Categorie

Aflevering 1

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 1

Door | 2013, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

30e jaargang 2013 nummer 1 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Voor Zwolle
Vijftig jaar
gemeentelijke
monumentenzorg
Omslag: De koningsstijl in de kap van de toren van
de Peperbus met bouwjaar 1828 en naam van de
stadsarchitect H. Klinkert. (Gemeente Zwolle)
zwols historisch tijdschrift 3
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 2
Voorwoord Gerrit Piek 3
Voor Zwolle
Vijftig jaar gemeentelijke monumentenzorg
Henry Kranenborg 4
Tijdlijn Bouwstijlen Team monumentenzorg 22
Ruimtelijke ontwikkeling van
het stadscentrum Peter Boer 24
‘Soe dattet een Ewijch Werck mach bliven’
Restauraties onder de Peperbus
Johan Teunis 37
Het nieuwe wonen in Zwolle
Jan van de Wetering 51
Monumentenzorg en de praktijk
Over ambtenaren, politiek en betrokken
burgers Annèt Bootsma – van Hulten 56
Mededelingen 65
Auteurs 66
2 zwols historisch tijdschrift
Suikerhistorie
Cafetaria ‘De Sassenpoort’
De Sassenpoort en de Peperbus behoren tot de
mooiste en bekendste gebouwen van Zwolle. Al
zes eeuwen lang vormt de Sassenpoort de toegang naar de stad als je vanuit het zuiden nadert.
De Peperbus is van jongere datum dan de poort,
maar vanwege de hoogte bepaalt de Peperbus
het silhouet van de stad. Na een vakantie voelt de
Zwollenaar zich weer thuis als hij de Peperbus in
zicht krijgt.
Het valt anno 2013 bijna niet meer voor te
stellen dat er aan het eind van de negentiende
eeuw plannen bestonden om de Sassenpoort af
te breken. Dit middeleeuwse relict werd toen als
passé ervaren, Zwolle moest mee in de vaart der
volkeren en de poort was een sta-in-de-weg voor
het toenemende verkeer. Er werd een oplossing
gevonden door in 1904 een huis aan de westzijde
van de poort af te breken en daarmee een ruimere
doorgang te maken voor het verkeer dat de stad
verliet. Gelukkig voor latere generaties bleef zo de
monumentale Sassenpoort behouden.
De afbeelding van de Sassenpoort en van de
Peperbus is (en wordt) vaak gebruikt om Zwolle
te visualiseren en te promoten. Ook de horeca
haakt daar op in. Toen in 1957 in het pand Sassenstraat 54 een cafetaria geopend werd, kreeg het de
naam ‘De Sassenpoort’. Het eethuisje was gevestigd tegenover de Handelsschool (= het Refter aan
het Bethlehemse Kerkplein). Nog altijd kan men
hier de inwendige mens versterken. De Hollandse
keuken heeft intussen plaats gemaakt voor de
Mexicaanse. Het is er goed eten. Buen apetito.
Wim Huijsmans
De Sassenpoort in de eerste helft van de jaren zestig. (Collectie HCO)
(Collectie ZHT)
Redactioneel
U heeft een monumentaal nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift in handen. Dit dubbeldikke
nummer staat in het teken van vijftig jaar monumentenzorg in Zwolle en is tot stand gekomen in
nauwe – en plezierige – samenwerking met het team
monumentenzorg van de gemeente. Het thema
wordt belicht vanuit meerdere perspectieven.
Als eerste komt monumentenzorgmedewerker Henry Kranenborg aan bod. Hij geeft een
overzicht van vijftig jaar gemeentelijke monumentenzorg. Welke keuzes werden gemaakt en
waarom? Wat is het verschil tussen historiserend
en conserverend restaureren? Peter Boer, wiens
bureau ARCX samenwerkt met monumentenzorg, geeft een samenvatting van de ruimtelijke
ontwikkeling van het stadscentrum door de eeuwen heen. Johan Teunis, monumentenzorgmedewerker, toont een selectie van de belangrijkste
restauraties, telkens met een korte geschiedenis.
Belangrijkste item: een persoonlijk verhaal over
de restauratie van de Peperbus, icoon van Zwolle.
Een perspectief dat soms wordt vergeten, is
dat van bewoners. Monumenten zijn immers vaak
woonhuizen. In een autobiografisch verhaal vertelt
Jan van de Wetering onder meer over de verbetering van leefomstandigheden in naoorlogse woningen, zoals de komst van de douche.
In een groot interviewartikel laat Annèt
Bootsma ook weer verschillende gezichtspunten
zien. Eerst komen de huidige monumentenzorgmedewerkers Carl Borst, Henry Kranenborg en
Johan Teunis aan het woord. Daarna is het de
beurt aan de politiek met oud-wethouder Margriet
Meindertsma, zij had monumentenzorg in haar
portefeuille, en Jan de Jong, eind jaren tachtig chef
monumentenzorg Zwolle. Ten slotte vertelt
Pieter Lettinga, van de Vereniging Vrienden van de
Stadskern, over hun strijd om het behoud van de
prachtige Zwolse monumenten.
4 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 5
Vijftig jaar monumentenzorg in Zwolle
is een moment om bij stil te staan. De
historie laat zien dat die zorg alleen geen
garantie betekent dat monumentale gebouwen
ook behouden blijven; denk bijvoorbeeld aan
de sloop van de St. Michaëlskerk in 1965 en het
Gouverneurshuis in 1985. Voor behoud is meer
nodig: betrokken inwoners, gedreven eigenaren,
een actieve raad. Die waren en zijn in Zwolle aanwezig en daardoor zijn belangrijke delen van de
binnenstad in stand gebleven, bijvoorbeeld in de
jaren zeventig met de strijd om het stadhuis. Ook
het Openluchtbad is behouden door de inzet van
betrokken inwoners, die daardoor een nieuwe toekomst hebben gegeven aan het bad. Bekroning van
die inzet is de complete renovatie die het bad het
afgelopen jaar heeft ondergaan. Monumentenzorg
is echter meer dan behoud van grote monumentale
gebouwen. Het gaat ook om de vele kleinere panden, die de binnenstad, maar ook de wijken rond
de binnenstad, vormen. Behoud daarvan kan alleen
met de steun en betrokkenheid van bewoners. Dat
geldt bijvoorbeeld voor de Zaagtandwoningen in
Assendorp of de Krekenbuurt in de Aa-landen.
Die gezamenlijke inzet en betrokkenheid
zijn ook in de toekomst hard nodig. Nu door de
economische crisis de middelen afnemen, zijn
we nog meer dan in het verleden aangewezen op
de creativiteit van ons allen. Want monumentenzorg is niet alleen het herstellen van wat door
de tand des tijds is aangetast, maar ook het geven
van nieuwe functies aan deze gebouwen. Behoud,
alleen om wat het was, is slechts bij uitzonderlijke monumenten mogelijk. Andere moeten een
(nieuwe) functie krijgen om te blijven bestaan.
Ik zie dat als het doorzetten van een historische
lijn. Veel van onze monumenten in de binnenstad
hebben door de eeuwen heen wisselende functies
gehad. Alleen daardoor zijn ze er nog.
Voorwoord
Gerrit Piek, wethouder
Monumentenzorg en
Archeologie
Terugkijkend op vijftig jaar monumentenzorg
mogen we trots zijn op wat er is bereikt. Recentelijk alleen al de renovatie van de molens in
Zwolle, de fontein op het Van Nahuysplein, het
Openluchtbad, het Dominicanenklooster, Huize
Soeslo, het Karel de Vijfdehuis en daarnaast de
verbouw van de Broerenkerk en De Fundatie.
Zwolle kent veel rijksmonumenten en het aantal
gemeentelijke monumenten groeit nog steeds.
Die groei is er mede door de grote betrokkenheid
van velen, zij hebben ons gewezen op bijzondere
panden en bouwwerken in de stad.
Daarbij is er de laatste jaren ook steeds meer
aandacht voor de naoorlogse bouw. Dat is een
belangrijke ontwikkeling. Het is ook een ontwikkeling die om een stevige discussie vraagt: waar
eindigt monumentenzorg en begint nostalgie;
waar eindigt behoud van waarden en begint de
rem op de ontwikkeling van een ‘eeuwennieuwe’
stad. Sinds kort hebben cultuurhistorische waarden ook een plek in bestemmingsplannen. Ook
dat noopt tot grondige discussies: waar ligt de
waarde en hoe bescherm je die op de juiste wijze.
Beschermen is niet gelijk aan conserveren.
Toevoegen, herwaarderen naar deze tijd kan ook
een optie zijn. Waarbij wij ons er altijd bewust
van moeten zijn dat wij ook beïnvloed worden
door de tijd waarin we leven. Eeuwige waarheden
bestaan niet, in de toekomst zullen onze keuzes
opnieuw gewaardeerd worden. In dat licht is het
belangrijk dat er in de toekomst nog gekozen kan
worden.
Tenslotte, monumentenzorg is een onderdeel
van de gehele stadsontwikkeling. De kwaliteit van
de binnenstad is door de eeuwen heen gevormd
door bouw, renovatie, sloop en nieuwbouw. Er
is geen reden om die ontwikkeling nu te stoppen. Ook deze eeuw zal haar bijdrage aan de stad
leveren.
Voor Zwolle
Vijftig jaar gemeentelijke monumentenzorg
‘Op 26 november 1962 keurde de raad
van de gemeente Zwolle de verordening op het bureau voor Huisvesting
en Monumentenzorg goed. De datum van de
inwerkingtreding werd bepaald op 1 januari
1963.’ Zo begint het boekje Met het oog op gisteren
dat in 1988 verscheen ter gelegenheid van het
25-jarig bestaan van de gemeentelijke monumentenzorg. Met deze verordening werd het
fundament gelegd voor een actieve gemeentelijke
monumentenzorg.
Nu, vijftig jaar later, bestaan er ongetwijfeld
verschillende beelden over monumentenzorg. Bijvoorbeeld als we genieten van de vele historische
gebouwen die Zwolle rijk is. Soms, als er sloopplannen zijn, gaat het om de vraag waarom een gebouw
geen monument is. Het bekendste voorbeeld in
Zwolle was de sloop van het Gouverneurshuis in
1985. Die sloop had belangrijke gevolgen voor de
koers van monumentenzorg. Monumentenzorg
is echter meer. Het is een keten van mensen die
op verschillende manieren bij een monument
betrokken zijn. Zoals een eigenaar of gebruiker
van een monument, een (restauratie)architect,
een (restauratie)aannemer, een bouwhistorisch of
kleurhistorisch onderzoeker of een schilder. Maar
ook de betrokkenheid en inzet van Vereniging
Vrienden van de Stadskern Zwolle, Stadsherstel
Zwolle, het Zwols Architectuur Podium en vele
anderen bewijst dat de zorg voor onze stad en haar
monumenten een gezamenlijke zorg is.
Met welk doel is de gemeentelijke monumentenzorg ingesteld? En is dat doel de afgelopen
vijftig jaar verwezenlijkt? Het is onmogelijk en ook
onnodig om alle aspecten van de gemeentelijke
monumentenzorg in één artikel te beschrijven.
Daarom worden hier een aantal onderwerpen
beschreven, die een inkijk geven in het gemeentelijk beleid, de werkzaamheden van de medewerkers
monumentenzorg en een belangrijk instrument
van de monumentenzorg: de monumentenlijst.
Links: Boekje ter
gelegenheid van het
25-jarig bestaan van de
gemeentelijke monumentenzorg in 1988,
geschreven door Jaap
Hagendoorn.
Het Flevogebouw
aan de Menno van
Coehoornsingel waar
monumentenzorg van
1973 tot en met 2000
was gehuisvest. (Foto
Henneke, collectie
HCO)
Henry Kranenborg
6 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 7
Vijftig jaar in vijf beleidsnota’s
In de afgelopen vijftig jaar heeft de gemeenteraad
vijf beleidsnota’s over de monumentenzorg vastgesteld. Deze nota’s geven een beeld van de opvattingen over de monumentenzorg en de keuzes die
het gemeentebestuur daarin heeft gemaakt. De
beleidsnota’s gaan in op de onderwerpen die op dat
moment actueel waren. Uit vele pagina’s beleid vallen in vogelvlucht een aantal punten op.
Twaalf jaar nadat de verordening op het
bureau Huisvesting en Monumentenzorg in werking was getreden, werd de beleidsnota
Herlevende historie, Monumenten in Zwolle
(1975) door de gemeenteraad vastgesteld. In deze
eerste monumentenbeleidsnota werd onder meer
het woonhuis- en kerkenprogramma aangekondigd. Daarmee werd tot een planmatige aanpak
van restauraties gekomen. Het beleid was met
name gericht op restauraties in zogeheten ‘concentratiegebieden’ in de binnenstad. Een voorbeeld van zo’n gebied was het nieuwbouwplan
van de architecten Aldo van Eyck en Theo Bosch
rond de Bitterstraat. Dit plan diende lange tijd als
voorbeeld voor stadsvernieuwingsarchitectuur in
Nederland en ook internationaal.
Een mijlpaal in de gemeentelijke monumentenzorg was het raadsbesluit van 17 december
1985 waarin de Verordening op het behoud
van monumenten in de gemeente Zwolle werd
aangenomen. Deze verordening was de formele grondslag om gemeentelijke monumenten
aan te kunnen wijzen. In de daarop volgende
beleidsnota Om het karakter van de stad stelde de
gemeente Zwolle zich ten doel: ‘de bescherming
van cultuurhistorisch waardevol erfgoed teneinde
daarmee een bijdrage te leveren aan een goed
leefmilieu en een aantrekkelijk stadsbeeld.’ Het
accent van het gemeentelijk beleid zou daarbij
vooral op het exterieur van te beschermen panden
worden gelegd. De beleidsnota ging vervolgens
in op de instrumenten zoals de aanpassing van
de Monumentenverordening voor de exterieurbescherming en op de criteria voor plaatsing van
panden op de monumentenlijst. De nota werd in
1989 opgevolgd door de Nota monumentenbeleid.
Daarin werd besloten om de meest waardevolle
elementen uit de groep, zogeheten ‘beeldbepalende panden’, aan te wijzen als gemeentelijk
monument. De aanduiding beeldbepalend pand
was feitelijk een subsidiestatus om in aanmerking
te komen voor (rijks)subsidies. Nadat deze subsidiestromen verminderden, werd daarom de focus
op de gemeentelijke monumenten gelegd.
De gemeenteraad stelde op 31 oktober 1994
de uitgangspunten voor het monumentenbeleid
1994-1998 vast, ook wel Werkprogramma 1994-
1998 genoemd. Deze nota ging in op restauratie
en onderhoud van monumenten en het daarbij
horende financiële kader. Verschillende restauraties kregen in die periode landelijke aandacht,
zoals de restauratie van de Hoge Spoorbrug, de
Grote Katerveersluis en de Statenzaal.
Als vervolg op het Werkprogramma 1994-
1998 stelde het college van burgemeester en wethouders op 2 maart 1999 het Werkprogramma
1999-2002 vast. Tijdens behandeling in de Raadscommissie Ruimte op 16 maart 1999 bleek dat de
naam ‘werkprogramma’ te bescheiden was voor
het meest uitgebreide beleidsstuk voor de monumentenzorg in Zwolle. De nota werd op 24 januari 2000 door de gemeenteraad vastgesteld. Het
beleid met de uiteindelijke naam Dynamiek van
Oud & Nieuw – Zwols monumenten- en archeologiebeleid na de eeuwwisseling is nog steeds het
geldende beleid voor de monumentenzorg. De
centrale doelstelling van het monumentenbeleid
is daarin als volgt geformuleerd: ‘instandhouding
van historisch waardevolle objecten, complexen,
openbare ruimte en stedenbouwkundige en
landschappelijke structuren.’ Een vergelijkbare
doelstelling wordt in elke Zwolse monumentenbeleidsnota op een eigen manier omschreven en
vormt daarmee de algemene doelstelling van de
afgelopen vijftig jaar monumentenzorg.
In de beleidsnota’s zijn drie hoofdlijnen te ontdekken. Allereerst wordt de basis gevormd door
het doel van en door het instrumentarium voor
de uitvoering van het gemeentelijk beleid. Een
tweede onderdeel is de inventarisatie en de aanwijzing van monumenten. Dit onderdeel richtte
zich in de vier beleidsnota’s tot het eind van de
jaren negentig van de vorige eeuw hoofdzakelijk
op de periode van Jonge Bouwkunst (1850-1940).
Nadat de aanwijzingen uit deze periode waren
afgerond, werd de doelstelling in de vijfde beleidsnota gericht op andere thema’s, zoals bouwhistorisch waardevolle objecten en naoorlogs erfgoed.
Tenslotte zijn restauraties en onderhoud van
monumenten, met de daaraan gekoppelde subsidie-instrumenten, een terugkerend onderdeel van
de beleidsnota’s. Het uiteindelijke doel van het
monumentenbeleid is immers de instandhouding
van de monumenten door onderhoud en restauratie en door een passende functie.
Werkzaamheden
Beleidsnota’s schetsen de kaders waarbinnen uiteindelijk wordt gewerkt. Maar welke werkzaamheden worden nu feitelijk door de monumentenzorgmedewerkers uitgevoerd?
De werkzaamheden van het bureau Monumentenzorg bestonden in de eerste jaren na
oprichting veelal uit het opbouwen van een fotoen tekeningenarchief, het verwerven van restauratiemateriaal uit gesloopte panden in de binnenDe eerste beleidsnota
‘Herlevende historie,
Monumenten in Zwolle’. (Gemeente Zwolle)
Rechts: Katerveersluis,
de nieuwe sluis in de
oude sluispoort, 1992.
(Collectie HCO)
Beleidsplan ‘Dynamiek
van Oud & Nieuw –
Zwols monumentenen archeologiebeleid
na de eeuwwisseling’
uit 2001. (Gemeente
Zwolle)
De reconstructie van
de stadsmuur op het
Eiland, jaren zeventig.
(Collectie HCO)
8 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 9
stad en uit het opstellen en (laten) uitvoeren van
restauratieplannen. Voorbeelden van toenmalige
restauraties zijn de stadsmuur aan de Buitenkant,
het Celecomplex, het Hopmanshuis, de Hoofdwacht en het Langhuis. De restauraties stonden
onder directie van het bureau Monumentenzorg
en van Zwolse architecten zoals Th.G. Verlaan,
D. Hartsuiker, W. Wormhoudt en M. Meijerink.
Ook in de jaren zeventig en begin jaren tachtig
werd er mede dankzij het kerkenrestauratieplan
en het woonhuisprogramma (met bijbehorende
subsidies) veel gerestaureerd. Het restauratieen rehabilitatiebeleid kreeg zelfs internationale
erkenning. In 1983 ontving de gemeente de
Europa Nostra Award voor de restauratie van
acht panden op de hoek van de Steenstraat en de
Waterstraat. De restauratie omvatte het herstel
van historische panden maar ook nieuwbouw,
waarbij de bestaande historische gevel werd
behouden. Een ingemetselde gevelsteen herinnert
nog aan deze onderscheiding.
Decentralisatie van taken en bevoegdheden
Per 1 januari 1989 werd de eerste Monumentenwet uit 1961 opgevolgd door de Monumentenwet 1988. Met deze nieuwe wet werd een
aantal taken van de rijksoverheid aan gemeenten
overgedragen. De belangrijkste verandering
voor de gemeente was de decentralisatie van de
bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen.
Voorwaarde daarbij was dat de gemeenteraad een
verordening had vastgesteld, waarin de instelling van een zogeheten ‘monumentencommissie’
was geregeld. Deze commissie, die tegenwoordig
onderdeel uitmaakt van de geïntegreerde welstands-/monumentencommissie, adviseert het
college van B en W over aanvragen om vergunningen. De gemeente moest daarnaast ook bij alle
vergunningaanvragen advies vragen aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Deze adviesplicht is in 2009 overigens beperkt tot adviezen
waarbij het voortbestaan van het monument in
geding zou kunnen zijn, zoals ingrijpende (functie)wijzigingen en reconstructie. De Monumentenwet 1988 bood de mogelijkheid om de nieuwe
bevoegdheid tot het verlenen van monumentenvergunningen voor vijf jaar bij het Rijk te laten.
Gedurende die periode kon de gemeente zich op
de nieuwe taak voorbereiden. De gemeenteraad
besloot in de nota monumentenbeleid van 1989
van deze uitstelmogelijkheid gebruik te maken.
Van architect naar adviseur
Met de decentralisatie van bevoegdheden was, ook
landelijk gezien, een cultuuromslag merkbaar.
Monumentenzorg kwam dichter bij de monumenteigenaren en burgers te staan. Een monumenteigenaar hoefde niet langer in contact te treden
met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, die
destijds in Zeist was gehuisvest. Men kon voor een
vergunning of advies dichtbij een afspraak maken
met monumentenzorg in het Flevogebouw.
Mede vanwege de decentralisatie wijzigden
de taken van monumentenzorg in de loop van de
jaren tachtig. De werkzaamheden als restauratiearchitect en als ontwerper van nieuwe invullingen
in de stad, die sinds de beginjaren werden uitgevoerd, werden afgebouwd. De werkzaamheden
bestonden eind jaren tachtig in grote lijn uit drie
categorieën werkzaamheden:
1. Werkzaamheden ten aanzien van rijksmonumenten. Zoals advisering over aanvragen tot
aanwijzing tot monument, planoverleg met de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg, behandeling van subsidieaanvragen, meerjarenramingen,
bestuursadvisering, informatieverstrekking aan
eigenaren, onderzoek naar bouwgeschiedenis,
historisch onderzoek bij plannen en werkzaamheden over de samenhang tussen monumentenzorg
en stadsvernieuwing. Vergelijkbare werkzaamheden werden uitgevoerd ten aanzien van gemeentelijke monumenten;
2. De zorg voor monumenten in gemeentelijk
bezit door het laten uitvoeren van restauraties en
onderhoud. De meeste tijd werd daarbij besteed
aan interne adviezen over onderhoud en aan de
begeleiding van werkzaamheden;
3. Een actief informatiebeleid over monumentenzorg. Een voorbeeld daarvan zijn brochures over
monumentenonderwerpen zoals Een goed voorbeeld van restauratie en hergebruik: Sassenstraat
21.
Daarnaast brachten het aannemen van de
gemeentelijke monumentenverordening in 1985
en het opstellen van een gemeentelijke monumentenlijst een uitbreiding van taken met zich
mee. In die periode wijzigde het historiserend
restaureren langzamerhand in conserverend
restaureren. Bij historiserend restaureren poogde
men de oorspronkelijke staat van een monument
te reconstrueren, zelfs als die oorspronkelijke
staat nooit had bestaan. Een Zwols voorbeeld van
historiserend restaureren is de Pelsertoren. De
bovenbouw is door architectenbureau Verlaan
en Nijhof gewijzigd van het destijds aanwezige
schuine dak in een ommuring met kantelen,
schietgaten en een torentje. Hierbij is aan de
hand van historische tekeningen getracht een
oorspronkelijke toestand terug te brengen. Of de
toren er ooit daadwerkelijk zo heeft uitgezien, valt
niet met zekerheid te zeggen.
Bij conserverend restaureren wordt het monument hersteld in de toestand waarin het zich
bevindt. Noodzakelijke toevoegingen worden met
eigentijdse materialen vormgegeven. Daarmee
blijft een toevoeging herkenbaar als toevoeging
uit een bepaalde periode en blijft het monument
als het ware ‘leesbaar’. Een recent Zwols voorbeeld is de restauratie en herbestemming van het
Spinhuis tot hotel en restaurant (Librije’s Zusje).
Nieuwe toevoegingen zijn als zodanig herkenbaar, maar de sfeer van de voormalige gevangenis
is nog volop aanwezig.
Achterzijde Waterstraat 32-38, voor de
restauratie. (Collectie
HCO)
Achterzijde Waterstraat 32-38, na de
restauratie. (Collectie
HCO)
Pelsertoren en poort
voor restauratie, 1972.
(Collectie HCO)
Pelsertoren en poort na
restauratie. (Collectie
HCO)
10 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 11
De monumentenwerkzaamheden zijn tegenwoordig nog grotendeels gelijk aan de geschetste
werkzaamheden aan het einde van de jaren
tachtig. Het contact met de monumenteigenaren
en het (werk)bezoek aan de monumenten staat
daarbij voorop. Samen met een eigenaar worden
de mogelijkheden onderzocht om het monument
aan te passen aan de wensen en functies van de
huidige tijd. De praktijk heeft uitgewezen dat
contact met monumentenzorg in een vroegtijdig
stadium van een planproces van groot belang is
voor zowel het monument als de eigenaar. Kansen
en valkuilen worden het liefst al in schetsplanfase
besproken waarbij, indien nodig, ook vooroverleg met de welstands-/monumentencommissie
en/of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
plaatsvindt. Het voordeel voor de eigenaar is dat
teleurstellingen door een afwijzend advies, na een
vaak lange tijd van planvoorbereiding met daaraan verbonden kosten, worden voorkomen. Bij de
beoordeling van wijzigingsplannen zijn de monumentale waarden het uitgangspunt. De door de
gemeenteraad vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften voor onderhoud en herstel van beschermde
monumenten geven daarbij kaders. De gevolgen
van de wijzigingen, de belangen van de eigenaar
en het gebruik van het monument worden in de
beoordeling zorgvuldig afgewogen. Wijzigingen
aan een monument zijn dus niet per definitie
verboden. Noch de eigenaar, noch de gemeente,
noch het monument zijn immers gebaat bij leegstand en verval. Het doel van de vergunning is om
er zorg voor te dragen dat monumentale waarden
niet onnodig verloren gaan. Bouwhistorisch of
cultuurhistorisch onderzoek geeft bij de behandeling inzicht in de belangrijke monumentale
waarden, zoals authentiek (bouw)materiaal of een
beschermde (tuin)aanleg.
Naast deze planadvisering en de begeleiding
van restauraties behoren nog vele andere taken
bij monumentenzorg. Voorbeelden daarvan zijn
werkzaamheden ten aanzien van de verlening
van onderhouds- en restauratiesubsidies voor
gemeentelijke monumenten, informeren van
monumenteigenaren, architecten en aannemers,
advisering over erfgoedonderwerpen aan het
gemeentebestuur, interne advisering over monumenten in gemeentelijk eigendom, contacten met
de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en met
de Federatie Grote Monumentengemeenten in
Nederland (waartoe Zwolle behoort), het documenteren en ontsluiten van monumentengegevens en het beheren van de werf met historische
(bouw)materialen.
Van RRM naar Brim
De gemeente heeft circa twintig jaar een belangrijke taak gehad in het toekennen van subsidies
voor de restauratie van rijksmonumenten. Het
Rijk had daar subsidieregelingen voor opgesteld,
met namen als Rijkssubsidieregeling Restauratie
Monumenten (RRM-1986) en Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten (BRRM-1991
en Brrm-1997). Zwolle moest daarvoor tot 1997
jaarlijks een meerjaren restauratieprogramma
opstellen. Daarin raamde de gemeente de subsidiebehoefte over een termijn van vijf jaren. Het
Rijk kende vervolgens middels een landelijke verdeelsleutel subsidiebudget toe. Als een monument
op het meerjarenprogramma voorkwam, kon een
monumenteigenaar vervolgens subsidie aanvragen. Om overzicht te houden op de staat van de
monumenten hield monumentenzorg op een speciale kaart de kwaliteit van rijksmonumenten bij.
Op de kaart werd aangegeven of de kwaliteit van
een pand goed, matig of slecht was.
Vanaf 1997 moest de gemeente eenmaal per
vier jaar een restauratiebehoefteraming bij het
Rijk indienen. Deze behoefteraming bestond uit
een technische inventarisatie van alle rijksmonumenten die gedeeltelijk of volledig restauratie
behoefden. Het Rijk kende vervolgens subsidiebudgetten toe. Gemeenten met honderd of meer
beschermde rijksmonumenten, waaronder Zwolle, kregen ‘eigen’ budgetten (de budgethoudende
gemeenten). Voor de overige gemeenten werden
de budgetten op provinciaal niveau verdeeld. In
het Gemeentelijk Restauratie-Uitvoerings Programma (GRUP) kende de gemeente het budget
toe aan restauraties. Op basis daarvan kon de
monumenteigenaar de eigenlijke subsidie bij het
Rijk aanvragen.
Het uitvoeren van de behoefteraming zorgde
voor veel contact met monumenteigenaren. De
ervaring leerde dat er tijdens zo’n bezoek tal van
zaken aan de orde kwamen. Voor veel bewoners
en eigenaren van een pand was het een mooie
gelegenheid vragen te stellen of hun ongenoegen
te uiten. Door vragen te beantwoorden of door te
verwijzen naar de juiste instantie ontstond vaak
een sfeer waarin een goed inhoudelijk gesprek
over de instandhouding van het monument
mogelijk werd.
Het eerste GRUP werd op 3 maart 1998 door
het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Hoewel het jaarlijks beschikbare budget
ten opzichte van de meerjarenprogramma’s licht
steeg naar ruim ƒ 800.000,-, was er jaarlijks een
structureel tekort. De restauratiebudgetten werden daarom toegekend op basis van technische
urgentie en, indien er overeenstemming met een
eigenaar was, dat de restauratie daadwerkelijke
zou worden uitgevoerd. Onder meer de restauraHerbestemming van
’t Spinhuis tot Librije’s
Zusje. (Foto Hans Westerink)
Tekeningen Hofvliet:
oude toestand en nieuwe toestand, zichtbaar
zijn de wijzigingen die
de restauratie met zich
mee heeft gebracht.
(Gemeente Zwolle,
architect BP+A architectuur)
Links: Opgeslagen
gevelornamenten Roo
Haen op de werf.
Het pand op de hoek
RodehaansteegDiezerstaat werd
gesloopt ten behoeve
van het nieuwe provinciehuis dat in 1896-
1898 in neogotische
stijl werd gebouwd.
(Gemeente Zwolle)
Israëlitische begraafplaats aan de Kuijerhuislaan, 1986. (Collectie HCO)
12 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 13
tie van buitenhuis Soeslo en de restauratie van de
ingangshekken en het baarhuisje van de Israëlitische begraafplaats kregen op het GRUP restauratiebudget toegekend.
In 2006 werd het Brrm 1997 opgevolgd door
het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding
monumenten (Brim). De uitvoering van deze
regeling werd op dat moment weer bij het Rijk
neergelegd. Daarmee eindigde de actieve regierol
van de gemeente op het gebied van de verdeling
van restauratiesubsidies van het Rijk. Een rol die
monumentenzorg ruim twintig jaar had vervuld
en waarin college en raad vele miljoenen hadden
verdeeld voor de restauratie van talrijke rijksmonumenten in Zwolle.
Kleur in de stad
Kleuren bepalen het karakter van de stad. Door
kleur lijkt er eenheid te bestaan of worden de
gebouwen juist als losse elementen herkend. In
de historische architectuur speelde niet de kleur
van bouwmateriaal, maar de kleur van verf een
belangrijke rol. De historische kleuren van de
Zwolse binnenstad waren vrijwel verdwenen. De
laatste honderd jaar werden bijna alle gevels en
kozijnen wit geschilderd en verdwenen alle materiaalkleuren die bedoeld waren om de architectuur te ondersteunen. Sinds de brochure Kleur in
de stad (1994) worden kleurhistorisch onderzoek
en het terugbrengen van historische kleuren gestimuleerd. Om de aanvrager tegemoet te komen,
wordt een bijdrage in de kosten voor het kleuradvies verleend. Het monumentenbeleid over kleurwijzigingen aan rijks- en gemeentelijke monumenten werpt zijn vruchten af. Het oude stadhuis
aan de Sassenstraat, de toren van de Peperbus,
Koningin Wilhelminastraat 24, Burgemeester
Van Roijensingel 22, de winkelpui van Diezerstraat 124 en Sassenstraat 45 zijn voorbeelden van
gebouwen die Zwolle weer meer kleur hebben
gegeven. Deze gebouwen hebben in de ogen van
sommigen een ware metamorfose ondergaan,
terwijl er alleen een herstel van de oorspronkelijke
kleurstelling, zoals de architect het destijds heeft
bedoeld, heeft plaatsgehad.
Informeren en draagvlak
De werkzaamheden van monumentenzorg en de
aanwezige kennis over de gebouwen van de stad
zijn niet voor iedereen altijd inzichtelijk. Sinds
1987 worden daarom op diverse manieren activiteiten ontplooid om de kennis over en het draagvlak voor monumentenzorg te vergroten.
De bekendste activiteit is Open Monumentendag, die jaarlijks op iedere tweede zaterdag in september plaatsvindt en financieel mogelijk wordt
gemaakt door de gemeente. Op deze dag zijn vele
monumenten gratis toegankelijk voor het publiek
en vinden diverse activiteiten plaats. Zwolle doet
als deelnemer van het eerste uur al sinds 1987
mee aan de dag. Het doel van de Open Monumentendag is zo veel mogelijk mensen in contact
te brengen met monumenten. Jaarlijks telt Open
Monumentendag in Zwolle tussen de 10.000 en
15.000 bezoekers. Open Monumentendag is mede
mogelijk door de inzet van vele vrijwilligers, die
monumenten openstellen en verhalen over het
monument en de historie vertellen.
Daarnaast zijn sinds 1987 informatiebladen
uitgegeven met interessante onderwerpen en
actuele thema’s over monumentenzorg en archeologie. Inmiddels zijn 36 Informatiebladen monumentenzorg en archeologie in Zwolle verschenen.
Diverse onderwerpen zijn in de loop der jaren aan
de orde gekomen, van stadsarchitecten in Zwolle
tot de restauratie van de Peperbus en van het Jaar
van de Boerderij tot moderne monumenten. Alle
36 informatiebladen zijn te vinden op de website
www.zwolle.nl/monumentenzorg. Verder zijn
in de reeks Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle
op een publieksvriendelijke manier de resultaten
van belangrijke archeologische en bouwhistorische onderzoeken in Zwolle onder de aandacht
gebracht. De reeks kent vijf boekwerken.
Sinds 2008 zijn de brochures opgevolgd door
het glossy vormgegeven Monumentenmagazine
dat op Open Monumentendag verschijnt. Het
magazine bevat de opengestelde monumenten en
het dagprogramma. Daarnaast wordt in diverse
artikelen dieper ingegaan op het thema van de
dag. De afgelopen twee jaar waren de thema’s
Nieuw gebruik, oud gebouw (2011), met interessante herbestemmingen van monumenten, en
Groen van Toen (2012) over de bolwerken en
singels, parken en historische buitenplaatsen,
maar ook over het groen van de wederopbouw.
Het Monumentenmagazine is een mooi voorbeeld
van samenwerking met diverse partners in de stad
en wordt mede mogelijk gemaakt door de adverteerders. Daarnaast verlenen diverse auteurs vaak
belangeloos hun medewerking in de vorm van
artikelen.
In 2008 hebben de gemeenten Zwolle en Kampen
de gezamenlijke Erfgoedprijs Zwolle-Kampen
ingesteld. Dit is een jaarlijkse prijs als waardering
voor de inzet van het op een goede wijze beheren,
restaureren en in stand houden van cultuurhistorisch erfgoed. De prijs wordt elk jaar afwisselend
of in Zwolle of in Kampen uitgereikt. Naast de
erkenning middels een oorkonde wordt een geldbedrag ter grootte van e 1000,- toegekend. Dit
jaar wordt de prijs rond Open Monumentendag
weer in Zwolle uitgereikt. De Zwolse winnaars
zijn de muziektent op het Assendorperplein
(2009) en de Dominicanenkerk (2011) geweest.
Tenslotte verzorgen het team monumentenzorg en het team archeologie jaarlijks twee lezingen in het kader van de Historische Avonden.
Deze avonden worden alweer voor het zeventiende achtereenvolgende seizoen gezamenlijk
georganiseerd door diverse historische organisaties in Zwolle.
De Zwolse monumentenlijst
Uit de rijke geschiedenis van Zwolle zijn vele
historische objecten bewaard gebleven. Een deel
daarvan is aangewezen als monument. Bekende
voorbeelden zijn de Grote of St. Michaëlskerk, het
Karel V-huis met de prachtige renaissancegevel
uit de zestiende eeuw, en de herenhuizen aan de
Zwolle krijgt kleur,
gevels van het Celecomplex in historische
kleuren. (Gemeente
Zwolle)
Oorkonde uitreiking Erfgoedprijs
Zwolle-Kampen 2011.
(Gemeente Zwolle)
VVV-bankjes aan de
Burgemeester van Roijensingel. (Foto Hans
Westerink)
14 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 15
Burgemeester van Roijensingel. Minder bekend
zijn de betonnen VVV-bankjes uit de jaren twintig aan de Burgemeester van Roijensingel of het
complex met twintig woningen van de Zwolse
bouwvereniging Eigen Haard uit 1893-1894. Dit
complex is ontworpen in neorenaissancestijl
door de Zwolse architecten W. en F.C. Koch. Bijzonder zijn de arduinstenen hoefslagpalen 46 en
57 die zich op de IJsseldijk bevinden. Van de 87
hoefslagpalen die in 1760 ter begrenzing van de
onderhoudsvakken van de dijk zijn geplaatst, zijn
er nog maar vijf over, waaronder twee in Zwolle.
Rijksmonumenten
Rijksmonumenten worden door het Rijk aangewezen. De rijkslijst bevat momenteel ongeveer
530 monumenten. De eerste lijst telde in 1967
ruim 350 rijksmonumenten. Deze waren hoofdzakelijk gelegen in de binnenstad. Naast de bekende monumenten zoals de Peperbus, het Vrouwenhuis en de Sassenpoort bevatte de lijst ook diverse
woon- en winkelpanden. Buiten de binnenstad
werden onder andere de Zaaddragerswoningen
(Binnengasthuisstraat), oliemolen de Passiebloem
en de hoefsmederij aan de Thomas a Kempisstraat
aangewezen. De lijst werd in de jaren zeventig
verder uitgebreid met objecten die met name
buiten de binnenstad lagen. Voorbeelden daarvan
zijn het Engelse Werk en de Katerveersluizen, de
kerk en de korenmolen in Windesheim en huize
Den Doorn in Haerst. De rijkslijst bevatte begin
jaren negentig zo’n vierhonderd monumenten,
met name uit de periode voor 1850.
De daarop volgende periode van 1850 tot
1940 wordt de ‘jonge bouwkunst’ genoemd.
Vanaf 1986 voerde het Rijk samen met de provincie een inventarisatie uit om de bouwkunst
van deze periode in beeld te brengen. Vanuit
dit Monumenten Inventarisatie Project (MIP)
werden objecten geselecteerd. Het Monumenten
Selectie Project (MSP) resulteerde in ongeveer
zeventig Zwolse objecten die werden aangewezen
als rijksmonument. Kenmerkende voorbeelden
zijn de woningen aan de Prins Hendrikstraat 1, 3
en 5, ontworpen door architect G.G. Post (1902),
de voormalige ambachtschool (Mimosastraat)
ontworpen door architecten A. Baart en L. Krook
(1931-1932), het kantoorgebouw van de NV Electriciteits Fabriek IJsselcentrale (Zeven Alleetjes)
ontworpen door architecten A.J. van der Steur en
M. Meijerink (1939-1946), herenhuizen aan de
Burgemeester van Roijensingel en de oude IJsselbrug (1930).
Het hoofdgebouw van een historische buitenplaats had meestal wel een monumenten bescherming. Om ook de waardevolle tuin- en parkaanleg met de zich daarin bevindende objecten te
kunnen beschermen, heeft het Rijk buitenplaats
Boschwijk, landgoed Schellerberg, landgoed
Soeslo en buitenplaats Windesheim in 2004-2005
aangewezen tot beschermde historische buitenplaats.
De laatste uitbreiding van de lijst met rijksmonumenten is van recente datum. De stedenbouw
en architectuur uit de wederopbouwperiode
(1945-1965) wordt gekenmerkt door vooruitgang
en ontwikkeling. Zo leidden nieuwe materialen
en werkwijzen tot vernieuwing in de architectuur
en werden in de stedenbouw nieuwe verkavelingprincipes toegepast. Groenvoorzieningen
vormden daarin een essentieel onderdeel. Architect G.Th. Rietveld ontwierp in deze periode in
opdracht van Schrale’s Beton- en Aannemingsmaatschappij een kantoorgebouw aan de Willemsvaart. Het gebouw, waarvan de bouw in 1959
werd voltooid, is één van de weinige naoorlogse
panden op de gemeentelijke monumentenlijst.
Begin 2013 is bekend geworden dat dit kantoorgebouw promoveert tot rijksmonument.
De gemeentelijke monumentenlijst
Het gemeentelijk beschermingsbeleid richtte zich
midden jaren tachtig van de vorige eeuw op de
bescherming van de ‘jonge bouwkunst’ (1850-
1940). Dit omdat de rijkslijst met name monumenten uit de periode voor 1850 bevatte. Het
eerste aanwijzingsbesluit dateert van 20 december
1985. Daarbij werden ruim tweehonderd panden
voorlopig op de gemeentelijke monumentenlijst
geplaatst. Op deze voorlopig geplaatste panden waren de beschermende bepalingen van de
Monumentenverordening vervolgens één jaar
van toepassing. Het besluit tot voorlopige plaatsing moest binnen één jaar worden gevolgd door
een besluit tot definitieve plaatsing. Op 8 december 1986 besloot de raad om 59 panden definitief
op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.
Het betrof panden aan onder meer de Rhijnvis
Feithlaan, Prins Hendrikstraat, Burgemeester van
Roijensingel en Stationsweg. Tegelijkertijd werd
besloten om de overige panden opnieuw voorlopig op de gemeentelijke monumentenlijst te
plaatsen. Onder meer omdat ingediende bezwaarschriften nog niet behandeld waren. In vervolg
op dit besluit werden op 2 november 1987 ruim
130 panden definitief op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Het ging daarbij met name
om huizen in de Veeralleebuurt, Assendorp, de
singelbebouwing en bebouwing op de bolwerken
in de binnenstad.
Een tweede selectie van vooral panden van plaatselijk en/of buurtbelang werd op 11 juli 1988 als
monument aangewezen. Voorbeelden daarvan
zijn het woningcomplex aan de Eigenhaardstraat
/ hoek Assendorperstraat, Enkstraat 30 tot en
met 40 (even), het Nieuwe Verlaat (Maatgravenweg), de boerderijen Oldeneelweg 1 en 4 en het
grafmonument van de heren van Windesheim op
de begraafplaats in Windesheim. Bijzonder is de
aanwijzing van de Spoolderberg, een rivierduin
dat eeuwenlang de inhuldigingsplaats was van
de nieuwe landsheer van Overijssel en waar in de
Middeleeuwen vergaderingen in de openlucht
van de vertegenwoordigers van de drie IJsselsteArduinstenen hoefslagpaal 46. (Foto Jeroen
Drost)
De eerste Zwolse
(rijks)monumentenlijst, ‘vastgesteld op
1 augustus 1966,
Min. CRM afd. OKN.’
(Gemeente Zwolle)
Links: De Zaaddragershuisjes aan de Nieuwe
Vecht in 1986. (Collectie HCO)
Kantoorgebouw van
Schrale’s Beton- en
Aannemingsmaatschappij, ontworpen
door architect G.Th.
Rietveld. (Collectie
Centraal Museum
Utrecht)
16 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 17
den en de ridderschap in Overijssel met de landsheer plaatsvonden.
De rijksoverheid was inmiddels begonnen
met het Monumenten Inventarisatie Project. Het
gemeentebestuur verwachtte dat het daadwerkelijk plaatsen van panden op de rijkslijst nog jaren
zou duren. Daarom volgde begin jaren negentig
een volgende aanwijzingsronde. Hierbij werden,
vanwege het nieuwe monumentenbeleid uit 1989,
ook de beeldbepalende panden betrokken. Deze
aanwijzingsronde werd gezien als afronding
van het gemeentelijk beschermingsbeleid over
de periode 1850-1940. Met het besluit van 28
september 1992 werden diverse panden in de binnenstad, onder meer aan de Diezerstraat, de Luttekestraat en de Wolweverstraat aan de gemeentelijke monumentenlijst toegevoegd.
Met de aanwijzing van circa zeventig rijksmonumenten van ‘jonge bouwkunst’ promoveerden
in 1998 diverse gemeentelijke monumenten tot
rijksmonument. Omdat een pand niet zowel
gemeentelijk als rijksmonument kan zijn, werden deze panden afgevoerd van de gemeentelijke
monumentenlijst.
In de daarop volgende jaren werd met enige
regelmaat een aantal objecten aan de gemeentelijk
monumentenlijst toegevoegd. Bijzonder is de
aanwijzing van zeventien monumenten die voor
Zwolle cultuurhistorische waarde hebben, maar
door hun aard, functie of ligging makkelijk worden vergeten of verwaarloosd. Het betrof onder
meer de Gedenksteen ter nagedachtenis aan Thomas a Kempis (1919). Architect P.J.H. Cuypers
maakte het ontwerp. Maar ook de Zonnewijzer op
Grote Markt 11, de Menistensluis en het gevelteken met pauw aan Sassenstraat 51 werden monument. Net zoals het wellicht oudste moslimgraf
van Nederland dat op het landgoed rond Huize
Arnichem in Haerst ligt. Het is het graf van Apollo, een jonge negerslaaf die naar Nederland werd
gebracht door Joan Hendrik Tobias, eigenaar van
Huize Arnichem. Tijdens een oorlog zou Apollo
Tobias van een wisse dood hebben gered. De
gemeentelijke monumentenlijst bestaat momenteel uit 340 gemeentelijke monumenten. Het zijn
hoofdzakelijk monumenten uit de periode 1850-
1940, veelal van de bouwstijlen Neorenaissance,
Eclecticisme en Jugendstil.
De inventarisatie van monumenten die het Rijk
in de jaren zestig van de vorige eeuw uitvoerde,
gebeurde veelal vanaf de openbare weg. Panden
werden niet van binnen bezocht. Zowel landelijk
als in Zwolle groeide het besef dat deze (rijks)
inventarisatie niet had geleid tot een sluitende
monumentenlijst. Deze panden met laatmiddeleeuwse casco’s vertellen veel over het ontstaan
van onze binnenstad.
Naar aanleiding van een gezamenlijk initiatiefvoorstel van een aantal raadsfracties heeft
het college van B en W in 2007 besloten om de
gemeentelijke monumentenlijst uit te breiden.
Daarbij, en dat kwam in Nederland nog niet vaak
voor, zou de bevolking actief worden betrokken.
Dit meerjarig inventarisatie- en aanwijzingsproject moet uiteindelijk leiden tot een gemeentelijke monumentenlijst waarop de verschillende
tijdsperiodes en bouwstijlen evenwichtig zijn
vertegenwoordigd. Vanwege de omvang van het
project vindt de uitvoering stapsgewijs plaats. De
eerste prioriteit ging daarbij met name uit naar
de historische binnenstad. Het straatbeeld van de
Zwolse binnenstad kent veelal gevels die stammen
uit de afgelopen twee eeuwen. Achter veel van
Woningcomplex aan
de Eigenhaardstraat.
(Foto Jeroen Drost)
Gedenksteen ter nagedachtenis aan Thomas
a Kempis, begraafplaats Bergklooster.
(Foto Hans Westerink)
Rechts: Gevelteken met
pauw, Sassenstraat 51.
(Foto Hans Westerink)
Links: Het graf van
Apollo, Haerst. (Foto
Hans Westerink)
Boven: Wederopbouwarchitectuur in doorlopende groenstructuur:
etagewoningen van
architect P.A. Lankhorst aan de Meppelerstraatweg. (Foto Hans
Westerink)
Thomas a Kempislyceum, Schuurmanstraat, begin jaren
zestig. (Collectie HCO)
18 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 19
deze ‘jongere’ gevels gaan echter vaak veel oudere
huizen schuil. Het was daarom de verwachting
dat in de binnenstad nog veel niet beschermde
maar (bouwhistorisch) waardevolle laatmiddeleeuwse gebouwen aanwezig zouden zijn. Andere
onderzoeksthema’s zijn onder meer boerderijen
en architectuur uit de wederopbouwperiode.
De Zwolse bevolking is op twee manieren bij de
inventarisatie betrokken. Allereerst zijn alle Zwollenaren op diverse manieren via de gemeentelijke
website en via de media uitgenodigd een bijdrage te
leveren aan de inventarisatie. Deze burgerparticipatie heeft tot ongeveer 150 voorgedragen gebouwen
geleid. Verrassenderwijs zijn daarbij veel gebouwen
uit de naoorlogse bouwkunst aangeleverd.
Naast burgerparticipatie in het inventarisatieproces is ook burgerparticipatie aan het selectieproces toegevoegd. Hiertoe is een ‘selectiecommissie’ ingesteld. Diverse organisaties uit de Zwolse
gemeenschap hebben in deze commissie zitting:
de Vereniging Vrienden van de Stadskern Zwolle,
de Zwolse Historische Vereniging, het Zwolse
Architectuur Podium en de Stichting Levende
Stadsgeschiedenis Zwolle, het Oversticht en het
team monumentenzorg van de gemeente Zwolle.
De selectiecommissie adviseert het college van B en
W over potentiële gemeentelijke monumenten.
Momenteel bevindt het (bouwhistorisch)
onderzoek in de binnenstad zich in de afrondende
fase. In totaal zijn dan ruim vierhonderd mogelijk waardevolle objecten in de binnenstad door
middel van archiefonderzoek en veldwerk onderzocht. Het onderzoek heeft inmiddels een schat
aan informatie over de (bouw)geschiedenis van
Zwolle opgeleverd.
Beschermd Stadsgezicht
Een belangrijk rijksbesluit in 1993 was de aanwijzing van de binnenstad en delen daarbuiten
als ‘beschermd stadsgezicht’. De reden van de
aanwijzing was de gave historische structuur van
Zwolle met zijn historische bebouwing en monumenten. Met de aanwijzing ontstond de wettelijke
verplichting om ter bescherming van het stadsgezicht een bestemmingsplan vast te stellen.
Het besluit tot aanwijzing als beschermd
stadsgezicht is niet zonder slag of stoot tot stand
gekomen. In 1962 en 1963 heeft het Rijk een
landelijke inventarisatie uitgevoerd naar beschermenswaardige gebieden. In 1968 heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg het gemeentebestuur van Zwolle een conceptvoorstel gezonden
betreffende een beschermd stadsgezicht. Het
gemeentebestuur reageerde niet afwijzend maar
wel met een kritische opstelling, hetgeen in 1970
heeft geleid tot de instelling van een werkgroep
om de materie nader te bestuderen. Eén van de
conclusies in het rapport van de werkgroep in
1973 was dat de binnenstad in drie zones van verschillende graden van karakteristieke schoonheid
kon worden ingedeeld. Daaraan zouden drie planologische beschermingsregimes kunnen worden
gekoppeld. Uiteindelijk bleek er nog veel werk te
doen. Zo waren de financiële consequenties niet
duidelijk en zou er moeten worden gewerkt aan
de verfijning van de zonering en begrenzing van
het beschermd stadsgezicht. In 1974 verzond het
college een brief aan de minister om inzicht te
krijgen in met name de financiële gevolgen van
een aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. In
ambtelijke taal begon de brief als volgt: ‘Eind 1968
heeft ons bereikt een summiere propositie van
de rijksdienst voor de monumentenzorg, preludiërende op de aanwijzing van een niet onaanzienlijk deel van de Zwolse oude binnenstad tot
beschermd stadsgezicht.’ Eind 1976 lagen de ontwikkelingen nagenoeg stil, vanwege onder andere
de wijze van aanpak en personeelsmoeilijkheden
bij de rijksdienst. Dit sloot aan bij het landelijke
beeld, waarin het jaarlijks aantal aanwijzingen
tot beschermd gezicht sinds de jaren zestig sterk
terugliep. In 1983 waren nog maar 158 van de
332 beschermenswaardige stadsgezichten in
Nederland aangewezen. Vanaf 1986 werden bij de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg de financiële en personele mogelijkheden geschapen om het
tempo van de aanwijzingen weer op te voeren.
In het aanwijzingsproces werd wederom de
omvang van het beschermd stadsgezicht ter discussie gesteld. De gemeenteraad stemde in met
de voorgenomen aanwijzing, maar adviseerde
de minister om een viertal gebieden buiten de
begrenzing te houden. Het betrof de gebieden:
a. Maagjesbolwerk, b. Friesewal, c. parkeerdek
Noordereiland en d. westzijde Stationsgebied.
Dit omdat in deze gebieden de historische structuur was verstoord en de bebouwing geen hoge
waarde meer had. Zowel Gedeputeerde Staten
als de Rijksplanologische Commissie waren van
mening dat de eerste drie gebieden als wezenlijke
onderdelen van de historische binnenstad binnen
de vestinggracht moesten worden beschouwd.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan zou
vervolgens kunnen worden bezien of er randvoorwaarden uit oogpunt van bescherming
nodig zouden zijn. Het belang van de Stationsweg als negentiende-eeuwse toegangsweg van
het station naar de binnenstad werd onderkend,
maar vanwege de recentere bebouwingsontwikkelingen kon het buiten het stadsgezicht worden
gelaten. Zodoende eindigt de begrenzing van het
beschermd stadsgezicht aan de zuidkant met de
negentiende-eeuwse villabebouwing en herenhuizen langs de Burgemeester van Roijensingel en
een deel van het Groot Wezenland.
In 2012 werd een
bedrijfshal van IJzerleeuw BV aan de
Gasthuisdijk aangewezen als gemeentelijk
monument van de
wederopbouw. (Archief
IJzerleeuw)
Begrenzing beschermd
stadsgezicht. (Gemeente Zwolle)
20 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 21
In 1963 was ik benoemd bij Monumentenzorg Zwolle. In die
tijd had de gemeente de voormalige Bethlehemkerk overgenomen van de Nederlands Hervormde Kerk, voor het symbolisch bedrag van één gulden. Dat leek een leuke transactie,
ware het niet dat er een addertje onder het gras zat. Namelijk
een achterstallig onderhoud van naar schatting twee ton. Een
heel bedrag in die tijd.
Wat kon men doen met een afgedankt kerkgebouw? Geopperd was de kerk af te breken om plaats te maken voor een
parkeerruimte voor 17 auto’s. Openbare Werken had daartoe
al een tekening klaarliggen. Er werd echter een prijsvraag uitgeschreven voor een betere bestemming. Die werd gevonden:
een Cultureel Centrum, waarin wisselend tentoonstellingen
zouden worden gehouden, terwijl het nog in de kerk aanwezige orgel (Quellhorst, 1828) gelijktijdig kon worden bespeeld
door leerlingen van de Stedelijke Muziekschool. Overigens
bleek later, dat de combinatie van tentoonstelling met orgelstudie, geen gelukkige was. De muziek is al gauw te hard.
Maar eerst moest er nodig wat aan het gebouw gebeuren.
De lekke goten kregen een noodreparatie. Loszittende dakleien waren gevaarlijk. Er was er al één dwars door een autodak
gevallen. Wat moest er eigenlijk aan groot herstel gebeuren?
Dus besloot ik om eens een kijkje te gaan nemen op de zolders
van de Bethlehemkerk. In mijn eentje – dat vond ik niet erg,
maar het was wel stom, achteraf bezien.
Een deur achterin de kerk gaf toegang tot een wenteltrap
die naar de zolders leidde. Er brandde slechts één lamp,
namelijk net boven de trap. Over de gewelfrondingen leidde
een houten steektrap verder naar boven. Het was er behoorlijk donker, daar moest je aan wennen. Een armzalige verlichting van deze immense kerkzolder, het eerste schip. Ik
wist dat ergens halverwege een doorgang moest zijn naar het
tweede kerkschip. Maar waar precies?
Mijn tocht was niet gemakkelijk, want er liep alleen een
smalle plank zonder leuningen over de gewelftoppen. Het
was er spookachtig, slechts de gaten die in de luiken van de
dakkapellen waren geboord, gaven wat daglicht. Het was er
onbeschrijfelijk vies, overal lagen dode duiven en de loopplanken waren hobbelig door alle duivenpoep waarmee ze
bedekt waren. Ik schrok toen plotseling een groep duiven
opvloog. Een regen van huidschilfers daalde op mij neer.
Door mijn schrik was het moeilijk mijn evenwicht te bewaren. Juist onder de spantjukken lag de duivenpoep nog dikker.
Dat veerde een beetje en bovendien zwiepten enkele planken
nogal door.
Ik vond de doorgang naar het andere schip. Inspectie
luiken gaven toegang tot de zakgoten tussen beide dakvlakken. Op de tweede zolder was het minder donker, maar even
vies. De loopplank was weliswaar breder, maar ook zonder
leuning. Toen ik vele maanden later eens op de zolders van
de Grote Kerk moest zijn, was de toestand daar heel anders:
brede loopbruggen met leuningen aan beide kanten. En geen
duiven, dus veel minder vuil. Het is trouwens een heel speciale sfeer, daarboven. Het is er erg stil, net of de straat geluiden
hier niet door kunnen dringen.
De gewelven die er vanuit het kerkinterieur altijd keurig
wit uit zien, zijn van boven bedekt met een dikke laag donkergrijs stof. Door de bolle vorm van de gewelven en als totaal
overzicht van vele gewelven achter elkaar, lijkt het net een
stal met olifanten. Allemaal dikke ronde ruggen. Maar die
bolle ruggen eindigen aan de kanten in diepe donkere gaten,
de gewelfgeboorten. Als je daar in valt, kom je er niet gemakkelijk weer uit. En als je bovendien nog een been breekt, hoort
niemand jou roepen.
Maar ik moest terug, niet kinderachtig zijn. Door de niet
eens zo slecht verlichte doorgang tussen de zakgoten, weer op
de eerste zolder. Tjonge, het was er donkerder dan ik me herinnerde. De duiven vlogen weer verschrikt op. Bah, wat een
vieze troep was het hier. Toen moest ik over de smalste plank,
die dik onder de duivenpoep zat en ook nog doorzwiepte. Ik
zag de diepe donkere gaten naast me. Ik durfde niet. Wat was
ik vreselijk alleen. Roepen zou niets helpen, niemand hoorde
mij immers. Daar stond ik, met knikkende knieën. Ik kon niet
verder. Wat nu?
Plotseling begon het orgel te spelen. Ik was niet meer
onbereikbaar alleen. Er was een mens in de buurt. De tranen
sprongen in mijn ogen, zó dankbaar was ik. De moeilijke
plank was ineens geen probleem meer…
Uit een verslag met kennisoverdracht en anekdotes,
geschreven door oud-medewerker monumentenzorg
P.C. (Piet) Korteweg, Je hebt nog 80 dagen, 1982.
Archief Monumentenzorg
Toekomst voor erfgoed
Zwolle is geen product van één periode. In de
afgelopen eeuwen zijn de stad, de wijken en het
buitengebied ontstaan en continu aangepast aan
nieuwe omstandigheden. Nieuwe ontwikkelingen
zoals veranderende bouwstijlen en stedenbouwkundige inzichten hebben bijgedragen aan het
unieke historisch palet dat de stad van nu vormt.
Vijftig jaar actieve gemeentelijke monumentenzorg heeft er toe bijgedragen dat veel gebouwen
zijn gerestaureerd en dat historisch materiaal in
stand is gebleven. De stad is mede daardoor een
aantrekkelijke historische stad voor Zwollenaren,
toeristen en consumenten. Ons erfgoed is daarmee dus ook een belangrijke economische factor.
Het Zwolse monumentenbeleid is gericht op
de instandhouding van historisch waardevolle
objecten en structuren. Niet door te bevriezen
maar door in ontwikkelingen rekening met ons
erfgoed te houden. Het erfgoed is daarbij inspiratiebron en draagt zodoende bij aan de kwaliteit
en de identiteit van onze gemeente. Monumentenzorg blijft daarmee dus ook betekenis voor de
toekomst houden. Niet alleen als gemeentelijke
monumentenzorg maar als een gezamenlijke
zorg voor ons erfgoed. Burgemeester Drijber zei
daarover in een toespraak in het monumentenjaar
1975 treffend dat het monument vanaf de zestiger
jaren is gaan leven.
Literatuur
J. Hagedoorn, Met het oog op gisteren, 1988
Informatieblad monumentenzorg en archeologie in
Zwolle, juni 1989, ‘Bouwfragmenten terug in stadsbeeld’
Informatieblad monumentenzorg en archeologie in
Zwolle, juni 1994, ‘Kleur in de stad’
Bronnen
Gemeente Zwolle – secretarie archief (1924-1988) inv.
nr. 5050; inv. nr. 5051; inv. nr. 5052; inv. nr. 5053;
inv. nr. 5054
Beleidsarchief Stadsbeheer SB0000165 2.07.355.5 Functieboek sector stadsbeheer + organisatieplan per
afdeling
Archief Stadsbeheer SB00007768 1.853.3 Monumenten-meerjarenprogramma’s 1990 t/m 2001
1.853.3 1987-1996 SB00007831 Monumenten – Beleidsplan, overzichten etc.
1.853.3 2009-0 SB00007841 Monumentenzorg, modernisering beleid
1.853.3 1989 SB00005014 / B1999-NHSSB 443 nota
monumentenbeleid
1.853.3 1999 Werkprogramma monumentenzorg en
archeologie 1999-2002
1.853.3 1999 Beleidsplan Monumentenzorg en Archeologie 1999-2002 SB00001665
1.853.3 2000-0 Monumenten, beleid en voorschriften
SB00001558
1.853.3 1992-1998 Monumenten – subsidieregelingen
en financiering SB00001164
1.853.3 2000 Gemeentelijk Restauratie uitvoeringsprogramma SB00000860
2.07.76 1991 Stads- en dorpsvernieuwing – verordeningen SB00000672
1.853.3 1994 Richtlijnen voor de monumentenzorg
SB00001159
1.853.3 1996 Monumenten meerjarenprogramma’s
SB00001165
2.07.355.5 Administratieve organisatie Stadsontwikkeling 1989/1995 SB1305 B1999 NHSSB 305
Besluiten tot aanwijzing gemeentelijke monumenten;
Monumentenwet 1961 en 1988; Erfgoedverordening Zwolle 2010
Aan de Thorbeckegracht wisselen classicisme, klokgevels,
negentiende-eeuwse
lijstgevels, Jugendstil,
historiserende ‘nieuwbouw’ en eigentijdse
nieuwbouw elkaar
af. Het ritme van de
bebouwing, de verschillen in materialen
en detaillering en de
rijke kwaliteit van de
monumenten bepalen
de historische waarde
van de straatwand.
Nieuwe ontwikkelingen
met kwaliteit passen
dan ook in deze historische continuïteit. (Foto
Hans Westerink)
Een adembenemende ervaring
22 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 23
Romaans Holl. Renaissance Holl. Classicisme Rococo
Classicisme
Eclecticisme Jugendstil
Neo Classicisme
Waterstaatsstijl Rationalisme Intern. Stijl
Neogotiek Nieuwe Bouwen
Renaissance Neo Renaissance Delftse school/trad.
A’damse school
Trad.
Gotiek
1300
1350
1400
1450
1500
1550
1600
1650
1700
1750
1775
1800
1825
1850
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950
1980
Tijdlijn Bouwstijlen
Team Monumentenzorg gemeente Zwolle
24 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 25
Ruimtelijke ontwikkeling van
het stadscentrum
Peter Boer De periode dat in Zwolle de tijd bijna
stil stond, ligt al lang achter ons. In de
tweede helft van de vorige eeuw is de stad
van een slaperig provinciestadje getransformeerd
in een hoofdstad met grootstedelijke allures.
De dynamiek in het historische stadscentrum is
daarbij enorm toegenomen. Zijn aantrekkingskracht ontleent het Zwolse stadscentrum niet in
de laatste plaats aan de historische uitstraling en
een groot aantal beschermde monumenten. Als
boodschappers uit het verleden vertellen oude
gebouwen over onze oorsprong, houden herinneringen levend en geven zo reliëf aan onze identiteit. De binnenstad is echter geen museum waar
bezoekers de collectie niet mogen aanraken. Het
is naast een aantrekkelijke woonomgeving ook
uitgaanscentrum en als winkelgebied bovendien
een economische factor van belang. Elke verandering in de omgeving of bebouwing heeft effect
op bestaande historische kwaliteiten. De belangen
van bewoners, bezoekers, overheid en ondernemers zijn verschillend en botsen nogal eens.
Het gemeenschappelijke besef dat we zorgvuldig moeten omgaan met wat we nog hebben,
vormt al vanaf 1963 de basis van het gemeentelijke monumentenbeleid in Zwolle. Bij verbouwingsplannen, restauraties of nieuwbouw moeten
de verschillende belangen zorgvuldig afgewogen
worden. Dit is werk voor specialisten. De analyse
van de ontstaansgeschiedenis van een gebouw
vormt het werkgebied van de bouwhistoricus. Als
onderdeel van de uitvoering van haar monumentenbeleid stelt de gemeente Zwolle hoge eisen aan
ingediende plannen. Een meestal in opdracht van
de aanvrager uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek vormt al geruime tijd een integraal onderdeel van de planvoorbereiding.
In dit artikel wordt de ruimtelijke ontwikkeling van Zwolle binnen de stadsgracht geschetst
aan de hand van een aantal faseringskaarten.
Op basis van recent uitgevoerd bouwhistorisch
onderzoek wordt daarbij de voor deze perioden
meest representatieve bebouwing toegelicht.*
Onderzoek
Bouwhistorici bestuderen de veranderingen die
een gebouw in de loop der tijd ondergaan heeft.
Zij baseren hun bevindingen hoofdzakelijk op
constructies, materialen, afwerkingen en de
vormgeving daarvan en leggen verbanden met
schriftelijke bronnen en historische afbeeldingen. Bij een restauratie bijvoorbeeld komen op
deze wijze al in de voorbereidingsfase gegevens
beschikbaar, die duidelijk maken welke onderdelen absoluut bewaard moeten blijven en waar
ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. Dat kan
bijvoorbeeld betekenen dat, om de oorspronkelijke dakconstructie te ontzien, een nieuw dakvenster een stukje moet opschuiven of dat een nieuwe
trap het beste in het al bestaande trapgat geplaatst
kan worden om zo historische vloerbalken te
kunnen behouden. Het voortbestaan van een
monument is gediend met een (nieuwe) functie.
Het uitgangspunt is daarom niet het bevriezen
van de bestaande situatie, maar vooral het inzichtelijk maken van de mogelijkheden. Uiteraard
met behoud van de belangrijke waarden. Dat een
bouwhistorisch onderzoek in een vroeg stadium
uitgevoerd wordt, is niet alleen van belang voor de
beoordeling van de ingediende tekeningen. Doordat een aanvrager snel duidelijkheid krijgt over de
(on)mogelijkheden van zijn plannen, verloopt de
vergunningprocedure namelijk veel soepeler en
in veel gevallen ook aanmerkelijk sneller.
Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw zijn,
meestal op initiatief van de gemeente, in Zwolle
veel panden op deze wijze onderzocht. Hiermee
is een uitgebreid bestand met nauwgezette documentatie van historische panden opgebouwd en
nam onze kennis over de ruimtelijke ontwikkeling
van de stad enorm toe. Gebouwen staan namelijk
niet alleen, maar zijn opgenomen in bouwblokken
of onderdeel van een groter ensemble dat aan de
verschillende stadsdelen geheel eigen identiteiten
verleent. Het gebied langs de Thorbeckegracht
bijvoorbeeld wordt gekenmerkt door gebouwen
die gericht zijn op de bedrijvigheid langs het water
en verschilt daardoor hemelsbreed van de statige
bebouwing aan de Koestraat en Walstraat, met de
achterliggende groene singels. In de historische
ontwikkeling van het stadscentrum schuilt een
logica die bebouwing koppelt aan historische stedenbouwkundige structuren, met bijvoorbeeld
overstekhuizen tegen de voormalige stadsmuur
of veertiende-eeuwse huizen van rijke kooplieden
langs de loop van de Grote Aa. In combinatie
met in de grond bewaarde archeologische sporen
vormen deze ensembles een belangrijke peiler
van de Zwolse cultuurgeschiedenis. De koppeling
van grootschalig bouwhistorisch onderzoek met
archeologische data en historisch kaartmateriaal
heeft inmiddels een aantal aanknopingspunten
opgeleverd voor het bijstellen van de ruimtelijke
ontwikkeling van de Zwolse binnenstad vanaf de
Middeleeuwen.
Herinventarisatie
Ondanks alle inspanningen kan niet altijd voorkomen worden dat tijdens bouwwerkzaamheden
af en toe nog onverwachte – en op dat moment
vaak ongelegen – ontdekkingen gedaan worden.
Achter panden met een ogenschijnlijk oninteOverzicht van de Thorbeckegracht. De twee
voormalige pakhuizen
aan de linkerzijde en de
kade rechts herinneren
aan de aan de scheepvaart gerelateerde handel die langs dit water
plaatsvond.
Voorgevel van Oude Vismarkt 10-12. Hoewel de voorgevel anders doet vermoeden, is dit één van de oudste huizen van de stad. Helaas is dit pand vorig jaar
verbouwd, waarbij de uit 1348-1350 daterende eikenhouten kap gesloopt is.
Ondanks pogingen daartoe, kon de eigenaar niet overtuigd worden van de noodzaak van behoud van deze belangrijke constructie. Omdat het huis geen monumentenstatus heeft, kon dit ook niet door de gemeente afgedwongen worden.
26 zwols historisch tijdschrift zwols historisch tijdschrift 27
ressante voorgevel blijken soms nog complete
middeleeuwse casco’s schuil te gaan, in een enkel
geval daterend uit de vroege veertiende eeuw.
In vrijwel alle Nederlandse binnensteden blijkt
dat de beschermde monumenten niet altijd de
panden met de hoogste bouwhistorische waarde
zijn. Deze vaststelling heeft vooral te maken met
de wijze waarop in het verleden het grootste deel
van de monumentenlijsten tot stand is gekomen.
De toekenning van de monumentenstatus was
vooral gebaseerd op een architectonische beoordeling van de voorgevel. Doordat deze gevels vaak
meerdere malen aangepast en/of vernieuwd zijn,
levert dit onvermijdelijk een onvolledig en soms
ook een vertekend beeld op van de historische
structuur van de stad. Een deel van de historische
bebouwing is dus onbeschermd. Het beschermde
stadsgezicht stelt op het niveau van het bestemmingsplan wel regels voor de sloop en herbouw,
maar biedt geen concrete mogelijkheden voor het
behoud van belangrijke panden.
Om als overheid goed voorbereid te zijn op
ongewenste ontwikkelingen en dit soort onaangename verrassingen in de toekomst zoveel mogelijk
te voorkomen, is de gemeente Zwolle enkele jaren
geleden gestart met een grootschalige bouwhistorische inventarisatie. Daarbij wordt alle nietbeschermde bebouwing binnen de stadsgrachten
van binnen en buiten bekeken. Van alle panden
die mogelijk nog oudere onderdelen kunnen
bevatten is eerst aan de hand van de historische
bouwdossiers een voorselectie gemaakt. Mogelijk
interessante objecten worden bezocht en de meest
waardevolle panden kunnen worden voorgedragen
voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. In totaal zijn ruim vierhonderd panden bij
deze inventarisatie betrokken. In de loop van 2013
wordt dit inventarisatieproject afgerond.
Het embryo van de stad
De huidige stad Zwolle is ontstaan als kleine handelsnederzetti

