclub en ook een toneelgroep.
De voetbaltak, eigenlijk toch de bakermat van de
personeelsvereniging, raakt daardoor een beetje
de identiteit kwijt. Daarom wordt al snel besloten
om de voetballers onder te brengen in een zelfstandige afdeling.
Bedrijfsvoetbal
Maar vóór de officiële oprichtingsdatum van
10 november 1937 wordt er dus al gevoetbald
door de mannen van IJC aan de Weteringkade,
waar in 1915 een kolencentrale in gebruik wordt
genomen. ‘Het huidige sportcomplex ontstond
toen er voor die oude centrale een afvoerkanaal
noodzakelijk was om een goede koelwaterafvoer
te bewerkstelligen’, weet Paul Benning, vanaf 1961
tot 2003 werkzaam bij het bedrijf en voetballend lid tot midden jaren zeventig. ‘De gemeente
Zwolle had geen bezwaar tegen het graven van het
kanaal, links van het clubhuis achter de dijk, mits
de laaggelegen strook grond tussen het nieuwe
afvoerkanaal en het Almelose Kanaal wel benut
zou worden voor recreatieve doelen. Het aangelegde sportveld was erg zompig. Gelukkig functioneerde de sloot achter de kleedkamers als een
perfect en dubbel draineringssysteem, zowel bij
droogte als regenval. Er kwamen twee tennisbanen en rondom het veld werd een sintelbaan aangelegd waar getraind werd voor de sportdagen en
die we ook gebruikten voor onze touwtrekploeg.
Het was een prachtig sportparkje, een mooi visitekaartje waardoor het “IJC gevoel” alleen maar
werd versterkt. Want die onderlinge band was
toch wel uniek.’
Oud-speler en ex-secretaris Albert Veld
onderschrijft dat. ‘De personeelsverenigingen
waren vroeger de kurk waar bedrijven op dreven.
Het kweekte een collectiviteits- en collegialiteitsgevoel. De bedrijfsleiding, ook bij IJC, wist dat
donders goed. Dat was zo bij de vestiging Hengelo
waar ik ben begonnen en in Zwolle was het niet
anders. De sportdagen waren heilig. Niets was te
gek. Het welbevinden van de werknemer stond in
die tijd voorop. Dat is intussen wel veranderd.’
Terug naar de beginjaren van de voetbaltak
waar clubveteranen en andere bedrijfsteams doorgaans de tegenstanders van IJC zijn. In mei 1937
vindt de eerste wedstrijd plaats op het roemruchte
ZAC-complex aan de Oude Veerweg. Er wordt
met 2-1 van de ZAC-veteranen verloren. Na de
oprichting is IJC, een tijd spelend onder de naam
Electra, prominent deelnemer aan de Zwolse
Bedrijfscompetitie die van 1938 tot en met 1940
wordt georganiseerd door Zwolsche Boys. Op
Sportpark De Vrolijkheid nemen onder andere
teams als Tilia (Tijl) en de Blazende Veiligheid,
de spoorhazen van de NS, het tegen elkaar op.
Het voetbalveld van
Edon, gelegen tussen
het Almelose Kanaal en
het voor de oude elektriciteitscentrale gegraven afvoerkanaal, met
rondom het veld een
sintelbaan, afgebeeld op
een kaart van Zwolle
uit 1964. Rechts onder
het voetbalveld de oude
IJsselcentrale. (Collectie
HCO)
ZHT3 2017.indd 26 2-11-2017 13:11:18
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 139
Na de Tweede Wereldoorlog worden de bedrijfscompetities hervat en wordt er vier keer op rij de
titel binnengehaald. Tijdens de kampioensfeesten
wordt er flink uitgepakt. Het bedrijfsvoetbal is
mooi met veel successen maar vooral ook erg kort,
namelijk uitsluitend in de maanden mei en juni.
Dankzij secretaris Willem Nijmeijer, die in zijn
functie als telefonist bij het bedrijf veel contacten
had, worden er wedstrijden georganiseerd tegen
collega’s van andere bedrijven zoals de Provinciale Utrechtse Elektriciteitsmaatschappij N.V. en
het Gemeentelijke Energiebedrijf Enschede. De
KNVB had nooit veel bezwaar tegen dat ‘wilde
voetbal’, als er maar geen eerste elftalspelers van
KNVB-verenigingen bij betrokken waren
Transfer
Bij IJC groeit dan langzaamaan de behoefte om
mee te gaan doen aan de reguliere competitie in
het zaterdagamateurvoetbal. Op 17 oktober 1953
gaat er een brief uit naar de heer De Roos van de
KNVB-afdeling Zwolle met het verzoek over te
gaan van de bedrijfscompetitie naar het officiële
zaterdagvoetbal. In het verzoekschrift wordt hoog
opgegeven over de accommodatie. Het nieuwe en
nog steeds markante kleedkamercomplex is voorEén van de eerste IJC teams in de jaren dertig, met
staand derde van links Joop Zegeling Sr.
De selectie van IJC met op de achtergrond de oude IJsselcentrale aan de Weteringkade. Staand tweede van
links Cees Spanhaak, vierde van links grensrechter Bernard van Nee, vijfde van links Wezenberg, zesde van
links Joop Zegeling sr. Eerste van rechts Van Heerde, tweede van rechts secretaris Wim Nijmeijer. Zittend,
eerste van links Steven Spanhaak.
ZHT3 2017.indd 27 2-11-2017 13:11:19
140 | jrg. 34 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
zien van twee badcellen en in beide kleedlokalen
zijn langs de hele lange zijde tevens wastafels aangebracht. De tijd van de pomp is definitief voorbij.
IJC directeur ir. G.H. Rietveld is zo trots op het
onderkomen dat hij aan zijn wekelijkse ronde
langs het bedrijf op zaterdag het sportcomplex
toevoegt. De voetbalbond is ‘om’. De club gaat uitkomen in de derde klasse van de KNVB-afdeling
Zwolle.
De promotie naar de tweede klasse is er snel,
gevolgd door een titel, maar met het jaar daarop
alweer degradatie. Naast de sportieve ontwikkeling laat men zich ook sociaal van zijn beste
kant zien. Dat blijkt wel uit de ‘verkoop’ van
toptalent Hennie van Nee, zoon van Bernard van
Nee die zich lange tijd verdienstelijk maakte als
clubgrensrechter. Hennie stapt in 1957 op achttienjarige leeftijd over naar Zwolsche Boys, dat
in de tweede divisie acteert. Het is het begin van
een imposante profcarrière die hem naar onder
andere Heracles, PEC, Kickers Offenbach, Cercle
Brugge en Haarlem zou brengen. Van Nee debuteert op 30 september 1964 in Oranje en komt tot
vijf interlands. De in 1996 overleden spits brengt
door zijn transfer naar Zwolsche Boys 450 gulden
in de clubkas, voor die tijd toch een aardig bedrag.
Door het bestuur wordt daarvan grootmoedig 250
gulden geschonken aan de ‘Vrienden van de Buitenschool’, het huidige De Ambelt.
Het vertrek van het grootste talent ooit van IJC
is een sportieve aderlating maar men vult de leemte snel in door Ben Spanhaak over te nemen van
PEC, een jaar later gevolgd door Jan Kattenberg.
Opmerkelijk is wel een in het overschrijvingsformulier opgenomen passage dat als Kattenberg
weer voor PEC wil voetballen er geen transfersom
bedongen zal worden.
In 1960 kan de vlag uit. In eigen huis wordt
concurrent SVM uit Marknesse met 4-0 verslagen,
de titel wordt uitbundig gevierd in zaal Urbana.
Scribent ‘Toone de Skierder’, het pseudoniem voor
A. Volkers, is present en verhaalt in het Zwols in
personeelsblad ‘IJC Schakel’ dat aanvoerder en
pro Deo trainer Remmelt Wagenaar een bon voor
een paar voetbalschoenen cadeau krijgt.
Na het succes blijft IJC lang op het hoogste
(afdelings)niveau, ook door de komst van een
aantal spelers die niet altijd zelf werkzaam waren
bij de IJC maar via familieleden wel een band
hadden met het bedrijf. Casper Kamp wordt lid
omdat zijn vader als portier bij de IJC werkte. Zijn
zwager en sterkhouder (drijvende kracht in team)
Eef Wink, die eerder als semiprof voor PEC had
gespeeld, kon in dienst komen van IJC en kwam
over van Be Quick ’28. Als de lidmaatschapsregels
wat losser worden is IJC in die periode ook een
toevluchtsoord voor de nodige ZAC’ers en voormalige PEC semiprofs zoals de bij IJC werkzame
Wannie Sterken, Jan ’de kriele’ Horst, Hennie
Goudbeek en Harry Schakelaar, maar ook Jan
Tielbaard en Harrie Kornelis.
Vooral qua accommodatie timmert de club in
de jaren zestig flink aan de weg. In 1965 wordt een
lichtinstallatie in gebruik genomen, uniek voor
die jaren want kunstlicht beperkte zich doorgaans
tot hooguit twee houten lichtmastjes met wat
‘peertjes’ om toch in het donker nog een beetje te
trainen. ‘De masten kwamen van de opgeheven 10
KV (kilovolt) hoogspanningslijn HaaksbergenEibergen’, herinnert Benning zich. De heuglijke
gebeurtenis wordt opgesierd met een wedstrijd
tegen Kabel-Boys, een elftal samengesteld uit personeel van de firma Van Gelder. Het wordt onder
Hennie van Nee, het grootste talent ooit van IJC, in zijn PEC-tijd, seizoen
1962/63. Staand vlnr. Hennie van Nee, Wannie Sterken, Gerrit van der Kreeft,
Gerrit Voges, Adri Jansen, Adri van Gorp, Leo Koopman. Gehurkt vlnr. John
Abma, Bert Teunissen, Gerrit Kerkhof, Wout Pelzer. (Foto Jan Drost)
ZHT3 2017.indd 28 2-11-2017 13:11:19
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 3 | 141
erbarmelijke weersomstandigheden 1-5. In 1966
besluit de directie van de IJC tot de plaatsing van
een kantine op het complex. Maar eerst wordt in
1967 op 10 november nog het dertigjarig jubileum
gevierd. De receptie is in de Voordrachtzaal van
het IJC gebouw aan de Zeven Alleetjes.
De ‘Zegelingen’
Joop Zegeling sr., al dertig jaar preses, ontvangt
van de voorzitter van de KNVB-afdeling Zwolle Jo
van Marle de zilveren bondspeld, een hoge onderscheiding voor een clubbestuurder. De naam
Zegeling is door de jaren heen onlosmakelijk met
de IJC verbonden. Op de elftalfoto’s, vooral in de
eerste decennia, prijkt altijd wel een Zegeling.
