Categorie

2007

Zwolse Historisch Tijdschrift 2007, Aflevering 2

Door | 2007, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Annèt Bootsma-
Groeten uit Zwolle
van Hulten en Wim Huijsmans

Zwolle – Groeneweg Poststempel 1926
‘Gel[ie]f[de] Oom en Tante, Zooals U reeds van Corrie vernomen heb, neemen we gaarne van U[w] aanbod gebruik om een paar da[gen] in Enkhuizen door te brengen en hopen
D.V. as. Zaterdag met de boot te komen. Ons plan is Gerrit mee te brengen maar mocht het soms Zater­dag heel slecht weer wezen dan laten wij hem bij Moeder. ’t Wil in Maartens vacantie nog wel eens regenen, maar U bestelt wel goed weer hé. want dat is al een voornaam ding met een boottochtje. Nu Oom en Tante, Neven en Nicht tot ziens dan, we hopen elkander in goede gezondheid te ontmoeten. Ontvang dan onze hartelijke groeten. Uw liefh [ebbende] neef en nicht Maarten en Marie.’
Een oude ansicht met een herkenbare tekst: het wil in de vakantie nog wel eens regenen, dus daar­om maar mooi weer ‘bestellen’ voor een leuk boottochtje… Volgens de Zwolsche Almanak uit 1915 vertrok er elke vrijdag om 13.00 uur een schip vanaf het Rodetorenplein naar Enkhuizen. Waar­schijnlijk was dat in 1920 nog steeds het geval en konden Maarten en Marie de tocht dus recht­streeks vanuit Zwolle maken.
De in het begin van de twintigste eeuw aange­legde Groeneweg ligt in Assendorp. De naam ver­wijst nog naar het oorspronkelijke agrarische karakter van de wijk, waar met de komst van de Centrale Werkplaats in 1870 verandering kwam. Rond 1900 werkten daar ruim 800 man, wat een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg bracht. Van 1906 tot 1914 woonde op Groeneweg 150 de kleine Piet Kasteel, hoofdpersoon van het artikel Een rooms jongetje uit Assendorp op pagina
65.

zwols historisch tijdschrift
47

Redactioneel

In deze a.evering van het tijdschrift vindt u twee nieuwe rubrieken: Kleurrijk verleden en Zwolse plaatsen van herinnering. De heer Martin Wasse­naar die meewerkte aan het onlangs verschenen boekje Zwolle in kleur, heeft een groot aantal dia’s van Zwolle na de Tweede Wereldoorlog overge­dragen aan het Zwols Historisch Tijdschrift. Als eerste is hier de Grote Markt afgebeeld, zoals velen zich deze nog zullen herinneren.
In de tweede nieuwe rubriek worden plaatsen van herinnering beschreven van bekende Zwolle­naren. Oud-redactielid Wil Cornelissen bijt hier de spits af met zijn herinneringen aan de Vecht-brug.
Jonn van Zuthem beschrijft de jeugd van de katholieke Piet Kasteel in Assendorp. Kasteel pro­moveerde op een proefschrift over de antirevolu­tionair Abraham Kuyper, en werd in de oorlogsja­ren benoemd tot gouverneur van de Antillen. Zijn jeugd en de omgeving waarin hij opgroeide, waar de verschillende christelijke bevolkingsgroepen bij elkaar leefden, is zeker van invloed geweest op zijn gevoel voor de ingewikkelde verhoudingen bin­nen de orthodox-protestantse groeperingen in Nederland.
Al eerder putte Maria Hansen uit de vele docu­menten en brieven die van de familie Van Haer­solte bij het Historisch Centrum Overijssel wor­den bewaard. In 2002 verscheen het artikel over Sophie van Haersolte, dit keer staat haar moeder, Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk centraal. Geertruid moest haar huishouden en haar gezin veelal alleen draaiend houden. Haar man Carel zat als politicus in Den Haag, waar hij lid van de Tweede Kamer was. Zij schikte zich in haar lot, maar werd er af en toe wel depressief van. Pas toen haar man eind 1848 weer naar Zwolle kwam, knapte zij op.

Inhoud

Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma – van Hulten en Wim Huijsmans 46
Kleurrijk verleden 48
Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874 Maria Hansen 49
De plek waar het begon en de plek waar het eindigde Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen Frank Inklaar 62
Een rooms jongetje uit Assendorp Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw Jonn van Zuthem 65
Mededelingen 76
Auteurs 78

Omslag: Een zomerse opname uit rond 1970 van het hart van Zwolle, de Grote Markt. Foto: M. Wassenaar

49

Een hartelijk geliefde echtgenote en zorgdragende moeder
Geertruid Agnes barones van Haersolte, 1813-1874
A
dellijke families hadden veel belangstelling voor hun verleden en de familie Van Haer­solte had een heel lang verleden. De oudst bekende voorouder had zich al in de veertiende eeuw in Zwolle gevestigd en hoewel de familie zich uitbreidde naar Gelderland en Friesland, bleef Zwolle talloze Van Haersoltes tot woonplaats die­nen. Velen van hen bekleedden hier een openbare en leidende functie. In de stad zijn diverse panden die herinneren aan de Van Haersoltes1 en Swier van Haersolte bouwde – in 1617 -vlak bij de stad een prestigieus stamhuis voor de familie: de (inmiddels afgebroken) havezate Haerst.
De familie Van Haersolte bewaarde generatie op generatie vele documenten, brieven en herin­neringen, die uiteindelijk in het Historisch Cen­trum Overijssel gedeponeerd zijn. Het uitgebreide familiearchief is een rijke bron over het familiele­ven van deze adellijke familie. In 2002 schreef ik in dit tijdschrift al eens over Een ‘redelyk zoet’ meisje, Sophia Cornelia (Sophie) baronesse van Haersol­te. Nu staat Sophie’s moeder Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk, echtgenote van Johan Christi­aan van Haersolte tot Haerst, centraal.
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk
Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk was het eerste kind van Carel de Vos van Steenwijk en Sophia Cornelia Huygens en werd op 24 oktober 1813 op Dikninge in Drenthe geboren. Dikninge was een adellijk stift geweest en lag niet ver van Meppel, bij de Wijk. Het oude klooster was door een broer van Geertruids vader gekocht en had plaats gemaakt voor een ruim landhuis, waar Geertruids ouders kort voor haar geboorte introk­ken. Het gezin werd nog uitgebreid met een twee­de dochter en een zoon.2
Geertruids vader bezat, in tegenstelling tot de meeste van zijn standgenoten, geen buitenhuis hoewel hij uit een belangrijke aristocratische fami-Maria Hansen lie uit Drenthe en Overijssel stamde. Hij trouwde eerst op tweeënvijftigjarige leeftijd en had toen een veelzijdige en turbulente carrière achter de rug. Hij was een politicus en was het patriotse en

