Categorie

Aflevering 2

Zwolse Historisch Tijdschrift 1985, Aflevering 2

Door 1985, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ALS ££JN
JJN DE
MAALSTROOM
T T ” – ; . : • – • Zwolle tijdens de
tweede wereldoorlog i

ALS ££N
STKOOTJ£
JJN DE
JVIAALSTKDOJV]
Zwolle tijdens de
tweede wereldoorlog
onderredactie van:
J.Hagedoorn
W.A.Huijsmans
I. Wormgoor
A. van der Wurff
Zwolle 1985
CIP-gegevens Koninklijke Bibliotheek Den Haag
Als
Als een strootje in de maalstroom : Zwolle tijdens de tweede wereldoorlog
/ red. J. Hagedoorn … [ et al. ; foto’s I. Wormgoor … et
al.] . – Zwolle : Zwolse Historische Vereniging. – Foto’s
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-03-2
SISO over 938.1 UDC 949.2 8000 “1940/1945”
Trefw.: Zwolle ; Wereldoorlog II.
Colofon:
Omslagontwerp: B.Oost
De letter van de titel is gemaakt met behulp van een sjabloon dat in de tweede wereldoorlog
gebruikt is bij de vervaardiging van het illegale blad Luctor et Emergo,
dat in de Zwolse regio verspreid werd. De foto toont het silhouet van Zwolle rond
1940.
Foto’s: I.Wormgoor, J.Hagedoorn en de gemeentelijke fotodienst J.P. de Koning.
Zet- en drukwerk: Administratie- en dienstencentrum “de Sassenpoort” te Zwolle.
Copyright © 1985, Zwolse Historische Vereniging.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden
door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze dan
ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUDSOPGAVE
Ten Geleide door J.C.H.Blom 7
Als een strootje in de maalstroom 9
Oorlog en bevolkingsgroei, Zwolle 1930-1955
door Jan Demmer, Martin Verboom en Jaap Hagedoorn 18
Met de neus in de boeken
door Jaap Hagedoorn 31
Gezag en vrijheid door Berend Meijering 47
De N.S.B, in Zwolle voor 1940
door Bert Benthem en Bert Edel 62
Geen daden, maar woorden
door Nico Habermehl 78
De joodse Duitse vluchtelingen in Zwolle, 1933-1943
door Iet Vierstraete-Erdtsieck 89
Een mens die jood was
door Jaap Hagedoorn 112
De Centrale Keuken te Zwolle, 1941-1945
door Janet Dijk en Erna Reuver 126
Mogelijk vergeven, vergeten nimmer meer
door Rianne Last en Monique Raggers 145
Illustratieverantwoording 155
De auteurs 156
daartegen centraal, geleidelijk krijgen nu ook de maatschappelijke structuur en verhoudingen,
in hun ontwikkeling onder invloed van een reeks van factoren werkzaam
in het tijdvak 1940-1945* veel aandacht.
Bij de aanvaarding van mijn ambt als hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis
heb ik in dit verband onder meer gepleit voor „een systematische beschrijving en
analyse van de stemming onder de bevolking, de mentaliteit en de wijze waarop de
omstandigheden en gebeurtenissen in de periode mei 1940 – mei 1945 werden beleefd”
en ook voor bestudering van de geschiedenis van het dagelijks leven in deze
jaren. * Lokale geschiedenis kan daarbij een belangrijke rol spelen. Lokaal onderzoek
heeft immers meer mogelijkheden om dicht bij de concrete werkelijkheid van
de massa’s van de bevolking te komen dan onderzoek dat zich vooral richt op de
gebeurtenissen op het centrale landelijke niveau. Om het dagelijks leven in al zijn
trivialiteiten, die echter voor elk afzonderlijk individu van het allergrootste belang
waren, te betrappen kan men de onderzoekseenheid bij wijze van spreken niet
klein genoeg maken. Wat betekende nu precies het uitbreken van de oorlog, de
komst van de bezetter en de reeks van maatregelen gedurende de jaren 1940-1945
voor de gewone burger? Kon hij zijn gewoontes, routines, wellicht zijn sleur, voortzetten?
Of veranderde hij,-al dan niet uit vrije wil, zijn leven? Zo ja, hoe dan precies,
wanneer en onder welke invloeden? Dat zijn, mijns inziens boeiende, vragen
waarop het niet altijd gemakkelijk te geven antwoord wellicht bij uitstek door
lokaal onderzoek gegeven kan worden. .•>•’•
Vandaar dat ik met veel genoegen deze bundel studies over Zwolle tijdens de
tweede wereldoorlog van dit Ten Geleide voorzie. Hij vormt een welkome bijdrage
— vanzelfsprekend zonder het laatste woord te spreken — tot concreter en gedetailleerder
en dus tot beter en dieper inzicht in de geschiedenis van Nederland in de
periode 1940-1945.
Amsterdam, januari 1985
1 J.C.H. Blom, In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd
in Nederland (Bergen 1983) 18e.v.
8
ALS EEN STROOTJE IN DE MAALSTROOM
Inleiding
In het voorjaar van 1985 wordt herdacht dat Nederland 40 jaar tevoren werd bevrijd
van de Duitse bezetting. In die lente van 1945 kwam er een eind aan vijfjaar
onvrijheid, knechting en vervolgingen. De herdenking van de bevrijding van Zwolle
was voor de Zwolse Historische Vereniging aanleiding om een bundel met artikelen
over Zwolle in oorlogstijd te laten verschijnen.l
Als uitgangspunt voor deze studie kozen wij de rede van dr. J.C.H.Blom, die hij
uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de geschiedenis
sedert de Middeleeuwen aan de Universiteit van Amsterdam.2 Hij is de laatste jaren
naar voren gekomen als spreekbuis van een groeiende groep historici die zich af wil
vragen, welke invloed de tweede wereldoorlog op de Nederlandse samenleving heeft
gehad. Dus niet zo zeer de oorlog als „ijkpunt in de tijd zien”, zoals hij in zijn Ten
Geleide bij deze bundel zegt, maar de bezettingsperiode beschouwen als fase in de
ontwikkeling van de samenleving over langere duur. Blom pleit hierbij vooral voor
systematisch onderzoek op locaal niveau. In deze bundel zullen wij enige antwoorden
zoeken op de vraag, wat er in Zwolle als gevolg van de bezetting veranderde
voor de samenleving en het individu, die als een strootje in de maalstroom van de
grote wereldbrand werden meegezogen, vaak niet in staat zich tegen de gang van
die stroom te verzetten.
De jaren 30
Zwolle was in de jaren 30 een middelgrote provinciehoofdstad met ruim 40.000 inwoners.
De stad was vooral een markt- en dienstencentrum voor het omringende
platteland en de gehele provincie. De ontwikkeling van de industrie was achtergebleven,
op de vestiging van een Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen
na, die aan ongeveer 1000 mensen werk bood. Het Zwolse stadsbestuur had in de
eerste 30 jaar van deze eeuw verzuimd het economisch leven, met name op industrieel
gebied, enigszins te stimuleren. Dit betekende dat de stad, ondanks de
toestroom van grote aantallen mensen van het omringende platteland, voor vele,
vooral jonge, zich ontwikkelende gezinnen slechts een tussenstop naar het westen
van het land betekende. Zwolle had kortom geen mogelijkheden om het groeiende
aantal eigen en de toestromende nieuwe inwoners voldoende werk te bieden.3 In
het navolgende demografische onderzoek zien we dan ook naast een hoog vestigingscijfer
een hoog vertrekcijfer, een situatie die tot na de tweede wereldoorlog
zou voortduren. Deze ontwikkeling beperkte de bevolkingsgroei in het vooroorlogse
Zwolle.
De economische crisis van de jaren 30 sloeg ook in Zwolle toe. De nood duurde
hier langer dan in de rest van Nederland. De sluiting in 1938 van de al eerder genoemde
Centrale Werkplaats beroofde velen van werk en noodzaakte anderen uit
Zwolle te vertrekken. De Zwolse werkgelegenheid was nauwelijks genoeg voor de
bevolking en kon de vrijkomende arbeidskrachten geen werk bieden, zodat die
moesten vertrekken of armoe lijden. Dit had tot gevolg dat ook de middenstand
een gevoelige klap kreeg. Zij verloor een deel van haar klanten, terwijl andere klanten
minder te besteden hadden; ook de middenstand zag haar inkomsten dalen. De
overheidsmaatregelen tegen de gevolgen van de crisis, bezuinigingen, het handhaven
van de gouden standaard, bescherming van de eigen markt, verhoging van de belastingdruk,
en de steun voor werkelozen, brachten geen oplossing, wat weerstand
opriep onder de bevolking. Dit verzet uitte zich ook op politiek gebied, wat bij de
statenverkiezingen van 1935 vooral in het voordeel werkte van de fascistische
Nationaal-Socialistische Beweging. In het artikel over de N.S.B.-aanhang in Zwolle
wordt bewezen dat de Beweging vooral steun kreeg uit de gegoede kringen en de
middenstand. Binnen deze twee groepen werden de sociale en economische veranderingen
die plaatsgevonden hadden, door velen als een bedreiging van de eigen
positie ervaren. De Zwolse aanhang van de N.S.B, was echter niet zo groot als de
landelijke.
Anderen bestreden het opkomend fascisme, zoals blijkt uit het artikel over de
antirevolutionaire kiesvereniging te Zwolle. Al vroeg wezen enkelen uit deze vereniging
de totaliteitseis van het nationaal-socialisme af, vooral om de prioriteit die
deze beweging toekende aan het staatsbelang boven het belang van de wil van God.
Weer anderen vreesden de nationaal-socialisten, vooral de, in de ogen van de laatsten
minderwaardige en rasvijandigej joden. Het op het dagboek van een joodse
Zwollenaar gebaseerde artikel spreekt over de spanningen en angsten die deze man
als gevolg van het opkomend fascisme en de oorlogsdreiging doormaakte. „Op wie
ontlaadt zich de opgehoopte spanning?”, zo vraagt hij zich af, om te concluderen
dat de joden er slachtoffer van zullen worden. Een ander artikel belicht het lot van
een groep die de antisemitische gevolgen van het fascisme aan den lijve hadden
ondervonden: de joodse Duitse vluchtelingen, die vanaf 1933 en vooral na de
Kristallnacht van 1938 naar Nederland kwamen. Zij werden door de overheid aan
hun lot overgelaten, als zij al toestemming kregen om hier te mogen verblijven.
Alleen van particulieren, en dan met name van joodse zijde, konden zij steun
verwachten.
De economische recessie bracht grote armoede en welstandsvermindering onder
de bevolking, ook in Zwolle. De overheid en particuliere instanties verleenden steun
aan de werklozen en armen, hetzij in financiële vorm, hetzij door het starten van
10
werkverschaffingsprojecten. Een curieus vooroorlogs sluitstuk op deze steunverlenende
instanties was de Commissie voor Geestelijke en Moreele Herbewapening,
die in 1939, zoals elders, in Zwolle in het leven werd geroepen. De ideeën waar de
Commissie zich op beriep, eenheid en een gezamenlijke, op ideële gronden gebaseerde
aanpak van de eigentijdse problemen, bleken al gauw een illusie. De werkzaamheden
van de Commissie richtten zich uiteindelijk op het inzamelen van
gelden om hier een soort liefdadigheid mee te bedrijven. Pas na de tweede wereldoorlog
zou het probleem van de sociale voorzieningen door de overheid op meer
afdoende wijze worden opgelost. Van eenheid bleek ook geen sprake. De bevolking
was nauwelijks bereid het werk van de Commissie financieel te steunen. Pas onder
druk van de Duitse bezetting groeide er in de oorlogsjaren een gevoel van eenheid
onder een groot deel van de bevolking, dat echter vrij snel na het einde van de
oorlog verdween.
De bezetting van Zwolle op 10 mei 1940
11
Van 1940 tot 1945
Op 10 mei 1940 viel een Duitse legermacht zeer onverwacht Nederland binnen. Om
vier uur ’s middags werd Zwolle zonder incidenten door Duitse stoottroepen bezet.
De verwarring was groot, zo blijkt uit het al eerder genoemde dagboek van
Nico Herschel. Men was overdonderd. Van enige paniek blijkt uit een verslag van de
gemeentelijke dienst voor sociale zaken. Deze dienst verleende in de eerste oorlogsdagen
f. 60.000,- aan voorschotten aan particulieren. Na de eerste paniek keerde
echter de rust weer. Het bovengenoemde verslag meldt dat binnen een week alle
tewerkgestelden op de werkverschaffingsobjecten terugkeerden. Nico Herschel, die
in Arnhem werkte, maar in de eerste oorlogsdagen naar Zwolle reisde, keerde na
een kort verblijf weer naar Arnhem terug. Nederland was bezet en de bezetter liet
zich (nog) van een goede kant zien. Het is nu zaak vast te stellen in hoeverre de
bezetting invloed op de Zwolse samenleving uitoefende.
Voor twee groepen trad met de bezetting een verandering van hun positie in.
De N.S.B., en daarmee haar leden, kwam aan de kant van de bezettende macht te
staan. Vanaf het moment van de bezetting werden N.S.B.-ers door velen als handlangers
van de bezetters gezien. Vanaf juni 1940 deden zich in verschillende wijken
van de stad kleine ordeverstoringen voor. Het publiek nam namelijk ‘geregeld’ een
vijandige houding aan bij activiteiten van geüniformeerde N.S.B.-ers en W.A.-ers,
zoals het verspreiden van propagandadrukwerk?
De andere groep, de joodse Nederlanders en vluchtelingen, zag zich steeds verder
in een hoek gedrukt en geïsoleerd van de rest van de Nederlanders door verboden,
registratie en deportatie. De vraag is hoevelen hun lot beseften. De joodse
vluchtelingen zullen zich geen illusies gemaakt hebben over de bedoelingen van het
hen bekende nazi-regiem. Nico Herschel aanvaardde de hem opgedrongen nieuwe
verhoudingen. Hij probeerde daar binnen een nieuwe toekomst op te bouwen. Drie
jaar na het begin van de bezetting was de joodse gemeente van Zwolle vernietigd,
haar leden vermoord, ondergedoken of in concentratiekampen bijeengedreven.
De demografische ontwikkeling week in de eerste oorlogsjaren nauwelijks afvan
die in de laatste vooroorlogse jaren, zoals in het desbetreffende artikel te lezen valt.
In de voedselvoorziening trad voorlopig geen belangrijke wijziging op, met uitzondering
van de invoering van een algemeen distributiestelsel voor een groeiend aantal
produkten. Uit voorzorg werd in april 1941 een Centrale Keuken in gebruik genomen,
waar goedkope en voedzame maaltijden werden bereid. Slechts vijf procent
van de Zwolse bevolking betrok regelmatig eten van deze keuken. Ook het artikel
over het bibliotheekgebruik laat in de eerste bezettingsjaren geen verandering in dit
gebruik zien. Het vooroorlogse leven leek zich te continueren. In de antirevolutionaire
kiesvereniging ontstaan kort na het begin van de oorlog ideeën van verzet
tegen de bezettende macht. Deze ideeën konden echter niet uitgewerkt worden,
omdat de vereniging in de loop van het eerste bezettingsjaar gedwongen werd haar
activiteiten te staken.
Pas na 1941 zien we veranderingen optreden. Onder de Zwolse bevolking heerste
regelmatiger onrust. Op de vordering van 434 fietsen in juli 1942 werd zeer
scherp gereageerd, alhoewel zich geen ongeregeldheden voordeden. Vanaf februari
tot en met mei 1943 was de stemming onder de bevolking merkbaar onrustig, als
gevolg van de arrestatie van enkele scholieren, geruchten over de inzet van Nederlandse
arbeidskrachten in Duitsland en de terugvoering in krijgsgevangenschap van
het beroepskader van het voormalige Nederlandse leger. Op 30 april 1943 brak naar
aanleiding van dit laatste een algemene staking uit, zoals elders in Nederland, in
verschillende bedrijven en openbare diensten. Als represaille werden 26 personen
van hun bed gelicht, waarvan er 20 naar het strafkamp Vught werden vervoerd, en
werd het politiestandrecht afgekondigd. De openbare rust en orde keerden weer
in Zwolle.’
Eind 1944 zien we pas een ontregeling ontstaan in het Zwolse openbare leven,
als gevolg van de oorlogsdreiging na de invasie in juni 1944. Het aantal sabotagedaden
nam toe, evenals de represaillemaatregelen door de bezetters. Het onderwijs
stagneerde door de vordering van de gebouwen door de Wehrmacht. Bedrijven
moesten sluiten door de wegvoering van arbeidskrachten en een tekort aan brandstoffen
en elektriciteit, die ook maar mondjesmaat aan de bevolking geleverd werden.
De aanvoer van goederen stagneerde en er ontstonden problemen in de voedselvoorziening.
Deze chaos en ontwrichting werd groter naarmate de bevrijding
van Zwolle, in april 1945, dichterbij kwam.
Onder deze omstandigheden zien we na 1941 veranderingen optreden in de
demografische ontwikkelingen. Het huwelijkscijfer voor 1942 was hoog, wat mede
een oorzaak was van de stijging van het geboortencijfer voor 1942 en 1943. Het
huwelijkscijfer was na deze piek tot 1945 dalende. Het geboortencijfer stabiliseerde
zich op het hoge niveau van 1942. De schaarste en de verzwakking van de Iichaamsconditie
begon zich vanaf 1943 in het sterftecijfer af te tekenen. Het was tot 1946
stijgende. De schaarste was echter tot eind 1944 niet nijpend, zo blijkt uit het
Centrale-Keukenonderzoek. Daarna werd de voedselvoorziening slechter en in
maart 1945 at een kwart van de Zwollenaren dagelijks maaitijden van de Centrale
Keuken. Deze maaltijden zuilen, gezien de schaarste, van mindere kwaliteit zijn
geweest dan in de voorgaande jaren. Een hongersnood, zoals in het westen van
Nederland, heeft in Zwolle echter niet geheerst; het Zwolse sterftecijfer bleef onder
het landelijke.
Een probleem voor velen was inmiddels de besteding van de vrije tijd. Maatregelen
van de bezetters maakten verschillende activiteiten onmogelijk of minder
13
t
April 1945: een vluchtende Duitser
interessant, zoals uit het onderzoek naar de Zwolse leesgewoonten in oorlogstijd
naar voren komt. Velen grepen naar een boek en vanaf 1942 stegen de aantallen
leden en uitleningen dan ook drastisch. Een gebrek aan voldoende aanvoer van
nieuwe boeken verhinderde veelal, dat de lezers de boeken kregen die ze graag
wilden lezen: het jaarlijks aantal gelezen boeken per lid daalde tot 1946.
We kunnen dus stellen, dat de invloed van de bezetting op de Zwolse samenleving
vanaf 1942 merkbaar werd. De continuïteit met de voorgaande periode werd
verbroken. Chaos, ontwrichting, schaarste en verharding van de standpunten van de
bezetters en hun tegenstanders — toenemende sabotage, represaille en liquidering —
kenmerkten het laatste oorlogsjaar, vanaf de zomer van 1944 tot de bevrijding.
14
Bevrijders in de Diezerstraat
Na de bevrijding
Op 14 april 1945 werd Zwolle in de loop van de morgen bevrijd. Van twee kanten,
Assendorp en de Wipstrik, trokken de bevrijders Zwolle binnen. ,,De zo vurig verlangde
bevrijding Verwekte onder de bevolking grote vreugde. De Canadezen werden
met gejuich binnengehaald”, zo meldt het Verslag van de toestand der gemeente
Zwolle.9 Daarna werd begonnen met de arrestatie van N.S.B.-ers en andere daarvoor
in aanmerking komende personen. De chaotische toestand die voor 14 april
bestaan had, bleef intussen bestaan. De goederenverzorging kwam met moeite op
gang en bleef nog tot juli 1945 ongunstig. Gas en elektriciteit werden niet meer
geleverd. Het telefoonverkeer was lamgelegd door vernieling van de centrale. Van
werkhervatting kwam aanvankelijk niets, laat staan van werkverruiming. Burgers
werden lastig gevallen of mishandeld door al dan niet dronken militairen.10
De herwonnen vrijheid zorgde echter voor een euforie. De problemen zalmen
dan ook in vele gevallen op de koop toe hebben genomen. De aanstaande bevrijding
en dit feit zelf zorgden voor een geboortengolf, die nog vergroot werd door het
15
Ook na de bevrijding was er gebrek, onder andere aan water
huwelyk e r!’ d a t ™ april 1945 werd gesloten. De invloed van deze
^H ? at h 6 t s t e r f t e c iJf e r n a aprü 1945 daalde. Stierven er
^wlede en i rH t ‘ T ‘ V16r m a 3 n d e n V3n d a t j a a r n°8 2 4 3 m e n s e n ‘ « het
tweede en derde trimester waren er dat nog 170 respectievelijk 160. Deze ontwikkeling
en de afname van het vestigingsoverschot na 1945 zorgden voor een compleet
nieuwe ontwikkeling op demografisch gebied. De Zwolse bevolking groeide na
de oorlog voornamelijk door het geboortenoverschot, terwijl voor die tijd het
vestigingsoverschot eveneens van belang was voor de bevolkingsgroei. Toen de
situatie zich in de late jaren 40 stabiliseerde, was het geboortecijfer hoger dan
r/dicht ? htSter,fteCiJfer lager nog dichter by elkaar kwamen te lig’ g^enn.als de vestigm»; en v e r t S t o X S
f ^ S r Ü T J r ? kWam n a iUnl 1945 Weef °P gang- Hoewel het distributief
b!ftaan’ m a g d e S l u i t i n g v a n d e G e n t r a l e Keuken in december
nortfe % i°r ^ ^ f ^ 6 v e r m i n d e r ^ van het dagelijks aantal
7 1 P n V°e . S! ” ^ t 6 k e n Van e e n g u n s t iëe ontwikkeling in die voorzyn.
De vrye tyd ten slotte kon na april 1945 weer met een veelheid aan
16
middelen gevuld worden, wat merkbaar was in het bibliotheekgebruik. Ook hier
vinden we een ontwikkeling die niet aansloot bij die in voorgaande periode. De
ledentallen en de aantallen uitleningen bleven op een hoger niveau dan het vooroorlogse.
Besluit
Afsluitend kan gesteld worden, dat de bezetting van Nederland tussen 1940 en
1945 belangrijke invloed op de Zwolse samenleving heeft uitgeoefend. Die invloed
werd pas vanaf 1942 duidelijk. Daarvoor vertoonden de onderzochte ontwikkelingen
nauwelijks afwijkingen van die in de laatste vooroorlogse jaren. Het continuïteitselement
bleek vrij groot. Pas na 1941 werd die continuïteit doorbroken. Na
1945 ontstonden opnieuw andere ontwikkelingen, die niet op de vooroorlogse of
die in de bezettingsperiode aansloten. Of deze breuken, rond 1942 en in 1945, ook
op andere dan dé onderzochte gebieden te constateren zijn, zal verder onderzoek
moeten leren.
1 Deze bundel kwam mede tot stand dankzij onderzoek dat werd verricht door studenten van
de Christelijke Lerarenopleiding te Zwolle. Hun namen zijn achterin de bundel opgenomen.
2 J.C.H. Blom, In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd
in Nederland (Bergen 1983).
3 J.Ch.W.Verstege, ‘Demografische structuur’ in: Rapport betreffende een onderzoek naar de
welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle, L. van Vuuren ed. (Zwolle 1939) 188-216.
4 Verslag van de toestand der gemeente Zwolle 1940-1945 (Verslag) (Zwolle z.j.) VI, I, 1.
* Ibidem, XII, 1.
6 Zie noot 4.
7 Verslag, VI, 1,2-3.
8 Ibidem, 7.
9 Ibidem, 5.
10 Ibidem, 7.
17
OORLOG EN BEVOLKINGSGROEI, ZWOLLE 1930-1955
door Jan Demmer, Martin Verboom en Jaap Hagedoorn
Inleiding
In een bundel waarin de nadruk ligt op de vraag in hoeverre de tweede wereldoorlog
invloed heeft uitgeoefend op de Zwolse samenleving mag een onderzoek naar de
groei van de bevolking niet ontbreken. Naast de vraag of de bezettingsperiode al
dan niet een breukvlak in de demografische ontwikkelingen teweeg bracht, kan
men zich ook afvragen of er verband bestaat tussen de in oorlogstijd optredende
verslechtering van de voedselvoorziening en de lichaamsconditie en de spanningen
op politiek, economisch of militair gebied of juist de ontlading daarvan enerzijds
en de bevolkingsgroei of -afname anderzijds. De vraag bijvoorbeeld of men zal
verhuizen of zal trouwen hangt immers nauw samen met de beoordeling van de
eigen levensomstandigheden en de verwachtingen die men daaromtrent koestert?
In deze bijdrage zal daarom onderzocht worden hoe de Zwolse geboorte-,
huwelijks-, sterfte-, vestigings- en vertrekcijfers zich ontwikkelden tussen 1930 en
1955. Daarbij zal vooral bekeken worden in hoeverre de oorlogsperiode een breuk
in de demografische ontwikkelingen tot gevolg had en of de bovengenoemde invloeden
in de Zwolse cijfers terug te vinden zijn. De gegevens voor de eerste drie
cijfers zijn verkregen door het turven van de geboorten uit in Zwolle woonachtige
echtparen, het aantal in Zwolle gesloten huwelijken en de sterfte onder de Zwollenaren.
De cijfers van vestiging en vertrek zijn afkomstig uit de Verslagen van de
toestand der gemeente Zwolle en uit de archieven van de Sociografische Dienst van
de gemeente Zwolle. Alle getallen zijn weergegeven in promilages van de gemiddelde
bevolking in het desbetreffende jaar, dit om de gevolgen van sterke schommelingen
in de bevolkingsgroei te ondervangen.1
Geboorten
Als we aan de hand van grafiek I de vraag moeten beantwoorden of er in Zwolle in
de onderzochte periode van continuïteit of discontinuïteit van het geboortencijfer
sprake was, dan kan er maar één antwoord mogelijk zijn: discontinuïteit. Het geboortencijfer
na de oorlog sloot niet aan bij de vooroorlogse ontwikkeling. Sterker
nog, ook als we verder achter- en vooruit kijken, dan blijkt dat er na 1945 een
compleet andere ontwikkeling ontstond. Het geboortencijfer kwam op een hoger
niveau te liggen dan voor de oorlog. Pas het cijfer voor 1955 kwam in de buurt van
het cijfer voor 1930. Dit zouden wij geen continuïteit willen noemen. Bovendien
18
35-,
30-
25_
20_-
10-
5 _
1930 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55
De ontwikkeling van het geboortencijfer, 1930 -1955
blijkt uit de grafiek, dat die discontinuïteit met de vooroorlogse ontwikkeling pas
in 1943 begon. De cijfers van de eerste oorlogsjaren wijken nauwelijks af van de
cijfers voor 1938 en 1939; 1940 betekende dus aanvankelijk geen breuk, 1945 wel.
Opvallend is nog, dat het Zwolse geboortencijfer tot 1943 ver achter bleef bij
het landelijke. Eén van de voornaamste oorzaken hiervan moet gezocht worden in
het hoge vertrekcijfer onder de jonge, zich nog ontwikkelende gezinnen.2 Deze ontwikkeling
zal op de langere duur invloed hebben gehad op de samenstelling van de
Zwolse bevolking.
Huwelijken
Met enige reserves zouden wij kunnen zeggen, dat de ontwikkeling van het naoorlogse
huwelijkscijfer in de lijn van de vooroorlogse ontwikkeling lag. Een lichte
stijging, met terugvallen, zette in 1937 in en duurde tot en met 1940; vanaf 1948
lijkt deze ontwikkeling doorgezet te worden, ook hier met de nodige pieken en
dalen. De hoge cijfers voor de jaren 1946 en 1947 staan op zich zelf en hadden,
19
15
0
5 _
1930 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55
De ontwikkeling van het huwelijkscijfer, 1930-1955
zoals wij nog zullen zien, niets te rnaken met ontwikkelingen over langere tijd. Het
huwelijkscijfer lag in de onderzochte periode meestal iets onder het landelijke.
Sterfte
Bij de berekening van het sterftecijfer is alleen uitgegaan van het aantal overleden
Zwollenaren. Levenloos geboren kinderen, waarvan in de overlijdensregisters melding
wordt gemaakt, zijn niet meegerekend. Ook in het geval van het sterftecijfer
kunnen we in de onderzochte periode niet van een continue ontwikkeling spreken.
Het naoorlogse cijfer ligt duidelijk onder het vooroorlogse. Bovendien was het na-
‘ 5 – ,
10
5 _
1930 31 32 33 34 35 , 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 4 7 – 4 8 49 50 51 52 53 54 55
De ontwikkeling van het sterftecijfer, 1930-1955
20
oorlogse cijfer dalende, terwijl het cijfer vóór 1940 rondom een redelijk stabiel
peil bleef schommelen. Het piekje van 1949 berust waarschijnlijk op een dubbeltelling
van het aantal levenloos geboren kinderen in de gegevens van de Sociografische
Dienst.„Na correctie zou het cijfer op 7,6 pro mille komen te liggen, een
acceptabel getal in vergelijking met 1948 en 1950.
Vestiging en vertrek
Opvallend bij de beschouwing van dezer cijfers zijn de sterke schommelingen waaraan
de ontwikkeling van de beide getallen vóór 1940 onderhevig was. Over het
algemeen valt uit de grafiek te concluderen, dat het naoorlogse niveau ook hier iets
lager lag dan het vooroorlogse. Dit betekende dat de samenstelling van de Zwolse
bevolking na 1946 minder sterk wisselde dan ervoor. Bovendien lagen de cijfers van
vertrek en vestiging na 1945 dichter bij elkaar dan voor 1940. Dit betekent, dat het
vertrek- of vestigingsoverschot afnam, zodat vertrek en vestiging minder invloed op
de bevolkingsgroei uitoefenden dan voor de oorlog. Twee merkwaardigheden moeten
hier nog genoemd worden. In de eerste plaats valt de enorme piek in het
vertrekcijfer in 1937 en 1938 op. Deze werd veroorzaakt door de opheffing van de
Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen te Zwolle, waardoor vele
werknemers en hun gezinnen Zwolle noodgedwongen verlieten. Ten slotte kan
geconstateerd worden, dat er vanaf 1954 een vertrekoverschot was, een ontwikkeling
die na 1955 doorzette. Dit betekende dat de bevolkingsgroei afgeremd werd.
De oorlogsjaren
Nu dient onderzocht te worden in hoeverre de gebeurtenissen tussen 1940 en 1945
invloed uitoefenden op de ontwikkeling van de bovengenoemde demografische
cijfers. Vooraf dient een opmerking gemaakt te worden over het gebruik van het
geboortencijfer bij dit onderzoek.
Bij een onderzoek naar de invloeden op en de ontwikkeling daardoor van Tiet
geboortencijfer, moeten wij niet uitgaan van het aantal geboorten, maar juist van
het aantal concepties dat tot een geboorte leidde. Immers, als er van beïnvloeding
sprake is, dan heeft die veel meer effekt op het aantal concepties dan op het aantal
geboorten. Niet dat men, zoals tegenwoordig, de omvang van het eigen kindertal in
belangrijke mate zelf kon bepalen, maar het is een bekend verschijnsel, dat vrouwen
als gevolg van zware spanningen of een slechte lichamelijke conditie verminderd
vruchtbaar kunnen zijn. Daarnaast kan men zich afvragen, in hoeverre de beoordeling
van de eigen levensomstandigheden de al dan niet toekomstige ouders tot het
voorkomen of uitstellen van conceptie heeft gedwongen.
In de bezettingsjaren was het conceptiecijfer heftig in beweging. Bleef het
21
80
70 _
60 _
50 _
40 _
30 _
20 _
10 _
VESTIGING
930 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55
20 _
30 _
40 _
50 _
60 _
70 _
80 _
VERTREK
22 De ontwikkeling van het vestigings- en vertrekcijfer, 1930-1955
25_
20.
5 _
1930 31 32 33 .34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54
De ontwikkeling van het cónceptiecijfer, 1930-1955
cijfer in 1940 en 1941 rond het niveau van 1938 en 1939 zweven, in 1942 en
1943 steeg het geweldig. Een eerste oorzaak moet gezocht worden in het grote
aantal huwelijken dat in 1942 werd gesloten. Blijkbaar waren er aanstaande echtparen,
die hun in 1940 of 1941 voorgenomen huwelijk uitstelden tot betere tijden.
Het huwelijkscijfer was in die jaren namelijk dalende. Toen die betere tijden in
1942 nog niet waren gekomen, besloten velen niet langer te wachten met een
huwelijk. In 1943 zien we weer een terugval van het huwelijkscijfer. Veel van de,
als gevolg van de concepties die in 1942 en 1943 plaatsvonden, in 1942, 1943 en
1944 geboren kinderen, zullen dus eerstgeborenen zijn geweest.
Een tweede oorzaak van het hogere conceptiecijfer in 1942 en 1943 kunnen
betere toekomstverwachtingen zijn geweest. Het naziregiem kreeg in deze jaren
enkele tegenslagen te verwerken. Het Duitse zesde leger werd begin 1943 bij Stalingrad
verslagen, in oktober 1942 was het geallieerde offensief in Afrika begonnen en
in september 1943 capituleerde Italië. Dé toekomst zag er dus in de loop van 1943
niet ongunstig uit. Het Verslag over de toestand der gemeente Zwolle over de
oorlogsjaren spreekt over een opgewekte stemming onder de bevolking in juli 1943.
In september, na het bekend worden van de capitulatie van Italië, heerste er een
uitbundige stemming en werd de verwachting uitgesproken, dat dit een zeer beslis-
23
sende invloed zou hebben op de verdere oorlogsontwikkeling. „De algemene opinie
was thans dat de oorlog spoediger beëindigd zou zijn dan totnutoe werd ver-wacht”.3
Het sterftecijfer was in 1940 en 1941 hoger geweest dan daarvoor. De groei in
1940 hing niet samen met de inval van de Duitse legers, maar met extreem hoge
sterf te-aantallen in de eerste twee maanden van dat jaar. De groei in 1941 werd
veroorzaakt door een relatief grote sterfte in februari. De oorzaak hiervan is ons
niet bekend. In 1942 zien we een daling, mogelijk een compensatie voor de hoge
cijfers in de voorgaande jaren, waarna in 1943 weer een stijging inzette, die tot
1946 zou duren. Deze stijging moet in belangrijke mate geweten worden aan de
toenemende schaarste van levensmiddelen, vooral in het laatste oorlogsjaar, met als
gevolg een verslechtering van de lichamelijke conditie. Daardoor nam de immuniteit
voor ziekten af. We zien dan ook een toename van ziekten als roodvonk en difterie
in de loop van de oorlogsjaren. In 1943 tot en met 1945 werden 203, 300 respectievelijk
280 gevallen van roodvonk aangegeven, terwijl er dat vóór 1942 nooit
meer dan enkele tientallen waren.4 Ook het aantal in het Sophia-ziekenhuis ver-
KONINKRJJK PER NEDERLANDEN
DISTRIBUTIE STAMKAART
TEVENS BEWIJS VAN OPNEMINO
IN HET BABY REGISTER
No. OOOO1 ?;’:
J!
f
op
Gein.
Natioiu)il.it NEDERLANDER
aangitl»
f * .
Gemeente en Adres Paraaf
Ambl
AfgegrveninGem. ZWOLLE
**i… ./f
Ambtenaar vanhrf Babp«tifl«
Geboortekaartje in de vorm van
p.en distributie-stamkaart
24
pleegde patiënten steeg enorm tussen 1941 en 1943, om in de laatste twee bezettingsjaren
licht te dalen.5 Overigens was de toestand in Zwolle nog niet zo slecht als
