Categorie

Afleveringen

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 4

Door 1996, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
• ft • « . ‘
n i k . . * « • . . ‘ •
m
1 3 E J A A R G A N G I 9 9 6 N U M M E R 4 P R I J S F 9 . 5 0
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Gemeente
“Zwëïïe
archief
Ansichtkaart Voorstraat,
poststempel 4 januari 1904
“L.E.!
Heb vanmiddag heerlijk met Antoon op de ijsbaan
gereden. Jammer datje er niet bij waart.
Vele groten van thuis en ook van Juffr. v/d Ven (die
morgenvroeg omgu. naar Breda gaat terugstoomen)
en v. Holterman, maar vooral van je liefh. G.
De dienstmaagd in no. 60 is weer beter. Groet svp
Allen bij je van mij. Adieu!
U’en allen van mij gegroet, Antoon.”
(Verticaal:) “Kantoor der firma G.J. Schuttelaar &
Co woning van G.J. Sch”
Ee
I en ansichtkaart uit het begin van deze eeuw,
verstuurd tijdens een periode van strenge
/vorst die eind 1903 was ingevallen en zo’n
drie weken zou aanhouden. De Zwolse krant
maakte begin januari 1904 herhaaldelijk melding
van druk ijsvermaak op de grachten en ijsbaan; ijspret
waaraan de afzender van de kaart ook refereert.
Het op de kaart met een pijltje aangegeven
pand, nu Voorstraat 32, der Fa. Schuttelaar, Handelsagent,
is een der weinige gebouwen aan die
kant van de straat dat er tegenwoordig nog staat.
Dit is eveneens het geval met het hoekhuis op de
Luttekestraat, de de rest van de daartussenliggende
gevelwand heeft de laatste veertig jaar plaats
gemaakt voor nieuwbouw. Onder meer Voorstraat
26, dat eind jaren ’50 werd gebouwd als
nieuw onderkomen voor drukkerij Tijl, maar
waar sinds 1969 het Gemeente Archief gehuisvest
is. Op dit toenmalige adres in de Voorstraat, nu
nr. 43, was in 1904 het kantoor en vergaderlokaal
van het Christelijk Werkliedenverbond Patrimonium
gevestigd. Daar was in ieder geval geen sprake
van een inwonende dienstbode. Misschien
werd er een ander adres bedoeld of was het
gewoon een verschrijving.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
Twee uitersten in tijd komen in deze aflevering
samen. Allereerst de Middeleeuwen. I. Wormgoor
beschijft de oudste geschiedenis van het vrouwenklooster
het Oldeconvent dat in de huidige Praubstraat
stond. Opmerkelijk is de toenemende
invloed, niet alleen van de kerk, maar ook van het
stadsbestuur.
De middeleeuwer stelde zich het kwaad voor
in de vorm van geesten en spoken die de mensen
op het verkerde pad wensten te brengen. Ook het
klooster van Windesheim met de vrome moderne
devoten plachten ze te bezoeken. Hoe Thomas a
Kempis met hen afrekenden wordt duidelijk uit
het artikel van F. D. Zeiler.
De gang van de Middeleeuwen naar de moderne
tijd kost in deze aflevering niet meer dan het
omslaan van een pagina. In de negentiende eeuw
hielden andere zaken de mensen bezig dan spoken
en geesten. Waarover Elsje Feith zich zorgen
maakte en waaraan ze plezier beleefde is te lezen in
de bijdrage van J.C. Streng.
Op een wandeling naar de Burgemeester van
Roijensingel leidt DJ. Rouwenhorst de lezer naar
nummer 13. Het is een markante villa waarvan hij
de bijzondere geschiedenis tot het recente verleden
uit de doeken doet.
Waar haalden de Zwolse rechters, notarissen,
advocaten en procureurs in de negentiende eeuw
hun juridische kennis vandaan? Zij waren lid van
de vereniging Themis die tot dat doel een grote
boekencollectie in stand hield. Het trieste lot van
particuliere bibliotheken is dat ze veelal weer uiteenvallen
na het overlijden van de eigenaar. Voor
instellingen geldt dat ook, zoals uit het artikel van
JJ.Heijs blijkt.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
De eerste jaren van het Oldeconvent Ingrid Wormgoor
110
112
Thomas a Kempis verjaagt een spook.
Drie Zwolse wonderverhalen uit de vijftiende eeuw Frits David Zeiler 118
‘Lieve Naatje’ J.C. Streng
In de wandelingen van een villa. De geschiedenis van de villa
aan de Van Roijensingel 13 Derk Jan Rouwenhorst
De ‘boekverzameling’ Themis J.J. Heijs
Literatuur
Mededelingen
Agenda
Auteurs
123
129
135
138
141
142
143
Omslag: Boschwijk geschilderd door de broer van Elsje Feith, de amateurschilder
Louis Rutger. (foto: Stedelijk Museum Zwolle)
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De eerste jaren van het Oldeconvent
Ingrid Wormgoor In de eerste jaren van haar bestaan als stad,
waren er in Zwolle geen kloosters binnen de
stadsmuren gevestigd. Pas in 1309 stichtte Bernardus
van Vollenhove het eerste klooster in de
stad: het Bethlehemklooster. Dit klooster was
bestemd voor mannen.
Het Oldeconvent in de Begijnenstraat – de huidige
Praubstraat – was het eerste Zwolse vrouwenklooster.
Het ontstond in de loop van de veertiende
eeuw. Dit artikel handelt over de eerste jaren
van dit klooster, vanaf het ontstaan tot de hervorming
van de leefregels, die aan het eind van de
veertiende eeuw plaatsvond.
Ontstaan
Over de periode van ontstaan, de organisatie en
oudste geschiedenis van het Oldeconvent is vrijwel
niets bekend. Het eerste bericht dat wijst op
een vorm van religieus leven voor vrouwen, is een
oorkonde uit 1361. Hierin schenken Rolof die
Baerscheerre en zijn vrouw Jutte, geld aan een
aantal kerkelijke instellingen, voor het geval zij
zouden overlijden tijdens hun pelgrimstocht naar
Santiago de Compostella. Onder de begunstigden
zijn de begijnen, die voor het beloofde bedrag
dagelijks moeten bidden voor Rolof.1
Op basis van deze oorkonde kunnen we twee
dingen concluderen. Ten eerste was er slechts één
groep vrouwen in de stad die bekend stond als
begijnen. Ten tweede hadden deze begijnen een
zodanige organisatie dat hun gevraagd kon worden
voor iemand te bidden. Al het overige is
uiterst speculatief.
Wel kunnen we aan de hand van gebeurtenissen
elders, een mogelijkheid opperen over het
ontstaan van het Oldeconvent. Het is bijvoorbeeld
heel goed mogelijk dat deze groep begijnen al lange
tijd bestond. Vanaf het eind van de twaalfde
eeuw waren er namelijk op verschillende plaatsen
in West-Europa vrouwen die een vroom en kuis
leven leidden zonder in een klooster in te treden.
Zij werden aanvankelijk mulieres religiosae ofwel
religieuze vrouwen genoemd; ongeveer vanaf het
jaar 1200 worden deze vrouwen meestal begijnen
genoemd. Omdat zij zich niet hadden aangesloten
bij een van de kerkelijk erkende kloosterorden, en
niet de drie bekende kloostergeloften van armoede,
gehoorzaamheid en zuiverheid aflegden,
waren het geen kloosterlingen.
Sommige van deze vrouwen woonden bij hun
familie. Anderen leefden in hun eigen huis of
samen met enkele geestverwanten in een huis of
hof. Later werd deze begijnenbeweging strakker
georganiseerd: de vrouwen namen regels aan en er
ontstonden gereguleerde instellingen, de begijnhuizen
en begijnhoven. In Zwolle is het nooit tot
de stichting van een begijnhof gekomen.2
Het Oldeconvent is waarschijnlijk ontstaan
doordat op een gegeven moment een aantal vrouwen
ging samenwonen. Zo’n losse en informele
beginperiode kan het gebrek aan informatiebronnen
verklaren.
Minderbroeders
Aan het eind van de veertiende eeuw waren de
bewoonsters van het Oldeconvent aangesloten bij
de derde orde van Franciscus.3 Ze stonden onder
leiding van de Minderbroeders van Kampen, die
een termijnhuis4 bezaten in de Begijnenstraat,
naast het Oldeconvent. Het is echter niet zeker of
de begijnen van het Oldeconvent vanaf het begin
af aan onder leiding van de Minderbroeders stonden.
Wanneer het Oldeconvent inderdaad uit een
losse organisatie van vrome vrouwen is voortgekomen,
is het zelfs waarschijnlijker dat de Franciscanen
pas later invloed kregen. Het was namelijk
vrij gebruikelijk dat begijnen na verloop van tijd
de derde regel van Franciscus aannamen. Zij werZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
Het Oldeconvent in
1627; tekening van
Jacobus Stellingwerf
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
den daardoor nog geen kloosterlingen. Ze legden
wel een belofte af, maar niet de drie plechtige
kloostergeloften. Wel ontvingen zij enige voorrechten
van kloosterlingen. Zo mochten ze bijvoorbeeld
een draagbaar altaar hebben en waren
ze vrij in de keuze van een visitator. Persoonlijk
mochten zij gelofte van zuiverheid afleggen.
Over de kwaliteit van de leiding die de Minderbroeders
gaven is weinig bekend. Alleen indirect
is er iets van te zeggen. Gedurende de eerste
helft van de veertiende eeuw kregen de broeders
regelmatig schenkingen van de inwoners van
Kampen. Blijkbaar droegen zij ‘hun’ broeders in
die tijd een warm hart toe.5 Later ging het stadsbestuur
van Kampen zich meer met de Franciscanen
bemoeien. Zo kwamen schepenen en raad in 1371
met hen overeen dat vrouwen het klooster niet
meer zouden bezoeken (behalve de kerk) en dat de
broeders geen begijnen meer zouden bezoeken op
hun kamer. Weer later, in de vijftiende eeuw,
bevorderde het stadsbestuur een strengere observantie.
6 Een en ander kan erop wijzen dat het
Franciscanenklooster aanvankelijk goed functioneerde
en de discipline niets te wensen overliet.
Na verloop van tijd verminderde de kloosterdiscipline
mogelijk, waardoor het stadsbestuur van
Kampen een nadere overeenkomst nodig achtte.
De kwaliteit van de leiding die de Franciscanen
aan vrouwenkloosters in en buiten Kampen
gaven, ging ongetwijfeld op en neer met hun
interne kloosterdisipline. In elk geval waren Henricus
van Gouda en Geert Grote van mening dat
de leiding van de Minderbroeders en de discipline
onder de bewoonsters van het Oldeconvent te
wensen overliet.
Hervorming
Henricus van Gouda was één van de volgelingen
van Geert Grote. Hij was afkomstig uit Gouda en
hij werd door Geert Grote naar Zwolle gezonden
als steun voor de moderne devoten. Hij woonde in
een huis naast het terrein van het Oldeconvent,
waar hij scholieren van Johannes Cele onderdak
verleende.
Wanneer de onbekende biograaf van Henricus
van Gouda (die geciteerd wordt door Johannes
Lindeborn) gelijk had, was het Oldeconvent hard
aan hervorming toe. Deze biograaf schrijft namelijk
dat het convent, toen het enige in de stad, een
bordeel was voor de terminaris, de biechtvader en
hun medestanders. De vrouwen die er woonden
waren onverzorgd en verbitterd.7
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op 26 juli 1397 stelden
schepenen en raden,
samen met stadspastoor
Reynald van Drynen,
en met advies van goede
geleerde lieden een oorkonde
op om een eind te
maken aan de onenigheden
tussen de begij-
Of de vrouwen van het Oldeconvent inderdaad
zo verdorven waren als deze schrijver voorstelt,
mag betwijfeld worden. Ook de achttiende
eeuwse historicus Van Hattum plaatst vraagtekens
bij de betrouwbaarheid van deze auteur, omdat hij
hem op enkele andere onnauwkeurigheden
betrapte. Verder wijst Van Hattum op de slechte
verhoudingen tussen Moderne Devoten en monniken,
die elkaar bij voorkomende gelegenheden
wederzijds zwart maakten. We kunnen bovendien
nog wijzen op de algemene neiging van biografen
om de daden van hun ‘helden’ mooier voor te stellen
dan ze in werkelijkheid waren. Tenslotte zijn
beschuldigingen van sexuele uitspattingen tamelijk
gebruikelijk bij beschuldigingen van misstanden.
De eerder genoemde biograaf vervolgt zijn
verhaal met de mededeling dat Henricus met hulp
van de pastoor en het stadsbestuur wist te bewerkstelligen
dat er geen vrouwen meer onder de derde
orde werden aangenomen en dat de terminarissen
de toegang tot het huis ontzegd werd. ‘Verdorven
vrouwen walgden’ van deze maatregel en verlieten
het huis. Aldus gezuiverd kon met nieuwe statuten
een nieuw begin gemaakt worden.
Jacobus Traiecti alias de Voecht, die in de zestiende
eeuw in het Zwolse fraterhuis woonde en
een kroniek schreef over dit huis, noemt deze
gebeurtenissen ook in zijn kroniek. Hij gebruikt
iets andere bewoordingen, waardoor alles in een
ander daglicht komt te staan.
Volgens Jacobus de Voecht was Henricus van
Gouda biechtvader van de zusters in het Oldeconvent,
dat aanvankelijk geleid werd door de Franciscanen
uit Kampen. Omdat zij slechte leiding
gaven (sommige zusters zondigden met hun
biechtvaders en de monniken), kwam op advies
van Geert Grote en Henricus van Gouda een nieuwe
regeling tot stand. Er zouden geen nieuwe
vrouwen aangenomen worden, totdat het grootste
deel van de oude zusters was gestorven. Toen
Henricus van Gouda sommige zusters tot een
striktere levenswijze had gebracht, zorgde hij
ervoor dat zij de leiding van het convent te Kampen
verlieten. Vanaf die tijd leefden de vrouwen
zonder gelofte, maar volgden zij de regels die schepenen
en raden in een brief hadden vastgesteld. In
die situatie werd Henricus van Gouda de eerste
biechtvader van de zusters.8
Regels van 1396 en 1397
In een oorkonde van 12 juni 1396 verklaren schepenen
en raden van Zwolle dat zij met advies van
de pastoor regels hadden opgesteld voor de begijnen
van het Oldeconvent. Opvallend is dat Henricus
van Gouda niet vermeld wordt. De Minderbroeders
worden evenmin genoemd en ook wordt
nergens duidelijk of er nog vrouwen aangesloten
waren bij de derde orde; zij worden eenvoudig
begijnen genoemd. Wel komen de pastoor en twee
raden ter sprake. Zij kregen de taak om jaarlijks in
overleg met de begijnen een bewaarster voor het
komende jaar aan te stellen. De bewaarster mocht
de andere begijnen berispen, hen toestemming
geven het huis te verlaten, de werkzaamheden in
het huis verdelen, geschillen tussen begijnen
onderling aanhoren en eventueel daarover de pastoor
of de schepenen raadplegen, beslissen over
het aantrekken van personen van buiten het huis
en bepalen of iemand van buiten het begijnhuis
daar mocht overnachten. Tevens werd vastgelegd
dat de begijnen onder elkaar zachtmoedig moesZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ten zijn, eenvoudige kleding moesten dragen, geen
wereldse dingen zoals stikwerk of borduurwerk
met parels, goud of zilver mochten maken, gezamenlijk
naar de kerk moesten gaan en dat zij
direct na de dienst naar het begijnhuis moesten
terugkeren. Ze mochten niet met buitenstaanders
praten en ’s avonds na de klok van 9 uur moesten
ze gaan rusten. Verder zou bij de toelating van
toekomstige begijnen niet gelet worden op rijkdom
of familie, maar op goede zeden en een goed
geestelijk leven. Wanneer twee begijnen in één
kamer niet met elkaar overweg konden, mocht de
bewaarster hen scheiden en op een andere plaats
onderbrengen. Maar indien één van de betrokken
vrouwen zich had ingekocht in de kamer waar ze
uitgezet werd, werd dat vergoed. Wanneer iemand
deze regels herhaaldelijk overtrad, deelde zij niet
mee in de inkomsten van het begijnhuis. Na overleg
met de pastoor en schepenen kon zo’n begijn
uit het huis verwijderd worden. Alle geschilpunten
zouden door de pastoor, de schepenen en de
bewaarster beoordeeld worden. Schepenen en
raad grepen in omdat “neghene dynge staende en
mogen bliven ten sy dat se guede ordinancie ende
regiment hebben. Ende op dat de baghinen des
beghinen huys ende wonynghe in Zwolle in der
Baghynen strate gelegen die nu sijn off hier naemaels
daer in ontfanghen zulle werden myt rusten
ende vrede zunder verkierde menschen bespreek
in mynnen oetmoedicheden in kuysheden ende
voirt in allen anderen dogeden (= deugden) to
goder ommegaen ende male anderen in mynnen
denen mogen in gehoersamicheit des pawes (=
paus) hore prelaten ende hoeres kerekheren. Ende
sonder alle dwelynghe (= dwalingen) gode dyenen
inden gheeste der oetmoedicheit”.9
De tweede oorkonde is opgesteld op 26 juli
1397, nadat schepenen en raden met de pastoor en
met advies van goede geleerde lieden een eind
hadden gemaakt aan onenigheden tussen de begijnen.
De bepalingen hielden onder andere in dat de
begijnen een meesterse zouden kiezen. Deze
meesterse moest een begijn aanwijzen om samen
met haar het huis te leiden. Zij bewaarden gezamenlijk
de sleutel van de schatkist en konden
alleen gezamenlijk de kist openen. Daarnaast kwamen
er regels ten aanzien van het vasten en bidden.
Op hoogtijdagen moesten de vrouwen een
falie en een mantel met lange mouwen dragen. Bij
de intrede van een nieuwe begijn moesten alle
regels voorgelezen worden en de nieuwe begijn
moest beloven deze na te leven op straffe van verlies
van haar uitkering of verwijdering uit het
begijnhuis. Overigens moesten alle begijnen
instemmen met de komst van een nieuwe begijn.
In geval van onenigheid beslisten pastoor en schepenen
en raad over toelating. In geval van herhaalde
overtreding kon iemand na overleg met de pastoor
en twee daartoe aangewezen schepenen uit
het huis verwijderd worden.10
Uit de beide oorkonden blijkt dat er voor de
hervormingen van 1396 en 1397 geen sprake was
van een gemeenschappelijk leven. Dat werd ook
niet ingevoerd bij de hervormingen. De vrouwen
kochten zich in, kregen de beschikking over een
eigen kamer en hadden recht op een uitkering.
Daarnaast hadden zij de vrije beschikking over
hun eigen vermogen. De invloed van de pastoor
en magistraat werd vrij groot. Zij bepaalden mede
wie de bewaarster of meesterse van het convent
was en zij moesten bij alle problemen geraadpleegd
worden. Twee schepenen werden speciaal
daarvoor aangewezen. In 1400 blijkt het convent
bovendien nog over een zaakwaarnemer te
beschikken die aangesteld werd door de stad.1′
Tijdsverloop
Wanneer de hervorming precies doorgevoerd is, is
uit de verhalen van de twee bovengenoemde
auteurs niet helemaal te achterhalen. Omdat Jacobus
de Voecht de naam van Geert Grote noemt,
lijkt het alsof de hervorming plaatsvond voor
diens overlijden in 1384. Ook de mededeling van
de Anonymus dat het Oldeconvent tijdens de hervorming
het enige in de stad was, wijst in die richting.
Niet lang daarna werd immers een ander
vrouwenhuis, het Ter Kinderhuis, gesticht.
Het jaar 1384 is echter niet in overeenstemming
met de oorkonden uit 1396 en 1397. De hervorming
kan dus pas definitief zijn ingevoerd in
die jaren.
Wanneer we de verhalen van de anonieme
biograaf en Jacobus de Voecht goed lezen, dan
blijkt dat er verschillende veranderingen plaatsn6
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zowel de stad Zwolle als
de stadspastoor Reynald
van Drynen hingen hun
zegels aan de oorkonden
uit 1396 en 1397.
vonden. Allereerst vermeldden beide auteurs dat
er geen nieuwe vrouwen aangenomen werden;
vervolgens dat de Minderbroeders van Kampen
geen leiding meer gaven. Tenslotte meldden ze dat
een nieuwe regeling tot stand kwam.
De auteurs verschillen van mening over de
reactie van de bewoonsters van het Oldeconvent
en over het tijdstip waarop het stadsbestuur en de
pastoor ingrepen. Volgens de anonymus vertrokken
verdorven vrouwen uit het huis, terwijl Jacobus
de Voecht daar geen melding van maakt. Volgens
hem was het de bedoeling van Henricus van
Gouda en Geert Grote dat iedereen in het convent
bleef wonen, maar dat nieuwe bewoonsters zich
niet meer onder de derde orde plaatsten. De zusters
van de derde orde zouden op die manier na
verloop van tijd vanzelf verdwijnen.
Verder schrijft de Anonymus dat pastoor en
stadsbestuur samen met Henricus van Gouda
ervoor zorgden dat er geen vrouwen meer onder
de derde regel werden aangenomen. Jacobus de
Voecht noemt alleen dat schepenen en raden een
definitieve regeling opstelden.
Het is heel goed denkbaar dat er tussen deze
veranderingen de nodige jaren verstreken. Mogelijk
probeerden Henricus van Gouda en Geert
Grote eerst, mogelijk met steun van de stadspastoor
en het stadsbestuur, om de vrouwen tot een
striktere levenswijze te brengen. Zij kunnen daarmee
begonnen zijn zodra Henricus naast het
Oldeconvent kwam te wonen; dus voor het overlijden
van Geert Grote in 1384. In de daaropvolgende
jaren moeten de teugels strakker zijn aangehaald:
de Minderbroeders verloren hun leidinggevende
positie. Mogelijk verlieten enkele ‘verdorven’
vrouwen in die tijd het convent. Na een
periode van zo’n twaalf jaar kwam een definitieve
regeling tot stand waarbij het stadsbestuur een
grote rol speelde.
Was de invloed van Henricus van Gouda inderdaad
van doorslaggevend belang bij de hervorming,
zoals de beide auteurs ons willen doen geloven?
We kunnen hier vraagtekens bij zetten,
omdat zijn naam niet voorkomt in de oorkonden
uit 1396 en 1397. Bovendien is onze kennis over de
rol van Henricus alleen gebaseerd op de twee biografen.
Over de Anonymus weten we niets meer
dan het ene citaat, maar over Jacobus de Voecht
weten we iets meer. Hij was een van de broeders
van het Zwolse fraterhuis. Zijn Narratio is niet
alleen een geschiedschrijving van het Zwolse fraterhuis,
maar de levensbeschrijvingen in de Narratio
waren ook bedoeld als voorbeeld voor de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT “7
broeders zelf. Het is daarom heel goed denkbaar
dat de rol van Henricus is benadrukt en dat de rol
die anderen speelden is verwaarloosd. Een hervorming
van het Oldeconvent was immers evengoed
in het belang van stadspastoor en stadsbestuur. In
elk geval wisten zij door de hervormingen die in
1396 en 1397 doorgevoerd werden, hun invloed op
het convent uit te breiden.
Tenslotte
Door gebrek aan bronnenmateriaal blijft de ontstaansgeschiedenis
van het Oldeconvent onduidelijk.
Het enige dat vaststaat is dat het convent in
1361 bestond en dat het het oudste vrouwenconvent
in de stad is. Ook over de verdere geschiedenis
van het klooster zijn de bronnen uiterst zwijgzaam.
Afgezien van een enkele schenking in de
jaren zestig van de veertiende eeuw, wordt het
klooster nauwelijks genoemd.
Aan het eind van de veertiende eeuw blijkt de
toestand in het klooster zodanig dat een aantal
mensen ingrijpen noodzakelijk achtte. Daarbij
worden de namen van Geert Grote en Henricus
van Gouda genoemd. Verder speelden de pastoor
en het stadsbestuur een rol. Op basis van twee biografieën
en twee oorkonden kunnen we geen volledige
zekerheid geven over het verloop van de
gebeurtenissen. Wel is het mogelijk de verschillende
gegevens met elkaar te combineren en op basis
daarvan tot een reconstructie te komen.
Voor 1384 vestigde Henricus van Gouda zich
naast het Oldeconvent. Samen met Geert Grote
zorgde hij ervoor dat (een deel van) de vrouwen
zich aan striktere regels ging houden. Er kwam een
eind aan de leidinggevende positie van de Minderbroeders
uit Kampen. Ongetwijfeld was dit een
warrige periode voor de vrouwen. Waarschijnlijk
steunden sommigen de hervormingen, terwijl
anderen liever de bestaande situatie wilden handhaven.
Mogelijk verlieten enkele vrouwen het
convent.
In 1396 stelden schepenen en raden nieuwe
regels op voor de begijnen. Deze regels voldeden
niet en er ontstonden opnieuw onenigheden.
Schepenen, raden, pastoor en goede lieden maakten
een eind aan die onenigheden en stelden een
aanvullende overeenkomst vast.
Met het ingrijpen van het stadsbestuur en de
pastoor in het Oldeconvent, wijkt de ontwikkeling
van het Oldeconvent af van de gang van zaken bij
veel begijnhuizen. Elders ontwikkelden begijnhuizen
zich vaak in de richting van een klooster. Veelvuldig
namen begijnhuizen eerst de derde regel
van Franciscus aan, gevolgd door de overgang tot
de regel van Augustinus; dus altijd in de richting
van een striktere levensregel. Het Oldeconvent
zette wel de eerste stap, maar door het ingrijpen
van het stadsbestuur ontstond een nieuwe verhouding.
Niet een klooster, maar schepenen,
raden en pastoor kregen het laatste woord bij problemen
in het Oldeconvent. De stad had door
deze regeling meer invloed op de gang van zaken
in het Oldeconvent, dan bij een eventuele aansluiting
van het Oldeconvent bij een kloosterorde
mogelijk was geweest.
Noten
1. F.C. Berkenvelder, Zwolse regesten, 5dln. Zwolle
1980-1994.1, nr. 35.
2. Mogelijk hangt dat samen met het ontbreken van
een sterk wereldlijk gezag. In Holland en Zeeland
stichtten leden van de grafelijke familie verschillende
begijnhuizen. Zie: F.W.J. Koorn, Begijnhoven in
Holland en Zeeland gedurende de Middeleeuwen Assen
1981,13.
3. De eerste orde bestond uit mannelijke kloosterlingen,
de tweede uit vrouwelijke kloosterlingen en de
derde orde bestond uit leken.
4. Elk Minderbroederklooster had een bepaald gebied
waar de monniken rondtrokken om te bedelen. De
stad Zwolle lag in het gebied van het klooster van
Kampen. Een termijnhuis is te vergelijken met een
dependance.
5. CL. Verkerk, Kampen en de Franciscanen. (Een
voorlopig verslag), s.1., s.a. (Aanwezig in het gemeentearchief
Kampen), 31.
6. idem, 34.
7. Volgens een onbekend biograaf. Geciteerd in: J.
Lindeborn, Historica sive notitia episcopatus Daventriensis.
Keulen 1670,369.
8. M. Schoengen, Jacobus Traiecti alias de Voecht. Narratio
de inchoatione domus clericorum in Zwollis.
Amsterdam 1908,16.
9. Berkenvelder, Regesten, nr. 452.
10. Berkenvelder, Regesten, nr. 493.
11. Berkenvelder, Regesten, nr. 580.
118 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis verjaagt een spook
Drie Zwolse wonderverhalen uit de vijftiende eeuw
Frits David Zeiler
De begraafplaats op de
Agnietenberg.
Het klooster op de Berg
Aan de noordoostkant van Zwolle ligt sinds
eeuwen de Agnietenberg. Het is tegenwoordig
een lommerrijke plek met een
romantisch theehuis en een kampeerterrein vanwaar
men uitkijkt over de Vecht en een mooie,
oude begraafplaats. Tussen 1398 en 1581′ stond
hier het Bergklooster, waar de gebroeders Van
Hemerken leefden, of ‘a Kempis’ zoals ze meestal
naar hun plaats van herkomst werden genoemd.
Joannes was er decennialang prior, maar Thomas
bracht de tijd het liefst door ‘met een boekske in
een hoekske’. Zijn lange leven (hij werd over de
negentig) besteedde hij onder meer aan het schrijven
van een vierdelig tractaat, dat onder de titel
‘Over de navolging van Christus’ het beroemdse
boek zou worden dat ooit in de Nederlanden verscheen.
De broeders, die de regel van Augustinus
volgden, werden tot de reguliere kanunniken
gerekend en vielen onder de congregatie van Windesheim.
Het waren dus ‘moderne devoten’, aanhangers
van de geloofsvernieuwing waarbij de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
persoonlijke verhouding tot God en de verantwoording
tegenover Hem op de allereerste plaats
kwam. Daarmee wees de beweging vooruit naar
de verdere ontwikkelingen binnen de Christelijke
kerk, die in de eeuwen daarna de wereld van aanzien
zouden doen veranderen.
Maar de ‘devoten’ waren ook kinderen van
hun tijd. Zij leefden dicht bij de natuur vol gevaren,
dicht bij de dood (het was de tijd van de grote
pestepidemieën) en dicht bij wat wij nu op zijn
minst lichtgelovigheid zouden noemen. Zij
geloofden in toverkunsten, wonderen en spoken.
Toen bijvoorbeeld in de Onze Lieve Vrouwekapel
(de huidige Peperbuskerk) in 1398 een Antoniusaltaar
was gewijd, stroomden de gelovigen van
heinde en verre toe, in de hoop door bemiddeling
van deze heilige van de pest gevrijwaard te blijven.
Of er daadwerkelijk wonderbare genezingen zijn
voorgevallen, vermeldt de historie verder niet.2
Maar ook op de Agnietenberg wist men met buitengewone
zaken wel raad. Prior Joannes had al
eens een spookverschijning uit een huis in Brunnepe
bij Kampen verdreven, terwijl Thomas door
het laten slaan van een kruisteken voor een wonderbare
vermenigvuldiging van de etenspotten in
de refter had gezorgd. “Na dit verhaal zal het niet
vreemd klinken, dat het klooster op den S. Agnietenberg
het ‘Bergklooster van mirakelen’ heette,”
merkt Acquoy terecht op.3 Hij baseert zich daarbij
onder meer op de kloosterkroniek4 en op de vita
(levensbeschrijving) van Thomas. Een andere
bron, waarin de roep van de plaats wordt bevestigd,
noemt hij niet. Deze is te vinden in een
Deventer wiegedruk en in een Egmonds handschrift.
Een Egmondse bloemlezing
De abdij van Egmond, bevolkt door Benedictijner
monniken, was aanzienlijk ouder dan de Zwolse
kloosters en gaat terug op een grafelijke stichting
in de tiende eeuw.5 Het scriptorium kende een lange
traditie en werkte evenals elders het geval was
niet alleen ten behoeve van de eigen bibliotheek,
maar nam ook bestellingen van derden aan. Zo
werd er tussen 1514 en 1518, hoogstwaarschijnlijk
op verzoek van de Latijnse School in Alkmaar, een
copie vervaardigd van een Hollandse gravenkro-
A er’ tl” •••/» ‘X *(M»hltf W&mgi* M 4 ^
^«.™« rW,JWi^t /J,«„ JÏIw ^^A, – e
niek. Daaraan voegde men een groot aantal teksten
toe van merendeels religieuze signatuur.6
Onder deze teksten bevinden zich allerlei vijftiende-
eeuwse wonderverhalen – het was de hoogtij
der mirakelen! -, historische aantekeningen en
korte biografieën van een aantal beroemde mannen
zoals Geert Grote, Wessel Gansfort en Thomas
a Kempis. Thomas treedt ook op in twee van
de kleinere verhalen, die in deze bloemlezing zijn
opgenomen. Anders dan bijvoorbeeld de uitvoerig
beschreven Heilig Bloedwonderen van Alkmaar
en Bergen of het Mirakel van Amsterdam
hebben deze episoden nooit een grote bekendheid
gekregen, zelfs niet in Zwolle. Reden temeer om er
opnieuw aandacht aan te besteden.
Het eerste verhaal waarin Thomas figureert,
speelt in zijn tijd als leerling van de Deventer
school van meester Florens, anders genoemd Florens
Radewijns. Tot de vaste regels behoorde het
uitspreken van gebeden ter ere van Maria. Thomas
oefende zich daar aanvankelijk vlijtig in, maar
na enige tijd begon zijn aandacht te verflauwen en
liet hij deze gebeden zelfs geheel na. In een droom
verscheen hem de H. Maagd, die zijn medebroeders
één voor één omhelsde, maar hem
bestraffend toesprak en beval van haar weg te
gaan. Nadat Thomas ontwaakt was, biechtte hij
vol berouw zijn zonde en eerde Maria zijn gehele
verdere leven lang.
Het tweede verhaal gaat over een nachtelijke
Begin van de Hollandse
Gravenkroniek in het
Egmondse handschrift
(foto: F.D. Zeiler).
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis
wordt vermaand door
Maria en (rechtsonder)
verschrikt door een
spook
(foto: F.D. Zeiler).
spookverschijning in Thomas’ cel op de Agnietenberg;
daarvan geven we straks de volledige inhoud
weer. Het derde verhaal tenslotte speelt zich af in
de stad Zwolle. Ook hier is het weer Maria die een
scholier op het rechte pad terugbrengt, maar op
een minder milde manier dan zij met Thomas had
gedaan: de arme scholier krijgt een oorvijg. Wat
was er gebeurd? De niet met name genoemde leerling
van de stadsschool was met zijn vrienden aan
het spelen en drinken geraakt, en na een weddenschap
mocht de winnaar zeggen hoe zij hun avond
zouden bekronen. Dit bleek tot schrik van de jongeman
een bezoek aan een publiek huis te zijn en
ook al hield hij zich daar verder afzijdig, bij het
verlaten van het etablissement keerde hij toch vol
schuldgevoelens huiswaarts. In een zijstraat dook
plotseling een verschijning op, die hem zo’n watjekouw
verkocht, dat hij met zijn gezwollen wang
dagenlang niet meer naar buiten dorst. Zo boette
hij voor zijn onstandvastigheid.
In het Egmondse handschrift wordt deze correctie
aan Maria toegeschreven, maar in de tekst
zelf komt zij niet voor; daar is slechts sprake van
een engel. De Deventer versie van de drie wonderverhalen,
die inhoudelijk verder niet afwijkt,
spreekt in het opschrift dan ook van een Angelus
Domini, een engel Gods.
Een duivelse verschijning
De ontmoeting van Thomas a Kempis met een
duivelse verschijning heeft in de beide, tekstueel
identieke versies eveneens een afwijkend
opschrift. De Deventer versie vermeldt: ‘Hoe
dezelfde Broeder Thomas door de gezegende
naam Jezus Christus en het Weesgegroet een duivel
die hem schrik aanjoeg op de vlucht deed
slaan.’ De Egmondse tekst heeft als kop: ‘Hoe
Thomas van Kempen, Zwols monnik, door de
gezegende naam Jezus Christus een duivel die
hem schrik aanjoeg op de vlucht deed slaan.’ En
dan volgt het verhaal over een duivelse verschijning,
waarvan we hier een vertaling geven.
‘Toen eens op een keer de duivel bovengenoemde
Broeder Thomas schrik wilde aanjagen, vertoonde
hij zich ’s nachts aan hem in een allerafschuwelijkste
en huiveringwekkende vorm. Toen Broeder
Thomas deze verschijning zijn bed zag naderen,
keek hij er sidderend naar en wist niet, wat hij
tegen een valstrik van zo’n afschuwelijke vijand
moest doen. Eindelijk begon hij, door een goddelijke
ingeving, een “weesgegroet” te bidden – met
trillende stem en zo goed als hij kon, want hij was
verschrikkelijk bang. Maar de duivel werd nauwelijks
door deze salutatio geraakt en kwam met veel
gerucht steeds dichter en dichterbij, totdat de
monnik in zijn gebed zover was gekomen, dat hij
het “onze heer Jezus Christus, amen” uitsprak.
Toen de duivel deze vervaarlijke naam hoorde,
keerde hij om als door een vreselijk onweer verschrikt
en maakte zich zo snel als hij kon onder
veel gejammer uit de voeten. Toen nu Broeder
Thomas zag dat de duivel tegenover de kracht van
zulk een naam niet kon blijven staan, richtte hij
het bange hoofd des te vermeteler op en riep hij
nog verschillende malen de vluchtende vijand de
gezegende naam “Jezus Christus” na. En hoe
krachtiger hij riep, des te heftiger week de afschuwelijke
geest terug. Zodat de vrome man erkennen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
moest, dank brengend aan God de Heer, en bij
zichzelf zei: “Wanneer ik met de allerheiligste
naam zo gemakkelijk de krachten van een tegenmacht
kan breken, wil ik verder nooit meer, zoals
ik tot nu toe heb gedaan, de machinaties van duivels
vrezen, noch, zwak van vertrouwen, bang
worden voor wat voor verschrikkelijke bedreigingen
dan ook.'”
Herkomst en achtergrond
Thomas’ duivelsuitdrijving is een mengeling van
een klassiek spookverhaal en een Marialegende.
Want ook al wordt Maria evenmin als in het derde
verhaal met name genoemd, het ‘weesgegroet’ dat
de bevende kloosterling bidt is natuurlijk gericht
tot de in zijn tijd zo geliefde middelaarster. Daarmee
passen alle drie verhalen in de laatmiddeleeuwse
Mariadevotie, waarvan de Spaanse Canticas
di Santa Maria of het Nederlandse Manken
van Nieumegen slechts enkele beroemde exponenten
zijn. Maar als gezegd, het is ook een klassiek
spookverhaal, zoals dat in de volkverbeelding in
duizenden varianten bestaat. Opvallend is wel, dat
de heilige naam meerdere keren wordt uitgesproken,
maar niet de later zo gebruikelijke en voor de
werking van de formule noodzakelijke drie maal.
In naderhand door folkloristen opgetekende
volksverhalen wordt de duivel trouwens ook
regelmatig met het aanroepen van ‘God en Marieje’
verjaagd.7
Bron is vermoedelijk Thomas zelf.8 In een van
zijn eigen exempla (voorbeelden) maakt hij
immers gewag van een ‘broeder’ die door de duivel
wordt bedreigd, zonder deze met name te noemen.
Schaamde hij zich misschien voor zijn toch
zo menselijke angst voor die spookverschijning?
In ieder geval is de geschiedenis vervolgens op
hem persoonlijk betrokken en opgenomen in de
Speculum Exemplorum, een verzameling moralistische
teksten die in 1481 in Deventer in druk verscheen.
9 Als auteur daarvan wordt meestal Johan
Busch genoemd, de Zwolse devoot die de geschiedenis
van het klooster Windesheim vastlegde in
het Chronicon Windeshemense. Noch de ‘spiegel’,
noch de kroniek zal aan de Oostnederlandse
stadsscholen onbekend zijn geweest; tenslotte
loopt er met name via het onderwijs een rechtstreekse
lijn van de moderne devotie naar het
vroeg zestiende-eeuwse humanisme. Een van de
leerlingen van de Deventer stadsschool, dezelfde
die een eeuw tevoren door Thomas was bezocht,
was Johannes Murmellius (1480-1517). Deze werd
later rector van de Latijnse School te Alkmaar en
moet als zodanig de opdrachtgever tot de
Egmondse ‘bloemlezing’ zijn geweest. Als copiïst
van het betreffende handschrift is onlangs met vrij
grote zekerheid Willem Zuermondt aangewezen,
die nog een tweede, vergelijkbare codex op zijn
naam heeft staan.10
Intussen was de tijd van de geschreven boeken al
vrijwel voorbij – net als die van de scriptoria en
uiteindelijk ook van de kloosters zelf. Het
Egmondse handschrift belandde in de stedelijke
librije van Alkmaar en de inhoud werd zelden
meer geraadpleegd. Ook de Deventer wiegedruk
raakte in vergetelheid, ondanks het feit dat daarvan
al in 1905 een nieuwe teksteditie verscheen.
Nu in het laatste decennium de lotgevallen van de
kloosterlingen weer zo in de belangstelling van
historici èn publiek zijn komen te staan, behoren
ook de Zwolse wonderverhalen weer gekend te
worden. Moge deze korte bijdrage als geheugensteuntje
dienen.
Gedeelte van het spookverhaal
en het begin
van het verhaal over de
oorvijg
(foto: F.D. Zeiler).
aT “J
«crf™.»^^^* «iUvi r’^f ‘f»>«>’» -K’I(
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noten
1. De stichting van het klooster heeft nogal wat voeten
in de aarde gehad; een begin is al in 1384 gemaakt,
maar de definitieve toestemming werd pas in 1398
verkregen. Het einde viel formeel al in 1561 door de
incorporatie bij het bisdom Deventer, materieel in
1581 door het statenbesluit tot ontruiming van de
buitenkloosters.
2. Over deze toevloed wordt gesproken in een pauselijke
aflaatbrief van 1399 (F.C. Berkenvelder, Zwolse
regesten I nr. 551’. Over de stichting van de O.L.V.-
kerk in het algemeen: I. Wormgoor, Onze Lieve
Vrouwe Kapel, de tweede kerk van Zwolle. In:
P.H.A.M. Abels e.a. (red.), De kerk in de kop. Bouwstenen
tot de kerkgeschiedenis van Noord-West Overijssel,
Delft 1995,47-68.
3. J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn
invloed 2, Utrecht 1876,264-267.
4. W.M. Peijnenburg pr., De kroniek van het klooster
St. Agnietenberg 1398-1477. Overijsselse Historische
Bijdragen, 94 (1979), 11-20. Momenteel wordt onder
auspiciën van de Stichting IJsselakademie de uitgave
voorbereid van een vertaling van deze kroniek,
waarvan Thomas a Kempis de voornaamste auteur
is.
5. J. Hof, De abdij van Egmond van de aanvang tot 3573,
‘s-Gravenhage/Haarlem 1973.
6. Regionaal Archief Alkmaar, Librije hs. ]A28 A 1
(oude aanduiding: Handschriftenverzameling 1).
M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische
bronnen uit de Middeleeuwen. Heiligenlevens,
annalen, kronieken en andere in Nederland geschreven
verhalende bronnen, ‘s-Gravenhage 1981, no. 203
(27, 28, 29). Vgl. C.P.H.M. Tilmans, De Hollandse
kroniek van Willem Hermans ontdekt. Een Egmondse
codex uit ca. 1514. In: G.N.M. Vis e.a. (red.),
Heiligenlevens, Annalen en Kronieken. Geschiedschrijving
in middeleeuws Egmond, Hilversum 1990,
169-191.
7. A. Buter, Volksverhalen uit Overijssel, Utrecht/Antwerpen
1981,67-68 (nrs. 9.1 en 9.3).
8. Kruitwagen, (zie noot 9), 390 voetnoot 1.
9. Carasso-Kok, Repertorium no. 203 (27,28 en 29). De
tekst van de Deventer druk is opnieuw uitgegeven
en van commentaar voorzien door B. Kruitwagen,
Het ‘Speculum Exemplorum’, Bijdragen tot de geschiedenis
van het Bisdom Haarlem 29 (1905), 329-
435. De drie wonderverhalen zijn opgenomen als
nrs. 7,8 en 9 op de pp. 388-397.
10. G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, De Librije
van Alkmaar. In: J. Drewes e.a., Glans en glorie van
de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse
St. Laurens, Hilversum 1996, 263-274.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
cLieve Naatje’
Ego- of particuliere documenten, in dit geval
brieven, zijn de mooiste bronnen om de
leefwereld van het verleden te ervaren.
Vooral als zeker is dat ze niet geschreven zijn om
te publiceren, en dus een hoge mate van spontaniteit
bezitten. Dat is het geval bij de briefwisseling
tussen Naatje Siertsema en Elsje Feith.’
Naatje en Elsje
Voluit heette ze Anna Margaretha Sparringa Siertsema.
Op 2 juli 1813 trouwde zij in het Groningse
Eexta met Berend Hendrik Feith, een zoon van de
dichter Rhijnvis Feith. Al in de eerste brief die
vader Rhijnvis aan zijn aanstaande nieuwe
schoondochter schreef, werd haar voornaam verhaspeld
van Anna via Annaatje tot Naatje. En zo
bleef het in de verdere correspondentie die tussen
vader en zoon plaats vond. Nadat Rhijnvis Feith
niet meer in staat was om te schrijven en op 8
februari 1824 was gestorven, ontstond er een regelmatige
correspondentie tussen Elsabe Feith en
haar broer Berend Hendrik. En nadat deze al jong
stierf, op 28 augustus in 1825, met Naatje.
Elsabe Machteld Catharina Feith – voor familie
en vrienden Elsje – was het derde kind en de tweede
dochter van Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld.
Zij was te Zwolle geboren op 8 november
1775.2 Elsje bleef ongetrouwd. Een huwelijk met de
conrector van de Latijnse school, Sicco van
Ommeren, was door haar vader ‘om meer dan een
gewichtige reden’ afgewezen.3 Ze woonde in huis
bij haar ouders. Na de dood van haar moeder in
1813 zorgde ze voor haar met een zwakke gezondheid
sukkelende vader. Na diens overlijden in 1824
leefde ze van het geërfde vermogen waarvan de
waardepapieren in een effectentrommel bewaard
werden. Ieder jaar knipte ze couponnetjes. Na 1832
woonde ze met een meid in dienst zelfstandig op
enige kamers in een gehuurde woning aan de
Oude Vismarkt.
De briefwisseling
De correspondentie tussen Naatje in Groningen
en Elsje te Zwolle kreeg al spoedig een ‘natuurlijk’
ritme. Want de schoonzusters schreven elkaar
rond feestdagen zoals verjaardagen, St. Nicolaas
en de jaarwisseling. Na de dood van Elsje werden
er nog enige brieven met de twee broers Pieter
Rutger en Everard Eiso uitgewisseld, maar dan
droogt de correspondentie al snel op.
Van de correspondentie zijn geen brieven van
Naatje bewaard. Naast enkele brieven van Pieter
Rutger en Everard Eiso zijn de meeste van Elsje
afkomstig, zodat vooral haar wereld enigzins te
omschrijven is. Behalve over het wel en wee van de
J.C. Streng
Naatje Sparringa Siertsema
zoals ze in 1828
geschilderd werd door
W. Lubbers (foto: Iconografisch
Bureau).
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
familie en de religie kabbelt de correspondentie
voort over koetjes en kalfjes. Wat men bij het lezen
van de brieven aan originaliteit en diepgang mist,
wordt goed gemaakt door de hartelijke toon.
Familie
‘Onuitspreeklyk gelukkig ben ik met mijne kinderen,
en 31 kindskinderen’ bekende Rhijnvis Feith
in zijn levensavond.4 En ook voor Elsje bestond er
niets mooiers dan haar familie. Al deze broers en
zusters en de daaruit voortgesproten neven en
nichten hadden onophoudelijk haar belangstelling.
De hele familie bestond in haar ogen uit lieve
mensen, ook net aangetrouwden werden meteen
als zodanig beschouwd. De eerste brief aan Naatje
zette de toon voor alle volgende. De relatie werd
bepaald door zusterlijke liefde, vriendschap en de
‘aangenaamste gewaarwording aan mijn hart’, zo
schreef ze in de geest en met woorden van haar
vader.
De contacten tussen de onderlinge familieleden
lagen Elsje na aan het hart. Dat ze de verzorging
van haar ‘lieven vader’ en het helpen dragen
van diens laatste lijden voor haar rekening mocht
nemen, zag ze als een grote gunst.
Met de huishoudingen van broer Piet en Henriette
was de relatie zeer goed en ‘dood familiair’.
De aangetrouwden werden evenzeer tot de familie
gerekend. Naatje wordt dan ook regelmatig met
‘lief zusje’ aangesproken. Elsje kon zich plaatsvervangend
verheugen over de contacten van andere
familieleden, ook als zij daar zelf niet bij was. De
kinderen en 31 kindskinderen van haar vader
bepaalden de grens van haar familiale betrokkenheid.
Want over andere, genealogisch verder afgelegen
takken van de familie Feith, wordt helemaal
niet gerept.
Omdat ze zo van haar familie hield, kon Elsje
de tijd nauwelijks afwachten tot al haar nichten en
neven van vrijers waren voorzien. Het liefst wilde
ze Amor ‘op de been krijgen’ om ‘onder zooveel
lieve neven en nichten’ zijn werk te doen. Dat lukte
ook wel zonder Elsjes hulp aardig. En als, als
gevolg van de gesloten huwelijken haar zusters
grootmoeder worden, acht ze dat geen geringe eer.
Een huwelijk lijkt overigens geen gebeurtenis,
hoe belangrijk op zichzelf, waar massaal alle familieleden
naar toe trokken om het mee te maken.
Zo wist Rhijnvis Feith niet precies meer de dag en
de datum waarop Berend Hendrik en Naatje zouden
trouwen. Maar ter verontschuldiging kan gelden
dat hij in die tijd door de dood van zijn echtgenote
Ockje erg in de war was.;’
Toen soldaten zich in 1830 te Zwolle verzamelden
om tegen de naar zelfstandigheid strevende
Belgen te strijden ging Elsjes gevoel vooral naar de
moeders, echtgenoten en geliefden. Want ‘hoe loffelijk
en betamelijk die uitttrekking ook is, het
moeder- en vader hart wordt hier onder gebroken’.
Neef Onno van Sandick diende ook te gaan,
wat voor Elsje’s zus Henriette een vreselijke ramp
was. Maar Elsje had zich volledig geconformeerd
aan het regeringsstandpunt: het vaderland eiste
die opoffering.
Ziekte
Gezondheid en herstel van een ziekte, het waren
geschenken van God. De vroege dood van haar
kerngezonde broer Berend Hendrik, gold voor
Elsje, die zelf (net als haar vader) met haar
gezondheid sukkelde, als onomstotelijk bewijs.
De gezondheid van haar vader werd met een
glaasje madera opgepept in de hoop dat ‘God eene
versterkende en genezende krachten in dat middel
wil leggen’. Dat was toen het enige wat haar nog
hoop gaf. Want het eind van zijn leven had Feith
besloten om ‘na lang vergeefsche contributie aan
Dr. en Apotheker betaald te hebben’ beide aan de
kant te schuiven om verder maar alles aan de
natuur over te laten.6
Ofschoon Elsje veel familie op prijs stelde, was
ze niet blind voor de gevaren die de moeder bij een
bevalling bedreigden. Het was iedere keer weer
een opluchting als de nichten zonder moeilijkheden
‘hun pakje hadden uitgeschud’. Alle baby’s
die in de brieven ter sprake komen, werden
gevoed door een min. Soms gekenschetst als een
‘lastig meubel’ als het niet naar de zin ging.
Dat ziekte vaak psychische oorzaken had ontging
Elsje niet. Het gedrag van neef Van Sandick
was de oorzaak dat zijn moeder sterk vermagerde.
Daa, een dochter van haar broer Pieter Rutger,
was hypochondrisch, en Manne de echtgenote van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
broer Hendrikus Octavius, leed aan melancholische
buien. Ockje Meder leed daar ook aan, het
was een familiekwaal van de Meders en kwam
voort uit hun gestel. De zwaartillendheid van Pieter
Rutger was een nare ongesteldheid, waar weinig
aan gedaan kon worden en waar de hele familie
onder leed. Gezelschap, en dan vooral familie,
was in zo’n geval de beste remedie.
Ook onder de kleinere neven en nichten was
het nodige fysieke leed. Anna, een nichtje had
‘absenties’ en Anna’s broertje Rhijnvis was aan
handen, voeten en gezicht een stumpert. Tegenover
al deze misère bleef Elsje, ondanks ook haar
matige gezondheid, toch optimistisch.
Opvoeding
De zorg voor de familie ging zover dat Elsje
gevraagd en ongevraagd pedagogische adviezen
gaf. Mogelijk ontleende ze enig gezag aan haar
betrokkenheid bij de opvoeding van nichtje Ockje
Meder. Elsje had nadat Ockje’s moeder was overleden
de zorg voor dit twaalfjarig meisje op zich
genomen. Overigens werd Ockje vrij snel naar een
kostschool te Zeist gestuurd.7
Dat gebeurde niet zonder reden, want voor de
opvoeding was het gewenst dat kinderen enige tijd
‘onder vreemde oogen en handen’ kwamen, zo
zette Elsje voor Naatje uiteen. Het zou haar spijten
als dat bij Naatje’s kinderen niet het geval zou zijn.
Dat er voor de dochter van Naatje, Jans, naar een
pensionaat gezocht werd, was dan ook normaal.
Elsje gaf uitgebreide informatie over een nieuwe
kostschool te Zwolle, onder leiding van de dames
Büchner.8 De kritiek was niet mals. De schooljuf
geografie en geschiedenis gaf geen les in het Frans
maar in het Nederlands. Maar het belangrijkste
bezwaar was dat de dames niet in staat waren hun
leerlingen tot hogere beschaving op te leiden. En
daar ging het bij een opleiding voor meisjes in de
eerste plaats om. Ze dienden de vaardigheid te
hebben om in de wereld te ‘Parousseren’. Dit in
geen woordenboek te vinden woord, moet zoiets
betekenen als goed voor de dag kunnen komen.
En de dames Büchner waren niet in staat daartoe
op te leiden. Waar hadden ze dat trouwens moeten
leren? In Enschede soms, waarvandaan het
Zwolse stadsbestuur de dames beroepen had? De
plompe Enschedese meisjes die met de dames
meegekomen waren en nu de Zwolse kostschool
bevolkten, zagen er zeer onbehouden uit. Kortom,
de conclusie van Elsje was dat Jans op deze school
meer lompe dan fijne manieren zou leren. Uiteindelijk
ging Jans naar een kostschool in … Hattem.9
Haar schoonzus Lea verweet ze te teerhartig met
de kinderen te zijn omgegaan, zeer tot nadeel van
hun opvoeding. Tegen de kinderen, zo raadde ze
Naatje, niet te toegevend te zijn en vooral op te
voeden in de beginselen van de christelijke religie.
De nichten werd op het hart gedrukt niet teveel
naar concerten, diners en bals te gaan, die tegenwoordig
‘vreesselijk’ veel gegeven worden. Elsje is
blij dat de nichtjes Feith van Boschwijk in ieder
geval niet naar bals gaan, wat heel goed is want dit
strekt tot behoud van lichaam en ziel. Veel verstandiger
was het om met de kinderen de tijd in
huiselijke kring door te brengen. Want ‘per slot
van de rekening vind men daar het waare geluk’
zoals ook haar vader propageerde.10 De neven en
nichten moeten met vertier het gouden midden
houden.
Niet aan het gouden midden hield neef Van
Sandick zich, die al evenmin zijn genoegen in
huiselijke kring zocht. Het ging dan ook niet goed
met die jongen. ‘Hoe laag kan de mensch zinken’,
vroeg Elsje zich af. Deze jonge officier gaf in
afwachting van zijn vertrek geld uit ‘als drek’
waardoor zijn moeder werd overladen met wissels.
In de brieven werd aan deze neef dan ook als
enige uitzondering het kenmerk lief onthouden.
Ontspanning
Ook zelf hield Elsje zich niet altijd aan de gouden
regel van het juiste midden. Toen Berend Hendrik
een ‘vlugt’ duiven zond, liet ze er dezelfde middag
twee van braden en, zo verzekerde ze haar broer
‘behoef ik u niet te zeggen dat vader en dochter
zich toen eens heerlijk vergaste’. De twee volgende
dagen werd dit nog eens herhaald. En de derde dag
werd ze ziek, ze had zich ‘vervreten’. Met breed
aangezette casuïstiek over de magere porties voedsel
die ze normaal at, verontschuldigde ze zich.
Behalve duiven, ondergingen korhoenders hetzelfde
trieste lot. Ze hadden de eer door ‘vrouw
Brand’ gebraden te worden, ‘om ze eens regt lek126
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Oude Vismarkt
waar Elsje Feith na de
dood van haar vader
ging wonen. Waar precies
is niet duidelijk.
ker te hebben’. En dat viel goed uit ‘want ze waren
overheerlijk’.
Over en weer worden in de loop van de tijd
geschenken uitgewisseld. Een gevulde trommel
gaat gedurig heen en weer tussen Zwolle en Groningen.
Zeker met St. Nicolaas. Elsje wachtte dan
met kopen op een speciale koopman uit Amsterdam,
ene Bingel. Na diens bezoek werd de trommel
gevuld en noordwaarts gestuurd.
Elsje stond buiten het maatschappelijke leven.
Buiten haar familie had ze geen kennissen, ze
komen althans in de brieven niet voor. Tot de
dood van haar vader had ze daar geen tijd voor.
Daarna ontbrak het haar aan belangstelling, ook
door haar leeftijd.
Toen haar vader nog leefde maakten ze samen
een ’tourtje in de koets’. Na diens dood bezocht ze
regelmatig in de zomer enige weken een van haar
broers. Bij Everard Eisso Christoffel op Boschwijk
of bij Louis op de Aalshorst bij Dalfsen. Ze werden
dan ook wel ‘de Boschwijker en Aalhorster vrienden’
genoemd. Maar ook bracht ze een bezoek aan
de familie Van Fridagh op de Mataram tussen
Dalfsen en Zwolle of ondernam een tocht naar ene
mevrouw Nagell, in de buurt van Arnhem.
In 1834 is ze denkelijk op bezoek bij haar broer
Pieter Rutger te Almelo, naar Duitsland gereisd.
Ze bezochten daar de streken ‘waar de natuur het
prachtigste was, daar niemand zich een denkbeeld
van kan maken, die in die streeken nooit geweest
is’. Denkelijk is hier Bentheim mee bedoeld. Het
slot en de omgeving waren toen zeer populair
voor uitstapjes. Ze raadde Naatje aan ook een keer
te gaan en ze garandeerde succes met het ultieme
argument dat ze geen berouw van de reiskosten
zou krijgen. Erg romantisch klinkt het in iedere
geval niet, deze natuurbeleving met het huishoudboekje
in de hand waarbij de schoonheid van het
landschap weggestreept wordt tegen de kosten.
Een voorgenomen reis van Elsje naar Naatje
wordt jaren uitgesteld. Voor de eerste keer kwam
het in 1830 ter sprake met de vermelding dat ze het
al twee jaar van plan was. In 1832 memoreerde ze
aan een vorig verblijf in het noorden, daarna
duurde het weer tot 1835 voordat Elsje opnieuw
naar Groningen ging.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
Naatje was trouwens met de mooiste vooruitzichten
niet naar Boschwijk te lokken. Haar
gevoelig hart zou niet tegen de herinnering aan de
gelukkige jaren met Berend Hendrik opgewassen
zijn. De familie te Zwolle vond dat ‘niets hupsch’
en ze raakten geïrriteerd omdat Naatje de Overijsselse
familie ‘in hun eigen sop liet gaar koken’ zonder
te komen. Maar ook deze rimpeling in de relatie
bracht Naatje niet tot andere gedachten. Alleen
toen ze Jans naar Hattem bracht, bezocht Naatje
Zwolle. Maar Elsje heeft dat niet meer meegemaakt.
Voor de dochter van een dichter wordt er
opvallend weinig gelezen. Er komt althans in de
brieven van Elsje geen enkele opmerking voor
over een enkel boek, zelfs niet over een stichtelijk
werk. Toen haar vader leefde brachten ze ‘bij een
lekker vuurtje’ menig avondje met ‘aangenaame
lectuur’ door.” Dat zal ze toch niet opgegeven
hebben?
Naatje onderhield een ‘vrolijke’ tuin, die door alle
kennissen als ‘magnifkq’ werd geroemd. Daar
moet ook een kas in gestaan hebben, want soms
voor St. Nicolaas ontving Elsje een trommel met
druiven.
Religie
Religie was een groot goed voor Elsje. De mens,
meende ze, heeft de beginselen van deugd en
godsdienst nodig om staande te blijven onder
zovele verzoekingen en verleidingen. Van enige
leerstelligheid is in haar brieven geen sprake, wel
nemen ze vaak een stichtelijke wending. Ze volgde
de voetsporen van haar vader in de veronderstelling
dat men in de best mogelijke wereld leefde en
dat er niets gebeurde buiten toedoen van God, die
het beste met zijn schepping voorhad (al lag dat
voor duiven en korhoenders toch anders als voor
mensen). Als het goed gaat, is het Gods genade, als
het slecht gaat moet de mens er zich maar bij neerleggen,
berusten en vertrouwen op Zijn plan dat
voor de mens bij voorbaat ondoorgrondelijk is.12
De troost die ze Naatje na de dood van Berend
Hendrik biedt is typerend. Naatje moest zich er
vooral bij neerleggen. Als ‘onze Hemelsche Vader
die enkel uit liefde en wijsheid handelt’ niet
gevonden had dat Berend Hendrik zijn taak hier
op aarde had volbracht, had hij hem niet opgeroepen.
De gedachte dat God zich met elk fragment
van het leven bezig hield, nam soms weliswaar
Boschwijk geschilderd
door de broer van Elsje,
de amateur-schilder
Louis Rutger Feith. Met
haar vader bracht ze
daar de zomers door, en
na diens dood bij haar
broer Everard Eisso
Feith (foto: Stedelijk
Museum Zwolle).
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vrome maar ook naïeve vormen aan. Zoals de
gehoopte genezende kracht in een glaasje madera.
Met het fatalisme van optimisten schreef ze herhaaldelijk
de wens neer dat God ‘het ten besten
schikken’ zal. Een genezing na een ziekte is in de
eerste plaats te danken aan de weldaden en zegeningen
van de hemelsche Vader.
De volmaakte bestendigheid wordt echter pas
gevonden in het hiernamaals in het gezelschap van
geliefden, familie-leden en kennissen. Een
gedachte die vanaf het midden van de achttiende
eeuw grote opgang maakte.13 Opmerkelijk is het
ontbreken van een plaats voor verdoemden. Met
enige lichtzinnigheid lijkt iedereen, ook in de
familie Feith, ervan uit te gaan dat men wel in het
hiernamaals op de goede plaats terecht zou
komen. Niet geheel overeenkomstig de leer van de
uitverkiezing was ook Elsjes hoop in het hiernamaals
de beloning te ontvangen voor het op aarde
doorgemaakte lijden.
Hoe nauw haar levensvervulling in familie en religie
lag, wordt nog het best samengevat door de
broer van Elsje, Louis Rhijnvis, waaruit ook duidelijk
wordt dat hij de opvattingen van zijn vader
deelde.14 In een brief aan Naatje naar aanleiding
van het overlijden van zijn zus schreef hij: ‘Intusschen
is het eene aangenaame gedachte dat wij
hun, na dit leven, daar eens weder zullen vinden
waar geen scheiding meer zijn zal, hoe zeer verbindt
ons dit niet aan den Hemel; werwaards ons
reeds zoo velen vooruitgegaan zijn, en onze komst
verbeiden; de kring onzer betrekkingen, moge dan
hier op aarde vernaauwen, iedere gaping op dit
beneden rond, is eene schaakel te meer in de
gewesten der zaligheid, zoo wordt de band, die
ons aan deze aarde verhegt, langzamerhand
gestaakt, om de band, die ons na den Hemel trekt
te versterken’.
Niet alleen tevreden met het vooruitzicht op
een geestelijk samenzijn in het hiernamaals,
streefde Elsje ook naar een aardse pendant. Dat
werd de nieuwe Zwolse begraafplaats aan de Meppelerstraatweg.
Het verheugde haar bijzonder
toen het mogelijk was ruimte voor de gestorven
familieleden te verwerven vlak naast ‘onze dierbare
ouders’, zodat ook op aarde de familie bijeen
was. Elsje werd daar, aan de voet van het monument
van haar vader, na haar overlijden op 10
maart 1837 begraven.
Noten
1. Aan deze brieven werd al eerder aandacht geschonken:
H.J.H. Knoester, ‘Nog enige onbekende brieven
van Mr. Rhijnvis Feith’, in: Documentatieblad
Werkgroep Achttiende Eeuw, 1979,3-9.
2. Voor de familierelaties: R. Feith, Genealogie van de
familie Feith, ‘s-Gravenhage 1924. Samengevat:
1. Pieter Rutger Feith x A. M. ten Dall: kinderen.
2. Octavia Bellinda Feith x H. Meder: één dochter.
3. Elsabé Machteld Catharina Feith.
4. Henriette Engelina Feith x O.Z. van Sandick: kinderen.
5. Hendrikus Octavius Feith x H.M. Meurs: kinderen.
6. Marius Gerardus Johan Feith x A.M.G. Colonius:
kinderen.
7. Louis Rhijnvis Feith x J.Th. van Dedem: géén kinderen.
8. Everard Eisso Feith lx Th.A.M. Hesse 2x E.M.
Rietberg: kinderen.
9. Berend Hendrik Feith x A.M. Sparringa Siertsema:
kinderen.
3. J.C. Streng (ed.), ‘Zo als men aan gemeenzaame
vrienden gewoon is te schrijven’. De correspondentie
van Rhijnvis Feith 1/53-1824, Epe 1994, brief 121 en
bijlage III.
4. Idem, brief 164.
5. Idem, brief 137.
6. Idem, brief 195.
7. Idem, brief 184.
8. H. Brouwer, Lezen en schrijven in de provincie. De
boeken van de Zwolse boekverkopers 1/77-1849, Leiden
1995,246.
9. M. van Essen, ‘Zwijgen, zorgen, liefhebben. Meisjesopvoeding
en -onderwijs in Nederland in de eerste
helft van de negentiende eeuw’, in: B. Kruithof,
J. Noordam en P. de Rooy, Geschiedenis van opvoedingen
onderwijs, Nijmegen 1985,386-393.
10. W.H. Warnsinck, ‘Mr. Rhijnvis Feith , geschetst uit
zijne gemeenzame brieven’, in: Gedenkzuil voor Mr.
Rhijnvis Feith, Leeuwarden 1825,104,105.
11. Idem, 103-104.
12. De gedachte was gebaseerd op de filosofie van Leibnitz.
P.J. Buijnsters, Tussen twee werelden. Rhijnvis
Feith als dichter van ‘Het Graf, Assen 1963, passim.
13. C. McDanell en B. Lang, Heaven. A history, New
Haven/London 1988,181-275.
14. Streng, ‘Zo als men’, brieven 137,168,172.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
In de wandelgangen van een villa
De geschiedenis van de villa aan de Van Roijensingel 13
De fraaie pompeuze villa’s aan de Van Roijensingel
weerspiegelen in het water van de
Zwolse grachten. Decoratieve neo-stijlen
geven de villa’s een extra glans. Halverwege de
negentiende eeuw waren deze huizen de residenties
van verschillende hooggeplaatste notabelen.
Zij hadden uitzicht op de door Hendrik van Lunteren
ontworpen stadsgrachten in Engelse stijl. De
singel bevond zich net buiten de stadsgrachten, in
een sjieke groene omgeving.
Verschillende welgestelde lieden bewoonden
deze paleizen. Een van de welgestelde lieden die er
nog niet woonde was, de heer E.J.I. van Sonsbeeck,
advocaat van beroep en tevens lid van de
Provinciale Staten. Hij gaf in het jaar 1872 de heer
B.H. Trooster, een aannemer, de opdracht een villa
aan het Klein Wezenland te bouwen (de huidige
Van Roijensingel).1 Net als vele (rijke) medeburgers,
wilde Van Sonsbeeck de benauwde binnenstad
uit en zich vestigen in een open groene omgeving
met uitzicht op de stad.
De eerste bewoners
De realisatie van Van Sonsbeecks droom nam
twee jaar in beslag. In 1874 werd zijn villa uiteindelijk
opgeleverd. Het pand was opgetrokken uit
neo-stijlen, voornamelijk in de neo-rennaisance
stijl. De heer Van Sonsbeeck kon met zijn familie
Derk Jan
Rouwenhorst
Het kleine Wezenland,
tegenwoordig Burgemeester
van Roijensingel
geheten, bij de Zeven
Alletjes rond 1885
(Gemeentearchief
Zwolle; collectie Waanders).
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Burgemeester LA. van
Roijen 1897-1933.
intrek nemen in de villa. Zestien jaar heeft de
familie er gewoond, totdat Van Sonsbeeck op 28
december 1890 (op zijn verjaardag) overleed. Na
zijn dood ging de villa over in de handen van W.C.
Bijl de Vroe, directeur van het Spoorweg Postkantoor.
2 Hij heeft maar enkele jaren aan het Klein
Wezenland gewoond.
Burgemeester mr. I.A. van Roijen.
Nadat de heer Bijl de Vroe uit Zwolle was vertrokken,
betrok mr. LA. van Roijen met zijn gezin en
personeel de villa. De heer van Roijen was net drie
jaar burgemeester van Zwolle. Voor die tijd had
hij een advocatenkantoor. Na een korte periode
als wethouder opgetreden te hebben, werd Van
Roijen in 1897 burgemeester van Zwolle. De
opvolging verliep niet geheel soepel. In die tijd
werd de burgemeester door de gemeenteraad
gekozen. Er waren drie kandidaten; de heer Van
Diggelen, schoolopziener van het district Steenwijk,
de heer Van der Vegte, die later minister van
Waterstaat zou worden, en de heer Van Setten,
deken der advocaten. Alle kandidaten waren zeer
gebrand op het burgemeesterschap, vooral de heer
Van Diggelen. Maar hij was in de gemeenteraad
niet erg geliefd. Hij was altijd haantje de voorste.
Mede om die reden benaderden de raadsleden
Van Roijen om te vragen of hij geen burgemeester
wilde worden. Van Roijen hield eerst de boot af.
Hij ambieerde een ambt in de diplomatieke dienst
en wilde via de Provinciale Staten en de Eerste
Kamer die functie bereiken.
Verder bezat hij een bloeiend advocatenbureau,
dat hij niet zomaar wilde opgeven. Maar er
werd op zijn gemoed gewerkt zodat hij uiteindelijk
beloofde zich toch kandidaat te stellen. Hij
verwierf de nodige stemmen en werd burgemeester
van Zwolle.
Met zijn verworven burgemeesterschap in 1897
brak er een nieuwe periode aan voor I.A. van Roijen,
maar vooral ook voor Zwolle. Hij gaf zijn
advocatenbureau op en verhuisde met zijn gezin
naar Klein Wezenland.3 Als burgemeester stond
hij aan het begin van een nieuw tijdperk. De ‘kleine
luyden’ leken steeds meer de macht naar zich
toe te trekken; ook de arbeiders lieten zich niet
onberoerd. Zelf was Van Roijen een man van de
burgerij, een liberaal politicus met grote bestuurlijke
capaciteiten. Zijn eerste jaren als burgemeester
werden gekenmerkt door provinciale eentonigheid.
Dit duurde tot 1903. Toen deed er zich
plotseling een spoorwegstaking voor. Aangezien
er veel arbeiders in Zwolle bij de spoorwegen
werkten, leek de ‘opstand’ in Zwolle een reëel
gevaar voor de openbare orde. Van Roijen greep
daadkrachtig in. Hij dreigde de staking te laten
neerslaan door Wijneandts in te schakelen, een
oud-indiëstrijder, die al eerder de Palingopstand
in 1886 hard had neergeslagen. Het bleef echter bij
een dreigement. Door de slechte organisatie bij de
stakende arbeiders zakte de ‘revolutie’ snel ineen.
In de loop der jaren was Van Roijen een echt politiek
dier geworden, sluw en geslepen als een vos.
Hij speelde zaken tegen elkaar uit en kwam vaak
als politiek winnaar uit de strijd. Maar hij kende
ook tegenslagen. In 1904 incasseerde hij zijn eerste
nederlaag. Deze werd ingeleid door problemen
rond zijn herverkiezing in de Eerste Kamer. Van
Roijen was vanaf 1902 lid van de Eerste Kamer en
moest in 1904 herkozen worden. Afgesproken
werd dat alle Zwolse raadsleden die zitting hadden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
in de Eerste Kamer, op de burgemeester zouden
stemmen. Hiertoe behoorde ook de heer Van Diggelen.
De eerste stemming werd gehouden, maar
mislukte omdat sommige leden van de Kamer nog
niet begrepen hoe het systeem werkte. De tweede
stemming werd gehouden, maar de burgemeester
kwam nèt één stem te kort. In de raad vermoedde
men dat Van Diggelen op de directe concurrent,
de heer Heerkens, had gestemd. Toen de leden van
de liberale fractie dan ook de prullenbak afzochten
(daarin bevonden zich de stembriefjes) naar
bewijs, bleken hun vermoedens waar te zijn. Van
Diggelen werd uit de liberale club gezet en mocht
de vergaderingen niet meer bijwonen. Vanaf die
tijd kent men het Zwolse gezegde; ‘ik laat me niet
bediggelen’.4
In het jaar 1912 ging het burgemeesterschap
van Van Roijen een nieuwe fase in. Er werd een
nieuwe jurist, de heer Van Leyden, benoemd tot
secretaris der gemeente. Samen met de burgemeester
vormden zij ‘het tweemanschap van de
gladde advocaat en de grote jurist’.5 Samen namen
zij veel besluiten buiten de gemeenteraad om,
waardoor zij dit orgaan vrijwel geheel vleugellam
maakt

