1988
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
ZWOLSE Hl&TODI&CHE VEDENIGING
INHOUDSOPGAVE / NUMMER TWEE / JAARGANG VIJF / 1988
33 VAN DE REDACTIE
34 ARTIKEL
De staatsenquête van 1890. Een schets van het
arbeidersleven in Zwolle rond 1890.
A.L.A. Wevers
53 REACTIE
Reactie op het artikel van D. Wemes
D.M. van der Schrier
57 BOEKBESPREKING
Bibliografie van Overijssel 1951-1980
Besproken door J. Hagedoorn
55 VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
VAN DE INSTELLINGEN
60 Tentoonstellingsagenda
55 Mededeling van het gemeente-archief
60 PERSONALIA
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck
(eindredacteur Jaarboek), I. Wormgoor, H.C.J. Wullink,
A. van der Wurff.
Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of
openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm
of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgever.
VAN DE REDACTIE
In dit tweede nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
zijn een lang artikel en een boekspreking opgenomen.
A.L.A. Wevers geeft een beeld van de levensomstandigheden
van de Zwolse arbeiders rond 1890. Hij doet dat aan de hand
van de resultaten van een staatsenquête die in dat jaar werd
gehouden en die tot doel had om de maatschappelijke toestand
van de arbeiders, de verhouding tussen werkgevers en arbeiders
en de toestand in de fabrieken en werkplaatsen te onderzoeken.
Door deze enquête werd het beeld dat de gegoede
burgerij had van een rustig land zonder wantoestanden, vernietigd.
J. Hagedoorn gaat uitgebreid in op de onlangs verschenen
Bibliografie van Overijssel 1951-1980. Het perspectief van
het gebruik van de bibliografie bij historisch onderzoek
staat daarbij centraal.
De tentoonstellingsagenda en een mededeling van het gemeente-
archief completeren dit tweede nummer.
Mocht u nog opmerkingen hebben over de inhoud van dit Tijdschrift,
of wanneer u bezig bent met onderzoek naar zaken
uit het Zwolse verleden waarover u een (kort) artikel wilt
schrijven, schroomt u dan niet om een en ander aan de redactie
voor te leggen.
Veel leesplezier toegewenst met dit Tijdschrift-nummer.
34
DE STAATSENQUÊTE VAN 1890.
EEN SCHETS VAN HET ARBEIDERSLEVEN IN ZWOLLE ROND 1890.
A.L.A. WEVERS
1. Inleiding
De belangstelling en zorg van de rijksoverheid voor de omstandigheden
waaronder de Nederlandse bevolking haar arbeid
moet verrichten, is niet voorbehouden aan de twintigste
eeuw. Toen na 1870 en met name na 1895 Nederland op industrieel
gebied tenslotte ook opstoomde in de vaart der volkeren,
stelde de overheid een aantal enquêtes in, bedoeld om
de zich gelijktijdig wijzigende arbeidsomstandigheden gedetailleerd
in kaart te brengen 1!. Immers, voor de arbeidersbevolking
bracht de in verhouding tot de ons omringende landen
vertraagde Nederlandse industrialisatie grote veranderingen
met zich mee. Zo nam bijvoorbeeld de sociale afstand
tussen de patroon en het werkvolk geleidelijk toe. Men moet
izich van deze toenemende afstand echter geen al te grote
:voorstellingen maken, omdat in 1889 nog 90% van de Neder-
‘landse beroepsbevolking in bedrijfjes met minder dan tien
arbeidskrachten werkzaam was.
Het resultaat van de enquêtes vernietigde het fraaie, zelfgemaakte
beeld dat de gegoede burgerij zo lang had kunnen
handhaven. Van het rustige Nederland waar geen wantoestanden
heersten, waar geen kinderen afgebeuld werden en waar de arbeiders
met de pet in de hand hun plaats kenden, was plotseling
geen sprake meer. De overheid zag zich gedwongen de
eerste schreden op het pad van de sociale wetgeving te zetten
2 ‘ .
Ook Zwolle nam – zij het bescheiden – deel aan het vertraagde
Nederlandse industrialisatieproces. De totstandkoming van
de spoorwegverbinding met Utrecht (1863) en de vestiging van
de centrale werkplaats van de Staatsspoorwegen (1870) zijn
hier de belangrijkste getuigen van. Toch groeide Zwolle niet
uit tot een industrieel centrum in noord-Nederland. De economische
bedrijvigheid bleef vooralsnog grotendeels rusten
op de ‘constructiewinkel’, zoals de spoorwegwerkplaats in de
wandeling genoemd werd. De Zwolse nijverheid en handel maakten
onvoldoende gebruik van de grote mogelijkheden welke de
geografische ligging hen bood. De kapitaalkrachtige Zwollenaren
belegden hun vermogen liever in grond dan dit te investeren
in nieuwe industrieën en handelsondernemingen. Het
midden- en kleinbedrijf met hun relatief lage peil van scholing
en mechanisatie domineerden in Zwolle rond 1890 3) .
In het navolgende zal aan de hand van de Staatsenquête van
1890 een schets gegeven worden van het arbeidersleven in
35
Zwolle rond 1890. Daartoe zal in paragraaf 2 eerst aandacht
worden besteed aan de waarde die we aan de enquête als historische
bron mogen hechten. Vervolgens komen in paragraaf
3 zaken als arbeidsduur, bedrijfs(on)veiligheid, lonen,
vrouwen- en kinderarbeid en de sociale verhoudingen tussen
de patroons en het werkvolk aan bod. Een samenvattende conclusie
sluit het artikel af.
2. De Staatsenquête van 1890.
Zwolle, Deventer, Kampen en Twente vertegenwoordigden Overijssel
in de Tweede Afdeling van de Staatsenquête. Tot deze
afdeling behoorden verder Friesland, Groningen, Drenthe en
Gelderland benoorden de Rijn. De enquêtecommissie, bestaande
uit de Kamerleden J. van Alphen, dr. N. Reeling Brouwer,
jhr. mr. O.Q. van Swinderen en voorzitter mr. J.D. Veegens,
diende het onderzoek van de arbeidsenquete van 1887 te vol-^
tooien (zie noot 1). In officiële bewoordingen luidde de op-:
dracht: “Onderzoek naar de maatschappelijke toestanden der
arbeiders, omtrent de verhoudingen tusschen werkgevers en
arbeiders in de verschillende fabrieken en werkplaatsen en
omtrent den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het
oog op de veiligheid en gezondheid der werklieden” 4 » .
De commissie begon haar werkzaamheden met het sturen van een
vragenlijst naar talrijke instanties en personen, zoals bijvoorbeeld
Kamers van Koophandel en Fabrieken, werkgevers- en
werknemersorganisaties, dominees, pastoors en artsen. Hierin
werd gevraagd om zakelijke informatie over onder andere arbeidsduur,
lonen, vrouwen- en kinderarbeid, sociale fondsen
en huisvesting. In een volgens stadium ging de commissie over
tot het bezoeken van fabrieken en het verhoren van de
getuigen. Geschikte informanten werden gevonden door inlichtingen
in te winnen bij de Kamers van Koophandel en Fabrieken
en de burgemeesters, alsmede door openbare oproepen aan
een ieder die over het onderwerp van de enquête uit eigen
ervaring informatie zou kunnen verstrekken. De Zwolse ‘Getuigen-
Verhooren’ vonden plaats van vrijdag 19 februari tot
en met woensdag 24 februari 1892. Plaats van handeling was:
het Gouvernementsgebouw aan de Diezerstraat. :
Alvorens over te gaan tot de behandeling van de getuigenver-!
horen zelf, zullen eerst enige opmerkingen gemaakt worden o-!
ver de waarde van de Staatsenquête als historische bron. Omj
deze waarde te bepalen dient men zich voortdurend af te vragen
door wie de getuigen werden aangewezen, hoe representatief
zij waren en welke gevolgen de arbeiders zouden kunnen
ondervinden wanneer zij door de antwoorden hun werkgevers
irriteerden. Aangezien uit de meeste beroepscategorieën getuigen
werden gehoord aan wie deels dezelfde vragen gesteld.
werden, krijgen we een redelijke beeld van de toenmalige si-J
tuatie in Zwolle. De representanten van de arbeidersklasse!
– zeven van de zevenentwintig getuigen – zijn echter onder-I
S e n : *”* G ° U V — n t s g e b o u w waarin de enquête
Foto^J.P. de Koning, Gemeente-archief Zwolle, neg.nr. 83-
37
vertegenwoordigd, terwijl uit de categorie ‘losse arbeiders’
helemaal niemand werd gehoord.
Over de ondervraagde werklieden merkte de commissie in haar
eindverslag op dat deze tot de meest ontwikkelden onder de
arbeidersbevolking behoorden en hun mening beter onder woorden
durfden en konden brengen dan hun lotgenoten. De commissie
noemde vrijmoedige antwoorden regel en beschroomde een
uitzondering 5′.
Bij laatstgenoemde opmerking moet echter een kanttekening
geplaatst worden. In het algemeen kan men stellen dat de
vragen die de positie van de arbeider op geen enkele wijze
in gevaar brachten – bijvoorbeeld vragen over de lonen en de
werktijden – doorgaans een beslist en nauwkeurig antwoord
opleverden. Op vragen die de werklieden in een lastige positie
manoeuvreerden – bijvoorbeeld over de verstandhouding
met de patroon – werd veelal ontwijkend of vaag geantwoord.
