All Posts By

Zwolse Historische Vereniging

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 4

Door | 2012, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

29e jaargang 2012 nummer 4 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Special
Westenholte – Voorst –
Frankhuis Een geschiedenis
in vogelvlucht
Omslag: Frankhuis ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.
(Particuliere collectie)
zwols historisch tijdschrift 143
Inhoud
Groeten uit Westenholte Wim Huijsmans 142
Voorwoord Bert de Vries 144
Westenholte is…?
Een geschiedenis in vogelvlucht
van Westenholte, Voorst en Frankhuis
Frank Inklaar 145
Westenholte – Voorst – Frankhuis;
geografische achtergrond
Gerrit van Vilsteren 162
De cornetmuts
Hoe een modemuts in de streekdracht
terecht kwam Aranka Wijnbeek 171
De Christelijke Mondharmonicavereniging
‘Excelsior’ in Westenholte Wim Huijsmans 179
WVF zal altijd dorpsclub blijven
Steven ten Veen 183
De Nederlandsche Gruyère Blokmelk
Fabriek N.V. Gerrit van Vilsteren 189
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 8: De ontwakende driften van de
Zwolse babyboomers (1962-1963)
Jan van de Wetering 198
Veelomvattende dissertatie van
dr. Philomène Bloemhoff
In anderhalve eeuw veranderde veel aan
het Zwolse dialect Willem van der Veen 200
Mededelingen 202
Auteurs 204
Groeten uit Westenholte
Petuniaplein, 1965
Bij gebrek aan een suikerzakje uit Westenholte
dit keer een prentbriefkaart van het Petuniaplein.
Het plein is ontworpen als winkelcentrum voor
het nieuwe Westenholte. Waar eerst koeien
graasden, moesten winkels komen met een buurtkarakter waar je je dagelijkse inkopen kon doen.
Het zou het dorpse Westenholte allure geven. Het
ontwerp van plein en winkels met bovenwoningen is van de hand van architect W. Geytenbeek,
die ook iets dergelijks aan de Campherbeeklaan
in Berkum had ontworpen. Eind 1964 werd het
complex aan het Petuniaplein opgeleverd.
Op de foto zien we uiterst links de houten noodkerk van de Nederlands Hervormde
Gemeente, de latere Stinskerk. Aan het plein kwamen van links naar rechts: de Centrawinkel van
Mannes Kluin, de Boerenleenbank, de textielzaak
van Johan Spijker, het technisch handelsbureau
van Jannes Willems met gereedschappen en ijzerwaren, de Spar supermarkt en Gosen ten Klooster
met een sigaren- en snoepwinkel. In zijn winkel
zat ook een postkantoortje. Opzij kwam een
snackbar.
Naast de winkels aan het plein had de Centrale
Plattelandsbibliotheek in juni 1964 een nieuw
filiaal geopend. Het gebouwtje rechts met daarop
in neon letters Spaarbank bood onderdak aan de
Raiffeisenbank.
Volgens de plannen van de architect werd het
Petuniaplein dat ongeveer tweeduizend vierkante
meter groot is, ingericht als parkeerruimte en
‘gestoffeerd’ met bloembakken. Het plein waar op
vrijdagmiddag ook een kleine markt gehouden
wordt, is nog steeds het kloppend hart van
Westenholte.
142 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Het Petuniaplein met vrijdagmiddagmarkt, november 2012.
(Foto Jan van de Wetering)
(Collectie HCO)
144 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 145
Het Historisch Centrum Overijssel heeft in
samenwerking met (oud)bewoners een
unieke tentoonstelling gemaakt over de
Zwolse buurten Westenholte – Voorst – Frankhuis.
De tentoonstelling geeft achtergrondinformatie aan de hand van prachtige door de bewoners
ingebrachte foto’s, maar ook de persoonlijke verhalen en herinneringen hebben een plek gekregen
in de tentoonstelling.
Het unieke van de tentoonstelling is dat mensen tijdens de duur ervan hun eigen foto en verhaal
toegevoegen. Hiervoor is een digitaal fotoalbum
gemaakt, waar foto’s in worden opgenomen en
mensen zelf hun verhaal kunnen plaatsen. Dit
album is ook vanuit huis in te zien en reageren op
foto’s en verhalen van anderen is mogelijk.
Het Historisch Café is toegankelijk op iedere
dinsdagochtend van 10.00 uur tot 12.00 uur
zolang de tentoonstelling loopt, een ontmoetingspunt voor iedereen die geïnteresseerd is in
de geschiedenis van deze Zwolse buurten, maar
in het bijzonder voor degenen die er wonen of
gewoond hebben en samen met anderen herinneringen willen ophalen.
Met de expositie, die loopt tot en met
4 januari 2013, wil het Historisch Centrum Overijssel mensen betrekken bij hun eigen geschiedenis. Je eigen verleden bepaalt immers voor een
groot deel ook je eigen identiteit. Zo willen wij een
bijdrage leveren aan leefbaarheid en welzijn in
buurten en wijken. Het project voegt iets belangrijks toe, namelijk de menselijke dimensie van
beleving en ontmoeting. Eerder door het Historisch Centrum Overijssel gerealiseerde wijkprojecten hebben dit ten volste bewezen!
Dit themanummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift is het resultaat van al het moois aan
materialen en informatie dat het Historisch Centrum Overijssel vóór en tijdens de tentoonstelling
Voorwoord
heeft mogen ontvangen. Geweldig dan ook dat de
Zwolse Historische Vereniging een themanummer over deze prachtige Zwolse buurten heeft
willen maken, zodat als de tentoonstelling is
afgelopen, naast het digitaal fotoalbum er ook een
rijk geïllustreerd tijdschrift ligt als resultaat van
hoe samen met bewoners de geschiedenis van hun
eigen wijk in beeld is te brengen.
Zo levert een project met bewoners uit een
wijk ook weer een mooie samenwerking op met
onze aloude partner, de Zwolse Historische
Vereniging, waarvoor ik haar van harte wil
bedanken.
Bert de Vries
Directeur Historisch Centrum Overijssel
Wat zou een oer-Westenholtenaar er
van vinden dat een heel nummer van
het Zwols Historisch Tijdschrift aan de
geschiedenis van zijn woonplek is gewijd? Trots,
omdat er toch maar mooi aandacht is voor dit
unieke plekje? Bevreemding, omdat Westenholte
sinds de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel in 1967 weliswaar bestuurlijk onderdeel is
van Zwolle, maar om het nu Zwols te noemen?
En aandacht in het Zwols Historisch Tijdschrift?
Hoe het ook zij, Westenholte (en Voorst en
Frankhuis), de buur(t)schappen ten noordwesten van Zwolle, hebben al eeuwenlang van doen
met deze stad en andersom. Om maar het meest
in het oog springende voorbeeld te noemen:
ongeveer de grootste catastrofe die Zwolle ooit
is overkomen heeft zijn oorsprong in Voorst.
In 1324 brandde vrijwel de hele stad af door
toedoen van de hoofdbewoner van het kasteel
van Voorst, kasteelheer Roderik van Voorst.
Maar het kan ook vreedzamer: in 1994 werd de
honderdduizendste inwoner van Zwolle, Kyra
Mepschen, geboren in Westenholte. Hoezeer
de bewoners van het gebied de eigenheid van
hun buurtschappen ook beleven, er zijn redenen
genoeg voor het Zwols Historisch Tijdschrift om
in de geschiedenis van deze drie buurtschappen
te duiken. Westenholte was oorspronkelijk het
gebied vanaf de Konijnenbelten tot en met de
Zalkerdijk; Voorst lag hier ten zuidoosten van en
Frankhuis meer richting Zwolle, vroeger bij het
Zwartewater, nu aan het Zwolle-IJsselkanaal. De
oude buurtschap Voorst is opgegaan in het huidige Westenholte.
Detail uit de topografische kaart rond 1900
met Westenholte, de
Konijnebelten, Voorst
en Frankhuis. Onder
de (nog zichtbare) letters van Westenholte
ligt de Zalkerdijk, waar
de lagere school staat
aangegeven. Duidelijk
zichtbaar is ook de
Kolk. (Collectie HCO)
Westenholte is…?
Een geschiedenis in vogelvlucht van
Westenholte, Voorst en Frankhuis
Frank Inklaar
146 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 147
Kasteel Voorst
Het vroegste begin van de bewoningsgeschiedenis is niet veel verschillend van andere nederzettingen in dit gebied. In een drassige omgeving
zoeken mensen een hogere plek op om droog en
veilig te kunnen wonen. De in deze buurt gelegen
hogere plekken waren rivierduinen. Daar vestigden zich de oer-Westenholtenaren. Of er sprake
was van een Friese nederzetting in een Saksische
omgeving, of dat de wortels te zoeken zijn op de
Noord-Veluwe is niet bekend. De rivierduinen
werden in de loop der eeuwen door de bewoners
aangeduid als de ‘Konijnenbelten’. De naam Westenholte komt van Wesderawalde. Dat verwijst
naar een bosrijk gebied. In oude archiefstukken
komt de naam al voor. Westenholte, eerst alleen
en later samen met Voorst, vormde al vroeg een
marke. Een marke was een soort middeleeuws
collectief van grotere boeren die gezamenlijk het
beheer en gebruik van hun gemeenschappelijke
gronden regelden. Het centrum van de marke
bestond uit cultuurgrond met boerderijen, omgeven door woeste gronden. De marke Westenholte-Voorst werd pas in 1903 opgeheven.
Aan de zuidzijde van de Konijnenbelten stond de
burcht van de machtigste heren uit de buurt, de
heren van Voorst. In 1224 werd de oude burcht
afgebroken en er kwam een nieuw, zeer imposant
exemplaar voor in de plaats. Net als alle adellijke
families in de Middeleeuwen streefde ook de
familie van Voorst naar een zo groot mogelijke
onafhankelijkheid. Twee obstakels vonden ze
hierbij op hun weg: de landsheer (de bisschop
van Utrecht) en de IJsselsteden in de buurt, die
andere belangen hadden dan de Van Voorsten.
Bij vlagen, als de belangen gelijk liepen, trokken
de bisschop van Utrecht en de steden als bondgenoten op. Voor Zwolle had dat in 1324 onaangename gevolgen. De stad werd toen getroffen door
een razendsnel om zich heen slaande brand en
werd praktisch geheel verwoest, kerk en stadhuis
incluis. Alleen het klooster Bethlehem en vijf
burgerhuizen bleven gespaard. Volgens de overlevering was Roderik van Voorst de aanstichter van
het vuur. In 1361 volgde een herhaling van zetten.
Zwolle wenste een gracht te graven van de stad
naar de IJssel en dat moest gebeuren over het land
van de Van Voorsten. Die waren daar niet blij
mee en weer stak een Van Voorst, nu Zweder, een
stuk Zwolle in brand. De ‘Nijstad’, de bewoning
buiten de Diezerpoort, ging in vlammen op. Het
was duidelijk: Zwolle moest zich ontdoen van de
burcht van de Van Voorsten om verlost te raken
van de machtige arm van deze heren. De stad riep
de hulp in van bisschop Jan van Arkel. Met hulp
uit Deventer en Kampen werd kasteel Voorst
belegerd. Vijftien weken bood de burcht weerstand, maar toen met blijden ‘drek en vuiligheid’
over de muur werd geworpen waardoor er in het
kasteel gebrek aan drinkbaar water en ziekte ontstond, was het afgelopen. Het kasteel werd met de
grond gelijk gemaakt om nooit meer opgebouwd
te worden. De ijzeren deur van het kasteel is nog
steeds te zien in het oude stadhuis van Kampen.
De beste stenen van het kasteel werden in Zwolle
hergebruikt bij de bouw van de toren van de
Grote Kerk. Nog in het begin van de negentiende
eeuw werd het laatste puin aangewend voor de
aanleg van zeeweringen tegen de Zuiderzee en
voor de verharding van de weg naar Kampen.
Het terrein waar eens het kasteel stond is nu rijksarcheologisch monument: het Stinspark. Een
houten speelkasteel is een ludieke herinnering
aan de eens zo machtige burcht.
De familie van Voorst bleef overigens niet
lang ‘dakloos’, de zonen van Zweder sloten een
verzoeningsverdrag met de bisschop van Utrecht
en bouwden vervolgens verderop in de toen net
omdijkte Mastenbroekerpolder een nieuw kasteel,
huize Werkeren. Ruim honderd jaar na de bouw
van Werkeren liet de toenmalige bewoner, Johan
van Ittersum, ook weer een huis in Westenholte
bouwen in de buurt van de plek waar het oude
kasteel had gestaan: Huis Voorst. Het gedeelte
van de Mastenbroekerpolder waar Werkeren
stond is tegenwoordig opgeslokt door Stadshagen. Werkeren werd in het begin, Huis Voorst
aan het eind van de negentiende eeuw gesloopt.
Negentiende eeuw
De zanderige rivierduinen werden eeuwenlang
vooral bewoond door twijgensnijders en landarbeiders, al dan niet met een klein keuterbedrijfje.
Het lagergelegen, vruchtbare land daaromheen
was het domein van enkele grotere boeren. Een
reiziger van Kampen naar Zwolle beschreef in
1819 het landschap als volgt: ‘Er loopen twee
wegen van hier naar Zwolle, de een geheel door
Boven: Luchtfoto van het Stinspark in Westenholte. Het Stinspark is gebouwd
op de plaats waar ooit de burcht van de heren van Voorst stond. Bij de aanleg
van het park is uitgegaan van de contouren van de grachten rond het kasteel.
Rechts zijn de velden van voetbalclub WVF zichtbaar. (Aerophoto Eelde)
Onder: Reconstructie van de plattegrond van het kasteel. (Informatiebord
Stinspark, foto Jan van de Wetering)
Boven: Tegenwoordig is
dit houten speelkasteel
in het Stinspark nog
een bescheiden herinnering aan vervlogen
tijden. (Foto Jan van de
Wetering)
Links: Verbeelding
door Teun van der
Veen van de belegering
van het kasteel in 1362.
(Uit: Zwolle 750 jaar
stad in woord en beeld
gevat, 1980)
148 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 149
de klei, doch te smal voor een gepakt rijtuig met
vier paarden. Ik reed dus den anderen, over den
Konijnenberg, eerst door lage weilanden, dan
heide, wederom weiland, en eindelijk open veld
… Ofschoon de heide hier meestal bedwongen
en vruchtbaar gemaakt is, ontmoet men nogtans
enkele duintjes. Dan ook deze ontsnappen niet
aan dien geest van ontginning, dien ik overal
aantrof, en men ziet dat de zandhoop sedert kort
kleiner is geworden en nog gedurig wordt.’* Desalniettemin zou het nog zeker een eeuw duren
voor de ‘konijnenbelten’ grotendeels verdwenen
waren, ook tegenwoordig vallen er nog rudimenten van terug te vinden. Veel van het land was in
handen van grootgrondbezitters, die meestal tot
de stedelijke elite behoorden. Bij Frankhuis lagen
de drie buitens Twistvliet, Ketelkolk en De Bildt.
De lagergelegen gebieden hadden met enige
regelmaat te maken met overstromingen. In 1825
verdronken bijvoorbeeld enkele van de toen
honderdvijftig inwoners van Westenholte. Toch
brachten de overstromingen niet alleen rampspoed. De vruchtbaarheid van het land werd er
ook door vergroot.
Tot ver in de negentiende eeuw vormden Westenholte en Voorst gesloten gemeenschappen, die
niet veel met de buitenwereld van doen hadden.
Zelfs niet met elkaar. De omwonende boeren
kwamen bijvoorbeeld niet op de volksfeesten in
Westenholte. Maar langzaamaan werden de contacten met de buitenwereld makkelijker en werd
de wereld wat groter, ook voor de buurtschappen. Meisjes gingen uit werken als dienstbode
in de stad, waar de jongens werk vonden in de
opkomende nijverheid. Frankhuis, wat dichter bij
Zwolle en aan doorgaande wegen naar Kampen
en Hasselt gelegen, kende een wat andere economische bedrijvigheid. Tussen Westenholte en
Voorst en Frankhuis hadden diverse tuinders en
warmoezeniers hun bedrijfjes. Zo vlak onder de
rook van de stad Zwolle hadden ze een stabiele
afzetmarkt. In Frankhuis woonden wat ambachtslieden, die vooral gericht waren op het boerenbedrijf. Zo waren er smederijen en wagenmakerijen.
Ook was er verzorgende middenstand: onder
meer een melkboer, een bakker, een kleermaker,
wat kruideniers en natuurlijk een café-tapperij.
Soms werd deze bedrijvigheid gecombineerd met
een klein boerenbedrijfje.
Grote bedrijven
Grotere economische bedrijvigheid buiten de
landbouw was er in Frankhuis. In de negentiende
eeuw ontstonden daar twee bedrijven, die elk
voor zo’n vijftig arbeidsplaatsen zorgden. Veel
inwoners uit de buurt vonden er werk. In 1825
vestigde houthandel Eindhoven en Zoon zich in
Frankhuis. Het bedrijf kwam uit Blokzijl. Door
de aanleg van de Willemsvaart was er een directe
verbinding gekomen tussen het Zwartewater
en de IJssel. Vlotten hout uit Duitsland konden
veel voordeliger via de IJssel naar Zwolle worden
getransporteerd dan via de Zuiderzee naar Blokzijl. Op buitenplaats Twistvliet liet Lambert Eindhoven een houtzaagmolen bouwen, aangedreven
door de wind. Vanaf 1857 werd gebruik gemaakt
van een stoommachine. In 1973 werd het familiebedrijf overgenomen door een van de grootste
Engelse houtimporteurs, The Southern Evans Ltd.
In 1989 kwam het bedrijf in handen van Stiho BV
te Nieuwegein.
Het andere grote bedrijf was de Blokmelkfabriek. In 1895 verleende de gemeente Zwolle
Uitsnede van het gebied
Zwolle, Zwartsluis en
Kampen met de Mastenbroekerpolder uit de
kaart ‘Transisalania
Provincia vulgo Overyssel’ uit 1743.
De kaart is gebaseerd
op de in 1648 vervaardigde kaart door
Nicolaas ten Have.
Zichtbaar zijn (op de
rode lijn) Westenholte,
Voorst en Frankhuis.
(Facsimile bij ‘Een
perfecte Lantcaerte van
Overijssel’ 2012)
Rechts: Boerderij met
hooiberg in Frankhuis.
Anoniem, achttiende
eeuw. (Collectie SMZ)
Frankhuis eind negentiende eeuw. Tekening
door J.W. Meijer. (Collectie SMZ)
150 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 151
een vergunning aan de Stoomzuivelfabriek Mastenbroek VOF voor de bouw van een roomboterfabriek. In 1926 werd de stoomzuivelfabriek
overgenomen door NV Nederlandse Gruyère
Blokmelkfabriek uit Den Haag. De Blokmelkfabriek verwerkte melk van boeren uit de verre
omgeving tot blokmelk. Blokmelk was een mengsel van melk en suiker, dat na afkoeling stijf werd
en in blokvorm in kisten werd verpakt voor
verzending naar Zwitserland. Daar diende het
als grondstof voor chocolade. In 1977 werd het
bedrijf onderdeel van Coberco Isoco BV. Sinds
1999 is het onder de naam Sensus Operations een
producent en groothandel in voedingsmiddelen
en voedingsmiddeleningrediënten.
Frankhuis was inmiddels door de aanleg van
het Zwolle-IJsselkanaal in het begin van de jaren
zestig van de twintigste eeuw compleet veranderd.
Het was de directe verbinding met Zwolle verloren. Een fiets-voetgangerspontje moest dit gemis
compenseren. In 1985 kwam er weer een vaste
verbinding in de vorm van een voetgangersbrug
op de hoogte van zo’n negen meter boven het
kanaal. Het kanaal bracht ook aan de zuidrand
van Westenholte en in Voorst grote veranderingen. Langs het kanaal kwamen insteekhavens en
industrieterreinen, die tot op heden het beeld
bepalen van wat nu bekend staat als het industriegebied Voorst.
Het personeel van de firma Eindhoven in 1905. (Particuliere collectie)
Het personeel van de firma Eindhoven in 1938. De foto werd gemaakt op 14 maart, ter gelegenheid van het vijftig jaar in dienst zijn
van Egbert Drost. Staand achterste rij vlnr.: Jo Drost, Jan Willem ten Hove, Jan Huizen, Gerrit Drost, Dorus Heres, Reindert Drost,
Sip Heres, Albert van Rijssen, Jan Lubbers, Berent Jan Brinkman, Berent Kluinhaar, Wiechert Bastiaan, Rinus van Duuren, Gait Jan
Hultink, Jan Bastiaannet, Frederik Drost, Hein van Leiden, Jaap Schinkel, Roelof Lemstra, Reize Lemstra, Kees van der Molen, Derk
Drost, Mannes Heideveld, Bert Borst, Coen Nijmeijer, Jacob Palm, Albert Dijkslag, Jo Wever. Voorste rij: Jochem Ammer, Herman
Drost, Bos, Wiechert Korpershoek, Henzen, Arend Zijlstra, Van Buren, Herman Halfwerk, Van Hall, Van Hall, ? , Jannes Drost, Gijs
Kloot, Derk Voeten, Jo Korpershoek, Eikelboom. Zittend de jubilaris Egbert Drost. (Particuliere collectie)
Links: Luchtfoto uit
1948 van de houthandel Eindhoven in
Frankhuis. Het water
op de voorgrond is
de Trekvaart, op de
achtergrond is de Blokmelk-fabriek zichtbaar.
(Foto Aviodrome)
De Gasthuisdijk richting Frankhuis. Rechts zijn de
graafwerkzaamheden voor het Zwolle-IJsselkanaal
zichtbaar. Op de voorgrond staan Tonnie en Marja
Hullen, begin jaren zestig (Particuliere collectie)
152 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 153
Keren we terug naar Westenholte rond 1900. Ook
daar drong de moderne tijd steeds meer door.
Niet alleen gingen Westenholtenaren werken in
Frankhuis, of zelfs in de stad, maar ook kwamen
geschoolde arbeiders uit Zwolle in Westen

holte wonen. Op kleine schaal werden er nieuwe
woningen gebouwd, oude verhoudingen verdwe

nen. Het accent van de nieuwbouw lag vooral in
Voorst. Met name langs de Voorsterweg was wat
middenstand (bijvoorbeeld rijwielhandel Schutte
en kruidenier Kluin) en nijverheid in de vorm
van een smederij, een timmermansbedrijf en een
houtzagerij. Houtzagerij Van Dijk groeide na de
oorlog uit tot een bloeiend bedrijf. Aan dezelfde
Voorsterweg kwam ook het klompenbedrijf van
de gebroeders Van Vilsteren, GeVaVi. Tussen
1962 en 1978 groeide dit bedrijf uit tot een grote
werkgever voor maar liefst zo’n honderd man
personeel. In 1993 werd de productie overgehe

veld naar de firma Nijhuis in Beltrum. GeVaVi
is anno 2012 een groothandel in de verkoop van
klompen, klompschoenen, veiligheidssneakers
en trendy slippers. Ook werkkleding en bescher

mingsmiddelen behoren tot het assortiment.
Na de aanleg van het
Zwolle-IJsselkanaal
begin jaren zestig was
Frankhuis afgesneden
van Zwolle. Een fietsvoetgangerspontje
vormde toen de directe
verbinding. Deze foto
dateert uit 1985, het
pontje werd een jaar
later vervangen door
een voetgangersbrug.
(Collectie HCO,
Redactiearchief
Zwolse Courant)
De werkplaats en het
woonhuis van Jan Hen

drik Schutte, rijwiel

handelaar en -herstel

ler aan de Voorsterweg.
Het rijmpje:
‘N fietse van Skutte
En loop…’n det dutte
Met de wind in ’e rugge
Over d’Iesselbrugge’
was van deze familie
Schutte afkomstig. De
familie Schutte die de
autobusmaatschappij ging exploiteren
maakte daar later de
veel bekender geworden
variant ‘De busse van
Skutte’ op. (Particuliere
collectie)
De Essopomp aan de Voorsterweg van Schutte, begin jaren zestig.
(Particuliere collectie)
Kapsalon Tielenburg aan de Voorsterweg,
jaren veertig. (Particuliere collectie)
Gerrit van Dijk, met
sigaar in de hand,
met al zijn zonen,
omstreeks 1950. De
houthandel werd opge

richt in 1924 en was
gevestigd aan Voorster

weg 60. (Particuliere
collectie)
Links: Houthandel van
Dijk, omstreeks 1960.
(Particuliere collectie)
Rechts: GeVaVi in
1982. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
154 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 155
Een eigenstandig dorp
Na de Tweede Wereldoorlog werd Westenholte
onbetwist de grootste bevolkingskern. In de jaren
vijftig kwamen er nieuwe huizen, eerst als opvulling tussen de bestaande bebouwing (bijvoorbeeld
langs de Westenholterweg, maar ook in het stukje
van de Korenbloemweg en de Anjerweg tot aan de
Rozenweg) en later op verworven terreinen op de
Konijnenbelten. Er werd gebouwd van de Lupineweg tot aan het Petuniaplein en later tussen de
Ridder Zwederweg en de Papaverweg. Westenholte begon meer en meer op een eigenstandig
dorp te lijken en daar horen ook meer voorzieningen bij. In 1965 kwam er een echt winkelcentrum
op het Petuniaplein. Kruidenier Kluin opende
daar een Centra en er kwam ondermeer een slagerij, een textielwinkel en een sigarenwinkel annex
postagentschap. Ook de bibliotheek kreeg een
vestiging aan het Petuniaplein. Vlakbij werd ook
in 1961 de Stinskerk in gebruik genomen. Deze
kerk was de opvolger van het Eben Haëzergebouw
aan de Westenholterweg. Dit gebouw dat door
de weeks in gebruik was voor vergaderingen en
voorstellingen, bood Westenholtenaren op zondagavond en vanaf 1958 ook op zondagochtend
gelegenheid ter kerke te gaan. De Stinskerk maakte het gebruik van Eben Haëzer voor kerkdiensten
echter overbodig.
Bij een eigenstandig dorp hoort ook een
gemeenschapshuis, zeker in een dorp als Westenholte waar het bruiste van het verenigingsleven.
De verwevenheid van het verenigingsleven en het
gemeenschapshuis blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van De Ark. Dit gebouw komt rechtstreeks
voort uit de organisatie van schaatswedstrijden op
De Kolk aan de noordwestkant van Westenholte
bij de Zalkerdijk. In 1939 was de ijsvereniging
WVF opgericht. Tot 1947 werden de schaatswedstrijden op De Kolk gehouden. Hierna kwam er
een ijsbaan, die door de Westenholtenaren zelf was aangelegd. De baan werd in 1968 zodanig vergroot dat er een wedstrijdbaan van vierhonderd
meter kon worden uitgezet. Bij een ijsbaan hoort
een koek-en-zopie tent. Ook deze werd door de
leden van de ijsvereniging in 1953 zelf gebouwd.
Door het groeiend aantal leden werd dit bouwsel
al snel te klein. Opvolger werd De Ark die in 1959
gereed kwam. Naast de ijsvereniging vond ook de
volleybalclub hier zijn onderkomen. Vergaderingen, voorstellingen, bruiloften, feesten en partijen
zorgden ervoor dat De Ark als een echt gemeenschapshuis voor Westenholte diende.
De Ark werd aanvankelijk geëxploiteerd door
de leden van de ijsvereniging, maar dit werd juist
door het succes en de hoge bezettingsgraad van het
gemeenschapshuis voor deze vereniging een veel
te zware belasting. In 1973 werd De Ark vervangen door het moderne ontmoetingscentrum Het
Anker. Dit jaar, 2012, worden plannen ontwikkeld
voor Het Nieuwe Anker, dat moet worden ondergebracht in het nieuwe zorgcentrum Westenhage.
Naoorlogse nieuwbouw, de Lupineweg en
Papaverweg in 1965.
(Particuliere collectie)
In 1961 werd de nieuwe Stinskerk in gebruik genomen. Op de foto staat de leiding van de zondagschool ‘Waakt en bidt’. Staand vlnr.: Rince Pasen, Jan Bos,
Gerrit Zwakenberg, Henk Dol. Zittend de dames: Jennie Bredewout, Dienie
van Voorst, Riek van Weeghel , Anneke Docter en Klaasje Riezebos . (Particuliere collectie)
Gasten op het veertigjarig huwelijksfeest van Geurt
Borst (1899-1976) en Marie Knol (1898-1981).
Zij waren op 23 juli 1925 in het gemeentehuis
van Zwollerkerspel getrouwd. Het huwelijk bleef
kinderloos. Het feest werd in 1965 gevierd in hun
boerderij aan de Zalkerdijk nr. 16. (Particuliere
collectie)
Bouw van De Ark, 1959. (Particuliere collectie)
De Ark. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
Opening van het
nieuwe wijkcentrum
Het Anker, door wethouder Ter Bekke,
jaren zeventig. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant)
156 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 157
De Kolk was niet alleen de oorsprong van de
ijspret in Westenholte. ’s Zomers was het de plek
om te zwemmen, te vissen, of bootje te varen. Een
ideale plek voor een echte recreatieplas zou je zeggen. Al in 1959 waren er plannen in deze richting.
Ook de wijkvereniging WVF spande zich in voor
dit idee. Maar er waren ook andere, economische,
belangen. In 1970 bleek dat houthandel Van Dijk
De Kolk nog steeds mocht gebruiken om boomstammen te laten wateren. De wijkvereniging zag
af van verdere plannen tot het maken van een
recreatieplas.
Westenholte was (en is) een gemeenschap met veel
reuring. De ijsvereniging WVF en de volleybalclub
kwamen al ter sprake. Op sportgebied is er verder
de voetbalvereniging WVF. Dit jaar bestaat deze
vereniging vijfenzeventig jaar. De club werd opgericht door vijf twaalf- en dertienjarige schooljongens die graag een balletje trapten op het grasveld
naast de openbare school. Binnen een maand hadden ze een voetbalclub met de naam Quick geregeld. En wat is een voetbalclub zonder wedstrijden?
De eerste wedstrijd was tegen het Kampense KHC.
Helaas was het resultaat niet positief… De club
sloot zich aan bij de KNVB en met ingang van
het seizoen 1941-1942 kon het aan de competitie
meedoen. Nog wel een mits: de Duitse bezetter
stelde de eis dat de naam veranderd moest worden.
Zo kwam de naam WVF, naar de buurtschappen
Westenholte, Voorst en Frankhuis. De club kreeg
een nieuw voetbalveld bij boer Jacobs, waar nu
het ontmoetingscentrum Het Anker is. In 1979
verhuisde WVF naar het nieuwe sportcomplex De
Weide Steen. En WVF is nog steeds springlevend,
getuige de 850 leden in 2012.
Ook muzikaal laat Westenholte van zich
horen. De oudste nog bestaande vereniging
in Westenholte is het gemengde koor Zang en
Vriendschap, dat al van 1918 dateert. Maar vlak
daarna, in 1920, is de oprichtingsdatum van
muziekvereniging Excelsior. Weliswaar opgericht
als fanfarekorps in ’s-Heerenbroek, was het toch
al snel een Westenholtense vereniging. Pas bij het
veertigjarig jubileum in 1960 kregen de muzikanten voor het eerst een uniform. Nu is Excelsior
een volwaardige muziekvereniging die heel actief
is. Geregeld worden concerten gegeven en neemt
men deel aan concoursen, festivals en optochten.
De naam Excelsior heeft in Westenholte nog een
muzikale invulling gehad: de Christelijke mondharmonicavereniging Excelsior. Dit Excelsior
werd als onderafdeling van de Christelijke Jongemannenvereniging in 1929 opgericht. Een paar
decennia zat er muziek in de mondharmonica,
maar rond 1960 viel het doek.
Roeien op De Kolk, Eva
Zwakenberg en Janna
ter Stege, jaren dertig.
(Particuliere collectie)
Rechts: Zwemmen in
De Kolk, Eva Zwakenberg en Willem en
Janna ter Stege, jaren
dertig. (Particuliere
collectie)
Schaatsen op de baan van ijsvereniging WVF in 1995. IJsvereniging WVF werd
in 1939 opgericht. Dankzij de belangeloze inzet van veel vrijwilligers leidt de vereniging al jaren een bloeiend bestaan. In de beginjaren werd er geschaatst op De
Kolk. Omdat het ijs daar lang niet altijd betrouwbaar was werd er na de oorlog
een eigen ijsbaan gerealiseerd. De opening vond plaats in december 1946. Eind
jaren zestig kon met medewerking van de gemeente en de eigenaar van een aangrenzend perceel de baan vergroot worden tot een 400 meter baan, deze werd in
jan. 1970 in gebruik genomen. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant)
Meisjes van de ijsvereniging omstreeks 1950.
(Particuliere collectie)
Kortebaanwedstrijd op de ijsbaan Westenholte op
4 januari 1993. (Collectie HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant, foto Freddy Schinkel)
Het gemengde koor Zang en Vriendschap in de jaren twintig. Het vaandel
dateert uit 1926, misschien werd toen deze foto gemaakt. Het koor werd in
1918 opgericht. Initiatiefnemers waren drie jongemannen, Van Zuthem,
Heddema en Breunis, leden van de christelijke jongemannenvereniging. Zij
wilden echter een gemengd koor oprichten. Zang en Vriendschap ging van
start met achttien dames en vijftien heren. In 1924 ging men voor het eerst op
concours. Het koor heeft in de loop der jaren veel prijzen in de wacht gesleept.
Er werd en wordt allerlei soorten muziek gezongen, zoals geestelijk, opera, operette, klassiek en musical. (Particuliere collectie)
In 1995 bestond de volleybalvereniging Westenholte veertig jaar.
Daarom werd er een
stratenvolleybalevenement georganiseerd
met 120 teams. Burgemeester Jan Franssen
opende het toernooi
met het oplaten van
ballonnen. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
158 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 159
En dan is er nog de actieve buurtvereniging.
Sinds 1954 kende Westenholte de vereniging voor
Plaatselijk Belang die de belangen behartigde van
de buurtschappen Westenholte, Voorst en Frank

huis. Zo maakte men het zwemmen in De Kolk
mogelijk en regelde men de eerste telefooncel. De
vereniging stond aan de wieg van de bejaarden

sociëteit en van de speeltuinvereniging. En men
richtte een buurtvereniging op, speciaal bestemd
voor het organiseren van jeugdactiviteiten, bin

go’s, droppings en de jaarlijkse bejaardentocht.
Men koos hiervoor de originele naam WVF…
maar nu in de betekenis van Wij Vieren Feest.
In 1972 fuseerden Plaatselijk Belang, de speel

tuinvereniging en Wij Vieren Feest. De krachten
werden gebundeld in de Wijkvereniging WVF. In
1974 verscheen het eerste exemplaar van het wijk

blad De Stins. De wijkvereniging kent tegenwoor

dig een groot aantal werkgroepen, zoals de werk

groep Badminton, de werkgroep Dierenweide, de
werkgroep Huttendorp, de werkgroep Jeugdland,
de werkgroep Kinderactiviteiten, de werkgroep
Volkstuinen en de Vrouwenwerkgroep. De werk

groep Toneel gaf haar eerste voorstelling in 1984.
De toneeluitvoeringen zijn nu een vast jaarlijks
evenement.
Westenholte-Stins
Het is duidelijk dat Westenholte een actief vereni

gingsleven kent en dat men veel samen doet. Dat
zelfs nadat eind jaren zeventig, begin jaren tachtig
het dorp naar verhouding explosief is gegroeid
en er veel nieuwe bewoners bij heeft gekregen.
‘Nieuw-Westenholte’, het deel ten zuidwesten van
de Steenboerweg tot aan de Stinsweg heet offi

cieel Westenholte-Stins. De uitbreiding was een
voortvloeisel van de gemeentelijke herindeling
van 1967, waarbij de gemeente Zwollerkerspel
werd opgeheven. Westenholte, Voorst en Frank

huis kwamen bij de gemeente Zwolle. Onder de
vleugels van Zwolle kreeg Westenholte zijn eigen
variant van de bouwmode uit de jaren zeventig.
Ook hier onder meer een bloemkoolwijk met
woonerven, maar wel op de schaal van Westen

holte. Tussen 1978 toen de eerste steen voor de
woning Akkerhoornweg 1 werd gelegd en 1985
verdubbelde in Westenholte het aantal woningen.
Overigens was het niet allemaal steen wat de klok
sloeg. Zoals dat betaamt in een nieuwe wijk kreeg
Westenholte ook een open recreatieruimte, het
Stinspark. Precies op de plek waar eens het mach

tige kasteel van de heren van Voorst stond.
Net als in de groeiperiode in de jaren vijftig bete

kende meer inwoners meer voorzieningen. De
Stinskerk werd te klein en er kwam een nieuwe,
die in 1992 met een speciale eredienst in gebruik
Zang en Vriendschap
tijdens een optreden in
maart 1993. (Particu

liere collectie)
Duivenvereniging
‘De Vriendenkring’
in de jaren dertig.
(Particuliere collectie)
werd genomen. Na een reconstructie breidde het
winkelcentrum Petuniaplein zich in 1983 uit met
een cafetaria, een drogisterij en een bloemen

winkel. Dat oud-Westenholte nog niet helemaal
gewend was aan al die nieuwkomers kreeg een
symbolische vertaling in de paaltjes die werden
geplaatst tussen het Petuniaplein en de Arnicaweg
Links: De kinderboer

derij in het Stinspark,
1993. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
Rechts: De volkstui

nen Westenholte aan
de Zalkerdijk, 1983.
(Collectie HCO, Redac

tiearchief Zwolse Cou

rant)
In 1979 werden de
eerste huurwoningen
aan de Arnicaweg in
Westenholte-Stins
opgeleverd. Op de foto
een van de twee inge

richte modelwonin

gen. (Collectie HCO,
Redactiearchief Zwolse
Courant)
De scheiding tussen
oud en nieuw Wes

tenholte kreeg een
symbolische vertaling
in de paaltjes die wer

den geplaatst tussen
het Petuniaplein en
de Arnicaweg om het
doorgaande verkeer te
voorkomen. In 1992
werd het plein opnieuw
heringericht en ver

