Categorie

2011

Zwolse Historisch Tijdschrift 2011, Aflevering 2

Door | 2011, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Bekroond
artikel
2010

De geur
van de stad

28e jaargang 2011 nummer 2 – 8,50 euro

70 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Restauratie Autobusstation, Oosterlaan
Station Zwolle, geopend op 8 juni 1864, is een van de belangrijkste spoorwegknooppunten van Nederland. Het station staat nu op zijn kop in ver­band met de aansluiting op de Hanzelijn, die eind 2012 in gebruik zal worden genomen.
Het busstation van Zwolle is een belangrijk knooppunt in zowel het stadsnet van Zwolle als in het streeknet. Voor de entree van het treinsta­tion ligt het stadsbusstation, langs de Oosterlaan ligt het busstation voor de streeklijnen. Tot 1951 stopten alle bussen voor het station. In dat jaar werd het Stationsplein heringericht en verhuis­den de streekbussen naar de Oosterlaan. Om het wachten van de buspassagiers te veraangenamen, werd in 1959 het ‘Restauratie Autobusstation’ aan het begin van de Oosterlaan gebouwd. Het pand bestond grotendeels uit glas. Zomers was het er bloedheet. Aan de perronzijde van het gebouw kwam een automatiek en boven de restauratie­ruimte konden de chauffeurs van de streekkbus­sen tussen de ritten even uitblazen.
De keuken van het busstation leverde ook aan niet-reizigers. Zo stond er in de Zwolse Courant van 19 december 1961 een advertentie om met het oog op de komende feestdagen toch vooral tijdig kroketten, bitterballen (4 voor 30 cent) en koude schotels te bestellen.
Rond 2000 werd het ‘glazen busrestaurant’ afgebroken. Ter plaatse verrees een ander bouwsel om passagiers van bus en trein meer te kunnen gerieven. Sinds 2009 wordt gesproken over ver­plaatsing van het busstation, om het spoorgebied verder te ontwikkelen en om de verkeersstromen het hoofd te bieden. Het nieuwe busstation komt aan de zuidzijde van het station.

(Collectie ZHT)

Hier stond van 1959 tot 2000 het ‘glazen busrestaurant’.
(Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 71

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans70
Klaas Baving rijwielen Theo de Kogel72
De geur van de stad Roel Steenbergen85
Alleen het kleedhok bleef staan…
Wielerpiste bij Urbana verdween
in oorlog Willem van der Veen91
Honderd jaar Remonstrantse Broederschap
in Zwolle Ingrid Wormgoor94
Zwolle in 1961
Deel 1: De stad ligt onder een glazen stolp
Jan van de Wetering104
Recent verschenen107
Mededelingen109
Auteurs110

Redactioneel
In deze editie van het Zwols Historisch Tijdschrift weer een aantal interessante verhalen over de geschiedenis van deze mooie stad. Wat te denken van het winnende verhaal van de schrijfwedstrijd 2010? Roel Steenbergen neemt ons mee naar zijn jeugd, toen Zwolle nog een stad vol geuren was. Op meeslepende wijze geeft hij een sfeerschets van een geurig verleden, van de geur van zoete pijpka­neel en slaolie van Reinders’ Oliefabrieken tot de stank van tonnetjes voor de plee.
Behalve ‘De geur van de stad’ ook aandacht voor fietsen, nu de Tour de France weer in volle gang is! Theo Kogel vertelt over Klaas Baving, eind negentiende eeuw een van de grootste fietsimpor­teurs van Nederland. Baving introduceerde fiets­merken als ‘Express’ en ‘Succes’. Hij was een slim adverteerder en had diverse agentschappen in het hele land. In een verhaal van Willem van der Veen komt de wielerbaan bij uitspanning Urbana aan de orde. Deze werd in 1934 geopend en kampioe­nen als Jan Derksen reden er hun wedstrijden. De baan was echter geen lang leven beschoren. Alleen het kleedhok bleef staan…
Verder een artikel over de Remonstrantse Broederschap, van Ingrid Wormgoor, naar aan­leiding van het honderdjarig bestaan in Zwolle. De geloofsstrijd tussen Gomarus en Arminius wordt belicht, als ook de totstandkoming en acti­viteiten van de remonstrantse kring in Zwolle. Deze kring had een verregaande samenwerking met de doopsgezinden, maar tot een fusie is het in Zwolle (nog) niet gekomen.
Ook in dit nummer: het bekende Suikerzakje, boekrecensies en het eerste deel van het vervolg op de serie ‘Zwolle in 1960’, nu een jaar later. Kort­om, weer een overcomplete editie van uw Zwols Historisch Tijdschrift!

Omslag: De Thorbeckegracht omstreeks 1960, toen de stad nog geuren had… (Collectie HCO)