Is het de commissie dan niet aan te rekenen dat zij niet
doorvroeg wanneer zij kritische noten in de antwoorden vermoedde
en dat de getuigen vrijwel nooit met uitspraken van
andere zegslieden werden geconfronteerd? Deze bedenking kan
gevoeglijk terzijde geschoven worden, omdat de enquêtecommissie
wel inzag dat al te openhartige ontboezemingen over
de wantoestanden of de gebrekkige voorzieningen in de werkplaatsen
verregaande consequenties voor de ondervraagden’
konden hebben. Daarom werd dit soort informatie niet zozeerj
onttrokken aan bijvoorbeeld de letterzetter G. Ridder, dej
zandvormer G.J. van Voorst of de sigarenmaker J. Klappe,j
maar zoveel mogelijk aan informanten die zich wat onafhan-‘
keiijker konden opstellen zoals artsen, onderwijzers en
geestelijken.
We kunnen daarom stellen dat, hoewel de Staatsenquête natuurlijk
slechts een momentopname biedt en er omtrent de
representatie en de openhartigheid twijfels bestaan, de honderden
nauwkerig geboekstaafde belangrijke en onbelangrijke
vragen en antwoorden vrijwel alle kanten van het arbeidersleven
in Zwolle rond 1890 hebben belicht. Mits verantwoord
gebruikt vormt de Staatsenquête een belangrijke bron voor de
sociaal-economische geschiedenis van het laatste decennium;
van de vorige eeuw.
3. De ‘Getuigen-Verhooren’
De eerste vragen betroffen de arbeidsduur. De uitzonderlijk
schrijnende gevallen waarvan de arbeidsenquete van 1887 gewag
maakte – vrouwen en kinderen werkten soms 30 tot 40
uur aan een stuk; arbeiders werden door hun werkgevers mishandeld;
mannen vielen op hun werk dood neer – deden zich in
Zwolle gelukkig niet voor 6) . De arbeidstijden varieerden
per bedrijfstak en waren seizoensgebonden. Een zesdaagse
werkweek met dagen van 12 tot 15 uur inclusief de schafttij38
VERGADERING VAN DINSDAG 23 FEBRUARI 1892.
Tegenwoordig de heeren:
VEEOENS, Voorzitter.
VAN ALPHEN.
REELING BROUWER.
VAN SWINDEREN.
Verhoor van Ferdinand Oberstadt, oud 56 jaar, ingenieurchef
van de centrale spoorweg-werkplaats der
Maatschappij tot Exploitatie van Staatespoorwegen,
te Zwolle.
751. De Voorzitter: Sinds hoe lang bekleedt gij uwe
tegenwoordige betrekking ?
A. Gedurende ongeveer 4 jaren; te voren ben ik 13
jaren in Tilburg geweest.
752. V. Gij zijt in 1887 gehoord door de parlementaire
oommissie van enquête, en hebt bij die gelegenheid
eunstige verklaringen afgelegd omtrent het personeel,
waarmede gij te Tilburg te doen hadt. Welk oordeel
kunt gij uitspreken over de geschiktheid van het personeel
alhier, ook bij vergelijking met dat te Tilburg?
A. De geschiktheid van het volk te Zwolle kan ik
niet anders dan roemen ; ik vind het slag van menschen
hier zelfs wel zoo intelligent ala te Tilburg.
753. V. Is het personeel, voorzoover gij kunt nagaan,
hier te Zwolle even tevreden ?
A. Toen ik hier kwam, zeide men mij, dat hier
sociaal-democraten waren. Verstaat men daaronder
menschen, die hun positie langs wettigen weg willen
verbeteren, dan zijn hier zeker sociaal-democraten; maar
in de werkplaats zijn geen menschen, die alles maar
willen omverwerpen en niets opbouwen. Er heerscht een
uitstekende geest in de werkplaats alhier.
754 V. Kunt gij eene vergelijking maken tusschen
de huisvesting van het personeel te Tilburg en hier?
4. Ik zou wel leggen, dat de woningen hier nog
beter zijn dan die te Tilburg. Er zijn enkele streken in
Tilburg, waar de woningen zeer slecht waren; die zijn
Enqulte. — Zwolle, Deventer, Kampen.
later gesloopt. Ik heb nooit gehoord, dat de woningen
hier slecht zijn. Er wordt hier voor de woningen f 1.70
a f 2.50 betaald. Ik kom zelden of nooit in die woningen,
zoodat ik moeilijk daaromtrent inlichtingen kan geven.
755. De heer Van Alphen: Gij noemt daar huurprijzen,
die zoo hoog zijn als nog niet door vorige
getuigen zijn opgegeven. Hoogstwaarschijnlijk hebt gij
het oog op de woningen, in de omgeving van de spoorwegwerkplaats
gelegen, die ten behoeve van de arbeiders
zijn opgericht. De arbeiders, die daar wonen, zullen wel
meer loon verdienen dan hier over het algemeen met
de arbeiders het geval is. Er dient verhouding te zijn
tusschen het loon en de huur der woning. Een arbeider,
die 7 1 8 gulden verdient, kan zulk eene woning
niet bekostigen.
A. In die woningen wonen bijv. ploegbazen, die
25 ets. per uur verdienen met 20 pet. voor overwerk.
Ik heb gehoord, dat de laagste huur f 1.70 bedroeg. Een
sjouwerman, die 10 ets. per nur verdient, zal in zulk
eene woning niet kunnen wonen.
756. V. De arbeiders, die dergelijke woningen gehuurd
hebben, verdienen dus f 15 a f 20 in de week?
Dat zal wel.
Welke zijn de werkuren in de
A.
757. De Voorzitter:
centrale werkplaats?
A. Van ’s morgens 6 tot 8, dan is er een half uur
ru6t, van half 9 tot 12 en dan van half 2 tot 6, dit
is de gewone werkdag.
758. V. Wordt er wel overgewetkt?
A. Ja, de werklieden werken gaarne over; zij zijn
niet tevreden, wanneer zij maar tot 6 uur werken; gewoonlijk
werken wij tot 7 of 8 uur. Des nachts werken
wij ook wel, dat is gewoonlijk op een Zaterdag.
13
Deel uit het verhoor van F. Oberstadt. Enquête gehouden door
de Staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 18 januari
1890; Tweede Afdeeling; Zwolle, Deventer, Kampen. Z.pl., ca.
1892.
39
den kwam echter algemeen voor. Daarnaast werd in tijden var.
grote drukte in vrijwel alle fabrieken en werkplaatsen overwerk
verricht, hetgeen overigens niet altijd beter betaald
werd. Volgens Ferdinand Oberstadt, ingenieur-chef van de
spoorwegwerkplaats, werkten de arbeiders bij hem zelfs graag
over: “Zij zijn niet tevreden wanneer zij maar tot zes uur
werken” 7′ . Bij de Staatsspoorwegen werd overwerk dan ook
beter beloond.
Thuiswerkers – kleermakers en sigarenmakers bijvoorbeeldwaren
als gevolg van hun afhankelijkheid van stuklonen van
’s morgens 4 uur tot ’s avonds 10 uur in touw 8). Het tijdrovende
karakter van het bakkersvak bracht exorbitant lange
werkdagen met zich mee. Zo werd bij W. Oelrich, brood- en
beschuitbakker, door de week 16 tot 18 uur per etmaal gewerkt,
op zaterdag ongeveer 22 uur. Op de vraag van de commissie
of dit niet te lang was, antwoordde patroon w. Oelrich:
“Och, ik heb vroeger wel langer gewerkt, bijv. in Den
Haag, waar ik niet meer slaap kreeg dan 15 uur per week” 9).
Bovendien was het werk niet meer zo zwaar als vroeger. Vele
werkzaamheden geschiedden nu immers machinaal, terwijl bij
hem ’s zonsdags niet gewerkt werd.
Zondagsarbeid, of zoals de Zwolse afdeling van de ‘Nederlandsche
Vereeniging tot Bevordering van de Zondagsrust’ het
bestempelde, de schending van de zondagsrust, kwam in Zwolle
over het algemeen weinig voor. Een uitzondering hierop vormden
het broodbedrijf en het rijdende personeel van de
Staatsspoorwegen. Bij de broodfabrikant E. Helder werden ‘s
zondagsmiddags om 4 uur de machines weer opgestookt om de
volgende morgen om 5 uur de eerste broden te kunnen bezorgen.
De banketbakkers werkten de gehele zondag “hetgeen echter
wel zoo zal blijven, zoolang de heeren en dames zich de
luxe niet willen ontzeggen om des Zondags diners te geven”
1 0>. Bij de Staatsspoorwegen waren de stokers, machinisten;
en conducteurs afhankelijk van de welwillende medewerking!
van de machinist-opzichter om door veel geschuif eens in de’
drie weken van een vrije zondag te kunnen genieten.