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2014, Aflevering 1

Door | 2014, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

31e jaargang 2014 nummer 1 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Het Raadsel EM
Schilder zonder oeuvre
of oeuvre zonder schilder
ZHT1 2014.indd 1 22-04-14 14:57
Suikerhistorie
Café-restaurant Het Poolsch Koffiehuis
Bijna honderd jaar lang was het Poolsch Koffiehuis gevestigd in het pand Melkmarkt 8. Anders
dan de naam tegenwoordig doet vermoeden, was
een koffiehuis vroeger de benaming voor een
eenvoudig café. Naast koffie werd er ook alcohol
geschonken. Ook in andere steden in Nederland
waren koffiehuizen met deze naam. Waar de
naam vandaan komt, weet ik niet. Het kan samenhangen met de manier waarop de koffie bereid
werd of misschien dat de spreekwoordelijke Poolse landdag er iets mee te maken heeft: oeverloze
discussies zonder tot een besluit te komen. Na te
veel alcohol komt dit nog al eens voor.
Sinds 1877 stond A. Blocks achter de toog in
het Poolsch Koffiehuis, H. Verbeek volgde hem in
1896 op. G.J. Demmer nam de zaak in 1920 over
en werd na zijn overlijden in maart 1960 opgevolgd door zijn zoon A.H.J. Demmer. In Zwolle
was deze zaak ook wel bekend als café Demmer.
Fameus was het zespoots kolombiljart uit de
Zwolse biljartfabriek van J.A. Hoffscholze. Demmer sr. was voorzitter van de afdeling Zwolle van
de Nederlandse Horeca Bond. Op de eerste etage
hadden tal van Zwolse verenigingen hun vergaderplek.
Op 11 maart 1967 opende de heer Lo in dit
pand een Chinees-Indisch restaurant onder de
naam Asia. Het was daarmee het vijfde Chinese
restaurant in Zwolle.
Sinds 1999 vindt men hier het dranck- en
speijslokaal De Vier Jaargetijden. Muziek van
Vivaldi is er niet te horen maar je kunt er wel goed
eten en drinken tegen een redelijke prijs. Verwijzend naar de naam van de zaak is er elk seizoen
een verfrissend biertje. En dat gaat er altijd in!
2 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Melkmarkt 8 anno 2014. (Foto Jan van de Wetering)
(Collectie ZHT)
ZHT1 2014.indd 2 22-04-14 14:57
Omslag: Portret van een vrouw met familiewapen Holt, 1648, gesigneerd
met de in elkaar geschoven letters EM.F. ( Coll. het Vrouwenhuis, Zwolle.
Foto H. Westerink)
zwols historisch tijdschrift 3
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 2
Het raadsel EM
Schilder zonder oeuvre
of oeuvre zonder schilder Saskia Zwiers 4
De Wipstrikkerallee in vogelvlucht
Annèt Bootsma – van Hulten 12
De betonnen muren bij de Vecht
Verstrekte informatie is historisch onjuist
Willem van der Veen 15
Een Zwolse onderneming tijdens de Eerste
Wereldoorlog Annèt Bootsma – van Hulten 16
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 3: Van betutteld blaadje naar
kloek dagblad Willem van der Veen 23
Wipstrikkerallee Henk de Lange 31
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 10: Bovenmaatse kapsels en
ondermaatse rokjes (januari – juni 1964)
Jan van de Wetering 32
Mededelingen 38
Auteurs 41
Redactioneel
I
n dit eerste nummer van 2014 probeert Saskia
Zwiers het raadsel van de maker van een aantal portretten uit het midden van de zeventiende eeuw op te lossen. Deze schilderijen in het
Zwolse Vrouwenhuis werden altijd aan Eva van
Marle toegeschreven, maar ze zijn hoogst waarschijnlijk door Evert Moerman geschilderd. Van
hem waren tot nu toe geen schilderijen bekend!
Veel Wipstrikkerallee in deze aflevering. Aan
de hand van een luchtfoto uit 1960 beschrijft
Annèt Bootsma veranderingen van voor en na die
tijd. Dezelfde straat inspireerde Henk de Lange
tot een prachtig gedicht.
Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Wat voor consequenties dit zoal voor een Zwols bedrijf had, laat Annèt
Bootsma zien naar aanleiding van een lezing over
dit onderwerp die Oeds de Leeuw jr. in 1938 voor
zijn Zwolse Rotaryclub hield.
De betonnen muur bij de Vecht stamt uit
1938, beschrijft Willem van der Veen. Het grote
bord ter plekke geeft onjuiste informatie.
Onze twee series, over de krant van Tijl en
Zwolle in de jaren zestig, hebben vanwege het
vorige themanummer allebei een extra lange aflevering. Willem van der Veen neemt dit keer de
uitgave en de naamsveranderingen van de krant
in de eerste helft van de negentiende eeuw onder
de loep. Jan van de Wetering schrijft weer onnavolgbaar over werk, mode en jongerencultuur in
1964.
Tenslotte nog uw aandacht voor de Mededelingen, waarin de nieuwe wijze van ledenadministratie en contributie-inning van de ZHV
beschreven staat. En uw aandacht voor de rondleidingen die Saskia Zwiers naar aanleiding van
haar artikel voor leden van de ZHV in het Vrouwenhuis zal geven.
ZHT1 2014.indd 3 22-04-14 14:57
4 zwols historisch tijdschrift
I
n de eerste dagen van het jaar 1875 loopt
directeur mr. Willem Steven van der Gronden (Zwolle 1814-1887) samen met de gouvernante door het Zwolse Vrouwenhuis om een
inventaris van de inboedel te maken. Hij is een
ver familielid van stichteres Aleida Greve (Zwolle
1670-1742) en daarom mag hij directeur zijn van
haar hofje voor bejaarde vrouwen aan de Melkmarkt. Met uitzondering van de kamertjes van de
bewoonsters noteert Van der Gronden nauwgezet
wat zich in alle ruimtes bevindt. Zo ook in de
‘Grote Sael’ (nu de regentenkamer), ooit de mooie
kamer van Aleida Greve. Volgens het reglement
houden de oude vrouwen hier van september
tot aan Pasen hun ‘verplichte samenkomst’. Dat
deden ze maar wat graag want tot de komst van
kachels in 1900 is het, afgezien van de keuken, de
enige verwarmde ruimte in huis.
De directeur is zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van het Vrouwenhuis en verwondert zich
misschien over het feit dat in deze kamer ook
de schilderijen van vier jonge vrouwen hangen.
Aleida vormde namelijk op jonge leeftijd een
schilderclubje met haar halfzus Cornelia van
Marle en twee nichtjes Holt. De schilder Willem
Beurs gaf hun les.
Maar naast de schilderijen van de amateurschilderessen hangen er in de Grote Sael nog zes
portretten. Vijf ervan zijn met de letters EM (of
EvM). F. gesigneerd en dragen het jaartal 1648.
De letters E en M zijn in elkaar geschoven en
vormen zo een monogram. Schilders kortten
toen wel vaker op deze manier hun naam in. De F
staat voor het Latijnse ‘fecit’ dat ‘heeft (dit werk)
gemaakt’ betekent. Volgens de inventaris van Van
der Gronden, waarvan een afschrift bewaard is
gebleven, zijn deze portretten gemaakt door Eva
van Marle.
Als hij in 1882 enkele van deze portretten in
bruikleen geeft aan de grote GeschiedkundigOverijsselsche Tentoonstelling in Zwolle wordt
die naam als verklaring voor de letters EM in de
catalogus vermeld. Misschien heeft hij ze zelfs
Portret van een vrouw met familiewapen Holt, 1648, gesigneerd met de in elkaar
geschoven letters EM.F. ( Coll. het Vrouwenhuis, Zwolle. Foto H. Westerink)
Het raadsel EM
Schilder zonder oeuvre of oeuvre zonder schilder
Saskia Zwiers
ZHT1 2014.indd 4 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 5
voor die tijd nog wat laten bijwerken en de (op
éen na) nog onbekende familiewapens aan de
portretten laten toevoegen.
Op twee andere portretten (van een pastoor)
op deze tentoonstelling staat hetzelfde monogram. Maar in de catalogus worden dan de letters niet met Eva van Marle maar voorzichtig
met de schilder Emmanuel Murant of Meuron
(Amsterdam 1622 – Leeuwarden ca. 1700) in verband gebracht, die ook met EM signeert. Als een
volgende directeur twee Vrouwenhuisportretten van Eva van Marle uitleent aan de Nationale
Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den
Haag, die ter gelegenheid van het aantreden van
koningin Wilhelmina in 1898 wordt gehouden, is
haar naam ‘gevestigd’.Vanaf die tijd gaat de naam
Eva van Marle in de kunstgeschiedenis een eigen
leven leiden en worden meer schilderijen met de
signatuur EM aan haar toegeschreven. In totaal
gaat het nu om een tiental gesigneerde portretten
die tussen 1645 en 1654 zijn geschilderd en die
voornamelijk Zwolse personen afbeelden.
In de literatuur wordt ook de naam van de
Haagse portretschilder Everart Crynsz van der
Maes (Den Haag 1577 – ca. 1647) als verklaring
voor de letters EM genoemd, maar leven en ander
Portrettenwand in de
regentenkamer van
het Vrouwenhuis,
waarvan vijf met de
letters EM (of EvM). F.
gesigneerd zijn. (Foto
auteur – zichtbaar in de
spiegel – 2013)
ZHT1 2014.indd 5 22-04-14 14:57
6 zwols historisch tijdschrift
werk van zowel Emmanuel Murant als Everart
van der Maes hebben weinig met deze regio of dit
soort portretten te maken.
Portretten
De schilderijen die dit specifieke monogram EM
dragen, zijn allemaal portretten. De geportretteerden zijn tot aan borst of heup afgebeeld, nooit ten
voeten uit. Van de schilder zijn geen landschappen
bekend, geen stillevens, historische onderwerpen
of de toen zeer in de mode rakende genrevoorstellingen, die scènes uit het dagelijks leven weergeven.
In musea in Kampen, Utrecht, Zwolle en
in Birmingham, USA, hangen werken van de
schilder EM. Ook in enkele particuliere collecties
bevinden zich dergelijke portretten. De eigenaren
zijn dan vaak nazaten van adellijke lieden met een
huis in Zwolle en een havezate elders in Overijssel. Dan draagt de riddermatige persoon op het
portret een harnas.
De afgebeelde figuren zijn vaak in een geschilderde ovaal gevat, tegen een donkere, onbestemde achtergrond. De manier van schilderen is
nogal vlak en hard. De kleding is bij verschillende
personen vaak bijna hetzelfde, tot op de knoopjes
en de plooi in hun mouwen toe. Dat zou kunnen
wijzen op een snelle productie waarbij de kleding
al geschilderd was voor het hoofd van de geportretteerde erboven werd geschilderd. Dat scheelde
de schilder veel tijd en de geportretteerde ook veel
geld.
De meest bijzondere werken van de schilder
EM zijn de portretten van de Zwolse pastoor
Volkert Herkinga / Folkert Herkinge (Groningen
1586 – Zwolle 1662) die ook op bovengenoemde
Zwolse tentoonstelling in 1882 waren te zien. Dit
keer is de geportretteerde niet gevat in een ovaal
maar staat hij in een duidelijk gedefinieerde ruimte, omringd door voorwerpen.
De schilder beeldt in 1650 de pastoor op twee
manieren af: in een zwart wambuis met bruine
tabbaard, leunend op een tafel waarop zijn bonnet
(muts) ligt en in de andere hand een rozenkrans,
en nog een tweede versie waarop hij in vol ornaat
als priester is te zien, staand voor een altaar met
zilveren kandelaars, terwijl hij de zegen uitspreekt
na de mis.
Herkinga was de eerste pastoor van de statie
Onder de Bogen, die voortkomt uit een roomskatholieke schuilkerk in het huis van de rijke
weduwe van jonker Wolfgang de Sweersen in de
Bitterstraat. De pastoor koopt na haar dood in
1641 in het geheim haar huis voor de statie. Het
kan zijn dat de kinderen De Sweersen, en wellicht
vooral Sophia (ca. 1600-1679) die als klopje de
pastoor praktische hulp verleende, de opdracht
voor de twee portretten heeft gegeven. In een
inventaris uit 1666 van de statie van meubelen
die bij juffer de Sweersen berusten, komt de
Portret van pastoor
Volkert Herkinga,
1650. (Coll. Museum
Catharijneconvent,
Utrecht, foto Ruben de
Heer)
ZHT1 2014.indd 6 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 7
omschrijving ‘twee conterfeitsels van salige heer
Volquerus’ voor.
Beide schilderijen waren oorspronkelijk in
het bezit van de Sint Michaëlparochie, de opvolger van de statie. Eén bevindt zich nog in Zwolle,
de ander werd in 1964 verkocht aan het Catharijneconvent in Utrecht. De Sint Michaëlparochie
ging in 2001 op in de Thomas a Kempisparochie.
Schilderende vrouwen
Sinds 1993 hou ik me bezig met onderzoek naar
de schilderessen van het Vrouwenhuis. Naast het
werk van de vier amateurschilderessen en de mysterieuze Eva van Marle hangt er ook werk van een
andere Zwolse ‘penseelprinses’, de schilderes Aleijda Wolfsen (Zwolle 1648-1692). Zij woonde tot
haar dood in het kraambed in het pand dat Aleida
Greve en haar zusters in 1706 van de erfgenamen
kochten.
Onderzoek naar vrouwen in de archieven is
niet zo makkelijk. Ze zitten vaak verscholen achter mannen omdat ze (tot 1957) niet handelingsbekwaam zijn. Ook al zijn ze in de zeventiende
eeuw met 25 jaar volwassen, een mannelijke
voogd (momber) of de echtgenoot is altijd voor
hen verantwoordelijk. Voor vrouwen ligt de keuze tussen óf huwelijk en moederschap óf een religieus, celibatair leven, maar na de Reformatie zijn
niet veel kloosters meer over. Een beroep kiezen
of in het openbaar bestuur plaatsnemen is geen
optie. Vrouwen konden over het algemeen geen
opleiding volgen of lid worden van een gilde, de
organisaties waarin vanaf de Middeleeuwen allerlei beroepsgroepen zich verenigden. Als een schilder lid is van het plaatselijke gilde en als meester
is erkend, mag hij zijn werk signeren, in deze stad
verkopen en er opdrachten aannemen.
Het gildelidmaatschap is voor vrouwen niet
verboden, zoals dat bijvoorbeeld voor Joden het
geval was, maar het was eenvoudig ondenkbaar.
Een uitzondering is de weduwe. Zij heeft de handelingsbekwaamheid van haar overleden man
gekregen. De weduwe van een gildelid mag tot
haar hertrouwen de zaak van haar overleden man
met de hulp van een meesterknecht voortzetten.
Ook de dochter van een meester kan voor een
lagere contributie gildedochter blijven. Alleen in
de handel, dus vooral bij het Sint Nicolaas- of kramersgilde, komen we relatief veel vrouwen tegen.
De meeste kansen om toch zelf haar talent
als schilder te beproeven, heeft de dochter of zus
van een kunstenaar. In de werkplaats kan zij een
opleiding krijgen tussen de andere leerlingen zonder dat het geld kost.
Lessen in tekenen en schilderen zijn ook
voor een jong meisje uit een welgesteld milieu
onmisbaar, maar een professioneel kunstenaarschap is niet de bedoeling. De begaafde Gesina ter
Borch (Zwolle ged. 1631-1690) kreeg voor haar
Portret van pastoor
Volkert Herkinga,
1650. (Coll. Stedelijk
Museum Zwolle, bruikleen Sint Michaëlparochie Zwolle)
ZHT1 2014.indd 7 22-04-14 14:57
8 zwols historisch tijdschrift
tekentalent niet dezelfde aandacht van haar vader
Gerard ter Borch sr., voormalig kunstenaar, als
haar broers.
Met het huwelijk is het kunstenaarschap ook
meestal voorbij zoals bij de Haarlemse schilderes
Judith Leyster (Haarlem 1609 – Heemstede 1660),
die met een collega trouwt. Zij is tot nu toe de
enige vrouw die voor haar huwelijk als meesterschilder ingeschreven stond bij het Sint Lucasgilde en een eigen werkplaats had met enkele leerlingen. Bij andere vrouwen lijkt het meer een soort
erelidmaatschap omdat ze al beroemd zijn. Na het
huwelijk werken schilderende vrouwen vaak nog
mee aan het oeuvre van hun echtgenoot of vader
of aan het verhandelen van zijn kunst.
Feit blijft dat er in de zeventiende eeuw opvallend veel vrouwen werkzaam zijn in de schone
kunsten, hetzij uit liefhebberij, zoals Aleida Greve
en haar penseelzusters, hetzij bijna professioneel.
En juist in Zwolle is toevallig het werk van veel
schilderende vrouwen bewaard gebleven.
Mysterieuze schilderes
De levensverhalen van de zes schilderessen van
het Vrouwenhuis zijn opgenomen in het Digitaal
Vrouwenlexicon Nederland, een website met meer
dan duizend biografieën van vrouwen. Uit deze
verzameling internetbiografieën werd in 2013
het succesvolle boek 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis samengesteld. Na overleg met
samenstelster en medeauteur Els Kloek werd Eva
van Marle echter niet in het boek opgenomen. De
reden is simpel: ik begon steeds meer te twijfelen
aan het bestaan van Eva van Marle. In de archieven is namelijk ondanks uitgebreid onderzoek
omstreeks het midden van de zeventiende eeuw
geen spoor van een vrouw met deze naam te ontdekken. Is Eva van Marle soms afkomstig uit een
van de twee plaatsjes Marle die Overijssel rijk is ?
Zij zou in de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw geboren moeten zijn. Is zij familie
van de Egbert Berents uit Marle bij Vorchten (nu
Gelderland) die trouwt met de Zwolse Geertruida
van Sonsbeeck en zo eigenaar wordt van de Gouden Kroon, een bierbrouwerij in de Voorstraat?
Van de verkoop van deze grote brouwerij kan
Aleida Greve later haar (Oude) Vrouwenhuis
stichten. In de stamboom van deze magistraatsfamilie is Eva echter niet te vinden.
De enige bron voor haar naam is de inventaris
van Van der Gronden uit 1875. En waar hij zijn
kennis vandaan haalde, is helaas niet bekend.
Zijn moeder heette Helena Eva van Marle en is de
kleindochter van Helena Eva Golts, een achternicht van Aleida Greve. De naam Eva komt dus
uit de familie Golts. Ook de aanwezigheid van
schilderijen van Cornelia van Marle, lid van het
clubje amateurschilderessen rondom Aleida Greve, zou de naamkeuze beïnvloed kunnen hebben.
Een nieuwe EM
De twijfel aan het bestaan van Eva van Marle werd
nog vergroot omdat er in dezelfde tijd in Zwolle
een wel bij naam bekende schilder actief was met
dezelfde initialen, namelijk Evert Moertman of
Moerman. Zijn naam duikt op in een register met
namen van leden van het Zwolse Sint Lucasgilde
uit ca. 1639. Naast goudsmeden, kistenmakers
(schrijnwerkers), glazenmakers, wielmakers,
zadelmakers, tinnegieters en boekdrukkers
en -binders worden hierin ook zes schilders
genoemd. Of daarmee alleen de ‘fijnschilders’
worden bedoeld, makers van verfijnde afbeeldingen op paneel en doek, of ook de ‘grofschilders,’
die wij tegenwoordig huisschilder zouden noemen, is niet helemaal duidelijk. (In 1652 zouden
Register van namen
van het goud- en zilversmedengilde, detail
met de namen van zes
schilders, ca. 1639.
(HCO, Stadsarchief
Zwolle, inv.nr. 1651,
foto auteur 2013)
ZHT1 2014.indd 8 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 9
de schilders en de glazenmakers zich weer hebben
afgescheiden van het Sint Lucasgilde).
Afgezien van de bekende ‘Gerrit’ ter Borch
worden Gerrit die Brun, Albert Verssevelt,
Johannes Castelanus en Jacup Stra(e)ts genoemd,
schilders over wie (nog) niet zo veel bekend is.
De eerste naam moet wel op Gerard ter Borch de
jonge (Zwolle 1617 – Deventer 1681) slaan, de
bekendste telg uit de Zwolse schildersfamilie. Zijn
vader Gerard ter Borch de oude, ook opgeleid als
schilder, heeft na zijn trouwen in 1613 allang zijn
palet aan de wilgen gehangen. Ondanks zijn jonge
leeftijd – nog maar twintig jaar – is hij al lid van
het gilde. Vier jaar daarvoor had het Sint Lucasgilde in Haarlem hem al als meester-schilder erkend.
Junior heeft Zwolle als thuisbasis maar is in de
jaren dertig en veertig van de zeventiende eeuw
vaak voor lange perioden elders in Europa: na de
lessen van zijn vader eerst voor een vervolgopleiding in Amsterdam, Haarlem en Londen, later
reizend naar Madrid en Munster. In Zwolle, een
stad met bijna 10.000 inwoners die na de Vrede
van Munster (1648) aan een vredige, tamelijk welvarende periode begint, is klandizie genoeg voor
een portretschilder. De zesde van de genoemde
schilders is de tot nu toe onbekende Evert Moertman.
Evert Moertman of Moerman
Bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag waar gegevens over duizenden westerse kunstenaars en ook op internet
geraadpleegd kunnen worden, is Evert Moerman
(of Moertman) niet bekend. In de Zwolse archieven is hij echter wel terug te vinden, zij het dat de
gegevens sporadisch zijn. In een tijd dat er geen
sprake is van een vaste schrijfwijze van namen, is
hij waarschijnlijk dezelfde persoon als de Evert
Moorman, zoon van Everhardt, die in 1634 in
Zalk trouwt met Antonetta (Toontje), dochter
van de doopsgezinde goudsmid Thomas Schimmelpenninck (Zutphen 1578 – Zwolle 1653) uit de
Diezerstraat. De goudsmid is afkomstig uit Zutphen en verwant aan de tak die zich Schimmelpenninck van der Oye noemt. Hij is sinds 1604
burger van Zwolle (en een directe voorvader van
raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck
(1761-1825). Deze man bezit in 1633 ook een huis
in de Sassenstraat, naast de ouders van de schilder
Hendrik ten Oever, dat hij verhuurt.
Ongetwijfeld is hij ook dezelfde als de Evert
Moerman die op 2 augustus 1639 burger van
Zwolle wordt. Hij wordt dan meester-schilder
genoemd en is afkomstig uit Antwerpen. Het
Portret van Joost/Justinus van Moerkerken,
1645. Coll. Birmingham Museum of Art,
Alabama, U.S.A. Gift
of Victor H. Hanson, II
ZHT1 2014.indd 9 22-04-14 14:57
10 zwols historisch tijdschrift
burgerschap van een stad is de eerste voorwaarde
om lid te mogen worden van een gilde. Hij is
dus tot 1644, als de goud- en zilversmeden zich
gaan verenigen in een afzonderlijk gilde, ook een
gildebroeder van zijn schoonvader of van zijn
zwager die ook Thomas Schimmelpenninck heet
en goudsmid is.
Eén van de oudste portretten van de schilder
EM zou dat van een andere goudsmid zijn die
rond 1630 in de Diezerstraat woont, Joost (Justinus) Jansz van Moerkerken (ovl. Zwolle 1649).
Het is 1645 gedateerd. Van Moerkerken komt
oorspronkelijk uit Delft, is in 1610 te Zwolle
getrouwd met Maria ter Borch en een zwager
van Gerard ter Borch senior. Van Moerkerken is
dan pas keurmeester geworden van het nieuwe
goudsmedengilde, een goede aanleiding om een
portret te laten schilderen. Niet door zijn neefje
Gerard ter Borch de jonge maar door de schilder
EM. (Later schilderden Gerard ter Borch de jonge
en zijn broer Harmen wel jongere leden van de
familie Van Moerkerken).
De naam ‘Justinus van Moerkerken’ staat achterop het schilderij geschreven. Maar, zoals vaak
het geval is met portretten, helemaal vast staat dat
niet want het familiewapen lijkt volgens het RKD
later geschilderd. Ook de vermelde overlijdensdatum (16 oktober 1649) klopt niet helemaal, want
volgens de Zwolse archieven wordt hij reeds een
maand eerder, op 16 september 1649 in de Grote
Kerk begraven. Op de voorkant staat dat zijn leeftijd 64 jaar is, dan zou hij in 1581 of 1582 in Delft
geboren moeten zijn. Dat valt helaas niet te controleren omdat er geen doopboeken uit Delft van
voor 1616 bewaard zijn gebleven.
Het is tot nu toe wel het oudste bekende schilderij van EM. En een levendig portret, zonder
geschilderde ovaal: met zijn uitnodigende handgebaar lijkt het alsof de man ons iets wil zeggen.
Van Antwerpen naar Zwolle
Zwolle is blijkbaar aantrekkelijk genoeg voor een
meester-schilder uit Antwerpen. Na de bezetting
van het welvarende Antwerpen door de Spaanse
troepen in 1585 zijn veel inwoners naar de Noordelijke Nederlanden gevlucht. Een vlucht van
rijke en hoogopgeleide mensen die enkele decennia aanhoudt en waar veel steden hun voordeel
mee doen.
De bekendste Antwerpenaar in Zwolle is
Zacharias Heyns (Antwerpen ca. 1566 – Zwolle ca.
1638), de drukker, schrijver en schoolmeester in
de Voorstraat, bevriend met Willem Bartjens, die
in 1605 is gearriveerd.
Mocht Moerman ook in Antwerpen geboren
zijn, rond 1610, dan zou hij verwant kunnen zijn
aan de daar werkzame schilder Jacques Moermans (Antwerpen 1602-1653). Leven en werk
van deze schilder werden bepaald door dat van
de bekende schilder Peter Paul Rubens. Ook is in
Antwerpen in de zeventiende eeuw een goudsmedenfamilie met die naam actief.
Het gaat Moerman voor de wind, mede dankzij
zijn huwelijk. Een dienstmeid die in 1638 wil
trouwen, woont in huis bij ‘meester Evert de
Schilder’. Blijkbaar is hij door zijn beroep zo
bekend dat een achternaam niet nodig is. Het
paar krijgt twee dochters en een zoon, Lijsbeth,
Dorothea en Thomas. Hun dopen zijn niet te
vinden, wat er op kan duiden dat het echtpaar net
als (schoon)vader ook doopsgezind is. De volgelingen van Menno Simons (1496-1561) geloven
namelijk dat de doop een vrijwillige keus moet
zijn als iemand volwassen is. Dat is een doorn in
het oog van de gezaghebbende gereformeerde
overheid die de kinderdoop voorstaat. Moermans
zwager Thomas wordt ‘anabaptist’ genoemd als
hij in 1640 met een doopsgezind meisje uit Kampen trouwt en ook zijn zoon Thomas Moerman
moet in 1674 trouwen op het Raadhuis omdat de
gereformeerde overheid precies in de gaten wil
houden wie doopsgezind is. Door hun geloofsovertuiging zijn doopsgezinden van publieke
ambten zoals lid worden van meente of magistraat uitgesloten. Militaire functies weigeren ze.
Blijkbaar werd hun lidmaatschap van het gilde
nog wel gedoogd maar keurmeester worden zit
er niet in. Alleen Toontjes broer Hendrik Schimmelpenninck (Zwolle 1611-1673) bekeert zich
tot de ‘ware gereformeerde religie’ en wordt later
burgemeester van Zwolle.
De doopsgezinden komen vanaf 1638 bij
elkaar in een schuilkerk in de Wolweverstraat.
ZHT1 2014.indd 10 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 11
Volgens het vuurstedenregister van 1682 bezitten
de Schimmelpennincks en een ‘Toonis Moorman’
huizen in de straat waar later de Doopsgezinde
kerk zal worden opgetrokken.
In 1642 koopt Evert Moerman met zijn vrouw
Toontje een graf in de Grote Kerk waarvan de
zerk vandaag de dag nog langs de zuidwand te
vinden is. ‘Everhardt Moerman en Toentien
Schimmelpenninck / Ao 1642’ staat in de steen
gebeiteld, met hun familiewapens. Hij bezit in
1643 ook de helft van ongeveer vijftien hectare
land langs de Nieuwe Wetering in de polder Mastenbroek. In 1653, na zowel de dood van zijn zwager Thomas als van zijn schoonvader, wordt hij in
het vuurstedenregister als eigenaar van het grote
pand in de Diezerstraat genoemd. In deze jaren
waart de pest weer eens door de Zwolse straten.
Toontje wordt in 1654 in hun graf te ruste
gelegd. Op 2 april 1659 wordt Evert Moerman bij
haar begraven.
Leermeester
Waar Evert Moerman zijn opleiding kreeg, is niet
bekend. Ook niet aan wie hij lesgaf.
Van Eva van Marle werd gezegd dat zij wel de
eerste leermeester zou kunnen zijn van de Zwolse
schilder Hendrik ten Oever (Zwolle 1639-1716)
vanwege de verwantschap met diens oudst bekende portret uit 1657. Stel dat Hendrik de leerling
van Moerman was geweest, dan zou diens dood
eind maart 1659 aanleiding voor de twintigjarige
leerling zijn geweest zijn schildersopleiding te
vervolgen bij zijn neef de schilder Cornelis de Bie
(Amsterdam ca. 1620-1664) in Amsterdam. Na
diens dood is Ten Oever in 1665 terug in Zwolle
en dan uitgegroeid tot een veelzijdig schilder,
meer dan alleen portrettist. Hetzelfde geldt voor
Gerard ter Borch de jonge die inmiddels internationaal aanzien heeft verworven met zijn portretten en genrestukken en zich vanaf 1654 in Deventer heeft gevestigd.
De wat stijve portretten in een geschilderde
ovaal van de Overijsselse en Gelderse adel worden
in de loop van de jaren vijftig van de zeventiende
eeuw voortgezet door de jongere schilder Theodor (Dirk) van Loonen (ca. 1620 – ovl. na 1701)
uit Zutphen. Hij schildert ook leden van de familie Schimmelpenninck van der Oye.
Over de schilder EM is het laatste woord nog niet
geschreven, maar de Zwolse kunstgeschiedenis is
voorlopig voor de zeventiende eeuw een schilder
rijker en mogelijk een schilderes armer.
Gratis rondleiding voor leden van de Zwolse
Historische Vereniging
Op zaterdag 17 mei wordt door de auteur om
11.00 en 16.00 uur voor de leden van de ZHV
een gratis rondleiding Van Marle of Moerman?
in het Vrouwenhuis gegeven, op vertoon van dit
tijdschrift. Voor meer informatie en voorwaarden: www.vrouwenhuiszwolle.nl/agenda
Graf van Evert
Moerman en Toontje
Schimmelpenninck in
de Grote Kerk, detail.
(Foto auteur 2013)
ZHT1 2014.indd 11 22-04-14 14:57
12 zwols historisch tijdschrift
De Wipstrikkerallee in vogelvlucht
Annèt Bootsma –
van Hulten Bij bewoners van de Wipstrikkerallee en
Herenweg circuleert sinds een paar jaar
een ongeveer vijftig jaar oude luchtfoto van
een stukje van de buurt. De foto is verspreid door
het echtpaar Dick en Ada Timmerman – Schutte,
sinds 25 jaar woonachtig op Wipstrikkerallee 85.
Hun band met deze plek is overigens veel ouder,
het perceel waar hun huidige huis op staat is al
120 jaar in het bezit van de familie.
Ada’s overgrootmoeder, mevrouw Ester-Wijtenhorst, kocht het perceel, dat toen nog doorliep
tot aan de Herenweg, aan het eind van de negentiende eeuw voor 1825 gulden. Het bijbehorende
huis werd vervolgens bewoond door haar zoon
Gerrit Ester, die een ijzerwarenwinkel op de hoek
Vechtstraat/Rhijnvis Feithlaan had. Gerrits dochter trouwde weer met H. Schutte, in Zwolle bekend
van het nog steeds bestaande schildersbedrijf. Zij
waren de ouders van Ada. In 1967 werd het oude
huis afgebroken en het huidige gebouwd.
W.G.J. Westera
Ada Timmerman kreeg de foto van haar oudklasgenoot de heer Marten Terwal, die op zijn
beurt weer over de foto beschikt omdat zijn
schoonvader de heer W.G.J. Westera hem indertijd gemaakt heeft. Westera was kapitein en
later reder van twee kustvaarders, de ‘Ysel’ en de
‘Overysel’. In 1949 verhuisde het gezin Westera
van de Van Lennepstraat naar Wipstrikkerallee
59. Het huis kreeg toen de naam ‘Voor Anker’
en om dit nog extra te illustreren lag er een groot
anker in de voortuin. Ook stonden er in de tuin
een grote scheepsschroef en een scheepsmast die
bij de trouwerijen van kinderen van het echtpaar
Westera werd volgehangen met scheepsseinvlaggen. Daarnaast werd de toegang tot het huis nog
gesierd met een vuurtoren. De heer Westera overleed in 1990, op 80-jarige leeftijd.
Westera haalde eind jaren vijftig zijn vliegbrevet, hij bestuurde zelf het vliegtuig van waaruit
de foto met zijn eigen woonhuis erop gemaakt
is. Zijn schoonzoon Marten Terwal heeft met het
bewaard gebleven vliegbrevetboekje van Westera
kunnen reconstrueren wanneer dit geweest moet
zijn. Dat was naar zijn zeggen nog niet zo eenvoudig, want alle vluchten werden wel genoteerd,
maar de bestemming werd niet altijd ingevuld,
er werd dan volstaan met de mededeling: rondvlucht.
Vanwege het feit dat de wintereiken (eiken
die hun verdorde blad langer vasthouden) aan
de Wipstrikkerallee al het blad hebben verloren,
moet de foto aan het eind van de winter of in het
vroege voorjaar gemaakt zijn. De schaduwen van
de bomen wijzen op een tijdstip rond het middaguur. In het vliegbrevetboekje vond Terwal een
vlucht die redelijk correspondeert met deze gegevens. Daaruit concludeert hij dat de vlucht plaats
vond op 24 maart 1960 vanaf vliegveld Teuge,
vertrek 11.25 en terug op Teuge om 12.20 met het
vliegtuigje PH-UCG.
Landelijk karakter
De foto geeft dus de situatie van 54 jaar geleden
weer. Op de voorgrond zijn achtereenvolgens de
woonhuizen Wipstrikkerallee 49 tot en met 59
zichtbaar, daarna verspringt de nummering en
krijg je Wipstrikkerallee 65 tot en met 71 en dan
tenslotte het braakliggende perceel Wipstrikkerallee 73/75 (dubbel nummer).
Opvallend is het landelijke karakter van het
gebied meteen achter de Herenweg, de parallel aan de Wipstrikkerallee lopende straat.
We zien de jaren dertig bebouwing van de
Herenweg, de Herfterweg, het Herfterplein en
de Vosmaerstraat. Het Herfterplein zelf is nog
niet aangelegd. Het gebied wordt verder nog
ZHT1 2014.indd 12 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 13
ingevuld door tuinderijen, gelegen aan de Bonepadsweg, de Herfterweg – dit gedeelte was niet
verhard – en de Ossenkampsweg. Zie hiervoor
ook de opgenomen kaart van eind jaren vijftig.
Vanwege de bebouwingsplannen voor dit gebied
was de uittocht van de tuinders toen trouwens al
aan de gang, zij vertrokken in 1959 en 1960 met
name naar Heerde en Ankum. Linksboven op
de foto valt als zandbaan al een stukje tracé van
de Ceintuurbaan te ontwaren. Dit tracé, van het
Openluchtbad tot aan de Wipstrikkerallee, werd
al in 1937 aangelegd en pas eind jaren zestig
bestraat.
Linksboven liggen de huizen van de Bilderdijkstraat, in het verlengde waarvan nog (een
stuk van) het Openluchtbad valt te zien, met
daartegenover de tribune van PEC. Rechts in de
hoek ligt de autosloperij van Van Nief, die later
verplaatst werd naar de Bergkloosterweg.
Op de voorgrond vallen de relatief kleine eikenbomen aan de zuidkant van de Wipstrikkerallee op. Die kant van de laan was oorspronkelijk
beplant met beuken. Maar na de bebouwing in de
jaren twintig en dertig werden de takken ingekort,
waardoor er direct zon op de stammen kon schijnen. Dat bleek dodelijk voor de beuken.
Op de foto is rechts nog net een stukje van het
perceel Wipstrikkerallee 77 zichtbaar, de bebouwing daar werd kort na de foto gesloopt om plaats
te maken voor de ambtswoning van burgemeester
Roelen.
(Foto W.G.J. Westera)
ZHT1 2014.indd 13 22-04-14 14:57
14 zwols historisch tijdschrift
Het pand links daarnaast was net gesloopt,
hier kwamen de huisnummers Wipstrikkerallee
73 en 75, in de vorm van één pand met een afzonderlijke boven en -onderwoning. Het verhaal gaat
dat de oud-veekoopman Van Tongeren destijds
op dit perceel een bungalow wilde bouwen, maar
daar geen toestemming voor kreeg en daarom
besloot maar twee ‘bungalows’ op elkaar te zetten… Tegenwoordig is het weer een gewoon
enkel woonhuis, maar nog wel altijd met dubbele
benummering. Achter Wipstrikkerallee 67 zijn
goed de kassen te zien van de bloemisterij van
Gerrit Banck, die deze zaak in 1954 overgenomen
had. Zijn werkterrein liep van de Wipstrikkerallee
naar de Herenweg, en besloeg ook nog een gedeelte grond achter de panden Wipstrikkerallee 69 tot
en met 73/75. De familie Banck stopte in 1997 met
de bloemisterij, die toen ook werd opgeheven. Ze
wonen nu in een nieuw gebouwd huis op hun perceel aan de Herenweg.
Op het kaartje van eind jaren zestig is te zien
hoe het hele gebied achter de Wipstrikkerallee
– Herenweg inmiddels een grondige metamorfose had ondergaan, er lag een compleet nieuw
stratenplan met bijbehorende bebouwing. Deze
luchtfoto is daarom net op tijd genomen om nog
een stukje oud-Zwolle weer te kunnen geven.
* Met dank aan Gerrit Banck, Marten en Truus
Terwal- Westera en Dick en Ada TimmermanSchutte voor de verstrekte informatie.
Links: Detail uit kaart
van Zwolle eind jaren
vijftig. (Collectie
auteur)
Rechts: Detail uit
kaart van Zwolle eind
jaren zestig.(Collectie
auteur)
ZHT1 2014.indd 14 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 15
De betonnen muren bij de Vecht
Verstrekte informatie is historisch onjuist
Willem van de Veen S
inds kort staat er bij de Vechtdijk, vlakbij de
Agnietenplas, een groot bord, waarop het
‘Overijssels Landschap’ informatie verschaft
over het natuurgebied ‘Buitenlanden Langenholte’. Naast bijzonderheden over de natuur leest
men ook uitleg over de oorsprong van de dikke
betonnen muren die daar op de dijk staan. Deze
dienden er toe om in oorlogstijd de doorgang van
tanks te verhinderen. Het is alleen jammer dat de
informatie op het bord van het ‘Overijssels Landschap’ historisch de plank mis slaat. De aanleg van
de muren wordt namelijk toegeschreven aan de
Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Er staat dat
deze verdedigingswerken tijdens de bezettingsjaren werden gebouwd door de Duitse ‘Organisation Todt’, die er Zwolse dwangarbeiders voor
zou hebben gebruikt.
Hoe kan het dan dat ik die muren daar al vóór
de Tweede Wereldoorlog in het landschap heb
zien staan? Als lagere schooljongen speelde ik
toen in die contreien vaak met mijn vriendje
Rein, zoon van de vlakbij wonende boer Snel,
op wiens erf mijn ouders een zomerhuisje hadden gehuurd.
De oplossing is eenvoudig. De verdedigingswerken werden in de mobilisatietijd van eind
jaren dertig opgetrokken door het eigen Nederlandse leger, dat bevreesd was voor een aanval van
de Duitse vijand via de Vecht en zijn dijken. De
betonnen kazemat naast de Agnietenplas, aan de
rand van de Vecht, is daar ook afkomstig van.
Wie de situatie ter plaatse bekijkt moet ook al
spoedig tot de conclusie komen dat de obstakels
voor de Duitsers tegen het einde van de oorlog
van geen enkel strategisch belang zouden zijn
geweest. De Organisation Todt kwam in Zwolle
pas in het laatste oorlogsjaar ’44/’45 in actie. De
Duitsers hielden zich toen – met de inzet van
gedwongen gravers uit onder meer Zwolle en
Twente – bezig met de aanleg van verdedigingswerken langs de IJssel.
De betonnen muren, verdedigingswerken tegen tanks, die al sinds eind jaren
dertig van de vorige eeuw dichtbij de Agnietenplas, op de Vechtdijk staan.
(Foto auteur)
Nog dichter bij de Agnietenplas staat ook nog steeds – vreedzaam – een betonnen kazemat, waaruit nooit een schot op Duitsers is gelost. Het mitrailleurgat
(zie midden op de muur) is al lang geleden dicht gemetseld. (Foto auteur)
ZHT1 2014.indd 15 22-04-14 14:57
16 zwols historisch tijdschrift
I
n het archief van de O. de Leeuwgroep bevinden zich twee volledig uitgeschreven lezingen
die de toenmalige directeur Oeds de Leeuw jr.
(1875-1954) aan het eind van de jaren dertig van
de vorige eeuw hield voor zijn mede-Rotarians
van de in 1930 opgerichte Rotaryclub Zwolle.
De eerste lezing is niet exact gedateerd, maar
stamt uit 1938. De Leeuw vertelt daarin over zijn
bedrijf en over de specifieke situaties die ontstonden na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Omdat die oorlog honderd jaar geleden begon,
geef ik deze lezing hieronder grotendeels weer.
Maar eerst nog een korte inleiding.
De firma O. de Leeuw en Oeds de Leeuw jr.
Oeds de Leeuw jr. werd in 1875 in Zwolle geboren. Drie jaar daarvoor had zijn vader, Oeds de
Leeuw sr. (1846-1916), zich vanuit Groningen in
Zwolle gevestigd en zich hier geassocieerd met de
eigenaar van een uit 1810 stammende winkel in
ijzerwaren aan de Diezerstraat. In 1892 zette De
Leeuw sr. deze zaak onder zijn eigen naam voort.
Hij gaf toen de transformatie van de oorspronkelijke detailhandel tot een groothandel verder
vorm. Uit het verhaal van De Leeuw jr. blijkt dat
die transformatie tijdens de oorlogsjaren ’14-’18
afgerond werd. Belangrijke afnemers van het
bedrijf waren smeden in een straal van ongeveer
zeventig kilometer rond Zwolle. Aardig is dat veel
van deze smeden in de loop der jaren uitgegroeid
zijn tot constructiebedrijven, machinefabrieken,
carrosseriebedrijven en landbouwmechanisatiebedrijven die nog altijd hun goederen betrekken van de bedrijven die onder de huidige O. de
Leeuwgroep ressorteren.
In de jaren negentig van de negentiende
eeuw begon De Leeuw naast ijzerwaren ook ijzer,
kachels, wasmachines en landbouwwerktuigen
te verkopen. Daarvoor moest de huisvesting uitgebreid worden, er werden panden gekocht aan
de Nieuwstraat, het Gasthuisplein en er verrees
in 1908 een imposant gebouw op het Rodetorenplein. Ter gelegenheid van het bezoek van
koningin-regentes Emma en de jonge koningin
Wilhelmina in 1895 aan Zwolle werd de firma
het predicaat hofleverancier verleend. In die tijd
werden er ook daadwerkelijk leveranties aan
de kroondomeinen in Apeldoorn gedaan, zoals
puntdraad (prikkeldraad) en gereedschappen.
De bedrijfsactiviteiten van O. de Leeuw waren tot
ver in de twintigste eeuw gestoeld op vier pijlers:
ijzerwaren, ijzer en staal (walserijproducten),
landbouwwerktuigen en huishoudelijke appaOeds de Leeuw jr.,
1875-1954. (Particuliere collectie)
Een Zwolse onderneming tijdens
de Eerste Wereldoorlog
Annèt Bootsma –
van Hulten
ZHT1 2014.indd 16 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 17
raten. De onderneming ging zich vervolgens
steeds meer toeleggen op staal, ijzerwaren en
technische producten en werd een succesvolle
toeleverancier voor bedrijfsmatige afnemers. Drie
dochterondernemingen van de O. de Leeuwgroep
zijn tegenwoordig nog in Zwolle gevestigd: IJzerleeuw, Leeuwbouw en Leeuwtechniek.
Oeds de Leeuw jr. bezocht in Zwolle de Nutsschool en doorliep vervolgens de HBS. Als enige
zoon naast twee dochters was hij de aangewezen
opvolger van zijn vader. Oeds jr. was een beminnelijk man met een subtiel gevoel voor humor.
Hij zong in het toonkunstkoor Caecilia, waarvan
de leden destijds vooral uit de gegoede burgerij
kwamen. Daarnaast was hij sportief, hij hield
van fietsen en zeilen. Hij werd bij de oprichting
in 1893 meteen lid van ZAC, de voetbalclub die
destijds ook een (kunst)fietsafdeling had. Aardig
in dit verband is zijn verwijzing naar de betonnen
vloer van de benedenruimte van het gloednieuwe
bedrijfspand van de firma aan het Rodetorenplein, dat de eerste winter als rolschaatsbaan
gebruikt werd. Aan dit spektakel zal hij vooral
ook zelf enthousiast deelgenomen hebben, met
zijn zwagers en vrienden. De familie De Leeuw
behoorde rond 1910 tot de eerste autobezitters
in Zwolle. Oeds jr. trouwde in 1913 met de uit
Elburg afkomstige Johanna Gijsberta Top, het
echtpaar kreeg twee dochters. Zij bewoonden een
stadsvilla aan het Groot Wezenland.
De tekst van de lezing uit 1938 is enigszins
bewerkt en aangepast aan de hedendaagse spelling. De opmerkingen tussen vierkante haken zijn
toevoegingen van mijn kant, de opmerkingen
tussen gewone haakjes maken deel uit van de oorspronkelijke tekst. Het verhaal over het bedrijf,
het uitbreken van de oorlog, de Belgische vluchtelingen – niet on-profijtelijk voor O. de Leeuw
–, de stokkende aanvoer, prijsstijgingen en de
naoorlogse ontwikkelingen spreekt verder voor
zich. Ik laat nu Oeds de Leeuw jr. aan het woord:
De ijzervreterswereld
‘In 1893 deed ik mijn intrede in de ijzervreters
wereld. Na in verschillende afdelingen van ons
bedrijf wat kennis te hebben opgedaan, ging ik
in 1895 naar Den Haag als volontair bij de firma
Rouppe van der Voort en in 1896 naar Groningen
als volontair bij de firma J. Geertsema. Het plan
was om nadien nog naar Duitsland te gaan, maar
het lot besliste dat ik weer in Zwolle kwam, waar
mijn vader mij nodig had daar zijn procuratiehouder naar elders vertrok.
Het bedrijf had zich in de loop der jaren uitgebreid en was niet alleen detailzaak gebleven.
Zo had mijn vader bijvoorbeeld in Drenthe een
vaste clientèle opgebouwd, die in mijn jeugd twee
maal per jaar persoonlijk door hem per rijtuig
werd bezocht, welke reis van maandagmorgen
(zondagsavonds per trein van hier) tot zaterdagsavonds duurde. Vooral op de najaarsreis werd
door de smeden dan voor enige maanden goederen besteld.
Het personeel bestond in 1893 uit negen
personen, waaronder één reiziger. Deze laatste
bezocht Overijssel, de Veluwe en het eiland Urk.
De werktijden liepen destijds van zeven uur ’s
morgens (’s winters half acht) tot ’s avonds half
tien; met de nodige rustpauzes.
Toen ik al enige tijd in de zaak werkzaam was
werd het sluitingsuur op acht uur gezet. Het leek
mij verder gewenst onze handel uit te breiden
door het opnemen van meerdere artikelen, vergroting van werkterrein, enzovoort. Daardoor
werd de omzet groter en konden wij door het aankopen van grotere hoeveelheden de concurrentie
beter het hoofd bieden.
De bestaande magazijnruimte aan de Diezerstraat bleek toen echter al gauw te klein en
daarom werd het perceel van de firma Muyderman, hoek Brouwersteeg en Gasthuisplein aangekocht. In de negentiger jaren was de verkoop van
enkele kleine landbouwwerktuigen eveneens ter
hand genomen, waaraan later kachels en haarden
toegevoegd werden. Inmiddels had ik mij in de
administratie- en expeditieafdeling ingewerkt en
vond mijn vader het gewenst dat ik mij langzamerhand met de inkoopafdeling ging bezig houden, voorlopig wat de ijzerwaren betrof.
Daar er in Zwolle geen grote zaak in landbouwwerktuigen was, maar er wel behoefte bleek
te bestaan aan een dergelijk bedrijf, werd deze
branche ten onzent eveneens meer uitgebreid.
Daardoor werd mijn werk te omvangrijk en werd
ZHT1 2014.indd 17 22-04-14 14:57
18 zwols historisch tijdschrift
mijn zwager, de heer C.F. [Frans] Esser, met deze
nieuwe afdeling landbouwwerktuigen belast. Hij
interesseerde zich hier ook nogal voor.
Maar waar die artikelen en machines, die
veel ruimte vereisen onder te brengen? In 1907
werd toen aan het Rodetorenplein een stuk grond
gekocht, het zogeheten Kikkerseiland, waarop
in 1908 een magazijn voor landbouwwerktuigen
werd gebouwd, waarin voorlopig ruimte genoeg
was. (Beneden zelfs zo veel, dat bijna de gehele
benedenruimte, voorzien van een betonnen
vloer, de eerste winter als rolschaatsbaan gebruikt
werd).
Doch ook voor de ijzerwarenafdeling was
meer ruimte nodig. Dit werd bereikt in 1913 na
aankoop van percelen aan het Gasthuisplein,
namelijk nr. 17 en de bovenwoning 17A. Daardoor kregen wij vanuit onze eigen magazijnen aan
de Diezerstraat binnendoor een verbinding met
de nieuwe magazijnruimten aan het Gasthuisplein. Zo werd geleidelijk het bedrijf uitgebreid.
In 1908 werden mijn zwager en ik als vennoten
in de firma opgenomen. Mijn vader liet de werkzaamheden langzamerhand aan ons over en deed
in hoofdzaak nog wat administratie.
Oorlog
Na het uitbreken van de oorlog werd de situatie
een geheel andere. In de eerste dagen van augustus 1914 was het geld zeer schaars. In navolging
van meerdere collega’s werd door ons een tijdelijk
contante verkoop ingesteld, die door één van hen
niet anders dan onder protest gevolgd werd. Toen
de toestand enige weken later weer in normalere
Het in 1908 gebouwde
magazijn aan het
Rodetorenplein
omstreeks 1910. Rechts
aan de gevel hangt het
hofleverancierbord.
Het pand was tot eind
jaren zestig in gebruik
bij O. de Leeuw. Het
werd in 1998 gesloopt
om plaats te maken
voor het Maagjesbolwerk. (Collectie HCO,
collectie Joos Lensink)
ZHT1 2014.indd 18 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 19
banen gekomen was en de genomen maatregel
terzijde gesteld werd, wilde dezelfde collega daar
ook weer niet aan! ’t Was hem dus best bevallen!
De tegenstelling was ook wel groot. Voordien
werd aan circa 75 procent onzer afnemers op
jaarkrediet geleverd; ongeveer 20 procent kocht
op drie maanden en de rest op één maand of à
contant. Het is een grote verdienste van de Nederlandse Verenging van IJzerhandelaren geweest
om toen met een bindend besluit het jaarkrediet
af te schaffen, zodat thans in hoofdzaak slechts
een driemaands krediet wordt gegeven en op
landbouwwerktuigen één maand krediet, behalve
de hooibouwwerktuigen, die op betaling per 1
augustus verkocht worden.
Pots de chambre
De augustusdagen van 1914 zal ik niet gauw vergeten. De mobilisatie bracht met zich mee dat er
voor defensie en militaire doeleinden veel artikelen nodig waren waarin nou net wij grossierden.
Ik herinner mij bijvoorbeeld dat er een telegrafische order uit Den Haag kwam om naar twee
destinaties elk een wagon van tien ton puntdraad
te verzenden, onder militair vrachtvervoer. Het
kostte mij toen heel wat moeite om van het militaire personeel de benodigde papieren mee te krijgen, zodat de wagons die dag nog geladen konden
worden.
Na de Duitse inval in België en de inname van
Luik en omgeving [16 augustus] kwamen al spoedig Belgische vluchtelingen over de grens.
Daar de legerplaats Oldebroek [vanwege de
mobilisatie] toch verlaten was door de militairen,
kreeg de toenmalige commandant (een administratie officier) bericht dat er binnen 24 uur
enige honderden Belgische vluchtelingen zouden
arriveren en in de gebouwen van de legerplaats
onder gebracht moesten worden. Aangezien
een kazerne of militair kamp nu eenmaal niet op
vrouwen, kinderen en oude mensen ingericht
is, waren er niet voldoende “pots de chambre”
[po’s] aanwezig. Vandaar een telegram aan onze
firma om direct honderd stuks te zenden van dat
onmisbare artikel. Maar de treinenloop en vooral
die van goederentreinen was onregelmatig en in
het bedrijf was het nog slap, zodat mijn vader toestemming gaf om zijn auto dan maar vol te laden.
Zo kwamen wij met een auto beladen met “pots”
in de legerplaats, tot grote blijdschap van de toenmalige commandant en de Belgen.
Dagelijks kwamen er nieuwe treinen met
vluchtelingen aan, waarvoor allerlei artikelen voor
keuken en huishouding nodig waren. Door de
Belgische vluchtelingen
in Oldenbroek. (Coll.
Streekarchivariaat
Noordwest Veluwe)
‘Pots de Chambres’
stonden in de prijscourant van O. de Leeuw
gewoon als ‘nachtpotten’. In diverse maten
en ook leverbaar met
deksel. (Prijscourant augustus 1918,
Bedrijfsarchief O. de
Leeuw)
ZHT1 2014.indd 19 22-04-14 14:57
20 zwols historisch tijdschrift
gunstige ligging van Zwolle ten opzichte van de
legerplaats en het feit dat de commandant soms pas
24 uren van te voren telefonisch bericht kreeg van
nieuwe zendingen “mensen materiaal”, alsmede de
goede service van onze firma om iedere order groot
of klein en van welk artikel ook meestal binnen 24
uur uit te voeren, werden ons geregeld orders voor
het vluchtelingenkamp opgedragen.
Al gauw bleek dat de huisvesting in de legerplaats te klein was. Er werd toen bij Nunspeet een
enorm vluchtelingenkamp gebouwd, waarbij het
verzorgen van vrijwel de hele keukenuitzet en de
verwarming aan onze firma opgedragen werd.
Intussen kregen ook andere plaatsen hier te lande
hun Belgen; burgers zowel als (geïnterneerde)
militairen. Onze firma werd naar het voorbeeld
van Nunspeet de leveringen van de keukeninrichtingen opgedragen in onder meer: Harderwijk,
Ede, Gouda, Uden, Bergen op Zoom, Amersfoort,
Naarden en Zwolle.
Een ander interessant feit was dat er op zekere
dag een wagon met twintig ton ijzer uit Luxemburg bij onze firma voorreed. De afzender was
onbekend, een vrachtbrief was er ook niet bij. Alle
naspeuringen dienaangaande liepen dood, zodat
wij gratis twintig ton ijzer in ons magazijn konden
bergen. Een factuur is tot op de huidige dag niet in
ons bezit gekomen.
Prijsstijgingen
De beide eerste oorlogsjaren brachten overigens
niet veel wijziging in de gang van zaken in het
bedrijf. De prijzen trokken wel iets aan, maar nog
niet van belang. Een grote verandering trad op
toen door de blokkade ter zee er weinig aanvoer
van grondstoffen meer was. Daardoor en door
het gemis van import uit Duitsland en het bezette
gebied gingen in de laatste oorlogsjaren de prijzen
van alle metalen, alsmede ijzer, ijzerwaren enzovoort, met sprongen omhoog. De toenmaals zo
beruchte kettinghandel [het via tussenhandelaren
opdrijven van de prijs] werkte een en ander in
de hand en het duurde dan ook niet lang meer of
er werden van regeringswege maximum prijzen
voor ijzer en staal uitgegeven. Voorts kwam er een
regeling op het vervoer van staafijzer en later van
plaatijzer en kachelpijpen, waarbij ieder vervoer
Het vluchtoord in Nunspeet werd in oktober 1914 gebouwd en moest 13.000
vluchtelingen kunnen herbergen. Het was opgedeeld in vier verschillende ‘dorpen’ met elk hun eigen voorzieningen. (Coll. Streekarchivariaat Noordwest
Veluwe)
Een van de keukens van het vluchtoord Nunspeet, met de door de firma
O. de Leeuw geleverde keukenoutillage. (Coll. Streek-archivariaat Noordwest
Veluwe)
ZHT1 2014.indd 20 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 21
van handelaar tot verbruiker door een wettelijk
vastgesteld vervoerbiljet gedekt moest zijn. Dat
dit een grote rompslomp met zich bracht, is te
begrijpen.
De regeringscommissaris daarvoor te Zwolle
was een oud zeeofficier, die van de, voor een leek
tamelijk ingewikkelde “overprijzen” [bepaalde
prijsstructuur] absoluut niets begreep, en daardoor in de eerste dagen nog al eens bekeuringen
gaf die geheel ongemotiveerd waren.
Dat echter maximum prijzen nodig waren,
lag voor de hand. Door de kettinghandel waren
de prijzen van bijvoorbeeld balkijzer, betonijzer
en plaatijzer tot fantastische hoogten opgedreven. Andere artikelen, bijvoorbeeld draadnagels
[spijkers] die normaal voor de oorlog 10 cent per
kilo voor de verbruiker kostten, hebben wij wel
verkocht (zelfs een partij van 5000 kg) voor ƒ 1,25
per kg. Dit waren natuurlijk vrije prijzen.
Aanvoerproblemen
De invoer van Duitse goederen was niet zo
gemakkelijk. De leverancier had daarvoor een uitvoerconsent nodig, dat alleen dan verstrekt werd
wanneer de Nederlandse afnemer als bevriende
en bonafide handelsrelatie bekend was. In het
begin ging dat ook goed.
Nadat ons later herhaaldelijk Duitse goederen
geweigerd waren, moest dat zijn reden hebben.
Na ingewonnen informaties te Berlijn, verwees
men ons naar een kantoor in Den Haag – onder
Duitse leiding – waar men ons te verstaan gaf dat
Duitsland het op prijs zou stellen als wij het door
financiële deelname in Kriegsanleihen [oorlogsleningen] of via aandelen van enige met name
genoemde Duitse fabrieken wilden steunen. Met
andere woorden: voor wat hoort wat. Wij kozen
dus maar de Duitse fabrieksaandelen en hebben
daar in die dagen geen spijt van gehad. De hoofdzaak was toen toch om geregeld te kunnen aanvoeren. Maar daarom was alles nog geen couleur
de rose [rooskleurig].
Ik herinner mij dat bij een Duitse fabrikant
een partij landbouwwerktuigen werden besteld,
waarvan de fabrikant vooruit betaling wenste
– wat in dien tijd veel vaker voorkwam – om de
nodige grondstoffen te kunnen financieren. De
benodigde marken van de uitgeschreven pro forma factuur werden aangekocht en op een Duitse
bank gestort. Na toezending van de afgestempelde
duplicaat vrachtbrief aan de betreffende bank, zou
dan uitbetaling volgen.
Nadat de destijds schriftelijk overeengekomen
levertijd met een paar maanden overschreden
was, kregen wij eindelijk de onaangename boodschap dat onze leverancier het benodigde materiaal niet had kunnen bekomen en hij dus wegens
force majeure van de levering moest afzien. Daar
zaten we dus met onze al aangekochte marken,
waarvan de koers inmiddels wel 30 à 40 procent
gedaald was.
Toen eind 1918 de blokkade van de havens
opgeheven was en er langzamerhand in 1919
weder geregeld aanvoer van materialen en goederen was, gingen de prijzen weer met sprongen
naar beneden. Een paar jaar was er nog een kentering, toen de detaillisten en de verbruikers zich
allen vol kochten; later was de verdere prijsdaling niet meer te stuiten en toen de crisisjaren er
nog een schepje bij deden, was in 1932 de bodem
bereikt.
Uitbreiding
Inmiddels was het door de uitbreiding van de
afdeling landbouwwerktuigen en de vereiste
opslagplaats voor andere materialen alweer nodig
geworden naar een grote gelijkvloerse ruimte
om te zien. In 1915 kwamen wij in het bezit van
een vijftig meter lange magazijnruimte achter de
Willemskade met een paardenstal en koetsierswoning. Een volgend jaar kregen wij de gelegenheid
het daarnaast gelegen weiland aan te kopen. Dit
land had een uitweg naar de Emmastraat en zou
ons later goed te pas komen. Want toen er na de
oorlog grote vraag kwam naar monier- of betonijzer en -balken, namen wij die materialen in
voorraad en daarvoor was een opslagplaats nodig.
Daartoe werd het weiland opgehoogd en watervrij
gemaakt.
Brancheverenigingen
Toen na de wereldoorlog handel en industrie verzadigd waren van materiaal en de prijzen al lager
en lager werden, vormden zich in het buitenland
ZHT1 2014.indd 21 22-04-14 14:57
22 zwols historisch tijdschrift
syndicaten en internationale kartels om de moordende concurrentie tegen te gaan. Deze concerns
konden natuurlijk een grote macht ontwikkelen,
waartegen een enkele handelsfirma niets kon uitrichten. Dit werd door de toonaangevende firma’s
in de ijzerbranche heel goed ingezien. Er ontstonden toen verschillende grossiersverenigingen,
waarbij onze firma zich aansloot.
Het spreekt wel vanzelf dat van deze verenigingen, waarin bijna alle Nederlandse grossisten
[groothandelaren] opgenomen zijn, een grote
kracht kon uitgaan. In de ijzerhandel bijvoorbeeld
konden alleen leden van de AVIJ (Algemene Vereniging van de IJzerhandel) producten kopen bij
het Internationale IJzersyndicaat. Zo ging het ook
bij veel andere productgroepen.
Naoorlogse ontwikkelingen
Reeds in de oorlogsjaren was ons de noodzakelijkheid gebleken, het bedrijf – voor zover nog
niet gebeurd – in een en gros zaak om te zetten. De bond van smedenpatroons hier te lande
wenste eerst, en schreef dat daarna voor, dat door
importeurs of grossiers geen leveringen meer
direct aan particulieren mochten geschieden
waarbij de smid als tussenpersoon uitgeschakeld
wordt. Eerst betrof dit de landbouwwerktuigen
en het ruwe ijzer materiaal, later ook kachels. Wij
bepalen ons dus met rechtstreekse levering tot de
verbruikers, handwerkbedrijven, industrie, winkeliers, rijks-, provincie- en gemeentebedrijven,
grondbedrijven, aannemers, enzovoort.
Mijn zwager had vanaf zijn intrede in de zaak
de afdeling landbouwwerktuigen met kracht ter
hand genomen. Het gelukte ons onder meer relatie aan te knopen met de International Harvester
Cie., een wereldconcern van prima reputatie, dat
een grote sortering hooi- en graanbouwwerktuigen, alsmede tractors en motoren maakt. Wij
kregen in latere jaren voor een vijftal provincies
de alleenverkoop van hun merk “Deering”, waardoor onze omzet aanmerkelijk kon worden vergroot. Omdat op de grote bedrijven de paarden
langzamerhand door mechanische tractie vervangen worden, werd de verkoop van Deeringtractors mede ter hand genomen. Mijn neef Johan
Esser is sinds 1930 in ons bedrijf werkzaam. Hij
heeft in Duitsland en Engeland veel praktische
kennis opgedaan op het gebied van de moderne
landbouwwerktuigen, motoren en tractors.
Het spreekt vanzelf dat in de loop der jaren het
personeel aanzienlijk vergroot werd. Het bestaat
thans, na inkrimping in de crisisjaren, uit veertig
personen en zes reizigers.
De omzet vertoonde, vergeleken bij 1914, in
1937 een stijging van: 150 procent in de afdeling
ijzer; 50 procent bij de ijzerwaren en 200 procent
bij de landbouwwerktuigen. In 1938 werden uit
dertien verschillende landen goederen betrokken.’
Tot zover het verhaal van Oeds de Leeuw jr. uit
1938 voor zijn mede-Rotarians. Toen hij in april
1940 weer een lezing voor de Rotaryclub hield,
was de politieke situatie in Europa inmiddels fors
veranderd. In dat verhaal schetst hij dan ook de
problemen die zijn bedrijf ondervond ten gevolge
van de in september 1939 begonnen oorlog in
Europa en de dreigende escalatie daarvan. Een
interessant relaas aan de vooravond van de Duitse
inval in Nederland. Maar hierover wellicht een
volgende keer.
O. de Leeuw maakte
maandelijks een prijscourant in de vorm van
een ‘Maandbericht’.
Op het omslag van dit
exemplaar uit 1919
staan twee zeer klassieke artikelen, puntdraad en nijptangen.
Ze worden nog altijd in
het assortiment van de
huidige onderneming
gevoerd. (Bedrijfsarchief O. de Leeuw)
ZHT1 2014.indd 22 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 23
Toen het juk van de Franse overheersing in
1814 was afgeworpen, voelden de drukkers van kranten zich eindelijk weer vrije
mensen die hun eigen baas waren en die zelf
mochten beslissen wat ze drukten en welke naam
ze aan hun nieuwspapieren gaven. Martinus Tijl
zal zich ongetwijfeld vele malen geërgerd hebben
aan de manier waarmee er op bevel van diverse
overheden was gesold met de titelkop van zijn
krant.
Dat begon al in 1795 toen de (Nederlandse)
regeerders van de Bataafse Republiek aan Tijl
opdroegen de titel van zijn schepping van Overijsselsche Courant te veranderen in Zwolsche
Courant. Maar het werd nog veel gekker toen de
Fransen het heft in ons land helemaal in handen
hadden genomen. In 1811 werd de krant gebombardeerd tot officiële spreekbuis van de overheid. Een half jaar lang heette zij toen Gazette de
Zwolle, maar daarna werd ze alweer herdoopt tot
Gazette du département des bouches des l’Issel met
als Nederlandse ondertitel Courant van het département der Monden van de IJssel.
Toen Napoleon de aftocht had geblazen,
keerde Tijl in 1814 terug naar zijn oorspronkelijke
titel Overijsselsche Courant. Maar dit betekende
nog steeds niet dat er een einde was gekomen aan
de betutteling van hogerhand. Zo werd hij in 1817
onaangenaam verrast door een officieel schrijven
van baron Bentinck tot Buckhorst, gouverneur
van de Provincie Overijssel. Martinus Tijl voelde
zich een schooljongen na het lezen van Buckhorsts vermanende woorden:
‘Overwegende het algemeen belang dat er
gelegen is, dat deze Courant steeds duidelijk en
nauwkeurig gedrukt worde, neem ik het besluit de
Drukkers en Uitgevers van opgemelde Courant te
gelasten om uiterlijk binnen de tijd van zes weken
zich een ander, beter en duidelijk formaat van
letters tot het drukken van de Courant ter onzer
goedkeuring te voorzien en ook bij het corrigeren
en drukken derzelve met meerder oplettendheid
te doen te werk gaan, zullende bij gebrek daarvan hieromtrent zoodanige dispositie te worden
genomen als bevonden zal worden te behoren.’
Door onze eenentwintigste-eeuwse ogen
bekeken bestaat bovenstaande brief van één zin
(!) uit ambtelijk gebrabbel. De ambtenaar, die
deze tekst in opdracht van zijn baas, meneer de
baron, uit de pen kreeg, zou er geen aanbeveling
mee verdiend hebben om ooit bij Martinus Tijl als
journalist te solliciteren. Maar er zat voor Martinus niets anders op dan zijn letterkasten drastisch
te vernieuwen.
Buitenland nummer één
In onze tijd zou men verwachten dat provinciale
krantenredacties de meeste aandacht besteden
aan zaken en gebeurtenissen uit hun eigen regio.
Twee eeuwen eerder was voor Tijl eerder het
omgekeerde het geval. Eigenlijk heel verbazingwekkend. In de eerste decennia na de introductie
stond er zeer veel buitenlands nieuws in zijn
krant. Een van de eerste voorpagina’s (gemaakt
in 1791) bestaat zelfs geheel uit buitenlandse
berichten. Het verschil met de hedendaagse tijd is
dat die nieuwspapieren van twee eeuwen geleden
helemaal geen regionale bladen wílden zijn. Zij
streefden naar de status van landelijke krant (in
Tijls eigen woorden: een venster op de wereld).
Dat blijkt uit de reclame die Martinus bij de
introductie van zijn blad maakte. Toen adverteerde hij dat zijn Overijsselsche Courant in steden ver buiten de provincie te koop zou worden
aangeboden, tot in Amsterdam toe. En dat in een
tijd waarin voor nieuwsaanvoer en verkoop alleen
postkoetsen ter beschikking stonden. Die reden
nog vrijwel overal over zandwegen en in karrenTwee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 3: Van betutteld blaadje naar kloek dagblad
Willem van der Veen
ZHT1 2014.indd 23 22-04-14 14:57
24 zwols historisch tijdschrift
sporen. Bruggen waren er sporadisch, dikwijls
moesten de koetsiers hun paarden door stromen
laten waden.
Het reizen ondervond in de negentiende eeuw
immers nog een sterke invloed van de elementen:
regen, wind, storm, bliksem. Het moet heel wat
moeite hebben gekost om de nieuwtjes uit verre
streken een beetje actueel in de krant te krijgen.
Persbureaus of iets wat daar ook maar in de verste
verte op leek, bestonden nog niet. Tijls correspondenten zullen wakkere en vasthoudende kerels
zijn geweest, om maar te zwijgen van de koetsiers
die hun gespan zo snel mogelijk door kuilen en
modder, over bergpassen en door moerassen
moesten loodsen. Hoe eerder ze op de plaats van
bestemming arriveerden, hoe groter hun loon
was. En hoe sneller Tijl het nieuws, met de onontbeerlijke hulp van hoogstens één redacteur, in zijn
tweemaal per week verschijnende courant kon
plaatsen.
Moeilijke jaren
Het eerste decennium na de Napoleontische tijd
betekende voor Martinus een drukke, maar ook
verdrietige tijd. Zijn vrouw Catharina die zo blijmoedig zijn steun en toeverlaat was geweest, stierf
in 1816. Vier jaar later ontviel hem plotseling ook
zijn zoon Hendrikus, met wie hij al 35 jaar samenwerkte en in wie hij zijn opvolger had gezien.
Een vreselijke slag voor een bijna tachtigjarige
man die zo’n vijftig jaar eerder vol optimisme aan
de opbouw van zijn bedrijf was begonnen, omdat
hij hield van het uitgevers- en drukkersvak en die
later zelfs met zijn zoon het avontuur van een eigen
krant was begonnen. In het begin leek dat een groot
succes te worden, daarna kwam voor hen de stilstand. In de draaikolken van de politieke stromingen, de Franse overheersing en de daarop volgende
economische achteruitgang hadden zij veel moeite
om het hoofd boven water te houden.
Martinus hield het na de dood van zijn zoon
nog even alleen vol, maar benoemde al spoedig
Jan Jacob, oudste zoon van Hendrikus, als zijn
opvolger. Een 23-jarige jongeling werd toen
bewindvoerder van een weliswaar degelijk, maar
toch vrij bescheiden drukkers- en uitgeversbedrijf, dat ook nog een eigen krant produceerde.
Deze voorpagina uit 1791 bestaat geheel uit buitenlandse berichten. Voor een
krant die men tegenwoordig ‘regionaal’ zou noemen, valt het op dat zij landelijke ambities had en in de beginjaren zéér veel buitenlands nieuws in haar
kolommen opnam. Zij werd dan ook in vele delen van het land ten verkoop
aangeboden. (Uit: Tijls Curiosa)
ZHT1 2014.indd 24 22-04-14 14:57
zwols historisch tijdschrift 25
In 1825 sloot Martinus Tijl zelf voorgoed de
ogen, hij, de grondlegger van het bedrijf met de
lindeboom als symbool in zijn gevel. Zijn onerva

