Categorie

Aflevering 2

Zwolse Historisch Tijdschrift 1988, Aflevering 2

Door 1988, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1988
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
ZWOLSE Hl&TODI&CHE VEDENIGING
INHOUDSOPGAVE / NUMMER TWEE / JAARGANG VIJF / 1988
33 VAN DE REDACTIE
34 ARTIKEL
De staatsenquête van 1890. Een schets van het
arbeidersleven in Zwolle rond 1890.
A.L.A. Wevers
53 REACTIE
Reactie op het artikel van D. Wemes
D.M. van der Schrier
57 BOEKBESPREKING
Bibliografie van Overijssel 1951-1980
Besproken door J. Hagedoorn
55 VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
VAN DE INSTELLINGEN
60 Tentoonstellingsagenda
55 Mededeling van het gemeente-archief
60 PERSONALIA
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck
(eindredacteur Jaarboek), I. Wormgoor, H.C.J. Wullink,
A. van der Wurff.
Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of
openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm
of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgever.
VAN DE REDACTIE
In dit tweede nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
zijn een lang artikel en een boekspreking opgenomen.
A.L.A. Wevers geeft een beeld van de levensomstandigheden
van de Zwolse arbeiders rond 1890. Hij doet dat aan de hand
van de resultaten van een staatsenquête die in dat jaar werd
gehouden en die tot doel had om de maatschappelijke toestand
van de arbeiders, de verhouding tussen werkgevers en arbeiders
en de toestand in de fabrieken en werkplaatsen te onderzoeken.
Door deze enquête werd het beeld dat de gegoede
burgerij had van een rustig land zonder wantoestanden, vernietigd.
J. Hagedoorn gaat uitgebreid in op de onlangs verschenen
Bibliografie van Overijssel 1951-1980. Het perspectief van
het gebruik van de bibliografie bij historisch onderzoek
staat daarbij centraal.
De tentoonstellingsagenda en een mededeling van het gemeente-
archief completeren dit tweede nummer.
Mocht u nog opmerkingen hebben over de inhoud van dit Tijdschrift,
of wanneer u bezig bent met onderzoek naar zaken
uit het Zwolse verleden waarover u een (kort) artikel wilt
schrijven, schroomt u dan niet om een en ander aan de redactie
voor te leggen.
Veel leesplezier toegewenst met dit Tijdschrift-nummer.
34
DE STAATSENQUÊTE VAN 1890.
EEN SCHETS VAN HET ARBEIDERSLEVEN IN ZWOLLE ROND 1890.
A.L.A. WEVERS
1. Inleiding
De belangstelling en zorg van de rijksoverheid voor de omstandigheden
waaronder de Nederlandse bevolking haar arbeid
moet verrichten, is niet voorbehouden aan de twintigste
eeuw. Toen na 1870 en met name na 1895 Nederland op industrieel
gebied tenslotte ook opstoomde in de vaart der volkeren,
stelde de overheid een aantal enquêtes in, bedoeld om
de zich gelijktijdig wijzigende arbeidsomstandigheden gedetailleerd
in kaart te brengen 1!. Immers, voor de arbeidersbevolking
bracht de in verhouding tot de ons omringende landen
vertraagde Nederlandse industrialisatie grote veranderingen
met zich mee. Zo nam bijvoorbeeld de sociale afstand
tussen de patroon en het werkvolk geleidelijk toe. Men moet
izich van deze toenemende afstand echter geen al te grote
:voorstellingen maken, omdat in 1889 nog 90% van de Neder-
‘landse beroepsbevolking in bedrijfjes met minder dan tien
arbeidskrachten werkzaam was.
Het resultaat van de enquêtes vernietigde het fraaie, zelfgemaakte
beeld dat de gegoede burgerij zo lang had kunnen
handhaven. Van het rustige Nederland waar geen wantoestanden
heersten, waar geen kinderen afgebeuld werden en waar de arbeiders
met de pet in de hand hun plaats kenden, was plotseling
geen sprake meer. De overheid zag zich gedwongen de
eerste schreden op het pad van de sociale wetgeving te zetten
2 ‘ .
Ook Zwolle nam – zij het bescheiden – deel aan het vertraagde
Nederlandse industrialisatieproces. De totstandkoming van
de spoorwegverbinding met Utrecht (1863) en de vestiging van
de centrale werkplaats van de Staatsspoorwegen (1870) zijn
hier de belangrijkste getuigen van. Toch groeide Zwolle niet
uit tot een industrieel centrum in noord-Nederland. De economische
bedrijvigheid bleef vooralsnog grotendeels rusten
op de ‘constructiewinkel’, zoals de spoorwegwerkplaats in de
wandeling genoemd werd. De Zwolse nijverheid en handel maakten
onvoldoende gebruik van de grote mogelijkheden welke de
geografische ligging hen bood. De kapitaalkrachtige Zwollenaren
belegden hun vermogen liever in grond dan dit te investeren
in nieuwe industrieën en handelsondernemingen. Het
midden- en kleinbedrijf met hun relatief lage peil van scholing
en mechanisatie domineerden in Zwolle rond 1890 3) .
In het navolgende zal aan de hand van de Staatsenquête van
1890 een schets gegeven worden van het arbeidersleven in
35
Zwolle rond 1890. Daartoe zal in paragraaf 2 eerst aandacht
worden besteed aan de waarde die we aan de enquête als historische
bron mogen hechten. Vervolgens komen in paragraaf
3 zaken als arbeidsduur, bedrijfs(on)veiligheid, lonen,
vrouwen- en kinderarbeid en de sociale verhoudingen tussen
de patroons en het werkvolk aan bod. Een samenvattende conclusie
sluit het artikel af.
2. De Staatsenquête van 1890.
Zwolle, Deventer, Kampen en Twente vertegenwoordigden Overijssel
in de Tweede Afdeling van de Staatsenquête. Tot deze
afdeling behoorden verder Friesland, Groningen, Drenthe en
Gelderland benoorden de Rijn. De enquêtecommissie, bestaande
uit de Kamerleden J. van Alphen, dr. N. Reeling Brouwer,
jhr. mr. O.Q. van Swinderen en voorzitter mr. J.D. Veegens,
diende het onderzoek van de arbeidsenquete van 1887 te vol-^
tooien (zie noot 1). In officiële bewoordingen luidde de op-:
dracht: “Onderzoek naar de maatschappelijke toestanden der
arbeiders, omtrent de verhoudingen tusschen werkgevers en
arbeiders in de verschillende fabrieken en werkplaatsen en
omtrent den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het
oog op de veiligheid en gezondheid der werklieden” 4 » .
De commissie begon haar werkzaamheden met het sturen van een
vragenlijst naar talrijke instanties en personen, zoals bijvoorbeeld
Kamers van Koophandel en Fabrieken, werkgevers- en
werknemersorganisaties, dominees, pastoors en artsen. Hierin
werd gevraagd om zakelijke informatie over onder andere arbeidsduur,
lonen, vrouwen- en kinderarbeid, sociale fondsen
en huisvesting. In een volgens stadium ging de commissie over
tot het bezoeken van fabrieken en het verhoren van de
getuigen. Geschikte informanten werden gevonden door inlichtingen
in te winnen bij de Kamers van Koophandel en Fabrieken
en de burgemeesters, alsmede door openbare oproepen aan
een ieder die over het onderwerp van de enquête uit eigen
ervaring informatie zou kunnen verstrekken. De Zwolse ‘Getuigen-
Verhooren’ vonden plaats van vrijdag 19 februari tot
en met woensdag 24 februari 1892. Plaats van handeling was:
het Gouvernementsgebouw aan de Diezerstraat. :
Alvorens over te gaan tot de behandeling van de getuigenver-!
horen zelf, zullen eerst enige opmerkingen gemaakt worden o-!
ver de waarde van de Staatsenquête als historische bron. Omj
deze waarde te bepalen dient men zich voortdurend af te vragen
door wie de getuigen werden aangewezen, hoe representatief
zij waren en welke gevolgen de arbeiders zouden kunnen
ondervinden wanneer zij door de antwoorden hun werkgevers
irriteerden. Aangezien uit de meeste beroepscategorieën getuigen
werden gehoord aan wie deels dezelfde vragen gesteld.
werden, krijgen we een redelijke beeld van de toenmalige si-J
tuatie in Zwolle. De representanten van de arbeidersklasse!
– zeven van de zevenentwintig getuigen – zijn echter onder-I
S e n : *”* G ° U V — n t s g e b o u w waarin de enquête
Foto^J.P. de Koning, Gemeente-archief Zwolle, neg.nr. 83-
37
vertegenwoordigd, terwijl uit de categorie ‘losse arbeiders’
helemaal niemand werd gehoord.
Over de ondervraagde werklieden merkte de commissie in haar
eindverslag op dat deze tot de meest ontwikkelden onder de
arbeidersbevolking behoorden en hun mening beter onder woorden
durfden en konden brengen dan hun lotgenoten. De commissie
noemde vrijmoedige antwoorden regel en beschroomde een
uitzondering 5′.
Bij laatstgenoemde opmerking moet echter een kanttekening
geplaatst worden. In het algemeen kan men stellen dat de
vragen die de positie van de arbeider op geen enkele wijze
in gevaar brachten – bijvoorbeeld vragen over de lonen en de
werktijden – doorgaans een beslist en nauwkeurig antwoord
opleverden. Op vragen die de werklieden in een lastige positie
manoeuvreerden – bijvoorbeeld over de verstandhouding
met de patroon – werd veelal ontwijkend of vaag geantwoord.
Is het de commissie dan niet aan te rekenen dat zij niet
doorvroeg wanneer zij kritische noten in de antwoorden vermoedde
en dat de getuigen vrijwel nooit met uitspraken van
andere zegslieden werden geconfronteerd? Deze bedenking kan
gevoeglijk terzijde geschoven worden, omdat de enquêtecommissie
wel inzag dat al te openhartige ontboezemingen over
de wantoestanden of de gebrekkige voorzieningen in de werkplaatsen
verregaande consequenties voor de ondervraagden’
konden hebben. Daarom werd dit soort informatie niet zozeerj
onttrokken aan bijvoorbeeld de letterzetter G. Ridder, dej
zandvormer G.J. van Voorst of de sigarenmaker J. Klappe,j
maar zoveel mogelijk aan informanten die zich wat onafhan-‘
keiijker konden opstellen zoals artsen, onderwijzers en
geestelijken.
We kunnen daarom stellen dat, hoewel de Staatsenquête natuurlijk
slechts een momentopname biedt en er omtrent de
representatie en de openhartigheid twijfels bestaan, de honderden
nauwkerig geboekstaafde belangrijke en onbelangrijke
vragen en antwoorden vrijwel alle kanten van het arbeidersleven
in Zwolle rond 1890 hebben belicht. Mits verantwoord
gebruikt vormt de Staatsenquête een belangrijke bron voor de
sociaal-economische geschiedenis van het laatste decennium;
van de vorige eeuw.
3. De ‘Getuigen-Verhooren’
De eerste vragen betroffen de arbeidsduur. De uitzonderlijk
schrijnende gevallen waarvan de arbeidsenquete van 1887 gewag
maakte – vrouwen en kinderen werkten soms 30 tot 40
uur aan een stuk; arbeiders werden door hun werkgevers mishandeld;
mannen vielen op hun werk dood neer – deden zich in
Zwolle gelukkig niet voor 6) . De arbeidstijden varieerden
per bedrijfstak en waren seizoensgebonden. Een zesdaagse
werkweek met dagen van 12 tot 15 uur inclusief de schafttij38
VERGADERING VAN DINSDAG 23 FEBRUARI 1892.
Tegenwoordig de heeren:
VEEOENS, Voorzitter.
VAN ALPHEN.
REELING BROUWER.
VAN SWINDEREN.
Verhoor van Ferdinand Oberstadt, oud 56 jaar, ingenieurchef
van de centrale spoorweg-werkplaats der
Maatschappij tot Exploitatie van Staatespoorwegen,
te Zwolle.
751. De Voorzitter: Sinds hoe lang bekleedt gij uwe
tegenwoordige betrekking ?
A. Gedurende ongeveer 4 jaren; te voren ben ik 13
jaren in Tilburg geweest.
752. V. Gij zijt in 1887 gehoord door de parlementaire
oommissie van enquête, en hebt bij die gelegenheid
eunstige verklaringen afgelegd omtrent het personeel,
waarmede gij te Tilburg te doen hadt. Welk oordeel
kunt gij uitspreken over de geschiktheid van het personeel
alhier, ook bij vergelijking met dat te Tilburg?
A. De geschiktheid van het volk te Zwolle kan ik
niet anders dan roemen ; ik vind het slag van menschen
hier zelfs wel zoo intelligent ala te Tilburg.
753. V. Is het personeel, voorzoover gij kunt nagaan,
hier te Zwolle even tevreden ?
A. Toen ik hier kwam, zeide men mij, dat hier
sociaal-democraten waren. Verstaat men daaronder
menschen, die hun positie langs wettigen weg willen
verbeteren, dan zijn hier zeker sociaal-democraten; maar
in de werkplaats zijn geen menschen, die alles maar
willen omverwerpen en niets opbouwen. Er heerscht een
uitstekende geest in de werkplaats alhier.
754 V. Kunt gij eene vergelijking maken tusschen
de huisvesting van het personeel te Tilburg en hier?
4. Ik zou wel leggen, dat de woningen hier nog
beter zijn dan die te Tilburg. Er zijn enkele streken in
Tilburg, waar de woningen zeer slecht waren; die zijn
Enqulte. — Zwolle, Deventer, Kampen.
later gesloopt. Ik heb nooit gehoord, dat de woningen
hier slecht zijn. Er wordt hier voor de woningen f 1.70
a f 2.50 betaald. Ik kom zelden of nooit in die woningen,
zoodat ik moeilijk daaromtrent inlichtingen kan geven.
755. De heer Van Alphen: Gij noemt daar huurprijzen,
die zoo hoog zijn als nog niet door vorige
getuigen zijn opgegeven. Hoogstwaarschijnlijk hebt gij
het oog op de woningen, in de omgeving van de spoorwegwerkplaats
gelegen, die ten behoeve van de arbeiders
zijn opgericht. De arbeiders, die daar wonen, zullen wel
meer loon verdienen dan hier over het algemeen met
de arbeiders het geval is. Er dient verhouding te zijn
tusschen het loon en de huur der woning. Een arbeider,
die 7 1 8 gulden verdient, kan zulk eene woning
niet bekostigen.
A. In die woningen wonen bijv. ploegbazen, die
25 ets. per uur verdienen met 20 pet. voor overwerk.
Ik heb gehoord, dat de laagste huur f 1.70 bedroeg. Een
sjouwerman, die 10 ets. per nur verdient, zal in zulk
eene woning niet kunnen wonen.
756. V. De arbeiders, die dergelijke woningen gehuurd
hebben, verdienen dus f 15 a f 20 in de week?
Dat zal wel.
Welke zijn de werkuren in de
A.
757. De Voorzitter:
centrale werkplaats?
A. Van ’s morgens 6 tot 8, dan is er een half uur
ru6t, van half 9 tot 12 en dan van half 2 tot 6, dit
is de gewone werkdag.
758. V. Wordt er wel overgewetkt?
A. Ja, de werklieden werken gaarne over; zij zijn
niet tevreden, wanneer zij maar tot 6 uur werken; gewoonlijk
werken wij tot 7 of 8 uur. Des nachts werken
wij ook wel, dat is gewoonlijk op een Zaterdag.
13
Deel uit het verhoor van F. Oberstadt. Enquête gehouden door
de Staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 18 januari
1890; Tweede Afdeeling; Zwolle, Deventer, Kampen. Z.pl., ca.
1892.
39
den kwam echter algemeen voor. Daarnaast werd in tijden var.
grote drukte in vrijwel alle fabrieken en werkplaatsen overwerk
verricht, hetgeen overigens niet altijd beter betaald
werd. Volgens Ferdinand Oberstadt, ingenieur-chef van de
spoorwegwerkplaats, werkten de arbeiders bij hem zelfs graag
over: “Zij zijn niet tevreden wanneer zij maar tot zes uur
werken” 7′ . Bij de Staatsspoorwegen werd overwerk dan ook
beter beloond.
Thuiswerkers – kleermakers en sigarenmakers bijvoorbeeldwaren
als gevolg van hun afhankelijkheid van stuklonen van
’s morgens 4 uur tot ’s avonds 10 uur in touw 8). Het tijdrovende
karakter van het bakkersvak bracht exorbitant lange
werkdagen met zich mee. Zo werd bij W. Oelrich, brood- en
beschuitbakker, door de week 16 tot 18 uur per etmaal gewerkt,
op zaterdag ongeveer 22 uur. Op de vraag van de commissie
of dit niet te lang was, antwoordde patroon w. Oelrich:
“Och, ik heb vroeger wel langer gewerkt, bijv. in Den
Haag, waar ik niet meer slaap kreeg dan 15 uur per week” 9).
Bovendien was het werk niet meer zo zwaar als vroeger. Vele
werkzaamheden geschiedden nu immers machinaal, terwijl bij
hem ’s zonsdags niet gewerkt werd.
Zondagsarbeid, of zoals de Zwolse afdeling van de ‘Nederlandsche
Vereeniging tot Bevordering van de Zondagsrust’ het
bestempelde, de schending van de zondagsrust, kwam in Zwolle
over het algemeen weinig voor. Een uitzondering hierop vormden
het broodbedrijf en het rijdende personeel van de
Staatsspoorwegen. Bij de broodfabrikant E. Helder werden ‘s
zondagsmiddags om 4 uur de machines weer opgestookt om de
volgende morgen om 5 uur de eerste broden te kunnen bezorgen.
De banketbakkers werkten de gehele zondag “hetgeen echter
wel zoo zal blijven, zoolang de heeren en dames zich de
luxe niet willen ontzeggen om des Zondags diners te geven”
1 0>. Bij de Staatsspoorwegen waren de stokers, machinisten;
en conducteurs afhankelijk van de welwillende medewerking!
van de machinist-opzichter om door veel geschuif eens in de’
drie weken van een vrije zondag te kunnen genieten.
Tijdens de voorbereidingsfase was het de enquêtecommissie
ter ore gekomen dat de olieslagerij Jansen & Wicherlink een
voor de arbeiders bijzonder vervelende werktijdenregeling
kende. Hoewel de feitelijke arbeidsduur naar de toenmalige
maatstaven alleszins redelijk was – ongeveer 12 a 13 uur per
dag – werkte en sliep het personeel als gevolg van de toe-,
passing van een anderhalve ploegendienst zeer onregelmatig
111 . Directeur Wicherlink verklaarde tijdens zijn verhoor
juist voordelen in deze onregelmatige werktijden te zien. Zo
kon zijn werkvolk ’s zomers een vrije namiddag naar eigen
goeddunken besteden, bijvoorbeeld aan het bewerken van een
moestuintje. Hij ontkende ten stelligste dat er over de
werktijden geklaagd werd en dat ze nadelig uitwerkten op
het gezinsleven van het personeel x2>.
40
B8S. V. Worden wel boston opgelegd T
A. Neen.
864. V. Kont gij het goed vinden methetperaoneel7
!• er eene aangename verhouding T
A. Heel best
865. V. Kant pj gemakkelijk geschikt personeel
krijgen T
A. Zeer gemakkelijk, de positie is ree! beter dan by
een gewonen bakker. Bij een gewonen bakker wordt het
loon foor het kleinste gedeelte in geld betaald, het overige
loon ontvangen rij als koet en inwoning. Dit gaat goed
totdat lij willen trouwen; dan moeten rij naar de fabriek
loe of tel f bus worden, dit gaat een paar jaar goed,
maar dan is bet uit, iciodat wij werklieden genoeg kunnen
krijgen.
WVi. V, U ook het personeel van de verroloelllfabriek
geschikt?
A. Het staat niet op een hoog zedelijk standpunt,
tnur het wordt langzamerhand beter. Wij hebben do
fabriek in 1889 overgenomen en toen was het treurig
gesteld, wtj hadden toen het uitschot Wij hebben nu
twee meters, dochten van een schildenknecht, dit rijn
kinderen oit een teer net huishouden; dan heb ik oog
twee rusten», wier moeder eene netto vrouw ie en die
getrouwd is met een man, die niets waard is, daar is het
illertreurigst Eindelijk beb ik nog een meisje van eene
wednwe, die verleden jaar nog een onecht kind gekregen
beeft- Ik heb getracht dit meisje van hare moeder van
dua te krijgen, maar dit ging niet, de moeder profiteerde
te ml van haar. Dit meinje is 4 a 5 weken in het ziekenhuis
geweest, wegens een ongesteldheid aan het been.
Ik beb baar loon laten doorgaan, ronder dat rij het wist;
op die wijte was er f 18 voor haar gespaard. Voor dit
geld heb ik ondergoed voor haar laten koopen. Eenigen
tijd later heb ik dat goed eens laten inspecteren, maar
toen ug het er weer treurig uit, het was niet behoorlijk
pwwKhen, enz. Men kan wel moeite doen, maar het
I geeft niet veel, tootang de onder» van de kinderen wili
len profiteeren.
867. V. Zijn er meisjes bij u in dienst, die naar de
Mii- en breischool gaan 7
A. Ik heb weinig gelegenheid om mij daarmede te
bemoeien; Haar heb ik het telf te drnk voor.
m. V. U het toezicht voldoende, zowïat het niet
ku voorkomen, dat knechts en meisjes samen gekheid
makenf
A. Dit is in den beginne wel voorgekomen met het
personeel, dat wij overgenomen hebhen. Het werd mg
verteld; ik heb de laak onderaocht, maar ik heb er niet
meer uit kunnen krijgen, dan dat een volwassen man
en een mei«j« elkander gekust hadden. Ik heb te toen
beiden weggestuurd.
De venniceliifabriek en de broodfabriek rijn buitendien
geheel gescheiden. Beiden hebben aparten ingang en
kleedknmer. De hakkers mogen niet in de vermicollifcbriek
komen, behalve de meesterknecht om het deeg
gereed te- maken.
D69. V. Zijn in beide uwe fabrieken de gevaarlijke
machinedeeteo roveel Hoen lijk beschut T
Enqu/U. — Zwolle, Deventer, Kampen.
A. Zooveel als. dit mogelijk is. Het beschutten der
walsen in ds vennlcelUfabriek gaat echter niet. Wanneer
men voorzichtig is, leveren die walsen echter ook geen
gevaar op. De kruimels moeten met de hand naar de
walsen worden geschoven, en dat doet Van ZuUtem, de
volwassen werkman, altijd; rij gaan dan tusschen de
walsen door en het deeg komt aan de andere rijde als
een platte lap er uit, die met de hand aangevat kan
worden. Wij hebben eens een ongeluk met een jongen
gehad, die eerst «en paar dagen in m^jn dienst was en,
niet aan de wals noodig hebbende, door onvoorzichtigheid
met rijn Tingen tasschen de walsen raakte.
870. V. Levert de broodfabriek geen gevaar op?
A. Alleen de deegmolen, doch dan alleen ook bij
onvoorzichtigheid. Als hty draait, heeft men er niets aan
te doen. Moet het deeg er uit, dan wordt de molen even
gekipt en dit levert geen gevaar op. Moet na echter
verschillend deeg gebruikt worden, bfyv. Mnt voor wittebrood,
vervoiganB voor krontnnbrood, dan moot de molen
eerst vooraf wat In hot ruw schoongemaakt worden.
Dat kan geschieden, wanneer de molen stilstaat, en dan
is er natuurlijk niets geen gevaar bij, maar nu doen
rij het dikwijls als de molen nog draait, al is het halfkracht
871. V. Wij hebben eene klacht vernomen over
ondraaglijke hitte in de droogkamer van nwe vermicellifabriek.
Wat is daarvan P
A. De temperatuur in de droogkamer moet rijn 80°,
wat wel loopen kan tot SS a 100° in het heetst van
den zomer. Maar in de droogkamer wordt niet gewerkt.
De langste tijd, dien een man er behoeft door te brengen,
is niet meer dan 2 4 3 minuten.
872. V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen ?
A. Het personeel van de broodfabriek is venekerd
bij de Eerste Nederlandache Levensverzekering-maatschappij
tegen fl per dag bij invaliditeit en f 1000 in
geval van dood.
Bij de venoicellifabriek is het hetzelfde voor den man;
f 0,60 daags en f 600 bij dood voor de meisjes.
De verzekering is voor mij wel een beetje duur.
Van Zuthem, die van de trap was gevallen, heeft de
eerste door mij genoemde nitkeering genoten.
873. De heer Vu All N i : Is die trap sedert Toornen
f
A. De trap was voorrien, doch was door een van de
meisjes losgemaakt.
Ik wenschte er bfj te voegen, dat ik hoop, dat de
nieuwe arbeidswet, dte misschien een gevolg tal rijn
van de enquête, niet te kras moge rijn. De tegenwoordige
wet werkt b(jv. in het nadeel der meimes op mijn
fabriek.
Vroeger gaf ik haar wel eens te eten en konden tij
het schaft uur in een verwarmd lokaal der fabriek doorbrengen
; maar dat mag nu niet meer. Nu moeten te
door de koa naar huis, waar te misschien geen eten
krijgen.
E. HELDE*.
J. D. VeitnRNs, VoonitUr.
VAK ALPIHEN.
N. REELIHO BROUWKR.
O. Q. VAN SwiitDEftBit.
W. H. J. RouAARDS, Xdj.-Mtrefar
15
Deel uit het verhoor van E. Helder. Enquête gehouden door de
Staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 18 januari
1890; Tweede Afdeeling; Zwolle, Deventer, Kampen. Z.pl., ca.
1892.
41
De lange arbeidsduur was des te bedenkelijker omdat het
werk verricht werd in een bedompte, onhygiënische en soms
onveilige omgeving. Zo liet bijvoorbeeld de luchtverversing
van de werkruimten nogal eens te wensenover, de spoorwegwerkplaats
uitgezonderd. Dit was deels aan de werklieden
zelf te wijten. Uit angst voor tocht en de gevreesde tuberculose
werden ventilatiemiddelen als ramen en luchtkokers
zoveel mogelijk afgesloten. Geen wonder dat in de werkruimten
reeds na enkele uren een muffe, bedompte lucht hing.
Tijdens de schaft ging “de heele rommel los, en als het weder
het toelaat, doen wij hetzelfde” 1 3 ). Naar de verwarming
van de fabrieken en de werkplaatsen in de winter werd
door de commissie niet geinformeerd. Aangenomen mag worden
dat de arbeiders in dit jaargetijde geacht werden zich zelf
warm te werken.
Aan de hygiëne in de werkruimten werd weinig aandacht besteed.
Als gevolg van het ontbreken van schaftlokalen – de
werklieden gingen tijdens de middagschaft gewoonlijk naar
huis – waren de arbeiders gedwongen de meegebrachte etenswaren
voor de ochtend- en namiddagpauze in de werklokalen te
nuttigen. Dat deze werkruimten niet het toonbeeld van properheid
waren, laat zich raden. De reiniging beperkte zich
tot een periodiek aanvegen van de werkvloer, het witten van
de muren en het lappen van de ramen.
De volksgezondheid werd verder in negatieve zin beinvloed
door de uitermate slechte kwaliteit van het drinkwater in
Zwolle 14). De enquêtecommissie moest hieromtrent vele
klachten aanhoren. Omdat Zwolle het ten tijde van de enquête
zonder een waterleidingnet moest stellen, was de bevolking
aangewezen op stadspompen of particuliere pompen.
Deze pompen werden nogal eens bedorven door de, zoals de
geneesheer Simon Petrus Kros het uitdrukte, ‘pots dei
chambre’ die de bewoners van de achterbuurten ’s nachtsj
stiekem leegden. In de Schoutensteeg waar de dokter woonde,
weigerden de paarden – wanneer ze tenminste geen erge dorst
hadden – van het stinkende water te drinken 1 S ) . Bij het oppompen
van water voor de stoommachine van de boekdrukkerij
W.E.J. Tjeenk Willink “gebeurt het wel dat niemand er bij
wil staan, zoo’n lucht verspreid het” 1 6 ). De olieslager
Roelof van Hezel antwoordde cynisch op de vraag of het water
van een stadspomp wel goed was: “Er staat tenminste niet op
de pomp dat het water onbruikbaar is” 1 7 ).
De slechte hygiënische omstandigheden, gevoegd bij de armelijkheid
van de arbeiderswoningen 1 8 ) en het eenzijdige menu,
hadden tot gevolg dat het met de gezondheid van het
werkvolk dikwijls droevig gesteld was. De lichamelijke weerstand
was gering, met name in de winter. De kinderrijkheid
van de gezinnen vergrootte de kansen op ondervoeding. “Het
eeuwige getal der kinderen, het is als het ware eene bacteriologie”
1 9 ). De Zwolse sterftecijfers lagen in deze jaren
hoger dan de landelijke cijfers. Difterie, tyfus en tuber42
culose sleepten velen ten grave “maar aan epidemieën doen
wij hier niet”, aldus de arts Kros 2 0 ) .
Uit de ‘Getuigen-Verhooren’ kan afgeleid worden dat de veiligheid
op het werk de laatste jaren voorafgaande aan de enquête
aanmerkelijk verbeterd was. De voornaamste oorzaak van
ongelukken, explosies bij de stoomproductie, was sinds de
Wet op het Stoomwezen (1869) grotendeels weggenomen. Stoommachines
werden periodiek geinspecteerd en de machinsten
raakten geleidelijk, mede dankzij de oprichting van amjbachtsscholen,
meer vakbekwaam 21) . Ook de Arbeidswet van
|l889 had de bedrijfsveiligheid sterk bevorderd. In 1891 wajren
bij Anthony Nijhoff, als hoofd-inspecteur van politie
jbelast met de door de Arbeidswet ingestelde arbeidsinspecitie,
28 ongevallen gemeld. Het overgrote deel van de ongelukken
onstond door “de kracht der gewoonte” 22) . Voorschriften
en raadgevingen omtrent de veiligheid werden over
het algemeen goed opgevolgd. De ‘constructiewinkel’ van de
spoorwegen nam ook in deze het voortouw. Draaiende machinedelen
werden zoveel mogelijk afgeschermd. Lint- en ‘circuleerzagen’
bleven echter notoire veroorzakers van ongelukken.
De verantwoordelijkheid voor de ongelukken kwam in
toenemende mate bij de arbeiders zelf te liggen. Het nietdragen
van veiligheidsbrillen, mede omdat deze niet schenen
te voldoen, veroorzaakte nogal eens oogaandoeningen. Met een
magneet werden metaaldeeltjes zoveel mogelijk verwijderd.
Bovendien, zo verklaarde de arts Kros, “Sedert wij cocaine
hebben, kan men heel wat aan de oogen scharrelen” 2 3 ) .
Welke beloning stond nu tegenover deze zware en langdurige
arbeid? Over gemiddelde weeklonen kan in Zwolle bezwaarlijk
gesproken worden. Uit de enquête komt duidelijk de uiterst
gecompliceerde opbouw van de lonen naar voren. Hoeveel de
werklieden nu precies in het loonzakje vonden, laat zich
moeilijk reconstrueren. Zowel stukloon, uurloon als een vast
:loon, aangevuld met premies, werden naast en door elkaar ge-
Shanteerd. De premie – ook wel surplus of ‘eventueel’ genoemd
– was evenwel aan een maximum van 20% tot 25% van het vaste
loon gebonden. Overwerk werd niet altijd beter beloond; bij
de Staatsspoorwegen wel. Boetes wegens te laat komen, werkfouten
of het niet schoonhouden van de ‘privaten’, werden op
het loon in mindering gebracht. In de regel kan men stellen
dat het loonniveau, net als heden ten dage, nauw samenhing
met de mate van scholing en ervaring. Rekening houdend met
de bovengenoemde invloeden op het werkelijk uitbetaalde
loon, kon een volwassen werkman in vaste dienst tussen de
f8,- en f13,- per week verdienen. Hierbij dient echter wel
aangetekend te worden dat de meeste werklieden dichter bij
het genoemde minimum dan het maximum zaten. Ploegbazen verdienden
f 15,- a f20,- per week. Losse arbeiders – sleepknechten,
zaaddragers, veedrijvers – konden wanneer ze dagelijks
werk hadden (hetgeen zelden voorkwam) ongeveer f6,-
per week verdienen 24). De Staatsspoorwegen betaalden de
hoogste lonen.
43
Het is natuurlijk de vraag of men van deze lonen enigszins
redelijk kon bestaan. Op vragen van de commissie hierover,
deelde het gemeenteraadslid Rudolf Jordens mee dat een bekwaam
werkman met overleg wel kon rondkomen, “maar sukkelaars,
die niet zoo goed werken kunnen, verdienen mijns inziens
wel wat weinig” 25) . Meerdere zegslieden waren van
mening dat een niet al te groot gezin van f8,- per week wel
kon rondkomen, mits dit bedrag het hele jaar door verdiend
werd en het gezin niet getroffen werd door calamiteiten zoals
ziekte en ongeval 26). Maar voor hoevelen ging dat op?
De commissie werd van verschillende kanten meegedeeld dat er
in Zwolle veel armoede heerste, met name ’s winters wanneer
er weinig werk voorhanden was. De werkloosheid vond zijn belangrijkste
oorzaak in het feit dat veel mensen in het verleden
naar Zwolle gemigreerd waren – zo bracht de komst van
de spoorwegwerkplaats veel werk met zich mee – en daar bleven
hangen, ook toen de werkgelegenheid verminderde. De evangelist
Hendrik Lindhout was zelfs van mening dat de “verdierlijking
en verwaarloozing” van de Zwolse arbeidersbevolking
geen parallellen kende. In de achterbuurten zoals de