dween deze barrière
die in de volksmond
de ‘Berlijnse muur’
was gedoopt. (Collectie
HCO, Redactiearchief
Zwolse Courant)
160 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 161
om het doorgaande verkeer te voorkomen. In
1992 werd het plein opnieuw heringericht en verdween deze locale variant van de Berlijnse muur.
Westenholte was nu echt één.
Ook voor het onderwijs had de grote uitbreiding gevolgen. In 1979 werd in Westenholte-Stins
een nieuw scholencomplex geopend waar de openbare school en de christelijke school een plekje
kregen. Al op de kadastrale kaart van 1832 staat
een openbare school vermeld aan de Zalkerdijk.
In de jaren zestig van de twintigste eeuw kwamen
er een openbare kleuterschool en lagere school,
de prof. Kohnstammschool en de Knienenbelt
aan de Papaverweg. In 1979 verenigde het hele
openbare onderwijs zich in De Ridderspoor in het
nieuwe schoolcomplex aan het Korianderplein. De
geschiedenis van de christelijke school begon in
1922 toen aan de Westenholterweg een drieklassige lagere school kwam te staan. In 1963 werd
het gebouw zodanig vergroot dat er wel van een
nieuwe school kon worden gesproken. Het bood
huisvesting aan De Wiekslag, zoals de school was
gaan heten. Door het toegenomen aantal leerlingen verhuisde de naastgelegen kleuterschool Het
Hummeltjeshonk naar de Rozenweg en betrok De
Wiekslag de vrijgekomen lokalen. In 1979 opende
een nieuwe christelijke school, De Akker, op het
Korianderplein de deuren. De fusiegolf in het
onderwijs ging ook Westenholte niet voorbij. In
1995 gingen De Wiekslag en De Akker op in De
Morgenster. Waar de openbare en de christelijke
basisschool hun plek hebben gevonden aan het
Korianderplein is de katholieke basisschool gevestigd aan de Papaverweg. De geschiedenis van het
katholieke lager onderwijs in Westenholte is kort.
Pas in 1962 startte men in De Ark. In 1965 nam
De Kerspel een nieuw houten noodgebouw aan de
Korenbloemweg in gebruik. Daar bleef men tot de
verhuizing in 1979 naar het oude schoolgebouw
van de openbare lagere school aan de Papaverweg.
In 1998 ging De Kerspel op in een grote katholieke
basisschool, De Vlieger, die de hoofdvestiging in
Stadshagen heeft.
Met het noemen van Stadshagen is wellicht de
grootste recente verandering genoemd. In een
mum van tijd heeft Westenholte een grote Vinexbuurwijk gekregen. Frankhuis is zelfs grotendeels
door deze wijk opgeslokt. Westenholte is verder
ontsloten met een futuristische fietsbrug en een
fietstunnel naar Stadshagen. In het buitengebied
tussen dorp en IJssel is een prachtig natuurgebied
ontstaan, de Vreugderijkerwaard. De nieuwste
aanwinsten voor Westenholte zijn het woonzorgcentrum Westenhage aan de Voorsterweg en de
biologische schapenboerderij De Vreugdehoeve
aan de Zalkerdijk. Binnenkort zal er een begin
worden gemaakt met de bouw van het nieuwe
ontmoetingscentrum.
Er is veel veranderd, maar ondanks alle veranderingen bestaat het oude dorpsgevoel nog steeds.
Er is een grote betrokkenheid van de gemeenschap bij alles wat er in Westenholte gebeurt,
wat zich uit in het bloeiende verenigingsleven.
De wijkvereniging is buitengewoon actief en er
wordt van alles in Westenholte georganiseerd. Als
de vraag in de titel van dit artikel moet worden
beantwoord, dan is misschien wel het beste antwoord: Westenholte is een Zwols dorp.
* Uit: Mr. C.W. van der Pot, Zwolle’s omgeving
omstreeks 1900, Zwolle z.j.
Koninginnedag in
Westenholte, 1970.
(Particuliere collectie)
Tante Sien
Dan regelde Klaas chocolademelk via de Blokmelkfabriek. Die
verkocht Sien voor de ijsclub, aanvankelijk gewoon op het ijs,
later vanuit een schuurtje en nog later vanuit De Ark. Sien en
Klaas konden erg boos worden als anderen de chocolademelk
met water verdunden om zo meer te kunnen verkopen. Sien
hield zelf ook erg van schaatsen. Dochter Klaasje: ‘Een paar
zwarte gympen aan, een rok en een zwart alpinopetje op en
rijden maar. Mijn ouders schaatsten altijd kruislings. Heel
vroeger deed mijn vader met wedstrijden mee op de sokken op
de schaats.’ In de tijd dat de ijsvereniging De Ark exploiteerde,
hielp Sien ook altijd volop mee bij bruiloften en partijen.
Tante Sien was ondermeer een actief lid van de Plattelandsvrouwen Zwollerkerspel. Zij en Klaas werden medio
jaren negentig door carnavalsvereniging ‘De Knienebelters’
gehuldigd omdat ze zoveel voor Westenholte hadden gedaan.
Bij de viering van hun 50-jarige en 55-jarige bruiloft in respectievelijk Wientjes en Het Anker kwam muziekvereniging
Excelsior hen ook huldigen. Klaas overleed op 13 augustus
1995. Sien woonde daarna alleen op de Tippe. Ze vierde haar
negentigste verjaardag nog uitgebreid bij Krisman in het
Engelse Werk. Ze was toen onder de indruk van alle mensen
die speciaal voor haar daar naar toe gekomen waren. Tante
Sien overleed op 5 januari 2004 op 93-jarige leeftijd. Ze was op
dat moment de oudste inwoner van Westenholte.
Sien en Klaas
Riezebos -de
Haan met hun
twee dochtertjes
Gerrie en Klaasje,
eind jaren veertig.
(Particuliere
collectie)
De Tippe aan de voet van de Zalkerdijk omstreeks 1980.
Vanaf de Tippe kon je vroeger, voor de bouw van Stadshagen,
Hasselt zien liggen. (Particuliere collectie)
Gesiena (Sien) Blommetje Riezebos-de Haan werd op 25 oktober 1910 in Amsterdam geboren. Toen Sien acht jaar was verhuisden haar ouders naar Overijssel. Het gezin woonde eerst
in ’s-Heerenbroek en vestigde zich vervolgens in Westenholte.
Sien trouwde op 30 april 1937 met Klaas Riezebos (geb. 25
oktober 1909), de jongste zoon uit het gezin Riezebos-Slendebroek (zie pagina 175). Het jonge stel ging wonen op het boerderijtje van de familie Riezebos, de Tippe, aan de voet van de
Zalkerdijk. Klaas werd overigens geen boer, hij begon in 1926
als gewoon arbeider te werken bij de Blokmelkfabriek en bleef
daar zijn hele werkzame leven. In 1951 ontving hij, samen met
zes andere jubilarissen, een koninklijke onderscheiding bij zijn
25-jarig jubileum. Sien en Klaas kregen twee dochters, Klaasje
in 1940 en Gerrie in 1946. Volgens dochter Klaasje JongmanRiezebos ‘verstonden’ haar ouders elkaar goed, ‘wij komen uit
een warm nest.’ Dat er maar twee kinderen waren had een
praktische reden: ‘Onze ouders gebruikten hun verstand.’
Sien en Klaas waren centrale en graag geziene figuren in
Westenholte, hartelijk, sociaal voelend en zeer actief in het
dorpsleven. Ze stonden bekend als tante Sien en ome Klaas.
Vooral Sien was open, vrolijk, opgewekt en pittig, ze liet niet
over zich lopen. Klaas was wat gemoedelijker. Hij was met
name actief in de schaatsvereniging WVF, hij was jarenlang
bestuurslid en werd daarvoor tot erelid benoemd. Dochter
Klaasje: ‘Hij “kon” nooit vrij krijgen, behalve als er ijs lag.’
162 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 163
Gerrit van Vilsteren
Westenholte – Voorst – Frankhuis;
geografische achtergrond
Het is algemeen gebruik te spreken over
WVF: Westenholte – Voorst – Frankhuis. In deze achtergrondschets over de
geografie van dit gebied draai ik de volgorde van
de kernen graag om: Frankhuis – Voorst – Westenholte. Historisch is Frankhuis/Voorst namelijk
lange tijd van veel groter belang geweest dan Westenholte. In dit gebied, dat vanuit de stad Zwolle
achtereenvolgens ongeveer een kwartier tot een
half uur gaans was, waren behalve in Frankhuis
geen concentraties van huizen en mensen te vinden. In de eerste helft van de negentiende eeuw
telde Frankhuis/Voorst ongeveer 45 huizen en
250 inwoners.1 De buurtschap Frankhuis was
gelegen op het kruispunt van de wegen naar Hasselt en naar Kampen. Frankhuis hoorde deels
tot de gemeente Zwolle. Dat deel werd ook wel
het eerste Frankhuis genoemd. Het andere deel
behoorde tot de gemeente Zwollerkerspel. Beide
delen samen telden toen ongeveer 30 huizen en
160 inwoners.
De buurtschap Westenholte lag op een uur
gaans vanuit de stad. Dit qua omvang veel grotere
gebied telde circa 150 inwoners. Westenholte
omvatte globaal het terrein van de Konijnenbelten
tot aan de IJssel via de Stouwdijk (later Zalkerdijk).2
Ontstaansgeschiedenis
De wording van het gebied is het meest bepaald
door de ‘ontmoeting’ van het water vanuit het
land en het water vanuit de zee. Beide watersystemen kwamen (komen) hier regelmatig met elkaar
in botsing.
De basis van het landschap valt terug te voeren
op de ijstijd, die de stuwwallen van de Veluwe en
Salland naliet en een diep dal waarin de rivier de
IJssel stroomde. Dit stroomdal vulde op en het
overige terrein van Salland werd bedekt met door
de wind aangevoerde lagen dekzand. Droogte en
wind zorgden voor de vorming van stuifduinen
langs en in het rivierengebied van de IJssel. Salland vond zijn afwatering in een groot aantal
van zuidoost naar west en noordwest lopende
beken en weteringen. Enkele daarvan – de Kleine
en de Grote Aa – kwamen bij Zwolle samen en
vervolgden hun weg als Zwartewater naar de Zuiderzee. Deze zee was in de loop van de tijd door de
afkalving van de veenmoerassen in het oorspronkelijke ‘Almere’ een steeds groter wordende open
zee geworden.
De voortdurende wisselende waterafvoer aan
landzijde en de groter wordende zee gecombineerd met een algemene zeespiegelstijging maakten ingrijpen van de mens steeds meer noodzakelijk. Van wezenlijk belang was bijvoorbeeld de
inpoldering van Mastenbroek in de veertiende
eeuw. We moeten ons hiervan overigens ook weer
niet te veel voorstellen. Het ging waarschijnlijk
om niet meer dan de aanleg van een dijk rondom
het gebied, om het gevaar van het water in te dammen. Van belang was daarbij een verkaveling en
toedeling in 1364 aan meerdere eigenaren, waaronder de heer van Voorst.
In dezelfde periode kwam ook de zorg voor
bescherming tegen de rivier op. Langs de IJssel
werden dijken tot stand gebracht. Het begin van
een lange geschiedenis, die uiteindelijk tot waterschappen heeft geleid, begon toen.
Illustratief is dat de westzijde van de polder
van Mastenbroek werd beschermd door de al in
de veertiende eeuw aangelegde Stouwdijk. Het
systeem vanuit landzijde werd beschermd door
een reeks van aaneengesloten dijken. Dit begon
bij de poort en stadsgracht van Zwolle met de
Hoogstraat, overgaand in de Gasthuisdijk en
Frankhuisdijk. In Voorst was er de natuurlijke
bescherming door de stuifduinen – de Konijnenbelten. De polder van Katwolde werd vanaf
de stadsgracht omsloten door de Pannekoekendijk en de Katerdijk en aan de westzijde door de
Hoogstraat en Gasthuisdijk. Die twee laatsten
kwamen bij Frankhuis bij elkaar.
Dit landschap komt duidelijk naar voren op
de kaart van Hottinger.3 Deze kaart is gemaakt
aan het eind van de achttiende eeuw, uiteraard
voor militaire doeleinden. Het geeft een gedetailleerd beeld: wegen, rivieren, dijken, meren,
bebouwing, molens en grondgebruik zijn vrij
nauwkeurig weergegeven. De dijken en de strook
stuifduinen en oeverwallen langs de IJssel (Konijnenbelten, Spoolderberg, Kortenberg) zijn goed
herkenbaar. In de Konijnenbelten is geen dijk
zichtbaar.
Confrontatie met het water
Een en ander hield in dat door de eeuwen heen de
confrontatie met het water het leven van de mensen in deze omgeving voortdurend heeft bepaald.
Vele aspecten hebben hierbij in meer of mindere
Eind achttiendeeeuwse kaart uit de
Hottingeratlas waarop
Westenholte, Voorst
en Frankhuis duidelijk
staan afgebeeld.
(Collectie HCO)
Frankhuis en Westenholte – Voorst, twee
aansluitende fragmenten uit de kaarten 303
en 304 uit de ‘Grote
Historische topografische Atlas 1905 Overijssel’.
164 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 165
mate gespeeld. Zonder op alle details in te gaan,
noemen we enkele. Van grote invloed zijn de zeespiegelstijging vanaf circa het jaar 1000 met minimaal één meter en een voortdurende gronddaling
in de polder Mastenbroek geweest. De afkalving
van het Almere en daardoor de vergroting van de
ondiepe Zuiderzee deden het gevaar toenemen.
De afkalving tot aan de verplichte evacuatie en
ontruiming van het veeneiland Schokland in 1859
is het ultieme bewijs daarvan.
De beteugeling en beheersing van de watertoevoer in de rivier de IJssel zijn evenzeer van grote
betekenis. Overvloedige en snellere aanvoer door
ontbossing in het achterland, kanalisering, regeling
van verdeling over Waal, Rijn en IJssel aan het eind
van de achttiende eeuw spelen alle een rol.
Feitelijk betekende dit voor onze omgeving
een continue bedreiging door het water van twee
zijden. Vluchtige inspectie van literatuur toont
overstromingen in dit gebied in 1774, 1775,
1776, 1784, 1824 en de ‘kampioen’ in deze, die
van 1825. Soms kwam het water van landzijde,
zoals in 1774, soms van zeezijde zoals in 1825. In
het laatste geval vielen er in Overijssel alleen al
305 doden te betreuren. Daarvan woonden 26 in
Zwollerkerspel, waarvan het merendeel in de polder Mastenbroek, 3 in Veecaten en 2 in Schelle.4
Er waren voortdurend aanpassingen, maar steeds
weer bleek het niet afdoende te zijn. Sinds 1776
werd door de provincie het systeem van overlaten
ingevoerd. Dat hield aan landzijde (Salland) in dat
bij Deventer een overlaat in de Snippelingsdijk
werd gemaakt. Dan kon het water zich over heel
Salland verspreiden richting Zwolle. Ook werden
waden in de Konijnenbelten open gelaten en in de
Stouwdijk enkele overlaten gemaakt. Aan zeezijde
gebeurde hetzelfde in de vorm van een overlaat bij
Grafhorst en een bij Genemuiden in de zeedijk.
Zo kon het water enigszins beheerst zowel aan de
ene zijde (Salland 1774 en 1784) als aan de andere
zijde (Mastenbroek 1825), binnenstromen. Overigens, vergeet niet dat het water ook wel gewenst
was voor slibvorming op de weiden, de basis voor
vruchtbare grond.
Ondanks dit ingrijpen, gingen de overstromingen door. In 1835, 1862, 1863 en 1877 kwamen
deze in onze omgeving voor. Na 1835 werd het systeem van overlaten en waden aangepast. De Stouwdijk werd gedicht, evenals de waden in de Konijnenbelten. Na de overstromingen in de tweede
helft van de negentiende eeuw werd de ringdijk van
de polder van Mastenbroek over de gehele lengte
verhoogd tot 2.90 m boven NAP. In Frankhuis
werd het dijkvak in 1888/1889 verhoogd.5
Waakzaamheid voor het water was in het leven
van onze grootouders verankerd en overgeleverd.
Zij hebben de betekenis van de ‘bescherming’ door
de ophoging van terpen – in Mastenbroek in de
loop van de tijd wel 8 keer 30 centimeter6 – van
de dijken en overlaten mee gemaakt. Zij hebben
aan de generatie van mijn ouders (begin twintigste
eeuw) de grote betekenis van de afsluiting van de
Zuiderzee met de Afsluitdijk, 1927-1932, mee kunnen geven. De laatste grote overstroming was in
1926. Het was een koud kunstje voor de Duitsers
om de polder van Mastenbroek in 1944 nog te laten
vollopen met water.
Ondanks de vele maatregelen is er een hogere
mate van garantie van veiligheid nodig gebleken.
Het gevaar vanuit zeezijde, nu het IJsselmeer,
is bestreden door de aanleg van de balgstuw bij
Ramspol in 2002. Deze opblaasbare dam tussen
het Ketelmeer en het Zwarte Meer is al twee keer
nodig geweest tegen het opstuwende water van
een noordwesterstorm (2007, 2012). Het gevaar
van de landzijde is nog eens aangetoond door de
gevaarlijk hoge waterstanden in 1995 en 1998.
Dijken zijn nu op deltahoogte gebracht en met
het huidige project ‘Ruimte voor de rivier’ zijn
nieuwe antwoorden op de bedreigingen gegeven.
Bewoning
In deze context van water, dijken en bedreigingen moeten we in het begin van de negentiende
eeuw de bewoners van ons gebied plaatsen.
Een periode, direct na de Franse tijd, van grote
armoede. Het hele land telde toen ongeveer twee
miljoen inwoners. Verharde wegen waren er
nauwelijks, transport en vervoer ging over het
water, met paard en wagen, met hondenkar en
te voet. Iedereen was druk doende om aan de
kost te komen. Eigen of gepachte grond vormde
de basis voor zelfvoorziening. We kunnen de
samenleving in Westenholte en Voorst globaal
typeren als een omgeving van dagloners, al dan
niet met een eigen keuterbedrijfje, van ambachtsDe overstroming van
1825, hier de dijkdoorbraak bij Hasselt, op
4 februari 1825. Gravure, anoniem.
(Collectie HCO)
Biezensnijders in
Westenholte, omstreeks
1910. (Particuliere
collectie)
Veel kleine (keuter) en
enkele grote(re) boerderijen in Westenholte.
(Particuliere collecties)
166 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 167
lieden, al dan niet met een boerenbedoening, en
van enkele grote boeren, die ook voor de markt
werkten met verkoop van boter en vlees. Veel van
de betere grond was in handen van grootgrond

bezitters, meestal behorend tot de stedelijke elite.
In de structuur van Frankhuis zien we dat heel
duidelijk terug. Ambacht en verzorging met een
boerenbedoening en ook warmoezerij bevonden
zich langs de dijkwegen. Rondom het gehucht
Frankhuis lagen drie buitens van elite uit de stad
(Twistvliet, Ketelkolk, De Bildt). Het gehucht lag
tegen het grote open gebied van de polder van
Mastenbroek, dat was verkaveld in grote percelen
en met ‘grote’ boeren. In de Konijnenbelten was
het overheersende beeld dat van dagloners of dag

huurders, keuterboertjes op de schrale zandgron

den en enkele grotere boeren bij de laaggelegen
wei- en hooilanden. Dat beeld treffen we ook aan
langs de Stouwdijk: een afwisseling van kleine
keuterbedrijfjes (van arbeiders en dagloners) met
enkele grotere boerderijen.
Opkomende nijverheid
Het geschetste beeld ondergaat nauwelijks ver

andering in de negentiende eeuw. Beweging
komt er pas aan het einde van de negentiende en
het begin van de twintigste eeuw. De groeiende
bevolking was meer en meer aangewezen op de
opkomende nijverheid en industrie. De betekenis
van de stad Zwolle als bron van werkgelegenheid
nam toe. Naast het beroep van boerenarbeider en
boerenmeid werden meisjes van het platteland nu
dienstbode in de stad, jongens werden arbeider
in de industrie. Dichtbij huis was dat in de tweede
helft van de negentiende eeuw de houthandel
en houtzagerij Eindhoven en Zn, en vanaf circa
1900 de melkfabriek ‘Mastenbroek’, die in 1926
werd overgenomen door de NV Nederlandsche
Gruyère Blokmelkfabriek. Zo bleven de mensen
in de eigen omgeving en bleef de sociale horizon
beperkt tot de grens van het eigen dorp.
Er veranderde wel wat. De stoomtrein kwam
eind negentiende eeuw op, de stoomtram begin
twintigste eeuw. Deze werd al vrij vlug door de
auto(bus) afgelost.
Kenmerkend is dat er vanaf ongeveer 1930 in
sociaal-economisch opzicht niet veel verandert.
Alom in Nederland komen we in een periode
van stilstand en achteruitgang, die inclusief de
Tweede Wereldoorlog tot zo ongeveer 1950
voortduurde.
Frankhuis was toen de locatie van twee grote
bedrijven – de Blokmelkfabriek en Eindhoven en
Frankhuis in 1914- Zn – , beide goed voor meer dan vijftig arbeids

1918. Vooraan een
petroleumboer met
hondenkar. Rechts
met smokmuts staat
Elsemeuje (Elsje) van
Munster, voor haar
café annex winkel. Na
het overlijden van haar
man Harm in 1919
was het alleeen nog een
winkel. Hij werd later
voortgezet door haar
dochter Jans. (Particu

liere collectie)
Werknemers van de
houthandel Eindhoven
en Zn in 1905. (Parti

culiere collectie)
168 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 169
plaatsen. Frankhuis was ook een concentratie van
verzorgende en ambachtelijke bedrijfjes. Denk
daarbij aan enkele kruideniers, een bakker, enkele
smederijen, enkele wagenmakerijen, kappers,
een schoenmaker, een timmerman en aannemer,
een fietsenwinkel/fietsreparatie en verkoop, een
tabakswinkel, een tapperij en café, een bloemisterij. Frankhuis telde daarnaast een concentratie
van tuinders en warmoezeniers, alle gericht op
Zwolle en de coöperatieve groenten- en fruitveiling. Gelegen aan de doorgangsroute was het van
centrale betekenis voor Voorst en Westenholte.
Ook in Voorst en Westenholte was de tijd natuurlijk niet blijven stilstaan. Naast enkele verzorgende bedrijfjes – een kleine concentratie langs
de Kamperweg voorbij de Werkerallee – was het
overheersende beeld dat van verspreide keuterbedrijfjes van arbeiders met een baan elders. Langs
de Kamperweg bestond nog enige nijverheid in de
vorm van een smederij, een timmermansbedrijf
en een houtzagerij. Werkgelegenheid op wat grotere schaal kwam voor in de klompenindustrie,
het snel groeiende bedrijf van de Gebroeders Van
Vilsteren (GeVaVi). Daarnaast waren er enkele
grotere boerenbedrijven.
Draaipunt jaren vijftig
Na lange tijd van langzame verandering – stilstand
zelfs – kwam er een periode van snelle en grote veranderingen. Dit liep uiteraard parallel aan de nationale ontwikkelingen van verandering en vooruitgang. Ons gebied werd meer en meer onderdeel
van de ontwikkeling van de stad Zwolle. Aanvankelijk nog als woongebied van eigen aanwas werkzaam in de stad, vrij vlug daarna als voorstad van
Zwolle met nieuwe bewoners van elders, die werkzaam waren in de stad. Dit kwam tot uitdrukking
in de nieuwbouw van woningen. Eerst waren dat
nog nieuwe woningen als opvulling langs bestaande wegen (met name de Westenholterweg), daarna
werd gebouwd op bouwrijp gemaakte verworven
terreinen in de Konijnenbelten met projecten van
tien tot twintig woningen. Er werd gestreefd naar
een ‘compleet’ dorp, met een eigen winkelcentrum,
kerken, scholen, dorpshuis en voetbalvelden. Dat
was echter nog lang niet het einde.
De aanleg begin jaren zestig van het ZwolleIJsselkanaal met industrieterreinen, de samenvoeging van de gemeenten Zwollerkerspel en
Zwolle in 1967 vormden de basis voor weer een
grote uitbreiding van Voorst en de definitieve
inkapseling in de nieuwe stedelijke structuur. In
de jaren zeventig werd de woonwijk De Stins met
750 woningen gebouwd, een verdubbeling van de
bestaande huizenvoorraad. Vervolgens werd de
context compleet veranderd met de aanleg van de
Vinexwijk Stadshagen in de polder Mastenbroek.
Het einde hiervan komt nu in zicht.
Huidige situatie
Westenholte is de naam geworden voor Voorst
en Westenholte. Maar het grootste deel van het
oorspronkelijke Westenholte is ogenschijnlijk
niet veel veranderd: verspreide bebouwing langs
de Zalkerdijk, zij het dat het agrarisch karakter
daarvan is verdwenen.
Voorst is van een gebied met verspreide
bebouwing een woonwijk geworden in het
tegenwoordige Westenholte. Het geheel telt circa
tweeduizend woningen met ongeveer vijfduizend inwoners. Het maakt de indruk een dorp
te zijn, wat nog wordt versterkt door de recente
afscherming met geluidswallen en een beperkt
aantal toegangen vanaf de wegen naar Kampen
en Stadshagen. De naam ‘Voorst’ is aan de wandel
Boven: Het klompenbedrijf van de gebroeders
Van Vilsteren, GeVaVi, omstreeks 1950.
(Particuliere collectie)
Onder: De smederij
van A. Hullen op de
kruising Hasselterdijk
en Frankhuisweg. Op
de achtergrond ligt
Twistvliet. Jaren vijftig.
(Particuliere collectie)
De Ridder Zwederlaan
en omgeving in Westenholte, gebouwd op
de voormalige Konijnenbelten. 2005 (Particuliere collectie)
De Knoopkruidweg
in Westenholte-Stins,
2004. (Particuliere
collectie)
De cornetmuts
Hoe een modemuts in de streekdracht terecht kwam
170 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 171
geraakt als aanduiding van de uitgestrekte industriegebieden ten westen van de stad. Frankhuis is
na stilstand in de jaren zestig, grote achteruitgang
en verwaarlozing door bewoners en overheid tot
in het begin van de eenentwintigste eeuw, een
vergeten, geïsoleerd woongebiedje geworden, aan
de rand van Stadshagen. De historie is er op vele
plekken nog zichtbaar.
Noten
1. In de eerste registraties van huizen in de gemeente
Zwollerkerspel omvatte het gebied Voorst/Frankhuis Frankhuis tot in Voorst aan de Werkerallee,
thans het Westenhage
2. Van der AA, 1851, pag. 19, deel XII pag. 288
3. Versfelt, 2003, Kaarten van Overijssel en Gelderland, pag. 31
4. Ter Pelkwijk, 2002, p. 164
5. Van der Schrier, 1995, p. 219
6. Boerderij Nieuwe Wetering 18, J. Kroes. Bijlage van
Tijlsbladen, zaterdag 4 juli 1992
Literatuur
– AA, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek
der Nederlanden, Vierde Deel E-G, Gorinchem,
1843
– Drupsteen, Th.G., H.J.M. Havekes, H.F.M.W. van
Rijswick (red.) Weids water. Opstellen over waterrecht. Den Haag, 2006
– Grote Historische topografische Atlas, 1905 Overijssel, schaal 1 : 25.000. Tilburg, 2005
– Hove, Jan ten, Geschiedenis van Zwolle, Waanders
Zwolle
– Pereboom, Freek, Jeroen Kummer, Harry Stalknecht (red.) Omarmd door IJssel en Zwartewater,
zeven eeuwen Mastenbroek. IJsselacademie Kampen, 1995
– Pelkwijk, J. ter, Overijssels Watersnood. Een heruitgave van het verslag van de ramp van 1825. Stichting IJsselacademie, Kampen 2002
– Schrier, D.M. van der, Mastenbroek en de strijd tegen het water; in: Pereboom, Freek etc. pp. 195-222
– Spek, Theo, Frits David Zeiler en Edwin Raap, Van
de Hunnepe tot de zee. De geschiedenis van het Waterschap Salland. IJsselacademie. Kampen, 1996.
– Ven, Gerard van de, ‘De dijkzorg in Overijssel
1800-1880’, in: Drupsteen 2006, pp. 39-70.
– Versfelt, H.J., De Hottinger-atlas van Noord- en
Oost-Nederland 1773-1794. Groningen, 2003
– Zeiler, Frits David, ‘1825: de ‘vergeten’ watersnood’, in: Tijdschrift voor Waterstaats Geschiedenis,
16 (2007) 1, pp. 19-26
Boven: Tegenwoordig ligt Westenholte afgeschermd door geluidswallen en zijn
er maar een beperkt aantal toegangen vanaf de wegen naar Kampen en Stadshagen. Hier de aanleg van de fietsbrug naar Stadshagen/Frankhuis in 2006.
(Particuliere collectie)
Onder: De Voorsterweg in 2009, rechts zijn de geluidswallen te zien langs de
weg richting Kampen. (Particuliere collectie)
Klederdracht, ach dat is allemaal hetzelfde,
is een veel gehoorde opmerking. Maar
niets is minder waar. De streekdracht is
wel degelijk door de tijden heen veranderd. Het
vertelde bovendien veel over de drager en draagster. Waar je vandaan kwam, of je rijk of arm was,
getrouwd, of in de rouw. Onze voorouders konden die kledingtaal feilloos lezen. Droeg men een
muts gemaakt van batist en ouderwets opgemaakt
dan was men in de zware rouw. Bij lichte of halve
rouw was de muts van tule gemaakt. De zondagse
muts was van kant.
Het valt nauwelijks meer voor te stellen dat
nog geen honderd jaar terug de vrijdagmarkt in
Zwolle een complete streekdrachtenshow was. Uit
de wijde omgeving kwamen de boeren met hun
familie naar Zwolle om te markten. Maar ook veel
Zwolse vrouwen droegen de streekdracht. Paard
en wagen werden geparkeerd in de Smeden, achter in de Diezerstraat, of bij een van de stalhouderijen in de Hoogstraat of Thomas a Kempisstraat.
Vrouw en dochters gingen naar de vrijdagmarkt
en vader en zoons naar de veemarkt. De vrijdagmarkt kronkelde zich door de hele Zwolse binnenstad. Een feest van fladderende knipmutsen
die het straatbeeld beheersten. Het was een bonte
show van klederdrachten uit Zwolle en omgeving,
de Noordwest-Veluwe en natuurlijk Staphorst en
Rouveen.
Ook door de week maakte de streekdracht
met de cornetmuts een vast onderdeel uit van
het straatbeeld, onder meer op de dagelijkse
Bezoeksters van
de Zwolse markt,
omstreeks 1910.
(Collectie SMZ)
Aranka Wijnbeek
172 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 173
warenmarkten, de zogeheten disjesmarkt. Voor
de Harmonie op de Grote Markt werd ’s ochtends
en ’s avonds de melk verkocht door boerinnen uit
de omgeving. Ook op de eiermarkt (Voorstraat),
de botermarkt (Voorstraat, later Nieuwe Markt)
en de groente- en fruitmarkt waren de boerinnen in streekdracht rijk vertegenwoordigd. De
dienstmeisjes droegen ook een cornetmutsje. Het
verbergen van het lange haar was het voornaamste doel. Haren waren vies en zeker die van de
dienstbode.
Waar komt de streekdracht vandaan.
Wanneer de streekdracht precies is ontstaan
weten we niet. Wel kunnen een aantal onderdelen
van de dracht, vooral de vrouwendracht, worden
teruggevoerd op de zestiende- en zeventiendeeeuwse kleding. Zo werd aan het eind van de
zestiende eeuw een klein mutsje gedragen met een
beugeltje voor de stevigheid. Hieruit ontwikkelde
zich later het oorijzer. De kleding bestond uit een
rok met onderrok, een jak met daarover heen een
kraplap, een schort, een schouderdoek en een
muts.
Het in 1857 verschenen boek Nederlandsche
kleederdragten en zeden en gebruiken van Bing en
Von Ueberfeldt laat een kleurrijke dracht zien.
Bonte jakken en kraplappen, kleurrijke schorten
en omslagdoeken. Het geeft ons een goed beeld
van de toen in Overijssel gedragen streekdracht.
De verscheidenheid is groot. Ook de streekdracht
was aan mode onderhevig en veranderde wel
degelijk. In de negentiende eeuw zijn veel invloeden van de op dat moment heersende stadsmode
er in opgenomen.
Terwijl de stadsmode vrij snel veranderde,
bleef de dracht op het platteland vaak lang
nagenoeg ongewijzigd. Veranderingen bleven
niet helemaal uit, maar beperkten zich tot kleinigheden zoals aanpassingen onder de muts en
het jak. De streekdracht was in het begin van de
negentiende eeuw nog kleurrijk. Na 1880 zijn veel
streekdrachten onder invloed van de stadsmode,
maar ook door de nieuwe godsdienstige bezinning uit die jaren, de Doleantie (de kerkscheuring
in de Nederlands Hervormde Kerk in 1886 onder
leiding van dominee Abraham Kuyper), somberder geworden. Vooral het laatste gold sterk voor
Overijssel.
De hoofdkleur van de kleding was zwart. De
vrouwen droegen een jak met een lange schoot die
over de rok viel. De jongere generatie koos voor
een kort jak, een lief, en een rok. Het voorpand
van het jak werd rijk versierd met kraaltjes, kantjes, bandjes en plooien, maar alles in het zwart.
Opvallend is dat in Staphorst en Rouveen de
dracht het minst veranderde en nog altijd kleurrijk is. De meeste veranderingen vonden plaats
in de periode 1850 tot circa 1950. Na de Tweede
Wereldoorlog verdween de streekdracht in snel
tempo.
Wat droeg je waar en wanneer?
Streekdracht kende een soort kleding etiquette.
De dracht valt in drie soorten te verdelen:
1. Het zondagse goed
Dit werd gedragen op zon- en feestdagen en bij
bijzondere gelegenheden, zoals bruiloften, officiële visites en bezoeken. Bij rouw werd de dracht
aangepast. Bij zware rouw was de muts van wit
batist met een stijf geplooide achterstrook. Alle
versiering op de kleding was sober, soms van
crêpe. De hoed was eveneens van crêpe. De sieraden waren van zwart been, ebbenhout of bakeliet.
Bij halve rouw werd de muts van tule gemaakt
in hetzelfde wat ouderwetse model. De kleding
bleef vrijwel ongewijzigd, droeg men een halsdoekje dan kon men nu kiezen voor een patroon
in zwart met een beetje wit. De hoed bleef zwart .
De sieraden daar mocht nu zilver aan toegevoegd
worden.
Was men niet in de rouw dan droeg men een
kanten muts met een breed vallende achterstrook.
‘Wie het breed heeft laat het breed vallen’, zo luidt
het hiervan afgeleide gezegde. Het geheel werd
afgemaakt met sieraden, dat mochten goud en
bloedkoralen zijn.
2. Het opknapgoed
Dit vertoonde veel overeenkomst met de z