Het huis Dikninge bij De Wijk, waar Geer­truid geboren werd, opgroeide en ook na haar huwelijk graag logeerde. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)
Bataafse standpunt toegedaan. Als jongeman was hij in de delegatie van de eerste Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten naar Ameri­ka gereisd, een land dat door de patriotten tot voorbeeld werd gesteld. Weer thuis raakte hij betrokken bij het verzet tegen de stadhouder en werd in Drenthe de leider van de patriotse bewe­ging. Na het herstel van de macht van de stadhou­der in 1787 verloor Carel de Vos van Steenwijk al zijn openbare ambten. Acht jaar later nam hij in de Bataafse republiek echter weer vooraanstaande functies in. Bij een staatsgreep raakte hij enige tijd in gevangenschap en van 1802 tot 1803 was hij ambassadeur in Frankrijk. Hij bereikte het hoog­tepunt van zijn carrière tijdens de regering van koning Lodewijk Napoleon, toen hij feitelijk het hoofd van de Nederlandse staat was. In 1811 werd hij door keizer Napoleon tot vertegenwoordiger in het Corps Legislatief in Parijs benoemd. Na de val van Napoleon was het geenszins gedaan met de politieke carrière van Carel de Vos van Steenwijk: hij werd namelijk door koning Willem de Eerste tot lid van de Eerste Kamer benoemd en bleef dat tot zijn dood in 1830.3
Carel de Vos van Steenwijk was niet de enige politicus in de familie. Integendeel, zijn vader was drost van Vollenhove geweest4 en zijn drie broers waren, net zoals hij, betrokken bij de patriotten-beweging. De enige zoon van Carel de Vos van Steenwijk – en enige broer van Geertruid – ging eveneens de politiek in. Hij werd in 1846 burge­meester van Vollenhove, in 1853 lid en later ook voorzitter van de Eerste Kamer en in 1856 werd hij benoemd tot burgemeester van Zwolle, een ambt
zwols historisch tijdschrift
dat hij elf jaar bekleedde. Zijn laatste functie, Commissaris des Konings in de provincie Utrecht, bekleedde hij slechts een jaar omdat hij niet naar Utrecht wilde verhuizen.5
Hoewel Geertruid pas zeventien jaar was toen haar vader overleed, had zij ongetwijfeld veel over politieke zaken gehoord maar er is – zoals meestal het geval – weinig bekend over haar jeugd. Adellij­ke meisjes werden thuis opgevoed en opgeleid en dat laat weinig sporen na. Uit alles blijkt evenwel dat zij een goede educatie kreeg die paste bij haar stand. Zij groeide op in een harmonische sfeer. Met haar moeder en haar zus kon zij uitstekend opschieten, het contact met haar broer was goed maar zij zag hem, zeker toen hij nog niet in Zwolle woonde, minder vaak.6 De herinnering aan haar vader werd levend gehouden door zijn portret, hij had zich door de kunstenaar Hodges drie maal laten portretteren en elk van zijn kinderen kreeg een schilderij.7
Geheel volgens verwachting trouwde Geer­truid met een man van adel, Johan Christiaan baron van Haersolte. Zij was vierentwintig en hij was zevenentwintig jaar oud. Het huwelijk vond te Zwolle plaats op 26 april 1837. Johan was geboren op het buitenhuis van de familie Van Haersolte, de voormalige havezate Den Doorn en woonde bij zijn ouders aan de Melkmarkt (nu Grote Markt 12-13) te Zwolle. Hij had een aantal jaren de wereldzeeën bevaren, eerst als adelborst en later als of.cier van de Koninklijke Marine en was aan­sluitend de politiek in gegaan. In het jaar van zijn huwelijk was hij lid van de ridderschap van Overijssel en werd hij burgemeester van Zwol­lerkerspel. Bovendien nam hij zitting in de Pro­vinciale Staten van Overijssel.
Vanuit Zwolle gingen Geertruid en Johan ruim drie maanden op huwelijksreis naar Duits­land, Zwitserland en Italië. Geertruid liet de orga­nisatie helemaal aan Johan over. Zij moet haar ogen uitgekeken hebben: de sprookjesachtige ruïnes op de bergen langs de Rijn, de rotsen, de gletschers en de besneeuwde bergen rondom de spiegelgladde meren. Bij de ‘menigvuldige roman­tische vallen’ van de Giessbach waar het water wel vierhonderd meter naar beneden stortte, werden de jonggehuwden onthaald op Zwitserse volkslie­deren. Aan de arm van haar man wandelde Geer­truid door schilderachtige stadjes, zag kerken, paleizen en kunst. Zo af en toe was het erg ver­moeiend voor haar en was zij genoodzaakt rust te nemen. Op hele moeilijke trajecten zorgde Johan voor ezeltjes of voor een draagstoel. Bij het meer van Genève aangekomen, werd Geertruid ziek. Niet erg, maar ze moest toch een dag het bed hou­den. Johan was bezorgd, hij zag van een voorgeno­men tochtje af en was verheugd toen hij de vol­gende avond een kleine wandeling met zijn ‘lieve vrouw’ kon maken. Na nog een dag was Geertruid zo goed als beter. In Italië werden de reisplannen aangepast omdat er cholera was uitgebroken. Johan besloot Italië te laten voor wat het was en in een rustig tempo reisden zij naar huis waar ze bij­na veertien weken na hun vertrek arriveerden.8
In mei 1838 werd hun eerste kind, Sophie, geboren. In de loop van dertien jaar volgden nog twee zonen en zes dochters. De eerste jaren van hun huwelijk schijnen nogal wolkeloos te zijn geweest. Zij woonden in een ruim huis in de Koe-straat (nu Koestraat 18) te Zwolle dat Geertruid ten huwelijk had gebracht.9 Beiden waren gezond en de kinderen bleven allemaal in leven. Maar Geertruid had een weinig opgewekt karakter, ze was melancholisch van aard en hield niet van ingrijpende veranderingen. Eind 1845 veranderde haar leven drastisch, ze werd er treurig door en soms zelfs depressief.

Alleen in Zwolle
Ze waren acht jaar getrouwd toen Johan Christi­aan van Haersolte lid van de Tweede Kamer werd.10 Net nu het gemeentehuis van Zwol­lerkerspel op een steenworp afstand van hun huis werd ingericht, op de hoek Koestraat en het Kromme Jak11 en Geertruid het vooruitzicht had haar man dicht bij huis te weten, moest hij vaak en langdurig in Den Haag zijn. Geertruid zag er enorm tegenop en voelde een ‘gemenelijke ge­moedsstemming’ waartegen zij zich niet kon ver­zetten. Half oktober 1845 vertrok Van Haersolte naar Den Haag en Geertruid bleef met de kinde­ren in Zwolle. Doordat zij een hekel had aan af­scheid nemen, waren de laatste gezamenlijke

Carel baron de Vos van Steenwijk (1759-1830), de vader van Geertruid. (Uit: ‘Het geslacht De Vos van Steenwijk’)

ogenblikken onaangenaam. In een naargeestige stemming zat Geertruid de eerste uren na Johans vertrek te kniezen, de tijd leek haar ‘eens zoo lang als gewoonlijk’ te duren. In huis was alles ‘dodelijk stil en leeg’, alles herinnerde haar aan hem, en ze was blij toen haar moeder ’s avonds op bezoek kwam. Binnen een week vertrok Geertruid naar haar ouderlijk huis Dikninge. Vandaar schreef zij een brief aan haar man: ‘Waarde vriend! Geloof niet dat ik ooit gewen aan uwe afwezigheid, neen, wanneer de twee jaren voorbij zullen zijn, dan zal ik U vurig smeeken deze betrekking niet langer te behouden.’ Johan had haar beloofd dat hij regel­matig enige dagen in Zwolle zou doorbrengen, maar alras bleek de werkelijkheid weerbarstiger. Het was een grote teleurstelling toen hij schreef dat aan een bezoek niet te denken viel. De zittin­gen zouden naar verwachting uitlopen, hij kon niet weg. Na weken scheen het Geertruid dat zijn belofte ‘nooit verwezenlijkt’ zou worden. Ze had er zo op gerekend dat hij vaak naar huis kwam. Omdat zij wist dat haar man een hekel had om de reis van Den Haag naar Zwolle voor slechts een paar dagen te ondernemen, deed het haar genoe­gen dat hij toch voor zeer korte tijd naar huis kwam. Maar het was voor Geertruid niet vol­doende, zij klaagde dat hij na twee maanden amper drie dagen thuis was geweest. Dagen die veel te snel voorbij vlogen, die visite leek haar na zijn vertrek een droom te zijn geweest.
In de volgende tijd wende Geertruid niet aan zijn ‘gedurige vertrekken’. Toch probeerde zij zich zo veel mogelijk in haar lot te schikken, maar zij bleef het als een beproeving beschouwen: ‘het is toch eene treurige noodzakelijkheid, zoo geheel gescheiden ieder onzen eigen werkkring te heb­ben!’ Geen enkel moment schijnt Geertruid over­wogen te hebben haar man te volgen. Ze hadden immers in Den Haag een huis kunnen huren en voor de opvoeding van de kinderen waren er in die stad minstens zoveel mogelijkheden als in Zwolle.
Geertruid keek uit naar de brieven van haar man en schreef zelf minimaal elke week een brief. En als er een mogelijkheid was de post met iemand mee te geven, kreeg Johan een brief extra. Zij schreef zonder reserve over zijn tekortkomingen als echt­genoot en vader, en over haar gevoelens voor hem. Ze tobde veel en twijfelde dan aan zijn liefde. Geertruid verwachtte van haar ‘lieve Johan’ dat hij ook regelmatig schreef. Soms kwam zijn brief niet snel genoeg naar haar zin. Vijf dagen na zijn ver­trek uit Zwolle verweet zij hem dat ze nog steeds geen post had ontvangen. ‘Zijt gij dan zoo gewik­keld in de staatszaken dat gij geen oogenblik kunt afzonderen om u met mij bezig te houden?’ vroeg zij verwijtend en herhaalde voor de zoveelste keer: ‘o, dit stilzwijgen maakte mij regt treurig.’ Zij
zwols historisch tijdschrift
53
merkte op dat het leven in Den Haag hem ‘perfect’ beviel en trok de bittere conclusie: ‘U schijnt het vooruitzigt van dese lange afwesigheid volstrekt geen moeite te kosten’. Zijn volgende brief beves­tigde haar bange gedachten, zij merkte duidelijk dat hij ‘den huisselijken omgang’ niet miste. Het was voor hem wel goed dat hij niet veel aan zijn gezin dacht, begreep Geertruid, maar ze was bang dat hij zich bij haar en de kinderen niet meer thuis voelde. Zij zuchtte: ‘Mijne gelukkige dagen zijn thans voorbij!’ Ze herinnerde hem aan de verjaar­dag van hun huwelijksdag die zij in 1846 voor de eerste keer niet samen doorbrachten. ‘Hebt gij de 26ste dezer maand herdacht?’ vroeg zij, het ant­woord eigenlijk wel wetend, want ze had niets van hem vernomen. Geen brief of cadeau was in Zwol­le afgeleverd. Geertruid had het gevoel dat ze uit elkaar groeiden en werd er verdrietig van. Zelfs zo zeer dat zij haar dood overdacht. De volgende ver­jaardag van hun huwelijk zou ze waarschijnlijk niet halen, schreef ze haar man. En vervolgde: ‘U bent meer gewend van mij verwijderd gelukkig te zijn, het los maken van de band zal U minder moeite kosten als vroeger’.
Zij wilde zo graag geloven dat de lange afwe­zigheid van huis hem op de lange duur ook niet zou bevallen, maar daar leek het niet op. Hij had het in Den Haag druk, hij had vele connecties en bezocht theatervoorstellingen en feestelijke bij­eenkomsten. Johan besteedde weinig woorden aan het uitgaansleven. Misschien kwam dat omdat hij haar mening kende, ze vond dat hij niet mocht klagen als hij een keer een toneelvoorstelling misliep doordat hij te veel werk had. ‘Ik beklaag U niet zeer, dat gij tot heden belet wordt Robert le Diable te zien, vooral niet als zulks wordt verhin­derd door belangrijke werkzaamheden’. De ‘veelvuldige genietingen, welke het séjour van den Haag U aanbiedt, geeft immers ruime vergoeding voor eene enkele teleurstelling’. Geertruid vond ook dat hij niet moest klagen over de late werku­ren en informeerde of hij al gewend was ‘aan het laat naar bed gaan’.
In 1848 werd Johan van Haersolte herkozen tot lid van de Tweede Kamer waardoor zijn Haagse ver­blijf, tot grote spijt van Geertruid, werd verlengd.
Soms was hij zo in beslag genomen door staatsza­ken dat hij nergens anders over schreef. Geertruid begreep het wel, maar het gaf haar toch een ‘onaangename indruk’ dat hij zelfs niet naar de kinderen informeerde. De zesde verjaardag van hun dochtertje Annette vergat hij. Geertruid was blij dat hij de verjaardag van de kleine Caroline wel onthield. Zij hanteerde een zachtaardige methode om hem aan zijn gezin te herinneren. De

