74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
/ * 1 ‘ ». • • ‘ ‘ t ‘ – – ‘ ‘ –
Ansichtkaart Grand Hotel Wientjes
Poststempel november 1936
Zwolle 1 Nov ’36
Lieve Nelly
Wij, Willy en ik, zitten hier op een gepaste wijze
haar verjaardag te vieren met een fijn dinertje!
Wij vonden de photo’s die je gezonden hebt buitengewoon
geslaagd en zullen je daarover en over andere
dingen binnenkort een reuzen-brief schrijven.
Hartelijkste groeten van ons beiden ook aan je
ouders
tt Oom Karel, Willy
Een ansichtkaart uit de jaren dertig van het toen
nieuwe Grand Hotel Wientjes. Hotel Wientjes
werd in 1929 geopend na een zeer grondige verbouwing
en uitbreiding van de villa die voorheen
hier aan de Stationsweg stond. Dit pand was in
1928 door de heer F. Th. Wientjes, sinds 1923 hotelier
in de Voorstraat, aangekocht van Mr. W.H.
Roijer, president van de rechtbank. De oorspronkelijke
villa beslaat het rechter gedeelte van het
hotel, de vier ramen naast de ingang. De rest werd
nieuw aangebouwd. Voor het geheel werd dezelfde
bouwtrant als die van het origineel gehandhaafd.
Hotel Wientjes kende in de loop der jaren
heel wat verbouwingen en uitbreidingen, maar het
front bleef altijd in tact. De grootste uitbreiding
vond plaats in 1979. Achter het hotelgebouw werden
toen 30 kamers en diverse zalen aangebouwd;
qua volume ongeveer net zoveel als het hele voorstuk
besloeg. Drie generaties Wientjes stonden
aan de leiding van het hotel. In februari 1992 verkocht
de laatste van hen, Frans Wientjes junior,
het aan de Bilderberg Groep. Wientjes verliet het:
hotel een paar jaar later waarmee een einde kwam
aan de bemoeienis van de familie met het hotel.
De naam Hotel Wientjes is echter gehandhaafd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
De inhoud van deze aflevering van het Zwols Historisch
Tijdschrift is voor een groot deel geïnspireerd
door de onlangs voltooide bouw van het
nieuwe hoofdkantoor van de Rabobank aan de
Willemskade. Ingrid Wormgoor beschrijft de historie
van deze locatie in Zwolle, Wil Cornelissen
haalt jeugdherinneringen op aan de hier vroeger
gevestigde Raad van Arbeid en de bankhistoricus
Ton de Graaf gaat specifiek in op de geschiedenis
van de Boerenleen- en Raiffeisenbanken, waaruit
de Rabobank ontstond. Zoals u in zijn artikel kunt
lezen, was Zwolle één van de laatste plaatsen waar
deze fusie op lokaal niveau tot stand kwam.
Dit derde nummer van de veertiende aflevering
van het Zwols Historisch Tijdschrift biedt u
echter nog meer: een artikel over meten en wegen
hier te stede in de Middeleeuwen door G.P.M.
Schunselaar en een monografie over de zestiende
eeuwse Zwolse kunstenaar Arent van Bolten. Wim
Huijsmans en Lydie van Dijk schrijven over deze
onbekende tekenaar/ontwerper, zilversmid en
maker van bronzen beeldjes.
Verder de vaste rubriek ‘Groeten uit Zwolle’
met ditmaal een voor Zwollenaren zeer herkenbaar
onderwerp, Grand Hotel Wientjes, de agenda
met daarin opgenomen de nieuwe cyclus van historische
avonden en de tentoonstellingen in het
heropende Stedelijk Museum Zwolle en de mededelingen.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Van rechterswoning tot Rabobank Ingrid Wormgoor
Overpeinzingen bij een bouwput Wil Cornelissen
De Rabobank Zwolle: van bank voor boeren en tuinders
tot algemene bank Ton de Graaf
Meten en wegen in de Middeleeuwen G.P.M. Schunselaar
Arent van Bolten, een maker van monsters
Wim Huijsmans en Lydie van Dijk
Mededelingen
Agenda
Auteurs
74
76
84
86
96
100
103
104
106
Omslag: Het gebouw van de Raad van Arbeid tijdens de veemarkt, ca. 1925. Op
deze plaats staat nu het nieuwe hoofdkantoor van de RA BO bank.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Van rechterswoning tot Rabo-bank
Ingrid Wormgoor
Plattegrond van Zwolle
uit 1846. De Willemsvaart
mondde vlak bij
de Luttekebrug uit in de
stadsgracht (collectie
gemeentarchief Zwolle).
Inleiding
De plaats waar de Rabo-bank haar nieuwe
hoofdkantoor heeft gebouwd, lag lange
tijd buiten de stad en het drukke stadsleven
van Zwolle. Tot ver in de negentiende eeuw
woonde het overgrote deel van de Zwollenaren
namelijk binnen de stadsgrachten. Op een kaart
uit 1846 is dat duidelijk te zien. De bebouwing buiten
de grachten bleef beperkt tot het gebied vlak
buiten de drie stadspoorten.
Wat betreft het gebied buiten de Kamperpoort,
één van die drie stadspoorten, zien we dat
langs de Beestenmarkt (de huidige Harm Smeengekade)
huizen stonden. Datzelfde gold voor de
Hoogstraat. Verder was er enige bebouwing langs
de Pannekoekendijk. Uit een beschrijving die in
het midden van de vorige eeuw gemaakt is, blijkt
dat het er rustig wonen was. Harm Boom, redacteur
van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche
Courant gaf een idyllische beschrijving van
‘de met heerlijke linden beplantte Beestenmarkt,
waarover des namiddags de wandellustige Zwollenaren
zich in bonte groepen naar hun geliefkoosd
Groote Veer (= Katerveer) begeven (…) weldra
stonden wij op den hoek der Beestenmarkt, waar
de buitencingel een aanvang neemt eenige oogenblikken
stil ten einde het heerlijk gezicht daar
volop te genieten.’
In de halve eeuw die volgde op deze beschrijving,
veranderde dit stukje Zwolle grondig. De
Willemsvaart werd verlegd en kwam langs de Willemskade
te liggen. Verder werd de veemarkt vanuit
de binnenstad verplaatst naar de Beestenmarkt.
Tenslotte groeide de bevolking van Zwolle
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
sterk en gingen steeds meer mensen buiten de
stadsgrachten wonen. De meer welgestelde Zwollenaren
lieten herenhuizen bouwen langs de
belangrijke invalswegen van de stad. Zo dateren
de huizen aan het Groot Wezenland en bij het
kerkbrugje uit de periode rond 1880. Aan de andere
kant van de stad liet de rechter mr. P.J.G. van
Diggelen in 1880 een huis bouwen aan de Willemskade
1. Dit pand bleef bestaan totdat het in
1995 werd afgebroken om plaats te maken voor het
hoofdkantoor van de Rabo-bank.
Voordat de lotgevallen van dit pand aan de
orde komen, wordt hier eerst iets verteld over de
veranderingen in de omgeving van het huis.
Willemsvaart
Toen in 1819 de Willemsvaart officieel in gebruik
genomen werd, was dat voor Zwolle een heuglijk
moment. Na eeuwenlang plannenmaken, kreeg de
stad eindelijk haar langgewenste verbinding met
de IJssel. De Willemsvaart liep in die tijd vanaf de
Veerallee langs het tegenwoordige park Eekhout.
Vlakbij het Luttekeveer, waar nu de Nieuwe
Havenbrug ligt, mondde hij schuin uit in de stadsgracht.
Omdat de scheepvaart door deze nieuwe
verbinding sterk toenam, werd in 1836 de Nieuwe
Haven ingericht.
Het kanaal bleek al snel te klein voor de steeds
groter wordende schepen. In 1872 werd daarom
besloten de Willemsvaart te verdiepen en op sommige
plaatsen te verbreden om het geschikt te
maken voor die grotere schepen. De bocht die de
schepen moesten maken om vanuit de Willemsvaart
in de stadsgracht te komen, bleek echter een
onoverkomelijke hinderpaal; de grote schepen
konden de draai niet maken. Verlegging van de
Willemsvaart was onvermijdelijk.
Het gedeelte van de vaart dat langs park Eekhout
liep, werd gedempt. Langs de huidige Willemskade
werd een nieuw stuk gegraven, dat via
een flauwe bocht uitmondde in de stadsgracht.
(Tegenwoordig is hier het parkeerdek Emmawijk
te vinden.) Het hele karwei, inclusief de bouwvan
een nieuwe keersluis en de demping van de oude
arm was gereed in 1878. Op 18 november van dat
jaar vond de officiële opening van het nieuwe
gedeelte plaats.
Veemarkt
Een tweede grote verandering die halverwege de
negentiende eeuw plaatsvond was de verplaatsing
van de veemarkt vanuit de binnenstad naar de
Beestenmarkt. Verplaatsing was noodzakelijk
omdat de groeiende aanvoer van vee te veel problemen
opleverde in het centrum.
Omdat de aanvoer van vee gedurende de hele
negentiende eeuw bleef toenemen, ontstonden
ook op de nieuwe lokatie moeilijkheden. De
Kamer van Koophandel en Fabrieken klaagde in
1872 over de geringe omvang en ongunstige
inrichting van de veemarkt. De gemeenteraad zag
het probleem, maar wilde geen definitief besluit
nemen, voordat de nieuwe verbinding tussen de
Willemsvaart en de stadsgracht gerealiseerd was.