Tijdens de voorbereidingsfase was het de enquêtecommissie
ter ore gekomen dat de olieslagerij Jansen & Wicherlink een
voor de arbeiders bijzonder vervelende werktijdenregeling
kende. Hoewel de feitelijke arbeidsduur naar de toenmalige
maatstaven alleszins redelijk was – ongeveer 12 a 13 uur per
dag – werkte en sliep het personeel als gevolg van de toe-,
passing van een anderhalve ploegendienst zeer onregelmatig
111 . Directeur Wicherlink verklaarde tijdens zijn verhoor
juist voordelen in deze onregelmatige werktijden te zien. Zo
kon zijn werkvolk ’s zomers een vrije namiddag naar eigen
goeddunken besteden, bijvoorbeeld aan het bewerken van een
moestuintje. Hij ontkende ten stelligste dat er over de
werktijden geklaagd werd en dat ze nadelig uitwerkten op
het gezinsleven van het personeel x2>.
40
B8S. V. Worden wel boston opgelegd T
A. Neen.
864. V. Kont gij het goed vinden methetperaoneel7
!• er eene aangename verhouding T
A. Heel best
865. V. Kant pj gemakkelijk geschikt personeel
krijgen T
A. Zeer gemakkelijk, de positie is ree! beter dan by
een gewonen bakker. Bij een gewonen bakker wordt het
loon foor het kleinste gedeelte in geld betaald, het overige
loon ontvangen rij als koet en inwoning. Dit gaat goed
totdat lij willen trouwen; dan moeten rij naar de fabriek
loe of tel f bus worden, dit gaat een paar jaar goed,
maar dan is bet uit, iciodat wij werklieden genoeg kunnen
krijgen.
WVi. V, U ook het personeel van de verroloelllfabriek
geschikt?
A. Het staat niet op een hoog zedelijk standpunt,
tnur het wordt langzamerhand beter. Wij hebben do
fabriek in 1889 overgenomen en toen was het treurig
gesteld, wtj hadden toen het uitschot Wij hebben nu
twee meters, dochten van een schildenknecht, dit rijn
kinderen oit een teer net huishouden; dan heb ik oog
twee rusten», wier moeder eene netto vrouw ie en die
getrouwd is met een man, die niets waard is, daar is het
illertreurigst Eindelijk beb ik nog een meisje van eene
wednwe, die verleden jaar nog een onecht kind gekregen
beeft- Ik heb getracht dit meisje van hare moeder van
dua te krijgen, maar dit ging niet, de moeder profiteerde
te ml van haar. Dit meinje is 4 a 5 weken in het ziekenhuis
geweest, wegens een ongesteldheid aan het been.
Ik beb baar loon laten doorgaan, ronder dat rij het wist;
op die wijte was er f 18 voor haar gespaard. Voor dit
geld heb ik ondergoed voor haar laten koopen. Eenigen
tijd later heb ik dat goed eens laten inspecteren, maar
toen ug het er weer treurig uit, het was niet behoorlijk
pwwKhen, enz. Men kan wel moeite doen, maar het
I geeft niet veel, tootang de onder» van de kinderen wili
len profiteeren.
867. V. Zijn er meisjes bij u in dienst, die naar de
Mii- en breischool gaan 7
A. Ik heb weinig gelegenheid om mij daarmede te
bemoeien; Haar heb ik het telf te drnk voor.
m. V. U het toezicht voldoende, zowïat het niet
ku voorkomen, dat knechts en meisjes samen gekheid
makenf
A. Dit is in den beginne wel voorgekomen met het
personeel, dat wij overgenomen hebhen. Het werd mg
verteld; ik heb de laak onderaocht, maar ik heb er niet
meer uit kunnen krijgen, dan dat een volwassen man
en een mei«j« elkander gekust hadden. Ik heb te toen
beiden weggestuurd.
De venniceliifabriek en de broodfabriek rijn buitendien
geheel gescheiden. Beiden hebben aparten ingang en
kleedknmer. De hakkers mogen niet in de vermicollifcbriek
komen, behalve de meesterknecht om het deeg
gereed te- maken.
D69. V. Zijn in beide uwe fabrieken de gevaarlijke
machinedeeteo roveel Hoen lijk beschut T
Enqu/U. — Zwolle, Deventer, Kampen.
A. Zooveel als. dit mogelijk is. Het beschutten der
walsen in ds vennlcelUfabriek gaat echter niet. Wanneer
men voorzichtig is, leveren die walsen echter ook geen
gevaar op. De kruimels moeten met de hand naar de
walsen worden geschoven, en dat doet Van ZuUtem, de
volwassen werkman, altijd; rij gaan dan tusschen de
walsen door en het deeg komt aan de andere rijde als
een platte lap er uit, die met de hand aangevat kan
worden. Wij hebben eens een ongeluk met een jongen
gehad, die eerst «en paar dagen in m^jn dienst was en,
niet aan de wals noodig hebbende, door onvoorzichtigheid
met rijn Tingen tasschen de walsen raakte.
870. V. Levert de broodfabriek geen gevaar op?
A. Alleen de deegmolen, doch dan alleen ook bij
onvoorzichtigheid. Als hty draait, heeft men er niets aan
te doen. Moet het deeg er uit, dan wordt de molen even
gekipt en dit levert geen gevaar op. Moet na echter
verschillend deeg gebruikt worden, bfyv. Mnt voor wittebrood,
vervoiganB voor krontnnbrood, dan moot de molen
eerst vooraf wat In hot ruw schoongemaakt worden.
Dat kan geschieden, wanneer de molen stilstaat, en dan
is er natuurlijk niets geen gevaar bij, maar nu doen
rij het dikwijls als de molen nog draait, al is het halfkracht
871. V. Wij hebben eene klacht vernomen over
ondraaglijke hitte in de droogkamer van nwe vermicellifabriek.
Wat is daarvan P
A. De temperatuur in de droogkamer moet rijn 80°,
wat wel loopen kan tot SS a 100° in het heetst van
den zomer. Maar in de droogkamer wordt niet gewerkt.
De langste tijd, dien een man er behoeft door te brengen,
is niet meer dan 2 4 3 minuten.
872. V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen ?
A. Het personeel van de broodfabriek is venekerd
bij de Eerste Nederlandache Levensverzekering-maatschappij
tegen fl per dag bij invaliditeit en f 1000 in
geval van dood.
Bij de venoicellifabriek is het hetzelfde voor den man;
f 0,60 daags en f 600 bij dood voor de meisjes.
De verzekering is voor mij wel een beetje duur.
Van Zuthem, die van de trap was gevallen, heeft de
eerste door mij genoemde nitkeering genoten.
873. De heer Vu All N i : Is die trap sedert Toornen
f
A. De trap was voorrien, doch was door een van de
meisjes losgemaakt.
Ik wenschte er bfj te voegen, dat ik hoop, dat de
nieuwe arbeidswet, dte misschien een gevolg tal rijn
van de enquête, niet te kras moge rijn. De tegenwoordige
wet werkt b(jv. in het nadeel der meimes op mijn
fabriek.
Vroeger gaf ik haar wel eens te eten en konden tij
het schaft uur in een verwarmd lokaal der fabriek doorbrengen
; maar dat mag nu niet meer. Nu moeten te
door de koa naar huis, waar te misschien geen eten
krijgen.
E. HELDE*.
J. D. VeitnRNs, VoonitUr.
VAK ALPIHEN.
N. REELIHO BROUWKR.
O. Q. VAN SwiitDEftBit.
W. H. J. RouAARDS, Xdj.-Mtrefar
15
Deel uit het verhoor van E. Helder. Enquête gehouden door de
Staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 18 januari
1890; Tweede Afdeeling; Zwolle, Deventer, Kampen. Z.pl., ca.
1892.
41
De lange arbeidsduur was des te bedenkelijker omdat het
werk verricht werd in een bedompte, onhygiënische en soms
onveilige omgeving. Zo liet bijvoorbeeld de luchtverversing
van de werkruimten nogal eens te wensenover, de spoorwegwerkplaats
uitgezonderd. Dit was deels aan de werklieden
zelf te wijten. Uit angst voor tocht en de gevreesde tuberculose
werden ventilatiemiddelen als ramen en luchtkokers
zoveel mogelijk afgesloten. Geen wonder dat in de werkruimten
reeds na enkele uren een muffe, bedompte lucht hing.
Tijdens de schaft ging “de heele rommel los, en als het weder
het toelaat, doen wij hetzelfde” 1 3 ). Naar de verwarming
van de fabrieken en de werkplaatsen in de winter werd
door de commissie niet geinformeerd. Aangenomen mag worden
dat de arbeiders in dit jaargetijde geacht werden zich zelf
warm te werken.
Aan de hygiëne in de werkruimten werd weinig aandacht besteed.
Als gevolg van het ontbreken van schaftlokalen – de
werklieden gingen tijdens de middagschaft gewoonlijk naar
huis – waren de arbeiders gedwongen de meegebrachte etenswaren
voor de ochtend- en namiddagpauze in de werklokalen te
nuttigen. Dat deze werkruimten niet het toonbeeld van properheid
waren, laat zich raden. De reiniging beperkte zich
tot een periodiek aanvegen van de werkvloer, het witten van
de muren en het lappen van de ramen.
De volksgezondheid werd verder in negatieve zin beinvloed
door de uitermate slechte kwaliteit van het drinkwater in
Zwolle 14). De enquêtecommissie moest hieromtrent vele
klachten aanhoren. Omdat Zwolle het ten tijde van de enquête
zonder een waterleidingnet moest stellen, was de bevolking
aangewezen op stadspompen of particuliere pompen.