Gribus, het Achterom, de Duistere Steeg, de Kwade Negen en< buiten de Kamperpoort, heerste volgens hem een verschrikkelijke armoede 27). Dit beeld wordt bevestigd door de snel toenemende kosten van de armenzorg, die voornamelijk in handen was van de armbesturen der verschillende kerkgenootschappen. De bedeling was in de regel volstrekt onvoldoende. De armbesturen stelden zich immers op het standpunt dat de bedeelde een prikkel moest blijven voelen om door werk in het eigen levensonderhoud te voorzien. Bovendien waren de fondsen van de armbesturen niet onuitputtelijk. In de praktijk betekende dit dat sommigen naar de bedelstaf moesten grijpen - hoewel officieel verboden in Zwolle - om de ergste honger te stillen 28) _ Wanneer het loon van de kostwinner ontoereikend was om van te leven, was de arbeid van vrouw en kinderen een veel gebruikte vluchtroute om het gezinsinkomen wat te verhogen. Arbeid van kinderen boven de 12 jaar - de Arbeidswet verbood loonarbeid van kinderen jonger dan 12 jaar - kwam veelvuldig voor. In elke fabriek of werkplaats werkte wel een groter of kleiner aantal jongens onder de 16 jaar. Het kwam herhaalde-| lijk voor dat de arbeiderskinderen bij het bereiken van dei 12-jarige leeftijd van school genomen werden. Johannes Jaco-. bus Wiegman, hoofd van een R.K. jongensschool, deelde de commissie mee:"daar men tegen Paschen gewoonlijk een beroep kiest en aangenomen wordt, gaat men tegen dien tijd gewoonlijk weg" 2 9 ) . Een collega van hem, Hendrik Wuite, hoofd van een openbare jongensschool, noemde het zelfs een jammerlijke uitzondering wanneer kinderen na hun twaalfde jaar de school bleven bezoeken 30) . Bovendien werd op deze wijze het schoolgeld uitgespaard. Aan de hand van vader werden hun goedkope diensten vervolgens bij een patroon aangeboden. Met 44 name de constructiewerkplaats van de spoorwegen was in trek. Bovengenoemde F. Oberstadt verklaarde dat hij jongens gewoonlijk op 12-jarige leeftijd aannam, doch hij voegde daar aan toe: "Ik doe dit ongaarne, maar word er wel toe gedwongen" 31) . Helaas vroeg de commissie hem niet waarom hij daartoe genoodzaakt werd. Aanvankelijk verrichtten de jongens allerlei losse werkzaamheden; later bekwaamden ze zich onder leiding van een meesterknecht in een bepaald vak. In de sigarenproduktie vonden de jongens werk als zogenaamde wikkeljongen, de goedkope hulp van een sigarenmaker. Opmerkelijk is dat uit de enquête vrijwel geen gevallen van fabrieksarbeid van vrouwen naar voren komen. Alleen in de :vermicellifabriek van E. Helder en in een zestal was- en blekerijen werd gebruik gemaakt van (goedkope) vrouwelijke arbeidskracht. Daarnaast werkten vrouwen als dienstbode bij particulieren. Van een grootschalige vrouwenarbeid buitenshuis, was echter geen sprake 3 2 ). Het ontbreken van een kapitalistische grootindustrie en huisnijverheid (bijvoorbeeld textielproduktie) is hier ongetwijfeld debet aan. Juist in laatstgenoemde sector werkten traditioneel veel vrouwen. Tevens kan het wijzen op een beperkte werkgelegenheid in Zwolle. De werkgevers werden niet geconfronteerd met een tekort aan mannelijke arbeidskrachten - in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Twentse textielfabrikanten - met als gevolg dat ze niet gedwongen waren een beroep te doen op het reserveleger vrouwelijke en jeugdige arbeidskrachten. Lange werkdagen en lage lonen; onder deze omstandigheden bood de kroeg vaak de enige mogelijkheid tot ontspanning. De enquêtecommissie moest vele klachten omtrent het verschrikkelijke drankmisbruik onder het werkvolk aanhoren, met bij name de losse arbeiders daaronder. Laatstgenoemden werden soms uitbetaald in de talrijke Zwolse kroegen. De gevolgen laten zich raden. Het aantal drankvergunningen in Zwolle was drie maal groter dan het door de regering voorgeschreven maximum. De tapperijen in de buurt van de spoorwegwerkplaats konden 's morgens voor 6 uur hun eerste klanten al begroeten. Vele getuigen schreven de ellende onder de arbeidersklasse (gedeeltelijk) toe aan het overmatig drankgebruik: "Wanneer Schiedam wordt gesloten en de plaatselijke regeringen niet zo mild zijn met het verleenen van vergunningen, wordt het kwaad in den hartader getroffen" 33). In de inleiding werd terloops melding gemaakt van de zich wijzigende sociale verhouding tussen patroon en knecht. Het directe contact, de patroniserende verhouding die in de kleine ambachtelijke bedrijven tussen de meewerkende patroon en zijn werklieden bestond, werd tijdens het industrialisatieproces geleidelijk verdrongen door meer anonieme sociale verhoudingen. Uit de enquête blijkt dat deze verandering zich ook in Zwolle voltrok. De directe patroon-knecht verhouding nam gestaag in betekenis af. Sommigen betreurden dit: "Vroeger was men veel intiemer met mijnheer, die bePersoneel van de Zwolsche Biscuitfabriek v/h E. Helder & Co. Foto: J.P. de Koning; uit Zwolle als industriestad in 1914, Zwolle 1914, p. 34. 46 ' moeide zich meer met de werklieden en een woord van den patroon brengt wel is waar niets in den zak, maar is toch aangenaam voor den arbeider" 3 4 ) . Andere getuigenissen over de kwaliteit van de sociale verhoudingen ten tijde van de enquête bleven helaas steken in het constateren van een toegenomen afstand van tussen werkgever en werknemer. Zo ant- . woordde de letterzetter Gerrit Ridder op de vraag van de ; commissie of er een aangename verhouding tussen de patroons i en het personeel bestond, dat men zeer weinig met de patroons in aanraking kwam. Aan het karakter van de relatie waaraan in de vraag gerefereerd werd, ging hij evenwel voorbij 3 5 ) . Een verklaring voor de ontwijkende antwoorden moet wellicht gezocht worden in de schroom bij vele werklieden om ten aanzien van gevoelige kwesties zoals de verhouding met hun patroon, een persoonlijke mening te ventileren. De ! schriftelijke inlichtingen van de Zwolse afdeling van het Nederlands Werkliedenverbond 'Patrimonium' spraken echter duidelijker taal: "De verhouding tusschen vele werkgevers en arbeiders wordt van lieverlede niet beter. De socialistische geest wint merkbaar veld" 3 6 ) . Een teken van verwijdering tussen de werkgevers en het personeel was de introductie van het zogenaamde bazenstelsel. De bazen of meesterknechten fungeerden als een soort tussenschakel, een doorgeefluik van orders van hogerhand. Over deze bazen hoorde de commissie verschillende klachten aan. Het waren soms kleine despoten die er een winkel of tapperij op nahielden waar het werkvolk min of meer gedwongen werd hun zuurverdiende centen te besteden. Bij de spoorwegwerkplaats bekleedden de bazen een machtspositie. Zij verdeelden het werk en stelden de stuklonen vast. Bovendien bevoordeelden de bazen bij het aannemen van personeel en het doorvoeren van promoties familieleden en geestverwanten. Ingenieur-chef F. Oberstadt bagatelliseerde deze klacht. Hij achtte het uiterst onwaarschijnlijk, doch vond het tegelijkertijd moeilijk te voorkomen 3 7 ). De macht van de patroons was vrijwel absoluut hetgeen onder andere blijkt uit het ontbreken van arbeidscontracten. De arbeiders konden derhalve niet terugvallen op schriftelijk vastgelegde rechten. Het was niet ongewoon dat de werklieden op staande voet ontslagen werden. R. van Hezel, olieslager bij de firma Jansen en Wicherlink, verklaarde: "Sommigen werden 8 dagen van te voren gewaarschuwd, anderen werden met 8 dagen loon direct weggestuurd, dat waren zij van wie mijnheer verwachtte dat ze het werk zouden doen spaak loopen" 381 . Alleen wanneer een werkman binnen een bedrijf een belangrijke positie bekleedde, bijvoorbeeld een machiniststoker, werden mondelinge afspraken gemaakt over de opzegtermijn. In theorie was het natuurlijk mogelijk dat de arbeiders met een verzoek naar de patroon stapten. In de praktijk bleken zowel de sociale als de organisatorische afstand (als gevolg Handwerkslieden van de NS Zwolle, ca. 1890. Foto: J.P. de Koning, Gemeente-archief Zwolle, neg.nr.81091. 48 van de tussenschakel welke de bazen vormden) tot 'mijnheer' toch vaak te groot. Bovendien liep men dan het risico bij de patroon in discrediet te geraken. De kans dat een verzoek van het personeel werd ingewilligd was gering, omdat het de werkgever veelal geld zou gaan kosten. Zo werd bij de 'constructiewinkel' het verzoek om een wekelijkse uitbetaling van de lonen van de hand gewezen, omdat de lijst onvoldoende namen van volwassen arbeiders zou bevatten. Op de vraag of dit wellicht te wijten was aan de schroom van de oudere werklieden om iets te vragen, werd ontwijkend geantwoord. In werkelijkheid werd deze wens van het personeel door F. Oberstadt niet serieus genomen want hij verklaarde: "Ik dacht dat het de werklieden slechts te doen was om iets te vragen" 39' . Hoewel de patronale, vaderlijke relatie met het oprukken van de fabrieksnijverheid geleidelijk werd uitgehold, bleven enkele restanten hiervan nadrukkelijk aanwezig. Ter illustratie van deze restanten van patronale zorg een tweetal voorbeelden, welke met evenveel recht uitgelegd kunnen worden als verkapte vormen van sociale controle. De vermicelli- en' broodfabrikant E. Helder had het niet uitgekeerde loon van een zieke werkneemster opgespaard en daar ondergoed voor haar voor gekocht. De jonge vrouw mocht het ondergoed blijkbaar niet als haar eigendom beschouwen, want "eenigen tijd later heb ik dit ondergoed eens laten inspecteeren, maar toen zag het er weer treurig uit, het was niet behoorlijk gewasschen" 4 0 ). Het tweede voorbeeld betreft de aan sommige fabrieken verbonden sociale fondsen. Bij deze fondsen konden de arbeiders verzekeringen afsluiten die hen in geval van ziekte, ongeval, ouderdom of begrafeniskosten, van een uitkering voorzagen. Op zich waren deze fondsen - in de volksmond 'bussen' genaamd - lovenswaardige instellingen, ware het niet dat de werkgevers zelf het beheer ervan voor hun rekening namen. In deze positie stelden zij dus feitelijk het beleid met betrekking tot de toelating, de duur en de hoogte van de uitkering vast. Zo was het Zwolse personeel van de spoorwegwerkplaats bij ziekte geheel afhankelijk van de "goedheid van de Directie" of de uitkeringstermijn verlengd werd 4 1 ) . In de regel was in Zwolle zowel de duur van de uitkering' (enkele maanden) als de hoogte ervan (een percentage van het' normale loon hetgeen soms aangevuld werd door de werkgever) ontoereikend. De werklieden die niet via hun werk verzekerd waren, waren aangewezen op de onzekere financiële gunsten van hun werkgevers. Daarom verzekerden ze zich en masse bij zowel landelijke sociale fondsen (bijvoorbeeld de 'utrechtsche Levensverzekeeringsmij. ' of de 'Maatschappij tot het Nut van het Algemeen') als bij de plaatselijke sociale fondsen zoals 'de Voorzorg', 'Regt door Zee', 'de Herstelder'en 'Patrimonium' . Deze plaatselijke fondsen kenmerkten zich door 49 vele (financiële) wantoestanden, het fonds 'Patrimonium' uitgezonderd. De 'bussen' werden beheerd als een soort prive- ondernemingen die zonder toedoen of medeweten van de contribuanten verhandeld konden worden. Uit verscheidene getuigenissen komt naar voren dat de contribuanten zelf ten gevolge van een gebrek aan belangstelling, onvoldoende op de hoogte waren van hun rechten. In de woorden van A. van Heerde: "Neen, daar zijn ze te onverschillig voor, ik had bijna gezegd te lui voor" 4 2 ) . Het kwam zelfs voor dat wanneer de gelegenheid zich voordeed een beroep te doen op het fonds, daar geen gebruik van gemaakt werd. Bij de Staatsspoorwegen vielen bepaalde categorieën arbeiders ten gevolge van de ikoppeling van het ziekenfonds aan het pensioenfonds, tussen iwal en schip. Zo kon het voorkomen dat een oudere werknemer die op grond van zijn leeftijd niet meer toegelaten werd tot het pensioenfonds, ook geen aanspraak kon maken op een uitkering bij ziekte. Financieel was men dan geheel aangewezen op de welwillendheid van de directie. De predikant A.W. van Wijk was ervan overtuigd dat een man als gevolg van het besef in dit opzicht onrechtvaardig behandeld te zijn, gestorven was 4 3 ) . Het is dan ook niet verwonderlijk dat er van verschillende kanten op aangedrongen werd het functioneren van de sociale fondsen onder wettelijk toezicht te plaatsen. Ondanks bovengenoemde tekenen van verwijdering tussen de werkgevers en het personeel, meende de staatscommissie de sociale verhoudingen in Zwolle als redelijk gunstig te mogen omschrijven. Aanwijzingen hiervoor zag ze in het grote aantal dienstjaren dat werklieden bij dezelfde werkgever doorbrachten, alsmede in de afwezigheid van werkstakingen. Een andere mogelijke verklaring voor de geringe arbeidsmobiliteit, namelijk een beperkte werkgelegenheid in Zwolle, zag de commissie echter over het hoofd 4 4 ). 4. Conclusie Een oordeel over de kwaliteit van het arbeidersleven kan op basis van de enquête alleen bezwaarlijk gegeven worden. De getuigenissen moeten altijd met behulp van gegevens uit andere bronnen gecontroleerd worden, bijvoorbeeld gemeenteverslagen, kerkelijke archieven of bedrij fsarchieven. Daarnaast moet de Zwolse situatie in een breder kader geplaatst worden door middel van een onderzoek in met Zwolle vergelijkbare steden als Deventer, 's-Hertogenbosch of Groningen. Omtrent de verschillen in de arbeidsomstandigheden in de diverse bedrijfstakken moeten we noodgedwongen algemeen en kort blijven. Immers, op basis van een enkele getuigenis kunnen geen definitieve conclusies getrokken worden voor een gehele bedrijfstak, temeer omdat de commissie juist die bedrijven/ bedrijfstakken heeft onderzocht waar ze meeste misstanden vermoedde. Zo maakten de thuiswerkers en bakkers extreem lange werkdagen, was het drukkersvak berucht om zijn borstziekten en stonden de houtzagerijen bekend om het relaWerklieden van de firma H.G. Treep & Zoon, aannemers en fabriek voor Houtbewerking. Foto: J.P. de Koning; uit Zwolle als industriestad in 1914, Zwolle 1914, p. 15. tief grote aantal bedrijfsongevallen. Daarentegen was de spoorwegwerkplaats - over deze grootste werkgever van Zwolle doen veel getuigen of uit eigen ervaring of uit tweede hand mededelingen - koploper op het gebied van lonen en bedrijfsveiligheid. De verhoren verschaffen ons daarentegen wel de zekerheid dat in de jaren voorafgaande aan de enquête en met name na de invoering van de Arbeidswet in 1890, in de lonen, de werktijden en de bedrijfsveiligheid enige verbeteringen zijn doorgevoerd. Het is echter onjuist om de verantwoordelijkheid voor de vele resterende wantoestanden in het arbeidersleven alleen bij de kapitalistische grootindustrie te leggen, daar deze in Zwolle nog maar amper ontwikkeld was. De populaire stelling dat het 'grootkapitaal' de bron van alle ellende der arbeiders zou zijn, moet dan ook als ongenuanceerd van de hand worden gewezen. 51 Noten 1. In 1877 en 1884 werden enquêtes gehouden om de werking van de Kinderwet-Van Houten in de praktijk te controleren. In 1887 werd een grootschalige enquête ingesteld naar de toestanden in fabrieken en werkplaatsen in het algemeen en naar de kinderarbeid in het bijzonder. Hoewel het in de bedoeling lag de enquête in geheel Nederland te houden, zijn alleen de arbeidsomstandigheden in Amsterdam, Maastricht, Tilburg en de vlasnijverheid onderzocht, omdat in juni 1887 de Tweede Kamer ontbonden werd. 2. De vroegste sociale wetgeving in Nederland betrof de Kinderwet-Van Houten van 1874 (Staatsblad nr. 130) en de Arbeidswet van 1889 (Staatsblad nr. 48). 3. K. Dekker, 'Historisch overzicht' in: L. van Vuuren, Rapport betreffende een onderzoek naar de welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle (Zwolle 1939), 15-44. 4. Wet van 19 januari 1890, Staatsblad nr. 1. 5. 'Verslag van de Tweede Afdeeling der Staatscommissie van Arbeidsenquete, mei 1893' in: Verslagen der Staatscommissie betreffende de Arbeidsenquete 1890-1894, nr. 7 (s.1., s.a. ), 241. 6. J. Giele, Een kwaad leven; de arbeidsenquete van 1887, dl. 1 (Nijmegen 1981), xii. 7. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 758. 8. Enquête, verhoor van J. Klappe, 1073. 9. Enquête, verhoor van W. Oelrich, 731. 10. Enquête, verhoor van A.W. van Wijk, 170. 11. Volgens W.H. Wicherlink, directeur van de olieslagerij, werkte de ploegendienst als volgt. Maandagochtend om 5 uur kwamen twee ploegen op, A en B. Om 11 uur 's morgens vertrok A en kwam C op. De ploegen B en C werkten dan samen tot 's middags 5 uur wanneer B ophield. Ploeg A kwam dan weer op en zette samen met C het werk tot 11 uur 's avonds voort. Enquête, verhoor van W.H. Wicherlink, 1195. 12. Enquête, verhoor van W.H. Wicherlink, 1197 en 1204. 13. Enquête, verhoor van J. Helge, 434. 52 14. In het gemeente-archief van Zwolle zijn verschillende rapporten over de kwaliteit van het drinkwater aan het einde van de vorige eeuw aanwezig. 15. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 378. 16. Enquête, verhoor van B. Menkhorst, 845. 17. Enquête, verhoor van R. van Hezel, 1036. 18. Zie voor de volkshuisvesting in Zwolle: A. Schoot Uiterkamp,'Volkshuisvesting en volksgezondheid in Zwolle in de tweede helft van de negentiende eeuw' in: Overijsselse Historische Bijdragen, 97 (1982), 131-166. 19. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 391 en 392. 20. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 384. Verslag van den Toestand der Gemeente Zwolle, 1891, 61- 63. 21. Enquête, verhoor van J.N. Kooij, 580 en 605. 22. Enquête, verhoor van A. Nijhoff, 11. 23. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 395. 24. 'Verslag van de Tweede Afdeeling der Staatscommissie van Arbeidsenquete, mei 1893' in: Verslagen der Staatscommissie betreffende de Arbeidsenquete 1890- 1894, nr. 7 (s.1., s.a.), 245-249. Enquête, schriftelijke antwoorden van de afdeling Zwolle van het Nederlands Werkliedenverbond 'Patrimonium', 15. 25. Enquête, verhoor van D.J.R. Jordens, 301. 26. Enquête, verhoren van A. Nijhoff, 14, van H. Maas Hz., 121 en van F. Visscher, 490. 27. Enquête, verhoor van H. Lindhout, 308 en 312. 28. Enquête, verhoren van H. Maas Hz., 109 en 113 en van D.J.R.Jordens, 297. 29. Enquête, verhoor van J.J. Wiegman, 187. 30. Enquête, verhoor van H. Wuite, 512. 31. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 770. 32. Enquête, verhoren van H. Maas Hz., 97 en van A.W. van Wijk, 134 en 136. Enquête, schriftelijke antwoorden van de Zwolse afdeling van het Nederlands Werkliedenverbond 'Patrimonium', 15. 33. Enquête, verhoor van H. Lindhout, 343. 34. Enquête, verhoor van R. van Hezel, 1027. 35. Enquête, verhoor van G. Ridder, 638. 36. Enquête, schriftelijke inlichtingen van de Zwolse afdeling van 'Patrimonium', 17. 37. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 712. 38. Enquête, verhoren van R. van Hezel, 1022 en van . J. Eindhoven, 959. 39. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 786. 40. Enquête, verhoor van E. Helder, 866. 41. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 791. 42. Enquête, verhoor van A. van Heerde, 242. 43. Enquête, verhoor van A.W. van Wijk, 172. 44. 'Verslag van de Tweede Afdeeling der Staatscommissie van Arbeidsenquete, mei 1893' in: Verslagen der Staatscommissie betreffende de Arbeidsenquete 1890- 1894, nr. 7 (s.1., s.a.), 272-275. 53 REACTIE OP HET ARTIKEL VAN D. WEMES OVER "DE DRIE MIDDELEEUWSE RIVIEROVERGANGEN OVER DE VECHT BIJ ZWOLLE". (zie Zwols Historisch Tijdschrift 1988, nr.1, pag. 2-14) D.M. VAN DER SCHRIER De hypothese van de heer Wemes is: het toponiem 'brugge' bij Langenholte duidt op een rivierkruising met een 'paalweg'. Dit wijst op een gedurende het grootste deel van het jaar onbevaarbare rivier ter plaatse. Hieruit zou dan weer een bevaarbare rivier elders kunnen worden afgeleid, vermoedelijk ter plaatse van de Westerveldse A. De volgende drie mogelijkheden zijn er: 1. De Vecht bij Langenholte was in de 12e eeuw bevaarbaar; 2. De Vecht bij Langenholte was in de 12e eeuw onbevaarbaar en liep elders; 3. De Vecht bij Langenholte was in de 12e eeuw onbevaarbaar en liep niet elders. De tweede mogelijkheid valt mijns inziens af omdat dan de iWesterveldse A thans nog 'Oude Vecht' zou hebben geheten. •Bij de IJssel komt bijvoorbeeld de naam 'Oude IJssel' veelvuldig voor, zoals bij Deventer, Kampen en Genemuiden. Een rivier kiest niet voor een lange weg of voor twee ver van elkaar gelegen lopen als een korte weg aanwezig is. Ik zie ook geen landbouwkundig of ander voordeel om het grootste deel van het water van de Vecht door middel van een lange afdamming bij Dalfsen de omweg via de Westerveldse A te laten maken. Die lage overlaatkade is dan nodig om het benedenstroomse dal van de Vecht als loopveld te handhaven voor de waterhoeveelheden die het afvoerend vermogen van de Westerveldse A, of het dal ervan, te boven gaan. Riviertechnies kan dit niet, omdat dan bovenstrooms van de dam of kade een stroomverlamming met aanzanding ontstaat. Dat is uiteraard rampzalig voor de zozeer gewenste bevaarbaarheid. Er zijn bovendien nog twee toponiemen, stammend uit perioden ver voor het jaar 1000, die strijdig zijn met de tweede mogelijkheid, namelijk Genne en Dwersmuden. Genne ligt op het punt waar de Vecht en het Zwartewater samenkomen. De heer R.A. Ebeling van het Nedersaksisch Instituut te Groningen heeft mij op 30 mei 1974 bericht, dat men achter alle namen met het element 'gene' een germaans element gam, gan vermoedt met de betekenis 'samenlopend'. Het toponiem 'Dwersmuden' is genoemd in 1456 en 1477 als het terrein waarop in 1456 de Ordelerzijl is gebouwd, de voormalige sluis in de Hermelijn. Het element 'muden'is hetzelfde als in IJsselmuiden, Genemuiden, Zedemuden en tientallen andere met muden verwante namen in binnen- en buitenland. Al deze namen hebben betrekking op plaatsen waar het ene water 54 tig.l Orlëntarlngakaart van hat gablttd; takenlng van de auteur op baals van topografische Kaart 1B50. uitstroomt in het andere, in dit geval de Hermelijn in de Vecht. Zowel Genne als Dwersmuden wijzen dus op een rivierloop in het dal van de Vecht. Alle toponiemen eindigend op muden, muiden, muthen, mouth, etc. liggen aan water, bevaarbaar voor zeewaardige schepen; het zou merkwaardig zijn als Dwarsmuden daarop de enige uitzondering zou zijn geweest. Bij mogelijkheid 3 is het in beginsel mogelijk dat de Vecht alleen bij Zwolle in een bepaalde periode door aanzanding breed en ondiep en daardoor onbevaarbaar is geweest. Misschien had de rivier daar toen meerdere beddingen. De oorzaak hiervan kan stroomverlamming door zeespiegelrijzing zijn geweest. In dat geval moet de Vecht door versmalling van het zomerbed bevaarbaar zijn gemaakt. Dit kan in het begin van de 13e eeuw zijn gebeurd waarbij tevens een 'brugge' is vervangen door of aangevuld met een veer. Op grond van de 'originele' argumenten van de heer Wemes komt deze mogelijkheid als het meest waarschijnlijke naar voren. In 1227 is voor de slag bij Ane veel materiaal per schip via de Vecht vervoerd. De Vecht moet toen al over de volle lengte bevaarbaar zijn geweest. Als de Vecht bij Zwolle een periode onbevaarbaar was, kan die niet van lange duur zijn geweest. Uit het artikel van de heer Wemes citeer ik "Als boerderijnamen worden door Slicher van Bath genoemd: Oldenbrugge berch (Rechteren 1381), Ertbrugge (bij Wijhe, 1310) en de Kipbrugge (bij Dalfsen, 1436). Ook kennen we Roobrugge en Steenbrugge bij Deventer." Hieruit wordt niet de conlusie getrokken dat de Vecht bij Dalfsen en de IJssel bij Wijhe en Deventer een tijdlang niet hebben bestaan. Mijn slotconclusie is dat de 'brugge(n)' bij Zwolle vermoedelijk paalwegen waren ter weerszijden van een veer of een voorde. De Vecht heeft nimmer door het dal van de Westerveldse A gelopen. 55 MEDEDELING VAN HET GEMEENTE-ARCHIEF ZWOLLE Over de Vrouwen Advies Commissie voor de Woningbouw. "De huisvrouw heeft juist door haar ervaring in de praktijk van het wonen opgedaan een taak te vervullen door gemeentelijke instanties, woningbouwverenigingen en architecten, die bij nieuwbouw zijn betrokken, van advies te dienen". Deze in de jaren vijftig geponeerde stelling leidde ertoe dat ook in Zwolle een dergelijke gemeentelijke adviescommissie werd ingesteld. Uit de door de commissie vervaardigde jaarverslagen blijkt, dat ze gedurende elf jaar betrokken is geweest bij de bouw en inrichting van diverse wooncomplexen in Zwolle en de voormalige gemeente Zwollerkerspel. Zo werden de bouw- en schetsplannen van onder meer de Pieter Steijnstraat, de Assendorperdijk, alsmede van de wijken Holterbroek en Aa-landen van kritische kanttekeningen voorzien. Na rijp beraad besloot de commissie in 1968 om haar werkzaamheden te beëindigen. Als reden werd opgegeven, dat de financiële haalbaarheid van door de commissie geuite praktische opmerkingen en voorgestelde verbeteringen op veel verzet van het Rijk en andere opdrachtgevers is gestuit. Daarnaast vormde het toenemende aantal wettelijke voorschriften en richtlijnen een belemmering voor een optimaal functioneren. Het archiefje van de commissie is geïnventariseerd, is openbaar en loopt over de jaren 1956-1968. De commissie is in 1980 opnieuw in het leven geroepen. J.J. Seekles VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN Archeologisch bodemonderzoek Broerenkerk. Opgravingsbulletin, nrs. 1, 2 en 3; Zwolle 1987/1988. A.J. Borgman, Toen ik nog een jongen was. Belevenissen van un Zwolse skoeljonge oppetekend door A.J. Borgman. Zwolle 1988; uitgegeven in eigen beheer; 7,50. Verkrijgbaar bij de boekhandels Jakma en Waanders. 56 H. van der Meer, Inventaris van de Provinciale Synode van Overijssel 1579-1815 en het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel 1816-1951. Zwolle 1988, ISSN 0921-4682; nr. 12, 72 p. 8, = . Verkrijgbaar bij het Rijksarchief in Overijssel, Eikenstraat 20, Zwolle. Deze inventaris beslaat de hele periode van het woelige begin in de late zestiende eeuw tot de invoering van een nieuwe kerkorde in 1951. Uit de inleiding, die een grondig historisch overzicht bevat, en uit de inventaris zelf wordt duidelijk dat het archief niet alleen van belang is voor diegenen die in kerkgeschiedenis geinteresserd zijn. Allerlei andere aspecten van het maaatschappelijk leven in j de Republiek en later komen eveneens aan de orde. ! Wie studie wil maken van het toezicht op het gedrag van pre- ] dikanten in de zeventiende en achttiende eeuw of van de ! strijd tegen andersdenkenden en 'heidense' volksgebruiken kan ook in dit archief terecht. Overigens bevindt een niet onbelangrijk onderdeel van het archief van de Provinciale Synode zich in het Gemeente-archief van Kampen. Dat betreft onder meer de synodale acten van 1594 tot 1757. A.J. Mensema, Inventaris van de Ridderschappen in Overijssel, 1640-1795. Zwolle 1988. ISSN 0921-4682; nr. 14, 226 pag. 19,=. Verkrijgbaar bij het Rijksarchief in Overijssel, Eikenstraat 20, Zwolle. ' Deze inventaris bevat behalve het eigenlijke ridderschapsarchief ook de twee kleine archieven van de kwartierridderschappen van Twente en Vollenhove. De Ridderschap van Overijssel vormde tijdens de Republiek (dus tot het revolutiejaar 1795) samen met de steden Zwolle, Deventer en Kampen het gemeentelijk bestuur (de staten) van Overijssel. Voor een belangrijk deel vindt men in het archief van de Ridderschap de schriftelijke neerslag van het beheer van voormalige geestelijke en andere goederen en daaraan ontleende rechten. Na langdurig gebakkelei met Zwolle, Deventer en Kampen werden in 1663 de stiften Zwartewater en Weerselo, het klooster te Almelo, de proosdij, het kapittel en het klooster te Oldenzaal en de inkomsten uit de voormalige commanderie te Ootmarsum aan de Ridderschap toegewezen. Betreffende al deze goederen vindt men dus talloze stukken in het archief. Daarnaast bevinden zich in het archief uiteraard vele stukken die de politieke rol van de Ridderschap in Overijssel raken. G.R. Pool (red.). Veertig jaar Baptisten Gemeente in Zwolle. Jubileumuitgave 1947-1987. Zwolle 1988; uitgegeven in eigen beheer, 5,=. Een goed voorbeeld van restauratie en hergebruik: Sassenstraat 21; in: Informatieblad Monumentenzorg en archeologie in Zwolle, Zwolle, november 1987; Openbare Werken, afd. Bouwkunde/Monumentenzorg. 57 BOEKBESPREKING BIBLIOGRAFIE VAN OVERIJSSEL 1951-1980 J.C.H. DE GROOT EN A.M.J. SCHOOT UITERKAMP Uitgeverij Waanders, Zwolle 1987 JAAP HAGEDOORN Eind 1987 verscheen de langverwachte Bibliografie van Overijssel 1951-1980. Deze uitgave kwam tot stand op initiatief van de provincie Overijssel, onder begeleiding van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG). Deze vereniging gaf al eerder bibliografische werken uit ten behoeve van de geschiedbeoefening in Overijssel. Na de tweede wereldoorlog kwam het echter niet meer tot een zelfstandige uitgave, hoewel de noodzaak hiertoe in de loop der jaren meer en meer gevoeld werd. Deze behoefte bestond echter niet alleen meer onder historici. Ook op andere vakgebieden begon men de noodzaak van een afzonderlijke bibliografie voor Overijssel in te zien. Enerzijds is dit een gevolg van de toename van het aantal - al dan niet professionele - onderzoekers, anderzijds van een toenemende hoeveelheid zogenaamde 'grijze', of niet-officieel uitgegeven literatuur. In het kader van hun cultuurbeleid besloten Provinciale Staten van Overijssel in 1979 geld beschikbaar te stellen voor een eigen, provinciale bibliografie, geschikt voor een zo breed mogelijke gebruikersgroep. Het was de bedoeling alle publikaties van informatieve waarde op te nemen. 1) >Het idee van een complete bibliografische beschrijving betreffende
Overijssel moest echter al in een vroeg stadium
terzijde worden geschoven. Een ruwe schatting maakte duidelijk,
dat de bibliografie dan vier maal de omvang van de
huidige zou hebben, die met ruim 8400 titels al 450 pagina’s
dik is. Daarom werd gekozen voor een beperkte periode, 1951-
1980, aansluitend bij de laatste door de VORG gepubliceerde
bibliografie. Een dergelijke beperking zal ieders begrip
hebben. Anderzijds is het vanuit de doelstelling van de bibliografie
vreemd, dat zij zeven jaar na sluitingsdatum verscheen.
De actualiteit van het werk boet daardoor aan waarde
in. Immers, onderzoekers zijn altijd gebaat bij de meest recente
publikaties over het onderwerp van hun onderzoek. Een
spoedig vervolg op deze bibliografie is dan ook wenselijk.
Een apart probleem bij het samenstellen van een bibliografie,
vooral samenhangend met de omvang daarvan, is de selectie
van de te beschrijven literatuur. De samenstellers hebben
zich bij hun werk verschillende beperkingen gesteld. In
de Bibliografie van Overijssel zijn als gevolg daarvan geen
58
algemene werken opgenomen die slechts marginale aandacht aan
Overijssel schenken. Belletrie is slechts opgenomen als het
dialektuitgaven betgrof of plaatselijke omstandigheden beschreef.
Krantenartikelen zijn bij uitzondering (welke?) in
het werk te vinden. Bijdragen van mededelende aard en niet
voor publikatie bedoelde drukwerken zijn ook niet opgenomen.
2) Gelukkig zijn wel de afzonderlijke artikelen uit thematische
bundels opgenomen en wordt informatie gegeven over
vorige drukken of herdrukken en soms over de inhoud van de
publikaties. Ten aanzien van de nagestreefde volledigheid in
de opname van de grijze literatuur kan men zich afvragen of
de samenstellers daar in zijn geslaagd. Ik heb dit niet uitgebreid
gecontroleerd. In mijn eigen boekenkast trof ik echter
enkele relevante werken aan, die ook in verschillende
Zwolse bibilotheken staan, maar niet in de bibliografie.
Het belang van een bibliografie staat of valt met de wijze
waarop de beschreven literatuur gerubriceerd is en ontsloten
wordt door registers. In de Bibliografie van Overijssel is
voor de systematiek van de Universele Decimale Classificatie
(UDC) gekozen en zijn auteurs-, personen- en topografische
registers opgenomen, het laatste gecombineerd met een trefwoordenregister
.
De UDC kent cijfercodes aan boeken toe, waardoor ze in meerdere
categorieën ondergebracht kunnen worden. Om dubbele
plaatsing te voorkomen is in de Bibliografie van Overijssel
echter voor een vermelding gekozen: alleen de primaire bedoeling
van het boek is van belang voor de indeling. Dit
schept, vooral voor de historicus, grote problemen. Als we
een historisch werk willen opzoeken, is het volstrekt niet
duidelijk of we moeten zoeken in de rubriek ‘Geschiedenis’
of in de rubriek waar het onderwerp van de historische studie
onder valt, bijvoorbeeld ‘Handel’ of ‘Armenzorg’. De
samenstellers hebben in de meeste gevallen voor het laatste
gekozen. In pricipe is dus de rubriek ‘Geschiedenis’ overbodig
en het was dan ook beter geweest alle historische publikaties
te verdelen over de andere rubrieken. Zo zou dan
bijvoorbeeld een werk voer de middeleeuwse Hanze opgenomen
worden in de rubriek ‘Handel’. Anderzijds had het bovengeschetste
probleem voorkomen kunnen worden door verwijzingen
naar andere rubrieken op te nemen. Nu wordt de historicus
echter gedwongen verschillende rubrieken te raadplegen, met
het risico iets over het hoofd te zien.
De samenstellers van de bibliografie hebben kennelijk ook
met dit probleem geworsteld, maar niet met een eenduidige
oplossing als resultaat, zo blijkt uit verschillende voorbeelden.
Men kan zich immers afvragen, waarom het artikel
‘Een greep uit de geschiedenis van de Twentse tollen in de
vorige eeuw’ (nr. 1168) geplaatst wordt onder ‘Financien.
Belastingen. Tollen.’, terwijl ‘Die Zollgrenze im Ostniederlaendisch-
Westfaelischen Textilgebiet 1815-1850 (nr. 8133)
onder ‘Geschiedenis’ valt. En waarom hoort ‘Hasselt en zijn
59
bindingen met het achterland in de middeleeuwen (nr. 1377)
bij ‘Handel’ thuis en ‘De economische betrekkingen van Overijssel
met de aangrenzende territoria in de 14e en 15e
eeuw’ (nr. 8115) bij ‘Geschiedenis’? Ook is niet duidelijk,
waarom van het boek In alle Staten, over de geschiedenis van
de Staten en Overijssel in verschillende perioden, twee artikelen
onder ‘Openbaar bestuur’ en drie onder ‘Geschiedenis’
worden gerangschikt. En dit zijn nog maar enkele, snel
gevonden voorbeelden. Ook binnen de verschillende hoofdrubrieken
vinden we deze onduidelijkheid in systematiek.
Probeer bijvoorbeeld de tekstuitgave van het traktement van
de IJhorster predikant (nr. 8342) maar eens te vinden in de
rubriek ‘Tekstuitgaven’.
Nog grotere onduidelijkheid bestaat er over de toegekende
trefwoorden in het topografisch register. Allereerst wordt
niet duidelijk gemaakt of men vooraf een lijst van trefwoorden
heeft opgesteld en/of hoe die lijst is samengesteld.
Bovendien is die toekenning niet altijd consequent of volledig
geschied. Zo kan een artikel over joodse begraafplaatsen
in Twente (nr. 4748) alleen gevonden worden onder het
trefwoord ‘Twente, joodse geschiedenis’, terwijl men een
bijdrage over Israëlitische begraafplaatsen in Denekamp
(nr. 4750) alleen tegenkomt bij ‘Denekamp, begraafplaatsen’.
Ronduit een tekortkoming van de bibliografie is de wijze
waarop bijvoorbeeld het boek De joodse gemeente Deventer;
omvattende Bathmen, Deventer, Diepenveen, Heino, Holten,
Olst, Raalte en Wijhe (nr. 8004) vermeld wordt in het topo-
‘ grafisch register. Men treft het alleen aan onder: ‘Bathmen,
! joodse geschiedenis’! Bij geen van de andere plaatsen uit de
titel komt men een verwijzing naar dit boek tegen. En dit
‘ soort omissies komt meer voor. Ik gebruik hier overigens exi
pres voorbeelden van publikaties over Jodendom, omdat deze
! rubriek geheel ontbr