De raad vond dat het voor die tijd niet goed mogelijk
was te beoordelen of de veemarkt op de Beestenmarkt
kon blijven en welke veranderingen
nodig waren.
Inderdaad diende de gemeentearchitect in
1878 een plan in om de veemarkt te verbeteren.
Dat plan werd in de loop van 1880 – nadat de
Bouwtekening uit 1966.
De gevel van het pand
Willemskade 1 werd
vernieuwd en het naastgelegen
pand werd vervangen
door nieuwbouw
(collectie gemeente
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plattegrond van Zwolle.
De Willemsvaart is verlegd
en loopt langs de
Willemskade (gemeentea
rch ief Zwolle).
Vanuit het huis van
Van Diggelen had men
een fraai uitzicht op de
stadsgracht.
gemeenteraad de nodige wijzigingen had aangebracht
– uitgevoerd. Het terrein van de veemarkt
werd opnieuw ingericht en voorzien van oplopende
staanplaatsen voor het vee met brede gangpaden
tussen de staanplaatsen. De kosten van de verbetering
bedroegen met inbegrip van het ophogen
en bestraten van het plein ƒ 8612,925.
Voor de omwonenden, waaronder veel veehandelaren
en logement-, bierhuis- en koffiehuishouders,
was dit een gunstige ontwikkeling. Er
,
was namelijk ook sprake geweest van verplaatsing
van de veemarkt. Dat plan kreeg geen steun van de
omwonenden en ook niet van de gemeenteraad.
Volgens het raadslid Van Rees zou een nieuwe
veemarkt alleen mogelijk zijn buiten de stad en
‘dit zal onze ingezetenen zeker niet ten voordeel
zijn, wijl de marktbezoekers dan buiten de stad
blijven.’ Bovendien waren de kosten voor verbetering
van de bestaande markt lager dan voor verplaatsing.
‘
Niet lang nadat de verbeteringen waren aangebracht,
was de markt al weer te klein. Geen wonder,
wanneer bedacht wordt dat in 1882 ruim
35.000 runderen werden aangevoerd en in 1888
bijna 50.000. Toen zich in 1903 de mogelijkheid
aandiende een stuk grond met bebouwing te
kopen vlak naast de bestaande veemarkt, aarzelde
de gemeenteraad dan ook niet lang. Zonder veel
discussie besloot de raad de percelen van wijlen
hotelhouder B. Vierdag, gelegen aan de Beestenmarkt,
aan te kopen. Het was de bedoeling de
gebouwen af te breken en de open ruimte te
gebruiken voor uitbreiding van de veemarkt.2
Het college van Burgemeester en Wethouders
was een groot voorstander van uitbreiding,
omdat, zoals het college stelde: ‘Nu het eindelijk
tot de zoolang gewenschte vergrooting der veemarkt
komen zal, meent zij dat nu ook zooveel
mogelijk in eens een zoodanige verandering tot
stand moet komen, dat niet alleen voor de thans
bestaande behoeften de nieuwe ruimte voldoende
mag heeten, maar dat ook door de nieuwe inrichting
der markt een zoodanige attractie op den
handel uitgeoefend wordt, dat een drukker bezoek
van de Zwolsche markt het gevolg is.’3 Het college
wilde dus niet alleen de bestaande problemen
oplossen, maar ook de mogelijkheid voor uitbreiding
van de veemarkt openhouden.
De meeste gemeenteraadsleden vonden dat
niet nodig. Zij vonden een geringe uitbreiding van
de veemarkt voldoende. Bovendien wilden zij het
hotel niet afbreken, omdat: dat gebouw een flinke
huur kon opbrengen. Uiteindelijk werd besloten
een klein deel van de bebouwing af te breken en de
veemarkt in beperkte mate uit te breiden.
Hierdoor bleef het behelpen totdat in 1928
besloten werd de veemarkt, en tegelijk de varkensZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
markt, schapenmarkt en de paardenmarkt (die
plaatsvonden op de Pannekoekendijk, de Thomas
a Kempisstraat en de Brink) te verplaatsen naar
een terrein tussen de Emmastraat en de Hoogstraat.
Ondanks een groot aantal protesten van de
middenstandsvereniging, de bakkers- en slagersvereniging
en de diverse koffiehuis- en logementhouders
– die vreesden voor hun broodwinning –
ging de verplaatsing door. Op 1 mei 1931 werd het
nieuwe terrein in gebruik genomen.
De naam Beestenmarkt was vanaf die tijd niet
langer toepasselijk. De gemeenteraad besloot
daarom in 1938 de naam te veranderen in Harm
Smeengekade.
Bewoners
In hetzelfde jaar waarin de veemarkt voor het eerst
aanzienlijk verbeterd werd, 1880, kocht mr. P.J.G.
van Diggelen grond met de bebouwing aan de
IJselstraat van de fabrikant Joost Pieter Tobias.
Tobias, die in een gedeelte van de toen bestaande
bebouwing woonde, vertrok in juni 1880 naar
Zwollerkerspel.
Kort daarop verzocht Van Diggelen aan het
college van B&W of hij het door hem gekochte
perceel mocht verbouwen. Hij wilde een gedeelte
van de bestaande gebouwen – namelijk drie kleine
woningen – afbreken en deze vervangen door een
herenhuis van twee verdiepingen. De benedenverdieping
van het nieuw te bouwen herenhuis
zou ‘in verband met de bestaanblijvende lokaliteiten’
(het huis waar Tobias had gewoond) worden
gebracht.
Na verkregen toestemming en de benodigde
bouwwerkzaamheden, verhuisde Van Diggelen
met zijn gezin vanuit de Schoutenstraat naar de
Willemskadei.
Pieter Johannes Gesienus van Diggelen was op
24 oktober 1837 in Zwolle geboren. Hij studeerde
rechtsgeleerdheid in Utrecht en promoveerde in
1861. In 1869 kwam hij vanuit Winschoten naar
Zwolle waar hij als substituut-officier ging werken.
In 1876 werd hij tot rechter aan de arrondissementsrechtbank
benoemd en in 1894 kreeg hij een
aanstelling als vice-president. In 1906 vroeg hij
eervol ontslag aan ‘wegens herhaaldelijk voorkomende
ongesteldheid, die hem belette zijn werk
verder naar eisch te vervullen.’4 Hij overleed in
mei 1907.
Zijn eerste vrouw, Catharina Alexandrina Verloren,
was op 21 juli 1881 overleden. Zijn (enige)
zoon Bernard Pieter Gesienus werd in 1866 geboren.
Zijn tweede vrouw, Petronella Henriette
Conradina Engelenberg, overleed op 7 mei 1906.
De liberale Van Diggelen bekleedde diverse
politieke functies. Zo was hij van 1879 tot aan zijn
dood lid van de Staten van Overijssel. Verder was
hij van 1886 tot 1888 lid van de Tweede Kamer.
Tenslotte was hij van 1876 tot 1897 raadslid van de
gemeente Zwolle. Verder was Van Diggelen tussen
Harm Smeengekade/
Beestenmarkt gezien
vanuit het zuidoosten
circa 1900 (foto:
Gemeen tea rch ief Zwolle,
collectie Waanders).
Harm Smeengekade tijdens
hoog water in
januari 1916. Het huis
van Van Diggelen is
uiterst links nog net te
zien.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Willemsvaart circa
1900.
1879 en 1893 schoolopziener en was hij bestuurslid
van verschillende verenigingen in de stad.
Na het overlijden van Van Diggelen stond het huis
aan de Willemskade leeg totdat de familie Peereboom
er in 1912 kwam wonen. Mr. Pieter Peereboom,
rechter bij de arrondissementsrechtbank,
zijn vrouw Theodora Kutsch Lojenga en hun kinderen
Cornelia Elizabeth en Pieter, verhuisden in
dat jaar vanuit Bolsward naar Zwolle. Nadat het
Rijk hun woning had gekocht als huisvesting voor
de Raad van Arbeid, verhuisden ze naar het Klein
Weezenland(nu Burgemeester Van Roijensingel).
Korte tijd later vertrokken zij naar het buitenland.
Het pand waar de familie Tobias tot 1880 had
gewoond, had als adres Beestenmarkt 24. In 1898
woonde hier de familie Kanstein. Nathan Kanstein,
een onderwijzer, kwam in 1884 vanuit Groningen
naar Zwolle, waar hij opklom tot “hoofd
eener school”. Zijn vrouw, Bertha Cohen, was
evenals Nathan geboren in Groningen. Zij kwam
in 1890 naar Zwolle. In 1897 of 1898 verhuisde de
familie – er waren inmiddels twee kinderen geboren
– vanuit de Voorstraat naar de Beestenmarkt.
Nadat de Raad van Arbeid zich in 1919 in het
naastgelegen pand Willemskade 1 had gevestigd,
woonde Th.H. Boelkens, in het huis aan de Beestenmarkt.
Thijs Hendrik Boelkens, die in 1869 in
Bierum geboren was, kwam in juni 1919 naar
Zwolle, waar hij de functie van voorzitter van de
Raad van Arbeid had gekregen. Nadat hij korte
tijd in de Kamperstraat had gewoond, verhuisde
hij met zijn vrouw en vijf kinderen naar de Beestenmarkt.
De familie woonde er tot 1940, toen het
pand als kantoorruimte in gebruik genomen werd
door de Raad van Arbeid.