elders in Nederland. Het Zwolse sterftecijfer bleef achter bij het landelijke.
Deze verslechterende levensomstandigheden en de oorlogsontwikkelingen — de
oorlog duurde langer dan in 1943 algemeen werd aangenomen — hadden een
negatieve invloed op het huwelijks- en conceptiecijfer, en het eerste weer op het
laatste. Het huwelijkscijfer daalde in 1943 en 1944, het conceptiecijfer in 1944.
Aanstaande echtparen konden in de oorlogsontwikkelingen en de schaarste een
reden zien om hun voorgenomen huwelijk uit te stellen. In de tweede helft van
1944 leek het einde van de oorlog nabij, voor velen misschien een extra reden om
nog even te wachten met een huwelijk. De aanstaande bevrijding zal echter een
drastische daling van het conceptie- en geboortencijfer voorkomen hebben. Het
conceptiecijfer van 1944 lag net onder dat van 1943.
Opvallend is nog het vertrek overschot dat in 1944 ontstond als gevolg van een
drastische daling van het aantal vestigingen en een lichte stijging van het vertrekcijfer.
Blijkbaar was vestiging in de stad Zwolle in dit laatste oorlogsjaar onaantrekkelijk
geworden. Als in 1944 nog gold, wat in 1938 voor Zwolle gold, namelijk
dat de stad een doorgangsgemeente was van het omringende platteland naar elders,
dan valt deze daling van het vestigingscijfer te begrijpen.6 Immers, in de plattelandsgemeenten
zal de invloed van bezetting en oorlog minder voelbaar en de
voedselvoorziening beter zijn geweest dan in de Overijsselse hoofdstad? De stroom
nieuwe inwoners vanaf het platteland, zal geringer in omvang zijn geworden.
Vanaf 1945 vallen de verbeterde toekomstverwachtingen en de verbetering in
de voedselvoorziening en lichamelijke conditie, en de toegenomen bewegingsvrijheid
direkt op in de verschillende cijfers. Het huwelijkscijfer en het conceptierespectievelijk
geboortencijfer stegen drastisch in de eerste naoorlogse jaren. In
1945 werden bijvoorbeeld van januari tot juli 100 huwelijken gesloten en in de
tweede helft van het jaar 237. Het sterftecijfer vertoonde een omgekeerde ontwikkeling:
het daalde. Het vertrek- en vestigingscijfer naderden elkaar in een piek.
Bevolkingsgroei
Al deze ontwikkelingen hadden invloed op de bevolkingsgroei. In onderstaande grafiek
is deze groei vergeleken met de landelijke. De achterstand die in de jaren 30 in
de Zwolse groei ontstaan was, vooral als gevolg van een achterblijvend geboortencijfer
en een vertrekoverschot, werd in de loop van de bezettingsjaren wat ingelopen.
De achteruitgang in Zwolle in 1944, vooral veroorzaakt door het vertrekoverschot,
had tot.gevolg dat de Zwolse bevolkingsontwikkeling weer achterbleef
bij de landelijke, hoewel de jaarlijkse groeigraad gelijk was. De groei in Zwolle
werd na 1945 voornamelijk door het geboortenoverschot bepaald.
25
140-,
I35_
130_
I25_
I2O_
115
110
105
100_’
T I T I I I I 1 ] I
1930 31 32 .33 34 35 36 37 38 39 40 41 I
42
I T T I I I I I I I I I 1
43 44 45 46 47 48 49. 50 51 52 53 54 55
Groei van de bevolking in Zwolle en Nederland, 1930-1955 (1930 = 100)
= Zwolle = Nederland
Conclusie
In de demografische ontwikkeling van Zwolle valt bij vergelijking van de vooroorlogse
periode met de naoorlogse periode een discontinuïteit te ontdekken. Het
geboortencijfer kwam na 1945 op een hoger, het sterfte-, vertrek-en vestigingscijfer
op een lager niveau te liggen. Alleen de ontwikkeling van het naoorlogse huwelijkscijfer
sloot enigszins aan op de vooroorlogse ontwikkeling.
Er blijkt verband te bestaan tussen de verschillende cijfers enerzijds en de
levensomstandigheden van de Zwollenaren anderzijds. De onzekerheid van de
eerste oorlogsjaren noopte velen een voorgenomen huwelijk uit te stellen. Toen
26
veel uitgestelde huwelijken in 1942 dan toch gesloten werden, had dit, met een
minder ongunstige toekomstverwachting, invloed op het conceptie- en geboortencijfer.
De invloed die de oorlogsomstandigheden in de eerste bezettingsjaren op het
sterfte-, vertrek- en vestigingscijfer uitoefenden is onduidelijk. Deze is in de ontwikkeling
van de cijfers niet terug te vinden. Toen echter de voedselvoorziening en de
lichamelijke conditie verslechterden, vooral in het laatste bezettingsjaar, steeg het
sterftecijfer. Ook in deze periode was er van uitstel van huwelijken sprake. Een
groeiend aantal huwelijkssluitingen na april 1945 had, evenals de verbeterde levensomstandigheden
en de afgenomen spanningen na de bevrijding, invloed op het
geboortencijfer: het steeg. Het sterftecijfer daalde om dezelfde redenen. De herkregen
vrijheid zorgde voor een piek in het vertrek- en vestigingscijfer. De groei van
de Zwolse bevolking bleef in de onderzochte periode achter bij de landelijke.
27
00 TABEL I
Demografische gegevens van Zwolle en Nederland, 1930-1955 7
Jaar
Gemiddelde bevolking van Zwolle
Aantal concepties absoluut (Zwolle)
Conceptiecijfer (Zwolle)
Aantal geboorten absoluut (Zwolle)
Geboortencijfer (Zwolle)
Geboortencijfer (Nederland)
Aantal huwelijken absoluut (Zwolle)
Huwelijkscijfer (Zwolle)
A.
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
1940
1941
1942
1943
1944
1945
1946
1947
1948
1949
1950
1951
1952
1953
1954
1955
B.
40.377,5
40.758
41.374,5
41.856,5
42.424,5
43.132
43.440
43.280
42.546
42.329,5
42.913
43.601
44.301,5
45.254
45.480,5
45.501,5
46.346,5
47.432
48.410
49.057
49.635
50.413,5
51.234,5
52.027
52.746
53.286
C.
807
753
773
707
775
684
738
760
763
767
808
793
951
1069
1053
1327
1359
1149
1130
1023
1083
1083
1108
1094
1040
D. E.
20,0
18,5
18,7
16,9
18,3
15,9
17,0
17,6
17,9
18,1
18,8
18,2
21,5
23,6
23,2
29,2
29,3
24,2
23,3
20,9
21,8
21,5
21,6
21,0
19,7
814
766
777
729
758
739
685
745
772
767
778
780
830
1012
1052
1028
1409
1358
1107
1113
1027
1082
1113
1082
1085
1067
A.
B.
C.
D.
E.
F.
G.
H.
J.
Huwelijkscijfer (Nederland)
Sterfte absoluut (Zwolle)
Sterftecijfer (Zwolle)
Sterftecijfer (Nederland)
Vestiging absoluut (Zwolle)
Vestigingscijfer (Zwolle)
Vertrek absoluut (Zwolle)
Vertrekcijfer (Zwolle)
F. G. H. J. K. L. M. N.
20,2
18,8
18,8
17,4
17,9
17,1
15,8
17,2
18,1
18,1
18,1
23,1
22,2
22,0
20,8
20,7
20,2
20,2
19,8
20,5
20,6
20,8
17,9 20,3
18,7 21,0
22,4
23,1
22,6
23,0
24,0
22,6
30,4 30,2
28,6 27,8
22,9
22,7
20,7
21,5
21,7
20,8
25,3
23,7
22,7
22,3
22,3
21,7
20,6 21,5
20,0 21,3
274
258
268
289
293
278
276
340
292
362
311
289
453
316
244
337
604
514
389
369
407
444
390
378
404
411
6,8
6,3
6,5
6,9
6,9
6,4
6,4
7,9
6,9
8,6
7,2
6,6
1.0,2
7,0
5,4
7,4
13,0
10,8
8,0
7,5
8,2
8,8
7,6
7,3
7,7
7,7
8,0
7,4
6,9
7,2
7,3
7,2
7,5
7,7
7,7
9,2
7,6
7,3
9,7
7,2
5,5
7,8
11,4
10,2
9,0
8,3
8,2
8,8
8,4
8,2
8,3
8,3
359
408
349
384
361
419
392
382
423
376
454
478
442
475
532
573
400
372
363
438
392
360
385
381
363
381
8,9
10,0
8,4
9,2
8,5
9,7
9,0
8,8
9,9
8,9
10,6
11,0
10,0
10,5
11,7
12,6
8,6
7,8
7,5
8,9
7,9
7,1
7,5
7,3
6,9
7,2
9,1
9,6
9,0
8,8
8,4
8,7
8,7
8,8
8,5
8,6
9,9
10,0
9,5
10,0
11,8
15,3
8,5
8,1
7,4
8,1
7,5
7,6
7,4
7,7
7,5
7,6
O. P. Q.
2285 56,6
2208 54,2
2388 57,7
2449 58,5
2611 61,5
2563 59,4
2231 51,4
2476 57,3
2398 56,4
2742 64,8
2944 68,6
2668 61,2
2666 60,2
3078 68,0
1679 36,9
3541 77,8
3806 82,1
3185 67,1
2693 55,6
2372 48,4
2571 51,8
2956 58,6
2526 493
2804 53,9
2901 55,0
2762 51,8
2560
2040
2182
2501
2198
2331
2516
3388
3613
2768
2530
2398
2292
2513
2852
3307
3814
2997
2655
2516
2562
2755
2525
2649
3041
2951
K.
L.
M.
N.
O.
P.
Q.
R.
R.
63,4
50,1
52,7
59,8
51,8
54,0
57,9
78,4
84,9
65,4
59,0
55,0
51,7
55,5
62,7
72,7
82,3
63,2
54,8
51,3
51,6
54,6
49,3
50,9
57,7
55,4
TABEL II
Bevolkingsgroei Zwolle en Nederland, 1930-1955 8
Jaar
Inwoners op 31-12 absoluut (Zwolle)
Inwoners op 31-12 relatief (Zwolle) 1930 = 100
Inwoners op 31-12 absoluut (Nederland) x 1000
Inwoners op 31-12 relatief (Nederland) 1930 = 100
A.
B.
C.
D.
E.
A. B. C. D. E.
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
1940
1941
1942
1943
1944
1945
1946
1947
1948
1949
1950
1951
1952
1953
1954
1955
40.473
41.043
41.706
42.007
42.842
43.422
43.458
42.958
42.134
42.525
43.301
43.901
44.702
45.805
45.155
45.848
46.845
48.019
48.801
49.313
49.957
50.870
51.599
52.455
53.037
53.535
100
101,4
103,0
103,8
105,9
107,3
107,4
106,1
104,1
105,1
107,0
108,5
110,4
113,2
111,6
113,3
115,7
118,6
120,6
121,8
123,4
125,7
127,5
129,6
131,0
132,3
7.936
8.062
8.183
8.290
8.392
8.475
8.557
8.640
8.729
8.834
8.923
9.008
9.076
9.129
9.220
9.304
9.543
9.716
9.884
10.027
10.200
10.328
10.436
10.551
10.680
10.822
100
101,6
103,1
104,5
105,7
106,8
107,8
108,9
110,0
111,3
112,4
113,5
114,4
115,0
116,2
117,2
120,2
122,4
124,5
126,3
128,5
130,1
131,5
133,0
134,6
136,4
29
Noten
Het gemiddeld aantal inwoners wordt verkregen door de bevolking op 1 januari op te tellen
bij die van 31 december van het desbetreffende jaar, en het geheel door twee te delen.
J.Ch.W. Verstege, ‘Demografische structuur’ in: Rapport betreffende een onderzoek naar de
welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle, L. van Vuuren ed. (Zwolle 1939) 196.
Verslag van de toestand der gemeente Zwolle 1940-1945 (Verslag) (Zwolle z.j.) VI, I, 4.
Ibidem, VII, 1,1.
Ibidem, VII, I, 8.
Verstege, 204.
Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle, Burgerlijke Stand Zwolle Huwelijk resp. Overlijden,
1930-1930.
Verslag 1930-1945, verschillende pagina’s.
Vijfenzeventig jaar statistiek van Nederland (‘s-Gravenhage 1975) b. bevolking, 9, 13, 14
en 18.
Sociografische Dienst van de gemeente Zwolle, Overzicht van de overschotten sinds 1935.
Afdeling bevolking van de gemeente Zwolle, registers van de burgerlijke stand: geboorten
1930-1955, huwelijken 1940-1955 en overlijdens 1940-1955.
De beide diensten worden voor hun medewerking hartelijk bedankt.
Ibidem.
30
MET DE NEUS IN DE BOEKEN
Onderzoek naar het leesgedrag in Zwolle 1935-1950
door Jaap Hagedoorn
Inleiding
In zijn inaugurele rede In de ban van goed en fout? formuleert J.C.H.Blom enkele
richtlijnen voor de voortzetting van de geschiedschrijving van Nederland in de
tweede wereldoorlog. Met name onderzoek naar continuïteit en discontinuïteit
tussen de bezettingsjaren en de periode ervoor en erna acht hij wenselijk. Daarnaast
zou de stemming onder de bevolking systematisch beschreven en geanalyseerd moeten
worden.1 Om deze stemming met behulp van cijfermateriaal, dus zo objectief
mogelijk, te meten, kunnen ook gegevens over de uitlening van bibliotheekboeken
gebruikt worden. Hierdoor kan inzicht verkregen worden in de wijze waarop in de
bezettingstijd de beschikbare vrije tijd besteed werd. Ook afwijkingen van het vooren
na-oorlogse patroon kunnen zo opgespoord worden.
Zwolle kende voor, tijdens en na de bezettingsjaren verschillende bibliotheken
en leeszalen. De belangrijkste waren echter de Openbare leeszaal en bibliotheek
(verder OLB) en de roomskatholieke leeszaal en bibliotheek ‘Joan Cele’. De eerste
werd gesticht in 1913 en was gevestigd in de Kamperstraat 21. De andere bibliotheek
opende haar deuren in 1917 aan de Melkmarkt 10a. Beide organisaties stelden
zich ten doel de bevolking te ontspannen en geestelijk te ontwikkelen, de
laatste op roomskatholieke grondslag. De contributie bedroeg in de loop der jaren
een bedrag tussen één en tweeënhalve gulden.2 De volwassen leden mochten in de
lees- en studiezalen naslagwerken en tijdschriften inzien. In de bibliotheek konden
de leden boeken lenen, echter niet meer dan drie a vier per keer. De bibliotheken
en leeszalen waren ’s morgens, ’s middags en ’s avonds enkele uren geopend, behalve
op zondag. De OLB had een aparte jeugdafdeling, die op woensdag-, donderdag-
en zaterdagmiddag geopend was. Het bibliotheekwerk werd verricht door één
bibliothecaresse en één of meer assistentes.3
In deze bijdrage zal onderzocht worden of er tussen 1935 en 1950 sprake was
van continuïteit of discontinuïteit in het leesgedrag van de Zwollenaren. Ook zal
getracht worden de oorzaken van de eventuele ontwikkelingen te achterhalen, en
met name de invloed van de bezetting. Mochten er veranderingen in het leesgedrag
optreden, dan wordt gepoogd vast te stellen wanneer dat gedrag veranderde. De
vraagstelling zal beantwoord worden na onderzoek van de ontwikkeling van het
ledenbestand, het leeszaalbezoek en de omvang van het boekenbestand en de uit-
31
r
Voorgevel van de O.L.B, in de Kamperstraat
32
lening. Naast deze getalsmatige gegevens zullen ook kwalitatieve opmerkingen en
notities bij het onderzoek betrokken worden.
De archieven van de beide bibliotheekverenigingen vormen de bronnen voor dit
onderzoek.4 Het ‘Joan Cele’-archief leverde een overvloed aan gegevens op. Per dag
werd genoteerd hoeveel en welke soorten boeken werden uitgeleend en hoeveel
mannen en vrouwen de leeszaal bezochten. Het OLB-archief bevatte minder feiten.
Gelukkig werden voor dit onderzoek belangrijke gegevens opgenomen in het zogenaamde
Leeszaaljaarboekje.s
De leden
De gegevens over het aantal bibliotheekleden in de onderzochte periode zijn helaas
niet compleet (zie tabel I). Toch zijn er voldoende aantallen bekend om enige conclusies
aan het geheel te verbinden. Het aantal leden van de Openbare bibliotheek
steeg van 1941 tot 1945 met zo’n 900 tot 1000 per jaar. Deze groei moet wel groter
zijn geweest dan de vooroorlogse, aangezien de bibliotheek in 1941 nog maar
1513 leden had. Dit wordt bevestigd als de ontwikkeling van het aantal leden van
‘Joan Cele’ bekeken wordt. Hier valt tussen 1935 en 1938 een lichte groei waar te
nemen. Tussen 1938 en 1942 is de groei al spectaculair te noemen en vanaf 1942
lijkt de ontwikkeling op die van de OLB. Opvallend is nog de groei van het aantal
jeugdleden van de laatste bibliotheek. Dit steeg tussen 1941 en 1944 van 175 tot
1059!6
De oorzaken van deze groei moeten direct met de gebeurtenissen tussen 1940
en 1945 samenhangen. Vanaf 1945 daalde het ledental van de beide bibliotheken
namelijk tot een redelijk stabiel niveau. Bij de OLB lag dit op zo’n 80 procent van
het hoogste aantal en bij ‘Joan Cele’ op ongeveer 75 procent. De daling vond in
1946 plaats. In dat jaar bedankten 475 leden van ‘Joan Cele’ voor het lidmaatschap.
7 Toch viel het aantal bibliotheekleden niet terug naar het vooroorlogse
niveau. Een deel van de mensen die tussen 1940 en 1945 lid waren geworden, was
de kennismaking met de bibliotheek blijkbaar zo goed bevallen, dat ze lid bleven,
nadat de specifieke redenen waarom ze lid waren geworden waren weggevallen. Op
deze redenen zal later worden ingegaan. In ieder geval kwam het ledental op een
peil dat geen logische aansluiting op het vooroorlogse vormde. In de volgende
hoofdstukken zal de ontwikkeling van het leeszaalbezoek en de uitlening bekeken
worden.
Leeszaalbezoek
De beide bibliotheken beschikten over een lees- en studiezaal, waar de tijdschriften
en naslagwerken stonden. Zo lagen in 1938 in de leeszaal van ‘Joan Cele’ 118 perio-
33
dieken ter inzage.8 Dagelijks werd er bijgehouden hoeveel mannen en vrouwen de
leeszaal bezochten. Van de OLB-leeszaal zijn alleen de jaartotalen bekend.9
Het bezoek aan de leeszalen nam tussen 1935 en 1950 af. In de oorlogsjaren is,
vanaf 1941 voor de OLB en vanaf 1942 voor ‘Joan Cele’, een verscherpte daling te
constateren. Omdat in dezelfde periode het ledental steeg, nam het gemiddeld aantal
bezoeken per lid nog sneller af. De daling had verschillende oorzaken. In de eerste
plaats daalde in bezettingstijd het aantal periodieken dat in de leeszaal ter inzage
lag. In de leeszaal van ‘Joan Cele’ kon men in 1946 nog maar 30 tijdschriften
50 .
40 .
30 ,.
20 _
10 »
Leeszaalbezoek 1935-1950 (1935 = 100)
— = O.L.B. = ‘Joan Cele’
i i i i i i i i i i i i n
35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
34
lezen.10 Daarbij moet bedacht worden, dat op dat moment het aantal periodieken
alweer groter was dan in de bezettingsjaren. De inhoud van de bladen werd in 1945
„betrekkelijk onbelangrijk” genoemd.11 De legaal verschijnende tijdschriften stonden
immers onder Duitse censuur. Ongetwijfeld is ook de uitgave van de illegale
kranten een verklaring voor de daling van het leeszaalbezoek. Een andere oorzaak
lag in de uitgaansverboden, die vooral ’s avonds golden, waardoor men op die uren
de leeszaal niet kon bezoeken. Ook was de leeszaal nog al eens gesloten. Gebrek aan
verlichting en brandstof was hiervan meestal de oorzaak. Om deze redenen werd de
OLB-leeszaal de eerste drie maanden van 1945 gesloten, wat in het bezoekersaantal
van dat jaar terug te vinden is. Rond de oorlogsdagen in mei 1940 en april 1945
waren de bibliotheken en leeszalen ook gesloten.
Direct na afloop van de oorlog steeg het aantal leeszaalbezoekers weer. Een
veelheid aan nieuwe, eerder illegale, bladen lag in de leeszalen ter inzage, zoals
Trouw, De Waarheid en Het Parool. Daarnaast konden ook Engelse en Amerikaanse
kranten gelezen worden, die door de ambassades gestuurd werden.12 Hoewel de
leeszalen wegens brandstoftekorten nog wel eens gesloten moesten worden, steeg
het aantal bezoekers beduidend. Maar het vooroorlogse aantal werd niet meer bereikt.
Het totaal bleef steken rond zo’n 30 procent van het aantal bezoekers in
1935. Een verklaring voor deze ontwikkeling op langere termijn is moeilijk te
geven. Het is echter niet ondenkbaar, dat velen gewend waren aan het thuis lezen
van een krant of tijdschrift. In de bezettingstijd gingen de illegale bladen van hand
tot hand en konden ze alleen in een vertrouwde omgeving, bijvoorbeeld in eigen
huis, gelezen worden. Misschien was dit voor velen een reden om zich na april 1945
op een krant te abonneren. Verder onderzoek lijkt mij hier gewenst.
Eén ontwikkeling wil ik hier nog signaleren. Uit de door de bibliothecaresse van
‘Joan Cele’ bijgehouden statistiek van leeszaalbezoekers valt af te lezen, dat een
steeds groter deel van die bezoekers uit vrouwen bestond. Tot en met 1941 schommelde
het aantal vrouwen tussen 20 en 25 procent van het totaal. Vanaf 1943 was
ongeveer één op de drie bezoekers een vrouw. Deze ontwikkeling zette na de oorlog
door. Voor een verklaring is verder onderzoek noodzakelijk.
Uitlening: de cijfers 13
Tegenover de scherpe daling van het leeszaalbezoek in de bezettingsjaren, staat een
explosieve groei van het aantal uitgeleende boeken in dezelfde periode. De jaarlijkse
aantallen uitleningen waren voor 1941 redelijk stabiel. De OfcB leende per jaar zo’n
85.000 boeken uit en ‘Joan Cele’ ruim 30.000. Gelijk met de groei van het aantal
leden nam, vanaf 1941 bij ‘Joan Cele’ en vanaf 1942 bij de OLB, het aantal uitleningen
enorm toe. Boven een krante-interview met mej. C. Jacobs, de bibliothecaresse
van de OLB, van 1942 staat dan ook: „De afgeloopen winter was boeken-
35
210 _
200 _
190 _
180 _
170 _
160 _
150 _
140 _
130 _
120 _
110 _
100
Boekenuitleen 1935-1950 (1935 = 100)
— = O.L.B. =’JoanCele’
35
I
36
I
37
I
38
I
39
I
40 4! r
42
1
43 44 45
I
46 47 48
I
49 50
winter”.14 In 1944 werd een hoogtepunt bereikt.
Het verschijnsel van de groeiende belangstelling voor het bibliotheekboek stond
niet op zichzelf. In het eerder genoemde interview wordt ook geconstateerd „dat
dure (boek-)werken, die vroeger nauwelijks werden bekeken, nu door velen worden
aangeschaft”. De groeiende belangstelling betekende dat de uitlening voor het personeel
van de bibliotheken nauwelijks bij te benen was. Daarom werden extra
36
krachten ingezet en werd de uitlening beperkt. Deze maatregelen hadden echter
weinig effect op de omvang van de uitlening. Na het hoogtepunt van 1944 daalde
de uitlening in 1945. Dit was vooral een gevolg van de soms langdurige sluitingen in
dat jaar. Vanaf 1946 groeide de uitlening langzaam. De top van 1944 werd echter
voor 1951 niet meer bereikt. Lezen was in de bezettingstijd blijkbaar populair, als
gevolg van specifiek met de tijd samenhangende oorzaken. Gezien het dalende leeszaalbezoek
en de stijgende uitlening werd men vooral lid om boeken te kunnen
lenen.
65 _
60 _
55 _
50 _
45 _
40 _
35 _
30_
25 _
20 _
15 _
Uitgeleende boeken per lid 1935-1950
— = O.L.B. = ‘JoanCele’
i i i i i i i i I i i r i r i
35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 4J 46 47 48 49 50
37
Nadere beschouwing van de gegevens leert echter, dat er in de bezettingsjaren
per lid minder boeken werden gelezen (zie tabel II). Tot 1941 respectievelijk 1942
lazen de leden van de QLB respectievelijk van ‘Joan Cele’ gemiddeld ruim één boek
per week. In 1945 was dit nog maar één boek per twee a drie weken. Na 1945 steeg
het aantal gelezen boeken per lid weer, tot ongeveer één boek per tien dagen. Ook
hier werd de vooroorlogse hoeveelheid niet meer bereikt. Dit ondanks de mogelijkheid
om vanaf 1949 bij de OLB meer dan het toegestane aantal boeken te lenen,
tegen betaling van een dubbeltje per extra boek. Nogmaals blijkt dus, dat de bezettingstijd
verandering in het leesgedrag van de Zwollenaren bracht, zowel op de
korte als op de langere termijn.
Voor deze tegengestelde ontwikkelingen, groeiende uitlening en dalende uitlening
per lid, zijn verschillende verklaringen te vinden. Een belangrijk deel van de
nieuwe leden heeft mogelijk minder dan de gemiddelde hoeveelheid boeken gelezen.
Zij werden geen lid omdat ze leesgierig waren, maar ze zochten vervangingsmiddelen
voor activiteiten die in de bezettingstijd niet meer mogelijk waren. De
teruglopende uitlening en de daling van het aantal leden na 1945 ondersteunen
deze stelling. De bibliothecaresse van ‘Joan Cele’ constateerde hetzelfde: „Daar, na
de bevrijding de belangstelling voor het boek, behalve bij de echte boekenliefhebbers,
begon te verminderen, liepen de uitleencijfers terug.”15 Toch bleef het aantal
leden en uitleningen na 1945 groter dan op grond van de ontwikkelingen tot 1941
aangenomen kon worden. Een belangrijke hoeveelheid minder ‘echte’ liefhebbers
bleef ook na 1945 lid van de bibliotheek.
De dalende uitlening per lid had echter ook te maken met het boekenbezit van
de bibliotheken, en dus met het beschikbare aantal boeken per lid. Dit aantal daalde
drastisch tot 1945. Dit betekent, dat de boeken per jaar vaker werden uitgeleend,
waardoor ze sneller sleten — ze werden letterlijk stuk gelezen — en eerder uit
de roulatie moesten worden genomen. Het tekort was moeilijk aan te vullen, omdat
nieuwe boeken en dubbelen slechts beperkt verkrijgbaar waren. Hierdoor werd de
bibliotheek leger en waren de leden gedwongen hun keus uit een dalend aantal
boeken te maken.
Die keus werd nog kleiner, doordat de bezettende macht een belangrijke hoeveelheid
boeken verbood. Al in augustus 1940 moesten boeken die het maken en
gebruiken van radio’s beschreven worden ingeleverd. En in september 1940 werden
de boeken verboden, die een vijandige strekking hadden ten aanzien van het Duitse
volk en rijk, Hitler en de N.S.D.A.P. Later volgde een uitleenverbod voor Engelse
en Amerikaanse boeken en werken van joodse auteurs. Deze boeken gingen achter
slot en grendel. Mede hierdoor werd „het een puzzle … om aan alle leesgierigen een
goed boek mee te geven.”16 Naast het verbieden van boeken oefenden de bezetters
ook censuur uit op catalogi en aanwinstenlijsten.
Pas na de bevrijding steeg het aantal beschikbare boeken per lid weer. Direct na
38
CENTRALE VEREENIGING VOOR OPENBARE LEESZALEN EN BIBLIOTHEKEN
SECRETARIS. PENNINGMEESTER
Dr. H. E. GREVE
i-GRAVENHAGE
VAN BLANKENBURGSTRAAT 38
TELEFOON 333668
POSTGIRO 109968
S-GRAVENHAGE, 4 September 1940.
Aan het Bestuur der
rf./C. Openbare Leeszaal en Bibliotheek
te
Het Bestuur der C. V. brengt het volgende schrijven van den Secretaris-Generaal van het
Departement van Onderwijs. Kunsten en Wetenschappen ter Uwer kennis.
Van deze circulaire aan de leeszaalbesturen ontvangen de leeszaaldirecteurs(-trices) eveneens
een exemplaar.
Ne 3923 Afd. KW. ‘S-GRAVENHAGE, 28 Augustus 1940.
Aan het Bestuur van de Centrale Verecniging
uoor Openbare Leeszalen en Bibliotheken
te s-Gravenhage.
Ingevolge een aanschrijving van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche
gebied verzoek ik U er zorg voor te dragen, dat drukwerken van elke soort en in elke taal,
die ten aanzien van het Duitsche volk, zijn Führer, de Nationaal-Socialistische Duitsche
Arbeiderspartij, den Duitschen Staat, de Duitsche Regeering of de Duitsche weermacht een
vijandige of afkeurende strekking hebben, onmiddellijk aan het leenverkeer worden onttrokken
en in een groep afzonderlijk achter slot en grendel worden bewaard. Hiertoe behooren niet
slechts politieke geschriften, doch ook tendentieuze romans, novelles, tijdschriften en plaatwerken.
Gedacht wordt aan boeken als de volgende:
I
o
••&•
I
1
I
Althoff. Een trein vertrok.
Borkenau. New german empire.
von Brentano. Prozess ohne Richter.
Bruckner. Die Rassen.
den Doolaard. Oostenrijk 1935.
Feuchtwanger. Geschwister Oppenheim.
Fraenkel. German people versus Hitler.
Frank. Reisepas.
Gedye. Fa Den bastions.
Glaeser. Letzter Zivilist.
Golding, Mr. Emmanuet.
Graf. Der Abgrund.
„ . Anton Sittinger.
Gunther. Inside Europe.
. High cost of Hitler.
Haller. Ein Mann sticht sein e Heimat.
Heideo. Adolf Hitler.
Gesch. drs Nazional-Sozialismus.
. Ein Mann gegen Europa.
Juhasz. Dit is gebeurd ia Oostenrijk.
Keun. Nach Mitternacht.
Laatsman. Duitsche kerkstrijd.
Langhoff. Moorsoldaten.
Lennhoff. Last five hours of Austria.
Lewis. It can’t happen here.
van Loon. Our battle.
Malraux. Temps du mépris.
Mann, E. 10.000.000 Kinder.
Merz. Ein Mensch föllt aus Deutschland.
Mowrer. Gerroany puts the clock back.
Oldeo. Hitler.
Rauschning. Gesprache mit Hitler.
. Hitler ma dit.
. Revolution des Nihilismus.
Roberts. House that Hitler built.
Schwarzschild. Ende der Illusionen.
Toller. Eine^Jugend in Deutschland.
Vance. Escape.
Waakzaamheid; serie.
Binnen vier weken moet mij een lijst van deze soort van boekenvoorraden, bij de
leeszalen aanwezig, voor elke instelling afzonderlijk, voorgelegd worden. Deze lijst behoort
in volgorde schrijver, titel, en plaats en jaar van verschijning te bevatten. Wanneer van 39
de bevrijding kon het boekenbezit worden uitgebreid door opname van achtergelaten
Duitse boeken en doordat de voordien verboden boeken weer in het uitleenbestand
konden worden opgenomen. Die verboden boeken werden overigens eerst
nog tentoongesteld in april 1945. Op de langere termijn steeg het aantal beschikbare
boeken per lid door afname van het ledental en toename van de boekenaanschaf.
Uitlening: de boeken
Nu dient onderzocht te worden welke boeken of welke soorten boeken werden uitgeleend.
De informatie hierover is uiterst schaars, zeker als het om de vooroorlogse
periode gaat. In beide bibliotheken bestond de uitlening voor zo’n 60 procent uit
romans. Kinder- en studieboeken vormden de rest. Bij ‘Joan Cele’ was de uitlening
van kinderboeken belangrijker dan bij de OLB. In deze verhoudingen kwam geen
verandering in en na de bezettingstijd.
Volgens notities in de bibliotheekjaarverslagen was er in 1942 en 1943 grote belangstelling
voor ontspanningslectuur. Dit duidt op een behoefte aan verstrooiing.
Reisbeschrijvingen en aardrijkskundige boeken waren erg in trek. Mogelijk werd het
reizen, dat door de oorlog en maatregelen van de bezetters bemoeilijkt werd, vervangen
door reizen in de fantasie. De bibliotheekieden maakten ook gebruik van de
mogelijkheid om wat kennis op te doen, gezien de belangstelling voor studie- en
populair-wetenschappelijke boeken.
Geschiedenisboeken en levensbeschrijvingen werden gretig gelezen. In het eerder
genoemde interview met mej. Jacobs vertelt zij, dat boeken als Hollands Glorie
van Jan de Hartog, Wiarda: kroniek van een geslacht van Theun de Vries en Elzelina:
de geschiedenis van een Hollandse vrouw in de jaren 1776-1845 van Jo van
Ammers-Kueller, soms wel 20 keer op een dag gevraagd werden. In deze boeken
staan episoden uit de Nederlandse geschiedenis centraal en worden zeer Nederlandse
figuren beschreven. Blijkbaar bestond er een behoefte aan bevestiging van de
Nederlandse identiteit tegenover de Duitse. Deze behoefte werd gestild door identificatie
met historische voorbeelden.
Van de naoorlogse belangstelling is erg weinig bekend. De interesse vertoonde
waarschijnlijk niet zulke afwijkingen, dat deze vermeld moesten worden in de jaarverslagen.
In het jaarverslag van ‘Joan Cele’ over 1948 wordt opgemerkt dat de
jeugd graag populair-wetenschappelijke boeken las en dat de vraag naar boeken over
huwelijk, opvoeding en voorlichting in het huwelijk toenam.17 Het OLB-jaarverslag
over 1947 maakt melding van een groeiende diefstal van plant- en dierkundeboeken.
18 Op de langere termijn valt er dus geen wijziging waar te nemen in de belangstelling
van de bibliotheekieden, behalve een kortstondige verschuiving tijdens de
bezettingsjaren.
40
Oorzaken van de groeiende behoefte aan lezen in bezettingstijd
In Zwolle was er in de bezettingsjaren dus een groeiende behoefte aan boeken en
leesmateriaal, vooral vanaf 1941.19 Hiervoor zijn vele verklaringen te geven, die
echter uit dezelfde oorzaak voortvloeiden: men moest de vrije tijd met steeds minder
middelen zien te vullen. Door de uitgaansverboden was men vooral in de avonduren
vaak gedwongen thuis te blijven. In de loop van de bezettingsjaren werd het onderwijs
beperkt door vordering van schoolgebouwen en brandstoftekorten. Vanaf de
herfst van 1944 werd er in Zwolle bijna geen onderwijs meer gegeven. De vorderingen
en tekorten zullen ook in bedrijven en kantoren tot tijdelijke sluitingen geleid
hebben. De jongere mannen liepen het risico opgepakt en tewerkgesteld te worden
als zij zich op straat vertoonden. Zij zaten dus ook vaker thuis. Onderduikers konden
hun schuilplaats zelfs helemaal niet of nauwelijks verlaten.
De middelen om de vrije tijd te vullen namen intussen af. Vanaf 1941 werd een
groot deel van het verenigingsleven stilgelegd of ontbonden.20 Kranten en nieuwe
boeken verschenen er steeds minder en beide stonden onder Duitse censuur. De inhoud
van de kranten werd, mede daardoor, steeds onbelangrijker. In de loop van
1943 moesten de radio’s worden ingeleverd. Reizen werd belemmerd door allerlei
praktische problemen en door maatregelen van de bezetters.
Het lezen van boeken was dus voor velen één van de weinige mogelijkheden om
de vrije tijd te vullen en zich enigszins zorgeloos te ontspannen. Voor onderduikers
was het vrijwel het enige middel. Laten we hierover even Anne Frank aan het
woord: „Miep is precies een pakezeltje, die sjouwt wat af. (…) Zij is het ook, die
iedere Zaterdag vijf bibliotheekboeken meebrengt. Wij kijken altijd reikhalzend
naar de Zaterdag uit, omdat dan de boeken komen. Net als kleine kinderen, die een
cadeautje krijgen. Gewone mensen weten ook niet, hoeveel boeken voor ons opgeslotenen
betekenen. Lezen, leren en de radio zijn onze afleidingen.”21
Een boek zal ook voor velen, wellicht onbewust, een weg tot tijdelijke vrijheid
zijn geweest. De fysieke gebondenheid vond een gedeeltelijke compensatie in vrijheid
van de fantasie. Lid worden van een bibliotheekvereniging was hiertoe een
sleutel, alhoewel het nijpende boekentekort het ontsluiten van de poort tot die
vrijheid bemoeilijkte.
Na de oorlog hernam het leven een normalere gang. De onderduikers konden
hun schuilplaats verlaten. Het onderwijs kwam weer op gang, evenals het verenigingsleven.
Zo meldden zich in de laatste week van april 1945 350 verkenners en
welpen bij de heropgerichte Zwolse padvindersgroepen aan. Op 25 april vond de
eerste Zwolse voetbalwedstrijd na de bevrijding plaats en een dag later werd de
eerste ‘vrije’ film vertoond.22 De vrije tijd verminderde en het aantal ontspanningsmogelijkheden
groeide. Hierdoor en door de groei van het aantal boeken dat in de
winkels lag, daalde het aantal leden van de Zwolse bibliotheken. Toch is de na-
41
oorlogse ontwikkeling niet in verband te brengen met die vóór 1941. De bezetting
had velen doen kennismaken met het fenomeen bibliotheek. Velen was die kennismaking
goed bevallen, waardoor lezen en het gebruik van een bibliotheek meer
algemeen werden.
De leeszaal van de O.L.B.
Conclusie
Uit de ontwikkeling van ledental, uitlening en leeszaalbezoek van twee Zwolse
bibliotheken tussen 1935 en 1950, valt te concluderen dat er in Zwolle in deze
periode van discontinuïteit in het leesgedrag sprake was, zowel op korte als op
langere termijn. Er zijn drie periodes te onderscheiden waarin het leesgedrag een
aparte ontwikkeling doormaakte, van 1935 tot 1941