‘Mijn vader Joop was doelman bij PEC. Hij werkte
vanaf zijn dertiende 49 jaar voor het bedrijf en
heeft sinds de oprichting zijn hele ziel en zaligheid
in de club gelegd’, zegt Joop Zegeling jr. ‘Hij was,
met een onderbreking van enkele seizoenen in de
beginjaren zeventig, voorzitter vanaf het oprichtingsjaar in 1937 tot 1994. Tamelijk uniek lijkt mij.’
Op de Algemene Ledenvergadering op 8 november 1994 worden Joop Zegeling sr. en zijn vrouw
Pietje in het zonnetje gezet door zijn opvolger
Frans Kwakman. Als dank voor bewezen diensten
krijgt het clubicoon na een voorzitterschap van
ruim vijftig jaar onder meer keeperhandschoenen
en knielappen cadeau. Het stond op zijn verlanglijstje, zo wisten zijn zonen. ‘Mooi ak nog eens
mut invall’n.’
Joop Zegeling jr. zelf speelde van 1978 tot 2000
bij de cl

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 3

Door | 2010, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Speuren naar Spoolde
historische verhalen over
een bijzondere buurtschap
Pier Karenbeld

27e jaargang 2010 nummer 3 – 7,50 euro

90 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Hotel Café Restaurant ‘De Jongejan’
Veerallee
Aan de weg van de stad naar het Katerveer ston­den vroeger een aantal uitspanningen. Een van deze pleisterplaatsen heette Halfweg omdat het letterlijk halfweg de stad en het Katerveer gelegen was. In het begin van de vorige eeuw stond de heer Beumer achter de tap. In 1917 nam F.H. Willigenburg de uitspanning over. Het adres was Spoolde A 20, later Oude Veerweg 22. Hij kreeg heel wat mensen over de vloer. Op zondag wan­delde half Zwolle naar het Engelse Werk en streek dan neer bij een van de uitspanningen. Al het verkeer dat Zwolle tot circa 1940 over de weg pas­seerde, kwam over de Veerallee langs Halfweg.
In 1951 nam Jaap Jongman het bedrijf over. Hij maakte er een hotel café restaurant van.
De naam werd gewijzigd in ‘De Jongejan’ omdat ‘De Jongejaap’ minder geschikt geacht werd. Het pand werd gemoderniseerd en smaakvol ingericht om ook ‘auto-reizigers van verre aan te trekken’. Goede tijden braken aan toen de afdeling Zwolle van het CBR er gehuisvest was. Dat was tot circa 1965. Hier heeft menigeen zijn rijbewijs gehaald of mocht na het onjuist nemen van de lastige Spoolder rotonde gelijk weer terug: gezakt.
In verband met plannen voor de aanleg van de
IJsselallee moest ‘De Jongejan’ worden afgebro­ken. De klandizie was al hard achteruitgegaan door de rondweg en de nieuwe IJsselbrug. In juni 1973 kwam de sloper om het horecabedrijf af te breken.
Daarmee verdween voor veel Zwollenaren een brokje jeugdsentiment. Waar eens ‘De Jongejan’ stond, rijdt nu het verkeer in een nimmer afla­tende stroom over de IJsselallee.

(Collectie ZHT)

Op dit punt van de IJsselallee, ongeveer ter hoogte van de oranje pijl, stond eens ‘De Jongejan’. Rechts de daken van de laatste huizen van de Veerallee, links de IJsseltoren. (Foto redactie)

zwols historisch tijdschrift 91

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans90
Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een
bijzondere buurtschap Pier Karenbeld

Inleiding92
Spoolde en de vroegste geschiedenis94
Spoolde op de kaart95
De marke Spoolde97
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg99
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’103
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’106
Erve de Venus108
De Beukenallee114
Terug naar Theetuin Thijssen120
De Zalkerveerweg126
De buurtschap Spoolde130
Spoolde en het boerenbedrijf133
De oprukkende stad en het
verdwenen Spoolde137
Tenslotte140
Auteur142

Redactioneel
‘Spoolde vind ik een prachtige buurtschap’, vertelt Jurrien Stroomberg, wijkbeheerder van Spoolde, op de site van de gemeente Zwolle. En gaat hij door: ‘De saamhorigheid in de wijk is enorm en de kreet Samen maken wij Spoolde, vind ik hier erg op zijn plaats.’ Onze nieuwsgierigheid is gewekt. In dit themanummer van het Zwols Historisch Tijdschrift geven we Pier Karenbeld, auteur van vele artikelen over de geschiedenis van Spoolde, de ruimte om te vertellen over het heden en verleden van ‘zijn’ wijk.
Wijken, districts, quartiers, Viertel of barrios, we vinden ze in alle steden ter wereld. Een stad die groeit heeft ruimte nodig voor zijn bewoners. Een nieuwe wijk is dan al snel geboren. Maar soms heeft zo’n wijk de oudste rechten. In Spoolde treffen we al sporen van bewoning aan tijdens de Jongste Steentijd. Nou ja, wijk, dat is een relatief moderne term. Een buurtschap was het, of zoals sommige historici liever zeggen ‘een buurschap’, een term waarin een lange traditie van burenhulp ligt besloten. Zoals de Engelsen naast het woord ‘district’ ook wel van ‘neighbourhood’ spreken.
De naam van een wijk geeft soms iets van de geschiedenis ervan prijs. In Zwolle verwijzen de wijknamen Assendorp, Dieze en Spoolde naar land dat al eeuwenlang zo genoemd werd. Soms kan de relatie tussen steden en hun wijken moei­zaam zijn. Menigeen vindt zichzelf geen Zwol­lenaar, maar Assendorper, Diezenaar of Spoolde­naar. Misschien door dat gevoel van ‘saamhorig­heid’, waar de wijkbeheerder van Spoolde het over heeft. Mocht u dat een wat wazig begrip vinden, dan helpt dit themanummer u misschien om uw eigen oordeel over Spoolde en zijn bewoners te vellen.

Omslag: Spoolde in de slagschaduw van de zich opdringende stad. (Foto Henk Tuinman)

92 zwols historisch tijdschrift

Speuren naar Spoolde
Historische verhalen over een bijzondere buurtschap
Inleiding
De Zwolse wijk Spoolde wordt begrensd door de IJssel, de spoorlijn Zwolle-Amersfoort, de IJsselallee en Westen­holte. De A28, de Willemsvaart en het Zwolle-IJsselkanaal doorkruisen de wijk. Spoolde vormt nog steeds een levendige buurtschap en doet dap­pere pogingen een eigen identiteit te bewaren. Een wijkkrant speelt daarbij een belangrijke rol.
In 1997 richtten de Spooldenaren Paola de Bruyn en Arnold Zwakenberg het wijkblad de Papenacker op. Ze besloten het twee keer per jaar te laten verschijnen. De naam verwijst naar de vroegste geschiedenis van Spoolde, wanneer in de markeboeken gesproken wordt over een stuk dijk dat ‘de Papenackere’ genoemd wordt. Enkele jaren later verhuisden beide initiatiefnemers en werd mij gevraagd of ik in de redactie plaats wilde nemen. Aangezien ik net met werken gestopt was leek me dat een aardige start voor een nieuwe invulling.
Op dit moment bestaat het blad dertien jaar en zorgt een enthousiaste redactie voor een regel­matige verschijning en een gevarieerde invulling. Sinds enkele jaren verschijnt het ook digitaal: home.zonnet.nl/papenacker. Vaste rubriek is altijd een artikel over een onderwerp uit de geschiedenis van de buurtschap Spoolde. Dit onderdeel sprak me extra aan omdat ik sinds mijn jeugd meer dan gemiddeld geïnteresseerd ben in geschiedenis. Daarbij heeft ook locale geschiede­nis altijd mijn belangstelling gehad.
Zo heb ik vanaf 1998 geprobeerd om in elke aflevering een stukje Spoolder geschiedenis op te diepen. De keuze van de onderwerpen was niet systematisch. Vaak vormden huizen die een lang­durige geschiedenis deden vermoeden de aanlei­ding, maar soms ook de historie van een weg of straat. In het jaar van de boerderij (2003) mocht een duik in Spooldes rijke agrarische verleden natuurlijk niet ontbreken.
Elke keer was het weer een uitdaging om te voorkomen dat de verhalen louter uit een opsom­ming van feitelijke gegevens gingen bestaan, maar dat ze, waar mogelijk, gekleurd zouden worden met persoonlijke herinneringen van Spooldena­ren. Gelukkig is het vrijwel altijd gelukt om een stukje ‘oral history’ toe te voegen.
In het kader van deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift was het de kunst de op zichzelf staande verhalen zo te bewerken, dat er toch wat lijn in ontstond. Vandaar de start met een stukje geschiedenis over de vroegste tijd van Spoolde, waarbij zowel het Katerveer als de Spool­derberg een belangrijke rol spelen. Daarna volgt een keuze uit de verschillende verhalen die in de loop der jaren in het wijkblad verschenen zijn.
Hopelijk geven ze al met al een aardige inkijk in de lange en ook rijke historie van de buurtschap Spoolde.
Spoolde en de vroegste geschiedenis
Een gangbare verklaring voor de naam Spoolde was altijd het verband met het Middelnederlandse werkwoord spoelen, ook wel spuelen of spoilen genoemd. Spoolde werd vroeger ook wel Spoelde of Spolde genoemd. Het betekent met water over­spoelen, of overstromen, iets wat vroeger regel­matig langs de IJssel voorkwam. In zijn Geschiede­nis van Zwolle uit 2005 komt Jan ten Hove met een andere verklaring. De naam Spoolde zou net als bij Westenholte en Langenholte naar de naam van een bos verwijzen en ons herinneren aan de tijd dat het gebied met uitgestrekte bossen was bedekt. In de Middeleeuwen zouden die bossen door kaalslag en intensief gebruik van het land verdwenen zijn.
In de prehistorie ontstonden er een aantal ver­hogingen, langwerpige rivierduinen, ondermeer bij Spoolde. Hierop werd de allereerste bewoning mogelijk. Dat er toen inderdaad bewoning moet zijn geweest, bewijst bodemkundig onderzoek.
Tijdens de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal werden er onder leiding van G.D. van der Heide, archeoloog bij de directie IJsselmeerpolders, in de Spoolder uiterwaarden niet alleen talloze herten­geweidelen gevonden, maar ook grote hoeveel­heden middeleeuws aardewerk. Sommige gewei­delen bleken bewerkt te zijn tot beitels en bijlen, waarmee je een behoorlijke kracht kon uitoefe­nen. Hoewel men de ouderdom van de geweien moeilijk kon vaststellen, gaat men er van uit dat het op zijn minst vierduizend jaar terugwijst, naar de bronstijd.
