Categorie

1996

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 1

Door | 1996, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
•vr:
iiii
rrn
1996 NUMMER 1
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Nieuwe Sassenpoortenbrug 5487 Ansichtkaart van de Nieuwe Sassen-poortenbrug,
poststempel 8 september 1910.
‘Heden zitten wij in Zwolle. Daarheen zijn we gefietst
over Raalte. Heden zag ik Olieslagers vliegen.
Bijna een uur was hij in de lucht, ’t Was prachtig
dat te zien. Het was heel stil en naar ik hoor vloog
hij 600 m hoog.’
De gebeurtenis waarover op deze ansichtkaart
wordt gesproken, was de volgende. De Belgische
luchtvaartpionier Jan Olieslagers was in september
1910 uitgenodigd naar Zwolle te komen om vliegdemonstraties
te geven. Op het vliegterrein tegenover
de Hanekamp, langs de huidige Vondelkade,
was een grote hangar geplaatst. Het Bleriot-toestel
bevond zich daarin in een kist. De machine moest
ter plekke worden gemonteerd. Ondanks de sterke
wind ging het vliegtuig op 7 september de lucht in.
De vlucht duurde dan ook maar 15 minuten. E’e
volgende dag was het beter weer. De vele bezoekers
onder wie schoolkinderen die tegen gereduceerd
tarief het terrein op konden, zagen dat
Olieslagers tot 600 meter hoogte kwam. Hij landde
pas na ruim 52 minuten, een nieuw landelijk
record. Na op 9 september nog een korte vlucht te
hebben uitgevoerd, vertrok hij weer uit Zwolle.
Op de kaart is sprake van de Nieuwe Sassenpoortenbrug,
omdat tot 1909 een ophaalbrug over de
stadsgracht lag. In dat jaar kwam de vaste betonnen
Sassenpoortenbrug tot stand.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In 1995 ging het bekende Zwolse wegrestaurant
De Toerist over in handen van het horecaconcern
Van der Valk. B.B. Ester beschrijft in
dit eerste Zwols Historisch Tijdschrift van het
nieuwe jaar de geschiedenis van deze voormalige
tapperij. De Toerist blijkt een oudere geschiedenis
te hebben dan men zou vermoeden. Al in 1817 was
er een directe voorganger bij het tolhek even ten
noorden van de Berkumerbrug. Vanaf 1835 zat de
herberg aan de Hessenweg.
In november 1995 bracht een zestal Russissche archivarissen
een bezoek aan het gemeentearchief
van Zwolle. Onderwerp van gesprek waren de historische
banden tussen Zwolle en Rusland. Wim
Coster, Wim Huijsmans en Jeanine Otten geven
een impressie van de wederzijdse contacten.
M.H. Palfenier-Lentjes vertelt over het eerste
Zwolse vrouwelijke raadslid, Berendina Stoel, naar
wie kortgeleden een straat in Schellerhoek is genoemd.
Een andere bekende Zwollenaar, zij het op ander
terrein en in een andere tijd, was de zeventiendeeeuwse
rector van Latijnse school, historicus en
arts Henricus Brumanus. Jean Streng geeft een
schets van zijn leven.
In 1869 gaf dominee Tideman uit Hoorn een lezing
voor ’t Nut in de Buitensociëteit. Onderwerp:
de wandelende jood; tendens: anti-semitisch.
L.A. Snijders belicht de commotie die dit
(gelukkig) in het rustige Zwolle veroorzaakte.
Wil Cornelissen geeft de naamsoorsprong van de
Rhijnvis Feithlaan en de Hoekstraat.
Dit tijdschrift begint met een nieuwe vaste rubriek,
waarin het vaak fascinerende verhaal achter
de voor- en achterzijde van een jaren geleden verstuurd
ansichtkaartje wordt verteld.
Tot slot zijn een drietal voor de geschiedschrijving
van Zwolle belangrijke boeken door deskundige
lezers besproken.
Groeten uit Zwolle
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995) B.B. Ester
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W. Huijsmans en J. Otten
Berendina Stoel
Op de bres voor vrouw en kind M.H. Palfenier-Lentjes
Straatnamen, niet zo eenvoudig Wil Cornelissen
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus].C. Streng
Rumoer na een Nutslezing in 1869 L.A. Snijders
Literatuur
Boekbespreking
Mededelingen
Auteurs
15
19
20
24
27
29
33
34
Omslag: De Toerist aan de Kranenburgweg omstreeks 1960
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995)
B.B. Ester
Café De Toerist op een
oude ansichtkaart van
omstreeks 1920.
Van het bekende Zwolse wegrestaurant De
Toerist – sinds 1935 gelegen aan de oude
rijksweg naar Meppel, bij de Vechtbrug –
wordt in de Zwolsche Courant van 9 augustus
1977 een korte geschiedenis gegeven. Deze begint
met de aankoop in 1900 door W.H. Ester van een
was een tol annex tapperij, die ten noorden van de
Berkumerbrug bij het Zwolse Tolhek De Tol lag.
De stad Zwolle, de eigenaar, verpachtte deze tol
aan Henrikus Jansen. Voor de tol ‘met het huis
daarbij’ moest hij gedurende de periode 1817 t/m
1819 ƒ 310 per jaar betalen. De pachtcondities wacafé
gelegen aan de Hessenweg, voorheen eigendom
van G.J. Boerrigter.
De geschiedenis van dit pand rijkt echter ten minste
65 jaar verder terug, tot 1835. Het etablissement
blijkt daarvóór nauw verbonden te zijn met de in
het begin van de negentiende eeuw nog bestaande
tol op de Hessenweg, bij het Zwolse Tolhek aan de
Berkumerbrug.
De herberg bij het Zwolse Tolhek (1817-1835)
De oudste voorloper van restaurant De Toerist
ren kennelijk aantrekkelijk, want vóór de vervaldatum
verzocht Henrikus Jansen de pacht te verlengen
voor dezelfde prijs voor een periode van
twaalf jaar. Bovendien vroeg hij of de stad in het
huisje een nieuwe schoorsteen en een keldertje
wilde laten aanbrengen. In april 1819 besloot de
gemeenteraad de tol met het huisje weer aan hem
te verpachten, tegen een jaarlijkse pacht van ƒ 350.
Nieuw was echter de bepaling, dat van transporten
van arme zieke reizigers geen tol mocht worden
gevraagd. Bovendien moest de pachter jaarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijks een extra bedrag van 5% van de verbouwingskosten
betalen.
Henrikus Jansen heeft deze twaalf jaar echter niet
uitgediend. Hij overleed op 2 april 1825 op 48-jarige
leeftijd. Hij werd toen herbergier genoemd;
men mag dus aannemen dat hij zijn tol ook als
café/herberg had ingericht.
Zijn weduwe, de ‘herbergiers’ Geertje Willems
Kamerman, hertrouwde in 1826 met Hermannus
Derksen Boerdijk.
Het tolrecht ging na het overlijden van Henrikus
Jansen over op zijn weduwe, en door haar huwelijk,
op Hermannus Boerdijk. Deze heeft zijn
functie als tolgaarder waarschijnlijk gecombineerd
huisje met het tolhek.’ Het huisje moest tussen 1
mei en 1 juni 1835 worden afgebroken. Boerdijk
kocht het huisje zelf voor 120 gulden. Mr.
Sichterman kocht het tolhek voor 43 gulden.
Omdat Boerdijk de kooppenningen niet voor 1
mei 1835 betaalde, (mogelijk doordat hij op 6 mei
van datzelfde jaar voor 550 gulden een stuk hooiland
kocht) legde de stad Zwolle hem op 1 juli 1835
een hypotheek op voor hetzelfde bedrag, namelijk
120 gulden. Uiteindelijk zal hij wel betaald hebben,
want korte tijd later woonde hij volgens de kadastrale
gegevens op perceel D336, later D580, aan de
Hessenweg dichtbij de kort daarvoor gereedgekomen
Berkumersluis in het Lichtmis-kanaal, thans
met die van landbouwer en herbergier.
Toen in 1831 het contract afliep wist Boerdijk nogmaals
het tolrecht te verwerven, en wel tot en met
1834-
Gedeputeerde Staten van Overijssel hieven de tol
op de Hessenweg per 1 januari 1835 op. Bovendien
zou het tolhuisje moeten worden afgebroken
en ging het onderhoud aan de weg over op de betrokken
gemeenten. Op 8 december 1834 werd ten
huize van Hermannus Boerdijk, ‘kastelijn in ’t tolhuisje’
openbaar ‘voor afbraak verkocht het tol-
Hessenweg 5.
Uit kadastrale gegevens blijkt dat de tol en herberg
op het Tolhek de directe voorganger is geweest
van de herberg op Hessenweg 5. Deze stond daar
in 1935 nog als De Toerist; en als meermaals verbouwde
woning staat het er ook nu nog. Eveneens
blijkt dat Boerdijk zijn tolhuisje inderdaad heeft
afgebroken en verplaatst, d.w.z. nieuw opgebouwd.
Opmerkelijk is dat de herberg van Boerdijk voor
een groot deel op de kadastrale wegstrook is ge-
Hef pand van de oude
Toerist aan de
Hessenweg op dit moment.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
plaatst. Een eigendomsverwerving onder de naam
Boerdijk is niet te vinden in de hypothecaire boekhouding
noch in het notarieel archief.
Boerderij/herberg bij de Berkumersluis
(1835-1935)
Vanaf 1835 zette Boerdijk zijn landbouwbedrijf annex
herberg aan de Hessenweg bij de Berkumersluis
voort. In die tijd was het adres Berkum,
Bruggenhoek 19; nu Hessenweg 5. Het lag aan de
Hessenweg naar Ommen-Hardenberg, op de hoek
van de nieuwe weg naar Meppel langs het
Lichtmiskanaal, bij de juist geopende sluis in dit
kanaal.
Drie generaties Boerdijk hebben vanaf 1835 tot
1900 op deze plaats hun landbouwbedrijf annex
Situatieschets van de
Berkumersluis met de
ontwikkeling van de
herberg.
herberg gehad. Het gebied is later uitgebreid met
twee percelen met ieder een schuur. Deze schuren
werden gebruikt voor de opslag van turf en voor
de stalling van paarden; voor een herberg zeer belangrijk.
De in 1895 geopende tramlijn Dedemsvaart –
Zwolle liep vlak langs het huis.
HermannuS Boerdijk was dus de eerste eigenaar/
bewoner van de herberg. Dochter Willemina
trok na haar huwelijk in 1852 met Kornelis
Boerrigter bij haar ouders in en nam langzamerhand
de werkzaamheden van het boerenbedrijf en
de herberg over. Toen Hermannus’ vrouw Geertje
Kamerman in 1856 overleed, had deze alle onroerende
goederen vermaakt aan haar man. Na het
overlijden van Kornelis Boerrigter in 1871 zette
Hermannus de zaak met zijn dochter voort. Na de
dood van Hermannus in 1877 kwam het hele bezit
in handen van Willemina.
Deze zette het bedrijf voort samen met haar enige
zoon Gerrit Jan. Hun bestaan moet met de nodige
financiële problemen gepaard gegaan zijn. Zij nam
een hypotheek van ƒ 4.000, verstrekt door de RK
Parochie van OLV Hemelvaart te Zwolle. En daar
bleef het niet bij: de leningen en de schulden bleven
zich opstapelen. In 1892, toen zij overleed,
stond er naast de onroerende goederen, een huis
en bijna 4,6 ha grond, een schuld van ƒ 7.200 en
een batig saldo van minder dan ƒ 1.000.
Het liep niet goed met de herberg. Gerrit Jan
Boerrigter kon de rente over de hypotheek niet
betalen. De parochie van OLV Hemelvaart ging
daarop over tot openbare veiling van de goederen.
Zo kwam op 3 april 1900 Willem Hendrik Ester
voor ƒ 4.505 in bezit van het huis en erf. Het huis
had een vergunning tot verkoop van sterke drank.
Het bevatte twee vertrekken en ook een koeie- en
een paardestal. Verder hoorden er twee percelen
hooiland bij. Gerrit Jan Boerrigter vertrok na de
verkoop naar Enschede.
Willem Hendrik Ester was een landbouwer uit
Dalfsen. Al een week na de koop kreeg hij zijn
drankvergunning. Van de kennelijk redelijk florerende
zaak – die om onbekende redenen ‘de zinken
plaat’ werd genoemd – was hijzelf naar men
zegt de beste klant. Passanten werden naar zijn
herberg genood met het fraaie rijm op het bord
boven de deur:
‘Bent ge afgemat en moe
kom dan een weinig rusten
bij Hendrik Ester aan de sluis,
die heeft goede bier en brandewijn in
huis.’
In 1910 bouwde hij haaks op de boerderij/herberg
een nieuwe woning (nu Hessenweg 7). Slechts enkele
jaren later, in 1914, verkocht hij alle opstallen
aan zijn jongere broer Lammert Jan Ester. De reden
van deze verkoop was waarschijnlijk de ziekte
van zijn vrouw, die in 1915 overleed. Hij behield
wel het woonrecht op Hessenweg 8, waar hij tot
zijn dood in 1941 bleef wonen.
Lammert Jan Ester was vóór 1914 tapper en veerman
van het Haersterveer. In die functie werd hij
toen opgevolgd door zijn neef Jan Kouwen, de
schoonzoon van Willem Hendrik Ester. In mei
1915 kreeg hij zijn drankvergunning. Spoedig daarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
na richtte hij de in 1910 gebouwde woning in als
café.
De situering van het café veranderde dus. Tot 1910
was het op de Hessenweg naar Dalfsen georiënteerd;
na 1914 op de straatweg Zwolle-Meppel.
Verkeersstromen veranderen met de tijd! In 1923
verkocht Lammert Jan Ester de zaak aan zijn
schoonzoon Hendrik Willem Henderiks.
In de jaren dat Henderiks de scepter zwaaide in
het café werd het alom bekend. In de volksmond
werd het café Henderiks genoemd, maar officieel
heette het café De Toerist.
Restaurant De Toerist, Kranenburglaan 10
(1935-1995)
In 1934 nam H.W. Henderiks – vanwege de aanleg
van de nieuwe verkeersweg van Meppel naar
Zwolle en de nieuwe brug over de Vecht – het initiatief
om een geheel nieuw en modern restaurant
te bouwen op het adres Kranenburgweg 10. In 1935
werd de eerste steen gelegd door zijn enige dochter
Gerrigjen. Daarmee werd een nieuwe periode
ingeluid, een nieuwe start gemaakt; geen café
maar een restaurant!
Tot na de Tweede Wereldoorlog was de ontwikkeling
zeer rustig. Nadat in 1947 de leiding over het
bedrijf was overgenomen door de oprichters
schoonzoon Albert Spijkerman, profiteerde het na
1950 ten volle van de explosieve economische ontwikkelingen.
De eerste uitbreiding vond al plaats
in 1954. Inmiddels is het restaurant vele malen –
1960, 1970, 1977 – verbouwd, uitgebreid en regelmatig
aangepast aan de eisen van de tijd.
Het restaurant – toen nog een van de weinige familie-
restaurants – werd in 1981 omgezet in een
BV, die vanaf 1985 onder de directie van H.W.
Spijkerman stond.
In mei 1995 werd het bedrijf overgenomen door
het Van der Valk-concern.
In een periode van 160 jaar is er zeer veel veranderd.
De karresporen van 1835 zijn de straatwegen
van 1935 geworden en, voorzover deze nog bestaan,
zijn ze nu getransformeerd in twee- en vierbaans
autosnelwegen. Evenzeer is de weggebruiker
veranderd. De reiziger met de diligence van 1835,
de wegtoerist van 1935, ze zijn verdwenen en in de
plaats daarvan is gekomen de snelle en gehaaste
autorijdende zakenman van tegenwoordig.
Gelukkig weet ook in de huidige tijd de gehaaste
‘wegtoerist’ nog steeds De Toerist bij Zwolle te
vinden en te waarderen. Dit kan gezien worden als
een bevestiging dat het lange verleden van het restaurant
borg staat voor een voorspoedige toekomst.
* Dit stuk is gebaseerd op een langer artikel dat
zich in het Gemeentearchief bevindt. Het is geschreven
vóór de overname door het Van der
Valk-concern in mei 1995.
Restaurant De Toerist”
in 1995 met de uitbreiding
door de fam.
Spijkerman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W.
Huijsmans en J. Otten
Tijdens hun bezoek aan
het gemeentearchief
Zwolle op 13 november
1995 bekeken de
Russische archivarissen
de tentoongestelde archivalia
die op Rusland
betrekking hebben.
V.l.n.r.: Jeanine Otten
(atlasbeheerder GAZ),
Galina Ipatova
(Omsk), Natalia I.
Razgon (Altaj), Wim
Coster, Wim
Huijsmans (plv. archivaris
GAZ), Wladimir
A. Jerjomentsjenko
(Moskou), Valentin G.
Mishanov (Sint-
Petersburg), tolk,
Marina Bobyleva
(Moskou) (foto: Jan
Drost).
Inleiding
Op 13 en 14 november 1995 bracht een
zestal Russische archivarissen een bezoek
aan Zwolle. Dit bezoek vormde een onderdeel
van een tiendaags werkbezoek aan ons
land om zich op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen
van het Nederlandse archiefwezen.
Het gezelschap bestond uit twee heren en vier dames.
Twee kwamen uit Moskou en één uit Sint-
Petersburg. Van de ligging van deze plaatsen heeft
iedereen nog wel een beeld. Drie personen van het
gezelschap kwamen daarentegen uit regio’s waarvan
de meeste mensen in het gunstigste geval wel
eens gehoord hebben, maar waarbij zij geen flauw
idee hebben waar ze liggen. Het ging om Omsk,
een grote stad in de Oeral, om Oedmoertië, een
republiek in het midden van de Russische federatie,
en om Altaj, een district in Centraal-Azië tegen
de grens met Kazachstan. Om een idee over
de afstand te geven: dit district ligt dichter bij
Peking dan bij Moskou.
Uit de gesprekken tupsen de Russische en Zwolse
archivarissen bleek dat, bij vergelijking met de situatie
hier, men in Rusland qua infrastructuur en
techniek op archièfgebied achter loopt. Zo is er
bijvoorbeeld een groot gebrek aan goed verpakkingsmateriaal
voor archieven en aan degelijke archiefdepots.
Ook worden computers amper gebruikt.
Vakinhoudelijk bleek men goed onderlegd.
De komst van de Russen was aanleiding voor het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gemeentearchief Zwolle na te gaan welke banden
er in het verleden tussen Zwolle en Rusland geweest
zijn. Het materiaal dat aan de Russen getoond
werd, moest vooral illustratief en visueel
aantrekkelijk zijn.
Dit artikel is ontstaan om te voorkomen dat het
geselecteerde materiaal na afloop van het bezoek
weer in archiefdozen zou verdwijnen zonder dat
vastgelegd werd wat er zo al aan materiaal aanwezig
is over de connecties tussen Zwolle en
Rusland. Natuurlijk kunnen hierin niet alle aspecten
tussen Zwolle en Rusland aan bod komen.
Hanze
In 1230 kreeg Zwolle stadsrecht van de bisschop
van Utrecht. De bloeiperiode van Zwolle ligt in de
eerste helft van de vijftiende eeuw. Twee begrippen
staan daarbij centraal: de Hanze en de
Moderne Devotie.
De Hanze was een bondgenootschap van
Westeuropese handelssteden, vooral gelegen in
het huidige Duitsland en in Oost-Nederland.
Gedreven door gemeenschappelijke belangen
zochten dezen steden contact met elkaar en zegden
zij elkaar hulp toe. Lübeck stond aan het
hoofd van dit verbond van steden. Zwolle was
voor 1400 al lid van de Hanze maar werd in 1407
officieel opgenomen. Hanzesteden lagen ook langs
de Oostzee, tot in Rusland toe. Er liep een handelsroute
van Brugge over Hamburg, Lübeck en
Reval (Tallin) naar Novgorod. In deze
Noordrussische stad was een Hanzekantoor gevestigd.
De laatste Hanzevergadering werd in 1669 gehouden.
Zwolle nam in 1980 het initiatief om na
311 jaar opnieuw een vergadering van
Hanzesteden bijeen te roepen. Dit initiatief viel op
vruchtbare bodem en vindt nu jaarlijks in een
Hanzestad plaats. De steden verdringen zich om
het te organiseren.
Moderne Devotie
Op het eind van de veertiende eeuw ontstond in
de IJsselstreek een nieuwe religieuze beweging onder
de naam Moderne Devotie van wie Geert
Grote de stichter was. Zwolle ontwikkelde zich in
die tijd tot een religieus en onderwijscentrum van
internationaal belang. Johan Cele gaf les op de
y CfciSfc
Latijnse school aan leerlingen die van heinde en
ver kwamen. Hij was bevriend met Geert Grote.
De Moderne Devotie had zo direct invloed op de
leerlingen van de Latijnse school. Zij verbleven in
de internaten van de fraters. Buiten de schooluren
was de opvoeding aan hun zorgen toevertrouwd.
Mede daardoor kon de invloed van de Moderne
Devotie zich relatief snel over West-Europa uitbreiden.
Afcfe waarbij Zwolle
opnieuw in de Hanze is
opgenomen, Lübeck 9
juni 1407 (GAZ,Soll.
Charters AAZ01,
inv.nr. 407.09).
Sint-Ambrosius, in 374
tot bisschop van
Milaan gewijd, schrijvend
in zijn cel.
Ingekleurde houtsnede
in: Opera Sancti
Ambrosii, deel 1,1492
(GAZ, coll.
Emmanuelshuizen, nr.
XVII).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Moderne Devoten, zowel leken als kloosterlingen,
bleven de Rooms-Katholieke Kerk trouw. Zij
streefden een verinnerlijking van het geloofsleven
na in een tijd waarin binnen de kerk veel wantoestanden
heersten. Aflaathandel bloeide, in kloosters
was een gebrek aan tucht en de hoge geestelijkheid,
afkomstig uit de adel, kon vaak beter
vechten dan de mis lezen. De Moderne Devoten
Kaart van Rusland
naar Isaac Abraham
Massa, getiteld:
‘Russiae, vulgo
Moscovia dictae, Partes
septentrionalis et orientalis
[Rusland, ook wel
Moskovië geheten, de
noordelijke en oostelijke
delen] / Auctore Isaaco
Massa’, in: Atlas
Maior, dl. 1 (1664), uitgegeven
doorJoan
Blaeu (GAZ, coll.
Bibliotheek, inv.nr.
11A6-2).
of Broeders des Gemeenen Leven wilden een oprecht
godsvruchtig leven, zonder uiterlijk vertoon.
Zij trachtten dit in commune te verwezenlijken. Zij
verdienden hun brood voor een groot deel door
het overschrijven van bijbels, missalen en stichtelijke
werken. De belangrijkste pagina’s en hoofdletters
werden prachtig versierd. In de beginhoofdletters
zijn vaak prachtige voorstellingen van
Christus of.heiligen afgebeeld. Deze illustraties en
miniaturen waren niet alleen bedoeld om het gebedenboek
er mooier uit te laten zien, maar ze
droegen er ook toe bij dat de lezers de tekst beter
in zich op ikonden nemen. Een vergelijking met
iconen uit de Russische kerkelijke kunst dringt
zich op.
De bekendste Moderne Devoot is zonder enige
twijfel Thomas a Kempis. Op de Sint-Agnietenberg
bij Zwolle, waar hij in 1471 overleed, schreef
hij zijn De imitatione Christi (Over de Navolging
van Christus). Na de Bijbel is dit het meest gelezen
boek ter wereld. Het is vertaald in bijna alle talen,
tot in het Russisch toe. Het gemeentearchief
Zwolle bezit een grote collectie Thomas a Kempisuitgaven
waaronder enkele in cyrillisch schrift.
Russische kaarten
Het gemeentearchief Zwolle bezit een collectie
kostbare zestiende- en zeventiende-eeuwse atlassen.
Hieronder wordt nader ingegaan op de
Russische kaarten in drie van deze atlassen.
De stedenatlas Civitatis Orbis Terrarum van Georg
Braun en Frans Hogenberg was één van de best
verkochte boeken in het laatste kwart van de zestiende
eeuw. De zes delen werden uitgegeven tussen
1572 en 1617. In het gemeentearchief zijn de
eerste twee delen van de Latijnse editie aanwezig,
gebonden in een leren band met in goud en kleur
het wapen van Zwolle en het jaar 1593 gedrukt. In
het tweede deel komt een gefantaseerde plattegrond
van Moskou voor. De voorgrond is gestoffeerd
met bizons, Moskovieten te paard in
krijgsuitrusting en arresleden. Het was indertijd
erg moeilijk’om aan betrouwbare gegevens te komen
omdat men gemakkelijk voor spion kon
worden aangezien. Vertegenwoordigers van landen
en handelsagenten uit het westen mochten
niet in Moskou wonen vanwege het taboe op het
contact met westerlingen. Bij Moskou ontstond
een voorstad, de Sloboda, waar zich op den duur
een westerse kolonie vormde.
In de zeventiende eeuw was de door Joan Blaeu
stijlvol uitgegeven Atlas Maior of Grooten Atlas of
Wereldbeschrijving in perkamenten banden van
grootfolio-formaat een traditioneel relatiegeschenk
van de Verenigde Republiek der Nederlanden
aan koninklijke en andere belangrijke personen.
Het was de duurste gedrukte uitgave die
men in de tweede helft van de zeventiende eeuw
kon kopen. In de vaart der volkeren heeft de stad
Zwolle zich in het verleden een gebonden en met
kleuren afgezette Nederlandse editie van de Atlas
Maior aangeschaft, bestaande uit tien delen atlas
en twee delen Stedenboek (Noord en Zuid-
Nederland). Russische kaarten komen voor in het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
tweede deel, uitgegeven in 1664. Dat het erg moeilijk
was om aan recente gegevens te komen voor
het maken van de kaarten, blijkt uit de grote kaart
van Rusland. Blaeu gebruikte voor deze kaart een
vijftig jaar oude drukplaat met een uit 1613 daterend
ontwerp van de in 1632 overleden kaarttekenaar
van de Oostindische Compagnie, Hessel
Gerritsz. Het tweede deel van de Atlas Maior bevat
verder drie kaarten van Zuid, West, Noord en
Oost-Rusland. De eerst- en laatstgenoemde kaarten
waren al verschenen in Blaeu’s Theatrum uit
1638. De kaart van West-Rusland werd voor het
eerst in 1662 in de Atlas Maior opgenomen, maar
het kaartbeeld dateert uit 1610 en is van de hand
van Isaac Abraham Massa (1586-1643), gebaseerd
op zijn Beschrijvinge van der Samoyeden Landt in
Tartarien. Massa’s waardevolle kaarten van Siberië
waren de eerste die in het westen verschenen.
Massa was een veelzijdig Haarlems koopman die
handel dreef met Rusland en bevriend was met de
Haarlemse schilder Frans Hals die in 1626 zijn
portret schilderde. Als jongen werd Massa in de
leer gedaan bij Amsterdamse kooplieden die handel
dreven met Rusland. In 1600, dertien jaar oud,
reisde hij naar Rusland en woonde daar acht jaar
bij zijn werkgever. Tijdens dit verblijf was hij getuige
van Ruslands ‘Troebelen’ toen het land geteisterd
werd door oorlog, hongersnood en complotten.
Hij wist een unieke kaart van het zeventiende-
eeuwse Moskou in handen te krijgen; iets
wat hem veel moeite kostte, omdat het in 1605 als
verraad gold wanneer een Moskoviet zo’n kaart
aan een buitenlander gaf. De plattegronden van
Moskou en het Kremlin in de Atlas Blaeu dateren
van voor 1630 en zijn zonder twijfel gegraveerd
naar Russische originelen; waarschijnlijk uit de
collectie Russische kaarten in bezit van Hessel
Gerritsz., en mogelijk afkomstig van Fjodor, de
zoon van tsaar Boris Godoenov (1598-1605).
In de omstreeks 1696 door Nicolaas Visscher II
uitgegeven Atlas Minor komen twee kaarten voor
van het vorstendom Moskovië en van het
Russische Rijk. Deze laatste kaart was van de hand
van Nicolaes Witsen (1641-1717), burgemeester van
Amsterdam en bewindhebber van de Verenigde
Oostindische Compagnie. Witsen had een speciale
interesse voor Rusland en het noordelijk deel
van Azië, dat toen voor de Europeanen nog grotendeels
onbekend was. In 1664-1665 bezocht hij
Moskovië, in 1665 was hij in Moskou. In 1690 publiceerde
Witsen een kaart van Tartarije en in 1692
een groot boek over dat gebied.
Migratie
Bijna 300 jaar geleden bezocht tsaar Peter de
Grote Nederland. Met zijn gevolg verbleef hij te
Zaandam en Amsterdam om het vak van scheepstimmerman
onder de knie te krijgen. Het tsaar-
Peter-huisje in Zaandam is nu een toeristische attractie
van de eerste orde. De reis naar Nederland
was voor de tsaar een hele onderneming.
Des te meer bewondering dwingt het af te constateren
dat er aan het eind van de zeventiende, begin
achttiende eeuw al particulieren waren die
vanuit Zwolle naar Rusland reisden en vice versa.
Dankzij het uitgebreide kaartsysteem van het
Zwolse gemeentearchief is dat snel vast te stellen.
Zo kwam Willem Emont met attestatie uit
Moskou. Hij meldde zich in 1678 bij de
Hervormde kerk in Zwolle als lidmaat aan. Adolf
Gibbonis vertrok 25 jaar later met attestatie uit
Zwolle naar Moskou. In beide gevallen ging het
om kooplieden die lidmaat waren van de
“Willem Emont uit der
Muscou.’ Attestatie van
Willem Emont, in 1678
uit Moskou komende,
N.H. lidmatenboek.
(GAZ, KA 017, inv.nr.
139)
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse interpretatie
anno 1930 van de
Kozakken, tijdens de
historiespelen in park
Eekhout ter gelegenheid
van het y00-jarig bestaan
van Zwolle, september
1930 (GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Het gymnasium in de
Goudsteeg in 1920. Op
de voorgrond de heer
Koppelle, leraar Duits
(GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Hervormde kerk. Ongetwijfeld waren de contacten
intensiever dan alleen van deze twee personen.
Reisden immers katholieke of joodse Zwollenaren
af, dan werd hun geen bewijs van hun kerkgenootschap
meegegeven. Contacten tussen particulieren
en Rusland, die plaatsvonden buiten het
stadsbestuur om, onttrekken zich helemaal aan de
waarneming van de huidige onderzoeker; indien
er althans geen archivalia van bewaard zijn gebleven
in bijvoorbeeld een familiearchief.
In de achttiende eeuw werd ,êr incidenteel wel eens
een brief bezorgd op het Zwolse stadhuis vanuit
een Russische stad, maar van een intensief verkeer
was allesbehalve sprake. De contacten bleven marginaal.
Franse tijd
Na de inval van de Fransen namen aanvankelijk,
vele jonge mannen als vrijwilliger dienst in hel:
Franse leger. Napoleon voerde de conscriptie in,
de verplichte inschrijving voor de militaire dienst.
Tientallen Zwollenaren trokken gedwongen in hel:
leger van Napoleon mee naar Rusland.
Verscheidenen kwamen om nadat ze vele ontberingen
hadden doorstaan.
Jan Willem van Wetering, geboren in 1789 in
Zwolle, meldde zich in 1803 als vrijwilliger aan. Hij
was nog geen veertien! Van hem is een dagboekje
bewaard gebleven. Daarin beschreef hij hoe hij in
1805 met het Franse leger naar Oostenrijk trok, in
1807 onder andere in Bremen verblijf hield en in
1811 in Gent gelegerd was. Met het leger van
Napoleon stak hij in het voorjaar van 1812 bij Kleef
de grens over. Hij beschreef de tocht over de
Beresina en de verschrikkelijke ellende die hij daar
zag. Toen de kansen voor Napoleon in november
1812 verkeken waren, meldde Van Wetering zich
aan bij een Russisch-Duits legioen. Met dat leger
trok hij in omgekeerde richting naar Frankrijk.
Op 31 maart 1814 bereikte hij Parijs.
De Russische plaatsen die Van Wetering in zijn
dagboekje noemde, hadden voor de archivarissen
uit Rusland een bekende klank. Op de Russische
kaart van Blaeu is de route, zoals Van Wetering
die beschreef, exact te volgen.
Prins de Naritschin
In november 1813 trokken Russische troepen
Zwolle binnen en maakten een eind aan de Franse
overheersing. Het waren Kozakken die uit het zuiden
van Rusland afkomstig waren. Zij reden op
kleine paarden en stonden onder bevel van generaal
prins de Naritschin. De Fransen boden geen
weerstand. De Zwollenaren onthaalden de
Kozakken op jenever omdat ze de Fransen meer
dan zat waren. Toch was Zwolle ook weer blij de
Kozakken kwijt te raken. Ze deden zich immers
volgens overlevering overvloedig te goed aan sterke
drank en bovendien joegen ze op kippen en
vrouwen…
Nicolaas van Wijk
Gaat het om bekende Zwollenaren, dan worden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 13
naast Thomas a Kempis ook steevast Johan Derk
van der Capellen tot de Pol, Potgieter en Rhijnvis
Feith (1753-1824) in één adem genoemd. Van
laatstgenoemde dichter zijn enkele werken in het
Russische vertaald. In dit verband moet er echter
nóg een erudiete Zwollenaar genoemd worden,
namelijk Nicolaas van Wijk (1880-1941). Hij was
de eerste Nederlandse hoogleraar in de Slavische
talen en groeide op in Zwolle. Deze domineeszoon
bezocht hier het Gymnasium in de
Goudsteeg, waar al spoedig zijn taalgevoeligheid
werd onderkend. In 1898 vertrok hij naar
Amsterdam om Nederlands te studeren. Drie jaar
later studeerde hij cum laude af; weer drie jaar later
promoveerde hij, wederom cum laude.
Ondertussen had hij zich ook beziggehouden met
de Slavische talen en had hij geruime tijd in
Moskou doorgebracht. In 1907 ging hij opnieuw
naar Rusland, en een jaar later verscheen in het
tijdschrift De Gids een uitgebreid reisverslag onder
de titel Russische indrukken. Op 25 juli 1913 volgde
zijn benoeming tot hoogleraar in Leiden.
In Zwolle kwam hij in de eerste jaren na zijn vertrek
nog regelmatig terug om zijn familie te bezoeken,
de uitgave van een boek bij W.E.J. Tjeenk
Willink te bespreken of een lezing te geven. Zo
sprak hij bijvoorbeeld in 1920 op de
Volksuniversiteit over ‘Het nihilisme in de
Russische literatuur’. Rusland wenste hij na de revolutie
van 1917 niet meer te bezoeken, maar voor
Russische emigranten in Nederland zette hij zich
tot zijn dood in 1941 met hart en ziel in.
Portret van Nicolaas
van Wijk, in: N. van
Wijk, Russische indrukken,
Leiden, 1988.
4% OBUQATIOMS-AÏÏLEIHE
4% OBLIGATIE LEENIHG
WLADI KAWKfS
WLADI KAWKAS
EP001WE0 •AATSCMPPD
nK (1 BEW»’/,. ösfMÜJ)»iïa
Quito – I.SKU4» Etlnid tlnlinj,
IW.™n» 14/ 1ilmius «ld lirju.ijf IBt litt uo.ii» Hou”
P«MlllAP.rEPHDSlD.BAfflTH
” ••’-‘• WLIfrpWlAS-EjfEMBAHF-fiESELLSClAFT,
Russische obligaties
Hoewel de contacten met Rusland in deze eeuw
toenamen, is daarvan in de archivalia in het gemeentearchief
Zwolle weinig te merken.
Onvermeld mogen echter niet de Russische obligaties
blijven die rond de eeuwwisseling door
sommige Zwollenaren en kerkbesturen werden
aangeschaft. Met het geld werden spoorlijnen aangelegd
om het immens grote land te ontsluiten.
Na de Russische revolutie van 1917 waren deze
obligaties van de ene op de andere dag weinig of
niets meer waard.
In het gemeentearchief zijn in een particulier archief
couponbladen aanwezig van een Russische
obligatie uit 1912 die was uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij te Sint-
Russische obligatie uit
1912, uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij
te
Sint-Petersburg. Tot
1917 zijn de couponnetjes
keurig geknipt en
ingeleverd. Daarna bleven
ze aan de mantel
bevestigd. (GAZ, KA
Onze Lieve
Vrouwenparochie).
Philosofenallee 1,
Zwolle. In de periode
1905-1908 woonde
Henk Sneevliet op de
eerste verdieping (foto:
Jan de Koning i.o.v.
Gemeentearchief
Zwolle, 1985).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een groet uit het
Wologda van voor 1917.
Boven: v.l.n.r.
Seminarie, Archangelskstraat,
Gouvernementeel
Mannen Gymnasium,
Middelbare school,
Eerste Vrouwen
Gymnasium (part. coll.
Zwolle).
Petersburg. Tot 1917 zijn de couponnetjes keurig
geknipt en ingeleverd. Daarna bleven de couponnetjes
aan de mantel bevestigd.
Henk Sneevliet
De politieke carrière van Henk Sneevliet (1883-
1942) begon in Zwolle. Hij werkte bij het spoor en
was lid van de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij. Voor die partij zat hij in de periode 1907-
1909 in de Zwolse gemeenteraad. Daarna verhuisde
hij naar Utrecht en werd lid van de
Communistische Partij. Hij voerde oppositie tegen
Troelstra. Hij was lid van het Uitvoerend
Comité van de Derde Internationale. In de tijd dat
hij in Nederlands-Indië verbleef was hij nauw betrokken
bij de Sarekat Islam en de Indonesische
Communistische Partij in China. Ook bij de oprichting
van de Communistische Partij in China
zou hij betrokken geweest zijn. Hij woonde vele
jaren in Moskou en was bevriend met Lenin. Later
koos hij voor Trotzki. Op 13 april 1942 werd hij te
Amersfoort in het concentratiekamp gefusilleerd.
Michael Minsky
Sinds 1978 woonde de Russische bariton en dirigent
van het Don Kozakken Koor, Michael
Minsky in Zwolle. Hij werd bekend vanwege zijn
Russische Galaconcerten, waaraan tal van bekende
artiesten meewerkten. In 1982 startte hij met de
voorbereiding van de herdenking van het 1000-ja
rig bestaan van de Russisch Orthodoxe Kerk. Dit
feit werd op 30 september 1988 in Zwolle herdacht
met een concert in de Grote Kerk waarbij koningin
Beatrix en tal van kerkelijke en wereldlijke
hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren.
Minsky was al ziek maar kon die dag toch nog
meemaken. Het was de kroon op zijn werk. Negen
dagen later overleed hij. Zijn archief werd, voor
zover het op Zwolle betrekking had, door zijn weduwe
aan het gemeentearchief geschonken.
Slot
In 1989 knoopte het gemeentebestuur van Zwolle
op initiatief van Adrie Wever, raadslid voor het
Links Akkoord, vriendschapsbanden aan met
Wologda, een grote stad ten noorden van
Moskou. Anno 1996 staan deze contacten op een
laag pitje omdat de communicatie – ondanks perestrojka
en glasnost – moeilijker verloopt dan
voorzien was.
Tijdens het in november 1995 afgelegde bezoek
aan het gemeentearchief Zwolle, nam de
Russische delegatie van archivarissen met interesse
kennis van het tentoongestelde materiaal. De tijd
van voorbereiding was te kort om onderzoek te
doen naar nog meer contacten tussen Zwolle en
Rusland. Maar wellicht dat dit artikel zal inspireren
tot verdere nasporingen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berendina Stoel.
Op de bres voor vrouw en kind.
Op 27 mei 1994 werd in de Aalanden aan de
Volterbeek het vrouwenopvang- en begeleidingscentrum
van de Berendina Stoel
Stichting (BSS) opgeleverd. In juli ging in het huis
de opvang van vrouwen en de begeleiding voor
vrouwen en hun kinderen van start. De BSS richt
zich ook op jonge zwangere vrouwen en ‘tienervensomstandigheden
van vrouwen en kinderen in
Zwolle. In het onderstaande verhaal wordt het leven
van deze sociaal bewogen vrouw geschetst.
Haar jeugd
Berendina Gerharda Nieuwhof werd op 10 september
1878 in Zwolle geboren. Zij was de tweede
M.H. Palfenier-Lentjes
moeders’ die hulp en begeleiding nodig hebben.
De BSS werkt samen met Blijf van m’n Lijf en het
Leger des Heils. De naam van de stichting is afkomstig
van de vrouw die als eerste vrouwelijke
raadslid in het begin van de jaren twintig van deze
eeuw voor de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij (SDAP) in de Zwolse gemeenteraad zat en
zich krachtig inzette voor de verbetering van de ledochter
van het echtpaar Johannes Lambertus
Nieuwhof, steenhouwer, en Geertruida Maria
Overwater. Zij had vijf zusters en een broer. Niets
wees er in 1878 bij de geboorte van Berendina
Nieuwhof op dat zij een grote rol zou spelen in de
maatschappelijke politieke geschiedenis van
Zwolle.
Haar wieg stond in een huisje aan het Klein
Op 27 mei 1994 vond de
oplevering plaats van
het vrouwenopvangcentrum
van de Berendina
Stoel Stichting aan de
Volterbeek. De heer A.].
Dost (rechts), voorzitter
van de Stichting, neemt
de sleutel in ontvangst
(foto: collectie
Berendina Stoel
Stichting).
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Grachtje, in één van de armste wijken van de stad.
Doordat het Klein Grachtje grensde aan de tuinen
rond de villa van baron Van Dedem aan de
Diezerkade, werd zij al jong geconfronteerd met
het verschil tussen rijk en arm.
Voor onderwijs was zij aangewezen op de armenschool
in de Schoolstraat, waar de klassen bestonden
uit zestig leerlingen. De kwaliteit van dit onderwijs
mag dan ook niet al te hoog ingeschat
worden. Trouwens, ook het gebouw werd zeer ondoelmatig
geacht.
Over de jaren na haar schooltijd is helaas maar
zeer weinig bekend. Het is niet ondenkbaar dat zij
al vroeg thuis haar moeder moest helpen, zeker na
de dood van haar vader in 1895.