Raad van Arbeid
De Raden van Arbeid zijn in 1919 ingesteld tijdens
het kabinet Ruys de Beerenbrouck. Het waren
regionaal georganiseerde instellingen, die moesten
zorgen voor de uitvoering van de arbeidswetgeving.
Het bestuur ervan werd gevormd door
vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers,
onder voorzitterschap van een ambtelijk
voorzitter.
Eerder, vanaf het eind van de negentiende
eeuw, waren langzaam verschillende sociale voorzieningen
ontstaan. De meeste daarvan hadden
een vrijwillig karakter: er bestonden bijvoorbeeld
vrijwillige pensioenverzekeringen, vrijwillige
ongevallenverzekeringen en vrijwillige werkloosheidsverzekeringen.
Minister A.S. Talma vond dat
de diverse sociale verzekeringen een verplicht
karakter dienden te krijgen en dat de belanghebbende
werkgevers en werknemers voor de uitvoering
moesten zorgen. Om verplichte verzekeringen
tot stand te brengen, ontwierp hij een Invaliditeitswet,
een Ziektewet en een Radenwet. Die
Radenwet voorzag in de oprichting van Raden van
Arbeid. In mei 1913 werden deze wetten door de
Staten-Generaal aanvaard.
Het kabinet Cort van der Linden (1913-1918)
schortte de invoering van deze verzekeringswetten
op, omdat de nieuwe regering ze grondig wilde
herzien. Pas na de komst van het kabinet Ruys de
Beerenbrouck (1918-1922) kwam er schot in. Met
uitzondering van de Ziektewet werden Talma’s
wetten met spoed ingevoerd, waardoor de Raden
van Arbeid vanaf 1919 functioneren.
De Zwolse Raad vond eerst korte tijd onderdak in
het Odeon, maar verhuisde al snel naar de Willemskade,
waar het Rijk het huis van mr. PeereZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
boom had aangekocht. Behalve voorzitter Th. H.
Boelkens waren er in het begin zes beambten
werkzaam. Zij hielden zich vooral bezig met de
uitvoering van de Invaliditeitswet. Daarvoor
moest vrijwel de gehele in loondienst werkende
bevolking worden geregistreerd.
Met het in werking treden van de Ongevallenwet
1921, Ziektewet (1930), Kinderbijslagwet en
Ziekenfondsenbesluit (1941), Noodwet Ouderdomsvoorziening
(1947), Algemene Ouderdomswet
(1957) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(1959) breidden de werkzaamheden van de
Raad zich gestaag uit. Het aantal personeelsleden
liep eveneens op. Zo werkten er in 1949, dertig jaar
na de oprichting 132 mensen bij de Raad.
Voor dat groeiend aantal werknemers werd
omstreeks 1940 de personeelsvereniging ERVEA
opgericht. Leden moesten in de beginperiode een
kwartje per maand betalen. Eén van de eerste activiteiten
was het opvoeren van een toneelstuk,
waarvoor de deelnemers in het kantoorgebouw
repeteerden. Het optreden was zo succesvol dat
toneelspel jarenlang op het programma bleef
staan.
Verder werd jaarlijks een uitstapje georganiseerd,
de zogenaamde ‘Vrolijke Dag.’ Aanvankelijk
ging men met de fiets op pad en namen de
deelnemers hun eigen boterhammen mee.
’s Avonds at men gewoon thuis. Later werden ook
uitstapjes georganiseerd met een bus, en ging men
zelfs naar het buitenland.
Het blad van de personeelsvereniging, ‘In en
om de Raad’ geheten, besteedde uiteraard aandacht
aan de verschillende jubilea. Zo verschenen
bij het veertig- en het vijftigjarig bestaan van de
Raad speciale nummers. In 1969 mijmerde de
toenmalige voorzitter, R. Gosker, over de veranderingen
in de tien voorafgaande jaren. Volgens
hem zou het vijftig-jarig jubileum eigenlijk met
veel tamtam gevierd moeten worden. Immers
vroeger lag het zwaartepunt van de Raad bij de
premieïnning, terwijl het nu vooral ging om de
uitkeringen. ‘Is er wel een instituut in Nederland
te noemen dat zoveel miljoenen om zich strooit?’,
zo vroeg hij zich af. Verder was de sfeer van het
werk veranderd: ‘De gezapigheid van vroeger
maakte plaats voor de nerveusiteit van vandaag.
Wat dat aangaat is er sprake van een wezenlijke
verandering. Ik onderschat daarmede niet de
stress, die er vroeger ook was op de Ongevallenwet,
toen op een bepaalde datum het totaal van de
premieontvangst moest en zou kloppen met het
totaal van de kaarten. En als het klopte werd door
de chef op croquetten getracteerd.’
Met het groeiende aantal personeelsleden kon
ruimtegebrek niet uitblijven. In 1940 werd het
woonhuis van de voorzitter, Beestenmarkt 24, als
kantoorruimte ingericht. In de jaren 1948-1950
werd het pand uitgebreid met twee lokaliteiten en
een archiefkelder. Tevens werd het oude gedeelte
gerestaureerd. Kort daarna kwam een garageruimte
met een bovenwoning voor de conciërge in
de tuin.
Halverwege de jaren zestig, toen er zo’n 150
mensen bij de Raad werkten, werden nieuwe verbouwingsplannen
opgesteld. Onder leiding van de
architect P.A. Lankhorst werd het oude in vervallen
staat verkerende gedeelte (het woonhuis van
Boelkens) afgebroken en geheel opnieuw opgetrokken,
waarbij ruimte voor een kantine werd
geschapen. De gevel van het hoofdgebouw werd
praktisch geheel vernieuwd. Tegelijk kwam er parkeerruimte
en een nieuwe rijwielstalling. In mei
1968 nam burgemeester J.A.F. Roeien de vernieuwde
huisvesting officieel in gebruik.
De ambtenaren van de
Raad van Arbeid gingen
vaak naar de uitspanning
Madrid bij Vilsteren
voor de jaarlijkse
‘Vrolijke dag’ (foto; H.
Wubbolts-Poppe).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Harm Smeengekade tijdens
de veemarkt ca.
1910. Rondom de veemarkt
lagen veel cafés
o.a. het Bierhuis Welgelegen
dat hier te zien is
(foto: gemeentearchief
Zwolle collectie Schaepman).
Drie kamers in het nieuwe gedeelte waren
bestemd voor verhuur. De Nationale Woningraad
nam deze ruimte in gebruik. Toen deze in 1972
vertrok, vond N.O.B. Wegtransport hier onderdak.
Minder dan tien jaar na de verbouwing was er
weer sprake van ruimtegebrek. In 1976 werd een
bouwcommissie geïnstalleerd om het nijpende
tekort aan kantoorruimte in kaart te brengen. Uit
min of meer toevallige contacten bleek toen dat
het G.A.K. voor het districtskantoor te Zwolle aan
uitbreiding dacht. De gemeente had een perceel
grond aan de Zamenhofsingel aangeboden voor
nieuwbouw, maar dat stuk grond was groter dan
het G.A.K. nodig had. Het perceel was zelfs zo
groot dat de Raad van Arbeid zich eveneens aan de
Zamenhofsingel kon vestigen.
De uitwerking van deze plannen nam zoveel
tijd in beslag dat het nodig was de onderverhuur
aan N.O.B. Wegtransport op te zeggen en tijdelijk
een kontainerkantoor in de tuin te plaatsen. Uiteindelijk
was de nieuwe kantoorruimte in januari
1984 gereed en verhuisde de Raad van Arbeid naar
de Zamenhofsingel.
Vormingscentrum De Vijfhoek
Nadat de Raad van Arbeid uit het gebouw vertrokken
was, vond het vormingscentrum De Vijfhoek
er een nieuw onderkomen.5 Zodra de verbouwing
gereed was – er kwamen leslokalen, een kantine,
een grote keuken, een directiekamer en een doka –
en nadat de medewerkers het interieur eigenhandig
geverfd hadden, kon De Vijfhoek in augustus
1984 zijn werkzaamheden voortzetten in de nieuwe
behuizing.
Het nieuwe gebouw betekende een forse ruimtewinst
voor het vormingscentrum, dat zijn naam
ontleende aan zijn oude adres. Het was namelijk
in de binnenstad van Zwolle gevestigd op het
adres Vijfhoek 3. Dit oude gebouw was te klein
geworden. Bovendien moest het pand ontruimd
worden omdat er plannen waren het Gasthuisplein
opnieuw in te richten.
Het vormingswerk is kort na de Tweede
Wereldoorlog ontstaan. Als eerste werd in 1947 in
Maastricht een (rooms katholieke) Mater Amabilisschool
geopend voor werkende meisjes. Het
doel van deze school was om fabrieksmeisjes beter
voor te bereiden op huishouden en moederschap.
Eenjaar later werd een soortgelijke cursus op algemene
grondslag (De Zonnebloem) ingesteld.
Spoedig kwamen er meisjesscholen in meerdere
plaatsen. Het vormingswerk voor jongens begon
in 1954.
Het vormingswerk voor meisjes speelde zich
vanaf de oprichting grotendeels af in huishoudscholen.
Zo ook in Zwolle, waar de Industrie- en
Huishoudschool Jeanne d’Arc, gelegen aan de
Vijfhoek, Mater Amabilis cursussen en bedrijfsjongerencursussen
ging verzorgen. Na verloop
van tijd ontstond hieruit het vormingscentrum De
Vijfhoek als een zelfstandige instelling.