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2010, Aflevering 4

Door | 2010, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

27e jaargang 2010 nummer 4 – 7,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Achter de IJssel begint
het land … Ben Kam
Suikerhistorie
(Collectie ZHT)
Wim Huijsmans
Omslag: Eenzame man op de hoogste boog van de IJsselbrug in
aanbouw (1929). (Collectie HCO)
Ben Kam …
De Harmonie, ca. 1960
In dit Kam-nummer mag De Harmonie niet
ontbreken. Niet alleen omdat dit gebouw zo’n
centrale plaats inneemt aan de Grote Markt en tal
van prominenten binnen zijn muren heeft gehad.
Maar ook omdat in de zeventiende eeuw op deze
plek een huis gestaan heeft met de naam de
Gouden Kam. Ben Kam verdient vanwege zijn
lange staat van dienst voor de Zwolse geschiedbeoefening ook goud. Twee gouden Kammen verbonden aan één suikerzakje.
De eerste steen voor De Harmonie werd
gelegd op 21 juni 1828. Afgezien van de Gouden
Kam stonden op de hoek Grote Markt/Melkmarkt vier huizen, die tegen de vlakte gingen om
plaats te maken voor een nieuw sociëteitsgebouw.
In de Koestraat was de Grote Sociëteit gevestigd,
bedoeld voor de upperten van Zwolle. De Harmonie functioneerde als sociëteitsgebouw voor
de heren, die daar net onder kwamen, de gegoede
en deftige burgers. Vóór De Harmonie stonden
tot aan de Eerste Wereldoorlog elke ochtend en
avond boeren en boerinnen in klederdracht in een
lange rij opgesteld om melk en eieren te verkopen.
De Harmonie diende tot in de jaren dertig als
sociëteitsgebouw. Op de bovenverdieping vonden
en vinden tal van activiteiten plaats zoals vergaderingen, feesten, exposities en ontvangsten. In 1851
werd Thorbecke een serenade gebracht door leden
van de sociëteit en in 2010 hield Van Agt er nog
een lezing over het Palestijnse volk voor studenten
van de Hogeschool Windesheim.
Onlosmakelijk verbonden met De Harmonie
zijn de namen van Jan Stappenbeld en Grolsch.
De bekende Zwolse horecaman begon in 1949 een
café-restaurant in De Harmonie. Het biermerk
stond tientallen jaren meters breed op het dak en
later in groene neonletters op de gevel.
De Harmonie op de Grote Markt, december 2010. (Foto Jan van de Wetering)
146 zwols historisch tijdschrift146 zwols historisch tijdschrift 147
Een gepassioneerd erelid
Het is weinigen gegeven om een lemma te krijgen als
bekende Zwollenaar in de serie Zwolle mijn stad. Ben
Kam heeft maar liefst een hele kolom gekregen. Het is
weinig Zwollenaren gegeven om op geheel eigen wijze een aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift te mogen vullen. Uit
beide feiten mag worden geconcludeerd dat Ben Kam een bijzonder persoon is in de Zwolse historische wereld. Een terechte
conclusie. Ben Kam’s historische belangstelling werd gewekt
door het huis aan de Koestraat waar hij in 1964 kwam wonen.
Over de huizen aan de zuidzijde van de Koestraat ging zijn eerste wetenschappelijke historische artikel. Vele zouden er volgen
over van allerlei, veelal Zwolse, onderwerpen. Uit de enorme
hoeveelheid beeldmateriaal die Ben Kam’s handen is gepasseerd
als vrijwilliger in het HCO, heeft hij voor dit nummer van het
ZHT een keuze gemaakt van foto’s met een verhaal. En al die
verhalen zijn weer ingeweven in Ben’s eigen levensverhaal. Dat
tezamen heeft een nummer opgeleverd dat een rijk geïllustreerde persoonlijke geschiedenis van Zwolle kan heten.
Ben Kam is erelid van de Zwolse Historische Vereniging.
In 1990, na zijn pensionering als huisarts, nam hij zitting in het
bestuur. Van 1996 tot 1998 was hij voorzitter. In deze periode
heeft hij ontzettend veel voor de vereniging gedaan, met name
op het gebied van ledenwerving en naamsbekendheid. Maar
ook na zijn bestuurstijd bleef Ben actief voor de vereniging.
Ben Kam is voor de Zwolse Historische Vereniging van
onschatbare waarde geweest. Het was een van de podia waar hij
uiting gaf aan zijn passie: de Zwolse geschiedenis.
Frank Inklaar,
Zwols Historisch Tijdschrift /
Zwolse Historische Vereniging
De vrijwilliger
De vrijwilliger, een onmisbare kracht in de erfgoedsector. Zonder vrijwilliger, geen goede publiekstoegankelijkheid van archieven. Naast de structurerende professionele archivaris is de vrijwilliger altijd een trouwe steun en
toeverlaat geweest voor archieven bij het beschrijven van akten
en foto’s op ‘stuksniveau’. www.Genlias.nl , de meest bezochte
website van de overheid, was zonder vrijwilligers een onmogelijk project geweest.
Bij het Historisch Centrum Overijssel werkte zo’n vrijwilliger, de heer Ben Kam. Niet voor het toegankelijk maken van
akten van de burgerlijke stand, maar voor de toegankelijkheid
van de beeldcollectie. Jarenlang in samenwerking met Jeanine
Otten, de laatste jaren in samenwerking met Ester Smit.
Ben Kam, wie kent hem niet. Op mijn eerste dag als directeur
van het Historisch Centrum Overijssel kreeg ik van Ben Kam
de allereerste memo. Of ik vooral aandacht wilde geven aan de
beeldcollectie van het HCO en een nieuwe medewerker beeldmateriaal wilde aanstellen. Dat heb ik dus maar gedaan, wie kan
de wens van Ben Kam negeren.
Gedreven, wellicht zelfs koppig en volhardend, maar met
een ongelooflijk hart voor de zaak. Dit jaar zag ik zelfs nog een
reactie van hem op weblogzwolle.nl. Iemand had gepost dat
Ben Kam nog zo’n vitale man was en Ben reageerde later op diezelfde blog. Fascinerend, zo’n leeftijd en toch zo bij de tijd.
Maar goed, ook voor Ben Kam is er zo’n moment dat je
afscheid neemt. Dit tijdschrift en dit voorwoord is een ode aan
Ben Kam als liefhebber en als vrijwilliger. Tegelijk wil ik het een
ode laten zijn aan de vrijwilliger in het algemeen! De vrijwilliger
die, zoals een boer immer voortploegt, een onmisbare bijdrage
levert aan de toegankelijkheid van ons erfgoed.
Ben Bedankt!
Bert de Vries,
directeur Historisch Centrum Overijssel
Kerkplein naar de Koestraat verwezen, naar een
huisarts Klinkert. Die zou me wel verder op weg
helpen. Nou, dat heb ik geweten, want toen de
voordeur (die trouwens niet op slot was) voor
mij werd geopend, stond daar een stevige jongedame. Zij heeft mij van dat moment af aan in de
peiling genomen op een zeer efficiënte manier.
We trouwden in 1952 en die voordeur ben ik duizenden malen in- en uitgegaan, op weg naar alle
mogelijke gebeurtenissen die zich in mensenlevens kunnen voordoen.
Haar vader, de ‘jonge’ Klinkert, heeft me
nadrukkelijk als beginnend huisarts gevormd,
zoals hij ook zelf gevormd was door zijn eigen
vader, de ‘oude’ Klinkert, beter bekend als ‘Olde
Evert’, die zijn Zwolse patiënten met spit in de
rug genas door een pak slaag met de pantoffel en
die zijn leven lang plat Zwols sprak. Het Zwolse
dialect is nu vrijwel geheel verdwenen, maar in het
fotoarchief zijn er nog duidelijke sporen van terug
te vinden, waarover later. Deze twee artsen heb-
‘Achter de IJssel begint het land’ is een in
de jaren vijftig door de Zwolse archivaris en geschiedschrijver Thom. de Vries
geciteerde uitspraak van oud-burgemeester Strick
van Linschoten, wanneer deze bezoekers uit Holland moest ontvangen.1 Deze foto van het Katerveer, genomen vanaf de Gelderse kant, illustreert
de rust en de schoonheid van het land zoals vele
‘immigranten’ uit de Randstad dit hebben ondergaan. Nu ik ruim 65 jaar geleden ook als immigrant uit Brabant in Zwolle ben neergestreken,
heb ik de gehele ontwikkeling van een rustgevend
klein provinciestadje naar de bruisende metropool van heden ten dage op allerlei manieren
meegemaakt. De redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft mij gevraagd een poging te doen
iets van deze ontwikkeling, ook in mijzelf, op
schrift te zetten.
Omdat ik na mijn 35 jaar als huisarts in Zwolle
een ‘werkkring’ heb gevonden in de archieven
die deze ontwikkeling mede hebben vastgelegd,
wil ik aan de hand van enkele der vele tienduizenden foto’s en andere afbeeldingen, die door
mijn handen zijn gegaan, proberen om niet alleen
de feiten die zij tonen te verduidelijken en in
hun historische context te plaatsen, maar ook de
emoties die vaak achter de droge werkelijkheid
naar boven komen, weer te geven. Een voorbeeld
hiervan zouden de vele foto’s kunnen zijn die de
bevrijding van Zwolle illustreren, maar er is veel
meer dan dat.
Wie hebben mij gevormd?
Toen ik begin mei 1945 als net 21-jarige directeur
van een regionaal oud-illegaal blad Zwolle binnenkwam met de missie om te trachten enige
eenheid te brengen in de zich overal boven de
grote rivieren legaliserende Parooluitgaven, werd
ik vanuit de feestvierende menigte op het Grote
Achter de IJssel begint het land …
148 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 149
Ben Kam
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 146
Achter de IJssel begint het land… Ben Kam
Wie hebben mij gevormd? 149
Thomas de Vries 150
De Koestraat 151
Een landmeterkaart uit 1642 154
De kaart van Bloemaert 154
Schutters 156
Het rosse leven 157
Verzet Parool 158
Schoolfoto Lorentzlyceum 1939 158
Bouw IJsselbrug 159
De eenzame man 160
Weggeradeerde bruggen 161
Op- / afrit 161
Skeletten 162
Carillon 163
Het Geregt van Zwolle 165
Infrarode luchtfoto’s 166
Huis van Bewaring 167
ARTS 168
Wildplassen 170
Heilsoldaat Wiebe Palstra 171
De Schepenzaal 172
Jacomina 177
Evangelisatie Kamperpoort, 1895 179
Bedelaar 181
De azijn- en waskaarsenfabriek 182
De Bisschopsschans 182
Verzekeringsgeneeskundige 183
De Atlas van het gemeentearchief 184
Goossen Veldhuis 184
Naoberplicht 186
Beginnend huisarts 186
Kindertjesweilanden 187
Bevallingen 187
Het Hilberdink 188
Zwolle in 1960, deel 3 Jan van de Wetering 191
Mededelingen 193
Auteur 194
Het Katerveer, begin
jaren zestig gezien
vanaf de Gelderse kant,
illustreert de rust en
de schoonheid van het
land. (Foto auteur, collectie HCO)
150 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 151
ben op mijn werken en denken als medicus een
grote invloed gehad, al genas ik spit niet meer met
de pantoffel.
In 1964 verhuisden wij, vrouw, man, vier kindertjes en de poes van de Vondelkade naar Koestraat
22, waar negentien jaar eerder mijn kennismaking
met Zwolle was begonnen. Door het plotseling
overlijden van Henk Klinkert kwam zijn patiëntenkring zonder arts te zitten. Als je die kring
bij elkaar wilt houden is het voor de opvolger
verstandig om ook het huis waarheen de patiënt
zijn schreden richt over te nemen. Zo kwam mijn
echtgenote terug in haar ouderlijk huis en moesten we opnieuw beginnen een nu dubbele praktijk
op te bouwen in een wat gedateerde spreekkamer
en behandelkamer. De ‘klanten’ van mijn schoonvader noemden dat zijn ‘werkplaotsien’, een van
de spreekkamer afgeschoten pijpenlaatje met één
tl-buis als verlichting, dat nog wel.
De gevel van dit huis had echter bijzondere
kenmerken die nog steeds in de daklijst te zien
zijn, met in het midden een afbeelding van een
zonnegod die in Zwolle verder slechts op één
ander huis, Bloemendalstraat 2, te vinden is. In de
zolderbalken vond ik raadselachtige merktekens
die met een guts in het hout aangebracht leken te
zijn. Toen we er een half jaar woonden ben ik eens
naar het gemeentearchief gestapt om te zien of er
wat meer over de bouwgeschiedenis te vinden zou
zijn. Op dat moment begon mijn interesse voor de
geschiedenis van Zwolle, die vanaf toen een groot
deel van mijn denken en doen heeft beheerst en
die leidde tot een groot aantal publicaties over de
stad en haar bewoners.
Thomas de Vries
Niemand in de familie Klinkert kon mij iets over
de bouw van de zolder vertellen en zo kwam ik
terecht in het toenmalige gemeentearchief: drie
tafels, zes stoelen, in een kamer over de breedte
van de achtergevel van het oude stadhuis aan het
Grote Kerkplein. Die kamer had het volle licht,
lag zonder zonwering op het zuiden en als je heel
goed keek zag je achter een glazen scheidingswand
met de rest van die ruimte (die doorliep tot aan de
voorgevel aan de Sassenstraat) een lange tafel. Alle
wanden waren gevuld met boekenkasten en boeken, er hing één plafondlantaarn aan een koord en
daaronder zat halverwege de tafel een wat oudere
heer altijd te lezen, met een vestzakhorloge op een
standaard voor zich.
Om je aanwezigheid als bezoeker kenbaar te
maken moest je door een deur in die glazen scheidingswand stappen en deze persoon tot attentie
zien te krijgen. Dat viel niet mee, want naast dat
horloge was hij nog voorzien van een leesbril en
van een duimendik slap hangend koord tussen
een van zijn oren en een zwarte bakelieten kast
ter grootte van een handpalm, die ergens in zijn
vest een plaats had gevonden. Hij was dus doof,
en niet zo maar een beetje doof, maar echt levensgevaarlijk doof. Hij kon daar slim gebruik van
maken, want als mijn vraag of monoloog hem niet
interesseerde verdween zijn hand naar het vest,
deed daar iets met die doos en dan was hij volledig onbereikbaar en werd je getrakteerd op een
uitgebreide verhandeling over een onderwerp dat
mijlenver was verwijderd van je vraag.
Dat was mijn eerste kennismaking met archivaris Thomas J. de Vries, later uitgegroeid tot een
eigenaardige, monumentale vriendschap gebaseerd op mijn nieuwsgierigheid en zijn encyclopedische kennis, die zich tot ver buiten Zwolle’s
grenzen uitstrekte.
Vanaf die tijd dateert mijn vrijwel dagelijks
bezoeken van dit archief, soms niet langer dan een
half uur, soms wat langer op de Sassenpoort, waar
het toenmalige Rijksarchief was gevestigd. Beide
instellingen, gemeente- en rijksarchief, die in een
haat-liefde verhouding in Zwolle coëxisteerden,
waren voor mij makkelijk binnen enkele minuten
te voet bereikbaar, ik liep nog trappen als de beste.
Thomas was toen al op leeftijd en verkoos mij
tot huisarts; ik heb hem tot aan zijn overlijden zo
goed en zo kwaad als dat ging mogen begeleiden,
twee eigenwijze en eigengereide wetenschappers
bij elkaar. Maar ik wist het wel zo te regelen dat
hij steeds de laatste was op het middagspreekuur,
zodat ik zijn monologen (meestal over Zwolle)
rustig kon laten voortduren.
Ik beschouw het als een voorrecht dat ik in
staat ben geweest om, naast andere publicaties,
zijn twee boekdelen Geschiedenis van Zwolle
met de nu mogelijke techniek te digitaliseren.
Hierdoor is zijn werk veel makkelijker toegankelijk geworden; dat er geen notenapparaat is
toegevoegd was indertijd een compromis met de
uitgever. Hij was zich dat zeer goed bewust, maar
zijn eigen exemplaar mét de bronvermeldingen is
nimmer boven water gekomen. Hij vermeldt het
in de inleiding op deel II. Anderzijds: de man had
een gietijzeren geheugen, ik heb hem tot op de dag
van vandaag nog steeds niet op een duidelijke fout
kunnen betrappen, ook niet na het drie keer (in
verband met het digitaliseren) letterlijk woordelijk doorlezen van zijn boeken.
Ik vond Thomas de Vries op een zonnige
vrijdagmorgen in mei 1975, thuis op zijn kamer
temidden van zijn verzameling klokken, overleden aan een hartstilstand. Hij heeft op mijn denken en schrijven grote invloed uitgeoefend en ik
ben hem daar nog steeds dankbaar voor.
De Koestraat
Mijn eerste wetenschappelijke artikel verscheen
in 1969 in de Verslagen en Mededelingen van de
Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt
en Geschiedenis en handelde niet zozeer over
het huis in de Koestraat, maar gaf een overzicht
van alle huizen aan de zuidkant van die straat
en over de in de zeventiende en achttiende eeuw
invloedrijke stratenbroederschappen.2 Dat waren
in theorie kiesgezelschappen die waren ontstaan
Gevel van Koestraat 22,
met een afbeelding van
een zonnegod. (Foto
auteur, collectie HCO)
Gemeentearchivaris
Thomas Josef de Vries
(1904 – 1975), in 1967
geportretteerd door
Teun van der Veen.
(Collectie HCO)
De plattegrond van Joan Blaeu van ‘Swolla’ toont Zwolle met de nieuwe vestingwerken omstreeks 1650. De Koestraat (rechts) valt hierop duidelijk te zien.
(Collectie HCO)
152 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 153
uit de Meente, maar in de praktijk vooral eet- en
drinkgezelschappen, die het reilen en zeilen in
hun wijk met enige regelmaat tijdens hun maaltijden bespraken. De reglementen van twee dezer
stratenbroederschappen zijn bewaard gebleven,
het reglement van de broederschap Sassenstraat
zelfs vanaf het ontstaan voor 1595. Daarna zijn er
herziene exemplaren uit 1611, 1623, 1632 en 1690
bekend, die steeds nadere specificaties vermelden
over de regels waaraan men zich te houden heeft.
Hieruit ziet men dat het gezelschap uit zeer gefortuneerde heren moet hebben bestaan: wie niet ter
Raadskeur (verkiezing van nieuwe raadsleden)
of Meentekeur (verkiezing van nieuwe meenteleden) verscheen werd beboet, waarbij de bedragen
van zes carolusgulden in 1597 opliepen tot twintig
goudgulden voor ontbreken bij de Raadskeur en
tot 105 carolusgulden bij niet verschijnen bij de
Meentekeur in 1690. Voor allerlei kleine en grote
tekortkomingen ten opzichte van de broederschap werden geldboetes geheven: wie een erfenis
kreeg of wie in het huwelijk trad betaalde tien
goudgulden, en wie te laat op de broederschap
vergadering verscheen betaalde veertien stuiver.
Ook de dagelijkse gewoonten worden gememoreerd: ‘Imandt van de Stratebroederen met den
anderen questie krijgende en realiter injurierende,
zal tot boete betalen thien carolus gulden; verbaliter twee goltgulden.’ Schelden doet dus alleen pijn
in de portemonnee, maar elkaar letsel toebrengen
is niet alleen met de hand: ‘Mantel dragen zonder
degen op vergaderingen van Raadt en Meente’
wordt ook bestraft en degenwonden kunnen snel
dodelijk zijn.
Een van de bewoners van het huis was Bernard
Huete, lid van de stratenbroederschap. In dit
eerste artikel publiceerde ik zijn parenteel en een
aantal gegevens over zijn vermogen, waarvan hij
samen met zijn broer Theodorus veertienduizend goudgulden schonk voor de bouw van het
Schnitgerorgel in de Grote Kerk. Uitgedrukt in
euro’s komt dat bedrag afhankelijk van de omrekeningsfactor (bouwgrond, goudprijs, kosten van
een doodskist) op een bedrag tussen de twee en
de tien miljoen gulden. Dit feit en hun namen zijn
vereeuwigd in een paneel aan de voorzijde van het
orgel en het is aannemelijk dat Huete mede door
deze gift in 1718 tot burgemeester is gekozen. Het
orgel werd ‘ingespeeld’ tussen 21 september en 20
oktober 1721, maar Huete overleed, 71 jaar oud,
op 1 oktober van dat jaar. Over zijn laatste ziekte
heb ik indertijd niets kunnen vinden.
Wat echter uit het onderzoek naar het orgel
ook naar voren kwam, waren de gegevens over
de betaling en de honoraria van de organisten die
het instument moesten goedkeuren. Het geld dat
Huete schonk werd letterlijk in zakken naar het
stadhuis gedragen en daar in de schatkamer van
de gemeente, mogelijk in de zilverkast die nog
steeds in de hal van het oude stadhuis staat, opgeborgen. Betalingen aan rechthebbenden zoals
Caspar Schnitger en enkele burgemeesters werden
rechtstreeks uit de geldzakken gedaan.
Nog verrassender is dat duidelijk valt aan te tonen
dat de Zwollenaar in 1720 al geneigd is om de letter H aan het begin van een woord in te slikken.
Een van de drie organisten die het orgel komen
inspelen en die allen uit het westen van het land
hierheen komen varen,3 heet Havercamp, maar
de klerk in het stadhuis die de afrekening schrijft
betitelt hem als Avercamp. Het zal ongetwijfeld
in aktes uit die periode en ook later, zolang er nog
geen schrijfmachines waren, voorgekomen zijn
dat een letter H niet werd mee geschreven, maar
een bevestiging zoals in dit geval zal men niet vaak
kunnen vinden.
De Koestraat vertoont in het beeldmateriaal van
de stad een aantal andere aspecten die terug gaan
op het ontstaan van de stad en de ommuring,
zoals deze tussen 1230 en 1640 is ontstaan, en die
nog steeds in het stratenpatroon duidelijk herkenbaar is. De kaarten van Braun en Hogenberg
en die van Guiccardini geven een duidelijk beeld
van een bijna eironde stad, die drie poorten heeft
waardoor men het grondgebied van de stad kan
betreden. Die ronde vorm komt in moderne tijden soms hinderlijk terug in de kromming van de
trottoirs in Koe- en Walstraat, waardoor bij het
inparkeren van de auto banden en velgen beschadigd kunnen raken. Vanuit de bestuurdersplaats
lijkt de straat recht, maar achteruitrijdend wordt
de kromming snel duidelijk.
Op de foto van de Koestraat genomen uit
de toren van de Sassenpoort, maar vooral op de
luchtfoto valt het goed te zien. Op deze foto ziet
men aan de achterkant van de huizen ook de uitleg van de vesting, zoals deze tijdens het Twaalfjarig Bestand werd gerealiseerd. Het wandelpad
over de Potgietersingel geeft de loop van de eerste
stadsgracht aan, met links daarvan de huidige
stadsgracht en achter de bomen de Suikerberg (zo
genoemd naar de vorm van vroeger gangbare suikerbroden). Op de kaart van Blaeu is een en ander
duidelijk zichtbaar
Han Prins, die jarenlang in de Vrienden van de
Stadskern een vooraanstaande rol heeft gespeeld,
maakte op mijn verzoek een overzichtstekening
Bernard Huete schonk
samen met zijn broer
Theodorus veertienduizend goudgulden voor
de bouw van het Schnitgerorgel in de Grote
Kerk. Hier de specificatie van de betalingen.
(Collectie HCO)
Links: De kaart van
Braun en Hogenberg uit
1581 geeft een duidelijk
beeld van een bijna
eironde stad, met drie
poorten: de Diezerpoort, de Sassenpoort en
de Kamperpoort. (Collectie HCO)
De Koestraat gezien
vanuit de toren van
de Sassenpoort, jaren
zestig. (Foto auteur, collectie HCO)
Luchtfoto van de Koestraat tot de Nieuwe
Havenbrug, begin jaren
zestig. (Collectie HCO)
154 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 155
van de verschillende stadia waarin de zuidkant
van de stad zich in de loop der jaren heeft vertoond.
Een landmeterkaart uit 1642
Er is echter nog een mogelijkheid om de veranderingen in de vestingstad te volgen. Wie de luchtfoto van de Koestraat goed bekijkt, zal het opvallen
dat de rooilijn (om de moderne terminologie even
te gebruiken) langs de achterzijde van de huizen
vrijwel parallel loopt aan de rooilijn aan de straat.
De huizen zijn even diep gebouwd en de er achter
liggende bouwsels zijn onregelmatig en variëren
onderling sterk in breedte en diepte. Thomas de
Vries wees mij toen ik net met mijn onderzoek
naar het woonhuis was begonnen op een archiefstuk in de vorm van een cahier, een in varkensleer
gebonden landmeterschetsboekje Metinge van
de stadsgrond agter de huijsen in de Koestraat uit
1642. Vrijwel geheel in potlood geschreven met
enkele inktnotities in een andere hand toegevoegd, waarin een exacte opmeting is weergegeven van de grond die na de uitleg van de vesting
achter de huizen droogviel. Die stukjes grond,
allen exact 21 voet breed, werden door de bewoners vrij snel geannexeerd. Men beriep zich op
de zinsneden in de koop- en overdrachtaktes die
als hun eigendomsbewijs golden, dat daarin hun
grondbezit werd beschreven als ‘zegt haer brieven
zeggen was 2 Stadtsmuijren en hoffkens’. Op de
tekeningen zijn ook heel duidelijk verschillende
muurtorentjes te zien die in de eerste stadsmuur
aanwezig waren. Deze eigendomsbewijzen, die
van koper op koper steeds werden overgedragen,
stammen uit ondermeer 1559 en 1599, duidelijke
argumenten dus voor eigendom van de grondrechten.
Hierover heeft zich tussen de bewoners van
Koestraat en Walstraat en het stadsbestuur van
1642 tot 1744 met behulp van vele juristen een
monumentale ruzie afgespeeld, waarbij de bewoners uiteindelijk aan het langste eind hebben
getrokken en hun schuld aan grondgelden met
een eenmalige canon konden afkopen.
De kaart van Bloemaert
In het midden van de jaren negentig was ik druk
bezig met het inventariseren van de dia’s in het
gemeentearchief, toen de pas aangestelde atlasbeheerder mij inschakelde om voor haar het aanwezige cartografische materiaal te inventariseren
in een database. Ik kon daartoe beschikken over
een toen al wat antieke computer met DOS 3.1 als
besturingsprogramma. Dat was na het catalogiseren van de door mij ingebrachte dia’s van Zwolle
en het (toen nog niet voltooide) invoeren van de
dia’s in de collectie de eerste echte bezigheid die
ik voor het gemeentearchief ondernam. Geheel
onverwacht werd ik geconfronteerd met een nauwelijks nog leesbare pentekening van de vesting
Zwolle, die mij deed denken aan een kaart die ik
in de jaren zestig had gezien en gefotografeerd in
het Algemeen Rijksarchief, toen mijn vader mij op
mijn eerste archiefschreden vergezelde. En inderdaad bleek ik er een dia van te hebben in mijn
eigen verzameling en zelfs gebruikt te hebben
voor een lezing over de binnenstad in 1968.
Het exemplaar uit het Algemeen Rijksarchief
laat ik hier zien omdat het de eerste kaart is (in
1592 door de cartograaf Cornelis Bloemaert vervaardigd) waarvan de schaal en de onderlinge
verhoudingen vrijwel exact overeen komen met
de tegenwoordig gebruikte kaarten. Bloemaert
maakte in opdracht van prins Maurits een ontwerp voor het versterken van de IJssellinie, waarbij de stad Zwolle werd ‘uitgelegd’ en er dus een
tweede versterking rondom de oude eivormige
Overzichtstekening
door Han Prins van
de verschillende stadia
waarin de zuidkant
van de stad zich in de
loop der jaren heeft vertoond, eind jaren zestig.
(Collectie HCO)
Een blad uit het landmetersboekje ‘Metinge
van de stadsgrond agter
de huijsen in de Koestraat’ uit 1642. (Collectie HCO)
De kaart van Bloemaert
van Zwolle uit 1592.
Dit is de eerste kaart
waarvan de schaal en
de onderlinge verhoudingen vrijwel exact
overeenkomen met de
tegenwoordig gebruikte
kaarten. (Foto auteur,
collectie Nationaal
Archief Den Haag)
De monumentenkaart
van de gemeente Zwolle
over de kaart van Bloemaert geprojecteerd. De
verhoudingen komen
vrijwel exact overeen.
(Foto auteur)
156 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 157
vesting werd aangebracht. Men ziet de poorten
exact in vorm gebracht en vooral de oudste muren
weergegeven met de steeds terugkerende kleine
torentjes, waarvan er ook een is te zien op de hier
weergegeven kaart van de landmeter die vijftig
jaar later werd getekend. De vergelijking is niet
zo moeilijk: ik heb de monumentenkaart van de
gemeente Zwolle opgehangen en de dia in een
projector gezet, en net zo lang geheen-en-weerd
tot de afbeelding passend op de kaart kwam en het
geheel gefotografeerd. Men oordele zelf.
Schutters
In tijd van oorlog moesten de vestingmuren
natuurlijk verdedigd worden tegen ‘de vijand’,
wie dat dan wel wezen mocht. Dat is altijd zowel
een landsbelang als een lokaal belang geweest.
Tot het eerste doel werd een stad voorzien van
een garnizoen, dat in kazernes in de stad werd
ondergebracht. Zo hebben we in Zwolle nog de
Broerenkazerne gekend. Dat was dus een verdediging op rijkskosten. Daarnaast bestond lokaal
de schutterij, een militair gevormde en geoefende
eenheid die kon worden gemobiliseerd bij dreigend gevaar en die bestond uit mannen die hun
dienstplicht hadden voltooid, maar die nog jong
genoeg waren om mee te helpen. In 1922 zijn de
schutterijen opgeheven, maar vooral in het zuiden van ons land worden regelmatig in de zomer
verschillende schuttersfeesten gevierd waar de
oude tradities in stand worden gehouden, zoals
het prijsschieten op de haan, mooi marcheren,
en vooral mooie uniformen dragen en met vaandels zwaaien. Juist omdat deze tradities boven de
rivieren zijn uitgestorven, lijkt het mij met mijn
Brabantse jeugdherinneringen goed om hier nog
enkele foto´s van te laten zien.
Het rosse leven
Hoe komt iemand er toe om een onderzoek in
te stellen naar sociale omstandigheden zoals die
honderd en meer jaren eerder in een kleine provinciestad van rond de 25.000 inwoners hebben
bestaan? Is het alleen nieuwsgierigheid, kunnen
we er in de huidige tijd nog iets van leren om de
huidige sociale relaties te verbeteren?
De eerste vraag valt makkelijk te beantwoorden. Bij het voorbereiden van een artikel voor
de pilot-uitgave van Waanders in 1980, getiteld
Ach lieve tijd. 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en
hun…, werd een aantal schrijvers die enigszins
met de geschiedenis van de stad bekend geacht
werden uitgenodigd om een katern te schrijven
over een specifiek onderwerp. Deze katernen zouden om de veertien dagen worden uitgebracht,
zodat na een half jaar een stevig boekwerk kon
worden ingezien dat de stad vanuit allerlei kanten
belichtte. Daarbij zorgde de redactie, waarin de
Zwolse kunstenaar en tekenaar Han Prins een
vooraanstaande rol speelde, voor een grote hoeveelheid illustratiemateriaal. Mij werd gevraagd
om een artikel te schrijven over de Zwolse ziekten
en tussen de illustraties die men geschikt achtte
om mijn onderwerp te illustreren, vond ik een
afbeelding van een Boekje, dienende tot bewijs van
inschrijving als publieke vrouw. Daarmee ging er
geheel onverwacht een ‘deurtje’ open naar een tot
dan geheel verborgen aspect van de Zwolse maatschappij. Publieke vrouwen vond men in publieke
huizen en die aanduiding is vooral in Engeland
gebruikt voor openbare gelegenheden, waar men
heenging om alcoholische versnaperingen te
gebruiken. De vrouw kreeg de gelegenheid om
zich in een ladies-only kamer op te houden, een
instelling die in Zwolle indertijd geheel onbekend
was. Aparte ingangen voor mannen en vrouwen
werden echter wel gehandhaafd in de badhuizen
die in de tweede helft van de negentiende eeuw in
zwang waren, of de seksen werden op verschillende tijden schoongewassen. Maar in ons land was
de term publieke vrouw in de negentiende eeuw
specifiek voor hoer.
De tegenstellingen zijn door de eeuwen heen
steeds groot geweest en aan verandering onderhevig. De vrije middeleeuwer ging naakt te bed en
sliep met vrouw, kinderen, knecht, meid en het
vee in hetzelfde vertrek. Al in die tijd ging de betere stand naar het badhuis, waar seksuele contacten
zo gewoon werden dat de kerk er aanmerkingen
op ging maken. De goudeneeuwer waste zich
nauwelijks en verstopte zijn seksuele gevoelens
achter het gordijn of achter de slaapkamerdeur.
Als men al seksualiteit openbaarde, dan waren
dat altijd soldaten of dronken kroegklanten die
daarmee werden afgeschilderd. De betere stand,
maar vooral de militaire autoriteiten trachtten
door reglementering al vanaf de zeventiende
eeuw het optreden van prostituees tegen te gaan,
door het instellen van zware lichamelijke straffen
zoals spitsroeden lopen, neus en oren afsnijden
en brandmerken, maar het lijkt niet veel te hebben geholpen. En zo bleef de reglementering, met
daaraan verbonden een wekelijks doktersonderzoek, tot ver in de eenentwintigste eeuw bestaan
en werden militairen die zich met een geslachtsziekte meldden onverbiddelijk (in het Duitse leger
naar het Oost-) front gestuurd.
Luitenant van de schutterij. (Collectie auteur)
Commandant van de
schutters. (Collectie
auteur)
Rechts: Luitenant
van de schutterij met
hanenveren (Collectie
auteur)
Boekje, dienende tot
bewijs van inschrijving
als publieke vrouw.
(Collectie HCO)
158 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 159
Toen de redactie van Ach lieve tijd mij vertelde
dat er een aantal sinaasappelkistjes gevuld met
deze boekjes de verhuizing van het politiebureau
aan de Lombardstraat naar de nieuwbouw in de
Weezenlanden begin jaren zeventig had overleefd,
leek het dat er een wetenschappelijk onderzoek
mogelijk zou moeten zijn. Dit leidde uiteindelijk
tot mijn promotie in Nijmegen, in 1983.
Verzet Parool
In mei 1940 werden de oudste kinderen van mijn
vader, mijn oudste zus en ik, door hem naar
zijn zuster in Haarlem gestuurd. Hij leefde zoals
zovelen in de veronderstelling dat de Hollandse
Waterlinie een onneembare vesting was voor de
al jaren als vijand bestempelde Duitsers en dat wij
daar veilig buiten de oorlog konden blijven. Dit
alles gebaseerd op zijn eigen ervaringen tijdens de
Eerste Wereldoorlog toen hij gemobiliseerd was
en de vaderlandse grens mede moest bewaken.
Die begrippen, ‘Vaderland, Koningin, het Wilhelmus’ heb ik van hem meegekregen; de vaderlandse liederen over de ‘Watergeus voor den Briel’
en ‘Valerius’ gedenkklanck’ kreeg ik op de lagere
school al wekelijks mee. Toen de Duitse bezetting
een feit was en we de rookwolken van Rotterdam
zagen, was er maar één gevoel mogelijk: dat zal ik
jullie betaald zetten, met daarachter de gedachte:
na mijn eindexamen wat ik in 1942 hoopte te
kunnen doen, zo praktisch dacht ik toen al wel.
Het werd dus het Parool, vrij onverveerd,
waarmee ik in 1942 in aanraking kwam, achttien