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1987, Aflevering 2

Door 1987, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

A/VNA
7WVl
M^MMK
N
onder redactie van:
I. Wormgoor
A. van der Wurff
Zwolle 1987
2 / 6
Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
_ x TW 8011 VN ZWOLLE
J. ten Hove 038-4214314
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG
Hove, J. ten
De Zwolse mummie / auteur J. ten Hove ; red. I. Wormgoor en
A. van der Wurff. – Zwolle : Zwolse Historische Vereniging : Provinciaal
Overijssels Museum. – 111., foto’s
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-06-7
SISO 922.1 UDC 393.3
Trefw.: mummies.
Colofon
Deze publicatie is een gezamenlijke uitgave van het Provinciaal Overijssels Museum
en de Zwolse Historische Vereniging. Het is tevens nummer twee van de vierde jaargang
(1987) van het Zwols Historisch Tijdschrift.
Omslag: R. Vink (Educatieve dienst van ’t POM). Het ontwerp is ontleend aan de
hiërogliefen uit het Dodenboek, dat zich op de muren van een graf in Thebe bevindt
en waarin aanwijzingen worden gegeven over de te bewandelen weg naar de eeuwigheid.
Druk: Administratie- en dienstencentrum “De Sassenpoort”, Zwolle.
Copyright © 1987 ’t POM en de Z.H.V.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door
middel van druk, fotocopie, microfilm of op andere wijze, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgevers.
Woord vooraf
Oudere Zwollenaren zullen zich nog iets kunnen herinneren van één van de
merkwaardigste voorwerpen die het Provinciaal Overijssels Museum in zijn collectie
heeft gehad, namelijk een Egyptische mummie. Bij röntgenfotografie in 1955 bleek,
dat de mummie over meer botten beschikt dan een menselijk skelet behoort te hebben.
Voor velen was het een interessante vraag hoe de mummie in ’t POM terecht
was gekomen. Het antwoord leek in de vijftiger jaren te zijn, dat een Zwolse dominee
die prinses Marianne in 1849 had begeleid op een reis naar Egypte, de mummie
mee naar huis had gebracht.
In 1986 raakte drs. Jan ten Hove, werkzaam bij het Rijksarchief in de provincie
Overijssel, in het kader van een breder onderzoek naar de Zwolse musea in de negentiende
eeuw, geboeid door de vele onbeantwoorde vragen rond de mummie. Het
onderwerp was een nader onderzoek waard. Hierbij bleek al spoedig, dat op de
vraag naar de herkomst meerdere antwoorden mogelijk waren.
De Zwolse Historische Vereniging en het Provinciaal Overijssels Museum
besloten tot de gezamenlijke uitgave van het intrigerende verhaal van de Zwolse
mummie. Het Rijksarchief verdient dank omdat de auteur in het kader van zijn archiefwerkzaamheden
de gelegenheid kreeg dit onderzoek te verrichten. Rond het
mysterieuze voorwerp organiseerde ’t POM een kleine tentoonstelling (7 maart – begin
augustus 1987).
De redactie