Behalve De Vijfhoek bestonden in de jaren
tachtig in Zwolle ook het Algemeen Vormingscentrum
‘Kreavorm’, het Gereformeerd Vormingscentrum
voor werkende jongeren en het
Christelijk Vormingsinstituut De Ruimte. In die
tijd werd regelmatig overleg gevoerd over samenwerking
en zelfs over fusie. Dat laatste kwam niet
van de grond, mede doordat de instituten op verschillende
godsdienstige grondslag gebaseerd
waren.
Het vormingswerk veranderde in de loop der
tijd van karakter door de invoering van de partiële
leerplicht en door het idee dat de vormingscentra
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
minder geïsoleerd moesten optreden; enerzijds
zochten de vormingscentra toenadering tot het
club- en buurthuiswerk en anderzijds tot het
beroepsbegeleidend onderwijs. Kortom, toen De
Vijfhoek naar de Willemskade verhuisde, was het
vormingswerk volop in beweging.
Vrij snel na de verhuizing kreeg De Vijfhoek te
maken met een nieuw project, Project Randgroepen
genaamd. Later stond dit project bekend als
Sjorz, Stichting Jongeren onderste laag regio
Zwolle.
Het toenmalige ministerie van WVC had voor
verschillende gemeenten, waaronder Zwolle, subsidie
beschikbaar gesteld voor werk onder randgroepjongeren.
Met behulp van dat geld kon de
gemeente Zwolle vanaf mei 1986 een samenwerkingsproject
opzetten, waarbij De Vijfhoek, Stichting
Stad en Welzijn en verschillende hulpverleningsinstellingen
betrokken waren. Doel van dit
project was het verminderen van de achterstand
op allerlei gebieden in bepaalde wijken. In dat
kader werden activiteiten opgezet om scholing,
arbeid, gezondheid en recreatie te bevorderen en
om criminaliteit, alcoholproblemen en schulden
te verminderen. De gemeente zorgde voor de
coördinatie van alle activiteiten en De Vijfhoek
hield zich bezig met het scholingsgedeelte.
In de loop van 1988 vond een reorganisatie
plaats. Er kwam een aparte stichting, Sjorz
genaamd. Kort daarna vormden Sjorz en De Vijfhoek
één gezamenlijk bestuur. In 1988 verhuisde
het project vanuit het gemeentehuis naar de Willemskade,
waar een barak in de tuin geplaatst
werd om de extra werknemers te kunnen huisvesten.
1
Toen het project in 1991 beëindigd werd, en
toen bovendien de basiseducatie – een van de
werkvelden van het vormingscentrum – overging
naar het IJsselcollege, kwam er ruimte in het
gebouw vrij. Zoveel zelfs, dat een gedeelte verhuurd
werd.
In augustus 1994 fuseerde De Vijfhoek met De
Landstede uit Raalte, tot Onderwijsgroep De
Landstede. Het vormingswerk werd daardoor een
afdeling van De Landstede, naast het MDGO,
MEAO, MAO, BBO Kappersopleidingen en Haarstylistencollege.
In 1985, toen het gebouw verkocht
was aan de RABO, verhuisde het vormingswerk
naar de Assendorperdijk, waar ook andere onderdelen
van De Landstede zijn gevestigd.
In het jaar daarna werd het oude pand aan de
Willemskade afgebroken.
Harm Smeengekade
met de huizen van de
families Vos de Wael en
Van Diggelen circa
1885.
Noten
1.
2.
3-
4-
5-
GAZ. Notulen gemeenteraad 29 oktober 1877.
Notulen gemeenteraad d.d. 7 december 1903.
Brief van het college van B&W d.d. 3 juni 1904.
Zwolsche Courant d.d. 14 mei 1907.
Dit gedeelte is gedeeltelijk gebaseerd op een gesprek
met Aukje Thomas en Janny van de Weide op 20
mei 1996. Beide werkten bij De Vijfhoek toen het
vormingscentrum aan de Willemskade gevestigd
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Overpeinzingen bij een bouwput’
Wil Cornelissen
Vader Wouter Cornelissen.
Een grote bouwput… Eigenlijk zijn ze al veel
verder dan een put. Er komt een nieuw
gebouw. Een bank.
Ik heb het, luisteraars, over de Willemskade; daar,
waar tot voor kort het vormingscentrum De Vijfhoek
was gevestigd.
Ik denk bij die plaats echter altijd aan het kantoor
van de Raad van Arbeid, gevestigd op het
adres Willemskade 1. Dat adres heb ik nog even
gecontroleerd in het adresboek van Zwolle uit
1922. Mijn vader staat ook al in dat adresboek.
Achter zijn naam staat keurig zijn beroep: Ambtenaar
Raad van Arbeid. Hij woonde toen op de
Thorbeckegracht op nummer 61a. Daar was hij op
kamers.
1922. Dat was twee jaar voordat mijn ouders
gingen trouwen. Mijn moeder werkte op hetzelfde
kantoor als mijn vader en ze hebben elkaar daar
leren kennen.
Ontelbare malen ben ik – veel later – in dat
gebouw geweest. Als zoon van meneer Cornelissen
mocht ik zo maar naar binnen. De portier
kende me en ik liep door naar mijn vaders kamer.
Daar werkten ook de heren Rudelsheim en Mulder,
Keuter, Veldhuis, Noordhof en mejuffrouw
Zegeling. Haar broer, Asje Zegeling, werkte er
ook. Meneer Boelkens was de voorzitter en die zat
op zijn kamer; vèr verheven boven de rest van het
personeel. Ik geloof dat ik hem maar één keer heb
gezien.
Eén van de jongste ambtenaren was meneer
Poppe. Mijn moeder sprak altijd nog over Japie
Poppe. Dat kwam omdat deze goede man, die
eigenlijk lacob heette, er ooit als vijftienjarige
jongste bediende, gekleed in de korte broek, aan
het werk was gezet. In de familieslagerij in de Diezerstraat
was voor hem geen plaats meer. Mijn
vader en moeder bleven hem altijd, ook veel later
nog, zien als jongste bediende; ook toen Poppe de
vijftig al lang was gepasseerd en ook al lang was
opgeklommen tot een gewaardeerde kracht op dat
kantoor. Meer dan veertig jaar bracht hij door op
één en dezelfde werkplek. Denk daar maar eens
goed over na. Meneer Poppe is vorig jaar (1995) op
hoge leeftijd overleden. Hij was toen 92 jaar.
Met hem kon ik nog over mijn moeder, en
vooral ook over mijn vader praten. Hij was een
van de laatsten met wie dat kon.
Raad van Arbeid. Ach ja… Mijn vader heeft er bijna
dertig jaar gewerkt als hardwerkend, eerzaam
ambtenaar. Hij werkte zeer consciëntieus op de
afdeling rentezegels. Het had iets met de ziektewet
te maken. Ik herinner mij nog levendig de stapels
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
rentekaarten die hij meenam naar huis om er
’s avonds laat nog aan te werken. Overwerk meenemen
naar huis. Blij zijn dat je een baan had.
Overwerk voor kantoor. Onbetaald natuurlijk.
Bijna dertig jaar werkte mijn vader daar dus.
Soms kwam ik hem van kantoor ophalen. Het was
altijd leuk om samen met je vader naar huis te fietsen.
Maar één keer haalde Helen hem op.
Helen was een Amerikaans nichtje dat in Holland
logeerde. Het was in 1938 of 1939. Helen
logeerde een poosje bij ons aan de Vondelkade.
Bloedmooi was ze; uitdagend en een jaar of zeventien.
Ze had roodgeverfde lippen! En dat in Zwolle,
in die jaren! Ik heb nog een foto van haar uit die
tijd. Daarop draagt ze een leren jasje en ze heeft
een baret schuin op ’t hoofd.
Deze Helen haalde dus eens haar oom Wouter,
mijn vader, van kantoor. Ze stond met haar fiets
voor het gebouw op de Willemskade te wachten
tot de werktijd geëindigd was.
De ambtenaren keken door het raam en zagen
haar. Ze konden hun ogen niet van haar afhouden.
Zou ze op één van de collega’s wachten? De
fluistertoon werd sterker en sterker. Alle jonge
kantoorklerken werden er op aangekeken. Niemand
dacht aan de wat oudere, kale, bedachtzame
en zéér serieuze meneer Cornelissen…
Om half zes ging het kantoor uit. Iedereen
bleef dralen, benieuwd wie de uitverkorene zou
zijn. Niemand kon z’n ogen geloven toen Helen,
die mooie fantastische, schitterende Amerikaanse
Helen, mijn vader om de hals vloog, hem kuste en
toen met hem w£gfietste…
Nog dagen daarna gonsde het op de Raad van
Arbeid van de geruchten. Mijn vader bleef daar
stoïcijns onder. Die was druk aan het werk met
zijn rentekaarten en rentezegels van de ziektewet.
Vijftien jaar geleden heb ik Helen in Amerika
bezocht. Ze wist nog dat ze in Zwolle had gelogeerd,
maar van de opwinding die ze op de Zwolse
Willemskade, in het gebouw van de Raad van
Arbeid had veroorzaakt, kon ze zich begrijpelijkerwijs
niets herinneren. Maar ik zag wel dat ze
veertig jaar later nog steeds een mooie vrouw was
en ik kon me de opwinding van de collega’s van
mijn vader goed voorstellen.