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1995, Aflevering 1

Door 1995, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisc
Tiidschri
ir»
G 1 9 9 5 F 9 , 5 0
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
Dick Hogenkamp
Een van de huizen die tijdens de oorlog
zwaar werden beschadigd lag in de Anjelierstraat.
Op 28 april 1941 werd het getroffen
door een bombardement, waarbij vijf mensen
het leven verloren.
Hoe het kwam dat deze woning gebombardeerd
werd, is niet bekend. Mogelijk werd de bom
‘verloren’.
De juiste plaats van het getroffen huis is alleen
te herkennen aan de spits van de Jozefkerk aan de
Assendorperstraat.
Volgens één van de bewoners van de Groeneweg
werden nog tijdens de Tweede Wereldoorlog
de woningen herbouwd. In de jaren tachtig werden
die huizen volledig herbouwd. Tegelijkertijd
werd toen de Azaleastraat gesloopt.
Boven: De Anjelierstraat na het bombardement van
28 april 1941 (foto: de heer Goris, coll. Harmens).
Onder: De Anjelierstraat na de herbouw in de jaren
tachtig (foto: D. Hogenkamp).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt een themanummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift dat verschijnt bij
gelegenheid van 50 jaar bevrijding van
Zwolle.
Over de oorlog raakt men nog steeds niet uitgepraat.
Ook de redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft gemeend dat er nog zoveel te
schrijven valt, dat een themanummer gerechtvaardigd
is. De nadruk valt hierin op de zogenoemde
‘egodocumenten’: Zwollenaren en anderen vertellen
over hun belevenissen uit die oorlogsjaren. Zo
beschrijft Wil Cornelissen zijn herinneringen aan
de RHBS aan de Bagijnesingel. Om het verhaal te
completeren heeft hij tevens het archief van de
school doorgespit.
De Zwolse Ank Meliesie-Appelhof zat in die
periode ook op de RHBS. In haar bijdrage beschrijft
deze journaliste welke indruk de oorlog op een
Zwols puber-meisje maakte.
De ‘bevrijder van Zwolle’, de Canadees Leo
Major, vertelde in 1985 hoe hij in de nacht van 13 op
14 april 1945 de eerste geallieerde in onze stad was.
Zijn getuigenis wordt hier voor het eerst letterlijk,
in vertaling, weergegeven.
Bob Erdtsieck behandelt in zijn bijdrage het
reilen en zeilen van de kerken in Zwolle tussen
1940 en 1945. Vooral in het begin was nog nauwelijks
sprake van moedig openlijk verzet.
Het moment van de bevrijding is onderwerp
van een foto-artikel van Aranka Meijerink. Zij
haalde de mooiste foto’s van die dertiende en veertiende
april uit de collectie van Paul Harmens en
schreef er onderschriften bij.
In de rubriek Zwolle vroeger en nu vergelijkt
Dick Hogenkamp een gebombardeerde straat met
de situatie nu.
Aan het slot van deze aflevering volgen een
boekbespreking en enkele mededelingen.
Zwolle vroeger en nu Dick Hogenkamp
De Zwolse Rijks HBS tijdens de oorlogsjaren Wil Cornelissen
Herinneringen Ank Meliesie-Appelhof
De bevrijding van Zwolle op 14 april 1945 Leo Major
Zwolse kerken in oorlogstijd Bob Erdtsieck
De bevrijding in foto’s Aranka Meijerink en Paul Harmens
Boekbespreking
Mededelingen
Agenda
Auteurs
4
13
21
26
31
36
37
38
39
Omslag: Een Canadese bevrijder wordt op 14 april 1945 omstuwd door Zwolse
meisjes (foto: Voerman, coll. Harmens).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolse Rijks HBS tijdens de oorlogsjaren”
Wil Cornelissen
Ir. E.J. Baumann
Een gewone middelbare school, bevolkt met
gewone leerlingen, in een gewone provincieplaats.
Oorlog. Eerst in het verre buitenland. Na 10
mei 1940 ook in Nederland. Dreiging rondom, op
een armlengte afstand. Hoe reilde en zeilde het
onderwijs in die jaren? Konden de leraren hun
leerlingen vertrouwen? Konden de leerlingen de
leraren vertrouwen?
Ik ontmoette een medeleerling uit die tijd,
Roelof Arp. Toen ik hem vertelde dat ik bezig was
met een artikel over onze HBS in de bezettingsperiode
zei hij na een korte stilte: ‘Als ik aan de HBS
denk, denk ik aan de oorlog.’ Hoe heeft het ons
verdere leven beïnvloed?
Een kleine reconstructie.
Inleiding
De Tweede Wereldoorlog was op 3 september 1939
een feit. Op 24 oktober, lees ik in de notulen van
de lerarenvergadering, heeft directeur ir. E.J. Baumann
een circulaire gekregen, waarin staat dat in
oorlogstijd de school zal worden gesloten. ‘Daarom
heeft het geen zin meer verdere luchtbeschermingsmaatregelen
te nemen’, zo noteert de secretaris,
leraar L.T. de Bruin. Maar verder komen er
nog geen schokkende zaken naar voren. Of het
moest zijn, dat in november 1939 de heer Caspers
klaagt, dat ‘de leerling Geurtsen bij school een
pijpje rookte, hetgeen toch volgens het reglement
verboden is.’ De notulen van de lerarenvergaderingen
vermelden ‘normale’ zaken als brutaliteit
van leerlingen, spijbelen en rapportcijfers. En nog
in maart 1940 vraagt de heer Polak bij de rondvraag
of er al reisplannen zijn. ‘De voorzitter zegt
van neen.’
Bezetting
Nederland raakt op 10 mei op directe wijze
betrokken bij het drama. Zwolle wordt al op die
eerste oorlogsdag bezet door de Duitse troepen.
De burgemeester beveelt o.a. dat men géén licht
naar buiten mag laten schijnen, dat er geen trekdieren
en vee op de openbare weg ‘door hunne
geleiders mogen worden verlaten’, dat er niet mag
worden geschrobd en dat de WC zo min mogelijk
moet worden doorgetrokken. Maar onderwijs
werd er op die 10de mei en de volgende dagen niet
gegeven. Op 14 mei vermelden de notulen de
woorden van Baumann: ‘In deze tragische ure,
waarin we blij zijn weer aan het werk te kunnen
gaan, heb ik zojuist van den Inspecteur vernomen,
dat de school weer normaal door zal gaan.’ Maar
nog niet direct, want de ruiten zijn nog stuk! Toch
klinkt er al dreiging door. Er wordt vermeld dat
het verboden is een onderwerp aan te snijden, dat
niet met het onderwijs in verband staat. En er
mogen geen uitlatingen te berde worden gebracht
die ook maar enigszins naar politiek zwemen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De directeur neemt maatregelen
In een schrijven aan de ouders meldt de directeur,
‘dat de nieuwe cursus op normale wijze voortgang
zal vinden.’ Toch niet zó normaal, want in verband
met handhaven van de middeneuropese
zomertijd zullen de lessen wel op een heel merkwaardige
tijd beginnen. Er kan namelijk geen licht
worden gebruikt, ‘want lichtafscherming in het
gebouw is vanwege de daaraan verbonden kosten
niet mogelijk’. Daarom zullen de lessen na 18
november om 9.20 uur en na 12 december zelfs om
10 uur beginnen; pauzes vervallen evenals de vrije
woensdagmiddag. Voor de buitenleerlingen die
de IJssel moeten oversteken, is het lastig op tijd op
school te zijn. Er is veel stagnatie bij de veren (de
IJsselbrug was in de meidagen in de lucht gevlogen).
Ook schrijft Baumann aan de ouders: ‘Door
de nabije legering van Duitse troepen moest ik tot
mijn spijt de normale bewegingsvrijheid van de
leerlingen voor en na schooltijd enigszins inperken.’
Een circulaire uit Den Haag over leerboeken
‘die geen toespelingen mogen bevatten welke het
Grootduitse Rijk enz. in discrediet brengen of
daartoe geschikt zijn’ krijgt als reactie uit Zwolle
een schrijven waarin o.a. het volgende dubieuze
punt wordt vermeld: In het leerboek der scheikunde
nr. 22 van Dr. G.J. van Meurs en Dr. H.P.
Baudet staat op blz. 90, 21ste regel van boven dat
‘In de [Eerste] Wereldoorlog de gasaanval [door
het “blazen” van chloor] door de Duitsers bij Yperen
op 22 April 1915 het begin is geweest van het
gebruik op grote schaal van oorlogsgassen, organische
verbindingen, die bijna alle chloor bevatten.’
Mag zo’n zin er nu wèl of niet in blijven
staan? En in het Taaloefeningenboek van G.
Leffertstra staat de in te vullen zin: ‘In Duitsland
uitte zich het antisem…tisme in het verdr…ven
van talrijke Israël…ten.’ Baumann schrijft: ‘In de
eerste plaats is dit een feit, dat toch ook niet zal
worden ontkend.’ Ik vind het een dapper antwoord
van een HBS-directeur tegenover het zeer
‘foute’ ministerie (Departement heette dat toen).
Evenals het volgende: in de leerboeken der economie
‘zou men kunnen stuiten op de opvatting dat
men Marx niet meer mag noemen en hetzelfde
geldt voor economen als Lassalle, Malthus, Rathenau
en anderen. Ik meen, dat werken van deze
schrijvers in Duitschland verboden zijn. Wil men
inderdaad zover gaan, dan is geen enkel leerboek
in economie geschikt.’
Bij bestudering van de geschiedenis van onze
school komt men al heel spoedig de onvaderlandslievende
houding van de leraar Duits, B. de
3.»
«8
.; :A
ytï
550
551
, ” tl jat
wedar br
Schrljvu
BALFOUR
BAUVEJS
. . . . . .Banagrt bij don brlof van
nr. 17038′ afdcoling V.H.M
_! OCT. ‘ï?*i-
0 .
van bookon, wolko na vorwijdorlng van do aangogovon hlodzljdon
ulkboar zijn voor hot Voorburuidond Hoogor on Hlndelti
r(o) Titol
52 Advonturo atorioa ?or boys
pagi 109-118 “Tho iran croos pirato”
ultanijdün.
Zuid en noord I, 18de druk,
pag. 309-312 “Vadcrtjo Uuaaot” ultsnljdun
BEVLRLSY NICi-lOLS Twcnty-fivo.
; Pag. 25 uitsnijden ,’
BOAS
3R0EKHUYS2J,
VAM DEUfiSEN h
DB BUISONJÉ L
CE EUICOWÊ h
Hodcrn ongllah prono’ ‘,
Pag. 7 en pag: 66 – 77 uitsnijden
Van Groenlnnd tot do Zuidpool
N METO2R- POG- 139 ‘uitanijdon-
N D2 JONG Tuxto zur Uiborsotzung ina HollSndiacoo,
dool n , twoodo druk {N.B. do dordo druk
• la gocdgo!:ourd.}
,p. 12, NoVI “Gricchn” van AiZ-süig
‘ p. 22, No-XII, “Erinnorungaft” van Kronprlnz
ïJilhalm.
p« 27, No.XIV, “Dor.Kalocr” van Rathonau
p. 35, No.XDC, “JJapoloon im Be^sowagon”
, van B.Ludwig
p- 43, -Hö-HEVIl, ‘aicr-alto Fcntano” van
Th. a a n
N LE JONG Hutzolfdo bock, .Juol I,-dords druk,
dozolfdo uitgovor (N.B. dG Wo.druk Is
goodgokourd).
Do atuKton.van WRasorman, Hnnn oo Frank
uitanljdon.
lar Ondurwlja.
Uitgovor.
Hutchinoon,
Londen.
Dooolóo,
Eruggo.,
Ponguin Dooko,
Londen.
Hoc Mlllon,
Londen.
Zomer on Kounl-.i,.
V/agonlngon •
Woltora,
Groningun.
ultanijdon.