Deze pompen werden nogal eens bedorven door de, zoals de
geneesheer Simon Petrus Kros het uitdrukte, ‘pots dei
chambre’ die de bewoners van de achterbuurten ’s nachtsj
stiekem leegden. In de Schoutensteeg waar de dokter woonde,
weigerden de paarden – wanneer ze tenminste geen erge dorst
hadden – van het stinkende water te drinken 1 S ) . Bij het oppompen
van water voor de stoommachine van de boekdrukkerij
W.E.J. Tjeenk Willink “gebeurt het wel dat niemand er bij
wil staan, zoo’n lucht verspreid het” 1 6 ). De olieslager
Roelof van Hezel antwoordde cynisch op de vraag of het water
van een stadspomp wel goed was: “Er staat tenminste niet op
de pomp dat het water onbruikbaar is” 1 7 ).
De slechte hygiënische omstandigheden, gevoegd bij de armelijkheid
van de arbeiderswoningen 1 8 ) en het eenzijdige menu,
hadden tot gevolg dat het met de gezondheid van het
werkvolk dikwijls droevig gesteld was. De lichamelijke weerstand
was gering, met name in de winter. De kinderrijkheid
van de gezinnen vergrootte de kansen op ondervoeding. “Het
eeuwige getal der kinderen, het is als het ware eene bacteriologie”
1 9 ). De Zwolse sterftecijfers lagen in deze jaren
hoger dan de landelijke cijfers. Difterie, tyfus en tuber42
culose sleepten velen ten grave “maar aan epidemieën doen
wij hier niet”, aldus de arts Kros 2 0 ) .
Uit de ‘Getuigen-Verhooren’ kan afgeleid worden dat de veiligheid
op het werk de laatste jaren voorafgaande aan de enquête
aanmerkelijk verbeterd was. De voornaamste oorzaak van
ongelukken, explosies bij de stoomproductie, was sinds de
Wet op het Stoomwezen (1869) grotendeels weggenomen. Stoommachines
werden periodiek geinspecteerd en de machinsten
raakten geleidelijk, mede dankzij de oprichting van amjbachtsscholen,
meer vakbekwaam 21) . Ook de Arbeidswet van
|l889 had de bedrijfsveiligheid sterk bevorderd. In 1891 wajren
bij Anthony Nijhoff, als hoofd-inspecteur van politie
jbelast met de door de Arbeidswet ingestelde arbeidsinspecitie,
28 ongevallen gemeld. Het overgrote deel van de ongelukken
onstond door “de kracht der gewoonte” 22) . Voorschriften
en raadgevingen omtrent de veiligheid werden over
het algemeen goed opgevolgd. De ‘constructiewinkel’ van de
spoorwegen nam ook in deze het voortouw. Draaiende machinedelen
werden zoveel mogelijk afgeschermd. Lint- en ‘circuleerzagen’
bleven echter notoire veroorzakers van ongelukken.
De verantwoordelijkheid voor de ongelukken kwam in
toenemende mate bij de arbeiders zelf te liggen. Het nietdragen
van veiligheidsbrillen, mede omdat deze niet schenen
te voldoen, veroorzaakte nogal eens oogaandoeningen. Met een
magneet werden metaaldeeltjes zoveel mogelijk verwijderd.
Bovendien, zo verklaarde de arts Kros, “Sedert wij cocaine
hebben, kan men heel wat aan de oogen scharrelen” 2 3 ) .
Welke beloning stond nu tegenover deze zware en langdurige
arbeid? Over gemiddelde weeklonen kan in Zwolle bezwaarlijk
gesproken worden. Uit de enquête komt duidelijk de uiterst
gecompliceerde opbouw van de lonen naar voren. Hoeveel de
werklieden nu precies in het loonzakje vonden, laat zich
moeilijk reconstrueren. Zowel stukloon, uurloon als een vast
:loon, aangevuld met premies, werden naast en door elkaar ge-
Shanteerd. De premie – ook wel surplus of ‘eventueel’ genoemd
– was evenwel aan een maximum van 20% tot 25% van het vaste
loon gebonden. Overwerk werd niet altijd beter beloond; bij
de Staatsspoorwegen wel. Boetes wegens te laat komen, werkfouten
of het niet schoonhouden van de ‘privaten’, werden op
het loon in mindering gebracht. In de regel kan men stellen
dat het loonniveau, net als heden ten dage, nauw samenhing
met de mate van scholing en ervaring. Rekening houdend met
de bovengenoemde invloeden op het werkelijk uitbetaalde
loon, kon een volwassen werkman in vaste dienst tussen de
f8,- en f13,- per week verdienen. Hierbij dient echter wel
aangetekend te worden dat de meeste werklieden dichter bij
het genoemde minimum dan het maximum zaten. Ploegbazen verdienden
f 15,- a f20,- per week. Losse arbeiders – sleepknechten,
zaaddragers, veedrijvers – konden wanneer ze dagelijks
werk hadden (hetgeen zelden voorkwam) ongeveer f6,-
per week verdienen 24). De Staatsspoorwegen betaalden de
hoogste lonen.
43
Het is natuurlijk de vraag of men van deze lonen enigszins
redelijk kon bestaan. Op vragen van de commissie hierover,
deelde het gemeenteraadslid Rudolf Jordens mee dat een bekwaam
werkman met overleg wel kon rondkomen, “maar sukkelaars,
die niet zoo goed werken kunnen, verdienen mijns inziens
wel wat weinig” 25) . Meerdere zegslieden waren van
mening dat een niet al te groot gezin van f8,- per week wel
kon rondkomen, mits dit bedrag het hele jaar door verdiend
werd en het gezin niet getroffen werd door calamiteiten zoals
ziekte en ongeval 26). Maar voor hoevelen ging dat op?
De commissie werd van verschillende kanten meegedeeld dat er
in Zwolle veel armoede heerste, met name ’s winters wanneer
er weinig werk voorhanden was. De werkloosheid vond zijn belangrijkste
oorzaak in het feit dat veel mensen in het verleden
naar Zwolle gemigreerd waren – zo bracht de komst van
de spoorwegwerkplaats veel werk met zich mee – en daar bleven
hangen, ook toen de werkgelegenheid verminderde. De evangelist
Hendrik Lindhout was zelfs van mening dat de “verdierlijking
en verwaarloozing” van de Zwolse arbeidersbevolking
geen parallellen kende. In de achterbuurten zoals de
Gribus, het Achterom, de Duistere Steeg, de Kwade Negen en<
buiten de Kamperpoort, heerste volgens hem een verschrikkelijke
armoede 27).
Dit beeld wordt bevestigd door de snel toenemende kosten van
de armenzorg, die voornamelijk in handen was van de armbesturen
der verschillende kerkgenootschappen. De bedeling was
in de regel volstrekt onvoldoende. De armbesturen stelden
zich immers op het standpunt dat de bedeelde een prikkel
moest blijven voelen om door werk in het eigen levensonderhoud
te voorzien. Bovendien waren de fondsen van de armbesturen
niet onuitputtelijk. In de praktijk betekende dit dat
sommigen naar de bedelstaf moesten grijpen - hoewel officieel
verboden in Zwolle - om de ergste honger te stillen
28) _
Wanneer het loon van de kostwinner ontoereikend was om van
te leven, was de arbeid van vrouw en kinderen een veel gebruikte
vluchtroute om het gezinsinkomen wat te verhogen.
Arbeid van kinderen boven de 12 jaar - de Arbeidswet verbood
loonarbeid van kinderen jonger dan 12 jaar - kwam veelvuldig
voor. In elke fabriek of werkplaats werkte wel een groter of
kleiner aantal jongens onder de 16 jaar. Het kwam herhaalde-|
lijk voor dat de arbeiderskinderen bij het bereiken van dei
12-jarige leeftijd van school genomen werden. Johannes Jaco-.
bus Wiegman, hoofd van een R.K. jongensschool, deelde de
commissie mee:"daar men tegen Paschen gewoonlijk een beroep
kiest en aangenomen wordt, gaat men tegen dien tijd gewoonlijk
weg" 2 9 ) . Een collega van hem, Hendrik Wuite, hoofd van
een openbare jongensschool, noemde het zelfs een jammerlijke
uitzondering wanneer kinderen na hun twaalfde jaar de school
bleven bezoeken 30) . Bovendien werd op deze wijze het
schoolgeld uitgespaard. Aan de hand van vader werden hun
goedkope diensten vervolgens bij een patroon aangeboden. Met
44
name de constructiewerkplaats van de spoorwegen was in trek.
Bovengenoemde F. Oberstadt verklaarde dat hij jongens gewoonlijk
op 12-jarige leeftijd aannam, doch hij voegde daar
aan toe: "Ik doe dit ongaarne, maar word er wel toe gedwongen"
31) . Helaas vroeg de commissie hem niet waarom hij
daartoe genoodzaakt werd. Aanvankelijk verrichtten de jongens
allerlei losse werkzaamheden; later bekwaamden ze zich
onder leiding van een meesterknecht in een bepaald vak. In
de sigarenproduktie vonden de jongens werk als zogenaamde
wikkeljongen, de goedkope hulp van een sigarenmaker.