72 zwols historisch tijdschrift

Klaas Baving rijwielen
De ontwikkeling van de fiets begon in 1817 met de introductie van de loopfiets door de Duitser Karl Friedrich Drais von Sauer­bronn. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde de fiets zich in een aantal stappen tot het vervoermiddel dat wij dagelijks gebruiken. Deze ontwikkeling begon in 1861 met de vinding van de Fransman Michaux, die een fiets ontwierp die via een roterend trapsysteem rechtstreeks op de vooras werd aangedreven. Een belangrijke volgende stap was de ‘hoge Bi’ uit 1870 van de Engelsen James Starley en William Hillman. Deze fiets had een groot voorwiel en een klein achterwiel. Hierdoor konden veel grotere snelheden worden gehaald. In 1885 ontwikkelde de Engelsman James Starley de veiligheidsfiets ‘Rover’. Deze fiets had voor en achter ongeveer even grote wielen en werd aangedreven door een ketting. Deze uitvoering leek al erg op het huidige ruitmodel dat eind negen­tiende eeuw werd ontwikkeld.1
Vanaf eind negentiende eeuw werd de fiets ook gebruikt als vervoermiddel voor de gewone burger. Daarvoor was het toch vooral een speeltje van de meer sportief ingestelde en welgestelde bovenlaag van de bevolking. Vele fabrikanten speelden in op de groeiende populariteit van de fiets. Bekende Nederlandse rijwielfabrikanten die eind negentiende of begin twintigste eeuw met de productie van hun fietsen begonnen waren Bur­gers uit Deventer, Fongers uit Groningen, Sim­plex uit Amsterdam en Gazelle uit Dieren.
Klaas Baving
In de vroege periode van het fietsgebruik werd echter een groot deel van de fietsen niet in Neder­land gemaakt, maar geïmporteerd uit Amerika, Engeland en Duitsland. Een van de grootste fiets-importeurs in Nederland was Klaas Baving uit Zwolle.
Opvallend is dat Baving niet alleen zijn ach­ternaam gebruikte maar ook zijn voornaam. Hiermee week hij af van de handelswijze van bekende rijwielfabrikanten zoals (Albert) Fongers uit Groningen en (Hendrikus) Burgers uit Deven­ter. Klaas Baving bouwde in vrij korte tijd zo’n degelijke reputatie op, dat zijn opvolgers H.G.A. Ackmann (van 1912 tot 1937) en J. Kappers (van 1937 tot 1971) de naam Baving als merknaam zijn blijven voeren.
Over het bedrijf en ook over Klaas Baving zelf is weinig informatie bewaard gebleven. Ook bin­nen de familie Baving is, voor zover bekend, geen (foto)materiaal van Klaas meer aanwezig. Naast een aantal bewaard gebleven fietsen geven vooral de vele, vaak fraai vormgegeven advertenties in tijdschriften zoals de Kampioen van de ANWB een mooi (tijds)beeld van het bedrijf. In dit artikel probeer ik een zo compleet mogelijk overzicht van de tot nu toe bekende historie van dit bedrijf te geven.
Van Drenthe naar Zwolle
Klaas Baving werd op 24 september 1864 in Vries (Drenthe) geboren.2 Hij was een liefhebber van de wielersport. Eind negentiende eeuw deed hij mee aan tal van wielerwedstrijden. Het boek Een halve eeuw wielersport van Hogenkamp geeft een uit­gebreide documentatie van de wielerwedstrijden die in deze periode werden gereden.3 In dit boek wordt Klaas Baving een aantal keren genoemd en staan bovendien de enige bekende foto’s van hem. Klaas was lid van de Asser Wielrijdersclub ‘Her­mes’, die opgericht was op 7 september 1892.
Omstreeks 1889 begon Baving met de handel in rijwielen. Blijkens advertenties in de Leeuwar­der Courant eerst in Dedemsvaart en daarna in Groningen. In Groningen begon Baving in 1892 samen met een compagnon Reese een rijwielzaak aan de Hereweg. Hij importeerde ondermeer Rudge rijwielen. In 1895 ging hij alleen verder met de zaak in Groningen. In de advertenties wordt nu niet meer gesproken van Baving en Reese, maar van Klaas Baving rijwielen.
Op 26 mei 1896 verhuisde Baving op 32-jarige leeftijd met zijn vrouw Hillechien Meinders uit Haren (Groningen) naar Zwolle. Het echtpaar vestigde zich aan de Veerallee nr. 710. Klaas begon daar zijn groothandel/import bedrijf in rijwielen. Op 18 oktober 1898 werd hun enige zoon Hen­drik geboren. Het huisnummer Veerallee 710 is later omgenummerd tot nr. 37. Er zijn geen foto’s bekend van het pand waarin Baving zijn zaak begon, de huidige bebouwing aan de Veerallee is van latere datum.
Fietsen, motoren en auto’s
Baving begon met de import van fietsen, maar al snel importeerde hij ook motoren en auto’s. Op
13 juli 1897 deponeerde hij bij het merkenbureau in Rijswijk de fietsmerken ‘Express’ en ‘Success’.
In de jaren daarna werden ook de merken ‘Perfec­tion’ (17-09-1898), ‘Welcome’ (29-04-1903) en ‘Salland’ (10-01-1911) door hem gedeponeerd. In de omvangrijke catalogi die hij maakte werden alle modellen beschreven. Van deze catalogi is vrijwel niets bewaard gebleven. In de bibliotheek van het fietsmuseum Velorama in Nijmegen zijn de twee oude catalogi uit 1913 en 1914 te vinden. Van de fietsmerken was de Success de duurste uitvoering. De Welcome en Express waren goedkoper. De Welcome modellen waren gezien de vormgeving waarschijnlijk gebouwd in een Duitse fabriek.
Het meest bijzondere model, waar Baving ook veel mee adverteerde, was het kettingloze, via een cardanas aangedreven Succes-rijwiel. Dit was een technisch mooi gemaakte fiets met voor- en ach­tervering en deze werd gebouwd door de Ameri­kaanse firma Pierce Arrow, een bekend bedrijf dat ook auto’s maakte.
Balhoofdplaatjes
Op het balhoofd werd een rijk versierd koperen balhoofdplaatje (merkplaatje) met de naam van het merk en daaromheen de tekst: ‘Especially made for Klaas Baving Zwolle’ geklonken. De opvolger van Klaas Baving, H.G.A. Ackmann veranderde dit vanaf 1912 in: ‘Especially made for H.G.A. Ackmann Zwolle.’
De balhoofdplaatjes van de merken Express en Welcome, met daaronder ‘Especially made for H.G.A. Ackmann Zwolle’ zijn nog vaak te vinden op oldtimerbeurzen of in antiekzaken. De heer J. Donze, beheerder van het buurtmuseum in de Kamperpoort, vertelde me het verhaal achter deze plaatjes. Het pand aan de Harm Smeengekade, waar Ackmann’s bedrijf het laatst was gevestigd, is samen met de daarnaast gelegen tramremise begin jaren zeventig in opdracht van de gemeente Zwol­le door het sloopbedrijf Van der Vegt leeggehaald. Donze werkte toen bij Van der Vegt. Veel spullen gingen naar de oud-ijzerboer. Daarbij bevond zich ook een kistje met deze plaatjes. Donze vertelde dat hij er een paar uitgehaald had. Deze liggen nu in het buurtmuseum. Blijkbaar heeft iemand, de oud-ijzerboer zelf of iemand anders, deze kist achtergehouden en later verkocht. Ken­merkend voor deze plaatjes is dat de gaatjes voor de bevestiging van de klinknageltjes aan de boven- en onderkant van het plaatje zitten. Vermoedelijk gaat het hier om een verkeerd geleverde partij. De gaatjes horen namelijk links en rechts te zitten, anders is het plaatje niet goed strak op de ronde balhoofdbuis te bevestigen. Waarschijnlijk is deze verkeerd geleverde partij ergens op de zolder van de zaak aan de Harm Smeengekade blijven staan tot aan de ontruiming.
Motorboten
Naast fietsen, motorfietsen en auto’s importeerde Klaas Baving ook motorboten. De motorfietsen verkocht hij net als de fietsen onder het merk ‘Success’. De motor was waarschijnlijk groten­deels van Duitse makelij.
In het Leids Dagblad van 1 september 1906 wordt vermeld dat prins Hendrik koningin Wilhemina op haar 26e verjaardag een Success motorboot voor tien personen heeft gegeven, geleverd door de heer K. Baving uit Zwolle.
Advertentiecampagne
In de periode dat Baving in Groningen zat was hij al begonnen met adverteren in de lokale kranten. Na zijn verhuizing naar Zwolle begon hij in 1899 een intensieve reclamecampagne via advertenties in onder andere de ANWB Kampi­oen voor Success en Perfection rijwielen. In de jaren daarna verschenen vele tientallen, vaak fraai vormgegeven advertenties. In deze advertenties speelde Baving vaak handig in op actuele situaties die op dat moment in de publiciteit waren. Ook probeerde hij door middel van deze advertenties nieuwe agentschappen in het land van de grond te krijgen. Hij was hiermee een van de grootste adverteerders in de Kampioen. Het is duidelijk dat Baving een ambitieus zakenman was die zijn zaak goed en groots aanpakte.
Van in ieder geval één advertentie is zeker dat hij dezelfde afbeelding gebruikte waarmee de Amerikaanse rijwielfabrikant, waarvan hij de fiet­sen aankocht, in de Verenigde Staten adverteerde. Dit betreft een advertentie van Pierce Cycles uit 1901. Gezien de vormgeving van veel advertenties is het waarschijnlijk dat hij vaker gebruik maakte van buitenlandse voorbeelden.
Agentschappen
In de eerste advertentie die Baving in de ANWB Kampioen van 1899 plaatste, maakte hij bekend dat hij agentschappen ging vestigen in het gehele land. Door intensief te adverteren beloofde hij zijn potentiële agenten een grote omzet:
‘Steeds numero een zult gij zijn in uw stad, dorp of gehucht waar gij ook woont in Nederland, als gij eigenaar zijt van het ‘Perfection’ en ‘Succes extra’ rijwielen agentschap voor 1900. Al is uw zaak onder de concurrenten de kleinste, al is uw zaak de groot­ste, men zal er bij U naar vragen, omdat het supe­rieure rijwielen zijn, omdat het rijwielen zijn met werkelijke waarde en er op een degelijke wijze uit­gebreide publiciteit aan gegeven zal worden. Het is zeker van belang, het heeft zeker waarde en het mag ontegenzeggelijk een voordeel boven vele andere agentschappen genoemd worden, dat er voor de ‘Perfection’ en ‘Succes extra’ rijwielen voor 1900 in ruim 140 veel gelezen bladen onafgebroken gead­verteerd wordt en ik de risico voor mijn rekening neem, om de niet verkochte machines op het einde van het seizoen terug te nemen. Er zijn nog andere voordelen aan dit agentschap verbonden, die gewaardeerd zullen worden, Verzekert U er van.
Klaas Baving Importeur, Zwolle.’
Om het vestigen van een agentschap zo makke­lijk mogelijk te maken bood Baving geïnteresseer­den de mogelijkheid om op zijn kosten in Zwolle te komen praten over de voordelen van een agent­schap. In een advertentie uit 1908 stelt hij:
‘Men ziet ze overal, de Success en Welcome rijwielen. Hoe vele malen hebt ge ’t niet gelezen. Hoe gemakke­lijk kunt ge U er van overtuigen. Dat ze overal loopen en steeds meer worden gezien, mogen wij als van veel zeggende beteekenis beschouwen. Men verkoopt ze gaarne, en ze laten zich zoo gemakkelijk ver­koopen, omdat een eenmaal verkocht wiel nimmer terugkomt voor reparatie. Dit spaart U tijd en geld, maakt uw zaak, uw naam en reputatie grooter en winstgevender. Stel u zoo mogelijk dadelijk met mij in verbinding, indien ge belang stelt in “een agent­schap voor altijd” en wanneer de Baving-Elswick, Success en Welcome rijwielen niet in uwe omgeving vertegenwoordigd zijn. Kom voor mijn kosten er over praten, of doe ’t per brief. Ik verlang niet, dat U dadelijk koopt of U verplicht. Kennismaking is voldoende, en waar gij ook woont in Nederland, de spoorkosten voor heen en terug vergoed ik U in elk geval bij uw bezoek. De nuttige, bezienswaardige Catalogus en Prijscouranten ontvangt U op aanvrage gratis en franco. Op welwillende medewerking kunt gij ten allen tijde rekenen.’
De aanpak van Baving had effect. Het bedrijf groeide snel, overal in het land kwamen agent­schappen van de grond en werden zijn fietsen verkocht. In enkele advertenties heeft Baving het over het aantal agentschappen dat hij in het land heeft. In een advertentie van 16 maart 1900: ‘Thans in circa 170 plaatsen.’ In een advertentie van 25 januari 1901: ‘Grootste aantal depot-agentschappen in de provinciën.’ In 1903: ‘Meer dan 300 Success-Agenten weten hoe gemakkelijk het is succes met de SUCCESS te behalen.’
De groei van het bedrijf blijkt ook uit de aan­dacht die het bedrijf kreeg in De toestand van de gemeente Zwolle. Hierin werd jaarlijks een overzicht van belangrijke ontwikkelingen in de gemeente gegeven. In 1908 lezen we: ‘Onder de firma’s die een grooten handel in rijwielen drijven, niet uitsluitend hier ter plaatse, maar in geheel ons land, mag zeker die van Klaas Baving wel in de eerste plaats worden genoemd.’ 4
Actuele gebeurtenissen
Uit de advertenties blijkt dat Baving vaak handig inspeelde op gebeurtenissen waarmee hij reclame kon maken voor zijn producten. De eerste keer dat we zo’n actuele gebeurtenis tegenkomen is in zijn Groningse tijd, vlak nadat hij gestopt was met de samenwerking met Reese. Baving ver­kocht toen rijwielen van het merk Brilliant. In de Leeuwarder Courant stond op 29 januari 1895 een advertentie met de opvallende kop ‘Oorlog in het oosten’. In de advertentie stond een ‘telegram’ uit Peking aan Klaas Baving afgedrukt waarin gene­raal Ylang-Ylang het heeft over de opmars van de Japanners en dat hij Brillants nodig heeft… Baving speelde hierbij in op de eerste Japans-Chinese oorlog die duurde van 1894 tot 1895.
Major Taylor
Een opmerkelijke advertentie stond ook in de Kampioen van 24 mei 1901. Baving refereerde toen aan het kampioenschap van Major Taylor, een zwarte Amerikaanse wielrenner die in dat jaar een Europese tournee maakte. Deze Marshall Walter ‘Major’ Taylor werd op 10 augustus 1899 wereldkampioen op de sprint (1,6 km). Hij werd ook wel ‘de vliegende neger’ genoemd. Over Taylor zijn diverse boeken verschenen en er is in Amerika zelfs een Major Taylor genootschap:
‘De ‘SUCCESS’ is het fabrikaat, dat bereden wordt door de snelste rijders der wereld. MAJOR TAYLOR de neger versloeg te Berlijn den 11 april ARENDT (de Kampioen van Duitschland) en den 27 mei te Parijs, revanche-match JACQUELIN (de Kampioen van Frankrijk) met ongekende gemakkelijkheid. Men moet de “SUCCESS” zien en uit elkaar nemen, voordat men een wiel koopt. De catalogus, die alle bijzonderheden bevat, wordt op aanvrage, met eeni­ge dozijnen tevredenheidsbetuigingen en een pracht-affiche, zoolang die voorradig zijn, gratis verstrekt.’
Het jubileum van mr. H. Smeenge
Een andere gebeurtenis waarmee Baving reclame maakte was het 25-jarig jubileum van mr. H. Smeenge als Kamerlid van het kiesdistrict Mep­pel op 10 april 1911. Mr. Smeenge (1852-1935) was ondermeer lid van de Tweede (1886-1918) en Eerste Kamer (1920-1935). Ter gelegenheid van zijn jubileum werd er een rondrit door de provin­cie gemaakt. Hierbij werd gebruik gemaakt van twee Perfecta auto’s van Klaas Baving.
Baving liet dit niet zomaar passeren en plaatste twee keer een advertentie in de Kampioen. Hierin citeerde hij krantenberichten waarin vermeld werd dat de auto’s van Klaas Baving het prima hadden gedaan, terwijl twee andere auto’s defect raakten tijdens de jubileumrit.
Sport
Een van de andere gebeurtenissen die we in de advertenties van Baving tegenkomen is de voet­balwedstrijd Holland – Duitsland die in 1912 in Zwolle werd gespeeld:
‘De Holland – Duitschland match trekt de aan­dacht van duizenden en met spanning vraagt men zich af… wie zal het winnen? In den qualiteits­match der rijwielen is het pleit beslecht. De erva­ring van jaren leert, dat de Success-, Welcome- en Express rijwielen niet te overtreffen zijn.’
Baving speelde ook in op sportieve gevoelens. Een paginagrote advertentie in de Kampioen van 1908 luidde: ‘Sport in de open lucht staalt de zenuwen en spieren. Let er maar eens op hoe druk en met hoeveel succes tegenwoordig de voetbal, korfbal, hockey, cricket, lawntennis, wielerpolo spelen worden beoefend. Overal sport. Maar de wielersport neemt toch verreweg de eerste plaats in, want niet licht zal ‘de club’ te voet worden bezocht. Dat neemt te veel tijd. Bij wielerpolo is zelfs de fiets onmisbaar. De fiets blijft dus voor­aan! Een deugdelijk rijwiel bewijst onschatbare diensten onder allerlei omstandigheden, en daarom is het goed, dat het tegenwoordig door den prijs vrijwel onder ieders bereik is. Men vrage b.v. de nieuwe modellen Perfection van ƒ 68,50, Express van ƒ 77,50 (…).’
In een advertentie in de Kampioen van 1912 had Baving het over gemeenschapsgevoel: ‘Gemeenschapsgevoel moeten wij hebben, ook op sportgebied. Als daar iemand moedeloos neerzit aan den weg, omdat zijn rijwiel defect is geraakt, en gij passeert op uw Success of Welcome die nooit teleur­stelt, stap dan af en vraag, of gij helpen kunt. Maar als gij ’t gedaan hebt, verzuim dan niet te wijzen op de enorme voordeelen van het Success en Welcome fabrikaat, want het geldt hier een levenskwestie.’
‘Het Franse juk’
In de inleiding op de eerste pagina’s van de cata­logus uit 1913 werd gerefereerd aan het feit dat het honderd jaar geleden was dat het Franse juk was afgeschud. In dit mooie stuk proza (zie kader) werd ook ingegaan op de groeiende betekenis van de fiets als volksvervoermiddel. Aan het einde van deze inleiding introduceerde men het nieuwe model Express. Blijkbaar werd dit ingevoerd omdat het ‘Welcome’ model niet zo goed werd verkocht. Dit Welcome model had een typisch Duitse vormgeving en week daarin af van wat Nederlandse fabrieken zoals Fongers en Burgers maakten. Die kozen voor het Engelse model damesfiets, dat nu nog steeds in Nederland als ‘omafiets’ veel wordt verkocht.
Verhuizing naar de Vechtstraat
In 1908 verhuisde Baving van de Veerallee naar de Vechtstraat 6. In een advertentie in de Kampioen maakt hij melding van deze verhuizing:
‘Uitbreiding van zaken was noodig. Van de Veer-allee, waar het te klein was, verplaatst naar de Thomas a Kempisstraat, hoek Vechtstraat, waar duizenden Rijwielen en Onderdelen geborgen kunnen worden. Is het niet aangenaam dit te kun­nen melden, en verdient het niet de aandacht van het publiek? In deze ernstige tijden, waar verschil­lende firma’s zooveel moeite hebben zich staande te houden, en dan genoodzaakt te zijn de zaken uit te breiden. Dit mag men toch wel als een punt van belang beschouwen.’
In het nieuw betrokken pand zat tot voor kort Van Dijk slaapcomfort. Er zijn geen foto’s bekend van dit pand uit de tijd dat Baving hier was gevestigd.
Overname door Ackmann
In 1912 verkocht Baving zijn zaak aan H.G.A. Ackmann. Op 9 februari 1912 plaatste hij een kennisgeving in de Kampioen waarin hij de over­name bekend maakte. Baving bleef na de verkoop van zijn zaak nog een jaar in Zwolle wonen aan het Bleekerswegje 1. In die periode stond hij nog geregistreerd als automobielhandelaar, samen met Swaagman. Op 7 juni 1915 keerde hij met zijn gezin terug naar Haren. Hij blijft nog weleen aan­tal jaren actief in de autohandel. In oktober 1915 begint de firma Klaas Baving in Amersfoort een automobiel garage.5
H.G.A. Ackmann werd in 1873 geboren in Duitsland en woonde in Schermerhorn. Op 11 december 1911 verhuisde hij van Schermerhorn samen met de weduwe Annetje Christina de Groot naar Prins Hendrikstraat 22a in Zwolle. Hij was niet getrouwd met deze weduwe. Volgens het bevolkingsregister van Zwolle trouwde Ackmann in 1919 met Alma Karline Eline Tilmann uit Osnabruck. Ze kregen twee dochters, Ilse Frieda en Hertha Wilhelmina.
Het hoe en waarom van de overname door Ackmann is niet bekend. Recent dook een docu­ment op dat nog meer vraagtekens bij deze over­name zet. In de archieven van de gemeente Scher­merhorn bevindt zich een fragment van het boek­je Wat anderen zeggen van Klaas Baving uit 1906.6 Dit soort boekjes met tevredenheidbetuigingen waren in die tijd een gebruikelijke reclamevorm. Baving maakte in enkele advertenties bekend dat dit boekje gratis was aan te vragen. Een van de ingezonden brieven uit dit boekje is van de heer H.G.A. Ackmann, handelaar in vermoedelijk tapijten of stoffen in Schermerhorn! Hij schrijft in zijn brief dat hij zeer tevreden is over de door Klaas Baving geleverde Success-Buckboard auto.
Het lijkt op basis hiervan dat er twee moge­lijkheden zijn: Ackmann was al een vriend of zakenpartner van Baving en heeft, zogenaamd als willekeurige klant, een brief geschreven die Baving gebruikte als reclame. Of Ackmann kende Baving niet en is door aankoop van de auto geïn­teresseerd geraakt.
Ackmann zette als groothandel/importeur de zaak onder de naam ‘Klaas Baving rijwielen’ op dezelfde voet voort. Hij begon meteen vanaf de overname in 1912 een eigen merk te voeren: Baving rijwielen anno 1912. Dit is een fietsmerk dat van ingekochte onderdelen werd geassem­bleerd. Hij verhuisde de zaak ergens tussen 1915 en 1919 van de Vechtstraat naar Praubstraat 25.
Overname door Kappers
In 1937 stapte Ackmann uit de zaak en vertrok naar Duitsland. Het bedrijf werd verkocht aan drie zakenlui: A.J. Botermans, H. van Binsbergen en J.W. Bosscha. Dit driemanschap wijzigde de naam van het bedrijf in ‘NV Ackmann’s rijwiel­industrie voorheen Klaas Baving’. In de oprich­tingsakte, die gepubliceerd is in de Staatscourant, wordt als eerste directeur J.W. Bosscha genoemd.7 Deze Bosscha staat in het Adresboek van Zwolle van 1937 vermeld als ‘directeur rijwielhandel’. Deze drie vennoten hadden alleen een winst­oogmerk en verkochten de zaak binnen een jaar weer door aan J. Kappers. Kappers was voor de overname al werknemer van Ackmann geweest.8 Bosscha begon daarna een zaak in radio’s in de Diezerstraat 61. Kappers bleef als groothandel fietsen onder het merk ‘Baving’ assembleren. Ook gebruikte hij in ieder geval nog de merken Suc­cess en Express. De zaak verhuisde in 1938 naar de Harm Smeengekade 8. Behalve in rijwielen han­delde de firma ook in ondermeer buitenboord­motoren, wasmachines, wringers en radio’s. In 1942 werd het bedrijf omgevormd van een NV in een CV. In de periode na de oorlog verloor het bedrijf langzamerhand zijn landelijke betekenis. Wat restte was een regionale grossier die ook nog fietsen onder eigen merk voerde.
Het einde en daarna
Volgens het archief van de Kamer van Koophan­del werd de naam van de zaak in 1967 gewijzigd in V.O.F. Ackmann’s groothandel. De naam Klaas Baving verdween hiermee. Het bedrijf bestond nog enkele jaren onder deze naam en werd op
1 april 1971 opgeheven door de toenmalige eigenaren R. Kappers en H.W. Kappers. In die tijd ging het in heel Nederland slecht met de rij­wielbranche. Veel fabrieken moesten sluiten of fuseren. Zo kwam er een einde aan een eens zo florerend bedrijf.
In Zwolle is de naam Klaas Baving nog wel een tijd blijven voortleven, omdat een neef naar zijn oom vernoemd was. Deze Klaas Baving jr. was in Zwolle een bekend muzikant. Hij bracht als Trio Klaas Baving met zanger Jan van Dam in 1980 ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Zwolle een singeltje uit met het nummer ‘Onder de Peperbusse’. Deze ‘jongere’ Klaas Baving is in 2007 overleden. Hiermee verdween ook de naam Klaas Baving uit Zwolle. Omdat Klaas Baving zoveel aan­dacht besteedde aan reclame blijft zijn naam echter ook in deze tijd weer opduiken; in 2009 vonden twee Nederlandse toeristen op vakantie in China in een klein kledingwinkeltje een T-shirt met opdruk van een advertentie van Klaas Baving rijwielen! Deze advertentie komt uit het boek van Hogen­kamp uit 1916. De Chinezen hebben deze onge­twijfeld van internet geplukt. Ja, Klaas zou tevreden zijn geweest als hij dit had geweten!
* Dit artikel is ook verschenen in Het Rijwiel, 2011/1
Noten
1. Theo de Kogel, ‘Rijwielindustrie en rijwielhandel’, in: Een kleine staalkaart van het Zwols industrieel erfgoed, Zwolse Historische Reeks nr. 2, september 2001
2. Bevolkingsregister Zwolle, HCO
3. Hogenkamp, G.J.M., Een halve eeuw wielersport, Amsterdam 1916
4. De toestand van de gemeente Zwolle, 1908. HCO
5. Archief Nieuwe Amersfoortse Courant
6. Archief Oudheidkundige Vereniging Schermer­horn, nr. AE127
7. Archief Kamer van Koophandel Zwolle: dossiernrs. 1127, 22146, 6188, 8435; HCO
8. Informatie R. Kappers, Zwolle

Theo de Kogel

Rechts: Advertentie van Baving in de ANWB Kampioen van 1903.
Baving Rijwielen en Auto’s, poster omstreeks 1920. (Collectie fiets­museum Velorama)

zwols historisch tijdschrift 73

De Asser Wielrijders­club ‘Hermes’, met uiterst rechts waar­schijnlijk Klaas Baving. (Uit: ‘Een halve eeuw wielersport’ van G.J.M. Hogenkamp)
Links: Klaas Baving (links) en Piet de Waardt, gefotografeerd in 1893. (Uit ‘Een halve eeuw wielersport’ van G.J.M. Hogenkamp)

Advertentie van Baving in de ‘Leeuwarder Cou­rant’ van 25 september 1889.

74 zwols historisch tijdschrift

Rechts: Paginagrote advertentie voor Success rijwielen met verend frame in uitvoering met en zonder ketting. (ANWB Kampioen mei 1901)

Als fietsimporteur ging Baving op zoek naar buitenlandse leveran­ciers waar hij zaken mee kon doen. Het veiling­huis in de Voorstraat te Zwolle bezit een brief­kaart die Klaas Baving op 12 oktober 1898 schreef aan The Vaupel Samaritan Company in het Amerikaanse Cleveland. Hij vroeg om informatie over te leveren fietsen. (Col­lectie Veilinghuis De Voorstraat)

zwols historisch tijdschrift 75

Van links naar rechts de balhoofdplaatjes van ‘Perfection’ met opschrift ‘Especially made for Klaas Baving Zwolle’, en ‘Wel­come’ en ‘Express’ met opschrift ‘Especially made for H.G.A. Ack­mann Zwolle’. (Collec­tie auteur)

Success motorfiets met kenteken H-307. Dit kenteken werd in 1906 afgegeven aan de heer Ooms uit Ammerstol. (Uit: D.F. Toersen et al. ‘De motorfiets in Nederland 1895-1940’. Veteraan motorenclub, Rijswijk 1991)

76 zwols historisch tijdschrift

Een van de bewaard gebleven Success car­danfietsen met geveerde voor- en achtervork, gebouwd door de Amerikaanse firma Pierce-Arrow uit Buf­falo. Zie: ‘Een Success cardanfiets, historie en restauratie’ in De Oude Fiets 2007/4. (Foto en fiets auteur)

Baving importeerde ook auto’s en verkocht die onder de merken Success en Perfecta. De eerste auto die we in reclames tegenkomen is deze op een ‘Bommel autootje’ gelijkende Success-Buckboard auto. (ANWB Kampi­oen 1905)

zwols historisch tijdschrift 77

Baving had agenten door het hele land, zoals blijkt uit deze gerestau­reerde muurreclame voor Baving rijwielen in de Oostergrachtswal in Leeuwarden. (Foto Jeanine Otten)

78 zwols historisch tijdschrift

Foto genomen op 10 april 1911 voor Hotel Luinge in Hoogeveen, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van mr. Smeenge als lid van het kiesdistrict Meppel. De ‘Perfecta’-limousine op de foto met het provinciaal nummer E-41 stond op naam van Klaas Baving en is gebouwd door Ramesohl & Schmidt AG te Oelde in Westfalen. Zie: Hans Waldeck, ‘Een Perfecta van de rijwiel-, motorfiets- en autohandelaar Klaas Baving uit Zwolle’, in CONAM-Bulletin, het periodiek van de Contactgroep Automobiel- en Motorrijwielhistorie jrg. 14 nr. 3 december 2004. (Fotoarchief Stichting Oud-Meppel)

Rechts: Advertentie van Baving in de ANWB Kampioen van 12 mei 1911 naar aanleiding van de jubileumrit van mr. H. Smeenge.

zwols historisch tijdschrift 79

Modellen Welcome en Express uit de Baving catalogus van 1913. (Collectie fietsmuseum Velorama)

Voorkant van de Baving catalogus uit 1913. (Collectie fietsmuseum Velorama)