DE ZWOLSE MUMMIE
Een mummie in een provinciaal museum is een zeldzaam verschijnsel. Gezien
de doelstelling van provinciale en regionale musea, die zich hoofdzakelijk richten op
het bijeenbrengen en tentoonstellen van voorwerpen die een directe relatie met het
eigen gewest en de eigen streek hebben, kan men nauwelijks verwachten in een dergelijk
museum een Egyptische mummie aan te treffen. Toch kon nog niet zo lang geleden
een bezoeker van het Provinciaal Overijssels Museum, naast de grotendeels in
diverse stijlkamers ondergebrachte objecten uit de historie van Overijssel, in de oudhedenkamer
een mummie bewonderen.
In het navolgende verhaal wordt ingegaan op de vraag welke rol ‘de oudste inwoner
van Zwolle’ vervulde binnen de collectie van het museum, waarbij een stukje
museumgeschiedenis ter sprake komt. In het kort wordt aandacht besteed aan enkele
aspecten rond mummies en mummificatie. Ook komt een aantal opmerkelijke feiten
over de datering en de herkomst van de Zwolse mummie aan bod, die geheel
recht doen aan de mysterieuze sfeer, waarmee de gebalsemde lichamen van inwoners
van het oude Egypte geassocieerd worden. We volgen de discussie tussen een paar
mummie-experts over de datering en gaan in verband met een speurtocht naar de
herkomst van de Zwolse mummie in het gezelschap van twee Overijsselse reizigers
mee naar Egypte.
Het museum en de mummie
In 1955 werd, nadat de mummie door een merkwaardige ontdekking sterk in de
belangstelling was komen te staan, de vraag gesteld of dit voorwerp eigenlijk wel op
zijn plaats was in het Provinciaal Overijssels Geschiedkundig Museum, zoals het
toen nog werd genoemd. De directeur, J.W. Schotman, maakte in zijn antwoord op
deze vraag duidelijk, een ruime taakstelling na te streven voor zijn “museum van
voorwerpen betreffende de geschiedenis, kunst en oudheidkunde, in het bijzonder
van Overijssel.”1
Naar zijn idee had een historisch museum tot taak “een cultuurhistorisch beeld
te geven van het leven onzer voorouders vanaf de vroegste tijden, en waar de ontwikkelingsgang
van de mens loopt van de praehistorie . . . kan het zin hebben, de locale
Overijsselse geschiedenis te tonen in verband met oudere perioden. Immers tot
in onze dagen werken deze oude culturen nog na in wetenschap en kunst.” Een
waarheid als een koe, maar aan het feit dat op deze wijze een provinciaal museum
met een uit de aard der zaak beperkte doelstelling een pakhuis van uit alle werelddelen
bijeengesleepte voorwerpen kan worden ging Schotman gemakshalve voorbij.
Hetzelfde geldt voor zijn tweede argument, dat dergelijke objecten getuigen van de
reislust van onze voorvaderen en als zodanig in een historisch beeld passen.
Het is moeilijk aan de indruk te ontkomen dat deze twee argumenten een dekmantel
vormden voor het werkelijke en niet onbelangrijke argument dat exotische
voorwerpen zoals mummies een grote aantrekkingskracht uitoefenen op bezoekers
die anders niet zo snel over de drempel van een museum zouden stappen. Schotman:
“Eenmaal daar, leren ze ook het andere kennen en waarderen. Elk museum heeft nu
eenmaal behoefte aan dergelijke paradepaardjes.”2
Mummies en mummificatie
Inderdaad gaat van de confrontatie met de in windsels gewikkelde stoffelijke
resten van mensen die duizenden jaren geleden geleefd hebben voor een groot publiek
een fascinerende bekoring uit. Deze bekoring wordt niet in de laatste plaats
veroorzaakt door de tot macabere hoogten gestegen reputatie van mummies. Deze
sinistere reputatie wordt enerzijds in de hand gewerkt door de onuitroeibare verhalen
over de ‘vloek van de farao’, waarvan alle personen die betrokken waren geweest
bij de verstoring van de eeuwige rust van Toetankamon het slachtoffer geworden
zouden zijn, en komt anderzijds voort uit de vele griezelverhalen in boeken en films,
waarin tot leven gekomen mummies dood en verderf zaaien.
In werkelijkheid getuigt elke Egyptische mummie van een beschaving die vervuld
was van de gedachte dat het leven op aarde in het hiernamaals op plezierige wijze
voortgezet zou worden. Een goede voorbereiding op dit ’tweede leven’ was van
groot belang en iedere bemiddelde Egyptenaar beijverde zich tijdens zijn leven een
graf in gereedheid te brengen waarin hij, omringd door alles wat hij nodig dacht te
hebben, op een aangename wijze de eeuwigheid kon doorbrengen. Maar zonder een
woonplaats voor wat de Egyptenaren als de ziel zagen, was een leven na de dood ondenkbaar.
Teneinde de meest geëigende woonplaats, het lichaam, voor ontbinding
te behoeden werd mummificatie toegepast.3
Herodotos’ beschrijving van het balsemen
Voor een beschrijving van de wijze waarop een lichaam gemummificeerd werd,
kunnen we het beste de Griek Herodotos aan het woord laten, die omstreeks 460-455
voor Christus in Egypte heeft rondgereisd. Niet alle verhalen in zijn reisverslag zijn
even betrouwbaar, maar recent onderzoek heeft aangetoond dat, hoewel de uitdroging
van het lichaam door het te overdekken met natron slechts 40 dagen in beslag
neemt, zijn weergave van de gevolgde procedure bij het balsemen grotendeels juist
is.4 Hij beschreef drie verschillende wijzen van mummificatie en begon met de meest
kostbare methode:
“Eerst halen ze (de balsemers) met een ijzeren haak de hersenen door de neusgaten naar buiten,
gedeeltelijk ook door medicamenten erin te gieten. Dan maken ze met een scherpe Aithiopische
steen een snede in de buikwand en halen alle ingewanden eruit, reinigen de buikholte, spoelen die
met palmwijn en strooien fijngewreven specerijen erin. Vervolgens vullen ze de buikholte op met
zuiver mirrepoeder, kasia en andere reukwerken, maar geen wierook, en als hij vol is, naaien ze
hem weer dicht. Nadat ze dit gedaan hebben, leggen ze het lijk in natron waarin ze het 70 dagen
laten liggen; langer mag niet. Als de 70 dagen verstreken zijn, wassen ze het lijk en omwikkelen
het van top tot teen met gesneden repen byssos weefsel, die ze met een beetje gom inwrijven, dat
de Egyptenaren meestal als lijm gebruiken. Daarna nemen de familieleden het over: zij laten een
mensvormige houten kist maken, waarin ze het lijk opsluiten. Als dan de kist gesloten is, wordt
hij bijgezet in een grafkamer, rechtopstaand tegen de wand.
Op deze wijze behandelen ze de lijken, als de kostbaarste methode wordt gekozen. Wie terugschrikt
voor de kosten en dus de middelste klasse kiest, krijgt de volgende behandeling.
De balsemers vullen hun spuiten met olie van de cederboom en vullen daarmee de buikholte
zonder deze open te snijden of de ingewanden eruit te halen, maar ze spuiten de olie door de aars
naar binnen en beletten deze eruit te stromen en leggen het lijk het voorgeschreven aantal dagen in
de natron. Op de laatste dag laten ze de ingespoten olie weer uit de buikholte weglopen. Die olie
heeft het vermogen om de maag en ingewanden op te lossen en deze bij het uitstromen mee naar
buiten te voeren. De natron evenwel lost het vlees op en zo blijft van het lijk slechts de huid en de
beenderen over. Na dit gedaan te hebben leveren ze het lijk af zonder er verder iets aan te doen.
De derde wijze van balseming vindt toepassing bij de behoeftigen. Daarbij wordt de buikholte
uitgespoeld met ramenaswater en het lijk blijft 70 dagen in de natron en wordt daarna afgehaald.”
5
Herodotos beschreef de situatie toen de oude Egyptische beschaving in een
eindstadium was aangeland, maar gedurende een groot deel van de ruim drieduizend
jaar – vanaf ca. 2700 voor Christus tot ca. 400 na Christus – dat in Egypte stoffelijke
overschotten werden gemummificeerd, vond in essentie het prepareren van de lichamen
plaats volgens bovenstaande methoden.
Grafrovers, kooplieden en verzamelaars
Veel kans om in alle rust van hun ’tweede leven’ te genieten kregen de meeste
Egyptenaren niet. Al in het oude Egypte werden de graftombes opengebroken door
dieven en rovers, aangelokt door de kostbaarheden die de overledene een comfortabel
bestaan in het hiernamaals moesten verzekeren. Ook de lichamen zelf werden
niet ontzien. De mummies werden geplunderd en in stukken gebroken vanwege de
kostbare amuletten die tussen de windsels werden geplaatst.
In de middeleeuwen werden mummies een geliefd handelsprodukt, aanvankelijk
voornamelijk in gemalen vorm. De geneeskrachtige uitwerking die van het gebruik
van mummiepoeder werd verwacht leidde tot een levendige handel in deze
merkwaardige substantie. Graven werden massaal leeggehaald en het gemummificeerde
mensenvlees kwam op de markt in Cairo terecht, “waar”, aldus een Arabische
dokter in 1203, “het voor een habbekrats te koop is. Voor een halve dirhem
kocht ik drie hoofden gevuld met de substantie.”6 Buitenlandse kooplieden kochten
het poeder in grote hoeveelheden op en maakten enorme winsten met de export naar
Europa.
De wetenschappelijke opbloei tijdens de renaissance, waarbij de opleving van
de studie van de klassieke literatuur een grote rol speelde, gaf aanleiding tot het gretig
verzamelen van voorwerpen uit de oudheid. In de curiositeitenkabinetten, bijeengebracht
door particuliere verzamelaars en universiteiten, werden behalve objecten
uit de Romeinse en Griekse geschiedenis Egyptische beeldjes en mummies hogelijk
op prijs gesteld.7 In het kabinet van anatomie en rariteiten van de Leidse universiteit
was al sinds 1622 een collectie Egyptische voorwerpen, waaronder mummies, aanwezig.
8
De in militair opzicht mislukte bezetting van Egypte door Napoleon, die in 1798
begon en slechts drie jaar zou duren, bevorderde in Europa de interesse in de Egyptische
cultuur. De Franse wetenschappers die in het kielzog van de soldaten meetrokken,
legden hun bevindingen vast in de 24 delen van de Description de l’Egypte, verschenen
tussen 1809 en 1813, dat de grondslag legde voor de nieuwe studie egyptologie
en de belangstelling voor deze fascinerende cultuur sterk aanwakkerde . Een rage
in Egyptische oudheden en curiosa ontstond in Europa. Diplomaten, kooplieden en
toeristen wedijverden met elkaar om de spectaculairste collecties antiquiteiten te verzamelen.
Mummies speelden in deze verzamelwoede een hoofdrol. In 1833 merkte
een bezoeker tegen Mohammed Ali, de heerser over Egypte, op “dat het haast onfatsoenlijk
was uit Egypte naar Europa terug te keren zonder een mummie in de ene
en een krododil in de andere hand.”9
Een mummie met vier benen
Veel van deze mummies zijn in musea terechtgekomen, waar ze hun dagen
doorbrengen met het trotseren van de nieuwsgierige blikken van de bezoekers, die
zich afvragen welke raadselen onder de windsels verborgen zitten. De raadsels die
‘de mummie van Zwolle’ met zich mee bleek te dragen overtroffen echter de stoutste
verwachtingen.
Tot 1955 was de Zwolse mummie een bron van onbeantwoorde vragen. Over de
datering of de herkomst kon niets met zekerheid gezegd worden. Het was zelfs niet
eens zeker of men wel met een echte mummie of met een produkt van de Egyptische
toeristenindustrie te maken had. Door de grote vraag naar mummies in de negentiende
eeuw hadden handelaars al snel door dat ze ook met vervalsingen goede zaken
konden doen. In 1837 schreef een zekere Scott: “Want de gretigheid waarmee allerlei
rommel door reizigers wordt verkocht, maakt de handel erin bijzonder winstgevend
en biedt alle mogelijkheden tot bedrog, omdat de vervaardiging van mummies
wordt aangemoedigd.”10 Op suggestie van Lili Kaelas, directrice van het Historisch
Museum te Stockholm, werd in mei 1955 besloten de mummie röntgenologisch te
laten onderzoeken en zekerheid over de authenticiteit te krijgen. Het onderzoek
werd uitgevoerd door de röntgenoloog van het Sophiaziekenhuis te Zwolle en hetgeen
de röntgenfoto’s onthulden was op zijn minst verbazingwekkend te noemen.
Aan de echtheid van de mummie viel niet te twijfelen: het skelet was wel degelijk
uit menselijke botten samengesteld. Maar de wijze waarop het skelet, dat duidelijk
mannelijke kenmerken vertoonde, was samengesteld wekte in hoge mate bevreemding
op. Van de schedel was de bovenkaak gedeeltelijk verdwenen. De onderkaak
was gebroken en bevatte nog enkele tandresten. Het rompgedeelte was een wirwar
van door elkaar liggende beenderen, waaronder twee bovenbeenbotten die midden
in de borstholte lagen. Het bekken was niet aanwezig en behalve enkele resten
van halswervels waren nergens wervellichamen te zien. Het gemis van deze onderdelen
werd echter ruimschoots gecompenseerd door de grootste verrassing die de
mummie in petto had: de aanwezigheid van een extra stel boven- en onderbenen!”
Deze ontdekking leidde, toen de media er lucht van kregen, tot een stroom van
publiciteit. Krantenkoppen als “opzienbarende mummie in Zwolle”12 en “mummie
met vier benen”13 zetten het museum in het middelpunt van de belangstelling. Het
bezoekersaantal nam sterk toe: in de maanden juni, juli en augustus 1955 passeerden
2726 bezoekers de kassa, ruim twee maal zoveel als in het gehele voorgaande
jaar.14
Discussie over datering
Nadat de aanvankelijke verbazing over de samenstelling van het inwendige van
de mummie was verdwenen, werd een antwoord gezocht op de vraag hoe deze merkwaardige
ontdekking verklaard kon worden. Op advies van het Rijksmuseum voor
Oudheden in Leiden werd door Schotman contact gezocht met twee Britse deskundigen:
prof. dr. W.R. Dawson, een egyptoloog die een aantal publicaties over mummies
op zijn naam had staan, en prof. dr. D.E. Derry, een anatoom die aan de universiteit
van Cairo had gedoceerd en betrokken was geweest bij het onderzoek van
een aantal koningsmummies. Dat het met ‘de vloek van de farao’ niet zo’n vaart
liep, bewijst het feit dat Derry in 1955 al 80 jaar op deze aardbodem rondliep. Hij
had immers in de twintiger jaren de meest vergaande daad van mummie-schennis
verricht door de autopsie op de mummie van Toetankamon uit te voeren.15
Dawson kwam, na de röntgenfoto’s en een foto van het uiterlijk van de mummie
te hebben bestudeerd, tot de conclusie dat het hier gaat om een door grafrovers
beschadigde en geplunderde mummie, die in de oudheid weer is gerestaureerd. De
afwezigheid van juwelen en amuletten binnen de windsels lijkt deze theorie te bevestigen.
De over-compleetheid van het skelet was volgens Dawson te wijten aan het
feit dat de mummie in een tombe met meerdere lichamen heeft gelegen, waardoor
bij het opnieuw wikkelen een fout is gemaakt. Restauratie van dusdanig beschadigde
mummies vond alleen plaats bij personen van koninklijke of hoge afkomst. Dawson
beschreef: “Ik heb nog nooit gehoord dat de mummie van iemand van gewone
komaf op een dergelijke wijze werd hersteld.” Naar zijn mening duidt de manier
waarop de mummie is gewikkeld op een periodisering in de 19e of 20e dynastie (ca.
1320-1085 voor Christus) en heeft de restauratie tijdens de 21e dynastie (ca. 1085-
945 voor Christus) plaatsgevonden. Hij heeft de röntgenopnamen doorgestuurd
naar een anatoom, teneinde meer te weten te komen “over het persoon aan wie de
meerderheid der botten toebehoren.”16
Derry deelde Dawsons mening dat de mummie het slachtoffer is geworden van
grafrovers, maar hij geloofde aanvankelijk dat de mummie afkomstig is uit de Ptolemeïsche
periode (323-30 voor Christus), een tijd waarin veel aandacht werd
besteed aan het uiterlijk van de mummie, maar de inwendige verzorging sterk te
wensen overliet.17 Nadat hij echter een foto had gezien van het uiterlijk van de
mummie liet hij deze mening vallen. De mummie dateert zeker van voor de Ptolemeïsche
tijd, maar een precieze periodisering durfde hij niet te geven. Zonder verwijdering
van de wikkels en bestudering van de gevolgde preparatiemethode was dit
volgens hem onmogelijk.18
Waren de heren het op wetenschappelijk gebied niet met elkaar eens, op menselijk
gebied vertoonden ze een duidelijke overeenkomst: ze waren snel geprikkeld.
Dawson meldde dat hij een zeer interessant verslag van de door hem geraadpleegde
anatoom had ontvangen, maar omdat Schotman niet snel genoeg op zijn vorige
brief had gereageerd schreef hij kwaadaardig: “Ik neem dus aan dat de hele zaak u
niet langer interesseert en ik heb daarom het verslag maar niet opgestuurd . . .” ‘9 En
Derry schreef toen hij het gevoel kreeg dat aan zijn kennis werd getwijfeld: “Ik ben
een anatoom en geen egyptoloog, maar gedurende de 38 jaar dat ik in Egypte heb
De Zwolse mummie, daterend uit de 19e of 20e dynastie (ca. 1320 – 1085 v.
Chr.) of uit de Ptolemeïsche periode (323 – 30 v. Chr.).
(Provinciaal Overijssels Museum).
gewerkt ben ik in contact geweest met alle egyptologen, . . ., en weet dus wel iets
over dit onderwerp.”20
Door diep in het stof te kruipen wist Schotman de heren weer tot bedaren te
brengen en hun hulp te verkrijgen bij het ontcijferen van Egyptische decoratieve
motieven en hiërogliefen die bij het schoonmaken van de windsels te voorschijn waren
gekomen. Hoewel de fragmenten erg vaag waren, werd aan hen een zwartwitfoto
toegestuurd. Voor het wat verfomfaaide uiterlijk van de mummie gaf Schotman
de volgende verklaring: “. . . (de mummie) heeft vele jaren in een gebouw
gestaan dat tevens als school dienst deed en is door de schooljongens nogal mishandeld
zodat het zelfs mogelijk is dat botten door een gat in de windsels naar buiten
zijn getrokken . . .”2I
In het door een nu weer bereidwillige Dawson opgestuurde verslag van de anatoom,
prof. dr. A.J.E. Cave, werd gewezen op de extreme slijtage van de tanden.
Dit is bij vrijwel alle wetenschappelijk onderzochte mummies aangetroffen en wordt
verklaard door het feit dat het meel, waarmee het brood in het oude Egypte werd gebakken,
vermengd was met allerlei zand-, stof-, en grinddeeltjes en zo de werking
van schuurpapier kreeg.22 De macabere conclusie van het rapport luidt: “Een
‘mummie’ vervaardigd door het opnieuw wikkelen van een afgebroken en zwaar
verminkt hoofd, twee armen zonder handen en twee paar benen (één paar zeker met
kracht van de oorspronkelijke romp afgerukt). Overduidelijk anatomisch bewijs
van mummie-schennis bij grafplundering en van officiële ‘reddings’-werkzaamheden.”
23
De door Derry te hulp geroepen prof. Brian Emery, hoogleraar in de egyptologie
aan het University College te Londen, had aan de toegestuurde zwart-witfoto
niet genoeg om tot een oordeel te komen.24 Dawson gaf echter een interessante mening
over de beschildering. Volgens hem maken deze fragmenten deel uit van de zogenaamde
cartonnage, het laatste omhulsel rond de mummie, dat vervaardigd werd
door om de mummie heen repen in vloeibaar gips gedrenkt linnen aan te brengen.
Dit omhulsel werd, nadat het gips hard was geworden, beschilderd. Met de cartonnage
op ‘de Zwolse mummie’ is ook iets merkwaardigs aan de hand. Dawson beweerde
dat deze van veel latere datum is dan de mummie zelf! De afbeelding van
sandalen op het gedeelte dat de voeten bedekt wijst erop dat de cartonnage uit de
Ptolemeïsche of Romeinse tijd afkomstig is. Aangezien Dawson er vast van overtuigd
was dat de mummie niet later dan de 21e dynastie is te dateren, waren volgens
hem deze fragmenten van een andere mummie afkomstig. Waarschijnlijk is dat
door de plaatselijke handelaar gedaan waar dit exemplaar was gekocht.25
Hoewel Schotman de beide heren nog beloofde een gekleurde tekening van de
fragmenten toe te sturen, schijnt het daar niet meer van gekomen te zijn. De correspondentie
eindigt met deze toezegging.
De meest recente mening over de datering van de mummie komt van de heer
T.H.M. Falke uit Leiden, een radiodiagnost die zich ook met mummie-onderzoek
heeft beziggehouden. Volgens hem is de mummie wel degelijk afkomstig uit de Ptolemeïsche
periode en is van ‘mummie-schennis bij grafplundering’ en latere restauratie
geen sprake, maar zijn de extra beenderen en de slechte toestand van het skelet
te wijten aan het feit dat in deze tijd de balsemers niet erg zorgvuldig met de hen toevertrouwde
lichamen omsprongen. Het restant van de cartonnage op de mummie is
afkomstig uit de Ptolemeïsche tijd en het is, aldus Falke, niet meer dan logisch te
veronderstellen dat de mummie zelf ook in deze tijd, waaruit meer voorbeelden van
mummies met extra beenderen bekend zijn, vervaardigd is. Hij hecht geen enkele
waarde aan het naar zijn mening vergezochte verhaal van Dawson en wijst op de
aanwezigheid van een Ptolemeïsche mummie in het Allard Pierson Museum in
Amsterdam, die op dezelfde wijze is gewikkeld als de Zwolse mummie.26
Het dateren van mummies is, zoals uit het bovenstaande mag blijken, een hachelijke
zaak. Meer zekerheid zou verkregen kunnen worden door het uitvoeren van een
C14-onderzoek, waarmee een poging kan worden gedaan de ouderdom van het skelet
en de windsels van de mummie te bepalen.27 Helaas was het niet mogelijk een dergelijk
kostbaar en gecompliceerd onderzoek op de Zwolse mummie toe te passen, zodat
we over de exacte datering nog in onzekerheid blijven.
De mummie van de prinses
Behalve de datering was in 1955 ook de herkomst van de mummie een open
vraag. Hoe was een Egyptische mummie in de hoofdstad van Overijssel verzeild geraakt?
Deze vraag leek in juni 1955 definitief beantwoord te worden. Uit Hilversum
ontving Schotman een brief van een zekere J. Ganderheijden, waarin onder meer
het volgende staat geschreven:
“Na gedurende het weekend mijn familiepapieren nog eens nagezien te hebben, kan ik U het volgende
mededelen: Mijn overgrootvader, Ds. G.H. van Senden, heeft in het midden der vorige
eeuw H.K.H. Prinses Marianne der Nederlanden als wetenschappelijk adviseur begeleid op een
reis naar Egypte en Palestina. Aangezien men het onkies vond hem hiervoor in klinkende munt te
honoreren, werd hem machtiging gegeven voor rekening van de Prinses alle voorwerpen aan te
schaffen, welke hem mochten interesseren. Hiertoe behoorde ook de mummie, welke destijds algemeen
bekend stond als de mummie van de prinses. Door een zonderlinge verwarring schijnt het
nageslacht hieruit opgemaakt te hebben, dat er sprake was van het stoffelijk overschot van een
Egyptische prinses.”28
Het raadsel leek opgelost; een dominee was verantwoordelijk voor de aanwezigheid
van ‘de Zwolse mummie’. Het is alleszins de moeite waard deze predikant en
zijn reis eens nader te bekijken.
Een predikant en een prinses op reis
Gerard Heinrich van Senden werd op 23 december 1793 in Uphusen, een plaatsje
in de buurt van Emden, geboren. Hij besloot net als zijn vader predikant te worden
en behaalde in 1815 zijn kandidaatsexamen in de godgeleerdheid. Na eerst in
kleinere plaatsen gepreekt te hebben werd hij in 1832 naar Zwolle beroepen, waar
hij de rest van zijn leven bleef. Zoals wel meer dominee-dichters in de negentiende
eeuw, tokkelde ook Van Senden regelmatig op de lier en bij elke passende gelegenheid
wist hij met een cantate, een klaagzang of een uitboezeming de juiste snaar te
treffen. Ook liet de veelzijdige predikant verscheidene theologische werken het licht
zien en maakte hij, zoals elke zichzelf respecterende notabele in deze tijd, deel uit
van diverse genootschappen.29
Prinses Marianne, foto uit omstreeks 1870.
(Koninklijk Huisarchief, Den Haag).
10
Hij stelde belang in veel onderwerpen, maar zijn grote voorliefde ging uit naar
de bestudering van de geografie en de geschiedenis van het Heilige Land. Van Senden
schreef zelf: “Eene mijner schoonste uitspanningen was, wanneer ik, met landkaart
en reisboek voor mij, de moedigen volgde, die verre togten ondernomen en de
wijde wereld gezien hadden.”30 Palestina kende hij als zijn broekzak: “Weldra was
er in dat land bijna geen berg meer en dal, – geene rivier en beek, – geen meer en zee, –
geene stad en dorp, – geen puinheuvel en ruïnengroep, – of ik had er bij vertoefd met
mijne voorstellingen, ik had er bij stil gestaan met wetenschappelijk onderzoek, – ik
had gezocht, er mij een bepaald denkbeeld van te vormen.”31
Dit reizen binnen de muren van zijn studeerkamer, waarbij hij slechts in gedachten
in de voetsporen van de echte reizigers kon treden, bevredigde de dominee
niet geheel en vaak had hij met de gedachte gespeeld zijn herdersstaf tijdelijk neer te
leggen en de pelgrimsstaf op te nemen. Aan de realisatie van deze droom was hij nog
niet toegekomen. Zijn werk, gezin en beperkte financiële mogelijkheden hielden
hem thuis en hij begon te twijfelen of hij ooit het Heilige Land met eigen ogen zou
mogen aanschouwen.
Maar een onverwacht bericht deed de predikant een gat in de lucht springen.
Prinses Marianne, dochter van Willem I, wilde een reis naar het Heilige Land maken
en bood Van Senden aan haar als “Geestelijke en Aardrijkskundige” te
vergezellen.32 Van Senden kende de prinses al sinds 1830, toen hij ter ere van haar
huwelijk met prins Albert van Pruisen een proeve van zijn dichterlijke bekwaamheid
had afgeleverd. Maar dit huwelijk was, Van Sendens poëtische heilwensen ten spijt,
verre van gelukkig geweest en in 1845 had Marianne haar man verlaten. De prinses
was in Voorburg gaan wonen en daar had Van Senden regelmatig gesprekken met de
zeer in theologie geïnteresseerde Marianne gevoerd. Het Heilige Land zal in deze
gesprekken ongetwijfeld door de graag zijn stokpaardje berijdende Van Senden
vaak naar voren zijn gebracht.
De reden waarom deze lange reis werd ondernomen kwam wat Marianne betreft
eerder uit bittere noodzaak dan uit een religieuze voorliefde voor het Heilige
Land voort. Ze was al enkele maanden zwanger van haar koetsier, de getrouwde Johannes
van Rossum, en teneinde de koninklijke familie niet al te zeer in verlegenheid
te brengen was het gewenst het kind op een flinke afstand van Nederland ter wereld
te brengen.33
Op 2 juli 1849 vertrok het reisgezelschap met de stoomboot Willem I uit
Amsterdam. Van Rossum, inmiddels bevorderd tot secretaris, ging ook mee. Dat
was een andere reden voor de aanwezigheid van Van Senden; hij kon als godvrezend
man de rol van chaperon vervullen, teneinde de toch al wat beschadigde reputatie
van de prinses zo onbezoedeld mogelijk te houden.34
11
AS». 5 ^ J”
KMT» ‘HM f«M«MF- v *-‘ #
G. //.
van Senden
voor de reis
met Prinses
Marianne naar
Palestina, 1849.
(Gemeen telijke
Archiefdienst
Zwolle).
12
Onderweg naar de Middellandse Zee werden verscheidene havens bezocht,
waarbij de aanwezigheid van de prinses steeds een uitstekende ontvangst waarborgde.
Uiteindelijk werd eind augustus Sicilië bereikt, waar Marianne, afgezonderd van
haar medereizigers, op 30 oktober in het dorpje Cefalu haar kind ter wereld bracht.
Nadat, zoals een krant schreef, “de ongesteldheid, welke H.K.H, de prinses Marianne
der Nederlanden verpligt had een ruimen tijd op Sicilië te verblijven, geheel
was geweken”35, werd via Malta doorgereisd naar Alexandrië, waar men op 7 december
aankwam. Het kind bleef voorlopig achter op Sicilië.
In Egypte
Het lag in de bedoeling direct door te reizen naar Palestina, zodat het kerstfeest
in Bethlehem gevierd kon worden. Maar in deze verwachting werden de reizigers teleurgesteld.
De stoomboten die van Alexandrië naar Beiroet voeren namen geen passagiers
voor Jaffa op en de Egyptische regering “verklaarde overvloed te hebben
aan goede wil, maar gebrek aan stoomschepen.”36 Het aangeboden zeilschip werd
geweigerd, “omdat men, stappende aan boord van een zeilschip, wel weet, wanneer
men vertrekt, doch niet wanneer men aankomt.”37 Voordat een stoomboot beschikbaar
was kon nog wel de nodige tijd verstrijken. Vandaar dat het plan werd opgevat
de karavaanroute over land te nemen, die dwars door de woestijn van Cairo naar
Gaza liep.
Op 12 december voer het gezelschap in een door de Egyptische regering geleverde
boot verder de Nijl op. In Cairo werden ze opgewacht door een rijtuig van de pasja,
dat hen naar hotel d’Orient bracht, het beste hotel van de stad. Vanuit hier werden
alle voorbereidingen getroffen voor de aanstaande woestijnreis, waarvoor alleen
al zo’n 30 è 40 kamelen nodig zouden zijn. Met tevredenheid vermeldde Van
Senden de gelukkige omstandigheid dat de prinses over ruime financiële middelen
beschikte, want “voor een matig fortuin zoude alleen de reis door de woestijn ene
volslagen ruïne zijn.”38
Voor het probleem van de aanhoudende schommeling op het “vrachtschip
door de woestijn” hadden de begeleidende Arabieren de volgende oplossing gekozen.
Over de rug van een kameel werd een touwwerk gedrapeerd, waaraan twee
langwerpige bakken waren bevestigd, zodat één passagier aan de linker-, en één aan
de rechterzijde van het dier kon plaatsnemen. Deze constructie maakte het mogelijk
tijdens de reis een beschaafde conversatie te voeren. De praktische uitwerking van
dit niet onaardige idee liet nogal wat te wensen over, want Van Senden schreef:
“Met eene soort van wanhoop deinsden wij terug voor deze zwevende koetsen der
13
woestijn, – en ik riep uit: ‘Neen, dan nog liever in de boekenkist van Vader Hugo
Grotius’.”39
De reizigers hoefden een dergelijke beproeving echter niet mee te maken. Terwijl
alle benodigdheden voor een langdurig verblijf in de woestijn al waren aangeschaft,
werd de reis alsnog afgelast. Enerzijds omdat het slechte weer de toch al riskante
tocht nog gevaarlijker maakte, anderzijds omdat de prinses door een “terreur
panique” voor de woestijn overvallen werd. Van Senden: “Het speet mij, want 14
dagen onder tenten en in die streken zouden de waarde van 14 maanden levens gehad
hebben . . .>>40
Prinses Marianne en haar gevolg bleven nu wat langer in Egypte en maakten
van de gelegenheid gebruik de bezienswaardigheden rond Cairo, opgenomen in het
reisprogramma van elke bezoeker van Egypte, te bekijken. Op 15 december werd
een bezoek gebracht aan de piramiden en de sfinx van Gizeh, een uitstapje dat, aldus
Van Senden, “eene eigenaardige vermoeijing met zich meebracht.”41 De toen 56-
jarige dominee had zich voorgenomen niet alleen in het binnenste van de piramide
van Cheops door te dringen, maar deze ook te beklimmen. Zich moeizaam van de
ene steen op de andere hijsend, daarbij geassisteerd door “wilden”, bereikte Van
Senden in het gezelschap van Van Rossum en hofmeester Hartman puffend en hijgend
de bijna 140 meter hoge top. Na weer op adem te zijn gekomen bewonderden
de heren onder het genot van een Hollandse sigaar het magnifieke uitzicht.42 Mogelijk
heeft de predikant de verontwaardiging gedeeld van de Franse schrijver Flaubert,
die precies één week voor het Nederlandse reisgezelschap de piramiden had bezocht
en in zijn reisjournaal schreef: “Zeer irriterend is het aantal namen van idioten
die overal neergekladderd zijn: bovenop de Grote Piramide staat een zekere Buffard,
79 Rue Saint-Martin, behangfabrikant, in zwarte letters . . ,”43
Na veilig beneden te zijn gekomen werd het interieur van de piramide bezocht.
Ook dit was niet gemakkelijk. De doorgangen, die zo nauw waren dat personen die
te dik of te flink van postuur waren erin beklemd raakten, verplichtten de bezoekers
zich in vreemde houdingen te begeven. Flaubert noteerde op 8 december 1849: “Als
we op handen en voeten uit één van de gangen komen kruipen, ontmoeten we een
groep Engelsen die net binnenkomt; zij bevinden zich in dezelfde houding als wij;
een uitwisseling van beleefdheden; elke groep vervolgt zijn weg . . .”M
Naast Gizeh heeft Van Senden nog Sakkara bezocht, waar zich de befaamde trappiramide,
de oudste bestaande stenen constructie ter wereld, en de beroemde mummiegroeven
bevinden. Ook werd een kijkje genomen bij de ruïnes van Memphis, de
oude hoofdstad van de farao’s, en Heliopolis. Even werd met de gedachte gespeeld
verder de Nijl op te varen naar Thebe. De niet geheel van zelfgenoegzaamheid vrij te
pleiten dominee schreef: “Ik heb slechts wat gewigt op den weegschaal te leggen, en
14
f
G. H7van~Senden, gravure door J. W. Kaiser naar W. C, Chimaer van
Oudendorp, 1852. (Provinciaal Overijssels Museum).
15
die togt geschiedt.”45 Maar vrees voor verder tijdverlies deed het gezelschap terugkeren
naar Alexandrië.
Helaas schonk Van Senden in zijn brieven en zijn reisbeschrijving weinig aandacht
aan zijn verblijf in Egypte en de indruk die de monumenten op hem hebben
gemaakt. Het was voor de predikant, die normaliter weinig problemen had zijn ervaringen
op papier te zetten, “onmogelijk de indruk te beschrijven dien eerst
Alexandrië, dan den Nijl en eindelijk Kairo op mij maakte. De piramiden, de Nekropolis
en de Sphinx hebben mij nog dieper getroffen.”46
Uit een andere bron, het dagboek van hofmeester Hartman, weten we dat Van
Senden en zijn reisgenoten een bezoek hebben gebracht aan de bazaar in Alexandrië,
waar alle mogelijke waren verkocht werden.47 Niet alleen tapijten, specerijen, sieraden,
kostbaar geborduurde kledij en een keur van exotische voorwerpen uit alle delen
van de Arabische wereld werden hier te koop aangeboden, maar ook slaven. Op
het gebied van souvenirs was een ruime keuze voorhanden. Allerlei meer of minder
authentieke antiquiteiten, zoals amuletten, scarabeeën, beeldjes en papyri, waren
hier te koop en menig bezoeker vergaapte zich aan de volledig in lijnwaad gewikkelde
lichamen en de zwart geworden ledematen en verschrompelde gezichten van de
mummies. Hoewel Van Senden op de bazaar waarschijnlijk de verleiding niet heeft
kunnen weerstaan enkele voorwerpen voor zichzelf aan te schaffen, was het eigenlijke
doel het kopen van een slaaf voor prinses Marianne. De keuze viel op een negerjongetje
van vijftien jaar, die later met de prinses terugging naar Nederland en in
1851 op een kostschool in Leiden werd ondergebracht.48
Op 14 januari verliet het reisgezelschap Egypte; vanuit Alexandrië werd koers
gezet naar Jaffa. Na een lange reis had Van Senden eindelijk het Heilige Land bereikt.
Het absolute hoogtepunt was voor hem een verblijf in het met sneeuw bedekte
Jeruzalem. Na vele omzwervingen, waarbij ook Damascus en Beiroet werden bezocht,
stond de dominee op 4 augustus 1850, ruim een jaar na het begin van de reis,
weer op de kansel in Zwolle. Kort na het verschijnen van het eerste deel van zijn reisbeschrijving
overleed hij op 20 oktober 1851.
Een geschenk aan het museum
Van Senden heeft veel gekocht onderweg en niet alleen op rekening van de prinses.
Uit Beiroet schreef hij: “Ik heb gekocht en zal nog koopen meer dan ik geld
heb. De gelegenheid biedt zich niet weder aan, die er thans is.”49 En uit Jeruzalem:
“Vele zaken heb ik hier gekocht, die U, hun en mij, tot een blijvend aandenken zullen
zijn. Ook van Alexandrië wordt het één en ander dat ik in Egypte kocht, naar
16
Amsterdam met scheepsgelegenheid verzonden.”50 Zijn aankopen varieerden van
tijgervellen tot bloementafels, maar wat uit Alexandrië werd toegestuurd vermeldde
hij in een brief aan zijn kinderen die toen de reis bijna beëindigd was uit Napels werd
verstuurd: “Uit Alexandrië zult gij ontvangen, of ontvangen hebben, een partij
palmboomen, – manden, – mummiën, – enz.”51 Ongetwijfeld zal door zijn kinderen
vreemd opgekeken zijn bij de aankomst van deze zending uit Egypte. Dat Van Senden
het in zijn brief over ‘mummiën’ had, hoeft niet te betekenen dat hij enkele
complete mummies heeft meegenomen. Ook onderdelen van mummies, zoals handen
en voeten, vonden bij toeristen gretig aftrek. En gemummificeerde lichamen
van dieren, bijvoorbeeld katten of ibissen, waren een geliefd souvenir.
Teneinde te weten hoe een door Van Senden meegebrachte mummie in het museum
is terechtgekomen, keren we terug naar de brief van Ganderheijden. Hij
schreef verder:
“Na de vroegtijdige dood van mijn overgrootvader werd het huishouden op de Thorbeckegracht
voortgezet door twee zijner kinderen, mr. E.G. van Senden, overleden in 1892, en een zijner
zusters, overleden in 1895, welke laatste mijn vader als erfgenaam aanwees. De mummie was op
verzoek van mijn oudtante in bewaring gegeven bij de Vereniging voor Provinciale Welvaart, mogelijk
omdat mijn overgrootvader of mijn oudoom deel uitmaakten van het bestuur. Toen mijn
oudoom wegens gevorderde leeftijd zich geheel van de mummie wilde ontdoen, is deze ten geschenke
gegeven aan de plaatselijke verzameling van Oudheden. Dit schijnt in 1887 gebeurd te
zijn.”52
Het museum van ‘ Welvaart’
Met ‘de plaatselijke verzameling van Oudheden’ wordt het museum van oudheden
en zeldzaamheden bedoeld dat, samen met een museum voor natuurlijke historie,
door de Overijsselsche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart
(‘Welvaart’) werd beheerd in het Reventer, een gebouw aan het Bethlehemsekerkplein,
dat vroeger deel uitmaakte van een klooster.
‘Welvaart’ stelde zich tot doel Overijssel op een hoger economisch en wetenschappelijk
plan te brengen onder het motto “door wetenschappelijke kennis tot
welvaart en tot welvaart door wetenschappelijke kennis.”53 In dit kader paste ook
de oprichting in 1846 van een kabinet van natuurlijke historie en geologie, waarmee
beoogd werd “de kennis van de geologischen gesteldheid van onzen bodem te bevorderen
en tevens om de lust tot beoefening van de natuurlijke historie, die zoo naauw
aan den vooruitgang der nijverheid verbonden is, aan te wakkeren.”54 Grote nadruk
werd gelegd op een wetenschappelijk verantwoorde verzameling geologische en mi-
17
Het grafmonument van G. H.
van Senden te Zwolle, lithografie
door F. A. C. Hof f man
naar Chimaer van Oudendorp,
1852.
(Provinciaal Overijssels Museum).
neralogische voorwerpen, die zowel voor wetenschappelijke doeleinden als voor het
middelbaar onderwijs gebruikt kon worden.
Het museum moest echter ook aantrekkelijk zijn voor een groter publiek. Aangezien
voor een verzameling versteningen, mineralen en delfstoffen de gewone man
weinig belangstelling zou tonen, werd besloten “door het meer vreemde en schitterende
onzer voorwerpen de belangstelling voor de wetenschappelijke waarde” aan
te wakkeren.55 Om het oog van het publiek te strelen werd een collectie opgezette
vogels aangekocht, waarbij speciale aandacht werd besteed aan “dezulken die door
pracht van vederen uitmuntten.”56
De financiële middelen van ‘Welvaart’ waren beperkt en van een grootschalig
aankoopbeleid kon geen sprake zijn. Gezien het grote belang dat gehecht werd aan
de geologische verzameling werd het bescheiden bestedingsbudget hoofdzakelijk gebruikt
om deze aan te vullen. Verder was het museum afhankelijk van de goedgeefsheid
van de plaatselijke bevolking. Dankzij deze goedgeefsheid kwamen ook diverse
historische, archeologische en etnografische Voorwerpen binnen. Voor deze verzameling
werd in 1849 een aparte zaal in het Reventer ingericht, waar het museum van
oudheden en zeldzaamheden werd gevestigd. In dit museum bevond zich in 1852,
18
naast onder andere “een stuk linnen van het hemd van Willem den Zwijger, gedragen
op het oogenblik, dat hij werd doorschoten”, in de afdeling Afrika “de asch
van een mummie, met eenige stukjes byssus.”57
De musea in het Reventer werden “meer en meer het middelpunt van alles
waarvan de bewaring voor natuurkunde, geologie, kennis van planten en dieren,
volkenkunde, oudheidkunde en aanverwante wetenschappen van eenig belang is.”58
Onwillekeurig komt de vergelijking op met de al eerder genoemde curiositeitenkabinetten
uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarin niet alleen antiquiteiten, maar
ook natuurhistorische, etnografische, kunstzinnige en wonderlijke voorwerpen werden
verzameld. Dergelijke collecties lijken in onze ogen zonder vast plan bijeengebracht
te zijn, maar de welhaast encyclopedische verzameling van een curiositeitenkabinet
wordt wel gezien als een poging tot het samenstellen van een microcosmos,
bedoeld om enerzijds Gods vindingrijkheid als schepper te demonstreren in de natuurhistorische
voorwerpen en anderzijds de menselijke creativiteit te tonen in de
vorm van door mensenhanden vervaardigde voorwerpen.59 Een dergelijke gedachte
lag, zoals we hebben gezien, niet ten grondslag aan de oorspronkelijk wetenschappelijk
opgezette verzameling van ‘Welvaart’. Bovendien speelde hier, in tegenstelling
tot de meeste curiositeitenkabinetten die slechts voor een zeer select publiek toegankelijk
waren, bij de uitbreiding de didactische waarde een grote rol. Alles “wat tot
opheldering door aanschouwing strekken kan” werd in dankbaarheid aanvaard en
tentoongesteld.60 Binnen een dergelijke brede collectie zal de aanlokkelijke aanwezigheid
van een Egyptische mummie zeker op prijs gesteld zijn.
Geleidelijk werd vrijwel het gehele Reventer door de musea in gebruik genomen,
maar door gebrek aan geld en deskundige leiding werd de verzameling verwaarloosd.
In 1876 beschreef een bezoeker het gebouw als een “onding, op zijn
hoogst een pakhuis, waar, in de meest mogelijke verwarring, de bouwstoffen zijn
opgehoopt voor een drie- of viertal zeer onvolledige miniatuurmuseums.” In het Reventer
was alleen “een gefloddermutste bewaarster” aanwezig die niet gehinderd
door enige kennis van zaken de bezoekers rondleidde.61 Veel bezoekers kwamen er
niet. Op de vraag of de musea in trek waren antwoordde de bewaarster: “De butenlu
komt nog wel is kieken en de meisters ut de stad, maer veur de rest is ’t niet
volle.”62
Na de benoeming in 1886 van een conservator die zich, weliswaar in zijn vrije
tijd, ging bezighouden met het beheer en de inventarisatie van de collectie werd de
verzameling opnieuw geordend. De historische voorwerpen die betrekking hadden
op de geschiedenis van Overijssel werden in 1887 geschonken aan het enkele jaren
eerder opgerichte geschiedkundige museum van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsch Regt en Geschiedenis (‘VORG’), gevestigd in een herenhuis aan het Aa-
19
plein. De overige voorwerpen bleven achter in het museum voor natuurlijke historie
en volkenkunde, zoals de nieuwe naam luidde. In 1903 werd het Reventer-, dat door
achterstallig onderhoud in een gebrekkige toestand verkeerde, gesloten en verhuisde
de verzameling naar het nieuwe museumpand van de ‘VORG’: het Drostenhuis aan
de Melkmarkt. Op 6 juni 1905 werden de verenigde musea geopend. Na de liquidatie
van het al lange tijd zieltogende ‘Welvaart’ in 1906 werd het beheer over de collectie
definitief aan de ‘VORG’ overgedragen, waarbij de laatste zich verplichtte “om de
onder haar beheer gestelde voorwerpen en boeken als een goed huisvader te beheeren.”
«
De teloorgang van ‘Welvaart’ in de laatste decennia van de negentiende eeuw is
terug te vinden in het archief van de vereniging, dat na 1875 zeer summier is. Notulen
van vergaderingen werden niet bijgehouden, jaarverslagen zijn er niet en meldingen
betreffende schenkingen aan het museum ontbreken. Een notitie dat de mummie
van Van Senden rond 1887 definitief aan het museum geschonken zou zijn is
niet in het archief te vinden. Wel blijkt uit een ledenlijst dat de in de brief van Ganderheijden
genoemde zoon van de dominee, E.G. van Senden, in 1847 lid is
geworden64 en in een catalogus van de etnografische verzameling komt een andere
schenking van E.G. van Senden voor, namelijk twee stokken en twee pijpen uit Turkije.
65 Of deze voorwerpen van de reis van de dominee afkomstig zijn is niet bekend.
Het Reventer voor de restauratie van 1915.
(Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle).
20
Een tweede mummie
Bij het doornemen van de bewaarde jaarverslagen van ‘Welvaart’ komen we
een merkwaardige verrassing tegen, die ons tevens op het spoor zet van een tweede
Overijsselse Egypteganger. In het verslag over 1865 lezen we dat baron von Knobelsdorff
van de Gelder “eene mumie (sic) met bijbehoorende kist, voor omstreeks 50
jaren uit Egypte medegebragt” aan het museum heeft geschonken.66 Een paar jaar
eerder had de baron al “onderscheidene afgietsels van Egyptische voorwerpen, van
camee’n en van penningen” en “eene Egyptische mummie van eene hand met de
kist” geschonken.67 Wie was deze baron en hoe waren de voorwerpen in zijn bezit
gekomen?
Frederik Willem Adriaan Karel von Knobelsdorff bewoonde het huis de Gelder
bij Wijhe. Dit huis was sinds 1683 in het bezit geweest van de familie Van Dedem.
Von Knobelsdorffs moeder, Johanna Phillipina Hermanna van Dedem, had de havezate
in 1825 van de laatst overgebleven mannelijke Van Dedem tot de Gelder
geërfd, haar broer Anthony Boldewijn Gijsbert.68 Deze interessante figuur, waarvan
de memoires in druk zijn verschenen, heeft in zijn jeugdjaren een reis naar
Egypte gemaakt.69
Een jonge baron in Egypte
A. B. G. baron van Dedem werd op 23 augustus 1774 in het huis de Gelder geboren.
Op tienjarige leeftijd vertrok hij met zijn familie naar Constantinopel, waar
zijn vader tot ambassadeur van de republiek der Nederlanden aan het Turkse hof
was benoemd, een functie die hij met onderbrekingen tot 1809 zou vervullen.70 De
klassieke oudheid was destijds in de mode en de jonge Anthony vatte, gestimuleerd
door het feit dat in de kringen waarin hij verkeerde naast politiek voornamelijk over
oudheden werd gepraat, een grote interesse op voor de studie van de oude geschiedenis
en antiquiteiten. De fantasie van de adolescent werd sterk gestimuleerd door de
reisverhalen van zijn gesprekspartners en, na eindelijk toestemming van zijn vader
te hebben gekregen, trok hij er in 1791 zelf op uit. Na eerst een reis naar Griekenland
en Klein-Azië te hebben gemaakt, vertrok de jonge baron op 27 augustus 1792
21
naar Egypte in het goede en deskundige gezelschap van de Franse oudheidkundige
Louis Fauvel, die het land aan de Nijl al twee maal eerder had bezocht.71
Een reis naar Egypte was in deze tijd een veel onzekerder onderneming dan in
de tijd van Van Senden. Hoewel Egypte in naam werd geregeerd door de pasja, de
vertegenwoordiger van de Turkse sultan, werd het in feite beheerst door de Mamelukse
beys, despotische heersers die al eeuwen de dienst uitmaakten en in weinig
meer waren geïnteresseerd dan het uitvechten van onderlinge conflicten en de opbrengst
van de zware belastingen die ze het volk oplegden. Europeanen werden als
een noodzakelijk kwaad gezien en uitermate vijandig bejegend. Volgens Van Dedem
konden Europeanen in Alexandrië binnenshuis even comfortabel leven als in Frankrijk
of Italië, “maar men kon z’n neus niet buiten de deur steken zonder zich te laten
begeleiden door janitsaren”.72 Pas in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen
de pasja Mohammed Ali de teugels strak in handen had, werd Egypte een door Europeanen
druk bezocht land.
Anthony bevond zich echter in een bevoorrechte positie; de connecties van zijn
vader in de diplomatieke dienst bewezen hem goede diensten. In Alexandrië, een lelijke
en vieze stad, verbleef hij ruim drie weken bij de consul-generaal van Holland,
een voormalige genie-officier van het Franse leger.
Onderweg naar Cairo werd een tussenstop gemaakt in een dorpje, waar de
plaatselijke danseressen grote faam genoten. Van Dedem en Fauvel waagden er ook
een oogje aan, maar waren niet enthousiast: “Ze waren erg mooi, maar wij walgden
van hun overdadige wulpsheid. De Mamelukken en Arabieren, die door hen in vervoering
werden gebracht, begrepen niets van onze afkeer voor deze prachtige schepsels”.
73
In Cairo werd Van Dedem ontvangen door de Oostenrijkse consul-generaal, die
hem in contact bracht met Moerad Bey, de Mamelukse despoot die het deltagebied
van de Nijl controleerde. Moerad had veel belangstelling voor Anthony, die zich in
het Turks verstaanbaar kon maken en allerlei nieuwtjes uit Constantinopel met zich
meebracht. Als uitzonderlijk gunstbewijs mocht hij in Cairo een paard berijden, terwijl
alle andere christenen, uitgezonderd de consuls, zich met ezels moesten behelpen.
Verscheidene avonden bracht Van Dedem in het gezelschap van Moerad Bey
door, die verhalen uit zijn avontuurlijke leven vertelde. Hij was geboren in Circassië
en kwam als jonge slaaf naar Egypte, waar hij zich dank zij zijn vaardigheden en
moed wist op te werken tot één van de 24 beys die Egypte controleerden. Het liefst
zag hij Anthony muzelman worden: ‘U houdt van vrouwen, paarden en oudheden’,
zei hij tegen mij, ‘dat alles zult u hebben; ik geef u het bevel over een contingent Mamelukken’.”
74 Van Dedem kon dan Moerads concurrent in Boven-Egypte, Hassan
22
Bey, gaan bevechten. Beleefd maar beslist wees Anthony dit aanbod van de hand.
Zelf had hij geen hoge dunk van Moerad, die elders wordt beschreven als “verheven
boven de zijnen in grootheid van ziel en verstand”.75 Van Dedem, niet helemaal vrij
van een westers superioriteitsgevoel, noemde hem onwetend en bijgelovig.
De gruwelijke hongersnood die de bevolking van Cairo teisterde maakte grote
indruk op de jonge baron. In de straten, die bedekt waren met lijken en stervenden,
had hij een vrouw met zes kinderen het karkas van een kameel zien afknagen, terwijl
werd gevochten om dode honden en katten. Dit gespreksonderwerp kon Moerad
Bey maar matig op prijs stellen. Nadat Van Dedem hem zijn ervaringen had verteld
wendde hij zich tot de Oostenrijkse consul-generaal en zei: “U laat deze ongelovige
dus sterven van de honger, aangezien hij over die ellende praat; ik zal hem bewijzen
dat het ons aan niets ontbreekt.”76 Vanaf nu kreeg Anthony elke dag een overvloed
aan eten toegestuurd, dat op zijn bevel onder de armen werd verdeeld.
Een bezoek aan de piramiden
Dat in deze tijd een bezoek aan de piramiden niet het vlot verlopende uitstapje
van Van Senden en zijn reisgenoten was, bewijst Van Dedems bezoek. Na de nacht
uitermate comfortabel in het paleis van Moerad Bey te hebben doorgebracht, gingen
Van Dedem en zijn gezelschap al vroeg in de morgen op weg. Fauvel bleef ziek achter,
waar hij gezien de komende gebeurtenissen niet rouwig om hoefde te zijn. Als
gevolg van een overstroming was de bodem modderig en moeilijk begaanbaar. De
gidsen raakten de weg kwijt en na vijf uur voortploeteren belandde het gezelschap in
een bedoeïenenkamp, waar ze aanvankelijk vriendelijk ontvangen werden. Maar al
spoedig beseften de bedoeïenen het buitenkansje dat in de vorm van Van Dedem en
consorten hun kamp was binnengelopen. De reizigers werden twee dagen lang vastgehouden,
beroofd van hun bezittingen, vrijwel zonder voedsel en gedwongen hun
dorst te lessen met groenachtig water uit een morsig poeltje. Na onderhandelingen,
waarbij Van Dedem moest beloven bij terugkomst in Cairo de bedoeïenen kruit en
lakenstof te sturen, mocht de reis worden hervat.
Aan de ellende was echter nog geen einde gekomen, want al na een half uur
kwamen de bedoeïenen weer achter hen aangestormd. Om de achtervolgers te ontlopen
werd de smalle dijk verlaten waarover de weg liep en kwam het gezelschap in
diep water terecht. Het paard van Van Dedem raakte uitgeput en waarschijnlijk zou
hij zijn verdronken als hij niet door zijn knecht was vastgegrepen en op zijn paard
getrokken. De bedoeïenen, die hun prooi zagen ontglippen, vuurden op de hulpeloze
zwemmers en de kogels doorboorden hun kleding. Ternauwernood werden ze uit
23
De groot-vizier aan het hof van sultan Abdul-Hamid I ontvangt in audiëntie Frederik Gijsbert van
Dedem vergezeld van zijn zoon Anthony Boldewijn Gijsbert van Dedem, omstreeks 1784; uit het atelier
van Jean-Baptiste Vanmour. (Stichting Edwina van Heek, Singraven, Denekamp).
deze penibele situatie gered door de hen begeleidende sjeik, die een eindje vooruit
had gereden. De 50 soldaten die een ongeruste Moerad Bey er op uit had gestuurd
om Van Dedem te zoeken trof hij later plunderend in een dorpje aan.
Zonder verdere hindernissen bereikte Van Dedem eindelijk de piramiden en de
sfinx van Gizeh. Net als vele andere reizigers die het interieur van de piramide van
Cheops bezochten beklaagde hij zich over de verstikkende warmte en de stinkende
lucht. Verder schreef hij: “Het is niet erg gemakkelijk door te dringen tot het binnenste
van de piramide; de gang waardoor men binnenkomt is nauw en dwingt je er
op de buik door heen te kruipen. . . . Als men vervolgens de grote gang wil bestijgen
die naar de grafkamer van de koning voert, moet men handig zijn, wil men niet vallen.”
77 In de mastaba’s, de grafkamers waar de familieleden van de farao en hoge
ambtenaren werden begraven, bracht hij veel tijd door met het overnemen van de
hiërogliefen.
Ook Van Dedem heeft verder nog Sakkara, Memphis en Heliopolis bezocht.
Hier heeft hij meer dan een uur tot aan zijn middel in het water gestaan om het kolossale
hoofd van een sfinx en een obelisk te tekenen. Volgens Van Dedem werden in
zijn tijd deze plaatsen nog nauwelijks door reizigers bezocht. Het gloeiend hete klimaat,
de ongemakken die het reizen met zich mee bracht en de vele gevaren onderweg
doofden de reislust in menig bezoeker. Van Dedem schreef dat hij verscheidene
reizigers heeft zien aankomen, wier dadendrang door angst en vermoeidheid snel beteugeld
werd. Velen gaven er de voorkeur aan hun reisjournalen uit boeken over te
schrijven in plaats van er zelf op uit te gaan.
Terugreis en levensloop
Na een verblijf van ruim twee weken vertrok Anthony op 2 november uit Cairo.
Op de terugreis naar Alexandrië werd hij bij Rosetta overvallen door een zeldzaam
fenomeen in deze tijd van het jaar: tien dagen continu regen gepaard met een krachtige
noordenwind. In deze weersomstandigheden kon Alexandrië niet bereikt worden
en noodgedwongen moest Van Dedem in Rosetta, dat hij al eerder had bezocht,
blijven. Verontschuldigend schreef hij: “Niet wetend hoe ik mijn tijd moest doorkomen
in dit plaatsje dat ik al had bestudeerd, gaf ik me over aan plezier.”78 Uit het
manuscript van de memoires, dat voor publicatie door de bewerkster, Elisabeth
Lecky-barones van Dedem, van een aantal in haar ogen scabreuze details is ontdaan,
blijkt dat dit plezier in een niet onbelangrijke mate werd veroorzaakt door de
aanwezigheid van vele mooie Arabische meisjes, die profijt hoopten te trekken uit
het oponthoud van de rijke westerlingen. Door deze dames werd Van Dedem aller-
25
minst afgeschrikt. Hij beschreef uitgebreid hun uiterlijke schoonheid, waardoor,
zoals hij stelde, zijn zinnen geactiveerd werden.79 Terug in Alexandrië maakte hij dit
’tijdsverzuim’ weer goed: “Ik bleef nog een maand, en bracht mijn tijd veel nuttiger
door dan in Rosetta.”80
Op 14 december 1792 verliet Anthony Egypte. De reis naar Constantinopel verliep
allesbehalve vlekkeloos. Tijdens een razende storm verloor hij een prachtige
struisvogel die hij van de pasja had gekregen, twee mooie gazellen en zijn papegaaien.
Gelukkig overleefde zijn aapje, dat in het want was geklauterd, het natuurgebeuren.
Vervolgens kon een achtervolgende piraat ternauwernood afgeschud worden.
Uiteindelijk bereikte het schip veilig Constantinopel en na ruim vijf maanden
onderweg geweest te zijn kon Anthony op 14 februari 1793 zijn familie weer begroeten.
Enkele maanden na zijn terugkeer kreeg vader Van Dedem twee jaar verlof. Op
5 september verliet de familie Van Dedem Constantinopel en keerde terug naar Holland.
De rest van zijn leven bracht Anthony van Dedem in Hollandse en Franse diplomatieke
en militaire dienst door. Hij maakte als generaal de veldtocht naar Rusland
mee, waar hij wederom in verscheidene penibele situaties verzeild raakte. Twee
paarden werden tijdens gevechten onder hem weggeschoten en de barre terugtocht
moest hij voor een groot gedeelte lopend afleggen. De taaie Van Dedem wist echter
ook nu weer de thuishaven levend te bereiken. De laatste jaren van zijn leven bracht
hij temidden van zijn familie en vrienden op de Gelder door, dat hij in 1820 van zijn
vader had geërfd. Met plezier dacht hij aan de reizen uit zijn jeugd terug. Hij schreef
met een vleugje melancholie: “De reizen door de klassieke oudheid laten herinneringen
na die nooit vervagen en die een grote bron van troost zijn, wanneer later de afkeer
van de wereld of ziekte ons voeren naar afzondering en eenzaamheid.”81 In
1825 stierf Van Dedem tijdens een reis in Italië.
Twee mummies in het museum?
Zoals al opgemerkt ging na zijn dood de Gelder over in het bezit van zijn zuster,
die in Constantinopel met de Pruisische diplomaat Von Knobelsdorff was getrouwd.
Opvallend genoeg kende zij ook prinses Marianne van dichtbij; zij was als
grootmeesteresse aan het hof van de prinses verbonden geweest. De boedelinventaris
die na haar dood in 1860 is opgemaakt vermeldt dat zich in het hangkamertje een
Egyptische mummie bevindt, geschat op 30 gulden.82 Het is niet zeker dat Anthony
deze mummie uit Egypte heeft meegenomen. Hij kan hem later gekocht hebben en
26
Röntgenfoto van het hoofd van de Zwolse mummie, van de zijkant gezien. Een
deel van het aangezicht met de bovenkaak ontbreekt. Duidelijk zijn de windsels
en de bloedvaten bij de slaap te zien. (Foto: Academisch Ziekenhuis Leiden,
1987).
27
zowel zijn vader als zijn zwager hebben tijdens hun gezantschap in Constantinopel
ongetwijfeld de mogelijkheid gehad een mummie aan te schaffen. Maar de vermelding
in het jaarverslag van ‘Welvaart’ dat de mummie ‘voor omstreeks 50 jaren uit
Egypte medegebragt’ is lijkt, ondanks de foute datering, toch te wijzen op de reis
van Anthony, die voor zover bekend als enig lid van de familie Egypte daadwerkelijk
heeft bezocht. Wel zeker is dat de mummie, die in 1860 aanwezig was op de Gelder,
in het museum is terechtgekomen.
Maar wat te denken van het verhaal van Ganderheijden? In dit geval is het zeker
dat Van Senden ‘mummiën’ uit Egypte heeft meegenomen, maar onomstotelijk
bewijs dat een mummie uit zijn bezit aan het museum is geschonken ontbreekt. De
enige aanwijzing voor de schenking is de geciteerde brief van juni 1955. De daarin
genoemde familiepapieren zouden uitsluitsel moeten geven. Helaas eindigde een lange
speurtocht naar de huidige verblijfplaats van Ganderheijden op Curacao, waar
hij op 3 juni 1978 is overleden.83 Nabestaanden waren niet te achterhalen, zodat het
onduidelijk is waar de familiepapieren zijn gebleven, als ze al niet verloren zijn gegaan.
Als we echter naar de in zijn brief genoemde feiten kijken, blijken deze in het
algemeen zo goed te kloppen dat aan de juistheid van zijn verhaal nauwelijks te twijfelen
valt.
Als zijn verhaal klopt zijn er dus ooit twee mummies in het Zwolse museum geweest.
Voor deze stelling is echter geen enkel bewijs te vinden. Op een taxatielijst
van het museum uit 1927, waaruit in ieder geval duidelijk wordt dat de marktwaarde
van een mummie in 67 jaar aanmerkelijk gestegen is, vinden we een mummie in vitrine
vermeld, geschat op 300 gulden!84 Van een tweede mummie is echter geen sprake.
Ook ‘de Egyptische mummie van eene hand met de kist’ is niet meer aanwezig.
Wel wordt een aantal niet nader geïdentificeerde gipsafgietsels genoemd, waaronder
mogelijk de eveneens door Von Knobelsdorff geschonken afgietsels van Egyptische
voorwerpen. Misschien zijn de gemummificeerde hand en een eventuele tweede
mummie door een slechte conservering verloren gegaan of zijn ze ergens buiten
Zwolle terechtgekomen.
Vertrek van de collectie ‘Welvaart’ en de mummie
Het laatstgenoemde lot is wel aan het grootste deel van de collectie ‘Welvaart’
te beurt gevallen. De museumdirecteuren uit de gelederen van de ‘VORG’ besteedden
weinig aandacht aan het niet-historische deel van de verzameling van het museum,
dat door gebrek aan ruimte steeds verder naar de achtergrond werd geschoven.
Na 1906 werd in de verslagen van het museum alleen aandacht besteed aan de
28
geschiedkundige kant van de collectie, zoals blijkt uit het verslag over 1919, waarin
blijdschap werd getoond over het bezoek van een groot aantal scholieren, “omdat
zij getuigenis afleggen van belangstelling in het verleden van Overijssel en hierdoor
in de geschiedenis der provincie wier studie toch het hoofddoel onzer Vereeniging
is.”85 Uiteindelijk verdween de etnografische verzameling in 1939 naar het Koninklijk
Instituut voor de Tropen in Amsterdam en de natuurhistorische collectie werd in
1953 afgestaan aan het Natuurhistorisch Museum in Enschede en het museum Natura
Docet in Denekamp, waaraan al eerder de verzameling opgezette vogels was geschonken.
86 De mummie, die buiten deze twee collecties viel en nog een zekere historische
waarde had, bleef echter in Zwolle.
Nadat in 1954 het beheer van het museum werd overgenomen door de Stichting
Overijssels Geschiedkundig Museum voerde de nieuwe directeur, J. W. Schotman,
enige veranderingen door in de indeling van de diverse ruimten, waardoor de verzameling
op een meer logische en geordende wijze werd getoond en de samenhang tussen
de verscheidene onderdelen werd verbeterd. In de oudhedenkamer bleef, wegens
de in het begin van dit verhaal genoemde redenen, de mummie gehandhaafd.
De in 1962 aangetreden opvolger van Schotman, K. Boonenburg, was minder
gecharmeerd van de mummie. Het idee dat de tentoongestelde voorwerpen uit de
provincie afkomstig moesten zijn of anderszins er duidelijk iets mee te maken hadden
werd door hem strict doorgevoerd. Een paradepaardje als de Zwolse mummie
leidde slechts de aandacht van de echt Overijsselse voorwerpen af. Daar kwam nog
bij dat de mummie in het museum niet op de juiste wijze geconserveerd kon worden
en bovendien, weliswaar via een omweg, de aandacht vestigde op een minder fortuinlijke
episode uit de geschiedenis van ons vorstenhuis.87 Nadat in 1969 al de afgietsels
van Egyptische voorwerpen waren vernietigd werd de mummie, die inmiddels
naar de zolder was verhuisd, in 1971 in bruikleen afgestaan aan het Rijksmuseum
voor Oudheden te Leiden. In de collectie van dit museum speelde de Zwolse
mummie een weinig prominente rol.
Tijdens de tentoonstelling in 1987 heeft een nieuwe generatie museumbezoekers kennis
kunnen maken met ‘de oudste inwoner van Zwolle’, die niet alleen een stukje
museumgeschiedenis vertegenwoordigt, maar nog steeds vragen oproept die niet
volledig beantwoord kunnen worden. Het is verleidelijk een gedeeltelijk antwoord
op deze vragen te zoeken door met de gedachte te spelen dat, gezien de samenstelling
van het skelet en de door Dawson gemaakte opmerking over het tijdsverschil tussen
de mummie zelf en de cartonnage, er ooit in Zwolle van twee mummies één gemaakt
is. Maar een dergelijke gedachte, hoe verleidelijk ook, lijkt zelfs voor de met bizarre
verhalen omgeven Zwolse mummie te buitensporig.
29
Met hartelijke dank aan allen die mij bij het onderzoek voor dit verhaal behulpzaam
zijn geweest, in het bijzonder de heer drs. P. W. J. den Otter, die de Zwolse mummie
aan de vergetelheid heeft ontrukt, en mevrouw B. W. J. G. Brutel de la R