De Koestraat omstreeks 1910. Geertruid woonde met haar gezin op num­mer 18, het vierde pand van links. (Collectie HCO) Johan Christiaan baron van Haersolte, heer van Haerst (1809-1881), de echtgenoot van Geer­truid. Zij trouwden in 1837. (Iconographisch bureau)

oudste dochter werd meermalen aangemoedigd haar vader te schrijven, en het meisje deed haar best er mooie brieven van te maken. Op zijn verjaardag ontving Johan een brief van Geertruid èn een briefje van elk van zijn kinderen. De brief van Geertruid was weinig feestelijk. Ze hoopte wel dat hij nog lang bleef leven maar zelf richtte ze haar blik op de dood. ‘Het uur onzes doods is onzeker’, was de macabere boodschap van haar felicitatie.
Haar eigen verjaardag bracht Geertruid in een weemoedige stemming door omdat deze dag zo rijk aan herinneringen was. Zij vierde de dag alleen met de kinderen die het een heel feest von­den; ‘s’est un beau jour!’ zoals een van hen zei. Ze waren die ochtend bij Geertruid gekomen met ‘lieve boeketten’ en gelukwensen. Van de oudste, Sophie, kreeg ze een zelfgemaakt speldenkussen en van nummer twee een paar gebreide kou­senbanden. Ook Johan vergat de geboortedag van zijn ‘Lieve Truitje’ niet. Vanuit Den Haag stuurde hij een ‘garnituur’ – waarschijnlijk een set juwelen -dat Geertruid ‘allerliefst’ vond. Zij was van plan het veel te dragen. Blij met het tastbare cadeau hoopte zij toch ook dat hij haar speciaal die dag in zijn gebeden niet zou vergeten.
Rond de geboorte van hun vijfde kind was Johan zeer waarschijnlijk voor langere tijd in Zwolle. Toen de bevalling van het zesde kind naderde, wilde hij weer bij Geertruid blijven. Haar plichtsbesef over zijn taak won het echter van haar tegenzin over zijn afwezigheid, zodat zij hem maande naar Den Haag te gaan. Voor de bevalling had zij hulp genoeg, stelde zij hem gerust. Haar moeder kwam helpen en de dokter ging op Geer­truids verzoek de stad niet uit. Ze voelde zich kalm, de baker arriveerde op tijd en zij beviel van een gezonde dochter.
Als Johan liet blijken dat hij een verblijf ver van huis ook niet altijd even prettig vond, deed dat Geertruid genoegen. Ze bemerkte ‘niet zonder satisfactie dat de tijd U ook een weinig lang valt’. Eerst na een jaar of drie raakte zij min of meer gewend aan zijn afwezigheid, al was het na elk bezoek weer vreemd om alleen te zijn. Ze .eurde op als haar man plannen had naar huis te komen. Alle gezelschap en a.eiding, hoe prettig ook ‘ver­goedt mij toch uw afzijn slechts onvolkomen’, schreef zij hem. Toen zijn ambtstermijn a.iep en hij voor de laatste keer uit Den Haag vertrok, stel­de Geertruid hem nog snel van de laatste nieuw­tjes op de hoogte en verzocht om een laatste bood­schap. Zij besloot met: ‘Nu adieu, komt zoo spoe­dig als gij kunt.’

Familiecontacten
Geertruid onderhield een hartelijk contact met haar moeder en met haar zus Annette. Haar moe­der had twee huizen, in de zomermaanden was haar buitenhuis Dikninge favoriet en in het win­terseizoen woonde zij in Zwolle, in de Nieuw­straat.12 Op Dikninge bracht Geertruid vele
zwols historisch tijdschrift
55
zomermaanden door en als haar moeder in Zwol­le was, zagen zij elkaar vrijwel dagelijks. De dames soupeerden ‘en petit comité’ en pasten samen kle­ding door. Ook Geertruids zus Annette was vaak in Zwolle. Zij was getrouwd met haar neef Reint de Vos van Steenwijk en sedert 1843 woonde dit echtpaar op het voorname Voorwijk bij De Wijk in Drenthe.13 Geertruids broer Jan woonde met zijn vrouw Wilhelmina Louise van Aerssen Beye­ren van Voshol op Oldenhof buiten Vollenhove, dat hij huurde van de familie Sloet.
Geertruid stelde een goede sfeer in de familie zeer op prijs, zodat zij een wrijving tussen haar moeder en Jan onaangenaam vond. Ze maakte zich zorgen om haar depressieve broer en haalde haar moeder over hem op Oldenhof te bezoeken. Het gaf haar voldoening dat het bezoek aan Oldenhof tot meer begrip voor Jan leidde.
Met haar schoonfamilie had Geertruid soms een moeizame relatie. Van de negen nog in leven zijnde kinderen van haar schoonouders woonden er nog vijf thuis, en dat waren degenen waar Geer­truid het meeste contact mee had. Vooral met haar schoonzus Agatha kon zij het goed vinden. Geertruid ging wel vaker ‘aan de Markt’ eten. Maar hoewel het oppervlakkig allemaal in orde leek te zijn, was Geertruids verhouding met de familie van haar man niet geheel zoals zij het zich wenste. Toen een van hen ziek was, hoorde zij dat van bekenden die zeer verwonderd waren dat zij
Gezicht op het begin van de Melkmarkt omstreeks 1885. Geer­truids schoonouders woonden in het derde pand van links, Nu Grote Markt 12-13. Tegenwoordig is in dit pand een Mac Donalds gevestigd. (Collectie HCO) De voormalige havezate Den Doorn in Haerst, het buitenhuis van de familie Van Haersolte. (Collectie HCO)
van niets wist. Ze was gepikeerd, ‘daar ik er zoo duidelijk in zie, dat ik na elf jaar in de famille geweest te zijn, geheel als vreemde word behan­deld’. Ze had er vast op vertrouwd dat de familie haar over zoiets belangrijks zou inlichten. Ze informeerde dadelijk bij haar schoonfamilie en trachtte zich te onthouden van ‘bittere reproches, daar men toch later altijd berouw van heeft’. Toen haar kinderen kinkhoest kregen kwam de wrevel weer boven omdat haar schoonfamilie weg bleef uit angst voor besmetting. Haar moeder schoot te hulp. ‘Indien ik Mama niet had zoude ik mij nog ongelukkiger alleen voelen’, klaagde Geertruid bij haar man. Van de andere kant reageerde zij koel­tjes op nieuws dat haar schoonvader gevallen was. Ze hoorde er niets meer over en trok de conclusie dat het dus wel mee zou vallen. De kinderen had­den geen weet van de wrijving tussen hun moeder en hun grootouders Van Haersolte. Zij gingen ’s zomers op Den Doorn in Haerst logeren en met Sint-Nicolaas stonden aan de Melkmarkt cadeau­tjes voor hen klaar.14
zwols historisch tijdschrift