ren kleinzoon stond er verder alleen voor.
Watersnood
Wat de journalistiek betrof werden het toeval

lig juist enkele topjaren voor Tijls Overijsselsche
Courant. Buitenlandse berichtgeving moest maar
even op een laag pitje worden gezet, want Overijs

sel – en vooral Zwolle’s wijde omgeving – werd
in 1824 en 1825 getroffen door een verwoestende
watersnood, van een omvang die men een eeuw
lang niet had beleefd.
Op 8 februari 1825 schrijft de krant (namen
van verslaggevers worden nooit genoemd) dat
een zware noordwesterstorm het water tot ‘eene
voorbeeldloze hoogte’ had opgestuwd. Rivier- en
zeedijken braken op talloze plaatsen door.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2015, Aflevering 1

Door | 2015, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

1945 in
Zwolle
Familiebrieven over
oorlog en bevrijding
32e jaargang 2015 nummer 1 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift ZHT1 2015 .indd 1 14-04-15 12:51
Suikerhistorie
PEHA Wegrestaurant, Ceintuurbaan 48
Op 9 januari 1964 werd aan de Ceintuurbaan de
nieuwe Eerste Zwolsche Bedrijfsauto (EZB)-garage geopend door burgemeester Roelen. Op hetzelfde moment ging ook het PEHA wegrestaurant
officieel van start, dat op de begane grond gevestigd was. Op de eerste etage lag een tweede, wat
chiquer restaurant. Met de showroom en de DAFreparatiewerkplaats eveneens op de begane grond
en de flatwoningen boven het restaurant vormde
het een geheel. De flats werden in het begin vooral
bewoond door het garagepersoneel. Het pand was
ontworpen door de Zwolse architect Treep. Op
de zondag na de opening kon de geïnteresseerde
Zwollenaar het restaurant komen bewonderen en
daar een kop koffie met cake voor slechts 45 cent
nuttigen.
Het restaurant op de eerste etage kreeg de
naam ‘De Cockpit’. Deze naam en de (bedrijfs)
naam PEHA verwijzen beide naar de luchtvaart,
PH zijn de registratieletters van alle Nederlandse
vliegtuigen. De letters kunnen ook staan voor pursers en hofmeesters. In 1960 richtten ruim vijftig
PH-ers de PEHA op. Zij legden elk 25 gulden per
maand opzij om daarmee aandelen te kopen in de
N.V. PEHA met het doel wegrestaurants te exploiteren. Het Zwolse restaurant was de eerste.
De eerste jaren verliepen redelijk. Het restaurant nodigde het geëerd publiek onder meer op
de volgende manier uit: ‘na uw uitstapje, ’s avonds
nog een gezellig menu in ons restaurant aan de
Ceintuurbaan en geniet van het boeiend uitzicht
aan de rand van de stad.’ Ondanks deze warme
aanbeveling heeft het PEHA-wegrestaurant maar
zes jaren bestaan. In maart 1970 was er al sprake
van het voormalige wegrestaurant aan de Ceintuurbaan, de PH-ers waren toen in ieder geval
‘gevlogen’.
2 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Waar nu de showroom van het Land Rover Centre Zwolle is, stond ooit het
PEHA Wegrestaurant. Op de achtergrond is het aan de Oude Meppelerweg
gelegen café/partycentrum De Vrolijkheid zichtbaar. (Foto Annèt Bootsma)
ZHT1 2015 .indd 2 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 3
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 2
1945 in Zwolle, familiebrieven over oorlog
en bevrijding Catherine Wijnands 4
Een Zwolse onderneming aan de vooravond
van de Duitse inval
Annèt Bootsma – van Hulten 11
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 6: Degelijk dagblad balanceerde
in oorlog op scherp van de snede
Willem van der Veen 19
Voor Ies en Henriëtte Hompes – Turksma
en hun zoontjes David en Harry
Robert Hompes 26
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 12: Metamorfosen
(januari – juni 1965) Jan van de Wetering 30
Boeken 37
In memoriam Wil Cornelissen, 1928-2014
‘Men sterft alleen als men wordt vergeten’
Annèt Bootsma – van Hulten 40
Mededelingen / Auteurs 41
Redactioneel
Het is deze lente zeventig jaar geleden dat
de bevrijding een einde maakte aan het
Duitse schrikbewind over Nederland.
In dit nummer daarom veel aandacht voor die tijd.
Twee artikelen zijn gebaseerd op egodocumenten,
wij zijn hier mee ingenomen, want wat geeft nou
een authentieker tijdsbeeld dan de waarneming
van de tijdgenoot zelf?
Catherine Wijnands schreef een intiem verhaal over de bevrijding van Zwolle op basis van
bewaard gebleven brieven van haar moeder en
tante aan haar oma in Groningen.
Annèt Bootsma laat Oeds de Leeuw jr. aan het
woord, destijds directeur van de Zwolse groothandelsfirma O. de Leeuw. In een lezing uit april 1940
voor zijn Zwolse Rotaryclub schetste hij de problemen waarmee zijn bedrijf al sinds de mobilisatie van 1939 te kampen kreeg, ongetwijfeld exemplarisch voor veel andere Nederlandse bedrijven.
Ronduit indringend is de toespraak van
Robert Hompes naar aanleiding van de onthulling van ‘struikelstenen’ (Stolpersteine) voor het
voormalig ouderlijk huis aan de Brederostraat
133. Zijn vader Ies en moeder Henriëtte en zijn
twee broertjes David en Harry hebben de oorlog
niet overleefd. Ze werden vermoord in de vernietigingskampen.
In dit nummer tevens een in memoriam voor
Wil Cornelissen. Ook zijn leven was getekend
door de gebeurtenissen tijdens de bezetting. Verder is er weer een aflevering over de geschiedenis
van de firma Tijl van de hand van Willem van der
Veen en brengt Jan van de Wetering ons via de
kolommen van de Zwolse Courant terug naar het
jaar 1965. Tenslotte in de rubriek ‘Boeken’ onder
meer uitgebreide aandacht voor twee recente
publicaties over de oorlog. Veel leesplezier! Coverfoto: Het opbrengen van NSB-ers en moffenmeiden, april 1945. (Collectie HCO)
ZHT1 2015 .indd 3 14-04-15 12:51
4 zwols historisch tijdschrift
‘Lieve Mams’, schrijft mijn moeder Sophia
Wijnands-Dalen (1910-2008) begin
januari 1945 vanuit Zwolle aan haar
moeder in Haren bij Groningen. Ze bedankt voor
een pakket dat veilig is aangekomen: handdoeken,
slopen, lakens, moltons, zakdoeken, een jasje dat
vermaakt kan worden, stijfsel, knopen. Meteen
er achteraan meldt ze over haar zuster en zwager:
‘Bernard en Mad moesten haast hun huis weer
uit, nu echter de buren; vier gezinnen zijn aan de
beurt, zij moeten er morgen om 6 uur uit zijn. Luc
gaat helpen. Hier tegenover wordt ook gevorderd.
En ook voorin de Wipstrik, een heel blok van zo’n
30 huizen moet 4 januari leeg zijn. Dus straks zie
je ons ook nog gaan. We zijn al aan het puzzelen
waar we eventueel dan terecht zouden kunnen.’
Sophia en haar man Luc (1905-1979) woonden met hun drie jonge kinderen – ik, destijds
Kitty genoemd, Lucas en Carla – in de Wipstrikkerallee op nummer 130. Haar zuster Madelaine
Meurs-Dalen (1908-1983) woonde met haar man
Bernard (1906-1980) en hun twee kinderen aan de
andere kant van Zwolle, in het toenmalige Spoolderpark, Spoolde A9 in Zwollerkerspel – nu de
Strick van Linschotenlaan 5. De zwagers werkten
allebei bij het familiebedrijf ‘Reinders Olie- en
Veevoederfabrieken’ aan de Nieuwe Vecht. Beide
zusters schreven in die oorlogsperiode geregeld
aan hun moeder mevrouw C.J. Kool-Kolff en haar
echtgenoot in Haren en een aantal van deze brieven is bewaard gebleven. De huiselijke mededelingen over verkouden kinderen, over de sneeuw
1945 in Zwolle, familiebrieven over
oorlog en bevrijding
Sophia WijnandsDalen met haar dochtertje Kitty (Catherine)
begin 1940, op de hoek
van de Wipstrikkerallee en Cornelis Houtmanstraat. Hun huis
Wipstrikkerallee 130
was het tweede huis
vanuit de hoek, met de
hoge schoorsteen. Het
waren moderne huizen
in die tijd, ze werden
medio jaren dertig
gebouwd. De familie
Wijnands woonde er
sinds 1938.
Rechts: Madelaine
Meurs-Dalen met haar
kinderen Arnoud en
Madeliene op vakantie
in Bergen aan Zee, juni
1939.
Catherine Wijnands
ZHT1 2015 .indd 4 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 5
en het schaatsen, over verjaardagen en de lastige
inwonende schoonmoeder worden afgewisseld
met het schrijven over voedselproblemen, vorderingen en bombardementen. De geposte brieven
konden er lang over doen, als de zusters de kans
kregen gaven ze epistels daarom mee aan bekenden die naar het Noorden moesten. De brieven
zijn in een bondige, in de familie gebruikelijke
telegramachtige stijl geschreven. De weergegeven
fragmenten zijn letterlijk overgenomen, omwille
van de leesbaarheid is alleen her en der een enkel
(lid)woord toegevoegd.
Najaar 1944, Zuid-Nederland bevrijd
Dat de bevrijding in aantocht was werd in september 1944 steeds duidelijker. Een groot deel van het
zuiden van Nederland werd bevrijd en in Zwolle
dachten velen dat het noorden ook snel aan de
beurt zou zijn. Dat viel tegen. De brieven van mijn
moeder uit die tijd laten zien wat de dagelijkse
realiteit van de bezetting inhield voor een gezin en
voor het huishouden.
Zo lees ik in een brief uit september 1944: ‘Lieve Mams, Vanmorgen trachtte ik je op te bellen,
doch het kon niet meer. We dachten dat ze al tot
Meppel waren. De berichten worden ontzettend
overdreven. De school [aan de overkant van de
straat, CW] was weer door de Duitsers gevorderd.
We fietsen ook niet meer, want die worden gevorderd. Het is wel vermoeiend alles loopend en dragend bij elkaar te krijgen. Gisteren op verjaardag
in het Spoolderpark, na 5 minuten zitten werden
we gevraagd te helpen om in te pakken bij weer
anderen die er ’s avonds uit moesten zijn. Er was
veel schieten op treinen, auto’s en colonnes rondom Zwolle.’ In een volgende brief: ‘Wij hebben nu
ook gasloze uren, wat een puzzle en berekening,
en hooikist en kranten gedoe. Vanmorgen op de
fiets uitgegaan, doch ik liet hem ergens achter [om
hem later op te halen, CW], omdat ze weer aan ’t
vorderen gingen. Bij ons in de buurt is in 2 huizen
een ravage aangericht. PTT-menschen schenen
gesaboteerd te hebben en kregen 10 minuten tevoren bericht dat ze er zelf uit moesten gaan. Met
granaten werd ’t zaakje verwoest, verder in ’t huis
alles goed, maar in de eet- en zitkamer geen meubel heel en serviezen, spiegels, schilderijen kapot.
Daarna konden ze er weer in gaan. Ik sjouwde
vorige week de boer op om afvalappels te halen,
2½ uur in de gietregen, 30 kilo appels. Ik moet ze
nog inmaken, er zit veel kneus bij. Er schijnt net
bekend gemaakt te zijn dat alle mannen tussen 17
en 45 jaar moeten graven, ik meen mijnenvelden
in polder Mastenbroek, om 6 uur moeten ze zich
melden. Deze ellendige dagen zullen we door
moeten.’
‘24 October 1944. Lieve Mams, Helaas is vanavond onze telephone er niet meer. Er is hier nog
voor enkele dagen gas. Dan is het via de Centrale
keuken eten. Doch ik wilde het schipperskacheltje
in de kamer zetten en van de warmte profiteeren
en dan daarop koken.’
De kinderen spelen buiten als het mooi weer
is, maar als er beschietingen zijn moeten ze snel
binnen komen: ‘Carla [1 jaar] is het onrustigste
met overvliegen, ze wordt er wakker van, ook van
schieten of afweer. Ze bootst de sirene na. Kitty
[6 jaar] en Lucas [3 jaar] camoufleren hun step en
driewieler met takken. Lucje heeft het steeds over
“auto’s gappen”. Kitty maakt van een poot van het
schoolbord afweergeschut en richt dat op de vliegtuigen. Ze vroeg: wat is een mitrailleur?’
December 1944: ‘Dit schrijf ik bij een oliepitje. Wij zaten reeds lang met alleen licht van
6-12 ’s avonds. Gas hebben we van 7.30-8 uur ’s
ochtends en ’s avonds van 7-7.30 uur. Heel slecht,
theewater komt zelden aan de kook en de melk
en pap amper. Wij eten al 6 weken van de noodkeuken. Nu sparen we onze eigen aardappelen en
brandstof. We zijn niet kieskeurig, het is wel altijd
stamppot.’ En erwtensoep, herinner ik mij, met
onbestemde glibberige stukken erin. Ik ben een
Wipstrikkerallee 130,
het tweede huis vanaf
de hoek, in augustus
1939. De auto rechts
was van Luc Wijnands.
ZHT1 2015 .indd 5 14-04-15 12:51
6 zwols historisch tijdschrift
keer gevallen met een pannetje eten van de noodkeuken, die ook een afhaalpunt had in de Van
Galenstraat. Ik viel vlak bij huis, pannetje open,
eten op de stoep. Het was bestemd voor mijn tante
Aatje Reinders-Elhorst die in de Watersteeg (nu
Kuyerhuislaan) woonde. Ik voelde me erg verantwoordelijk en diep ongelukkig.
Mijn moeder schrijft verder na een heel stuk
over het vermaken van een oude jas in twee kleine
jasjes voor de kinderen: ‘Hier was vrijdag een erge
bomvallerij, of het de gasfabriek was of een aangeschoten vliegtuig vanaf richting IJsselbrug weten
we niet. Gelukkig slechts 5 gedooden, maar ontzaglijk veel schade, veel huizen zijn onbewoonbaar. De kinderen en ik zaten in de wc, volgens
ons de beste plaats. We hebben hier de laatste tijd
enorm veel en heel zwaar afweer gekregen. Men
probeert regelmatig de spoorbrug en het station te
raken.’ Ze eindigt geheimzinnig: ‘Wij maken wel
buurbezoeken achterom. Naar Groenewegen, en
Kuipers aan de andere kant, wel handig, vertel ik
later wel eens.’ De buurman Frits Kuipers zat in
het verzet. Vanuit ons huis was in een slaapkamer,
achter een kast, een gaatje in de muur gemaakt
naar de buren. Omdat mijn vader bedrijfsleider
was bij Reinders beschikte hij over elektriciteit die
bij velen werd afgesloten. Zo kon Frits Kuipers
toch zijn clandestiene radio beluisteren, berichten
uit Londen waren belangrijk voor de verzetsactiviteiten.
Sophia doelt in haar brief op het bombardement op Zwolle op 15 december 1944 door vier
Amerikaanse bommenwerpers. De aanval was
gericht op de olietanks op de Schuttevaerkade en
mogelijk op de gasfabriek. De bommen kwamen
terecht op het Klein Grachtje, de Schildersbuurt
en de Bollebieste. Behalve de vijf doden waren
er veertig gewonden en een enorme materiële
schade.
1945, Hongerwinter in West-Nederland
‘3 Januari 1945. Lieve Mams, (…) Verdere emoties
van huizenvordering in de Wipstrik. Ook van
onze soort huizen en zelfs kleinere. Tegenover ons
ook een groot huis, van Ten Doeschate, ik nam
hun kind van anderhalf de heele dag mee, bij mij
in de box. De school is ook weer bezet, met ‘Groene’ liefst. Ik kan de boter op de kinderbon niet
eens krijgen.’ Met ‘Groene’ bedoelt ze de Grüne
Polizei, de ‘Ordnungs Polizei’ van nazi-Duitsland.
De school was de Elout van Soeterwoudeschool,
schuin tegenover ons huis; in die dagen was er
openbaar onderwijs gevestigd. Door het vorderen
van scholen vond er een voortdurende wisseling
van onderdak plaats. Met een aantal kinderen
kregen we ook zo nu en dan thuis les, de hoogste
klassen kregen soms onderwijs in het Sophia Ziekenhuis.
‘5 Februari 1945. Lieve Mams, (…) We liepen
hier in die koude steeds in lange broek (…) Ik had
amper dek genoeg voor ons en de kinderen, we
gebruikten jassen erbij (…) Er komen kinderen
op doortocht [uit het Westen, CW] die we een
paar nachten huisvesten, waar Oma [haar uit
huis gezette en nu noodgedwongen inwonende
schoonmoeder, CW] haar neus voor optrekt.
Die blijft verstoken van eenig medegevoel voor
menschen die het slechter dan wij hebben. LiefKitty (Catherine)
Wijnands voor het
tuinhek van Wipstrikkerallee 130, 1941. Op
de achtergrond aan de
overkant van de straat
het huis van de familie
Ten Doeschate.
ZHT1 2015 .indd 6 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 7
dadigheid vindt zij ook uit den booze. Het zijn
dingen die wij in deze tijd als plicht beschouwen.
Er wordt weer meer gevlogen dezer dagen, gistermiddag weer bommen op de IJsselbrug, weer mis,
alleen op de oprit van de voet-autobrug, naar men
ons vertelde.’
De brief van 16 februari meldt dat een zending levensmiddelen vanuit Zwolle naar familie
in Rotterdam dit keer goed is aangekomen. Het
pakket met rogge, roggebrood, peulvruchten en
eieren is niet onderschept door de Duitsers, zoals
eerder gebeurde. De brief vervolgt met het verslag
van mijn zevende verjaardag, ik kreeg een pop
van voor de oorlog, enkele oude boeken van mijn
nichtje, een beschilderd sigarenkistje als naaidoosje en sokken voor in de klompen. Ze eindigt
de brief: ‘Het licht zal zoo wel uitgaan. We hebben
tegenwoordig electriciteit van 6-12 ’s ochtends en
van 7-10 ’s avonds.’
Ze sluit in de enveloppe een krantje bij: De
Vliegende Hollander, een dagblad verspreid
door de Geallieerde Luchtmacht, gedateerd op
woensdag 14 februari 1945. Een vergeeld vel,
formaat A4, met kleine lettertjes maar met een
duidelijke vette kop: ‘Het doodvonnis over NaziDuitschland’. Een van de kinderen had het krantje
op straat gevonden. Voorop staat de bekende foto
met Churchill, Roosevelt en Stalin die acht dagen
vergaderden in Yalta op de Krim. ‘Zij hebben hun
politiek jegens bevrijd Europa gecoördineerd’,
schrijft de krant. Europa is dan nog niet bevrijd
maar dat duurt niet lang meer, om precies te zijn,
voor Zwolle: twee maanden.
Bevrijding van Zwolle 14 april 1945
Op zondag 15 april 1945 schrijft Madelaine
opgetogen aan haar moeder: ‘Hoera we zijn vrij
en van die vuile moffen af! Al 14 dagen zaten we
elken dag te wachten op de bevrijding en waren
op van de spanning! En jawel, na angstige dagen
Donderdag en Vrijdag van razzia’s, opblazen van
rails, treinen en gebouwen waar de Duitsers gezeten hadden in de stad, waren we gisteren om ±
half 11 vrij, toen het eerste Canadeesche autootje
met 2 Canadezen aankwam. Om half 2 hingen de
vlaggen! Kinderen met sjerpen, vlaggen, strikken
aan, en om half 4 waren we in de propvolle stad –
padvinders weer op de been, ook de Ondergrondsche. En daar werden de NSB’ers naar het gevang
gevoerd met de gekruiste handen in de nek. Wij
zijn er 100 procent goed afgekomen – geen ruit
kapot. Wel is er de 13e ’s avonds in Assendorp
gevochten en hoorden we zelfs hier de kogels suizen, heel eng. Alle moffen waren van Donderdag
op Vrijdag verdwenen. Spoorbrug en IJsselbrug
kapot gistermorgen – in de stad alle bruggen
heel!! Wonderlijk. God zij dank is ’t voorbij. Nu
jullie (vandaag?) en dan het Westen, dat is erger.’
‘De Vliegende Hollander’, een dagblad
verspreid door de
Geallieerde Luchtmacht
van woensdag 14 februari 1945.
ZHT1 2015 .indd 7 14-04-15 12:51
8 zwols historisch tijdschrift
Mijn moeder schrijft op 21 april: ‘Om half 9
Zaterdagochtend [14 april, CW] verscheen onze
eerste Canadees. Van toen af druppelden er meer
binnen, we konden het steeds maar niet begrijpen. Vrijdagavond was er nogal wat geschiet in
den omtrek, Zaterdagochtend om 6 uur dito. Wij
vroeg op. Nog een enkele mof zagen we tusschen
6 en 8 uur. Geen schot gelost, wel de heele Vrijdag
en nacht veel opgeblazen. IJsselcentrale reeds
maandag hersteld. Telephone hopeloos kapot en
het station ontzettend veel schade, verder 2 particuliere huizen van de S.D. En met munitie. Nu
eindelijk gaan we het beseffen, wel direct die rust,
nu niet meer razzia’s, vorderingen, diefstallen.’
Wat ze niet vertelt is hoe op de Wipstrikkerallee in de dagen voor de veertiende een buurman
(Vroom) met een verrekijker in oostelijke richting
stond te kijken, midden op de weg, er was toch
geen verkeer. En toen we die zaterdag begrepen dat de Canadezen er echt aankwamen deed
mijn moeder razendsnel de kleden in de kamer
omhoog, opende een luik in de vloer en haalde er
de rood-wit-blauwe vlag en de oranje sjerpen uit.
We holden ermee naar buiten en daar kwamen
onze bevrijders aan, rustig lopend achter elkaar, in
kleine groepjes. Uit alle straten en huizen kwamen
mensen aangelopen, lachend en juichend, zwaaiend naar de soldaten. Ik herinner me het intense
geluksgevoel dat me overweldigde, het was een
onvergetelijke blijdschap.
We kregen inkwartiering van Canadezen, ik
leerde m’n eerste Engelse woorden: ‘How do you
do’, ik zong die magische tekst de hele dag. De
brief van 21 april vervolgt: ‘Gezellige kletsjes met
Fransch Canadezen die hier eerst kwamen, nu
Engelsch sprekende. Hebben vannacht een major
gehad. Direct de kinderslaapkamer voor hem
ontruimd. Praatten vannacht tot half 3 met hem.
Was in Afrika, Normandië, Zuid-Vlaanderen,
Nijmegen, Deventer, Zutphen, Sneek, Joure,
Lemmer en nu hier. De kinderen genieten er
geloof ik ook van. Carla en Lucje zullen ’t zich
misschien niet herinneren. We waren in de stad
met Kitty en Lucas. Ze vonden het schitterend.
Luc was de eerste dagen in een roes en ik alleen
maar moe na de spanning. Die rust, nu geen
[angst voor de] bel meer om hem op te halen; 3
weken geleden waren we bijna nog aan het verhuizen. Wij sliepen nog enige nachten in de kelder voor granaatvuur uit Hattem. De kinderen
zien er prachtig uit met oranje strikken in ’t haar.
Hoe zou het in het Westen aflopen? Hadden we
gedacht er zoo af te komen? We verwachtten hier
in de Wipstrik nog wel de 1ste zware afweerstoot.
Hadden de kelder al gestut. Alle koffers klaar
en eterij en slaperij in de kelder, en nu ging het
zoo maar. Wat een zaligheid weer!!’ Ze doet een
briefje erbij dat ik geschreven heb: ‘Ik feliciteer
u wel, dat wij weer vrij zijn. (…) Wat een mooie
vlaggen hè?’
De brief van 21 april
1945 van Sophia
Wijnands-Dalen aan
haar moeder en stiefvader in Haren.
ZHT1 2015 .indd 8 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 9
Na de bevrijding
Madelaine beschrijft op 28 april hoe ze na de
bevrijding haar huis aantrof dat door de Duitsers
gevorderd was: ‘Verder was ons huis een stal, vol
meubels van de Duitsers en van de Spoorwegen.
Ik heb wel eenige dingen gehouden: emmers,
pannen, een stofzuiger! Het wordt opgeverfd en
behangen. De parketvloer is 3 dagen door 3 man
afgekrabd! En stinken alles…’ Ze kookt op een
noodkacheltje en een petroleumstel en schrijft
optimistisch: ‘maar het leert wel en we rollen er
wel door.’ Ze realiseert zich hoe goed ze het heeft:
‘Ik moet niet aan het Westen denken. Vreeselijk,
wat we daarvan te hooren krijgen na den oorlog.
Was dat maar bevrijd daar.’ Ze krijgen veel Canadezen op bezoek, ‘… ook om de borrel.’ In dezelfde
brief schrijft ze over een door haar ontslagen
NSB-dienstbode: ‘(…) wordt ze door haar eigen
vrijer naar het gevang gebracht daar ze met moffen uit was toen hij in Duitsland was. Ze is bijna
8 maanden ondertrouwd maar bedonderde hem
er 5 van! Ze schijnt menig nacht met een andere
dienstbode in het huis waar toen de moffen zaten
doorgebracht te hebben. Dat ze daar familiaar
tegen deed, wist ik, en ik gaf haar al menig maal
op den kop – dat ze vergat dat het onze vijand was.
Die kan in de stad gebouwen dweilen.’
Op 29 april schrijft Sophia: ‘Eindelijk na
zooveel jaren mogen we weer vlaggen morgen
voor de jarige Prinses.’ Ze vierden ook de veertigLinks: Buurman
Frits Kuipers (rechts,
gehurkt) met zijn
kinderen op 14 april
1945 bij de intocht van
de Canadezen. In het
midden Leo Major. De
foto is genomen voor
Wipstrikkerallee 130.
(Collectie HCO)
Rechts: Lucas en Carla
Wijnands in de tuin
voor hun huis in 1946.
Briefje van Kitty
(Catherine) Wijnands
van 21 april 1945 aan
haar grootouders.
ZHT1 2015 .indd 9 14-04-15 12:51
10 zwols historisch tijdschrift
ste verjaardag van Luc: ‘We hadden 35 menschen.
We aten allerlei 5 jaar oude blikjes op sandwiches, een emmer tomatensoep, en een slaatje
dat ik maakte in een waschteil. Iedereen was in
een prachtstemming.’ Het verhaal gaat dat ze alle
zorgvuldig bewaarde restjes drank opdronken
en dat iedereen erg vrolijk werd omdat niemand
meer drank gewend was. Ook Sophia is bezorgd
over het Westen. ‘Het is toch waar dat ze die pakketten [voedsel, CW] nu uitgooien. Als de moffen
ze maar niet het eerst in handen krijgen. En als
het nu daar ook maar zoo gauw mogelijk afloopt,
want het geeft op alles wel een schaduw. En voorlopig mogen we er niet heen ook, 100 dagen afsluiting.’ Het extra voedsel van de geallieerden voor
de regio Zwolle kwam niet door de lucht: ‘Gisteren
kwamen er 22 Engelsche auto’s met voornamelijk
biscuits. Een loods van Reinders is opslagplaats
voor voedingsmiddelen. Luc was tolk en regelaar.’
Dat na de bevrijding niet alles meteen weer
op rolletjes liep, blijkt uit de klachten van Sophia
in haar brieven van juni en juli. Alles is nog op de
bon, de distributie zal nog jaren duren (tot 1953).
De meeste scholen zijn nog dicht. De watervoorziening is slecht: ‘… we hebben overdag boven
geen water, erg lastig, soms beneden ook niet.’ In
juli schrijft ze: ‘Sinds 1 week hebben we electriciteit. 1 KW per week, we kunnen er net van komen
zonder licht te gebruiken, 1½ uur strijken, 1 x
stofzuigen, 1 electrische klok en de radio in eere
hersteld, waar we erg van genieten.’ Ze eindigt de
brief vrolijk: ‘We staan op het punt naar de film te
gaan in een jeep met 2 Canadezen.’
Mijn ouders hielden nog jaren contact met hun
bevrijders, voornamelijk met Glenn Tompkins.
Met hem en zijn latere vrouw Jean raakten zij
bevriend. Mijn ouders gingen naar Canada en
Glenn en Jean, en later ook hun kinderen, kwamen bij ons in Zwolle. Glenn zou naar de vijftigste
herdenking van de bevrijding in Zwolle komen,
maar helaas overleed hij onverwacht enkele
maanden daarvoor in januari 1995.
* De afbeeldingen bij dit artikel zonder bronvermelding zijn afkomstig uit de collectie van de auteur.
Boven: Het opbrengen
van NSB-ers en moffenmeiden, april 1945.
(Collectie HCO)
Luc en Sophia
Wijnands-Dalen voor
hun huis in de jeep van
de Canadees Glenn
Tompkins. (Particuliere
collectie)
Glenn Tompkins (links)
met drie collega officieren in een ontspannen
pose na de bevrijding.
ZHT1 2015 .indd 10 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 11
Een Zwolse onderneming aan de vooravond
van de Duitse inval
Annèt Bootsma – D van Hulten
it jaar is het zeventig jaar geleden dat de
Tweede Wereldoorlog beëindigd werd.
Nederland werd vijf jaar eerder bezet
door de Duitsers, daarom denken wij doorgaans
aan de jaren ’40-’45 als we het over de Tweede
Wereldoorlog hebben. Maar de oorlog wierp eind
jaren dertig al een merkbare schaduw vooruit, die
in september 1939 met de Duitse inval in Polen en
de daaropvolgende oorlogsverklaring van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk aan Duitsland zou
culmineren in het officiële begin van de Tweede
Wereldoorlog. Deze oorlogssituatie ging uiteraard
niet onopgemerkt aan Nederland voorbij. Men
kreeg hier te maken met mobilisatie (28 augustus
1939) en stokkende aanvoer uit het buitenland.
Welke problemen dit zoal opleverde voor het
Nederlandse bedrijfsleven, in dit geval voor een
Zwolse onderneming, valt te lezen in een interessant tijdsdocument, een lezing die de Zwolse
ondernemer Oeds de Leeuw jr. (1875-1954) op
11 april 1940 – een maand voor de Duitse inval!
– voor zijn Zwolse Rotaryclub hield, en die volledig uitgeschreven bewaard is gebleven in het
bedrijfsarchief van O. de Leeuw. Oeds de Leeuw
was samen met zijn zwager Frans Esser (1876-
1942) directeur van het uit de negentiende eeuw
stammende Zwolse familiebedrijf O. de Leeuw
BV, destijds een groothandel (grossier) in ijzer,
ijzerwaren en landbouwgereedschappen, met
een kleine vijftig man personeel. Voor de verdere
beschrijving van het bedrijf verwijs ik naar mijn
artikel vorig jaar in het ZHT over de lezing die De
Leeuw in 1938, ook voor zijn mede-Rotarians,
hield over zijn bedrijf en de impact van de Eerste
Wereldoorlog daarop (jaargang 31 (2014) nr. 1,
p. 16-22).
De tekst van de lezing uit 1940 is nauwelijks
bewerkt, de aanpassingen betreffen met name de
spelling. De opmerkingen tussen vierkante haken
zijn toevoegingen van mijn kant, de opmerkingen tussen gewone haakjes maken deel uit van
de oorspronkelijke tekst. Het verhaal over de
gevolgen van het uitbreken van de oorlog, de regeringsmaatregelen, de toenemende vraag van de
oorlogsindustrie met als gevolg daarvan een haperende buitenlandse aanvoer en prijsstijgingen,
spreekt verder voor zich. Ik laat nu Oeds de Leeuw
jr. aan het woord:
Lezing Rotary 11 april 1940
‘Ik heb vandaag een onderwerp dat de Rotarians
uit het bedrijfsleven wel zal interesseren, namelijk
de moeilijkheden die ons bedrijf ondervindt in de
huidige oorlogstijd. Het voorspel hebben wij vorig
jaar [1939] al na Pasen gehad, toen Defensie onze
Oeds de Leeuw jr.,
1875-1954. (Particuliere collectie)
ZHT1 2015 .indd 11 14-04-15 12:51
12 zwols historisch tijdschrift
beide paarden en een vrachtwagen vorderde. Na
enkele weken kregen we de paarden vermagerd en
de auto min of meer aftands terug. Van de Nederlandse Vereniging van Draadvlechters kwam
bovendien bericht dat ze twee maanden – juist in
het drukke seizoen – voor de regering moesten
draaien en dat de lopende contracten daarom
werden opgeschort. Een en ander had ten gevolg
dat we een paar weken zonder prikkeldraad gezeten hebben. Het was echter nog maar een voorproefje! We zouden wel anders piepen!
Bij de eind augustus afgekondigde algemene
mobilisatie ontstond dezelfde narigheid, namelijk
de vordering van paarden en vrachtwagen. Deze
laatste, dezelfde wagen als in april 1939, werd
echter op ’t laatste ogenblik, als zijnde te aftands,
afgekeurd en vrijgegeven.
Ternauwernood werd met onze inmiddels
nieuw aangekochte Oldsmobile vrachtwagen
de vorderingsdans ontsprongen, waarschijnlijk
omdat daarvoor niet overal reservedelen te verkrijgen zijn, wat bij Chevrolet en Ford wel het
geval is. Hoe het ook zij, nadat de politie de wagen
al vastgehouden had, werd deze later toch door
de betreffende militaire autoriteit vrijgegeven.
Wij hadden echter te vroeg gejuicht, want enkele
dagen daarna werd ik ’s avonds opgebeld door
de commandant van een militaire post in Zwollerkerspel met de mededeling dat de nieuwe
vrachtwagen de volgende morgen om 7 uur paraat
moest staan met onze chauffeur, om goederen
te vervoeren naar de Betuwe. Of ik al beweerde
dat ik wegens de marktdag [op vrijdag] de wagen
niet missen kon, dat de bedoelde Oldsmobile
niet op de vorderinglijst stond en wel de oude
Ford vrachtwagen, maar dat die hem natuurlijk
niet convenieerde, het hielp mij niet en als goed
Nederlander was ik wel verplicht aan zijn orders
te voldoen. Hij verzekerde mij trouwens dat het
maar voor een dag nodig was en wagen en chauffeur vrijdagsavonds weer terug zouden zijn. Maar
zoals ’t wel meer gebeurt, de sergeant wikt en de
luitenant beschikt, want ’s avonds kreeg ik een
telefoontje uit Tiel van mijn chauffeur dat hij met
de trein terug kwam, zonder vrachtwagen. Dat
toen de stemming van ondergetekende beneden
nul was, kunt u zich zeker wel voorstellen!
Na overleg met mijn zwager Esser, besloten wij
dat deze de volgende morgen met de chauffeur per
auto naar de Betuwe zou gaan, om alsnog te trachten van de bovengenoemde luitenant onze wagen
vrij te krijgen. Na een langdurig onderhoud,
waarbij eindelijk de mededeling kwam dat men
de wagen maar een of twee maal per maand dacht
te gebruiken en de opmerking daarop van mijn
zwager of de bewuste luitenant dan wel tegenover
zijn superieuren het vorderen van zo’n dure wagen
kon verantwoorden, konden zij de wagen weer
meenemen. Echter met de toevoeging dat als het
leger hem nodig mocht hebben, hij toch weer
teruggehaald zou worden! Gelukkig is daarvan tot
heden niets gekomen.
De originele tekst van
de lezing van Oeds de
Leeuw jr. (Bedrijfsarchief O. de Leeuw)
ZHT1 2015 .indd 12 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 13
Regeringsmaatregelen
Een der eerste regeringsmaatregelen was het per 1
september 1939 ingestelde Metaalbureau, waarbij
de gehele ijzer- en metaalhandel als erkend handelaar ingeschreven moest worden. Voorts moest
de voorraad per 31 augustus binnen veertien
dagen opgegeven worden, gesplitst in vijf rubrieken: ten eerste hetgeen voor Defensie bestemd
was; ten tweede hetgeen voor handelsgebruik was;
ten derde wat in het buitenland gecontracteerd of
besteld was; ten vierde het land van herkomst en
ten slotte de omzet in 1938. Dit lijkt, als men dat
zo hoort, niet zo erg, wanneer men echter bedenkt
dat er voor ijzer en ijzerfabricaten al 38 rubrieken
zijn, voor tin en tinfabricaten 7, voor lood en
loodfabricaten 5 en voor zink en blik elk 6, dan is
een tijdsruimte van twee weken om een en ander
op te geven niet zo heel lang. Deze voorraadopgaven moesten later per 31 oktober en 31 december
herhaald worden.
Voor het vervoersverbod wat ook met 1 september ingegaan was, werd direct dispensatie
verleend tot en met 30 september. Wij hadden
echter de laatste week van september geen officiële mededeling ontvangen dat deze dispensatie
verlengd zou worden, zodat dus vanaf 1 oktober
feitelijk geen ijzer of metalen meer vervoerd
mochten worden. Op het politiebureau kon men
ons die dag hierover niet inlichten, daarom werd
het departement in Den Haag opgebeld, dat ons
op dat ogenblik ook niet wijzer kon maken. De
betreffende ambtenaar was ten zeerste verbaasd
toen wij hem attent maakten op het vervallen van
het vrije ijzer- en metaalvervoer. Het was door
de drukke septembermaand in ’t vergeetboek
geraakt. Wij moesten echter onze gang maar gaan
en bij eventuele aanhouding door de politie naar
Den Haag verwijzen. Enkele dagen daarna werd
een afdoende maatregel genomen, waarbij iedere
bij het Metaalbureau ingeschreven handelsonderneming een nummer kreeg, wat op alle correspondentie dienaangaande, facturen, adressen,
vrachtbrieven, enzovoort moet voorkomen.
Aanvoerproblemen
Wij betrekken onze goederen uit verschillende landen. Ik zal u nu de problemen met de aanvoer uit
de meeste daaruit schetsen, te beginnen met Polen:
een contract aangaande ijzeren buizen, waarvan de
levering half augustus vorig jaar zou plaatshebben,
werd verschoven naar half september. Door de oorlog werd deze order helemaal niet meer uitgevoerd.
Zweden: onze orders in artikelen uit Zweden
die halverwege augustus en later in september
besteld waren, werden met enkele weken levertijd
prompt uitgevoerd, op de gecontracteerde prijzen
en condities. Collega’s die hun orders enige weken
later opgegeven hadden, hebben veel moeilijkheden met de aanvoer ondervonden wegens mijnen- en torpederingsgevaar. Tengevolge hiervan
werden de prijzen veel hoger.
Frankrijk: in Frankrijk werden direct drastische maatregelen genomen. De lopende contracten van ijzer en staal werden eenvoudig
geannuleerd. Later werd dit in zoverre gewijzigd
dat ze uitgevoerd zouden worden wanneer het
materiaal voor Defensie hier te lande bestemd
was, waarvoor de bewijzen dan overlegd moesten
worden. Reeds vorig zomer werden de orders in
Frankrijk voor ijzerwaren maar langzaam uitgevoerd. Vanaf september werd dit hoe langer
hoe erger. Zo kwam bijvoorbeeld op 31 maart
jongstleden een zending ijzerwaren aan, waarvan
de bestellingen uitgegaan waren op 30 maart, 18
Gemobiliseerde militairen moesten zich
op 29 augustus 1939
melden op de veemarkt
in Zwolle. Op de achtergrond een van de
bedrijfsterreinen van O.
de Leeuw. De ingangen
daarvan waren gelegen
aan de Emmastraat en
aan de Willemskade.
(Collectie HCO)
ZHT1 2015 .indd 13 14-04-15 12:51
14 zwols historisch tijdschrift
augustus en 20 oktober 1939. Toen de zending
dan eindelijk in de douaneloods lag, deed zich
een andere moeilijkheid voor, namelijk met de
aangifte voor de inklaring. Want het gedeelte van
de betreffende zending waarvan de besteldatum
meer dan zes maanden oud was, moest tegen
de huidige inkoopwaarde aangegeven worden,
welke natuurlijk inmiddels veel hoger lag dan op
de factuur berekend was. Aangezien het hier een
zending betrof van verschillende artikelen in drie
uitvoeringen, waarvan de kortingen ook allen verschillend waren, gaf dit alleen al een dag werk aan
een onzer bedienden.
Engeland: uit Engeland werd in september en
oktober vorig jaar niets van de lopende orders
afgeleverd. Nadat de Engelse exporterende firma’s
hierover ernstig geklaagd hadden, werd in de
tweede helft november de eerste zending verscheept. Een order op gereedschappen vroeg zes
maanden levertijd. Nieuwe orders kunnen niet
meer geplaatst worden, omdat de toonaangevende
fabrieken alle voor Defensie moeten werken.
Luxemburg: de eerste drie oorlogsmaanden
werden er geen ijzer en balken vanuit Luxemburg
aangevoerd. Er bestond namelijk in Luxemburg
een groot gebrek aan cokes voor de hoogovens.
De Nederlandse regering heeft toen cokes geleverd, waarvoor als contraprestatie uit Luxemburg
balkijzer voor onze Defensie kwam, dat ondermeer voor wegen- en bruggenversperringen (de
zogenaamde asperges) werd gebruikt. Een partij
balkijzer, door ons in de laatste week van augustus
besteld, werd uiteindelijk op 23 december verzonden. Die zendingen gaan per spoor naar Brussel
en vervolgens per schip verder naar Zwolle. De
schipper heeft deze partij kunnen vervoeren tot
het Zeeuwse Wemeldinge maar is daar ingevroren, zodat het ruim vijf maanden geduurd heeft
voordat de order in Zwolle aangekomen was.
Amerika: doordat verschillende grote Amerikaanse fabrieken na 1918 in Duitsland filialen
gesticht hebben of bestaande fabrieken wegens
kapitaalgebrek opgekocht hebben, bepaalde zich
de laatste jaren de aanvoer uit Amerika tot speciale landbouwwerktuigen, ondermeer de tractors
en motoren. Een order van begin januari van deze
machines werd gedeeltelijk na anderhalve maand
looptijd verzonden. Doordat de boot de Volendam een week of vier in de Duins [of Downs, een
rede voor de kust van Kent] had gelegen, zijn deze
machines eindelijk op 30 maart in Rotterdam
gearriveerd. Door deze vertraging ontgingen ons
verschillende orders. Het restant van deze order
machines zal begin mei verscheept worden.
België: na de maand september werd begonnen met verzending van het voor 1 september
bestelde ijzer. Met een plaatijzercontract hebben
wij veel misère beleefd. Toen deze partij zes weken
na orderdatum gereed lag, wenste de fabriek
voor aflevering betaling ofwel een onherroepelijk bankaccreditief. Het materiaal zou per schip
verzonden worden en daar onze partij plaatijzer
vijftig ton bedroeg en het schip tweehonderd ton
bergen kon, werden andere partijen in hetzelfde
schip geladen; onder meer voor firma’s in Venlo,
Nijmegen, Arnhem en Deventer. Voordat echter
alle belanghebbenden met het betalingsvoorschrift akkoord gingen, waren weer twee weken
verlopen. Nu zult u zich herinneren dat er in die
tijd een van de Maasbruggen in Luik in de lucht
gevlogen is, waardoor het vaarwater versperd was.
Toen stelde men ons voor de lading te lossen, met
vrachtauto’s naar een ander schip ten noorden
van de defecte brug te brengen en daar weer in te
laden. Na akkoord bevinding bleek het vaarwater
echter al weer zover opgeruimd te zijn dat het
bewuste schip er toch door kon. Inmiddels was de
waterstand van de Maas veel hoger geworden en
gaf dit op enkele losplaatsen weer moeilijkheden,
zodat eerst half november eindelijk de partij hier
aangekomen is.
De Oldsmobile COE
1938 van O. de Leeuw,
hier gefotografeerd in
1940 op de markt in
Doetinchem. (Internet)
ZHT1 2015 .indd 14 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 15
De laatste maanden werd de uitvoer van
ijzer van België en Luxemburg naar Nederland
zeer bemoeilijkt door een handelsovereenkomst
met Engeland en Frankrijk, waarbij onder meer
bepaald werd dat Engeland en Frankrijk vanaf
1 oktober 1939 maandelijks 60.000 ton walsproducten van België en Luxemburg zouden ontvangen, welke hoeveelheid vanaf 1 januari 1940 tot
100.000 ton per maand opgevoerd zou worden.
Frankrijk zou dan voor het ertsvervoer zorgen
om de maandelijkse uitvoer van ongeveer 100.000
ton voor de vrije neutrale markten mogelijk te
maken. Dientengevolge wordt dus de uitvoer van
Belgisch en Luxemburgs ijzer naar Nederland
zeer vertraagd. De levertijden bedragen thans drie
à vier maanden. De aanvoer van ijzerwaren en
landbouwwerktuigen vanuit België gaat nog vrij
geregeld, wel zijn de prijzen sterk gestegen.
Duitsland
De situatie met Duitsland is een lang verhaal. De
invoer uit dit land was natuurlijk in september
1939 nihil, door de oorlog in Polen, de troepenverplaatsingen en dergelijke, alsmede het gebrek
aan transportmiddelen. Lopende contracten van
leveringen van landbouwwerktuigen en zelfs
nieuwe orders van september en oktober werden
zonder prijsverhogingen geboekt; mits het directe
levering uit voorraad betrof.
Een ongunstige uitzondering hierop maakte
een in ’t najaar afgesloten contract over landbouwwerktuigen met de Internationale Harvester
Cie., een groot Amerikaans concern met dochterfabrieken in Duitsland en Frankrijk. Toen een
deel der gekochte goederen gereed stonden en
scheepsruimte werd gezocht, kwam plotseling het
bericht dat wij 7 procent opslag betalen moesten,
anders zou de leverancier geen uitvoervergunning
kunnen krijgen. Noodgedwongen moesten wij
daarmede akkoord gaan, want per 1 januari 1940
zou de opslag 10 procent worden. Waarschijnlijk
heeft men met deze maatregel de Duitse fabrieken
willen beschermen. Juist voor de vorstperiode was
het schip met deze partij aangekomen.
Dit jaar werd de toestand heel anders. Door
de sterk verminderde export in de tweede helft
van 1939 werd de achterstand van de clearing met
Duitsland ten opzichte van Nederland ingelopen
en kregen wij in de eerste maanden van 1940 een
omgekeerde toestand. Want eind februari lag
Nederland ongeveer dertien millioen gulden bij
Duitsland ten achter. Onmiddellijk werden van
Duitse zijde maatregelen genomen om dit te remmen, door opheffing van exportpremies en door
extra prijsverhogingen; want de fabrikanten kunnen slechts tegen aanmerkelijk verhoogde prijzen
grondstoffen krijgen. Begin maart dit jaar schreef
een onzer fabrikanten van landbouwwerktuigen
ons bijvoorbeeld dat de prijsverhoging van zijn
fabricaten van 20 op 50 procent gebracht moest
worden. Daarvan mag niet afgeweken worden,
want de exportprijzen worden te Berlijn vastgesteld en daarop bestaat een zeer scherpe controle.
Voorts moeten de fabrikanten, die een order voor
export gekregen hebben, de orders met de verkoopprijzen aan de betreffende Rijkskantoren in
Berlijn overleggen, om een dienovereenkomstige
benodigde hoeveelheid grondstoffen te kunnen
aanvoeren.
Ook heeft Duitsland een soort distributie voor
de export van landbouwwerktuigen ingesteld voor
die landen welke in 1939 meer dan het normale
kwantum geïmporteerd hebben. Voorts werd ons
O. de Leeuw was destijds importeur voor
Nederland van Deering, een van de merken
van de International
Harvester Cie. Hier het
full-colour voorblad
van een prijscourant
van deze artikelen uit
1938. (Bedrijfsarchief
O. de Leeuw)
ZHT1 2015 .indd 15 14-04-15 12:51
16 zwols historisch tijdschrift
medegedeeld dat de export naar Nederland van
landbouwwerktuigen en machinerieën aanmerkelijk
beperkt zou worden, door de grote achterstand van
de vervanging van die werktuigen in Oostenrijk, Slowakije, Polen en Rusland. Het kost thans de grootste
moeite om orders geplaatst te krijgen, alleen de
meest courante modellen worden gefabriceerd.
Gedurende de maanden september en oktober konden verschillende ijzerwaren nog tegen
normale of weinig verhoogde prijzen van Duitsland betrokken worden. Deze werden ook vlot
geleverd, vlugger en goedkoper dan dezelfde artikelen die hier te lande gefabriceerd worden. Zo
gebeurde het dat vorig najaar een Duitse fabrikant
verbaasd was dat hier te lande gegalvaniseerde
artikelen als emmers, teilen en wasketels nog in
overvloed voorhanden waren. In zijn woonplaats
(in Westfalen) waren die artikelen zo goed als
nergens meer te krijgen. Een order van twintig ton
van die goederen door ons in september gegeven
werd binnen vier weken afgezonden. De Nederlandse fabrieken vroegen een levertijd van enkele
maanden. Vele Duitse fabrikanten van kleine
ijzerwaren en gereedschappen zijn de laatste
maanden door gebrek aan personeel en geringe
aanvoer van grondstoffen gedupeerd. Zo schreef
ons in ’t laatst van 1939 een fabrikant: “Van mijn
vijftig geschoolde arbeiders heb ik er thans maar
twee meer over. Tengevolge hiervan moeten wij
wat kleine ijzerwaren en gereedschappen betreft,
zoals hamers, bijlen, nijptangen en dergelijke, met
een levertijd van minstens drie tot vier maanden
rekening houden.” Verschillende metaalproducten zijn absoluut niet meer van Duitsland te bekomen en wel speciaal die artikelen waarvoor tin en
koper gebruikt worden, evenmin als rubberfabricaten. Vanzelfsprekend kunnen fabrieken die voor
Defensie moeten werken bijna geen orders meer
accepteren of uitvoeren.
Een staaltje hiervan is het volgende: er werden in juni 1939 voor een Ambachtsschool twee
kleine aambeelden bij ons besteld. Normaal had
de levering begin augustus moeten plaatshebben.
Na herhaald aandringen op afzending zijn ze eindelijk 5 april dit jaar aangekomen. Aangezien de
factuurwaarde voor de inklaring niet meer geldig
was, moesten ze tegen de huidige, veel hogere
waarde aangegeven worden. Een partij schoppen
van enige duizenden kilo’s, die normaal in gelakte
uitvoering geleverd worden en als zodanig in de
koopbrief ook bevestigd stonden, werden ongelakt geleverd met de mededeling dat ze in gelakte
uitvoering niet meer geëxporteerd mochten
worden. Daar de huidige prijs circa 50 procent
hoger is, hebben we de partij maar geaccepteerd.
De levering had vier maanden geduurd. Voor
verschillende andere artikelen die onder controle
van Berlijn staan, krijgt men de mededeling dat de
order niet anders dan met een verhoging van 25
tot 75 procent uitgevoerd mag worden.
Nadat in de maanden januari en februari de
verzending van ijzer, door de vorst en gebrek aan
wagons, in ’t geheel niet kon plaatsvinden en er
in de eerste helft van maart geen scheepsruimte
beschikbaar was, ontvingen wij eindelijk een factuur met verzenddatum 28 maart van een partijtje
ijzer van dertig ton verzonden uit het Ruhrgebied, van orders gedateerd op 2 april, 7 juli en
De eerste maanden
van 1940 moesten er
vanwege de stijgende
prijzen voortdurend
supplementen op de
bestaande prijscouranten uitgegeven worden.
(Bedrijfsarchief O. de
Leeuw)
ZHT1 2015 .indd 16 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 17
21 oktober 1939. Nieuwe orders konden in 1940
niet meer in Duitsland geplaatst worden, daar
alle walswerken voor Defensie en binnenlands
gebruik moeten werken. Wij zijn dus op Nederland, België en Luxemburg aangewezen. Voorts
heeft men in Duitsland per 1 april een uitvoerverbod gesteld op alle soorten gewalst ijzer, plaatijzer,
balken, alle soorten draad, rails, gasbuizen en nog
enige andere artikelen.
Artikelen van Nederlands fabricaat
Een artikel wat direct door Defensie gevorderd
werd, waren kookpotten. In de eerste dagen van
september kreeg ik ’s morgens telefoon uit Den
Haag dat onze gehele voorraad grotere kookpotten, dat wil zeggen van 100-125-150 en 200 liter,
gereserveerd moest worden voor Defensie. Deze
zouden dezelfde dag met militaire auto’s gehaald
worden. Gelukkig hadden wij diezelfde dag reeds
vroegtijdig een lading van de fabriek ontvangen, zodat wij onze Hollandse jongens aan snert
konden helpen. De volgende dag werd door ons
een nieuwe order aan de fabriek opgegeven. Wij
kregen echter de mededeling dat wij de eerste
maanden niet op levering behoefden te rekenen,
want ten eerste was hun gehele voorraad door
Defensie gevorderd en ten tweede stond de fabriek
onder militaire bewaking en mochten er tot nader
order geen kookpotten aan de handel geleverd
worden. Die toestand heeft tot half november aangehouden en toen moesten wij 10 procent opslag
betalen.
Met het artikel prikkeldraad speelde weer hetzelfde probleem als vorig voorjaar. De fabrieken
moesten drie maanden voor Defensie draaien.
Er zijn thans in Nederland zeven fabrikanten van
prikkeldraad, in 1914 was er niet één, zodat wanneer de fabrikanten het benodigde draad kunnen
aanvoeren Defensie daaromtrent geen zorgen
behoeft te hebben. Maar juist die draad aanvoer
stokte nogal eens. Amerika leverde de laatste paar
jaar nogal veel vlechtdraad en die aanvoer werd
natuurlijk na augustus 1939 zeer vertraagd. Toen
de oude voorraad draad bij de vlechters was verwerkt en de nieuwe aanvoer zoveel duurder was,
kregen wij van de fabrikanten vereniging bericht
dat men de lopende contracten wel leveren wilde,
maar dat een toeslag van een paar gulden per
100 kg betaald moest worden, met beroep op de
overmachtclausule. En daar de toen geldende prijs
voor nieuwe contracten nog hoger was, werd door
ons en onze collega’s aan die eis voldaan, hoewel
natuurlijk met grote tegenzin.
Wij moesten echter voorraden vormen voor
het seizoen 1940. Want het zou al spoedig blijken
dat niet alleen onze afnemers zich wilden indekken, maar dat Defensie ook flinke partijen bij de
grossiers opkocht. Als een voorbeeld daarvan
diene, dat een militair chauffeur mij vertelde dat
hij tweeënhalve maand dag in dag uit niets anders
gedaan had dan prikkeldraad halen en brengen
naar de opslagplaatsen.
Met de Nederlandse fabrieken van ander
draadmateriaal hebben wij dezelfde verhogingsmisère moeten meemaken. Een tijdlang, van
september tot half oktober, werden geen prijzen
afgegeven, omdat volgens hun bewering er geen
prijs van walsdraad was. Na die tijd moest een
verhoging betaald worden, indien ze de lopende
contracten verder zouden afwikkelen. Daarentegen hebben de Duitse fabrieken bij wie wij ook
contracten in draadmateriaal hadden lopen alles
vlot afgeleverd, zonder enige prijsverhoging!
Voor november was alles geleverd! De orders bij
een andere buitenlandse fabriek plaatsen hielp
toen niet meer, om reden dat daar voorlopig geen
orders meer geaccepteerd werden en de fabrikanten hier te lande alle contractueel verbonden zijn
en alle inkopen en correspondentie over een eigen
verkoopkantoor lopen. Een grote Nederlandse
fabriek die een ander artikel fabriceert, had de
aardigheid in de offerte als conditie te vermelden:
“Betaling vóór afzending”. Dit is het enige Nederlandse bedrijf geweest wat ons een dergelijke
maatregel voorgeschreven heeft. Met verschillende andere artikelen hebben over ’t algemeen de
Nederlandse fabrieken veel langer levertijd nodig
gehad dan Duitse of Belgische. De mobilisatie en
de geringe aanvoer van grondstoffen zullen wel de
oorzaak hiervan zijn geweest.
Reeds in de zomermaanden van 1939 werd
ons van militaire zijde herhaaldelijk gevraagd onze
voorraad op te geven van verschillende ijzerwaren
en gereedschappen zoals: draadnagels, prikkelZHT1 2015 .indd 17 14-04-15 12:51
18 zwols historisch tijdschrift
draad, ijzerdraad, zeskant vlechtwerk, bijlen, houwelen, handzagen, emmers, spaden, kachelpijpen
en kachelellebogen, zodat men bij de mobilisatie
van de grossiers hier te lande wist over welke hoeveelheden Defensie ongeveer kon beschikken.
Het was evenwel opmerkelijk dat bijvoorbeeld van
kachels geen opgaaf werd gevraagd! Van bovengenoemde artikelen werden in september dan ook
flinke hoeveelheden gevorderd, maar tot onze verwondering geen kachels! Wat hebben de soldaten
per saldo aan kachelpijpen zonder kachels!
De mooie septembermaand ging alles goed,
het Rijksinkoopbureau had waarschijnlijk bij
de fabriek wel orders geplaatst, maar die zitten
in het najaar vrijwel zonder voorraad, daar hun
productie in de zomermaanden aan de grossiers
afgeleverd wordt. Nauwelijks was er dan ook de
eerste koude dag in oktober of onze voorraad
kachels werd geplunderd. Ruim honderdvijftig stuks werden in twee dagen weggehaald,
maar desondanks konden wij lang niet aan de
vraag voldoen. Wanneer nu de aanvoer maar
weer normaal kon geschieden, zou dat niet zo
erg zijn, maar wij moeten niet vergeten dat ten
gevolge van de mobilisatie een groot percentage volwaardige werkkrachten uitgeschakeld
werd, met gevolg dat de levertijden met maanden overschreden zijn en de kwaliteit van het
afgewerkte product er niet beter op wordt.
Daarbij kwam de grote kooplust van afnemers
en publiek, die tengevolge van de maatregel
om tegen augustusprijzen te verkopen daarvan
wilden profiteren en waardoor al spoedig een
reeks van artikelen uitverkocht was. Die grote
kooplust onzer afnemers werd al spoedig door
ons geremd, maar degenen die over wat kasmiddelen beschikten waren zo verstandig om
bij verschillende hunner leveranciers orders te
plaatsen om op die manier een goedkope voorraad op te slaan. Wij hebben natuurlijk verder te
kampen met personeel wat successievelijk voor
militaire dienst opgeroepen wordt en dat thans
moeilijk te vervangen is, daar de meeste bedrijven dezelfde moeilijkheden met magazijn- en
kantoorpersoneel hebben.’
Tot zover het verhaal van Oeds de Leeuw jr. uit
april 1940 voor zijn mede-Rotarians, aan de vooravond van de Duitse inval in Nederland. De door
hem geschetste problemen die de onderneming
toen al ondervond, namen tijdens de bezetting
alleen maar toe. Maar het bedrijf wist de oorlog
te overleven en maakte vervolgens in de jaren
vijftig een expansieve groei door. Tegenwoordig
bestaat de O. de Leeuwgroep uit een holding met
zes dochterondernemingen, groothandels in ijzer,
staal en technische producten.
Het bedrijfspand
van O. de Leeuw aan
het Rodetorenplein,
eind jaren veertig.
(Foto Everaarts,
collectie HCO)
ZHT1 2015 .indd 18 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 19
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 6: Degelijk dagblad balanceerde in oorlog
op scherp van de snede
Willem van der Veen Zo’n 130 jaar hadden opeenvolgende generaties Tijl het bij hun krant zonder een
echte hoofdredacteur kunnen stellen.
Wanneer er journalistieke beslissingen moesten
worden genomen dachten ze daar zelf wel toe in
staat te zijn, als eigenaren van een bedrijf dat ook
nog een drukkerij en uitgeverij omvatte. Maar
in de eerste decennia van de twintigste eeuw was
Jan Jacob Tijl (1860-1927) langzamerhand tot
de conclusie gekomen dat het zo niet langer kon.
De kwestie Troelstra en zijn mislukte revolutie,
waarover Tijls redactie begripvol en een beetje
vergoelijkend had geschreven, droeg daartoe veel
bij. Als gezeten en invloedrijk burger van Zwolle
kon Jan Jacob onmogelijk met revolutionaire politiek instemmen. En er kwamen langzamerhand
meer van dit soort situaties, veroorzaakt door
mensen die, vergeleken bij de doorgaans volgzame
negentiende-eeuwer, veel mondiger waren geworden. Bovendien groeiden de beslommeringen
Jan Jacob sowieso boven het hoofd, doordat zijn
bedrijf steeds uitgebreider werd met voor die tijd
indrukwekkende machines, onder meer een grote
rotatiepers, en een sterk gegroeide orderportefeuille voor de drukkerij. Het was daarom beter
dat hij de leiding van zijn redactie overdroeg aan
een journalistieke specialist.
In 1920 werd in die verantwoordelijke functie Martinus Hendrikus Werkman (1884-1953)
benoemd. Een echte Groninger die hoofdredacteur van de Nieuwe Winschoter Courant was,
maar die in de overgang naar de toen eerbiedwaardige en in Overijssel veel gelezen Zwolsche
– van 1790! – een duidelijke promotie zag. Bovendien had Zwolle als provinciehoofdstad meer
aanzien dan Winschoten. M.H. Werkman was de
jongste broer van de schilder-boekdrukker-schrijver Hendrik (H.N.) Werkman, mede-oprichter
van de befaamde noordelijke groep van kunstenaars ‘De Ploeg’. De toen 37-jarige Werkman
stond bekend als een bekwaam journalist, die in
zijn vrije tijd ook gedichten schreef. Gedurende
zijn tijd als hoofdredacteur van de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant die van 1920
tot het najaar van 1944 zou duren, kenmerkte hij
zich als een bedachtzaam man die in de stedelijke
gemeenschap van Zwolle hoogst zelden op de
voorgrond trad.
Einde van Jan Jacob
Jan Jacob Tijl was halverwege de jaren twintig 65
jaar geworden, maar had het als eigenaar en hoogste baas nog zo druk met de groei van zijn bedrijf –
een krant met een oplage van zo’n 16.000 exemplaren per dag en een drukkerij die steeds meer personeel en techniek vereiste – dat zijn inspanningen te
veel van hem gingen vergen. Hij werd ziek, staakte
de arbeid en overleed anderhalf jaar later.
Een zoon om hem op te volgen had hij niet.
Zijn dochter Bep (1904-1996) stond echter op
het punt een man te trouwen die de kennis en de
Zo zag het gebouw van
Tijl en de Zwolse Courant er voor de Tweede
Wereldoorlog uit.
Naaste buurman links
was een juwelier. De
twee panden aan de linkerkant werden na de
oorlog aan het bedrijf
toegevoegd. (Particuliere collectie)
ZHT1 2015 .indd 19 14-04-15 12:51
20 zwols historisch tijdschrift
Een beeld van het
vroegere Tijlgebouw
aan de achterkant in
de Voorstraat. Door de
ramen rechts op de foto
stonden vaak mensen
te kijken naar de stromen kranten die uit de
grote rotatiepers rolden.
(Particuliere collectie)
Zwolse reporter werd vertrouweling van Drees
Juist in de tijd rond 1920, toen M.H. Werkman als allereerste hoofdredacteur van de ‘Zwolse Courant’ was aangesteld, meldde zich ter
redactie nog een nieuwe kracht, de 25-jarige Klaas Voskuil. Deze telg uit een Zwolse bakkersfamilie had de kweekschool bezocht en was
een korte tijd onderwijzer geweest, maar was al spoedig tot het inzicht gekomen dat hij veel meer voor de journalistiek voelde.
Eigenlijk paste hij niet zo goed bij ‘de Zwolse’, omdat hij – tegen de zin van zijn familie en alleen gesteund door zijn vader –
sterk de socialistische beginselen was toegedaan. Begrijpelijk kreeg hij niet de kans die in zijn nieuwe werkkring bij de krant uit te
dragen, maar daar was het hem ook niet om begonnen. Hij maakte dankbaar gebruik van
de mogelijkheid om zich de beginselen van de journalistiek eigen te maken. Dat gebeurde
in een tijd waarin er nog lang geen professionele scholing voor journalistiek bestond. Die
zou bijna een halve eeuw later komen. Het was nog tot in de jaren zestig gebruikelijk
dat mensen met journalistieke ambitie een baantje als leerling-journalist bij een krant
aannamen om zich het vak eigen te maken. Klaas Voskuil leerde snel bij ‘de Zwolse’ en
hield het daar zes jaar als verslaggever vol. Toen achtte hij zich bekwaam genoeg om als
parlementair verslaggever in dienst te treden bij het Nederlands Correspondentenbureau.
Overeenkomstig zijn politieke belangstelling werd hij daarna in 1931 chef van de Haagse
redactie bij de Arbeiderspers. Na de Tweede Wereldoorlog promoveerde hij tot hoofdredacteur van het nieuwe socialistische dagblad Het Vrije Volk, dat toen met zijn tientallen
edities de grootste krant van Nederland was. Voskuil werd toen ook een vertrouweling van
de Nederlandse premier Willem Drees. Landelijke bekendheid verwierf hij na de oorlog
met zijn radiopraatjes voor de VARA die hij tot 1961 volhield. Zijn zoon Han (J.J.) die in
zijn memoires een diepgaande kenschets van zijn vader schreef, kreeg nationale faam als
auteur van Neerlands dikste roman ooit, ‘Het bureau’, bijna zesduizend bladzijden in
zeven delen.
Klaas Voskuil, 1895-1975. (Internet)
capaciteiten voor zo’n verantwoordelijke baan in
zich combineerde. Hein Dikkers (1904-1987) was
pas afgestudeerd jurist en had zich zorgvuldig
voorbereid op het leiding geven aan het bedrijf,
zodat het directeurschap hem met een gerust hart
werd toevertrouwd. Bovendien had Dikkers reeds
een voorliefde voor het krantenvak. De techniek
liet hij over aan ir. Piet van Gelder, een familielid van de Tijls, die de bouwkundige problemen
en uitbreidingen op zijn schouders nam. Er viel
immers menig puzzel op te lossen om een groot
bedrijf, dat inmiddels de Erven J.J. Tijl was gaan
heten, onder te brengen in het hart van de oude
Zwolse binnenstad.
Degelijke krant
Zo kabbelde de krant onder de hoede van haar
nieuwe hoofdredacteur Werkman rustig voort.
Hij leidde een redactie van ten hoogste vijf journalisten die een goed stuk konden schrijven en
die ook in staat waren elke dag weer een degelijke
krant in elkaar te sleutelen. Met die laatste kwalificatie is geen woord teveel gezegd. Want zo kwam
het Zwolse dagblad over: betrouwbaar, neutraal,
een beetje behoudend, vrijwel altijd het veilige
ZHT1 2015 .indd 20 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 21
midden kiezend, zoals de hele geest van de bevolking in Zwolle en wijde omgeving toen ademde.
Andere journalisten van Tijls redactie die in
de jaren twintig en dertig bij het Zwolse publiek
bekend waren, heetten Frits Brok en F.J.A.
Berding, welke laatste de functie van adjuncthoofdredacteur innam. Het was sowieso al een
bijzonderheid dat men hun namen kende, want in
de krant bleven ze bij hun verslagen of beschouwingen altijd verborgen achter aanduidingen tussen haakjes als ‘Van een onzer redacteuren’ of ‘Van
onze redacteur binnenland’. Ze hielden de regionale en plaatselijke politiek plichtsgetrouw en
keurig bij, zonder zich aan uitgesproken meningen te wagen. Dat gebeurde ook niet toen zich een
kwalijke eend kwam roeren in de tot dan toe nogal
rimpelloze Zwolse vijver.
NSB-ers
Bij de Statenverkiezingen van 1935 waren leden
van de NSB voor het eerst verkiesbaar in Nederland. Dit maakte de verkiezingsstrijd zo hevig dat
zich op straat gewelddadige taferelen afspeelden.
Letterlijk gegooi in de glazen, gesmijt met stenen
en straatvuil, lijf-aan-lijf geknok en uiteraard
geknuppel van de politie. De Zwolsche Courant
(verder: Zwolse Courant) noteerde alles netjes,
onpartijdig en afstandelijk en zorgde er bovendien
voor dat alle uitslagen op de verkiezingsavond
zo duidelijk mogelijk op de Melkmarkt vielen te
De krantenexpeditie
van de Zwolse Courant
in de jaren dertig van
de vorige eeuw. (Particuliere collectie)
ZHT1 2015 .indd 21 14-04-15 12:51
22 zwols historisch tijdschrift
lezen. Nog nooit had er zo’n groot publicatiebord
voor het Tijlgebouw gestaan als in 1935: bijna
twintig meter en zo hel verlicht als men het in
Zwolle nog nooit had gezien. Ten overvloede werden er ook nog beelden vertoond van de film Als
de persen draaien. Van de Zwolse kiesgerechtigden
had 5,51 procent – zo’n duizend personen – op de
NSB gestemd, een percentage dat overigens onder
het landelijke en provinciale gemiddelde lag. Het
aantal aanhangers van deze partij nam in de volgende jaren verder alleen maar af.
Ondanks de oorlogsdreiging – of misschien
wel juist daardoor – ging het in de late jaren dertig
niet slecht met de Zwolse. Het aantal abonnees was
gegroeid tot ruim 15.000 en de verspreiding breidde zich met de hulp van vele correspondenten uit
tot drie edities, respectievelijk voor de gebieden
Zwolle, Kampen en Noordwesthoek, de NoordVeluwe alsmede Salland-Vechtstreek.
Toen kwam de oorlog
Op de beruchte tiende mei van 1940, toen de
Duitse inval ook Zwolle totaal verraste, kwam er
voor het eerst in haar bestaan geen editie van de
Zwolse uit. De telexverbindingen waren verbroken en de oorlogsomstandigheden verhinderden
elke verspreiding. Twee dagen later rolde er een
kleine noodeditie met officiële mededelingen van
de grote rotatiepers die enkele jaren daarvoor in
gebruik was genomen en die wel tien keer meer
capaciteit aankon dan een paar van die geïmproviseerde blaadjes.
Pas dinsdag 14 mei lag de krant in afgeslankte
vorm, maar wel met de herkenbare kopregel, bij de
abonnees in de bus. Op de voorpagina verklaarde
de redactie dat zij zich nu moest gedragen ‘naar
den wensch der Duitsche militaire overheid.’ Buitenlandse berichtgeving mocht niet in strijd zijn
met belangen van de bezetter en moest uitsluitend
gebaseerd worden op Duitse bronnen. Daarnaast
zou er voldoende ruimte zijn voor onder meer
stadsnieuws en ontspanningslectuur. De redactie
beloofde haar taak als ‘verbindingsgeleding’ tussen
de lezers zo goed mogelijk te vervullen. Een dag
later werden de lezers opgeroepen de toekomst
moedig en daadkrachtig tegemoet te treden.
De ‘Militärbefehlshaber in den Niederlanden’ maakte diezelfde dag bekend dat tijdens de
bezetting geen preventieve censuur zou worden
uitgeoefend, maar verbond daaraan wel de eis dat
uitgevers en redacteuren een absoluut loyale houding zouden aannemen. Historicus Kees Ribbens
heeft over de gedwongen escapades van aan handen gebonden journalisten, die bijna vijf jaar lang
Een groot deel van de
regie over de inhoud
van de Zwolse Courant
werd in de oorlogsjaren
gevoerd op de Burgemeester van Roijensingel, waar bij de Ortskommandantur dagelijks zeven exemplaren
van de krant moesten
worden bezorgd. (Collectie HCO)
ZHT1 2015 .indd 22 14-04-15 12:51
zwols historisch tijdschrift 23
op het scherp van de snede moesten opereren, in
1995 een artikel gepubliceerd in het Zwols Historisch Tijdschrift (jaargang 12 nr. 4, p.114-122).