80 zwols historisch tijdschrift

Het Jubileumjaar
‘Het jaar 1913 is voor ons land een jaar van betekenis. Een eeuw is het geleden, dat onze voorvaderen het fransche juk afschudden en zich een eigen vrij en zelfstandig volksbestaan verwierven. Ons volk zal zich dit jaar niet onbetuigd laten en aan het Buitenland toonen, dat het trotsch is op zijn bestaan als zelfstandige natie. Aan overzichten van wat wij waren en werden zal het eveneens zeker niet ontbreken. De geweldige ontwikkeling der techniek, die aan de geheele wereld een ander aanzien gaf, schiep ook hier nieuwe toestanden. Door zijn eigenaardige ligging mede daartoe aangewezen nam en neemt ons kleine land in het wereldgebeuren een belangrijke plaats in en volgt men daarbuiten met belangstelling den loop der dingen hier. Op het gebied van Kunst en Wetenschap handhaafden wij onzen historischen roem, terwijl Handel en Industrie voortdurend in bloei toenamen.
Het ligt voor de hand, dat op onze verschillende soorten van voortbrengselen en verbruiksartikelen dit jaar in het bijzonder de aandacht valt. Het spreekt ook bijna vanzelf, dat het rijwiel daaronder in de eerste plaats in aanmerking komt, want er is welhaast geen uitvinding zoo ingrijpend geweest, zoo onder ieders bereik gekomen en zoo populair als het rijwiel. Het beste bewijs hoe snel het rijwiel zich burger­recht verschaft heeft is wel, dat het ons een onmogelijke wereld zou toeschijnen, waarin men het rijwiel zou moeten missen, terwijl onze ouders in hun jeugd het nauwelijks gekend hebben. Vooral in ons vlakke land, dat zoo bij uitstek voor het gebruik van dit vervoermiddel geschikt is, neemt de fiets in het volksle­ven een belangrijke plaats in. Dat er vele soorten rijwielen zijn, behoeft geen betoog. Onder honderden verschillende merken worden zij het publiek aangeboden. Velen er van zijn als vallende sterren. Zij trekken in het voorbijgaan even de aandacht, in den regel slechts van enkelen, om dan weer voor goed te verdwijnen. Ook voor rijwielen geldt het oude spreekwoord: ‘Het beste is altijd het beste geld waard’.
Gedurende een belangrijk deel van deze, voor ons volk zoo betekenisvolle honderd jaren, kent men de ‘SUCCESS’ en ‘WELCOME’ rijwielen. Geen plek is er bijna in ons land waar men deze rijwielen niet kent. ‘DEGELIJKHEID’, de bekende oud-Hollandse eigenschap, is ook de eerste eigenschap van deze rijwielen. Op dien basis hebben zij zich, naar de eischen des tijds, geleidelijk ontwikkeld, wat model en afwerking betreft. Zoowel in de vroegere als in de tegenwoordige modellen hebben deze rijwielen oude vrienden, want er zijn wielrijders die hun ‘SUCCESS’ en ‘WELCOME’ wel tien jaren en langer berijden. Zij onderscheiden zich van alle andere merken die ter markt gebracht worden. Hun speciale naven, de brackets, de fittings, het is alles bijzonder werk; volmaakt, voor zoover hedendaagsche techniek zulks vermag. Naast de beide genoemde merken brengen wij onze ‘EXPRESS’ rijwielen in den handel, die ook reeds jaren lang van honderden sportliefhebbers de goede bekenden zijn. Deze rijwielen gelijken, wat afwerking enz. betreft meer op de andere modellen, die hier ter markt gebracht worden. Zij munten echter uit wat betreft prima materiaal en zijn door bekwame vaklieden gemaakt. De serie Success-, Wel­come-, en Express rijwielen bevat het allerbeste van wat op rijwielgebied kan worden gepresteerd.’
(Inleiding uit de Baving catalogus van 1913, collectie fietsmuseum Velorama)

zwols historisch tijdschrift 81

Links: Advertentie met kennisgeving van de overname van het bedrijf door H.G.A. Ackmann. (ANWB Kampioen 9 februari 1912)

Balhoofdplaatje van het in 1912 door Ackmann gedeponeerde merk ‘Baving’. (Collectie auteur)

Advertentie voor Klaas Baving Rijwielen in ‘De Nederlandse Rijwiel­handel’ van mei 1931, met een afbeelding van de vestiging in de Praubstraat.

Links: De Success-Buckboard auto waarover H.G.A. Ackmann in 1906 een tevredenheidsbetuiging schreef in het boekje ‘Wat anderen zeggen’. (Archief Gemeente Schermerhorn)

82 zwols historisch tijdschrift

Het pand van Ackmann’s rijwielindustrie aan de Harm Smeengekade eind jaren dertig. Momenteel zit hier makelaardij Goud­zwaard. Op de foto staan van rechts naar links de heer J. Kappers en zijn werknemers Weurts, Havers, Van Wijhe en Romunde. (Particuliere collectie)

zwols historisch tijdschrift 83

T-shirt met advertentie voor Klaas Baving rijwielen in 2009 door Alfred en Ilona van de Belt tijdens een vakantie gekocht in Guangzhou (Canton). Deze adver­tentie komt uit het boek ‘Een halve eeuw wielersport’ van Hogenkamp uit 1916. De Chinezen hebben deze advertentie blijkbaar nagetekend, want in de tekst staan een aantal spelfouten: ‘Wekcome’ in plaats van ‘Welcome’ en ‘Energire’ in plaats van ‘Energie’. (Particuliere collectie)

84 zwols historisch tijdschrift

De originele adver­tentie uit ‘Een halve eeuw wielersport’ van Hogenkamp uit 1916, die negentig jaar later opdook op een Chinees T-shirt.

Winnaar
Schrijfwedstrijd
2010

zwols historisch tijdschrift 85

De geur van de stad
Kaneel of liever nog pijpkaneel. Maak me ’s nachts wakker, houd een kaneelstokje voor m’n neus en ik zal roepen: de Thor­beckegracht!
Elke zondag liep ik – op weg naar de kerk op de Thorbeckegracht – met mijn moeder en vier broers over de Menno van Coehoornsingel. We staken het links liggende parkje schuin door, langs het stinkende urinoir. Dan hoefde ik nog maar één hoek om te slaan. Daar, op de Spin­huisbredehoek, gebeurde het. De neusvleugels spanden zich, ik haalde diep adem door mijn neus en bij het tweede huis – soms pas bij het derde huis – drong de geur van pijpkaneel naar binnen en was het alsof ik werd bedwelmd. Ik zag de grote bruine dekzeilen op de kade van de Thorbeckegracht, die de bedwelmende geur van de daaronder verborgen kaneelstokjes niet kon­den tegenhouden.
Geurpalet
Zwolle in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De stad was nog niet half zo groot als nu. De industri­ële bedrijvigheid was gewoon een onderdeel van de stad zelf. Kleine en grote industriële bedrijven waren aan de rand van of zelfs in de door grachten omgeven binnenstad te vinden.
De stad was één groot geurpalet, straten en gebouwen hadden hun eigen karakteristieke geur. Het gemeentelijke Sophia Ziekenhuis: als je de portier was gepasseerd en door de klapdeur de kleine hal binnenkwam, rook je de lysol die moest verhullen dat uitgerekend het ziekenhuis de grootste broedplaats van bacteriën was. In het rooms-katholieke ziekenhuis De Weezenlanden was het vast niet anders. Maar daar kwam ik niet. Kom daar nu eens om, het ziekenhuis van nu ruikt spic en span, zoals thuis het schoonge­maakte toilet.
Olie en zeep
Ik woonde in de Warmoesstraat. Als vroeger de wind verkeerd stond, rook je daar de slaolie van de Reinders’ Oliefabrieken, zo’n vijfhonderd meter van ons huis verwijderd. En op weg naar het openluchtzwembad lag links van de oliefabriek de gelijknamige zeepfabriek, officieel de Zwolsche Stoomzeep en Chemicaliënfabriek. De scherpe geur van groene zeep kreeg vat op je kleren als je er te lang bleef staan om een glimp op te vangen van wat zich binnen afspeelde.
Zeep viel op meer plaatsen te ruiken. Bij gebrek aan een douche werd ik eenmaal per week in een teil gewassen. Maar toen ik daarvoor te groot was geworden, maakte ik de wekelijkse tocht naar het Stilobad op de Turfmarkt. In het zwembad was een afzonderlijke ruimte, waar je tegen betaling kon douchen. Als je de ruimte binnenkwam waar je op een vrije douchecel moest wachten, was ook daar die geur van zeep, een eindeloze hoeveelheid zeep, opgelost in een wolk van stoom.
Stoom
Over stoom gesproken, wat was er mooier dan op woensdagmiddag een perronkaartje van vijf cent te kopen om uren te kijken naar de stoomtreinen, de krakende wagons, de stoomfluit te horen en de geur van olie en steenkool tot je door te laten dringen. We renden van het ene perron naar het andere. Maar het mooist was de Hoge Spoorbrug. Als uit het noorden een stoomtrein kwam aan­rijden, als op een perron een trein zich met veel gepuf in beweging zette, dan keken we snel over welke rails hij reed en renden we naar de plek waar de trein onder de brug door zou komen. Grote stoomwolken kwamen over de brug, je verdween er helemaal in, je voelde waterdruppels, maar vooral: je rook die machtige locomotief.
Hoe anders rook het op de vrijdagse veemarkt. De koeien en kalveren, het stro, de stront en urine, het was daar een kakofonie van geuren. Dampen­de dieren, zwetende opgewonden mannen, het bier bij het café, ik snoof het allemaal op, het werd opgeslagen in m’n hersens en dat geurgeheugen is niet meer te wissen. Als ik nu door de IJsselhallen loop, is het alsof er een deurtje wordt opengezet. Dan ruik ik opnieuw die geur die toch al zoveel jaren verdwenen is. Als we weer naar huis trok­ken, hing er op de Veerallee weer een heel andere geur. Het was de zoetige baklucht van Helder’s Biscuitfabriek aan de Hoogstraat, waar droge zoete koekjes werden gebakken.
Wierook
In het voorjaar – ik was een jaar of dertien, veer­tien – zongen we met een aantal schoolvriendjes in het jongenskoor van de Matthäus Passion. We oefenden elke week in het gebouw de Dageraad op de Molenweg. Clemens Holthaus had er de wind onder, maar het was prachtig. Nog veel mooier was echter – op weg naar huis – ons bezoek aan de Dominicanenkerk in de Assendorperstraat. Als protestants jongentje was ik gefascineerd door de geheimzinnige kerkruimte, waar een zoete geur van wierook hing. We meenden in het koor de priesters te zien zitten en eigenlijk waren we bang. Snel schepten we wat wijwater in onze hand en renden de kerk uit. Wisten wij dat je ook een kruisje moest slaan! Die wierookgeur was er ook op het roomse kerkhof aan de Middelweg, honderd meter van mijn huis. Ik mocht vaak de doodgraver helpen met het onderhoud van het kerkhof en het verblijf tussen al die dode lichamen was mij vertrouwd. Mooi werd het pas tijdens een begrafenis. We keken toe hoe de begrafenisstoet vanaf het grote hek naar het geopende graf liep. Voorop liep iemand met de wierookhouder, met direct daarachter de drager van het kruis. Was de stoet bij het graf aangekomen, dan stelden we ons op gepaste afstand op. Maar die afstand was niet zo groot of de wierookwolken waren voor ons zichtbaar en ruikbaar als de priester het wierook­vat heen en weer slingerde. Hoe duurder de begra­fenis, hoe meer er werd gebeden en met wierook geslingerd. Geur was – zo ontdekte ik – te koop.
Ook de natuur drong diep mijn neusgaten binnen. Of het nu de mooie witte seringenboom was bij ons achter het huis of het rozenbed bij mijn grootouders, het gemaaide gras in de wei­landen van Langenholte, de rododendrons op de Badhuiswal, de natuur was gul met haar geuren. En als het weer eens flink geregend en gedonderd had, dan rook de straat schoon. Schoonheid – zo ontdekte ik ook – kon je ruiken.
Schroeilucht
In onze zwerftochten door de stad was er nog een ander hoogtepunt als we op de Nieuwe Haven – nu Luttekestraat – waren aangekomen. Daar was de hoefsmederij van Poppe. Met een blaasbalg werd het vuur opgestookt en het hoefbeslag werd verhit en in de goede vorm geslagen. Het paard stond onrustig tussen de balken, schraapte met zijn hoeven over de grond, in afwachting van wat er stond te gebeuren. Dan kwam Poppe naar bui­ten, een tang in zijn hand en daarin geklemd een vurig rode hoef. Het paardenbeen werd opgetild; de smid stond met zijn rug tegen het achterwerk van het paard, een paardenbeen tussen zijn benen. En dan gebeurde waarvoor we waren gekomen: het gloeiende hoefbeslag werd op de witte rand van de zool van de paardenhoef gedrukt en een scherpe schroeilucht steeg op en vulde de straat. Als je geluk had, herhaalde het ritueel zich nog drie keer. Nog een aantal nagels erin geslagen en dan togen we opgewonden naar huis.
Tonnetjes
Als we geluk hadden, konden we dan nog net mee­maken dat de tonnenauto in de straat voor ons huis stond. Onze buurman die bij de reinigingsdienst werkte, had een dik leren zadel op zijn linkerschou­der. Hij pakte een lege ton van de wagen en liep door het heel smalle steegje tussen de huizen naar onze plee, een houten hokje tegen de achtermuur van ons huis. De ton werd omgeruild, de heel zware ton ging op zijn linkerschouder en werd met een krachtige zwier op de tonnenauto gezet. Het was alsof door die zwaai de smerige stank uit de ton de ruimte kreeg om door de straat weg te zweven. En soms ging die zwaai niet helemaal goed…
Ja, in die tijd hadden straten hun eigen geur. De Warmoesstraat rook anders dan de Eindstraat. En als we over de Wilhelminasingel liepen met die grote huizen en prachtige tuinen waarvan we zeker wisten dat daar een ander soort mensen woonde, dan heerste daar toch een heel andere geur, een geur die blijkbaar bij die mensen hoorde.
Nu woon ik zelf op het Van Nahuysplein in zo’n huis dat – toen ik een jochie was – niet bij ons soort mensen hoorde. Maar wat ik toen had, is er niet meer. In de loop van de jaren zijn alle geuren uit de stad verdwenen. De stad rúikt niet meer. Op z’n hoogst dringt de geur van het gemotoriseerd verkeer nog onze woning binnen. Een heel enkele keer komt de geur uit het verleden terug. Fiets in het weekend maar eens door een oude buurt van Zwolle, zoals de Bollebieste. Dan ruik je dat de karbonade heel langzaam wordt gebraden. Mis­schien zelfs op een petroleumstel, zoals dat vroe­ger lange tijd brandde om het vlees te braden.
Maar verder? Als ik nu geblinddoekt de stad zou worden rondgeleid, zou ik niet meer kunnen ruiken waar ik ben. Nu wordt de stad alleen nog maar gehóórd. Er gaat in de zomer bijna geen weekend voorbij of van ergens – meestal dicht­bij – klinken de dreunende bassen, nogal eens tot na middernacht, minstens 85 decibel. Dat ruik je niet, dat hoor je en hoe! Dat moet – zeggen de beleidmakers – want Zwolle wil zo graag een eve­nementenstad zijn. Als ik dan tegen beter weten in de slaap probeer te vatten en m’n ogen sluit, lijkt het soms alsof de geur van pijpkaneel de slaapka­mer vult en het lawaai verdringt. Dan ben ik weer dat jochie dat op de Thorbeckegracht door de kaneel bedwelmd raakte – in een tijd dat de stad nog haar geuren had.

Roel Steenbergen

De Thorbeckegracht omstreeks 1950. (Foto Bertus Meulenbelt, col­lectie HCO)

86 zwols historisch tijdschrift

De Warmoesstraat gezien vanuit de Mid­delweg, omstreeks 1930. (Collectie HCO)

De hoek Warmoes­straat/Middelweg in 1973. De auteur werd geboren en woonde tijdens zijn jeugdjaren in het derde huis van links, nummer 79. De dakkapel (koekoek) werd er in zijn jeugd opgezet. Ze sliepen daar met vijf broers. (Foto De Koning, collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 87

Luchtfoto van het complex van Rein­ders’ Oliefabrieken aan de Nieuwe Vecht, omstreeks 1950. Rechts voor de Tesselschade­straat. Links, omcirkeld, bevond zich de zeepfa­briek. (Foto KLM, col­lectie HCO)

88 zwols historisch tijdschrift

Tot januari 1958 maakte de NS gebruik van stoomlocomotieven. Duitse stoomlocomotie­ven verschenen daarna nog wel op Nederlandse stations. Deze foto werd gemaakt van de Hoge Brug, jaren vijftig. (Col­lectie HCO)

Roel Steenbergen, 9 jaar oud. De foto was gratis gemaakt in het kader van een VIVO-zegeltjes spaaractie. (Collectie auteur)

zwols historisch tijdschrift 89

Boven: De kapel op het katholieke kerkhof aan de Middelweg. (Collec­tie HCO)
Links: Hoefsmid Th.A. Poppe, omstreeks 1950. (Collectie HCO)
Gevel van hoefsmederij Poppe aan de
Luttekestraat, toen nog Nieuwe Haven geheten, omstreeks 1950. In de zogeheten travalje werd het paard vastgezet. (Collectie HCO)

90 zwols historisch tijdschrift

Juryrapport
Wanneer je nu geblinddoekt ergens in Zwolle zou worden afgezet, valt moeilijk te raden waar je bent. Hooguit verschilt het geluid per wijk of per straat. Vroeger was dat wel anders. Roel Steenbergen beschrijft in ‘De geur van de stad’ welke indruk het toen nog veel kleinere Zwolle in zijn jeugd op hem maakte. Hij geeft een prachtig sfeerbeeld van de activiteiten die er plaatsvonden, van een katholieke mis tot de veemarkt en van de stoomtreinen op het station tot de schroeilucht die van het beslaan van de paarden bij Poppe afkwam. Steenbergen voert je mee langs al die ‘geurige’ plaatsen. Als je zijn verhaal leest zou je bijna willen dat je het nu ook nog zo zou kunnen ervaren. Maar, de stad ruikt niet meer. Hooguit naar een oliebol­lenkraam. Een groot deel van de zaken die de geur in de stad veroorzaakten zijn verdwenen of ingeperkt, omdat dit anders overlast voor omwonenden geeft.
Het levendige beeld dat Steenbergen in zijn artikel van Zwolle oproept, was reden voor de redactie om hem voor dit artikel te bekronen en hem de prijs voor de schrijfwedstrijd uit te keren.

