Categorie

Aflevering 4

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 4

Door | 2010, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

27e jaargang 2010 nummer 4 – 7,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Achter de IJssel begint
het land … Ben Kam
Suikerhistorie
(Collectie ZHT)
Wim Huijsmans
Omslag: Eenzame man op de hoogste boog van de IJsselbrug in
aanbouw (1929). (Collectie HCO)
Ben Kam …
De Harmonie, ca. 1960
In dit Kam-nummer mag De Harmonie niet
ontbreken. Niet alleen omdat dit gebouw zo’n
centrale plaats inneemt aan de Grote Markt en tal
van prominenten binnen zijn muren heeft gehad.
Maar ook omdat in de zeventiende eeuw op deze
plek een huis gestaan heeft met de naam de
Gouden Kam. Ben Kam verdient vanwege zijn
lange staat van dienst voor de Zwolse geschiedbeoefening ook goud. Twee gouden Kammen verbonden aan één suikerzakje.
De eerste steen voor De Harmonie werd
gelegd op 21 juni 1828. Afgezien van de Gouden
Kam stonden op de hoek Grote Markt/Melkmarkt vier huizen, die tegen de vlakte gingen om
plaats te maken voor een nieuw sociëteitsgebouw.
In de Koestraat was de Grote Sociëteit gevestigd,
bedoeld voor de upperten van Zwolle. De Harmonie functioneerde als sociëteitsgebouw voor
de heren, die daar net onder kwamen, de gegoede
en deftige burgers. Vóór De Harmonie stonden
tot aan de Eerste Wereldoorlog elke ochtend en
avond boeren en boerinnen in klederdracht in een
lange rij opgesteld om melk en eieren te verkopen.
De Harmonie diende tot in de jaren dertig als
sociëteitsgebouw. Op de bovenverdieping vonden
en vinden tal van activiteiten plaats zoals vergaderingen, feesten, exposities en ontvangsten. In 1851
werd Thorbecke een serenade gebracht door leden
van de sociëteit en in 2010 hield Van Agt er nog
een lezing over het Palestijnse volk voor studenten
van de Hogeschool Windesheim.
Onlosmakelijk verbonden met De Harmonie
zijn de namen van Jan Stappenbeld en Grolsch.
De bekende Zwolse horecaman begon in 1949 een
café-restaurant in De Harmonie. Het biermerk
stond tientallen jaren meters breed op het dak en
later in groene neonletters op de gevel.
De Harmonie op de Grote Markt, december 2010. (Foto Jan van de Wetering)
146 zwols historisch tijdschrift146 zwols historisch tijdschrift 147
Een gepassioneerd erelid
Het is weinigen gegeven om een lemma te krijgen als
bekende Zwollenaar in de serie Zwolle mijn stad. Ben
Kam heeft maar liefst een hele kolom gekregen. Het is
weinig Zwollenaren gegeven om op geheel eigen wijze een aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift te mogen vullen. Uit
beide feiten mag worden geconcludeerd dat Ben Kam een bijzonder persoon is in de Zwolse historische wereld. Een terechte
conclusie. Ben Kam’s historische belangstelling werd gewekt
door het huis aan de Koestraat waar hij in 1964 kwam wonen.
Over de huizen aan de zuidzijde van de Koestraat ging zijn eerste wetenschappelijke historische artikel. Vele zouden er volgen
over van allerlei, veelal Zwolse, onderwerpen. Uit de enorme
hoeveelheid beeldmateriaal die Ben Kam’s handen is gepasseerd
als vrijwilliger in het HCO, heeft hij voor dit nummer van het
ZHT een keuze gemaakt van foto’s met een verhaal. En al die
verhalen zijn weer ingeweven in Ben’s eigen levensverhaal. Dat
tezamen heeft een nummer opgeleverd dat een rijk geïllustreerde persoonlijke geschiedenis van Zwolle kan heten.
Ben Kam is erelid van de Zwolse Historische Vereniging.
In 1990, na zijn pensionering als huisarts, nam hij zitting in het
bestuur. Van 1996 tot 1998 was hij voorzitter. In deze periode
heeft hij ontzettend veel voor de vereniging gedaan, met name
op het gebied van ledenwerving en naamsbekendheid. Maar
ook na zijn bestuurstijd bleef Ben actief voor de vereniging.
Ben Kam is voor de Zwolse Historische Vereniging van
onschatbare waarde geweest. Het was een van de podia waar hij
uiting gaf aan zijn passie: de Zwolse geschiedenis.
Frank Inklaar,
Zwols Historisch Tijdschrift /
Zwolse Historische Vereniging
De vrijwilliger
De vrijwilliger, een onmisbare kracht in de erfgoedsector. Zonder vrijwilliger, geen goede publiekstoegankelijkheid van archieven. Naast de structurerende professionele archivaris is de vrijwilliger altijd een trouwe steun en
toeverlaat geweest voor archieven bij het beschrijven van akten
en foto’s op ‘stuksniveau’. www.Genlias.nl , de meest bezochte
website van de overheid, was zonder vrijwilligers een onmogelijk project geweest.
Bij het Historisch Centrum Overijssel werkte zo’n vrijwilliger, de heer Ben Kam. Niet voor het toegankelijk maken van
akten van de burgerlijke stand, maar voor de toegankelijkheid
van de beeldcollectie. Jarenlang in samenwerking met Jeanine
Otten, de laatste jaren in samenwerking met Ester Smit.
Ben Kam, wie kent hem niet. Op mijn eerste dag als directeur
van het Historisch Centrum Overijssel kreeg ik van Ben Kam
de allereerste memo. Of ik vooral aandacht wilde geven aan de
beeldcollectie van het HCO en een nieuwe medewerker beeldmateriaal wilde aanstellen. Dat heb ik dus maar gedaan, wie kan
de wens van Ben Kam negeren.
Gedreven, wellicht zelfs koppig en volhardend, maar met
een ongelooflijk hart voor de zaak. Dit jaar zag ik zelfs nog een
reactie van hem op weblogzwolle.nl. Iemand had gepost dat
Ben Kam nog zo’n vitale man was en Ben reageerde later op diezelfde blog. Fascinerend, zo’n leeftijd en toch zo bij de tijd.
Maar goed, ook voor Ben Kam is er zo’n moment dat je
afscheid neemt. Dit tijdschrift en dit voorwoord is een ode aan
Ben Kam als liefhebber en als vrijwilliger. Tegelijk wil ik het een
ode laten zijn aan de vrijwilliger in het algemeen! De vrijwilliger
die, zoals een boer immer voortploegt, een onmisbare bijdrage
levert aan de toegankelijkheid van ons erfgoed.
Ben Bedankt!
Bert de Vries,
directeur Historisch Centrum Overijssel
Kerkplein naar de Koestraat verwezen, naar een
huisarts Klinkert. Die zou me wel verder op weg
helpen. Nou, dat heb ik geweten, want toen de
voordeur (die trouwens niet op slot was) voor
mij werd geopend, stond daar een stevige jongedame. Zij heeft mij van dat moment af aan in de
peiling genomen op een zeer efficiënte manier.
We trouwden in 1952 en die voordeur ben ik duizenden malen in- en uitgegaan, op weg naar alle
mogelijke gebeurtenissen die zich in mensenlevens kunnen voordoen.
Haar vader, de ‘jonge’ Klinkert, heeft me
nadrukkelijk als beginnend huisarts gevormd,
zoals hij ook zelf gevormd was door zijn eigen
vader, de ‘oude’ Klinkert, beter bekend als ‘Olde
Evert’, die zijn Zwolse patiënten met spit in de
rug genas door een pak slaag met de pantoffel en
die zijn leven lang plat Zwols sprak. Het Zwolse
dialect is nu vrijwel geheel verdwenen, maar in het
fotoarchief zijn er nog duidelijke sporen van terug
te vinden, waarover later. Deze twee artsen heb-
‘Achter de IJssel begint het land’ is een in
de jaren vijftig door de Zwolse archivaris en geschiedschrijver Thom. de Vries
geciteerde uitspraak van oud-burgemeester Strick
van Linschoten, wanneer deze bezoekers uit Holland moest ontvangen.1 Deze foto van het Katerveer, genomen vanaf de Gelderse kant, illustreert
de rust en de schoonheid van het land zoals vele
‘immigranten’ uit de Randstad dit hebben ondergaan. Nu ik ruim 65 jaar geleden ook als immigrant uit Brabant in Zwolle ben neergestreken,
heb ik de gehele ontwikkeling van een rustgevend
klein provinciestadje naar de bruisende metropool van heden ten dage op allerlei manieren
meegemaakt. De redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft mij gevraagd een poging te doen
iets van deze ontwikkeling, ook in mijzelf, op
schrift te zetten.
Omdat ik na mijn 35 jaar als huisarts in Zwolle
een ‘werkkring’ heb gevonden in de archieven
die deze ontwikkeling mede hebben vastgelegd,
wil ik aan de hand van enkele der vele tienduizenden foto’s en andere afbeeldingen, die door
mijn handen zijn gegaan, proberen om niet alleen
de feiten die zij tonen te verduidelijken en in
hun historische context te plaatsen, maar ook de
emoties die vaak achter de droge werkelijkheid
naar boven komen, weer te geven. Een voorbeeld
hiervan zouden de vele foto’s kunnen zijn die de
bevrijding van Zwolle illustreren, maar er is veel
meer dan dat.
Wie hebben mij gevormd?
Toen ik begin mei 1945 als net 21-jarige directeur
van een regionaal oud-illegaal blad Zwolle binnenkwam met de missie om te trachten enige
eenheid te brengen in de zich overal boven de
grote rivieren legaliserende Parooluitgaven, werd
ik vanuit de feestvierende menigte op het Grote
Achter de IJssel begint het land …
148 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 149
Ben Kam
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 146
Achter de IJssel begint het land… Ben Kam
Wie hebben mij gevormd? 149
Thomas de Vries 150
De Koestraat 151
Een landmeterkaart uit 1642 154
De kaart van Bloemaert 154
Schutters 156
Het rosse leven 157
Verzet Parool 158
Schoolfoto Lorentzlyceum 1939 158
Bouw IJsselbrug 159
De eenzame man 160
Weggeradeerde bruggen 161
Op- / afrit 161
Skeletten 162
Carillon 163
Het Geregt van Zwolle 165
Infrarode luchtfoto’s 166
Huis van Bewaring 167
ARTS 168
Wildplassen 170
Heilsoldaat Wiebe Palstra 171
De Schepenzaal 172
Jacomina 177
Evangelisatie Kamperpoort, 1895 179
Bedelaar 181
De azijn- en waskaarsenfabriek 182
De Bisschopsschans 182
Verzekeringsgeneeskundige 183
De Atlas van het gemeentearchief 184
Goossen Veldhuis 184
Naoberplicht 186
Beginnend huisarts 186
Kindertjesweilanden 187
Bevallingen 187
Het Hilberdink 188
Zwolle in 1960, deel 3 Jan van de Wetering 191
Mededelingen 193
Auteur 194
Het Katerveer, begin
jaren zestig gezien
vanaf de Gelderse kant,
illustreert de rust en
de schoonheid van het
land. (Foto auteur, collectie HCO)
150 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 151
ben op mijn werken en denken als medicus een
grote invloed gehad, al genas ik spit niet meer met
de pantoffel.
In 1964 verhuisden wij, vrouw, man, vier kindertjes en de poes van de Vondelkade naar Koestraat
22, waar negentien jaar eerder mijn kennismaking
met Zwolle was begonnen. Door het plotseling
overlijden van Henk Klinkert kwam zijn patiëntenkring zonder arts te zitten. Als je die kring
bij elkaar wilt houden is het voor de opvolger
verstandig om ook het huis waarheen de patiënt
zijn schreden richt over te nemen. Zo kwam mijn
echtgenote terug in haar ouderlijk huis en moesten we opnieuw beginnen een nu dubbele praktijk
op te bouwen in een wat gedateerde spreekkamer
en behandelkamer. De ‘klanten’ van mijn schoonvader noemden dat zijn ‘werkplaotsien’, een van
de spreekkamer afgeschoten pijpenlaatje met één
tl-buis als verlichting, dat nog wel.
De gevel van dit huis had echter bijzondere
kenmerken die nog steeds in de daklijst te zien
zijn, met in het midden een afbeelding van een
zonnegod die in Zwolle verder slechts op één
ander huis, Bloemendalstraat 2, te vinden is. In de
zolderbalken vond ik raadselachtige merktekens
die met een guts in het hout aangebracht leken te
zijn. Toen we er een half jaar woonden ben ik eens
naar het gemeentearchief gestapt om te zien of er
wat meer over de bouwgeschiedenis te vinden zou
zijn. Op dat moment begon mijn interesse voor de
geschiedenis van Zwolle, die vanaf toen een groot
deel van mijn denken en doen heeft beheerst en
die leidde tot een groot aantal publicaties over de
stad en haar bewoners.
Thomas de Vries
Niemand in de familie Klinkert kon mij iets over
de bouw van de zolder vertellen en zo kwam ik
terecht in het toenmalige gemeentearchief: drie
tafels, zes stoelen, in een kamer over de breedte
van de achtergevel van het oude stadhuis aan het
Grote Kerkplein. Die kamer had het volle licht,
lag zonder zonwering op het zuiden en als je heel
goed keek zag je achter een glazen scheidingswand
met de rest van die ruimte (die doorliep tot aan de
voorgevel aan de Sassenstraat) een lange tafel. Alle
wanden waren gevuld met boekenkasten en boeken, er hing één plafondlantaarn aan een koord en
daaronder zat halverwege de tafel een wat oudere
heer altijd te lezen, met een vestzakhorloge op een
standaard voor zich.
Om je aanwezigheid als bezoeker kenbaar te
maken moest je door een deur in die glazen scheidingswand stappen en deze persoon tot attentie
zien te krijgen. Dat viel niet mee, want naast dat
horloge was hij nog voorzien van een leesbril en
van een duimendik slap hangend koord tussen
een van zijn oren en een zwarte bakelieten kast
ter grootte van een handpalm, die ergens in zijn
vest een plaats had gevonden. Hij was dus doof,
en niet zo maar een beetje doof, maar echt levensgevaarlijk doof. Hij kon daar slim gebruik van
maken, want als mijn vraag of monoloog hem niet
interesseerde verdween zijn hand naar het vest,
deed daar iets met die doos en dan was hij volledig onbereikbaar en werd je getrakteerd op een
uitgebreide verhandeling over een onderwerp dat
mijlenver was verwijderd van je vraag.
Dat was mijn eerste kennismaking met archivaris Thomas J. de Vries, later uitgegroeid tot een
eigenaardige, monumentale vriendschap gebaseerd op mijn nieuwsgierigheid en zijn encyclopedische kennis, die zich tot ver buiten Zwolle’s
grenzen uitstrekte.
Vanaf die tijd dateert mijn vrijwel dagelijks
bezoeken van dit archief, soms niet langer dan een
half uur, soms wat langer op de Sassenpoort, waar
het toenmalige Rijksarchief was gevestigd. Beide
instellingen, gemeente- en rijksarchief, die in een
haat-liefde verhouding in Zwolle coëxisteerden,
waren voor mij makkelijk binnen enkele minuten
te voet bereikbaar, ik liep nog trappen als de beste.
Thomas was toen al op leeftijd en verkoos mij
tot huisarts; ik heb hem tot aan zijn overlijden zo
goed en zo kwaad als dat ging mogen begeleiden,
twee eigenwijze en eigengereide wetenschappers
bij elkaar. Maar ik wist het wel zo te regelen dat
hij steeds de laatste was op het middagspreekuur,
zodat ik zijn monologen (meestal over Zwolle)
rustig kon laten voortduren.
Ik beschouw het als een voorrecht dat ik in
staat ben geweest om, naast andere publicaties,
zijn twee boekdelen Geschiedenis van Zwolle
met de nu mogelijke techniek te digitaliseren.
Hierdoor is zijn werk veel makkelijker toegankelijk geworden; dat er geen notenapparaat is
toegevoegd was indertijd een compromis met de
uitgever. Hij was zich dat zeer goed bewust, maar
zijn eigen exemplaar mét de bronvermeldingen is
nimmer boven water gekomen. Hij vermeldt het
in de inleiding op deel II. Anderzijds: de man had
een gietijzeren geheugen, ik heb hem tot op de dag
van vandaag nog steeds niet op een duidelijke fout
kunnen betrappen, ook niet na het drie keer (in
verband met het digitaliseren) letterlijk woordelijk doorlezen van zijn boeken.
Ik vond Thomas de Vries op een zonnige
vrijdagmorgen in mei 1975, thuis op zijn kamer
temidden van zijn verzameling klokken, overleden aan een hartstilstand. Hij heeft op mijn denken en schrijven grote invloed uitgeoefend en ik
ben hem daar nog steeds dankbaar voor.
De Koestraat
Mijn eerste wetenschappelijke artikel verscheen
in 1969 in de Verslagen en Mededelingen van de
Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt
en Geschiedenis en handelde niet zozeer over
het huis in de Koestraat, maar gaf een overzicht
van alle huizen aan de zuidkant van die straat
en over de in de zeventiende en achttiende eeuw
invloedrijke stratenbroederschappen.2 Dat waren
in theorie kiesgezelschappen die waren ontstaan
Gevel van Koestraat 22,
met een afbeelding van
een zonnegod. (Foto
auteur, collectie HCO)
Gemeentearchivaris
Thomas Josef de Vries
(1904 – 1975), in 1967
geportretteerd door
Teun van der Veen.
(Collectie HCO)
De plattegrond van Joan Blaeu van ‘Swolla’ toont Zwolle met de nieuwe vestingwerken omstreeks 1650. De Koestraat (rechts) valt hierop duidelijk te zien.
(Collectie HCO)
152 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 153
uit de Meente, maar in de praktijk vooral eet- en
drinkgezelschappen, die het reilen en zeilen in
hun wijk met enige regelmaat tijdens hun maaltijden bespraken. De reglementen van twee dezer
stratenbroederschappen zijn bewaard gebleven,
het reglement van de broederschap Sassenstraat
zelfs vanaf het ontstaan voor 1595. Daarna zijn er
herziene exemplaren uit 1611, 1623, 1632 en 1690
bekend, die steeds nadere specificaties vermelden
over de regels waaraan men zich te houden heeft.
Hieruit ziet men dat het gezelschap uit zeer gefortuneerde heren moet hebben bestaan: wie niet ter
Raadskeur (verkiezing van nieuwe raadsleden)
of Meentekeur (verkiezing van nieuwe meenteleden) verscheen werd beboet, waarbij de bedragen
van zes carolusgulden in 1597 opliepen tot twintig
goudgulden voor ontbreken bij de Raadskeur en
tot 105 carolusgulden bij niet verschijnen bij de
Meentekeur in 1690. Voor allerlei kleine en grote
tekortkomingen ten opzichte van de broederschap werden geldboetes geheven: wie een erfenis
kreeg of wie in het huwelijk trad betaalde tien
goudgulden, en wie te laat op de broederschap
vergadering verscheen betaalde veertien stuiver.
Ook de dagelijkse gewoonten worden gememoreerd: ‘Imandt van de Stratebroederen met den
anderen questie krijgende en realiter injurierende,
zal tot boete betalen thien carolus gulden; verbaliter twee goltgulden.’ Schelden doet dus alleen pijn
in de portemonnee, maar elkaar letsel toebrengen
is niet alleen met de hand: ‘Mantel dragen zonder
degen op vergaderingen van Raadt en Meente’
wordt ook bestraft en degenwonden kunnen snel
dodelijk zijn.
Een van de bewoners van het huis was Bernard
Huete, lid van de stratenbroederschap. In dit
eerste artikel publiceerde ik zijn parenteel en een
aantal gegevens over zijn vermogen, waarvan hij
samen met zijn broer Theodorus veertienduizend goudgulden schonk voor de bouw van het
Schnitgerorgel in de Grote Kerk. Uitgedrukt in
euro’s komt dat bedrag afhankelijk van de omrekeningsfactor (bouwgrond, goudprijs, kosten van
een doodskist) op een bedrag tussen de twee en
de tien miljoen gulden. Dit feit en hun namen zijn
vereeuwigd in een paneel aan de voorzijde van het
orgel en het is aannemelijk dat Huete mede door
deze gift in 1718 tot burgemeester is gekozen. Het
orgel werd ‘ingespeeld’ tussen 21 september en 20
oktober 1721, maar Huete overleed, 71 jaar oud,
op 1 oktober van dat jaar. Over zijn laatste ziekte
heb ik indertijd niets kunnen vinden.
Wat echter uit het onderzoek naar het orgel
ook naar voren kwam, waren de gegevens over
de betaling en de honoraria van de organisten die
het instument moesten goedkeuren. Het geld dat
Huete schonk werd letterlijk in zakken naar het
stadhuis gedragen en daar in de schatkamer van
de gemeente, mogelijk in de zilverkast die nog
steeds in de hal van het oude stadhuis staat, opgeborgen. Betalingen aan rechthebbenden zoals
Caspar Schnitger en enkele burgemeesters werden
rechtstreeks uit de geldzakken gedaan.
Nog verrassender is dat duidelijk valt aan te tonen
dat de Zwollenaar in 1720 al geneigd is om de letter H aan het begin van een woord in te slikken.
Een van de drie organisten die het orgel komen
inspelen en die allen uit het westen van het land
hierheen komen varen,3 heet Havercamp, maar
de klerk in het stadhuis die de afrekening schrijft
betitelt hem als Avercamp. Het zal ongetwijfeld
in aktes uit die periode en ook later, zolang er nog
geen schrijfmachines waren, voorgekomen zijn
dat een letter H niet werd mee geschreven, maar
een bevestiging zoals in dit geval zal men niet vaak
kunnen vinden.
De Koestraat vertoont in het beeldmateriaal van
de stad een aantal andere aspecten die terug gaan
op het ontstaan van de stad en de ommuring,
zoals deze tussen 1230 en 1640 is ontstaan, en die
nog steeds in het stratenpatroon duidelijk herkenbaar is. De kaarten van Braun en Hogenberg
en die van Guiccardini geven een duidelijk beeld
van een bijna eironde stad, die drie poorten heeft
waardoor men het grondgebied van de stad kan
betreden. Die ronde vorm komt in moderne tijden soms hinderlijk terug in de kromming van de
trottoirs in Koe- en Walstraat, waardoor bij het
inparkeren van de auto banden en velgen beschadigd kunnen raken. Vanuit de bestuurdersplaats
lijkt de straat recht, maar achteruitrijdend wordt
de kromming snel duidelijk.
Op de foto van de Koestraat genomen uit
de toren van de Sassenpoort, maar vooral op de
luchtfoto valt het goed te zien. Op deze foto ziet
men aan de achterkant van de huizen ook de uitleg van de vesting, zoals deze tijdens het Twaalfjarig Bestand werd gerealiseerd. Het wandelpad
over de Potgietersingel geeft de loop van de eerste
stadsgracht aan, met links daarvan de huidige
stadsgracht en achter de bomen de Suikerberg (zo
genoemd naar de vorm van vroeger gangbare suikerbroden). Op de kaart van Blaeu is een en ander
duidelijk zichtbaar
Han Prins, die jarenlang in de Vrienden van de
Stadskern een vooraanstaande rol heeft gespeeld,
maakte op mijn verzoek een overzichtstekening
Bernard Huete schonk
samen met zijn broer
Theodorus veertienduizend goudgulden voor
de bouw van het Schnitgerorgel in de Grote
Kerk. Hier de specificatie van de betalingen.
(Collectie HCO)
Links: De kaart van
Braun en Hogenberg uit
1581 geeft een duidelijk
beeld van een bijna
eironde stad, met drie
poorten: de Diezerpoort, de Sassenpoort en
de Kamperpoort. (Collectie HCO)
De Koestraat gezien
vanuit de toren van
de Sassenpoort, jaren
zestig. (Foto auteur, collectie HCO)
Luchtfoto van de Koestraat tot de Nieuwe
Havenbrug, begin jaren
zestig. (Collectie HCO)
154 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 155
van de verschillende stadia waarin de zuidkant
van de stad zich in de loop der jaren heeft vertoond.
Een landmeterkaart uit 1642
Er is echter nog een mogelijkheid om de veranderingen in de vestingstad te volgen. Wie de luchtfoto van de Koestraat goed bekijkt, zal het opvallen
dat de rooilijn (om de moderne terminologie even
te gebruiken) langs de achterzijde van de huizen
vrijwel parallel loopt aan de rooilijn aan de straat.
De huizen zijn even diep gebouwd en de er achter
liggende bouwsels zijn onregelmatig en variëren
onderling sterk in breedte en diepte. Thomas de
Vries wees mij toen ik net met mijn onderzoek
naar het woonhuis was begonnen op een archiefstuk in de vorm van een cahier, een in varkensleer
gebonden landmeterschetsboekje Metinge van
de stadsgrond agter de huijsen in de Koestraat uit
1642. Vrijwel geheel in potlood geschreven met
enkele inktnotities in een andere hand toegevoegd, waarin een exacte opmeting is weergegeven van de grond die na de uitleg van de vesting
achter de huizen droogviel. Die stukjes grond,
allen exact 21 voet breed, werden door de bewoners vrij snel geannexeerd. Men beriep zich op
de zinsneden in de koop- en overdrachtaktes die
als hun eigendomsbewijs golden, dat daarin hun
grondbezit werd beschreven als ‘zegt haer brieven
zeggen was 2 Stadtsmuijren en hoffkens’. Op de
tekeningen zijn ook heel duidelijk verschillende
muurtorentjes te zien die in de eerste stadsmuur
aanwezig waren. Deze eigendomsbewijzen, die
van koper op koper steeds werden overgedragen,
stammen uit ondermeer 1559 en 1599, duidelijke
argumenten dus voor eigendom van de grondrechten.
Hierover heeft zich tussen de bewoners van
Koestraat en Walstraat en het stadsbestuur van
1642 tot 1744 met behulp van vele juristen een
monumentale ruzie afgespeeld, waarbij de bewoners uiteindelijk aan het langste eind hebben
getrokken en hun schuld aan grondgelden met
een eenmalige canon konden afkopen.
De kaart van Bloemaert
In het midden van de jaren negentig was ik druk
bezig met het inventariseren van de dia’s in het
gemeentearchief, toen de pas aangestelde atlasbeheerder mij inschakelde om voor haar het aanwezige cartografische materiaal te inventariseren
in een database. Ik kon daartoe beschikken over
een toen al wat antieke computer met DOS 3.1 als
besturingsprogramma. Dat was na het catalogiseren van de door mij ingebrachte dia’s van Zwolle
en het (toen nog niet voltooide) invoeren van de
dia’s in de collectie de eerste echte bezigheid die
ik voor het gemeentearchief ondernam. Geheel
onverwacht werd ik geconfronteerd met een nauwelijks nog leesbare pentekening van de vesting
Zwolle, die mij deed denken aan een kaart die ik
in de jaren zestig had gezien en gefotografeerd in
het Algemeen Rijksarchief, toen mijn vader mij op
mijn eerste archiefschreden vergezelde. En inderdaad bleek ik er een dia van te hebben in mijn
eigen verzameling en zelfs gebruikt te hebben
voor een lezing over de binnenstad in 1968.
Het exemplaar uit het Algemeen Rijksarchief
laat ik hier zien omdat het de eerste kaart is (in
1592 door de cartograaf Cornelis Bloemaert vervaardigd) waarvan de schaal en de onderlinge
verhoudingen vrijwel exact overeen komen met
de tegenwoordig gebruikte kaarten. Bloemaert
maakte in opdracht van prins Maurits een ontwerp voor het versterken van de IJssellinie, waarbij de stad Zwolle werd ‘uitgelegd’ en er dus een
tweede versterking rondom de oude eivormige
Overzichtstekening
door Han Prins van
de verschillende stadia
waarin de zuidkant
van de stad zich in de
loop der jaren heeft vertoond, eind jaren zestig.
(Collectie HCO)
Een blad uit het landmetersboekje ‘Metinge
van de stadsgrond agter
de huijsen in de Koestraat’ uit 1642. (Collectie HCO)
De kaart van Bloemaert
van Zwolle uit 1592.
Dit is de eerste kaart
waarvan de schaal en
de onderlinge verhoudingen vrijwel exact
overeenkomen met de
tegenwoordig gebruikte
kaarten. (Foto auteur,
collectie Nationaal
Archief Den Haag)
De monumentenkaart
van de gemeente Zwolle
over de kaart van Bloemaert geprojecteerd. De
verhoudingen komen
vrijwel exact overeen.
(Foto auteur)
156 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 157
vesting werd aangebracht. Men ziet de poorten
exact in vorm gebracht en vooral de oudste muren
weergegeven met de steeds terugkerende kleine
torentjes, waarvan er ook een is te zien op de hier
weergegeven kaart van de landmeter die vijftig
jaar later werd getekend. De vergelijking is niet
zo moeilijk: ik heb de monumentenkaart van de
gemeente Zwolle opgehangen en de dia in een
projector gezet, en net zo lang geheen-en-weerd
tot de afbeelding passend op de kaart kwam en het
geheel gefotografeerd. Men oordele zelf.
Schutters
In tijd van oorlog moesten de vestingmuren
natuurlijk verdedigd worden tegen ‘de vijand’,
wie dat dan wel wezen mocht. Dat is altijd zowel
een landsbelang als een lokaal belang geweest.
Tot het eerste doel werd een stad voorzien van
een garnizoen, dat in kazernes in de stad werd
ondergebracht. Zo hebben we in Zwolle nog de
Broerenkazerne gekend. Dat was dus een verdediging op rijkskosten. Daarnaast bestond lokaal
de schutterij, een militair gevormde en geoefende
eenheid die kon worden gemobiliseerd bij dreigend gevaar en die bestond uit mannen die hun
dienstplicht hadden voltooid, maar die nog jong
genoeg waren om mee te helpen. In 1922 zijn de
schutterijen opgeheven, maar vooral in het zuiden van ons land worden regelmatig in de zomer
verschillende schuttersfeesten gevierd waar de
oude tradities in stand worden gehouden, zoals
het prijsschieten op de haan, mooi marcheren,
en vooral mooie uniformen dragen en met vaandels zwaaien. Juist omdat deze tradities boven de
rivieren zijn uitgestorven, lijkt het mij met mijn
Brabantse jeugdherinneringen goed om hier nog
enkele foto´s van te laten zien.
Het rosse leven
Hoe komt iemand er toe om een onderzoek in
te stellen naar sociale omstandigheden zoals die
honderd en meer jaren eerder in een kleine provinciestad van rond de 25.000 inwoners hebben
bestaan? Is het alleen nieuwsgierigheid, kunnen
we er in de huidige tijd nog iets van leren om de
huidige sociale relaties te verbeteren?
De eerste vraag valt makkelijk te beantwoorden. Bij het voorbereiden van een artikel voor
de pilot-uitgave van Waanders in 1980, getiteld
Ach lieve tijd. 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en
hun…, werd een aantal schrijvers die enigszins
met de geschiedenis van de stad bekend geacht
werden uitgenodigd om een katern te schrijven
over een specifiek onderwerp. Deze katernen zouden om de veertien dagen worden uitgebracht,
zodat na een half jaar een stevig boekwerk kon
worden ingezien dat de stad vanuit allerlei kanten
belichtte. Daarbij zorgde de redactie, waarin de
Zwolse kunstenaar en tekenaar Han Prins een
vooraanstaande rol speelde, voor een grote hoeveelheid illustratiemateriaal. Mij werd gevraagd
om een artikel te schrijven over de Zwolse ziekten
en tussen de illustraties die men geschikt achtte
om mijn onderwerp te illustreren, vond ik een
afbeelding van een Boekje, dienende tot bewijs van
inschrijving als publieke vrouw. Daarmee ging er
geheel onverwacht een ‘deurtje’ open naar een tot
dan geheel verborgen aspect van de Zwolse maatschappij. Publieke vrouwen vond men in publieke
huizen en die aanduiding is vooral in Engeland
gebruikt voor openbare gelegenheden, waar men
heenging om alcoholische versnaperingen te
gebruiken. De vrouw kreeg de gelegenheid om
zich in een ladies-only kamer op te houden, een
instelling die in Zwolle indertijd geheel onbekend
was. Aparte ingangen voor mannen en vrouwen
werden echter wel gehandhaafd in de badhuizen
die in de tweede helft van de negentiende eeuw in
zwang waren, of de seksen werden op verschillende tijden schoongewassen. Maar in ons land was
de term publieke vrouw in de negentiende eeuw
specifiek voor hoer.
De tegenstellingen zijn door de eeuwen heen
steeds groot geweest en aan verandering onderhevig. De vrije middeleeuwer ging naakt te bed en
sliep met vrouw, kinderen, knecht, meid en het
vee in hetzelfde vertrek. Al in die tijd ging de betere stand naar het badhuis, waar seksuele contacten
zo gewoon werden dat de kerk er aanmerkingen
op ging maken. De goudeneeuwer waste zich
nauwelijks en verstopte zijn seksuele gevoelens
achter het gordijn of achter de slaapkamerdeur.
Als men al seksualiteit openbaarde, dan waren
dat altijd soldaten of dronken kroegklanten die
daarmee werden afgeschilderd. De betere stand,
maar vooral de militaire autoriteiten trachtten
door reglementering al vanaf de zeventiende
eeuw het optreden van prostituees tegen te gaan,
door het instellen van zware lichamelijke straffen
zoals spitsroeden lopen, neus en oren afsnijden
en brandmerken, maar het lijkt niet veel te hebben geholpen. En zo bleef de reglementering, met
daaraan verbonden een wekelijks doktersonderzoek, tot ver in de eenentwintigste eeuw bestaan
en werden militairen die zich met een geslachtsziekte meldden onverbiddelijk (in het Duitse leger
naar het Oost-) front gestuurd.
Luitenant van de schutterij. (Collectie auteur)
Commandant van de
schutters. (Collectie
auteur)
Rechts: Luitenant
van de schutterij met
hanenveren (Collectie
auteur)
Boekje, dienende tot
bewijs van inschrijving
als publieke vrouw.
(Collectie HCO)
158 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 159
Toen de redactie van Ach lieve tijd mij vertelde
dat er een aantal sinaasappelkistjes gevuld met
deze boekjes de verhuizing van het politiebureau
aan de Lombardstraat naar de nieuwbouw in de
Weezenlanden begin jaren zeventig had overleefd,
leek het dat er een wetenschappelijk onderzoek
mogelijk zou moeten zijn. Dit leidde uiteindelijk
tot mijn promotie in Nijmegen, in 1983.
Verzet Parool
In mei 1940 werden de oudste kinderen van mijn
vader, mijn oudste zus en ik, door hem naar
zijn zuster in Haarlem gestuurd. Hij leefde zoals
zovelen in de veronderstelling dat de Hollandse
Waterlinie een onneembare vesting was voor de
al jaren als vijand bestempelde Duitsers en dat wij
daar veilig buiten de oorlog konden blijven. Dit
alles gebaseerd op zijn eigen ervaringen tijdens de
Eerste Wereldoorlog toen hij gemobiliseerd was
en de vaderlandse grens mede moest bewaken.
Die begrippen, ‘Vaderland, Koningin, het Wilhelmus’ heb ik van hem meegekregen; de vaderlandse liederen over de ‘Watergeus voor den Briel’
en ‘Valerius’ gedenkklanck’ kreeg ik op de lagere
school al wekelijks mee. Toen de Duitse bezetting
een feit was en we de rookwolken van Rotterdam
zagen, was er maar één gevoel mogelijk: dat zal ik
jullie betaald zetten, met daarachter de gedachte:
na mijn eindexamen wat ik in 1942 hoopte te
kunnen doen, zo praktisch dacht ik toen al wel.
Het werd dus het Parool, vrij onverveerd,
waarmee ik in 1942 in aanraking kwam, achttien
jaar oud maar nog steeds met die alles doortrekkende boosheid: dít laat ik mijn vaderland niet
aandoen. Dat werd nog eens versterkt door de
reactie van algemene gelatenheid die over ons
volk was gekomen en waaraan ik ook al om niet
op te vallen meedeed. We gingen gewoon naar
school, we hamsterden shag en sigaretten, we
kochten niet zwart, we conformeerden ons en
dat zat ook in onze volksaard. Wij Nederlanders
waren en zijn nog steeds opgevoed met gezagsgetrouwheid, we houden ons aan de wetten ook
als die door een overheerser worden opgelegd en
verkracht. En wie zijn mond opendeed, ging naar
het concentratiekamp.
Dus moest je je mond dichthouden en dat was
een zaak die maar weinigen tijdens de bezetting
goed beheersten. Ik kon dat wel: zelfs mijn ouders
hebben tot na de oorlog niet geweten dat ik eind
1943 op weg was om hoofdverspreider van het
Parool te worden voor Noord-Brabant, en later
nog een stuk Zeeland en Noord-Limburg. Daarbij
kwam dan ook nog wekelijks een nieuwsvoorziening op folio of A4 formaat gestencild, waarmee
de directe omgeving van Eindhoven en Helmond
werd voorzien van enigszins betrouwbaar nieuws.
Alle radiotoestellen waren immers begin 1943
door de bezetter in beslag genomen.
Schoolfoto Lorentzlyceum 1939
Onvoorstelbaar dat deze twee pubers, die hier nog
op hun krent zitten aan de voet van een aantal
leraren, zich vijf jaar later hebben bewezen als
directie van een uit de onderdrukking opgerezen
krant.
Toch is deze activiteit van grote invloed
geweest op mijn verdere leven. Nog tijdens de
laatste fase van de bevrijding van ons land ging
ik liftend de rivieren over richting noordoost,
omdat wij wisten dat ook dáár pogingen zouden
worden ondernomen om het Parool als dagblad
uit te gaan geven. Op die route deed ik ook Zwolle
aan. De Paroolcontacten waren snel gelegd en ik
bleef nog enkele dagen hangen in de stad, hoorde
de verhalen over de gravers en het bevrijden van
gevangenen uit het concentratiekamp Amersfoort
die in de Buitensociëteit waren opgesloten. Over
het Medisch Contact en over de dood van mijn
goede Paroolvriend Hans Schippers, die ook bij
de familie Klinkert te gast was geweest en die
bij de represailles na de executie van Rauter in
Amsterdam werd gefusilleerd.4 Hij werd gepakt
omdat zijn fiets een lekke band had…
De landelijke bevrijding van 5 mei maakte
ik in Zwolle mee en een dag of twee later was ik
op gezag van mijn perskaart in Amsterdam en in
gesprek met de Paroolredactie, op het kantoor van
de Telegraaf. Enkele dagen later werd ik door het
Militair Gezag terug gecommandeerd, heel west
Nederland was onder quarantaine gesteld en als ik
niet snel maakte dat ik weg kwam dan dreigde de
politiecel, ondergrondse pers of niet.
Dus terug naar Eindhoven waar de Paroolzaken goed waren geregeld en ik mijn medische studie, die ik daar in februari aan de Tijdelijke Academie was begonnen, weer opnam. Wie schetst
mijn verbazing toen eind juni ineens de dochter
van Henk Klinkert uit Zwolle in Eindhoven voor
mijn neus stond, met een rieten koffertje en vanuit haar logeeradres in Aalst of Waalre bij kennissen van de familie mij kwam opzoeken. Zij heeft
mij vele jaren later bekend dat zij op het moment
dat zij mij zag, in mei 1945 aan die voordeur in de
Koestraat, vuil in een leren jas waarin een scheur
(en het kán zijn dat ik mijn gitaar toen ook al bij
me had), wíst: díe man moet ik hebben. En zo
gebeurde het, al trouwden we pas zeven jaar later,
vrijwel op de dag af nadat zij in Eindhoven beslag
op mij wist te leggen.
Bouw IJsselbrug
Tussen die trouwerij en de werkzaamheden in
de Atlas van het gemeentearchief in Zwolle ligt
een half mensenleven. Een enkel beeld daaruit zal
misschien nog wel in dit relaas verdwalen, maar
ik probeer me te houden aan de oorspronkelijke
vraag, dat is om te laten zien wat mij in de beeldverzamelingen van het Gemeentearchief Zwolle
en later het Historisch Centrum Overijssel méér
heeft gegrepen dan alle andere foto’s, die ik niet
kan laten zien. Een hele grove taxatie leert dat ik
vanaf eind jaren tachtig tot nu toe circa veertigduizend foto’s, kaarten en prenten heb bekeken,
De twee pubers Nico
van de Sande Bakhuyzen en Ben Kam (naast
elkaar zittend, links
vooraan) op een schoolfoto van het Lorentzlyceum in Eindhoven
uit 1939. (Collectie
auteur)
De bouw (1929) van de verkeersbrug over de IJssel. De arbeiders klonken de
brugonderdelen op een hoogte van veertig meter boven het water aan elkaar,
zonder verdere veiligheidsmaatregelen als touwen of onder de werkplek gespannen netten. (Collectie HCO)
De vlag in top tijdens de bouw van de verkeersbrug over de IJssel, 1929.
(Collectie HCO)
160 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 161
geanalyseerd en in een database heb ondergebracht, en dat is een voorzichtige schatting.
Toch moet ik weer beginnen bij mijn vader.
Hij was civiel ingenieur en was, nadat hij hersteld
was van een nekwerveloperatie wegens een in de
mobilisatie van 1914-1918 opgelopen bottuberculose, met steun van zijn vader aangesteld als hoofd
van de constructiewerkplaats bij de Machinefabriek Begemann in Helmond. Mijn grootvader
was daar mededirecteur. Die fabriek had een ruim
tweehonderd meter lange constructiewerkplaats,
waar alle te leveren bruggen en andere staalconstructies in eerste instantie werden voorgemonteerd, zodat men zeker wist dat alle gaten op de
juiste plaats waren geboord. Ik mocht als jongetje
van 5-7 jaar na het gezamenlijke zwemmen met
hem mee naar die werkplaats, daarna naar huis
om uitgebakken spek bij het ontbijt te krijgen en
vervolgens, ja, naar school terwijl mijn vader dan
weer naar de fabriek terugliep of fietste.
En wat gebeurt me dan ruim zeventig jaar
later? Dan stuit ik op deze foto van de bouw
(1929) van de verkeersbrug bij het Katerveer, in
hetzelfde jaar waarin ik die uitgebakken spekjes
at. De arbeiders zijn hooggeschoold personeel,
zij klinken de brugonderdelen op een hoogte van
veertig meter boven het water aan elkaar, zonder verdere veiligheidsmaatregelen als touwen
of onder de werkplek gespannen netten en dat
gebeurt met witheet gestookte klinknagels, die
zij toegeworpen krijgen vanuit een op dezelfde
hoogte opgesteld smidsvuur. Bekijk de foto en
verwonder u. Daar kwam geen Arbo-wet aan te
pas. Bij het bouwen van al die bruggen over de
grote rivieren volgens het rijkswegenplan van
1928 is geen enkele man verongelukt.
De eenzame man
Toch vind ik de foto van de eenzame man die op
de hoogste boog heeft plaatsgenomen naast het
te sluiten bruggedeelte het meest sprekend. Hij
heeft een slappe gleufhoed op, een rouwband om
de linkerarm, wat in die periode gebruikelijk was
bij verlies van een dierbaar familielid, hij kijkt met
een zekere standvastige blik van zich af, heeft geen
veiligheidslijn om en draagt een wat onverzorgd,
uit de vorm hangend pak. Net zoals ik mij mijn
vader herinner, met jaszakken waar allerlei klein
gereedschap in zat, tabakszak en pijp, kleding ruikend naar de werkplaatslucht die zich niet precies
laat omschrijven: een mengsel van rook, vuur, as,
metaalslijpsel, menie, zweet, stoom, steenkool en
nog een aantal niet nader te definiëren geuren, die
ik echter als geheel direct weer zou herkennen.
Weggeradeerde bruggen
Ik ben dus geen ingenieur geworden maar heb
mij gewijd aan het repareren van mensen, aan het
begin helpen bij het ter wereld brengen en aan het
einde begeleiden naar wat er daarna komt. Dat
lijkt iets heel gewoons maar is iedere keer weer
aangrijpend, vooral wanneer je in hetzelfde uur
met beide situaties wordt geconfronteerd en daarbij ook nog uit je diepe slaap wordt gehaald.
De oude verkeersbrug heeft echter nog voor
twee extra verrassingen in de Atlas gezorgd. Eind
jaren tachtig kreeg het gemeentearchief een serie
luchtfoto’s in bezit, die afkomstig waren van een
legeronderdeel in de Boreelkazerne te Deventer
en die het gebied van onze gemeente ruim omvatten. De foto’s zijn gemaakt op 3 februari 1947 en
werden vrijgegeven voor archiefgebruik. Dat betekende dat zij (in beginsel) werden geregistreerd en
door hun formaat in diepe en brede kaartenladen
werden opgeborgen, in afwachting van opname in
een inventaris. In de praktijk kwam dit er op neer
dat dit materiaal, omdat het niet beschreven was,
eigenlijk ontoegankelijk bleef: je moet er dan toevallig tegenaan lopen.
Zo ook hier. Op de foto’s van het Katerveer
hadden ijverige (militaire?) censuurambtenaren
niet alleen de verkeersbrug, maar ook de spoorbrug weggeradeerd. Maar dit was op een dergelijke onbenullige manier gedaan (de dijklichamen
naar de bruggenhoofden waren nog duidelijk
zichtbaar) dat de vijand, wie dat dan ook mocht
wezen, zich een bult zou hebben gelachen om
deze infantiele contraspionage, om het een naam
te geven.
Op- / afrit
Toen de verkeersbrug dan eindelijk werd geopend
(onder muziekgeschal van de harmonieën de Eendracht uit Wezep en de Eendracht uit Spoolde)
bleek al snel dat het denkraam van de toenmalige
Eenzame man op de
hoogste boog van de
brug, naast het te sluiten bruggedeelte, met
slappe gleufhoed en
een rouwband om de
linkerarm, zonder veiligheidslijn. (Collectie
HCO)
Militaire luchtfoto uit
1947, waarop de
IJsselbrug en de spoorbrug weggeradeerd zijn.
(Collectie HCO)
Twee marechaussees houden in verband met een veeziekte de wacht bij de
opgang naar de IJsselbrug, begin jaren dertig. Vanwege de flinke helling van deze
oprit/afrit gaf dit de eerste jaren veel problemen voor met name paard en wagencombinaties. (Collectie HCO)
162 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 163
bestuurders geen rekening had gehouden met het
hoogteverschil tussen het midden van de brug en
de brughoofden. De overtocht met de scholde,5
motorpont of gierpont was tot 1929 nauwelijks
een probleem: de karren waren niet zo zwaar geladen dat een ferm boerenpaard deze niet over de
neergelaten klep van de pont de wal op zou kunnen trekken. Maar na de ingebruikname van de
nieuwe brug bleek dat vooral de afrit aan de Zwolse kant problemen gaf, die na begin 1930 herhaaldelijk tot discussie in de Zwolse raad leidden. De
karren, die meestal niet of slechts lacunair van
enig remwerktuig waren voorzien, kwamen door
het aflopende wegdek op een holletje de brug af en
het paard kon slechts met moeite de vier hoeven
gebruiken om de kar af te remmen. Dat was nodig
omdat de afrit van de brug abrupt eindigde op de
flank van de IJsseldijk en er een hoek van bijna
negentig graden naar rechts gemaakt moest worden om, via het Engelse werk, de verderop liggende draaibrug over de Willemsvaart en vervolgens
via de Veerallee de stad en de markt te bereiken.
Linksaf slaan vanaf de IJsselbrug zou leiden naar
de volgende hindernis, een enkele en een dubbele
ophaalbrug over de Katerveersluizen en opnieuw
een scherpe bocht naar rechts.
Skeletten
Toen uiteindelijk in 1936 een betere aansluiting
tot stand kwam met een basculebrug over de Willemsvaart en een rechtstreekse aansluiting via
het verkeersplein Spoolde op de rijksrondweg
om Zwolle, werden tijdens de werkzaamheden
twee schedels en skeletdelen gevonden die met
enige overdrijving fotografisch werden vastgelegd. De Zwolse Courant vermeldt er geen namen
bij, maar het zijn hoogstwaarschijnlijk de resten
van twee kozakken, die in 1813 zijn gesneuveld
toen de kozakken vanuit het Engelse werk, toen
Grote Schans geheten, een uitval deden naar de
Gelderse oever van de IJssel waar een restje Fransen zich had verschanst. Ik vond de bevestiging
in een artikel van Hoefer,6 dat teruggrijpt op een
dagboek van A.H. Flavard de Wolff die in 1813
de Gendarmerie in Zwolle commandeerde. Het
verhaal kon ik in Zwolle niet vinden, maar na wat
zoeken in het streekarchief NW Veluwe vond ik
de transcriptie. Het blijkt dat de kozakken uit het
oosten langs de IJssel naar Zwolle zijn gekomen,
maar niet dan nadat zij in de omstreken van
Wijhe en Olst kampementen hadden opgeslagen
met zelfs een hospitaal. Er is vanaf Fortmont
tussen Wijhe en Olst een schipbrug geslagen,
waardoor het mogelijk werd om op hun kleine
steppenpaardjes de rivier over te steken en de nog
resterende Fransen aan te vallen en te verdrijven.
In het verslag van Flavard de Wolff wordt verteld,
dat de kozakken ook vanaf Zwolle lelijke dingen
tegen de Fransen aan de Hattemse kant hebben
staan roepen, maar daar kregen ze de Fransen niet
mee op de loop. Er zijn toen een vijftal ‘roeijaken’
gerekwireerd die bemand werden door vrijwillige
en gepreste turfdragers ‘van Zwol’. Die hebben de
met lansen en geweren bewapende kozakken vanaf de steenfabriek van de heer Greve, ter hoogte
van het huis IJsselstijn aan de Gelderse kant, overgevaren. Maar de Fransen hebben toen een sterker
bewapend detachement in stelling gebracht en
ondanks het feit dat een Franse korporaal een
musketkogel in de bil kreeg en een ander dodelijk
werd getroffen in de buik, wisten zij de aanval af te
slaan. Maar ook de kozakken leden verliezen, een
man door een kogel in het hoofd en een tweede
door een andere dodelijke verwonding, wat maakte dat deze aanval mislukte. Dit alles speelde zich
af als een boeiend schouwspel waar vele inwoners
van Zwolle naar hebben staan kijken:
‘Dat enige cozakken op het zien dat de voorgenomen expeditie niet naar wensch stond te
gelukken… zig tot op het hembt ontkledende,
derzelver paarden ontzadelden, op dezelven slegts
met hunne lans off piek gingen zitten en zoo den
IJssel inreden, om die alzoo met hunne paarden
over te zwemmen en, ware het mogelijk derzelver
krijgsmakkers bijstand te bieden…’.
Maar omdat ze wind en stroom tegen hadden,
lukte dat niet. Intussen was hun hoogste bevelvoerder Narischkin ook in Zwolle aangekomen
en die wist twee drieponder veldstukjes (kanonnen dus) uit de gracht van het huis De Gelder bij
Wijhe (waar ze ‘geborgen’ waren) op te vissen, ze
vonden ook de affuiten er bij en die werden toen
in Zwolle bij het Katerveer en tegenover IJsselstijn opgesteld en ziet, de Fransen namen snel de
benen en een deel deserteerde zelfs. Hattem was
dan ook snel in handen van de kozakken en bleek
helemaal vrij te zijn van de overheersers. Ook dit
treffen speelde zich af onder de ogen van een grote
menigte inwoners van de stad Zwolle.
Carillon
Ruim honderd jaar later herhaalt zich de historie,
maar dan is de belangstelling veel vreedzamer en
komen de Zwolsen in groot getal kijken naar de
opening van de eerste vaste oeververbinding aan
het Katerveer op 15 januari 1930. Toen ook het
nieuwe carillon in de Peperbus die avond werd
Stafkaart van het Katerveergebied begin jaren dertig. Hierop is duidelijk te
zien dat de afrit van de brug abrupt eindigde op de flank van de IJsseldijk en
er een hoek van bijna negentig graden naar rechts gemaakt moest worden om,
via het Engelse werk, de verderop liggende draaibrug over de Willemsvaart en
vervolgens via de Veerallee de stad en de markt te bereiken. Linksaf slaan vanaf
de IJsselbrug zou leiden naar de volgende hindernis, een enkele en een dubbele
ophaalbrug over de Katerveersluizen en opnieuw een scherpe bocht naar rechts.
(Collectie HCO)
Bij de aanleg van de
Spoolderbergweg in
1936 werden tijdens de
werkzaamheden twee
schedels en skeletdelen
gevonden, die met enige
overdrijving – de twee
heren die een zakdoek
voor de mond houden
– fotografisch werden
vastgelegd. (Collectie
HCO)
164 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 165
ingewijd, leidde dit opnieuw tot enige feestelijkheden. Het carillon was gefinancierd uit het
batig saldo dat was overgebleven uit de vanaf de
eeuwwisseling reeds lopende geldinzameling ten
behoeve van de bouw van de verkeersbrug bij het
Katerveer. Immers, steeds wanneer de bouw van
de Katerveerbrug ter sprake kwam, werd de nota
bij de gemeente Zwolle neergelegd. Dat liet zich
verklaren door het feit dat het recht op het veer
en dus ook de opbrengsten daarvan al sinds de
Middeleeuwen aan de stad Zwolle toekwamen.
Naarmate de verkeersdrukte toenam, zeker met
de komst van het gemotoriseerde verkeer na de
Eerste Wereldoorlog, kwam er steeds meer druk
op de Provinciale en Rijksoverheid te staan om
een betere rivierovergang te bewerkstelligen.
Maar erg veel beweging zat er niet in. Particulier
initiatief leidde uiteindelijk tot het oprichten van
een fonds, waarbij ook de direct belanghebbende
gemeenten Zwollerkerspel, Hattem en Oldebroek
niet werden vergeten. Toen uiteindelijk bleek
dat er na het afbouwen van de brug nog een batig
saldo was overgebleven werd dit gebruikt om
de stad van een carillon te voorzien, dat door de
firma Taylor uit Loughborough, Engeland, werd
geleverd. De gemeente leverde uiteindelijk ook
een bijdrage aan het nieuwe carillon, in de vorm
van een speeltrommel voor automatisch spel.
Deze speeltrommel werd op 10 april 1931 officieel
in werking gesteld.
Het Geregt van Zwolle
Sinds ik in nader contact met de ins en outs van
het archiefwezen in Zwolle ben gekomen, heb
ik mij te pas en te onpas druk gemaakt over de
misvatting dat de Wipstrikkerallee ooit de weg
zou zijn geweest waarlangs veroordeelden naar
de galg werden gevoerd. Deze canard is ontstaan
na de publicatie van een artikel van de heer J.
Geesink (1876-1968), gemeentelijk archivaris van
Zwolle vanaf 1933, in de Zwolse Courant van 20
april 1940. Hierin lokaliseert hij de galg, meestal
‘het Geregt’ van Zwolle genoemd, weliswaar ook
buiten de Diezerpoort zoals het in vele vonnissen
wordt beschreven, maar hij zoekt te ver naar het
oosten. Het Gerecht (Geregt) van Zwolle moet
gezocht worden aan de oude weg naar Meppel,
nu Kranenburgweg, waar vroeger de groenteveiling heeft gestaan. De veldnaam wordt vermeld
op de kadasterkaart van 1832 en op de kaart van
Hottinger van 1783 op dezelfde plek. Patiënten uit
Berkum die ik er naar heb gevraagd, wezen de plek
feilloos aan: ‘Wij gingen als kinderen altijd spelen
op “het galgje”.’
Aan het einde van de Wipstrikkerallee heeft
vroeger een herberg gestaan die Wipstrik heette,
en die naam is zeer waarschijnlijk afkomstig van
de herbergier met de familienaam Wipstrik die er
heeft gewoond. De naam kwam rond 1800 voor in
Hattem en in Mastenbroek. Verder onderzoek, met
name in de maandrekeningen van Zwolle tussen
1500 en 1640, geeft ondubbelzinnig aan dat de galg
aan de oude weg naar Meppel heeft gestaan. Na
1640 werden de doodvonnissen niet meer zo ver
buiten de stad maar op de Grote Markt voltrokken,
ten aanzien van Schepenen en Raden, die uit de
bovenraampjes van de Hoofdwacht toezagen.
Maar de oudste gerechtsplaats van Zwolle
wordt in de maandrekeningen aangeduid als ‘de
Konijnenbelten’ en is gevonden op het voorterrein van het kasteel van de heren van Voorst
in Westenholte. Die plek is als zodanig (als een
figuratieve galg) te zien op een kaart van de polder Mastenbroek uit 1633, die voorkomt in Dat
geheele dyckrecht der landen van Sallandt en Mastenbroeck, dat in het HCO is ondergebracht.
In Westenholte wordt een stuk land in de driehoek van de Stinsweg (genoemd naar de Stins te
Voorst) nog steeds als ‘De Konijnenbelten’ aangeduid. Ook de Beltenweg herinnert daaraan.
Infrarode luchtfoto’s
Rond 1995 heb ik op mijn oude dag een seizoen
college gelopen bij professor Schilder, toen hoogleraar Historische Cartografie aan de Utrechtse
Universiteit. Dat was uitermate verhelderend. In
een klein gezelschap, waaronder meer ‘bejaarden’,
ook een piloot van de KLM, was daar erg veel
te zien (iedere bijeenkomst een kleine tentoonstelling) en heel erg veel te leren. De hoogleraar
vertelde meermalen dat hij tijdens zijn vakanties
en bij contacten in het buitenland regelmatig de
kans waarnam om ergens eventjes in een kelder
of op een zolder te gaan kijken en dat hij vaak
zeldzame en vergeten juweeltjes van kaarten aan
het licht had gebracht. Nu is dat iets waarvoor je
niet naar Utrecht hoeft te gaan, want het is mij
ook meermalen in de depots van het voormalige gemeentearchief en het HCO gebeurd. Het
gebeurt ook andersom, in de zin dat een van de
archiefmedewerkers mij opmerkzaam maakte
op, bijvoorbeeld, een uit Italië afkomstige kaart
van Hasselt die in het voormalige Rijksarchief was
geïnventariseerd. Maar als medewerkers met pensioen gaan kan het gebeuren dat je niet weet waar
je exact moet gaan zoeken, of dat de medewerker
helemáál niet geïnteresseerd is in de plaats van
Burgemeester I.A. van
Roijen (midden vooraan) staat met enige
heren naar het nieuwe
carillon in de Peperbus
te luisteren, 10 april
1931. (Collectie HCO)
De ‘Geregt Plaats
Zwolle’ op de kaart van
Hottinger van 1783.
(Collectie HCO)
Detail uit een kaart van
de polder Mastenbroek
uit 1633, waar galg en
rad zijn afgebeeld vlakbij het kasteel van de
heren van Voorst. (Collectie HCO)
166 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 167
het ‘Geregt van Zwolle’. Dan kan het jaren duren
voordat je er een keer tegen aanloopt.
Zo is dat mij ook een aantal malen gebeurd,
niet in het minst geholpen door een herinrichting
van de depots en het verplaatsen van dozen. Een
van de boeiendste ontdekkingen was het bestaan
van een verzameling luchtfoto’s van de gemeente
Zwolle die tussen 1972 en 1986 in opdracht van
het gemeentebestuur werden gemaakt. Daarbij
werd bij mooi weer op een vastgestelde hoogte
een aantal stroken over de stad gevlogen, waarbij
het grondoppervlak rechtstandig werd gefotografeerd. De eerste paar series nog in zwart-wit,
maar daarna in kwalitatief steeds beter wordende
infrarood positief-film. Deze filmbladen hebben
ongeveer de grootte van een standaard archiefdoos en worden ook daarin opgeborgen. Per
opdracht zijn dat dan rond de zeshonderd negatieven en het zal duidelijk zijn dat die niet zo maar
even toegankelijk zijn op precies dát plekje dat
de onderzoeker graag wil zien. Maar, with a little
help from my friends, is het gelukt om voor deze
publicatie enkele scans te maken waardoor onverwachte aspecten van de anders toch wel saaie
luchtfotografie aan het licht komen. In het infrarood worden de groene bomen rood afgebeeld,
en de foto’s zijn scherper, gedetailleerder dan het
eerder gebruikte zwart-wit materiaal, wat echter
pas goed duidelijk wordt wanneer het originele
materiaal onder de loep wordt gelegd.
Zo laat de vlucht die in augustus 1973 werd
gemaakt de binnenstad zien terwijl nét de zomerkermis in volle glorie is opgebouwd en het publiek
zich snel en langzaam laat ronddraaien, genietend
van suikerspin en nougat. Ook is te zien dat er
zelfs een achtbaan in de toch kleine binnenstad
kan worden opgezet. De achtbaan is neergezet op
het dan voor het uitvoeren van het Aldo van Eyckplan kaalgeslagen terrein tussen de Waterstraat en
de Nieuwstraat en er is zelfs nog ruimte over voor
enkele draaimolens. De grote woonwagens van
de exploitanten zijn hier nog niet naar de buitenwijken verbannen en kunnen vlak bij de attracties
worden geparkeerd.
Zeven jaar later, ook tijdens de zomerkermis,
is er opnieuw een serie foto’s van de binnenstad
gemaakt en heeft men ruimte voor een achtbaan
weten te vinden op de in 1976 klaargekomen
Kamperpoortenbrug, die zó breed was gebouwd
dat er gemakkelijk een dergelijke attractie bij op
kon…
Huis van Bewaring
De binnenkant van het Huis van Bewaring, dat
na veel pourparlers thans is omgebouwd tot een
vijfsterrenhotel, zal noch in de vroegere toestand,
noch in de huidige toestand door de lezers van dit
tijdschrift vaak in ogenschouw zijn genomen.
Deze instelling werd als Provinciaal Tuchthuis
in 1737 bij loting tussen de drie grote steden van
Overijssel toegewezen aan Zwolle. Mijn relatie
tot het Huis van Bewaring was een medische: van
1962 tot 1975, en nog een aantal maanden in de
jaren tachtig, fungeerde ik als huisarts voor de
gedetineerden. Die medische zorg bestond uit het
houden van een spreekuur, wat door de broederverpleger iedere werkdag en door mij als huisarts
op maandag-, woensdag- en vrijdagmorgen
werd gehouden. Wij hadden de beschikking over
een als spreekkamer ingerichte celruimte, met
daarnaast een door een tussendeur verbonden
ziekencel met één bed, die vooral werd gebruikt
om gedetineerden door middel van de toen nog in
gebruik zijnde dieetmethode van hun maagklachten af te helpen. Verder was er een tandartsbehandelkamer ingericht.
Mijn eerste vijf jaar, tot aan zijn pensionering
in 1967, was broeder Abram van de Grijp eigenlijk de centrumfiguur van de medische dienst.
Hij was er direct na de oorlog in dienst gekomen
en was bij medische problemen steeds het eerste
aanspreekpunt. In 1919 was hij uit Heemstede,
waar hij als ziekenverpleger in Meer en Bosch zijn
opleiding had voltooid, naar Zwolle verhuisd als
verpleger bij de Zwolse Wijkverpleging, later het
Groene Kruis en de daaruit voortgekomen associaties in de zorg. Als jong doktertje heb ik in die vijf
jaar enorm veel van hem opgestoken. Hij was een
hele rustige, charismatische man, die maar even
naar een zich in zijn ogen te slungelig meldende
gedetineerde hoefde te kijken om die tot de orde
te roepen. Veel gedetineerden zagen het medische
spreekuur als een mogelijkheid om een wat milder regiem te verkrijgen. Nieuwelingen kwamen
zo vaak met allerlei vage klachten, hoofdpijn,
maagpijn, of een vraag om slaappillen. Maar ook
trachtte men aan de cel te ontsnappen door het
inslikken van ijzerwaren en glas, tot soms lepels
aan toe wat dan weer leidde tot een ziekenhuisopname. In mijn tijd gebeurde dat in Zwolle alleen
in spoedgevallen. Maar het gevangeniswezen had
in Den Haag een eigen hospitaal waar de medici
alle faciliteiten ten dienste stonden om de maagbeschadiging van slikkende gedetineerden teniet
te doen.
Bij Van de Grijp heb ik ook geleerd om de
meest fantastische verhalen van onze steeds
‘onschuldige’ klanten te doorzien. Zij konden
zich aanmelden als predikant, of als bedrogen
Infrarode opname van
een groot deel van de
binnenstad, begin jaren
zeventig. (Collectie
HCO)
Infrarode opname
van de zomerkermis
in augustus 1973, op
de hoek van het Rodetorenplein en de Buitenkant en op het toen
kaalgeslagen terrein
tussen de Waterstraat
en de Nieuwstraat.
(Collectie HCO)
De achtbaan op de
Kamperpoortenbrug,
infrarode opname
van de zomerkermis
16 augustus 1980.
(Collectie HCO)
Broeder Abram van de
Grijp. (Collectie HCO)
Deur in het Huis van
Bewaring. (Foto auteur,
collectie HCO)
168 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 169
man met schulden die onterecht was gearresteerd,
maar de broeder had meestal heel snel in de gaten
dat er in het verhaal lacunes optraden.
Het opgesloten zijn heb ik iedere keer als ik
het huis binnenkwam als onwennig en bedreigend ervaren. Steeds gingen de deuren, vooral
de getraliede tussendeuren, op slot en het geluid
van de rammelende sleutelbossen bleef je achtervolgen. Dit leidde een keer tot een wonderlijk
soort paniek: het toen nog achttiende-eeuwse
voordeurslot dat nog steeds met een handgrote
sleutel voor iedere passant werd ontsloten, raakte
defect tijdens een spreekuur en er moest een
rijkshoefsmid annex slotenmaker komen uit,
ik meen, Almelo, om de boel te herstellen. Dat
betekende niemand er in of er uit en ik kon het
slechts omzeilen met een spoedboodschap uit de
praktijk, maar ik had snel gezien dat de binnenkant van het slot, afgedekt met een houten plank,
meer was dan dat. Er waren letters in uitgesneden
die bij de oplevering van het gebouw moeten zijn
aangebracht: Ian H(oon)Horst Annemer van het
Timeer Werk 1740.
Toch is het ondanks al deze sloten en spijkers
enkele malen aan gedetineerden gelukt om te ontsnappen: tijdens de bezetting met hulp van buiten
(de Zwolse verzetsgroep de Groene op 2 oktober
1944) en daarna onder bedreiging met een echt of
nagemaakt vuurwapen in 1986. Het doorspijkeren van alle houten vloeren met lange klinknagels
zoals dat bij de bouw van het huis al was toegepast
heeft dus weinig geholpen!
Met de onpartijdigheid van de Zwolse Vrouwe
Justitia zou het wel eens tegen kunnen vallen: ze
staat al bijna driehonderd jaar zonder blinddoek
voor de ogen boven de toegangsdeur te pronken.
Het zijn wel mooie beelden, zeker na de inkleuring, maar toch…
ART
S
Johan Rudolf Thorbecke werd als zoon van een
uit Duitsland afkomstige textielhandelaar op 14
januari 1798 in Zwolle geboren. Na zijn gymnasiale opleiding studeerde hij in Amsterdam en in
Leiden. Ik vermeld hem hier omdat hij niet alleen
de grondwet in 1848 moderniseerde, maar ook in
1865 een aantal wetten formuleerde waarin het
uitoefenen van de geneeskunst werd gereguleerd.
Tot deze tijd was eigenlijk alleen de doctor medicinae, afgestudeerd aan een van de universiteiten
en na verdediging van een thesis of een aantal stellingen gepromoveerd, zonder meer in het gehele
land bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen.
Daarnaast werd voor chirurgijns of heelmeesters,
vroedmeesters, verloskundigen, vroedvrouwen
en combinaties van deze kennis een lokaal register
bijgehouden, omdat al deze niet aan een academie
gevormde medici hun bevoegdheid verkregen
op grond van een ter plaatse ingestelde commissie van twee of meer gevestigde collegae. Het
invoeren van de wetten op het uitoefenen van de
geneeskunst leidde zoals bij iedere ingrijpende
verandering in een bestaand systeem tot hevige
protesten: de in 1849 opgerichte Nederlands(ch)e
Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
verloor een aantal plaatselijke afdelingen (onder
wie die van Zwolle), die uit protest tegen de
nieuwlichterij uit Den Haag hun lidmaatschap
opzegden: in Zwolle waren in 1847 zeven verschillend opgeleide medici actief. De echo van
het oude systeem was in de periode waarin ik in
Zwolle als huisarts begon nog duidelijk zichtbaar
in sommige naambordjes aan het praktijkadres
van de huisartsen (die vrijwel steeds hun bedrijf
vanuit hun woonhuis uitoefenden), omdat zij
zichzelf daarop vermeldden als ‘genees-, heel-,
en verloskundige, arts’. Arts was de titel die men
verkreeg na het behalen van het door Thorbecke
ingestelde artsdiploma. Daarnaast kwam in de
vorige eeuw ook de vermelding ‘artis obstetriciae
doctor’, ook wel ‘artis chirurgiae doctor’, voor,
waarbij het begrip artis in het Latijn de tweede
naamval van ars – kunst (ars medicinae = geneeskunst) afgekort werd geschreven als ARTS. Het
zou mij niets verbazen dat de wetgever het begrip
arts hiervan heeft afgeleid en dat de afleiding van
de Griekse term hiatros (=geneesheer), zoals die
in de woordenboeken door elkaar opvolgende
editors van elkander wordt overgenomen, toch
wel erg vergezocht is.
Het standsverschil tussen de verschillende beoefenaren der geneeskunde was vóór de wetten van
Thorbecke levensgroot. Men keek huizenhoog op
tegen de medicinae doctor, die immers zijn wijsheid aan de hoogste instantie had vergaard, maar
(in onze ogen) op puur theoretische grond deze
wijsheid toepaste. Bij de in de negentiende eeuw
veelvuldig, ook in Zwolle, voorkomende choleraepidemieën werd aangenomen dat de besmetting
voortkwam uit de kwade dampen die in de stad
meestal heersten. Men denke aan slachtafval en
dierlijke en menselijke uitwerpselen die gewoon
op straat in de goot werden gedeponeerd en die
hier mede de oorzaak van waren. Wat leerde de
theorie? Men moest stank met stank verdrijven,
dus werden er in de straten potten met brandende
teer geplaatst waarmee nog meer (kwade) dampen aan de atmosfeer werden toegevoegd. Pas na
de ontdekking van een Londense arts, John Snow,
die in 1854 kon vaststellen dat de cholera-epidemie ontstond met als middelpunt een waterput of
Interne trap met getraliede tussendeur in het
Huis van Bewaring.
(Foto auteur, collectie
HCO)
Met lange klinknagels
doorgespijkerde houten
vloer (zolder) in het
Huis van Bewaring.
(Foto auteur, collectie
HCO)
De Zwolse Vrouwe
Justitia staat al bijna
driehonderd jaar zonder blinddoek voor de
ogen boven de toegangsdeur te pronken. (Foto
auteur, collectie HCO)
Binnenkant van het
achttiende-eeuwse voordeurslot, met uitgesneden letters: het Timeer
Werk 1740. (Foto
auteur, collectie HCO)
‘Register der Steedelijke Comissie van geneeskundig Toevoorsigt binnen deese
Stad Zwoll, houdende de alhier tans practiserende en in het vervolg sich etabilisserende Medicijne Doct[or]en , Chirurgijns, Apothecars, Knegts en Leerlingen en
Vroedvrouwen’ uit 1809. De niet aan een academie gevormde medici verkregen
hun bevoegdheid op grond van een ter plaatse afgelegd examen voor een commissie van twee of meer m