Op 25 augustus 1898 trouwde zij met Anthonie
Johan Stoel, die rijtuigschilder bij de Nederlandse
Spoorwegen was.
Beide echtelieden hadden een godsdienstige achtergrond.
Berendina kwam uit een rooms-katholiek
gezin en Anthonie was Nederlands Hervormd.
Het huwelijk werd echter niet kerkelijk ingezegend.
Uit de boeken van de rooms-katholieke kerk blijkt
dat Berendina Stoel als lid werd geschrapt.
Ongetwijfeld was haar lidmaatschap van de SDAP
daar debet aan. Anthonie Stoel, overigens ook lid
van de SDAP, bleef Nederlands Hervormd en ook
hun kinderen zijn in die religie opgevoed. Dat zij
de stap van ‘rooms’ naar ‘rood’ maakte, was omdat
zij koos voor de partij die haar wèl in de gelegenheid
stelde om op te komen voor de arbeidersvrouwen
en hun kinderen. Zij kende de slechte levensomstandigheden
^an deze groep immers
maar al te goed.
De vrouwenbeweging
In 1903 werd Anthonie Stoel ontslagen omdat hij
had deelgenomen aan de Spoorwegstaking.
Daardoor kwam het echtpaar niet in aanmerking
voor financiële bijstand. Werk was voor Anthonie
in Zwolle moeilijk te vinden en in 1905 besloten
Anthonie en Berendina dan maar naar
Amsterdam te trekken, waarschijnlijk in de hoop
daar aan de slag te kunnen. De keuze voor
Amsterdam zal mede beïnvloed zijn door het feit
dat daar in die tijd de vrouwenemancipatie in opkomst
was en in datzelfde jaar de Sociaal
Democratische Vrouwen Club (SDVC) werd opgericht,
een onderafdeling van de SDAP. Deze
SDVC had tot doel de vrouw politiek bewust te
maken, het kiesrecht voor vrouwen te verkrijgen
en tevens om moederschapszorg en kinderopvang
te stimuleren.
Na een verblijf van drie maanden in Amsterdam
keerde het echtpaar Stoel naar Zwolle terug; naar
verluid ingegeven door heimwee.
Terug in Zwolle was Berendina Stoel actief in de
SDAP. Binnen deze partij heeft zij via verschillende
cursussen ook haar politieke opleiding gehad.
Eén van de prominente SDAP-leden die voor deze
opleiding zorgde, was Henriëtte Roland Holst, die
in 1907 in Zwolle een lezing gaf. In datzelfde jaar
maakte mevrouw Stoel deel uit van een delegatie
van Zwolse vrouwen die in Amsterdam contact
zocht met de SDVC. In 1908 werden in verschillende
regio’s afdelingen van deze vrouwenbeweging
opgericht. Berendina Stoel werd voorzitster
van de Zwolse afdeling.
Ter ondersteuning van het verkrijgen van het
vrouwenkiesrecht bezocht Berendina Stoel vooral
achtergestelde vrouwen om hen van het belang
van dit kiesrecht te overtuigen. Uit angst voor repercussies
voor de vrouwen zelf of hun mannen,
viel dit zeker niet mee. Ook hield zij lezingen in de
Buitensociëteit. Door dit alles heeft Berendina
Stoel een groot aandeel gehad in de strijd van de
vrouwenbeweging in Zwolle.
Uiteindelijk werd zij door haar strijd zo belangrijk
voor de SDAP dat zij in 1919 door deze partij voor
de gemeenteraad verkiesbaar werd gesteld. Op de
kandidatenlijst stond zij op de achtste plaats.
De politieke carrière
Bij de verkiezingen van 1919 veroverde Berendina
Stoel een zetel in de raad. Deze verkiezingsuitslag
betekende voor haar een persoonlijke triomf, zeker
ook omdat, zelfs binnen de SDAP, nog niet iedereen
gelukkig was met een vrouw in de raad. Bij
haar installatie als raadslid werd zij beloond met
het zingen van de Internationale door haar achterban
uit de vrouwenbeweging en met vijftig rode
rozen.
In de raad bewoog mevrouw Stoel zich op sociaalZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
maatschappelijk terrein en dan in het bijzonder
gericht op het verbeteren van de leefomstandigheden
van de arbeidersvrouwen en -kinderen. Zo
kreeg zij onder meer zitting in de commissies
openbare bewaarscholen, kindervoeding en woningbouw.
Haar grote verdienste was het onder de
aandacht brengen van de erbarmelijke omstandigheden
waarin deze zaken verkeerden. Het was
haar gebleken dat de raadsleden zeer slecht op de
hoogte waren van de wantoestanden. Op haar eigen
kordate, niet mis te verstane spreekwijze
bracht zij dit alles onder de aandacht, zoals duidelijk
blijkt uit de notulen van de raad.
In december 1920 overlegde de raad of de kindervoeding
door de gemeente of door particulieren
verstrekt moest worden. De discussie spitste zich
vervolgens toe op de vraag of de maaltijden ook
gedurende de vakanties uitgedeeld moesten worden.
Volgens de notulen zei mevrouw Stoel:
‘… dat de statistiek bewijst, dat de kinderen als ze
weer op Kindervoeding komen, sedert het einde
van de maaltijden, in gewicht afgenomen zijn.
Daaruit blijkt de noodzakelijkheid om langer dan
drie maanden voedsel te verstrekken. Het is hoog
tijd, dat de vrouw zich eens wat meer met dergelijke
zaken bemoeit. Altijd zijn vrouw en kind vergeten…
Spreker zou niet willen beginnen met voeding
van gemeentewege, als het kind op school
komt, ook het kind op de bewaarschool, dat het
noodig heeft, moet de voeding ontvangen.’
Uit de notulen blijkt overduidelijk dat mevrouw
Stoel het verbeteren van de levensomstandigheden
geen zaak van liefdadigheid vond. Volgens haar
was dit een zaak van de hele gemeenschap, uit te
voeren door de gemeente.
Zo heeft zij in februari 1923 over de woningtoestanden
gezegd:’… als zij niet geweten had, dat de
berichten over de woningtoestanden in Palvu1 serieus
waar waren, zij dan bij het lezen gedacht zou
hebben, wat is dat schrikkelijk overdreven.
Spreker heeft zelf een onderzoek ingesteld. Zij
komt met heel velen van dat soort menschen in
aanraking… Spreker zou tegen de vrouwen van de
raadsleden eens willen zeggen, hoe het haar te
moede zou zijn, als zij in zoo’n krot moesten huizen.’
In februari 1924 discussieerde de raad uitvoerig
over het al dan niet inrichten van een bewaarschool.
Mevrouw Stoel pleitte hartstochtelijk voor
het wel inrichten van een bewaarschool ‘op de
Hoogstraat’. Vervolgens staat er in de notulen:
‘Spreker (mw. Stoel) begrijpt niet, hoe de leden
van den Raad zoo boomen kunnen opzetten over
een betrekkelijk luttel bedrag, ’t Is of de Raad
Amsterdam moet gaan kopen. Het is toch te gek,
De heer en mevrouw
Stoel (foto: mevrouw
B.G. Stoel-Slot,
Zwolle).
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat de heeren raadsleden daar nu twee avonden
over zitten te boomen, over de inrichting van één
gemeentelijk bewaarschool. Men moest zich schamen…
Spreker zou den raad dringend willen verzoeken
om nu hedenavond te besluiten tot inrichting
van de Willemsschool tot bewaarschool…
Reeds in 1918 is immers het besluit genomen
waarbij de invoering van voorbereidend onderwijs
urgent werd verklaard.’
Mevrouw Stoel had niet altijd succes met haar
voorstellen voor verbeteringen, maar zij heeft wel
op vele terreinen een eerste stap gezet. Zij liet de
arbeidersvrouwen betere tijden kennen.
De jaren na de gemeenteraad
Berendina Stoel heeft zeven jaren in de Zwolse gemeenteraad
gezeten. In 1926 werd haar echtgenoot
aangesteld als huismeester van het passantenhuis,
een gemeentelijk verzorgingshuis, aan de Friese
Wal. De voorwaarden waren dat de huismeester
gehuwd was, de kinderen de deur uit moesten zijn
en de echtgenote de taakvan huismeesteres op
zich zou nemen. Dit betekende dat Berendina
Stoel het lidmaatschap van de raad moest opgeven.
Bij haar afscheid sprak de voorzitter van de
raad enige woorden van waardering: ‘Spreker constateert,
dat het werk van mevrouw Stoel veel
waardering bij alle raadsleden heeft gevonden.
Zoo niet allen, dan toch zeer velen onder de
raadsleden zien haar met leedwezen heengaan.
Spreker gelooft in hun geest te handelen, wanneer
hij de wensch uit, dat het mevrouw Stoel zelf en
haar man goed moge gaan en zij in hun nieuwe
betrekking met genoegen werkzaam mogen zijn.
(applaus).’
Ook voor de taak in het verzorgingshuis heeft zij
zich, samen met haar man, voor de volle honderd
procent ingezet. Bij de pensionering van het echtpaar
Stoel in 1941 bleek dat zij in al die jaren
slechts een paar verlofdagen hadden opgenomen.
Daarom kregen zij als beloning een gratificatie van
333 gulden en 33 cent, dit was twee maanden salaris.
:
Na hun pensionering zijn de heer en mevrouw
Stoel gaan wonen in de Iepenstraat, waar
Anthonie Stoel op 9 februari 1946 overleed.
Berendina Stoel is toen ingetrokken bij haar dochter
die in de Tesselschadestraat woonde. Op 3 juli
1952 is zij daar, door de politiek vergeten, overleden.
In 1991 werden in de wijk Schellerhoek straten vernoemd
naar vrouwen die voor de geschiedenis
van Zwolle van belang zijn geweest. Sedertdien
draagt een zijstraat van de Jofferenlaan de naam
Mevrouw Stoelstraat om haar op die manier te
eren. Ook door haar naam toe te kennen aan de in
het begin van dit artikel genoemde Stichting zal
deze blijvend voor Zwolle gehouden blijven.
Noot
Palvu is de naam van het partijblad en het verenigings-
1. gebouw van de SDAP aan de Eekwal nummer 29.
De afkorting staat voor: Proletariërs Aller Landen
Verenigt U.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Straatnamen, niet zo eenvoudig
In de raadsvergadering van 8 september 1878
vroegen bewoners van de Stropsteeg, om een
andere naam voor hun straat. Men was niet
gelukkig met de bestaande naam.
In dezelfde vergadering verzocht de heer Schuite
om de naam Duistere Steeg te vervangen door het
meer welluidende Prins Hendrikstraat. Prins
Hendrik, bijgenaamd De Zeevaarder, een broer
van koning Willem III, was in datzelfde jaar getrouwd
met prinses Marie van Pruisen.
Burgemeester en wethouders wilden niet direct reageren.
Zij gaven er de voorkeur aan te wachten
tot er meerdere verzoeken zouden komen, wellicht
ook van bewoners van andere straten.
Bovendien vond de voorzitter de naamsverandering
van Duistere Steeg in Prins Hendrikstraat
‘minder verkieslijk’. Immers ‘als de leden van het
Koninklijk Gezin hier op bezoek komen, geven zij
allicht de wens te kennen om de straten te bezoeken,
waaraan men hun naam heeft gegeven’.
Kennelijk verkeerde de genoemde weg in een niet
al te beste staat. Misschien zou de prins wel eens
beledigd kunnen zijn.
Natuurlijk werd het voorstel gedaan om een commissie
te benoemen, maar uiteindelijk besloot de
gemeenteraad dat het college van B&W zich er
nog eens over moest buigen.
Meer dan drie jaar later, in de vergadering van 3
april 1882, besloot de raad zonder discussie(l), om
vele nieuwe straten van een naam te voorzien of
oude namen te veranderen. We zien dan dat de
Duistere Steeg Schoolstraat gaat heten en de
Stropsteeg Akkerstraat. De Akkerstraat liep van de
Diezerweg naar het Klein Grachtje, daar waar nu
de Eikenstraat ligt.
In diezelfde vergadering van 1882 werd de straat
‘langs de huizen der Vereniging tot verbetering
der arbeiderswoningen buiten de Diezerpoort’
voorzien van de naam Rhijnvis Feithstraat.
In de daaropvolgende raadsvergadering, dus op 24
april 1882, kwam de heer Van Rees daarop terug.
Hij stelde voor om de Platte Allee te vernoemen
naar Rhijnvis Feith, omdat ‘die naar het door den
dichter zoo geliefde Boschwijk voert.’ Hij wilde de
nog maar kortgeleden gegeven naam Rhijnvis
Feithstraat omgedoopt zien in Hoekstraat.
Dit voorstel zorgde voor enige verwarring in de
vergadering. De ‘schoone naam’ van de Rhijnvis
Feithstraat zo maar om te dopen tot het neutrale
Hoekstraat vond de heer Jordanus onjuist. Hij
stelde dan ook de naam Oostkampstraat voor. ‘Als
opvoedkundige en onderwijsman is de naam
Oostkamp juist in dit gedeelte der stad zeer bekend’,
gaf hij aan. De heer Gratema wilde de straat
echter vernoemd zien naar de heer Van Meurs, ‘de
man, die den stoot heeft gegeven tot de verbetering
van de woningen van de arbeidende klasse
hier ter stede.’ Gratama wilde Van Meurs graag
hulde toebrengen, ‘hij behoort nog in het land der
levenden’, voegde hij er aan toe.
Over en weer discussieerde men over ingebrachte
ideeën. De heer De Goeijen informeerde nog wie
dan wel de heer Hoek zou mogen zijn. De voorzitter
antwoordde daarop dat die naam was gekozen
omdat de straat de vorm van een driehoek had.
Tenslotte: de Platte Allee werd zonder hoofdelijke
stemming voorzien van de nieuwe naam Rhijnvis
Feithlaan, terwijl de Hoekstraat zijn naam kreeg
met tien tegen vier stemmen. Beide straten bestaan
nog steeds. De Rhijnvis Feithlaan loopt van
de Brink tot aan de Vechtstraat; de Hoekstraat ligt
achter het winkelcentrum De Diezerpoort en
vormt de verbinding tussen de Schoolstraat en de
Langenholterweg.
Wil Cornelissen
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus
J.C. Streng
Brief van Brumanus
waarin hij om een aanvullende
subsidie voor
huishuur verzoekt.
De zeventiende eeuw was niet de eeuw van
de specialisten. Wijsheid was boekenwijsheid.
Wie lezen kon – en dan in de eerste
plaats Latijn – en over een goed gevulde bibliotheek
beschikte, was in staat om zich vrijwel de
volledige toenmalige wetenschap eigen te maken.
Dat kon door van Aristoteles tot Zeno alle schrijvers
ijverig te bestuderen. Het was dan ook vrij
normaal dat geleerden zoals Henricus Brumanus
thuis waren in diverse thans gescheiden wetenschapsgebieden.
Biografie
Henricus Brumanus was de zoon van Sergius
Brumanus en Judith Feith. Sergius en Judith waren
in 1634 te Elburg gehuwd; hij was toen apotheker
aan de Markt te Zwolle.1 Enkele jaren later, in
1641, kocht Sergius het Zwolse burgerrecht. Het
echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan alleen
Henricus de volwassen leeftijd bereikte. Hij was
op 18 november 1638 te Zwolle gedoopt. Bijna tien
jaar later werd Henricus als leerling aan de Zwolse
Latijnse school ingeschreven waar hij tussen 1647
en 1654 de lessen volgde. Hij verdiende als beste
leerling twee maal een prijsboek: een geschiedwerk
van Dionysius van Halicarnassus en een verzamelband
met de gedichten van Virgilius. Toen
Henricus de Latijnse school verliet, was zijn vader
reeds gestorven. Want in 1654 verzocht de weduwe
Brumanus namelijk aan de magistraat een bijdrage
in de studiekosten van Henricus om de studie
voort te zetten.2 Waarschijnlijk heeft het stadsbestuur
het verzoek ingewilligd omdat het in deze
tijd gebruikelijk was om talentvolle burgerzonen
daarin tegemoet te komen. Het is niet duidelijk
aan welke universiteit hij verder studeerde. In de
studenten-alba van de universiteiten in de
Verenigde Republiek komt zijn naam niet voor.
Evenmin is zijn naam onder de gepromoveerden
te vinden. Dit laatste is wel verklaarbaar, want de
stad was in haar ondersteuning niet zo royaal dat
een dure promotie mogelijk was. Doctor is
Henricus dus waarschijnlijk nooit geworden.
Als tegenprestatie voor de stedelijke ondersteu-
Vtury f »»••»>•

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 2

Door | 1996, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
• if
1 9 9 6 N U M M E R 2 rjs, F 9/5 rt’
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
; • > « . • Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en
Annèt Bootsma
Ansichtkaart van de Veerallee met pontje, poststempel
1932.
‘Lieve Henkie, Wel gefeliciteerd met je verjaardag
hoor. Hoe gaat het met je? Met ons best. Ik vind het
hier erg leuk. Het pontje op de kaart, daar ga ik mee
naar school. Leuk he? Nu dag Henk Vader en Moeder
ook gef. Een prettigen dag. Henny.’
De Willemsvaart vervulde jarenlang een belangrijke
functie als scheepvaartroute tussen
de IJssel en de stad Zwolle.
Op de plaats waar nu de drukke kruising Westerlaan
– Veerallee ligt, besloot men in 1920 een voetgangerspontje
in de vaart te leggen. De Veeralleewijk
breidde zich in die tijd gestaag uit. Er was behoefte
ontstaan aan een tweede oeververbinding
naast de Keersluisbrug, die vaak openstond vanwege
het drukke scheepvaartverkeer.
De afzender van de afgebeelde ansicht was scholier;
deze groep was een belangrijke klant voor het
pontje. Voor veel buitenleerlingen vormde de
route via de pont de kortste verbinding tussen
hun school en het station. In 1932, het jaar van afzending,
waren er aan de Veerallee al twee scholen
gevestigd; het Gymnasium en het Christelijk Lyceum.
Op de rand van de Veeralleewijk lag de in
1995 gesloopte Emmaschool of, destijds zogeheten,
Industrieschool.
Het pontje werd met handkracht voortbewogen.
Het was goedkoop en gezellig, terwijl je met regen
droog kon staan.
Het pontje bleef in gebruik tot de demping van
dat gedeelte van de Willemsvaart in 1965, de Keersluisbrug
verdween toen eveneens. Varen doet het
pontje echter nog steeds; het doet nu dienst in Haerst
aan de Vecht.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud DrB.J. Kam
Thorbeckegracbt ^
8011 VN Z
038 – 421 4^
Redactioneel
In 1653 overleed schipper Jan Slackebaerts. Hij
liet een vrouw, Maaike Jans, achter en zeven
kinderen. Maaike Jans was één van de vele
vrouwen die door het overlijden van hun echtgenoot
in de financiële problemen was gekomen en
hulp nodig had. Hilde van Wijngaarden beschrijft
enige aspecten uit het dagelijks leven van arme
vrouwen in de zeventiende eeuw.
Maria Hansen gaat terug naar het jaar 1580. De
politieke en godsdienstige spanningen liepen zo
ver op, dat het in dat jaar in Zwolle tot een uitbarsting
kwam. Er waren hulptroepen van buiten
de stad nodig om een eind te maken aan de strijd
tussen katholieken en protestanten.
Met de bouw van de Twistvlietbrug over het
Zwarte Water herleeft de naam van de buitenplaats
Twistvliet, die gelegen was op de westoever
van het Zwarte Water. Win Huijsmans en Johan
Seekles gaan in op de geschiedenis van deze buitenplaats.
Één van de Zwollenaren die een grootse carrière
maakte, was Wilhelmus Marinus van Rossum. In
1911 benoemde paus Pius X hem tot kardinaal.
Twee jaar later bezocht Van Rossum zijn geboortestad,
waar hij op grootse wijze onthaald werd.
‘Spieker’ Jansen werd in de loop der jaren een begrip
in Zwolle. Al meer dan 150 jaar is deze ijzerhandel
in de stad gevestigd; eerst in de Wolweverstraat
en momenteel in de Marslanden.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma 38
Arme vrouwen in Zwole in de zeventiende eeuw
Hilde van Wijngaarden 40
Het oproer te Zwolle in 1850 M.L. Hansen 48
Twee overzijden worden buren
Wim Huijsmans en Johan Seekles 54
‘Heil U! Zwolle’s edle spruit’
De terugkeer van kardinaal Van Rossum in zijn geboortestad
Kees Ribbens 58
‘Spieker’ Jansen: een stukje folkloreA. Pfeifer 66
Agenda 69
Mededelingen 70
Auteurs 71
Omslag: In 1913 bezocht de in Zwolle geboren kardinaal Van Rossum zijn
geboortestad. In de St. Michaëlskerk in de Nieuwstraat celebreerde hij
de plechtige hoogmis (foto: GAZ, collectie Henneke).
40
Arme vrouwen in Zwolle
in de zeventiende eeuw
Hilde van Wijngaarden Inleiding In 1653 bleef Maaike Jans na het overlijden van
haar man Jan Slackebaerts achter met zeven
kinderen. Haar man was schipper geweest en
haar oudste zoon had bij hem op het schip gewerkt.
Het overlijden van Jan betekende dus dat er
twee inkomens wegvielen. Haar oudste dochter
was al groot en kon wel wat verdienen om aan de
zorg van het gezin bij te dragen, maar de andere
kinderen waren daarvoor nog te klein. Maaike
kon zelfwaarschijnlijk niet werken omdat zij haar
kinderen niet alleen kon laten. Het was voor haar
dus moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen.
Onderzoek heeft uitgewezen dat in de meeste
West-Europese steden in de vroegmoderne tijd
meer vrouwen dan mannen armenzorg ontvingen.
In Zwolle bestond 70 % van de ontvangers
van armenzorg tussen 1650 en 1700 uit vrouwen.
Maaike Jans Slackebaerts is slechts één voorbeeld
van de vele vrouwen die door het overlijden of
vertrek van een echtgenoot in de problemen waren
gekomen en steun nodig hadden. Doordat de
lonen voor vrouwen erg laag waren en zij veel tijd
kwijt waren aan de zorg voor kinderen, konden
vrouwen minder goed rond komen dan mannen.
Over het dagelijks leven van gewone vrouwen in
de zeventiende eeuw is zeer weinig bekend. Dat
komt doordat het moeilijk is hen in de bronnen te
vinden. In belastingbronnen, die veel gebruikt zijn
voor economisch historische studies, werden
doorgaans alleen gezinshoofden genoteerd; en dat
waren in de meeste gevallen mannen. Rijke vrouwen
zijn nog wel te vinden in familiearchieven en
doordat zij testamenten lieten maken en huwelijkscontracten
lieten opstellen. Ook zijn er enkele
bijzondere vrouwen te vinden: zij die konden
schrijven of over wie geschreven was. Vrouwen uit
de onderste laag van de bevolking zijn echter alleen
in de bronnen terug te vinden als zij met de
autoriteiten in aanraking kwamen. Dit betekende
in de meeste gevallen dat deze vrouwen beschuldigd
werden van criminele activiteiten zoals prostitutie,
diefstal of zelfs moord. De informatie die
op deze manier bijeengezocht wordt, creëert geen
evenwichtig beeld van het leven van vrouwen in
de zeventiende eeuw. In het archief van de stadsarmenkamer
van Zwolle worden echter wel veel
vrouwen beschreven en vinden we een schat aan
gegevens over hun levensomstandigheden.
In dit artikel wil ik enige aspecten uit het leven
van arme vrouwen bespreken. Wat betekende armoede
voor het dagelijks leven van deze vrouwen
en hoe gingen zij daarmee om? Welke mogelijkheden
hadden zij om aan inkomsten te komen? Hoe
gedroegen zij zich ten opzichte van de verstrekkers
van armenzorg? Voor het beantwoorden van deze
vragen zal ik eerst bekijken welke vrouwen arm
waren. Vervolgens zal ik kijken naar de steun die
de vrouwen kregen van de stadsarmenkamer en
als laatste naar de activiteiten die vrouwen ondernamen
om hun gezin te helpen overleven.
Oorzaken van armoede
Vooral weduwen met kinderen en bejaarde vrouwen
liepen een grote kans geconfronteerd te worden
met armoede. Het krijgen van kinderen, op
zich al een gevaarlijke gebeurtenis in het leven van
een zeventiende-eeuwse vrouw, betekende dat zij
enige tijd niet kon werken en dus geen geld kon
verdienen. Als zij getrouwd was, was dit al moeilijk
omdat een deel van de inkomsten van het gezin
wegviel, maar dan was er tenminste de man
die voor geld kon zorgen. Een ongetrouwde
vrouw die een kind kreeg, had niet alleen te maken
met de afkeuring van haar omgeving, maar
kwam ook in de problemen doordat zij op dat
moment geen enkele mogelijkheid had om zichzelf
en haar kind te verzorgen. Uit de beschrijving
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
van Albertje Houderdouw in de visitatieboeken
van de armenkamer (hierover vertel ik later meer)
blijkt hoe moeilijk de omstandigheden van een
vrouw in deze situatie konden zijn. Albertje
woonde bij de Wijndragerstoren in een kelder en
werd op 17 september 1686 bezocht door de aalmoezeniers
en diakenen van de armenkamer. Zij
schreven op:
‘Albertje Houderdouw is een vrouwspersoon sonder
man echter twee kinderen overwonnen, waarvan
het oudste 8 jaaren sijnde niet wijs is, het andere
siek, van haar eijgen ouderdom weet sij niet
te seggen, soude wel spinnen, maar kan niet krijgen,
is als Diogenes (= heel arm) van huijsraat,
linnen, wollen en beddinge voorsien, woont in
een kelder daar de rook sijn passagier selfs moet
soeken, van haar religie weet sij weijnig, de huur
van haar casteel word van de kamer betaalt, monterende
6 stuivers ter week.’
Ook kwam het vaak voor dat vrouwen al op jonge
leeftijd weduwe werden, soms met een kind nog
op komst, of met een schare kleine kinderen om
zich heen die verzorging nodig hadden. Vooral die
eerste jaren, als de kinderen nog klein waren, waren
erg moeilijk. Waren de kinderen groter, dan
konden zij bijdragen in de kosten van het gezin
door te gaan werken. Sommige kinderen begonnen
al met werken als ze zes jaar oud waren, maar
meestal begonnen ze rond hun achtste levensjaar.
Naarmate de kinderen ouder werden, gingen ze
meer verdienen wat betekende dat het gezin redelijk
rond kon komen en geen armenzorg meer nodig
had. Maar daarna kwam het moment dat de
kinderen het huis uit gingen. Oudere vrouwen
moesten dan zichzelf onderhouden en waren daar
veelal niet toe in staat.
De stadsarmenkamer
De zorg voor arme Zwollenaren was georganiseerd
in samenwerking tussen de stedelijke overheid
en de Gereformeerde Kerk. Er waren instellingen
waar wezen, zieken en bejaarden opgenomen
konden worden en particuliere liefdadigheidsinstellingen
die woonruimte ter beschikking
stelden aan bejaarden, maar de grootste groep armen
kon terecht bij de stadsarmenkamer. Deze
instelling werd voor de helft bestuurd door aalmoezeniers
aangesteld door de stad en voor de
helft door diakenen. De Kamer ondersteunde de
armen met wekelijkse gelduitkeringen en materile
steun zoals brood, boter, turf, kleding en bier.
Armen die wekelijks geld wilden ontvangen,
moesten naar de vergadering van de bestuurders
van de armenkamer komen. Nadat zij ondervraagd
waren over hun omstandigheden en besloten
was dat zij steun nodig hadden, werd de hoogte
van het zogenaamde weekgeld vastgesteld en in
een register opgetekend. In datzelfde register werd
van ieder bedeeld gezin een korte beschrijving gegeven
en werden later de veranderingen in de gezinssituatie
of hoogte van de bedeling bijgeschre-
De spinster van Geertruyt
Rogman plukt vezels
van het rokken om
ze op het trap-spinnewiel
met de linker hand
tot garen ineen te
draaien. Haar grondstof
is vlas of hennep,
want wol wordt vanaf
de schoot gesponnen
(in: A. Buter, De kadans
van de getouwen.
Amsterdam 1985, 43).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
J
£en bladzijde uit het bedeelden-register uit de periode 1652-1661.
(GAZ, inv.nr. IA025-246, fol. 73V. Foto: Jeanine Otten. Transcriptie: Wim
Huijsmans). Hierop is te zien dat de aalmoezeniers soms op een creatieve manier
de beschrijvingen noteerden: in plaats van op te schrijven dat de man die
hier beschreven werd veel dronk, werd een bierpul getekend.
De transcriptie luidt:
Jan Mertens wedue is een oude, dove vrou die weynich I met spinnen verdienen
kan; haer man placht een met-1 selaer t’wesen, hadt hem {bierpul getekend)
geweldich lieff, soo dat I hij d’vrou in een soberen staet liet sitten; woont tegenover
d’Goltgraver in haer eygen huysjen dat sij I den armen nevens al wat sij
heeft, heeft overge- / dragen infebruary a(nn)o ’52; haer is des weeckx toe./
geleght ƒ 151
Mit conditie datter een bij haer inwonen sal. I Den 5 novemb(er) afgeset2 3
stuy(ver) ƒ 12
A(nn)o 1660 den 1 february is Jan Maertens./ weduwe met consent der samptelyecke
I macsschoepen^ verhoeght met2 st(uyveer), treckt I nu weckelieck 14 st.
f 14 st.
Den 17 Octob(er) 1660 de gemeene maschappen4 I Jan Martens weduwe verhoocht
weecklycx 4 st. ƒ 18 st.
De vrou het 5 Evertyn Hendricx I treckt des weeckx 14 st.
1.15 stuivers
2. verminderd met
3. met toestemming van het voltallige bestuur
4. het voltallige bestuur
5. heet
ven.
Deze steun was bedoeld voor alle armen in de
stad, ongeacht hun religie. Voor lidmaten van de
Gereformeerde Kerk was er vier keer per jaar een
extra uitdeling van geld bovenop hun wekelijkse
geld. Katholieken, luthersen of gereformeerden
die geen belijdenis hadden gedaan, moesten het
doen met wat ze van de Kamer kregen. Van de katholieken
werd in ruil voor deze steun verwacht
dat de rijken onder hen jaarlijks een bedrag betaalden
aan de kamer, hetgeen niet altijd zonder
morren gedaan werd.
Tijdens de periode dat zij steun ontvingen, werden
de armen minstens één maal per jaar bezocht
door de aalmoezeniers en diakenen die rondkeken
in hun huis en informeerden naar hun inkomen,
ziektes, gedrag en bezittingen. Dit alles werd bijgehouden
in visitatieboeken waarvan er enkele bewaard
zijn gebleven. De registers van de bedeelden
. en de visitatieboeken zijn niet allemaal bewaard
gebleven, maar de enkelen die de tand des tijds
hebben weerstaan, bieden enorm veel informatie
over de onderste laag van de stedelijke samenleving
in de zeventiende eeuw.
Het bedrag dat bedeelde gezinnen wekelijks ontvingen
varieerde sterk. Sommige gezinnen ontvingen
drie stuivers per week, andere wel twintig, al
naar gelang de grootte van het gezin, het geld dat
zij konden verdienen en waarschijnlijk ook de aalmoezenier
of diaken die de hoogte van het bedrag
vaststelde. Gemiddeld kregen bedeelde gezinnen
tussen 1650 en 1700 een wekelijks bedrag van 10,8
stuivers (54 cent). Om een idee te geven van de
waarde van dit bedrag: 10,8 stuivers zou ongeveer
15 % zijn van het weekloon van een ongeschoolde
mannelijke arbeider (berekend op basis van een 6-
daagse werkweek).1 Dit bedrag was dus niet vergelijkbaar
met een bijstandsuitkering zoals wij die
nu kennen. Het moet meer gezien worden als een
inkomensaanvulling. Het was bij lange na niet genoeg
om van te leven, maar vormde een belangrijke
bijdrage in de kosten die iedere week betaald
moesten worden. Het weekgeld kon gebruikt worden
voor het betalen van de huur of het kopen
van brood en betekende zo misschien het verschil
tussen ‘gewone’ armoede en totale ellende.
Zoals eerder vermeld, stonden bij de armenkamer
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
vooral vrouwen ingeschreven. De meeste vrouwen
waren tot armoede vervallen na vertrek of overlijden
van hun echtgenoot. Er stonden echter ook
veel echtparen ingeschreven. Ook voor ‘complete’
gezinnen kon het moeilijk zijn rond te komen
doordat er niet genoeg werk te vinden was of leden
van het gezin ziek waren. Veel echtparen met
hun kinderen werden bij de armenkamer ingeschreven
op naam van de vrouw. Dat betekende
dat zij degene was geweest die de steun had aangevraagd
en iedere week kwam halen. Dit is opmerkelijk
omdat volgens heersende ideeën en volgens
de wet, de man het hoofd van het gezin was en
wiens naam gebruikt werd in officiële stukken.
Het lijkt er echter op dat het regelen van armenzorg
tot de taak van de vrouw gerekend werd.
Gingen vrouwen naar de armenkamer omdat hun
man niet weg kon van zijn werk? Misschien zal dit
een enkele keer een rol gespeeld hebben, maar de
meeste arme mannen hadden geen volledige baan.
Als ze al werk konden krijgen, betekende dit geen
werk van negen tot vijf zoals wij dat kennen, maar
werden zij voor enkele uren ingehuurd om een
bepaald klusje te doen. Ook is er geen reden om
aan te nemen dat de vrouwen meer tijd zouden
hebben dan hun man, omdat zij het ook erg druk
hadden met werk en de zorg voor de kinderen.
Enkele vrouwen moesten wel zelfde steun regelen
omdat hun man een dronkelap was of te lui. Sara
Volkers werd als volgt beschreven:
‘Sara Volkers is een jonge vrou met 4 kinder, die
man is een drager maer die legh niet veel, wat hij
verdient dat versuyp hij, als hij wilde kon sijn kost
wel verdienen en behoefde van den armen niet te
hebben maer alsoo hij sijn verdienst versuijp en sij
geen gebreck lijde kan met de kinder is haer toegestaen
10 st sweecks.’2
Ook Mette Berents had een jonge en sterke man
die werk had als een opperman3 zodat het gezin
misschien best rond had kunnen komen. Maar als
haar man weer eens te veel gedronken had, wilde
hij niets meer doen (al helemaal niet naar de armenkamer
gaan om steun aan te vragen).4 Vrouwen
zoals Sara en Mette hadden waarschijnlijk
meer last dan steun van hun echtgenoot en waren
genoodzaakt de zorg voor hun gezin en dus het
regelen van steun, op zich te nemen. Omdat andere
vrouwen steun voor hun gezin regelden zonder
dat daar een dergelijke duidelijke reden voor gevonden
kan worden, zal het ophalen van het
weekgeld waarschijnlijk beschouwd zijn als de dagelijkse
zorg voor het gezin en daarom als de taak
van de vrouw.
Contacten met arme vrouwen
De aalmoezeniers en diakenen van de armenkamer
kwamen bij hun bestuurswerkzaamheden
vooral in contact met vrouwen. Hoe verliep dit
contact? Waren de vrouwen dankbaar voor de
hulp, schaamden zij zich ervoor steun te moeten
vragen of vonden zij dat het hun goed recht was?
Eigenlijk zijn deze laatste drie vragen alledrie met
‘ja’ te beantwoorden. Er waren grote verschillen in
het gedrag van de vrouwen tegenover de aalmoezeniers
en diakenen. Er waren vrouwen die de bestuurders
niet binnen wilden laten als ze de visiteronde
deden en er waren vrouwen die een grote
mond gaven, klaagden over de hoogte van de bedeling
en begonnen te schelden als ze niet kregen
wat zij wilden. Zoals Lijsbet Jans alias Lijsbet in ‘t
Slijphuis, een weduwe van 33 jaar met een kind
van zeven over wie werd opgeschreven: ‘Men
heeft veel bij haer gedaen, den danck die sij daer
Visitatie-boeken. Met
dit soort boeken onder
de arm gingen de aalmoezeniers
en diakenen
langs de huizen van de
armen (GAZ, inv.nrs.
IAO25-248 en 249. Foto:
Jeanine Otten)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
voor betoont is een vule mont die sij geeft als sij
iets versoeck extraordinaris en men ’t haar weygert.’
5 Sommige vrouwen konden erg aanhoudend
zijn in hun verzoeken aan de armbestuurders. Zij
Op deze prent van Gerrit
Grasdorp is duidelijk
te zien dat het gebied
vlak buiten de
Diezerpoort, waar veel
armen woonden, een
uitgesproken landelijk
karakter had, zodat
aannemelijk is dat de
armen daar hun eigen
voedsel verbouwden
(Stedelijk Museum
Zwolle).
wilden niet wachten tot hen iets aangeboden
werd, maar vroegen zelf om bepaalde kledingstukken,
brood of een armenhuisje. Misschien was
zeuren wel de enige mogelijkheid om iets voor elkaar
te krijgen. Hendrikje van Almeloo vroeg heel
lang telkens als zij de aalmoezeniers zag om een
armenhuisje, wat zij uiteindelijk kreeg.6
Andere vrouwen waren er niet zo blij mee dat ze
gedwongen waren steun te vragen. Zij schaamden
zich ervoor iedere vrijdag bij de armenkamer in de
rij te moeten staan om geld op te halen. Zo was
hun armoede voor iedereen duidelijk zichtbaar.
Ook was het voor veel vrouwen moeilijk te aanvaarden
dat zij de aalmoezeniers en diakenen in
hun huizen moesten toelaten zodat gecontroleerd
kon worden of zij wel goede huisvrouwen waren.
Deze vrouwen stelden het aanvragen van steun
dan ook zo lang mogelijk uit en gingen pas naar
de kamer als ze het echt niet meer volhielden. Zo
gauw hun situatie iets verbeterde, bedankten zij de
aalmoezeniers en probeerden zij het weer zonder
bedeling te redden.
De arme vrouwen stonden niet machteloos tegenover
de bedeling. Ze wachtten niet onderdanig af
tot de aalmoezeniers hen kwamen helpen maar
probeerden actief de hulp die ze kregen te benvloeden.
De vrouwen wilden zelf beslissen wanneer
zij om hulp vroegen, al konden zij niet voorkomen
dat ze gedwongen werden hulp te vragen
als geen andere mogelijkheid meer voor hen open
stond.
Nevenwerkzaamheden
De arme vrouwen regelden niet alleen de bedeling,
maar ondernamen allerlei activiteiten die bijdroegen
aan de overleving van hun gezin. Dit betekende
niet alleen dat zij werk deden waar zij
loon voor ontvingen, maar ook dat zij karweitjes
deden in ruil voor een wederdienst of betaling in
natura. Ook probeerden zij zelfstandig wat te handelen
om zo enige inkomsten te vergaren.
Over vrouwenarbeid in de vroeg-moderne periode
is nog niet zo veel bekend. Gedeeltelijk komt
dat doordat veel vrouwen geen duidelijk omschreven
beroep hadden maar door middel van allerlei
verschillende werkzaamheden inkomsten bij elkaar
scharrelden. Lange tijd hebben historici gedacht
dat vrouwenarbeid dus niet zo veel voorstelde.
Maar van de arme vrouwen, wier echtgenoot
niet genoeg verdiende of overleden was,
moeten er wel veel gewerkt hebben, omdat armenzorg
alleen bij lange na niet genoeg was om
van te leven.
Uit de beroepen van arme vrouwen die ik tot nu
toe heb gevonden, blijkt dat een overgrote meerderheid
spinster was. Ook kwamen beroepen voor
als koopvrouw, wasvrouw of schoonmaakster,
spelden- of knopenmaakster, naaister en turfdraagster
of -meetster. Uit de manier waarop opgeschreven
werd dat een vrouw spinde, blijkt dat
spinnen beschouwd werd als iets wat alle vrouwen
deden. Soms werd het niet eens nodig gevonden
om op te schrijven dat een vrouw spinde en werd
alleen het aantal stuivers dat zij daarmee verdiende
genoteerd. In deze gevallen kan uit andere vermeldingen
over dezelfde vrouw worden afgeleid
dat zij inderdaad spinde. Er staan opmerkingen in
de registers als ‘ze doet niets dan spinnen’ of ‘ze
kan niets verdienen, alleen met spinnen’. Hieruit
blijkt dat men spinnen geen echte baan vond. Het
was iets dat iedere arme vrouw kon doen om wat
extra’s te verdienen. Er werd niet van die vrouwen
verwacht dat zij daarmee genoeg verdienden om
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
in leven te blijven.
Spinnen kon thuis gedaan worden en was zo te
combineren met de zorg voor kinderen. De meeste
arme gezinnen woonden in een kelder of een
enkele kamer waar geslapen, gegeten, geleefd en
dus ook gewerkt werd. De vrouwen konden dus
heel gemakkelijk tijdens het spinnen hun kleinste
kinderen in de gaten houden.
Koopvrouw is eigenlijk een te mooie beschrijving
voor het werk dat arme vrouwen deden. Het ging
hier om vrouwen die goederen verkochten op
markten en op straat. Zij verkochten vooral etenswaren
zoals snoepgoed, noten, vis zoals bokking
en aal, brood, meel, appels en groenten zoals
knollen en kool. Slechts Else Gerrits alias Schelle
Else had vroeger tweedehands huisraad verkocht.
Toen zij bij de armenkamer ingeschreven werd,
was ze inmiddels te oud om dat werk nog te doen.
(We kunnen ons voorstellen hoe zij aan haar bijnaam
kwam; waarschijnlijk prees zij met schelle
stem haar waren aan.) De marktvrouwen worden
beschreven als kleurrijke types. Meer dan andere
vrouwen waren zij onbeleefd, gebruikten zij
scheldwoorden en probeerden zij de aalmoezeniers
en diakenen te bedriegen. Hadden zij geleerd
voor zichzelf op te komen door op de markt te
werken, of werkten zij juist daar omdat zij goed
gebekt waren?