Leed en plicht
Geertruid kreeg regelmatig met de dood te maken. Het overlijden van haar vader wist zij zich nog goed te herinneren, ze was zeventien jaar toen hij op eenenzeventigjarige leeftijd overleed. Maar juist kort voor en in de periode dat haar man meestal in Den Haag verbleef en zij veel alleen in Zwolle was, waren er in haar direkte omgeving vele sterfgevallen. Geertruids oudste zwager Van Haersolte overleed begin maart 1845 en haar schoonzus Betje van Haersolte stierf op het einde van diezelfde maand, ze was slechts zevenen­twintig jaar geworden en nog geen twee jaar getrouwd. De weduwnaar bewaarde voor Geer­truid en Johan een aandenken aan Betje. Voor Johan was dat een parelmoeren vouwbeen en Geertruid kreeg het werkmandje dat zij eens aan Betje had geschonken.15 Na deze twee zo snel op elkaar volgende sterfgevallen kreeg de familie Van Haersolte een jaar later nieuw verdriet te verwer­ken toen een dochtertje van Geertruids schoonzus Antje overleed. En in 1848 overleed in het Friese Weinum de man van haar schoonzus Lize. Zodra Geertruid gelegenheid had, reisde ze naar Wei­num. Dat zijzelf zeven maanden zwanger was, hield haar niet tegen. Zij vertrouwde op God. Het verdriet van iemand die haar dierbaar was, deed haar steeds weer pijn. Ze toonde zielsveel medelij­den met haar zus Annette toen deze een kind ver­loor. Enige tijd later zag Geertruid met opluchting dat Annette, hoewel nog bedroefd, berustte en zich onderwierp aan het gezag van God. Maar ze maakte zich zorgen dat haar zus bijna onverschil­lig was voor alles om haar heen.
Geertruid dacht niet dat zij een hoge leeftijd zou bereiken. Meer dan eens waarschuwde zij haar man dat zij weinig plezier in haar bestaan vond. Het waren niet alleen de veelvuldige sterf­gevallen in haar directe omgeving die haar het levensplezier ontnamen. Ze had het gevoel dat het haar aan geluk ontbrak en dat veroorzaakte bij haar een afkeer van het leven, waardoor zij depres­sief werd. In het nieuws aan haar man berichtte Geertruid veel treurigheid, het verdriet van haar zus, de depressie van haar broer, een freule Ben­tinck die bedroefd maar ‘bedaard’ was, dat Mietje Wicherlinck zo ‘diep bedroefd’ was en dat een nicht Feith treurig was gestemd omdat ze ‘zich zoo alleen!’ voelde.
Johan schreef haar dat hij een bezoek had gebracht aan tante Backer, die een overledene te betreuren had.16 Dat de vrouw in een terneerge­slagen stemming was, begreep Geertruid heel goed. Maar het gedrag van de nichten vond zij onbegrijpelijk. ‘Ik vind het gelukkig dat zij onder­worpen zijn en zich met kalmte schikken in hun lot, maar hoe zij vrolijk en opgeruimd kunnen zijn is mij een raadsel’, luchtte zij haar hart bij haar man. Geertruid neigde in deze voor haar zo som­bere jaren niet tot oppervlakkig vertier. Toen haar schoonmoeder haar vroeg af te zien van een fees­telijke avond omdat het precies een jaar geleden was dat Betje van Haersolte was overleden, gaf Geertruid daar met instemming gehoor aan. De ‘grote soirée’ trok haar toch al niet bijzonder aan.
De politieke spanningen in binnen- en buitenland in 1848 veroorzaakten bij Geertruid nieuwe som­berheid. Toen men in de stad uiting gaf aan de vreugde over de nieuwe grondwet, vond zij dat helemaal niet prettig. Maar toen zij merkte dat er overal vlaggen uitgestoken werden, deed zij dat ook maar. Een vreugdeblijk was het zeker niet. Ze peinsde meer over de zelfmoord van de chef van een tapijtfabriek vanwege een te kort in de kas van vierduizend gulden. Alsof zo’n bedrag een reden was je het leven te benemen, schreef zij haar man. Wat er in revolutionair Parijs gebeurde, waar de monarchie onder zware druk stond, was veel erger. ‘Dat in de tegenwoordige beschaafde eeuw zoo veel bloed op zulk eene gruwzame wijz zoude stroomen’, boezemde haar afschuw in.
Het relativeringsvermogen van Geertruid was groot, ook als het niet in haar eigen belang was. Een voorbeeld daarvan was haar al gememoreerde instemming met het vertrek van haar man naar Den Haag ondanks haar ophanden zijnde beval­ling. Met verwikkelingen rond het personeel ging het net zo. Een van de meiden accepteerde buiten haar medeweten een andere werkkring, wat Geer­truid uitermate onaangenaam vond. Maar toen de meid terugkrabbelde, maande Geertruid dat een gegeven woord niet teruggenomen mocht wor­den. En toen de gouvernante van de kinderen bericht kreeg dat haar moeder in Zwitserland doodziek lag, deed Geertruid geen enkele poging de vrouw van de reis te weerhouden. Ze had er begrip voor, al veroorzaakte het veel ongemak.17

Ondanks haar melancholieke buien was Geer­truid over dagelijkse zaken heel reëel. Als er iets geregeld moest worden omtrent een nieuwe meid, een andere gouvernante of leraar, dan was dat een taak die zij snel ter hand nam en voortvarend afhandelde. Geen spoor van de onzekerheid die haar mijmeringen over haar man zo kenmerken.
Als moeder had Geertruid een traditionele opvatting, ouders behoorden ‘met getrouwheid de plichten te vervullen die op hen rustten’. Zij voedde haar kinderen met toewijding op. De eer­ste stapjes of een uitgevallen wisseltand, een slech­te houding of een kinderziekte, waren voor Geer­truid memorabele gebeurtenissen. Zij volgde hun opleiding met belangstelling en verzuimde niet hen godvruchtig op te voeden. De kinderen hiel­den van haar, en vonden het – ook toen zij wat ouder waren – heerlijk haar te verrassen met vele verjaardagscadeau’s die zij op een plank uitstalden en met een bloemenguirlande versierden. Het gaf een leuk effect, constateerde de oudste tevreden. Om haar moeder nog meer te plezieren droeg zij een japon die bij haar moeder in de smaak viel.18

Herenigd
Eind 1848 keerde Johan Christiaan van Haersolte voorgoed naar Zwolle terug. Geertruids melan­cholie verdween, haar gemoed werd opgewekter. Vervelen deed zij zich helemaal niet. Integendeel, de tijd ging zo snel voorbij dat zij zich elke keer weer verbaasde dat er alweer een week voorbij was. Zelfs het overlijden van haar schoonzus van Oldenhof bracht haar niet uit balans.19
Een nieuwe periode brak aan toen de kinderen een voor een het ouderlijk huis verlieten om elders hun opvoeding te voltooien. Geertruids oudste zoon verbleef vijf jaar op een kostschool in de buurt van Den Haag en studeerde aansluitend in Leiden.20 Vlak voor het vertrek van haar oudste dochter Sophie naar een internaat – het ‘opus l’époque’ zoals Geertruid het noemde – twijfelde ze over haar beslissing. Zij bad God om zijn zegen voor haar besluit. De scheiding van het meisje viel haar – net zoals eerder van haar man – erg zwaar.21
Na de kostschooljaren kwam Sophie weer naar huis en de relatie van Geertruid met haar oudste dochter werd hechter. Sophie werd gepresenteerd in de beau monde en de dames kregen het in ‘het seizoen’ dat in Zwolle rond half januari goed op gang kwam, druk met ‘sorties’. Zij bezochten vele soirees, diners, soupers en bals. Soms ging het er zo vrolijk aan toe dat de gasten niet weg wilden gaan. Een keer speelde een van Geertruids doch­ters na het eten muziek en het gezelschap begon spontaan te dansen hoewel de rijtuigen om te ver­trekken al klaarstonden. Geertruid gaf nu ook zelf partijen. Zij gaf een diner voor jonge mensen, en met haar man gaf zij een kinderbal in de Zwolse Kolfbaan, de kinderen spraken opgewonden over niets anders. De huwelijken van haar dochter Annette en van de oudste zoon waren ook reden tot feestelijkheid en de familie werd met kleinkin­deren uitgebreid. De zilveren bruiloft van Geer­truid en Johan werd in de familiekring en met het personeel gevierd.22
Diners in de familiekring waardeerde Geer­truid als ‘zeer amusant’. Met haar opgroeiende dochters, met veel gebabbel en gekwetter, was het levendig in het huis in de Koestraat. Af en toe maakte Geertruid met haar man en een paar van de kinderen een plezierreisje. Een verjaardag van Johan werd gevierd bij de heer Van Heeckeren op Molecate, een ‘très joli sîté’ bij Hattem. Geertruid beschreef met genoegen het charmante uitzicht vanaf de ‘fameux montange’ de Frieselenberg op de Veluwe. Ze maakte met haar man en de jongste kinderen een uitje naar het paleis het Loo bij Apel­doorn. Ze reisde naar haar schoonzus in het Friese Weinum en bezocht haar nicht De Vidal de Saint Germain op het Relaer te Raalte.23 Haar broer woonde nu met zijn tweede vrouw Agatha Maria Françoise van Aerssen Beyeren van Voshol in de Kamperstraat te Zwolle.24 Geertruid bezocht ook vaker haar zus die met haar man van Voorwijk naar Dikninge was verhuisd en waar Geertruid geamuseerd werd met vrolijke brieven van haar man en haar dochters uit Zwolle.25
Hoewel het uitgaansleven Geertruid goed leek te bevallen, hield zij veel van de intimiteit van het huiselijk leven. Omringd door haar man en
zwols historisch tijdschrift
59
opgroeiende kinderen, deed zij haar best het huis in de Koestraat tot een prettige, mooie woning in te richten. Met zorg liet zij meubelen maken en zocht nieuwe fraaie attributen uit. Er werd geschilderd en behangen, en Geertruid zag toe op de jaarlijkse grote schoonmaak en op het con.­turen en de inmaak.26
In de zomermaanden was Zwolle ‘vrijwel ver­laten’, omdat de aristocratische families op hun buitenhuizen verbleven. Ook de familie Van Haersolte was vaak op De Doorn waar Geertruid thee ging drinken en waar haar kinderen regel­matig een paar dagen doorbrachten. Op Dikninge trok zij met de kinderen naar buiten om kruiden te plukken, voor in de kruidenazijn. Maar Geer­truid vond de zomerse rust in de stad ook heel prettig, ze genoot van mooi weer en was veel in de tuin met de kinderen. Ze vond het jammer als een mooie dag bedorven werd door sterke ‘vene­damp’. De tuin in de Koestraat, fraai gelegen aan de stadsgracht, werd door een tuinman onder­houden. Johan van Haersolte was dol op de tuin. In het vroege voorjaar wees hij op het uitbotten van de vruchtbomen en op de eerste vioolknop­pen. Toen hij in Den Haag een hele ‘bloemenwin­kel’ bestelde, liet hij de vracht naar Zwolle sturen. Het bleef niet bij één zending, Geertruid verweet hem koopziekte. De tuinman zette de bloemen in de tuin of in manden. Maandenlang genoot Geer­truid van bloesems en viooltjes, van fuchsia’s en camelia’s. De bloemen bleven zo lang mogelijk in de tuin staan. Pas als de eerste nachtvorst werd verwacht, werden de planten weggebracht voor een veilige overwintering. Dan kwamen ook de laatste druiven van De Doorn naar de stad. Maar een warme lenteavond beantwoordde toch het meest aan Geertruids gevoelens. Voor het open raam luisterde zij naar de nachtegaal.27