Balanceren op smalle draad
Van Ribbens werk maak ik graag gebruik om
te laten zien hoe redacties in de bezettingstijd
op een smalle draad moesten balanceren om te
voorkomen dat hun kranten geheel van het toneel
verdwenen. Tot haar geluk wist de Zwolse te voorkomen dat – in tegenstelling tot veel andere dagbladen – de hoofdredacteur vervangen werd door
een NSB-er.
Wat in eerste instantie opviel was het onmiskenbare feit dat de krant qua uiterlijk veranderde
door een groot aantal verplichte berichten. Net als
alle andere redacties in Nederland kreeg de Zwolse
het bevel Duitse legerberichten plus overig nieuws
van het Deutsche Nachrichtenbüro (DNB) dat
door het ANP via de telex werd verspreid, op een
prominente plaats in de krant af te drukken.
Toch leken die maatregelen niet veel indruk te
maken op een van de twee Tijl-directeuren, ir. P.
van Gelder, die zich in normale tijden nooit met
de krant bemoeide. Hij beweerde nogal voorbarig
dat de bezetting, wat de krant betreft, in het niet
viel vergeleken bij de Franse tijd van meer dan een
eeuw eerder. ‘Toen moest de tekst gedeeltelijk in het
Frans verschijnen’. Van Gelder doelde op de Duitse
toezegging dat preventieve censuur zou ontbreken,
maar verzweeg het feit dat dagelijks zeven exemplaren bij de Ortskommandant van Zwolle moesten
worden bezorgd. O wee, als er iets in stond dat deze
hoge officier en zijn helpers niet beviel…
Bij de redactie heerste wel degelijk het besef
dat ongewenste berichten onmiddellijk opheffing
van de krant zou veroorzaken. Als voorbeeld voor
die interne censuur werd in augustus 1