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 4

Door | 2012, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

29e jaargang 2012 nummer 4 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Special
Westenholte – Voorst –
Frankhuis Een geschiedenis
in vogelvlucht
Omslag: Frankhuis ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.
(Particuliere collectie)
zwols historisch tijdschrift 143
Inhoud
Groeten uit Westenholte Wim Huijsmans 142
Voorwoord Bert de Vries 144
Westenholte is…?
Een geschiedenis in vogelvlucht
van Westenholte, Voorst en Frankhuis
Frank Inklaar 145
Westenholte – Voorst – Frankhuis;
geografische achtergrond
Gerrit van Vilsteren 162
De cornetmuts
Hoe een modemuts in de streekdracht
terecht kwam Aranka Wijnbeek 171
De Christelijke Mondharmonicavereniging
‘Excelsior’ in Westenholte Wim Huijsmans 179
WVF zal altijd dorpsclub blijven
Steven ten Veen 183
De Nederlandsche Gruyère Blokmelk
Fabriek N.V. Gerrit van Vilsteren 189
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 8: De ontwakende driften van de
Zwolse babyboomers (1962-1963)
Jan van de Wetering 198
Veelomvattende dissertatie van
dr. Philomène Bloemhoff
In anderhalve eeuw veranderde veel aan
het Zwolse dialect Willem van der Veen 200
Mededelingen 202
Auteurs 204
Groeten uit Westenholte
Petuniaplein, 1965
Bij gebrek aan een suikerzakje uit Westenholte
dit keer een prentbriefkaart van het Petuniaplein.
Het plein is ontworpen als winkelcentrum voor
het nieuwe Westenholte. Waar eerst koeien
graasden, moesten winkels komen met een buurtkarakter waar je je dagelijkse inkopen kon doen.
Het zou het dorpse Westenholte allure geven. Het
ontwerp van plein en winkels met bovenwoningen is van de hand van architect W. Geytenbeek,
die ook iets dergelijks aan de Campherbeeklaan
in Berkum had ontworpen. Eind 1964 werd het
complex aan het Petuniaplein opgeleverd.
Op de foto zien we uiterst links de houten noodkerk van de Nederlands Hervormde
Gemeente, de latere Stinskerk. Aan het plein kwamen van links naar rechts: de Centrawinkel van
Mannes Kluin, de Boerenleenbank, de textielzaak
van Johan Spijker, het technisch handelsbureau
van Jannes Willems met gereedschappen en ijzerwaren, de Spar supermarkt en Gosen ten Klooster
met een sigaren- en snoepwinkel. In zijn winkel
zat ook een postkantoortje. Opzij kwam een
snackbar.
Naast de winkels aan het plein had de Centrale
Plattelandsbibliotheek in juni 1964 een nieuw
filiaal geopend. Het gebouwtje rechts met daarop
in neon letters Spaarbank bood onderdak aan de
Raiffeisenbank.
Volgens de plannen van de architect werd het
Petuniaplein dat ongeveer tweeduizend vierkante
meter groot is, ingericht als parkeerruimte en
‘gestoffeerd’ met bloembakken. Het plein waar op
vrijdagmiddag ook een kleine markt gehouden
wordt, is nog steeds het kloppend hart van
Westenholte.
142 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Het Petuniaplein met vrijdagmiddagmarkt, november 2012.
(Foto Jan van de Wetering)
(Collectie HCO)
144 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 145
Het Historisch Centrum Overijssel heeft in
samenwerking met (oud)bewoners een
unieke tentoonstelling gemaakt over de
Zwolse buurten Westenholte – Voorst – Frankhuis.
De tentoonstelling geeft achtergrondinformatie aan de hand van prachtige door de bewoners
ingebrachte foto’s, maar ook de persoonlijke verhalen en herinneringen hebben een plek gekregen
in de tentoonstelling.
Het unieke van de tentoonstelling is dat mensen tijdens de duur ervan hun eigen foto en verhaal
toegevoegen. Hiervoor is een digitaal fotoalbum
gemaakt, waar foto’s in worden opgenomen en
mensen zelf hun verhaal kunnen plaatsen. Dit
album is ook vanuit huis in te zien en reageren op
foto’s en verhalen van anderen is mogelijk.
Het Historisch Café is toegankelijk op iedere
dinsdagochtend van 10.00 uur tot 12.00 uur
zolang de tentoonstelling loopt, een ontmoetingspunt voor iedereen die geïnteresseerd is in
de geschiedenis van deze Zwolse buurten, maar
in het bijzonder voor degenen die er wonen of
gewoond hebben en samen met anderen herinneringen willen ophalen.
Met de expositie, die loopt tot en met
4 januari 2013, wil het Historisch Centrum Overijssel mensen betrekken bij hun eigen geschiedenis. Je eigen verleden bepaalt immers voor een
groot deel ook je eigen identiteit. Zo willen wij een
bijdrage leveren aan leefbaarheid en welzijn in
buurten en wijken. Het project voegt iets belangrijks toe, namelijk de menselijke dimensie van
beleving en ontmoeting. Eerder door het Historisch Centrum Overijssel gerealiseerde wijkprojecten hebben dit ten volste bewezen!
Dit themanummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift is het resultaat van al het moois aan
materialen en informatie dat het Historisch Centrum Overijssel vóór en tijdens de tentoonstelling
Voorwoord
heeft mogen ontvangen. Geweldig dan ook dat de
Zwolse Historische Vereniging een themanummer over deze prachtige Zwolse buurten heeft
willen maken, zodat als de tentoonstelling is
afgelopen, naast het digitaal fotoalbum er ook een
rijk geïllustreerd tijdschrift ligt als resultaat van
hoe samen met bewoners de geschiedenis van hun
eigen wijk in beeld is te brengen.
Zo levert een project met bewoners uit een
wijk ook weer een mooie samenwerking op met
onze aloude partner, de Zwolse Historische
Vereniging, waarvoor ik haar van harte wil
bedanken.
Bert de Vries
Directeur Historisch Centrum Overijssel
Wat zou een oer-Westenholtenaar er
van vinden dat een heel nummer van
het Zwols Historisch Tijdschrift aan de
geschiedenis van zijn woonplek is gewijd? Trots,
omdat er toch maar mooi aandacht is voor dit
unieke plekje? Bevreemding, omdat Westenholte
sinds de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel in 1967 weliswaar bestuurlijk onderdeel is
van Zwolle, maar om het nu Zwols te noemen?
En aandacht in het Zwols Historisch Tijdschrift?
Hoe het ook zij, Westenholte (en Voorst en
Frankhuis), de buur(t)schappen ten noordwesten van Zwolle, hebben al eeuwenlang van doen
met deze stad en andersom. Om maar het meest
in het oog springende voorbeeld te noemen:
ongeveer de grootste catastrofe die Zwolle ooit
is overkomen heeft zijn oorsprong in Voorst.
In 1324 brandde vrijwel de hele stad af door
toedoen van de hoofdbewoner van het kasteel
van Voorst, kasteelheer Roderik van Voorst.
Maar het kan ook vreedzamer: in 1994 werd de
honderdduizendste inwoner van Zwolle, Kyra
Mepschen, geboren in Westenholte. Hoezeer
de bewoners van het gebied de eigenheid van
hun buurtschappen ook beleven, er zijn redenen
genoeg voor het Zwols Historisch Tijdschrift om
in de geschiedenis van deze drie buurtschappen
te duiken. Westenholte was oorspronkelijk het
gebied vanaf de Konijnenbelten tot en met de
Zalkerdijk; Voorst lag hier ten zuidoosten van en
Frankhuis meer richting Zwolle, vroeger bij het
Zwartewater, nu aan het Zwolle-IJsselkanaal. De
oude buurtschap Voorst is opgegaan in het huidige Westenholte.
Detail uit de topografische kaart rond 1900
met Westenholte, de
Konijnebelten, Voorst
en Frankhuis. Onder
de (nog zichtbare) letters van Westenholte
ligt de Zalkerdijk, waar
de lagere school staat
aangegeven. Duidelijk
zichtbaar is ook de
Kolk. (Collectie HCO)
Westenholte is…?
Een geschiedenis in vogelvlucht van
Westenholte, Voorst en Frankhuis
Frank Inklaar
146 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 147
Kasteel Voorst
Het vroegste begin van de bewoningsgeschiedenis is niet veel verschillend van andere nederzettingen in dit gebied. In een drassige omgeving
zoeken mensen een hogere plek op om droog en
veilig te kunnen wonen. De in deze buurt gelegen
hogere plekken waren rivierduinen. Daar vestigden zich de oer-Westenholtenaren. Of er sprake
was van een Friese nederzetting in een Saksische
omgeving, of dat de wortels te zoeken zijn op de
Noord-Veluwe is niet bekend. De rivierduinen
werden in de loop der eeuwen door de bewoners
aangeduid als de ‘Konijnenbelten’. De naam Westenholte komt van Wesderawalde. Dat verwijst
naar een bosrijk gebied. In oude archiefstukken
komt de naam al voor. Westenholte, eerst alleen
en later samen met Voorst, vormde al vroeg een
marke. Een marke was een soort middeleeuws
collectief van grotere boeren die gezamenlijk het
beheer en gebruik van hun gemeenschappelijke
gronden regelden. Het centrum van de marke
bestond uit cultuurgrond met boerderijen, omgeven door woeste gronden. De marke Westenholte-Voorst werd pas in 1903 opgeheven.
Aan de zuidzijde van de Konijnenbelten stond de
burcht van de machtigste heren uit de buurt, de
heren van Voorst. In 1224 werd de oude burcht
afgebroken en er kwam een nieuw, zeer imposant
exemplaar voor in de plaats. Net als alle adellijke
families in de Middeleeuwen streefde ook de
familie van Voorst naar een zo groot mogelijke
onafhankelijkheid. Twee obstakels vonden ze
hierbij op hun weg: de landsheer (de bisschop
van Utrecht) en de IJsselsteden in de buurt, die
andere belangen hadden dan de Van Voorsten.
Bij vlagen, als de belangen gelijk liepen, trokken
de bisschop van Utrecht en de steden als bondgenoten op. Voor Zwolle had dat in 1324 onaangename gevolgen. De stad werd toen getroffen door
een razendsnel om zich heen slaande brand en
werd praktisch geheel verwoest, kerk en stadhuis
incluis. Alleen het klooster Bethlehem en vijf
burgerhuizen bleven gespaard. Volgens de overlevering was Roderik van Voorst de aanstichter van
het vuur. In 1361 volgde een herhaling van zetten.
Zwolle wenste een gracht te graven van de stad
naar de IJssel en dat moest gebeuren over het land
van de Van Voorsten. Die waren daar niet blij
mee en weer stak een Van Voorst, nu Zweder, een
stuk Zwolle in brand. De ‘Nijstad’, de bewoning
buiten de Diezerpoort, ging in vlammen op. Het
was duidelijk: Zwolle moest zich ontdoen van de
burcht van de Van Voorsten om verlost te raken
van de machtige arm van deze heren. De stad riep
de hulp in van bisschop Jan van Arkel. Met hulp
uit Deventer en Kampen werd kasteel Voorst
belegerd. Vijftien weken bood de burcht weerstand, maar toen met blijden ‘drek en vuiligheid’
over de muur werd geworpen waardoor er in het
kasteel gebrek aan drinkbaar water en ziekte ontstond, was het afgelopen. Het kasteel werd met de
grond gelijk gemaakt om nooit meer opgebouwd
te worden. De ijzeren deur van het kasteel is nog
steeds te zien in het oude stadhuis van Kampen.
De beste stenen van het kasteel werden in Zwolle
hergebruikt bij de bouw van de toren van de
Grote Kerk. Nog in het begin van de negentiende
eeuw werd het laatste puin aangewend voor de
aanleg van zeeweringen tegen de Zuiderzee en
voor de verharding van de weg naar Kampen.
Het terrein waar eens het kasteel stond is nu rijksarcheologisch monument: het Stinspark. Een
houten speelkasteel is een ludieke herinnering
aan de eens zo machtige burcht.
De familie van Voorst bleef overigens niet
lang ‘dakloos’, de zonen van Zweder sloten een
verzoeningsverdrag met de bisschop van Utrecht
en bouwden vervolgens verderop in de toen net
omdijkte Mastenbroekerpolder een nieuw kasteel,
huize Werkeren. Ruim honderd jaar na de bouw
van Werkeren liet de toenmalige bewoner, Johan
van Ittersum, ook weer een huis in Westenholte
bouwen in de buurt van de plek waar het oude
kasteel had gestaan: Huis Voorst. Het gedeelte
van de Mastenbroekerpolder waar Werkeren
stond is tegenwoordig opgeslokt door Stadshagen. Werkeren werd in het begin, Huis Voorst
aan het eind van de negentiende eeuw gesloopt.
Negentiende eeuw
De zanderige rivierduinen werden eeuwenlang
vooral bewoond door twijgensnijders en landarbeiders, al dan niet met een klein keuterbedrijfje.
Het lagergelegen, vruchtbare land daaromheen
was het domein van enkele grotere boeren. Een
reiziger van Kampen naar Zwolle beschreef in
1819 het landschap als volgt: ‘Er loopen twee
wegen van hier naar Zwolle, de een geheel door
Boven: Luchtfoto van het Stinspark in Westenholte. Het Stinspark is gebouwd
op de plaats waar ooit de burcht van de heren van Voorst stond. Bij de aanleg
van het park is uitgegaan van de contouren van de grachten rond het kasteel.
Rechts zijn de velden van voetbalclub WVF zichtbaar. (Aerophoto Eelde)
Onder: Reconstructie van de plattegrond van het kasteel. (Informatiebord
Stinspark, foto Jan van de Wetering)
Boven: Tegenwoordig is
dit houten speelkasteel
in het Stinspark nog
een bescheiden herinnering aan vervlogen
tijden. (Foto Jan van de
Wetering)
Links: Verbeelding
door Teun van der
Veen van de belegering
van het kasteel in 1362.
(Uit: Zwolle 750 jaar
stad in woord en beeld
gevat, 1980)
148 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 149
de klei, doch te smal voor een gepakt rijtuig met
vier paarden. Ik reed dus den anderen, over den
Konijnenberg, eerst door lage weilanden, dan
heide, wederom weiland, en eindelijk open veld
… Ofschoon de heide hier meestal bedwongen
en vruchtbaar gemaakt is, ontmoet men nogtans
enkele duintjes. Dan ook deze ontsnappen niet
aan dien geest van ontginning, dien ik overal
aantrof, en men ziet dat de zandhoop sedert kort
kleiner is geworden en nog gedurig wordt.’* Desalniettemin zou het nog zeker een eeuw duren
voor de ‘konijnenbelten’ grotendeels verdwenen
waren, ook tegenwoordig vallen er nog rudimenten van terug te vinden. Veel van het land was in
handen van grootgrondbezitters, die meestal tot
de stedelijke elite behoorden. Bij Frankhuis lagen
de drie buitens Twistvliet, Ketelkolk en De Bildt.
De lagergelegen gebieden hadden met enige
regelmaat te maken met overstromingen. In 1825
verdronken bijvoorbeeld enkele van de toen
honderdvijftig inwoners van Westenholte. Toch
brachten de overstromingen niet alleen rampspoed. De vruchtbaarheid van het land werd er
ook door vergroot.
Tot ver in de negentiende eeuw vormden Westenholte en Voorst gesloten gemeenschappen, die
niet veel met de buitenwereld van doen hadden.
Zelfs niet met elkaar. De omwonende boeren
kwamen bijvoorbeeld niet op de volksfeesten in
Westenholte. Maar langzaamaan werden de contacten met de buitenwereld makkelijker en werd
de wereld wat groter, ook voor de buurtschappen. Meisjes gingen uit werken als dienstbode
in de stad, waar de jongens werk vonden in de
opkomende nijverheid. Frankhuis, wat dichter bij
Zwolle en aan doorgaande wegen naar Kampen
en Hasselt gelegen, kende een wat andere economische bedrijvigheid. Tussen Westenholte en
Voorst en Frankhuis hadden diverse tuinders en
warmoezeniers hun bedrijfjes. Zo vlak onder de
rook van de stad Zwolle hadden ze een stabiele
afzetmarkt. In Frankhuis woonden wat ambachtslieden, die vooral gericht waren op het boerenbedrijf. Zo waren er smederijen en wagenmakerijen.
Ook was er verzorgende middenstand: onder
meer een melkboer, een bakker, een kleermaker,
wat kruideniers en natuurlijk een café-tapperij.
Soms werd deze bedrijvigheid gecombineerd met
een klein boerenbedrijfje.
Grote bedrijven
Grotere economische bedrijvigheid buiten de
landbouw was er in Frankhuis. In de negentiende
eeuw ontstonden daar twee bedrijven, die elk
voor zo’n vijftig arbeidsplaatsen zorgden. Veel
inwoners uit de buurt vonden er werk. In 1825
vestigde houthandel Eindhoven en Zoon zich in
Frankhuis. Het bedrijf kwam uit Blokzijl. Door
de aanleg van de Willemsvaart was er een directe
verbinding gekomen tussen het Zwartewater
en de IJssel. Vlotten hout uit Duitsland konden
veel voordeliger via de IJssel naar Zwolle worden
getransporteerd dan via de Zuiderzee naar Blokzijl. Op buitenplaats Twistvliet liet Lambert Eindhoven een houtzaagmolen bouwen, aangedreven
door de wind. Vanaf 1857 werd gebruik gemaakt
van een stoommachine. In 1973 werd het familiebedrijf overgenomen door een van de grootste
Engelse houtimporteurs, The Southern Evans Ltd.
In 1989 kwam het bedrijf in handen van Stiho BV
te Nieuwegein.
Het andere grote bedrijf was de Blokmelkfabriek. In 1895 verleende de gemeente Zwolle
Uitsnede van het gebied
Zwolle, Zwartsluis en
Kampen met de Mastenbroekerpolder uit de
kaart ‘Transisalania
Provincia vulgo Overyssel’ uit 1743.
De kaart is gebaseerd
op de in 1648 vervaardigde kaart door
Nicolaas ten Have.
Zichtbaar zijn (op de
rode lijn) Westenholte,
Voorst en Frankhuis.
(Facsimile bij ‘Een
perfecte Lantcaerte van
Overijssel’ 2012)
Rechts: Boerderij met
hooiberg in Frankhuis.
Anoniem, achttiende
eeuw. (Collectie SMZ)
Frankhuis eind negentiende eeuw. Tekening
door J.W. Meijer. (Collectie SMZ)
150 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 151
een vergunning aan de Stoomzuivelfabriek Mastenbroek VOF voor de bouw van een roomboterfabriek. In 1926 werd de stoomzuivelfabriek
overgenomen door NV Nederlandse Gruyère
Blokmelkfabriek uit Den Haag. De Blokmelkfabriek verwerkte melk van boeren uit de verre
omgeving tot blokmelk. Blokmelk was een mengsel van melk en suiker, dat na afkoeling stijf werd
en in blokvorm in kisten werd verpakt voor
verzending naar Zwitserland. Daar diende het
als grondstof voor chocolade. In 1977 werd het
bedrijf onderdeel van Coberco Isoco BV. Sinds
1999 is het onder de naam Sensus Operations een
producent en groothandel in voedingsmiddelen
en voedingsmiddeleningrediënten.
Frankhuis was inmiddels door de aanleg van
het Zwolle-IJsselkanaal in het begin van de jaren
zestig van de twintigste eeuw compleet veranderd.
Het was de directe verbinding met Zwolle verloren. Een fiets-voetgangerspontje moest dit gemis
compenseren. In 1985 kwam er weer een vaste
verbinding in de vorm van een voetgangersbrug
op de hoogte van zo’n negen meter boven het
kanaal. Het kanaal bracht ook aan de zuidrand
van Westenholte en in Voorst grote veranderingen. Langs het kanaal kwamen insteekhavens en
industrieterreinen, die tot op heden het beeld
bepalen van wat nu bekend staat als het industriegebied Voorst.
Het personeel van de firma Eindhoven in 1905. (Particuliere collectie)
Het personeel van de firma Eindhoven in 1938. De foto werd gemaakt op 14 maart, ter gelegenheid van het vijftig jaar in dienst zijn
van Egbert Drost. Staand achterste rij vlnr.: Jo Drost, Jan Willem ten Hove, Jan Huizen, Gerrit Drost, Dorus Heres, Reindert Drost,
Sip Heres, Albert van Rijssen, Jan Lubbers, Berent Jan Brinkman, Berent Kluinhaar, Wiechert Bastiaan, Rinus van Duuren, Gait Jan
Hultink, Jan Bastiaannet, Frederik Drost, Hein van Leiden, Jaap Schinkel, Roelof Lemstra, Reize Lemstra, Kees van der Molen, Derk
Drost, Mannes Heideveld, Bert Borst, Coen Nijmeijer, Jacob Palm, Albert Dijkslag, Jo Wever. Voorste rij: Jochem Ammer, Herman
Drost, Bos, Wiechert Korpershoek, Henzen, Arend Zijlstra, Van Buren, Herman Halfwerk, Van Hall, Van Hall, ? , Jannes Drost, Gijs
Kloot, Derk Voeten, Jo Korpershoek, Eikelboom. Zittend de jubilaris Egbert Drost. (Particuliere collectie)
Links: Luchtfoto uit
1948 van de houthandel Eindhoven in
Frankhuis. Het water
op de voorgrond is
de Trekvaart, op de
achtergrond is de Blokmelk-fabriek zichtbaar.
(Foto Aviodrome)
De Gasthuisdijk richting Frankhuis. Rechts zijn de
graafwerkzaamheden voor het Zwolle-IJsselkanaal
zichtbaar. Op de voorgrond staan Tonnie en Marja
Hullen, begin jaren zestig (Particuliere collectie)
152 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 153
Keren we terug naar Westenholte rond 1900. Ook
daar drong de moderne tijd steeds meer door.
Niet alleen gingen Westenholtenaren werken in
Frankhuis, of zelfs in de stad, maar ook kwamen
geschoolde arbeiders uit Zwolle in Westen