De dood
In de zomer van 1856 stierf Geertruids moeder zonder een testament na te laten. Haar bezittingen en de goederen, ‘vruchten, inkomsten en huren’ en waardepapieren van haar reeds in 1830 overle­den echtgenoot, werden onder haar drie kinderen verdeeld. Ieder ontving, tot op de halve cent nauwkeurig, even veel. De erfenis voor Geertruid bestond uit land, een huis en een erf, veertig certi­.caten, negenendertig obligaties, vierentwintig aandelen in diverse banken en maatschappijen en een schuldbekentenis. Aangevuld met een klein bedrag aan contanten vertegenwoordigde het een waarde van bijna honderdveertigduizend gulden. Uit haar moeders persoonlijke bezittingen – juwe-

De Kamperstraat omstreeks 1900. In de Kamperstraat woonde Geertruids broer J.A.G. de Vos van Steenwijk. (Collectie HCO)
len, zilver, linnen, boeken, meubelen en rijtuigen ­ontving Geertruid eveneens eenderde deel, ter waarde van ruim tienduizend gulden.28
In de zomer van 1866 nam Geertruid een velle­tje schrijfpapier en schreef kort en bondig, zonder overschrijvingen of doorhalingen, haar testament. Het woonhuis in de Koestraat legateerde zij aan haar man. Ook haar overige erfenis werd eigen­dom van haar man maar zij beschikte dat hij het vruchtgebruik moest delen met de kinderen. Zij verzocht haar kinderen hier genoegen mee te nemen en hun vader niet verder aan te spreken op enige uitkering van de moederlijke erfportie.29
Geertruids laatste verdriet was de dood van haar dochter Sophie in 1873. Na jarenlang sukke­len was Sophie onder behandeling gesteld van een Duitse arts maar het ging niet goed met haar. De behandeling werd stopgezet en Sophie werd naar een arts in Leiden gebracht, die haar net zo min als alle vorige artsen kon helpen. Haar toestand ging snel achteruit. In Zwolle werd een alarmerend telegram bezorgd en Johan van Haersolte reisde spoorslags naar Leiden. Hij stuurde telegram na telegram naar Zwolle om Geertruid op de hoogte te houden van Sophie’s toestand. Het laatste tele­gram bevestigde haar bange vermoedens, Sophie was overleden. Geertruid wachtte op de terug­komst van haar man en het lichaam van Sophie. Na de dood van haar oudste kind raakte ze enige tijd onwel. Troostrijke brieven konden het leed niet verzachten.30 De geboorte van haar derde kleinkind – vier maanden na Sophie’s overlijden ­deed haar levenslust niet merkbaar opleven.
Na de dood van Sophie ging Geertruids gezond­heid achteruit. Een paar maanden na het verlies reisden Geertruid en Johan naar het kuuroord Muhlheim, een badplaats in het Rijngebied. Geer­truid consulteerde er een arts en dronk het heil­zame water. Ze moest veel in de zuivere buiten­lucht verblijven en met open raam slapen. Tegen­over de mooi gelegen villa waar zij logeerden lag een park waar zij prettig kon wandelen of in de schaduw kon zitten. Met haar man maakte ze een mooie excursie, de ‘charmant site’ herinnerde hen aan hun huwelijksreis. Nadat Geertruid kennis had gemaakt met andere gasten en geïntroduceerd was in de plaatselijke ‘Holli Club’ reisde haar man alleen naar huis. De kuur werd geen succes. De volgende zomer reisde Geertruid met haar man naar Scheveningen vanwege de zeelucht, maar haar gezondheid ging zienderogen achteruit. Na a.oop van een uitstapje naar Den Haag was Geer­truid zo moe dat zij geen tweede keer wilde gaan. ‘Met kunst en vliegwerk’, schreef haar man naar Zwolle, was zij ‘één maal aan Zee geweest, maar dit ging met groote moeite gepaard’ zodat hij niet op herhaling aandrong. Haar eetlust was gering, haar krachten namen af. Zij dineerde aan de open tafel in de eetzaal maar wilde dat niet meer omdat het te vermoeiend was. Een diner ‘en famille’ op de kamer, met de kleinkinderen aan tafel, was druk genoeg. De arts adviseerde haar naar huis te gaan want de zeelucht had geen effect en thuis was het gerie.ijker. Na nog een paar dagen rust, reisde Geertruid met haar man per trein naar Zwolle, waar bij het station een vigilante klaarstond om hen naar de Koestraat te brengen.31
Geertruid hoopte dat de dood haar niet onver­wachts zou overvallen. De gedachte om zonder veel voorbereiding uit het leven weggerukt te wor­den en onvoorbereid voor Gods rechtbank te moeten verschijnen, greep haar zeer aan. Het sterfbed van ene mevrouw Ooster was voor haar een voorbeeld, deze vrouw had met vol verstand ‘van alle haar omstanders afscheid genomen en hen vermaand toch zonder aarzelen genade te zoeken waar zij alleen te vinden is, in het bloed van Christus’. Geertruid vertrouwde op ‘Christus genade, op Wien alleen onze hoop moet zijn’.32
Ruim een jaar na het overlijden van Sophie was Geertruids ‘taak hier beneden voleindigd’, zij overleed op vijftien augustus 1874. In het over­lijdensbericht gaf Johan van Haersolte kennis dat ‘na eene korte ongesteldheid overleed, in den ouderdom van ruim 60 jaren, mijne hartelijk geliefde Echtgenoote en onzer kinderen zorgdra­gende Moeder, Vrouwe Geertruijd Agnis Baro­nesse De Vos van Steenwijk, na eene gelukkige echtvereniging van ruim 37 jaren’.33
Johan Christiaan van Haersolte overleefde zijn vrouw nog zeven jaar, haar nagedachtenis hield hij in ere. Een jaar na haar dood schreef hij aan een van zijn dochters: ‘Gij gevoelt wel dat my dezen
zwols historisch tijdschrift
dag in het byzonder indachtig zyn aan Mama, en dat wederom veel verlevendigd word’. Op verjaar­dagen en sterfdagen werd ‘alles wederom verle­vendigd’ en miste hij zijn vrouw en oudste doch­ter. In 1877 schreef hij zijn kinderen dat het al weer drie jaar geleden was dat ‘wy uwe goede Mama hebben moeten verliezen!’ Zijn verjaardag was voor hem een treurige dag die hij in stilte door­bracht, vol herinneringen en gemengd met een gevoel van erkentelijkheid voor Geertruid.34
Noten
1 Kamperstraat 10 en 11-13, Koestraat 18, Blijmarkt 1, Bloemendalstraat 11 en Grote Markt 12-13.
2 Stads Athenaeum en Bibliotheek Deventer 100 F21 KL HS II no. 35 KL; Vos van Steenwijk, A.N. baron de, Het geslacht De Vos van Steenwijk in het licht van de geschiedenis van de Drentse adel, Assen 1976.
3 Brake, W. te (ed.), Een grand tour naar de nieuwe republiek: journaal van een reis door Amerika, 1783­1784. Carel de Vos van Steenwijk, Hilversum 1999, 28-32.
4 Js. Mooijweer,’Vos van Steenwijk, Jan Arent Godert de (1713-1779), drost van Vollenhove’, in: J. Folkerts
(e.a. red.), Overijsselse biogra.eën 3, Amsterdam Meppel 1993, 121-125. 5 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk.
6 Nederland’s Adelsboek 78 (1987), 253; De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk. Te Brake, Een grand tour naar de nieuwe republiek, 28­33; Historisch Centrum Overijssel Familiearchief Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
7 De Vos van Steenwijk, Het geslacht De Vos van Steenwijk, 361.
8 M.L. Hansen (ed.), Aller treffendst en stout. De hu­welijksreis van J.C. baron van Haersolte naar Duits­land, Zwitserland en Italië in 1837, Overijsselse hand­schriften 11, Epe 2002.
9 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120. Koe-straat 18 werd in de twintigste eeuw bewoond door het echtpaar Harro en Carina Bouman, zie de spe­cial van het Zwols Historisch Tijdschrift, 22 (2005) nr. 1, ‘Bijzonder echtpaar op Koestraat 18’.
10 De gegevens uit de periode 1845 tot 1848 zijn – tenzij anders aangegeven – afkomstig uit de correspon­dentie van Geertruid Agnes barones de Vos van Steenwijk aan haar man Johan Christiaan baron van Haersolte (HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113).
11 Zwolle mijn stad. Een stadswandeling van A naar Z, Zwolle 2002, 225.
12 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
13 J. Bos, e.a. (red.), Huizen van stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners, Meppel/Amsterdam 1989, 264.
14 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
15 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 162.
16 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 341; HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113; Nederland’s Adelsboek 4 (1906), 542. Tante Backer was mogelijk de echtgenote van Cornelis Backer uit Amsterdam, een vriend van Geertruids vader Carel de Vos van Steenwijk. Of het was Josina Petronella Sichterman, gehuwd met Jan Willem Jacobus Backer. Hun dochter Hermanna Elisabeth was gehuwd met Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk.
17 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
18 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
19 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64; De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 388.
20 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 199.
21 HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64.
22 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 117, 182.
23 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
24 De Vos van Steenwijk, Het geslacht, 389.
25 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 119.
26 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 182.
27 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 64, 113, 182, 275 en (236), inv. nr. 687; HCO FA De Vidal de Saint Germain, inv. nr. 64. Het huis in de Koestraat ‘gele­gen agter de wal uitkomende’.
28 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 263.
29 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 120.
30 M.L. Hansen, ‘Een “redelyk zoet” meisje, Sophia Cornelia baronesse van Haersolte, 1838-1873’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 19 (2002) nr. 2, 62-72.
31 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.
32 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 113.
33 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nrs. 113 en 122.
34 HCO FA Van Haersolte (237.1), inv. nr. 182.