Man van de reinigings­dienst met een tonnetje op z’n schouder, jaren twintig. Het tonnetjes­systeem werd in 1873 ingevoerd. In 1950 waren er nog ongeveer 400 huishoudens die er gebruik van maakten. De laatste tonnetjes ver­dwenen pas begin jaren zeventig uit het Zwolse stadsbeeld, honderd jaar na de invoering. (Uit: Ach Lieve Tijd, dl. 6)

zwols historisch tijdschrift 91

Alleen het kleedhok bleef staan…
Wielerpiste bij Urbana verdween in oorlog
Het laatste tastbare overblijfsel van een roemruchte episode in het Zwolse sport­leven valt te vinden op de parkeerplaats van Urbana, de aloude uitspanning aan het einde van de Wipstrikkerallee. Het is een onaanzienlijk bouwsel dat al meer dan zeventig jaar op luttele meters afstand van het inmiddels geheel ver­nieuwde café-restaurant staat. Wie het tot garage en bergruimte omgebouwde stulpje op Urbana’s erf nu bekijkt, zal zich niet kunnen voorstellen dat het eens als officiële kleedruimte diende voor de beste wielrenners van ons land, zelfs voor wereld­kampioenen.
Het kleedhok hoorde bij de wielerbaan die in 1934 achter Urbana werd geopend (op de plek waar zich nu een deel van de drukke Ceintuur­baan bevindt). Die baan van Zweeds grenenhout was een waar juweel in een tijd dat het wielrennen op de baan een ongekende populariteit genoot, veel meer nog dan het nu zo overheersende wiel­rennen op de weg. De piste stond zelfs bekend als de snelste van ons land en trok dan ook echte topcoureurs aan, zoals de Nederlandse wereld­kampioen op de sprint Jan Derksen, de beroemde Zesdagenrenners Jan Pijnenburg en Kees Pel­lenaars alsmede de prominenten Piet van Kem­pen en Frans Slaats. Onder hen bevond zich ook Zwollenaar Rinus Schotman, die zich soms als een evenknie van de grote kampioenen ontpopte en er weleens in slaagde ze te verslaan.
Deze tempobeul van onder de Peperbus werd bewonderend gadegeslagen door een piepjong Zwols rennertje, Han Mengerink geheten, wiens oudere broer Willem – vroeger een enthousiaste amateur­renner – hem had overgehaald om het ook eens op de piste van Urbana te proberen. De toen vijftienjarige Han was gelijk verkocht en gaf zich meteen maar op als lid van de RTVZ, de Ren- en Toervereniging Zwolle, die anno 2010 nog steeds bestaat.
Han Mengerink herinnert zich de gloriejaren
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog trainde Han Mengerink zich op de baan letterlijk een stuk in de rondte, temidden van de echte kampioenen die toen vaak bij Urbana te vinden waren. Nu, anno 2010, is Mengerink nog de enige Zwollenaar die het gevoel kan navertellen hoe de wieltjes konden snorren op die oude piste achter in de Wipstrik, hoe genotvol de speed van het snelle hout kon doortrillen in banden, benen en handen van de renner en zijn fiets.
Zeventig jaar later spraken wij met Han Mengerink in een heel andere sportambiance, namelijk bij de tennisbanen op het park van De Pelikaan, waar deze sportman – thans dik in de tachtig – nog wekelijks een balletje slaat.
‘Ik kan me nu nauwelijks nog voorstellen dat ik ooit getraind heb met Jan Derksen’, zegt Men­gerink verbaasd, ‘ik reed warempel weleens een wedstrijdje met hem.’
Deze latere wereldkampioen sprint van 1946 en’47, die in mei van dit jaar op 92-jarige leeftijd overleed, woonde toen in Spoolde en vond het gezellig als er een paar andere renners met hem meetrainden. Hoewel Han best enig talent voor de sprint had, was de jonge coureur natuurlijk geen partij voor deze coryfee.
Mengerink: ‘Jan Derksen zei bijvoorbeeld: daar ginds bij die paal beginnen we. Dan riep hij “weg!” en voordat ik er erg in had was hij in een paar trappen al bij die paal. Die man had een paar benen om u tegen te zeggen.’
De wielerbaan bij Urbana kwam in 1934 tot stand op initiatief van Urbana-eigenaar Massier en de aannemers Van Werven en Houtsma, alle drie wielerliefhebbers. In een tijd dat de wielersport in ons land qua populariteit de tweede sport was, beleefde de baan een paar topjaren. Publiek uit Zwolle en de hele regio stroomde toe om de grote sterren van sprint en achtervolging te zien. Maar op een gegeven moment kwam er de klad in.
Han Mengerink herinnert zich: ‘Dat kwam door verkeerd management. Vaak werden er aller­lei beloften gedaan en de komst van grote sterren in het vooruitzicht gesteld, maar die kwamen dan niet opdagen, waardoor het publiek zich bedrogen voelde. Vlak voor de oorlog ging het weer wat beter doordat spannende amateurwedstrijden werden georganiseerd, maar toen de meidagen van 1940 aanbraken was het gebeurd met de baan. Jonge renners, zoals wij, konden zich nauwelijks meer op straat vertonen, omdat ze anders in de kuif werden gepikt voor dwangarbeid in Duitsland. Wielrennen op de weg was er met al dat oorlogsgeweld helemaal niet meer bij. Het betekende gelijk het einde van mijn prille wielercarrière. Na de oorlog kwam ik er niet meer aan toe, ook al niet omdat ik het te druk kreeg met mijn stucadoorsbedrijf.’
Ook Urbana’s wielerbaan kreeg – na een bestaan van nog geen tien jaar – een roemloos einde. Door het steeds nijpender gebrek aan brandstof werden karrenvrachten Zweedse plank­jes uit het kostbare oppervlak gesloopt, waarna tegen het einde van de oorlog een totale afbraak volgde. Alleen het kleedhok bleef staan, tot de dag van vandaag.

Willem van der Veen

Han Mengerink (rechts) vlak voor de oorlog in volle sprint op de wielerbaan bij Urba­na. (Collectie auteur)

92 zwols historisch tijdschrift

Het oude kleedhok voor de renners bleef – iets verbouwd – 77 jaren staan. (Foto auteur)

Wielerwedstrijden op de baan bij Urbana trokken veel publiek in de jaren dertig van de vorige eeuw. De mid­denstand maakte gretig gebruik van de reclame­mogelijkheden. Voor­aan, tweede van links, rijdt Rinus Schotman. (Collectie auteur)

zwols historisch tijdschrift 93

Oud-wielrenner Han Mengerink anno 2010, nu in beslag genomen door de ten­nissport op de banen van De Pelikaan. (Foto auteur)

94 zwols historisch tijdschrift

Honderd jaar Remonstrantse Broederschap
in Zwolle
Op 14 januari 1610 richtten sympathisan­ten van de Leidse predikant en hoogle­raar Jacobus Arminius (1560-1609) een ‘Remonstrantie’ ofwel een verzoekschrift aan de Staten van Holland. Zij brachten daarmee hun bezwaren tegen de leer van de gereformeerde kerk naar voren. Dit was een belangrijke stap naar de oprichting van de Remonstrantse Broederschap.
De herdenking van deze remonstrantie vormde driehonderd jaar later de aanleiding voor enkele Zwollenaren om een remonstrantse kring in Zwolle op te richten.
Voorgeschiedenis
De remonstrantie van 1610 was onderdeel van een felle geloofsstrijd die toen al enige tijd aan de gang was. Ongeveer vanaf 1580 werd de predesti­natieleer een belangrijk theologisch onderwerp. Heeft de mens de vrijheid om tegemoet te komen aan Gods genade en zo ja, hoe groot is die vrij­heid. De theoloog Jacobus Arminius (1560-1609), groeide uit tot woordvoerder van degenen die de mens een zekere mate van vrijheid toekenden. Zij stonden bekend als arminianen of remonstranten. Hun tegenstanders werden contraremonstranten of gomaristen genoemd, naar hun woordvoer­der Franciscus Gomarus (1563-1641), eveneens hoogleraar in Leiden. Volgens deze gomaristen was het aandeel van de mens in zijn verlossing uiterst beperkt. Zij leerden dat God zijn genade schenkt zonder rekening te houden met welke menselijke verdienste dan ook.
Toen het Twaalfjarig Bestand (1609-1921) tijdelijk een einde maakte aan de militaire strijd tussen de Republiek der Zeven Verenigde Provin­ciën en de Spanjaarden, barstte deze godsdienstige strijd in alle hevigheid los. Die strijd werd verer­gerd omdat politiek en godsdienst door elkaar gingen lopen.
De vermenging van politiek en religie was in die tijd bijna onvermijdelijk, door de opbouw van de gereformeerde kerk als de enige formeel toegestane en ‘publieke kerk’. De vorming van de nieuwe staat en confessionalisering gingen hand in hand en de stedelijke en gewestelijke overheden speelden daarbij een grote rol. Bovendien vroe­gen de arminianen in hun remonstrantie om een algemene synode waarin de verschillen besproken zouden worden. Ook de gomaristen wilden graag zo’n nationale synode. Het conflict kwam daar­mee automatisch in politiek vaarwater.
Leiders zoals de Hollandse landsadvocaat Johan van Oldenbarneveldt, de jurist Hugo de Groot en de hofpredikant Johannes Uytenbogaert steunden het arminiaanse standpunt. Bovendien waren zij voorstanders van de gewestelijke auto­nomie. Dat was weer tegen het zere been van de stadhouder prins Maurits, die tevens opperbe­velhebber van leger en vloot was. Hij maakte zich juist grote zorgen over de provinciale versnippe­ring in de Republiek.
Discussies over de leer liepen uit op een felle pamflettenstrijd, waarin voor- en tegenstanders hun zegje deden. Bovendien ontstonden verschil­lende stedelijke oproeren. Daarop koos Maurits openlijk partij voor de contraremonstranten. Hij gebruikte vervolgens zijn troepen om zijn tegenstanders uit hun ambt te ontzetten. In enkele steden werd de remonstrants gezinde magistraat vervangen door contraremonstranten. De Groot en Oldenbarneveldt kwamen terecht in Slot Loe­venstein, de staatsgevangenis, en Uytenbogaert vluchtte naar Antwerpen.
Onder deze omstandigheden vond van 1618-1619 de synode van Dordrecht plaats. Uiteraard hadden de voorgaande gebeurtenissen gevolgen voor de samenstelling van de synode en daarmee op de eindresultaten. De arminianen waren hun politieke steun kwijt en daardoor was de grote meerderheid van de kerkelijke afgevaardigden op de synode contaremonstrants gezind. Uiteindelijk werden de nog aanwezige remonstrantse afge­vaardigden uit de synode weggestuurd. Daarna was de weg vrij om de gereformeerde genadeleer vast te leggen in de zogenoemde Dordtse Leer­regels.
Aan de remonstranten werd gevraagd te belo­ven om niet meer in de eredienst voor te gaan. Op één na weigerden zij dat en kozen ze voor balling­schap. De meesten van hen gingen naar Antwer­pen waar Uytenbogaert al eerder was aangeko­men. Daar richtten zij in 1619 de Remonstrantse Broederschap op.
Remonstrantse Broederschap
De beginperiode van de remonstranten was moeilijk. Predikanten waren verbannen en alle remonstranten liepen het gevaar gearresteerd te worden. Omstreeks 1630 begonnen de scherpste kantjes van de tegenstellingen te slijten. Ballingen begonnen terug te keren en zonder al te veel pro­blemen kon men gemeenten gaan opbouwen. Het was hen echter niet toegestaan – net zomin als aan katholieken en aan andere kerkgenootschappen – om kerken de openbare weg te bouwen, zodat men in schuilkerken een min of meer verborgen bestaan leidde.
De Broederschap hield een bescheiden omvang en vond haar aanhang vooral in het gewest Holland, waar Amsterdam een schuilkerk bouwde in 1630 en Rotterdam in 1632. Intussen was ze in 1631 officieel in de Republiek gevestigd en kreeg ze in 1633 een kerkorde. In 1634 kwam een Seminarium in Amsterdam dat in 1872 naar Leiden verhuisde. Er ontwikkelde zich een eigen leer waarbij vrijheid en verdraagzaamheid hoog in het vaandel stonden. In de zeventiende en acht­tiende eeuw waren dan ook veel voorstanders van religieuze tolerantie te vinden onder remonstran­ten en hun sympathisanten.
De achttiende eeuw en de Verlichting bete­kenden een moeilijke tijd voor de remonstranten. Voor velen bleken de gewaardeerde begrippen vrijheid en verdraagzaamheid zeer dicht te lig­gen tegen vrijblijvendheid en gebrek aan betrok­kenheid. Aan het eind van de eeuw werd zelfs rekening gehouden met een algehele ondergang van de broederschap. Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw volgde een licht herstel en groeide het ledental van de broederschap weer iets. De invloed van de predikant en hoogleraar Abraham des Amorie van der Hoeven (Rotterdam 1798-Arnhem 1855) zal daar niet vreemd aan zijn geweest. Deze representant van de romantiek wist een groot publiek aan te spreken en legde de nadruk op een verlicht-romantisch verbroede­ringsideaal.
Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw zette de groei van de broederschap zich voort onder invloed van het modernisme. Het modernisme is een stroming binnen de filosofie en theologie, waarbij men wilde aansluiten bij actuele ontwikkelingen in wetenschap, filosofie en maatschappij. Binnen de theologie werd het een centraal thema hoe de scheiding tussen geloof en geschiedenis, tussen historische betrouwbaarheid en godsdienstige waarheid en tussen wetenschap­pelijk (bijbel)onderzoek en godsdienst met elkaar te verzoenen zijn. Toen eind jaren vijftig deze moderne opvatting in bredere lagen van de kerk begon door te dringen, werden degenen die zich beriepen op goddelijke openbaring en kerkleer orthodox genoemd. Degenen die belang hechtten aan een historisch-kritische methode golden als modern of vrijzinnig.
Binnen de Remonstrantse Broederschap neig­de men overwegend naar het vrijzinnige moder­nisme, maar binnen de Hervormde Kerk laaide de discussie hoog op. Velen voelden zich daardoor niet meer thuis binnen de hervormde kerk en stapten over naar de remonstranten. In de laatste decennia van de negentiende eeuw groeide de broederschap daardoor fors. Er ontstonden nieu­we gemeenten in Groningen, Arnhem, Lochem, Doesburg, Hoogeveen en Meppel; dus ook buiten Holland waar ze van oudsher het meest vertegen­woordigd waren. In Zwolle bood de hervormde kerk voldoende ruimte voor de vrijzinnige rich­ting. Toch kwam ook daar – weliswaar iets na de grote hausse aan nieuwe gemeenten – een aparte remonstrantse kring tot stand.

Zwolle
Driehonderd en één jaar na de aanbieding van de remonstrantie – op 14 februari 1911 – vond de oprichtingsvergadering plaats van de Zwolse Remonstrantse kring. Directe aanleiding hiervoor was de herdenking in 1910 van deze remonstran­tie. Dit werd gezien als de basis van de Remon­strantse Broederschap en het stimuleerde enkele Zwollenaren te proberen een eigen gemeente op te richten. W. van Maanen, luitenant bij de Zwol­se artillerieschool, richtte zich samen met vier geestverwanten in februari 1910 via een circulaire tot de hun bekende remonstranten met de oproep om zich aaneen te sluiten. In november volgde een tweede oproep omdat men nog meer remon­stranten in Zwolle had ontdekt.
In de tussentijd hadden de initiatiefnemers overleg gehad met vertegenwoordigers van de landelijke organisatie. Daar bestond wei­nig enthousiasme voor de Zwolse plannen. De zogeheten Commissie tot de Zaken (CoZa), het landelijk bestuur van de Remonstrantse Broeder­schap, wees erop dat binnen de hervormde kerk van Zwolle voldoende ruimte was voor vrijzin­nige prediking. Ze verwachtte in dat opzicht problemen en betwijfelde of het Zwolse initiatief groot genoeg zou kunnen worden om tot een vol­waardige gemeente uit te groeien. Ze maande tot bedachtzaamheid maar was bereid om advies te geven. Tenslotte wees ze erop dat de initiatiefne­mers geen formele toestemming nodig hadden.
De bezorgdheid van de CoZa was wel begrij­pelijk. De vrijzinnige gelovigen konden in Zwolle terecht bij de doopsgezinden en ook binnen de hervormde gemeente hier overheerste de vrijzin­nigheid, hoewel daar ook ruimte was voor een orthodoxe minderheid. De hervormden waren dan ook niet blij met de plannen en in het week­blad De Hervorming verschenen diverse artikelen tegen de plannen om een remonstrantse kring op te richten. Sommige vrijzinnig hervormden vrees­den voor concurrentie bij hun strijd voor een vrij­zinnige richting binnen hun kerk, terwijl anderen de plannenmakers sektarisme verweten.
De Zwolse initiatiefnemers zetten echter door. Op 14 februari 1911 richtten zij in de doopsge­zinde kerk in de Wolweverstraat een eigen kring op. Er waren zeventig belangstellenden aanwe­zig, waarvan uiteindelijk 34 lid werden van de nieuwe Zwolse remonstrantse kring. Zij kozen bovengenoemde W. van Maanen tot voorzitter en mevrouw C. Thiebout-Loopuyt, echtgenote van de bankier C. Thiebout, tot secretaresse.
Met 34 leden was de omvang van de Zwolse kring beperkt. Dat is ze ook altijd gebleven, hoewel het aantal leden na de Tweede Wereld­oorlog langzaam toenam. In 1941 waren er 38 leden en in 1970 werd het hoogtepunt bereikt met 138 leden. Hierbij zal hebben meegespeeld dat de Hervormde Kerk van Zwolle, waar voor de oorlog het vrijzinnige geluid duidelijk te horen was, in 1940 een orthodoxe meerderheid kreeg. De vrijzinnige minderheid werd er nu alleen nog geduld. Datzelfde speelde overigens in meer plaatsen in Nederland en had te maken met een conflict binnen de hervormde kerk en het ontstaan van de Gereformeerde Kerken Vrij­gemaakt in 1944. Verschillende mensen stapten toen uit de hervormde kerk en sloten zich aan bij de remonstranten. Overigens heeft de Remon­strantse Broederschap altijd relatief veel leden gehad die overstapten vanuit een ander kerkge­nootschap.
Na 1970 deed de invloed van de secularisering zich gelden en begon een dalin