Met het verkopen van groente en vis op de markt
werd wat geld verdiend. Een bijkomend voordeel
was dat de waren die aan het eind van de dag over
waren, mee naar huis gingen. En als er meer restanten
waren dan het gezin van de marktvrouw
nodig had, kon het misschien geruild worden tegen
wat andere marktvrouwen over hadden. Aan
het eind van een marktdag konden arme vrouwen
restjes verzamelen en afgekeurde, niet te verkopen
levensmiddelen mee naar huis nemen om een karige
maaltijd uit samen te stellen. Dit verzamelen
is natuurlijk moeilijk te bewijzen. Uit studies in
Engeland is echter gebleken dat arme gezinnen op
deze manier aan wat extra voedsel kwamen.
Waarschijnlijk kwam dit ook voor in Zwolle.7
Het huishoudelijk werk dat arme vrouwen deden
was niet in vaste dienst bij één huishouden.
Dienstbodes kwamen niet bij de armenkamer terecht
omdat zij kost en inwoning kregen als deel
van hun loon. De arme vrouwen gingen bij verschillende
huizen langs en deden daar de was of
het zware, vieze schoonmaakwerk. Dit was een erg
zwaar en onzeker bestaan. Soms gingen vrouwen
langs de huizen om te vragen of men werk voor
haar had, maar meestal hadden zij enkele vaste
adressen waar zij regelmatig kwamen. Fenne Herms
had jarenlang schoon gemaakt in verscheidene
huizen en doordat dat zulk zwaar werk was, was
zij helemaal stijf en ‘afgearbeidet’ geworden.
Spelden- en knopenmaken was een typisch Zwols
beroep. Er was een groot aantal meesters in de
stad die een grote groep arme kinderen aan het
werk zetten om het nauwkeurige werkje te doen.
Maar ook arme vrouwen deden dit werk, soms samen
met hun kinderen. Het voordeel was dat zij
het thuis konden doen, zodat zij ondertussen op
de kinderen konden passen.
Hoewel het een typisch vrouwenberoep lijkt, waren
er niet zoveel naaisters onder de arme vrouwen
als wij wellicht zouden verwachten. Slechts
enkele van de arme vrouwen waren naaister omdat
dit beroep een opleiding vereiste. Veel vrouwen
waren opgegroeid in arme gezinnen en hadden
geen gelegenheid gehad een opleiding te volgen.
Soms subsidieerde de armenkamer de opleiding
tot naaister van een meisje. Daaruit blijkt dat
een dergelijke opleiding inderdaad geld kostte.
Bethlehemse kerkplein,
1900. Tussen het Refter
en de Bethlehemse kerk
is het gebouw van de
armenkamer te zien.
Hier vergaderden vroeger
de aalmoezeniers en
diakenen, heiast met de
verzorging van de armen.
In 1912 brandde
het gebouw af zodat een
vrije doorgang van het
Bethlehemse kerkplein
naar de Nieuwe Markt
ontstond.
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het hogere opleidingsniveau van naaisters had
waarschijnlijk tot gevolg dat zij genoeg konden
verdienen om niet aangewezen te zijn op steun
van de armenkamer.
Turfvulster, -draagster en -meetster zijn typische
In de zeventiende eeuw
woonden veel armen in
kleine huisjes die tegen
de Broerenkerk aangebouwd
waren. Op deze
foto is te zien dat hier
rond 1900 nog steeds
armoedige huisjes stonden
(GAZ, Collectie
Schaepman).
Nederlands beroepen (in geen ander land werd
zoveel turf als brandstof gebruikt). Het is niet duidelijk
waarom veel vrouwen deze beroepen uitoefenden.
Turfvulsters vulden turfzakken met turf
als het aangevoerd was met turfschepen; turfmeetsters
maten de inhoud van de zakken en turfdraagsters
brachten de zakken turf rond in de
stad. Vooral dit laatste lijkt toch een erg zwaar
karwei waarvan je zou verwachten dat het door
mannen werd gedaan. In alle Nederlandse steden
werd dit beroep echter door een groot aantal
vrouwen uitgeoefend; soms hadden zij zelfs een
eigen afdeling in het turfdragersgilde. Turfdraagsters
werden officieel aangesteld door de stad. Het
was dus een duidelijk omschreven beroep, maar
dat betekende niet dat men er goed van kon leven.
Ten eerste ging het om seizoen-arbeid en ten
tweede waren er meer turfdraagsters dan nodig,
zodat het werk onderling verdeeld werd. Ieder kon
slechts enkele uren of dagdelen per week werken.
Vandaar dat enkele vrouwen bij de armenkamer
kwamen voor een aanvulling op hun loon.
Niet alleen de turfdraagsters werkten part-time,
het was een kenmerk van bijna alle vrouwenberoepen.
Hierom werden verschillende soorten
werk vaak met elkaar gecombineerd. Doede Albers8
combineerde speldewerken met het verkopen
van snoep; Jannegien Willems9 spinde en verkocht
meel. Combinatie was soms nodig omdat
veel werk afhankelijk was van de seizoenen. Gese
Apeldoorns10 verkocht alleen in het voorjaar bokking.
Jan Rengers weduwe11 maakte in de slachttijd
zulten schoon en Egbert Westhoffs weduwe12
wiedde in de zomer. Vooral agrarisch werk, dat in
de zeventiende eeuw in steden nog veel voorhanden
was, was sterk afhankelijk van de seizoenen.
Hoogte van het inkomen
Het inkomen dat de arme vrouwen bijeen konden
garen, kan niet alleen in geld uitgedrukt worden.
Clasjen Berents wiedde de hof van haar verhuurder
en mocht daarvoor gratis wonen.13 Zo werd
werk niet alleen betaald met geld maar ook met
een wederdienst of in natura. De manier waarop
de inkomsten van de vrouwen beschreven worden
in de registers, is dan ook niet alleen in bedragen.
Er werden omschrijvingen gegeven zoals ‘iets’,
‘een mooie stuiver’ en ‘bijna niets’. De aalmoezeniers
en diakenen wisten waarschijnlijk wat er met
deze beschrijvingen bedoeld werd, maar voor ons
is het erg lastig om een idee te krijgen van de inkomsten
van vrouwen. Gelukkig werden er ook
bedragen genoemd. Dan blijkt dat het loon dat de
vrouwen verdienden of de winst die zij maakten
met hun handeltje zonder uitzondering erg laag
was. Dit is natuurlijk logisch omdat het hier arme
vrouwen betreft. Maar ook in vergelijking met wat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
arme mannen en zelfs kinderen verdienden was
het erg weinig. Kon een man 50 cent per dag verdienen,
voor een vrouw was 50 cent per week normaal.
Voor dit geld werd weliswaar niet full-time
gewerkt maar helaas is niet te achterhalen hoeveel
tijd gewerkt moest worden om bijvoorbeeld een
stuiver te verdienen. Vooral met het spinnen werd
erg weinig verdiend – meestal maar enkele stuivers
per week – omdat spinnen een activiteit was die
telkens onderbroken werd door andere werkzaamheden
en de zorg voor het gezin. Slechts in
de tijd die overbleef, kon gesponnen worden.
De hiervoor beschreven activiteiten van arme
vrouwen zijn allemaal te beschrijven als werk, al is
het in de ruimste zin van het woord. De vrouwen
ondernamen echter ook activiteiten die beter te
omschrijven zijn als zelf-voorziening. De stad was
in de zeventiende eeuw minder volgebouwd dan
nu. Dat betekende waarschijnlijk dat vrouwen een
gedeelte van eigen voedsel konden verbouwen in
een tuintje. Dit gebeurde natuurlijk op zeer kleine
schaal, maar kon een gezin erg geholpen hebben.
Op eenzelfde manier was het mogelijk dat de arme
vrouwen ook andere levensbenodigdheden zelf
maakten. De meeste armen hadden erg weinig bezittingen.
Er hoefde dus slechts weinig gekocht of
gemaakt te worden. Aan huisraad was er misschien
een enkele tafel, stoel of kist. Deze konden
misschien gemaakt worden uit wat oud gevonden
hout. Ook konden oude, tweedehands kleren gekocht
of overgenomen worden van vrienden of
buren. De vrouwen konden deze herstellen zodat
ze weer bruikbaar waren. Hoewel deze activiteiten
moeilijk te bewijzen zijn, is het heel aannemelijk
dat ze bestaan hebben.
Arme vrouwen in de zeventiende eeuw verkeerden
vaak in erg moeilijke omstandigheden. Zij konden
maar weinig geld verdienen en werden vaak beperkt
in hun mogelijkheden omdat zij kinderen te
verzorgen hadden. Dit betekende echter niet dat
zij alles gelaten over zich heen lieten komen. Iedere
dag opnieuw probeerden zij het uiterste te putten
uit de verschillende mogelijkheden die zich
voordeden om zo hun gezin te helpen overleven.
Noten
1. D. van der Vlis, ‘Daglonen in en rond Kampen van
1526 tot 1810’, in: Overijsselse Historische Bijdragen 96
(i98i>, 77-97, 85.
2. Gemeente Archief Zwolle (GAZ), IA 025, 246, fol.
101.
3. Een opperman is een ongeschoolde arbeider in de
bouw.
4. GAZ, IA 025, 246, fol. 85V.
5. GAZ, IA 025, 246, fol. 83V.
6. GAZ, IA 025, 246, fol. 47.
7. M. Anderson, ‘New Insights into the History of the
Family in Britain’, in: Anne Digby, Charles Feinstein
and David Jenkins, New Directions in Economie
and Social History, Volume II (Londen 1992),
125-135,132.
8. GAZ, IA 025, 246, fol. 26v.
9. GAZ, IA 025, 248, fol. 17V.
10. GAZ, IA 025, 246, fol. 38.
11. GAZ, IA 025, 246, fol. 74.
12. GAZ, IA 025, 248, fol. 36V.
13. GAZ, IA 025, 246, fol. 26. Het is waarschijnlijk dat
zij er gratis mocht wonen ook uit liefdadigheid van
de verhuurder, want zij zal nooit zoveel moeten
wieden dat zij de volledige huurprijs zou verdienen
(het wieden hoefde alleen maar in de zomer).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het oproer te Zwolle in 1580
M.L. Hansen Inleiding
In de tweede helft van de zestiende eeuw werd
de onvrede van de bewoners van de Nederlanden
over hun heer, koning Philips II, versterkt
door de opkomst van de nieuwe religie, de gereformeerde
godsdienst. De politieke tegenstanders
van de katholieke koning waren voor het meren-
De stadsplattegrond uit
1581 van Braun en Hogenberg.
Over de muur
in de Koestraat trokken
de hulptroepen uit
Kampen de stad binnen.
deel gereformeerden; hun leider was prins Willem
van Oranje. Zij noemden zich staatsgezinden, patriotten
of geuzen. Naarmate de strijd zich van
Holland uitbreidde naar het oosten, raakte Zwolle
betrokken in de opstand. De stad had zich in 1528
vrijwillig onder het gezag van de Spaanse koning
geplaatst, maar was anno 1580 niet tevreden met
haar heer. Deze had tal van maatregelen genomen
die de zelfstandigheid van Zwolle aantastten en
daarbij kwam de onderdrukking van de nieuwe
religie. De koning wenste het katholieke geloof tot
elke prijs in stand te houden en de groeiende aanhang
van de reformatorische beweging was hem
een gruwel.
De stadhouder van Overijssel diende de koninklijke
wensen in dit gewest uit te voeren. De magistraat
van Zwolle stelde zich zich zeer gematigd
op; zij wilde geen strijd tussen de aanhangers van
de beide religies.1 Zij gedoogde dat er in de kapel
van Assendorp gepreekt werd door voorgangers
van de nieuwe religie en dat eenieder brood én
wijn kon ontvangen.2 De Onze Lieve Vrouwekerk
was in december 1578 door de gereformeerden
‘mit gewelt opgeslagen’3 en het stadsbestuur ondernam
geen pogingen de gereformeerden van het
gebruik af te laten zien. De magistratem vroegen
geen toestemming aan de stadhouder voor een gereformeerd
gebruik van de kerk en de stadhouder
zou het stadsbestuur zijn eigenzinnige en tolerante
houding zeer verwijten.
Voor niet-Spaansgezinde rooms-katholieken was
de situatie bijzonder moeilijk. Het Spaanse bestuur
beschermde het katholicisme tegen het
groeiend aantal aanhangers van de nieuwe religie.
Als de macht aan de gereformeerden kwam betekende
dat niet alleen het einde van de katholieke
alleenheerschappij, maar ook onderdrukking van
de Roomse godsdienst. Nu werden de gereformeerden
nog onderdrukt, maar zij begonnen zich
steeds meer te roeren en konden zich steeds meer
permitteren. Het stadsbestuur gaf meer en meer
blijk van Staatse sympathien. Men had de Dominicanen
zelfs ‘gevraagd’ de stad te verlaten omwille
van de rust. Hun bezittingen moesten ze achterlaten.
4
Dreiging
Door al het morren werd de dreiging voor een
Spaanse bezetting erg groot. Geen van de inwoners
zat te wachten op soldaten ‘wekker baldadigheid
men niet minder te vrezen had dan van derzelver
bescherming te hopen had’. Voor een Staatse
bezetting voelde men net zo min, want ook bij
hen werd gebrek aan tucht gevreesd. Zwolle wilde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
zich daarom op eigen kracht tegen aanvallen zowel
van binnenuit als van buitenaf beschermen.
Alle mannen ouder dan 18 en jonger dan 60 jaar
werden onder de wapens geroepen, maar een katholiek
kon geen bevelhebber worden. Dat stak,
maar de katholieken durfden hun ongenoegen
niet uit te spreken totdat zij zich gesteund wisten
door de dichterbij komende troepen van Maarten
Schenck. Deze was door de hertog van Parma,
Spaans landvoogd in de Nederlanden naar Groningen
gestuurd. Toen hij in de buurt van Zwolle
kwam gaf dit de katholieken moed te protesteren.
Zij wensten hun eigen hoplieden en vaandrigs te
kiezen en zij wilden samen met de gereformeerden
de sleutel van de stadspoorten bewaren. De
magistraat gaf niet toe.5
Ook bij de gereformeerden smeulde onrust. Zij
wisten zich gesteund door invloedrijke personen
zoals de drost en de rentmeester van Salland. Een
aantal geusgezinde vrouwen en kinderen vroeg
toestemming in optocht door de stad te trekken.
De magistraat weigerde maar gaf in tweede instantie,
mogelijk uit angst voor onlusten, alsnog
toestemming.6
De uitbarsting
Op woensdag 15 juni – St.Vitusdag – om 8 uur ‘s
morgens ging het mis. Een katholiek inwoner van
Zwolle maakte een wandelingetje door de stad.
Toen hij op de markt kwam, versperden vier gereformeerde
stadsgenoten hem de weg. Zodra de
man besefte dat hij in ernst bedreigd werd en kans
liep doorstoken te worden probeerde hij zijn aanvallers
te ontwijken. Van de omstanders kwamen
er vier of vijf man te hulp. Het aantal omstanders
nam snel toe. De gemoederen werden verder opgehitst
door beledigingen en de vechtpartij liep uit
de hand. De wacht had het opstootje inmiddels in
de gaten. Gezien de gespannen sfeer in de stad was
zij bewapend. Op de markt stonden twee kleine
kanonnen die door de wacht in stelling werden
gebracht, het laden ervan duurde maar even. Onder
grote belangstelling van het inmiddels toegelopen
publiek namen zij de markt in. De gereformeerden
schaarden zich aan de kant van de
wacht. De katholieken bezetten de Diezerstraat en
de Smeden en stelden zich ook op voor een gewapende
confrontatie. De geuzen haalden wapens op
die zij verborgen hadden tussen de Waag en het
Vleeshuis op de hoek van de Luttekestraat en de
Voorstraat, vlak bij de Militaire Officierswacht. Zij
sloten de marktzijde af met wijnvaten, die men
V;AN:DER WACHT
haastig met aarde gevuld had en vuurden met een
van de kanonnen op de katholieken.7 Zij bezetten
de Michaëlskerk en het kerkhof, de Kamperpoort
en het Rode Torenplein.8
De opwinding groeide. Veel mensen liepen op
straat en riepen meer volk bijeen. De uitbarsting
drong tot de raad door en deze stuurde een af-
Onder de toenemende
Spaanse dreiging werd
ter verdediging van de
stad de ordening van de
schutterij in een reglement
vastgelegd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vaardiging van zes personen om te bemiddelen.
Het haalde niets uit. De gereformeerden namen
het standpunt in dat de algemene vijand van het
vaderland geweerd mocht worden. Ze meenden
dat de malcontenten zich versterkten met boeren
en huislieden uit Zwollerkerspel om ‘een onverzadigbare
bloeddorstigheid te blussen aan de gereformeerden.’
Zij hoorden in het tumult de stemmen
van de vijand roepen dat zij hun handen in
geuzebloed wilden wassen. Dat de katholieken de
hulp van veertien vendels knechten plus paarden
toegezonden kregen sterkte de gereformeerden in
deze overtuiging. Geen wonder dat een poging
van burgemeester Derk Bastert om de rust te herstellen
op niets uitliep. Hij werd van zijn paard getrokken.
Het paard werd onmiddellijk bestegen
door zijn aanvaller die de Sassenpoort uitreed om
de boeren uit Mastenbroek binnen te halen. Hij
poogde hen te doen geloven dat de katholieken
gewonnen hadden. De boeren geloofden hem
niet, en terecht. Ook nadat de Spaansgezinden in
de stad zich meester gemaakt hadden van de Diezerpoort
bleven de Mastenbroekers liever buiten
de stadsmuren.9
Johan Bentinck
De situatie binnen de muren van Zwolle wordt
belicht in een brief van de Zwollenaar Johan Bentinck.
Hij bezag het tumult vanuit zijn woning en
sloot voorzichtigheidshalve zijn ramen. Hij bleef
binnen zitten, ook toen hij zowel aan de voorkant
als aan de achterkant van zijn huis het rumoer
heftiger hoorde worden. Pas toen het oproer zo
hevig was dat hij zich in zijn eigen huis niet meer
veilig voelde, vluchtte hij naar het Wijnhuis. Bentinck
had de indruk dat het heimelijk gefluister
van andere gasten op hem betrekking had. Dat
maakte dat hij zich onbehaaglijk voelde; hij wilde
er weg. Samen met een oude wijnknecht ging hij
naar diens huis en daar bleven zij tot twee of drie
uur in de middag. Buiten gekomen ontmoette hij
een paar leden van de raad. Hij sprak hen aan en
verzocht hen naar het raadhuis te gaan om te bemiddelen.
Zelf ging hij, om niet in het geweld verzeild
te raken met een omweg naar huis. Hij vermeed
de markt waar de gereformeerden zich bevonden.
Thuis had hij gezelschap van enige inwoners
van Genemuiden en samen hebben ze gegeten
en ‘meer dan twee wijnen’ gedronken. Tegen
de avond toen er heel wat volk op straat liep, ging
Bentinck weer naar buiten. Enige stadsgenoten
vroegen hem een poging te wagen om een gevangene
in de Sassenpoort vrij te krijgen. De man zou
er – naar hun mening – buiten zijn schuld terecht
gekomen zijn. Bentinck zei dat hij zou gaan kijken
in de hoop de vrijlating in der minne te kunnen
schikken. Zonder ‘enich hernasch, speets, roer, off
rappier’ ging hij erop af. Of het gelukt is wordt
niet vermeld, maar het is onwaarschijnlijk. Hoewel
er op dat moment weinig mensen bij de poort
waren ondernam Bentinck een poging de rust te
herstellen.10
Hulp van buiten
Geen van de partijen gaf toe en in de late avond
was de strijd nog steeds onbeslist, al bleef men
praten om tot elkaar te komen. Zonder succes,
vermaningen hielpen niet en uitschelden voor
meinedige hielp net zo min. De gereformeerden
en de staatsgezinden, met 150 man ver in de minderheid
– 1 tegen 8 -, wisten Amsterdam te waarschuwen.
Amsterdam vroeg op haar beurt Hoorn
en Enkhuizen om bijstand. De Zwolse raad stuurde
ijlings een bode naar Deventer om hulp te vragen.
In Kampen drong het bericht door dat er ‘desen
morgen eenige twijspalt onder de burgeren
binnen Swolle erresen is.’ Aan hopman Schamplon
werd om assistentie gevraagd. Ook Hattem
bereikte een verzoek om hulp. Een vendel van 60
man uit Kampen trok naar Zwolle gevolgd door
een groep Kamper burgers. De burgers namen
evenwel een andere weg dan de soldaten. Zij reisden
via het Zalkerveer en liepen regelrecht in de
armen van boze katholieke boeren die rondom
Zwolle alle veren en passen bezet hadden. De boeren
verhinderden de Kampenaren om verder te
gaan en de Kampenaren keerden om. De boeren
achtervolgden hen, vielen aan en namen hun wapens
af. Twaalf mannen werden vermoord. Ontdaan
keerden de overlevenden terug. Een van hen
had zich weten te verbergen en bleef in Mastenbroek
achter. Hij werd de volgende dag alsnog gevangen
en vermoord. Zijn lijk werd net als dat van
de anderen in de IJssel gegooid. De Kamper soldaZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ten staken de IJssel over en trokken aan de veilige
Gelderse kant naar Hattem. Hattemse soldaten
waren de IJssel al over om het Katerveer te ontzetten.
Dat was niet zo gemakkelijk, want er kwamen
steeds meer boeren naar het Katerveer. Met schuiten
en aken stak het vendel uit Kampen snel de rivier
over, nadat nog vijftien soldaten uit Hattem
zich aangesloten hadden. Gezamenlijk werden zij
de boeren de baas en wisten zij hen te verjagen.
Toen ze uiteindelijk bij Zwolle kwamen, troffen zij
de poort gesloten, de toegang werd hun geweigerd.
Een paar mannen klommen over een laag
gedeelte van de stadsmuur en kwamen achter in
de tuin van burgemeester Johan van Haerst terecht.
Vandaar gingen ze de stad in.
De katholieken zullen van deze versterking geschrokken
zijn, maar vlak buiten de muren bevonden
zich de afgeslagen verdedigers van het Katerveer.
Katholieke vrouwen openden de Kamperpoort
en lieten 100 a 300 boeren binnen. Zij trokken
naar de markt.”
Schenck wilde met zijn leger de hulp vanuit
Deventer beletten. Hij wilde de Deventenaren de
pas afsnijden, maar op vrijdag 17 juni kwamen er
toch twee vendels staatse Deventer burgers – men
spreekt van 300 man – in Zwolle aan. De Zwollenaar
die naar Deventer was gestuurd om hulp te
vragen, werd op zijn terugreis vermoord.
Ook uit Holland was staatse hulp in aantocht. Een
paar Amsterdammers wisten in Harderwijk te vertellen
dat zij tegelijk met een vendel knechten
scheep waren gegaan. Het vendel was op weg naar
Mastenbroek of naar Zwolle. Zij hadden ook een
vendel uit Hoorn gezien en een uit Enkhuizen.
Mogelijk hebben Hoorn en Enkhuizen zich bij de
Hollanders aangesloten. In ieder geval staken twee
Hollandse vendels, bestaande uit 225 man, de IJssel
bij Oldeneel over en kwamen op 19 juni bij de
Sassenpoort de stad binnen.12 Hun komst bezegelde
het lot van de katholieke partij; zij dolf het onderspit.
Veel spaansgezinden vluchtten de stad uit.
Een wagen met schutters reed om de stad en verzamelde
geschut van de katholieken. Hun aanvoerders
werden gezocht. Hopman Ulger trok het
stadhuis in en richtte er vernielingen aan. Onder
dreiging van een getrokken pistool eiste hij van de
magistraat de sleutel van de stad. Hij kreeg zelf
nog een kogel door zijn been.13 Een twintigtal huizen
van de belangrijkste katholieken werd ‘door
de Onroomschen geplonderd’ en in brand gestoken.
Hieronder waren ook huizen waar rijke
Kampenaren hun kostbaarste bezittingen veilig
ondergebracht dachten te hebben. Door onlusten
in Kampen had menige Kampenaar zijn rijkdom
binnen Zwolle gebracht.14 Klaarblijkelijk verwachtten
zij niet dat het ook in deze stad tot plun-
Het huis van Derk Hertgers
aan de Melkmarkt
dat tijdens de opstand
werd geplunderd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
deringen zou komen. Een van de huizen die het
moest ontgelden was het huis van Derk Hertgers
aan de Melkmarkt, midden in het centrum van de
strijd. Andere slachtoffers waren onder andere de
burgemeesters Thomas Knoppert en Henrick ten
Holte en oud-burgemeester Bitter van der
Marsch.15 Ook het huis van Johan Bentinck werd
geplunderd. De St.Michaëlskerk, die tot nog toe
buiten het geweldwas gebleven, werd bestormd en
beschadigd. Op de markt staken de geuzen drie
vuren aan en verbrandden kerkelijk goed uit de
St.Michaëlskerk.16
Er kwam nog een vendel van 150 soldaten naar
Zwolle, waardoor de staatse hulp onnodig zwaar
werd en de onkosten uit de hand liepen. De bestuurders
van het gewest stelden samen met de legerleiding
een contract op, waarin geregeld werd
dat de stad Zwolle één vendel zou betalen en dat
de twee eerder gearriveerde Hollandse vendels
zouden vertrekken. Het verdrag werd ondertekend
door Joan Sloet als medebestuurder van het
gewest. Verder ondertekenden twee edelen, twee
Deventernaren en vier Zwollenaren, onder wie de
burgemeesters Johan van Haerst en Derk Bastert,
en de bevelhebbers van de vendels.17
Herstel van de orde
Men begon orde op zaken te stellen. De doden
moesten begraven worden, (er waren drie of vier
doden te betreuren aan gereformeerde zijde en vijf
of zes in het katholieke kamp),18 het puin moest
geruimd worden en de buit verdeeld. De geroofde
buit was groot en bestond uit ‘groot geldt ende
anders – waer oock veele goets mede was…’.19 Op
27 juni werd op gewestelijk niveau een aanvang
gemaakt met het herstellen van de rust.
Men zocht de oproerkraaiers en strafte hen. De
straffen varieerden van geldboetes tot verbanning.-
De schoenmaker Andries Toer werd tot
een boete van 20 goudgulden veroordeeld.21
Arend Wenmers was in de gevangenis geraakt.
Wat hij als schamel burger, altijd getrouw en gehoorzaam
verkeerd gedaan had, wordt niet nader
omschreven. Hij was zoals alle mannen ‘in die waepen
geresen’. De schade die hij blijkbaar veroorzaakt
had, zou hij nooit kunnen betalen en Beerte,
zijn vrouw en zijn kleine kinderen raakten door
zijn gevangenschap in financiële nood. In een
brief werd aan de graaf van Hollagh gevraagd bij
de magistraat te bemiddelen om Arend uit de gevangenis
te ontslaan, de zware kosten om te slaan
en zijn beroep weer te mogen uitoefenen. De graaf
nam het aangeboden werk van barmhartigheid
aan en zond de brief, voorzien van enige aantekeningen
in de marge, door naar de magistraat.
Arent Garrits, net zo’n goed en gehoorzaam burger
als de voorgaande Arend, was eveneens in de
gevangenis gekomen. Hoewel nog zeer jong had
hij op St.Vitusdag bij de regering een geweer gehaald.
Uit affectie voor het Vaderland had hij zich
in dienst van de Staten gesteld, hij kwam bij de
ruiterij. Arent had geprobeerd een kleinigheid bij
te verdienen door paarden te helpen stelen. Zijn
ritmeester ontdekte het vergrijp en klaagde hem
aan. Volgens de verdediging van Arent kwam deze
beschuldiging waarschijnlijk voort uit afgunst,
omdat hij niet voldoende buit aan zijn ritmeester
had afgestaan. Helemaal onschuldig pleiten konden
zij hem echter niet. Maar Arent had de diefstallen
niet alleen gepleegd. Bovendien had hij er
slechts een paar gulden voor zijn hulp gekregen.
De slechte uitbetaling van het soldij zou er ook
iets mee te maken hebben. Het verblijf in de gevangenis
was niet gratis en al met al was hij nu bijna
platzak. De belangrijkste reden om de jongeman
vrij te laten was het feit dat hij een burgerzoon
was; zijn voorvaderen hadden van ‘ouder op
ouder’ altijd in de stad gewoond. Het hartzeer en
de schande die zijn gevangenschap voor zijn familie
bracht wogen zwaar. Zijn verdedigers beloofden
dat er na de vrijlating van Arent geen klachten
meer over hem zouden komen.22
Bentinck was na het oproer van huis gehaald en
vastgezet. Hij ontkende dat hij vooraf iets van het
oproer geweten had. Hij benadrukte daarentegen
zijn vreedzame bemiddelingspogingen en het feit
dat hij ongewapend was geweest. Hij ontkende bij
de Sassenpoort te zijn geweest, toen de vrouwen
de boeren binnen lieten; hij had er ook niet van
geweten. Hij distancieerde zich van de opstand en
vond dat hij met de plundering van zijn huis al genoeg
gestraft was. Hij vroeg een pas om binnen en
buiten de stad Zwolle vrij te mogen reizen.23
Een stuk minder zelfbewust was Hendrick Strop.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Hij was na het oproer ondergedoken. Vijf weken
later was hij nog steeds niet terug. Op St.Vitusdag
was hij net als alle andere huislieden bij het oproer
aanwezig geweest; zonder geweer, enkel bewapend
met een stok met een ijzeren punt. Wellicht had
ook hij last van dronkenschap of anders van onwetendheid
of onbesuisdheid. Mogelijk had hij
enige onbehoorlijke woorden gesproken, aldus
een litanie van excuses van zijn vrouw Jannetgen.
Zij vroeg aan de raad of hij net als anderen weer
ongehinderd thuis mocht komen om zijn werk als
‘dijcker en damer’ te hervatten. Een matige geldboete
werd door haar bij voorbaat geaccepteerd.24
Claess van Groeningen, Derrick Wielmaecker en
de priester Gerrijt Venneman werden voor ‘jaer
ende dach’ uit de stad verbannen en Liefert Becker
mocht ‘ten ewigen daege’ niet meer terugkomen.25
In de decembermaand volgend op het oproer nam
men scherpe maatregelen tegen de mensen die
nog bij de vijand waren. Was een man nog bij de
vijand dan moest zijn vrouw binnen acht dagen
de stad verlaten met achterlating van goederen.
Ook bannelingen verbeurden hun goed aan de
stad. De stad nam het recht om over katholieke
goederen te beschikken. Nog in het jaar 1580 werden
een drietal vicariën openbaar verkocht.26
Hoewel het nog drie jaar zou duren voordat de
hervormde religie de openbare en enig toegestane
religie werd,27 kregen de malcontenten steeds
meer reden tot ontevredenheid. De onderdrukking
van de rooms-katholieke godsdienst door de
gereformeerden was begonnen.
Noten
1. S. Elte, ‘Bescheiden betreffende de hervorming in
Zwolle’, in: Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch
Genootschap, 8 ‘1937’, 57.
2. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle,
Zwolle 1773, dl.3, 24.
3. W. Nagge, Historie van Overijssel, Zwolle 1908, dl.2,
318 en F. van der Pol, De reformatie te Kampen,
Kampen 1990, 246.
4. Elte, ‘Bescheiden’, 129.
5. [G. Dumbar], Hedendaagse Historie […], Amsterdam
etc. 1801, dl.3, 453-454-
6. Van Hattum, Geschiedenissen, 197; Rijks Archief
Overijssel (RAO), Handschriften verzameling Vereniging
Overijssels Recht en Geschiedenis, inv. nr.
909.
7. H. Hooft Graafland, Kronijk van het Historisch gezelschap
te Utrecht 4 (1848), 107-112.
8. Van Hattum, Geschiedenissen, 197.
9. Hooft Graafland, Kronijk, 109; Van Hattum, Geschiedenissen,
197.
10. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), inv.nr. AAZ01-
05354. Rekwesten, inhoudende gratieverzoeken voor
degenen die bij de opstand van de burgerij tegen de
stadsregering op 15 juni 1580 gevangen zijn genomen.
11. Hooft Graafland. Kronijk, 110-111; Van Hattum, Geschiedenissen,
197; Van der Pol, Reformatie, 299-300.
12. Van Hattum, Geschiedenissen, 201-203; Hooft Graafland,
Kronijk, 111.
13. Hooft Graafland, Kronijk, 111; RAO, HSS VMORG,
inv. nr. 909.
14. Dumbar, Hedendaagse Historie, 344.
15. DJ. de Vries, Bouwen in de late middeleeuwen. Stedelijke
architectuur in het voormalig Over- en Nedersticht,
Utrecht 1994, 283 en 289.
16. RAO, HSS VMORG, inv. nr. 909.
17. Van Hattum, Geschiedenissen, 203-204.
18. Hooft Graafland, Kronijk, 111.
19. De Vries, Bouwen, 283.
20. Van Hattum, Geschiedenissen, 210-211 en 250-251.
21. Elte, ‘Bescheiden’, 129.
22. GAZ, inv.nr. AAZ01-05354.
23. Idem.
24. Idem.
25. Hooft Graafland, Kronijk, 129-130.
26. Van Hattum, Geschiedenissen, 209-211.
27. Dumbar, Hedendaagse Historie, 452 e.v.
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee overzijden worden buren
Wim Huijsmans en
Johan Seekles
Inleiding
De komende jaren wordt er hard gewerkt
aan de bouw van een nieuw stadsdeel,
Stadshagen. Om Stadshagen makkelijk te
Detail van een kaart
van het gebied tussen
Zwolle en Hasselt, getekend
door Abraham
Hanselaar in 1764. Boven
het Rot is de kalkoven
aan het Zwarte
Water getekend, aan de
overzijde van de rivier
ligt de Klooienberg
(Clojenberg). De molen
aan het Zwarte Water
is de houtzaagmolen
‘het Fortuin’, afgebroken
in 1917. (GAZ, foto:
J. Otten, 1996).
bereiken worden over het Zwarte Water twee
bruggen gebouwd, de Mastenbroekerbrug én de
Twistvlietbrug. Nieuwe bruggen, oude namen. In
dit artikel zullen we wat dieper ingaan op de
naamgeving van één van die bruggen, namelijk de
Twistvlietbrug.
De Kalkovens
De naam Twistvlietbrug is ontleend aan de buitenplaats
Twistvliet die gelegen was op de westoever
van het Zwarte Water ten zuiden van het huidige
Zwolle-IJsselkanaal. Op dat terrein staan nu
de bedrijfsgebouwen van de Stichtse Houthandel
(Stiho BV), voorheen houthandel Eindhoven en
Zoon. In de achttiende eeuw stond ter plekke een
‘buitengoed’ dat toen voorkwam onder de naam
De Kalkovens. Het was in 1750 eigendom van de
familie Nauta.1 Deze naam is afgeleid van de activiteiten
die daar toen plaatsvonden, namelijk het
verbranden van schelpen tot kalk. Dat moest vanwege
het lessen steeds gebeuren in de nabijheid
van water. Mensen die het zich konden permitteren
lieten in de zeventiende en achttiende eeuw
vaak op mooie plekjes aan het water of in een bosrijke
omgeving een tweede huis bouwen. De
prachtige buitenplaatsen aan de Hollandse Vecht,
gebouwd in opdracht van rijke Amsterdamse
kooplieden, zijn daar een bekend voorbeeld van.
Ook in Overijssel vond deze trend navolging. Tal
van verpachte boerenerven, ook wel spijkers genaamd,
werden door de eigenaar vertimmerd en
omgevormd tot prachtige buitenplaatsen. In de
zomer bracht de eigenaar van zo’n buitenplaats
zijn tijd door op het platteland, in de winter
woonde hij in de stad. Tot deze categorie buitenplaatsen
behoren in de omgeving van Zwolle bijvoorbeeld
Zandhove, Boswijk, Schellerberg en De
Horte.
Twistvliet
De naam Twistvliet komt voor het eerst voor in
een akte van 17 mei 1800.2 Het goed wordt dan
aangeduid als een buitenplaats, eigendom van
Willem Lodewijk van der Upwich, die in Kampen
ontvanger van de domeinen en lid van het stadsbestuur
was. Hij had de buitenplaats met twee
kalkovens aan het Zwarte Water op 19 augustus
1793 bij een openbare verkoop aangekocht van de
erfgenamen van Dr. H. Hubert voor 14.300 gulden.
3 Op 25 maart 1794 vond de overdracht
plaats.4 Ondanks de hoge aankoopsom hoefde hij
slechts een hypotheek te nemen van 1400 gulden
tegen 3,75 % rente per jaar.5
Kort na aankoop verzocht hij het stadsbestuur van
Zwolle om de brug over de trekvaart naar KamZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
pen te verbeteren omdat er ‘geene passagie van rijtuig
en paarden’ mogelijk was. De brug was te
smal en zijn buitenplaats was daardoor per rijtuig
onbereikbaar. Ongeveer vijftien jaar eerder, toen
Dr. Hubert nog eigenaar van de Kalkovens was,
was immers met het stadsbestuur de afspraak gemaakt
dat de stad de bruggen over de trekvaart
zou onderhouden. Afgesproken werd nu dat de
stad voor zo weinig mogelijk geld een op- en afrit
zou maken.6
Willem Lodewijk van der Upwich gaf de naam
Twistvliet aan deze buitenplaats. Toen hij in 1794
eigenaar werd, was er in de akte nog sprake van
naam. Vanaf 1800 werd de buitenplaats enkel en
alleen nog maar aangeduid als Twistvliet.
Twistvliet in de 19e en 20e eeuw
Op 4 januari 1804 werd Twistvliet verkocht.7 De
nieuwe eigenaar was jonkvrouwe Maria Cornelia
Spiering, geboren in 1751, rentenierse en dochter
van een kolonel. Zij nam haar intrek op Twistvliet
en woonde er permanent. Bijna vijftien jaar heeft
zij mogen genieten van haar mooie stulpje. De bekende
Zwolse schilder Derk Jan van der Laan was
gehuwd met haar zuster.8
Rhijnvis Feith was met haar bevriend. In één van
De Kalkovens. Waarom hij de naam Twistvliet
gaf, is niet bekend. Waarschijnlijk vond hij de
naam de Kalkovens voor deze behuizing te boers,
nadat hij het huis had laten vertimmeren en de allure
gegeven had van een riante buitenplaats. Zo’n
huis moest toch voorzien zijn van een klinkende
zijn brieven noemde hij haar ‘mijn oudste vriendin’.
9 Het ligt voor de hand te veronderstellen dat
Twistvliet zich aan het begin van de negentiende
eeuw tot een cultureel trefcentrum ontwikkeld
heeft waar over kunst, politiek en literatuur gesproken
én waar de penseel gehanteerd werd.
Twistvliet met grote
tuin aan het Zwarte
Water. Copie van de
kadastrale minuutplan,
ca. 1830. (GAZ).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twistvliet aan het
Zwarte Water op het
bedrijventerrein van de
houthandel Eindhoven
en Zn. Rechts het Zwolle-
IJsselkanaal in aanleg,
ca. 1962.
Op 19 juni 1818 verscheen de volgende advertentie
in de Overijsselsche en Zwolsche Courant:
‘Op den 14 Julij 1818 zal op het Stads Wijnhuis te
Zwolle ten overstaan van den openbaar Notaris
Mr. L.H.C. Nilant worden ingezet en op den 28
dier maand publiek verkocht worden :
“Een buitenplaats Twistvliet genaamd, gelegen onder
de jurisdictie der stad Zwolle, ruim een kwarmorgen.
De nieuwe eigenaar van Twistvliet werd Lucas
Reuvekamp, landbouwer te Dieze. Voor de fraaie
buitenplaats betaalde hij de som van 6800 gulden.
10 Of hij daar werkelijk ook gewoond heeft, is
zeer onwaarschijnlijk. Voor de hand ligt dat hij als
stroman de buitenplaats heeft aangekocht en wel
voor Lambert Eindhoven.
tier buiten de stad aan het Swarte Water en aan
het jaagpad van Zwolle op Kampen, hebbende een
alleraangenaamst uitzigt, en bestaande in een huis,
waarin verscheidene behangen kamers en alle verdere
mogelijke commoditeiten, koetshuizen, stalling
voor 4 paarden, tuinmans woning, ruime
tuin, voorzien van broei- en trekkasten en met de
beste vruchtboomen bepland, aangename en lommerijke
wandelingen; met schone eiken en beuken
boomen bepland, en met allerhande uitheemsche
gewassen voorzien; vischrijke vijvers, hebbende
voorts alle vereischten, die het buitenleven kunnen
veraangenamen, te zamen groot ruim vier
Houthandel
De Blokzijlse houthandelaar Lambert Eindhoven
vestigde zich in 1825 te Zwolle. Eindhoven zocht
naar nieuwe mogelijkheden om zijn door brand
verwoeste houthandel in Zwolle voort te zetten. 1
maart 1825 was voor hem een belangrijke dag. Op
die dag legde hij op de buitenplaats Twistvliet, die
met het omliggende terrein zeven hectares groot
was, de eerste steen voor een windhoutzaagmolen.
Deze handeling vormde het begin van de handelsactiviteiten
van de houthandel Eindhoven en
Zoon.
Gedurende 75 jaar vormde de buitenplaats TwistZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
vliet het sociale middelpunt van een zakelijk familie-
imperium. Leden van de familie Eindhoven
bleven tot 1890 aan het bedrijf verbonden. In dat
jaar verkocht Jacob Eindhoven het bedrijf aan zijn
neef Lambertus de Vries. Ruim zeven jaar (1897)
later verwierf De Vries ook de buitenplaats Twistvliet.
Op 27 december 1900 vond de oprichting plaats
van de NV. Houthandel voorheen Eindhoven en
zoon. De Vries bracht de volgende goederen in:
een stoomhoutzaagmolen met bijgelegen kantoor,
loodsen en verdere gebouwtjes, een herenhuis met
erf en tuin en tot slot het vroegere buitenverblijf,
genaamd Twistvliet, met zaagmolen, tuin, groenland
en bomen.
Op het terrein van het landgoed Twistvliet stonden
rond 1950 verschillende gebouwen. Naast de
windhoutzaagmolen bevonden zich op het terrein
twee houtloodsen, een bergplaats, een wagenloods,
een paardestal met koetshuis en koetsiersof
arbeiderswoning, alsmede het oorspronkelijk
landhuis ‘Twistvliet’. Het landhuis was toen al zo
vertimmerd dat er drie gezinnen in konden wonen.”