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1984, Aflevering 2

Door 1984, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

T.flE HlftTODIAHKE
NIEUWSBRIEF
INHOUDSOPGAVE
apri1 198^ / eerste jaargang / nummer twee
pagi na
cmslag Joan Blaeu, (deel van) Plattegrond van Zwolle,
166*4
29 Van de redactie
30 De presentatie van de eerste Nieuwsbrief
KORTE ARTIKELEN
32 Leren wat de Bijbel verklaart. Leesboekjes van
een protestantse school in Zwolle in de 19e eeuw
37 Sociale aspecten van het Zwolse voetbal in de
beg i ntijd
kO De Zwolse Bijbel
kl Opgraving Pletterstraat 1983
VAN DE INSTELLINGEN
kS Gemeente-archief: Stadsnieuws uit de Zwolsche
Courant, 1790 – 1850
hS Het P.O.M.: Historisch museum van Noordwest-
Overijssel en de stad Zwolle
ki> Het Rijksarchief in Overijssel
BOEKBESPREKINGEN
^8 Meretrix en medicus, Dr. B.J. Kam
50 Het joodse onderwijs in Zwolle, 19^*1 – 19^3,
G. Vierstraete – Erdtsieck
52 Geschiedenis van 50 jaar T.O.G. Ittersum
( ^ – 1984)
53 MEDEDELINGEN
56 AGENDA
omslag Wie is wie
-29-
Dr S.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
8011 VN ZWOLLE
038 – 421 43 14
ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING
VAN DE REDACTIE
Bij het verschijnen van de tweede Nieuwsbrief wenden wij ons tot U,
zeer geachte verenigingsleden, die tot hiertoe onze arbeid met geduld
en welwillendheid hebt gadegeslagen en ondersteund, hetzij door
bijdragen, of alleen door datgene wat wij in het eerste nummer tot
stand brachten, te lezen. Misschien heeft U gemeesmui1d bij onze
eerste schreden op het glibberige pad der publiciteit, maar ook Uw
goedkeuring ons niet onthouden, wanneer het ons al is gelukt U een
paar ogenblikken aangenaam te boeien of nuttig bezig te houden.
Na de officiële overhandiging van de eerste Nieuwsbrief op 27 januari
in de Burgerzaal van het stadhuis, is de kring van onze lezers
gegroeid tot zo’n 170, hetgeen niet wijst op de overtolligheid van
ons blad.
De redactie staat te allen tijde open voor suggesties Uwerzijds tot
verbetering van de opmaak en de inhoud van de Nieuwsbrief, waarbij
echter wel rekening moet worden gehouden met het bescheiden budget
waarmee dit blad tot stand komt. Vanzelfsprekend geldt onze nieuwsgierigheid
ook naar Uw reacties op de inhoud.
Op deze plaats wil de redactie er haar lezers nog op wijzen, dat
haar werk (naast het persklaar maken en het met meer en soms minder
succes corrigeren van de bijdragen) vooral bestaat uit het benaderen
van personen voor een van de vele, zeer diverse onderwerpen die
wij in de Nieuwsbrief aan de orde willen stellen. Daarnaast maakt
de redactie graag gebruik van artikelen die haar op eigen initiatief
van de auteur worden toegezonden.
-30-
DE PRESENTATIE VAN DE EERSTE NIEUWSBRIEF
Op vrijdag 27 januari 198^ overhandigde de voorzitter van onze vereniging,
N.D.B. Habermehl, het eerste exemplaar van de Nieuwsbrief
aan de heer Okkels, wethouder van de gemeente Zwolle.In de Burgerzaal
van het Zwolse stadhuis hadden zich zo’n 100 mensen verzameld
om deze gebeurtenis mee te maken. Habermehl hield eerst een toespraak
tot de aanwezigen, waarin hij uiteenzette dat een historische
vereniging in Zwolle een belangrijke en zinvolle taak heeft. Habermehl:
” Teneinde dit aan te tonen, moet ik een uitstapje maken naar
de theorie van de geschiedenis. Het verleden is een voor ons onveranderlijk
gegeven in die zin dat wij er niets meer aan kunnen wijzigen.
Dit vaststaande verleden echter wordt benaderd door de menselijke
geest. En hier nu zit het probleem. De menselijke geest is
geen constante grootheid, maar verandert met de tijd. Vandaar dat
iedere generatie een eigen beeld van het verleden heeft. Dit valt
onmiddellijk op als wij de werken van de Zwolse historici Van Hattum
en De Vries naast elkaar leggen. Trekken wij nu de lijn door naar
het heden, dan kunnen wij zonder meer stellen dat tengevolge van het
na de jaren ’60 sterk veranderde tijdsbeeld ook de huidige visie op
het verleden een andere is. En het is op grond hiervan dat ik het
bestaan van een historische vereniging voor nu en voor de toekomst
gerechtvaardigd acht. Tenslotte zal de visie van de eigentijdse historici
het best begrepen worden door de dan levende generatie omdat
zij – om met de historicus Romein te spreken – dezelfde tijdgeest
ondergaat.
De toenemende specialisatie van de historicus heeft tot gevolg, dat
de veelheid aan uitputtende detai1studies het eens zo duidelijke
beeld vergruist, een tendens die ook in de Zwolse geschiedschrijving
valt waar te nemen. Via de Nieuwsbrief kan die verscheidenheid aan
Zwolse studies onder de aandacht van de geinteresseerden geDracht
worden, zo ging hij verder. Habermehl: ” Hoewel ik hiermee bij de
Nieuwsbrief ben aangekomen, wil ik Uw geduld nog even op de proef
stellen. Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging wil namelijk
meer. Zo stellen wij ons ten doel een Jaarboek uit te geven
waarin artikelen van enige omvang kunnen worden opgenomen. Maar niet
alleen het uitgeven van studies, ook het houden van lezingen rekenen
wij tot onze taak. De voorbereidingen voor een cyclus van zes lezingen
die alle betrekking hebben op de 19e eeuw zijn in een vergevorderd
stadium. Daarnaast overwegen wij om, indien daarvoor belangstelling
bestaat, een museale werkgroep in te stellen. Zij zal tot
taak krijgen de activiteiten van het Provinciaal Overijssels Museum,
voor zover die betrekking hebben op Zwolle, historisch te onderbouwen.
Tevens kan zij de resultaten van het onderzoek in de periodieken
van de vereniging publiceren “.
Tenslotte sprak hij de hoop uit dat het tijdschrift zeer intensief
gelezen zal worden en de naam “blauwvingers” in de toekomst van toe-
31-
passing zal zijn op de lezers van de in een Zwols-blauw jasje gestoken
Nieuwsbrief.
Na de overhandiging sprak de heer Okkels de aanwezigen toe. Hij stelde
dat de geschiedbeoefening op passieve en actieve wijze kan gebeuren.
De heer Okkels: ” In dat licht bezien is de zojuist door U overhandigde
Nieuwsbrief een prachtig resultaat van actieve geschiedbeoefening,
die – naar ik hoop en ik heb daar ook vertrouwen in – vele
passieve beoefenaars van de geschiedenis zal bereiken. En mogelijk
worden die zo enthousiast, dat zij van passieve beoefenaars actieve
worden “.
Hij haalde daarna met instemming de woorden van de historicus W. Jappe
Alberts aan, die stelt dat de lokale en regionale geschiedbeoefenaars
zich niet alleen met de groten en grote gebeurtenissen in het
verleden mogen bezighouden, maar hun aandacht meer dienen te richten
op leven en bedrijf van de gehele gemeenschap van dorp, stad en
streek in het verleden. De heer Okkels hoopte, dat via de Nieuwsbrief
het zicht op het verleden groter zou worden. ” Ik wens U geluk
met de.verschijning van de Nieuwsbrief, maar tegelijkertijd mag de
Zwolse samenleving zich gelukkig prijzen met de komst van Uw vereniging
.”, zo besloot hij.
Daarna kregen de leden en belangstellenden, onder het genot van een
hapje en een drankje, een Nieuwsbrief uitgereikt. Met de vertoning
van een deel van het Polygoon-journaal over Zwolle voor de oorlog
werd de middag besloten.
J. Hagedoorn.
-32-
LEREN WAT DE BIJBEL VERKLAART.
LEESBOEKJES VAN EEN PROTESTANTSE SCHOOL IN ZWOLLE IN DE
19e EEUW
Historisch onderzoek naar de situatie van het lager onderwijs in de
tweede helft van de 19e eeuw kan een schat aan gegevens opleveren
met betrekking tot het aantal schoolgaande kinderen, het schoolverzuim,
de opleiding en organisatiegraad van het onderwijzend personeel,
de oprichting en sluiting van openbare en bijzondere scholen,
enzovoort.
Er is echter een terrein dat zich nagenoeg aan onze waarneming onttrekt,
namelijk de leerstof. Wat leerden kinderen eigenlijk op
school? Het antwoord op deze vraag kan niet eenvoudig zijn, daar er
sprake was van aanzienlijke verschillen in omvang en niveau van het
vakkenpakket bij de diverse scholen. De Lager-onderwijswet van 1857
leverde een bijdrage aan een grotere eenheid in de aangeboden leerstof
doordat ze negen vakken verplicht stelde (1).
In Zwolle duurde het tot de tweede helft van de jaren zeventig voordat
de wettelijk verplichte vakken daadwerkelijk op alle scholen
werden onderwezen. Het is echter niet precies bekend welke schoolboeken
er op de diverse scholen gebruikt werden. De hoofden van openbare
scholen moesten daarvan een opgave verstrekken aan de plaatselijke
schoolcommissie (2). Uit de opgaven van de Zwolse openbare
scholen wordt duidelijk dat zeer veel titels overeenkomen met de
leermethoden die H. Douma noemt in zijn boek Ontwikkeling van het
lager onderwijs in Nederland (Zutphen 1922).
Het achterhalen van de leerstof op de bijzondere scholen is veel
ingewikkelder: de keuze van de schoolboekjes was niet aan het oordeel
van de plaatselijke schoolcommissie onderhevig en komt bovendien
nauwelijks aan de orde in de notulen van de diverse particuliere
schoolbesturen. Zwolse schoolboekjes zijn niet stelselmatig
bewaard gebleven, zodat ons slechts incidenteel een kijkje wordt gegund
in de 19e-eeuwse leskeuken. Dankzij schoolboekjes uit de particuliere
collectie Wijnbeek (3) kunnen we enig inzicht krijgen in
de leesstof die kinderen van de school van de christelijk afgescheidenen
in de Goudsteeg – de latere Wijnbeekschool – aangeboden kregen
tussen circa 1851 en 1905.
Volgens de Onderwijswet van 1857 moet het schoolonderwijs onder het
aanleren van “gepaste en nuttige kundigheden” dienstbaar worden gemaakt
aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens van de
kinderen en aan hun opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke
deugden. Bij de maatschappelijke deugden gaat het om de vorming
van zedelijke en verstandige staatsburgers, ieder in de eigen
stand; bij christelijke deugden denke men aan algemene christelijke
deugden als naastenliefde en niet aan leersteltigheden. Deze invulling
van het onderwijs is de afgescheidenen en andere orthodox-
33-
protestanten een doorn in het oog. Zij eisen het recht van oprichting
en instandhouding van bijzonder onderwijs, waar hun kinderen zullen
worden opgevoed overeenkomstig de inzichten en dogma’s van de eigen
kerkelijke richting.
Omdat het openbaar onderwijs geen godsdienstig-leerstel 1ig onderwijs
mag geven en ieders levensbeschouwelijke gezindte moet eerbiedigen,
zijn de schoolboekjes van de “neutralen” volgens de orthodoxen
zó vaag en vlak in hun christendom, dat zij een gevaar zijn
voor de werkelijk godsdienstige opvoeding van hun kinderen. De noodzaak
van eigen schoolboeken, waarin duidelijk stelling wordt genomen
vóór het protestantisme en tegen het katholicisme, 1iberalisme ê.d.,
wordt sterk gevoeld en al spoedig wordt in de behoefte voorzi>en.
Nadat kinderen de eerste beginselen van het lezen is bijgebracht met
zinnen als “De geit is in de wei” en “Zus Kee gaat ook mee”, krijgen
ze leesboekjes met verhalen. Globaal beschouwd zijn er twee
soorten leesboeken. De eerste soort bevat korte verhaaltjes en gedichten
over deugden en ondeugden van kinderen en volwassenen, over
verre landen en vreemde volken en over de natuur. De tweede soort is
het historisch leesboek, waarin het taal- en geschiedenisonderwijs
worden gecombineerd. Geheel strikt is deze scheiding overigens niet:
ook in het “gewone” leesboek komen weieens verhalen voor over bijvoorbeeld
Luther en de Hervorming.
Eén van de belangrijkste producenten van christelijke leesboekjes in
de tweede helft van de 19e eeuw is dominee De Liefde. Van zijn hand
zijn bijvoorbeeld De Mensch en de Dieren, De oude Pi na, De Vertel Ier
en De Schoolvriend. Van de laatste twee titels is zeker’dat ‘ze’werden
gebruikt op de school in de Goudsteeg. Een deeltje van> De Mensch
en de Dieren – één titel kent steeds meerdere delen – wordtin;1851
door het schoolbestuur echter afgekeurd, omdat daarin niet duidel ijk
het “arm zondaarschap” en (de schijn van) de algemene genadeleêr
wordt vermeden (’t). Andere bekende namen zijn die van J. ter Borg
en A. Wiersinga, die zich veelal op het historisch leesboek richten
en rond de eeuwwisseling De Schoolvriend in een moderner jasje uitgeven.
Het schoolbestuur moest wel van een bijzonder zwaar zondebesef uitgaan,
wil het ds. De Liefde af en toe te “licht” vinden. Zijn korte
stichtelijke verhaaltjes, afgesloten met een moraal op rijm, druipen
als het ware van het zondebesef. Alles wat er aan goedheid, schoonheid
en blijheid bij mensen aanwezig is, wordt aan God toegeschreven;
de mens is slechts zondaar. Deugden van mensen en schoonheid
van de natuur bestaan enkel ter meerdere eer en glorie van God. Zo
mogen ook kinderen niet tevreden zijn over eigen prestaties of uiterlijk;
nee, zij worden door godvrezende ouders of meesters berispt
om hun trots of ijdelheid en vermaand te beseffen dat God hen
doet lezen en schrijven en dat God hen een fraai uiterlijk of een
goede gezondheid geeft. Als je echter niet zo goed bent op school,
zonder jas buiten loopt zodat je verkouden wordt of zelfs wanneer
je een spraakstoornis hebt (!), dan is dat wel allemaal je eigen
schuld. Het wordt kinderen tamelijk moeilijk gemaakt: ze worden via
-Zk-
Karel de Gioole bezoekt eene school.
Uit: Kijkjes uit onze geschiedenis 22
-35-
verhaaltjes over brave kinderen, of stoute kinderen die berouw tonen
(altijd veel mooier), over niet-christelijke en daarom betreurenswaardige
of zelfs domme en slechte volkeren,èn via verhalen over
de eigen protestantse natie, aangespoord tot deugdzaamheid, reinheid
van hart, ijver, godsvrucht en meer van dat soort qualificaties,
terwijl hen tegelijkertijd het besef wordt bijgebracht dat
niets van al dat moois tot de eigen verworvenheden of capaciteiten
mag worden gerekend. Eén troost krijgen de kinderen wel van De Liefde:
doorgaans loopt het goed af wanneer de kinderen berouw hebben
getoond en hebben gebeden in alle nederigheid. Wellicht doelt het
eerste schoolbestuur hier op wanneer het vreest, dat in zijn verhaaltjes
teveel de algemene genadeleer naar voren komt: uiteindelijk
zal het oordeel immers bij God liggen? Hij had geen oog voor
het practische probleem dat dominee De Liefde een punt aan zijn
verhaaltjes moest draaien vóór de dag des oordeels…
Het wereldbeeld dat de kinderen met deze boekjes wordt bijgebracht,
berust op een zeer eenvoudig stramien: wie God niet dient is slecht.
Dat geldt in de tweede helft van de 19e eeuw, maar evengoed voor
katn, voor de Egyptenaren (al kunnen ze nog zulke mooie pyramiden
bouwen), voor de Chinezen (al hebben ze nog zulke geurige thee) en
voor de Batavieren (al zijn het onze voorouders). En wie God op de
verkeerde manier eert, zoals de katholieken, is misleid. De boosdoeners
zijn hier de pausen, tegen wie ongemeen fel wordt geageerd.
Zij doen alsof ze stadhouder van Christus op aarde zijn – “daar is
geen zier van waar” (5) -, alsof ze iemand in de hemel of in de hel
kunnen brengen. Zij beletten mensen de Bijbel te lezen, ze verrijken
zichzelf via af 1atenhande1, ze maken van het geloof een bijgeloof.
Met kracht wordt de kinderen ingeprent dat Gods dienaar
Martin Luther ons van de tirannie der pausen heeft verlost. “Toen
zeide Luther dat de Paus een vijand van God en de menschen was. En
daarin had hij groot gelijk” (6).
Vooral in de historische leesboeken proberen de schrijvers een eigen,
protestants nationaal bewustzijn te creëren bij de kinderen. De visie
op geschiedenis komt qua themakeuze overeen met die op de openbare
lagere scholen: geschiedenis is het verleden van een volk, gepresenteerd
via wapenfeiten van de bovenlaag van de samenleving. Zoals
twee onderzoekers het formuleren: “Koning, keizer, admiraal, in
de boekjes staan ze allemaal!” (7). Het eigene van de protestantse
visie is, dat het verloop van de vaderlandse geschiedenis wordt beoordeeld
naar de bijdrage die de gebeurtenissen hebben geleverd aan
de wording van een protestantse natie onder de Oranjemonarchie.
Wanneer we bij het begin beginnen, lezen de kinderen dan over het
volgende: onbehouwen, want niet-christelijke Batavieren en Friezen,
die toch met respect moeten worden behandeld omdat het onze voorouders
zijn; standvastige zendelingen.die ons volk kerstenen; beschaving
brengende Romeinen die “jammer genoeg” geen christenen zijn;
de scholen stichtende en bezoekende Karel de Grote, die echter “helaas”
ook kloosters sticht, terwijl je daarin toch niet de hemel
kunt verdienen; de wrede, want goddeloze Noormannen; de geldverslin-
36-
dende kruistochten, die heilloos zijn “omdat men vergeet aan de Turken
en andere vijanden van de Heere Jezus, het Evangelie te brengen”
(8); Floris V, “der keerlen God”; de Hoekse en Kabeljauwse twisten;
Hollandse graven en gravinnen; het machtiqe Bourgondische huis; het
voorlopige hoogtepunt: de Hervorming; Karel V; de Inquisitie onder
zijn zoon Filips, waarvan de gruwelen uitvoerig worden beschreven,
met het accent op de protestantse martelaren; en tenslotte het absolute
hoogtepunt: de Opstand, geleid door “onze” Willem van Oranje.
Voor het orthodox-protestantse volksdeel dient het leesonderwijs bij
te dragen aan het vormen van een eigen identiteit. Het. besef van eigenheid
en daarmee gepaard gaand het besef van een eigen verleden,
zijn belangrijke elementen in de emancipatiestrijd van deze en andere
sociale groeperingen. In het vuur van de strijd wil de eigenheid
nogal eens ontaarden in eigengereidheid en superioriteit – met name
in de historische leesboekjes en in de verhalen over andere volken
kunnen we dat constateren. Wellicht liet hoofdonderwijzer David Wijnbeek
na het lezen uit de bloedstollende geschiedenissen van Luther
of de Prins van Oranje, ter kanalisering van de opgelaaide emoties
het volgende gedichtje lezen:
“In school op de banken, daar zitten wij goed-.
Zoo wij ’t maar begeren,
Wij kunnen er leren,
wat schoon is en goed.
(…)
Daar leren wij, wat ons de Bijbel verklaart:
God vurig te minnen
Met al onze zinnen;
0, dat is Hij waard!” (9)
Anneke van der Wurff.
Noten:
1. Het zijn de vakken lezen, schrijven, rekenen, de beginselen der
vormleer, die der Nederlandse taal, die der aardrijkskunde, die
der geschiedenis, die der kennis van de natuur en het zingen.
2. Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), aanwezig in CAO 13
(Archief van de plaatselijke commissie van toezicht op het lager
onderwijs).
3. In het bezit van mevrouw A. Meyerink – Wijnbeek te Zwolle.
’t. GAZ, inv.no VAO 37 (Archief van de Vereniging voor Gereformeerd
Schoolonderwijs) notulen 31 oktober 1851.
5. De Verteller, 68.
6. De Vertel Ier, 3*4.
7. L. van Gastel en K. Keizer, “Koning, keizer, admiraal, in de boekjes
staan ze allemaal! Een inhoudsanalytisch onderzoek naar veranderingen
in geschiedenisboekjes voor de lagere school in de afgelopen
100 jaar” in: Kleio 19 (1978) 893 – 927.
8. Kijkjes in onze geschiedenis, 3^.
9. De Schoolvriend, 12.
-37-
De voornaamste gebruikte leesboekjes zijn:
— CDs. De Liefde] De Verteller, door den schrijver van De Mensen en
de Dieren (Amsterdam 1851).
J. ter Borg en A. Wieringa, Kijkjes in onze geschiedenis. Leesboek
voor de Christelijke school I (Utrecht 1890).
H. de Raaf Mijn eerste boek (Groningen 1896).
— L Ds . De Liefde] De Schoolvriend. Een leesboekje voor de laagste
klassen, door den schrijver van De Mensch en de
Dieren, 2e afdeli ng i (Amsterdam z.j.).
— CDs. De Liefde] De Schoolvriend. Een leesboekje voor de laagste
klassen, door den schrijver van De Mensch en de
Dieren, 2e afdeling ‘IV (Amsterdam z.j.).
— C Ds. De Liefde] De Schoolvriend. Een stel leesboeken voor het
christelijke onderwijs, J. ter Borg en A. Wiersinga
ed. IV (Amsterdam, Pretoria 1900).
— [Ds. De Liefde! De Schoolvriend. Een stel leesboeken voor het
christelijke onderwijs, J. ter Borg en A. Wiersinga
ed. Til (Amsterdam, Pretoria, Potchefstroom 1905)
SOCIALE ASPECTEN VAN HET ZWOLSE VOETBAL IN DE BEGINTIJD
Aan het eind van de 19e eeuw deed de voetbalsport zijn intrede in Nederland.
In 1893 werd Zwolle’s oudste voetbalclub Z.A.C. (Zwolsche
Athletische Club) opgericht. Het voetbal werd toendertijd slechts beoefend
door jongens uit de hogere standen. De middenstand en de arbeidende
klasse hadden het voetbal al wél ontdekt, maar verenigingen
werden in die kringen nog niet opgericht. Dit kwam voornamelijk door
de hoge kosten van het voetbalspel. Men kon bijvoorbeeld een speelveld
gewoon niet betalen.
Dat Z.A.C, door beter gesitueerden werd opgericht, heeft ervoor gezorgd
dat de club vele tientallen jaren, ook na de oprichting van
andere verenigingen, het imago van Zwolle’s meest sjieke voetbalclub.
heeft gehouden. Dat beeld is de laatste decennia ietwat verbleekt.
Men heeft trouwens bij Z.A.C, de exclusieve sfeer niet krampacht
ig trachten te bewaren. Het betere sociale milieu waaruit de club
aanvankelijk is voortgekomen, zal ze altijd als etiket houden. Qua
sociaal niveau zal bijvoorbeeld De Hanenrick nooit Z.A.C, worden en
omgekeerd nog minder.
-38-
Het is een typisch verschijnsel dat een groot.aantal van de oudste
clubs van ons land, die ook de deftigste bleven, hun sociale status
zeer goed hebben bewaard. De Koninkli-jke U.D. (Deventer), L.S.C.
(Sneek) en Koninklijke H.F.C. (Haarlem) zijn daar fraaie voorbeelden
van. De prestaties werden bij die clubs bewust op een wat lager plan
gezet.
Na 1900.
In de eerste tientallen jaren na 1900 werden ook in de lagere sociale
milieus voetbalclubs opgericht. Zo werd P.E.C. (_Prins Hendrik – Epde
Desespereert Niet – Combinatie), van 1910, de exponent van de hogere
arbeidersstand en de~~mi ddenklasse en Zwol sche’ Boys (1918) het toevluchtsoord
van de arbeiders op klompen. Toen deze nieuwe clubs de
degens gingen kruisen met de oudere, “deftige” verenigingen, bleven
de problemen niet uit ! De arbeiders bleken aanz-ienlijk fanatieker
en stelden de waarden die in dë sport tot norm behoren te worden verheven
op een iets ander niveau dan de’bedoel ing van de oude clubs was.
Een fraai voorbeeld van wat hier beweerd wordt, vindt men in het eerste
nummer van Z.A.C. – Nieuws van 15 februari 1918:
. Dat ruwe en gevaarlijke spel is geworden tót een
ziekte die onze mooie voetbalsport dreigt te. doen
ontaarden in een spel, waai bij aan woesle hartstochten
den vrijen teugel wordt gelaten, in een veftooning
van elkaar zooveel mogelijk smijtende en
trappende menschen. Veel heeft daartoe bijgedragen
de groote toename van het aantal beoefenaars der’
voetbalsport in arbeiderskringen. Ik wil hiermede
niet zeggen, dat men als regel het spel van arbeidersvereenigingen
als ruw en gevaarlijk kan aanmerken.
Integendeel! Tal van voiksvereeniglngen zjjrt
een zeer gewilde tegenpartij. Begrijpelijk- isliel echter,
dat men percenlsgewijze de meeste, ruwe. spejers
in dergelijke vereenigingen aantref want hoe hooger
iemand staat in ontwikkeling en; innerlijke beschaving,
des te gemakkelijker zal het hem vallen
zijn hartstochten te beteugelen en onder het spel. zijn’
kalmie te bewaren. ” •
De opkomst van de clubs uit de arbeidersklasse en middenstand was evenwel
niet te stuiten. Voetbal is gaandeweg zelfs vo.lkssport nummer
één geworden. Veel jongens uit de hogere sociale klassen, zijn dan
ook overgestapt op sporten als tennis en hockey, die tot in de jaren
zeventig over het algemeen elitair gevonden werden.
-39-
Al in 1889 werd de Nederlandsche Voetbal en Athletiekbond opgericht,
waaruit in 1895 de athletiek zich terugtrok. Het hoeft geen verwondering
te wekken, dat de bond aanvankelijk heeft getracht het voetbal
zuiver te houden en arbeidersinvloeden te weren. Bij het kampioenschap
van P.E.C, in 1917 heeft de Bond daarvan een staaltje ten beste
gegeven. In de- promotiecompetitie, die recht gaf op een plaats in de
eerste klasse, werd het eerder genoemde U.D. kampioen en promoveerde
dus. Maar P.W. uit Enschede werd eveneens toegelaten tot de eerste
klasse, hoewel het daar geen recht op had! Men nam deze maatregel
“om het voetbal onder de betere standen te bevorderen.” Deze vreemde
voortrekker!j heeft indertijd veel stof doen opwaaien. Toen de
invloed van de lagere standen in de voetballerij in het algemeen en
dus in de Bond toenam, werd de bedoelde problematiek vanzelf opgelost.
Uit de standsverschillen tussen de clubs is al ver voor de tweede
wereldoorlog een geweldige rivaliteit gegroeid. Dat men te allen
tijde elkaar de beste spelers trachtte af te pikken, heeft de tegenstellingen
in niet onaanzienlijke mate vergroot. Pas in de laatste
decennia, nu de clubs ver uiteenlopende belangen hebben gekregen,
elkaar in competitieverband niet meer ontmoeten en de sociale
verschillen in onze maatschappij minder groot zijn, is de genoemde
rivaliteit wat op de achtergrond geraakt. Maar hoewel de steeds
veranderende clubs zich wat vriendelijker tegenover elkaar begonnen
te gedragen, de supporters, en vooral de ouderen onder hen,
doen dat nog lang niet.
De.drie oudste Zwolse voetbalclubs (Z.A.C., P.E.C, en Zwolsche
Boys) waren representanten van respectievelijk de gegoede burgerij,
de middenklasse en het arbeidersmilieu. In grote trekken zijn de
sociale verschillen tussen de drie tot op de huidige dag aanwijsbaar,
al kan men bij P.E.C., doordat ze van een voetbalclub tot een
bedrijf is uitgegroeid, vrijwel niet meer van een vereniging spreken.
De bovengenoemde tegenstellingen zijn in de loop van de tijd echter
wel wat weggesleten.
G. Schutte.
DE ZWOLSE BIJBEL
In de jaren zestig van de 15e eeuw beschikte het huis van de Broeders
des Gemenen Levens te Zwolle over een uitmuntend kopiist: Jacobus
van Enkhuysen. In opdracht van de deken van het kapittel van St.
Marie te Utrecht, wijdde hij zich van Hè^t tot 1^74 aan het overschrijven
van een zesdelige bijbel, die tegenwoordig de Zwolse Bijbel
wordt genoemd.
De tekst van deze bijbel behoort tot de zogenaamde Windesheimse Vulgaatrevisie,
dit is een bijbel vers ie, die de “Parijse tekst” van de
Vulgaat (1) gedeeltelijk corrigeert. De in gebruik zijnde laat-middeleeuwse
teksten kwamen lang niet altijd met elkaar overeen. Met deze
revisie werd er meer eenheid in de teksten gebracht, een doel dat de
Congregatie van Windesheim in hoge mate nastreefde.
De enig andere bijbel waarin deze versie is overgeleverd, is van de
hand van Thomas a Kempis, die met deze als regulier van de Windesheimse
Congregatie van 1427 tot 1^39 heeft afgeschreven.
Deskundigen vermoeden dat het Zwolse Fraterhuis, dat zeer nauwe relaties
onderhield met de Windesheimse kloosters, de beschikking had
over een tweede door Thomas a Kempis geschreven bijbel, die ook deze
versie bevat zal hebben. Dit handschrift uit Thomas’ jeugdjaren is
echter verloren gegaan, zodat niet met zekerheid kan worden gezegd
of de kopiist Jacobus van Enkhuysen van dit origineel zijn Zwolse
Bijbel heeft gecopieerd.
De relaties van het Fraterhuis met de Congregatie van Windesheim
blijken ook uit de illustraties van de Bijbel. Deze werden gemaakt
door (minstens) drie monniken van het Windesheimse klooster St. Agnietehberg
bij Zwolle. Het gaat om één op zichzelf staande miniatuur
van de scheppingsdagen, twintig gehistorieerde initialen, vijfentwintig
initialen met plant- en bloemmotieven en randversieringen.
In het verleden is de Zwolse Bijbel zwaar beschadigd. De zorg om de
bibliotheek van het kapittel van St. Marie nam in de 17e en 18e
eeuw sterk af, zodat het kon voorkomen, dat bezoekers hun namen op
de handschriften krasten, wellicht in een streven naar onsterfelijkheid.
Nog verdergaand vandalisme kwam voor: vele initialen zijn uit
de handschriften gesneden.
Thans is de Zwolse Bijbel in het bezit van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek,
waar hij een hoogtepunt van de collectie wordt genoemd.
Recentelijk is op een Londense veiling één van de ooit uit
deze Bijbel gesneden initialen opgedoken en als jubileumgeschenk
voor de bovengenoemde bibliotheek gekocht.
Er is van de Zwolse Bijbel voldoende over om een goede indruk te
krijgen van de kwaliteit en de*pracht van dit product van Zwolse
religieuze kunst. Samen met vele andere indrukwekkende handschriften
en oude drukken uit de collectie van de universiteitsbibliotheek
kan de Bijbel t.e.m. 23 april bezichtigd worden in het Centraal
Museum te Utrecht.
Vrij naar een bijdrage van K. van der Horst in:
Handschriften en oude drukken van de Utrechtse Universiteits-
– bibliotheek, catalogus bij de tentoonstelling in het Centraal
Museum te Utrecht-ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan
A.
van de bibliotheek der rijksuniversiteit,
1984) , pagina 138- 140.
van der Wurff.
” 198^ (Utrecht
Noot:
(1) De Vulgaat is de overzetting van de bijbel in het Latijn door
Hiëronymus in de 4e eeuw; in de Rooms-KathoIieke Kerk de officiële
bijbel vertal ing.
Verlucht initiaal (harpspelende David) uit de Zwolse Bijbel
-k2- .
OPGRAVING PLETTERSTRAAT 1983
In het voorjaar van 1983 werd een begin gemaakt met het bouwproject
in de Pletterstraat, achter de stadsmuur tussen de Diezerstraat en
het Eiland. Doordat er veel gaten voor betonpalen moesten worden geboord,
op plekken waar wij veelal beerputten hadden ontdekt, kon er
in goede samenwerking met de firma Beverwijk in mei 1983 onderzoek
plaatsvinden naar de eerste bewoning op deze plek. Het onderzoek had
weinig succes, totdat een beerput werd leeggegraven door de heren
J. van de Berg, R. van Beek en ondergetekende. De put was ovaal en
mat 1 ,40m bij 1,60m. De bovenste laag van ongeveer 80 centimeter,
bestaande uit eierkolen, werd eerst verwijderd (hoezo zwart). Daaronder
lag afval bestaande uit zogenaamd “Bergen-op-Zoom” en “Fries”
aardewerk, onder andere beslag- en kookpotten. Ook een schaal met
een doorsnee van 35 centimeter, afkomstig uit de pottebakkerijen
van Frechen, was in het afval aanwezig. Het is erg jammer dat men in
deze schaal teer heeft bewaard. Hierdoor is er vrijwel niets meer
van het glazuur overgebleven. De bovenstaande voorwerpen zijn rond
1900 te dateren.
Door een afzuigpomp te plaatsen voor het grondwater, kon de laatste
halve meter worden uitgegraven. Toen de bodem van de put bijna in
zicht was gekomen, leek de zoveelste teleurstelling van de Pletterstraat
zich af te tekenen, totdat ik plots een stukje “cement” in de
beer zag liggen. Bij het schoonmaken bleek dit een pijpaarden beeldje
te zijn dat in goede toestand verkeerde (afbeelding 1). De afbeelding
stelt het Christuskind in de kribbe voor (1). Volgens de heer
Wijnman, medewerker van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek
(R.O.B.) zou er nog een wiegje onder horen.
Naast dit beeldje lag een zogenaamde weef- of wolkaardekam (afbeelding
2). Al jaren bestaat er twijfel over de juistheid van deze benaming.
H.L. Jansen, stadsarcheoloog van ’s Hertogenbosch, meent dan
ook, dat de oude opvatting, dat het steekkammen in het kapsel waren,
niet uitgesloten moet worden (2). De kam is van been, heeft zeven
tanden en bezit een (ophang?)gat. De kam is zeldzaam gaaf.
Onderin de beer werd ook een zogenaamd strijkglas gevonden. Strijkglazen
worden nu nog op het eiland Marken gebruikt om de bij de klederdracht
behorende kappen te glanzen. Het strijkglas is groen-bruin
van kleur, heeft een diameter van 7 centimeter en een hoogte van 3
centimeter. Op de bodem van de put lagen nog twee planken met vei
moede)ijk huistekens. De heer Van Vilsteren, ook medewerker van de
R.O.B., beheert ze momenteel nog steeds. Onder de planken werd een
bekertje, 9i x 7i centimeter, aangetroffen dat nog geconserveerd
moet worden. De put zorgde dus op het laatste moment nog voor enkele
interessante verrassingen.
Aan de hand van de datering van de voorwerpen kan vastgesteld worden,
wanneer de Pletterstraatbuurt voor het eerst bewoond werd.
Het beeldje stamt uit de periode 1400 – 1550 (3), de kam kwam na de
afbeelding 1
Christuskind in kribbe (ware grootte)
afbeelding 2
Weef- of Wolkaardekam, 7 tanden.
1480 – 1500 (schaal 1:0,70)
-kh-
15e eeuw niet meer voor {k), maar het strijkglas is moeilijk in eën
bepaalde tijd te plaatsen. Het houten bekertje kan, aan de hand van
de vorm, in de tweede helft van de 15e eeuw geplaatst worden. Hieruit
blijkt dus dat de buurt tussen 1^50 en. 1500 al bewoond was. Al
eerder werd vermoed dat de eerste bebouwing op deze plek in deze
periode plaatsvond (5). Verder onderzoek zou nog kunnen worden gedaan
aan de hand van een in de bovenste laag van de beer gevonden
geëmailleerd huisnummerbordje met als opschrift:
Hopelijk zullen deze, door amateurs verzamelde, archeologische gegevens
ertoe bijdragen dat de geschiedenis van Zwolle verder wordt
ontrafeld, maar ook dat men ervan doordrongen raakt dat Zwolle
archeologisch gezien een zeer belangrijke stad is, waar nog veel
werk te doen valt. Hierbij denke men alleen al eens aan de vele
bouw- en sloopprojecten in de binnenstad, waardoor onderzoek mogelijk
wordt. Dit onderzoek is echter ook noodzakelijk, want de vele
projecten zorgen er ook voor, dat belangrijke archeologische gegevens
verloren gaan. Het aanstellen van mensen om dit onderzoek te
verrichten is dus een dringende zaak. Alleen al een assistent voor
de heer Verlinden, die als provi nciaal archeoloog in de hele provincie
werkzaam moet zijn, zou zeer welkom zijn.
Eqbert Dikken.
Noten:
1. J.W.M, de Jong, “Catalogus”, in Thuis in de late middeleeuwen:
het Nederlands burgerinterieur 1^00 – 1535 J.W.M, de Jong ed.
(Zwol Ie 1980) 18*» – 185.
2. Van bos tot stad (z.p. 1983) 298.
3. J.W.M, de Jong “Catalogus”, 185
’t. zie noot 2.
5. Han Prins, “Zwolle tijdens de bouw van het oude Raadhuis”, in:
Zwolle van stuwwal tot stad. Schets van haar oudste stadsgedeelte.
Han Prins,ed (Zwolle z.j.) 25- [
STADSNIEUWS UIT DE ZWOLSCHE COURANT, 1790 – 1850
Onder deze titel heeft Dr. P.J.C, de Boer een chronologische index
samengesteld op de stadsberichten voorkomend in de Zwolse Courant.
Van dag tot dag krijgt men een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen,
toneeluitvoeringen, concerten, herdenkingen enz.
Ook belangwekkende advertenties van nieuwe produkten, zich aanprijzende
geneesheren, variéte’s en dergelijke zijn vermeld.
Aan de index is een inhoudsopgave toegevoegd waarin trefwoorden voorkomen
variërend van “aardappel ziekte, bri1 lens 1ijper, kozakken,
vrouwenk 1eding tot Zwarte Water”.
Het is bijzonder plezierig dat deze uitvoerige ingang op het omvangrijke
krantenmateriaal beschikbaar is. Het tijdrovende zoeken wordt
hierdoor beperkt.
De index is te raadplegen in de studiezaal van de Gemeentelijke Archiefdienst
.
Hopelijk krijgt dit werk van Dr. De Boer een vervolg voor de jaren
na 1850.
J.F. Borst.
HET P.O.M.: HISTORISCH MUSEUM VAN NOORDWEST-OVERIJSSEL
EN DE STAD ZWOLLE
De titel van dit artikel geeft een streven aan dat in 1979 werd vastgelegd
in een nieuw beleidsplan voor het Provinciaal Overijssels Museum.
Het museum, dat sinds 196^* voornamelijk uit stijlkamers bestond, zou
in een aantal fasen worden veranderd in een streekgebonden historisch
museum, waarbij een zo goed mogelijke informatievoorziening en
dienstverlening ten behoeve van het publiek een belangrijke rol zou
spelen.
Inmiddels, bijna vijf jaar later, is een aanzienlijk deel van het
beleid reeds concreet vertaald. In 1983 werd de uitbreiding van het
museum in het pand “De Gouden Kroon” aan de Voorstraat geopend. Twee
expositieruimten in dit gebouw maken het mogelijk op efficiënte wijze
kleine historisch-thematische tentoonstellingen te organiseren. In
het pand bevindt zich ook de nieuwe bibliotheek van het museum, die
van dinsdag tot en met vrijdag van 13-30 tot 16.30 uur voor het publiek
toegankelijk is. De bibliotheek bestaat uit boeken op het ge-
G e –
bied van geschiedenis, kunst en kunstnijverheid en een aantal tijdschriften
met betrekking tot deze gebieden.
Tijdens de openingsuren van de bibliotheek is ook de uitgebreide
prentencollectie (meer dan 1500 nummers) van het P.O.M, toegankelijk.
De catalogus van de collectie bevat ingangen op maker en afbeelding
(bijvoorbeeld geordend per topografische eenheid, zoals: Sassenpoort
Zwolle), waardoor de prenten via de dienstdoende medewerker, eenvoudig
en direct ter inzage worden verkregen. Een deel van de collectie is
reeds in een fotodocumentatie vastgelegd, die direct door het publiek
gebruikt kan worden.
In het Drostenhuis aan de Melkmarkt is inmiddels een aantal kamers
opnieuw ingericht (de zogenaamde BlokzijIkamer en de I8e-eeuwse keuken).
Vanaf 19 april zijn het schilderijenkabinet en het prentenkabinet
voor het publiek toegankelijk. Hier zullen in wisselexposities
delen van de collecties van het museum getoond worden, waarbij naast
de esthetische waarde ook de historische waarde van de prenten en de
schilderijen een belangrijke rol speelt. De eerste twee wisselexposities
zijn gewijd aan Zwolse stadsgezichten uit de 17e eeuw en
stadsplattegronden. Bij elke nieuw ingerichte ruimte is (of komt)
extra informatie beschikbaar in de vorm van een deel van een losbladig
catalogussysteem. In de toekomst zullen ook andere deelcollecties
(archeologie, zilver.etc.) in een nieuwe opstelling gepresenteerd
worden. Bovendien is in een aantal ruimten een vaste opstelling gepland
met de historie van Zwolle en West-Overijssel als onderwerp.
Ondanks beperkte mankracht en financiële middelen (het aankoopbudget
is bijvoorbeeld vrijwel tot het minimum teruggebracht) blijft
het P.O.M, doorgaan op de ingeslagen weg om zo als museum een duidelijke
functie binnen de (Overijsselse) samenleving te kunnen vervul
len.
P.P. Kerpel.
HET RIJKSARCHIEF IN OVERIJSSEL
Nederland kent archiefbewaarplaatsen op het niveau van het Rijk, de
gemeenten en de waterschappen. Overijssel kent geen waterschappen
met een eigen archiefdienst. Gemeentelijke archiefdiensten bestaan
alleen in de drie IJsselsteden Deventer, Kampen en Zwolle. Over de
laatste hebt U in de vorige Nieuwsbrief uitgebreid kunnen lezen. Het
Rijksarchief in Overijssel maakt deel uit van de Rijksarchiefdienst,
welke ressorteert onder het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid
-hlen
Cultuur. De Rijksarchiefdienst omvat 11 rijksarchieven, gevestigd
in de provinciehoofdsteden alsmede een centraal archief in Den Haag,
het Algemeen Rijksarchief.
Zoals elk rijksarchief in de provincie beheert ook het Rijksarchief
in Overijssel de archieven van de provincie – deze heeft immers geen
eigen archiefdienst -, van de binnen de provincie werkzame rijksorganen
en hun voorgangers en particuliere archieven van bovengemeentelijk
belang. Daarnaast worden ook archieven met een meer uitgesproken
locaal belang opgenomen uit die plaatsen, waar geen gemeentelijke
archiefdienst deze (nood)opvang kan verzorgen. Hopelijk ontstaat
nog eens een situatie, waarin elke gemeente alleen of in samenwerk-
ing met anderen een archiefdienst sticht.
Het is uiteraard onmogelijk hier het circa 6,5 strekkende kilometer
gróte bezit.van het rijksarchief tot in detail te beschrijven. Voor
zeer goed overzicht van de niet alleen ten rijksarchieve, maar ook
bij de gemeenten en waterschappen bewaarde archieven raadplege men:
H. de Beer et alii, De archieven in Overijssel, Samson Uitgeverij
B.V. Alphen aan de Rijn, 1980. Dit overzicht is bijgewerkt tot en
met 1979. Een overzicht van de sindsdien aangewonnen archieven wordt
jaarlijks gepubliceerd in het Contactbericht van de Culturele Raad
van Overijssel.
Enkele belangrijke bestanden mogen toch wel genoemd worden:
— De archieven van de Staten van Overijssel, 1578 – 1795;
— van de zogeheten intermediaire besturen, 1795 ” 1813» ten tijde
van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland en het Franse
Keizerrijk;
— de Gouverneur, later Commissaris des Konings/der Koningin, 1813 ”
1920;
— de Gedeputeerde Staten, 181^ – 19^8;
— de Provinciale Staten, 18T4 – 19^8;
— de rechterlijke instanties van de 16e tot de 20e eeuw;
— de marken, 15e – 19e eeuw;
— de notarissen, T811 – 1892;
— de burgerlijke stand van alle gemeenten in Overijssel, 1811 –
1932, alsmede de daaraan voorafgaande kerkelijke doop-, trouwen
begraafboeken;
— de successiememories, 1811 – 1905;
— een deel van de kadasterarchieven, 1811 – 1975;
— de Kamers van Koophandel, tot 1920.
Aangetekend moet worden, dat het Rijk de archieven van de Zwolse notarissen,
het oud rechter 1 ijk archief 1383 – 1811 en de Zwolse doop-,
trouw-en begraafregisters permanent bij het gemeente-archief heeft
ondergebracht.
In de particuliere sfeer treft men aan tal van archieven van bedrijven
voornamelijk uit Twente, van landbouworganisaties en ontginningsmaatschappijen,
van vele Nederlands Hervormde, Gereformeerde
en Doopsgezinde gemeenten ën classes, van Rooms Katholieke parochies,
van de in de 16e eeuw door de Staten geconfisceerde middeleeuwse
kloosters, huisarchieven, familie-archieven en persoonlijke archieven.
Het rijksarchief beschikt ook over een goede bibliotheek van circa
15-000 banden, gespecialiseerd in de archiefwetenschap en de geschiedenis
van Overijssel. De kern ervan wordt gevormd door de b i b l i o –
theek van de vroegere Staten van Overijssel. De boeken en t i j d s c h r i f –
ten kunnen alleen ter plekke geraadpleegd worden.
Het Rijksarchief in Overijssel is gevestigd aan de Eikenstraat 20 te
Zwolle, telefoon 038 – 5^0.722 en is geopend op maandagmiddag van
13.30 uur – 17.00 uur, van dinsdag tot en met vrijdag van 09-00 uur –
17.00 uur en op zaterdagochtend, uitgezonderd de maanden j u l i en augustus,
van 09.00 uur – 12.30 uur. Archiefstukken die men op zaterdagochtend
wil inzien moeten u i t e r l i j k vrijdagmiddag 16.00 uur onder
opgave van de j u i s t e inventarisnummers s c h r i f t e l i j k of telefonisch
z i j n aangevraagd. Dit geldt uiteraard niet voor de steeds toenemende
hoeveelheid archiefstukken, die in zelfbediening in de vorm van
f o t o ‘ s , microfilm en dergelijke in de studiezaal aanwezig z i j n . Onder
bepaalde voorwaarden is het tevens mogelijk van archiefstukken foto’s
of Xeroxkopieën te verkrijgen.
De afdeling externe zaken van het rijksarchief,
P.W.J. den Otter.
BOEKBESPREKING
B.J. Kam: MERETRIX EN MEDICUS. Een onderzoek naar de invloed
van de geneeskundige v i s i t a t i e op handel en wandel
van Zwolse publieke vrouwen tussen 1876 en 1900.
Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen. 259 pgn.
Zwolle 1983. Niet in de handel. Verkrijgbaar door stort
i ng van ƒ 51,kS op giro 872203 tnv B.J. Kam te Zwolle.
Op 6 oktober 1983 promoveerde de Zwolse huisarts B.J. Kam in Nijmegen
tot doctor in de geneeskunde op een proefschrift over de p r o s t i –
t u t i e in het negentiende-eeuwse Zwolle. De aanleiding tot z i j n boek
vormden 28^ boekjes “dienende tot bewijs van inschrijving als publieke
vrouw”, die in 1972 werden ontdekt in een vuiIniscontainer bij
het politiebureau. In plaats van vernietigd te worden, kwamen ze terecht
in het gemeente-archief en vormden aldus de basis van Kam’s
proefschri f t .
In de loop van de 19e eeuw nam de overheid maatregelen om een halt
toe te roepen aan de groei van geslachtsziekten. Als bron van.alle
-MSkwaad
zag men indertijd de prostitutie. Hoe geslachtsziekten als
syfilis ontstonden en hoe ze effectief bestreden dienden te worden,
was echter niet bekend. Alleen door de publieke vrouwen regelmatig
medisch te laten onderzoeken en indien besmet, ze verplicht te laten
behandelen, dacht men geslachtsziekten te kunnen bestrijden.
Dat ook de man bij de verspreiding van deze ziekte een rol vervulde,
kwam niet of nauwelijks ter sprake. Door middel van politieregistratie
en gedwongen medische visitatie van de vrouwen probeerde men
de prostitutie in goede, dat wil zeggen voor de man gezonde banen
te leiden.
Op grond van vooral Franse literatuur en Nederlands archiefmateriaal
als bevolkings- en politieregisters, de genoemde boekjes en unieke
medische gegevens uit Deventer en Leiden schetst Kam een uitstekend
beeld van vooral de medische en juridische aspecten van de
prostitutie. Hoe kwamen de verorderingen tot stand, wat hielden ze
in, hoe vond het wekelijkse onderzoek plaats, welke diagnoses werden
er gesteld, hoe werden de besmette vrouwen behandeld: al deze
punten komen uitgebreid aan de orde. De nadruk ligt op de beschrijving
van de Zwolse situatie. Ook het effect van de gedwongen visitatie:
het vertrek van besmette vrouwen naar een andere plaats,
waar ze ongestoord hun bedrijf konden voortzetten, vormt een belangrijk
thema in het proefschrift. Door vergelijking van gegevens
uit Deventer, Leiden, Utrecht, Amsterdam en Zwolle heeft Kam met
behulp van de computer een diepgaand onderzoek ingesteld naar het
reisgedrag van de publieke vrouwen, naar de bordelen waar ze in
dienst waren, naar de gemiddelde verblijfsduur, hun herkomst, hun
ziektes; Hij komt onder andere tot de conclusie dat men het doel:
gezonde prostituees, niet heeft bereikt, maar juist de verspreiding
van geslachtsziekten eerder in dé hand heeft gewerkt.
Kam beperkt zich in zijn studie uitdrukkelijk tot de medische kant
van de prostitutie. Sociale aspecten komen niet aan de orde. Voor
vragen als: waarom gingen vrouwen over tot prostitutie, kan men in
zijn boek niet terecht. Ook onthoudt hij zich van een oordeel over
het zogenaamde prost i’.t’üt ievraagstuk, zoals dat in de vorige eeuw
speelde: de discussie over de vraag of reglementering van het verschijnsel
toelaatbaar was.
Meretrix en medicus’is een prettig, hier en daar te populair geschreven
boek geworden, dat ook voor niet-artsen begrijpelijk is.
De medische terminologie moet men op de koop toe nemen; het is
per slot van rekening een medisch proefschrift. Bezwaarlijk zijn
echter de vele herhalingen en ook de tal loze bij 1agen doen soms
overbodig aan. Hun inhoud komt in een aantal gevallen al voldoende
ter sprake in de tekst zelf. Een interessante bijlage vormen wel de
biografische notities over in het boek genoemde personen zoals
bordeelhoud(st)ers en artsen. Een deel van deze informatie was beter
op zijn plaats geweest in een van de hoofdstukken. Deze opmerkingen
doen echter niets af aan het belang van het boek, dat een goed beeld
geeft van de zelfkant van het Zwolse leven in de vorige eeuw.
Annet Schoot Uiterkamp.
-50-
BOEKBESPREKING
G. Vierstraete-Erdtsieck: HET JOODSE ONDERWIJS IN ZWOLLE,
” 1943.
Eigen uitgave, Wezep 1983-
Prijs ƒ 10,–
In het kader van haar MO – opleiding schreef mevrouw Vierstraete een
scriptie over het joodse onderwijs in Zwolle in de tweede wereldoorlog.
Door middel van publicatie heeft zij haar onderzoeksresultaten
voor een breder publiek toegankelijk gemaakt. Aan de hand van archiefmateriaal,
literatuur en interviews met betrokkenen wil zij een
antwoord geven op de vraag hoe dit onderwijs heeft gefunctioneerd en
op welke manier is gereageerd op het. instellen van apart joods onderwijs.
Uit de historische terugblik wordt duidelijk, dat apart joods onderwijs
een nieuwe maatregel is, door de bezetter ingesteld. Na het
ontslag van joden uit overheidsbetrekkingen, dus ook van joodse onderwijzers
bij het openbaar onderwijs, volgt in de zomer van 19^1 het
verbod voor joodse kinderen om deel te nemen aan het openbaar en particulier
onderwijs. De gemeente krijgt van de Rijkscommissaris de
opdracht joodse leerlingen te registreren en ervoor te zorgen dat er
op zo kort mogelijke termijn apart joods onderwijs kan worden gegeven.
In oktober 1§Ai moeten joodse kinderen in Zwolle lager onderwijs
volgen in het pand aan de Voorstraat k] , terwijl het voortgezet
onderwijs plaats vindt in het gebouw aan de Thorbeckegracht 11. Tot
uit de verre omtrek komen joodse kinderen naar deze scholen. In Enschede
wordt een onderafdeling van het Zwolse joodse lyceum opgezet.
Het onderwijzend personeel wordt gerecruteerd uit de ontslagen joodse
leerkrachten. Aan het functioneren van het onderwijs wordt veel
aandacht besteed door de schrijfster. Het is niet met zekerheid te
zeggen hoeveel kinderen aan het aparte joodse onderwijs hebben deelgenomen
in Zwolle, omdat de opgaven op de leer 1ingen1 ijst niet altijd
betrouwbaar zijn. Als gevolg van de deportatie van het merendeel van
de Zwolse joden, verloopt het joodse onderwijs in 1943- Na de oorlog
ontvangt het onderwijzend personeel rechtsherstel en een schadevergoeding.
In de beschrijving van de geschetste ontwikkelingen stelt de schrijfster
zich ambivalent op. Enerzijds spreekt zij haar verontwaardiging
uit en velt zij soms harde oordelen, anderzijds probeert zij zich
zo neutraal mogelijk op te stellen.
-51-
in haar inleiding zegt ze, dat de houding van niet-joden kan worden
omschreven als “beschamend” of zelfs als “stilzwijgende collaboratie”
(pagina 1,3). Voorbeelden van haar verontwaardiging zijn haar
beschrijving van de houding van burgemeester Van Karnebeek en van
de schoolhoofden die de door de bezetter gevraagde informatie over
de joden zonder meer verstrekten (pagina 6). Van Van Karnebeek wordt
zelfs gezegd dat hij de jodenvervolging in de beginfase heeft bevorderd.
Dergelijke oordelen zeggen de lezer niets, wanneer verzuimd
wordt de feiten te vermelden waarop het oordeel steunt. Bovendien
moet voor een genuanceerde afweging het algemeen klimaat waarin de
ontwikkelingen plaatsvonden en de fasering in de anti-joodse maat–
regelen worden betrokken. Het is de vraag of dan een term als
“stilzwijgende collaboratie” nog gerechtvaardigd is. Voor een lezer
is het moeilijk erachter te komen op grond waarvan de schrijfster
stel 1 ing neemt.
In tegenstelling met haar bovenvermelde constatering is de slotconclusie,
dat de houding van de niet-joodse betrokkenen gekenmerkt
wordt door afwezigheid. Hoe moet in dit verband de rol van Van Karnebeek
in de jodenvervolging worden geïnterpreteerd ? Anderzijds
geeft zij voorbeelden van gemeente-ambtenaren die zich wel degelijk
betrokken voelden bij de zaak van het joodse onderwijs. Toen
het de joodse onderwijzers werd verboden de afdeling onderwijs van
het Zwolse stadhuis te bezoeken, gingen de verantwoordelijke ambtenaren
naar de scholen. Wij willen dit geen afzijdigheid noemen; deze
ambtenaren hadden het immers ook kunnen nalaten. Ook het aanvullen
van het wachtgeld van de joodse onderwijzer Elte door zijn vroegere
niet-joodse collega’s, zien wij in tegenstelling tot de schrijfster
niet als een teken van afzijdigheid.
De studie had meer reliëf kunnen krijgen wanneer de schrijfster op
grond van bestaande literatuur een schets had gegeven van de theoretische
achtergronden van de arisering in het onderwijs. Waarom moesten
joodse kinderen van de bestaande scholen worden verwijderd? Dit
was een uitvloeisel van het waanidee dat het Germaanse ras superieur
was en zuiver moest blijven. Dr. J. Presser staat in zijn werk Onder
gang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 19^0-
19^5 uitvoerig stil bij de achtergronden van het joodse onderwijs.
We vinden hiervan in de scriptie niets terug. De bevindingen uit de
in de oorlog tot stand gekomen scriptie van J. Aa “De maatregelen
inzake het Onderwijs aan Joodse leerlingen, van augustus 19^1 tot
mei 19^5” konden helaas niet worden opgenomen.
Uit het verslag blijkt, dat het onderzoek zeer consciëntieus is uitgevoerd.
De schrijfster lijkt soms echter te dicht bij het ruwe materiaal
te blijven staan, waardoor het betoog wel erg gedetailleerd
en feitelijk wordt. Vragen waarop het materiaal geen antwoord geeft
worden vermeden. Bijvoorbeeld de vraag waarom de Duitsers apart joods
onderwijs organiseerden, terwijl de zogenaamde Endlösung al gepland
was, of: leverde het voor de leerkrachten moeilijkheden op dat de
leerlingen van allerlei verschillende scholen kwamen? Zo stelt Presser
de vraag: “Ging dat nu maar zo?” (namelijk de instelling van
apart joods onderwijs JH/AvdW) (pagina 142,1^3), terwijl Vierstraete
-52-
alleen over gelatenheid bij de Zwolse joden spreekt, zonder deze
houding te verklaren of andere mogelijkheden in ogenschouw te nemen.
Ondanks de geschetste tekortkomingen draagt dit onderzoek bij aan het
opvullen van een leemte in de joodse en Zwolse historiografie. Belangwekkend
is het gebruik van de mondelinge bronnen. De schrijfster
heeft met name in het hoofdstuk over het functioneren van de school,
de gesprekken met oud-leerlingen, voormalig onderwijzend personeel
en andere betrokkenen, goed geïntegreerd met de bevindingen uit het
archiefmateriaal. Het opnemen van enkele bronnen in de bijlagen
spreekt eveneens sterk tot de verbeelding van de lezer.
De scriptie is te bestellen op het adres Hortensiastraat 1A, 8091VC
Wezep, en is aanwezig op het gemeente-archief.
Jaap Hagedoorn/Anneke van der Wurff.
BOEKBESPREKING
GESCHIEDENIS VAN 50 JAAR T.O.G. ITTERSUM (1934-1984)
Eigen uitgave, Zwolle 1984
28 bladzijden, prijs ƒ 2,50
Ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de Ittersumse damclub
Tot Ons Genoegen ( T.O.G. ) verscheen een in eigen beheer uitgegeven
Jubileumboekje. Hierin wordt door de heer J. Beens een kort overzicht
gegeven van de geschiedenis van deze vereniging. Daarnaast zijn énkele
bladzijden uit de notulenboeken weergegeven, terwijl een aantal
– helaas slecht afgedrukte – foto’s het geheel verluchtigt.
De basis van de vereniging werd gelegd in de Centrale Werkplaats van
de Nederlandse Spoorwegen. Hier werd tijdens..de pauze’s door een aantal
mensen gedamd, een bezigheid die veelal in de avonduren werd
voortgezet. Gezien de belangstelling van anderen die hiervoor bestond,
werd besloten een damvereniging op te richten. Zo vond op maandag 5
februari 193** de oprichtingsvergadering plaats, die door tien personen
werd bijgewoond. Een bestuur werd gekozen, de contributie werd
vastgesteld op een dubbeltje per lid per week en als eerste speelavond
werd 12 februari aangewezen. Daar geen geld voorhanden was om
damborden aan te schaffen, werden deze door een tweetal actieve leden
zelf gemaakt.
Gaandeweg breidde de vereniging zich uit tot de mobilisatie van 1939
en de daarop volgende Duitse bezetting van ons land aan de damactiviteiten
voorlopig een eind maakte. Pas na de oorlog werd weer begonnen
met het dammen in verenigingsverband, een activiteit die tot op
de dag van vandaag door de leden met veel enthousiasme wordt verricht.
-53-
Belangstellenden in de geschiedenis van de jubilerende damclub kunnen
– zolang de voorraad strekt – een exemplaar van het Jubileumboekje
bestellen bij L. Bakker, Philosofenallee k, 8023 TA Zwolle,
telefoon 038 – 5^5059.
N.D.B. Habermehl.
MEDEDELINGEN
VAN DE LEDENADMINISTRATIE
Betaling contributie 198*t.
Voor leden, die zich vanaf 1 januari 198^ als lid aangemeld hebben,
geldt dat de contributie bij vooruitbetaling verschuldigd is. Aan de
hand van Uw 1idmaatschapskaart kunt U zien of U ook tot de “nieuwe”
leden behoort.
De leden met lidmaatschapsnummers vanaf lAl wordt thans verzocht de
contributie over te willen maken en wel op:
GIROREKENING 5570775 t.n.v. Zwolse Historische Vereniging,
Brederostraat 76 te Zwolle.
De contributie bedraagt / 3 5 , — per jaar (voor 65+ – leden / 2 5 , — ) .
Mogen wij U verzoeken de contributie spoedig over te maken?
Hoewel de leden, die zich in 1983 al opgaven, officieel pas contributie
hoeven te betalen bij het verschijnen van het Jaarboek 198*4,
heeft een aantal van hen al de contributie over 198*t al voldaan. Hiervoor
onze hartelijke dank. Immers: ook nu al worden kosten gemaakt.
Indien ook U al bereid bent nu de contributie over te maken, zal ons
dat zeer welkom zijn.
Huisleden
In de bestuursvergadering van 2 februari 198^t is besloten zogenaamde
“huisleden” tot de vereniging toe te laten. Deze leden ontvangen een
eigen 1idmaatschapskaart en hebben daardoor toegang tot lezingen en
andere activiteiten die door de ZHV gehouden worden. Ook in de ledenvergadering
is hun stem geldend. Zij ontvangen echter geen publicaties,
die door de vereniging worden uitgegeven.
De contributie voor huisleden is bepaald op / 7,50 per jaar.
Voor nadere inlichtingen en opgave kunt U zich wenden tot de penningmeester,
H. Brassien, telefoon 038 – 539.625.
-5*»-
Nieuwe leden
Nieuwe leden blijven van harte welkom. Wellicht kent U in Uw omgeving
iemand, die ook zodanig ‘geïnteresseerd is in de geschiedenis
van Zwolle, dat hïj/zij ook lid wil worden. Wij horen dat graag van
U. Ook kunt U iemand een cadeau-abonnement voor één of meer jaar doen.
Nieuwe leden, die zich in de loop van het jaar opgeven ontvangen ook
de al eerder in dat jaar verschenen Nieuwsbrieven.
Opgave nieuwe leden: telefonisch: 038 – 539.625 (H. Brassien) of
schriftelijk: Ledenadministratie ZHV, Brederostraat 76, 8023 AV te
Zwolle.
MUSEALE WERKGROEP
Eén van de activiteiten die het bestuur van de Zwolse Historische
Vereniging (ZHV) zich ten doel stelt, is het in het leven roepen van
een Museale Werkgroep. De deelnemers hieraan zullen tot taak krijgen
de tentoonstellingen in het Provinciaal Overijssels Museum (POM) die
betrekking hebben op de geschiedenis van Zwolle historisch te onderbouwen.
Nu het POM bezig is zich te ontwikkelen tot een historisch museum
waar met behulp van originele voorwerpen, foto’s, tekst, geluid,
modellen en plattegronden de geschiedenis wordt verteld van de provincie
Overijssel, en van de stad Zwolle in het bijzonder, is aan
zo’n werkgroep grote behoefte. Maar niet alleen het POM, ook de ZHV
zal hiervan profiteren. Gedacht wordt aan het publiceren van de resultaten
van het onderzoek in de periodieken (Nieuwsbrief en Jaarboek)
van de ZHV.
Gezien het bovenstaande dienen deelnemers aan de werkgroep enige ervaring
te bezitten in het verrichten van historisch onderzoek, terwijl
interesse voor kunstgeschiedenis wenselijk is.
Hebt U belangstelling voor deze werkgroep of wenst U eerst nog nadere
informatie, dan wordt U verzocht contact op te nemen met N.D.B.
Habermehl, Philosofenallee 2k, 8023 TB Zwolle, telefoon 038-539191.
LEZINGENCYCLUS “ZWOLLE IN DE 19e EEUW”.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging organiseert dit
jaar zes lezingen, die alle betrekking hebben op het 19e-eeuwse Zwolle.
Een tweetal aspecten zal hierbij centraal staan. In de eerste
plaats zal aandacht geschonken worden aan de methode van het onderzoek
en-het geraadpleegde bronnenmateriaal. Het resultaat van het onderzoek
vormt het tweede aspect dat aan de orde zal komen.
Een uitzondering hierop vormen de eerste en de vijfde lezing. In de
eerste lezing zal een kort overzicht worden gegeven van het 19e-eeuwse
Zwolle, gevolgd door een inleiding over de inrichting en werking
van het Zwolse Gemeentelijk-archiefgebouw. Een rondleiding door het
archief onder leiding van gemeente-archivaris drs. F.C. Berkenvel-
55-
der vormt de afsluiting van deze avond. De vijfde lezing heeft – dit
ter afwisseling – een kunsthistorisch aspect tot onderwerp: het 19eeeuwse
interieur, zoveel mogelijk toegespitstop Zwolle.
De zes lezingen (drie in het voorjaar en drie in het najaar) zullen
worden gehouden in het Gemeentelijk-archiefgebouw, Voorstraat 26 te
Zwolle. De aanvangstijd is steeds 20.00 uur. Introducé(e)s zijn van
harte welkom. De lezingen zijn gratis toegankelijk voor leden en hun
i ntroducé(e)s.
De volgende sprekers en spreeksters hebben toegezegd een lezing te
willen verzorgen:
— 27 maart dhr. J. Hagedoorn, Verbroken stilte. Een schets van de
geschiedenis van Zwolle in de 19e eeuw.
dhr. drs. F.C. Berkenve1 der, Wat is en doet de Zwolse
gemeentelijke archiefdienst.
1 mei dhr. dr. B.J. Kam, Het ontstaan van een dissertatie
ower de prostitutie te Zwolle in de tweede helft van
de 19e eeuw.
5 juni dhr.A.H. ten Cate, Het Weeshuis der Hervormde Gemeente
te Zwolle in het midden der 19e eeuw.
De preciese data van de najaarslezingen volgen op een later tijdstip.
— september mevr. drs. A. van der Wurff, Het lager onderwijs te
Zwolle in de tweede helft van de 19e eeuw.
— oktober mevr. drs. E.A. van Dijk, Het interieur in de 19e eeuw,
in het bijzonder te Zwolle.
— november mevr. drs. A. Schoot Uiterkamp, Armoede en armenzorg te
Zwolle in de tweede helft van de 19e eeuw.
Voor nadere informatie kunt U zich wenden tot N.D.B. Habermehl, Philosofenallee
2k, 8023 TB Zwolle, telefoon (038) – 53-91.91.
ANTIQUARIAAT THEO DE BOER HEROPEND
Op vrijdag 2h februari werd het antiquariaat Theo de Boer, Sassenstraat
70 te Zwolle geopend. De heer De Boer begon zijn antiquariaat,
zoals velen bekend zal zijn, enkele jaren geleden in de Steenstraat.
Het nieuwe pand biedt hem meer ruimte en mogelijkheden. De
heer Waanders, ook geen onbekende in Zwolle, verklaarde de nieuwe
zaak voor geopend, na in een korte toespraak de geschiedenis van
het antiquariaat De Boer en de functie van een antiquaar (” de beheerder
van boeken die tijdelijk dakloos zijn “) geschetst te hebben.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging was voor deze
gelegenheid ook uitgenodigd en door enkele leden vertegenwoordigd.
Wij wensen de heer De Boer veel succes toe met zijn nieuwe winkel,
waar naast oude prenten en boeken op velerlei gebied, een ruime
sortering boeken over Zwolse en algemene geschiedenis te vinden is.
-56-
NIEUWE UITGAVE IN SERIE SCRIPTA TRANS ISALANA
In de serie Scripta Transisalana is in het najaar van 1983 verschenen
“Proza en poëzie in Overijssel tot 1983”. In deze beredeneerde
catalogus en aanzet tot bibliografie worden onder meer romans, reisverhalen,
dagboeken, toneelstukken en jeugdverhalen, die op enigerlei
wijze betrekking hebben op de provincie Overijssel of een deel
of plaats daarin, op onderwerp, plaats en tijd ontsloten.
Reeds verschenen in de serie Scripta Transisalana zijn:
1 en 2 Scripta Transisalana deel I en II;
Catalogus van Overijsselse werken met trefwoordenregister.
1973 – 1980.
3 Joan Derk van der Capellen tot den Pol. 1981.
A Proza en Poëzie in Overijssel; gelegenheidsgedichten. 1983-
Deze uitgaven zijn te bestellen bij de PBC-Overijssel-Oost, Postbus
2, 7620 AB Borne. Telefoon: Q7k – 663.115.
AGENDA
Culturele Raad Overijssel
— 2k april Archeologische Werkgroep Nederland / IJsseldelta-Vechtstreek,
Jaaroverzicht 1983 door de provinciaal archeoloog,
A.D. Verli nde.
Plaats: “De Gouden Kroon”, Voorstraat 31», Zwolle, aanvang
20.00 uur.
— 6 juni Korte officiële herdenking van de 200e sterfdag van
Joan Derk van der Capellen tot den Pol, Zwolle.
Plaats: nog niet bekend. Tijdstip: nog niet bekend.
Provinciaal Overijssels Museum
— 06.0^-22.07 “Loop naar de pomp”
Een tentoonstelling over de vroegere watervoorziening
in Zwolle en Overijssel.
— 10.08-19.08 “Foto en film op de kermis”
De tentoonstelling valt samen met de Zwolse kermis.
— 08.09-…12 “Joan Derk van der Capellen tot den Pol.”
Tentoonstelling over een Overijsselse patriot ter gelegenheid
van diens 200e sterfdag.
ZWOLSE HISTORISCHE VEDENIGING
Voorzi tter
Secretaris
Penningmeester
N.D.B. Habermehl
Philosofenallee 2h Zwolle
J. Hagedoorn
p/a Wipstrikkerallee 176 Zwolle
H. Brassien
Brederostraat 76 Zwolle
Lid (eindred. NIEUWSBRIEF) R.T. Oost
Jel1issenkamp 2 Zwolle
Lid (eindred. JAARBOEK) J.F. Borst
Meenteweg 7 Zwolle
REDAKTIELEDEN NIEUWSBRIEF REDAKTIELEDEN JAARBOEK
J. Hagedoorn J.F. Borst (eindredakteur)
R.T. Oost (eindredacteur) p.j. Lettinga
Mevr. A. van der Wurff
SEKRETARIAAT
Wipstrikkerallee 176, 8023 DP ZWOLLE
REDAKTIE NIEUWSBRIEF
Jel1issenkamp 2, 8014 EW ZWOLLE
REDAKTIE JAARBOEK
Meenteweg 7, 80^1 AT ZWOLLE
LEDENADMINISTRATIE
Brederostraat 76, 8023 AV ZWOLLE
typewerk: henk brassien
IBM/artisan 72 – verkleind naar
offset : administratiecentrum “sassenpoort”.
©Zwolse Historische Vereniging 1984.
4 .«’N