Dat spoort aardig met de ontdekking die de amateurarcheoloog R. van Beek deed tijdens de aanleg eind jaren tachtig van het, vlak naast het Zwolle-IJsselkanaal gelegen, industrieterrein Voorst 3. Hij ontdekte sporen van een rondbouw­huis, daterend uit de Midden-Bronstijd.
Ook Jan ten Hove vermeldt dat bodemon­derzoek heeft uitgewezen dat er tijdens de brons­tijd en de ijzertijd bewonerskernen moeten zijn geweest in ondermeer Spoolde. Er zijn zogeheten grondsporen van woonstalboerderijen aangetrof­fen, boerderijen die doorgaans 21 tot 25 m lang waren en wel 5 tot 7 m breed konden zijn.
Bisschop wordt landsheer
Rond de jaartelling vestigden zich in het gebied waartoe ook Spoolde behoorde de Sassen (Sak­sen), een volk van Germaanse oorsprong. Aan­vankelijk leidden ze een zwervend bestaan en waren ze vooral herders en jagers, maar langza­merhand werd het meer een volk van landbou­wers dat voor vaste verblijfplaatsen koos.
Vergaderingen (holtspraken) en religieuze bijeenkomsten vonden vaak plaats op bijzondere plekken, bij een rivier, een bron of op een heu­vel. Volgens het informatiepaneel onder aan de Spoolderberg is het zeer waarschijnlijk dat de Ger­manen het rivierduin bij Spoolde ook als plaats voor bijeenkomsten en rituelen hebben gebruikt.
Ook al hadden de diverse Saksische stammen zich op den duur samengevoegd tot een Sassen­verbond, ze waren uiteindelijk niet opgewassen tegen de zuidelijker gelegen Germaanse stammen. Deze hadden zich verenigd in een Frankenbond waarin Karel de Grote een hoofdrol zou gaan spe­len; hij stichtte een immens rijk.
Rond 800 lijfde Karel het rijk der Saksen bij zijn rijk in. Hij bekeerde zich tot het christendom en deed er alles aan om de veroverde volken ook tot zijn nieuwe geloof te brengen. Tegelijkertijd wilde hij afrekenen met alles wat herinnerde aan het heidense geloof. Niet alleen volksvergaderin­gen en gewone rechtsdagen werden verboden, maar ook voorouderlijke zeden en gebruiken wer­den in de ban gedaan. Het christendom breidde zich meer en meer in noordelijke richting uit, al in 777 werd het bisdom Utrecht gesticht.
Na de dood van Karel de Grote ging het berg­afwaarts met het centrale bestuur en ging het rijk langzamerhand ten onder door onderlinge twis­ten tussen de erfopvolgers. Salland, dat toen ook wel Salaland genoemd werd, ging uiteindelijk tot het Oost-Frankische Rijk behoren en kwam bin­nen de provincie IJsselgouw te liggen.
Voor het besturen van het land stelde de koning plaatsvervangers, vazallen, aan die daarvoor een stuk grond te leen kregen. Toen deze leenmannen steeds meer macht naar zich toetrokken en, zelfs ongevraagd, het land van vaders op zoons lieten overgaan, besloot de koning voortaan steeds meer grond aan de bisschoppen te schenken, omdat bij hen erfopvolging niet aan de orde was.
In 1086 werd de gouwe Salland aan de bis­schop van Utrecht geschonken. Hij had in de loop van de tiende en elfde eeuw naast het Nedersticht (Utrecht) ook het Oversticht onder zijn beheer gekregen, een gebied waartoe het latere Overijs­sel, Drenthe en de stad Groningen met omgeving behoorde.
De bisschop had zijn handen zo vol aan wereldlijke beslommeringen, dat hij steeds meer werk moest uitbesteden. Vooral de kanunniken van het invloedrijke bisdom Deventer werden ingezet. Deze kanunniken kregen steeds meer bezittingen. Zij waren zich ook bewust van de voordelen die de steeds verder gaande ontginnin­gen hen boden.
Omdat de waterbeheersing verbeterd was kon er steeds meer onland, onbruikbare woeste grond, in cultuur worden gebracht en nam het aantal grazige weiden toe.
Spoolde op de kaart
De IJssel ten noorden van Deventer was langza­merhand ook beter bevaarbaar geworden. Daar­door nam de handel stroomafwaarts toe, maar er was ook een keerzijde voor de bisschop.
Het aantal doorwaadbare plaatsen was zo afgenomen dat de landsheer naar een andere oversteek op zoek moest om in het Oversticht te belanden. Extra probleem daarbij was dat zijn grote tegenspeler, de hertog van Gelre, het groot­ste deel aan die kant van de IJssel bezat. Gelukkig liep even ten noorden van Hattem de grens met zijn grondgebied. Daar lag het allang verdwenen kerkdorp Katen met een veerstal, van waaruit hij rechtstreeks de oversteek naar het Oversticht kon maken. In het dorpje Katen stond een kerspelkerk waar ook de Spooldenaren tot ver in de Middel­eeuwen ter kerke gingen. Tijdens een watersnood­ramp, in 1444, werd het dorpje uiteindelijk door de golven verzwolgen en kwam het midden in de nieuwe bedding van de IJssel te liggen.
Het Katerveer
De plek werd Cathendol of Catertol genoemd, wat oorspronkelijk een heffing op visvangst inhield. Pas later, met het beter bevaarbaar worden van de rivier, werd hier ook de Katentol van passerende schepen mee aangeduid.
Het Katentol behoorde aanvankelijk tot de abdij van Elten, die het in 1240 in ‘eigen gebruik’ en ‘eeuwigdurende erfpacht’ aan Deventer gaf.
Frederick van Blankenham, bisschop van Utrecht, gaf in 1396 aan dat het veer in bezit moest komen van de pastoor van Cothen (Katen), om zo het kerkbezoek mogelijk te maken voor de inwo­ners van het aan de overkant liggende Spoolde.
In 1437 verdween het veer uit bisschoppelijke handen, maar daarbij was wel bedongen dat het nooit in handen van de Geldersen mocht komen. Het Katerveer kwam in 1454 in zijn geheel in eigendom van de stad Zwolle. Het zou pas na de totstandkoming van de eerste IJsselbrug in 1930 uit de vaart worden genomen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de pont nog twee keer, zij het voor korte tijd, in de vaart. In 1940 nadat het Nederlandse leger de IJs­selbrug had opgeblazen en in 1945 toen de Duit­sers, vlak voor hun nederlaag, hetzelfde deden.
De keuze van de plek bracht niet alleen Spool­de in beeld maar was ook van belang voor de ont­wikkeling van de stad Zwolle, want Zwolle werd nu een belangrijke pleisterplaats voor het verkeer naar het noorden.
Spoolderberg
Dat de bisschop van Utrecht de Spoolderberg als vergaderplaats uitkoos, was niet toevallig. Het sloot mooi aan bij gebruiken uit de Germaanse tijd, waar verhogingen ook vaak als ‘hulde- en rechtplaats’ werden aangeduid. Beide aspecten kregen in de nieuwe situatie een vervolg.
In 1308 was het de toenmalige bisschop van Utrecht, Guy van Avesnes, die de IJssel overstak en op de Spoolderberg, in aanwezigheid van ‘rid­dere ende knapen en dat mene Lant’, het dijkrecht vaststelde. De bijeenkomst was opgezet om de waterstaatszaken definitief goed te regelen. In die tijd was men er ook al van overtuigd geraakt dat het water een vijand was die gezamenlijk aange­pakt moest worden. Geen overbodige luxe, zoals uit de geschiedenis van Spoolde zal blijken.
In het jaar 1456 vond er weer een belangrijke gebeurtenis plaats, want toen kwam landsheer David van Bourgondië naar de plek om vrede te sluiten met de Overijsselse steden.
Ook inhuldigingen van de nieuwe landsheer vonden op de Spoolderberg plaats. De Spool­derberg zou tot aan de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke vergaderplaats blijven.
Het aanzien van de Spoolderberg is na eeuwen drastisch veranderd. Het is nog slechts een bergje, een restant van het eens allergrootste rivierduin van Salland, dat door de automobilist die richting oude IJsselbrug rijdt, nog nauwelijks opgemerkt wordt.
In de loop van de tijd werd het zand voor allerlei doeleinden gebruikt, onder meer voor de aanleg van een schans, die deel uitmaakte van een verdedigingslinie van de stad tot de IJssel, terwijl ook bewoners er regelmatig zand haalden voor eigen doeleinden. De berg zou misschien totaal verdwenen zijn als niet in 1644 het markebestuur had besloten dat afgraven voortaan alleen tegen betaling was toegestaan. Alleen de stad Zwolle zou er nog voor niets mogen graven.
Bij de aanleg van de Willemsvaart was de Spoolderberg een storende hindernis. De water­weg werd er omheen gelegd maar aan de zuidkant werd toch nog een stuk van de berg afgegraven.
Het kunstwerk ‘Le Chêne’ (de machtige eik) van kunstenaar André Boone dat onder aan de Spoolderberg staat, symboliseert de verschillende culturen die in de loop der eeuwen aan dit rivier­duin zijn voorbij getrokken.
De marke Spoolde
Ondanks het feit dat de bewoners neerstreken op de hoger gelegen rivierduinen, hadden ze het toch niet altijd gemakkelijk. Aanvankelijk lag het omringende veen nog hoog genoeg om geschikt te zijn voor veeteelt, maar in de eeuwen daarna ging het veen zo inklinken dat het veel lager kwam te liggen. Dat leidde, vooral in herfst en winter, regelmatig tot wateroverlast en overstromingen.
Niettemin is Jan van de Wetering in zijn boek Vergeten levens van mening dat er omstreeks 1600 in Salland door ontginning en bijpassende ont­watering al een tamelijk stabiele situatie was ont­staan. Spoolde, liggend in het stroomdal van de IJssel, lag toen in een vruchtbaar deel. De grond was samengesteld uit rivierklei en klei op veen dat uitermate geschikt bleek voor veeteelt. Toch heeft Spoolde eeuwenlang een gebied gehad dat geschikt was voor akkerbouw; het gebied tussen de Spoolderenkweg en de IJssel, dat ook nu nog steeds de Spoolderenk heet.