holte wonen. Op kleine schaal werden er nieuwe
woningen gebouwd, oude verhoudingen verdwe

nen. Het accent van de nieuwbouw lag vooral in
Voorst. Met name langs de Voorsterweg was wat
middenstand (bijvoorbeeld rijwielhandel Schutte
en kruidenier Kluin) en nijverheid in de vorm
van een smederij, een timmermansbedrijf en een
houtzagerij. Houtzagerij Van Dijk groeide na de
oorlog uit tot een bloeiend bedrijf. Aan dezelfde
Voorsterweg kwam ook het klompenbedrijf van
de gebroeders Van Vilsteren, GeVaVi. Tussen
1962 en 1978 groeide dit bedrijf uit tot een grote
werkgever voor maar liefst zo’n honderd man
personeel. In 1993 werd de productie overgehe

veld naar de firma Nijhuis in Beltrum. GeVaVi
is anno 2012 een groothandel in de verkoop van
klompen, klompschoenen, veiligheidssneakers
en trendy slippers. Ook werkkleding en bescher

mingsmiddelen behoren tot het assortiment.
Na de aanleg van het
Zwolle-IJsselkanaal
begin jaren zestig was
Frankhuis afgesneden
van Zwolle. Een fietsvoetgangerspontje
vormde toen de directe
verbinding. Deze foto
dateert uit 1985, het
pontje werd een jaar
later vervangen door
een voetgangersbrug.
(Collectie HCO,
Redactiearchief
Zwolse Courant)
De werkplaats en het
woonhuis van Jan Hen

drik Schutte, rijwiel

handelaar en -herstel

ler aan de Voorsterweg.
Het rijmpje:
‘N fietse van Skutte
En loop…’n det dutte
Met de wind in ’e rugge
Over d’Iesselbrugge’
was van deze familie
Schutte afkomstig. De
familie Schutte die de
autobusmaatschappij ging exploiteren
maakte daar later de
veel bekender geworden
variant ‘De busse van
Skutte’ op. (Particuliere
collectie)
De Essopomp aan de Voorsterweg van Schutte, begin jaren zestig.
(Particuliere collectie)
Kapsalon Tielenburg aan de Voorsterweg,
jaren veertig. (Particuliere collectie)
Gerrit van Dijk, met
sigaar in de hand,
met al zijn zonen,
omstreeks 1950. De
houthandel werd opge

richt in 1924 en was
gevestigd aan Voorster

weg 60. (Particuliere
collectie)
Links: Houthandel van
Dijk, omstreeks 1960.
(Particuliere collectie)
Rechts: GeVaVi in
1982. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
154 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 155
Een eigenstandig dorp
Na de Tweede Wereldoorlog werd Westenholte
onbetwist de grootste bevolkingskern. In de jaren
vijftig kwamen er nieuwe huizen, eerst als opvulling tussen de bestaande bebouwing (bijvoorbeeld
langs de Westenholterweg, maar ook in het stukje
van de Korenbloemweg en de Anjerweg tot aan de
Rozenweg) en later op verworven terreinen op de
Konijnenbelten. Er werd gebouwd van de Lupineweg tot aan het Petuniaplein en later tussen de
Ridder Zwederweg en de Papaverweg. Westenholte begon meer en meer op een eigenstandig
dorp te lijken en daar horen ook meer voorzieningen bij. In 1965 kwam er een echt winkelcentrum
op het Petuniaplein. Kruidenier Kluin opende
daar een Centra en er kwam ondermeer een slagerij, een textielwinkel en een sigarenwinkel annex
postagentschap. Ook de bibliotheek kreeg een
vestiging aan het Petuniaplein. Vlakbij werd ook
in 1961 de Stinskerk in gebruik genomen. Deze
kerk was de opvolger van het Eben Haëzergebouw
aan de Westenholterweg. Dit gebouw dat door
de weeks in gebruik was voor vergaderingen en
voorstellingen, bood Westenholtenaren op zondagavond en vanaf 1958 ook op zondagochtend
gelegenheid ter kerke te gaan. De Stinskerk maakte het gebruik van Eben Haëzer voor kerkdiensten
echter overbodig.
Bij een eigenstandig dorp hoort ook een
gemeenschapshuis, zeker in een dorp als Westenholte waar het bruiste van het verenigingsleven.
De verwevenheid van het verenigingsleven en het
gemeenschapshuis blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van De Ark. Dit gebouw komt rechtstreeks
voort uit de organisatie van schaatswedstrijden op
De Kolk aan de noordwestkant van Westenholte
bij de Zalkerdijk. In 1939 was de ijsvereniging
WVF opgericht. Tot 1947 werden de schaatswedstrijden op De Kolk gehouden. Hierna kwam er
een ijsbaan, die door de Westenholtenaren zelf was aangelegd. De baan werd in 1968 zodanig vergroot dat er een wedstrijdbaan van vierhonderd
meter kon worden uitgezet. Bij een ijsbaan hoort
een koek-en-zopie tent. Ook deze werd door de
leden van de ijsvereniging in 1953 zelf gebouwd.
Door het groeiend aantal leden werd dit bouwsel
al snel te klein. Opvolger werd De Ark die in 1959
gereed kwam. Naast de ijsvereniging vond ook de
volleybalclub hier zijn onderkomen. Vergaderingen, voorstellingen, bruiloften, feesten en partijen
zorgden ervoor dat De Ark als een echt gemeenschapshuis voor Westenholte diende.
De Ark werd aanvankelijk geëxploiteerd door
de leden van de ijsvereniging, maar dit werd juist
door het succes en de hoge bezettingsgraad van het
gemeenschapshuis voor deze vereniging een veel
te zware belasting. In 1973 werd De Ark vervangen door het moderne ontmoetingscentrum Het
Anker. Dit jaar, 2012, worden plannen ontwikkeld
voor Het Nieuwe Anker, dat moet worden ondergebracht in het nieuwe zorgcentrum Westenhage.
Naoorlogse nieuwbouw, de Lupineweg en
Papaverweg in 1965.
(Particuliere collectie)
In 1961 werd de nieuwe Stinskerk in gebruik genomen. Op de foto staat de leiding van de zondagschool ‘Waakt en bidt’. Staand vlnr.: Rince Pasen, Jan Bos,
Gerrit Zwakenberg, Henk Dol. Zittend de dames: Jennie Bredewout, Dienie
van Voorst, Riek van Weeghel , Anneke Docter en Klaasje Riezebos . (Particuliere collectie)
Gasten op het veertigjarig huwelijksfeest van Geurt
Borst (1899-1976) en Marie Knol (1898-1981).
Zij waren op 23 juli 1925 in het gemeentehuis
van Zwollerkerspel getrouwd. Het huwelijk bleef
kinderloos. Het feest werd in 1965 gevierd in hun
boerderij aan de Zalkerdijk nr. 16. (Particuliere
collectie)
Bouw van De Ark, 1959. (Particuliere collectie)
De Ark. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
Opening van het
nieuwe wijkcentrum
Het Anker, door wethouder Ter Bekke,
jaren zeventig. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant)
156 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 157
De Kolk was niet alleen de oorsprong van de
ijspret in Westenholte. ’s Zomers was het de plek
om te zwemmen, te vissen, of bootje te varen. Een
ideale plek voor een echte recreatieplas zou je zeggen. Al in 1959 waren er plannen in deze richting.
Ook de wijkvereniging WVF spande zich in voor
dit idee. Maar er waren ook andere, economische,
belangen. In 1970 bleek dat houthandel Van Dijk
De Kolk nog steeds mocht gebruiken om boomstammen te laten wateren. De wijkvereniging zag
af van verdere plannen tot het maken van een
recreatieplas.
Westenholte was (en is) een gemeenschap met veel
reuring. De ijsvereniging WVF en de volleybalclub
kwamen al ter sprake. Op sportgebied is er verder
de voetbalvereniging WVF. Dit jaar bestaat deze
vereniging vijfenzeventig jaar. De club werd opgericht door vijf twaalf- en dertienjarige schooljongens die graag een balletje trapten op het grasveld
naast de openbare school. Binnen een maand hadden ze een voetbalclub met de naam Quick geregeld. En wat is een voetbalclub zonder wedstrijden?
De eerste wedstrijd was tegen het Kampense KHC.
Helaas was het resultaat niet positief… De club
sloot zich aan bij de KNVB en met ingang van
het seizoen 1941-1942 kon het aan de competitie
meedoen. Nog wel een mits: de Duitse bezetter
stelde de eis dat de naam veranderd moest worden.
Zo kwam de naam WVF, naar de buurtschappen
Westenholte, Voorst en Frankhuis. De club kreeg
een nieuw voetbalveld bij boer Jacobs, waar nu
het ontmoetingscentrum Het Anker is. In 1979
verhuisde WVF naar het nieuwe sportcomplex De
Weide Steen. En WVF is nog steeds springlevend,
getuige de 850 leden in 2012.
Ook muzikaal laat Westenholte van zich
horen. De oudste nog bestaande vereniging
in Westenholte is het gemengde koor Zang en
Vriendschap, dat al van 1918 dateert. Maar vlak
daarna, in 1920, is de oprichtingsdatum van
muziekvereniging Excelsior. Weliswaar opgericht
als fanfarekorps in ’s-Heerenbroek, was het toch
al snel een Westenholtense vereniging. Pas bij het
veertigjarig jubileum in 1960 kregen de muzikanten voor het eerst een uniform. Nu is Excelsior
een volwaardige muziekvereniging die heel actief
is. Geregeld worden concerten gegeven en neemt
men deel aan concoursen, festivals en optochten.
De naam Excelsior heeft in Westenholte nog een
muzikale invulling gehad: de Christelijke mondharmonicavereniging Excelsior. Dit Excelsior
werd als onderafdeling van de Christelijke Jongemannenvereniging in 1929 opgericht. Een paar
decennia zat er muziek in de mondharmonica,
maar rond 1960 viel het doek.
Roeien op De Kolk, Eva
Zwakenberg en Janna
ter Stege, jaren dertig.
(Particuliere collectie)
Rechts: Zwemmen in
De Kolk, Eva Zwakenberg en Willem en
Janna ter Stege, jaren
dertig. (Particuliere
collectie)
Schaatsen op de baan van ijsvereniging WVF in 1995. IJsvereniging WVF werd
in 1939 opgericht. Dankzij de belangeloze inzet van veel vrijwilligers leidt de vereniging al jaren een bloeiend bestaan. In de beginjaren werd er geschaatst op De
Kolk. Omdat het ijs daar lang niet altijd betrouwbaar was werd er na de oorlog
een eigen ijsbaan gerealiseerd. De opening vond plaats in december 1946. Eind
jaren zestig kon met medewerking van de gemeente en de eigenaar van een aangrenzend perceel de baan vergroot worden tot een 400 meter baan, deze werd in
jan. 1970 in gebruik genomen. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant)
Meisjes van de ijsvereniging omstreeks 1950.
(Particuliere collectie)
Kortebaanwedstrijd op de ijsbaan Westenholte op
4 januari 1993. (Collectie HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant, foto Freddy Schinkel)
Het gemengde koor Zang en Vriendschap in de jaren twintig. Het vaandel
dateert uit 1926, misschien werd toen deze foto gemaakt. Het koor werd in
1918 opgericht. Initiatiefnemers waren drie jongemannen, Van Zuthem,
Heddema en Breunis, leden van de christelijke jongemannenvereniging. Zij
wilden echter een gemengd koor oprichten. Zang en Vriendschap ging van
start met achttien dames en vijftien heren. In 1924 ging men voor het eerst op
concours. Het koor heeft in de loop der jaren veel prijzen in de wacht gesleept.
Er werd en wordt allerlei soorten muziek gezongen, zoals geestelijk, opera, operette, klassiek en musical. (Particuliere collectie)
In 1995 bestond de volleybalvereniging Westenholte veertig jaar.
Daarom werd er een
stratenvolleybalevenement georganiseerd
met 120 teams. Burgemeester Jan Franssen
opende het toernooi
met het oplaten van
ballonnen. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
158 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 159
En dan is er nog de actieve buurtvereniging.
Sinds 1954 kende Westenholte de vereniging voor
Plaatselijk Belang die de belangen behartigde van
de buurtschappen Westenholte, Voorst en Frank

huis. Zo maakte men het zwemmen in De Kolk
mogelijk en regelde men de eerste telefooncel. De
vereniging stond aan de wieg van de bejaarden

sociëteit en van de speeltuinvereniging. En men
richtte een buurtvereniging op, speciaal bestemd
voor het organiseren van jeugdactiviteiten, bin

go’s, droppings en de jaarlijkse bejaardentocht.
Men koos hiervoor de originele naam WVF…
maar nu in de betekenis van Wij Vieren Feest.
In 1972 fuseerden Plaatselijk Belang, de speel

tuinvereniging en Wij Vieren Feest. De krachten
werden gebundeld in de Wijkvereniging WVF. In
1974 verscheen het eerste exemplaar van het wijk

blad De Stins. De wijkvereniging kent tegenwoor

dig een groot aantal werkgroepen, zoals de werk

groep Badminton, de werkgroep Dierenweide, de
werkgroep Huttendorp, de werkgroep Jeugdland,
de werkgroep Kinderactiviteiten, de werkgroep
Volkstuinen en de Vrouwenwerkgroep. De werk

groep Toneel gaf haar eerste voorstelling in 1984.
De toneeluitvoeringen zijn nu een vast jaarlijks
evenement.
Westenholte-Stins
Het is duidelijk dat Westenholte een actief vereni

gingsleven kent en dat men veel samen doet. Dat
zelfs nadat eind jaren zeventig, begin jaren tachtig
het dorp naar verhouding explosief is gegroeid
en er veel nieuwe bewoners bij heeft gekregen.
‘Nieuw-Westenholte’, het deel ten zuidwesten van
de Steenboerweg tot aan de Stinsweg heet offi

cieel Westenholte-Stins. De uitbreiding was een
voortvloeisel van de gemeentelijke herindeling
van 1967, waarbij de gemeente Zwollerkerspel
werd opgeheven. Westenholte, Voorst en Frank

huis kwamen bij de gemeente Zwolle. Onder de
vleugels van Zwolle kreeg Westenholte zijn eigen
variant van de bouwmode uit de jaren zeventig.
Ook hier onder meer een bloemkoolwijk met
woonerven, maar wel op de schaal van Westen

holte. Tussen 1978 toen de eerste steen voor de
woning Akkerhoornweg 1 werd gelegd en 1985
verdubbelde in Westenholte het aantal woningen.
Overigens was het niet allemaal steen wat de klok
sloeg. Zoals dat betaamt in een nieuwe wijk kreeg
Westenholte ook een open recreatieruimte, het
Stinspark. Precies op de plek waar eens het mach

tige kasteel van de heren van Voorst stond.
Net als in de groeiperiode in de jaren vijftig bete

kende meer inwoners meer voorzieningen. De
Stinskerk werd te klein en er kwam een nieuwe,
die in 1992 met een speciale eredienst in gebruik
Zang en Vriendschap
tijdens een optreden in
maart 1993. (Particu

liere collectie)
Duivenvereniging
‘De Vriendenkring’
in de jaren dertig.
(Particuliere collectie)
werd genomen. Na een reconstructie breidde het
winkelcentrum Petuniaplein zich in 1983 uit met
een cafetaria, een drogisterij en een bloemen

winkel. Dat oud-Westenholte nog niet helemaal
gewend was aan al die nieuwkomers kreeg een
symbolische vertaling in de paaltjes die werden
geplaatst tussen het Petuniaplein en de Arnicaweg
Links: De kinderboer

derij in het Stinspark,
1993. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
Rechts: De volkstui

nen Westenholte aan
de Zalkerdijk, 1983.
(Collectie HCO, Redac

tiearchief Zwolse Cou

rant)
In 1979 werden de
eerste huurwoningen
aan de Arnicaweg in
Westenholte-Stins
opgeleverd. Op de foto
een van de twee inge

richte modelwonin

gen. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
De scheiding tussen
oud en nieuw Wes

tenholte kreeg een
symbolische vertaling
in de paaltjes die wer

den geplaatst tussen
het Petuniaplein en
de Arnicaweg om het
doorgaande verkeer te
voorkomen. In 1992
werd het plein opnieuw
heringericht en ver

dween deze barrière
die in de volksmond
de ‘Berlijnse muur’
was gedoopt. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
160 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 161
om het doorgaande verkeer te voorkomen. In
1992 werd het plein opnieuw heringericht en verdween deze locale variant van de Berlijnse muur.
Westenholte was nu echt één.
Ook voor het onderwijs had de grote uitbreiding gevolgen. In 1979 werd in Westenholte-Stins
een nieuw scholencomplex geopend waar de openbare school en de christelijke school een plekje
kregen. Al op de kadastrale kaart van 1832 staat
een openbare school vermeld aan de Zalkerdijk.
In de jaren zestig van de twintigste eeuw kwamen
er een openbare kleuterschool en lagere school,
de prof. Kohnstammschool en de Knienenbelt
aan de Papaverweg. In 1979 verenigde het hele
openbare onderwijs zich in De Ridderspoor in het
nieuwe schoolcomplex aan het Korianderplein. De
geschiedenis van de christelijke school begon in
1922 toen aan de Westenholterweg een drieklassige lagere school kwam te staan. In 1963 werd
het gebouw zodanig vergroot dat er wel van een
nieuwe school kon worden gesproken. Het bood
huisvesting aan De Wiekslag, zoals de school was
gaan heten. Door het toegenomen aantal leerlingen verhuisde de naastgelegen kleuterschool Het
Hummeltjeshonk naar de Rozenweg en betrok De
Wiekslag de vrijgekomen lokalen. In 1979 opende
een nieuwe christelijke school, De Akker, op het
Korianderplein de deuren. De fusiegolf in het
onderwijs ging ook Westenholte niet voorbij. In
1995 gingen De Wiekslag en De Akker op in De
Morgenster. Waar de openbare en de christelijke
basisschool hun plek hebben gevonden aan het
Korianderplein is de katholieke basisschool gevestigd aan de Papaverweg. De geschiedenis van het
katholieke lager onderwijs in Westenholte is kort.
Pas in 1962 startte men in De Ark. In 1965 nam
De Kerspel een nieuw houten noodgebouw aan de
Korenbloemweg in gebruik. Daar bleef men tot de
verhuizing in 1979 naar het oude schoolgebouw
van de openbare lagere school aan de Papaverweg.
In 1998 ging De Kerspel op in een grote katholieke
basisschool, De Vlieger, die de hoofdvestiging in
Stadshagen heeft.
Met het noemen van Stadshagen is wellicht de
grootste recente verandering genoemd. In een
mum van tijd heeft Westenholte een grote Vinexbuurwijk gekregen. Frankhuis is zelfs grotendeels
door deze wijk opgeslokt. Westenholte is verder
ontsloten met een futuristische fietsbrug en een
fietstunnel naar Stadshagen. In het buitengebied
tussen dorp en IJssel is een prachtig natuurgebied
ontstaan, de Vreugderijkerwaard. De nieuwste
aanwinsten voor Westenholte zijn het woonzorgcentrum Westenhage aan de Voorsterweg en de
biologische schapenboerderij De Vreugdehoeve
aan de Zalkerdijk. Binnenkort zal er een begin
worden gemaakt met de bouw van het nieuwe
ontmoetingscentrum.
Er is veel veranderd, maar ondanks alle veranderingen bestaat het oude dorpsgevoel nog steeds.
Er is een grote betrokkenheid van de gemeenschap bij alles wat er in Westenholte gebeurt,
wat zich uit in het bloeiende verenigingsleven.
De wijkvereniging is buitengewoon actief en er
wordt van alles in Westenholte georganiseerd. Als
de vraag in de titel van dit artikel moet worden
beantwoord, dan is misschien wel het beste antwoord: Westenholte is een Zwols dorp.
* Uit: Mr. C.W. van der Pot, Zwolle’s omgeving
omstreeks 1900, Zwolle z.j.
Koninginnedag in
Westenholte, 1970.
(Particuliere collectie)
Tante Sien
Dan regelde Klaas chocolademelk via de Blokmelkfabriek. Die
verkocht Sien voor de ijsclub, aanvankelijk gewoon op het ijs,
later vanuit een schuurtje en nog later vanuit De Ark. Sien en
Klaas konden erg boos worden als anderen de chocolademelk
met water verdunden om zo meer te kunnen verkopen. Sien
hield zelf ook erg van schaatsen. Dochter Klaasje: ‘Een paar
zwarte gympen aan, een rok en een zwart alpinopetje op en
rijden maar. Mijn ouders schaatsten altijd kruislings. Heel
vroeger deed mijn vader met wedstrijden mee op de sokken op
de schaats.’ In de tijd dat de ijsvereniging De Ark exploiteerde,
hielp Sien ook altijd volop mee bij bruiloften en partijen.
Tante Sien was ondermeer een actief lid van de Plattelandsvrouwen Zwollerkerspel. Zij en Klaas werden medio
jaren negentig door carnavalsvereniging ‘De Knienebelters’
gehuldigd omdat ze zoveel voor Westenholte hadden gedaan.
Bij de viering van hun 50-jarige en 55-jarige bruiloft in respectievelijk Wientjes en Het Anker kwam muziekvereniging
Excelsior hen ook huldigen. Klaas overleed op 13 augustus
1995. Sien woonde daarna alleen op de Tippe. Ze vierde haar
negentigste verjaardag nog uitgebreid bij Krisman in het
Engelse Werk. Ze was toen onder de indruk van alle mensen
die speciaal voor haar daar naar toe gekomen waren. Tante
Sien overleed op 5 januari 2004 op 93-jarige leeftijd. Ze was op
dat moment de oudste inwoner van Westenholte.
Sien en Klaas
Riezebos -de
Haan met hun
twee dochtertjes
Gerrie en Klaasje,
eind jaren veertig.
(Particuliere
collectie)
De Tippe aan de voet van de Zalkerdijk omstreeks 1980.
Vanaf de Tippe kon je vroeger, voor de bouw van Stadshagen,
Hasselt zien liggen. (Particuliere collectie)
Gesiena (Sien) Blommetje Riezebos-de Haan werd op 25 oktober 1910 in Amsterdam geboren. Toen Sien acht jaar was verhuisden haar ouders naar Overijssel. Het gezin woonde eerst
in ’s-Heerenbroek en vestigde zich vervolgens in Westenholte.
Sien trouwde op 30 april 1937 met Klaas Riezebos (geb. 25
oktober 1909), de jongste zoon uit het gezin Riezebos-Slendebroek (zie pagina 175). Het jonge stel ging wonen op het boerderijtje van de familie Riezebos, de Tippe, aan de voet van de
Zalkerdijk. Klaas werd overigens geen boer, hij begon in 1926
als gewoon arbeider te werken bij de Blokmelkfabriek en bleef
daar zijn hele werkzame leven. In 1951 ontving hij, samen met
zes andere jubilarissen, een koninklijke onderscheiding bij zijn
25-jarig jubileum. Sien en Klaas kregen twee dochters, Klaasje
in 1940 en Gerrie in 1946. Volgens dochter Klaasje JongmanRiezebos ‘verstonden’ haar ouders elkaar goed, ‘wij komen uit
een warm nest.’ Dat er maar twee kinderen waren had een
praktische reden: ‘Onze ouders gebruikten hun verstand.’
Sien en Klaas waren centrale en graag geziene figuren in
Westenholte, hartelijk, sociaal voelend en zeer actief in het
dorpsleven. Ze stonden bekend als tante Sien en ome Klaas.
Vooral Sien was open, vrolijk, opgewekt en pittig, ze liet niet
over zich lopen. Klaas was wat gemoedelijker. Hij was met
name actief in de schaatsvereniging WVF, hij was jarenlang
bestuurslid en werd daarvoor tot erelid benoemd. Dochter
Klaasje: ‘Hij “kon” nooit vrij krijgen, behalve als er ijs lag.’
162 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 163
Gerrit van Vilsteren
Westenholte – Voorst – Frankhuis;
geografische achtergrond
Het is algemeen gebruik te spreken over
WVF: Westenholte – Voorst – Frankhuis. In deze achtergrondschets over de
geografie van dit gebied draai ik de volgorde van
de kernen graag om: Frankhuis – Voorst – Westenholte. Historisch is Frankhuis/Voorst namelijk
lange tijd van veel groter belang geweest dan Westenholte. In dit gebied, dat vanuit de stad Zwolle
achtereenvolgens ongeveer een kwartier tot een
half uur gaans was, waren behalve in Frankhuis
geen concentraties van huizen en mensen te vinden. In de eerste helft van de negentiende eeuw
telde Frankhuis/Voorst ongeveer 45 huizen en
250 inwoners.1 De buurtschap Frankhuis was
gelegen op het kruispunt van de wegen naar Hasselt en naar Kampen. Frankhuis hoorde deels
tot de gemeente Zwolle. Dat deel werd ook wel
het eerste Frankhuis genoemd. Het andere deel
behoorde tot de gemeente Zwollerkerspel. Beide
delen samen telden toen ongeveer 30 huizen en
160 inwoners.
De buurtschap Westenholte lag op een uur
gaans vanuit de stad. Dit qua omvang veel grotere
gebied telde circa 150 inwoners. Westenholte
omvatte globaal het terrein van de Konijnenbelten
tot aan de IJssel via de Stouwdijk (later Zalkerdijk).2
Ontstaansgeschiedenis
De wording van het gebied is het meest bepaald
door de ‘ontmoeting’ van het water vanuit het
land en het water vanuit de zee. Beide watersystemen kwamen (komen) hier regelmatig met elkaar
in botsing.
De basis van het landschap valt terug te voeren
op de ijstijd, die de stuwwallen van de Veluwe en
Salland naliet en een diep dal waarin de rivier de
IJssel stroomde. Dit stroomdal vulde op en het
overige terrein van Salland werd bedekt met door
de wind aangevoerde lagen dekzand. Droogte en
wind zorgden voor de vorming van stuifduinen
langs en in het rivierengebied van de IJssel. Salland vond zijn afwatering in een groot aantal
van zuidoost naar west en noordwest lopende
beken en weteringen. Enkele daarvan – de Kleine
en de Grote Aa – kwamen bij Zwolle samen en
vervolgden hun weg als Zwartewater naar de Zuiderzee. Deze zee was in de loop van de tijd door de
afkalving van de veenmoerassen in het oorspronkelijke ‘Almere’ een steeds groter wordende open
zee geworden.
De voortdurende wisselende waterafvoer aan
landzijde en de groter wordende zee gecombineerd met een algemene zeespiegelstijging maakten ingrijpen van de mens steeds meer noodzakelijk. Van wezenlijk belang was bijvoorbeeld de
inpoldering van Mastenbroek in de veertiende
eeuw. We moeten ons hiervan overigens ook weer
niet te veel voorstellen. Het ging waarschijnlijk
om niet meer dan de aanleg van een dijk rondom
het gebied, om het gevaar van het water in te dammen. Van belang was daarbij een verkaveling en
toedeling in 1364 aan meerdere eigenaren, waaronder de heer van Voorst.
In dezelfde periode kwam ook de zorg voor
bescherming tegen de rivier op. Langs de IJssel
werden dijken tot stand gebracht. Het begin van
een lange geschiedenis, die uiteindelijk tot waterschappen heeft geleid, begon toen.
Illustratief is dat de westzijde van de polder
van Mastenbroek werd beschermd door de al in
de veertiende eeuw aangelegde Stouwdijk. Het
systeem vanuit landzijde werd beschermd door
een reeks van aaneengesloten dijken. Dit begon
bij de poort en stadsgracht van Zwolle met de
Hoogstraat, overgaand in de Gasthuisdijk en
Frankhuisdijk. In Voorst was er de natuurlijke
bescherming door de stuifduinen – de Konijnenbelten. De polder van Katwolde werd vanaf
de stadsgracht omsloten door de Pannekoekendijk en de Katerdijk en aan de westzijde door de
Hoogstraat en Gasthuisdijk. Die twee laatsten
kwamen bij Frankhuis bij elkaar.
Dit landschap komt duidelijk naar voren op
de kaart van Hottinger.3 Deze kaart is gemaakt
aan het eind van de achttiende eeuw, uiteraard
voor militaire doeleinden. Het geeft een gedetailleerd beeld: wegen, rivieren, dijken, meren,
bebouwing, molens en grondgebruik zijn vrij
nauwkeurig weergegeven. De dijken en de strook
stuifduinen en oeverwallen langs de IJssel (Konijnenbelten, Spoolderberg, Kortenberg) zijn goed
herkenbaar. In de Konijnenbelten is geen dijk
zichtbaar.
Confrontatie met het water
Een en ander hield in dat door de eeuwen heen de
confrontatie met het water het leven van de mensen in deze omgeving voortdurend heeft bepaald.
Vele aspecten hebben hierbij in meer of mindere
Eind achttiendeeeuwse kaart uit de
Hottingeratlas waarop
Westenholte, Voorst
en Frankhuis duidelijk
staan afgebeeld.
(Collectie HCO)
Frankhuis en Westenholte – Voorst, twee
aansluitende fragmenten uit de kaarten 303
en 304 uit de ‘Grote
Historische topografische Atlas 1905 Overijssel’.
164 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 165
mate gespeeld. Zonder op alle details in te gaan,
noemen we enkele. Van grote invloed zijn de zeespiegelstijging vanaf circa het jaar 1000 met minimaal één meter en een voortdurende gronddaling
in de polder Mastenbroek geweest. De afkalving
van het Almere en daardoor de vergroting van de
ondiepe Zuiderzee deden het gevaar toenemen.
De afkalving tot aan de verplichte evacuatie en
ontruiming van het veeneiland Schokland in 1859
is het ultieme bewijs daarvan.
De beteugeling en beheersing van de watertoevoer in de rivier de IJssel zijn evenzeer van grote
betekenis. Overvloedige en snellere aanvoer door
ontbossing in het achterland, kanalisering, regeling
van verdeling over Waal, Rijn en IJssel aan het eind
van de achttiende eeuw spelen alle een rol.
Feitelijk betekende dit voor onze omgeving
een continue bedreiging door het water van twee
zijden. Vluchtige inspectie van literatuur toont
overstromingen in dit gebied in 1774, 1775,
1776, 1784, 1824 en de ‘kampioen’ in deze, die
van 1825. Soms kwam het water van landzijde,
zoals in 1774, soms van zeezijde zoals in 1825. In
het laatste geval vielen er in Overijssel alleen al
305 doden te betreuren. Daarvan woonden 26 in
Zwollerkerspel, waarvan het merendeel in de polder Mastenbroek, 3 in Veecaten en 2 in Schelle.4
Er waren voortdurend aanpassingen, maar steeds
weer bleek het niet afdoende te zijn. Sinds 1776
werd door de provincie het systeem van overlaten
ingevoerd. Dat hield aan landzijde (Salland) in dat
bij Deventer een overlaat in de Snippelingsdijk
werd gemaakt. Dan kon het water zich over heel
Salland verspreiden richting Zwolle. Ook werden
waden in de Konijnenbelten open gelaten en in de
Stouwdijk enkele overlaten gemaakt. Aan zeezijde
gebeurde hetzelfde in de vorm van een overlaat bij
Grafhorst en een bij Genemuiden in de zeedijk.
Zo kon het water enigszins beheerst zowel aan de
ene zijde (Salland 1774 en 1784) als aan de andere
zijde (Mastenbroek 1825), binnenstromen. Overigens, vergeet niet dat het water ook wel gewenst
was voor slibvorming op de weiden, de basis voor
vruchtbare grond.
Ondanks dit ingrijpen, gingen de overstromingen door. In 1835, 1862, 1863 en 1877 kwamen
deze in onze omgeving voor. Na 1835 werd het systeem van overlaten en waden aangepast. De Stouwdijk werd gedicht, evenals de waden in de Konijnenbelten. Na de overstromingen in de tweede
helft van de negentiende eeuw werd de ringdijk van
de polder van Mastenbroek over de gehele lengte
verhoogd tot 2.90 m boven NAP. In Frankhuis
werd het dijkvak in 1888/1889 verhoogd.5
Waakzaamheid voor het water was in het leven
van onze grootouders verankerd en overgeleverd.
Zij hebben de betekenis van de ‘bescherming’ door
de ophoging van terpen – in Mastenbroek in de
loop van de tijd wel 8 keer 30 centimeter6 – van
de dijken en overlaten mee gemaakt. Zij hebben
aan de generatie van mijn ouders (begin twintigste
eeuw) de grote betekenis van de afsluiting van de
Zuiderzee met de Afsluitdijk, 1927-1932, mee kunnen geven. De laatste grote overstroming was in
1926. Het was een koud kunstje voor de Duitsers
om de polder van Mastenbroek in 1944 nog te laten
vollopen met water.
Ondanks de vele maatregelen is er een hogere
mate van garantie van veiligheid nodig gebleken.
Het gevaar vanuit zeezijde, nu het IJsselmeer,
is bestreden door de aanleg van de balgstuw bij
Ramspol in 2002. Deze opblaasbare dam tussen
het Ketelmeer en het Zwarte Meer is al twee keer
nodig geweest tegen het opstuwende water van
een noordwesterstorm (2007, 2012). Het gevaar
van de landzijde is nog eens aangetoond door de
gevaarlijk hoge waterstanden in 1995 en 1998.
Dijken zijn nu op deltahoogte gebracht en met
het huidige project ‘Ruimte voor de rivier’ zijn
nieuwe antwoorden op de bedreigingen gegeven.
Bewoning
In deze context van water, dijken en bedreigingen moeten we in het begin van de negentiende
eeuw de bewoners van ons gebied plaatsen.
Een periode, direct na de Franse tijd, van grote
armoede. Het hele land telde toen ongeveer twee
miljoen inwoners. Verharde wegen waren er
nauwelijks, transport en vervoer ging over het
water, met paard en wagen, met hondenkar en
te voet. Iedereen was druk doende om aan de
kost te komen. Eigen of gepachte grond vormde
de basis voor zelfvoorziening. We kunnen de
samenleving in Westenholte en Voorst globaal
typeren als een omgeving van dagloners, al dan
niet met een eigen keuterbedrijfje, van ambachtsDe overstroming van
1825, hier de dijkdoorbraak bij Hasselt, op
4 februari 1825. Gravure, anoniem.
(Collectie HCO)
Biezensnijders in
Westenholte, omstreeks
1910. (Particuliere
collectie)
Veel kleine (keuter) en
enkele grote(re) boerderijen in Westenholte.
(Particuliere collecties)
166 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 167
lieden, al dan niet met een boerenbedoening, en
van enkele grote boeren, die ook voor de markt
werkten met verkoop van boter en vlees. Veel van
de betere grond was in handen van grootgrond

bezitters, meestal behorend tot de stedelijke elite.
In de structuur van Frankhuis zien we dat heel
duidelijk terug. Ambacht en verzorging met een
boerenbedoening en ook warmoezerij bevonden
zich langs de dijkwegen. Rondom het gehucht
Frankhuis lagen drie buitens van elite uit de stad
(Twistvliet, Ketelkolk, De Bildt). Het gehucht lag
tegen het grote open gebied van de polder van
Mastenbroek, dat was verkaveld in grote percelen
en met ‘grote’ boeren. In de Konijnenbelten was
het overheersende beeld dat van dagloners of dag

huurders, keuterboertjes op de schrale zandgron

den en enkele grotere boeren bij de laaggelegen
wei- en hooilanden. Dat beeld treffen we ook aan
langs de Stouwdijk: een afwisseling van kleine
keuterbedrijfjes (van arbeiders en dagloners) met
enkele grotere boerderijen.
Opkomende nijverheid
Het geschetste beeld ondergaat nauwelijks ver

andering in de negentiende eeuw. Beweging
komt er pas aan het einde van de negentiende en
het begin van de twintigste eeuw. De groeiende
bevolking was meer en meer aangewezen op de
opkomende nijverheid en industrie. De betekenis
van de stad Zwolle als bron van werkgelegenheid
nam toe. Naast het beroep van boerenarbeider en
boerenmeid werden meisjes van het platteland nu
dienstbode in de stad, jongens werden arbeider
in de industrie. Dichtbij huis was dat in de tweede
helft van de negentiende eeuw de houthandel
en houtzagerij Eindhoven en Zn, en vanaf circa
1900 de melkfabriek ‘Mastenbroek’, die in 1926
werd overgenomen door de NV Nederlandsche
Gruyère Blokmelkfabriek. Zo bleven de mensen
in de eigen omgeving en bleef de sociale horizon
beperkt tot de grens van het eigen dorp.
Er veranderde wel wat. De stoomtrein kwam
eind negentiende eeuw op, de stoomtram begin
twintigste eeuw. Deze werd al vrij vlug door de
auto(bus) afgelost.
Kenmerkend is dat er vanaf ongeveer 1930 in
sociaal-economisch opzicht niet veel verandert.
Alom in Nederland komen we in een periode
van stilstand en achteruitgang, die inclusief de
Tweede Wereldoorlog tot zo ongeveer 1950
voortduurde.
Frankhuis was toen de locatie van twee grote
bedrijven – de Blokmelkfabriek en Eindhoven en
Frankhuis in 1914- Zn – , beide goed voor meer dan vijftig arbeids