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1986, Aflevering 2

Door 1986, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1986
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
&i»&^$(£**nïy~^*&*>x
ZWOL6E HI&TODlcSCHE VEDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER TWEE / JAARGANG DRIE / 1986
29 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
30 De naamgeving aan het Dr. G. Horreüs de Haaspad
Mr G. Loopstra
34 Eindbestemming Zwolle. Het levensverhaal van de negentiende-
eeuwse onderwijzeres Alberdina Woldendorp
Mineke van Essen
VAN DE INSTELLINGEN
46 Tentoonstellingsagenda Provinciaal Overijssels Museum
52 Culturele Raad Overijssel: Basiscursus voor amateurhistorici
BOEKBESPREKINGEN
47 “Fragmenten” Besproken door R.G. Fuks-Mansfeld
50 “Handleiding voor de locale en regionale geschiedbeoefening”
Besproken door Jaap Hagedoorn
49 OPROEP
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W.A. Huijsmans, P. Lindhcud, R.T. Oost (eindredacteur),
mevr. I. Wormgoor & mevr. A. van der Wurff.
Redactie Zwols Historisch Jaarboek:
J.F. Borst (eindredacteur) & P.J. Lettinga.
• Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag woeden verveelvoudigd en /
of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopy.
microfilm of op welke wij^e ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
VAN DE REDACTIE
In deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift treft
U een tweetal artikelen aan. Beide schetsen de levensloop van
bekende Zwollenaren.
Het eerste is gewijd aan Dr. Horreüs de Haas, predikant van de
Nederlands Hervormde Gemeente te Zwolle van 1919 tot 1943 en
prominent lid van de S.D.A.P. Met dit artikel lopen we vooruit
cp de lezing van 27 mei, waarin aandacht besteed zal worden
aan deze bekende Zwollenaar.
In de onderwijzeres Alberdina Woldendorp ontmoeten we een
vrouw, die in een tijd-dat van emancipatie nog geen sprake was,
uitgroeide tot iemand die in de Zwolse geschiedenis zeker een
plaats verdient. Alle aanleiding daarvoor geeft het in dit
nummer opgenomen artikel over haar levensloop.
Eeen tweetal boekbesprekingen, berichten en een beschrijving
van het omslag van ons tijdschrift completeren dit nummer.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift.
30
DE NAAMGEVING AAN HET DR. G. HORREUS DE HAASPAD
MR. G. LOOPSTRA
Op 24 oktober 1985 gebeurde datgene, wat wellicht veel eerder
had moeten gebeuren. De naam van een bijzonder stadgenoot werd
in de registers van de Zwolse straatnamen opgenomen.
De motivatie om naar ds. Horreüs de Haas een pad te noemen bestond
uit de vermelding dat hij van 1919 tot aan zijn dood in
1943 predikant der Nederlands Hervormde gemeente in Zwolle was
geweest. Echter hij zou zijn bekendheid ook ontlenen aan zijn
functioneren als prominent lid van de Sociaal Democratische
Arbeiderspartij (S.D.A.P.).
Zonder enige twijfel mag gesteld worden dat deze motivatie wat
magertjes is. Wanneer we namelijk de literatuur bekijken, dan
blijkt pas hoe moeilijk het is om de enorme verdiensten van Horreüs
de Haas op doeltreffende wijze samen te vatten. Wanneer wij,
als mensen van de jaren ’80 ons eens zouden verdiepen in de werken,
die hij in de jaren ’20 en ’30 geschreven heeft, dan kan er
slechts een beeld ontstaan van een zeer grote en respect afdwingende
persoonlijkheid. Zij die het genoegen hebben gehad om
hem persoonlijk te kennen of naar hem als dominee hebben kunnen
luisteren, zullen dit zeker beamen.
Gerard Horreüs de Haas werd in 1879 te Beneden-Knijpe (Frl.)
geboren. Zowel van vaders- als van moederszijde stamde hij af
van een oud Nederlands Hervormd predikantengeslacht. Hij studeerde
theologie in Groningen en was vervolgens predikant in
Bergum, Sneek en Zwolle. Het langst stond hij in Zwolle, waar
hij in 1943 vrij plotseling overleed.
Horreüs de Haas was een markant man en een bijzonder geliefd
dominee. Bijna altijd preekte hij voor een volle Grote Kerk.
Hij was een man met een uitzonderlijk groot gezag, wiens visie
op Christendom en geloven aansprak bij het kerkvolk. Hij was een
dominee die als uitgangspunt had, dat het in de godsdienst niet
in de eerste plaats gaat om het aanvaarden van het overgeleverde.
In zijn ogen bestond godsdienst voor een groot deel uit zelfstandig
zoeken, strijden en twijfelen. Deze opvatting drukte hij
eens als volgt uit: “In de 73 Psalm en in dat grote boek Job,
daar zijn zij aan het woord, stoute worstelaars met de godsdienstige
twijfel, mensen wier wereldervaring in strijd gekomen
is met het overgeleverde godsdienstige denken, en die nu te maken
hebben met deze vraag: wat moet ik loslaten, de nieuwe ervaring
of het oude geloof, of hoe vind ik de hogere eenheid,
die aan beiden recht laat wedervaren.” 1)
Dr. G. Horreüs de Haas 1879 – 1943.
Voor Horreüs de Haas is deze strijd tussen “daar staat geschreven”
en “ik zeg u”, tussen het overgeleverde godsdienstige
denken en de nieuwe ervaring, zo oud als de wereld en moet die
strijd steeds opnieuw gestreden worden. Zij is het teken van
onze hogere menselijkheid en door deze strijd kan de eeuwige
Waarheid voortgaan in de harten en de geest van de mensen.
Zijn zoeken en twijfel komt echter niet voort uit onzekerheid;
integendeel, het gaat uit van zijn innerlijke zekerheid: de zekerheid
dat het Heilige is. Een wezenlijk godsdienstig leven
betekent “dat wij trots zwakheid en begeerte, trots verblinding
en onzekerheid willen vasthouden aan dat heilige, zijn wegen
willen leren vinden, zijn wil volbrengen en het dienen en beminnen
als het hoogste goed.” 2) Deze visie verklaart volgens
32
mij veel over het leven en werk van Horreüs de Haas. Kon hij
immers niet met bezieling spreken en schrijven over zijn religieus,
socialistische opvattingen als de hogere eenheid die
recht deed aan zowel zijn ervaringen als aan het oude geloof. Hij
was ervan overtuigd, dat de verwezenlijking van de socialistische
idealen de maatschappij wat dichter zou brengen bij de waarheid
van Christus. Hij was er dan ook van overtuigd, dat godsdienst en
socialisme niet strijdig met elkaar waren – een opvatting waarmee
lang niet alle socialisten en godsdienstige mensen in die tijd
het eens waren. Daarbij was voor hem belangrijk dat een levende
religie ook een reformatorische en revolutionaire strekking had
en dat het socialisme niet vereenzelvigd werd met een materialistische
wereldbeschouwing die een religieuze denkwijze uitsloot.
Net zo min als hij alle godsdienstige overleveringen aanvaardde,
aanvaardde hij alle dogmatische socialistische overleveringen.
Zo wilde hij niet voor de keuze gesteld worden Marx
geheel te aanvaarden of hem geheel te verwerpen. Hij wilde daarentegen
die elementen uit de leer van Marx naar voren halen,
waar hij iets van kon leren. En zelfs de kritiek van Marx op de
kerk aanvaardde hij gedeeltelijk wanneer hij zegt: “Bedenkt u
intusschen even met mij, als Marx en de zijnen kwade woorden gesproken
hebben tegen godsdienst en kerk, dat deze het daar ook
vaak behoorlijk naar gemaakt hadden, in den tijd van Marx, vóór
zijn tijd, en na zijn tijd. Immers, godsdienst en kerk, in den
Katholieken en orthodox-Protestantschen zin, hebben helaas – ik
wilde dat het niet waar was, maar het is zoo – ir de wereld niet
altijd het werk van de rechtvaardigheid, van de waarheid en van
de liefde gediend.” 3)
Horreüs de Haas wilde, zich niet neerleggen bij de bestaande situatie
in de wereld, met al haar onrecht en geweld. Religieuze
socialisten waren daarom verplicht tot behandeling van de reële
problemen op sociaal-economisch en politiek gebied en dat in
zo nauw mogelijke samenwerking met de socialistische volksbeweging.
Op die manier zouden zij kunnen meewerken aan het realiseren
van een hogere maatschappijorde van arbeid en eerbied, van
gerechtigheid, waarheid en vrede. 4)
Dit socialisme vanuit zijn Christen-zijn, droeg Horreüs de Haas
niet alleen in Zwolle uit. Overal in den lande werd hij als
spreker gevraagd en ook werden veel van zijn bijdragen gepubliceerd.
Uit al die geschriften blijkt telkens weer zijn enorme
belezenheid. Onwillekeurig vraag je je dan af waar die man de
tijd vandaan gehaald heeft. Hij moet wel over een onuitputtelijke
werklust beschikt hebben. Ondanks zijn meer dan volle
dagindeling vond Horreüs de Haas ook nog tijd om zich te verdiepen
in de actuele politiek. Hij deed dat op een wijze, die
de grootst mogelijke bewondering verdient. Zijn analyses van
33
de wereldpolitiek na de eerste wereldoorlog zijn opmerkelijk
juist, zo kunnen wij 60 jaar later constateren. In de jaren
’30 waarschuwde hij voor Mussert en het Nationaal Socialisme.
Met “Der Mythus des XXen Jahrhunderts” van Alfred Rosenberg,
door Horreüs de Haas de cathechismus van het Nationaal-Socialisme
genoemd, veegde hij de vloer aan. 5) Het was ook Horreüs
die als een der eersten besefte wat er met de weggevoerde joden
gebeurde. Vanaf de kansel ageerde hij met grote moed tegen de
verschrikkingen van het nazisme. Het was echter allemaal vanzelfsprekend
vrjor hem; hij kwam immers altijd op voor de
zwakkeren.
Toen Horreüs de Haas plotseling overleed in 1943, betekende dat
een klap voor zijn gemeente, voor Zwolle, voor het op dat moment
ondergrondse socialisme en voor zeer velen in Nederland. Want
dat is iets wat ik gaarne zou willen benadrukken, hij was een
prominent Nederlander, die voor de vrijzinnig Hervormden èn voor
de S.D.A.P. zeer veel betekend heeft.
Ik denk dat de straatnamencommissie de suggestie van onder andere
de Partij van de Arbeid, op een goede manier vertaald heeft.
Zij heeft immers een pad, dat loopt van kerspel naar stad naar
Horreüs de Haas vernoemd. Doch niet alleen dat. Doorslaggevend
vind ik dat het Horreüs de Haaspad gelegen is bij een belangrijk
groengebied: het Engelse Werk en het Spoolderbos. Horreüs
was een groot natuurliefhebber en het College van Burgemeester
en Wethouders heeft gemeend in zijn stijl te moeten handelen
door milieu-voorlichting en -educatie van de afdeling Plantsoenen
een natuurpad te laten samenstellen: Het Horreüs ae Haas-natuurpad.
Ik hoop dat velen van het pad gebruik zullen maken en
dat zij op gezette tijden zullen beseffen naar welk groot man
het pad is vernoemd.
Dit artikel is geschreven op basis van een toespraak die ik
op 24 oktober 1985 heb gehouden ter gelegenheid van de naamgeving
van het Ds. G. Horreüs de Haaspad.
Noten.
1. G. Horreüs de Haas, “Oorlog en godsdienst” in: Het Nieuwe
Leven I (1915) nr. 2, 55.
2. Ibidem, 59.
3. Christendom en socialisme: verslag van een openbaar debat
tusschen Ds. G. Horreüs de Haas (S.D.A.P.) en Mr. T.J. Verschuur
(R.K.), gehouden op Maandag 8 Februari 1926, te Breda.
Uitgegeven door het gewest der S.D.A.P. in Noord Brabant,
1926, 4.
4. G. Horreüs de Haas, De inhoud van het religieus socialisme
(s.1. ) 1934, 12 en 15.
5. G. Horreüs de Haas, De Mythe van de XXe eeuw. Assen 1937.
34
EINDBESTEMMING ZWOLLE
Het levensverhaal van de negentiende-eeuwse onderwijzeres
Alberdina Woldendorp
MINEKE VAN ESSEN
INLEIDING
In mei 1817 werd te Zwolle het huwelijk voltrokken tussen de 27-
jarige Geert Spijkerman en de vijf jaar oudere Zwolse koekenbakkersdochter
Jannetje Cornelia van der Veen 1). Het was voor
Jannetje wat je noemt een goed huwelijk. Het jaar daarvoor was
haar man benoemd tot hoofdonderwijzer aan de Nutsschool, wat
hem niet alleen een salaris opleverde van f 700,— per jaar
(terwijl een gemiddeld arbeidersgezin van iets meer dan f 200,—
moest rondkomen), maar hem ook een zekere status verschafte: op
een Nutsschool werd niet de eerste de beste benoemd! 2)
Maar welvaart en aanzien zijn geen garantie voor geluk. Het huwelijk
bleef kinderloos en Geert Spijkerman ging meer en meer
op in zijn werk. Zijn belangstelling voor opvoeding en onderwijs
voerde hem regelmatig naar de stad Groningen, toen beschouwd
als het Mekka van onderwijsland. Daar leerde hij zijn
bekwame collega Roelf Gerrit Rijkens kennen en, via deze, diens
bij hem inwonende schoonzuster Alberdina Woldendorp. Met zijn
huwelijk ging het intussen bergafwaarts en Jannetje en hij besloten
om uit elkaar te gaan. De toen nog tolerante, uit de
Franse tijd stammende, huwelijkswetten maakten hen dat gemakkelijk.
In oktober 1831 scheidden zij “bij werderzijdsche toestemming”.
3) Een half jaar later verbrandde Alberdina Woldendorp
alle schepen in Groningen achter zich en vestigde zich te
Zwolle.
Kenners van de Zwolse onderwijsgeschiedenis zal de naam van Geert
Spijkerman ongetwijfeld bekend zijn voorgekomen. Hij was “Zwolle
’s beroemdste schoolmonarch” in de eerste helft van de negentiende
eeuw 4) en werd een gewaardeerd en invloedrijk lid van
het Nederlandsche Onderwijzers-Genootschap, de onderwijzersvakvereniging
uit die tijd. Diezelfde kenners zullen vermoedelijk
niet weten dat Spijkermans Groningse liefde, Alberdina Woldendorp,
eveneens haar sporen in het onderwijs heeft verdiend.
Over deze vrouw gaat dit verhaal.
35
PROVINCIE GRONINGEN. GEMEENTE GRONINGEN.
EXTRACT uit het Register <•' i n het j««r irtn duizend Zt/Vi liwulcrd ~i:*• •" c 7 c • ' 1/ ^ an Vrouwelijke
Handwerken . op rie •Snkool vtfrv deli
O N D E 11 W TJ Z E B
R. G. R IJ K E N S,
Mot cene Voorrede van den laatstgenoemde.
T e. anottitfoEN) a rj
J. O O M K E N S,
t 8 3 y.
Titelblad van het door Alberdina Woldendorp geschreven
boek (uitgave 1827, J. Oomkens Groningen).
40
TOELICHTING BIJ DE OMSLAG VAN HET ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De omslag is gemaakt naar een kopergravure (anoniem, 18e eeuw)
De prent geeft een beeld van Zwolle rond 1600 en wel vanuit he
bij panorama’s, dat de.tekenaar in zijn wens om zoveel mogelij
plaatst. Hoewel het .lijkt, dat men de stad van één punt ziet,
silhouet van de stad wordt daarbij vertekend.
1 Standaardmolen op het Maagdenbastion
2 Schepen op het Zwarte Water_
3 Rodetoren
4 Draketoren
5 Jan Daghtoren .
6 Kamperpoort (Binnen en Buitenpoort)’
7 Peperbus en Onze-Lieve-Vrouwekerk
8 Kruittoren
9 Torentje huis in de Nieuwstraat
10 Grote of St.Michaëlskerk
11 Gelderse Toren
12 Fraterhuiscomplex
41
WOLLA?
getiteld “Swoïla” (ware grootte 106 x 315 mm).
zuiden gezien. In het algemeen (net als op deze prent) geldt
van een stad te laten zien, zich van tijd tot tijd iets vers
dit in feite van verschillende plaatsen af gedaan. Het
13 Fraterhuiscomplex
14 Broerenkerk
15 een waltoren
16 Raadhuistoren en Latijnse School
17 Toren in de Praubstraat
18 H. Geestgasthuis in de Diezerstraat
19 Toren huis in de Bloemendalstraat
20 Bethlehemskerk
21 een waltoren
22 Sassenpoort
23 Dieserpoort Bron: GAZ, Zwolle.
42
duid als “naaivrouw” – door gebrek aan vooropleiding niet
wist hoe ze les moest geven. Als gevolg daarvan duurde het
lang voordat de meisjes de basisvaardigheden onder de knie hadden,
zaten ze soms uren niets te doen omdat de naaivrouw geen
tijd kon vinden om hen vooruit te helpen en werd de sfeer in de
klas gekenmerkt door ordeloosheid. Aandacht voor- het gedrag van
de meisjes, voor de opvoeding dus, kon de onderwijzeres, als
ze al zou weten hoe ze dat moest doen, helemaal niet opbrengen
10).
Alberdina Woldendorp pakte de zaak heel anders aan. In de eerste
plaats werd er op haar school systematisch les gegeven.
Zij verdeelde de klas in groepjes leerlingen van hetzelfde niveau,
bereidde de lessen goed voor, zorgde ervoor dat het
werk ordelijk werd uitgedeeld, opgehaald en opgeborgen en dat
de meisjes voortdurend aan het werk konden blijven. In zo’n
didactisch verantwoorde situatie konden de meisjes echt iets
leren. In de tweede plaats had Alberdina Woldendorp oog voor
de nadelige kanten van een handwerkschool voor de gezondheid
van de leerlingen. Door de hele dag over hun handwerk gebogen
te zitten liepen de meisjes namelijk het gevaar om krom of
scheef te groeien of om hun ogen te bederven. Op Alberdina’s
school hadden stoelen en banken daarom geen rugleuningen, zodat
de meisjes wel gedwongen waren om rechtop te zitten. Ook
liet zij de leerlingen afwisselend met de linker- en de
rechterkant naar het licht plaats nemen. Zo voorkwam ze dat
de meisjes voortdurend in dezelfde houding zaten en als gevolg
daarvan de kans liepen om scheef te groeien. Het. bederven van
de ogen probeerde zij te voorkomen door de meisjes niet te
lang achter elkaar met fijn priegelwerk bezig te laten zijn en
zulk werk ook niet te laten doen bij lamplicht. Om te zorgen
dat de meisjes tijdens de schooluren ook wat beweging kregen,
liet zij ze zo nu en dan naast de bank staan om te zingen 11).
Al deze in onze ogen weinig spectaculaire maatregelen waren
in Alberdina’s tijd nieuw en bijna revolutionair te noemen.
Het is dan ook geen wonder dat haar school al snel een gunstige
naam kreeg.
, Maar de belangrijkste reden waarom de Zwolse burgers hun dochters
zo graag op deze nieuwe handwerkschool plaatsten was niet
‘de kwaliteit van het onderwijs of de aandacht voor de gezondheid,
maar de pedagogische sfeer op de school. Alberdina stelde
namelijk niet het handwerkonderwijs als zodanig centraal,
maar dat wat z*ij zelf omschreef als de “zedelijke volmaking
der jeugdige meisjes” 12), de opvoeding in ruime zin dus. Er
werd aandacht besteed aan het gedrag van de leerlingen (zo was
het de meisjes verboden om te laat te komen en moesten zij bij
aankomst en vertrek keurig groeten), wekelijks hield zij met
43
de leerlingen een soort “klassegesprek” over een behartigenswaardig
onderwerp, tijdens het handwerken moesten de meisjes
om beurten voorlezen uit “nuttige” boeken en de godsdienstige
vorming werd niet uit het oog verloren. Alberdina’s school had
zo meer weg van een opvoedingsinstituut waar meisjes tot goede
aanstaande echtgenoten, moeders en huisvrouwen werden gevormd,
dan van een doorsnee-handwerkschool.
Het enige verschil met zo’n instituut was eigenlijk dat er
geen Frans werd onderwezen, een in die tijd voor ieder welopgevoed
meisje onmisbaar vak. Het ontbreken daarvan vormde voor de
meer welgestelde burgers van Zwolle de enige reden om hun
dochters niet bij Alberdina Woldendorp op school te doen, en
dat speet hun’eigenlijk zeer. Dus vroegen zij Alberdina of het
niet mogelijk was om op haar school ook Franse lessen te laten
verzorgen. Alberdina voelde daar wel voor, maar kon een dergelijke
uitbreiding van het vakkenpakket niet op eigen-.gezag invoeren;
daarvoor was toestemming nodig van het gemeentebestuur.
Dus richtte zij een verzoek met die strekking aa’n B&W van Zwolle
13). Hiermee deed Alberdina Woldendorp voor de derde keer
in haar leven iets uitzonderlijks. Het omvormen van een gewone
handwerkschóol tot een Franse meisjesschool – want daar kwam
het verzoek in feite op neer – was zeer ongebruikelijk.
Een ongelukkiger moment om zo’n verzoek in te dienen was
nauwelijks denkbaar. B&W van Zwolle hadden namelijk korte tijd
tevoren de euvele moed gehad om naast de enige openbare Franse
meisjesschool in de stad een nieuwe, particuliere school van
dezelfde soort toe te staan, en de directrice van de bestaande
school was daar zeer verbolgen over; zij beschouwde dat als
een ontoelaatbare concurrentie 14). Weliswaar week het gemeentebestuur
niet voor de door de directrice uitgeoefende druk
(zij had daar ook alle reden toe; de bestaande school wekte
veel ongenoegen onder de Zwolse burgerij 15) ), maar had bepaald
geen behoefte om door het verlenen van toestemming tot
de oprichting van een derde meisjesschool nog eens extra olie
op het vuur te gooien! B&W besloten daarom het verzoek voorlopig
in beraad te houden 16).
Alberdina zette dus vooralsnog haar school op dezelfde voet
voort. Een jaar later, in oktober 1834, traden Geert Spijkerman
en zij eindelijk in het huwelijk 17). Voor Alberdina betekende
dit echter niet dat zij haar werk opgaf; zij bleef, zoals
meer getrouwde onderwijzeressen in haar tijd, gewoon haar
school houden.
Zo lagen voor Alberdina Woldendorp, eens een gescheiden jonge
vrouw die om den brode wat handwerklessen moest geven, op vijfendertigjarige
leeftijd alle mogelijkheden open. Ze was nog
jong genoeg om moeder te worden, ze zou misschien over een paar
44
jaar aan het hoofd van een gerenommeerde meisjesschool kunnen
staan, ze kon zich ook verder theoretisch gaan bekwamen en
boeken gaan schrijven voor minder deskundige collega’s. Maar
Alberdina kreeg de kans niet meer om die mogelijkheden te verwerkelijken;
op 6 februari 1835 maakte Geert Spijkerman in de
Overijsselsche Courant haar overlijden bekend:
“Haar nuttig werkzaam leven eindigde kalm en zacht,
in den ouderdom van 35 jaren en 9 maanden, nadat
zij, inzonderheid de beide laatste maanden, zeer
veel, doch steeds onderworpen en geduldig, had geleden
aan eene verouderde ongesteldheid der maag.” 18)
SAMENVATTING
De in 1799 te Groningen geboren onderwijzeres Alberdina Woldendoro
kwam in 1832 naar Zwolle om daar haar beroep uit te oefenen
en om er te trouwen met de hoofdonderwijzer van de Nutsschool
Geert Spijkerman. Zij had op dat moment een scheiding achter de
rug, kon bogen op vijftien jaar ervaring in het meisjesonderwijs
en had een pedagogische handleiding voor onderwijzeressen op
haar naam staan. Haar onderwijscarrière werd door haar dood in
1835 voortijdig afgebroken. Zodoende heeft ze nooit de kans gekregen
haar stempel te drukken op het Zwolse – en wie weet ook
het Nederlandse – meisjesonderwijs. De aanzet daartoe was gezien
haar voorgeschiedenis en haar toekomstplannen duidelijk aanwezig.
Vrouwen kregen in de eerste helft van de negentiende eeuw maar
zelden de gelegenheid om uit te groeien tot het formaat van een
Alberdina Woldendorp. Als hun dat – vaak tegen de verdrukking
in – toch lukte, was dat een bewonderenswaardige prestatie. Om
die reden verdient Alberdina Woldendorp een plaats in de Zwolse
geschiedenis.
Noten.
1 Huwelijksakte 29-5-1817, Gemeentearchief Zwolle, Burgerlijke
stand.
2 W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle (1e
druk 1890; Zwolle 1973) 87-88.
3 Stukken echtscheiding Spijkèrman-Van der Veen 1830-1831,
Rijksarchief in Overijssel, Rechtbank van eersten aanleg,
79/1a.
4 Elberts, Historische wandelingen, 193.
5 Voor een kort overzicht van de vrouwengeschiedenis in Nederland
wordt verwezen naar Een tipje van de sluier. Vrouwengeschiedenis
in Nederland 1-3 (Amsterdam 1978, 1980, 1984).
Papenstraat anno 1986
Foto: J.P. de Koning. Collectie: Gem. Archiefdienst.
Op de foto staat de voorgevel afgebeeld van het pand thans
genummerd Papenstraat 10-14. Het rechter gedeelte (nr. 10)
is in 1830 voor 950 gis. aangekocht door het departement
Zwolle van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en
diende tot woning voor de hoofdonderwijzer Geert Spijkerman.
In dit perceel is zijn vrouw Alberdina Woldendorp in
1835 overleden. In het rechter gedeelte (nr. 12-14) is vanaf
1817 tot 1 augustus 1841 de Nutsschool gevestigd geweest.
Op die datum verhuisde de school naar de Bitterstraat
46
6 Mineke van Essen, Onderwijzeressen in niemandsland. Vrouwen
in opvoeding en onderwijs (Nijkerk 1985).
7 De annotatie voor dit onderdeel is te vinden in: Van Essen,
Onderwijzeressen in niemandsland, 10-14.
8 Alberdina Woldendorp, Praktische handleiding voor onderwijzeressen
der aanvangs- of kinderscholen en die der vrouwelijke
handwerken voor jeugdige meisjes (Groningen 1827) XV.
• 9 Voor deze bewering baseer ik me op een schriftelijke uitlating
van de Plaatselijke Schoolcommissie van Zwolle over
Alberdina Woldendorp: “(…)dat zij, voor zoo ver de
Schoolcommissie dit heeft kunnen nagaan, de in dat werkje
gegevene voorschriften met den besten uitslag op hare
school in practijk brengt (…)”; Plaatselijke Schoolcommissie
aan B&W van Zwolle 17-2-1833, Gemeentearchief Zwolle,
AAZ02/149.
10 Van Essen, Onderwijzeressen in niemandsland, 191-209.
11 Woldendorp, Praktische handleiding, 95-138.
12 Ibidem, 95.
13 Verzoekschrift van A. Woldendorp 20-12-1832, Gemeentearchief
Zwolle, AAZ02/148.
14 Notulen Plaatselijke Schoolcommissie 27-3, 6-6, 19-7, 3-10
1833, ibidem, CA 013.
15 “Het onderwijs in Overijssel tussen 1830 en 1850 volgens de
rapporten van de inspecteur Wijnbeek”, R. Reinsma ed., Verslagen
en mededelingen van de vereeniging tot beoefening van
Overijsselsch regt en geschiedenis 79 (1964) 83.
16 Notulen Plaatselijke Schoolcommissie 7-2-1833, Gemeentearchief
Zwolle, CA013
17 Huwelijksakte 6-10-1834, ibidem, Burgerlijke stand.
18 Overijsselsche Courant, 6 februari 1835.
AGENDA
TENTOONSTELLINGSAGENDA PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
18.04 – …08 ZWANEN IN DE STADSGRACHT
Drostenhuis (wisselkabinetten) (Melkmarkt)
09.08 – 18.08 KERMISTENTOONSTELLING
Gouden Kroon (Voorstraat)
07:09 – 07.12 VEESCHILDERSTUK
Gouden Kroon en Drostenhuis
Leden van de Zwolse Historische Vereniging hebben op vertoon
van hun ledenkaart gratis toegang tot het museum (geldt ook
voor huisleden).
47
BOEKBESPREKING
FRAGMENTEN. JOODS LEVEN IN ZWOLLE EN OMGEVING
Redactie J. van Gelderen
IJsselakademie Kampen, Kampen 1985.
111 pagina’s, prijs ƒ 14,40.
R.G. FUKS-MANSFELD
Fragmenten uit een voltooid verleden tijd zijn in deze bundel
samengevat. Weliswaar draagt de titel van het boek het woord
“leven”, maar zoals in vele studies, die zich bezighouden met
de geschiedenis van de joden in de Nederlandse provincies vóór
en tijdens de tweede wereldoorlog, gaat de beschrijving van het
joodse leven maar al te vaak over in registratie van de gang
naar vernietiging.
Het is niet anders in de opstellen, die de inhoud van dit boek
vormen. Of het gaat om voormalige synagoges, die liefderijk gerestaureerd,
nu alleen nog stenen getuigenissen zijn, of om de
geschiedenis van een familie of om het joodse onderwijs in Zwolle,
het eindpunt is de ondergang van het merendeel van de mensen,
die eens op hun eigen wijze mede het leven van woonplaatsen bepaald
hebben.
Er is de laatste jaren veel onderzoek gedaan naar de geschiedenis
van de joden in verschillende Overijsselse en Gelderse
plaatsen en ook deze bundel draagt weer enige bouwstenen aan
voor het nog te schrijven overzichtswerk.
De bundel valt in twee delen uiteen. De eerste vier bijdragen
zijn gewijd aan aspecten van de geschiedenis van de joden in
Zwolle, de enige in de bundel behandelde stad, die ook thans
nog een joodse gemeenschap herbergt. A.J. Mensema beschrijft
de bouwgeschiedenis van de synagoge in de Schoutenstraat, die
in 1899 werd ingewijd en thans in veranderde vorm weer ten
dienste staat aan de joodse gemeenschap in Zwolle. J. Hagedoorn
geeft een goed gedocumenteerde levensbeschrijving van Overijssels
laatste opperrabbijn S.J. Hirsch (1872 – 1941). Daarna
volgt een gedetailleerd genealogisch overzicht van de familie
Stibbe, samengesteld door P. Jonkers-Stroïnk en G. Sylvain Kahn.
Hierin zijn veel gegevens bijeengebracht over deze oude Overijssels-
joodse familie, waarvan zovele telgen hun einde in
Duitse vernietigingskampen vonden.
Het belangrijkste stuk van het eerste deel van de bundel is de
omvangrijke studie over het joodse onderwijs in Zwolle van 1941
48
tot 1943 door I. Vierstraete-Erdtsieck. Zij maakte een diepgaande
studie van de op bevel van de Duitse bezetters in het
leven geroepen joodse scholen in Zwolle. Omdat joodse kinderen
sinds 1941 niet meer samen met niet-joodse kinderen onderwijs
mochten genieten, moesten er voor de joodse kinderen van Zwolle
en omgeving een nieuwe lagere school, een ULO-school en een
Lyceum worden opgericht. De leerkrachten bestorden uit inmiddels
uit het Nederlandse onderwijs ontslagen joodse onderwijskrachten.
De schrijfster heeft niet alleen de gemeentelijke
archieven over het onderwerp geraadpleegd, zij geeft ook een
beschrijving van de ontwikkeling van het joodse onderwijs in
Nederland tussen 1850 en 1941. Maar het belangrijkste deel van
haar studie is gewijd aan de beschrijving van de docenten en
leerlingen. Zij heeft hiervoor nog in leven gebleven ex-docenten
en -leerlingen geïnterviewd, om de ambtelijke gegevens aan
te vullen. Ook het moeizame rechtsherstel van de onderwijskrachten,
die de oorlog overleefden, heeft zij in haar onderzoek
betrokken.
Aan het einde van de studie is een lijst opgenomen van de
kinderen en leerkrachten, die de Zwolse joodse scholen bevolkten.
Vooral van de kinderen is de meerderheid omgekomen,
achter de namen van hele klassen staat het onheilspellende
“overleden in Auschwitz of Sobibor”. Het onderzoek
naar het lot van deze mensen moet uiterst tijdrovend en moeizaam
geweest zijn. De studie van mevrouw Vierstraete weerspiegelt
niet alleen op kleine schaal de tragedie van het Nederlandse
jodendom in de tweede wereldoorlog, maar toont ook aan,
hoe plichtsgetrouw en zonder enige terughouding de plaatselijke
bestuurders alle bevelen van de Duitse bezetter inzake de. joodse
medeburgers hebben uitgevoerd. Geen aarzeling bij het doorvoeren
van de segregatie van joden en niet-joden, geen uitstel bij het
opgeven van het aantal joden in de gemeenten, geen uiting van
medelijden of solidariteit met de getekenden.
Dit probleem wordt ook op treffend eerlijke wijze aangestipt
door H. Smit, burgemeester van Zwartsluis, wiens rede bij de
onthulling van een plaquette ter nagedachtenis van de omgekomen
joden in zijn gemeente in de bundel is afgedrukt.
Het boek wordt besloten met twee korte overzichten over de geschiedenis
van de joden in Hattem en Dalfsen en een bibliografie
over de geschiedenis van de joden in het land van IJssel
en Vecht, samengesteld door J. van Gelderen.
Een beetje uit het historische kader valt de studie van J. Nijen
Twilhaar over Jiddische vormen in enkele Westoverijsselse dialecten,
waarin de Jiddische uitdrukkingen in het werk van de
joodse schrijver uit Kampen, Samuel Goudsmit (1884 – 1954) uitvoerig
worden geanalyseerd.
49
Uit de bibliografie aan het einde van de bundel blijkt, dat
reeds veel studies over de geschiedenis van de joden in de 0-
verijsselse gemeenten zijn verschenen. Daarbij zijn ook nog
nieuwe bronnen over het onderwerp voor nadere studie ontsloten.
In 1985 zijn de inventarissen van het archief van rabbijn Dr.
J. Frankel, de voorganger van Opperrabbijn Hirsch, en van het
archief van de joodse gemeente in Oldenzaal gereed gekomen.
Beide archieven bevinden zich in de Bibliotheca Rosenthaliana,
Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Misschien is de tijd
aangebroken, om alle krachten en fragmenten te bundelen en te
komen tot een omvattende geschiedenis van de joden in Overijssel,
als een waardig vervolg op het werk van Helena Poppers?
1).
Noot.
1. Helena Poppers, De Joden in Overijssel van hunne vestiging
tot 1814. (Nagelaten Dissertatie). Utrecht 1926.
OPROEP
Vanuit een instelling voor ontwikkelingsgestoorde kinderen te
Zeist zijn ons vragen gesteld over de schutspatroon van Zwolle,
St. Michaël. In die instelling viert men jaarlijks, op 29
september, het Michaëlsfeest. Graag zou men het een en ander
te weten willen komen over St. Michaël:
– zijn er – naast de legende van de draak in het Zwarte Water
– nog andere legenden met betrekking tot St. Michaël
bekend ?,
– waarom is St. Michaël schutspatroon van Zwolle?,
– waren er stadsfeesten ter ere van St. Michaël, bijvoorbeeld
op 29 september?,
– zoja, wanneer werden die gehouden en wat voor type feesten
waren het?
Willen leden die op één of meerdere vragen een antwoord weten
of over eventuele andere informatie beschikken, kontakt opnemen
met het secretariaatsadres Diezerplein 37 te Zwolle?
50
BOEKBESPREKING
HANDLEIDING VOOR DE LOCALE EN REGIONALE GESCHIEDBEOEFENING
IN OVERIJSSEL
G.G.J. RENSEN
Uitgave van het ‘Beraad van historische instellingen en organisaties
in Overijssel’, Zwolle 1985.
238 pagina’s. Prijs f 25,— (bij toezending f 30,—). Verkrijgbaar
bij onder andere het Rijksarchief in Overijssel
te Zwolle, de IJsselakademie te Kampen en het gemeente-archief
te Deventer.
JAAP HAGEDOORN
De historische en heemkundige verenigingen schieten de laatste
tijd als paddestoelen uit de grond. Als voorbeeld hiervan mag
gelden het aantal historische tijdschriften en reeksen dat momenteel
wordt uitgegeven. Dit zijn er totaal zo’n 50. Ongeveer
70% daarvan beleefde zijn eerste uitgave tussen 1975 en 1985
(p. 229-238). De belangstelling voor het verleden is dus groot
en groeiende. Om die behoefte aan historische informatie te bevredigen
is echter onderzoek nodig. En dit is vaak de grote
zorg van de verschillende redacties: er wordt te weinig relevant
en kwalitatief goed onderzoek gedaan. Al te vaak moeten de
redacties terugvallen op een klein groepje zeer actieve, schrijvende
verenigingsleden, die ook nog moeilijk tot schrijven zijn
over te halen. Een groei van de historische belangstelling
vraagt dus onder andere groei van historisch onderzoek, met name
op locaal en regionaal gebied en verricht door meer mensen.
Het in 1983 ingestelde “Beraad van historische instellingen en
organisaties in Overijssel” moet tot dezelfde conclusie zijn
gekomen. Daarom werden in het seizoen 1984-1985 voor het eerst
twee (in Twente en in West-Overijssel) cursussen voor locaalen
regionaal-historisch onderzoek in Overijssel georganiseerd.
Voor beide cursussen bestond al gauw een wachtlijst. Ook dit
jaar vinden de cursussen weer plaats. De bedoeling is de cursisten
de vaardigheden bij te brengen, die vereist zijn om
zelfstandig historisch onderzoek te doen en te verwerken tot
51
een historisch werkstuk. Op basis van het materiaal van de
eerste cursus schreef Gregor Rensen een Handleiding voor locale
en regionale geschiedbeoefening in Overijssel, die in de
toekomstige cursussen gebruikt zal worden, maar ook los verkrijgbaar
is.
Na een inleidend hoofdstuk over de vragen wat (locale en regionale)
geschiedenis en het nut ervan is, behandelt de schrijver
de verschillende stadia van een historisch onderzoek: van het
kiezen en afbakenen van een onderwerp, via literatuur- en archiefonderzoek
en het gebruik van overige bronnen en hulpwetenschappen,
tot het verslag doen in een historisch werkstuk.
Het is niet eenvoudig een Handleiding als deze te recenseren,
vooral waar het gaat om de gepresenteerde, vrij universele methode
van historisch onderzoek. Historische discussiepunten
ontbreken, behalve misschien in het eerdergenoemde eerste
hoofdstuk, zodat van interpretatieverschillen geen sprake kan
zijn. Daarom wil ik hier ingaan op de vormgeving van, of de
wijze waarop de methode aangereikt wordt en op het belang van
de Handleiding.
Rensens werk blinkt uit in duidelijkheid. Omstandig wordt uit
de doeken gedaan wat de ideale weg is om locale en regionale
geschiedenis te beoefenen. Het betoog is over het algemeen begrijpelijk
gesteld, maar het zijn vooral de vele en zeer toepasselijke,
vaak op Overijssel betrekking hebbende voorbeelden,
die de duidelijkheid van het werk bevorderen. Uit alles blijkt
dat de auteur zich gedegen heeft ingewerkt vóór hij zijn Handleiding
schreef; hij heeft daarbij ongetwijfeld de beschreven
methode gevolgd! Daarnaast wil ik nog de literatuurlijsten
noemen die elk hoofdstuk besluiten. Zij zijn zeer belangrijk
voor wie meer over het betreffende onderwerp wil weten.
Het belang van de Handleiding kan dus niet hoog genoeg geschat
worden. Zij werkt daarnaast ook nog drempelverlagend: de leek
ziet nu eindelijk eens dat al die onderzoekers die in archiefzalen
of studeerkamers aan het werk zijn, niets anders doen dan
het volgen van een aangeleerde, door ervaring gerijpte methode.
Een methode die aan te leren is.
Tenslotte is de Handleiding een dankbaar naslagwerk voor ongeoefende
en geoefende onderzoekers in Overijssel. Hoewel het
boekwerk aanvankelijk nogal kloek en uitgebreid lijkt, zal bij
nadere lezing blijken dat het een onmisbare overlevingsmethode
bevat om de eerste wankele schreden op het pad van de geschiedbeoefening
te zetten en het complete doe-het-zelf-pakket voor
52
de gevorderde liefhebber vormt. In sommige gevallen is het
zelfs wenselijk, dat opgeleide en min of meer geoefende historici
eens een blik werpen in de Handleiding.
U ziet het, ik ben enthousiast. Eindelijk een handleiding voor
de geschiedbeoefening in Overijssel, die het meer mensen mogelijk
maakt onderzoek te doen. Dit enthousiasme weerhoudt mij
dan ook om kritische opmerkingen te maken over enkele zeer,
zeer ondergeschikte zaken. Ik zou willen besluiten met de oproep
de Handleiding te kopen, te lezen en te gebruiken, zodat
in de toekomst wellicht ook Uw artikelen de pagina’s van ons
Tijdschrift of Jaarboek zullen vullen.
(N.B.: de eerste oplage van de Handleiding is inmiddels uitverkocht.
Een herdruk is in voorbereiding. Wij houden U op
de hoogte over het verschijnen ervan).
BERICHT VAN DE CULTURELE RAAD OVERIJSSEL
Basiscursus voor amateurhistorici
Het “Beraad van Historische Instellingen en Organisaties” heeft
besloten ten derde male de basiscursus voor amateurhistorici te
verzorgen. De cursus zal bestaan uit tien lessen van 2A uur elk,
die parallel aan elkaar gegeven zullen worden in Enschede en
Zwolle in de periode oktober 1986 – maart 1987. Tijdens de cui—
sus komen aan de orde:
– het opzetten van een historisch onderzoek (1 les),
– literatuur- en bibliotheekonderzoek (3 lessen),
– archiefonderzoek (4 lessen),
– onderzoek in een museum (1 les) en
– evaluatie en afsluiting (1 les).
Men kan zich opgeven bij de secretaris ad interim van het “Beraad”,
mevrouw I. Wormgoor, p/a Culturele Raad Overijssel,
Nieuwstraat 55 te Zwolle, telefoon 038 – 212863, bij wie men
ook voor nadere informatie terecht kan.
De deelnemerskosten zullen circa f 140,— per persoon bedragen.
Hierbij is de 250 pagina’s tellende “Handleiding voor de locale
en regionale geschiedbeoefening in Overijssel” inbegrepen.
(Zie voor bespreking van deze “Handleiding” elders in dit nummer)
.
BESTUUR:
voorzitter:
J. Hagedoorn
secretaris:
B.H. Edel
penningmeester:
H. Brassien
lid/eindredacteur Jaarboek
J7F. Borst
lid/eindredacteur Tijdschrift
R.T. Oost
SECRETARIAATSADRES:
Tyassenbelt 28,
Diezerplein 37,
Brederostraat 76,
Meenteweg 7,
Jellissenkamp 2,
Diezerplein 37 8021 CT
LEDENADMINISTRATIE:
Brederostraat 76 8023 AV
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH JAARBOEK:
Meenteweg 7 8041 AT
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT:
Jellissenkamp 2 8014 EW
GIROREKENING:
5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
type/layout: henk brassien/OLIVETTI-livius (90%)
druk: Adm.centrum “DE SASSGNPOORT” – Zwolle
omslag: “SWOLLA”, kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden
(ware grootte: 196 x 315 mm).