TSöltcru,
Groningon-
Jong tegen. Later komt ook de opvolger van Baumann,
P.A. van Rossem, op het tapijt. Mevrouw
Davidson en H. Strijker herinneren zich, dat De
Jong ‘meteen al in mei ’40 in zwart uniform op
school kwam’. En de eerste zegt ook nog dat deze
leraar haar en ook Hansje Pinas als joodse leerlingen
totaal negeerde.
Toch gaat het ‘gewone’ schoolleven óók door.
Een van de weinige amusante dingen vertelde de
heer A.J. Stoel (toen leerling, later leraar op de
Zwolse HBS) mij: ‘Ik ben één maal in mijn leven
om 4 uur ’s morgens opgestaan. Dat was op 10 mei
1940. Ik moest toen een biologie-repetitie van juffrouw
Talma (“De Bezem”) nog leren. Maar toen
ik een uur later hoorde, dat de oorlog was uitgebroken
en toen diezelfde morgen bleek, dat de
school gesloten was, dacht ik: Hè gelukkig, nou
gaat die repetitie tenminste niet door.’
Een deel van de verplichte
wijzigingen in de
leerboeken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dreigende taal
De dreiging die ik mij herinner, wordt bevestigd
in de oude bewaard gebleven geschriften. De genoemde
De Jong valt uit tegen een meisje dat op
een vraag van hem antwoordde met ‘Yes’. ‘We
spreken geen Engels; Gott strafe England.’ Tegenover
Baumann die hem ter verantwoording
R. H. B. o.
Besch«rmhe«n
d« WolEd. H««r
Ir. E. J. Baumann, Dit.
Cursus 9#2l
VEREN
Ie wijs
den Heer
…..—~*ïi£&4&
G
van
, f
NG – ZWOLLE
lidmaatschap
Nsmtns h«l bastuun
Hoe-wel directeur
Baumann al was ontslagen,
prijkte zijn
naam als ‘Beschermheer’
nog steeds op de
lidmaatschapkaarten
van de HBS-vereniging.
roept(!) verklaart De Jong, dat dit als grapje was
bedoeld. Baumann zegt dit in een schrijven aan de
Inspecteur MO van de inspectie. Er werd in 1940 al
hoog spel gespeeld. En ach ja, we liepen als protest
(was dit nu al een ‘verzetsdaad’?) met rood-witblauwe
kipperingetjes om de vingers. Maar Baumann
is bang voor de gevolgen. Hij schrijft aan vader
Hibbel in de Veenestraat: ‘Uw zoon droeg heden
in school een aantal z.g. kipperingetjes in nationale
kleuren. Omdat dit als een demonstratie
zou kunnen worden opgevat nam ik maatregelen.
Ik verzoek U om medewerking.’ En Herman Spijkstra
heeft bij een proefwerk zijn papier aan het begin
en aan ’t eind met vlaggetjes versierd ‘die daarbij
niet behoorden’. Ook zijn vader krijgt een brief.
Er moeten Ariërverklaringen worden ingestuurd.
Alle leraren vullen verklaringen A in. Voor
Dr. Jac. Smit was een B-verklaring nodig, hij was
‘gemengd’ gehuwd. De verklaringen van S. Elte en
J. Polak waren natuurlijk het ergste. Zij waren
jood. De heer Polak zou al spoedig met ziekteverlofworden
gestuurd.
De eerste vergadering zonder de leraar Elte
verloopt gespannen. Interessant is natuurlijk wat
er in de notulen staat. Soms is ’t nog interessanter
om te zien wat er niet in staat. Ook de heer Vleeshouwer
is dan al van school verdwenen. Hij werd
op 8 november 1940 met ziekteverlof gezonden,
werd op 11 januari 1941 wegens verzetsdaden gearresteerd,
kreeg levenslang, maar kwam na de oorlog
uit de concentratiekampen terug. In de notulen
staat over de vergadering van 6 december 1940
vermeld: ‘Een hartelijk welkom voor de Heer
Meursing, die de lessen van den Heer Elte geeft.
De Voorzitter wil geen politiek in deze vergadering
brengen; wanneer hij opmerkt, dat het ons
allen spijt, dat de Heer Elte zijn lessen heeft moeten
staken.’
Mijn aantekeningen over 1940 vermelden
voorts nog dat de burgemeester aan alle scholen
een waarschuwing schrijft over het feit dat er
scholieren zijn, die tegen Duitse soldaten aanfietsen
en ook lange neuzen trekken. Er komt eveneens
een waarschuwing in verband met Koninginnedag
op 31 augustus. De heer P.A. van Rossem
(dan nog leraar Frans aan het Christelijk Lyceum)
moet scholen controleren (!) en B. de Jong riep in
de Zwolse Courant volksgenoten op om lid te
worden van de NSB.
Baumann ontslagen
De voor de Rijks HBS belangrijkste gebeurtenis in
1941 is wellicht het ontslag en de arrestatie van
directeur Baumann geweest. Dat gebeurde in juli
van dat jaar. Maar daarvóór hadden zich al dreigende
zaken voor hem afgespeeld. Nadat P.A. van
Rossem door Rijkscommissaris Seyss Inquart is
belast ‘met het doen van onderzoekingen naar
gedragingen van leerkrachten, welke gevaar kunnen
opleveren voor het handhaven van de orde en
de rust in de scholen en het uitbrengen van een
advies aan mij daaromtrent’ (zo schrijft de beruchte
Secretaris-Generaal J. van Dam van het
Departement van Opvoeding, Wetenschap en
Cultuurbescherming), krijgt Baumann last met
Van Rossem. Deze laatste meldt aan het DeparteZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ment, dat hem bij een bezoek aan de HBS is gebleken
dat Baumann er geen kennis van zou dragen,
dat het Insigne-verbod in de eerste plaats de
docenten der scholen zou gelden. Voorts blijkt dat
het verboden boek ‘The Man with the Clubfoot’
nog op school in gebruik is. Het ernstigste is, dat
Van Rossem aan Van Dam in Den Haag heeft
gemeld dat ‘de uit zijn ambt ontheven leeraar S.
Elte herhaaldelijk de school bezoekt en met docenten
en leerlingen contact heeft.’ Van Dam wijst
er op, dat dit voor de heer Elte in de eerste plaats
onaangename gevolgen heeft.
Baumanns antwoord beslaat o.a. een volle
bladzijde over het dragen van verboden insignes.
En wat het Engelse boek betreft: ‘Dat is aan mijn
aandacht ontsnapt.’ Verder schrijft hij: ‘De heer
Elte is in de afgelopen maanden enige malen, ik
meen driemaal, op school bij mij geweest voor een
informatie, waartoe voor ieder de gelegenheid
open staat. De heer Elte is ook vader van een leerling
der school.’ Dat laatste was waar. Elte was
gemengd gehuwd, zijn dochter Greetje zat op de
HBS. Zij zou later eens van Van Rossem te horen
hebben gekregen: ‘Jij moet je kalm houden, anders
word je net als je vader verwijderd.’
Maar Baumann is nog niet klaar met Van Rossem.
Die schrijft hem op 26 mei 1941 vanuit zijn
huis in de Wilhelminastraat (toen nog niet omgedoopt
tot Willem de Zwijgerstraat), dat hem werd
verzekerd ‘dat U, naar aanleiding van mijn onderzoek
naar de wantoestanden op de school, die
onder Uwe directie staat, U jegens mij lasterlijke
uitlatingen hebt veroorloofd. Is het waar, dat U
hebt beweerd, dat ik bij dat onderzoek onder
invloed van alcohol stond? Zoo ja, hebt U die
bewering schriftelijk of mondeling, danwei schriftelijk
en mondeling gedaan?’
In een schrijven voor de zomervakantie van
1941 verzoekt de directeur aan de ouders medewerking
bij de inspectie van boekentassen van hun
kinderen, want er zijn tassen van leerlingen in
handen van de Duitse Politie gevallen, waarbij
‘ook beledigingen aan het adres van het Duitse
Staatshoofd zijn gevonden.’ Ook waarschuwt hij
tegen moppen, kettingbrieven ‘of wat dan ook’.
Op 19 juli 1941 wordt Baumann ontslagen door
de bezetter.
DIENST.
DepartementJyt& Opvoeding,
Wetenschap ej/jCultuur bescherming.
Den Heer
^ «nu
No. 597.
JWRECTÉUÏTRIJKS H. a. s. ZWOLIE
TELEFOONNUMMER 2081
Twee dagen later wordt Dr. J.F.L. Reudier
waarnemend directeur. Slechts voor korte tijd,
want op 18 november wordt hij ‘afgezet’. Zijn
opvolger is wiskundeleraar L.T. de Bruin. Hij zal
waarnemend directeur blijven tot de komst van
P.A. van Rossem op 1 augustus 1942.
Mijn aantekeningen van het jaar 1941 vermelden
onder andere de volgende feiten. Er zijn problemen
rond de salarissen, omdat de girorekening
nog rekent op de handtekening van directeur Baumann.
Maar die is dan ondergedoken en de handtekening
van de waarnemend directeur is bij de
giro nog niet officieel bekend. Er is bij leraren en
leerlingen grote angst voor verraad. Leerlingen
weigeren geld te geven voor een krans bij de begrafenis
van een mede-leerling; die jongen was NSB-er
(…). Leerlingen klagen, dat de leraar B. de Jong in
de klas praat over de krijgsverrichtingen in Rusland,
de overwinning van Duitsland en het verslaan
van Engeland en over het dienstnemen bij de
Waffen SS. In een schrijven van Reudier aan de
solliciterende heer W.J. Tuin wordt gesproken
over ‘de grote verwarring die hier nog steeds
heerst’.
In augustus en september 1941 wordt opgave
gedaan aan de burgemeester van joodse leerlingen.
Keurig naar klasse gerangschikt worden die
De C van Cultuurbescherming
in het
opschrift van deze enveloppe
werd veranderd in
een K (handschrift van
wnd. dir. De Bruin).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
leerlingen opgesomd die ‘uit ten minste 3 naar ras
voljoodse grootouders stammen en ten 2e zij, die
uit twee voljoodse grootouders stammen, wanneer
zij een Joodsch-godsdienstige opvoeding
ontvangen.’ Zo verdwijnen met ingang van 1 september
14 leerlingen van school…
Hoe reageerden de andere leerlingen hierop?
We weten het niet goed meer. Of hebben we ’t verdrongen?
Ik denk, dat de herinnering van Henny
van ’t Vlie het dichts bij de waarheid komt: ‘Wij
waren met de meisjes – 6 a 8 per klas – hecht
bevriend met elkaar. De Zwollenaren kwamen
ook geregeld bij elkaar thuis. Wij vonden het heel
erg toen de joodse kinderen niet meer bij ons op
school mochten komen. Wij hebben er met elkaar
over gepraat, en waren woedend én verdrietig, dat
onze vriendinnetjes er niet meer bij waren. Maar
we hebben niet gestaakt, zelfs niet geprotesteerd.’
We waren bang.
Er is natuurlijk wèl over het vertrek van de
joodse leerlingen en leraren gesproken. Zowel
P.A. van Rossem binnen als buiten de lerarenkamer, zowel binnen
als buiten de school. Maar de angst voor verraad
zat er in dat tweede oorlogsjaar al diep in.
Misschien is ’t hier de plaats even te spreken
over de ‘foute’ leerlingen of over de kinderen van
‘foute’ ouders. Bijna niemand sprak met ze. Ze liepen
alleen naar school, ‘een meter of tien vóór of
achter ons’, herinnert Henny van ’t Vlie zich.
Ikzelf heb het meisje Bentema, dat een paar huizen
van mij af woonde, inderdaad zó al die jaren naar
school zien gaan. ‘En ook Uschi was altijd alleen.
Soms werd er wel eens opgemerkt: “Zielig eigenlijk”,
maar zonder afspraak bemoeide toch niemand
zich met haar. In de gymlessen liep ze helemaal
achteraan. Zei ze iets, dan kreeg ze wel antwoord.
Ze werd niet totaal genegeerd, maar werd
ook nergens bij betrokken.’
Ik heb getracht in contact te komen met die
‘foute’ leerlingen van toen. Ik wilde met ze praten.
Ik kende nog een paar anderen ook. Maar mijn
pogingen waren tevergeefs. Ik heb uiteindelijk wel
met vier gesproken, maar over het onderwerp
‘foute leerling’, wilde (of kon) men mij niets vertellen.
Het moeten ook voor die leerlingen ellendige
jaren zijn geweest.
Van Rossem wordt directeur
Op 1 augustus wordt Pieter Arthur van Rossem de
nieuwe directeur van de Zwolse Rijks HBS. Niemand,
werkelijk niemand heeft goede herinneringen
aan hem. Wel zeer slechte. Lenie de Coninck:
‘Een beest, hij keek altijd in je agenda’s.’ H. Strijker:
‘Een loeder.’ Rudi Borggreve: ‘Een slagveldhyena.’
Verdere herinneringen bijvoorbeeld van
Wim Caspers en Jan Karel zijn al niet veel beter.
Van Rossem, geboren in het Belgische Temsche
op 11 december 1894, was in de Eerste Wereldoorlog
een wel zeer actief Flamingant geweest.
Hij werd voor zijn gedrag na die oorlog ter dood
veroordeeld en vluchtte naar Nederland. In 1931
komen we hem tegen als leraar Frans aan het
Zwolse Christelijk Lyceum aan de Veerallee. Volgens
het bevolkingsregister heeft hij dan ‘geen
nationaliteit’.
Na zijn aanstelling begon een waar schrikbewind
te heersen op school. Maar de eerlijkheid
gebiedt mij te zeggen, dat er ook al vóór zijn komst
strenge maatregelen worden genomen, zoals tegen
Rudi Elemans, die een aanplakbiljet der SS ‘op
schandelijke wijze heeft besmeurd’ (zo schrijft op
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
11 april de waarnemend directeur De Bruin). Aan
de inspecteur wordt in de desbetreffende brief
precies aangegeven wie van de leraren vóór en wie
tégen stemde om Rudi van school te verwijderen.
Maar het voorstel van De Bruin werd met 12 tegen
6 stemmen verworpen. De meerderheid vond verwijdering
toch een te strenge straf. Rudi moest nu
in de komende 10 weken elke woensdag en elke
zaterdag van 2 tot 4 uur op school terugkomen.
‘Hij zal dan onder toezicht van een lerares of leraar
werk maken’, schrijft De Bruin. Ik heb niet kunnen
vinden welke leraren zich hiervoor hebben
gemeld; of zouden ze zijn aangewezen?
Ook in dit jaar kom ik een brief tegen die te
maken heeft met (on)vaderlandslievendheid. Het
betreft een schrijven van de NSB-vader Gerritsen,
die aan de directeur schrijft of hij de cijfers van
zijn zoon Leen eens wil vergelijken met die van
andere leerlingen. Hij heeft de sterke indruk, dat
zijn zoon slechter beoordeeld wordt.
En verder? Ach, Van Rossem klaagt tegenover
de Secretaris-Generaal van het Departement van
Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming
(nu met een K gespeld!) dat er kopieën van vroegere
uitgaande en ingekomen stukken ‘niet of
slechts sporadisch aanwezig zijn. Wie ze zoekgemaakt
heeft en waar zij gebleven zijn, weten wij
niet. Maar, het moeten onverantwoordelijke elementen
zijn geweest.’
Op 10 september 1942 wordt een speciale lerarenvergadering
gehouden, ter gelegenheid van het
75-jarig bestaan van de school. Het is alleen Van
Rossem die het woord voert. Uit de notulen pluk
ik de volgende zinnen: ‘Hier worden jonge mensen
opgeleid en opgevoed door leraressen en leraren,
die de taak op zich genomen hebben, de
samenleving bruikbaar en zelfs deugdelijk materiaal
te leveren voor de geestelijke en stoffelijke
opbouw van het volksbestaan.’ En dat zal moeten
gaan ‘goedschiks of kwaadschiks’. Hij hoopt verder
dat het toekomstige honderd-jarig bestaan
feestelijk herdacht zal worden. Dat is nu niet
mogelijk ‘omdat deze tijd zich nu eenmaal niet
leent voor feestelijkheden.’ Wat dat laatste betreft,
had Van Rossem nu eens gelijk!
Dreiging
In de jaren 1943 en 1944 wordt het steeds moeilijker
de lessen doorgang te laten vinden. Er vinden
razzia’s plaats (Van Rossem klaagt over het vele
absenteïsme van leerlingen in de hogere klassen).
De heer Tuin, die in Leeuwarden woont (het leraarschap
te Zwolle is niet zijn enige baan), vraagt
het lesrooster zó te maken dat de trein van half drie
uit Zwolle gehaald kan worden. Anders moet hij
om half zes weg en de trein heeft meestal vijftig minuten
vertraging, ‘en dan heb ik een bewijs nodig
om op straat te zijn tot 9 uur. Anders moet ik tot 4
uur binnen blijven.’ Voor de onbekenden met deze
materie: er gold een verbod om zich op bepaalde
tijden ’s nachts buiten te bevinden.
Ik zie ook, dat de leerlinge Elly Bokstijn plotseling
tijdens de cursus 1943/1944 in de tweede klas
wordt geplaatst, in 1944/1945 in de derde klas zit,
maar de leerlingenkaart vermeldt dat zij in de cursus
1945/1946 vertrokken is. Het lijkt een doodgewone
mededeling, maar ik weet dat Elly uit Den
Haag kwam, waar haar vader op het CDK (— Centraal
Distributie Kantoor) werkzaam was. Het
CDK werd uit de kustlinie naar Zwolle gedirigeerd
en zo kwam Elly naar de provincie.
Gjalt Spijkstra
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In de Thomas a Kempisstraat
was in de
oorlog de Wehrmachtstankstelle,
waar leden
van Hitlers oorlogsmachine
hun benzine
haalden. Benzine werd
voor gewone Nederlanders
in de loop van de
oorlog steeds schaarser.
De foto werd op 25
februari 1941 gemaakt.
In het meest rechtse huis
is momenteel tabakswinkel
Thomas a
Kempis gevestigd; waar
in 1941 het bord Esso
aan de muur was bevestigd,
is nu een snackbar
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
Spanning bracht op school de kwestie Gjalt
Spijkstra. Misschien is dit het enige echte openlijke
verzetsverhaal van een leerling. In de hoogste
klas gaf de leraar Duits opdracht een stuk uit het
Duits in het Nederlands te vertalen. Dit stuk was
afkomstig uit ‘Mein Kampf van Adolf Hitler! De
klas weigerde de vertaling te maken. Gjalt Spijkstra
nam als klassevertegenwoordiger de taak op
zich om dit aan de ‘foute’ leraar De Jong te melden.
Een uitermate flinke, maar ook riskante zaak.
Het kwam Spijkstra duur te staan. Twee dagen
later werd hij gearresteerd en naar de gevangenis
in Arnhem getransporteerd. Hij heeft daar zes
weken gezeten.
Ook de leerling Jan de Coninck werd eens,
voor een andere zaak, gearresteerd.
Het was gevaarlijk om je mond open te doen.
En het was nog gevaarlijker om dat tegen onbetrouwbare
leerlingen of leraren te doen. Gelukkig
waren verreweg de meeste leraren ‘goed’. Er wordt
verteld, dat de heer Zijlstra (‘Sijmen’) bijvoorbeeld
absoluut niet bang was. Hij waarschuwde de
oudere jongens, als er weer eens een razzia werd
gehouden. ‘Dan klommen we langs de regenpijpen
naar beneden.’
In 1944 moest de school geheel worden ontruimd.
Dat was al in het jaar daarvoor gedeeltelijk
gebeurd. Maar nu eisten de Duitsers het hele
gebouw op. We werden gehuisvest in de meisjesschool
in de Bloemendalstraat èn in de gemeentelijke
naaischool op ’t Assiesplein. Die verhuizing
herinner ik mij nog zéér wel. Bovenop de bok van
een paard en wagen zat ik daar, met het geraamte
‘Piet’ naast me. Achter mij klotsten de retorten,
reageerbuizen, natuur- en scheikundetoestellen
door en over elkaar. Een zotte tocht moet dat zijn
geweest. Voorzichtig waren we niet. Rudi Borggreve
weet nog dat hij zoutzuur over het uurwerk
van de grote klok in het nu lege gebouw goot. Misschien
was ook dit een klein verzetsdaadje.
De heer Smit klaagt in januari 1944 dat hij ’t zo
koud heeft. Kolen zijn er niet. We houden de jassen
in de klas aan.
Ook zijn er leraren (onder anderen Caspers en
de wiskundeleraar J.H.N, de Jongh, niet te verwarren
met de foute De Jong!) opgepakt. Zij moesten
voor de bezetters verdedigingswerken graven.
Zowel Caspers als De Jongh zijn er met valse doktersverklaringen
uitgekomen. Zij werden in de
Buitensociëteit gevangen gehouden. Veel Zwolse
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
doktoren waren in die tijd bereid valse verklaringen
af te leggen. Vooral dr. Eeftink Schattenkerk
was daar een meester in. ‘Hij vertelde je precies
hoe je moest suggereren, dat je een maagzweer of
een blindedarmontsteking had.’
De eerste maanden van het laatste oorlogsjaar 1945
waren koud, gevaarlijk en angstig. En hoewel in
Zwolle geen échte honger is geleden, waren we
voortdurend op zoek naar eten. Lessen op school
werden onregelmatig gegeven. De leraren en de
oudere leerlingen (de jongens liepen groot gevaar
opgepakt te worden), durfden niet goed meer over
straat. Op de lerarenvergadering van 10 april (er
zijn slechts zes leraren aanwezigen) deelt voorzitter
Van Rossem mee, dat de opkomst der leerlingen
gering is. Besloten wordt de school tot nader
order, wegens het oorlogsgeweld, te sluiten. Het
zal Van Rossems laatste vergadering zijn.
Vier dagen later wordt Zwolle door de Canadezen
bevrijd.
Bevrijding
Was na die veertiende april 1945 alles weer spoedig
nogmaal? Verre van dat.
Een kleine greep, zéér onvolledig, uit die
schoolperiode.
Libbe Blom uit mijn klas komt om bij het
demonteren van een granaat. Van Rossem wordt
gearresteerd. De Jong eveneens. Deze laatste was
op 1 maart 1943 naar de Duitse School in Hengelo
gegaan. Beiden worden ‘wegens ontrouw’ ontslagen.
Baumann komt terug, schrijft op 15 mei aan
de commissaris van politie Lettinck een aanklacht
tegen Van Rossem en De Jong (in zijn brief noemt
hij ze ‘het tweetal schurken’). Bij de eerste lerarenvergadering
worden Baumann en Elte hartelijk
verwelkomd. Vleeshouwer zal later, op 22 juni, uit
een concentratiekamp terugkomen. De school aan
dé Bagijnesingel verkeert in een verregaande staat
van vervuiling en wordt bovendien voorlopig nog
niet vrijgegeven. Daar zullen we pas in de herfst
van 1945 terugkomen; we worden dan verwelkomd
door een groot aantal vlooien.
Maar in april kunnen we ook niet meer in de
Bloemendalstraat terecht: ‘Het zal dus nodig zijn
het gehele onderwijs te geven in het gebouw aan
-BUPAUTIiMUUT VAH
KUNSTtN E^
Afschrift.
OMPBRWUi^ KUN6TEH -BW
1 3 ?l?5??*.?ï! X3QC 194-5»
No. 159.8 AFDEELINGX.H.BM.O.
-PC SECRETARIS-GENERAAL VAN HET DEPARTEMENT
“’t
‘-fl I 9 DEa 1945
IWlJt», KUNMRN faSF= 5KFF
DE MIHISTER VAN ONDERWIJS, KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN:
Gelet op artikel 4-, sub 1, van het Besluit Rechtsherstel
ontslagen ambtenaren, het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren, het Koninklijk Besluit van
18 April 1945, no 2, (Staatsblad no F.55) en het
Ambtenarenreglement Rijke hoogere burgerscholen;
HEEFT GOEDGEVONDEN:
opnieuw te benoemen aan de Rijka hoogere burgerschool te
Zwolle te rekenen van 14 April 1945
a. Ir.E.J. Baumann tot directeur in vasten dienst, op een
jaarwedde tevens pensioensgrpndslag van zesduizend zeshonderd
zeven en tachtig gulden (f.6687.-), waarbij een
tijdelijke toelage zal worden toegekend van tweehonderd
een en negentig gulden (f.291.-) per jaar;
b. S.Elte, tot leeraar in vasten dienst, op een jaarwedde
-tevens TiftnBlofinagrondalag van vijf duizend negenhonderd
gulden tf.59OO.-T, waarbij een tijdelijke toelage zal
worden toegekend van tweehonderd zeven en vijftig gulden
(f.257.-) per jaar.
Afschrift dezer zal worden gezonden aan de Algemeene
Rekenkamer, aan den Inspecteur van het middelbaar onderwijs
in de vierde inspectie en aan den Directeur der Rijks hoogere
burgerschool te Zwolle» Uittreksels zullen worden gezonden
aan de belanghebbenden, elk voor zooveel hem aangaat„
1s-Gravenhage, 13 December 1945.
den Directeur der Rijka
hoogere burgerschool
te
Z w o 1 1 e .
het Assiesplein.’ Omdat daar slechts zeven lokalen
vrij te maken zijn, zullen er twee ploegen van telkens
zeven klassen komen. De ene week krijgt een
ploeg ’s ochtends, de andere ’s middags les; de volgende
week omgekeerd ‘omdat over ’t algemeen
de ochtendlessen vruchtbaarder zijn’. De dames
De Kok en Van Niftrik zijn in april nog niet aanwezig.
Zij zitten in het nog bezette deel van het
land en kunnen Zwolle dus nog niet bereiken.
De leerlingen zijn geleidelijk de tucht ontwend.
‘Ze zijn verwilderd’, staat er te lezen. De
joodse leerlingen komen, voor zover zij de oorlog
De herbenoeming van
Baumann en Elte met
ingang van de bevrijdingsdag
van Zwolle (14
april 1945). Zie de verwarrende
strepen in het
hoofd van de brief. Nog
tot lang na de bevrijding
gebruikte men het oude
oorlogspapier.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hebben overleefd, weer op school terug (passend
zou natuurlijk zijn, daar een lang verhaal over te
schrijven).
Baumann klaagt in de vergadering, dat niet
iedereen zijn mond heeft kunnen houden over het
feit dat hij met enkele collega’s over hun houding
in de oorlog heeft moeten spreken. Dat waren dan
de leraren die niet echt fout, maar wellicht ook
niet echt goed geweest zijn. De namen van hen
zijn mij bekend, maar zou hun houding veel verschillen
met de houding van al die andere Nederlanders?
Ik geloof van niet.
De leraren in de exacte vakken klagen, dat de
vijfde-klassers ‘de werkroutine kwijt zijn, terwijl
ze ook geen fundamentele kennis meer hebben. Er
zijn ernstige hiaten; zo kunnen de leerlingen niet
meer werken met negatieve exponenten.’ Deze
klacht is van oktober 1945. De vijfde-klassers van
de cursus 1944/1945 hadden hun diploma die
zomer zonder examen gekregen.
En de NSB-kinderen? Over de NSB-ers (zó worden
ze genoemd in de notulen) wordt verklaard:
‘Als ze geen aanleiding geven tot verstoring der
orde kunnen ze worden geplaatst.’
Er is een groot tekort aan boeken. Aan de leraren
wordt gevraagd hun present-exemplaren af te
staan. Bij het weer in gebruik nemen van ons eigen
gebouw aan de Bagijnesingel blijken er wel veel
vlooien maar weinig borden te zijn.
Maar het onderwijs komt weer op gang, al lees
ik dat nog in 1947 de eindexamenopgaven mechanica
en Frans niet zo streng beoordeeld moeten
worden. Er moet rekening worden gehouden met
de afgelopen jaren. De heer De Jongh verklaart,
dat het nog wel tot 1950 heeft geduurd, voordat
alles weer ‘echt normaal’ was.
Veel is er geschreven. Veel is ook niet geschreven.
Ik vertelde niet over de vele malen luchtalarm,
over de dramatische begrafenis van de leerlinge
Willie Hartsuiker, verstoord door overvliegende
schietende vliegtuigen, over het dragen van klompen
in de school, want schoenen hadden we niet
meer, over de secretaresse van de HBS-vereniging,
Dicky van der Laan, die aan het Departement toestemming
moest vragen voor de opvoering van
een toneelstuk, over de Zwolse NSB-ers die in de
zomer van 1945 de school moesten schoonmaken
na de ontruiming der Canadezen en Engelsen
onder bewaking van ex-verzetsmensen, die nog al
eens gauw met een handgranaat dreigden.
Toen de lerares mej. J.E.C, de Kok uit Utrecht
in Zwolle terugkwam, woog ze nog maar 87 pond.
‘Baumann zei me: Ga alsjeblieft gauw zitten!’
Leraar Tuin zat in het verzet tijdens de oorlog. En
de heer A. de Roos, onze conciërge, zag na de oorlog
de (toen) gevangen genomen Van Rossem
hem toefluisteren: ‘De Roos, hoe denken ze over
mij?’ De Roos antwoordde: ‘Och, dat gaat wel.’
Een aardige man, die meneer De Roos, maar juist
was zijn antwoord niet…
Slotbeschouwing
Men vroeg mij te schrijven over de Zwolse HBS tijdens
de oorlogsjaren. Ik ben mij er volledig van
bewust dat het een zeer onvolledig verhaal is
geworden. Ik mengde mijn eigen herinneringen
met de feiten die ik in de archieven vond. En
gelukkig waren velen mij behulpzaam door hun
verhalen aan mij door te geven.
Vijftig jaar geleden.
Het kwam weer terug …
Noot
* Bovenstaand verhaal is een bewerking van een artikel
dat in 1992 is verschenen in het herdenkingsboek
‘Vijfmaal zilver’ -125 jaar RHBS, MMS, RSC, Van der
Capellen scholengemeenschap Zwolle.
Het artikel is gebaseerd op archiefmateriaal en op
mondelinge en schriftelijke herinneringen van oudleraren,
oud-leerlingen en van de schrijver zelf, die
van 1941 tot 1948 leerling was van de Rijks HBS.
In het rijksarchief aan de Eikenstraat te Zwolle is
het archief van RHBS te vinden onder nr. 344.3. Van
de oorspronkelijke 18 meter is 3.75 meter bewaard
gebleven. 2.25 meter ging retour naar de school.
12 meter is vernietigd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen
De Tweede Wereldoorlog ligt nu al weer
een halve eeuw achter ons. De hele ellende
heeft bijna vijf jaar geduurd. En wat
zijn nu vijfjaren in een halve eeuw? Toch hebben
deze jaren een zeer diepe indruk gemaakt op degenen
die ze bewust hebben meegemaakt. Vooral
omstreeks de meidagen komt ons alles duidelijk
voor de geest: de spannende dagen rond de tiende
mei 1940, de honger – al hebben wij in Zwolle
nauwelijks echte honger gekend! – , de overtrekkende
vliegtuigen, het luchtalarm, de angst voor
razzia’s, maar vooral de enorme blijdschap, toen
we eindelijk werden bevrijd. Ik kan me niet voorstellen
een dergelijke massale vreugde-uitbarsting
daarna ooit meer te hebben meegemaakt; we
waren eindelijk vrij!
Nu vinden we dit vanzelfsprekend. En we zijn
dikwijls ontevreden, terwijl we het toch eigenlijk
zo ontzettend goed hebben. Daarom is het goed
terug te blikken op de tijd, waarin wij geknecht
werden door Hitler’s trawanten. En daarom is het
belangrijk, dat wij ons realiseren waar rassenhaat
– die in onze tijd weer zo opkomt- toe kan leiden.
Ik was een kind, toen de oorlog uitbrak. Daarom
hebben mijn leeftijdgenootjes en ik misschien niet
ten volle beseft wat onze ouders in die tijd hebben
afgetobd. Wat moet het voor moeders moeilijk
zijn geweest hun kinderen niet te kunnen geven,
wat ze nodig hadden. En dan die angst om mannen
en zonen, die elke dag kans liepen opgepakt te
worden om in Duitsland te werk te worden
Ank Meliesie-Appelhof
Klas3A van de RHBS in
1943. De foto werd genomen
op de binnenplaats
van het schoolgebouw
aan de Bagijnesingel
(foto: A. Meliesie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Klas3A van de RHBS in
een andere samenstelling,
nu gefotografeerd
in de tuin achter de
school. De kniekousen
die de meisjes droegen,
waren gemaakt van een
uitgehaalde sprei of van
zelfgesponnen schapewol
(foto:A. Meliesie).
gesteld. Om niet te spreken over mannen en vrouwen
die dagelijks hun leven waagden in de illegaliteit.
Wat dat betreft heb ik maar weinig meegemaakt;
datzelfde geldt eigenlijk voor een groot
gedeelte van de Zwollenaren. Als kind vond je het
best spannend. Er gebeurde nog eens iets! Bovendien
had je kans, dat een repetitie niet doorging,
‘Komt er oorlog?’
Ik herinner me nog, dat de ‘grote mensen’ dikwijls
ernstige gesprekken voerden en daarbij zeer zorgelijk
keken. Maar er gebeuren zoveel interessante
dingen in je kindertijd, dat je daar niet bij stilstond.
Gebeurtenissen in Duitsland, zoals jodenvervolging,
rassenhaat en het gebral van Hitler
omdat er luchtalarm was. En het laatste oorlogsjaar
had je maandenlang vrij van school. ‘Kolenvakantie’
noemden ze dat, omdat er geen brandstof
meer was om de klaslokalen warm te stoken.
Bovendien konden veel onderwijzers en leraren
niet meer vrij over straat lopen, omdat de moffen
– we noemden de Duitsers nooit anders en ik
moet bekennen, dat ik nog altijd over ‘moffen’
praat – behoefte hadden aan jonge mannen om
voor hen te werken.
Nee, dit wordt geen verhaal over lijden en ontberingen.
Hier volgen de herinneringen van een
Zwols meisje aan de periode, die zo’n diepe
indruk heeft nagelaten op de mensen die het allemaal
hebben meegemaakt.
gingen volledig aan ons voorbij. Wel weet ik nog,
dat op de bovenverdieping van een huis vlak achter
het onze, plotseling oude Duitse joden woonden.
Ze waren er opeens.
Het woord ‘oorlog’ hoorde ik steeds vaker en
ik werd soms wel een beetje bang. ‘Komt er oorlog?’
vroeg ik dan. En altijd was het weinig bevredigende
antwoord: ‘Dat is niet te hopen’.
En toen kwam de ochtend van de tiende mei.
Heel vroeg werd ik wakker, omdat mijn oudere
zus half huilend de slaapkamer van onze ouders
binnenliep: ‘Ik hoor steeds schieten en er zijn allemaal
vliegtuigen. Het is oorlog.’ ‘Ga toch slapen’,
zei mijn vader doezelig: ‘Dat zijn alleen maar oefeningen.’
Maar plotseling klonk een harde knal en
ook wij hoorden het onheilspellende gebrom van
vliegtuigen. We vlogen ons bed uit en renden naar
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
beneden. Daar werd direct de radio aangezet (wij
hadden radiodistributie) en door de luidspreker
hoorden we de sombere stem van de omroeper,
die sprak over schending van onze neutraliteit,
gesignaleerde vliegtuigen en gelande parachutisten.
Het was oorlog.
Later gingen we naar buiten, waar de mensen
bij elkaar stonden. Wij, de kinderen uit de straat,
waren al gauw over de schok heen en speelden
krijgertje rondom de groepjes pratende ouders.
De ramen werden beplakt met lange stroken plakband
om te voorkomen, dat het glas zou breken
als er een explosie zou zijn.
’s Middags zagen wij de Duitse soldaten voor
het eerst – en nog lang niet voor het laatst!- in de
Wipstrikkerallee. Ik heb geen idee, waar ze plotseling
vandaan kwamen. Ze waren zeker niet helemaal
uit Duitsland naar Zwolle komen lopen… In
camouflagepakken, met helmen, die waren bedekt
met bladeren en takken, slopen ze van boom tot
boom. Dus dat was nu de vijand!
’s Avonds sliepen we met ons vieren in de
voorkamer op matrassen. Voor zover ik me herinner
was het een vrij rustige nacht. De volgende dag
kregen we inkwartiering. We moesten een piepjonge
Duitse soldaat in huis nemen. Het was bijna
nog een kind. Mijn ouders kwamen met de jongen
in gesprek. Er was hem verteld, dat de Engelsen
ons land waren binnengevallen en dat de Duitsers
waren gekomen om de Britten te verjagen. Mijn
vader en moeder hebben hem duidelijk gemaakt,
dat daar geen sprake van was en dat de Duiters ons
land hadden overvallen! Ik verstond toen nog
geen woord Duits, maar de soldaat schijnt te hebben
gezegd: ‘Wat moet het voor jullie dan moeilijk
zijn om mij in huis te moeten nemen.’ Na deze
woorden was het onmogelijk de arme jongen
honds te behandelen. Zou hij de oorlog overleefd
hebben?
Bezetting
Het waren vreemde dagen. Het was stralend weer,
maar de stemming was somber, omdat duidelijk
werd, dat bezetting onvermijdelijk was; vooral
toen we hoorden, dat koningin Wilhelmina, prinses
Juliana en de kleine prinsesjes ons land hadden
verlaten. Burgemeester van Walsum hield via de
radio een emotionele rede, waarin hij het Koninklijk
Huis hevige verwijten maakte over deze
‘vlucht’. Hij zal daar later ongetwijfeld veel spijt
van hebben gehad. In elk geval is het hem niet in
dank afgenomen. Het is uiteraard in een opwelling
gebeurd.
Het werd 15 mei. Wij hoorden geruchten, dat
Rotterdam zwaar was gebombardeerd en dat
andere grote steden zouden volgen als Nederland
niet capituleerde. De vijf vreselijke oorlogsdagen
waren voorbij. Je zag veel mensen huilen. Optimisten
zeiden, dat het hoogstens een jaar zou
duren. Aan deze uitspraak klampte je je hoopvol
vast, omdat je het zo graag wilde geloven. Het is
maar goed, dat wij toen nog niet wisten, dat het
bijna vijfjaar zou duren, voordat we de rood-witblauwe
vlag weer konden uitsteken.
Het eerste jaar merkte je eigenlijk niet zoveel
van de oorlog. Er was nog niet zoveel gebrek aan
alles. Dat kwam pas later, toen de bonkaarten
kwamen en de mensen – ik geloof vanaf hun vijftiende
jaar – een persoonsbewijs kregen. Wel zag
je de gehate Duitse uniformen in de straten en
dikwijls marcheerde een kolonne Duitse soldaten
door de straten. Ze zongen uit volle borst; en
eigenlijk zongen ze allesbehalve lelijk. Ze zongen
liedjes als: ‘Heidemarie’ en ‘Erica’. (Onze Nederlandse
militairen zongen de vaderlandse versie:
Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad.)
Veel erger waren echter de zwarte uniformen
van de NSB-ers. Die werkten op ons, Nederlanders,
als een rode lap op een stier. En dan de
Jeugdstormers met hun blauwe bloesjes en hun
zwart-oranje mutsen. Bij mij in de klas zat een
meisje, dat bij de Jeugdstorm was. Op hoogtijdagen
kwam ze in uniform op school. Ik had de
pech, dat ze naast mij in de bank zat. Ik ging helemaal
op het puntje zitten, zodat ik er bijna afviel.
Eigenlijk was het een heel lief kind en ze kon er
natuurlijk ook niets aan doen dat haar vader NSBer
was. Maar ze werd gemeden als de pest en niemand
vond haar zielig. Nu, achteraf, natuurlijk
wel!
Na verloop van tijd zag je mensen met een ster
lopen. Dat waren joden. In de binnenstad, vooral
in de Bitterstraat en omgeving, woonden veel
joden. Zij werden één voor één weggevoerd, maar
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aan de Meppelerstraatweg
was al snel na de
oorlog voor de daar op
31 maart 1945 gefusilleerden
een kruis opgericht.
Later werd een
meer permanent herinneringsteken
geplaatst.
De Meppelerstraatweg
werd toen nog
omzoomd door weilanden
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
daar heb ik eigenlijk weinig van gemerkt. Wel verdwenen
er joodse klasgenoten en leraren.
Wij begonnen langzamerhand door te krijgen,
dat de oorlog wel langer zou duren dan een jaar.
De situatie werd grimmiger en ook het verzet
werd groter. Er verschenen illegale blaadjes. Ik
weet nog goed, dat die bulletins tussen de leuning
en de zitting van de stoelen werden verstopt.
Kruitschip
We zijn op een ochtend erg geschrokken. Dat was,
toen een kruitschip in de buurt van Zwolle werd
getroffen. Ik lag te dromen over een klein vliegtuigje,
dat een groot vliegtuig aanviel. Zou het een
voorspellende droom zijn geweest? Ineens hoorden
we een harde dreun. Mijn moeder riep, dat ik
naar beneden moest komen. Ik had daar weinig
zin in, want het was toch al gebeurd? Toen ik in de
gang kwam zag ik mijn vader, die zich in de WC
stond te scheren. Hij was zich juist aan het inzepen
toen de klap kwam en ging daar, op de volgens
hem meest veilige plek, gewoon mee door.
Wij hadden er geen idee van, wat er aan de
hand was. Van de meeste huizen waren de ruiten
gesneuveld. Bij ons was alles nog heel, waarschijnlijk
omdat de bovenraampjes open stonden. Het is
gek, dat je op spannende momenten soms de slappe
lach krijgt. Op de bovenverdieping van een
huis in onze straat stak een gezette buurvrouw
verdwaasd haar hele, in hardroze nachtpon gestoken,
bovenlichaam door het raam, waar geen glas
meer inzat. Het was een komisch gezicht.
Melk halen
Echte honger hebben wij niet gekend. Maar elk
jaar werden de levensmiddelen schaarser. Schoenen
waren niet meer verkrijgbaar; alleen via de
zwarte handel. Schoenzolen slijten en kindervoeten
groeien snel. Daarom gingen we klompen dragen.
Wij gingen op klompen naar school en dat
was best te doen, wanneer je er eenmaal aan
gewend was. Alleen als er sneeuw lag was het lopen
soms moeilijk. Er bleven dan dikke klonten onder
de klompen plakken, die je telkens moest verwijderen.
Zo kloste je in school met veel lawaai over de
houten vloeren. We verfden de klompen in verschillende
vrolijke kleuren. Het mooist waren de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
fel oranje exemplaren, beschilderd met rood-witblauwe
vlaggen. Want je trachtte je vaderlandslievendheid
op allerlei manieren te tonen. De NSBers
waren op dat punt erg kinderachtig. Oranje en
rood-wit-blauw waren taboe.
Het brood zag er nauwelijks uit als brood. Het
was een donkere, kleiige substantie, waar we soms
uit balorigheid balletjes van maakten. Wij, Zwollenaren,
hadden het geluk midden tussen de boeren
te wonen, zodat er nog wel aan groente, fruit,
eieren, melk en soms vlees te komen was. Enkele
malen per week gingen we met de fiets de boer op
om melk te halen. Ik had het geluk, dat mijn fietsbanden
erg lang goed gebleven zijn, al hobbelde
het wel erg door de vele stukken, die op de binnenbanden
waren geplakt. Veel mensen moesten
het met houten banden doen.
Mijn grootouders hadden een bakkerswinkel
in de Voorstraat. Daar kwamen op vrijdag, als er
markt was, boeren uit de omgeving inkopen doen.
Mijn oma tracteerde ze in de kamer achter de winkel
op koffie. Daardoor kende mijn vader veel
boeren, waar we melk mochten halen. In weer en
wind fietsten wij naar Wijthem, Berkum, Haerst
en het Plankenloodsje. Mijn moeder had grote
zakken genaaid, die zij onder haar rokken droeg.
Daar stopte ze de melkflessen in, want als bij een
controle bleek dat je levensmiddelen bij je had,
dan was je ze kwijt.
Tijdens zo’n tocht heb ik eens iets vreselijks
meegemaakt, dat ik nooit zal vergeten. Ik fietste
over de Meppelerweg, waar het toen nog erg landelijk
was. De flats en huizen, die er nu staan,
waren er nog niet. In de verte zag ik een politieman
staan. Eerst wilde ik teruggaan, omdat ik
dacht, dat er controle was, maar niemand werd
aangehouden en bovendien had ik alleen maar
lege flessen bij mij. Ik reed dus door en plotseling
zag ik aan de kant van de weg een aantal lijken liggen.
Ik wilde niet kijken (ik had nog nooit een
dode gezien), maar het was of mijn blikken ernaar
toegetrokken werden. In die tijd zat mijn aanstaande
zwager in de gevangenis en ik heb de
gefusilleerde mannen één voor één aangekeken.
Toen ik terugfietste heb ik een grote omweg
gemaakt, omdat ik er niet nog een keer langs durfde.
Toen ik thuiskwam was ik helemaal overstuur.
Luizen en schurft
Dingen die we nu heel gewoon vinden, waren in
de laatste oorlogsjaren meestal onmogelijk. Zo lag
het verenigings- en uitgaansleven volkomen stil,
omdat je na acht uur niet meer de straat op mocht.
Bij elkaar op visite gaan was er dus niet meer bij;
behalve wanneer je bleef slapen. Buiten kon je je in
de donkere winterdagen moeilijk oriënteren. Je
probeerde je weg te vinden met behulp van een
zogenaamde knijpkat, waarvan het licht was afgeschermd
met donker papier. Ook een fietslamp
gaf weinig licht. Wat dat betreft was de sneeuw die
in de koude winter van ’44-’45 viel een uitkomst.
Daardoor kon je tenminste nog iets zien. Dat was
dan ook het enige voordeel, omdat de wegen
slecht begaanbaar waren en bijna niemand nog
goed schoeisel had. We liepen op klompen, waar
je de aangekoekte sneeuw vaak vanaf moest halen.
Verder leverde het wassen van kleren problemen
op omdat er geen goede zeep meer was. Ook
toiletzeep was niet verkrijgbaar; we moesten ons
wassen met kleizeep en dat schuimde niet.
Hoewel de propere Nederlandse huisvrouwen
alles deden om de boel zo schoon mogelijk te houden,
ontstonden er problemen: luizen en schurft.
Bij een luizenplaag moesten niet alleen de kriebelende
beestjes uit het haar verwijderd worden,
maar ook de neten. Dat gebeurde met azijn. Als de
neten namelijk achterbleven, had je zo weer een
kolonie van die parasieten. Ik heb zelf enige malen
luizen gehad en daarvoor behoefde ik me niet te
schamen; ik was niet de enige!
Schurft was nog erger. Ik heb het tweemaal
gehad en ik stak ook een bij ons logerend nichtje
aan (of andersom). Mijn moeder smeerde ons van
top tot teen in met een stinkende groene zalf, die
bij De Gaper werd verkocht. Daar zal ongetwijfeld
veel van die smurrie over de toonbank zijn gegaan.
De kleren die je had gedragen moesten grondig
worden gereinigd.
Dat waren van die onverwachte problemen
waar vooral huisvrouwen mee te kampen hadden.
Hongerwinter
Eindelijk kwam de landverwachte invasie. Op een
morgen kwam mijn tante die bij ons in de buurt
woonde, bij ons binnenrennen. ‘De Engelsen en
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Amerikanen zijn in Normandië geland!’ riep ze
uit. Iedereen was uitgelaten. Buren groepten bijeen
in de straat en we waren ervan overtuigd dat
de oorlog nog voor het einde van het jaar afgelopen
zou zijn.
Op een mooie dag in september was er
opnieuw grote opwinding. Parachutisten waren
bij Arnhem en Nijmegen geland. Nu kon het zeker
niet lang meer duren… Vlaggen werden tevoorschijn
gehaald, oranje strikken werden klaargelegd
en optimisten kochten bloemen om de
bevrijders te verwelkomen. Maar helaas, de bevrijders
kwamen nog niet. Het zuiden was vrij, maar
de rest van Nederland stond aan het begin van de
moeilijkste periode uit de oorlog.
Op straat was het erg stil, want er reden bijna
geen auto’s meer. Je kon op straat nu naar hartelust
rolschaatsen. En als de stadsbus, die door
middel van een gasgenerator werd voortbewogen,
voorbij kwam, kon je je zonder gevaar laten meetrekken,
want zo hard reed die bus niet…
Hoe erg de jodenvervolging was wist men toen
niet, maar we waren uiteraard wel op de hoogte
van het feit dat alle joodse inwoners van de stad
waren verdwenen. Ze waren weggevoerd of
ondergedoken. Ik had in die jaren pianoles bij
mevrouw Noordhof, die in de P.C. Hooftstraat
woonde, in de hoek van het pleintje. Na de oorlog
werd bekend dat daar een groot aantal joden was
ondergedoken. De pianoleerlingen, die het huis in
en uit liepen, hebben er nooit iets van gemerkt.
Wel heb ik eens een oudere man op de trap zien
staan, maar daar dacht ik verder niet over na.
Mannen waren niet veilig op straat. Ze konden
elk moment opgepakt worden om te helpen verdedigingswerken
te graven. Soms zag je groepen
mannen en jongens naar de Buitensociëteit marcheren,
waar ze tijdelijk werden ondergebracht.
Onze school aan de Bagijnesingel werd gevorderd.
Wij kregen les in de Naaischool op het
Assiesplein.
Echte honger hebben we nooit gehad, al werd
het voedsel wel schaarser. We aten vaak roggepap,
maar vaak waren er ook aardappelen, groente en
zelfs vlees, dat we bij de boeren haalden. Toch
hebben we een enkele keer eten bij de centrale
keuken aan de Vondelkade gehaald. We kregen
daar erwtensoep of één of andere smakeloze
stamppot. Je at het omdat je trek had, maar een
succes was het niet.
Inkwartiering
In de laatste oorlogswinter kregen we inkwartiering.
We moesten onderdak bieden aan vier militairen
van middelbare leeftijd. Ze werden ondergebracht
op de kamers van mijn zus en mij, zodat
wij op de zolderkamer moesten slapen. Van twee
van hen weet ik de naam nog: Siegler en Heinemann.
Heinemann was een grote blonde germaan
die duidelijk liet merken dat hij niets van de nazi’s
moest hebben. Hij vertelde vaak dat de berichten
gunstig voor ons waren. Wij zeiden echter niet
veel, omdat je niemand durfde te vertrouwen.
Siegler was een zielig mannetje, veel te oud om
nog dienst te doen. Eén van de overige twee was
een uitgesproken rotvent, een echte nazi. Heinemann
waarschuwde ons regelmatig voor hem.
Siegler had kennelijk veel behoefte aan huiselijke
• gezelligheid. Soms kwam hij met een smoesje in
de huiskamer en we vonden het te honds om
onaangenaam tegen hem te doen. Hij zat dan in
een stoel, onwetend van het feit dat tussen de leuning
en de zitting illegale krantjes of foto’s van de
prinsesjes uit Ottawa waren verstopt.
Met kerstmis kregen onze gasten-tegen-wilen-
dank allerlei lekkernijen. Op de morgen van de
eerste kerstdag, toen we wisten dat ze geruime tijd
weg zouden zijn (je kende hun doen en laten langzamerhand
wel) slopen mijn aanstaande zwager
en ik naar hun kamer. In de kast stonden trommels
met kerstkransjes. We namen enkele koekjes
uit de trommel waarvan we dachten dat die van de
‘rotmof was. Wij vonden dat geen stelen, net
zomin als men het in die tijd onrechtmatig vond
om hout en kolen te gappen; het was ons immers
allemaal afgepakt. De kransjes smaakten heerlijk!
In de namiddag werden er echter vurige kolen op
ons hoofd gestapeld. Siegler kwam binnen met
zijn trommel en bood ons gul een kerstkransje
aan. We kwamen tot de ontdekking dat we het lekkers
uit de verkeerde koektrommel hadden genomen,
’s Avonds, toen het viertal weg was om hun
kerstmaal te nuttigen (zij wel) zijn we weer naar
boven geslopen en hebben we kransjes uit een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
andere trommel genomen en in Sieglers bezit
teruggelegd.
Zo ging het jaar 1944 voorbij en konden we
elkaar op 1 januari een ‘Gelukkig Nieuwjaar’ wensen
met steeds dezelfde opmerking: ‘Dat het nu
eindelijk vrede mag worden.’
Eindelijk vrij
Aan de lange koude winter kwam een einde. De
dagen werden langer en je kon het voorjaar al ruiken.
En we roken ook de bevrijding. De berichten
waren gunstig: de geallieerden stootten door en
ook aan het Russische front werden geweldige
vorderingen gemaakt. ‘Het gaat goed’, zeiden de
mensen tegen elkaar. NSB-ers en moffen werden
hoe langer hoe zenuwachtiger en daardoor
gevaarlijker. Regelmatig werden pamfletten aangeplakt,
waarop te lezen stond dat er verzetslieden
gefussileerd waren. We wisten dat er onderduikers
waren en dat er verzetsgroepen actief waren, maar
veel ging langs je heen, vooral als je jong was. Ik
weet echter nog wel dat een belangrijke verzetsleider,
bijgenaamd De Groene, begin februari in de
Assendorperstraat werd neergeschoten. Daar
werd druk over gepraat.
Aan het gerommel in de verte kon je met eigen
oren waarnemen dat de bevrijders naderden. Ik
heb nooit meer zo’n vreemde verjaardag gevierd
als op de dertiende april 1945. Veel visite kwam er
niet, omdat de Vechtbrug omhoog stond en niet
meer naar beneden kon. De Wipstrikbuurt was
vanuit de stad dus niet meer bereikbaar, ’s Avonds,
toen we even achter het huis stonden, hoorden we
granaten gieren. We renden naar binnen. Later
hoorden we dat enkele mensen waren gedooddoor
dit granaatvuur; dus in het zicht van de
bevrijding. Daarna bleef het rustig, griezelig rustig.
Toch kan ik me niet herinneren dat we bang
waren. We vertrouwden er ongetwijfeld op dat we
zonder bombardementen of zware gevechten zouden
worden bevrijd. In ieder geval gingen we naar
bed. Mijn zuster en ik sliepen op de zolderkamer
aan de voorkant, omdat de Duitse soldaten nog
steeds bij in ons huis waren. Midden in de nacht
De granaten die door
terugtrekkende Duitsers
in de nacht van 13 op 14
april vanaf de Gelderse
kantvandeljsselop
Zwolle werden afgeschoten,
vernielden ook huizen
in de Celestraat. De
foto werd na de bevrijding
gemaakt, toen uit
de kapotte ramen reeds
de Nederlandse driekleur
wapperde. Op de
achtergrond hetDominicanerklooster
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werden we wakker: er werd hard ‘alarm!’
geschreeuwd en er was veel lawaai op straat. Toen
we voor het raam gingen kijken zagen we dat de
hele Brederostraat vol was met soldaten, die
bepakt en bezakt klaar stonden om weg te gaan.
Ditmaal was het beslist geen oefening! We raakten
er helemaal opgewonden van. Het zag er allemaal
erg chaotisch uit: de helden struikelden over hun
eigen voeten in de haast om weg te komen. En
daar gingen ze: een armzalige groep Duitse militairen
op leeftijd, die ongetwijfeld blij zullen zijn
geweest dat ze naar de Heimat terug konden gaan.
Het beeld van die wegsjokkende soldaten is voor
altijd in mijn hersens gegrift…
Vervolgens zijn we kennelijk-weer in slaap
gesukkeld, maar bij het ochtendgloren werden we
opnieuw gewekt. We hoorden hollende voetstappen
in de straat en er werd iets geroepen over
kolen. We hebben ons toen maar aangekleed en
zijn in het wilde weg achter anderen aangehold
naar een garage in de buurt, waar kolen lagen
opgeslagen. Ik geloof dat er geen steenkool meer
over was, maar dat interesseerde ons niet veel. De
winter was voorbij en de volgende winter zouden
we in een vrij land leven.
Toen gebeurde ineens van alles tegelijk. Ik
weet niet meer hoe we hoorden dat de Canadezen
op de Wipstrikkerallee waren gesignaleerd, maar
op een gegeven ogenblik stonden we aan deze weg
en zagen we de bevrijders. Het was voor ons een
groot wonder. Eindelijk was de langverwachte
bevrijding gekomen!
Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit zo blij en
ook zo dankbaar ben geweest als toen. Voor het
eerst, na vijf jaar, wapperde de rood-wit-blauwe
vlag weer aan een groot aantal huizen. We liepen
op straat en praatten met bekenden en onbekenden.
Het bevrijdingsfeest was één grote verbroedering.
Op een gegeven moment bevond ik me in de
Tesselschadestraat. Daar stond een grote groep
mensen om enkele joden, die daar ondergedoken
hadden gezeten, heen. Er waren ook enkele Canadezen.
Aan de overkant van de ‘Nieuwe Vecht
stonden de mensen te reikhalzen,, omdat zij de
bevrijders wilden zien. Die buurt. was op dat
moment nog niet bevrijd, omdat de Canadezen
niet over de Vechtbrug konden komen. In een
sneltreinvaart werd een noodbrug aangelegd,
zodat de rest van de stad niet lang daarna de
bevrijders ook kon toejuichen.
Herberg De Hanekamp werd door de Canadezen
als onderkomen gebruikt. Toen we er door de
ramen keken, zagen we er witbrood liggen! Dat
hadden we in jaren niet gezien; laat staan geproefd.
’s Middags, toen een noodbrug over de Vecht
was gelegd, zijn we naar de stad gegaan. Daar was
het groot feest. Geallieerde tanks, volgeladen met
jonge mensen, reden door de straten. De vlaggen
wapperden en bijna iedereen droeg oranje. Er
waren echte sigaretten, die ik moest proberen te
bemachtigen voor mijn vader, die jarenlang zelfgefermenteerde
tabak had gerookt. Gelukkig
waren de bevrijders er erg gul mee.
De leefden in een roes. Elke avond gingen we
de stad in. Er werd gedanst op verschillende plaatsen
en we liftten, groen als we waren, met militairen
mee. Het kwam niet in ons hoofd op dat er
soldaten waren met minder goede bedoelingen,
totdat mijn vriendin en ik een hachelijk avontuur
beleefden, waardoor we wel voorzichtiger werden.
We zagen bevrijde verzetstrijders terugkomen,
kaalgeschoren en gekleed in een overall. Op het
grote Kerkplein hebben padvinders en padvindsters
(die eindelijk hun uniformen weer mochten
dragen) de uit een gevangenkamp ontslagen hopman
Huysman toegezongen.
En toen kwam de avond van de vierde mei,
waarop we hoorden dat heel Nederland vrij was.
Er werd feest gevierd; een feest zonder baldadigheden
of vandalisme. Dat er voor onze bevrijding
vele duizenden hun leven hadden gegeven en dat
er zo onnoemelijk veel is geleden – vooral door de
joden – dat werd ons later pas goed duidelijk.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
De bevrijding van Zwolle op 14 april 1945
Leo Major was verkenner in het Canadese
Regiment de la Chaudière. Hij is ereburger
van Zwolle, sinds hij op 14 april 1985 door
burgemeester G. Loopstra werd onderscheiden.
Hij ontving toen de erepenning van de stad.
Major, die na 1945 meerdere malen in Zwolle is
geweest, woont met zijn vrouw Pauline in Candiac
(Quebec), niet ver van de grens met de VS. Ook in
dit herdenkingsjaar zal het echtpaar Major in onze
stad de plechtigheden en feestelijkheden bijwonen.
De vertaling van Majors woorden houdt het midden
tussen een letterlijke en een meer vrije vertaling.
Verslag
Ik voelde die nacht vlak voor de bevrijding van
jullie mooie stad geen enkele emotie, omdat het ’t
zelfde was als elke keer bij ’t patrouillelopen of bij
een aanval in de oorlog.
Ik probeerde niet te denken. Dat was mijn
manier om geen angst te voelen; om nergens
anders aan te denken dan te slagen in al mijn
ondernemingen. Dat deed ik voor het eerst op Dday,
6 juni 1944, en diezelfde houding behield ik
elke dag, tot mijn laatste actie, later in Korea. Om
zoveel dagen oorlog te overleven zonder gek te
worden en je hoofd niet te verliezen. Mijn houding
moet, met Gods hulp, de juiste zijn geweest.
Ik ben er, per slot van rekening nog steeds, en zit
Leo Major
Vertaling
Wil Cornelissen
In de vroege ochtend
van 14 april 1945 moest
deze Duitser nog de wijk
nemen uit de stad. Hij
werd aan de Wilhelminasingel
door dr. Reinking
vanuit het raam
gefotografeerd
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Leo Major, met zijn
ooglapje, op 14 april
1945 aan de Wipstrikkerallee.
Hij is in het
gezelschap van, van
links naar rechts, de
heer Udves, de heer
Slendebroek en de heer
A. Beintema. De kinderen
komen uit het gezin
Kuipers; op de hurken
zit F. Kuipers
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
hier tegenover je om over de bevrijding te praten.
Ik ben ook de bevrijder van een kleine stad in
het meest zuidelijke deel van Nederland. Ik herinner
me de naam van dat plaatsje niet, maar wat ik
wel weet is dat ’t zo’n tien kilometer ten zuiden
van Breskens was. (Wellicht is dit Oostburg
geweest – vert.) De hele bevolking was door de
Duitsers geëvacueerd.
Hoe ’t ook zij, op een nacht viel een van onze
onderbezette compagnieën de vijand in die plaats
aan en zij werden geheel gedecimeerd. Niet één
man kwam terug. Diezelfde nacht zond mijn kolonel
mij er op uit om uit te zoeken wat er was
gebeurd. Ik ging op weg en kwam terug met 43
Duitse (krijgs)gevangenen; toen was die Nederlandse
stad in onze handen. Voor die actie ben ik
door Montgomery onderscheiden. Dat was in
1944, vele maanden vóór Zwolle. De tweede
bevrijding waarover ik kan vertellen, was bij mijn
Nederlandse familie Sleepenbeek in Nijmegen. Ik
J
noem hen mijn familie, omdat ik door hen als een
zoon werd behandeld. Het gezin bestond uit een
moeder, een vader die kapitein was in ’t Nederlandse
leger, drie dochters en een zoon van twaalf
jaar. Zij waren allen zeer gelovig en elke keer als ik
in Duitsland op patrouille ging, zeiden ze dat ze
voor mij zouden bidden dat ik de volgende morgen
terug zou komen. Het was voor mij daar een
rustpunt en dat bleef ’t voor mij gedurende vier
maanden. Toen de dag kwam dat we afscheid
moesten nemen, zeiden ze weer dat ze voor mij
zouden bidden. Maar toen ze zeiden dat ik voorzichtig
moest zijn, zei ik dat ik binnenkort een
Nederlandse stad voor hen zou bevrijden. Ik weet
niet waarom ik dat zei, omdat we eigenlijk richting
Duitsland gingen, maar zo was ’t. Misschien zei i