1918. Vooraan een
petroleumboer met
hondenkar. Rechts
met smokmuts staat
Elsemeuje (Elsje) van
Munster, voor haar
café annex winkel. Na
het overlijden van haar
man Harm in 1919
was het alleeen nog een
winkel. Hij werd later
voortgezet door haar
dochter Jans. (Particu

liere collectie)
Werknemers van de
houthandel Eindhoven
en Zn in 1905. (Parti

culiere collectie)
168 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 169
plaatsen. Frankhuis was ook een concentratie van
verzorgende en ambachtelijke bedrijfjes. Denk
daarbij aan enkele kruideniers, een bakker, enkele
smederijen, enkele wagenmakerijen, kappers,
een schoenmaker, een timmerman en aannemer,
een fietsenwinkel/fietsreparatie en verkoop, een
tabakswinkel, een tapperij en café, een bloemisterij. Frankhuis telde daarnaast een concentratie
van tuinders en warmoezeniers, alle gericht op
Zwolle en de coöperatieve groenten- en fruitveiling. Gelegen aan de doorgangsroute was het van
centrale betekenis voor Voorst en Westenholte.
Ook in Voorst en Westenholte was de tijd natuurlijk niet blijven stilstaan. Naast enkele verzorgende bedrijfjes – een kleine concentratie langs
de Kamperweg voorbij de Werkerallee – was het
overheersende beeld dat van verspreide keuterbedrijfjes van arbeiders met een baan elders. Langs
de Kamperweg bestond nog enige nijverheid in de
vorm van een smederij, een timmermansbedrijf
en een houtzagerij. Werkgelegenheid op wat grotere schaal kwam voor in de klompenindustrie,
het snel groeiende bedrijf van de Gebroeders Van
Vilsteren (GeVaVi). Daarnaast waren er enkele
grotere boerenbedrijven.
Draaipunt jaren vijftig
Na lange tijd van langzame verandering – stilstand
zelfs – kwam er een periode van snelle en grote veranderingen. Dit liep uiteraard parallel aan de nationale ontwikkelingen van verandering en vooruitgang. Ons gebied werd meer en meer onderdeel
van de ontwikkeling van de stad Zwolle. Aanvankelijk nog als woongebied van eigen aanwas werkzaam in de stad, vrij vlug daarna als voorstad van
Zwolle met nieuwe bewoners van elders, die werkzaam waren in de stad. Dit kwam tot uitdrukking
in de nieuwbouw van woningen. Eerst waren dat
nog nieuwe woningen als opvulling langs bestaande wegen (met name de Westenholterweg), daarna
werd gebouwd op bouwrijp gemaakte verworven
terreinen in de Konijnenbelten met projecten van
tien tot twintig woningen. Er werd gestreefd naar
een ‘compleet’ dorp, met een eigen winkelcentrum,
kerken, scholen, dorpshuis en voetbalvelden. Dat
was echter nog lang niet het einde.
De aanleg begin jaren zestig van het ZwolleIJsselkanaal met industrieterreinen, de samenvoeging van de gemeenten Zwollerkerspel en
Zwolle in 1967 vormden de basis voor weer een
grote uitbreiding van Voorst en de definitieve
inkapseling in de nieuwe stedelijke structuur. In
de jaren zeventig werd de woonwijk De Stins met
750 woningen gebouwd, een verdubbeling van de
bestaande huizenvoorraad. Vervolgens werd de
context compleet veranderd met de aanleg van de
Vinexwijk Stadshagen in de polder Mastenbroek.
Het einde hiervan komt nu in zicht.
Huidige situatie
Westenholte is de naam geworden voor Voorst
en Westenholte. Maar het grootste deel van het
oorspronkelijke Westenholte is ogenschijnlijk
niet veel veranderd: verspreide bebouwing langs
de Zalkerdijk, zij het dat het agrarisch karakter
daarvan is verdwenen.
Voorst is van een gebied met verspreide
bebouwing een woonwijk geworden in het
tegenwoordige Westenholte. Het geheel telt circa
tweeduizend woningen met ongeveer vijfduizend inwoners. Het maakt de indruk een dorp
te zijn, wat nog wordt versterkt door de recente
afscherming met geluidswallen en een beperkt
aantal toegangen vanaf de wegen naar Kampen
en Stadshagen. De naam ‘Voorst’ is aan de wandel
Boven: Het klompenbedrijf van de gebroeders
Van Vilsteren, GeVaVi, omstreeks 1950.
(Particuliere collectie)
Onder: De smederij
van A. Hullen op de
kruising Hasselterdijk
en Frankhuisweg. Op
de achtergrond ligt
Twistvliet. Jaren vijftig.
(Particuliere collectie)
De Ridder Zwederlaan
en omgeving in Westenholte, gebouwd op
de voormalige Konijnenbelten. 2005 (Particuliere collectie)
De Knoopkruidweg
in Westenholte-Stins,
2004. (Particuliere
collectie)
De cornetmuts
Hoe een modemuts in de streekdracht terecht kwam
170 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 171
geraakt als aanduiding van de uitgestrekte industriegebieden ten westen van de stad. Frankhuis is
na stilstand in de jaren zestig, grote achteruitgang
en verwaarlozing door bewoners en overheid tot
in het begin van de eenentwintigste eeuw, een
vergeten, geïsoleerd woongebiedje geworden, aan
de rand van Stadshagen. De historie is er op vele
plekken nog zichtbaar.
Noten
1. In de eerste registraties van huizen in de gemeente
Zwollerkerspel omvatte het gebied Voorst/Frankhuis Frankhuis tot in Voorst aan de Werkerallee,
thans het Westenhage
2. Van der AA, 1851, pag. 19, deel XII pag. 288
3. Versfelt, 2003, Kaarten van Overijssel en Gelderland, pag. 31
4. Ter Pelkwijk, 2002, p. 164
5. Van der Schrier, 1995, p. 219
6. Boerderij Nieuwe Wetering 18, J. Kroes. Bijlage van
Tijlsbladen, zaterdag 4 juli 1992
Literatuur
– AA, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek
der Nederlanden, Vierde Deel E-G, Gorinchem,
1843
– Drupsteen, Th.G., H.J.M. Havekes, H.F.M.W. van
Rijswick (red.) Weids water. Opstellen over waterrecht. Den Haag, 2006
– Grote Historische topografische Atlas, 1905 Overijssel, schaal 1 : 25.000. Tilburg, 2005
– Hove, Jan ten, Geschiedenis van Zwolle, Waanders
Zwolle
– Pereboom, Freek, Jeroen Kummer, Harry Stalknecht (red.) Omarmd door IJssel en Zwartewater,
zeven eeuwen Mastenbroek. IJsselacademie Kampen, 1995
– Pelkwijk, J. ter, Overijssels Watersnood. Een heruitgave van het verslag van de ramp van 1825. Stichting IJsselacademie, Kampen 2002
– Schrier, D.M. van der, Mastenbroek en de strijd tegen het water; in: Pereboom, Freek etc. pp. 195-222
– Spek, Theo, Frits David Zeiler en Edwin Raap, Van
de Hunnepe tot de zee. De geschiedenis van het Waterschap Salland. IJsselacademie. Kampen, 1996.
– Ven, Gerard van de, ‘De dijkzorg in Overijssel
1800-1880’, in: Drupsteen 2006, pp. 39-70.
– Versfelt, H.J., De Hottinger-atlas van Noord- en
Oost-Nederland 1773-1794. Groningen, 2003
– Zeiler, Frits David, ‘1825: de ‘vergeten’ watersnood’, in: Tijdschrift voor Waterstaats Geschiedenis,
16 (2007) 1, pp. 19-26
Boven: Tegenwoordig ligt Westenholte afgeschermd door geluidswallen en zijn
er maar een beperkt aantal toegangen vanaf de wegen naar Kampen en Stadshagen. Hier de aanleg van de fietsbrug naar Stadshagen/Frankhuis in 2006.
(Particuliere collectie)
Onder: De Voorsterweg in 2009, rechts zijn de geluidswallen te zien langs de
weg richting Kampen. (Particuliere collectie)
Klederdracht, ach dat is allemaal hetzelfde,
is een veel gehoorde opmerking. Maar
niets is minder waar. De streekdracht is
wel degelijk door de tijden heen veranderd. Het
vertelde bovendien veel over de drager en draagster. Waar je vandaan kwam, of je rijk of arm was,
getrouwd, of in de rouw. Onze voorouders konden die kledingtaal feilloos lezen. Droeg men een
muts gemaakt van batist en ouderwets opgemaakt
dan was men in de zware rouw. Bij lichte of halve
rouw was de muts van tule gemaakt. De zondagse
muts was van kant.
Het valt nauwelijks meer voor te stellen dat
nog geen honderd jaar terug de vrijdagmarkt in
Zwolle een complete streekdrachtenshow was. Uit
de wijde omgeving kwamen de boeren met hun
familie naar Zwolle om te markten. Maar ook veel
Zwolse vrouwen droegen de streekdracht. Paard
en wagen werden geparkeerd in de Smeden, achter in de Diezerstraat, of bij een van de stalhouderijen in de Hoogstraat of Thomas a Kempisstraat.
Vrouw en dochters gingen naar de vrijdagmarkt
en vader en zoons naar de veemarkt. De vrijdagmarkt kronkelde zich door de hele Zwolse binnenstad. Een feest van fladderende knipmutsen
die het straatbeeld beheersten. Het was een bonte
show van klederdrachten uit Zwolle en omgeving,
de Noordwest-Veluwe en natuurlijk Staphorst en
Rouveen.
Ook door de week maakte de streekdracht
met de cornetmuts een vast onderdeel uit van
het straatbeeld, onder meer op de dagelijkse
Bezoeksters van
de Zwolse markt,
omstreeks 1910.
(Collectie SMZ)
Aranka Wijnbeek
172 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 173
warenmarkten, de zogeheten disjesmarkt. Voor
de Harmonie op de Grote Markt werd ’s ochtends
en ’s avonds de melk verkocht door boerinnen uit
de omgeving. Ook op de eiermarkt (Voorstraat),
de botermarkt (Voorstraat, later Nieuwe Markt)
en de groente- en fruitmarkt waren de boerinnen in streekdracht rijk vertegenwoordigd. De
dienstmeisjes droegen ook een cornetmutsje. Het
verbergen van het lange haar was het voornaamste doel. Haren waren vies en zeker die van de
dienstbode.
Waar komt de streekdracht vandaan.
Wanneer de streekdracht precies is ontstaan
weten we niet. Wel kunnen een aantal onderdelen
van de dracht, vooral de vrouwendracht, worden
teruggevoerd op de zestiende- en zeventiendeeeuwse kleding. Zo werd aan het eind van de
zestiende eeuw een klein mutsje gedragen met een
beugeltje voor de stevigheid. Hieruit ontwikkelde
zich later het oorijzer. De kleding bestond uit een
rok met onderrok, een jak met daarover heen een
kraplap, een schort, een schouderdoek en een
muts.
Het in 1857 verschenen boek Nederlandsche
kleederdragten en zeden en gebruiken van Bing en
Von Ueberfeldt laat een kleurrijke dracht zien.
Bonte jakken en kraplappen, kleurrijke schorten
en omslagdoeken. Het geeft ons een goed beeld
van de toen in Overijssel gedragen streekdracht.
De verscheidenheid is groot. Ook de streekdracht
was aan mode onderhevig en veranderde wel
degelijk. In de negentiende eeuw zijn veel invloeden van de op dat moment heersende stadsmode
er in opgenomen.
Terwijl de stadsmode vrij snel veranderde,
bleef de dracht op het platteland vaak lang
nagenoeg ongewijzigd. Veranderingen bleven
niet helemaal uit, maar beperkten zich tot kleinigheden zoals aanpassingen onder de muts en
het jak. De streekdracht was in het begin van de
negentiende eeuw nog kleurrijk. Na 1880 zijn veel
streekdrachten onder invloed van de stadsmode,
maar ook door de nieuwe godsdienstige bezinning uit die jaren, de Doleantie (de kerkscheuring
in de Nederlands Hervormde Kerk in 1886 onder
leiding van dominee Abraham Kuyper), somberder geworden. Vooral het laatste gold sterk voor
Overijssel.
De hoofdkleur van de kleding was zwart. De
vrouwen droegen een jak met een lange schoot die
over de rok viel. De jongere generatie koos voor
een kort jak, een lief, en een rok. Het voorpand
van het jak werd rijk versierd met kraaltjes, kantjes, bandjes en plooien, maar alles in het zwart.
Opvallend is dat in Staphorst en Rouveen de
dracht het minst veranderde en nog altijd kleurrijk is. De meeste veranderingen vonden plaats
in de periode 1850 tot circa 1950. Na de Tweede
Wereldoorlog verdween de streekdracht in snel
tempo.
Wat droeg je waar en wanneer?
Streekdracht kende een soort kleding etiquette.
De dracht valt in drie soorten te verdelen:
1. Het zondagse goed
Dit werd gedragen op zon- en feestdagen en bij
bijzondere gelegenheden, zoals bruiloften, officiële visites en bezoeken. Bij rouw werd de dracht
aangepast. Bij zware rouw was de muts van wit
batist met een stijf geplooide achterstrook. Alle
versiering op de kleding was sober, soms van
crêpe. De hoed was eveneens van crêpe. De sieraden waren van zwart been, ebbenhout of bakeliet.
Bij halve rouw werd de muts van tule gemaakt
in hetzelfde wat ouderwetse model. De kleding
bleef vrijwel ongewijzigd, droeg men een halsdoekje dan kon men nu kiezen voor een patroon
in zwart met een beetje wit. De hoed bleef zwart .
De sieraden daar mocht nu zilver aan toegevoegd
worden.
Was men niet in de rouw dan droeg men een
kanten muts met een breed vallende achterstrook.
‘Wie het breed heeft laat het breed vallen’, zo luidt
het hiervan afgeleide gezegde. Het geheel werd
afgemaakt met sieraden, dat mochten goud en
bloedkoralen zijn.
2. Het opknapgoed
Dit vertoonde veel overeenkomst met de z