De Amerikaanse Helen
Cornelissen.
De Raad van Arbeid op de Willemskade.
Alleen in mijn herinnering staat dat gebouw er
nog. Als ik mijn ogen open doe is het verdwenen.
Net zoals meneer Poppe, meneer Rudelsheim,
meneer Veldhuis, juffrouw Zegeling, voorzitter
Boelkens en de mooie wachtende Helen…
Deze column is op 7 september 1996 uitgesproken
voor radio Zwolle.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Rabobank Zwolle: van bank voor
boeren en tuinders tot algemene bank
Ton dé Graaf
Rabobank Zwolle, Willemskade;
1997 (foto
Rabobank Zwolle).
De verhuizing in augustus 1997 van het
hoofdkantoor van de Rabobank Zwolle is
de aanleiding voor deze bijdrage over de
geschiedenis van de Rabobank Zwolle. Het artikel
wil een eerste aanzet geven voor een geschiedenis
van deze instelling. Het pretendeert geen volledigheid.
De oudste Zwolse banken
Tegenwoordig is het bankenlandschap in Nederland
tamelijk uniform. De grote, landelijk opererende
banken – ABN AMRO, ING en Rabobank –
vind je tegenwoordig in iedere plaats van enige
omvang. Daarnaast zijn in veel plaatsen de opvolgers
van de vroegere Bondsspaarbanken actief; in
West- en Zuidwest-Nederland onder de naam
VSB-Bank en in Noord-, Oost-, Midden- en Zuidoost-
Nederland onder de naam SNS Bank. De
Generale Bank, F. van Lanschot Bankiers en de
regionaal werkende Friesland Bank besluiten deze
reeks. Alle andere in Nederland werkzame banken
zijn of op één bepaald bancair product gericht of
zijn alleen werkzaam voor één bepaalde doelgroep.
Aan het begin van deze eeuw was dit wel
anders. Landelijke banken bestonden niet en iedere
plaats had zijn eigen bankiers en kassiers waar je
voor financiële transacties terecht kon. Een ander
groot verschil met de huidige banken is dat de
instellingen veel hoogdrempeliger waren. BedrijZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ven en welgestelden vormden de exclusieve klantenkring
van de kassiers en bankiers.
In Zwolle was dit niet anders dan in de rest van
het land; toentertijd waren hier vijf grote kassiersbedrijven
actief. In volgorde van oprichting waren
dit de firma A. van Deventer & Zn. (1824) aan de
Sassenstraat 37, Doijer & Kalff (1825) aan de Kamperstraat
18, Van Esch & Co (1845) aan de Melkmarkt
43, Van der Vegte & Van Reede (1864) aan
het Rode Torenplein 11 en Buisman Gratama &
Co (1870) aan het Bethlehemse Kerkplein 48. Deze
vijf bedrijven – ‘de grote vijf – beheersten het
Zwolse bancaire leven. De in deze tijd ook actieve
Spaarbank van het Departement Zwolle der Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen (1818), later
onder de naam Nutsspaarbank werkzaam en
tegenwoordig actief als SNS-Bank, richtte zich
alleen op de kleine spaarders.
Daarnaast verschenen in het eerste kwart van
deze eeuw nog enige nieuwkomers op het toneel.
Zij waren werkzaam voor één specifieke doelgroep
of probeerden binnen te dringen in het bolwerk
van ‘de grote vijf. Tot deze nieuwkomers hoorden,
ook weer naar chronologie van oprichting:
Frowijn & Thiebout (1902), bankier en commissionair
in effecten aan de Luttekestraat 19, de
Spaar- en Voorschotbank ‘Boaz’ voor Zwolle en
Omstreken (1910) aan de Walstraat 6, G. Veenstra
(1911), commissionair in effecten aan de Walstraat
6 en de Zwolsche Middenstands-Credietbank
(1915) aan de Kamperstraat 14, later Melkmarkt
26-28. Van de landelijke banken die na 1911 bezig
waren zich in de provincie met bijkantoren te vestigen,
kunnen worden genoemd: de Bank-Associatie
Wertheim & Gompertz 1834-Credietvereeniging
1853 aan de Nieuwe Haven 7, de Geldersche
Credietvereeniging (1917) aan de Melkmarkt 1-5
en de Nationale Bankvereeniging (1924) aan de
Thorbeckegracht 59.’
De grote vijf kassiersbedrijven Van Deventer &
Zn., Doijer & Kalff, Van Esch & Co, Van der Vegte
& Van Reede en Buisman Gratama & Co verdwenen
alle in de jaren 1918-1925. Van Deventer & Zn.,
Van Esch & Co en Van der Vegte & Van Reede
gingen alle drie in de jaren 1923-1925 in liquidatie,
veroorzaakt door te grote kredietverlening. De firma
Doijer & Kalff was in 1918 met grote inbreng
van de Amsterdamsche Bank omgezet in een
naamloze vennootschap onder de naam Bank van
Doijer & Kalff. In 1950 verdween deze bank van
het toneel; in het bankgebouw aan de Burgemeester
Van Roijensingel opende de Amsterdamsche
Bank een bijkantoor. Het bedrijf van Buisman
Gratama & Co werd in deze crisisjaren gereorganiseerd,
maar kon het ondanks de steun van De
Twentsche Bank en De Nederlandsche Bank niet
bolwerken. De bank ging begin 1925 in liquidatie
waarbij het gezonde deel van het bedrijf werd
voortgezet als bijkantoor van De Twentsche
Bank.2
Een bijzondere positie werd in Zwolle ingenomen
door het agentschap van De Nederlandsche
Bank aan de Koestraat 24. Dit agentschap werd in
november 1864 geopend en speelde een essentiële
rol bij de kredietverlening, door de disconteringsmogelijkheid
die werd geboden voor de plaatselijke
kassiers. In januari 1986 werden de agentschappen
Zwolle en Meppel samengevoegd en verplaatst
naar Hoogeveen.
De banken die hier tot nu toe niet genoemdzijn,
vormen het eigenlijke onderwerp van dit artikel.
Dat zijn de twee voorgangers van de Rabobank,
de Coöperatieve Boerenleenbank ‘Zwolle’
uit 1908 en haar evenknie de Coöperatieve Boerenleenbank
Raiffeisenbank ‘Zwolle en Omstreken’,
opgericht in 1922.
Om duidelijk te maken wat bijzonder is aan de
structuur van de boerenleenbanken moet hier
eerst iets over de voorgeschiedenis en de oprichting
van dit type bank in Nederland worden verteld.
3
De Boerenleenbanken en Raiffeisenbanken
in Nederland
Vanaf het midden van de jaren zestig van de vorige
eeuw ontstonden op het platteland in Duitsland
de eerste landbouwkredietbanken op coöperatieve
basis.4 Zij waren opgericht om te kunnen
voorzien in de financieringsbehoefte van de aangesloten
participanten, in eerste instantie alleen
boeren en tuinders. Evenals de detailhandel
ondervond ook de boerenstand problemen bij het
verkrijgen van kredieten bij de plaatselijke kassiers.
Om dit probleem op te lossen en om in de
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Friedrich Wilhelm
Raiffeisen (1818-1888);
(foto: Jubileumboek
Boerenleenbank 1948).
eigen financieringsbehoefte te kunnen voorzien,
werd in 1864 in Heddesdorf, in de Duitse Rijnprovincie,
door F.W. Raiffeisen een eigen bank voor
de boeren opgericht. De belangrijkste Raiffeisenbeginselen,
en ook de grootste verschillen met de
andere banken waren:
de lokale banken strekken hun werkzaamheden
slechts over een beperkt (geografisch)
gebied uit;
de bestuurders, die uit de plaatselijke sfeer
komen, genieten in beginsel geen honorering;
de winst wordt niet uitgedeeld, doch aan de
reserve van de bank toegevoegd;
de leden van de plaatselijke kredietcoöperatie
zijn onbeperkt aansprakelijk voor een eventueel
liquidatietekort;
de plaatselijke bank is verantwoordelijk voor
het eigen beheer, doch tevens aangesloten bij
een centrale bank.5
Na korte tijd waren in Duitsland reeds verschillende
banken volgens het Raiffeisen-systeem
opgericht. Oorspronkelijk waren zij uitdrukkelijk
alleen voor boeren en tuinders bedoeld. Zij trokken
gelden aan in de vorm van spaargelden en
deposito’s, en verstrekten aan hun leden kredietmogelijkheden
in diverse vormen, afhankelijk van
de kredietbehoefte.
Voor het boerenbedrijf werden en worden
gewoonlijk drie kredietvormen onderscheiden.
Allereerst het vlottend bedrijfskrediet: dit was
bedoeld voor uitgaven tijdens de productiecyclus,
met een duur van 6 tot 12 maanden. Hiervoor kon
een rekening-courantkrediet worden geopend. De
tweede kredietvorm was vast bedrijfskrediet ten
behoeve van duurzame investeringen met een
duur van 1 tot 3 jaar; in deze kredietbehoefte kon
worden voorzien door voorschotten. De derde
vorm was het grondkrediet voor de aanschaf van
onroerend goed met een looptijd van 10 jaar en
langer; deze kredietbehoefte kon worden gedekt
door de hypothecaire lening.6
De behoefte aan landbouwkredietbanken was
in Nederland niet minder groot dan in Duitsland.