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1995, Aflevering 2

Door 1995, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

De ondergeteekende verklaart, dat niet genegen is, het terrein van de
gedempte kleine Aa, liggende achter behuizing, sectie F, N
irbij gestelde voorwaarden van de gemeente te koopen.
, op de
40 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
Dick Hogenkamp
De naam van het Gasthuisplein is ontleend
aan het H. Geest- of Binnengasthuis, dat
hier gestaan heeft en in 1302 was gesticht.
In 1924 werd het huizencomplex dat tot het Binnengasthuis
behoorde, grotendeels afgebroken. In
hetzelfde jaar kwam de nieuwbouw bij de Vechtbrug
gereed. Het gasthuis diende voor huisvesting
en verpleging van bejaarden.
Aan de zuidzijde van het Gasthuisplein werd
in 1846 door de Zusters van Liefde een pand aangekocht.
Na verloop van tijd kochten zij belendende
percelen aan, zodat het complex van de
Zusters van Liefde zich tenslotte uitstrekte tot aan
de Vijfhoek en de Wolweverstraat. De nonnen gaven
onderwijs en ze verpleegden zieken en bejaarden.
Anders dan op de openbare scholen,
stond het onderwijs bij de Zusters op een hoog
plan. De inspecteurs waren er zeer over te spreken.
De bovenste foto dateert van na 1921 toen het
gebouwencomplex (men sprak toen van ‘gesticht’)
van de Zusters van Liefde aan de eisen der tijd werd
aangepast. Aan het Gasthuisplein lag de hoofdingang
die o.a. toegang gaf tot een kleine kapel.
Het klooster zag er van binnen en van buiten
altijd zeer netjes uit. Het glom en het blonk als je
binnenkwam; de geur van boenwas hing in de kamers;
van de vloer kon je wel eten en de vloer in de
kapel was zo glad dat je moest opppassen om niet
uit te glijden.
Aan het eind van de jaren tachtig werd dit alks
gesloopt en ontstond aan de zuidzijde het ‘gat’ van
het Gasthuisplein. De schutting om dit gat werd
verfraaid met graffiti.
Aan het begin van de jaren negentig kwamen
hier diverse winkels en bioscoop De Kroon, die
voorheen in de Diezerstraat zat. Door de verandering
hoort het Gasthuisplein weer meer bij de binnenstad.
Vooral bij mooi weer is het goed toeven
op de vele terrassen.
Het Gasthuisplein
Het Gasthuisplein; huidige situatie
(foto’s: D. Hogenkamp).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Een aantal artikelen in dit nummer zijn een
vervolg op publicaties in eerdere tijdschriften.
Eerder schreef F.Th.J. Jansen over de
cholera, een ziekte die geweten werd aan de slechte
dampen van de Aa. Nu gaat hij in op het vervolg:
de demping van de beide Aa’s en alle perikelen,
die hier voor de gemeente uit voortvloeiden,
zowel financieel als juridisch.
Willem Boxma vervolgt zijn herinneringen uit
de jaren dertig in Assendorp. Dit keer blijft hij stil
staan bij de winkeliers aan de Assendorperstraat.
Ook vertelt hij over een vakantie naar Valkenburg
en een bezoek aan Aken, waar de geest van het
nationaal-socialisme de familie beangstigde.
Het Zwolse fraterhuis was goed georganiseerd:
Aafje Lem beschrijft de taken van de librarius, die
o.a. toezicht hield op de vervaardiging van boeken.
Recentelijk zijn twee kanonlopen uitgegraven
op Kranenburg. Harry Vrielink beschrijft hoe dit
in zijn werk ging en wat er met de lopen gaat
gebeuren.
Vaste rubriek is ook het ‘Zwolle van vroeger en
nu’ van Dick Hogenkamp.
Zwolle vroeger en nu Dick Hogenkamp
Het aanplempen van de Aa’s F.Th.J. Jansen
Straatnamen, niet zo eenvoudig Wil cornelissen
Een gewone jongen in Zwolle/3 Willem Boxma
Zwolse fraters Aafje Lem
Kanonnen voor de vestingstad Zwolle Harry Vrielink
Boekbespreking
Agenda
Auteurs
40
42
54
55
65
68
70
72
73
Omslag: De Grote Markt en de Melkmarkt in 1782, toen tussen de bomen op de
Melkmarkt nog de Grote Aa stroomde. Detail van een schilderij door DJ. van
Elten (Provinciaal Overijssels Museum, foto H. Westerink).
42 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het aanplempen van de Aa’s
F.Th.J. Jansen
Plattegrond van Zwolle
uit 1846, op een litho
van L.J. Tordoir
(Provinciaal Overijssels
Museum).
Het dempen van de Aa’s, twee wateren
binnen de Zwolse stadsmuren, en het in
de plaats daarvan aanleggen van een
stadsriolering vonden plaats in de jaren 1857 tot en
met 1862. Het verdwijnen van de Aa’s moet voor
de aangrenzende bewoners ongeveer evenveel
commotie gegeven hebben als voor de tegenwoordige
winkeliers het autoluw maken van de binnenstad.
Wie vanaf de zuidzijde van het Kerkbrugje
langs de Ter Pelkwijkstraat, het Gasthuisplein en
de Oude Vismarkt over de Grote Markt en de
Melkmarkt naar het Rodetorenplein wandelt,
volgt precies de loop van het grote riool dat in de
plaats is gekomen van het riviertje de Grote Aa. De
demping hiervan en de aanleg van een riolering
vonden plaats in drie fasen. Op 10 maart 1857
besloot de raad te beginnen met het deel tussen de
Blauwhandsebrug, ook wel de Pieter van Akenbrug
genoemd, en de Gasthuisbrug. De Blauwhandsebrug
lag aan de oostzijde van het Gasthuisplein
en vormde de verbinding tussen de Walstraat
en de Spoelstraat. De Gasthuisbrug lag aan
de andere kant van het Gasthuisplein, tussen de
Gasthuisstraat en de Wolweversstraat. Op 7 februari
1859 vond de aanbesteding plaats van het tweede
gedeelte, dat liep van het Gasthuisplein tot de
Grote Markt. Het werk duurde iets langer dan de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
geplande zes maanden. In 1861 werd begonnen
met het laatste stuk, van de Grote Markt tot het
Rodetorenplein. Dit gedeelte heet nu Melkmarkt.
De hele operatie werd omstreeks het begin van
1862 voltooid door het dempen van het Rodetorenplein.
Intussen was in 1859 ook de Kleine Aa dichtgemaakt
en was daarvoor in de plaats een riool
gelegd. De Kleine Aa, vroeger ook wel de Achter-
Aa genoemd, stroomde vanaf de stadsgracht over
de Slurink, de tegenwoordige Kerkstraat, naar de
Diezerstraat, kruiste deze, en liep langs de Korte
Smeden en tussen het Eiland en de verenigde Bitter-
en Nieuwstraten door. Vandaar doorsneed ze
de Broerenstraat en kwam aan het einde van de
Roggestraat uit tussen de huizen bij het Kattenbeltsbruggetje,
op de plek waar nu het Aaplein in
het Meerminneplein overgaat. Vervolgens liep zij
rakelings langs de zuidzijde van het tegenwoordige
Aaplein. Daarna stroomde ze dwars over de
Steenstraat en kwam achter het Hopmanshuis
weer in de stadsgracht.
In het volgende zal besproken worden waarom
juist in die tijd het ‘aanplempen’ van de Aa’s en
het vervaardigen van een riool plaatsvonden en
wat de voor- en nadelen hiervan waren. Ook de
problemen die zich hierbij voordeden komen ter
sprake, evenals de vele bezwaarschriften voor, tijdens
en na de drooglegging. Het kostenplaatje zal
uiteraard niet ontbreken. Ook wordt aandacht
besteed aan de rol van de stadsarchitect, die zeer
belangrijk is geweest.
De gegevens zijn voornamelijk geput uit de
notulen en de bijlagen van de notulen van de
gemeenteraad van Zwolle uit de betreffende jaren.
Om het notenapparaat enigszins beperkt te houden,
zijn de besluiten van de gemeenteraad niet
geannoteerd. Wel is daarbij zoveel mogelijk de
datum van het besluit vermeld.
Waarom dempen en een riool ter vervanging?
Er zijn verschillende redenen waarom juist in de
jaren na 1857 deze stadsvernieuwing ter hand werd
genomen. Een ervan was de aanstelling op 1 maart
1855 van B. Reinders uit Groningen tot stadsarchitect.
Deze opvolger van Z. van der Bie was gekozen
uit 47 sollicitanten. De nieuwe architect was een
groot voorstander van de demping. Hij was het
die B en W hierbij adviseerde en toezicht op alle
werkzaamheden uitoefende. Zijn advies was
steeds doorslaggevend.
Reinders zag al snel het nut in van de uit te
voeren operatie, onder meer vanwege de financiële
voordelen. Door het dempen van het deel tussen
de Blauwhandsebrug en de Gasthuisbrug
kwam onderhoud en vernieuwing van de kademuren
te vervallen, wat een besparing van
ƒ 39.000,- opleverde. Het dichtgooien van dit gedeelte
zou daarentegen maar ƒ 8000,- kosten,
zodat het positieve saldo maar liefst ƒ 31.000,-
bedroeg. Bovendien zou ook in de toekomst het
onderhoud komen te vervallen, wat nog een extra
besparing met zich meebracht.’
Een ander voordeel was dat door het dempen
van de Grote Aa een groot plein zou ontstaan, dat
de weekmarkt goed kon gebruiken. Bovendien
moest de stadsgracht worden uitgediept en de
grond daarvan kon gebruikt worden voor de demping.
Op de laatste plaats vond Reinders dat het
resultaat van de werkzaamheden de gezondheid
van de inwoners zou bevorderen, immers “de Aa
is oorzaak van het ontstaan of middel ter verspreiding
van de besmettelijke ziekten”. Hij doelde
hiermee vooral op de cholera, waardoor in 1855 in
Zwolle weer veel slachtoffers waren gevallen.
De Grote Markt en de
Melkmarkt in 1782, toen
tussen de bomen op de
Melkmarkt nog de
Grote Aa stroomde.
Detail van een schilderij
door DJ. van Elten
(Provinciaal Overijssels
Museum, foto H. Westerink).
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Water ophalen uit de
Grote Aa, ter hoogte
van het Gasthuisplein,
in 1670. Detail van het
schilderij ‘Hetgeslachte
varken’ van Hendrik
ten Oever (Provinciaal
Overijssels Museum).
Opvallend is dat in de raadsnotulen alleen wordt
gesproken over “de besmettelijke ziekten” en het
woord cholera niet wordt genoemd. Hierop rustte
kennelijk een taboe en men wilde voorkomen dat
er angst zou worden gezaaid onder de bevolking.
Voor de leden van de plaatselijke commissie
van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt was
het juist in eerste instantie de medische indicatie,
waarom zij sinds deze laatste epidemie steeds bij
de gemeente aandrongen op het dempen van de
Aa’s. Zij wezen erop dat de meeste choleragevallen
zich voordeden langs de oevers van beide watertjes,
waarvoor de slechte ‘uitwaseming’ van het
water de oorzaak zou zijn.2 Hoe snel de cholera
dodelijk kon toeslaan, blijkt uit een voorbeeld uit
1854. De vrouw van Van Heusden in de Grote
Baan in de Kamperpoort bezweek op 12 oktober
’s avonds om half elf aan deze ziekte, nadat ze
’s morgens nog haar gewone dagelijkse bezigheden
had verricht.3
Een voordeel voor de aangrenzende bewoners
was daarnaast dat ze geen last meer zouden hebben
van het vooral in warme zomers hevig stinkende
water. Ook hoefden ze niet meer op te draaien
voor het schoonhouden van een vervuilde Aa.
Nadelige gevolgen van het dempen wuifde
Reinders weg. Dat de scheepvaart belemmerd zou
worden liep volgens hem niet zo’n vaart, omdat
aan het af te dammen gebied geen fabrieken zouden
zijn gelegen. Kennelijk zag hij de jeneverstokers
over het hoofd. Ook het argument dat er bij
brand te weinig water zou zijn, zag hij niet als een
probleem. Meer brandputten en langere brandslangen
aan de spuiten zouden voldoende zijn om
eventuele branden te bestrijden.
Er zou heel wat werk verzet moeten worden.
Na het afdammen zou eerst het water weggepompt
moeten worden. Daarna moest de riolering
er komen en tenslotte zou het geheel bestraat
worden. Over de lasten en de nadelen die de aangrenzende
bewoners van deze werkzaamheden
zouden ondervinden werd met geen woord gerept.
Inspraak was er in deze tijd niet bij!
Een ander nadeel voor veel mensen was dat de
op palen in de Aa rustende uitbouwsels, de zogenaamde
uitstekken, verwijderd zouden worden.
Dat betekende dat vele huizen in de stad een stukje
woonruimte kwijtraakten. Het bouwen ervan had
al geld gekost en nu moesten voor het wegbreken
opnieuw onkosten worden gemaakt. Voor aansluiting
op het aan te leggen riool zou jaarlijks een
grondrente verschuldigd zijn. Tenslotte was de
kans groot dat er bij het wegmalen van het water
en bij de grondwerkzaamheden funderingen of
palen zouden verzakken, met alle gevolgen van
dien.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
Rekesten
De gemeente kreeg dan ook te maken met vele
bezwaarschriften, die echter meestal niet gehonoreerd
werden. De gemeente was fel op de penning.
Tegen de demping van het eerste deel van de
Aa werd bezwaar aangetekend door turfschippers
en door de firma W. en A. Visscher, die een jeneverstokerij
exploiteerde aan het Gasthuisplein op
de hoek van de Wolweverstraat. Zij wezen erop
dat transport over water niet meer mogelijk zou
zijn, terwijl er stromend water nodig was voor de
stokerij. Attesten van branders uit Schiedam en
Rotterdam bevestigden dit laatste. En zij konden
het weten! De raad besloot echter op 21 april 1857
met algemene stemmen tot demping over te gaan.
De branders werd op 17 juli daarop wel toegestaan
een nieuw afzonderlijk riool aan te leggen om
water aan te voeren voor hun bedrijf. Maar de
kosten daarvan moesten ze zelf betalen.
Ook de uitvoering van het tweede gedeelte
stuitte in oktober 1858 op bezwaren van de jeneverstokers,
die stelden “dat toch de branderij
alhier een uitgebreide fabrijk [is], die aan onderscheidene
huisvaders hier ter stede uit den minderen
stand een bestaan verschaft en alleen langs de
Aa zijn brandstoffen kan ontvangen”. Ze claimden
een schadevergoeding van ƒ 250,— per jaar
omdat de turf nu in plaats van per praam per as
moest worden aangevoerd. Ook stelden ze dat er
meer controle bij de bedrijven nodig zou zijn,
“omdat er meer kans geboden wordt hen te bestelen”.
De raad wees op 20 oktober hun protest van
de hand, hoewel ze wel van mening was dat de stokers
schade zouden ondervinden. Het algemeen
belang moest echter prevaleren.4
De pomp en de verzamelbak van de branderij
Een verhaal apart is de pomp en de verzamelbak
van branderij De Eendragt van de heren Visscher
iw
/
«•««. –)
i
i
• >
/. A
. .. -.