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 4

Door | 2013, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Themanummer
De Zwolse Ziekenhuizen
30e jaargang 2013 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2013.indd 1 10-12-13 13:33
Suikerhistorie
R.K. Ziekenhuis te Zwolle
Het Rooms-Katholieke Ziekenhuis, gelegen op de
hoek van het Groot Wezenland en de Blekerstraat,
kreeg in 1967 de toevoeging De Weezenlanden.
Voor die tijd had men het in Zwolle eenvoudigweg
over het Sophia of het katholieke ziekenhuis. Iedereen wist dan welk ziekenhuis bedoeld werd. Anno
1998 zijn beide ziekenhuizen gefuseerd. Ze gingen
verder onder de naam Isala klinieken.
De katholieke ziekenzorg in Zwolle gaat terug
tot circa 1825, toen het Rooms-Katholiek Armbestuur het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat
(nu Morphique Architecten) als zieken- en passantenhuis in gebruik had. Het bestuur droeg de
zorg voor de (arme) zieke medemens rond 1845
over aan de Zusters van Liefde (Sorores Caritatis),
die zich aan het Gasthuisplein vestigden. Voor de
verdere geschiedenis van de katholieke ziekenzorg verwijs ik naar het artikel op pagina 170.
Op het suikerzakje zien we een schild met
daarop de woorden Lampas Charitatis, de toorts
der liefde, verwijzend naar de liefdevolle en
belangeloze inzet en toewijding van de zusters en
andere verplegenden. De vis op het schild is een
bij uitstek Christelijk symbool; op de vis zien we
de Griekse letters X (chi) en P (rho), de eerste twee
letters van het woord Christus. Het geheel werd in
1947 als beeldmerk van het katholieke ziekenhuis
ingevoerd. Het kwam in dat jaar voor het eerst als
embleem voor op de huisspeld van de leerlingverpleegsters. Daarna dook het logo overal op in
het ziekenhuis, zo ook op het suikerzakje.
De geraffineerde kristalsuiker in het zakje
kwam volgens informatie op de achterzijde uit
de fabriek van W. van Oordt & Co te Rotterdam.
Afgaande op kenmerkende elementen (kaderlijnen, fabriekslogo en dergelijke) moet het suikerzakje uit de jaren 1954-1958 dateren.
Omslag: De nieuwe Isala klinieken, of kortweg
de Isala, aan de Dokter van Heesweg 2.
Het ziekenhuiscomplex werd op 17 oktober 2013
officieel geopend door koningin Maxima.
(Foto Elske Bootsma)
166 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Ziekenhuis De Weezenlanden omstreeks 1970. Linksvoor staat nog een laatste
restant van het oude ziekenhuis. (Particuliere collectie)
(Collectie ZHT)
ZHT4 2013.indd 2 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 167
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 166
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog
nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Frank Inklaar 168
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Steven ten Veen 170
Gemeenteraad debatteerde jarenlang
over bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed
ingerigt ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Steven ten Veen 179
De cardiologie te Zwolle Rob Enthoven 190
Van taakgericht naar modelmatig methodisch
handelen
De verpleging van de jaren tachtig tot heden
Frank Inklaar 198
De eerste kaakchirurg in Zwolle
Annèt Bootsma – van Hulten 206
Nucleaire Geneeskunde Anneke Engelage 212
‘Het is nu veel fijnzinniger allemaal’
Uroloog Tjard de Haan over het moderne
opereren Annèt Bootsma – van Hulten 217
Open, professioneel, met hart en ziel
Ethiek in het ziekenhuis Frank Inklaar 222
Mededelingen 228
Auteurs 230
Herinneringen …
Ouders achter glas
Het was in de eerste helft van 1954 dat ik in het Sophia Ziekenhuis
terecht kwam. Dat moet wel toen geweest zijn, want mijn grootouders
waren veertig jaar getrouwd en mijn oom was onder meer ter gelegenheid daarvan uit Australië gekomen. Dat was nogal wat dunkt me, als
echte katholiek met een huisarts als dokter Van Wiechen naar het Sophia Ziekenhuis.
Ik werd opgenomen vanwege aanhoudende middenoorontstekingen. Wat ik me er van herinner is dat ik heb getracht te ontsnappen. Ik
zie me nog zo het bed uitklimmen, ik dacht midden in de nacht. Ik vond
het eng, al die snoeren en dergelijke. Maar ik ben natuurlijk weer naar
bed gebracht. Mijn ouders mochten mij wel bezoeken maar alleen kijken
achter glas, vertelde mijn moeder mij later. Op een gegeven ogenblik
ontdekte ik mijn moeder en heb het op een enorm brullen gezet. Zo erg,
dat er toestemming werd gegeven aan mijn ouders om toch bij mijn
bed te komen. Mijn oom uit Australië wilde mij ook wel graag bezoeken, maar dat mocht niet omdat hij een oom was. Daarom gaf hij zich
uit voor mijn vader en toen mocht hij komen. Ik kan me nog vaag iets
herinneren van de ruimte waarin ik lag. Ik was toen drie en een half (ik
ben in 1950 geboren). Deze opname heeft overigens niets aan het licht
gebracht. Ik heb nog vaak problemen met mijn oren gehad. Maar het
geheel vond ik wel griezelig als kind.
Els Rademaker – Vos
Els Vos als driejarige
in 1954. De foto is
genomen op de veertigjarige bruiloft van
haar grootouders
Heins, die woonden
op Blijmarkt 12.
(Particuliere collectie)
ZHT4 2013.indd 3 10-12-13 13:33
168 zwols historisch tijdschrift
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog nooit
in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Deze vraag kwam in mij op toen ik stond te
wachten voor een stoplicht met uitzicht
op het nieuwe kleurrijke Isala ziekenhuis.
De redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift had
besloten een themanummer over de geschiedenis
van de Zwolse ziekenhuizen te maken en aan mij
de eer om een inleiding te schrijven. Met de vraag
bij het stoplicht kwam eigenlijk meteen de verantwoording voor de onderwerpskeus: ziekenhuizen
staan zo centraal in de samenleving dat vrijwel
iedereen er ooit wel eens mee te maken krijgt.
Alleen dat al rechtvaardigt dat je er aandacht aan
schenkt. En natuurlijk was er de actualiteit: op 17
oktober 2013 opende koningin Maxima het nieuwe
onderkomen van het Isala ziekenhuis aan de Dokter van Heesweg. Al eerder zorgden zulke mijlpalen
voor publicaties over de Zwolse ziekenhuizen. In
1984 verscheen het boek Wil ’t bezoek nu afscheid
nemen naar aanleiding van het 100-jarig bestaan
van het Sophia Ziekenhuis. In 1988 was de opening
van nieuwbouw aanleiding tot het maken van Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden.
Er is gigantisch veel veranderd in de wereld van
de ziekenhuizen. Om een idee te geven een kleine
vergelijking met de situatie rond 1900. Toen
waren er net twee echte ziekenhuizen in Zwolle
gekomen. Op de Bagijneweide stond sinds 1884
het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis. Gemiddeld
werden daar in 1900 32 mensen per dag verzorgd.
Het personeel bestond uit een arts, een directrice,
twee hoofdzusters en dertien verpleegsters. Begin
1902 betrok de katholieke ziekenhuiszorg twee
De helikopterlandplaats bij het Sophia Ziekenhuis, midden jaren tachtig. Het Sophia ontwikkelde zich in die jaren tot vooraanstaand
centrum op het gebied van neurochirurgie en neonatale zorg. De snelle aanvoer van patiënten op deze gebieden kan letterlijk van levensbelang zijn. Maar ook andere patiënten en organen voor transplantatie moeten regelmatig heel snel vervoerd worden. (Collectie HCO)
Frank Inklaar
ZHT4 2013.indd 4 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 169
aangepaste herenhuizen met nieuwbouw erachter
aan het Groot Wezenland. Er werden maximaal
45 patiënten verpleegd door een staf van veertien
nonnen.1 Ruim honderd jaar en een fusie later
zijn de Isala klinieken een topklinisch ziekenhuis.
Eind 2012 werkten er 5.577 personeelsleden
exclusief 341 medisch specialisten.2
Maar niet alleen de grootte of het aantal
medewerkers zijn veranderd. Rond 1900 was een
ziekenhuis er vooral om mensen te verplegen.
Mondjesmaat werden er operaties uitgevoerd
door de enkele arts die aan het ziekenhuis verbonden was. De eerste professionele chirurg
in Zwolle verscheen pas in 1890 ten tonele. In
1919 werden in het Sophia bijna 600 operaties
uitgevoerd waarvan driekwart door één arts,
dokter E.T. Spanjaard. Er waren nauwelijks
technische hulpmiddelen, de wetenschappelijke
kennis stond op een zeer laag pitje, specialisaties
bestonden niet of nauwelijks. Zet dat tegenover
het huidige ziekenhuis. Het jaarverslag over
2012 geeft een opsomming van de kernactiviteiten: algemene ziekenhuiszorg; toonaangevende
topklinische zorg; activiteiten op het gebied van
onderwijs, opleiding, innovatie en wetenschappelijk onderzoek; verpleegkundige opleidingen
en medische opleidingen (ondermeer 21 vervolgopleidingen tot medisch specialist). Ook uit
het lijstje met specialismen die per 2012 in het
ziekenhuis zijn gevestigd blijkt de enorme verandering: Anesthesiologie, Algemene heelkunde,
Cardiochirurgie, Cardiologie, Dermatologie,
Gynaecologie, Hematologie, Interne geneeskunde, Kaakchirurgie, Keel-, neus- en oorheelkunde, Kindergeneeskunde, Klinische chemie,
Klinische oncologie, Klinische pathologie,
Maag-, darm- en leverziekten, Medische microbiologie, Mondziekten, Neurologie, Neurochirurgie, Nierziekten, Nucleaire geneeskunde,
Oogheelkunde, Orthopedie, Plastische chirurgie, Pulmonologie, Psychiatrie, Radiodiagnostiek, Radiotherapie, Reumatologie, Revalidatie,
Thoraxchirurgie, Urologie, Vaatchirurgie, Verloskunde. En er is ook nog een categorie ‘overig’!
Bovendien is er binnen elk specialisme ook weer
sprake van vele subspecialismes. Verplegen is
nog altijd belangrijk getuige het aantal klinische
verpleegdagen van 208.157. Maar patiënten blijven niet meer zo lang in het ziekenhuis (gemiddeld ruim vier dagen) en het enorme aantal
polikliniekbezoeken spreekt boekdelen: 210.310
eerste bezoeken en 346.092 overig.3
Meer dan genoeg dus om er een heel dik boek
over te schrijven. Recentelijk is er wel een dunner boek geschreven, Wat is er gebeurd? Kroniek
van de Zwolse ziekenhuizen. Direct vroegen de
samenstellers van dit themanummer zich af of er
nog iets geschreven kon worden dat niet in dat
boek stond. Gelukkig waren er nog onderwerpen genoeg die niet uitvoerig in het boek waren
behandeld. Een paar van die onderwerpen staan
in dit tijdschrift, zoals de verpleging, ethische
dilemma’s in het ziekenhuis en de nieuwste operatietechnieken. Ook geven we aandacht aan
enige specialismen: de cardiologie, de nucleaire
geneeskunde en de kaakchirurgie. De artikelen
zijn grotendeels gemaakt op basis van interviews
met betrokkenen, of door ervaringsdeskundigen zelf geschreven. Deze allesbehalve complete
dwarsdoorsnede van de ziekenhuiswereld wordt
voorafgegaan door twee artikelen over de beginperiode van het Sophia Ziekenhuis en van De
Weezenlanden. En wat is een ziekenhuis zonder
patiënten en verpleegsters? Zij komen aan bod via
de inzendingen voor de schrijfwedstrijd waarin
we naar herinneringen aan de Zwolse ziekenhuizen hebben gevraagd. De oogst was zeer boeiend,
we zijn de dames Carla Johnson-Cairo, Ria Knolle
en Els Rademaker-Vos en de heren J.M.J. Alferink, Bert J. Davidson, Johan Rijfkogel en H. Timmerman zeer erkentelijk voor hun inzendingen.
Ze zijn in dit nummer steeds opgenomen onder
de kop: Herinneringen. En zo is er een palet ontstaan waarop alle geledingen van het ziekenhuis
een plaats hebben gekregen en waarin de lezer van
alles zal herkennen. Want zeg nu zelf, zou er een
Zwollenaar zijn die nog nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?
Noten
1. Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 494-495
2. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 23
3. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 20, 22-23
ZHT4 2013.indd 5 10-12-13 13:33
170 zwols historisch tijdschrift
Het bestuur van de Rooms Katholieke
Stichting Ziekenverpleging Zwolle
besloot in de jaren zestig om de naam
van het ziekenhuis te veranderen in De Weezenlanden. Voor veel Zwollenaren bleef het daarna
echter nog jarenlang het katholieke ziekenhuis,
ondanks alle inspanningen om het religieuze imago naar de achtergrond te dringen. Als in die tijd
in de Zwolse Courant over een verkeersongeval
werd gemeld dat het slachtoffer naar het katholieke ziekenhuis was gebracht, kon op de redactie
steevast op een telefoontje van de secretaresse
van de directie worden gerekend: ‘Het is niet het
katholieke ziekenhuis, het is het ziekenhuis De
Weezenlanden…’, werd er dan gezegd.
De keuze om de katholieke identiteit althans
voor de buitenwereld kwijt te raken, had niets
te maken met afstand nemen van het verleden,
waarin de zusters ‘Onder de Bogen’ vanaf de
stichting van het ziekenhuis in 1896 zieken uit
Zwolle en omgeving liefdevol verpleegden. De
ontzuiling in ons land en het beleid van bestuur
en directie om een ziekenhuis voor mensen van
alle gezindten te zijn, had van het katholieke
ziekenhuis in feite een algemeen ziekenhuis
gemaakt. Nonnen waren er nog altijd te vinden,
maar hun aantal daalde gestaag. In 1961 waren
het er 58, tien jaar later nog slechts 27. Bovendien waren de religieuzen steeds minder zichtbaar aanwezig, omdat de kledingvoorschriften
van de congregatie soepeler werden. In 1939
was de oude, ronde en gesloten kap al vervangen
door een open model, in 1953 werd het habijt
gemoderniseerd, in 1959 werd het stijve bavet
vervangen door een wit boordje en het zwarte
lint, dat het kruisje droeg, door een zilveren
kettinkje. Eind 1965 maakte de kap plaats voor
een sluier en vanaf 1967 was het de zusters toegestaan zelf hun kleding te kiezen. De meeste
nonnen die nog in het ziekenhuis werkten, lieten
toen sluier en uniform achterwege. Op 5 oktober 1990, op de dag af 94 jaar nadat ze naar de
Overijsselse hoofdstad waren gekomen, werd de
Zwolse gemeenschap van de Zusters van Onder
de Bogen officieel opgeheven. Bij die gelegenheid
reikte burgemeester Loek Hermans de erepenning van de stad Zwolle uit aan de tien overgebleven religieuzen, waarvan er twee, zr. Anacleta
en zr. Gerda Bosch, nog in actieve dienst waren.
Bosch, die in 1994 afscheid nam, was de allerlaatste Bogenzuster die in het ziekenhuis De
Weezenlanden heeft gewerkt.
Twee bogen
De congregatie werd in 1837 in Maastricht opgericht door Maria Elisabeth Gruyters, een zeer
gelovige en vrome vrouw. Paus Pius IX wees de
heilige Carolus Borromeus, die leefde van 1538
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Afscheid van zuster
Gerda Bosch in 1994.
Links patiënt-assistent
Hans Mulder, rechts
cardioloog Bloemers.
(Foto Frans Paalman)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 6 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 171
tot 1584 en aartsbisschop van Milaan was, aan als
patroon van de congregatie. Acht jaar na de stichting nam de nieuwe kloostergemeenschap haar
intrek in de Proosdij van de Sint-Servaas Kerk,
die met twee bogen met de kerk was verbonden.
Het klooster kreeg daardoor de naam ‘Onder
de Bogen’. Aanvankelijk hielden de zusters zich
bezig met het geven van les aan arme kinderen en
het verzorgen van weeskinderen, maar vanaf 1843
kwam het accent te liggen op het verplegen van
behoeftige zieken.
Dat de Bogenzusters in 1896 naar Zwolle
kwamen, was te danken aan Judith Helmich,
dochter van een van de eigenaren van de ijzergieterij Schaepman en Helmich. In het begin
van de jaren negentig van de negentiende eeuw
was zij ingetreden in de congregatie, waar zij de
naam Margaretha had aangenomen. Toen haar
ouders stierven, erfde zij hun huis aan de Melkmarkt, het zogeheten Drostenhuis op nummer
41 waarin tegenwoordig het Stedelijk Museum
Zwolle is gevestigd. Zr. Margaretha schonk het
kapitale pand aan de congregatie met het verzoek
om er een inrichting voor ziekenverpleging van
te maken. Resultaat daarvan was, dat op 2 oktober 1896 moeder Lamberta en zuster Theresia,
gewapend met Gods vertrouwen, naar Zwolle
kwamen om vanuit huize Helmich zieken te gaan
verplegen.
Twee weken later, op 15 oktober, kwam de
generale overste van het klooster, moeder Maria,
hoogst persoonlijk nog vier zusters brengen. Zij
had ook een beurs met 130 gulden meegenomen, waarmee de volgende dag inkopen werden
gedaan: een fornuis, katoen voor gordijnen,
emmers, stokken, dweilen en niet te vergeten een
beeld van Sint Jozef, dat een ereplaats kreeg in het
pand en voor bescherming moest zorgen. Voor
het noodzakelijke opknappen van het huis, dat
een paar jaar niet bewoond was geweest, bleef er
toen nog tachtig gulden over. Een beurtschipper bracht enkele weken later vanuit Den Haag,
waar de Bogenzusters al in 1890 met hun werk
waren begonnen, huisraad mee dat daar overtollig
was. Plus een rekening van zestien gulden voor
de vrachtkosten, waardoor de beurs steeds leger
werd.
Kerk was vol
Op veel medewerking konden de Bogenzusters
aanvankelijk niet rekenen. De pastoor van de
Onze Lieve Vrouwekerk stelde zich zelfs vijandig
op toen hem gevraagd werd een paar plaatsen in
de kerk voor de zusters te reserveren. ‘Mijn kerk
is vol. Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?
Wie heeft u hier geroepen?’ Slechts af en toe werd
de hulp van de zusters ingeroepen en ontvingen
ze een kleine vergoeding. Niemand was echter
bereid om voor een dag en nacht verpleging 1,50
gulden te betalen. Een mandje eieren, daar moesten ze het mee doen. Dat de Bogenzusters min of
meer werden genegeerd, had niets te maken met
de godsdienstige identiteit van Zwolle. De hervormden waren weliswaar ver in de meerderheid,
maar zo’n kwart van de bevolking was katholiek.
Voor katholiek Zwolle en dan in het bijzonder de
zogenaamde behoeftigen bestond er sinds 1844
echter al een mogelijkheid om bij ziekte verpleegd
te worden. Daarvoor zorgden de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid uit Tilburg.
Gasthuisplein
De ziekenverpleging van deze Zusters van Liefde
ging in 1844 van start. Het Rooms-Katholiek
Armbestuur, dat sinds ongeveer 1825 al een zieken- en passantenhuis in gebruik had in het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat, droeg toen de zorg
voor de (arme) zieke medemens aan de zusters
over. Hun eerste behuizing aan de Rozemarijnstraat werd al snel te klein. In 1846 kon dankzij
een schenking de branderij-brouwerij van de
gebroeders Visscher op het adres Gasthuisplein
10 worden gekocht. Vanaf deze plek breidde het
‘gesticht’ zich steeds verder uit door aankoop van
panden, die vaak werden gesloopt om ruimte
voor nieuwbouw te maken. Financieel werd dit
de zusters mogelijk gemaakt door schenkingen
van particulieren, zoals bijvoorbeeld een bedrag
van liefst 20.000 gulden van de weduwe K.L.A.
van der Horst. Zij voegde daar wel de voorwaarde
aan toe, dat in het Liefdegesticht steeds één kamer
disponibel gesteld moest worden voor de vergadering van de damesvereniging ten behoeve der
arme kerken. Bijna anderhalve eeuw lang zouden
ZHT4 2013.indd 7 10-12-13 13:33
172 zwols historisch tijdschrift
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein hun
domicilie hebben. In 1987 werd het klooster afgebroken om plaats te maken voor onder andere een
bioscoop.
Het Liefdegesticht, zoals het ziekenhuis op het
Gasthuisplein werd genoemd, had een bijzonder
goede naam in Zwolle. In feite was het de enige
ziekeninrichting in de stad die goed functioneerde. Daar kwam het stadsbestuur in 1866 ook achter, toen ons land en ook Zwolle werd getroffen
door een cholera-epidemie. Over de behandeling
en verzorging in het zogenoemde Passantenhuis
van de gemeente kwamen zoveel klachten binnen,
dat burgemeester mr. J.A.G. baron de Vos van
Steenwijk aan moeder-overste Stanislaus vroeg
of haar zusters ook de verpleging van de zieken in
het Passantenhuis van de gemeente zouden willen
doen. Anderhalve maand lang hebben de Liefdezusters zich met hart en ziel van deze taak gekweten. ‘De lijders waren zeer voldaan en het publiek
was hiermede zeer ingenomen’. Als dank kreeg
Moeder Stanislaus van het stadsbestuur een zwart
kruis met zilveren corpus. Ook koning Willem III
toonde zijn waardering. Hij stuurde een medaille
met inscriptie naar de zusters begeleid door een
brief van de minister van Binnenlandse Zaken.
‘Die medaille strekt ten blijke van ’s Konings
goedkeuring voor daden van onverpligte menschlievendheid en zelfopoffering.’
Operatie
In 1888, vier jaar na de opening van het
gemeentelijk Sophia Ziekenhuis, werd het
ziekenhuis op het Gasthuisplein uitgebreid
met nieuwe ziekenzalen en een operatiekamer,
waar dr. N.H. Frank in 1891 voor het eerst
een geslaagde blindedarmoperatie deed op
een vrouw. Deze ingreep maakte diepe indruk
op de Zwollenaren en zorgde er voor dat het
ziekenhuis van de zusters van Liefde steeds
populairder werd. De roem strekte zich tot ver
buiten Zwolle uit. De eerste patiënt die na de
nieuwbouw in 1888 werd opgenomen, was bijvoorbeeld de burgemeester van Borne, de heer
Van Bönninghausen. In 1895 brachten de jonge
koningin Wilhelmina en koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle, waarbij ook het
gesticht op het Gasthuisplein op het programma stond. Voor de ingang was een prachtige
baldakijn aangebracht met gordijnen van rood
fluweel en de hele vestibule was gedrapeerd en
met bloemen versierd. Bij het vertrek van de
twee vorstinnen wachtte Moeder Stanislaus een
grote verrassing. Zij kreeg te horen dat zij Ridder in de Orde van Oranje Nassau was geworMoeder Stanislaus
Wilhelmina Agnes Gerardina Henrica van Sonsbeeck werd op 25 juni
1818 op Huize de Gunne bij Heino geboren en trad op 22-jarige leeftijd
in bij de congregatie van Tilburg, waar zij de naam Stanislaus aannam.
In 1844 werd zij samen met zr. Guillianie Aukens naar Zwolle gestuurd
om er voor zieken te zorgen en de kinderen uit arme katholieke gezinnen
onderwijs te geven. Moeder Stanislaus, zij werd al snel moeder-overste van
het gesticht in Zwolle, zou 46 jaar lang in de Overijsselse hoofdstad blijven.
In 1895 werd Moeder Stanislaus koninklijk onderscheiden. Zij was de eerste vrouw in Nederland die Ridder in de Orde van Oranje-Nassau werd.
In 1900 vertrok zij vanwege haar gevorderde leeftijd naar het Moederhuis
in Tilburg, waar zij op 2 maart 1904 overleed. Volgens de overlevering viel
op die dag in de sacristie van het klooster in Zwolle het kruisbeeld uit de
nis, terwijl de rector zijn dankzegging deed na de Heilige Mis. En ’s avonds
om zes uur, het moment waarop Moeder Stanislaus haar laatste adem
uitblies, stond de klok in de gang stil. Dat was te meer opvallend, omdat
moeder overste de klokken van het huis altijd naar die klok geregeld wilde
hebben. Toen de klok werd
aangestoten, liep ze weer
gewoon door…
Rond 1990 werd deze
Zuster van Liefde geëerd met
een straatnaam in de Zwolse
wijk Schellerhoek: Moeder
Stanislausstraat. En in oktober
2013 is een nieuw geopend
zorghuis voor dementerende
ouderen aan de Bagijneweide
naar haar vernoemd: Wilhelmina van Sonsbeeckhuis.
Moeder Stanislaus met
koninklijke onderscheiding.
Foto van haar bidprentje.
(Archief Zusters van Liefde)
ZHT4 2013.indd 8 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 173
den, waarmee zij de eerste vrouw in ons land
was die deze hoge onderscheiding ontving.
De patiëntendruk op het ziekenhuis van de
zusters van Liefde was inmiddels zo groot, dat
besloten werd om voortaan alleen nog maar
katholieken van Zwolle op te nemen. Dit beleid
leverde echter oplopende tekorten op, omdat het
Armbestuur van de parochies voor de verpleging
van arme zieken slechts 35 cent per dag betaalde.
Bij de zusters groeide de vrees dat uiteindelijk
alle zieken naar het in 1884 geopende Sophia Ziekenhuis zouden worden verwezen, maar door de
komst in 1896 van de zusters van Onder de Bogen
zou het heel anders gaan lopen. Terwijl steeds
meer Liefdezusters voor de missie naar de Oost
vertrokken, verplaatste de zorg voor de zieken
zich meer naar huize Helmich op de Melkmarkt.
En toen in 1902 een geheel nieuw rooms-katholiek ziekenhuis van de Bogenzusters in gebruik
werd genomen, hield het ziekenhuis van de LiefAankondiging van
de verhuizing van de
katholieke ziekenverpleging in de Zwolse
Courant van 18 februari 1902.
Het bestuur van het katholieke ziekenhuis bereidde zich al
in een vroegtijdig stadium voor op de gevolgen die een oorlog
voor de instelling zou kunnen hebben. Op 3 april 1939 werd
besloten om op de zolder zandzakken te plaatsen, om in geval
van luchtaanvallen met brandbommen snel in actie te kunnen
komen. Ook werden in het gebouw zwarte verduisteringslampen aangebracht en kregen de zusters ‘draagbare zaklantaarns
met blauw licht’.
Gelukkig is er tijdens de Tweede Wereldoorlog geen bom
op het ziekenhuiscomplex terecht gekomen, maar ongemerkt
gingen de bezettingsjaren allerminst voorbij. Omdat ‘horen,
zien en zwijgen’ voor de zusters het parool was en de medische
dienst van de Wehrmacht in het Sophia Ziekenhuis geconcentreerd was, werd het katholieke ziekenhuis een goede plek om
onderduikers onder te brengen en voor het verzet om er een
geheime zender te installeren. Ongelukkigerwijs werd deze
zender, die verbonden was met het geallieerde hoofdkwartier
in Eindhoven, op 8 februari 1945 door de Duitsers gelokaliseerd. Om half elf die ochtend werd het ziekenhuis omsingeld
en gingen enkele officieren met getrokken pistool naar binnen.
Jan van Tongeren, die toen portier was, vertelde er later het
volgende over. ‘De Duitsers sloegen met de kolf van het geweer
de deur in en liepen rechtstreeks door naar de Josephzolder,
waar de kamertjes van de verpleegsters waren. Daar zat de
Zwolse verzetsgroep met de geheime zender. Doordat ze eerst
de verkeerde deur namen, kon de man die er zat ontsnappen
en in het klooster verdwijnen. Maar Beernink, die naar buiten
liep, werd op het voorterrein neergeschoten. Intussen hadden
de zusters alle mannen op zaal 5 die onderduikers waren bliksemsnel in bed gestopt en van spalken en verband voorzien,
zodat het leek of ze flink ziek waren. De kok, ook een onderduiker, was op de vlucht geslagen en aangeschoten. De Duitsers
volgden zijn bloedspoor en vonden hem in de aardappelschuur
onder het hooi. Hij werd in de polikliniek gebracht en toen hij
stierf lagen de Duitsers met het oor aan zijn lippen in de hoop
dat hij ijlend namen zou loslaten.’
De dood van Henk Beernink, voorman van de verzetsgroep
De Groene, was een zware klap voor de Zwolse illegaliteit.
Moeder-overste Praxedis, die in 1952 het Kruis van Verdienste
kreeg voor haar verdiensten voor de illegaliteit, werd samen
met haar medezusters door de Duitsers verhoord. Zij wisten
aannemelijk te maken dat zij niet op de hoogte waren geweest
van de verzetsactiviteiten in het huis. ‘Horen, zien en zwijgen…’
‘Horen, zien en zwijgen’ in het katholieke ziekenhuis
ZHT4 2013.indd 9 10-12-13 13:33
174 zwols historisch tijdschrift
dezusters definitief op te bestaan. Hun activiteiten
in Zwolle zouden voortaan geheel bestaan uit het
aanbieden van onderwijs.
Kruisbeeld
De echte verpleging van zieken in huize Helmich
was in september 1897 van start gegaan, maar
het pand aan de Melkmarkt was in feite voor dit
doel totaal ongeschikt. Zo waren er bijvoorbeeld
slechts twee waterkraantjes aanwezig. De Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging, die
inmiddels de zakelijke bedrijfsvoering van de
zusters had overgenomen en dankzij een aantal
forse schenkingen waaronder een bedrag van
30.000 gulden over de nodige financiële middelen beschikte, maakte daarom al snel plannen
voor de oprichting van een nieuw ziekenhuis.
Aan het Groot Wezenland hoek Blekerstraat
werden twee panden aangekocht, voor 21.000
gulden het herenhuis van de heer Godschalk en
voor 19.000 gulden de houtwerf van de firma
Eindhoven en Zn. Het pand aan de Melkmarkt
werd voor 15.000 gulden verkocht aan de posterijen. Met het kruisbeeld in haar armen en
zestien zusters in haar kielzog betrad Moeder
Lamberta op 22 april 1902 het nieuwe ziekenhuis
aan het Groot Wezenland, dat 45 bedden telde
en 135.000 gulden had gekost. Het herenhuis
van Godschalk werd gebruikt voor de eerste
en tweede klasse patiënten, de nieuwbouw was
bestemd voor de derde klasse patiënten.
Het katholieke ziekenhuis mocht zich in
Zwolle en omgeving in een uitstekende naam
verheugen. De goede huisvesting en de prettige
inrichting hadden daar zeker mee te maken,
maar bepalend daarvoor was de liefdevolle
manier waarop de zieken door de zusters werden verpleegd. Bij ernstig zieken waakten en
baden ze. Weinig mensen gingen in de tijd dat
de Bogenzusters het beeld van het ziekenhuis
bepaalden in eenzaamheid dood, er zat bijna
altijd een non aan het bed van de stervende. Een
arts omschreef het werk van de zusters eens op
de volgende manier: ‘Hun roeping tilde hun toewijding boven het gewone menselijke uit. Hun
medemenselijkheid met de patiënt was vaak om
jaloers op te worden.’
Remonstrant Jan Dhont was eerste medisch-directeur
van het katholieke ziekenhuis
Het personeel van het katholieke ziekenhuis was lange tijd in overgrote
meerderheid katholiek. Daarom werden rond twaalf uur op de administratie de luikjes gesloten om de medewerkers de gelegenheid te bieden op
de knieën te gaan omdat vanuit de Paterskerk het ‘Engel des Heren’ werd
geluid. Met Goede Vrijdag ging het voltallig personeel naar de Kruiswegviering. De meeste leden van de medische staf waren echter niet katholiek.
Dat gold ook voor de eerste medisch directeur die het katholieke ziekenhuis kende, dokter Jan Dhont. De in 1909 geboren zoon van een huisarts
uit Meppel was remonstrant. Toen hij in 1957 tot medisch directeur werd
benoemd, waren vijftien van de zeventien leden van de medische staf niet
katholiek. Dhont was een bescheiden en bijzonder innemend persoon, die
binnen de gemeenschap van het ziekenhuis op grote sympathie kon rekenen. Begaafd en belezen als hij was, ging zijn belangstelling uit naar de letteren. Dichters als Victor van Vriesland en J.C. Bloem behoorden tot zijn
vriendenkring. Zelf maakte Dhont ook gedichten, waarvan een selectie in
1988 door Waanders in boekvorm is uitgegeven:
‘Ik ben tot aan de grens gegaan
Van wat de woorden dragen en ben niet verstaan
Het ging ermee als met mijn hele leven;
Men heeft het vreemd gevonden en is doorgegaan.’
Dhont, die ongehuwd bleef, leed aan de slopende oogziekte glaucoom, die
hem uiteindelijk blind maakte. Nadat hij in 1973 met vervroegd pensioen
was gegaan, werd hij nog jarenlang verzorgd door zusters van ‘Onder de
Bogen’. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in verzorgingshuis
De Nieuwe Haven, waar hij op 1 februari 1984 overleed.
Jan Dhont, in het midden met donker pak, tijdens de bevrijding in april
1945. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 10 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 175
Dagorde
Gemakkelijk was het leven van de religieuzen
bepaald niet. De dagorde zag er bijvoorbeeld als
volgt uit: 5.30 uur opstaan; 5.50 uur lauden in
koor; 6.00 uur meditatie; 6.30 uur Heilige Mis;
6.55 uur reflectie Prime-Terts; 7.05 uur ontbijt;
12.50 uur gewetensonderzoek; 14.30 uur rozenhoedje; 14.45 uur vespers in koor; 19.00 uur
completen in koor; 21.30 uur lichten uit… Op de
afdelingen werd door de zusters met patiënten het
avondgebed gebeden en met veel ceremonie werd
de communie door het ziekenhuis rondgebracht.
De zusters, het zijn ook maar mensen, konden
soms ook wel nukkig, chagrijnig of soms zelfs
bijna onbetamelijk uit de hoek komen. Daarbij
waren sommigen heel erg streng.*
Met de groei van de patiëntenstroom als gevolg
van de toenemende mogelijkheden om mensen
beter te maken en de dalende instroom van novicen in de kloosters deden steeds meer lekenzusters
hun intrede in het katholieke ziekenhuis. De eerste
twee kwamen in 1928, toen hard gewerkt werd
aan uitbreiding van het ziekenhuis. Om leerlingverpleegster te worden, hadden ze een inleggeld
De rooms-katholieke
ziekenverpleging
omstreeks 1920. (Particuliere collectie)
De hal van het oude
katholieke ziekenhuis.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 11 10-12-13 13:33
176 zwols historisch tijdschrift
van 150 gulden moeten betalen. Salaris kregen ze
niet, het verplegen werd als liefdewerk, als roeping
beschouwd. Pas in 1931 kregen de lekenzusters
loon: 50 gulden per jaar voor de eerstejaars, 100
gulden per jaar voor de tweedejaars en 200 gulden
per jaar voor de derdejaars. Plus vrije kost, inwoning en bewassing. Uiteraard moesten de meisjes
uit katholieke gezinnen afkomstig zijn.
Nieuwbouw
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond al snel
behoefte aan uitbreiding. Panden en terreinen
in de omgeving van het ziekenhuis werden aangekocht, waaronder in 1954 het complex van de
azijnfabriek van Heerkens, Schaepman en Co’s.
Het leverde uiteindelijk een compleet nieuw
ziekenhuis op, waardoor de Blekerstraat uit het
stratenregister van Zwolle kon worden geschrapt.
Precies vijftig jaar geleden, op 5 december 1963,
sloeg J.H.J.M. ten Doeschate, die van 1946 tot
1978 voorzitter van de Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging Zwolle was, de eerste paal
en op 1 oktober 1967 werd het nieuwe ziekenhuis
in gebruik genomen. Dat betrof fase I, want in de
Mooie overzichtsfoto uit 1933 van alle gebouwen waaruit het katholieke ziekenhuis bestond, gelegen tussen het Groot Wezenland en
de Blekerstraat. (Uit: Oud Zwolle vanuit de lucht)
ZHT4 2013.indd 12 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 177
jaren daarna zouden er nog vier volgen voor het
nieuwe ziekenhuis De Weezenlanden, inclusief
verpleeghuis, compleet was.
Toen begin jaren zestig het oude ziekenhuis
met z’n lange donkere gangen en granieten
vloeren werd afgebroken, raakten de lekenzusters langzaam maar zeker in de meerderheid.
De functie van verplegingsdirectrice bleef tot
1973 in handen van een religieuze. De laatste
was zr. Berthilie, die bij haar afscheid zei: ‘Door
gelovig te zijn vind je steeds weer kracht, die je
bij dit belangrijke werk nodig hebt. Omdat je
leven bepaald is door God hoef je geen zwevend
of onzeker gevoel te hebben.’ Op verschillende
plekken in het ziekenhuis bleven daarna nog
Bogenzusters aan het werk. Zoals bijvoorbeeld
zr. Renée, die van de couveusekamer naar het
mortuarium was verhuisd. ‘De overleden mensen die hier worden gebracht, blijven voor mij
patiënten. Iemand die van buiten het ziekenhuis
wordt gebracht, noem ik een logé’, vertelde ze
aan de redacteur van het personeelsblad.
In een tijd waarin de meeste ziekenhuizen een
medicus als directeur hadden, durfde het bestuur
van het rooms-katholieke ziekenhuis in Zwolle
het aan om een man die afkomstig was uit de
horeca en het hotelwezen met de leiding van het
ziekenhuis te belasten. Directeur mocht A.J.J.
Craghs zich in 1947 nog niet noemen, administrateur-econoom stond achter zijn naam. Maar
feitelijk was hij direct al de hoogste man in de
organisatie en in 1951 werd dat bekrachtigd door
zijn benoeming tot algemeen directeur. Spijt van
die beslissing hebben ze bij het rooms-katholieke
ziekenhuis nooit gehad. Toen Craghs in 1976 met
pensioen ging, werd hij niet ten onrechte de ‘pater
familias’ van De Weezenlanden genoemd.
Craghs werd op 5 september 1911 in Roermond geboren als zoon van een bakker. Na drie
jaar HBS ging hij als leerling-kelner werken in
hotel De Keizerskroon in Apeldoorn, tegen een
vergoeding van vier gulden per week plus kost en
inwoning. Vervolgens werd hij commis de rang in
Hotel De Wittebrug in Den Haag, waar hij cocktails voor prins Hendrik heeft gemixt. In 1932
keerde hij terug naar De Keizerskroon, maar nu
als chef van het hotel. Omdat hij meer van de
wereld wilde zien, trok Craghs naar Londen en
Parijs en, leergierig als hij was, ging hij in Leuven
stiekem colleges sociale economie en psychologie
lopen. Na dit korte avontuurlijke bestaan werkte
hij in verschillende rangen in de hotels Terminus
in Utrecht, de l’Europe in Amsterdam en Huis
ter Duin in Noordwijk, om in 1939 in Zwolle aan
de slag te gaan als de baas van de stationsrestauratie.
De overstap van Craghs van de stationsrestauratie naar het rooms-katholieke ziekenhuis
was zoals gezegd tegen de trend in en veel medici
in het ziekenhuis hadden er aanvankelijk dan
ook moeite mee. Maar de scepsis maakte al snel
plaats voor waardering, niet alleen dankzij het
respect dat Craghs voor het werk van de heren
doktoren toonde, maar ook door de manier
waarop hij opkwam voor hun belangen. Bovendien stond hij open voor alle nieuwe ontwikkelingen in de medische sector en was hij bereid om
innovatieve initiatieven te ondersteunen.
Het hart van Craghs, die een diepe religieuze
inslag had en soms urenlang met moeder-overste
Elisabetha over allerlei zaken sprak, lag echter bij
de patiëntenzorg. Zelf zei hij daar later over: ‘De
mensen moeten zich in het ziekenhuis thuis voelen. Daarom moet een sfeer worden geschapen,
waarin goede verpleging en een voorspoedige
genezing mogelijk zijn. Dat moet al beginnen bij
de portier. Daar moet de menselijke benadering
al heel duidelijk aanwezig zijn. Hoe snel voel je je
niet verlaten als je een groot bedrijf binnen komt.
Je krijgt dan het idee een nummer te zijn. Dat heb
ik altijd vreselijk gevonden.’
Craghs overleed op 7 augustus 1977, nog geen
jaar nadat hij afscheid van ‘zijn’ Weezenlanden
had genomen.
Craghs, de ‘pater familias’ van De Weezenlanden
ZHT4 2013.indd 13 10-12-13 13:33
178 zwols historisch tijdschrift
Beeld
De Zwolse gemeenschap van de Liefdezusters van
de Heilige Carolus Borromeus werd in 1993, toen
ze nog tien leden telde waarvan de meesten al ver
over de zeventig en de oudste zelfs negentig jaar
waren, officieel opgeheven. Op 29 april 1994 onthulde zr. Ignace van Heyningen, provinciaal overste van de congregatie, een beeld gemaakt door
Pépé Grégoire, dat de herinnering aan de Bogenzusters levend moest houden. Medisch-directeur
dr. A.G.P. Cremers zei bij die gelegenheid: ‘Wij
hebben als Weezenlanden iemand die niet alleen
de moeite waard is, maar iemand die beslist niet
vergeten mag worden, omdat haar naam in het
steen van dit ziekenhuis is gegrift, omdat de organisatie die de patiëntenzorg hier behartigt naar
mijn overtuiging nog steeds haar geest ademt: de
religieuzen van Onder de Bogen’. Het beeld is dit
jaar met alle artsen, verpleegkundigen en andere
medewerkers van De Weezenlanden verhuisd
naar het nieuwe Isala ziekenhuis. Het zou een
goede gedachte zijn om straks wanneer het ziekenhuis van de Rooms Katholieke Stichting Ziekenverpleging Zwolle is afgebroken en er woningen voor in de plaats zijn gekomen, het beeld
weer terug te halen naar de plaats waar de zusters
Onder de Bogen meer dan negentig jaar lang hun
liefdevolle werk hebben verricht.
* Niet zozeer de patiënten van het ziekenhuis, maar
de leerlingen van de scholen die onder het bewind
van het klooster op het Gasthuisplein vielen, kregen
daar mee te maken. ‘Zusters van Liefde, krengen
van Barmhartigheid’ is een gezegde dat velen van
hen bekend in de oren zal klinken.
Literatuur en bronnen
– F. van Reijendam-van Barneveld en M.P. Pul, Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden. Zwolle, 1988
– Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, deel II,
Tijl Zwolle, 1961
– Personeelsbladen ziekenhuis De Weezenlanden.
De onthulling van het
monument voor de
Zusters onder de Bogen
in 1994, gemaakt door
de kunstenaar Pépé
Grégoire. Zittend op
de voorste rij de laatste
zusters van de congregatie. Het beeld stond
jarenlang bij de hoofdingang van het ziekenhuis aan het Groot
Wezenland. Het staat
nu een beetje verloren
aan de Ceintuurbaankant van het nieuwe
ziekenhuis. (Foto Frans
Paalman)
ZHT4 2013.indd 14 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 179
Gemeenteraad debatteerde jarenlang over
bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt
ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Toen de gemeenteraad van Zwolle op
5 juli 1880 met elf stemmen voor en zes
tegen besloot tot de oprichting van een
ziekenhuis, stelde de medische zorg in de ruim
23.000 zielen tellende hoofdstad van Overijssel
weinig voor. Er was een zogeheten Passantenhuis
in de oude militaire ruiterstallen op het Noordereiland, dat werd gebruikt voor mensen die een
besmettelijke ziekte hadden opgelopen.*
Het armbestuur van de Nederlands Hervormde
Gemeente beschikte over een verpleeginrichting
in de Nieuwstraat, in de volksmond bekend als
‘De Infirmerie’, die in alle opzichten ernstig tekort
schoot. Alleen het gesticht van de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid op het Gasthuisplein was de naam van
ziekenhuis waardig, maar deze inrichting was in
de eerste plaats voor katholieken bestemd. ‘Aan
een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt ziekenhuis te Zwolle bestaat werkelijk behoefte. Om er
niet van te spreken hoezeer het te bejammeren is,
dat de gelegenheid tot ziekenverpleging te Zwolle
zoo treurig afsteekt bij de gelegenheden, die daarvoor worden gevonden te Deventer en te Kampen, welke toch nog niet eens als modellen van
ziekenhuizen mogen worden beschouwd’, had
Lubach, de geneeskundig inspecteur voor Overijssel en Drenthe, voorafgaande aan de vergadering van 5 juli aan de gemeenteraad geschreven.
Schaepman
Bezien door de ogen van iemand die anno 2013
een bezoek heeft gebracht aan de gloednieuwe
Isala klinieken, schept de naam ziekenhuis overigens grote verwarring. De stand van de medische
wetenschap was in 1880 nog zo beperkt, dat tegen
de meeste kwalen geen kruid gewassen was. In
1846 was in Massachusetts weliswaar voor de
eerste keer een operatie uitgevoerd waarbij een
patiënt met behulp van ether onder verdoving
was gebracht, maar in Zwolle deed de chirurgijn
nog altijd zijn werk zoals dat in de eeuwen daarvoor ook gedaan was. J.J. Kisch heette de brave
man, wiens patiënten helse pijnen moeten hebben
geleden want narcose of verdovende middelen
waren volgens hem uit den boze. Zijn rol zou overigens spoedig tot het verleden behoren want er
waren grote veranderingen op komst. De bekende
Zwolse genees- en heelkundige dr. Th.A. Schaepman (1834-1908) gaf er in 1880 een ongewilde
demonstratie van, die in de stad wekenlang hét
onderwerp van gesprek was. Zijn dochter werd
ernstig ziek en Schaepman besefte dat alleen een
chirurgische ingreep haar leven kon redden. Dus
legde hij haar in zijn huis annex praktijk aan de
Badhuiswal op een tafel, zette haar een kap op,
bracht haar onder narcose en zette het lancet er in.
Thom. de Vries, die van 1964 tot zijn dood in 1975
gemeentearchivaris van Zwolle was, noemde het
in zijn Geschiedenis van Zwolle een weergaloos
huzarenstukje, want in Zwolle was de narcose nog
Het Sophia Ziekenhuis
kort na de bouw.
(Collectie HCO)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 15 10-12-13 13:33
met een krachtig nee beantwoord. ‘Zwolle munt
uit door prachtige scholen, halve paleizen, eene
ruime nieuw gebouwde manege, alles zonder twijfel onbegrijpelijk nuttig, maar… een behoorlijk
ziekenhuis, waar is dat te vinden? Voor ziekte en
ellende van den vreemdeling zorgt in Nederland
het Roode Kruis, voor ondersteuning van den
vreemdeling als gevangene zorgt het Blaauwe
Kruis. Is er dan iets billijks in, dat de gemeente
zorge voor een goed ingerigt ziekenhuis ten
behoeve van den zieken, hulpbehoevende stadgenoot van allerlei klassen, zoowel voor den gegoeden burger als voor den arme?’
Over het Passantenhuis hadden de stedelijke
genees- en heelkundigen weinig goeds te melden. ‘De handwerksman die grof geld verdient,
de fatsoenlijke burger die op eigen kosten ligt en
behandeld wordt, heeft een afkeer van die inrigting, die men hem al spoedig vertelde vroeger een
stal te zijn geweest, waarin ook de syphilitische
vrouwen werden verpleegd. Ook de reiziger die
door eene epidemische ziekte wordt aangetast,
hij moet zijn hotel verlaten, is nu dat ziekenhuis
behoorlijk voor hem ingerigt? Neen. Hij behoort
in een behoorlijk ingerigt ziekenhuis opgenomen
te worden, in een stedelijk gasthuis op eenvoudige
min kostbare wijze daargesteld, zonder Jonisch
of Romeinse kolommen en kapiteelen van arduin
of Bentheimersteen, alleen volledig beantwoordende aan de eischen van de ziekenhuizen van
den laatsten tijd.’
Einde discussie
Zwolle had in 1871 bijna 22.000 inwoners en verwachtte een opbloei mede dankzij de komst van
de Centrale Werkplaats der Staatsspoorwegen,
die in de volksmond de constructiewinkel werd
genoemd. Het bedrijf was in 1870 geopend en
het aantal werknemers zou in de richting van de
duizend gaan, waarvan velen met hun gezinnen
in de nieuwe stadswijk Assendorp gingen wonen.
Alle redenen dus, zo zou men denken, om positief
te reageren op de oproep van de stedelijke medici.
De politiek reageerde echter helemaal niet zo
enthousiast, zoals bleek tijdens de raadsvergadering van 18 augustus 1871. De heer Van Kerckhoff deed een poging om naar aanleiding van de
nooit toegepast: ‘Dr. Schaepman redde zijn dochter en als een lopend vuurtje ging het nieuws door
de stad: narcose is mogelijk, men kan gered worden! Tot dan toe waren de ziekenhuizen sterfhuizen geweest, waarin de arme patiënten gebracht
werden wanneer ze onmogelijk meer thuis konden worden verpleegd. Nu zou de gemeenteraad
wat beters maken.’
Brief
De opzienbarende actie van Schaepman vond
waarschijnlijk plaats nadat de raad al een besluit
over de oprichting van een gemeentelijk ziekenhuis had genomen. In de vele debatten die aan
deze zaak werden gewijd, is er namelijk nooit over
gesproken. Schaepman was wel een van degenen
die het ziekenhuis op de agenda van de stedelijke
politiek had geplaatst. Samen met zijn collega’s
dr. J. Moll jr., dr. S.P. Kros, dr. J.T. Meinesz, J.J.
Kisch en S.S. van Raalte stuurde hij op 28 januari
1871 een brief naar de gemeenteraad, waarin de
oprichting van een ziekenhuis werd bepleit. Niet
voor de eerste keer overigens, want al vaker hadden de stedelijke genees- en heelkundigen gewezen op het ontbreken van een ‘goed ingerigte,
doelmatige en regt eenvoudige ziekenverpleging
of gasthuis.’
De directe noodzaak daartoe vormden de
uitbraken van besmettelijke ziekten als pokken en
tyfus, waardoor ons land geregeld geteisterd werd
en die veel dodelijke slachtoffers eisten. Ook in
1871 waarde het spook van de tyfus weer rond en
de gevolgen die dat zou kunnen hebben, werden
in de brief van de heren medici beschreven al was
’t het scenario van een horrorfilm: ‘Geeft niet het
onmerkbaar langzaam naderende voorjaar de
zekerheid, dat die heuvelen en bergen van rottende en grootendeels onbegraven lijken, wier stank
en pestlucht nu reeds ondragelijk is, smetstoffen
zullen ontwikkelen, die de moorddadigste ziekten
zullen doen ontstaan en sommige jaren welligt
zullen blijven heerschen?’
Allerlei klassen
De vraag of Zwolle bij de verschijning van epidemieën een behoorlijk ingericht ziekenhuis
had om de lijders te verplegen, werd in de brief
180 zwols historisch tijdschrift
ZHT4 2013.indd 16 10-12-13 13:33
van Overijssel en Drenthe. ‘Ik heb vernomen dat
in uwe vergadering een voorstel is gedaan tot het
stichten van een stedelijk ziekenhuis. Ik kan dit
voorstel niet anders dan toejuichen.’
Bouwplan
Tijdens de begrotingsvergadering van 29 oktober 1877 maakte burgemeester Van Nahuys
bekend, dat de gemeentearchitect een bouwplan
had gemaakt, dat ‘eerstdaags’ zal worden ingediend. Waarop raadslid mr. S.J. van Roijen zich
geschrokken afvroeg of Zwolle dat wel zou kunnen betalen. ‘Blijkt het dat de uitgaven de financiële draagkracht der gemeente niet te boven gaan,
dan worde tot de uitvoering besloten. Blijkt echter
brief van de Zwolse genees- en heelkundigen
een discussie op gang te brengen, maar toen hij
uitgesproken was diende zijn collega Scriverius
een motie van orde in, waarin werd bepaald dat de
raad verder zou gaan met de behandeling van de
aan de orde zijnde zaken en zich niet verder zou
verdiepen in beschouwingen over de bouw van
een algemeen ziekenhuis. Einde discussie, want
bij een groot deel van de raad, die bijna volledig
uit liberalen bestond, was het ziekenhuis geen
onderwerp waar veel gewicht aan werd toegekend. Daar heerste de opvatting dat de overheid
zich niet te veel moest bemoeien met de leefomstandigheden van haar burgers. En de praktijk
van die tijd was, dat zieken die tot de klasse van
de gegoede stand behoorden, thuis werden verpleegd. Alleen de allerarmsten die in bekrompen
huizen in achterbuurten zoals de Kwade Negen
(nu Van Nahuysplein) of de Mussenhage woonden, zouden op een ziekenhuis zijn aangewezen.
Meer dan vijf jaar bleef het stil. Pas op 18
december 1876 kwam het ziekenhuis in de Zwolse
politiek weer ter sprake. Aanstichter was het
raadslid mr. P.J.G. van Diggelen, die de wens
uitsprak dat in Zwolle een algemeen ziekenhuis
zou worden opgericht en onmiddellijk steun
kreeg van de heer Van der Voort, die zelf geneesheer was geweest. Maar in de wandelgangen en
wellicht ook in de Groote Sociëteit die door veel
raadsleden frequent werd bezocht (het verhaal
ging dat burgemeester jhr. W.C.T. van Nahuys de
stad vanuit de Groote Sociëteit bestuurde), was
het onderwerp ongetwijfeld al veelvuldig besproken. Bovendien stuurde het gemengd armbestuur
van de Nederlands Hervormde Gemeente op 29
januari 1877 een brief naar de raad, waarin steun
aan zo’n initiatief werd betuigd. Het opknappen
van het eigen ziekenhuis in de Nieuwstraat (‘Ook
met den besten wil kan daarin geene verpleging
overeenkomstig de eischen van den tegenwoordigen tijd worden gedacht’) was geen optie en
nieuwbouw veel te duur. Een ziekenhuis voor
verschillende klassen van de maatschappij had
daarom de voorkeur van het armbestuur en men
was ook bereid daarvoor een financiële bijdrage te
verlenen. Voor extra druk op de ketel zorgde vervolgens de arts Lubach, geneeskundig inspecteur
zwols historisch tijdschrift 181
Boven: De nieuwe
mannenzaal (zaal 25)
na de uitbreiding in
1915. (Collectie HCO)
Onder: De nieuwbouw
uit 1915, met de mannenzaal (zaal 25) links
en de vrouwenzaal
(zaal 20) rechts. Daarboven was de klasse
verpleging. (Collectie
HCO)
ZHT4 2013.indd 17 10-12-13 13:33
In de vergadering van 17 juni 1878 presenteerde het college twee plannen. De bouwkosten
van het eerste, opgesteld door de gemeentearchitect, werden geraamd op ƒ 120.000 en de
inrichting zou ƒ 24.889 gaan kosten. Voor het
salaris van een geneesheer-directeur was 2.000
en voor dat van verder dienstdoend personeel
1.800 gulden begroot. Het tweede plan was ontworpen door G.J. Collard, 1e luitenant ingenieur
en W. Kam, architect en leraar aan de Hogere
Burgerschool in Amersfoort. Zij kwamen op een
bedrag van ƒ119.000 aan bouwkosten en ƒ 9.000
voor het meubilair. ‘De raad heeft, met het oog
op de genoemde kolossale cijfers, alzo te dezer
zake geen voorstellen van Burgemeester en Wethouders te verwachten’, aldus burgemeester Van
Nahuys!
Kolossale cijfers
Die mededeling lokte uiteraard de nodige reacties
uit. Bijvoorbeeld van de heer Van Diggelen die
anderhalf jaar daarvoor de wens voor de bouw
van een ziekenhuis had uitgesproken. ‘De voorstelling van Burgemeester en Wethouders, het op
de voorgrond plaatsen van de kolossale cijfers, is
dodend voor de zaak en leidt tot de conclusie, dat
het tegendeel, dan moet men de zaak laten rusten
en zich behelpen met de inrichtingen die er zijn.
In elk geval zijn er drie in de gemeente, die der
katholieken, die van het Hervormd Armbestuur
en het Passantenhuis en voor mingegoeden is er
dus in elk geval gelegenheid om hulp te vinden als
dit nodig blijkt.’
182 zwols historisch tijdschrift
Verpleegsters die net
hun diploma hebben
gehaald in 1915. (Collectie HCO)
Het Sophia beschikte
na de uitbreiding van
1915 ook over een
prachtige tuin langs
de Rhijnvis Feithlaan.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 18 10-12-13 13:33
Koppen geteld
Op 5 juli 1880 werd het laatste hoofdstuk van
de jarenlange discussie over het gemeentelijk
ziekenhuis geschreven. Dat het voorstel om tot
de bouw daarvan over te gaan zou worden aangenomen, stond vast. De koppen waren geteld.
De meerderheid van het college was echter tegen.
‘Als men een volksstemming hield, dan zou de
meerderheid zich tegen de oprichting verklaren’,
aldus wethouder Roijer, die als bewijs voor die
stelling kwam aanzetten met de verklaring van
een geneesheer die dagelijks met de mindere
klasse in aanraking kwam. ‘Wat was zijn advies?
Een ziekenhuis is heel mooi, mits gij mij daarbij
de macht verleent de zieken te noodzaken er heen
te gaan, want dat wil men niet omdat men de
familieleden van de patiënten niet kan toelaten
de zieken te verplegen en op te passen. Men acht
het een schande de patiënten niet zelf op te passen
en ze aan de zorgen van vreemden over te laten:
men wil ze in huis houden om ze zelf bewijzen
van gehechtheid en trouwe oppassing te geven.’
En dat Zwolle ongezond zou zijn en de toestand
buitengewone zorg vroeg, wilde er bij de wethouder niet in. ‘Een blik op de sterftetafels bewijst dat
Zwolle bij andere plaatsen, bij Kampen en Deventer bijvoorbeeld, niet ten achter staat.’
het maar beter is in het geheel niets te doen en er
niet aan te beginnen.’ Maar daar wilde Van Diggelen zich niet bij neerleggen en daarom stelde hij
voor een speciale commissie te benoemen om de
zaak verder voor te bereiden. Met slechts één stem
tegen werd dit voorstel aangenomen, waarmee
een nieuw hoofdstuk in de ziekenhuiskwestie
werd geschreven. De commissie ging voortvarend
aan het werk, maar toch duurde het nog ruim
anderhalf jaar voor zij haar verslag presenteerde.
Uitgerekend was, dat de exploitatiekosten van een
ziekenhuis hoogstens één gulden per dag en per
zieke zouden belopen. De verpleegkosten van de
armen konden volgens de commissie echter niet
hoger dan op zestig cent per dag worden bepaald
en derhalve zou de gemeente voor iedere arme
ongeveer veertig cent dagelijks moeten bijdragen. ‘Uwe commissie gelooft niet, dat dit offer te
zwaar mag worden genoemd, waar het geldt aan
de behoeftigen bij ziekte, ook in het algemeen
belang, een goede verzorging te verschaffen.’
Nu de raadscommissie een rapport had ingediend, konden de plannen tot oprichting van een
gemeentelijk ziekenhuis niet meer op de lange
baan worden geschoven. Toch werd daar op
5 april 1880, toen het rapport door de raad zou
worden besproken, nog een poging toe gedaan.
Op voorstel van het raadslid L. Roosenburg werd
namelijk besloten om het rapport eerst voor
nader onderzoek naar een zogenaamde tweede
commissie te sturen. Nog geen twee maanden
later, op 1 juni, had die haar verslag al gereed.
‘De vraag is: is de oprichting van een ziekenhuis
zoo noodzakelijk, dat een jaarlijksche uitgave
van ƒ 8000,- uit de gemeentekas daarvoor gewettigd is?’ Ja, vond de meerderheid van de commissie. ‘Goede ziekenverpleging, vooral der mingegoede klasse, is een zorg die op de gemeentebesturen rust, want zij staat in ’t nauwste verband
met de algemeene gezondheid: verpleging van
zieken is geen weelde, niet enkel philanthropie.’
Nee, luidde het standpunt van de minderheid.
‘De oprichting van een ziekenhuis is wenschelijk, maar de noodzakelijkheid daarvoor bestaat
niet in die mate, dat de gemeenteuitgaven jaarlijks met zulk een aanzienlijk bedrag moeten
worden verhoogd.’
zwols historisch tijdschrift 183
De kinderafdeling met
daar boven de reuma
afdeling. Bij mooi weer
werden de patiënten zo
veel mogelijk naar buiten gedirigeerd. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 19 10-12-13 13:33
Wethouder D. Wicherlinck verwoordde
het standpunt van de minderheid van het college. ‘Rust op de gemeente de verplichting zorg
voor zieken te dragen, vooral met het oog op de
behoeftige klasse die daarin niet kan voorzien?
Het antwoord is ja, zonder enige twijfel. Even
goed als de gemeente dit doet door gemeentegeneesheren, heelmeesters en vroedvrouwen voor
de armenpraktijk te benoemen. Dit wordt niet
aan de armbesturen overgelaten en waarom dan
’t andere wel? Het beginsel is hetzelfde.’
Urenlang duurden de debatten, waarin de
heer Van der Voort wethouder Roijer voor de
voeten wierp dat hij een goed ingericht ziekenhuis waarschijnlijk nooit had gezien. En met zijn
opmerking dat de Zwollenaren geen gebruik van
het ziekenhuis zouden maken, was hij als oudgeneesheer het absoluut niet eens. ‘Dikwijls is er
als ik op een betere verpleging aandrong en op de
bekrompen woning of de kinderen wees gezegd:
“Och dokter als ik maar in een ziekenhuis konde
gaan.” En ook voor zieke dienstboden heb ik dikwijls van de meer gegoede klassen de verzuchting
vernomen om een ziekenhuis, waar men hen kon
brengen, overtuigd dat zij het goed zouden hebben, want naar de bestaande gelegenheden hier
ter stede willen zij niet.’
Bagijneweide
Tenslotte werd tegen het advies van de meerderheid van het college van burgemeester en wethouders in met elf stemmen voor en zes tegen
besloten tot de oprichting van een gemeentelijk
ziekenhuis. Een plek daarvoor was al gevonden,
namelijk de Bagijneweide die in 1841 voor een
bedrag van ƒ 6.250 door de gemeente was aangekocht om er een marktterrein van te maken. Dat
het ziekenhuis werd vernoemd naar de in 1877
overleden koningin Sophia, de eerste echtgenote
van koning Willem III, was te danken aan het
comité onder voorzitterschap van de Commissaris des Konings, mr. P.C. baron Nahuijs.
Al in 1878 had zij geld ingezameld voor de
oprichting van een ziekenhuis, dat tegelijkertijd
zou kunnen dienen als hulde aan de nagedachtenis van een geliefd vorstin. De actie leverde
ƒ2.665,60 op. In de raadsvergadering van 21 juli
1884 werd dr. C.L. Vitringa tot geneesheer-directeur benoemd op een jaarwedde van 700 gulden
en op 1 oktober van datzelfde jaar werd het
Sophia Ziekenhuis in gebruik genomen.
Kort daarvoor had een redacteur van de Zwolse
Courant een rondgang door het gebouw gemaakt.
Uit zijn verslag in de krant bleek dat er in Zwolle
nog altijd veel weerzin bestond om in een ziekenhuis te worden verpleegd. ‘Die tegenzin zal, evenals
elders, echter gaandeweg wijken, want mag men er
in slagen geschikt personeel te vinden, dan zal de
overtuiging veld winnen, dat het nieuwe ziekenhuis voor de meesten onzer stadgenoten een beter
herstellingsoord kan aanbieden, dan zij in eigen
woning vinden kunnen. De grootste zegen zal het
ziekenhuis aanvankelijk bieden voor hen, die op dit
punt geen keus hebben. De laatste tegenstanders
zullen misschien eerst met de zaak verzoend worden als de stad onzer inwoning door een of andere
epidemie mocht worden bezocht. In die onderstelling besluiten wij met de wensch, dat de oppositie
nog lang moge blijven bestaan.’
Lange werktijden
De wens van de redacteur van het plaatselijk dagblad ging niet in vervulling, want in 1888 werd
Zwolle getroffen door een epidemie van mazelen
en later het jaar ook nog roodvonk. In het Sophia
184 zwols historisch tijdschrift
De keuken van het
ziekenhuis in 1915.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 20 10-12-13 13:33
Ziekenhuis werden 713 mazelenpatiënten opgenomen, waarvan er 43 stierven. De 22 kinderen
die met roodvonk in het ziekenhuis belandden,
werden tijdelijk geïsoleerd. Veel opnames dus
dat jaar, maar toch ging het niet zo goed met het
gemeentelijk ziekenhuis. Wel zeventig bedden,
maar soms slechts zeven patiënten in huis. Uit
een oogpunt van public relations was het ook niet
gunstig dat verpleegsters in 1901 in de krant hun
beklag deden over de lange werktijden. Zes dagen
in de week moest er van half zeven ’s morgens
tot acht uur ’s avonds keihard worden gewerkt.
Waarbij ook nog eens sprake was van strenge
huisregels. Als voorbeeld artikel 11: ‘De zusters
moeten ’s avonds op den door de Directrice te
bepalen tijd te bed zijn en mogen nimmer, te bed
gaande, het licht op harer kamers laten branden.’
In 1908 kreeg het ziekenhuis een draaibare
lighal, waardoor tbc-patiënten maximaal van
zonlicht konden profiteren. Tuberculose was in
die tijd een gevreesde volksziekte, die heel veel
slachtoffers eiste. De lighal deed tot 1923 dienst
en kreeg daarna de bestemming van fietsenstalling. Het ziekenhuis beschikte inmiddels ook over
barakken, die in 1918 waren geplaatst om mensen
op te vangen die vanwege het oorlogsgeweld vanuit België en Frankrijk naar het neutrale Nederland waren gevlucht. Na het einde van de Eerste
Wereldoorlog bleven de barakken in gebruik voor
patiënten die besmettelijke ziekten als roodvonk
en difterie hadden opgelopen. Pas in 1953 werden
de barakken afgebroken.
In 1915 was al een nieuwe vleugel van het
ziekenhuis in gebruik genomen. Nieuw ruimtegebrek leidde in het begin van de jaren dertig tot een
volgende uitbreiding van het ziekenhuis. Architect J.G. Wiebenga, aanhanger van het zogenaamde Nieuwe Wonen, maakte een gedurfd plan met
een gevel van louter glas en staal. Dat ging de
meeste Zwollenaren echter veel te ver, zodat het
plan tot teleurstelling en frustratie van Wiebenga
aangepast moest worden. In 1935 werd de nieuwe
vleugel in gebruik genomen.
Protestants ziekenhuis
Na de moeilijke bezettingsjaren, de Duitsers eisten de hele tussenverdieping van de nieuwe vleuzwols historisch tijdschrift 185
Blindedarmoperatie van dr. Frank zorgde voor opwinding
Dr. Naphtali Herman Frank, geboren in 1860 in Veendam, zorgde in
1891 in Zwolle voor opwinding door een (geslaagde) blindedarmoperatie
te verrichten. Die historische gebeurtenis vond niet plaats in het zeven
jaar daarvoor geopende Sophia Ziekenhuis, maar in het ziekenhuis van
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein. Frank, die zijn kennis van de
chirurgie in Duitsland had opgedaan, lag niet zo goed bij dr. Vitringa, de
directeur van het gemeentelijk ziekenhuis. Maar bij de zusters van Liefde
werd de joodse arts met open armen ontvangen. De populariteit van
Frank werd nog groter toen hij met een injectie het leven redde van een
tuinman, die tetanus had opgelopen. Iedere Zwollenaar die ziek, zwak of
misselijk was klopte bij Frank aan de deur om door middel van een injectie genezen te worden. Zijn echtgenote ‘profiteerde’ ervan door gepeperde
rekeningen uit te schrijven, die door de meeste patiënten niet op prijs werden gesteld. Een gemakkelijk man was dr. Frank kennelijk niet. Toen hij
een eigen operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis had gekregen, klaagden
de verpleegsters over de lange werktijden, vaak veertien uur per dag, die zij
op gezag van de chirurg moesten maken. Ook in het ziekenhuis van de zusters Onder de Bogen aan het Groot Wezenland kreeg de arts problemen,
die er in 1913 toe leidden dat het bestuur hem een lange brief op poten
stuurde, waarin zijn
‘brutale, onbeschaafde
optreden tegenover
de zusters’ met feiten
en namen werden
gemeld. ‘Wij dulden
eene onbeschaafde
behandeling niet langer. Wij eischen eene
geheele ommekeer’.
Dr. Frank bond in,
maar hij bleef een
moeilijk persoon om
mee te werken. In 1932
vertrok hij uit Zwolle
om in het Zwitserse
Montreux te gaan
wonen, waar hij in
februari van dat jaar
overleed.
Dr. Naphtali Herman
Frank,1860-1932.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 21 10-12-13 13:33
186 zwols historisch tijdschrift
gel op, leek het er even op dat Zwolle een derde
ziekenhuis zou krijgen. In 1948 was de stichting
Het Protestants Ziekenhuis opgericht, die er op
rekende dat het ministerie in Den Haag toestemming zou verlenen voor de bouw van een ziekenhuis met een capaciteit van zo’n vierhonderd
bedden. Bij zowel het rooms-katholieke ziekenhuis als het Sophia Ziekenhuis werd geschrokken
gereageerd. Drie ziekenhuizen in Zwolle, dat zou
toch te veel van het goede zijn. Dat vond ook het
gemeentebestuur, dat veel liever zag dat de twee
bestaande ziekenhuizen konden worden uitgebreid. Na tal van besprekingen werd uiteindelijk
in 1955 een compromis bereikt, waarbij de stichting Het Protestants Ziekenhuis zich in feite aansloot bij het gemeentelijke Sophia Ziekenhuis. Het
akkoord behelsde onder meer, dat in het nieuw
te vormen stichtingsbestuur drie van de negen
leden door Het Protestants Ziekenhuis zouden
worden benoemd en dat er een kapel zou worden
gebouwd. Wellicht als onderdeel van de nieuwbouw, waarover al voorzichtig werd gesproken.
Plannen hebben vaak een lange tijd van voorbereiding en de realisering daarvan loopt dikwijls
ook vertraging op. Een prachtig voorbeeld daarvan waren de nieuwbouwplannen van het Sophia
Ziekenhuis. In 1956 gingen de voorbereidingen
van start, in 1960 gaf de minister van Volksgezondheid het groene licht en in 1965 volgde de
aanbesteding. Bouwbedrijf Moes moest echter
geduld hebben, want de financiering van het miljoenenproject was nog niet rond. Op 1 november
1967 kon op de Oosterenk dan eindelijk de bouw
van het nieuwe Sophia Ziekenhuis van start gaan.
De officiële opening werd op 17 oktober 1972 verricht door prinses Margriet.
Tenslotte nog even terug naar de redacteur
van de Zwolse Courant, die na zijn rondleiding in
1884 door het nieuwe Sophia Ziekenhuis op de
Bagijneweide de hoop uitsprak dat Zwolle nooit
meer door epidemieën getroffen zou worden. Dat
hij geen gelijk kreeg schreven we al, maar uitbraPrachtige luchtfoto
van vlak na de oorlog,
waarop het hele ziekenhuiscomplex mooi te
zien is. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 22 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 187
ken van gevaarlijke ziekten als tyfus en pokken