Spoolde was een marke. Een marke is een middel­eeuws collectief van grotere boeren die gezamen­lijk het beheer en gebruik van hun gemeenschap­pelijke gronden regelden. De marke Spoolde werd begrensd door de marken Assendorp, Schelle, Voorst, Westenholte en de rivier de IJssel. Het centrum van de marke bestond uit cultuurgrond met boerderijen, omgeven door woeste gronden.
Regelmatig kwamen de markegenoten bij elkaar om, onder voorzitterschap van de mar­kerichter, diverse zaken betreffende de marke te bespreken. Niet iedereen mocht deel uitmaken van het bestuur, alleen de zogenaamde geërfden of gewaarden, zij die eigendom bezaten. Zij kregen daarmee het recht vee in te scharen in de gemeen­schappelijke weide, de meente, die tussen de huidi­ge Meenteweg en de wetering gelegen was. Het was gebruikelijk weidegronden af te sluiten met doorn­hagen die tot circa 1.20 m gesnoeid werden. De akkerbouw vond voornamelijk plaats op de Spool­derenk, waarbij elke markegenoot, al naar gelang zijn bezit, een of meer akkers toebedeeld kreeg.
Het buitendijkse land gerekend vanaf de Katerveersluis werd achtereenvolgens genoemd: de Spoolderwaard, de Spoolderwelle, de Spool­derzaaiwaard – kennelijk een gebied waarop ook landbouw mogelijk was – en de Vreugderijker­waard, die nu volledig omgevormd is tot natuur­gebied.
De Spoolder Hang (een oude rivierarm) was evenals de rivier de IJssel van groot belang voor de visvangst. Het markebestuur bemoeide zich dan ook nadrukkelijk met de visrechten.
Naast de eigenaren van de gewaarde boerde­rijen konden keuters of katers (kleine boeren) soms tegen betaling ook gebruik maken van mar­kegronden. Een enkele keer mochten ze zelfs een stukje grond ontginnen.
De markerichters woonden zelf vaak niet in Spoolde, want de erven werden meestal bewoond door de pachters, ook wel meyers (meiers) of huysluyden genoemd. De markerichters werden bij toerbeurt gekozen. Vrouwen zaten niet in het markebestuur, zij moesten voor een waarnemer zorgen. Het waren de notabelen die eeuwenlang het markebestuur vormden. Het duurde tot na de Franse tijd voordat de eerste boer, Meyerink, ook zitting mocht nemen in het markebestuur, nadat hij eigenaar was geworden van ‘Erve de Venus’ (zie het hoofdstukje over deze boerderij, pagina ..).
De markeboeken van Spoolde
De afspraken binnen het markebestuur werden gemaakt, werden jarenlang opgetekend in de mar­keboeken. Het eerste Spoolder markeboek dateert uit 1489, het laatste werd in 1870 geschreven. Het is jammer dat er geen gegevens van honderd jaar eerder zijn. We hadden dan kunnen weten of Gheerd van Spoelde, een bekende naam uit de vroege Zwolse geschiedenis, ook daadwerkelijk iets met Spoolde te maken heeft gehad, zoals de naam doet vermoeden. Deze schepen van Zwolle liet in 1394, ter wille van zijn zielenheil en dat van zijn familie, een testament opmaken waarin stond dat veel van zijn goederen aan de kerk zouden worden nagelaten. Daarvoor moest een kapel gebouwd worden en een kerk. Dit was het begin van de bouw van de Onze Lieve Vrouwekerk.
In de oudste boeken wordt wel gesproken van een ‘Hof thoe Spoolde’, maar het blijft gissen of Gheerd have en/of goed in Spoolde heeft gehad.
In het eerste markeboek (1489) wordt in hoeveelheden roeden en voeten aangegeven hoe groot ieders bezit was. Op dat moment waren er nog maar tien hoeven in Spoolde, in 1626 gaat het over vijftien hoeven.
Zorgvuldig worden belangen van iedereen vastgelegd: ‘Ganzen en eenden die in ’t land van andere luyden komen mag men doodslaan!’. Heel vaak gaat het over zaken als het onderhoud van de IJsseldijk en kribben, het hakken en verkopen van hout, het onderhoud van sloten, wegen en dui­kers, maar ook wel over het recht op visserij.
In de hierna volgende stukken komt de rol van het markebestuur verschillende keren naar voren.
Het ‘buitentje’ de Hertsenberg
Eeuwenlang stond midden in de zogenaamde Spoolder polder, gelegen tussen het Mercure hotel en de Nilantsweg, boerderij de Hertsenberg. Met de sloop van de boerderij in 1997, werd er ook een stuk geschiedenis afgesloten.
Van oudsher lag de gemeente Zwollerkerspel als een ring om de stad Zwolle. De invloed van de stad was groot. Aanvankelijk was de kerk eigenaar van de omliggende gronden van de stad, later waren het de adel en rijke burgers uit de stad die landerijen en huizen bezaten in het kerspel.
Vaak werd er op hun bezittingen een zogehe­ten spieker gebouwd, doorgaans niet veel meer dan een voorraadschuur. Meestal werd die in de loop van de tijd uitgebouwd tot een bewoonbaar pand, waarna het een buitenplaats werd. Veel moet men zich aanvankelijk nog niet voorstellen van het woongenot. De huizen werden meestal alleen ’s zomers bewoond, ’s winters trokken de bewoners naar de comfortabele binnenstad. Dit zal ook het geval geweest zijn met de Hertsenberg.
Benedictus van Hertenbergh
De naam Benedictus van Hertenbergh is gekop­peld aan het huis dat eeuwenlang midden in de Spoolder polder lag. Benedictus had een smederij in de Voorstraat op nummer 43, waar vooral spel­den werden gesmeed.
In 1690 duikt de naam Hertsenberg voor het eerst in de archieven op. Benedictus zat toen ken­nelijk in geldnood en leende van een zekere Arent van Brevoort honderd caroli guldens. Hij gaf hier­voor zijn huis en akkers genaamd ‘den Herten­berg’, gelegen in Spoolde, in onderpand.
Uit de registers kunnen we opmaken wat hopman Abraham van Sonsbeek (kapitein in het leger) zoal in bezit kreeg toen hij het in 1789 erfde:
– een caterstede (keuterboerderij) den Hertsen­berg* met daarbij gelegen weide en plantsoen, benevens twee en een halve koeweyde op de Spoolder Weerd;
– de weydekamp genaamt het Lange campjen, groot 1 morgen** mede gelegen in Spoolde;
– de weydecamp genaamt den Boomgaard groot ½ morgen mede gelegen in Spoolde;
– het hooycampje genaamt het Laage campje groot ½ morgen mede in Spoolde gelegen;
– een Hagentje genaamt Uilengaren groot ¼ mor­gen meede in Spoolde gelegen.
Verder nog wat akkertjes bouwland, die zowel in Spoolde als in Westenholte lagen.
Het huis bleef een aantal jaren in handen van Van Sonsbeek, hoewel ook hij weer geld leende en daarbij de buitenplaats in onderpand gaf. In die tijd moet er ook een nieuw gebouw bijgezet zijn, want in het huis dat de familie Zieleman later jaren lang zou bewonen, is een eerste steen gemet­seld met het jaartal 1818.
Van kamerbewoner tot eigenaar
In 1832 komen de eerste kadasterkaarten. We krijgen dan een beeld van wat er zoal aan opstallen in Spoolde staat. Het gebied van de Hertsenberg strekte zich toen uit vanaf de Beukenallee tot aan de IJssel.
Naast de oorspronkelijke spieker, die tot caterstede uitgebouwd was, zien we het (nieuwe) gebouw dat uit 1818 dateerde. Er was toen al weer een andere eigenaar, Franciscus Clement Tine­ken. Tineken woonde er zelf niet, hij verhuurde kamers. Eén daarvan werd bewoond door tim­merman H. van Zwolle, die de opdracht kreeg maar liefst 97 zware bomen (eiken en linden) die op dat moment op de buitenplaats Hertsenberg stonden, te verkopen. In 1840 overleed Tineken, waarna de Hertsenberg opnieuw verkocht werd. Uit een advertentie in de Zwolse Courant uit 1841 blijkt dat er sprake was van twee gebouwen, een huis en een caterstede met lanen, tuin en plan­tagien en zelfs een duiventil. De oorspronkelijke caterstede had intussen zijn beste tijd gehad en was vrijwel een bouwval. Fortuin, de nieuwe eige­naar, liet het in 1849 afbreken.
Ook nu weer bewoonde de eigenaar niet de buitenplaats maar verhuurde een kamer, aan­vankelijk aan ene Jacob van den Berg en later aan Gerrit Willem Zieleman. Wijnkoper Nicolaas Pruimers was tussen 1852 en 1860 eigenaar van de Hertsenberg. Hij was bang dat het verblijf ver­loederde als het niet regelmatig bewoond werd en deed daarom zijn uiterste best om Zwolse families voor ‘een gezond’ verblijf naar zijn buitentje te lokken. Hij plaatste hiervoor kleine advertenties in de Zwolse Courant. Uit de advertenties blijkt dat er sprake was van meerdere kamers, waarvan één nog steeds werd bewoond door Gerrit Willem Zieleman. Op de kadasterkaart van 1880 valt te zien dat er intussen ook een boerenschuur naast gezet was. Bovendien valt er uit op te maken dat het huidige Hertsenbergpad al een duidelijke voorganger had. Zowel vanaf de Meenteweg als vanaf de Beukenallee was er een toegangsweg naar de boerderij.
Na de Franse tijd ontstonden er andere ideeën over het nut van de markegenootschappen, deze zouden moderne ontwikkelingen te veel in de weg staan. Vooral in Oost-Nederland werd toen veel ‘gemene’ grond aan particulieren verkocht. Ook in Spoolde gebeurde dit tussen 1837 en 1847. Een deel van de vrijkomende grond werd door boeren gekocht, het overgrote deel kwam echter in han­den van rijke particulieren.
Zo kocht Eusebius Alexander Buisman in 1875 een flink deel van het grondgebied van de Hertsenberg om daar zijn villa de Vijverberg te laten bouwen. Ook het ZAC-terrein (nu Kater­veerpark) werd op een voormalig stuk grond van de Hertsenberg aangelegd.
In 1910 kreeg Gerrit Willem Zieleman de kans om van huurder, eigenaar te worden. Vanaf dat moment tot het midden van de jaren negentig van de twintigste eeuw zou de naam Zieleman gekop­peld blijven aan de Hertsenberg. Geen wonder dat in Spoolde het begrip ‘Zielemanpaadje’ gemakke­lijker in de mond lag dan Hertsenbergpad.