Opmerkelijk is dat uit de enquête vrijwel geen gevallen van
fabrieksarbeid van vrouwen naar voren komen. Alleen in de
:vermicellifabriek van E. Helder en in een zestal was- en
blekerijen werd gebruik gemaakt van (goedkope) vrouwelijke
arbeidskracht. Daarnaast werkten vrouwen als dienstbode bij
particulieren. Van een grootschalige vrouwenarbeid buitenshuis,
was echter geen sprake 3 2 ). Het ontbreken van een kapitalistische
grootindustrie en huisnijverheid (bijvoorbeeld
textielproduktie) is hier ongetwijfeld debet aan. Juist in
laatstgenoemde sector werkten traditioneel veel vrouwen. Tevens
kan het wijzen op een beperkte werkgelegenheid in Zwolle.
De werkgevers werden niet geconfronteerd met een tekort
aan mannelijke arbeidskrachten - in tegenstelling tot bijvoorbeeld
de Twentse textielfabrikanten - met als gevolg
dat ze niet gedwongen waren een beroep te doen op het reserveleger
vrouwelijke en jeugdige arbeidskrachten.
Lange werkdagen en lage lonen; onder deze omstandigheden
bood de kroeg vaak de enige mogelijkheid tot ontspanning. De
enquêtecommissie moest vele klachten omtrent het verschrikkelijke
drankmisbruik onder het werkvolk aanhoren, met bij
name de losse arbeiders daaronder. Laatstgenoemden werden
soms uitbetaald in de talrijke Zwolse kroegen. De gevolgen
laten zich raden. Het aantal drankvergunningen in Zwolle was
drie maal groter dan het door de regering voorgeschreven
maximum. De tapperijen in de buurt van de spoorwegwerkplaats
konden 's morgens voor 6 uur hun eerste klanten al begroeten.
Vele getuigen schreven de ellende onder de arbeidersklasse
(gedeeltelijk) toe aan het overmatig drankgebruik:
"Wanneer Schiedam wordt gesloten en de plaatselijke regeringen
niet zo mild zijn met het verleenen van vergunningen,
wordt het kwaad in den hartader getroffen" 33).
In de inleiding werd terloops melding gemaakt van de zich
wijzigende sociale verhouding tussen patroon en knecht. Het
directe contact, de patroniserende verhouding die in de
kleine ambachtelijke bedrijven tussen de meewerkende patroon
en zijn werklieden bestond, werd tijdens het industrialisatieproces
geleidelijk verdrongen door meer anonieme sociale
verhoudingen. Uit de enquête blijkt dat deze verandering
zich ook in Zwolle voltrok. De directe patroon-knecht verhouding
nam gestaag in betekenis af. Sommigen betreurden
dit: "Vroeger was men veel intiemer met mijnheer, die bePersoneel
van de Zwolsche Biscuitfabriek v/h E. Helder & Co.
Foto: J.P. de Koning; uit Zwolle als industriestad in 1914,
Zwolle 1914, p. 34.
46
' moeide zich meer met de werklieden en een woord van den patroon
brengt wel is waar niets in den zak, maar is toch aangenaam
voor den arbeider" 3 4 ) . Andere getuigenissen over de
kwaliteit van de sociale verhoudingen ten tijde van de enquête
bleven helaas steken in het constateren van een toegenomen
afstand van tussen werkgever en werknemer. Zo ant-
. woordde de letterzetter Gerrit Ridder op de vraag van de
; commissie of er een aangename verhouding tussen de patroons
i en het personeel bestond, dat men zeer weinig met de patroons
in aanraking kwam. Aan het karakter van de relatie
waaraan in de vraag gerefereerd werd, ging hij evenwel voorbij
3 5 ) . Een verklaring voor de ontwijkende antwoorden moet
wellicht gezocht worden in de schroom bij vele werklieden om
ten aanzien van gevoelige kwesties zoals de verhouding met
hun patroon, een persoonlijke mening te ventileren. De
! schriftelijke inlichtingen van de Zwolse afdeling van het
Nederlands Werkliedenverbond 'Patrimonium' spraken echter
duidelijker taal: "De verhouding tusschen vele werkgevers en
arbeiders wordt van lieverlede niet beter. De socialistische
geest wint merkbaar veld" 3 6 ) .
Een teken van verwijdering tussen de werkgevers en het personeel
was de introductie van het zogenaamde bazenstelsel.
De bazen of meesterknechten fungeerden als een soort tussenschakel,
een doorgeefluik van orders van hogerhand. Over deze
bazen hoorde de commissie verschillende klachten aan. Het
waren soms kleine despoten die er een winkel of tapperij op
nahielden waar het werkvolk min of meer gedwongen werd hun
zuurverdiende centen te besteden. Bij de spoorwegwerkplaats
bekleedden de bazen een machtspositie. Zij verdeelden het
werk en stelden de stuklonen vast. Bovendien bevoordeelden
de bazen bij het aannemen van personeel en het doorvoeren
van promoties familieleden en geestverwanten. Ingenieur-chef
F. Oberstadt bagatelliseerde deze klacht. Hij achtte het uiterst
onwaarschijnlijk, doch vond het tegelijkertijd moeilijk
te voorkomen 3 7 ).
De macht van de patroons was vrijwel absoluut hetgeen onder
andere blijkt uit het ontbreken van arbeidscontracten. De
arbeiders konden derhalve niet terugvallen op schriftelijk
vastgelegde rechten. Het was niet ongewoon dat de werklieden
op staande voet ontslagen werden. R. van Hezel, olieslager
bij de firma Jansen en Wicherlink, verklaarde: "Sommigen
werden 8 dagen van te voren gewaarschuwd, anderen werden met
8 dagen loon direct weggestuurd, dat waren zij van wie mijnheer
verwachtte dat ze het werk zouden doen spaak loopen"
381 . Alleen wanneer een werkman binnen een bedrijf een belangrijke
positie bekleedde, bijvoorbeeld een machiniststoker,
werden mondelinge afspraken gemaakt over de opzegtermijn.
In theorie was het natuurlijk mogelijk dat de arbeiders met
een verzoek naar de patroon stapten. In de praktijk bleken
zowel de sociale als de organisatorische afstand (als gevolg
Handwerkslieden van de NS Zwolle, ca. 1890.
Foto: J.P. de Koning, Gemeente-archief Zwolle, neg.nr.81091.
48
van de tussenschakel welke de bazen vormden) tot 'mijnheer'
toch vaak te groot. Bovendien liep men dan het risico bij de
patroon in discrediet te geraken. De kans dat een verzoek
van het personeel werd ingewilligd was gering, omdat het de
werkgever veelal geld zou gaan kosten. Zo werd bij de 'constructiewinkel'
het verzoek om een wekelijkse uitbetaling
van de lonen van de hand gewezen, omdat de lijst onvoldoende
namen van volwassen arbeiders zou bevatten. Op de vraag of
dit wellicht te wijten was aan de schroom van de oudere
werklieden om iets te vragen, werd ontwijkend geantwoord. In
werkelijkheid werd deze wens van het personeel door F. Oberstadt
niet serieus genomen want hij verklaarde: "Ik dacht
dat het de werklieden slechts te doen was om iets te vragen"
39' .
Hoewel de patronale, vaderlijke relatie met het oprukken van
de fabrieksnijverheid geleidelijk werd uitgehold, bleven enkele
restanten hiervan nadrukkelijk aanwezig. Ter illustratie
van deze restanten van patronale zorg een tweetal voorbeelden,
welke met evenveel recht uitgelegd kunnen worden
als verkapte vormen van sociale controle. De vermicelli- en'
broodfabrikant E. Helder had het niet uitgekeerde loon van
een zieke werkneemster opgespaard en daar ondergoed voor
haar voor gekocht. De jonge vrouw mocht het ondergoed blijkbaar
niet als haar eigendom beschouwen, want "eenigen tijd
later heb ik dit ondergoed eens laten inspecteeren, maar
toen zag het er weer treurig uit, het was niet behoorlijk
gewasschen" 4 0 ).
Het tweede voorbeeld betreft de aan sommige fabrieken verbonden
sociale fondsen. Bij deze fondsen konden de arbeiders
verzekeringen afsluiten die hen in geval van ziekte, ongeval,
ouderdom of begrafeniskosten, van een uitkering voorzagen.
Op zich waren deze fondsen - in de volksmond 'bussen'
genaamd - lovenswaardige instellingen, ware het niet dat de
werkgevers zelf het beheer ervan voor hun rekening namen. In
deze positie stelden zij dus feitelijk het beleid met betrekking
tot de toelating, de duur en de hoogte van de uitkering
vast. Zo was het Zwolse personeel van de spoorwegwerkplaats
bij ziekte geheel afhankelijk van de "goedheid
van de Directie" of de uitkeringstermijn verlengd werd 4 1 ) .
In de regel was in Zwolle zowel de duur van de uitkering'
(enkele maanden) als de hoogte ervan (een percentage van het'
normale loon hetgeen soms aangevuld werd door de werkgever)
ontoereikend.
De werklieden die niet via hun werk verzekerd waren, waren
aangewezen op de onzekere financiële gunsten van hun werkgevers.
Daarom verzekerden ze zich en masse bij zowel landelijke
sociale fondsen (bijvoorbeeld de 'utrechtsche Levensverzekeeringsmij.