Frank Inklaar

De plek waar het begon en de plek waar het eindigde
Zwolse plaatsen van herinnering: Wil Cornelissen
T
oen de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift vorig jaar een special uitbracht over de Grote Markt, kreeg dit nummer als titel: Een plaats van herinneringen: De Grote Markt. Deze titel sluit naadloos aan bij een nieuwe trend in de geschiedschrijving, die door de Franse histo­ricus Pierre Nora in de laatste decennia van de vorige eeuw in gang is gezet. Nora stelt dat mensen hun identiteit niet alleen ontlenen aan de algeme­ne geschiedschrijving, maar ook aan de publieke herinnering. Sommige plekken roepen onwille­keurig en onmiddellijk de herinnering op aan ingrijpende historische gebeurtenissen. Deze plekken worden door Nora ‘lieux de mémoire’ genoemd, letterlijk plaatsen van herinnering. Vol­gens Nora zijn dat niet alleen fysieke plaatsten, maar kan de term ook in overdrachtelijk zin wor­den gebruikt, zodat symbolen, instellingen, perso­nen, herdenkingsdagen, en dergelijke lieux de mémoire kunnen zijn. Nora heeft aan de hand van lieux de mémoire de geschiedenis van Frankrijk in kaart gebracht. Nederland is hier niet bij achter gebleven. In de afgelopen twee jaar hebben vier delen van Plaatsen van herinnering het licht gezien. Anders dan bij Nora zijn in de Nederland­se opvatting alleen fysieke plaatsen van herinne­ring opgenomen.
Plaatsen van herinnering zijn er natuurlijk niet alleen op nationale schaal. Elke streek, elke stad, elk dorp kent voor zijn inwoners eigen plaatsen van herinnering. Dit gegeven heeft de redactie van het ZHT er toe gebracht met ‘Zwolse plaatsen van herinnering’ een nieuwe rubriek te starten. Beken­de Zwollenaren vertellen over hun Zwolse plaats van herinnering. De spits wordt afgebeten door Wil Cornelissen, bekend Zwollenaar en ook nog eens oud-redactielid.
Tweede Wereldoorlog
Wil Cornelissen heeft veel herinneringen en ook veel plaatsen van herinnering in de aanbieding. Als hij door de stad rijdt komen bij diverse huizen herinneringen aan familieleden die niet uit de oorlog zijn teruggekomen. Al die adressen zijn stuk voor stuk persoonlijke plaatsen van herinne­ring. Een wat algemenere plaats van herinnering zou het stoepje bij de Oosterkerk kunnen zijn. Daar keek hij bijvoorbeeld naar de opbouw van circus Sarasani op de Turfmarkt. Of naar die prachtige watertoren. Uiteindelijk kiest Cornelis­sen toch voor een plek die voor hem, maar ook voor veel Zwollenaren, direct herinneringen oproept aan de Tweede Wereldoorlog. De oorlog die tot op de dag van vandaag een centrale positie inneemt in zijn leven.

De Vechtbrug
De uitverkoren plaats van herinnering is de Vechtbrug, de brug over de Nieuwe Vecht, tussen de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee, met aan weerszijden de Vondelkade en de Philosophen­allee. Welke herinneringen maakt deze plaats los? Het is voor Cornelissen de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Het is de plek waar op 10 mei 1940 de Duitsers en op 14 april 1945 de Canadezen Zwolle binnentrokken. En zowel in 1940 als in 1945 stond een jonge Wil Cornelissen bij de brug. Niet zo verwonderlijk, want zijn ouderlijk huis stond op de Vondelkade. In 1940 riep zijn vader de twaalfjarige Wil om bij de brug weg te gaan, bang als hij was dat het tot vechten zou komen en dat zijn zoon tussen de schietende partijen terecht zou komen. In 1945 werd de zeventienjarige Wil weer door zijn vader bij de brug weggehaald, om precies dezelfde reden. Bei­de keren gebeurde er eigenlijk niets. Ja, waar­schijnlijk zal er in beide gevallen een doffe knal

De Vechtbrug over de Nieuwe Vecht, gezien vanaf de Philosofen­allee. De brug verbindt de Vechtstraat en de Wipstrikkerallee. Het is een in 1928 gebouwde basculebrug. De opna­me is omstreeks 1940 gemaakt. Links is huize Molenzicht te zien, rechts het later afgebro­ken brugwachtershuis. (Collectie HCO)
De Vechtbrug gezien vanaf de Wipstrikker­allee aan het eind van de jaren dertig. De Vechtbrug vormde (en vormt) een belangrijke schakel in het wegennet van Zwolle, de Duitsers trokken hierlangs de stad binnen in 1940 en de Canadezen in 1945. (Collectie HCO)
weerklonken hebben door het in de lucht laten vliegen van de IJsselbrug. Maar op de Vechtbrug zelf gebeurde niets. In 1940 zag je de Duitse troe­pen binnentrekken op paarden en met gemotori­seerde voertuigen, soldaten in andere uniformen en met andere helmen dan de Nederlandse solda­ten. Ze hadden geen beenwindsels zoals de Neder­landers. En in 1945 kwamen de Canadezen. ‘Ik moet toen mijn goede vriend Leo Major gezien hebben, maar dat kan ik mij niet meer herinne­ren.’ Leo Major was de eerste Canadees die als bevrijder Zwolle binnenkwam. Herinneringen zijn toch lastig volgens Cornelissen. Van wat hij zich nu herinnert over die periode, wat zijn nu echte herinneringen en wat is informatie die hij later gelezen heeft? ‘Was 10 mei 1940 de dag dat mijn vader huilde, of zorgt de titel van een boek voor deze herinnering? Het zou allebei kunnen.’