jaar oud maar nog steeds met die alles doortrekkende boosheid: dít laat ik mijn vaderland niet
aandoen. Dat werd nog eens versterkt door de
reactie van algemene gelatenheid die over ons
volk was gekomen en waaraan ik ook al om niet
op te vallen meedeed. We gingen gewoon naar
school, we hamsterden shag en sigaretten, we
kochten niet zwart, we conformeerden ons en
dat zat ook in onze volksaard. Wij Nederlanders
waren en zijn nog steeds opgevoed met gezagsgetrouwheid, we houden ons aan de wetten ook
als die door een overheerser worden opgelegd en
verkracht. En wie zijn mond opendeed, ging naar
het concentratiekamp.
Dus moest je je mond dichthouden en dat was
een zaak die maar weinigen tijdens de bezetting
goed beheersten. Ik kon dat wel: zelfs mijn ouders
hebben tot na de oorlog niet geweten dat ik eind
1943 op weg was om hoofdverspreider van het
Parool te worden voor Noord-Brabant, en later
nog een stuk Zeeland en Noord-Limburg. Daarbij
kwam dan ook nog wekelijks een nieuwsvoorziening op folio of A4 formaat gestencild, waarmee
de directe omgeving van Eindhoven en Helmond
werd voorzien van enigszins betrouwbaar nieuws.
Alle radiotoestellen waren immers begin 1943
door de bezetter in beslag genomen.
Schoolfoto Lorentzlyceum 1939
Onvoorstelbaar dat deze twee pubers, die hier nog
op hun krent zitten aan de voet van een aantal
leraren, zich vijf jaar later hebben bewezen als
directie van een uit de onderdrukking opgerezen
krant.
Toch is deze activiteit van grote invloed
geweest op mijn verdere leven. Nog tijdens de
laatste fase van de bevrijding van ons land ging
ik liftend de rivieren over richting noordoost,
omdat wij wisten dat ook dáár pogingen zouden
worden ondernomen om het Parool als dagblad
uit te gaan geven. Op die route deed ik ook Zwolle
aan. De Paroolcontacten waren snel gelegd en ik
bleef nog enkele dagen hangen in de stad, hoorde
de verhalen over de gravers en het bevrijden van
gevangenen uit het concentratiekamp Amersfoort
die in de Buitensociëteit waren opgesloten. Over
het Medisch Contact en over de dood van mijn
goede Paroolvriend Hans Schippers, die ook bij
de familie Klinkert te gast was geweest en die
bij de represailles na de executie van Rauter in
Amsterdam werd gefusilleerd.4 Hij werd gepakt
omdat zijn fiets een lekke band had…
De landelijke bevrijding van 5 mei maakte
ik in Zwolle mee en een dag of twee later was ik
op gezag van mijn perskaart in Amsterdam en in
gesprek met de Paroolredactie, op het kantoor van
de Telegraaf. Enkele dagen later werd ik door het
Militair Gezag terug gecommandeerd, heel west
Nederland was onder quarantaine gesteld en als ik
niet snel maakte dat ik weg kwam dan dreigde de
politiecel, ondergrondse pers of niet.
Dus terug naar Eindhoven waar de Paroolzaken goed waren geregeld en ik mijn medische studie, die ik daar in februari aan de Tijdelijke Academie was begonnen, weer opnam. Wie schetst
mijn verbazing toen eind juni ineens de dochter
van Henk Klinkert uit Zwolle in Eindhoven voor
mijn neus stond, met een rieten koffertje en vanuit haar logeeradres in Aalst of Waalre bij kennissen van de familie mij kwam opzoeken. Zij heeft
mij vele jaren later bekend dat zij op het moment
dat zij mij zag, in mei 1945 aan die voordeur in de
Koestraat, vuil in een leren jas waarin een scheur
(en het kán zijn dat ik mijn gitaar toen ook al bij
me had), wíst: díe man moet ik hebben. En zo
gebeurde het, al trouwden we pas zeven jaar later,
vrijwel op de dag af nadat zij in Eindhoven beslag
op mij wist te leggen.
Bouw IJsselbrug
Tussen die trouwerij en de werkzaamheden in
de Atlas van het gemeentearchief in Zwolle ligt
een half mensenleven. Een enkel beeld daaruit zal
misschien nog wel in dit relaas verdwalen, maar
ik probeer me te houden aan de oorspronkelijke
vraag, dat is om te laten zien wat mij in de beeldverzamelingen van het Gemeentearchief Zwolle
en later het Historisch Centrum Overijssel méér
heeft gegrepen dan alle andere foto’s, die ik niet
kan laten zien. Een hele grove taxatie leert dat ik
vanaf eind jaren tachtig tot nu toe circa veertigduizend foto’s, kaarten en prenten heb bekeken,
De twee pubers Nico
van de Sande Bakhuyzen en Ben Kam (naast
elkaar zittend, links
vooraan) op een schoolfoto van het Lorentzlyceum in Eindhoven
uit 1939. (Collectie
auteur)
De bouw (1929) van de verkeersbrug over de IJssel. De arbeiders klonken de
brugonderdelen op een hoogte van veertig meter boven het water aan elkaar,
zonder verdere veiligheidsmaatregelen als touwen of onder de werkplek gespannen netten. (Collectie HCO)
De vlag in top tijdens de bouw van de verkeersbrug over de IJssel, 1929.
(Collectie HCO)
160 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 161
geanalyseerd en in een database heb ondergebracht, en dat is een voorzichtige schatting.
Toch moet ik weer beginnen bij mijn vader.
Hij was civiel ingenieur en was, nadat hij hersteld
was van een nekwerveloperatie wegens een in de
mobilisatie van 1914-1918 opgelopen bottuberculose, met steun van zijn vader aangesteld als hoofd
van de constructiewerkplaats bij de Machinefabriek Begemann in Helmond. Mijn grootvader
was daar mededirecteur. Die fabriek had een ruim
tweehonderd meter lange constructiewerkplaats,
waar alle te leveren bruggen en andere staalconstructies in eerste instantie werden voorgemonteerd, zodat men zeker wist dat alle gaten op de
juiste plaats waren geboord. Ik mocht als jongetje
van 5-7 jaar na het gezamenlijke zwemmen met
hem mee naar die werkplaats, daarna naar huis
om uitgebakken spek bij het ontbijt te krijgen en
vervolgens, ja, naar school terwijl mijn vader dan
weer naar de fabriek terugliep of fietste.
En wat gebeurt me dan ruim zeventig jaar
later? Dan stuit ik op deze foto van de bouw
(1929) van de verkeersbrug bij het Katerveer, in
hetzelfde jaar waarin ik die uitgebakken spekjes
at. De arbeiders zijn hooggeschoold personeel,
zij klinken de brugonderdelen op een hoogte van
veertig meter boven het water aan elkaar, zonder verdere veiligheidsmaatregelen als touwen
of onder de werkplek gespannen netten en dat
gebeurt met witheet gestookte klinknagels, die
zij toegeworpen krijgen vanuit een op dezelfde
hoogte opgesteld smidsvuur. Bekijk de foto en
verwonder u. Daar kwam geen Arbo-wet aan te
pas. Bij het bouwen van al die bruggen over de
grote rivieren volgens het rijkswegenplan van
1928 is geen enkele man verongelukt.
De eenzame man
Toch vind ik de foto van de eenzame man die op
de hoogste boog heeft plaatsgenomen naast het
te sluiten bruggedeelte het meest sprekend. Hij
heeft een slappe gleufhoed op, een rouwband om
de linkerarm, wat in die periode gebruikelijk was
bij verlies van een dierbaar familielid, hij kijkt met
een zekere standvastige blik van zich af, heeft geen
veiligheidslijn om en draagt een wat onverzorgd,
uit de vorm hangend pak. Net zoals ik mij mijn
vader herinner, met jaszakken waar allerlei klein
gereedschap in zat, tabakszak en pijp, kleding ruikend naar de werkplaatslucht die zich niet precies
laat omschrijven: een mengsel van rook, vuur, as,
metaalslijpsel, menie, zweet, stoom, steenkool en
nog een aantal niet nader te definiëren geuren, die
ik echter als geheel direct weer zou herkennen.
Weggeradeerde bruggen
Ik ben dus geen ingenieur geworden maar heb
mij gewijd aan het repareren van mensen, aan het
begin helpen bij het ter wereld brengen en aan het
einde begeleiden naar wat er daarna komt. Dat
lijkt iets heel gewoons maar is iedere keer weer
aangrijpend, vooral wanneer je in hetzelfde uur
met beide situaties wordt geconfronteerd en daarbij ook nog uit je diepe slaap wordt gehaald.
De oude verkeersbrug heeft echter nog voor
twee extra verrassingen in de Atlas gezorgd. Eind
jaren tachtig kreeg het gemeentearchief een serie
luchtfoto’s in bezit, die afkomstig waren van een
legeronderdeel in de Boreelkazerne te Deventer
en die het gebied van onze gemeente ruim omvatten. De foto’s zijn gemaakt op 3 februari 1947 en
werden vrijgegeven voor archiefgebruik. Dat betekende dat zij (in beginsel) werden geregistreerd en
door hun formaat in diepe en brede kaartenladen
werden opgeborgen, in afwachting van opname in
een inventaris. In de praktijk kwam dit er op neer
dat dit materiaal, omdat het niet beschreven was,
eigenlijk ontoegankelijk bleef: je moet er dan toevallig tegenaan lopen.
Zo ook hier. Op de foto’s van het Katerveer
hadden ijverige (militaire?) censuurambtenaren
niet alleen de verkeersbrug, maar ook de spoorbrug weggeradeerd. Maar dit was op een dergelijke onbenullige manier gedaan (de dijklichamen
naar de bruggenhoofden waren nog duidelijk
zichtbaar) dat de vijand, wie dat dan ook mocht
wezen, zich een bult zou hebben gelachen om
deze infantiele contraspionage, om het een naam
te geven.
Op- / afrit
Toen de verkeersbrug dan eindelijk werd geopend
(onder muziekgeschal van de harmonieën de Eendracht uit Wezep en de Eendracht uit Spoolde)
bleek al snel dat het denkraam van de toenmalige
Eenzame man op de
hoogste boog van de
brug, naast het te sluiten bruggedeelte, met
slappe gleufhoed en
een rouwband om de
linkerarm, zonder veiligheidslijn. (Collectie
HCO)
Militaire luchtfoto uit
1947, waarop de
IJsselbrug en de spoorbrug weggeradeerd zijn.
(Collectie HCO)
Twee marechaussees houden in verband met een veeziekte de wacht bij de
opgang naar de IJsselbrug, begin jaren dertig. Vanwege de flinke helling van deze
oprit/afrit gaf dit de eerste jaren veel problemen voor met name paard en wagencombinaties. (Collectie HCO)
162 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 163
bestuurders geen rekening had gehouden met het
hoogteverschil tussen het midden van de brug en
de brughoofden. De overtocht met de scholde,5
motorpont of gierpont was tot 1929 nauwelijks
een probleem: de karren waren niet zo zwaar geladen dat een ferm boerenpaard deze niet over de
neergelaten klep van de pont de wal op zou kunnen trekken. Maar na de ingebruikname van de
nieuwe brug bleek dat vooral de afrit aan de Zwolse kant problemen gaf, die na begin 1930 herhaaldelijk tot discussie in de Zwolse raad leidden. De
karren, die meestal niet of slechts lacunair van
enig remwerktuig waren voorzien, kwamen door
het aflopende wegdek op een holletje de brug af en
het paard kon slechts met moeite de vier hoeven
gebruiken om de kar af te remmen. Dat was nodig
omdat de afrit van de brug abrupt eindigde op de
flank van de IJsseldijk en er een hoek van bijna
negentig graden naar rechts gemaakt moest worden om, via het Engelse werk, de verderop liggende draaibrug over de Willemsvaart en vervolgens
via de Veerallee de stad en de markt te bereiken.
Linksaf slaan vanaf de IJsselbrug zou leiden naar
de volgende hindernis, een enkele en een dubbele
ophaalbrug over de Katerveersluizen en opnieuw
een scherpe bocht naar rechts.
Skeletten
Toen uiteindelijk in 1936 een betere aansluiting
tot stand kwam met een basculebrug over de Willemsvaart en een rechtstreekse aansluiting via
het verkeersplein Spoolde op de rijksrondweg
om Zwolle, werden tijdens de werkzaamheden
twee schedels en skeletdelen gevonden die met
enige overdrijving fotografisch werden vastgelegd. De Zwolse Courant vermeldt er geen namen
bij, maar het zijn hoogstwaarschijnlijk de resten
van twee kozakken, die in 1813 zijn gesneuveld
toen de kozakken vanuit het Engelse werk, toen
Grote Schans geheten, een uitval deden naar de
Gelderse oever van de IJssel waar een restje Fransen zich had verschanst. Ik vond de bevestiging
in een artikel van Hoefer,6 dat teruggrijpt op een
dagboek van A.H. Flavard de Wolff die in 1813
de Gendarmerie in Zwolle commandeerde. Het
verhaal kon ik in Zwolle niet vinden, maar na wat
zoeken in het streekarchief NW Veluwe vond ik
de transcriptie. Het blijkt dat de kozakken uit het
oosten langs de IJssel naar Zwolle zijn gekomen,
maar niet dan nadat zij in de omstreken van
Wijhe en Olst kampementen hadden opgeslagen
met zelfs een hospitaal. Er is vanaf Fortmont
tussen Wijhe en Olst een schipbrug geslagen,
waardoor het mogelijk werd om op hun kleine
steppenpaardjes de rivier over te steken en de nog
resterende Fransen aan te vallen en te verdrijven.
In het verslag van Flavard de Wolff wordt verteld,
dat de kozakken ook vanaf Zwolle lelijke dingen
tegen de Fransen aan de Hattemse kant hebben
staan roepen, maar daar kregen ze de Fransen niet
mee op de loop. Er zijn toen een vijftal ‘roeijaken’
gerekwireerd die bemand werden door vrijwillige
en gepreste turfdragers ‘van Zwol’. Die hebben de
met lansen en geweren bewapende kozakken vanaf de steenfabriek van de heer Greve, ter hoogte
van het huis IJsselstijn aan de Gelderse kant, overgevaren. Maar de Fransen hebben toen een sterker
bewapend detachement in stelling gebracht en
ondanks het feit dat een Franse korporaal een
musketkogel in de bil kreeg en een ander dodelijk
werd getroffen in de buik, wisten zij de aanval af te
slaan. Maar ook de kozakken leden verliezen, een
man door een kogel in het hoofd en een tweede
door een andere dodelijke verwonding, wat maakte dat deze aanval mislukte. Dit alles speelde zich
af als een boeiend schouwspel waar vele inwoners
van Zwolle naar hebben staan kijken:
‘Dat enige cozakken op het zien dat de voorgenomen expeditie niet naar wensch stond te
gelukken… zig tot op het hembt ontkledende,
derzelver paarden ontzadelden, op dezelven slegts
met hunne lans off piek gingen zitten en zoo den
IJssel inreden, om die alzoo met hunne paarden
over te zwemmen en, ware het mogelijk derzelver
krijgsmakkers bijstand te bieden…’.
Maar omdat ze wind en stroom tegen hadden,
lukte dat niet. Intussen was hun hoogste bevelvoerder Narischkin ook in Zwolle aangekomen
en die wist twee drieponder veldstukjes (kanonnen dus) uit de gracht van het huis De Gelder bij
Wijhe (waar ze ‘geborgen’ waren) op te vissen, ze
vonden ook de affuiten er bij en die werden toen
in Zwolle bij het Katerveer en tegenover IJsselstijn opgesteld en ziet, de Fransen namen snel de
benen en een deel deserteerde zelfs. Hattem was
dan ook snel in handen van de kozakken en bleek
helemaal vrij te zijn van de overheersers. Ook dit
treffen speelde zich af onder de ogen van een grote
menigte inwoners van de stad Zwolle.
Carillon
Ruim honderd jaar later herhaalt zich de historie,
maar dan is de belangstelling veel vreedzamer en
komen de Zwolsen in groot getal kijken naar de
opening van de eerste vaste oeververbinding aan
het Katerveer op 15 januari 1930. Toen ook het
nieuwe carillon in de Peperbus die avond werd
Stafkaart van het Katerveergebied begin jaren dertig. Hierop is duidelijk te
zien dat de afrit van de brug abrupt eindigde op de flank van de IJsseldijk en
er een hoek van bijna negentig graden naar rechts gemaakt moest worden om,
via het Engelse werk, de verderop liggende draaibrug over de Willemsvaart en
vervolgens via de Veerallee de stad en de markt te bereiken. Linksaf slaan vanaf
de IJsselbrug zou leiden naar de volgende hindernis, een enkele en een dubbele
ophaalbrug over de Katerveersluizen en opnieuw een scherpe bocht naar rechts.
(Collectie HCO)
Bij de aanleg van de
Spoolderbergweg in
1936 werden tijdens de
werkzaamheden twee
schedels en skeletdelen
gevonden, die met enige
overdrijving – de twee
heren die een zakdoek
voor de mond houden
– fotografisch werden
vastgelegd. (Collectie
HCO)
164 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 165
ingewijd, leidde dit opnieuw tot enige feestelijkheden. Het carillon was gefinancierd uit het
batig saldo dat was overgebleven uit de vanaf de
eeuwwisseling reeds lopende geldinzameling ten
behoeve van de bouw van de verkeersbrug bij het
Katerveer. Immers, steeds wanneer de bouw van
de Katerveerbrug ter sprake kwam, werd de nota
bij de gemeente Zwolle neergelegd. Dat liet zich
verklaren door het feit dat het recht op het veer
en dus ook de opbrengsten daarvan al sinds de
Middeleeuwen aan de stad Zwolle toekwamen.
Naarmate de verkeersdrukte toenam, zeker met
de komst van het gemotoriseerde verkeer na de
Eerste Wereldoorlog, kwam er steeds meer druk
op de Provinciale en Rijksoverheid te staan om
een betere rivierovergang te bewerkstelligen.
Maar erg veel beweging zat er niet in. Particulier
initiatief leidde uiteindelijk tot het oprichten van
een fonds, waarbij ook de direct belanghebbende
gemeenten Zwollerkerspel, Hattem en Oldebroek
niet werden vergeten. Toen uiteindelijk bleek
dat er na het afbouwen van de brug nog een batig
saldo was overgebleven werd dit gebruikt om
de stad van een carillon te voorzien, dat door de
firma Taylor uit Loughborough, Engeland, werd
geleverd. De gemeente leverde uiteindelijk ook
een bijdrage aan het nieuwe carillon, in de vorm
van een speeltrommel voor automatisch spel.
Deze speeltrommel werd op 10 april 1931 officieel
in werking gesteld.
Het Geregt van Zwolle
Sinds ik in nader contact met de ins en outs van
het archiefwezen in Zwolle ben gekomen, heb
ik mij te pas en te onpas druk gemaakt over de
misvatting dat de Wipstrikkerallee ooit de weg
zou zijn geweest waarlangs veroordeelden naar
de galg werden gevoerd. Deze canard is ontstaan
na de publicatie van een artikel van de heer J.
Geesink (1876-1968), gemeentelijk archivaris van
Zwolle vanaf 1933, in de Zwolse Courant van 20
april 1940. Hierin lokaliseert hij de galg, meestal
‘het Geregt’ van Zwolle genoemd, weliswaar ook
buiten de Diezerpoort zoals het in vele vonnissen
wordt beschreven, maar hij zoekt te ver naar het
oosten. Het Gerecht (Geregt) van Zwolle moet
gezocht worden aan de oude weg naar Meppel,
nu Kranenburgweg, waar vroeger de groenteveiling heeft gestaan. De veldnaam wordt vermeld
op de kadasterkaart van 1832 en op de kaart van
Hottinger van 1783 op dezelfde plek. Patiënten uit
Berkum die ik er naar heb gevraagd, wezen de plek
feilloos aan: ‘Wij gingen als kinderen altijd spelen
op “het galgje”.’
Aan het einde van de Wipstrikkerallee heeft
vroeger een herberg gestaan die Wipstrik heette,
en die naam is zeer waarschijnlijk afkomstig van
de herbergier met de familienaam Wipstrik die er
heeft gewoond. De naam kwam rond 1800 voor in
Hattem en in Mastenbroek. Verder onderzoek, met
name in de maandrekeningen van Zwolle tussen
1500 en 1640, geeft ondubbelzinnig aan dat de galg
aan de oude weg naar Meppel heeft gestaan. Na
1640 werden de doodvonnissen niet meer zo ver
buiten de stad maar op de Grote Markt voltrokken,
ten aanzien van Schepenen en Raden, die uit de
bovenraampjes van de Hoofdwacht toezagen.
Maar de oudste gerechtsplaats van Zwolle
wordt in de maandrekeningen aangeduid als ‘de
Konijnenbelten’ en is gevonden op het voorterrein van het kasteel van de heren van Voorst
in Westenholte. Die plek is als zodanig (als een
figuratieve galg) te zien op een kaart van de polder Mastenbroek uit 1633, die voorkomt in Dat
geheele dyckrecht der landen van Sallandt en Mastenbroeck, dat in het HCO is ondergebracht.
In Westenholte wordt een stuk land in de driehoek van de Stinsweg (genoemd naar de Stins te
Voorst) nog steeds als ‘De Konijnenbelten’ aangeduid. Ook de Beltenweg herinnert daaraan.
Infrarode luchtfoto’s
Rond 1995 heb ik op mijn oude dag een seizoen
college gelopen bij professor Schilder, toen hoogleraar Historische Cartografie aan de Utrechtse
Universiteit. Dat was uitermate verhelderend. In
een klein gezelschap, waaronder meer ‘bejaarden’,
ook een piloot van de KLM, was daar erg veel
te zien (iedere bijeenkomst een kleine tentoonstelling) en heel erg veel te leren. De hoogleraar
vertelde meermalen dat hij tijdens zijn vakanties
en bij contacten in het buitenland regelmatig de
kans waarnam om ergens eventjes in een kelder
of op een zolder te gaan kijken en dat hij vaak
zeldzame en vergeten juweeltjes van kaarten aan
het licht had gebracht. Nu is dat iets waarvoor je
niet naar Utrecht hoeft te gaan, want het is mij
ook meermalen in de depots van het voormalige gemeentearchief en het HCO gebeurd. Het
gebeurt ook andersom, in de zin dat een van de
archiefmedewerkers mij opmerkzaam maakte
op, bijvoorbeeld, een uit Italië afkomstige kaart
van Hasselt die in het voormalige Rijksarchief was
geïnventariseerd. Maar als medewerkers met pensioen gaan kan het gebeuren dat je niet weet waar
je exact moet gaan zoeken, of dat de medewerker
helemáál niet geïnteresseerd is in de plaats van
Burgemeester I.A. van
Roijen (midden vooraan) staat met enige
heren naar het nieuwe
carillon in de Peperbus
te luisteren, 10 april
1931. (Collectie HCO)
De ‘Geregt Plaats
Zwolle’ op de kaart van
Hottinger van 1783.
(Collectie HCO)
Detail uit een kaart van
de polder Mastenbroek
uit 1633, waar galg en
rad zijn afgebeeld vlakbij het kasteel van de
heren van Voorst. (Collectie HCO)
166 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 167
het ‘Geregt van Zwolle’. Dan kan het jaren duren
voordat je er een keer tegen aanloopt.
Zo is dat mij ook een aantal malen gebeurd,
niet in het minst geholpen door een herinrichting
van de depots en het verplaatsen van dozen. Een
van de boeiendste ontdekkingen was het bestaan
van een verzameling luchtfoto’s van de gemeente
Zwolle die tussen 1972 en 1986 in opdracht van
het gemeentebestuur werden gemaakt. Daarbij
werd bij mooi weer op een vastgestelde hoogte
een aantal stroken over de stad gevlogen, waarbij
het grondoppervlak rechtstandig werd gefotografeerd. De eerste paar series nog in zwart-wit,
maar daarna in kwalitatief steeds beter wordende
infrarood positief-film. Deze filmbladen hebben
ongeveer de grootte van een standaard archiefdoos en worden ook daarin opgeborgen. Per
opdracht zijn dat dan rond de zeshonderd negatieven en het zal duidelijk zijn dat die niet zo maar
even toegankelijk zijn op precies dát plekje dat
de onderzoeker graag wil zien. Maar, with a little
help from my friends, is het gelukt om voor deze
publicatie enkele scans te maken waardoor onverwachte aspecten van de anders toch wel saaie
luchtfotografie aan het licht komen. In het infrarood worden de groene bomen rood afgebeeld,
en de foto’s zijn scherper, gedetailleerder dan het
eerder gebruikte zwart-wit materiaal, wat echter
pas goed duidelijk wordt wanneer het originele
materiaal onder de loep wordt gelegd.
Zo laat de vlucht die in augustus 1973 werd
gemaakt de binnenstad zien terwijl nét de zomerkermis in volle glorie is opgebouwd en het publiek
zich snel en langzaam laat ronddraaien, genietend
van suikerspin en nougat. Ook is te zien dat er
zelfs een achtbaan in de toch kleine binnenstad
kan worden opgezet. De achtbaan is neergezet op
het dan voor het uitvoeren van het Aldo van Eyckplan kaalgeslagen terrein tussen de Waterstraat en
de Nieuwstraat en er is zelfs nog ruimte over voor
enkele draaimolens. De grote woonwagens van
de exploitanten zijn hier nog niet naar de buitenwijken verbannen en kunnen vlak bij de attracties
worden geparkeerd.
Zeven jaar later, ook tijdens de zomerkermis,
is er opnieuw een serie foto’s van de binnenstad
gemaakt en heeft men ruimte voor een achtbaan
weten te vinden op de in 1976 klaargekomen
Kamperpoortenbrug, die zó breed was gebouwd
dat er gemakkelijk een dergelijke attractie bij op
kon…
Huis van Bewaring
De binnenkant van het Huis van Bewaring, dat
na veel pourparlers thans is omgebouwd tot een
vijfsterrenhotel, zal noch in de vroegere toestand,
noch in de huidige toestand door de lezers van dit
tijdschrift vaak in ogenschouw zijn genomen.
Deze instelling werd als Provinciaal Tuchthuis
in 1737 bij loting tussen de drie grote steden van
Overijssel toegewezen aan Zwolle. Mijn relatie
tot het Huis van Bewaring was een medische: van
1962 tot 1975, en nog een aantal maanden in de
jaren tachtig, fungeerde ik als huisarts voor de
gedetineerden. Die medische zorg bestond uit het
houden van een spreekuur, wat door de broederverpleger iedere werkdag en door mij als huisarts
op maandag-, woensdag- en vrijdagmorgen
werd gehouden. Wij hadden de beschikking over
een als spreekkamer ingerichte celruimte, met
daarnaast een door een tussendeur verbonden
ziekencel met één bed, die vooral werd gebruikt
om gedetineerden door middel van de toen nog in
gebruik zijnde dieetmethode van hun maagklachten af te helpen. Verder was er een tandartsbehandelkamer ingericht.
Mijn eerste vijf jaar, tot aan zijn pensionering
in 1967, was broeder Abram van de Grijp eigenlijk de centrumfiguur van de medische dienst.
Hij was er direct na de oorlog in dienst gekomen
en was bij medische problemen steeds het eerste
aanspreekpunt. In 1919 was hij uit Heemstede,
waar hij als ziekenverpleger in Meer en Bosch zijn
opleiding had voltooid, naar Zwolle verhuisd als
verpleger bij de Zwolse Wijkverpleging, later het
Groene Kruis en de daaruit voortgekomen associaties in de zorg. Als jong doktertje heb ik in die vijf
jaar enorm veel van hem opgestoken. Hij was een
hele rustige, charismatische man, die maar even
naar een zich in zijn ogen te slungelig meldende
gedetineerde hoefde te kijken om die tot de orde
te roepen. Veel gedetineerden zagen het medische
spreekuur als een mogelijkheid om een wat milder regiem te verkrijgen. Nieuwelingen kwamen
zo vaak met allerlei vage klachten, hoofdpijn,
maagpijn, of een vraag om slaappillen. Maar ook
trachtte men aan de cel te ontsnappen door het
inslikken van ijzerwaren en glas, tot soms lepels
aan toe wat dan weer leidde tot een ziekenhuisopname. In mijn tijd gebeurde dat in Zwolle alleen
in spoedgevallen. Maar het gevangeniswezen had
in Den Haag een eigen hospitaal waar de medici
alle faciliteiten ten dienste stonden om de maagbeschadiging van slikkende gedetineerden teniet
te doen.
Bij Van de Grijp heb ik ook geleerd om de
meest fantastische verhalen van onze steeds
‘onschuldige’ klanten te doorzien. Zij konden
zich aanmelden als predikant, of als bedrogen
Infrarode opname van
een groot deel van de
binnenstad, begin jaren
zeventig. (Collectie
HCO)
Infrarode opname
van de zomerkermis
in augustus 1973, op
de hoek van het Rodetorenplein en de Buitenkant en op het toen
kaalgeslagen terrein
tussen de Waterstraat
en de Nieuwstraat.
(Collectie HCO)
De achtbaan op de
Kamperpoortenbrug,
infrarode opname
van de zomerkermis
16 augustus 1980.
(Collectie HCO)
Broeder Abram van de
Grijp. (Collectie HCO)
Deur in het Huis van
Bewaring. (Foto auteur,
collectie HCO)
168 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 169
man met schulden die onterecht was gearresteerd,
maar de broeder had meestal heel snel in de gaten
dat er in het verhaal lacunes optraden.
Het opgesloten zijn heb ik iedere keer als ik
het huis binnenkwam als onwennig en bedreigend ervaren. Steeds gingen de deuren, vooral
de getraliede tussendeuren, op slot en het geluid
van de rammelende sleutelbossen bleef je achtervolgen. Dit leidde een keer tot een wonderlijk
soort paniek: het toen nog achttiende-eeuwse
voordeurslot dat nog steeds met een handgrote
sleutel voor iedere passant werd ontsloten, raakte
defect tijdens een spreekuur en er moest een
rijkshoefsmid annex slotenmaker komen uit,
ik meen, Almelo, om de boel te herstellen. Dat
betekende niemand er in of er uit en ik kon het
slechts omzeilen met een spoedboodschap uit de
praktijk, maar ik had snel gezien dat de binnenkant van het slot, afgedekt met een houten plank,
meer was dan dat. Er waren letters in uitgesneden
die bij de oplevering van het gebouw moeten zijn
aangebracht: Ian H(oon)Horst Annemer van het
Timeer Werk 1740.
Toch is het ondanks al deze sloten en spijkers
enkele malen aan gedetineerden gelukt om te ontsnappen: tijdens de bezetting met hulp van buiten
(de Zwolse verzetsgroep de Groene op 2 oktober
1944) en daarna onder bedreiging met een echt of
nagemaakt vuurwapen in 1986. Het doorspijkeren van alle houten vloeren met lange klinknagels
zoals dat bij de bouw van het huis al was toegepast
heeft dus weinig geholpen!
Met de onpartijdigheid van de Zwolse Vrouwe
Justitia zou het wel eens tegen kunnen vallen: ze
staat al bijna driehonderd jaar zonder blinddoek
voor de ogen boven de toegangsdeur te pronken.
Het zijn wel mooie beelden, zeker na de inkleuring, maar toch…
ART
S
Johan Rudolf Thorbecke werd als zoon van een
uit Duitsland afkomstige textielhandelaar op 14
januari 1798 in Zwolle geboren. Na zijn gymnasiale opleiding studeerde hij in Amsterdam en in
Leiden. Ik vermeld hem hier omdat hij niet alleen
de grondwet in 1848 moderniseerde, maar ook in
1865 een aantal wetten formuleerde waarin het
uitoefenen van de geneeskunst werd gereguleerd.
Tot deze tijd was eigenlijk alleen de doctor medicinae, afgestudeerd aan een van de universiteiten
en na verdediging van een thesis of een aantal stellingen gepromoveerd, zonder meer in het gehele
land bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen.
Daarnaast werd voor chirurgijns of heelmeesters,
vroedmeesters, verloskundigen, vroedvrouwen
en combinaties van deze kennis een lokaal register
bijgehouden, omdat al deze niet aan een academie
gevormde medici hun bevoegdheid verkregen
op grond van een ter plaatse ingestelde commissie van twee of meer gevestigde collegae. Het
invoeren van de wetten op het uitoefenen van de
geneeskunst leidde zoals bij iedere ingrijpende
verandering in een bestaand systeem tot hevige
protesten: de in 1849 opgerichte Nederlands(ch)e
Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
verloor een aantal plaatselijke afdelingen (onder
wie die van Zwolle), die uit protest tegen de
nieuwlichterij uit Den Haag hun lidmaatschap
opzegden: in Zwolle waren in 1847 zeven verschillend opgeleide medici actief. De echo van
het oude systeem was in de periode waarin ik in
Zwolle als huisarts begon nog duidelijk zichtbaar
in sommige naambordjes aan het praktijkadres
van de huisartsen (die vrijwel steeds hun bedrijf
vanuit hun woonhuis uitoefenden), omdat zij
zichzelf daarop vermeldden als ‘genees-, heel-,
en verloskundige, arts’. Arts was de titel die men
verkreeg na het behalen van het door Thorbecke
ingestelde artsdiploma. Daarnaast kwam in de
vorige eeuw ook de vermelding ‘artis obstetriciae
doctor’, ook wel ‘artis chirurgiae doctor’, voor,
waarbij het begrip artis in het Latijn de tweede
naamval van ars – kunst (ars medicinae = geneeskunst) afgekort werd geschreven als ARTS. Het
zou mij niets verbazen dat de wetgever het begrip
arts hiervan heeft afgeleid en dat de afleiding van
de Griekse term hiatros (=geneesheer), zoals die
in de woordenboeken door elkaar opvolgende
editors van elkander wordt overgenomen, toch
wel erg vergezocht is.
Het standsverschil tussen de verschillende beoefenaren der geneeskunde was vóór de wetten van
Thorbecke levensgroot. Men keek huizenhoog op
tegen de medicinae doctor, die immers zijn wijsheid aan de hoogste instantie had vergaard, maar
(in onze ogen) op puur theoretische grond deze
wijsheid toepaste. Bij de in de negentiende eeuw
veelvuldig, ook in Zwolle, voorkomende choleraepidemieën werd aangenomen dat de besmetting
voortkwam uit de kwade dampen die in de stad
meestal heersten. Men denke aan slachtafval en
dierlijke en menselijke uitwerpselen die gewoon
op straat in de goot werden gedeponeerd en die
hier mede de oorzaak van waren. Wat leerde de
theorie? Men moest stank met stank verdrijven,
dus werden er in de straten potten met brandende
teer geplaatst waarmee nog meer (kwade) dampen aan de atmosfeer werden toegevoegd. Pas na
de ontdekking van een Londense arts, John Snow,
die in 1854 kon vaststellen dat de cholera-epidemie ontstond met als middelpunt een waterput of
Interne trap met getraliede tussendeur in het
Huis van Bewaring.
(Foto auteur, collectie
HCO)
Met lange klinknagels
doorgespijkerde houten
vloer (zolder) in het
Huis van Bewaring.
(Foto auteur, collectie
HCO)
De Zwolse Vrouwe
Justitia staat al bijna
driehonderd jaar zonder blinddoek voor de
ogen boven de toegangsdeur te pronken. (Foto
auteur, collectie HCO)
Binnenkant van het
achttiende-eeuwse voordeurslot, met uitgesneden letters: het Timeer
Werk 1740. (Foto
auteur, collectie HCO)
‘Register der Steedelijke Comissie van geneeskundig Toevoorsigt binnen deese
Stad Zwoll, houdende de alhier tans practiserende en in het vervolg sich etabilisserende Medicijne Doct[or]en , Chirurgijns, Apothecars, Knegts en Leerlingen en
Vroedvrouwen’ uit 1809. De niet aan een academie gevormde medici verkregen
hun bevoegdheid op grond van een ter plaatse afgelegd examen voor een commissie van twee of meer m