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1989, Aflevering 2

Door 1989, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1S8S
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHQIFT
ZWOLSE HléTODlSCHE VEDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER TWEE / JAARGANG ZES /
3 3 VAN DE REDACTIE
34
42
59
ARTIKELEN
Ovenbrand en brandewijn. De geschiedenis van de
Zwolse glasblazers A. Carmiggelt
Werkloosheid in de gemeente Zwolle van 1925 tot
1939 T. Casparie en J. Sanders
Problemen rond de koster-schoolmeester in Zwolle
J. Erdtsieck
BOEKBESPREKINGEN
62 W. Fritschy, L. Douw (red.), Oost-Nederland in de
negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe,
Overijssel en Gelderland in de negentiende en
vroeg twintigste eeuw.
Besproken door J. Drentje
6 3 P Bange (red.), De doorwerking van de Moderne
Devotie. Windesheim 1387-1987.
Besproken door N. Lettinck
VAN DE INSTELLINGEN
66 De bibliotheek van de provincie OverijsselB
. Kiestra
68 Tentoonstellingsagenda
68 PERSONALIA
33
VAN DE REDACTIE
Zoals in het vorige nummer al werd aangekondigd wordt nu
de winnende scriptie gepubliceerd van de prijsvraag voor
middelbare scholieren.
Thomas Casparie en John Sanders hebben onderzocht welke
invloed de crisis van 1929 had op de werkloosheid in
Zwolle. Zij hebben ontdekt dat de stijging van de werkloosheid
in Zwolle iets later begon dan in de rest van
Nederland. Ook het herstel van de werkgelegenheid was
iets later dan elders. De verklaring hiervoor leest u
ook in hun artikel.
Verder is dit tijdschriftnummer gevuld met een artikel
over glasblazers en over een Zwolse koster-schoolmeester.
Ook zijn er mededelingen, onder andere over de bibliotheek
van het Provinciehuis.
Traditiegetrouw wordt het tijdschrift afgesloten met de
tentoonstellingsagenda van het Provinciaal Overijssels
Museum.
34
OVENBRAND EN BRANDEWIJN
De geschiedenis van de Zwolse glasblazers.
ARNOLD CARMIGGELT
Inleiding
De eerste glasblazerij in Nederland werd opgericht in
1581 te Middelburg. In tegenstelling tot de meeste andere
glashuizen in de Republiek bleef zij relatief lang
in bedrijf, tot 1645. Dit is opmerkelijk, want ondanks
de steun en subsidies die de glasblazerijen veelal van
de stedelijke en/of provinciale overheden ontvingen,
verdwenen zij meestal al weer, nadat ze slechts enkele
jaren werkzaam waren geweest. De reden van dit mislukken
deze nijverheid tot bloei te brengen, is niet glashelder.
Buitenlandse concurrentie lijkt één van de belangrijkste
oorzaken te zijn *•) . Eveneens niet bevorderlijk
voor de ontwikkeling van de nijverheid in de Republiek
was de geringe arbeidsdiscipline van de glasblazers en
het feit dat zij internationaal bekend stonden als
driftkoppen. Dit laatste is begrijpelijk; naarmate men
de oven hoger opstookte, steeg het drankgebruik! Laatstgenoemde
facetten zullen we ook bij enkele Zwolse glasblazers
terugvinden. Hier liep een ruzie dermate uit de
hand, dat een glasblazer zelfs zijn collega vermoordde.
Galllard
De geschiedenis van de Nederlandse glasproduktie kan
niet geschreven worden zonder de herroeping van het
Edict van Nantes in 1685 te vermelden. De vlucht van
Hugenoten, die hiervan het gevolg was, zorgde voor een
toestroom van Franse glasblazers naar de Republiek. Deze
laatste groep nam bij hun vestiging hier veelal weer hun
oude beroep op.
Louis Gaillard, een Franse vluchteling, geboren te St.
Marcellin in de Dauphiné is in 1698 vanwege de “vreetheyt
des Konincks van Vranckrijk” naar de Republiek uitgeweken
2) . Hij verblijft in 1688 in Zwolle. Schepenen
en Raad verlenen op 27 maart van dat jaar aan hem en
(zijn broer ?) Daniel Gaillard toestemming om een glasblazerij
op te richten en verlenen beiden vrijheid van
alle provinciale en stedelijke accijnsen voor een periode
van tien jaar. Bovendien ontvangen zij een subsidie
35
van honderd gulden en mogen zij hun bedrijf vestigen in
het zogenaamde ‘Klokkehuis’3). Dit Klokkenhuis was gelegen
in de Kloksteeg, een smal straatje dat zijn naam
ontleende aan het Klokkenhuis en aan de oostzijde van
Broerenkerk in noordelijke richting liep. Het Klokkenhuis
was in de zeventiende eeuw eigendom van de stad 4 ) .
Wanneer de Gaillard’s met de eigenlijke produktie van
glaswerk zijn begonnen, is onduidelijk. Op 22 november
1688 is er echter reeds sprake van een kind dat wordt
begraven en dat woonde bij ‘het glashuis’ 5) . In de
Memorie inzake de alashuizen in Nederland (uit 1698 ?)
die zich in het gemeente-archief van Gouda bevindt,
leren we dat Louis Gaillard pas in 1692 in Zwolle als
glasblazer begonnen zou zijn, maar dit lijkt niet in
overeenstemming met de gegevens die we in het gemeentearchief
van Zwolle aantreffen 6 ) .
In 1688 wordt aan ‘de participanten van de glasblaserie’
opnieuw een subsidie verleend van 500 of 600 gulden voor
de tijd van vijf of zes maanden 7 ) . Een jaar later gaat
Louis Gaillard in ondertrouw met ene Suzanna Krouse 8 ) .
Doordat de gereformeerde Franse vluchtelingen vrijstelling
van stadsaccijnsen wordt gegeven, bevestigen Schepenen
en Raad in 1690 nog eens nadrukkelijk dat meester
glasblazer Daniel Gaillard geen turfaccijns hoeft te
betalen 9) . Louis wordt hierin niet genoemd. Hij zal
echter nog wel in Zwolle wonen, want op 8 oktober 1693
vinden we in het doopboek van de Waalse Gemeente dat op
die datum “Charles Gaillard, fils de Noble Louis Gaillard”
ingeschreven wordt 1 0 ) .
Louis Gaillard blijft echter niet in Zwolle. We weten
dat hij in 1697 ‘meester en direkteur’ is van het glashuis
in Gouda 1J-) . Louis Gaillard moet voor december
1720 overleden zijn, aangezien zijn vrouw dan als weduwe
aangeduid wordt ” ) . Over Daniel Gaillard vinden we in
de archieven niets meer terug.
de Fer/ del Ferro
Uit de reeds eerder genoemde Memorie inzake de qlashuizen
in Nederland blijkt dat in 1694 ene Leander de Fer
en in 1697 ‘Leander de zoone’ in Zwolle een glasblazerij
beginnen. Hoewel de jaren niet helemaal lijken te kloppen,
komen we de betreffende personen wel in Zwolse archiefstukken
tegen. In 1691 wordt door Schepenen en
Raad aan Leander del Ferro een glasblazerij, een werkhuis,
een daarbij gelegen woning en vrijheid van turfaccijns
verleend voor zes achtereenvolgende jaren ^ ) •
36
In 1696 gaat del Ferro in ondertrouw met ene Deliana
Hamer uit Nijmegen 14) . Een kind uit een eerder huwelijk,
Leon del Fer(r)o genaamd (de hiervoor genoemde
‘Leander de zoone1), wordt door Schepenen en Raad op 5
mei 1696 eveneens toestemming verleend om de glasblazerij,
het werkhuis, een daarbij behorend ‘camertjen’ te
betrekken. Ook hij krijgt vrijheid van alle accijnsen
15) . Blijkbaar neemt hij in dit jaar het bedrijf van
zijn vader over. In deze resolutie van Schepenen en Raad
wordt tevens opgetekend dat men wel verwacht “dat het
werk in de voornoemde glasblaserije met meerder ijver
als voor desen” zal worden uitgevoerd. In hetzelfde pand
waar zich de glasblazerij en het werkhuis bevinden,
werkt ook een zekere Roelof Morgenstern die er een karrelspinnerij
(voor het maken van zeildoek en canvas) op
nahoudt.
Op 11 november 1697 wordt de glasblazerij verhuurd aan
ene Raamhorst, een riemsnijder van beroep, die echter
wel weer direct moet verdwijnen wanneer de stedelijke
overheid dit wenst 16) . De laatste jaren van d’ zeventiende
eeuw en het eerste decennium van de achttiende
eeuw vormen een duistere periode in de geschiedenis van
de Zwolse glasblazers. Waar dit beroep in de stad werd
uitgeoefend en of het überhaupt wel in deze periode
plaatsvond, is onduidelijk. Pas in 1711 weten we meer.
Dan wordt aan Leon del Ferro toestemming verleend om in
het Klokkenhuis zijn glasblazerij te vestigen 1 7 ) . Zijn
zoon, Mareus del Ferro, is als knecht werkzaam in dit
bedrijf. We zullen hem in de volgende paragraaf nog tegenkomen.
Voor 1722 moet het glashuis verdwenen zijn,
omdat er in het Klokkenhuis dan een ‘bukkingdrogerije’
gevestigd wordt.
De moord
Op een dinsdag in februari van het jaar 1714 zouden de
glasblazers uit het bedrijf van del Ferro samen mosselen
gaan eten in het huis van hun collega Jacobus Buis 1 8 ) .
Het waren Lambertus Moor(e) en zijn zoon Martinus, Laurens
Wijnenaer, Gerard Nojel, Berent Smit, Jean Fabre en
Mareus del Ferro. Jean Fabre was om 12 uur ’s middags,
vlak voordat er gegeten zou gaan worden, nog even naar
huis gegaan om zijn muts, die hij altijd tijdens zijn
werk droeg, te verwisselen voor een pruik en hoed- Zijn
kostbaas viel het echter op dat Jean Fabre ook een degen
van boven haalde en deze beneden neerlegde. Wat had dat
“De Glasblaaser.
E aifyndrStofi leid onder} Grof.
37
g j , hajstalk glas,
‘Doorluchtig j of’tgm LichaamPwas:
Soo sai hditfcesen’van de^oomen,
Naadat hetcindling is berijd,
Uit d’Oven decserTyden Strijd,
In’t Eeuwig licht tevoorschijn koo/nm.
uit: Het Menselvk Bedrvf; 100 Verbeeldingen van Ambachten
naar originele etsen van Jan en Caspar Luiken
(Amsterdam 1694).
38
te betekenen?
Een aantal glasblazers hield zich rond het middaguur bezig
met het halen en bereiden van de mosselen, terwijl
Martinus Moor, Marcus del Ferro en Jean Fabre nog even
een borreltje vooraf namen ten huize van Berent Smit.
Een hoedenmakersknecht, Andries Hoijer genaamd, was
hierbij ook aanwezig. Deze laatste vertelt aan Martinus
dat Marcus del Ferro en Jean Fabre ruzie met elkaar hebben.
Martinus biedt hun een glaasje brandewijn aan om
de zaak bij te leggen, maar hoewel Jean Fabre hiertoe
wel genegen is, blijft Marcus koppig “zeggende gij moet
eerst met mij slaan met den degen eer ik drink”. Na deze
woorden verlaat Marcus het pand.
Martinus moet van de ernst van de zaak en deze woorden
doordrongen zijn geweest, want hij gaat naar het huis
van Jean Fabre om zijn degen voor de zekerheid weg te
nemen. Martinus heeft de degen onder zijn rok gestoken
en op zijn weg terug naar het huis van Berent Smit, komt
hij Jean Fabre tegen die hem vraagt of hij zijn degen
heeft. Martinus antwoordt bevestigend, maar deelt hem
tevens mee dat hij deze niet krijgt.
Wanneer Martinus terugkeert naar het huis van Berent
Smit, treft hij hier alleen Andries Hoijer aan, die hem
vertelt het een goede zaak te vinden dat Martinus de
degen heeft meegenomen om op deze wijze een escalatie
van de ruzie te voorkomen. Beide heren drinken hier nog
een glas brandewijn op. De talrijke glaasjes leiden ertoe
dat Martinus “genoodsaakt wierd om uit te gaan om
sijn behoef te doen”. Hij verstopt de degen zolang
achter een kast, “zeggende tegens Andries dat se den
degen aldaar niet zouden vinden”. Wanneer Martinus echter
terugkomt, blijkt dat zowel Andries Hoijer als de
degen verdwenen zijn. Martinus besluit nu om naar het
huis van Jacobus Buis te gaan.
Wanneer hij hier aankomt, treft hij Andries aan die nu
twee degens onder zijn rok heeft. Martinus en even later
de andere glasblazers proberen hem over te halen om de
degens af te geven. Maar Andries weigert want “seggende
dat de degens maar zoude naar buiten brengen om zijn
woort te houden, dog niet ter plaatse daar del ferro en
fabre het zelve besteld hadde en dat zulks met swaare
eeden hadden bevestigt”. Na deze woorden vertrekt Andries
met beide degens.
Na een klein half uur komt er een ‘Deensche ruiter’ aan
de deur van Jacobus Buis die het gezelschap mededeelt
39
dat er buiten de Diezerpoort een glasblazer gewond ligt,
welke een pruik en een hoed met een gouden boordsel op
heeft en in een witte rok gekleed is. De glasblazers
vertrekken naar de plaats des onheils. Bij aankomst
wordt het slachtoffer, Jean Fabre, op een ladder gelegd.
Jean spreekt met enige daar aanwezige onderofficieren
van het regiment van de prins van Oranje nog enige
woorden in het frans, waar de glasblazers weinig van
begrijpen. Daarna sterft hij.
Martinus en Lambertus Moor en Jacobus Buis gaan nu richting
de herberg ‘de Hanekamp’ om Marcus del Ferro te
zoeken. Ze treffen hem inderdaad hier in een beschonken
toestand aan, op het punt staande om te vertrekken samen
met een schipper. Lambertus vraagt nog aan Marcus “wat
zijnent wegen aan desselfs papa en mama zoude seggen”.
Marcus antwoordt schouderophalend met de woorden: “segt
mij alle Swolsche meisjes goede nagt”. Daarop vertrekt
Marcus in de richting van het Katerveer en nadat de
glasblazers hun bier bij de herberg hebben leeggedronken,
volgen zij zijn weg. Wanneer zij, evenals Marcus,
over de IJssel zijn gezet door de veerschipper van het
Katerveer, treffen zij aan de overkant in een huis
Marcus aan. Eén van de huisgenoten maakt duidelijk dat
hij daar niet kan blijven; “dat ijmand van het huisgezin
hadde gezegt dat wanneer haar een dubbeltjen wierde
gegeven zij genoodsaakt zoude weesen om iemand welke een
ongeluk hadde gehad te moeten bewaren tot de tijd dat
dezelve van het Gerigte wierde afgehaalt”. Deze woorden
gehoord hebbende, vertrekt Marcus in de richting van
Hattem en zover we kunnen nagaan, keert hij nimmer meer
in Zwolle terug.
Ook over de andere glasblazersknechten valt vrijwel
niets meer terug te vinden. Wel wordt het lijk van Jean
Fabre in opdracht van het gerecht nader geschouwd. Twee
steken hebben hem dodelijk getroffen: “een steeck
omtrent het reghter sleutelbeen welke penetrant was tot
in de borst jaa zelfs tot in de reghter lobus van de
longe was gaande” en: “De tweede steeck is geweest onder
het diaphragma of het middelschot ande slinker sijde
schuins ter sijde het cartilago ensiformis, welke steeck
door de maage was gaande..”. Deze lijkschouwing vindt
plaats op 22 februari 1714. Een dag later wordt Jean
Fabre begraven.
40
Het einde
Zoals reeds eerder werd vermeld, moet de glasblazerij
van Leon del Ferro voor 1722 met haar werkzaamheden gestopt
zijn. Daarna wordt het Klokkenhuis als haringdroger
ij benut.
In 1730 wordt door Schepenen en Raad toestemming verleend
aan Johan Jacob Beijer om in het Bolwerk achter
Mijkerkenskolk een gebouw neer te zetten om aldaar spiegel-
en vensterglas te gaan produceren 19) . Daarbij zal
Johan Beijer vrijgesteld worden van de accijnsen op
brandhout en kolen. Het is de vraag of Beijer, die op
dat moment nog in Amsterdam woont, ooit naar Zwolle is
gekomen. Over zijn persoon en over zijn op te richten
bedrijf, treffen we niets in de archivalia aan.
Tenslotte kunnen we de glasblazer Jan Berend Boode nog
vermelden die in 1812 als vader van Frans Boode genoemd
wordt 20) . Jan Berend en zijn vrouw Dina van Haraelen
zijn beiden reeds overleden. Vermoedelijk heeft Jan Berend
zijn vroegere beroep elders uitgeoefend.
We kunnen stellen dat de geschiedenis van de Zwolse
glasblazers een typische afspiegeling is van het algemene,
landelijke beeld dat we kennen van de ontwikkeling
van deze nijverheid. Buitenlanders spelen veelal
bij de oprichting een initiërende rol. Na 1685 zijn dat
vooral de Franse Hugenoten 2 1 ) . Hoewel de overheid veelal
stimulerend werkte bij de vestiging van glashuizen,
komen de bedrijven niet echt goed tot ontwikkeling.
Overmatig drankgebruik van veel glasblazers zal hierbij
ook niet positief gewerkt hebben.
Noten:
1. Voor een algemeen overzicht van de ontwikkeling van de
glasblazerijen in de Republiek zie: P.W. Klein “Nederlandse
glasmakerijen in de 17e en 18e eeuw” in: Economisch en Sociaal
Historisch Jaarboek. 42e deel (1981) p. 31-43.
2. G.A. Gouda, Oud -Archief. 2542, 25-4-1698.
3. G.A. Zwolle, Resoluties van Schepenen en Raden. 1688. p. 85.
4. Met dank aan W.A. Huijsmans, gemeente-archief Zwolle, voor het
opzoeken van de lokatie van het Klokkenhuis.
41
5. G.A. Zwolle. Kwitanties en rekeningen van de Grote Kerk, p.
2352.
6. G.A. Gouda. Oud-Archief. 2542. Stukken betreffende de
glasblazerij. Memorie inzake de glashuizen in Nederland.
7. G.A. Zwolle. Re3. van Schep, en Rad. 1688. p. 134.
8. G.A. Zwolle. RBSO. 726- p. 194.
9. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1690, p. 248.
10. G.A. Zwolle. RBSO. 754A-p. 1.
11. zie noot 2.
12. G.A. Zwolle. H.H. Lidmatenboek. 3. p. 12.
13. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1691.p. 353.
14. G.A. Zwolle. RBSO. 727-p.llO. (attestatie gegeven naar
Nijmegen op 8-9-1696).
15. G.A. Zwolle. Res van Schep en Rad.. 1696-p. 276-77.
16. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1697.p. 395.
17.G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1711.p. 321.
18. De rekonstruktie van de moord vond plaats aan de hand van
getuigen-verklaringen en het rapport van de lijkschouwing, te
vinden in: G.A. Zwolle. RAOOI-415. p. 556-623.
19. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1730.p. 464.
20. G.A. Zwolle.Reg. van alle hulzen. 1812, Ie wijk Waterstraat
125, p. 64-65.
21. vergelijk: H. van Gangelen “Archlvalische gegevens
betreffende de glasblazerij” in: P.H. Broekhuizen, A. Carmiggelt,
H. van Gangelen en G.L.G.A. Kortekaas (red.), Kattendlep
deurgraven: hlstorisch-archeologlsch onderzoek aan de noordzijde
van het Gedempte Kattendiep te Groningen. Groningen, 1988.
42
WERKLOOSHEID IN DE GEMEENTE ZWOLLE VAN 1925 TOT 1939
Thomas Casparie, John Sanders
1. Inleiding
De (Westerse) wereld heeft enkele crises gekend. We kunnen
hierbij denken aan oorlogen, maar ook aan economische
crises. Een belangrijke en omvangrijke is de crisis
in de jaren dertig geweest. Deze crisis werd ingeluid
met de beursval in 1929 in de Verenigde Staten en verspreidde
zich al snel daarna naar Europa. Deze enorme
crisis had grote gevolgen.
Ten eerste waren er de rechtstreekse: zeer hoge werkloosheid,
armoede, doden door honger, toename van criminaliteit,
etcetera. Behalve deze gevolgen zijn er ok
de indirecte gevolgen geweest. Hierbij is natuurlijk de
belangrijkste de opkomst van het fascisme geweest en in
het bijzonder het nazisme en de hierop volgende Tweede
Wereldoorlog.
Al deze gevolgen hebben de Westerse wereld beïnvloed.
Daarom is het nuttig om deze tijd te onderzoeken en je
af te vragen hoe het begon en hoe het verliep. Natuurlijk
is dat al vele malen gebeurd. Men ging dan echter
uit van heel Nederland of zelfs heel West-Europa. Dit is
natuurlijk heel globaal. Het is daarom misschien zinvol
om een specifiek gebied te onderzoeken en dan niet een
van de grote steden in de randstad te nemen maar een
middelgrote stad, een stad als Zwolle. Zou in deze
stad, dat een centrum is van een groot boerengebied de
crisis anders verlopen, op een ander tijdstip, zou hij
erger zijn, of juist minder erg?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden zijn we ons gaan
concentreren op het meest kenmerkende punt voor crises:
de werkloosheid. We hopen door ons onderzoek de vragen
aan het eind te kunnen beantwoorden.
De crisis werd ingeluid met de beurskrach in New York in
1929. Natuurlijk merkte West-Europa dit niet meteen (zogenaamde
’traagwerking’). Hierdoor waren de gevolgen
van de crises in Nederland later te merken en in Zwolle
nog iets later. De crisis strekte zich in Zwolle uit
van 1930/1931 tot en met 1936/1937. Voor de duidelijkheid
hebben we enkele jaren vóór en enkele jaren na de
crisis genomen. Ons onderzoek loopt dus van 1925 tot en
met 1939, het jaar waarin de Tweede Wereldoorlog begon.
43
Aangezien ons onderzoek veel getallen en cijfers oplevert,
hebben wij voor de duidelijkheid een aparte bijlage
met getallen en grafieken gemaakt. In het verslag
zullen wij naar deze bijlage verwijzen. Om de getallen
in de tabellen goed te kunnen begrijpen, moeten het
aantal inwoners van de gemeente Zwolle en de omvang van
de totale beroepsbevolking bekend zijn. Het aantal inwoners
was in 1925 38.599 en steeg tot 42.525 in 1939.
Wat betreft de grootte van de beroepsbevolking is ons
slechts één getal bekend. Dit getal is afkomstig uit
1930 en bedraagt 16.247 personen.
Wij zullen ons alleen toeleggen op de werkloosheid op
zichzelf en niet op de sociale kant van de werkloosheid.
2. Crisis in Zwolle
Laten we, alvorens we met het beschrijven van het verloop
van de crisis in Zwolle beginnen, eerst een vergelijking
trekken met het Rijk (= geheel Nederland).
Hierbij beperken we ons tot de periodes waarin de crisis
in Zwolle en in het Rijk plaatsvond. In het volgende
hoofdstuk zullen we ook getallen vergelijken.
In de grafieken 1 en 2 zien we dat de crisis in Zwolle
later begint dan in het Rijk. Dit kan verklaard worden
door het verschil in economische sectoren die in de gemeente
Zwolle en in het Rijk aanwezig zijn.
Een aantal groepen die in eerste instantie getroffen
worden (hierbij nemen we aan dat alle soorten groepen in
het hele land vertegenwoordigd zijn) zijn de volgende:
-mensen die hun geld geïnvesteerd hebben in aandelen,
bedrijven;
-werknemers die werken bij industrieën die welvaartsgoederen
produceren (de zogenaamde ‘lichte industrie’);
-bankiers.
Het is duidelijk dat het soort groepen dat getroffen
wordt, niet echt typerend voor Zwolle is. Hiermee kan
verklaard worden waarom in Zwolle de crises later begon,
aangezien in het Rijk wel de bovenstaande groepen aanwezig
zijn.
Bovendien zien we in grafiek 2 dat de curve van Zwolle
op een gegeven moment (1935) de curve van het Rijk inhaalt.
Dit kan verklaard worden door het feit dat in
Zwolle bedrijven aanwezig zijn die weliswaar niet in
eerste instantie getroffen worden, maar wel later.
Hierbij moeten we denken aan de agrarische sector, nijverheid
en handel. Deze sectoren zijn ruim aanwezig in
44
Zwolle. Deze sectoren zullen, zodra de crisis in het
gehele land doorgedrongen is, ook getroffen worden,
waardoor de werkloosheidscurve van Zwolle rond 1935 die
van het Rijk inhaalt. ;
Verder zien we dat de werkloosheid in het Rijk eerder
minder wordt dan in Zwolle. Daarvoor is een logische
verklaring. De groepen namelijk die als eerste getroffen
werden, zullen zich bij een aantrekkende economie ook
weer als eerste herstellen.
3. Hoe verloopt de crisis?
Om deze vraag duidelijk te beantwoorden hebben we de
tijdsperiode 1925-1939 onderzocht. Voor ons onderzoek
hebben we voornamelijk de Verslagen van de Gemeente
Zwolle gebruikt.
1925-1928:
In 1925 kende men ook al werkloosheid in Zwolle. Het
aantal werklozen was toen ongeveer 74 5 personen.
Van 1925 tot 1928 schommelt het aantal werklozen nogal,
maar het neemt af. De reden hiervoor is de grote welvaart
die bereikt werd in de V.S. en in Europa vlak voor
de beurskrach en crisis.
Kijken we echter naar het aantal ingeschreven werklozen,
ook wel ‘aanbiedingen’ genoemd, dan zien we dat dat aantal
in de periode 1925-1928 licht stijgt in vrijwel alle
categorieën. Zie tabel 1.
Maar uit tabel 2 blijkt dat tegelijkertijd het aantal
werkzoekenden die een baan hebben gevonden, ook wel aangeduid
met ‘plaatsingen’, toeneemt. Het percentage aanbiedingen
dat geplaatst is, is voor deze jaren respectievelijk
44,9%, 44,1%, 42,6%, 48,0%.
Conclusie: in de periode 1925-1928 schommelt de werkloosheid
een beetje, maar zij neemt wel af.
1929:
In 1929 vindt de beurskrach in de V.S. plaats en begint
daar de crisis. Hoewel deze crisis tamelijk snel overwaait
naar ons land en naar Zwolle, wordt haar invloed
toch maar zeer licht gemerkt in 1929. Het aantal werklozen
neemt namelijk iets toe (672 in 1929 tegen 616 in
1928). Het percentage geplaatsten blijft vrijwel gelijk
(48,6 in 1929).Dit verschil kan verklaard worden door
het feit dat het werkloosheidscijfer aan het eind van
het jaar wordt opgemaakt, toen de beurskrach net had
plaatsgevonden, in tegenstelling tot het cijfer van het
aantal geplaatsten, dat over het gehele jaar bepaald
45
Werkverschaffing nabij speeltuin ‘het Noorden’ gelegen
aan de Albert Cuypstraat
Foto van A. Meulenbelt, aanwezig bij gemeentearchief
Zwolle; reprografie: J.P. de Koning
46
wordt.
Conclusie: De beurskrach heeft vrijwel geen invloed op
de werkloosheid in Zwolle; de economie blijft (nog) rustig.
1930-1931:
In 1930 daalt het percentage geplaatsten tot 45,2%. Het
aantal werklozen stijgt in vergelijking met voorafgaande
jaren sterk. Verder is het opvallend dat de verhouding
werkzoekenden/werklozen sterk verandert, vooral bij de
vrouwen (zie de tabellen 3 en 4).We zien dat langzamerhand
de crisis in Zwolle doordringt.
In 1931 schrijven veel mensen zich in bij het arbeidsbureau.
In de tabellen 3 en 4 zien we dat het aantal
werkzoekenden met ongeveer 35% toeneemt: veel mensen
merken de crisis nu net en uit voorzorg schrijven velen
zich in om voor de grote klap nog een baantje te vinden.
Dit verklaart ook waarom het aantal vooral bij de vrouwen
sterk stijgt: veel vrouwen die eerst thuis bleven
moeten nu om het salaris van hun echtgenoot aan te vullen
of omdat hun echtgenoot werkloos is geworden, een
baan zoeken. Hetzelfde geldt voor kinderen (zie vrouwen-
/mannen onder de 18 jaar). Als we willen onderzoeken of
net aantal mensen dat werkelijk een baan vindt dèk toeneemt,
moeten we kijken naar tabel 1.
Als eerste zien we dat inderdaad in 1931 het aantal aanbiedingen
sterk toeneemt, vooral bij de vrouwen. Kijken
we dan naar de kolom plaatsingen dan zien we dat het
aantal plaatsingen niet rechtevenredig toeneemt: voor
mannen ouder dan 18 wordt van de aanbiedingen in de periode
1929-1931 respectievelijk 40%, 37%, 33% geplaatst.
Bij vrouwen ligt het echter heel anders. Ten eerste liggen
de percentages veel hoger, maar ten tweede neemt het
aantal plaatsingen evenredig toe met het aantal aanbiedingen.
De markt voor vrouwen was nog lang niet verzadigd
in tegenstelling tot de markt voor mannen. Op een
gegeven moment is het zelfs het geval dat werkgevers
meer vrouwen vragen dan mannen.
Een veel belangrijker reder misschien is het feit dat
vrouwen veel goedkopere werkkrachten zijn: ze werden
sterk onderbetaald vergeleken met de mannen.
Conclusie: de crisis begint langzamerhand; de werkloosheid
stijgt en er is sprake van een dalende conjunctuur.
1932-1934:
Als we dan naar 1932 gaan, dan zien we dat de stijging
die in 1931 plaatsvond, doorzet. Wij hoeven dit niet
verder uit te werken: zie de tabellen 1 tot en met 4.
47
Werkverschaffing nabij speeltuin ‘het Noorden’ gelegen
aan de Albert Cuypstraat
Foto van A. Meulenbelt, aanwezig bij gemeentearchief
Zwolle; reprografie: J.P. de Koning
48
In 1933 zet de sterke stijging nog steeds door. Er vallen
echter enkele dingen op.
Ten eerste zien we in tabel 1 dat het aantal aanbiedingen
zijn grootste stijging heeft in 1933.
In 1933 vinden we ook voor het eerst in de verslagen het
exacte percentage werklozen van de totale bevolking van
de gemeente Zwolle. Dit bedraagt in 1933 2,80% (zie tabel
5) .
De grote stijging na 1932 is onder andere te wijten aan
hoge naoorlogse geboorte. Tussen 1928 en 1932 was er een
geringen toename van de beroepsbevolking, dankzij het
lage geboortecijfer tussen 1914 en 1918 (Eerste Wereldoorlog)
.
In 1934 zet de stijging nog steeds door: de crisis begint
nu echt. In tabel 5 zien we dat het percentage
werklozen van de totale bevolking in de gemeente Zwolle
op 31 december gestegen is van 2,80% in 1933 tot 3,75%
in 1934. Dat is vooral te wijten aan de crisis die veel
slachtoffers maakt in de bouwsector, die in de jaren
1932-1938 erg verslechtert door weinig opdrachten (zie
ook grafiek 3). Hierop zien wij dat de werkloosheid in
de bouwbedrijven zeer sterk toeneemt, veel sterker dan
in de overige sectoren.
Het is misschien interessant om te kijken naar het percentage
geplaatsten (tabel 2) . Wij zien hier dat het
percentage geplaatsten daalt van 44% in 1933 tot 35% in
1934. De verklaring hiervoor is dat de werknemers minder
aanvragen plaatsen. Het aantal geplaatsten is lager dan
het aantal voldane aanvragen van de werkgevers. De verklaring
daarvoor is het feit dat werkgevers ook mensen
van buiten de gemeente Zwolle in dienst nemen. Veel arbeiders
die in Zwolle werken (vooral bij de grote bedrijven)
komen van buiten de gemeente Zwolle. Slechts
de helft woont in Zwolle en slechts een derde is in
Zwolle geboren!
Het aantal werklozen neemt in de periode 1931 tot 1936
sterk toe. Opvallend is dat in de zomermaanden de werkloosheid
daalt terwijl deze in de wintermaanden een
sterke stijging vertoont. De reden hiervoor is het feit
dat in de wintermaanden enkele beroepen niet of nauwelijks
uitgevoerd kunnen worden. De bouw- en wegensector
ligt bijvoorbeeld stil. Dit is de zogenaamde seizoenswerkloosheid.
Dit verschijnsel is duidelijk te zien in
grafiek 4: in de wintermaanden is de werkloosheid in de
bouwsector het hoogst, terwijl dit niet bij de overige
sectoren het geval is.
49
Om de werkloosheid met andere gemeenten te vergelijken
is het gewenst dat we gebruik maken van de zogenaamde
‘werkloosheidsdagen in procenten1, dat wil zeggen die
uitdrukken welk percentage dagen niet gewerkt is van het
totaal aantal dagen dat gewerkt had kunnen worden.
Hierbij blijft het aantal werklozen buiten beschouwing
(zie de grafieken 1,2 en 5).
De seizoenwerkloosheid in Zwolle blijkt aanmerkelijk
groter te zijn dan in andere gemeenten in Nederland. In
1937 bijvoorbeeld ligt Zwolle boven het Rijks gemiddelde.
Dat komt vooral door de overheersende plaats van de
bouwbedrijven die in Zwolle gevestigd zijn. Bijvoorbeeld
op 1 april 1938 komt 26% van de werklozen uit de bouw.
Conclusie: De werkloosheid stijgt in de periode 1932-
1934 sterk. Het is vooral de bouwsector die deze werkloosheid
veroorzaakt. De economie verslechtert steeds
meer; de crisis stijgt naar een hoogtepunt.
1935;
In 1935 is er nog steeds sprake van een verslechtering
van de werkgelegenheid. Maar de daling van het percentage
geplaatsten is gestagneerd (35,4% in 1934 tegen
35,9% in 1935) (zie tabel 2). Ook in tabel 3 en tabel 4
zien we dat de stijging lager is in 1935 dan in het jaar
daarvoor. Het exacte percentage van de totale bevolking
in de gemeente Zwolle vinden we in tabel 5: 4,5%.
Voor de vrouwen kan 1935 het slechtste jaar van de crisis
genoemd worden. In dat jaar is de werkloosheid onder
vrouwelijke werknemers het hoogst.
Conclusie: De crisis lijkt op zijn hoogtepunt in 1935.
De werkloosheid stijgt niet zo sterk meer; de economie
verslechtert niet veel meer.
1936:
In 1936 vindt er een opleving plaats van de Nederlandse
en de Zwolse economie. Deze korte opleving is een kenmerk
van crises. Altijd na een periode van dalende conjunctuur
vindt er een zeer plotselinge opleving plaats.
Deze is echter slechts tijdelijk: na zo’n opleving is er
meestal een stagnerende conjunctuur.
Het exacte percentage werklozen van de totale bevolking
in de gemeente Zwolle stijgt ook niet meer: dit blijft
4,5%.
Conclusie: De crisis is inderdaad over zijn hoogtepunt
heen: er vindt een lichte opleving van de economie en
werkgelegenheid plaats.
50
1937:
In 1937 zien we dat de opleving zich inderdaad niet
doorzet. Een verklaring daarvoor is onder andere de opheffing
van de ‘Centale Werkplaats’ der Nederlandse
Spoorwegen in 1937. Er is namelijk sprake van een groot
negatief vestigingsoverschot bij de N.S. Desondanks
daalt het percentage werklozen iets: van 4,5% naar 4,4%.
De economie leeft op.
Ook het percentage geplaatsten stijgt: van 37% naar 42%
(tabel 4) . In tabel 3 en tabel 4 zien we dat ook het
aantal werkzoekenden niet meer stijgt. Uit dit alles
kunnen we concluderen dat de crises inderdaad over z’n
hoogtepunt heen is.
Conclusie: Hoewel het herstel niet even snel doorzet als
het begon, neemt de crisis duidelijk af.
1938-1939:
1938 is het jaar van het herstel. Dit blijkt onder andere
uit tabel 2: in 1937 was het percentage geplaatsten
40%; in 1938 45%! We zien een duidelijk herstel van de
economie. Uit 1938 is ook een bron afkomstig die de
werkloosheid in de verschillende leeftijdscategorieën
weergeeft: tabel 6. Hierbij moet natuurlijk wel rekening
gehouden worden met het feit dat dit geldt voor de beroepsbevolking
en niet voor de totale bevolking. Hierdoor
liggen de percentages relatief hoog.
Dan zijn we aangeland bij het laatste jaar van ons onderzoek:
1939. In 1939 herstelt de economie zich verder.
Dit vinden we onder andere weer in tabel 2: het percentage
geplaatsten stijgt verder naar 51%. Het aantal
werkzoekenden, ingeschreven bij de arbeidsbureaus verandert
nog sterker: het aantal daalt met 22%!!
Het exacte percentage werklozen daalt van 4,15% in 1938
tot 3,35% in 1939. Een sterke daling.
Conclusie: Het lijkt erop dat de economie zich weer bijna
volledig heeft hersteld, alhoewel de getallen nog
niet de hoogte van 1925-1928 hebben bereikt. Toch ging
het de goede kant op.
4. Conclusie en samenvatting
Wij kunnen nu dus duidelijk zeggen dat er een crisis
heeft plaatsgevonden in de jaren dertig in Zwolle. Wij
zien dit aan de stijgende werkloosheid, die zich begin
dertiger jaren vertoonde.
Deze stijging werd voorafgegaan door een periode van
welvaart. Door deze welvaart voor vele mensen leefde de
zogenaamde ‘lichte industrie’ (consumptiegoederen en
luxe artikelen) op. Er ontstond echter een overproductie.
Tegelijkertijd kwam de landbouw sterk in de problemen.
Deze factoren (en ook vele andere, psychologische
factoren) speelden mee in de beurskrach van 1929.
Hierdoor werd een periode van dalende conjunctuur ingeluid.
Eerst werden de bedrijven, die rechtstreeks te maken
hadden met de crisis, getroffen, maar na enkele jaren
was de gehele samenleving er van doordrongen. Doordat in
Zwolle vooral bedrijven aanwezig waren die pas in tweede
instantie getroffen werden door de beurskrach begon de
stijging (en daling) van de werkloosheid, in Zwolle betrekkelijk
laat.
In 1929 begon de werkloosheid al langzaam te stijgen,
ook in Zwolle. In de volgende vier jaren steeg deze nog
veel meer. Dit was vooral bij de mannen het geval. Bij
vrouwen, omdat hun arbeidsmarkt nog niet verzadigd was
en omdat ze lagere lonen ontvingen, steeg de werkloosheid
niet zo drastisch.
In 1934/1935 bereikte de crisis zijn top: 4,5% van de
gehele bevolking in Zwolle was werkloos. Dat getal is in
1988 zelfs lager (2,0%). Deze hoge werkloosheid was het
geval in het gehele land. Wij kunnen zelfs zeggen dat de
werkloosheid in Zwolle nog betrekkelijk laag was vergeleken
met het Rijk. Na de top in 1935 was er sprake van
een herstel. Hoewel dit herstel zich niet even snel
voortzette als het begonnen was, nam de werkloosheid in
de volgende paar jaren langzaam weer af. Het niveau van
1925 werd echter nooit meer bereikt voor de Tweede Wereldoorlog.
Zoals in de gehele Westerse wereld is er in Zwolle ook
een crisis geweest in de jaren dertig. Deze crisis heeft
vele slachtoffers gemaakt. Hoewel er wel uitkeringen
waren voor werklozen in die tijd, betekende geen baan
hebben toch vaak honger lijden. Deze kant van de crisis
hebben wij niet behandeld. Wij hebben ons bewust beperkt
tot een objectieve weergave van de feiten die te vinden
waren over de werkgelegenheid in die periode. Wij hebben
geen aandacht besteed aan de sociale gevolgen van deze
feiten.
52
Literatuur:
L. van Vuuren, Rapport betreffende een onderzoek naar de
welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle (1930-1939).
Zwolle 1939.
Verslagen Gemeente Zwolle van de periode 1918-1939.
De Zwolse Courant, jaargang 1928-1929.
Sprekend verleden.
Met dank aan: Drs. P. Berends, Gemeente Archief te
Zwolle, Prof. Dr. A.F. Casparie.
Biilage
Alle woorden opgenomen in deze bijlage zijn letterlijk
uit de desbetreffende bronnen opgenomen (zie literatuurlijst)
. Hierdoor kunnen de woorden nogal eens onduidelijk
zijn. Daarom volgt hieronder een korte omschrijving
van de gebruikte woorden:
Aanbiedingen : werkzoekenden, die ingeschreven zijn.
Plaatsingen : werkzoekenden, die een baan gevonden
hebben.
Aanvragen : de vraag van werkgevers naar werknemers.
Voldaan ‘• indien een aanvraag van de werkgever
voldaan is.
Werkzoekenden: een ieder die een baan zoekt, zowel bij
werkloosheid als bij verandering van
baan.
53
tabel 1: Aanbiedingen en plaatsingen van werknemers
A A N B I E D I N G E N
Jaar Mannen Vrouwen
P L A A T S I N G E N
Mannen Vrouwen
1925
1926
1927
1928
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
2394
2657
3174
2862
2859
3134
3599
3752
3957
4116
4224
3417
3933
4049
3703
440
419
414
415
404
492
499
524
561
715
785
787
847
746
576
751
890
917
1178
1113
1240
1531
1548
1480
1460
1558
1364
1434
1500
1438
409
441
430
497
401
453
584
704
689
820
888
842
1002
976
903
917
927
1120
1185
1163
1148
1202
1133
1240
997
1067
683
1096
1117
1224
217
230
211
211
184
181
185
155
210
252
289
303
351
376
372
402
503
564
644
736
818
1025
1027
975
789
896
864
914
965
1060
259
273
261
289
240
258
389
439
468
481
476
535
631
707
705
tabel 2: Het totale aantal aanbiedingen van werknemers
en het totale aantal aanvragen van “werkgevers van 1925
tot 1939. ~~~
A A N B I E D I N G E N
Jaar geplaatst
1925
1926
1927
1928
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
3994
4377
5056
4852
4777
5319
6213
5737
6678
7111
7455
6410
7216
7271
6620
1795
1933
2156
2329
2323
2405
2801
2754
2897
2519
2677
2385
2992
3165
3361
A A N
0
2948
3350
3752
4132
3799
3968
3728
3963
3450
3551
3150
3990
4370
5103
V R A G E N
voldaan
0
1947
2183
2360
2366
2484
2951
2900
3107
2741
2937
2574
3227
3358
3581
54
tabel 3: Het aantal ingeschreven werkloze mannen op de
arbeidsbureaus op 31 december van het genoemde jaar
Jaar
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
M A N N E N
ouder dan 18
totaal
werkzoekend
623
792
1021
1295
1487
1835
2263
2278
2202
2214
1792
jaar
waarvan:
werkloos
425
528
670
940
1021
1324
1551
1637
1580
1586
774
twg
bwv
97
0
39
38
0
150
189
0
173
0
559
M A N
jonger
tot.
werkzoek.
37
80
99
120
114
150
188
164
195
108
62
N E N
dan 18 jaar
waarvan
werkloos
18
59
63
85
59
89
116
104
112
52
24
tabel14: Het aantal ingeschreven werkloze vrouwen pp de
arbeidsbureaus op 31 december van het genoemde jair
VROUWEN VROUWEN
ouder dan 18 jaar jonger dan 18 jaar
Jaar totaal waarvan totaal waarvan
werkzoek. werkloos werkzoek. werkloos
17 26 8
33 27 19
55 50 28
60 78 56
54 64 39
117 103 82
153 172 130
120 130 100
103 155 105
66 82 46
19 39 13
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1.938
1939
96
63
118
131
107
187
261
201
204
206
127
55
tabel 5: Het percentage werklozen van de totale bevolking
van de gemeente Zwolle op~31 december van het genoemde
jaar.
Jaar : 1933 1934 1935 1936 1937 1938 1939
percentage: 2,80% 3,75% 4,50% 4,50% 4,40% 4,15% 3,35%
Let op: deze percentages gelden voor de gehele bevolking.
Kijken we alleen naar de beroepsbevolking, dan
liggen deze percentages 3,5 tot 4,0 maal hoger.
tabel 6: De werkloosheid in verschillende leeftijdscategorieën
van de beroepsbevolking in procenten
leeftijd percent, leeftijd percent. leeftijd percent.
14/15 3% 32/33 16% 50/51 11%
16/17 4% 34/35 15% 52/53 11%
18/19 5% 36/37 15% 54/55 12%
20/21 9% 38/39 14% 56/57 11%
22/23 12% 40/41 11% 58/59 11%
24/25 12% 42/43 11% 60/61 7%
26/27 14% 44/45 8% 62/63 11%
28/29 17% 46/47 9% 64/65 5%
30/31 17% 48/49 8%
56
36
30
20
10
0
1
1