' of de 'Maatschappij tot het Nut van
het Algemeen') als bij de plaatselijke sociale fondsen zoals
'de Voorzorg', 'Regt door Zee', 'de Herstelder'en 'Patrimonium'
. Deze plaatselijke fondsen kenmerkten zich door
49
vele (financiële) wantoestanden, het fonds 'Patrimonium'
uitgezonderd. De 'bussen' werden beheerd als een soort prive-
ondernemingen die zonder toedoen of medeweten van de contribuanten
verhandeld konden worden. Uit verscheidene getuigenissen
komt naar voren dat de contribuanten zelf ten gevolge
van een gebrek aan belangstelling, onvoldoende op de
hoogte waren van hun rechten. In de woorden van A. van Heerde:
"Neen, daar zijn ze te onverschillig voor, ik had bijna
gezegd te lui voor" 4 2 ) . Het kwam zelfs voor dat wanneer de
gelegenheid zich voordeed een beroep te doen op het fonds,
daar geen gebruik van gemaakt werd. Bij de Staatsspoorwegen
vielen bepaalde categorieën arbeiders ten gevolge van de
ikoppeling van het ziekenfonds aan het pensioenfonds, tussen
iwal en schip. Zo kon het voorkomen dat een oudere werknemer
die op grond van zijn leeftijd niet meer toegelaten werd tot
het pensioenfonds, ook geen aanspraak kon maken op een uitkering
bij ziekte. Financieel was men dan geheel aangewezen
op de welwillendheid van de directie. De predikant A.W. van
Wijk was ervan overtuigd dat een man als gevolg van het besef
in dit opzicht onrechtvaardig behandeld te zijn, gestorven
was 4 3 ) . Het is dan ook niet verwonderlijk dat er van
verschillende kanten op aangedrongen werd het functioneren
van de sociale fondsen onder wettelijk toezicht te plaatsen.
Ondanks bovengenoemde tekenen van verwijdering tussen de
werkgevers en het personeel, meende de staatscommissie de
sociale verhoudingen in Zwolle als redelijk gunstig te mogen
omschrijven. Aanwijzingen hiervoor zag ze in het grote aantal
dienstjaren dat werklieden bij dezelfde werkgever doorbrachten,
alsmede in de afwezigheid van werkstakingen. Een
andere mogelijke verklaring voor de geringe arbeidsmobiliteit,
namelijk een beperkte werkgelegenheid in Zwolle, zag
de commissie echter over het hoofd 4 4 ).
4. Conclusie
Een oordeel over de kwaliteit van het arbeidersleven kan op
basis van de enquête alleen bezwaarlijk gegeven worden. De
getuigenissen moeten altijd met behulp van gegevens uit andere
bronnen gecontroleerd worden, bijvoorbeeld gemeenteverslagen,
kerkelijke archieven of bedrij fsarchieven. Daarnaast
moet de Zwolse situatie in een breder kader geplaatst
worden door middel van een onderzoek in met Zwolle vergelijkbare
steden als Deventer, 's-Hertogenbosch of Groningen.
Omtrent de verschillen in de arbeidsomstandigheden in de
diverse bedrijfstakken moeten we noodgedwongen algemeen en
kort blijven. Immers, op basis van een enkele getuigenis
kunnen geen definitieve conclusies getrokken worden voor een
gehele bedrijfstak, temeer omdat de commissie juist die bedrijven/
bedrijfstakken heeft onderzocht waar ze meeste misstanden
vermoedde. Zo maakten de thuiswerkers en bakkers extreem
lange werkdagen, was het drukkersvak berucht om zijn
borstziekten en stonden de houtzagerijen bekend om het relaWerklieden
van de firma H.G. Treep & Zoon, aannemers en fabriek
voor Houtbewerking.
Foto: J.P. de Koning; uit Zwolle als industriestad in 1914,
Zwolle 1914, p. 15.
tief grote aantal bedrijfsongevallen. Daarentegen was de
spoorwegwerkplaats - over deze grootste werkgever van Zwolle
doen veel getuigen of uit eigen ervaring of uit tweede hand
mededelingen - koploper op het gebied van lonen en bedrijfsveiligheid.
De verhoren verschaffen ons daarentegen wel de zekerheid dat
in de jaren voorafgaande aan de enquête en met name na de
invoering van de Arbeidswet in 1890, in de lonen, de werktijden
en de bedrijfsveiligheid enige verbeteringen zijn
doorgevoerd. Het is echter onjuist om de verantwoordelijkheid
voor de vele resterende wantoestanden in het arbeidersleven
alleen bij de kapitalistische grootindustrie te leggen,
daar deze in Zwolle nog maar amper ontwikkeld was. De
populaire stelling dat het 'grootkapitaal' de bron van alle
ellende der arbeiders zou zijn, moet dan ook als ongenuanceerd
van de hand worden gewezen.
51
Noten
1. In 1877 en 1884 werden enquêtes gehouden om de werking
van de Kinderwet-Van Houten in de praktijk te controleren.
In 1887 werd een grootschalige enquête ingesteld
naar de toestanden in fabrieken en werkplaatsen in het
algemeen en naar de kinderarbeid in het bijzonder. Hoewel
het in de bedoeling lag de enquête in geheel Nederland
te houden, zijn alleen de arbeidsomstandigheden in
Amsterdam, Maastricht, Tilburg en de vlasnijverheid onderzocht,
omdat in juni 1887 de Tweede Kamer ontbonden
werd.
2. De vroegste sociale wetgeving in Nederland betrof de
Kinderwet-Van Houten van 1874 (Staatsblad nr. 130) en
de Arbeidswet van 1889 (Staatsblad nr. 48).
3. K. Dekker, 'Historisch overzicht' in: L. van Vuuren,
Rapport betreffende een onderzoek naar de welvaartsbronnen
van de gemeente Zwolle (Zwolle 1939), 15-44.
4. Wet van 19 januari 1890, Staatsblad nr. 1.
5. 'Verslag van de Tweede Afdeeling der Staatscommissie
van Arbeidsenquete, mei 1893' in: Verslagen der Staatscommissie
betreffende de Arbeidsenquete 1890-1894, nr.
7 (s.1., s.a. ), 241.
6. J. Giele, Een kwaad leven; de arbeidsenquete van 1887,
dl. 1 (Nijmegen 1981), xii.
7. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 758.
8. Enquête, verhoor van J. Klappe, 1073.
9. Enquête, verhoor van W. Oelrich, 731.
10. Enquête, verhoor van A.W. van Wijk, 170.
11. Volgens W.H. Wicherlink, directeur van de olieslagerij,
werkte de ploegendienst als volgt. Maandagochtend om 5
uur kwamen twee ploegen op, A en B. Om 11 uur 's morgens
vertrok A en kwam C op. De ploegen B en C werkten
dan samen tot 's middags 5 uur wanneer B ophield. Ploeg
A kwam dan weer op en zette samen met C het werk tot 11
uur 's avonds voort. Enquête, verhoor van W.H. Wicherlink,
1195.
12. Enquête, verhoor van W.H. Wicherlink, 1197 en 1204.
13. Enquête, verhoor van J. Helge, 434.
52
14. In het gemeente-archief van Zwolle zijn verschillende
rapporten over de kwaliteit van het drinkwater aan het
einde van de vorige eeuw aanwezig.
15. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 378.
16. Enquête, verhoor van B. Menkhorst, 845.
17. Enquête, verhoor van R. van Hezel, 1036.
18. Zie voor de volkshuisvesting in Zwolle: A. Schoot
Uiterkamp,'Volkshuisvesting en volksgezondheid in
Zwolle in de tweede helft van de negentiende eeuw' in:
Overijsselse Historische Bijdragen, 97 (1982), 131-166.
19. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 391 en 392.
20. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 384.
Verslag van den Toestand der Gemeente Zwolle, 1891, 61-
63.
21. Enquête, verhoor van J.N. Kooij, 580 en 605.
22. Enquête, verhoor van A. Nijhoff, 11.
23. Enquête, verhoor van S.P. Kros, 395.
24. 'Verslag van de Tweede Afdeeling der Staatscommissie
van Arbeidsenquete, mei 1893' in: Verslagen der
Staatscommissie betreffende de Arbeidsenquete 1890-
1894, nr. 7 (s.1., s.a.), 245-249. Enquête, schriftelijke
antwoorden van de afdeling Zwolle van het
Nederlands Werkliedenverbond 'Patrimonium', 15.
25. Enquête, verhoor van D.J.R. Jordens, 301.
26. Enquête, verhoren van A. Nijhoff, 14, van H. Maas Hz.,
121 en van F. Visscher, 490.
27. Enquête, verhoor van H. Lindhout, 308 en 312.
28. Enquête, verhoren van H. Maas Hz., 109 en 113 en van
D.J.R.Jordens, 297.
29. Enquête, verhoor van J.J. Wiegman, 187.
30. Enquête, verhoor van H. Wuite, 512.
31. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 770.
32. Enquête, verhoren van H. Maas Hz., 97 en van A.W. van
Wijk, 134 en 136.
Enquête, schriftelijke antwoorden van de Zwolse afdeling
van het Nederlands Werkliedenverbond 'Patrimonium',
15.
33. Enquête, verhoor van H. Lindhout, 343.
34. Enquête, verhoor van R. van Hezel, 1027.
35. Enquête, verhoor van G. Ridder, 638.
36. Enquête, schriftelijke inlichtingen van de Zwolse afdeling
van 'Patrimonium', 17.
37. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 712.
38. Enquête, verhoren van R. van Hezel, 1022 en van . J.
Eindhoven, 959.
39. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 786.
40. Enquête, verhoor van E. Helder, 866.
41. Enquête, verhoor van F. Oberstadt, 791.
42. Enquête, verhoor van A. van Heerde, 242.
43. Enquête, verhoor van A.W. van Wijk, 172.
44. 'Verslag van de Tweede Afdeeling der Staatscommissie
van Arbeidsenquete, mei 1893' in: Verslagen der
Staatscommissie betreffende de Arbeidsenquete 1890-
1894, nr. 7 (s.1., s.a.), 272-275.
53
REACTIE OP HET ARTIKEL VAN D. WEMES OVER "DE DRIE
MIDDELEEUWSE RIVIEROVERGANGEN OVER DE VECHT BIJ ZWOLLE".
(zie Zwols Historisch Tijdschrift 1988, nr.1, pag. 2-14)
D.M. VAN DER SCHRIER
De hypothese van de heer Wemes is: het toponiem 'brugge' bij
Langenholte duidt op een rivierkruising met een 'paalweg'.
Dit wijst op een gedurende het grootste deel van het jaar
onbevaarbare rivier ter plaatse. Hieruit zou dan weer een
bevaarbare rivier elders kunnen worden afgeleid, vermoedelijk
ter plaatse van de Westerveldse A.
De volgende drie mogelijkheden zijn er:
1. De Vecht bij Langenholte was in de 12e eeuw bevaarbaar;
2. De Vecht bij Langenholte was in de 12e eeuw onbevaarbaar
en liep elders;
3. De Vecht bij Langenholte was in de 12e eeuw onbevaarbaar
en liep niet elders.
De tweede mogelijkheid valt mijns inziens af omdat dan de
iWesterveldse A thans nog 'Oude Vecht' zou hebben geheten.
•Bij de IJssel komt bijvoorbeeld de naam 'Oude IJssel' veelvuldig
voor, zoals bij Deventer, Kampen en Genemuiden.
Een rivier kiest niet voor een lange weg of voor twee ver
van elkaar gelegen lopen als een korte weg aanwezig is. Ik
zie ook geen landbouwkundig of ander voordeel om het grootste
deel van het water van de Vecht door middel van een
lange afdamming bij Dalfsen de omweg via de Westerveldse A
te laten maken. Die lage overlaatkade is dan nodig om het
benedenstroomse dal van de Vecht als loopveld te handhaven
voor de waterhoeveelheden die het afvoerend vermogen van de
Westerveldse A, of het dal ervan, te boven gaan. Riviertechnies
kan dit niet, omdat dan bovenstrooms van de dam of kade
een stroomverlamming met aanzanding ontstaat. Dat is uiteraard
rampzalig voor de zozeer gewenste bevaarbaarheid.
Er zijn bovendien nog twee toponiemen, stammend uit perioden
ver voor het jaar 1000, die strijdig zijn met de tweede mogelijkheid,
namelijk Genne en Dwersmuden. Genne ligt op het
punt waar de Vecht en het Zwartewater samenkomen. De heer
R.A. Ebeling van het Nedersaksisch Instituut te Groningen
heeft mij op 30 mei 1974 bericht, dat men achter alle namen
met het element 'gene' een germaans element gam, gan vermoedt
met de betekenis 'samenlopend'.
Het toponiem 'Dwersmuden' is genoemd in 1456 en 1477 als het
terrein waarop in 1456 de Ordelerzijl is gebouwd, de voormalige
sluis in de Hermelijn. Het element 'muden'is hetzelfde
als in IJsselmuiden, Genemuiden, Zedemuden en tientallen
andere met muden verwante namen in binnen- en buitenland. Al
deze namen hebben betrekking op plaatsen waar het ene water
54
tig.l Orlëntarlngakaart van hat gablttd; takenlng van
de auteur op baals van topografische Kaart 1B50.
uitstroomt in het andere, in dit geval de Hermelijn in de
Vecht. Zowel Genne als Dwersmuden wijzen dus op een rivierloop
in het dal van de Vecht. Alle toponiemen eindigend op
muden, muiden, muthen, mouth, etc. liggen aan water, bevaarbaar
voor zeewaardige schepen; het zou merkwaardig zijn als
Dwarsmuden daarop de enige uitzondering zou zijn geweest.
Bij mogelijkheid 3 is het in beginsel mogelijk dat de Vecht
alleen bij Zwolle in een bepaalde periode door aanzanding
breed en ondiep en daardoor onbevaarbaar is geweest. Misschien
had de rivier daar toen meerdere beddingen. De oorzaak
hiervan kan stroomverlamming door zeespiegelrijzing
zijn geweest. In dat geval moet de Vecht door versmalling
van het zomerbed bevaarbaar zijn gemaakt. Dit kan in het
begin van de 13e eeuw zijn gebeurd waarbij tevens een
'brugge' is vervangen door of aangevuld met een veer. Op
grond van de 'originele' argumenten van de heer Wemes komt
deze mogelijkheid als het meest waarschijnlijke naar voren.
In 1227 is voor de slag bij Ane veel materiaal per schip
via de Vecht vervoerd. De Vecht moet toen al over de volle
lengte bevaarbaar zijn geweest. Als de Vecht bij Zwolle een
periode onbevaarbaar was, kan die niet van lange duur zijn
geweest. Uit het artikel van de heer Wemes citeer ik "Als
boerderijnamen worden door Slicher van Bath genoemd: Oldenbrugge
berch (Rechteren 1381), Ertbrugge (bij Wijhe, 1310)
en de Kipbrugge (bij Dalfsen, 1436). Ook kennen we Roobrugge
en Steenbrugge bij Deventer." Hieruit wordt niet de conlusie
getrokken dat de Vecht bij Dalfsen en de IJssel bij Wijhe en
Deventer een tijdlang niet hebben bestaan. Mijn slotconclusie
is dat de 'brugge(n)' bij Zwolle vermoedelijk paalwegen
waren ter weerszijden van een veer of een voorde. De Vecht
heeft nimmer door het dal van de Westerveldse A gelopen.
55
MEDEDELING VAN HET GEMEENTE-ARCHIEF ZWOLLE
Over de Vrouwen Advies Commissie voor de Woningbouw.
"De huisvrouw heeft juist door haar ervaring in de praktijk
van het wonen opgedaan een taak te vervullen door gemeentelijke
instanties, woningbouwverenigingen en architecten, die
bij nieuwbouw zijn betrokken, van advies te dienen".
Deze in de jaren vijftig geponeerde stelling leidde ertoe
dat ook in Zwolle een dergelijke gemeentelijke adviescommissie
werd ingesteld.
Uit de door de commissie vervaardigde jaarverslagen blijkt,
dat ze gedurende elf jaar betrokken is geweest bij de bouw
en inrichting van diverse wooncomplexen in Zwolle en de
voormalige gemeente Zwollerkerspel. Zo werden de bouw- en
schetsplannen van onder meer de Pieter Steijnstraat, de Assendorperdijk,
alsmede van de wijken Holterbroek en Aa-landen
van kritische kanttekeningen voorzien.
Na rijp beraad besloot de commissie in 1968 om haar werkzaamheden
te beëindigen. Als reden werd opgegeven, dat de
financiële haalbaarheid van door de commissie geuite praktische
opmerkingen en voorgestelde verbeteringen op veel
verzet van het Rijk en andere opdrachtgevers is gestuit.
Daarnaast vormde het toenemende aantal wettelijke voorschriften
en richtlijnen een belemmering voor een optimaal
functioneren.
Het archiefje van de commissie is geïnventariseerd, is openbaar
en loopt over de jaren 1956-1968. De commissie is
in 1980 opnieuw in het leven geroepen.
J.J. Seekles
VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
Archeologisch bodemonderzoek Broerenkerk. Opgravingsbulletin,
nrs. 1, 2 en 3; Zwolle 1987/1988.
A.J. Borgman, Toen ik nog een jongen was. Belevenissen van
un Zwolse skoeljonge oppetekend door A.J. Borgman. Zwolle
1988; uitgegeven in eigen beheer; 7,50. Verkrijgbaar bij
de boekhandels Jakma en Waanders.
56
H. van der Meer, Inventaris van de Provinciale Synode van
Overijssel 1579-1815 en het Provinciaal Kerkbestuur van
Overijssel 1816-1951. Zwolle 1988, ISSN 0921-4682; nr. 12,
72 p. 8, = . Verkrijgbaar bij het Rijksarchief in Overijssel,
Eikenstraat 20, Zwolle.
Deze inventaris beslaat de hele periode van het woelige begin
in de late zestiende eeuw tot de invoering van een
nieuwe kerkorde in 1951. Uit de inleiding, die een grondig
historisch overzicht bevat, en uit de inventaris zelf wordt
duidelijk dat het archief niet alleen van belang is voor
diegenen die in kerkgeschiedenis geinteresserd zijn.
Allerlei andere aspecten van het maaatschappelijk leven in j
de Republiek en later komen eveneens aan de orde. !
Wie studie wil maken van het toezicht op het gedrag van pre- ]
dikanten in de zeventiende en achttiende eeuw of van de !
strijd tegen andersdenkenden en 'heidense' volksgebruiken
kan ook in dit archief terecht.