De noodzaak in Nederland werd nog extra
gevoeld door de crisis in de landbouw in de jaren
tachtig van de vorige eeuw. Pas in mei 1896 werd
door de burgemeester van Lonneker, E. Jacobs –
de broer van Aletta, voorvechtster van de vrouwenemancipatie
– de eerste onder deze naam
werkzame landbouwersbank opgericht.7 Spoedig
daarna werden her en der in Nederland soortgelijke
coöperatieve banken opgericht.
Ter versterking van hun structuur bundelden
de plaatselijke banken zich, evenals in Duitsland,
in coöperatieve centrales. Zo werd de Coöperatieve
Centrale Raiffeisenbank te Utrecht in juni 1898
opgericht. Deze omvatte voor het grootste deel de
boerenleenbanken in Nederland die op een algemene
leest waren geschoeid. De andere centrale,
de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank in
Eindhoven werd in december 1898 opgericht. Bij
deze centrale waren de meeste katholieke banken
uit het gehele land aangesloten.8 Beide centrales
namen de overtollige gelden van de aangesloten
banken over om deze rendabel te maken. Verder
voorzagen zij in de extra kredietbehoefte van de
banken. Tegenwoordig verrichten zij ook een
groot deel van het administratieve werk ten
behoeve van het betalingsverkeer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Een jeugdige Norbert
Schmelzer overhandigt
in Zwolle waarschijnlijk
het zoveelduizendste
spaarbankboekje van de
Boerenleenbank, circa
1960 (foto: W.J.G.
Koerhuis).
In de loop der tijd werd de beperking tot uitsluitend
kredietverlening aan boeren opgeheven,
terwijl de banken zich ook in stedelijke gebieden
gingen vestigen. Vanaf de jaren vijftig trad ook
hier de branchevervaging op en gingen de boerenleenbanken
zich bewegen op het terrein van de
financiering van niet agrarische instellingen.
Anderzijds gingen spaarbanken algemene bankdiensten
aanbieden en institutionele beleggers lieten
zich in met middellange kredietverlening aan
het bedrijfsleven. Ook de concentratie van zeer
veel bedrijven in de meest uiteenlopende bedrijfstakken,
zowel in binnen- als buitenland, dwong
het bankwezen tot een optimale bedrijfsomvang.
Dit resulteerde in de grote bankfusies van 1964: de
Amsterdamsche Bank en Rotterdamsche Bank
fuseerden tot Amsterdam-Rotterdam Bank en de
Nederlandsche Handel-Maatschappij en De
Twentsche Bank fuseerden tot Algemene Bank
Nederland. Deze branchevervaging en schaalvergroting
van de financiële operaties, beide bancaire
fusies en de toenemende ontzuiling van de maatschappij
maakten het noodzakelijk dat beide Centrale
Banken in december 1972 fuseerden. Dit
resulteerde tot de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-
Boerenleenbank G.A., later afgekort tot Rabobank
Nederland te Utrecht. Na deze bundeling
van beide centrales was meteen de grootste bank
van Nederland ontstaan.
De belangrijkste taak van Rabobank Nederland
is tegenwoordig, naast een uniforme reclame
en advisering aangaande de te hanteren tarieven,
de controle op de individuele banken in het kader
van de Wet Toezicht Kredietwezen. De plaatselijke
banken hebben echter nog steeds een zeer grote
mate van autonomie.9
De Boerenleenbank en Raiffeisenbank te Zwolle
Eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw
werden in Nederland aan de lopende band boerenleenbanken
volgens het Raiffeisenprincipe
opgericht. In de omgeving van Zwolle was in IJsselmuiden
in 1906 een eigen boerenleenbank
opgericht en het mogelijke succes van deze bank
zal de boeren en tuinders van Zwolle tot oprichting
van hun bank hebben aangezet.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een van de oprichters
van de Zwolse Boerenleenbank,
Hendrik
Zuidberg (1869-1941) en
Beredina Willemina
Jemenschot (met muts)
(1865-1952), te midden
van hun kinderen achter
hun boerderij Willemsvaart
19 in circa
1908 (foto H. Zuidberg).
De initiatiefnemers en oprichters van de Boerenleenbank
in Zwolle waren B. Zuidberg, G.H.
Alferink, H. Zuidberg, J. Dijsselhof, K. Bomhof en
D. Timmerman. Zij waren allen boer of tuinder en
in de gemeente Zwolle woonachtig.’° De bank was
actief in de gemeente Zwolle en in de gemeente
Zwollerkerspel gelegen buurtschappen Spoolde
en Frankhuis. De officiële oprichting van de ‘Boerenleenbank’
te Zwolle vond plaats op 16 februari
1908. Het bestuur maakte gebruik van de conceptstatuten
van de Centrale Bank te Eindhoven. Het
zal dus zeer waarschijnlijk een initiatief van
rooms-katholieke zijde zijn geweest.
De standaardstatuten van Eindhoven werden
echter wel op een aantal punten aan de plaatselijke
omstandigheden aangepast. Het sub-artikel dat
het lidmaatschap van de Boerenbond verplicht
stelde, werd in Zwolle gewijzigd in het lidmaatschap
van de coöperatieve vereniging ‘De Tuinbouw’
te Zwolle. Ook het sub-artikel dat in de
Raad van Toezicht zo mogelijk een geestelijke zou
worden benoemd, werd doorgestreept.
Blijkbaar had men hier geen behoefte aan of
wilde men de mogelijkheid openhouden ook
andersdenkenden als leden aan te kunnen trekken.
Het bestuur, het belangrijkste lichaam van de
bank, bestond uit vijf leden onder voorzitterschap
van een directeur. Het bestuur had, naast de kassier,
de feitelijke leiding over de bank; zij keurden
kredietaanvragen goed of af. De eerste directeur B.
Zuidberg bleef tot aan zijn overlijden in februari
1927 op zijn post. De eerste kassier G.H. Alferink
vervulde zijn functie tot 1912 en werd daarna
opgevolgd door H.J. Brinkhof die in 1921 werd
opgevolgd door G.J. Riesebeek; deze laatste was
nog actief in 1959. Daarnaast werd een uit vijf
leden bestaande Raad van Toezicht benoemd die
op afstand en achteraf het doen en laten van het
bestuur moest beoordelen.
Op de eerste vergadering, op 13 mei 1908, werden
63 leden ingeschreven. Een aantal hiervan vertrok
in 1911 als landverhuizer naar Amerika. Niet
alleen individuele boeren en tuinders konden lid
worden. De coöperatieve Tuinbouwers-vereeniging
‘De Tuinbouw’ trad reeds op de eerste ledenvergadering
toe als lid, in september 1916 gevolgd
door de coöperatieve melkinrichting ‘De Eendracht’
te Zwolle. Het volgende collectieve lid was
‘Het districtsdepot Zwolle en omstreken van de
Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond’ dat in
juli 1920 toetrad tot de Boerenleenbank. Aanvankelijk
had deze instelling zich willen aansluiten bij
de Boerenleenbank te Schelle maar hier werd op
teruggekomen omdat de kassier niet alle dagen de
gehele dag beschikbaar zou zijn. Er werd meteen
een aanvraag ingediend voor een rekening-courantkrediet
van ƒ 50.000,-. Kort daarna werd de
Boerenleenbank Schelle waarschijnlijk door de
Boerenleenbank Zwolle overgenomen.
Wat de oorzaak van de oprichting van de Coöperatieve
Boerenleenbank-Raiffeisenbank ‘Zwolle
en Omstreken’ op 20 februari 1922 is geweest, is
niet geheel duidelijk.” Deze bank sloot zich aan
bij de Centrale Bank in Utrecht. Een mogelijke
oorzaak van deze afsplitsing of scheuring in Zwolle
kan zijn dat de Centrale Bank te Eindhoven een
groot rekening-courant krediet voor een (nieuw)
lid niet wilde toestaan. De lokale banken waren
verplicht om voor kredieten boven een bepaalde
omvang toestemming van de Centrale Bank te
vragen. Toen bleek dat de Centrale Bank in
Utrecht geen probleem met dit krediet zou hebben,
werd besloten om een nieuwe bank in Zwolle
op te richten. Deze werd vervolgens lid van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Centrale Bank te Utrecht. Waarschijnlijk hebben
ook andere oorzaken bij deze scheuring een rol
gespeeld.
Of de oprichting van de Coöperatieve Landbouwbank
en Handelsvereeniging ‘Zwollerkerspel’
te Zwolle, opgericht vóór 1917, ook aan een
geweigerd krediet is toe te schrijven of de mogelijke
beperking van de Boerenleenbank tot het
gebied van de gemeente Zwolle en dus niet Zwollerkerspel,
is niet duidelijk. De naam van de bank
laat zien dat men zich niet beperkte tot financiële
activiteiten. Het was tevens een coöperatieve aanen
verkoopvereniging voor de aangesloten leden.
De Landbouwersbank was aanvankelijk gevestigd
aan de Holtenbroekerdijk 14 en later aan de Schuttevaerkade
1. Circa 1980 werd de bank overgenomen
door de Raiffeisenbank.
In de beginperiode van beide banken beschikte
men niet over een eigen bankgebouw. In de
woning van de kassier was een aparte ruimte
geschikt gemaakt; hier konden de spaarders en
kredietvragers een paar avonden in de week
terecht. Ook het bestuur van de bank vergaderde
bij de kassier thuis; hiervoor ontving hij een
bepaalde vergoeding in verband met stookkosten
en dergelijke. In de notulen uit de beginjaren van
de Boerenleenbank is te lezen dat de kassier verzocht
werd bij een volgende vergadering de kachel
hoger te stoken omdat de bestuursleden bij de
laatste vergadering ijselijke kou hadden geleden.