« <••• » j >
-i
. . « ,
en Van Laer, gelegen op het Gasthuisplein. Deze
pomp moest verplaatst worden naar een nog aan
te wijzen plaats en de verzamelbak moest onder de
openbare straat komen. In deze bak, die terzijde of
onder de pomp was aangebracht, werd de draf
verzameld. Dat is het overschot van het koren
waaruit de jenever werd gestookt. De draf werd
verkocht aan in de nabijheid van de stad wonende
boeren, die er hun vee mee voerden.
De pomp en verzamelbak stonden juist aan de
rand van de Grote Aa. Door de demping zouden
ze midden in de passage komen te liggen, zodat
verplaatsing noodzakelijk was. Er moesten waarborgen
komen “dat de rijtuigen waarmede over
die verzamelbak wordt gereden, daarin niet storten”.
De fabrikanten hadden een vergunning
moeten hebben voor het plaatsen van de bak,
maar een schriftelijke bevestiging daarvan was
niet te vinden. Een commissie uit de gemeenteraad
was dan ook van mening dat de heren er
jarenlang genot van hadden gehad zonder ervoor
te betalen. Vandaar dat ze voor de kosten van de
Dwarsdoorsnede van de
geplande duiker in de
Grote Aa, uit 1857 (coll.
GAZ).
Het Gasthuisplein met
de Gasthuisbrug in de
achttiende eeuw.
R.A.A.J. Graafland
maakte in 1926 deze
kopie van het niet meer
bestaande schilderij
(Provinciaal Overijssels
Museum).
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
verplaatsing, die op zo’n ƒ 150,- waren gesteld,
niet op een vergoeding hoefden te rekenen. De
stokers maakten ook bezwaar tegen het betalen
van de grondrente van ƒ 12,- per jaar. Ze meenden
dat ze evenveel recht op vrijstelling hadden als de
heren Revius en Van der Kolk, die ook langs de
Grote Aa woonden.5 Dit verzoek werd door de
Bouwtekening voor de
verbouwing van de achtergevel
van het huis
van F. Schaepman aan
de Oude Vismarkt,
naast het tegenwoordige
notenwinkeltje (coll.
GAZ).
raad afgewezen met zes tegen vier stemmen. Het
was voor de jeneverstokers een gevecht tegen de
bierkaai, omdat de gemeente hen nauwelijks tegemoet
wilde komen.
De asch- en drekman
Een ander persoon die nadeel meende te ondervinden
van het verdwijnen van de Aa’s was de
pachter van de ‘asch- en stratendrek’, mr. H. van
Sonsbeeck. Hij vroeg dan ook vermindering van
de pachtprijs, omdat hij minder mestspecie zou
ontvangen. De raadsleden J.C. Eindhoven en
J.F.A.A. Schaepman, die meenden dat hij wel recht
had op een schadevergoeding, kregen op 20 maart
1860 opdracht hierover een rapport uit te brengen.
Van Sonsbeeck dacht schade op te lopen, omdat
het zevende perceel van zijn pachtcontract, het uitbaggeren
van de Aa’s en het ledigen van de openbare
secreten, zou verdwijnen. Berekend werd dat
dit een bedrag van ƒ 271,74 zou opbrengen, wat
Van Sonsbeeck vergoed zou moeten krijgen.
Het was echter een moeilijke beslissing, omdat
de kwaliteit en de kwantiteit van de meststoffen
moeilijk te beoordelen was. Schaepman en Eindhoven
merkten fijntjes op dat de schade over 1859
voor de pachter wel mee zou vallen en de demping
eigenlijk zelfs voordelen voor hem meebracht:
“Hij behoudt nu de mestspecies in nature, zonder
dat daarvan welligt het beste gedeelte, zoals vroeger
het geval was, wegvloeit, terwijl de secreetmest
nu aanwezig moet zijn in daargestelde gemeenteriolen
of voor zijne mondingen”.6
De raad hield zich met dit probleem lang
bezig. Pas op 11 februari 1861 stemde ze met acht
tegen vier stemmen in met het volgende voorstel.
Op een pachtprijs van ƒ 2500,- per jaar kreeg de
pachter een remissie van ƒ 271,74, met terugwerkende
kracht ingaande op 1 oktober 1858. Hoewel
Van Sonsbeeck het bedrag eigenlijk te laag vond,
omdat hij volgens zijn opzichter een jaarlijks verlies
leed van ƒ 536,-, ging hij toch akkoord met
deze regeling.
Het kostenplaatje van het werk aan de Grote Aa
Voor de demping van de eerste fase tussen de
Blauwhandsebrug en Gasthuisbrug was op de
gemeentebegroting van 4 februari 1857 een bedrag
van ƒ 8000,- uitgetrokken. Tweeënhalve maand
later werd het project al geraamd op ƒ 12.300,-.
Deze verhoging was een gevolg van het feit dat de
stadsarchitect het beter vond in plaats van gebakken
stenen buizen “een gemetseld riool ter hoogte
van 1.50 met een bodem van 1.20 in opening” aan
te leggen. Uiteindelijk bleek op 28 april 1858 dat er
ƒ 13.078,- was uitgegeven.
Het tweede deel tussen het Gasthuisplein en de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
Grote Markt werd op 7 februari 1859 aanbesteed
aan W. Klinkert voor een bedrag van ƒ 16.290,-,
ƒ 1210,- minder dan begroot was. Voor de oplevering
was een termijn van zes maanden gesteld,
maar de aannemer kon hieraan niet voldoen. Als
reden gaf hij op dat er in maart en april veel
oponthoud was geweest “door ruw weder en
hooge waterstanden”, terwijl hij ook zeer veel hinder
had gehad van de fabriek van W. en A. Visscher.
Bovendien waren er onvoldoende bagger –
lieden te vinden en had ook de besluiteloosheid
van aangrenzende particulieren over wel of geen
aansluiting op het riool voor vertraging gezorgd.
Uiteindelijk werd voor het werk aan dit deel
ƒ 16.628,- uitgegeven.
Voor de derde fase had het gemeentebestuur
in 1860 en 1861 een bedrag gereserveerd van
ƒ 22.500,-. Op 10 februari 1862 was er ƒ 17.510,-
uitgegeven, waarbij in september van hetzelfde
jaar nog een restant kwam van ƒ 168,-. Bij de afrekening
van deze eindfase ontstond er verschil van
mening tussen aannemer W. Klinkert en de
gemeente over wat er precies onder een nieuw
gelegde of een herlegde straat moest worden verstaan.
Voor het herleggen van een straat kreeg de
aannemer minder uitbetaald dan voor het nieuw
bestraten. Klinkert was van mening dat hij ƒ 600,-
te weinig had gekregen, iets waar de gemeente het
niet mee eens was.
Dienst
gede
daar
GEMEENTE
1S6 .
DQ ondergetcekendc verklaart, dat
mpte kleine Aa, liggende achter
bij gestelde voorwaarden van de gemee
ZWOLLE, Uen
ZWOLLE.
Demping
niet genegen is, het terra
behuizing, sectie F, N*.
ntc te knopen.
196 .
kleine Aa.
n vnn do
, op de
Bovendien kreeg de aannemer een boete voor
te late oplevering. Hij voerde aan dat dat niet zijn
schuld was, maar dat de weersomstandigheden
extreem slecht waren geweest. Zo was de Aa in de
hele maand februari met sneeuw gevuld geweest,
terwijl in maart hoge waterstanden het werk
belemmerden. Ook was het erg moeilijk geweest
aan de benodigde Stenselberger straatkeien te
komen. Uiteindelijk werden beide kwesties afgedaan
door Klinkert de hierboven genoemde
ƒ 168,- uit te betalen.7
In totaal beliepen de kosten dus zo’n
ƒ 47.384,-. Hoe Elbers in zijn Historische wandelingen
in en om Zwolle aan een bedrag van ƒ 54.000,-
komt, is mij dan ook een raadsel.
Het kostenplaatje van het werk aan de Kleine Aa
Voor het dempen van de Kleine. Aa was op 28
januari 1857 een bedrag van ƒ 63.000,- op de
begroting gezet. Bijna twee jaar later, op 20 december
1858, vond de openbare aanbesteding van
het werk plaats, maar liefhebbers konden niet
gevonden worden. Daarom besloot men de uitvoering
in gedeeltes en in eigen beheer door de
gemeente te laten uitvoeren. Volgens de stadsarchitect
zagen de aannemers er tegenop de gehele
Kleine Aa droog op te leveren.
Het aanplempen tussen de Broeren- en Kattenbeltsbrug,
dus tussen Broerenstraat en Aaplein
(130 strekkende ellen), werd aanbesteed aan H.
Mulder voor ƒ 675,-. Daarna was het deel vanaf de
brug in de Smeden tot het openbaar toilet boven
de Aa in de Slurink aan de beurt. Het gedeelte tussen
de Kattenbeltsbrug en de Steenstraat kreeg
volgens een raadsbesluit van 3 september 1859 de
naam Aaplein.
Aanvraag om een muur
neer te zetten bij het
huis van F. Schaepman
aan de Oude Vismarkt.
Schaepman wilde grond
tot aan de stippellijn a
b, om daar een muur
neer te zetten, ten einde
licht te houden in zijn
tabaksfabriek en ter
ondersteuning van het
trottoir. De uitstek aan
zijn huis wilde hij zo
veranderen als aangegeven
door de ronde lijn
tussen c en e. Op verzoek
wilde hij ook wel
het vierkante gestippelde
tracé volgen. De
lijn c stond in het verlengde
van de scheidingsmuur
met het
pand van juffrouw Ter
Horst, het huidige
notenwinkeltje (coll.
GAZ).
Verklaring van het ‘niet
genegen zijn’ grond van
de gemeente te kopen
(coll. GAZ).
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voor het jaar 1859 stond voor het dichtgooien
van de Kleine Aa een bedrag van ƒ 45.000,- op de
begroting, dus aanmerkelijk minder dan twee jaar
daarvoor. Het verschil is te verklaren omdat men
nu meer gegevens had over de benodigde grondsoorten
voor het dempen en omdat de aanleg van
de riolen op een minder kostbare wijze kon worden
uitgevoerd.
In het begin van 1860 meldde Reinders aan B
en W dat de totale kosten ƒ 32.482,- hadden
bedragen. Dus een winst voor de gemeente van
ruim ƒ 12.500,-, die voornamelijk kon worden verklaard
uit het feit dat de werken in eigen beheer
waren uitgevoerd. Bovendien kon daardoor veel
sneller worden gewerkt. De stadsarchitect en
opzichter Bosboom kregen voor hun vele werk een
gratificatie van respectievelijk ƒ 750,- en ƒ 200,-,
de helft van hun jaarwedde. Ook op deze bedragen
had de gemeente echter beknibbeld, want oorspronkelijk
was ƒ 1000,- en ƒ 500,- voorgesteld.8
Maar de kosten van het werk aan de Aa’s drukten
dan ook zwaar op de financiën van de stad
Zwolle. Dat blijkt wel uit het feit dat ongeveer 22
procent van de totale uitgaven voor het jaar 1859
aan dat karwei werd besteed. Het ging om een
bedrag van ƒ 62.500,- op de totale begroting van ƒ
272.692,-. Om het geld bijeen te krijgen, schreef de
gemeente een lening uit van ƒ 62.000,-, en wel in
62 aandelen van ƒ 1000,- elk. De rente bedroeg ten
hoogste 4,5 procent.
De uitstekken moeten weg
Zoals gezegd brachten de werkzaamheden aan de
Aa’s met zich mee dat de uitstekken weggebroken
moesten worden. Wat precies onder een uitstek
moet worden verstaan, wordt duidelijk in een
brief van 22 juli 1861 van Berend van Utteren,
koopman en winkelier, wonende Achter de Broeren.
Hij schreef aan de gemeente dat hij bezwaar
had tegen het verwijderen van zijn bij twee percelen
horende uitstekken, ‘rustende op paaien aan of
in de kleine Aa, aangevuld met puin en aardspecie
waarop dezelve blijven rusten’. Het ging dus om
uitbouwsels van huizen boven het water, die op
palen stonden. Na de demping zouden deze palen
obstakels vormen voor het verkeer, met name
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
voor wandelaars en paardewagens.9
De vraag was of de gemeente gerechtigd was de
uitstekken te laten wegbreken. Verschillende
rechtsgeleerden waren het hierover oneens. Daarom
vroeg de raad advies aan L. Hertzveld, advocaat
bij het Provinciaal Gerechtshof van Overijssel.
Zijn conclusie was een volmondig ja, gebaseerd
op de volgende drie punten:
1. De grachten behoren tot de bezittingen van de
gemeente.
2. Het overhangen van een uitstek over een tot
een openbaar vaarwater bestemde en als zodanig
gebruikte gracht, is strijdig te achten met
haar bestemming en gebruik.
3. Een uitstek over een openbaar vaarwater is een
onrechtmatige daad, ook als men een zodanige
uitstek wil behouden tegen de wil van de
gemeente.10
Met deze conclusie stond de gemeente sterk in
haar schoenen tegen de te verwachten bezwaarschriften
en schadeclaims. Wel had ze tot dan toe
de uitstekken oogluikend had toegestaan.
De gemeente was het langst in gevecht met
Ferdinand Wilhelm Gustaaf Schaepman. Deze
tabakshandelaar woonde in de Diezerstraat en zijn
achtergevel kwam uit op de Oude Vismarkt, naast
het huidige notenwinkeltje op de hoek met de
Grote Markt. Het uitstek dat zich hier boven de
Grote Aa bevond moest verwijderd worden. Het
ging om een bijzonder groot exemplaar, want in
september 1859 schreef Schaepman in een rekest
dat het ongeveer de helft van zijn woning besloeg.
Deze ruimte was nodig voor zijn gezin en ‘onmisbaar
voor de uitoefening zijner nijverheid’. Bij
verwijdering ervan zou hij dus in zijn bestaan
bedreigd worden. Vandaar dat hij voorstelde in
eerste instantie de sloop uit te stellen, want als de
verdere demping van de Aa nog niet was voltooid
en de zogenaamde kaak met het ijzeren hek bij het
huis van de dames Ter Horst, het huidige notenwinkeltje,
nog niet was weggebroken, zou het uitstek
niet hinderlijk zijn voor de passagie. Omdat
het huis van de dames Ter Horst waarschijnlijk
toch afgebroken moest worden, wilde hij liever
daarop wachten. Dan hoefde hij niet tweemaal tot
een vertimmering over te gaan.”
Prentbriefkaart uit het
begin van deze eeuw
van de hoek Grote
Markt-Oude Vismarkt.
In het winkeltje op de
hoek woonde ‘juffrouw’
Ter Horst, ernaast was
de achtergevel van het
huis van Schaepman
(part. coll).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negentiende-eeuwse
litho met een gezicht op
Zwolle vanaf het
Zwarte Water. Op de
achtergrond de bebouwing
aan de Buitenkant,
die er nu nog net
zo uitziet. HetHopmanshuis
ligt een beetje
verscholen achter de
boom. Onder de boog
stroomde het water van
de Kleine Aa in de
stadsgracht (part. coll).
De gemeente spande daarop tegen Schaepman
een procedure aan, die hij door allerlei nieuwe
voorstellen op de lange termijn probeerde te
schuiven. Uiteindelijk verloor hij het rechtsgeding
bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te
Zwolle van 26 juli 1860. Maar eind april 1861 was
het uitstek nog altijd niet verdwenen. De gemeente
nam toen zijn verzoek om vrijstelling van het
betalen van grondrente niet in overweging, omdat
hij het vonnis nog niet had uitgevoerd.
Bezwaarschriften tegen het verwijderen van
uitstekken boven de Kleine Aa kwamen er van
B.A. van Kuik uit de Broerenstraat en J.H. Geerligs
van Cleeff uit de Diezerstraat, hoek Korte Smeden.
De laatste, in de wandeling Jan Vet genoemd,
had een uitstek aan de zijkant van zijn huis en
vroeg voor het afbreken ervan een tegemoetkoming.
Per slot van rekening had hij het geval in
1842 laten vernieuwen voor ƒ 1100,-, terwijl door
de verwijdering ervan zijn huis minder waard zou
worden. De raad had voor zijn argumenten wel
begrip, maar besloot toch zijn verzoek af te wijzen
om geen precedent te scheppen.
Van Kuik in de Broerenstraat voelde zich
eveneens zwaar benadeeld, want hij schreef dagelijks
te moeten ondervinden dat zijn huisje door
het afbreken van het uitstek er niet beter op was
geworden. Bovendien was hij van mening dat
door de gemeente met twee maten werd gemeten
en dat de meer gegoede burgers bevoordeeld werden.
Hj was onder voortdurende aanmaning van
de stadsarchitect gedwongen geweest zijn uitstek
weg te breken, “hiervan is het mij thans een zeer
groote grieve dat ik – de minst gegoede – juist diegene
moet zijn die zoozeer willekeurig behandeld
ben, terwijl anderen de hunnen hebben behouden
en sommigen zelfs geheel herbouwd zijn”. Bovendien
had hij zijn winkeltje, een deel van zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
bestaan, van de hand moeten doen omdat er geen
ruimte meer voor was. Ook voor zijn verzoek om
schadevergoeding toonde de raad op 21 november
1859 gemeente geen clementie.12
Verzakkingen
Andere schadeclaims kwamen er bij de gemeente
binnen door verzakkingen van woningen. Dat was
het gevolg van het droogmalen en het aanleggen
van het riool. De huizen die het dichtst bij het
water van de Aa’s stonden, liepen de meeste kans
om schade op te lopen. Zo werd de westelijke
muur en de fundering van het huis en erf van
meester Abraham van de Graaff in de Diezerstraat
(nu nr. 98) door het water van de Kleine Aa
bespoeld. Aan de zijkant grenste het aan de Korte
Smeden, waar toen de Kleine Aa liep. De fundering
werd door een rij palen voor uitwijking beveiligd.
Maar door het werk aan de Aa waren de fundamenten
uitgezet en gescheurd. Daardoor verzakte
het huis en zou het zelfs zijn ingezakt als er
niet gestut was. Vandaar dat hij bij de gemeente
om compensatie vroeg, temeer omdat het perceel
minder waard was geworden.
Deze kwestie werd een heet hangijzer in de
raad, waarover men het onderling niet eens kon
worden. Daardoor verliepen de onderhandelingen
met Van de Graaff ook moeizaam. Van 1860 tot en
met 1862 kwam de raad liefst zeventien maal in
besloten zitting bijeen om de zaak te bespreken. De
commissie die rapport moest uitbrengen aan de
raad was eveneens verdeeld. Drie leden kwamen
ieder met een eigen rapport en aanbeveling. Thorbecke
vond een schadevergoeding van ƒ 1500,-
passend, Thiebout vond ƒ 1000,- genoeg. Maar
Cremer Eindhoven wilde helemaal niets geven,
omdat volgens hem het pand door grondaankoop
van de gemeente in waarde was toegenomen en dit
de schade wel compenseerde. Baron Sloet tot Oldhuis
drong aan op een minnelijke schikking, die
echter vastliep op een bedrag van ƒ 600,—.’3
Daarop daagde Van de Graaff de gemeente
Zwolle voor de rechter, die hem op 24 september
1862 in het gelijk stelde. De gemeente werd grove
nalatigheid en onvoorzichtigheid verweten en zou
aan Van de Graaff een passende schadevergoeding
moeten betalen. De raad overwoog nog wel tegen
dit vonnis in hoger beroep te gaan, maar zag daar
wegens een te geringe kans op succes toch maar
vanaf. Van de Graaff kreeg een bedrag van ten
hoogste ƒ 3000,- aangeboden.
Een andere bewoner langs de Kleine Aa vroeg
eveneens om schadevergoeding. Deze kwestie had
voor de gemeente een gunstiger afloop. J. Kleybrink,
die woonde bij de voormalige Kattenbeltsbrug,
rapporteerde schade te hebben opgelopen,
omdat een paal waarop zijn uitstek was gebouwd
bij het dempen was bezweken. Dit noopte hem tot
‘groote uitgaven’. De stadsarchitect stelde vast dat
hij niet bij de gemeente moest aankloppen, maar bij
de aannemer H. Mulder. Ook was Reinders van
mening dat de schade niet was ontstaan door het
dempen, maar door de slechte toestand van de paal.
Vandaar dat de schadeclaim werd afgewezen.14
De houthandelaren Schaepman en Russel
hadden meer succes met hun rekest. Een houten
wal en schuurtje van hun firma waren tengevolge
van het werk aan de Kleine Aa ingestort, omdat de
uitbaggering over een te grote breedte was uitgevoerd.
Zij kregen van de gemeente ƒ 100,- om de
schade op eigen gelegenheid te herstellen, dit om
“groote moeijlijkheden en procedures” te voorkomen.
15
Bezwaren tegen de aansluitkosten op het riool
Tijdens de werkzaamheden moesten de huiseigenaren
beslissen of ze hun pand wel of niet wilden
aansluiten op het gemeenteriool. Ze konden vergunning
krijgen hierop te lozen onder de voorwaarde
dat dit gebeurde onder toezicht van de
stadsarchitect. De aansluitkosten waren voor hun
eigen rekening, evenals het onderhoud van de
rioolbuizen. Bij akte van vergunning werd de
grondrentevan de percelen bepaald.
Bij de Grote Aa werd onderscheid gemaakt
tussen voorliggende en achterliggende panden.
Voor de voorliggende huizen werd op 7 juli 1857
de grondrente vastgesteld op ƒ 12,- en voor de
achterliggende op ƒ 8,-. Hierop dienden verscheidene
eigenaren een verzoekschrift in om de
grondrente voor iedereen gelijk te stellen en te
verminderen tot zo’n ƒ 5,- a ƒ 7,—. Tevergeefs!
Voor de prijzen van de Kleine Aa werd uitgegaan
van de grootte van de percelen, waarbij het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
bedrag kon varieren tussen ƒ 12,-, ƒ 10,-, ƒ 8,-,
ƒ 6,-, ƒ 4,- en ƒ 2,-. De raad besloot op 12 april
1859 dat de gemeente op ‘een min kostbare wijze’
gelegenheid zou geven om de rioolverbinding tot
stand te brengen, dit ter bevordering van de reinheid
ter plaatse.
De grondrente bracht tussen de Gasthuisbrug
en de Blauwhandsebrug een bedrag op van ƒ 237,-.
De aanslagen van aansluiting op het grote riool
van de Kleine Aa brachten jaarlijks ƒ 349,25 op.
Er kwamen vele bezwaarschriften binnen
tegen een te hoge aanslag. De eerder genoemde
Berend van Utteren aan de Kleine Aa rekende zich
ook de grond onder de uitstekken toe en meende
hiervoor niet te hoeven betalen. M.E. van Dam en
D.J.A.S. Zweers, die in de Diezerstraat woonden
en een achtergevel hadden die uitkwam aan de
Oude Vismarkt, vroegen om verlaging van hun
aanslag. Ze waren van mening niet verantwoordelijk
te zijn geweest voor het onderhoud van de
kademuren. Reinders bestreed dit én was van
mening dat de demping in hun voordeel was
geweest, omdat ze nu de muur niet meer hoefden
te onderhouden. Net als J.W. Holtkamp, die ook
als onderhoudsplichtig werd beschouwd voor zijn
kademuur, kregen ze geen vermindering van de
grondrente.16
Het bestuur van de Gasthuizen, dat was aangeslagen
voor ƒ 25,-, vond dit bedrag te hoog. Het
hervormde weeshuis betaalde immers ƒ 16,-, terwijl
daar 62 mensen woonden en in het gasthuis
maar 44. Mocht de aanslag gebaseerd zijn op die
van het Gesticht van Liefde op het Gasthuisplein,
dat ook ƒ 25,- betaalde, dan was dat niet terecht.
In het schoollokaal van het Gesticht bevonden
zich immers vele privaten, terwijl er in het Gasthuis
maar twee waren. Toch wees de raad het
rekest af, omdat ze het door de Gasthuizen te betalen
bedrag in overeenstemming vond met dat van
andere dergelijke instellingen.17
Aanplant van bomen
De ruimte die vrijkwam na het dempen van de
Grote Aa leende zich goed voor de aanplant van
bomen. Vandaar dat bij de raad verscheidene
rekesten binnen kwamen om bomen te planten of
te behouden. Zo pleitten J. van Deventer en andere
eigenaren of bewoners langs de Aa voor het
behoud van de lindebomen, die langs het gedempte
gedeelte stonden. Dit verzoek werd op 14 mei
1857 ingewilligd, terwijl ook de bomen langs de
rest van de Aa voorlopig mochten blijven staan.
In het begin van 1860 was de raad het nog niet
eens of die bomen wel of niet mochten blijven
staan. In december daarop besloot ze echter met
tien tegen zes stemmen om de kastanjebomen ter
weerszijden van de Aa te vellen.
In een brief, ondertekend door 29 bewoners
langs de Melkmarkt, werd in oktober 1861
gevraagd om aanplant van bomen op de plaats van
de gedempte Aa. Ze vonden dit zeer wenselijk,
“vooral omdat daardoor een verbinding met – en
alzo verlenging van – de heerlijke wandelplaats
langs de stadswallen zoude tot stand komen”.
Bovendien zouden hun woonhuizen door de
bomen tegen de brandende hitte beschermd worden,
die de afgelopen zomer bijzonder hevig was
geweest. Op 26 oktober 1861 besloot de raad dan
ook het trottoir in het midden van de Melkmarkt
te beplanten met iepen. Kastanjebomen vonden
geen genade.18
Epiloog
Vandaag de dag worden begrotingen van wat grotere
projecten meestal fors overschreden. Opmerkelijk
is dat bij het dempen van de Aa’s de werkelijke
uitgaven veel voordeliger uitvielen dan was
begroot. Bij de Kleine Aa kwam dit vooral omdat
het project door de gemeente in eigen beheer werd
uitgevoerd. Dat gaf een besparing van ruim een
kwart op de begrote kosten.
Door het dempen verdween een schilderachtig
stukje Zwolle. Het water, de boten en de uitstekken
binnen de stadswallen verdwenen. Een belangrijk
voordeel was dat langs de Grote Markt,
Melkmarkt en Rodetorenplein een prachtige locatie
voor een markt ontstond, die tot de dag van
vandaag een grote trekpleister is voor de stad en de
wijde omgeving. Bovendien vormt het een uitstekende
standplaats voor de jaarlijks terugkerende
zomerkermis.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Noten
1. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), AAZ02-01052,
memorie van toelichting, nr. 133.
2. GAZ, CA004,1855, pakket 48, nr. 62.
3. Idem, 1854, pakket 47, nr. 28a.
4. GAZ, AAZOO2-O1O54, brief van 20 oktober 1858, nr.
383-
5. GAZ, AAZO2-01057, rapporten van 24 januari en 6
februari 1860; brief van 8 april 1860.
6. GAZ, AAZ02-01058, rapport van 2 oktober 1860.
7. GAZ, AAZO2-OIO6O, brief van 2 september 1861; GAZ,
AAZO2-oio6ia, rapport 16 augustus 1862.
8. GAZ, AAZO2-oo995b, vergaderingen van 30 mei en 12
juli 1860.
9. GAZ, AAZ02-01060, brief van 22 juli 1861.
10. GAZ, AAZ02-01055, brief van 20 mei 1859.
11. GAZ, AAZ02-01056 en 01057, brieven van 6 september
en 3 oktober 1859 en 2 januari 1860.
12. GAZ, AAZ02-01055 en 01056, rapport van 28 januari
1859 e n brief van 24 oktober 1859.
13. GAZ, AAZ02-03453.
14. GAZ, AAZ02-01055, brieven van 3 en 7 juni 1859.
15. GAZ, AAZO2-O1O58, rapport van 8 november 1860.
16. GAZ, AAZ02-00996, vergaderingen van 11 februari en
5 augustus 1861.
17. GAZ, AAZ02-01956, brief van 7 juli 1859.
18. CAZ, AAZ02-01060, brief van 23 oktober 1861.
Detail van de stadsplattegrond
van Braun en
Hogenberg uit het einde
van de zestiende eeuw.
Links, binnen de stadsmuren,
stroomt de
Kleine Aa, door het
midden de Grote Aa
(part. coll).
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Straatnamen, niet zo eenvoudig
Wil Cornelissen T i T istu dat er in 1933 bij de raadsvergade-
/ / ring van 4 september al een lans werd
T V gebroken om in Zwolle een straat naar
Multatuli te noemen? Het raadslid H.J. van der
Vegt pleitte hiervoor, toen een zestal straten
genoemd zou worden naar Da Costa, De Genestet,
Van Lennep, Beets, Bilderdijk en Tollens. ‘Het
college zal wel niet hebben willen uitdrukken dat
ze met dit zestal het neusje van de zalm hebben
willen aanwijzen,’ zo zei hij.
Een Multatulistraat heeft Zwolle (nog steeds)
niet.
Op 13 juni 1938 werd het voorstel van B&W behandeld
om de naam Beestenmarkt, waar tot 1 juni
1931 de veemarkt werd gehouden, te wijzigen in
Harm Smeengekade. Harm Smeenge, oom van de
latere WD-voorman Harm van Riel, was meer dan
veertig jaar voorzitter van de schippersvereniging
Schuttevaêr. Bovendien – en dat was niet zijn
geringste verdienste – had hij geijverd voor verbetering
van onderwijs aan schipperskinderen. Hij
was ondermeer voorzitter van de staatscommissie
die de regering adviseerde over deze speciale
onderwijsvorm. Er waren dus redenen genoeg om
Smeenge te eren met een straatnaam.
Toch hadden enkele raadsleden hun bedenkingen.
De oude naam Beestenmarkt opgeven?
Kon Smeenge niet in een nieuw gebouwde straat
vernoemd worden?
Na enige discussie werd toch besloten tot
naamsverandering. Het argument dat er vaak verwarring
bestond tussen de namen ‘Veemarkt’ en
‘Beestenmarkt’ speelde daarbij een belangrijk rol.
Veemarkt aan de Beestenmarkt, vanaf1938 Harm
Smeengekade geheten (foto: Provinciaal Overijssels
Museum).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
Een gewone jongen in Zwolle/3
Spoor, alcohol en veiligheid
Mijn vader was – ik zei het al eerder – bij
‘het spoor’. Tijdens de economische
crisis van de jaren dertig was dat een
voorrecht. Bij de spoorwegen werken betekende
een vaste baan, een vast inkomen en zelfs een aantal
vakantiedagen per jaar; zij het zonder de tegenwoordig
gebruikelijke vakantietoelage. Op het
salaris werd weliswaar af en toe beknibbeld, maar
het bleef een vaste baan. Je moest voortdurend
goed oppassen, wilde je je baan niet kwijtraken.
Altijd moest je je nauwkeurig aan de voorschriften
houden. Nooit zomaar iets van het werk meenemen,
ook al was het begeerde nog zo onbenullig.
Gebruik van alcoholhoudende dranken kort
voordat je in dienst kwam was taboe: wie tijdens
de arbeid een flesje met dergelijk vocht in jaszak of
bureaula verborgen hield, liep kans onverbiddelijk
de laan uitgestuurd te worden. En dat was het
slechtste wat je in de crisisjaren kon overkomen.
In de leuze “Vlug, veilig en voordelig” werd de veiligheid
bijzonder ernstig genomen.
Het kopen van sterke drank – bijvoorbeeld
wanneer mijn grootouders kwamen logeren –
moest dan ook zeer omzichtig geschieden. Pake,
zoals wij hem vanzelfsprekend noemden, was
gepensioneerd vanwege de Staatsspoorwegen en
hij kon zich een borreltje wel veroorloven. Omdat
hij gewend was aan elke dag een glaasje, vroeg
vader mij tegen de dag van Pakes komst even mee
te gaan naar een slijter in de Sassenstraat. Mijn
taak was als uitkijkpost te fungeren. Met een lege
fles verstopt onder zijn burgerjas – in uniform was
de heimelijke aankoop dubbel riskant, bijna een
misdaad! – trad hij de winkel binnen na eerst elke
kant van de straat te hebben uitgekeken naar herkenbaar
spoorvolk. Verraders slapen immers
nooit. Als de slijter enkele maatjes jenever in de
fles had gegoten, verscheen vader – de fles weer
onder de jas – voor het raam in de winkeldeur en
wachtte tot ik het sein ‘veilig voor naar buiten treden’
gaf.
Willem Boxma
De familie Spoor
Ik kom uit een gedegen ‘spoorgeslacht’. Mijn
overgrootvader en grootvader van vaders kant
hebben jarenlang het railvervoer gediend. Zelfs
mijn grootmoeder heeft als overwegwachteres,
gehuld in zware zwarte cape en dito hoge hoed en
gewapend met een rode vlag, het wegverkeer
tegengehouden, als het naderen van een trein was
aangekondigd.
Opgegroeid ben ik met ‘het spoor’, dat de sfeer
in ons huis bepaalde binnen de cyclus van vroege,
en late dienst. Stil moeten zijn als vader na gedane
nachtdienst overdag zijn slaap moest inhalen.
Avonden en nachten alleen met moeder tot hij ‘s
nachts of tegen de ochtend van de dienst thuiskwam.
De Hooge Brug waar
vanaf je een mooi uitzicht
had op de spoorlijnen;
circa 1930 (foto:
Instituut ter Bevordering
van de Waarneming
van Zwolle
[IBWZ]).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Stationsplein; circa
1934 (foto: IBWZ).
Het gevoel van onrust en onveiligheid ‘s
nachts. We wisten, dat vader bij het spaarzame
licht van hoogopgestelde lantaarns tussen sporen
en aanstormende treinen en wagons zijn werk
deed. Moeder schoof een tafel tegen de slaapkamerdeur,
omdat zij inbrekers vreesde en haar man
het niet voor haar zou kunnen opnemen. En dan
die kennissenkring: allemaal mensen die afhankelijk
waren van het spoorbedrijf. Zij waren, zelfs in
hun vrije uren en dagen, niet in staat over iets
anders te praten dan over dat eeuwige spoor.
Een wandelend spoorboekje
Ik was trots op mijn vader als ik hem op de perrons
van het station Zwolle van voor naar achter
en terug zag paraderen. In zijn indrukwekkende
zwarte uniform, de knopen met Brasso glanzend
gepoetst, zodat het ingegraveerde locomotiefje
echt scheen te rijden. Vooral door de rode pet,
versierd met vliegend wiel en gouden bies, was hij
voor mij de verpersoonlijking van dat geweldige
bedrijf dat voor mijn gevoel een eindeloze rij van
rijtuigen en wagons door het land en zelfs tot ver
in het buitenland liet trekken. De vertrekstaf bungelde
parmantig onder de arm of aan het riempje
aan zijn wijsvinger. Het verbaasde mij niet, dat
machinisten, wagenmeesters, conducteurs, stokers,
kruiers en wie verder op het station professioneel
aanwezig was, hem met “chef aanspraken.
Was het verwonderlijk, dat de drommen
wachtende reizigers zwegen en vervolgens gelijk
een kudde naar een ander perron schoven, als hij
via de microfoon had omgeroepen, dat de “trrrein
naar Grrrroningen, verrrrrtrektijd zeventiennnn
uuurrr met twintig minuten verrrrtraging zal b.’innenkomen
op spoorrr zo en zoveel”? Verder was
hij een wandelend spoorboekje; op elke vraag van
een reiziger naar een bepaalde trein gaf hij zomaar
uit zijn hoofd vertrektijd en perronnummer op.
Hoe kwiek sprong hij niet van een perron af en
klauterde hij even rap het andere perron weer op.
Daar aangekomen – en nadat hij ervan overtuigd
was dat het sein op veilig stond en na een indringend
snerpen van zijn fluit – hief hij de staf: en het
stoomblazende monster bundelde gedwee zijn
verborgen krachten. Ik zag in hem dezelfde figuur
welke politiek tekenaar Albert Hahn op een affiche
had verbeeld: “Heel het raderwerk staat stil,
als uw machtige arm ’t wil”.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
De heerser van Post T
Op geregelde tijden had vader geen dienst op het
reizigersstation aan het Stationsplein. Dan heerste
hij over het rangeerstation vanuit Post T aan de
Deventerstraat, waar ook de groenteveiling was.
Als ik aan het eind van de middag zijn broodtrommeltje
en koffiekruikje moest brengen en
over de steile buitentrap de seinpost was binnengegaan,
scheen hij mij weer de baas van het spoor
toe. Door de ramen overzag ik de immense wirwar
van in elkaar overlopende sporen, waartussen de
rangeerders, in blauwe kiel en de hoorn met een
koord om de nek gehangen, de wissels omgooiden.
Met de loodzware haak tussen de handen
geklemd wachtten ze tussen de buffers de door de
loc afgestoten goederenwagon af, een dreigend en
aanstormend gevaarte dat zich met een donderende
klap op de gereedstaande wagon stortte. Even
vreesde je, dat de kleine man in de blauwe kiel tussen
beide wagens vermorzeld zou zijn. Maar tot je
geruststelling zag je elke keer weer de haak
omhoog komen en terugspringen in het oog: de
‘anpikkateur’ had het overleefd. Gebukt kwam hij
onder de buffers vandaan en ontlokte vervolgens
aan zijn hoorn een klemmende boe-toon, als
teken aan de machinist, dat de koppeling was
gelukt en hij kon opstomen.
Op de seinpost viel wat te beleven. Het verbaasde
me altijd hoe rap vaders vingers de knop
van het morsetoestel bedienden. Tik-tik-tikke-t-ii-
i-k. Punten en streepjes die op ellenlange stroken
wit papier afgedrukt werden en boodschappen
doorgaven aan een volgende post.
In de seinpost was ook de seinhuiswachter.
Met een dot veelkleurig katoen in de hand tilde hij
de weerspannige handels die het seinsysteem in
werking brachten. Rinkelen van bellen, venstertjes
waarachter kleurtjes zichtbaar werden of dichtsloegen,
neerklappen van handels, tikken van de
morsesleutel – hier klopte het hart van de spoorwegen.
Soms wenkte een machinist en nodigde me uit
bij hem boven te komen. Terwijl een leerlingmachinist
met een gigantische schop kolenbrokken
in de stookkist wierp, mocht ik aan het koordje
trekken. De stoomfluit gilde over het rangeerterrein,
drong dwars door de witgrijze, langs de wielen
slierende stoommassa, alles en iedereen waarschuwend
voor de onverzettelijke komst van – ik
zou willen zeggen – mijn loc. Zouden jongens niet
alleen daarom al, de droom koesteren van spoorman
worden?
Stoom en diesel
Stoom – dat was het onomstotelijke kenmerk van
het spoorwegbedrijf. Stoom die de gevels van de
huizen aan de Oosterlaan tegenover het station
zwartblakerde. Stoom die onweerstaanbaar zuchtend,
piepend, hijgend, krakend, gillend, ratelend
de lange logge keten achter de machine op gang
bracht en leidde naar de verste oorden die ik me
denken kon.
Meester De Mik had in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant gelezen dat op een
bepaalde tijd in de middag de dieseltrein zou passeren.
Dat was de revolutionaire tegenhanger van
de stoomtrein, vertelde hij. ’t Was nog wel een
trein, maar heel anders. De diesel zou in de toekomst
het gezicht van de spoorwegen bepalen.
“Kinderen, dat mogen jullie niet missen”, hield hij
ons voor. En daarom ging de hele klas keurig in de
rij naar de spoorwegovergang; daar waar de
Deventerstraat in de weg naar Ittersum overgaat.
Wat ons tussen de spoorbomen passeerde, vond ik
maar niks. Het pufte niet, het had geen pijp waar
rookpluimen uit omhoog sloegen. Geen ondoorzichtige
stoomwolk gaf uiting aan de kracht van
De Deventerstraatweg
met groenteveiling;
circa 1934 (foto: IBWZ).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de machine. Het leefde niet, het leek trouwens in
niets op de ouwe trouwe locomotief. Ik miste de
groet van de meester, leunend op de rand van het
groene ijzeren deurtje, met die olijke en niettemin
trotse blik onder het zwartleren petje.
Vrij reizen
Tot de aantrekkelijke emolumenten van vaders
functie bij de Nederlandse Spoorwegen, behoorde
zeker het ‘vrij reizen voor het hele gezin.’ Je hoefde
alleen maar aan het stationsloket een bonnetje in
een boekje te laten afstempelen en ziedaar je gratis
treinkaartje, geldig voor heel Nederland. Een ‘vrijbiljet’
heette dat. We reisden vanwege vaders rang
zelfs tweede klas, behaaglijk in de groene stoffen
bekleding. Weliswaar niet in het rode pluche van
de eerste klas, maar ook niet op de houten banken
van de derde klas. Ik voelde me altijd heel sjiek als
ik vanaf die luxe zitplaats het raam uitkeek en op
het perron reizigers die voor hun kaartje betaald
hadden, de derde-klas rijtuigen zag binnenklimmen.
Wanneer mijn moeder alleen reisde, gaf zij
de voorkeur aan een compartiment dat met een
bordje ‘Dames’ aangaf wie er mochten plaatsnemen.
Een lange treinreis
Blijkens een aantekening op de achterzijde van
een bewaard gebleven kiekje, maakte ik in 1935 een
lange treinreis. We brachten de zomervakantie
niet, zoals anders, bij familie door: we reisden naar
Valkenburg, in Limburg nota bene! We gingen
logeren in een pension! Niet een dag, niet een
weekend, maar een hele week. We gingen niet met
het eigen gezin, maar in gezelschap van de familie
Wisman. Meneer Wisman was een collega van
vader en hij had het pension besproken. Pension
Van der Gronden heette het. Het was gevestigd in
een keurig pand met een terras ervoor aan een rustige
weg.
Nadat we onze wandelingen langs de Geul
hadden gemaakt, de imitatie-steenkolenmijn hadden
bekeken en de Wilhelmina-toren hadden
beklommen, stelde vader voor met het treintje
naar Aken te reizen. Want hij wilde, nu we toch zo
dicht bij de Duitse grens zaten, met eigen ogen wel
eens zien hoe het in Duitsland onder Hitler gesteld
was. Zijn voorstel werd niet door het hele gezelschap
in dank afgenomen. Meneer Wisman, een
statig heer die ook in vrije tijd om zijn een nek een
vadermoorder droeg, liet zich overhalen. “Wat
kan ons gebeuren?”, sprak hij tot zijn protesterende
vrouw. Hij was geen socialist zoals mijn vader.
Als iemand over de grens gevaar mocht lopen,
waren zij het – hij doelde op ons – en zijn gezin
niet. Hitler hield immers niet van sociaal-democraten
en de Wismans waren politiek kleurloos of
stemden op een ‘degelijke’ partij. Moeder was
doodsbang. “Ze zullen ons oppakken. Zullen we
dat nou wel doen, Hendrik?”, klaagde ze, wanhopig
pogend mijn vader van zijn stoute voornemen
af te brengen. Het mocht niet baten.
Ik was enthousiast over het plannetje. Ik zou
het voorrecht genieten de minerale bronnen te
aanschouwen waardoor Aken volgens de meester
zo bekend was. De kinderen van mijn klas waren
toch al zo jaloers op mij geweest toen ze van onze
reis naar het verre Valkenburg hoorden. Het feit
dat ik de minerale bronnen had gezien, zou na
terugkeer in Zwolle een extra accent geven aan
mijn reisverslag.
Met sigaren Duitsland in
De hamvraag was echter: hoe per trein in Aken te
komen zonder geldig vrijbiljet en zonder paspoort.
Vader achtte die afstand geen beletsel, “’t Is
maar een klein stukkie”, oordeelde hij, en hij wilde
het er wel op wagen. Ik geloof dat vader tegenover
mensen als meneer Wisman graag de branie uithing;
voor mij was hij een held. Als we eenmaal in
de trein zaten en de Duitse conducteur kwam
langs, dan zou hij bij de ‘schaffner’ gewoon een
beroep doen op diens collegialiteit. En vragen of
hij dan meteen iets wilde regelen met de douanier
en de paspoortcontroleur. Ter ondersteuning van
het verzoek zou een Nederlandse sigaar wonderen
doen. In Duitsland waren die schaars en duur en
dus begeerlijk.
Zo stapten we in Maastricht met z’n achten in
de trein naar Aken. Gelukkig was het een rijtuig
met een gangpad langs de coupes, zodat de mannen
verdacht konden zijn op de komst van de
Duitse conducteur. Toen die vooraan in het gangpad
verscheen, haastte vader zich hem tegemoet te
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
treden, meneer Wisman bedremmeld in zijn kielzog.
Ik zag hoe vader zijn sigarenkoker voor de
dag haalde, wat smoesde – hoe dat is gegaan weet
ik niet, want hij kende amper een woord Duits –
en kwam met een zegevierende blik naar ons
terug. Terwijl wij met spanning op de afloop van
de onderhandelingen wachtten, zag ik nog net, dat
ook meneer Wisman nog gauw twee sigaren in de
hand van de conducteur stopte. “Hoe is het
gegaan?” vroegen de vrouwen. “Uitstekend”,
snoefde meneer Wisman, “’t ging zoals we gedacht
hadden, hè Boxma?”
Hoewel de echtparen elkaar al jaren kenden en
regelmatig met elkaar omgingen, spraken ze
elkaar nooit aan met de voornamen. Eigenlijk gek,
achteraf bezien. Meneer Wisman en vader noemden
elkaar ‘Wisman’ en ‘Boxma’, de vrouwen
kwamen niet verder dan ‘juffrouw’. Ik heb ze wel
eens vergeleken met juffrouw Snip en juffrouw
Snap. Die spraken elkaar op vergelijkbare leeftijd
– ook vriendinnen en ook gehuwd – altijd met
‘juffrouw’ aan. We moesten, volgens vader, wel
zorgen met de trein van zo-en-zo-laat uit Aken
terug te keren. Dan zat hetzelfde personeel op de
trein en kwamen we ongehinderd de grens weer
over. De schaffner heeft woord gehouden. Noch
van hem, noch van de langskomende douaneambtenaar,
noch van de paspoort-controleur
hadden we iets te vrezen. Ze staken amicaal hun
hand naar ons op en vader en meneer Wisman lieten
niet na er snel een sigaar in te duwen.
Hitler’s minerale bron te Aken
In Aken aangekomen verlieten we zonder moeilijkheden
het stationsgebouw. Er was geen controle
bij de uitgang. Vader klampte een lange, magere
en sjofel geklede jongeman aan en vroeg of hij wist
waar de minerale bronnen te vinden waren, want
de kleine jongen – hij wees naar mij – was daar zo
in geïnteresseerd. De slungel keek ons eerst ongelovig
aan alsof hij geen raad met de in het Nederlands
gestelde vraag wist, maar dan vroeg hij ons
hem te volgen. Nu zou ik dat heilzame water uit de
bron omhoog zien spuiten!
Tot mijn bevreemding leidde de gids ons een
pompeus gebouw binnen. Ik wilde nog zeggen dat
hij ons vast niet goed had begrepen en dat bronnen
mij in een dergelijk onderkomen onwaarschijnlijke
leken, maar ik kreeg daarvoor geen
kans. Als een kudde schapen lieten we ons met z’n
achten langs de brede marmeren trap naar beneden
leiden. En zie: op het bordes tussen twee trappen
stak een glimmend gepoetste kraan uit de
muur, pronkend in een beeldhouwwerkje van
eikebladeren. Ernaast zat een vrouw in verpleegstersuniform,
die tegen betaling van een paar
pfennig bereid was voor ons een bekertje uit de
kraan te vullen. “Mineral Wasser, gut”, beval ze
ons aan. Omdat we geen pfennig op zak hadden,
steeg ons clubje, mijn teleurstelling wegtroostend,
de marmeren trap weer op. We dankten het jongmens
voor zijn begeleiding en zowel vader als
meneer Wisman beloonden hem voor zijn diensten
met een gulle gift in de vorm van een authentiek
Nederlands dubbeltje. Ik heb later nooit meer
iemand zo onderdanig zien buigen voor een dubbeltje.
Besloten werd nog even een korte wandeling
door de stad te maken. Toen zagen we de hakenkruisvlaggen,
Hitlers levensgrote portret in de
winkeletalages, de aanblik van Duitsland sinds
1933. Ook zagen we een kapotte winkelruit met
scherven op de grond en we vroegen ons af wat
daarvan de oorzaak kon zijn. We vreesden het ergste.
Overigens scheen het leven zijn dagelijkse
gang te gaan, de tram snierde door de straten,
mensen deden hun boodschappen of waren om
een andere reden op straat. Nu en dan ging een
SA-man aan ons voorbij, te voet of op de fiets, in
het bruine uniform met laarzen, zwarte pet en
koppelriem en op een arm een zwart hakenkruis
fel tegen een wit-rode mouwband afstekend.
En toch… verbeeldden we het ons of riepen we
het onbewust bij ons op… er heerste iets van een
onveilig gevoel in ons. Ook al leek het straatbeeld
niet op dat wat we regelmatig op foto’s hadden
gezien. Moeder werd alsmaar nerveuzer en spoorde
de mannen aan onverwijld naar Valkenburg
terug te keren. In het vooruitzicht spoedig weer
over de grens te zijn kwam ze op het Akense station
geleidelijk weer tot bedaren. Het toeval wilde
dat ze, neergestreken op een bank, een jongetje in
een Hitlerjugendpakje naast zich kreeg. Ze werd
zelfs overmoedig, stelde het knaapje allerlei vra6o
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen: hoe oud hij was, of hij voor Hitler was
(natuurlijk was hij dat, anders liep hij niet in dat
bruine kostuumpje rond, dacht ik) – of zijn
ouders ook lid van de nazi-partij waren en wat hij
bij de Hitlerjeugd deed. Of ze er ook leerden schieten
en zo. ’t Lag voor de hand dat het jochie haar
niet begreep en hij deed haar vragen dan ook glimlachend
af.
We kwamen zonder problemen in pension
Van der Gronden in Valkenburg terug. Vader en
meneer Wisman vertelden ’s avonds op het terras
met verve aan de overige gasten wat we in Aken
hadden beleefd, gezien en vooral verondersteld.
De toehoorders hingen aan hun lippen. Die
spoorlui, die durfden wat! Om maar niet te spreken
van de kinderen in mijn klas. Een held was ik,
een wereldreiziger!
Het Almelose Kanaal,
waar je salamanders en
kikkervisjes kon zoeken
(foto: IBWZ).
Zwemmen in het kanaal
Hoe komt het toch dat mij – jaren ouder geworden
en overal gewoond en gezworven hebbend —
steeds weer die lust bekruipt naar Zwolle te gaan?
En dat terwijl ik geen geboren Zwollenaar ben en
bovendien het Zwolle van nu bij lange niet meer
de stad van de jaren twintig en dertig is. Ligt er dan
zoveel aan herinnering verborgen in de straten en
straatjes, stegen, wallen, dijken, grachten en kanalen
waar ik vroeger de weg zo goed wist? Waar is
de Assendorperdijk? Ik zie mij nog van de dijk de
uiterwaarden in lopen en langs het Almeloos
Kanaal en tussen het weidegras boter-, dotter-,
koekoeks- en kievitsbloemen plukken en in het
water tussen het riet naar salamanders en kikkervisjes
zoeken. En waar is toch die plek aan datzelfde
kanaal waar zovelen kwamen zwemmen, ongehinderd
door de tjalken die met strakke zeilen tussen
de ‘badgasten’ doorvoeren? Vader gaf mij er
de eerste zwemlessen.
Heerlijkheden van 1 en 5 cent
Waar zijn de winkels van weleer in de Assendorperstraat
gebleven? De meeste vind ik niet terug.
Andere zijn gekomen; weer andere zijn met de tijd
meegegaan en verbouwd en hebben nu hel verlichte
etalages waarin de koopwaar op reclametechnisch
verantwoorde wijze is uitgestald. Ik zie
mijn broer en mij nog staan voor de snoepkast in
het armetierige kruidenierswinkeltje van juffrouw
Jansen aan de Assendorperstraat, recht tegenover
de Verenigingstraat. Elke zaterdag kregen we van
vader royaal zakgeld: de somma van vijf cent. Dat
was meer dan menig ander kind in de straat kreeg.
We haastten ons daarmee naar de één-centssnoepbak
van juffrouw Jansen. De stuiver brandend
in de broekzak posteerden we ons voor de
bak van begeerte, waarin onder glas de één-centsheerlijkheden
zich aanprezen: duim- en veterdrop,
zoethout, zwart-op-wit, toverballen, spekjes,
toffees. Ongedurig en besluiteloos bleven we
bij de aanblik van al dat lekkers staan. Wat zouden
we als ruilobject voor ons kapitaal aanwijzen? Juffrouw
Jansen bleef geduldig wachten; ze kende de
kleine klanten voor de snoepbak en ze liet zich ook
één cent niet ontglippen. Toch brak ze de spanning
na een tijd van lankmoedigheid. Haar voeten
gingen pijn doen van het staan en haar arm van
het ophouden van het glasdeksel en dan spoorde
ze ons aan een beslissing te nemen. Of we alsjeblieft
wilden “veurtmaak’n” want ze wilde “ook
wel es eet’n”.
Soms holden we naar het Chineesje dat weggedoken
onder sleetse pet, jas en sjaal, met zijn aangeboren
glimlach, uit een broodtrommel zijn pindarepen
aan de man, of liever aan het kind, trachtte
te brengen. Hij had een vaste stek tussen Assendorper-
en Lindestraat. De voeten om beurten
stampend op de straatstenen om de niet gewende
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 6l
kou te weerstaan, riep hij voorbijgangers bijna
onhoorbaar “Pinda, pinda, lekka, lekka” toe. Vijf
cent vroeg hij voor zo’n reep van aardnoten in
gebrande suiker.
Het verheugt me het de winkel van Ludeking
nog aan te treffen. Hoe lang nog? Binnen is de zaak
weliswaar uitgebouwd, maar nog steeds ligt er het
assortiment van boeken, tijdschriften, schrijfgereedschap,
papierwaar, agenda’s en kalenders. Tot
mijn verrassing pronkt een boek van mijn hand
tussen al dat moois. Heeft Ludeking bij lezing van
de tekst op de achterkant ontdekt dat de schrijver
dezelfde is als de jongen, die af en toe voor tien
cent per week keurig in bruin papier gekafte boeken
uit zijn bibliotheekje leende?
“Breuties” van Van Zuthem
Ook de brood- en kruidenierszaak van Redeker is
weg. Zelfs de winkels van de Coöperatie en De
Gruijter. Van de laatste geurde de koffie je buiten
al tegemoet; binnen stond je in een puur Hollands
landschap van Delfts blauwe tegeltjes; compleet
met molens, rundvee en melkmeisje onder het
juk. In Brouwers zuivelzaak met produkten uit de
melkfabriek Steggerda worden nu heel andere
dingen verkocht. Ook vind ik in het winkelpand
op de hoek van de Rozenstraat de bakkerij van
Van Zuthem niet meer. Bakker Van Zuthem duwde
elke dag persoonlijk de logge houten handkar
door de wijk. Zijn vrouw hielp in de winkel.
Het toeval wilde, dat mijn broer en ik op eenzelfde
dag met een schoolreisje meemoesten. Voor
onze begerige jongensmagen diende het nodige te
De Assendorperstraat
waar zowel de bomen
als veel winkels verdwenen
zijn (foto: IBWZ).
Zwolle. DlWkerstraat (Zwolle’s hoofdstraat)
De Diezerstraat in de
jaren vijftig, toen het
nog mogelijk was tijdens
een rijexamen door de
straat te rijden (foto:
IBWZ).
62 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Waterstraat:
’s nachts een schaars
verlichte straat (foto:
IBWZ).
worden ingeslagen. Aan mij viel de eer te beurt bij
Bakker van Zuthem tien “broodjes” te halen. Voor
een goed verstaander werden daarmee kadetjes
bedoeld, wij spraken altijd van “broodjes”.
“Tien breuties”, bestelde ik bij de bakkersvrouw
die in een hagelwit schort achter de toonbank
verschenen was. Ik hoorde dof klinkende
voetstappen op een houten trap toen ze zich naar
achter had begeven. Hijgend en rood-opgelopen
kwam ze terug met een mand gevuld met tien grote
broden, “k Mut geen brood’n! Breuties’, zei ik
in mijn beste Zwols, met de klemtoon op ‘ies’,
tegen juffrouw Van Zuthem. ‘Maar ie zeiden toch
breuties’, verdedigde ze zich. ‘Ja, ik bedoel ook
breuties, bollechies, kedetties’, legde ik nogmaals
uit. En of die uiteenzetting niet voldoende was
voegde ik eraan toe: “t Is veur ons skoolreisien’. Ze
zette de mand neer en viste tien moot-ronde witte
kadetjes uit een bak achter haar. ‘Nou, ik rake ze
wel kwiet, eur’, riep ze me verontschuldigend na
toen ik al in de winkeldeuropening stond.
Rijexamen in de Diezerstraat
Waarom moesten sommige straten hun voornaamheid
verliezen? In de Diezerstraat moet je je
tegenwoordig pal tegen de muur opstellen en je
nek ver uitstrekken, wil je nog aan de overkant van
de straat de klok-, tuit- en andere van vroegere tijden
overgebleven gevels zien en de jaartallen en
opschriften binnen de sierlijke ornamenten lezen.
De oorspronkelijke puien zijn verprutst door de
eigenaars van warenhuizen, restaurantjes, ijs- en
friettenten, groot- en kleinschalige nering. Op
straat struikel je over kledingrekken en reclameborden.
Er hangt de doordringende geur van
doorgebakken patat. De hoofdstraat is ‘promenade’
geworden. In 1950 reed ik er nog met vijftig
kilometer per uur door om mijn rijexamen af te
leggen.
Je haar oliën op z’n Zwols
Zelden hoor ik nog dat vertrouwde Zwols spreken,
het dialect dat dat eigene aan onze stad verleent
en niettemin variaties kent. Tussen het
Zwols van Assendorp en dat van achter de Diezerpoort
viel verschil te beluisteren voor wie daar
aandacht voor had. Nu spreekt, naar mij schijnt,
iedereen Hollands; al kunnen velen niet nalaten
de laatste lettergreep in te slikken als het om een
werkwoord of een meervoud gaat, de h te verwaarlozen
of aan de a iets van een è-klank te laten
horen. Zodoende valt de ware ‘blauwvinger’ door
de mand. Op partijtjes wordt mij wel gevraagd iets
in het Zwols te laten horen. Hoewel ik, zoals eerZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
der gezegd, geen geboren Zwollenaar ben doe ik
soms een poging. Ik vraag dan of men kan horen
wat “met ’n like-lattien ’n dooie dodde uut de götte
viss’n” beduidt. Niemand komt e