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1985, Aflevering 2

Door 1985, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ALS ££JN
JJN DE
MAALSTROOM
T T ” – ; . : • – • Zwolle tijdens de
tweede wereldoorlog i

ALS ££N
STKOOTJ£
JJN DE
JVIAALSTKDOJV]
Zwolle tijdens de
tweede wereldoorlog
onderredactie van:
J.Hagedoorn
W.A.Huijsmans
I. Wormgoor
A. van der Wurff
Zwolle 1985
CIP-gegevens Koninklijke Bibliotheek Den Haag
Als
Als een strootje in de maalstroom : Zwolle tijdens de tweede wereldoorlog
/ red. J. Hagedoorn … [ et al. ; foto’s I. Wormgoor … et
al.] . – Zwolle : Zwolse Historische Vereniging. – Foto’s
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-03-2
SISO over 938.1 UDC 949.2 8000 “1940/1945”
Trefw.: Zwolle ; Wereldoorlog II.
Colofon:
Omslagontwerp: B.Oost
De letter van de titel is gemaakt met behulp van een sjabloon dat in de tweede wereldoorlog
gebruikt is bij de vervaardiging van het illegale blad Luctor et Emergo,
dat in de Zwolse regio verspreid werd. De foto toont het silhouet van Zwolle rond
1940.
Foto’s: I.Wormgoor, J.Hagedoorn en de gemeentelijke fotodienst J.P. de Koning.
Zet- en drukwerk: Administratie- en dienstencentrum “de Sassenpoort” te Zwolle.
Copyright © 1985, Zwolse Historische Vereniging.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden
door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze dan
ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUDSOPGAVE
Ten Geleide door J.C.H.Blom 7
Als een strootje in de maalstroom 9
Oorlog en bevolkingsgroei, Zwolle 1930-1955
door Jan Demmer, Martin Verboom en Jaap Hagedoorn 18
Met de neus in de boeken
door Jaap Hagedoorn 31
Gezag en vrijheid door Berend Meijering 47
De N.S.B, in Zwolle voor 1940
door Bert Benthem en Bert Edel 62
Geen daden, maar woorden
door Nico Habermehl 78
De joodse Duitse vluchtelingen in Zwolle, 1933-1943
door Iet Vierstraete-Erdtsieck 89
Een mens die jood was
door Jaap Hagedoorn 112
De Centrale Keuken te Zwolle, 1941-1945
door Janet Dijk en Erna Reuver 126
Mogelijk vergeven, vergeten nimmer meer
door Rianne Last en Monique Raggers 145
Illustratieverantwoording 155
De auteurs 156
daartegen centraal, geleidelijk krijgen nu ook de maatschappelijke structuur en verhoudingen,
in hun ontwikkeling onder invloed van een reeks van factoren werkzaam
in het tijdvak 1940-1945* veel aandacht.
Bij de aanvaarding van mijn ambt als hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis
heb ik in dit verband onder meer gepleit voor „een systematische beschrijving en
analyse van de stemming onder de bevolking, de mentaliteit en de wijze waarop de
omstandigheden en gebeurtenissen in de periode mei 1940 – mei 1945 werden beleefd”
en ook voor bestudering van de geschiedenis van het dagelijks leven in deze
jaren. * Lokale geschiedenis kan daarbij een belangrijke rol spelen. Lokaal onderzoek
heeft immers meer mogelijkheden om dicht bij de concrete werkelijkheid van
de massa’s van de bevolking te komen dan onderzoek dat zich vooral richt op de
gebeurtenissen op het centrale landelijke niveau. Om het dagelijks leven in al zijn
trivialiteiten, die echter voor elk afzonderlijk individu van het allergrootste belang
waren, te betrappen kan men de onderzoekseenheid bij wijze van spreken niet
klein genoeg maken. Wat betekende nu precies het uitbreken van de oorlog, de
komst van de bezetter en de reeks van maatregelen gedurende de jaren 1940-1945
voor de gewone burger? Kon hij zijn gewoontes, routines, wellicht zijn sleur, voortzetten?
Of veranderde hij,-al dan niet uit vrije wil, zijn leven? Zo ja, hoe dan precies,
wanneer en onder welke invloeden? Dat zijn, mijns inziens boeiende, vragen
waarop het niet altijd gemakkelijk te geven antwoord wellicht bij uitstek door
lokaal onderzoek gegeven kan worden. .•>•’•
Vandaar dat ik met veel genoegen deze bundel studies over Zwolle tijdens de
tweede wereldoorlog van dit Ten Geleide voorzie. Hij vormt een welkome bijdrage
— vanzelfsprekend zonder het laatste woord te spreken — tot concreter en gedetailleerder
en dus tot beter en dieper inzicht in de geschiedenis van Nederland in de
periode 1940-1945.
Amsterdam, januari 1985
1 J.C.H. Blom, In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd
in Nederland (Bergen 1983) 18e.v.
8
ALS EEN STROOTJE IN DE MAALSTROOM
Inleiding
In het voorjaar van 1985 wordt herdacht dat Nederland 40 jaar tevoren werd bevrijd
van de Duitse bezetting. In die lente van 1945 kwam er een eind aan vijfjaar
onvrijheid, knechting en vervolgingen. De herdenking van de bevrijding van Zwolle
was voor de Zwolse Historische Vereniging aanleiding om een bundel met artikelen
over Zwolle in oorlogstijd te laten verschijnen.l
Als uitgangspunt voor deze studie kozen wij de rede van dr. J.C.H.Blom, die hij
uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de geschiedenis
sedert de Middeleeuwen aan de Universiteit van Amsterdam.2 Hij is de laatste jaren
naar voren gekomen als spreekbuis van een groeiende groep historici die zich af wil
vragen, welke invloed de tweede wereldoorlog op de Nederlandse samenleving heeft
gehad. Dus niet zo zeer de oorlog als „ijkpunt in de tijd zien”, zoals hij in zijn Ten
Geleide bij deze bundel zegt, maar de bezettingsperiode beschouwen als fase in de
ontwikkeling van de samenleving over langere duur. Blom pleit hierbij vooral voor
systematisch onderzoek op locaal niveau. In deze bundel zullen wij enige antwoorden
zoeken op de vraag, wat er in Zwolle als gevolg van de bezetting veranderde
voor de samenleving en het individu, die als een strootje in de maalstroom van de
grote wereldbrand werden meegezogen, vaak niet in staat zich tegen de gang van
die stroom te verzetten.
De jaren 30
Zwolle was in de jaren 30 een middelgrote provinciehoofdstad met ruim 40.000 inwoners.
De stad was vooral een markt- en dienstencentrum voor het omringende
platteland en de gehele provincie. De ontwikkeling van de industrie was achtergebleven,
op de vestiging van een Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen
na, die aan ongeveer 1000 mensen werk bood. Het Zwolse stadsbestuur had in de
eerste 30 jaar van deze eeuw verzuimd het economisch leven, met name op industrieel
gebied, enigszins te stimuleren. Dit betekende dat de stad, ondanks de
toestroom van grote aantallen mensen van het omringende platteland, voor vele,
vooral jonge, zich ontwikkelende gezinnen slechts een tussenstop naar het westen
van het land betekende. Zwolle had kortom geen mogelijkheden om het groeiende
aantal eigen en de toestromende nieuwe inwoners voldoende werk te bieden.3 In
het navolgende demografische onderzoek zien we dan ook naast een hoog vestigingscijfer
een hoog vertrekcijfer, een situatie die tot na de tweede wereldoorlog
zou voortduren. Deze ontwikkeling beperkte de bevolkingsgroei in het vooroorlogse
Zwolle.
De economische crisis van de jaren 30 sloeg ook in Zwolle toe. De nood duurde
hier langer dan in de rest van Nederland. De sluiting in 1938 van de al eerder genoemde
Centrale Werkplaats beroofde velen van werk en noodzaakte anderen uit
Zwolle te vertrekken. De Zwolse werkgelegenheid was nauwelijks genoeg voor de
bevolking en kon de vrijkomende arbeidskrachten geen werk bieden, zodat die
moesten vertrekken of armoe lijden. Dit had tot gevolg dat ook de middenstand
een gevoelige klap kreeg. Zij verloor een deel van haar klanten, terwijl andere klanten
minder te besteden hadden; ook de middenstand zag haar inkomsten dalen. De
overheidsmaatregelen tegen de gevolgen van de crisis, bezuinigingen, het handhaven
van de gouden standaard, bescherming van de eigen markt, verhoging van de belastingdruk,
en de steun voor werkelozen, brachten geen oplossing, wat weerstand
opriep onder de bevolking. Dit verzet uitte zich ook op politiek gebied, wat bij de
statenverkiezingen van 1935 vooral in het voordeel werkte van de fascistische
Nationaal-Socialistische Beweging. In het artikel over de N.S.B.-aanhang in Zwolle
wordt bewezen dat de Beweging vooral steun kreeg uit de gegoede kringen en de
middenstand. Binnen deze twee groepen werden de sociale en economische veranderingen
die plaatsgevonden hadden, door velen als een bedreiging van de eigen
positie ervaren. De Zwolse aanhang van de N.S.B, was echter niet zo groot als de
landelijke.
Anderen bestreden het opkomend fascisme, zoals blijkt uit het artikel over de
antirevolutionaire kiesvereniging te Zwolle. Al vroeg wezen enkelen uit deze vereniging
de totaliteitseis van het nationaal-socialisme af, vooral om de prioriteit die
deze beweging toekende aan het staatsbelang boven het belang van de wil van God.
Weer anderen vreesden de nationaal-socialisten, vooral de, in de ogen van de laatsten
minderwaardige en rasvijandigej joden. Het op het dagboek van een joodse
Zwollenaar gebaseerde artikel spreekt over de spanningen en angsten die deze man
als gevolg van het opkomend fascisme en de oorlogsdreiging doormaakte. „Op wie
ontlaadt zich de opgehoopte spanning?”, zo vraagt hij zich af, om te concluderen
dat de joden er slachtoffer van zullen worden. Een ander artikel belicht het lot van
een groep die de antisemitische gevolgen van het fascisme aan den lijve hadden
ondervonden: de joodse Duitse vluchtelingen, die vanaf 1933 en vooral na de
Kristallnacht van 1938 naar Nederland kwamen. Zij werden door de overheid aan
hun lot overgelaten, als zij al toestemming kregen om hier te mogen verblijven.
Alleen van particulieren, en dan met name van joodse zijde, konden zij steun
verwachten.
De economische recessie bracht grote armoede en welstandsvermindering onder
de bevolking, ook in Zwolle. De overheid en particuliere instanties verleenden steun
aan de werklozen en armen, hetzij in financiële vorm, hetzij door het starten van
10
werkverschaffingsprojecten. Een curieus vooroorlogs sluitstuk op deze steunverlenende
instanties was de Commissie voor Geestelijke en Moreele Herbewapening,
die in 1939, zoals elders, in Zwolle in het leven werd geroepen. De ideeën waar de
Commissie zich op beriep, eenheid en een gezamenlijke, op ideële gronden gebaseerde
aanpak van de eigentijdse problemen, bleken al gauw een illusie. De werkzaamheden
van de Commissie richtten zich uiteindelijk op het inzamelen van
gelden om hier een soort liefdadigheid mee te bedrijven. Pas na de tweede wereldoorlog
zou het probleem van de sociale voorzieningen door de overheid op meer
afdoende wijze worden opgelost. Van eenheid bleek ook geen sprake. De bevolking
was nauwelijks bereid het werk van de Commissie financieel te steunen. Pas onder
druk van de Duitse bezetting groeide er in de oorlogsjaren een gevoel van eenheid
onder een groot deel van de bevolking, dat echter vrij snel na het einde van de
oorlog verdween.
De bezetting van Zwolle op 10 mei 1940
11
Van 1940 tot 1945
Op 10 mei 1940 viel een Duitse legermacht zeer onverwacht Nederland binnen. Om
vier uur ’s middags werd Zwolle zonder incidenten door Duitse stoottroepen bezet.
De verwarring was groot, zo blijkt uit het al eerder genoemde dagboek van
Nico Herschel. Men was overdonderd. Van enige paniek blijkt uit een verslag van de
gemeentelijke dienst voor sociale zaken. Deze dienst verleende in de eerste oorlogsdagen
f. 60.000,- aan voorschotten aan particulieren. Na de eerste paniek keerde
echter de rust weer. Het bovengenoemde verslag meldt dat binnen een week alle
tewerkgestelden op de werkverschaffingsobjecten terugkeerden. Nico Herschel, die
in Arnhem werkte, maar in de eerste oorlogsdagen naar Zwolle reisde, keerde na
een kort verblijf weer naar Arnhem terug. Nederland was bezet en de bezetter liet
zich (nog) van een goede kant zien. Het is nu zaak vast te stellen in hoeverre de
bezetting invloed op de Zwolse samenleving uitoefende.
Voor twee groepen trad met de bezetting een verandering van hun positie in.
De N.S.B., en daarmee haar leden, kwam aan de kant van de bezettende macht te
staan. Vanaf het moment van de bezetting werden N.S.B.-ers door velen als handlangers
van de bezetters gezien. Vanaf juni 1940 deden zich in verschillende wijken
van de stad kleine ordeverstoringen voor. Het publiek nam namelijk ‘geregeld’ een
vijandige houding aan bij activiteiten van geüniformeerde N.S.B.-ers en W.A.-ers,
zoals het verspreiden van propagandadrukwerk?
De andere groep, de joodse Nederlanders en vluchtelingen, zag zich steeds verder
in een hoek gedrukt en geïsoleerd van de rest van de Nederlanders door verboden,
registratie en deportatie. De vraag is hoevelen hun lot beseften. De joodse
vluchtelingen zullen zich geen illusies gemaakt hebben over de bedoelingen van het
hen bekende nazi-regiem. Nico Herschel aanvaardde de hem opgedrongen nieuwe
verhoudingen. Hij probeerde daar binnen een nieuwe toekomst op te bouwen. Drie
jaar na het begin van de bezetting was de joodse gemeente van Zwolle vernietigd,
haar leden vermoord, ondergedoken of in concentratiekampen bijeengedreven.
De demografische ontwikkeling week in de eerste oorlogsjaren nauwelijks afvan
die in de laatste vooroorlogse jaren, zoals in het desbetreffende artikel te lezen valt.
In de voedselvoorziening trad voorlopig geen belangrijke wijziging op, met uitzondering
van de invoering van een algemeen distributiestelsel voor een groeiend aantal
produkten. Uit voorzorg werd in april 1941 een Centrale Keuken in gebruik genomen,
waar goedkope en voedzame maaltijden werden bereid. Slechts vijf procent
van de Zwolse bevolking betrok regelmatig eten van deze keuken. Ook het artikel
over het bibliotheekgebruik laat in de eerste bezettingsjaren geen verandering in dit
gebruik zien. Het vooroorlogse leven leek zich te continueren. In de antirevolutionaire
kiesvereniging ontstaan kort na het begin van de oorlog ideeën van verzet
tegen de bezettende macht. Deze ideeën konden echter niet uitgewerkt worden,
omdat de vereniging in de loop van het eerste bezettingsjaar gedwongen werd haar
activiteiten te staken.
Pas na 1941 zien we veranderingen optreden. Onder de Zwolse bevolking heerste
regelmatiger onrust. Op de vordering van 434 fietsen in juli 1942 werd zeer
scherp gereageerd, alhoewel zich geen ongeregeldheden voordeden. Vanaf februari
tot en met mei 1943 was de stemming onder de bevolking merkbaar onrustig, als
gevolg van de arrestatie van enkele scholieren, geruchten over de inzet van Nederlandse
arbeidskrachten in Duitsland en de terugvoering in krijgsgevangenschap van
het beroepskader van het voormalige Nederlandse leger. Op 30 april 1943 brak naar
aanleiding van dit laatste een algemene staking uit, zoals elders in Nederland, in
verschillende bedrijven en openbare diensten. Als represaille werden 26 personen
van hun bed gelicht, waarvan er 20 naar het strafkamp Vught werden vervoerd, en
werd het politiestandrecht afgekondigd. De openbare rust en orde keerden weer
in Zwolle.’
Eind 1944 zien we pas een ontregeling ontstaan in het Zwolse openbare leven,
als gevolg van de oorlogsdreiging na de invasie in juni 1944. Het aantal sabotagedaden
nam toe, evenals de represaillemaatregelen door de bezetters. Het onderwijs
stagneerde door de vordering van de gebouwen door de Wehrmacht. Bedrijven
moesten sluiten door de wegvoering van arbeidskrachten en een tekort aan brandstoffen
en elektriciteit, die ook maar mondjesmaat aan de bevolking geleverd werden.
De aanvoer van goederen stagneerde en er ontstonden problemen in de voedselvoorziening.
Deze chaos en ontwrichting werd groter naarmate de bevrijding
van Zwolle, in april 1945, dichterbij kwam.
Onder deze omstandigheden zien we na 1941 veranderingen optreden in de
demografische ontwikkelingen. Het huwelijkscijfer voor 1942 was hoog, wat mede
een oorzaak was van de stijging van het geboortencijfer voor 1942 en 1943. Het
huwelijkscijfer was na deze piek tot 1945 dalende. Het geboortencijfer stabiliseerde
zich op het hoge niveau van 1942. De schaarste en de verzwakking van de Iichaamsconditie
begon zich vanaf 1943 in het sterftecijfer af te tekenen. Het was tot 1946
stijgende. De schaarste was echter tot eind 1944 niet nijpend, zo blijkt uit het
Centrale-Keukenonderzoek. Daarna werd de voedselvoorziening slechter en in
maart 1945 at een kwart van de Zwollenaren dagelijks maaitijden van de Centrale
Keuken. Deze maaltijden zuilen, gezien de schaarste, van mindere kwaliteit zijn
geweest dan in de voorgaande jaren. Een hongersnood, zoals in het westen van
Nederland, heeft in Zwolle echter niet geheerst; het Zwolse sterftecijfer bleef onder
het landelijke.
Een probleem voor velen was inmiddels de besteding van de vrije tijd. Maatregelen
van de bezetters maakten verschillende activiteiten onmogelijk of minder
13
t
April 1945: een vluchtende Duitser
interessant, zoals uit het onderzoek naar de Zwolse leesgewoonten in oorlogstijd
naar voren komt. Velen grepen naar een boek en vanaf 1942 stegen de aantallen
leden en uitleningen dan ook drastisch. Een gebrek aan voldoende aanvoer van
nieuwe boeken verhinderde veelal, dat de lezers de boeken kregen die ze graag
wilden lezen: het jaarlijks aantal gelezen boeken per lid daalde tot 1946.
We kunnen dus stellen, dat de invloed van de bezetting op de Zwolse samenleving
vanaf 1942 merkbaar werd. De continuïteit met de voorgaande periode werd
verbroken. Chaos, ontwrichting, schaarste en verharding van de standpunten van de
bezetters en hun tegenstanders — toenemende sabotage, represaille en liquidering —
kenmerkten het laatste oorlogsjaar, vanaf de zomer van 1944 tot de bevrijding.
14
Bevrijders in de Diezerstraat
Na de bevrijding
Op 14 april 1945 werd Zwolle in de loop van de morgen bevrijd. Van twee kanten,
Assendorp en de Wipstrik, trokken de bevrijders Zwolle binnen. ,,De zo vurig verlangde
bevrijding Verwekte onder de bevolking grote vreugde. De Canadezen werden
met gejuich binnengehaald”, zo meldt het Verslag van de toestand der gemeente
Zwolle.9 Daarna werd begonnen met de arrestatie van N.S.B.-ers en andere daarvoor
in aanmerking komende personen. De chaotische toestand die voor 14 april
bestaan had, bleef intussen bestaan. De goederenverzorging kwam met moeite op
gang en bleef nog tot juli 1945 ongunstig. Gas en elektriciteit werden niet meer
geleverd. Het telefoonverkeer was lamgelegd door vernieling van de centrale. Van
werkhervatting kwam aanvankelijk niets, laat staan van werkverruiming. Burgers
werden lastig gevallen of mishandeld door al dan niet dronken militairen.10
De herwonnen vrijheid zorgde echter voor een euforie. De problemen zalmen
dan ook in vele gevallen op de koop toe hebben genomen. De aanstaande bevrijding
en dit feit zelf zorgden voor een geboortengolf, die nog vergroot werd door het
15
Ook na de bevrijding was er gebrek, onder andere aan water
huwelyk e r!’ d a t ™ april 1945 werd gesloten. De invloed van deze
^H ? at h 6 t s t e r f t e c iJf e r n a aprü 1945 daalde. Stierven er
^wlede en i rH t ‘ T ‘ V16r m a 3 n d e n V3n d a t j a a r n°8 2 4 3 m e n s e n ‘ « het
tweede en derde trimester waren er dat nog 170 respectievelijk 160. Deze ontwikkeling
en de afname van het vestigingsoverschot na 1945 zorgden voor een compleet
nieuwe ontwikkeling op demografisch gebied. De Zwolse bevolking groeide na
de oorlog voornamelijk door het geboortenoverschot, terwijl voor die tijd het
vestigingsoverschot eveneens van belang was voor de bevolkingsgroei. Toen de
situatie zich in de late jaren 40 stabiliseerde, was het geboortecijfer hoger dan
r/dicht ? htSter,fteCiJfer lager nog dichter by elkaar kwamen te lig’ g^enn.als de vestigm»; en v e r t S t o X S
f ^ S r Ü T J r ? kWam n a iUnl 1945 Weef °P gang- Hoewel het distributief
b!ftaan’ m a g d e S l u i t i n g v a n d e G e n t r a l e Keuken in december
nortfe % i°r ^ ^ f ^ 6 v e r m i n d e r ^ van het dagelijks aantal
7 1 P n V°e . S! ” ^ t 6 k e n Van e e n g u n s t iëe ontwikkeling in die voorzyn.
De vrye tyd ten slotte kon na april 1945 weer met een veelheid aan
16
middelen gevuld worden, wat merkbaar was in het bibliotheekgebruik. Ook hier
vinden we een ontwikkeling die niet aansloot bij die in voorgaande periode. De
ledentallen en de aantallen uitleningen bleven op een hoger niveau dan het vooroorlogse.
Besluit
Afsluitend kan gesteld worden, dat de bezetting van Nederland tussen 1940 en
1945 belangrijke invloed op de Zwolse samenleving heeft uitgeoefend. Die invloed
werd pas vanaf 1942 duidelijk. Daarvoor vertoonden de onderzochte ontwikkelingen
nauwelijks afwijkingen van die in de laatste vooroorlogse jaren. Het continuïteitselement
bleek vrij groot. Pas na 1941 werd die continuïteit doorbroken. Na
1945 ontstonden opnieuw andere ontwikkelingen, die niet op de vooroorlogse of
die in de bezettingsperiode aansloten. Of deze breuken, rond 1942 en in 1945, ook
op andere dan dé onderzochte gebieden te constateren zijn, zal verder onderzoek
moeten leren.
1 Deze bundel kwam mede tot stand dankzij onderzoek dat werd verricht door studenten van
de Christelijke Lerarenopleiding te Zwolle. Hun namen zijn achterin de bundel opgenomen.
2 J.C.H. Blom, In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd
in Nederland (Bergen 1983).
3 J.Ch.W.Verstege, ‘Demografische structuur’ in: Rapport betreffende een onderzoek naar de
welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle, L. van Vuuren ed. (Zwolle 1939) 188-216.
4 Verslag van de toestand der gemeente Zwolle 1940-1945 (Verslag) (Zwolle z.j.) VI, I, 1.
* Ibidem, XII, 1.
6 Zie noot 4.
7 Verslag, VI, 1,2-3.
8 Ibidem, 7.
9 Ibidem, 5.
10 Ibidem, 7.
17
OORLOG EN BEVOLKINGSGROEI, ZWOLLE 1930-1955
door Jan Demmer, Martin Verboom en Jaap Hagedoorn
Inleiding
In een bundel waarin de nadruk ligt op de vraag in hoeverre de tweede wereldoorlog
invloed heeft uitgeoefend op de Zwolse samenleving mag een onderzoek naar de
groei van de bevolking niet ontbreken. Naast de vraag of de bezettingsperiode al
dan niet een breukvlak in de demografische ontwikkelingen teweeg bracht, kan
men zich ook afvragen of er verband bestaat tussen de in oorlogstijd optredende
verslechtering van de voedselvoorziening en de lichaamsconditie en de spanningen
op politiek, economisch of militair gebied of juist de ontlading daarvan enerzijds
en de bevolkingsgroei of -afname anderzijds. De vraag bijvoorbeeld of men zal
verhuizen of zal trouwen hangt immers nauw samen met de beoordeling van de
eigen levensomstandigheden en de verwachtingen die men daaromtrent koestert?
In deze bijdrage zal daarom onderzocht worden hoe de Zwolse geboorte-,
huwelijks-, sterfte-, vestigings- en vertrekcijfers zich ontwikkelden tussen 1930 en
1955. Daarbij zal vooral bekeken worden in hoeverre de oorlogsperiode een breuk
in de demografische ontwikkelingen tot gevolg had en of de bovengenoemde invloeden
in de Zwolse cijfers terug te vinden zijn. De gegevens voor de eerste drie
cijfers zijn verkregen door het turven van de geboorten uit in Zwolle woonachtige
echtparen, het aantal in Zwolle gesloten huwelijken en de sterfte onder de Zwollenaren.
De cijfers van vestiging en vertrek zijn afkomstig uit de Verslagen van de
toestand der gemeente Zwolle en uit de archieven van de Sociografische Dienst van
de gemeente Zwolle. Alle getallen zijn weergegeven in promilages van de gemiddelde
bevolking in het desbetreffende jaar, dit om de gevolgen van sterke schommelingen
in de bevolkingsgroei te ondervangen.1
Geboorten
Als we aan de hand van grafiek I de vraag moeten beantwoorden of er in Zwolle in
de onderzochte periode van continuïteit of discontinuïteit van het geboortencijfer
sprake was, dan kan er maar één antwoord mogelijk zijn: discontinuïteit. Het geboortencijfer
na de oorlog sloot niet aan bij de vooroorlogse ontwikkeling. Sterker
nog, ook als we verder achter- en vooruit kijken, dan blijkt dat er na 1945 een
compleet andere ontwikkeling ontstond. Het geboortencijfer kwam op een hoger
niveau te liggen dan voor de oorlog. Pas het cijfer voor 1955 kwam in de buurt van
het cijfer voor 1930. Dit zouden wij geen continuïteit willen noemen. Bovendien
18
35-,
30-
25_
20_-
10-
5 _
1930 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55
De ontwikkeling van het geboortencijfer, 1930 -1955
blijkt uit de grafiek, dat die discontinuïteit met de vooroorlogse ontwikkeling pas
in 1943 begon. De cijfers van de eerste oorlogsjaren wijken nauwelijks af van de
cijfers voor 1938 en 1939; 1940 betekende dus aanvankelijk geen breuk, 1945 wel.
Opvallend is nog, dat het Zwolse geboortencijfer tot 1943 ver achter bleef bij
het landelijke. Eén van de voornaamste oorzaken hiervan moet gezocht worden in
het hoge vertrekcijfer onder de jonge, zich nog ontwikkelende gezinnen.2 Deze ontwikkeling
zal op de langere duur invloed hebben gehad op de samenstelling van de
Zwolse bevolking.
Huwelijken
Met enige reserves zouden wij kunnen zeggen, dat de ontwikkeling van het naoorlogse
huwelijkscijfer in de lijn van de vooroorlogse ontwikkeling lag. Een lichte
stijging, met terugvallen, zette in 1937 in en duurde tot en met 1940; vanaf 1948
lijkt deze ontwikkeling doorgezet te worden, ook hier met de nodige pieken en
dalen. De hoge cijfers voor de jaren 1946 en 1947 staan op zich zelf en hadden,
19
15
0
5 _
1930 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55
De ontwikkeling van het huwelijkscijfer, 1930-1955
zoals wij nog zullen zien, niets te rnaken met ontwikkelingen over langere tijd. Het
huwelijkscijfer lag in de onderzochte periode meestal iets onder het landelijke.
Sterfte
Bij de berekening van het sterftecijfer is alleen uitgegaan van het aantal overleden
Zwollenaren. Levenloos geboren kinderen, waarvan in de overlijdensregisters melding
wordt gemaakt, zijn niet meegerekend. Ook in het geval van het sterftecijfer
kunnen we in de onderzochte periode niet van een continue ontwikkeling spreken.
Het naoorlogse cijfer ligt duidelijk onder het vooroorlogse. Bovendien was het na-
‘ 5 – ,
10
5 _
1930 31 32 33 34 35 , 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 4 7 – 4 8 49 50 51 52 53 54 55
De ontwikkeling van het sterftecijfer, 1930-1955
20
oorlogse cijfer dalende, terwijl het cijfer vóór 1940 rondom een redelijk stabiel
peil bleef schommelen. Het piekje van 1949 berust waarschijnlijk op een dubbeltelling
van het aantal levenloos geboren kinderen in de gegevens van de Sociografische
Dienst.„Na correctie zou het cijfer op 7,6 pro mille komen te liggen, een
acceptabel getal in vergelijking met 1948 en 1950.
Vestiging en vertrek
Opvallend bij de beschouwing van dezer cijfers zijn de sterke schommelingen waaraan
de ontwikkeling van de beide getallen vóór 1940 onderhevig was. Over het
algemeen valt uit de grafiek te concluderen, dat het naoorlogse niveau ook hier iets
lager lag dan het vooroorlogse. Dit betekende dat de samenstelling van de Zwolse
bevolking na 1946 minder sterk wisselde dan ervoor. Bovendien lagen de cijfers van
vertrek en vestiging na 1945 dichter bij elkaar dan voor 1940. Dit betekent, dat het
vertrek- of vestigingsoverschot afnam, zodat vertrek en vestiging minder invloed op
de bevolkingsgroei uitoefenden dan voor de oorlog. Twee merkwaardigheden moeten
hier nog genoemd worden. In de eerste plaats valt de enorme piek in het
vertrekcijfer in 1937 en 1938 op. Deze werd veroorzaakt door de opheffing van de
Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen te Zwolle, waardoor vele
werknemers en hun gezinnen Zwolle noodgedwongen verlieten. Ten slotte kan
geconstateerd worden, dat er vanaf 1954 een vertrekoverschot was, een ontwikkeling
die na 1955 doorzette. Dit betekende dat de bevolkingsgroei afgeremd werd.
De oorlogsjaren
Nu dient onderzocht te worden in hoeverre de gebeurtenissen tussen 1940 en 1945
invloed uitoefenden op de ontwikkeling van de bovengenoemde demografische
cijfers. Vooraf dient een opmerking gemaakt te worden over het gebruik van het
geboortencijfer bij dit onderzoek.
Bij een onderzoek naar de invloeden op en de ontwikkeling daardoor van Tiet
geboortencijfer, moeten wij niet uitgaan van het aantal geboorten, maar juist van
het aantal concepties dat tot een geboorte leidde. Immers, als er van beïnvloeding
sprake is, dan heeft die veel meer effekt op het aantal concepties dan op het aantal
geboorten. Niet dat men, zoals tegenwoordig, de omvang van het eigen kindertal in
belangrijke mate zelf kon bepalen, maar het is een bekend verschijnsel, dat vrouwen
als gevolg van zware spanningen of een slechte lichamelijke conditie verminderd
vruchtbaar kunnen zijn. Daarnaast kan men zich afvragen, in hoeverre de beoordeling
van de eigen levensomstandigheden de al dan niet toekomstige ouders tot het
voorkomen of uitstellen van conceptie heeft gedwongen.
In de bezettingsjaren was het conceptiecijfer heftig in beweging. Bleef het
21
80
70 _
60 _
50 _
40 _
30 _
20 _
10 _
VESTIGING
930 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55
20 _
30 _
40 _
50 _
60 _
70 _
80 _
VERTREK
22 De ontwikkeling van het vestigings- en vertrekcijfer, 1930-1955
25_
20.
5 _
1930 31 32 33 .34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54
De ontwikkeling van het cónceptiecijfer, 1930-1955
cijfer in 1940 en 1941 rond het niveau van 1938 en 1939 zweven, in 1942 en
1943 steeg het geweldig. Een eerste oorzaak moet gezocht worden in het grote
aantal huwelijken dat in 1942 werd gesloten. Blijkbaar waren er aanstaande echtparen,
die hun in 1940 of 1941 voorgenomen huwelijk uitstelden tot betere tijden.
Het huwelijkscijfer was in die jaren namelijk dalende. Toen die betere tijden in
1942 nog niet waren gekomen, besloten velen niet langer te wachten met een
huwelijk. In 1943 zien we weer een terugval van het huwelijkscijfer. Veel van de,
als gevolg van de concepties die in 1942 en 1943 plaatsvonden, in 1942, 1943 en
1944 geboren kinderen, zullen dus eerstgeborenen zijn geweest.
Een tweede oorzaak van het hogere conceptiecijfer in 1942 en 1943 kunnen
betere toekomstverwachtingen zijn geweest. Het naziregiem kreeg in deze jaren
enkele tegenslagen te verwerken. Het Duitse zesde leger werd begin 1943 bij Stalingrad
verslagen, in oktober 1942 was het geallieerde offensief in Afrika begonnen en
in september 1943 capituleerde Italië. Dé toekomst zag er dus in de loop van 1943
niet ongunstig uit. Het Verslag over de toestand der gemeente Zwolle over de
oorlogsjaren spreekt over een opgewekte stemming onder de bevolking in juli 1943.
In september, na het bekend worden van de capitulatie van Italië, heerste er een
uitbundige stemming en werd de verwachting uitgesproken, dat dit een zeer beslis-
23
sende invloed zou hebben op de verdere oorlogsontwikkeling. „De algemene opinie
was thans dat de oorlog spoediger beëindigd zou zijn dan totnutoe werd ver-wacht”.3
Het sterftecijfer was in 1940 en 1941 hoger geweest dan daarvoor. De groei in
1940 hing niet samen met de inval van de Duitse legers, maar met extreem hoge
sterf te-aantallen in de eerste twee maanden van dat jaar. De groei in 1941 werd
veroorzaakt door een relatief grote sterfte in februari. De oorzaak hiervan is ons
niet bekend. In 1942 zien we een daling, mogelijk een compensatie voor de hoge
cijfers in de voorgaande jaren, waarna in 1943 weer een stijging inzette, die tot
1946 zou duren. Deze stijging moet in belangrijke mate geweten worden aan de
toenemende schaarste van levensmiddelen, vooral in het laatste oorlogsjaar, met als
gevolg een verslechtering van de lichamelijke conditie. Daardoor nam de immuniteit
voor ziekten af. We zien dan ook een toename van ziekten als roodvonk en difterie
in de loop van de oorlogsjaren. In 1943 tot en met 1945 werden 203, 300 respectievelijk
280 gevallen van roodvonk aangegeven, terwijl er dat vóór 1942 nooit
meer dan enkele tientallen waren.4 Ook het aantal in het Sophia-ziekenhuis ver-
KONINKRJJK PER NEDERLANDEN
DISTRIBUTIE STAMKAART
TEVENS BEWIJS VAN OPNEMINO
IN HET BABY REGISTER
No. OOOO1 ?;’:
J!
f
op
Gein.
Natioiu)il.it NEDERLANDER
aangitl»
f * .
Gemeente en Adres Paraaf
Ambl
AfgegrveninGem. ZWOLLE
**i… ./f
Ambtenaar vanhrf Babp«tifl«
Geboortekaartje in de vorm van
p.en distributie-stamkaart
24
pleegde patiënten steeg enorm tussen 1941 en 1943, om in de laatste twee bezettingsjaren
licht te dalen.5 Overigens was de toestand in Zwolle nog niet zo slecht als