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 1

Door | 2002, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Honderd jaar
Zwolse interieurs
19e jaargang 2002 nummer 1 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
(Collectie HCO)
Ansichtkaart Zwolland
Poststempel 8 januari 1930
‘In haast.
Lieve Lien, Juist toen ik de brief aan jou gepost had,
vond ik thuis je briefkaart, waarvoor hartelijk dank.
‘k Zal zorgen present te zijn om je intocht hier mee te
maken, ‘k Vind ’t heel prettig [dat] je komt en ook
m’n ouders hopen je gauw te zien. Watje bezorgdheid
voor vervoermiddel betreft is in orde, we hebben
een geregelde busdienst. Volgende week wordt hier
de brug geopend en begint voor ’t eerst hier ’t klokkenspel
te spelen, ’t Lijkt me bar leuk, ‘k zit bijna
onder de toren, dus hooren kan ik ’t wel. Misschien
komt er nog wel een feest hier. Adieu Lien tot zondag.
Hart. gr. aan je ouders en jij een z. v. Stien.’
Op 2 oktober 2001 verbleven kroonprins Willem-
Alexander en Maxima tijdens hun bezoek aan
Overijssel enige uren in Zwolle. In september 1928
was de koninklijke familie hier ook. Koningin
Wilhelmina, prins Hendrik en prinses Juliana
brachten toen een bezoek aan de grote provinciale
landbouwtentoonstelling ‘Zwolland’. Op de kaart
wordt de koningin welkom geheten.
De ansicht is verzonden door Stien Eelsingh
(1903-1964), de schilderes, aan Lien Heerma van
Voss. Lien en Stien waren op dat moment allebei
met een jongen Stroink verloofd, de broers Fokko
en Herbert. Lien trouwde ook daadwerkelijk met
Fokko; Stien zou haar verloving een paar jaar later
verbreken. Stiens vader was hoffotograaf – vandaar
deze kaart?- en had een zaak in de Kamperstraat.
Stien had zelf een atelier aan de Ossenmarkt,
dus inderdaad bijna onder de Peperbus.
Het carillon werd gefinancierd met geld dat was
overgebleven na de bouw van de (eerste) IJsselbrug,
die op 15 januari 1930 werd geopend. Het
carillon zou uiteindelijk pas op 10 april 1931 voor
het eerst zijn klanken over de stad uitstorten.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt het eerste nummer van de negentiende
jaargang van het Zwols Historisch Tijdschrift. Na
ruim tien jaar vonden bestuur en redactie het tijd
om het tijdschrift in een nieuw jasje te steken. De
oproep om te komen tot een logo voor de Zwolse
Historische Vereniging is daartoe indirect de aanleiding
geweest; bestuurslid Miriam Schneiders
licht dit verder toe.
De Open Monumentendag 2001 had als thema
‘Wonen’. De fototentoonstelling die de Zwolse
Historische Vereniging in dit kader in september
2001 in de Grote Kerk organiseerde, bood zoveel
moois dat de redactie besloot om een selectie hieruit
te publiceren in het tijdschrift. De foto’s worden
van commentaar voorzien door Jeanine Otten
en Dirk Baaiman. Niet als voyeurs, kijkend naar
‘het bankstel van Mien en haar dressoir met plastic
rozen’ (Sonneveld), maar als deskundigen
geven zij in twee artikelen tekst en uitleg bij diverse
Zwolse interieurs. Het zal de lezer wellicht doen
besluiten bij een komende opruimwoede wat
terughoudender te zijn.
De ansicht en het Zwolse glazenmakersgilde
hebben iets gemeenschappelijks. Niet alleen is een
van de auteurs bij beide artikelen betrokken, er is
beide keren sprake van een schilder. Adrianus
Hulsbergen penseelde zichzelf en de overige leden
van het glazenmakersgilde in 1807, terwijl de
bekende Zwolse schilderes Stien Eelsingh in 1930
de afgedrukte ansichtkaart verstuurde. Wie de
‘mystery guest’ met de hoge zwarte hoed op het
schilderij van Hulsbergen zou kunnen zijn, wordt
ragfijn ontrafeld. Het tijdschrift besluit met een
tweetal boekbesprekingen.
De mededelingen van het bestuur worden zeer
ter lezing aanbevolen, want er vallen binnenkort
weer fraaie prijzen te winnen. Hou in elk geval de
Zwolse Courant van 27 april aanstaande en de
website van de Zwolse Historische Vereniging in
de gaten! Veel leesplezier.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 2
Nieuw omslag Zwols Historisch Tijdschrift Miriam Schneiders 4
Honderd jaar Zwolse wooninterieurs Jeanine Otten 5
Zwolse interieurs nader bekeken Dirk Baaiman 14
Het Zwolse glazenmakersgilde in 1807
Wim Huijsmans, Otto Schutte, Jean Streng 24
Boekbesprekingen 28
Mededelingen 33
Auteurs 34
Omslag: Studeerkamer van Anna Maria van Gilse, Thorbeckegracht 28,
ca. 1910 -1915 (foto P.H.G. van Gilse, collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Nieuw omslag Zwols Historisch Tijdschrift
Miriam Schneiders Vermoedelijk is het u direct opgevallen: het
Zwols Historisch Tijdschrift heeft een
nieuw jasje. Alleen de omslag is veranderd,
u zult de gebruikelijke rubrieken in de vertrouwde
lay-out aantreffen.
De indirecte aanleiding tot deze verandering
was de oproep tot deelname aan een prijsvraag
van drie jaar geleden. Gevraagd werd een logo te
ontwerpen, waarin het karakter van zowel de
Zwolse Historische Vereniging als de stad Zwolle
duidelijk herkenbaar naar voren zou komen. Een
jury, samengesteld uit leden van het bestuur en de
redactie bijgestaan door deskundige externe adviseurs,
zou uit de binnengekomen inzendingen een
keuze maken. Goede en minder goede ontwerpen
werden beoordeeld. Toch besloot de jury geen van
de inzendingen te honoreren. De plannen lagen
vervolgens stil tot we vorig jaar contact hebben
opgenomen met Ontwerpburo Thijs Verster
(sinds 1 januari 2002 bekend onder de nieuwe
naam Buro 1 Hoog). We kwamen bij Thijs Verster
terecht omdat hij de ontwerper bleek te zijn van
het opmerkelijke silhouet van de stad Zwolle, aangebracht
op de gele omleidingsborden die bij gelegenheid
in de stad – de laatste jaren dus veelvuldig
– geplaatst worden. Thijs had er geen moeite mee
dit ontwerp af te staan aan onze vereniging. Het
siert nu het briefpapier van de Zwolse Historische
Vereniging. Verster was tevens bereid het silhouet
zo aan te passen dat het geschikt was voor de
omslag van het Zwols Historisch Tijdschrift. In
het silhouet zijn ondermeer duidelijk herkenbaar
de IJsselspoorbrug, de Mastenbroekerbrug, de
Peperbustoren, het stadhuis, de Sassenpoort en
molen de Passiebloem. We zijn het tegenwoordige
Buro 1 Hoog zeer erkentelijk voor het gebruik van
dit silhouet. Onze vaste opmaker Ger Bomans van
Different Design Deventer heeft de verdere uitwerking
ter hand genomen. Het resultaat is een
verrassende vormgeving waarmee we het jaar
2002 starten en waarvan we hopen dat u er net zo
tevreden mee bent als wij.
Silhouet van de omslag
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Honderd jaar Zwolse wooninterieurs
De Open Monumentendag in het weekend
van 8 en 9 september 2001, speelde zich af
rond het thema wonen. Het thema had als
titel ‘Huis en haard: monumenten van het
wonen’. Aanleiding voor dit onderwerp was het
feit dat de Woningwet in 2001 honderd jaar
bestond. Tevens sloot de Open Monumentendag
aan bij de Manifestatie Historisch Interieur 2001,
een initiatief vanuit de rijksoverheid dat op grote
schaal aandacht vraagt voor het beheer en het
behoud van het historische wooninterieur.
In het kader van het thema ‘Huis en haard’
waren op Open Monumentendag 2001 in diverse
plaatsen veel soorten panden opengesteld die
gebouwd zijn om in te wonen, variërend van villa’s,
grachtenpanden en hofjes tot kloosters, weeshuizen
en woonboten. Soms waren het woningen
waar tevens gewerkt werd, bijvoorbeeld een boerderij,
een burgemeesterswoning of een ander
soort dienstwoning. In andere gevallen kon het
gaan om tijdelijk wonen zoals in een logement of
herberg, om buiten wonen, wonen in luxe, of
wonen in het groen. Arbeiderswoningen en sociale
woningbouw hadden eveneens een belangrijke
plaats in het thema.
Er zijn nog heel wat ongeschonden zestiendeen
zeventiende-eeuwse interieurs. Vooral in kastelen
en buitenverblijven is vaak eeuwenlang weinig
of niets aan de inrichting veranderd. Originele
negentiende-eeuwse interieurs van woonhuizen
zijn al moeilijker te vinden en huiskamers uit de
jaren dertig of vijftig van de twintigste eeuw al
helemaal. In Zwolle bestaat voor zover bekend één
ongeschonden kamer uit de jaren vijftig: een
kamertje in het Vrouwenhuis aan de Korte Kamperstraat.
Fototentoonstelling ‘Honderd jaar Zwolse wooninterieurs’
Juist foto’s van het gewone wooninterieur roepen
een tijdsbeeld op en kunnen een visie geven op
hoe mensen in een bepaalde tijd leven (of leefden).
Wie herinnert zich bijvoorbeeld niet de verschillende
trends in het wonen van de tweede helft
van de twintigste eeuw, zoals de niervormige bijzettafeltjes
en ‘Picasso’-gordijnen uit de jaren vijftig,
het nostalgische interieur met spulletjes uit
grootmoeders tijd uit de jaren zeventig of het
zakelijke interieur met chromen buisstoelen en
tafels uit de jaren negentig?
In mei 2001 vatte het bestuur van de Zwolse
Historische Vereniging (ZHV) daarom het plan
op om op Open Monumentendag 8 september
2001 in de Grote Kerk een tentoonstelling van
Zwolse wooninterieurs te organiseren. Door middel
van folders en oproepen in de Zwolse Courant
en huis-aan-huisbladen werden de inwoners van
Zwolle opgeroepen om vóór 1 augustus één of
meer foto’s van hun wooninterieur in te sturen.
Het mochten nieuwe maar ook oude foto’s zijn,
foto’s van woonkamers, keukens, eetkamers,
slaapkamers, studeerkamers, badkamers en kinderkamers.
Ongeveer 50 foto’s werden ingezonden.
Het Historisch Centrum Overijssel (HCO)
vulde deze aan met 30 foto’s uit eigen collectie.
Veiligheidshalve werden voor de tentoonstelling
in de Grote Kerk van alle foto’s digitale fotokopieën
gemaakt. Eigenlijk zou de expositie maar
één dag, namelijk alleen op Open Monumentendag,
te zien zijn, maar tot verrassing en blijdschap
van de ZHV en het HCO gaf de koster van de Grote
Kerk toestemming de expositie tot en met 7
oktober 2001 te laten duren.
Jeanine Otten
De 80 foto’s op de tentoonstelling gaven een beeld
van de inrichting van Zwolse woningen in de afgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lopen honderd jaar. Foto’s uit 1916-1918 toonden
het interieur van Naftali Herman Frank, de eerste
chirurg in Zwolle, wonend op Eekwal 31 (nu het
makelaarskantoor De Graaf Van Vilsteren BV); de
jongste uit juli 2001 lieten de inrichting van twee
studentenkamers zien. Bijzonder waren twee
series foto’s: één uit 1956 van elk vertrek van een
woonhuis in de Lijsterbesstraat, bedoeld om een
tante in Venezuela op de hoogte te stellen van de
inrichting van de nieuwe woning (zie het artikel
van Dirk Baaiman), en één van een interieur aan
de Herenweg 14, dat zowel in 1927 als in 2001 is
gefotografeerd: dezelfde meubels staan nog op
dezelfde plaats, de huidige bewoner is de kleindochter
van degene die in 1927 zowel het huis als
de meubels heeft ontworpen. In het hiernavolgende
zullen de interieurfoto’s van Eekwal 31 uit 1916-
1918, van Herenweg 14 uit 1927-2001 en Thorbeckegracht
28 uit 1915 nader toegelicht worden.
Aanklachtfoto’s
Op de tentoonstelling waren vooral interieurfoto’s
van de ‘gegoede en gewone burgerij’ te zien.
Deze had vanaf het begin van de twintigste eeuw
geld om foto’s van het interieur te laten maken of
om zelf over een fotocamera te beschikken. Toch
zijn interieurfoto’s over het algemeen zeldzaam.
Dit is ook de reden waarom vooroorlogse interieurfoto’s
van arbeiderswoningen zeer weinig op
de tentoonstelling te zien waren en foto’s van het
interieur van krotwoningen geheel ontbraken.
Anders dan in sommige andere steden in Nederland
zijn in Zwolle in het verleden geen ‘aanklachtfoto’s’
gemaakt van het interieur van onbewoonbare
sloppen en kelderwoningen. In dit verband
is het opmerkelijk dat C.J.J. Schaepman,
directeur van de Zwolse azijn- en kaarsenfabriek
‘De Ster’ en medeoprichter van de Zwolse Amateurfotografen
Vereniging, in de jaren 1925-1935
een serie foto’s heeft gemaakt van ellendige woonomstandigheden.
Schaepman fotografeerde
(krot)woningen in het Achterom, op het Eiland,
aan het Klein Grachtje en de houten noodwoningen
aan de Vermeerstraat, met als contrast de pas
verrezen nieuwbouwprojecten van de gemeente
Zwolle, van Zwolse woningbouwverenigingen als
Openbaar Belang, Beter Wonen, Providentia,
Sint-Joseph, de Algemene Zwolse Coöperatieve
Woningbouwvereniging en van particulieren. In
die jaren werd in Zwolle hard gewerkt aan de verbetering
van de volkshuisvesting door het afbreken
van krotwoningen en het bouwen van woningen
voor minder draagkrachtigen. Of de foto’s
van Schaepman van onbewoonbare woningen als
‘aanklachtfoto’s’ zijn bedoeld, of dat Schaepman
datgene wilde vastleggen wat verdwijnen zou, is
helaas niet bekend.
Eekwal 31, omstreeks 1916-1918
Van ongeveer 1898 tot 1920 woonde Naftali Herman
Frank (geboren Veendam 2 mei 1860, overleden
Montreux na 1920) op Eekwal 31. Naftali was
de eerste chirurg in Zwolle. Hij was gehuwd met
Charlotte Sara Spanjaard (geboren 1869), het
echtpaar kreeg drie dochters: Dina Henriëtte
(geboren 3 april 1891, overleden 1 september 1900),
Lenie (geboren 31 januari 1893) die na haar huwelijk
in 1914 naar Boekarest verhuisde, en Dora
Hermanna Charlotte (geboren 18 augustus 1901).
Afbeelding 1: foto voorzijde Eekwal 31. Het huis
zelf is een prachtig voorbeeld van de negen tiendeeeuwse
villabouw langs de Zwolse stadsgracht.
Nadat Zwolle vanaf 1790 niet langer vestingstad
was, werden de stadspoorten in de loop van de
negentiende eeuw afgebroken, de stadsmuren
geslecht en de bolwerken ‘omgetoverd’ in ‘stadswandelingen’.
Langs de stadsgracht verrezen
imposante stadsvilla’s voor notabelen. Bij de verbreding
van de weg in 1918 sneuvelden de bomen
en kwam de weg vlak langs Eekwal 31 te liggen.
Afbeelding 2: foto studeerkamer. In de boekenkast
staan behalve boeken twee portretfotootjes en
een langwerpige groepsfoto met heel veel heren
(waarschijnlijk medici op een NMG-congres).
Tegen de planken van de boekenkast zijn met
meubelnagels strookjes textiel gespijkerd, zodat er
niet te veel stof op de boeken komt. Rechts naast
de boekenkast een groot olieverfschilderij met een
figuur met een kelk (?) in zijn handen. Onder het
schilderij is een met een motief bedrukte wandbespanning
te zien. Twee leren fauteuils en een klein
rond tafeltje waarop een bosje narcissen en asbakken
met een doosje zwaluw-lucifers staan klaar
voor de rokers. De kolenkachel wordt afgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 1: voorzijde
Eekwal^i, omstreeks
1917 (particuliere collectie)
Afbeelding 2: studeerkamer
Eekwal 31,
omstreeks 1917 (particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeeldingy. damessalon
Eekw al 31,
omstreeks 191J (particuliere
collectie)
Afbeelding 4: serre
Eekwal^i, omstreeks
1917 (particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
schermd door een in het midden scharnierend
tweedelig haardscherm met glazen panelen. Erop
staat een waterketel. Boven de schouw hangt een
spiegel, op de schouw staan een klok, twee kandelaars
en een viertal portretfotootjes.
Afbeelding3: foto damessalon. Gordijnen markeren
de overgang naar de salon en de serre. Links
in de hoek staat een piano waarop portretfotootjes
en een vaasje met tulpen staan. Vijf fauteuils en
een stoel staan in een cirkel opgesteld. In het midden
staat een rond tafeltje op ranke pootjes. Erop
staat een klein bloemenvaasje op een kleedje en
een doosje. Rechts bevindt zich een venster. In de
toegang naar de serre hangen vitrages. Op de achtergrond
zien we door de vensters van de serre een
schip in de stadsgracht met daarachter de schoorpalen
voor het vee op de Beestenmarkt (nu Harm
Smeengekade).
Afbeelding 4: foto serre. De foto’s van de
damessalon en de serre zijn op dezelfde dag genomen.
Dat is te zien aan dezelfde vaas met tulpen
die zowel op de piano in de salon als op het tafeltje
in de serre figureert. De inrichting van de serre
doet exotisch aan door de jaloezieën, de vier rotan
stoelen en de elektrische bamboe hanglamp.
Rechts in het hoekje staat een piëdestal met een
elektrische tafellamp, het snoer is om de voet
gewikkeld (in 1916 kreeg Zwolle elektriciteit).
Over het ronde tafeltje in het midden ligt een
gebatikt kleedje, erop staan de al genoemde vaas
met een bos tulpen, een asbak en een waaier.
Herenweg 14 in 1927 en in 2001
Afbeeldingen 5, 6, 7, en 8: op de foto’s zien we de
inrichting van Herenweg 14 in 1927 en in 2001.
Zeer bijzonder aan de inrichting is dat meubels uit
1927 in de zakelijke stijl van de Amsterdamse
School bewaard zijn gebleven en in het huidige
interieur zijn opgenomen. Het zijn strak vormgegeven
fauteuils, een in die tijd als modern geldend
dressoir, een theetafel, een eetkamertafel en eetkamerstoelen,
alles in zwart gebeitst eikenhout. De
geglazuurde wandtegels in de woonkamer zijn
gemêleerd bordeauxrood en mosgroen. Opval-
Afbeelding 5: zitkamer
Herenweg 14,1927 (particuliere
collectie)
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 6: eetkamer
Herenweg 14,1927 (particuliere
collectie)
Afbeelding 7: eetkamer
Herenweg 14, 2001 (par- l£*
ticuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
lend is dat de traditionele schouw heeft plaats
gemaakt voor twee uitspringende hoeken, belegd
met een dik houten blad. Boven het dressoir zien
we een glazen doorgeefluik. Het doorgeefluikje
tussen keuken en woon/eetkamer bestond al in de
negentiende eeuw, maar werd pas na de Tweede
Wereldoorlog standaard in woningen ingebouwd,
totdat het met de komst van de open keuken als
een symbool van ouderwetse burgerlijkheid weer
verdween. Zowel woning als meubels zijn ontworpen
door de eerste bewoner van het huis, Dirk
Hartzuiker (geboren Zwolle 2 oktober 1898, overleden
Zwolle 31 juli 1982).
Dirk Hartzuiker was aanvankelijk kantoorbediende,
maar vertrok in januari 1917 naar Utrecht
om daar een studie bouwkunde te volgen. In
november 1918 keerde hij weer terug in Zwolle. Hij
werd bouwkundig tekenaar bij de gemeente Zwolle
en klom op tot chef tekenkamer. In Zwolle
werkte hij onder de stadsarchitecten Lourens
Krook, Jan Gerko Wiebenga en W.B.M. Beumer.
Halverwege de jaren zestig ging hij met pensioen.
Hartzuiker ontwierp in 1921 een dubbel woonhuis
aan het begin van de Herenweg, in april 1926
ontwierp hij zijn eigen woonhuis Herenweg 14:
een vrijstaande woning met twee bouwlagen
onder een schilddak, met een gedeeltelijk gepotdekselde
voorgevel (zie bouwtekening afbeelding
9). Het huis heeft drie opvallende schoorstenen en
een loggia in de linkerzijgevel.
Op 26 april 1927 trouwde Hartzuiker met
Egberdina van der Gronde. Aanvankelijk woonde
het echtpaar op Herenweg 2. Nadat de bouw voltooid
was, verhuisden ze naar Herenweg 14. Bij
Afbeelding 8: zitkamer
Herenweg 14, 2001 (particuliere
collectie)
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 9: bouwtekening
Herenweg 14 (collectie
HCO)
Herenweg 14 hoort ook het door Hartzuiker in
1926 ontworpen bijgebouwtje (afbeelding 10). Dit
bijgebouwtje was bedoeld voor de smederij van
zijn schoonvader Van der Gronde, die na het
huwelijk bij het echtpaar Hartzuiker-van der
Gronde inwoonde. Van deze smederij is nu nog
alleen de blaasbalg aanwezig. Naast zijn bouwkundige
werk maakte hij tussen de jaren dertig en
veertig een serie tekeningen en aquarellen van
gevelstenen in Zwolle (nu in de collectie van het
Afbeelding 10: bouwtekening
bijgebouwtje
Herenweg 14 (collectie
HCO)
Stedelijk Museum Zwolle), schilderde hij landschappen,
was hij lid van de Zwolse kunstenaarsvereniging
Het Palet en zat hij in het bestuur van
de Vrienden van de Stadskern. Herenweg 14 wordt
nu bewoond door een kleindochter van Dirk
Hartzuiker.
Bezoekster Grote Kerk herkent moeder op oude
foto’s
Op de eerste dag van de expositie, zaterdag 8 september
Open Monumentendag, vond er een aardig
voorval plaats. Een in Zwolle woonachtige
bezoekster, mevrouw A.H.P. Viehof-van Bolhuis,
herkende op oude foto’s uit ca. 1910 haar moeder,
Maria Anna van Gilse (zie voor deze foto het artikel
van Dirk Baaiman). Dat deze foto’s bewaard
zijn gebleven mag wel een wonder heten. De glasnegatieven
werden namelijk vorig jaar, samen met
nog wat paperassen, gered liggend op de rand van
een glasbak in Laren. De Larense kringloopwinkel
stond op het punt de glasnegatieven in de glasbak
te gooien, toen de heer B.W. Treijtel uit Ilpendam
toevallig langskwam en vroeg of hij ze mocht hebben.
Hij drukte ze uit nieuwsgierigheid af en zag
dat het om afbeeldingen van Zwolle ging. In juli
2001 schonk hij 30 glasnegatieven aan het Historisch
Centrum Overijssel. Uit documentatie blijkt
dat de foto’s tussen 1910 en 1915 zijn gemaakt door
de Amsterdamse arts Peter Heinrich Gerhard van
Gilse (geb. Leer, Duitsland, 1881). De glasnegatieven
zaten in de inboedel van één van zijn dochters,
die na haar overlijden bij een Larense kringloopwinkel
terechtkwam. Een aantal van deze geredde
foto’s was op de tentoonstelling in de Grote Kerk
te zien.
Thorbeckegracht 28, woonhuis familie Van Gilse,
1897 -1923
Op 28 november 1890 kwam Alexander Gerhard
van Gilse (geboren Amsterdam 1847) met zijn
echtgenote Henriette Johanne Brouër (geboren
Leer, Duitsland, 1858) en hun zoon Peter Heinrich
Gerhard van Gilse (geboren Leer, Duitsland, 31
mei 1881) vanuit Leer naar Zwolle. Op 18 december
1891 werd in Zwolle dochter Maria Anna geboren.
A.G. van Gilse was van 1890 tot 1923 werkzaam
als predikant van de Zwolse Doopsgezinde
Gemeente. Het gezin woonde aanvankelijk aan de
Schellerweg, van 1897 tot 1923 aan de Thorbeckegracht
28 (op de begane grond zit nu het Grenen
Meubel Centrum). Zoon P.H.G. van Gilse vertrok
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in september 1900 naar Amsterdam om medicijnen
te studeren. Op 30 juni 1910 trouwde hij,
inmiddels arts geworden, met de uit Haarlem
afkomstige Julie van West, eveneens arts. Tussen
1910 en 1915 maakte P.H.G. van Gilse in Zwolle een
serie opnamen in en om het ouderlijk huis Thorbeckegracht
28; van zijn vader in de woonkamer,
van zijn zuster Maria Anna aan de studie, van het
uitzicht op de pakhuizen aan de Waterstraat, van
een familie-uitstapje naar de Agnietenberg. Maria
Anna van Gilse vertrok in oktober 1910 naar
Utrecht om daar rechten te studeren. In november
1913 liet zij zich weer in Zwolle inschrijven. Op
14 december 1922 trouwde zij te Hilversum met
Evert van Bolhuis. A.G. van Gilse en zijn vrouw
verhuisden in juli 1923 naar Hilversum.
Afbeelding 11: woonkamer Thorbeckegracht
28, Alexander G. van Gilse zit aan een ronde tafel
op één poot. Erop ligt een tafelkleed met bladmotief.
Boven de tafel hangt een gaslamp. Voor de
schouw staat een bewerkte gietijzeren kachel.
Boven de schouw een rococo spiegel. Volgens
mededeling van mevrouw A.H.P. Viehof-van Bolhuis
kon deze spiegel opzij geschoven worden
waardoor een wandschildering met een pastoraal
landschap zichtbaar werd. In de hoek van de
kamer staat een grote kast, boven op de kast is een
beeldje zichtbaar. Op de vloer ligt parket, onder de
tafel ligt een wat versleten karpet. In de loop van
de tijd is er veel aan het interieur van Thorbeckegracht
28 verbouwd, de spiegel boven de schoorsteen
is verdwenen, maar de wandschildering is
nog intact.
Afbeelding 11: woonkamer Thorbeckegracht28, ca. 1910-1915 (foto: P.H.G. van
Gilse, collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse interieurs nader bekeken
Dirk Baaiman
Afbeelding 1: werkkamer
van advocaat en
procureur mr. dr. J.G.
Stenfert Kroese, Koestraat
10, ca. 1923 (collectie
HCO)
Als spin-off van de fototentoonstelling ‘100
jaar Zwolse wooninterieurs’, die van 8 september
tot 8 oktober 2001 in de Grote Kerk
te zien was, hield Dirk Baaiman op 28 september
2001 in het Zwols Historisch Café een korte presentatie
over Zwolse interieurs. Hij was daartoe
uitgenodigd door het bestuur van de Zwolse Historische
Vereniging. Baaiman selecteerde uit de
tentoonstelling veertien foto’s en vertelde aan het
verzamelde publiek wat hem als architectuurhistoricus
bij het bekijken was opgevallen. Het hiernavolgende
is een bewerking van zijn presentatie*.
Werkkamer van advocaat en procureur mr. dr.
J.G. Stenfert Kroese, Koestraat 10, circa 1923
Afbeelding 1: deze foto is heel fascinerend omdat
het interieur, in plaats van uit 1923, ook uit 1892
had kunnen dateren. Alleen de elektrische lamp,
de telefoon en het pak van de heer Stenfert Kroese
wijzen erop dat de foto van een latere datum dan
1892 moet zijn. De degelijkheid van het pak moet
een vorm van waardigheid oproepen, evenals het
bureau waarachter Stenfert Kroese zit. Het is een
bureau in de stijl van de Hollandse neorenaissance,
getimmerd in de jaren 1883-1886 toen deze stijl
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in Nederland in de mode was. De stoel waarop hij
zit, heeft gedraaide poten en past door zijn neozeventiende-
eeuwse stijl bij het bureau. Uit de verschillend
gedraaide poten blijkt dat de meubels
niet in één stijl zijn ontworpen. Het bureau is niet
gepolitoerd en gepolijst, maar bovenop ligt een
glasplaat, een innovatie, want toen het bureau
eind negentiende eeuw gemaakt werd, werd een
vloeiblad gebruikt om de oneffenheden van het
houten blad te maskeren. De telefoon is ook een
noviteit. Opmerkelijk is de draad ervan, die vanaf
het plafond naar beneden komt zakken. Stenfert
Kroese wilde de draad kennelijk niet over de vloer
hebben. De vloer is belegd met parket, met daaroverheen
een geknoopt tapijt. Aan de planken van
de boekenkast zijn met koperen spijkers stofstroken
bevestigd, een uitermate nuttige voorziening
(om te voorkomen dat stof zich op de boeken nestelt),
die iedereen nu echter lelijk vindt. De haard
in de kamer werd ’s zomers aan het gezicht onttrokken
door een gordijntje. In de kamer bevindt
zich nog een bijzondere houten stoel, naast het
bureau. In de rugleuning zijn de letters ‘IHS’
gegraveerd. De letters zijn een afkorting van ‘In
Hoc Signo’: een nieuwtestamentische term voor
het kruis van Christus: ‘In dit teken (zult gij overwinnen)’.
Dat betekent dat de stoel niet gemaakt is
voor de kamer van Stenfert Kroese, maar afkomstig
is uit bijvoorbeeld een kerk of een pastorie. De
fotograaf heeft voor de opname vermoedelijk in
de deuropening van de kamer gestaan, als het ware
in de positie van de bezoeker, in de as van de
kamer, net als het indrukwekkende bureau en
Stenfert Kroese zelf.
Interieur dokter Evert Klinkert, later dokter B.J.
Kam, Koestraat 22, omstreeks 1926 en in 1987
Afbeelding 2 toont de werkkamer van dokter Klinkert
omstreeks 1926. Elementen daaruit zijn de
vulkachel en de natuurstenen schoorsteen, rechts
staat een uit het derde kwart van de negentiende
eeuw daterende kolommenkast, met prachtige
Ionische kolommen, links een cilinderbureau uit
het midden van de negentiende eeuw of later.
Afbeelding 2: werkkamer
dokter Evert
Klinkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeeldingy. woonkamer
dokter Evert
KMnkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
Het is heel zeldzaam wanneer je over foto’s van
één en hetzelfde vertrek uit verschillende periodes
beschikt. Dit is het geval bij een aantal vertrekken
in Koestraat 22.
Afbeelding 3 toont de woonkamer omstreeks
1926. Links bevindt zich een buffetkast. Oorspronkelijk
was de buffetkast bedoeld om het eten op uit
te stallen, als het ware tentoon te stellen, voordat
het op tafel gezet werd. De buffetkast fungeerde
als een soort parkeerplaats tussen de keuken en de
tafel. In de kastjes boven en onder het buffet werden
het servies en andere tafelbenodigdheden
opgeborgen. Bij Klinkert heeft de buffetkast een
andere functie gekregen: het is een nutteloos
ornament geworden, een soort ‘bergkast’, waarop
familiefoto’s uitgestald kunnen worden. Bovenop
is een vijfdelig kaststel neergezet. In de vazen werd
misschien wel eens een bloemetje gezet, maar over
het algemeen werden de voorwerpen voor de sier
gekocht. Aan de wand bevindt zich een telefoon.
De kamerdeur is ongelukkig geplaatst: deze draait
de verkeerde kant op, het scharnier zit aan de
rechterkant en de deurknop zit in de hoek. De
deur moet helemaal opengeslagen worden voorbij
de buffetkast, voordat men de kamer kan betreden.
Onhandig.
Afbeelding 4 en 5 tonen de woonkamer in 1987:
in de jaren 1936-1937 zijn enkele vertrekken in
opdracht van Klinkert verbouwd door de meubelontwerper
en architect Gerrit Th. Rietveld (1888-
1964). In Zwolle staan twee werken van Rietveld:
het ene is het in 1957-1959 voor Schrale Beton ontworpen
pand Willemsvaart 21, dat momenteel
(2001) gerestaureerd wordt, het andere is Koestraat
22. De verbouwing door Rietveld van Koestraat
22 heeft vooral betrekking op interieuronderdelen.
Hij heeft geen grote verbouwingsingrepen
als muurdoorbraken uitgevoerd. Een interessant
onderdeel in het interieur (afbeelding 4) is de
losse kast aan de linkerkant, 2,55 meter lang, 55 cm
diep, 1,05 meter hoog (ik weet de maten zo precies,
omdat de kast bij mij thuis gestaan heeft). Bovenop
ligt een gegoten glasplaat van 2,5 cm dik, waarop
dokter Kam de familieportretten en kandelaars
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 4: woonkamer
dokter B.J. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
Afbeelding 5: woonkamer
dokter B.J. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 6: slaapkamer
dokter Evert
Klinkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
heeft neergezet. De schoorsteen, schouw en kachel
die zich oorspronkelijk in de woonkamer van
dokter Klinkert bevonden, zijn gesloopt. Tegen de
nu vlakke wand staat een negentiende-eeuwse
vitrinekast (afbeelding5). De stoelen aan weerszijden
dateren uit de achttiende eeuw. De deur is
blijven zitten en draait nog steeds de verkeerde
kant op.
Afbeelding 6: foto slaapkamer, 1926. Het litsjumeaux
(stel van twee gelijke éénpersoonsledikanten
naast elkaar) is, net als het bureau van
Stenfert Kroese, in Hollandse neorenaissancestijl
uitgevoerd, herkenbaar aan de diamantknoppen
en de frontonnetjes op het hoofdeinde van de beide
bedden. In de hoek van het plafond en de wand
is een kleine platte stuclijst te zien, die in het
behang op de strook en op het plafond met schildering
is aangevuld. De deur bevindt zich ongeveer
twee meter uit de hoek en staat open. Rechts
bevindt zich in de hoek, bijna onzichtbaar in het
behang, nog een tweede deur die toegang gaf tot
een alkoof. Opvallend is de ophanging van de
schilderijen vlak onder het plafond.
Afbeelding y. foto slaapkamer, 1987. Bij de verbouwing
heeft Rietveld de bijna onzichtbare deur
naar de alkoof zichtbaar gemaakt. Het is duidelijk
dat het hier om een dubbele wand gaat. Bij het
wegbreken van de voorwand is een nis ontstaan,
waarin het tweepersoonsbed staat. Voor de symmetrie
is aan de linkerkant van de nis een kast
gemaakt. Naast de slaapkamerdeur links staat een
boekenkast (niet door Rietveld, maar later, in
opdracht van dokter Kam, door een gewone timmerman
gemaakt) die precies in de hoogte en
breedte van het interieur past. De kachel is verdwenen.
Onder het blad van de schoorsteenmantel
staat een kastje dat dokter Kam op maat heeft
laten maken. Het kastje heeft precies de breedte
van de schoorsteen en maakt daardoor het gat van
de schoorsteen onzichtbaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De verbouwing van Koestraat 22 is uitgevoerd
in de zakelijke stijl van de jaren dertig. Rietveld
behoorde tot de ‘Stijl’-groep. De Stijl vermeed
principieel elke niet-nuttige vorm, er werd ruimte
geschapen door alles zoveel mogelijk open te houden.
De achtergevel van het pand Koestraat 22 is
door Rietveld nogal drastisch aangepakt. Oorspronkelijk
was het een prachtige gevel met drie
vensters en mooi lijstwerk. Rietveld verving deze
door stalen ramen in een vlak gestucte gevel. Dat
zouden we nu niet meer doen, maar omdat het
‘een Rietveld’ is, moeten we het toch maar laten
zitten.
Interieur Lijsterbesstraat 33,1956
De Lijsterbesstraat loopt van de Assendorperstraat
naar de Goudsbloemstraat. De woningen aan Lijsterbesstraat
– Goudsbloemstraat en Leliestraat
werden gebouwd in 1928 naar een ontwerp van
architect H.W.T. Schoenmaker. De woning Lijsterbesstraat
33 ligt in de hoek Lijsterbesstraat –
Goudsbloemstraat. De voordeur bevindt zich aan
de Lijsterbesstraat, terwijl de woon- en eetkamer
aan de Goudsbloemstraat gelegen zijn. Een verklaring
voor de vreemde indeling van de woning is
waarschijnlijk dat het oorspronkelijk een woonwinkelhuis
moest worden. Zo was de voordeur de
deur van een winkel, de hal was enorm groot, de
gang was zes meter lang en twee meter breed. De