De koetsiers- of arbeiderswoning is het langst be- *
woond geweest. Thans zijn van dat huis en de wagenloods
nog slechts ruïnes overgebleven. Het
oorspronkelijk landhuis werd zeker nog tot in de
jaren vijftig door gezinnen van medewerkers, onder
wie de procuratiehouder en de vertegenwoordiger,
bewoond. Het is rond 1963 afgebroken om
plaats te maken voor een uitbreiding van de houtloods.
De vijver en de boomgaard zijn verdwenen.
De oorspronkelijke lanenstructuur is nog enigzins
te herkennen. Tegenwoordig zijn in het terrein
nog slechts schamele restanten te vinden, die getuigen
van het buitenplaatsachtige verleden.12
Technische details
Mastenbroekerbrug
type
materiaal
breedte
hoogte
lengte
breedte
* beweegbaar deel
* vast deel
bouwkosten
tuibrug
beton
17 m
50 m
195 m
16,5 m
50 m
±15 milj.
Twistvlietbrug
tuibrug
beton
12 m
32 m
180 m
20 m
50 m
±15 milj.
Noten
1. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), inv.nr. RA001-623,
p. 110-113.
2. GAZ, Transportregister, inv.nr. RA001-57, p. 253.
3. GAZ, Register van Aangifte voor de 50e penning,
inv.nr. AAZ01-04259, p. 99.
4. GAZ, Transportregister, inv.nr. RA001-55, p. 482.
5. GAZ, Transportregister, inv.nr. RA001-55, p. 489.
6. GAZ, Resolutie Schepenen en Raden dd. 27 maart
1794, inv.nr. AAZ01-098, p. 150-152.
7. GAZ, Transportregister, inv.nr. RA001-58, p. 208.
8. J.C. Streng, De Zwolse kunstschilder Derk Jan van
der Laan (1759-1829), (Zwolle 1990), p. 8 en 9.
9. J.C. Streng (ed.) De correspondentie van Rhijnvis
Feith (1753-1824), (Epe 1994), brief nr. 164.
10. GAZ, Notaris Nilant, inv.nr. NA001-764, aktenrs.
238 en 249.
11. De gegevens voor deze paragraaf zijn ontleend aan
de historische inleiding op het archief van de NV.
Houthandel Eindhoven en Zn (1900-1971), dat onder
nummer BA028 in het depot van het Gemeentearchief
Zwolle berust.
12. Deze bevindingen werden geconstateerd tijdens een
bezoek dat de auteurs aan het terrein brachten in
november 1995.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
‘Heil U! Zwolle’s edle spruit’
De terugkeer van kardinaal Van Rossum in zijn geboortestad
Kees Ribbens Op 8 september 1880 droeg een jonge priester
zijn eerste mis op in Zwolle.’ De toenmalige
Sint Michaëlskerk op de hoek van
de Nieuwstraat en de Rozemarijnstraat, nu het
Sint Josephgebouw, vormde het beginpunt van
een indrukwekkende kerkelijke loopbaan. De
jeugdige redemptorist, een zekere pater Van Rossum,
klom uiteindelijk op tot de rang van kardinaal.
Jarenlang was hij de trots van alle katholieken
in zijn geboortestad.
handtekening van
Wilhelmus Marinus
van Rossum.
Na zijn overlijden kreeg katholiek Zwolle in 1933
de kardinaalshoed die hij in november 1911 uit
handen van paus Pius X had ontvangen. Onder
grote belangstelling werd de breedgerande rode
hoed samen met het kardinaalskruis en het wapen
van de overleden priester aan een pilaar in de
nieuwe parochiekerk van de heilige Michaël geplaatst.
Tijdens deze plechtige bijeenkomst werd
het woord gevoerd door pater dr. J. Drehmanns
C.ss.R., de particulier secretaris van de kardinaal.
Hij sprak onder meer over de installatie van Van
Rossum als kardinaal en liet de toehoorders weten
hoe dierbaar Zwolle voor hem was geweest. Diens
hoed, zo zei Drehmanns, was een praktisch symbool
voor de Zwolse katholieken. Onder verwijzing
naar die andere beroemde Zwolse christen,
Thomas a Kempis, verklaarde de voormalige secretaris
dat de kardinaal de gelovigen met zijn
hoed aanspoorde tot navolging van zijn voorbeeld:
‘Volgt mij na in de gelijkvormigheid met
Christus’.2
De band tussen kardinaal Van Rossum en zijn geboortestad
werd door de plaatsing van dit aandenken
tastbaar vereeuwigd. In september 1954 werd
dit nogmaals bevestigd door de onthulling van een
gedenksteen in het voormalige katholieke weeshuis
aan de Bitterstraat.3 Hoe sterk die band was
en welke motieven -behalve plaatselijke trots –
daarachter schuilgingen, was echter al eerder gebleken.
Dat gebeurde in 1913 toen Van Rossum
voor het eerst in zijn hoedanigheid van kardinaal
het vaderland bezocht. Dat bezoek van deze Zwollenaar
staat in dit artikel centraal.
Levensloop
Wilhelmus Marinus van Rossum werd op 3 september
1854 geboren in de Hagelsteeg als zoon van
Johannes van Rossum en Hendrika Veldwillems.
Grootvader Jacobus van Rossum was in het begin
van de negentiende eeuw vanuit Emmerich naar
de Overijsselse hoofdstad getrokken. Hier verdiende
hij, evenals zijn zoon na hem zou doen,
een bescheiden inkomen in zijn eigen kuiperij.4
Deze kleine zelfstandigen woonden in een overwegend
protestantse gemeenschap, die Zwolle in
het midden van de negentiende eeuw was. De katholieken
vormden ongeveer een kwart van de bevolking.
Ze waren verdeeld over enkele staties
zonder vaste grenzen, voorlopers van de later afgebakende
parochies. De gelovigen

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 3

Door | 1996, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
P R I J S F 9 , 5 O
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Waislraal en Vijfhoek
Gemeente
Zwolle
archief
IFIDFKI = z ^
; Ansichtkaart Walstraat en Vijfhoek,
poststempel 16-91910
” Beste Mevrouw,
Na een voorspoedige tocht kwam ik hier aan. De
wind had ik meest schuin op zij. Enkele keer bij de
kromming van den dijk of weg van voren, dus nogal
goed gegaan. Van Windesheim tot Zwolle kreeg ik
gezelschap van A. Wil U Mijnheer van mij groeten
en vooral door UW U toegenegen Tanna [?]”.
Een ansichtkaart uit 1910, met de beschrijving
van een (sportieve?) fietstocht over de IJsseldijk
van Deventer naar Zwolle, ongeveer
30 km.
De daarbij (willekeurig) gekozen kaart betreft
een afbeelding van de hoek Walstraat / Vijfhoek,
een nog herkenbaar punt in Zwolle. Weliswaar
werd het witte huis midden op de voorgrond,
Walstraat 45, in 1932 ingrijpend verbouwd. Er
werd een etage aan toegevoegd en het geheel werd
in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken,
zoals heden ten dage nog duidelijk te zien is.
In dit pand was van 1935 tot 1972 sigarenmagazijn
“De Vijfhoek” gevestigd, 34 jaar lang gedreven
door de heer T. Otterman.
Daarna huisvestte het drie jaar lang een antiquariaat;
vervolgens, meegesleept in de algehele
achteruitgang van dit stukje binnenstad in de
jaren ’70, vormde het van 1975 tot 1990 een onderkomen
voor een sexshop.
Inmiddels is het aanzien van dit stadsbeeld,
ook na de renovatie van het aangrenzende Gasthuisplein,
weer aanmerkelijk hersteld. Ook Walstraat
45 ging daarin mee, het huisvestte de laatste
jaren een uitzendbureau.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
In het merendeel van de artikelen in deze aflevering
komt het ingrijpen van het stadsbestuur,
of juist het achterwege blijven daarvan,
aan de orde. De katholieken mochten na de
opstand die in 1580 tegen de Spanjaarden uitbrak,
hun religie niet meer openlijk belijden en kloostergemeenschappen
werden verboden. Enkele
katholieken richtten ruimten in hun huizen in
voor het gebruik als kerk. Vrouwen die niet meer
in het klooster konden treden vormden kloppengemeenschappen.
M.L. Hansen beschrijft wie in
Zwolle tot deze groep behoorden, waar zij diensten
hielden en hoe de stedelijke overheid met
deze ‘papen’ omging.
De stad Zwolle komt er minder goed afin het
artikel van Jeanine Otten. Uit een reisverslag van
de Duitse broers Von Uffenbach blijkt dat zij zeer
teleurgesteld waren over de toestand die zij aantroffen:
de straten waren vies, smal en slecht, en
ook de huizen waren vies. Wel waren zij opgetogen
over de twee bijzondere kunstcollecties die zij
aantroffen. Jan Louwen beschrijft hoe direct na de
bevrijding van zijn Zwolle zijn leerschool als journalist
van start ging, een moeilijke maar leerzame
periode.
Het Stedelijk Museum Zwolle bergt talrijke
kleine schatten. Een hiervan, een theebusje, wordt
door Lydie van Dijk beschreven.
Het heffen van belasting is altijd een manier
geweest om de stedelijke inkomsten te vergroten.
Dat in de achttiende eeuw dit zelfs op pruiken en
kapsels werd toegepast, is te lezen in het artikel
van J.C. Streng.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
De klopjes Van fatsoen’ in Zwolle M.L. Hansen
Schone kunst in vieze huizen :
het bezoek van de gebroeders Von Uffenbach
aan Zwolle gedurende 2 tot 5 mei 1710 Jeanine Otten
Leerling-journalist in 1945 Jan Louwen
Bijzonder theebusje van Zwolse zilversmid Lydie van Dijk
Belastingperikelen over pruiken en kapsels J.C. Streng
Literatuur Marieke Schaap-Steegmans
Mededelingen
Agenda
Auteurs
74
76
86
94
97
99
102
103
105
107
Omslag: Schilderij door Hendrick ten Oever (1639-1716), 1691, in de Grote of
Michaëlskerk.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De klopjes Van fatsoen5 in Zwolle
M.L. Hansen Het katholicisme na de opstand
De opstand van de aanhangers van de nieuwe
religie, de gereformeerden genoemd,
tegen de katholieken brak in Zwolle op
15 juni 1580 uit. Nadat de strijd gestreden was werd
de gereformeerde godsdienst de enig toegestane
religie. De ommezwaai van katholiek naar gereformeerd
mag vrij plotseling lijken, van de bevolking
bleef een groot deel nog geruime tijd katholiek.
Allengs werd voor hen het leven zwaarder. Zij
zagen zich gedwongen in hun huizen ruimten in
te richten die als kerk konden dienen en onderling
waren de huizen rondom een kerk in het geheim
met elkaar verbonden. Al die katholieke slimmigheid
werd door de gereformeerden met lede ogen
aangezien. Een predikant luchtte zijn hart aldus:
‘Dat vuyle Papen-nest, daer huys aen huys
geknoopt
‘Dat Roomsch-Maraensch krioel door holen
t’samen loopt.1
De klopjes
Met het verbod op de uitoefening van de katholieke
religie waren ook de kloostergemeenschappen
verboden. Vrouwen die eigenlijk tot een klooster
hadden willen toetreden maar dit door de
omstandigheden niet konden, vormden een kloppengemeenschap.
Er waren ook mannelijke kloppen,
zij waren echter ver in de minderheid. De
naam ‘clop’ was niet nieuw. In het begin van de
zestiende eeuw komt de naam al voor in een verhaal
en in een rechtszaak.2 De herkomst van de
naam ‘clop’ is onbekend, al zijn er diverse suggesties
gedaan. Het woord zou afkomstig zijn van
[aan-]kloppend bedelen, maar klopjes bedelden
niet. Een andere suggestie was dat het woord afgeleid
was van het kloppend rondgaan langs de huizen
om te laten weten dat er een Heilige Mis opgedragen
zou worden. In het begin van de zestiende
eeuw was daarvoor echter geen enkele noodzaak,
omdat het katholicisme toen de normaalste zaak
van de wereld was. Een derde wel zeer onwaarschijnlijke
verklaring is het aankloppen van de
klopjes aan de hemelpoort. Het woord zou ook als
scheldnaam beschouwd zijn, maar de pastoor van
Zwolle sprak vol waardering van ‘mijn kloppen’,
zodat de naam op zijn minst een dubbele betekenis
gehad moet hebben. De klopjes werden met
diverse namen aangeduid: kloppen, klopsusteren,
kwezels, huysbagijnen, klopbagijnen en geestelijke
dochters. George Rataller Doubleth noemde hen
Jesuitessen en Jacob Cats sprak van Heremytersen.
Er bestond geen vaste, uniforme leefregel die
voor alle kloppen geldig was, zoals dat bij kloosterlingen
het geval was.
Een klop stelde zich onder de leiding van een
overste of biechtvader en hem had het klopje te
gehoorzamen. Een oudere klop kon tot geestelijk
moeder aangesteld worden over een jong klopje
en een grotere groep kloppen kon een ‘moeder’
tot leidster hebben. Maar ook zij had uiteindelijk
te gehoorzamen aan haar overste.3 De klopjes
waren de priesters behulpzaam bij hun taken, zij
verzorgden de kerkruimte, bezochten zieken en
stervenden, legden doden af en waakten bij hen.
Bij de bouw van een kerkelijk onderkomen in
Zwolle werd het klopje Catharina van Voorst door
de priesterlijke bouwheer tot opzichter over de
arbeiders aangesteld en zij betaalde hen ook uit.
De pastoor van Zwolle vond dit waarachtig geen
kloppenwerk.4
Het algemeen streven van kloppen is op schrift
gesteld in ‘De onderwijzingen voor de Geestelijke
Dochters’:
Weest Magdalena in de Kerk,
’t Huys Martha, neirstig in het werk,
Leeft eeniglijk met Barbara,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
in suyverheyt met Agatha,
Vermaeckt u met Cecilia,
In liefde met Theresia,
Met Clara gij de weirelt haet,
Met Agnes gij de zonden laet,
Met lijden van den Heer beschreydt,
Met Catharin’ in bitterheyt.
Met Thecla staeg Gods woordt aenhoort,
Dus gaet gij vlugs in deugden voort.
Den achterklap met Paula vliet,
Zoo heeft de weirelt in u niet.5
De dreigende pogingen tot opheffing van de kloppengemeenschappen
waren uiteraard te verwachten
van de kant van de gereformeerden en de regeringen,
maar ook van katholieke zijde kwam verzet.
De kerk van Rome had het niet begrepen op
organisaties die zich onttrokken aan het algemene
kerkelijk gezag. De paus verbood de vorming van
een leken-gemeenschap – in 1631 verbood paus
Urbanus vm de stichting van de Jezuitessen van
Engelse Mary Ward – maar het geven van onderwijs
was niet bij het verbod inbegrepen. Het
onderwijs dat de kloppen gaven wist Rome wel te
waarderen. De Staten-Generaal deelden die
mening. In het plakaat van 1641 werd het aan kloppen
verboden godsdienstonderricht te geven,
maar het geven van ander onderwijs werd niet
verboden. In Culemborg was een kostschool
gevestigd, waar twee of drie kloppen les gaven aan
meisjes, uit het hele land afkomstig. De leerlingen
kwamen onder andere uit Amsterdam, Zwolle,
Nijmegen, Friesland en Brussel. Zij betaalden
kostgeld dat verhoogd werd als er sprake was van
‘een camerken’ en van ‘besonder licht’, en dat verlaagd
werd als de leerlinge haar eigen servetten
meebracht. Twee zusjes brachten hun eigen verzorgster
mee. Clavecimbel-lessen werden apart in
rekening gebracht en werden gegeven door de
muziekmeester die aan de school verbonden was.
Hij leerde hen ook Gregoriaans. Het leren van de
Franse taal bij mademoiselle Amande in de buitenschool
was het doel van de wat oudere leerlingen.
6 Maar de meeste kloppenscholen waren
kleinschaliger. De kloppen leerden de meisjes
behalve handwerken ook lezen en schrijven en zij
deden hun best de meisjes geestelijk te vormen
met catechismuslessen. Ondanks het feit dat in
1649 geklaagd werd dat ‘onder pretext van nayen
en hantwercken, de jonghe kinderen de gronden
des Pausdoms te leeren en haer vergift die teere
gemoederen in te scherpen’ gingen ook kinderen
van gereformeerde ouders naar de kloppenscholen.
7 Dat pleit voor de kwaliteit van het gegeven
onderwijs maar voor de magistraat was het een
reden te meer zich tegen de scholen te verzetten.
Circa 1671 brachten Zwolse magistraten en predikanten
een bezoek aan de katholieke naaisters, en
zeiden haar ‘dat se voortaen geen kinderen sullen
leeren naeijen ofte speltwercken’ op straffe van
een boete van 10 goudgulden.8
De kloppen hadden geen uniforme kleding. In het
algemeen gold dat zij zeer eenvoudig gekleed
waren in zwart laken of linnen, zonder versierselen.
Geen dure stoffen zoals fluweel en zijde. Tijdens
het gebed droeg de klop een hoofddoek. De
dagelijkse hoofdbedekking bestond meestal uit
een zwarte kap met twee slippen of uit een ongesteven
doekje, niet te ‘besteecken met veel spelde –
kens’ noch zo op te zetten alsof ‘daer de vogelen in
nestelen souden’. Om minder op te vallen en om
veiliger te kunnen reizen wilde men ook in ‘waereldlijke
kleederen’ gaan, waar de gereformeerden
tegen protesteerden omdat zij het kwaad wilden
herkennen. Maar ‘heur bysonder kleed’ beviel hen
net zo min.9
Is ’t niet een arme saek en jammerlijke schand,
Dat wij se hier noch sien in onse steen en land?
Ja, dat ze ons alhier gestadig en met hoopen
Met heur bysonder kleed op straet op ’t lijf
noch loopen,
Tot smaed van onse leer; tot schand van onsen
Staet;
Tot smert van Godes Kerk en spijt van onsen
Raed?
En sal ’t noch langer sijn, dat dese snoode sielen
In onse Stad wel meest van alle plaetzen krielen?
10
Hoezeer de kloppengemeenschappen hun best
deden om eenvoudig en nederig te zijn, het
wereldse standsverschil was niet volledig verdweZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nen. De klopjes ‘van fatsoen’ waren dochters van
rijkere families, zij waren beter geschoold en hadden
meer invloed via hun familieleden die hoge
maatschappelijke posities bekleedden. Zij kleedden
zich beter dan de kloppen van mindere komaf
en als het klopje van fatsoen ook de kerkruimte ter
beschikking stelde had zij inspraak bij belangrijke
beslissingen zoals de benoeming van een nieuwe
priester. Waar minder rijke kloppen in haar eigen
onderhoud voorzagen door een handwerk of door
uit werken te gaan, leefde een rijke klop van haar
bezit. Een welgestelde vrouw bleef nadat zij een
klopje geworden was, de beschikking houden over
haar eigendommen. Tot in de kerkruimte drong
het standsverschil door. De rijke klop had meer
tijd om te bidden. Een oud geworden klopje dat
niet meer kon werken, was ‘van de eerste en leste
op de kercke, alsof sij een rijke maecht geweest
had’. Een ander wist zo goed haar gebed met het
werk te verenigen, dat zij was ‘als doende bijnae als
de rijkste maechden’. Het standsverschil was ook
zichtbaar in de zitplaatsen in de kerk, de ‘ghemene
Het wapen van de belangrijke roomskatholieke
familie Van Twenhuyzen
(foto: Stedelijk Museum Zwolle).
maechd’ had er een ‘ghemeene plaets’. Zelfs na het
leven was er verschil. Een klop kreeg van een van
haar rijkere medezusters een begrafenis ‘alsof ‘t
een rijcke maecht’ was geweest.”
De Zwolse klopjes van fatsoen en hun familie
Invloedrijke katholieke families in Zwolle
bekleedden na de opstand steeds minder belangrijke
openbare ambten. Maar daarmee was het
met hun invloed niet geheel en al gedaan. Zij konden
nog steeds bogen op aanzien en respect. In de
Michalskerk, de begraafplaats van de betere standen,
konden zij onveranderd hun grafplaats
kopen. Belangrijke Zwolse katholieke families
waren Waeijer, Knoppert en Van Doetinchem. De
katholieke en zeer rijke familie Van Twenhuysen
trad nogal eens op als beschermers van hun
geloofsgenoten en waren als het nodig was gul van
geven. De families waren onderling door huwelijken
verbonden.
Johanna van Oostendorp ( ? -1636), weduwe
van jonker Lubbert van Vilsteren, was gedurende
vele jaren een grote hulp voor de katholieke kerk,
hoewel zij nergens een klopje genoemd wordt.
Haar huisgenoot Volquerus Herckinge (1586-
1662), vicaris van Overijssel, Groningen en Friesland,
had 25.000 gulden bij de weduwe Van Vilsteren
gedeponeerd, waarvoor zij haar huis op de
hoek van de Koestraat en de Praubstraat, aan zijn
statie zou nalaten, hetgeen zij deed. Er rees verzet
tegen het testament. Het waren de Jezuieten en
mogelijk ook haar zoon Gerard die zich niet met
de laatste wilsbeschikking konden verenigen. Het
werd een langdurig proces. Uiteindelijk mochten
de Jezuieten in het huis wonen,l2 dat op naam van
Gerard van Vilsteren stond. Herckinge moest
door het conflict het huis waar hij veertien jaren
gewoond had verlaten en hij vond onderdak in de
Bitterstraat, bij Sophia van Sweersen ( ? -1670),
weduwe van jonker Van Sweersen. Zij was tot de
dood van Herckinge zijn klop.
Als iemand nergens expliciet als klop vermeld
wordt, is het moeilijk uit te maken of zij een klop
was of niet. Dit probleem speelt bij de weduwe
Van Vilsteren die, gezien haar steun aan de katholieke
kerk, een klop genoemd zou kunnen worden.
Datzelfde geldt voor Anna van Haerst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
(ca.1555-1639). Zij was een dochter van Johan van
Haerst, gedurende vele jaren een belangrijk magistraatvan
Zwolle. Zij trouwde met Emmanuel van
Twenhuysen en zij liet per testament huizen na,
niet te gebruiken als statie maar als tehuis voor
alleenstaande vrouwen: de Emmanuelshuizen.
Een jaar voor haar dood had zij twee huizen in de
Praubstraat gekocht,13 waarschijnlijk met dit liefdadige
doel voor ogen. Haar kleding is voor een
adellijke vrouw eenvoudig.
Een zeer belangrijke Zwolse klop van fatsoen
was Johanna van Haersolte (ca.1590-1670). Zij was
een dochter van Johan van Haersolte tot de Leemcule
en van Geertruit Knoppert. Haar beide zusters
Margaretha ( ? – na 1633) en Alegonda
(? – ?) waren ook geestelijke dochters, klopjes dus.
Jonkvrouwe van Haersolte woonde omstreeks
1629 in de Koestraat. Samen met haar zus Margaretha
kocht zij vier jaar later nog twee woningen in
de Koestraat, waarvan er één ten dienste stond van
de Jezuieten.14 De Haersoltes waren een familie
met veel invloed en macht. Onder hen waren de
drost en de rentmeester van Salland en de schout
te vinden en zij waren goed vertegenwoordigd in
de ridderschap van Overijssel en in de magistraat
van Zwolle. Johanna’s neef, de Zwolse magistraat
Jan van Haersolte was een fanatiek vervolger van
katholieken. Hij liet – rond 1600 – priester Johannes
Waeijer oppakken, gevangen nemen en vervolgens
verbannen. De voorspraak van enige
mede raadsvrienden mocht niet baten. Een van
hen was nota bene zijn oom Thomas Knoppert ‘de
Jonge’, die een invloedrijk katholiek in de raad
genoemd wordt.
De familie Knoppert is nagenoeg geheel
katholiek gebleven en kent enige kloppen. Johanna
Knoppert (ca.1605- ? ), dochter van Thomas
Knoppert ‘de Oude’ en van Elisabeth van Ulenbroeck
was een nicht van Johanna van Haersolte.
De drie zusters Anna ( ? -1676), Sophia Gertrudis
( ? – waarschijnlijk 1701) en Maria Magdalena
Knoppert (? – waarschijnlijk 1703) waren dochters
van Wolfgang Knoppert en van Christina van Lievendael
en alle drie geestelijk dochter. Net zoals
hun nichtje Maria Christina Knoppert ( ? -1723),
een dochter van Reinier Knoppert – tijdens de
Munsterse bezetting magistraat van Zwolle – en
van Maria Gerardina Bruins. Een dochter uit het
tweede huwelijk van Maria Gerardina Bruins met
Hendrik Alexander Bruins was het klopje Gertrudis
Maria (1676-1713). Waarschijnlijk is zij de
Geertruyt Bruins uit Zwolle die van 10 juni 1691 tot
10 december 1692 de Culemborgse kloppenschool
bezocht, ‘Sij is dan met haer papa na huijs
gegaen’.15 Twee dochters van jonker Lucas Aiolij –
sius Bruins die tijdens de Munsterse bezetting ook
magistraat van Zwolle was, waren eveneens klopjes;
Joanna Arnolda (na 1663-1726) en Christina
Geertruijt (na 1663-1702), en Johanna Bruins was
de moeder van het klopje Anna Margaretha Voet
(1647-1682).
De familie Van Doetinchem onderhield nauwe
banden met de Jezuieten. Nadat Maria van
Doetinchem (1598-1673), dochter van Willem van
Doetinchem en van Janne Weeze van Gijsbeck,
een huis in de Diezerstraat had geërfd, stelde zij
het beschikbaar aan de Jezuieten. Op het goed De
Boskamp bij Olst, een bezit van de Doetinchems,
werden omwonenden in de gelegenheid gesteld de
katholieke erediensten te volgen. In 1638 werd een
Jezuietenstatie gevestigd op het huis Randen in
Colmenschate bij Deventer, waar een broer van
Maria woonde. De heer van Randen was in 1671 de
eerste die een bedrag beschikbaar stelde voor de
nieuw ingestelde beurs, waaruit minder draagkrachtige
katholieken financieel geholpen konden
Portret van Anna van
Haerst, de weduwe van
Emanuel van Twenhuyzen.
Waarschijnlijk
is zij niet gekleed in
typische kloppenkleding;
haar kleding is wel
sober wat kleur betreft,
maar zij draagt een rijk
bewerktjak
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit alle kerken gebannen
moesten de roomskatholieken
zich tweehonderd
jaar behelpen
met schuilkerken in
afgelegen plaatsen. Wie
vanaf de Melkmarkt
tussen de nummers 6 en
8 het Hoornsteegje
inliep, kwam bij zo’n
schuilkerkje.
worden, als zij omwille van hun geloof beboet
werden. De beurs is of niet goed tot stand gekomen
of bleek onvoldoende te zijn, want vier jaar
later besloot een aantal edelen in te staan voor de
schade die de overheid de katholieken bezorgde.
Een van die edelen was Engelbert van Doetinchem.
Zijn zus Golda Geertruit van Doetinchem
(1631-1671), dochter van Jan Arend van Doetinchem
en van Anna Krijt, was een klopje van fatsoen
van de Jezuietenstatie in de Koestraat. Haar
ouders kerkten daar en hebben er al hun kinderen
laten dopen. Rond 1700 woonde in de Koestraat
de klop Geertruid Cecilie van Doetinchem (1679-
1746), dochter van Jan Lodewijk van Doetinchem
en van Arnolda Geertruid Glauwe. Zij schonk aan
de statie een reliek van het Heilig Kruis, gevat in
een kristallen met zilver filigraanwerk omgeven
kruisje.16
De klop Sibylla van Bolten (ca. 1605- na 1652)
woonde met haar vader Roelof van Bolten en haar
moeder Mechtelt Wijchers naast het O.L. Vrouwekerkhof.
Het waren in totaal vier huizen die
door Sibylla in 1628 verkocht werden. Zij woonde
zo’n vijftien jaar later in de buurt van de kerk in de
Spiegelstraat. Mogelijk was haar buurman Willem
van Twenhuijsen – zijn broer Hendrik was
getrouwd met Elisabeth van Bolten – haar zwager.
De katholieke families Van Voorst en Waeijer
waren aan elkaar verwant en hebben beide priesters
voortgebracht. Conradus en zijn broers
Theodorus en Wilhelmus van Voorst zijn alle drie
pastoor in Kampen geweest. Catharina van
Voorst, mogelijk een dochter van jonker Van
Voorst uit de Kamperstraat, werd in 1666 door
pastoor Arnold Waeijer zijn nicht genoemd en
was toen al veertien jaar zijn klop.17
De klopjes van fatsoen, de priesters en de staties
De priesters in Zwolle hadden vóór 1622 geen vaste
woningen. Zij waren voor huisvesting afhankelijk
van de gastvrijheid van hun geloofsgenoten.
Zij woonden voor een paar dagen nu eens hier,
dan weer voor een paar weken daar. Pater Courten,
het zwerven moe, liet een huis huren door zijn
klopje juffer Maria van Doetinchem.18 De woning
van een klop vormde vaak de kern van een statie,
zoals die na 1600 in veel steden van de Verenigde
Republiek tot stand kwamen. Vicaris Herckinge
ging bij de weduwe Van Vilsteren in huis wonen.
Hij stichtte in haar huis de eerste statie van Zwolle,
het mooie en grote pand bood alle ruimte. Aangezien
het de katholieke kerk als instituut verboden
was enig gebouw te bezitten of te huren, hadden
de priesters de leken-katholieken nodig om het
onroerend goed op hun naam te laten inschrijven.
Dat de klopjes van fatsoen hier een belangrijke rol
in speelden mag duidelijk zijn en klopjes met een
eigen huis waren voor de onderdrukte katholieke
gemeenschap een geschenk uit de hemel.
Na de dood van de weduwe Van Vilsteren verhuisde
Herckinge naar Onder de Bogen in de Bitterstraat,
in het huis van Sophia van Sweersen en
stichtte er zijn nieuwe statie. De kerk ‘Onder de
Bogen’ was op meerdere manieren bereikbaar. Er
was een luikje waardoor men in het huis van Anna
Jans kon komen en er was een geheime doorgang
naar het huis ‘den Antwerpen’ en vandaar liep de
gang door naar het huis van Vermeer. Marcellus
Vermeer, de rentmeester van jonkvrouwe Van
Sweersen, van de katholieke Emmanuelshuizen en
van de Zwolse pastoor,19 was waarschijnlijk de
vader van het klopje Catharina Vermeer. Sophia
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
van Sweersens beide buurvrouwen waren klopjes,
Catharina van Voorst en Grietien Lamberts, zodat
ook tussen deze panden een geheime verbinding
zal hebben bestaan.
In 1627 kwam de Jezuiet Nicolaus Barluijt naar
Zwolle ‘voor verandering van lucht’. Hij woonde
heel even bij pater Courten maar nog in het jaar
van zijn aankomst in Zwolle vestigde hij in de Diezerstraat
een Jezuietenstatie, in het huis van jonkvrouwe
Maria van Doetinchem, voormalig klopje
van pater Courten. Zij stelde het huis ter beschikking
tot het vieren van katholieke erediensten. Het
huis lag tegenover de Spiegelsteeg en had een achteruitgang
op de Vismarkt. De statie in de Diezerstraat
hield stand tot de dood van juffrouw van
Doetinchem en verhuisde toen naar het Hoornsteegje,
vlakbij de Nieuwstraat.20
In 1629 kwam de Jezuiet Reijnerus Houtman
naar Zwolle en vestigde in de Koestraat een Jezuietenstatie
in het huis van jonkvrouwe Johanna van
Haersolte. Na zijn dood in 1667 nam pater Ridder21
de statie over ‘seijnde hier de voornaemste
van de Societeijt’. Vanuit het huis van juffrouw
van Haersolte was er een geheime doorgang naar
het huis van juffrouw Weijninckmans en waarschijnlijk
ook naar het buurhuis waar een Knoppert
woonde, haar moeders familie. De huizen
lagen aan de zuidzijde van de Koestraat tegen de
stadswal aan. De statie hield stand tot het overlijden
van juffrouw van Haersolte en verhuisde toen
naar het huis van Van Vilsteren.22
In 1637 stichtte pastoor Arnold Waeijer de
vierde statie van Zwolle: het kerkhuis Sint-Joseph,
gelegen in de Spiegelsteeg op de hoek van de
Nieuwstraat. Ook hier was een aantal huizen door
een gangenstelsel met elkaar verbonden. Het
waren de woningen van pastoor Waeijer, van
Neeltien Egberts, van meester Berents en van Willem
van Twenhuysen en Sibylla van Bolten. In de
Spiegelsteeg woonde ook de ‘Eerbare en deuchtsame’
Ida Gosens, een klopje van de pastoor.23
Het inkomen van de priesters was afhankelijk
van giften, van erfenissen en van het geen de klopjes
hen gaven of voor hen ophaalden. In geval van
nood moesten de priesters wel eens geld lenen van
hun kloppen. In de nalatenschap van Maria van
Doetinchem vond haar erfgenaam onbetaalde
rekeningen van ‘verschoten penningen’ aan pater
Adrianus Courten, een bedrag van 1.500 gulden
had Zijn Eerwaarde gebruikt voor de aankoop van
huizen. De huishuur voor het pand in de Diezerstraat
was na 46 jaar opgelopen tot 4.600 gulden
en was net zo min voldaan.24
Priesters en kloppen konden niet altijd even
goed met elkaar overweg. Sophia van Sweersen
ageerde tegen haar huisgenoot de priester Sommer
over het slopen van het keukentje van haar
buurvrouw, de klop Grietien. Overigens zonder
resultaat. Sommer liet de keuken afbreken en
bouwde er zijn nieuwe kerk. Sophia weigerde het
verzoek van Sommer het ‘getimmer’ op haar
naam te laten schrijven. Tussen Sophia en Sommer
boterde het steeds minder goed. Ze kregen
ook nog ruzie over de opslag van turf en over de
huur van het huis ‘den Antwerpen’ en hij verliet
haar huis. Maria van Doetinchem kon ‘niet wel
overeen comen’ met de bij haar inwonende pater
Van den Dam. Het struikelblok was de erfenis van
een klopje en ook Van den Dam ging een deur verder
wonen.25
De vervolgingen
De Zwolse magistraat gaf in 1604 een resolutie uit
waarin zij het houden van katholieke vergaderin-
Algemeen wordt aangenomen
dat dit een portret
is van pastoor
Waeijer. Het is een
detail van het schilderij
van Thomas a Kempis
op de Agnietenberg in
de Onze Lieve Vrouwekerk
(foto: Stedelijk
Museum Zwolle).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen verbood. Zo’n vergadering was een overtreding
die elders in de Verenigde Republiek in een
adem genoemd werd met andere vormen van
afwijkend, niet getolereerd gedrag zoals vloeken
en de buitenechtelijke bijslaap.26 Of de magistraat
van Zwolle zo ver ging is onbekend. Een enkele
keer was het haar ernst met de vervolging. Dat
blijkt uit een overval in 1617 op het huis ‘De Drie
Cranen’ in de Diezerstraat27 waar de apotheker
Jan Brouwer woonde.
Het groeiende verzet van de gereformeerden
tegen alles wat katholiek was richtte zich ook tegen
de klopjes. De weerzin tegen de ‘overal insluypende
kloppen’ was niet meer af te doen met ‘het
maer vrouwluyden en zijn’28 en hun bewegingsvrijheid
werd steeds meer beperkt. In 1639 werd in
Zwolle een meldingsplicht voor klopjes ingesteld.
Twee jaar later volgde een plakaat van de Staten-
Generaal. In 1650 deed de kerkeraad van Zwolle
hernieuwde pogingen de klopjes uit de stad te
weren, in datzelfde jaar werd ook de meldingsplicht
herhaald.29
Hulp aan personen die omwille van hun geloof
door de magistraat gezocht werden was verboden.
Ook bekeringspogingen waren strafbaar gesteld.
Dat ondervond Johanna van Haersolte. Twee
dochters van de weduwe Heerma neigden naar het
katholieke geloof en zouden daarom aan een
betrekking in katholieke kring geholpen worden.
Het voornemen lekte uit en de magistraat zette
manschappen in om de meisjes op te sporen. Zij
zaten inmiddels verstopt in het ‘hoenderhuijsken’
van juffrouw Van Haersolte. De mannen vonden
de meisjes niet, zij troffen evenwel een onverwachte
buit aan. Een jaar – in 1659 – tevoren was
Johanna van Haersolte als eerste aan de beurt
geweest toen katholieke huizen doorzocht werden,
de hele actie leverde toen niets strafbaars op.
Wat eerder niet gevonden werd, trof men nu aan.
Zij vonden een kerkruimte met altaar en alle voorwerpen
die nodig waren voor een katholieke eredienst,
zij vonden ook een doorgang naar het huis
ernaast. Juffrouw Van Haersolte en haar twee
meiden moesten naar aanleiding van dit voorval
voor de magistraat verschijnen. Van Lingen, oom
van de zusjes Heerma en contactpersoon tussen
zijn nichtjes en hun aanstaande werkgever, kreeg
ook een oproep. De eisen waren zeer hoog. Van
Lingen zou als belangrijkste hulpverlener zijn hals
verbeuren of verbannen worden. Bovendien
moest hij een borg van 2.000 goudgulden neertellen
om te voorkomen dat een van zijn nichtjes
zonder kennis van de magistraat de stad zou verlaten.
Voor zijn meid die de meisjes naar juffrouw
Van Haersolte gebracht had, moest hij met 200
gulden borg staan. Juffrouw Van Haersolte moest
een borg van 1.000 goudgulden betalen. De uitspraak
liet zes weken op zich wachten, het was niet
gemakkelijk recht te doen waar de predikanten
genoegdoening eisten. Van Lingen werd veroordeeld
tot een boete van 200 goudgulden, wat wel
een heel groot verschil was met de eerder geëiste
hals, zijn nicht moest ook 200 goudgulden betalen
en juffrouw Van Haersolte werd tot een boete van
100 goudgulden veroordeeld. Samen draaiden zij
ook op voor de kosten van de rechtszaak.30
Naar aanleiding van het voorval van de meisjes
Heerma besloot de magistraat op verzoek van de
gereformeerden ‘dat sij alle die papisten-huijsen
sullen visiteren van boven, van de hoogste solders
tot in de kelders incluijs, soeckende alle de gemacken
door, removerende alle schilderijen, kasten
ende alderhande huijsraet, daer eenige doorgangen
achter souden kunnen wesen en daer eenige
soodane doorgangen bevonden moghten worden,
daervan pertinente notitie te houden, selfs oock
van dachvensters, die grooter souden mogen
wesen als ordinaris’. Voor juffrouw Van Doetinchem
was het niet de eerste keer dat haar huis
overhoop gehaald werd. Waarschijnlijk was de
magistraat dit keer getipt. Dicke Trijne, een afvallig
klopje van de Jezuieten, was de vermoedelijke
tipgeefster. De magistraat had nota bene op schrift
staan hoe en waar de schuilplaatsen zouden zijn.
Maar juffrouw Van Doetinchem had of alles heel
goed weten te verbergen of de informatie van Trijne
was niet deugdelijk want er werd niets gevonden.
Bij juffrouw Van Sweersen had het onderzoek
meer resultaat, men vond vier ‘aenstootelijcke
plaetsen’. De vondst werd genoteerd, de
mokerhamer kwam er nog niet aan te pas. Bij de
pastoor in huis werd wel een muur gesloopt. Er
werd evenwel niets gevonden en hij bleef met de
ravage zitten. Bij een volgend huis vond men een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
altaar, een schuilplaats en ook nog een doorgang.
Vol goede moed trokken de onderzoekers naar
juffrouw Van Haersolte. Daar bleek de eerder
gevonden doorgang dichtgemetseld maar dat was
ook niet naar de zin van de stadsdienaars, zij sloegen
de nieuwe muur kapot. Ondanks verder
onderzoek werd in haar huis niets verdachts meer
gevonden. De dag werd besloten met een opwekkende
dronk voor de noeste zoekers ten huize van
en op kosten van de pastoor.31
Na de verstoringen in de jaren vijftig werd het
rustiger voor de Zwolse katholieken. De inval van
de Munsterse troepen in 1665 in Overijssel scherpten
de tegenstelling tussen de gereformeerden en
de katholieken echter weer aan. Men deed wederom
een inval bij Johanna van Haersolte, de deur
was notabene open, en men vond priester Houtman
met enige biechtelingen. De priester werd
meegenomen en gevangen gezet. Voor hem, de
huiseigenaresse en de personen die daar gevonden
waren volgde een boete van 1.200 gulden. Op diezelfde
dag wist pater Van den Dam bij een inval in
het huis van Maria van Doetinchem te
ontkomen.32
In 1669 ontdekte de gereformeerde kerkeraad
tot haar grote misnoegen dat de onlangs overleden
jonker Hendrik Knoppert een legaat van 5.000
gulden beschikbaar gesteld had voor een student
die op een katholieke academie ging studeren.33
De stadsdienaars wekken de indruk dat zij zeer
fanatiek naar verboden ruimtes zochten. Dat zij
desondanks hele gangenstelsels misten is verbazingwekkend,
te meer daar zij door verklikking
geholpen werden. En zó goed waren de gangen
niet verstopt. Dat vonden de katholieken ook,
want helemaal gerust na de recente onderzoekingen
waren ze niet. Bij Willem van Twenhuysen
werd de gang die achter langs meester Berent naar
de kapel van de pastoor liep ‘scherpsinnich toegemaeckt’.
Vanuit meester Berents huis was deze
gang ook bereikbaar, ‘de spijcekamer staende op
rolleties’ werd voor de ingang gezet. Bij Neeltien
Egberts bevond zich de doorgang achter de trappen.
Er werden een aantal spijkers door het hout
geslagen zodat het schot niet meer verschoven kon
worden. Echt degelijk klinkt het allemaal niet. De
deur tussen de kapel van de pastoor en de biechtkamer
was moeilijker te verstoppen. Een grote
kast moest uitkomst brengen. De deuren konden
op slot, de achterwand bestond uit een grote
vurenhouten plaat die het luik moest verbergen en
de achterkant van het geheel was met ‘leijstucken
benagelt ende met kalck bepleijstert’. Net een echte
muur. Het luikje tussen de pastoor en meester
Berent werd met een kistje aan het oog ontrokken.