elders in Nederland. Het Zwolse sterftecijfer bleef achter bij het landelijke.
Deze verslechterende levensomstandigheden en de oorlogsontwikkelingen — de
oorlog duurde langer dan in 1943 algemeen werd aangenomen — hadden een
negatieve invloed op het huwelijks- en conceptiecijfer, en het eerste weer op het
laatste. Het huwelijkscijfer daalde in 1943 en 1944, het conceptiecijfer in 1944.
Aanstaande echtparen konden in de oorlogsontwikkelingen en de schaarste een
reden zien om hun voorgenomen huwelijk uit te stellen. In de tweede helft van
1944 leek het einde van de oorlog nabij, voor velen misschien een extra reden om
nog even te wachten met een huwelijk. De aanstaande bevrijding zal echter een
drastische daling van het conceptie- en geboortencijfer voorkomen hebben. Het
conceptiecijfer van 1944 lag net onder dat van 1943.
Opvallend is nog het vertrek overschot dat in 1944 ontstond als gevolg van een
drastische daling van het aantal vestigingen en een lichte stijging van het vertrekcijfer.
Blijkbaar was vestiging in de stad Zwolle in dit laatste oorlogsjaar onaantrekkelijk
geworden. Als in 1944 nog gold, wat in 1938 voor Zwolle gold, namelijk
dat de stad een doorgangsgemeente was van het omringende platteland naar elders,
dan valt deze daling van het vestigingscijfer te begrijpen.6 Immers, in de plattelandsgemeenten
zal de invloed van bezetting en oorlog minder voelbaar en de
voedselvoorziening beter zijn geweest dan in de Overijsselse hoofdstad? De stroom
nieuwe inwoners vanaf het platteland, zal geringer in omvang zijn geworden.
Vanaf 1945 vallen de verbeterde toekomstverwachtingen en de verbetering in
de voedselvoorziening en lichamelijke conditie, en de toegenomen bewegingsvrijheid
direkt op in de verschillende cijfers. Het huwelijkscijfer en het conceptierespectievelijk
geboortencijfer stegen drastisch in de eerste naoorlogse jaren. In
1945 werden bijvoorbeeld van januari tot juli 100 huwelijken gesloten en in de
tweede helft van het jaar 237. Het sterftecijfer vertoonde een omgekeerde ontwikkeling:
het daalde. Het vertrek- en vestigingscijfer naderden elkaar in een piek.
Bevolkingsgroei
Al deze ontwikkelingen hadden invloed op de bevolkingsgroei. In onderstaande grafiek
is deze groei vergeleken met de landelijke. De achterstand die in de jaren 30 in
de Zwolse groei ontstaan was, vooral als gevolg van een achterblijvend geboortencijfer
en een vertrekoverschot, werd in de loop van de bezettingsjaren wat ingelopen.
De achteruitgang in Zwolle in 1944, vooral veroorzaakt door het vertrekoverschot,
had tot.gevolg dat de Zwolse bevolkingsontwikkeling weer achterbleef
bij de landelijke, hoewel de jaarlijkse groeigraad gelijk was. De groei in Zwolle
werd na 1945 voornamelijk door het geboortenoverschot bepaald.
25
140-,
I35_
130_
I25_
I2O_
115
110
105
100_’
T I T I I I I 1 ] I
1930 31 32 .33 34 35 36 37 38 39 40 41 I
42
I T T I I I I I I I I I 1
43 44 45 46 47 48 49. 50 51 52 53 54 55
Groei van de bevolking in Zwolle en Nederland, 1930-1955 (1930 = 100)
= Zwolle = Nederland
Conclusie
In de demografische ontwikkeling van Zwolle valt bij vergelijking van de vooroorlogse
periode met de naoorlogse periode een discontinuïteit te ontdekken. Het
geboortencijfer kwam na 1945 op een hoger, het sterfte-, vertrek-en vestigingscijfer
op een lager niveau te liggen. Alleen de ontwikkeling van het naoorlogse huwelijkscijfer
sloot enigszins aan op de vooroorlogse ontwikkeling.
Er blijkt verband te bestaan tussen de verschillende cijfers enerzijds en de
levensomstandigheden van de Zwollenaren anderzijds. De onzekerheid van de
eerste oorlogsjaren noopte velen een voorgenomen huwelijk uit te stellen. Toen
26
veel uitgestelde huwelijken in 1942 dan toch gesloten werden, had dit, met een
minder ongunstige toekomstverwachting, invloed op het conceptie- en geboortencijfer.
De invloed die de oorlogsomstandigheden in de eerste bezettingsjaren op het
sterfte-, vertrek- en vestigingscijfer uitoefenden is onduidelijk. Deze is in de ontwikkeling
van de cijfers niet terug te vinden. Toen echter de voedselvoorziening en de
lichamelijke conditie verslechterden, vooral in het laatste bezettingsjaar, steeg het
sterftecijfer. Ook in deze periode was er van uitstel van huwelijken sprake. Een
groeiend aantal huwelijkssluitingen na april 1945 had, evenals de verbeterde levensomstandigheden
en de afgenomen spanningen na de bevrijding, invloed op het
geboortencijfer: het steeg. Het sterftecijfer daalde om dezelfde redenen. De herkregen
vrijheid zorgde voor een piek in het vertrek- en vestigingscijfer. De groei van
de Zwolse bevolking bleef in de onderzochte periode achter bij de landelijke.
27
00 TABEL I
Demografische gegevens van Zwolle en Nederland, 1930-1955 7
Jaar
Gemiddelde bevolking van Zwolle
Aantal concepties absoluut (Zwolle)
Conceptiecijfer (Zwolle)
Aantal geboorten absoluut (Zwolle)
Geboortencijfer (Zwolle)
Geboortencijfer (Nederland)
Aantal huwelijken absoluut (Zwolle)
Huwelijkscijfer (Zwolle)
A.
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
1940
1941
1942
1943
1944
1945
1946
1947
1948
1949
1950
1951
1952
1953
1954
1955
B.
40.377,5
40.758
41.374,5
41.856,5
42.424,5
43.132
43.440
43.280
42.546
42.329,5
42.913
43.601
44.301,5
45.254
45.480,5
45.501,5
46.346,5
47.432
48.410
49.057
49.635
50.413,5
51.234,5
52.027
52.746
53.286
C.
807
753
773
707
775
684
738
760
763
767
808
793
951
1069
1053
1327
1359
1149
1130
1023
1083
1083
1108
1094
1040
D. E.
20,0
18,5
18,7
16,9
18,3
15,9
17,0
17,6
17,9
18,1
18,8
18,2
21,5
23,6
23,2
29,2
29,3
24,2
23,3
20,9
21,8
21,5
21,6
21,0
19,7
814
766
777
729
758
739
685
745
772
767
778
780
830
1012
1052
1028
1409
1358
1107
1113
1027
1082
1113
1082
1085
1067
A.
B.
C.
D.
E.
F.
G.
H.
J.
Huwelijkscijfer (Nederland)
Sterfte absoluut (Zwolle)
Sterftecijfer (Zwolle)
Sterftecijfer (Nederland)
Vestiging absoluut (Zwolle)
Vestigingscijfer (Zwolle)
Vertrek absoluut (Zwolle)
Vertrekcijfer (Zwolle)
F. G. H. J. K. L. M. N.
20,2
18,8
18,8
17,4
17,9
17,1
15,8
17,2
18,1
18,1
18,1
23,1
22,2
22,0
20,8
20,7
20,2
20,2
19,8
20,5
20,6
20,8
17,9 20,3
18,7 21,0
22,4
23,1
22,6
23,0
24,0
22,6
30,4 30,2
28,6 27,8
22,9
22,7
20,7
21,5
21,7
20,8
25,3
23,7
22,7
22,3
22,3
21,7
20,6 21,5
20,0 21,3
274
258
268
289
293
278
276
340
292
362
311
289
453
316
244
337
604
514
389
369
407
444
390
378
404
411
6,8
6,3
6,5
6,9
6,9
6,4
6,4
7,9
6,9
8,6
7,2
6,6
1.0,2
7,0
5,4
7,4
13,0
10,8
8,0
7,5
8,2
8,8
7,6
7,3
7,7
7,7
8,0
7,4
6,9
7,2
7,3
7,2
7,5
7,7
7,7
9,2
7,6
7,3
9,7
7,2
5,5
7,8
11,4
10,2
9,0
8,3
8,2
8,8
8,4
8,2
8,3
8,3
359
408
349
384
361
419
392
382
423
376
454
478
442
475
532
573
400
372
363
438
392
360
385
381
363
381
8,9
10,0
8,4
9,2
8,5
9,7
9,0
8,8
9,9
8,9
10,6
11,0
10,0
10,5
11,7
12,6
8,6
7,8
7,5
8,9
7,9
7,1
7,5
7,3
6,9
7,2
9,1
9,6
9,0
8,8
8,4
8,7
8,7
8,8
8,5
8,6
9,9
10,0
9,5
10,0
11,8
15,3
8,5
8,1
7,4
8,1
7,5
7,6
7,4
7,7
7,5
7,6
O. P. Q.
2285 56,6
2208 54,2
2388 57,7
2449 58,5
2611 61,5
2563 59,4
2231 51,4
2476 57,3
2398 56,4
2742 64,8
2944 68,6
2668 61,2
2666 60,2
3078 68,0
1679 36,9
3541 77,8
3806 82,1
3185 67,1
2693 55,6
2372 48,4
2571 51,8
2956 58,6
2526 493
2804 53,9
2901 55,0
2762 51,8
2560
2040
2182
2501
2198
2331
2516
3388
3613
2768
2530
2398
2292
2513
2852
3307
3814
2997
2655
2516
2562
2755
2525
2649
3041
2951
K.
L.
M.
N.
O.
P.
Q.
R.
R.
63,4
50,1
52,7
59,8
51,8
54,0
57,9
78,4
84,9
65,4
59,0
55,0
51,7
55,5
62,7
72,7
82,3
63,2
54,8
51,3
51,6
54,6
49,3
50,9
57,7
55,4
TABEL II
Bevolkingsgroei Zwolle en Nederland, 1930-1955 8
Jaar
Inwoners op 31-12 absoluut (Zwolle)
Inwoners op 31-12 relatief (Zwolle) 1930 = 100
Inwoners op 31-12 absoluut (Nederland) x 1000
Inwoners op 31-12 relatief (Nederland) 1930 = 100
A.
B.
C.
D.
E.
A. B. C. D. E.
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
1940
1941
1942
1943
1944
1945
1946
1947
1948
1949
1950
1951
1952
1953
1954
1955
40.473
41.043
41.706
42.007
42.842
43.422
43.458
42.958
42.134
42.525
43.301
43.901
44.702
45.805
45.155
45.848
46.845
48.019
48.801
49.313
49.957
50.870
51.599
52.455
53.037
53.535
100
101,4
103,0
103,8
105,9
107,3
107,4
106,1
104,1
105,1
107,0
108,5
110,4
113,2
111,6
113,3
115,7
118,6
120,6
121,8
123,4
125,7
127,5
129,6
131,0
132,3
7.936
8.062
8.183
8.290
8.392
8.475
8.557
8.640
8.729
8.834
8.923
9.008
9.076
9.129
9.220
9.304
9.543
9.716
9.884
10.027
10.200
10.328
10.436
10.551
10.680
10.822
100
101,6
103,1
104,5
105,7
106,8
107,8
108,9
110,0
111,3
112,4
113,5
114,4
115,0
116,2
117,2
120,2
122,4
124,5
126,3
128,5
130,1
131,5
133,0
134,6
136,4
29
Noten
Het gemiddeld aantal inwoners wordt verkregen door de bevolking op 1 januari op te tellen
bij die van 31 december van het desbetreffende jaar, en het geheel door twee te delen.
J.Ch.W. Verstege, ‘Demografische structuur’ in: Rapport betreffende een onderzoek naar de
welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle, L. van Vuuren ed. (Zwolle 1939) 196.
Verslag van de toestand der gemeente Zwolle 1940-1945 (Verslag) (Zwolle z.j.) VI, I, 4.
Ibidem, VII, 1,1.
Ibidem, VII, I, 8.
Verstege, 204.
Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle, Burgerlijke Stand Zwolle Huwelijk resp. Overlijden,
1930-1930.
Verslag 1930-1945, verschillende pagina’s.
Vijfenzeventig jaar statistiek van Nederland (‘s-Gravenhage 1975) b. bevolking, 9, 13, 14
en 18.
Sociografische Dienst van de gemeente Zwolle, Overzicht van de overschotten sinds 1935.
Afdeling bevolking van de gemeente Zwolle, registers van de burgerlijke stand: geboorten
1930-1955, huwelijken 1940-1955 en overlijdens 1940-1955.
De beide diensten worden voor hun medewerking hartelijk bedankt.
Ibidem.
30
MET DE NEUS IN DE BOEKEN
Onderzoek naar het leesgedrag in Zwolle 1935-1950
door Jaap Hagedoorn
Inleiding
In zijn inaugurele rede In de ban van goed en fout? formuleert J.C.H.Blom enkele
richtlijnen voor de voortzetting van de geschiedschrijving van Nederland in de
tweede wereldoorlog. Met name onderzoek naar continuïteit en discontinuïteit
tussen de bezettingsjaren en de periode ervoor en erna acht hij wenselijk. Daarnaast
zou de stemming onder de bevolking systematisch beschreven en geanalyseerd moeten
worden.1 Om deze stemming met behulp van cijfermateriaal, dus zo objectief
mogelijk, te meten, kunnen ook gegevens over de uitlening van bibliotheekboeken
gebruikt worden. Hierdoor kan inzicht verkregen worden in de wijze waarop in de
bezettingstijd de beschikbare vrije tijd besteed werd. Ook afwijkingen van het vooren
na-oorlogse patroon kunnen zo opgespoord worden.
Zwolle kende voor, tijdens en na de bezettingsjaren verschillende bibliotheken
en leeszalen. De belangrijkste waren echter de Openbare leeszaal en bibliotheek
(verder OLB) en de roomskatholieke leeszaal en bibliotheek ‘Joan Cele’. De eerste
werd gesticht in 1913 en was gevestigd in de Kamperstraat 21. De andere bibliotheek
opende haar deuren in 1917 aan de Melkmarkt 10a. Beide organisaties stelden
zich ten doel de bevolking te ontspannen en geestelijk te ontwikkelen, de
laatste op roomskatholieke grondslag. De contributie bedroeg in de loop der jaren
een bedrag tussen één en tweeënhalve gulden.2 De volwassen leden mochten in de
lees- en studiezalen naslagwerken en tijdschriften inzien. In de bibliotheek konden
de leden boeken lenen, echter niet meer dan drie a vier per keer. De bibliotheken
en leeszalen waren ’s morgens, ’s middags en ’s avonds enkele uren geopend, behalve
op zondag. De OLB had een aparte jeugdafdeling, die op woensdag-, donderdag-
en zaterdagmiddag geopend was. Het bibliotheekwerk werd verricht door één
bibliothecaresse en één of meer assistentes.3
In deze bijdrage zal onderzocht worden of er tussen 1935 en 1950 sprake was
van continuïteit of discontinuïteit in het leesgedrag van de Zwollenaren. Ook zal
getracht worden de oorzaken van de eventuele ontwikkelingen te achterhalen, en
met name de invloed van de bezetting. Mochten er veranderingen in het leesgedrag
optreden, dan wordt gepoogd vast te stellen wanneer dat gedrag veranderde. De
vraagstelling zal beantwoord worden na onderzoek van de ontwikkeling van het
ledenbestand, het leeszaalbezoek en de omvang van het boekenbestand en de uit-
31
r
Voorgevel van de O.L.B, in de Kamperstraat
32
lening. Naast deze getalsmatige gegevens zullen ook kwalitatieve opmerkingen en
notities bij het onderzoek betrokken worden.
De archieven van de beide bibliotheekverenigingen vormen de bronnen voor dit
onderzoek.4 Het ‘Joan Cele’-archief leverde een overvloed aan gegevens op. Per dag
werd genoteerd hoeveel en welke soorten boeken werden uitgeleend en hoeveel
mannen en vrouwen de leeszaal bezochten. Het OLB-archief bevatte minder feiten.
Gelukkig werden voor dit onderzoek belangrijke gegevens opgenomen in het zogenaamde
Leeszaaljaarboekje.s
De leden
De gegevens over het aantal bibliotheekleden in de onderzochte periode zijn helaas
niet compleet (zie tabel I). Toch zijn er voldoende aantallen bekend om enige conclusies
aan het geheel te verbinden. Het aantal leden van de Openbare bibliotheek
steeg van 1941 tot 1945 met zo’n 900 tot 1000 per jaar. Deze groei moet wel groter
zijn geweest dan de vooroorlogse, aangezien de bibliotheek in 1941 nog maar
1513 leden had. Dit wordt bevestigd als de ontwikkeling van het aantal leden van
‘Joan Cele’ bekeken wordt. Hier valt tussen 1935 en 1938 een lichte groei waar te
nemen. Tussen 1938 en 1942 is de groei al spectaculair te noemen en vanaf 1942
lijkt de ontwikkeling op die van de OLB. Opvallend is nog de groei van het aantal
jeugdleden van de laatste bibliotheek. Dit steeg tussen 1941 en 1944 van 175 tot
1059!6
De oorzaken van deze groei moeten direct met de gebeurtenissen tussen 1940
en 1945 samenhangen. Vanaf 1945 daalde het ledental van de beide bibliotheken
namelijk tot een redelijk stabiel niveau. Bij de OLB lag dit op zo’n 80 procent van
het hoogste aantal en bij ‘Joan Cele’ op ongeveer 75 procent. De daling vond in
1946 plaats. In dat jaar bedankten 475 leden van ‘Joan Cele’ voor het lidmaatschap.
7 Toch viel het aantal bibliotheekleden niet terug naar het vooroorlogse
niveau. Een deel van de mensen die tussen 1940 en 1945 lid waren geworden, was
de kennismaking met de bibliotheek blijkbaar zo goed bevallen, dat ze lid bleven,
nadat de specifieke redenen waarom ze lid waren geworden waren weggevallen. Op
deze redenen zal later worden ingegaan. In ieder geval kwam het ledental op een
peil dat geen logische aansluiting op het vooroorlogse vormde. In de volgende
hoofdstukken zal de ontwikkeling van het leeszaalbezoek en de uitlening bekeken
worden.
Leeszaalbezoek
De beide bibliotheken beschikten over een lees- en studiezaal, waar de tijdschriften
en naslagwerken stonden. Zo lagen in 1938 in de leeszaal van ‘Joan Cele’ 118 perio-
33
dieken ter inzage.8 Dagelijks werd er bijgehouden hoeveel mannen en vrouwen de
leeszaal bezochten. Van de OLB-leeszaal zijn alleen de jaartotalen bekend.9
Het bezoek aan de leeszalen nam tussen 1935 en 1950 af. In de oorlogsjaren is,
vanaf 1941 voor de OLB en vanaf 1942 voor ‘Joan Cele’, een verscherpte daling te
constateren. Omdat in dezelfde periode het ledental steeg, nam het gemiddeld aantal
bezoeken per lid nog sneller af. De daling had verschillende oorzaken. In de eerste
plaats daalde in bezettingstijd het aantal periodieken dat in de leeszaal ter inzage
lag. In de leeszaal van ‘Joan Cele’ kon men in 1946 nog maar 30 tijdschriften
50 .
40 .
30 ,.
20 _
10 »
Leeszaalbezoek 1935-1950 (1935 = 100)
— = O.L.B. = ‘Joan Cele’
i i i i i i i i i i i i n
35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
34
lezen.10 Daarbij moet bedacht worden, dat op dat moment het aantal periodieken
alweer groter was dan in de bezettingsjaren. De inhoud van de bladen werd in 1945
„betrekkelijk onbelangrijk” genoemd.11 De legaal verschijnende tijdschriften stonden
immers onder Duitse censuur. Ongetwijfeld is ook de uitgave van de illegale
kranten een verklaring voor de daling van het leeszaalbezoek. Een andere oorzaak
lag in de uitgaansverboden, die vooral ’s avonds golden, waardoor men op die uren
de leeszaal niet kon bezoeken. Ook was de leeszaal nog al eens gesloten. Gebrek aan
verlichting en brandstof was hiervan meestal de oorzaak. Om deze redenen werd de
OLB-leeszaal de eerste drie maanden van 1945 gesloten, wat in het bezoekersaantal
van dat jaar terug te vinden is. Rond de oorlogsdagen in mei 1940 en april 1945
waren de bibliotheken en leeszalen ook gesloten.
Direct na afloop van de oorlog steeg het aantal leeszaalbezoekers weer. Een
veelheid aan nieuwe, eerder illegale, bladen lag in de leeszalen ter inzage, zoals
Trouw, De Waarheid en Het Parool. Daarnaast konden ook Engelse en Amerikaanse
kranten gelezen worden, die door de ambassades gestuurd werden.12 Hoewel de
leeszalen wegens brandstoftekorten nog wel eens gesloten moesten worden, steeg
het aantal bezoekers beduidend. Maar het vooroorlogse aantal werd niet meer bereikt.
Het totaal bleef steken rond zo’n 30 procent van het aantal bezoekers in
1935. Een verklaring voor deze ontwikkeling op langere termijn is moeilijk te
geven. Het is echter niet ondenkbaar, dat velen gewend waren aan het thuis lezen
van een krant of tijdschrift. In de bezettingstijd gingen de illegale bladen van hand
tot hand en konden ze alleen in een vertrouwde omgeving, bijvoorbeeld in eigen
huis, gelezen worden. Misschien was dit voor velen een reden om zich na april 1945
op een krant te abonneren. Verder onderzoek lijkt mij hier gewenst.
Eén ontwikkeling wil ik hier nog signaleren. Uit de door de bibliothecaresse van
‘Joan Cele’ bijgehouden statistiek van leeszaalbezoekers valt af te lezen, dat een
steeds groter deel van die bezoekers uit vrouwen bestond. Tot en met 1941 schommelde
het aantal vrouwen tussen 20 en 25 procent van het totaal. Vanaf 1943 was
ongeveer één op de drie bezoekers een vrouw. Deze ontwikkeling zette na de oorlog
door. Voor een verklaring is verder onderzoek noodzakelijk.
Uitlening: de cijfers 13
Tegenover de scherpe daling van het leeszaalbezoek in de bezettingsjaren, staat een
explosieve groei van het aantal uitgeleende boeken in dezelfde periode. De jaarlijkse
aantallen uitleningen waren voor 1941 redelijk stabiel. De OfcB leende per jaar zo’n
85.000 boeken uit en ‘Joan Cele’ ruim 30.000. Gelijk met de groei van het aantal
leden nam, vanaf 1941 bij ‘Joan Cele’ en vanaf 1942 bij de OLB, het aantal uitleningen
enorm toe. Boven een krante-interview met mej. C. Jacobs, de bibliothecaresse
van de OLB, van 1942 staat dan ook: „De afgeloopen winter was boeken-
35
210 _
200 _
190 _
180 _
170 _
160 _
150 _
140 _
130 _
120 _
110 _
100
Boekenuitleen 1935-1950 (1935 = 100)
— = O.L.B. =’JoanCele’
35
I
36
I
37
I
38
I
39
I
40 4! r
42
1
43 44 45
I
46 47 48
I
49 50
winter”.14 In 1944 werd een hoogtepunt bereikt.
Het verschijnsel van de groeiende belangstelling voor het bibliotheekboek stond
niet op zichzelf. In het eerder genoemde interview wordt ook geconstateerd „dat
dure (boek-)werken, die vroeger nauwelijks werden bekeken, nu door velen worden
aangeschaft”. De groeiende belangstelling betekende dat de uitlening voor het personeel
van de bibliotheken nauwelijks bij te benen was. Daarom werden extra
36
krachten ingezet en werd de uitlening beperkt. Deze maatregelen hadden echter
weinig effect op de omvang van de uitlening. Na het hoogtepunt van 1944 daalde
de uitlening in 1945. Dit was vooral een gevolg van de soms langdurige sluitingen in
dat jaar. Vanaf 1946 groeide de uitlening langzaam. De top van 1944 werd echter
voor 1951 niet meer bereikt. Lezen was in de bezettingstijd blijkbaar populair, als
gevolg van specifiek met de tijd samenhangende oorzaken. Gezien het dalende leeszaalbezoek
en de stijgende uitlening werd men vooral lid om boeken te kunnen
lenen.
65 _
60 _
55 _
50 _
45 _
40 _
35 _
30_
25 _
20 _
15 _
Uitgeleende boeken per lid 1935-1950
— = O.L.B. = ‘JoanCele’
i i i i i i i i I i i r i r i
35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 4J 46 47 48 49 50
37
Nadere beschouwing van de gegevens leert echter, dat er in de bezettingsjaren
per lid minder boeken werden gelezen (zie tabel II). Tot 1941 respectievelijk 1942
lazen de leden van de QLB respectievelijk van ‘Joan Cele’ gemiddeld ruim één boek
per week. In 1945 was dit nog maar één boek per twee a drie weken. Na 1945 steeg
het aantal gelezen boeken per lid weer, tot ongeveer één boek per tien dagen. Ook
hier werd de vooroorlogse hoeveelheid niet meer bereikt. Dit ondanks de mogelijkheid
om vanaf 1949 bij de OLB meer dan het toegestane aantal boeken te lenen,
tegen betaling van een dubbeltje per extra boek. Nogmaals blijkt dus, dat de bezettingstijd
verandering in het leesgedrag van de Zwollenaren bracht, zowel op de
korte als op de langere termijn.
Voor deze tegengestelde ontwikkelingen, groeiende uitlening en dalende uitlening
per lid, zijn verschillende verklaringen te vinden. Een belangrijk deel van de
nieuwe leden heeft mogelijk minder dan de gemiddelde hoeveelheid boeken gelezen.
Zij werden geen lid omdat ze leesgierig waren, maar ze zochten vervangingsmiddelen
voor activiteiten die in de bezettingstijd niet meer mogelijk waren. De
teruglopende uitlening en de daling van het aantal leden na 1945 ondersteunen
deze stelling. De bibliothecaresse van ‘Joan Cele’ constateerde hetzelfde: „Daar, na
de bevrijding de belangstelling voor het boek, behalve bij de echte boekenliefhebbers,
begon te verminderen, liepen de uitleencijfers terug.”15 Toch bleef het aantal
leden en uitleningen na 1945 groter dan op grond van de ontwikkelingen tot 1941
aangenomen kon worden. Een belangrijke hoeveelheid minder ‘echte’ liefhebbers
bleef ook na 1945 lid van de bibliotheek.
De dalende uitlening per lid had echter ook te maken met het boekenbezit van
de bibliotheken, en dus met het beschikbare aantal boeken per lid. Dit aantal daalde
drastisch tot 1945. Dit betekent, dat de boeken per jaar vaker werden uitgeleend,
waardoor ze sneller sleten — ze werden letterlijk stuk gelezen — en eerder uit
de roulatie moesten worden genomen. Het tekort was moeilijk aan te vullen, omdat
nieuwe boeken en dubbelen slechts beperkt verkrijgbaar waren. Hierdoor werd de
bibliotheek leger en waren de leden gedwongen hun keus uit een dalend aantal
boeken te maken.
Die keus werd nog kleiner, doordat de bezettende macht een belangrijke hoeveelheid
boeken verbood. Al in augustus 1940 moesten boeken die het maken en
gebruiken van radio’s beschreven worden ingeleverd. En in september 1940 werden
de boeken verboden, die een vijandige strekking hadden ten aanzien van het Duitse
volk en rijk, Hitler en de N.S.D.A.P. Later volgde een uitleenverbod voor Engelse
en Amerikaanse boeken en werken van joodse auteurs. Deze boeken gingen achter
slot en grendel. Mede hierdoor werd „het een puzzle … om aan alle leesgierigen een
goed boek mee te geven.”16 Naast het verbieden van boeken oefenden de bezetters
ook censuur uit op catalogi en aanwinstenlijsten.
Pas na de bevrijding steeg het aantal beschikbare boeken per lid weer. Direct na
38
CENTRALE VEREENIGING VOOR OPENBARE LEESZALEN EN BIBLIOTHEKEN
SECRETARIS. PENNINGMEESTER
Dr. H. E. GREVE
i-GRAVENHAGE
VAN BLANKENBURGSTRAAT 38
TELEFOON 333668
POSTGIRO 109968
S-GRAVENHAGE, 4 September 1940.
Aan het Bestuur der
rf./C. Openbare Leeszaal en Bibliotheek
te
Het Bestuur der C. V. brengt het volgende schrijven van den Secretaris-Generaal van het
Departement van Onderwijs. Kunsten en Wetenschappen ter Uwer kennis.
Van deze circulaire aan de leeszaalbesturen ontvangen de leeszaaldirecteurs(-trices) eveneens
een exemplaar.
Ne 3923 Afd. KW. ‘S-GRAVENHAGE, 28 Augustus 1940.
Aan het Bestuur van de Centrale Verecniging
uoor Openbare Leeszalen en Bibliotheken
te s-Gravenhage.
Ingevolge een aanschrijving van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche
gebied verzoek ik U er zorg voor te dragen, dat drukwerken van elke soort en in elke taal,
die ten aanzien van het Duitsche volk, zijn Führer, de Nationaal-Socialistische Duitsche
Arbeiderspartij, den Duitschen Staat, de Duitsche Regeering of de Duitsche weermacht een
vijandige of afkeurende strekking hebben, onmiddellijk aan het leenverkeer worden onttrokken
en in een groep afzonderlijk achter slot en grendel worden bewaard. Hiertoe behooren niet
slechts politieke geschriften, doch ook tendentieuze romans, novelles, tijdschriften en plaatwerken.
Gedacht wordt aan boeken als de volgende:
I
o
••&•
I
1
I
Althoff. Een trein vertrok.
Borkenau. New german empire.
von Brentano. Prozess ohne Richter.
Bruckner. Die Rassen.
den Doolaard. Oostenrijk 1935.
Feuchtwanger. Geschwister Oppenheim.
Fraenkel. German people versus Hitler.
Frank. Reisepas.
Gedye. Fa Den bastions.
Glaeser. Letzter Zivilist.
Golding, Mr. Emmanuet.
Graf. Der Abgrund.
„ . Anton Sittinger.
Gunther. Inside Europe.
. High cost of Hitler.
Haller. Ein Mann sticht sein e Heimat.
Heideo. Adolf Hitler.
Gesch. drs Nazional-Sozialismus.
. Ein Mann gegen Europa.
Juhasz. Dit is gebeurd ia Oostenrijk.
Keun. Nach Mitternacht.
Laatsman. Duitsche kerkstrijd.
Langhoff. Moorsoldaten.
Lennhoff. Last five hours of Austria.
Lewis. It can’t happen here.
van Loon. Our battle.
Malraux. Temps du mépris.
Mann, E. 10.000.000 Kinder.
Merz. Ein Mensch föllt aus Deutschland.
Mowrer. Gerroany puts the clock back.
Oldeo. Hitler.
Rauschning. Gesprache mit Hitler.
. Hitler ma dit.
. Revolution des Nihilismus.
Roberts. House that Hitler built.
Schwarzschild. Ende der Illusionen.
Toller. Eine^Jugend in Deutschland.
Vance. Escape.
Waakzaamheid; serie.
Binnen vier weken moet mij een lijst van deze soort van boekenvoorraden, bij de
leeszalen aanwezig, voor elke instelling afzonderlijk, voorgelegd worden. Deze lijst behoort
in volgorde schrijver, titel, en plaats en jaar van verschijning te bevatten. Wanneer van 39
de bevrijding kon het boekenbezit worden uitgebreid door opname van achtergelaten
Duitse boeken en doordat de voordien verboden boeken weer in het uitleenbestand
konden worden opgenomen. Die verboden boeken werden overigens eerst
nog tentoongesteld in april 1945. Op de langere termijn steeg het aantal beschikbare
boeken per lid door afname van het ledental en toename van de boekenaanschaf.
Uitlening: de boeken
Nu dient onderzocht te worden welke boeken of welke soorten boeken werden uitgeleend.
De informatie hierover is uiterst schaars, zeker als het om de vooroorlogse
periode gaat. In beide bibliotheken bestond de uitlening voor zo’n 60 procent uit
romans. Kinder- en studieboeken vormden de rest. Bij ‘Joan Cele’ was de uitlening
van kinderboeken belangrijker dan bij de OLB. In deze verhoudingen kwam geen
verandering in en na de bezettingstijd.
Volgens notities in de bibliotheekjaarverslagen was er in 1942 en 1943 grote belangstelling
voor ontspanningslectuur. Dit duidt op een behoefte aan verstrooiing.
Reisbeschrijvingen en aardrijkskundige boeken waren erg in trek. Mogelijk werd het
reizen, dat door de oorlog en maatregelen van de bezetters bemoeilijkt werd, vervangen
door reizen in de fantasie. De bibliotheekieden maakten ook gebruik van de
mogelijkheid om wat kennis op te doen, gezien de belangstelling voor studie- en
populair-wetenschappelijke boeken.
Geschiedenisboeken en levensbeschrijvingen werden gretig gelezen. In het eerder
genoemde interview met mej. Jacobs vertelt zij, dat boeken als Hollands Glorie
van Jan de Hartog, Wiarda: kroniek van een geslacht van Theun de Vries en Elzelina:
de geschiedenis van een Hollandse vrouw in de jaren 1776-1845 van Jo van
Ammers-Kueller, soms wel 20 keer op een dag gevraagd werden. In deze boeken
staan episoden uit de Nederlandse geschiedenis centraal en worden zeer Nederlandse
figuren beschreven. Blijkbaar bestond er een behoefte aan bevestiging van de
Nederlandse identiteit tegenover de Duitse. Deze behoefte werd gestild door identificatie
met historische voorbeelden.
Van de naoorlogse belangstelling is erg weinig bekend. De interesse vertoonde
waarschijnlijk niet zulke afwijkingen, dat deze vermeld moesten worden in de jaarverslagen.
In het jaarverslag van ‘Joan Cele’ over 1948 wordt opgemerkt dat de
jeugd graag populair-wetenschappelijke boeken las en dat de vraag naar boeken over
huwelijk, opvoeding en voorlichting in het huwelijk toenam.17 Het OLB-jaarverslag
over 1947 maakt melding van een groeiende diefstal van plant- en dierkundeboeken.
18 Op de langere termijn valt er dus geen wijziging waar te nemen in de belangstelling
van de bibliotheekieden, behalve een kortstondige verschuiving tijdens de
bezettingsjaren.
40
Oorzaken van de groeiende behoefte aan lezen in bezettingstijd
In Zwolle was er in de bezettingsjaren dus een groeiende behoefte aan boeken en
leesmateriaal, vooral vanaf 1941.19 Hiervoor zijn vele verklaringen te geven, die
echter uit dezelfde oorzaak voortvloeiden: men moest de vrije tijd met steeds minder
middelen zien te vullen. Door de uitgaansverboden was men vooral in de avonduren
vaak gedwongen thuis te blijven. In de loop van de bezettingsjaren werd het onderwijs
beperkt door vordering van schoolgebouwen en brandstoftekorten. Vanaf de
herfst van 1944 werd er in Zwolle bijna geen onderwijs meer gegeven. De vorderingen
en tekorten zullen ook in bedrijven en kantoren tot tijdelijke sluitingen geleid
hebben. De jongere mannen liepen het risico opgepakt en tewerkgesteld te worden
als zij zich op straat vertoonden. Zij zaten dus ook vaker thuis. Onderduikers konden
hun schuilplaats zelfs helemaal niet of nauwelijks verlaten.
De middelen om de vrije tijd te vullen namen intussen af. Vanaf 1941 werd een
groot deel van het verenigingsleven stilgelegd of ontbonden.20 Kranten en nieuwe
boeken verschenen er steeds minder en beide stonden onder Duitse censuur. De inhoud
van de kranten werd, mede daardoor, steeds onbelangrijker. In de loop van
1943 moesten de radio’s worden ingeleverd. Reizen werd belemmerd door allerlei
praktische problemen en door maatregelen van de bezetters.
Het lezen van boeken was dus voor velen één van de weinige mogelijkheden om
de vrije tijd te vullen en zich enigszins zorgeloos te ontspannen. Voor onderduikers
was het vrijwel het enige middel. Laten we hierover even Anne Frank aan het
woord: „Miep is precies een pakezeltje, die sjouwt wat af. (…) Zij is het ook, die
iedere Zaterdag vijf bibliotheekboeken meebrengt. Wij kijken altijd reikhalzend
naar de Zaterdag uit, omdat dan de boeken komen. Net als kleine kinderen, die een
cadeautje krijgen. Gewone mensen weten ook niet, hoeveel boeken voor ons opgeslotenen
betekenen. Lezen, leren en de radio zijn onze afleidingen.”21
Een boek zal ook voor velen, wellicht onbewust, een weg tot tijdelijke vrijheid
zijn geweest. De fysieke gebondenheid vond een gedeeltelijke compensatie in vrijheid
van de fantasie. Lid worden van een bibliotheekvereniging was hiertoe een
sleutel, alhoewel het nijpende boekentekort het ontsluiten van de poort tot die
vrijheid bemoeilijkte.
Na de oorlog hernam het leven een normalere gang. De onderduikers konden
hun schuilplaats verlaten. Het onderwijs kwam weer op gang, evenals het verenigingsleven.
Zo meldden zich in de laatste week van april 1945 350 verkenners en
welpen bij de heropgerichte Zwolse padvindersgroepen aan. Op 25 april vond de
eerste Zwolse voetbalwedstrijd na de bevrijding plaats en een dag later werd de
eerste ‘vrije’ film vertoond.22 De vrije tijd verminderde en het aantal ontspanningsmogelijkheden
groeide. Hierdoor en door de groei van het aantal boeken dat in de
winkels lag, daalde het aantal leden van de Zwolse bibliotheken. Toch is de na-
41
oorlogse ontwikkeling niet in verband te brengen met die vóór 1941. De bezetting
had velen doen kennismaken met het fenomeen bibliotheek. Velen was die kennismaking
goed bevallen, waardoor lezen en het gebruik van een bibliotheek meer
algemeen werden.
De leeszaal van de O.L.B.
Conclusie
Uit de ontwikkeling van ledental, uitlening en leeszaalbezoek van twee Zwolse
bibliotheken tussen 1935 en 1950, valt te concluderen dat er in Zwolle in deze
periode van discontinuïteit in het leesgedrag sprake was, zowel op korte als op
langere termijn. Er zijn drie periodes te onderscheiden waarin het leesgedrag een
aparte ontwikkeling doormaakte, van 1935 tot 1941