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 3

Door | 2013, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

30e jaargang 2013 nummer 3 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Als een balletje
rollen gaat …
ZHT3 2013.indd 1 15-10-13 09:08
Suikerhistorie
Hotel café restaurant Muthert
Op 28 oktober 1963 opende Christianus Muthert
(geb. 1919) zijn horecazaak aan het Rodetorenplein nr. 11. Hij had het pand overgenomen van
Hendrik Beijer, die hier vanaf begin jaren dertig
een café en expeditiebedrijf dreef. In die jaren
stond het pand bekend als Beijer’s Bestelhuis.
Het vertrek van Beijer hing nauw samen met
de verplaatsing van het Bodecentrum van het
Rodetorenplein naar de Boerendanserdijk. Het
Bodecentrum moest vertrekken omdat er in 1961
een doorgaande weg om het Hopmanshuis heen
aangelegd was, die aansloot op de Jufferenwal.
Daardoor werd het plein stukken kleiner.
Het Bodecentrum was onder de blote hemel
op het Rodetorenplein ‘gevestigd’. Vrachtauto’s
uit de wijde omgeving voerden goederen aan
en namen andere spullen weer mee. Tot na de
Tweede Wereldoorlog gebeurde dat ook nog wel
per schip. Het plein stond de hele dag vol met
vrachtauto’s, omgeven door stapels kisten, dozen
en ander vrachtgoed. De ‘bodes’ (chauffeurs)
waren te vinden naast hun wagen of in een van de
cafés rond het plein. Het was er altijd een gezellige
boel, maar voor een buitenstaander een ‘ordeloze
troep’. Na veel plannenmakerij ging in april 1965
het nieuwe Bodecentrum officieel van start aan de
Boerendanserdijk, nu onder dak.
De zaak van Muthert draaide goed. Volgens
een reclameleus ‘was je uit … en toch thuis in HCR
Chr. Muthert’. Voor dertig gulden konden kamerbewoners er een hele week warm eten van 6 tot 8
uur. In 1976 kwam in dit pand het eerste Joegoslavische restaurant in Zwolle. Nu kun je er op zijn
Spaans eten en zit hier het City Hotel. Op het terras
heb je een prachtig uitzicht. De bodes van vroeger
hadden er in hun schafttijd lekker kunnen chillen…
122 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Het pand aan het Rodetorenplein waar Muthert gevestigd was,
tegenwoordig voorzien van ‘chill’terras. (Foto Jan van de Wetering)
(Collectie ZHT)
ZHT3 2013.indd 2 15-10-13 09:08
Omslag: Het Zwolse balletjeshuis, oktober 2013. (Foto Jan van de Wetering)
zwols historisch tijdschrift 123
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 122
Als een balletje rollen gaat…
Alet Boukes-Okkels 124
Beeldhouwer en activist Guiseppe Ceracchi
Maker van het grafmonument van
Joan Derk van der Capellen
Lydie van Dijk 135
De Republiek belaagd en Zwolle bezet
door Bommen Berend:
Gesprek met historicus Luc Panhuysen
over het Rampjaar 1672 Wouter Geerling 143
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 2: Een venster op de wereld in een
achttiende-eeuws tuintje
Willem van der Veen 153
Boekbesprekingen en Recent verschenen 158
Mededelingen 160
Auteurs 162
Redactioneel
Voor u ligt het derde nummer van het
Zwols Historisch Tijdschrift van 2013.
Ook dit keer weer met een leeslustopwekkende variëteit aan artikelen. We beginnen met
een smakelijk verhaal over de oorsprong van het
(in zijn voortbestaan bedreigde) Zwolse balletje,
een snoepje dat in 150 jaar geen steek is veranderd. Dat de oorsprong van dit Zwolse zoetigheidje in Kampen te zoeken is, bewijst maar weer
eens hoe vreemd een balletje kan rollen.
Vervolgens nemen wij u mee naar Italië, waar
een monumentaal beeldhouwwerk ter ere van
‘onze’ patriot Joan Derk van der Capellen al meer
dan twee eeuwen wacht op verscheping naar
Zwolle. Nu schijnt het er dan toch daadwerkelijk
van te komen.
Op basis van een gesprek met de in Zwolle
woonachtige historicus Luc Panhuysen, die een
boek schreef over het Rampjaar 1672, beschrijft
ons redactielid Wouter Geerling vervolgens deze
roerige periode vanuit een landelijk en een Zwols
perspectief. Willem van der Veen tot slot gaat verder met zijn serie over de geschiedenis van Tijl en
de Zwolse Courant.
Verder zijn er weer nieuwe boeken verschenen, en vragen wij uw speciale aandacht voor
twee in de Mededelingen behandelde items, het
aanstaande concert van het Haarlems Klein Koor
in november in de Statenzaal (zie ook de bijgevoegde flyer) en de oprichting van de Stichting
Zwolse Stolpersteine.
De redactie wenst u veel leesplezier!
ZHT3 2013.indd 3 15-10-13 09:08
124 zwols historisch tijdschrift
Als een balletje rollen gaat …
De recente berichtgeving over het (mogelijke) einde van de productie en verkoop van de Zwolse
Balletjes en daarmee ook het einde van het Zwolse Balletjeshuis aan het Grote Kerkplein 13 heeft
veel losgemaakt in Zwolle en daarbuiten.
Voor mij was het bericht de aanleiding om me te verdiepen in de geschiedenis van het pand, zijn bewoners en het geheime recept van de balletjes. Hoewel het pand hoogstwaarschijnlijk dateert uit de late
Middeleeuwen, heb ik er voor gekozen om de geschiedenis vanaf 1815 in kaart te brengen. Volgens de
folder die wordt uitgereikt bij aankoop van een zakje worden de balletjes sinds 1845 vervaardigd en verkocht in de winkel. Maar wat was de bestemming van het pand vlak daarvoor? Van wie kocht toenmalig
eigenaar Jan van der Kolk het pand? En heeft Jan daadwerkelijk het geheime recept van zijn schoonvader
gekocht? Is daar nog iets van te vinden?
Bij mijn onderzoek werd ik ter zijde gestaan door Jan Wigger van het Historisch Centrum Overijssel,
een uiterst plezierige samenwerking met een kundig en bevlogen archivaris. Ik ben hem zeer erkentelijk
voor zijn professionele ondersteuning.
Het werd een hele ontdekkingstocht. Zo stuitte ik bij voorbeeld op twee Anthony’s van der Kolk, hetgeen
aanvankelijk voor veel verwarring zorgde. Dan zijn er ook nog twee Jannen en drie personen met de achternaam Rei(j)nders. En dan speelt ook nog eens een uit Kampen afkomstige persoon een prominente rol.
Het Zwolse Balletjeshuis aan het Grote
Kerkplein omstreeks
1970. Op de foto is
goed te zien dat de
achterkant van het
huis eigenlijk gevormd
wordt door een ander
pand. (Collectie HCO)
Alet Boukes-Okkels
ZHT3 2013.indd 4 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 125
Van der Kolk I, 1815-1832
Op 18 mei 1815 kopen Anthony van der Kolk
en Aaltje Rupsina van Magteld van der Baan te
Zwolle het huis aan het Grote Kerkhof (nu Grote
Kerkplein) en de Prauwenstraat (nu Praubstraat)
2e
Wijk Sassenstraat nr. 226 voor 800 gulden.1
Het gaat hier om het voorste deel van het huidige
Zwolse Balletjeshuis, dat rechtstreeks aan het
Grote Kerkplein is gelegen. In dit pand was reeds
sinds mensenheugenis een winkel gevestigd.
In 1812 worden de winkelier Lucas Pals en zijn
vrouw en dochter als bewoners genoemd.2 Bij de
totstandkoming van het kadaster in 1832 krijgt dit
pand het kadastrale nummer Gemeente Zwolle,
sectie F nr. 1842.3
Anthony van der Kolk blijkt tot de aankoop
van het huis gewoon Teunis Kolk, bediende van
beroep, te hebben geheten. Hij is op 7 september
1783 te Zwartsluis geboren als zoon van Jacob
Gerrits Kolk, arbeider, en Aaltjen Jochems Boes.
Als Teunis op 15 januari 1813 trouwt met Aaltje
Rupsina, heet hij Teunis van Kolk. Later blijkt
hij zowel zijn voornaam als achternaam ‘sjieker’
te hebben gemaakt: hij noemt zich dan Anthony
van der Kolk. Dat paste beter bij zijn status als
winkelier, moet Anthony gedacht hebben. De
bruid, Aaltje Rupsina, geboren te Deventer op 28
oktober 1789, is een dochter van Jelle Rupsina,
schoenmaker, en Gardina Florijns. Aaltje is ten
tijde van haar huwelijk dienstmaagd van beroep.
De koopsom voor het pand wordt in de vorm
van een hypotheek tegen 5 procent per jaar van de
verkoopster Magteld van der Baan geleend.4 Deze
hypotheekinschrijving wordt in 1825 vernieuwd
voor ƒ 920,-.5 Ondanks de nog niet afgeloste
hypotheek op de winkel aan het Grote Kerkhof
en de zorgen die naderhand aan het licht komen,
kopen Anthony en Aaltje in 1828 een huis op het
adres Buiten de Sassenpoort nr. 65 voor ƒ 250,-.6
In 1831 worden door Anthony en Aaltje nog twee
hypotheken op het pand aan het Grote Kerkhof
opgenomen, de eerste ten bedrage van 600 gulden
bij de firma Doijer en Kalf op 23 april 1831,7 en
de tweede van 300 gulden bij notaris W.H. Roijer
op 24 oktober 1831. Bij de laatste hypotheek dient
óók het in 1828 gekochte huis buiten de Sassenpoort als onderpand.8
In 1832 wordt Anthony van der Kolk als
eigenaar van beide panden met ‘winkelier’ aangeduid. Echter, de zaak loopt niet zoals gehoopt,
waardoor hij niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Op 25 oktober 1831, slechts
één dag ná de opname van de tweede hypotheek,
wordt Anthony failliet verklaard. Als oorzaken
voor het faillissement voert Anthony de volgende
redenen aan: – hij was niet tot de handel opgeleid;
– hij was met heel weinig vermogen (800 gulden)
een handel begonnen; – hij had geen journaal
gehouden, noch jaarlijks een inventarisatielijst
gemaakt; – hij had snel veel kinderen gekregen en
dus veel monden te voeden; – er waren veel ziekteen sterfgevallen geweest, die het nodige hadden
gekost; en tenslotte, er was veel concurrentie als
kruidenier.
Door dit faillissement wordt ook een inventarisatie opgemaakt van de baten en schulden.
Behalve de twee huizen (de winkel aan het Grote
Kerkhof en het huis Buiten de Sassenpoort) wordt
de inventaris in de kruidenierswinkel ook tot de
baten gerekend. Deze bestaat onder meer uit:
een toonbank met een vaste koffiemolen, 6 paar
koperen winkelschalen, diverse trechters, tinnen
maten, blikken maten, strooptrommen, winkeltonnen, theekistjes, mandjes met pijpen, 3 kluwens katoen, een vijzel en stamper, bussen, een
koperen aker, een winkeltrap, een olietrom, een
zeef. Het totaal van de baten bedraagt ƒ 2.699,72.
Dit bedrag valt in het niet bij de totale schuld,
die op ƒ 11.130, 03 gesteld wordt. Naast de drie
hypotheken zijn de niet betaalde rekeningen aan
leveranciers van winkelwaren onderdeel van de
schulden. Er is een lijst met namen van in totaal
54 crediteuren. Daarop treffen we onder meer
aan: B.L. Conink Boddendijk uit Doetinchem,
eigenaar van een branderij waar men aardappelmoutwijn en aardappelbrandewijn maakt;
Stadlander, een tabaksfirmant uit Amsterdam;
de blauwselhandelaar Walig Meijn uit Zaandijk;
de chicorei-fabrikant H.A. Röbken uit Albergen;
de fa. Heerkens en Schaepman (fabriek in azijn
en kaarsen) uit Zwolle; Frans Willem Visscher,
koopman te Zwolle als gemachtigde van de in
Oostzaan wonende Cornelis Avis, koopman en
ZHT3 2013.indd 5 15-10-13 09:08
126 zwols historisch tijdschrift
fabrikant in ‘stijfzel en blaauwzel, zoo op deszelfs eigennaam als ter firma van de Sociëteit der
Blauwselfabriek’ te Westzaan. Ook Jelle Rupsina,
vader van Aaltje is één der crediteuren. Heel
dichtbij zit ook een crediteur, namelijk Magteld
van der Baan uit de Praubstraat, van wie Anthonij
in 1815 de koopsom van het winkelpand leende.
Voor nog hetzelfde bedrag als in 1815, te weten
800 gulden, staat zij als crediteur genoteerd. De
balans, die van de failliete boedel wordt opgemaakt, geeft ons een inkijkje in de voor Anthony
uitzichtloze situatie.9
De door de Zwolse Rechtbank gelaste executoriale verkoop van de beide panden en de winkelinventaris geschiedt ten overstaan van de rechter
op 21 februari en 6 maart 1832 in het – eveneens
aan het Grote Kerkhof staande – Stadswijnhuis
door notaris W.H. Roijer.10 Daartoe wordt door
de notaris op 14 februari 1832 de volgende advertentie in de Zwolse (voluit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche) Courant geplaatst:
‘Mr. W.H. Roijer, Notaris te Zwolle, als
daartoe benoemd, is voornemens, ten overstaan
van het Vredegeregt van het Kanton Zwolle, op
Dingsdag den 21sten Februarij 1832, des avonds
te vijf uren, op het Stad Wijnhuis te Zwolle, in te
zetten, en 14 dagen daarna, op tijd en plaats voorschreven, te verkoopen: Een Huis en Where te
Zwolle, bij het Groote Kerkhof, op den hoek der
Praauwenstraat, zeer geschikt tot het doen van
Het Grote Kerkplein,
op de kaart aangeduid
als ‘De Kerkhof’ op de
kadastrale kaart (uitsnede) van 1832. Daarop is te zien dat het
tegenwoordige Balletjeshuis uit drie kadastrale panden bestaat.
(Collectie HCO)
ZHT3 2013.indd 6 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 127
Winkel Affaire, bewoond geweest door Antoni
van der Kolk. Nog een Huisje te Zwolle, buiten de
Sassenpoort, S.P. No. 65, ter Meulen ter eenre en
de Ruiter ter andere zijde. Nadere informatie ten
kantore van den Notaris, en dagelijks te bezien.’
Na de executoriale veiling van hun bezittingen
verhuist het echtpaar Van der Kolk-Rupsina naar
de Diezerstraat. Aaltje overlijdt op 6 april 1856 op
de leeftijd van 66 jaar. Anthony sterft ruim twee
en een half jaar later, op 27 november 1858 op
75-jarige leeftijd.
Naamgenoten Van der Kolk en Rei(j)nders
Op 6 juni 1832, enkele maanden na de veiling,
overlijdt een naamgenoot van Anthony van der
Kolk in zijn huis aan de Ossenmarkt, op loopafstand van het Grote Kerkhof. Het gaat hier om
Anthony (veelal Teunis genaamd) van der Kolk,
geboren op 3 februari 1771 te Zwollerkerspel
als zoon van Harm van der Kolk, schipper, en
Geertruid Jansen. Anthony is jong wees geworden en hij wordt met zijn broer en twee zusjes in
het Kinderhuis ondergebracht. Op 1 juni 1793
doet hij belijdenis. Hij wordt timmerman en op
4 januari 1796 huwt hij in de Bethlehemkerk
met Johanna Gesina Reinders. Op 9 juli 1805
verkrijgen Teunis en Johanna Gesina van hun
respectievelijke zwager en broer Jacob Reinders
de helft van hun gemeenschappelijke huis aan
de Korte Kamperstraat. Zeven dagen later, op 16
juli, nemen de echtelieden een hypotheek op van
325 gulden tegen 5 procent rente per jaar van
Hendrikus Smeing te Amsterdam, met het eerder genoemde huis als onderpand.11 Ofschoon
de situering van dit huis een week later gewijzigd
wordt in de Ossenmarkt, betreft dit hetzelfde
huis. Op 3 maart 1806 wordt volgens het Patentregister Zwolle van dat jaar aan Teunis patent
verleend als ‘timmermansknegt’. Later valt ook
te lezen ‘winkelier’. Hierbij moet worden opgemerkt dat winkelier in de negentiende eeuw een
ruim begrip was. Het betekende vaak dat iemand
aan huis een winkeltje had. Uit dit huwelijk zijn
een aantal kinderen geboren, onder wie Jan in
1812. Teunis overlijdt op 6 juni 1832 en zijn
weduwe Johanna Gesina volgt hem op 1 maart
1837 in de dood.
Naar alle waarschijnlijkheid is er geen sprake
van directe familiebanden tussen de beide
Anthony’s, en Pieter Reijnders (zie hierna) en
Johanna Gesina Reinders, al bestaat natuurlijk de
mogelijkheid dat ze elkaar gekend hebben. De in
1812 geboren zoon Jan van Teunis van der Kolk
en Johanna Gesina Reinders zal in 1845 de koper
worden van het winkelpand aan het Grote Kerkhof en sindsdien prijkt zijn naam op de voorgevel.
Opschrift op de voorgevel van het Zwolse
balletjeshuis. (Foto Jan
van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 7 15-10-13 09:08
128 zwols historisch tijdschrift
Reijnders-Van Santen, 1832-1845
Het pand aan het Grote Kerkhof wordt bij de veiling van de failliete boedel van Anthony van der
Kolk op 21 februari en 6 maart 1832 voor 1540
gulden verkocht aan Pieter Reijnders, koopman
te Zwolle. De nieuwe eigenaar is ter wereld gekomen op 29 april 1808 te Deventer, als het zesde en
jongste kind van Harmen Jan Reinders, hovenier
van het huis Den Berg te Dalfsen, later cipier van
het huis van Bewaring te Deventer, en Johanna
Werff. Pieter huwt te Zwolle op 24 maart 1831,
achttien dagen ná de aankoop van het winkelpand, met Johanna van Santen, die op 26 december 1807 in Zwolle als dochter van de looier Evert
van Santen en Hilligien Mandemaker is geboren.
Zij is een telg van een geslacht waarin zich vele
meesterbakkers bevinden.
Lang heeft de nieuwe eigenaar Pieter Reijnders niet van zijn aankoop kunnen genieten. Op
1 januari 1835 sterft hij, 27 jaar jong, in zijn huis
aan de Praubstraat met achterlating van zijn
zwangere weduwe Johanna en hun twee jonge
kinderen Hermen Jan en Hillegien. Johanna
blijft de winkel voortzetten. Op 31 augustus 1837
hertrouwt zij als ‘winkeliersche’ met Jan Antonie
Visscher, sergeant-majoor, die naderhand winkelier wordt. Johanna overlijdt op 26 december
1844. Zij laat vijf kinderen achter, waarvan twee
van haar tweede man Jan Antonie Visscher. Al
deze vijf kinderen, naast de reeds genoemde
Herman Jan en Hilligien zijn dit Pieter, Derk Jan
en Evert Johannes, zijn nog minderjarig en worden onder de voogdij van hun ooms uit de families Reijnders, Van Santen en Visscher gesteld.
Ter afwikkeling van de moederlijke nalatenschap moet het een en ander verkocht worden,
zo ook de winkel aan het Grote Kerkhof, alsmede
de inboedel en de winkelinventaris en -waren.
De veiling van het winkelpand vindt op 22 april
en 6 mei 1845 plaats in het koffiehuis Belle Vue,
getuige de advertenties welke de notaris Van
Roijen in de Zwolse Courant van 18 en 25 april
en 2 mei 1845 heeft laten plaatsen. De verkoop
van ‘mobilaire goederen, winkelinventaris en
-waren’ geschiedt op 7 mei 1845 door de deurwaarders Koeroo, Jansen en Voetelink in het
winkelpand zelf.12
Van der Kolk II, 1845-1919
Bij de eerste veilingsdag op 22 april 1845 wordt
1700 gulden voor het winkelpand geboden. Twee
weken later kan dit pand gemijnd worden door
Jan van der Kolk te Zwolle voor het bedrag van
ƒ 2150,-.13 De nieuwe eigenaar is winkelier van
beroep en heeft reeds sinds 1841 een kruidenierswinkel aan de Drietrommeltjesteeg te Zwolle.
Of Jan van der Kolk ook wat gekocht heeft bij
de verkoop van de aangeboden inventaris op 7
mei daaropvolgend, is niet bekend. Aan het flink
hogere bedrag van ƒ 2.724,-, dat Jan van der Kolk
kort daarna van D.J. Storm Buijsing als hypotheek
op het winkelpand heeft geleend, kan mogelijk
afgeleid worden dat hij inderdaad een deel daarvan heeft overgenomen.14
Zoals al aangegeven, is Jan van der Kolk een
in 1812 geboren zoon van de timmerman Teunis (Anthony) van der Kolk en Johanna Gesina
Reinders. Jan huwt op 23 juli 1840 in Zwolle met
Elsje Arink, dochter van Gerhardus Jansz. Arink
en Maria van Olst uit Kampen, die in hetzelfde
jaar naar Zwolle verhuist. Op de huwelijksakte
staat bij de bruidegom kastenmaker als beroep
vermeld, bij de bruid naaister. Van 1840 tot en
met 1845 wonen Jan en Elsje in het ouderlijk huis
2e wijk Voorstraat 169 (kadastrale nummer F
1746, nu aan de Kamperstraat). In dat huis wonen
ook kostgangers uit diverse windstreken. In 1841
hebben Jan en Elsje voor 725 gulden een kruideniersaffaire aan de Drietrommeltjessteeg op het
Eiland gekocht.15 Deze winkel wordt na vier jaar
weer van de hand gedaan en op 5 september 1845
overgeschreven naar Hendrik van der Hoogte.16
Jan en Elsje en hun kinderen verhuizen in
1845 dus van de ene naar de andere kruidenierszaak, ofwel van de Drietrommeltjessteeg naar het
Grote Kerkhof. De prominentere ligging van het
laatste pand, zo dicht bij het stadhuis en het Stadswijnhuis en vlakbij de voorname Koestraat zal bij
die keuze ongetwijfeld een rol gespeeld hebben.
Om het eigentijds te zeggen: een A-locatie.
Achter het pand aan het Grote Kerkhof dat Jan
en Elsje bezitten, bevinden zich twee kleinere
panden, sinds 1832 kadastraal bekend onder de
nummers F 1841 en F 1843. Eén van die panden,
ZHT3 2013.indd 8 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 129
het pand op de hoek Praubstraat / Papendwarsstraat staat van 1585-1774 bekend onder de huisnaam ‘De Pelgrim’. In 1832 wordt de koopman
Jan Vredeveld vermeld als eigenaar van beide
panden.17 Hij overlijdt op 4 mei 1858 te Zwolle
en zijn weduwe Cornelia Plattel verkoopt beide
panden op 9 mei 1860 voor 1150 gulden aan Jan
en Elsje.18 Nu hebben Jan en Elsje drie aangrenzende panden in bezit. Het hoofdpand, dus de
winkel met het perceelsnummer F 1842 aan het
Grote Kerkhof, wordt in dienstjaar 1869 (= 1868)
verbouwd en het perceelsnummer wordt gewijzigd in F 3614. Vier jaar later, in 1872, wordt het
pand F 1843 afgebroken en opnieuw herbouwd,
het kadastrale nummer blijft echter ongewijzigd.
Door bouwkundige aanpassingen worden de
drie panden in 1877 kadastraal hernummerd
van F 1841, F 3614 (= oud 1842) en F 1843 tot F
4266.19 Jan en Elsje hebben tussen 1860 en 1872
vier hypotheken opgenomen, te weten: ƒ 1380,- in
1860, ƒ 2875 in 1865, ƒ 5750,- in 1867 en ƒ 3304,-
in 1872.20
Jan en Elsje van der Kolk-Arink krijgen vier
kinderen, maar drie ervan verlaten Zwolle. Het
gaat om de zoons Teunis (geb. 1841) en Jan jr.
(geb. 1853), en de dochters Maria (geb. 1856) en
Johanna Gesina (geb. 1860). De beide dochters
trouwen in Amsterdam. Teunis, vroeg weduwnaar geworden, overlijdt uiteindelijk in Den
Haag. Elsje Arink overlijdt in december 1882 en
haar man Jan in augustus 1886. Bij de boedelscheiding van de ouderlijke nalatenschap krijgt
Jan jr. per 1 november 1886 de winkel met toebehoren, waarvan de waarde op 8000 gulden wordt
getaxeerd, toebedeeld.21 Jan jr. is op 25 augustus
1881 met de ruim vijf jaar oudere Cornelia Weerts
uit Zwolle getrouwd. Uit dit huwelijk komen twee
zoons voort, namelijk Jan (III) en Daniël. Jan jr.
overlijdt op 14 november 1918 aan de Rhijnvis
Feithlaan, waarschijnlijk in het Sophia Ziekenhuis. Het winkelpand met de winkelinventaris
wordt verkocht en ruim acht maanden na de
verkoop vertrekt Cornelia van der Kolk-Weerts
uit Zwolle. Op 5 mei 1919 wordt ze uitgeschreven
naar de gemeente Arnhem.22
De familie Arink uit Kampen of de oorsprong
van de Zwolse Balletjes
Om de loop van het verhaal goed te kunnen volgen, is het nodig om een uitstapje naar Kampen
te maken. In deze voorname Hanzestad wordt op
14 oktober 1788 Gerhardus Jansz. Arink geboren
en vijf dagen later in de Bovenkerk gedoopt. Hij is
een zoon van Jan Arink (1748-1836), trijpwever
en kostkoper en vanaf 1796 ook aanspreker, en
Elsien Schreuder, ook wel Schruedter genoemd
(1750-1823). Beiden zijn geboren en getogen
Kampenaren, maar de familie Arink komt van
oorsprong uit de omgeving van Groenlo en Eibergen. In 1810 trouwt Gerhardus, die (banket)bakker van beroep is, met Maria van Olst, geboren
te Hattem, maar dan al wonende te Kampen. Er
Op de gevel van het
huis dat vroeger bekend
stond als ‘De Pelgrim’
staat tegenwoordig dit
opschrift. (Foto Jan van
de Wetering)
ZHT3 2013.indd 9 15-10-13 09:08
130 zwols historisch tijdschrift
worden minstens tien kinderen geboren, waarvan
velen niet in leven blijven of op zeer jeugdige leeftijd overlijden. Drie kinderen zullen het beroep
van hun vader voortzetten. Het zijn Elsje (1818-
1882), Lambertus (1815-1900) en Berend Jan
(1830-1904). Elsje trouwt met de eerder genoemde Jan van der Kolk. Gerhardus Arink wordt zo
de schoonvader van Jan. Hij wordt in diverse
bronnen met verschillende beroepen aangeduid:
als winkelier, koopman, bakker, banketbakker,
suikerbakker en ook stekenbakker. In 1831 vertrekt hij met zijn gezin naar Amsterdam, maar
keert al gauw weer terug in Kampen. In 1840
verhuist de bakkersfamilie Arink van Kampen
naar Zwolle. In 1840, worden de echtelieden Gerhardus en Maria tot lidmaten van de Nederlands
Hervormde Gemeente van Zwolle aangenomen.
Hun dochters Elsje en Maria, dan wonende aan
het Grote Kerkhof – dus niet ver van de winkel
van Johanna van Santen en haar tweede echtgenoot Jan Anthonie Visscher – worden in juni van
dit jaar lidmaten.23 De familie woont aanvankelijk
aan het Grote Kerkhof, om naderhand naar de
Broerenstraat te verhuizen.24 In 1845 koopt Gerhardus het huis op de hoek van de Kamperstraat
(nu het pand van Olland), en gaat daar wonen en
werken. In 1851 verhuist hij weer, dit keer heeft
hij een huis gekocht bij de Roopoort.25
In de folder die iedere klant bij aankoop van een
zakje of blikje Zwolse balletjes ontvangt staat te
lezen dat de heer J(an) van der Kolk in 1845 het
geheime recept voor de ouderwetse specialiteit
‘steken’ heeft gekocht van zijn schoonvader. De
vraag is echter of deze bewering juist is. Een akte
van de aankoop van het recept is bij het onderzoek niet boven tafel gekomen, maar er komt wel
iets anders aan het licht. In de Zwolse Courant
van vrijdag 9 september 1853 staat een kort verslag van de zitting van het Kantongerecht aan de
Blijmarkt op 8 september afgedrukt. Daarin valt
te lezen:
‘Veroordeeld
G.A., stekenbakker te Zwolle, tot uitoefening van
zijn bedrijf eene stookplaats te hebben gebruikt,
dewelke niet door den stadsarchitect was goedgekeurd. Een geldboete van ƒ 10.’
G.A., hij/het zal toch niet..? Een korte samenvatting uit het proces-verbaal van de rechtbankzitting op 8 september 1853: het kantongerecht acht
Gerhardus Arink schuldig aan de onrechtmatige
uitoefening van zijn bedrijf van stekenbakker in
de tuin achter het door hem bewoonde huis aan
het (Klein) Weezenland (nu Burgemeester Van
Roijensingel), bij de Roopoort, waar hij ‘een vroegere steltenberg [hooiberg] heeft ingerigt tot eene
rookplaats om steeken te bakken en daarin heeft
geplaatst een ijzere stookmachine waarop de suiker benoodigd tot het vervaardigen van steeken
gekookt werden, waarvan de rook door eene pijp
naar buiten werd uitgeleid.’ Deze stookplaats is
in de nacht van 9 op 10 augustus 1853 afgebrand.
Doordat de stookplaats, in strijd met de stedelijke
voorschriften uit 1825, niet door de stadsarchitect gekeurd en dus clandestien gebouwd is, is
Gerhardus gedaagd voor het kantongerecht en
veroordeeld tot de geldboete.26
In 1853 vervaardigt Gerhardus Arink dus
steken in de illegaal gebouwde stookplaats in
zijn tuin van het in 1851 verworven huis bij de
Roopoort. Steken, die hij waarschijnlijk levert aan
diverse winkeliers onder wie zijn schoonzoon Jan
van der Kolk. Of er vanaf 1845 door Jan in de kelder van het pand aan het Grote Kerkhof al steken
gebakken worden, moet dan ook ernstig betwijDe zwarte steek, het
meest oorspronkelijke
balletje, beschikt zelfs
over medicinale krachten …. (Foto Jan van de
Wetering)
ZHT3 2013.indd 10 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 131
feld worden. Het zou ook heel goed kunnen dat er
steken aan het Grote Kerkhof worden gebakken
vanaf het moment dat de clandestiene stookplaats
van Gerhardus verbrand is, dan wel dat de beide
zoons en later kleinzoons van Gerhardus zich
niet meer toeleggen op het steken bakken. Daar
speelt ook nog mee dat Gerhardus in 1854 definitief naar Amsterdam vertrekt. Zijn vrouw Maria
overlijdt namelijk op 11 oktober 1854 en al op 30
oktober daaropvolgend wordt het huis en erf aan
het Weezenland bij de Roopoort door Gerhardus en zijn kinderen voor 1325 gulden verkocht
aan Hendrik Klinkert, meester-timmerman te
Zwolle.27 Anderhalve maand later trouwt Gerhardus te Amsterdam – slechts twee maanden na het
overlijden van Maria – met Johanna Ziegelaar.
Hij is dan 66 jaar, zij 30. Uit het tweede huwelijk
worden drie kinderen geboren. In 1870 overlijdt
Gerhardus in Amsterdam. Zijn weduwe hertrouwt aldaar twee jaar later met de schoenmaker
en weduwnaar Anthonie Wedemeier. Zij overlijdt
in 1891.
In het pand hoek Kamperstraat / Van Hattumstraat is in de jaren 1854-1916 de banketbakkerij van Berend Jan (de broer van Elsje) Arink
gevestigd. Nicolaas Christiaan Arink, de zoon van
Berend Jan en Dominika Magdalena Taverne,
neemt deze zaak later over. In diverse adressenboeken van Zwolle, waaronder dat van 1898,
wordt hij stekenbakker genoemd. Ook de andere
broer van Elsje, Lambertus, verhuist in 1860 van
Kampen naar Zwolle. Hij is eveneens balletjesbakker van beroep. Lambertus en zijn tweede
vrouw Fennigje Tusveld wonen tussen 1860 en
1900 op verschillende adressen in Zwolle. Lambertus sterft op 11 maart 1900 en Fennigje op 7
augustus van datzelfde jaar. Hun zoon Marinus
Johannes (geb. Zwolle 1846) is eveneens balletjesbakker. Hij komt in 1900 vanuit Amsterdam in
Zwolle wonen en hij verhuist in 1902 naar Zwollerkerspel.28
Concluderend kunnen we stellen dat diverse
leden van de familie Arink als balletjes- ofwel stekenbakkers in Zwolle blijven, ook nadat vader cq.
grootvader Gerhardus in 1854 naar Amsterdam
verhuist. Het zou daarom heel goed kunnen dat
de beide Jannen van der Kolk de balletjes geleverd
krijgen van respectievelijk eerst schoonvader en
na 1854 van zwagers / neven Arink, dan wel dat ze
deze door hen in de kelder van hun winkelpand
laten vervaardigen. Mocht het laatste niet het
geval zijn, dan is het niet ondenkbaar dat de firma
J. van der Kolk op den duur – vermoedelijk begin
twintigste eeuw – balletjes voor zichzelf ging steken.
Van 1918 tot heden
Ruim zes maanden na het overlijden van Jan II
van der Kolk op 14 november 1918, wordt het
huis met de winkel aan het Grote Kerkhof ten
overstaan van de Zwolse notaris W.C. van Reede
door zijn erfgenamen, te weten zijn weduwe Cornelia Weerts en haar twee zoons Jan III en Daniël
van der Kolk, verkocht aan Albertus Worst, winkelier te Meppel, en zijn echtgenote Margje van
Werven. De koopsom bedraagt 10.000 gulden en
het pand wordt op 6 mei 1919 op hun naam overgeschreven.29
Na ruim 39 jaar de winkel gedreven te hebben,
verkoopt het echtpaar Worst-van Werven op 15
september 1958 de zaak voor 17.500 gulden aan
Wolter Vaartjes, bakker van beroep.30 Wolter
Vaartjes, geboren te Oldemarkt in 1901 als zoon
van een turfmaker, is aangesloten bij het Leger
Prijslijst omstreeks
1920. (Foto Jan van de
Wetering)
ZHT3 2013.indd 11 15-10-13 09:08
132 zwols historisch tijdschrift
des Heils. Met de Zwolse Klazina Oosterbroek
trouwt Wolter te Zwolle op 16 november 1926
en uit dit huwelijk komen vier kinderen voort.
Vaartjes overlijdt op 10 december 1985 en na een
herdenking in het gebouw van het Leger des Heils
aan de Geert Grootestraat wordt hij begraven
op de begraafplaats Kranenburg. Zijn erfgenamen dragen kort daarop de winkel over aan hun
neef Klaas Kappers. Sinds 1999 zijn de heer en
mevrouw Van Wegen eigenaars van het Zwolse
Balletjeshuis. Maar zij zijn nu op de leeftijd dat ze
met de winkel willen stoppen en de zaak graag aan
een jongere generatie willen overdragen. Of dit
lukt is echter de vraag. De huidige stekenbakker,
Bert Hulshof, heeft inmiddels de leeftijd bereikt
dat hij het ‘geheime’ recept en de bereidingswijze
graag door wil geven aan een opvolger. Zijn
vrouw Henny Hulshof is verkoopster in de winkel, tot 1 oktober nog samen met Marjolijn van
Rens, nu alleen.
De ‘fabricage’ van de Zwolse balletjes.
De Zwolse balletjes, die eigenlijk steken zijn,
worden op ambachtelijke wijze in de kelder van
het Zwolse balletjeshuis gemaakt. Het recept is al
eeuwenoud en nog steeds geheim.
Tegenwoordig kunnen de balletjes allerlei
kleur en smaak hebben, maar ook het meest oorspronkelijke balletje wordt nog steeds gemaakt, de
zwarte steek. Vroeger werd een balletje gebruikt
om de koffie te zoeten. De steek werd achter een
De Zwolse Balletjes zijn
al decennialang een
Zwols icoon: zo kreeg
ook koningin Juliana
in 1962 een doosje aangeboden toen zij de
miljoenste naoorlogse
woning in Nederland
bezocht, een huis aan
de Hogenkampsweg.
(Collectie HCO)
Het deels nog authentieke winkelinterieur,
achter de toonbank
staat Henny Hulshof.
(Foto Jan van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 12 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 133
kies geklemd en de koffie er langs gespoeld. Het
was de bedoeling dat het snoepje meerdere kopjes
meeging. Toppunt van zuinigheid was daarbij na
ieder kopje even de steek uit de mond nemen en
op een schoteltje leggen tot het volgende kopje zich
aandiende. Mogelijk komt de naam steek van dit
‘achter de kiezen steken’, maar het zou ook kunnen
duiden op het afsteken van het suikerdeeg.
De smaken zijn pepermunt, vanille, citroen,
roomboter, anijs, mokka, kaneel, honingmenthol,
reine claude, framboos en mandarijn. Alle balletjes worden bereid met suiker en daaraan toegevoegde natuurlijke smaakstoffen. Aan de laatste
vier worden natuurlijke kleurstoffen toegevoegd.
Een oud snoepje te koop in een oud interieur.
Want ook de inrichting van de winkel, die wellicht nog ten dele uit 1845 dateert, is het waard
behouden te blijven. Onder het pand bevindt
zich de kelder, waarschijnlijk evenals het casco
laat middeleeuws. Twee luiken leiden naar de
kelder van het pand. Daarin worden de balletjes
gemaakt, vermoedelijk pas vanaf het begin van de
twintigste eeuw.
De balletjes worden gepresenteerd vanuit een
trommeltje, iedere bezoeker krijgt een balletje.
De trommeltjes, met beelden van Zwolle erop,
zijn ook te koop. Daarnaast worden de balletjes
verkocht in katoenen zakjes met daarop een oud
gedicht .
Stekenbakker, het moet al een heel oud
ambacht zijn. Ik vermoed dat er in Nederland
geen stekenbakkers meer zijn. Misschien staat
daarom in Zwolle nog wel de enige Nederlandse
stekenbakkerij. Een oud ambacht, dat naar mijn
bescheiden mening doorgegeven, gekoesterd en
verzekerd zou mogen en moeten worden. Opdat
er in 2045 en lang daarna ook nog Zwolse balletjes
mogen zijn. De smaak van vroeger, Zwols culinair
en cultureel erfgoed. Culturinair – woord van
mezelf – erfgoed, dus.*
Bij dit alles blijft het opmerkelijk en toch ook
wel bijzonder te noemen dat de receptuur van de
steken (Zwolse Balletjes) oorspronkelijk van de
familie Arink uit Kampen komt. Als een Zwols
Balletje rollen kon (maar dat kan het gelukkig
niet), rolde het richting Kampen. Naast het verhaal van de Blauwvingers kan dit verhaal en dit
product ook met Kampen verbonden worden.
Uit Zwolle, en ja, ook een heel klein beetje uit
Kampen. Alleen dat gegeven al…
* Goed nieuws! Op 1 oktober meldt de Stentor dat
er een stichting opgericht is en dat het Zwolse Balletjeshuis een doorstart gaat maken. De toekomst
van de balletjes lijkt, in ieder geval op korte termijn,
verzekerd.
Noten
Tenzij anders vermeld bevinden de onderstaande bronnen zich op het HCO te Zwolle
1. Archieven Zwolse Notarissen, toegang 828, inv.nr.
620 (notaris LHC. Nilant d.d. 18 mei 1815, akte nr.
157)
2. Archief Stad Zwolle, 1230-1813, toegang 700, inv.
nr. 1019 Volkstelling 1812, Wijk 2e Sassenstraat nr.
226
3. Archieven Kadaster Overijssel, toegang 145, inv.
nr. 760 (Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel der
Grondeigenaren van de gemeente Zwolle, sectie
E-F)
4. Arch. Kad. Ov., inv.nrs. 123 (Register van Inschrijvingen, deel 13/242)
5 Arch. Kad. Ov., inv.nr. 152 (Reg. van Inschrijvingen, deel 30/354)
6. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 35 (Reg. van Overschrijvingen, deel 21/49)
7. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 152 (Reg. van Inschrijvingen, deel 42/242)
Zwolse balletjes… (Foto
Jan van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 13 15-10-13 09:08
134 zwols historisch tijdschrift
8. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 153 (Reg. van Inschrijvingen, deel 43/247)
9. Archief Rechtbank van Eerste Aanleg Zwolle, toegang 91, inv.nr. 163a
10. Archieven Zwolse Notarissen, inv.nr. 1035 (notaris
W.H. Roijer, d.d. 21 februari en 6 maart 1832, akte
nr. 4506)
11. Archief Stad Zwolle, 1230-1813, inv.nr. 2032
12. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van
29 april 1845
13. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2370 (Reg. van Overschrijvingen deel 66/107)
14. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 5678 (Algemeen Register
deel 29/358)
15. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2330 (Reg. van Overschrijvingen deel 26/36)
16. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2372 (Reg. van Overschrijvingen deel 68/13)
17. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 760 (OAT Gemeente Zwolle
E-F)
18. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2535 (Reg. van Overschrijvingen deel 231/26)
19. Arch. Kad. Ov., inv.nrs 1417 en 1424 (Artikelgewijze Kadastrale leggers Gem. Zwolle, delen 6 en 1,
art.nr. 1955 J. van der Kolk)
20. Arch. Kad. Ov., inv.nrs. 5663 en 5678 (Algemeen
Register delen 14/43 en 29/358)
21. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 2851 (Reg. van Overschrijvingen, deel 547/6)
22. Bevolkingsregister Zwolle, 1860-1940, blz. K 187
23. Archief N.H. Gemeente Zwolle, toegang 1140, inv.
nr. 144, p. 319
24. Archief Gemeente Zwolle, 1813-1923, toegang 702,
inv.nr. AAZ01-443 (Wijkboek 2e Diezerstraat, 712
zijnde kadastraal perceel F 862)
25. Archief Gem. Zwolle, 1813-1923, inv.nr AAZ 01-
499 (Wijkboek 2e Voorstraat) en Arch. Kad. Ov.,
inv.nr. 5678 (Algemeen Register deel 29/341)
26. Archieven Kantongerecht Zwolle, toegang 109, inv.
nrs. 5432 én 5474, rolnr. 1067
27. Archieven Zwolse Notarissen, inv.nr. 821 (notaris
W.S. van der Gronden d.d. 30 oktober 1854, akte
nr. 3119)
28. Bevolkingsregister Zwolle 1860-1940, blz. A 77
29. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 5502 (Reg. van Overschrijvingen, deel 929/107)
30. Arch. Kad. Ov., inv.nr. 11473 (Reg. van Overschrijvingen, deel 1435/108)
Het Zwolse balletjeshuis, oktober 2013.
(Foto Jan van de Wetering)
ZHT3 2013.indd 14 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 135
Beeldhouwer en activist Guiseppe Ceracchi
Maker van het grafmonument van
Joan Derk van der Capellen
Over niet al te lange tijd zullen beelden die
al meer dan tweehonderd jaar in Rome
staan en die onderdeel uitmaken van het
grafmonument voor de patriot Joan Derk van der
Capellen eindelijk naar Zwolle komen.
Wie was de beeldhouwer en hoe kwam het
dat dit monument nog in Rome staat? Waarom is
het niet direct nadat het voltooid was naar Zwolle
getransporteerd?
Joan Derk van der Capellen
Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol
(1741-1784) was de bekendste patriot in Overijssel. Hij was lid van de Staten van Overijssel en
profileerde zich daar nadrukkelijk als verlicht
man. Hij maakte zich onder meer sterk voor
vlootversterking – tegen de wens van de stadhouder –, een grotere vrijheid van meningsuiting en
afschaffing van de drostendiensten. Dit waren
diensten die de drosten twee maal per jaar aan
de boeren konden opleggen, onder meer tijdens
het zaaien en oogsten. Vooral de drost in Twente,
Van Heiden Hompesch, maakte hier gebruik van.
De strijd liep hoog op. Door de uitlatingen van
Van der Capellen in de Staten en het publiceren
van zijn toespraken, soms voor hij ze had uitgesproken, werd hij in 1778 als Statenlid geschorst.
In 1782 werd hij weer toegelaten en uiteindelijk
werden de drostendiensten in 1783 afgeschaft. In
pamfletten die hierna verschenen werd hij binnen en buiten Overijssel uitbundig bejubeld. Ook
penningen werden geslagen om vast te leggen dat
de drostendiensten beëindigd waren.
Van der Capellen schreef ook geschiedenis
vanwege zijn steun aan de Amerikaanse vrijheidsstrijd. Door zijn inspanningen erkende het soevereine gewest Overijssel in april 1782 de jonge
Amerikaanse Republiek. En tenslotte schreef hij
in 1781, tijdens zijn schorsing als Statenlid, een
felle aanklacht tegen Willem V in het pamflet Aan
het volk van Nederland, dat overigens anoniem
verscheen. Pas ruim een eeuw later werd met
zekerheid vastgesteld dat hij dit geschreven had.
Van der Capellen had een zwakke gezondheid.
Hij overleed op 6 juni 1784, slechts 42 jaar oud,
in zijn huis in de Bloemendalstraat 12 in Zwolle.
Ook naar aanleiding van zijn overlijden verschenen veel pamfletten en vooral in Twente werden
de kerkklokken lang geluid.
Joan Derk van der
Capellen tot den Pol,
1741-1784, omstreeks
1780. Pastel, anoniem.
(Particuliere collectie)
Lydie van Dijk
ZHT3 2013.indd 15 15-10-13 09:08
Zeven jaar later, in 1795, voltrok zich de
Bataafse Omwenteling. Er kwam een einde aan
de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Het bestuur, zowel in de steden als in de provincie,
werd samengesteld uit volksrepresentanten. Toen
pakte men de ideeën van de patriotten weer op.
Roerige periode
Het was dus een onrustige periode na de dood van
Van der Capellen. Aanvankelijk hadden de patriotten veel invloed op het politieke terrein, maar
dat veranderde door de Pruisische inval in 1787.
In 1784 was al het plan opgevat een monument ter nagedachtenis aan Joan Derk van der
Capellen te laten ontwerpen. Daarvoor werd
door inwoners van Zwolle contact opgenomen
met een comité van vooraanstaande patriotten in
Amsterdam. Dat waren bekenden van Van der
Capellen. Er werd een nationaal fonds opgericht
waarvoor op grote schaal inzamelingen werden
gehouden. De Amsterdammers lieten de Italiaanse beeldhouwer Guiseppe Ceracchi drie ontwerpen maken. Uit de drie, in grootte verschillende ontwerpen, werd uiteindelijk gekozen voor
een ontwerp met vier beelden. Dit zou in Zwolle
in de Grote Kerk geplaatst moeten worden. Door
misverstanden op financieel gebied, het rusteloze
leven van de beeldhouwer en vooral door de veranderde politieke omstandigheden is de beeldengroep nooit naar Zwolle gekomen.
Guiseppe Ceracchi
Een overzicht van het leven van Ceracchi toont
aan dat hij niet alleen beeldhouwer was, maar
ook politiek zeer betrokken. Ceracchi werd in
1751 geboren. Toen hij twintig jaar oud was,
ontving hij een prijs voor beeldhouwen in de
Accademia de San Luca in Rome voor een terracotta beeld dat hij gemaakt had. Zijn carrière
begon in Rome, maar vanwege zijn rusteloosheid
en vanwege lucratievere opdrachten verliet hij
de Kerkelijke Staat. Hij ging eerst naar Milaan
en Florence. In beide steden kreeg hij opdrachten. In Florence ontmoette hij Sir Horace Mann,
een Engelse consul, die hem aanmoedigde naar
Engeland te gaan. In Londen, waar hij in 1773
aankwam, raakte hij bevriend met Italiaanse en
Patriotten
Eind jaren zeventig van de achttiende eeuw begon
een aantal gegoede burgers zich af te zetten tegen
het beleid van stadhouder Willem V, zowel in
het westen van de Republiek van de Verenigde
Provinciën als in het oosten. Zij wilden een einde
maken aan het bewind van de stadhouder en
streefden naar meer democratie. De patriotten
vormden vrijkorpsen, verenigingen van gewapende burgers, om de macht over te nemen en zich
te verdedigen. Door de onrust die hun acties veroorzaakten, voelden stadhouder Willem V en zijn
vrouw Wilhelmina van Pruisen zich niet meer
veilig. Zij riepen in 1787 de Pruisische troepen te
hulp en zo kwam een abrupt einde aan de patriottenbeweging. Velen vluchtten naar Frankrijk.
Hoe groot de tegenstellingen tussen patriotten en prinsgezinden waren geworden, bleek ook
uit wat er gebeurde met het familiegraf van Joan
Derk. Dit graf op het Gorsselse veld, waarin Van
der Capellen met zijn vrouw, die een jaar na hem
stierf, was begraven, werd in 1788 door orangisten
met buskruit opgeblazen. Hun lichamen waren
kort daarvoor al door hun schoonzoon, de graaf
van Rechteren tot Westerveld, uit de graftombe
gehaald en elders begraven.
Portret van Giuseppe
Ceracchi, circa 1792,
door de Amerikaanse
schilder John Trumbull. (Collectie Metropolitan Museum of Art,
New York)
136 zwols historisch tijdschrift
ZHT3 2013.indd 16 15-10-13 09:08
van keizerin Maria Teresia en keizer Joseph II
mocht uitvoeren in 1781 en 1783. De keizer bood
hem het directeurschap van de beeldhouwschool
aan, maar Ceracchi weigerde dat.
De werken die Ceracchi in de jaren in Rome,
Londen, Berlijn en Wenen maakte, worden
gekenmerkt door een continu door elkaar lopen
van zijn werk als portrettist en als kunstenaar van
beelden, die als antieke figuren zijn uitgebeeld.
Amerikaanse kunstenaars. Met de beeldhouwer
Agostino Carlini, afkomstig uit Genua, voerde
hij decoraties uit in Somerset House. Dit ligt
in Londen aan de Theems. Bij het maken van
beelden volgde hij de vorm van antieke beelden,
maar gaf er een totaal andere betekenis aan. Tussen 1776 en 1779 poseerde hij twaalf werken in
de Royal Academy. Een van die beelden was van
Anne Seymour Damer, een van zijn leerlingen,
uitgebeeld als de muze van de beeldhouwkunst.
Zijn grootste succes was het portret van Joshua
Reynolds, geïnspireerd op de buste van Caracalla
in de Farnese collectie. Deze collectie was verzameld door kardinaal Alessandro Farnese, de
latere paus Paulus III (1543-1549). De collectie
met de buste van Caracalla bevindt zich nu in het
Archeologisch Museum in Napels. Reynolds was
kunstschilder en de eerste voorzitter van de Royal
Academy. Ceracchi maakte ook modellen voor
de Wedgwood Company. Na Londen verbleef hij
kort in Nederland en Pruisen. In 1779 was hij in
Wenen, waar hij met een introductiebrief van de
Oostenrijkse ambassadeur in Londen opdrachten
Anne Seymour Damer
als de muze van de
beeldhouwkunst,
Guiseppe Ceracchi,
omstreeks 1779, marmer. (© Trustees of
the British Museum,
Londen)
Links: Buste van Joshua
Reynolds, Guiseppe
Ceracchi, 1778-1779,
marmer. (© Royal Academy of Arts, Londen)
zwols historisch tijdschrift 137
ZHT3 2013.indd 17 15-10-13 09:08
In 1785 was hij terug in Rome. Maar nog in
datzelfde jaar verruilde hij deze stad voor Berlijn,
waar hij een portret maakte van Frederik de Gro