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2014, Aflevering 4

Door | 2014, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

31e jaargang 2014 nummer 4 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Odeon
175 jaar
‘De tempel staat gereed waarin
en smaak en kiesche lust zal wonen’
ZHT4 2014 .indd 1 09-12-14 15:56
Suikerhistorie
Suikerzakjes Odeon
Op deze pagina leest u doorgaans een korte geschiedenis van
het pand of bedrijf dat op het suikerzakje staat afgebeeld.
Omdat de historie van Odeon in dit nummer uitgebreid aan
bod komt, is de rubriek deze keer anders van opzet.
In de afgelopen vijftig jaar lagen er verschillende
suikerzakjes bij het kopje koffie of thee dat men in Odeon
nuttigde. De afbeeldingen op de zakjes zijn een aardig
tijdsdocument. Vier exemplaren passeren hier de revue.
Het exemplaar waarop het in 1959 vernieuwde Odeon
staat afgebeeld, stamt uit de periode 1959-1961. Het (blauwe)
exemplaar met een deel van de gemoderniseerde gevel en
rechtsboven sterretjes lag bij het kopje koffie of thee in de
periode 1961-1963. Het exemplaar met de zwarte en witte
vlakken en in hoogte verspringende letters is typisch een
product uit de tweede helft van de jaren zestig, de tijd van
de pop-art en flowerpowerbeweging waarin de jeugd zich
verzette tegen een overmaat aan regels. Ook de letters van de
woorden Odeon en Zwolle staan in het trendy ontwerp van het
suikerzakje niet op één regel.
Meestal is de ontwerper van de afbeelding op het suikerzakje
niet bekend. Een uitzondering daarop vormt het vierde
suikerzakje. Het dateert uit circa 1970 en is van de hand van de
grafisch ontwerper Henk Hoekman, die meer werk voor Odeon
verrichtte. De nar is vanouds de grappenmaker die bewust of
onbewust spotlust opwekte. Hij staat symbool voor vermaak. En
daarvoor bezoekt men al 175 jaar lang de Zwolse schouwburg.
142 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
ZHT4 2014 .indd 2 09-12-14 15:56
zwols historisch tijdschrift 143
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 142
‘De tempel staat gereed waarin en smaak en kiesche lust zal wonen’
175 jaar schouwburg Odeon
Frank Inklaar en Tine de Waal 144
‘Dat dit gesticht voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad strekt’
De eerste vijf jaar activiteiten in Odéon, 1840-1845 Frank Inklaar 157
Een mensenleven met Odeon
Als journalist, theatercriticus, jurylid, toneelamateur, schrijver-speler
van musicals of gewoon toeschouwer Willem van der Veen 161
Jan H. Bakker, de eerste directeur van de stadsschouwburg
aan de Blijmarkt
‘Eigenlijk hebben we Odeon altijd veel te goed onderhouden’
Steven ten Veen 176
Een zeer bewogen avond in Odeon Jan Uitzetter 183
Hein Spanjaard nam nooit een blad voor de mond
‘Wethouder Margriet Meindertsma was zeer nadrukkelijk
een remmende factor’ Steven ten Veen 185
Herinneringen aanSteevast op Zondag
‘In mijn slaap had ik de show al wel tien keer gedaan’ Steven ten Veen 191
Van treinstations en tuinen tot Islam en Praag
Twintig jaar thematische lezingenseries in Odeon Henk Egberts 198
Recent verschenen 202
In memoriam Nico Habermehl (1946-2014) Jaap Hagedoorn 203
Mededelingen 204
Auteurs 205
Redactioneel
‘Schouwburgzaal van het Odeon te Zwolle
Vrijdag 18 november 1864
Op algemeen vereerend verlangen, zal ik alhier
heden nog een buitengewone Toover- en Mimische Voorstelling geven. In deze representatie
zal ik de GEESTACHTIGE VERSCHIJNINGEN
ten uitvoer brengen; namelijk: ik zal zonder
met mijne handen mijn gezigt aan te raken, alle
mogelijke baarden, zooals dezelve door de mannen gedragen worden, op mijn aangezigt doen
groeijen en verdwijnen. Een kunststuk, voor een
ieder hoogst interessant en nog nooit in Europa
gezien. Daar ik de kunst versta, om van één Rijksdaalder meerdere te maken, zoo is het onnoodig
den Entréeprijs hoog te stellen; alzoo kan ik ieder
de gelegenheid verschaffen deze voorstelling bij te
wonen. Zoo heb ik heden den prijs bepaald: Eerste
rang 75 Ct. Tweede rang 50 Ct. Derde rang 30 Ct.
Kinderen eerste rang 50 Ct.’
Een advertentie voor het optreden van ‘Zauberer Roman’ uit de Zwolse Courant van 150 jaar
geleden. Vergeleken met de advertentie is er nu
een andere programmering en de entreeprijzen
worden anders berekend. Onveranderd is dat er
175 jaar lang in Odeon voorstellingen worden
gegeven. Aanleiding voor een themanummer
over deze schouwburg. Op ons programma teksten in vele bedrijven met: een overzicht van 175
jaar Odeon, een blik op de eerste vijf jaar van het
bestaan, veel aandacht voor de verbouwingen,
twee directeuren uitgelicht, een dramatisch optreden van Wim Kan, herinneringen van diverse
direct betrokkenen zoals Willem van der Veen,
Steven ten Veen en Henk Egberts en dat alles
hoogst vermakelijk onderbroken door visuele en
tekstuele entr’actes. Geacht lezend publiek: veel
plezier bij 175 jaar Odeon!
ZHT4 2014 .indd 3 09-12-14 15:56
144 zwols historisch tijdschrift
Het georganiseerde culturele leven in Zwolle in de
eerste helft van de negentiende eeuw was een zaak
van de elite en de gegoede burgerij. Vanuit deze
notabele kringen kwam een stroom van genootschappen en verenigingen om het culturele leven in
de provinciehoofdstad op poten te zetten. De leden
van deze gezelschappen waren vaak dezelfde personen. Of het nu om het plaatselijke departement van
de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, de vrijmetselaarsloge Fides Mutua, of de Groote Sociëteit
in de Koestraat ging, dezelfde namen staan op de
ledenlijsten. Uit deze kringen kwam ook het initiatief om een schouwburg op te richten.
‘Een gebouw voor vereenigingen en
vermakelijkheden’
Vanaf 1814 was er wel een schouwburg in Zwolle,
maar de exploitatie van dit pand in de Praubstraat,
dat sinds 1820 de naam Hof van Holland had, was
moeilijk rond te krijgen. Om de zaak draaiende
te houden werd de functie van logement steeds
belangrijker. Dit tot grote onvrede van kunstminnend Zwolle. De klachten over de gebrekkige
culturele accommodatie leidden waarschijnlijk
in 1838 tot de geboorte van een particuliere
maatschappij met als doel de realisatie van: ‘een
gebouw voor vereenigingen en vermakelijkheden.’
Deze vereniging komt voor het eerst in 1839 in de
archieven voor gekoppeld met de naam Odéon.
Het startkapitaal van ƒ 65.000,- werd bijeengebracht door de uitgifte van 325 aandelen van elk
ƒ 200,-. Om lid van de vereniging te zijn moest je
minstens één aandeel bezitten. Zo kreeg je ook
stemrecht in de vereniging. Op de lijst van aandeelhouders uit 1840 zien we weer dezelfde groep
hoog gekwalificeerde en rijke burgers terug die het
culturele leven in Zwolle stimuleerde. Een groot
deel van hen was werkzaam in het overheidsapparaat: juristen, leden van de gemeenteraad en
van provinciale en gedeputeerde staten. Verder
waren er rijke kooplieden. Hoge militairen, artsen, ingenieurs en renteniers completeerden de
lijst. Opmerkelijk was het aandeelhouderschap
van koning Willem 1 met maar liefst vijftien aandelen. Een zelfde aantal had de gouverneur van
de koning in Overijssel, J.H. graaf van Rechteren,
die de eerste president van de vereniging werd.
En ook is het opvallend dat er sprake was van een
vroege vorm van gemeentelijke subsidiëring, want
de gemeente Zwolle had ingetekend voor maar
liefst veertig aandelen.
De belangrijkste doelstelling van de vereniging
was het aankopen, verbouwen en inrichten van
een geschikt lokaal. Hiervoor had men allereerst
het Hof van Holland op het oog. In juli 1838 lukte
het de vereniging om dit lokaal over te nemen. Het
kreeg de naam ‘Odéon’ en er vonden regelmatig
voorstellingen plaats. Toch was men niet echt
tevreden; het lokaal werd als gebrekkig en te klein
‘De tempel staat gereed waarin en smaak
en kiesche lust zal wonen’1
175 jaar schouwburg Odeon
Odeon omstreeks 1910.
(Collectie HCO)
Frank Inklaar en
Tine de Waal
ZHT4 2014 .indd 4 09-12-14 15:56
zwols historisch tijdschrift 145
ervaren. Dus ging men op zoek naar een mogelijkheid om het gebouw uit te breiden. Die mogelijkheid deed zich voor in het najaar van 1838. Na veel
gedoe kon de vereniging uiteindelijk de Infirmerie,
het militaire hospitaal aan de Blijmarkt, aankopen. Dit pand grensde aan het Hof van Holland,
waardoor beide panden tot één complex verenigd
konden worden. De benodigde verbouwing ging
in het voorjaar van 1839 van start. Voor 1 december moest er volgens het bestek nogal wat gedaan
worden: het bouwen van een nieuwe schouwburgzaal met zitplaatsen en negentien loges,
het verbouwen van de voormalige schouwburg
tot concertzaal, het bouwen van een benedenwoning, bovenzalen, twee kleedkamers, sekreten
(toiletten), gangen, een vestibule, een nieuwe
waterput, een verwarmingsinstallatie in een van
de kelders en een wijziging van de koffiekamer.
De hoofdingang van het complex verhuisde naar
de Blijmarkt. De verbouwing werd gegund aan de
Zwolse meestermetselaar Jan Willem Koer voor
een bedrag van ƒ 30.100,-. Koer heeft zich keurig
aan de opleverdatum van 1 december gehouden,
want op 9 december 1839 werd het hele complex
in aanwezigheid van genodigden geopend.
Feestelijke opening
In de Zwolse Courant verscheen op 10 december
een uitgebreid verslag van de feestelijke opening
van Odéon. De nieuwe concertzaal was prachtig
verlicht. Rond half zeven kwamen de maar liefst
260 genodigden. Zij werden getrakteerd op een
concert. Het instrumentale deel stond onder leiding van de heer Hempenius en het vocale deel
van de heer Crönert. Beide heren waren in dienst
van de stad en bestierden het muzikale leven
in Zwolle. De krant was zeer te spreken over de
voortreffelijke uitvoering van alle stukken door
de muzikanten en leden van de zangvereniging
Euterpe. Om een uur of negen was het concert
afgelopen en konden zij die dat wensten het
gebouw verder bezichtigen, terwijl de zaal werd
klaargemaakt voor een souper met 140 couverts.
Om tien uur werd de zaal weer geopend. Die was
intussen versierd met door de portretschilder
Heijmans geschilderde en fraai verlichte afbeeldingen van Apollo en Pallas. Tussen deze twee
Griekse goden was smaakvol uit bloemen en groene takjes het woord ‘Odéon’ gemaakt. Het was nu
tijd voor een ‘vriendschappelijk te zamen zijn, dat
gulle vrolijkheid en kiesche smaak ademde.’ En
natuurlijk moesten er diverse toosten uitgebracht
worden. Onvermijdelijk waren ook de gezangen
en gedichten, speciaal voor deze gelegenheid
gemaakt. De heren P.R. Feith, J.M. van Rhijn en
P. Bicker Caarten bezongen Odéon. Hun dichtsels
werden in de krant opgenomen en later gedrukt
en gebundeld onder de titel Tafel-gezangen. Om
de sfeer op te snuiven de eerste strofe van Pieter
Rutger Feith, aandeelhouder met vijf aandelen,
lid van het provinciaal gerechtshof, vrijmetselaar,
dichter, zoon van de grote Rhijnvis Feith, en dus
typisch lid van de culturele elite van Zwolle:
‘Breekt zangkoor! Uit de luide vreugdetoonen,
De tempel staat gereed,
Waarin en smaak en kiesche lust zal wonen,
Vooral wat kunstrijk heet.’ 2
Concertprogramma
van Odéon uit 1891.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 5 09-12-14 15:56
146 zwols historisch tijdschrift
Na de feestelijke opening, die tot diep in de nacht
voortduurde, werd Odéon echt in gebruik genomen voor de twee hoofdactiviteiten: muziek en
toneel. De muzikale start was een pianoconcert
van mevrouw Dulcken, terwijl op 30 december
de nieuwe schouwburgzaal werd ingewijd door
het Théatre Français van mr. Alexandre met de
dramatische eenakter Le diable couleur de Rose
van Alexandre Dumas. Zoals beschreven in een
ander artikel in dit tijdschrift bleven toneel en
muziek de core business van Odéon. Maar er was
ook gelegenheid voor het houden van drukbezochte tentoonstellingen, zoals de Overijsselse
tentoonstelling van nijverheid en kunst in 1840 en
iets soortgelijks in 1860. Er werd vergaderd door
de vrijmetselaarsloge en vanaf 1848 vonden er
politieke bijeenkomsten voor deftige heren plaats.
Die konden wel eens uit de hand lopen, zoals in
1853 toen de politie moest ingrijpen omdat vooruitstrevende liberale kiezers een bijeenkomst van
hun tegenstanders verstoorden.
Exploitatie en aanpassingen
De exploitatie van het complex liep zelden van
een leien dakje. In 1844 werd een openbare aanbesteding gedaan om het complex te verhuren. De
vereniging liet de exploitatie over aan een pachter.
Een succesvolle manier om meer inkomsten te
genereren was sinds 1865 de verhuur van zitplaatsen voor een heel jaar. Dat gaf wel weer problemen met de Rederijkerskamer Rhijnvis Feith.
Zij accepteerden het niet dat de plaatshuurders
zo gratis hun voorstellingen konden bezoeken.
Uiteindelijk schikte de directie van Odéon zich
hierin.
Een ander regelmatig weerkerend fenomeen
was de aanpassing van het gebouw aan de eisen
van de tijd. In 1868 vond een verbouwing plaats
waarbij waarschijnlijk de bonbonnière werd
gebouwd. Het toneelgezelschap van de Rotterdamse schouwburg verzorgde de voorstelling bij
heropening. Het stuk Onze lieve bloedverwanten
vond weinig genade bij de recensent. Wel was hij
te spreken over de verbeterde zaal, de akoestiek,
het fraaie stucwerk en het nieuwe toneelgordijn.
Ideaal was het nog niet: kleedkamers en toneeldecors moesten verbeterd worden en de tocht in de
zaal bij het openen van de deuren was bepaald
hinderlijk. De volgende verbouwing was in 1875
en weer mocht het Rotterdams gezelschap onder
leiding van Albregt en Van Ollefen de nieuwe zaal
inwijden. In 1883 moest een deel van de tuin naast
Odéon wijken voor uitbreiding van de concertzaal.
In de negentiende eeuw ging het Zwolse
publiek het liefst kijken naar zang en vaudeville,
komische toneel- of operastukken. Af en toe was
er iets serieuzers, zoals Multatuli’s Vorstenschool.
Binnen- en buitenlandse gezelschappen deden
Zwolle aan. Zo passeerden aan het eind van de
eeuw legendarische acteurs en actrices als Willem
Royaards, Esther de Boer – van Rijk, de familie
Bouwmeester en Mina Krüsemann het theater.
Vanaf 1893 gaven de toenmalige pachter van
Odéon, P. van Deinum en uitgever H. ten Heuvel
een Officiële Schouwburggids uit met het programma van de voorstelling en veel reclame. De prijs
van de kaartjes was sinds de opening in 1839 niet
veel veranderd: rond de ƒ 2,- voor een eersterangs
plaats.
Dé plaats voor culturele activiteiten
De twintigste eeuw begon maar weer eens met
een verbouwing. Het toneelhuis werd vernieuwd
en er werden een beweegbaar brandscherm en
Rederijkersvoorstelling
omstreeks 1920.
(Collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 6 09-12-14 15:56
zwols historisch tijdschrift 147
brandluiken geplaatst. De entree aan de Blijmarkt
werd grondig aangepakt door een grote vestibule
aan de voorkant van het gebouw te maken met
ruime trappen naar de balkons. In de zaal werd
middenachter een doorgang gemaakt om de tweederangs plaatsen te kunnen bereiken. De losse
banken die daar stonden werden vervangen door
vaste stoelen. De heropening van Odeon vond
plaats op 30 december 1909 met Shakespeare’s De
vrolijke vrouwtjes van Windsor, gespeeld door het
gezelschap van Willem Royaards.
Odéon bleef dé verzamelplaats voor culturele activiteiten in Zwolle, ondanks concurrentie van de
Buitensociëteit, de Harmonie en in toenemende
mate, de bioscoop. De familie Nekkers was als
pachter lange tijd verbonden aan Odéon. Rond
1925 werd er elke zondag een Thé en Soirée Dansante georganiseerd tegen een aangename prijs
van ƒ 0,50 voor de middag en ƒ 1,- voor de avond.
De Zwolse variant van de ‘roaring twenties’. De
wens naar amusement was voor de toneelprogrammering wel wat veranderd. Een overvloed
van al te luchtige stukken in de abonnementen
ondervond kritiek; het Zwolse publiek was toe aan
de betere stukken.
Dat lag weer heel anders tijdens de bezettingsjaren. De behoefte om onbezorgd te lachen was
groot en de ene Lachparade na de andere passeerde de revue. Wat bedenkelijker waren de
amusementsvoorstellingen van de NederlandschDuitsche Kultuurgemeenschap. Ook werd Odéon
regelmatig gebruikt voor propagandabijeenkomsten van de bezetter. Wat wel gelijk bleef: ook in
de bezettingsjaren werd er verbouwd. Vanaf juni
1944 gebeurde er weinig meer. Energieschaarste
en andere oorlogsproblematiek veroorzaakten
deze stilte. Na de bevrijding kwam het culturele
leven in Odéon weer snel op gang. Er waren
bijeenkomsten van Canadese en Amerikaanse
militairen, herdenkingsbijeenkomsten en -voorstellingen en op 19 mei 1945 werd het 50-jarig
bestaan van de Rederijkerskamer gevierd.
De concertzaal van
Odeon in de jaren twintig en in de jaren veertig
en vijftig. (Collectie
HCO)
Programmablad uit
het seizoen 1947/48.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 7 09-12-14 15:57
148 zwols historisch tijdschrift
Verbouwing jaren vijftig
Na de oorlog was het engageren van professionele
toneel- en muziekgezelschappen aanvankelijk een
zaak van de Zwolsche (verder: Zwolse) Kunstkring en met name van Jacques Afman. Deze situatie duurde voort tot 1969. Ergens in de jaren vijftig verloor Odeon zijn accent aigu. Maar deze verandering viel in het niet bij de veranderingen die
zich aan het eind van de jaren vijftig afspeelden.
Want weer moest Odeon zich beraden op de toekomst, financieel en voor wat betreft het gebouw.
In de vergaderingen van de Vereniging Odéon was
al begin jaren vijftig geconcludeerd dat het ledental sterk terugliep en dat dit grotendeels te wijten
was aan de slechte conditie van de zaal. Odeon
was bij lange na niet rendabel. In 1954 stelde de
gemeente een commissie in om het schouwburgvraagstuk te onderzoeken. Het resultaat was dat
de vereniging werd geliquideerd en de gemeente
in 1957 alle roerende en onroerende eigendommen, maar ook de uitstaande schulden, overnam.
De gemeente speelde een tijdje met het idee om
een nieuw schouwburgcomplex te bouwen, maar
besloot hiervan af te zien. Pas voor een stad met
70.000 inwoners zou dat verantwoord zijn. Wel
werd besloten Odeon grondig op te knappen. Dus
weer een verbouwing: de schouwburgzaal werd
gerestaureerd, de zijloges in de zaal en de orkestbak verdwenen. Maar ook kwam er een nieuwe,
moderne concertzaal voor driehonderd toehoorders met een akoestisch plafond – een golvend
geheel van hardhouten latten met ingebouwde
spots – en wanden met plastic bobbels wat volgens
TNO de akoestiek bevorderde. Plastic schuifdeuren zorgden ervoor dat de foyer, de koffiekamer
en de concertzaal konden worden omgetoverd tot
een grote feestruimte voor achthonderd mensen.
Zes ‘spoetniklichtornamenten’ kwamen aan het
plafond van de concertzaal. In het moderne uitgiftebuffet konden 1500 flessen gekoeld worden,
terwijl een elektrische koffiemachine 225 koppen
koffie tegelijk kon zetten. De kleedkamers hadden
spiegelverlichting, een douchecel en luidsprekers
voor contact met de zaal. Er waren nieuwe, ondergrondse, toiletten. Gefinancierd door bioscoop
De Kroon verscheen een filmcabine in de schouwburgzaal voor de films die De Kroon vanaf januari
1960 in Odeon vertoonde. Ter bekroning van
al deze modernisering werden alle uitstekende
delen – bordes, balkon, pilaren, sierlijsten – van
de neo-classicistische gevel verwijderd, waarvóór
een strakke, moderne gevel van gele baksteen en
groene natuursteen werd opgetrokken. De gevel
heeft jarenlang voor discussie gezorgd. De eerste
directeur Jan H. Bakker verzuchtte nogal eens dat
je aan de gevel kon zien dat de architect (ir. Siem
van der Wal) later in de wegenbouw zou gaan. Op
10 december 1959 werd het vernieuwde complex
geopend.
Odeon vlak voor de verbouwing in 1959. Het gedeelte achter het eerste raam
links op de eerste verdieping werd bewoond. Dit is zo gebleven tot eind jaren
negentig. Onder meer directeur Bakker en toneelmeester Johan Wevers woonden daar met hun gezinnen. (Foto Henneke, Redactiearchief ZC, collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 8 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 149
De verbouwing in 1959, waarbij onder meer het laatste restant van de Odeontuin plaatsmaakte voor de nieuwe ingang en de classicistische gevel werd vervangen door een bakstenen muur. (Foto’s Libbe Leffering en foto kleedkamer Henneke, collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 9 09-12-14 15:57
150 zwols historisch tijdschrift
De vernieuwde concertzaal met akoestisch
plafond en de ‘spoetnik’
lampen. (Foto’s Libbe
Leffering, collectie
Odeon)
Sfeervolle weergave
van de nieuwe ingang
vlak na de opening in
december 1959.
(Foto Pieter Gerritse,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 10 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 151
Schouwburg Odeon
In 1957 was de gemeente Zwolle dus eigenaar
geworden van wat statutair genoemd werd
‘Schouwburg Odeon’. De gemeente had de
exploitatie overgedragen aan een stichting. Het
bestuur van de stichting werd voorgezeten door
de wethouder van cultuur. De helft van de leden
was gemeenteraadslid en de andere helft bestond
uit ‘burgerleden’. De grootte van het bestuur wisselde tussen een minimum van zeven en een
maximum van negen. De personeelsleden van
Odeon waren gemeenteambtenaar. In 1959 waren
er zes mensen in vaste dienst. In 1960 trad Jan H.
Bakker in dienst als gérant-bedrijfsleider, een jaar
later werd hij directeur. Aangezien Bakker uit een
‘hotelfamilie’ kwam, werd in eerste instantie de
culturele gang van zaken bepaald door de Zwolse
Kunstkring. Pas na 1969 werd de toneelexploitatie
geheel door Odeon verzorgd. Het aantal personeelsleden nam gestaag toe: in 1970 waren er dertien medewerkers in vaste dienst van de stichting,
waarvan zes toneelmeester of -assistent. Eén van
deze toneelmeesters was Johan Wevers sr., die al
vanaf 1937 in Odeon werkte.
Periode Bakker
In de ‘periode Bakker’, die van 1960 tot 1983 duurde, is Odeon vrijwel voortdurend uitgebreid en/of
verbouwd. In 1960 werd de manege naast Odeon
tot zaal omgebouwd en bij het complex gevoegd.
In 1963 volgde de Aloysiusschool, waardoor er
ruimte kwam voor een zijtoneel, een werkplaats
en een kantine. In 1977 werd de schouwburg op
de aanvullende ontwerplijst van beschermde
monumenten geplaatst. De reden was volgens de
Zwolse Courant: ‘Die bescherming vindt in hoofdzaak plaats vanwege het interieur, zoals de in neoLodewijk XV-trant uitgevoerde schouwburgzaal,
gebouwd in 1868 met zijn van stucversieringen
voorziene balkons en ovaal koofplafond. De tot
het schouwburgcomplex behorende Manegezaal
kwam eveneens op de lijst, dit om het uit 1867
daterende poortgebouw.’ De grootste klacht bleef
echter de geringe toneelopening. Of in de woorden van Bakker: ‘de toneelopening van Odeon is
smaller dan een voetbaldoel en daar staat maar
één man in.’ Met een opening van maar 6,60
meter was er geen ruimte voor musicals, revues,
balletten en opera’s. Uitzondering vormden de
Hoofdstad Operette en de musicals van Jos Brink.
Deze laatste liet het decor zo bouwen dat het er
ook goed uitzag als je de helft van de stukken in de
vrachtwagen liet. Dat alle artiesten halve stapjes
moesten nemen merkte het publiek niet op.
Net als in de negentiende eeuw gebeurde er van
alles in Odeon. In de eerste jaren na de gemeentelijke overname waren er zo’n driehonderd filmvoorstellingen van De Kroon. (Delen van) Odeon
werd(en) verhuurd voor feest- en toneelavonden,
voor examens en veilingen, voor tentoonstellingen, biljartkampioenschappen en modeshows.
Vaak was het gebouw gevuld door amateurs: de
toneelspelers van de Sinterklaasvoorstellingen
De bakstenen gevel
van Odeon uit 1959,
hier gefotografeerd
omstreeks 1965.
(Foto Pieter Gerritse,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 11 09-12-14 15:57
152 zwols historisch tijdschrift
van de Openbare Lagere Scholen, of die van de
Drentse Vereniging, Frysk Selskip Swol en de
Groninger Molleboon. De neutrale Zwolse Operettevereniging hield er zijn uitvoeringen, evenals
diverse koren, Zwolse scholierenverenigingen,
ballet- en muziekscholen en toneelverenigingen
als La Troupe. Het Zwols Symfonie Orkest was
vaste klant, evenals de Nieuwe Zwolse Balletschool, de Huisvrouwengymnastiek, toneelgroep
Transparant, de zanger Michael Minsky en zijn
Slavisch Koor, kunstenaarsvereniging Artibron en
vele anderen. In de jaren zestig stond Odeon culinair bekend om de rustieke buffetten.
Wat betreft de programmering bleef Bakker aan
de veilige kant. Gezelschappen die eenmaal succes hadden bleven jaarlijks terugkeren, zoals de
Toneelgroep Theater, de Haagse Comedie, De
Appel, het Theater van de Lach, de Hoofdstad Operette, Nooy’s Volkstheater, Studio L.P. (de voorloper
van Introdans), Fons Jansen, Paul van Vliet, Seth
Gaaikema, Marijke en Sito Hoving, de Dutch Swing
College Band. Veel ‘risicovolle’ voorstellingen kwamen er niet in. Evenmin de wat groter gemonteerde
voorstellingen. Door abonnementen, couponsystemen, keuzeabonnementen en dergelijke werd
geprobeerd publiek te trekken en te binden. Nieuw
De schouwburgzaal
na de verbouwing van
1959. (Foto Henneke,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
Rechts: Het toneel van
Odeon bleef ook na de
verbouwing van 1985
klein, slechts negen
meter. (Redactiearchief
ZC, collectie HCO)
De huisstijl met de
‘snorren’ van Odeon
in de jaren zeventig
en tachtig, ontworpen
door grafisch ontwerper
Henk Hoekman.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 12 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 153
in de jaren zeventig waren de koffieconcerten op
zondag. Vermeldenswaardig is ook de serie Beste
Wensen, gestart in 1981, een amateur-programma
dat de eerste jaren tegelijk de nieuwjaarsreceptie
van de gemeente was. Tenslotte mag een hoogtepunt uit 1980 niet onvermeld blijven: de musical
Een Kwartje is geen Kwertien van Willem van der
Veen, die ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan
van de stad Zwolle vele malen werd opgevoerd
door toneelvereniging La Troupe.
Hein Spanjaard
Op 13 mei 1983 nam Bakker afscheid als directeur van Odeon. Hij werd opgevolgd door Hein
Spanjaard. Begin jaren tachtig vergaderde de
gemeente druk over een nieuw te bouwen theater,
maar ondanks dat het inwonertal ruimschoots de
70.000 was gepasseerd, kwam het er weer niet van.
En dus werd Odeon in de periode 1984-1986 weer
verbouwd. Onder leiding van de Haagse architect
Sjoerd Schamhart werd het hele complex aangepakt. Er kwam een verdieping op de foyer, de
concertzaal werd Tuinzaal – een ‘zwarte doos’ met
verrijdbare tribunes en met toneeltechniek zodat
er ook andere voorstellingen dan concerten konden plaatsvinden. De door velen verfoeide gevel
uit 1959 werd weer afgebroken, de trappen naar
het tweede balkon vervangen, het gebouw werd
lichter en ruimer. In de schouwburgzaal vond
misschien wel de belangrijkste verandering plaats:
de toneelopening werd vergroot tot negen meter,
door het verwijderen van de loges op de balkons.
De lijsten van deze loges werden tegen de muur
gemonteerd, om tegemoet te komen aan de eisen
van Monumentenzorg. En de orkestbak werd in
ere hersteld. Tijdens de verbouwing gingen de
voorstellingen in de Schouwburgzaal in het eerste
seizoen gewoon door. Er was zelfs een wereldpremière: Acis en Galatea, een barokopera van G.F.
Händel uitgevoerd door Camerata Amsterdam.
Het seizoen daarna was Odeon bijna helemaal
gesloten. Wel werd een zestiental voorstellingen
op andere locaties georganiseerd, zoals concerten
in de Broerenkerk, talkshows – Steevast op Zondag
– in de zaal van hotel Wientjes, een paar toneelvoorstellingen in een wijkcentrum en kamermuziekavonden in de Reulandzaal van het Conservatorium. In 1986 werd het complex officieel
heropend door minister Brinkman van WVC. De
avond werd opgeluisterd door optredens van het
Rijnmond Saxofoonkwartet, het Vlaamse toneelgezelschap Yvonne Lex, dansgroep Introdans en
cabaretière Brigitte Kaandorp. Voorafgaand aan
De voorkant van
het jaarprogramma
1983/84. (Collectie
Odeon)
Optreden van
Brigitte Kaandorp in de
schouwburgzaal op het
Midzomerfestival 1984.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 13 09-12-14 15:57
154 zwols historisch tijdschrift
de officiële opening waren er vijf voorstellingen
van de door Willem van der Veen speciaal voor de
heropening geschreven musical Bonje op de bühne
opgevoerd door 38 amateur-acteurs.
Hein Spanjaard legde anders dan zijn voorganger meer de nadruk op de culturele functie
van Odeon. Onder zijn directie steeg het aantal
voorstellingen tot 346 in het laatste seizoen van
de gemeentelijke stichting, met een bezoekersaantal van 73.121. De door Jan Bakker voorzichtig
geprogrammeerde zondagochtend (koffie)concerten werden een vast onderdeel van het programma. De liefhebbers van klassieke muziek werden
bovendien vanaf seizoen 1984-1985 behaagd
met een kamermuziekserie die jarenlang stand
hield. Een traditie die vanaf 1998 tot 2006 vorm
kreeg in de Zwolse nazomer kamermuziekweek.
In 1989 werd het 150-jarig bestaan van Odeon in
aanwezigheid van koningin Beatrix en prins Claus
gevierd met een galavoorstelling van Introdans. In
1994 werd het failliete Papenstraattheater toegevoegd aan Odeon.
Publiek in de zaal
bij een optreden van
Introdans, de laatste
voorstelling voor de
verbouwing van 1985.
(Collectie Odeon)
Vast en ambulant
personeel van Odeon
met directeur Hein
Spanjaard (staand
links naast de trap).
December 1989.
(Foto Frans Paalman,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 14 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 155
Geprivatiseerd
In juli 1998 werd Odeon geprivatiseerd. Hein
Spanjaard verhuisde mee naar de private stichting, die als doel had een zo breed mogelijk
cultureel aanbod te brengen. De op dat moment
zeventien actieve personeelsleden met in totaal
vierhonderd werkuren per week verloren hun
ambtenarenstatus. De wethouder van cultuur
en de gemeenteraadsleden vertrokken uit het
bestuur. Odeon kreeg nu gemeentelijke subsidie:
in het seizoen 1997-1998 een kleine 2,5 miljoen
gulden, waarvan ruim 1,6 miljoen direct voor
Odeon was bestemd. Het overige bedrag was
voor het Papenstraattheater, de instandhouding
van de Nieuwe Buitensociëteit, voor festivals en
het onderhoudsfonds. Wat in de nieuwe situatie
niet veranderde was de verbouwingswoede. In
de Aloysiusschool kwam de Faculteit Drama
van de Hogeschool voor de Kunsten Constantijn
Huygens (tegenwoordig ArtEZ) die van Kampen
naar Zwolle verhuisde. De oude huurders moesten wijken, evenals de kantoren van Odeon. Die
gingen naar de voormalige dienstwoning. Met de
nieuwe buren werden diverse producties georganiseerd. Vanwege de Arbowet kwam er een
inpandige laad- en losruimte, te bereiken via een
nieuwe poort in het direct naast Odeon gelegen
deel van de Aloysiusschool. De automatische
trekkenwand uit 2005 was ook een gevolg van de
Arbowet.
Koningin Beatrix en
prins Claus met burgemeester Loopstra en
Odeondirecteur Hein
Spanjaard (rechts)
bij de viering van het
150-jarig bestaan
van de schouwburg in
december 1989.
(Foto Frans Paalman,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
Links: De omslag van
de theaterjaarkrant
1989/90 stond in het
teken van het 150-jarig
bestaan van Odeon.
(Collectie Odeon)
Een rij wachtenden
op de Blijmarkt voor
kaartjes voor een voorstelling van Herman
Finkers, april 1990.
(Foto Frans Paalman,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 15 09-12-14 15:57
156 zwols historisch tijdschrift
Odeon De Spiegel theaters
Na de eeuwwisseling besloot de gemeenteraad tot
de bouw van de ‘Grote Podium Accommodatie’
(GPA). Ook werd besloten dat de exploitatie van
het gebouw in handen van Stichting Odeon zou
komen. Eerst kreeg een architect uit België de
opdracht, maar toen er – onder meer van de zijde
van binnenstadbewoners – veel kritiek kwam
voor diens plannen om het Noordereiland te
herinrichten, ging de opdracht voor het nieuwe
theater naar Greiner en Van Goor uit Amsterdam.
In 2005, net voor de oplevering van het nieuwe
theater, nam Hein Spanjaard afscheid van Odeon.
De GPA – inmiddels De Spiegel genoemd – werd
officieel geopend op 30 september 2006. De openingshandeling werd verricht door burgemeester
Henk Jan Meijer en de nieuwe directeur Gijsje van
Honk, in aanwezigheid van onder meer koningin
Beatrix. De Nationale Reisopera, begeleid door
het Orkest van het Oosten, speelde die avond de
opera Manon van Jules Massenet.
De komst van De Spiegel betekende ongeveer een
verdubbeling van het aantal personeelsleden van
Odeon De Spiegel theaters (ODSt). Het Stichtingsbestuur werd in 2007 Raad van Toezicht.
In datzelfde jaar is Odeon weer… verbouwd. De
gemeenteraad had besloten dat de Manegezaal in
handen kwam van Filmtheater Fraterhuis en het
hele gebouw was wel aan een opknapbeurt toe.
Van de Manegezaal werd een filmzaal gemaakt, de
foyer werd opgeknapt en in de Schouwburgzaal
kwamen de kleuren uit 1868 weer terug in het
schilderwerk. Bovendien werd het stoelenplan
aangepast aan de lengte van de gemiddelde bezoeker, waardoor er een paar rijen verdwenen. Eind
2013 nam Gijsje van Honk afscheid van ODSt.
Haar plaats werd in maart 2014 ingenomen door
Margreet Wieringa. In de zomer van 2014 is de
foyer van Odeon in een modern jasje gestoken.
Odeon neemt de horeca weer in eigen hand en
sinds oktober dit jaar is ‘Café Foyé’ dagelijks
geopend van 10.00 uur tot 22.00 uur.
Noten
1. Fragment uit het gezang Odéon van mr. P.R. Feith,
Provinciaal Overijsselsche en Zwolsche Courant
(kortweg: Zwolse Courant), 13 december 1839
2. Eerste strofe uit het gezang Odéon van mr. P.R.
Feith, Zwolse Courant, 13-12 1839
Literatuur (onder meer)
H. Ley, Voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad. De totstandkoming van de schouwburg Odeon te Zwolle 1838-1840
(Zwolle 1986)
J. Hagedoorn, Odeon in het nieuws. 150 jaar Odeon
(Zwolle 1989)
T. de Waal, Historie Odeon. Ongepubliceerd stuk ten
behoeve van de overdracht van het Odeon archief
over de periode 1957 tot en met juni 1998 aan het
Historisch Centrum Overijssel
Het vaste personeel van Odeon in de foyer voor het beeld van Peter van de
Locht, september 1991. Vlnr. zittend: Hein Spanjaard, Coby Gerrits, Karen
White, Jannie Bijker, Walter Bronkhorst. Tweede rij: Adri van Wijhe, Heleen
Gansekoele, Annet Wijnia, Ineke van Unen, Henk Wijnhoff, Jan Klink. Derde
rij: Cees Grafhorst, Dick aan ’t Rot, Hans Lip, Johan Wevers jr., stagiair, Tine de
Waal, Ronald van Kampen en Willem Potjes. (Foto Jan Drost, Redactiearchief
ZC, collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 16 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 157
‘Dat dit gesticht voor Zwoll’ tot Nut
en Sieraad strekt’
De eerste vijf jaar activiteiten in Odéon, 1840-1845 1
In de archieven valt weinig te vinden over wat er zich
zoal in het Odéon-complex afspeelde in de eerste
jaren van bestaan. Maar bij het doornemen van de
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
kom je wel het een en ander te weten. Vooral advertenties voor concerten en toneelvoorstellingen geven
informatie, maar er zijn sporadisch ook vooraankondigingen en verslagen van optredens. Wel geven de
berichten in de krant een beetje een vertekend beeld.
De aandacht gaat vooral uit naar de hoogtepunten
en bijzonderheden. Het ‘gewone’ gebruik, bijvoorbeeld als vergaderruimte voor de vrijmetselaarsloge
Fides Mutua of als plek waar lezingen werden gehouden, komt veel minder vaak naar voren. Toch is het
mogelijk een aardig beeld te schetsen van Odéon in
de eerste vijf jaar van zijn bestaan.
Reizende gezelschappen
Een voor een schouwburg voor de hand liggende
belangrijke activiteit vormen de toneelvoorstellingen. Zij trekken via advertenties in de krant
ook de meeste aandacht. Odéon moest het hebben van de reizende gezelschappen. Dat begon
al direct bij de opening: op 30 december 1839
werd de nieuwe schouwburgzaal ingewijd door
het Théatre Français van mr. Alexandre. Het
gezelschap speelde een ‘expresselijk daartoe vervaardigd stuk’, de dramatische eenakter Le diable
couleur de Rose, gevolgd door de comedie Le mari
de la veuve van Alexandre Dumas. Het gezelschap
van mr. Alexandre, die zelf als ‘premier comique’
verbonden was aan het Théatre Français van de
Koninklijke Schouwburg in Den Haag, speelde al
een paar jaar in Zwolle.2 Het had enige pretentie:
alle advertenties van het gezelschap waren in het
Frans en vol trots meldde men dat er acteurs meespeelden die verbonden waren geweest aan het
Théatre Français in Parijs. Toch bood het Théatre
Français vooral luchtig en afwisselend vermaak.3
En dat was precies wat het Zwolse publiek wenste.
In 1841 kwam mr. Alexandre nog een keer naar
Zwolle, maar daarna verdween hij uit het zicht. De
programmering van het Théatre Français kwam
wel overeen met voorstellingen van andere gezelschappen. Een toneelavond was niet als tegenwoordig gevuld met één stuk. Drie, soms meer
stukken stonden op het programma. Een iets
serieuzer stuk van drie tot vijf bedrijven, voorafgegaan en vaak gevolgd door een blijspel van één
bedrijf met zang, een vaudeville (te vergelijken
met het hedendaagse variété) of iets dergelijks.
En dat dan ook nog afgewisseld met ballet-pantomime, zang, voordracht, etc. Een compleet luchtig
en afwisselend avondvullend programma. Opvallend waren de aanvangstijden: men begon al om 6
uur, of op zijn laatst 6.30 uur.
Er waren twee perioden in het jaar waarin de
toneelvoorstellingen hoogtij vierden. Dat was in
de zomer met de kermisperiode begin augustus
en dat was het winterseizoen: de maanden december tot en met februari. In beide gevallen deden
reizende gezelschappen Zwolle aan. In de eerste
jaren, tot 1843, werd in de kermisperiode genoten
van een gezelschap van acteurs verbonden aan de
Amsterdamse Stads-Schouwburg, een gezelschap
van enige importantie, waarmee ook uitdrukkelijk werd geadverteerd. Hierna kwam een gezelschap dat al bekend was van het winterseizoen:
De Nederlandsche Toneelisten van de heer De
Koning. Klaarblijkelijk mikte men in deze periode
op het wat betere publiek, want er werden geen
kaartjes van de vierde rang verkocht. Aangezien er
op en rond de kermis allerlei ander (toneel)vertier
werd geboden is dit wel voorstelbaar. Odéon bood
dan ook meer dan alleen toneelvoorstellingen.
Op twee avonden was er bal, of zoals dat in 1842
genoemd werd: Vauxhall. De winterperiode was
Frank Inklaar
ZHT4 2014 .indd 17 09-12-14 15:57
158 zwols historisch tijdschrift
vergeven aan verschillende gezelschappen, zoals
voornoemde Nederlandsche Toneelisten, eerst
van de heer Van Velzen, of Het Théatre des Variétés van de heer Hempel. Zij boden een abonnement van 6-15 voorstellingen aan. En nu waren er
wel vier rangen te koop, terwijl speciaal vermeld
werd dat militairen (mits in uniform) voor half
geld toegang hadden. Zowel in de zomer- als in de
winterperiode was het opvallend hoeveel stukken
als nieuw werden aangeprezen. Het waren vrijwel allemaal bewerkingen van Duitse en Franse
stukken, vaak door iemand van het gezelschap
bewerkt. En ook dan was er een avondvullend
programma van meerdere toneelstukken, soms
ernstig, maar vooral blijspelen, afgewisseld met
zang, dans en spektakel.
Muziek
Af en toe was er sprake van een eenmalige
toneelvoorstelling. Het betrof dan vaak een soort
benefietvoorstelling, ten behoeve van arme en/of
behoeftige Zwollenaren. Iets soortgelijks was er
ook in de vorm van concerten. En dat brengt ons
bij de tweede hoofdactiviteit in Odeon: muziek.
Concerten waren er in verschillende soorten.
Anders dan bij de toneelvoorstellingen begonnen
de concerten om 7 uur of later, terwijl de kaartjes
meestal niet per rang werden verkocht. Vaak was
de toegangsprijs voor ‘Heeren’ ƒ 1,50 en voor
‘Dames’ ƒ 1,-. Musici in dienst van de stad, zoals
Friedrich Carl Crönert, of in Zwolle gevestigd,
zoals Jacob Izaak de Jong organiseerden series
soirées musicale op vaste avonden.4 Op deze avonden werden zowel zangstukken als instrumentale
werken uitgevoerd. Soms kwamen solisten de
avond meer glans geven. Tot de lokale muziektraditie hoorden ook de in ieder geval jaarlijkse
uitvoeringen van de plaatselijke zangvereniging
Euterpe. Tevens trad het muziekkorps van de
plaatselijke Schutterij meerdermalen op.
Net als bij de toneelvoorstellingen waren er
veel concerten die werden uitgevoerd door muzikanten op tournee. Van allerlei passeerde Zwolle:
de concertmeester van de koninklijke Hofkapel
in Den Haag, de eerste fluitist van het Hoftheater
in Wenen, een soloviolist en kamermuzikant van
de keizer van Rusland, de eerste hoboïst van de
Hamburger Opera of de harpist van de koning
van België. Ook echte beroemdheden, zoals
zangeres Elisa Meerti (in 1841) of de enige leerling van Paganini, viool-virtuoos Camillo Sivori
(in 1844) bezochten Zwolle als onderdeel van
tournees langs Nederlandse steden. Het eenmalig
optreden werd vanwege het succes gevolgd door
een extra optreden. Speciaal was het optreden in
1840 van veertig ‘chanteurs montagnards’ van het
‘Conservatoire de Musique de Chant, de Bagnères
de Bigorre (Hautes-Pyrenées)’. Een ander hoogtepunt was het groot Wener concert ‘a la Strauss’
met een Weense kapelmeester in 1841.
Feesten en tentoonstellingen
Toneel en muziek vormden ontegenzeggelijk de
‘core business’ van Odéon. Maar er gebeurde nog
veel meer. Met enige regelmaat waren er feesten
en partijen. Bijvoorbeeld een jubileumfeest van
de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in 1840,
of de viering van de verjaardagen van de koning
(Willem II in december en Willem I in augustus).
Bij de viering in augustus werd de tuin van Odéon
gebruikt en waren er fraaie illuminaties. In de tuin
werden wel vaker ’s zomers concerten gegeven
door met name militaire muziekkorpsen. Het
gebouw was ook in trek bij de liefhebbers van de
beeldende kunst. Het genootschap Kunstbeoefening hield jaarlijks in het winterseizoen een aantal
‘kunstbeschouwingen’, lezingen over met name
Nederlandse kunst. Maar daar bleef het niet bij.
Men organiseerde in 1842 en 1844 in de zomermaanden een tentoonstelling in de bovenzaal,
die veel bezoekers trok. Nog veel meer bezoekers
kwamen er in 1840 bij een andere tentoonstelling.5 Odéon en de tegenovergelegen kolfbaan
van de Groote Sociëteit waren van 27 juli tot 22
augustus het toneel van de eerste Overijsselse
tentoonstelling van nijverheid en kunst. Deze
tentoonstelling was een van de eerste in zijn soort
in Nederland. Meer dan 3.000 bezoekers kregen
een waaier aan producten van de Overijsselse nijverheid te zien, vooral van de Twentse textiel. De
Zwolse inzendingen bestonden overwegend uit
luxeproducten. Overigens werden de tentoongestelde piano’s gebruikt voor een concert in de tuin
van Odéon.
ZHT4 2014 .indd 18 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 159
De Zwolse Courant
vormt door de jaren
heen een rijke bron
voor de geschiedenis
van Odeon. Het begon
meteen al bij de opening van de schouwburg in december 1839,
waar de krant uitvoerig
verslag van deed.
(Facsimile-uitgave van
de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche
Courant van 13 december 1839, uitgegeven bij
het 150-jarig bestaan
van Odeon. Particuliere
collectie)
ZHT4 2014 .indd 19 09-12-14 15:57
160 zwols historisch tijdschrift
De combinatie van Odéon en het stimuleren van
economische bedrijvigheid was niet zo vreemd.
Een groot percentage van aandeelhouders in de
vereniging Odéon, was actief in allerlei genootschappen ter bevordering van de economie.6 Die
gezelschappen vergaderden met enige regelmaat
in Odéon, zoals de Overijsselsche Vereeniging
ter Ontwikkeling van Provinciale Welvaart en
de deelnemers in De naamloze maatschappij tot
verbetering van den handelsweg over het Zwolsche Diep, mede door landaanwinning. Zelfs was
Odéon in 1842 en 1843 locatie voor een commerciële onderneming, weliswaar met een kunstzinnige zweem. November bleek de ideale maand
voor het maken van daguerréotype-portretten.
In 1842 nam de heer Meijlink ruim een week van
’s ochtend 10 tot ’s middags 4 uur zitting in een
zaal in Odéon. Hij werd aangeprezen als een goed
daguerréotypeur, die in één minuut portretten
kon maken die in scherpte en gelijkenis niet onder
deden voor de foto’s uit Parijs. En dat ‘slechts’ voor
vier, vijf of zes gulden. Het jaar erop kwam een
echte Fransman, mr. Perin. Ook hij maakte zijn
foto’s in één minuut en ook zijn producten waren
van eminente kwaliteit. In een advertentie meldde
hij nog wel enigszins vilein dat mensen die in
een vorig jaar foto’s van slechte kwaliteit hadden
gekregen, nu bij hem nieuwe konden laten maken
voor de halve prijs… Dat Odéon gelegenheid gaf
om de nieuwste ontwikkelingen in de wetenschap
te zien bleek ook nog uit de gelegenheid die in
1843 aan de heer Coulembier werd gegeven om
zijn ‘achromatische zonnemicroscoop’7 aan het
publiek te tonen.
Zo blijkt dat Odéon zeker de eerste vijf jaren van
bestaan de wens van mr. J.M. van Rhijn, uitgesproken bij de feestelijke opening van het gebouw
op 9 december 1839, heeft waargemaakt:
‘Zoo moge men ook hier, Odéon hooren noemen:
De plaats die steeds de Vreugd, en ’t Schoon’
en ’t Goede trekt
Zoo gaat ’t Odéon wel! – en jaren blijv’ men roemen:
Dat dit gesticht voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad strekt.’
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op de jaargangen 1840 t/m
1844 van de Provinciaal Overijsselsche en Zwolsche
Courant. De titel is een regel uit het gedicht van mr.
J.M. van Rhijn, uitgesproken bij de feestelijke opening van Odeon op 9 december 1839.
2. Zie voor mr. Alexandre ook: Jaap Hagedoorn,
Odeon in het nieuws (Zwolle 1989).
3. Zie bijvoorbeeld: J.H. Furnée, Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijke cultuur in
Den Haag 1850-1890 (Amsterdam 2012) 414.
4. Voor biografische gegevens zie: J.C. Streng, Zwols
biografisch woordenboek. Een draagbaar mausoleum
(Hilversum 2004).
5. Zie Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle (Zwolle
2005) en Gregor Rensen, ‘Een vroege poging tot
handel- en industriebevordering: de eerste Overijsselse tentoonstelling van nijverheid en kunst te
Zwolle (1840), Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1985)
nr. 3, 2-19.
6. Zie ook Henry Ley, Voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad.
De totstandkoming van de schouwburg ODEON te
Zwolle 1838-1840 (Zwolle 1986)
7. Met een zonnemicroscoop konden sinds het midden van de achttiende eeuw microscopische preparaten op de muur geprojecteerd worden, terwijl
achromatisch slaat op een vinding uit het begin
van de negentiende eeuw om door middel van
het gebruik van meerdere lenzen kleurschifting te
voorkomen. Zie http://www.museumboerhaave.nl/
media/uploads/medialibrary/2011/05/kleinkijkerij.
pdf
ZHT4 2014 .indd 20 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 161
Willem van der Veen
Een mensenleven met Odeon
Als journalist, theatercriticus, jurylid, toneelamateur,
schrijver-speler van musicals of gewoon toeschouwer
Nadat de ZHT-redactie mij halverwege 2014 had
gevraagd mijn herinneringen aan het 175-jarige
Odeon op te schrijven, realiseerde ik mij dat het uitgerekend 75 jaar geleden is dat ik voor het eerst het
aloude schouwburgje betrad. Ik besefte ook dat ik
er al die tijd ben blijven komen, 75 jaren achtereen.
Duizenden keren, een mensenleven!
Eerste liefde
In 1939 – zeven jaar jong – stapte ik Odeon voor
het eerst binnen aan de hand van mijn grootvader die me meenam naar een opvoering van een
toneelstuk over Dik Trom. Ik zat toen in de tweede
klas van de lagere school en het moet op een
zaterdag vlak na mijn zevende geboortedag zijn
geweest, want het was ter ere daarvan dat opa mij
op een kindervoorstelling trakteerde. In die tijd
speelden kleine gezelschapjes op zaterdagmiddagen af en toe hun jeugdrepertoire in Odeon.
Nu, na driekwart eeuw, kom ik af en toe nog
als toeschouwer in Odeon, maar het aantal bezoeken staat in geen verhouding meer tot de keren
dat ik er in een tijdsbestek van royaal veertig
jaar wekelijks, soms zelfs dagelijks, de drempel
passeerde. Ik zat dan in de zaal voorstellingen te
bekijken als recensent voor de krant, kwam er
op andere tijden als verslaggever voor interviewtjes, stond er op de planken in amateurtoneel of
revues, besprak met de directeur plannen voor
musicals of andere programma’s die ik zou schrijven en waarin ik ook mee zou spelen, stond daarvoor vele avonden te repeteren in allerlei Odeonruimten, maakte afspraken met de technische staf
achter het toneel, fungeerde bij gelegenheden als
jurylid bij toneel-, cabaret- of jazzconcoursen, en
stond tenslotte ook nog vele tientallen malen op
de planken voor uitverkochte zalen in mijn eigen
musicals. De controleurs bij de ingang van de zaal
(vaak ras-Zwollenaren) zeiden weleens tegen me:
‘Ie kunt oew bedde ier wel neerzett‘n.’
Mijn hechte band met Odeon leidde er zelfs
toe dat ik vele jaren een vaste plaats in de stalles
bezette – op het hoekje rechts van rij 10 – en dat
ik ook nog opzij van de garderobe een vaste haak
voor mijn overjas tot mijn beschikking had om na
afloop van de voorstellingen zo snel mogelijk zaal
en theater te kunnen verlaten. Mijn stukje moest
immers de volgende dag al in de krant staan.
Enfin, het begon dus allemaal op een zaterdagmiddag in 1939 in diezelfde zaal die toen honderd
jaar bestond. Opa en ik zaten in het grote, hellende
middenstuk dat de stalles wordt genoemd. Eerlijk
gezegd beviel Troms toneelstuk mij minder dan de
boeken over Dik die ik, de leeskunst net machtig,
had verslonden. Het dikke, soms ondeugende,
soms brave kereltje, waarmee schrijver-onderwijzer C. Joh. Kievit in 1891 begonnen was de
Nederlandse jeugd te amuseren, kon ik toen maar
De aloude bonbonnièrezaal van Odeon
na de verbouwing van
1986. (Collectie auteur)
ZHT4 2014 .indd 21 09-12-14 15:57
162 zwols historisch tijdschrift
moeilijk herkennen in het bonkige, in mijn ogen
veel te oude, personage dat het toneel betrad. Eerlijk gezegd maakte de entourage van die eerbiedwaardige zaal op mij heel wat méér indruk dan het
toneelspel. Aan weerszijden van de stalles, waar
wij zaten, bevonden zich afgeschutte ruimten die
een beetje leken op de bedstees die ik weleens in
ouderwetse huizen had gezien. Mijn opa zei dat ze
‘zijbaignoires’ heetten, maar zo’n moeilijk woord
kende ik toen nog niet. Volgens hem waren ze
bestemd voor paren of kleine gezelschapjes die
zich een beetje van het overige publiek wilden
afzonderen. Bij Odeons verbouwing aan het einde
van de jaren vijftig van de twintigste eeuw zijn die
zijbaignoires afgebroken, evenals de loges achter
in de zaal. De stoelen daarin dienden als een extra
(dure) rang, waar de ‘Zwolse chic’ gescheiden kon
zitten van de gewonere burger. Ja, het was toen
een maatschappij van rangen en standen. De verwijdering van al die aparte zitjes leek een terechte
ingreep, al ging deze wel een beetje ten koste van
Odeons aloude bonbonnièresfeer.
Tijdens die middag met opa was ik, rondkijkend in de zaal, ook vol ontzag voor de balkons
die boven mij uittorenden. Daar had ik eigenlijk
liever willen zitten dan in die stalles. En dan nog
het liefst op het hoogste balkon, al wist ik toen nog
niet dat het daar in de volksmond ‘het schellinkje’
of ‘de engelenbak’ werd genoemd en dat zich daar
juist de goedkoopste en ongemakkelijkste plaatsen bevonden.
Die oude knusse zaal met zijn vloeiende lijnen, het toneel in stijlvolle omlijsting, de smalle
orkestbak en het mooie plafond heeft toen een
onuitwisbare indruk op mij achtergelaten. Ze is in
de 75 jaren die volgden vele malen verbouwd, veranderd, aangepast aan andere tijden en behoeften.
Niet altijd ten goede. Maar de voorname Victoriaanse sfeer heeft haar nooit helemaal verlaten. In
later jaren bezocht ik heel wat indrukwekkender
theaters, maar Odeon behield voor mij altijd de
glans van een eerste liefde.
Donkere tijd
Vier jaar later – ’t was inmiddels al diep in de oorlog – kwam ik opnieuw in Odeon en zelfs op het
toneel van de schouwburgzaal. Dat had te maken
met het feit dat ik inmiddels bij juffrouw Brinkman in de solfègeklas zat. Mijn ouders vonden dat
ik muzieknoten moest leren. Mies Brinkman, een
moederlijk ogende vrouw die ook zangles gaf en
koren leidde, vierde toen haar 25-jarig jubileum
als lerares aan de Stedelijke Zwolse Muziekschool
in de Bloemendalstraat, vlakbij Odeon. Zij wilde
bij die gelegenheid iets bijzonders aanpakken en
kreeg het voor elkaar om de donkere oorlogswinter van 1943-1944 in Zwolle op te fleuren met een
complete uitvoering van de door haar geleide opera Martha van Friedrich von Flotow. Amateurs
konden zich muzikaal geen buil vallen aan dit niet
al te moeilijke, melodieuze werk. Maar toch, de
onderneming van Mies Brinkman was een verbazend waagstuk. Vooral door de bedroevende
omstandigheden tegen het einde van de oorlog, in
een tijd waarin het eigenlijk aan alles ontbrak.
Solisten, koorzangers en muzikanten moesten van overal opgetrommeld worden. Er werd
gefluisterd dat er in het orkest onderduikers
meespeelden die gevaar liepen door de Duitsers
gevangen genomen te worden. De aankleding
(zetstukken, kostuums en dergelijke) werd in
elkaar geknutseld met middelen die zo diep in de
oorlog slechts zeer bescheiden konden zijn. Het
zag er nog aardig professioneel uit, wat te danken
was aan enkele muziekminnende Zwollenaren
die een vrachtauto wisten te charteren en daarDe solfègeklas van
juffrouw Brinkman
omstreeks 1938.
(Collectie Gerrit Banck)
ZHT4 2014 .indd 22 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 163
mee vanuit een Amsterdams magazijn een lading
decorstukken naar Zwolle transporteerden. Was
er dan nog begin 1944 benzine te krijgen? Welnee,
het vehikel reed op houtstook door middel van
een generator, een hoge, smalle kachel die opzij
van de cabine was bevestigd. Een ritje van een uur
of vier onder dreigende omstandigheden – Duitse
controles, gevaar voor vliegtuiggeschut – over
slechte wegen met inbegrip van de oude Zuiderzeestraatweg. Een tocht door al die dorpen heen.
Van een A28 was nog geen sprake. Maar het lukte
de vracht veilig in Odeon te krijgen.
Mijn aandeel aan de voorstelling was zeer
bescheiden, maar, dacht ik bij mezelf: ‘Ik sta hier
toch maar mooi op het toneel.’ Dat gebeurde op
mijn twaalfde, als lid van een kinderkoortje dat
Mies Brinkman uit haar solfège-leerlingen had
samengesteld.
Jacques Afman
Drie jaar later was ik als een net vijftien jaar
geworden gymnasiastje alweer op het podium
van Odeon te vinden. In de strenge winter van
1947 – na de oorlog, maar nog steeds in een tijd
van gebrek aan alles, vooral brandstof – speelde
ik tijdens de zogeheten ‘grote avond’ van de
Zwolse Gymnasiastenbond mee in het meer dan
tweeduizend jaar oude stuk Miles Gloriosus (de
snoevende krijgsman) van de Romeinse blijspelschrijver Plautus. Ik vond het een leuk rolletje, een
ondeugend slaafje met een kort rokje en windsels
om de benen, maar de opdracht in de tekst om op
een gegeven moment in een lachbui los te barsten,
bezorgde me ernstige hoofdbrekens. Tijdens de
repetities slaagde ik er namelijk niet in het gelach
ook maar een beetje geloofwaardig en ontspannen uit mijn keel te laten zwellen. Ik liet meer een
krampachtig gehinnik horen. Toen bedacht de
fantasierijke regisseur er voor die scène maar iets
op dat mij beter lag. Die regisseur heette Jacques
Afman en had in dat jaar voor het eerst de spelleiding van de acterende gymnasiasten in handen.
Een karwei dat hij daarna twintig jaren achtereen
tot een geslaagd einde bracht.
Met hem ben ik nu meteen beland bij de man
die jarenlang ook een belangrijke hand in de culturele programma’s van Odeon had. Afman werd
kort na de oorlog secretaris-penningmeester van
de Zwolse Kunstkring en nam de taak op zich om
voor de vele honderden leden een toneelrepertoire in Odeon samen te stellen. Hij had de kennis,
de smaak en de contacten in de toneelwereld om
daarvoor te kunnen zorgen en bedacht abonneMies Brinkman (midden) was de initiatiefneemster en dirigente
van de operavoorstelling die in het diepst
van de oorlog in
Odeon onder moeilijke
omstandigheden werd
opgevoerd. (Collectie
auteur)
Jacques Afman bepaalde in de jaren vijftig
het toneelrepertoire in
Odeon. Tekening door
Teun van der Veen
(Particuliere collectie)
ZHT4 2014 .indd 23 09-12-14 15:57
164 zwols historisch tijdschrift
mentsseries, waarin de beste gezelschappen van
destijds in Zwolle konden optreden. De toneelstukken werden vrijwel altijd in een reeks van drie
dagen achter elkaar in Odeon gespeeld, wat met
zich meebracht dat een deel van de cast regelmatig
in hotel Wientjes bleef overnachten. De afstand
tussen Zwolle en de meeste thuishavens van de
gezelschappen, Amsterdam, Den Haag of Rotterdam, kostte toen immers heel wat meer reistijd
dan tegenwoordig. Het gevolg was dat er in de
tussenliggende dagen vaak bekende acteurs in de
Zwolse binnenstad werden gesignaleerd.
Jacques Afman was dan in zijn element. Hij
kende heel wat befaamde toneelspelers persoonlijk en ging vriendschappelijk met ze om. Daarbij
was hij gaarne bereid die innige connecties met
de sterren van toen ook aan zijn Zwolse stadgenoten uit te dragen. Als hij in de pauzes van de
voorstellingen in de Odeon-foyer, zo luid dat alle
omstanders ervan mee konden genieten, verhaalde van zijn intieme relaties met de beroemdheden, hoorde je bijvoorbeeld: ‘Ko kwam laatst
nog even bij me langs’ of ‘Toen ik Mary belde, zei
ze: Jacques, ik heb er zin in naar Zwolle te komen.’
Je moest dan moeite doen om Afman serieus te
nemen. Dan klonk zijn karakteristieke toneelstem
– als een grote bronzen klok met haarscheurtjes
– luid door de Odeon-foyer. ‘Wat een kapsones’,
dacht je dan. Maar als je hem beter leerde kennen,
merkte je al gauw dat dit gedrag een gemakkelijk
te verpulveren façade was. Dan brak zijn hartelijkheid door en kreeg je steeds meer respect voor zijn
toneelkennis en artistieke opvattingen.
Sterren naar Zwolle
In de eerste helft van de twintigste eeuw had men
in Zwolle niet of nauwelijks kunnen genieten van
het beste Nederlandse beroepstoneel. Het Odeontheatertje lag toen ver buiten het gezichtsveld van
de grote gezelschappen in het westen des lands.
Maar na de Tweede Wereldoorlog keurden zij
de Overijsselse hoofdstad ineens wel een bezoek
waardig. Ze moesten wel. Er kwam immers een
landelijke toneelspreiding die de vooraanstaande
artiesten van destijds verplichtte in de autobus te
stappen om hun kunst op vele plaatsen te laten
zien. Maar Afman zorgde er voor dat het neusje
van de zalm – Ko van Dijk, Mary Dresselhuys,
Paul Steenbergen, Ank van der Moer, Han Bentz
van den Berg, Guus Hermus, Caro van Eyk,
Andrea Domburg, Ellen Vogel – regelmatig op het
nauwelijks zeven meter brede podium van Odeon
te zien was.
‘Mijn toneel is niet breder dan een voetbaldoel’, zei de latere directeur Jan Bakker rond 1970
in een kranteninterview. En hij toonde dat op de
bijgaande foto met zijn hele gestalte aan. Het zou
nog tot halverwege de jaren tachtig duren, voordat er een meter aan elke kant van het podium
bijkwam. Vaak was het immers passen en meten
om de decors in de enge ruimte te persen en even
vaak moesten er decorstukken in de vrachtwagens
van de gezelschappen achterblijven. Deze waren
immers berekend op de veel royalere bühnes
van de theaters in de Randstad. Maar het Zwolse
publiek kreeg toen wél de gelegenheid om vele
hoogtepunten van het nationale toneelrepertoire
uit die na-oorlogse tijd in zijn eigen bonbonnière
mee te beleven.
Hausse in amateurtoneel
Als ik het over Jacques Afman heb, denk ik ook
aan de hausse van amateurtoneel die na de bevrijding in Zwolle losbrak. Nadat ze zich in de oorlogsjaren koest hadden moeten houden, kregen
vele Zwollenaren plotseling een onweerstaanbare
drang om zich op een podium te uiten en met
elkaar – niet minder voor de gezelligheid dan uit
liefde voor de dramatische kunst – voorstellingen
in elkaar te timmeren. In het eerste decennium na
de oorlog gaven jaarlijks wel zeven of acht nieuwe
toneelverenigingen en daarnaast nog ettelijke personeelsclubs van bedrijven hun voorstellingen in
de oude zaal.
Bekende artiesten
Aan de kassa van Odeon verscheen een man die geïnteresseerd was in de
voorstelling ‘Spelenderwijs’. ‘Wie spelen daar in mee?’, vroeg hij aan de cassière. Zij antwoordde dat Mary Dresselhuys, Guus Hermus en Henk van
Ulsen de hoofdrollen vertolkten. Waarop de man antwoordde: ‘Oh, doen er
geen bekende artiesten mee?’
ZHT4 2014 .indd 24 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 165
Aan de plaatselijke top van het amateurtoneel
stond destijds de Zwolse Rederijkerskamer die
zich al sinds de jaren twintig met het predicaat
‘Koninklijk’ mocht tooien. Deze groep toneelminnaars dreef voor een niet gering deel op het talent
van – jawel, daar is hij alweer – Jacques Afman.
Hij ontplooide zich daar als karakterspeler, maar
bovendien als bezielend regisseur.
Vlak na de oorlog stond ik vier jaar achtereen
onder zijn leiding op het podium van Odeon
tijdens de toneelavonden van de Zwolse Gymnasiastenbond. Is het een wonder dat ik het als een
grote eer beschouwde toen hij mij niet lang daarna vroeg om bij de grote Rederijkers te komen
spelen? Zo bleef mijn band met Odeon ook in de
jaren vijftig hecht met deelname aan toneelstukken en tussendoortjes in jaarlijkse revue’s van de
personeelsvereniging van mijn werkgever Tijl,
uitgever van de Zwolse Courant. Ik denk nog vaak
aan die oude, allang verdwenen kleedkamers
onder het toneel, waar je gespannen zat te wachten
op je beurt om je in het toneelspel te mengen en
waar je de spelers, die ‘op’ waren, boven je hoofd
letterlijk ‘op de planken’ kon horen klossen.
Die legendarische Rederijkers, met hun ijzeren
traditie van de jaarlijkse Nieuwjaarsvoorstelling
(met bal na in de concertzaal) zijn ruim een halve
eeuw vergroeid geweest met Odeon, totdat zij eind
jaren zestig letterlijk van het toneel werden geblazen door de moloch van het nieuwe vermaak, de
televisie, waardoor de Zwollenaren ’s avonds niet
meer uit hun huizen waren te branden.
Na hun oprichting in 1894 hadden de Rederijkers in Zwolle zoveel animo en talent los gewoeld
dat er in de eerste dertig jaar van hun bestaan
maar liefst negentig stukken werden opgevoerd.
Drie per jaar..! Voor amateurs ongekend. In de
toen gebruikelijke toneelwedstrijden overal in het
land – tot in Mechelen en Antwerpen toe – sleepten ze vijftig prijzen in de wacht. Wanneer het
gezelschap na zo’n succesvolle reis terugkeerde,
werd het op het Stationsplein door honderden
enthousiaste Zwollenaren opgewacht en in triomftocht per rijtuigen of een versierde landauer
door de stad geleid, waarna ze vervolgens in Odeon of in hotel De Doelen op de Melkmarkt werden
gefêteerd.
De Koninklijke Rederijkerskamer Zwolle (kortweg de Rederijkers) heeft vele
jaren een belangrijke rol gespeeld in het toneelrepertoire van Odeon. Hier de
toneelvereniging in 1938 met het toen gevierde echtpaar Jacques en Bep Afman,
zittend eerste en derde van rechts. (Collectie auteur)
De Rederijkers in 1952, met staand vlnr. Karel Nijland, Jenny Diersmann, Jan
de Leeuw en Jo Jansen. Zittend vlnr. Anna van Geuns, Arend Heuvink, onbekend, onbekend, Frits Beunk. (Collectie auteur)
ZHT4 2014 .indd 25 09-12-14 15:57
166 zwols historisch tijdschrift
In de Odeonkleedkamers werden goede zeden
streng bewaakt
Tegenwoordig zou men het zich nauwelijks nog voor kunnen
stellen dat er ’s avonds rond zeven uur een politierechercheur
de schouwburg betreedt, vervolgens zonder te vragen doorloopt
naar de kleedkamers achter het toneel en alle deuren opent om
te kijken of zich vóór aanvang van de voorstelling ook artiesten
van beiderlei kunne (!) in één en dezelfde ruimte bevinden.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw was dat in Odeon nog
de gewoonste zaak van de wereld. Het is voorgekomen dat een
alom bekende actrice uit die dagen, die even een praatje in de
kleedkamer van twee mannelijke collega’s kwam maken, op
strenge toon werd bevolen zich ogenblikkelijk te verwijderen.
De toneeldiva reageerde furieus op dit vertoon van de sterke
arm, maar de dienaar der wet vertrok geen spier van zijn
gelaat, pakte de briesende dame bij de arm, zette haar de deur
uit en vervolgde zijn ronde langs andere mogelijke haarden van
‘zedenbederf’. Men zou zich warempel kunnen voorstellen dat
hij zijn spiedende blik op kleerhaken richtte, teneinde herenpantalons of misschien zelfs wel onderbroeken (!) in de nabijheid van jurken of négligé’s te kunnen betrappen.
Misschien was het hem wel verteld dat er eens een babytruitje
uit zo’n verbintenis was geboren. Een herhaling daarvan moest
in het preutse Zwolle van die tijd kost wat kost worden voorkomen.
Ook de brandweer hield streng in de gaten wat er zich allemaal
in Odeon afspeelde. In de jaren zeventig waren bij elke voorstelling nog één of twee brandweermannen aanwezig. Het lag
aan de populariteit van de artiesten hoeveel vuurbestrijders er
kwamen… Toeschouwers op de zijbalkons konden ze daar tussen de coulissen zien zitten met een emmer vol water tussen de
knieën. Vooral acteurs die ter realistische verlevendiging van de
scène een sigaretje opstaken, werden nauwlettend in d