foto’s zijn gemaakt voor een familielid in Venezuela,
om te laten zien hoe het interieur er uit zag in
de Lijsterbesstraat.
Afbeelding 8: moeder en dochter zitten een
beetje geposeerd voor de foto, met een tijdschriftje
in een fauteuil. Het portret van de dochter aan de
muur is geschilderd door een leerling van Stien
Eelsingh. Opvallend zijn de interieuronderdelen
die iedereen wel kent, zoals de worteldoek aan de
schoorsteen. Iedereen had vroeger zo’n doek aan
de muur. Het verwijderen van stof uit de plooien
was een moeilijk werkje. Daarom werd de doek
maar één keer per jaar van de muur genomen, om
uitgeklopt of gestofzuigd te worden. Andere
onderdelen zijn de televisie (heel nieuw in 1956!)
Afbeelding 7: slaapkamer
dokter BJ. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 8: zitkamer
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
Afbeelding 9: eetkamer
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
en de sanseveria. (Aan de sanseveria heb ik nog
persoonlijke herinneringen. In de jaren vijftig
woonde ik als kind op Curacao. Daar is de sanseveria
een onkruid, dat wel meters hoog kan worden
en met een kapmes verwijderd wordt. Toen
we weer in Nederland kwamen, zag ik bij mijn
oma dat dat onkruid hier als kamerplant in de
vensterbank stond).
Afbeelding 9: opmerkelijk is verder dat het een
kamer en suite betreft; de woonkamer en de eetkamer
worden gescheiden door schuifdeuren met
komgrepen en kasten met panelen. De bewoners
waren echter helemaal niet geïnteresseerd in een
kamer en suite, want de doorgang is volledig
gebarricadeerd door een kastje en een stoel. Interessant
is dat men in de volkswoningbouw zo’n
kamer ensuite maakte en zorgde dat de kamers
goed op elkaar betrokken werden, maar dat de
bewoners in het gebruik liever gewoon twee aparte
kamers wilden, omdat de eetkamer veel meer
een relatie met de keuken heeft dan met de zitkamer.
Afbeelding 10: keuken Lijsterbesstraat 33,1956.
De foto’s op de tentoonstelling gaven interessante
informatie over de ontwikkeling van de keuken.
Op de foto van de keuken in de Lijsterbesstraat
zien we een schouw. Dat betekent dat er een trekgat
is voor de afzuiging, er is geen ventilatiekap of
ventilator. Er staat een tweepits gasstel op een
plank boven een nis met een plank of spijlen om
wat op te bergen. Daarvoor is een praktisch gordijntje
bevestigd, iets wat we tegenwoordig niet
meer doen. Rechts is een aanrecht van granito, liggend
op keukenkastjes die, net zoals de bovenkastjes,
speciaal voor het project zijn gemaakt. De
seriegrootte van de keukenkastjes en de aanrechtkastjes
is de seriegrootte van de twintig woningen
die in 1928 aan de Lijsterbesstraat-Goudsbloemstraat-
Leliestraat werden gebouwd. Het zijn dus
geen standaardproducten, zoals we die tegenwoordig
bij bouwmarkten kopen. De granitowerker
kwam in de keuken om ter plekke het granito
aanrecht te maken. In die tijd was het heel
gewoon, maar wie tegenwoordig een granitowerker
in zijn keuken een aanrecht wil laten maken,
zit al gauw in de topklasse van de keukens.
Keuken in het Vrouwenhuis, jaren vijftig
Afbeelding 11: het eeuwenoude Vrouwenhuis, gelegen
aan de Melkmarkt, Korte Kamperstraat en
Voorstraat, bestaat uit een aaneenschakeling van
vertrekken en gangen. Dit keukentje is in de jaren
vijftig ingebouwd in een zitslaapkamer in het
Vrouwenhuis. Nu is het één van de stijlkamers:
Afbeelding 10: keuken
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding u: keuken in
het Vrouwenhuis,
Melkmarkt 53, jaren
vijftig (foto S. Zwiers,
collectie Vrouwenhuis)
Afbeelding 12 en 13: keuken
aan de Molenweg,
voor en na de renovatie,
ca. 1980 (collectie HCO)
het is een onvermoed origineel interieur uit de
jaren vijftig. De kamer werd in die jaren bewoond
door een oudere dame, de aanwezige meubels vertonen
niet de moderne stijl die Goed Wonen in
die jaren propageerde. Het keukentje is een
Bruynzeel keuken, een standaard product, met
standaard kastjes en een standaard aanrechtblad
dat niet van granito, maar van een soort cementplaat
of een bepaald betonachtig mengsel is
gemaakt. Deze platen werden pre-fab gemaakt en
in de ruimte op de kastjes gemonteerd.
Keuken aan de Molenweg, voor en na de renovatie,
circa 1980
Afbeelding 12: vóór de renovatie stond er een keuken
in de seriegrootte van de woningen die in de
jaren dertig aan de Molenweg werden gebouwd.
De keuken werd speciaal voor het project op maat
gemaakt, met een granito aanrechtblad dat ter
plekke werd gestort. De enkele kraan boven de
gootsteen getuigt nog van de tijd dat er alleen
koud stromend water was. In de planken vloer is
een luikje gemaakt. Verder had de keuken een
schouw met een natuurlijke trek.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 13: de kwaliteiten van zo’n ouderwetse
keuken worden duidelijk, als we deze vergelijken
met de standaard keuken na de renovatie.
Nieuw is de gasgeiser. Het roestvrijstalen aanrecht
is misschien wel praktisch, maar om het mooi te
houden moet je je een ongeluk poetsen. De volslagen
liefdeloosheid waarmee een leiding aan de
muur is bevestigd en waar men de rest van zijn
leven tegenaan moet kijken, spreekt van een
gewijzigde opvatting over ‘ambacht’.
Studeerkamer en slaapkamer van Maria Anna
van Gilse, Thorbeckegracht 28, circa 1910 -1915
Afbeeldingen 14 en 15: Maria Anna van Gilse, dochter
van een Zwolse doopsgezinde predikant, studeerde
van 1910-1913 rechten te Utrecht, kwam
daarna weer terug in Zwolle en woonde tot haar
huwelijk in 1922 bij haar ouders op de Thorbeckegracht
28 (zie ook het artikel van Jeanine Otten).
Haar broer Peter van Gilse fotografeerde haar studerend
achter haar bureau en in haar slaapkamer.
De eerste foto toont een studerende jonge
vrouw, modern gekleed, in een modern interieur.
Het bureau in de studeerkamer is door de sobere
decoratie omstreeks 1905-1906 te dateren. De uitvoering
staat in groot contrast met het bureau van
Stenfert Kroese uit het midden van de jaren tachtig
van de negentiende eeuw.
De foto van Maria Anna in haar slaapkamer
toont haar zittend op haar ledikant. Het ledikant
is strak vormgegeven en sober geornamenteerd,
met in de hoeken een motief bestaande uit een
paar lijnen. Dit motief komt ook voor op de wastafel
met marmeren blad, waarop een lampetkan
staat, op het handdoekenrek en op de kledingkast
die nog juist in de spiegel zichtbaar is. Opvallend
is verder de vloerbedekking in de studeerkamer en
de slaapkamer. In de slaapkamer ligt een kleed en
in de studeerkamer een (in die tijd heel moderne)
biezen mat.
* Bewerking door Jeanine Otten van bandopname
28 september 2001.
Afbeelding 14: studeerkamer
van Anna Maria
van Gilse, Thorbeckegracht
28, ca. 1910 -1915
(foto P.H.G. van Gilse,
collectie HCO)
Afbeelding 15: slaapkamer
van Anna Maria
van Gilse, Thorbeckegracht
28, ca. 1910 -1915
(foto P.H.G. van Gilse,
collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse glazenmakersgilde in 1807
Wim Huijsmans, Otto
Schutte, Jean Streng A;an het schilderij van Adrianus Hulsbergen
(1755-1827) waarop hij de leden, zichzelf
-incluis, van het Zwolse glazenmakersgilde
vastlegde, is reeds in diverse publicaties aandacht
besteed. Terecht, want het is een bijzonder schilderij.
Het is het enige groepsportret van Zwolse
middenstanders. De aanleiding was ook bijzonder:
het herstel van de gilden in 1807 nadat ze in
1798 waren opgeheven. In de praktijk hadden de
gilden in afwachting van nadere wetgeving trouwens
een sluimerend bestaan geleid. De heroprichting
was te danken aan de hier uit Frankrijk
gedropte koning Lodewijk Napoleon, die het overigens
goed met dit voor hem vreemde land en
zijn bewoners voor had.
Het Zwolse glazenmakersgilde in 180/, groepsportret door Adrianus van Hulsbergen; hij beeldde zichzelf af staand uiterst links. Tussen de
staande heren aan de rechterkant valt nog het restant van de hoge hoed te ontwaren van een ‘weggemoffelde’persoon. Uiterst rechts
staat, zonder hoed, een (onbekende) knecht. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De leden van het glazenmakersgilde schematisch weergegeven: 1. Johannes van Otten 2. Nicolaus terMeulen
3. Klaas Voskuil 4. Jan Bouwmeester 5. Matthijs Hoefman 6. Adrianus Hulsbergen 7. Johannes Vernhout
8. Leendert Parkementis 9. Evert Veenhuizen.
De gilden in het hele land waren over het herstel
van hun organisaties zeer te spreken, al waren
er in de nieuwe reglementen beperkingen opgenomen
die voorheen niet golden. Met groot enthousiasme
vatte men overal de onderbroken
continuïteit weer op. Het glazenmakersgilde vond
het herstel belangwekkend genoeg om het in een
collectief (zelf)portret vast te leggen. De gildeleden
keken daarbij niet op een vierkante centimeter:
het schilderij meet liefst 180 bij 235 centimeter.
De geportretteerden zitten of staan rond
een tafel met paperassen en ieder draagt een zelfde
deftige hoge hoed. Sommigen roken een lange
pijp. Alleen de knecht is zonder hoed, want waar
zou het zonder sociaal onderscheid met de wereld
heengaan? Duidelijke hoofdletters die het belangrijke
momentum eens benadrukken, bejubelen
het heugelijke feit:
GLAZEMAKERS GILD HERBOREN
DAT VERNIETIGD WAS TE VOREN
WEER HERSTELD IN ZYN GEHEEL
ADRIEANUS KUNST PENSEEL
SCHILDERT ACHTIENHONDERDZEVEN
DEZE LEDEN NAAR HET LEVEN
DIE ZOO ALS MEN EERTYDS PLAG
NU WEER HOUDEN GILDEDAG
Nieuw licht
Maar dit is allemaal bekend, waarom dit schilderij
dan toch opnieuw tot onderwerp van een
beschouwing gemaakt? Nader genealogisch
onderzoek door Otto Schutte bracht meer over de
afgebeelde leden van het gilde aan het licht. Wim
Huijsmans bekeek het schilderij kritisch en wist
een niet-afgebeeld of beter gezegd weggemoffeld
gildelid te identificeren.
26 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bovendien is inmiddels bekend dat Adrianus
Hulsbergen een stiefbroer had die ook kunstschilder
was, en wel in Friesland. Deze Christoffel
Frederik Franck werd te Zwolle op 4 mei 1755 in de
Lutherse kerk gedoopt. Hij was de zoon van
Christiaan Franck (Vrancke) en Hendrika van
Doesburg. Hendrika hertrouwde in 1772 met de
weduwnaar en timmerman Lambertus Hulsbergen,
de vader van Adrianus. Na de dood van
Christoffel in 1821 werd Adrianus de enige erfgenaam
van zijn nalatenschap. Adrianus ontving
schilderijen, tekeningen, prenten, een schildersezel,
een lessenaar, teken- en schildermateriaal,
een tabaksdoos, een dwarsfluit, een paar zilveren
broeksgespen en wat kleding. De schilderijen
betroffen afbeeldingen met landschappen, portretten,
een boerenkermis, een heremiet, de verrijzenis
van Christus, een Maria en een armoedig
gezin. Wat Adrianus met de schilderijen heeft
gedaan is onduidelijk, vermoedelijk heeft hij ze te
Zwolle verkocht.
De gildeleden
Op het schilderij van Hulsbergen staan de volgende
personen afgebeeld:
1. Johannes van Otten werd op 24 september
1747 in Zwolle gedoopt. Hij trouwde in Zwolle op
7 juni 1773 met Jantje Stolte en op 6 mei 1819
wederom in Zwolle met Aartje Nouland. Johannes
stierf in Zwolle op 1 juni 1832. Hij was verver en
glazenmakersbaas.
2. De rooms-katholieke Nicolaus ter Meulen
werd op 29 november 1740 in de statie van de Koestraat
gedoopt. Hij was de zoon van de molenaar
Johannes ter Meulen en Johanna Kops. Nicolaus
huwde twee maal in Zwolle. De eerste keer op 20
mei 1776 met Johanna Paschala Tidink en
opnieuw op 8 februari 1795 met Anna Maria van
Berkum. Zijn beroep was verver, glazenmakersbaas
en schilder. Nicolaus stierf op 21 juni 1816 in
Zwolle.
3. Op 27 september 1767 lieten de kleermaker
Arent Voskuil en zijn vrouw Lamberta Pasman in
de Grote Kerk hun zoontje Klaas dopen. Deze
Klaas zou als verversknecht beginnen om als verver,
glazenmaker en schilder zijn loopbaan te vervolgen.
Klaas maakte ook aquarellen; in het Stedelijk
Museum Zwolle wordt er een bewaard. Op 23
november 1789 huwde Klaas in Zwolle met Johanna
Weemhof. Hij stierf in zijn geboorteplaats op
28 juli 1842.
4. Jan, de zoon die de schilder Klaas Bouwmeester
en zijn vrouw Arentien van Arriën op 16
september 1756 lieten dopen, zou hetzelfde vak als
zijn vader kiezen. Jan verdiende gedurende zijn
leven de kost als verver en glazenmakersbaas. Op 8
augustus 1791 huwde hij in de Bethlehemse kerk
met Anna Gesiena van Engelen. Op 28 september
1813 stierf Jan in Zwolle.
5. Matthijs Hoefman werd op 30 mei 1765 in de
Grote Kerk gedoopt. Hij was de zoon van Jan
Hoefman en Willemina Stuul. Bij zijn huwelijk in
de Bethlehemse kerk met Jacoba Erdtsiek op 17
mei 1790 was hij nog verversknecht. Spoedig daarna
werd hij verver en glazenmakersbaas. Hij stierf
in Zwolle op 1 april 1821.
6. Het bekendste personage in dit groepsportret
is de reeds vaker genoemde Adrianus Hulsbergen,
de maker van dit schilderij. Hij werd in
Nijmegen gedoopt op 30 maart 1755 als zoon van
de timmerman Lambertus Hulsbergen en Berendina
van der Linde. Adrianus was aanvankelijk als
fijnschilder en meesterschilder lid van het schildersgilde,
maar na een verzoek aan de magistraat
mocht hij zich inschrijven in het glazenmakersgilde.
Hij meende als verver en glazenmakersbaas
beter voor zijn huishouding te kunnen zorgen.
Adrianus huwde driemaal. De eerste keer op 8
april 1776 in Zwolle met linnennaaister Ida Bouwman.
De tweede maal in het afgelegen Koekange
op 6 november 1791 met de dienstmeid Hendrikje
ten Oever of Oeven. Tenslotte huwde hij in Zwolle
op 16 oktober 1817 met de veel jongere Gesina Platel.
Zij was in 1788 als dochter van de looiersknecht
Simon Platel en Antonia Nieuwmeijer geboren.
Adrianus stierf op 31 mei 1827 als aanspreker. Gesina
overleefde haar man bijna vijftig jaar, zij stierf
in 1875.
7. Te Zwolle lieten Hendrik Jan Vernhout en
Rebekka van den Berg op 28 september 1749 hun
zoon Johannes dopen. Zijn leven lang was hij verver
en glazenmakersbaas. In Wezel huwde hij op
19 augustus 1781 met Geertruid Anthonetta
Rochel. Johannes stierf op 31 mei 1813 in Zwolle.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
8. Antonij, de bierdrager met de deftige achternaam
Parkementis liet op 29 mei 1768 zijn zoon
Leendert in de Broerenkerk dopen. Hij was volgens
het doopregister getrouwd met Jacoba van
Uunen, vermoedelijk een verschrijving want ze
komt als Jacoba van Neuringen in andere bronnen
voor. Leendert verdiende overigens niet met het
bewerken van lamsvellen zijn brood, maar als
schilder en glazenmaker. In de Grote Kerk huwde
hij op 11 mei 1794 met Zwaantje Hassink. Leendert
stierf in Zwolle op 15 mei 1837. Hij was toen de
echtgenoot van Johanna Gesina Weenink.
9. Op 21 juni 1806 werd Evert Veenhuizen
kleinburger van Zwolle. Hij was op 28 april 1776 in
Wijhe geboren als zoon van de schilder Jan Veenhuizen
en Angenis Voerman. In Zwolle zette Evert
het beroep van zijn vader voort. In dezelfde stad
huwde Evert op 25 mei 1806 met Petronella Broekhuizen
en stierf hij op 13 december 1849.
Weggemoffeld
Wanneer je het schilderij van het glazenmakersgilde
bekijkt, lijkt het net of er een persoon is verwijderd.
Een restant van zijn hoge zwarte hoed is nog
zichtbaar, en het is duidelijk dat de aanwezigheid
van een persoon op juist die plek het totaalbeeld
evenwichtiger zou maken.
Wat zou de reden kunnen zijn? Wie was dit
weggemoffelde gildelid?
De meest voor de hand liggende verklaring
zou kunnen zijn het overlijden van een glazenmaker
op het moment dat Adrianus aan het schilderij
werkte. Deze glazenmaker zou dan in 1807 gestorven
moeten zijn, omdat het schilderij in dat jaar
voltooid werd. Een archiefstuk met een opgave
van de glazenmakers en ververs uit het begin van
de negentiende eeuw is helaas niet bewaard gebleven.
Onderzoek in de begraafboeken had uitsluitsel
kunnen geven, maar leverde jammer genoeg
niets op omdat het beroep niet altijd vermeld
werd. Dankzij het kaartsysteem van het voormalige
Gemeentearchief Zwolle (inmiddels opgegaan
in het HCO) was het toch mogelijk verder te zoeken.
Dat kon door in de rubriek ‘hoedanigheden’
de fiches met ‘glazenmaker’ en ‘verver’ door te
nemen. Van hen zou er een voor december 1807
overleden moeten zijn om in aanmerking te
komen. Uit de periode rond 1800 leverde dat een
dertigtal namen van glazenmakers en ververs op.
Een van deze dertig personen zou dus in 1807
overleden moeten zijn.
Inderdaad was er in september 1807 ene Peter
van Santen overleden. Hij was 34 jaar oud en
woonde in de Smeden, zonder vermelding van
zijn beroep. Met grote waarschijnlijkheid is hij de
op het schilderij weggemoffelde persoon. De
opdrachtgevers wensten blijkbaar dat bij het herstel
van de gilden alleen de levende gildeleden op
het schilderij werden afgebeeld.
Peter van Santen werd op 11 juni 1773 katholiek
gedoopt in de statie in het Hoornsteegje als Petrus,
zoon van Jacob van Santen en Maria Fortuin. Hij
trouwde op 15 mei 1799 in Zwolle met Hendrica
Tentman, die op 29 mei 1805 overleed en in de
Broerenkerk werd begraven. Uit dit zesjarig huwelijk
ontsproten geen kinderen. Op 28 juli 1806
werd aan Peter – evenals aan de andere afgebeelde
personen – patent verleend om het beroep van
verver en glazenmaker uit te oefenen. Als baas of
meester betaalde hij daarvoor vier gulden. De glazen
makersknechten en verversknechten waren
voor dit patent een gulden kwijt. Slechts korte tijd
heeft hij van dit recht kunnen genieten. Hij overleed
op 4 september 1807 en werd vier dagen later
’s avonds om 10 uur in de Broerenkerk bij zijn
vrouw begraven. Voor het luiden van de klokken
betaalden zijn erfgenamen twee gulden en 16 stuivers,
waaruit een zekere gegoedheid valt af te leiden.
Bronnen en literatuur
Historisch Centrum Overijssel: de( generale index Zwolle
en het patentregister uit 1806.
E.A. van Dijk, ‘Hulsbergen, Adrianus (1755-1827) ku’fistschilder’,
in: Overijsselse biografieën 2, Meppel-Arn^
sterdam 1992,76-79.
E.A. van Dijk, Schilders in Zwolle, Zwolle 1993,34-35.
A. Meddens-van Borseen, ‘Christoffel Frederik Franck
(1755-1816). Een veelzijdig kunstschilder in Friesland’,
in: Fryslan 6 (2000), 22-25.
J.C. Streng, Vrijheid, gelijkheid, broederschap en gezelligheid.
Het Zwolse Sint Nicolaasgilde tijdens het ancien
régime, Hilversum 2001,157-178.
28 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boekbesprekingen
Hilde van Wijngaarden, Zorg voor de kost. Armenzorg,
arbeid en onderlinge hulp in Zwolle 1650 -1700.
Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam 2000.
ISBN 90 5333 9671- 346 pagina’s. Prijs ƒ 52,75.
De tekeningen van Gesina ter Borch en haar
broers of van Gerrit en Jan Grasdorp behoren tot
de bekendste beelden van het zeventiende-eeuwse
Zwolle. De levendige en realistische figuurtjes van
mannen, vrouwen en kinderen vormen scènes uit
het straatleven waarmee het stadsbeeld, dat we van
de topografische schilderijen en prenten zo goed
kennen, kan worden ingevuld. De ventsters, werklieden
en straatschoffies blijven echter naamloos;
het zijn tenslotte geen portretten.
Toch kunnen we sinds kort een veel beter idee
krijgen van het dagelijks geploeter van deze mensen
aan de arme kant van de Gouden Eeuw. Hilde
van Wijngaarden heeft ze dichterbij gebracht met
haar studie over de armenzorg, waarop ze vorig
jaar in Groningen promoveerde en waarvoor ze in
2000 terecht de Prijs voor de Zwolse Geschiedenis
ontving. Dat ze deze studie heeft kunnen uitvoeren
was behalve aan haar eigen motivatie te danken
aan twee factoren: de inpassing in een landelijk
onderzoeksproject en de aanwezigheid van
uniek archiefmateriaal. Het feit dat er in het Zwolse
gemeentearchief bedeeldenregisters, visitatiebcjeken
en registers van andere uitdelingen zoals
kleding en turf uit ongeveer dezelfde periode
bewaard zijn gebleven, maakte het mogelijk om
een groot aantal mensen gedurende langere tijd te
volgen.
Zwolle was in de tweede helft van de zeventiende
eeuw de grootste stad van Overijssel geworden
met 11 a 12.000 inwoners. Daarvan werd ongeveer
zes procent bedeeld, dat wil zeggen dat deze
min of meer structureel steun ontving van de
Stadsarmenkamer. Dit is in vergelijking met andere
steden tijdens de Republiek geen extreem hoog
aantal, waarbij overigens wel moet worden gezegd
dat de gegevens en de interpretatie ervan vaak heel
verschillend en vooral onzeker zijn. Zo rekenden
de Zwolse armbestuurders niet per huishouden –
alle mensen die in één huis woonden – maar per
gezin. Een moeder en een bij haar inwonende volwassen
dochter konden dus ieder afzonderlijk
steun ontvangen omdat zij ieder als ‘gezin’ werden
beschouwd. Hilde van Wijngaarden volgt deze
redenatie en komt zo, anders dan in veel vergelijkbare
studies, tot een realistischer beeld van de
zeventiende-eeuwse werkelijkheid.
Het boek is systematisch opgezet en volgt een
vrij strak schema. Dit heeft het grote voordeel, dat
de verschillende aspecten van de armenzorg helder
kunnen worden uiteengezet en dat op deze
manier ondanks het unieke materiaal toch een
vergelijking kan worden gemaakt met de situatie
in andere steden. Nadeel is, dat de mensen zelf wat
achter de theorie verborgen blijven, al raakt men
in de loop van het boek met sommigen van hen
wel enigszins vertrouwd. Nu en dan gunt de
schrijfster ons doorkijkjes a la Van Deursen in het
echte doen en laten van de hoofdpersonen, die
doen verlangen naar meer. Maar het schrijven van
een collectieve biografie was natuurlijk niet het
oogmerk van haar studie. Dat we ons nu een veel
diepgaander voorstelling kunnen maken van de
armenwoninkjes in de Broerentrans dan de
bekende tekening van Gerrit Grasdorp (afgebeeld
op p. 228) is tenslotte al geen geringe verdienste.
Zoals de titel al aangeeft, behandelt Hilde van
Wijngaarden drie aspecten van de armenzorg. Na
een heldere inleiding over armoede in het algemeen
en het dagelijks leven in het zeventiendeeeuwse
Zwolle gaat zij allereerst in op de organisatie
en het functioneren van de armenzorg. De
Stadsarmenkamer, gevestigd in de later afgebroZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ken verbinding tussen Bethlehemsekerk en Refter,
had in beginsel de zorg voor alle Zwollenaren die
beneden het bestaansminimum dreigden te
komen. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt
tussen officiële burgers en inwoners; een goede
reputatie, een langdurig verblijf en eventuele
vroegere verdiensten voor de stad waren belangrijker.
Er bestond ook toen waarschijnlijk al een
uitgebreide informele netwerkstructuur, waarvan
nu en dan sporen terug te vinden zijn in de beslissingen
over het al dan niet verlenen van steun.
Ook de religie speelde in beginsel geen rol. De
gereformeerde diaconie was bij de armenkamer
ondergebracht en lidmaten kregen vaak wel iets
extra’s. Maar aan de andere kant kon ook de voorspraak
van een pastoor van een van de schuilkerken
er toe leiden, dat een katholieke arme een uitkering
van de stad ontving.
Het tweede aspect dat aan de orde komt is dat
van de arbeid. Dit levert nu en dan zeer directe
confrontaties op met de echte strijd om het
bestaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kinderarbeid.
Vergelijking met de algemene situatie in de
zeventiende eeuw blijkt heel slecht mogelijk,
omdat de stelling dat de economie toen mede
door de inzet van kinderen draaiende werd
gehouden niet gebaseerd blijkt te zijn op diepgaand
onderzoek. Het gegeven, dat Zwolse ouders
hun kinderen bewust weghielden van het speciaal
voor hun opgerichte werkhuis (dat mede daardoor
mislukte), lijkt erop te wijzen dat deze
exploitatie niet zo vanzelfsprekend werd gevonden
als historici wel denken. Kijken we hier soms
teveel door een negentiende-eeuwse bril? Een
ander gemis in dit deel van Zorg voor de kost is dat
van een goede sociaal-economische beschrijving
van Zwolle in de vroegmoderne tijd. Zoals veel
schrijvers moet ook Hilde van Wijngaarden terugvallen
op de inmiddels sterk verouderde onderzoeksgegevens
van Slicher van Bath. Zo is haar
stelling op pagina 163, dat de linnenindustrie in
Zwolle en Kampen ‘van weinig betekenis was’ in
verhouding tot die in Twente onhoudbaar, en
wordt deze trouwens door haar eigen gegevens
over de aantallen beroepsbeoefenaren gelogenstraft.
Een ander interessant aspect is dat van de
knopenmakerij. Deze huisindustrie, die vooral
door (arme) kinderen werd uitgevoerd, had in
Zwolle een enorme omvang aangenomen en de
vraag hoe dit mogelijk was kan niet direct worden
beantwoord. Mijn idee is, dat deze net als het sterk
verbreide schoenmakersvak een direct gevolg is
van de Zwolse veehandel. Knopen werden immers
gemaakt van been. Wellicht kan de archeologie
ons daar meer over vertellen.
Het laatste deel van Hilde van Wijngaardens
studie is gewijd aan de onderlinge hulpverlening.
Deze kon plaatsvinden onder verwanten, tussen
buren, dankzij bekenden maar ook via de al eerder
genoemde, in de bronnen vrijwel ongrijpbare,
informele netwerken. Dat hierover toch iets
gezegd kan worden is een voorbeeld van inlevingsvermogen
maar ook van minutieuze wetenschappelijke
interpretatiekunst. Zorg voor de kost
is daarmee een fraaie tegenhanger geworden van
Zwolle in de Gouden Eeuw door Jean Streng en
Lydie van Dijk. De geschiedschrijving zal er wel bij
varen.
Frits David Zeiler
ï
Woningen in de Broerentrans,
doorGerrit
Grasdorp (collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Afbeelding uit besproken
boek.
30 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schnitgerorgel in de
Grote of Sint Michaé’lskerk.
Afbeelding uit
besproken boek.
J. Erdtsieck, M.P. Logtenberg en J.M. de Ruiter
(t), Koninklijke instrumenten rond de Peperbus.
Kampen (Stichting IJsselacademie) 2001.
ISBN 90-6697-132-0; prijs €20,40.
In de Hanzesteden Deventer, Kampen en Zwolle
kreeg de orgelbouwkunst in een vroeg stadium
een kans. Voor de orgelhistoricus zijn de oudste
archiefstukken over Zwolse orgels van groot
belang. Deze stukken hebben betrekking op de
Onze Lieve Vrouwe Kerk, de Grote of Sint
Michaëlskerk en de kloosterkerken.
Maarten Albert Vente, de eerste onderzoeker
in ons land die de orgelkunde op academisch
niveau beoefende, heeft velen gestimuleerd bij
orgelhistorisch onderzoek.1 Door zijn aanstelling
in 1958 als wetenschappelijk hoofdmedewerker
aan het Instituut voor Muziekwetenschap te
Utrecht werd het mogelijk de orgelkunst als verplicht
onderdeel in de studie van de muziekwetenschap
op te nemen. De laatste decennia zijn grote
vorderingen gemaakt op een terrein dat bij het
aantreden van Vente nagenoeg geheel braak lag.
Saillant detail is dat Vente kort voor zijn overlijden
kennis nam van de gewelfschilderingen in de
Broerenkerk, in het bijzonder de schildering die
het middeleeuwse orgel omlijstte.2 Van zijn hand
verscheen in 1971 het eerste boek van enige
omvang met beschouwingen over de Zwolse
orgelgeschiedenis.3 Recentelijk verscheen een
kloek boek onder de titel Koninklijke instrumenten
rond de Peperbus.
Dinsdagavond 11 december 2001 vond de presentatie
van dit boek plaats in de Grote of Sint
Michaëlskerk. Voor de muzikale omlijsting zorgde
organist Toon Hagen. De eerste twee exemplaren
werden uitgereikt aan de heer J. Berends, wethouder
van de gemeente Zwolle en aan de heer
J.M. Meulenkamp, directeur van Vestia Projectontwikkeling
BV.
In Koninklijke instrumenten worden de in de
Zwolse kerken, het conservatorium, de Isala klinieken
en het Zonnehuis aanwezige orgels
beschreven en middels een kleurenfoto afgebeeld.
Een hele klus, zeker als men zich realiseert dat het
fotograferen van orgels geen sinecure is wegens de
veelal ongunstige omstandigheden ter plaatse. Een
compliment verdient daarom M.J. Heilhof, want
hij is erin geslaagd met zijn kleurenfotografie een
substantieel aandeel te leveren in de aantrekkelijkheid
van het boek. Slechts een enkele foto is van
mindere kwaliteit (Bethlehemkerk, Broerenkerk,
Noorderkerk).
De ordening van de beschrijvingen vindt
plaats binnen vier tijdsperioden: orgels uit kerken
van voor de reformatie (6), kerken uit de periode
1600 tot 1900 (4), kerken uit de periode 1900 tot
195° (4) e n kerken uit de periode 1950 tot heden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(17); in totaal 31 orgels. Binnen de gehanteerde
perioden zijn de kerken alfabetisch op naam geordend
en het toeval wil dat in de eerste twee perioden
een chronologische reeks is ontstaan.
De gehanteerde systematiek bij het kopje
‘orgel’ voldoet niet. Men vergelijke Windesheim,
hervormde kerk, met de Onze-Lieve-Vrouwe ten
Hemelopnemingbasiliek. Het kerkgebouw van
het Apostolisch Genootschap aan de Pilotenlaan
bezit een orgel van Michael Maarschalkerweerd
uit 1993, aldus het kopje. Maar Maarschalkerweerd
leefde van 1838 tot 1915.
In het Vooraf (blz. 7) wordt gerefereerd aan de
encyclopedie Het historische orgel in Nederland.
De chronologische volgorde in deze encyclopedie
wordt strikt bepaald door de ouderdom van het
oorspronkelijke orgel, voor zover delen, inclusief
kas, resteren en in het huidige instrument zijn verwerkt.
Het eerste deel verscheen overigens twintig
jaar later dan Logtenberg ons wil doen geloven;
prins Claus ontving op 19 februari 1997 in de Dom
te Utrecht het eerste exemplaar.
Iedere orgelbeschrijving wordt voorafgegaan
door een korte geschiedenis van het kerkgebouw.
Waar nodig wordt het kerkgenootschap nader
belicht. Dit facet was bij J. Erdtsieck in vertrouwde
handen.
Voor wat de orgelhistorische aspecten betreft
volstaan we met enige op- en aanmerkingen, die
kunnen worden opgevat als zijnde illustratief voor
het geheel. Voor de orgels gebouwd tot 1840 kon
men te rade gaan bij de gedetailleerde dispositiegegevens
in de encyclopedie. In dit verband is het
merkwaardig dat alleen het eerste deel in de literatuurlijst
staat vermeld.
De volledige orgelgeschiedenis van de Grote
Kerk verdient een fraaie monografie. Met het
onderhavige werk dient men bereid te zijn concessies
te accepteren. In mindere mate speelt deze
overweging een rol bij de Bethlehemkerk, waar
met zevenmijls laarzen door de orgelgeschiedenis
van voor 1825 wordt gestapt op basis van een niet
authentieke bron uit 1965.
Bij de Lutherse kerk staat vermeld: ‘Het orgel
werd in 1788 gerenoveerd door Frans Caspar’.
Men leze: Frans Caspar Schnitger, die overigens in
1729 was overleden. Terecht kan worden tegengeworpen
dat in het kasboek bij de datum 17 juli 1786
wel degelijk melding wordt gemaakt van F.C.
Schnitger. We hebben hier te doen met Frans Caspar
Schnitger junior (1724-1799), die, zoals de jaartallen
laten zien, het vak niet van zijn vader heeft
geleerd: ‘aan d’orgelmaker F.C. Schnitger voor het
renoveren van het orgel ingevolge Resolutie van
de Groten Kerkenraad L.Q. (- luydt quitansie)
bet. ad. 130.-.’4
We zouden dit geen renovatie of restauratie
willen noemen maar een schoonmaakbeurt, eventueel
met herstel van kleine gebreken, waarover
Knock in 1788 berichtte.
Op dezelfde bladzijde 57 wordt een dispositie
uit 1926 vermeld, hoewel het Schnitger-orgel in
1917 was ingeruild voor een pneumatisch instrument
van Standaart. Opvallend is het dat de dispositie
vrijwel geheel overeenkomt met die van
Knock. Waarschijnlijk is hier sprake van een simpele
lees- en drukfout; in plaats van 1726 is zonder
bronvermelding abusievelijk 1926 overgenomen.
Bij de Sint Jozefkerk lezen we dat niet meer te
achterhalen is wie het orgel maakte. Het orgel is
afkomstig uit een Benedictinessenklooster te
Driebergen. Zonder voorbehoud kan het instrument
worden toegeschreven aan Friedrich Fleiter
(1836-1924), die in het jaar 1872 te Munster een
orgelmakerij oprichtte. Dit bedrijf bestaat tot op
de huidige dag. De spelling van de Duitse registernamen
zijn niet alle correct. Het is opmerkelijk
dat de dispositie geen enkele vulstem bezit. Fleiter
bouwde ook het orgel van het inmiddels gesloopte
klooster Bethlehem aan de Molenstraat te Oldenzaal,
in de volksmond aangeduid met het Duitse
klooster. Als gevolg van de politieke situatie waren
de zusters Benedictinessen in 1875 gedwongen hun
klooster in Osnabrück te verlaten. Zij zochten in
Tegelen, Driebergen en Oldenzaal veilige vestigingsplaatsen
voor nieuwe kloosters.
Verdwenen orgels zijn ten dele vermeld,
slechts voor zover zij bij de beschrijvingen van de
huidige instrumenten worden gememoreerd, terwijl
aan kabinet-, secrétaire- en andere huispijporgels
geen aandacht is geschonken. Terecht zijn
de instrumenten van de Ichtus-, Sions- en Stinskerk
niet opgenomen. Organisten zijn buiten
beeld gebleven.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De kassen zijn niet vergeten, maar de behandeling
is summier en beperkt zich doorgaans tot
het noemen van de