Zoon Jan, getrouwd met Geertruida van de Wetering, werd in 1918 zijn opvolger. Het echt­paar kreeg vijf kinderen. Het weggetje naar de Nilantsweg kreeg voor hen een bijzondere beteke­nis, want maar liefst drie kinderen haalden hun geliefde uit dat stukje Spoolde. Zoon Gerrit Wil­lem (geb. 1922) bleef op de boerderij achter en zette het bedrijf voort.
Gerrit Willem (Gait) Zieleman
Oud-Spooldenaar Wolter Groeneveld groeide op in één van de afgebroken punthuisjes aan de Nilantsweg, die plaats moesten maken voor de aanleg van de A28. Hij schreef, in een terugblik op zijn leven, over herinneringen aan de Hertsenberg en de familie Zieleman. Hij was ongeveer van dezelfde leeftijd als de toekomstige boer Gait. Hij verhaalt over de eindfase van de Tweede Wereld­oorlog, toen de IJssellinie aangelegd werd en de Duitsers jonge Nederlanders verplichtten om zich te melden voor werk in Duitsland, de ‘Arbeitsein­satz’:
‘Wolter en Gerrit Zieleman zitten op dat moment in hetzelfde schuitje en lopen gevaar. Ze besluiten onder te duiken en buiten de greep van de bezetter te blijven. Overdag lukt dat het best door werkzaamheden te verrichten in en om de Hertsenbergboerderij. Het plukken van appels is daarbij een veelvoorkomende bezigheid. De grote boomgaard, met zijn grote hoeveelheid hoogstam-fruitbomen biedt een prachtige schuil­plaats. Je hebt een hoge ladder nodig om helemaal bovenin te komen. Van daaruit maken ze soms spannende dingen mee. Vaak zijn ze getuige van overvliegende geallieerde jachtvliegtuigen, die het gemunt hebben op station en treinwagons. Duits afweergeschut probeert deze vliegtuigen neer te halen, dus al met al levert dat nogal wat span­nende taferelen op.
Spoolde is in die tijd een belangrijke verde­digingslinie voor de Duitsers; er moet heel wat gegraven worden om de IJssellinie sterk te maken. Ook dat werk wordt gedaan met te werk gestelde Nederlanders, vooral Twentenaren, die dagelijks verplicht komen opdraven. Spitters of gravers worden ze genoemd, de benodigde schoppen en bijlen halen ze elke dag op bij de Hertsenberg waar ze ook ’s avonds weer ingeleverd worden. Wolter en Gerrit proberen te midden van dit alles zo min mogelijk op te vallen.’
Het echtpaar Gerrit en Gerrie Zieleman-Katten­berg kreeg zes kinderen, drie zoons en drie doch­ters. Een gesprek met zoons Dik en Jan in 2007 bracht de tijd weer terug:
‘De woonomgeving was in de jaren vijftig nog jarenlang dezelfde gebleven. Het grootste gedeelte van de grond om de boerderij was nog weiland, er lag ook nog een stuk weidegrond daar waar nu de testbaan van Scania ligt. Er was ook bouwland. Op de plek van het huidige hotel Mercure werd maïs verbouwd, waar nu de A28 ligt was nog een grote strook bouwland waar graan verbouwd werd.
Het boerenbedrijf was aanvankelijk nog niet gemoderniseerd. Twee paarden, een zwarte en een bles, verrichtten nog veel werk. Pas in de jaren zes­tig verscheen de eerste trekker en kwam je er meer vormen van mechanisatie tegen. Langzamerhand maakte het hooien plaats voor het inkuilen van gras.
In die jaren verscheen aan de horizon ook de hoog gelegen A28, duidelijk zichtbaar vanaf de boerderij, want bomen stonden er nog niet. De hoeveelheid verkeer stond in geen verhouding tot de verkeersdrukte van nu.
De veestapel bestond in hoofdzaak uit koeien. Ook in die tijd hadden boeren al met tegenslag te kampen. Vrijwel de hele koeienstapel moest geruimd worden toen in de jaren zestig mond- en klauwzeer uitbrak. Met de fruitteelt ging het ook niet goed meer en uiteindelijk werden de fruitbo­men vrijwel allemaal gekapt.’
Verkocht… gekocht… verkocht… gesloopt!
In het midden van de jaren zeventig werd de boer­derij verkocht aan de gemeente die dacht dat het gebied goed paste in haar uitbreidingsplannen. Door de bouw van het motel werd het boerenbe­staan er niet gemakkelijker op. Bovendien wilde geen van de kinderen het bedrijf voortzetten. Ger­rit besloot toen zijn koeien te verkopen en ging ‘buiten de deur’ werken. Stil zitten lag niet in zijn aard, hij was een doener. Dat leidde er toe dat hij het huis grondig ging verbouwen en het aanpaste aan de eisen van de tijd. Ook werd besloten om een gedeelte van het huis te verhuren.
Op een gegeven moment had Gerrit zoveel tijd, geld en energie in het huis geïnvesteerd, dat hij spijt kreeg van de verkoop en het tegen dezelf­de prijs probeerde terug te kopen. De gemeente ging er mee akkoord, maar stelde als voorwaarde dat zij bij verkoop het voorkeursrecht verkreeg.
Leeftijd, gezondheidstoestand, maar ook de staat van het huis leidden uiteindelijk opnieuw tot de verkoop van het huis. Midden jaren negentig verhuisden Gerrit Zieleman en zijn vrouw naar de Stinsweg in Westenholte, waar ze enkele jaren later overleden.
De gemeente zag geen enkele reden om de boerderij met opstallen in stand te houden: ‘dat zou alleen maar geld kosten!’. In 1997 werd boer­derij ‘de Hertsenberg’ gesloopt en is het pand met een lange historie voorgoed verdwenen.
* De oorspronkelijke naam Hertenbergh is veranderd in Hertsenberg.
** Een morgen is een oude landmaat, waaronder verstaan werd de hoeveelheid land die men op een morgen zou kunnen ploegen. Dat kon per plaats en gebied nog al uiteen lopen.
Op zoek naar sporen van
‘Klein Hertsenberg’
Jarenlang was er ook sprake van een Klein Hertsen­berg. Het stond op de plaats waar de Nilantsweg een bocht maakt, nu Nilantsweg 89, en waar een weg­getje afbuigt naar de dijk. Het weggetje is er nog en werd ooit de Zwarte Weg genoemd.
Toen hopman Abraham van Sonsbeek in 1789 eigenaar werd van Groot Hertsenberg, kwam hij ook in bezit van Klein Hertsenberg, dat bestond uit twee catersteden, keuterboerderijtjes. De boer­derijtjes werden meestal bewoond door mensen die werkzaam waren voor de marke Spoolde, vooral weerdmeesters. In het bevolkingsregister van 1741 staat dat aan de ene kant timmerman Arend Wijnkoop woonde, met naast hem Lam­bertus Reinders en zijn vrouw Willemina.
Lambertus was weerdmeester van de marke en moest toezicht houden op alles op en om de dijken. Hij speelde een belangrijke rol in een door markerigter Nilant in het markeboek beschreven vete tussen de buurtschap Spoolde en het Gel­derse Ierst (zie pagina 106).
Van twee katersteden naar drie huizen onder
één dak
Toen in 1832 de eerste kadasterkaarten versche­nen, vielen daarop duidelijk de twee huizen van Klein Hertsenberg te herkennen. Op den duur werd Klein Hertsenberg losgeweekt van zijn grote broer, ook al kwam het ook nu weer in handen van gegoede families.
Zo werd mr. J.M. van Rhijn in 1841 als eige­naar genoemd. Hij was getrouwd met Elisabeth Nilant, dochter van burgemeester Nilant, die op dat moment in het vlakbij gelegen IJsselvliet woonde.
Bij de volkstelling van 1860 kwam Klein Hert­senberg opnieuw in beeld. In één van de huizen woonde toen de weduwe Halfwerk. Kennelijk had zij enige tijd later het huis kunnen kopen, want in de Zwolse Courant van 1883 staat een advertentie waarin zij als eigenares een katerstede, genaamd Klein Hertsenberg, te koop aanbood, bestaande uit huis, schuur, bakhuisje en tuingrond, groot vijf are.
Er moet na die tijd een ingrijpende verande­ring hebben plaats gevonden. Uit een advertentie van 1888 blijkt dat baron De Vos van Steenwijk op dat moment eigenaar was en zijn bezit wilde ver­kopen. Het ging om de verkoop van drie huizen onder één dak met bouwland, groot 21 roeden,
24 ellen. Uit de advertentie valt verder op te maken dat de drie huizen enkele jaren daarvoor gebouwd waren en dat twee ervan verhuurd waren voor ‘elk ƒ 1,40 per week’. Waarom de oorspronkelijke huizen verdwenen zijn is niet bekend. Deze huizen mogen dan verdwenen zijn, de naam Klein Hertsenberg bleef bestaan. Ook in 1922 dook die naam nog op toen een zekere Bredewout zijn bezit te koop aanbood als ‘war­moezerij Klein Hertsenberg’. Het ging om een ‘boerenhuis, met schuren, hooiberg, steltenberg en tuingrond’. De naam warmoezerij duidt op goede tuingrond. Kennelijk kon de groente in de luwte van de dijk goed gedijen.
Ook na de oorlog, in de jaren vijftig, werd op die plek nog volop groente geteeld. In die tijd woonde groenteteler Piet Kluin in het middelste huisje. Het was weliswaar een klein huisje, maar hij had wel de beschikking over alle achter het perceel gelegen tuingrond. Zijn zelfteelt was niet voldoende voor zijn handel. Dagelijks moest hij naar de veiling om het assortiment aan te vullen. Op de bakfiets trok hij de wijk in om zijn groente uit te venten.
Van sloop naar nieuwbouw
Veel oudere Spooldenaren zullen zich de drie huisjes met hun diverse bewoners nog herinne­ren. Erg comfortabel wonen was het er niet. De huisjes waren vochtig en het woei er soms dwars door heen, de slaapkamers op zolder lagen direct onder de pannen. Uiteindelijk zijn ze in 1969 onbewoonbaar verklaard en geveild.
Joop Stoffer werd toen de nieuwe eigenaar voor een bedrag van 24.000 gulden. Hij wilde de optrekjes slopen en er één nieuw pand voor in de plaats zetten. Het duurde nog wel even voor hij daarvoor toestemming kreeg, maar in 1974 kwam de vergunning af. Voor de nummers 85, 87 en 89 mocht één huis terugkeren: Nilantsweg 89.