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1995, Aflevering 3

Door 1995, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

– A >5
1
Historische
IETIJD
F
1 2 E J A A R G A N G 1 9 9 5 N U M M E R 3
./ i
t
ï/ó
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voor en na de revolutie
.DocoetW •-•«”*<«« »anhoud«adiold. er io.ooo ' " *" *iu do Zie gotc$tn, wordou mei ÏÖtcbtea hul» io oiKtc'zoükcn of cl ooit VP>QJ vcippiscQ vucn^^
. Op Keiioj^t EulIcD.t.ll» treitcdebetalxiqEeB vmqdta, en :’r^tv
De veranderingen in het revolutiejaar 1795
kunnen treffend geïllustreerd worden door
een vergelijking van twee exemplaren van de
Zwolsche Courant; een van voor en een van na de
Bataafse revolutie. Er vallen dan drie zaken op: de
naamsverandering, het verschijnen van een uitgesproken
politiek motto en een nieuwe jaartelling.
Voor 1795 heette het blad de Overysselsche Courant.
Op last van het Zwolse revolutionaire stadsbestuur
werden de uitgevers in mei 1795 gedwongen de naam te
veranderen in Zwolsche Courant. Dit was zeer tegen de
uitdrukkelijke wens van de uitgevers, vader en zoon
Tijl, die vreesden daardoor lezers in andere plaatsen te
verliezen.
Deze dwang van het stadsbestuur, die niet toegelicht
werd, is opvallend in strijd met een van de nieuwe
politieke patriottische uitgangspunten die de uitgevers
in de kop van de Zwolsche courant plaatsten. Het waren
de kernbegrippen van de nieuwe maatschappelijke
orde, de bekende trits: vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Tegelijkertijd werd het begin van de aangevangen
revolutionaire tijd aangeduid door een aangepaste jaartelling.
Het revolutionaire bestuur startte met een nieuwe
jaartelling: ‘Het eerste jaar der Bataafsche vryheid’.
Omdat niet alle kranten uit 1795 bewaard zijn is
niet duidelijk wanneer vader en zoon Tijl voor het eerst
revolutionaire kleur bekenden. Het is duidelijk dat zij
zich om commerciële redenen verbonden met de nieuwe
tijdgeest want zo goed als iedereen in Zwolle was patriottisch,
dus Bataafs gezind.
Zo werd de lezer er om de paar dagen (de krant verscheen
nog niet iedere dag) aan herinnerd – zo hij dat al
vergeten kon zijn en misschien wel tot zijn chagrijn – dat
de oude tijd voorbij was en hij in een nieuwe era leefde.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Redactioneel Inhoud
Tot de bekende, op de lagere school en later
geleerde mooie ronde jaartallen behoort naast
uiteraard 1600 ook 1795, het jaar van de Bataafse
revolutie.
Tweehonderd jaar geleden trokken de Fransen over
de bevroren rivieren de Verenigde Republiek binnen.
Men werd verlost van de ’tiran’ Willem V, die trouwens
al naar Engeland gevlucht was, en het bewind van de
aristocratie. Ook te Zwolle vond een omwenteling
plaats waarbij de patriotten die in 1787 verdreven waren
weer in het stadsbestuur kwamen. De revolutie zorgde
het hele jaar voor de nodige commotie. Aan een aantal
aspecten wordt in dit nummer aandacht geschonken.
J.J. Seekles beschrijft de activiteiten van het Comité
Revolutionair dat in januari 1795 de omwenteling tot
stand bracht. Hij onderzocht ook welke sociale positie
de leden van het Comité onder de Zwolse burgers innamen.
In maart raakte Zwolle verwikkeld in een regeringscrisis
doordat het zittende stedelijk bestuur het bijltje
erbij neerlegde. Wat de heren bezielde wordt verteld
door H.A. Stalknecht.
Het vervolg van de gebeurtenissen haalt J.C. Streng
op. Daarbij wordt zowel aandacht besteed aan de hoge
idealen van de patriotten en de bestuurlijke democratisering,
als ook aan de dagelijkse beperkingen.
De muziekcultuur werd verrijkt met Frans revolutionair
repertoir. F.D. Zeiler is de aangewezen figuur die
daar meer over kan vertellen.
Nog in 1955 was de Zwolse revolutie voor Hans van
Assen de aanleiding om er een spannend jongensboek
over te schrijven. Aan dit vrijwel vergeten boek, wordt
hier nog eens herinnerd.
Aan het slot een huishoudelijke mededeling. In het vervolg
zal de bibliothecaresse van het Zwolse archief, Marieke
Schaap, de lezers van dit tijdschrift op de hoogte
houden van de belangrijkste nieuw verschenen boeken
en artikelen over de geschiedenis van Zwolle.
Voor en na de revolutie 76
Het Comité Revolutionair te Zwolle J.J. Seekles 78
In memoriam Rob van den Elzen 78
Gantsch wederregtelyk in de wereld gebragt’.
Waarom de municipaliteit bedankte H.A. Stalknecht 85
Het eerste jaar der Bataafse vrijheid J.C. Streng 89
‘Welaan! rechtschapen Vaderlanders!’ Muziek rond het revolutiejaar
1795 F.D. Zeiler 98
Drie jongens in revolutietijd, een jongensboek van Hans van Assen
J.C. Streng 104
Literatuur 106
Agenda 107
Mededelingen 108
Auteurs 109
Omslag: De Bataafse revolutie te Zwolle is door de tijdgenoten niet in beeld
gebracht. Deze afbeelding van het binnenrukken van de Fransen door de Sassenpoortwerdin
1955 door R. van Looy gemaakt voor het boek ‘Drie jongens in
revolu tietijd’. ^^^^HBBB^^^^^H
78 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
J.J.Seekles
Het verslag van de laatste
bijeenkomst van de
meente. Hiermee kwam
een einde aan dit eeuwenoude
instituut.
Het Comité
revolutionair
te Zwolle in 1795
Naar de organisatie, samenstelling, sociale structuur
en activiteiten van burgers die betrokken
zijn geweest bij de staatkundige ontwikkelingen
op landelijk en lokaal niveau tussen 1780 -1812 zijn
diverse onderzoekingen verricht. Vooral de hedendaagse
belangstelling voor deze nieuwelingen of Homines
Novi heeft tot een groot aantal publicaties geleid. Wie
waren zij; hoe kwamen zij aan de macht; wat valt er te
vertellen over hun opleiding, beroep en welstand? In dit
artikel staan vooral de leden van het Comité Revolutionair
te Zwolle centraal.
Door genealogisch en biografisch onderzoek zijn
over de leden van het Zwolse Comité Revolutionair zoveel
mogelijk gegevens verzameld. Hierbij is gebruik gemaakt
van de door Elias en Scholvinck gehanteerde methode
in hun boek Volksepresentanten en Wetgevers, de
politiek elite in de Bataafs-Fanse tijd, 1796-1810. Maar
vooraf aan het onderzoek gaat een paragraaf met een
beknopte beschrijving van de historische gebeurtenisü
/
-&~*-~ (Lus ^ x 1 “>
.’/-tl
sen die hebben geleid tot de fluwelen revolutie te Zwolle
in januari 1795. Besloten wordt met enige conclusies.
De machtswisseling in januari 1795
Eind juni 1787 hield het Goudse vrijcorps prinses Wilhelmina
aan bij Goejanverwellesluis. De Oranjepartij
gebruikte dit als voorwendsel om haar broer koning
Frederik Willem II van Pruisen tot een interventie te
bewegen. De Pruisische commandant Van Goltz trok
op 23 september 1787 Zwolle binnen. Op de interventie
volgde niet meteen een restauratie. Deze kwam pas in
oktober tot de magistraat in orangistische geest werd
hervormd. Slechts drie patriotse burgemeester bleven
gehandhaafd.
Deze zogenoemde restauratieperiode (1787-1795)
verliep betrekkelijk rustig in Zwolle. Oranjeterreur van
betekenis vond niet plaats. Van vervolging van patriotten
was geen sprake. Hoewel openlijke patriotse genootschappen
verboden waren, bleven vergaande
maatregelen tegen patriottischgezinde organisaties, zo-
In memoriam
Rob van den Elzen
Begin juli kreeg de redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift bericht dat Rob van den Elzen zijn activiteiten
als grafisch vormgever voor de vereniging
moest stopzetten. Hij was getroffen door een ernstige
ziekte.
Een maand later – op 3 augustus – is Rob overleden.
Sinds 1991 was hij actief voor het Zwols Historisch
Tijdschrift. Dankzij zijn kwaliteiten kreeg het
blad van de ZHV de uitstraling van een professioneel
tijdschrift. De complimenten die werden ontvangen
voor de nieuwe lay-out hoorden hem toe.
In de afgelopen periode is er sprake geweest van
een zeer plezierige samenwerking; op Rob kon je rekenen.
Rob voelde de aard van de ZHV perfect aan. Hij
moet een zwak gehad hebben voor de vereniging.
Het is triest dat zo’n goede samenwerking zo
bruut afgebroken wordt. Het verlies van de ZHV valt
echter in het niet als dat afgezet wordt tegen dat van
zijn naaste familie. Wij hopen dat zij de sterkte kunnen
opbrengen in deze zo moeilijke periode.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
als het Zwolse Departement van de Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen en het Commercie College, achterwege.
In de loop van 1794 begonnen de Franse militaire
successen de orangisten steeds meer zorgen te baren. Er
vonden bidstonden plaats om Gods bescherming af te
smeken tegen de oprukkende revolutionairen. In januari
1795 naderden de Fransen Zwolle. De stad lag op de
route van terugtrekkende Engelse troepen naar Hannover.
Tegen het eind van de maand maakten de Engelsen
zich op om de stad te verlaten.
In het machtsvacuüm tussen het vertrek van de Engelsen
en de komst van de Fransen grepen de patriotten
hun kans. Zij kwamen samen in de Nieuwe Concertzaal,
gelegen op de hoek van de Bloemendalstraat en de
Koestraat.
Er werd een Comité Revolutionair gevormd. Op 30
januari 1795, de Fransen waren toen al in Kampen, eiste
het comité revolutionair een samenkomst van Raad en
Meente. Het stadsbestuur stemde daarin toe. Intussen
bezetten gewapende burgers de Sassenstraat, de Grote
Markt en het Grote Kerkplein.
De wapens hadden zij kort tevoren van het stadsbestuur
gevraagd en gekregen, zogenaamd om zich te beschermen
tegen losgeslagen Engelse soldaten. ‘
Op deze historische bijeenkomst, het zou de laatste
gezamentlijke vergadering van raad en meente worden,
werden de heren door Pyman – in een door Nolst geschreven
rede – verzocht om af te treden. Er zat met de
Franse troepen voor de poorten en een gewapende burgerij
op de markt voor het stedelijk bestuur niets anders
op dan te vertrekken. Door het Comité Revolutionair
werden vervolgens zestien Volksrepresentanten en een
secretaris gekozen, die de stad twee maanden zouden
gaan besturen. Dit college bestond voornamelijk uit de
patriotse regenten van 1787, aangevuld met andere patriotten.
De grote klok werd geluid om de burgers te
verzamelen en het nieuwe bewind voor te stellen. Door
herhaalde toejuichingen gaf “het Volk” zijn toestemming
aan de keuze. De Volksrepresentanten werden
door het Comité Revolutionair geïnstalleerd en legden
op het balkon van het stadhuis” de Eed af aan het Volk”.
De vaandels van het patriottische burgerexercitiegenootschap,
dat in september 1787 was opgeheven, werden
door Pyman onder toejuichingen aan het volk getoond.
Kanongeschal vanaf de wallen maakte de Zwolse
fluwelen revolutie – en daarmee het einde van het ancien
régime – aan de omliggende plaatsen bekend.2
Een sociale stratificatie van het Comité
Revolutionair
In 1976 publiceerde M. van Heuven-Bruggeman de
resultaten van een onderzoek naar de leeftijd, het
geloof, de woonwijk, het beroep en de gegoedheid van
de ondertekenaars vaneen rekest uit 1785.3 Het bij
Raad en Meente ingediende rekest bevatte bezwaren en
grieven tegen het Regeringsreglement van 1748. Het
rekest werd ondertekend door ongeveer de helft van de
toenmalige Zwolse bevolking. De werkwijze van Van
Heuven-Bruggeman vond navolging in 1988 toen H.
Schrijver de sociale structuur van de Zwolse patriotten-
Gerritjan Pyman
(1750-1839), in 1787
vluchtte hij naarFankrijk,
in 1795 was hij tijdens
de Zwolse revolutie
de leidende figuur.
beweging tussen 1780 – 1787 onderzocht.4 In zijn scriptie
probeerde Schrijver het door Van Heuven-Bruggeman
geanalyseerde rekest uit 1785 te vergelijken met
tien andere namen- en ledenlijsten van Patriotse orga8o
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nisaties in de periode 1783-1802, teneinde vast te stellen
“welke mannetjes het beeld bepaalden”.
De door Van Heuven-Bruggeman en Schrijver gehanteerde
werkwijze vormde ook de basis voor een nadere
analyse van de leden van het Comité Revolutionair,
met dien verstande dat aan “wijken en welstand”
slechts summiere aandacht is geschonken. Afsluitend
zal worden ingegaan op de rol en positie van leden van
De leden behoorden praktisch allemaal tot de Nederduits
Gereformeerde Kerk. Ook dit is niet zo verwonderlijk.
Ruim 3/4 van de Zwolse bevolking maakte
immers deel uit van dit kerkgenootschap. Wat meer
verbazing wekt is de deelname van twee leden (Van
Cleeff en De Roos) van de Doopsgezinde gemeente, terwijl
drie leden (Lans, Nilant en Pyman) aangesloten waren
bij de Vrijmetselarij. Het was vooral Pyman, die als
Op de pui van de raadstoren
op het Kerkplein
maakte Gerritjan
Pyman de revolutie
bekend.
het Comité Revolutionair na 1795 en zullen conclusies
worden getrokken.
Leeftijden en religie
De leden van het Comité waren tussen de 30 en 56 jaar
oud. De gemiddelde leeftijd bedroeg 41 jaar. Een weinig
opzienbarende conclusie. Dat waren de mensen, die in
het volle leven stonden, als potentiële kiezers.
Pompe van Meerdervoort was met zijn 30 jaar de
jongste, de oudste was de 56-jarige Hendrik van der
Veen. De groep bestond uit negen dertigers, drie veertigers
en vier leden waren ouder dan vijftig.
voorzittend meester van de vrijmetselaarsloge “L’inébranlable”
te Zwolle gedurende de jaren 1786-1788 voldoende
mogelijkheden had om het patriottische gedachtengoed
onder de gegoede burgerij te verspreiden.
Dat geen enkele Jood lid was van het Comité heeft
voornamelijk te maken met verminderende verdraagzaamheid
van regenten en bevolking. De vrijheid van
Joden bleef ook na 1785 aanzienlijk beperkt; de Joden
werden uit de meeste gilden geweerd en waren uitgesloten
van deelname aan verkiezingen.
Het volledige ontbreken van rooms-katholieken,
hoewel 22% van de bevolking uitmakend, werd veroorZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
zaakt door de angst voor represailles door de Magistraat.
De rooms-katholieken durfden het niet aan de
patriottische beweging al te openlijk te steunen.
Beroepen
Delen we de leden van het Comité in naar beroepsgroep,
dan moeten we constateren dat het merendeel
(tien leden) afkomstig is uit de lagere middenstand. Zo
treffen we een bakker, een schoenmaker, een bleker,
een timmerman, een graankoopman, een houtkoopman,
twee branders en twee leerbereiders aan. De
schoenmaker C. Jansen was in 1783 president van het
Schoenmakers-en looiersgilde. De brander Van Cleeff
zat in het bestuur van het St. Nicolaas-of kramersgilde.
Geconcludeerd mag worden, dat de Zwolse ambachtsgilden
in het Comité goed vertegenwoordigd waren en
ongetwijfeld de nodige invloed zullen hebben uitgeoefend.
Nolst en Nilant hadden een academische opleiding
genoten. Nolst was medicinae doctor en had zich na zijn
studie als arts in Rotterdam gevestigd. Vanwege zijn patriottische
gezindheid moest hij in 1788 Rotterdam verlaten.
Nolst trok daarop naar Zwolle. Deze keuze zal
dan ook niet zo toevallige zijn geweest, want Nolst kende
als lid van het dichtgenootschap “Studium Scientiarum
Genitrix” de bekende Zwolse dichter Rhijnvis
Feith.
Nilant behoorde tot het bekende Zwolse gelijknamige
magistraatsgeslacht, dat decennia lang als burgemeester,
schepen en raad in het stadsbestuur vertegenwoordigd
was. Nilant was verwant aan andere invloedrijke
regentengeslachten, zoals Greven, Scriverius en
Gelderman, die zeker sympathieën hadden voor de patriottische
beweging.
In 1778 vertrok Nilant naar Leiden om rechten te
studeren. Hij werd in 1779 aangenomen in de Leidse
vrijmetselaarsloge “La Vertu”, een kweekplaats van patriotse
denkbeelden. Hij trad in 1786 toe tot de Zwolse
vrijmetselaarsloge “L’inébranlable”, die onder leiding
stond van Pyman. Zijn politieke carrière begon in 1782
toen hij namens de wijk Voorstraat tot gemeensman
werd gekozen. Bij de verkiezingen van nieuwe schepenen
op 25 januari 1787 werd hij als patriot tot schepen
van de stad gekozen. Na de Pruisische interventie in
september 1787 verdween Nilant van het politieke toneel.
Zijn terugkeer in 1795 luidde een nieuwe periode
van politieke macht in. Eerst als verwalter-schout van
Zwollerkerspel, later als burgemeester en secretaris van
de gemeente Zwollerkerspel bleef Nilant tot aan zijn
overlijden in 1837 een belangrijke stempel drukken op
het politieke, maatschappelijke en economische leven.
De lagere adel werd vertegenwoordigd door een lid
van het geslacht Pompe van Meerdervoort uit Dordrecht.
Waarom Pompe van Meerdervoort in 1794 naar
Zwolle kwam is niet duidelijk. Na de Bataafse omwenteling
nam hij als commandant van de gewapende burgerwacht
en directeur van het Commercie College belangrijke
sleutelposities in. In de loop van 1796 keerde
hij plotseling terug naar het westen en startte een carrière
in de landelijke politiek. Hij werd lid van de Raad van
Oorlog, daarna van de Raad van Amerikaanse Koloniën
en Bezittingen en uiteindelijk Raad van de Minister van
Koophandel en Koloniën. In 1806 trad hij toe tot het
Wetgevend Lichaam.
Een van de prominentste en toonaangevende leden
van het Comité was de beroepsmilitair Pyman. Over de
betrokkenheid van deze uit Deventer afkomstige Pyman
bij de patriotse beweging in Zwolle is in de literatuur
mondjesmaat geschreven. De Vries noemt hem
“een singulier personage” en beschouwt hem als een
omhoog geklommen opportunist.5 In navolging van de
Vries noemt ook Lettinga Pyman een charlatan en gaat
verder niet specifiek in op zijn rol in de Zwolse patriottenbeweging
tussen 1787 en 1795.
Zeker is dat Pyman tot de leidende figuren van het
Zwolse Comité moet worden gerekend. Pyman begon
zijn loopbaan als stadscommandant van Zwolle. Door
zijn militaire vaardigheden, organisatievermogen en
contacten met hooggeplaatste personen in de landelijke
patriottenbeweging rees de politieke ster van Pyman razendsnel.
Kort na de fluwelen revolutie vertrok Pyman
naar Den Haag om in maart 1795 lid te worden van het
Bondgenootschap te Lande. Tot februari 1807 vervulde
Pyman verschillende belangrijke posten, waaronder die
van Agent (=Minister) van Oorlog, lid en directeur van
het Uitvoerend Bewind, lid van het Staatsbewind en Minister-
plenipotentiaris aan het Hof van Portugal. Hij
verdween in november 1807 geruisloos van het landelijke
politieke toneel.
Tot het Comité behoorden ook de landbouwer
Sluiter en de hovenier De Roos. Sluiter genoot als Gezworene
van de buurschap Dieze zeker aanzien. Hij ondertekende
al in 1785 het rekest aan de Raad en Meente
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Grote kerk in de
achttiende eeuw. Dit
was tijdens de tijd van
de patriotten en de
periode van de Bataafse
revolutie de plaats waar
de Zwolse bevolking bijeenkwam
om te stemmen.
Detail van een
schilderij van DJ. van
Elten (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
tegen het regeringsreglement van 1675 en bleef ook in
de jaren 1796-1798 politiek betrokken. De deelname
van De Roos aan het Comité heeft hem geen windeieren
gelegd. Als voorlezer en voorzanger van de Doopsgezinde
gemeente kende De Roos zeker de leden van de
Doopsgezinde familie Van Cleeff. Mogelijk mede door
hun invloed werd De Roos in januari 1796 tot stadsambtenaar
– aansteker der lantaarnen – benoemd. Tijdens
de eedaflegging verklaarde De Roos voorstander te
zijn van de afschaffing van het erfelijk stadhouderschap,
alsmede van een vrijheid gebaseerd op gelijkheid en respect
voor mensen – en burgerrechten. De rol van De
Roos in het Comité was duidelijk ondergeschikt.
Wijken en welstand
Zwolle kende aan het eind van de achttiende eeuw een
achttal wijken, de Voorstraat, Waterstraat, Diezerstraat,
Sassenstraat, Dijk, Dieze, Voor de Sassenpoort en Voor
de andere Poorten. Geen van deze wijken had de naam
deftig te zijn; delen van straten, gelegen in het oude centrum,
waren dat wel. Gedacht moet worden aan de Lutteke,-
Diezer,- en Sassenstraat, alsmede de Koestraat, de
Bloemendalstraat (alwaar de Patriotse voorman J.D.
Baron van der Capellen tot den Pol woonde) de Grote
Markt en de Melkmarkt. De leden van het comité
woonden hoofdzakelijk in de stad. Slechts een drietal, te
weten De Roos, Sluiter en Westerhof woonden buiten
de stadspoorten. Daar hadden zij immers hun bedrijven.
Over de welstand en vermogenspositie van de leden
is weinig bekend. Er is geen uitputtend onderzoek verricht.
Enkel van Nilant weten we dat hij een vermogend
man was. Hij behoorde in 1812 tot de hoogst aangeslagenen
in de directe belastingen. Als eigenaar van landerijen
nam hij een vooraanstaande positie in. Hij bezat
de buitenplaats IJsselvliet, diverse huizen en een suikerraffinaderij.
Rol en positie van leden van het Comité tussen
1780 en 1803
Verondersteld wordt dat bij de samenstelling van het
Comité Revolutionair geen “democratische spelregels”
zijn gevolgd. Twijfels daarover werden al geuit door de
achttiende eeuwse advocaat en procureur mr. Salomon
van Deventer: “Dog vrijdag den 30 januarij 1795, drie
dagen voor de aankomst van de Fransche Troupen
alhier, zijn alhier 15 Ingezetenen, zeggende uit naam
van het volk te komen (schoon er geen algemeene
oproeping van het volk geweest was, maar wat vergadering
van clubs aan bijzondere huizen, waarbij een
menigte van het volk niet verzogt nog tegenwoordig
geweest waren) en zig noemende het committe revolutionair…”.
Anders dan Van Deventer vermoedt Streng
dat het Comité Revolutionair voornamelijk bestond uit
leden van het door Pyman opgerichte Knuppelgenootschap,
een burgermilitie bewapend met knuppels. De
leden lijken zo van de straat geplukt; niet alleen vanwege
hun sociale status, maar ook omdat geen van hen
voor die tijd een belangrijke rol onder de patriotten
speelde.
Dat laatste is echter niet geheel juist. Hoewel onduidelijk
blijft hoe de samenstelling van het Comité Revolutionair
in zijn werk is gegaan, kan niet worden beweerd
dat individuele leden geen rol speelden in de
Zwolse patriottenbeweging.
C. Jansen en Van Cleeff waren al in 1783 actief. Beiden
ondertekenden in dat jaar een tweetal rekesten aan
burgemeesters, schepenen en raad, die betrekking hadden
enerzijds op het afschaffen van de drostendiensten
en anderszijds op het aangaan van een verbond met
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Frankrijk tegen Engeland.
Van der Veen (juni 1784-aug.l787) en Van Cleeff
(dec. 1786-aug. 1787) maakten deel uit van het vijftien
man tellende College van Burgergecommitteerden, die
in een brief aan het stadsbestuur hun grieven uiten tegen
de Gezworen Gemeente. Het eerdergenoemde rekest
uit 1785 werd gesteund door Van Cleeff, C. Jansen,
Koek, Van der Kolk, Lans, Sluiter, Van der Veen en
Westerhof.
Als kapitein en afgevaardigde namens het Zwolse
Exercitie Genootschap is Van Cleeff in mei en juni 1787
aanwezig op een provinciale vergadering van gecommitteerden
uit de gewapende schutterijen, vrijkorpsen
en genootschappen in Overijssel. Het in 1788 opgerichte
Commercie College kende als leden ondermeer Den
Bouwmeester, Nilant, Pompe van Meerdervoort, Van
der Veen, Van Wijhe en Westerhof.
Ook na de fluwelen revolutie van eind januari 1795
is de rol van de meeste leden van het Comité Revolutionair
niet uitgespeeld. Van Cleeff, Westerhof en Koek
overlijden in respectievelijk 1795, 1796 en 1797. Nolst,
Pompe van Meerdervoort en Pyman zijn vanaf 1795 en
1796 actief in de landelijke politiek. Daarmee is eind
1797 het aantal leden teruggebracht van zestien naar
tien. Tussen 1795 en 1803 zijn in totaal negen leden het
meest actief in de lokale politiek. Zij hadden respectievelijk
zitting in het College van Provisionele Representanten
(Van Cleeff, 1795), het Comité van Waakzaamheid
en Toezicht (C. Jansen, Van der Kolk, Lans, Nolst
en Van der Veen, 1795), het College van Wijkgecommitteerden
(Van der Veen en Van Wijhe, 1797), de Burgerkrijgsraad
(C. Jansen, 1796-1798), een commissie
belast met de herziening van het regeringsreglement
van 1797 (Lans, Van Wijhe en Sluiter, 1797), een commissie
belast met de samenstelling van een plan tot aanstelling
van een nieuwe municipaliteit (Van Wijhe,
1795) en tot slot in het bestuur van Zwollerkerspel (Nilant,
1795-1837).
Daarnaast traden zij geregeld op als afgevaardigden
of kiesgerechtigden namens wijk- en grondvergaderingen.
De overige leden, te weten Den Bouwmeester (vertrekt
in 1819 naar Kampen), R.C. Janssen en de Roos
manifesteerden zich minder nadrukkelijk.
De in 1803 uitgebrachte Verklaring tot onderwerping
aan de Wet en trouw aan de Constitutie wordt
door zes van de tien in Zwolle verblijvende leden
(R. C. Janssen, de Roos, Sluiter, Van der Veen, Van
Wijhe en C. Jans(s)en) ondertekend. Na 1803 is, met
uitzondering van Nilant, geen van de in Zwolle verblijvende
oud-leden van het Comité Revolutionair nog politiek
actief.
Conclusies
Samenvattend mogen we concluderen, dat het Comité
Revolutionair bestond uit mannen tussen de 30 en 56
jaar, dus de potentiële kiezers. Praktisch alle leden
maakten deel uit van de Nederduits-Gereformeerde
Kerk, met uitzondering van de doopsgezinde brander
Van Cleeff en mogelijk de hovenier De Roos. Joden en
rooms-katholieken ontbraken geheel. Gelet op de
afwijzende houding van de magistraat en de Zwolse
bevolking tegen deze bevolkingsgroepen was dat niet zo
verwonderlijk. Opvallend was de betrokkenheid van de
Vrijmetselarij. Zeker drie leden onderhielden banden
met Loges van de Vrijmetselarij. Voorts kenden leden
elkaar van bijeenkomsten in de koopliedensocieteit (het
Commercie College) of ontmoetingen op avonden van
het Zwolsche Departement van de Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen en het Dichtgenootschap “Studium
Scientiarum Genitrix”. Het merendeel van de leden
woonde in de stad, een enkeling in Dieze en buiten de
stadspoorten. Een meerderheid (10) in het Comité
werd gevormd door leden afkomstig uit de lagere middenstand.
Daarnaast waren bij het comité betrokken
leden uit de kringen van de academisch gevormden (2),
de lagere adel (1), het leger (1), alsmede een landbouwer
en een hovenier.
Opgemerkt moet worden, dat de meeste leden zowel
voor als na 1795 in de landelijke en lokale politiek
een rol bleven spelen. Zij waren overtuigde patriotten.
Dat gold in het bijzonder voor Pyman, Van der Veen,
Van Cleeff, Nilant en Nolst. Zij kunnen als leidende figuren
in het Comité worden beschouwd. Anderen, zoals
Lans, Van Wijhe, C. Jansen, Sluiter en Pompe van
Meerdervoort, traden minder nadrukkelijk op de voorgrond.
Terwijl we Den Bouwmeester, Koek, de Roos,
R.C. Janssen, Westerhof en Van der Kolk meer als meelopers
willen bestempelen. Wat in het bijzonder opvalt
is dat sommige Zwolse leden uit patriottenfamilies
stammen. Met name leden van de families Lans en Van
Cleeff worden veelvuldig op de talloze naam – en ledenlijsten
bij patriottische rekwesten of van patriottisch georiënteerde
organisaties aangetroffen. Jan van Zwolle,
schoonvader van Sluiter, was in 1787 lid van het Exerci84
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tiegenootschap te Windesheim. De schoonvader van
Van Wijhe, Jan Brouwer, alsmede de moeder van R.C.
Janssen ondertekenden eveneens de al eerdergenoemde
rekesten in 1783 en 1785. Het bevestigt dat met name in
de periode 1783 – 1803 geen enkele familie verschoond
bleef van het maken van keuzes tussen patriotten en
orangisten.
De totstandkoming van het Comité Revolutionair
blijft in nevelen gehuld. Van Deventer spreekt over “wat
vergadering van clubs aan bijzondere huizen, waarbij
een menigte volk niet verzogt nog tegenwoordig geweest
waren”. 7 Doelt Van Deventer hierbij op bijeenkomsten
van de Vrijmetselaarsloge, het Commercie
College en het Nut, alwaar het een en ander zou zijn
voorbereid?.
Streng vermoedt, dat de leden gerecruteerd waren
uit Pyman*s knuppelgenootschap. Bewijzen hiervoor
ontbreken. H. Schrijver heeft aangetoond, dat de Zwolse
patriotten zeker in de periode 1780 – 1787 over voldoende
organisatorisch kader en aanhang beschikten.
Zwolle was dus patriots genoeg; in die zin is de revolutie
zeker niet “geimporteerd”. In hoeverre is hier sprake geweest
van een door leidinggevende Zwolse patriotten
geregisseerde machtsovername? Was het vertrek van
Pyman, Nolst en Pompe van Meerdervoort – kort na de
bloedeloze fluwelen revolutie – naar belangrijke baantjes
in de landelijk politiek toeval of een beloning voor
hun optreden in Zwolle? Wellicht dat nader onderzoek
meer duidelijkheid kan scheppen.
* Dit artikel, maar dan aangevuld met de biografische
en genealogische gegevens van de leden van het
Comité Revolutionair, is ook gepubliceerd in de Nederlandse
Leeuw 1995.
1. P.J. Lettinga: “Onder Vrijheidskrijgsbanier leeft en
sterft de Batavier”. De patriottenbeweging in Zwolle
1780-1798, (typoscript) Zwolle 1987,45-46.
2. Vriendelijke mededeling van J.C. Streng, uit publicatie
in voorbereiding.
3. M. van Heuven – Bruggenman, “Een rekest in
Zwolle in de nazomer van 1785”, in: Verslagen en
Medeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsen Regten Geschiedenis, 91 (1976), 70-95.
4. H. Schrijver, De sciale structuur van de patriottenbeweging,
(typoscript) Zwolle, 1988.
5. Th. J. de Vries, G.J. Pyman, de geschiedenis van een
singulier personage, Zwolle, 1967.
6. Vriendelijke mededeling van J.C. Streng, uit publicatie
in voorbereiding.
7. “Zwolle’s Regering van 1787-1812, dagverhaal van
mr. Salomon van Deventer”, in: Bijdragen tot de geschiedenis
van Overijssel, 1875,1-29.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
f Gantsch weder regtelyk
in de Wereld gebragt’.
Waarom de municipaliteit bedankte
Op 30 maart 1795 heerste er grote verwarring op
het stadhuis van Zwolle. De op die dag gehouden
verkiezing van een nieuw stadsbestuur had
namelijk een onverwachte wending gekregen. Van de
zestien gekozen representanten lieten er maar liefst
veertien weten onder de heersende omstandigheden
voor de eer te moeten bedanken. Zo zat Zwolle plots in
een heuse regeringscrisis.
Het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
Bijna een maand eerder hadden de Provisionele Representanten
van Zwolle besloten tot het opstellen van een
regelement volgens welke de verkiezing van een definitief
stadsbestuur op 30 maart aanstaande zou moeten
geschieden. Hiertoe werd een speciale commissie ingesteld.
Het plan dat deze commissie op 28 maart in de
Overijsselse Cowrantpubliceerde stuitte echter op de
nodige weerstand van met name de Provisionele Representanten.
Desondanks werd besloten de verkiezingen
op 30 maart gewoon door te laten gaan, maar wel onder
de uitdrukkelijke vermelding, dat dit niet betekende dat
de Provisionele Representanten het met het opgestelde
regelement eens waren. Gezien de bezwaren die er ook
vanuit de burgerij tegen het plan naar voren werden
gebracht besloot de commissie naast het nieuw te
benoemen stadsbestuur ook een zogenoemd Comité
van Waakzaamheid en Toezicht te laten kiezen. Dit
Comité moest de spreekbuis worden via welke de burgerij
haar wensen aan de stadsregering kenbaar kon
maken. Representanten en het Comité van Waakzaamheid
zouden ook samen het omstreden reglement nader
bepalen.
En zo werd het 30 maart. In de Grote kerk verzamelde
zich de stemgerechtigde burgerij van Zwolle om daar
uit hun midden 32 kiesmannen aan te stellen. Aansluitend
kozen de kiesmannen de volgende zestien personen
tot representant: L. Rietberg, A. Gelderman, G.A.
Bezier, C.J. Zebinden, P. van Hoboken, J.A. Ledeboer,
R. Feith, G. Bodde, G.W. van Marie, L. Linthorst, H. Tegelaar,
H. Potgieter, G. van Grol, M. Helmig, P.H. Queisen
en HJ. van Cleef.
De eerste elf genoemden hadden ook al zitting gehad
in het college van Provisionele Representanten.
Als leden van het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
werden gekozen: H. van der Veen, N. Kantelaar,
H. Damman, B. ter Horst, J.W. van Rhijn, L. Nolst, A.
Doyer , S. van der Vegte, H. Lans, J. Klinkert, J. van der
Kolk en P. van Meerdervoord.
De volgende ochtend kwamen de kiesmannen op het
stadhuis bijeen waar zij de aftredende municipaliteit
van hun eed ontsloegen en bedankten voor het verrichtte
werk. Daarna werden onder het luiden van de klok
vanaf het balkon de namen van de leden van de nieuwe
H.A. Stalknecht
VRYHEID. GELYKHEID. BROEDERSCHAP.
VERSLAG
y»M I ! HANDELINGEN
OER
OP DEN soÖE MAA&T TE ZWOL BENOEMDE
KIEZERS
AAN HUNNE
COMMITTENTEN.
T i Z W O L L E ,
CoJrotabyFR.ANCOtS CLEMENT, Boekverkoper
ia de OicfaOnu.
!
Het pamflet waarin de
Voorlopige Representanten
hun besluit om
af te treden toelichten.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnoldus Gelderman
(1743-1796), lid van de
Provisionele Representanten
en een van de
bedanken, (foto: Iconografisch
Bureau).
municipaliteit voorgelezen en werd de nieuwe stadsregering
werd opgeroepen om op het stadhuis te komen
om daar de eed af te leggen. Maar zoals we al zagen liep
het net even anders. Van de zestien nieuwgekozen representanten
lieten er veertien weten de post van Representant
niet te kunnen aannemen. Alleen de heren Potgieter
en Van Grol toonden zich bereid hun benoeming
aan te nemen.
Ook het voltallige Comité van Waakzaamheid en
Toezicht, bijeen in de raadstoren, zag geen bezwaar in
het afleggen van de eed.
Om de nu ontstane crisis te bezweren werd besloten een
commissie samen te stellen. Deze commissie kwam met
het voorstel de oude municipaliteit te vragen zolang aan
te blijven totdat alle problemen waren opgelost. En zo
gebeurde het ook, de Provisionele Representanten (van
wie maar liefst elf ook in het nieuwe stadsbestuur waren
gekozen!) beloofden voorlopig aan te blijven, op voorwaarde
dat de zaak snel geregeld zou worden.
Verantwoording
Waarom nu zagen de gekozen representanten er geen
been in plaats te nemen in het nieuwe college? Destijds
is aan ieder persoonlijk gevraagd hun beweegredenen
schriftelijk over te leggen. Uit deze stukken, gepubliceerd
in een gezamenlijk Verslag’, blijkt dat vooral de
rol van het Comité van Waakzaamheid en Toezicht,
zoals omschreven in het omstreden concept-plan, de
verkozenen zorg baarde.
Zo schreef Van Marie: “Dog het geheel wat anders een
tweede lighaam van regeringe zonder enige nauwkeurige
bepalinge van deszelvs magt (waar voor geen oordeelkundig
mensch de 9 artikelen van het 3de hoofdstuk
van het Plan houden zal) in te voeren, waar van de
gehele inrigtinge ene natuirlyke strekking heeft, om het
zelve als het enigst bolwerk van ’s volks vrijheid te doen
beschouwen, en wel als een bolwerk, hetgeen men opzettelyk
heeft moeten opwerpen, tegen de te vrezene
overheerschinge der Municipaliteit”.
Men voelde zich blijkbaar niet gelukkig met de positie
van het Comité van Waakzaamheid en diens verhouding
tot het stadsbestuur. Het optreden van het Comité
lid Nolst heeft blijkens de stukken deze gevoelens alleen
maar versterkt. Rietberg schreef tenminste dat zijn twijfels
over het Comité van Waakzaamheid werden bevestigd
door: “… de Redevoering van Burger Nolst […] op
zulk een gezagvoerenden toon, dat de ondergetekende,
rondborstig moet bekennen, dat hy in geene der Regeeringsvergaderingen,
die hy immer de eer heeft gehad by
te wonen, een taal heeft hooren voeren, meerder geschikt,
om de zo hoognodige eendragt tusschen onderscheiden
Regerings Collegien te verdeelen en twist te
verwekken, en waar door hy ten vollen overtuigd is geworden,
van de gevaren, die er te wagten zyn, van een
Collegie, wat naam dat ook draagt, dat zonder instructie
is aangesteld, en van de schadelykheid van een Regeringsform,
in der haast en zonder qualificatie ontworpen,
en zonder genoegzaam beraad voor de burgery ingevoerd”.
Ook Gelderman wist zich het optreden van Nolst nog
maar wat goed te herinneren:
“Daarenboven moet de Ondergetekende by dezen
verldaaren, dat hy nog zeer gevoelig blijft over ’t gedrag
op den 31. Maart op de Raadkamer in U lieder presentie
door de Burger Nolst […] en over de dreygende aanspraak
aan hun gedaan”.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ook uit de reacties van de overige representanten blijkt
dat men vooral gekant was tegen de onduidelijke plaats
van het Comité van Waakzaamheid. De heer Zebinden
schreef:” Hoe kan ik zweeren van met eene Commissie
van Waakzaamheid te zullen medewerken, dat in zeker
opzigt myne manier van handelen schynd te wantrouwen?”.
Maar hij bracht ook een ander bezwaar naar voren:
“Hoe kan ik zweeren een vry man te zyn, daar men my
zoo wel als myne medeburgers de Soldaaten en Jooden,
myne vryheid om als burger voorlede maandag te mogen
stemmen ontnoomen heeft”. Reden te over dus om
de post te weigeren. Erg veel zin in het lidmaatschap van
de nieuwe municipaliteit had hij overigens toch al niet
gehad, gezien de slotwoorden van zijn schrijven: “van
niet te kunnen gelooven, dat men in een vry Land iemand
een post kan of mag opdringen, welke hy kan
bewysen dat allernadeligst voor zyn lighaams gestel en
ruineus voor zyn huysgezin is”.
Nogal dramatisch formuleerde R. Feith zijn meer persoonlijke
beweegredenen om af te willen zien van zijn
aanstelling:
“Indien ik myn levensdraad niet ontydig wil afgesneden
zien , moet ik, na twee maanden van den vroegen
morgen tot den laaten avond op het Stadhuis, onder
de onaangenaamste en dikwyls de gevaarlykste bezigheden
doorgebragt te hebben, en myne gezondheid hier
door ten eenenmaal bedorven te hebben, voor eerst rust
genieten […] Men dulde, dat thans voor eerst een ander
burger draage, wat ik gedraagen hebbe, en dat ik tot sedert
twee maanden geheel verzuimde plighten, die ik
aan myne huishouding en negen kinderen schuldig ben,
wederkeere”.
En ronduit heftig was de reaktie van Queisen. Hij
waarschuwde in zijn verklaring tegen het woelen van fanatieke
Robespierres, die maar al te gemakkelijk voor
eigen gewin het etiket aristocraat op eerzame medeburgers
plakten. Ook zijn voornaamste reden om te weigeren
de eed af te leggen lag in het reglement zoals dat
door de commissie was opgesteld. Hij vond het zijn
plicht, om “als eerlyk man te moeten verklaren, dat hy
dat reglement als geheel onwettig en onverbindend beschouwd,
vermits de opstellers van het zelve geen last of
volmagt hoe ook genaamd daar toe ontvangen hadden,
maar zy in tegendeel het zelve, geheel tegen den wil des
Volks, en dus gantsch wederregtelyk in de Wereld gebragt
hebben”. De tegenwerpingen van Queisen spitsten
zich eveneens vooral toe op de positie van het Comité
van Waakzaamheid. Daarnaast betoogde hij dat de
kosten van het Comité wel buitengewoon zwaar op de
begroting van de stad zouden drukken. Om ten slotte te
besluiten met de woorden:”[…] dat geene vreemde bedoelingen,
geene slinksche oogmerken, maar dat zyn
pligt, de waare belangens en het welzyn des Volks, dat
de hoogste wet moet zyn, hem heeft doen spreken, zo
als een eerlyk patriot, die niets ontziet, als het op het be-
De boekhandel van
Simon Clement op de
hoek van de Grote
Markt. Detail van een
schilderij van DJ. van
Elten (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
houd van waare vrijheid aankomt, maar alles by zynen
regten naam noemt, spreken moet”.
Samengevat kan worden vastgesteld dat de voornaamste
reden waarom de nieuw gekozen leden van de municipaliteit
hun aanstelling weigerden gelegen lag in de
naar in hun ogen onduidelijke positie van het Comité
van Waakzaamheid en Toezicht. Men vreesde dat het
Comité van Waakzaamheid door de ondeugdelijke instructie
teveel macht naar zich toe zou kunnen trekken
en zo zelfs in plaats van de municipaliteit de regering
van de stad naar zijn hand zou kunnen zetten. Men was
niet de mening toegedaan van de gekozene Potgieter die
vond dat in het reglement voldoende was vastgelegd dat
het Comité slechts onverbindende adressen aan de representanten
kon voorleggen “en geen verdere magt
kunnen uytoeffenen als door de oproeping van het
Volk, by wien de hoogste magt berust”. Een meerderheid
van de gekozenen vreesde voor een dominant en
ongecontroleerd Comité van Waakzaamheid en wilde
onder die omstandigheden niet aantreden.
De nieuwe municipaliteit
Met het voorlopig aanblijven van de Provisionele
Representanten was de regeringscrisis voorlopig van
zijn scherpe kantjes ontdaan. Maar de ongewilde stadsbestuurders
wilden zo snel mogelijk een definitieve
oplossing van de regeringscrisis. Moeilijkheden met de
te Zwolle gelegerde Franse troepen en daarmee samenhangende
grote financiële problemen maakten het
regeren beslist niet tot een pretje. Toch zou het nog tot
begin mei 1795 duren voordat de zaak was opgelost en
de kiezers opnieuw, op basis van een herzien reglement,
een stadsregering mochten kiezen. Op 4 mei werden de
volgende personen gekozen als lid van het stadsbestuur:
G. Bodde, C.W. Rensing., L. Linthorst, J. Doyer, H.
Tegelaar, A. Polier, H. Potgieter, G. van Groll, H.J. van
Cleeff, J. van LUI, D.O. van Riel, J. W. van Rhyn, C.G.
Ramaker, J. van Ulsen, L. Nolst en DJ. van der Laan.
Van de aanvankelijk gekozen zestien bestuursleden
waren er slechts zes herkozen. Twee leden van het
gewraakte Comité van Waakzaamheid namen zitting in
de nieuwe municipaliteit. Op 6 mei moesten de leden
van het nieuwe stadsbestuur de eed afleggen. En ditmaal
was er niemand die weigerde. En daarmee was een
einde gekomen aan een regeringscrisis die een maand
daarvoor zo onverwacht was ontstaan.
Noten
1. Verslag van de handelingen der op den 30ste Maart te
Zwol benoemde kiezers aan hunne committenten, Zwolle
[1795].
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Het eerste jaar der Bataafse vrijheid
Met recht kan 1795 gezien worden als een revolutionair
jaar. Eeuwenlang was de inrichting
van het stadsbestuur vrijwel ongewijzigd
gebleven. Zelfs de Zwolse patriotten van 1787 wensten
bij hun aanpassingen binnen de bestaande constitutie te
blijven. Nu echter begon een gedurig aftasten en invoeren
van andere, meer democratische bestuurlijke vormen.
In dit artikel wordt veel aandacht besteed aan de
veranderingen in 1795. Maar tevens zullen met enige
voorbeelden de beperkingen van de revolutionaire mogelijkheden
worden geduid.
• • • * .
Het jaar van de commitees
De omwenteling in januari 1795 was door een Comité
Revolutionair (zie het hiervoor geplaatste artikel van
Seekles) tot stand gebracht. Het Comité Revolutionair
stelde een voorlopig bewind aan van zestien personen
onder de naam van Provisionele Representanten.’
Het was de bedoeling dat deze Provisionele Representanten
twee maanden aan het bewind zouden blijven,
tot de invoering van een definitieve nieuwe democratische
bestuursregeling. Daartoe werd er naast de
Provisionele Representanten een Comité gevormd dat
een nieuw ontwerpreglement moest opstellen voor de
wijze waarop in het vervolg een nieuw stadsbestuur van
volksrepresentanten gekozen zou worden. Dit Comité
was echter na twee maanden nog niet klaar zodat de
Provisionele Representanten hun ambtstermijn nog
eens met twee maanden verlengden. Op zes mei werd
uiteindelijk het nieuwe bestuur, luisterend naar de
naam Municipaliteit, benoemd. Het bestond opnieuw
uit zestien leden.
Als toezichthouder, eerst op de Provisionele Representanten
en later op de Municipaliteit, was het Comité
van Waakzaamheid en Toezicht in het leven geroepen.
Dit comité bleef tot september in functie. De opheffing
was een gevolg van een burgerbeweging. In de nacht van
11 op 12 september om circa twee uur trommelden Gecommitteerden
van een niet nader aangeduide Volks
Sociëteit en gewapende kapiteins van de burgerwacht,
enige leden van de Municipaliteit uit bed om hun bezwaren
tegen het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
kenbaar te maken. 2 Omdat niet duidelijk was of
de meerderheid van de Zwolse burgers hier achter
stond, besloot de Municipaliteit de volgende dag tot een
volksraadpleging. Men handelde zeer snel. Democratisch
werd op 14 september door een volksstemming
met 2417 stemmen voor en slechts 35 stemmen tegen en
43 onduidelijke stemmen een einde gemaakt aan het
Comité van Waakzaamheid en Toezicht. Het Commité
protesteerde uiteraard tegen de gang van zaken maar
wenste ‘de Stem des Zwolschen Volks’ te eerbiedigen.3
In de plaats van het Comité van Waakzaamheid en
Toezicht werd de controlerende bevoegdheid op de
Municipaliteit in handen gelegd van nieuw op te richten
wijkvergaderingen. In grote haast werd daarvoor op 17
september een krakkemikkig reglement opgesteld. Er
werden twaalf wijken gevormd, acht in de oude binnenstad,
de Dijk en de wijken voor de drie poorten. De keus
J.C. Streng
Een pagina met handtekeningen
van mokkende
patriotten op Orangistische
ambtenaren. In
totaal protesteerde ruim
zeshonderd burgers.
90 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Enkele briefes waarmee
burgers assignaten inleverden.
om de wijken te kiezen lag voor de hand omdat de indeling
ook in gebruik was voor de wijkmeesters, de toezichthouders
op rust en orde in de wijk. De wijkvergaderingen
waren uiters democratisch. In tegenstelling tot
de vroegere meente kon elke Zwolse burger ouder dan
achttien jaar in zijn wijk aan de vergaderingen deelnemen
en stemmen. Ieder wijk stuurde twee afgevaardigden
naar de vergadering van de Gecommitteerden uit
de wijkvergadering waar gezamelijke besluiten werden
genomen. Tijdens de eerste vergadering op 6 oktober
werd er een overkoepelend bestuur van vier personen
gevormd. 4 Het reglement was zeer vaag over de bevoegdheden
van de wijkvergaderingen en de relatie tot
de Municipaliteit. Maar het democratisch gehalte van
het stedelijk bestuur was nog nooit zo groot geweest (en
na afschaffing enige jaren later, werd het ook nooit meer
geëvenaard).
Oud pattriottisch zeer
De Bataafse revolutie betekende de terugkeer van de
patriotten die in 1787 voor de komst van de Pruisen
waren gevlucht. Enkele waren toen naar Munster, en de
radicaalste naar Frankrijk uitgeweken. De Munsterse
vluchtelingen waren al eerder teruggekeerd, maar met
de komst van de Franse legers keerden ook de radicalen
weerom. Daartoe behoorden jonker Adolph Warner
van Pallandt tot Zuthem, die nog met Joan Derk van
der Capellen had samengewerkt en later met diens neef
en navolger, Robert Jasper van der Capellen. Anderen
waren Herman Willem Daendels en Gerrit Jan Pyman.
De drie heren hadden elkaar in Parijs ontmoet. En
vooral Daendels en Pyman hadden geleerd hoe men een
revolutie moest uitvoeren. Waren de patriotten in 1787
nog keurig binnen de stedelijke constitutie gebleven, in
1795 was daar geen sprake van. Al voor de komst van
het Franse leger, was Pyman te Zwolle en omgeving de
revolutie aan het organiseren. Hij en Daendels zouden
na de Zwolse revolutie snel naar Den Haag vertrekken.
Dat was voor ambitieuze mannen de plaats om in deze
tijden snel carrière te maken.
1795 was het jaar van het eerherstel van de patriotten
uit 1787. Bijna iedereen die in dat jaar in de patriottische
magistraat had gezeten, werd gekozen in de Provisionele
Representanten. Een van de eerste bestuursdaden
van de Provisionele Representanten was de verwijdering
van de stadhouderlijke portretten uit het
stadhuis.5 Het besluit van het orangistisch bewind
waarbij de predikant Piere Chevallier uit zijn ambt werd
gezet, omdat hij geweigerd had het herstelde stadhouderlijke
bewind te erkennen, werd ingetrokken.
Nu was het de beurt aan de patriotten om de orangisten
kwijt te raken. Aanvankelijk werden alle aanweziZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ge ambtenaren uit de orangistische periode geschorst
met de verplichting om hun werk gewoon voort te zetten.
Ze zouden op hun loyaliteit aan het nieuwe bewind
gewogen worden en als dat positief uitviel, mochten ze
aanblijven. Enige rancune bestond er wel onder de patriottische
Zwolse burgers. In juni en augustus dienden
ze een rekest in om in het nieuwe provinciale bestuur
geen personen op te nemen die vóór 1795 in het orangistische
bestuur hadden deelgenomen. Pas aan het
eind van het jaar werd definitief vastgesteld welke ambtenaren
in dienst van de stad mochten blijven. De burgers
werden opgeroepen bezwaren tegen ambtenaren in
te dienen. Er kwam een hoop oud zeer boven water.
Adolf Glaser schreef (in keurig handschrift al had hij
moeite met de schrijfwijze en spelde hij in plaats van patriot
‘paterjort’) dat het hoog tijd werd ‘dat die oranje
vrinden eens uyt haar plaats gezet worden en een braaf
en eerlyk paterjort weer aangestelt word’. Door het lange
uitstel waren de burgers aan het morren gegaan. De
reden was dat ‘die klanten nog zulke vette amten hebben
als dat zy nog de wyn drinken uyt schalen en zyn
nog weeldrig op haare koetsen daar menig eerlyk paterjort
met zyn vrou en kinders haast broots gebrek hebben’.
Het sprak vanzelf dat Glaser zich als zo’n eerlijk
‘paterjort’ aandiende.
Glaser stond met zijn standpunt niet alleen. In een
rekest in december verzochten liefst zeshonderddertien
burgers een aantal met naam en functie omschreven
ambtenaren definitief te ontslaan. In hun plaats dienden
‘braave, eerlyke en bekwaame burgers en welke
voor goede patriotten bekend staan wederom aan te
stellen op dat het beste gedeelte des Zwolschen Volks, in
dit geval eens eindelyk haare billijke wenschen worden
vervult’. 6 Het ontbrak ook de patriotten niet aan
ambtsbejag, en ze gebruikten ook ambtsbegeving om
personen te binden. Het waren bekende methoden uit
de tijd vóór 1795. Het kan dan ook nauwelijks toeval
zijn, dat de klagende ‘paterjort’ Glazer een jaar later
werd benoemd tot bezorger van de stadslantaarnen.
Een nieuw begin, een nieuw jargon
In de jaren tachtig werd door de patriotten vooral een
beroep op het verleden gedaan. Ze hadden herstel van
de middeleeuwse democratische invloed op het stedelijk
bestuur geëist. Maar na de Franse revolutie was daar
geen sprake meer van; aan het verleden was hun nog
maar weinig gelegen. De patriotten van 1795 hadden de
overtuiging in een nieuwe politieke tijd te leven. Die
nieuwe werkelijkheid werd in de eerste plaats vorm
gegeven door een op Franse leest geschoeid taalgebruik.
H et gebruik van de term Muncipaliteit in de plaats van
stadbestuur of de oudere magistraat, werd al genoemd.
Michiël Helmich
(1753-1835), secretaris
van de Representanten,
(foto: Provinciaal Overijssels
Museum).
•^e^g
t>«6w-»-^ë
Al spoedig ontwikkelde zich een patriottisch, revolutio- Een aantal valse Franse
nair jargon. assignaten die ongeldig
Als blijk van de breuk met het verleden, introdu- zijn gemaakt door op de
ceerde men binnen de bestaande jaartelling een nieuwe. achterkant een stempel
Bij het aantreden van de Municipaliteit op 6 mei zette van de stad te drukken.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een afrekening voor de
kosten van het onderhoud
van de Fransen,
inclusief tweehonderd
flessen wijn.
. . . . • . . y 7,1 o •• i – z ‘ —
men voorafgaand aan de nieuwe resoluties de aankondiging:
‘Eerste jaar der Bataafsche vrijheid’. Ook bij de
ondertekening van stukken maakte men gebruik van dit
nieuwe type datering. Deze marginale aanpassing van
de kalender was overigens nog maar bescheiden vergeleken
met Frankrijk waar een radicaal nieuwe tijdrekening
tot stand kwam.
Rechtstreeks uit Frankrijk overgenomen was de uitdrukking:
‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’. Voor
het eerst werd dit ideologisch trio in maart gebruikt,
toen het boven een stedelijke keur geplaatst werd. Daarna
was het uit de officiële stukken niet meer weg te
branden.
Een ander uit Frankrijk geïmporteerd begrip was de
‘Regten van den Mensch en Burger’. In het conceptplan
voor de Municipaliteit en het Comité van Waakzaamheid
en Toezicht van april7 werd van beide Franse
begrippen overvloedig gebruik gemaakt. Alle nieuwe
bestuurders moesten een eed doen op het trio vrijheid,
gelijkheid, broederschap en op de rechten van de mens.
Een eed die bovendien afgelegd moest worden, niet in
de tegenwoordigheid van God, maar in die van het
‘HOOGSTE WEZEN’.
Dat al die nieuwe comitées de burgers vertegenwoordigden
werd steeds opnieuw benadrukt. Dit
bracht ook mee dat al die comitées gelijkwaardig waren.
‘Wij’ zo schreef het Comité van Waakzaamheid aan de
Municipaliteit ‘erkennen de hoogste magt in het volk,
wij zijn zowel vertegenwoordigers als gijl[ieden] en zullen
toezien of gijl[ieden] van de uw toevertrouwde magt
een goed gebruik maakt. Ja of neen’.
In de titulatuur van brieven tussen de comitées zijn
talloze voorbeelden te vinden waarin hun wederzijdse
gelijkwaardigheid en burgervertegenwoordiging, vaak
in combinatie met de uit Frankrijk geïmporteerde leuzen,
benadrukt worden. Zo adresseerde het Comité van
Waakzaamheid de Municipaliteit met ‘Aan de provisioneele
Burger Representanten der stad Zwolle en desselfs
vrijheid, uitmakende de Municipaliteit. Burger Vertegenwoordigers!’.
De veronderstelde eensgezindheid
werd uitgedrukt in termen als ‘Heil en Broederschap’.
In ondertekeningen als: ‘Representanten, Medeburgers
en Vrienden’ werden vertegenwoordiging en broederschap
verenigd. Deze benadrukking van gelijkheid staat
in sterk contrast met de situatie in de tijd vóór 1795
toen vooral de hiërarchische ordening werd uitgedrukt.
Het stadsbestuur diende in die tijd aangesproken te
worden met ‘WelEdele Hoog Agtbare Heren’.
De onderlinge gelijkheid van de inwoners kwam
(alweer) in Franse navolging het meest tot uitdrukking
door het gebruik van de term ‘burger’, een vertaling van
het Franse ‘citoyen’. Ongeacht de nog steeds bestaande
sociale verschillen werd iedereen geacht gelijkwaardig
staatsburger te zijn. Al enkele dagen na de omkering
werd mede Representant jonker A.C.W. van Haersolte
aangeduid met ‘Burger Haersolte’.
Dit gelijkheidsidioom nam niet weg dat enkele patriotten
toch enige zorg hadden over de geringe steun
onder de ‘verstandigste mede-Burgers’. Zo betreurde
‘Burger Kantelaar’ in een toespraak voor de wijkvergaderingen
de uittocht van de Voorlopige Representanten
uit het stedelijk bestuur naar aanleiding van het radicale
nieuwe regeringsreglement. De reden van Kantelaars
treurnis was dat zij ‘voor die posten juister berekend
waren’, dan blijkbaar aanwezige leden van de Municipaliteit.
Om de ‘verstandige mede-Burgers’ weer bij het
bestuur te betrekken, hield hij vervolgens een pleidooi
voor een minder radicaal regeringsreglement. De Zwolse
revolutie was nog geen negen maanden oud of er
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
kwam al binnen de patriotten zelf een tegenbeweging
opgang.8
Ook op ander terrein viel het met de praktische verwezenlijking
van de idealen niet mee. Als voorbeeld kan
de gang van zaken rond het verhuren van de kerkbanken
gelden. Aan het eind van de achttiende eeuw beschouwden
velen de zitplaatsen in de kerk naar sociaal
onderscheid niet langer wenselijk. Iedereen, zo was de
gedachtengang, was gelijk voor God en alle burgers
dienden in staat te worden gesteld de prediking te volgen.
9 De Zwolse Municipaliteit benoemde dan ook een
commissie om na te gaan of het mogelijk was alle plaatsen
in de kerken vrij te maken, en dus het sociale onderscheid
in de kerk op te heffen. De idealen liepen stuk op
de barre realiteit. Een lang theologisch betoog over de
wenselijkheid ging aan de uiteindelijke conclusie vooraf.
En die luidde dat – helaas, helaas – de stadskas het
niet kon dulden en de zitplaatsen dus verhuurd dienden
te blijven. De enige veranderingen waren dat de ongesloten
banken door iedereen mochten ‘worden bezeten’
en dat niet bezette plaatsen tijdens een kerkdienst vlak
voor het begin van de preek door iedereen in gebruik
mochten worden genomen.
Speciale aandacht besteedde de commissie aan de
magistraatsbanken. Om deze te handhaven had men
het volgende uitgedacht. Deze banken waren geen bezit
van de magistraten, maar door de burgerij als beloning
voor de diensten afgestaan. Ook in het tijdperk van de
gelijkheid diende dat zo gehandhaafd te blijven.
Religie
Uit het voorgaande bleek al dat de patriotten niet tot de
atheïsten gerekend kunnen worden. De Bataafse revolutie
te Zwolle werd in de eerste plaats gedragen door
leden van de gereformeerde kerk (tegenwoordig de hervormde
kerk). Het Comité Revolutionair (zie het artikel
van Seekles) en de daarop volgende commissies
werden ruim met deze geloofsgenoten bevolkt. In het
verleden had dit revolutionaire gedrag gerformeerde
historici nogal in verlegenheid gebracht. Zij waren
tegen de revolutie, die zij als een goddeloos produkt van
de Franse verlichting zagen.10
De Volksrepresentant Rhijnvis Feith, een gelovig
man en lid van de gereformeerde kerk, was aanvankelijk
heel gelukkig met de revolutie. Hij schreef aan een
vriend, Paulus Chevallier, een patriots geestverwant en
predikant bij dezelfde kerk, dat hij hoopte dat God
‘onze omwenteling’ mocht vestigen. ” Dat was ook de
strekking van het vernieuwde – niet afgeschafte – gebed
dat uitgesproken werd aan het begin van de vergaderingen
om de al genoemde rechten van de mens en burger
te handhaven.
Het was al heel bijzonder dat naast de gereformeerden
ook burgers van de andere religies, behalve de joden,
aan het bestuur deelnamen. Dat burgers van de andere
religies in bestuurlijke functies werden geaccepteerd,
was al twee eeuwen niet voorgekomen. Vóór 1795
waren deze uitsluitend voor lidmaten van gereformeerde
kerk toegankelijk.
De deelname van de gereformeerden in 1795 was
niet verschillend van die in de jaren tachtig. Ook toen
waren ze ruim in de patriottenbeweging vertegenwoordigd.
Vier predikanten hadden er niets on-christelijks
in gezien en schroomden niet om met de burgers rekesten
ter verbetering van het stadsbestuur te ondertekenen.
12
De dominerende positie van de gereformeerden
drong de mogelijkheden van andere religies terug. In
Rhijnvis Feith (1753-
1824), lid van de Provisionele
Representanten,
tussen hoop en vrees zag
hij de voortgang van de
revolutie (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het hele jaar waren vier mennisten actief: twee mannen
uit de familie Cleef en twee uit de familie Doijer, een familie
van predikanten en trijpfabrikanten.
De lutheranen waren vertegenwoordigd door de
zilversmid Cornelis Willem Rensink en Warner Dionisius.
Rensink was al bekend onder de patriotten omdat
hij zilveren keeshondjes vervaardigde.13
De rooms-katholieken waren de grootste groep dissenters
in de stad. In de literatuur wordt herhaaldelijk
vermeld dat zij vooraan stonden te trappelen om de
nieuwe idealen van de patriotten mee tot stand te brengen.
Maar te Zwolle hielden zij zich in 1795 vrijwel volledig
op de achtergrond. Slechts de metselaarsbaas Arnoldus
Forier en de rentenier Michaël Helmich lieten
van zich horen. De laatste vond echter het beheer van
zijn vermogen belangrijker dan het bestuur en hield er
al spoedig mee op. De rooms-katholieken toonden in
1795 dezelfde voorzichtigheid die ze ook in de patriottentijd
in de jaren tachtig aan de dag hadden gelegd. De
uitkomst van de Bataafse revolutie was allerminst zeker
en bij eventueel herstel van het oude bewind zouden ze
ongewijfeld de rekening gepresenteerd krijgen.
In 1795 werd het eerste voorzichtige stapje gezet op
de weg naar de juridische gelijkberechtiging van de religies.
Op ‘de onveranderlyke Rechten van den mensch
en Burger gegronde, Vryheid, Gelykheid en Broederschap,
ten aanzien van alle Burgeren’ werden de juridische
belemmeringen voor huwelijken van de rooms-katholieken
ingetrokken. Voor het aangaan van huwelijken
golden voor alle religies voor de overheid dezelfde
procedure. H Dit liet onverlet dat de gepriviligeerde positie
van de gereformeerde kerk bleef bestaan.
Nieuwe mannen
1795 betekende in de eerste plaats een sociale aardverschuiving
in de rekrutering van bestuurders. Er kwamen
heel wat nieuwe mannen (meestal met het Latijnse
begrip homines novi aangeduid) op de regeringszetels in
het oude stadhuis.
Het grootste deel van de nieuwe bestuurders kwam
uit delen van de burgerij die het Zwolse stadhuis veelal
alleen van de buitenkant zagen en nooit eerder in de
meente of magistraat gekozen waren. Van alle magistraten
uit de periode voor 1795 waren slechts vijf regenten
opgenomen onder de Provisionele Representanten. Het
waren vijf van de patriottische magistraten die in januari
1787 met veel gejuich van de verzamelde burgerij op
het kussen waren gekozen om de stedelijke constitutie
in patriottische zin te wijzigen. In oktober van datzelfde
jaar waren ze na de Pruissische inval door stadhouder
Willem V aan de kant geschoven. Nu vierden ze hun
triomfantelijk herstel.
Slechts drie leden van de in 1795 afgeschafte meente
werden in een van de nieuwe besturen opgenomen. Dit
duidt op een groot wantrouwen tegen alle voormalige
meenteleden. Begrijpelijk, want de meente in de patriottentijd
was niet altijd – of bijna nooit – genegen geweest
aan de patriotse eisen tot democratisering van het
college tegemoet te komen.
Voor het eerst sinds het begin van de achttiende
eeuw werden er weer jonkers in het Zwolse bestuur opgenomen:
de uit ballingschap teruggekeerde A.W. van
Pallandt van Zuthem en Antony van Haersolte. Geen
van de twee bleef overigens lang.
Een kenmerk van het stedelijk bestuur vóór 1795
was de aanwezigheid van veel juristen, voornamelijk
voormalige advocaten. In het eerste jaar van de Bataafse
revolutie waren er slechts acht.
Daartegenover waren personen uit de handel en
ambacht ruim vertegenwoordigd, hetgeen voor 1795
juist niet het geval was. Het was een gemêleerd gezelschap
met onder andere de houthandelaar Lubbertus
Rietberg en de wijnkoper Christiaan Jan Zebinden ‘bedaard
en zeer geschikt, en in goeden doen’. Lambert
Linthorst was een ‘winkelier en gezeten man van kennis’.
Een andere winkelier, Hendrik Tegelaar, was daartegenover
‘niet gezeten, veel aan den mond, goed eeter
en drinker’.
In de loop van de Bataafse tijd konden veel van de
nieuwe bestuurders hun verworven positie niet ophouden.
Zoals de metselaarsbaas Arnoldus Polier die de bestuurlijke
roem naar het hoofd gestegen lijkt te zijn. Hij
was ‘goedhartig, maar niet slim’. Door zijn ‘avancement’
in de politiek had hij veel behoeften gekregen en
was ‘daarna verlopen’. Arnoldus Polier en veel collegae
verwierven dan ook geen toegang tot het bolwerk van
het Zwolse establishment, de Groote Sociëteit. Niet
meer dan tien van de nieuwe regenten uit 1795 komen
in de ledenlijst van 1803 voor.15
Van bevrijders tot lastpakken
De Fransen waren met veel enthousiasme binnen
gehaald. Het Nederlandse volk was dankzij ‘de dapperheid
der vrije Franschen van hare boeijen ontslagen’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Op verzoek van een aantal burgers was voor de komst
van het Franse leger op stadskosten een Franse vlag
genaaid en op de toren van de Kruiskerk gestoken ten
teken dat de Zwolse burgerij zich had vrij gemaakt en
dat zij niet anders wensten ‘dan hare edelmoedige verlossers
ten spoedigste in haar midden te zien, ten einde
aan dezelve haare dankbaarheid te betuigen en de hand
van vriend- en Broederschap toe te reiken’.
De Franse commandant legde na de intocht dezelfde
verklaring af die ook elders was afgekondigd, namelijk
dat de Fransen gekomen waren als bevrijders van
het Bataafse volk uit de dwingelandij van het stadhouderlijk
bewind en dat ze de onafhankelijkheid zouden
eerbiedigen. Tegelijkertijd werd voor het gedrag van de
Franse militairen een ordonnantie uitgegeven.
Het heeft niet mogen baten. De last van inkwartiering
bij particulieren en instellingen werd nog verhoogd
doordat het geen Voltaire lezende Fransen waren die
men over de vloer kreeg, maar nogal ruig soldatenvolk.
En lezen was het laatste waar ze aan dachten; de Franse
soldaten sloegen aan het drinken. Bij de wijnhandelaar
Zebinden meende men dat gratis te kunnen doen. Met
twintig flessen wijn waren de soldaten genegen te vertrekken.
Bij ene Van Leeuwen werden de ruiten ingegooid
omdat hij de soldaten niet binnen wilde laten.
Het bleef niet alleen bij drank. Drie Franse huzaren verkrachtten
de weduwe Wieriks en haar twee inwonende
meisjes. Ook de eigen commandanten waren niet veilig.
Het stadsbestuur was genoodzaakt een heel regiment jagers
uit de stad te laten verwijderen wegens nachtelijk
wangedrag. 16
In augustus was er onrust in de stad die veroorzaakt
werd door tegenstanders van het nieuwe bewind. Toen
er voor de Fransen feestelijkheden waren omdat het
drie jaar geleden was dat de ‘volkomen needervelling
van den koninglyken Troon’ plaats had gevonden en de
vrede tussen Frankrijk en Spanje was getekend, werden
bij diverse patriotten de ruiten ingegooid en waren er
andere baldadigheden.
De relatie met de Fransen werd verder vertroebeld
door de hoge kosten van onderhoud waar de stadskas,
ondanks subsidies van de provincie, niet op berekend
was. Het Franse papiergeld, de assignaten, maakte de situatie
er niet beter op. De burgers waren verplicht betalingen
in assignaten aan te nemen, maar het gebruik
ervan tussen de burgers onderling was verboden. De assignaten
kon men op het stadhuis omwisselen tegen
schuldbewijzen. Omdat de assignaten een onbetrouwbare
munteenheid waren, liep iedereen ook voor de
kleine bedragen zo snel mogelijk naar het stadhuis om
ze om te wisselen, vooral toen bleek dat er ook nog hele
pakken valse assignaten in omloop waren.
Omzien
Aan het eind van het jaar 1795 viel er voor de Zwolse
burgers veel te overpeinzen, want het was me wel het
jaartje geweest. Het laat zich denken dat niet iedereen
tevreden was. De hoge idealen van vrijheid, gelijkheid
en broederschap en de rechten van de mens waren minder
snel te realiseren dan ee