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2011, Aflevering 1

Door | 2011, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Running
on history
Wim Huijsmans
een bevlogen
archivaris

28e jaargang 2011 nummer 1 – 8,50 euro

2 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Banketbakkerij – Tearoom Dalenoord
Diezerstraat 1
Zeg Dalenoord en elke Zwollenaar van veertig jaar en ouder denkt ogenblikkelijk aan de banketbakke­rij en tearoom op de hoek van de Diezerstraat en de Roggenstraat. Benjamin Dalenoord, uit Enschede afkomstig, was in 1887 als confiseur-cuisinier in Zwolle begonnen aan de Thorbeckegracht. Rond 1891 vestigde hij zich op Diezerstraat 1. Volgens het adresboek van 1910 leverde hij ‘dejeuners, diners, soupers etc.’. Het was de tijd dat de gegoede burgerij haar gasten voor een diner nog aan huis ontving. Hij verzorgde diners in de wijde omtrek. Maar dat was niet het enige. In de bakkerij maakte hij ook de heerlijkste gebakjes. In 1920 deed zijn zoon Hendrik G.B. Dalenoord zijn intrede in het bedrijf, dat zich geleidelijk aan verder ontwikkelde. In de kelder was de bakkerij, gelijkvloers de winkel. De zaak van Dalenoord was een van de vele bakke­rijen. Zo rond 1950 waren er wel tachtig bakkers in de stad. Lopend door de Roggenstraat kon je ’s och­tends de geur van vers gebakken brood opsnuiven die opsteeg uit de winkels van Dalenoord en Alfe­rink. De zaak van Dalenoord was toen al uitgebreid met een tearoom. In 1959 werd Jan Giethoorn de nieuwe eigenaar. Hij handhaafde de vertrouwde bedrijfsnaam Fa. B. Dalenoord & Zn. en vierde in 1962 het 75-jarig bestaan van de zaak onder de leus: ‘Dalenoord, een oude zaak met steeds iets nieuws’. Hij introduceerde een nieuw gebakje: de ‘Giet­hoornse punter’, volgens de advertentie ‘een heer­lijke combinatie van vanille-crème-cognac-rozij­nen-walnoten, echt iets fijns’. In de jaren zeventig onderging de zaak een aantal facelifts. De naam werd gewijzigd in petit restaurant waar je ‘lekker kon eten in elke prijs’. In 1986 hing Giethoorn de deegrol aan de wilgen. Het bedrijf werd opgeheven, net geen honderd jaar oud.

(Collectie ZHT)

In het voormalige pand van Dalenoord op de hoek van de Diezerstraat en de Roggenstraat zit nu een telefoonwinkel van Telfort. (Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 3

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans2
Redactioneel (1) Lydie van Dijk4
Redactioneel (2) Bert de Vries5
Running on history Wim Huijsmans
Running on history6
St. Antoniusbroederschap15
De wilde deerne24
Sarijshandschrift28
Moffenmeid35
Soeslo en Boswijk39
Stadskok43
Schaatsen52
Straatnamen 55
Auteur66

Omslag: Al hardlopend kwam Wim Huijsmans op de titel van dit themanummer: Running on history. (Foto Jan van de Wetering)

4 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans …

Running on history
Geschiedenis is overal om ons heen aanwezig, geschiedenis ligt op straat. ‘Running on history’, geschiedenis als basis waarop wij ons voortbewegen. Dat is de leidraad van dit dubbeldikke themanummer, uitgebracht ter gelegenheid van het afscheid van archivaris Wim Huijsmans bij het Historisch Centrum Overijssel. Wim Huijsmans heeft zich bijna veertig jaar bezig gehouden met archivistiek en geschiedenis, eerst op het Gemeentearchief Zwolle en daarna op het HCO. Bovendien is hij al ruim vijfentwintig jaar redacteur van het Zwols Historisch Tijdschrift. Dit nummer vormt een weer­slag van zijn werkzaamheden in al die jaren, en de nauwe verwevenheid daarvan met zijn dagelijks leven. Want in zijn vrije tijd fietst, jogt en – indien mogelijk – schaatst hij, maar niet zonder ook daarbij aan de historie van het gebied waar hij doorheen komt te denken.
Wim Huijsmans heeft een selectie gemaakt van een aantal archiefstukken die hij graag nader onder de aandacht wil brengen, en verder illustreert hij de these ‘running on history’ door ons mee te nemen naar de Wijthmenerplas, waar hij letterlijk door een gebied rent dat de laatste dertig jaar totaal is veranderd. Vervolgens rent hij (figuurlijk) met ons naar de late Middeleeuwen, toen Zwolle een bloeiende stad was. Er werden broederschappen opgericht, zoals de Sint Antoniusbroederschap, een vereniging van leken die een godsdienstig doel diende. Leden konden hun bijdragen daaraan zelfs voldoen in de vorm van het schenken van een dienaar, zoals uit het gepresenteerde archiefstuk blijkt. In dezelfde tijd werden hier de beroemde Sarijshandschriften geproduceerd. Een van deze handschriften bevat aantekeningen van achttiende-eeuwse Zwolse eigenaren. Wim reconstrueert hoe zij in het bezit van dit bijzondere handschrift kwamen. Ook uit latere eeuwen zijn er boeiende gegevens in het archief te vinden. Wist u dat Zwolle eeuwenlang een stadskok in dienst had? Uit de tweede helft van de achttiende eeuw is een prachtig getuigschrift van stadskok Engelmann bewaard gebleven, opgesteld voor een van zijn leerlingen. Wim rent door en haalt bijzondere gebeurtenissen aan als de ontdekking van een wild meisje in de bossen bij Kranenburg en het straffen van een vrouw die bevriend was met Duitse soldaten in de Tweede Wereldoorlog.
Dit nummer bevat ook een primeur, in de vorm van de publicatie van een onbekend gedicht van Rhijnvis Feith. De beroemde bewoner van Boschwijk droeg dit gedicht in 1816 voor op het naburige buiten Soeslo, ter gelegenheid van de juist voltooide renovatie van dit buiten.
Wim Huijsmans is ook jaren betrokken geweest bij het bedenken en vastleggen van straatnamen voor nieuwe wijken van Zwolle in de ambtelijke werkgroep straatnaamgeving. Wim legt uit hoe dit in zijn werk ging en gaat en hij onthult dat er wel eens kleine fouten gemaakt zijn…
Wim Huijsmans heeft zich in de loop der jaren met zeer veel verschillende aspecten uit zeer uiteenlopende perioden van de Zwolse geschiedenis beziggehouden. Hij gaat nu bij het HCO met een welverdiende VUT, maar blijft gelukkig nog wel deel uitmaken van de redactie van dit tijd­schrift en ons ondersteunen met zijn grote kennis en kunde van de Zwolse archieven en historie.
Lydie van Dijk,
redactie Zwols Historisch Tijdschrift

zwols historisch tijdschrift 5

De professional
Medewerkers komen en medewerkers gaan. Vroeger minder vaak dan tegenwoordig lijkt het wel. Dienstverbanden van veertig jaar zijn een zeldzaamheid aan het worden. Jonge(re) men­sen stappen sneller van werkgever naar werkgever. Veel dienstjaren lijken niet altijd meer zo gewaardeerd als vroeger. Bij erfgoedinstellingen ligt dat toch iets anders. Een medewerker die lang in dienst is bij een erfgoedinstelling zoals het Historisch Centrum Overijssel, heeft veel kennis opgedaan van de collecties. Bij een archivaris is dat vaak archivistische kennis over een collectie of archief en ook inhoudelijke geschiedkundige kennis. Dat betekent eigenlijk dat de waarde van een medewerker in de loop der jaren alleen maar toeneemt. In termen van bedrijfskapitaal zal het eigen vermogen van het HCO met het vertrek van Wim dan ook enorm afnemen.
Het lange dienstverband van Wim betekent bovendien voor zijn collega’s het afscheid van een heel fijne en ook in dat opzicht zeer waardevolle collega, waar we jarenlang van hebben mogen genieten.
Wim combineert de twee bovengenoemde soorten kennis moeiteloos en weet veel (alles is onmoge­lijk) over de Zwolse collecties en de geschiedenis van Zwolle. Maar dat is nog niet alles. Vaak heb ik bij andere instellingen gewerkt met soortgelijke oudere collega’s. Zij wisten ook veel maar deelden dat niet snel met anderen. Zij koesterden hun kennis om hun positie in de organisatie te behouden. Ik denk dat Wim zich daarin onderscheidt van velen. Hij heeft zijn kennis altijd beschikbaar gesteld voor anderen en is daarom van onschatbare waarde voor het HCO geweest en dus ook voor het publiek dat van onze diensten gebruik maakt.
Wim is een integere en dienstbare collega. Als je iets vraagt, krijg je een waardevol antwoord. Toen voor het ZWART-festival Peter Greenaway naar Zwolle kwam, vroeg men aan het Historisch Cen­trum of wij kennis hadden over bepaalde families en de huizen waarin zij hadden gewoond. Wim wist Greenaway ter stond van dienst te zijn. Tijdens een fietstocht door onze mooie binnenstad vertelde Wim wat Peter Greenaway wilde weten. Een gesigneerd eerste exemplaar van het boek over het project, over­handigd in een volle Broerenkerk, was de eer die Wim ten deel viel. Greenaway wist de kwaliteiten van Wim op waarde te schatten. Wim accepteerde de lof op zijn eigen bescheiden manier. ‘Hij deed gewoon zijn werk’.
Wim is als mens en collega een integere, loyale, innemende, rustige en bescheiden man, die zich van­uit zijn passie voor geschiedenis en archivistiek altijd honderd procent heeft ingezet voor de dienst en de gemeente Zwolle. We zullen hem missen op de werkvloer als persoon, als collega en als professional. Gelukkig ben ik ervan overtuigd hem nog vaak tegen te komen, in de stad, bij het HCO en tijdens bijeen­komsten van de Zwolse Historische Vereniging. Wim bedankt!
Bert de Vries,
directeur Historisch Centrum Overijssel