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 1

Door | 2002, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1< I JKEXEMPLAAR Historisch m •in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boven: De Thorbeckegracht
vlak voor de
afbraak van de Marsmanpanden,
ca. 1970.
Onder: De huidige situatie
op dezelfde plaats.
Foto’s: Dick Hogenkamp
Toen het nieuwe winkelcentrum bij de
Broerenkerk voltooid was, werden er plannen
ontwikkeld om ook de panden aan het
water op de kop van de Thorbeckegracht bij de
Diezerpoortenbrug onder handen te nemen. Deze
panden stonden bekend als de zogenaamde Marsmanpanden.
Na de Tweede Wereldoorlog waren
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
deze, van oorsprong i8de-eeuwse pakhuizen sterk
verwaarloosd. Vanaf de Diezerpoortenbrug boden
ze een trieste aanblik.
In een van deze panden zat jarenlang Ten Doesschate
Kruiden met een eigen malerij. De heerlijke
kruidengeur verspreidde zich over het water van
de Thorbeckegracht tot ver in de omtrek. Kenners
konden ogenblikkelijk vertellen of er nootmuskaat
of peper gemalen werd.
De panden waren in de jaren zeventig in een
zodanige staat geraakt dat restauratie of renovatie
niet of nauwelijks meer mogelijk was. Voordat
besloten werd tot de bouw van appartementen die
er nu staan, ging er heel wat water door de gracht.
Het aanvankelijk gepresenteerde ontwerp harmonieerde
totaal niet met de structuur van de
bebouwde omgeving. Dankzij hevige protesten
van de Vrienden van de Stadskern en persoonlijk
‘ingrijpen’ van burgemeester Drijber, die van
mening was dat het bouwplan qua schaal en
karakter te zeer afweek van het bestemmingsplan,
werd uiteindelijk gekozen voor een architectuur
die zich in hoofdvorm voegde naar de aanwezige
bebouwing, zoals nu blijkt uit de verspringingen
in gevels en daken van het appartementencomplex,
de sterk verticale structuur, de kleur van de
baksteen en van de dakpannen. Het is vooral de
inbreng van Han Prins geweest, die met zijn schetsen
toekomstige veranderingen op deze plek
zichtbaar maakte en definitief afrekende met het
oorspronkelijk ontworpen glazen gedrocht.
Toen de appartementen in de verkoop gingen
bleek er zo’n grote belangstelling voor te bestaan
dat ze als warme broodjes over de toonbank van
de makelaar vlogen. De plek was en is zeer gewild
en het uitzicht is uniek. In december 1983 kwamen
de 31 appartementen voor bewoning gereed. Het is
jammer dat spuitgasten de kademuur alweer met
graffiti hebben bewerkt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Met dit nummer begint de Zwolse Historische
Vereniging aan haar tweede decennium.
De redactie hoopt dat de vereniging
zich in de komende jaren door haar activiteiten
en natuurlijk ook door publicaties in dit
tijdschrift, in een nog grotere belangstelling zal
mogen verheugen.
Het vierkleurenomslag van het jubileumnummer
was helaas een eenmalige zaak. Nu prijkt, weer
in wit-zwart, het interieur van de Grote Kerk op
het omslag. Op het orgel van deze kerk zal meermaals
de muziek van Johann Carl Röhner te horen
zijn geweest, zoals blijkt uit het artikel van Frits
David Zeiler. Deze musicus zou twintig jaar lang
zijn stempel drukken op het muziekleven in Zwolle.
Hij componeerde, dirigeerde uitvoeringen en
werkte samen met Rhijnvis Feith door diens
gedichten op muziek te zetten. Tijdens het onderzoek
kwam een dichtbundel van Röhner te voorschijn,
die tot nu toe een stil bestaan in het Provinciaal
Overijssels Museum geleid had.
In de tijd dat Röhner zijn muziek ten gehore
bracht in de Grote Kerk, hing het door Bob Erdtsieck
beschreven rouwbord van Johannes van de
Linde daar al enige jaren.
Zo’n 100 jaar na Röhner deed een heel ander
fenomeen zijn intree in de stad: de hockeysport.
Willem van der Veen beschrijft het wel en wee van
de Zwolsche Mixed Hockeyclub, die zich van een
aanvankelijk zeer elitaire club waar hockey onder
wat primitieve omstandigheden werd beoefend,
ontwikkelde tot een goed geoutilleerde vereniging-
Wat de overige artikelen betreft, de redactie
heeft geprobeerd de inhoud gevarieerd samen te
stellen in de hoop dat er ‘voor elk wat wils’ is te
lezen. Veel leesplezier.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle Willem van der Veen
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek Wil Cornelissen
Johann Carl Röhner (1774-1837) Frits David Zeiler
Zwolse fraters / 3 AafjeLem
De tamme spreeuw, Pieter van Noort (1621-1672) Lydie van Dijk
Een rouwbord in de Grote kerk Bob Erdtsieck
Literatuur
Agenda
Auteurs
10
13
26
28
30
33
34
35
Omslag: Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B.,
eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle.
Foto: Provinciaal Overijssels museum.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meer dan negentig jaar hockey in Zwolle
‘Een club der vrijage van de goede standen
Willem van der Veen
Een beeld uit de prilste
begintijd van de Zwolsche
Mixed Hockey
Club. In 1904 was de
(men mag wei aannemen:
vrijwel gehele)
club bijeen op het toenmalige
terrein in Frankhuis
bij de houthandel
Eindhoven. Links op de
achtergrond het huis
van de familie Van
Hall.
Zakelijk opportunisme was in 1902 een
belangrijke factor bij de oprichting van de
Zwolsche Mixed Hockeyclub. Dit is een
des te merkwaardiger geluid als men bedenkt dat
de hockeysport bijna een eeuw synoniem is
geweest met ver doorgevoerde amateurprincipes,
waarbij financiële belangen streng buiten de deur
werden gehouden.
Historische naspeuringen leiden naar één
bepaalde figuur: H.J.van Straten, die aan de Melkmarkt
een zaak in rijwielen en sportartikelen dreef
en die ook bestuurslid was van de thans 100-jarige
Zwolse sportvereniging ZAC. Het verdroot Van
Straten dat omstreeks de eeuwwisseling bij ZAC
alleen maar aan voetbal en wielerpolo werd
gedaan. Hij zag winst in een handeltje van hockeysticks,
dure kromme knuppels die uit Engeland
moesten worden geïmporteerd en waarmee
een voor die tijd gloednieuwe sport kon worden
beoefend.
Wat het spelletje precies inhield wist alleen Jasper
Warner, de legendarisch geworden Zwollenaar
die als één van de Nederlandse sportpioniers
kan worden beschouwd. Rond de eeuwwisseling
was hij voorzitter van ZAC en ook (van 1897 tot
1919) voorzitter van de Nederlandse Voetbalbond
die later het predikaat Koninklijk zou verwerven.
Jasper Warner had hockey in Engeland zien
spelen en toonde zich bereid het in Zwolle eens
met wat ZAC-leden te proberen. Van Straten
voelde er natuurlijk alles voor. Hij importeerde
een partijtje sticks (met onmetelijk lange haken,
twee platte kanten en een rubber ring in het midden
om de handen te beschermen) en vond al
spoedig een twintigtal afnemers die schuchter
tegen de ‘sinaasappel’ (de hockeybal was toen
oranje gekleurd) gingen slaan.
Dit opmerkelijk commerciële detail rond de
oprichting van de ZMHC, die daarmee de hockeysport
als eerste in Oost- en Noord-Nederland
introduceerde, kreeg ik in 1962 – bij het zestigjarig
bestaan van de club – van twee kanten te horen.
Het werd mij verteld in gesprekken met twee destijds
reeds hoogbejaarde oud-Zwollenaren, dr. L.
Bierens de Haan en N.J. Beversen die beiden vóór
1910 in Zwolle met de stick hebben gezwaaid.
Twee vrouwen
De hockeybal rolde voor het eerst op een klein
weilandje achter het huis van de familie Ten Doesschate
die toen in het Klein Weezenland woonde.
Wie kon men daar op zondagochtenden meestal
aantreffen? Natuurlijk Jasper Warner en verder
figuren als Jan Hoven (één van de pioniers van de
landelijke sportjournalistiek), S. ten Doesschate
en H. Deking Dura.
Vaak kwamen er ook twee jonge vrouwen, te
weten Nettie Bierens de Haan (oudere zuster van
een onzer zegslieden) en Mena de Vries. Zij kunnen
beschouwd worden als de eigenlijke oprichtZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
sters van de Zwolsche Mixed Hockeyclub. Deze
geëmancipeerde dames vonden het op dat stoppelveldje
bij Ten Doesschate allemaal heel knus en
gezellig – met veel thee en zo -, maar zij voelden
met enkele anderen de behoefte aan een échte club
met een meer geregelde, minder provisorische
beoefening van de hockeysport.
Heren konden – niet dan na strenge ballotage – lid
worden als ze de leeftijd van twintig jaar hadden
bereikt. Voor de dames gold een iets minder strak
omlijnde limiet. Voor haar gold de leeftijd waarop
ze bij de verschillende Zwolse families werden
‘gepresenteerd’ en dan mochten deelnemen aan
de bals en diners, teneinde voor een huwelijk-van-
Samen met o.a. luitenant Van Woelderen (de
latere burgemeester van Vlissingen) en J.D. van
Hall vonden de dames een redelijk geschikt terrein,
een weiland in Frankhuis vlakbij de houthandel
Eindhoven.
Denk niet dat sportfanatisme, atletisch vermogen
en hoog tempo daar toen gewaardeerd werden.
Hockey werd uitsluitend in gemengde vorm
beoefend, dus vrouwen en mannen (zeg in die tijd
liever dames en heren) knus door elkaar heen. Het
ging er rustig en gezapig aan toe. Als de aanvalslinie
zich eens een tijdje uitzonderlijke actief
betoonde, kon het gebeuren dat de backs doodgemoedereerd
een pijpje opstaken.
Witte wiev’n
De heren droegen lange kniebroeken en hoog aan
de hals gesloten truien. De pet op het hoofd ontbrak
vrijwel nooit. De dames waren gestoken in
lange witte gebreide truien en rokken van ribfluweel
die tot op de enkels hingen. Baronesse De
Vos van Steenwijk die in de beginjaren ook meespeelde,
vertelde me in 1962 in haar woning in De
Wijk dat voorbijgangers de handen van verbazing
ineen sloegen wanneer ze dames met zulk een
krankzinnig gedoe bezig zagen. Een boer noemde
ze ‘wiev’n met witte jakk’n’.
stand te worden klaar gestoomd. In de regel was
die leeftijd omstreeks achttien jaar.
Het is wel duidelijk dat hockey in die jaren uitsluitend
weggelegd was voor de gegoede standen,
wat heet!: de allerbeste Zwolse families. Bekijk de
volgende namen die uit enkele oude ledenlijsten
konden worden opgediept: jhr. C. Greven, S. van
Roijen, baronesse De Vos van Steenwijk-van Roijen,
A. baronesse Van Ittersum-van Reede, Jacques
van Reede, mevrouw Braakman-Quarles de Quarles,
ridder J. Bosch Van Rosenthal, J. Schaepman,
J. Doyer en H. van Velzen Coster, allen telgen van
de meest vooraanstaande Zwolse families.
De Pelikaan
Een historisch jaar in het bestaan van de ZMHC is
1906, toen de hockeyers van Frankhuis verhuisden
naar een veld bij De Pelikaan aan de Meppelerstraatweg,
de roemruchte uitspanning van de
familie Dijk. Precies zestig jaar later, in 1966, viel
dit pittoreske café ten offer aan het moderne verkeer.
De plek waar het stond, werd bedolven
onder de vele meters dikke zandlagen van de A 28.
Maar het sportterrein dat zijn naam aan deze uitspanning
ontleende, bleef tot de dag van vandaag
het domein van de Zwolsche Mixed Hockeyclub.
In datzelfde jaar 1906 legden de Zwolse hockey-
Eenfoto uit 1908 van
een (mixed) oefenpartijtje
op de Pelikaan.
Het ‘zwakkegeslacht’
zag er toen geen been in
om de bal in de lange
rokken op te vangen. Op
de achtergrond de toegangsweg
naar de Kranenburg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ers de eerste contacten met andere verenigingen.
Er werden, zoals dat toen heette, ‘matches aangegaan’
met elftallen uit o.a. Zutphen, Velp, en Den
Haag. Het eerste wapenfeit van betekenis was in
1909 het veroveren van de Nijmeegse Samovar, die
in dat jaar voor de eerste maal werd verspeeld.
De gezelligheid stond niettemin voorop. Na
In 1908, toen de ZMHC
zojuist naar de Pelikaan
was verhuisd, poseerde
het herenelftal in het
doel, dat groter van
formaat was dan tegenwoordig.
Van links naar rechts:
staand: S. van Royen,
Louis Bosch van Rosenthal,
E.]. C. Greven,
Jacques van Reede,
Albert Mouw, C.
Hermsen, J.E. baron De
Vos van Steenwijk, Ru
de Goeyen; zittend: Jo
Bosch van Rosenthal,
Jan Schaepman, Boy
Royer, Piet Lechner.
afloop versloegen de heren samen met hun tegenstanders
de dorst in de Grote Sociëteit in de Koestraat.
De dames werden daar niet toegelaten,
maar zij verzonnen een ander uitje. Ze gingen zich
bij banketbakker Baggelaar op de Melkmarkt te
buiten aan taartjes die ze zelf op de rekken in de
winkel konden uitzoeken en daarna in de opkamer
van Baggelaar mochten opeten.
Wanneer het mooi weer was, wandelde de hele
hockeyfamilie na de strijd op de Pelikaan naar de
uitspanning op de Agnietenberg, waar ‘dikke
melk’ werd gegeten en de jongelui een thans vergeten
spel beoefenden dat ze ‘wandspringen’
noemden. Volgens één van mijn zegslieden, de
heer A.D. Wentholt, hielden de hockeyers tedere
herinneringen over aan die tijd. Niet voor niets
betitelden ondeugende Zwolse tongen de ZMHC
in die dagen als ‘een club der vrijage van de goede
standen’.
Met de Jan Plezier
Tot 1915 werden uitsluitend wedstrijden in
gemengd verband gespeeld, maar in dat jaar nam
voor het eerst een herenelftal aan de oostelijke
competitie deel. Hete duels werden uitgevochten
met Deventer, Zutphen, Arnhem en Nijmegen,
maar over resultaten staat in zeer schaars overgebleven
clubannalen bijna niets te lezen. Die werden
in die jaren blijkbaar niet belangrijk geacht…
De Zwolse club werd in hockeykringen beroemder
door de ceremonie die na 1915 aan de wedstrijden
op De Pelikaan voorafging. Wanneer de gasten
– meestal per trein – in de stad waren gearriveerd,
togen zij naar het voormalige hotel De Keizerskroon
in de Kamperstraat, waar ze zich in
sporttenu staken. Daarna ging het in een Jan Plezier
in optocht naar het veld aan de andere kant
van de stad. De Zwolse hockeyers reden er op de
fiets achteraan, waarbij de sportschoenen aan het
stuur bungelden.
In een hoekje van het terrein stond een soort
prieeltje, afgeschut door drie doeken, waar in de
rust gezellig thee gedronken werd. Na afloop
besprak men in de gelagkamer van De Pelikaan
het verloop van de hockeystrijd onder het genot
van ettelijke glaasjes boerenjongens die door de
waardin, Moeke Dijk genaamd, zelf was gebrouwen.
Deze ceremonie bleef tientallen jaren bestaan
(overigens met een wisselend drankenpatroon),
tot in het begin van de jaren vijftig. Schrijver
dezes, die vlak na de Tweede Wereldoorlog ging
hockeyen, heeft nog een teug geproefd van deze
onvergelijkelijke sfeer – een mengeling van studentikoos
standbewustzijn, bravour en boerengemoedelijkheid.
Moeke Dijk
Als middelpunt van rust fungeerde daarin Dina
‘Moeke’ Dijk die met haar omvangrijke gestalte,
gehuld in een zwarte boerenjapon, een tegenwicht
vormde tegen de exclusieve toon die vroeger in
hockeykringen gebruikelijk was. Temidden van de
dubbele tot viervoudige namen, al of niet verlucht
met adellijke titels, voelde Moeke Dijk zich even
goed thuis als in later jaren, toen hockeyende Jansens
en Pietersens geen uitzondering meer waren.
Ze schonk rustig haar kopje koffie, bereid met
degelijke melk – zó van de koe -, tapte haar glaasZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
jes of verkocht een ‘reepien sukela’ uit het antieke
glazen kastje dat niet van de tapkast weg te denken
was.
Nieuwsgierig was ze wel, hetgeen ze in de praktijk
bracht door haar klanten op een handige, terloopse
manier uit te horen. Vaak stelde ze haar
huiskamer achter het café ter beschikking van de
hockeyers als er op de zondagmiddagen teveel
‘gewoon’ publiek in de gelagkamer zat. Op die
dagen werd er meestal bediend door de bejaarde
kelner Beekman die, als de feeststemming tot een
hoogtepunt was gestegen, weieens bereid bleek op
een stoel te klimmen om lichtelijk scabreuze liederen
uit de oude doos te zingen.
In de jaren vijftig kwam er een einde aan het
knusse, oubollige samenzijn bij Dijk. Op den duur
voelden de ZMHC-ers zich niet meer thuis in de
gelagkamer, waar de sfeer langzaam veranderde.
Een nieuw, agressiever cafépubliek mengde zich
op de zondagmiddagen tussen de Zwolse hockeyers
en hun gasten. Dat botste. Aangeschoten lieden
bemoeiden zich met de hockeyers, waardoor
vaak een onbehaaglijke stemming ontstond.
Enkele ZMHC-ers die meer te verteren hadden
dan de gemiddelde schooljongen, hadden er
genoeg van. Zij ontdekten ’t Pothuys, een van de
eerste bars van Zwolle. En tegelijk een van de sjieke
soort, gevestigd als hij was in het souterrain van
Grand Hotel Wientjes, het duurste etablissement
van de stad.
Deze horeca-gelegenheid-van-de-modernesoort
met zijn populaire barkeeper Ynze Conradi
– een échte heer die prima in hockeykringen paste
– bleef meer dan twintig jaar de vaste uitwijkplaats
na de wedstrijden. Totdat in de jaren zeventig het
eigen ZMHC-clubhuis, dat inmiddels op de Pelikaan
was gebouwd, een zodanige accomodatie
kreeg dat de ontvangst van gasten – heilig in de
hockeywereld – in eigen beheer genomen kon
worden.
Primitief
Terug naar de jaren twintig. Toen konden de
ZMHC-ers in hun stoutste dromen niet aan een
eigen clubhuis denken. Het was maar een primitief
gedoe op de Pelikaan, ondanks het feit dat het
herenelftal in de hoogste afdeling speelde. Kleedruimte
ontbrak nagenoeg en vele maanden van
het jaar graasden de schapen van Dijk op het veld.
Onder de leden moeten overigens voldoende
financiële middelen hebben gezeten, maar de club
merkte daar niet veel van. Kijk eens naar de
namen van een elftal dat omstreeks 1920 op de
oostelijke velden opereerde en waarvan de opstelling
bewaard is gebleven. Het bestond uit: J. Schaepman,
F.A.C. Gregory, jhr. J.F. Berg, jhr. H. Hora
Siccama, W. Loos, mr. J.W. Willinge Gratama,
ridder J. Bosch van Rosenthal, jhr. J.G. van Spengler,
W.C. Graaf van Rechteren Limpurg, S.M.S.
Reitsma en J.C. van Reede, de ‘grote kleine Sjakie’,
zoals deze gefortuneerde Zwollenaar werd
genoemd.
Ook de damesafdeling uit die tijd mag niet vergeten
worden. Enkele vooraanstaande speelsters
waren de dames Kloos-Thiebout, baronesse J.J.M,
van Boetzelaer-Royaards, Jentink-van Holthe en
A.E. Eeftinck Schattenkerk-Tjeenk Willink.
Nieuwe generatie
In de jaren twintig begon de glorie van de oude
‘Mixed’, die jarenlang een steunpilaar van het oostelijk
hockey was gweest, te tanen. Vele goede spelers
verlieten de middelbare school, gingen elders
studeren of werden opgeslokt door de handelswereld.
Daarbij liet de aanvoer van jong bloed zeer te
wensen over, zozeer zelfs dat in 1924 het trieste
besluit moest worden genomen het clubleven
Een ZMHC-feest rond
1934 in de gelagkamer
van De Pelikaan. Rechts
(op een stoel) ‘Moeke’
Dijk en de legandarische
kelner-zanger
Beekman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
geheel stil te leggen. Een kleine vijfjaar bestond de
club alleen in naam. Maar als men aan het einde
van de jaren twintig eens bij het weilandje van de
Boschbleek in het Klein Weezenland ging kijken,
kon men daar de eerste levenstekenen van een
nieuwe, minder exclusief aristocratische hockeygeneratie
aanschouwen.
Telgen van de katholieke, kinderrijke familie
Oldenhof en hun yriendjes sloegen met zelf
gemaakte sticks (krom getrokken knuppels) tegen
een hockeybal. Spoedig daarna werd de ZMHC
met succes nieuw leven ingeblazen en werd er
weer druk gehockeyed op de Pelikaan. In een oud
jaarverslag staat: ‘Het terrein is oneffen, de kleedgelegenheid
zeer primitief, maar de mooie ligging
en de gastvrijheid bij Dijk maken veel goed.’
De club ging weer meetellen in het oosten en
bereikte in 1934 opnieuw de eerste klasse. Namen
uit die vooroorlogse jaren: Karel Remmers, Pim
Lankhorst, Jurriaan Tjeenk Willink, Henk Fernhout,
Hein Sluiter, Harry Koedijk, Coen Oosterwijk
en Pieter Potasse. In 1935 kreeg de ZMHC
zowaar een permanent onderkomen, een houten
kleedgebouwtje dat van de voetbalclub Swift was
overgenomen.
Merkwaardig genoeg was in de oorlogsjaren
van een vermindering van het clubleven geen
sprake. Dat had zelfs rechtstreeks met die oorlogsomstandigheden
te maken. Het Centrale Distributiekantoor
werd van Den Haag naar Zwolle verhuisd,
hetgeen een flinke import van goede westelijke
hockeyspelers veroorzaakte. De ZMHC
boekte een record aantal leden en was korte tijd
schier onverslaanbaar op de oostelijke velden.
Rampzalig plan
Na de bevrijding kwam er snel een einde aan deze
bloei en ging de ZMHC een van haar moeilijkste
perioden tegemoet, ondanks heldhaftig verweer
van de toenmalige voorzitter Wim Gepkens en de
jonge wedstrijdsecretaris Theo Föster. Juist in die
tijd zette schrijver dezes als jonge scholier zijn eerste
schreden op het hockeyveld en was dus in de
gelegenheid om de deplorabele toestand waarin
de club buiten haar schuld was komen te verkeren,
uit de eerste hand mee te maken. De gemeente
Zwolle had namelijk een voor de ZMHC rampzalig
plan opgevat om vlak achter de Pelikaan een
crematorium te bouwen. Uit overwegingen van
piëteit moesten de hockeyers van het toneel verdwijnen.
De treurende nabestaanden zouden weieens
geschokt kunnen worden door dravende
vrouwen en mannen met een schaars stukje bloot
been…
Er werd een nieuw onderkomen gevonden: het
Wilhelminaterrein in de Veeralleebuurt, waar de
Zwolse Lawn Tennisbond zojuist een aantal nieuwe
tennisbanen was gaan bespelen. Een even
onvermijdelijke als financieel armlastige stichting
moest zorgen voor de uitvoering van deze plannen.
Het oude hockeykleedhok werd alvast naar
de Veerallee verhuisd om ook de tennissers onderdak
te verschaffen. Op dit Wilhelminapark is in
clubverband nooit één hockeybal geslagen, sterker:
de operatie kostte de ZMHC bijna het leven.
Rond 1948 was er op de Pelikaan niets meer
over dan een paar vermolmde hockeydoelen. De
club kwijnde snel weg. De damesafdeling ging
geheel ter ziele en er kon nog slechts één herenelftal
op de been gebracht worden. Wonder boven
wonder mocht dit dankzij de inbreng van een
handjevol zeer ervaren spelers als Fons Toebosch,
Wim Quirijns, Hein Sluiter, Sjef van der Muur,
Jan Overmars, Frans Oldenhof en de uit Den Haag
afkomstige oud-international Paul van de Rovaart
in de hoogste afdeling uitkomen.
De gerenommeerde gastelftallen troffen in
Zwolle een accomodatie die elke beschrijving tartte.
Of liever: er was helemaal geen accomodatie.
De spelers moesten zich verkleden in de oude veestal
van Dijk, letterlijk tussen de dampende koeien
en in de stank van het persvoer. Wie zich na de
strijd wilde verfrissen was – in hartje winter – aangewezen
op de koperen pomp met houten zwengel
die buiten op het erf van Dijk stond.
Gelukkig ging de verhuizing naar het Wilhelminapark,
waar slechts ruimte voor één veld was,
op de valreep niet door. De gemeente zag haar
plannen voor het crematorium in de ijskast belanden
en de ZMHC kon aan de Pelikaan blijven.
Groei
Rond 1950 tekenden zich de eerste verschijnselen
af van de later zo onstuimige groei. Er verscheen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het hockeyveld aan de
Pelikaan, zoals het er
tot het eind van de jaren
vijftig bij lag. Middenachter
het houten clubhuisje.
Rechts de stal
van de uitspanning die
na de oorlog enige jaren
als kleedgelegenheid
diende.
een wekelijks clubblad dat de sfeer in de vereniging
zeer ten goede kwam, er werd een – overigens
nog bescheiden – houten clubhuis gebouwd en er
kwam een plotselinge toevloed van jeugdige leden.
Spelers als Theo Föster, Willem van der Veen,
Jarig Haasdijk, Wilfred Alberts en Jan de Gruyter
zorgden er in 1953 eerst voor dat de ZMHC in de
eerste klasse terugkeerde en zetten in 1958 de
kroon op hun werk met een oostelijk kampioenschap
en eervolle deelname aan de strijd om de
landstitel.
Het eerste dameselftal promoveerde in 1955
naar de eerste klas en werd het jaar daarop direct
reeds oostelijk kampioen met speelsters als Alette
Huytker, Toos de Jong, de zusjes Eeftinck Schattenkerk,
Elly van der Waarde en Els van Hees.
Sinds die tijd groeide de ZMHC uit tot een
strak geleide, goed geoutilleerde hockeyvereniging.
Zij bracht een aantal internationals en nationale
bestuurders voort, zij introduceerde kunstgras
in Zwolle en zij acteert met tussenpozen op
het hoogste landelijk niveau. Met een ledental uit
een brede laag van de Zwolse bevolking heeft de
ZMHC de oude betiteling ‘club der vrijage van de
goede standen’ ver achter zich gelaten.
SONNET OP DE PELIKAAN
Begraven onder dikke lagen
haastig opgespoten zand
die gestaag de wielen dragen
ligt mijn oude dromenland.
De kroeg mocht niet geweldig heten
met het hobbelig biljart,
laken tot de draad versleten,
en de kachel, roestig zwart.
Maar het was de eerste plek
waar ik vorst’lijk heb gezeten,
klappen op de schouder kreeg
en na zwoegen, rennen, zweten,
van rechtsbuiten tot linksback,
af en toe een wolk besteeg.
WILLEM VAN DER VEEN
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ‘joodse’ straatnamen in Schellerbroek
Wil Cornelissen Bij de herinwijding van de Zwolse synagoge
op 20 september 1989 hield de toenmalige
burgemeester van de stad mr. G. Loopstra
een indrukwekkende rede. Daarin schetste hij het
wel en wee van de Joodse Gemeente van Zwolle
door de eeuwen heen.
Aan het eind van deze redevoering maakte de
heer Loopstra (tegenwoordig voorzitter van de
Stichting Voortbestaan Synagoge) bekend, dat in
Zwolle-Zuid in Schellerbroek een aantal straten
genoemd zou worden naar joodse Zwollenaren,
die het slachtoffer werden van de vervolging.
De zes vernoemden zijn te beschouwen als een
‘vertegenwoordiging’ van al die honderden Zwolse
joden die in de Tweede Wereldoorlog om het
leven zijn gebracht. Deze zes zijn door de gemeente
gekozen uit een aantal dat was voorgedragen
door de Israëlitische gemeenschap. De doorgaande
straat heeft de naam Diasporalaan gekregen,
waarmee de verstrooiing van de joden buiten
Palestina wordt aangeduid.
De straten zijn – van west naar oost – genoemd
naar:
Izak Os
27.12.1870 Zwolle – 9.7.1943 Sobibor
Izak Os, mijn grootvader, op latere leeftijd voor
veel Zwollenaren, ook buiten de familie ‘oom
Izak’, was handelsman. Met zijn vrouw Lea Os-
Spits en hun vijf kinderen heeft hij op vele adressen
gewoond. Op de kaart van het bevolkingsregister
Boven: Gezicht vanaf de brug over de Zandwetering
bij de Bierton in de richting van de stad. Op deze
weilanden verrees de nieuwbouw van de wijk Schellerbroek.
In de verte is links Stork Dieselmotoren te
zien. Rechts van de Peperbus staat het huis van
D. Sluiter, vroeger aan het Schellerpad geadresseerd,
thans Pilotenlaan 64. De foto dateert uit 1972.
Onder: Plattegrond van de wijk Schellerbroek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
staan vermeld: Wilhelminasingel, Diezerstraat,
Spoelstraat, Bitterstraat, Eiland, Jufferenwal, Roggenstraat,
Thorbeckegracht, Deventerstraat, Tuinstraat,
Derk Buismanstraat. Deze reeks straatnamen,
aangevuld met de familieverhalen, geven een
(onvolledig) beeld van de op- en neergang van de
handel. Soms verdiende opa goed, maar soms ging
ook alles verkeerd. Hij staat te boek als ‘koopman
in emaille goederen’ en de potten en pannen kan ik
mij uit m’n jeugd nog wel herinneren. Maar ook in
andere zaken is wel gehandeld als dat zo uitkwam.
Enigszins ongewoon voor iemand in zaken is
het feit, dat Izak Os zich al in een heel vroeg stadium
aansloot bij de SDAP. Bekend is het verhaal
(hij vertelde dat zelf zo graag), dat hij dan wel niet
behoorde bij de twaalf oprichters van de partij –
zij werden spottend de twaalf apostelen genoemd
– ‘maar ik was dan toch zeker de dertiende’. Hij
heeft ook nog een aantal jaren voor SDAP in de
Zwolse gemeenteraad zitting gehad.
Doodziek is hij, samen met zijn vrouw, als een
der laatste joden uit zijn huisje in de Derk Buismanstraat
gehaald.’
David Spanjar
12. 6.1886 Zwolle – 27.11.1943 Auschwitz
Een bekende bakker. Zijn winkel, Praubstraat 1
(ongeveer op de plaats waar nu de VW is gevestigd),
was goed beklant. Vooral op zondagmorgen
stond de zaak vol met joodse en niet-joodse Zwollenaren,
die allemaal vers brood en/of gebak kwamen
kopen.
David Spanjar was een van de joden die bijna
iedere dag naar de ochtenddienst in sjoel gingen, ‘t
Was er nooit erg vol, maar er was wel minjan.2
Spanjar was niet de enige kosjere bakker in
Zwolle. Er waren ook nog de zaken van Andries
Troostwijk en Abraham Wolff.
Hartog Stibbe
2. 6.1886 Zwolle -19.10.1942 Auschwitz
Siegfried Hartog Stibbe was musicus. Hij is lange
tijd concertmeester van het Berlijns Philharmonisch
Orkest geweest. Zijn eerste opleiding kreeg
hij op de Zwolse muziekschool.
In Duitsland liet hij zich Henri noemen.
Omdat hij als klassiek musicus niet dik werd
betaald, leidde hij ook een zigeunerkapel, waarmee
hij ’s avonds laat in restaurants speelde. Als
leider hiervan had hij veel succes.
In de jaren dertig kwarri faij terug naar Nederland.
Hij heeft toen nog een tijdje in de Van Hattumstraat
2a in zijn geboortestad gewoond. Later
is hij naar Amsterdam verhuisd. Vandaar is hij
naar Polen gedeporteerd.
Flora Bilderbeek
2. 8.1883 Zwolle -19. 2.1943 Auschwitz
Eigenlijk Flora Bilderbeek-Denneboom. Zij was Laatste foto van Izak Os
Op heden den iC–^-2—*>>^ <-^ ^-^*-*-»^»--i^w^<^^^— ><^*^-^-* des jaars negentienhonderd negen en dertig, verschen/i voor nrffAmbtenaar van den burgerlijken :Stand der gemeente Zwolle, in het openbaar in het gemeentehuis: Deel van de huwelijksakte van Flora Denneboom en Onder: Hartog Stibbe David Bilderbeek (2/juli 1939) 12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Links: Ter Pelkwijkpark nr. 5, waar Hendrina Broekman haar pianolessen gaf. Foto: W. Cornelissen Rechts: Burgerlijke stand uit de Zwolse Courant van 4.1.1943 een in Zwolle zeer bekende vroedvrouw. Er moeten nog veel Zwollenaren zijn, die door haar op de wereld zijn geholpen. Haar laatst bekende adres was Rodetorenplein 9. Zij is nog in 1939 getrouwd met David Bilderbeek. Hendrina Broekman 9. 4.1889 Zwolle - 3. 9.1943 Auschwitz Hendrina Broekman was pianolerares. Ze woonde eerst in de Kamperstraat op nummer 8, boven de zaak van Olland. Later gaf ze lessen in haar huis Ter Pelkwijkpark nr. 5. Zij was een ongetrouwde, statige, beetje dikke dame 'met prachtig haar'. Haar twee broers hadden een veilinghuis: 'De Witte Roos' op de Melkmarkt op nr. 20. Mirjam van Zwaanenburgh 1.1.1943 Zwolle - 23. 7.1943 Sobibor Mirjam Chaja van Zwaanenburgh was de kleindochter van de laatste opperrabbijn, Samuel Juda Hirsch. Haar ouders waren Nathan van Zwaanenburgh en Jenny Hirsch. Haar vader was secretaris BURGERLIJKE STANTD Ondertrouwd: 4 Jan F. W. Feith, van Rossumstraat 21 en M. de Jong. van Ittersumstraat 51 Getrouwd: 4 Jan B. Flikken en N Talma, Sophiastraat 37. Geboren: 31 Dec Willem Marinus, z. van J. Zwart en E. van Wingerden Hattem — 1 Jan. Mirjam Chaia. d' van N. van Zwaanenburgh en J Hirsch, Schoutenstr 14. — 2 Jan. Rensje, d. van G. Beernink en L Dekker, Gennestraat 15. — Johanna Gerridina. d van D. Heidoorn en J. Bosch. Assendorperdijk 5 — Pieter Christiaan Wilhelm, z. van P. van den Akker en W van der Horst, Molenweg 125. — Marrigie d. van K. Vis en J. Souwman, Vollenhove. — Hendrik je d. van G van het Hul en A Popping. Thomas a Kempisstraat 31. — 3 Jan. Lambertus. z. van K Huisman en A. Grevelink. Lindestraat 75 — Hendrika Maria Francisca. d van A. Th Overmars en M Visscher, Achterom 140.— Hendrik, z. van M. Riesebosch en J. Withaar, Molenwes 90 — 4 Jan. Maria Agatha Elisabeth. d van J. H Basseijn en van de Zwolse joodse gemeente. Het gezin woonde in de Schoutenstraat op nr. 14, naast de synagoge. Mirjam is een halfjaar oud geworden. Ik heb de stellige indruk dat de Mirjam van Zwaanenburghstraat de enige straat in Nederland is, die naar een baby is vernoemd... Noten 1. Zie ook W. Cornelissen, Izak Os (1870-1943), in: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1992) 47-50. 2. Tien volwassen mannen, een minimum aantal dat aanwezig moet zijn om dienst te kunnen houden. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Johann Carl Röhner (1774-1837) Een muzikant met hartstocht Sinds de laatste restauratie wordt de Zwolse Broerenkerk met enige regelmaat gebruikt voor concertuitvoeringen. Daarmee is een oude traditie in ere hersteld. In het begin van de vorige eeuw kon de burgerij in dezelfde omgeving namelijk kennis maken met 'het alom beroemde Meesterstuk van den grootsten der Toonkunstenaren', Joseph Haydn's 'Schöpfung'. De première vond plaats op 2 december 1803 en had zoveel succes, dat een herhaling volgde in maart 1804.' De leiding berustte bij de Kamper organist en 'muziekdirecteur' Cornelis Berghuijs, die de in 1801 in Amsterdam geïntroduceerde Nederlandstalige versie van Johannes Kinker gebruikte.2 Behalve de dirigent kwam ook een deel van de instrumentalisten (en vocalisten) van buiten Zwolle; het Deventer muziekgezelschap 'Unis par les sons de la musique' had in 1803 natuurlijk niet zonder bedoeling de partituur van Haydn's oratorium aangeschaft.3 Trouwens, ook de enkele jaren eerder overleden Zwolse 'primarius' Johann Gottlieb Nicolai had deze muziek in zijn bezit.4 Naast de Broerenkerk werden ook de Bethlehemse Kerk en de Grote Kerk voor uitvoeringen in grote bezetting gebruikt, terwijl de Nieuwe Concertzaal in de Bloemendalstraat geschikt was Frits David Zeiler Interieur van de Grote Kerk te Zwolle. Houtgravure, gesigneerd W.B., eerste helft 19de eeuw. Provinciaal Overijssels Museum (inv.nr. 1989), Zwolle. Foto: Provinciaal Overijssels museum. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT ir., ''érf/*»"P% de het spoor van zovele musicerende landgenoten en kwam in Nederland terecht (zijn broer Georg Wilhelm zou hem een jaar of tien later volgen). Begin 1797 vinden we hem in dienst van de Bataafse Republiek als 'Musicant by de tweede halve Brigade Infantery', die in Arnhem in garnizoen lag. Daar had hij de 'jongedochter' Anna (ook: Johanna) Maria Bergman leren kennen, die hij op 19 februari 1797 huwde. Zij kregen vier kinderen, van wie Johann Ludwig Moritz (1798) en Carolina Elisabetha (1800) in Arnhem, Friederica Amalia (1803) en Georg Wilhelm (1806) in Zwolle werden geboren. De beide zoons zouden net als hun vader beroepsmuzikant worden.6 Een musicus was in die tijd een generalist. Hij moest niet slechts één instrument beheersen, maar naast het 'klavier' (orgel, clavecimbel en spoedig ook fortepiano) ook tenminste de viool kunnen bespelen, liefst de fluit, daarbij goed kunnen zingen, improviseren en ensemblespelen.7 Muziektheoretische kennis, vaardigheid met directie en enige compositorische gaven strekten tot aanbeveling. Röhner beheerste het allemaal, toen ej9 r££.>?% preoZ