Wt
IN PRO1″ ENTtN
/
r
h
u
••”
>3»0EN
il
”ft
l’tt
“/f
-,1
)
-/
7—:
‘V i
‘”j/
19»
Jt
/-
Ut
Cl
‘ ‘ ,1 \,A /
“V
grafiek 1
173
O
K357

i
I
•e •S ?
t
– Q
i
S e
a – :
grafiek 3 grafiek 4
AANTAL V/tRM-OOZSN OPWtTEINDS
DEH MAAND IN GROEP 17
grafiek 5 UI
09
10
59
PROBLEMEN ROND DE KOSTER-SCHOOLMEESTER IN ZWOLLE
J. Erdtsieck
Zoals vele andere kerken in vorige eeuwen kende ook de
Lutherse Kerk in 1815 de functie van koster-schoolmeester.
Een arme gemeente zoals de Evangelisch Lutherse
was, kon hier uiteraard niet veel voor uittrekken, maar
de gelegenheid werd geboden om de karige inkomsten aan
te vullen met het exploiteren van een school. De kerk
stelde ruimte en materiaal ter beschikking en het
schoolgeld was voor de meester. De armen hoefden slechts
de helft van het schoolgeld te betalen, de diakonie paste
de andere helft bij.
Als de schoolmeester bekwaam was, zo redeneerde men, dan
kreeg de man ook leerlingen, dus ook meer inkomsten. Hij
had dus de hoogte van zijn salaris in eigen hand.
Maar buiten het schoolwerk had hij ook in de kerk nogal
wat te doen. Zijn werk begon hier ’s zaterdags als hij
het briefje van de dominee moest ophalen. Hierop stonden
de te zingen liederen en ook welke Bijbelgedeelten hij
in de dienst diende te lezen. Ook moest hij de borden
waar-op de liederen aangekondigd werden klaar maken,
’s Zondags om 9 uur en 14.30 uur werd hij in de kerk
verwacht om de deuren te openen en klaar te staan om de
nodige diensten te verlenen. Hij moest de te zingen liederen
oplezen en als er doop was zorgde hij ook voor
doopwater. Bij het avondmaal moest hij zorgen voor brood
en wijn. Ook diende hij bij iedere kerkeraadsvergadering
aanwezig te zijn en de uitnodiging bij de leden aan huis
aanzeggen. En bij dit alles werd verwacht, dat hij de
‘liefde en achting van de predikant, de gemeente en de
jeugd kon verwerven”. En dit alles voor ƒ150,— per
jaar.
In de school had hij de Kleine Catechismus te onderwijzen
en te overhoren en het evangelie van de zondag te
laten lezen of over te laten schrijven. De overige lessen
bestonden uit rekenen, schrijven en les in de Nederduitse
en Hoogduitse (!) taal.
Hier toonde de Lutherse Kerk duidelijk haar afkomst en
het is dan ook niet verwonderlijk, dat toen in april
1815 vervanging moest komen van de uit Duitsland afkomstige
koster-voorzanger SlUter, men allereerst weer
daar ging zoeken. Men had namelijk gehoord, dat SlUter
een broer had, die dit werk in Duitsland ook deed.
Maar de aangezochte had geen interesse. Nu werd de heer
60
L. Thorbecke (een neef van de latere minister-president
J.R. Thorbecke), die familie had in Osnabrück verzocht
eens te schrijven naar zijn relaties. Dit had succes en
spoedig daarop kwam zich een zekere Heinrich Mötz presenteren.
Hij was de Nederlandse taal wel niet zo machtig,
maar dit zou hem onderwezen door de predikant. Wel
schreef men: “Er muss eine gute Stimme zum Singen haben,
auch vor alle dingen ein Zeugnis seines guten und
Christliche VerhMltnis vorzeugen können und ein Glied
der Evangelisch Lutherische Genie inde sein”.
Bij een presentatie in Zwolle werd hij benoemd en zo
deed hij op 29 oktober 1815 zijn intrede als ‘custosschoolmeester’.
Met het werk in de kerk had hij geen moeite, maar het
beginnen van een school was niet zo gemakkelijk. De
kerkeraad had nog geen lokaal en er waren ook nog geen
kinderen. En juist daarvan moest hij het financieel hebben.
Op 28 november schreef hij al een brief, dat hij
niet rond kon komen van het tractement. Dit was niet
verwonderlijk, want de predikant die tot 1814 ƒ250,—
tractement had, klaagde ook al steen en been. De kerkeraad
beloofde hierop een lokaal te zoeken en kinderen te
werven.
De koster had echter geen geduld meer en op 10 januari
1816 werd door de predikant gemeld, dat Mötz met de
noorderzon in de richting Deventer was verdwenen onder
meeneming van een voorschot op zijn tractement, zijnde
37 guldens en 10 stuivers.
Zo was men weer terug bij af. Weer was het de heer
L. Thorbecke die in Duitsland informeerde, maar ditmaal
zonder succes.
Nu besloot de kerkeraad het in Nederland te proberen en
er werd een advertentie geplaatst in de ‘Opregte Haarlemmer
Courant’, het toonaangevende dagblad in die dagen.
Dit leverde twee sollicitanten op, één uit Groningen en
één uit Doesburg. De laatste, de heer J.M.A. Reindhold,
viel bij de leden het meeste in de smaak. Maar er kwam
een kink in de kabel. Het aanstellen van onderwijzers en
het houden van een school was in het nieuwe Koninkrijk
inmiddels aan regels gebonden. Er was toestemming van de
koning voor nodig. De sollicitatie werd aangehouden en
er werd een brief aan de koning opgesteld en verzonden.
Het antwoord kwam al spoedig: men wilde eerst aan de
hand van een vragenlijst het nodige van de Lutherse
plannen weten. De kerkeraad liet weten, dat het om een
Openbare school ging (iedereen was welkom), maar dat ook
61
Lutherse wees- en armenkinderen kwamen. Onderwijs werd
gegeven in lezen, rekenen, schrijven en de Nederduitse
en Hoogduitse taal. Het onderwijs was niet gratis, maar
voor de armen werd de helft betaald door de diakonie.
Toen antwoordde de minister op 9 november 1816, dat de
school wel toegestaan kon worden, maar dat er een nieuwe
oproep moest komen voor de onderwijzer in de Staatscourant,
de Zwolse Courant en desnoods de Opregte Haarlemmer
Courant. Bovendien moesten de kandidaten een vergelijkend
examen afleggen onder toezicht van het eerste
schooldistrict van de Provinciale schoolcommissie. Deze
stond voor Zwolle en omstreken onder voorzitterschap van
ds. A.A. Alting uit Kampen.
In februari 1817 meldden zich nu twee sollicitanten,
waaronder weer de heer Reinhold uit Doesburg en de heer
F.PH. Röpeke. Het proces verbaal van het examen wees
uit, dat de heer Reinhold afgewezen werd, omdat hij niet
de vereiste bevoegdheden had, maar dat de heer Röpeke
uit Leeuwarden benoemd kon worden.
Helaas kwam er op 28 maart 1817 weer oponthoud. De minister
was tot de ontdekking gekomen, dat de school eigenlijk
een zogenaamde burgerschool was, die toestemming
moest hebben van Burgemeester en Wethouders van
Zwolle. Wellicht wilden dezen de toestemming van de commissie
overnemen. Dit gebeurde inderdaad en op 10 april
werd bericht van B & W ontvangen, dat de benoeming kon
plaatsvinden. Eindelijk had de Lutherse Kerk na twee
jaar weer een custos-schoolmeester.
Bron:
Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle; Kerkelijke Archieven
KA022 02
62
BOEKBESPREKING
Wantje Fritschy, Leo Douw (red.), Oost-Nederland in de
negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe.
Overijssel en Gelderland in de negentiende en vroeg
twintigste eeuw. (Amsterdam, 1988) 114 pag.
ISBN 90-6256-603-0. ƒ. 42,50.
J.H. Drentje
In de serie ‘Regionale geschiedenis van Nederland’
uitgegeven door de Vrije Universiteit van Amsterdam is
als aflevering 3 verschenen: Oost-Nederland in de
negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe.
Overijssel en Gelderland in de negentiende en vroeg
twintigste eeuw (Amsterdam, 1988). Het betreft hier een
bundeling van voor publicatie bewerkte scripties en onderzoeksverslagen
van studenten en medewerkers van de
vakgroep economische en sociale geschiedenis van de V.U.
De titel van het boek wekt de verwachting, dat de lezer
zicht zal krijgen op het moderniseringsproces in de negentiende
eeuw in Oost-Nederland. Het accent ligt echter
op het platteland van Drente in de tweede helft van de
negentiende eeuw en het moderniseringsproces blijkt
vooral een problematische term te zijn. Er is onder andere
onderzoek gedaan naar het karakter van de criminaliteit
in Drente in de tweede helft van de negentiende
eeuw. Hieruit blijkt geen relatie tussen criminaliteit
en modernisering. In de meeste bijdragen wordt het moderniseringsproces
in Drente vooral als een ontwikkeling
van buitenaf gezien. Uit het onderzoek naar de verbeteringen
in Drentse infrastructuur blijkt echter onder
meer, dat een belangrijk deel van het geld voor de
Drentse Kanaalmaatschappij uit Drente zelf afkomstig
was.
In het algemeen wordt met betrekking tot de Drentse
landbouw uitgegaan van de visie van J.L. van Zanden,
zoals hij die uiteen heeft gezet in De economische
ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende
eeuw 1800-1914 (Wageningen 1985) . Van het in
1987 in de A.A.G.-bijdragen verschenen proefschrift van
J. Bieleman Boeren OP het Drentse zand; een nieuwe visie
op de oude landbouw (Wagningen 1987) kon blijkbaar geen
gebruik gemaakt worden, zodat de landbouw in Drente voor
1800 vanwege de eeuwige roggebouw uitsluitend als ach63
terlijk wordt omschreven (blz. 14).
Bieleman heeft echter aangetoond, dat het Drentse boerenbedrijf
al in de zeventiende eeuw een veel dynamischer
karakter had en in een zekere betrekking tot de
markt stond, terwijl het productiviteitsniveau behorende
bij de eeuwige roggebouw al rond 1700 doorbroken was. Er
is tussen Bieleman en Van Zanden een discussie ontstaan,
die werd gevoerd in Tijdschrift voor Geschiedenis 101
nr. 2 (1988) 190-224. Wie een goed overzicht van deze
discussie wil, kan dit vinden in het tijdschrift van de
Drentse Historische Vereniging Ons Waardeel 8 nr. 5
(1988).
Op deze uitgave van de V.U. maken wij u attent, omdat
amateur-historici en studenten hieruit tal van ideeën op
kunnen doen voor een onderzoek, waarbij ook gebruik gemaakt
wordt van seriële gegevens. Vooral het laatste
artikel van Marian de Vries over huwelijk en gezin in
Salland is een mooi voorbeeld van een onderzoek met behulp
van de methode van gezinsreconstructie. Zij komt
hierbij de voor Salland typerende grootfamilie op het
spoor, waarbij de grootouders inwoonden en er sprake was
van een huishouden bestaande uit drie generaties: een
leefsituatie die men drie keer in zijn leven meemaakte.
Haar artikel heeft echter geen expliciete relatie met de
centrale vraagstelling. Was het wel zo verstandig deze
bundeling van zo naar onderwerp, tijd en plaats verschillende
scripties het moderniseringsproces op te
dringen?
BOEKBESPREKING
Doorwerking van de Moderne Devotie? Bespreking van:
P. Bange, C. Graafland, A.J. Jelsma, A.G. Weiier
(red.), De doorwerking van de Moderne Devotie. Windesheim
1387-1987. (Verloren, Hilversum, 1988) ƒ58,50.
Nico Lettinck
Voor de meeste lezers van dit tijdschrift zullen de
uiteenlopende vieringen rond het thema ‘Windesheim 600’
nog vers in het geheugen liggen. In dat kader werd in de
herfst van 1987 een uitstekend bezet wetenschappelijk
symposium gehouden met als thema ‘De doorwerking van de
Moderne Devotie; Windesheim 1387-1987’. In en rondom de
64
huidige Nederlands-Hervormde Kerk van windesheim werden
toen door een straffe wind begeleid maar liefst 18 lezingen
over dit onderwerp gehouden. Deze teksten zijn
nu fraai door uitgeverij Verloren gepubliceerd in een
bundel waarvan alleen de vaal paarse kaft weinig tot de
verbeelding spreekt. De inhoud daarentegen verdient alle
aandacht van degenen die op welke manier dan ook geïnteresseerd
zijn in de betekenis van de Moderne Devotie en
de Windesheimer beweging voor later eeuwen.
Over de Moderne Devotie, Windesheim en de toonaangevende
geestelijken zoals Geert Grote en Thomas van Kempen zijn
in de loop der tijd al bibliotheken volgeschreven.
Wellicht mede daarom heeft het congrescomité besloten de
aandacht nu eens te verleggen naar de eventuele doorwerking
van deze beweging. De meeste auteurs hebben zich
goed aan hun opdracht gehouden. Het resultaat van de
vaak minutieuze detailstudies is dat heel wat algemeen
bekende visies omtrent de betekenis van de Moderne Devotie
gecorrigeerd of genuanceerd worden. Ik kan er hier
slechts enkele noemen.
Uit diverse bijdragen blijkt dat het zeker niet meer
verantwoord is de Moderne Devotie te beschouwen als dé
voorloper (of zelfs maar een voorloper) van de Reformatie.
De ‘geest van Windesheim1 vertoont (voor sommigen
wellicht helaas) geen specifieke Nederlandse karaktertrekken,
zoals wel eens beweerd is. Erasmus is, ondanks
zijn korte scholing bij de broeders, niet beïnvloed door
de Moderne Devotie. Zijn spiritualiteit staat zelfs
haaks op die van zijn leermeesters. Bij de Remonstranten
en Doopersen is nauwelijks een teken van directe beïnvloeding
te vinden; de enige lijn van zichtbare beïnvloeding
zou gevormd kunnen worden door de waardering in
die kringen van het beroemde boekje van Thomas van Kempen:
Over de navolging van Christus. Maar hier duikt
meteen het steeds terugkerende probleem op: in hoeverre
laat men zich feitelijk beïnvloeden door een boek dat
men prijst? Van Adolf Hitler wordt ook verteld dat hij
Goethe op zijn nachtkastje had liggen. Maar zegt dit
iets wezenlijks over de doorwerking van Goethe bij deze
man? Dit probleem wordt systematisch aan de orde gesteld
in een ‘verkennend onderzoek naar de waardering voor de
Imitatio Christi in de Nederlanden tussen 1600 en 1800,
in het bijzonder onder de katholieken’. Hier wordt de
standaardopvatting dat dit boek altijd en overal door
iedereen werd geprezen behoorlijk bijgesteld. De auteur
stelt vast dat de Imitatio in die periode zeker geen
volksboek was en dat het steeds door verschillende bewegingen
om verschillende redenen werd gebruikt en geprezen.
65
Deze laatste conclusie dringt zich op indien we het totaal
van de bundel overzien. Eigenlijk creëerde iedere
gelovige die zich op geestelijke verwantschap met Thomas
van Kempen liet voorstaan zijn eigen Thomas. In gereformeerde
uitgaven van de Imitatio werd bijvoorbeeld meestal
het vierde deel weggelaten, omdat het te Rooms was.
Het meest onverhuld ging G. Voetius te werk in zijn
voorwoord bij De worstelinghe eenes bekeerde sondaers
(1631) van W. Teellinck. Daarin prees hij deze voorman
van het piëtisme als ‘eenen tweeden Thomas a Kempis
(doch ghereformeerden) van onse eeuwe1. Bij het lezen
van dergelijke woorden kan men zich afvragen: op welke
wijze wordt er tegenwoordig omgesprongen met de erfenis
van de Moderne Devotie? Wat zou bijvoorbeeld de bedoeling
geweest zijn om de Christelijke Hogeschool in Zwolle
te vernoemen naar het klooster Windesheim?
De bundel wordt geopend met enkele dergelijke programmatische
artikelen, maar een samenvattende evaluatie van
alle bijdragen ontbreekt helaas. Alleen in het laatste
artikel wordt een aanzet tot synthese gegeven en tegelijk
geeft het een relativering van het hele geleerde
boekwerk: ‘Kennelijk heeft elke tijd zijn eigen beeld
van de Moderne Devotie en dus ook van de eventuele doorwerking
ervan ‘.
66
DE BIBLIOTHEEK VAN DE PROVINCIE OVERIJSSEL
B. KIESTRA, bibliothecaris
Het is niet algemeen bekend dat de bibliotheek van de
provincie open is voor het publiek.
De collectie van circa 100.000 banden is niet alleen van
belang voor het provinciale bestuur en haar ambtenaren,
doch ook voor de historicus en de geïnteresseerde burger.
Voor deze laatste liggen er regelmatig (concept-)
rapporten, regelingen, nota’s ter inzage in de bibliotheek,
tevens de provinciale notulen en verslagen.
Informatie van de rijksoverheid (Staatsblad, Staatscourant,
parlementaire verslagen, wetten en wetsontwerpen)
zijn eveneens aanwezig en zijn bovendien via databestanden
snel toegankelijk. Een uitgebreide juridische
collectie is voorhanden.
In de loop van de jaren heeft de bibliotheek een uitgebreide
collectie Overijsselse publicaties opgebouwd.
Deze collectie van zogenaamde Transisalana is van groot
belang voor onder andere historici en geïnteresserden in
streekgeschiedenis.
Alhoewel er tevens collecties Transisalana aanwezig zijn
bij de Provinciale Bibliotheekcentrale – Oost Overijssel
in Borne en de Atheneumbibliotheek in Deventer -, biedt
de provinciale bibliotheek door de aanwezigheid van een
grote en oude collectie van (provinciale) overheidspublicaties
een bredere historische en bestuurlijke achtergrond.
Enige voorbeelden van aanwezige rijksoverheidspublicaties
zijn:
– Staatsblad der Nederlanden, 1813-heden,
– Nederlandse Staatscourant, 1798-heden,
– Handelingen der Tweede Kamer, 1814-heden,
– Handelingen der Eerste Kamer, 1849-heden.
Enige voorbeelden van aanwezige provinciale publicaties
zijn:
– Provinciaal Blad van Overijssel, 1816-heden,
– Notulen van de vergadering van Provinciale Staten van
Overijssel, 1842-heden,
– Jaarboekje van de provincie Overijssel, 1832-1969 (in
1975 voortgezet als Almanak voor de provincie Overijssel)
.
De Transisalana-collectie bestaat uit publicaties over
Overijsselse steden, dorpen, streken, etc. en allerlei
onderwerpen waarbij geheel of gedeeltelijk het Overijs67
selse aspect ervan beschreven wordt.
Enige voorbeelden:
– Melchior Winhof, Lantrecht van Averissel, 1559,
– Lantrechten van Overyssel, 1676,
– Stadregt van Swolle, 1701,
– Dykregt van Salland, 1730,
– Deductie voor de Regering der Stad Hasselt, 1786,
– Mr. J.W. Racer, Almelosche Oudheden, 3 banden,
1785-1786,
– Overijsselse Courant, 1796-1964,
– Bijdragen van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsen Regt en Geschiedenis, 1860-heden,
– Mr. J.I. van Doorninck et al., Bijdragen tot de Geschiedenis
van Overiissel, 14 delen, 1874-1907,
– J.C.H, de Groot en A.M.J. Schoot Uiterkamp, Bibliografie
van Overijssel, 1951-1980.
Tijdschriftenartikelen over Overijssel en/of Overijsselse
onderwerpen worden bewaard en door middel van het
Literatuur-documentatie Overijssel (LIDO) ontsloten via
de catalogus (1981-1983) en voor de jaren 1950-1980 en
1984-heden via de computer toegankelijk gemaakt.
De provinciale bibliotheek bezit een uitgebreide collectie
(topografische) kaarten van Overijssel. De collectie
vangt aan met kaarten uit de 17e eeuw. Raadpleging hiervan
is alleen mogelijk met speciale toestemming.
De gehele collectie van de bibliotheek is ontsloten door
middel van van cataloguskaarten (alfabetisch op hoofdwoord,
op classificatienummer en op topografische
aanduiding).
Vanaf 1984 is de collectie tevens ontsloten via de computer.
Naslagwerken, overheidspublicaties en andere publicaties
zijn voor ieder ter inzage beschikbaar, de overige publicaties
zijn veelal uitleenbaar.
De bibliotheek is gevestigd in het Provinciehuis, Luttenbergstraat
2, Zwolle, tel. 038-252525.
De openingstijden zijn op werkdagen van 8.30-16.30u.
68
TENTOONSTELLINGSAGENDA VAN HET PROVINCIAAL OVERIJSSELS
MUSEUM
Drostenhuis. Melkmarkt
8 juni tot en met 10 augustus : Langs de IJssel.
2 september tot en met 1 oktober : Circus Krone.
Gouden Kroon. Voorstraat
17 juni tot en met 15 juli : In de wieg gelegd
(oude doop- en kraamgebruiken).
11 tot en met 19 augustus : Kermistentoonstelling:
Stoere jongens,
ferme knapen.
9 september tot en met 22 oktober: Bejaardenzorg in
Zwolle.
Tuinactiviteiten
8 juli : Surinaamse dag
15 juli : Clownsdag
22 juli : Slagwerkdag
29 juli : Boekenmarkt
5 augustus : Klederdrachtenshow
18 augustus: Chinese dag
26 augustus: Jazzconcert
2 september: Dierendag, met verkiezing van de leukste
straathond.
PERSONALIA
A. carmiggelt (1964) studeerde geschiedenis en archeolo-
?,! !!” f® Rijksuniversiteit te Groningen. Werkt thans
de
Thomas casparie, 16 jaar, 5 vwo (Gymnasium Celeanum,
Zwolle), woonachtig in Hattera (Gld.)
John Sanders, 16 jaar, 5 VWO (Gymnasium Celeanum,
Zwolle), woonachtig in Wapenveld (Gld )
J. Erdtsieck was van 1947 tot 1952 werkzaam als catecheet-]
eugdwerkleider in de hervormde gemeente te
Zwolle. Van 1972 tot 1984 was hij bedrijfsmaatschap-
?, l ,^r k S r ln d i e n s t van de burgerlijke gemeente.
Vanaf 1976 ouderling in de hervormde gemeente Zwolle
(Holtenbroek).
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek:
E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck,
I. Wormgoor, H.C.J. Wullink, A. van der Wurff.
BESTUUR:
voorzitter:
J. Hagedoorn
secretaris:
R. Stel
penninqmeester:
H. Brassien
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle
Boddeitiate 43,8014 JK Zwolle
Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle
leden:
P.J. Berends, R.T. Oost, R. Salet, I. Wormgoor
SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE:
telefoon: 038 – 539 625 Postbus 1448, 8001 BK Zwolle
REDACTIE-ADRES: Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle
FINANCIEN:
Girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging, Zwolle
TARIEVEN LIDMAATSCHAP:
jeugdleden, studenten, 65+
leden tussen 21 en 65 jaar
huisleden
f 25,— per jaar
f 35,— per jaar
f 7,50 por jn.ir
typewerk: Marinus Prins
lay-out: Henk Brassien
druk: Koninklijke Tijl N.V. Zwolle
omslag: “Swolla”, kopergravure, anoniem, 18e eeuw
(Zwolle rond 1600, gezien vanuit het zuiden)
r