te, en vervolgens voor Nederland, waar hij een
contract tekende voor het monument van Joan
Derk van der Capellen. Drie jaar later was hij weer
in Rome. Hij kreeg opdracht een portret van paus
Pius VI te maken.
De jaren negentig van de achttiende eeuw
waren de meest turbulente jaren in zijn leven. Hij
werd politiek actief en nam deel aan de opstan

den in Frankrijk. Na in 1790 even in Nederland
geweest te zijn voor overleg over het monument
voor Van der Capellen, vertrok hij naar de Ver

enigde Staten. Ceracchi had een introductiebrief
voor Thomas Jefferson gekregen van de ban

kiers N. en J. van Staphorst in Amsterdam. Hij
ging daar niet alleen heen omdat hij de nieuwe
Republiek een goed hart toe droeg, maar ook
omdat hij wist dat het Congres een monument
voor George Washington wilde oprichten. De
opdracht ging niet naar hem. In juli 1792 was hij
weer in Amsterdam. Een jaar later was hij terug in
Rome. Wegens een aanval op zijn atelier, een ont

moetingsplaats van kunstenaars en intellectuelen,
moest hij vluchten. Eerst naar München, toen
naar Florence, vanwaar hij uiteindelijk in 1794
naar de Verenigde Staten vluchtte. Hij werd daar
niet meer zo plezierig ontvangen als voorheen
en keerde daarom een jaar later weer terug naar
Europa.
In Parijs raakte hij bevriend met de schilder
David. Daar maakte hij ook een portret van de
jonge generaal Napoleon Bonaparte. Aanvanke

lijk kon Ceracchi het goed met Napoleon vinden.
In 1796 trok Napoleon triomferend Milaan bin

nen en wilde Ceracchi bij zich hebben. Hij gaf
hem opdracht een portret in marmer te maken,
wat echter nooit is voltooid. Ook in Parijs werd
hem weer een officiële functie aangeboden, net als
eerder in Wenen, namelijk ‘Eerste beeldhouwer
van de regering’. Maar ook deze keer weigerde hij.
Napoleon voerde een machtsgreep uit op
9 november 1799 en trok langzamerhand alle
macht naar zich toe. Toen Ceracchi zich reali

seerde dat Napoleon zo een autoritair regime
vestigde, keerde hij zich tegen hem. Met enkele
Plaquette van dr.
Joseph Priestley, door
Josiah Wedgwood
en Thomas Bentley
naar een model van
Guiseppe Ceracchi,
1779. Priestley was een
verlichte Brits/Ameri

kaanse wetenschapper.
(© Trustees of the Bri

tish Museum, Londen)
Buste van George
Washington, Guiseppe
Ceracchi, 1795, mar

mer. (Collectie Metro

politan Museum of Art,
New York)
138 zwols historisch tijdschrift
ZHT3 2013.indd 18 15-10-13 09:08
Ceracchi was hiervan op de hoogte, want hij
bezocht Amsterdam eind 1788, dus na de Pruisische invasie van het jaar daarvoor. Hij presenteerde drie ontwerpen voor het monument aan het
comité. De keuze van de aanwezigen viel op het
tweede ontwerp met vier beelden. Dat was niet
het goedkoopste, dat uit drie beelden bestond,
maar wel veel goedkoper dan het ontwerp nummer drie met zeven beelden. Dit kostte ƒ 90.000,-.
Ceracchi zelf ging ervan uit dat hij dit laatste ontwerp als opdracht voor het monument zou krijgen. Een collega beeldhouwer in Rome, Vincenzo
andere kunstenaars voerde hij op 10 oktober 1800
een aanslag uit op Napoleon toen deze de Opera
verliet. Hij werd gevangen genomen en ter dood
veroordeeld. Op 30 januari 1801 verloor hij zijn
leven onder de guillotine.
Ceracchi was dus vooral in zijn latere leven
een politiek geëngageerde kunstenaar. Zijn werken behoren tot de stijl van het neoclassicisme.
In het begin van zijn artistieke loopbaan maakte
hij beelden geïnspireerd op de klassieken, elegant
gemanipuleerd. Daar vroegen zijn klanten om.
Later gebruikte hij in zijn ontwerpen allegorieën
en symbolisme in de monumentale sculpturen
met een sterke politieke en educatieve lading.
Het monument
Ceracchi heeft drie ontwerpen gemaakt voor het
monument van Joan Derk van der Capellen. Het
gekozen ontwerp bestond uit drie figuren en een
leeuw. De staande man gekleed in een Romeinse
toga met in zijn linkerhand een zwaard is de classicistische uitbeelding van Joan Derk van der Capellen. De twee andere figuren zijn zittende vrouwen.
De ene vrouw draagt een helm en houdt met haar
linkerhand een schild vast, de andere wijst met
haar rechterhand omhoog naar Van der Capellen.
De eerste stelt de godin Minerva als de Vrijheid
voor, de tweede is de verpersoonlijking van de
provincie Overijssel of de Dankbaarheid. De leeuw
houdt zeven pijlen vast, wat staat voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het was
Ceracchi’s eerste opdracht voor een monument na
de vele portretten die hij had gemaakt.
In het contract, opgesteld op 17 en 19 maart
1785 in Amsterdam, werd het bedrag van
ƒ 45.000,- genoemd voor het monument, vervaardigd van marmer. Aan Ceracchi werd, in fases,
een bedrag van ƒ 30.000,- gegeven om marmer
te kopen. Als de beelden klaar waren zou hij
ƒ 7.500,- ontvangen, en bij transport van de werken nogmaals ƒ 7.500,-.
De beelden waren in 1789 klaar, maar ze
konden niet naar de Republiek getransporteerd
worden omdat de politieke situatie veranderd
was. Stadhouder Willem V had de touwtjes weer
stevig in handen en de patriotten konden alleen
nog ondergronds zaken regelen.
Ontwerp nummer
twee voor het monument voor Joan Derk
van der Capellen,
Guiseppe Ceracchi,
1785. (Nationaal
Archief, Den Haag)
zwols historisch tijdschrift 139
ZHT3 2013.indd 19 15-10-13 09:08
Pacetti, schreef in augustus 1787 in zijn dagboek
dat Ceracchi een grote opdracht voor Holland
had, bestaande uit zeven figuren waarvoor 90.000
gulden werd betaald. Toen had het Amsterdamse
Comité er echter nog niets over beslist!
Op 20 december is met de toen nog aanwezige
leden van het Amsterdamse Comité, een aantal
was naar het zuiden gevlucht, een tweede, aanvullend contract afgesloten. Gezien de politieke
situatie werd hierin de naam van Joan Derk van
der Capellen niet meer genoemd. Ook de locatie
waar het monument zou komen werd niet vermeld. In dit tweede contract wordt ook ingegaan
op de financiële kant. Ceracchi verklaarde in dit
contract dat hij al ƒ 30.000,- had ontvangen. Bij
ondertekening zou hij ƒ 7.500,- krijgen. Het restant van ƒ 7.500,- zou hij ontvangen wanneer de
beelden voltooid waren. Gezien de moeilijke politieke situatie waarin de patriotten zich bevonden,
was nog een bonus in het contract opgenomen: er
zou nog eens ƒ 7.000,- worden uitbetaald wanneer
het monument op de plaats van bestemming werd
geplaatst. Wanneer het elders zou kunnen worden geplaatst zou hij de helft van de bonus krijgen, maar wanneer de beelden in Rome moesten
blijven, had hij geen recht op een bonus.
De laatste ƒ 7.500,– zijn waarschijnlijk
nooit betaald. En de bonus ook niet, omdat de
beelden nooit in Nederland zijn aangekomen.
In protestbrieven beschuldigde Ceracchi zijn
opdrachtgevers van een wanprestatie en dat zij
ƒ 45.000,- niet hadden betaald. Mogelijk ging hij
uit van het bedrag voor het derde ontwerp, waarvan de uitvoering ƒ 45.000,- duurder was dan de
beelden van ontwerp nummer twee. Zou hij dan
de ƒ 7.500,- toch ontvangen hebben?
Ook na de stichting van de Bataafse Republiek
in 1795 hebben vrienden en bewonderaars geen
pogingen gedaan de beelden naar Nederland te
krijgen. Ceracchi zat toen in Amerika en later in
Frankrijk en Italië waar hij zich naast zijn beeldhouwwerk met politiek bezighield. Zoals boven
vermeld kostte dit hem in 1801 zijn leven.
De beelden bleven in Rome
Tot enkele jaren geleden stonden de vier beelden
verspreid in de tuinen van de Villa Borghese in
Rome. Hoe kwamen ze daar terecht?
Het was duidelijk dat de beelden na de inval
van de Pruisische troepen niet afgeleverd konden
worden. En na de dood van de beeldhouwer bleven ze in zijn werkplaats staan. In een beschrijving uit 1830 blijkt dat de beelden er nog steeds
stonden, samen met delen van het onderstel
bestaande uit drie stukken wit marmer die als
voetstuk voor het belangrijkste onderdeel van het
monument, het standbeeld dat Joan Derk van der
Capellen moet voorstellen. Verder waren er nog
ongeveer dertig platen van verschillende soorten
en kleuren marmer. Ceracchi moet van zijn oorspronkelijk ontwerp zijn afgeweken en een meer
lineair voetstuk hebben bedacht, opgebouwd uit
verschillende kleuren marmeren platen.
De werkplaats bevond zich niet ver van het
Piazza del Popolo, in de Via della Penna, in een
pand dat eigendom was van de familie Borghese.
In 1827 begonnen onderhandelingen tussen een
vertegenwoordiger van prins Camillo Borghese
Van der Capellen als
Romein, onderdeel van
het monument; beeld in
de tuin van het Museo
Canonica in Rome.
(Uit: A marble revolutionary)
140 zwols historisch tijdschrift
ZHT3 2013.indd 20 15-10-13 09:08
en Ceracchi’s zonen over de beelden als compensatie voor de vele jaren waarin geen huur was
betaald. Maar er werd geen overeenkomst bereikt
over het bedrag dat prins Borghese wilde betalen
voor de beelden. De broers Ceracchi vonden het
bedrag veel te laag. Na de dood van prins Camillo
probeerden de Cerracchis met zijn broer prins
Francesco de onderhandelingen weer op gang
te krijgen. In 1838 leek de overdracht plaats te
gaan vinden, maar ook nu ging het niet door
omdat de beelden niet als monument zouden
worden geplaatst, maar afzonderlijk in de tuin.
Door een architect van de familie Borghese werd
voorgesteld de zaak dan maar zo snel mogelijk
op een andere manier te regelen door de beelden
te verkopen en ze tot dit plaatsvond maar in het
atelier te laten staan. Ondanks de publiciteit die
hier in een Romeinse krant in het jaar daarop aan
gegeven werd, bleef de groep beelden onverkocht.
Geen enkele maal is in de papieren de naam van
Joan Derk van der Capellen genoemd.
De erfgenamen van de beeldhouwer hadden
geen andere keus dan de beelden van het monument toch aan de familie Borghese te verkopen.
Dat gebeurde, maar helaas is niet bekend onder
welke voorwaarden. Op 10 maart 1845 werden
drie standbeelden, een leeuw en diverse marmeren platen afgeleverd aan de Villa Pinciana. Daar
is nu de Galleria Borghese gevestigd.
Het gehele complex van de familie Borghese
werd in 1901 door de Staat aangekocht en in 1903
overgedragen aan de stad Rome. Sindsdien zijn de
tuinen voor het publiek toegankelijk.
Voor de beelden van het monument van Joan
Derk van der Capellen was dat niet altijd gunstig:
op het marmer werd geschreven, kinderen gingen
op de rug van de leeuw zitten, vingers van de beelden werden afgebroken, en dergelijke.
De stad Rome heeft hiertegen actie ondernomen en de beelden in 1993 uit de tuin van de Villa
Borghese gehaald en in een afgesloten tuin, een
soort depot, achter het Museo Canonica geplaatst.
Ze zijn schoongemaakt en gerestaureerd. Toch
ontbreken er onderdelen wanneer je de huidige
beelden vergelijkt met het ontwerp. Zo heeft
Van der Capellen alleen nog het handvat van het
zwaard in zijn hand.
De marmeren vrouwen hebben een enigszins
andere houding dan op de ontwerptekening:
Vrouwe Overijssel kijkt niet omhoog naar Van
der Capellen en Minerva kijkt hem wel aan, maar
heeft haar rechter hand omlaag. Op het ontwerp
heeft zij haar arm gebogen omhoog en houdt
hierin een lange speer vast met een vrijheidshoed
daar bovenop. Op de tekening die de erfgenamen
van Ceracchi van het monument maakten om de
beelden te verkopen heeft zij haar hand, net als
het beeld dat in de tuin van het Museo Canonica
staat, omlaag.
Reconstructie van het
monument door de
zonen van Ceracchi in
verband met verkoop,
gravure 1839. (Museo
Napoleonico, Rome)
zwols historisch tijdschrift 141
ZHT3 2013.indd 21 15-10-13 09:08
142 zwols historisch tijdschrift
Plaatsing in de Grote Kerk in Zwolle
De opdracht aan beeldhouwer Ceracchi was om
een monument te maken dat in de Grote Kerk in
Zwolle geplaatst moest worden. Door de veranderde politieke situatie was het niet mogelijk de
beelden in Zwolle af te leveren. Ondanks het feit
dat ze betaald waren, is er nadien geen poging
meer gedaan ze naar Nederland te krijgen.
Ook rond 1984 toen in Overijssel de tweehonderdste sterfdag van Joan Derk van der Capellen
werd herdacht met tentoonstellingen en lezingen,
bleek het Rijk, degene die de eerste contacten met
Rome zou moeten leggen, geen belangstelling te
hebben om zich hiervoor in te spannen. Al vier
jaar daarvoor werden door vier Kamerleden van
het CDA vragen gesteld over de beelden en de
regering verzocht pogingen te doen om de beelden alsnog naar Nederland te laten komen. De
regering voelde hier toen weinig voor.
Een paar jaar geleden is dat veranderd. Dagblad de Stentor publiceerde verschillende artikelen over de beeldengroep. Als vervolg daarop
werden in mei 2009 opnieuw Kamervragen
gesteld, nu door de voormalige leden van de
Zwolse gemeenteraad Eddy van Heijum en Arie
Slob. Minister Plasterk wilde pogingen om de
beelden naar Nederland te halen ondersteunen.
Ook de provincie Overijssel en de gemeente
Zwolle waren bereid contacten te leggen met
huidige eigenaren, de stad Rome, om de beelden
in bruikleen te krijgen en in de Grote Kerk in
Zwolle te plaatsen, de plaats waar het monument
volgens de opdrachtgevers voor bedoeld was. Het
maken van afspraken over het bruikleen van de
beelden met de stad Rome bleek geen eenvoudige
zaak. Maar na een paar jaar lijken de afspraken nu
voor beide partijen, de stad Rome en de gemeente
Zwolle, vast te liggen. De beelden zullen, als alles
volgens plan gaat, in het voorjaar van 2014 naar
Nederland komen.
Literatuur
De wekker van de Nederlandse Natie, Joan Derk van der
Capellen 1741-1784, Waanders, 1984
A marble revolutionary, The Dutch Patriot Joan Derk
van der Capellen and his Monument, Royal Netherlands Institute Rome, 2011
Vrouwe Overijssel, in
de tuin van het Museo
Canonica in Rome.
(Uit: A marble revolutionary)
ZHT3 2013.indd 22 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 143
De Republiek belaagd en Zwolle bezet door
Bommen Berend:
Gesprek met historicus Luc Panhuysen over
het Rampjaar 1672
Begin jaren negentig zat ik als jong broekie in
twee Atheneum, op het Meander College te
Zwolle. Ik was een echte leerbal, al ontkende
ik dat altijd heftig. Geschiedenis was toen al een van
de vakken waar ik me het meest voor interesseerde.
Later zou het mijn studie worden. Onze docent
Geschiedenis op het Atheneum, de heer Bakker, gaf
ons de opdracht een werkstuk te maken. Ik koos voor
het Rampjaar 1672, want ik vond het intrigerend
dat Nederland destijds van alle kanten werd aangevallen en toch op wonderbaarlijke wijze overeind
bleef. Als kind had ik in het Groningse Vlagtwedde
gewoond. Het werkstuk behandelde daarom ook de
lotgevallen van het nabijgelegen fort Bourtange, als
een persoonlijke noot. Bourtange was de vesting die
net als de grote stad Groningen stand hield tegen
Bommen Berend, een van de agressoren tijdens het
Rampjaar. Ik was een aantal keer in Bourtange
geweest en dat had grote indruk gemaakt; de verdedigingswallen, de grachten, de kanonnen, de oude
bebouwing, enzovoort.
1
Luc Panhuysen
Nu, zo’n twintig jaar later, schrijf ik weer over dat
bijzondere jaar 1672, waarin ‘het volk redeloos, de
regering radeloos en het land reddeloos’ was. Dit
keer heb ik gekozen voor het Zwols perspectief
en een interview met de Zwolse historicus Luc
Panhuysen (1962), schrijver van het boek Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang
ontsnapte. In dit boek beschrijft Panhuysen aan
de hand van de correspondentie van het vooraanstaande gezin Van Reede – een vader, een moeder
en hun zoon – deze dramatische periode in het
bestaan van de Republiek.
Het gesprek vindt plaats in Panhuysens fraaie
huis. We zitten in zijn werkkamer, tussen de
boekenkasten, vol prachtige geschiedenisboeken
en andere bronnen. Wat begint als een interview
over zijn boek, wordt al gauw een geanimeerd Wouter Geerling
gesprek met een gepassioneerd historicus. Panhuysen haalt zo nu en dan enthousiast een boek
uit de kast of wijst op een landkaart om zijn verhaal over het Rampjaar te illustreren.
Waarom schreef Panhuysen een boek over dat
Rampjaar? ‘Ik schrijf graag over mensen van het
verleden. Geschiedenis is niet een ontwikkeling
van instituties, ook niet van gebouwen, maar van
mensen! Mensen worden interessant als ze in uitzonderlijke situaties terecht komen.
Rampjaar 1672. Hoe de Republiek
aan de ondergang ontsnapte
Hoe kwam het dat de Republiek het Rampjaar overleefde? De briefwisseling van de adellijke familie Van Reede brengt het Rampjaar tot leven.
Godard Adriaan, baron van Reede (1621-1691) en vader van het gezin,
werkt als ambassadeur in Berlijn aan de belangrijkste opdracht van zijn
leven: het redden van zijn vaderland.
Zijn vrouw, Margaretha Turnor
(1613-1700), bevindt zich in de
stroom vluchtelingen op zoek naar
veiligheid in het gewest Holland. En
Godard, heer van Ginkel (1644-1703),
de zoon, vecht als officier mee in het
leger van stadhouder Willem III.
Auteur Luc Panhuysen baseerde zijn
boek voornamelijk op de brieven die
de drie gezinsleden elkaar schreven en
bestudeerde daarnaast de kranten uit
die tijd. [De VPRO maakte in 2009 de
OVT-radiodocumentaire Rampjaar
1672, gebaseerd op het boek. Deze
documentaire is te beluisteren op
http://www.geschiedenis24.nl.]
Luc Panhuysen
ZHT3 2013.indd 23 15-10-13 09:08
144 zwols historisch tijdschrift
Oorlog is zo’n uitzonderlijke situatie.’ Bovendien had de historicus prachtige bronnen tot zijn
beschikking; de briefwisseling binnen een vooraanstaande familie. ‘De bronnen die ik had, waren
fantastisch. De ervaringskant komt sterk naar
voren, dat is leuk voor de lezer. Het gaat in mijn
boek om overleven, het is de overlevingsstrijd van
het gezin Van Reede. Die gebruik ik als spiegel
voor het grotere geheel.’
Wat gebeurde er ook alweer in dat beruchte
jaar 1672? En hoe onderging Zwolle deze beproevingen?
Nederland van alle kanten belaagd
Het was de zeventiende eeuw, een tijd van constante oorlogsvoering in Europa. En nu moest
ook de Republiek er aan geloven. In 1672 begon
de Hollandse Oorlog. De Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden werd aangevallen
door Frankrijk, Engeland en de Duitse bisdommen Münster en Keulen, met de Franse koning
als grootste antagonist. Het was een aanval op
ongekende schaal: de Zonnekoning, Lodewijk
XIV, liet niets aan het toeval over. Hij wilde wraak
nemen op de ketterse Republiek, nadat raadpensionaris Johan de Witt hem tijdens de Devolutieoorlog (1667-1668) had verhinderd de Spaanse
Nederlanden in te lijven. De koning had daarom
middels sluwe diplomatie en aanzienlijke geldbedragen zowel Karel II van Engeland als de twee
Duitse bisschoppen Christoph Berend van Galen
en Maximiliaan Hendrik van Beieren aan zijn
zijde gekregen. Daarnaast sloot hij met de Duitse
keizer Leopold I in 1671 een geheim neutraliteitsverdrag, waarin de keizer beloofde bij een Franse
invasie van de Republiek afzijdig te zullen blijven.
Nadat hij alles tot in de puntjes had voorbereid,
viel Lodewijk in 1672 vanuit het zuiden aan met
een ongekend groot leger van 120.000 soldaten.
De Engelse vloot bestookte de Republiek in het
westen en het noorden en de twee Duitse bisschoppen vielen aan vanuit het oosten. De Republiek was totaal omsingeld en het land leek ten
dode opgeschreven.
Blitzkrieg
Het Franse leger had niet de geijkte korte route
door de Spaanse Nederlanden (België) kunnen nemen, omdat Lodewijk de machtige Duitse keizer (familie van het Spaanse koningshuis)
niet in de oorlog wilde betrekken. Frankrijk had
daarom de Duitse bisdommen tot bondgenoot
gemaakt, zodat de Zonnekoning via hun grondgebied de Republiek kon binnenvallen. Het enorme
Franse leger was pijlsnel opgetrokken, als een
Blitzkrieg avant la lettre. ‘Lodewijk had een walk
over gepland,’ vertelt Panhuysen. ‘Het begin van
die veldtocht is uniek, vanwege de hoge snelheid
door gebruik van het zogenaamde “magazijnstelsel”.’ Langs de route van de optrekkende troepen
Overzicht van de aanvallen op de Republiek
in 1672. Niet ingetekend is de EngelsFranse vloot die vanaf
de Noordzee kwam.
(Uit: De Bosatlas van
de geschiedenis van
Nederland)
ZHT3 2013.indd 24 15-10-13 09:08
zwols historisch tijdschrift 145
waren opslagplaatsen aangelegd met voorraden
voedsel, wapens en uitrusting. ‘De Fransen
konden daardoor veel sneller optrekken dan de
Nederlanders dachten.’
Nadat de troepen van Lodewijk XIV de Republiek waren binnengevallen, staken zij in juli 1672
onverwachts de Rijn over, bij Lobith. Door de IJssellinie op die manier te omzeilen was Frankrijk in
staat op snelle wijze veel grondgebied te bezetten.
Ook de twee bisschoppen lieten zich niet onbetuigd en veroverden grote delen van het noorden
en oosten van het land. Ondertussen bedreigde de
Engelse vloot de Nederlandse kusten.
Wat vo