Uit de oude bouwtekening kunnen we nog enigs­zins het beeld van vroeger terugvinden. De nieu­we eigenaar nam zelf de sloop en bouw ter hand en kwam daarbij wel voor verassingen te staan. De wanden van één van de huisjes waren met leem aangesmeerd, geen wonder dat er een vochtpro­bleem was. Eén huisje had een zijkamer waar nog heel veel gereedschap van een klompenmaker lag. De vondst duidt wellicht op een vroegere klom­penmakerij. Elk huisje had een schoorsteen en het wemelde er nog van de bedsteden. Bij één van de huisjes zat zelfs een waterput in de kamer.
In de achtertuin kwam hij ook een grote waterput tegen. Joop groef hem uit en maakte hem schoon. Dat leverde vooral veel stukken porselein op. Hij lijmde de stukken zo goed en zo kwaad als het kon aan elkaar, maar niet met de juiste lijm. Het museum aan de Melkmarkt had daarom geen belangstelling voor zijn bodem­vondst. Dat lag anders met een gevonden Zeeuwse spreukschaal. Na deskundige restauratie werd die in de museumcollectie opgenomen. De schaal draagt ook nog een spreuk: ‘Luiheid wordt beloond met armoede’.
Bij de sloop van het huis bleek ook dat het dak nog steeds gedragen werd door dennenstammen. Na de afbraak is rondom de bestaande fundering een nieuwe gemaakt, een zogenaamde schort. Bij het metselen van deze nieuwe fundering ontdekte men dat de oorspronkelijke fundering verder doorliep, want er kwamen fundamenten van een boerderij te voorschijn. Misschien is het vroegere Klein Hertsenberg toch groter geweest dan het latere en zijn de drie huisjes op een deel van het oorspronkelijke Klein Hertsenberg neergezet.
Spoolde en de strijd om
het ‘frikadelleneiland’
Eeuwen geleden lagen er in de IJssel, niet ver van het Katerveer, een paar eilandjes, eigenlijk een paar zandplaten. Eén daarvan werd, vanwege zijn vorm, ook wel ‘frikadelleneiland’ genoemd, al werd er ook wel over ‘Twiegwelle’ gesproken. Er groeide daar nogal wat twijg, in die dagen van groot belang voor het verstevigen van de dijken. Terwijl men in Spoolde dacht dat de eilandjes hen toebehoorden, dachten ze daar aan de overkant, in Ierst*, anders over. Dat leidde uiteindelijk tot een stevige vete tus­sen beide rivalen.
IJsselvliet
Wim Huijsmans heeft in 1993 in het Zwols Histo­risch Tijdschrift uitgebreid geschreven over het in 1870 afgebroken landgoed ‘IJsselvliet’. Het werd al in 1647 genoemd en was toen in het bezit van de Zwolse burgemeester Arnoldus Greven. Het land­goed lag vlak bij de IJssel en omvatte een gebied dat ongeveer vanaf de huidige Katerveersluizen liep in de richting van het Zwolle-IJsselkanaal ter hoogte van Nilantsweg 47. Ook aan de overkant van de Nilantsweg lagen nog de nodige bezittin­gen. Door vererving kwam het landgoed in bezit van Lucas Nilant, die ook een aantal keren marke­richter was. In die hoedanigheid hield hij het mar­keboek bij waarin hij een gebeurtenis beschreef, die tot het volgende verhaal bewerkt is.
Ongenode gasten
Het was november 1757. Weerdmeester Lam­bertus Reinders ging ’s ochtends bijtijds van huis om zijn dagelijkse werk te doen. Zijn eerste gang was naar de dijk, want hij had bemoeienis met alle werkzaamheden op en rond de dijk. Het was maar een klein eindje lopen want zijn huis stond niet ver van de dijk af, hij woonde al jaren met vrouw en kinderen in Klein Hertsenberg.
Juist toen hij de dijk opgeklommen was viel hem iets ongewoons op. Op het ‘frikadellenei­landje’ in de IJssel waren twee mannen bezig twijg te snijden en zo te zien waren het geen Spooldena­ren. Nee het waren lui van de overkant, uit Ierst.
Lambertus liet dat niet over zijn kant gaan. Had Spoolde immers niet het eigendomsrecht over dat eilandje? Hij regelde bij buurtgenoot Cooyman een boot, charterde twee mannen en roeide naar het eilandje toe. De twee mannen uit Ierst hadden niets in de gaten en gingen rustig door met het snijden van twijg. Ook merkten ze niet dat Lambertus en zijn mannen hun schuit inpikten en daarmee naar de Spoolder kant terug voeren.
Eenmaal terug bracht Lambertus verslag uit bij markerigter Nilant. Op diens advies stopten ze de boot goed weg in de sloot bij een boer, iets ver­derop; voor alle zekerheid hadden ze de riemen er ook uit gehaald. Toch was die boot in februari van het jaar daarop al weer in Ierst terug. De Ierstena­ren kozen daarvoor het juiste moment, want hun actie vond plaats op het moment dat de Spoolder boerenjongens hun vastenavondfeest vierden in de Moriaen, een herberg onderaan de Spoolder­berg.
Spoolde in actie en zegeviert
Toen markerigter Nilant in het daarop volgend najaar vanuit zijn raam naar buiten keek, kon hij zijn ogen bijna niet geloven. In de verte, op het frikadelleneiland, zag hij een hele horde, onbe­kende mannen twijg snijden. Met volle vrachten vertrokken ze naar de Gelderse kant.
Nilant wist wat hem te doen stond. Hij wist een dertiental boeren zo ver te krijgen dat ze met een geleende boot van veerman De Leeuw ook naar het twijgeiland voeren.
‘Probeer zoveel mogelijk twijg te snijden als je kunt’, voegde hij de mannen toe, ‘maar denk er aan, er wordt geen geweld gebruikt en gescholden wordt er evenmin; mocht het zo zijn dat je over­meesterd wordt en ze vragen je wie jullie gestuurd heeft, dan zeg je: de Heeren erfgenamen van Spoolde!’
Toen de Spooldenaren in de middag vertrok­ken, zagen ze al gauw dat de lui van Ierst met z’n veertienen waren. Eén man meer schrok hen niet af en aangekomen op het eiland begonnen ook zij hun twijg te snijden. Zwijgend deden beide par­tijen hun werk.
Markerigter Nilant sloeg vanuit zijn landhuis met de verrekijker het schouwspel gade. Hij zag twee mannen van Ierst wegvaren, terwijl de schuit nog maar halfvol lag met twijg. Dat leek hem niet helemaal pluis, zeker niet toen hij één van de Iers­tenaren, eenmaal aan wal beland, ‘met gezwinde pas’ naar Huize Ierst zag rennen. Dat leek hem geen zuivere koffie. Gauw stuurde Nilant iemand naar het eiland om zijn mensen te waarschuwen op hun hoede te zijn. Nilant maakte zich niet ten onrechte ongerust, want het duurde niet lang of hij zag vanuit Ierst vier mannen naar het eilandje varen. Erger nog, twee van hen hadden een gela­den snaphaan (geweer) bij zich. Bij het eilandje gekomen losten ze zelfs een paar schoten in de lucht, kennelijk wilden ze de tegenpartij intimide­ren. Tevergeefs, onverstoorbaar bleven de Spool­denaren hun twijg snijden. Er werd nog een paar keer geschoten. Ook aan de vaste wal hadden ze nu in de gaten dat er iets aan de hand moest zijn. Boven aan de dijk sloeg Papen Hendrik met een zekere ongerustheid het schouwspel gade, zelfs de meid kwam op het lawaai af. Er vielen verder geen schoten meer. Wel gingen beide partijen gewoon door met twijg snijden. Het was al laat toen de Spooldenaren met grote bossen twijg aan de wal terugkeerden.
De volgende dag wilden ze weer gaan, maar zware regen stond dat in de weg. De Ierstenaren waren er wel, maar niet voor lang, ook zij moesten buigen voor de regen. De heer van Ierst scheen ook even langs geweest te zijn en hij had zijn men­sen gevraagd of er gisteren ook ‘van die donders bij waren die destijds de schuit weggehaald had­den?’. Nou die waren er zeker bij geweest!
Nilant was nog niet helemaal tevreden en kwam met een nieuwe actie. Hij vroeg de boeren of ze de maandag daarop ieder met twee man wilden komen om vervolgens met z’n allen, met de schuit van veerman De Leeuw, af te varen naar het andere eiland, de Grote Welle. Met maar liefst 23 mensen gingen ze op pad. Er was die dag geen Ierstenaar te bekennen. Aan het eind van de dag keerden ze met een enorme hoeveelheid twijg terug. De bossen twijg werden opgeslagen in de ‘Bourenhof’ bij IJsselvliet. Het zou later gebruikt worden voor versterking van het lange hoofd aan de IJssel.
De strijd leek beslecht. Ierst had zich kennelijk gewonnen gegeven. Spoolde ging er vanuit dat het eigendomsrecht over de eilandjes sindsdien defi­nitief aan hen toebehoorde.
* Aan de Gelderse kant tegenover Spoolde lag ooit het kasteel Ierst. Begin negentiende eeuw werd op de plek van het vervallen kasteel boerderij de Ierst gebouwd. De naam Iersterweg herinnert ons ook nog aan het vroegere kasteel.
Erve de Venus
Wie de stad Zwolle, komend vanaf de oude IJssel­brug, binnenrijdt, ziet al gauw een gebouw opdoe­men dat je niet direct de benaming Venus zou geven. Zo mooi is het verzorgingshuis, architectonisch gezien, nou ook weer niet. Als we weten dat Venus de godin van de liefde voorstelt en vaak als symbool van de eeuwige schoonheid gezien wordt, kan men zich afvragen waarom ooit voor deze naam gekozen is. De naam heeft echter alles met de geschiedenis van het pand te maken.
‘Van de Vene’s hoeve?’
Rond de Middeleeuwen was de bebouwing in Spoolde nog heel beperkt. Alleen op de hoger gelegen gronden kon men zich veilig vestigen: op de rivierduinen langs de Meenteweg en gedeelte­lijk van de huidige Nilantsweg. En natuurlijk ook op en langs de in die tijd nog aanzienlijke Spool­derberg met z’n zich redelijk ver uitstrekkende uitlopers. De nederzettingen waren aanvankelijk in bezit van de kerk, voornamelijk van het Bethle­hemklooster, maar later ook van mensen van adel en uit de gegoede burgerij. Grootgrondbezit bleek een goede manier van geld beleggen te zijn.
In het markeboek van 1489 staat vermeld dat een zekere mevrouw Van de Vene een hoeve bezat. Er wordt wel beweerd dat de benaming ‘Van de Vene’s hoeve’ tot de verbastering ‘De Venus’ heeft geleid. Het blijft slechts gissen.