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 2

Door 2003, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

w
i*
K»!
20e jaargang 2003 nummer 2 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
Nlfch , L/0 ZWOLLE, Nleu«fchavenbrug
Geslaagd voor het
toelatingsexamen l
HARTELIJK GEFELICITEERD
Een goed advies
beste! vóór de vakantie nog je
schoolboeken:
Bijtijds bestellen betekent leverei
op tijdl
Wacht niet tot het laatste moment
Diverse boeken zijn dan vaak uit
verkocht of in herdruk.
tiet vriendelijke groetet
H. TULP N.V.
Tel. (O5Ï00J-11441
Soefcnwxfef
Scnoofvttfpennen
Ttktnaniktlen
^Wa£j2?
(Collectie HCO)
Reclamekaart van H. Tulp N.V.
Poststempel 21 juni 1961
Zwolser kan het bijna niet: een kijkje vanaf de
Burgemeester van Roijensingel op de Nieuwe
Havenbrug en de Peperbus, die hoog boven de
huizen aan de Eekwal uitrijst, geschilderd door
een amateur, waarschijnlijk naar een foto of
ansicht. Rechtsonder heeft hij zijn naam vermeld:
Roet- of Hoefman.
Ruim 100 jaar was drukkerij en uitgeverij Tulp
een begrip in Zwolle. Tulp begon in 1882 aan de
Blijmarkt. Rond 1970 verhuisde het bedrijf naar de
Rieteweg en na fusies verdween de handelsnaam
in de jaren negentig uit Zwolle.
Tulp was ook op het gebied van schoolboeken
actief. Zoals de leerlingen van groep 8 tegenwoordig
deelnemen aan de landelijke CITO-toets ter
bepaling van het vervolgonderwijs, zo moest men
tot de invoering van de Mammoetwet in 1968 een
toelatingsexamen afleggen voor de middelbare
school. De firma Tulp speelde daar handig op in.
Was je geslaagd voor dat examen, dan ontving je
een schriftelijke felicitatie van Tulp met de aansporing
om daar snel je schoolboeken te bestellen.
In 1961 ontving R. Stevens uit de Gladiolenstraat
4 te Zwolle deze kaart. Hij was geslaagd voor
zijn examen en begon aan een nieuwe vorm van
onderwijs.
In latere adresboeken van Zwolle woonde het
gezin Stevens niet meer aan de Gladiolenstraat in
Assendorp. De naam was te algemeen om via
adres- of telefoonboeken verder te zoeken. Maar
misschien kent een van de lezers deze R. Stevens
en weet hij of zij wat er van hem geworden is. Met
belangstelling zien wij uw informatie tegemoet.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
Een tijdschrift vol persoonlijke herinneringen…
Veel Zwollenaren zullen zich mr. Job Drijber
nog herinneren. Hij was burgemeester van Zwolle
van 1969 tot 1980, een roerige periode vanwege
democratisering en stadsvernieuwing. Drijber is
ereburger van de stad en in januari 2002 werd een
singel naar hem vernoemd: Burgemeester Drijbersingel,
voorheen Zamenhofsingel geheten.
Annèt Bootsma en Wil Cornelissen hebben uitgebreid
met hem gesproken. Het artikel dat uit deze
interviews is samengesteld, omvat meer dan alleen
Drijbers Zwolse periode.
Tijdens de uitreiking van de Prijs voor de
Zwolse Geschiedenis 2002 hield winnaar Jan van
de Wetering een voordracht over het Ter Pelkwijkpark,
waar hij opgroeide. Op verzoek van de
redactie heeft hij deze boeiende causerie voor het
tijdschrift beschikbaar gesteld.
Van de burgemeester naar de zwerver; Wil
Cornelissen switcht moeiteloos tussen de uitersten
van het sociale spectrum. De zwerver Bram
Poortier, beter bekend als ‘Brammetje’ haalde
regelmatig de Zwolse Courant. Hij overleed begin
dit jaar. Kort na zijn begrafenis ontving Wil Cornelissen
een gedicht op deze gebeurtenis, geschreven
door Fons Kool. Als inleiding hierop zet Cornelissen
de gebeurtenissen van de laatste jaren nog
eens op een rij.
Het tijdschrift begint zoals gebruikelijk met
een ansichtkaart. Dit keer is hij wel heel toegesneden
op de verschijningsdatum. Het betreft namelijk
een reclameboodschap van een drukkerij
gericht aan een scholier die net is geslaagd voor
het toelatingsexamen van de middelbare school.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsmavan
Hulten en Wim Huijsmans 38
Mr. Job Drijber, ereburger van Zwolle.
Een portret Annèt Bootsmavan
Hulten en Wil Cornelissen 40
Ode aan het Ter Pelkwijkpark.
Een wandeling door een verdwenen paradijs
Jan van de Wetering 66
Bram Poortier. Een zwerver ging heen…
Wil Cornelissen 72
Boekbesprekingen 74
Mededelingen 77
Auteurs 78
Omslag: Een burgemeester moet van alle markten
thuis zijn. Op 19 december 1975 decoreerde burgemeester
Drijber het 400.000ste dier dat dat jaar op
de Zwolse veemarkt werd aangevoerd. Op de achtergrond
het draaiorgel ‘de Engelenbak’. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. Job Drijber, ereburger van Zwolle
Een portret
Annèt BootsmavanHulten
en
Wil Cornelissen
Job Drijber als kind in
Laren, beginjaren dertig.
(Collectie Drijber)
In 1998 riep de Zwolse gemeenteraad het instituut
ereburger in het leven, als hoogste onderscheiding
van de stad en bedoeld voor mensen
met uitzonderlijke verdiensten voor Zwolle. De
eerste – en totnogtoe enige – persoon aan wie deze
bijzondere titel werd toegekend, is Zwolle’s oudburgemeester
mr. Job Drijber. In januari 2000
werd hem het ereburgerschap van Zwolle uitgereikt
op grond van zijn bijzondere inspanningen
voor de stad. Bij die gelegenheid karakteriseerde
burgemeester Jan Franssen mr. Drijber als een
zeer gedreven, gezaghebbend en bevlogen burgemeester.
In januari 2002 werd de voormalige Zamenhofsingel
omgedoopt in Burgemeester Drijbersingel.
Burgemeester Henk Jan Meijer roemde daarbij
de periode Drijber, 1969 -1980, als een tijdvak
waarin veel was gebeurd ten goede van de stad in
het algemeen en de binnenstad in het bijzonder.
Deze feiten maken uiteraard nieuwsgierig naar
een man en een periode in de stadsgeschiedenis
die nu al officieel als bijzonder geboekstaafd staan.
Wij voerden daarom twee uitgebreide gesprekken
met mr. Drijber, die tegenwoordig als burgemeester
in ruste woonachtig is in zijn laatste standplaats
Arnhem. In deze gesprekken rees voor ons
het beeld op van een man met een helder inzicht
en vooral ook met een geweldige werklust; die
door zich altijd goed voor te bereiden en te laten
informeren en door optimaal gebruik te maken
van zijn in de loop der jaren opgebouwde netwerk
van relaties, gesprekspartners doorgaans een stap
voor was en zich daardoor terecht de faam van een
effectief en bekwaam bestuurder verworven heeft.
De neerslag van deze vraaggesprekken, waarin wij
bepaald niet alleen over Zwolle spraken maar de
levensloop voorgeschoteld kregen van een markante
persoonlijkheid, wordt hieronder weergegeven.
Een interview als noviteit in het Zwols Historisch
Tijdschrift. Mr. Drijber leerde het bestuurlijke
handwerk van onderaf; eerst als raadslid en
wethouder in Leiden, vervolgens als burgemeester
van Middelburg, daarna van Zwolle en tenslotte
van Arnhem. Voordat wij mr. Drijber verder voor
en over zichzelf laten spreken, eerst nog een korte
schets van de tijd waarin zijn Zwolse burgemeesterschap
zich afspeelde.
Zwolle in de jaren zeventig
De komst van mr. Job Drijber in 1969 van Middelburg
naar Zwolle viel samen met een omslag in de
tijd. De studentenonrust en de revolutionaire
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
denkbeelden uit de tweede helft van de jaren zestig
begonnen in de hele samenleving respons te vinden.
Er voltrokken zich daardoor in de jaren
zeventig een aantal maatschappelijke veranderingen
die ongekend waren. Inspraak was een nieuw
fenomeen dat zich razendsnel door allerlei instituties
en organen verspreidde. Er verschenen actiegroepen.
Polarisatie vierde hoogtij. De opvattingen
over zedelijkheid en cultuur wijzigden en er
ontstonden allerlei emancipatiebewegingen. Grote
aantallen rijksgenoten en allochtonen kwamen
naar Nederland. De vooruitgangsideeën uit de
jaren zestig, die zich onder meer hadden geuit in
het voortvarend slopen van oude binnenstadsgedeelten
om plaats te maken voor grootschalige
wegen en nieuwbouw, deden geen opgeld meer.
Daarvoor in de plaats kwam een voorkeur voor
renoveren, restaureren, kleinschaligheid en het op
historische plaatsen weren van de inmiddels massaal
oprukkende auto.
Ter illustratie, het aantal inwoners van Zwolle
nam tussen 1 januari 1970 en 1 januari 1980 met
zesduizend personen toe van 76.000 naar 82.000;
het aantal huwelijken liep daarentegen terug van
836 in 1970 naar 492 in 1979 terwijl het aantal echtscheidingen
steeg van 37 naar 105. In tien jaar tijd
werden in Zwolle 6961 woningen gebouwd, waarvan
347 in 1970 en 954, het hoogste aantal, in 1976
en 1200 woningen werden gerenoveerd. Aan restauraties
werd tussen 1960 en 1970 bijna 2 miljoen
gulden besteed, van 1970 tot 1980 vertwintigvoudigde
dat bedrag tot 39 miljoen. De Aa-landen
verrezen en de grondslag voor Zwolle-Zuid was
gelegd. In 1970 telde Zwolle nog nauwelijks Surinamers
en Antillianen, in 1980 respectievelijk 600
en 200. Het aantal Marokkanen en Turken steeg
van 5 en 50 naar 135 en 1080. In 1970 waren in
Zwolle nog praktisch geen wijkcentra, in 1980 telden
bijna alle wijken centra en wijkgemeenschappen
met een inspraakfunctie. De jeugdzorg werd
in deze jaren een issue en het aantal sportvelden
verdubbelde bijna. Vrouwen betraden op veel
grotere schaal dan ooit tevoren de arbeidsmarkt.
Schaduwzijde van de jaren zeventig was dat het
Kennismakingsreceptie
met de nieuwe burgemeester
Drijber en zijn
echtgenote in Odeon,
november 1969. (Foto
Henneke, collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse college van
burgemeester en wethouders
uit 1969 -1970,
vlnr. de wethouders
Hubbers (KVP) en
Runhaar (ARP), burgemeester
Drijber,
gemeentesecretaris Peeman
en de wethouders
Nooter en Witvliet, beiden
PvdA. (Collectie
HCO)
gevoel van onveiligheid bij de burgerij toenam.
Maar positief was dat de werkgelegenheid zich in
Zwolle, vergeleken met de rest van het land, gunstig
ontwikkelde. Vanwege de hier sterk ontwikkelde
dienstensector nam het aantal banen toe.
De stad werd door al deze ingrijpende veranderingen
in de samenleving niet overspoeld; men
slaagde erin ze redelijk te verwerken en rond 1980
waren ze geïntegreerd in de samenleving. Een uitkomst
die begin 1970 zeker niet vanzelfsprekend
was. Temeer omdat naast de boven geschetste
algemene tijdsverschijnselen op dat moment hier
nog drie specifieke kwesties speelden die de
gemoederen bezighielden: de herinrichting van de
binnenstad, de uitbreiding van de stad naar Zwolle-
Zuid en meest controversieel, de stadhuiskwestie.
In 1970 was de afbraak van het noordelijk deel
van de binnenstad in volle gang en ging het om de
vraag hoe het braakliggende gedeelte weer moest
worden ingevuld. De ideeën die daarover hadden
bestaan in de jaren zestig waren inmiddels achterhaald.
Om de ontsluiting van en de infrastructuur
in Zwolle-Zuid gerealiseerd te krijgen moest een
beroep op het Rijk gedaan worden; een subsidie
van goed 100 miljoen gulden kwam pas na intensief
lobbywerk medio 1975 rond. En tenslotte de
stadhuiskwestie; Zwolle wachtte al ruim zeventig
jaar op een nieuw stadhuis. De hiervoor ontwikkelde
plannen uit de jaren zestig zorgden echter
voor een weliswaar niet politieke, maar op z’n
minst emotionele tweedeling in de Zwolse samenleving.
Het stadhuisplan beheerste begin jaren
zeventig alle verhoudingen in Zwolle. Net toen de
tegenstellingen volkomen onoverbrugbaar leken,
kwam er een gewijzigd plan ter tafel dat vervolgens
snel werd verwezenlijkt.
Mr. Drijber kenschetst de jaren 1970 -1972 nu
als de moeilijkste waaraan hij in zijn achtentwintigjarige
burgemeesterscarrière het hoofd te bieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
den had. Maar door zijn gevoel voor het historische
stadsbeeld, zijn landelijke netwerk van relaties
en zijn initiatiefrijke manier van leiding geven
(en nemen) bleek Drijber in Zwolle de juiste man
op de juiste plaats en tijd te zijn. Onder zijn gedreven
leiding doorstond de stad alle genoemde perikelen
en kwam uiteindelijk voorspoedig uit de
jaren zeventig te voorschijn. We laten nu graag de
heer Drijber aan het woord over zijn leven, het
verloop van zijn carrière en natuurlijk zijn tijd in
Zwolle.
Jeugd en studietijd
Wat is een jongensdroom? Trambestuurder, brandweercommandant;
hoe kom je tot de wens om burgemeester
te worden. Zat dat er van huis uit al in?
Belangstelling voor de politiek, het bestuur? Via uw
vader? Wat was de rol van uw moeder?
Drijber: Ik ben geboren in Nederlands-Indië, in
Malang, Oost-Java. Daar heb ik tot mijn zevende
jaar gewoond. Heel mooi, ik was daar zeer aan
gehecht en vond het heel erg om daar weg te gaan.
Mijn vader was advocaat, eerst in Zutphen en later
in Soerabaja. Na een jaar of tien is hij overgegaan
naar de Borsumij, de Borneo Sumatra Handelsmaatschappij.
De directie daarvan zat in Den
Haag, hij was hoofdvertegenwoordiger in Indië.
Wij gingen in 1931 terug naar Nederland. Omdat
mijn vader met pensioen ging, hij was toen 54. Ik
had een oude vader, ik was enig kind uit z’n tweede
huwelijk. Destijds in Zutphen was hij gemeenteraadslid
voor de Vrijzinnig Democraten. In Soerabaja
zat hij ook in de raad. Hij werd in 1916
gevraagd om burgemeester van Soerabaja te worden.
Dat heeft hij niet gedaan vanwege alle representatie,
daar had hij geen zin in. Toen we terugkwamen
vestigden we ons in Laren, daar werd m’n
vader wethouder voor inmiddels de liberalen. De
Drijbers waren oorspronkelijk landbouwers in
Drenthe. De eerst niet-landbouwer was m’n betovergrootvader
die adjunct-directeur van de
Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord
was. Daarna volgden diverse burgemeesters en
dominee’s, ook een Atjeh-generaal. Mijn moeder
kwam uit Arnhem, haar vader was officier.
Ik heb in Hilversum op het gymnasium gezeten.
Maar het ging allemaal niet vanzelf, ik was
helemaal geen vlot jongetje op school. Ik had weliswaar
drie halfbroers, maar die waren veel ouder.
Dus ik was in feite enig kind en een beetje eenzelvig.
Mijn moeder was heel verstandig, zij heeft
echt haar best voor mij gedaan. Maar ik leefde op
Luchtfoto uit 1972
waarop het effect van de
kaalslag in het noordelijk
deel van de binnenstad,
rond de Broerenkerk,
goed te zien is.
(Uit ‘Op de bres voor
Zwolle’, Zwolle 1992)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. Job Drijber, chronologie
– > • •
uit 1973. (Collectie HCO)
BMBB^BH 1924
^^^^^BYBYBBYJ W5
BIBHBVI BB^B^B^KBI
i t ‘ ‘ff
1’ m
ï – ‘”•”• !’ w j’ . , ‘~^sM
‘i *” ‘ i l i |
f ^ 1
1950
1952
1953 -1961
1956 -1961
1958 -1961
1961 -1969
1969 -1980
november 1969
n^H^BBBBH
PJ&yR^^^^^^H J9/o -1972
^SQ^^^^^^^^^H augustus 1972
|l|ua[BBBBBBBBfl
IBBBB^BI m^^^^^^^^^^^^^M medio 1975
^MgUHB|^BK| J4 mei 1980
urgemeester van Zwolle, mei 1980
1980 -1990
januari 2000
januari 2002
Geboren te Malang op Oost-Java, Nederlands-
Indië
Verhuizing naar Nederland, vestiging
in Laren, Noord-Holland
Eindexamen gymnasium
Opleiding voor bestuursambtenaar
en de studie ïndologie en Indisch
Recht te Leiden
Afstuderen Indisch Recht, adjunctsecretaris
college van curatoren
Afstuderen Nederlands Recht
Gemeenteraadslid voor de WD in
Leiden
Beatrix in huis
Wethouder in Leiden, onder meer
portefeuille verkeer en vervoer
Burgemeester van Middelburg
Burgemeester van Zwolle
Geïnstalleerd als burgemeester van
Zwolle
‘Moeilijkste bestuurlijke jaren’
Compromis over het stadhuisplan
aangenomen door de Zwolse
gemeenteraad
Rijk kent Zwolle een eerste subsidie
van 103 miljoen gulden toe voor de
ontsluiting van Zwolle-Zuid
Opening nieuwe stadhuis
Viering van Zwolle 750
Officieel afscheid van Zwolle, krijgt
daarbij de erepenning van de stad
Zwolle uitgereikt
Benoemd tot erelid van de Vrienden :
van de Stadskern
Burgemeester van Arnhem
Benoemd tot ereburger van Zwolle
Officiële onthulling van de naam
Burgemeester Drijbersingel
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
de achtergrond, kwam nooit in een bestuur van
een gymnasiastenbond of zo. Ik las wel heel veel.
Vooral geschiedenis, het enige vak ook waar ik
echt goed in was. Wiskunde vond ik vreselijk.
De oorlog heeft op u ook een geweldige indruk
gemaakt? Ja, heel sterk en dat is ook gebleven, het
is een blijvend stempel. Ik ben na m’n eindexamen
in 1943 nog een jaar in Rotterdam geweest, naar
de Belastingacademie. Je kon toen niet gaan studeren
want de universiteit was dicht. Je moest je
melden op het Arbeidsbureau. Dat wilde ik niet,
vandaar deze opleiding. De Duitsers gaven daar
Ausweisen voor want die vonden het van belang
dat in de belastingdienst continuïteit zat. Ik heb
wel wat illegaals gedaan, bonnen rondgebracht en
krantjes, wat koeriersdiensten, maar niets spectaculairs.
Maar ik wou weer terug naar Indië. Wel
met enige aarzeling, want mijn ouders waren al
oud, dat vond ik wel een punt. Na de bevrijding
heb ik mij daarom in Leiden opgegeven voor
bestuursambtenaar en de studie Indologie en
Indisch Recht en ik werd aangenomen als kandidaat
Indisch bestuursambtenaar. Ik dacht dat er ik
weet niet wat voor mogelijkheden waren. Maar
dat werd uiteindelijk niks want we weten allemaal
hoe dat gegaan is. Toen ik afgestudeerd was kon ik
wel makkelijk banen in het bedrijfsleven krijgen,
maar daar ben ik niet iemand voor. Inmiddels had
ik echter wel een andere richting in mezelf ontwikkeld.
Tot mijn verbazing. Want als scholier
was ik altijd op de achtergrond maar toen ik in
Leiden studeerde, veranderde dat. Ik kwam in de
archiefcommissie van het Leids Studenten Corps
en moest bij bepaalde gelegenheden toespraken
houden. Dat ging eigenlijk heel goed, ze luisterden
ook nog. Daar kwamen dingen bij, faculteitsbestuur,
commissie van de sociëteit, Indische Vereniging.
In die tijd met de Indische Kwestie kwamen
vele bekende Nederlanders spreken, Logemann,
toen minister van Overzeese Gebiedsdelen,
Gerbrandy, ook Indonesiërs; niet van de Republiek
natuurlijk, die kwamen hier niet. Die bijeenkomsten
moest ik leiden. Op een gegeven
moment ben ik tot mijn stomme verbazing zelfs
praeses van het corps geworden.
Dat was in mijn leven een enorme omslag. Ik
vertel dat omdat dat voor mijn burgemeesterschap
van belang is geweest. Want toen duidelijk
werd dat ik niet naar Indië kon begon ik toch wel
meer voor het bestuur te voelen. Daarbij had ik
ook het Leidse civitasideaal, het ideaal van de
scheidslijnen moeten weg, iedereen moet een kans
krijgen, in de samenleving maar om te beginnen
in de Leidse studentenwereld. Oude tegenstellingen
weg. Dat is mij altijd wel blijven bezielen. Ik
weet wel, de theorie en de praktijk liggen uit
elkaar, want je bent zoals je bent. Je komt toch uit
een bepaald milieu; je bent wel idealistisch maar in
werkelijkheid handhaaf je in zo’n studentenwereld
toch weer zo de tradities dat een aantal zich er
niet thuis voelt.
Ik studeerde afin 1950, in Indisch Recht. Indologie
heb ik laten lopen want daar had ik niets
meer aan, maar daarna heb ik Nederlands Recht
gedaan en dat in 1952 afgerond.
Adjunct-secretaris van het college van curatoren
In 1950, direct na mijn eerste afstuderen, ben ik
gaan werken. Mijn vader had helemaal geen geld
meer, hopeloos was dat. Want zijn derde zoon is
in zijn Leidse studententijd schizofreen geworden,
die jongen is in psychiatrische inrichtingen
terechtgekomen. Mijn vader moest dat zelf betalen.
Zo was dat in die tijd. Tot hij nog ƒ 5000 over
had, toen heeft de gemeente het overgenomen. Dit
heeft ons werkelijk financieel te gronde gericht. Ik
moest vanwege die tweede studie wel in Leiden
blijven en toen kreeg ik een functie bij het college
van curatoren aangeboden. Het college van curatoren
was destijds het bestuur van de universiteit.
Dat waren geen fulltimers, maar er was een fulltime
secretaris met een heel apparaat. Als jong jurist
kon ik daar beginnen als adjunct-secretaris, een
nieuwe functie. Ik deed studentenzaken, bouwzaken
en speciale opdrachten. Had een uitstekende
chef, mr. Wiersma, die is later hoogleraar geworden
en lid van de Hoge Raad, een heel intelligente
jurist. Daar heb ik erg veel aan gehad. Het is erg
belangrijk om in je begintijd een chef te hebben
waar je veel van leert.
In 1953 werd ik raadslid, voor de WD. We
zaten met een driemansfractie in de Leidse raad.
Ook een hele goede leerschool, want ik wilde toen
al burgemeester worden.
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dat was toen al duidelijk? Zeker, al toen ik
adjunct-secretaris werd. Daarom was het goed dat
ik raadslid werd. Maar het liep niet allemaal zo
vanzelfhoor.
In mijn tijd als adjunct-secretaris aan de universiteit
heb ik ontzettend veel geleerd, hoe je
plannen moet verwezenlijken, ook bouwplannen.
Daar heb ik mijn hele leven plezier van gehad.
Daarvoor had je nodig het ministerie van Onderwijs,
de Rijksgebouwendienst en het ministerie
van Financiën. Wilde je een groot bouwplan er
doorheen krijgen dan moest je met alle ambtenaren
op het betreffende departement gaan praten,
soms met de professor erbij, om ze wat enthousiast
te krijgen. Bij grote plannen maakte ik stuurgroepen
en inviteerde hogere ambtenaren van
departementen om daar in te zitten. Dan kon ik
zelf mee sturen en zo lukte het meestal wel om die
plannen er door te krijgen.
De universiteit groeide hard in die jaren en er
was ook een enorme achterstand, in de dertiger
jaren was niets gebouwd. Ik heb daar ook het
belang van wat ze tegenwoordig netwerken noemen
geleerd. Als je voor iets wat je wilt verwezenlijken
alleen de gewone weg bewandelt, al zit een
plan nog zo goed in elkaar, prima toelichtingen en
alles, het dus alleen voor zich zelf laat spreken en
er verder niet achteraan gaat, dan gebeurt er niets.
Dat is nu nog steeds zo. Als je als gemeente ergens
niet volkomen achterheen gaat en niet zorgt dat er
een netwerk is waarmee je doordringt in de spelonken
van het departement of de provincie, dan
kun je het wel vergeten. Op een gegeven moment
ging mijn baas weg. Ik werd geen opvolger, ze
vonden mij te jong en te lastig, er kwam een oudere
meneer van het departement. Toen wilde ik
eigenlijk weggaan, ik moest toch een keer weg. Ik
had inmiddels al gesolliciteerd op twee burgemeesterschappen,
Ruinen en Ruurlo. De Leidse
burgemeester, tevens curator, Van Kinschot was
vermoedelijk niet zo dol op mij. Want ik was, met
een aantal anderen, heel lastig in de raad. Daar heb
ik trouwens nog wel profijt van gehad, als ik later
zelf lastige raadsleden had dan kon ik vanuit mijn
eigen ervaringen heel aardig met ze praten.
Beatrix
Ik dacht dus ik moet nu eindelijk eens weg en toen
gebeurde er iets merkwaardigs. Ik was in 1952
getrouwd, met Mary Halbertsma, we kenden
elkaar vanaf 1947. Zij had de school voor Maatschappelijk
Werk gedaan. We woonden in Leiden
op een verdieping aan het Rapenburg, daar werden
ook onze oudste twee kinderen geboren.
Maar in 1955 kregen mijn vrouw en ik van koningin
Juliana het verzoek of wij prinses Beatrix in
huis wilden nemen. Want Beatrix zou in 1956 in
Leiden komen studeren. Zij moest vrij zijn, maar
er moesten toch wel mensen zijn, liefst een gezin,
dat ook wel z’n eigen gang ging maar een beetje
een oogje in het zeil kon houden. We konden
daarvoor verhuizen naar Rapenburg 45, het vroegere
huis van professor Telders, de hoogleraar
Volkerenrecht. Telders was, nog in april ’45, in het
kamp overleden en had zijn huis nagelaten aan het
Leids Universiteits Fonds. Op de tweede verdieping
zou prinses Beatrix met haar vriendin Renée
Roëll gaan wonen. En er was natuurlijk ook een
rechercheur. Daarboven moest nog een ouderejaars
komen. Die moesten wij uitzoeken, een studente
die haar eigen weg ging maar Beatrix wegwijs
kon maken.
Hoe krijg je zo’n verzoek van de koningin? Had u
al contacten met de familie? Nee, wel eens een
handje gegeven, maar verder niet. Maar koningin
Juliana had zelf ook in Leiden gestudeerd en de
band met haar Leidse tijdgenoten vastgehouden.
Zo kon zij makkelijk advies inwinnen. Met name
het bestuur van het Leids Universiteits Fonds
speelde daarbij een rol, in de eerste plaats de secretaris-
penningmeester mejuffrouw mr. M.[Marietje]
Blok. Een centrale figuur in het Leidse universitaire
leven. Prinses Beatrix zou eerst drie jaar
blijven. Het werden er vijf omdat zij bij nader
inzien haar studie wilde afsluiten met het doctoraalexamen
Rechten Vrije Studierichting. Ze is tot
1961 gebleven.
In Leiden beheerst het 3 oktoberfeest1 de stad.
Daarom was het voor mij een grote gebeurtenis
toen ik secretaris werd van het bestuur van de
3 oktobervereniging. Daaraan bewaar ik de beste
herinneringen, ook al moest je er hard voor werken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
In 1958 werd ik wethouder, Leiden was toe aan
een vijfde wethouder en de VYD mocht die leveren.
Het college van B en W was in leeftijd tussen
de 56 en 64, men vond dat er eens iemand van een
andere generatie in moest.
Welke portefeuille had u? Ik had vier bedrijven
onder mij en verder volkshuisvesting, verkeer en
openbaar vervoer. Het Leids gemeentebestuur
was niet erg gemakkelijk* de sfeer was niet geweldig
in die tijd. Maar goed, ik heb dat drie jaar
gedaan, met plezier. Die portefeuille verkeer en
vervoer heb ik tweeëntwintig jaar gehouden, ook
nog in Middelburg en Zwolle. Verder had ik mijn
handen vol aan de bouw van de Groenoord-
(markt)hallen en een voor die tijd moderne vuilverbrandingsinstallatie.
Middelburg
Op een gegeven moment werd ik van diverse kanten
ingeseind dat er een burgemeesters vacature
was. Ik aarzelde, want ik was nog maar twee jaar
wethouder en zat net midden in die bouw van de
Groenoordhallen. Maar er werd me gezegd door
Van der Kwaak, toen een CH-gedeputeerde van
Zuid-Holland, de W D zit nu in de regering en er
is een grote achterstand aan WD-burgemeesters,
nu moet je je kans grijpen. Ik heb toen met m’n
vroegere hoogleraar staatsrecht gesproken. Staatsrecht
had ook m’n belangstelling, ik had graag
geschiedenis willen studeren maar zag daar destijds
niet zoveel mogelijkheden in. Ik legde hem
mijn dilemma voor en hij zei, Van der Kwaak
heeft volkomen gelijk, ik had het u zelf moeten
adviseren, ik maak nu een afspraak voor u met de
secretaris-generaal. Toen kwam ik op het departement
en daar zeiden ze, als u nu niet was gekomen
dan hadden we dat uitgelegd als een teken dat u
geen belangstelling had. Toen heb ik gesolliciteerd
naar Smallingerland in Friesland. Ik wist wel dat ik
dat niet zou krijgen, politiek lag dat niet voor de
hand, maar ik kwam wel op de voordracht. Ik had
inmiddels ook naar Middelburg gesolliciteerd en
ben dat uiteindelijk met veel moeite geworden.
Toxopeus, die toen minister van Binnenlandse
Zaken was, wilde mij hebben maar de toenmalige
commissaris2 in Zeeland, De Casembroot, wou de
burgemeester van Zierikzee, een CH-er. Daar was
hij ook zeer mee bevrind. Een burgemeester moest
bovendien kerkelijk meelevend zijn. Hij riep mij
niet eens op.
Dus die dominees in de familie, dat heeft zich
niet voortgezet? Nou, wij waren remonstrants.
Mijn moeder was dat en mijn vader is het later
geworden, die was hervormd. In die zin kon ik wel
kerkelijk meelevend zijn. De burgemeester van
Leiden sprak De Casembroot er nog op aan, hij
kende hem goed: jij moet wel Drijber oproepen.
En dat is toen alsnog gebeurd. Er was dus veel over
te doen, in eerste instantie kwam het niet door de
ministerraad en toen hebben ze de vakantie er
overheen laten gaan. Die tijd is benut om minister-
president De Quay te overtuigen van de kwaliteiten
van kandidaat Drijber om Middelburg te
ontwikkelen. Op 13 oktober werd ik uiteindelijk
benoemd.
Toch wel bijzonder, u had geen ervaring en
wordt meteen burgemeester van een provinciehoofdstad.
Ja, maar hoeveel inwoners had Middelburg
toen? Zo’n 23.000. Daarom kon het. Bovendien
had ik in Leiden als wethouder ervaring opgedaan
gericht op een stad, niet op een dorp. Ik ben acht
jaar in Middelburg geweest en heb een hele goede
tijd daar gehad. De Middelburgse samenleving is
heel gezellig om te wonen. Het was toen nog een
hele ouderwetse samenleving. Dat had ook z’n
goede kanten. Die Leidse raad was destijds al een
raad zoals we dat tegenwoordig overal hebben,
van alles wat, soms moeilijk, nou ja, niet geweldig.
Een grote fractie van de PvdA, daar zaten wel een
paar goeden in maar ook mensen die niets voorstelden.
In Middelburg waren goede wethouders,
onder anderen Kaland, die later naar de Eerste
Kamer is gegaan. De fractievoorzitter van de PvdA
was jhr. Schorer, directeur van een verzekeringsmaatschappij,
die ook nog enige tijd wethouder is
geweest. De fractievoorzitter van de drie daar
samenwerkende christelijke partijen was mr. Van
Empel, president van de rechtbank. Allemaal
mensen van niveau Dus ik wist eerst niet hoe ik
het had, een totaal andere raad, die zich bovendien
aan de grote lijnen hield, ook met de begrotingsbehandeling.
In Leiden hadden we daarvoor
vijf middagen en zes avonden nodig. En in Middelburg
sprak ’s middags de raad en ’s avonds
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het oude stadhuis en de
Schepenzaal, gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
voor de nieuwbouw.
De foto dateert
uit de eerste helft van de
jaren zestig. (Foto Henneke,
collectie HCO)
moest B en W antwoorden. Soms nog een avond
en de rest moest dan maar in de diverse commissies
besproken worden, want anders duurde het
veel te lang en dat achtte men helemaal niet nodig.
De raad die ik aantrof bleef ongeveer in die
samenstelling tot 1966, toen kwamen er anderen
en werd het een gewone doorsnee Nederlandse
raad. Het mooie was er van af. In die tijd ontwikkelde
Middelburg zich, evenals Zeeland, heel
hard. In Middelburg heb ik ook veel te maken
gehad met monumentenrestauraties, ik ben de
nota’s op dat gebied op een gegeven moment zelf
gaan schrijven. Dus toen ik naar Zwolle ging zat ik
op en top in dat monumentenbeleid, ook in de
subsidieregelingen, alles wat er op dat gebied maar
te verzinnen viel.
Even een zijsprong, in hoeverre is de vrouw van
een burgemeester belangrijk, moet ze alleen maar
zomerpostzegels verkopen, kan ze nee zeggen, wat
wordt van haar verwacht? Nou, tegenwoordig is
dat natuurlijk allemaal anders, de vrouwen hebben
nu doorgaans een eigen werkkring. Dat was
toen niet gebruikelijk, als ze gingen trouwen dan
gaven ze hun beroep op. Mijn vrouw heeft in Middelburg
in allerlei besturen gezeten, jazeker, en ze
onderhield de contacten. En we gaven diners – dat
deden we trouwens in Zwolle ook – en gingen daar
ook zelf naar toe. Je werd ook geacht gauw na de
verhuizing een ontvangst te organiseren. De
Casembroot zei, dat moet je op twee dagen doen,
een zaterdag en een zondag. Meestal is het op een
zondag maar de kerkelijke mensen kunnen dan
niet. Dus we hadden twee ontvangsten, ik in jacquet
en mijn vrouw in een geklede japon en Marie
bediende, in klederdracht. De mensen kregen een
kopje thee en als de volgende gasten kwamen dan
werd je geacht weer plaats te maken. Zoals gezegd
waren de sociale verhoudingen ook nog ouderwets.
Mijn vrouw zat bijvoorbeeld in een handwerkclub,
er waren twee nette clubs, van de oudere
dames en de jongere. Mijn vrouw zat bij de jongere
en die heeft toen eens voorgesteld om een
hele actieve mevrouw daar in op te nemen. Toen
zei de moeder-overste van die club, ja, dat is
inderdaad een heel waardevol mens, ze doet ongelofelijk
veel, dat is zo, maar ja, ze haalt het nèt niet.
Dat is bij ons thuis een gevleugeld woord geworden,
‘ze haalt het nèt niet’. Er waren in Middelburg
veel mensen die het nèt niet haalden. En die
hadden het daar niet leuk. De stranden waren ook
helemaal zo ingedeeld. Later zal dat zeker veranderd
zijn, maar toen was dat nog zo.
Naar Zwolle
Hoe gaat zo’n overstap van Middelburg naar Zwolle
in z’n werk, bent u gevraagd, vroeg de partij u? Nee,
ik heb daarnaar gesolliciteerd. De tijd was er rijp
voor. In die acht jaar hadden we in Middelburg
alles op de rails, wat daar maar gebeuren moest
was wel gebeurd. Toen hoorde je, voelde je, de
burgemeester gaat weg, die blijft hier natuurlijk
niet. Ik weet nog dat na mijn laatste nieuwjaarsrede
een wethouder zei – een hele aardige uit de
landbouw afkomstige man – ja, ik heb met weemoed
geluisterd, want het is natuurlijk uw laatste
nieuwjaarsrede. En de commissaris van politie zei,
mijn collega uit Zwolle heeft geïnformeerd naar u,
want u gaat naar Zwolle heb ik begrepen. En een
vriendin van ons die haar moeder in Kampen
opzocht had een kopje koffie gedronken op het
station in Zwolle en zij hoorde daar in die restauratie
mensen zeggen, onze burgemeester Roeien3
gaat naar Arnhem en dan krijgen wij de burgemeester
van Middelburg. Dat was in februari 1969.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
Het nieuwe stadhuis en
de Schepenzaal gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
vlak na de gereedkoming
van de nieuwbouw
begin 1976. (Collectie
HCO)
Ik had inderdaad wel eens met Geertsema gesproken,
die deed toen in de Kamer de burgemeestersbenoemingen
voor de WD, zo van, het wordt tijd
dat ik eens wegga. Arnhem kwam vrij en Haarlem,
maar Haarlem was katholiek en toen zei hij, ja,
dan zie ik wel een mogelijkheid. Ik dacht dan
begrijp ik waar jij aan denkt, Roeien moet maar
naar Arnhem en Drijber naar Zwolle. Toen al die
geruchten rondgingen zijn wij op Goede Vrijdag
eens gaan kijken hoe dat Zwolle er eigenlijk uitzag.
Want we waren er nog nooit geweest. Alleen als
student was ik eens in de Koestraat geweest bij de
familie Nysingh, een Leidse clubgenoot van mij,
maar verder nooit.
Toen hebben we daar rondgekeken, ook even
bij de ambtswoning in de Wipstrikkerallee4 en
daar zagen we Roeien op een balkonnetje zitten.
We hebben de binnenstad bekeken, daar schrokken
we natuurlijk vreselijk van, die binnenstad die
voor een groot deel tegen de vlakte lag en die
auto’s op die vlaktes geparkeerd. En dat ongelukkige
stadhuis, dus we zeiden, veel soeps is het allemaal
niet. Maar ik heb gesolliciteerd en vanaf dat
moment was het eigenlijk al vastgesteld dat ik dat
zou worden. Dat was helemaal geen punt, dat was
gewoon uitgemaakt.
Ik ben dat ook mede geworden doordat de
gemeenteraad destijds nog geen inspraak had. Er
bestond ook nog geen profiel. De commissaris,
Van Nispen5, had alleen met de fractievoorzitters
gesproken. Hij zei mij toen wel dat als het aan hen
gelegen had het wellicht anders gelopen was. Volgens
hem zaten ze niet echt op iemand uit zuidwest
Nederland te wachten. Bovendien zei hij, ze
zijn een beetje bang voor je, je moet ze heel erg op
hun gemak stellen. Dat verbaasde me, de verhoudingen
in Middelburg waren toch altijd erg goed.
Maar daar heb ik toen goed op gelet, dat ik ze vrindelijk
tegemoet trad. Bij de begrotingsbehandeling
zei Okkels6 toen in de gemeenteraad, na elf
maanden maar het leek wel elf jaar, dat het allemaal
geweldig ging en iedereen was enthousiast.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Had u dan al een bepaalde reputatie? Kennelijk
wel. Ik heb nooit begrepen waar dat vandaan
kwam. Maar stel, zo’n raad had wel een profiel
moeten maken en wat was toen actueel in Zwolle?
De restauraties, want het hele beleid moest om.
Dus moest je iemand hebben die op dat gebied
ervaring had. Nou, met alle respect voor iedereen,
maar de burgemeester van Middelburg had precies
die ervaring. Verder moest je iemand hebben
die zich zou gaan richten op de sprong over het
spoor. Want Zwolle was bijna uitgebouwd aan de
noordkant. Ik had ook daarmee ervaring, want
toen ik in Middelburg kwam zeiden ze, we moeten
nu over het kanaal en het spoor en dat moet u
maar trekken. En dat is ook gebeurd.
Je zou denken, als je die twee spitsen hebt in
het beleid dat je dan gaat kijken welke burgemeesterssollicitant
past daar nou bij, hè. Maar dat
gebeurde helemaal niet, integendeel. Men heeft
dat helemaal niet overwogen. Maar het kwam wel
zodra ik benoemd was. Toen zeiden ze, gelukkig
dat u er bent, want we moeten over het spoor en
verder moet alles anders, de tijd is helemaal omgeslagen,
we kunnen geen doorbraken meer doen, er
mag niets meer afgebroken worden, we moeten
voor de noordelijke binnenstad een heel ander
plan gaan maken en u hebt de ervaring van Middelburg,
u moet daar maar leiding aan geven.
Samen met de wethouder natuurlijk, met
Nooter7. Een wijze goede man, die zelf ook voelde,
na al die jaren dat het beleid een andere kant op
moest. Met hem kon ik het goed vinden.
Omslag in de tijd
Dus toen ik kwam moest alles anders, niet meer
afbreken maar restaureren. De raad was heel
onzeker. Dat kon ik me wel voorstellen, want het
hele klimaat veranderde, er kwamen actiegroepen.
De publieke tribune werd voor het eerst bezet
door protesterende krakers.
Dat was een grote omslag. Enorm. Zo’n grote
omslag. Ook met het stadhuis. Dat was altijd als
vanzelfsprekend aangenomen, tijdens de laatste
maanden van Roeien het toenmalige plan nog met
tweederde meerderheid. Dus je zei tegen de raad,
maar dat hebben jullie een jaar geleden aangenomen
en dan zeiden ze, ja maar dat telt nu niet
meer. Zo was de sfeer. De eerste actiegroep richtte
zich tegen het stadhuisplan, die kwam met een
alternatief om een stadskantoor te bouwen op het
bolwerk waar nu misschien de schouwburg komt.
Dat was volkomen nieuw, een actiegroep. En los
daarvan, iedereen wilde opeens inspraak plegen.
En hoe deed je dat dan, daar moest de bevolking
ook aan wennen, want als je zegt, je krijgt
inspraak, dan heb je het idee dat wat je zegt ook zal
gaan gebeuren en dat was lang niet altijd het geval
natuurlijk. Dat gaf spanningen. Eerst zat ik als
burgemeester allerlei inspraakzittingen zelf voor.
Maar daarvan moet ik achteraf toegeven dat het
beter was, als het enigszins spannend werd, om
een neutraal iemand te nemen. Ook bij de verkeerszaken,
mijn portefeuille, ging ik zelf de wijken
in. Daar waren altijd veel verlangens, verkeersdrempels
moesten er komen en dat soort
dingen. Ik ging daar met de ambtenaren heen, vergaderingen
liet ik wel door een ambtenaar leiden
maar grote inspraakavonden deed ik zelf. Dat
moest je allemaal ervaren.
Het was een moeilijke tijd, daarbij kwam dat
net die hele binnenstadsproblematiek centraal
stond. Je kan nu zeggen, ja dat was toch makkelijk,
je ging met de tijd mee, geen vierbaansweg meer
door het oude centrum maar zoveel mogelijk het
bestaande handhaven en verder in passende
moderne stijl opbouwen, maar zo eenvoudig was
het echt niet. Want een deel van dat plan moest
wel doorgaan. Ik stond op het standpunt dat we in
het noorden van de binnenstad zoveel mogelijk
moesten behouden; niet meer afbreken maar restaureren
en in stijl bouwen. Die vierbaansweg
naar de nieuw te bouwen V&D en daar een parkeerterrein
dat kon niet meer, dat moest spectaculair
veranderd. Dus toen hebben we Aldo van
Eijck uitgenodigd om een plan te maken voor dat
stadsgedeelte. We zeiden, dan zien ze, ook al die
actiegroepen, dat we echt serieus bezig zijn.
Aldo van Eijck, was dat uw idee? Dat denk ik
wel. Nou ja, dat komt in teamverband, je bent aan
de praat met ambtenaren en de wethouder en dan
rolt er zo’n idee uit. Dat moet gebeuren. En verder
moest er nog meer gebeuren dat niet zo erg paste
in het restauratiebeleid van de zeventiger jaren, de
bouw van de nieuwe V&D en C&A. Want dat was
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dringend nodig, die zaten aan de Diezerstraat in
volstrekt verouderde behuizingen. Er waren veel
besprekingen geweest en de plekken waren vastgesteld.
De bouwplannen vonden we niet mooi
maar je moest met die bedrijven verder. Toen ik er
pas was zeiden ze in het college, we hebben de
onderhandelingen met V&D en C&A nog even
uitgesteld tot u er was, en gaat uw gang. Samen
met de wethouder van financiën en economische
zaken, Runhaar8, een van de beste wethouders
met wie ik ooit heb samengewerkt, heb ik de
besprekingen gevoerd, over de grondprijs en van
alles en nog wat. Maar de speelruimte van de
gemeente was niet zo groot. V&D is gebouwd op
een plek waardoor de Bitterstraat werd afgesloten,
een aantasting van het oude stratenpatroon. Dat
moest er echter allemaal doorheen gehaald worden.
Dat hele plan is ook een compromisplan,
want B en W had in een vorige periode daarvoor
een architect uit Ter Apel aangetrokken die nog
werkte volgens het stramien van de zestiger jaren.
Maar we moesten toch zien er het beste van te
maken. Dat was soms echt moeilijk. Dat we die
noordkant van de binnenstad, zonder al te veel
problemen van inspraak en actiegroepen voor
elkaar hebben gekregen, ligt denk ik toch mede
aan de stadhuiskwestie. Die trok zo geweldig alle
aandacht op zich, iedereen was daardoor geobsedeerd.
De actiegroepen richtten zich daar tegen.
De strijd om het nieuwe stadhuis
Maar dat stadhuisplan moest toch wel doorgaan,
want Zwolle zat er al vanaf 1896 op te wachten. De
meerderheid in de raad voor het plan van Konijnenburg9
werd echter steeds geringer. Telkens
moest er een nieuwe beslissing komen. Bijvoorbeeld
een voorlopig krediet moest een definitief
krediet worden en dan moest de raad weer beslissen.
Dan bleek dat het laatste plan een iets andere
plattegrond had en moest het bestemmingplan
weer worden aangepast. Zo was er telkens reden
om het weer in de raad te brengen. En de steun
nam steeds verder af. Inmiddels was het plan al
wel aanzienlijk verbeterd, we hadden er nog een
adviescommissie aan verbonden met vooraanstaande
architecten die ook Konijnenburg geadviseerd
hebben. Ik vond eigenlijk dat er toen een
goed plan uitkwam, toen wel. Het eerste plan
vond ik zelf ook niet zo geweldig. Konijnenburg
was een knappe architect, ik vind wat hij nu
gemaakt heeft zelfs heel knap, maar dat is een heel
ander plan dan waar wij toen over praatten. Hij
was eigenlijk geen architect voor de binnenstad,
had daar ook geen ervaring mee.
Het eerste plan besloeg een veel grotere oppervlakte?
Dat ook, maar de stijl was ook anders. Ik
kan me best voorstellen dat de mensen daar niet
voor waren. B en W was in meerderheid voor het
aangepaste plan, alleen Loos10 niet, maar verder
liepen de scheidingen dwars door de fracties heen.
Dat was erg belangrijk. Daardoor kwam het niet in
politiek vaarwater. Uiteindelijk staakten de stemmen
tot twee keer toe in de raad. Met die stemmingen
is raadslid Van der Brug11, die bij een val
ernstig geblesseerd was, nog in een brancard naar
boven naar de raadszaal gedragen om tegen te
gaan stemmen. Dat was in mei 1972. De impasse
was compleet. Daarop zei ik, laat dan de raad zelf
maar eens bedenken hoe ze eruit zouden kunnen
komen. Ze hebben vervolgens de voor- en tegenstanders
bij elkaar gezet maar ze kwamen er nog
steeds niet uit. Toen hebben nota bene de ambtenaren
aan de raad geschreven dat de raad moest
beslissen wat er moest gebeuren, maar dat ze niet
mochten beslissen dat er niets gebeurde. Want
men wachtte al bijna tachtig jaar en het moest nu
toch afgelopen wezen. Vanuit de Vrienden van de
De maquettes van het
voorlaatste en het uiteindelijke
gerealiseerde
ontwerp voor het nieuwe
stadhuis. Het bovenste
ontwerp haalde het
niet doordat op 29 mei
1972 voor de tweede
maal de stemmen hierover
in de gemeenteraad
staakten. (Uit: ‘Op
de Bres voor Zwolle’,
Zwolle 1992)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Opening nieuwe stadhuis
De officiële opening van het nieuwe Zwolse stadhuis vond plaats
op zaterdag 15 mei 1976. De daaraan gekoppelde manifestaties
en festiviteiten waren echter veel te omvangrijk om zich allemaal
op die ene officiële openingsdag af te spelen, het programma
begon daarom al op de woensdagavond daarvoor. Hieronder
drie momentopnamen uit die dagen.
Op 13 mei 1976 was er een open huis voor de bouwers, adviseurs,
het bestuur van de Vrienden van de Stadskern, de archeologische
werkgroep, buren enzovoort. Burgemeester Drijberhier in gesprek
met twee opposanten van het eerste uur van de oorspronkelijke
plannen en bestuursleden van de Vrienden van de Stadskern Han
Prins enpastoorj. Loos. NaastHan Prinszijn echtgenote Joukje.
(Collectie HCO)
14 mei 1976, burgemeester en wethouders tijdens de ‘voor’ opening
van het nieuwe stadhuis. Uiterst links wethouder P. Loos, vooraan
op de trap H. Okkels, daarachter naast elkaar vlnr. de wethouders
Van den Berg en J. Tamse en gemeentesecretaris N. Meiman,
daarachter met pijp wethouder T. ter Bekke. Rechts vooraan kabinetchefVan
Rappard. (Collectie HCO)
^ ^ j 15 mei 1976, de officiële opening van het nieuwe stadhuis door de
2%Aasi minister van Binnenlandse Zaken mr. W.F. de Gaay Fortman.
Vlnr. de minister, burgemeester Drijber met echtgenote encommissaris
van de koningin Niers met echtgenote. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Stadskern is toen uiteindelijk een compromis aangedragen.
Daar kwam uit dat de Weeme zou blijven
staan, maar dat het gebouw daar achter, de
school aan de Goudsteeg waar ook resten van de
fraterhuizen in zaten, weg mocht en dan moest de
plattegrond kleiner worden.
De overeenstemming daarover is begin juli
1972 ontstaan, de architect was op vakantie. De
laatste week van juli hoorde hij dat en hij is er toen
in geslaagd in een maand tijd het plan te maken
wat uiteindelijk ook verwezenlijkt is. Ik vond dat
ongelofelijk knap. Een totaal ander plan. Want hij
kon dat andere plan – waar hij wel vanaf 1963 aan
gewerkt had – niet meer gebruiken, hij moest veel
geconcentreerder gaan bouwen. Hij kon nu wel de
Weeme erbij gebruiken als vergaderruimte. Ik had
daar veel respect voor. We kregen zijn presentatie
op 22 augustus 1972. De raad vond het prachtig,
die waren dolblij dat ze van die controverse af
waren en met algemene stemmen werd gezegd, dit
is het, uitwerken. Toen hebben we als B en W
gezegd, één ding, we kennen de raad van Zwolle al
langer dan gisteren, als we dit weer helemaal moeten
gaan uitwerken en uitwerken, dan is dat klaar
tegen de tijd dat de volgende raad komt en dan
komen er weer bezwaren en kunnen we opnieuw
beginnen. Het is nu 22 augustus, 23 oktober is er
een reguliere raad, daar moet het definitieve krediet
in. Met enkele stelposten, maar dat moet. Dan
moet er dag en nacht doorgewerkt worden en in
die tussentijd moeten we ook nog inspraak houden.
Deze en de volgende tekeningen doen we in
de inspraak. En toen op 23 oktober werd het weer
door de raad met algemene stemmen aangenomen.
Ze zeiden zelfs dat er meer inspraak was
geweest, wat niet waar was. In januari 1973 was er
toch al een raadslid dat riep, nu achteraf, nu ik het
nog eens zie vind ik het toch eigenlijk zus en zo,
maar ik zei, man, het spijt me maar je bent nu te
laat [lachthartelijk].
Maar ik vond die hele combinatie van het stadhuis
en wat er verder nog moest gebeuren, inclusief
de grote moeilijkheid om de sprong naar Zuid
te maken, die begin zeventiger jaren, de moeilijkste
bestuurlijke jaren die ik als burgemeester heb
gehad. In al die tijd. Dat was echt heel moeilijk om
dat allemaal voor elkaar te krijgen.
De sprong naar Zwolle-Zuid
In de tijd van Roeien was Zwolle industriekern
geworden. Dat was heel belangrijk want dan kreeg
je behoorlijke subsidies voor vestigingen van
bedrijven en voor de infrastructuur. Daar heeft
het kabinet Biesheuvel, dat in 1971 kwam, een eind
aan gemaakt. In dat regeerakkoord werd bepaald
dat het aantal kernen veel te groot was. Zwolle en
onder meer ook Kampen werden geschrapt. Dat
was natuurlijk een behoorlijke tegenvaller want
wij moesten juist met veel rijkssteun over het stationsemplacement
naar Zuid springen. Wij hebben
toen vreselijk veel moeite gedaan bij dat kabinet,
er zaten ook twee ministers in met wie ik persoonlijk
min of meer bevrind was, namelijk Geertsema
op Binnenlandse en Langman op Economische
Zaken.
Helpt zoiets, als je mensen persoonlijk kent?
Nou, soms wel. Maar ik ben dan wel WD-er,
maar ik kon meestal meer bereiken bij PvdA- en
CDA-ministers dan bij WD-ers. In die tijd kon ik
het heel goed vinden met Udink, minister van
Volkhuisvesting, die wou ook veel doen voor
Zwolle. Hij zei mij dan, kunt u nou niet nog eens
bij uw partijgenoten Geertsema en Langman lobbyen,
ik krijg ze niet om. Dan zei ik, nou ik zal het
doen, maar ik krijg ze ook niet om, dat weet ik nu
Zwolle promotie in Den
Haag. Een Zwolse delegatie
onder leiding van
burgemeester Drijber
presenteert in het Haagse
Nieuwspoort het
nieuwe structuurplan
van de stad, 27 oktober
1971. Vlnr. onbekend, de
heer Dekker, directeur
van de socio-grafische
dienst van de gemeente
Zwolle, de heer Roorda
van Eijsinga van het
stedebouwkundig
adviesbureau O.D. 205,
burgemeester Drijber,
de heer Messer, stedebouwkundige
van de
gemeente Zwolle en
wethouder Venstra.
(Foto GPD Den Haag,
collectie HCO)
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
al. Dat was een moeilijkheid. Maar het ministerie
van VROM, of eigenlijk toen nog VRO, toen was
de M(milieubeheer) er nog niet bij, was zéér voor
Zwolle. De leiding van het departement en ook de
directeur van de Rijksplanologische Dienst, dat
was toen Quené, zagen namelijk de ontwikkeling
van Zwolle als een voorwaarde voor de ontwikkeling
van het Noorden. Ze zeiden willen wij dat
Noorden ontwikkelen, dat wil de regering en ook
de Tweede Kamer, dan moet er iets tussen liggen.
Je kunt niet zeggen hier is de Randstad en dan heb
je daar Groningen. Daar moet een steppingstone
zijn. Dus eerst moet Zwolle goed ontwikkeld worden
en dan kan je in het Noorden wat doen. Zij
waren daarom altijd erg voor ons. Dat was niet
gering. Ik vind dat een man als Quené daar wel
eens voor geëerd mag worden. Die heeft heel veel
voor Zwolle gedaan. Hij was eerst directeur van de
Rijksplanologische Dienst, daarna secretarisgeneraal
op het ministerie van VRO. In de tachtiger
jaren werd hij voorzitter van de SER, enfin, het
was een heel vooraanstaande man en een hele aardige
man ook. Daar mag Zwolle wel dankbaar
voor zijn, dat dat ministerie zo meewerkte.
Het was zelfs zo, in die tijd van Udink, dat het
departement van VRO het idee had dat je niet
rijksdiensten vanuit Den Haag moest spreiden
over het hele land, maar dat je een tweede ‘schrijftafel’
moest maken, een heel end van Den Haag af.
Dat was voor die diensten ook veel beter. En waar
zou die tweede schrijftafel dan komen? Juist, in
Zwolle. Maar dat idee was politiek niet reëel.
Voor de ontwikkeling van Zwolle-Zuid hadden
we een speciaal team. Dat ontstond zo; er
bood zich een grote projectontwikkelaar aan en
daar waren we toen bijna mee akkoord gegaan.
Maar toen kwam er een combinatie van het destijds
bekende Rotterdamse stedebouwkundige
bureau Stad en Landschap met twee ingenieursbureau’s
en ook nog een belegger in onroerend
goed. Zij presenteerden gezamenlijk een plan. Wij
zijn met die groep in zee gegaan omdat die offerte
meer vrijheid bood dan die van de projectontwikkelaar.
Met projectontwikkelaars kun je een contract
sluiten, maar dat is dan verder ook bindend
en daar kan heel weinig aan veranderd worden. De
leider van dat team was de directeur van Stad en
Landschap, Schut, de oud-minister van VRO.
Schut was voor hij minister werd onze stedebouwkundige
in Middelburg. Daar had ik altijd met
hem samengewerkt en ik had de band met hem
vastgehouden. Ik zei daarom, we moeten Schut
nemen want die heeft goede entrees op het departement.
Want het was van het grootste belang om
subsidies te krijgen. Toen heeft zich een heel proces
ontwikkeld, waarbij wij ook nauw hebben
samengewerkt met de opeenvolgende ministers,
Udink en later Gruyters. Het is toen uiteindelijk
gelukt om de status van groeistad te krijgen. Op
die basis hebben we van het Rijk als eerste tranche
103 miljoen gulden gekregen voor de ontsluiting
van Zwolle-Zuid. Om dat allemaal voor elkaar te
krijgen was ook een hele moeilijke operatie. Daar
hebben we, met z’n allen, heel veel energie ingestoken.
Maar toen het stadhuis er was, de restauraties
in de binnenstad in volle gang waren en de sprong
naar Zuid was verzekerd, werd het besturen wat
minder enerverend. Toen was het zaak om het
goed uit te voeren.
Werkhouding
Hard gewerkt, zegt u. Het verhaal gaat altijd nog dat
meneer Drijber ook op zondag wel naar het stadhuis
ging en daar ook vaak doorwerkte. O zeker, dat
vond ik ook helemaal niet erg. Ook ’s avonds wel.
Ik zat daar in dat oude stadhuis heel mooi, in die
hoek. Als je daar dan nog laat zat dan zeiden ze
wel, zit u er nou nog? Dan zei ik, nee helemaal
niet, ik ben gewoon thuis geweest, heb daar gegeten,
de krant gelezen en even televisie gekeken en
nou om tien uur ga ik weer naar het stadhuis.
Maar goed, dat deed ik inderdaad. Dat was destijds
ook het geval in Middelburg. Ze hadden daar
grote plannen, Middelburg moest groeien en toen
heb ik ook gezegd, kijk, ik vind het uitstekend dat
we die taakstelling gaan doen, maar dan moet
iedereen gewoon doorwerken. Dan moet je niet
zeggen, het is vijf uur, nu gaan we naar huis, want
dat kan niet. Wie mee wil doen, prima, maar dan
gaan we er ook geweldig achteraan.
Dat hebben we in Zwolle ook wel gedaan, met
een aantal goede mensen. Maar de sfeer was…
anders. Er was een voortreffelijke gemeentesecreZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
taris in Zwolle, Jan Peeman, hij is na een jaar
benoemd tot griffier van de Staten in Groningen.
Die zei tegen mij voordat ik de eerste keer op de
Nieuwjaarsbijeenkomst het personeel zou toespreken,
je zult wel gaan zeggen dat er een heleboel
dingen op stapel staan en dat er toch nog een
heleboel meer moet gebeuren, dat we de status
van industriekern moeten houden en dat we in de
binnenstad die hele verandering met eensgezindheid
moeten dragen, dat soort dingen. Inderdaad,
zei ik, zoiets zou best kunnen. Ja, zei hij, zo zou
Roeien dat ook zeggen. Maar dat slaat bij deze
mensen niet in. Toen kreeg ik van Jur Tjeenk Willink12
een oudejaarsoverpeinzing, die maakte dat
elk jaar en die kwam mij dat brengen. Daar zag ik
ook iets in, een negentiende-eeuws verhaal over de
jaarwisseling, een beetje beschouwend en dat heb
ik toen als uitgangspunt genomen. Peeman zei,
nou dat is goed hoor, men vond het leuk dat het
iets totaal anders was, niet die taakstelling. En toen
kwam er in het personeelsblad een artikeltje van
een linkse dwarse jongen en die schreef, hoe is het
nou toch mogelijk, de burgemeester houdt zijn
eerste nieuwjaarstoespraak en waar heeft hij het
over? De negentiende eeuw! Zo zie je maar weer,
het is nooit goed [lacht hartelijk]. Maar die secretarie,
dat was toen een vrij moeilijk te hanteren
gezelschap. Er zat niet een grote dynamiek in. Er
waren hele goede mensen bij maar de sfeer was
afwachtend ten opzichte van die bestuurders die
altijd maar meer wilden. Dat veranderde later.
Daar kom ik nog op terug.
Goed oud versus goed modern
U wordt in Zwolle gememoreerd als de burgemeester
die gezorgd heeft voor het behoud van de stad, u hebt
daarvoor bij uw afscheid in 1980 het erelidmaatschap
van de Vrienden van de Stadskern gekregen,
was u daar altijd al mee bezig? Ja, die belangstelling
was er altijd wel, maar in Leiden uitte dat zich nog
maar op bescheiden wijze. In die tijd vond het ook
nog geen ingang. Zoals al een paar keer aangeduid,
heeft zich dat in Middelburg verder ontwikkeld.
Ik heb me bijvoorbeeld altijd verzet tegen de
redenering: goed oud moet kunnen naast goed
modern. Dat zie je nog in de Breestraat in Leiden.
Maar het is niet waar. Het kan alleen als goed
modern een geleding heeft en een schaal die past
bij het oude. Je ziet hier in Arnhem ook vreselijke
dingen, horizontale gevels naast verticale. Oud is
altijd verticaal. In een historische binnenstad
moet je geen lang horizontaal gebouw neerzetten.
Hoe zat dat alweer met de nieuwbouw aan de
Thorbeckegracht, vlak bij de Diezerpoortenbrug; dat
alles al klaar was, dat alleen de burgemeester nog
zijn fiat moest geven, maar die bekeek de plannen en
zei, hier zet ik mijn handtekening niet onder. Dat
zijn nu die balkonwoningen. Er was ooit een plan
om daar een grijze wand van te maken, en dat zou
Drijber hebben verhinderd! Dat is waar, ja. Er
moest daar iets gebeuren, de oude pakhuizen13 die
daar stonden waren helemaal vervallen, daar
moest nieuwbouw komen. Er is toen een projectontwikkelaar
gekomen en die heeft een architect
aangetrokken om dat te doen. Daar is veel over
heen en weer gepraat en uiteindelijk is er een plan
gekomen wat de goedkeuring kreeg van Welstandstoezicht
en ook van de directeur Openbare
Werken14. Maar het was geen goed plan, onder
andere weer veel te horizontaal en op zo’n gevoelig
punt in de stad, dat kon niet. Dus ik zei, dit
moet anders. Maar het zal moeilijk zijn om dit te
keren, dan moeten we wel van goede huize
komen. Met die plannen onder de arm ben ik naar
Middelburg gereden, om ze met professor Berg-
Vijf van de zes monumentale
maar volledig
vervallen achttiendeeeuwse
zogeheten Marsmanpanden
aan de
Thorbeckegracht, vlak
voor de sloop in 1981.
(Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee tekeningen van de
invulling van het bouwplan
voor appartementen
aan de Thorbeckegracht;
boven het door
alle instanties goedgekeurde
maar door burgemeester
Drijber
tegengehouden ontwerp,
onder het ontwerp
dat uiteindelijk
gerealiseerd is. (Uit:
‘Op de Bres voor Zwolle’,
Zwolle 1992)
hoef te bespreken. Berghoef was hoogleraar
bouwkunde in Delft en een bekende architect, van
onder andere het stadhuis in Hengelo. Ik kende
hem nog van de Studentenhuisvesting, hij was
destijds actiefin Delft en ik in Leiden. We hebben
toen veel samengewerkt. Later in Middelburg
heeft hij onder meer het provinciehuis ontworpen
en het waterschapsgebouw. Hij had gevoel voor de
oude stad, hij is ook in Middelburg gaan wonen.
Berghoef vond van die plannen hetzelfde als ik.
We concludeerden dat ik met die mensen moest
gaan praten, samen met de wethouder, en ze uitleggen
dat het plan niet doorging maar dan zou
aanwijzen wat het wel moest zijn. Berghoef schetste
het voor en ik leerde dat uit mijn hoofd. Toen
kwam het plan in B en W en ik dacht, ik moet zorgen
dat ik wethouder Loos meekrijg. Die was het
gelukkig met me eens. De sfeer in B en W was
eigenlijk nog zo, dat die machtiging die ik in het
begin min of meer kreeg, maak wat van de binnenstad,
in feite nog steeds gold. Het was inmiddels
1978. Toen hebben we een gesprek gehad met
de projectontwikkelaar en Openbare Werken en
gezegd, B en W heeft het plan niet goedgekeurd.
Wat er aan ontbreekt dat zal ik u tekenen. Zoiets
zou het moeten zijn en dat is het helemaal niet. Ik
vind het voor u ook heel vervelend, zei ik tegen die
projectontwikkelaar, want u heeft wel uw best
gedaan door een goede architect te nemen, maar
het is geen architect die verstand heeft van binnensteden.
Dat is nou net het punt. We moeten er
nu zien uit te komen en als het nodig is, het kost u
geld want u moet weer opnieuw beginnen, kunnen
wij nog wel iets aan de grondprijs doen om u
tegemoet te komen. Want het is ook ons erg veel
waard dat het goed komt. Wij kunnen u ook nog
wel verder helpen, als u een andere architect hebt,
dan hebben wij nog wel mogelijkheden om u nog
meer te laten zien wat je in de binnenstad kunt
doen. Want iemand als Han Prins15 was ook
bereid om te tekenen. Maar ik had deze zaak niet
met hem besproken. Want iets als de Vrienden
van de Stadskern is heel nuttig, maar die moeten
niet helemaal in het hart van het beleid doordringen.
Want dat kon je ook weer niet goed verkopen.
Maar met Berghoef achter de hand voelde ik
me sterk genoeg. Die projectontwikkelaar, aardige
man, heeft dat genomen. En bij de verdere uitwerking
is Han Prins betrokken. Toen is dit er uitgekomen.
Ik vind het goed geworden, alleen de steen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
had ik graag minder donker gezien. Ik was al weg,
want anders had ik zeker gevraagd, welke steen
komt er. Dat had ik geleerd bij Aldo van Eijck,
daar ben ik ook niet zo verrukt van de steensoort,
daar had ik toch meer achterheen moeten zitten.
De verhouding en de samenwerking met de
Vrienden van de Stadskern was trouwens na 1972,
na de controverse om het stadhuis waar we aanvankelijk
tegenover elkaar stonden, heel goed. In
de voor het behoud en de herinrichting van het
oude stadshart beslissende zeventiger jaren zijn
het gemeentebestuur en de Vrienden elkaar toen
dicht genaderd.
Verder ging het zo dat wij samen keken, de
wethouder en ik, naar de bouwaanvragen. En vaak
dingen afwezen. Ik weet nog dat ik een keer in de
Diezerpromenade stond met een architect en een
zaakwaarnemer van zo’n groot landelijk bedrijf.
Die maken dan zoiets wat ze overal maken. We
stonden daar voor het bewuste pand met de tekening
en ik zei tegen die architect, u maakt nu iets
wat u overal maakt en blijkbaar krijgt u veel medewerking.
Maar bij ons niet. Dat is natuurlijk vervelend,
maar wij willen proberen iets heel anders
te doen. U vindt het zeker gek dat de burgemeester
zich met een winkelpui bemoeit. En daar hebt u
ook gelijk aan. Dat doen burgemeesters niet. Maar
ik doe dat wel en daar moet u dan even aan wennen.
Dreigt dan niet het gevaar dat je op het terrein
van een wethouder komt? Je kunt het als burgemeester
alleen doen wanneer de wethouder van
Openbare Werken meewerkt. Dat had ik met
Nooter, met Venstra16 en daarna met Loos. Loos
had daar naar mijn idee soms wat moeite mee. Dat
zou je niet denken, gezien de opvattingen van z’n
vader17. Maar die ging doorgaans ook wel mee. Op
zo’n manier kon je wel iets goeds krijgen. In Middelburg
was ik voorzitter van Welstandstoezicht.
Dat was zo geregeld in Zeeland. Het college dat in
1966 kwam, heeft daar een eind aan gemaakt. Ze
hadden daar wel gelijk aan. Ze zeiden, we vinden
dat een verkeerde constructie; de burgemeester
bekijkt met de architect en de gemeentearchitect
die plannen en dan komt het bij ons en moeten wij
het goed vinden. Maar ik heb er heel veel van
geleerd. Die panden in zo’n Diezerstaat zijn altijd
afgesneden, daarboven is iets en daaronder. Maar
dat moet niet, zo’n pand moet op z’n ‘poten’ blijven
staan. Dat is het uitgangspunt en dat probeer
ik dan al die mensen uit te leggen. Maar veel zin
heeft het niet, want je bent een tijdje weg en dan
zie je her en der weer vreselijke dingen.
Maar de recente invulling van het Eiland door
Natalini vind ik heel mooi geworden. Eerst was er
een plan dat weinig gelukkig was. Dat zie je vaak,
dat een projectontwikkelaar wel de moeite doet
om een goede architect te vinden, maar niet er aan
denkt dat het een architect moet zijn die verstand
heeft van binnensteden. Die de plannen aanpast
aan het karakter, aan de maat en schaal van de hele
enscenering van de vorige eeuwen. Dat mislukt
heel vaak, buitengewoon jammer. Gelukkig heeft
Natalini dat wel. Het is alleen een beetje massief, je
ziet zo dat het ‘aus einem Guss’ is gebouwd. Een
binnenstad is geleidelijk aan ontstaan, je had dat
nog iets meer kunnen nabootsen door bijvoorbeeld
wat meer variatie in de gevelhoogtes aan te
brengen.
Ambtsverplichtingen
Moest u ook de langgehuwden toespreken en bezoeken?
De zestigjarigen, ja. Daar gingen m’n vrouw
en ik naar toe. Een heel werk. Maar we deden dat
met plezier want je hoort veel over hoe het leven
vroeger in zo’n stad was. Het gesprek brachten we
daar ook altijd op. Dat deden we in Middelburg
ook, al die bezoeken. Een enkele keer is mijn
vrouw wel eens alleen gegaan, want dan was er
zo’n receptie en die viel bijvoorbeeld net op die
middag dat de enige mogelijkheid was om een
gesprek met Gedeputeerde Staten te hebben. In
het jaar van Zwolle 750, dat ik helaas maar ten dele
heb meegemaakt door mijn overstap naar Arnhem,
hebben we in april alle diamanten bruidsparen
op het stadhuis uitgenodigd voor een feestelijke
middag. Want ik had toen zoveel te doen dat
die aparte bezoeken in de verdrukking kwamen.
Dat herinner ik mij als een groot succes. Dus toen
zei ik, misschien is dit wel leuk om elk jaar te doen
en niet meer op bezoek te gaan. Maar ik weet niet
hoe dat verder gegaan is, ik was weg. In Arnhem
heb ik het nooit gedaan. Dat werd te veel. De honderdjarigen
nog wel, maar geen bruidsparen meer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tegenwoordig zijn de omgangsvormen informeler,
er wordt nu gesproken over Jan Franssen, Henk
Jan Meijer. Dat was toch in uw tijd niet zo, u was
meneer Drijber. Dat is nu inderdaad anders. Ook
hier in Arnhem was ik meneer Drijber, mr. J. Drijber.
M’n opvolger werd altijd bij de voornaam
genoemd, burgemeester Paul Scholten. Ja, dat is
de verandering in de tijd, die voornamen, het gaat
er wat informeler aan toe.
Voelde u zich in uw doen en laten beperkt door
uw functie’;’Nee, dat heb ik nooit zo gevoeld. Wat
zou ik dan anders gedaan hebben? Ik heb van huis
uit heel weinig geduld, dat is een lastige eigenschap.
Je moet daarom wel oppassen dat je je niet
driftig toont. Ook als je werkelijk boos bent, moet
je het niet tonen. Soms moet je wel eens doen alsof.
Een zeker spel zit daar in. Dat kan nuttig zijn.
Maar als je echt boos bent, is voorzichtigheid
geboden. Ik heb me wel het een en ander aangeleerd,
zeker in de raad. Ik had wel eens een gedachtewisseling
met de toenmalige gemeentesecretaris
Niek Meiman. Die zei dan na een raadsvergade-
Een burgemeester moet van alle markten thuis zijn. Op 19 december 1975 decoreerde burgemeester Drijber het 400.000ste dier dat dat
jaar op de Zwolse veemarkt werd aangevoerd.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 2