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 1

Door | 2013, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

30e jaargang 2013 nummer 1 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Voor Zwolle
Vijftig jaar
gemeentelijke
monumentenzorg
Omslag: De koningsstijl in de kap van de toren van
de Peperbus met bouwjaar 1828 en naam van de
stadsarchitect H. Klinkert. (Gemeente Zwolle)
zwols historisch tijdschrift 3
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 2
Voorwoord Gerrit Piek 3
Voor Zwolle
Vijftig jaar gemeentelijke monumentenzorg
Henry Kranenborg 4
Tijdlijn Bouwstijlen Team monumentenzorg 22
Ruimtelijke ontwikkeling van
het stadscentrum Peter Boer 24
‘Soe dattet een Ewijch Werck mach bliven’
Restauraties onder de Peperbus
Johan Teunis 37
Het nieuwe wonen in Zwolle
Jan van de Wetering 51
Monumentenzorg en de praktijk
Over ambtenaren, politiek en betrokken
burgers Annèt Bootsma – van Hulten 56
Mededelingen 65
Auteurs 66
2 zwols historisch tijdschrift
Suikerhistorie
Cafetaria ‘De Sassenpoort’
De Sassenpoort en de Peperbus behoren tot de
mooiste en bekendste gebouwen van Zwolle. Al
zes eeuwen lang vormt de Sassenpoort de toegang naar de stad als je vanuit het zuiden nadert.
De Peperbus is van jongere datum dan de poort,
maar vanwege de hoogte bepaalt de Peperbus
het silhouet van de stad. Na een vakantie voelt de
Zwollenaar zich weer thuis als hij de Peperbus in
zicht krijgt.
Het valt anno 2013 bijna niet meer voor te
stellen dat er aan het eind van de negentiende
eeuw plannen bestonden om de Sassenpoort af
te breken. Dit middeleeuwse relict werd toen als
passé ervaren, Zwolle moest mee in de vaart der
volkeren en de poort was een sta-in-de-weg voor
het toenemende verkeer. Er werd een oplossing
gevonden door in 1904 een huis aan de westzijde
van de poort af te breken en daarmee een ruimere
doorgang te maken voor het verkeer dat de stad
verliet. Gelukkig voor latere generaties bleef zo de
monumentale Sassenpoort behouden.
De afbeelding van de Sassenpoort en van de
Peperbus is (en wordt) vaak gebruikt om Zwolle
te visualiseren en te promoten. Ook de horeca
haakt daar op in. Toen in 1957 in het pand Sassenstraat 54 een cafetaria geopend werd, kreeg het de
naam ‘De Sassenpoort’. Het eethuisje was gevestigd tegenover de Handelsschool (= het Refter aan
het Bethlehemse Kerkplein). Nog altijd kan men
hier de inwendige mens versterken. De Hollandse
keuken heeft intussen plaats gemaakt voor de
Mexicaanse. Het is er goed eten. Buen apetito.
Wim Huijsmans
De Sassenpoort in de eerste helft van de jaren zestig. (Collectie HCO)
(Collectie ZHT)
Redactioneel
U heeft een monumentaal nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift in handen. Dit dubbeldikke
nummer staat in het teken van vijftig jaar monumentenzorg in Zwolle en is tot stand gekomen in
nauwe – en plezierige – samenwerking met het team
monumentenzorg van de gemeente. Het thema
wordt belicht vanuit meerdere perspectieven.
Als eerste komt monumentenzorgmedewerker Henry Kranenborg aan bod. Hij geeft een
overzicht van vijftig jaar gemeentelijke monumentenzorg. Welke keuzes werden gemaakt en
waarom? Wat is het verschil tussen historiserend
en conserverend restaureren? Peter Boer, wiens
bureau ARCX samenwerkt met monumentenzorg, geeft een samenvatting van de ruimtelijke
ontwikkeling van het stadscentrum door de eeuwen heen. Johan Teunis, monumentenzorgmedewerker, toont een selectie van de belangrijkste
restauraties, telkens met een korte geschiedenis.
Belangrijkste item: een persoonlijk verhaal over
de restauratie van de Peperbus, icoon van Zwolle.
Een perspectief dat soms wordt vergeten, is
dat van bewoners. Monumenten zijn immers vaak
woonhuizen. In een autobiografisch verhaal vertelt
Jan van de Wetering onder meer over de verbetering van leefomstandigheden in naoorlogse woningen, zoals de komst van de douche.
In een groot interviewartikel laat Annèt
Bootsma ook weer verschillende gezichtspunten
zien. Eerst komen de huidige monumentenzorgmedewerkers Carl Borst, Henry Kranenborg en
Johan Teunis aan het woord. Daarna is het de
beurt aan de politiek met oud-wethouder Margriet
Meindertsma, zij had monumentenzorg in haar
portefeuille, en Jan de Jong, eind jaren tachtig chef
monumentenzorg Zwolle. Ten slotte vertelt
Pieter Lettinga, van de Vereniging Vrienden van de
Stadskern, over hun strijd om het behoud van de
prachtige Zwolse monumenten.
4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 5
Vijftig jaar monumentenzorg in Zwolle
is een moment om bij stil te staan. De
historie laat zien dat die zorg alleen geen
garantie betekent dat monumentale gebouwen
ook behouden blijven; denk bijvoorbeeld aan
de sloop van de St. Michaëlskerk in 1965 en het
Gouverneurshuis in 1985. Voor behoud is meer
nodig: betrokken inwoners, gedreven eigenaren,
een actieve raad. Die waren en zijn in Zwolle aanwezig en daardoor zijn belangrijke delen van de
binnenstad in stand gebleven, bijvoorbeeld in de
jaren zeventig met de strijd om het stadhuis. Ook
het Openluchtbad is behouden door de inzet van
betrokken inwoners, die daardoor een nieuwe toekomst hebben gegeven aan het bad. Bekroning van
die inzet is de complete renovatie die het bad het
afgelopen jaar heeft ondergaan. Monumentenzorg
is echter meer dan behoud van grote monumentale
gebouwen. Het gaat ook om de vele kleinere panden, die de binnenstad, maar ook de wijken rond
de binnenstad, vormen. Behoud daarvan kan alleen
met de steun en betrokkenheid van bewoners. Dat
geldt bijvoorbeeld voor de Zaagtandwoningen in
Assendorp of de Krekenbuurt in de Aa-landen.
Die gezamenlijke inzet en betrokkenheid
zijn ook in de toekomst hard nodig. Nu door de
economische crisis de middelen afnemen, zijn
we nog meer dan in het verleden aangewezen op
de creativiteit van ons allen. Want monumentenzorg is niet alleen het herstellen van wat door
de tand des tijds is aangetast, maar ook het geven
van nieuwe functies aan deze gebouwen. Behoud,
alleen om wat het was, is slechts bij uitzonderlijke monumenten mogelijk. Andere moeten een
(nieuwe) functie krijgen om te blijven bestaan.
Ik zie dat als het doorzetten van een historische
lijn. Veel van onze monumenten in de binnenstad
hebben door de eeuwen heen wisselende functies
gehad. Alleen daardoor zijn ze er nog.
Voorwoord
Gerrit Piek, wethouder
Monumentenzorg en
Archeologie
Terugkijkend op vijftig jaar monumentenzorg
mogen we trots zijn op wat er is bereikt. Recentelijk alleen al de renovatie van de molens in
Zwolle, de fontein op het Van Nahuysplein, het
Openluchtbad, het Dominicanenklooster, Huize
Soeslo, het Karel de Vijfdehuis en daarnaast de
verbouw van de Broerenkerk en De Fundatie.
Zwolle kent veel rijksmonumenten en het aantal
gemeentelijke monumenten groeit nog steeds.
Die groei is er mede door de grote betrokkenheid
van velen, zij hebben ons gewezen op bijzondere
panden en bouwwerken in de stad.
Daarbij is er de laatste jaren ook steeds meer
aandacht voor de naoorlogse bouw. Dat is een
belangrijke ontwikkeling. Het is ook een ontwikkeling die om een stevige discussie vraagt: waar
eindigt monumentenzorg en begint nostalgie;
waar eindigt behoud van waarden en begint de
rem op de ontwikkeling van een ‘eeuwennieuwe’
stad. Sinds kort hebben cultuurhistorische waarden ook een plek in bestemmingsplannen. Ook
dat noopt tot grondige discussies: waar ligt de
waarde en hoe bescherm je die op de juiste wijze.
Beschermen is niet gelijk aan conserveren.
Toevoegen, herwaarderen naar deze tijd kan ook
een optie zijn. Waarbij wij ons er altijd bewust
van moeten zijn dat wij ook beïnvloed worden
door de tijd waarin we leven. Eeuwige waarheden
bestaan niet, in de toekomst zullen onze keuzes
opnieuw gewaardeerd worden. In dat licht is het
belangrijk dat er in de toekomst nog gekozen kan
worden.
Tenslotte, monumentenzorg is een onderdeel
van de gehele stadsontwikkeling. De kwaliteit van
de binnenstad is door de eeuwen heen gevormd
door bouw, renovatie, sloop en nieuwbouw. Er
is geen reden om die ontwikkeling nu te stoppen. Ook deze eeuw zal haar bijdrage aan de stad
leveren.
Voor Zwolle
Vijftig jaar gemeentelijke monumentenzorg
‘Op 26 november 1962 keurde de raad
van de gemeente Zwolle de verordening op het bureau voor Huisvesting
en Monumentenzorg goed. De datum van de
inwerkingtreding werd bepaald op 1 januari
1963.’ Zo begint het boekje Met het oog op gisteren
dat in 1988 verscheen ter gelegenheid van het
25-jarig bestaan van de gemeentelijke monumentenzorg. Met deze verordening werd het
fundament gelegd voor een actieve gemeentelijke
monumentenzorg.
Nu, vijftig jaar later, bestaan er ongetwijfeld
verschillende beelden over monumentenzorg. Bijvoorbeeld als we genieten van de vele historische
gebouwen die Zwolle rijk is. Soms, als er sloopplannen zijn, gaat het om de vraag waarom een gebouw
geen monument is. Het bekendste voorbeeld in
Zwolle was de sloop van het Gouverneurshuis in
1985. Die sloop had belangrijke gevolgen voor de
koers van monumentenzorg. Monumentenzorg
is echter meer. Het is een keten van mensen die
op verschillende manieren bij een monument
betrokken zijn. Zoals een eigenaar of gebruiker
van een monument, een (restauratie)architect,
een (restauratie)aannemer, een bouwhistorisch of
kleurhistorisch onderzoeker of een schilder. Maar
ook de betrokkenheid en inzet van Vereniging
Vrienden van de Stadskern Zwolle, Stadsherstel
Zwolle, het Zwols Architectuur Podium en vele
anderen bewijst dat de zorg voor onze stad en haar
monumenten een gezamenlijke zorg is.
Met welk doel is de gemeentelijke monumentenzorg ingesteld? En is dat doel de afgelopen
vijftig jaar verwezenlijkt? Het is onmogelijk en ook
onnodig om alle aspecten van de gemeentelijke
monumentenzorg in één artikel te beschrijven.
Daarom worden hier een aantal onderwerpen
beschreven, die een inkijk geven in het gemeentelijk beleid, de werkzaamheden van de medewerkers
monumentenzorg en een belangrijk instrument
van de monumentenzorg: de monumentenlijst.
Links: Boekje ter
gelegenheid van het
25-jarig bestaan van de
gemeentelijke monumentenzorg in 1988,
geschreven door Jaap
Hagendoorn.
Het Flevogebouw
aan de Menno van
Coehoornsingel waar
monumentenzorg van
1973 tot en met 2000
was gehuisvest. (Foto
Henneke, collectie
HCO)
Henry Kranenborg
6 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 7
Vijftig jaar in vijf beleidsnota’s
In de afgelopen vijftig jaar heeft de gemeenteraad
vijf beleidsnota’s over de monumentenzorg vastgesteld. Deze nota’s geven een beeld van de opvattingen over de monumentenzorg en de keuzes die
het gemeentebestuur daarin heeft gemaakt. De
beleidsnota’s gaan in op de onderwerpen die op dat
moment actueel waren. Uit vele pagina’s beleid vallen in vogelvlucht een aantal punten op.
Twaalf jaar nadat de verordening op het
bureau Huisvesting en Monumentenzorg in werking was getreden, werd de beleidsnota
Herlevende historie, Monumenten in Zwolle
(1975) door de gemeenteraad vastgesteld. In deze
eerste monumentenbeleidsnota werd onder meer
het woonhuis- en kerkenprogramma aangekondigd. Daarmee werd tot een planmatige aanpak
van restauraties gekomen. Het beleid was met
name gericht op restauraties in zogeheten ‘concentratiegebieden’ in de binnenstad. Een voorbeeld van zo’n gebied was het nieuwbouwplan
van de architecten Aldo van Eyck en Theo Bosch
rond de Bitterstraat. Dit plan diende lange tijd als
voorbeeld voor stadsvernieuwingsarchitectuur in
Nederland en ook internationaal.
Een mijlpaal in de gemeentelijke monumentenzorg was het raadsbesluit van 17 december
1985 waarin de Verordening op het behoud
van monumenten in de gemeente Zwolle werd
aangenomen. Deze verordening was de formele grondslag om gemeentelijke monumenten
aan te kunnen wijzen. In de daarop volgende
beleidsnota Om het karakter van de stad stelde de
gemeente Zwolle zich ten doel: ‘de bescherming
van cultuurhistorisch waardevol erfgoed teneinde
daarmee een bijdrage te leveren aan een goed
leefmilieu en een aantrekkelijk stadsbeeld.’ Het
accent van het gemeentelijk beleid zou daarbij
vooral op het exterieur van te beschermen panden
worden gelegd. De beleidsnota ging vervolgens
in op de instrumenten zoals de aanpassing van
de Monumentenverordening voor de exterieurbescherming en op de criteria voor plaatsing van
panden op de monumentenlijst. De nota werd in
1989 opgevolgd door de Nota monumentenbeleid.
Daarin werd besloten om de meest waardevolle
elementen uit de groep, zogeheten ‘beeldbepalende panden’, aan te wijzen als gemeentelijk
monument. De aanduiding beeldbepalend pand
was feitelijk een subsidiestatus om in aanmerking
te komen voor (rijks)subsidies. Nadat deze subsidiestromen verminderden, werd daarom de focus
op de gemeentelijke monumenten gelegd.
De gemeenteraad stelde op 31 oktober 1994
de uitgangspunten voor het monumentenbeleid
1994-1998 vast, ook wel Werkprogramma 1994-
1998 genoemd. Deze nota ging in op restauratie
en onderhoud van monumenten en het daarbij
horende financiële kader. Verschillende restauraties kregen in die periode landelijke aandacht,
zoals de restauratie van de Hoge Spoorbrug, de
Grote Katerveersluis en de Statenzaal.
Als vervolg op het Werkprogramma 1994-
1998 stelde het college van burgemeester en wethouders op 2 maart 1999 het Werkprogramma
1999-2002 vast. Tijdens behandeling in de Raadscommissie Ruimte op 16 maart 1999 bleek dat de
naam ‘werkprogramma’ te bescheiden was voor
het meest uitgebreide beleidsstuk voor de monumentenzorg in Zwolle. De nota werd op 24 januari 2000 door de gemeenteraad vastgesteld. Het
beleid met de uiteindelijke naam Dynamiek van
Oud & Nieuw – Zwols monumenten- en archeologiebeleid na de eeuwwisseling is nog steeds het
geldende beleid voor de monumentenzorg. De
centrale doelstelling van het monumentenbeleid
is daarin als volgt geformuleerd: ‘instandhouding
van historisch waardevolle objecten, complexen,
openbare ruimte en stedenbouwkundige en
landschappelijke structuren.’ Een vergelijkbare
doelstelling wordt in elke Zwolse monumentenbeleidsnota op een eigen manier omschreven en
vormt daarmee de algemene doelstelling van de
afgelopen vijftig jaar monumentenzorg.
In de beleidsnota’s zijn drie hoofdlijnen te ontdekken. Allereerst wordt de basis gevormd door
het doel van en door het instrumentarium voor
de uitvoering van het gemeentelijk beleid. Een
tweede onderdeel is de inventarisatie en de aanwijzing van monumenten. Dit onderdeel richtte
zich in de vier beleidsnota’s tot het eind van de
jaren negentig van de vorige eeuw hoofdzakelijk
op de periode van Jonge Bouwkunst (1850-1940).
Nadat de aanwijzingen uit deze periode waren
afgerond, werd de doelstelling in de vijfde beleidsnota gericht op andere thema’s, zoals bouwhistorisch waardevolle objecten en naoorlogs erfgoed.
Tenslotte zijn restauraties en onderhoud van
monumenten, met de daaraan gekoppelde subsidie-instrumenten, een terugkerend onderdeel van
de beleidsnota’s. Het uiteindelijke doel van het
monumentenbeleid is immers de instandhouding
van de monumenten door onderhoud en restauratie en door een passende functie.
Werkzaamheden
Beleidsnota’s schetsen de kaders waarbinnen uiteindelijk wordt gewerkt. Maar welke werkzaamheden worden nu feitelijk door de monumentenzorgmedewerkers uitgevoerd?
De werkzaamheden van het bureau Monumentenzorg bestonden in de eerste jaren na
oprichting veelal uit het opbouwen van een fotoen tekeningenarchief, het verwerven van restauratiemateriaal uit gesloopte panden in de binnenDe eerste beleidsnota
‘Herlevende historie,
Monumenten in Zwolle’. (Gemeente Zwolle)
Rechts: Katerveersluis,
de nieuwe sluis in de
oude sluispoort, 1992.
(Collectie HCO)
Beleidsplan ‘Dynamiek
van Oud & Nieuw –
Zwols monumentenen archeologiebeleid
na de eeuwwisseling’
uit 2001. (Gemeente
Zwolle)
De reconstructie van
de stadsmuur op het
Eiland, jaren zeventig.
(Collectie HCO)
8 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 9
stad en uit het opstellen en (laten) uitvoeren van
restauratieplannen. Voorbeelden van toenmalige
restauraties zijn de stadsmuur aan de Buitenkant,
het Celecomplex, het Hopmanshuis, de Hoofdwacht en het Langhuis. De restauraties stonden
onder directie van het bureau Monumentenzorg
en van Zwolse architecten zoals Th.G. Verlaan,
D. Hartsuiker, W. Wormhoudt en M. Meijerink.
Ook in de jaren zeventig en begin jaren tachtig
werd er mede dankzij het kerkenrestauratieplan
en het woonhuisprogramma (met bijbehorende
subsidies) veel gerestaureerd. Het restauratieen rehabilitatiebeleid kreeg zelfs internationale
erkenning. In 1983 ontving de gemeente de
Europa Nostra Award voor de restauratie van
acht panden op de hoek van de Steenstraat en de
Waterstraat. De restauratie omvatte het herstel
van historische panden maar ook nieuwbouw,
waarbij de bestaande historische gevel werd
behouden. Een ingemetselde gevelsteen herinnert
nog aan deze onderscheiding.
Decentralisatie van taken en bevoegdheden
Per 1 januari 1989 werd de eerste Monumentenwet uit 1961 opgevolgd door de Monumentenwet 1988. Met deze nieuwe wet werd een
aantal taken van de rijksoverheid aan gemeenten
overgedragen. De belangrijkste verandering
voor de gemeente was de decentralisatie van de
bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen.
Voorwaarde daarbij was dat de gemeenteraad een
verordening had vastgesteld, waarin de instelling van een zogeheten ‘monumentencommissie’
was geregeld. Deze commissie, die tegenwoordig
onderdeel uitmaakt van de geïntegreerde welstands-/monumentencommissie, adviseert het
college van B en W over aanvragen om vergunningen. De gemeente moest daarnaast ook bij alle
vergunningaanvragen advies vragen aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Deze adviesplicht is in 2009 overigens beperkt tot adviezen
waarbij het voortbestaan van het monument in
geding zou kunnen zijn, zoals ingrijpende (functie)wijzigingen en reconstructie. De Monumentenwet 1988 bood de mogelijkheid om de nieuwe
bevoegdheid tot het verlenen van monumentenvergunningen voor vijf jaar bij het Rijk te laten.
Gedurende die periode kon de gemeente zich op
de nieuwe taak voorbereiden. De gemeenteraad
besloot in de nota monumentenbeleid van 1989
van deze uitstelmogelijkheid gebruik te maken.
Van architect naar adviseur
Met de decentralisatie van bevoegdheden was, ook
landelijk gezien, een cultuuromslag merkbaar.
Monumentenzorg kwam dichter bij de monumenteigenaren en burgers te staan. Een monumenteigenaar hoefde niet langer in contact te treden
met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, die
destijds in Zeist was gehuisvest. Men kon voor een
vergunning of advies dichtbij een afspraak maken
met monumentenzorg in het Flevogebouw.
Mede vanwege de decentralisatie wijzigden
de taken van monumentenzorg in de loop van de
jaren tachtig. De werkzaamheden als restauratiearchitect en als ontwerper van nieuwe invullingen
in de stad, die sinds de beginjaren werden uitgevoerd, werden afgebouwd. De werkzaamheden
bestonden eind jaren tachtig in grote lijn uit drie
categorieën werkzaamheden:
1. Werkzaamheden ten aanzien van rijksmonumenten. Zoals advisering over aanvragen tot
aanwijzing tot monument, planoverleg met de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg, behandeling van subsidieaanvragen, meerjarenramingen,
bestuursadvisering, informatieverstrekking aan
eigenaren, onderzoek naar bouwgeschiedenis,
historisch onderzoek bij plannen en werkzaamheden over de samenhang tussen monumentenzorg
en stadsvernieuwing. Vergelijkbare werkzaamheden werden uitgevoerd ten aanzien van gemeentelijke monumenten;
2. De zorg voor monumenten in gemeentelijk
bezit door het laten uitvoeren van restauraties en
onderhoud. De meeste tijd werd daarbij besteed
aan interne adviezen over onderhoud en aan de
begeleiding van werkzaamheden;
3. Een actief informatiebeleid over monumentenzorg. Een voorbeeld daarvan zijn brochures over
monumentenonderwerpen zoals Een goed voorbeeld van restauratie en hergebruik: Sassenstraat
21.
Daarnaast brachten het aannemen van de
gemeentelijke monumentenverordening in 1985
en het opstellen van een gemeentelijke monumentenlijst een uitbreiding van taken met zich
mee. In die periode wijzigde het historiserend
restaureren langzamerhand in conserverend
restaureren. Bij historiserend restaureren poogde
men de oorspronkelijke staat van een monument
te reconstrueren, zelfs als die oorspronkelijke
staat nooit had bestaan. Een Zwols voorbeeld van
historiserend restaureren is de Pelsertoren. De
bovenbouw is door architectenbureau Verlaan
en Nijhof gewijzigd van het destijds aanwezige
schuine dak in een ommuring met kantelen,
schietgaten en een torentje. Hierbij is aan de
hand van historische tekeningen getracht een
oorspronkelijke toestand terug te brengen. Of de
toren er ooit daadwerkelijk zo heeft uitgezien, valt
niet met zekerheid te zeggen.
Bij conserverend restaureren wordt het monument hersteld in de toestand waarin het zich
bevindt. Noodzakelijke toevoegingen worden met
eigentijdse materialen vormgegeven. Daarmee
blijft een toevoeging herkenbaar als toevoeging
uit een bepaalde periode en blijft het monument
als het ware ‘leesbaar’. Een recent Zwols voorbeeld is de restauratie en herbestemming van het
Spinhuis tot hotel en restaurant (Librije’s Zusje).
Nieuwe toevoegingen zijn als zodanig herkenbaar, maar de sfeer van de voormalige gevangenis
is nog volop aanwezig.
Achterzijde Waterstraat 32-38, voor de
restauratie. (Collectie
HCO)
Achterzijde Waterstraat 32-38, na de
restauratie. (Collectie
HCO)
Pelsertoren en poort
voor restauratie, 1972.
(Collectie HCO)
Pelsertoren en poort na
restauratie. (Collectie
HCO)
10 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 11
De monumentenwerkzaamheden zijn tegenwoordig nog grotendeels gelijk aan de geschetste
werkzaamheden aan het einde van de jaren
tachtig. Het contact met de monumenteigenaren
en het (werk)bezoek aan de monumenten staat
daarbij voorop. Samen met een eigenaar worden
de mogelijkheden onderzocht om het monument
aan te passen aan de wensen en functies van de
huidige tijd. De praktijk heeft uitgewezen dat
contact met monumentenzorg in een vroegtijdig
stadium van een planproces van groot belang is
voor zowel het monument als de eigenaar. Kansen
en valkuilen worden het liefst al in schetsplanfase
besproken waarbij, indien nodig, ook vooroverleg met de welstands-/monumentencommissie
en/of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
plaatsvindt. Het voordeel voor de eigenaar is dat
teleurstellingen door een afwijzend advies, na een
vaak lange tijd van planvoorbereiding met daaraan verbonden kosten, worden voorkomen. Bij de
beoordeling van wijzigingsplannen zijn de monumentale waarden het uitgangspunt. De door de
gemeenteraad vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften voor onderhoud en herstel van beschermde
monumenten geven daarbij kaders. De gevolgen
van de wijzigingen, de belangen van de eigenaar
en het gebruik van het monument worden in de
beoordeling zorgvuldig afgewogen. Wijzigingen
aan een monument zijn dus niet per definitie
verboden. Noch de eigenaar, noch de gemeente,
noch het monument zijn immers gebaat bij leegstand en verval. Het doel van de vergunning is om
er zorg voor te dragen dat monumentale waarden
niet onnodig verloren gaan. Bouwhistorisch of
cultuurhistorisch onderzoek geeft bij de behandeling inzicht in de belangrijke monumentale
waarden, zoals authentiek (bouw)materiaal of een
beschermde (tuin)aanleg.
Naast deze planadvisering en de begeleiding
van restauraties behoren nog vele andere taken
bij monumentenzorg. Voorbeelden daarvan zijn
werkzaamheden ten aanzien van de verlening
van onderhouds- en restauratiesubsidies voor
gemeentelijke monumenten, informeren van
monumenteigenaren, architecten en aannemers,
advisering over erfgoedonderwerpen aan het
gemeentebestuur, interne advisering over monumenten in gemeentelijk eigendom, contacten met
de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en met
de Federatie Grote Monumentengemeenten in
Nederland (waartoe Zwolle behoort), het documenteren en ontsluiten van monumentengegevens en het beheren van de werf met historische
(bouw)materialen.
Van RRM naar Brim
De gemeente heeft circa twintig jaar een belangrijke taak gehad in het toekennen van subsidies
voor de restauratie van rijksmonumenten. Het
Rijk had daar subsidieregelingen voor opgesteld,
met namen als Rijkssubsidieregeling Restauratie
Monumenten (RRM-1986) en Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten (BRRM-1991
en Brrm-1997). Zwolle moest daarvoor tot 1997
jaarlijks een meerjaren restauratieprogramma
opstellen. Daarin raamde de gemeente de subsidiebehoefte over een termijn van vijf jaren. Het
Rijk kende vervolgens middels een landelijke verdeelsleutel subsidiebudget toe. Als een monument
op het meerjarenprogramma voorkwam, kon een
monumenteigenaar vervolgens subsidie aanvragen. Om overzicht te houden op de staat van de
monumenten hield monumentenzorg op een speciale kaart de kwaliteit van rijksmonumenten bij.
Op de kaart werd aangegeven of de kwaliteit van
een pand goed, matig of slecht was.
Vanaf 1997 moest de gemeente eenmaal per
vier jaar een restauratiebehoefteraming bij het
Rijk indienen. Deze behoefteraming bestond uit
een technische inventarisatie van alle rijksmonumenten die gedeeltelijk of volledig restauratie
behoefden. Het Rijk kende vervolgens subsidiebudgetten toe. Gemeenten met honderd of meer
beschermde rijksmonumenten, waaronder Zwolle, kregen ‘eigen’ budgetten (de budgethoudende
gemeenten). Voor de overige gemeenten werden
de budgetten op provinciaal niveau verdeeld. In
het Gemeentelijk Restauratie-Uitvoerings Programma (GRUP) kende de gemeente het budget
toe aan restauraties. Op basis daarvan kon de
monumenteigenaar de eigenlijke subsidie bij het
Rijk aanvragen.
Het uitvoeren van de behoefteraming zorgde
voor veel contact met monumenteigenaren. De
ervaring leerde dat er tijdens zo’n bezoek tal van
zaken aan de orde kwamen. Voor veel bewoners
en eigenaren van een pand was het een mooie
gelegenheid vragen te stellen of hun ongenoegen
te uiten. Door vragen te beantwoorden of door te
verwijzen naar de juiste instantie ontstond vaak
een sfeer waarin een goed inhoudelijk gesprek
over de instandhouding van het monument
mogelijk werd.
Het eerste GRUP werd op 3 maart 1998 door
het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Hoewel het jaarlijks beschikbare budget
ten opzichte van de meerjarenprogramma’s licht
steeg naar ruim ƒ 800.000,-, was er jaarlijks een
structureel tekort. De restauratiebudgetten werden daarom toegekend op basis van technische
urgentie en, indien er overeenstemming met een
eigenaar was, dat de restauratie daadwerkelijke
zou worden uitgevoerd. Onder meer de restauraHerbestemming van
’t Spinhuis tot Librije’s
Zusje. (Foto Hans Westerink)
Tekeningen Hofvliet:
oude toestand en nieuwe toestand, zichtbaar
zijn de wijzigingen die
de restauratie met zich
mee heeft gebracht.
(Gemeente Zwolle,
architect BP+A architectuur)
Links: Opgeslagen
gevelornamenten Roo
Haen op de werf.
Het pand op de hoek
RodehaansteegDiezerstaat werd
gesloopt ten behoeve
van het nieuwe provinciehuis dat in 1896-
1898 in neogotische
stijl werd gebouwd.
(Gemeente Zwolle)
Israëlitische begraafplaats aan de Kuijerhuislaan, 1986. (Collectie HCO)
12 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 13
tie van buitenhuis Soeslo en de restauratie van de
ingangshekken en het baarhuisje van de Israëlitische begraafplaats kregen op het GRUP restauratiebudget toegekend.
In 2006 werd het Brrm 1997 opgevolgd door
het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding
monumenten (Brim). De uitvoering van deze
regeling werd op dat moment weer bij het Rijk
neergelegd. Daarmee eindigde de actieve regierol
van de gemeente op het gebied van de verdeling
van restauratiesubsidies van het Rijk. Een rol die
monumentenzorg ruim twintig jaar had vervuld
en waarin college en raad vele miljoenen hadden
verdeeld voor de restauratie van talrijke rijksmonumenten in Zwolle.
Kleur in de stad
Kleuren bepalen het karakter van de stad. Door
kleur lijkt er eenheid te bestaan of worden de
gebouwen juist als losse elementen herkend. In
de historische architectuur speelde niet de kleur
van bouwmateriaal, maar de kleur van verf een
belangrijke rol. De historische kleuren van de
Zwolse binnenstad waren vrijwel verdwenen. De
laatste honderd jaar werden bijna alle gevels en
kozijnen wit geschilderd en verdwenen alle materiaalkleuren die bedoeld waren om de architectuur te ondersteunen. Sinds de brochure Kleur in
de stad (1994) worden kleurhistorisch onderzoek
en het terugbrengen van historische kleuren gestimuleerd. Om de aanvrager tegemoet te komen,
wordt een bijdrage in de kosten voor het kleuradvies verleend. Het monumentenbeleid over kleurwijzigingen aan rijks- en gemeentelijke monumenten werpt zijn vruchten af. Het oude stadhuis
aan de Sassenstraat, de toren van de Peperbus,
Koningin Wilhelminastraat 24, Burgemeester
Van Roijensingel 22, de winkelpui van Diezerstraat 124 en Sassenstraat 45 zijn voorbeelden van
gebouwen die Zwolle weer meer kleur hebben
gegeven. Deze gebouwen hebben in de ogen van
sommigen een ware metamorfose ondergaan,
terwijl er alleen een herstel van de oorspronkelijke
kleurstelling, zoals de architect het destijds heeft
bedoeld, heeft plaatsgehad.
Informeren en draagvlak
De werkzaamheden van monumentenzorg en de
aanwezige kennis over de gebouwen van de stad
zijn niet voor iedereen altijd inzichtelijk. Sinds
1987 worden daarom op diverse manieren activiteiten ontplooid om de kennis over en het draagvlak voor monumentenzorg te vergroten.
De bekendste activiteit is Open Monumentendag, die jaarlijks op iedere tweede zaterdag in september plaatsvindt en financieel mogelijk wordt
gemaakt door de gemeente. Op deze dag zijn vele
monumenten gratis toegankelijk voor het publiek
en vinden diverse activiteiten plaats. Zwolle doet
als deelnemer van het eerste uur al sinds 1987
mee aan de dag. Het doel van de Open Monumentendag is zo veel mogelijk mensen in contact
te brengen met monumenten. Jaarlijks telt Open
Monumentendag in Zwolle tussen de 10.000 en
15.000 bezoekers. Open Monumentendag is mede
mogelijk door de inzet van vele vrijwilligers, die
monumenten openstellen en verhalen over het
monument en de historie vertellen.
Daarnaast zijn sinds 1987 informatiebladen
uitgegeven met interessante onderwerpen en
actuele thema’s over monumentenzorg en archeologie. Inmiddels zijn 36 Informatiebladen monumentenzorg en archeologie in Zwolle verschenen.
Diverse onderwerpen zijn in de loop der jaren aan
de orde gekomen, van stadsarchitecten in Zwolle
tot de restauratie van de Peperbus en van het Jaar
van de Boerderij tot moderne monumenten. Alle
36 informatiebladen zijn te vinden op de website
www.zwolle.nl/monumentenzorg. Verder zijn
in de reeks Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle
op een publieksvriendelijke manier de resultaten
van belangrijke archeologische en bouwhistorische onderzoeken in Zwolle onder de aandacht
gebracht. De reeks kent vijf boekwerken.
Sinds 2008 zijn de brochures opgevolgd door
het glossy vormgegeven Monumentenmagazine
dat op Open Monumentendag verschijnt. Het
magazine bevat de opengestelde monumenten en
het dagprogramma. Daarnaast wordt in diverse
artikelen dieper ingegaan op het thema van de
dag. De afgelopen twee jaar waren de thema’s
Nieuw gebruik, oud gebouw (2011), met interessante herbestemmingen van monumenten, en
Groen van Toen (2012) over de bolwerken en
singels, parken en historische buitenplaatsen,
maar ook over het groen van de wederopbouw.
Het Monumentenmagazine is een mooi voorbeeld
van samenwerking met diverse partners in de stad
en wordt mede mogelijk gemaakt door de adverteerders. Daarnaast verlenen diverse auteurs vaak
belangeloos hun medewerking in de vorm van
artikelen.
In 2008 hebben de gemeenten Zwolle en Kampen
de gezamenlijke Erfgoedprijs Zwolle-Kampen
ingesteld. Dit is een jaarlijkse prijs als waardering
voor de inzet van het op een goede wijze beheren,
restaureren en in stand houden van cultuurhistorisch erfgoed. De prijs wordt elk jaar afwisselend
of in Zwolle of in Kampen uitgereikt. Naast de
erkenning middels een oorkonde wordt een geldbedrag ter grootte van e 1000,- toegekend. Dit
jaar wordt de prijs rond Open Monumentendag
weer in Zwolle uitgereikt. De Zwolse winnaars
zijn de muziektent op het Assendorperplein
(2009) en de Dominicanenkerk (2011) geweest.
Tenslotte verzorgen het team monumentenzorg en het team archeologie jaarlijks twee lezingen in het kader van de Historische Avonden.
Deze avonden worden alweer voor het zeventiende achtereenvolgende seizoen gezamenlijk
georganiseerd door diverse historische organisaties in Zwolle.
De Zwolse monumentenlijst
Uit de rijke geschiedenis van Zwolle zijn vele
historische objecten bewaard gebleven. Een deel
daarvan is aangewezen als monument. Bekende
voorbeelden zijn de Grote of St. Michaëlskerk, het
Karel V-huis met de prachtige renaissancegevel
uit de zestiende eeuw, en de herenhuizen aan de
Zwolle krijgt kleur,
gevels van het Celecomplex in historische
kleuren. (Gemeente
Zwolle)
Oorkonde uitreiking Erfgoedprijs
Zwolle-Kampen 2011.
(Gemeente Zwolle)
VVV-bankjes aan de
Burgemeester van Roijensingel. (Foto Hans
Westerink)
14 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 15
Burgemeester van Roijensingel. Minder bekend
zijn de betonnen VVV-bankjes uit de jaren twintig aan de Burgemeester van Roijensingel of het
complex met twintig woningen van de Zwolse
bouwvereniging Eigen Haard uit 1893-1894. Dit
complex is ontworpen in neorenaissancestijl
door de Zwolse architecten W. en F.C. Koch. Bijzonder zijn de arduinstenen hoefslagpalen 46 en
57 die zich op de IJsseldijk bevinden. Van de 87
hoefslagpalen die in 1760 ter begrenzing van de
onderhoudsvakken van de dijk zijn geplaatst, zijn
er nog maar vijf over, waaronder twee in Zwolle.
Rijksmonumenten
Rijksmonumenten worden door het Rijk aangewezen. De rijkslijst bevat momenteel ongeveer
530 monumenten. De eerste lijst telde in 1967
ruim 350 rijksmonumenten. Deze waren hoofdzakelijk gelegen in de binnenstad. Naast de bekende monumenten zoals de Peperbus, het Vrouwenhuis en de Sassenpoort bevatte de lijst ook diverse
woon- en winkelpanden. Buiten de binnenstad
werden onder andere de Zaaddragerswoningen
(Binnengasthuisstraat), oliemolen de Passiebloem
en de hoefsmederij aan de Thomas a Kempisstraat
aangewezen. De lijst werd in de jaren zeventig
verder uitgebreid met objecten die met name
buiten de binnenstad lagen. Voorbeelden daarvan
zijn het Engelse Werk en de Katerveersluizen, de
kerk en de korenmolen in Windesheim en huize
Den Doorn in Haerst. De rijkslijst bevatte begin
jaren negentig zo’n vierhonderd monumenten,
met name uit de periode voor 1850.
De daarop volgende periode van 1850 tot
1940 wordt de ‘jonge bouwkunst’ genoemd.
Vanaf 1986 voerde het Rijk samen met de provincie een inventarisatie uit om de bouwkunst
van deze periode in beeld te brengen. Vanuit
dit Monumenten Inventarisatie Project (MIP)
werden objecten geselecteerd. Het Monumenten
Selectie Project (MSP) resulteerde in ongeveer
zeventig Zwolse objecten die werden aangewezen
als rijksmonument. Kenmerkende voorbeelden
zijn de woningen aan de Prins Hendrikstraat 1, 3
en 5, ontworpen door architect G.G. Post (1902),
de voormalige ambachtschool (Mimosastraat)
ontworpen door architecten A. Baart en L. Krook
(1931-1932), het kantoorgebouw van de NV Electriciteits Fabriek IJsselcentrale (Zeven Alleetjes)
ontworpen door architecten A.J. van der Steur en
M. Meijerink (1939-1946), herenhuizen aan de
Burgemeester van Roijensingel en de oude IJsselbrug (1930).
Het hoofdgebouw van een historische buitenplaats had meestal wel een monumenten bescherming. Om ook de waardevolle tuin- en parkaanleg met de zich daarin bevindende objecten te
kunnen beschermen, heeft het Rijk buitenplaats
Boschwijk, landgoed Schellerberg, landgoed
Soeslo en buitenplaats Windesheim in 2004-2005
aangewezen tot beschermde historische buitenplaats.
De laatste uitbreiding van de lijst met rijksmonumenten is van recente datum. De stedenbouw
en architectuur uit de wederopbouwperiode
(1945-1965) wordt gekenmerkt door vooruitgang
en ontwikkeling. Zo leidden nieuwe materialen
en werkwijzen tot vernieuwing in de architectuur
en werden in de stedenbouw nieuwe verkavelingprincipes toegepast. Groenvoorzieningen
vormden daarin een essentieel onderdeel. Architect G.Th. Rietveld ontwierp in deze periode in
opdracht van Schrale’s Beton- en Aannemingsmaatschappij een kantoorgebouw aan de Willemsvaart. Het gebouw, waarvan de bouw in 1959
werd voltooid, is één van de weinige naoorlogse
panden op de gemeentelijke monumentenlijst.
Begin 2013 is bekend geworden dat dit kantoorgebouw promoveert tot rijksmonument.
De gemeentelijke monumentenlijst
Het gemeentelijk beschermingsbeleid richtte zich
midden jaren tachtig van de vorige eeuw op de
bescherming van de ‘jonge bouwkunst’ (1850-
1940). Dit omdat de rijkslijst met name monumenten uit de periode voor 1850 bevatte. Het
eerste aanwijzingsbesluit dateert van 20 december
1985. Daarbij werden ruim tweehonderd panden
voorlopig op de gemeentelijke monumentenlijst
geplaatst. Op deze voorlopig geplaatste panden waren de beschermende bepalingen van de
Monumentenverordening vervolgens één jaar
van toepassing. Het besluit tot voorlopige plaatsing moest binnen één jaar worden gevolgd door
een besluit tot definitieve plaatsing. Op 8 december 1986 besloot de raad om 59 panden definitief
op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.
Het betrof panden aan onder meer de Rhijnvis
Feithlaan, Prins Hendrikstraat, Burgemeester van
Roijensingel en Stationsweg. Tegelijkertijd werd
besloten om de overige panden opnieuw voorlopig op de gemeentelijke monumentenlijst te
plaatsen. Onder meer omdat ingediende bezwaarschriften nog niet behandeld waren. In vervolg
op dit besluit werden op 2 november 1987 ruim
130 panden definitief op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Het ging daarbij met name
om huizen in de Veeralleebuurt, Assendorp, de
singelbebouwing en bebouwing op de bolwerken
in de binnenstad.
Een tweede selectie van vooral panden van plaatselijk en/of buurtbelang werd op 11 juli 1988 als
monument aangewezen. Voorbeelden daarvan
zijn het woningcomplex aan de Eigenhaardstraat
/ hoek Assendorperstraat, Enkstraat 30 tot en
met 40 (even), het Nieuwe Verlaat (Maatgravenweg), de boerderijen Oldeneelweg 1 en 4 en het
grafmonument van de heren van Windesheim op
de begraafplaats in Windesheim. Bijzonder is de
aanwijzing van de Spoolderberg, een rivierduin
dat eeuwenlang de inhuldigingsplaats was van
de nieuwe landsheer van Overijssel en waar in de
Middeleeuwen vergaderingen in de openlucht
van de vertegenwoordigers van de drie IJsselsteArduinstenen hoefslagpaal 46. (Foto Jeroen
Drost)
De eerste Zwolse
(rijks)monumentenlijst, ‘vastgesteld op
1 augustus 1966,
Min. CRM afd. OKN.’
(Gemeente Zwolle)
Links: De Zaaddragershuisjes aan de Nieuwe
Vecht in 1986. (Collectie HCO)
Kantoorgebouw van
Schrale’s Beton- en
Aannemingsmaatschappij, ontworpen
door architect G.Th.
Rietveld. (Collectie
Centraal Museum
Utrecht)
16 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 17
den en de ridderschap in Overijssel met de landsheer plaatsvonden.
De rijksoverheid was inmiddels begonnen
met het Monumenten Inventarisatie Project. Het
gemeentebestuur verwachtte dat het daadwerkelijk plaatsen van panden op de rijkslijst nog jaren
zou duren. Daarom volgde begin jaren negentig
een volgende aanwijzingsronde. Hierbij werden,
vanwege het nieuwe monumentenbeleid uit 1989,
ook de beeldbepalende panden betrokken. Deze
aanwijzingsronde werd gezien als afronding
van het gemeentelijk beschermingsbeleid over
de periode 1850-1940. Met het besluit van 28
september 1992 werden diverse panden in de binnenstad, onder meer aan de Diezerstraat, de Luttekestraat en de Wolweverstraat aan de gemeentelijke monumentenlijst toegevoegd.
Met de aanwijzing van circa zeventig rijksmonumenten van ‘jonge bouwkunst’ promoveerden
in 1998 diverse gemeentelijke monumenten tot
rijksmonument. Omdat een pand niet zowel
gemeentelijk als rijksmonument kan zijn, werden deze panden afgevoerd van de gemeentelijke
monumentenlijst.
In de daarop volgende jaren werd met enige
regelmaat een aantal objecten aan de gemeentelijk
monumentenlijst toegevoegd. Bijzonder is de
aanwijzing van zeventien monumenten die voor
Zwolle cultuurhistorische waarde hebben, maar
door hun aard, functie of ligging makkelijk worden vergeten of verwaarloosd. Het betrof onder
meer de Gedenksteen ter nagedachtenis aan Thomas a Kempis (1919). Architect P.J.H. Cuypers
maakte het ontwerp. Maar ook de Zonnewijzer op
Grote Markt 11, de Menistensluis en het gevelteken met pauw aan Sassenstraat 51 werden monument. Net zoals het wellicht oudste moslimgraf
van Nederland dat op het landgoed rond Huize
Arnichem in Haerst ligt. Het is het graf van Apollo, een jonge negerslaaf die naar Nederland werd
gebracht door Joan Hendrik Tobias, eigenaar van
Huize Arnichem. Tijdens een oorlog zou Apollo
Tobias van een wisse dood hebben gered. De
gemeentelijke monumentenlijst bestaat momenteel uit 340 gemeentelijke monumenten. Het zijn
hoofdzakelijk monumenten uit de periode 1850-
1940, veelal van de bouwstijlen Neorenaissance,
Eclecticisme en Jugendstil.
De inventarisatie van monumenten die het Rijk
in de jaren zestig van de vorige eeuw uitvoerde,
gebeurde veelal vanaf de openbare weg. Panden
werden niet van binnen bezocht. Zowel landelijk
als in Zwolle groeide het besef dat deze (rijks)
inventarisatie niet had geleid tot een sluitende
monumentenlijst. Deze panden met laatmiddeleeuwse casco’s vertellen veel over het ontstaan
van onze binnenstad.
Naar aanleiding van een gezamenlijk initiatiefvoorstel van een aantal raadsfracties heeft
het college van B en W in 2007 besloten om de
gemeentelijke monumentenlijst uit te breiden.
Daarbij, en dat kwam in Nederland nog niet vaak
voor, zou de bevolking actief worden betrokken.
Dit meerjarig inventarisatie- en aanwijzingsproject moet uiteindelijk leiden tot een gemeentelijke monumentenlijst waarop de verschillende
tijdsperiodes en bouwstijlen evenwichtig zijn
vertegenwoordigd. Vanwege de omvang van het
project vindt de uitvoering stapsgewijs plaats. De
eerste prioriteit ging daarbij met name uit naar
de historische binnenstad. Het straatbeeld van de
Zwolse binnenstad kent veelal gevels die stammen
uit de afgelopen twee eeuwen. Achter veel van
Woningcomplex aan
de Eigenhaardstraat.
(Foto Jeroen Drost)
Gedenksteen ter nagedachtenis aan Thomas
a Kempis, begraafplaats Bergklooster.
(Foto Hans Westerink)
Rechts: Gevelteken met
pauw, Sassenstraat 51.
(Foto Hans Westerink)
Links: Het graf van
Apollo, Haerst. (Foto
Hans Westerink)
Boven: Wederopbouwarchitectuur in doorlopende groenstructuur:
etagewoningen van
architect P.A. Lankhorst aan de Meppelerstraatweg. (Foto Hans
Westerink)
Thomas a Kempislyceum, Schuurmanstraat, begin jaren
zestig. (Collectie HCO)
18 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 19
deze ‘jongere’ gevels gaan echter vaak veel oudere
huizen schuil. Het was daarom de verwachting
dat in de binnenstad nog veel niet beschermde
maar (bouwhistorisch) waardevolle laatmiddeleeuwse gebouwen aanwezig zouden zijn. Andere
onderzoeksthema’s zijn onder meer boerderijen
en architectuur uit de wederopbouwperiode.
De Zwolse bevolking is op twee manieren bij de
inventarisatie betrokken. Allereerst zijn alle Zwollenaren op diverse manieren via de gemeentelijke
website en via de media uitgenodigd een bijdrage te
leveren aan de inventarisatie. Deze burgerparticipatie heeft tot ongeveer 150 voorgedragen gebouwen
geleid. Verrassenderwijs zijn daarbij veel gebouwen
uit de naoorlogse bouwkunst aangeleverd.
Naast burgerparticipatie in het inventarisatieproces is ook burgerparticipatie aan het selectieproces toegevoegd. Hiertoe is een ‘selectiecommissie’ ingesteld. Diverse organisaties uit de Zwolse
gemeenschap hebben in deze commissie zitting:
de Vereniging Vrienden van de Stadskern Zwolle,
de Zwolse Historische Vereniging, het Zwolse
Architectuur Podium en de Stichting Levende
Stadsgeschiedenis Zwolle, het Oversticht en het
team monumentenzorg van de gemeente Zwolle.
De selectiecommissie adviseert het college van B en
W over potentiële gemeentelijke monumenten.
Momenteel bevindt het (bouwhistorisch)
onderzoek in de binnenstad zich in de afrondende
fase. In totaal zijn dan ruim vierhonderd mogelijk waardevolle objecten in de binnenstad door
middel van archiefonderzoek en veldwerk onderzocht. Het onderzoek heeft inmiddels een schat
aan informatie over de (bouw)geschiedenis van
Zwolle opgeleverd.
Beschermd Stadsgezicht
Een belangrijk rijksbesluit in 1993 was de aanwijzing van de binnenstad en delen daarbuiten
als ‘beschermd stadsgezicht’. De reden van de
aanwijzing was de gave historische structuur van
Zwolle met zijn historische bebouwing en monumenten. Met de aanwijzing ontstond de wettelijke
verplichting om ter bescherming van het stadsgezicht een bestemmingsplan vast te stellen.
Het besluit tot aanwijzing als beschermd
stadsgezicht is niet zonder slag of stoot tot stand
gekomen. In 1962 en 1963 heeft het Rijk een
landelijke inventarisatie uitgevoerd naar beschermenswaardige gebieden. In 1968 heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg het gemeentebestuur van Zwolle een conceptvoorstel gezonden
betreffende een beschermd stadsgezicht. Het
gemeentebestuur reageerde niet afwijzend maar
wel met een kritische opstelling, hetgeen in 1970
heeft geleid tot de instelling van een werkgroep
om de materie nader te bestuderen. Eén van de
conclusies in het rapport van de werkgroep in
1973 was dat de binnenstad in drie zones van verschillende graden van karakteristieke schoonheid
kon worden ingedeeld. Daaraan zouden drie planologische beschermingsregimes kunnen worden
gekoppeld. Uiteindelijk bleek er nog veel werk te
doen. Zo waren de financiële consequenties niet
duidelijk en zou er moeten worden gewerkt aan
de verfijning van de zonering en begrenzing van
het beschermd stadsgezicht. In 1974 verzond het
college een brief aan de minister om inzicht te
krijgen in met name de financiële gevolgen van
een aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. In
ambtelijke taal begon de brief als volgt: ‘Eind 1968
heeft ons bereikt een summiere propositie van
de rijksdienst voor de monumentenzorg, preludiërende op de aanwijzing van een niet onaanzienlijk deel van de Zwolse oude binnenstad tot
beschermd stadsgezicht.’ Eind 1976 lagen de ontwikkelingen nagenoeg stil, vanwege onder andere
de wijze van aanpak en personeelsmoeilijkheden
bij de rijksdienst. Dit sloot aan bij het landelijke
beeld, waarin het jaarlijks aantal aanwijzingen
tot beschermd gezicht sinds de jaren zestig sterk
terugliep. In 1983 waren nog maar 158 van de
332 beschermenswaardige stadsgezichten in
Nederland aangewezen. Vanaf 1986 werden bij de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg de financiële en personele mogelijkheden geschapen om het
tempo van de aanwijzingen weer op te voeren.
In het aanwijzingsproces werd wederom de
omvang van het beschermd stadsgezicht ter discussie gesteld. De gemeenteraad stemde in met
de voorgenomen aanwijzing, maar adviseerde
de minister om een viertal gebieden buiten de
begrenzing te houden. Het betrof de gebieden:
a. Maagjesbolwerk, b. Friesewal, c. parkeerdek
Noordereiland en d. westzijde Stationsgebied.
Dit omdat in deze gebieden de historische structuur was verstoord en de bebouwing geen hoge
waarde meer had. Zowel Gedeputeerde Staten
als de Rijksplanologische Commissie waren van
mening dat de eerste drie gebieden als wezenlijke
onderdelen van de historische binnenstad binnen
de vestinggracht moesten worden beschouwd.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan zou
vervolgens kunnen worden bezien of er randvoorwaarden uit oogpunt van bescherming
nodig zouden zijn. Het belang van de Stationsweg als negentiende-eeuwse toegangsweg van
het station naar de binnenstad werd onderkend,
maar vanwege de recentere bebouwingsontwikkelingen kon het buiten het stadsgezicht worden
gelaten. Zodoende eindigt de begrenzing van het
beschermd stadsgezicht aan de zuidkant met de
negentiende-eeuwse villabebouwing en herenhuizen langs de Burgemeester van Roijensingel en
een deel van het Groot Wezenland.
In 2012 werd een
bedrijfshal van IJzerleeuw BV aan de
Gasthuisdijk aangewezen als gemeentelijk
monument van de
wederopbouw. (Archief
IJzerleeuw)
Begrenzing beschermd
stadsgezicht. (Gemeente Zwolle)
20 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 21
In 1963 was ik benoemd bij Monumentenzorg Zwolle. In die
tijd had de gemeente de voormalige Bethlehemkerk overgenomen van de Nederlands Hervormde Kerk, voor het symbolisch bedrag van één gulden. Dat leek een leuke transactie,
ware het niet dat er een addertje onder het gras zat. Namelijk
een achterstallig onderhoud van naar schatting twee ton. Een
heel bedrag in die tijd.
Wat kon men doen met een afgedankt kerkgebouw? Geopperd was de kerk af te breken om plaats te maken voor een
parkeerruimte voor 17 auto’s. Openbare Werken had daartoe
al een tekening klaarliggen. Er werd echter een prijsvraag uitgeschreven voor een betere bestemming. Die werd gevonden:
een Cultureel Centrum, waarin wisselend tentoonstellingen
zouden worden gehouden, terwijl het nog in de kerk aanwezige orgel (Quellhorst, 1828) gelijktijdig kon worden bespeeld
door leerlingen van de Stedelijke Muziekschool. Overigens
bleek later, dat de combinatie van tentoonstelling met orgelstudie, geen gelukkige was. De muziek is al gauw te hard.
Maar eerst moest er nodig wat aan het gebouw gebeuren.
De lekke goten kregen een noodreparatie. Loszittende dakleien waren gevaarlijk. Er was er al één dwars door een autodak
gevallen. Wat moest er eigenlijk aan groot herstel gebeuren?
Dus besloot ik om eens een kijkje te gaan nemen op de zolders
van de Bethlehemkerk. In mijn eentje – dat vond ik niet erg,
maar het was wel stom, achteraf bezien.
Een deur achterin de kerk gaf toegang tot een wenteltrap
die naar de zolders leidde. Er brandde slechts één lamp,
namelijk net boven de trap. Over de gewelfrondingen leidde
een houten steektrap verder naar boven. Het was er behoorlijk donker, daar moest je aan wennen. Een armzalige verlichting van deze immense kerkzolder, het eerste schip. Ik
wist dat ergens halverwege een doorgang moest zijn naar het
tweede kerkschip. Maar waar precies?
Mijn tocht was niet gemakkelijk, want er liep alleen een
smalle plank zonder leuningen over de gewelftoppen. Het
was er spookachtig, slechts de gaten die in de luiken van de
dakkapellen waren geboord, gaven wat daglicht. Het was er
onbeschrijfelijk vies, overal lagen dode duiven en de loopplanken waren hobbelig door alle duivenpoep waarmee ze
bedekt waren. Ik schrok toen plotseling een groep duiven
opvloog. Een regen van huidschilfers daalde op mij neer.
Door mijn schrik was het moeilijk mijn evenwicht te bewaren. Juist onder de spantjukken lag de duivenpoep nog dikker.
Dat veerde een beetje en bovendien zwiepten enkele planken
nogal door.
Ik vond de doorgang naar het andere schip. Inspectie
luiken gaven toegang tot de zakgoten tussen beide dakvlakken. Op de tweede zolder was het minder donker, maar even
vies. De loopplank was weliswaar breder, maar ook zonder
leuning. Toen ik vele maanden later eens op de zolders van
de Grote Kerk moest zijn, was de toestand daar heel anders:
brede loopbruggen met leuningen aan beide kanten. En geen
duiven, dus veel minder vuil. Het is trouwens een heel speciale sfeer, daarboven. Het is er erg stil, net of de straat geluiden
hier niet door kunnen dringen.
De gewelven die er vanuit het kerkinterieur altijd keurig
wit uit zien, zijn van boven bedekt met een dikke laag donkergrijs stof. Door de bolle vorm van de gewelven en als totaal
overzicht van vele gewelven achter elkaar, lijkt het net een
stal met olifanten. Allemaal dikke ronde ruggen. Maar die
bolle ruggen eindigen aan de kanten in diepe donkere gaten,
de gewelfgeboorten. Als je daar in valt, kom je er niet gemakkelijk weer uit. En als je bovendien nog een been breekt, hoort
niemand jou roepen.
Maar ik moest terug, niet kinderachtig zijn. Door de niet
eens zo slecht verlichte doorgang tussen de zakgoten, weer op
de eerste zolder. Tjonge, het was er donkerder dan ik me herinnerde. De duiven vlogen weer verschrikt op. Bah, wat een
vieze troep was het hier. Toen moest ik over de smalste plank,
die dik onder de duivenpoep zat en ook nog doorzwiepte. Ik
zag de diepe donkere gaten naast me. Ik durfde niet. Wat was
ik vreselijk alleen. Roepen zou niets helpen, niemand hoorde
mij immers. Daar stond ik, met knikkende knieën. Ik kon niet
verder. Wat nu?
Plotseling begon het orgel te spelen. Ik was niet meer
onbereikbaar alleen. Er was een mens in de buurt. De tranen
sprongen in mijn ogen, zó dankbaar was ik. De moeilijke
plank was ineens geen probleem meer…
Uit een verslag met kennisoverdracht en anekdotes,
geschreven door oud-medewerker monumentenzorg
P.C. (Piet) Korteweg, Je hebt nog 80 dagen, 1982.
Archief Monumentenzorg
Toekomst voor erfgoed
Zwolle is geen product van één periode. In de
afgelopen eeuwen zijn de stad, de wijken en het
buitengebied ontstaan en continu aangepast aan
nieuwe omstandigheden. Nieuwe ontwikkelingen
zoals veranderende bouwstijlen en stedenbouwkundige inzichten hebben bijgedragen aan het
unieke historisch palet dat de stad van nu vormt.
Vijftig jaar actieve gemeentelijke monumentenzorg heeft er toe bijgedragen dat veel gebouwen
zijn gerestaureerd en dat historisch materiaal in
stand is gebleven. De stad is mede daardoor een
aantrekkelijke historische stad voor Zwollenaren,
toeristen en consumenten. Ons erfgoed is daarmee dus ook een belangrijke economische factor.
Het Zwolse monumentenbeleid is gericht op
de instandhouding van historisch waardevolle
objecten en structuren. Niet door te bevriezen
maar door in ontwikkelingen rekening met ons
erfgoed te houden. Het erfgoed is daarbij inspiratiebron en draagt zodoende bij aan de kwaliteit
en de identiteit van onze gemeente. Monumentenzorg blijft daarmee dus ook betekenis voor de
toekomst houden. Niet alleen als gemeentelijke
monumentenzorg maar als een gezamenlijke
zorg voor ons erfgoed. Burgemeester Drijber zei
daarover in een toespraak in het monumentenjaar
1975 treffend dat het monument vanaf de zestiger
jaren is gaan leven.
Literatuur
J. Hagedoorn, Met het oog op gisteren, 1988
Informatieblad monumentenzorg en archeologie in
Zwolle, juni 1989, ‘Bouwfragmenten terug in stadsbeeld’
Informatieblad monumentenzorg en archeologie in
Zwolle, juni 1994, ‘Kleur in de stad’
Bronnen
Gemeente Zwolle – secretarie archief (1924-1988) inv.
nr. 5050; inv. nr. 5051; inv. nr. 5052; inv. nr. 5053;
inv. nr. 5054
Beleidsarchief Stadsbeheer SB0000165 2.07.355.5 Functieboek sector stadsbeheer + organisatieplan per
afdeling
Archief Stadsbeheer SB00007768 1.853.3 Monumenten-meerjarenprogramma’s 1990 t/m 2001
1.853.3 1987-1996 SB00007831 Monumenten – Beleidsplan, overzichten etc.
1.853.3 2009-0 SB00007841 Monumentenzorg, modernisering beleid
1.853.3 1989 SB00005014 / B1999-NHSSB 443 nota
monumentenbeleid
1.853.3 1999 Werkprogramma monumentenzorg en
archeologie 1999-2002
1.853.3 1999 Beleidsplan Monumentenzorg en Archeologie 1999-2002 SB00001665
1.853.3 2000-0 Monumenten, beleid en voorschriften
SB00001558
1.853.3 1992-1998 Monumenten – subsidieregelingen
en financiering SB00001164
1.853.3 2000 Gemeentelijk Restauratie uitvoeringsprogramma SB00000860
2.07.76 1991 Stads- en dorpsvernieuwing – verordeningen SB00000672
1.853.3 1994 Richtlijnen voor de monumentenzorg
SB00001159
1.853.3 1996 Monumenten meerjarenprogramma’s
SB00001165
2.07.355.5 Administratieve organisatie Stadsontwikkeling 1989/1995 SB1305 B1999 NHSSB 305
Besluiten tot aanwijzing gemeentelijke monumenten;
Monumentenwet 1961 en 1988; Erfgoedverordening Zwolle 2010
Aan de Thorbeckegracht wisselen classicisme, klokgevels,
negentiende-eeuwse
lijstgevels, Jugendstil,
historiserende ‘nieuwbouw’ en eigentijdse
nieuwbouw elkaar
af. Het ritme van de
bebouwing, de verschillen in materialen
en detaillering en de
rijke kwaliteit van de
monumenten bepalen
de historische waarde
van de straatwand.
Nieuwe ontwikkelingen
met kwaliteit passen
dan ook in deze historische continuïteit. (Foto
Hans Westerink)
Een adembenemende ervaring
22 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 23
Romaans Holl. Renaissance Holl. Classicisme Rococo
Classicisme
Eclecticisme Jugendstil
Neo Classicisme
Waterstaatsstijl Rationalisme Intern. Stijl
Neogotiek Nieuwe Bouwen
Renaissance Neo Renaissance Delftse school/trad.
A’damse school
Trad.
Gotiek
1300
1350
1400
1450
1500
1550
1600
1650
1700
1750
1775
1800
1825
1850
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950
1980
Tijdlijn Bouwstijlen
Team Monumentenzorg gemeente Zwolle
24 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 25
Ruimtelijke ontwikkeling van
het stadscentrum
Peter Boer De periode dat in Zwolle de tijd bijna
stil stond, ligt al lang achter ons. In de
tweede helft van de vorige eeuw is de stad
van een slaperig provinciestadje getransformeerd
in een hoofdstad met grootstedelijke allures.
De dynamiek in het historische stadscentrum is
daarbij enorm toegenomen. Zijn aantrekkingskracht ontleent het Zwolse stadscentrum niet in
de laatste plaats aan de historische uitstraling en
een groot aantal beschermde monumenten. Als
boodschappers uit het verleden vertellen oude
gebouwen over onze oorsprong, houden herinneringen levend en geven zo reliëf aan onze identiteit. De binnenstad is echter geen museum waar
bezoekers de collectie niet mogen aanraken. Het
is naast een aantrekkelijke woonomgeving ook
uitgaanscentrum en als winkelgebied bovendien
een economische factor van belang. Elke verandering in de omgeving of bebouwing heeft effect
op bestaande historische kwaliteiten. De belangen
van bewoners, bezoekers, overheid en ondernemers zijn verschillend en botsen nogal eens.
Het gemeenschappelijke besef dat we zorgvuldig moeten omgaan met wat we nog hebben,
vormt al vanaf 1963 de basis van het gemeentelijke monumentenbeleid in Zwolle. Bij verbouwingsplannen, restauraties of nieuwbouw moeten
de verschillende belangen zorgvuldig afgewogen
worden. Dit is werk voor specialisten. De analyse
van de ontstaansgeschiedenis van een gebouw
vormt het werkgebied van de bouwhistoricus. Als
onderdeel van de uitvoering van haar monumentenbeleid stelt de gemeente Zwolle hoge eisen aan
ingediende plannen. Een meestal in opdracht van
de aanvrager uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek vormt al geruime tijd een integraal onderdeel van de planvoorbereiding.
In dit artikel wordt de ruimtelijke ontwikkeling van Zwolle binnen de stadsgracht geschetst
aan de hand van een aantal faseringskaarten.
Op basis van recent uitgevoerd bouwhistorisch
onderzoek wordt daarbij de voor deze perioden
meest representatieve bebouwing toegelicht.*
Onderzoek
Bouwhistorici bestuderen de veranderingen die
een gebouw in de loop der tijd ondergaan heeft.
Zij baseren hun bevindingen hoofdzakelijk op
constructies, materialen, afwerkingen en de
vormgeving daarvan en leggen verbanden met
schriftelijke bronnen en historische afbeeldingen. Bij een restauratie bijvoorbeeld komen op
deze wijze al in de voorbereidingsfase gegevens
beschikbaar, die duidelijk maken welke onderdelen absoluut bewaard moeten blijven en waar
ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. Dat kan
bijvoorbeeld betekenen dat, om de oorspronkelijke dakconstructie te ontzien, een nieuw dakvenster een stukje moet opschuiven of dat een nieuwe
trap het beste in het al bestaande trapgat geplaatst
kan worden om zo historische vloerbalken te
kunnen behouden. Het voortbestaan van een
monument is gediend met een (nieuwe) functie.
Het uitgangspunt is daarom niet het bevriezen
van de bestaande situatie, maar vooral het inzichtelijk maken van de mogelijkheden. Uiteraard
met behoud van de belangrijke waarden. Dat een
bouwhistorisch onderzoek in een vroeg stadium
uitgevoerd wordt, is niet alleen van belang voor de
beoordeling van de ingediende tekeningen. Doordat een aanvrager snel duidelijkheid krijgt over de
(on)mogelijkheden van zijn plannen, verloopt de
vergunningprocedure namelijk veel soepeler en
in veel gevallen ook aanmerkelijk sneller.
Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw zijn,
meestal op initiatief van de gemeente, in Zwolle
veel panden op deze wijze onderzocht. Hiermee
is een uitgebreid bestand met nauwgezette documentatie van historische panden opgebouwd en
nam onze kennis over de ruimtelijke ontwikkeling
van de stad enorm toe. Gebouwen staan namelijk
niet alleen, maar zijn opgenomen in bouwblokken
of onderdeel van een groter ensemble dat aan de
verschillende stadsdelen geheel eigen identiteiten
verleent. Het gebied langs de Thorbeckegracht
bijvoorbeeld wordt gekenmerkt door gebouwen
die gericht zijn op de bedrijvigheid langs het water
en verschilt daardoor hemelsbreed van de statige
bebouwing aan de Koestraat en Walstraat, met de
achterliggende groene singels. In de historische
ontwikkeling van het stadscentrum schuilt een
logica die bebouwing koppelt aan historische stedenbouwkundige structuren, met bijvoorbeeld
overstekhuizen tegen de voormalige stadsmuur
of veertiende-eeuwse huizen van rijke kooplieden
langs de loop van de Grote Aa. In combinatie
met in de grond bewaarde archeologische sporen
vormen deze ensembles een belangrijke peiler
van de Zwolse cultuurgeschiedenis. De koppeling
van grootschalig bouwhistorisch onderzoek met
archeologische data en historisch kaartmateriaal
heeft inmiddels een aantal aanknopingspunten
opgeleverd voor het bijstellen van de ruimtelijke
ontwikkeling van de Zwolse binnenstad vanaf de
Middeleeuwen.
Herinventarisatie
Ondanks alle inspanningen kan niet altijd voorkomen worden dat tijdens bouwwerkzaamheden
af en toe nog onverwachte – en op dat moment
vaak ongelegen – ontdekkingen gedaan worden.
Achter panden met een ogenschijnlijk oninteOverzicht van de Thorbeckegracht. De twee
voormalige pakhuizen
aan de linkerzijde en de
kade rechts herinneren
aan de aan de scheepvaart gerelateerde handel die langs dit water
plaatsvond.
Voorgevel van Oude Vismarkt 10-12. Hoewel de voorgevel anders doet vermoeden, is dit één van de oudste huizen van de stad. Helaas is dit pand vorig jaar
verbouwd, waarbij de uit 1348-1350 daterende eikenhouten kap gesloopt is.
Ondanks pogingen daartoe, kon de eigenaar niet overtuigd worden van de noodzaak van behoud van deze belangrijke constructie. Omdat het huis geen monumentenstatus heeft, kon dit ook niet door de gemeente afgedwongen worden.
26 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 27
ressante voorgevel blijken soms nog complete
middeleeuwse casco’s schuil te gaan, in een enkel
geval daterend uit de vroege veertiende eeuw.
In vrijwel alle Nederlandse binnensteden blijkt
dat de beschermde monumenten niet altijd de
panden met de hoogste bouwhistorische waarde
zijn. Deze vaststelling heeft vooral te maken met
de wijze waarop in het verleden het grootste deel
van de monumentenlijsten tot stand is gekomen.
De toekenning van de monumentenstatus was
vooral gebaseerd op een architectonische beoordeling van de voorgevel. Doordat deze gevels vaak
meerdere malen aangepast en/of vernieuwd zijn,
levert dit onvermijdelijk een onvolledig en soms
ook een vertekend beeld op van de historische
structuur van de stad. Een deel van de historische
bebouwing is dus onbeschermd. Het beschermde
stadsgezicht stelt op het niveau van het bestemmingsplan wel regels voor de sloop en herbouw,
maar biedt geen concrete mogelijkheden voor het
behoud van belangrijke panden.
Om als overheid goed voorbereid te zijn op
ongewenste ontwikkelingen en dit soort onaangename verrassingen in de toekomst zoveel mogelijk
te voorkomen, is de gemeente Zwolle enkele jaren
geleden gestart met een grootschalige bouwhistorische inventarisatie. Daarbij wordt alle nietbeschermde bebouwing binnen de stadsgrachten
van binnen en buiten bekeken. Van alle panden
die mogelijk nog oudere onderdelen kunnen
bevatten is eerst aan de hand van de historische
bouwdossiers een voorselectie gemaakt. Mogelijk
interessante objecten worden bezocht en de meest
waardevolle panden kunnen worden voorgedragen
voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. In totaal zijn ruim vierhonderd panden bij
deze inventarisatie betrokken. In de loop van 2013
wordt dit inventarisatieproject afgerond.
Het embryo van de stad
De huidige stad Zwolle is ontstaan als kleine handelsnederzetti