De ‘Venusredoute’
Duikend in de markeboeken stuiten we in 1647 op ‘Erve de Venus’. Een zekere Nicolaes van Hemich en Elsemien Waeckmans kwamen op dat moment in het bezit van erve en goed ‘De Venus’.
De Tachtigjarige Oorlog was toen bijna afge­lopen (1648). Het gebied waarin de Venus lag maakte deel uit van een verdedigingslinie, aan­gelegd op aandringen van prins Maurits om een opmars van de Spanjaarden naar de Noordelijke Nederlanden te verhinderen.
De linie, die aanvankelijk in een rechte lijn liep van het toenmalige Katerveer naar de stad Zwolle, had drie versterkingen: de Katerschans (bij de IJssel aan het Katerveer), de Bergschans (bij de Spoolderberg) en de Luurderschans, op de plaats van de huidige fietstunnel onder het spoor bij de Nieuwe Veerallee. Later werd er een schans over de IJsseldijk, in de richting van het huidige Engelse Werk, bijgebouwd die de naam Nieuwe Schans kreeg. Deze moest vooral de zwakke plek in de verdedigingslinie ‘afdekken’.
Jarenlang werd de linie verwaarloosd. Mensen uit de buurt stalen zelfs zand en stenen van de ver­dedigingswerken. In het rampjaar 1672 (de Repu­bliek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bis­dommen van Munster en Keulen) kwam hen dat duur te staan. Dat vroeg om maatregelen. Menno van Coehoorn (1641-1704), de bekende vesting­bouwer, maakte plannen om de Zwolse linie te verbeteren en vooral om de Nieuwe Schans ingrij­pend te moderniseren. De Nieuwe Schans op de IJsseldijk moest wijken voor een zogenaamd dub­bel hoornwerk met daarnaast een drietal nieuwe redoutes. Dat waren wat kleinere schansen met alleen uitstekende hoeken. Eén van die redoutes kreeg de naam Venusredoute. Het kan haast niet anders of die naam is gekozen vanwege de in de nabijheid gelegen Venushoeve.
Na het overlijden van zijn vrouw trouwde Nicolaes van Hemich in 1654 opnieuw. Uit de beschrijving van de erfenis bleek dat er sprake was van een huis en een erve, niet ongebruikelijk in die tijd. Enerzijds een soort van buitentje met daaraan verbonden een katerstede (keuterboerderij), waar de meier (de pachter) op woonde. Hij zorgde voor onderhoud en inkomsten, terwijl de eigenaar, doorgaans ’s zomers, op z’n buitentje kon vertoe­ven. Meestal ging het bezit door vererving over in andere handen. Soms werd maar een deel van het bezit geërfd, zoals in 1733 toen een zekere majoor Goris Rouse tweederde deel kreeg. Enkele jaren later werd het bezit opgedeeld in de helft voor de weduwe Rouse en de andere helft voor een zekere Walraven.
Toch waren het nog steeds vooraanstaande families, zoals Rouse en Walraven, uit de stad Zwolle die erf en goed in bezit hadden. Zo stamde Rouse uit een familie van officieren en Zwolse regenten en behoorde de familie Walraven ook tot de notabelen.
Uit de archieven komen we meer te weten over de eigenaren dan over de bewoners van ‘Erve de Venus’. De markeboeken moeten ons inzicht geven over hun bewoners, Gerrits bijvoorbeeld. Rondom hem speelde zich in de achttiende eeuw een merkwaardige affaire af.
Optocht met koeien
Het markebestuur, dat bestond uit mensen die huizen en/of landerijen in de buurtschap bezaten, zag er streng op toe dat men zich aan de regels hield en dat betalingen door de meiers voor gebruik van gronden op tijd plaatsvonden. Zo was Spooldenaar Gerrit Gerrits volgens hen jarenlang in gebreke gebleven. Hij had gebruik gemaakt van de weilanden in de Spoolderenk, maar er drie jaar lang niet voor betaald. In 1728 nam het bestuur maatregelen en schakelde de ‘gerichtsdienaar’ in.
Zo zien we op een gegeven moment niet min­der dan vijf mannen met vier koeien vanuit de Spoolderenk door de buurtschap trekken. Twee markeknechten, aangevuld met enkele extra krachten, moesten de klus klaren. Het waren de koeien van Gerrit Gerrits die op de Venus woon­de. Gerrit was stomverbaasd toen hij de stoet zag aankomen, hij was zich van geen kwaad bewust. Er moest een misverstand in het spel zijn. Dat was inderdaad het geval, want zijn vrouw Geesje was eerder getrouwd geweest, ook met een Gerrit Ger­rits, die inmiddels overleden was. Dat was degene die zijn verplichtingen niet was nagekomen. Het markebestuur moest uiteindelijk bakzeil halen en moest zelfs in de buidel tasten, want de mannen die extra ingeschakeld waren presenteerden de rekening voor de geleverde assistentie: vier gulden en vier stuivers.
In boeren handen
In de Franse tijd constateerde men dat de verdedi­gingslinie onherstelbare gebreken vertoonde.
Herstel zou ontzettend veel geld kosten en dat geld was er niet. Bovendien hadden dergelijke ver­dedigingswerken geen militaire betekenis meer. Koning Lodewijk Napoleon gaf opdracht de ves­ting te slopen. In 1809 werd de verdedigingslinie al voor een deel ontmanteld.
Langzamerhand kwamen er ook meer erven in handen van de boeren zelf. Wat de Venus betreft was dat al het geval in 1778. Veerman Jan Meye­rink, getrouwd met Trijntje Zwakenberg, kreeg via de erfgenamen van Rouse en Walraven ‘Erve en Goed’ in handen. Als eigenaar van ‘de Venus’ behoorde hij nu ook tot het College van Erfge­namen waarmee het recht verkregen werd toe te treden tot het markebestuur.
Verschillende generaties Meyerink zijn vervol­gens eigenaar van de Venus geweest. Een Jan Mey­erink werd later zelfs markerigter, ondenkbaar in de eeuw daarvoor. Als voorzitter deed hij onder­meer het voorstel bij de toegang tot de Spoolder­berg een slagboom te plaatsen om te voorkomen dat iedereen er zomaar zand weghaalde.
Meyerink was niet de enige boer in het mar­kebestuur geweest. In 1842 werd ook W. Aalbers genoemd, die de boerderij aan de Nilantsweg (101) had gekocht van nazaten van Rhijnvis Feith.
‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop,
andere bestemming
In 1857 bood Jan Meyerink de ‘Kapitaal Boeren Erve de Venus’ te koop aan. De advertentie in de Zwolse Courant geeft ons een aardig kijkje op aard en omvang van het erf. Er was sprake van twee gebouwen, een herenhuis en een boerenhuis. Het herenhuis stond tegen het boerenhuis aan, had ruime vertrekken, een kelder, keuken en zolder en was ‘geschikt voor zomer en winterverblijf’. Bovendien had het ‘fraaie uitzichten op de rivier den IJssel’. In een tussenzinnetje stond dat het herenhuis ‘voor weinige jaren geheel nieuw gebouwd’ was.
Of de boerderij in die tijd ook vernieuwd was staat nergens vermeld. Wel krijgen we de volgende informatie: het ‘zeer sterk en ruim gebouwd boe­renhuis’ heeft drie ruime vertrekken, twee water­vrije melkkelders en ‘een deele met stallingen voor paarden en koeyen’.
Het agrarische krijgt nog meer nadruk als we lezen dat er ook nog twee grote schuren bij horen met berging voor wagens, gereedschappen en stal­ling voor paarden en rundvee, met daarnaast nog een paar varkenshokken, twee hooibergen met daarbij behorende wei-, hooi- en bouwlanden, alsmede bos en tuingrond die zich her en der in Spoolde bevond, naast de Willemsvaart bij land­goed de Hertsenberg en in de Spoolderenk.
Buysman, de nieuwe eigenaar, had kennelijk ook andere bedoelingen met het pand. Zowel in 1870 als in 1875 vinden we advertenties in de Zwolse Courant waarbij gesproken wordt over uit­spanning de Venus. Er was muziek te horen en je kon er kijken naar het oplaten van ‘twee luchtbal­lons’, waarvan één groot ‘met een schuitje waarin zich twee personen zullen bevinden’. In 1890 werd op landgoed de Venus een zendingsfeest georganiseerd.
De uitspanning heeft zich waarschijnlijk in en rond het herenhuis afgespeeld, want er was nog steeds sprake van een boerenbedrijf wanneer de volgende eigenaar, H. van Ittersum, in beeld komt. Zelf woonde hij in het herenhuis, maar zijn boerderij ‘met de daarbij behorende landerijen, boomgaard en moestuin, groot 8 ha’, bood hij voor een periode van zes jaar te huur aan. Hij ging niet zo maar met iedereen in zee want hij wilde dat elke inschrijving vergezeld werd door ‘twee solide borgen’. Na het overlijden van Van Ittersum zette zijn vrouw de verhuur nog even door. Ze pro­beerde in haar advertentie gegadigden te lokken met de vermelding dat de Venus in de nabijheid lag van de nieuw te bouwen IJsselbrug (1930).
In 1927 bood ze het geheel te koop aan als een vruchtbaar boerenerf bestaande uit huis met schuur, tuin, vijver, arbeiderswoning, stelten­berg, alsmede bouw- en weiland, opgedeeld in de nodige percelen.
Toen verscheen de bij veel oud-Spooldenaren nog bekende Dries Tempelman op het toneel. Hij is de laatste in de lange reeks van eigenaren van Erve de Venus.
De nadagen van ‘de Venus’
De in Zalk geboren nieuwe eigenaar, Andrie (Dries) Tempelman, was aanvankelijk spoorweg­beambte en vervolgens jarenlang seinwachter. Na een ongeluk werd hij afgekeurd en ging hij verder als huizen- en landmakelaar.
Hij kocht in 1927 ‘de Venus’ met alle grond en opstallen. Het grondgebied strekte zich uit tot aan de dijk, het Engelse Werk, de bloemisterij van De Groot en liep aan de voorkant door tot aan de toekomstige Spoolderbergweg, die toen nog maar een klein weggetje was want de IJsselbrug met z’n ruime toegangsweg kwam pas twee jaar later tot stand. De familie ging wonen in het achterhuis, dat nog steeds een boerderijachtig aanzien had. Via een dubbele achterdeur kwam je van het ach­terhuis op de deel waar zich een pomp en ook een toilet bevond. Huisbaas Tempelman had kippen, konijnen en een geit. In de steltenberg lag nog hooi opgeslagen en rondom het hele huis ston­den vruchtbomen. Er was behoorlijk veel woon­ruimte. Dat mocht ook wel want het gezin telde uiteindelijk vijf kinderen, van wie alleen Annie en Andries nog in leven zijn. Zij kijken terug op een heerlijke jeugd. Er was veel vrijheid om te spelen rond het Engelse Werk maar ook aan de overkant bij de modelboerderij van Dubbeldam en niet te vergeten in de uiterwaarden. Het voorhuis, dat uit twee woongelegenheden bestond en met z’n front richting Spoolderbergweg wees, werd verhuurd en herbergde in de loop der jaren heel wat bewoners.