Hoewel het bestaan van het luikje was verklikt
werd het niet gevonden maar omdat er volgens de
papieren toch een gang moest zijn, zijn de onderzoekers
met grof geweld de muur te lijf gegaan en
hebben er een gat ingeslagen. Aan de andere kant
leek echter alles bemuurd te zijn en ze kropen
weer terug. Bij juffrouw Van Doetinchem liepen
Het huisaltaar van de
Emmanuehhuizen.
Soortgelijke altaren
werden gebruikt in de
rooms-katholieke staties
die tevens als schuilkerken
fungeerden (foto:
Stedelijk Museum
Zwolle).
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ze regelrecht op de gezochte deur af, intussen
dicht gespijkerd en bedekt. De juffrouw was niet
thuis maar de aanwezige jonkers Arent van Oldeneel
en Hendrik Knoppert hebben de honneurs
op galante wijze waargenomen. Het gehele gezelschap
is door hen naar de herberg geleid ‘daer sij
wel getracteert sijn’.34
Boete, afkoping en intimidatie
Het bijwonen van een katholieke kerkdienst werd
beboet met minstens 25 gulden per persoon en de
eigenaar van het huis moest een boete van 200 gulden
betalen. Vaak kwam het niet zover. In de hoop
op een kleine vergoeding wilden de stadsdienaren
de katholieken wel waarschuwen als er een overval
in voorbereiding was,35 maar daar viel niet altijd
op te rekenen.
Vicaris Herckinge werd in 1646 in het huis van
juffrouw Van Sweersen opgepakt en in hechtenis
gezet. De reden was dat hij geen burger van Zwolle
was en zich daarom niet zonder toestemming van
de raad in de stad mocht ophouden. Na betaling
van 600 gulden mocht hij pas vertrekken.36
Gezien de financiële omstandigheden van de clerus
is het niet onwaarschijnlijk dat de katholieken
de fikse boete voor hem betaald hebben.
In 1652 werden Willem van Twenhuysen en
Sibylla van Bolten betrapt. Zij hadden toegang tot
eikaars huis via een deurtje op zolder en zij hadden
een verboden toegang naar de kerk van de
pastoor. Zij kregen voor deze overtreding een boete
opgelegd. De raad had op het hebben van zo’n
doorgang een boete van 100 goudgulden gesteld.
Van Twenhuysen en juffrouw Van Bolten vroegen
kwijtschelding van de boete.37 Dat lukte niet helemaal
maar de boete werd toch verlaagd tot 25
goudgulden. Om te voorkomen dat het verlagen
van de opgelegde boete valse verwachtingen voor
de toekomst zou kunnen wekken, dreigde de
magistraat iedereen die voor nieuwjaarsdag zijn of
haar verboden toegangen niet dicht gemaakt had,
met het opleggen van de volle boete van 100 goudgulden.
In opdracht van de magistraat moesten
metselaar en timmerman alle gevonden doorgangen
dichten, de kosten waren voor rekening van
de huiseigenaars. Juffrouw Van Haersolte kreeg de
werklui over de vloer en na afloop moest zij voor
de verrichte diensten zes gulden betalen.38
Dat de ijver om te zoeken met drank getemperd
kon worden was de katholieken wel bekend. Na
een inval bij juffrouw Van Sweersen, waarbij de
toegang tot het huis zo driftig geëist werd dat het
touwtje van de bel brak, gaf de juffrouw vier ducatons
aan Papen-Berent en zijn drie maten. Het
zoeken werd gestaakt en het geld werd omgezet in
brandewijn en koeken. Bij de magistraat gekomen
met de bedoeling om verslag uit te brengen waren
ze zo ‘bestoven ende besteken, datter twee van
desen qualijck costen sprecken, de andere twee
seijden dat se niemant gevonden hadden’.39
Stadsdienaars wisten echter ook de weg te vinden
als zij krap bij kas waren en een lening moesten
afsluiten. Waar konden ze beter terecht dan bij
een katholiek met geld? In de nalatenschap van
Maria van Doetinchem werd een schuldbekentenis
gevonden van Berent de dynder van 250 gulden.
Op een aanmaning reageerde Berent geprikkeld
en ‘dreighden aenstonds storing te willen
doen op het huis, – die schade wiert haer belooft te
sullen worden vergoedet, maer dat se wat patientie
moest hebben, dat anders oirsake soude sijn, de
gemeente eenigen tijdt van de godsdynst te frustreren’.
40
Ook de stadswacht wist bij de katholieken een
extraatje binnen te halen. Bij juffrouw Van Sweersen
stond de trommelslager op de stoep om de
halfjaarlijkse bijdrage voor de wacht op te halen.
Juffrouw Van Sweersen was gewoon om vier gulden
te geven en was zeer verwonderd dat de trommelslager
zes gulden vroeg. De twee gulden waren
zei hij ‘voor de nieuwe timmeragie’. Het was hem
niet ontgaan dat er onlangs achter het huis
gebouwd was, het was de nieuwe kerk van Sommer.
Hij voegde er aan toe ‘sijt gij onwillich, den
hopman sal ’t wel crijgen’. Om verdere moeilijkheden
te voorkomen heeft juffrouw Van Sweersen
hem het gevraagde bedrag gegeven. Zelfs de magistraten
vroegen onheuse boetes, vijftig goudgulden
omdat ze te lang hadden moeten wachten
voordat de deur voor hen geopend werd. Juffrouw
Van Doetinchem kwam er bij zo’n gelegenheid af
met een boete van 25 goudgulden. Juffrouw Van
Haersolte moest het volle pond betalen. De magiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
straten hadden te lang moeten wachten totdat
pater Ridder veilig in zijn schuilplaats geholpen
was.41
De laatste klopjes van fatsoen
27 februari 1670 was een sombere dag voor de
Zwolse katholieken. De magistraat liet afkondigen
dat voortaan geen twee katholieken meer naast
elkaar mochten wonen. Met de slinkse doorgangen
was het afgelopen. Twee maanden later overleed
Johanna van Haersolte. Pater Ridder moest
noodgedwongen verhuizen, ten gevolge van de
jongste maatregel mocht hij niet in het huis van
juffrouw Van Haersolte blijven wonen omdat er
aan weerszijde ook katholieken woonden.
Ook Sophia van Sweersen overleed in 1670.
Twee belangrijke kloppen in zo’n korte tijd was
een ernstig gemis voor de katholieken, hun dood
gaf grote verslagenheid. Het bleef niet bij deze
twee sterfgevallen. In 1670 overleden een juffrouw
Van Voorst en een juffrouw Bruins. In 1671 overleed
de klop Golda Geertruit van Doetinchem,
twee jaar later overleed Maria van Doetinchem.
De belangrijkste klopjes van fatsoen waren de
katholieke gemeenschap van Zwolle ontvallen.
De meest invloedrijke katholieke families
stierven uit zoals de Waeijers of trokken weg. De
Van Doetinchems gingen vooral naar België,
Zuid-Duitsland en Oostenrijk.
De Knopperts bleven nog lang in Zwolle
wonen, de latere klopjes uit deze familie zijn vooral
in de Koestraat te vinden. Ernstige verstoringen
hebben zij niet meer hoeven meemaken, dat was
voorbij.
Zwolle bleef achter met de tastbare bewijzen
van katholieke weldadigheid: de Vilsterenshuizen,
de Doetinchemshuizen, de Emmanuelshuizen,
door een kleinzoon van de stichtster aangevuld
met een huis in de Diezerstraat, en het armenhuis
van juffrouw Knoppert bij de Steenpoort.
Noten
1. E. Theissing, Over Klopjes en Kwezels, Utrecht/Nijmegen
1935,185.
2. Theissing, 35-36.
3. Theissing, 12, 69; J. Spaans, Haarlem na de reformatie.
Stedelijke cultuur en kerkelijk leven, 1577-1620,
Leiden 1989,77-79.
4. G.A. Meijer O.P., Nopende het aerts-priesterschap
van Swolle […], Utrecht 1921,161.
5. Theissing, 12.
6. J.C. Alberdingk Thijm, ‘Uit het “Cost Boeck” der
zoogenaamde Kloppenschool te Culemborg’, in:
Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom
Utrecht (ACAU), Utrecht 1879,37 (i9ii’, 326-343.
7. Theissing, 30,199.
8. Meijer, 188.
9. Theissing, 114-120,189.
10. Theissing, 185,189.
11. Theissing, 78-79, 83,96,114,120,160.
12. Th.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, Zwolle, 1961,
32-33-
13. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), inv. nr. AAZOI-I6.
14. A. van Dedem, Register van charters en bescheiden,
Kampen 1913, 638.
15. ACAU, 37 (1911), 339-
16. AG AU, 37 (l91l), 112, 118-120, 132.
17. Meijer, 359 e.v.
18. De Vries, 32-33.
19. VMORG 35 (1918), 28; W.J. Meeuwissen, Inventaris
van het familiearchief Heerkens (1371) 1614-1908,
Zwolle 1982, i452.
20. Th.J. de Vries ‘Neercassel’s dood [..]’, VMORG, 59
(i943). 56; AGAU, 37 (1911), 109-110.
21. Pater Ridder heette eigenlijk Theodorus, ridder van
Groenesteyn. Hij had zich schuldig gemaakt aan bigamie
en was na vergeving van zijn zonde toegetreden
tot de Sociëteit (VMORG, 59 (1943), 69).
22. Meijer, 179.
23. VMOKG 1943,52.
24. AGAU,37(1911), 109.
25. Meijer, 133.
26. A.Th. van Deursen, Mensen van klein vermogen. Het
‘kopergeld’ van de Gouden Eeuw, Amsterdam 1991,
324.
27. De Vries, 28.
28. Theissing, 190.
29. GAZ, AAZOI 65, 207; B.J. van Hattum, Geschiedenissen
der stad Zwolle, Zwolle 1773 (1975), dl. 3,327.
30. Meijer, 62-77.
31. Meijer, 65-75.
32. Meijer, 112-113; Van Hattum, dl. 3,400.
33. GAZ, KA017 004.
34. Meijer, 67-73.
35. De Vries, 40,48.
36. Van Hattum, dl. 3,320.
37. Van Deursen, 324.
38. Meijer, 73.
39. Meijer, 180-181.
40. AGAU,37(1911), 109-110.
41. Van Hattum, dl. 3,327.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schone kunst in vieze huizen:
het bezoek van de gebroeders Von Uffenbach aan Zwolle
gedurende 2 tot 5 mei 1710
Jeanine Otten Inleiding
In de zeventiende en vroege achttiende eeuw
bouwden honderden verzamelaars in Nederland
een collectie op. De verzamelaars waren
ontwikkelde burgers, de een rijker dan de ander,
met grote belangstelling voor de wereld om hen
heen. Ze hoorden tot de stedelijke elite, waren
regent, koopman, arts, apotheker of predikant.
Sommige collectioneurs waren gespecialiseerd,
anderen probeerden de wereld in al zijn verscheidenheid
te vatten en hun verzamelingen waren
meer universeel en encyclopedisch van karakter.
Er werd niet alleen verzameld uit curiositeit, maar
ook uit een behoefte aan kennis. De woon- en
werkvertrekken en studeerkamers van de verzamelaars
konden een mengeling van voorwerpen
herbergen: boeken, globes, koppen van Romeinse
keizers, voortbrengselen van natuur (naturalia) en
mensenhand (artefacta), kunstnijverheidsvoorwerpen
en etnografica.
Geen enkele verzameling is in zijn geheel
bewaard gebleven. In de meeste gevallen werden
de verzamelingen in Nederland na het overlijden
van de collectioneur geveild. De inhoud van veel
verzamelingen is bekend uit veilingcatalogi,
bezitscatalogi, boedelinventarissen, verslagen van
bezoekers, stadsbeschrijvingen of briefwisselingen.
1 De Hollandse verzamelingen waren wereldberoemd
in hun dagen en trokken bezoekers uit
alle delen van Europa. Zeer informatief zijn de
reisverslagen van de Duitser Zacharias Conrad
von Uffenbach (1683-1734), die tijdens drie reizen,
1705,17104711 en 1718 verzamelingen in Nederland
bezocht. Tijdens zijn ‘Merkwürdige Reisen durch
Niedersachsen, Holland und Engelland’, die anderhalf
jaar zou duren, bezocht Von Uffenbach in
1710 ook Zwolle alwaar hij onvermoed twee grote
kunstcollecties aantrof.
In dit artikel zijn de achttiende-eeuwse merkwaardigheden
van Zwolle overgenomen uit de
posthume uitgave van zijn aantekeningen, bijgehouden
op de reis die hij samen met zijn broer
ondernam van november 1709 tot april 1711.2
Gebroeders Von Uffenbach
In het voorjaar van 1710 reisden de broers vanuit
Duitsland naar Holland. Komend van Genemuiden
vertrokken ze op 2 mei 1710 met een bolderwagen
uit Kampen en arriveerden ze na vier uur in
Zwolle. Ze namen hun intrek in het logement ‘op
den Dyck in het gekroonte Munster’ (thans Thorbeckegracht
64). Tijdens hun verblijf bekeken de
broers de stadswallen en vestingwerken, gingen
ter kerke in de Bethlehemkerk waar het achtste
gebod uitgelegd werd, kregen van de koster een
rondleiding in de Grote of Michaëlskerk, bezichtigden
de Onze Lieve Vrouwekerk, bekeken de
verzameling boeken, schilderijen, prenten, instrumenten
en naturalia van uitgever Gerrit Tydeman
(ca. 1640-1714). Daarna bezagen ze de instrumenten
en uurwerken van uurwerkrnaker Willem Bramer
de Oude (overl. 1734) en tot slot de verzameling
schilderijen en prenten van predikant Frederik
van Leenhof (1647-1712)3. Tydeman bezat een
collectie anamorfosen. Een anamorfose is een vertekende,
onsamenhangende of zelfs onherkenbare
figuur, die vanuit een bepaald punt of met behulp
van bijvoorbeeld een cilindervormige spiegel
bekeken een coherent beeld oplevert. Anamorfosen
in encyclopedische verzamelingen golden van
de zestiende tot de achttiende eeuw als een bewijs
van ‘curiositas’, d.w.z. universele belangstelling.
Wie een encyclopedische verzameling bezat, kon
beschouwd worden als iemand van stand. Anamorfosen
hoorden naast allerlei optische instrumenten
thuis bij de ‘rariteiten’ (zeldzaamheden)
in de categorie artefacta.4
De eerste indrukken die de broers in de stad
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 87
opdeden, waren bepaald niet positief. De straten
waren hobbelig, smal en slecht en helemaal niet
goed aangelegd zoals in de door hen gebruikte
reisgids Europaischen Reisen van Paul Jacob Marperger
(1656-1730) vermeld stond. Zowel de straten
als de huizen waren niet schoon maar smerig
en vies. De broers hadden zich van te voren een
heel andere voorstelling van de stad gemaakt
doordat Marperger en Zeiller5 zich zo lovend over
Zwolle hadden uitgelaten: in bijna heel Duitsland
is geen stad te vinden die zo ‘luchtig’ ligt als Zwolle;
er is een overvloed van alle noodzakelijke zaken
te vinden; het stadsbestuur zelf is zó goed
benoemd dat de raad van deze stad in twijfelachtige
zaken ook door andere steden geraadpleegd
wordt, een gelukzaligheid die noch Aristoteles
noch Plato beschreven hebben.
Aantekeningen van Zacharias Conrad
Laten we nu Zacharias Conrad von Uffenbach aan
het woord:6
Ten bewijze [van de verkeerde voorstelling van
zaken in de reisgidsen] merkten we meteen twee
dingen op. Men zegt wel dat zoals het uurwerk
functioneert, ook het bestuur in een stad functioneert.
Hoewel dit gezegde vooral duidt op de
noodzaak van een goed toezicht op het uurwerk,
merkten we dat de stad slecht van klokken was
voorzien: men hoorde heel weinig klokken die
bovendien niet goed sloegen. Men hoorde in het
geheel geen klokkenspel zoals in bijna alle steden
der Zeven Provinciën7. Het tweede dat we
opmerkten waren de smerige straten, hetgeen
waarlijk geen klein gebrek is in de verordeningen,
waarbij ten derde ook de bedelaars te rekenen zijn,
die elders in Holland niet geduld worden.
De derde mei moesten we ’s morgen veel brieven
schrijven en ’s middags regende het de hele tijd
zodat we de hele dag niet buiten kwamen.
De vierde mei, zondagmiddag, wandelden we
over de stadswallen om de vesting te bekijken.
Marperger in Europaischen Reisen, p. 114 e.v. vermeldt
dat de stad is voorzien van elf bolwerken en
met brede en diepe grachten omgeven is. Alleen de
grachten leken ons niet zo breed, ze zijn van een
middelmatige breedte, de wallen en bolwerken
zijn van behoorlijke omvang maar op sommige
plaatsen zeer smal en tussen de Diezer- en de
Kamperpoort zelfs zeer vervallen. Daarna gingen
Schilderij met anamorfose
aan Matthias
Somer toegeschreven
(Utrecht Centraal
Museum; afgebeeld in
tent.cat. Stilleben in
Europa, Munster 1979,
103, afb. 63).
In een cilindervormige
spiegel wordt de voorstelling
herkenbaar als
een bij lamplicht lezende
oude man (afgebeeld
in tent.cat. Stilleben in
Europa, Munster 1979,
103, afb. 63).
De Pelsertoren met vervallen
stadsmuur, tekening
door Gerrit Grasdorp
(1659-1716) (coll.
Stedelijk Museum
Zwolle).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
• Interieur van de Grote
ofMichaëlskerk met de
kansel en het orgel
omstreeks 1880.
Prentbriefkaart van de
Bethlehemkerk
omstreeks 1900.
we in een kerk, de zogeheten ‘Blimische kerk’, ook
wel (zoals ze eigenlijk heet) de Bethlehemkerk
genoemd. Er werd catechisatie gegeven en het
achtste gebod over het kwaadspreken werd uitgelegd.
We verwonderden ons over het feit dat er
geen kinderen aanwezig waren, voor wie toch
eigenlijk het catechiseren bedoeld is, er waren louter
oude mensen van wie de oude mannen de één
na de ander de vragen van de predikant beantwoordden.
8 De kerk is niet groot en het is ook
helemaal geen bijzonder gebouw.
De vijfde mei bekeken we ’s morgens eerst de
zogenaamde Grote ofMichaëlskerk. Deze staat op
de Markt. Het is een mooi, groot, hoog, licht en
prachtig gebouw. De mooie kansel in de kerk is
zeer beroemd. Ze is met zeer veel houtsnijwerk
versierd maar haalt het naar onze mening niet bij
de kansel die we in Bolsward gezien hebben. Ze is
ook van eikehout, de versieringen zijn echter
gewoontjes en niet zo natuurlijk en kunstig
bewerkt. Op of onder de zes treden stonden de
jaren waarin de kansel vervaardigd werd, namelijk
van 1617 tot 1622. Op de bovenste twee treden
stond echter dit: ‘So.la.un.ha.gew.’ Wat dit betekende
en wat de naam van de meester was kon de
koster mij niet zeggen. Het eerste wil echter zoveel
Ceililehcmsche Kerk
zeggen als ‘So lang hat gewerkt’, oftewel ‘So lang
onder handen geweest’. De naam van de meester
vond ik linksvoor onder de kansel:
‘Al quam Godt van boven / Meester van alle
Man / noch sal ’t elck nit loven / ’t welk men
niet laken [moet zijn ‘laten’: aantekening Von
Uffenbach] kan. / Adam Straes van Weilborg
uyt dat Duyts / Landt Nassauwe / heft dit
gemaeckt sonder arch / en dat al door Gods
betruwe.’
Op de andere zijde stonden nog veel meer spreuken,
echter niet de moeite waard om te noteren.
Evenals het bovenstaande is het niet goed Nederlands
en ook niet goed Duits. Het andere, zeer
merkwaardige in deze kerk is de hoge stenen trap
die tot het gewelf van de kerk reikt. Deze staat,
hoewel ze 87 treden heeft, geheel vrij en heeft in
het midden geen post of zuil waarin gewoonlijk de
treden liggen. Ze lijkt daardoor op een slakkenhuis
en men kan heel aardig in het midden van
boven naar beneden en van beneden naar boven
kijken.9
De consistoriekamer is niet groot maar wel
mooi. In het midden, boven de schouw, hangt een
schilderij waarop de nu levende vijf predikanten
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
en drukker naar prenten en kopergravures vroegen,
troffen we daarvan onverwachts een grote
voorraad aan, alsook schilderijen en mathematische
zaken die hij verzameld had. Hij heet Gerrit
Tydeman en is ‘ordinar Drukker van de Staaten
van Overyssel’.” Hij is, zoals hij ons verzekerde, 73
jaar oud en heeft nog helemaal geen bril nodig.
Vroeger was hij schilder van beroep en daarom
heeft hij nu nog plezier in het verzamelen van
schilderijen en dergelijke.
Schilderij door Hendrick
ten Oever (1639-
1716), 1691, in de Grote
ofMichaëlskerk.
Gezicht vanuit de stadhuiskantine
op de Onze
Lieve Vrouwekerk en
Peperbus, pentekening
door Kitty Disch 1989
(coll. Gemeentearchief
Zwolle).
naast de koster om een tafel zitten en consistorie
houden, zeer goed geschilderd door Hendrick ten
Oever, 1691. Het schilderij is zó goed dat, wanneer
men het in de kerk van onder af bekijkt, men
denkt dat de mensen levensecht zijn. We troffen
onder die predikanten o.a. Van Leenhof aan,
beroemd vanwege zijn boekje ‘de Hemel op aarden’.
Op het schilderij is hij afgebeeld met een veer
in de hand. De toren aan de kerk is niet echt hoog.
Tijdens een onweer is de toren namelijk afgebrand.
10 Aan een zijde van de Markt bevindt zich
tegen de kerk de hoofdwacht: een sierlijk stenen
gebouw of huisje, waarboven staat: ‘VIGILATE
ET ORATE. / Anno 1614 / R. (reparatum) 1689.’.
Daarna wilden we de Onze Lieve Vrouwekerk
zien die door Marperger tot de bezienswaardige
gebouwen wordt gerekend. Alleen is er niets aan te
zien omdat ze al een tijdje leeg staat en tamelijk
vervallen is. Het is wel een groot gebouw, jammer
dat het zo verloedert. Op de tamelijk hoge toren
bevindt zich het uurwerk, dat echter zeer slecht is
zoals boven vermeld werd. Omdat het nog vroeg
was gingen we gewoontegetrouw naar een boekhandel
op de Markt. We vonden weinig goede
boeken maar toen we bij de oude boekhandelaar
Vervolgens toonde hij ons in een kamer veel
mooie schilderijen. Waaronder enkele heel bijzondere:
een perspectivisch stuk van de Oude
Kerk in Amsterdam, waarop het door de vensters
vallend zonlicht en schaduwen op de pijlers te
bewonderen waren. Verder een buitengewoon
mooi stilleven met spijzen [banketje] en ettelijke
zeestukken. Daarna leidde hij ons naar zijn druk-
De Hoofdwacht voor de
restauratie van 1883
(foto: F.W.H.Deutmann
omstreeks 1870,
coll. Waanders, coll.
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Emanuelde Witte
(1616/18-1692), interieur
van een protestantse
gotische kerk met
motieven van de Oude
Kerk te Amsterdam
(coll. Rijksmuseum
Amsterdam, inv.nr.
SK-A-4055. Copyright
Rijksmuseum-Stichting
Amsterdam).
Pieter Janssens Elinga
(1623-voor of in 1682),
perspectiefkast (coll.
Museum Bredius Den
Haag).
gelijmd en zeer fraai vervaardigd.
Daarna toonde de heer Tydeman ons zijn
bibliotheek die louter uit mathematische en perspectiefboeken
bestond. Hoewel het meeste in het
Nederlands en Frans was zaten er zeer veel goede
boeken tussen. Zijn bibliotheek bestond uit ongeveer
400 banden.12 Heer Tydeman is een verwoed
verzamelaar en, zoals hij inderdaad door voorwerpen
die door hem zelf vervaardigd waren bewees,
een groot kenner van het Perspectief en de Gnomonica
[kennis omtrent zonnewijzers]. Ten eerste
liet hij ons ettelijke kleine kastjes zien die de
beginselen van het Perspectief tonen. Een van deze
kastjes was van binnen aan alle vier zijden met een
verwrongen figuur beschilderd en men kon, wanneer
men er van bovenaf in keek, er niets uit
opmaken of herkennen. Als men echter door een
klein gaatje keek, dat naar het oogpunt gemaakt of
gericht was, zag men een kamer vol met stoelen.
Een stoel stond in het midden, terwijl er toch in
het midden geen [penseel]streek te zien was .’3
kerij en zijn woonvertrekken die ook vol mooie
schilderijen hingen. Het belangrijkste daaronder
was een klein schilderij met een heel bijzondere
voorstelling van een plundering en brandstichting
van ettelijke huizen bij nacht.
Daarna toonde hij ons zijn prenten. Daarvan
bezat hij een geweldig groot aantal zowel in portefeuilles
als ook van hele collecties en tezamen uitgegeven
werken van de beste meesters.
Hij verzekerde ons, zoals ook wel aannemelijk
was, dat hij meer dan 14.000 stuks bezat. Van bijna
alle bekende meesters, behalve van de oude meesters,
was wel iets aanwezig, van de meesten echter
zeer veel. De prenten waren echter niet zo goed
geordend. En hoewel hij met veel moeite een catalogus
van zijn verzameling heeft gemaakt, is deze
geordend volgens de volgorde van de prenten in
de boeken en op volgorde van aankoopdatum.
Echter er bestaan ook – naar onze mening – verscheidene
verzamelingen die zowel tezamen
gevoegd alsook uitgegeven of in der tijd tezamen
gebracht zijn. In een klein langwerpig boekje (het
leek wel op een stamboek) stonden meer dan dertig
op kaarten met olieverf geschilderde kleine
zeestukjes afgebeeld, op zwartgeverfd karton
Een ander kastje bevatte ongeveer 30 van papier
gescheurde figuren, die men na elkaar in het kastje
kon leggen en bekijken, het kastje was voor het
gemak zo gemaakt dat men niet voor elke figuur
een apart kastje hoefde te hebben. Daarna zagen
we andere verwrongen figuren, waaronder een
buitengewoon mooie kegel waarop een oude
lezende man met bril was voorgesteld.14 De meetZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
kundige instrumenten die hij had, waren ook zeer
mooi. Ik kan ze niet goed beschrijven omdat mij
de tijd ontbrak daarvan een schets te maken. Twee
heel bijzondere universeel zonne-uurwerken
waren buitengewoon mooi, gemakkelijk en zeer
deugdelijk en nauwkeurig voor allerlei observaties.
Ik vermeld niets van de veelhoek met allerlei
klokken en andere bekende voorwerpen. Tenslotte
wees hij ons op ongeveer 30 dozen vol zelfverzamelde
insecten en enige in glazen potten en spiritus
bewaarde zaken. Omdat de heer Tydeman
vol lof sprak over een mecanicien alhier, Bramer
genaamd, gingen wij nog voor etenstijd naar deze
persoon toe, in de veronderstelling enige instrumenten
bij hem aan te treffen.15 Hij verontschuldigde
zich echter dat hij helemaal niets klaar had
staan. Omdat de instrumenten in Zwolle geen
aftrek vonden legde hij zich alleen toe op het
maken van uurwerken. Hij toonde ons enige grote
en kleine zeer zuivere uurwerken die hij goed verkocht.
’s Middags bezochten we dominee Leenhof
[Frederik van Leenhof, 1647-1712]. We gingen
alleen naar hem toe omdat hij beroemd was
geworden door zijn boek, waarover een heftige
strijd ontstaan was. We verwachtten niet iets bij
hem te zien. We troffen echter een mooie voorraad
schilderijen en prenten aan.16 Hieronder
bevond zich een heel bijzonder stuk op doek, zo
geschilderd dat het eruit zag als een plank waarop
een prent was gelijmd. Het zag er zó natuurlijk uit
dat, als men het van heel dichtbij naderde, men
het bedrog niet eerder in de gaten had, dan totdat
men het aanraakte en voelde dat het maar doek
was.17 Verder zagen we bij hem een paneelschildering,
de geschiedenis van Maria Magdalena voorstellend.
Hij had er een houten geschilderde kast
om laten maken en hij beschouwde het als zeer
belangrijk omdat het al aan het begin van de zestiende
eeuw door een tijdgenoot van Lucas van
Leyden [1494-1533] gemaakt was. De schildering
en tekening is naar onze mening echter niet zo bijzonder.
Wat de prenten betreft, die lagen in zulke verschrikkelijk
grote en dikke portefeuilles zoals ik
van mijn levensdagen nog niet heb gezien. Het
papier was met het grote grijze olifant papier
e, die fji in Kertk_geft,ea ,
GehewfiemA God en qujt hier innl « w j n ete
Portret Frederik van
Leenhof met hekeldicht
(coll. Stedelijk Museum
Zwolle).
ongebroken of tezamen gelegd, aan het einde aangehecht
en daarover was in de lengte een stuk van
twee handen breed aangelijmd. Het was bedekt
met onovertrokken vingerdik eikenhout. Deze
uitvinding, zoals men ze vindt bij veel boeken in
oude bibliotheken, vooral in kloosters, is voor zulke
grote portefeuilles zeer geschikt en ik wenste
dat mij dat ingevallen was toen ik mijn portefeuil-
Trompe l’oeil of’bedriegertje’:
schilderij, olieverf
op doek, van plank
waarop een prent is
gelijmd (voorbeeld:
Sebastian Stofikopf toegeschreven,
trompe l’
oeil met gravure,
Wenen Kunsthistorisches
Museum (afgebeeld
in tent.cat. Stilleben
in Europa, Munster
1979, 499)-
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Titelblad Den Hemel op
Aarde opgeheldert van
de Nevelen van Misverstand,
en Vooroordelen,
Eerste Deel door Frederik
van Leenhof, uitgegeven
te Zwolle door
B. Hakvoord 1704 (coll.
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
les voor portretten liet maken. Men zou ze van
sierlijk hout kunnen nemen en laten inleggen met
wortelnotenhout zodat het dan veel op een Franse
band lijkt. Wat de prenten zelf betreft, daarvan
was er een zeer grote hoeveelheid, maar voor
zover wij ze gezien hebben, in hoofdzaak van louter
nieuwe meesters zoals Nicolas Ie Brun, Callot,
Ie Fage, enzovoorts. Op een schoorsteenmantel
stonden zeer veel keizerskoppen die in Leiden zeer
fraai gemaakt worden van gips en daarna
gebronsd.
Om terug te komen op de heer Van Leenhof en
zijn strijd: het is een man van ruim 40 jaar, zeer
begaafd in het preken, en hij staat daarom, en vanwege
zijn humaniteit, bij hoog en bij laag in hoog
aanzien, zowel in de stad als bij de Staten van de
Provincie. Maar door zijn boek, de Hemel op
aarde, heeft hij zich door enige qui Classicum cecinere,
is de woede van de hele geestelijkheid van alle
provincies op de hals gehaald. Op zijn minst zijn
zij er op uit dat hij uit het predikambt stapt, maar
de zogeheten Magistraat [= Zwols stadsbestuur]
en de Staten van de Provincie daarentegen proberen
hem te behouden; men weet nog niet hoe het
eigenlijk zal aflopen.
Enigen verzekerden mij dat hij deze week voor
de laatste keer preekt, maar dat de uitdeling van
het Avondmaal, het dopen van kinderen, het
troosten der zieken en dat soort zaken, met uitzondering
van het verkondigen van de leer, voor
hem behouden blijven.
Wat de bezoldiging betreft krijgt hij van de
Magistraat, in plaats van de 1000 gulden die hij
kreeg, 800 gulden; de Staten van Overijssel geven
hem echter uit bijzondere vrijgevigheid 400 gulden
jaarlijks. Daar hij voorheen van de Staten
niets ontving, wordt hij er niet slechter van. Hij
kan er van rondkomen omdat hij nog ongetrouwd
is. Men verwondert zich erover hoe heftig de theologen
over deze kwestie de degens gekruist hebben.
Velen zijn van mening dat als hij zijn traktaatje
niet zo’n bijzondere titel had gegeven, men
zich er niet aan gestoord zou hebben. Maar omdat
de theologen zich tegen alle vernieuwingen verzetten,
zo wilden ze in het bijzonder van geen nieuwe
Hemel op aarde weten. Of de beschuldigingen en
verdachtmakingen tegen de heer Van Leenhof
H E E L
© e j *
M
A A R D E N
OPGEHELDERT
V A N DE
Nevelen vanMisvcrftandjCnVooroprdeclcn.”
EERS.TE.DEEL.
JÜaat (n tw <0;tmtUH rn ctrwtnt %»imf rftlnnrn ut Drtürüiflidae tioiyTiormii/ tmtnatmtRfiijrtrii ilfW!icii&rfj;ffifiiöa4crc 1 WB.HAKVOORD. SSortfccftopreoan onterecht zijn laat ik in het midden. Uiterlijk ziet hij er slim genoeg uit, hoewel in het overige zijn eruditie, voor zover ik dat in het discours kon bespeuren, helemaal zo groot niet is. '9 De zesde mei, dinsdagmorgen om vier uur, vertrokken we uit Zwolle. We kwamen steeds bij de kleine rivier de Aa, die door Zwolle tot in de zee bij Genemuiden gaat. De weg was niet zo goed als in de overige provincies der Nederlanden, maar zeer slecht. Hieruit blijkt dat de voorschriften en de verordeningen van de stad Zwolle toch niet zo goed zijn. Hierbij moet ik dan nog aantekenen dat ik in Zwolle overal naar de wetten en constituties van de stad gevraagd heb, om te zien of ze dan zo voortreffelijk zijn. Ik vernam echter dat die nooit gedrukt zijn en dat men van stadswege alleen maar enkele speciale verordeningen bijvoorbeeld op het gebied van het vuur heeft. Wel heeft men het landrecht van de provincie in druk maar dat geldt niet voor de stad. Nadat we in drie uren anderhalve mijl20 gereden hadden kwamen we bij een dorp, Wijhe genaamd, dat halverwege Deventer ligt en waar de gewone postwagen, die elke dag uit beide plaatsen vertrekt, wisselt. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93 Noten 1. Op de tentoonstelling De wereld binnen handbereik, 26 juni - ïi oktober 1992 in het Amsterdamse Historisch Museum, werd een representatief overzicht gegeven van wat er in de zeventiende en vroege achttiende eeuw verzameld werd. Zie: De wereld binnen handbereik: Nederlandse kunst- en rariteitenverzamelingen, 1585-1735. Catalogus en esaybundel, Amsterdam (Amsterdams Historisch Museum), 1992. 2. Z.C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engeland, Ulm & Memmingen: Joh. Fr. Gaum 1753-54,3 dln., dl. 2 (1753), p. 361-371. (Rijksmuseum Amsterdam, coll. Bibliotheek, 319-E15A7). 3. Sloet tot Oldhuis publiceerde in 1854 de voornaamste indrukken van VonUffenbach tijdens het verblijf in Overijssel in 1710. Datgene dat Sloet tot Oldhuis met betrekking tot Von Uffenbachs verblijf in Zwolle uit diens geschriften overnam is minder uitgebreid. Zo ontbreken bij Sloet tot Oldhuis de uitvoerige beschrijvingen van de kunstverzamelingen van Gerrit Tydeman en Frederik van Leenhof en het bezoek aan de uurwerkmaker Willem Bramer. Zie: B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, 'Zacharias Conrad von Uffenbach in Overijssel. 1710.', in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren, 19 (1854), 257 e.v., voor Zwolle: 258-264. 4. J. de Meyere, H. Weyma, Anamorfosen: kunst met een omweg, Bloemendaal 1989,7,74. 5. 'Zeiller in itin.Germ. p. 453 aus Braunio en Casp. Ens.'. Von Uffenbach, op cit. (zie noot 2), 361. Schrijver en titel konden niet achterhaald worden. 6. De tekst van Von Uffenbach met betrekking tot het verblijf in Zwolle is in dit gedeelte van het artikel zo volledig mogelijk geparafraseerd. 7. Zie over de uur- en slagwerken van de Zwolse kerken: TJ. de Vries, Hora ruit, tempus fluit, Zwolle 1963,8,28,39. 8. In de kerk werd zondags slechts een dienst gehouden, 's middags vond er een 'publieke catechisatie' plaats. Zie: W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle, Zwolle 1890,177. 9. In de hoek tussen de oostgevel v

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 4

Door | 1996, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
• ft • « . ‘
n i k . . * « • . . ‘ •
m
1 3 E J A A R G A N G I 9 9 6 N U M M E R 4 P R I J S F 9 . 5 0
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Gemeente
“Zwëïïe
archief
Ansichtkaart Voorstraat,
poststempel 4 januari 1904
“L.E.!
Heb vanmiddag heerlijk met Antoon op de ijsbaan
gereden. Jammer datje er niet bij waart.
Vele groten van thuis en ook van Juffr. v/d Ven (die
morgenvroeg omgu. naar Breda gaat terugstoomen)
en v. Holterman, maar vooral van je liefh. G.
De dienstmaagd in no. 60 is weer beter. Groet svp
Allen bij je van mij. Adieu!
U’en allen van mij gegroet, Antoon.”
(Verticaal:) “Kantoor der firma G.J. Schuttelaar &
Co woning van G.J. Sch”
Ee
I en ansichtkaart uit het begin van deze eeuw,
verstuurd tijdens een periode van strenge
/vorst die eind 1903 was ingevallen en zo’n
drie weken zou aanhouden. De Zwolse krant
maakte begin januari 1904 herhaaldelijk melding
van druk ijsvermaak op de grachten en ijsbaan; ijspret
waaraan de afzender van de kaart ook refereert.
Het op de kaart met een pijltje aangegeven
pand, nu Voorstraat 32, der Fa. Schuttelaar, Handelsagent,
is een der weinige gebouwen aan die
kant van de straat dat er tegenwoordig nog staat.
Dit is eveneens het geval met het hoekhuis op de
Luttekestraat, de de rest van de daartussenliggende
gevelwand heeft de laatste veertig jaar plaats
gemaakt voor nieuwbouw. Onder meer Voorstraat
26, dat eind jaren ’50 werd gebouwd als
nieuw onderkomen voor drukkerij Tijl, maar
waar sinds 1969 het Gemeente Archief gehuisvest
is. Op dit toenmalige adres in de Voorstraat, nu
nr. 43, was in 1904 het kantoor en vergaderlokaal
van het Christelijk Werkliedenverbond Patrimonium
gevestigd. Daar was in ieder geval geen sprake
van een inwonende dienstbode. Misschien
werd er een ander adres bedoeld of was het
gewoon een verschrijving.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
Twee uitersten in tijd komen in deze aflevering
samen. Allereerst de Middeleeuwen. I. Wormgoor
beschijft de oudste geschiedenis van het vrouwenklooster
het Oldeconvent dat in de huidige Praubstraat
stond. Opmerkelijk is de toenemende
invloed, niet alleen van de kerk, maar ook van het
stadsbestuur.
De middeleeuwer stelde zich het kwaad voor
in de vorm van geesten en spoken die de mensen
op het verkerde pad wensten te brengen. Ook het
klooster van Windesheim met de vrome moderne
devoten plachten ze te bezoeken. Hoe Thomas a
Kempis met hen afrekenden wordt duidelijk uit
het artikel van F. D. Zeiler.
De gang van de Middeleeuwen naar de moderne
tijd kost in deze aflevering niet meer dan het
omslaan van een pagina. In de negentiende eeuw
hielden andere zaken de mensen bezig dan spoken
en geesten. Waarover Elsje Feith zich zorgen
maakte en waaraan ze plezier beleefde is te lezen in
de bijdrage van J.C. Streng.
Op een wandeling naar de Burgemeester van
Roijensingel leidt DJ. Rouwenhorst de lezer naar
nummer 13. Het is een markante villa waarvan hij
de bijzondere geschiedenis tot het recente verleden
uit de doeken doet.
Waar haalden de Zwolse rechters, notarissen,
advocaten en procureurs in de negentiende eeuw
hun juridische kennis vandaan? Zij waren lid van
de vereniging Themis die tot dat doel een grote
boekencollectie in stand hield. Het trieste lot van
particuliere bibliotheken is dat ze veelal weer uiteenvallen
na het overlijden van de eigenaar. Voor
instellingen geldt dat ook, zoals uit het artikel van
JJ.Heijs blijkt.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
De eerste jaren van het Oldeconvent Ingrid Wormgoor
110
112
Thomas a Kempis verjaagt een spook.
Drie Zwolse wonderverhalen uit de vijftiende eeuw Frits David Zeiler 118
‘Lieve Naatje’ J.C. Streng
In de wandelingen van een villa. De geschiedenis van de villa
aan de Van Roijensingel 13 Derk Jan Rouwenhorst
De ‘boekverzameling’ Themis J.J. Heijs
Literatuur
Mededelingen
Agenda
Auteurs
123
129
135
138
141
142
143
Omslag: Boschwijk geschilderd door de broer van Elsje Feith, de amateurschilder
Louis Rutger. (foto: Stedelijk Museum Zwolle)
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De eerste jaren van het Oldeconvent
Ingrid Wormgoor In de eerste jaren van haar bestaan als stad,
waren er in Zwolle geen kloosters binnen de
stadsmuren gevestigd. Pas in 1309 stichtte Bernardus
van Vollenhove het eerste klooster in de
stad: het Bethlehemklooster. Dit klooster was
bestemd voor mannen.
Het Oldeconvent in de Begijnenstraat – de huidige
Praubstraat – was het eerste Zwolse vrouwenklooster.
Het ontstond in de loop van de veertiende
eeuw. Dit artikel handelt over de eerste jaren
van dit klooster, vanaf het ontstaan tot de hervorming
van de leefregels, die aan het eind van de
veertiende eeuw plaatsvond.