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 4

Door | 2013, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Themanummer
De Zwolse Ziekenhuizen
30e jaargang 2013 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2013.indd 1 10-12-13 13:33
Suikerhistorie
R.K. Ziekenhuis te Zwolle
Het Rooms-Katholieke Ziekenhuis, gelegen op de
hoek van het Groot Wezenland en de Blekerstraat,
kreeg in 1967 de toevoeging De Weezenlanden.
Voor die tijd had men het in Zwolle eenvoudigweg
over het Sophia of het katholieke ziekenhuis. Iedereen wist dan welk ziekenhuis bedoeld werd. Anno
1998 zijn beide ziekenhuizen gefuseerd. Ze gingen
verder onder de naam Isala klinieken.
De katholieke ziekenzorg in Zwolle gaat terug
tot circa 1825, toen het Rooms-Katholiek Armbestuur het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat
(nu Morphique Architecten) als zieken- en passantenhuis in gebruik had. Het bestuur droeg de
zorg voor de (arme) zieke medemens rond 1845
over aan de Zusters van Liefde (Sorores Caritatis),
die zich aan het Gasthuisplein vestigden. Voor de
verdere geschiedenis van de katholieke ziekenzorg verwijs ik naar het artikel op pagina 170.
Op het suikerzakje zien we een schild met
daarop de woorden Lampas Charitatis, de toorts
der liefde, verwijzend naar de liefdevolle en
belangeloze inzet en toewijding van de zusters en
andere verplegenden. De vis op het schild is een
bij uitstek Christelijk symbool; op de vis zien we
de Griekse letters X (chi) en P (rho), de eerste twee
letters van het woord Christus. Het geheel werd in
1947 als beeldmerk van het katholieke ziekenhuis
ingevoerd. Het kwam in dat jaar voor het eerst als
embleem voor op de huisspeld van de leerlingverpleegsters. Daarna dook het logo overal op in
het ziekenhuis, zo ook op het suikerzakje.
De geraffineerde kristalsuiker in het zakje
kwam volgens informatie op de achterzijde uit
de fabriek van W. van Oordt & Co te Rotterdam.
Afgaande op kenmerkende elementen (kaderlijnen, fabriekslogo en dergelijke) moet het suikerzakje uit de jaren 1954-1958 dateren.
Omslag: De nieuwe Isala klinieken, of kortweg
de Isala, aan de Dokter van Heesweg 2.
Het ziekenhuiscomplex werd op 17 oktober 2013
officieel geopend door koningin Maxima.
(Foto Elske Bootsma)
166 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Ziekenhuis De Weezenlanden omstreeks 1970. Linksvoor staat nog een laatste
restant van het oude ziekenhuis. (Particuliere collectie)
(Collectie ZHT)
ZHT4 2013.indd 2 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 167
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 166
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog
nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Frank Inklaar 168
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Steven ten Veen 170
Gemeenteraad debatteerde jarenlang
over bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed
ingerigt ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Steven ten Veen 179
De cardiologie te Zwolle Rob Enthoven 190
Van taakgericht naar modelmatig methodisch
handelen
De verpleging van de jaren tachtig tot heden
Frank Inklaar 198
De eerste kaakchirurg in Zwolle
Annèt Bootsma – van Hulten 206
Nucleaire Geneeskunde Anneke Engelage 212
‘Het is nu veel fijnzinniger allemaal’
Uroloog Tjard de Haan over het moderne
opereren Annèt Bootsma – van Hulten 217
Open, professioneel, met hart en ziel
Ethiek in het ziekenhuis Frank Inklaar 222
Mededelingen 228
Auteurs 230
Herinneringen …
Ouders achter glas
Het was in de eerste helft van 1954 dat ik in het Sophia Ziekenhuis
terecht kwam. Dat moet wel toen geweest zijn, want mijn grootouders
waren veertig jaar getrouwd en mijn oom was onder meer ter gelegenheid daarvan uit Australië gekomen. Dat was nogal wat dunkt me, als
echte katholiek met een huisarts als dokter Van Wiechen naar het Sophia Ziekenhuis.
Ik werd opgenomen vanwege aanhoudende middenoorontstekingen. Wat ik me er van herinner is dat ik heb getracht te ontsnappen. Ik
zie me nog zo het bed uitklimmen, ik dacht midden in de nacht. Ik vond
het eng, al die snoeren en dergelijke. Maar ik ben natuurlijk weer naar
bed gebracht. Mijn ouders mochten mij wel bezoeken maar alleen kijken
achter glas, vertelde mijn moeder mij later. Op een gegeven ogenblik
ontdekte ik mijn moeder en heb het op een enorm brullen gezet. Zo erg,
dat er toestemming werd gegeven aan mijn ouders om toch bij mijn
bed te komen. Mijn oom uit Australië wilde mij ook wel graag bezoeken, maar dat mocht niet omdat hij een oom was. Daarom gaf hij zich
uit voor mijn vader en toen mocht hij komen. Ik kan me nog vaag iets
herinneren van de ruimte waarin ik lag. Ik was toen drie en een half (ik
ben in 1950 geboren). Deze opname heeft overigens niets aan het licht
gebracht. Ik heb nog vaak problemen met mijn oren gehad. Maar het
geheel vond ik wel griezelig als kind.
Els Rademaker – Vos
Els Vos als driejarige
in 1954. De foto is
genomen op de veertigjarige bruiloft van
haar grootouders
Heins, die woonden
op Blijmarkt 12.
(Particuliere collectie)
ZHT4 2013.indd 3 10-12-13 13:33
168 zwols historisch tijdschrift
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog nooit
in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Deze vraag kwam in mij op toen ik stond te
wachten voor een stoplicht met uitzicht
op het nieuwe kleurrijke Isala ziekenhuis.
De redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift had
besloten een themanummer over de geschiedenis
van de Zwolse ziekenhuizen te maken en aan mij
de eer om een inleiding te schrijven. Met de vraag
bij het stoplicht kwam eigenlijk meteen de verantwoording voor de onderwerpskeus: ziekenhuizen
staan zo centraal in de samenleving dat vrijwel
iedereen er ooit wel eens mee te maken krijgt.
Alleen dat al rechtvaardigt dat je er aandacht aan
schenkt. En natuurlijk was er de actualiteit: op 17
oktober 2013 opende koningin Maxima het nieuwe
onderkomen van het Isala ziekenhuis aan de Dokter van Heesweg. Al eerder zorgden zulke mijlpalen
voor publicaties over de Zwolse ziekenhuizen. In
1984 verscheen het boek Wil ’t bezoek nu afscheid
nemen naar aanleiding van het 100-jarig bestaan
van het Sophia Ziekenhuis. In 1988 was de opening
van nieuwbouw aanleiding tot het maken van Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden.
Er is gigantisch veel veranderd in de wereld van
de ziekenhuizen. Om een idee te geven een kleine
vergelijking met de situatie rond 1900. Toen
waren er net twee echte ziekenhuizen in Zwolle
gekomen. Op de Bagijneweide stond sinds 1884
het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis. Gemiddeld
werden daar in 1900 32 mensen per dag verzorgd.
Het personeel bestond uit een arts, een directrice,
twee hoofdzusters en dertien verpleegsters. Begin
1902 betrok de katholieke ziekenhuiszorg twee
De helikopterlandplaats bij het Sophia Ziekenhuis, midden jaren tachtig. Het Sophia ontwikkelde zich in die jaren tot vooraanstaand
centrum op het gebied van neurochirurgie en neonatale zorg. De snelle aanvoer van patiënten op deze gebieden kan letterlijk van levensbelang zijn. Maar ook andere patiënten en organen voor transplantatie moeten regelmatig heel snel vervoerd worden. (Collectie HCO)
Frank Inklaar
ZHT4 2013.indd 4 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 169
aangepaste herenhuizen met nieuwbouw erachter
aan het Groot Wezenland. Er werden maximaal
45 patiënten verpleegd door een staf van veertien
nonnen.1 Ruim honderd jaar en een fusie later
zijn de Isala klinieken een topklinisch ziekenhuis.
Eind 2012 werkten er 5.577 personeelsleden
exclusief 341 medisch specialisten.2
Maar niet alleen de grootte of het aantal
medewerkers zijn veranderd. Rond 1900 was een
ziekenhuis er vooral om mensen te verplegen.
Mondjesmaat werden er operaties uitgevoerd
door de enkele arts die aan het ziekenhuis verbonden was. De eerste professionele chirurg
in Zwolle verscheen pas in 1890 ten tonele. In
1919 werden in het Sophia bijna 600 operaties
uitgevoerd waarvan driekwart door één arts,
dokter E.T. Spanjaard. Er waren nauwelijks
technische hulpmiddelen, de wetenschappelijke
kennis stond op een zeer laag pitje, specialisaties
bestonden niet of nauwelijks. Zet dat tegenover
het huidige ziekenhuis. Het jaarverslag over
2012 geeft een opsomming van de kernactiviteiten: algemene ziekenhuiszorg; toonaangevende
topklinische zorg; activiteiten op het gebied van
onderwijs, opleiding, innovatie en wetenschappelijk onderzoek; verpleegkundige opleidingen
en medische opleidingen (ondermeer 21 vervolgopleidingen tot medisch specialist). Ook uit
het lijstje met specialismen die per 2012 in het
ziekenhuis zijn gevestigd blijkt de enorme verandering: Anesthesiologie, Algemene heelkunde,
Cardiochirurgie, Cardiologie, Dermatologie,
Gynaecologie, Hematologie, Interne geneeskunde, Kaakchirurgie, Keel-, neus- en oorheelkunde, Kindergeneeskunde, Klinische chemie,
Klinische oncologie, Klinische pathologie,
Maag-, darm- en leverziekten, Medische microbiologie, Mondziekten, Neurologie, Neurochirurgie, Nierziekten, Nucleaire geneeskunde,
Oogheelkunde, Orthopedie, Plastische chirurgie, Pulmonologie, Psychiatrie, Radiodiagnostiek, Radiotherapie, Reumatologie, Revalidatie,
Thoraxchirurgie, Urologie, Vaatchirurgie, Verloskunde. En er is ook nog een categorie ‘overig’!
Bovendien is er binnen elk specialisme ook weer
sprake van vele subspecialismes. Verplegen is
nog altijd belangrijk getuige het aantal klinische
verpleegdagen van 208.157. Maar patiënten blijven niet meer zo lang in het ziekenhuis (gemiddeld ruim vier dagen) en het enorme aantal
polikliniekbezoeken spreekt boekdelen: 210.310
eerste bezoeken en 346.092 overig.3
Meer dan genoeg dus om er een heel dik boek
over te schrijven. Recentelijk is er wel een dunner boek geschreven, Wat is er gebeurd? Kroniek
van de Zwolse ziekenhuizen. Direct vroegen de
samenstellers van dit themanummer zich af of er
nog iets geschreven kon worden dat niet in dat
boek stond. Gelukkig waren er nog onderwerpen genoeg die niet uitvoerig in het boek waren
behandeld. Een paar van die onderwerpen staan
in dit tijdschrift, zoals de verpleging, ethische
dilemma’s in het ziekenhuis en de nieuwste operatietechnieken. Ook geven we aandacht aan
enige specialismen: de cardiologie, de nucleaire
geneeskunde en de kaakchirurgie. De artikelen
zijn grotendeels gemaakt op basis van interviews
met betrokkenen, of door ervaringsdeskundigen zelf geschreven. Deze allesbehalve complete
dwarsdoorsnede van de ziekenhuiswereld wordt
voorafgegaan door twee artikelen over de beginperiode van het Sophia Ziekenhuis en van De
Weezenlanden. En wat is een ziekenhuis zonder
patiënten en verpleegsters? Zij komen aan bod via
de inzendingen voor de schrijfwedstrijd waarin
we naar herinneringen aan de Zwolse ziekenhuizen hebben gevraagd. De oogst was zeer boeiend,
we zijn de dames Carla Johnson-Cairo, Ria Knolle
en Els Rademaker-Vos en de heren J.M.J. Alferink, Bert J. Davidson, Johan Rijfkogel en H. Timmerman zeer erkentelijk voor hun inzendingen.
Ze zijn in dit nummer steeds opgenomen onder
de kop: Herinneringen. En zo is er een palet ontstaan waarop alle geledingen van het ziekenhuis
een plaats hebben gekregen en waarin de lezer van
alles zal herkennen. Want zeg nu zelf, zou er een
Zwollenaar zijn die nog nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?
Noten
1. Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 494-495
2. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 23
3. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 20, 22-23
ZHT4 2013.indd 5 10-12-13 13:33
170 zwols historisch tijdschrift
Het bestuur van de Rooms Katholieke
Stichting Ziekenverpleging Zwolle
besloot in de jaren zestig om de naam
van het ziekenhuis te veranderen in De Weezenlanden. Voor veel Zwollenaren bleef het daarna
echter nog jarenlang het katholieke ziekenhuis,
ondanks alle inspanningen om het religieuze imago naar de achtergrond te dringen. Als in die tijd
in de Zwolse Courant over een verkeersongeval
werd gemeld dat het slachtoffer naar het katholieke ziekenhuis was gebracht, kon op de redactie
steevast op een telefoontje van de secretaresse
van de directie worden gerekend: ‘Het is niet het
katholieke ziekenhuis, het is het ziekenhuis De
Weezenlanden…’, werd er dan gezegd.
De keuze om de katholieke identiteit althans
voor de buitenwereld kwijt te raken, had niets
te maken met afstand nemen van het verleden,
waarin de zusters ‘Onder de Bogen’ vanaf de
stichting van het ziekenhuis in 1896 zieken uit
Zwolle en omgeving liefdevol verpleegden. De
ontzuiling in ons land en het beleid van bestuur
en directie om een ziekenhuis voor mensen van
alle gezindten te zijn, had van het katholieke
ziekenhuis in feite een algemeen ziekenhuis
gemaakt. Nonnen waren er nog altijd te vinden,
maar hun aantal daalde gestaag. In 1961 waren
het er 58, tien jaar later nog slechts 27. Bovendien waren de religieuzen steeds minder zichtbaar aanwezig, omdat de kledingvoorschriften
van de congregatie soepeler werden. In 1939
was de oude, ronde en gesloten kap al vervangen
door een open model, in 1953 werd het habijt
gemoderniseerd, in 1959 werd het stijve bavet
vervangen door een wit boordje en het zwarte
lint, dat het kruisje droeg, door een zilveren
kettinkje. Eind 1965 maakte de kap plaats voor
een sluier en vanaf 1967 was het de zusters toegestaan zelf hun kleding te kiezen. De meeste
nonnen die nog in het ziekenhuis werkten, lieten
toen sluier en uniform achterwege. Op 5 oktober 1990, op de dag af 94 jaar nadat ze naar de
Overijsselse hoofdstad waren gekomen, werd de
Zwolse gemeenschap van de Zusters van Onder
de Bogen officieel opgeheven. Bij die gelegenheid
reikte burgemeester Loek Hermans de erepenning van de stad Zwolle uit aan de tien overgebleven religieuzen, waarvan er twee, zr. Anacleta
en zr. Gerda Bosch, nog in actieve dienst waren.
Bosch, die in 1994 afscheid nam, was de allerlaatste Bogenzuster die in het ziekenhuis De
Weezenlanden heeft gewerkt.
Twee bogen
De congregatie werd in 1837 in Maastricht opgericht door Maria Elisabeth Gruyters, een zeer
gelovige en vrome vrouw. Paus Pius IX wees de
heilige Carolus Borromeus, die leefde van 1538
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Afscheid van zuster
Gerda Bosch in 1994.
Links patiënt-assistent
Hans Mulder, rechts
cardioloog Bloemers.
(Foto Frans Paalman)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 6 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 171
tot 1584 en aartsbisschop van Milaan was, aan als
patroon van de congregatie. Acht jaar na de stichting nam de nieuwe kloostergemeenschap haar
intrek in de Proosdij van de Sint-Servaas Kerk,
die met twee bogen met de kerk was verbonden.
Het klooster kreeg daardoor de naam ‘Onder
de Bogen’. Aanvankelijk hielden de zusters zich
bezig met het geven van les aan arme kinderen en
het verzorgen van weeskinderen, maar vanaf 1843
kwam het accent te liggen op het verplegen van
behoeftige zieken.
Dat de Bogenzusters in 1896 naar Zwolle
kwamen, was te danken aan Judith Helmich,
dochter van een van de eigenaren van de ijzergieterij Schaepman en Helmich. In het begin
van de jaren negentig van de negentiende eeuw
was zij ingetreden in de congregatie, waar zij de
naam Margaretha had aangenomen. Toen haar
ouders stierven, erfde zij hun huis aan de Melkmarkt, het zogeheten Drostenhuis op nummer
41 waarin tegenwoordig het Stedelijk Museum
Zwolle is gevestigd. Zr. Margaretha schonk het
kapitale pand aan de congregatie met het verzoek
om er een inrichting voor ziekenverpleging van
te maken. Resultaat daarvan was, dat op 2 oktober 1896 moeder Lamberta en zuster Theresia,
gewapend met Gods vertrouwen, naar Zwolle
kwamen om vanuit huize Helmich zieken te gaan
verplegen.
Twee weken later, op 15 oktober, kwam de
generale overste van het klooster, moeder Maria,
hoogst persoonlijk nog vier zusters brengen. Zij
had ook een beurs met 130 gulden meegenomen, waarmee de volgende dag inkopen werden
gedaan: een fornuis, katoen voor gordijnen,
emmers, stokken, dweilen en niet te vergeten een
beeld van Sint Jozef, dat een ereplaats kreeg in het
pand en voor bescherming moest zorgen. Voor
het noodzakelijke opknappen van het huis, dat
een paar jaar niet bewoond was geweest, bleef er
toen nog tachtig gulden over. Een beurtschipper bracht enkele weken later vanuit Den Haag,
waar de Bogenzusters al in 1890 met hun werk
waren begonnen, huisraad mee dat daar overtollig
was. Plus een rekening van zestien gulden voor
de vrachtkosten, waardoor de beurs steeds leger
werd.
Kerk was vol
Op veel medewerking konden de Bogenzusters
aanvankelijk niet rekenen. De pastoor van de
Onze Lieve Vrouwekerk stelde zich zelfs vijandig
op toen hem gevraagd werd een paar plaatsen in
de kerk voor de zusters te reserveren. ‘Mijn kerk
is vol. Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?
Wie heeft u hier geroepen?’ Slechts af en toe werd
de hulp van de zusters ingeroepen en ontvingen
ze een kleine vergoeding. Niemand was echter
bereid om voor een dag en nacht verpleging 1,50
gulden te betalen. Een mandje eieren, daar moesten ze het mee doen. Dat de Bogenzusters min of
meer werden genegeerd, had niets te maken met
de godsdienstige identiteit van Zwolle. De hervormden waren weliswaar ver in de meerderheid,
maar zo’n kwart van de bevolking was katholiek.
Voor katholiek Zwolle en dan in het bijzonder de
zogenaamde behoeftigen bestond er sinds 1844
echter al een mogelijkheid om bij ziekte verpleegd
te worden. Daarvoor zorgden de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid uit Tilburg.
Gasthuisplein
De ziekenverpleging van deze Zusters van Liefde
ging in 1844 van start. Het Rooms-Katholiek
Armbestuur, dat sinds ongeveer 1825 al een zieken- en passantenhuis in gebruik had in het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat, droeg toen de zorg
voor de (arme) zieke medemens aan de zusters
over. Hun eerste behuizing aan de Rozemarijnstraat werd al snel te klein. In 1846 kon dankzij
een schenking de branderij-brouwerij van de
gebroeders Visscher op het adres Gasthuisplein
10 worden gekocht. Vanaf deze plek breidde het
‘gesticht’ zich steeds verder uit door aankoop van
panden, die vaak werden gesloopt om ruimte
voor nieuwbouw te maken. Financieel werd dit
de zusters mogelijk gemaakt door schenkingen
van particulieren, zoals bijvoorbeeld een bedrag
van liefst 20.000 gulden van de weduwe K.L.A.
van der Horst. Zij voegde daar wel de voorwaarde
aan toe, dat in het Liefdegesticht steeds één kamer
disponibel gesteld moest worden voor de vergadering van de damesvereniging ten behoeve der
arme kerken. Bijna anderhalve eeuw lang zouden
ZHT4 2013.indd 7 10-12-13 13:33
172 zwols historisch tijdschrift
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein hun
domicilie hebben. In 1987 werd het klooster afgebroken om plaats te maken voor onder andere een
bioscoop.
Het Liefdegesticht, zoals het ziekenhuis op het
Gasthuisplein werd genoemd, had een bijzonder
goede naam in Zwolle. In feite was het de enige
ziekeninrichting in de stad die goed functioneerde. Daar kwam het stadsbestuur in 1866 ook achter, toen ons land en ook Zwolle werd getroffen
door een cholera-epidemie. Over de behandeling
en verzorging in het zogenoemde Passantenhuis
van de gemeente kwamen zoveel klachten binnen,
dat burgemeester mr. J.A.G. baron de Vos van
Steenwijk aan moeder-overste Stanislaus vroeg
of haar zusters ook de verpleging van de zieken in
het Passantenhuis van de gemeente zouden willen
doen. Anderhalve maand lang hebben de Liefdezusters zich met hart en ziel van deze taak gekweten. ‘De lijders waren zeer voldaan en het publiek
was hiermede zeer ingenomen’. Als dank kreeg
Moeder Stanislaus van het stadsbestuur een zwart
kruis met zilveren corpus. Ook koning Willem III
toonde zijn waardering. Hij stuurde een medaille
met inscriptie naar de zusters begeleid door een
brief van de minister van Binnenlandse Zaken.
‘Die medaille strekt ten blijke van ’s Konings
goedkeuring voor daden van onverpligte menschlievendheid en zelfopoffering.’
Operatie
In 1888, vier jaar na de opening van het
gemeentelijk Sophia Ziekenhuis, werd het
ziekenhuis op het Gasthuisplein uitgebreid
met nieuwe ziekenzalen en een operatiekamer,
waar dr. N.H. Frank in 1891 voor het eerst
een geslaagde blindedarmoperatie deed op
een vrouw. Deze ingreep maakte diepe indruk
op de Zwollenaren en zorgde er voor dat het
ziekenhuis van de zusters van Liefde steeds
populairder werd. De roem strekte zich tot ver
buiten Zwolle uit. De eerste patiënt die na de
nieuwbouw in 1888 werd opgenomen, was bijvoorbeeld de burgemeester van Borne, de heer
Van Bönninghausen. In 1895 brachten de jonge
koningin Wilhelmina en koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle, waarbij ook het
gesticht op het Gasthuisplein op het programma stond. Voor de ingang was een prachtige
baldakijn aangebracht met gordijnen van rood
fluweel en de hele vestibule was gedrapeerd en
met bloemen versierd. Bij het vertrek van de
twee vorstinnen wachtte Moeder Stanislaus een
grote verrassing. Zij kreeg te horen dat zij Ridder in de Orde van Oranje Nassau was geworMoeder Stanislaus
Wilhelmina Agnes Gerardina Henrica van Sonsbeeck werd op 25 juni
1818 op Huize de Gunne bij Heino geboren en trad op 22-jarige leeftijd
in bij de congregatie van Tilburg, waar zij de naam Stanislaus aannam.
In 1844 werd zij samen met zr. Guillianie Aukens naar Zwolle gestuurd
om er voor zieken te zorgen en de kinderen uit arme katholieke gezinnen
onderwijs te geven. Moeder Stanislaus, zij werd al snel moeder-overste van
het gesticht in Zwolle, zou 46 jaar lang in de Overijsselse hoofdstad blijven.
In 1895 werd Moeder Stanislaus koninklijk onderscheiden. Zij was de eerste vrouw in Nederland die Ridder in de Orde van Oranje-Nassau werd.
In 1900 vertrok zij vanwege haar gevorderde leeftijd naar het Moederhuis
in Tilburg, waar zij op 2 maart 1904 overleed. Volgens de overlevering viel
op die dag in de sacristie van het klooster in Zwolle het kruisbeeld uit de
nis, terwijl de rector zijn dankzegging deed na de Heilige Mis. En ’s avonds
om zes uur, het moment waarop Moeder Stanislaus haar laatste adem
uitblies, stond de klok in de gang stil. Dat was te meer opvallend, omdat
moeder overste de klokken van het huis altijd naar die klok geregeld wilde
hebben. Toen de klok werd
aangestoten, liep ze weer
gewoon door…
Rond 1990 werd deze
Zuster van Liefde geëerd met
een straatnaam in de Zwolse
wijk Schellerhoek: Moeder
Stanislausstraat. En in oktober
2013 is een nieuw geopend
zorghuis voor dementerende
ouderen aan de Bagijneweide
naar haar vernoemd: Wilhelmina van Sonsbeeckhuis.
Moeder Stanislaus met
koninklijke onderscheiding.
Foto van haar bidprentje.
(Archief Zusters van Liefde)
ZHT4 2013.indd 8 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 173
den, waarmee zij de eerste vrouw in ons land
was die deze hoge onderscheiding ontving.
De patiëntendruk op het ziekenhuis van de
zusters van Liefde was inmiddels zo groot, dat
besloten werd om voortaan alleen nog maar
katholieken van Zwolle op te nemen. Dit beleid
leverde echter oplopende tekorten op, omdat het
Armbestuur van de parochies voor de verpleging
van arme zieken slechts 35 cent per dag betaalde.
Bij de zusters groeide de vrees dat uiteindelijk
alle zieken naar het in 1884 geopende Sophia Ziekenhuis zouden worden verwezen, maar door de
komst in 1896 van de zusters van Onder de Bogen
zou het heel anders gaan lopen. Terwijl steeds
meer Liefdezusters voor de missie naar de Oost
vertrokken, verplaatste de zorg voor de zieken
zich meer naar huize Helmich op de Melkmarkt.
En toen in 1902 een geheel nieuw rooms-katholiek ziekenhuis van de Bogenzusters in gebruik
werd genomen, hield het ziekenhuis van de LiefAankondiging van
de verhuizing van de
katholieke ziekenverpleging in de Zwolse
Courant van 18 februari 1902.
Het bestuur van het katholieke ziekenhuis bereidde zich al
in een vroegtijdig stadium voor op de gevolgen die een oorlog
voor de instelling zou kunnen hebben. Op 3 april 1939 werd
besloten om op de zolder zandzakken te plaatsen, om in geval
van luchtaanvallen met brandbommen snel in actie te kunnen
komen. Ook werden in het gebouw zwarte verduisteringslampen aangebracht en kregen de zusters ‘draagbare zaklantaarns
met blauw licht’.
Gelukkig is er tijdens de Tweede Wereldoorlog geen bom
op het ziekenhuiscomplex terecht gekomen, maar ongemerkt
gingen de bezettingsjaren allerminst voorbij. Omdat ‘horen,
zien en zwijgen’ voor de zusters het parool was en de medische
dienst van de Wehrmacht in het Sophia Ziekenhuis geconcentreerd was, werd het katholieke ziekenhuis een goede plek om
onderduikers onder te brengen en voor het verzet om er een
geheime zender te installeren. Ongelukkigerwijs werd deze
zender, die verbonden was met het geallieerde hoofdkwartier
in Eindhoven, op 8 februari 1945 door de Duitsers gelokaliseerd. Om half elf die ochtend werd het ziekenhuis omsingeld
en gingen enkele officieren met getrokken pistool naar binnen.
Jan van Tongeren, die toen portier was, vertelde er later het
volgende over. ‘De Duitsers sloegen met de kolf van het geweer
de deur in en liepen rechtstreeks door naar de Josephzolder,
waar de kamertjes van de verpleegsters waren. Daar zat de
Zwolse verzetsgroep met de geheime zender. Doordat ze eerst
de verkeerde deur namen, kon de man die er zat ontsnappen
en in het klooster verdwijnen. Maar Beernink, die naar buiten
liep, werd op het voorterrein neergeschoten. Intussen hadden
de zusters alle mannen op zaal 5 die onderduikers waren bliksemsnel in bed gestopt en van spalken en verband voorzien,
zodat het leek of ze flink ziek waren. De kok, ook een onderduiker, was op de vlucht geslagen en aangeschoten. De Duitsers
volgden zijn bloedspoor en vonden hem in de aardappelschuur
onder het hooi. Hij werd in de polikliniek gebracht en toen hij
stierf lagen de Duitsers met het oor aan zijn lippen in de hoop
dat hij ijlend namen zou loslaten.’
De dood van Henk Beernink, voorman van de verzetsgroep
De Groene, was een zware klap voor de Zwolse illegaliteit.
Moeder-overste Praxedis, die in 1952 het Kruis van Verdienste
kreeg voor haar verdiensten voor de illegaliteit, werd samen
met haar medezusters door de Duitsers verhoord. Zij wisten
aannemelijk te maken dat zij niet op de hoogte waren geweest
van de verzetsactiviteiten in het huis. ‘Horen, zien en zwijgen…’
‘Horen, zien en zwijgen’ in het katholieke ziekenhuis
ZHT4 2013.indd 9 10-12-13 13:33
174 zwols historisch tijdschrift
dezusters definitief op te bestaan. Hun activiteiten
in Zwolle zouden voortaan geheel bestaan uit het
aanbieden van onderwijs.
Kruisbeeld
De echte verpleging van zieken in huize Helmich
was in september 1897 van start gegaan, maar
het pand aan de Melkmarkt was in feite voor dit
doel totaal ongeschikt. Zo waren er bijvoorbeeld
slechts twee waterkraantjes aanwezig. De Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging, die
inmiddels de zakelijke bedrijfsvoering van de
zusters had overgenomen en dankzij een aantal
forse schenkingen waaronder een bedrag van
30.000 gulden over de nodige financiële middelen beschikte, maakte daarom al snel plannen
voor de oprichting van een nieuw ziekenhuis.
Aan het Groot Wezenland hoek Blekerstraat
werden twee panden aangekocht, voor 21.000
gulden het herenhuis van de heer Godschalk en
voor 19.000 gulden de houtwerf van de firma
Eindhoven en Zn. Het pand aan de Melkmarkt
werd voor 15.000 gulden verkocht aan de posterijen. Met het kruisbeeld in haar armen en
zestien zusters in haar kielzog betrad Moeder
Lamberta op 22 april 1902 het nieuwe ziekenhuis
aan het Groot Wezenland, dat 45 bedden telde
en 135.000 gulden had gekost. Het herenhuis
van Godschalk werd gebruikt voor de eerste
en tweede klasse patiënten, de nieuwbouw was
bestemd voor de derde klasse patiënten.
Het katholieke ziekenhuis mocht zich in
Zwolle en omgeving in een uitstekende naam
verheugen. De goede huisvesting en de prettige
inrichting hadden daar zeker mee te maken,
maar bepalend daarvoor was de liefdevolle
manier waarop de zieken door de zusters werden verpleegd. Bij ernstig zieken waakten en
baden ze. Weinig mensen gingen in de tijd dat
de Bogenzusters het beeld van het ziekenhuis
bepaalden in eenzaamheid dood, er zat bijna
altijd een non aan het bed van de stervende. Een
arts omschreef het werk van de zusters eens op
de volgende manier: ‘Hun roeping tilde hun toewijding boven het gewone menselijke uit. Hun
medemenselijkheid met de patiënt was vaak om
jaloers op te worden.’
Remonstrant Jan Dhont was eerste medisch-directeur
van het katholieke ziekenhuis
Het personeel van het katholieke ziekenhuis was lange tijd in overgrote
meerderheid katholiek. Daarom werden rond twaalf uur op de administratie de luikjes gesloten om de medewerkers de gelegenheid te bieden op
de knieën te gaan omdat vanuit de Paterskerk het ‘Engel des Heren’ werd
geluid. Met Goede Vrijdag ging het voltallig personeel naar de Kruiswegviering. De meeste leden van de medische staf waren echter niet katholiek.
Dat gold ook voor de eerste medisch directeur die het katholieke ziekenhuis kende, dokter Jan Dhont. De in 1909 geboren zoon van een huisarts
uit Meppel was remonstrant. Toen hij in 1957 tot medisch directeur werd
benoemd, waren vijftien van de zeventien leden van de medische staf niet
katholiek. Dhont was een bescheiden en bijzonder innemend persoon, die
binnen de gemeenschap van het ziekenhuis op grote sympathie kon rekenen. Begaafd en belezen als hij was, ging zijn belangstelling uit naar de letteren. Dichters als Victor van Vriesland en J.C. Bloem behoorden tot zijn
vriendenkring. Zelf maakte Dhont ook gedichten, waarvan een selectie in
1988 door Waanders in boekvorm is uitgegeven:
‘Ik ben tot aan de grens gegaan
Van wat de woorden dragen en ben niet verstaan
Het ging ermee als met mijn hele leven;
Men heeft het vreemd gevonden en is doorgegaan.’
Dhont, die ongehuwd bleef, leed aan de slopende oogziekte glaucoom, die
hem uiteindelijk blind maakte. Nadat hij in 1973 met vervroegd pensioen
was gegaan, werd hij nog jarenlang verzorgd door zusters van ‘Onder de
Bogen’. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in verzorgingshuis
De Nieuwe Haven, waar hij op 1 februari 1984 overleed.
Jan Dhont, in het midden met donker pak, tijdens de bevrijding in april
1945. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 10 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 175
Dagorde
Gemakkelijk was het leven van de religieuzen
bepaald niet. De dagorde zag er bijvoorbeeld als
volgt uit: 5.30 uur opstaan; 5.50 uur lauden in
koor; 6.00 uur meditatie; 6.30 uur Heilige Mis;
6.55 uur reflectie Prime-Terts; 7.05 uur ontbijt;
12.50 uur gewetensonderzoek; 14.30 uur rozenhoedje; 14.45 uur vespers in koor; 19.00 uur
completen in koor; 21.30 uur lichten uit… Op de
afdelingen werd door de zusters met patiënten het
avondgebed gebeden en met veel ceremonie werd
de communie door het ziekenhuis rondgebracht.
De zusters, het zijn ook maar mensen, konden
soms ook wel nukkig, chagrijnig of soms zelfs
bijna onbetamelijk uit de hoek komen. Daarbij
waren sommigen heel erg streng.*
Met de groei van de patiëntenstroom als gevolg
van de toenemende mogelijkheden om mensen
beter te maken en de dalende instroom van novicen in de kloosters deden steeds meer lekenzusters
hun intrede in het katholieke ziekenhuis. De eerste
twee kwamen in 1928, toen hard gewerkt werd
aan uitbreiding van het ziekenhuis. Om leerlingverpleegster te worden, hadden ze een inleggeld
De rooms-katholieke
ziekenverpleging
omstreeks 1920. (Particuliere collectie)
De hal van het oude
katholieke ziekenhuis.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 11 10-12-13 13:33
176 zwols historisch tijdschrift
van 150 gulden moeten betalen. Salaris kregen ze
niet, het verplegen werd als liefdewerk, als roeping
beschouwd. Pas in 1931 kregen de lekenzusters
loon: 50 gulden per jaar voor de eerstejaars, 100
gulden per jaar voor de tweedejaars en 200 gulden
per jaar voor de derdejaars. Plus vrije kost, inwoning en bewassing. Uiteraard moesten de meisjes
uit katholieke gezinnen afkomstig zijn.
Nieuwbouw
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond al snel
behoefte aan uitbreiding. Panden en terreinen
in de omgeving van het ziekenhuis werden aangekocht, waaronder in 1954 het complex van de
azijnfabriek van Heerkens, Schaepman en Co’s.
Het leverde uiteindelijk een compleet nieuw
ziekenhuis op, waardoor de Blekerstraat uit het
stratenregister van Zwolle kon worden geschrapt.
Precies vijftig jaar geleden, op 5 december 1963,
sloeg J.H.J.M. ten Doeschate, die van 1946 tot
1978 voorzitter van de Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging Zwolle was, de eerste paal
en op 1 oktober 1967 werd het nieuwe ziekenhuis
in gebruik genomen. Dat betrof fase I, want in de
Mooie overzichtsfoto uit 1933 van alle gebouwen waaruit het katholieke ziekenhuis bestond, gelegen tussen het Groot Wezenland en
de Blekerstraat. (Uit: Oud Zwolle vanuit de lucht)
ZHT4 2013.indd 12 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 177
jaren daarna zouden er nog vier volgen voor het
nieuwe ziekenhuis De Weezenlanden, inclusief
verpleeghuis, compleet was.
Toen begin jaren zestig het oude ziekenhuis
met z’n lange donkere gangen en granieten
vloeren werd afgebroken, raakten de lekenzusters langzaam maar zeker in de meerderheid.
De functie van verplegingsdirectrice bleef tot
1973 in handen van een religieuze. De laatste
was zr. Berthilie, die bij haar afscheid zei: ‘Door
gelovig te zijn vind je steeds weer kracht, die je
bij dit belangrijke werk nodig hebt. Omdat je
leven bepaald is door God hoef je geen zwevend
of onzeker gevoel te hebben.’ Op verschillende
plekken in het ziekenhuis bleven daarna nog
Bogenzusters aan het werk. Zoals bijvoorbeeld
zr. Renée, die van de couveusekamer naar het
mortuarium was verhuisd. ‘De overleden mensen die hier worden gebracht, blijven voor mij
patiënten. Iemand die van buiten het ziekenhuis
wordt gebracht, noem ik een logé’, vertelde ze
aan de redacteur van het personeelsblad.
In een tijd waarin de meeste ziekenhuizen een
medicus als directeur hadden, durfde het bestuur
van het rooms-katholieke ziekenhuis in Zwolle
het aan om een man die afkomstig was uit de
horeca en het hotelwezen met de leiding van het
ziekenhuis te belasten. Directeur mocht A.J.J.
Craghs zich in 1947 nog niet noemen, administrateur-econoom stond achter zijn naam. Maar
feitelijk was hij direct al de hoogste man in de
organisatie en in 1951 werd dat bekrachtigd door
zijn benoeming tot algemeen directeur. Spijt van
die beslissing hebben ze bij het rooms-katholieke
ziekenhuis nooit gehad. Toen Craghs in 1976 met
pensioen ging, werd hij niet ten onrechte de ‘pater
familias’ van De Weezenlanden genoemd.
Craghs werd op 5 september 1911 in Roermond geboren als zoon van een bakker. Na drie
jaar HBS ging hij als leerling-kelner werken in
hotel De Keizerskroon in Apeldoorn, tegen een
vergoeding van vier gulden per week plus kost en
inwoning. Vervolgens werd hij commis de rang in
Hotel De Wittebrug in Den Haag, waar hij cocktails voor prins Hendrik heeft gemixt. In 1932
keerde hij terug naar De Keizerskroon, maar nu
als chef van het hotel. Omdat hij meer van de
wereld wilde zien, trok Craghs naar Londen en
Parijs en, leergierig als hij was, ging hij in Leuven
stiekem colleges sociale economie en psychologie
lopen. Na dit korte avontuurlijke bestaan werkte
hij in verschillende rangen in de hotels Terminus
in Utrecht, de l’Europe in Amsterdam en Huis
ter Duin in Noordwijk, om in 1939 in Zwolle aan
de slag te gaan als de baas van de stationsrestauratie.
De overstap van Craghs van de stationsrestauratie naar het rooms-katholieke ziekenhuis
was zoals gezegd tegen de trend in en veel medici
in het ziekenhuis hadden er aanvankelijk dan
ook moeite mee. Maar de scepsis maakte al snel
plaats voor waardering, niet alleen dankzij het
respect dat Craghs voor het werk van de heren
doktoren toonde, maar ook door de manier
waarop hij opkwam voor hun belangen. Bovendien stond hij open voor alle nieuwe ontwikkelingen in de medische sector en was hij bereid om
innovatieve initiatieven te ondersteunen.
Het hart van Craghs, die een diepe religieuze
inslag had en soms urenlang met moeder-overste
Elisabetha over allerlei zaken sprak, lag echter bij
de patiëntenzorg. Zelf zei hij daar later over: ‘De
mensen moeten zich in het ziekenhuis thuis voelen. Daarom moet een sfeer worden geschapen,
waarin goede verpleging en een voorspoedige
genezing mogelijk zijn. Dat moet al beginnen bij
de portier. Daar moet de menselijke benadering
al heel duidelijk aanwezig zijn. Hoe snel voel je je
niet verlaten als je een groot bedrijf binnen komt.
Je krijgt dan het idee een nummer te zijn. Dat heb
ik altijd vreselijk gevonden.’
Craghs overleed op 7 augustus 1977, nog geen
jaar nadat hij afscheid van ‘zijn’ Weezenlanden
had genomen.
Craghs, de ‘pater familias’ van De Weezenlanden
ZHT4 2013.indd 13 10-12-13 13:33
178 zwols historisch tijdschrift
Beeld
De Zwolse gemeenschap van de Liefdezusters van
de Heilige Carolus Borromeus werd in 1993, toen
ze nog tien leden telde waarvan de meesten al ver
over de zeventig en de oudste zelfs negentig jaar
waren, officieel opgeheven. Op 29 april 1994 onthulde zr. Ignace van Heyningen, provinciaal overste van de congregatie, een beeld gemaakt door
Pépé Grégoire, dat de herinnering aan de Bogenzusters levend moest houden. Medisch-directeur
dr. A.G.P. Cremers zei bij die gelegenheid: ‘Wij
hebben als Weezenlanden iemand die niet alleen
de moeite waard is, maar iemand die beslist niet
vergeten mag worden, omdat haar naam in het
steen van dit ziekenhuis is gegrift, omdat de organisatie die de patiëntenzorg hier behartigt naar
mijn overtuiging nog steeds haar geest ademt: de
religieuzen van Onder de Bogen’. Het beeld is dit
jaar met alle artsen, verpleegkundigen en andere
medewerkers van De Weezenlanden verhuisd
naar het nieuwe Isala ziekenhuis. Het zou een
goede gedachte zijn om straks wanneer het ziekenhuis van de Rooms Katholieke Stichting Ziekenverpleging Zwolle is afgebroken en er woningen voor in de plaats zijn gekomen, het beeld
weer terug te halen naar de plaats waar de zusters
Onder de Bogen meer dan negentig jaar lang hun
liefdevolle werk hebben verricht.
* Niet zozeer de patiënten van het ziekenhuis, maar
de leerlingen van de scholen die onder het bewind
van het klooster op het Gasthuisplein vielen, kregen
daar mee te maken. ‘Zusters van Liefde, krengen
van Barmhartigheid’ is een gezegde dat velen van
hen bekend in de oren zal klinken.
Literatuur en bronnen
– F. van Reijendam-van Barneveld en M.P. Pul, Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden. Zwolle, 1988
– Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, deel II,
Tijl Zwolle, 1961
– Personeelsbladen ziekenhuis De Weezenlanden.
De onthulling van het
monument voor de
Zusters onder de Bogen
in 1994, gemaakt door
de kunstenaar Pépé
Grégoire. Zittend op
de voorste rij de laatste
zusters van de congregatie. Het beeld stond
jarenlang bij de hoofdingang van het ziekenhuis aan het Groot
Wezenland. Het staat
nu een beetje verloren
aan de Ceintuurbaankant van het nieuwe
ziekenhuis. (Foto Frans
Paalman)
ZHT4 2013.indd 14 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 179
Gemeenteraad debatteerde jarenlang over
bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt
ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Toen de gemeenteraad van Zwolle op
5 juli 1880 met elf stemmen voor en zes
tegen besloot tot de oprichting van een
ziekenhuis, stelde de medische zorg in de ruim
23.000 zielen tellende hoofdstad van Overijssel
weinig voor. Er was een zogeheten Passantenhuis
in de oude militaire ruiterstallen op het Noordereiland, dat werd gebruikt voor mensen die een
besmettelijke ziekte hadden opgelopen.*
Het armbestuur van de Nederlands Hervormde
Gemeente beschikte over een verpleeginrichting
in de Nieuwstraat, in de volksmond bekend als
‘De Infirmerie’, die in alle opzichten ernstig tekort
schoot. Alleen het gesticht van de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid op het Gasthuisplein was de naam van
ziekenhuis waardig, maar deze inrichting was in
de eerste plaats voor katholieken bestemd. ‘Aan
een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt ziekenhuis te Zwolle bestaat werkelijk behoefte. Om er
niet van te spreken hoezeer het te bejammeren is,
dat de gelegenheid tot ziekenverpleging te Zwolle
zoo treurig afsteekt bij de gelegenheden, die daarvoor worden gevonden te Deventer en te Kampen, welke toch nog niet eens als modellen van
ziekenhuizen mogen worden beschouwd’, had
Lubach, de geneeskundig inspecteur voor Overijssel en Drenthe, voorafgaande aan de vergadering van 5 juli aan de gemeenteraad geschreven.
Schaepman
Bezien door de ogen van iemand die anno 2013
een bezoek heeft gebracht aan de gloednieuwe
Isala klinieken, schept de naam ziekenhuis overigens grote verwarring. De stand van de medische
wetenschap was in 1880 nog zo beperkt, dat tegen
de meeste kwalen geen kruid gewassen was. In
1846 was in Massachusetts weliswaar voor de
eerste keer een operatie uitgevoerd waarbij een
patiënt met behulp van ether onder verdoving
was gebracht, maar in Zwolle deed de chirurgijn
nog altijd zijn werk zoals dat in de eeuwen daarvoor ook gedaan was. J.J. Kisch heette de brave
man, wiens patiënten helse pijnen moeten hebben
geleden want narcose of verdovende middelen
waren volgens hem uit den boze. Zijn rol zou overigens spoedig tot het verleden behoren want er
waren grote veranderingen op komst. De bekende
Zwolse genees- en heelkundige dr. Th.A. Schaepman (1834-1908) gaf er in 1880 een ongewilde
demonstratie van, die in de stad wekenlang hét
onderwerp van gesprek was. Zijn dochter werd
ernstig ziek en Schaepman besefte dat alleen een
chirurgische ingreep haar leven kon redden. Dus
legde hij haar in zijn huis annex praktijk aan de
Badhuiswal op een tafel, zette haar een kap op,
bracht haar onder narcose en zette het lancet er in.
Thom. de Vries, die van 1964 tot zijn dood in 1975
gemeentearchivaris van Zwolle was, noemde het
in zijn Geschiedenis van Zwolle een weergaloos
huzarenstukje, want in Zwolle was de narcose nog
Het Sophia Ziekenhuis
kort na de bouw.
(Collectie HCO)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 15 10-12-13 13:33
met een krachtig nee beantwoord. ‘Zwolle munt
uit door prachtige scholen, halve paleizen, eene
ruime nieuw gebouwde manege, alles zonder twijfel onbegrijpelijk nuttig, maar… een behoorlijk
ziekenhuis, waar is dat te vinden? Voor ziekte en
ellende van den vreemdeling zorgt in Nederland
het Roode Kruis, voor ondersteuning van den
vreemdeling als gevangene zorgt het Blaauwe
Kruis. Is er dan iets billijks in, dat de gemeente
zorge voor een goed ingerigt ziekenhuis ten
behoeve van den zieken, hulpbehoevende stadgenoot van allerlei klassen, zoowel voor den gegoeden burger als voor den arme?’
Over het Passantenhuis hadden de stedelijke
genees- en heelkundigen weinig goeds te melden. ‘De handwerksman die grof geld verdient,
de fatsoenlijke burger die op eigen kosten ligt en
behandeld wordt, heeft een afkeer van die inrigting, die men hem al spoedig vertelde vroeger een
stal te zijn geweest, waarin ook de syphilitische
vrouwen werden verpleegd. Ook de reiziger die
door eene epidemische ziekte wordt aangetast,
hij moet zijn hotel verlaten, is nu dat ziekenhuis
behoorlijk voor hem ingerigt? Neen. Hij behoort
in een behoorlijk ingerigt ziekenhuis opgenomen
te worden, in een stedelijk gasthuis op eenvoudige
min kostbare wijze daargesteld, zonder Jonisch
of Romeinse kolommen en kapiteelen van arduin
of Bentheimersteen, alleen volledig beantwoordende aan de eischen van de ziekenhuizen van
den laatsten tijd.’
Einde discussie
Zwolle had in 1871 bijna 22.000 inwoners en verwachtte een opbloei mede dankzij de komst van
de Centrale Werkplaats der Staatsspoorwegen,
die in de volksmond de constructiewinkel werd
genoemd. Het bedrijf was in 1870 geopend en
het aantal werknemers zou in de richting van de
duizend gaan, waarvan velen met hun gezinnen
in de nieuwe stadswijk Assendorp gingen wonen.
Alle redenen dus, zo zou men denken, om positief
te reageren op de oproep van de stedelijke medici.
De politiek reageerde echter helemaal niet zo
enthousiast, zoals bleek tijdens de raadsvergadering van 18 augustus 1871. De heer Van Kerckhoff deed een poging om naar aanleiding van de
nooit toegepast: ‘Dr. Schaepman redde zijn dochter en als een lopend vuurtje ging het nieuws door
de stad: narcose is mogelijk, men kan gered worden! Tot dan toe waren de ziekenhuizen sterfhuizen geweest, waarin de arme patiënten gebracht
werden wanneer ze onmogelijk meer thuis konden worden verpleegd. Nu zou de gemeenteraad
wat beters maken.’
Brief
De opzienbarende actie van Schaepman vond
waarschijnlijk plaats nadat de raad al een besluit
over de oprichting van een gemeentelijk ziekenhuis had genomen. In de vele debatten die aan
deze zaak werden gewijd, is er namelijk nooit over
gesproken. Schaepman was wel een van degenen
die het ziekenhuis op de agenda van de stedelijke
politiek had geplaatst. Samen met zijn collega’s
dr. J. Moll jr., dr. S.P. Kros, dr. J.T. Meinesz, J.J.
Kisch en S.S. van Raalte stuurde hij op 28 januari
1871 een brief naar de gemeenteraad, waarin de
oprichting van een ziekenhuis werd bepleit. Niet
voor de eerste keer overigens, want al vaker hadden de stedelijke genees- en heelkundigen gewezen op het ontbreken van een ‘goed ingerigte,
doelmatige en regt eenvoudige ziekenverpleging
of gasthuis.’
De directe noodzaak daartoe vormden de
uitbraken van besmettelijke ziekten als pokken en
tyfus, waardoor ons land geregeld geteisterd werd
en die veel dodelijke slachtoffers eisten. Ook in
1871 waarde het spook van de tyfus weer rond en
de gevolgen die dat zou kunnen hebben, werden
in de brief van de heren medici beschreven al was
’t het scenario van een horrorfilm: ‘Geeft niet het
onmerkbaar langzaam naderende voorjaar de
zekerheid, dat die heuvelen en bergen van rottende en grootendeels onbegraven lijken, wier stank
en pestlucht nu reeds ondragelijk is, smetstoffen
zullen ontwikkelen, die de moorddadigste ziekten
zullen doen ontstaan en sommige jaren welligt
zullen blijven heerschen?’
Allerlei klassen
De vraag of Zwolle bij de verschijning van epidemieën een behoorlijk ingericht ziekenhuis
had om de lijders te verplegen, werd in de brief
180 zwols historisch tijdschrift
ZHT4 2013.indd 16 10-12-13 13:33
van Overijssel en Drenthe. ‘Ik heb vernomen dat
in uwe vergadering een voorstel is gedaan tot het
stichten van een stedelijk ziekenhuis. Ik kan dit
voorstel niet anders dan toejuichen.’
Bouwplan
Tijdens de begrotingsvergadering van 29 oktober 1877 maakte burgemeester Van Nahuys
bekend, dat de gemeentearchitect een bouwplan
had gemaakt, dat ‘eerstdaags’ zal worden ingediend. Waarop raadslid mr. S.J. van Roijen zich
geschrokken afvroeg of Zwolle dat wel zou kunnen betalen. ‘Blijkt het dat de uitgaven de financiële draagkracht der gemeente niet te boven gaan,
dan worde tot de uitvoering besloten. Blijkt echter
brief van de Zwolse genees- en heelkundigen
een discussie op gang te brengen, maar toen hij
uitgesproken was diende zijn collega Scriverius
een motie van orde in, waarin werd bepaald dat de
raad verder zou gaan met de behandeling van de
aan de orde zijnde zaken en zich niet verder zou
verdiepen in beschouwingen over de bouw van
een algemeen ziekenhuis. Einde discussie, want
bij een groot deel van de raad, die bijna volledig
uit liberalen bestond, was het ziekenhuis geen
onderwerp waar veel gewicht aan werd toegekend. Daar heerste de opvatting dat de overheid
zich niet te veel moest bemoeien met de leefomstandigheden van haar burgers. En de praktijk
van die tijd was, dat zieken die tot de klasse van
de gegoede stand behoorden, thuis werden verpleegd. Alleen de allerarmsten die in bekrompen
huizen in achterbuurten zoals de Kwade Negen
(nu Van Nahuysplein) of de Mussenhage woonden, zouden op een ziekenhuis zijn aangewezen.
Meer dan vijf jaar bleef het stil. Pas op 18
december 1876 kwam het ziekenhuis in de Zwolse
politiek weer ter sprake. Aanstichter was het
raadslid mr. P.J.G. van Diggelen, die de wens
uitsprak dat in Zwolle een algemeen ziekenhuis
zou worden opgericht en onmiddellijk steun
kreeg van de heer Van der Voort, die zelf geneesheer was geweest. Maar in de wandelgangen en
wellicht ook in de Groote Sociëteit die door veel
raadsleden frequent werd bezocht (het verhaal
ging dat burgemeester jhr. W.C.T. van Nahuys de
stad vanuit de Groote Sociëteit bestuurde), was
het onderwerp ongetwijfeld al veelvuldig besproken. Bovendien stuurde het gemengd armbestuur
van de Nederlands Hervormde Gemeente op 29
januari 1877 een brief naar de raad, waarin steun
aan zo’n initiatief werd betuigd. Het opknappen
van het eigen ziekenhuis in de Nieuwstraat (‘Ook
met den besten wil kan daarin geene verpleging
overeenkomstig de eischen van den tegenwoordigen tijd worden gedacht’) was geen optie en
nieuwbouw veel te duur. Een ziekenhuis voor
verschillende klassen van de maatschappij had
daarom de voorkeur van het armbestuur en men
was ook bereid daarvoor een financiële bijdrage te
verlenen. Voor extra druk op de ketel zorgde vervolgens de arts Lubach, geneeskundig inspecteur
zwols historisch tijdschrift 181
Boven: De nieuwe
mannenzaal (zaal 25)
na de uitbreiding in
1915. (Collectie HCO)
Onder: De nieuwbouw
uit 1915, met de mannenzaal (zaal 25) links
en de vrouwenzaal
(zaal 20) rechts. Daarboven was de klasse
verpleging. (Collectie
HCO)
ZHT4 2013.indd 17 10-12-13 13:33
In de vergadering van 17 juni 1878 presenteerde het college twee plannen. De bouwkosten
van het eerste, opgesteld door de gemeentearchitect, werden geraamd op ƒ 120.000 en de
inrichting zou ƒ 24.889 gaan kosten. Voor het
salaris van een geneesheer-directeur was 2.000
en voor dat van verder dienstdoend personeel
1.800 gulden begroot. Het tweede plan was ontworpen door G.J. Collard, 1e luitenant ingenieur
en W. Kam, architect en leraar aan de Hogere
Burgerschool in Amersfoort. Zij kwamen op een
bedrag van ƒ119.000 aan bouwkosten en ƒ 9.000
voor het meubilair. ‘De raad heeft, met het oog
op de genoemde kolossale cijfers, alzo te dezer
zake geen voorstellen van Burgemeester en Wethouders te verwachten’, aldus burgemeester Van
Nahuys!
Kolossale cijfers
Die mededeling lokte uiteraard de nodige reacties
uit. Bijvoorbeeld van de heer Van Diggelen die
anderhalf jaar daarvoor de wens voor de bouw
van een ziekenhuis had uitgesproken. ‘De voorstelling van Burgemeester en Wethouders, het op
de voorgrond plaatsen van de kolossale cijfers, is
dodend voor de zaak en leidt tot de conclusie, dat
het tegendeel, dan moet men de zaak laten rusten
en zich behelpen met de inrichtingen die er zijn.
In elk geval zijn er drie in de gemeente, die der
katholieken, die van het Hervormd Armbestuur
en het Passantenhuis en voor mingegoeden is er
dus in elk geval gelegenheid om hulp te vinden als
dit nodig blijkt.’
182 zwols historisch tijdschrift
Verpleegsters die net
hun diploma hebben
gehaald in 1915. (Collectie HCO)
Het Sophia beschikte
na de uitbreiding van
1915 ook over een
prachtige tuin langs
de Rhijnvis Feithlaan.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 18 10-12-13 13:33
Koppen geteld
Op 5 juli 1880 werd het laatste hoofdstuk van
de jarenlange discussie over het gemeentelijk
ziekenhuis geschreven. Dat het voorstel om tot
de bouw daarvan over te gaan zou worden aangenomen, stond vast. De koppen waren geteld.
De meerderheid van het college was echter tegen.
‘Als men een volksstemming hield, dan zou de
meerderheid zich tegen de oprichting verklaren’,
aldus wethouder Roijer, die als bewijs voor die
stelling kwam aanzetten met de verklaring van
een geneesheer die dagelijks met de mindere
klasse in aanraking kwam. ‘Wat was zijn advies?
Een ziekenhuis is heel mooi, mits gij mij daarbij
de macht verleent de zieken te noodzaken er heen
te gaan, want dat wil men niet omdat men de
familieleden van de patiënten niet kan toelaten
de zieken te verplegen en op te passen. Men acht
het een schande de patiënten niet zelf op te passen
en ze aan de zorgen van vreemden over te laten:
men wil ze in huis houden om ze zelf bewijzen
van gehechtheid en trouwe oppassing te geven.’
En dat Zwolle ongezond zou zijn en de toestand
buitengewone zorg vroeg, wilde er bij de wethouder niet in. ‘Een blik op de sterftetafels bewijst dat
Zwolle bij andere plaatsen, bij Kampen en Deventer bijvoorbeeld, niet ten achter staat.’
het maar beter is in het geheel niets te doen en er
niet aan te beginnen.’ Maar daar wilde Van Diggelen zich niet bij neerleggen en daarom stelde hij
voor een speciale commissie te benoemen om de
zaak verder voor te bereiden. Met slechts één stem
tegen werd dit voorstel aangenomen, waarmee
een nieuw hoofdstuk in de ziekenhuiskwestie
werd geschreven. De commissie ging voortvarend
aan het werk, maar toch duurde het nog ruim
anderhalf jaar voor zij haar verslag presenteerde.
Uitgerekend was, dat de exploitatiekosten van een
ziekenhuis hoogstens één gulden per dag en per
zieke zouden belopen. De verpleegkosten van de
armen konden volgens de commissie echter niet
hoger dan op zestig cent per dag worden bepaald
en derhalve zou de gemeente voor iedere arme
ongeveer veertig cent dagelijks moeten bijdragen. ‘Uwe commissie gelooft niet, dat dit offer te
zwaar mag worden genoemd, waar het geldt aan
de behoeftigen bij ziekte, ook in het algemeen
belang, een goede verzorging te verschaffen.’
Nu de raadscommissie een rapport had ingediend, konden de plannen tot oprichting van een
gemeentelijk ziekenhuis niet meer op de lange
baan worden geschoven. Toch werd daar op
5 april 1880, toen het rapport door de raad zou
worden besproken, nog een poging toe gedaan.
Op voorstel van het raadslid L. Roosenburg werd
namelijk besloten om het rapport eerst voor
nader onderzoek naar een zogenaamde tweede
commissie te sturen. Nog geen twee maanden
later, op 1 juni, had die haar verslag al gereed.
‘De vraag is: is de oprichting van een ziekenhuis
zoo noodzakelijk, dat een jaarlijksche uitgave
van ƒ 8000,- uit de gemeentekas daarvoor gewettigd is?’ Ja, vond de meerderheid van de commissie. ‘Goede ziekenverpleging, vooral der mingegoede klasse, is een zorg die op de gemeentebesturen rust, want zij staat in ’t nauwste verband
met de algemeene gezondheid: verpleging van
zieken is geen weelde, niet enkel philanthropie.’
Nee, luidde het standpunt van de minderheid.
‘De oprichting van een ziekenhuis is wenschelijk, maar de noodzakelijkheid daarvoor bestaat
niet in die mate, dat de gemeenteuitgaven jaarlijks met zulk een aanzienlijk bedrag moeten
worden verhoogd.’
zwols historisch tijdschrift 183
De kinderafdeling met
daar boven de reuma
afdeling. Bij mooi weer
werden de patiënten zo
veel mogelijk naar buiten gedirigeerd. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 19 10-12-13 13:33
Wethouder D. Wicherlinck verwoordde
het standpunt van de minderheid van het college. ‘Rust op de gemeente de verplichting zorg
voor zieken te dragen, vooral met het oog op de
behoeftige klasse die daarin niet kan voorzien?
Het antwoord is ja, zonder enige twijfel. Even
goed als de gemeente dit doet door gemeentegeneesheren, heelmeesters en vroedvrouwen voor
de armenpraktijk te benoemen. Dit wordt niet
aan de armbesturen overgelaten en waarom dan
’t andere wel? Het beginsel is hetzelfde.’
Urenlang duurden de debatten, waarin de
heer Van der Voort wethouder Roijer voor de
voeten wierp dat hij een goed ingericht ziekenhuis waarschijnlijk nooit had gezien. En met zijn
opmerking dat de Zwollenaren geen gebruik van
het ziekenhuis zouden maken, was hij als oudgeneesheer het absoluut niet eens. ‘Dikwijls is er
als ik op een betere verpleging aandrong en op de
bekrompen woning of de kinderen wees gezegd:
“Och dokter als ik maar in een ziekenhuis konde
gaan.” En ook voor zieke dienstboden heb ik dikwijls van de meer gegoede klassen de verzuchting
vernomen om een ziekenhuis, waar men hen kon
brengen, overtuigd dat zij het goed zouden hebben, want naar de bestaande gelegenheden hier
ter stede willen zij niet.’
Bagijneweide
Tenslotte werd tegen het advies van de meerderheid van het college van burgemeester en wethouders in met elf stemmen voor en zes tegen
besloten tot de oprichting van een gemeentelijk
ziekenhuis. Een plek daarvoor was al gevonden,
namelijk de Bagijneweide die in 1841 voor een
bedrag van ƒ 6.250 door de gemeente was aangekocht om er een marktterrein van te maken. Dat
het ziekenhuis werd vernoemd naar de in 1877
overleden koningin Sophia, de eerste echtgenote
van koning Willem III, was te danken aan het
comité onder voorzitterschap van de Commissaris des Konings, mr. P.C. baron Nahuijs.
Al in 1878 had zij geld ingezameld voor de
oprichting van een ziekenhuis, dat tegelijkertijd
zou kunnen dienen als hulde aan de nagedachtenis van een geliefd vorstin. De actie leverde
ƒ2.665,60 op. In de raadsvergadering van 21 juli
1884 werd dr. C.L. Vitringa tot geneesheer-directeur benoemd op een jaarwedde van 700 gulden
en op 1 oktober van datzelfde jaar werd het
Sophia Ziekenhuis in gebruik genomen.
Kort daarvoor had een redacteur van de Zwolse
Courant een rondgang door het gebouw gemaakt.
Uit zijn verslag in de krant bleek dat er in Zwolle
nog altijd veel weerzin bestond om in een ziekenhuis te worden verpleegd. ‘Die tegenzin zal, evenals
elders, echter gaandeweg wijken, want mag men er
in slagen geschikt personeel te vinden, dan zal de
overtuiging veld winnen, dat het nieuwe ziekenhuis voor de meesten onzer stadgenoten een beter
herstellingsoord kan aanbieden, dan zij in eigen
woning vinden kunnen. De grootste zegen zal het
ziekenhuis aanvankelijk bieden voor hen, die op dit
punt geen keus hebben. De laatste tegenstanders
zullen misschien eerst met de zaak verzoend worden als de stad onzer inwoning door een of andere
epidemie mocht worden bezocht. In die onderstelling besluiten wij met de wensch, dat de oppositie
nog lang moge blijven bestaan.’
Lange werktijden
De wens van de redacteur van het plaatselijk dagblad ging niet in vervulling, want in 1888 werd
Zwolle getroffen door een epidemie van mazelen
en later het jaar ook nog roodvonk. In het Sophia
184 zwols historisch tijdschrift
De keuken van het
ziekenhuis in 1915.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 20 10-12-13 13:33
Ziekenhuis werden 713 mazelenpatiënten opgenomen, waarvan er 43 stierven. De 22 kinderen
die met roodvonk in het ziekenhuis belandden,
werden tijdelijk geïsoleerd. Veel opnames dus
dat jaar, maar toch ging het niet zo goed met het
gemeentelijk ziekenhuis. Wel zeventig bedden,
maar soms slechts zeven patiënten in huis. Uit
een oogpunt van public relations was het ook niet
gunstig dat verpleegsters in 1901 in de krant hun
beklag deden over de lange werktijden. Zes dagen
in de week moest er van half zeven ’s morgens
tot acht uur ’s avonds keihard worden gewerkt.
Waarbij ook nog eens sprake was van strenge
huisregels. Als voorbeeld artikel 11: ‘De zusters
moeten ’s avonds op den door de Directrice te
bepalen tijd te bed zijn en mogen nimmer, te bed
gaande, het licht op harer kamers laten branden.’
In 1908 kreeg het ziekenhuis een draaibare
lighal, waardoor tbc-patiënten maximaal van
zonlicht konden profiteren. Tuberculose was in
die tijd een gevreesde volksziekte, die heel veel
slachtoffers eiste. De lighal deed tot 1923 dienst
en kreeg daarna de bestemming van fietsenstalling. Het ziekenhuis beschikte inmiddels ook over
barakken, die in 1918 waren geplaatst om mensen
op te vangen die vanwege het oorlogsgeweld vanuit België en Frankrijk naar het neutrale Nederland waren gevlucht. Na het einde van de Eerste
Wereldoorlog bleven de barakken in gebruik voor
patiënten die besmettelijke ziekten als roodvonk
en difterie hadden opgelopen. Pas in 1953 werden
de barakken afgebroken.
In 1915 was al een nieuwe vleugel van het
ziekenhuis in gebruik genomen. Nieuw ruimtegebrek leidde in het begin van de jaren dertig tot een
volgende uitbreiding van het ziekenhuis. Architect J.G. Wiebenga, aanhanger van het zogenaamde Nieuwe Wonen, maakte een gedurfd plan met
een gevel van louter glas en staal. Dat ging de
meeste Zwollenaren echter veel te ver, zodat het
plan tot teleurstelling en frustratie van Wiebenga
aangepast moest worden. In 1935 werd de nieuwe
vleugel in gebruik genomen.
Protestants ziekenhuis
Na de moeilijke bezettingsjaren, de Duitsers eisten de hele tussenverdieping van de nieuwe vleuzwols historisch tijdschrift 185
Blindedarmoperatie van dr. Frank zorgde voor opwinding
Dr. Naphtali Herman Frank, geboren in 1860 in Veendam, zorgde in
1891 in Zwolle voor opwinding door een (geslaagde) blindedarmoperatie
te verrichten. Die historische gebeurtenis vond niet plaats in het zeven
jaar daarvoor geopende Sophia Ziekenhuis, maar in het ziekenhuis van
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein. Frank, die zijn kennis van de
chirurgie in Duitsland had opgedaan, lag niet zo goed bij dr. Vitringa, de
directeur van het gemeentelijk ziekenhuis. Maar bij de zusters van Liefde
werd de joodse arts met open armen ontvangen. De populariteit van
Frank werd nog groter toen hij met een injectie het leven redde van een
tuinman, die tetanus had opgelopen. Iedere Zwollenaar die ziek, zwak of
misselijk was klopte bij Frank aan de deur om door middel van een injectie genezen te worden. Zijn echtgenote ‘profiteerde’ ervan door gepeperde
rekeningen uit te schrijven, die door de meeste patiënten niet op prijs werden gesteld. Een gemakkelijk man was dr. Frank kennelijk niet. Toen hij
een eigen operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis had gekregen, klaagden
de verpleegsters over de lange werktijden, vaak veertien uur per dag, die zij
op gezag van de chirurg moesten maken. Ook in het ziekenhuis van de zusters Onder de Bogen aan het Groot Wezenland kreeg de arts problemen,
die er in 1913 toe leidden dat het bestuur hem een lange brief op poten
stuurde, waarin zijn
‘brutale, onbeschaafde
optreden tegenover
de zusters’ met feiten
en namen werden
gemeld. ‘Wij dulden
eene onbeschaafde
behandeling niet langer. Wij eischen eene
geheele ommekeer’.
Dr. Frank bond in,
maar hij bleef een
moeilijk persoon om
mee te werken. In 1932
vertrok hij uit Zwolle
om in het Zwitserse
Montreux te gaan
wonen, waar hij in
februari van dat jaar
overleed.
Dr. Naphtali Herman
Frank,1860-1932.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 21 10-12-13 13:33
186 zwols historisch tijdschrift
gel op, leek het er even op dat Zwolle een derde
ziekenhuis zou krijgen. In 1948 was de stichting
Het Protestants Ziekenhuis opgericht, die er op
rekende dat het ministerie in Den Haag toestemming zou verlenen voor de bouw van een ziekenhuis met een capaciteit van zo’n vierhonderd
bedden. Bij zowel het rooms-katholieke ziekenhuis als het Sophia Ziekenhuis werd geschrokken
gereageerd. Drie ziekenhuizen in Zwolle, dat zou
toch te veel van het goede zijn. Dat vond ook het
gemeentebestuur, dat veel liever zag dat de twee
bestaande ziekenhuizen konden worden uitgebreid. Na tal van besprekingen werd uiteindelijk
in 1955 een compromis bereikt, waarbij de stichting Het Protestants Ziekenhuis zich in feite aansloot bij het gemeentelijke Sophia Ziekenhuis. Het
akkoord behelsde onder meer, dat in het nieuw
te vormen stichtingsbestuur drie van de negen
leden door Het Protestants Ziekenhuis zouden
worden benoemd en dat er een kapel zou worden
gebouwd. Wellicht als onderdeel van de nieuwbouw, waarover al voorzichtig werd gesproken.
Plannen hebben vaak een lange tijd van voorbereiding en de realisering daarvan loopt dikwijls
ook vertraging op. Een prachtig voorbeeld daarvan waren de nieuwbouwplannen van het Sophia
Ziekenhuis. In 1956 gingen de voorbereidingen
van start, in 1960 gaf de minister van Volksgezondheid het groene licht en in 1965 volgde de
aanbesteding. Bouwbedrijf Moes moest echter
geduld hebben, want de financiering van het miljoenenproject was nog niet rond. Op 1 november
1967 kon op de Oosterenk dan eindelijk de bouw
van het nieuwe Sophia Ziekenhuis van start gaan.
De officiële opening werd op 17 oktober 1972 verricht door prinses Margriet.
Tenslotte nog even terug naar de redacteur
van de Zwolse Courant, die na zijn rondleiding in
1884 door het nieuwe Sophia Ziekenhuis op de
Bagijneweide de hoop uitsprak dat Zwolle nooit
meer door epidemieën getroffen zou worden. Dat
hij geen gelijk kreeg schreven we al, maar uitbraPrachtige luchtfoto
van vlak na de oorlog,
waarop het hele ziekenhuiscomplex mooi te
zien is. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 22 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 187
ken van gevaarlijke ziekten als tyfus en pokken

Lees verder