6 zwols historisch tijdschrift

Running on history
Rond de Wijthmenerplas
De titel van dit artikel kwam al hardlopend bij me op. In eerste instantie is het mis­schien wat vaag. Duidelijker wordt het als ik zeg dat het om hardlopen gaat en om de geschiedenis van de plek waar ik hardloop. Nou hard loop, joggen is misschien een betere bena­ming, de snelheid is er wel een beetje uit maar ik wil het best nog tegen een leeftijdgenoot opne­men. Een wedstrijdloper ben ik overigens nooit geweest. Ik doe het enkel en alleen voor mijn plezier en om een beetje in conditie te blijven. Ik heb zo mijn vaste plekken om hard te lopen, zoals vlak bij huis over de IJsseldijk richting Engelse Werk of het Kleine Veer of iets verder weg bij De Horte tussen Wijthmen en Dalfsen, op de Lemelerberg, in het Zwolse Bos bij Heerde, in de Zwarte Dennen bij Staphorst of op vrijdagmiddag in de Staatsbossen bij Ruinen. Daar staat bij Roel en Sasha aan de Postweg de deur altijd gastvrij open als ik zomers op de motor arriveer om mij daar om te kleden en na afloop te douchen. Ook een paar rondjes om de Wijthmenerplas is bij mij favoriet. Hoe ik door de geschiedenis van die plek ren, komt hierna aan de orde
Wijthmenerplas
De Wijthmenerplas ligt ten zuidoosten van Zwol­le, niet ver van de weg van Zwolle naar Heino. Het gebied is ongeveer vijftig ha. groot, waarvan de plas 22 ha. inneemt. Aanvankelijk waren het wei­landen waar vee liep te grazen. De firma Van Ossel uit Zoetermeer kocht in 1964 een aantal percelen grasland om zand te winnen, met de bedoeling om er op den duur een recreatieterrein aan te leggen met allerlei attracties. Op die voorwaarde kreeg Van Ossel een ontgrondingsvergunning. Hij had op andere plaatsen in Nederland ook met dit bijltje gehakt. Zo ontstond een kolk of zandput. Men begon aan de oostkant van de huidige plas te graven. Het zand werd gebruikt voor de aanleg van wegen rondom Zwolle en het ophogen van wijken, zoals de Aa-landen. In juni 1964 ging men met de zandwinning van start. In de eerste week was er meteen al een aanvaring met Rijkswater­staat. De zware met zand beladen vrachtauto’s reden namelijk vanuit het zandpad (nu Hoekserf­pad), dat tegenover café De Zon uitkwam, de weg Zwolle-Almelo op met alle risico’s van dien. Er was toen nog geen parallelweg. Na een week zette Rijkswaterstaat een slagboom voor het zandpad zodat de chauffeurs niet meer de weg konden opdraaien. De chauffeurs van Van Ossel stoorden zich daar niet aan. Ze negeerden met hun zware wagens het verbod en reden de slagboom omver. De politie kwam er aan te pas. Er volgde overleg. Slot van het liedje was dat er een nieuwe uitrit kwam, maar wel naar de Erfgenamenweg. Een directiekeet diende in het begin als kantoortje en schaftruimte voor de chauffeurs, een verlaten boerderij als berg- en opslagruimte.
In 1967 kwam ‘Zandbedrijf Wijthmen’ zoals het was gaan heten, in andere handen. Lokin uit Heino en de gebroeders Tielbeke uit Lemelerveld namen het bedrijf over. Volgens een advertentie in de Zwolse Courant was levering mogelijk van metselzand, betonzand, vulzand (gebruikt voor ophoging) en grind in elke gewenste hoeveel­heid. De zandput werd in de zomer ook spoedig ontdekt als plas om in te zwemmen, in het begin vooral door mensen uit de buurt. Naarmate de plas groter werd, nam de toeloop van zwemmers en recreanten toe. De plas bij Wijthmen werd een alternatief voor de Agnietenplas. Het gemeente­bestuur van Zwolle was daar niet gelukkig mee. Bij mooi weer werd geregeld gewaarschuwd voor de onbetrouwbaarheid van het water in de ‘kolk’ bij Wijthmen.
Ondertussen was Lokin teruggetreden. De Tielbeke’s zetten het bedrijf voort. In 1974 werd de miljoenste kubieke meter zand afgevoerd. Het bedrijf was toen behoorlijk gemoderniseerd. De bedrijfsactiviteiten en opstallen waren naar de westzijde van de plas verplaatst. Daar zorgde een zandwas- en doseerinstallatie voor de verdeling van het zand in verschillende soorten. De plas werd naar de west- en oostzijde uitgebreid. De ontgrondingsvergunning stond toe te zuigen tot een diepte van circa twintig meter. Eind jaren zeventig was deze diepte bereikt. Verdere uitbrei­ding op de bestaande plek was in verband met de natuurwaarden en het landschap niet moge­lijk. De zandwinning was toen al verplaatst naar Haerst. De put van Sanders vormde de nieuwe locatie.
De recreatieve betekenis van de plas nam in de loop der jaren toe. Op zomerse dagen kwamen duizenden mensen naar Wijthmen om zich te verpozen in en bij het water. De gemeente Zwolle kocht in februari 1979 de plas aan. In overleg met Plaatselijk Belang Wijthmen werd door het recreatieschap West-Overijssel, die de gemeente Zwolle als eigenaar was opgevolgd, een plan opge­steld om de plas geschikt te maken voor dagrecre­atie. Ook andere belanghebbenden werden bij de plannen betrokken, zoals sportvissers en duikers. De windsurfvereniging ‘Kantje Board’ liet ook haar stem horen. Na lang gepraat en veel overleg werd in oktober 1981 met de aanleg begonnen. De kosten bedroegen vijftien miljoen gulden. De aan­leg, die in fasen werd uitgevoerd, was in oktober 1991 voltooid. De kwaliteit van het zwemwater was uitstekend, alleen bij lange warmteperiodes werd het water soms verontreinigd door blauwe algen. Naarmate de voorzieningen rond de plas toenamen en Zwolle-Zuid meer bebouwd raakte, nam het aantal dagrecreanten toe. Ook van ver buiten Zwolle zoekt men nu op warme dagen de Wijthmenerplas op.
Tot 2005 was de plas in handen van de Regio IJssel-Vecht. In dat jaar werden de recreatie-objecten afgestoten. De gemeente Zwolle, die al met het dagelijkse beheer en toezicht was belast, kwam opnieuw in het bezit van de plas. De Wijthmenerplas is nu een van de drie recreatieter­reinen binnen de gemeente. De overige twee zijn de Agnietenplas en de Milligerplas. In en bij de Wijthmenerplas kan men ondermeer zwemmen, zonnen, vissen, duiken, picknicken, barbecuen, wandelen en hardlopen. Op het strand staan wat speelattributen voor kleine kinderen. Zomers worden netten gespannen om te beachvolleybal­len. Gemiddeld komen er per seizoen 300.000 watergebonden recreanten, zoals dat in ambte­lijke nota’s heet. Buiten het zomerseizoen vinden er andere activiteiten plaats, zoals bij voorbeeld vijftig cc brommerraces en dancefestivals. Het terrein is uitsluitend bedoeld voor dagrecreatie, hoewel er in de avond- en nachtelijke uren – zeker na een warme zomerse dag – ook wel eens wat ‘recreatiefs’ gebeurt. De politie en een nachtveilig­heidsdienst houden een oogje in het zeil.
’t Gagel
Meestal kom ik met de auto of de fiets naar de plas. Ik passeer daarbij de ingang naar de golfclub Zwolle, gelegen op golfbaan ’t Gagel. Deze naam is ontleend aan de vroegere naam van dit gebied. Gagel is een struik die bloeit met katjes.
De struik kwam vooral voor op weilanden die
’s winters onder water liepen. De weteringen, die door dit gebied liepen en zorgden voor de afvoer van het overtollige regenwater uit Salland, zet­ten de weilanden in dit gebied regelmatig onder water. Het terrein van de golfclub werd in de jaren negentig aangelegd. In 1995 beschikte de Zwolse golfclub over negen holes. Omdat er geen officiële wedstrijden konden worden gehouden, werd na veel hindernissen en inspanningen uiteindelijk toch toestemming gekregen om het terrein uit te breiden tot achttien holes. Vanaf 2005 beschikt de golfclub Zwolle over een fraai clubhuis en over een prachtig golfterrein op een schitterende loca­tie, waar het goed toeven is.
Bij de entree van de Wijthmenerplas tegenover het beheerscentrum is een skeelerbaan aangelegd. Aanvankelijk werd er druk gebruik van gemaakt. Het lijkt erop dat de animo voor het skeeleren aan het afnemen is.
Start
Ik begin te lopen vanaf het parkeerterrein. Ik volg het fietspad in noordelijke richting. Dit fietspad maakt deel uit van Rondje Zwolle. Ik zie het punt waar de Emmer Tochtsloot in de Herfter wetering uitmondt. Beide sloten zorgden er vroeger voor dat het gebied nog al eens onder water kwam te staan, omdat ze het overtollige water niet snel genoeg konden afvoeren. De golfers hebben nu geen last meer van het water of het moet zijn dat hun golfbal in een sloot terechtkomt. Wat nogal eens gebeurt. De dam overstekend kom ik op het terrein van de golfclub. Oorspronkelijk was het terrein drassig en hier en daar wat golvend. Bij de aanleg van het golfterrein zijn elementen uit het landschap zo veel mogelijk gehandhaafd. In wes­telijke richting valt Selhorst te zien, de eeuwenou­de locatie van de boerderij van Hutten die op een hoogte (=horst) gebouwd is. Zijn koeien vonden de golfballetjes niet zo smakelijk.
Ik vervolg mijn route tot aan de Valkenberg­weg. Deze weg heet nog niet zo lang zo en ik ben daar debet aan. Aanvankelijk was de benaming Erfgenamenweg. De weg dankt zijn naam aan het feit dat ze aan de eigenaren in de marke van Wijthmen en Herfte toebehoorde. Een marke was een typisch Oost-Nederlands fenomeen. Onder een marke verstaat men een groot, gemeenschap­pelijk, onverdeeld grondgebied. De marken werden in de negentiende eeuw opgeheven. Hier en daar bleven kleine stukjes grond en bos onver­deeld. Daar was geen belangstelling voor. Dat gold ook voor wegen en watergangen. Voor de verde­ling van de marke was het onderhoud ervan voor gemeenschappelijke rekening. Na de verdeling van de marke kwam het onderhoud in handen van de gemeente en het waterschap. Personen die samen eigenaar van een marke waren, werden markegenoten of erfgenamen genoemd. Vandaar de naam Erfgenamenweg. Omdat de loop van de weg onduidelijk was – een deel was geasfalteerd en een ander deel was zandweg – is de weg qua naam in tweeën geknipt. Het westelijk stuk van deze weg tot aan de Herfterlaan kreeg de naam Valkenbergweg, zo genoemd naar de boerderij op nr. 2, vlak bij het spoor, de rest van de weg bleef Erfgenamenweg heten. Het is al weer enige tijd geleden dat ik aan de straatnamencommissie de suggestie gedaan heb te kiezen voor Valkenberg­weg. Het college van B en W heeft mijn suggestie opgevolgd.
Met een knipoog naar het bord vervolg ik mijn route in de richting van Wijthmen. Over de Emmer Tochtsloot begint het Erfgenamenbos. Ook dit bos dankt zijn naam aan de vroegere marke. Aan de linkerkant staat – voordat ik het Erfgenamenbos verlaat en aan de rechterkant weer de Wijthmenerplas kan zien – een onder architectuur gebouwd zomerhuis. Alleen als het blad van de bomen is, valt het huis vanaf de weg te zien. Ik vervolg mijn route. Rechts in het wei­land lopen koeien van een niet-Nederlands ras te grazen. Met hun grote loense ogen kijken ze me meewarig aan. Terwijl zij rustig achter elkaar sjok­ken, vragen ze zich misschien wel af waarom ik mij zo druk maak. Ik vraag me af of dit nu Blonde d’Aquitaines zijn en of daarom blondjes zo dom heten te zijn. Hardlopen maakt je hoofd leeg maar doet soms ook de meest gekke gedachten of asso­ciaties opkomen.
Ik jog verder. Het oorspronkelijke terrein, waarin kleine verhogingen of belten voorkwamen, blijkt uit de naam van een van de huizen aan de Valkenbergweg. Die is getooid met de naam Pop­penbeld (sic). Ik vervolg mijn route. Steevast kon­digen honden bij de volgende huizen mijn komst aan. Blaffende honden bijten niet. Onverveerd loop ik verder, bij dit woord aan het Wilhelmus denkend. Ik kom bij het Hoekserfpad. Ook deze naam heb ik gesuggereerd vanwege een boerderij met de naam Hoeks-erve. In archiefstukken werd deze boer ook wel aangeduid als de boer in het Hoekje. In de verste verte is deze boer een voorou­der van mij.
Ik passeer de school. Het gebouw is verlaten De kinderen krijgen nu verderop aan de Erfge­namenweg les in het Kulturhus, in 2007 geopend door Erica Terpstra. Naast de oude school staat de katholieke kerk, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe van Altijddurende Bijstand, waarvan de eerste steen in 1950 werd gelegd. Vroeger kon je daar zo naar binnen lopen om een kaarsje op te steken. De godsdienstleraar van mijn middelbare school was hier pastoor. Nu is de kerk alleen maar open als er diensten zijn. Voor 1950 kerkten de katholieke inwoners van Wijthmen in Hoonhorst of gingen in Zwolle naar de St. Michaël in de Roggenstraat. Omdat de nieuwe kerk zowel voor inwoners van Wijthmen als Herfte bedoeld was, werd de kerk ver buiten Wijthmen gebouwd, maar wel tussen Wijthmen en Herfte in, zodat de afstand voor de verst afwonende kerkgangers ongeveer gelijk was. Een andere reden van de excentrische ligging ten opzichte van het dorp Wijthmen was de beschik­baarheid van grond op deze plek.
Het Hoekserfpad vervolgend zie ik spoedig een betonnen toiletgebouw. De twee toiletgebou­wen op het terrein van de Wijthmenerplas doen mij steeds denken aan de kubuswoningen van Piet Blom in Rotterdam. De gebouwen zijn op een markante wijze vorm gegeven, functioneel en door hun constructie vandalismeproof.
Ongeklede recreatie
Ik vervolg mijn route over het grasveld waar het op zomerse dagen een drukte van belang is. Na het hek passeer ik een bord met de aanduiding dat vanaf daar ongeklede recreatie is toegestaan. Het had heel wat voeten in de aarde voordat dit ter­reintje werd gerealiseerd. In 1982 was men volop bezig met de aanleg en inrichting van de plas tot dagrecreatie. Om van het ene deel van het gebied naar het andere deel te komen werd een brug aangelegd, vanaf een soort schiereilandje aan de westelijke kant van de plas naar het oostelijk deel. Op de punt van dit eilandje ontstond omstreeks 1980 een naaktstrandje. Vooral mensen die graag uit de kleren gingen en veelal lid waren van de Zwolse naturisten zwemvereniging ‘Niks Um ’t Lief’ hadden bezit genomen van deze plek. Al bestond die term nog niet, naaktrecreatie werd op de punt van dit schiereilandje gedoogd. Niemand had er last van; het lag immers meters af van de locaties waar geklede badgasten recreëerden of te water gingen. Dat werd anders toen een brug werd aangelegd om zo de loopafstand tussen het ooste­lijk en westelijk deel van het gebied te verkleinen. Het duurde niet lang of er kwamen klachten over naaktrecreanten, van wie men vond dat zij de goede zeden aan hun laars lapten, voor zover daar sprake van kan zijn bij naaktrecreanten… Ook de politiek bemoeide zich met deze affaire. Het Gere­formeerd Politiek Verbond (GPV) liet bij monde van Van Herwijnen in de gemeenteraad weten dat foutparkeerders bij de Wijthmenerplas wel door de politie op de bon geslingerd werden, maar naaktrecreanten niet, terwijl naaktrecreatie toch in strijd was met de Algemene Politie Verorde­ning (APV). Het gemeentebestuur nam op korte termijn maatregelen. In 1983 werd paragraaf 9 van de APV aangevuld. Men mocht zich niet ongekleed of op aanstootgevende wijze bevinden op voor het publiek toegankelijk plaatsen. Maar er gold voortaan een uitzondering voor een stukje strand aan de oostzijde van de Wijthmenerplas, dat duidelijk met borden werd aangegeven. Overi­gens is dit stukje textielloos strand nooit door een lid van het college van B en W officieel geopend of in gebruik gesteld.
Door de publiciteit rond het naaktstrandje trok het in het begin veel bekijks. De jonge struik­jes rond het terrein, waar een fietspad langs liep, lieten niets aan duidelijkheid te wensen over waar de plaats van het naaktstrandje was. Van liever­lee kwamen er steeds meer recreanten naar het ‘ongeklede’ strand. Er was geen lawaai en het was er schoner. Er werd geen troep achtergelaten. Bij­kans raakte het strandje op zonnige dagen overbe­volkt. Rond de eeuwwisseling werd het ten koste van het ‘gewone’ strand uitgebreid.
Wanneer het te warm is om te joggen, fiets ik naar de Wijthmenerplas om verkoeling te zoeken. Net als bij het hardlopen ben ik ook in het water een ‘dieseltje’. Ik zwem in een rustig tempo grote afstanden, zo mogelijk op korte afstand van de oever de hele plas rond. Op een bepaalde plek heb ik al enkele jaren ijsvogels gezien die, op een takje vlak boven het water zittend, niet verwachten dat er een zwemmer voorbij komt. Ze verraden zich door hun prachtige kleuren. Hun blauwe vleu­geltjes steken schril af tegen de groene bladeren. In het voorjaar word ik steeds getroffen door de moederlijke zorg van de fuut, die de jonge fuutjes op haar rug vervoert als ze moe worden. Geweldig geschrokken ben ik ooit eens van een grote schild­pad die al dobberend in het water lag te genieten van de zon, waarschijnlijk gedumpt door iemand die genoeg had van dit huisdier. Of het beestje de winter overleefd heeft, waag ik te betwijfelen. En over winters gesproken, het is al geruime tijd gele­den dat ik op de Wijthmenerplas geschaatst heb. Bij strenge winters vriest de plas dicht. Het biedt schaatsers een onmetelijke ijsvlakte en duikers ongeëvenaarde mogelijkheden om ook eens onder ijs te duiken
Beter met Bos
Aan de oostzijde van het Hoekserfpad is de gemeente Zwolle vanaf de eeuwwisseling begon­nen met de aanleg van een bos met recreatieve voorzieningen nadat het land van de boeren was aangekocht. Het gebied ligt tussen de Erfgena­menweg en de Heinoseweg en strekt zich uit tot aan de bebouwde kom van Wijthmen. Het sluit aan op de Wijthmenerplas. In het nieuwe bos worden buitenplaatsen gebouwd. De kavels zijn gemiddeld 5.000 m2 groot. Het was de bedoeling dat de buitenplaatsen primair de economische dragers zouden vormen voor de totale ontwikke­ling van dit gebied. De verkoop van de kavels ver­liep echter minder snel dan men gehoopt had.
Vanaf het Hoekserfpad is te zien hoe op korte afstand van het bestaande bos drie grote wonin­gen uit de grond worden gestampt. Een rechte laan met jonge bomen leidt naar de te bouwen huizen. Het nieuw aangelegde recreatiegebied wordt doorkruist met lanen, wandel- en ruiterpa­den. Er staan al een aantal riante optrekjes in het parkachtige landschap.
Veldwijk
Tegenover de ‘nieuwe’ laan vervolg ik mijn route in westelijke richting. Ik kom dan weer op het fietspad dat deel uitmaakt van Rondje Zwolle. Het zal de meeste fietsers en wandelaars ontgaan dat deze laan, evenals de andere lanen die hier vlak bij liggen, deel hebben uitgemaakt van het lanenstelsel dat vroeger bij de buitenplaats Veldwijk hoorde.
Vanaf Zwolle gezien waren er drie buiten­plaatsen met het achtervoegsel -wijk. Op de hoek van de Kuyerhuislaan en Heinoseweg lag en ligt Landwijk, even verderop, eveneens aan de Heinoseweg, Boschwijk waar Rhijnvis Feith gewoond heeft. Bij de (huidige) Wijthmenerplas lag de buitenplaats Veldwijk, die in het midden van de negentiende eeuw werd omschreven als een ‘logeabel heerenhuis met daarbij staande schuur, stalling en hooiberg en de daarbij gele­gen spatieusen tuin, waarin ruim 150 exquise vruchtbomen met daarbij behorende wandeling.’ Met een wandeling werd de parkachtige tuin met lanen bedoeld. Het huis werd kort na 1850 om onduidelijke redenen afgebroken. Op de plek van de buitenplaats kwam een boerderij te staan. De lanen die bij het oorspronkelijk huis behoorden, vormen nu een wandelgebiedje. De lanen omslui­ten een aantal kleine weilandjes .
Het fietspad vervolgend jog ik langs de wetering. Ik passeer het beheerscentrum en kom weer bij de parkeerplaats uit. Afhankelijk van mijn animo loop ik nogmaals hetzelfde rondje of ik loop over het gras om de plas. Moe en voldaan rij ik daarna naar huis. Onder de douche spoel ik het stof van archiefstukken en het zweet van mij af. Het geeft mij een goed gevoel en een kick: running on history, ook als dat verleden nog niet zo ver achter ons ligt…

Wim Huijsmans

Running on history: Wim Huijsmans kwam al hardlopend op de titel van dit artikel en dit themanummer. Hier zien we hem in actie bij de Wijthmenerplas. (Foto Jan van de Wete­ring)

zwols historisch tijdschrift 7

Een van de fietstoe-gangen naar de Wijth-menerplas. (Foto Jan van de Wetering)

De Wijthmenerplas op de kaart van Zwolle. (Particuliere collectie)

8 zwols historisch tijdschrift

‘Herften’ en ‘Salne’ in de Hottingeratlas, omstreeks 1785. In het gebied rechtsboven
Boschwijk ligt nu de Wijthmenerplas. (Col­lectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 9

Drukte bij de Wijth­menerplas, duizenden mensen verpozen zich in en bij het water, 30 juni 1986. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant, foto Aart Vos)
Brommerraces bij
de Wijthmenerplas,
18 september 1993. (Collectie HCO,
Redactiearchief
Zwolse Courant)

10 zwols historisch tijdschrift

Rek- en strekoefeningen in het mulle zand bij de Wijthmenerplas. (Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 11

De splitsing tussen de Erfgenamenweg en de Valkenbergweg. Op de achtergrond de katho­lieke kerk van Wijth­men. (Foto Jan van de Wetering)

12 zwols historisch tijdschrift

Betonnen toiletgebouw bij de Wijthmenerplas. (Foto Jan van de Wete­ring)

zwols historisch tijdschrift 13

Het stukje strand waar ‘ongeklede recreatie’ is toegestaan, is duidelijk met borden aangegeven. (Foto Jan van de Wete­ring)
‘Ongeklede recreatie’, 1983. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant, foto Frans Paalman)