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1984, Aflevering 2

Door 1984, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

T.flE HlftTODIAHKE
NIEUWSBRIEF
INHOUDSOPGAVE
apri1 198^ / eerste jaargang / nummer twee
pagi na
cmslag Joan Blaeu, (deel van) Plattegrond van Zwolle,
166*4
29 Van de redactie
30 De presentatie van de eerste Nieuwsbrief
KORTE ARTIKELEN
32 Leren wat de Bijbel verklaart. Leesboekjes van
een protestantse school in Zwolle in de 19e eeuw
37 Sociale aspecten van het Zwolse voetbal in de
beg i ntijd
kO De Zwolse Bijbel
kl Opgraving Pletterstraat 1983
VAN DE INSTELLINGEN
kS Gemeente-archief: Stadsnieuws uit de Zwolsche
Courant, 1790 – 1850
hS Het P.O.M.: Historisch museum van Noordwest-
Overijssel en de stad Zwolle
ki> Het Rijksarchief in Overijssel
BOEKBESPREKINGEN
^8 Meretrix en medicus, Dr. B.J. Kam
50 Het joodse onderwijs in Zwolle, 19^*1 – 19^3,
G. Vierstraete – Erdtsieck
52 Geschiedenis van 50 jaar T.O.G. Ittersum
( ^ – 1984)
53 MEDEDELINGEN
56 AGENDA
omslag Wie is wie
-29-
Dr S.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
8011 VN ZWOLLE
038 – 421 43 14
ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING
VAN DE REDACTIE
Bij het verschijnen van de tweede Nieuwsbrief wenden wij ons tot U,
zeer geachte verenigingsleden, die tot hiertoe onze arbeid met geduld
en welwillendheid hebt gadegeslagen en ondersteund, hetzij door
bijdragen, of alleen door datgene wat wij in het eerste nummer tot
stand brachten, te lezen. Misschien heeft U gemeesmui1d bij onze
eerste schreden op het glibberige pad der publiciteit, maar ook Uw
goedkeuring ons niet onthouden, wanneer het ons al is gelukt U een
paar ogenblikken aangenaam te boeien of nuttig bezig te houden.
Na de officiële overhandiging van de eerste Nieuwsbrief op 27 januari
in de Burgerzaal van het stadhuis, is de kring van onze lezers
gegroeid tot zo’n 170, hetgeen niet wijst op de overtolligheid van
ons blad.
De redactie staat te allen tijde open voor suggesties Uwerzijds tot
verbetering van de opmaak en de inhoud van de Nieuwsbrief, waarbij
echter wel rekening moet worden gehouden met het bescheiden budget
waarmee dit blad tot stand komt. Vanzelfsprekend geldt onze nieuwsgierigheid
ook naar Uw reacties op de inhoud.
Op deze plaats wil de redactie er haar lezers nog op wijzen, dat
haar werk (naast het persklaar maken en het met meer en soms minder
succes corrigeren van de bijdragen) vooral bestaat uit het benaderen
van personen voor een van de vele, zeer diverse onderwerpen die
wij in de Nieuwsbrief aan de orde willen stellen. Daarnaast maakt
de redactie graag gebruik van artikelen die haar op eigen initiatief
van de auteur worden toegezonden.
-30-
DE PRESENTATIE VAN DE EERSTE NIEUWSBRIEF
Op vrijdag 27 januari 198^ overhandigde de voorzitter van onze vereniging,
N.D.B. Habermehl, het eerste exemplaar van de Nieuwsbrief
aan de heer Okkels, wethouder van de gemeente Zwolle.In de Burgerzaal
van het Zwolse stadhuis hadden zich zo’n 100 mensen verzameld
om deze gebeurtenis mee te maken. Habermehl hield eerst een toespraak
tot de aanwezigen, waarin hij uiteenzette dat een historische
vereniging in Zwolle een belangrijke en zinvolle taak heeft. Habermehl:
” Teneinde dit aan te tonen, moet ik een uitstapje maken naar
de theorie van de geschiedenis. Het verleden is een voor ons onveranderlijk
gegeven in die zin dat wij er niets meer aan kunnen wijzigen.
Dit vaststaande verleden echter wordt benaderd door de menselijke
geest. En hier nu zit het probleem. De menselijke geest is
geen constante grootheid, maar verandert met de tijd. Vandaar dat
iedere generatie een eigen beeld van het verleden heeft. Dit valt
onmiddellijk op als wij de werken van de Zwolse historici Van Hattum
en De Vries naast elkaar leggen. Trekken wij nu de lijn door naar
het heden, dan kunnen wij zonder meer stellen dat tengevolge van het
na de jaren ’60 sterk veranderde tijdsbeeld ook de huidige visie op
het verleden een andere is. En het is op grond hiervan dat ik het
bestaan van een historische vereniging voor nu en voor de toekomst
gerechtvaardigd acht. Tenslotte zal de visie van de eigentijdse historici
het best begrepen worden door de dan levende generatie omdat
zij – om met de historicus Romein te spreken – dezelfde tijdgeest
ondergaat.
De toenemende specialisatie van de historicus heeft tot gevolg, dat
de veelheid aan uitputtende detai1studies het eens zo duidelijke
beeld vergruist, een tendens die ook in de Zwolse geschiedschrijving
valt waar te nemen. Via de Nieuwsbrief kan die verscheidenheid aan
Zwolse studies onder de aandacht van de geinteresseerden geDracht
worden, zo ging hij verder. Habermehl: ” Hoewel ik hiermee bij de
Nieuwsbrief ben aangekomen, wil ik Uw geduld nog even op de proef
stellen. Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging wil namelijk
meer. Zo stellen wij ons ten doel een Jaarboek uit te geven
waarin artikelen van enige omvang kunnen worden opgenomen. Maar niet
alleen het uitgeven van studies, ook het houden van lezingen rekenen
wij tot onze taak. De voorbereidingen voor een cyclus van zes lezingen
die alle betrekking hebben op de 19e eeuw zijn in een vergevorderd
stadium. Daarnaast overwegen wij om, indien daarvoor belangstelling
bestaat, een museale werkgroep in te stellen. Zij zal tot
taak krijgen de activiteiten van het Provinciaal Overijssels Museum,
voor zover die betrekking hebben op Zwolle, historisch te onderbouwen.
Tevens kan zij de resultaten van het onderzoek in de periodieken
van de vereniging publiceren “.
Tenslotte sprak hij de hoop uit dat het tijdschrift zeer intensief
gelezen zal worden en de naam “blauwvingers” in de toekomst van toe-
31-
passing zal zijn op de lezers van de in een Zwols-blauw jasje gestoken
Nieuwsbrief.
Na de overhandiging sprak de heer Okkels de aanwezigen toe. Hij stelde
dat de geschiedbeoefening op passieve en actieve wijze kan gebeuren.
De heer Okkels: ” In dat licht bezien is de zojuist door U overhandigde
Nieuwsbrief een prachtig resultaat van actieve geschiedbeoefening,
die – naar ik hoop en ik heb daar ook vertrouwen in – vele
passieve beoefenaars van de geschiedenis zal bereiken. En mogelijk
worden die zo enthousiast, dat zij van passieve beoefenaars actieve
worden “.
Hij haalde daarna met instemming de woorden van de historicus W. Jappe
Alberts aan, die stelt dat de lokale en regionale geschiedbeoefenaars
zich niet alleen met de groten en grote gebeurtenissen in het
verleden mogen bezighouden, maar hun aandacht meer dienen te richten
op leven en bedrijf van de gehele gemeenschap van dorp, stad en
streek in het verleden. De heer Okkels hoopte, dat via de Nieuwsbrief
het zicht op het verleden groter zou worden. ” Ik wens U geluk
met de.verschijning van de Nieuwsbrief, maar tegelijkertijd mag de
Zwolse samenleving zich gelukkig prijzen met de komst van Uw vereniging
.”, zo besloot hij.
Daarna kregen de leden en belangstellenden, onder het genot van een
hapje en een drankje, een Nieuwsbrief uitgereikt. Met de vertoning
van een deel van het Polygoon-journaal over Zwolle voor de oorlog
werd de middag besloten.
J. Hagedoorn.
-32-
LEREN WAT DE BIJBEL VERKLAART.
LEESBOEKJES VAN EEN PROTESTANTSE SCHOOL IN ZWOLLE IN DE
19e EEUW
Historisch onderzoek naar de situatie van het lager onderwijs in de
tweede helft van de 19e eeuw kan een schat aan gegevens opleveren
met betrekking tot het aantal schoolgaande kinderen, het schoolverzuim,
de opleiding en organisatiegraad van het onderwijzend personeel,
de oprichting en sluiting van openbare en bijzondere scholen,
enzovoort.
Er is echter een terrein dat zich nagenoeg aan onze waarneming onttrekt,
namelijk de leerstof. Wat leerden kinderen eigenlijk op
school? Het antwoord op deze vraag kan niet eenvoudig zijn, daar er
sprake was van aanzienlijke verschillen in omvang en niveau van het
vakkenpakket bij de diverse scholen. De Lager-onderwijswet van 1857
leverde een bijdrage aan een grotere eenheid in de aangeboden leerstof
doordat ze negen vakken verplicht stelde (1).
In Zwolle duurde het tot de tweede helft van de jaren zeventig voordat
de wettelijk verplichte vakken daadwerkelijk op alle scholen
werden onderwezen. Het is echter niet precies bekend welke schoolboeken
er op de diverse scholen gebruikt werden. De hoofden van openbare
scholen moesten daarvan een opgave verstrekken aan de plaatselijke
schoolcommissie (2). Uit de opgaven van de Zwolse openbare
scholen wordt duidelijk dat zeer veel titels overeenkomen met de
leermethoden die H. Douma noemt in zijn boek Ontwikkeling van het
lager onderwijs in Nederland (Zutphen 1922).
Het achterhalen van de leerstof op de bijzondere scholen is veel
ingewikkelder: de keuze van de schoolboekjes was niet aan het oordeel
van de plaatselijke schoolcommissie onderhevig en komt bovendien
nauwelijks aan de orde in de notulen van de diverse particuliere
schoolbesturen. Zwolse schoolboekjes zijn niet stelselmatig
bewaard gebleven, zodat ons slechts incidenteel een kijkje wordt gegund
in de 19e-eeuwse leskeuken. Dankzij schoolboekjes uit de particuliere
collectie Wijnbeek (3) kunnen we enig inzicht krijgen in
de leesstof die kinderen van de school van de christelijk afgescheidenen
in de Goudsteeg – de latere Wijnbeekschool – aangeboden kregen
tussen circa 1851 en 1905.
Volgens de Onderwijswet van 1857 moet het schoolonderwijs onder het
aanleren van “gepaste en nuttige kundigheden” dienstbaar worden gemaakt
aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens van de
kinderen en aan hun opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke
deugden. Bij de maatschappelijke deugden gaat het om de vorming
van zedelijke en verstandige staatsburgers, ieder in de eigen
stand; bij christelijke deugden denke men aan algemene christelijke
deugden als naastenliefde en niet aan leersteltigheden. Deze invulling
van het onderwijs is de afgescheidenen en andere orthodox-
33-
protestanten een doorn in het oog. Zij eisen het recht van oprichting
en instandhouding van bijzonder onderwijs, waar hun kinderen zullen
worden opgevoed overeenkomstig de inzichten en dogma’s van de eigen
kerkelijke richting.
Omdat het openbaar onderwijs geen godsdienstig-leerstel 1ig onderwijs
mag geven en ieders levensbeschouwelijke gezindte moet eerbiedigen,
zijn de schoolboekjes van de “neutralen” volgens de orthodoxen
zó vaag en vlak in hun christendom, dat zij een gevaar zijn
voor de werkelijk godsdienstige opvoeding van hun kinderen. De noodzaak
van eigen schoolboeken, waarin duidelijk stelling wordt genomen
vóór het protestantisme en tegen het katholicisme, 1iberalisme ê.d.,
wordt sterk gevoeld en al spoedig wordt in de behoefte voorzi>en.
Nadat kinderen de eerste beginselen van het lezen is bijgebracht met
zinnen als “De geit is in de wei” en “Zus Kee gaat ook mee”, krijgen
ze leesboekjes met verhalen. Globaal beschouwd zijn er twee
soorten leesboeken. De eerste soort bevat korte verhaaltjes en gedichten
over deugden en ondeugden van kinderen en volwassenen, over
verre landen en vreemde volken en over de natuur. De tweede soort is
het historisch leesboek, waarin het taal- en geschiedenisonderwijs
worden gecombineerd. Geheel strikt is deze scheiding overigens niet:
ook in het “gewone” leesboek komen weieens verhalen voor over bijvoorbeeld
Luther en de Hervorming.
Eén van de belangrijkste producenten van christelijke leesboekjes in
de tweede helft van de 19e eeuw is dominee De Liefde. Van zijn hand
zijn bijvoorbeeld De Mensch en de Dieren, De oude Pi na, De Vertel Ier
en De Schoolvriend. Van de laatste twee titels is zeker’dat ‘ze’werden
gebruikt op de school in de Goudsteeg. Een deeltje van> De Mensch
en de Dieren – één titel kent steeds meerdere delen – wordtin;1851
door het schoolbestuur echter afgekeurd, omdat daarin niet duidel ijk
het “arm zondaarschap” en (de schijn van) de algemene genadeleêr
wordt vermeden (’t). Andere bekende namen zijn die van J. ter Borg
en A. Wiersinga, die zich veelal op het historisch leesboek richten
en rond de eeuwwisseling De Schoolvriend in een moderner jasje uitgeven.
Het schoolbestuur moest wel van een bijzonder zwaar zondebesef uitgaan,
wil het ds. De Liefde af en toe te “licht” vinden. Zijn korte
stichtelijke verhaaltjes, afgesloten met een moraal op rijm, druipen
als het ware van het zondebesef. Alles wat er aan goedheid, schoonheid
en blijheid bij mensen aanwezig is, wordt aan God toegeschreven;
de mens is slechts zondaar. Deugden van mensen en schoonheid
van de natuur bestaan enkel ter meerdere eer en glorie van God. Zo
mogen ook kinderen niet tevreden zijn over eigen prestaties of uiterlijk;
nee, zij worden door godvrezende ouders of meesters berispt
om hun trots of ijdelheid en vermaand te beseffen dat God hen
doet lezen en schrijven en dat God hen een fraai uiterlijk of een
goede gezondheid geeft. Als je echter niet zo goed bent op school,
zonder jas buiten loopt zodat je verkouden wordt of zelfs wanneer
je een spraakstoornis hebt (!), dan is dat wel allemaal je eigen
schuld. Het wordt kinderen tamelijk moeilijk gemaakt: ze worden via
-Zk-
Karel de Gioole bezoekt eene school.
Uit: Kijkjes uit onze geschiedenis 22
-35-
verhaaltjes over brave kinderen, of stoute kinderen die berouw tonen
(altijd veel mooier), over niet-christelijke en daarom betreurenswaardige
of zelfs domme en slechte volkeren,èn via verhalen over
de eigen protestantse natie, aangespoord tot deugdzaamheid, reinheid
van hart, ijver, godsvrucht en meer van dat soort qualificaties,
terwijl hen tegelijkertijd het besef wordt bijgebracht dat
niets van al dat moois tot de eigen verworvenheden of capaciteiten
mag worden gerekend. Eén troost krijgen de kinderen wel van De Liefde:
doorgaans loopt het goed af wanneer de kinderen berouw hebben
getoond en hebben gebeden in alle nederigheid. Wellicht doelt het
eerste schoolbestuur hier op wanneer het vreest, dat in zijn verhaaltjes
teveel de algemene genadeleer naar voren komt: uiteindelijk
zal het oordeel immers bij God liggen? Hij had geen oog voor
het practische probleem dat dominee De Liefde een punt aan zijn
verhaaltjes moest draaien vóór de dag des oordeels…
Het wereldbeeld dat de kinderen met deze boekjes wordt bijgebracht,
berust op een zeer eenvoudig stramien: wie God niet dient is slecht.
Dat geldt in de tweede helft van de 19e eeuw, maar evengoed voor
katn, voor de Egyptenaren (al kunnen ze nog zulke mooie pyramiden
bouwen), voor de Chinezen (al hebben ze nog zulke geurige thee) en
voor de Batavieren (al zijn het onze voorouders). En wie God op de
verkeerde manier eert, zoals de katholieken, is misleid. De boosdoeners
zijn hier de pausen, tegen wie ongemeen fel wordt geageerd.
Zij doen alsof ze stadhouder van Christus op aarde zijn – “daar is
geen zier van waar” (5) -, alsof ze iemand in de hemel of in de hel
kunnen brengen. Zij beletten mensen de Bijbel te lezen, ze verrijken
zichzelf via af 1atenhande1, ze maken van het geloof een bijgeloof.
Met kracht wordt de kinderen ingeprent dat Gods dienaar
Martin Luther ons van de tirannie der pausen heeft verlost. “Toen
zeide Luther dat de Paus een vijand van God en de menschen was. En
daarin had hij groot gelijk” (6).
Vooral in de historische leesboeken proberen de schrijvers een eigen,
protestants nationaal bewustzijn te creëren bij de kinderen. De visie
op geschiedenis komt qua themakeuze overeen met die op de openbare
lagere scholen: geschiedenis is het verleden van een volk, gepresenteerd
via wapenfeiten van de bovenlaag van de samenleving. Zoals
twee onderzoekers het formuleren: “Koning, keizer, admiraal, in
de boekjes staan ze allemaal!” (7). Het eigene van de protestantse
visie is, dat het verloop van de vaderlandse geschiedenis wordt beoordeeld
naar de bijdrage die de gebeurtenissen hebben geleverd aan
de wording van een protestantse natie onder de Oranjemonarchie.
Wanneer we bij het begin beginnen, lezen de kinderen dan over het
volgende: onbehouwen, want niet-christelijke Batavieren en Friezen,
die toch met respect moeten worden behandeld omdat het onze voorouders
zijn; standvastige zendelingen.die ons volk kerstenen; beschaving
brengende Romeinen die “jammer genoeg” geen christenen zijn;
de scholen stichtende en bezoekende Karel de Grote, die echter “helaas”
ook kloosters sticht, terwijl je daarin toch niet de hemel
kunt verdienen; de wrede, want goddeloze Noormannen; de geldverslin-
36-
dende kruistochten, die heilloos zijn “omdat men vergeet aan de Turken
en andere vijanden van de Heere Jezus, het Evangelie te brengen”
(8); Floris V, “der keerlen God”; de Hoekse en Kabeljauwse twisten;
Hollandse graven en gravinnen; het machtiqe Bourgondische huis; het
voorlopige hoogtepunt: de Hervorming; Karel V; de Inquisitie onder
zijn zoon Filips, waarvan de gruwelen uitvoerig worden beschreven,
met het accent op de protestantse martelaren; en tenslotte het absolute
hoogtepunt: de Opstand, geleid door “onze” Willem van Oranje.
Voor het orthodox-protestantse volksdeel dient het leesonderwijs bij
te dragen aan het vormen van een eigen identiteit. Het. besef van eigenheid
en daarmee gepaard gaand het besef van een eigen verleden,
zijn belangrijke elementen in de emancipatiestrijd van deze en andere
sociale groeperingen. In het vuur van de strijd wil de eigenheid
nogal eens ontaarden in eigengereidheid en superioriteit – met name
in de historische leesboekjes en in de verhalen over andere volken
kunnen we dat constateren. Wellicht liet hoofdonderwijzer David Wijnbeek
na het lezen uit de bloedstollende geschiedenissen van Luther
of de Prins van Oranje, ter kanalisering van de opgelaaide emoties
het volgende gedichtje lezen:
“In school op de banken, daar zitten wij goed-.
Zoo wij ’t maar begeren,
Wij kunnen er leren,
wat schoon is en goed.
(…)
Daar leren wij, wat ons de Bijbel verklaart:
God vurig te minnen
Met al onze zinnen;
0, dat is Hij waard!” (9)
Anneke van der Wurff.
Noten:
1. Het zijn de vakken lezen, schrijven, rekenen, de beginselen der
vormleer, die der Nederlandse taal, die der aardrijkskunde, die
der geschiedenis, die der kennis van de natuur en het zingen.
2. Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), aanwezig in CAO 13
(Archief van de plaatselijke commissie van toezicht op het lager
onderwijs).
3. In het bezit van mevrouw A. Meyerink – Wijnbeek te Zwolle.
’t. GAZ, inv.no VAO 37 (Archief van de Vereniging voor Gereformeerd
Schoolonderwijs) notulen 31 oktober 1851.
5. De Verteller, 68.
6. De Vertel Ier, 3*4.
7. L. van Gastel en K. Keizer, “Koning, keizer, admiraal, in de boekjes
staan ze allemaal! Een inhoudsanalytisch onderzoek naar veranderingen
in geschiedenisboekjes voor de lagere school in de afgelopen
100 jaar” in: Kleio 19 (1978) 893 – 927.
8. Kijkjes in onze geschiedenis, 3^.
9. De Schoolvriend, 12.
-37-
De voornaamste gebruikte leesboekjes zijn:
— CDs. De Liefde] De Verteller, door den schrijver van De Mensen en
de Dieren (Amsterdam 1851).
J. ter Borg en A. Wieringa, Kijkjes in onze geschiedenis. Leesboek
voor de Christelijke school I (Utrecht 1890).
H. de Raaf Mijn eerste boek (Groningen 1896).
— L Ds . De Liefde] De Schoolvriend. Een leesboekje voor de laagste
klassen, door den schrijver van De Mensch en de
Dieren, 2e afdeli ng i (Amsterdam z.j.).
— CDs. De Liefde] De Schoolvriend. Een leesboekje voor de laagste
klassen, door den schrijver van De Mensch en de
Dieren, 2e afdeling ‘IV (Amsterdam z.j.).
— C Ds. De Liefde] De Schoolvriend. Een stel leesboeken voor het
christelijke onderwijs, J. ter Borg en A. Wiersinga
ed. IV (Amsterdam, Pretoria 1900).
— [Ds. De Liefde! De Schoolvriend. Een stel leesboeken voor het
christelijke onderwijs, J. ter Borg en A. Wiersinga
ed. Til (Amsterdam, Pretoria, Potchefstroom 1905)
SOCIALE ASPECTEN VAN HET ZWOLSE VOETBAL IN DE BEGINTIJD
Aan het eind van de 19e eeuw deed de voetbalsport zijn intrede in Nederland.
In 1893 werd Zwolle’s oudste voetbalclub Z.A.C. (Zwolsche
Athletische Club) opgericht. Het voetbal werd toendertijd slechts beoefend
door jongens uit de hogere standen. De middenstand en de arbeidende
klasse hadden het voetbal al wél ontdekt, maar verenigingen
werden in die kringen nog niet opgericht. Dit kwam voornamelijk door
de hoge kosten van het voetbalspel. Men kon bijvoorbeeld een speelveld
gewoon niet betalen.
Dat Z.A.C, door beter gesitueerden werd opgericht, heeft ervoor gezorgd
dat de club vele tientallen jaren, ook na de oprichting van
andere verenigingen, het imago van Zwolle’s meest sjieke voetbalclub.
heeft gehouden. Dat beeld is de laatste decennia ietwat verbleekt.
Men heeft trouwens bij Z.A.C, de exclusieve sfeer niet krampacht
ig trachten te bewaren. Het betere sociale milieu waaruit de club
aanvankelijk is voortgekomen, zal ze altijd als etiket houden. Qua
sociaal niveau zal bijvoorbeeld De Hanenrick nooit Z.A.C, worden en
omgekeerd nog minder.
-38-
Het is een typisch verschijnsel dat een groot.aantal van de oudste
clubs van ons land, die ook de deftigste bleven, hun sociale status
zeer goed hebben bewaard. De Koninkli-jke U.D. (Deventer), L.S.C.
(Sneek) en Koninklijke H.F.C. (Haarlem) zijn daar fraaie voorbeelden
van. De prestaties werden bij die clubs bewust op een wat lager plan
gezet.
Na 1900.
In de eerste tientallen jaren na 1900 werden ook in de lagere sociale
milieus voetbalclubs opgericht. Zo werd P.E.C. (_Prins Hendrik – Epde
Desespereert Niet – Combinatie), van 1910, de exponent van de hogere
arbeidersstand en de~~mi ddenklasse en Zwol sche’ Boys (1918) het toevluchtsoord
van de arbeiders op klompen. Toen deze nieuwe clubs de
degens gingen kruisen met de oudere, “deftige” verenigingen, bleven
de problemen niet uit ! De arbeiders bleken aanz-ienlijk fanatieker
en stelden de waarden die in dë sport tot norm behoren te worden verheven
op een iets ander niveau dan de’bedoel ing van de oude clubs was.
Een fraai voorbeeld van wat hier beweerd wordt, vindt men in het eerste
nummer van Z.A.C. – Nieuws van 15 februari 1918:
. Dat ruwe en gevaarlijke spel is geworden tót een
ziekte die onze mooie voetbalsport dreigt te. doen
ontaarden in een spel, waai bij aan woesle hartstochten
den vrijen teugel wordt gelaten, in een veftooning
van elkaar zooveel mogelijk smijtende en
trappende menschen. Veel heeft daartoe bijgedragen
de groote toename van het aantal beoefenaars der’
voetbalsport in arbeiderskringen. Ik wil hiermede
niet zeggen, dat men als regel het spel van arbeidersvereenigingen
als ruw en gevaarlijk kan aanmerken.
Integendeel! Tal van voiksvereeniglngen zjjrt
een zeer gewilde tegenpartij. Begrijpelijk- isliel echter,
dat men percenlsgewijze de meeste, ruwe. spejers
in dergelijke vereenigingen aantref want hoe hooger
iemand staat in ontwikkeling en; innerlijke beschaving,
des te gemakkelijker zal het hem vallen
zijn hartstochten te beteugelen en onder het spel. zijn’
kalmie te bewaren. ” •
De opkomst van de clubs uit de arbeidersklasse en middenstand was evenwel
niet te stuiten. Voetbal is gaandeweg zelfs vo.lkssport nummer
één geworden. Veel jongens uit de hogere sociale klassen, zijn dan
ook overgestapt op sporten als tennis en hockey, die tot in de jaren
zeventig over het algemeen elitair gevonden werden.
-39-
Al in 1889 werd de Nederlandsche Voetbal en Athletiekbond opgericht,
waaruit in 1895 de athletiek zich terugtrok. Het hoeft geen verwondering
te wekken, dat de bond aanvankelijk heeft getracht het voetbal
zuiver te houden en arbeidersinvloeden te weren. Bij het kampioenschap
van P.E.C, in 1917 heeft de Bond daarvan een staaltje ten beste
gegeven. In de- promotiecompetitie, die recht gaf op een plaats in de
eerste klasse, werd het eerder genoemde U.D. kampioen en promoveerde
dus. Maar P.W. uit Enschede werd eveneens toegelaten tot de eerste
klasse, hoewel het daar geen recht op had! Men nam deze maatregel
“om het voetbal onder de betere standen te bevorderen.” Deze vreemde
voortrekker!j heeft indertijd veel stof doen opwaaien. Toen de
invloed van de lagere standen in de voetballerij in het algemeen en
dus in de Bond toenam, werd de bedoelde problematiek vanzelf opgelost.
Uit de standsverschillen tussen de clubs is al ver voor de tweede
wereldoorlog een geweldige rivaliteit gegroeid. Dat men te allen
tijde elkaar de beste spelers trachtte af te pikken, heeft de tegenstellingen
in niet onaanzienlijke mate vergroot. Pas in de laatste
decennia, nu de clubs ver uiteenlopende belangen hebben gekregen,
elkaar in competitieverband niet meer ontmoeten en de sociale
verschillen in onze maatschappij minder groot zijn, is de genoemde
rivaliteit wat op de achtergrond geraakt. Maar hoewel de steeds
veranderende clubs zich wat vriendelijker tegenover elkaar begonnen
te gedragen, de supporters, en vooral de ouderen onder hen,
doen dat nog lang niet.
De.drie oudste Zwolse voetbalclubs (Z.A.C., P.E.C, en Zwolsche
Boys) waren representanten van respectievelijk de gegoede burgerij,
de middenklasse en het arbeidersmilieu. In grote trekken zijn de
sociale verschillen tussen de drie tot op de huidige dag aanwijsbaar,
al kan men bij P.E.C., doordat ze van een voetbalclub tot een
bedrijf is uitgegroeid, vrijwel niet meer van een vereniging spreken.
De bovengenoemde tegenstellingen zijn in de loop van de tijd echter
wel wat weggesleten.
G. Schutte.
DE ZWOLSE BIJBEL
In de jaren zestig van de 15e eeuw beschikte het huis van de Broeders
des Gemenen Levens te Zwolle over een uitmuntend kopiist: Jacobus
van Enkhuysen. In opdracht van de deken van het kapittel van St.
Marie te Utrecht, wijdde hij zich van Hè^t tot 1^74 aan het overschrijven
van een zesdelige bijbel, die tegenwoordig de Zwolse Bijbel
wordt genoemd.
De tekst van deze bijbel behoort tot de zogenaamde Windesheimse Vulgaatrevisie,
dit is een bijbel vers ie, die de “Parijse tekst” van de
Vulgaat (1) gedeeltelijk corrigeert. De in gebruik zijnde laat-middeleeuwse
teksten kwamen lang niet altijd met elkaar overeen. Met deze
revisie werd er meer eenheid in de teksten gebracht, een doel dat de
Congregatie van Windesheim in hoge mate nastreefde.
De enig andere bijbel waarin deze versie is overgeleverd, is van de
hand van Thomas a Kempis, die met deze als regulier van de Windesheimse
Congregatie van 1427 tot 1^39 heeft afgeschreven.
Deskundigen vermoeden dat het Zwolse Fraterhuis, dat zeer nauwe relaties
onderhield met de Windesheimse kloosters, de beschikking had
over een tweede door Thomas a Kempis geschreven bijbel, die ook deze
versie bevat zal hebben. Dit handschrift uit Thomas’ jeugdjaren is
echter verloren gegaan, zodat niet met zekerheid kan worden gezegd
of de kopiist Jacobus van Enkhuysen van dit origineel zijn Zwolse
Bijbel heeft gecopieerd.
De relaties van het Fraterhuis met de Congregatie van Windesheim
blijken ook uit de illustraties van de Bijbel. Deze werden gemaakt
door (minstens) drie monniken van het Windesheimse klooster St. Agnietehberg
bij Zwolle. Het gaat om één op zichzelf staande miniatuur
van de scheppingsdagen, twintig gehistorieerde initialen, vijfentwintig
initialen met plant- en bloemmotieven en randversieringen.
In het verleden is de Zwolse Bijbel zwaar beschadigd. De zorg om de
bibliotheek van het kapittel van St. Marie nam in de 17e en 18e
eeuw sterk af, zodat het kon voorkomen, dat bezoekers hun namen op
de handschriften krasten, wellicht in een streven naar onsterfelijkheid.
Nog verdergaand vandalisme kwam voor: vele initialen zijn uit
de handschriften gesneden.
Thans is de Zwolse Bijbel in het bezit van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek,
waar hij een hoogtepunt van de collectie wordt genoemd.
Recentelijk is op een Londense veiling één van de ooit uit
deze Bijbel gesneden initialen opgedoken en als jubileumgeschenk
voor de bovengenoemde bibliotheek gekocht.
Er is van de Zwolse Bijbel voldoende over om een goede indruk te
krijgen van de kwaliteit en de*pracht van dit product van Zwolse
religieuze kunst. Samen met vele andere indrukwekkende handschriften
en oude drukken uit de collectie van de universiteitsbibliotheek
kan de Bijbel t.e.m. 23 april bezichtigd worden in het Centraal
Museum te Utrecht.
Vrij naar een bijdrage van K. van der Horst in:
Handschriften en oude drukken van de Utrechtse Universiteits-
– bibliotheek, catalogus bij de tentoonstelling in het Centraal
Museum te Utrecht-ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan
A.
van de bibliotheek der rijksuniversiteit,
1984) , pagina 138- 140.
van der Wurff.
” 198^ (Utrecht
Noot:
(1) De Vulgaat is de overzetting van de bijbel in het Latijn door
Hiëronymus in de 4e eeuw; in de Rooms-KathoIieke Kerk de officiële
bijbel vertal ing.
Verlucht initiaal (harpspelende David) uit de Zwolse Bijbel
-k2- .
OPGRAVING PLETTERSTRAAT 1983
In het voorjaar van 1983 werd een begin gemaakt met het bouwproject
in de Pletterstraat, achter de stadsmuur tussen de Diezerstraat en
het Eiland. Doordat er veel gaten voor betonpalen moesten worden geboord,
op plekken waar wij veelal beerputten hadden ontdekt, kon er
in goede samenwerking met de firma Beverwijk in mei 1983 onderzoek
plaatsvinden naar de eerste bewoning op deze plek. Het onderzoek had
weinig succes, totdat een beerput werd leeggegraven door de heren
J. van de Berg, R. van Beek en ondergetekende. De put was ovaal en
mat 1 ,40m bij 1,60m. De bovenste laag van ongeveer 80 centimeter,
bestaande uit eierkolen, werd eerst verwijderd (hoezo zwart). Daaronder
lag afval bestaande uit zogenaamd “Bergen-op-Zoom” en “Fries”
aardewerk, onder andere beslag- en kookpotten. Ook een schaal met
een doorsnee van 35 centimeter, afkomstig uit de pottebakkerijen
van Frechen, was in het afval aanwezig. Het is erg jammer dat men in
deze schaal teer heeft bewaard. Hierdoor is er vrijwel niets meer
van het glazuur overgebleven. De bovenstaande voorwerpen zijn rond
1900 te dateren.
Door een afzuigpomp te plaatsen voor het grondwater, kon de laatste
halve meter worden uitgegraven. Toen de bodem van de put bijna in
zicht was gekomen, leek de zoveelste teleurstelling van de Pletterstraat
zich af te tekenen, totdat ik plots een stukje “cement” in de
beer zag liggen. Bij het schoonmaken bleek dit een pijpaarden beeldje
te zijn dat in goede toestand verkeerde (afbeelding 1). De afbeelding
stelt het Christuskind in de kribbe voor (1). Volgens de heer
Wijnman, medewerker van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek
(R.O.B.) zou er nog een wiegje onder horen.
Naast dit beeldje lag een zogenaamde weef- of wolkaardekam (afbeelding
2). Al jaren bestaat er twijfel over de juistheid van deze benaming.
H.L. Jansen, stadsarcheoloog van ’s Hertogenbosch, meent dan
ook, dat de oude opvatting, dat het steekkammen in het kapsel waren,
niet uitgesloten moet worden (2). De kam is van been, heeft zeven
tanden en bezit een (ophang?)gat. De kam is zeldzaam gaaf.
Onderin de beer werd ook een zogenaamd strijkglas gevonden. Strijkglazen
worden nu nog op het eiland Marken gebruikt om de bij de klederdracht
behorende kappen te glanzen. Het strijkglas is groen-bruin
van kleur, heeft een diameter van 7 centimeter en een hoogte van 3
centimeter. Op de bodem van de put lagen nog twee planken met vei
moede)ijk huistekens. De heer Van Vilsteren, ook medewerker van de
R.O.B., beheert ze momenteel nog steeds. Onder de planken werd een
bekertje, 9i x 7i centimeter, aangetroffen dat nog geconserveerd
moet worden. De put zorgde dus op het laatste moment nog voor enkele
interessante verrassingen.
Aan de hand van de datering van de voorwerpen kan vastgesteld worden,
wanneer de Pletterstraatbuurt voor het eerst bewoond werd.
Het beeldje stamt uit de periode 1400 – 1550 (3), de kam kwam na de
afbeelding 1
Christuskind in kribbe (ware grootte)
afbeelding 2
Weef- of Wolkaardekam, 7 tanden.
1480 – 1500 (schaal 1:0,70)
-kh-
15e eeuw niet meer voor {k), maar het strijkglas is moeilijk in eën
bepaalde tijd te plaatsen. Het houten bekertje kan, aan de hand van
de vorm, in de tweede helft van de 15e eeuw geplaatst worden. Hieruit
blijkt dus dat de buurt tussen 1^50 en. 1500 al bewoond was. Al
eerder werd vermoed dat de eerste bebouwing op deze plek in deze
periode plaatsvond (5). Verder onderzoek zou nog kunnen worden gedaan
aan de hand van een in de bovenste laag van de beer gevonden
geëmailleerd huisnummerbordje met als opschrift:
Hopelijk zullen deze, door amateurs verzamelde, archeologische gegevens
ertoe bijdragen dat de geschiedenis van Zwolle verder wordt
ontrafeld, maar ook dat men ervan doordrongen raakt dat Zwolle
archeologisch gezien een zeer belangrijke stad is, waar nog veel
werk te doen valt. Hierbij denke men alleen al eens aan de vele
bouw- en sloopprojecten in de binnenstad, waardoor onderzoek mogelijk
wordt. Dit onderzoek is echter ook noodzakelijk, want de vele
projecten zorgen er ook voor, dat belangrijke archeologische gegevens
verloren gaan. Het aanstellen van mensen om dit onderzoek te
verrichten is dus een dringende zaak. Alleen al een assistent voor
de heer Verlinden, die als provi nciaal archeoloog in de hele provincie
werkzaam moet zijn, zou zeer welkom zijn.
Eqbert Dikken.
Noten:
1. J.W.M, de Jong, “Catalogus”, in Thuis in de late middeleeuwen:
het Nederlands burgerinterieur 1^00 – 1535 J.W.M, de Jong ed.
(Zwol Ie 1980) 18*» – 185.
2. Van bos tot stad (z.p. 1983) 298.
3. J.W.M, de Jong “Catalogus”, 185
’t. zie noot 2.
5. Han Prins, “Zwolle tijdens de bouw van het oude Raadhuis”, in:
Zwolle van stuwwal tot stad. Schets van haar oudste stadsgedeelte.
Han Prins,ed (Zwolle z.j.) 25- [
STADSNIEUWS UIT DE ZWOLSCHE COURANT, 1790 – 1850
Onder deze titel heeft Dr. P.J.C, de Boer een chronologische index
samengesteld op de stadsberichten voorkomend in de Zwolse Courant.
Van dag tot dag krijgt men een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen,
toneeluitvoeringen, concerten, herdenkingen enz.
Ook belangwekkende advertenties van nieuwe produkten, zich aanprijzende
geneesheren, variéte’s en dergelijke zijn vermeld.
Aan de index is een inhoudsopgave toegevoegd waarin trefwoorden voorkomen
variërend van “aardappel ziekte, bri1 lens 1ijper, kozakken,
vrouwenk 1eding tot Zwarte Water”.
Het is bijzonder plezierig dat deze uitvoerige ingang op het omvangrijke
krantenmateriaal beschikbaar is. Het tijdrovende zoeken wordt
hierdoor beperkt.
De index is te raadplegen in de studiezaal van de Gemeentelijke Archiefdienst
.
Hopelijk krijgt dit werk van Dr. De Boer een vervolg voor de jaren
na 1850.
J.F. Borst.
HET P.O.M.: HISTORISCH MUSEUM VAN NOORDWEST-OVERIJSSEL
EN DE STAD ZWOLLE
De titel van dit artikel geeft een streven aan dat in 1979 werd vastgelegd
in een nieuw beleidsplan voor het Provinciaal Overijssels Museum.
Het museum, dat sinds 196^* voornamelijk uit stijlkamers bestond, zou
in een aantal fasen worden veranderd in een streekgebonden historisch
museum, waarbij een zo goed mogelijke informatievoorziening en
dienstverlening ten behoeve van het publiek een belangrijke rol zou
spelen.
Inmiddels, bijna vijf jaar later, is een aanzienlijk deel van het
beleid reeds concreet vertaald. In 1983 werd de uitbreiding van het
museum in het pand “De Gouden Kroon” aan de Voorstraat geopend. Twee
expositieruimten in dit gebouw maken het mogelijk op efficiënte wijze
kleine historisch-thematische tentoonstellingen te organiseren. In
het pand bevindt zich ook de nieuwe bibliotheek van het museum, die
van dinsdag tot en met vrijdag van 13-30 tot 16.30 uur voor het publiek
toegankelijk is. De bibliotheek bestaat uit boeken op het ge-
G e –
bied van geschiedenis, kunst en kunstnijverheid en een aantal tijdschriften
met betrekking tot deze gebieden.
Tijdens de openingsuren van de bibliotheek is ook de uitgebreide
prentencollectie (meer dan 1500 nummers) van het P.O.M, toegankelijk.
De catalogus van de collectie bevat ingangen op maker en afbeelding
(bijvoorbeeld geordend per topografische eenheid, zoals: Sassenpoort
Zwolle), waardoor de prenten via de dienstdoende medewerker, eenvoudig
en direct ter inzage worden verkregen. Een deel van de collectie is
reeds in een fotodocumentatie vastgelegd, die direct door het publiek
gebruikt kan worden.
In het Drostenhuis aan de Melkmarkt is inmiddels een aantal kamers
opnieuw ingericht (de zogenaamde BlokzijIkamer en de I8e-eeuwse keuken).
Vanaf 19 april zijn het schilderijenkabinet en het prentenkabinet
voor het publiek toegankelijk. Hier zullen in wisselexposities
delen van de collecties van het museum getoond worden, waarbij naast
de esthetische waarde ook de historische waarde van de prenten en de
schilderijen een belangrijke rol speelt. De eerste twee wisselexposities
zijn gewijd aan Zwolse stadsgezichten uit de 17e eeuw en
stadsplattegronden. Bij elke nieuw ingerichte ruimte is (of komt)
extra informatie beschikbaar in de vorm van een deel van een losbladig
catalogussysteem. In de toekomst zullen ook andere deelcollecties
(archeologie, zilver.etc.) in een nieuwe opstelling gepresenteerd
worden. Bovendien is in een aantal ruimten een vaste opstelling gepland
met de historie van Zwolle en West-Overijssel als onderwerp.
Ondanks beperkte mankracht en financiële middelen (het aankoopbudget
is bijvoorbeeld vrijwel tot het minimum teruggebracht) blijft
het P.O.M, doorgaan op de ingeslagen weg om zo als museum een duidelijke
functie binnen de (Overijsselse) samenleving te kunnen vervul
len.
P.P. Kerpel.
HET RIJKSARCHIEF IN OVERIJSSEL
Nederland kent archiefbewaarplaatsen op het niveau van het Rijk, de
gemeenten en de waterschappen. Overijssel kent geen waterschappen
met een eigen archiefdienst. Gemeentelijke archiefdiensten bestaan
alleen in de drie IJsselsteden Deventer, Kampen en Zwolle. Over de
laatste hebt U in de vorige Nieuwsbrief uitgebreid kunnen lezen. Het
Rijksarchief in Overijssel maakt deel uit van de Rijksarchiefdienst,
welke ressorteert onder het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid
-hlen
Cultuur. De Rijksarchiefdienst omvat 11 rijksarchieven, gevestigd
in de provinciehoofdsteden alsmede een centraal archief in Den Haag,
het Algemeen Rijksarchief.
Zoals elk rijksarchief in de provincie beheert ook het Rijksarchief
in Overijssel de archieven van de provincie – deze heeft immers geen
eigen archiefdienst -, van de binnen de provincie werkzame rijksorganen
en hun voorgangers en particuliere archieven van bovengemeentelijk
belang. Daarnaast worden ook archieven met een meer uitgesproken
locaal belang opgenomen uit die plaatsen, waar geen gemeentelijke
archiefdienst deze (nood)opvang kan verzorgen. Hopelijk ontstaat
nog eens een situatie, waarin elke gemeente alleen of in samenwerk-
ing met anderen een archiefdienst sticht.
Het is uiteraard onmogelijk hier het circa 6,5 strekkende kilometer
gróte bezit.van het rijksarchief tot in detail te beschrijven. Voor
zeer goed overzicht van de niet alleen ten rijksarchieve, maar ook
bij de gemeenten en waterschappen bewaarde archieven raadplege men:
H. de Beer et alii, De archieven in Overijssel, Samson Uitgeverij
B.V. Alphen aan de Rijn, 1980. Dit overzicht is bijgewerkt tot en
met 1979. Een overzicht van de sindsdien aangewonnen archieven wordt
jaarlijks gepubliceerd in het Contactbericht van de Culturele Raad
van Overijssel.
Enkele belangrijke bestanden mogen toch wel genoemd worden:
— De archieven van de Staten van Overijssel, 1578 – 1795;
— van de zogeheten intermediaire besturen, 1795 ” 1813» ten tijde
van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland en het Franse
Keizerrijk;
— de Gouverneur, later Commissaris des Konings/der Koningin, 1813 ”
1920;
— de Gedeputeerde Staten, 181^ – 19^8;
— de Provinciale Staten, 18T4 – 19^8;
— de rechterlijke instanties van de 16e tot de 20e eeuw;
— de marken, 15e – 19e eeuw;
— de notarissen, T811 – 1892;
— de burgerlijke stand van alle gemeenten in Overijssel, 1811 –
1932, alsmede de daaraan voorafgaande kerkelijke doop-, trouwen
begraafboeken;
— de successiememories, 1811 – 1905;
— een deel van de kadasterarchieven, 1811 – 1975;
— de Kamers van Koophandel, tot 1920.
Aangetekend moet worden, dat het Rijk de archieven van de Zwolse notarissen,
het oud rechter 1 ijk archief 1383 – 1811 en de Zwolse doop-,
trouw-en begraafregisters permanent bij het gemeente-archief heeft
ondergebracht.
In de particuliere sfeer treft men aan tal van archieven van bedrijven
voornamelijk uit Twente, van landbouworganisaties en ontginningsmaatschappijen,
van vele Nederlands Hervormde, Gereformeerde
en Doopsgezinde gemeenten ën classes, van Rooms Katholieke parochies,
van de in de 16e eeuw door de Staten geconfisceerde middeleeuwse
kloosters, huisarchieven, familie-archieven en persoonlijke archieven.
Het rijksarchief beschikt ook over een goede bibliotheek van circa
15-000 banden, gespecialiseerd in de archiefwetenschap en de geschiedenis
van Overijssel. De kern ervan wordt gevormd door de b i b l i o –
theek van de vroegere Staten van Overijssel. De boeken en t i j d s c h r i f –
ten kunnen alleen ter plekke geraadpleegd worden.
Het Rijksarchief in Overijssel is gevestigd aan de Eikenstraat 20 te
Zwolle, telefoon 038 – 5^0.722 en is geopend op maandagmiddag van
13.30 uur – 17.00 uur, van dinsdag tot en met vrijdag van 09-00 uur –
17.00 uur en op zaterdagochtend, uitgezonderd de maanden j u l i en augustus,
van 09.00 uur – 12.30 uur. Archiefstukken die men op zaterdagochtend
wil inzien moeten u i t e r l i j k vrijdagmiddag 16.00 uur onder
opgave van de j u i s t e inventarisnummers s c h r i f t e l i j k of telefonisch
z i j n aangevraagd. Dit geldt uiteraard niet voor de steeds toenemende
hoeveelheid archiefstukken, die in zelfbediening in de vorm van
f o t o ‘ s , microfilm en dergelijke in de studiezaal aanwezig z i j n . Onder
bepaalde voorwaarden is het tevens mogelijk van archiefstukken foto’s
of Xeroxkopieën te verkrijgen.
De afdeling externe zaken van het rijksarchief,
P.W.J. den Otter.
BOEKBESPREKING
B.J. Kam: MERETRIX EN MEDICUS. Een onderzoek naar de invloed
van de geneeskundige v i s i t a t i e op handel en wandel
van Zwolse publieke vrouwen tussen 1876 en 1900.
Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen. 259 pgn.
Zwolle 1983. Niet in de handel. Verkrijgbaar door stort
i ng van ƒ 51,kS op giro 872203 tnv B.J. Kam te Zwolle.
Op 6 oktober 1983 promoveerde de Zwolse huisarts B.J. Kam in Nijmegen
tot doctor in de geneeskunde op een proefschrift over de p r o s t i –
t u t i e in het negentiende-eeuwse Zwolle. De aanleiding tot z i j n boek
vormden 28^ boekjes “dienende tot bewijs van inschrijving als publieke
vrouw”, die in 1972 werden ontdekt in een vuiIniscontainer bij
het politiebureau. In plaats van vernietigd te worden, kwamen ze terecht
in het gemeente-archief en vormden aldus de basis van Kam’s
proefschri f t .
In de loop van de 19e eeuw nam de overheid maatregelen om een halt
toe te roepen aan de groei van geslachtsziekten. Als bron van.alle
-MSkwaad
zag men indertijd de prostitutie. Hoe geslachtsziekten als
syfilis ontstonden en hoe ze effectief bestreden dienden te worden,
was echter niet bekend. Alleen door de publieke vrouwen regelmatig
medisch te laten onderzoeken en indien besmet, ze verplicht te laten
behandelen, dacht men geslachtsziekten te kunnen bestrijden.
Dat ook de man bij de verspreiding van deze ziekte een rol vervulde,
kwam niet of nauwelijks ter sprake. Door middel van politieregistratie
en gedwongen medische visitatie van de vrouwen probeerde men
de prostitutie in goede, dat wil zeggen voor de man gezonde banen
te leiden.
Op grond van vooral Franse literatuur en Nederlands archiefmateriaal
als bevolkings- en politieregisters, de genoemde boekjes en unieke
medische gegevens uit Deventer en Leiden schetst Kam een uitstekend
beeld van vooral de medische en juridische aspecten van de
prostitutie. Hoe kwamen de verorderingen tot stand, wat hielden ze
in, hoe vond het wekelijkse onderzoek plaats, welke diagnoses werden
er gesteld, hoe werden de besmette vrouwen behandeld: al deze
punten komen uitgebreid aan de orde. De nadruk ligt op de beschrijving
van de Zwolse situatie. Ook het effect van de gedwongen visitatie:
het vertrek van besmette vrouwen naar een andere plaats,
waar ze ongestoord hun bedrijf konden voortzetten, vormt een belangrijk
thema in het proefschrift. Door vergelijking van gegevens
uit Deventer, Leiden, Utrecht, Amsterdam en Zwolle heeft Kam met
behulp van de computer een diepgaand onderzoek ingesteld naar het
reisgedrag van de publieke vrouwen, naar de bordelen waar ze in
dienst waren, naar de gemiddelde verblijfsduur, hun herkomst, hun
ziektes; Hij komt onder andere tot de conclusie dat men het doel:
gezonde prostituees, niet heeft bereikt, maar juist de verspreiding
van geslachtsziekten eerder in dé hand heeft gewerkt.
Kam beperkt zich in zijn studie uitdrukkelijk tot de medische kant
van de prostitutie. Sociale aspecten komen niet aan de orde. Voor
vragen als: waarom gingen vrouwen over tot prostitutie, kan men in
zijn boek niet terecht. Ook onthoudt hij zich van een oordeel over
het zogenaamde prost i’.t’üt ievraagstuk, zoals dat in de vorige eeuw
speelde: de discussie over de vraag of reglementering van het verschijnsel
toelaatbaar was.
Meretrix en medicus’is een prettig, hier en daar te populair geschreven
boek geworden, dat ook voor niet-artsen begrijpelijk is.
De medische terminologie moet men op de koop toe nemen; het is
per slot van rekening een medisch proefschrift. Bezwaarlijk zijn
echter de vele herhalingen en ook de tal loze bij 1agen doen soms
overbodig aan. Hun inhoud komt in een aantal gevallen al voldoende
ter sprake in de tekst zelf. Een interessante bijlage vormen wel de
biografische notities over in het boek genoemde personen zoals
bordeelhoud(st)ers en artsen. Een deel van deze informatie was beter
op zijn plaats geweest in een van de hoofdstukken. Deze opmerkingen
doen echter niets af aan het belang van het boek, dat een goed beeld
geeft van de zelfkant van het Zwolse leven in de vorige eeuw.
Annet Schoot Uiterkamp.
-50-
BOEKBESPREKING
G. Vierstraete-Erdtsieck: HET JOODSE ONDERWIJS IN ZWOLLE,
” 1943.
Eigen uitgave, Wezep 1983-
Prijs ƒ 10,–
In het kader van haar MO – opleiding schreef mevrouw Vierstraete een
scriptie over het joodse onderwijs in Zwolle in de tweede wereldoorlog.
Door middel van publicatie heeft zij haar onderzoeksresultaten
voor een breder publiek toegankelijk gemaakt. Aan de hand van archiefmateriaal,
literatuur en interviews met betrokkenen wil zij een
antwoord geven op de vraag hoe dit onderwijs heeft gefunctioneerd en
op welke manier is gereageerd op het. instellen van apart joods onderwijs.
Uit de historische terugblik wordt duidelijk, dat apart joods onderwijs
een nieuwe maatregel is, door de bezetter ingesteld. Na het
ontslag van joden uit overheidsbetrekkingen, dus ook van joodse onderwijzers
bij het openbaar onderwijs, volgt in de zomer van 19^1 het
verbod voor joodse kinderen om deel te nemen aan het openbaar en particulier
onderwijs. De gemeente krijgt van de Rijkscommissaris de
opdracht joodse leerlingen te registreren en ervoor te zorgen dat er
op zo kort mogelijke termijn apart joods onderwijs kan worden gegeven.
In oktober 1§Ai moeten joodse kinderen in Zwolle lager onderwijs
volgen in het pand aan de Voorstraat k] , terwijl het voortgezet
onderwijs plaats vindt in het gebouw aan de Thorbeckegracht 11. Tot
uit de verre omtrek komen joodse kinderen naar deze scholen. In Enschede
wordt een onderafdeling van het Zwolse joodse lyceum opgezet.
Het onderwijzend personeel wordt gerecruteerd uit de ontslagen joodse
leerkrachten. Aan het functioneren van het onderwijs wordt veel
aandacht besteed door de schrijfster. Het is niet met zekerheid te
zeggen hoeveel kinderen aan het aparte joodse onderwijs hebben deelgenomen
in Zwolle, omdat de opgaven op de leer 1ingen1 ijst niet altijd
betrouwbaar zijn. Als gevolg van de deportatie van het merendeel van
de Zwolse joden, verloopt het joodse onderwijs in 1943- Na de oorlog
ontvangt het onderwijzend personeel rechtsherstel en een schadevergoeding.
In de beschrijving van de geschetste ontwikkelingen stelt de schrijfster
zich ambivalent op. Enerzijds spreekt zij haar verontwaardiging
uit en velt zij soms harde oordelen, anderzijds probeert zij zich
zo neutraal mogelijk op te stellen.
-51-
in haar inleiding zegt ze, dat de houding van niet-joden kan worden
omschreven als “beschamend” of zelfs als “stilzwijgende collaboratie”
(pagina 1,3). Voorbeelden van haar verontwaardiging zijn haar
beschrijving van de houding van burgemeester Van Karnebeek en van
de schoolhoofden die de door de bezetter gevraagde informatie over
de joden zonder meer verstrekten (pagina 6). Van Van Karnebeek wordt
zelfs gezegd dat hij de jodenvervolging in de beginfase heeft bevorderd.
Dergelijke oordelen zeggen de lezer niets, wanneer verzuimd
wordt de feiten te vermelden waarop het oordeel steunt. Bovendien
moet voor een genuanceerde afweging het algemeen klimaat waarin de
ontwikkelingen plaatsvonden en de fasering in de anti-joodse maat–
regelen worden betrokken. Het is de vraag of dan een term als
“stilzwijgende collaboratie” nog gerechtvaardigd is. Voor een lezer
is het moeilijk erachter te komen op grond waarvan de schrijfster
stel 1 ing neemt.
In tegenstelling met haar bovenvermelde constatering is de slotconclusie,
dat de houding van de niet-joodse betrokkenen gekenmerkt
wordt door afwezigheid. Hoe moet in dit verband de rol van Van Karnebeek
in de jodenvervolging worden geïnterpreteerd ? Anderzijds
geeft zij voorbeelden van gemeente-ambtenaren die zich wel degelijk
betrokken voelden bij de zaak van het joodse onderwijs. Toen
het de joodse onderwijzers werd verboden de afdeling onderwijs van
het Zwolse stadhuis te bezoeken, gingen de verantwoordelijke ambtenaren
naar de scholen. Wij willen dit geen afzijdigheid noemen; deze
ambtenaren hadden het immers ook kunnen nalaten. Ook het aanvullen
van het wachtgeld van de joodse onderwijzer Elte door zijn vroegere
niet-joodse collega’s, zien wij in tegenstelling tot de schrijfster
niet als een teken van afzijdigheid.
De studie had meer reliëf kunnen krijgen wanneer de schrijfster op
grond van bestaande literatuur een schets had gegeven van de theoretische
achtergronden van de arisering in het onderwijs. Waarom moesten
joodse kinderen van de bestaande scholen worden verwijderd? Dit
was een uitvloeisel van het waanidee dat het Germaanse ras superieur
was en zuiver moest blijven. Dr. J. Presser staat in zijn werk Onder
gang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 19^0-
19^5 uitvoerig stil bij de achtergronden van het joodse onderwijs.
We vinden hiervan in de scriptie niets terug. De bevindingen uit de
in de oorlog tot stand gekomen scriptie van J. Aa “De maatregelen
inzake het Onderwijs aan Joodse leerlingen, van augustus 19^1 tot
mei 19^5” konden helaas niet worden opgenomen.
Uit het verslag blijkt, dat het onderzoek zeer consciëntieus is uitgevoerd.
De schrijfster lijkt soms echter te dicht bij het ruwe materiaal
te blijven staan, waardoor het betoog wel erg gedetailleerd
en feitelijk wordt. Vragen waarop het materiaal geen antwoord geeft
worden vermeden. Bijvoorbeeld de vraag waarom de Duitsers apart joods
onderwijs organiseerden, terwijl de zogenaamde Endlösung al gepland
was, of: leverde het voor de leerkrachten moeilijkheden op dat de
leerlingen van allerlei verschillende scholen kwamen? Zo stelt Presser
de vraag: “Ging dat nu maar zo?” (namelijk de instelling van
apart joods onderwijs JH/AvdW) (pagina 142,1^3), terwijl Vierstraete
-52-
alleen over gelatenheid bij de Zwolse joden spreekt, zonder deze
houding te verklaren of andere mogelijkheden in ogenschouw te nemen.
Ondanks de geschetste tekortkomingen draagt dit onderzoek bij aan het
opvullen van een leemte in de joodse en Zwolse historiografie. Belangwekkend
is het gebruik van de mondelinge bronnen. De schrijfster
heeft met name in het hoofdstuk over het functioneren van de school,
de gesprekken met oud-leerlingen, voormalig onderwijzend personeel
en andere betrokkenen, goed geïntegreerd met de bevindingen uit het
archiefmateriaal. Het opnemen van enkele bronnen in de bijlagen
spreekt eveneens sterk tot de verbeelding van de lezer.
De scriptie is te bestellen op het adres Hortensiastraat 1A, 8091VC
Wezep, en is aanwezig op het gemeente-archief.
Jaap Hagedoorn/Anneke van der Wurff.
BOEKBESPREKING
GESCHIEDENIS VAN 50 JAAR T.O.G. ITTERSUM (1934-1984)
Eigen uitgave, Zwolle 1984
28 bladzijden, prijs ƒ 2,50
Ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de Ittersumse damclub
Tot Ons Genoegen ( T.O.G. ) verscheen een in eigen beheer uitgegeven
Jubileumboekje. Hierin wordt door de heer J. Beens een kort overzicht
gegeven van de geschiedenis van deze vereniging. Daarnaast zijn énkele
bladzijden uit de notulenboeken weergegeven, terwijl een aantal
– helaas slecht afgedrukte – foto’s het geheel verluchtigt.
De basis van de vereniging werd gelegd in de Centrale Werkplaats van
de Nederlandse Spoorwegen. Hier werd tijdens..de pauze’s door een aantal
mensen gedamd, een bezigheid die veelal in de avonduren werd
voortgezet. Gezien de belangstelling van anderen die hiervoor bestond,
werd besloten een damvereniging op te richten. Zo vond op maandag 5
februari 193** de oprichtingsvergadering plaats, die door tien personen
werd bijgewoond. Een bestuur werd gekozen, de contributie werd
vastgesteld op een dubbeltje per lid per week en als eerste speelavond
werd 12 februari aangewezen. Daar geen geld voorhanden was om
damborden aan te schaffen, werden deze door een tweetal actieve leden
zelf gemaakt.
Gaandeweg breidde de vereniging zich uit tot de mobilisatie van 1939
en de daarop volgende Duitse bezetting van ons land aan de damactiviteiten
voorlopig een eind maakte. Pas na de oorlog werd weer begonnen
met het dammen in verenigingsverband, een activiteit die tot op
de dag van vandaag door de leden met veel enthousiasme wordt verricht.
-53-
Belangstellenden in de geschiedenis van de jubilerende damclub kunnen
– zolang de voorraad strekt – een exemplaar van het Jubileumboekje
bestellen bij L. Bakker, Philosofenallee k, 8023 TA Zwolle,
telefoon 038 – 5^5059.
N.D.B. Habermehl.
MEDEDELINGEN
VAN DE LEDENADMINISTRATIE
Betaling contributie 198*t.
Voor leden, die zich vanaf 1 januari 198^ als lid aangemeld hebben,
geldt dat de contributie bij vooruitbetaling verschuldigd is. Aan de
hand van Uw 1idmaatschapskaart kunt U zien of U ook tot de “nieuwe”
leden behoort.
De leden met lidmaatschapsnummers vanaf lAl wordt thans verzocht de
contributie over te willen maken en wel op:
GIROREKENING 5570775 t.n.v. Zwolse Historische Vereniging,
Brederostraat 76 te Zwolle.
De contributie bedraagt / 3 5 , — per jaar (voor 65+ – leden / 2 5 , — ) .
Mogen wij U verzoeken de contributie spoedig over te maken?
Hoewel de leden, die zich in 1983 al opgaven, officieel pas contributie
hoeven te betalen bij het verschijnen van het Jaarboek 198*4,
heeft een aantal van hen al de contributie over 198*t al voldaan. Hiervoor
onze hartelijke dank. Immers: ook nu al worden kosten gemaakt.
Indien ook U al bereid bent nu de contributie over te maken, zal ons
dat zeer welkom zijn.
Huisleden
In de bestuursvergadering van 2 februari 198^t is besloten zogenaamde
“huisleden” tot de vereniging toe te laten. Deze leden ontvangen een
eigen 1idmaatschapskaart en hebben daardoor toegang tot lezingen en
andere activiteiten die door de ZHV gehouden worden. Ook in de ledenvergadering
is hun stem geldend. Zij ontvangen echter geen publicaties,
die door de vereniging worden uitgegeven.
De contributie voor huisleden is bepaald op / 7,50 per jaar.
Voor nadere inlichtingen en opgave kunt U zich wenden tot de penningmeester,
H. Brassien, telefoon 038 – 539.625.
-5*»-
Nieuwe leden
Nieuwe leden blijven van harte welkom. Wellicht kent U in Uw omgeving
iemand, die ook zodanig ‘geïnteresseerd is in de geschiedenis
van Zwolle, dat hïj/zij ook lid wil worden. Wij horen dat graag van
U. Ook kunt U iemand een cadeau-abonnement voor één of meer jaar doen.
Nieuwe leden, die zich in de loop van het jaar opgeven ontvangen ook
de al eerder in dat jaar verschenen Nieuwsbrieven.
Opgave nieuwe leden: telefonisch: 038 – 539.625 (H. Brassien) of
schriftelijk: Ledenadministratie ZHV, Brederostraat 76, 8023 AV te
Zwolle.
MUSEALE WERKGROEP
Eén van de activiteiten die het bestuur van de Zwolse Historische
Vereniging (ZHV) zich ten doel stelt, is het in het leven roepen van
een Museale Werkgroep. De deelnemers hieraan zullen tot taak krijgen
de tentoonstellingen in het Provinciaal Overijssels Museum (POM) die
betrekking hebben op de geschiedenis van Zwolle historisch te onderbouwen.
Nu het POM bezig is zich te ontwikkelen tot een historisch museum
waar met behulp van originele voorwerpen, foto’s, tekst, geluid,
modellen en plattegronden de geschiedenis wordt verteld van de provincie
Overijssel, en van de stad Zwolle in het bijzonder, is aan
zo’n werkgroep grote behoefte. Maar niet alleen het POM, ook de ZHV
zal hiervan profiteren. Gedacht wordt aan het publiceren van de resultaten
van het onderzoek in de periodieken (Nieuwsbrief en Jaarboek)
van de ZHV.
Gezien het bovenstaande dienen deelnemers aan de werkgroep enige ervaring
te bezitten in het verrichten van historisch onderzoek, terwijl
interesse voor kunstgeschiedenis wenselijk is.
Hebt U belangstelling voor deze werkgroep of wenst U eerst nog nadere
informatie, dan wordt U verzocht contact op te nemen met N.D.B.
Habermehl, Philosofenallee 2k, 8023 TB Zwolle, telefoon 038-539191.
LEZINGENCYCLUS “ZWOLLE IN DE 19e EEUW”.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging organiseert dit
jaar zes lezingen, die alle betrekking hebben op het 19e-eeuwse Zwolle.
Een tweetal aspecten zal hierbij centraal staan. In de eerste
plaats zal aandacht geschonken worden aan de methode van het onderzoek
en-het geraadpleegde bronnenmateriaal. Het resultaat van het onderzoek
vormt het tweede aspect dat aan de orde zal komen.
Een uitzondering hierop vormen de eerste en de vijfde lezing. In de
eerste lezing zal een kort overzicht worden gegeven van het 19e-eeuwse
Zwolle, gevolgd door een inleiding over de inrichting en werking
van het Zwolse Gemeentelijk-archiefgebouw. Een rondleiding door het
archief onder leiding van gemeente-archivaris drs. F.C. Berkenvel-
55-
der vormt de afsluiting van deze avond. De vijfde lezing heeft – dit
ter afwisseling – een kunsthistorisch aspect tot onderwerp: het 19eeeuwse
interieur, zoveel mogelijk toegespitstop Zwolle.
De zes lezingen (drie in het voorjaar en drie in het najaar) zullen
worden gehouden in het Gemeentelijk-archiefgebouw, Voorstraat 26 te
Zwolle. De aanvangstijd is steeds 20.00 uur. Introducé(e)s zijn van
harte welkom. De lezingen zijn gratis toegankelijk voor leden en hun
i ntroducé(e)s.
De volgende sprekers en spreeksters hebben toegezegd een lezing te
willen verzorgen:
— 27 maart dhr. J. Hagedoorn, Verbroken stilte. Een schets van de
geschiedenis van Zwolle in de 19e eeuw.
dhr. drs. F.C. Berkenve1 der, Wat is en doet de Zwolse
gemeentelijke archiefdienst.
1 mei dhr. dr. B.J. Kam, Het ontstaan van een dissertatie
ower de prostitutie te Zwolle in de tweede helft van
de 19e eeuw.
5 juni dhr.A.H. ten Cate, Het Weeshuis der Hervormde Gemeente
te Zwolle in het midden der 19e eeuw.
De preciese data van de najaarslezingen volgen op een later tijdstip.
— september mevr. drs. A. van der Wurff, Het lager onderwijs te
Zwolle in de tweede helft van de 19e eeuw.
— oktober mevr. drs. E.A. van Dijk, Het interieur in de 19e eeuw,
in het bijzonder te Zwolle.
— november mevr. drs. A. Schoot Uiterkamp, Armoede en armenzorg te
Zwolle in de tweede helft van de 19e eeuw.
Voor nadere informatie kunt U zich wenden tot N.D.B. Habermehl, Philosofenallee
2k, 8023 TB Zwolle, telefoon (038) – 53-91.91.
ANTIQUARIAAT THEO DE BOER HEROPEND
Op vrijdag 2h februari werd het antiquariaat Theo de Boer, Sassenstraat
70 te Zwolle geopend. De heer De Boer begon zijn antiquariaat,
zoals velen bekend zal zijn, enkele jaren geleden in de Steenstraat.
Het nieuwe pand biedt hem meer ruimte en mogelijkheden. De
heer Waanders, ook geen onbekende in Zwolle, verklaarde de nieuwe
zaak voor geopend, na in een korte toespraak de geschiedenis van
het antiquariaat De Boer en de functie van een antiquaar (” de beheerder
van boeken die tijdelijk dakloos zijn “) geschetst te hebben.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging was voor deze
gelegenheid ook uitgenodigd en door enkele leden vertegenwoordigd.
Wij wensen de heer De Boer veel succes toe met zijn nieuwe winkel,
waar naast oude prenten en boeken op velerlei gebied, een ruime
sortering boeken over Zwolse en algemene geschiedenis te vinden is.
-56-
NIEUWE UITGAVE IN SERIE SCRIPTA TRANS ISALANA
In de serie Scripta Transisalana is in het najaar van 1983 verschenen
“Proza en poëzie in Overijssel tot 1983”. In deze beredeneerde
catalogus en aanzet tot bibliografie worden onder meer romans, reisverhalen,
dagboeken, toneelstukken en jeugdverhalen, die op enigerlei
wijze betrekking hebben op de provincie Overijssel of een deel
of plaats daarin, op onderwerp, plaats en tijd ontsloten.
Reeds verschenen in de serie Scripta Transisalana zijn:
1 en 2 Scripta Transisalana deel I en II;
Catalogus van Overijsselse werken met trefwoordenregister.
1973 – 1980.
3 Joan Derk van der Capellen tot den Pol. 1981.
A Proza en Poëzie in Overijssel; gelegenheidsgedichten. 1983-
Deze uitgaven zijn te bestellen bij de PBC-Overijssel-Oost, Postbus
2, 7620 AB Borne. Telefoon: Q7k – 663.115.
AGENDA
Culturele Raad Overijssel
— 2k april Archeologische Werkgroep Nederland / IJsseldelta-Vechtstreek,
Jaaroverzicht 1983 door de provinciaal archeoloog,
A.D. Verli nde.
Plaats: “De Gouden Kroon”, Voorstraat 31», Zwolle, aanvang
20.00 uur.
— 6 juni Korte officiële herdenking van de 200e sterfdag van
Joan Derk van der Capellen tot den Pol, Zwolle.
Plaats: nog niet bekend. Tijdstip: nog niet bekend.
Provinciaal Overijssels Museum
— 06.0^-22.07 “Loop naar de pomp”
Een tentoonstelling over de vroegere watervoorziening
in Zwolle en Overijssel.
— 10.08-19.08 “Foto en film op de kermis”
De tentoonstelling valt samen met de Zwolse kermis.
— 08.09-…12 “Joan Derk van der Capellen tot den Pol.”
Tentoonstelling over een Overijsselse patriot ter gelegenheid
van diens 200e sterfdag.
ZWOLSE HISTORISCHE VEDENIGING
Voorzi tter
Secretaris
Penningmeester
N.D.B. Habermehl
Philosofenallee 2h Zwolle
J. Hagedoorn
p/a Wipstrikkerallee 176 Zwolle
H. Brassien
Brederostraat 76 Zwolle
Lid (eindred. NIEUWSBRIEF) R.T. Oost
Jel1issenkamp 2 Zwolle
Lid (eindred. JAARBOEK) J.F. Borst
Meenteweg 7 Zwolle
REDAKTIELEDEN NIEUWSBRIEF REDAKTIELEDEN JAARBOEK
J. Hagedoorn J.F. Borst (eindredakteur)
R.T. Oost (eindredacteur) p.j. Lettinga
Mevr. A. van der Wurff
SEKRETARIAAT
Wipstrikkerallee 176, 8023 DP ZWOLLE
REDAKTIE NIEUWSBRIEF
Jel1issenkamp 2, 8014 EW ZWOLLE
REDAKTIE JAARBOEK
Meenteweg 7, 80^1 AT ZWOLLE
LEDENADMINISTRATIE
Brederostraat 76, 8023 AV ZWOLLE
typewerk: henk brassien
IBM/artisan 72 – verkleind naar
offset : administratiecentrum “sassenpoort”.
©Zwolse Historische Vereniging 1984.
4 .«’N

Lees verder