Ontstaan
Over de periode van ontstaan, de organisatie en
oudste geschiedenis van het Oldeconvent is vrijwel
niets bekend. Het eerste bericht dat wijst op
een vorm van religieus leven voor vrouwen, is een
oorkonde uit 1361. Hierin schenken Rolof die
Baerscheerre en zijn vrouw Jutte, geld aan een
aantal kerkelijke instellingen, voor het geval zij
zouden overlijden tijdens hun pelgrimstocht naar
Santiago de Compostella. Onder de begunstigden
zijn de begijnen, die voor het beloofde bedrag
dagelijks moeten bidden voor Rolof.1
Op basis van deze oorkonde kunnen we twee
dingen concluderen. Ten eerste was er slechts één
groep vrouwen in de stad die bekend stond als
begijnen. Ten tweede hadden deze begijnen een
zodanige organisatie dat hun gevraagd kon worden
voor iemand te bidden. Al het overige is
uiterst speculatief.
Wel kunnen we aan de hand van gebeurtenissen
elders, een mogelijkheid opperen over het
ontstaan van het Oldeconvent. Het is bijvoorbeeld
heel goed mogelijk dat deze groep begijnen al lange
tijd bestond. Vanaf het eind van de twaalfde
eeuw waren er namelijk op verschillende plaatsen
in West-Europa vrouwen die een vroom en kuis
leven leidden zonder in een klooster in te treden.
Zij werden aanvankelijk mulieres religiosae ofwel
religieuze vrouwen genoemd; ongeveer vanaf het
jaar 1200 worden deze vrouwen meestal begijnen
genoemd. Omdat zij zich niet hadden aangesloten
bij een van de kerkelijk erkende kloosterorden, en
niet de drie bekende kloostergeloften van armoede,
gehoorzaamheid en zuiverheid aflegden,
waren het geen kloosterlingen.
Sommige van deze vrouwen woonden bij hun
familie. Anderen leefden in hun eigen huis of
samen met enkele geestverwanten in een huis of
hof. Later werd deze begijnenbeweging strakker
georganiseerd: de vrouwen namen regels aan en er
ontstonden gereguleerde instellingen, de begijnhuizen
en begijnhoven. In Zwolle is het nooit tot
de stichting van een begijnhof gekomen.2
Het Oldeconvent is waarschijnlijk ontstaan
doordat op een gegeven moment een aantal vrouwen
ging samenwonen. Zo’n losse en informele
beginperiode kan het gebrek aan informatiebronnen
verklaren.
Minderbroeders
Aan het eind van de veertiende eeuw waren de
bewoonsters van het Oldeconvent aangesloten bij
de derde orde van Franciscus.3 Ze stonden onder
leiding van de Minderbroeders van Kampen, die
een termijnhuis4 bezaten in de Begijnenstraat,
naast het Oldeconvent. Het is echter niet zeker of
de begijnen van het Oldeconvent vanaf het begin
af aan onder leiding van de Minderbroeders stonden.
Wanneer het Oldeconvent inderdaad uit een
losse organisatie van vrome vrouwen is voortgekomen,
is het zelfs waarschijnlijker dat de Franciscanen
pas later invloed kregen. Het was namelijk
vrij gebruikelijk dat begijnen na verloop van tijd
de derde regel van Franciscus aannamen. Zij werZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
Het Oldeconvent in
1627; tekening van
Jacobus Stellingwerf
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
den daardoor nog geen kloosterlingen. Ze legden
wel een belofte af, maar niet de drie plechtige
kloostergeloften. Wel ontvingen zij enige voorrechten
van kloosterlingen. Zo mochten ze bijvoorbeeld
een draagbaar altaar hebben en waren
ze vrij in de keuze van een visitator. Persoonlijk
mochten zij gelofte van zuiverheid afleggen.
Over de kwaliteit van de leiding die de Minderbroeders
gaven is weinig bekend. Alleen indirect
is er iets van te zeggen. Gedurende de eerste
helft van de veertiende eeuw kregen de broeders
regelmatig schenkingen van de inwoners van
Kampen. Blijkbaar droegen zij ‘hun’ broeders in
die tijd een warm hart toe.5 Later ging het stadsbestuur
van Kampen zich meer met de Franciscanen
bemoeien. Zo kwamen schepenen en raad in 1371
met hen overeen dat vrouwen het klooster niet
meer zouden bezoeken (behalve de kerk) en dat de
broeders geen begijnen meer zouden bezoeken op
hun kamer. Weer later, in de vijftiende eeuw,
bevorderde het stadsbestuur een strengere observantie.
6 Een en ander kan erop wijzen dat het
Franciscanenklooster aanvankelijk goed functioneerde
en de discipline niets te wensen overliet.
Na verloop van tijd verminderde de kloosterdiscipline
mogelijk, waardoor het stadsbestuur van
Kampen een nadere overeenkomst nodig achtte.
De kwaliteit van de leiding die de Franciscanen
aan vrouwenkloosters in en buiten Kampen
gaven, ging ongetwijfeld op en neer met hun
interne kloosterdisipline. In elk geval waren Henricus
van Gouda en Geert Grote van mening dat
de leiding van de Minderbroeders en de discipline
onder de bewoonsters van het Oldeconvent te
wensen overliet.
Hervorming
Henricus van Gouda was één van de volgelingen
van Geert Grote. Hij was afkomstig uit Gouda en
hij werd door Geert Grote naar Zwolle gezonden
als steun voor de moderne devoten. Hij woonde in
een huis naast het terrein van het Oldeconvent,
waar hij scholieren van Johannes Cele onderdak
verleende.
Wanneer de onbekende biograaf van Henricus
van Gouda (die geciteerd wordt door Johannes
Lindeborn) gelijk had, was het Oldeconvent hard
aan hervorming toe. Deze biograaf schrijft namelijk
dat het convent, toen het enige in de stad, een
bordeel was voor de terminaris, de biechtvader en
hun medestanders. De vrouwen die er woonden
waren onverzorgd en verbitterd.7
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op 26 juli 1397 stelden
schepenen en raden,
samen met stadspastoor
Reynald van Drynen,
en met advies van goede
geleerde lieden een oorkonde
op om een eind te
maken aan de onenigheden
tussen de begij-
Of de vrouwen van het Oldeconvent inderdaad
zo verdorven waren als deze schrijver voorstelt,
mag betwijfeld worden. Ook de achttiende
eeuwse historicus Van Hattum plaatst vraagtekens
bij de betrouwbaarheid van deze auteur, omdat hij
hem op enkele andere onnauwkeurigheden
betrapte. Verder wijst Van Hattum op de slechte
verhoudingen tussen Moderne Devoten en monniken,
die elkaar bij voorkomende gelegenheden
wederzijds zwart maakten. We kunnen bovendien
nog wijzen op de algemene neiging van biografen
om de daden van hun ‘helden’ mooier voor te stellen
dan ze in werkelijkheid waren. Tenslotte zijn
beschuldigingen van sexuele uitspattingen tamelijk
gebruikelijk bij beschuldigingen van misstanden.
De eerder genoemde biograaf vervolgt zijn
verhaal met de mededeling dat Henricus met hulp
van de pastoor en het stadsbestuur wist te bewerkstelligen
dat er geen vrouwen meer onder de derde
orde werden aangenomen en dat de terminarissen
de toegang tot het huis ontzegd werd. ‘Verdorven
vrouwen walgden’ van deze maatregel en verlieten
het huis. Aldus gezuiverd kon met nieuwe statuten
een nieuw begin gemaakt worden.
Jacobus Traiecti alias de Voecht, die in de zestiende
eeuw in het Zwolse fraterhuis woonde en
een kroniek schreef over dit huis, noemt deze
gebeurtenissen ook in zijn kroniek. Hij gebruikt
iets andere bewoordingen, waardoor alles in een
ander daglicht komt te staan.
Volgens Jacobus de Voecht was Henricus van
Gouda biechtvader van de zusters in het Oldeconvent,
dat aanvankelijk geleid werd door de Franciscanen
uit Kampen. Omdat zij slechte leiding
gaven (sommige zusters zondigden met hun
biechtvaders en de monniken), kwam op advies
van Geert Grote en Henricus van Gouda een nieuwe
regeling tot stand. Er zouden geen nieuwe
vrouwen aangenomen worden, totdat het grootste
deel van de oude zusters was gestorven. Toen
Henricus van Gouda sommige zusters tot een
striktere levenswijze had gebracht, zorgde hij
ervoor dat zij de leiding van het convent te Kampen
verlieten. Vanaf die tijd leefden de vrouwen
zonder gelofte, maar volgden zij de regels die schepenen
en raden in een brief hadden vastgesteld. In
die situatie werd Henricus van Gouda de eerste
biechtvader van de zusters.8
Regels van 1396 en 1397
In een oorkonde van 12 juni 1396 verklaren schepenen
en raden van Zwolle dat zij met advies van
de pastoor regels hadden opgesteld voor de begijnen
van het Oldeconvent. Opvallend is dat Henricus
van Gouda niet vermeld wordt. De Minderbroeders
worden evenmin genoemd en ook wordt
nergens duidelijk of er nog vrouwen aangesloten
waren bij de derde orde; zij worden eenvoudig
begijnen genoemd. Wel komen de pastoor en twee
raden ter sprake. Zij kregen de taak om jaarlijks in
overleg met de begijnen een bewaarster voor het
komende jaar aan te stellen. De bewaarster mocht
de andere begijnen berispen, hen toestemming
geven het huis te verlaten, de werkzaamheden in
het huis verdelen, geschillen tussen begijnen
onderling aanhoren en eventueel daarover de pastoor
of de schepenen raadplegen, beslissen over
het aantrekken van personen van buiten het huis
en bepalen of iemand van buiten het begijnhuis
daar mocht overnachten. Tevens werd vastgelegd
dat de begijnen onder elkaar zachtmoedig moesZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ten zijn, eenvoudige kleding moesten dragen, geen
wereldse dingen zoals stikwerk of borduurwerk
met parels, goud of zilver mochten maken, gezamenlijk
naar de kerk moesten gaan en dat zij
direct na de dienst naar het begijnhuis moesten
terugkeren. Ze mochten niet met buitenstaanders
praten en ’s avonds na de klok van 9 uur moesten
ze gaan rusten. Verder zou bij de toelating van
toekomstige begijnen niet gelet worden op rijkdom
of familie, maar op goede zeden en een goed
geestelijk leven. Wanneer twee begijnen in één
kamer niet met elkaar overweg konden, mocht de
bewaarster hen scheiden en op een andere plaats
onderbrengen. Maar indien één van de betrokken
vrouwen zich had ingekocht in de kamer waar ze
uitgezet werd, werd dat vergoed. Wanneer iemand
deze regels herhaaldelijk overtrad, deelde zij niet
mee in de inkomsten van het begijnhuis. Na overleg
met de pastoor en schepenen kon zo’n begijn
uit het huis verwijderd worden. Alle geschilpunten
zouden door de pastoor, de schepenen en de
bewaarster beoordeeld worden. Schepenen en
raad grepen in omdat “neghene dynge staende en
mogen bliven ten sy dat se guede ordinancie ende
regiment hebben. Ende op dat de baghinen des
beghinen huys ende wonynghe in Zwolle in der
Baghynen strate gelegen die nu sijn off hier naemaels
daer in ontfanghen zulle werden myt rusten
ende vrede zunder verkierde menschen bespreek
in mynnen oetmoedicheden in kuysheden ende
voirt in allen anderen dogeden (= deugden) to
goder ommegaen ende male anderen in mynnen
denen mogen in gehoersamicheit des pawes (=
paus) hore prelaten ende hoeres kerekheren. Ende
sonder alle dwelynghe (= dwalingen) gode dyenen
inden gheeste der oetmoedicheit”.9
De tweede oorkonde is opgesteld op 26 juli
1397, nadat schepenen en raden met de pastoor en
met advies van goede geleerde lieden een eind
hadden gemaakt aan onenigheden tussen de begijnen.
De bepalingen hielden onder andere in dat de
begijnen een meesterse zouden kiezen. Deze
meesterse moest een begijn aanwijzen om samen
met haar het huis te leiden. Zij bewaarden gezamenlijk
de sleutel van de schatkist en konden
alleen gezamenlijk de kist openen. Daarnaast kwamen
er regels ten aanzien van het vasten en bidden.
Op hoogtijdagen moesten de vrouwen een
falie en een mantel met lange mouwen dragen. Bij
de intrede van een nieuwe begijn moesten alle
regels voorgelezen worden en de nieuwe begijn
moest beloven deze na te leven op straffe van verlies
van haar uitkering of verwijdering uit het
begijnhuis. Overigens moesten alle begijnen
instemmen met de komst van een nieuwe begijn.
In geval van onenigheid beslisten pastoor en schepenen
en raad over toelating. In geval van herhaalde
overtreding kon iemand na overleg met de pastoor
en twee daartoe aangewezen schepenen uit
het huis verwijderd worden.10
Uit de beide oorkonden blijkt dat er voor de
hervormingen van 1396 en 1397 geen sprake was
van een gemeenschappelijk leven. Dat werd ook
niet ingevoerd bij de hervormingen. De vrouwen
kochten zich in, kregen de beschikking over een
eigen kamer en hadden recht op een uitkering.
Daarnaast hadden zij de vrije beschikking over
hun eigen vermogen. De invloed van de pastoor
en magistraat werd vrij groot. Zij bepaalden mede
wie de bewaarster of meesterse van het convent
was en zij moesten bij alle problemen geraadpleegd
worden. Twee schepenen werden speciaal
daarvoor aangewezen. In 1400 blijkt het convent
bovendien nog over een zaakwaarnemer te
beschikken die aangesteld werd door de stad.1′
Tijdsverloop
Wanneer de hervorming precies doorgevoerd is, is
uit de verhalen van de twee bovengenoemde
auteurs niet helemaal te achterhalen. Omdat Jacobus
de Voecht de naam van Geert Grote noemt,
lijkt het alsof de hervorming plaatsvond voor
diens overlijden in 1384. Ook de mededeling van
de Anonymus dat het Oldeconvent tijdens de hervorming
het enige in de stad was, wijst in die richting.
Niet lang daarna werd immers een ander
vrouwenhuis, het Ter Kinderhuis, gesticht.
Het jaar 1384 is echter niet in overeenstemming
met de oorkonden uit 1396 en 1397. De hervorming
kan dus pas definitief zijn ingevoerd in
die jaren.
Wanneer we de verhalen van de anonieme
biograaf en Jacobus de Voecht goed lezen, dan
blijkt dat er verschillende veranderingen plaatsn6
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zowel de stad Zwolle als
de stadspastoor Reynald
van Drynen hingen hun
zegels aan de oorkonden
uit 1396 en 1397.
vonden. Allereerst vermeldden beide auteurs dat
er geen nieuwe vrouwen aangenomen werden;
vervolgens dat de Minderbroeders van Kampen
geen leiding meer gaven. Tenslotte meldden ze dat
een nieuwe regeling tot stand kwam.
De auteurs verschillen van mening over de
reactie van de bewoonsters van het Oldeconvent
en over het tijdstip waarop het stadsbestuur en de
pastoor ingrepen. Volgens de anonymus vertrokken
verdorven vrouwen uit het huis, terwijl Jacobus
de Voecht daar geen melding van maakt. Volgens
hem was het de bedoeling van Henricus van
Gouda en Geert Grote dat iedereen in het convent
bleef wonen, maar dat nieuwe bewoonsters zich
niet meer onder de derde orde plaatsten. De zusters
van de derde orde zouden op die manier na
verloop van tijd vanzelf verdwijnen.
Verder schrijft de Anonymus dat pastoor en
stadsbestuur samen met Henricus van Gouda
ervoor zorgden dat er geen vrouwen meer onder
de derde regel werden aangenomen. Jacobus de
Voecht noemt alleen dat schepenen en raden een
definitieve regeling opstelden.
Het is heel goed denkbaar dat er tussen deze
veranderingen de nodige jaren verstreken. Mogelijk
probeerden Henricus van Gouda en Geert
Grote eerst, mogelijk met steun van de stadspastoor
en het stadsbestuur, om de vrouwen tot een
striktere levenswijze te brengen. Zij kunnen daarmee
begonnen zijn zodra Henricus naast het
Oldeconvent kwam te wonen; dus voor het overlijden
van Geert Grote in 1384. In de daaropvolgende
jaren moeten de teugels strakker zijn aangehaald:
de Minderbroeders verloren hun leidinggevende
positie. Mogelijk verlieten enkele ‘verdorven’
vrouwen in die tijd het convent. Na een
periode van zo’n twaalf jaar kwam een definitieve
regeling tot stand waarbij het stadsbestuur een
grote rol speelde.
Was de invloed van Henricus van Gouda inderdaad
van doorslaggevend belang bij de hervorming,
zoals de beide auteurs ons willen doen geloven?
We kunnen hier vraagtekens bij zetten,
omdat zijn naam niet voorkomt in de oorkonden
uit 1396 en 1397. Bovendien is onze kennis over de
rol van Henricus alleen gebaseerd op de twee biografen.
Over de Anonymus weten we niets meer
dan het ene citaat, maar over Jacobus de Voecht
weten we iets meer. Hij was een van de broeders
van het Zwolse fraterhuis. Zijn Narratio is niet
alleen een geschiedschrijving van het Zwolse fraterhuis,
maar de levensbeschrijvingen in de Narratio
waren ook bedoeld als voorbeeld voor de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT “7
broeders zelf. Het is daarom heel goed denkbaar
dat de rol van Henricus is benadrukt en dat de rol
die anderen speelden is verwaarloosd. Een hervorming
van het Oldeconvent was immers evengoed
in het belang van stadspastoor en stadsbestuur. In
elk geval wisten zij door de hervormingen die in
1396 en 1397 doorgevoerd werden, hun invloed op
het convent uit te breiden.
Tenslotte
Door gebrek aan bronnenmateriaal blijft de ontstaansgeschiedenis
van het Oldeconvent onduidelijk.
Het enige dat vaststaat is dat het convent in
1361 bestond en dat het het oudste vrouwenconvent
in de stad is. Ook over de verdere geschiedenis
van het klooster zijn de bronnen uiterst zwijgzaam.
Afgezien van een enkele schenking in de
jaren zestig van de veertiende eeuw, wordt het
klooster nauwelijks genoemd.
Aan het eind van de veertiende eeuw blijkt de
toestand in het klooster zodanig dat een aantal
mensen ingrijpen noodzakelijk achtte. Daarbij
worden de namen van Geert Grote en Henricus
van Gouda genoemd. Verder speelden de pastoor
en het stadsbestuur een rol. Op basis van twee biografieën
en twee oorkonden kunnen we geen volledige
zekerheid geven over het verloop van de
gebeurtenissen. Wel is het mogelijk de verschillende
gegevens met elkaar te combineren en op basis
daarvan tot een reconstructie te komen.
Voor 1384 vestigde Henricus van Gouda zich
naast het Oldeconvent. Samen met Geert Grote
zorgde hij ervoor dat (een deel van) de vrouwen
zich aan striktere regels ging houden. Er kwam een
eind aan de leidinggevende positie van de Minderbroeders
uit Kampen. Ongetwijfeld was dit een
warrige periode voor de vrouwen. Waarschijnlijk
steunden sommigen de hervormingen, terwijl
anderen liever de bestaande situatie wilden handhaven.
Mogelijk verlieten enkele vrouwen het
convent.
In 1396 stelden schepenen en raden nieuwe
regels op voor de begijnen. Deze regels voldeden
niet en er ontstonden opnieuw onenigheden.
Schepenen, raden, pastoor en goede lieden maakten
een eind aan die onenigheden en stelden een
aanvullende overeenkomst vast.
Met het ingrijpen van het stadsbestuur en de
pastoor in het Oldeconvent, wijkt de ontwikkeling
van het Oldeconvent af van de gang van zaken bij
veel begijnhuizen. Elders ontwikkelden begijnhuizen
zich vaak in de richting van een klooster. Veelvuldig
namen begijnhuizen eerst de derde regel
van Franciscus aan, gevolgd door de overgang tot
de regel van Augustinus; dus altijd in de richting
van een striktere levensregel. Het Oldeconvent
zette wel de eerste stap, maar door het ingrijpen
van het stadsbestuur ontstond een nieuwe verhouding.
Niet een klooster, maar schepenen,
raden en pastoor kregen het laatste woord bij problemen
in het Oldeconvent. De stad had door
deze regeling meer invloed op de gang van zaken
in het Oldeconvent, dan bij een eventuele aansluiting
van het Oldeconvent bij een kloosterorde
mogelijk was geweest.
Noten
1. F.C. Berkenvelder, Zwolse regesten, 5dln. Zwolle
1980-1994.1, nr. 35.
2. Mogelijk hangt dat samen met het ontbreken van
een sterk wereldlijk gezag. In Holland en Zeeland
stichtten leden van de grafelijke familie verschillende
begijnhuizen. Zie: F.W.J. Koorn, Begijnhoven in
Holland en Zeeland gedurende de Middeleeuwen Assen
1981,13.
3. De eerste orde bestond uit mannelijke kloosterlingen,
de tweede uit vrouwelijke kloosterlingen en de
derde orde bestond uit leken.
4. Elk Minderbroederklooster had een bepaald gebied
waar de monniken rondtrokken om te bedelen. De
stad Zwolle lag in het gebied van het klooster van
Kampen. Een termijnhuis is te vergelijken met een
dependance.
5. CL. Verkerk, Kampen en de Franciscanen. (Een
voorlopig verslag), s.1., s.a. (Aanwezig in het gemeentearchief
Kampen), 31.
6. idem, 34.
7. Volgens een onbekend biograaf. Geciteerd in: J.
Lindeborn, Historica sive notitia episcopatus Daventriensis.
Keulen 1670,369.
8. M. Schoengen, Jacobus Traiecti alias de Voecht. Narratio
de inchoatione domus clericorum in Zwollis.
Amsterdam 1908,16.
9. Berkenvelder, Regesten, nr. 452.
10. Berkenvelder, Regesten, nr. 493.
11. Berkenvelder, Regesten, nr. 580.
118 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis verjaagt een spook
Drie Zwolse wonderverhalen uit de vijftiende eeuw
Frits David Zeiler
De begraafplaats op de
Agnietenberg.
Het klooster op de Berg
Aan de noordoostkant van Zwolle ligt sinds
eeuwen de Agnietenberg. Het is tegenwoordig
een lommerrijke plek met een
romantisch theehuis en een kampeerterrein vanwaar
men uitkijkt over de Vecht en een mooie,
oude begraafplaats. Tussen 1398 en 1581′ stond
hier het Bergklooster, waar de gebroeders Van
Hemerken leefden, of ‘a Kempis’ zoals ze meestal
naar hun plaats van herkomst werden genoemd.
Joannes was er decennialang prior, maar Thomas
bracht de tijd het liefst door ‘met een boekske in
een hoekske’. Zijn lange leven (hij werd over de
negentig) besteedde hij onder meer aan het schrijven
van een vierdelig tractaat, dat onder de titel
‘Over de navolging van Christus’ het beroemdse
boek zou worden dat ooit in de Nederlanden verscheen.
De broeders, die de regel van Augustinus
volgden, werden tot de reguliere kanunniken
gerekend en vielen onder de congregatie van Windesheim.
Het waren dus ‘moderne devoten’, aanhangers
van de geloofsvernieuwing waarbij de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
persoonlijke verhouding tot God en de verantwoording
tegenover Hem op de allereerste plaats
kwam. Daarmee wees de beweging vooruit naar
de verdere ontwikkelingen binnen de Christelijke
kerk, die in de eeuwen daarna de wereld van aanzien
zouden doen veranderen.
Maar de ‘devoten’ waren ook kinderen van
hun tijd. Zij leefden dicht bij de natuur vol gevaren,
dicht bij de dood (het was de tijd van de grote
pestepidemieën) en dicht bij wat wij nu op zijn
minst lichtgelovigheid zouden noemen. Zij
geloofden in toverkunsten, wonderen en spoken.
Toen bijvoorbeeld in de Onze Lieve Vrouwekapel
(de huidige Peperbuskerk) in 1398 een Antoniusaltaar
was gewijd, stroomden de gelovigen van
heinde en verre toe, in de hoop door bemiddeling
van deze heilige van de pest gevrijwaard te blijven.
Of er daadwerkelijk wonderbare genezingen zijn
voorgevallen, vermeldt de historie verder niet.2
Maar ook op de Agnietenberg wist men met buitengewone
zaken wel raad. Prior Joannes had al
eens een spookverschijning uit een huis in Brunnepe
bij Kampen verdreven, terwijl Thomas door
het laten slaan van een kruisteken voor een wonderbare
vermenigvuldiging van de etenspotten in
de refter had gezorgd. “Na dit verhaal zal het niet
vreemd klinken, dat het klooster op den S. Agnietenberg
het ‘Bergklooster van mirakelen’ heette,”
merkt Acquoy terecht op.3 Hij baseert zich daarbij
onder meer op de kloosterkroniek4 en op de vita
(levensbeschrijving) van Thomas. Een andere
bron, waarin de roep van de plaats wordt bevestigd,
noemt hij niet. Deze is te vinden in een
Deventer wiegedruk en in een Egmonds handschrift.
Een Egmondse bloemlezing
De abdij van Egmond, bevolkt door Benedictijner
monniken, was aanzienlijk ouder dan de Zwolse
kloosters en gaat terug op een grafelijke stichting
in de tiende eeuw.5 Het scriptorium kende een lange
traditie en werkte evenals elders het geval was
niet alleen ten behoeve van de eigen bibliotheek,
maar nam ook bestellingen van derden aan. Zo
werd er tussen 1514 en 1518, hoogstwaarschijnlijk
op verzoek van de Latijnse School in Alkmaar, een
copie vervaardigd van een Hollandse gravenkro-
A er’ tl” •••/» ‘X *(M»hltf W&mgi* M 4 ^
^«.™« rW,JWi^t /J,«„ JÏIw ^^A, – e
niek. Daaraan voegde men een groot aantal teksten
toe van merendeels religieuze signatuur.6
Onder deze teksten bevinden zich allerlei vijftiende-
eeuwse wonderverhalen – het was de hoogtij
der mirakelen! -, historische aantekeningen en
korte biografieën van een aantal beroemde mannen
zoals Geert Grote, Wessel Gansfort en Thomas
a Kempis. Thomas treedt ook op in twee van
de kleinere verhalen, die in deze bloemlezing zijn
opgenomen. Anders dan bijvoorbeeld de uitvoerig
beschreven Heilig Bloedwonderen van Alkmaar
en Bergen of het Mirakel van Amsterdam
hebben deze episoden nooit een grote bekendheid
gekregen, zelfs niet in Zwolle. Reden temeer om er
opnieuw aandacht aan te besteden.
Het eerste verhaal waarin Thomas figureert,
speelt in zijn tijd als leerling van de Deventer
school van meester Florens, anders genoemd Florens
Radewijns. Tot de vaste regels behoorde het
uitspreken van gebeden ter ere van Maria. Thomas
oefende zich daar aanvankelijk vlijtig in, maar
na enige tijd begon zijn aandacht te verflauwen en
liet hij deze gebeden zelfs geheel na. In een droom
verscheen hem de H. Maagd, die zijn medebroeders
één voor één omhelsde, maar hem
bestraffend toesprak en beval van haar weg te
gaan. Nadat Thomas ontwaakt was, biechtte hij
vol berouw zijn zonde en eerde Maria zijn gehele
verdere leven lang.
Het tweede verhaal gaat over een nachtelijke
Begin van de Hollandse
Gravenkroniek in het
Egmondse handschrift
(foto: F.D. Zeiler).
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis
wordt vermaand door
Maria en (rechtsonder)
verschrikt door een
spook
(foto: F.D. Zeiler).
spookverschijning in Thomas’ cel op de Agnietenberg;
daarvan geven we straks de volledige inhoud
weer. Het derde verhaal tenslotte speelt zich af in
de stad Zwolle. Ook hier is het weer Maria die een
scholier op het rechte pad terugbrengt, maar op
een minder milde manier dan zij met Thomas had
gedaan: de arme scholier krijgt een oorvijg. Wat
was er gebeurd? De niet met name genoemde leerling
van de stadsschool was met zijn vrienden aan
het spelen en drinken geraakt, en na een weddenschap
mocht de winnaar zeggen hoe zij hun avond
zouden bekronen. Dit bleek tot schrik van de jongeman
een bezoek aan een publiek huis te zijn en
ook al hield hij zich daar verder afzijdig, bij het
verlaten van het etablissement keerde hij toch vol
schuldgevoelens huiswaarts. In een zijstraat dook
plotseling een verschijning op, die hem zo’n watjekouw
verkocht, dat hij met zijn gezwollen wang
dagenlang niet meer naar buiten dorst. Zo boette
hij voor zijn onstandvastigheid.
In het Egmondse handschrift wordt deze correctie
aan Maria toegeschreven, maar in de tekst
zelf komt zij niet voor; daar is slechts sprake van
een engel. De Deventer versie van de drie wonderverhalen,
die inhoudelijk verder niet afwijkt,
spreekt in het opschrift dan ook van een Angelus
Domini, een engel Gods.
Een duivelse verschijning
De ontmoeting van Thomas a Kempis met een
duivelse verschijning heeft in de beide, tekstueel
identieke versies eveneens een afwijkend
opschrift. De Deventer versie vermeldt: ‘Hoe
dezelfde Broeder Thomas door de gezegende
naam Jezus Christus en het Weesgegroet een duivel
die hem schrik aanjoeg op de vlucht deed
slaan.’ De Egmondse tekst heeft als kop: ‘Hoe
Thomas van Kempen, Zwols monnik, door de
gezegende naam Jezus Christus een duivel die
hem schrik aanjoeg op de vlucht deed slaan.’ En
dan volgt het verhaal over een duivelse verschijning,
waarvan we hier een vertaling geven.
‘Toen eens op een keer de duivel bovengenoemde
Broeder Thomas schrik wilde aanjagen, vertoonde
hij zich ’s nachts aan hem in een allerafschuwelijkste
en huiveringwekkende vorm. Toen Broeder
Thomas deze verschijning zijn bed zag naderen,
keek hij er sidderend naar en wist niet, wat hij
tegen een valstrik van zo’n afschuwelijke vijand
moest doen. Eindelijk begon hij, door een goddelijke
ingeving, een “weesgegroet” te bidden – met
trillende stem en zo goed als hij kon, want hij was
verschrikkelijk bang. Maar de duivel werd nauwelijks
door deze salutatio geraakt en kwam met veel
gerucht steeds dichter en dichterbij, totdat de
monnik in zijn gebed zover was gekomen, dat hij
het “onze heer Jezus Christus, amen” uitsprak.
Toen de duivel deze vervaarlijke naam hoorde,
keerde hij om als door een vreselijk onweer verschrikt
en maakte zich zo snel als hij kon onder
veel gejammer uit de voeten. Toen nu Broeder
Thomas zag dat de duivel tegenover de kracht van
zulk een naam niet kon blijven staan, richtte hij
het bange hoofd des te vermeteler op en riep hij
nog verschillende malen de vluchtende vijand de
gezegende naam “Jezus Christus” na. En hoe
krachtiger hij riep, des te heftiger week de afschuwelijke
geest terug. Zodat de vrome man erkennen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
moest, dank brengend aan God de Heer, en bij
zichzelf zei: “Wanneer ik met de allerheiligste
naam zo gemakkelijk de krachten van een tegenmacht
kan breken, wil ik verder nooit meer, zoals
ik tot nu toe heb gedaan, de machinaties van duivels
vrezen, noch, zwak van vertrouwen, bang
worden voor wat voor verschrikkelijke bedreigingen
dan ook.'”
Herkomst en achtergrond
Thomas’ duivelsuitdrijving is een mengeling van
een klassiek spookverhaal en een Marialegende.
Want ook al wordt Maria evenmin als in het derde
verhaal met name genoemd, het ‘weesgegroet’ dat
de bevende kloosterling bidt is natuurlijk gericht
tot de in zijn tijd zo geliefde middelaarster. Daarmee
passen alle drie verhalen in de laatmiddeleeuwse
Mariadevotie, waarvan de Spaanse Canticas
di Santa Maria of het Nederlandse Manken
van Nieumegen slechts enkele beroemde exponenten
zijn. Maar als gezegd, het is ook een klassiek
spookverhaal, zoals dat in de volkverbeelding in
duizenden varianten bestaat. Opvallend is wel, dat
de heilige naam meerdere keren wordt uitgesproken,
maar niet de later zo gebruikelijke en voor de
werking van de formule noodzakelijke drie maal.
In naderhand door folkloristen opgetekende
volksverhalen wordt de duivel trouwens ook
regelmatig met het aanroepen van ‘God en Marieje’
verjaagd.7
Bron is vermoedelijk Thomas zelf.8 In een van
zijn eigen exempla (voorbeelden) maakt hij
immers gewag van een ‘broeder’ die door de duivel
wordt bedreigd, zonder deze met name te noemen.
Schaamde hij zich misschien voor zijn toch
zo menselijke angst voor die spookverschijning?
In ieder geval is de geschiedenis vervolgens op
hem persoonlijk betrokken en opgenomen in de
Speculum Exemplorum, een verzameling moralistische
teksten die in 1481 in Deventer in druk verscheen.
9 Als auteur daarvan wordt meestal Johan
Busch genoemd, de Zwolse devoot die de geschiedenis
van het klooster Windesheim vastlegde in
het Chronicon Windeshemense. Noch de ‘spiegel’,
noch de kroniek zal aan de Oostnederlandse
stadsscholen onbekend zijn geweest; tenslotte
loopt er met name via het onderwijs een rechtstreekse
lijn van de moderne devotie naar het
vroeg zestiende-eeuwse humanisme. Een van de
leerlingen van de Deventer stadsschool, dezelfde
die een eeuw tevoren door Thomas was bezocht,
was Johannes Murmellius (1480-1517). Deze werd
later rector van de Latijnse School te Alkmaar en
moet als zodanig de opdrachtgever tot de
Egmondse ‘bloemlezing’ zijn geweest. Als copiïst
van het betreffende handschrift is onlangs met vrij
grote zekerheid Willem Zuermondt aangewezen,
die nog een tweede, vergelijkbare codex op zijn
naam heeft staan.10
Intussen was de tijd van de geschreven boeken al
vrijwel voorbij – net als die van de scriptoria en
uiteindelijk ook van de kloosters zelf. Het
Egmondse handschrift belandde in de stedelijke
librije van Alkmaar en de inhoud werd zelden
meer geraadpleegd. Ook de Deventer wiegedruk
raakte in vergetelheid, ondanks het feit dat daarvan
al in 1905 een nieuwe teksteditie verscheen.
Nu in het laatste decennium de lotgevallen van de
kloosterlingen weer zo in de belangstelling van
historici èn publiek zijn komen te staan, behoren
ook de Zwolse wonderverhalen weer gekend te
worden. Moge deze korte bijdrage als geheugensteuntje
dienen.
Gedeelte van het spookverhaal
en het begin
van het verhaal over de
oorvijg
(foto: F.D. Zeiler).
aT “J
«crf™.»^^^* «iUvi r’^f ‘f»>«>’» -K’I(
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noten
1. De stichting van het klooster heeft nogal wat voeten
in de aarde gehad; een begin is al in 1384 gemaakt,
maar de definitieve toestemming werd pas in 1398
verkregen. Het einde viel formeel al in 1561 door de
incorporatie bij het bisdom Deventer, materieel in
1581 door het statenbesluit tot ontruiming van de
buitenkloosters.
2. Over deze toevloed wordt gesproken in een pauselijke
aflaatbrief van 1399 (F.C. Berkenvelder, Zwolse
regesten I nr. 551’. Over de stichting van de O.L.V.-
kerk in het algemeen: I. Wormgoor, Onze Lieve
Vrouwe Kapel, de tweede kerk van Zwolle. In:
P.H.A.M. Abels e.a. (red.), De kerk in de kop. Bouwstenen
tot de kerkgeschiedenis van Noord-West Overijssel,
Delft 1995,47-68.
3. J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn
invloed 2, Utrecht 1876,264-267.
4. W.M. Peijnenburg pr., De kroniek van het klooster
St. Agnietenberg 1398-1477. Overijsselse Historische
Bijdragen, 94 (1979), 11-20. Momenteel wordt onder
auspiciën van de Stichting IJsselakademie de uitgave
voorbereid van een vertaling van deze kroniek,
waarvan Thomas a Kempis de voornaamste auteur
is.
5. J. Hof, De abdij van Egmond van de aanvang tot 3573,
‘s-Gravenhage/Haarlem 1973.
6. Regionaal Archief Alkmaar, Librije hs. ]A28 A 1
(oude aanduiding: Handschriftenverzameling 1).
M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische
bronnen uit de Middeleeuwen. Heiligenlevens,
annalen, kronieken en andere in Nederland geschreven
verhalende bronnen, ‘s-Gravenhage 1981, no. 203
(27, 28, 29). Vgl. C.P.H.M. Tilmans, De Hollandse
kroniek van Willem Hermans ontdekt. Een Egmondse
codex uit ca. 1514. In: G.N.M. Vis e.a. (red.),
Heiligenlevens, Annalen en Kronieken. Geschiedschrijving
in middeleeuws Egmond, Hilversum 1990,
169-191.
7. A. Buter, Volksverhalen uit Overijssel, Utrecht/Antwerpen
1981,67-68 (nrs. 9.1 en 9.3).
8. Kruitwagen, (zie noot 9), 390 voetnoot 1.
9. Carasso-Kok, Repertorium no. 203 (27,28 en 29). De
tekst van de Deventer druk is opnieuw uitgegeven
en van commentaar voorzien door B. Kruitwagen,
Het ‘Speculum Exemplorum’, Bijdragen tot de geschiedenis
van het Bisdom Haarlem 29 (1905), 329-
435. De drie wonderverhalen zijn opgenomen als
nrs. 7,8 en 9 op de pp. 388-397.
10. G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, De Librije
van Alkmaar. In: J. Drewes e.a., Glans en glorie van
de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse
St. Laurens, Hilversum 1996, 263-274.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
cLieve Naatje’
Ego- of particuliere documenten, in dit geval
brieven, zijn de mooiste bronnen om de
leefwereld van het verleden te ervaren.
Vooral als zeker is dat ze niet geschreven zijn om
te publiceren, en dus een hoge mate van spontaniteit
bezitten. Dat is het geval bij de briefwisseling
tussen Naatje Siertsema en Elsje Feith.’
Naatje en Elsje
Voluit heette ze Anna Margaretha Sparringa Siertsema.
Op 2 juli 1813 trouwde zij in het Groningse
Eexta met Berend Hendrik Feith, een zoon van de
dichter Rhijnvis Feith. Al in de eerste brief die
vader Rhijnvis aan zijn aanstaande nieuwe
schoondochter schreef, werd haar voornaam verhaspeld
van Anna via Annaatje tot Naatje. En zo
bleef het in de verdere correspondentie die tussen
vader en zoon plaats vond. Nadat Rhijnvis Feith
niet meer in staat was om te schrijven en op 8
februari 1824 was gestorven, ontstond er een regelmatige
correspondentie tussen Elsabe Feith en
haar broer Berend Hendrik. En nadat deze al jong
stierf, op 28 augustus in 1825, met Naatje.
Elsabe Machteld Catharina Feith – voor familie
en vrienden Elsje – was het derde kind en de tweede
dochter van Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld.
Zij was te Zwolle geboren op 8 november
1775.2 Elsje bleef ongetrouwd. Een huwelijk met de
conrector van de Latijnse school, Sicco van
Ommeren, was door haar vader ‘om meer dan een
gewichtige reden’ afgewezen.3 Ze woonde in huis
bij haar ouders. Na de dood van haar moeder in
1813 zorgde ze voor haar met een zwakke gezondheid
sukkelende vader. Na diens overlijden in 1824
leefde ze van het geërfde vermogen waarvan de
waardepapieren in een effectentrommel bewaard
werden. Ieder jaar knipte ze couponnetjes. Na 1832
woonde ze met een meid in dienst zelfstandig op
enige kamers in een gehuurde woning aan de
Oude Vismarkt.
De briefwisseling
De correspondentie tussen Naatje in Groningen
en Elsje te Zwolle kreeg al spoedig een ‘natuurlijk’
ritme. Want de schoonzusters schreven elkaar
rond feestdagen zoals verjaardagen, St. Nicolaas
en de jaarwisseling. Na de dood van Elsje werden
er nog enige brieven met de twee broers Pieter
Rutger en Everard Eiso uitgewisseld, maar dan
droogt de correspondentie al snel op.
Van de correspondentie zijn geen brieven van
Naatje bewaard. Naast enkele brieven van Pieter
Rutger en Everard Eiso zijn de meeste van Elsje
afkomstig, zodat vooral haar wereld enigzins te
omschrijven is. Behalve over het wel en wee van de
J.C. Streng
Naatje Sparringa Siertsema
zoals ze in 1828
geschilderd werd door
W. Lubbers (foto: Iconografisch
Bureau).
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
familie en de religie kabbelt de correspondentie
voort over koetjes en kalfjes. Wat men bij het lezen
van de brieven aan originaliteit en diepgang mist,
wordt goed gemaakt door de hartelijke toon.
Familie
‘Onuitspreeklyk gelukkig ben ik met mijne kinderen,
en 31 kindskinderen’ bekende Rhijnvis Feith
in zijn levensavond.4 En ook voor Elsje bestond er
niets mooiers dan haar familie. Al deze broers en
zusters en de daaruit voortgesproten neven en
nichten hadden onophoudelijk haar belangstelling.
De hele familie bestond in haar ogen uit lieve
mensen, ook net aangetrouwden werden meteen
als zodanig beschouwd. De eerste brief aan Naatje
zette de toon voor alle volgende. De relatie werd
bepaald door zusterlijke liefde, vriendschap en de
‘aangenaamste gewaarwording aan mijn hart’, zo
schreef ze in de geest en met woorden van haar
vader.
De contacten tussen de onderlinge familieleden
lagen Elsje na aan het hart. Dat ze de verzorging
van haar ‘lieven vader’ en het helpen dragen
van diens laatste lijden voor haar rekening mocht
nemen, zag ze als een grote gunst.