Door 2013, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Jakobs Sport
Vijftig jaar een begrip in Zwolle

30e jaargang 2013 nummer 2 – 8,50 euro

70 zwols historisch tijdschrift

Suikerhistorie

Wim Huijsmans

Café-restaurant ‘Neuf’
De deur van Luttekestraat 13 gaf ruim een eeuw lang toegang tot een horecazaak waar je naar bin­nenliep voor een kop koffie, om wat te eten of voor een vergadering. De afbeeldingen in glas-in-lood in de bovenramen op de begane grond getui­gen daar nog altijd van. Tegenwoordig staat het pand vol met nieuwe fietsen en toebehoren.
Rond 1890 nam Andries P. Nekkers, koffie­huishouder en bierhandelaar, het café over van de vorige eigenaar. Ruim tachtig jaar bleef het eigen­dom van de familie Nekkers. Toen Derk van Maar in 1918 de zaak overnam van zijn schoonvader, gaf hij daaraan de naam ‘Neuf’. Het Franse woord neuf heeft meerdere betekenissen. Naast negen en nieuw kan neuf ook nieuws betekenen (quoi de neuf = is er nieuws?). Er zijn meer horecazaken in Nederland die zo heten. Geen wonder, want in een café valt altijd wel wat nieuws te horen.
Toen Van Maar in 1929 failliet ging en even later ging scheiden, kwam de zaak in handen van zijn zwager Doekele P. Nekkers. Hij droeg Neuf op 31 december 1954 over aan zijn neef Barteld van Maar, die eigenaar bleef tot 1970. Met hem verdween de familie Nekkers uit Neuf. Het pand wisselde daarna vaak van eigenaar en werd ten­slotte bij de naastgelegen fietsenzaak van Scholten aangetrokken.
Neuf fungeerde in de vorige eeuw als thuis­honk van verschillende Zwolse verenigingen, zoals biljartclub ‘de Peperbus’, motor- en auto­club Zwolle en carnavalsvereniging ‘de Sas­senpoorters’. Op 8, 9 en 10 februari 1960 hield volgens een advertentie in de Zwolse Courant Madame Dupois, groot zieneres, zitting in Neuf. Of zij toen al het einde van Neuf heeft voorzien, vermeldt de historie niet.

(Collectie ZHT)

Luttekestraat 13, anno 2013. De glas-in-lood ramen herinneren nog aan Neuf.(Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 71

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans70
Van Fa. D. Jakobs tot Jakobs Sport
Vijftig jaar een begrip in Zwolle
Bert J. Davidson72
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 1: Zwols meisje lokte
Groninger uit liefde naar haar geboortestad
Willem van der Veen96
Literair Café ‘In de Sinnepoppen’
Eleonore van der Eijk 103
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 9: De zomer van het melkvisioen
(juli-september 1963)
Jan van de Wetering111
Recent verschenen
Annèt Bootsma – van Hulten116
Mededelingen117
Auteurs118

Redactioneel
Na twee themanummers (over Westenholte-Voorst-Frankhuis en de gemeentelijke Monu­mentenzorg) is het Zwols Historisch Tijdschrift weer eens gevuld met losse artikelen. Die artikelen hebben overigens wel iets gemeenschappelijks. In alle verhalen is er in meer of mindere mate sprake van persoonlijke herinneringen.
In twee artikelen spelen familiebanden een belangrijke rol. Bert Davidson vertelt over de
Fa. D. Jakobs en Jakobs Sport, de winkel aan de Grote Markt van zijn (groot)ouders, maar tegelij­kertijd vertelt hij ook het familieverhaal.
Persoonlijke herinneringen spelen ook een centrale rol in een nieuwe serie. Willem van der Veen behandelt in meerdere afleveringen de geschiedenis van de Zwolse Courant. Hij heeft
53 jaar voor deze krant gewerkt, zodat de geschie­denis van de krant (ook) een persoonlijk geschie­denis zal zijn.
Onze jongste auteur ooit, Eleonore van der Eijk, vertelt over het bedrijf van haar opa, het helaas ook al verdwenen literair café ‘In de Sinne­poppen’ aan de Buitenkant. En ook in dit verhaal is de geschiedenis van het café verweven met de geschiedenis van de familie.
En over series en persoonlijke herinneringen gesproken, dit Zwols Historisch Tijdschrift bevat weer een aflevering van de persoonlijke kijk van Jan van de Wetering op Zwolle in de jaren zestig. Dit keer krijgt u meer te horen over de Holten­broekse melkoorlog.
En dit alles wordt vooraf gegaan door de rubriek Suikerhistorie, waarin Wim Huijsmans u meevoert naar café-restaurant ‘Neuf’ aan de Lut­tekestraat.

Omslag: De Grote Markt rond 1970. (Foto M.Wassenaar)