In deze vergaderingen werd breedvoerig over kredietaanvragen
gedelibereerd. De bestuursleden
woonden in Zwolle – één van de kenmerken van
de boerenleenbanken – en zij waren zodoende in
staat om iemands persoonlijke situatie goed te
toetsen. Dat de vergaderingen hierdoor soms uren
duurden, zal geen verbazing wekken. Om voldoende
bestuursleden voor de wekelijkse vergadering
te trekken, werd een presentiegeld van ƒ 1,-
per bestuurslid uitgekeerd. In deze jaren was iedere
kredietverkrijger verplicht om lid van de plaatselijke
bank te worden. De leden droegen namelijk
gezamenlijk het risico van verliezen. Hierdoor had
de Boerenleenbank Zwolle op een bepaald
moment ruim 3000 leden. De relatie tussen beide
banken in Zwolle, de Boerenleenbank en de
Raiffeisenbank, was in deze tijd noch goed, noch
slecht; want deze bestond in het geheel niet. Iedere
bank had zijn eigen doelgroep en daar was men
tevreden mee. De verzuilde maatschappij in deze
jaren van het Interbellum zal tot het totaal ontbreken
van contacten het nodige hebben bijgedragen.
Contacten waren er wel met banken van dezelfde
organisatie. Vanaf de oprichting bestond de jaarlijkse
algemene vergadering waar de leden zich
konden laten horen en met elkaar in contact konden
komen. In 1921 voerde de Centrale Raiffeisenbank
de ‘ringen’ in, een soort afdelingen waarin de
banken van een bepaalde streek waren verenigd.’2
De naoorlogse geldsanering bracht voor de
lokale banken een grote toename van de werkzaamheden
met zich mee. Een consequentie was
dat de kassiersfunctie die voorheen naast een
ander hoofdberoep werd uitgeoefend, in een fulltime
functie werd omgezet. Als de activiteiten
groot genoeg waren, dan werden de banken in
eigen bankgebouwen ondergebracht. De diverse
regelingen die via het Ministerie van Landbouw
werden uitgevaardigd of gegarandeerd – zoals bijvoorbeeld
het borgstellingskrediet voor de landbouw
– liepen bijna allemaal via de boerenleenbanken
en hebben zo ook tot de groei van de bank
bijgedragen. Door deze verbreding van het takenpakket
evolueerden de boerenleenbanken tot volwaardige
algemene banken. In 1959 werden de
landbouwkredietbanken voor het eerst opgenomen
in het jaarlijkse Financieel Adresboek; een
blijk dat de emancipatie was geslaagd.
De weg naar één Zwolse Rabobank
Vanaf het midden van de jaren zestig van deze
eeuw ontstond er, zoals reeds vermeld, in het
bankwezen een toenemende branchevervaging.
De Centrale Banken van het landbouwkredietwezen
moesten wel volgen. Inmiddels was men
nader tot elkaar gekomen, deels door de ontzuiling
in Nederland. Na de fusie van de Centrale
Banken Eindhoven en Utrecht in december 1972
tot de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank
te Utrecht, later afgekort tot Rabobank
Nederland, volgde ook op lokaal en regionaal
niveau een golf van fusies en samenbundelingen
van Boerenleen- en Raiffeisenbanken. Vanaf 1965
vond ook de uitbreiding van het kantorennet van
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerenleenbank,
Eekwal 16-1; circa 1970
(foto: W.J.G. Koerhuis).
de lokale banken plaats, door het openen van bijkantoren
in de buitenwijken. Dit werd noodzakelijk
geacht door de opkomst van het retailbanking;
allerlei bancaire diensten zoals lenen, sparen,
hypotheken en reizen werden aan een breed
publiek aangeboden. Ook de toenemende rol van
de bankrekening en het girale betalingsverkeer
dwongen de banken dichter bij de klanten te gaan
zitten. De Boerenleenbank had in deze tijd naast
haar hoofdvestiging aan de Eekwal – vanaf 1971 aan
de Melkmarkt – kantoren geopend aan de Assendorperstraat,
Campherbeeklaan, Gouwe, Nieuwe
Deventerwég, Petuniaplein en Thomas a Kempisstraat.
De Raiffeisenbank opende in deze jaren
naast haar hoofdvestiging aan de Emmawijk, kantoren
aan de Assendorperstraat, Brederodestraat,
Campherbeeklaan, Diezerpoortenplas, Nieuwe
Deventerwég, Obrechtstraat en het Petuniaplein.
Daarnaast hield men in bejaardenhuizen en wijkcentra
wekelijkse zitdagen. In deze tijd was het
nog mogelijk dat de kassier op zijn fiets en een
flinke tas geld de zitdagen langs ging.
De fusiegolf tussen plaatselijke banken die na
de fusie van de Centrale Banken op gang kwam,
bleef in Zwolle uit. In 1967 waren beide Raden van
Bestuur van de Zwolse banken het eens om te
fuseren en zich vervolgens bij de Centrale Bank te
Utrecht aan te sluiten, maar dit leverde een veto
van de Centrale Bank te Eindhoven op. Bij een
fusie zou deze bank onmiddellijk een nieuwe bank
in Zwolle oprichten. Dit zware geschut was voldoende
om de fusie af te blazen. Op dat moment
was de Zwolse Raiffeisenbank anderhalf keer zo
groot als de beoogde fusiepartner.
In de jaren na 1972 fuseerden in de omgeving
van Zwolle wel diverse andere plaatselijke Rabobanken;
de Boerenleenbank-Raiffeisenbank ‘De
Noord-Oostpolder’ en Boerenleenbank Emmeloord
gingen in 1974 samen op in de Rabobank ‘De
Noordoost-polder’. In 1975 fuseerden de banken
van Kampen en Wilsum tot Rabobank IJsselmond.
In Zwolle waren echter te hoge drempels om
snel tot een fusie te kunnen besluiten. Er vond wel
overleg plaats, maar bij de Raiffeisenbank bestonden
toch zwaarwegende motieven om niet tot een
fusie over te gaan. Ook bemoeienis van de Rabobank
Nederland te Utrecht kon hierin geen verandering
brengen. De Boerenleenbank had haar
naam in de jaren zeventig al gewijzigd in Rabobank.
De Raiffeisenbank bleef wel trouw aan haar
oude naam. Dat dit voor het publiek verwarrend
was, zal duidelijk zijn. Ook de vestigingen van beide
banken aan dezelfde straat maakten dit er niet
duidelijker op. Beide banken waren namelijk met
een kantoor gevestigd aan de Assendorperstraat,
de Campherbeeklaan (Berkum), de Nieuwe
Deventerwég (Ittersum), het Petuniaplein (Westenholte),
de Rijnlaan en het Sweelinckplein/
Obrechtstraat. Ook betekende deze vorm van
concurrentie een beduidende extra kostenpost
voor beide banken in de vorm van overlappingen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
in het kantorennet, kosten voor automatisering en
organisatie. Positief voor de organisatie was wel
dat de cliëntenmarkt door beide banken op een
concurrerende manier werd benaderd, waarbij de
banken probeerden met zo gunstig mogelijke condities
relaties binnen te halen. Dat dit mede in het
belang van de klant was, zal ook duidelijk zijn.
Tevens waren de banken door deze assertieve
benaderingswijze in staat om een groter deel van
de Zwolse bancaire markt te veroveren of te
behouden.
In 1991 was de tijd blijkbaar rijp voor een nieuwe
fusiepoging; dit resulteerde in een fusie van
beide banken tot de Coöperatieve Rabobank
‘Zwolle e.o.’ per 1 januari 1992. Op het moment
van de fusie was de Boerenleenbank iets groter
dan de Raiffeisenbank. De samenvoeging van beide
banken had zo lang geduurd dat het waarschijnlijk
een van de laatste fusies op lokaal niveau
is geweest. Na de fusie werd de noodzakelijke
reorganisatie voortvarend aangepakt: kantoren
die op geringe afstand van elkaar lagen, werden
gesloten en dubbelfuncties in de organisaties bij
de hoofdvestigingen konden verdwijnen. Vanaf
1972 hadden beide banken, naar richtlijnen van
Rabobank Nederland, reeds het grote aantal leden
teruggebracht. De grootte van de kredietportefeuille
werd bepalend voor het lidmaatschap, de
medezeggenschap en de medeaansprakelijkheid
voor mogelijke verliezen. Dit laatste was echter in
deze tijd alleen nog maar theorie; de winst die de
bank behaalde werd niet aan de leden uitgekeerd
maar in de reserve gestopt. Bij mogelijke verliezen
werd dus eerst de reserve aangesproken en pas dan
werd een beroep op de leden gedaan.
Op dit moment behoort de Rabobank Zwolle
bij de grootste tien stedelijke Rabobanken van
Nederland. Door de groei van de organisatie voldoet
de huidige hoofdvestiging aan de Melkmarkt
niet meer. Om de klant in Zwolle beter te kunnen
bedienen – één op de twee Zwollenaren is een relatie
van de bank – is in augustus 1997 een groter,
beter geoutilleerd en beter bereikbaar hoofdkantoor
aan de Willemskade betrokken.
Boerenleenbank, Melkmarkt
15;] 972.
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Raiffeisenbank, Emmawijk
11-12; 1974.