Met de huishoudingen van broer Piet en Henriette
was de relatie zeer goed en ‘dood familiair’.
De aangetrouwden werden evenzeer tot de familie
gerekend. Naatje wordt dan ook regelmatig met
‘lief zusje’ aangesproken. Elsje kon zich plaatsvervangend
verheugen over de contacten van andere
familieleden, ook als zij daar zelf niet bij was. De
kinderen en 31 kindskinderen van haar vader
bepaalden de grens van haar familiale betrokkenheid.
Want over andere, genealogisch verder afgelegen
takken van de familie Feith, wordt helemaal
niet gerept.
Omdat ze zo van haar familie hield, kon Elsje
de tijd nauwelijks afwachten tot al haar nichten en
neven van vrijers waren voorzien. Het liefst wilde
ze Amor ‘op de been krijgen’ om ‘onder zooveel
lieve neven en nichten’ zijn werk te doen. Dat lukte
ook wel zonder Elsjes hulp aardig. En als, als
gevolg van de gesloten huwelijken haar zusters
grootmoeder worden, acht ze dat geen geringe eer.
Een huwelijk lijkt overigens geen gebeurtenis,
hoe belangrijk op zichzelf, waar massaal alle familieleden
naar toe trokken om het mee te maken.
Zo wist Rhijnvis Feith niet precies meer de dag en
de datum waarop Berend Hendrik en Naatje zouden
trouwen. Maar ter verontschuldiging kan gelden
dat hij in die tijd door de dood van zijn echtgenote
Ockje erg in de war was.;’
Toen soldaten zich in 1830 te Zwolle verzamelden
om tegen de naar zelfstandigheid strevende
Belgen te strijden ging Elsjes gevoel vooral naar de
moeders, echtgenoten en geliefden. Want ‘hoe loffelijk
en betamelijk die uitttrekking ook is, het
moeder- en vader hart wordt hier onder gebroken’.
Neef Onno van Sandick diende ook te gaan,
wat voor Elsje’s zus Henriette een vreselijke ramp
was. Maar Elsje had zich volledig geconformeerd
aan het regeringsstandpunt: het vaderland eiste
die opoffering.
Ziekte
Gezondheid en herstel van een ziekte, het waren
geschenken van God. De vroege dood van haar
kerngezonde broer Berend Hendrik, gold voor
Elsje, die zelf (net als haar vader) met haar
gezondheid sukkelde, als onomstotelijk bewijs.
De gezondheid van haar vader werd met een
glaasje madera opgepept in de hoop dat ‘God eene
versterkende en genezende krachten in dat middel
wil leggen’. Dat was toen het enige wat haar nog
hoop gaf. Want het eind van zijn leven had Feith
besloten om ‘na lang vergeefsche contributie aan
Dr. en Apotheker betaald te hebben’ beide aan de
kant te schuiven om verder maar alles aan de
natuur over te laten.6
Ofschoon Elsje veel familie op prijs stelde, was
ze niet blind voor de gevaren die de moeder bij een
bevalling bedreigden. Het was iedere keer weer
een opluchting als de nichten zonder moeilijkheden
‘hun pakje hadden uitgeschud’. Alle baby’s
die in de brieven ter sprake komen, werden
gevoed door een min. Soms gekenschetst als een
‘lastig meubel’ als het niet naar de zin ging.
Dat ziekte vaak psychische oorzaken had ontging
Elsje niet. Het gedrag van neef Van Sandick
was de oorzaak dat zijn moeder sterk vermagerde.
Daa, een dochter van haar broer Pieter Rutger,
was hypochondrisch, en Manne de echtgenote van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
broer Hendrikus Octavius, leed aan melancholische
buien. Ockje Meder leed daar ook aan, het
was een familiekwaal van de Meders en kwam
voort uit hun gestel. De zwaartillendheid van Pieter
Rutger was een nare ongesteldheid, waar weinig
aan gedaan kon worden en waar de hele familie
onder leed. Gezelschap, en dan vooral familie,
was in zo’n geval de beste remedie.
Ook onder de kleinere neven en nichten was
het nodige fysieke leed. Anna, een nichtje had
‘absenties’ en Anna’s broertje Rhijnvis was aan
handen, voeten en gezicht een stumpert. Tegenover
al deze misère bleef Elsje, ondanks ook haar
matige gezondheid, toch optimistisch.
Opvoeding
De zorg voor de familie ging zover dat Elsje
gevraagd en ongevraagd pedagogische adviezen
gaf. Mogelijk ontleende ze enig gezag aan haar
betrokkenheid bij de opvoeding van nichtje Ockje
Meder. Elsje had nadat Ockje’s moeder was overleden
de zorg voor dit twaalfjarig meisje op zich
genomen. Overigens werd Ockje vrij snel naar een
kostschool te Zeist gestuurd.7
Dat gebeurde niet zonder reden, want voor de
opvoeding was het gewenst dat kinderen enige tijd
‘onder vreemde oogen en handen’ kwamen, zo
zette Elsje voor Naatje uiteen. Het zou haar spijten
als dat bij Naatje’s kinderen niet het geval zou zijn.
Dat er voor de dochter van Naatje, Jans, naar een
pensionaat gezocht werd, was dan ook normaal.
Elsje gaf uitgebreide informatie over een nieuwe
kostschool te Zwolle, onder leiding van de dames
Büchner.8 De kritiek was niet mals. De schooljuf
geografie en geschiedenis gaf geen les in het Frans
maar in het Nederlands. Maar het belangrijkste
bezwaar was dat de dames niet in staat waren hun
leerlingen tot hogere beschaving op te leiden. En
daar ging het bij een opleiding voor meisjes in de
eerste plaats om. Ze dienden de vaardigheid te
hebben om in de wereld te ‘Parousseren’. Dit in
geen woordenboek te vinden woord, moet zoiets
betekenen als goed voor de dag kunnen komen.
En de dames Büchner waren niet in staat daartoe
op te leiden. Waar hadden ze dat trouwens moeten
leren? In Enschede soms, waarvandaan het
Zwolse stadsbestuur de dames beroepen had? De
plompe Enschedese meisjes die met de dames
meegekomen waren en nu de Zwolse kostschool
bevolkten, zagen er zeer onbehouden uit. Kortom,
de conclusie van Elsje was dat Jans op deze school
meer lompe dan fijne manieren zou leren. Uiteindelijk
ging Jans naar een kostschool in … Hattem.9
Haar schoonzus Lea verweet ze te teerhartig met
de kinderen te zijn omgegaan, zeer tot nadeel van
hun opvoeding. Tegen de kinderen, zo raadde ze
Naatje, niet te toegevend te zijn en vooral op te
voeden in de beginselen van de christelijke religie.
De nichten werd op het hart gedrukt niet teveel
naar concerten, diners en bals te gaan, die tegenwoordig
‘vreesselijk’ veel gegeven worden. Elsje is
blij dat de nichtjes Feith van Boschwijk in ieder
geval niet naar bals gaan, wat heel goed is want dit
strekt tot behoud van lichaam en ziel. Veel verstandiger
was het om met de kinderen de tijd in
huiselijke kring door te brengen. Want ‘per slot
van de rekening vind men daar het waare geluk’
zoals ook haar vader propageerde.10 De neven en
nichten moeten met vertier het gouden midden
houden.
Niet aan het gouden midden hield neef Van
Sandick zich, die al evenmin zijn genoegen in
huiselijke kring zocht. Het ging dan ook niet goed
met die jongen. ‘Hoe laag kan de mensch zinken’,
vroeg Elsje zich af. Deze jonge officier gaf in
afwachting van zijn vertrek geld uit ‘als drek’
waardoor zijn moeder werd overladen met wissels.
In de brieven werd aan deze neef dan ook als
enige uitzondering het kenmerk lief onthouden.
Ontspanning
Ook zelf hield Elsje zich niet altijd aan de gouden
regel van het juiste midden. Toen Berend Hendrik
een ‘vlugt’ duiven zond, liet ze er dezelfde middag
twee van braden en, zo verzekerde ze haar broer
‘behoef ik u niet te zeggen dat vader en dochter
zich toen eens heerlijk vergaste’. De twee volgende
dagen werd dit nog eens herhaald. En de derde dag
werd ze ziek, ze had zich ‘vervreten’. Met breed
aangezette casuïstiek over de magere porties voedsel
die ze normaal at, verontschuldigde ze zich.
Behalve duiven, ondergingen korhoenders hetzelfde
trieste lot. Ze hadden de eer door ‘vrouw
Brand’ gebraden te worden, ‘om ze eens regt lek126
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Oude Vismarkt
waar Elsje Feith na de
dood van haar vader
ging wonen. Waar precies
is niet duidelijk.
ker te hebben’. En dat viel goed uit ‘want ze waren
overheerlijk’.
Over en weer worden in de loop van de tijd
geschenken uitgewisseld. Een gevulde trommel
gaat gedurig heen en weer tussen Zwolle en Groningen.
Zeker met St. Nicolaas. Elsje wachtte dan
met kopen op een speciale koopman uit Amsterdam,
ene Bingel. Na diens bezoek werd de trommel
gevuld en noordwaarts gestuurd.
Elsje stond buiten het maatschappelijke leven.
Buiten haar familie had ze geen kennissen, ze
komen althans in de brieven niet voor. Tot de
dood van haar vader had ze daar geen tijd voor.
Daarna ontbrak het haar aan belangstelling, ook
door haar leeftijd.
Toen haar vader nog leefde maakten ze samen
een ‘tourtje in de koets’. Na diens dood bezocht ze
regelmatig in de zomer enige weken een van haar
broers. Bij Everard Eisso Christoffel op Boschwijk
of bij Louis op de Aalshorst bij Dalfsen. Ze werden
dan ook wel ‘de Boschwijker en Aalhorster vrienden’
genoemd. Maar ook bracht ze een bezoek aan
de familie Van Fridagh op de Mataram tussen
Dalfsen en Zwolle of ondernam een tocht naar ene
mevrouw Nagell, in de buurt van Arnhem.
In 1834 is ze denkelijk op bezoek bij haar broer
Pieter Rutger te Almelo, naar Duitsland gereisd.
Ze bezochten daar de streken ‘waar de natuur het
prachtigste was, daar niemand zich een denkbeeld
van kan maken, die in die streeken nooit geweest
is’. Denkelijk is hier Bentheim mee bedoeld. Het
slot en de omgeving waren toen zeer populair
voor uitstapjes. Ze raadde Naatje aan ook een keer
te gaan en ze garandeerde succes met het ultieme
argument dat ze geen berouw van de reiskosten
zou krijgen. Erg romantisch klinkt het in iedere
geval niet, deze natuurbeleving met het huishoudboekje
in de hand waarbij de schoonheid van het
landschap weggestreept wordt tegen de kosten.
Een voorgenomen reis van Elsje naar Naatje
wordt jaren uitgesteld. Voor de eerste keer kwam
het in 1830 ter sprake met de vermelding dat ze het
al twee jaar van plan was. In 1832 memoreerde ze
aan een vorig verblijf in het noorden, daarna
duurde het weer tot 1835 voordat Elsje opnieuw
naar Groningen ging.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
Naatje was trouwens met de mooiste vooruitzichten
niet naar Boschwijk te lokken. Haar
gevoelig hart zou niet tegen de herinnering aan de
gelukkige jaren met Berend Hendrik opgewassen
zijn. De familie te Zwolle vond dat ‘niets hupsch’
en ze raakten geïrriteerd omdat Naatje de Overijsselse
familie ‘in hun eigen sop liet gaar koken’ zonder
te komen. Maar ook deze rimpeling in de relatie
bracht Naatje niet tot andere gedachten. Alleen
toen ze Jans naar Hattem bracht, bezocht Naatje
Zwolle. Maar Elsje heeft dat niet meer meegemaakt.
Voor de dochter van een dichter wordt er
opvallend weinig gelezen. Er komt althans in de
brieven van Elsje geen enkele opmerking voor
over een enkel boek, zelfs niet over een stichtelijk
werk. Toen haar vader leefde brachten ze ‘bij een
lekker vuurtje’ menig avondje met ‘aangenaame
lectuur’ door.” Dat zal ze toch niet opgegeven
hebben?
Naatje onderhield een ‘vrolijke’ tuin, die door alle
kennissen als ‘magnifkq’ werd geroemd. Daar
moet ook een kas in gestaan hebben, want soms
voor St. Nicolaas ontving Elsje een trommel met
druiven.
Religie
Religie was een groot goed voor Elsje. De mens,
meende ze, heeft de beginselen van deugd en
godsdienst nodig om staande te blijven onder
zovele verzoekingen en verleidingen. Van enige
leerstelligheid is in haar brieven geen sprake, wel
nemen ze vaak een stichtelijke wending. Ze volgde
de voetsporen van haar vader in de veronderstelling
dat men in de best mogelijke wereld leefde en
dat er niets gebeurde buiten toedoen van God, die
het beste met zijn schepping voorhad (al lag dat
voor duiven en korhoenders toch anders als voor
mensen). Als het goed gaat, is het Gods genade, als
het slecht gaat moet de mens er zich maar bij neerleggen,
berusten en vertrouwen op Zijn plan dat
voor de mens bij voorbaat ondoorgrondelijk is.12
De troost die ze Naatje na de dood van Berend
Hendrik biedt is typerend. Naatje moest zich er
vooral bij neerleggen. Als ‘onze Hemelsche Vader
die enkel uit liefde en wijsheid handelt’ niet
gevonden had dat Berend Hendrik zijn taak hier
op aarde had volbracht, had hij hem niet opgeroepen.
De gedachte dat God zich met elk fragment
van het leven bezig hield, nam soms weliswaar
Boschwijk geschilderd
door de broer van Elsje,
de amateur-schilder
Louis Rutger Feith. Met
haar vader bracht ze
daar de zomers door, en
na diens dood bij haar
broer Everard Eisso
Feith (foto: Stedelijk
Museum Zwolle).
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vrome maar ook naïeve vormen aan. Zoals de
gehoopte genezende kracht in een glaasje madera.
Met het fatalisme van optimisten schreef ze herhaaldelijk
de wens neer dat God ‘het ten besten
schikken’ zal. Een genezing na een ziekte is in de
eerste plaats te danken aan de weldaden en zegeningen
van de hemelsche Vader.
De volmaakte bestendigheid wordt echter pas
gevonden in het hiernamaals in het gezelschap van
geliefden, familie-leden en kennissen. Een
gedachte die vanaf het midden van de achttiende
eeuw grote opgang maakte.13 Opmerkelijk is het
ontbreken van een plaats voor verdoemden. Met
enige lichtzinnigheid lijkt iedereen, ook in de
familie Feith, ervan uit te gaan dat men wel in het
hiernamaals op de goede plaats terecht zou
komen. Niet geheel overeenkomstig de leer van de
uitverkiezing was ook Elsjes hoop in het hiernamaals
de beloning te ontvangen voor het op aarde
doorgemaakte lijden.
Hoe nauw haar levensvervulling in familie en religie
lag, wordt nog het best samengevat door de
broer van Elsje, Louis Rhijnvis, waaruit ook duidelijk
wordt dat hij de opvattingen van zijn vader
deelde.14 In een brief aan Naatje naar aanleiding
van het overlijden van zijn zus schreef hij: ‘Intusschen
is het eene aangenaame gedachte dat wij
hun, na dit leven, daar eens weder zullen vinden
waar geen scheiding meer zijn zal, hoe zeer verbindt
ons dit niet aan den Hemel; werwaards ons
reeds zoo velen vooruitgegaan zijn, en onze komst
verbeiden; de kring onzer betrekkingen, moge dan
hier op aarde vernaauwen, iedere gaping op dit
beneden rond, is eene schaakel te meer in de
gewesten der zaligheid, zoo wordt de band, die
ons aan deze aarde verhegt, langzamerhand
gestaakt, om de band, die ons na den Hemel trekt
te versterken’.
Niet alleen tevreden met het vooruitzicht op
een geestelijk samenzijn in het hiernamaals,
streefde Elsje ook naar een aardse pendant. Dat
werd de nieuwe Zwolse begraafplaats aan de Meppelerstraatweg.
Het verheugde haar bijzonder
toen het mogelijk was ruimte voor de gestorven
familieleden te verwerven vlak naast ‘onze dierbare
ouders’, zodat ook op aarde de familie bijeen
was. Elsje werd daar, aan de voet van het monument
van haar vader, na haar overlijden op 10
maart 1837 begraven.
Noten
1. Aan deze brieven werd al eerder aandacht geschonken:
H.J.H. Knoester, ‘Nog enige onbekende brieven
van Mr. Rhijnvis Feith’, in: Documentatieblad
Werkgroep Achttiende Eeuw, 1979,3-9.
2. Voor de familierelaties: R. Feith, Genealogie van de
familie Feith, ‘s-Gravenhage 1924. Samengevat:
1. Pieter Rutger Feith x A. M. ten Dall: kinderen.
2. Octavia Bellinda Feith x H. Meder: één dochter.
3. Elsabé Machteld Catharina Feith.
4. Henriette Engelina Feith x O.Z. van Sandick: kinderen.
5. Hendrikus Octavius Feith x H.M. Meurs: kinderen.
6. Marius Gerardus Johan Feith x A.M.G. Colonius:
kinderen.
7. Louis Rhijnvis Feith x J.Th. van Dedem: géén kinderen.
8. Everard Eisso Feith lx Th.A.M. Hesse 2x E.M.
Rietberg: kinderen.
9. Berend Hendrik Feith x A.M. Sparringa Siertsema:
kinderen.
3. J.C. Streng (ed.), ‘Zo als men aan gemeenzaame
vrienden gewoon is te schrijven’. De correspondentie
van Rhijnvis Feith 1/53-1824, Epe 1994, brief 121 en
bijlage III.
4. Idem, brief 164.
5. Idem, brief 137.
6. Idem, brief 195.
7. Idem, brief 184.
8. H. Brouwer, Lezen en schrijven in de provincie. De
boeken van de Zwolse boekverkopers 1/77-1849, Leiden
1995,246.
9. M. van Essen, ‘Zwijgen, zorgen, liefhebben. Meisjesopvoeding
en -onderwijs in Nederland in de eerste
helft van de negentiende eeuw’, in: B. Kruithof,
J. Noordam en P. de Rooy, Geschiedenis van opvoedingen
onderwijs, Nijmegen 1985,386-393.
10. W.H. Warnsinck, ‘Mr. Rhijnvis Feith , geschetst uit
zijne gemeenzame brieven’, in: Gedenkzuil voor Mr.
Rhijnvis Feith, Leeuwarden 1825,104,105.
11. Idem, 103-104.
12. De gedachte was gebaseerd op de filosofie van Leibnitz.
P.J. Buijnsters, Tussen twee werelden. Rhijnvis
Feith als dichter van ‘Het Graf, Assen 1963, passim.
13. C. McDanell en B. Lang, Heaven. A history, New
Haven/London 1988,181-275.
14. Streng, ‘Zo als men’, brieven 137,168,172.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
In de wandelgangen van een villa
De geschiedenis van de villa aan de Van Roijensingel 13
De fraaie pompeuze villa’s aan de Van Roijensingel
weerspiegelen in het water van de
Zwolse grachten. Decoratieve neo-stijlen
geven de villa’s een extra glans. Halverwege de
negentiende eeuw waren deze huizen de residenties
van verschillende hooggeplaatste notabelen.
Zij hadden uitzicht op de door Hendrik van Lunteren
ontworpen stadsgrachten in Engelse stijl. De
singel bevond zich net buiten de stadsgrachten, in
een sjieke groene omgeving.
Verschillende welgestelde lieden bewoonden
deze paleizen. Een van de welgestelde lieden die er
nog niet woonde was, de heer E.J.I. van Sonsbeeck,
advocaat van beroep en tevens lid van de
Provinciale Staten. Hij gaf in het jaar 1872 de heer
B.H. Trooster, een aannemer, de opdracht een villa
aan het Klein Wezenland te bouwen (de huidige
Van Roijensingel).1 Net als vele (rijke) medeburgers,
wilde Van Sonsbeeck de benauwde binnenstad
uit en zich vestigen in een open groene omgeving
met uitzicht op de stad.
De eerste bewoners
De realisatie van Van Sonsbeecks droom nam
twee jaar in beslag. In 1874 werd zijn villa uiteindelijk
opgeleverd. Het pand was opgetrokken uit
neo-stijlen, voornamelijk in de neo-rennaisance
stijl. De heer Van Sonsbeeck kon met zijn familie
Derk Jan
Rouwenhorst
Het kleine Wezenland,
tegenwoordig Burgemeester
van Roijensingel
geheten, bij de Zeven
Alletjes rond 1885
(Gemeentearchief
Zwolle; collectie Waanders).
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Burgemeester LA. van
Roijen 1897-1933.
intrek nemen in de villa. Zestien jaar heeft de
familie er gewoond, totdat Van Sonsbeeck op 28
december 1890 (op zijn verjaardag) overleed. Na
zijn dood ging de villa over in de handen van W.C.
Bijl de Vroe, directeur van het Spoorweg Postkantoor.
2 Hij heeft maar enkele jaren aan het Klein
Wezenland gewoond.
Burgemeester mr. I.A. van Roijen.
Nadat de heer Bijl de Vroe uit Zwolle was vertrokken,
betrok mr. LA. van Roijen met zijn gezin en
personeel de villa. De heer van Roijen was net drie
jaar burgemeester van Zwolle. Voor die tijd had
hij een advocatenkantoor. Na een korte periode
als wethouder opgetreden te hebben, werd Van
Roijen in 1897 burgemeester van Zwolle. De
opvolging verliep niet geheel soepel. In die tijd
werd de burgemeester door de gemeenteraad
gekozen. Er waren drie kandidaten; de heer Van
Diggelen, schoolopziener van het district Steenwijk,
de heer Van der Vegte, die later minister van
Waterstaat zou worden, en de heer Van Setten,
deken der advocaten. Alle kandidaten waren zeer
gebrand op het burgemeesterschap, vooral de heer
Van Diggelen. Maar hij was in de gemeenteraad
niet erg geliefd. Hij was altijd haantje de voorste.
Mede om die reden benaderden de raadsleden
Van Roijen om te vragen of hij geen burgemeester
wilde worden. Van Roijen hield eerst de boot af.
Hij ambieerde een ambt in de diplomatieke dienst
en wilde via de Provinciale Staten en de Eerste
Kamer die functie bereiken.
Verder bezat hij een bloeiend advocatenbureau,
dat hij niet zomaar wilde opgeven. Maar er
werd op zijn gemoed gewerkt zodat hij uiteindelijk
beloofde zich toch kandidaat te stellen. Hij
verwierf de nodige stemmen en werd burgemeester
van Zwolle.
Met zijn verworven burgemeesterschap in 1897
brak er een nieuwe periode aan voor I.A. van Roijen,
maar vooral ook voor Zwolle. Hij gaf zijn
advocatenbureau op en verhuisde met zijn gezin
naar Klein Wezenland.3 Als burgemeester stond
hij aan het begin van een nieuw tijdperk. De ‘kleine
luyden’ leken steeds meer de macht naar zich
toe te trekken; ook de arbeiders lieten zich niet
onberoerd. Zelf was Van Roijen een man van de
burgerij, een liberaal politicus met grote bestuurlijke
capaciteiten. Zijn eerste jaren als burgemeester
werden gekenmerkt door provinciale eentonigheid.
Dit duurde tot 1903. Toen deed er zich
plotseling een spoorwegstaking voor. Aangezien
er veel arbeiders in Zwolle bij de spoorwegen
werkten, leek de ‘opstand’ in Zwolle een reëel
gevaar voor de openbare orde. Van Roijen greep
daadkrachtig in. Hij dreigde de staking te laten
neerslaan door Wijneandts in te schakelen, een
oud-indiëstrijder, die al eerder de Palingopstand
in 1886 hard had neergeslagen. Het bleef echter bij
een dreigement. Door de slechte organisatie bij de
stakende arbeiders zakte de ‘revolutie’ snel ineen.
In de loop der jaren was Van Roijen een echt politiek
dier geworden, sluw en geslepen als een vos.
Hij speelde zaken tegen elkaar uit en kwam vaak
als politiek winnaar uit de strijd. Maar hij kende
ook tegenslagen. In 1904 incasseerde hij zijn eerste
nederlaag. Deze werd ingeleid door problemen
rond zijn herverkiezing in de Eerste Kamer. Van
Roijen was vanaf 1902 lid van de Eerste Kamer en
moest in 1904 herkozen worden. Afgesproken
werd dat alle Zwolse raadsleden die zitting hadden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
in de Eerste Kamer, op de burgemeester zouden
stemmen. Hiertoe behoorde ook de heer Van Diggelen.
De eerste stemming werd gehouden, maar
mislukte omdat sommige leden van de Kamer nog
niet begrepen hoe het systeem werkte. De tweede
stemming werd gehouden, maar de burgemeester
kwam nèt één stem te kort. In de raad vermoedde
men dat Van Diggelen op de directe concurrent,
de heer Heerkens, had gestemd. Toen de leden van
de liberale fractie dan ook de prullenbak afzochten
(daarin bevonden zich de stembriefjes) naar
bewijs, bleken hun vermoedens waar te zijn. Van
Diggelen werd uit de liberale club gezet en mocht
de vergaderingen niet meer bijwonen. Vanaf die
tijd kent men het Zwolse gezegde; ‘ik laat me niet
bediggelen’.4
In het jaar 1912 ging het burgemeesterschap
van Van Roijen een nieuwe fase in. Er werd een
nieuwe jurist, de heer Van Leyden, benoemd tot
secretaris der gemeente. Samen met de burgemeester
vormden zij ‘het tweemanschap van de
gladde advocaat en de grote jurist’.5 Samen namen
zij veel besluiten buiten de gemeenteraad om,
waardoor zij dit orgaan vrijwel geheel vleugellam
maakt

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1996

Door | 1996, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
•vr:
iiii
rrn
1996 NUMMER 1
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Nieuwe Sassenpoortenbrug 5487 Ansichtkaart van de Nieuwe Sassen-poortenbrug,
poststempel 8 september 1910.
‘Heden zitten wij in Zwolle. Daarheen zijn we gefietst
over Raalte. Heden zag ik Olieslagers vliegen.
Bijna een uur was hij in de lucht, ’t Was prachtig
dat te zien. Het was heel stil en naar ik hoor vloog
hij 600 m hoog.’
De gebeurtenis waarover op deze ansichtkaart
wordt gesproken, was de volgende. De Belgische
luchtvaartpionier Jan Olieslagers was in september
1910 uitgenodigd naar Zwolle te komen om vliegdemonstraties
te geven. Op het vliegterrein tegenover
de Hanekamp, langs de huidige Vondelkade,
was een grote hangar geplaatst. Het Bleriot-toestel
bevond zich daarin in een kist. De machine moest
ter plekke worden gemonteerd. Ondanks de sterke
wind ging het vliegtuig op 7 september de lucht in.
De vlucht duurde dan ook maar 15 minuten. E’e
volgende dag was het beter weer. De vele bezoekers
onder wie schoolkinderen die tegen gereduceerd
tarief het terrein op konden, zagen dat
Olieslagers tot 600 meter hoogte kwam. Hij landde
pas na ruim 52 minuten, een nieuw landelijk
record. Na op 9 september nog een korte vlucht te
hebben uitgevoerd, vertrok hij weer uit Zwolle.
Op de kaart is sprake van de Nieuwe Sassenpoortenbrug,
omdat tot 1909 een ophaalbrug over de
stadsgracht lag. In dat jaar kwam de vaste betonnen
Sassenpoortenbrug tot stand.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In 1995 ging het bekende Zwolse wegrestaurant
De Toerist over in handen van het horecaconcern
Van der Valk. B.B. Ester beschrijft in
dit eerste Zwols Historisch Tijdschrift van het
nieuwe jaar de geschiedenis van deze voormalige
tapperij. De Toerist blijkt een oudere geschiedenis
te hebben dan men zou vermoeden. Al in 1817 was
er een directe voorganger bij het tolhek even ten
noorden van de Berkumerbrug. Vanaf 1835 zat de
herberg aan de Hessenweg.
In november 1995 bracht een zestal Russissche archivarissen
een bezoek aan het gemeentearchief
van Zwolle. Onderwerp van gesprek waren de historische
banden tussen Zwolle en Rusland. Wim
Coster, Wim Huijsmans en Jeanine Otten geven
een impressie van de wederzijdse contacten.
M.H. Palfenier-Lentjes vertelt over het eerste
Zwolse vrouwelijke raadslid, Berendina Stoel, naar
wie kortgeleden een straat in Schellerhoek is genoemd.
Een andere bekende Zwollenaar, zij het op ander
terrein en in een andere tijd, was de zeventiendeeeuwse
rector van Latijnse school, historicus en
arts Henricus Brumanus. Jean Streng geeft een
schets van zijn leven.
In 1869 gaf dominee Tideman uit Hoorn een lezing
voor ’t Nut in de Buitensociëteit. Onderwerp:
de wandelende jood; tendens: anti-semitisch.
L.A. Snijders belicht de commotie die dit
(gelukkig) in het rustige Zwolle veroorzaakte.
Wil Cornelissen geeft de naamsoorsprong van de
Rhijnvis Feithlaan en de Hoekstraat.
Dit tijdschrift begint met een nieuwe vaste rubriek,
waarin het vaak fascinerende verhaal achter
de voor- en achterzijde van een jaren geleden verstuurd
ansichtkaartje wordt verteld.
Tot slot zijn een drietal voor de geschiedschrijving
van Zwolle belangrijke boeken door deskundige
lezers besproken.
Groeten uit Zwolle
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995) B.B. Ester
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W. Huijsmans en J. Otten
Berendina Stoel
Op de bres voor vrouw en kind M.H. Palfenier-Lentjes
Straatnamen, niet zo eenvoudig Wil Cornelissen
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus].C. Streng
Rumoer na een Nutslezing in 1869 L.A. Snijders
Literatuur
Boekbespreking
Mededelingen
Auteurs
15
19
20
24
27
29
33
34
Omslag: De Toerist aan de Kranenburgweg omstreeks 1960
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995)
B.B. Ester
Café De Toerist op een
oude ansichtkaart van
omstreeks 1920.
Van het bekende Zwolse wegrestaurant De
Toerist – sinds 1935 gelegen aan de oude
rijksweg naar Meppel, bij de Vechtbrug –
wordt in de Zwolsche Courant van 9 augustus
1977 een korte geschiedenis gegeven. Deze begint
met de aankoop in 1900 door W.H. Ester van een
was een tol annex tapperij, die ten noorden van de
Berkumerbrug bij het Zwolse Tolhek De Tol lag.
De stad Zwolle, de eigenaar, verpachtte deze tol
aan Henrikus Jansen. Voor de tol ‘met het huis
daarbij’ moest hij gedurende de periode 1817 t/m
1819 ƒ 310 per jaar betalen. De pachtcondities wacafé
gelegen aan de Hessenweg, voorheen eigendom
van G.J. Boerrigter.
De geschiedenis van dit pand rijkt echter ten minste
65 jaar verder terug, tot 1835. Het etablissement
blijkt daarvóór nauw verbonden te zijn met de in
het begin van de negentiende eeuw nog bestaande
tol op de Hessenweg, bij het Zwolse Tolhek aan de
Berkumerbrug.
De herberg bij het Zwolse Tolhek (1817-1835)
De oudste voorloper van restaurant De Toerist
ren kennelijk aantrekkelijk, want vóór de vervaldatum
verzocht Henrikus Jansen de pacht te verlengen
voor dezelfde prijs voor een periode van
twaalf jaar. Bovendien vroeg hij of de stad in het
huisje een nieuwe schoorsteen en een keldertje
wilde laten aanbrengen. In april 1819 besloot de
gemeenteraad de tol met het huisje weer aan hem
te verpachten, tegen een jaarlijkse pacht van ƒ 350.
Nieuw was echter de bepaling, dat van transporten
van arme zieke reizigers geen tol mocht worden
gevraagd. Bovendien moest de pachter jaarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijks een extra bedrag van 5% van de verbouwingskosten
betalen.
Henrikus Jansen heeft deze twaalf jaar echter niet
uitgediend. Hij overleed op 2 april 1825 op 48-jarige
leeftijd. Hij werd toen herbergier genoemd;
men mag dus aannemen dat hij zijn tol ook als
café/herberg had ingericht.
Zijn weduwe, de ‘herbergiers’ Geertje Willems
Kamerman, hertrouwde in 1826 met Hermannus
Derksen Boerdijk.
Het tolrecht ging na het overlijden van Henrikus
Jansen over op zijn weduwe, en door haar huwelijk,
op Hermannus Boerdijk. Deze heeft zijn
functie als tolgaarder waarschijnlijk gecombineerd
huisje met het tolhek.’ Het huisje moest tussen 1
mei en 1 juni 1835 worden afgebroken. Boerdijk
kocht het huisje zelf voor 120 gulden. Mr.
Sichterman kocht het tolhek voor 43 gulden.
Omdat Boerdijk de kooppenningen niet voor 1
mei 1835 betaalde, (mogelijk doordat hij op 6 mei
van datzelfde jaar voor 550 gulden een stuk hooiland
kocht) legde de stad Zwolle hem op 1 juli 1835
een hypotheek op voor hetzelfde bedrag, namelijk
120 gulden. Uiteindelijk zal hij wel betaald hebben,
want korte tijd later woonde hij volgens de kadastrale
gegevens op perceel D336, later D580, aan de
Hessenweg dichtbij de kort daarvoor gereedgekomen
Berkumersluis in het Lichtmis-kanaal, thans
met die van landbouwer en herbergier.
Toen in 1831 het contract afliep wist Boerdijk nogmaals
het tolrecht te verwerven, en wel tot en met
1834-
Gedeputeerde Staten van Overijssel hieven de tol
op de Hessenweg per 1 januari 1835 op. Bovendien
zou het tolhuisje moeten worden afgebroken
en ging het onderhoud aan de weg over op de betrokken
gemeenten. Op 8 december 1834 werd ten
huize van Hermannus Boerdijk, ‘kastelijn in ’t tolhuisje’
openbaar ‘voor afbraak verkocht het tol-
Hessenweg 5.
Uit kadastrale gegevens blijkt dat de tol en herberg
op het Tolhek de directe voorganger is geweest
van de herberg op Hessenweg 5. Deze stond daar
in 1935 nog als De Toerist; en als meermaals verbouwde
woning staat het er ook nu nog. Eveneens
blijkt dat Boerdijk zijn tolhuisje inderdaad heeft
afgebroken en verplaatst, d.w.z. nieuw opgebouwd.
Opmerkelijk is dat de herberg van Boerdijk voor
een groot deel op de kadastrale wegstrook is ge-
Hef pand van de oude
Toerist aan de
Hessenweg op dit moment.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
plaatst. Een eigendomsverwerving onder de naam
Boerdijk is niet te vinden in de hypothecaire boekhouding
noch in het notarieel archief.
Boerderij/herberg bij de Berkumersluis
(1835-1935)
Vanaf 1835 zette Boerdijk zijn landbouwbedrijf annex
herberg aan de Hessenweg bij de Berkumersluis
voort. In die tijd was het adres Berkum,
Bruggenhoek 19; nu Hessenweg 5. Het lag aan de
Hessenweg naar Ommen-Hardenberg, op de hoek
van de nieuwe weg naar Meppel langs het
Lichtmiskanaal, bij de juist geopende sluis in dit
kanaal.
Drie generaties Boerdijk hebben vanaf 1835 tot
1900 op deze plaats hun landbouwbedrijf annex
Situatieschets van de
Berkumersluis met de
ontwikkeling van de
herberg.
herberg gehad. Het gebied is later uitgebreid met
twee percelen met ieder een schuur. Deze schuren
werden gebruikt voor de opslag van turf en voor
de stalling van paarden; voor een herberg zeer belangrijk.
De in 1895 geopende tramlijn Dedemsvaart –
Zwolle liep vlak langs het huis.
HermannuS Boerdijk was dus de eerste eigenaar/
bewoner van de herberg. Dochter Willemina
trok na haar huwelijk in 1852 met Kornelis
Boerrigter bij haar ouders in en nam langzamerhand
de werkzaamheden van het boerenbedrijf en
de herberg over. Toen Hermannus’ vrouw Geertje
Kamerman in 1856 overleed, had deze alle onroerende
goederen vermaakt aan haar man. Na het
overlijden van Kornelis Boerrigter in 1871 zette
Hermannus de zaak met zijn dochter voort. Na de
dood van Hermannus in 1877 kwam het hele bezit
in handen van Willemina.
Deze zette het bedrijf voort samen met haar enige
zoon Gerrit Jan. Hun bestaan moet met de nodige
financiële problemen gepaard gegaan zijn. Zij nam
een hypotheek van ƒ 4.000, verstrekt door de RK
Parochie van OLV Hemelvaart te Zwolle. En daar
bleef het niet bij: de leningen en de schulden bleven
zich opstapelen. In 1892, toen zij overleed,
stond er naast de onroerende goederen, een huis
en bijna 4,6 ha grond, een schuld van ƒ 7.200 en
een batig saldo van minder dan ƒ 1.000.
Het liep niet goed met de herberg. Gerrit Jan
Boerrigter kon de rente over de hypotheek niet
betalen. De parochie van OLV Hemelvaart ging
daarop over tot openbare veiling van de goederen.
Zo kwam op 3 april 1900 Willem Hendrik Ester
voor ƒ 4.505 in bezit van het huis en erf. Het huis
had een vergunning tot verkoop van sterke drank.
Het bevatte twee vertrekken en ook een koeie- en
een paardestal. Verder hoorden er twee percelen
hooiland bij. Gerrit Jan Boerrigter vertrok na de
verkoop naar Enschede.
Willem Hendrik Ester was een landbouwer uit
Dalfsen. Al een week na de koop kreeg hij zijn
drankvergunning. Van de kennelijk redelijk florerende
zaak – die om onbekende redenen ‘de zinken
plaat’ werd genoemd – was hijzelf naar men
zegt de beste klant. Passanten werden naar zijn
herberg genood met het fraaie rijm op het bord
boven de deur:
‘Bent ge afgemat en moe
kom dan een weinig rusten
bij Hendrik Ester aan de sluis,
die heeft goede bier en brandewijn in
huis.’
In 1910 bouwde hij haaks op de boerderij/herberg
een nieuwe woning (nu Hessenweg 7). Slechts enkele
jaren later, in 1914, verkocht hij alle opstallen
aan zijn jongere broer Lammert Jan Ester. De reden
van deze verkoop was waarschijnlijk de ziekte
van zijn vrouw, die in 1915 overleed. Hij behield
wel het woonrecht op Hessenweg 8, waar hij tot
zijn dood in 1941 bleef wonen.
Lammert Jan Ester was vóór 1914 tapper en veerman
van het Haersterveer. In die functie werd hij
toen opgevolgd door zijn neef Jan Kouwen, de
schoonzoon van Willem Hendrik Ester. In mei
1915 kreeg hij zijn drankvergunning. Spoedig daarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
na richtte hij de in 1910 gebouwde woning in als
café.
De situering van het café veranderde dus. Tot 1910
was het op de Hessenweg naar Dalfsen georiënteerd;
na 1914 op de straatweg Zwolle-Meppel.
Verkeersstromen veranderen met de tijd! In 1923
verkocht Lammert Jan Ester de zaak aan zijn
schoonzoon Hendrik Willem Henderiks.
In de jaren dat Henderiks de scepter zwaaide in
het café werd het alom bekend. In de volksmond
werd het café Henderiks genoemd, maar officieel
heette het café De Toerist.
Restaurant De Toerist, Kranenburglaan 10
(1935-1995)
In 1934 nam H.W. Henderiks – vanwege de aanleg
van de nieuwe verkeersweg van Meppel naar
Zwolle en de nieuwe brug over de Vecht – het initiatief
om een geheel nieuw en modern restaurant
te bouwen op het adres Kranenburgweg 10. In 1935
werd de eerste steen gelegd door zijn enige dochter
Gerrigjen. Daarmee werd een nieuwe periode
ingeluid, een nieuwe start gemaakt; geen café
maar een restaurant!
Tot na de Tweede Wereldoorlog was de ontwikkeling
zeer rustig. Nadat in 1947 de leiding over het
bedrijf was overgenomen door de oprichters
schoonzoon Albert Spijkerman, profiteerde het na
1950 ten volle van de explosieve economische ontwikkelingen.
De eerste uitbreiding vond al plaats
in 1954. Inmiddels is het restaurant vele malen –
1960, 1970, 1977 – verbouwd, uitgebreid en regelmatig
aangepast aan de eisen van de tijd.
Het restaurant – toen nog een van de weinige familie-
restaurants – werd in 1981 omgezet in een
BV, die vanaf 1985 onder de directie van H.W.
Spijkerman stond.
In mei 1995 werd het bedrijf overgenomen door
het Van der Valk-concern.
In een periode van 160 jaar is er zeer veel veranderd.
De karresporen van 1835 zijn de straatwegen
van 1935 geworden en, voorzover deze nog bestaan,
zijn ze nu getransformeerd in twee- en vierbaans
autosnelwegen. Evenzeer is de weggebruiker
veranderd. De reiziger met de diligence van 1835,
de wegtoerist van 1935, ze zijn verdwenen en in de
plaats daarvan is gekomen de snelle en gehaaste
autorijdende zakenman van tegenwoordig.
Gelukkig weet ook in de huidige tijd de gehaaste
‘wegtoerist’ nog steeds De Toerist bij Zwolle te
vinden en te waarderen. Dit kan gezien worden als
een bevestiging dat het lange verleden van het restaurant
borg staat voor een voorspoedige toekomst.
* Dit stuk is gebaseerd op een langer artikel dat
zich in het Gemeentearchief bevindt. Het is geschreven
vóór de overname door het Van der
Valk-concern in mei 1995.
Restaurant De Toerist”
in 1995 met de uitbreiding
door de fam.
Spijkerman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W.
Huijsmans en J. Otten
Tijdens hun bezoek aan
het gemeentearchief
Zwolle op 13 november
1995 bekeken de
Russische archivarissen
de tentoongestelde archivalia
die op Rusland
betrekking hebben.
V.l.n.r.: Jeanine Otten
(atlasbeheerder GAZ),
Galina Ipatova
(Omsk), Natalia I.