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2015, Aflevering 4

Door | 2015, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwolle in de
jaren zestig
‘Beeldenstorm’
32e jaargang 2015 nummer 4 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift ZHT4 2015 .indd 1 15-12-15 12:29
Suikerhistorie
De Buitensociëteit
In 1802 werd in Zwolle de Groote Sociëteit opgericht als een deftige gezelligheidsvereniging voor
de elite van Zwolle. Zij bestaat nog steeds – zij
het minder elitair – en zetelt in de Koestraat.
Omdat middenstanders van deze sociëteit geen
lid konden worden, richtten zij rond 1875 een
eigen vereniging op. Zij lieten een pand bouwen
op de hoek van de Westerlaan en de Stationsweg
en gaven daaraan de naam De Buitensociëteit,
omdat het ver (!) buiten het stadscentrum lag. Op
24 juni 1877 werd het gebouw officieel in gebruik
genomen.
Naast het sociëteitsgebouw verrees in 1890 een
grote zaal waar concerten werden gegeven. In die
zaal kon ruim 1200 man terecht. Later diende het
ook als bioscoop en evenementenzaal. Het was
de Vereniging De Buitensociëteit die het beheer
van de Buitensociëteit voerde. Dit duurde tot het
midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw.
Toen werd het complex verkocht aan een projectontwikkelaar, met uitzondering van het oorspronkelijke sociëteitsgebouw, inmiddels omgedoopt
tot witte villa, waar leden van de sociëteit elkaar al
140 jaar treffen en waarvan de ingang verscholen
ligt aan de Stationsweg.
De rest van het complex werd ingrijpend verbouwd. Er verrees een groots, imposant en multifunctioneel gebouw, geschikt voor congressen en
feesten. Bij de opening op 6 september 1991 kreeg
het de naam De Nieuwe Buitensociëteit, tegenwoordig het Regardz Event Center De Nieuwe
Buitensociëteit genaamd. Wavin kreeg er zijn
hoofdkantoor. De bioscoop in het complex legde
het loodje. Op 30 augustus 2009 werd er de laatste
film gedraaid.
138 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Het complex van de Nieuwe Buitensociëteit, anno 2015. Geheel links het restant
van de oude gevel. (Foto Elske Bootsma)
ZHT4 2015 .indd 2 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 139
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 138
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 13: Een strange effect
(juli-december 1965) Jan van de Wetering 140
Archiveren in de digitale tijd
Een interview met Bert de Vries,
de vertrekkende directeur van het HCO
Annèt Bootsma – van Hulten en
Jan van de Wetering 153
Een oude ‘eerste steen’ uit Assendorp
in Gorssel Kees Canters 160
Gerrit Hendrik Johannes Tervoert (1877-1967)
Een leven lang veearts in Zwolle
Siem van der Weerd 166
Leven in twee werelden: van de Egeïsche Zee
naar de Noordzee Wim Coster 177
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 9: ‘De Zwolse’ sloeg in de jaren
vijftig haar vleugels uit Willem van der Veen 184
Recent verschenen 189
In memoriam Ben Kam, 1924-2015
Annèt Bootsma – van Hulten 191
Mededelingen / Auteurs 192
Redactioneel
Kortgeleden vond in het Historisch Centrum Overijssel de Zwolle Quiz plaats. De
Zwolse Historische Vereniging was een van
de medeorganisatoren. Dit heeft de redactie geïnspireerd tot de volgende quizvraag: wat hebben
een Turks-Zwolse kapper, een Zwolse veearts, een
Zwolse journalist in Kampen, een directeur die uit
Zwolle vertrekt, een popster die Zwolle bezoekt en
een eerste steen uit Zwolle met elkaar te maken?
Het antwoord is makkelijk: ze staan allemaal in dit
nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift.
De vertrekkende directeur is natuurlijk Bert
de Vries van het HCO. In een interview kijkt hij
terug op zijn acht ‘Zwolse’ jaren. De bezoekende
popster is Dave Berry die in 1965 de platenwinkel
‘de Artist’ in de Luttekestraat kwam openen tot
groot enthousiasme van de Zwolse jeugd. Dave
Berry speelt een belangrijke rol in het verhaal van
Jan van de Wetering over Zwolle in de tweede helft
van 1965. Hij heeft hiervoor geput uit de Zwolse
Courant. Daar werkte de Zwolse journalist die in
de jaren vijftig in Kampen werd gestationeerd,
Willem van der Veen. Hij schreef aflevering negen
van de geschiedenis van deze krant.
Hebben we nog een Turks-Zwolse kapper en
een Zwolse veearts. De kapper is Erdinç Kurnaz
van Merci Haarmode aan de Schuttevaerkade.
Wim Coster heeft zijn levensverhaal opgetekend.
De veearts, maar ook oprichter van de Zwollmij,
betrokkene bij de Grontmij en nog veel meer is
Gerrit Tervoert. Hij is geportretteerd door Siem
van der Weerd. Als laatste is er nog de eerste steen.
Deze werd gevonden door Kees Canters. De steen
bleek afkomstig uit een schuurtje bij de lijnbaan
van de touwslagerij die tot in de jaren zestig van de
vorige eeuw langs de Van Karnebeekstraat lag. Coverfoto: ‘Beeldenstorm’ in Zwolle, augustus 1965.
De sloop van de Michaëlskerk in beeld.
(Foto Henneke, collectie HCO)
ZHT4 2015 .indd 3 15-12-15 12:29
140 zwols historisch tijdschrift
Jan van de Wetering (68) verplaatst zich vijftig jaar
terug in de tijd. Hij laat zich verrassen door wat hij
in de kolommen van de Zwolse Courant tegenkomt
over de stad van zijn jeugd. In 1965 was hij – op
gepaste afstand – getuige van de in deze aflevering
beschreven gebeurtenissen. Juist dat jaar werd het
onrustig in het land, maar dan vooral in Amsterdam. Provo’s begonnen met hun protesten tegen de
gevestigde de orde, tegen machthebbers en vastgeroeste instituties.
In de haarvaten van de samenleving, vooral
onder jongeren, sluimerde de wens zich te roeren,
deel te nemen, en dat kon alle vormen aannemen,
van enthousiasme tot destructie. Dat gebeurde het
eerst in de grote steden. Maar hoe reageerden de
Zwollenaren op vier in het oog springende gebeurtenissen in het najaar van 1965: het bezoek van prinses Beatrix en haar verloofde Claus von Amsberg ,
de opening van een grammofoonplatenwinkel, de
sloop van een aloude kerk en de plannen om een
deel van de stadsgracht te dempen?
Ach Zwolle. Het lijkt wel of de stad er eer
in stelt onzichtbaar te zijn. Vroeger meer
dan tegenwoordig. Het leven mocht er
dan niet opwindend zijn, het had menselijke maat
en dat moest altijd maar zo blijven. Het woord
‘provinciaal’ valt al snel als over Zwolle gesproken
wordt, maar die kwalificatie kan zowel negatief als
positief worden uitgelegd. Zwolle was in de jaren
zestig niet de enige stad waar het provincialisme
hoogtij vierde. Er gebeurde wel eens wat, zoals in
Leeuwarden, waar de politie in 1965 stevig inhakte op een bende nozems, maar overwegend ging
het leven in de kleinere steden en op het platteland
zijn gang van alle dag.
Heel anders ging het eraan toe in Amsterdam,
waar sinds 1964 Robert Jasper Grootveld op het
Spui bij het beeld het Lieverdje iedere zaterdag
happenings hield. Die bijeenkomsten waren
provocerend bedoeld en de deelnemers werden
al gauw provo’s genoemd, naar een term van de
Groningse criminoloog Wouter Buikhuizen. Hij
betoogde dat nozems alleen provoceerden om de
verveling te bedrijven, terwijl provo’s puur om het
provoceren provoceerden.1
In mei 1965 werd in Amsterdam het maandblad Provo opgericht door onder andere Roel van
Duijn, Rob Stolk en Luud Schimmelpennink. De
doelstellingen waren kras: ‘Provo heeft iets tegen
kapitalisme, kommunisme, fascisme, burokratie,
militairisme, snobisme, professionalisme, dogmatisme en autoritairisme. Provo voelt zich voor de
keus gesteld: desperaat verzet of lijdzame ondergang. Provo roept op tot verzet waar het kan.’
Vanaf dat moment waren de happenings minder
onschuldig: de provo’s ageerden met ludieke acties
en demonstraties tegen de gevestigde orde.
Het woord ‘ludiek’ werd in 1938 door historicus Johan Huizinga geïntroduceerd in zijn boek
Homo Ludens (de spelende mens). De provo’s
namen het over voor hun acties en in korte tijd
werd het woord te pas en te onpas gebruikt voor
alles wat bewust afweek van ‘het normale’.2
Misschien was de geest wel in de fles gebleven
als er niet een gebeurtenis was geweest die niet
alleen de aandacht trok van de Amsterdamse
provo’s, maar ook van het grote publiek overal in
het land. Op 28 juni 1965 stelde prinses Beatrix
op de televisie haar verloofde Claus von Amsberg
voor. Ondanks de verklaring van dr. Loe de Jong
van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie
dat Claus weinig of niets te verwijten viel, wonden
velen zich erover op dat hij in de laatste maanden
van de oorlog toegetreden was tot de Wehrmacht.
De Tweede Wereldoorlog was nog maar twintig
jaar geleden. De provo’s grepen het voorgenomen
huwelijk aan tot het mobiliseren van (relatief
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 13: Een strange effect (juli-december 1965)
Jan van de Wetering
ZHT4 2015 .indd 4 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 141
vreedzaam) verzet. In plaats van ‘Oranje boven’,
zongen ze ‘Worteltje boven’ en ‘Leve de Republiek’.
Het leidde tot stevige botsingen tussen politie
en provo’s. Buiten Amsterdam bleef het redelijk
rustig.
Hoog bezoek
In de maanden na de bekendmaking van de verloving stelde prinses Beatrix haar verloofde voor
aan de bestuurders en inwoners van de grote
steden en de provincies. Zoals verwacht leverde
dat vooral in Amsterdam problemen op. Provo
verspreidde pamfletten met de oproep ‘Amsterdammers blijf vandaag thuis’ en op de dag van
het bezoek (3 juli) waren spandoeken met beledigende teksten te zien. Ook enkele dagen later in
Rotterdam waren protesten te horen, maar de ontvangst was er vriendelijker dan in de hoofdstad.
In september bezocht het paar de noordelijke
provincies. Tijdens de ontvangsten in Groningen,
Leeuwarden en Assen gedroeg het publiek zich
allerhartelijkst.
Wat gebeurde er nog meer in de tweede helft van 1965?
– In juli en augustus deed de NAM proefboringen bij Wijthmen
om te kijken of er ook gas of olie in de bodem zat. Het liep op
niets uit.24
– In augustus kregen vele winkeliers in de binnenstad een aanzegging van het gemeentebestuur om ontsierende reclames aan
de gevels weg te laten halen. De reclame van de Artist kon wél
door de beugel.25
– Op 9 augustus ging op het Rode Torenplein de achtste ‘Ronde
van Zwolle’ van start. Er deden dit keer honderddertig rennertjes in de leeftijd van elf tot veertien jaar mee.26
– Voor 1.500 gulden per jaar konden jonge kunstenaars een vrijgekomen ruimte in de Emmanuëlshuizen aan de Praubstraat
huren. B en W was van mening dat de pas opgerichte stichting
met bescheiden financiële middelen het artistieke en culturele
klimaat in Zwolle aanmerkelijk kon verbeteren.27
– De opnames voor de allerlaatste uitzending van het populaire
tienerprogramma Top of Flop van de Vara vonden op 10 augustus in de Zwolse Buitensociëteit plaats. In samenwerking met de
Amsterdamse krant Het Parool had de NS een Duitse trein met
twee ‘rijdende dansvloeren’ vanuit de hoofdstad naar Zwolle
laten rijden. Slechts tweehonderd liefhebbers maakten van dit
aanbod gebruik. Volgens de verslaggever overtroffen de Zwolse
jongeren de Amsterdammers verre, zowel in aantal als in het
produceren van lawaai.28
– Op 10 augustus werd na anderhalf jaar bouwen het bereiken
van de hoogste punt van ziekenhuis de Weezenlanden gevierd.29
– Het beeld Adam van Rodin werd in november van de hal
van het stadhuis verplaatst naar de rotonde midden op de
Grote Markt. Officieel gezien was dit pleintje voor het publiek
onbereikbaar omdat er geen oversteekplaatsen waren, aldus de
Zwolse Courant.30
Adam wordt verplaatst, november 1965. (Collectie HCO)
Adam op de rotonde op de Grote Markt, omstreeks 1970.
(Foto Ben Kam)
ZHT4 2015 .indd 5 15-12-15 12:29
142 zwols historisch tijdschrift
Op 9 september was Zwolle aan de beurt. De
verwachtingen waren niet hoog gespannen. Voor
alle zekerheid waren de leerlingen van 56 Zwolse
scholen opgetrommeld om het paar toe te juichen.
De gemeente leverde 13.000 vlaggetjes. Hoe zou
de ontvangst zijn, na de landelijke commotie over
het voorgenomen huwelijk? Zwolle was geen
Amsterdam, maar toch… Enige voorzichtigheid
was geboden, naar het oordeel van het college van
B en W: ‘De afzetting van de politie zal soepel zijn,
in de verwachting dat het publiek de juiste houding zal weten.’
’s Morgens vroeg om kwart over negen werd het
paar bij de IJsselbrug opgewacht en in een zwarte
Rolls Royce naar het Provinciehuis in de Diezerstraat gereden. Omdat de rondrit door de stad
pas ’s middags zou plaatsvinden, werd er weinig
publiek langs de route verwacht. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde. ‘Beatrix en Claus
met chaotische geestdrift begroet’, kopte de Zwolse
Courant. Dat was nog voorzichtig uitgedrukt:
vanaf de Veerallee stond het publiek rijen dik.
De auto kwam al snel vast te zitten tussen het
publiek, zodat de rit tussen IJsselbrug en Provinciehuis meer dan een uur in beslag nam. De mensen stoven op de auto af en wierpen met bloemen,
confetti en serpentines. Het regende zelfs dozen
bonbons, zakjes Zwolse balletjes en cosmetische
artikelen. Bij het Provinciehuis was de massa
niet meer te houden door de politie; er ontstond
gedrang, mensen kwamen te vallen, kinderen
begonnen te huilen. ‘Vreselijk’, liet Beatrix zich
ontvallen.
Nadat het paar had kennisgemaakt met de
bestuurders van stad en provincie, en als aandenken een zilveren Peperbus had ontvangen, kon
veel later dan gepland de rondrit door de stad
beginnen. Ook hier weer een combinatie van
uitzinnig enthousiasme en gedrang. In de Diezerstraat stond het winkelpersoneel tot op de daken.
Inmiddels had de politie vijf potige agenten ingezet om het publiek in bedwang te houden. Beatrix
was er na afloop beduusd van: ‘We dachten naar
een rustige provincie te gaan, maar het is wel heel
anders gelopen.’
Prins Claus zwaait
naar het personeel van
winkels in de Diezerstraat, die uit de ramen
hingen en op de daken
stonden. Foto in de
Zwolse Courant van
9 september 1965.
Voorpaginanieuws op
9 september 1965.
ZHT4 2015 .indd 6 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 143
Afgezien van de chaotische taferelen, was
duidelijk dat de Zwolle het jonge paar massaal
een warm hart toedroeg. Gold dat voor alle Zwollenaren? In de krant was één stevig tegengeluid te
lezen. W.H.P. Meijer schreef diezelfde dag nog een
brief aan de redactie waarin hij zijn afkeur kenbaar maakte over de ‘gedwongen’ deelname van
de Zwolse schoolkinderen aan de intocht: ‘Ik wil
niemand het recht ontzeggen om twintig jaar na
de ergste misdaad uit de geschiedenis der mensheid een lid van de voormalige nazi-weermacht,
die op het punt staat tot Prins der Nederlanden te
worden verheven, toe te juichen. Maar ik ontzeg
de plaatselijke overheid wel het recht ook de kinderen van de “bezwaarden” te betrekken in een
“spontane” huldiging, zonder dat de ouders eerst
om toestemming wordt gevraagd.’ Bij dit kritische
tegengeluid zou het blijven (althans in de krant).3
Een veldslag in de Luttekestraat
You’ve got this strange effect on me,
And I like it.
You’ve got this strange effect on me,
And I like it.
You make this world seem right,
You make my darkness bright, yes,
You’ve got this strange effect on me,
And I like it, and I like it.
Deze, door het Britse popidool Dave Berry lijzig
gezongen tekst, was in de herfst van 1965 een
onvervalste hit. This strange effect verdrong in
oktober en november drie weken lang I can’t get
no satisfaction van de Rolling Stones en Yesterday
van de Beatles van de eerste plaats op de Nederlandse hitparade. Het was een ware stunt van
grammofoonplatenwinkel de Artist om deze sympathiek ogende jongeman, met Beatlekapsel, naar
Zwolle te halen om donderdag 25 november de
opening van de nieuwe winkel in de Luttekestraat
(nr. 5) te verrichten. Of, zoals de krant het verwoordde, daar zou Dave Berry ‘ter bezichtiging
worden opgesteld’. De winkel was tot dan toe in de
Voorstraat gevestigd.
Jazeker, ook in Zwolle was de jeugd gevallen
voor de als totaal nieuw ervaren muziek.4
De leeftijd van de kopers van grammofoonplaten
werd met het jaar jonger; een nieuwe doelgroep
was ontdekt. Met optredens van hun idolen waren
de tieners in Zwolle niet erg verwend. Zwolse en
regionale bandjes, met artiesten die nog zo groen
als gras waren, traden op in de rafelranden van
de Zwolse muziekcultuur. De bandjes smeekten
meestal vergeefs om aandacht van de Zwolse
Courant. Als een optreden al vermeld werd in
de kolommen dan was het vaak achteraf met de
vermelding dat het weer een hoop herrie was. Pas
in 1966 zou Herman Brood zich in Zwolle laten
horen. Maar toch, de jongerencultuur zoals wij
die tegenwoordig kennen, begon in steeds sneller
tempo tot wasdom te komen.
De stad was redelijk goed voorbereid op de
komst van Dave Berry. De opkomst zou volgens
de politie wel eens onstuimiger kunnen zijn dan
tijdens het bezoek van Beatrix en Claus. Dat
beloofde wat. Voorzichtigheidshalve was het tijdstip van de opening daarom zodanig gekozen dat
een groot deel van de schooljeugd zich nog in de
schoolbanken zou bevinden, dat wil zeggen tussen
half drie en vier uur.5
Dave Berry werd bij
de Buitensociëteit
verwelkomd door de
Eileuvers. Foto in de
Zwolse Courant van
26 november 1965.
ZHT4 2015 .indd 7 15-12-15 12:29
144 zwols historisch tijdschrift
De opzet van de opening van de nieuwe winkel had een wat provinciaal karakter. Dave Berry
zou in de Buitensociëteit worden ontvangen. Van
daaruit zou hij in een door twee paarden getrokken open calèche, in gezelschap van de dochter
van de eigenaar van de Artist, een korte rondrit
door de stad maken, voorafgegaan door boerenkapel d’ Heigenheimers van carnavalsvereniging
d’Eileuvers. Daarna zou Dave Berry met een bakfiets de laatste bak met platen van de oude winkel
in de Voorstraat naar Luttekestraat 5 rijden, om
vervolgens voor de liefhebbers grammofoonplaten te signeren. Tijdens de rondrit waren de
Zwolse straten tot ieders verbazing bijna uitgestorven. Maar dat veranderde op slag toen het
rijtuig de Grote Markt opdraaide. De jongeren,
die eerst nog rustig op het trottoir stonden, liepen
de politieafzetting voorbij en dreigden, zo schreef
de verslaggever van de krant, ‘een begin te maken
met de sanering van de binnenstad.’
In de Luttekestraat was de situatie niet meer onder
controle. De verslaggever: ‘Vóór hem steigerden
paarden, naast hem radeloos terugduwende
politieagenten en lichtelijk uit de maat gebrachte
Wie is dat jonk?
De jongeman naast Dave Berry is Herman Tichelaar (neef van
de auteur). Hij herinnert zich het volgende:
‘Het was inderdaad een chaos. Ik werkte op dat moment
bij Bramer aan de Oude Vismarkt. Ik was toen zeventien jaar.
Met een smoes ben ik die middag naar de Luttekestraat gegaan.
Daar wilde ik natuurlijk de winkel van de Artist binnen. De
organisatie bij de Boerenkapel, waarin mijn vader speelde, was
ook zoek. Ik klampte een speler aan (mijn vader kon ik in de
chaos niet vinden) en vroeg of ik zijn trompet mocht vasthouden. Zo kwam ik door het politiekordon en was binnen. Boven
de winkel was een kleine vide, waar Dave Berry een fotosessie
deed. Ik stond per ongeluk pontificaal vooraan, kon geen kant
op. Je ziet het petje van mijn vader achter mij. Protesten van de
fotografen: “Wie is dat jonk?” “Kan dat jonk niet weg?” Van de
chaos buiten heb ik niets mee gekregen, behalve het oorverdovende gillen. Later zag ik de ruit van de winkel aan de overkant
aan diggelen.’ Zwolse Courant 26 november 1965.
De menigte in de Luttekestraat. Zwolse Courant van 26 november 1965.
ZHT4 2015 .indd 8 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 145
leden van de boerenkapel d’Heigenheimers,
boven hem vliegende schoenen en handtassen.
Meisjes vielen Dave Berry om de hals kusten hem,
vielen in zwijm en beleefden de gelukkigste ogenblikken van hun leven.’
Minder geestig was dat verdwaalde voorbijgangers onder de voet werden gelopen en dat een
dame haar pols brak. Tegenover de Artist werden
een paar tieners door de ruiten van de bloemenzaak van V&D gedrukt. Bloedend belandden
ze tussen de uitgestalde boeketten. Met grote
moeite wist de politie Berry via de achteringang
de nieuwe winkel binnen te loodsen. Aan de
voorkant vocht de politie met hysterisch gillende
tieners. Zevenhonderd handtekeningen later kon
‘de langharige crooner’, zoals de journalist van de
krant hem noemde Zwolle bijna ongeschonden
verlaten, op enkele haren na die door meisjes uit
zijn haardos waren gerukt.
De directies van de Zwolse scholen waren niet
blij met de komst van Dave Berry. Zeker niet aan
het eind van de bewogen dag. Tientallen scholieren hadden gespijbeld en werden de volgende
dag voor een tijdje van school gestuurd. Achteraf
gezien is de opening van de Artist te zien als een
keerpunt voor de jongerencultuur in Zwolle. Een
nieuwe generatie eiste een plek en stond die niet
meer af.6
Een beeldenstorm van de nieuwe tijd
Eind 1965 was een markant bouwwerk uit het
Zwolse stadsbeeld verdwenen: de neo-gothische
St. Michaëlkerk in de Roggenstraat. Vijf jaar later
schreef gemeentearchivaris F.C. Berkenvelder
hierover:
‘We zijn zo langzamerhand midden in Zwolle’s
saneringsgebied gekomen: veel van het noordelijk
stadsdeel is al gesloopt, de rest zal spoedig volgen.
Als de vogel Phoenix, die in dit gedeelte van de
stad als gevelsteen te vinden is, zal Zwolle hier
hopelijk mooier dan tevoren uit zijn as herrijzen.
Er valt over de afbraak niet veel te treuren, want
op enkele uitzonderingen na viel er niet veel architectonisch stedenschoon te genieten. (…) De R.K.
St. Michaëlkerk, de in 1892-1893 gebouwde kerk
op de hoek van de Nieuwstraat en Roggenstraat
met zijn 78 meter hoge toren (…) is nu verdwenen.’7
Achterafgezien wekken deze wat badinerende
woorden verbazing. Tot op de dag van vandaag
spreekt menige Zwollenaar schande over de
sanering en in het bijzonder over de sloop van de
gezichtsbepalende kerk, die plaats moest maken
voor de betonnen kolos van V&D. ‘Een beeldenstorm van de moderne tijd’ wordt de sloop in De
Zwolse canon genoemd.8
Hoe beleefden de Zwollenaren de ondergang
van de kerk in 1965? Afgaande op de berichtgeving in de Zwolse Courant was er meer sprake
van nieuwsgierigheid dan van afkeuring. De zorg
voor cultuur-historisch erfgoed stond om het
voorzichtig te zeggen laag op de prioriteitenlijst
van de gemeentelijke bestuurders en van het overgrote deel van de Zwolse bevolking, ondanks alle
inspanningen van de Vrienden van de Stadskern
Zwolle. Veel ging verloren in deze jaren. Op 3 juli
begon bijvoorbeeld de sloop van het fraaie negentiende-eeuwse koetshuis aan de Voorstraat van de
bekende Zwolse familie Helmich, dat jarenlang
deel uitmaakte van het Provinciaal Overijssels
Museum aan de Melkmarkt. Er was geen haan die
er naar kraaide.9
De sloop van de St. Michaëlkerk, die 35 weken
in beslag zou nemen, kon niemand ontgaan.
Rondom de kolossale kerk werden delen van de
De Luttekestraat met
de Artist medio jaren
zeventig. (Collectie
HCO)
ZHT4 2015 .indd 9 15-12-15 12:29
146 zwols historisch tijdschrift
Roggenstraat, Nieuwstraat en Bitterstraat wegens
gevaar van vallend gesteente afgeschermd. De
belangstelling van het publiek was vooral gericht
op het omverhalen van de hoge toren, met op de
top het torenhaantje. Ook waren er twee kleinere
torens die gesloopt moesten worden. Maar zover
was het nog niet. Begin juli was een groot deel van
het dak van de kerk al wel afgebroken. De muren
zouden vervolgens tot ongeveer drie meter hoogte
worden afgebroken, zodat een grote ‘kuip’ zou
ontstaan, waarin dan als apotheose de spits met
de haan en daarna de rest van de toren te pletter moesten vallen. De sloop van de kerk zou de
komende weken voor velen ‘een aardig kijkspel
opleveren’, schreef de Zwolse Courant.
10
Op 29 juli viel de eerste kleine toren volgens
plan precies in ‘de kuip’, al leek het er even op dat
hij tegen de grote toren zou vallen. Een paar dagen
later kwam de tweede kleine toren naar beneden.
Een deel van het puin viel in het kerkgebouw,
dat er nu uitzag alsof er een bombardement had
plaatsgevonden. In deze dagen waren er al Zwollenaren die de kerk binnenslopen en delen van het
interieur meenamen.11
De beslissing om de kerk te slopen was eind
jaren vijftig al door de kerkelijke gezagsdragers
genomen, tot ontsteltenis van de parochianen.12
Hun bezwaren werden echter vooral binnen de
eigen geloofsgemeenschap geuit. Begin jaren
zestig werd er door betrokken burgers via de
ingezonden brieven rubriek van de Zwolse Courant gepleit voor het behoud van de kerk, onder
meer door Han Prins namens de toen nog prille
Vereniging Vrienden van de Stadskern.13 In 1965
bleven protesten tegen de sloop verder uit en
daar was het toen ook veel te laat voor. Wel was
er nog een anonieme briefschrijver (G.G.) die
onder de kop ‘Gratie voor de Michaeltoren’ een
inzamelingsactie onder de Zwollenaren wilde
houden om het carillon van de Peperbus te verplaatsen naar een daartoe te verlagen grote toren
van de St. Michaëlskerk. Zo’n toren met carillon
was beter dan een parkeerplaats met ‘roestende
status emblemen op wielen’, die de gemeente daar
had gepland, aldus de briefschrijver. Er kwamen
weinig reacties.14
Op 19 augustus sloeg een 1.500 kilo zware
stalen bol met grote kracht tegen drie van de
twintig meter hoge pilaren van het middenschip:
‘Met donderend geraas stortten de stenen reuzen
in brokken op de grond.’15 Een week later, in de
vroege ochtend van 26 augustus, ging de spits van
de hoge toren tegen de grond. Het was voorpaginanieuws: ‘Michaelkerk is hoofd kwijt’, schreef de
Zwolse Courant.
16
In de dagen daarvoor had de met bladgoud
beklede koperen torenhaan de begeerte opgewekt
van een aantal Zwollenaren. De Zwolse smid Th.
Jansen had het plan opgevat de haan met een helikopter van de spits te halen. Te gevaarlijk vond de
Rijksluchtvaartdienst.17 In de nacht vóór het omlaag
halen van de torenspits werden er pogingen onderDe sloop van het negentiende-eeuwse koetshuis in de Voorstraat.
Foto in de Zwolse Courant van 7 juli 1965.
Onder: Bescherming
voor de voetgangers
tegen vallend puin van
de Michaëlkerk. Foto in
de Zwolse Courant van
24 juli 1965.
ZHT4 2015 .indd 10 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 147
De ‘Beeldenstorm’ in
Zwolle in beeld gebracht
over de volgende vier
pagina’s, augustus
1965. (Foto’s Dolf
Henneke, collectie
HCO)
De Michaëlskerk vlak
voor de sloop in 1965.
(Collectie HCO)
ZHT4 2015 .indd 11 15-12-15 12:29
148 zwols historisch tijdschrift
ZHT4 2015 .indd 12 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 149
ZHT4 2015 .indd 13 15-12-15 12:29
nomen om de haan te roven. De politie kwam er
tijdig achter en liet de haan door agenten bewaken
tot bovenin de toren. Bij het neerhalen van de spits
raakte de haan los en viel gedeukt in handen van de
slopers. Als een ware trofee werd de haan aan het
toegestroomde volk getoond. Hij werd overgedragen
aan de gemeente, die er na restauratie een goede
bestemming voor zou proberen te vinden.18
En zo kwam er een einde aan de sloop van
de kerk, waarvan het vallende puin meer tumult
op de grond veroorzaakte dan in de geest van de
Zwollenaren. Van enige opwinding was alleen
sprake bij die ene Zwollenaar, die een paar dagen
na de val van de spits een paar foto’s wilde maken
op het bouwterrein. Hij werd opgepakt door een
kapitein van de Landmacht, die hem vertelde
dat het streng verboden was foto’s van kerken te
150 zwols historisch tijdschrift
maken. Die werden namelijk beschouwd als militaire objecten.19
Blijf van onze singels af
De sloop van de St. Michaëlskerk en andere delen
van de oude binnenstad, deed de Zwollenaren
weinig, althans afgaande op de berichtgeving in
de Zwolsche Courant. We stonden erbij en keken
ernaar. Maar toen, in de laatste maand van het
jaar, maakte een ingezonden brief de tongen los
over een vergelijkbaar probleem. Ir. E. Kordens
luidde de noodklok tegen de plannen van de
gemeente om de stadsgracht te dempen over een
breedte van 10 tot 15 meter en daarbij het kappen
van bomen, ter verbreding van de rijbaan op de
Burgemeester van Roijensingel, volgens de briefschrijver de mooiste plek van Zwolle.
ZHT4 2015 .indd 14 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 151
En nog meer uit de tweede helft van 1965
– In september werd het graafwerk in het toekomstige Park de
Wezenlanden stilgelegd bij gebrek aan werkloze arbeiders in
Zwolle. Het grootste deel van de tachtig man sterke ploeg grondwerkers kreeg het afgelopen jaar werk.31
– In de herfst van 1965 was een nieuwe tienerrage vanuit het
westen naar Zwolle overgewaaid. De jeugd maakte jacht op de
oude regencapes van postbestellers. Die hadden dat jaar nieuwe
regenkleding gekregen. De Zwolse Courant: ‘Postbestellers
worden op straat aangeklampt, de koers stijgt tot ongekende
hoogte.’32
– Zwolle naderde de grens van zestigduizend inwoners.33
– Er was al snel een lange wachtlijst voor het pas geopende
doopsgezinde bejaardencentrum De Venus. Alleenstaande
bewoners kregen per tien kamers een badkamer.34
– Jeugdige bromfietsberijders konden in Zwolle plaatjes kopen
met de tekst: ‘Bier is onze vijand; wij hebben onze vijanden
lief’.35
– Er werd driekwart miljoen kubieke meter zand opgespoten
voor het bouwrijp maken van de toekomstige wijk de Aalanden.36
– De gemeente vroeg de burgerij via een inzamelingsactie honderdduizend gulden bijeen te brengen voor de bouw van de Stilo
sporthal. Dat lukte met groot gemak.37
– Minister Vrolijk van CRM opende op 8 november 1965 clubhuis De Klooienberg in de wijk Holtenbroek. Een noodzakelijke
initiatief van de gemeente Zwolle, want zei de minister: ‘Kerkelijke en geestelijke stromingen hebben helaas hun greep op de
mens verloren.’38
De in 1965 afgedankte en door de tieners begeerde regencape
van de postbestellers. (Internet)
De Klooienberg in 1965. (Collectie HCO)
ZHT4 2015 .indd 15 15-12-15 12:29
152 zwols historisch tijdschrift
Die ruimte was volgens de stadsbestuurders
nodig om de explosief toenemende verkeersproblemen in de binnenstad op te lossen. Kordens
betoogde dat het autoverkeer in de toekomst niet
te beteugelen zou zijn en dat door de plannen van
de gemeente onherstelbare schade zou worden
aangericht aan de binnenstad en de singels. Hij
wees onder andere op de kap van acht mooie kastanjes op het Gasthuisplein, die plaats moesten
maken voor bushaltes. De kale plek die zo ontstond, had velen geschokt.20
Burgemeester Roelen was op zijn teentjes
getrapt. ‘Er moet geen paniek ontstaan over de
Burg. Van Roijensingel’, zei hij in de raad. Hij
vroeg het verkeer niet alleen negatief te zien:
‘Het is een leven brengend element. Zonder verkeer zou de city een museum worden, waarin
men alleen op kousevoeten zou mogen rondgaan.’21 Een paar dagen later ging J.W. Schotman,
oud-directeur van het Provinciaal Overijssels
Museum, in de aanval: ‘Moet de mooiste kant
van Zwolle, een van de fraaiste singels van ons
land, geschonden worden omdat de mens al te
veel haast heeft? De nu gezochte oplossing is over
enkele jaren volkomen onvoldoende. Dan moeten
natuurlijk ook de overige bomen eraan en wordt
er gedempt.’22 Ook de Vereniging Vrienden van
de Stadskern gooide zich die maand vol verve in
de strijd: ‘Een zeven eeuwen oude stad kan niet
eindeloos aan het verkeer worden aangepast ter
wille van een winst van tien of twintig jaren (…).
Als het verkeer een leven brengend element in de
binnenstad moet zijn dan zal het zich moeten aanpassen bij de stedebouwkundige structuur van de
binnenstad en niet omgekeerd.’23
De aanval van de singel- en binnenstadbeschermers was wat laat ingezet, maar het punt was
gemaakt. De singels zouden de Zwolse beeldenstorm overleven, veel moois in de binnenstad niet.
Epiloog
Tegen het einde van 1965 was de kleine wereld van
Zwolle veranderd, al was dat misschien nog niet
voor iedereen duidelijk. Achteraf gezien weten
we dat het tijdperk van de befaamde ‘jaren zestig’
dat jaar pas écht begon, al waren er in de jaren
daarvoor al wel voortekenen. In grote steden als
Amsterdam was dat veel duidelijker, met de komst
van provo’s en happenings. Was daar de toon heftig
en soms agressief, in Zwolle uitte die zich vooralsnog in ongebreideld enthousiasme, zoals te zien
was bij de komst van Dave Berry en Beatrix en
Claus. De mantra ‘Zwollenaren doen niet graag zo
raar in ’t volle openbaar’, verloor in de herfst van
1965 toch een beetje zijn geldigheid.
Geraadpleegde bronnen
– POZC: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, in