Het koetshuis
In de advertentie van 1927 werd het koetshuis al niet meer genoemd, de tijd van de koetshuizen was voorbij. Vaak werden ze omgebouwd tot garage voor de in opkomst zijnde auto, maar in dit geval was er een woninkje van gemaakt. Ook dat werd verhuurd. Mevrouw Walgien die toen nog Adri van den Bos heette, had daar voor de oorlog enkele jaren van haar jeugd doorgebracht. Haar vader, Piet van den Bos, afkomstig uit het Westland, was naar Zwolle gekomen omdat daar op een grote tuinderij geen werk meer voor hem was. ‘In Zwolle liggen wel mogelijkheden’, was hem verteld. Daar leerde hij z’n vrouw Jansje Schouten kennen. In 1932, toen ze inmiddels twee dochters hadden, huurden ze het arbeiderswo­ninkje van Dries Tempelman voor een bedrag van vijf gulden in de week, ‘best wel een hoog bedrag voor die tijd’. Het huis was klein, een kamer met een keuken maar met daarnaast wel een grote schuur. Hij verbouwde niet alle groente zelf maar kocht ook in. Dat betekende elke dag vroeg op het land en met z’n spullen naar de veiling aan de Deventerstraatweg. Daarna ging hij met paard en wagen, gemaakt door de bekende wagenmaker Van Weeghel, op stap om z’n handel uit te venten. Niet in de Veerallee, want dat was het domein van de Spoolder tuinder Mensink, maar vooral in de wijken Assendorp, Wipstrik en de Pierik. Doch­ter Adri mocht regelmatig proberen in Spoolde wat sinaasappels te verkopen: ‘als je met een gul­den thuis komt, krijg je een nieuwe band op de fiets’, had haar vader gezegd. De familie Van den Bos vertrok in 1938 naar Assendorp, omdat de gemeente Zwolle in die dagen een hogere uitke­ring gaf dan het toenmalige Zwollerkerspel.
De oorlogsjaren
In 1941 kwam er familie van Tempelman in het voormalige koetshuis te wonen, de familie Evert­sen. Moeder Evertsen moest oom tegen Andries Tempelman zeggen. Ongestoord kon de familie er niet wonen, want aan het eind van de oorlog moest ze naar Westenholte evacueren omdat hun huis in de vuurlinie lag. Oom en tante bleven wel achter.
De Duitsers hadden een hele verdedigingslinie langs de IJssel opgetrokken om met afweerge­schut de aanvallen van de geallieerden te kunnen weerstaan. Die hadden het vooral op de brug en het station gemunt. De IJsselbrug werd bewaakt door Duitse soldaten die ingekwartierd waren in de voorste woningen van de Venus, de oor­spronkelijke bewoners waren weggejaagd. Voor vader Tempelman werd de situatie lastig toen ze hem zochten voor de ‘Arbeitseinsatz’. Fanatieke NSB’ers waren soms op zoek naar Dries, die op dat moment ondergedoken zat in z’n eigen huis. Zoon Andries vertelde in 2009:
‘Wij kinderen noemden hem toen oom Dries. Hij stond altijd vroeg op en ging dan in de tuin werken. Op zekere dag kwamen ze toch huiszoe­king doen. Dries had zich verstopt in een schuur onder een grote berg hooi. Eén van de NSB’ers sloeg met de platte kant van een zeis op het hooi. Dries voelde het wel maar wist zich stil te houden. Zonder resultaat dropen ze af.’
Toch bleef de situatie gevaarlijk. Regelmatig probeerden de geallieerden de brug te bombarde­ren. Zo ook op de dag dat Andries met z’n vader in het Engelse Werk bezig was hout te kappen. Er kwam een bom terecht op de waterleiding. Andries werd door de luchtdruk weggeslagen en zag even later z’n vader tot z’n knieën in de mod­der staan. Zijn vader kon het maar weinig waarde­ren dat hij om de situatie moest lachen.
Aan het eind van de oorlog bleek dat veel Duitse soldaten, er waren hier vooral veel oudere manschappen, de oorlog behoorlijk beu waren. Ook zij verlangden naar het einde. Stiekem luis­terden ze soms mee naar de geheime Engelse zen­der. De radio was al die jaren goed verstopt geble­ven tussen de slaapkamervloer en het plafond van beneden.
Woonzorgcentrum ‘De Venus’
Na de oorlog keerden de vele huurders weer terug, de familie Evertsen in het Koetshuis en diverse andere huurders in de huizen aan de voorkant, waar nog steeds twee woongedeelten waren. In de tijd van de wederopbouw was de woningnood groot en elke woonruimte was welkom.
De tegenover de Venus wonende Henk Dub­beldam heeft veel bewoners zien komen en gaan. Dubbeldam herinnert zich nog de boomgaard met daaronder de vele aardbeienplantjes. Vooral de aardbeien werden liefdevol gekoesterd door Dries Tempelman, daar zat handel in. In de zomertijd zag je vader Dries met een tas vol aard­beien aan het stuur van de fiets naar de stad gaan op zoek naar een extraatje. Dries Tempelman, ook wel Rooie Dries genoemd was ook nauw betrok­ken bij het wel en wee van de IJsclub Spoolde. Hij was van alles tegelijk, baanveger, baancommis­saris, ijsmeester en waakte nauwkeurig over de betrouwbaarheid van het ijs op de vijvers van het Engelse Werk. Het was zijn zorg dat alles piekfijn voor elkaar was. Hij kon ook behoorlijk driftig worden en zich wild ergeren aan mensen die tij­dens het schaatsen hun toegangskaartje niet zicht­baar droegen.
In 1955 overleed Dries Tempelman. Rijdend op de Hattemerdijk op zijn Kapteyn Mobylette werd hij geraakt door een tegemoetkomende fietser. Hij viel met z’n hoofd zodanig tegen een geparkeerd staande auto dat hij in coma raakte en kort daarna overleed.
Wat daarna gebeurde valt moeilijk meer te achterhalen. Zoon Jan, die de nalatenschap regelde, leeft niet meer. Wel is bekend dat er lange tijd twee koks van hotel Wientjes hebben gewoond. Er gaan geruchten dat Frans Wientjes ooit deze plek op het oog had om een nieuwe locatie te bouwen, maar dat hij de vereiste vergunning niet kon krijgen.
In 1963 kwam het voormalige buitentje de Venus in handen van de ‘Stichting Doopsgezind Bejaardenhuis’, die heel andere bedoelingen had met het pand. Het gebouw werd gesloopt en er verrees een bejaardencentrum. In de loop van de tijd is het regelmatig verbouwd en is er organisa­torisch ook het nodige veranderd. Tegenwoordig spreken we van woonzorgcentrum ‘De Venus’ dat onder ‘Driezorg’ valt.
De Beukenallee
Bij een speurtocht naar de geschiedenis van een straat kom je soms tot verrassende ontdekkingen. Archieven en boeken staan je ten dienste om een tipje van de sluier van de vroegste geschiedenis op te lichten. Gesprekken met mensen die er soms al een levenlang gewoond hebben geven de jongste geschie­denis kleur. Een op het oog doodgewone straat, ooit een zandpad, kan zo tot leven komen.
‘Een vette gansch’
Neem nou de Beukenallee. Deze zijweg van de voormalige Veerallee dateert al vanaf 1736 en was toen niet veel meer dan een naamloze zandweg. De weg voerde naar het wat verder gelegen land­goed ‘Kortenberg’, dat op een smalle zandrichel lag en sinds 1868 Mariënheuvel heette.
Het naamloze zandpad stond een tijd later aangeduid als ‘Nieuwe Allee’, een weg met nog nauwelijks bebouwing, slechts hier en daar een boerenhoeve. Pas in 1949 kreeg het zijn defini­tieve naam, de Beukenallee. Die naam kwam niet zo maar uit de lucht vallen. Het vroegere zandpad werd jarenlang omzoomd door metershoge beu­ken.
Volgens de kadastrale kaart van 1832 stonden er in de Beukenallee, die toen nog Nieuwe Weg heette, maar twee huizen. Het verst van de Veer­weg af lag de woning van Hofman.
Op 26 december 1817 hadden de erfgenamen van Spoolde vergaderd over het verzoek van Hen­drik Hofman en zijn vrouw om hun een leven lang in gebruik te geven ‘een stukje grond om een huisje op te bouwen met zoveel land om te bebouwen als aangewezen’. Het verzoek werd goedgekeurd, maar het markebestuur liet ook duidelijk weten dat er wel wat beperkingen aan vast zaten. Zo moest na het overlijden van de echtelieden het huisje getaxeerd worden door twee onpartijdige perso­nen. De marke zou het dan kunnen overnemen, maar als men dat niet van plan was, konden de nazaten van Hofman verplicht worden het huisje af te breken. In dat geval zouden land en ondergrond weer volop eigendom van de marke worden.
Het is nooit zover gekomen, want de nazaten van Hofman kregen steeds de mogelijkheid de huur te prolongeren. Op een gegeven moment kon het pand zelfs gekocht worden. Erfgenamen en heemraden vonden het eenparig goed dat Hofman op eigen kosten een huisje zou bouwen, mits hij maar in de gaten hield dat ‘er voldoende ruimte achter de bomen bleef’. Over het huur­bedrag werd op dat moment nog niets vermeld, wel dat ‘de lasten die thans op de grond rusten voor rekening komen van Hofman en de vrouwe’. Bovendien moesten zij elk jaar op Sint Maarten (11 november) ‘een vette gansch’ aan de marke betalen. Dit laatste vanwege ‘recognitie’, als wijze van erkenning. Deze manier van betaling werd toegepast wanneer er gebruik gemaakt was van iets dat aan een ander, in dit geval de gemeen­schap, toebehoorde.
Het ging bij die extra ‘betaling’ niet altijd om een gans. We lezen ook dat een zekere Gerrit Kolthoorn zes hoenders moest aanreiken. Zelfs de stad Zwolle ontkwam niet aan een dergelijke wijze van betalen, want voor het gebruik van het land ‘Kostverloren’ dat toen naast de Spoolderberg lag, moest ze jaarlijks ook een ‘vette gansch’ leveren. Later kwam het markebestuur van Spoolde met het voors

Lees verder