72 zwols historisch tijdschrift

Van Fa. D. Jakobs tot Jakobs Sport
Vijftig jaar een begrip in Zwolle
Het is vrijdagmorgen, zomer 1935. De eeuwenoude Zwolse markt slingert door de stad, van de Nieuwe Markt naar het Rodetorenplein, alle straten en zijstraten zijn bezet. Het is een drukte van belang, de lucht is vol van geluiden: van paard en wagens en kooplieden die hun waren aanbieden. Geuren van brood, bloemen, fruit en specerijen mengen zich met de scherpe reuk van leer, stoffen en paardenuitwerpselen. Alles is te koop: groenten en fruit, kaas, boter en eieren die boerinnen in korfjes van huis meegenomen hebben, levend en dood gevogelte en rijen van kramen met lapjes waar stadse vrouwen en boerinnen in dracht van de Veluwe, het Kampereiland en Staphorst in graaien. Er zijn standwerkers die geneesmid­delen verkopen die wonderen kunnen verrichten, er is zeep die alles schoonmaakt, fluitjes van een cent. De oude Veterman staat op de hoek bij het stadhuis zijn oude potten, pannen en kleren aan te prijzen. Op de Melkmarkt lopen Daniel Jakobs en zijn twaalfjarige dochter Saartje van hun winkel en woning op de Grote Markt naar het Rodetorenplein, waar al sinds 1792 vis gemijnd wordt, vers aangevoerd uit de Zuider- en Noordzee. Daniel koopt een zootje groene haring, die hij klaar zal maken voor het middageten. De klanken van het nieuwe carillon in de Peperbus, dat gekocht is met het geld dat over was van de bouw van de IJsselbrug, regenen zachtjes op de mensen neer. De lucht is bijna oogverblindend blauw, de donkere wolken van de toekomst zijn nauwelijks zichtbaar aan de horizon.
Daniel Jakobs
Waarom Daniel Jakobs (geb. 1894) zich in Zwolle vestigde is niet bekend, hij had geen duidelijke binding met de stad. Nadat hij in 1919 met groot verlof uit het leger ging na ruim vier jaar gemo­biliseerd te zijn geweest, huurde hij een kamer in de Terborchstraat bij de familie Bilderbeek. Oor­spronkelijk kwam hij uit zuidoost Drenthe, waar zijn familie al generaties gewoond had. Daniels vader, Israël Jakobs, die een goed huwelijk had gesloten met een vrouw uit een familie die veel geld had verdiend met vervenen, kocht een groot huis met winkel in wat toen de Dorpsstraat (nu Noorderstraat) heette in Emmen. Hij verkocht daar allerlei soorten textiel: onder meer dekens, lakens, kleren, garen en band en bedden. Daniel was de oudste zoon en had niet veel meer dan lagere school; alles was nog zeer primitief in dat deel van het land. Hij hielp zijn vader in de zaak wat in die tijd inhield ‘de boer opgaan.’ In het dun bevolkte Drenthe was het normaal dat winkels er verkopers op uitstuurden en Daniel sleepte zijn zware koffer met stalen en een dik opschrijfboek door het Drentse land, in het begin lopend en sla­pend in herbergen of bij een boer in het hooi. Vele grote nu nog bestaande winkels, zoals V&D en C&A, zijn op die manier ontstaan.
In 1914, onder de dreiging van een wereld­oorlog, mobiliseerde Nederland. Daniel Jakobs, ook wel Jaap genoemd naar zijn achternaam, was ingeloot en moest onder dienst. Hij werd gelegerd in Tilburg als soldaat in het rijwielenkorps van het 19e regiment infanterie. Als gelovige Jood was het moeilijk voor hem om in de kazerne te wonen en dus werd hij ingekwartierd bij de plaatselijke familie Cohen. Een andere joodse soldaat, Sam Boektje uit Blokzijl, was daar ook ondergebracht. De jonge mannen raakten goed bevriend. In Til­burg brachten ze bijna vijf jaren met manoeuvres, maar vooral met verveling en nietsdoen door. Een lichtpuntje voor Daniel en Sam was dat zij fietsen leerden repareren en konden werken aan hun hobby: het in elkaar zetten van radio’s uit losse onderdelen.
De Cohens hadden drie dochters, waaronder Esther en Sophia. De twee jongelieden werden verliefd en elk verloofde zich met één van de twee meisjes. Daniels twee jongere broers waren inmiddels in de zaak in Emmen gekomen en het is mogelijk dat er voor Daniel geen plaats meer was en dat hij daarom voor zichzelf begon. In Zwolle handelde Daniel in van alles, voornamelijk waren die hij in Duitsland kocht en in partijen weer verkocht. In het najaar van 1919 begon hij de Fa. (firma) D. Jakobs in Zwolle, maar niet voordat hij terug was gegaan naar Tilburg om met zijn ‘Fietje’ te trouwen. Ze begonnen een winkel aan de Nieu­we Haven 4, nu Luttekestraat 54. Spoedig daarna breidden ze uit door ook nummer 58 te huren. Ze woonden boven de winkel op nummer 58, van het andere pand had Daniel alleen de winkel gehuurd. Het pand was eigendom van en werd bewoond door de banketbakker Andries Troostwijk en zijn vrouw Lena van Tijn. Tussen deze twee echtparen ontwikkelde zich een hechte vriendschap. Daniel en Sophia (Fie) kregen twee dochters, Betje (Bep­pie) in 1920 en Saartje, meestal Zus genaamd (de moeder van de auteur), in 1922.
Rijwielen en radio’s
De zaken verliepen vanaf het begin voorspoedig, Daniel verkocht en repareerde fietsen en alle accessoires die daarbij hoorden. In die tijd werd het gebruik van een fiets nog gezien als een sport, niet als het algemene vervoermiddel dat het later werd. De zaak verkocht ook andere sportartikelen en kleding, waarbij Daniel de ervaring en con­necties die hij bij zijn vader verkregen had met succes gebruikte. Dat succes werd nog groter toen hij met behulp van zijn in Tilburg opgedane elektrotechnische kennis radio’s, lampen en huis­houdelijke elektrische apparaten ging verkopen en herstellen. Radio’s waren destijds de rage en werden op bestelling vervaardigd. Daniel kocht er houten kasten voor en vulde ze met de nodige onderdelen, inclusief trimmers tegen de ‘Mexi­caanse Hond’, een bepaalde storing die een joe­lend geluid maakte en de ontvangst overstemde. Een hoornachtige luidspreker van metaal of bake­liet completeerde het geheel en de radio was klaar om afgeleverd te worden. Deze apparaten waren heel duur, er zijn rekeningen bewaard gebleven waar zo’n radio in de jaren twintig al 145 gulden kostte, een formidabel bedrag voor die tijd. De meeste radio’s werden dan ook op afbetaling gekocht. Zeker na de economische crisis van 1929 was het voor veel klanten moeilijk de aflossing te betalen. Sommigen konden maar een kwartje in plaats van de overeengekomen vijftien gulden per week aflossen. In schrijnende gevallen schold Daniel, goedhartig als hij was, de schuld kwijt. In de jaren dertig kwamen de fabrieksgebouwde radio’s op de markt en de Fa. D. Jakobs werd de alleenvertegenwoordiger in de regio van het toen bekende Nederlandse merk ‘Waldorp’. In 1936 opende hij de eerste grammofoonopnamestudio in Zwolle. Een van de eerste opnames was de rede die prinses Juliana en prins Bernhard hielden ter gelegenheid van hun verloving in september. De Zwolse Courant maakte er een lovend verslag van.
Omdat het Daniel zo voor de wind ging had hij samen met zijn zwager Sam Boektje, die zijn compagnon was geworden, nog een winkel op de Oudestraat 41 in Kampen geopend; de naam van de zaak was nu Fa. D. Jakobs en Co. De Boektjes woonden ook bij de winkel op nummer 39. Zij waren erg hartelijk en gastvrij en hun woning met achtertuin werd een ontmoetingspunt voor hun familie en vrienden. De kinderen van Jakobs en Troostwijk waren daar vaak te gast met vrienden en vierden er feestjes.
De beide zaken doorstonden de crisis goed en bleven winstgevend. Ze werden zelfs te klein; er was bijna geen opslagruimte meer in beide panden. Het stond er ook stampvol, zoals een foto genomen in de zaak in Kampen duidelijk aantoont. Daniel zocht in Zwolle naar een gro­tere winkel en vond die op de Grote Markt 8, een groot historisch pand daterend uit de zestiende eeuw, waar voordien de sigarenwinkel van Das­sen gevestigd was. In 1932 vond de verbouwing en verhuizing plaats; de Jakobsen gingen weer boven de winkel wonen. Het pand was ruim, er waren vijf verdiepingen, meer dan genoeg voor winkelopslag en woonruimte. In die tijd gaven ze de rijwielhandel op, de concurrentie was te groot geworden.
Er openbaarden zich na verloop van jaren verschillen van opvatting over het beleid van de winkels tussen de twee compagnons. Daniel was zuinig en wilde de firma verder uitbouwen, Sam was tevreden met één winkel en de goede boter­ham die hij ermee verdiende en leefde royaal. Hoewel de vriendschap tussen de twee families in stand bleef, gingen ze begin 1940 ieder hun eigen weg. De naam van de Zwolse zaak veranderde weer in Fa. D. Jakobs. Ondanks de onzekere tijden vergrootte Daniel de winkel door er een gedeelte van het souterrain bij aan te trekken.
De Jakobsen waren in de loop van twintig jaar geheel ingeburgerd geraakt in Zwolle. Ze waren lid van de Zwolse Israëlitische Gemeente en waren erg gezien in de stad. Daniel zong als eerste tenor in het Zwols Mannenkoor en nam, ironisch genoeg, deel aan de Mattheus Passion, een muziekstuk met mijns inziens onweerlegbare antisemitische elementen. Iedere vrijdag konden ze gezien worden op de markt. Hun twee dochters gingen naar de HBS. Beppie wilde na haar eind­examen in de zaak en ging werken als stagiaire bij Maison de Bonneterie in Amsterdam. De tijden waren zo slecht, dat Daniel moest betalen voor deze stage.
Oorlogsdreiging
De situatie in Duitsland en het toenemende anti­semitisme begonnen een domper te leggen op het rustige leven van de familie Jakobs. Veel Duits-Joodse emigranten namen hun toevlucht in de stad, sommigen op doortocht, anderen bleven in de overtuiging dat het in Nederland wel niet zo’n vaart zou lopen en het land wel weer, net zoals in de Eerste Wereldoorlog, neutraal zou blijven.
De gebeurtenissen van 10 mei 1940, toen de Duit­sers Nederland binnenvielen, maakten een einde aan deze illusies. De maatregelen om alle Joden uit het openbare leven en daarna uit Nederland te verwijderen, werden geraffineerd langzaam en geleidelijk tot uitvoering gebracht.
Saartje (Zus) Jakobs, die in 1940 eindexamen HBS had gedaan, moest afzien van haar plannen om economie te studeren en ging in de zaak wer­ken. Ze had in de Zwolse joodse jeugdvereniging Dolf Davidson (geb. 1918) ontmoet, hij werd haar vaste vriend. Dolf woonde oorspronkelijk in Dülmen in Duitsland, vlak over de grens. Zijn vader Isidor (geb. 1879), een geboren Zwollenaar, had daar sinds 1903 een slagerij maar Dolf kwam vaak naar Zwolle op familiebezoek. Ze hadden de Nederlandse nationaliteit behouden. Dolf werd al snel gedwongen het gymnasium in Münster te verlaten. Zijn hoop om ooit veearts te worden werd zo de grond ingeboord en er bleef hem alleen maar over om ook slager te worden. De maatregelen tegen de Joden in Duitsland werden steeds strenger. In 1937 kwamen de Davidsons weer terug naar Nederland omdat het hen onmo­gelijk was gemaakt hun vak uit te oefenen, het werd Joden verboden om vee te kopen. Dolf ver­telde dat zijn vader voor die tijd veel cateringop­drachten had. Hij was gewoon om samen met de pastoor van de katholieke kerk mensen op te zoe­ken die in armoede leefden en gaf hen dan overge­bleven voedsel. Sommige van die mensen stonden later voor de slagerij met plakkaten waarop ‘Kauf nicht bei Jüden’ geschreven stond.
Gelukkig was het voor hen mogelijk, als Nederlandse staatsburgers, terug te keren naar hun vaderland. De Nederlandse regering had het in die tijd bijna onmogelijk gemaakt voor buiten­landse politieke vluchtelingen om in ons land een toevlucht te zoeken. De Davidsons moesten wel bijna al hun bezittingen achterlaten, waaronder de slagerij met het woonhuis en al hun geld, op 5000 Reichsmarken (ƒ 3600) na. Hun huisraad en kleren waren de enige zaken die ze mee konden nemen.
Dat was de tweede keer dat Isidor bijna al zijn geld verloor. Tijdens de Duitse superinflatie in 1923 had hij zijn verworven kapitaal bij een Nederlandse bank in Reichsmarken bewaard. De Duitse regering bleef maar geld drukken om haar oorlogsschuld te betalen en tenslotte bedroeg de monetaire waarde van de bankbiljetten minder dan de waarde van het papier waarop het gedrukt was. Daarna bouwde hij langzaam zijn reserves weer op, wat gezien de politieke situatie en de wereldrecessie moeilijk was. Maar ook daarop moest hij interen toen de Nazi-maatregelen zijn zaak langzaam maar zeker verstikten. Bijna geheel berooid pakte hij in Nederland het slagersvak wederom op, totdat dat ook hier voor Joden ver­boden werd. Tot die tijd werkte Dolf als slagersge­zel in verschillende regionale slagersbedrijven en bij zijn vader, die vlees kocht en verkocht zonder zelf een slagerij te hebben. Op 27 december 1939 kwam Isidor om het leven bij een motorongeluk in de sneeuw bij Windesheim. Hij werd daar gevonden, nauwelijks meer levend en onderkoeld, zijn tas met geld en papieren verdwenen, weer was hij alles kwijt. Hij ligt begraven op de joodse begraafplaats aan de Kuyerhuislaan, de enige van zijn generatie van de families Davidson en Jakobs die een aanwijsbaar graf heeft.
Verwalter
Op 19-jarige leeftijd moest Dolf in militaire dienst en werd sergeant bij een divisie van de pantseraf­weer. Als hij in uniform was moest hij altijd een begeleider hebben; door zijn zware Duitse accent kon hij gemakkelijk voor een spion gehouden worden. Gedurende de Duitse inval in mei 1940 werd hij ingezet bij de IJssellinie. Behalve helpen met het opblazen van objecten om de voortgang van de Duitsers te vertragen, heeft hij weinig of geen actie gezien. Tegen de tijd dat de voorhoede van het bezettende leger zijn stellingen bereikte, had Nederland al gecapituleerd. Hij werd korte tijd als krijgsgevangene vastgehouden, maar onderofficieren als hij werden al gauw weer op vrije voeten gesteld.
In april 1941 moesten Joden hun radio’s inleveren. Op de bewaard gebleven lijsten komt de naam van Daniel Jakobs niet voor. Het is aan­nemelijk dat hij reeds daarvoor al zijn radio’s en radio-onderdelen had moeten afstaan. In maart 1941 verscheen een verordening met het doel alle Joden uit het bedrijfsleven te verwijderen. Dit zou gebeuren door aanstelling van een ‘Verwalter’ (een zaakwaarnemer), die de betreffende zaak zou overnemen, doorzetten of liquideren.
Dat gebeurde met de Fa. D. Jakobs tegen het einde van 1941. Een nichtje van Daniel en Fie, dat daar op dat moment logeerde, kan zich nog herinneren dat er een Duitse man in burger aan de deur kwam met papieren dat hij als Verwalter van de zaak was aangesteld. Fie, die open deed, nam het gelaten op, het kwam niet onverwachts. ‘Nou, komt u maar binnen’, was het enige dat ze zei. Deze Verwalter was zo slecht nog niet. Hij had deze taak aangenomen omdat hij anders naar het oostfront gestuurd zou worden. De familie Jakobs mocht in het pand blijven wonen. De Duitser gaf een maan­delijkse uitkering aan Daniel in ruil voor zakenad­vies en nam de zusjes Jakobs aan als verkoopsters. Hij betaalde hen een relatief hoog loon, zodat de familie een bron van inkomsten had. Ook zorgde hij ervoor dat Daniel, die kort daarop gearresteerd werd omdat hij ‘werkeloos’ was, een verklaring van onmisbaarheid kreeg, waardoor hij weer werd vrij­gelaten. Deze situatie duurde waarschijnlijk tot het midden van 1942, toen de Verwalter alsnog voor het leger werd opgeroepen. Zijn vervanger was een Nederlandse NSB’er, die de familie uit de zaak en het bijbehorende huis zette. Het bedrijf werd na verloop van tijd door de NSB’er, die geen kennis van zaken had, opgeheven en in november 1943 geliquideerd. De voorraad werd aan een sportwin­kel in Amsterdam verkocht, al het geld werd op de bank gezet, klaar om aan de bezetters overgedragen te worden. De winkel werd aan een buurman ver­huurd.
De kampen
Daniel Jakobs werd toen weer als werkeloze opge­roepen voor een werkkamp en kwam in kamp ‘De Vecht’, net buiten Dalfsen, terecht. Daniel en Fie waren zich er wel van bewust dat deze deporta­ties niet veel goeds voorspelden, maar de totale ‘Endlösung’ was iets dat ze zich, zoals vele ande­ren, niet konden of wilden voorstellen. Met hun dochters spraken ze over de mogelijkheden van onderduiken wat hun vanwege hun populariteit in Zwolle van verschillende kanten aangeboden werd, maar ze wilden deze mensen niet het risico van gepakt en zwaar gestraft te worden aandoen. Voor emigreren was het te laat.
Met nog ongeveer tweehonderd andere Joden, voornamelijk uit het westen van Nederland, werd Daniel te werk gesteld bij het ontginnen van grond in het bezit van de graaf van Rechteren in Dalfsen, onder de leiding van de Nederlandse Heidemaat­schappij. Het was lichamelijk zwaar werk, het verwijderen van boomwortels en van ijzeroer, waar geen van de tewerkgestelden aan gewend was. In het begin was de behandeling goed, er was genoeg eten en de geïnterneerden mochten zich relatief vrij bewegen in de omtrek na het werk en op zon­dag. Daniel werd zelfs in de gelegenheid gesteld om op 11 augustus 1942 met een van de bewakers naar Zwolle te lopen om het huwelijk van zijn dochter Saartje (Zus) met Dolf Davidson bij te wonen. Net als haar oudere zus Beppie en diens verloofde Mau­rits Wijnbeek hoopten Zus en Dolf door getrouwd te zijn bij elkaar te kunnen blijven bij deportatie naar Oost-Europa.*
Daarna werd de behandeling in het kamp steeds slechter en de rantsoenen steeds kleiner. Op 3 oktober 1942 werden alle kampbewoners naar het station Dalfsen gemarcheerd en via Zwolle doorgestuurd naar Westerbork. Er waren er maar een paar die, verborgen tussen de bussen op een melkwagen, ontsnapten. Dat zijn de eni­gen van de kampbewoners die de oorlog overleefd hebben. Tegelijkertijd werden in Zwolle ongeveer tweehonderd Joden, onder wie alle familieleden van Daniel, opgepakt bij een razzia en vastgezet in het gymnastieklokaal van het gymnasium aan de Veerallee. Zij wachtten daar op transport naar Westerbork. Dolf en Zus Davidson ontsnapten miraculeus aan het transport. Dolf was net aan een ‘voetbalknietje’ geopereerd en kon haast niet lopen. Een Duitse bewaker, die dezelfde operatie had ondergaan, had medelijden met hen en liet hen gaan. Daniel, Fie en Beppie Wijnberg-Jakobs werden met andere familieleden herenigd in Wes­terbork. Daniel schreef een geruststellende brief naar Zus, maar verdere correspondentie beschrijft in bedekte termen de deplorabele toestanden en behelsde verzoeken om voedsel en kleren te stu­ren. Tenslotte is er nog een in haast geschreven, uit de trein gegooide afscheidsbrief van Dolfs oudere broer Walter. In december 1942 werden allen naar Auschwitz vervoerd, waar de twee vrouwen direct vermoord werden; Daniel stierf in maart 1943. Sam Boektje en zijn familie ondergin­gen hetzelfde lot, tezamen met alle andere Joden uit Kampen. Geen van hen was de mogelijkheid gegeven om onder te duiken en niemand van de Joodse Kampenaren heeft de concentratiekampen overleefd. Het is ironisch dat in de laatste jaren de bestuurders van de stad Kampen veel aandacht hebben gewijd aan dat gedeelte van hun geschie­denis. Toen ‘stonden ze erbij en keken ernaar…’
Onderduik
Dolf en Zus Davidson waren na hun fortuinlijke vrijlating weer naar Dolfs ouderlijk huis in de Venestraat 3 gegaan en leefden verder onder de dreiging opgepakt te worden bij de volgende raz­zia. Toen die kwam – en dat was altijd bekend omdat leden van de Zwolse politie dat doorgaven aan de ondergrondse – hadden ze geen onder­duikadres. De heldhaftige illegale werkster Jo Franssen had met haar echtgenoot daarnaar gezocht, maar niets was beschikbaar. Uit nood bood ze toen aan dat ze zich tijdelijk in haar huis mochten verbergen. De Franssens woonden in de Bloemendalstraat op nr. 13, dat was tegelijk een veilige en onveilige plek: vlak naast het voorma­lige Vrijmetselaarsgebouw. De NSB had het in beslag genomen en gebruikte het als ‘Kringhuis’, hun hoofdkwartier en ook als gevangenis voor politieke tegenstanders. Niemand zou kunnen denken dat in het naburige pand onderduikers verborgen werden.
Ze zijn daar tot bijna het einde van de oorlog, twee jaar later, gebleven, een grote opoffering voor de familie Franssen dat een gezin met jonge kin­deren had. Tegen het eind van de oorlog was het nog nodig te verhuizen, omdat de woning gevor­derd werd. Ze werden toen ondergebracht in de woonetage boven bakkerij Verrips, vlak naast het stadhuis in de Sassenstraat, waar ze de bevrijding meemaakten. Zus herinnerde zich nog dat ze van­uit het huis een Canadese militair, misschien wel Leo Major, de ‘bevrijder van Zwolle’, op het bordes van het stadhuis met een vlag had zien zwaaien. Het ergste was voorbij, maar de schaduw van het onrecht hen en hun familie aangedaan zou voor de rest van hun leven over hen hangen’.
Trage naoorlogse afwikkeling
Na de oorlog zochten Dolf en Zus Davidson wanhopig naar hun familie. Lopend, op fietsen met houten banden, liftend en per spoor toen de treinen weer liepen, bezochten ze de plaatsen waar die geleefd hadden. Zus vond vier oudooms en tantes, twee neven en twee nichten; Dolf had alleen nog maar een zuster en een nicht. Ze waren totaal op zichzelf aangewezen zonder onderdak of geld. Veel van hun huisraad was in beslag geno­men en verdwenen of verkocht door degenen aan wie zij het in bewaring gegeven hadden. Een vrouw weigerde het terug te geven. Ze lieten het maar gaan. Bezittingen waren niet zo belangrijk als de vrijheid die zij nu hadden. Zij hadden recht op vergoeding voor geleden verlies, maar de overheid was ongelofelijk traag, onverschillig en bureaucratisch in het behandelen en afhandelen van deze claims. Een klein gedeelte werd uitbe­taald in 1947, maar het overgrote deel liet op zich wachten tot 1952. Zelfs in 1960 waren zaken nog steeds niet afgehandeld. Ook erfenissen van dege­nen die niet teruggekeerd waren uit de concentra­tiekampen werden niet als urgent beschouwd, het duurde jaren voordat ze waren afgewikkeld.
Dat gold voor allen die onder de bezetting geleden hadden: politieke en krijgsgevangenen, leden van het verzet en mensen die in concentra­tie- en werkkampen gezeten hadden. De toenma­lige Nederlandse regering deed ook weinig voor repatriëring van gevangenen en het terugbrengen en herbegraven van Nederlanders die in het buitenland omgebracht waren, behalve in een paar symbolische gevallen die uitdrukkelijk in de pers vermeld werden. Men was toen de mening toegedaan dat de slachtoffers zelf of hun familie en vooral de Duitse overheid daar voor moesten zorgen, een zelfde soort houding als na de eerste wereldoorlog, die de basis legde voor de tweede. Ook pensioenen waar nabestaanden van oorlogs­slachtoffers en leden van het verzet recht op had­den, lieten vaak op zich wachten tot het begin van 1950. Anderzijds creëerde de overheid een mythe van een heldhaftige regering en dito volk, dat zich in grote aantallen tegen de Nazi’s verzet had. Het tegendeel daarvan is waar en deze feiten zijn lang­zamerhand algemeen bekend. Dat heeft geleid tot de tegenwoordige mijns inziens wat excessieve herdenkingsdrift in Nederland.
Jakobs werd weer Jakobs
Pas in 1952 kregen Dolf en Zus een gedeeltelijke vergoeding voor de schade die de Verwalters en anderen veroorzaakt hadden, maar in de eerste tijden na de bevrijding hadden ze geen geld. Ze hadden zelfs de laatste paar maanden onderdui­ken niet kunnen betalen. Gelukkig leenden hun vrienden Henk en Alie Peeters, de eigenaars van Hotel Peters op de Grote Markt, dat eerst als het Wehrmachtsheim voor Duitse soldaten gevor­derd was geweest en daarna als het geallieerde hoofdkwartier in Zwolle fungeerde, hen geld om hun onderduik schulden af te betalen en in hun eerste levensonderhoud te voorzien. Na zes weken in het hotel geleefd te hebben kregen ze de ouder­lijke woning in de Venestraat terug, die ingepikt was geweest door een NSB’er. Dolf werkte eerst als kok bij de gaarkeuken op de Nieuwe Markt, als slager kon hij geen werk vinden. Hij wierp zich op de handel en kocht en verkocht wat hij maar te pakken kon krijgen. Dat leidde in korte tijd tot een goed bestaan en Dolf genoot van dit ongeregelde en vrije leven, na zolang opgesloten te zijn geweest. Zus was meer behoudend en wilde de keurige zaak Fa. D. Jakobs weer terug en, zoals meestal het geval was, haar opinie won.
In december 1945 huurden ze het pand van Andries en Lena Troostwijk waar Daniel Jakobs ook gestart was en begonnen ze weer een winkel in sportartikelen en radio’s. Ze konden alleen niets verkopen totdat ze daar vergunningen voor hadden. De organisatiezucht destijds maakte het zo dat ze eerst van meer dan tien vakverenigingen lid moesten worden, inclusief de ‘Vereniging van Detailhandelaren van Droogscheerapparaten’, waar ze de eerste keer niet door de ballotage kwa­men. De vergunningen en lidmaatschappen kwa­men heel langzaam binnen. Een ander probleem was in die tijd waarin bijna alles ‘op de bon’ was, dat een zaak alleen nieuwe voorraad kon krijgen door vervanging van wat verkocht was. Maar de Fa. D. Jakobs had geen voorraad, die was in 1943 geliquideerd. Dus moesten er dringende brieven aan de betreffende overheidsinstanties en belang­rijke leveranciers geschreven worden. Deze moei­lijkheden werden overigens in relatief korte tijd opgelost. Intussen zochten ze naar verkoopbare en nuttige handelswaar die niet binnen het distri­butiesysteem viel: alles wat maar beschikbaar was in die eerste jaren van gebrek na de oorlog. Dolf vond dat in de voorraad van in beslag genomen en verbeurd verklaarde zaken bij het Militaire Gezag. Gedurende de week reisde hij per trein naar Den Haag en Amsterdam, huurde een bakfiets met tandem en liet zich rondrijden naar leveranciers. Voorraad werd per spoor verzonden. Zus zorgde voor de winkel, ze was toen zwanger van hun eerste kind. Er waren successen en miskopen, maar in het algemeen vond Dolf altijd wel wat verhandelbaars. Schoten in de roos waren de kilo’s schoenijzertjes om zolen te sparen, kisten met blaasinstrumenten en blanke schoenpoets die als meubelwas gebruikt werd. Toen zij een grote partij rubber regenjassen zonder bonnen te koop aanboden, waren er zoveel gegadigden dat een politieagent moest komen om de rij wachtenden in bedwang te houden. Andere zaken lagen nog jarenlang onverkocht in de opslagruimte. De regering stelde de prijzen van radio’s vast, maar ze waren zo schaars dat ze verloot werden onder toezicht van een notaris. Toen zij een keer wat leren voetballen op de kop getikt hadden, stonden er rijen jonge kinderen voor de etalage; zij hadden nog nooit een echte voetbal gezien.
Tot overmaat van ramp werd Dolf in 1945 weer opgeroepen voor militaire dienst, om deel te nemen aan de strijd in Nederlands-Indië. Deze oproep werd gedaan door wat eufemistisch het ‘Aanmeldingsbureau voor Oorlogsvrijwilligers’ heette. Hoewel de Nederlandse regering via kran­ten liet weten dat burgers en oud-soldaten zich en masse aanmeldden, was het moeilijk voor Dolf om deze oproep ongedaan te maken. Het feit dat hij er een volle diensttijd inclusief oorlogstijd op had zitten en een oorlogsslachtoffer was geweest, bleek voor de autoriteiten geen argument. Tenslotte kreeg hij vier maanden voorlopig uitstel vanwege economische redenen van onmisbaarheid in zijn nieuwe zaak, maar niet voordat zijn advocaat een persoonlijk bezoek aan het hoofdkwartier in Den Haag gebracht had. Daarmee was de zaak afgedaan en in 1949 zwaaide hij voorgoed af.
In 1946 kreeg de zaak officieel de naam Fa. D. Jakobs terug van het Nederlands Beheersinstituut, dat de door de Nazi’s geconfisqueerde bedrijven beheerde. In 1947 werd de zaak weer als vennoot­schap bij de Kamer van Koophandel ingeschre­ven. Maar het belangrijkste voor hen was om het pand op de Grote Markt, dat intussen al verhuurd was, terug te krijgen. Zus was erfgename. Maar alle vooroorlogse administratie was uit het pand weggehaald en met onbekende bestemming afge­voerd, inclusief het huurcontract dat op naam van de Fa. D. Jakobs stond. Oude vrienden van Daniel Jakobs wisten zich te herinneren dat er een huur­contract met recht van koop was, maar het viel niet te vinden. Uiteindelijk werd er een opslag­plaats van archieven van Zwolse joodse firma’s, die door de Duitsers waren onteigend, gevonden in Windesheim. Daaronder bevond zich een grote kist waarin Daniel alle papieren vanaf 1919 bewaard had. Dolf en Zus doorzochten de kist, maar er zat geen contract tussen. Er was alleen een rekening van de advocaat die het contract had opgesteld. Die had nog een praktijk in Zwolle en na veel zoeken werd het contract toch gevonden. Er was inderdaad een recht van huur en van koop in 1948, beide voor een vaste prijs. Ze konden de koopprijs niet betalen en begonnen een proces voor hun recht van huur, maar al hun argumen­ten werden afgewezen.
Toen gebeurde er een klein wonder.
De Nederlandse Middenstands Bank (nu ING) nodigde Zus en Dolf uit voor een gesprek. Het bleek dat de Verwalter bij de liquidatie van de
Fa. D. Jakobs al het geld op de rekening van de zaak had gestort. De NMB had echter het bevel om alle geconfisqueerde fondsen naar de Duitse, voormalig joodse, ‘roofbank’ Lippmann Rosenthal & Co over te maken niet opgevolgd en er was een behoorlijk saldo aanwezig. Zus herin­nerde zich ook het oude gironummer nog en vroeg de Postbank of op die rekening geld stond. De girodienst wilde deze informatie echter aan niemand geven behalve aan Daniel Jakobs. Zus stortte toen een klein bedrag op haar vaders giro­rekening en met de afrekening kwam de tweede verrassing, er was daar ook nog een leuk bedrag.
Er moest weer een proces gevoerd worden voor het recht van koop en deze keer was het oor­deel gunstig voor de Davidsons. Zij hadden nu genoeg middelen om een aanbetaling op het pand Grote Markt 8 te doen en na nog een jaar wachten, in 1948, konden zij de winkel en de bovenwo­ning betrekken. Het pand bevond zich nog in de originele staat maar was erg verwaarloosd. Met schoonmaken, verven en wat kleine reparaties werd het echter weer heel toonbaar. De Zwolse kunstschilder en tevens hun buurman Teun van der Veen beschilderde de hoge gewitte wanden met vignetten van Olympische sporten in Zwols blauw. De afbeelding van de discuswerper zou voor de rest van het bestaan het logo voor de zaak vormen. De winkel had een diepe voorpui met etalages aan de Grote Markt en de achterdeur, met een etalage ernaast, kwam uit op de Roggestraat. De winkel was lang en vrij smal, met veel blank houten toon­banken, kasten en schappen met glas ervoor. Er was ook een kleine uitbreiding met paskamers en een werkkamer in het souterrain. Het geheel werd verwarmd met een grote, ronde, zwarte kolenka­chel die midden in de zaak stond.
‘Jakobs wordt weer Jakobs’ en ‘Jakobs is weer Jakobs’ waren de slogans die voor en bij de openingsreceptie werden gebruikt. Er was grote belangstelling, ook van de overheid en er was een zee van bloemen. Sommige klanten van voor de oorlog grepen deze gelegenheid aan om hun oude schulden af te betalen.
Grootste sportzaak in de regio
Na de aanvankelijk moeilijke tijd van herstel van de schade die de oorlog had aangericht, trad er een tijdperk in van welvaart en vooruitgang in Nederland. Zwolle groeide en de Fa. D. Jakobs groeide mee. Het was lange tijd de enige en tot de sluiting ook de grootste sportzaak in de regio. Zwollenaren kregen tijd voor sport en vakantie. Voetballen, hockeyen, tennissen, reizen en andere activiteiten maakten opgang en de firma, waarvan de naam intussen was veranderd in ‘Jakobs Sport’, profiteerde daarvan. Het echtpaar Davidson kocht zijn eerste auto, een zwarte Opel Olympia, in 1950. Er was toen nog geen dealer in Zwolle, Dolf ging hem in Amsterdam ophalen.
De zaak spendeerde veel geld aan adverten­ties in de krant en reclame op sportvelden, en organiseerde evenementen om deze vrijetijdsbe­zigheden te populariseren. De oude winkel in de Luttekestraat werd nu gebruikt als extra show­room. Wanneer er in Zwolle op Koninginnedag een optocht werd gehouden, nam Jakobs Sport er aan deel. De muziekvereniging Jubal liep voorop, dan het Oranje comité bestaande uit een aantal oudere mannen in donkere pakken en hoge hoe­den, sportverenigingen en padvinders en daarna kwamen de ‘praalwagens’ waaronder die van de sportzaak met een klein tentenkamp erop. De wagens werden ‘bemand’ door winkelmeisjes die sleutelringen en andere reclameartikelen naar het grabbelende Zwolse publiek wierpen.
Er werden modeshows gehouden, eerst in de etalage van de winkel, zelfs met een mannelijke mannequin. Dat was in die tijd zo bijzonder dat het de Zwolse Courant haalde. Later waren er gedurende vele jaren twee modeshows in de Bui­tensociëteit met professionele mannequins en een commentator, een voor de zomer- en een voor de wintercollectie. Deze shows waren heel popu­lair en de zaal was altijd tot de nok toe gevuld. Het Zwolse publiek was erg geïnteresseerd in de nieuwste mode, maar was aan de andere kant ook erg conservatief en de geshowde collectie was ten dele dat wat in het vorige jaar al in het westen van het land getoond was. De klanten kregen wat zij wilden en Jakobs Sport kon de kleren voor een goede prijs inkopen. Zo was iedereen gelukkig. Chris Backers, die naast de zaak een sigarenwin­kel had in de Roggenstraat, was heel gewild als pianist in de stad en hij begeleidde de shows met populaire muziek.
In de tuin van de Buitensociëteit werd ook ieder voorjaar gedurende vijf dagen een kampeer­show gehouden, met de nieuwste tenten en ande­re kampeerartikelen, vouwwagens en caravans.
Al deze evenementen werden uitvoerig in de krant beschreven. Door het onvoorspelbare
klimaat in Nederland vielen de kampeershows letterlijk nog wel eens in het water. Ze werden, met goedkeuring van de Zwolse overheid, na enkele jaren verplaatst naar de leegstaande Beth­lehemsekerk. Tenten werden uitgestald op de grafzerken in de vloer. In die tijd was het gebruik van kerken voor commerciële doeleinden nog een nieuwigheid en menigeen sprak er schande van.
Wintersport
Wintersport en skiën waren inmiddels heel popu­lair geworden en bij Jakobs Sport kon je een vol­ledige ski-uitrusting aanschaffen. Er waren veel enthousiaste vaste klanten, die ieder jaar hun gar­derobe en sportmateriaal vervingen of aanvulden. De voetbalclubs PEC, Zwolsche Boys en ZAC, de tennisclubs en de hockeyclubs in Zwolle en Hat­tem leverden veel klanten op. Jakobs Sport was niet goedkoop, maar legde de clientèle in de watten en zorgde voor een grote keus. Hockeysticks konden bijvoorbeeld aan de individuele spelers aangepast worden. Bijna alle tennisrackets werden met de hand bespannen en de klanten konden de hardheid van de snaren eerst uitproberen. De zaak gaf een kwaliteitsgarantie op alles wat verkocht werd, rui­len en teruggeven was mogelijk in een tijd toen dat nog niet algemeen gebruik was.
Als een behoudende zaak in een behoudende stad verkocht Jakobs Sport bijna alleen maar bekende merken, die producten met bewezen kwaliteit leverden. Sommige, zoals Puma en Adi­das voor schoenen, Dunlop en Wilson voor sport­artikelen, Westfalia en Campingaz bestaan nog steeds; andere zoals de kledingfabrikanten Sturka en Kerko zijn verdwenen of in grotere bedrijven opgegaan. De badpakken van de verdwenen bedrijven Heinzelmann Orchidee en Jantzen brengen nu vaak op de ‘vintage’ kledingmarkt vele malen de originele prijs op. Tegenwoordig, dertig jaar na de sluiting, zijn er nog steeds oude klanten die artikelen die zij bij Jakobs Sport gekocht heb­ben, dragen of gebruiken.
In de winter probeerden de Davidsons ook het schaatsen te bevorderen door zelf een ijsbaan aan te leggen op de gravelbanen van de Zwolse Lawn Tennis Bond in de Veeralleebuurt. Dat was een vreselijk koud werkje, de hele nacht moest water als mist op de banen gesproeid worden en het viel dan maar te hopen dat het de volgende dag niet dooide. Als het lukte was het er een drukte van belang. Ze zorgden ook voor een koek en zopie, en verkochten behalve schaatsen van Viking en Nooitgedagt in de garderobe van het tennis­complex ook winterkleding. Dat hebben ze maar twee seizoenen (1951 en 1952) volgehouden, het nachtwerk in de bittere kou was te veel van het goede. Ze werden daarbij geholpen door Anton en Wim ten Koppel, die bij hen in de winkel werk­ten en die zich vooral bezighielden met het repa­reren van radio’s. Omdat dat onderdeel een beetje buiten de interesse van de zaak begon te vallen, deden zij de radiovergunning over aan de broers, die een winkel op de Melkmarkt begonnen die tot 2012 bestaan heeft.
Verzendhuis Actief
Niet alle ondernemingen die Zus en Dolf David­son begonnen, wierpen vruchten af. In 1956 start­ten ze, met financiële hulp van een paar vrienden als mede-investeerders, een postorderbedrijf, verzendhuis Actief, geïnspireerd door het suc­ces van Wehkamp. Ze huurden een pand aan de Burgemeester van Roijensingel en adverteerden in radiogidsen en damesbladen. Ze verkochten en verzonden per post artikelen als zomerkleding, Zaalberg jassen, sport- en kampeerbenodigd­heden en spelen zoals sjoelbakken van Homas. Bestellingen kwamen en masse binnen, de brie­venbus was elke dag overvol met enveloppen met ingevulde bestelbonnen, maar al gauw bleek dat dit niet een nevenbezigheid was die je met een alcoholische parttime bedrijfsleider, een paar kantoormeisjes en een magazijnbediende kon afdoen. Het fiasco met leren motorjassen van Gelmok maakte dat heel duidelijk. Ze werden erg goed verkocht, maar in vele gevallen niet betaald. Het werd duidelijker dat er veel profes­sionele wanbetalers waren, die bijverdienden met het doorverkopen van duurdere artikelen van postorderbedrijven waarvoor ze zelf niet betaald hadden. Een uitgebreide administratie die vooral het klantenbestand bijhield, een incassobureau en een veel groter aantal medewerkers waren nodig. Wehkamp had zijn onderneming groots opgezet en bracht daardoor zijn postorderbedrijf tot grote bloei. Weer vond Zus Davidson dat het beter was om een keurige sportzaak te hebben. Het kapitaal werd hergebruikt voor de oprichting van ‘Sport­huis Twente’ in Hengelo, waarvan zij de directrice werd en die vele jaren goed gedraaid heeft.
Bekende namen
Een aantal bekende Nederlanders uit de sportwe­reld kwam naar Jakobs Sport als vertegenwoor­digers. In die tijd werden topsporters nog niet betaald zoals tegenwoordig en na of zelfs tijdens hun carrière werkten velen voor sport- en kle­dingproducenten. Eddy Pieters Graafland (Eddy PG), welbekende keeper van Ajax, Feyenoord en het Nederlands elftal, was daar één van. De in die tijd beroemde schaatskampioenen Cees Verkerk en Ard Schenk kwamen ook naar de zaak als pro­motie voor de schaatsfabrieken waarmee ze con­tracten hadden. Als zij naar Zwolle kwamen stond het portiek en het aangrenzende deel van de Grote Markt vol met belangstellenden. Goede klanten werden binnengelaten, mochten een praatje maken en om een foto met handtekening vragen.
Peter van der Hurk kwam uit Meppel en had een agentuur in dameskleding. Hij zag er goed uit en liep mee in de modeshows van Jakobs. Dolf Davidson sprak altijd met grote eerbied over hem omdat hij in het verzet gezeten had. Verzetsheld is een betere benaming voor Van der Hurk. Hij zorgde ervoor dat vele mensen konden onder­duiken en verzorgde valse papieren voor hen; als coördinerend lid van de knokploeg in Mep­pel en later van de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten hielp hij neergeschoten geallieerde piloten en joodse vluchtelingen ontsnappen naar Engeland en het bevrijde deel van Frankrijk. In december 1944 werd hij met zijn vrouw en vijf anderen gearresteerd, gevangen gezet en gemar­teld. Zij werden bevrijd door een andere groep, een actie waar doden bij vielen. Na de oorlog kreeg hij de Bronzen Leeuw en werd hij verder onderscheiden als Member of the British Empire en met de Medal of Freedom with Gold Palm van de VS, onderscheidingen die zelden worden uit­gereikt aan buitenlanders.
De meest kleurrijke en indrukwekkende ver­tegenwoordiger die de zaak bezocht was wel Man­gal Singh, die hockeysticks uit wat toen nog Brits-Indië heette verkocht. Singh was een Sikh en hij ging ook als zodanig gekleed: een forse man met een lange zwarte baard, een tulband, een ruim wit gewaad met daaronder een broek, blote voeten in sandalen en, nog het meest indrukwekkend, een dolk aan zijn zijde. Mangal arriveerde per trein en als hij bij de sportzaak aankwam had hij een hele optocht van gefascineerde Zwollenaren achter zich aanlopen als een zwijgende, serieus kijkende processie. Singh was de enige die glimlachte. De aandacht deerde hem niet want in tegenstelling tot zijn vervaarlijke uiterlijk was Mangal Singh een hele goedaardige man, die dol op kinderen was. De oudste zoon van Zus en Dolf, Hans (Bert) Davidson, herinnert zich dat hij bij hem op schoot zat, bang en blij geïntrigeerd tegelijkertijd.
Een andere bekende figuur die als klant veel in de winkel kwam, vooral toen ze nog geassocieerd was met de Zwolse kunstenaarsvereniging ‘Het Palet’, was de schilderes van het Staphorster leven Stien Eelsingh, een telg uit de Zwolse stads- en portretfotografen familie. Stien hield van mooie kleren, maar zat constant in geldnood. Diverse keren stelde ze voor om deze kleren te ruilen voor schilderijen, maar Dolf wilde daar niet van horen. Hij had liever geld. Achteraf gezien was dat natuurlijk een verkeerde beslissing, kunstwerken van Stien Eelsingh zijn nu veel geld waard.
Een van de personeelsleden van Jakobs Sport is een heel populaire schrijver geworden. Omstreeks 1950 kwam Wim Gijsen van de HBS af en moest een baantje vinden. Omdat hij uit een communistisch gezin kwam, was men bevooroor­deeld over hem. De Zwollenaren waren blijkbaar al vergeten dat de communisten een hoofdrol gespeeld hadden in het verzet tegen de Duitsers. De ‘koude oorlog’ was in volle gang. Het kon Dolf niet schelen waar iemand vandaan kwam, als de persoon maar hard wilde werken. Wim werd aangenomen als winkelbediende, vooral voor het bespannen van rackets en het afstellen van schaatsen en ski’s. Zijn literair talent werd al gauw duidelijk, hij droeg eigengemaakte gedichtjes en liedjes voor. Hij was vooral een fantastisch vertel­ler van zelfverzonnen verhalen. Hans Davidson zat uren naast hem, ademloos te luisteren als Gijsen vertelde terwijl hij rackets bespande. Na verloop van tijd verhuisde hij naar het westen van het land met zijn vriendin Sippie. Hier volgt een deel van wat Wikipedia over hem genoteerd heeft: ‘Wim Gijsen (1933-1990) was naast zijn werk als dichter, hoorspel auteur en schrijver van literair werk een van de eerste Nederlandse schrijvers van moderne sciencefiction en fantasy die doorbrak bij het grote publiek. Hij schreef al jaren literair proza, gedichten, kinderboeken en diverse wer­ken in het New Age genre over onder meer de dood, het hiernamaals, meditatie, vegetarisme en yoga, voordat hij in 1980 begon aan een grote serie van sciencefiction en fantasy boeken.’ Gijsen schreef onder meer de roman Bollebieste (1974), die in Zwolle speelde.
Personeel
Jakobs Sport heeft altijd meer personeelsleden gehad dan andere zaken van vergelijkbare grootte. Voor de eigenaren was het belangrijk om de best mogelijke service te verlenen. Niemand hoefde te wachten om geholpen te worden, behalve mis­schien gedurende de drukke zaterdagen en tijdens de uitverkoop. Als er niets te doen was zaten de winkelmeisjes etiketten met de naam van de zaak in de kleren te naaien, dat was toen de gewoonte. De Davidsons waren goed voor hun personeel, er was altijd een dag in het jaar waarop de zaak dicht ging vanwege een personeelsreisje. Toch was er een komen en gaan van bedienden, van de leerling-verkoopster tot de bedrijfsleider. Lonen waren in die tijd laag en de meeste vrouwen hiel­den op met werken als ze trouwden. Daarnaast was Dolf een veeleisende werkgever. De Zwolse Courant van die dagen bevatte bijna iedere maand een advertentie waarin verkopers gevraagd wer­den.
Er is maar één personeelslid dat een persoonlijk stempel op de gang van zaken bij Jakobs Sport heeft gedrukt en dat was Ina Veldhuis. Zij was een leuk uitziende jonge vrouw, zeer artistiek en al op jonge leeftijd lid van ‘Het Palet’. Zij was op weg om te solliciteren voor een baantje als verkoopster, toen ze een advertentie in de etalage van de winkel zag. Ze stapte naar binnen en werd door Dolf, die op het punt stond om een maand op vakantie te gaan, zonder veel vragen aangenomen. Ina had een han­dicap: door een medische fout was ze verlamd aan één hand maar, slim als ze was, wist ze dat gedu­rende haar sollicitatiegesprek te verbergen. Omdat ze bang was dat ze bij terugkeer van haar werkgever ontslagen zou worden, deed Ina extra haar best en bewaarde alle kassabonnen waar zij de verkoopster van was. Teruggekomen van vakantie waren Dolf en Zus op de hoogte van de lichamelijke beperking van het nieuwe winkelmeisje en dachten aan ont­slag. Toen Dolf echter het dikke pak met kassabon­nen zag, veranderde hij van gedachten. Ina’s werk­lust en zakeninzicht zorgden ervoor dat ze in korte tijd tot bedrijfsleider werd benoemd. Ze was een strenge cheffin, maar werd als een soort dochter en vriendin van het echtpaar Davidson beschouwd en was betrokken bij de inkoop en vele andere zake­lijke beslissingen. Ze ging mee naar de leveranciers, fungeerde als model en maakte het leven van haar werkgevers veel makkelijker.
Aan het eind van de jaren vijftig was de winkel van Jakobs Sport te klein en te ouderwets gewor­den en de Davidsons namen de beslissing om het interieur van de zaak radicaal te moderniseren. Het verbouwingsplan werd ontworpen door de architect Van Broekhuizen van het destijds bekende bureau Feenstra en Van Broekhuizen uit Hengelo. Het aannemersbedrijf van Ab Meulink in Hattem voerde het werk uit. Het was een inge­nieuze constructie die alle beschikbare ruimte optimaal gebruikte, waardoor de oorspronkelijke indeling van drie naar vijf etages werd uitgebreid. Er was een zwevende middenetage en het kantoor achter in het pand had uitzicht op de zaak zoals de brug van een schip. Het trappenhuis naar de achterzijde van de zaak diende als een van de paskamers met behulp van een neerklapbare vloer. Het souterrain was voor sportartikelen, de hoogste verdieping diende als een permanente kampeertentoonstelling en op de tussenlig­gende etages werden kleren verkocht. Het open vloerplan maakte dat de winkel groter oogde, het vormde een aantrekkelijk geheel. De verbouwing werd duurder dan gepland was. De fundering bestond uit rijshout en koeienhuiden, iets wat in de zestiende eeuw toen het gebouw werd opge­trokken niet ongebruikelijk was. Hoewel die pri­mitieve ondergrond, samen met de dikke muren, het gebouw vier eeuwen zonder enige problemen gedragen had, wilde Bouw- en Woningtoezicht daar niet van horen: een nieuwe fundering ging de grond in voor de helft van de kosten van de ori­ginele begroting.
Medio 1960 werd de vernieuwde winkel met veel festiviteiten geopend, Dolf kreeg daarbij een diploma als ‘hoofd-bemoeial’. Het bleek al spoe­dig dat de verbouwing een belangrijke verbetering was. Door de grotere ruimte en de mogelijkheid veel kleding uit te stallen waren modeshows niet meer zo nodig, net zo min als de kampeershows omdat de bovenverdieping daarvoor ingericht was. De laatste van die shows buiten de winkel werd in 1965 gehouden.
Geen zakelijke beslommeringen meer
De hoogconjunctuur hield aan en de zaken gin­gen voorspoedig. Dolf en Zus Davidson waren net zo zichtbaar en gezien in de stad als Daniel en Sophia Jakobs destijds. Maar in het begin van de jaren zeventig begon het enthousiasme voor de zaak bij zowel Zus als bij Dolf te tanen. Ze hadden het gevoel dat ze, door de oorlog, hun jeugd gemist hadden, daarna alleen maar hard hadden gewerkt en daardoor veel ervaringen in het leven waren misgelopen. Het was misschien wel een lichte vorm van wat tegenwoordig post-traumatic stress syndrome heet. Ze waren meer en meer bezig met hun hobby’s, waaronder reizen en het houden van IJslandse paarden en andere dieren rond hun huis buiten de stad. Er was geen opvolger. Hun jongste zoon Donald, die interesse in de zaak toonde, stierf op vijftienjarige leeftijd plotseling op weg naar het gymnasium. Zoon Hans was bijna klaar met zijn studie medicijnen. Ook zagen ze de structuur van het bedrijfsleven veranderen. Grotere speciaalzaken zoals die van hen ondervonden steeds meer concurrentie van warenhuizen. De klanten waren niet meer bereid extra te betalen voor betere kwaliteit en service. Ook ondervonden ze toen al de worgende greep van de gemeente Zwolle op de binnenstad die nog steeds doorgaat: minder bereikbaarheid, parkeren alleen maar aan de rand van de stad voor hoge prijzen. En verder een altijd maar doorgaande druk van voorschriften, verplichtingen en stan­daards die niet van toepassing zouden moeten zijn op oude huizen en die voor zelfstandige winkels nauwelijks op te brengen zijn. Daardoor is het karakter van de stad geheel veranderd. Als je in de Diezerstraat niet omhoog naar de gevels kijkt – en wie doet dat nog? – kun je haast geen verschil zien met de belangrijkste winkelstraten in vele andere Nederlandse steden, een eenvormige verloedering. Allemaal filialen van landelijke ketens, winkels als Fa. D. Jakobs en Jakobs Sport zijn er nauwelijks meer.
Het was een goede tijd geweest die hen financi­eel onafhankelijk gemaakt had en het idee om eruit te stappen kreeg stilaan vorm. In 1973, terugko­mend van een vakantie in Italië, hoorden ze dat er tijdens hun afwezigheid weer veel problemen met personeel en leveranciers geweest waren. Boven­dien zei Ina Veldhuis haar baan op, omdat haar man een eigen bakkerij was begonnen. Thuis was het rustig en zonder spanning, hun hond Bimbo en hun paarden hadden hen enthousiast begroet en binnen vijf minuten was de beslissing genomen: we houden er mee op. Ze pleegden een paar tele­foontjes naar hun makelaar voor de verhuur van het pand en naar zakenrelaties om een grote voor­raad in te slaan voor de finale uitverkoop. Twee maanden later, in augustus, trokken ze de deur van Jakobs Sport definitief achter zich dicht.
Ze hebben nooit spijt gehad van die beslis­sing. Meer dan dertig jaar leidden ze daarna een interessant en druk leven met vele vrienden en met wat er over was van hun familie. Ze waren altijd in de weer met hun hobby’s. Lichamelijk kregen ze wel wat klachten, maar geestelijk bleven zij vitaal. Dolf stierf in 2004 op 86-jarige leeftijd aan een hartverlamming. Zus (Saartje), die hulp­behoevend was geworden maar thuis wilde en kon blijven, overleed vier jaar later. Zij was toen 85 jaar. Het was het einde van een tijdperk vol tragiek maar ook succes, een bewijs van de vast­houdendheid van twee Zwolse families die samen een bedrijf opzetten dat meer dan vijftig jaar een bloeiend bestaan gekend heeft.
* Maurits Wijnbeek was een broer van Selma Wijn­beek, zie: Ad van Liempt, Selma, de vrouw die Sobi­bor overleefde, Laren, 2010.
** Alle afbeeldingen bij dit artikel komen uit de col­lectie van de auteur, tenzij anders vermeld.

Bert J. Davidson

Mobilisatie 1914-1918, links Daniel Jakobs, rechts Sam Boektje.

zwols historisch tijdschrift 73

Trouwfoto van
Daniel Jakobs en
Sophia Cohen, 1919.
De Fa. D. Jakobs op
Luttekestraat 54-58, circa 1924.

74 zwols historisch tijdschrift

Andries en Lena Troostwijk-van Tijn en Daniel en Fie Jakobs-Cohen gezamenlijk op vakantie in Knokke, België, 1939.

Verkoopshow van de Fa. D. Jakobs en Co. in Zwolle, jaren twintig.

zwols historisch tijdschrift 75

Daniel Jakobs en een winkelbediende voor de winkel op Oudestraat 41, Kampen, jaren dertig.

Opname van de rede van prinses Juliana prins Bernhard ter gelegenheid van hun verloving in 1936.

76 zwols historisch tijdschrift

Interieur van de win­kel Fa. D. Jakobs en Co. in Kampen. Midden Sam Boektje, rechts Beppie Jakobs, 1939.

De Fa. D.Jakobs en Co., op Grote Markt 8, begin jaren dertig. (Collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 77

Poster van de ten­tencollectie uit 1936, gevonden achter het behang tijdens de ver­bouwing in 1960.

78 zwols historisch tijdschrift

Walter Davidson (links), oudere broer van Dolf, voor de slage­rij op de Hindenburg­strasse 19 in Dülmen, circa 1935.

Dolf Davidson (met Jodenster) koopt ille­gaal kalveren in 1942.

zwols historisch tijdschrift 79

Afrekening van de 5000 Reichsmarken die de Davidsons bij hun‘Rückwanderung’ mee konden nemen.

Sergeant Dolf David­son, tijdens de mobili­satie in 1939.

80 zwols historisch tijdschrift

De familie Jakobs in 1940. Vlnr. Fie, Daniel, Beppie en Saartje.

Werkkamp ‘De Vecht’, 1942. Rechtsonder Daniel Jakobs.

zwols historisch tijdschrift 81

Dolf en Saartje David­son-Jakobs voor het stadhuis in Zwolle,
11 augustus 1942.

82 zwols historisch tijdschrift

Afscheidsbrief van Walter Davidson uit Westerbork, 16 februari 1943: ‘Meine Lieben. Teile Euch eben kurz mit das ich Heute morgen von hier weg-gehen. Bin gut gesund u[nd] auch gut versorgt. […] hoffe das wir uns alle gesund wieder-sehen werden. Haltet guten Mutes das soll ich auch machen. Viele herzlich grüsse u[nd] Küsse Euer Sohn Bruder Ihr Walter.’
Naast Dolf en Walter was er nog een oudste broer Hermann, die in Rotterdam woonde en ook in Polen vermoord werd. Hun zus Hannah overleefde de oorlog met valse persoonsbewijzen en werkte, ondanks haar joodse uiterlijk, in die jaren gewoon als verpleegster.

zwols historisch tijdschrift 83

‘Jakobs wordt weer Jakobs’, aldus de aan­kondiging in de etalage van Grote Markt 8 in 1948.

84 zwols historisch tijdschrift

zwols historisch tijdschrift 85

Saartje (Zus) Davidson kampeert met de zwar­te Opel Olympia.

86 zwols historisch tijdschrift

Praalwagen van Jakobs Sport op Koninginne­dag, begin jaren vijftig.

Een mannelijke man­nequin was in 1951 nog zo ongebruikelijk dat de Zwolse Courant er melding van maakte.

zwols historisch tijdschrift 87

Modeshow Jakobs Sport in de Buitensociëteit. De kinderen zijn Ingrid van der Linden en Hans en Donald (staand) Davidson. In het mid­den Peter van der Hurk.

Kampeershow in de tuin van de Buiten-
sociëteit. In de rub­ber kano zit Donald Davidson.

88 zwols historisch tijdschrift

De Zwolse Courant bericht over de ijsbaan van de firma Jakobs, 1951.

zwols historisch tijdschrift 89

90 zwols historisch tijdschrift

Bij ieder kledingstuk werd het bedrijfslabel ingenaaid.
Personeelsreisje naar Schiphol in de jaren vijftig, de dames staan voor de DKW van Dolf.

zwols historisch tijdschrift 91

Ina Veldhuis op 17-jarige leeftijd.

92 zwols historisch tijdschrift

Jakobs Sport na de
verbouwing: aange­zicht Grote Markt.
Jakobs Sport na de
verbouwing: aange­zicht Roggestraat.

zwols historisch tijdschrift 93

Jakobs Sport na de ver­bouwing, de zwevende middenetage met het kantoor daarachter. Op de voorgrond rechts de architect Van Broek­huizen, links Hans Davidson. Op de ach­tergrond Zus Davidson.

94 zwols historisch tijdschrift

De Grote Markt rond 1970. (Foto M.Wassenaar)

zwols historisch tijdschrift 95

Afscheidsinterview in de Zwolse Courant, 1973.

96 zwols historisch tijdschrift

Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 1: Zwols meisje lokte Groninger uit liefde
naar haar geboortestad
In het jaar 2002, toen de Hollandse gulden verdween en werd omgesmolten tot de Euro­pese euro, kwam na meer dan twee eeuwen ook een einde aan de verschijning van de Zwolse Courant. Het was de voorspelde afbraak van een monument, dat zich een van de oudste ‘nieuwspa­pieren’ van Nederland mocht noemen. En in elk geval de alleroudste, als het gaat om verspreiding door één uitgever. Op weg naar de totale ont­takeling was er in de laatste twee decennia van de twintigste eeuw al een sluipend proces aan de gang geweest, waarin het eens zo rijk geschakeer­de landschap van de schrijvende pers onafwend­baar werd geëgaliseerd tot een kale vlakte met hier en daar een protserige kantorengigant.
De ‘oude Zwolse’, eens het troetelkind van de Koninklijke Tijl, kon zich daaraan niet meer ont­trekken, want in het concern van de concurreren­de Apeldoornse bladenreus Wegener had zij niets meer in te brengen dan lege briefjes. In 1988, het jaar van fusie en overname, had het nog heel wat geleken. Toen werd er bedrieglijk optimistisch gesproken van een echte fusie, een gezamenlijke, vruchtdragende toekomst in de combinatie Tijl-Wegener, maar spoedig werd het al Wegener-Tijl, totdat ook het laatste teken van samenwerking rigoureus werd geschrapt.
Veertien jaar lang mocht de titel ‘Zwolse Courant’ nog op de voorpagina staan en kon er in Zwolle een eigen redactie werkzaam blijven, maar in 2002 kwam het definitieve einde. Een nieuw regionaal dagblad van Wegener, met de nogal ronkende naam de Stentor, nam de taak van de nieuwsvoorziening in het grote verspreidingsge­bied van de Zwolse Courant plus kopbladen over. Een zeer schrale troost blijft over voor wijlen de Koninklijke Erven Tijl. Naar het zich laat aanzien zal het verdwenen bedrijf tot in verre toekomst een onaantastbaar nationaal record blijven aan­kleven. Wie durft immers in de eenentwintigste eeuw te geloven dat er ooit nog een papieren krant verschijnt die het 198 jaren zal bolwerken onder het beheer van één uitgever?
Persoonlijke geschiedenis
Niet minder dan een kwart van die twee eeuwen maakte ik zelf als journalist actief mee. Daaruit put ik nu vooral de reden en de ambitie om een Zwolse Courant-story in afleveringen te schrijven. Door mijn persoonlijke geschiedenis bij de krant, die zich over 53 jaar uitstrekt, zie ik het een beetje als een dwingende taak. Bovendien vind ik het leuk om daar een eigen tintje aan te geven. Als scholier van 17 jaar leverde ik in 1949 immers al mijn eerste stukje voor de Zwolse stadspagina, een sportverslagje. Mijn laatste bijdrage, een toneelrecensie, viel in 2002 te lezen op de kunst­pagina in een van de allerlaatste nummers.
Eigenlijk gaat mijn herinnering aan de krant nog aanzienlijk langer terug. In de jaren dertig van de vorige eeuw stond ik in de Voorstraat als kind al vol bewondering te kijken door een breed raam, waarachter de kranten bij vele duizenden uit de toen – in mijn ogen – enorme rotatiepers van Tijl rolden. Een man in stofjas trok af en toe een exemplaar uit de stroom, vouwde het met breed gebaar open en liet zijn blik aandachtig over de pagina’s glijden. Dát leek me nog eens mooi en belangrijk werk!
Het was niet zo’n wonder dat ik al heel jong gegrepen was door het krantenbedrijf. Mijn ouderlijk huis aan de Grote Markt bevond zich schuin tegenover het Tijlgebouw aan de Melk­markt waar de Zwolse Courant werd gemaakt, waardoor ik steeds met de bedrijvigheid in en rond het grote pand werd geconfronteerd. Daar kwam nog bij dat mijn vader regelmatig als teke­naar voor die krant werkte en dat er journalisten bij ons over de vloer kwamen om te overleggen over illustraties bij hun artikelen. In die jaren even voor en na de Tweede Wereldoorlog had de pers­fotograaf nog lang niet zo’n overheersende aan­wezigheid in de journalistiek als een halve eeuw later. De ouderwetse tekenaar werd regelmatig ingeschakeld als er commentaar op het nieuws moest worden geleverd of reportages om beel­dende aanvulling vroegen.

Hans Alma
Een van de journalisten die kort na de oorlog bij mijn vader kwamen buurten, heette Hans Alma. Aan deze energieke redacteur die zich nog maar net in Zwolle had gevestigd en die een belangrijke rol bij ‘de Zwolse’ zou gaan spelen, had ik het te danken dat ik vlak na mijn middelbare schooltijd in 1951 als leerling-journalist op de redactie werd aangenomen. Een school voor de journalistiek bestond toen nog niet. Later in dit verhaal zal ik uitgebreider op Hans Alma terugkomen, omdat zijn leven daar aanleiding toe geeft. Het is een relaas van een snelle, succesvolle carrière met een abrupte en tragische afloop.
Nu, aan het begin van mijn feuilleton, kan ik het nagelaten werk van Alma goed gebruiken als vraagbaak voor het beschrijven van de oudste geschiedenis van de krant. Want door de eeuwen heen blonken de Tijls weliswaar uit in onderne­mingslust en vakmanschap, maar dat gold niet voor hun omgang met het bedrijfsarchief. Zij besteedden weinig aandacht aan de vastlegging van eigen handelingen en wederwaardigheden, waardoor er over grote delen van de historie van Tijls krant nauwelijks materiaal te vinden valt. Op twee kenmerkende uitzonderingen na, namelijk de twee perioden waarin Nederland te maken kreeg met vreemde overheersers. De his­torici H.A. Stalknecht en C.R. Ribbens wijdden studies aan de krant in respectievelijk de tijd van de Bataafse Republiek (1795-1813) en de Tweede Wereldoorlog (1940-1945). In 1991 en 1995 wer­den deze artikelen in het Zwols Historisch Tijd­schrift gepubliceerd.
Veertig jaar voor deze twee publicaties was Hans Alma de eerste die zich diepgravend met Tijls verleden bezig hield. De toenmalige direc­teur Hein Dikkers, die gehuwd was met Bep Tijl, had veel affiniteit met de historie van de familie waarvan zijn vrouw de laatste telg was. Hij gaf Alma de opdracht om een boekje te schrijven bij de viering van het 175-jarig

Lees verder