14 zwols historisch tijdschrift

In de levensavond genietend van de avondschemering aan de Wijthmenerplas, circa 1978. (Particuliere collectie)

zwols historisch tijdschrift 15

De Sint Antoniusbroederschap
in de Grote of St. Michaëlskerk
Over de geschiedenis van de Sint Michaëls-kerk aan de Grote Markt is veel gepubli­ceerd. Er stond op deze plek rond 1040 al een Romaanse kerk, die tussen 1370-1450 werd vergroot tot de tegenwoordige gotische hallenkerk. Hieronder komt de broederschap van de Heilige Antonius in die kerk aan de orde.
Zwolle rond 1450
De eerste helft van de vijftiende eeuw geldt als Zwolle’s bloeitijd. De stad was een centrum van handel en koopmansschap, waar per jaar vijf jaar­markten werden gehouden. In 1407 was Zwolle opnieuw in de Hanze opgenomen, een verbond van kooplieden en daarna van steden, die de handen ineensloegen om hun handelsbelangen gezamenlijk te behartigen. De Hanze strekte zich uit van Vlaanderen tot de landen rond de Oost­zee. De leiding van dit verbond lag in handen van Lübeck. Naast koopmansstad was Zwolle ook een centrum van wetenschap. Die functie dankte het aan de Latijnse school die Europese bekendheid had gekregen door de onderwijsvernieuwingen van rector Johan Cele. Van heinde en ver kwamen ‘klerken’ naar zijn school. Dankzij de kloosters was Zwolle een cultureel centrum. Binnen de muren lagen huizen van de zusters en broeders ‘des Gemenen Levens’, die een leven in weelde in strijd achtten met een oprechte beleving van het geloof. Zij drongen aan op eenvoud en soberheid. Deze nieuwe, geestelijke stroming kreeg bekend­heid als de Moderne Devotie. Vanuit het kloos­ter in Windesheim en dat op de Agnietenberg oefende de Moderne Devotie grote invloed uit op het geestelijke leven in grote delen van Midden-Europa. Thomas a Kempis, de bekendste van alle broeders, schreef in het klooster op de Agnie­tenberg zijn wereldbefaamde Over de navolging van Christus. Over en weer beïnvloedden handel, wetenschap, cultuur en geestelijk leven elkaar.
Dat het Zwolle voor de wind ging in de eerste helft van de vijftiende eeuw laten ook de gebou­wen zien die uit die tijd dateren, zoals de Sassen­poort, het stadhuis, de Schepenzaal, de raadsto­ren, de Latijnse school, de St. Michaëlskerk en de Onze-Lieve-Vrouwekapel (de Peperbus).
Broederschappen
In de Middeleeuwen was het hele leven doortrok­ken van godsdienst. De kerk stond letterlijk en figuurlijk in het midden. Het aardse leven was hard en onzeker. De katholieke kerk vestigde er de nadruk op dat de hemel verworven kon worden, maar alleen langs de weg die zij aanwees. De gees­telijkheid in al haar gradaties was verantwoorde­lijk voor het zielenheil. Het uitzicht op eeuwigdu­rende gelukzaligheid was van grote betekenis. De heilige sacramenten te ontvangen en goede daden te verrichten waren minimale voorwaarden om de hemelpoort binnen te mogen gaan. Mensen die het konden betalen, werden lid van een broe­derschap en deden zo aan goede werken. Om het vagevuur te ontwijken werden aflaten gekocht.
De St. Michaëlskerk was in de vijftiende eeuw de enige parochiekerk in de stad. De Onze-Lieve-Vrouwekerk had de status van kapel. In de St. Michaëlskerk werden missen opgedragen en sacramenten toegediend. Het godshuis bood onderdak aan vele vormen van georganiseerde vroomheid en naastenliefde. De parochianen konden op zondag kiezen uit een groot aantal missen. De hoogmis werd opgedragen op het hoofdaltaar dat op het hoogkoor stond en gewijd was aan Zwolle’s schutspatroon Sint Michaël. De beide zijkoren hadden altaren met de beeltenissen van Maria en Petrus. Daarnaast waren er een der­tig kleinere altaren, zogeheten wandaltaren, die door de hele kerk heen verspreid tegen de muur stonden en bijvoorbeeld gesticht waren door een broederschap en gewijd aan een bepaalde heilige. Een broederschap was een vereniging van leken die zich aaneen hadden gesloten om een god­vruchtig doel te dienen. De leden hielpen elkaar en verrichtten werken van naastenliefde. Ook liepen zij mee in processies met het beeld van hun patroonheilige.
Sint Antoniusbroederschap
Op verzoek van een aantal burgers gaven op maandag na zondag Quasi modo geniti (= eerste zondag na Pasen) in het jaar 1440 (4 april) sche­penen en raad van Zwolle goedkeuring aan de oprichting van de Sint Antoniusbroederschap met een altaar in de St. Michaëlskerk, en wel op de vol­gende voorwaarden:
– de priester zal op woensdag een gezongen vroegmis opdragen en op vrijdag zielenmissen voor het zielen­heil van diegenen die de broederschap iets geven;
– de priester van dit altaar dient in Zwolle te wonen en een kuis leven te leiden zonder dron­kenschap of dobbelen; houdt hij zich hier niet aan, dan kan hij worden afgezet;
– de priester krijgt van het stadsbestuur een woning en van de broederschap jaarlijks vijftig herenpond;
– ieder lid van deze broederschap moet jaarlijks een bijdrage betalen van een half herenpond waartoe hij een jaarrente moet schenken;
– voordat iemand wordt aangenomen, wordt zijn naam bekend gemaakt opdat anderen bezwaren kunnen maken;
– wat in het offerblok of op het altaar aan was, vlas, goud, zilver of andere goederen wordt geofferd, is voor de helft voor de kerk en voor de andere helft voor de broederschap;
– de koster moet er voor zorgen dat op het altaar steeds kaarsen branden;
– wanneer een lid van de broederschap is over­leden, zal men missen voor hem opdragen in de eerste week na zijn overlijden;
– op St. Antoniusavond (16 januari) zullen de procuratoren (=de bestuurders) ter wille van het zielenheil van de levende en overleden leden van de broederschap een uitdeling onder de armen houden;
– op St. Antoniusdag (17 januari) zullen de leden van de broederschap gezamenlijk eten en hun etenswaren zelf meebrengen; wat er overblijft zal men onder de armen uitdelen;
– na afloop van de maaltijd treedt van de twee pro­curatoren er een af en wordt een nieuwe gekozen die twee jaar aanblijft;
– bij gezongen missen moeten de procuratoren zorgen voor twee priesters, die de dienstdoende priester assisteren, en voor vier koraalklerken om te helpen zingen;
– van de inkomsten van de broederschap zal men – naast de gewone uitgaven voor de priester en zijn assistenten – ook de benodigde kelken, kazui­fels en misgewaden bekostigen, terwijl het restant van de jaarlijkse inkomsten zal dienen voor wer­ken van barmhartigheid wat twee of drie keer per jaar door de procuratoren in de vorm van kleding, brandstof en voedsel aan de huiszittende armen zal worden uitgereikt.1
Het stadsbestuur van Zwolle speelde een grote rol bij het beheer van de St. Michaëlskerk. Dat gold in de vijftiende eeuw ook ten aanzien van de op te richten altaren en broederschappen in de kerk, zoals hierboven al vermeld is. Na afloop van de jaarlijkse maaltijd (zie boven) werd bijvoorbeeld bij de St. Antoniusbroederschap de nieuwe pro­curator mede gekozen door de drie oudste leden van het stadsbestuur. Het recht om de priester te benoemen die het altaar van de broederschap bediende, lag bij schepenen en raden, het zogehe­ten collatierecht. De priester die het altaar bedien­de, werd vicaris genoemd.2
De Heilige Antonius leefde als kluizenaar in de Egyptische woestijn en wordt beschouwd als de eerste monnik. Demonen trachtten hem te ver­leiden, maar hij weerstond de verlokkingen. Hij stierf in 356. Zijn kerkelijke feestdag is 17 januari. Hij is de beschermheilige van vele beroepen, die ondermeer met vee en dan met name varkens te maken hebben. Verder is hij de schutspatroon tegen besmettelijke ziekten. Hij wordt afgebeeld met een varken, een staf en een bel.
Register van de St. Antoniusbroederschap
Van de broederschap van St. Antonius in de
St. Michaëlskerk is een register bewaard gebleven. Het bevindt zich in het HCO in het archief van de parochie van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Uit een aantekening in het register blijkt dat het aan deze parochie is geschonken.3
Het vijftiende-eeuwse register bevat 25 vellen perkament. Een aantal vellen is verwijderd. Het is gebonden in een band van kalfsleer over eiken­houten platten. Resten van twee sloten zijn zicht­baar. De hoeken zijn verstevigd en voorzien van gegoten en gedreven messing beslag, evenals een rozet in het midden van de band. Op het eerste blad staat de volgende tekst te lezen:
‘In nomine et honore domini Jhesu, miseri­cordissime virginis Marie atque Anthonii sancti confessoris et abbatis [In naam en ter ere van onze heer Jezus, van de zeer barmhartige maagd Maria en van de heilige Antonius, belijder en abt]
Dit boeck ofte register is gemaickt in den jair onss heren duysent vierhonderd vijf ende viertich des dynxdages nae der heiliger dryer conynge dage van der broederscap des heiligen vaders sancti Anthonii avermits ende bij heren Henrick Schonekamp, priester van sante Anthonijs altair, Lubbert Tymanssoen ende Johan van Millingen, procuratores derselver bruderscap in manieren hiernae bescreven.’
(Hertaald: dit boek of register is aangelegd in het jaar 1445 op dinsdag na Driekoningen (6 januari) voor de broederschap van de heilige Antonius door Henrick Schonekamp, priester van het
St. Antoniusaltaar, Lubbert Tymanszoon en Johan van Millingen, procuratoren van deze broe­derschap, met de volgende bepalingen).
Van de broederschap waren (gegoede) burgers lid, evenals priesters en begijnen. Voor een een­voudige ambachtsman was deze broederschap niet weggelegd. Het was simpelweg veel te duur om lid te worden. Veel vrouwelijke leden traden gelijk met hun man toe. Zij werden meestal niet met naam genoemd. Na de naam van de man staat dan vermeld: ‘cum uxore’ (met echtgenote). Het boek bevat de namen van ongeveer 425 personen. Er is ook een indeling gemaakt. ‘In der yrsten sex­teernen ofte capittell’, het eerste sextern (=katern van zes bladen) of hoofdstuk staan de leden van de broederschap vermeld die lid werden en de jaarlijkse bijdrage in een keer hadden betaald, in het andere sextern staan de personen genoemd die hun lidmaatschap met een jaarrente betaald hadden. Het register is bijgehouden tot 1559. De leden zijn lid geworden tussen 1440-ca.1510. Een paar aantekeningen van financiële aard hebben betrekking op de tijd na 1510.
Eenre maget… der broederschap gegeven
De eerste twee personen die als lid van de
St. Antoniusbroederschap staan ingeschreven zijn Frederik en Zeger van Rechteren. Zij behoorden tot een van de meest invloedrijke families in Over­ijssel. Dan volgt Herman van Voerst. De manier waarop hij zijn lidmaatschap heeft verworven luidt aldus:
‘Herman van Voerst heeft betaelt myt enen knechte den hij der broederschap gegeven heeft, geheiten Derick Wijse Wycherssoen, die hij hadde bij Wibben sijnen echten wijve, nae uutwijsinge eens brieffs den Herman voirscr. der broeder­schap dairaff avergegeven heeft.’
(Hertaald: Herman van Voerst (=Voorst) heeft het lidmaatschap betaald met een knecht die hij aan de broederschap gegeven heeft; de knecht heet Derck en is de zoon van Wijse Wycherszoon en Wibbe; de betaling blijkt uit een akte die
Herman aan de broederschap gegeven heeft).
Ook de originele akte van deze schenking is in het Stadsarchief bewaard gebleven. Deze dateert van 9 januari 1444. Daarin verklaart Herman van Voerst dat hij ter wille van zijn zielenheil de genoemde Derck als een horige aan de St. Anto­niusbroederschap schenkt, waarvoor hij als lid in deze broederschap wordt opgenomen. In deze akte staat ook de reden vermeld dat hij Derck kon weggeven. Wibbe was namelijk een vrouw, die aan Herman van Voorst horig was.4 Horigheid vererfde via de moeder. Horigen waren boeren die bepaalde verplichtingen hadden tot hun heer en geen eigenaar waren van de grond. Ze hadden het recht om de grond van hun heer te gebruiken. In ruil daarvoor hadden ze verplichtingen, zoals hand- en spandiensten of het afdragen van een deel van de oogst. Derck kwam dus ter beschik­king van de St. Antoniusbroederschap.
Hetzelfde gebeurde met een zekere Griete, ongehuwde dochter van Mauricius van Verssen en zijn vrouw Ghese. Griete werd op 28 november 1443 door Herman van Peyse en zijn vrouw Alijt ter wille van hun zielenheil aan de broederschap gegeven.5 Deze akte is wat duidelijker. Herman van Peyse was namelijk eigenaar van het horige goed Haweking in de buurschap Elsen bij Rijssen. Op dat horige erf woonde Griete, ‘eenre maget’. Evenals Derck kwam ook zij ter beschikking van de
St. Antoniusbroederschap. Wat er in hun nieuwe hoedanigheid van Derck en Griete verwacht werd, staat niet vermeld. Wellicht dat Derck belast werd met het verzorgen van de varkens van de broeder­schap en Griete als dienstbode werd ingezet.
St. Antoniusvarken
De St. Antoniusbroederschap had het recht om een aantal varkens vrij te laten rondlopen in de stad. Om te voorkomen dat ze het kerkhof (nu Grote Kerkplein) overhoop wroetten, was het van een omheining voorzien en lag er bij de ingang een rooster. Volgens het volksgeloof kon zo ook de duivel niet op het kerkhof komen. In 1468 werd paal en perk gesteld aan het aantal varkens van de broederschappen dat in de stad mocht rondscharrelen.6 Deze broederschap-varkens waren herkenbaar omdat ze ‘mytter bellen gaen’, dus een bel in het oor of om de hals hadden. Op St. Lucienavond (12 december 1468) besloten schepenen, raden en meente dat voortaan de St. Antoniusbroederschap drie varkens mocht laten rondlopen in de stad en de overige broederschap­pen elk slechts een varken. Degene die op de varkens paste, was aansprakelijk voor de schade die de varkens aanrichtten. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt tussen zeugen of beren. Als varkens een huis binnendrongen, kostte dat per varken vijf pond. Het ongewenste bezoek moest worden doorgegeven aan de stadsbestuur en aan de stadsboden. In de zestiende eeuw verdween het varken voor goed uit het straatbeeld, behalve op marktdagen.
Zestiende eeuw
Uit de zestiende eeuw is nagenoeg geen archief­materiaal bewaard gebleven van de St. Antonius-broederschap. De broederschap bleef bestaan en hield zich bezig met godsdienstoefeningen voor het zielenheil en met de armenzorg. Ook het elkaar treffen en samen bezig zijn met een bepaal­de intentie zal de leden met elkaar verbonden hebben. Wat dat betreft dringt een vergelijking met een serviceclub van vandaag de dag zich op.
De invloed van het stadsbestuur op de broe­derschappen bleef toenemen. Sinds het midden van de eeuw moest elke broederschap jaarlijks verantwoording afleggen tegenover het stads­bestuur. De taakopvatting op het gebied van de armenzorg veranderde. Van andere broeder­schappen, waarvan wel archiefstukken bewaard gebleven zijn, is bekend dat de inkomsten afna­men. Bij de St. Antoniusbroederschap zal dat niet anders geweest zijn. De rol van de kerk nam af. De hervorming stond ook in Zwolle voor de deur.
Bij dit alles bleef de functie van vicaris van het altaar in trek, niet in de laatste plaats van­wege de inkomsten. ‘Up flitich anholden ende begerent’ van Gerrit Veneman, priester, werd hij op 3 november 1578 door schepenen en raden benoemd, voorlopig voor een jaar, mits hij het altaar van de broederschap eerlijk zou bedienen, zoals een goede preister betaamde. Nog geen drie maand later verruilde hij deze vicarie – met toestemming van schepenen en raden – met die van de vicarie in het H. Geestgasthuis. De nieuwe bedienaar van het altaar van de St. Antoniusbroe­derschap werd Michiel Hertghers, zoon van
Derck Hertgers, op wiens verzoek de ruil had plaats gevonden. Naast de altaardiensten kwam hij ook in het bezit van alle inkomsten en jaarren­ten, zoals nadrukkelijk vermeld staat. Het finan-ciële aspect was dus niet onbelangrijk.7
Omdat de stad belast was met het recht om de vicaris van het altaar van de St. Antoniusbroe­derschap te benoemen, werd het in 1580, toen het stadsbestuur van Zwolle overging naar de hervormde religie, niet als vreemd ervaren dat de inkomsten van de broederschap, die oorspron­kelijk bedoeld waren voor het zielenheil van de leden, voor andere doeleinden werden gebruikt. De verslaglegging op financieel gebied tussen 1580-1600 is nog wat rommelig. Na 1600 is het
zo dat de bezittingen en inkomsten van de
St. Antoniusbroederschap terug te vinden zijn in de administratie van het kantoor van de stads geestelijke goederen. Dit ‘bureau’ was belast met het financiële beheer van de goederen van alle ker­ken en alle broederschappen en vicarieën van voor 1580. De inkomsten uit de voormalige geestelijke goederen kregen ten dele een andere bestemming. Ze bleven weliswaar aangewend voor de armen maar een belangrijk deel werd gebruikt als salaris voor predikanten en schoolmeesters, die de kin­deren niet alleen onderwezen in rekenen, lezen en schrijven maar ook in de hervormde godsdienst ‘ofte waere gereformeerde religie’. De oprichters van de St. Antoniusbroederschap zouden zich in hun graf omdraaien als ze weet hadden van wat er na een kleine tweehonderd jaar met hun ingelegde geld gebeurde. Niet voor niets zei Bredero al: het kan verkeren…
Noten
1. F.C. Berkenvelder, Zwolse Regesten III, 1426-1450. Zwolle, 1986, regestnr. 1739
2. Het algemene kader is ontleend aan het proef­schrift van Ingrid Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil; kerkelijke instellingen in Zwolle en hun functioneren binnen de stedelijke samenleving tot 1580. Zwolle, 2007
3. HCO, Archief Parochie Onze-Lieve-Vrouwekerk, inv.nr. 707
4. F.C. Berkenvelder, Zwolse Regesten III, 1426-1450. Zwolle, 1986, regestnr. 1854
5. Idem regestnr. 1851
6. HCO, Stadsarchief Zwolle, inv.nr. 18, p. 115
7. HCO, Stadsarchief Zwolle, inv.nr. 66, p. 193

Gezicht op Zwolle, (uit­snede) begin zeventien­de eeuw. In het midden
– nog met indrukwek­kende toren – de
St. Michaëlskerk, links daarvan de raadstoren en het stadhuis, rechts de Onze-Lieve-Vrouwe-kapel (de Peperbus).
(Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