de tekst kortweg aangeduid als Zwolse Courant
Noten
1. Horst, Han van der, 1950-2000; De mooiste jaren van Nederland. 2013, p. 73-75
2. Idem, p.125-126
3. POZC, 9 september 1965
4. Zie vorige afleveringen van ‘Zwolle in de jaren zestig’ in
het ZHT
5. POZC, 20 november 1965
6. POZC, 19, 20, 24, 25 en 26 november 1965
7. Berkenvelder, F.C., Zo was Zwolle rond 1900. 1970, p.128
8. Wetering, Jan van de, De Zwolse canon. 2008, p. 94-95
9. POZC, 3 juli 1965
10. POZC, 7 juli 1965
11. POZC, 29 juli 1965
12. Stalknecht, H.A., Mensen van mondig geloof, 2007, p. 127-
133
13. Verlaan, Th.G., Gert Oostingh en Pieter Lettinga, Op de
bres voor Zwolle, 1992, p. 30-31
14. POZC, 3 augustus 1965
15. POZC, 19 augustus 1965
16. POZC, 26 augustus 1965
17. POZC, 20 augustus 1965
18. POZC, 26 augustus 1965
19. POZC, 31 augustus 1965
20. POZC, 11 december 1965
21. POZC, 15 december 1965
22. POZC, 16 december 1965
23. POZC, 28 december 1965
24. POZC, 21 juli 1965
25. POZC, 5 augustus 1965
26. POZC, 9 augustus 1965
27. POZC, 10 augustus 1965
28. POZC, 11 augustus 1965
29. POZC, 11 augustus 1965
30. POZC, 14 augustus 1965
31. POZC, 6 september 1965
32. POZC, 11 september 1965
33. POZC, 18 september 1965
34. POZC, 24 september 1965
35. POZC, 25 september 1965
36. POZC, 21 oktober 1965
37. POZC, 21 oktober 1965
38. POZC, 9 november 1965
ZHT4 2015 .indd 16 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 153
Archiveren in de digitale tijd
Een interview met Bert de Vries, de vertrekkende
directeur van het HCO
Bijna negen jaar lang was Bert de Vries
(1961) directeur van het Historisch Centrum Overijssel (HCO) aan de Van Wevelinkhovenstraat te Zwolle. Per 1 november 2015
verlaat hij het HCO voor een nieuwe prestigieuze
baan: hij is aangesteld als directeur van het Stadsarchief Amsterdam. Een mooi moment voor een kleine terugblik op zijn Zwolse jaren. Hij ontvangt ons
op zijn werkkamer, die vlak voor zijn afscheid met
de dag leger wordt. Zijn vertrek kan niemand ontgaan: overal in het gebouw hebben de medewerkers
mini-posters opgehangen met typerende uitspraken
van hun directeur.
Hoe is het je te moede, twee dagen voor je vertrek?
Weemoedig. Afscheid nemen is nooit leuk, maar
het is echt moeilijk hoor. Ik heb hier een hele fijne
tijd gehad. Er heeft in de Stentor een berichtje
gestaan waarin mijn vertrek aan de bezuinigingen
werd gekoppeld. Toen ben ik echt boos geworden.
Want ik had tegen de journaliste gezegd dat er
geen door de gemeente of de provincie opgelegde
reden was om te vertrekken. Maar dat geloven ze
dan niet, dan halen ze er iets bij.
De reden voor mijn vertrek is eenvoudigweg
de unieke kans om archivaris in Amsterdam te
worden. Het is moeilijk om hier weg te gaan, maar
je moet het ook weer relativeren, na ruim acht
jaar hier. Ik heb al veel felicitaties gehad, er is heel
veel waardering uitgesproken en ik krijg nog een
geweldig afscheid. Als ik was gebleven zouden ze
over vijf jaar misschien gezegd hebben, goh, De
Vries zit er nog steeds, dus wat dat betreft is het
misschien ook wel een goed moment, de juiste tijd
voor een opvolger.
Waar werkte je voor je naar Zwolle kwam?
Bij het Nationaal Archief in Den Haag. Ik heb daar
zestien jaar gezeten, in vier verschillende functies, het laatst als adjunct-directeur. Toen kwam
deze functie in Zwolle vrij en dat was een mooi
moment om ergens zelf directeur te worden.
Toen zat je opeens in de provincie. Was dat geen
cultuurshock?
Nee hoor. Ik ben een Westfries, ik kom uit Blokker, een plaatsje bij Hoorn. Dat is wel een beetje
vergelijkbaar, doe maar niet zo gek, doe maar
gewoon, sta met twee benen op de grond. Dus de
overgang was voor mij helemaal niet zo groot, ik
heb me hier altijd heel erg thuis gevoeld. Dat idee
van ‘kiek’n wat het wordt’, niet meteen het achterste van je tong laten zien, ach, dat ken ik wel. Wat
ze hier in Overijssel wel heel erg hebben, is dat ze
moeilijk uit zichzelf kunnen zeggen dat ze ergens
tevreden over zijn. We hebben in Zwolle nu die
schitterende kerk van Waanders in de Broeren
en de Fundatie, het gaat eigenlijk hartstikke goed
hier, maar dat durven uitspreken is nooit zo heel
erg makkelijk. Maar die trots daarop is er wel en
terecht.
Je liefde voor geschiedenis, waar komt die vandaan?
Die interesse is ontstaan dankzij mijn geschiedenisleraar op het atheneum. Zo gaat dat vaak hè.
Dat was een Surinamer die heel boeiend kon vertellen over bijvoorbeeld de Koude Oorlog en de
dekolonisatie, toen een eindexamenonderwerp.
Op een gegeven moment informeerde een andere
leraar bij alle klasgenoten naar wat ze gingen
studeren. Ik ben de zoon van een fruitteler en bij
ons had nog niemand gestudeerd, dus ik dacht,
jee, ga ik studeren? Ik heb toen maar ‘geschiedenis’ geroepen, omdat dat vak op dat moment m’n
hoogste cijfer was. En dat ben ik toen ook gaan
doen.
Maar echt een aangeboren liefde voor het vak,
in de zin dat je er van jongs af aan al mee bezig
Annèt Bootsma –
van Hulten en
Jan van de Wetering
ZHT4 2015 .indd 17 15-12-15 12:29
154 zwols historisch tijdschrift
was, heb ik nooit gehad. We praatten thuis wel
over politiek. Het praatje van G.B.J. Hilterman,
van wie mijn vader een grote fan was, leidde bijvoorbeeld altijd tot heftige debatten. Want ik was
links en dat was volgens mijn vader natuurlijk de
schuld van de school. Maar zo ben ik geschiedenis
gaan studeren, aan de UvA. En dat was aanvankelijk best nog wel een opgaaf vond ik. Ik was een
reisstudent. Maar op een gegeven moment kwam
Reina Fuchs op m’n pad, een docente Joodse
geschiedenis, die wist studenten heel goed te
motiveren. Uiteindelijk ben ik afgestudeerd op
een stukje Joodse geschiedenis uit de negentiende
eeuw. Dat ging over een eerste Nederlandstalig
Joods weekblad, een liberaal blad en daar kwam
natuurlijk reactie op vanuit de orthodoxie. Dat
stukje Joodse emancipatie heb ik als studieobject
opgepakt. Erg interessant. Geschiedenis is natuurlijk een prachtig vak. Reina Fuchs heeft Hans
Goedkoop, de presentator van Andere Tijden,
ook weer enthousiast gemaakt voor de studie. Hij
had het aanvankelijk ook niet zo naar z’n zin in de
studentenwereld. Dankzij Reina is hij doorgegaan
met geschiedenis. Dat dat bij ons allebei ongeveer
zo gegaan is, ontdekten we een paar jaar geleden
toen Hans Goedkoop hier op het HCO een lezing
hield.
Is je belangstelling tijdens je Zwolse jaren veranderd?
Hier ben ik enthousiast geworden over de veertiende en vijftiende eeuw. Het is een stokpaardje
van me dat onze vaderlandse geschiedenis zo’n
enorm negentiende-eeuws stempel heeft gekregen. Want in die conceptie wordt altijd begonnen
met de Opstand en Willem van Oranje. En dan
komt de Gouden Eeuw, terwijl de Hanzetijd en de
bloei hier in het oosten al eeuwen eerder waren.
Dat is toch een glorieuze tijd geweest voor dit deel
van het land. Het staat weliswaar in de historische
canon, maar het heeft toch nooit zoveel aandacht
in onze nationale geschiedenis gehad en dat is
jammer.
Toen de Geschiedenis van Zwolle van Jan ten
Hove in 2005 verscheen was je voorganger Bert
Looper het al oneens met de bescheiden rol die
Ten Hove de Hanze toedichtte, hij wilde toen een
symposium daarover organiseren, maar dat is
nooit gebeurd.
Dat klopt, maar dat zou alsnog moeten. Ik heb
met Margreet Vink, de gemeentearchivaris van
Kampen, afgesproken dat we in 2017 bij de Internationale Hanzedagen een symposium gaan houden. Ik zit wat de Hanze betreft op dezelfde lijn
als Bert Looper. De benadering van de Hanze hier
is een voorbeeld van overdreven Zwolse bescheidenheid, maar dat is niet terecht, de IJssel was een
ongelofelijk belangrijke rivier in die tijd. Kampen
had het Amsterdam van Nederland kunnen zijn
als de IJssel niet was verzand.
Dat is interessant wat je zegt, maar Jan ten Hove zegt
dan, ho, ho, ik heb het onderzocht en ik ben eigenlijk
weinig van belang tegengekomen, zelfs nauwelijks
bewijzen dat Zwolle lid was van de Hanze.
Dat lidmaatschap, dat is hetzelfde verhaal als dat
over de onvindbaarheid van de oorspronkelijke
oorkonde van de Zwolse stadsrechten. Die documenten, dat zijn maar symbolische dingetjes. Lid
of niet, Zwolle heeft enorm geprofiteerd van de
economische bloei die er toen was, zeker in de
tweede helft van de vijftiende eeuw. De Sarijshandschriften bijvoorbeeld, zijn ook uitingen
van een enorme groei en bloei. De lonen stegen
hier heel snel vanwege die grote welvaart. De Sassenpoort werd gebouwd, de Grote Kerk, de OnzeLieve-Vrouwekerk. Zwolle stond in de steigers,
er was een gigantische bouwactiviteit. Het is een
fascinerende periode. De Hanze was een internationaal netwerk van handel en daar maakten
de drie steden, Kampen, Zwolle en Deventer, wel
degelijk deel van uit. Die vermeende tegenstelling
tussen die steden, met name Kampen en Zwolle,
dat viel ook wel mee. Er was regelmatig gezamenlijk overleg, de schepenen troffen elkaar in het
klooster Windesheim, omdat er natuurlijk veel
meer gemeenschappelijk dan tegengesteld belang
was. Pas aan het eind van de vijftiende eeuw, als de
IJssel gaat verzanden, begint het te knellen tussen
Kampen en Zwolle. Er ontstond een economische recessie die spanningen veroorzaakte, maar
daarvoor hadden ze heel veel gemeenschappelijke
belangen.
ZHT4 2015 .indd 18 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 155
Hoe ben je van de geschiedenis in de archiefwereld belandt?
Dat kwam door m’n vervangende dienstplicht.
Na m’n studie moest ik nog in dienst, maar dat
zag ik helemaal niet zitten en toen heb ik gewetensbezwaar aangetekend. Vervolgens heb ik alle
culturele instellingen in Noord-Holland een brief
gestuurd om ergens een plek te krijgen, want dat
moest je zelf regelen. Ik kon toen op het Rijksarchief Noord-Holland in Haarlem aan de slag.
Daar heb ik het hele archiefwerk geleerd. Alles
heb ik daar gedaan, van het lopen met stukken
tot het verpakken, het inventariseren, de dienstverlening en ook nog onderzoek. Ik heb daar een
artikel geschreven over Joodse Provinciale Statenleden in Noord-Holland tussen 1850 en 1940.
Heel interessant, dat waren er ongelofelijk veel.
Maar het leukste in die tijd was dat ik alles mocht
doen. Ik heb niet die primaire drive van veel historici dat ze altijd aan het onderzoeken en schrijven
zijn. Ik heb wel altijd geroepen dat inventariseren
het mooiste vak van de wereld is. Met zo’n archief
bezig te zijn in een depot, daar de orde in aanbrengen terwijl je toch midden in de organisatie zit.
Heb je tegenwoordig nog tijd om te lezen en
te schrijven?
Lezen over geschiedenis doe ik in m’n vrije tijd
Het kon deze herfst
geen enkele bezoeker of
passant van het Historisch Centrum Overijssel aan de Wevelinkhovenstraat ontgaan: het
naderende afscheid van
Bert de Vries. (Foto Jan
van de Wetering)
ZHT4 2015 .indd 19 15-12-15 12:29
156 zwols historisch tijdschrift
wel, maar ik lees niet alles wat voorbijkomt. Ik
ben meer iemand van de hoofdlijnen dan van de
details. Naarmate je ouder wordt weet je meer en
leg je ook makkelijker verbanden. Als historicus
groei je altijd door. Ik filosofeer wel graag over de
hoofdlijn, zoals over de vraag waarom onze nationale geschiedenis zo vanuit negentiende-eeuws
perspectief geschreven is, en waarom ik het niet
eens ben met de mensen die zeggen dat de Hanze
niet zo veel voorstelde. Wat schrijven betreft: ik
heb hier in Zwolle nooit de drang gevoeld tot het
ontwikkelen van grote publicaties en ik had er
trouwens ook de tijd niet voor. Ik ben toch meer
een organisatiemens.
Wat voor opdracht kreeg je mee toen je hier werd
aangesteld?
Het ontwikkelen van zeg maar cultureel ondernemerschap. De mooie hal van het HCO, die net was
neergezet, daar moest wat mee gebeuren. Wat Bert
Looper al in gang had gezet, moest verder uitgebouwd worden. Ik ben denk ik bedrijfskundig
sterker, ik heb in 2005 m’n MBA gehaald. Looper
liet bij zijn vertrek een financieel gat achter, vooral
tengevolge van de nieuwbouw. Daar kon hij ook
niet zo veel aan doen, maar dat moest wel opgelost
worden. Verder moest er een marketing ontwikkeld worden om het HCO verder op de kaart te
zetten. Toen ik hier net was in 2007 had ik al ideeën over iets als Mijn Stad Mijn Dorp (informatieve
site over de geschiedenis van de dorpen en steden
van Overijssel). Er is nog nooit een rijksarchivaris
zoveel de provincie in geweest als ik. Ik ken nu al
die historische verenigingen in Overijssel en dat
is gewoon geweldig. Je kunt heel veel met elkaar
doen, nog veel meer dan nu het geval is, daar heb
ik het met de voorzitter van jullie Zwolse Historische Vereniging ook wel eens over gehad.
Ben je daar optimistisch over, die historische verenigingen? Is dat bestendig denk je? De leden zijn
toch vooral 60-plussers
Tsja, voor de komende tien, vijftien jaar is de
markt nog goed zullen we maar zeggen. Er gaan
per jaar 150.000 mensen met pensioen, en die
zoeken dan al gauw hobby’s. Maar misschien zitten we nu wel op het hoogste punt qua ledenaantallen. Er zijn zo’n honderd historische kringen en
verenigingen in Overijssel, wat ongelofelijk veel
is. Ik heb het wel eens uitgerekend, er zijn tussen
de 80.000 en 100.000 mensen in Overijssel lid van
zo’n vereniging, Als je er vanuit gaat dat het bijna
allemaal 50-plussers zijn, dan is een kwart van de
Overijsselse bevolking in die leeftijdscategorie lid
van zo’n vereniging. Ze hebben lokaal echt heel
veel draagvlak. Het floreert momenteel enorm.
Maar dat geldt voor de hele cultuursector. In
musea zie je ook vooral blanke, hoger opgeleide
50-plussers. Over tien jaar daalt dat misschien,
maar er blijven ook weer nieuwe ouderen komen.
Het kerndoel van het HCO is het beheer van
archief, de wettelijke opdracht. Daarnaast heb
je de publieksfunctie. Wij hebben een beetje het
gevoel dat de publieksfunctie de laatste zeg maar
vijftien jaar een enorme opkomst heeft gekend
terwijl er een neergang van dat kerndoel is. Er
zijn steeds meer ervaren medewerkers vertrokken, waardoor het totaal aan expertise minder is
geworden.
Dat is wel een beetje zo, we zijn op dat vlak
momenteel flinterdun. Maar door onze aanpak
kan het HCO tegenwoordig met veel minder
mensen efficiënter en effectiever opereren dan
vroeger het geval was. Ons depot staat er nu goed
bij. We hebben de laatste jaren keihard gewerkt
aan het opruimen en op orde brengen van dingen
die her en der nog lagen. Dat moest ook, want als
je digitaal gaat, steekt het allemaal veel nauwer,
alles moet dan echt op de goede plek staan. Maar
formatief zijn we er zeker op achteruitgegaan.
Daarom ben ik ook zo blij met de fusie die er aan
zit te komen met het Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek (SAB) in Deventer.
Jullie leveren op archivistisch gebied zeker nog
steeds hoge kwaliteit, maar hoe zit het met de
geschiedkundige expertise? Zijn er straks nog
medewerkers die middeleeuws Nederlands en
Latijn kunnen ontcijferen, of die een zestiende of
zeventiende-eeuws document kunnen lezen?
Dat is een maatschappelijk probleem. Dat ligt breder, dat speelt niet alleen hier, dat hoor ik ook van
m’n collega’s. Ik zie het verschijnsel, maar ik heb
ZHT4 2015 .indd 20 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 157
het nooit als een zorg gezien. Als je er niet zoveel
aan kunt doen, dan heeft het ook niet zoveel zin
om je er druk om te maken. Ik relativeer het altijd
enigszins met de constatering dat de vraag van het
publiek in de studiezaal ook steeds oppervlakkiger
wordt. De jeugd zoekt snel even iets op internet
op en klaar. Ik ben zeker nieuwsgierig hoe dat zich
verder zal gaan ontwikkelen. Maar er komt wel
een tijd dat de noodklok wordt gehesen en die is
niet zo ver meer weg. Het aantal klassiek opgeleide archivarissen loopt overal terug. De oude
archiefschool bestaat ook niet meer, toekomstige
archivarissen worden nu opgeleid in media en
dergelijke vakken, klassiek inventariseren doen
ze al niet meer. Er komt ongetwijfeld een moment
dat iemand roept dat het een politiek probleem is
en dan zal er wel een plan komen. Maar het is een
punt. Daar zou het KNHG (Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap) zich ook eens
over moeten uitlaten en de minister over moeten
aanspreken.
Wordt er momenteel nog promotieonderzoek bij
het HCO gedaan?
Dat weet ik niet precies, maar hoeveel promovendi hebben we er hier ooit gehad? Er zitten natuurlijk veel meer studenten die willen promoveren in
het Nationaal Archief in Den Haag of in de stadsarchieven in de universiteitssteden. Er verschijnen
in Overijssel wel zo’n honderd titels per jaar over
locale geschiedenis. De amateurhistorici zijn veel
talrijker dan vroeger. Als promovendi hier komen
is het vaak voor het raadplegen van deelarchieven ten behoeve van hun hoofdonderzoek. Maar
ja, we hebben ook geen hoogleraar Overijsselse
geschiedenis, zoals in Gelderland het geval is.
Promoveren in Overijssel op een Overijssels
onderwerp, dat zie je niet zo veel. We zijn bezig
geweest om te kijken of er een breed opgezet boek
over de Overijsselse geschiedenis gemaakt kan
worden, maar dat had geen schijn van kans bij de
provincie, er is geen geld. Kun je niet iets digitaals
doen, zeggen ze dan, maar het onderzoek moet
toch gebeuren, daar zitten de meeste kosten in.
Dat betreur ik wel.
Is er in jouw tijd vooruitgang gemaakt met
de digitalisering van het archief?
Echt veel gedigitaliseerd hebben we nog niet eens
zo. We hebben wat er al was op internet gebracht.
Maar we hebben wel een enorme slag gemaakt in
de digitale infrastructuur. Het digitale platform
van Mijn Stad Mijn Dorp is er gekomen en we
hebben ervoor gezorgd dat iedereen via de website gebruik kan maken van de daar opgeslagen
informatie. Daar zie je ook de kosten enorm stijgen. In 2007 gaven we zo’n 30.000 euro aan ICT
uit, nu bijna het tienvoudige.
Denk je dat alles wat jullie hebben ooit op
internet komt te staan?
Uiteindelijk wel, maar dat is een kwestie van
tijd. Er komt op het internet steeds meer ruimte
ter beschikking. De opslag is al helemaal geen
probleem meer. We kunnen pentabytes aan informatie verwerken. Het doorzoeken is ook geen
punt meer, de zoekmachines zijn enorm krachtig.
Het is puur een kwestie van capaciteit, geld en
mankracht, om die zeventien km archief door de
scanner te gooien. Dus het is nu een kwestie van
prioriteren. Wij zijn al blij dat het Rijk geld heeft
vrijgemaakt om het notarieel archief uit de negentiende eeuw te laten scannen.
Alle archiefstukken zitten tegenwoordig in een
zuurvrije verpakking. De romantiek van een mooi
oud depot met portefeuilles is helemaal weg. Alles
zit in dozen. Dat is passieve conservering, maar
het werkt wel. Wat dat betreft zijn er in de jaren
negentig met de microfichering al enorme slagen
gemaakt in het behoud van de papieren archieven. Maar die microfiches zijn inmiddels zwaar
verouderd, zoals dat nu functioneert is het wel
een treurige toestand. Dat moet nodig aangepakt
worden. Geen enkel archief in Nederland heeft
z’n archieven overigens al volledig gedigitaliseerd.
Want als je dat productiematig wilt doen dan
moet je daar door de menskracht die dat vraagt
geld op toeleggen.
We staan eigenlijk nog in de kinderschoenen
met het informatietijdperk. We weten ook niet
hoe het zal gaan met de houdbaarheid van de digitale opslag. We denderen maar door, maar heel
veel weten we er eigenlijk nog niet van.
ZHT4 2015 .indd 21 15-12-15 12:29
158 zwols historisch tijdschrift
De stukken die het meest geraadpleegd worden, moeten het eerst gedigitaliseerd worden, de
burgerlijke stand en dergelijke. Genealogen zijn
een hele grote gebruikersgroep, dus dat gaat allemaal voor. Het Nationaal Archief is nu bezig met
de VOC en de Staten-Generaal. Dat zijn schitterende archieven en dat komt allemaal online voor
een wereldpubliek. Dat is prachtig, maar zover
zijn we hier in Zwolle nog lang niet.
Wat zou jouw prioriteit hebben?
Het kadaster, de bouwvergunningen. We hebben
al een paar keer geprobeerd om dat als een samenwerkingsproject met de gemeente te doen, maar
daar was steeds geen geld voor. Er is veel vraag
naar. De vraag is voor mij het belangrijkste criterium, meer dan de inhoud.
Auteursrechten zijn trouwens een geweldige
belemmering bij de digitalisering van het culturele erfgoed. Neem de Zwolse Courant vanaf 1940,
die kan hier in huis wel digitaal geraadpleegd worden, maar die mag niet op internet gezet worden.
Dat heeft te maken met de auteursrechten van
de fotografen. Tegenwoordig koopt een krant als
opdrachtgever gewoon de rechten, maar destijds
was dat nog niet goed geregeld. Er is geprobeerd
daar jurisprudentie over uit te lokken, maar de
rechtszaken daarover zijn allemaal verloren.
Bert de Vries in een van
de depots van het HCO,
de portefeuilles met uitpuilende papieren van
weleer zijn allemaal
vervangen door zakelijke maar verantwoorde
opbergdozen. (Foto Jan
van de Wetering)
ZHT4 2015 .indd 22 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 159
Waar ben je, terugkijkend op die acht jaren,
trots op en waarvan zeg je, dat is minder gelukt?
Het meest trots ben ik op Mijn Stad Mijn Dorp,
het digitale platform. Niet alleen vanwege de website, maar ook op de hele rol die het HCO daar in
gespeeld heeft en onze daardoor verworven positie in de provincie. De samenwerking met de IJsselacademie, die nu hier in het gebouw zit, is ook
heel goed. Ik ben er ook trots op, dat is heel recent,
dat we samen gaan met het archief in Deventer.
Hopelijk volgt Kampen volgend jaar ook. Dan heb
je ook die veertiende- en vijftiende-eeuwse collecties mooi in hun samenhang. De Moderne Devotie zou je vanuit die invalshoek prachtig kunnen
onderzoeken. We hebben een geschiedenis van
Deventer, van Zwolle, Kampen, maar een geïntegreerde geschiedenis van de IJsselstreek in die tijd
hebben we nog niet.
Ik ben ook trots op alle exposities die we hier de
laatste acht jaar hebben gehad, met name ook de
educatieve over de Tweede Wereldoorlog. Toen
ik hier kwam lagen er nog plannen voor een soort
NIOD in het oosten, een apart instituut rondom
de collectie van Paul Harmens (specialist Tweede
Wereldoorlog en medewerker HCO). Daarvan
heb ik al vrij snel gezegd dat we dat niet gingen
doen, maar dat het wel een blijvende plek in de
programmering moest krijgen. Dat is goed gelukt
en het werkt ook elke keer nog. We krijgen elk jaar
daarvoor zo’n zevenhonderd scholieren hier over
de vloer.
Zwolle is geen universiteitsstad, dus we krijgen niet zoveel jongeren hier op de studiezaal. Ze
komen van Hogeschool Windesheim nog wel eens
met een groep in educatief verband, maar nauwelijks individueel. Het Cibap (Vakschool voor verbeelding) komt hier elk jaar met studenten en de
Pedagogische Academies ook wel, maar dat zijn
dan toch meer tijdelijke projecten.
Hoe gaat dat de komende jaren? De educatieve
taak is hier net wegbezuinigd…
Ja, helaas. Kijk, je moet bezuinigen, je hebt je
archief-wettelijke taken, die moeten gewaarborgd
zijn; daar valt educatie niet onder. Dat is jammer,
want het is ontzettend belangrijk en het was iets
waar we goed in waren. De hal leent zich daar ook
goed voor. Maar die gaan we nu ook anders benutten. We gaan meer met groepsarrangementen
doen, bijvoorbeeld voor historische verenigingen
die hier een ochtend willen komen. We hebben
ook nog wel schoolklassen gepland, waar we dan
wat meer standaardmateriaal voor hebben. Zoals
een les over de Tweede Wereldoorlog die we elk
jaar gaan doen, en een over cultureel erfgoed. We
hebben ook nog de beschikking over een mooie
educatieve website, maar die moet nog verder
worden doorontwikkeld. We gaan er dus nog wel
wat aan doen, maar dan met freelancers en meer
standaard materiaal.
Maar ik hou er niet van om te klagen, dingen
gebeuren, klaar. Dat geldt ook voor alle bezuinigingen die we de afgelopen jaren over ons heen
gekregen hebben. Aan de ene kant zijn dat uiteraard teleurstellingen geweest, maar aan de andere
kant hebben we daardoor organisatorisch ook
juist weer slagen kunnen maken, mensen die zich
op een andere positie opeens heel goed ontwikkelden. Maar het is hier nu wel op wat bezuinigingen
betreft, dat wil ik wel benadrukken.
Wil je verder nog iets kwijt?
Ik ben gewoon trots op het HCO in het algemeen,
we hebben heel veel leuke dingen gedaan, die ook
goed in de krant zijn gekomen. Het publieksbereik is enorm vergroot. Ik kan met een gerust hart
weggaan, er zitten geen lijken in de kast, we staan
er wat dat betreft gewoon goed voor. Alles is op
orde, Deventer treedt toe, het is aan m’n opvolger
om dat verder op te pakken en uit te bouwen.
* Het interview met Bert de Vries vond plaats op
28 oktober 2015. De benoeming van de nieuwe
directeur van het HCO, Arie Slob, was toen nog niet
bekend.
ZHT4 2015 .indd 23 15-12-15 12:29
160 zwols historisch tijdschrift
J
uist op het moment dat ik afgelopen zomer een
artikel over gevelstenen in Assendorp voor
De Assendorper had afgerond, meer in
het bijzonder over zogenoemde eerste stenen,
kwam ik bij toeval er nog een op het spoor. Wat
gebeurde er?
Eerste stenen in Assendorp
De oudste, eerste steen die ik tot nu toe in Assendorp ben tegengekomen zit in de gevel van Assendorperdijk 14. Dit waren oorspronkelijk twee
arbeiderswoningen. Nu is het één woning die wat
afgelegen en verstild ligt te dromen in de schaduw
van het hoge, oude hout van het Dominicanenklooster aan de Assendorperstraat. Op de bewuste
steen is alleen het jaartal nog zichtbaar, ‘1877’, de
overige gegevens lijken weggebikt te zijn. Naar de
redenen hiervan kan ik alleen maar raden: zijn de
direct betrokkenen later gebrouilleerd geraakt of
misschien gescheiden of was er onenigheid over
wie nu precies die eerste steen legde? Intrigerend!
In Assendorp heb ik tot nu toe nog vijf andere
eerste stenen ontdekt, te weten in de gevels van:
Van der Laenstraat 123, Molenweg 99, Van Roijensingel 17 en Tuinstraat 34 en één in de voet van
de toren van de Zuiderkerk. Ze hebben allemaal
ongeveer hetzelfde format: 1. de naam van de legger (met alleen initialen of met de achternaam
De woning Assendorperdijk 14, ooit
twee woningen, maar
ondanks de samenvoeging nog steeds niet
ècht groot. Links van
de rechter voordeur zit
op kniehoogte de eerste
steen; kan het zijn dat
de nieuwste Assendorper al wat langer in de
brievenbus ‘kleeft’..?
Kees Canters
Een oude ‘eerste steen’ uit Assendorp in Gorssel
ZHT4 2015 .indd 24 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 161
voluit, nooit met een volledige voornaam),
2. een datum of alleen een jaartal, 3. aangebracht
op knie- of heuphoogte in de voorgevel van het
betreffende pand, 4. gemaakt van natuursteen,
5. altijd ingemetseld, dus niet òp de gevel bevestigd maar helemaal in de muur verwerkt en
6. met bescheiden afmetingen, vrijwel nooit groter
dan 30×40 cm. Soms staat er ook nog een (verwijzing naar een) tekst op, zoals in het geval van de
Zuiderkerk: Matth: 21vs13a – over het schoonvegen van het tempelplein.
Touwslagerij in Gorssel
Kort nadat ik mijn verhaal voor De Assendorper,
de wijkkrant van de ‘leukste wijk van Zwolle’,
gereed had kwam ik bij toeval terecht in Touwslagerij Steenbergen in Gorssel – langs de IJssel
tussen Deventer en Zutphen, dus een flink eind
van huis. Het is de enige nog in bedrijf zijnde
touwslagerij in Nederland die alleen nog op
ambachtelijke wijze touw maakt. Er wordt daarbij
gebruik gemaakt van natuurlijke vezels, waarvan
eerst garens worden gesponnen (dit gebeurt niet
in Gorssel). Van deze garens worden strengen
gedraaid en tenslotte wordt van twee tot zes strengen een touw geslagen, in elke gewenste dikte en
lengte. Het garen, de grondstof, wordt in grote,
zware en compacte klossen aangeleverd.
Tegenwoordig is dat garen uit Rusland afkomstig en gemaakt van hennepvezels – het garen
is daarmee helaas niet meer van ‘vooroorlogse’
kwaliteit… Ook garen gesponnen van vlasvezels
wordt nog wel gebruikt. Achter de touwslagerij in
Gorssel ligt de bijhorende lijnbaan, zo’n honderdvijftig meter lang. Op deze lijnbaan zijn betrekkelijk recent de opnamen gemaakt voor de film
over het leven en de tijd van Michiel de Ruyter:
‘In een blauwgeruite kiel draaide hij aan het grote
wiel, de gah-ah-ah-an-se dag…’. Dat wiel was, zoals
bekend, het wiel op de lijnbaan van een touwslagerij in Vlissingen.
Bezoek aan Zwolle
De heer Gerrit Steenbergen (1937), die de touwslagerij in Gorssel bij zijn pensionering overdroeg
aan zijn zoon, was toen ik daar langskwam aanwezig op het bedrijf. Hij vertelde op boeiende en
gedetailleerde wijze over verschillende aspecten
van het touwslagersvak, zoals het gebruik van
de juiste vezel, de voor een buitenstaander soms
raadselachtige machines, het zorgvuldig afhechten van het uit meerdere strengen geslagen touw
(met behulp van een slagtand van een walrus!)
en de verschillende typen touw en hun specifieke
gebruik en natuurlijk over de lijnbaan. Allemaal
wonderbaarlijke zaken uit een vrijwel verdwenen
wereld. Voor nadere details over het interessante
en gecompliceerde ambacht van touwslaan, met
name over de in dit vak gebruikte terminologie,
verwijs ik graag naar het lemma ‘touwslager’ op
Wikipedia.
Aan het eind van de rondleiding vroeg Steenbergen mij waar ik vandaan kwam. Toen ik antwoordde in Zwolle te wonen, werd hij helemaal
enthousiast. Dáár had hij namelijk spullen overgenomen van de touwslagerij aan de Van Karnebeekstraat toen die in het begin van de jaren 1960
werd opgeheven, enkele machines, wat gereedschap en wat materiaal. Min of meer terloops
vertelde hij dat hij destijds ook een eerste steen
meegenomen had, als aandenken en als curiosum.
Toen werd ìk enthousiast! Op mijn verzoek om
die steen te mogen zien verdween hij in een donkere hoek van de werkplaats en kwam even later
De eerste steen in de
gevel van Assendorperdijk 14; alleen het jaartal, ‘1877’, resteert.
ZHT4 2015 .indd 25 15-12-15 12:29
162 zwols historisch tijdschrift
weer tevoorschijn met een steen met de vorm en
de grootte van een Vlaamse kassei, zo’n ‘kinderhoofdje’. Hoewel de steen duidelijke slijtsporen
vertoont valt nog steeds goed af te lezen wat er op
staat: ‘F.V.D.B. // 19 APRIL // 1813’ met, als een
soort bekrachtiging, ook nog een dikke streep
eronder bestaande uit twee vleugels met een dikke
punt in het midden. De hoeken zijn subtiel afgesloten met een kwart cirkeltje, een ornament dat je
wel vaker ziet op eerste stenen, soms verder uitgewerkt tot een kwart stralenkransje.
1832
Op de Kadastrale Atlas 1832 (opgemeten tussen
1811 en 1832!) staat op het betreffende minuutblad langs de toenmalige Deventerstraat een langgerekt perceel aangegeven dat omschreven wordt
als ‘lijnbaan met huisje’. De eigenaar van dit perceel was toen Frans van den Bos, ‘wagenmaker’.
Deze Van den Bos woonde in Zwolle, zijn woonen/of werkadres staat niet aangegeven. Aan de
overkant bewoonde Derk van den Bos (‘eigenaar’)
een pand (‘huis en erf ’), later bekend als Deventerstraat 7 – tegenwoordig Van Karnebeekstraat 7.
Aangenomen mag worden dat Frans van den Bos
zich van wagenmaker ontwikkelde tot touwslager
en in de loop van de tijd in het pand van familieDe eerste steen van
touwslagerij Van den
Bos, die oorspronkelijk
ingemetseld zat in het
huisje dat van 1813 tot
in de jaren 1960 stond
op de lijnbaan aan de
Van Karnebeekstraat.
lid Derk van den Bos zijn werkplaats met winkel
kreeg.
Het langgerekte perceel ligt precies op de
plaats waar oorspronkelijk de gracht rond het
Hoornwerk lag, onderdeel van de vesting Zwolle.
Dit verdedigingswerk moest de Sassenpoortenbrug beschermen tegen onverhoopt vijandelijk
vuur in perioden van krijgsgewoel en oorlog. In
de loop van de achttiende eeuw verloor Zwolle
echter haar functie als vestingplaats. Daarmee
kwam onder andere dit verdedigingswerk te vervallen, inclusief de gracht er rondom heen. Vóór
en mogelijk zelfs ten behoeve van de aanleg van
de lijnbaan werd een gedeelte van deze gracht
gedempt, terwijl andere delen nog lang in tact
bleven (zie de ingetekende bruggetjes bij de verschillende percelen ter hoogte van de tegenwoordige Zeven Alleetjes), sommige stukken zelfs tot
in de twintigste eeuw. De bovengenoemde heer
Steenbergen kan zich herinneren dat toen hij hier
in de jaren zestig was, er parallel aan de lijnbaan
een sloot liep. Waarschijnlijk was het voor de
aanleg van zo’n betrekkelijk smalle lijnbaan niet
nodig geweest om de hele gracht te dempen. Hoe
dit ook zij, aangenomen mag worden dat het lijnbaanhuisje, niet meer dan een bescheiden schuur,
door

Lees verder