Noten
1. Het bedrijf van Frowijn & Thiebout werd in 1930
door de Bank van Doijer & Kalff overgenomen; de
Spaar- en Voorschotbank ‘Boaz’ ging in 1931 onder
de naam ‘Zwolsche en Overijsselsche Bank’, na malversaties
van de directeur, in liquidatie. Het bedrijf
van Veenstra was in 1971 nog actief; de Zwolsche
Middenstands-Credietbank werd via de Nederlandsche
Middenstandsbank de huidige ING Bank;
de Bank-Associatie Wertheim & Gompertz 1834-
Crediet-vereeniging 1853 was via de Incasso-Bank,
Amsterdamsche Bank en Amro Bank een voorganZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
ger van ABN AMRO. De Geldersche Crediet-vereeniging
ging via de Nederlandsche Handel-Maatschappij
en ABN Bank over in ABN AMRO en de
Nationale Bankvereeniging doorliep het pad van
overnames en naamswijzigingen via de Rotterdamsche
Bank-vereeniging, Amro Bank tot ABN
AMRO.
2. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de
ondergang van de Zwolse kassiers in de crisisjaren
1923-1925 zie: T. de Graaf, ‘Geldhandel en bankieren
in Noordwest-Overijssel in de negentiende en twintigste
eeuw’, in: Overijsselse Historische Bijdragen 110
(1995) 117-152; in het bijzonder 142-149.
3. Waar in dit artikel in algemene vorm over boerenleenbanken
wordt gesproken, wordt in alle gevallen
mede de raiffeisenbanken beoogd.
4. Deze inleiding is gebaseerd op De Graaf, ‘Geldhandel
en bankieren in Noordwest-Overijssel, 124-125.
5. F. de Roos en D.C. Renooij, De Algemene banken in
Nederland (Leiden/Antwerpen 1980; 8e, geheel herziene
druk), 20.
6. J.P.B. Jonker, “Welbegrepen eigenbelang; ontstaan
en werkwijze van boerenleenbanken in Noord-Brabant,
1900-1920”, in: Jaarboek voor de geschiedenis
van Bedrijf en Techniek $ (1988) 188-208; aldaar 188.
7. Vreemd genoeg was deze oudste boerenleenbank
van Nederland tot 1952 niet aangesloten bij een centrale
bank. Zie G. Dijkstra en G. Kuitert, De Nijvere
Stad 100 jaar bedrijvigheid in Enschede (Z.p.z.j.);
uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum
van de Coöperatieve Rabobank Enschede BA
op 21 mei 1996; n.
8. Voor het ontstaan van twee Centrale Banken, in
Utrecht en Eindhoven, zie: Joh. de Vries, De Coöperatieve
Raiffeisen- en Boerenleenbanken in Nederland
1948-1973 : van exponent naar component (z.p.1973),
12-13. I’1 de optiek van De Vries is in de herdenkingsboeken
uit 1948 van beide centrale banken teveel
de nadruk gelegd dat het verschil in organisatievorm
de oorzaak is voor het ontstaan van twee
centrale banken. Bij de Centrale Bank in Utrecht
waren lokale banken aangesloten die waren opgericht
overeenkomstig de wet van 1876 op de coöperatieve
verenigingen. De Centrale Bank in Eindhoven
verenigde plaatselijke banken die opgericht waren
als koninklijk goedgekeurde verenigingen overeenkomstig
de wet van 1855. Deze laatste vorm had
in Brabant en Limburg sterke voorkeur omdat deze
oprichting weinig formaliteiten en nauwelijks kosten
met zich meebracht. Een meer waarschijnlijke
verklaring is dat men in het zuiden van het land aan
de boerenleenbanken een rooms-katholiek karakter
wilde geven. Dus een ordening van de banken naar
voorbeeld van de naar confessies geordende landbouworganisaties.
Een derde verklaring die De
Vries geeft is dat eerstgenoemde twee redenen achteraf
zijn bedacht wat ten tijde van de oprichting
van de Centrales niets anders is geweest dan een banale
ruzie tussen de initiatiefnemers over de bezetting
van de functies in het bestuur. Voor de andere
verklaringen zie: Ph.C.M. van Campen, P. Hollenberg
en F. Kriellaars, Landbouw en landbouwcrediet
1898-1948 Vijftig jaar geschiedenis van de Coöperatieve
Centrale Boerenleenbank Eindhoven (z.p.z.j.)
en C. Weststrate e.a., Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid
van het vijftigjarig bestaan der Coöperatieve
Centrale Raiffeisen-bank te Utrecht 1898-1948
(Utrecht 1948).
9. De Roos en Renooij, De algemene banken in Nederland,
20-21.
10. Het navolgende is voor het grootste deel ontleend
aan het ledenregister van de ‘Boerenleenbank’ te
Zwolle, aanwezig in het archief van de Rabobank
Zwolle.
11. De informatie over de geschiedenis van de Boerenleenbank
en Raiffeisenbank te Zwolle is grotendeels
afkomstig van de heren M. Klein, oud-lid van het
Bestuur van de Coöperatieve Boerenleenbank-
Raiffeisenbank ‘Zwolle en Omstreken’, de heer
W.J.G. Koerhuis, oud-directeur van de Coöperatieve
Boerenleenbank Zwolle/Rabobank Zwolle en drs
G. de Blij, huidig directeur van de Coöperatieve Rabobank
‘Zwolle e.o.’ Mijn vriendelijke dank voor
hun bereidwillige medewerking. Deze dank is tevens
van toepassing voor mijn collega Jaap-Jan Mobron
voor het kritisch doornemen van deze tekst.
12. Weststrate, Gedenkboek Raiffeisen-bank Utrecht
1898-1948,161.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meten en wegen in de Middeleeuwen
G.P.M. Schunselaar
Zwols gewicht van oorspronkelijk
elf Zwolse
ponden (52/8,35 gram),
aangegeven met het
getal XI, driemaal voorzien
van het Zwolse
wapen. Geijkt vanaf
1675, in 1820 metriek
gemaakt op vijf Nederlandse
ponden en doorgeijkt
tot 1868; collectie
Oudheidkamer van het
IJkwezen, Delft (foto:
G.P.M. Schunselaar).
Meten en wegen heeft altijd en overal een
grote invloed gehad op het dagelijks
leven. Men wilde weten hoeveel men
kocht of verkocht, waardoor men de prijs van de
waren kon bepalen. De overheid, in de Middeleeuwen
de landsheer en het stadsbestuur, bepaalden
op deze manier ook de accijns. Dit had soms
tot gevolg dat door belastingmaatregelen de
maten en gewichten moesten worden aangepast.
Zoals in 1283 toen bisschop Jan van Nassau Zwolle
het recht schonk om op iedere aam wijn die in de
herbergen werd getapt een take of twee kannen
accijns te innen, omdat Zwolle de bisschop had
geholpen in de strijd tegen de graaf van Holland
bij Harderwijk. De bisschop beval dat een aam
wijn na 1283 in deze stad ten eeuwigen dage uit
eenenveertig taken in plaats van veertig, zoals vóór
dat jaar het geval was, zou bestaan.’
Een opvallend detail is, dat er tot in de vijftiende
eeuw nagenoeg alleen gebruik werd gemaakt
van inhoudsmaten en bijna niet van gewichten.
De verscheidenheid aan inhoudsmaten was groot:
kannen, mengelen, pinten en dergelijke voor de
natte waren; mudden, schepels en koppen voor de
droge waren. Dit waren nog bekende namen,
maar wat te denken van een tall, een getalsmaat
voor vis, en van een voeder, een getalsmaat voor
hout (in Deventer 104 bos of ion stuks) of een
vyme stroes, een maat voor 100 tot 104 bossen of
schoven riet of koren.2
Dat Zwolle toch al vroeg een behoorlijke invloed
had, mag wel blijken uit het gebruik van de Zwolse
maten die vaak bij het vaststellen van de pacht of
jaarrente werden genoemd. Zoals in 1304 in een
geschil over een pacht van acht vaten boter Zwolse
maat tussen Rudolfus, de abt van het klooster Ruinen,
en Utetus, de proost van het klooster Bordengo
in het Haskerland.3 Frappant is ook dat veel
van deze pachten of jaarrenten in de Vechtstreek
tot in het graafschap Bentheim in Zwolse maten
werden afgehandeld.4 Ten zuiden van de Vechtlijn
gebruikte men veelal Deventer maten en gewichten.
Kampen, toch ook een van de drie grote steden
in het Oversticht, maakte in de zestiende eeuw
gebruik van Amsterdamse maten. Deze situatie is
tot de invoering van het metrieke stelsel in 1820 zo
gebleven.
Keurmerken
Omdat de steden eigen maten en gewichten hadden,
moesten deze ook als zodanig herkenbaar
zijn. Zo verordonneerde de stad Zwolle in 1419:
‘Item soe en sal nyemant meten mit maten sij en
sijn gheteykent mitter statteyken van Zwolle, ende
gheyket dat sij recht sijn bij 5 pont [boete], alsoe
vake als sij dat deden.’5 En in 1422: ‘Dat men alle
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
tonnen dair men bier in vercopet yken sal ende die
marken mitter statmerck, ende die solen op dat
mynste groot wesen als hierna bescreven staet: In
’t sal een groter tonne holden ende groot wesen,
dat dair umme in gaan sollen 86 quarten ende 3
pynte vates.




Like ons!