Een plek waar eigenlijk niets gebeurde
Wat maakt een plaats waar niets is gebeurd voor Cornelissen toch tot een belangrijke plaats van herinnering? Het is leuk om je te herinneren dat op de oude Vechtbrug, een ophaalbrug, brug­wachtershuisjes stonden. Dat er een piepklein winkeltje was van niet meer dan twee à drie meter, waar meneer Wever tabakswaren verkocht. Dat je voor je vader voor 35 cent vijf sigaren moest halen en dat bij die gedachte je in je herinnering de geur van de tabakszaak weer ruikt. Maar daarom is de Vechtbrug niet door Cornelissen uitgekozen. De brug staat symbool voor het begin en het einde van de Tweede Wereldoorlog.
In 1940 is er de angst, de onzekerheid, de gedachte van wat zal er gebeuren. Of dat nu exact bij de Vechtbrug op het moment van het binnen­trekken van de Duitsers de overheersende emotie van Cornelissen is geweest weet hij niet, maar dat deze gevoelens duidelijk aanwezig waren is wel zeker. Immers als twaalfjarige was Wil al wel dege­lijk op de hoogte van de kwalijke daden van het Hitler-regime. Hij kende de verhalen uit Duits­land van zijn gevluchte oom Erich Passmann, die in Zwolle was blijven hangen, vertrouwend op de neutraliteit van Nederland. Van zijn Joodse moe­der en haar grote Zwolse familie hoorde hij menigmaal de bezorgdheid voor de toekomst. Zijn vader was actief in het plaatselijk bestuur van de antitotalitaire Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie (EDD), een organisatie die zowel het communisme als het fascisme bes­treed. Voor nationaal-socialistisch Duitsland was in deze kringen geen sympathie. Vader droeg dit bewustzijn over op zijn zoon. Wil mocht voor een van de bijeenkomsten van de EDD met Oost-Indi­sche inkt de uitnodigingen kalligraferen. En dan had je nog de nieuwsberichten op de radio. In hui­ze Cornelissen diende je dan je mond te houden, want naar het nieuws moest in stilte geluisterd worden. Wil was dus op die 10de mei 1940 bij de Vechtbrug wel degelijk zich volledig bewust van de onzekere toekomst.
De overheersende emotie op de 14de april 1945 zal er een van vreugde zijn geweest. Het beeld van vlaggen en wimpels komt naar boven, maar ook de verbazing over waar al die vlaggen vandaan kwamen. ‘Heb ik staan zwaaien? Ik weet het niet.’ Spontane feestvreugde moet er in ieder geval wel geweest zijn. Al snel kwam daar een andere emotie bij. Wie van de weggevoerde familieleden zou er terug komen? Wat was er van hen geworden? Dat het verhaal van de tewerkstelling van Joden in Duitsland niet klopte was voor Cornelissen toen al duidelijk. Wat kon zijn doodzieke opa, die met een ambulance was weggevoerd naar Westerbork nu nog voor werk doen? Maar hoe zat het met al die ooms en tantes, neven en nichtjes, leeftijdge­noten? Uiteindelijk keerde maar één achternichtje terug.
Als Wil Cornelissen nu de Vechtbrug passeert overheerst toch het gevoel van de bevrijding.
De Vechtbrug, de plek waar het begon en de plek waar het eindigde. Een plek waar eigenlijk niets gebeurde, maar ook de plek die zoveel herin­neringen oproept.
zwols historisch tijdschrift
65

Een rooms jongetje uit Assendorp
Katholiek Zwolle in de eerste jaren van de twintigste eeuw
O
verkomt u dat ook wel eens? Dat wanneer u in een tekst uw geboorteplaats tegen­komt u extra aandachtig gaat lezen? Mij overkomt dat zelfs met enige regelmaat, net zoals ik dat ook bij mijn geboortedatum heb. Zo ben ik er in de loop der jaren achtergekomen dat Jozef Luns en Joop Doderer – mooi duo toch? – op dezelfde dag als ik zijn geboren. Door de opkomst van het internet boeten dergelijke kleine histori­sche sensaties helaas steeds meer aan kracht in. Want u hoeft tegenwoordig maar op bijvoorbeeld de internetsite wikipedia.nl de zoekterm ‘Zwolle’ in te toetsen en alle bekende Zwollenaren worden op een presenteerblaadje aangereikt.
Toch wordt er nog wel eens een enkeling over het hoofd gezien. En dat kan zelfs mensen betref­fen met een bijzonder grote staat van dienst. Zo ook in het geval van Petrus Albertus Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ier­land, Chili en Israël – is in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werk­zaam als journalist en besloot, omdat hij kritische artikelen over het nazi-regime had geschreven, kort na de Duitse inval in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Londen werd hij secretaris van de gereformeerde premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Op 12 december 2003 overleed Kasteel op 102-jarige leeftijd.
Het moet in het najaar van 1994 zijn geweest dat ik Kasteels naam voor het eerst tegenkwam. Ik was toentertijd net begonnen met een zoektocht naar het onder orthodox-protestanten levend antipapisme en stuitte al snel op de door hem geschreven uitgaven van het apologetische Gilde van de Klare Waarheid. In een tijd waarin het anti­papisme nog hoogtij vierde, toonde de jonge jour­nalist Kasteel moed door als een van de weinige katholieken de pen op te nemen tegen de niet-godsdienstige uitingsvormen van dit fenomeen. Halverwege de jaren twintig vervaardigde hij onder de geheimzinnige ‘schuilnaam’ PAK in totaal drie brochures met prikkelende titels als
Vuile Papen!, In Dogma’s Gekluisterd (Stomme papen) en De misdaden der katholieke kerk.1
Toen ik ontdekte dat deze Kasteel dezelfde persoon was als de ‘latere’ Piet Kasteel van het proefschrift over de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper2, kreeg mijn interesse voor diens levenswandel een extra impuls. Helemaal toen ook nog bleek dat wij in dezelfde stad zijn geboren. In deze bijdrage wil ik kort schetsen in wat voor een omgeving de jonge Piet Kasteel opgroeide. Want, in wat tegenwoordig zo mooi de formative years worden genoemd, moet deze van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van zijn karakter.

Een katholieke familie
Petrus Albertus (‘Piet’) Kasteel werd op 4 novem­ber 1901 in Zwolle geboren aan de Deventerdwars­straat 14. Deze woning werd toentertijd nog aan­geduid met het huis- cq. wijknummer L 460. Een paar jaar later, in 1905, werd bij de gemeentelijke omnummering van wijknummers naar straat­namen met huisnummers het huis of.cieel voor­zien van nummer 14. Tegenwoordig heet de Deventerdwarsstraat de Zuiderkerkstraat.
Volgens het geboorteregister was Piet ‘des voormiddags ten zeven ure’ ter wereld gekomen. Vader Bernardus (geboren 30 januari 1859 te Arn­hem) was van beroep zadelmaker bij de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen. Hij had zich op 16 januari 1892 samen met zijn vrouw Geertrui­da Nijenhuis (geboren 19 april 1868 te Wagenin­gen) in Zwolle gevestigd. Het rooms-katholieke
Jonn van Zuthem
echtpaar had ten tijde van de verhuizing al een zoontje, dat Bernardus Gijsbertus heette en een jaar daarvoor in Arnhem was geboren. Het jonge­tje stierf 10 november 1897 op zesjarige leeftijd.3
In Zwolle werden de ouders achtereenvolgens gezegend met de zonen Gijsbertus Jacobus Johan