Razgon (Altaj), Wim
Coster, Wim
Huijsmans (plv. archivaris
GAZ), Wladimir
A. Jerjomentsjenko
(Moskou), Valentin G.
Mishanov (Sint-
Petersburg), tolk,
Marina Bobyleva
(Moskou) (foto: Jan
Drost).
Inleiding
Op 13 en 14 november 1995 bracht een
zestal Russische archivarissen een bezoek
aan Zwolle. Dit bezoek vormde een onderdeel
van een tiendaags werkbezoek aan ons
land om zich op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen
van het Nederlandse archiefwezen.
Het gezelschap bestond uit twee heren en vier dames.
Twee kwamen uit Moskou en één uit Sint-
Petersburg. Van de ligging van deze plaatsen heeft
iedereen nog wel een beeld. Drie personen van het
gezelschap kwamen daarentegen uit regio’s waarvan
de meeste mensen in het gunstigste geval wel
eens gehoord hebben, maar waarbij zij geen flauw
idee hebben waar ze liggen. Het ging om Omsk,
een grote stad in de Oeral, om Oedmoertië, een
republiek in het midden van de Russische federatie,
en om Altaj, een district in Centraal-Azië tegen
de grens met Kazachstan. Om een idee over
de afstand te geven: dit district ligt dichter bij
Peking dan bij Moskou.
Uit de gesprekken tupsen de Russische en Zwolse
archivarissen bleek dat, bij vergelijking met de situatie
hier, men in Rusland qua infrastructuur en
techniek op archièfgebied achter loopt. Zo is er
bijvoorbeeld een groot gebrek aan goed verpakkingsmateriaal
voor archieven en aan degelijke archiefdepots.
Ook worden computers amper gebruikt.
Vakinhoudelijk bleek men goed onderlegd.
De komst van de Russen was aanleiding voor het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gemeentearchief Zwolle na te gaan welke banden
er in het verleden tussen Zwolle en Rusland geweest
zijn. Het materiaal dat aan de Russen getoond
werd, moest vooral illustratief en visueel
aantrekkelijk zijn.
Dit artikel is ontstaan om te voorkomen dat het
geselecteerde materiaal na afloop van het bezoek
weer in archiefdozen zou verdwijnen zonder dat
vastgelegd werd wat er zo al aan materiaal aanwezig
is over de connecties tussen Zwolle en
Rusland. Natuurlijk kunnen hierin niet alle aspecten
tussen Zwolle en Rusland aan bod komen.
Hanze
In 1230 kreeg Zwolle stadsrecht van de bisschop
van Utrecht. De bloeiperiode van Zwolle ligt in de
eerste helft van de vijftiende eeuw. Twee begrippen
staan daarbij centraal: de Hanze en de
Moderne Devotie.
De Hanze was een bondgenootschap van
Westeuropese handelssteden, vooral gelegen in
het huidige Duitsland en in Oost-Nederland.
Gedreven door gemeenschappelijke belangen
zochten dezen steden contact met elkaar en zegden
zij elkaar hulp toe. Lübeck stond aan het
hoofd van dit verbond van steden. Zwolle was
voor 1400 al lid van de Hanze maar werd in 1407
officieel opgenomen. Hanzesteden lagen ook langs
de Oostzee, tot in Rusland toe. Er liep een handelsroute
van Brugge over Hamburg, Lübeck en
Reval (Tallin) naar Novgorod. In deze
Noordrussische stad was een Hanzekantoor gevestigd.
De laatste Hanzevergadering werd in 1669 gehouden.
Zwolle nam in 1980 het initiatief om na
311 jaar opnieuw een vergadering van
Hanzesteden bijeen te roepen. Dit initiatief viel op
vruchtbare bodem en vindt nu jaarlijks in een
Hanzestad plaats. De steden verdringen zich om
het te organiseren.
Moderne Devotie
Op het eind van de veertiende eeuw ontstond in
de IJsselstreek een nieuwe religieuze beweging onder
de naam Moderne Devotie van wie Geert
Grote de stichter was. Zwolle ontwikkelde zich in
die tijd tot een religieus en onderwijscentrum van
internationaal belang. Johan Cele gaf les op de
y CfciSfc
Latijnse school aan leerlingen die van heinde en
ver kwamen. Hij was bevriend met Geert Grote.
De Moderne Devotie had zo direct invloed op de
leerlingen van de Latijnse school. Zij verbleven in
de internaten van de fraters. Buiten de schooluren
was de opvoeding aan hun zorgen toevertrouwd.
Mede daardoor kon de invloed van de Moderne
Devotie zich relatief snel over West-Europa uitbreiden.
Afcfe waarbij Zwolle
opnieuw in de Hanze is
opgenomen, Lübeck 9
juni 1407 (GAZ,Soll.
Charters AAZ01,
inv.nr. 407.09).
Sint-Ambrosius, in 374
tot bisschop van
Milaan gewijd, schrijvend
in zijn cel.
Ingekleurde houtsnede
in: Opera Sancti
Ambrosii, deel 1,1492
(GAZ, coll.
Emmanuelshuizen, nr.
XVII).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Moderne Devoten, zowel leken als kloosterlingen,
bleven de Rooms-Katholieke Kerk trouw. Zij
streefden een verinnerlijking van het geloofsleven
na in een tijd waarin binnen de kerk veel wantoestanden
heersten. Aflaathandel bloeide, in kloosters
was een gebrek aan tucht en de hoge geestelijkheid,
afkomstig uit de adel, kon vaak beter
vechten dan de mis lezen. De Moderne Devoten
Kaart van Rusland
naar Isaac Abraham
Massa, getiteld:
‘Russiae, vulgo
Moscovia dictae, Partes
septentrionalis et orientalis
[Rusland, ook wel
Moskovië geheten, de
noordelijke en oostelijke
delen] / Auctore Isaaco
Massa’, in: Atlas
Maior, dl. 1 (1664), uitgegeven
doorJoan
Blaeu (GAZ, coll.
Bibliotheek, inv.nr.
11A6-2).
of Broeders des Gemeenen Leven wilden een oprecht
godsvruchtig leven, zonder uiterlijk vertoon.
Zij trachtten dit in commune te verwezenlijken. Zij
verdienden hun brood voor een groot deel door
het overschrijven van bijbels, missalen en stichtelijke
werken. De belangrijkste pagina’s en hoofdletters
werden prachtig versierd. In de beginhoofdletters
zijn vaak prachtige voorstellingen van
Christus of.heiligen afgebeeld. Deze illustraties en
miniaturen waren niet alleen bedoeld om het gebedenboek
er mooier uit te laten zien, maar ze
droegen er ook toe bij dat de lezers de tekst beter
in zich op ikonden nemen. Een vergelijking met
iconen uit de Russische kerkelijke kunst dringt
zich op.
De bekendste Moderne Devoot is zonder enige
twijfel Thomas a Kempis. Op de Sint-Agnietenberg
bij Zwolle, waar hij in 1471 overleed, schreef
hij zijn De imitatione Christi (Over de Navolging
van Christus). Na de Bijbel is dit het meest gelezen
boek ter wereld. Het is vertaald in bijna alle talen,
tot in het Russisch toe. Het gemeentearchief
Zwolle bezit een grote collectie Thomas a Kempisuitgaven
waaronder enkele in cyrillisch schrift.
Russische kaarten
Het gemeentearchief Zwolle bezit een collectie
kostbare zestiende- en zeventiende-eeuwse atlassen.
Hieronder wordt nader ingegaan op de
Russische kaarten in drie van deze atlassen.
De stedenatlas Civitatis Orbis Terrarum van Georg
Braun en Frans Hogenberg was één van de best
verkochte boeken in het laatste kwart van de zestiende
eeuw. De zes delen werden uitgegeven tussen
1572 en 1617. In het gemeentearchief zijn de
eerste twee delen van de Latijnse editie aanwezig,
gebonden in een leren band met in goud en kleur
het wapen van Zwolle en het jaar 1593 gedrukt. In
het tweede deel komt een gefantaseerde plattegrond
van Moskou voor. De voorgrond is gestoffeerd
met bizons, Moskovieten te paard in
krijgsuitrusting en arresleden. Het was indertijd
erg moeilijk’om aan betrouwbare gegevens te komen
omdat men gemakkelijk voor spion kon
worden aangezien. Vertegenwoordigers van landen
en handelsagenten uit het westen mochten
niet in Moskou wonen vanwege het taboe op het
contact met westerlingen. Bij Moskou ontstond
een voorstad, de Sloboda, waar zich op den duur
een westerse kolonie vormde.
In de zeventiende eeuw was de door Joan Blaeu
stijlvol uitgegeven Atlas Maior of Grooten Atlas of
Wereldbeschrijving in perkamenten banden van
grootfolio-formaat een traditioneel relatiegeschenk
van de Verenigde Republiek der Nederlanden
aan koninklijke en andere belangrijke personen.
Het was de duurste gedrukte uitgave die
men in de tweede helft van de zeventiende eeuw
kon kopen. In de vaart der volkeren heeft de stad
Zwolle zich in het verleden een gebonden en met
kleuren afgezette Nederlandse editie van de Atlas
Maior aangeschaft, bestaande uit tien delen atlas
en twee delen Stedenboek (Noord en Zuid-
Nederland). Russische kaarten komen voor in het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
tweede deel, uitgegeven in 1664. Dat het erg moeilijk
was om aan recente gegevens te komen voor
het maken van de kaarten, blijkt uit de grote kaart
van Rusland. Blaeu gebruikte voor deze kaart een
vijftig jaar oude drukplaat met een uit 1613 daterend
ontwerp van de in 1632 overleden kaarttekenaar
van de Oostindische Compagnie, Hessel
Gerritsz. Het tweede deel van de Atlas Maior bevat
verder drie kaarten van Zuid, West, Noord en
Oost-Rusland. De eerst- en laatstgenoemde kaarten
waren al verschenen in Blaeu’s Theatrum uit
1638. De kaart van West-Rusland werd voor het
eerst in 1662 in de Atlas Maior opgenomen, maar
het kaartbeeld dateert uit 1610 en is van de hand
van Isaac Abraham Massa (1586-1643), gebaseerd
op zijn Beschrijvinge van der Samoyeden Landt in
Tartarien. Massa’s waardevolle kaarten van Siberië
waren de eerste die in het westen verschenen.
Massa was een veelzijdig Haarlems koopman die
handel dreef met Rusland en bevriend was met de
Haarlemse schilder Frans Hals die in 1626 zijn
portret schilderde. Als jongen werd Massa in de
leer gedaan bij Amsterdamse kooplieden die handel
dreven met Rusland. In 1600, dertien jaar oud,
reisde hij naar Rusland en woonde daar acht jaar
bij zijn werkgever. Tijdens dit verblijf was hij getuige
van Ruslands ‘Troebelen’ toen het land geteisterd
werd door oorlog, hongersnood en complotten.
Hij wist een unieke kaart van het zeventiende-
eeuwse Moskou in handen te krijgen; iets
wat hem veel moeite kostte, omdat het in 1605 als
verraad gold wanneer een Moskoviet zo’n kaart
aan een buitenlander gaf. De plattegronden van
Moskou en het Kremlin in de Atlas Blaeu dateren
van voor 1630 en zijn zonder twijfel gegraveerd
naar Russische originelen; waarschijnlijk uit de
collectie Russische kaarten in bezit van Hessel
Gerritsz., en mogelijk afkomstig van Fjodor, de
zoon van tsaar Boris Godoenov (1598-1605).
In de omstreeks 1696 door Nicolaas Visscher II
uitgegeven Atlas Minor komen twee kaarten voor
van het vorstendom Moskovië en van het
Russische Rijk. Deze laatste kaart was van de hand
van Nicolaes Witsen (1641-1717), burgemeester van
Amsterdam en bewindhebber van de Verenigde
Oostindische Compagnie. Witsen had een speciale
interesse voor Rusland en het noordelijk deel
van Azië, dat toen voor de Europeanen nog grotendeels
onbekend was. In 1664-1665 bezocht hij
Moskovië, in 1665 was hij in Moskou. In 1690 publiceerde
Witsen een kaart van Tartarije en in 1692
een groot boek over dat gebied.
Migratie
Bijna 300 jaar geleden bezocht tsaar Peter de
Grote Nederland. Met zijn gevolg verbleef hij te
Zaandam en Amsterdam om het vak van scheepstimmerman
onder de knie te krijgen. Het tsaar-
Peter-huisje in Zaandam is nu een toeristische attractie
van de eerste orde. De reis naar Nederland
was voor de tsaar een hele onderneming.
Des te meer bewondering dwingt het af te constateren
dat er aan het eind van de zeventiende, begin
achttiende eeuw al particulieren waren die
vanuit Zwolle naar Rusland reisden en vice versa.
Dankzij het uitgebreide kaartsysteem van het
Zwolse gemeentearchief is dat snel vast te stellen.
Zo kwam Willem Emont met attestatie uit
Moskou. Hij meldde zich in 1678 bij de
Hervormde kerk in Zwolle als lidmaat aan. Adolf
Gibbonis vertrok 25 jaar later met attestatie uit
Zwolle naar Moskou. In beide gevallen ging het
om kooplieden die lidmaat waren van de
“Willem Emont uit der
Muscou.’ Attestatie van
Willem Emont, in 1678
uit Moskou komende,
N.H. lidmatenboek.
(GAZ, KA 017, inv.nr.
139)
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse interpretatie
anno 1930 van de
Kozakken, tijdens de
historiespelen in park
Eekhout ter gelegenheid
van het y00-jarig bestaan
van Zwolle, september
1930 (GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Het gymnasium in de
Goudsteeg in 1920. Op
de voorgrond de heer
Koppelle, leraar Duits
(GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Hervormde kerk. Ongetwijfeld waren de contacten
intensiever dan alleen van deze twee personen.
Reisden immers katholieke of joodse Zwollenaren
af, dan werd hun geen bewijs van hun kerkgenootschap
meegegeven. Contacten tussen particulieren
en Rusland, die plaatsvonden buiten het
stadsbestuur om, onttrekken zich helemaal aan de
waarneming van de huidige onderzoeker; indien
er althans geen archivalia van bewaard zijn gebleven
in bijvoorbeeld een familiearchief.
In de achttiende eeuw werd ,êr incidenteel wel eens
een brief bezorgd op het Zwolse stadhuis vanuit
een Russische stad, maar van een intensief verkeer
was allesbehalve sprake. De contacten bleven marginaal.
Franse tijd
Na de inval van de Fransen namen aanvankelijk,
vele jonge mannen als vrijwilliger dienst in hel:
Franse leger. Napoleon voerde de conscriptie in,
de verplichte inschrijving voor de militaire dienst.
Tientallen Zwollenaren trokken gedwongen in hel:
leger van Napoleon mee naar Rusland.
Verscheidenen kwamen om nadat ze vele ontberingen
hadden doorstaan.
Jan Willem van Wetering, geboren in 1789 in
Zwolle, meldde zich in 1803 als vrijwilliger aan. Hij
was nog geen veertien! Van hem is een dagboekje
bewaard gebleven. Daarin beschreef hij hoe hij in
1805 met het Franse leger naar Oostenrijk trok, in
1807 onder andere in Bremen verblijf hield en in
1811 in Gent gelegerd was. Met het leger van
Napoleon stak hij in het voorjaar van 1812 bij Kleef
de grens over. Hij beschreef de tocht over de
Beresina en de verschrikkelijke ellende die hij daar
zag. Toen de kansen voor Napoleon in november
1812 verkeken waren, meldde Van Wetering zich
aan bij een Russisch-Duits legioen. Met dat leger
trok hij in omgekeerde richting naar Frankrijk.
Op 31 maart 1814 bereikte hij Parijs.
De Russische plaatsen die Van Wetering in zijn
dagboekje noemde, hadden voor de archivarissen
uit Rusland een bekende klank. Op de Russische
kaart van Blaeu is de route, zoals Van Wetering
die beschreef, exact te volgen.
Prins de Naritschin
In november 1813 trokken Russische troepen
Zwolle binnen en maakten een eind aan de Franse
overheersing. Het waren Kozakken die uit het zuiden
van Rusland afkomstig waren. Zij reden op
kleine paarden en stonden onder bevel van generaal
prins de Naritschin. De Fransen boden geen
weerstand. De Zwollenaren onthaalden de
Kozakken op jenever omdat ze de Fransen meer
dan zat waren. Toch was Zwolle ook weer blij de
Kozakken kwijt te raken. Ze deden zich immers
volgens overlevering overvloedig te goed aan sterke
drank en bovendien joegen ze op kippen en
vrouwen…
Nicolaas van Wijk
Gaat het om bekende Zwollenaren, dan worden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 13
naast Thomas a Kempis ook steevast Johan Derk
van der Capellen tot de Pol, Potgieter en Rhijnvis
Feith (1753-1824) in één adem genoemd. Van
laatstgenoemde dichter zijn enkele werken in het
Russische vertaald. In dit verband moet er echter
nóg een erudiete Zwollenaar genoemd worden,
namelijk Nicolaas van Wijk (1880-1941). Hij was
de eerste Nederlandse hoogleraar in de Slavische
talen en groeide op in Zwolle. Deze domineeszoon
bezocht hier het Gymnasium in de
Goudsteeg, waar al spoedig zijn taalgevoeligheid
werd onderkend. In 1898 vertrok hij naar
Amsterdam om Nederlands te studeren. Drie jaar
later studeerde hij cum laude af; weer drie jaar later
promoveerde hij, wederom cum laude.
Ondertussen had hij zich ook beziggehouden met
de Slavische talen en had hij geruime tijd in
Moskou doorgebracht. In 1907 ging hij opnieuw
naar Rusland, en een jaar later verscheen in het
tijdschrift De Gids een uitgebreid reisverslag onder
de titel Russische indrukken. Op 25 juli 1913 volgde
zijn benoeming tot hoogleraar in Leiden.
In Zwolle kwam hij in de eerste jaren na zijn vertrek
nog regelmatig terug om zijn familie te bezoeken,
de uitgave van een boek bij W.E.J. Tjeenk
Willink te bespreken of een lezing te geven. Zo
sprak hij bijvoorbeeld in 1920 op de
Volksuniversiteit over ‘Het nihilisme in de
Russische literatuur’. Rusland wenste hij na de revolutie
van 1917 niet meer te bezoeken, maar voor
Russische emigranten in Nederland zette hij zich
tot zijn dood in 1941 met hart en ziel in.
Portret van Nicolaas
van Wijk, in: N. van
Wijk, Russische indrukken,
Leiden, 1988.
4% OBUQATIOMS-AÏÏLEIHE
4% OBLIGATIE LEENIHG
WLADI KAWKfS
WLADI KAWKAS
EP001WE0 •AATSCMPPD
nK (1 BEW»’/,. ösfMÜJ)»iïa
Quito – I.SKU4» Etlnid tlnlinj,
IW.™n» 14/ 1ilmius «ld lirju.ijf IBt litt uo.ii» Hou”
P«MlllAP.rEPHDSlD.BAfflTH
” ••’-‘• WLIfrpWlAS-EjfEMBAHF-fiESELLSClAFT,
Russische obligaties
Hoewel de contacten met Rusland in deze eeuw
toenamen, is daarvan in de archivalia in het gemeentearchief
Zwolle weinig te merken.
Onvermeld mogen echter niet de Russische obligaties
blijven die rond de eeuwwisseling door
sommige Zwollenaren en kerkbesturen werden
aangeschaft. Met het geld werden spoorlijnen aangelegd
om het immens grote land te ontsluiten.
Na de Russische revolutie van 1917 waren deze
obligaties van de ene op de andere dag weinig of
niets meer waard.
In het gemeentearchief zijn in een particulier archief
couponbladen aanwezig van een Russische
obligatie uit 1912 die was uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij te Sint-
Russische obligatie uit
1912, uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij
te
Sint-Petersburg. Tot
1917 zijn de couponnetjes
keurig geknipt en
ingeleverd. Daarna bleven
ze aan de mantel
bevestigd. (GAZ, KA
Onze Lieve
Vrouwenparochie).
Philosofenallee 1,
Zwolle. In de periode
1905-1908 woonde
Henk Sneevliet op de
eerste verdieping (foto:
Jan de Koning i.o.v.
Gemeentearchief
Zwolle, 1985).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een groet uit het
Wologda van voor 1917.
Boven: v.l.n.r.
Seminarie, Archangelskstraat,
Gouvernementeel
Mannen Gymnasium,
Middelbare school,
Eerste Vrouwen
Gymnasium (part. coll.
Zwolle).
Petersburg. Tot 1917 zijn de couponnetjes keurig
geknipt en ingeleverd. Daarna bleven de couponnetjes
aan de mantel bevestigd.
Henk Sneevliet
De politieke carrière van Henk Sneevliet (1883-
1942) begon in Zwolle. Hij werkte bij het spoor en
was lid van de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij. Voor die partij zat hij in de periode 1907-
1909 in de Zwolse gemeenteraad. Daarna verhuisde
hij naar Utrecht en werd lid van de
Communistische Partij. Hij voerde oppositie tegen
Troelstra. Hij was lid van het Uitvoerend
Comité van de Derde Internationale. In de tijd dat
hij in Nederlands-Indië verbleef was hij nauw betrokken
bij de Sarekat Islam en de Indonesische
Communistische Partij in China. Ook bij de oprichting
van de Communistische Partij in China
zou hij betrokken geweest zijn. Hij woonde vele
jaren in Moskou en was bevriend met Lenin. Later
koos hij voor Trotzki. Op 13 april 1942 werd hij te
Amersfoort in het concentratiekamp gefusilleerd.
Michael Minsky
Sinds 1978 woonde de Russische bariton en dirigent
van het Don Kozakken Koor, Michael
Minsky in Zwolle. Hij werd bekend vanwege zijn
Russische Galaconcerten, waaraan tal van bekende
artiesten meewerkten. In 1982 startte hij met de
voorbereiding van de herdenking van het 1000-ja
rig bestaan van de Russisch Orthodoxe Kerk. Dit
feit werd op 30 september 1988 in Zwolle herdacht
met een concert in de Grote Kerk waarbij koningin
Beatrix en tal van kerkelijke en wereldlijke
hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren.
Minsky was al ziek maar kon die dag toch nog
meemaken. Het was de kroon op zijn werk. Negen
dagen later overleed hij. Zijn archief werd, voor
zover het op Zwolle betrekking had, door zijn weduwe
aan het gemeentearchief geschonken.
Slot
In 1989 knoopte het gemeentebestuur van Zwolle
op initiatief van Adrie Wever, raadslid voor het
Links Akkoord, vriendschapsbanden aan met
Wologda, een grote stad ten noorden van
Moskou. Anno 1996 staan deze contacten op een
laag pitje omdat de communicatie – ondanks perestrojka
en glasnost – moeilijker verloopt dan
voorzien was.
Tijdens het in november 1995 afgelegde bezoek
aan het gemeentearchief Zwolle, nam de
Russische delegatie van archivarissen met interesse
kennis van het tentoongestelde materiaal. De tijd
van voorbereiding was te kort om onderzoek te
doen naar nog meer contacten tussen Zwolle en
Rusland. Maar wellicht dat dit artikel zal inspireren
tot verdere nasporingen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berendina Stoel.
Op de bres voor vrouw en kind.
Op 27 mei 1994 werd in de Aalanden aan de
Volterbeek het vrouwenopvang- en begeleidingscentrum
van de Berendina Stoel
Stichting (BSS) opgeleverd. In juli ging in het huis
de opvang van vrouwen en de begeleiding voor
vrouwen en hun kinderen van start. De BSS richt
zich ook op jonge zwangere vrouwen en ‘tienervensomstandigheden
van vrouwen en kinderen in
Zwolle. In het onderstaande verhaal wordt het leven
van deze sociaal bewogen vrouw geschetst.
Haar jeugd
Berendina Gerharda Nieuwhof werd op 10 september
1878 in Zwolle geboren. Zij was de tweede
M.H. Palfenier-Lentjes
moeders’ die hulp en begeleiding nodig hebben.
De BSS werkt samen met Blijf van m’n Lijf en het
Leger des Heils. De naam van de stichting is afkomstig
van de vrouw die als eerste vrouwelijke
raadslid in het begin van de jaren twintig van deze
eeuw voor de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij (SDAP) in de Zwolse gemeenteraad zat en
zich krachtig inzette voor de verbetering van de ledochter
van het echtpaar Johannes Lambertus
Nieuwhof, steenhouwer, en Geertruida Maria
Overwater. Zij had vijf zusters en een broer. Niets
wees er in 1878 bij de geboorte van Berendina
Nieuwhof op dat zij een grote rol zou spelen in de
maatschappelijke politieke geschiedenis van
Zwolle.
Haar wieg stond in een huisje aan het Klein
Op 27 mei 1994 vond de
oplevering plaats van
het vrouwenopvangcentrum
van de Berendina
Stoel Stichting aan de
Volterbeek. De heer A.].
Dost (rechts), voorzitter
van de Stichting, neemt
de sleutel in ontvangst
(foto: collectie
Berendina Stoel
Stichting).
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Grachtje, in één van de armste wijken van de stad.
Doordat het Klein Grachtje grensde aan de tuinen
rond de villa van baron Van Dedem aan de
Diezerkade, werd zij al jong geconfronteerd met
het verschil tussen rijk en arm.
Voor onderwijs was zij aangewezen op de armenschool
in de Schoolstraat, waar de klassen bestonden
uit zestig leerlingen. De kwaliteit van dit onderwijs
mag dan ook niet al te hoog ingeschat
worden. Trouwens, ook het gebouw werd zeer ondoelmatig
geacht.
Over de jaren na haar schooltijd is helaas maar
zeer weinig bekend. Het is niet ondenkbaar dat zij
al vroeg thuis haar moeder moest helpen, zeker na
de dood van haar vader in 1895.
Op 25 augustus 1898 trouwde zij met Anthonie
Johan Stoel, die rijtuigschilder bij de Nederlandse
Spoorwegen was.
Beide echtelieden hadden een godsdienstige achtergrond.
Berendina kwam uit een rooms-katholiek
gezin en Anthonie was Nederlands Hervormd.
Het huwelijk werd echter niet kerkelijk ingezegend.
Uit de boeken van de rooms-katholieke kerk blijkt
dat Berendina Stoel als lid werd geschrapt.
Ongetwijfeld was haar lidmaatschap van de SDAP
daar debet aan. Anthonie Stoel, overigens ook lid
van de SDAP, bleef Nederlands Hervormd en ook
hun kinderen zijn in die religie opgevoed. Dat zij
de stap van ‘rooms’ naar ‘rood’ maakte, was omdat
zij koos voor de partij die haar wèl in de gelegenheid
stelde om op te komen voor de arbeidersvrouwen
en hun kinderen. Zij kende de slechte levensomstandigheden
^an deze groep immers
maar al te goed.
De vrouwenbeweging
In 1903 werd Anthonie Stoel ontslagen omdat hij
had deelgenomen aan de Spoorwegstaking.
Daardoor kwam het echtpaar niet in aanmerking
voor financiële bijstand. Werk was voor Anthonie
in Zwolle moeilijk te vinden en in 1905 besloten
Anthonie en Berendina dan maar naar
Amsterdam te trekken, waarschijnlijk in de hoop
daar aan de slag te kunnen. De keuze voor
Amsterdam zal mede beïnvloed zijn door het feit
dat daar in die tijd de vrouwenemancipatie in opkomst
was en in datzelfde jaar de Sociaal
Democratische Vrouwen Club (SDVC) werd opgericht,
een onderafdeling van de SDAP. Deze
SDVC had tot doel de vrouw politiek bewust te
maken, het kiesrecht voor vrouwen te verkrijgen
en tevens om moederschapszorg en kinderopvang
te stimuleren.
Na een verblijf van drie maanden in Amsterdam
keerde het echtpaar Stoel naar Zwolle terug; naar
verluid ingegeven door heimwee.
Terug in Zwolle was Berendina Stoel actief in de
SDAP. Binnen deze partij heeft zij via verschillende
cursussen ook haar politieke opleiding gehad.
Eén van de prominente SDAP-leden die voor deze
opleiding zorgde, was Henriëtte Roland Holst, die
in 1907 in Zwolle een lezing gaf. In datzelfde jaar
maakte mevrouw Stoel deel uit van een delegatie
van Zwolse vrouwen die in Amsterdam contact
zocht met de SDVC. In 1908 werden in verschillende
regio’s afdelingen van deze vrouwenbeweging
opgericht. Berendina Stoel werd voorzitster
van de Zwolse afdeling.
Ter ondersteuning van het verkrijgen van het
vrouwenkiesrecht bezocht Berendina Stoel vooral
achtergestelde vrouwen om hen van het belang
van dit kiesrecht te overtuigen. Uit angst voor repercussies
voor de vrouwen zelf of hun mannen,
viel dit zeker niet mee. Ook hield zij lezingen in de
Buitensociëteit. Door dit alles heeft Berendina
Stoel een groot aandeel gehad in de strijd van de
vrouwenbeweging in Zwolle.
Uiteindelijk werd zij door haar strijd zo belangrijk
voor de SDAP dat zij in 1919 door deze partij voor
de gemeenteraad verkiesbaar werd gesteld. Op de
kandidatenlijst stond zij op de achtste plaats.
De politieke carrière
Bij de verkiezingen van 1919 veroverde Berendina
Stoel een zetel in de raad. Deze verkiezingsuitslag
betekende voor haar een persoonlijke triomf, zeker
ook omdat, zelfs binnen de SDAP, nog niet iedereen
gelukkig was met een vrouw in de raad. Bij
haar installatie als raadslid werd zij beloond met
het zingen van de Internationale door haar achterban
uit de vrouwenbeweging en met vijftig rode
rozen.
In de raad bewoog mevrouw Stoel zich op sociaalZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
maatschappelijk terrein en dan in het bijzonder
gericht op het verbeteren van de leefomstandigheden
van de arbeidersvrouwen en -kinderen. Zo
kreeg zij onder meer zitting in de commissies
openbare bewaarscholen, kindervoeding en woningbouw.
Haar grote verdienste was het onder de
aandacht brengen van de erbarmelijke omstandigheden
waarin deze zaken verkeerden. Het was
haar gebleken dat de raadsleden zeer slecht op de
hoogte waren van de wantoestanden. Op haar eigen
kordate, niet mis te verstane spreekwijze
bracht zij dit alles onder de aandacht, zoals duidelijk
blijkt uit de notulen van de raad.
In december 1920 overlegde de raad of de kindervoeding
door de gemeente of door particulieren
verstrekt moest worden. De discussie spitste zich
vervolgens toe op de vraag of de maaltijden ook
gedurende de vakanties uitgedeeld moesten worden.
Volgens de notulen zei mevrouw Stoel:
‘… dat de statistiek bewijst, dat de kinderen als ze
weer op Kindervoeding komen, sedert het einde
van de maaltijden, in gewicht afgenomen zijn.
Daaruit blijkt de noodzakelijkheid om langer dan
drie maanden voedsel te verstrekken. Het is hoog
tijd, dat de vrouw zich eens wat meer met dergelijke
zaken bemoeit. Altijd zijn vrouw en kind vergeten…
Spreker zou niet willen beginnen met voeding
van gemeentewege, als het kind op school
komt, ook het kind op de bewaarschool, dat het
noodig heeft, moet de voeding ontvangen.’
Uit de notulen blijkt overduidelijk dat mevrouw
Stoel het verbeteren van de levensomstandigheden
geen zaak van liefdadigheid vond. Volgens haar
was dit een zaak van de hele gemeenschap, uit te
voeren door de gemeente.
Zo heeft zij in februari 1923 over de woningtoestanden
gezegd:’… als zij niet geweten had, dat de
berichten over de woningtoestanden in Palvu1 serieus
waar waren, zij dan bij het lezen gedacht zou
hebben, wat is dat schrikkelijk overdreven.
Spreker heeft zelf een onderzoek ingesteld. Zij
komt met heel velen van dat soort menschen in
aanraking… Spreker zou tegen de vrouwen van de
raadsleden eens willen zeggen, hoe het haar te
moede zou zijn, als zij in zoo’n krot moesten huizen.’
In februari 1924 discussieerde de raad uitvoerig
over het al dan niet inrichten van een bewaarschool.
Mevrouw Stoel pleitte hartstochtelijk voor
het wel inrichten van een bewaarschool ‘op de
Hoogstraat’. Vervolgens staat er in de notulen:
‘Spreker (mw. Stoel) begrijpt niet, hoe de leden
van den Raad zoo boomen kunnen opzetten over
een betrekkelijk luttel bedrag, ’t Is of de Raad
Amsterdam moet gaan kopen. Het is toch te gek,
De heer en mevrouw
Stoel (foto: mevrouw
B.G. Stoel-Slot,
Zwolle).
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat de heeren raadsleden daar nu twee avonden
over zitten te boomen, over de inrichting van één
gemeentelijk bewaarschool. Men moest zich schamen…
Spreker zou den raad dringend willen verzoeken
om nu hedenavond te besluiten tot inrichting
van de Willemsschool tot bewaarschool…
Reeds in 1918 is immers het besluit genomen
waarbij de invoering van voorbereidend onderwijs
urgent werd verklaard.’
Mevrouw Stoel had niet altijd succes met haar
voorstellen voor verbeteringen, maar zij heeft wel
op vele terreinen een eerste stap gezet. Zij liet de
arbeidersvrouwen betere tijden kennen.
De jaren na de gemeenteraad
Berendina Stoel heeft zeven jaren in de Zwolse gemeenteraad
gezeten. In 1926 werd haar echtgenoot
aangesteld als huismeester van het passantenhuis,
een gemeentelijk verzorgingshuis, aan de Friese
Wal. De voorwaarden waren dat de huismeester
gehuwd was, de kinderen de deur uit moesten zijn
en de echtgenote de taakvan huismeesteres op
zich zou nemen. Dit betekende dat Berendina
Stoel het lidmaatschap van de raad moest opgeven.
Bij haar afscheid sprak de voorzitter van de
raad enige woorden van waardering: ‘Spreker constateert,
dat het werk van mevrouw Stoel veel
waardering bij alle raadsleden heeft gevonden.
Zoo niet allen, dan toch zeer velen onder de
raadsleden zien haar met leedwezen heengaan.
Spreker gelooft in hun geest te handelen, wanneer
hij de wensch uit, dat het mevrouw Stoel zelf en
haar man goed moge gaan en zij in hun nieuwe
betrekking met genoegen werkzaam mogen zijn.
(applaus).’
Ook voor de taak in het verzorgingshuis heeft zij
zich, samen met haar man, voor de volle honderd
procent ingezet. Bij de pensionering van het echtpaar
Stoel in 1941 bleek dat zij in al die jaren
slechts een paar verlofdagen hadden opgenomen.
Daarom kregen zij als beloning een gratificatie van
333 gulden en 33 cent, dit was twee maanden salaris.
:
Na hun pensionering zijn de heer en mevrouw
Stoel gaan wonen in de Iepenstraat, waar
Anthonie Stoel op 9 februari 1946 overleed.
Berendina Stoel is toen ingetrokken bij haar dochter
die in de Tesselschadestraat woonde. Op 3 juli
1952 is zij daar, door de politiek vergeten, overleden.
In 1991 werden in de wijk Schellerhoek straten vernoemd
naar vrouwen die voor de geschiedenis
van Zwolle van belang zijn geweest. Sedertdien
draagt een zijstraat van de Jofferenlaan de naam
Mevrouw Stoelstraat om haar op die manier te
eren. Ook door haar naam toe te kennen aan de in
het begin van dit artikel genoemde Stichting zal
deze blijvend voor Zwolle gehouden blijven.
Noot
Palvu is de naam van het partijblad en het verenigings-
1. gebouw van de SDAP aan de Eekwal nummer 29.
De afkorting staat voor: Proletariërs Aller Landen
Verenigt U.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Straatnamen, niet zo eenvoudig
In de raadsvergadering van 8 september 1878
vroegen bewoners van de Stropsteeg, om een
andere naam voor hun straat. Men was niet
gelukkig met de bestaande naam.
In dezelfde vergadering verzocht de heer Schuite
om de naam Duistere Steeg te vervangen door het
meer welluidende Prins Hendrikstraat. Prins
Hendrik, bijgenaamd De Zeevaarder, een broer
van koning Willem III, was in datzelfde jaar getrouwd
met prinses Marie van Pruisen.
Burgemeester en wethouders wilden niet direct reageren.
Zij gaven er de voorkeur aan te wachten
tot er meerdere verzoeken zouden komen, wellicht
ook van bewoners van andere straten.
Bovendien vond de voorzitter de naamsverandering
van Duistere Steeg in Prins Hendrikstraat
‘minder verkieslijk’. Immers ‘als de leden van het
Koninklijk Gezin hier op bezoek komen, geven zij
allicht de wens te kennen om de straten te bezoeken,
waaraan men hun naam heeft gegeven’.
Kennelijk verkeerde de genoemde weg in een niet
al te beste staat. Misschien zou de prins wel eens
beledigd kunnen zijn.
Natuurlijk werd het voorstel gedaan om een commissie
te benoemen, maar uiteindelijk besloot de
gemeenteraad dat het college van B&W zich er
nog eens over moest buigen.
Meer dan drie jaar later, in de vergadering van 3
april 1882, besloot de raad zonder discussie(l), om
vele nieuwe straten van een naam te voorzien of
oude namen te veranderen. We zien dan dat de
Duistere Steeg Schoolstraat gaat heten en de
Stropsteeg Akkerstraat. De Akkerstraat liep van de
Diezerweg naar het Klein Grachtje, daar waar nu
de Eikenstraat ligt.
In diezelfde vergadering van 1882 werd de straat
‘langs de huizen der Vereniging tot verbetering
der arbeiderswoningen buiten de Diezerpoort’
voorzien van de naam Rhijnvis Feithstraat.
In de daaropvolgende raadsvergadering, dus op 24
april 1882, kwam de heer Van Rees daarop terug.
Hij stelde voor om de Platte Allee te vernoemen
naar Rhijnvis Feith, omdat ‘die naar het door den
dichter zoo geliefde Boschwijk voert.’ Hij wilde de
nog maar kortgeleden gegeven naam Rhijnvis
Feithstraat omgedoopt zien in Hoekstraat.
Dit voorstel zorgde voor enige verwarring in de
vergadering. De ‘schoone naam’ van de Rhijnvis
Feithstraat zo maar om te dopen tot het neutrale
Hoekstraat vond de heer Jordanus onjuist. Hij
stelde dan ook de naam Oostkampstraat voor. ‘Als
opvoedkundige en onderwijsman is de naam
Oostkamp juist in dit gedeelte der stad zeer bekend’,
gaf hij aan. De heer Gratema wilde de straat
echter vernoemd zien naar de heer Van Meurs, ‘de
man, die den stoot heeft gegeven tot de verbetering
van de woningen van de arbeidende klasse
hier ter stede.’ Gratama wilde Van Meurs graag
hulde toebrengen, ‘hij behoort nog in het land der
levenden’, voegde hij er aan toe.
Over en weer discussieerde men over ingebrachte
ideeën. De heer De Goeijen informeerde nog wie
dan wel de heer Hoek zou mogen zijn. De voorzitter
antwoordde daarop dat die naam was gekozen
omdat de straat de vorm van een driehoek had.
Tenslotte: de Platte Allee werd zonder hoofdelijke
stemming voorzien van de nieuwe naam Rhijnvis
Feithlaan, terwijl de Hoekstraat zijn naam kreeg
met tien tegen vier stemmen. Beide straten bestaan
nog steeds. De Rhijnvis Feithlaan loopt van
de Brink tot aan de Vechtstraat; de Hoekstraat ligt
achter het winkelcentrum De Diezerpoort en
vormt de verbinding tussen de Schoolstraat en de
Langenholterweg.
Wil Cornelissen
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus
J.C. Streng
Brief van Brumanus
waarin hij om een aanvullende
subsidie voor
huishuur verzoekt.
De zeventiende eeuw was niet de eeuw van
de specialisten. Wijsheid was boekenwijsheid.
Wie lezen kon – en dan in de eerste
plaats Latijn – en over een goed gevulde bibliotheek
beschikte, was in staat om zich vrijwel de
volledige toenmalige wetenschap eigen te maken.
Dat kon door van Aristoteles tot Zeno alle schrijvers
ijverig te bestuderen. Het was dan ook vrij
normaal dat geleerden zoals Henricus Brumanus
thuis waren in diverse thans gescheiden wetenschapsgebieden.
Biografie
Henricus Brumanus was de zoon van Sergius
Brumanus en Judith Feith. Sergius en Judith waren
in 1634 te Elburg gehuwd; hij was toen apotheker
aan de Markt te Zwolle.1 Enkele jaren later, in
1641, kocht Sergius het Zwolse burgerrecht. Het
echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan alleen
Henricus de volwassen leeftijd bereikte. Hij was
op 18 november 1638 te Zwolle gedoopt. Bijna tien
jaar later werd Henricus als leerling aan de Zwolse
Latijnse school ingeschreven waar hij tussen 1647
en 1654 de lessen volgde. Hij verdiende als beste
leerling twee maal een prijsboek: een geschiedwerk
van Dionysius van Halicarnassus en een verzamelband
met de gedichten van Virgilius. Toen
Henricus de Latijnse school verliet, was zijn vader
reeds gestorven. Want in 1654 verzocht de weduwe
Brumanus namelijk aan de magistraat een bijdrage
in de studiekosten van Henricus om de studie
voort te zetten.2 Waarschijnlijk heeft het stadsbestuur
het verzoek ingewilligd omdat het in deze
tijd gebruikelijk was om talentvolle burgerzonen
daarin tegemoet te komen. Het is niet duidelijk
aan welke universiteit hij verder studeerde. In de
studenten-alba van de universiteiten in de
Verenigde Republiek komt zijn naam niet voor.
Evenmin is zijn naam onder de gepromoveerden
te vinden. Dit laatste is wel verklaarbaar, want de
stad was in haar ondersteuning niet zo royaal dat
een dure promotie mogelijk was. Doctor is
Henricus dus waarschijnlijk nooit geworden.
Als tegenprestatie voor de stedelijke ondersteu-
Vtury f »»••»>•

Lees verder