Autograaf van de cantate
‘Het Onweder’ op
tekst van Rhijnvis Feith.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
Eigenhandig geschreven
titelblad van de cantate
‘Het Onweder’, 1806.
Toonkunst-Bibliotheek,
Amsterdam. Foto: F.D.
Zeiler.
voor kamermuziek en vocale muziek, waaronder
opera, van wat bescheidener omvang. Al met al
komt een beeld naar voren van een tamelijk levendig
muziekleven in de Overijsselse hoofdstad kort
na 1800.5 Een man vooral zou er gedurende bijna
twintig jaar zijn stempel op drukken: Johann Carl
Röhner.
Een nieuwe ‘muzijk-directeur’
Johann Carl Röhner werd op 18 juni 1774 geboren
in Coburg als oudste zoon van de boekdrukker
Johann Moritz Röhner en Catharina Johanna
Ostertag. ‘Carl’, zoals zijn roepnaam luidde, volg-
/ur
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hij in 1801 op de vacature-Nicolai solliciteerde, en
zal met hoge verwachtingen in Zwolle zijn binnengehaald.
8
De nieuwe ‘muzijk-directeur’ kon voortbouwen
op de basis, die onder zijn voorganger voor
het Zwolse muziekleven was gelegd. Hoe de contacten
met zijn Kamper collega Berghuijs waren, is
niet bekend, maar de indruk bestaat dat pas na
diens overstap naar Deventer Röhners activiteiten
tot hun volle ontplooiing konden komen. De
Zwolsche Courant maakt begin 1803 voor het eerst
melding daarvan: op 11 januari zou de organist in
de Nieuwe Concertzaal ‘een vocaal en instrumentaal
concert geven, met eigen composities voor
viool, clarinet en pianoforte’. Daarna zou Röhner
vele seizoenen lang niet meer ontbreken, noch in
de reeksen in de concertzaal (waar in 180618 voorstellingen
werden gegeven), noch bij muzikale
manifestaties elders in de stad.9
Dat de lijst na 1810 grote lacunes vertoont, is
vermoedelijk te wijten aan onze bron. We moeten
er trouwens rekening mee houden, dat de vermelding
van musici en te spelen werken lang niet
M ü % IJ K A A L
ZAK-WOORDENBOEK.
V E R K L A R I N G < » BESCHRIJVING) VOCALE IK INSTRUMENTALE TOONKUNST IN O&SltUftt ZIJNDE, KUNSTTERM&N EN INSTRUMENTEN. si an al In jnsx en unpnsmmmt der Hlu/.IJK locgcivyd. D O O R J. C. Ji Ó JJ N £ II, XomipenJtnt dtr ^itrie Kim f* cm è*t Kanttt* tijk Ntd*rlmn4Ctbc tttftituut, Ut»iijh~ Oi' te~ tuur $* Orgfitt it Z&otti. re Z m i 1 E, • v D i m V A M S r È o s i 1, 8 2 o . altijd volledig is, zodat Röhner waarschijnlijk bij veel meer uitvoeringen betrokken is geweest dan we uit de aankondigingen kunnen opmaken. Tot de belangrijkste werken die onder Röhners leiding in Zwolle tot klinken werden gebracht behoorden Haydn's 'Jahreszeiten', vermoedelijk opnieuw in een Nederlandse vertaling, in 1805 in de Bethlehemse kerk, en Mozarts 'Zauberflöte' in 1806 in de Nieuwe Concertzaal. De laatste uitvoering betrof niet de gehele opera, doch wel de 'voornaamste stukken' daaruit. In 1808 waren opnieuw hoogtepunten uit 'De Schepping der Waereld' te horen. Bij dezelfde gelegenheid bespeelde Röhner 'het nieuw uitgevonden instrument het Melodium'. Röhner als componist10 Regelmatig ook kon de Zwolse burgerij kennis nemen van composities van zijn muziekdirecteur zelf. We zagen al, hoe hij in 1803 kamermuziek van eigen hand ten gehore bracht. Begin 1805 volgde de opera 'De Storm of het betooverde eiland', in maart 1807 de cantate 'Het Onweder' op tekst van Rhijnvis Feith (herhaald op 25 juli d.a.v. en in maart 1809), begin 1810 de opera 'Meifort en Clare', eveneens op tekst van Feith, op 1 april 1817 de opera 'Het kleine Duimpje en de Reus Fayel' en op 6 april 1819 de wederom door Feith berijmde cantate 'De verlossing van Nederland'. Gemiddeld eens in de drie jaar leverde Röhner dus een groot vocaal werk af, terwijl hij in dezelfde periode nog een drietal missen moet hebben gecomponeerd (waarvan de nos. 1 en 3 bewaard zijn) alsmede tientallen liederen. De meeste daarvan zijn in druk verschenen bij J.B. Nolting in Amsterdam; het Haags Gemeentemuseum bezit 22 nummers van deze uitgever, met titels als 'A ma lyre', 'Verlangen' en 'Abendlied', het laatste met opdracht aan Georg Wilhelm. Helaas zijn maar weinig werken gedateerd of van een opusnummer voorzien. Dat geldt evenzeer voor de instrumentale werken, met uitzondering van de 'Simphonie a grand orchestre' (in D) opus 3 uit 1802, de 'Musique militaire pour Ie piano' uit 1820 en de 'Potpourri pour flüte principale' uit 1821. Van Rohner's versie van 'Het Onweder' is de autograaf bewaard gebleven, die via het genootschap Felix Meritis bij de Maat- Titelblad van Röhners 'Muzijkaal Zak- Woordenboek', 1820. Particuliere collectie. Foto: F.D. Zeiler. 16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Uit de liederencyclus 'Fanny' van Röhner en Feith, 1808. Toonkunst- Bibliotheek, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. schappij tot Bevordering der Toonkunst terecht is gekomen.'' Opvallend is de dubbele bezetting van een groot aantal instrumentgroepen (waaronder de altviolen) en de vooraanstaande rol van de blazers, die het natuurgeweld in deze half geestelijke, half op een pastorale lijkende cantate zo krachtig mogelijk moeten oproepen. Op de keerzijde van het titelblad heeft Röhner geschreven: 'De inleiding stelt eenen schonen zomerschen dag voor. Dann spoedig zwellen donkere onweerswolken te zamen en bedekken den gezichtseinder. Reeds rollt van verre de donder en van lieverlee nadert het onweer. Bliksems doorkruisen zich, de stormwind huilt en de donder ratelt. Van langzamerhand trekt het onweder over; de Bliksems worden flaauwer, de donder bromt in de verte en de Wind gaat liggen. Vrolijk verheldert zich de hemel en alles gevoelt nieuw leven en juicht van vreugde in de opnieuw bezielde natuur. J.C. Röhner.' (Volgt eenzelfde tekst in het Duits.) tï.* fc. V V HII|JN IS V KITII: v *B?;IH0 cd ! IHH S"S' A X!' I1I,W(!KVj A% ' V . HOÏfXF. tl' il S i" jl irï. R . ' N Ï 01' II KT (ll'.AI' VAX ElM'Allll . SS» A».-/f, .stf,,miam,--:/rhMll/ir *ir.ir m/b, t/7ft.è wmtr een /u.rA 1 fijt „•&**.* vanJ* trim/ Jfn ?*,i£ .. H hlirt Jhtrrtn fiAr.f9Cwftil/ il Met i/e. Htti/ti ü pil *> üicr Je
Uit het feit, dat ‘Het Onweder’ meer dan een
keer is opgevoerd (en in 1827 nogmaals in een
Duitstalige versie in première is gegaan), kunnen
we opmaken dat het werk in de smaak is gevallen.
Het was in elk geval een langer leven beschoren
dan de toonzetting door Röhners voorganger
Nicolai, waarvan we slechts een vermelding over
hebben. Vooral de dichter zal er tevreden mee zijn
geweest. De samenwerking tussen Feith en Röhner
was trouwens over de hele linie hecht en
vruchtbaar. Hierboven noemden we al de opera
‘Meifort en Clare’ uit 1805 en de cantate ‘De verlossing
van Nederland’ uit 1819. Daarnaast dient
nog vermelding de liederencyclus ‘Fanny’, gedrukt
in 1808 te Amsterdam.’2
Het dramatische jaar 1820
Aan waardering zal het Röhner niet hebben ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
broken. ‘Unis’ bijvoorbeeld schafte zijn symfonie
in D al een jaar na verschijning aan, tegelijk met
werken van o.a. Berwald en Fodor.13 Het is een
opgewekt, goed uitgewerkt stuk dat de invloed van
Haydn verraadt zonder tot namaak te vervallen.
Röhners muzikale jargon is in het algemeen trouwens
levenslustig te noemen, zelfs al zijn de
onderwerpen droef-romantisch.14
Wat dat betreft was hij een typische overgangsfiguur
tussen classicisme en romantiek,
waarop ook zijn werken vol storm, onweer en
sprookjesfiguren wijzen. Overigens was de muzikale
uitbeelding van onweer of ‘batailles’ geen typisch
verschijnsel van de romantiek; de orgelvirtuoos
Abt Vogler had in 1786 al eens een demonstratie
daarvan in de Grote Kerk ten beste gegeven.
15
De Belgische musicoloog Gregoir vermeldt in
zijn lexicon uit 186416 drie werken van Röhner: het
populaire lied Corine a Oswald, het in 1820 te
Zwolle uitgegeven ‘Muzijkaal Zak-Woordenboek’
17 en de in hetzelfde jaar ingezonden cantate
‘De verlossing van Nederland’.18 Deze werd door
de jury van het Koninklijk Instituut als volgt
beoordeeld: ‘Dat de klasse den welverdienden lof
aan de samenstelling dezer cantate niet mogt weigeren,
en dezelve alleszins waardig keurde in
tegenwoordigheid van Zyne Majesteit, en hoogst
deszelfs huis te worden uitgevoerd, ofschoon men
misschien niet zonder grond, zou kunnen aanmerken,
dat dezelve met de hedendaagsche kompositien
niet overal gelijken zang houdt, en vooral
verscheidene aria’s in een’ eenigzins verouderden
stijl geschreven zijn, waartoe de woonplaats van
den kunstenaar en de mindere gelegenheid om
goede nieuwe muzijk te hooren welligt aanleiding
geven, dat echter vele stukken die vol vuur en
kracht zijn en waaronder men vooral de meeste
kooren mag rekenen, wanneer zij wel werden uitgevoerd,
de aandacht des kunstenaars op eene
waardige wijze zouden bezighouden, en vaderlandsch
gevoel bij het kunstminnend publiek zouden
opwekken en ontvonken.’ Was getekend:
Fodor, Wilms en De Vos, de eerste twee de meest
vooraanstaande componisten van hun tijd, de
laatste behalve amateurmusicus ook een invloedrijk
criticus te Amsterdam. Behalve lof van de jury
;*3 2. J’k .È. XZ XJ Jt
w^
(//’?/ML (.’./’c/li’+ii/’t
f(‘*c,^c •/. ^ M<*y'Sf£% SSg^5«aft V f o 1, r v o I ' K J Titelblad van Röhners symfonie in D, een van zijn populairste werken, uitgegeven in 1802. Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam. Foto: F.D. Zeiler. 18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Berichten uitdeZwolsche Courant over Röhners muzikale activiteiten: Haydns 'Jahreszeiten' (1805) en de in samenwerking met Feith geschreven cantate 'Het Onweder' (1809) en opera 'Meifort en Clare' (1810). Gemeentearchief Zwolle. Foto's: T. Rudolphij. verwierf Röhner met dit werk ook een koninklijke onderscheiding in de orde van de Nederlandse Leeuw en het correspondentschap van het Koninklijk Instituut. Deze nationale bekendheid viel hem ten deel op het moment, dat zijn persoonlijk leven een dramatische wending had genomen. Bij brief van 24 augustus 1820, verzonden vanuit Den Haag, had hij ontslag genomen als stadsmusicus.19 Wat bewoog hem, om een behoorlijk betaalde positie20 in een plaats, waar hij als uitvoerend musicus, componist en pedagoog zeer werd gewaardeerd, zomaar op te geven? Het antwoord is even eenvoudig als menselijk: zijn liefde voor Sophie.21 Anna Sophia Thorbecke was het tweede kind van Jan Everhard Hendrik Thorbecke (1756-1825) en Johanna Geertruyda Ritberg (1758-1805) en als zodanig een nichtje van Johan Rudolf, de latere staatsman. Zij werd geboren op 8 januari 1785 en was dus bij de komst van Röhner naar Zwolle 16 jaar oud. Waarschijnlijk heeft zij les genomen bij de nieuwe 'muzijk-meester'; van haar muzikale gave getuigt de enige van haar bekende afbeelding, waarop zij in het ouderlijk huis aan de Dijk haar broers en zuster met klavierspel onderhoudt.22 In 1812 wordt zij 'rentenierse' genoemd; zij is dan ongehuwd.23 De relatie tussen Carl en Sophie moet zowel in de stad als in familiekring een schandaal hebben veroorzaakt. Weliswaar past een dergelijke getuigenis van 'Sturm und Drang' in ons beeld van de romantiek, maar in de brave Biedermeiertijd was verbeelding natuurlijk iets heel anders dan de dagelijkse werkelijkheid. De eigentijdse bronnen zijn merkwaardig stil over de zaak en latere geschiedschrijvers, zoals Van Apeldoorn, gaan na een niet erg ter zake doende anecdote maar snel over naar Röhners opvolgers.24 We zullen echter proberen de bij het drama betrokkenen na meer dan anderhalve eeuw enig recht te doen. Vrijplaats Freiburg Na de nodige omzwervingen kwamen Carl en Sophie in het Zuidduitse Freiburg terecht. Daar verwierf de gewezen 'muzijk-directeur' zich een goede positie bij het stadstheater. Vanaf het seizoen 1825-26 was hij 'Kapellmeister' van het theaterorkest, een functie die met enkele onderbrekingen tot 1834-35 werd voortgezet en die in laatstgenoemd jaar werd gecombineerd met die van algemeen muziekdirecteur. Alle toen bekende opera's stonden in Freiburg op het repertoire; Röhner dirigeerde er onder meer Webers 'Freischütz' en Rossini's 'Tancredi' en 'Othello'. Ook voor enig eigen werk was nog plaats. Zo gingen Duitstalige versies van de opera 'De Storm of het J. C, RBHNK&, Jtujj HJyficui en Otftntit, ruift! by' deteb bekend, iu oodet JJDC directie, en «et de tdüfentic *«neen gtoote metltt»LJ«fhehbeM «Ibler,op Dlnürdttdcn 9 de«r dei «»ond> ow 5 naren, in de feihtetUfttfciie Ker*,
?»} wotdeo uitgev*«n htt gtoote eo beroemd» ,G<»;lr/>»< //«• fitt/ttk «in dnjgrooifttD der Toontutficuirtii J HAVDN, j g f , De ewft* Mm» t* ft * 41® ét twetdt u Die plttMM gtMevea (• bef>tcfctn vetvtrtfMi ttehop Moedig
den gfte 4èt mfcWtfi vut s tot o wn de Bahlehtmfche Kctkterf.
•De T# f » É t e fc Wö^ritOiiMiKRöfl*1»
m btkoewn.
B U t N D Ü A K t N 6.
Met Permifit v » d(n Heer BURCEMEtSTEtt
Stad , ui de Orgwht ra MuCe* Dlircteor J. C. 1(
de £el kebbt» op DWvgj4»t den 38 M«>rt ‘f ivondi te
texen uur, ia de poote Kerk •, rnet nüfteurit m d t mmr’
n»UD(te Utfhtbber» té MalMk, n eeacocd b«k«tOtrtar
f«r, «ft te vt#m
HIT ONWEKlJtR’. etiie Gmttlyke Cioiètt vtn den
Heer f>. ftitft, ca moot fco^togenyróide Orftslat opMu.
fiek febricttt. . , ,
Be Eotre vóór dés «rite p^sto ii . ƒ 1 : 4 : 0
Voor de Tweede p)«»u . . , /o : 14 : •
. En voot & D«rle pint» , . . . / o .- » 8 o
De Biilet.ee ïjfo te bfkwnto teo Holte T* J.
*o 00* bjr M Etm<. .... , Die f'!n:zcn icriocn M (Kfprteken, fctratfcn tl d»g iicn »8 Murt '«rtxrtiten» vlo 8 tot 11 uur ft>.. ,
Kerk vetvoefea, iÉttt berttende 3 ftoivtrt dur voor.
De mgtfli ii 0^ * Markt by «e Hoof^rtgr.
NB. |Ut»nt)>ry)2tldeHcet
RoBMER.Mflick Directeur eo Otgttiit ilbici, decei hek
tau EEN G&OüT VOCAL co 1NSTROMENTAL
CONCE&T, Op de Nüuwta Ceaetrizwl te geveo, ia
Bet wei W üe Opera Milferi eo C!m»% v«n tiea Heeic R.
Fiith, eo door tjoveflftooemde o/f MuStk geb)t|t, tal ua.
fAOerd wfltddeeOO- *
Het Entr< voo« Uder Perfooo ia. / r — 4 — De Billetteo 1¥P ft «ekutma, lea bulse v a f. e. aer, «o by dm Ê«t«. Den unvu| u te o u u n ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 19 betooverde eiland' ('Der Sturm') en de cantate 'Het Onweder' ('Das Ungewitter') in 1827 resp. 1828 in het Freiburger Theater in premiere.25 Van verdere compositorische activiteit vernemen we nauwelijks iets, al blijkt uit een brief van Sophie uit 1843 dat er na Carls dood veel 'mooije heerlijke Compositionen' onuitgegeven zijn blijven liggen. 26 Johann Carl Röhner stierf in Freiburg op 24 september 1837 na een slopende ziekte, die hem 14 weken aan het bed gekluisterd had gehouden. In de laatste maanden van zijn leven heeft hij getracht zich met zijn familie te verzoenen. Hoe de verhouding met zijn kinderen was, en of hij met hen nog contact heeft gehad, is niet meer te achterhalen. Dat het niet boterde tussen Sophie en de in Zwolle achtergebleven eerste vrouw van Carl, van wie hij nooit officieel gescheiden is, valt te begrijpen; beiden noemen zich naderhand 'de weduwe Röhner'.27 'Leeft dan die Ahrnemsche nog, gy verstaat my wel, wie ik meene', schrijft Sophie in 1843 aan haar zwager in Deventer. Met deze Georg Wilhelm was een moeizaam hernieuwd contact tot stand gekomen. Naast het familieschandaal moeten ook de botsende karakters van de beide muzikale broers de verhouding hebben vertroebeld. Of was de een jaloers op het onmiskenbaar grotere talent van de ander? In Carls hekeldicht 'Der Bruder' wordt G.W. als egoïst neergezet: 'Doch diese Bruder hegte nicht gleichen Bruder Sinn. Er liebte nur sich Selbsten, Sein Wahlspruch hiess: Gewinn. Leichtsinnig brach er immer was heilig er versprach, kam seinen Worten nimmer so wie er sollte nach.' Desondanks verzekert Sophie haar zwager keer op keer, dat Carl hem zeer was toegenegen: 'Want heeft ooit een Broeder met Liefde aan een Broeder gehangen, dan is 't gewis, myn Dierbare Zalige Röhner...' Zij is ontroostbaar door zijn dood:'... troosteloos laufe ich hin und her, eenzaam en verlaaten, want wy.waren ja een Hart en e e n e Ziel ... ik overleeve zijn Dood niet lange, bald lieber theurer Carl bin ich bey Dir ..." Toch zou zij hem nog meer dan twintig jaar overleven. Ze stierf in Freiburg in 1859. Misschien kunnen we haar en haar talentvolle Röhner na al die jaren toch de eer bewijzen die hen toekomt, en uit 'die mooije heerlijke Compositionen' weer eens iets in Zwolle tot klinken brengen. Noten 1. Zwolsche Courant, 26 november 1803 en 17 maart 1804. Vgl. Th.M. van Mierlo en J.C. Streng, 'Kerk en klooster na de hervorming', in: A.J. Gevers en A.J. Mensema (red.), De Broerenkerk te Zwolle (Zwolle 1989) 37-76, i.h.b. 53. 2. Johannes Kinker (Nieuwer-Amstel 1764 - Amsterdam 1845) was dichter, taalkundige en filosoof; in de laatste hoedanigheid een tegenstander van de opvattingen van Rhijnvis Feith. Cornelis Berghuijs (Kampen 1762 - Alkmaar 1816) was werkzaam in Apeldoorn, IJsselstein, Kampen, Deventer en Alkmaar. Over hem: F.D. Zeiler, 'Cornelis Berghuijs (1762-1816), stadsorganist van Kampen en Deventer', in: J. Folkerts et al., Overijsselse biografieën 2 (Meppel/Amsterdam 1992) 17-20. 3. GA Deventer, Archief'Unis par les sons de la musique' 1, Catalogue van Musicq Werken gehoorende aan dit Musicq-College, jaar 1803. Sophie Thorbecke als ongeveer vijftienjarige aan de piano in het huis op de Dijk. Particuliere collectie. Foto: J.P. de Koning, Gemeentelijke Fo todienst Zwolle. 20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 9 f rfcr<.. Jlncfcnü, Over hem: H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler, 'J.G. Nicolai, stadsmusicus en organist', in: Zwo/s Historisch Tijdschrift^ (1992) 94-104. J.G.A. ten Bokum, Muziek in de IJsselsteden. Beschrijving van het muziekleven in Deventer, Zutphen, Zwolle en Kampen in de 19de en het begin van de 20ste eeuw met bijzondere aandacht voor de familie Brandts Buys. (Utrecht/Antwerpen 1988). F.D. Zeiler, 'Door de klanken der muziek vereend.' Muziekleven in Overijssel 1740-1810. Zwolle, Tentoonstellingsdienst Overijssel 1991. De huwelijksakte is te vinden in GA Arnhem, Retroacta BS 170, Huwelijken 1796-1800. De ondertrouw is geschied op 3 februari, het eerste, tweede en derde gebod zijn van resp. 5,12 en 19 februari 1797. Tegelijk met Carl trad zijn collega Johan Hierschwig, afkomstig uit Wenen, in het huwelijk met de zuster van Anna Maria, Johanna Sabina Bergman. De beide oudste kinderen zijn gedoopt in de Evangelisch Lutherse kerk te Arnhem (GAA Retroacta BS 164, Doopboek 1648-1811, fol. 240 en 243). De verdere genealogische gegevens werden mij ter beschikking gesteld door G.J. Röhner te Utrecht, die tevens inzage verleende in de voor Johann Carl van belang zijnde stukken in het familiearchief. Hiervoor zeg ik hem graag mijn hartelijke dank. 7. Een goed voorbeeld van deze veelzijdigheid vormt de Zwolse amateurmusicus J.C.E. Schlüter, die in !797) overigens zonder succes, solliciteerde naar de betrekking van organist bij de Doopsgezinde gemeente in Almelo. Hij speelde klavier, fluit viool en was voorzanger en hulporganist in de Lutherse kerk in Zwolle. RAO, Arch. Doopsgezinde gemeente Almelo 26. 8. De benoeming door de municipaliteit is van 5 october 1801 (GAZ AAZ01-00109, fol. 561). 9. GA Zwolle, AAZ01-04578 (Patentregister, 1806 blz. 463). Zwolsche Courant, 8 jan. 1803; 5 jan. 1805; 6 apr. 1805; 8 jan. 1806; 26 mrt. 1806; 19 juli 1806; 8 jan. 1807; 18 mrt. 1807; 25 juli 1807; 6 apr. 1808; 28 feb. 1809; 24 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21 SH OVtrA£i.' Dichtbundel van Röhner, 1802, Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle. De tekeningen zijn alle gesigneerd metA. Bergman; zij was Röhners eerste echtgenote. a. Titelblad. b. Gedicht op Röhners eerste symfonie, waarschijnlijk de in 1802 verschenen symfonie in D. c. Een der vele gedichten, gewijd aan de belevenissen aan boord van het marineschip 'Haarlem'. d. Tekeningen van A. Bergman bij het gedicht 'Der gehobene Schatz'. Foto's: F.D. Zeiler. mrt. 1809; 16 jan. 1810; 10 apr. 1810; 28 mrt. 1817; 30 mrt. 1819; 4 en 8 feb. 1820. 10. Zie bijlage: Composities van Johann Carl Röhner. 11. Toonkunst-Bibliotheek Amsterdam T 3959/Ms- Roe-i. 12. De eerste druk van 'Fanny' dateert overigens al van 1787. Persoonlijke mededeling van R. de Bree, Zwolle. 13. Als noot 3. 14. Bij een zeldzame uitvoering van de liederencyclus 'Fanny' in 1974 in Zwolle viel het de toehoorders op, 'dat de tekst zo droevig, maar de muziek zo vrolijk was'. Persoonlijke mededeling van H.J.H. Knoester, Zwolle. 15. GAZ, Resoluties S. en R., 30 dec. 1785. Ten Bokum, 16. 16. GJ. Gregoir, Biographie des artistes-musiciens néerlandais des XVIIIe et XlXe sièdes, et des artistes étrangers, résidents ou ayant résidés en Néerlande a la même époque, (Anvers 1864) 151-152. Het citaat uit het juryrapport van 1820 is uit dit biografisch woordenboek afkomstig. 17. Een exemplaar hiervan bevindt zich in FA Röhner 13. Bij brief van 3 oktober 1819 droeg Röhner de rechten op zijn 'Toonkunst- woordenboek' over op de boekverkoper D. van Stegeren te Zwolle; in 1855 gingen deze weer over op de Erven J.J. Tijl (GAZ BA 026, Archief Tijl, doos 1). 18. De autograaf van dit werk is bewaard gebleven in de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de opvolger van het Koninklijk Instituut. Onder het nummer W 277 bevindt zich zowel een band met partituur (406 bladzijden, 3 delen, 18 'nommers') als een grote bundel partijen. Op een achttal zangpartijen staan de namen van de solisten genoteerd, waaronder Ramaer, Schaapman, Doijer en Helmich. 19. GAZ AAZ02-00053, Resoluties B & W, 16 sept. 1820; GAZ KA017-009, Acten van de Kerkeraad, fol. 396, 20 sept. 1820. 2 2 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Autograaf van de cantate 'De verlossing van Nederland' op tekst van Feith, waarmee Röhner in 1820 een prijs verwierf van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Bibliotheek KNAW, Amsterdam. Foto's: F.D. Zeiler. 20.GAZ KA017-413, Lijst van tractementen van het kerkelijk personeel, 1810. Röhner staat voor f500 op de loonlijst (hij was in 1801 begonnen met f450). Vgl. GAZ AAZ02-00010, Resoluties Gemeenteraad, 134- 135, 12 sept. 1818, waarbij Röhner een extra vergoeding krijgt toegezegd voor het stemmen en spelen ter gelegenheid van het uitdelen van prijzen aan de leerlingen van de Latijnse school. 21. Biografische gegevens uit: GAZ, fiches op achternamen 1800-1899; FA Röhner; Genealogie Thorbecke. Nederlands Patriciaat. Genealogieën van bekende geslachtenjo (1986), 340-367. 22. De kinderen Thorbecke in het huis aan de Dijk, ca. 1800 (de gebruikelijke datering, ca. 1810, is gezien de leeftijd van de kinderen onwaarschijnlijk). Afgebeeld zijn v.l.n.r. Sophie, Lubbertus, Friedrich Wilhelm, Franz Heinrich en Katharine. Part. coll., kopie aanwezig in GAZ, neg.nr. 72RO38.D. 23. GAZ AAZ01-06039, Register van alle huizen, 1812, fol. 133-134. Röhner wordt hierin op fol. 42-43 vermeld, inwonend bij horlogemaker Frederik de Haen in de Waterstraat. 24. J.C. van Apeldoorn, Het orgel in de Groote- of St. Michielskerk te Zwolle (Zwolle 1896) 28. Vgl. ook noot 17. De Zwolsche Courant maakt van het ontslag geen melding. 25. W. Schlang & O. Ritter von Maurer, Das Freiburger Theater (Freiburg 1910) 41,53,119-120. 26. FA Röhner 34, Brief van J.C. aan G.W. Röhner, 1837. Ibid. 35, Afscheidsgedicht 'Der Bruder', 1837. Ibid. 36, Brieven van A.S. Thorbecke aan G.W. Röhner, 1838,1842-43. Stadtarchiv Freiburg, Bestand Hinterlassenschaftsakten H 2762. 27. GAZ Overlijdensakten 1846 no. 479, 30 nov. 1846: Johanna Maria Bergman, oud 71 jaar, geboren te Arnhem, dochter van Johan Lodewijk Bergman en Johanna Elisabeth Franken, zonder beroep, weduwe van Karel Röhner, overleden 26 nov. te 22.30 uur in de Papenstraat te Zwolle. Het bestand echtscheidings- procedures 1813-1838 uit het archief der Rechtbank van eersten aanleg te Zwolle (RAO, inv.nr. 79) bevat geen materiaal over een eventueel door haar of Röhner begonnen procedure. Bijlage Composities van Johann Carl Röhner (Coburg 18 juni 1774 - Freiburg 24 september 1837) Instrumentale muziek Het eerste werk aanwezig bij TA en RAU; de overige in GM - Simphonie a grand orchestre (in D) opus 3. Hummel, Berlin / Grand Magasin de Musique, Amsterdam 1802 - Air favori varié pour Ie violon principal avec accompagnement de deux violons, viola et violoncelle. Nolting, Amsterdam z.j. - Caprice et variations pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, alto et basse. Steup, Amsterdam z.j., no. 205 - Musique militaire pour Ie piano; contenant une marche, 3 pas redoubles et une valse. Steup, Amsterdam 1820 - Ouverture a grand orchestre. Simrock, Bonn / Cologne z.j., no. 1514 - Potpourri pour flüte principale avec accompagnement de deux violons, deux hautbois, deux cors, alto et basse. Steup, Amsterdam 1821 - Potpourri pour la flüte avec accompagnement de pianoforte. Steup, Amsterdam z.j. - Sonate pour Ie pianoforte avec accompagnement d'un violon. Nolting, Amsterdam z.j. - Marche pour la flüte de St. Jean (voor piano). Steup, Amsterdam z.j. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Liederen, uitgegeven bijf.B. Nolting te Amsterdam Alle in druk aanwezig in GM; de nrs. 28 en 30 tevens bij TA, de nrs. 33 en 48 in FA Röhner 28 L'Absence uitgave nr. 239 29 L'Attente 240 30 Corine a Oswald 241 31 Mon dernier mot... si! 242 32 La pensee 248 33 Mesadieux 249 35 Un jour dans unegrotte obscure 253 36 Regrets d'une mère sur la mort de son jeune enfant 254 37 Atoi 255 38 Souvenir 256 39 Amalyre 257 40 La malheureuse 258 2 Verlangen 265 (1819) 43 L'amitié 267 44 Le vaucluse 268 45 Que Ie jour me dure 269 46 Les quatres saisons 270 48 L'enseignement mutuel 280 48 Ma philosophie 287 4 Abendlied (tekst van Cramer, opgedragen aan G.W. Röhner) 289 5 Minnesold 290 6 DieErscheinung 291 Liederen, uitgegeven bij anderen Alle aanwezig in GM; 'Fanny' tevens bij TA, UBA en POM - Aan Nederland (volkslied, tekst L. Rietberg). Steup, Amsterdam z.j. - Wiegenlied. Vermaazen, Amsterdam z.j. - Fanny (liederencyclus, tekst Rhijnvis Feith). Allart, Amsterdam 1808 Overige vocale muziek De eerste drie werken aanwezig bij TA; 'Het Onweder' in afschrift in RAO; de cantate 'De verlossing van Nederland' in bibliotheek KNAW; de opera 'Het kleine Duimpje' in UBA; van de overige werken slechts vermeldingen aangetroffen - Het Onweder, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, 1806. In 1827 in Duitstalige versie 'Das Ungewitter' in Freiburg opgevoerd. - Missa no. 1. Handschrift (niet van Röhner) z.j., afkomstig uit de Mozes en Aaronkerk te Amsterdam. - Missa no. 3. Handschrift, 1847, herkomst als no. 1. - De verlossing van Nederland, cantate op tekst van Rhijnvis Feith. Autograaf, ca. 1819. - De Storm of het betooverde eiland. Opera, 1805. Vermeld in ZC; in 1826 in Duitstalige versie 'Der Sturm' in Freiburg opgevoerd. - Meifort en Clare. Opera, tekst Rhijnvis Feith, 1810. Vermeld in ZC. - Het kleine Duimpje en de reus Fayel. Opera op tekst van Hendrik Kraijenstein, 1814. Vermeld in ZC. Diversen Aanwezig in POM, afdeling documenten - Gedichte von Joh. Ca. Röhner. Autograaf, met tekeningen van A. Bergman, Zwolle 1802 Aanwezig in FA Röhner 13 - Muzijkaal Zak-Woordenboek, bevattende eene beknopte verklaring en beschrijving der voornaamste, thans bij de vocale en instrumentale toonkunst in gebruik zijnde, kunsttermen en instrumenten. Dirk van Stegeren, Zwolle 1820. Afkortingen: KNAW Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam TA Toonkunst-Bibliotheek, Amsterdam UBA Universiteitsbibliotheek, Amsterdam GM Haags Gemeentemuseum, Den Haag FA Familie-archief Röhner, Utrecht RAO Rijksarchief Overijssel, Zwolle RAU Rijksarchief in Utrecht, Utrecht POM Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle ZC Zwolsche Courant (aanwezig in Gemeentearchief Zwolle en Rijksarchief in Overijssel, Zwolle) restant bijschrift pagina 22: a. Begin van het eerste koor. c. Partij voor altstem, blijkens het opschrift gezongen door 'juffrouw Ramaer' (mogelijk familie van een in Zwolle woonachtige arts). ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Zwolse fraters/3 Aafje Lem Op deze manier komt de naam voor in een charter van 2 mei 1415: Gherardus Vollenhoe. De geschiedenis van de moderne devotie in Zwolle is ons onder meer in de kroniek van het Zwolse fraterhuis overgeleverd. ' De periode van bijna een eeuw die volgt op de stichting van het Zwolse huis rond 1384, wordt in deze kroniek uitgebreid beschreven, met als leidraad de levensgeschiedenissen (vitae) van de in die tijd in het huis verblijvende fraters. Sommige van deze fraters zijn slechts in een enkele zin of korte paragraaf vertegenwoordigd in de kroniek; andere hebben door hun levenslange toewijding een stempel gedrukt op de geschiedenis van het huis. In de beide voorgaande artikeltjes over de Zwolse fraters 2 is steeds sprake geweest van fraters en andere personen uit die eerste groep: mannen die slechts zijdelings hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het fraterhuis: Tilmannus Honf bijvoorbeeld, die een groot deel van zijn leven niet in het Zwolse, maar in het Harderwijkse fraterhuis heeft doorbracht; Wessel Gansfort, die nooit deel heeft uitgemaakt van het fraterhuis, maar door zijn karakter en levenswijze een stempel heeft gedrukt op de periode waarin hij leefde en de mensen die met hem in contact kwamen. Daarnaast zijn er de fraters uit de tweede groep: zij duiken in allerlei verhalen in de kroniek telkens weer op. Gedurende tientallen jaren verrichtten zij vele functies zowel in als buiten het fraterhuis en hebben zo diens geschiedenis mede bepaald. Een van deze fraters is al eens kort ter sprake geweest, maar zijn leven verdient meer dan een terloopse vermelding. Het gaat om Gerardus (Gheert) van Vollenhoe, die in de ruim 40 jaar dat hij deel uitmaakte van de communiteit, zijn sporen heeft nagelaten. Gerardus bezocht eerst de Zwolse school. Zijn schooltijd moet gevallen zijn aan het begin van de vijftiende eeuw, want toen er in 1415 statuten werden gemaakt voor het fraterhuis, was hij al toegetreden tot de broederschap; uit de stukken blijkt dat hij een van de medebepalers van deze huisregels was.3 Aan het eind van het j

Lees verder