16 zwols historisch tijdschrift

Inkomsten
In het tweede ‘sextern’ of deel van het Register van de Sint Antonius Broederschap staan de jaarlijkse inkomsten vermeld die verkregen waren nadat personen lid geworden waren van de broederschap. Zij hadden hun lidmaatschap betaald met een jaarlijkse rente. Als voorbeeld volgt hieronder de eerste inschrijving. Zo volgen er nog tientallen. Dit tweede deel doet sterk denken aan een legger of blaffaard. In de archivistiek wordt daaronder verstaan: een staat van te ontvangen vaste inkomsten uit onroerende goederen.1
De eerste inschrijving luidt als volgt:
‘Item Evert van Wijtman ende Margariete sijn wijff hebn gegeve[n] een heren pont des jairs uut enen huyse gelegen in des Hoefschenstege tusschen weren Besselen van Wijtman ende Celye Bolten nae uutwijsinge eens brieffs dairaff. Dyt heft Gherbrech Roetg[er] Leygendeckkers wife gheloesset in den jaer XCVI.’ In de kantlijn staat: ‘M[ar]tini’.
Hertaling: Eveneens heeft Evert van Wijtman en zijn vrouw Margariete (aan de Sint Antoniusbroederschap) gegeven een jaarrente van 1 heren pond uit een huis in de Hoefschensteeg tussen het erf van Bessele van Wijtman en dat van Celye Bolte zoals blijkt uit een akte. Te betalen op Martini. Deze jaarrente is door Gherbrech, de vrouw van Roetger leiendekker, afgelost in (14)94.
Om lid te kunnen worden van de broederschap hebben Evert van Wijtman en zijn vrouw een jaarrente gegeven van 1 heren pond aan de St. Antonius Broederschap. Deze jaarrente rust op een huis in de Hoefschensteeg (=Goudsteeg) gelegen tussen het erf van Bessele van Wijtman en dat van Celye Bolten. De eige­naar van het huis heeft dus voortaan de verplichting om jaarlijks 1 heren pond aan de Broederschap te betalen. Waarschijnlijk hebben Evert van Wijtman en zijn vrouw eerder een lening verstrekt aan de eigenaar van dat huis, die daarvoor jaarlijks 1 heren pond rente moest betalen. Deze verplichting om dit jaarlijks te betalen heeft Evert van Wijtman aan de St. Antonius broederschap doorgesluisd, waardoor en waarvoor hij en zijn vrouw nu lid zijn. Deze jaarlijks terugkerende rente moest op Sint Maarten (Martini) betaald worden. Een herenpond was rond 1450 ruim drie gulden waard.
Evert van Wijtman (Wijtmen) wordt in akten vermeld tussen 1429-1473. Hij was ondermeer schepen van Zwolle (1429-1433), schout van Zwolle (1438-1444) en rentmeester van Salland (1446-1473). Evert was een van de belangrijkste en invloedrijkste personen in Zwolle en in het Oversticht. Hij was gehuwd met Margaretha van Ockenbroek. Bessele van Wijtman was de moeder van Evert van Wijtman.2
In 1494 heeft Gerbrech, de vrouw van Roetger leiendekker, op dat moment eigenares van het huis in de Goudsteeg, de ver­plichting om jaarlijks 1 heren pond te moeten betalen, aan de St. Antonius Broederschap afgelost. Dit was doorgaans mogelijk tegen het twintigvoud. Dat verklaart ook dat er twee verticale strepen door de tekst staan. Daarmee wordt aangegeven dat deze inschrijving is doorgehaald en dus geen geld meer oplevert.
Volgens de christelijke leer mocht men in de Middeleeu­wen geen rente vragen voor uitgeleend kapitaal. Dat werd als woeker beschouwd. Het was oneerlijk geld te verdienen door tijdsverloop; de tijd behoorde aan God alleen. Bovendien moest de mens ‘in het zweet van zijn aanschijn’ zijn brood verdienen. Rente werd door luiheid verkregen. De formulering in mid­deleeuwse akten is dan ook altijd zodanig dat de geldlener de actieve persoon is. Hij verklaarde een jaarrente uit zijn huis of land verkocht te hebben omdat hem geld verstrekt was. Door deze formulering bleef de geldschieter verschoond van het heffen van rente. De jaarlijks te betalen rente was af te lossen tegen het twintigvoudige.
Noten
1. J.L. van der Gouw e.a., Nederlandse archiefterminologie. Zwolle, 1962., nr. 30
2. J.J. Seekles, Van Wytman, in: De Nederlandsche Leeuw, Maand­blad van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor geslacht- en wapenkunde, 111 (1994), p. 87-111

De eerste inschrijving in het tweede ‘sextern’ of deel van het Register van de Sint Antonius Broederschap, met in de kant­lijn de notitie ‘M[ar]tini’.
(Collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 17

18 zwols historisch tijdschrift

De St. Michaëlskerk
of Grote Kerk,
midden zeventiende eeuw. Tekening door Abraham Beerstraten. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

Het register van de Sint Antoniusbroederschap, gebonden in een band van kalfsleer met mes­sing beslag. (Collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 19

Het eerste blad (folio) van het register van de Sint Antoniusbroeder­schap. (Collectie HCO)
Het tweede blad (folio) van het register van de Sint Antoniusbroeder­schap. (Collectie HCO)

20 zwols historisch tijdschrift

Herman van Voerst (=Voorst) heeft het lidmaatschap betaald met een knecht die hij aan de broederschap gegeven heeft. Detail van het tweede blad van het register van de Sint Antoniusbroederschap. (Collectie HCO)
‘… eenre maget (…) der broederschap gege­ven…’, detail van het tweede blad van het register van de Sint Antoniusbroederschap. (Collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 21

Varkens op stortplaats Westerveld aan het Zwarte Water, 1954. Vanaf 1951 scharrelden varkens rond op Westerveld, de stortplaats van de gemeentereiniging. Het kostte de eigenaar van de varkens aanvankelijk tien gulden per varken per jaar, later duizend gulden, ongeacht het aantal krulstaarten. De gemeente hoopte zo haar financiële positie, die toen niet rooskleurig was, iets te verbeteren. De Yorkshire-varkens vrolijkten de saaie verlatenheid van het stortterrein op en deden zich te goed aan ‘de afvalstoffen uit de huishouding, die voldoende voedingsstoffen boden’, aldus de Zwolse Courant. Ze deden het best en werden steeds vetter. Jarenlang hebben er op de stortplaats varkens rondgescharreld. In het begin van de jaren zeventig, toen de stortplaats vol raakte en een andere bestemming kreeg, verdwenen ook de varkens. Zij maakten plaats voor bomen. Westerveld werd een nieuw recreatiegebied langs het Zwartewater. (Collectie HCO, Redactiearchief Zwolse Courant, foto Dolf Henneke)

22 zwols historisch tijdschrift

De Heilige Antonius
Er zijn twee bekende heiligen met de naam Antonius. De ene, in dit artikel beschreven, wordt ter onderscheiding ook wel Antonius van Egypte genoemd en vaak afgebeeld met een varken. De andere heilige Antonius is Antonius van Padua. Hij was een groot redenaar en volgens de legende preekte hij voor de vissen. Hij is de patroonheilige voor het terugvinden van verloren zaken.
Mijn tweede voornaam is ook Antonius. Of mijn vader – hij was boer en we hadden thuis varkens – mij die naam gegeven heeft, of mijn moeder – zij riep de H. Antonius altijd aan als er thuis iets zoek was – ik weet het niet. In ieder geval voeren de missiepaters van Mill Hill in Oosterbeek er wel bij. Had mijn moeder iets teruggevonden, dan ging er een klein bedrag in het missiebusje dat één keer per jaar werd opgehaald. Zolang het busje niet geleegd was, gebruikten wij als kinderen de centen bij het kaarten…
Sint Antonius van Egypte, met varken. (www.Adolphus.nl)

zwols historisch tijdschrift 23

24 zwols historisch tijdschrift

De wilde deerne
Als wij als archivarissen het hebben over stukken, dan bedoelen wij doorgaans archiefstukken. In dit artikel gaat het ook om een stuk maar om een heel bijzonder stuk, een beeldschone vrouw. Haar naam is Anna Maria Jennaert, geboren in Antwerpen in 1698. Zij hield zich in 1717 op in de bossen rond de Kranenburg bij de Agnietenberg in Berkum. Zij kon niet praten. Wel liet zij de harten van de jonge boeren in
Berkum sneller kloppen omdat haar schamele kle­ding weinig verhulde. Bij elke toenadering vluchtte ze het bos in. Hoe zij uiteindelijk in handen viel van diegenen, die jacht op haar maakten, wordt hierna verhaald.
Een welgevormde verschijning
Het is 1717, hoogzomer. De boeren rond de havezate De Kranenburg in Berkum – ‘ontrent een uer gaens van de Stadt Swol’ – zijn druk bezig met hooien. Plotseling verschijnt er aan de rand van het dichte bos een jonge vrouw. Haar haar is ravenzwart en lang. Haar huid is vuil. Ze draagt geen kleren. Slechts een klein stukje stof om haar lendenen is alles wat haar lichaam bedekt. Al is ze vuil, haar lichaam heeft weldadige vormen, een lust voor het oog. Als de boeren haar zien, vlucht ze het bos in. Verschrikt blijven de boeren achter. Hebben ze werkelijk gezien wat ze zagen? Of was het een droom?
In de weken, die volgen wordt ze af en toe gesignaleerd. Ze blijft in de buurt rondzwerven. De boeren merken dat ook aan de onrust onder het vee. De koeien zijn ‘leeggelebberd’ of laten de melk niet schieten. De kippen zijn van de leg. De vruchten op het veld verdwijnen spoorloos. Het maakt vooral de mannelijke jeugd van Berkum nieuwsgierig. De heer van De Kranenburg, Rut­ger van Patkull tot Posendorf, verbiedt zijn zoon alleen de deur uit te gaan.
Omdat de onrust onder mens en vee voort­duurt, besluit men het ‘vrouwmensch’ met zachte hand te pakken te krijgen. Berkum leeft tussen spanning en nieuwsgierigheid. Zou het lukken? Met wat melk probeert men haar te lokken. Zij drinkt de melk wel op maar verdwijnt daarna weer snel het bos in. Na een aantal mislukte pogingen neemt men krasse maatregelen. Er wordt een ploeg geformeerd van sterke boeren-zonen om haar te vangen. Tegen al dit geweld is de jonge vrouw niet opgewassen. Ze slagen erin om haar na een klopjacht te pakken te krijgen, hoewel ze zich eerst als een tarzan (of Jane) verzet. Som­mige jonge boeren vinden het moeilijk om haar aan te raken en haar te boeien. Praten kan ze niet. Ze stamelt wat. Gelaten ondergaat ze haar lot.
Ook het stadsbestuur is intussen op de hoogte gebracht van de vangst van een ‘wilde deerne’ bij havezate De Kranenburg. De boeren uit Ber­kum krijgen de opdracht haar naar het stadhuis te brengen. Op een boerenkar met stro wordt ze naar de Sassenstraat gebracht. Het gerucht van een wilde deerne gaat als een lopend vuurtje door de stad. De Zwollenaren staan rijen dik langs de weg om dit tafereel te aanschouwen. Door het stro is haar lichaam echter niet helemaal te zien.
De onderzoekscommissie op het stadhuis zit met de wilde deerne in de maag. Communiceren met haar gaat niet. Ze stamelt wat en stoot vreem­de klanken uit. Nadat ze een flinke wasbeurt heeft ondergaan, is iedereen onder de indruk van haar welgevormde verschijning en haar sprekende ogen. Al is het een wilde deerne, ze is bloedmooi. Ze krijgt kleren maar verscheurt die. De commis­sie besluit haar in de kost te doen bij mevrouw Van Orten, die aan de Ossenmarkt het logement De Misverstand runt. Omdat ze als vegetariër geleefd heeft en niet gewend is aan de Hollandse pot, wordt ze ziek. Haar maaltijden bestaan daar­na vooral uit groenten. Na verloop van tijd is ook het gewone eten voor haar te verteren. Het valt de hospita op dat ze wel steeds een kruisteken maakt als ze wat eet. Dat ze kleren moet dragen, heeft ze intussen geaccepteerd.
Op zoek naar haar herkomst wordt er na ruim een half jaar een zoektocht à la ‘Spoor­loos’ ontwikkeld. Er verschijnt een oproep in de Amsterdamse Courant. Wie kent deze jonge vrouw van ongeveer 19 à 20 lentes met een rond gezicht, vriendelijk uiterlijk en lang zwart haar. Via via bereikt dit bericht in maart 1718 Antwer­pen. Daar woont haar moeder, een weduwe. Uit de omschrijving van haar uiterlijke kenmerken in de krant concludeert zij dat het haar vermiste dochter moet zijn. Zo snel als mogelijk is vertrekt zij naar Zwolle. Vijf dagen later arriveert ze. Bij het huis aan de Ossenmarkt aangekomen, ziet zij dat het echt haar dochter is. Ze is buitenge­woon gelukkig en sluit haar in haar armen. Anna Maria lacht alleen maar. Een gelukkige lach, die blijdschap uitstraalt. Samen brengen ze nog een bezoek aan het bos en de plek waar Anna Maria opgepakt is. Eind maart verlaten moeder en doch­ter Zwolle. Op 6 april 1718 beleven zij hun ‘blijde incomste’ in hun woonplaats Antwerpen. Of zij daar nog lang en gelukkig leefden, vermeldt de historie niet…
Raadsel
Anna Maria Jennaert was in mei 1700 als kind van anderhalf jaar ontvoerd en spoorloos verdwenen. Hoe zij in 1717 in de buurt van Zwolle verzeild is geraakt, blijft tot op de dag van vandaag een raad­sel. Haar lotgevallen zijn beschreven in: Cort ver­hael van de geboorte, neminghe ende vindinghe van Anna Maria Jennaert, verloren 17 jaeren en half en gespyst in de wildernisse door de wonderlijcke voor­sienigheyt Godts…,Antwerpen, z.j.1
Rekening
Uit een rekening van 6 februari 1718 blijkt dat mevrouw Van Orten voor het verblijf van ‘het Vrouw Mens Uijt de Cranenberger Bos’ een bedrag van 31 gulden en 18 stuiver bij de stad Zwolle declareerde. Het kostgeld bedroeg een gul­den per week. Voor kleding (een jas, een rok, twee hemden, een schorteldoek (=schort), twee trek­mutsen (=muts met bandjes) en een paar kousen bracht ze 4 gulden en 18 stuiver in rekening. Later volgde er nog een factuur.
Van alle archiefstukken die ik in de afgelopen jaren gekopieerd heb, heb ik dit het vaakst geko­pieerd. Een opmerkelijk stuk over een bijzonder stuk.2
Noten
1. Voor een wetenschappelijke benadering van het fenomeen wolfskinderen zie:
Wal, Marijke J. van der, Feral children and the origin of language debate : the case of the Puella Trans-Isalana or the Kranenburg girl (1717). S.l., 1998
2. Stadsarchief van Zwolle , inv.nr. 7028

zwols historisch tijdschrift 25

Havezate De Kra­nenburg in Berkum, omstreeks 1840.
(Collectie HCO)

26 zwols historisch tijdschrift

Titelpagina van ‘Cort verhael van de geboorte, neminghe ende vin­dinghe van Anna Maria Jennaert’, Antwerpen, z.j. (Collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 27

Rekening van 6 februari 1718 voor het verblijf van ‘het Vrouw Mens Uijt de Cranenberger Bos’. (Collectie HCO)

28 zwols historisch tijdschrift

De Zwolse eigenaren van
een middeleeuws handschrift
In 2004 attendeerde prof. Dick de Boer uit Gro­ningen het Historisch Centrum Overijssel op een handschrift, dat via internet te koop werd aangeboden. Het betreffende document vertoonde veel Zwolse kenmerken. Dat was de aanleiding dat het HCO het betreffende zeer zeldzame handschrift gekocht heeft.
Sarijs 1
Het handschrift, dat bij het HCO bekend staat als Sarijs 1, is een getijdenboek. Getijden zijn gebeden die over de dag verspreid op een vast uur gezegd of gezongen worden door priesters en monniken. Ten tijde van de Moderne Devotie vertaalde Geert Grote gebeden uit het Latijn in het Nederlands. Hij bundelde die. Deze gebeden voor leken wer­den ook op vaste tijden gelezen en kregen de naam van getijdenboeken. Ze waren bestemd voor per­soonlijke devotie en werden meestal in opdracht gemaakt. Afhankelijk van wat de opdrachtgever er voor over had, werden ze al dan niet rijkelijk versierd of verlucht.
De bladzijden in een getijdenboek zijn van perkament. Het begin van elk hoofdstuk is door middel van een versiering gemarkeerd: de eerste letter van de tekst is groot en van een afbeelding voorzien. Een getijdenboek bestaat ondermeer uit: een kalender, getijden, een litanie en een vigilie voor de doden. Wat een getijdenboek zo bijzonder maakt zijn de prachtige miniaturen (met verf geschilderde illustraties) en de randver­sieringen.
Uit de afbeeldingen van het handschrift op internet bleek overduidelijk dat het behoorde tot de zogenaamde Sarijshandschriften. Deze handschriften zijn in de periode 1475-1500 in Zwolle geproduceerd. Het in 2004 aangeschafte Sarijs handschrift is niet compleet. Zoals zo vaak gebeurde zijn bladzijden met tekst en miniaturen weggesneden. Dit is waarschijnlijk gedaan door iemand die dacht door het verkopen van losse miniaturen meer te kunnen verdienen dan door het verkopen van een heel boek. Daardoor ligt het boek nu los in de band.
Uit recent onderzoek1 is komen vast te staan dat deze handschriften geschreven en gedecoreerd zijn in het Domus Parva. Het Domus Parva of Arme Frater- of Klerkenhuis in de Praubstraat was de plaats waar studenten woonden, die op de Latijnse school zaten. Zij voorzagen in hun onder­houd of betaalden hun kostgeld door boeken over te schrijven. Dit blijkt onder andere uit het archief van het Arme Fraterhuis: in 1488 waren er veertig getijdenboeken in voorraad, overgeschreven door studenten. Naast het Arme Fraterhuis bevond zich in de Praubstraat ook een Rijke Fraterhuis, waar studenten van vermogende ouders kost en onderdak kregen. Zij verrichtten, voor zover bekend, geen schrijfwerkzaamheden in opdracht. In zowel het Arme als het Rijke Fraterhuis kregen de studenten huisvesting van en werden verzorgd door de broeders des Gemenen Levens van de Moderne Devotie.
Marijs werd Sarijs
Aanvankelijk werd gedacht dat het overschrijven van boeken en het versieren van de tekst uitslui­tend het werk was van kloosterlingen. Recent onderzoek heeft dit beeld enigszins genuanceerd. Ongetwijfeld hielden kloosterlingen zich naast gebed ook bezig met het overschrijven en deco­reren van boeken. Het ligt voor de hand aan te nemen dat het eenvoudige schrijfwerk door de betere studenten verri

Lees verder