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1994, Aflevering 2

Door 1994, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisc
AAR ZWOLS
I

1 1 E J A A R G A N G 1 9 9 4 N U M M E R 2
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolse brandweer in 1894
Omslag
Brand aan deAssendorperlure
bij Van der
Horst op 13 augustus
1973-
D eze foto is gemaakt in de tuin van de Buitensociëteit
ter gelegenheid van het afscheid
van opperbrandmeester B. Muijderman
in 1894. Muijderman had die functie 22
jaar bekleed en hij nam afscheid toen de brandweerorganisatie
grondig werd veranderd.
Op de foto zit hij als vijfde van links op de
voorste rij, naast zijn opvolger J. de Vries Hzn. Beiden
dragen de zogenoemde brandmeesterspet. De
man links, die de brandmeestersstok met het cijfer
6 vasthoudt, is J.J. Hardon H.Jzn. Achter de slangenwagen
staat F.A. Hilgen. Hij werd in 1922 opperbrandmeester
en nam in 1938 eervol afscheid
na ruim 40 jaar dienst bij de brandweer.
In tegenstelling tot de foto die in 1994 is gemaakt
(zie pagina 77), zijn hier alleen de hoofdlieden
afgebeeld.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 37
Voorwoord Inhoud
Het voor u liggende nummer van het
Zwols Historisch Tijdschrift is geheel en
al gewijd aan één onderwerp: de Zwolse
brandweer. Op 22 oktober van dit jaar zal het precies
honderd jaar geleden zijn dat de Zwolse gemeenteraad
een nieuwe brandweerverordening
goedkeurde. De veranderingen die door die nieuwe
verordening teweeg werden gebracht, waren
zo groot dat de Zwolse brandweer 22 oktober 1894
als begindatum van haar bestaan beschouwt.
Het honderdjarig bestaan wordt onder andere
gevierd met een tentoonstelling in het Provinciaal
Overijssels Museum en met de uitgave van dit
themanummer.
Voor mij als auteur van dit themanummer is
het een plezierige taak om alle leden van de
brandweer die op een of andere wijze hebben bijgedragen
aan de totstandkoming van dit tijdschrift,
te bedanken. Ik denk daarbij met name
aan de heren J. Dop en B. Klink die bereid waren
de tekst kritisch door te lezen en van commentaar
te voorzien; aan de heren B. Varenkamp en J. Linsen
die hebben geholpen met het zoeken naar illustraties;
aan de heren R. Krijtenburg en P. Kappel
die bereid waren mondelinge informatie te verschaffen
en vooral aan de heer R. Schouten die
optrad als coördinator en die op alle bovengenoemde
terreinen behulpzaam was.
Uiteraard was het onmogelijk aandacht te besteden
aan alle aspecten van de brandweer. Zo komen
bijvoorbeeld de technische ontwikkelingen
nauwelijks aan de orde, omdat het daarbij vooral
om niet-specifiek Zwolse ontwikkelingen gaat.
Ook datgene wat de brandweer zo spectaculair
maakt – brand – komt slechts terloops ter sprake.
Het was namelijk niet de bedoeling een opsomming
te geven van calamiteiten, maar om een
beeld te schetsen van de organisatie in Zwolle die
zich bezighoudt met een van de meest elementai-
Brandbestijding door de eeuwen heen
1324: Stadsbrand
1669: St. Michaëlskerk
De afgelopen 100 jaar
l933′- Dominicanenklooster
Huisvesting
1973: Van der Horst
Melding en alarmering
Brandmeldingen
Brandweerpersoneel
Hulpverleningen
1992: Diezerstraat 109
Noten
Auteur
38
44
63
68
73
79
80
re overheidstaken: het leveren van een aandeel in
de veiligheidsbehoefte van de burger. Wanneer ik
hierboven dank heb gebracht aan personen die
mij geholpen hebben, dan moet die waardering
ook uitgaan naar al die niet genoemden die hun
bijdrage hebben geleverd aan die veiligheid in
Zwolle. Het is goed dat bij het lezen van dit tijdschrift
onder ogen te zien.
Ingrid Wormgoor
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Brandbestrijding door de eeuwen heen
Werkzaamheden op
een ladder tijdens de
brand in de toren van
de St. Michaëlskerk,
1669. Detail van een
schilderij van Jan Grasdorp
(foto: collectie
Waanders).
elijk het geval is met zoovele zaken, is
, ook op ’t gebied van de brandweer het
tegenwoordige slechts eene voortzetting
en verbetering van wat vroegere geslachten hebben
tot stand gebracht.’1
Uit deze opmerking van de Zwolse historicus J.
Geesink spreekt een groot gevoel voor de continuïteit
van de geschiedenis. Tegenwoordig zullen echter
nog maar weinig mensen grote overeenkomsten
zien tussen een modern uitgeruste brandweerauto
met geoefende brandweerlieden en de chaotische
taferelen op oude prenten waarop een brand is
afgebeeld. Toch heeft Geesink gedeeltelijk wel gelijk:
de huidige brandweerorganisatie in Zwolle is
stap voor stap tot stand gekomen en brand en
brandbestrijding hebben van oudsher aandacht gekregen
van stadsbesturen. Telkens werden relatief
kleine dingen veranderd. Daarbij gingen technische
en organisatorische ontwikkelingen vaak
hand in hand.
Slechts één keer – naar aanleiding van de aanleg
van het waterleidingnet in de stad – kwam een
grootschalige reorganisatie tot stand. Deze reorganisatie
was zo ingrijpend, dat we kunnen stellen dat
de huidige brandweerorganisatie op de schouders
staat van de brandweer, zoals die in 1894 tot stand
kwam. Die aanleg van het waterleidingnet was voor
het Zwolse gemeentebestuur – evenals voor gemeentebesturen
overal elders in het land – aanleiding
om een nieuwe brandweerverordening vast te
stellen. Dat gebeurde op 22 oktober 1894. Over die
nieuw-georganiseerde brandweer gaat het grootste
deel van dit tijdschrift. Voorafgaat een korte inleiding
over de voorgeschiedenis van de brandbestrijding
in de stad.
Oudste bepalingen
Al in de oudst bekende ‘gemeentewet’ van Zwolle,
het zogenoemde eerste stadboek, dat waarschijnlijk
is samengesteld kort na 1324, staan enkele bepalingen
over brand. Zo was iedereen verplicht, op
straffe van een zware boete, melding te maken van
brand. Buren waren, eveneens op straffe van een
zware boete, verplicht hulp te verlenen wanneer
brand was uitgebroken. Vechten onderweg naar en
van de brand was streng verboden. Verder was
men verplicht zijn huis te laten afbreken om uitbreiding
van brand tegen te gaan. De stad moest in
zo’n geval de schade vergoeden.2
Uit een stadsregister uit de vijftiende eeuw IeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Brand in de St. Michaëlskerk
in 1669. Dit schilderij
van Jan Grasdorp is
aanwezig in het gemeentehuis
(foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
ren we met welk materiaal men de vlammen te lijf
moest gaan. De Zwollenaren waren verplicht samen
met een aantal van hun buren de beschikking
te hebben over een brandladder van minstens 24
voet lang en drie leren emmers. Bij een brand
moest water met de emmers uit de gracht gehaald
worden. De emmertjes werden met de hand doorgegeven
tot op de plaats van de brand. Zo nodig
werden de ladders tegen de muur gezet en daar
vandaan werden de emmertjes water op het vuur
geworpen. Veel effect zal het allemaal niet gehad
hebben: het was noodzakelijk om dicht bij de
brand te komen maar dat zal door de hitte niet altijd
mogelijk zijn geweest. Bovendien ging veel water
onderweg al verloren omdat het nu eenmaal
moeilijk was de emmertjes rustig en rechtop door
te geven.
Voor deze manier van blussen – en vooral om
ervoor te zorgen dat er water uit de gracht bij de
brand kwam – waren veel mensen nodig. Een
wachter op de toren van de St. Michaëlskerk had
dan ook tot taak bij brand alarm te slaan. Alle in40
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tijdens het blussen van
de brand in de toren
van de St. Michaëlskerk
was het een drukte van
belang. Detail van een
schilderij van Jan Grasdorp
(foto: collectie
Waanders).
woners moesten in zo’n geval naar de brand gaan
en helpen met blussen.
De voorschriften en ordonnantiën over brand
werden steeds uitgebreider. Ook brandpreventie
was al vroeg een bekend begrip. In 1658 werd bijvoorbeeld
verboden om turf, hout, hooi en andere
licht ontvlambare waren bij de schoorsteen te bewaren,
’s Avonds en ’s nachts mocht men alleen
met een gesloten lamp naar plaatsen gaan waar
licht ontvlambare waren lagen. Ook was het niet
toegestaan een schoorsteen in brand te steken om
het roet te verwijderen. Nieuw te bouwen schoorstenen
moesten van binnen gepleisterd worden.
Gecommitteerden uit de Raad (later brandmeesters)
kregen opdracht één keer per jaar alle huizen
te bezoeken en te bekijken of men zich aan de voorschriften
hield.
Behalve door het uitvaardigen van regels en
voorschriften, voelde de stedelijke overheid zich
ook verplicht om voor blusmateriaal te zorgen.
»VF • n ‘M . * * ‘f
‘ – f *#7 « ** »
l r – «t
‘Jt JL,^,
“‘” ft., >t
*f» / / •*
iW r •
n
«!
‘M
*« f ‘
• *
IA. 1
[ 1 -;
Jg