Piet (Petrus Albertus) Kasteel. Deze oud-ambassadeur – hij vertegenwoordigde het Koninkrijk der Nederlanden onder meer in Ierland, Chili en Israël – werd in 1901 in Zwolle geboren. Kasteel was voor de Tweede Wereldoorlog werkzaam als journalist. Hij wist in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. In Lon­den werd hij secretaris van premier Pieter Gerbrandy. In 1942 werd hij door de Nederlandse regering in ballingschap benoemd tot gouverneur van de Antillen. Kasteel overleed in 2003 op 102-jarige leeftijd. (Collectie auteur)
(geboren 5 oktober 1893), Hendrikus Johan (gebo­ren 29 januari 1896) en Bernardus Gijsbertus (geboren 23 februari 1898). Deze laatste kreeg dus dezelfde naam als de kort daarvoor overleden oudste zoon. In die tijd woonde ook nog een klei­ne twee jaar de uit Arnhem afkomstige weduw­naar Bernardus Kasteel bij zijn zoon en schoond­ochter in. De eerste dochter werd in 1899 geboren, zij kreeg de doopnamen Wendelina Maria Hen­drika Berendina (geboren 17 september 1899). Opa Kasteel was toen inmiddels weer terugge­keerd naar zijn geboorteplaats Arnhem.
Bij de aangifte van de geboorte bij de burgerlij­ke stand van Petrus Albertus (met de overleden eerste zoon meegerekend dus het zesde kind van het echtpaar Kasteel-Nijenhuis) waren twee colle­ga-zadelmakers van de vader als getuige aanwezig. Deze getuigen, Johannes van Buren en Willem Johannes Christiaan Burbach, tevens buurtgeno­ten, waren niet katholiek, maar hervormd. De voor katholieken steeds stringenter in acht te nemen religieuze scheidslijnen – de bloeitijd van de verzuiling ving omstreeks de eeuwwisseling aan -golden in die tijd schijnbaar niet voor ‘wereldse’ zaken als een aangifte bij de burgerlijke stand.
Piet Kasteel werd, naar goed katholiek gebruik, nog op de dag van zijn geboorte gedoopt. De doopgetuigen waren, zo vermeldt het doop­boek van de parochie, oom Joannes en tante Joan­na Maria Ratering-Nijenhuis. Deze peter en meter waren, zoals dat ook bij vader en moeder het geval was, respectievelijk geboren in Arnhem en Wage­ningen. Ook bij de andere kinderen, onder ande­ren bij Hendricus Joannes, Bernhardus Gijsbertus en ‘Berendina’ kwamen de doopgetuigen meestal uit de regio Arnhem-Wageningen.4 De band met de familie uit het Gelderse moet stevig zijn geweest.
Het verschil tussen de protestantse en de katholieke schrijfwijze van de mannelijke en de vrouwelijke vervoeging van de naam Jo(h)an komt overigens in de verschillende documenten veelvuldig naar voren.5 Door de ambtenaren van het Zwolse bevolkingsregister werd in ieder geval nog consequent de ‘protestantse’ spelling gehan­teerd, ook waar het dus katholieke kinderen betrof.
zwols historisch tijdschrift
67
Na Piet kreeg het echtpaar Kasteel nog twee kinderen, een zoon Johannes Lodevicus (geboren 24 januari 1903) en een dochter Hendrica Johanna Maria Wilhelmina (geboren 22 juni 1904).

Onder de rook van de Centrale Werkplaats
De wijk waarin het gezin woonde, Assendorp (een middeleeuwse verbastering van ‘oostendorp’), was een typische woonwijk voor personeel van de Staatsspoorwegen, de zogenaamde ‘spoorhazen’. Vanaf 1860 was er in deze buurt voorzichtig begonnen met de bouw van arbeiderswoningen. De aansluiting in 1864 van Zwolle op het spoor­wegnet en de spoedige komst van de Centrale Werkplaats (CW), die in de volksmond ook wel de ‘constructiewinkel’ werd genoemd, bracht een enorme uitbreiding van de bebouwing teweeg. Bood de CW in 1870 nog aan 136 man werkgele­genheid, in 1900, een jaar dus voor de geboorte van onze hoofdrolspeler, verdienden al 815 men­sen er een relatief goedbelegde boterham. In ver­gelijking met andere werkgevers betaalde de CW namelijk hoge lonen.
Assendorp had desondanks de naam een ‘rode wijk’ te zijn. De geschoolde arbeiders van de werk­plaats en ander personeel van de Staatsspoorwe­gen, zoals bijvoorbeeld conducteurs en machinis­ten, stonden vaak kritisch tegenover de bestaande maatschappelijke verhoudingen. Meer dan de meeste van hun tijdgenoten kwamen zij in contact met mensen uit andere gedeelten van het land. Het spoorwegpersoneel kon namelijk vrij per trein reizen. Bovendien las het merendeel kranten en was men georganiseerd in vakverenigingen. De vaak van elders, veelal uit het westen van het land afkomstige Assendorpers bewogen zich – ook al omdat het personeel van de Staatsspoorwegen regelmatig werd overgeplaatst – min of meer apart van de oorspronkelijke, wellicht wat meer gezags­getrouwe Zwollenaren.6
De behuizing aan de Deventerdwarsstraat 14 was erg klein. Een bouwtekening uit 1922 laat zien

Gebouwen van de Centrale Werkplaats omstreeks 1985. De vader van Piet Kasteel werkte hier als zadel­maker. (Collectie HCO) De Groeneweg omstreeks 1930. Het huis waar Piet Kasteel opgroeide staat er net niet op, het huis uiterst links is nummer 146. (Collectie Hogenkamp)

dat het huis tot dan toe nog geen aparte eigen keu­ken kende. Wellicht dat moeder Kasteel bij de buren kookte; het privaat werd in ieder geval met hen gedeeld. Daar komt bij dat in de grootste van de twee beschikbare kamers, de zolder niet meege­rekend, nog twee bedsteeën waren ingebouwd.7
Op regenachtige dagen zullen de kinderen Kasteel in het huis nauwelijks speelruimte hebben gehad. Rond 1906 betrok het gezin, inmiddels dus negen personen tellend, een andere woning. Deze lag aan de eveneens in de wijk Assendorp gelegen Groeneweg. De nieuwe behuizing betekende, naast het feit dat het aanzienlijk meer ruimte bood, nog een duidelijke verbetering ten opzichte van die van de Deventerdwarsstraat; het betrof hier namelijk een nieuwbouwwoning met keuken. Het huis, nadrukkelijk bedoeld als arbeiderswo­ning, was op een oorspronkelijk door de gemeente aangekocht terrein gebouwd door bouwvereni­ging De Verwachting.8
Het gebeurde in die tijd wel vaker dat particu­lieren hun krachten bundelden in dergelijke bouwverenigingen. De gevraagde woekerprijzen voor slechte huurhuizen – soms wel meer dan vijf gulden per maand – droegen ertoe bij dat mensen het initiatief in eigen hand namen om zodoende de wens van een eigen huis te kunnen realiseren. Ook in Zwolle waren deze hoge huren geen zeld­zaamheid, mede omdat door de groei van de CW de stad in de periode 1870-1900 een van de snelst groeiende gemeenten van Nederland was.9

Een kinderrijke buurt
Een wijklijst uit 1912 geeft een goed beeld van de samenstelling van de bewoners van de Groene-weg. In het huizenblok, de Groeneweg 134 tot en met 152, waarin het gezin Kasteel op nummer 150 woonde, werkten van de tien huisvaders er liefst negen bij de Staatsspoorwegen. Van die negen verdienden er vijf de kost als wagenmaker, twee als bankwerker en twee als zadelmaker, waaronder dus vader Kasteel. Die laatste groep was onder meer belast met het bekleden van de banken in de treinwagons. Op nummer 142 woonde een in dat opzicht vreemde eend in de bijt, de boekdrukker
J. Egbers met vrouw en kind.
De naaste buren waren, zo vermeldt het bevol­kingsregister, allen van Nederlands-hervormde huize. Op nummer 148 woonde het gezin Van Hensbergen met een zoon en een dochter. Zoon Matthijs was een jaartje jonger dan Piet. De ande­re buren, het gezin Polleman bestond eveneens uit vier personen. Van de twee dochters was de oud­ste, Alijda Gesina, in hetzelfde jaar geboren als Piet.
Het was een kinderrijke buurt waar de jonge Kasteel opgroeide. De gezinnen met het grootst aantal kinderen waren meestal katholiek. De gees­telijke herders van de parochie hielden scherp toe­zicht op de vorderingen van hun schapen. Zo wer­den vormsel en eerste communie nauwlettend opgetekend. Op nummer 134 woonde het echt­paar Franken met liefst negen kinderen.10 Bij het gezin woonde ook nog oma van moederszijde in, de weduwe Jacoba van de Heuvel-Vos.11
Zelfs in een nieuwbouwhuis met een relatief groot oppervlak van pakweg 80 vierkante meter woonruimte moet dat met twaalf personen voort­durend inschikken zijn geweest. De woonkamer mat namelijk in het gunstigste geval 4,35 bij 3,60 m.12 Toch waren de meeste arbeiderswonin­gen in Assendorp in vergelijking met die in andere wijken in Zwolle niet ‘overbewoond’. In 1908/1909 woonden er volgens een rapport van de Gezond­heidscommissie slechts in negen procent van de Assendorper huizen te veel mensen. Elders in de Overijsselse hoofdstad lag dat percentage aanmer­kelijk ongunstiger.13

Een religieus gemengde stad
Wat was dat eigenlijk voor een stad, dat Zwolle uit de jeugdjaren van de jonge Kasteel? In ieder geval ­en dat is volgens Kasteel belangrijk geweest voor zijn latere denken14 -was het een religieus gemengde stad. In 1914, het jaar dat Piet de stad de rug toekeerde om in Grave naar het kleinsemina­rie te gaan, telde de oude Hanzestad met een bevolking van 33.850 inwoners: 58,6 procent her­vormden, 9,7 procent gereformeerden en 22,8 procent katholieken.15 Voorts herbergde de stad nog kleine groepen lutheranen, doopsgezinden en joden, die allen nog geen twee procent van de

De Groeneweg op de kru

Lees verder