– ,4
m
i”
i
-f
L
f* “”‘ «
‘1
1 H t p
/
•te
1324: Stadsbrand
De grootste brand die ooit in Zwolle gewoed
heeft is ongetwijfeld de stadsbrand
van 1324 geweest. Nagenoeg de hele
stad – op enkele huizen en de St. Michaëlskerk
na – ging toen in vlammen op. Dat die
brand zo’n omvang kon aannemen, heeft een
aantal oorzaken. De huizen waren voornamelijk
opgetrokken uit hout, riet en andere
licht ontvlambare stoffen. Bovendien was de
brand aangestoken: van buiten de stad werden
allerlei brandende stoffen in de stad geworpen
zodat op verschillende plaatsen tegelijk
brand ontstond; daar konden de stadsbewoners
met de toen beschikbare blusmiddelen
weinig tegenover stellen.
Wie de aanstichter van deze brand is geweest,
is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk
was het Zweder, de heer van Voorst die in
die tijd met de stad overhoop lag. Helemaal
zeker is dat niet, omdat in die tijd meerdere
heren uit de omgeving grote problemen hadden
met de voorspoed van de stad.
Vele malen staat de aanschaf van emmers, ladders
en brandhaken in de rekeningen van de stad vermeld.
Dit materiaal werd op verschillende plaatsen
in de stad bewaard. In 1547 worden als bewaarplaatsen
het stadhuis, het Bethlehemklooster, het
Heilige Geestgasthuis, het Fraterhuis en het Dominicanenklooster
genoemd.
Brandspuiten
In 1660 kwam een grote verandering in de wijze
van blussen. In dat jaar werd namelijk de eerste
brandspuit aangeschaft. Deze brandspuit bestond
uit een grote koperen ketel die op een soort slee was
geplaatst en die door mensen of paarden kon worden
voortgesleept. In de ketel, waar het bluswater
ingegooid moest worden, was een pomp aangebracht,
die door een aantal mannen werd bediend.
Via een aan de pomp verbonden korte koperen
straalpijp werd water op het vuur gespoten. De
pomp moest dus op korte afstand van het vuur geZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
plaatst worden. De ketel moest met emmers worden
gevuld. De lange rijen mensen die elkaar emmertjes
water doorgaven vanaf de gracht tot de
plaats van de brand behoorden dus nog niet tot het
verleden.
Gebroeders Van der Heiden
De broers Jan en Nicolaas van der Heiden brachten
twee belangrijke verbeteringen aan op de brandspuiten.
Zij ontwikkelden de slangbrandspuit. De
eerste verandering was dat de korte koperen straalpijp
van de bestaande brandspuiten werd vervangen
door een slang van leer of zeildoek. Het water
kon zo veel dichter bij het vuur gebracht worden.
De volgende verbetering betrof de aanvoer van
het water. In verschillende stappen kwamen zij ertoe
het bluswater uit de gracht op te pompen, zodat
het water niet meer met emmertjes naar de spuit
gebracht hoefde te worden. De vergaarbak met water
en de pomp hoefden nu niet meer zo dicht bij
de brand te staan, maar konden vlak bij het water
neergezet worden. Het water werd via een slang
van de vergaarbak naar de spuit gevoerd. Amsterdam,
waar de gebroeders Van der Heiden woonden
en werkten, kocht in 1672 de eerste slangbrandspuiten.
Zwolle volgde in 1691 met de aanschaf van twee
grote slangbrandspuiten. In de loop der jaren volgden
nog enkele andere spuiten. Het onderhoud
van de spuiten werd verricht in opdracht en voor
rekening van de stad.
Gelijk ook later meermalen het geval zou zijn,
werd de bestaande ordonnantie aangepast aan de
nieuwe technische ontwikkelingen. In de ordonnantie
van 1691 – opgesteld na de aankoop van de
brandspuiten – staat uitvoerig beschreven hoe men
te werk moest gaan. In geval van brand moesten de
brandmeesters en alle andere personen die bij een
spuit hoorden zich zo snel mogelijk naar de brand
begeven. Van deze personen ‘zullen eenige wezen
afgezonden om de spuit-pyp te voeren en ’t water
in den brand te stieren. Anderen om te pompen en
wederom anderen om ’t water te scheppen en in de
zak te brengen.’ Bij de brand aangekomen moesten
de waterscheppers direct de waterzak met de slangbak
van de spuit afnemen en deze met de ladders en
emmers naar het dichtstbijzijnde water brengen.
Bij de oude brandspuit (links) is de korte straalpijp
duidelijk te zien. Het nieuwe model slangbrandspuit
van Jan van der Heiden (rechts) heefteen lange
slang waarmee men vlak bij het vuur kan komen.
Tekening in ‘Beschryving der niewlyks uitgevonden
en geoctrojeerde slag-brand-spuit’, Jan van der
Heiden (Amsterdam 1/35; ie druk 1690).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ze moesten dan direct beginnen met waterscheppen,
terwijl twee van hen met de slangbak terugliepen
naar de spuit en de slang lieten uitrollen. Zodra
het water in de zak gegoten werd, moest één van
hen langs de slang lopen om te controleren of het
water ongehinderd kon doorstromen. Alle vrouwen
en kinderen moesten daarentegen bij hun huizen
blijven. De burgers mochten geen vrouwspersonen
naar de brand doorlaten.3
1669: St. Michaëlskerk
Op 7 juni 1669 sloeg de bliksem in in de toren van de St. Michaëlskerk.
Spoedig begon het al sterker en sterker te roken,
vooral nadat iemand het venster in de torenspits had geopend.
Door de wind begon het houtwerk te branden. Er ontstond ‘groote
angst en benauwtheid onder ’t volk. Men hield datelyk raad, hoe
men de brand zoude stillen, en verdere ongelukken voorkomen;
daar wierd besloten dat men dese houten spitse een weinig boven
het muurwerk soude afzagen; men gaat terstont te werk, en men
begint te zagen: dog dit gelukte niet (…) Daar na bragt men ettelyke
schuiten met water in de Kerk, op dat men ’t dak van de selve, so
het vuur daar in kwam,nog konde lesschen. De kerk na het enge
steegjen was wel twe maal in brand; maar het wierd door de grote
vlyt der Burgeren gelescht. Ten laasten verbrandede de geheele
spitse, drie klokken van het speelwerk smolten van hitte, en in een
vierde quam een gat. (…) Ondertusschen was dese brand schrikkelyk
om te sien, staande dit werk van sulken ongemeene en wonderlyken
hoogte midden in en boven de Stad, synde de wind Noorden
enredelykfel.’1
De stad begon nog wel met het herstel van de torenspits, maar besloot
tot een afdekking met een lage kap. De toren had echter door
de brand (en door twee eerdere branden) zodanig te leiden gehad,
dat de muur scheuren begon te vertonen. In 1682 begaf de toren het
volledig en stortte tijdens een storm gedeeltelijk in. Een tweede
storm deed de rest. Alleen een klein stukje muur moest nog op kosten
van het stadsbestuur afgebroken worden; een roemloos einde
voor wat mogelijk de hoogste kerktoren van Nederland was geweest.
Brandspuithuisjes
De aanschaf van de grote brandspuiten maakte het
noodzakelijk de huisvesting voor het materieel aan
te passen. De spuiten werden in verschillende wijken
van de stad geplaatst. In de loop der tijd ontstonden
zo op verschillende plaatsen brandspuithuisjes.
Hier werden de spuiten en het overige
blusmaterieel bewaard. Wanneer een extra spuit
werd gekocht, moest ook een nieuwe bewaarplaats
gevonden worden. In het begin van de achttiende
eeuw waren er onder andere bewaarplaatsen aan de
Stadswaag (het huidige Gasthuisplein), op het
Broerenkerkhof, bij het Pestengasthuis, in de Binnen
Sassenpoort en in de Binnen Diezerpoort. In
de loop van de negentiende eeuw groeide het aantal
brandspuithuisjes tot tien. Herhaaldelijk moesten
ze verbouwd, verplaatst of vergroot worden.
Behalve in de brandspuithuisjes werd ook op
andere plaatsen materieel bewaard. Een in 1865
aangeschafte grote aanjager4 stond in een speciaal
aangepast brandspuithuisje in de Grote Kerk, onder
de consistoriekamer. Brandladders en brandhaken
werden bewaard in de stadswerkplaats (vanaf
1875) en in de Hoofdwacht werden sinds 1885
reddingstoestellen en een vangzeil opgeslagen.
De aanschaf van steeds beter materieel leverde
telkens opnieuw huisvestingsproblemen op. Met
een zekere regelmaat werden hierover lange discussies
in de gemeenteraad gevoerd. Zo werd in
1890 een mechanische ladderwagen gekocht. Een
jarenlange discussie in de Tweede Raadscommissie
leverde uiteindelijk op dat het apparaat zou blijven
staan op de aanvankelijk als tijdelijk omschreven
plaats, namelijk het voormalige kantoor van de gemeente-
architect op de Friese Wal.
Brandspuitmeesters en spuitgasten
Voor iedere spuit beschikte Zwolle over twee
brandspuitmeesters, twee fakkeldragers en een
aantal spuitgasten — geen van allen was ‘beroeps’.
Bij brand moesten alle personen die bij een bepaalde
spuit hoorden, naar de bewaarplaats van die
spuit gaan, de spuit naar de plaats van de brand
brengen en haar in werking stellen. Voor de bediening
van de mechanische brandladder bestond een
aparte regeling. Deze werd bediend door zestien leden
van de Zwolsche Gymnastiekvereeniging. Het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
gemeentebestuur had in 1891 verheugd gereageerd
op hun aanbod deze ladder te bedienen omdat,
‘van hen met grond verwacht mag worden dat zij
met genoemd werktuig weten om te gaan op
zoodanige wijze dat dit aan zijn doel beantwoordt.’
Als onderscheidingsteken hadden zij een penning
waarop in de rand ‘vrijwillige brandweer’ en in het
midden de letters ‘Z.G.V.’ stonden.5
De brandmeesters, die tot taak hadden toezicht
te houden op de gang van zaken, hadden een beschilderde
stok ter onderscheiding van hun ambt.
De opkomst van de spuitgasten liet echter nogal
eens te wensen over. Om hun ijver aan te wakkeren,
loofde het stadsbestuur premies uit voor die
spuiten die als eerste of tweede bij de brand waren.
De premie moest verdeeld worden onder de spuitgasten
die op tijd aanwezig waren geweest. Spuitgasten
die pas kwamen opdagen wanneer de brand
al geblust was, kregen een boete. Om het tijdstip
van opkomst te kunnen controleren, hadden alle
spuitgasten een penning die zij aan de brandmeester
moesten geven zodra zij bij een brand aanwezig
waren. Op zo’n penning stond het stadswapen afgebeeld,
het nummer van de wijk en het nummer
van de spuitgast.
Gemeentewet 1851
De nationale overheid heeft zich heel lang niet met
de brandweerorganisatie bemoeid. Pas in 1851
kwam een begin van regelgeving tot stand. In de
zogenoemde ‘Gemeentewet 1851’ werd vastgelegd
dat burgemeester en wethouders belast werden
met het toezicht op de brandblusmiddelen en bevoegd
waren brandmeesters te ontslaan (art. 179).
Het opperbevel over de brandweer werd toegekend
aan de burgemeester (art. 189).
In feite is dit het begin van een gemeentelijke
brandweer, maar in de praktijk veranderde niet
veel: elke gemeente was en bleef voor zichzelf bezig
een redelijk werkend brandweerapparaat te onderhouden
en te voorzien van materieel. Die gemeentelijke
autonomie leidde tot grote verschillen in organisatie,
omvang en in de hoeveelheid en kwaliteit
van het blusmaterieel. Het kwam daardoor regelmatig
voor dat hulpverlening van het ene aan het
andere brandweerkorps – noodzakelijk bij zeer
grote branden – moeilijk was omdat het blusmaterieel
niet gestandaardiseerd was.
Grote veranderingen traden pas op tijdens en
na de Tweede Wereldoorlog, toen de nationale
overheid een meer gecentraliseerde organisatie bevorderde.
Brandladder bediend
door leden van de
Zwolsche Gymnastiekvereeniging,
1894.
Petje van de Zwolsche
Gymnastiekvereeniging
(foto: collectie Waanden).
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De afgelopen 100 jaar
Brandweerhelm met
het stadswapen van
Zwolle (foto: collectie
Waanders).
Waterleiding
Een echt grote verandering voor de brandweer,
zowel wat betreft het gebruikte materieel
als wat betreft de organisatie, vond na
1892 plaats. In dat jaar werd namelijk een begin gemaakt
met de aanleg van een waterleiding in de
stad. In datzelfde jaar werden ook voorbereidingen
Vaandel van de Zwolsche
Brandweer (foto:
collectie Waanders).
getroffen om de brandweer te laten profiteren van
de mogelijkheden die een waterleiding biedt: bij de
begrotingsbehandeling voor 1893 werd een bedrag
van ƒ 1000,- gereserveerd voor de aanschaf van
nieuw materieel. Gezien de totale begroting van de
brandweer, ƒ 2945,-, was dat een fors bedrag. Voor
dit geld werden zogenoemde slangenwagentjes
aangeschaft.
Het gevolg van deze aanschaf was dat de hele
organisatie van de brandweer aangepast moest
worden en dat er een nieuwe brandweerverordening
moest komen.
De wijze van blussen veranderde grondig doordat
er nu in principe altijd water in de buurt was. In
het waterleidingnet waren om de 50 tot 100 meter
brandkranen aangebracht. Hierop konden opzetstukken
geschroefd worden en daar konden dan
weer de slangen aan gekoppeld worden. Op die
manier was het mogelijk zonder gebruik van pompen
te blussen. De oude slangbrandspuiten en aanjagers
waren niet meer nodig in die gebieden van
de stad waar de waterleiding was aangelegd. (Het
duurde nog een aantal jaren voordat ook alle buitenwijken
van waterleiding waren voorzien.) Het
nieuwe materiaal zou moeten bestaan uit slangenwagens
met de nodige slangen en standpijpen om
op de brandkranen aan te sluiten en straalpijpen
om mee te spuiten. De oude brandspuiten bleven
voorlopig dienst doen in de buitenwijken en als reservematerieel.
Reorganisatie in 1894
In 1894 kwam het college van Burgemeester en
Wethouders met een voorstel voor een nieuwe organisatie.
Na behandeling door de gemeenteraad
en wat gekrakeel over de vraag of het voorstel al
dan niet door het college van Brand- en Brandspuitmeesters
moest worden bekeken, werd de
nieuwe verordening op 22 oktober vastgesteld. De
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
belangrijkste organisatorische veranderingen waren
het aantal mensen dat betrokken was bij de
brandweer en het instellen van een college van
Brandmeesters.
Het personeel van de brandweer zou in de toekomst
bestaan uit een opperbrandmeester, een
plaatsvervangend opperbrandmeester, zes brandmeesters
en zes plaatsvervangend brandmeesters.
Deze 14 man vormden samen het college van
Brandmeesters. Daarnaast kwamen er 12 bedienaren
der standpijpen, 18 fakkeldragers, 36 manschappen,
een bode, 8 manschappen om de gewone
brandladders te bedienen, een hoofd, een
plaatsvervangend hoofd en 14 manschappen tot
bediening van de mechanische brandladder. In totaal
dus 104 man.
In vergelijking met de vroegere situatie was dat
een enorme vermindering. In 1891 waren namelijk
niet minder dan 579 man nodig: een opperbrandmeester,
een substituut-opperbrandmeester, 20
brandmeesters, 20 brandspuitmeesters, 3 boden en
534 spuitgasten. Op basis van deze aantallen konden
B&W met een gerust hart voorstellen om de
uurvergoedingen van de spuitgasten te verhogen.
Zij wilden dat omdat ze het zeer wenselijk achtten
‘personen te kiezen van een ander gehalte en iets
hooger op de maatschappelijke ladder staande dan
zij, die tot dusver als spuitgasten werden gekozen.
Ondanks het door ons voorgesteld hooger loon,
zullen de kosten van brandblussching blijven beneden
hetgeen ze tot dusver beliepen.’
De leden van het nieuw ingestelde college van
Brandmeesters – een college dat tot op de dag van
vandaag is blijven bestaan – moesten het zonder
persoonlijke vergoeding doen. Wel kreeg dit college
een tegemoetkoming in de vergaderkosten. Ze
In 1923 kocht de Zwolse
brandweer deze motorspuit.
Achterop is een
zuigstang te zien die in
open water wordt gehangen
om water aan
te zuigen.
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Feestlied geschreven ter
gelegenheid van het 25-
jarig bestaan van het
college van Brandmeesters
in 1919.
kregen als taak het toezicht op het blusmaterieel.
Er was dus nog steeds geen enkele beroepsbrandweerman.
De vergoeding van de spuitgasten
was een vergoeding voor gederfde inkomsten en de
brandmeesters vervulden hun taak als een soort
erefunctie.
De stad werd in zes wijken opgesplitst en in elke
wijk kwam een slangenwagen te staan. Daarnaast
kreeg de politie één wagen en bleef één wagen in reserve.
Bij elke slangenwagen behoorde het volgende
materieel:
1. lijst aangevende het aanwezige materiaal
2. boekje aanduidende de plaats waar de brandkranen
liggen
3. ellemaat voor het opzoeken dier plaats
4. lucifers
5. lapzak met toebehoren
6. standpijp
7. twee straalpijpen met mondstukken
8. twee reserve mondstukken
9. sleutel voor het openen der brandkranen
10. minstens 150 meter slang in koppelingen van 25
meter
11. 2 lantaarns
12. een bijl
13. 3 slangenhangers
14. 3 slangenklemmers
15. nijptang
16. 2 pennen
17. eenig poetskatoen, in olie gedrenkt.
Tengevolge van de nieuwe regeling moest het
bestaande college van Brand- en Brandspuitmeesters
ontbonden worden. Alle hoofdlieden, onder
wie opperbrandmeester B. Muijderman, werden
onder dankbetuiging eervol ontslagen. In hun
plaats werden J. de Vries Hz. en W. Schutte respectievelijk
tot opperbrandmeester en plaatsvervangend
opperbrandmeester benoemd. Bij de zes slangenwagens
werden A.J. van der Linde, G.B. van der
Linde, J. Meuleman, H. de Vries Hz., H.J. ter Horst
jr. en J. Doorn benoemd tot brandmeesters. Ook
een groot gedeelte van de spuitgasten moest vertrekken.
Nergens werd daarover met een woord
gerept, hoewel voor veel spuitgasten de premies
een welkome bron van inkomsten waren geweest.
Kort daarop werd besloten de brandmeesters
en hun plaatsvervangers te voorzien van een praktischer
onderscheidingsteken dan de aloude stok.
Deze belemmerde de brandmeesters namelijk teveel
in hun bewegingsvrijheid. Zij kregen daarom
een pet met een gouden rand. De manschappen
werden voorzien van een armband.
In grote lijnen bleef de nu in het leven geroepen
organisatie bestaan tot vandaag de dag. In details is
echter in de loop der jaren veel veranderd, gereorganiseerd
en vergaderd over de meest gewenste organisatievorm.
Een telkens terugkerend discussiepunt
was de wenselijkheid van het in dienst nemen
van beroepsmensen. Verder waren de aanschaf van
nieuw ontwikkeld, technisch hoogstaand materieel
en de huisvesting aanleiding voor uitgebreide discussies
in de gemeenteraad.
Gemeente-architect of opperbrandmeester
Naar aanleiding van een alarmerend rapport van
het college van Brandmeesters in 1904 werden de
taken en mogelijkheden van de brandweer weer ter
FEESTLIED
BIJ HET 25-JARIG B E S T A A N
VAN HET
COLLEGE VAN BRANDMEESTERS TE ZWOLLE
1894-1919 = =
Wijze: „De lepe! in de brijpot”.
Als er eens brand was
En er geen spuit was,
Wat was dat toch naar;
Het was bezwaarlijk
Ia men was waarlijk
In levensgevaar!
Maar zoolang als de Brandweer nog in Zwol’ is goed, I
Spuiten wij met moed, Spuiten wij met moed. l
Maar als er brand bomt.
De telefoon bromt,
Springt elk op de been.
Men vliegt naar buiten,
En haalt de spuiten,
In huis blijft er geen!
Want zoo lang als enz.
Nu zoo maar voort gaan.
Op onze bluschbaan.
Altijd eensgezind.
Eendracht maakt ons sterk,
Ook in het bluschwerb,
Zooals elk ondervind.
Wanl zoolang als enz.
Wil vroolijfc zingen
U niet bedwingen,
Dat staat ons wel aan;
Kom laat ons klinken
En daarbij drinken,
Dan zal ’t wel weer gaan.
Want zoolang als de Brandweer aan een feestmaal doet,
Drinken wij ook goed! Drinben wij oob goed! !
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
discussie gesteld. Het college van Brandmeesters
had namelijk geconstateerd dat de blusmogelijkheden
in wijken zonder waterleiding en in die gevallen
waar de waterleiding niet goed zou functioneren,
volstrekt onvoldoende waren. Moest de
brandweer op alle eventualiteiten kunnen reageren,
was de vraag waar de gemeenteraad een antwoord
op moest geven.
Het college van B&W vond van niet. Zij steunde
het voorstel van de brandmeesters, waarin om
meer materiaal gevraagd werd niet, omdat zij de
kosten te hoog vond. De gemeenteraad wilde echter
meer gegevens om een goede afweging te kunnen
maken.’
Intussen bleek er meer aan de hand te zijn dan
alleen een gebrek aan blusmateriaal. Ook de kwestie
wie verantwoordelijk moest zijn voor de toestand
van de blusmiddelen was in het geding, B&W
stelden deze vraag in de zomer van 1905 aan de
orde. Tot die tijd berustte die verantwoordelijkheid
bij de gemeente-architect. In de praktijk leidde
dat tot moeilijkheden, omdat de opperbrandmeester
met materieel moest werken, terwijl hij
geen toezicht had op het onderhoud ervan en hij
ook geen stem had gehad bij aanschaf. Wijziging
was daarom gewenst, B&W vonden het nodig dat
een werkman onder de bevelen van de opperbrandmeester
zou komen voor het onderhoud en
controle van de blusmiddelen. De gemeenteraad
kon hiermee instemmen.2 Kort daarop kwam de
eerste beambte-werkman, Dirk Lohman, in dienst.
Het jaar daarop kwamen B&W met een voorstel
om de brandweerverordening te wijzigen. Zij wilden
niet ingaan op de voorstellen in het rapport uit
1904 van het college van Brandmeesters. Nadere
beschouwingen hadden geleid tot een beschouwing
over wat wel en wat niet van de brandweer
mocht worden verwacht.
De vraag of de brandweer kon blijven bestaan
als vrijwillige onbezoldigde brandweer, of dat de
uitbreiding van taken, oefeningen en materieel
moest leiden tot het aanstellen van bezoldigde
brandmeesters kwam ter sprake. Een minderheid
van het college was van mening dat een beroepsbrandweer
niet nodig was. De meerderheid erkende
dat de taken van de brandmeesters steeds zwaarder
werden. De voorstellen gingen er echter van uit
dat zij ‘lust en tijd zullen hebben om in dezen de
belangen der gemeente te dienen…’ Verder werd
geconstateerd dat een brandweer die zou voldoen
aan de normen van de moderne tijd stoomspuiten
zou moeten hebben en goed geoefend beroepspersoneel,
maar ‘Dat kost schatten gelds en wij vinden
vooralsnog geen vrijheid voor te stellen tot een
zoodanige uitbreiding over te gaan. Er zijn hier ter
stede nog geen branden voorgekomen, welke de
vrees deden ontstaan, dat de brandweer op den
grondslag van hare tegenwoordige organisatie den
brand niet meester kon worden.’
In concreto werd voorgesteld zeven wijken te
maken in plaats van zes (in verband met de uitbreiding
van Assendorp) en om aan elke slangenwagen
vijf personen te verbinden in plaats van elf. Dit
aantal was bepaald met het oog op het contract met
de telefoonmaatschappij, de firma Ribbink van
Bork & Co. Volgens dit contract konden per wijk
maximaal vijf brandweerlieden aangesloten worden
op het telefoonnet. De inspecteur van de
bouwpolitie en de gemeentepolitie zouden bepaalde
verantwoordelijkheden moeten krijgen, gezien
het veranderde karakter van de brandweer. Tevens
werd voorgesteld een tweede beambte-werkman
aan te stellen.3
Tijdens de behandeling van de ontwerp-verordening
benadrukte de burgemeester nogmaals dat
Deelnemers aan het
jaarlijkse uitstapje georganiseerd
door de
personeelsvereniging
De Spuitgast in 1933.
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wedstrijd op het veemarktterrein
in 1950.
het, ondanks de aanstelling van een tweede werkman,
niet de bedoeling was een beroepsbrandweer
in het leven te roepen. Men was daarentegen juist
van plan met behoud van de huidige organisatie de
regeling zo goed mogelijk te doen zijn.
Min of meer overtuigd stemde de raad uiteindelijk
in met de nieuwe verordening.4
strekking naar de gemeenteraad. Behalve de aanstelling
van twee extra brandwachten zou reorganisatie
van het losse personeel in overweging genomen
moeten worden, omdat op de spuitgasten die
tegen een geringe vergoeding hun diensten verlenen
‘ – de goede niet te na gesproken – niet meer
valt te rekenen in die mate als vroeger het geval
‘Wachten tot er brand uitbreekt’
De sociale veranderingen gingen ook aan de
brandweerorganisatie niet ongemerkt voorbij. De
invoering van een acht-urige werkdag na de Eerste
Wereldoorlog maakte het noodzakelijk ook hier
maatregelen te treffen. De twee vaste brandwachten
waren gedurende tien uur per dag aanwezig en
dat was volgens de opperbrandmeester eigenlijk al
te weinig. Hij wilde geen verantwoordelijkheid
meer dragen wanneer een acht-urige werkdag zonder
meer werd ingevoerd. Hij wilde daarom twee
extra brandwachten aanstellen om zo tegelijk de
doeltreffendheid te vergroten.
Het college van B&W zag de redelijkheid van dit
verlangen in en kwam met een voorstel van die
was, toen alles werd geacht ondergeschikt te zijn
aan de opkomst bij brand.’5
De gemeenteraad zag echter het nut van meer
personeel absoluut niet in. De algemene opvatting
was dat de brandwachten tijdens hun diensttijd
niet veel meer deden dan ‘wachten tot er brand uitbreekt’.
De raad stemde daarom in 1920 in met het
voorstel van het raadslid J.W. de Vent, die de reorganisatie
van het brandweerpersoneel aan wilde
houden. Een commissie uit de raad zou een grondige
studie moeten verrichten naar een algehele reorganisatie
van het brandweerpersoneel. De achturige
werkdag moest alvast ingevoerd worden.6
Naar aanleiding van dit besluit meende de opperbrandmeester
zijn betrekking te moeten neerZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
leggen. Hem werd eervol ontslag verleend.
Intussen was de commissie, bestaande uit de
heren E. Bredewout, Izaak Os en J.W. de Vent, aan
het werk gegaan. Nadat ze advies hadden ingewonnen
bij de Koninklijke Nederlandse Brandweer
Vereniging en nadat een aantal andere steden bezocht
was, kwam de commissie tot de conclusie dat
Zwolle het niet zo gek deed: beter dan Almelo, Enschede
en Apeldoorn en minstens even goed als
Arnhem. Zwolle bleef wel achter ‘in de harmonische
geest tusschen opperbrandmeester (commandant),
brandmeesters en personeel.’ Nergens anders
kon de opperbrandmeester alles regelen zonder
de brandmeesters. Dit moest zijn weerslag vinden
in een vrijwilligerskorps en aanleiding geven
tot botsingen en in de opkomst van het personeel.
Behalve enkele kleine verbeteringen (o.a. aanschaf
van een verbandkist) behoefde alleen het reddingsmateriaal
verbetering. Verder was de aanschaf van
twee kleine motorspuiten, die door één of meer
paarden getrokken konden worden, nodig; waren
meerdere brandwachten voorlopig niet nodig; kon
op het losse personeel goed gerekend worden wanneer
de loonregeling werd verbeterd en moest de te
benoemen opperbrandmeester uit het college van
Brandmeesters komen.7
De bestaande commissie belastte zich daarop
met het adviseren over de aanschaf van een motorspuit.
Kort daarop kwam het advies een sproeiwagen
van de gemeentereiniging om te bouwen – dat
kon voor geringe kosten – zodat slechts één motorspuit
gekocht hoefde te worden. Dit werd een spuit
van de firma Van der Ploeg uit Apeldoorn, waarmee
in maart 1923 een demonstratie werd gegeven
door die firma.
Politie-brandweer?
Ondanks de aanschaf van nieuw materieel en de
boven genoemde kleine wijzigingen, bleef de organisatievorm
van de brandweer een telkens terugkerend
discussiepunt. Vooral een eventuele uitbreiding
van het beroepspersoneel bleef de gemoederen
bezighouden. Eén van de oplossingen voor dit
probleem werd gezocht in het samengaan van politie
en brandweer. Zo stelde de burgemeester in 1927
tijdens de algemene beschouwingen in de gemeenteraad
dat op het politiebureau altijd personeel
aanwezig was om per automobielspuit uit te rukken.
Op die wijze zou personeel en spuit het snelst
bij een brand aanwezig kunnen zijn. Dat was ook
de ervaring in andere steden zoals Den Haag, Delft
en Heerlen. De kosten bleven echter het grootste
probleem. Weliswaar zou de exploitatie niet duurder
zijn, maar de kosten voor een bergplaats voor
automobielspuiten zouden hoog zijn.
Na verloop van enkele jaren werd wel besloten
tot de aanschaf van een automobielspuit (1930),
maar de samenvoeging van politie en brandweer
werd, met het oog op de verwachte onkosten, niet
langer overwogen.
Een nieuwe en betere huisvesting werd daarentegen
op de lange baan geschoven met als argument
dat er samenhang tussen reorganisatie en
huisvesting moest bestaan. Het bleef daarom bij
een opknapbeurt van de bestaande kazerne aan het
Roode Torenplein. Met de uitbreiding van het materieel
bleek deze kazerne echter steeds weer te
klein: een in 1934 aangeschafte nieuwe mechanische
ladder moest in een apart gehuurde garage geplaatst
worden omdat in de kazerne geen ruimte
was.
Openbare Werken
Uiteindelijk werd in 1939, dus na zeventien jaar discussie
en onzekerheid, de knoop doorgehakt: de
De aflevering van de
eerste autospuit, 1930.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
1933: Dominicanenklooster
Op dinsdagavond 3 januari 1933 brak om enkele minuten voor
zeven uur brand uit in het Dominicanenklooster. Direct
werd daarvan melding gemaakt bij het politiebureau. Zoals gebruikelijk
rukte de politie daarop uit met het beschikbare, zeer beperkte
materiaal. Tegelijk had de politie de brandmelding moeten
doorgeven aan de brandweer – dat was de gebruikelijke procedure
in die tijd -. Het duurde echter enige tijd voordat de ernst van de situatie
doordrong en de brandweer alsnog gewaarschuwd werd.
Veel te laat kwamen de blussingswerkzaamheden op gang.
Op het moment dat de brandweer arriveerde, zo tegen half acht,
stond de rechtervleugel van het klooster al in brand. Het vuur
greep zo snel om zich heen dat kort daarna de daken van alle drie
vleugels vlam vatten.
Ook het blusmateriaal van de brandweer was niet voldoende
voor een brand van deze omvang. Er was één automotorspuit, één
motorspuit en een mechanische ladder. Wat later stuurde de gemeente
Zwollerkerspel ook haar motorspuit. Een eveneens gearriveerde
motorspuit uit Dalfsen kwam te laat en werd niet meer ingezet.
Met veel moeite kon de kerk behouden blijven, maar de rest van
het klooster ging verloren.
Dagenlang stonden de kranten vol van de kloosterbrand. De
grote vraag was waarom het zo lang duurde voordat voldoende
blusmaterieel ter plaatse was. Lag het aan de paters die te laat alarm
sloegen, aan de politie die de ernst van de situatie verkeerd inschatte
en de brandweer niet direct waarschuwde, aan de brandweer die
te traag en slecht geoefend was, of aan de gemeente die al tijdenlang
discussieerde over een reorganisatie bij de brandweer en wachtte
met de aanschaf van nieuw materieel?
Eén ding is zeker: minder dan een week na de brand kreeg de
brandweer toestemming van de gemeenteraad om een tweede automotorspuit
aan te schaffen. Bovendien kon kort daarop een
nieuwe mechanische ladder aangeschaft worden. Reorganisatie liet
echter nog enkele jaren op zich wachten, evenals een verbetering
van het alarmeringssysteem.
Brand in het Dominicanenklooster
in 1933.
Een autospuit en één
brandladder waren niet
voldoende om het
klooster te redden.
brandweer werd definitief niet samengevoegd met
de politie maar met de dienst Openbare Werken.
Deze nieuwe mogelijkheid werd vanaf 1937 verschillende
malen besproken.
Argumenten voor samenvoeging met deze
dienst waren dat het karakter van een vrijwillige
brandweer niet verloren zou gaan en dat bouwkundigen
in de leiding van de brandweer vertegenwoordigd
zouden blijven. Aanleiding om haast te
maken met een samenvoeging, was het feit dat in
1937 zowel de directeur van Bouw- en Woningtoezicht
als opperbrandmeester F.A. Hilgen met pensioen
zouden gaan. Een voorstel van het college
van B&W om deze diensten met de dienst van Gemeentewerken
samen te voegen tot een dienst van
Openbare Werken, Volkshuisvesting en Brandweer
werd goedgekeurd door de raad op 12 juli
1937. Er werd echter toegezegd dat spoedig na de
benoeming van de nieuwe politie-commissaris
overleg gestart zou worden met hem, met de directeur
van Openbare Werken en met het college van
Brandmeesters over de vraag of politie en brandweer
alsnog gecombineerd moesten worden.
Voorlopig werd de brandweer dus samengevoegd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
met de dienst Openbare Werken. De heer W.B.M.
Beumer werd directeur bij die dienst en daarmee
werd hij tegelijk (de eerste) commandant van de
brandweer. De adjunct-directeur werd ondercommandant
en werd belast met de dagelijkse leiding.
Op 11 april 1939 werd uiteindelijk een rapport
uitgebracht met als conclusie dat samenvoeging
moest worden ontraden. Een belangrijke factor bij
die beslissing was waarschijnlijk dat de nieuwe
commissaris van politie, de heer Lettinck, niets
voelde voor zo’n samenvoeging. De Zwolse Vrijwillige
Brandweer vierde het voortbestaan met een
gezellige bijeenkomst.8
Oorspronkelijk was het idee over samenvoegen
van politie en brandweer ontstaan vanuit de gedachte
dat op het politiebureau dag en nacht personeel
beschikbaar was, dat op het eerste alarmsignaal
kon uitrukken. In de praktijk werd echter al
optimaal gebruik gemaakt van het politiepersoneel:
bij brandalarm trokken altijd twee agenten uit
met een standpijp en 100 meter brandslang. Om
meer profijt van de politie te hebben zouden er
meer politiemannen beschikbaar moeten komen.
Bovendien beschikte de politie niet over personeel
dat branddiensten kon verrichten bij toneel- of
bioscoopvoorstellingen. Het lagere politiepersoneel
zou dus uitgebreid moeten worden wanneer
de brandweer deel zou gaan uitmaken van de politie.
De werkzaamheden van ambtenaren van
Openbare Werken sloten meer aan bij het werk van
de brandweer. De zorg voor het materieel en de leiding
bij bluswerkzaamheden moest berusten bij
een technisch ambtenaar met bouwkundige kennis.
Zo iemand zou echter geen volledige dagtaak
hebben bij de brandweer, terwijl hij niet was voorbereid
op werkzaamheden op politiegebied. Het
was daarom beter dat de leiding van de brandweer
in handen was van mensen die tegelijk belast waren
met de zorg voor de naleving van bouw- en politieverordeningen
die het brandgevaar moesten verminderen.
Bovendien was politiepersoneel wel lichamelijk
geschikt voor politiedienst, maar dat betekende
nog niet ‘dat het na eenige uitbreiding dier oefeningen
in staat zal zijn het blusschingswerk op ladders,
in dakgoten, enz. te verrichten.’9
De raad aanvaardde de conclusies van het rapport
en daarmee was een mogelijke politie-brandweer
definitief van de baan.
In afwachting van een formele regeling was de
heer C. Koning, adjunct-directeur van de gecombineerde
diensten, belast met de functie van opperbrandmeester,
nadat Hilgen tegen 1 januari 1938
met pensioen was gegaan.
De Spuitgast
Op 16 augustus 1939 vond in de bovenzaal van
lunchroom Kleine aan de Luttekestraat de oprichtingsvergadering
plaats van de Vereeniging van
Zwolsche Spuitgasten. D. Dijkslag nam de taak van
voorzitter op zich en A. Konkelaar werd de eerste
secretaris.
De nieuwe vereniging kreeg de naam De Spuitgast.
Zij wilde de kameraadschappelijke omgang
bevorderen en de belangen van de Zwolse spuitgasten
behartigen. Voor 10 cent per week konden alle
Zwolse spuitgasten lid worden van de vereniging.
Personen of instellingen die belangstelling hadden
voor de vereniging of voor de brandweer, konden
toetreden als buitengewoon lid. Zij dienden ten
minste één gulden per jaar te betalen.
Gedurende de eerste paar jaar van haar bestaan
was De Spuitgast tamelijk actief: zo werden snel
achter elkaar vier ledenvergaderingen en vijf bestuursvergaderingen
gehouden. De oorlog zette de
activiteiten echter op een laag pitje en na de oorlog
lukte het de vereniging niet veel leden op de been
brengen.10 Er werden nog wel een paar busreizen
De mechanische ladder
die in 1933 werd aangekocht,
is nog aanwezig
in de Zwolse kazerne
(foto: M.N. van
Saltbommel).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
georganiseerd, maar de opkomst was gering. Tijdens
een ledenvergadering in 1951 verzuchtte de secretaris:
‘Ten slotte mag hierbij nog wel eens uitdrukkelijk
opgemerkt worden, dat er steeds veel te
weinig belangstelling voor onze ledenvergaderingen
is. Dit is erg teleurstellend en erg ondankbaar
tegenover het bestuur, die toch al het mogelijke
doet wat goed voor onze vereniging is. Wij hopen
dan ook, dat dit beter wordt en in het vervolg meer
belangstelling voor onze ledenvergadering getoond
wordt.’11
V. „1:_1_._..’_
Kazernewacht aan het
Roode Torenplein, 1933.
Lucht Beschermings Dienst
In verband met de toenemende internationale
spanningen en de snelle ontwikkelingen van de
luchtvaart werd in 1936 de Lucht Beschermings
Dienst (LBD) opgericht. Deze dienst was een gevolg
van de in 1936 aangenomen Wet tot Bescherming
van de Bevolking tegen Luchtaanvallen. Belangrijke
bepalingen van deze wet waren dat na het afkondigen
van de staat van paraatheid van de luchtbescherming,
de gemeentelijke brandweren opgenomen
zouden worden in de LBD. Ook zou het Rijk
zorgen voor extra materieel, waaronder kleine motorspuiten.
Zwolle kreeg van het Rijk drie kleine motorspuiten,
maar niet alles verliep even vlot. Zo meldde
het college van Brandmeesters in 1936: ‘Ingevolge
een schriftelijke aanvraag van het hoofd van den
Luchtbeschermingsdienst, inzake spoedige mededeeling
van door de brandweer te nemen en voor te
bereiden maatregelen bij oorlogsgevaar, heeft ons
College reeds direct in November 1936 een uitvoerig
rapport aan bovengenoemd Hoofd ingediend.
Door ons College is daarop nog geen nader bericht
ontvangen, zoodat zij niet weet of de voorgestelde
maatregelen eventueel, al of niet in nader overleg
gewijzigd, de goedkeuring van het Hoofd van den
Luchtbeschermingsdienst kunnen wegdragen, reden
waarom het ons College tot heden niet mogelijk
is geweest iets te doen of voor te bereiden in
deze, voor onze stad zoo belangrijke zaak.’12 Toch
kwam alles nog redelijk op z’n pootjes terecht en
werd in de daarop volgende jaren veel tijd besteed
aan oefeningen; vooral oefeningen met gasmaskers.
De ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog
hadden namelijk tot grote angst voor gasaanvallen
geleid.
Tweede Wereldoorlog
Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen Nederland
binnen en na enige tijd installeerden zij hun eigen
bestuursapparaat. De Duitse behoefte aan orde en
discipline leidde voor de brandweer tot een groot
aantal veranderingen die na de oorlog niet teruggedraaid
zouden worden: de Inspectie van het Brandweerwezen,
uniformering van het brandweerpersoneel,
een nieuw rangenstelsel, een strakkere manier
van werken en normalisatie van materieel.
Kortom, door de Duitse wetgeving kwam een meer
gecentraliseerde organisatie tot stand.
Met het Besluit Brandweerwezen kwam in
maart 1941 een wettelijke regeling van de nieuwe situatie
tot stand. Dit Besluit omvatte bepalingen
voor de in 1940 ingestelde Inspectie van het Brandweerwezen
en stelde de beroepsbrandweren (dus
niet het Zwolse korps) onder direct toezicht van de
hoofdinspecteur.
Voor Zwolle leidde de instelling van de Rijksinspectie
tot een extra uitgave van ƒ 20.000,- voor de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
aanschaf van meer materieel: in 1942 besloot de
burgemeester op aandrang van de inspectie tot de
aanschaf van een volledig uitgeruste motorspuit
met bijbehorende trekker, die tevens ingericht was
als manschappen’-materieel-auto, wat kleiner materieel
en de ombouw van de oude vierwielige motorspuit
tot een tweewielige motorspuit.13
Een jaar later werd de Verordening Organisatie
Politie van kracht, waarmee de Nederlandse politie
ingericht werd volgens het Duitse model. In Duitsland
was echter de brandbestrijding en ook de
luchtbescherming ondergebracht bij de politie. In
Nederland werden als gevolg van die nieuwe verordening
de brandweer en de LBD ondergebracht bij
het directoraat-generaal van Politie van het departement
van Justitie. De verschillende gemeentelijke
beroepsbrandweren werden bij de gemeentepolitie
ondergebracht en de vrijwillige brandweerkorpsen
en bedrijfsbrandweren werden als hulptroepen van
de politie aangeduid.
Over de dagelijkse gang van zaken tijdens de
oorlog is weinig bekend. Ook over een van de
meest heikele punten – de houding van het brandweerkorps
tegenover de bezetters – is in de archieven
niets te vinden. Alleen is bekend dat in 1942 de
joodse spuitgast J. Denneboom op last van de
Duitsers is ontslagen. Na de oorlog is een van de
brandmeesters op grond van het Zuiveringsbesluit
1945 ontslagen wegens zijn gedrag tijdens de bezetting.
Tijdelijk Brandweerbesluit
In Londen werkte in de tussentijd de Nederlandse
regering aan de wederopbouw. De koppeling tussen
politie en brandweer moest zo snel mogelijk
ongedaan gemaakt worden. In het Tijdelijk Brandweerbesluit
dat in september 1944 werd afgekondigd,
werd de brandweer weer aan de zorg van de
gemeente toevertrouwd. Dit betekende overigens
niet dat de vooroorlogse situatie van volkomen au-
Afscheid van opperbrandmeester
F.A. Hilgen
op 21 december
1937. Hilgen was al tijdens
de oprichting in
1894 bij de Zwolse
brandweer.
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Controle van de
schouwburg door E.].
Ketel, circa 1940.
Van boven naar beneden:
mouwdecoraties
voor brandwacht,
brandwacht eerste klasse
en hoofdbrandwacht.
niet bijster groot. Ook de opkomst bij brand was
niet meer zo groot als voorheen. Volgens het college
van Brandmeesters was dat voornamelijk te wijten
aan de te lage uurvergoeding.14 Dat zij dat goed
hadden ingeschat, blijkt wel uit het feit dat enkele
jaren later de opkomst als heel behoorlijk werd
omschreven.
In de daaropvolgende jaren deden nog veel
meer nieuwe ontwikkelingen hun intrede. Veel
daarvan hingen samen met de grotere invloed van
de landelijke overheid. Zo werden brandweerwedstrijden
georganiseerd, werd de benaming van de
rangen aangepast, kwam de inspectie op bezoek,
kwamen nieuwe wetten tot stand, werd de organisatie
Bescherming Bevolking (BB) opgericht, werd
meer aandacht besteed aan preventie en hulpverlening
en werden telkens hogere eisen gesteld aan de
opleiding van het personeel.
Wedstrijden
Direct na de oorlog deed een nieuw verschijnsel
zijn intrede: de brandweerwedstrijden. De Vereeniging
van Brandweercommandanten had in 1946
Zwolle aangewezen tot het organiseren van de te
tonomie terugkeerde. De burgemeester werd alleen
verantwoordelijk gemaakt voor ‘de zorg voor
de aanwezigheid, de doeltreffende verdeling en de
goede staat van voldoende brandblusmiddelen’ en
voor het benoemen en ontslaan van het personeel.
De minister van Binnenlandse Zaken kreeg de bevoegdheid
een aantal voorschriften vast te stellen
en aanwijzingen te geven. Hij zou daarin bijgestaan
worden door de Inspectie voor het Brandweerwezen,
zodat centrale controle gehandhaafd bleef.
Het Tijdelijk Brandweerbesluit bleef gelden tot
1952, toen de Brandweerwet in werking trad.
Veranderingen
Na de oorlog kon de brandweer weer energiek aan
de slag. Toch was er ten opzichte van de vooroorlogse
situatie wel het een en ander veranderd: vooral
de richtlijnen vanuit het ministerie van Binnenlandse
Zaken en van de inspectie lieten zich gelden.
Zo werd in 1946 de uurvergoeding aangepast aan
de landelijke richtlijnen. Dat was hard nodig ook,
want de opkomst was, vooral bij de oefeningen,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
houden wedstrijden voor de kring Zwolle. Twaalf
Zwolse vrijwillige spuitgasten meldden zich voor
deelneming. Voor de wedstrijden werd een aantal
malen geoefend op het terrein van de Gemeentereiniging
en op de Nieuwe Veemarkt. De wedstrijd
werd gehouden op dinsdag 21 mei op de Nieuwe
Veemarkt, van ’s morgens 9 uur tot ’s middags 15
uur en werd bijgewoond door het voltallige college
van Brandmeesters. De Zwolse ploeg kreeg pech
door een ernstige valpartij. Desondanks wisten zij
zich nog als vijfde te plaatsen, maar ze waren uitgeschakeld
voor deelname aan de districts en landelijke
wedstrijden.
Ook in latere jaren organiseerde de Zwolse
brandweer regelmatig wedstrijden. De ploegen namen
met wisselend succes deel en in 1951 werd zelfs
de eerste prijs behaald bij de districtswedstrijd.
Wegens tijdgebrek door de vele BB-oefeningen,
deed het Zwolse korps vanaf 1954 enige jaren niet
mee.15 Wel nam men toen aan wedstrijden van de
BB deel en werden wedstrijden in eigen kring opgezet
waaraan een groot deel van het korps deelnam.
Vanaf het midden van de jaren zestig was het Zwolse
korps weer aanwezig bij de brandweerwedstrijden.
Rangen
Verder werd met ingang van 1951 de benaming van
de rangen aangepast aan de landelijke richtlijnen.
Vooral met het oog op hulpverlening in andere gemeenten,
achtte het ministerie van Binnenlandse
Zaken een uniforme rangindeling noodzakelijk.
De gemeenteraad keurde daartoe een verandering
van de brandweerverordening van die strekking
goed in augustus 1950. Het personeel van de brandweer
bestond vanaf die tijd uit een commandant in
de rang van hoofdbrandmeester ie klasse, een
plaatsvervangend commandant in de rang van adjunct-
hoofdbrandmeester ie klasse, een brandmeester
ie klasse, ten hoogste 10 brandmeesters,
ten hoogste 5 onderbrandmeesters en ten hoogste
50 brandwachten in de rang van hoofdbrandwacht,
brandwacht ie klasse, brandwacht 2e klasse, of aspirant-
brandwacht.
De directeur en de adjunct-directeur van de
dienst Openbare Werken, Volkshuisvesting en
Brandweer waren ambtshalve respectievelijk commandant
en plaatsvervangend commandant.
Daarnaast zouden er ten hoogste drie man beroepspersoneel
zijn.16 De oude rangen van opperbrandmeester
en spuitgast verdwenen hiermee uit
het brandweer-vocabulaire.
REINISINSS- EN BR AN D WEERM ATERIEEL
Hoofcitfürtegenwoordioster tier Maglrus Brandweer- en AutomoblellabrioKen, Ulm A/D.
J 6EESINK & ZONEN
Het grote probleem was nu hoe de spuitgasten
ingedeeld moesten worden in de nieuwe rangen.
Besloten werd alle sinds 1 januari 1948 in dienst
zijnde spuitgasten automatisch de rang van brandwacht
2e klasse te geven, ’terwijl bij uitzondering
aan hen die door ijver en aantal dienstjaren zich belangrijk
onderscheiden (hebben) de rang van
brandwacht ie klasse zal worden toegekend.’ Degenen
die na 1 januari 1948 in dienst waren gekomen
en nieuwe leden kregen de rang van aspirantbrandwacht.
17 Om dat onderscheid te kunnen maken
werd gebruik gemaakt van de prestatielijsten
van oefeningen en van adviezen van het college van
Brandmeesters. Verder werd een cursus voor
brandwacht 2e klasse in het vooruitzicht gesteld,
om te kunnen voldoen aan de door het ministerie
Briefpapier van J. Geesink
& zonen, leveranciers
van de mechanische
ladder in 1933.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uitnodiging voor de
feestavond op 2/ november
1954.
van Binnenlandse Zaken gestelde richtlijnen omtrent
de eisen waaraan de verschillende brandwachten
moesten voldoen.
Brandweerwet 1952
Op landelijk niveau was intussen hard gewerkt aan
de totstandkoming van een nieuwe wetgeving als
vervanging van het Tijdelijk Brandweerbesluit
1944. Eigenlijk wilde niemand terug naar de vooroorlogse
situatie, toen zeer weinig centraal geregeld
was, maar aan de andere kant moest de invloed
van de gemeente op de brandweerorganisatie
gehandhaafd blijven. Er was dus een compromis
nodig tussen centraal toezicht en plaatselijke zelfstandigheid.
Een eerste wetsontwerp werd ingetrokken
omdat leden van de Tweede Kamer vonden
dat de gemeentelijke autonomie onvoldoende
uit de verf kwam, maar in 1952 werd een nieuwe
wet aanvaard.
De belangrijkste veranderingen ten opzichte
van de vooroorlogse situatie waren de verplichting
van de gemeenteraad om de nodige verordeningen
vast te stellen ‘betreffende het voorkomen, beperken
en bestrijden van brand, het beperken van
brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen
bij brand en al het geen daarmede verband
houdt.’ Ook moest de gemeenteraad binnen drie
jaar een – aan de goedkeuring van Gedeputeerde
Staten onderworpen – verordening vaststellen inzake
de organisatie en het beheer van de brandweer.
ïermede heb ik de eer U met Uw dame uit te nodigen tot
bijwoning van de feestavond ter gelegenheid van het 60-jarig
bestaan der Zwolse Vrijwillige Brandweer, welke op Zaterdag
27 November a.s., om 20.00 uur in de Fo/er van de Buitensociëteit
te Zwolle zal worden gehouden.
Uw aanwezigheid zal ten zeerste worden gewaardeerd.
Zwolle, Nov. 1954.
De Commandant
der Zwolse Vrijwillige Brandweer,
Ir. S. v. d. Wal.
VERZOEKE BELEEFD BIJGEVOEGDE KAART NA INVULLING TE WILLEN RETOURNEREN.
De gemeentelijk autonomie werd echter beperkt
door de mogelijkheid om bij algemene maatregel
van bestuur regels te geven inzake het voorkomen,
beperken en bestrijden van brand, ten aanzien
van ‘brandgevaarlijke’ gebouwen, alsmede eisen
te stellen van deugdelijkheid, normalisatie en
standaardisatie, waaraan brand- en reddingsmaterieel
moest voldoen. Ook de rijksinspectie voor het
brandweerwezen bleef bestaan. Inspectieambtenaren
kregen de bevoegdheid tot de uitoefening van
bepaalde controles, het nemen van monsters op, en
het doen van proeven met brandweer- en reddingsmaterieel
bij fabrikanten en handelaren. Tenslotte
werd een Brandweerraad ingesteld als adviesorgaan
van de minister van Binnenlandse Zaken.
De centralistischer wetgeving die vanaf de
Tweede Wereldoorlog tot stand was gekomen had
vooral gevolgen voor de technische ontwikkelingen
en voor de opleiding van het brandweerpersoneel.
Het brandweer- en reddingsmaterieel werd
meer gestandaardiseerd en genormaliseerd en
overal werden dezelfde kwaliteitsnormen gehanteerd.
Een bezoekje aan Zwolle door de districtinspecteur
leidde direct tot resultaat. De inspecteur
had er na controle van het brandweermaterieel op
gewezen dat het aanwezige materieel niet voldeed
aan de eisen die redelijkerwijze aan een stad als
Zwolle gesteld mochten worden. Hij adviseerde de
aanschaf van een nieuwe automotorbrandspuit,
verbetering van de stalling van het materieel en
meer beschermende kleding voor het personeel.
De gemeenteraad reageerde geschrokken op
zijn conclusies. Men was het erover eens dat de
brandweer inderdaad stiefmoederlijk bedeeld was
de laatste jaren. Ze gaf daarom toestemming een
nieuw brandweervoertuig met mist-blusinstallatie18
te kopen. Verder konden waterdichte pantalons
aangeschaft worden als aanvulling op de aanwezige
overalls, duffeljoppers en rubber laarzen. ‘9
In 1955 werd de verplichte nieuwe verordening
vastgesteld. Eén van de nieuwe bepalingen behelsde
dat de gemeente – en niet meer de commandant
– het personeel moest aanstellen. Voor een aantal
mensen betekende dit, dat hun aanstelling niet gecontinueerd
werd: voor enkelen was de reden geleZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Leoeq
*<' VOO LUK - gen in het negatieve resultaat van een medische keuring en voor anderen in een gebrek aan dienstijver. Dat laatste hing samen met de hogere eisen die gesteld werden: 'De brandweertaak stelt thans hogere eisen als vroeger en van die personen kon niet verwacht worden dat zij hieraan konden voldoen.' 20 Bescherming Bevolking De oorlog was nog maar nauwelijks afgelopen en de afbouw van de LBD was nog niet eens voltooid, toen bleek dat de internationale situatie niet zo rooskleurig was als menigeen gehoopt had. In verband daarmee werd een nieuwe organisatie voor burgerlijke verdediging opgezet. Deze organisatie, die al snel de naam Bescherming Bevolking (BB) kreeg, omvatte niet alleen de oude luchtverdediging, maar ook het herstel, wederopbouw, opvang van slachtoffers, huisvesting, voedselverschafnng en dergelijke. In 1952 kwamen een viertal wetten tot stand die een en ander moesten regelen. De gemeentelijke brandweren zouden na het uitroepen van de staat van paraatheid geïncorporeerd worden in de BB-organisatie. Direct daarop werden overal in het land, en ook in Zwolle, afdelingen van de BB opgericht. Wat de BB precies inhield bleek niet direct duidelijk te zijn. Brandweercommandant Snijder moest althans per brief aan alle leden van de brandweer uitleggen wat er aan de hand was. Ieder lid van de vrijwillige brandweer kon zich melden als vaste noodwachter. Deze mensen zouden, wanneer de BB in staat van paraatheid gebracht werd, in voortdurende werkelijke dienst worden geroepen. Zij zouden dan hun gewone werkkring moeten opgeven om al hun tijd en werkkracht aan de BB te geven. Een andere mogelijkheid was om zich op te geven als bloknoodwachter met toerbeurttaak, afdeling brandweer. Bloknoodwachters waren niet in voortdurende werkelijke dienst. Snijder riep iedereen op om deel te nemen omdat in geval van paraatheid de taak van de brandweer overgenomen werd door de BB.21 Aan zijn oproep werd ruimschoots gehoor gegeven: in de beginperiode was het grootste deel van het brandweerpersoneel ook bij de BB actief. In de daaropvolgende jaren moest veel tijd besteed worden aan het opleiden en oefenen met de BB. Ook het materieel van de BB leverde veel extra werk op. Een en ander leidde tot de verzuchting: 'Zolang Kroetsiof en Eisenhouwer het nog niet met elkaar eens kunnen worden, zolang zal de BB ons blijven opeisen om de parate kennis te verbeteren en zal de geoefendheid van het personeel op peil moeten worden gehouden.'22 Aanvankelijk was het enthousiasme van de bevolking groot genoeg om een redelijk aantal vrijwilligers op de been te brengen. Het uitblijven van de verwachte oorlog of een grote ramp en de negatieve publiciteit rond de BB verminderde echter de motivatie - ook bij het brandweerpersoneel. In de loop der jaren werd de organisatie steeds kleiner. Ook de taakverandering tot hulpverlening in vredestijd kon geen redding brengen voor de BB. In 1981 werd dan ook besloten tot opheffing. Toen die opheffing na enkele jaren geëffectueerd was, was de brandweer de instelling die in eerste instantie moest zorgdragen voor de coördinatie bij rampenbestrijding. Omslag van het programma voor het jaarlijkse personeelsfeest dat de Zwolse Brandweer Vereniging organiseerde op 9 december 1961. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 1 De brandweer van Zwollerkerspel beschikte eerder over een autospuit dan Zwolle. Nadat plannen voor gezamenlijke aanschaf van een autospuit op niets waren uitgelopen, kocht Zwollerkerspel deze Magyrus (foto: collectie Waanders). Preventie Hoewel het voorkomen van brand geen volledig nieuwe taak voor de brandweer was, besteedde zij hier vanaf de jaren zestig wel steeds meer tijd en aandacht aan. Voor de oorlog was preventie nog voornamelijk beperkt tot het houden van branddiensten bij openbare voorstellingen in Odeon, de Buitensociëteit, circusvoorstellingen en dergelijke. Ook stelde de brandweer met een zekere regelmaat rapporten op over de veiligheid in openbare gebouwen en bedrijven. Burgemeester Van Roijen had eveneens ingezien dat de brandweer zijn nut kon bewijzen door brandgevaarlijke situaties op te sporen. Hij verzocht daarom al aan het begin van deze eeuw aan de brandmeesters om 'zoo dikwijls door U dergelijke toestanden ontdekt of maatregelen gewenscht worden ter voorkoming van brandgevaar' dit aan hem door te geven om zo het brandgevaar in de stad te verminderen.23 Het college van Brandmeesters constateerde eveneens dat de brandweertaak niet meer uitsluitend uit blussen bestond. De administratieve taak werd steeds belangrijker. Zo werden in de loop der jaren meer en meer rapporten uitgebracht over het voorkomen van brand, en ook over voorschriften bij het houden van openbare voorstellingen en het bewaren van licht ontbrandbare stoffen. Pas veel later, toen de gemeente in 1965 een brandpreventieverordening vaststelde, kreeg deze taak een wettelijk kader. Weliswaar waren in verschillende wetten (o.a. de Woningwet, de Hinderwet, de Veiligheidswet 1934 en het Wetboek van Strafrecht) bepalingen over het voorkomen van brandgevaar opgenomen, maar die vormden geen samenhangend geheel. De bestaande verordeningen inzake brandpreventie waren opgenomen in de in 1927 vastgestelde, en herhaaldelijk aangevulde, algemene verordening van politie. In de praktijk bleken die verordeningen onvoldoende. Om aan de praktische bezwaren tegemoet te komen en te voldoen aan de verplichting van de gemeentewet, stelde de gemeenteraad op 26 juli 1965 een speciale verordening vast. In 52 artikelen werd de opslag en verwerking van brandgevaarlijke stoffen geregeld, evenals het voorkomen en beperken van brand en brandgevaar. Verder kwamen er bepalingen over voor publiek toegankelijke ruimten, brandmelding en brandbestrijding en ook strafbepalingen. Hulpverlening Net zoals met preventie het geval was, behoort de hulpverlening al sinds mensenheugenis tot de officieuze taken van de brandweer. Ook hier kwam in de jaren zestig de regelgeving op gang. Tegelijk werd het materieel aangepast. Zo besloot de gemeente in 1962 tot de aanschaf van een pomp die het bestrijden van wateroverlast kon vereenvoudigen. Gezien het grote aantal malen dat een beroep gedaan werd op de brandweer, waren B&W van mening 'dat de onderhavige hulpverlening tot de zich uitbreidende taak van de brandweer is gaan behoren.' 24 Twee jaar later kreeg de brandweer toestemming een (tweede-hands) kraanwagen te kopen om bijvoorbeeld auto's uit het water te kunnen halen en slachtoffers onder auto's te

Lees verder