Overigens bevindt een niet onbelangrijk onderdeel van het
archief van de Provinciale Synode zich in het Gemeente-archief
van Kampen. Dat betreft onder meer de synodale acten
van 1594 tot 1757.
A.J. Mensema, Inventaris van de Ridderschappen in Overijssel,
1640-1795. Zwolle 1988. ISSN 0921-4682; nr. 14, 226
pag. 19,=. Verkrijgbaar bij het Rijksarchief in Overijssel,
Eikenstraat 20, Zwolle. '
Deze inventaris bevat behalve het eigenlijke ridderschapsarchief
ook de twee kleine archieven van de kwartierridderschappen
van Twente en Vollenhove.
De Ridderschap van Overijssel vormde tijdens de Republiek
(dus tot het revolutiejaar 1795) samen met de steden Zwolle,
Deventer en Kampen het gemeentelijk bestuur (de staten) van
Overijssel.
Voor een belangrijk deel vindt men in het archief van de
Ridderschap de schriftelijke neerslag van het beheer van
voormalige geestelijke en andere goederen en daaraan ontleende
rechten. Na langdurig gebakkelei met Zwolle, Deventer
en Kampen werden in 1663 de stiften Zwartewater en Weerselo,
het klooster te Almelo, de proosdij, het kapittel en het
klooster te Oldenzaal en de inkomsten uit de voormalige commanderie
te Ootmarsum aan de Ridderschap toegewezen.
Betreffende al deze goederen vindt men dus talloze stukken
in het archief. Daarnaast bevinden zich in het archief uiteraard
vele stukken die de politieke rol van de Ridderschap
in Overijssel raken.
G.R. Pool (red.). Veertig jaar Baptisten Gemeente in Zwolle.
Jubileumuitgave 1947-1987. Zwolle 1988; uitgegeven in eigen
beheer, 5,=.
Een goed voorbeeld van restauratie en hergebruik: Sassenstraat
21; in: Informatieblad Monumentenzorg en archeologie
in Zwolle, Zwolle, november 1987; Openbare Werken, afd.
Bouwkunde/Monumentenzorg.
57
BOEKBESPREKING
BIBLIOGRAFIE VAN OVERIJSSEL 1951-1980
J.C.H. DE GROOT EN A.M.J. SCHOOT UITERKAMP
Uitgeverij Waanders, Zwolle 1987
JAAP HAGEDOORN
Eind 1987 verscheen de langverwachte Bibliografie van Overijssel
1951-1980. Deze uitgave kwam tot stand op initiatief
van de provincie Overijssel, onder begeleiding van de Vereeniging
tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis
(VORG). Deze vereniging gaf al eerder bibliografische
werken uit ten behoeve van de geschiedbeoefening in Overijssel.
Na de tweede wereldoorlog kwam het echter niet meer tot
een zelfstandige uitgave, hoewel de noodzaak hiertoe in de
loop der jaren meer en meer gevoeld werd.
Deze behoefte bestond echter niet alleen meer onder historici.
Ook op andere vakgebieden begon men de noodzaak van een
afzonderlijke bibliografie voor Overijssel in te zien. Enerzijds
is dit een gevolg van de toename van het aantal - al
dan niet professionele - onderzoekers, anderzijds van een
toenemende hoeveelheid zogenaamde 'grijze', of niet-officieel
uitgegeven literatuur. In het kader van hun cultuurbeleid
besloten Provinciale Staten van Overijssel in 1979
geld beschikbaar te stellen voor een eigen, provinciale bibliografie,
geschikt voor een zo breed mogelijke gebruikersgroep.
Het was de bedoeling alle publikaties van informatieve
waarde op te nemen. 1)
>Het idee van een complete bibliografische beschrijving betreffende
Overijssel moest echter al in een vroeg stadium
terzijde worden geschoven. Een ruwe schatting maakte duidelijk,
dat de bibliografie dan vier maal de omvang van de
huidige zou hebben, die met ruim 8400 titels al 450 pagina’s
dik is. Daarom werd gekozen voor een beperkte periode, 1951-
1980, aansluitend bij de laatste door de VORG gepubliceerde
bibliografie. Een dergelijke beperking zal ieders begrip
hebben. Anderzijds is het vanuit de doelstelling van de bibliografie
vreemd, dat zij zeven jaar na sluitingsdatum verscheen.
De actualiteit van het werk boet daardoor aan waarde
in. Immers, onderzoekers zijn altijd gebaat bij de meest recente
publikaties over het onderwerp van hun onderzoek. Een
spoedig vervolg op deze bibliografie is dan ook wenselijk.
Een apart probleem bij het samenstellen van een bibliografie,
vooral samenhangend met de omvang daarvan, is de selectie
van de te beschrijven literatuur. De samenstellers hebben
zich bij hun werk verschillende beperkingen gesteld. In
de Bibliografie van Overijssel zijn als gevolg daarvan geen
58
algemene werken opgenomen die slechts marginale aandacht aan
Overijssel schenken. Belletrie is slechts opgenomen als het
dialektuitgaven betgrof of plaatselijke omstandigheden beschreef.
Krantenartikelen zijn bij uitzondering (welke?) in
het werk te vinden. Bijdragen van mededelende aard en niet
voor publikatie bedoelde drukwerken zijn ook niet opgenomen.
2) Gelukkig zijn wel de afzonderlijke artikelen uit thematische
bundels opgenomen en wordt informatie gegeven over
vorige drukken of herdrukken en soms over de inhoud van de
publikaties. Ten aanzien van de nagestreefde volledigheid in
de opname van de grijze literatuur kan men zich afvragen of
de samenstellers daar in zijn geslaagd. Ik heb dit niet uitgebreid
gecontroleerd. In mijn eigen boekenkast trof ik echter
enkele relevante werken aan, die ook in verschillende
Zwolse bibilotheken staan, maar niet in de bibliografie.
Het belang van een bibliografie staat of valt met de wijze
waarop de beschreven literatuur gerubriceerd is en ontsloten
wordt door registers. In de Bibliografie van Overijssel is
voor de systematiek van de Universele Decimale Classificatie
(UDC) gekozen en zijn auteurs-, personen- en topografische
registers opgenomen, het laatste gecombineerd met een trefwoordenregister
.
De UDC kent cijfercodes aan boeken toe, waardoor ze in meerdere
categorieën ondergebracht kunnen worden. Om dubbele
plaatsing te voorkomen is in de Bibliografie van Overijssel
echter voor een vermelding gekozen: alleen de primaire bedoeling
van het boek is van belang voor de indeling. Dit
schept, vooral voor de historicus, grote problemen. Als we
een historisch werk willen opzoeken, is het volstrekt niet
duidelijk of we moeten zoeken in de rubriek ‘Geschiedenis’
of in de rubriek waar het onderwerp van de historische studie
onder valt, bijvoorbeeld ‘Handel’ of ‘Armenzorg’. De
samenstellers hebben in de meeste gevallen voor het laatste
gekozen. In pricipe is dus de rubriek ‘Geschiedenis’ overbodig
en het was dan ook beter geweest alle historische publikaties
te verdelen over de andere rubrieken. Zo zou dan
bijvoorbeeld een werk voer de middeleeuwse Hanze opgenomen
worden in de rubriek ‘Handel’. Anderzijds had het bovengeschetste
probleem voorkomen kunnen worden door verwijzingen
naar andere rubrieken op te nemen. Nu wordt de historicus
echter gedwongen verschillende rubrieken te raadplegen, met
het risico iets over het hoofd te zien.
De samenstellers van de bibliografie hebben kennelijk ook
met dit probleem geworsteld, maar niet met een eenduidige
oplossing als resultaat, zo blijkt uit verschillende voorbeelden.
Men kan zich immers afvragen, waarom het artikel
‘Een greep uit de geschiedenis van de Twentse tollen in de
vorige eeuw’ (nr. 1168) geplaatst wordt onder ‘Financien.
Belastingen. Tollen.’, terwijl ‘Die Zollgrenze im Ostniederlaendisch-
Westfaelischen Textilgebiet 1815-1850 (nr. 8133)
onder ‘Geschiedenis’ valt. En waarom hoort ‘Hasselt en zijn
59
bindingen met het achterland in de middeleeuwen (nr. 1377)
bij ‘Handel’ thuis en ‘De economische betrekkingen van Overijssel
met de aangrenzende territoria in de 14e en 15e
eeuw’ (nr. 8115) bij ‘Geschiedenis’? Ook is niet duidelijk,
waarom van het boek In alle Staten, over de geschiedenis van
de Staten en Overijssel in verschillende perioden, twee artikelen
onder ‘Openbaar bestuur’ en drie onder ‘Geschiedenis’
worden gerangschikt. En dit zijn nog maar enkele, snel
gevonden voorbeelden. Ook binnen de verschillende hoofdrubrieken
vinden we deze onduidelijkheid in systematiek.
Probeer bijvoorbeeld de tekstuitgave van het traktement van
de IJhorster predikant (nr. 8342) maar eens te vinden in de
rubriek ‘Tekstuitgaven’.
Nog grotere onduidelijkheid bestaat er over de toegekende
trefwoorden in het topografisch register. Allereerst wordt
niet duidelijk gemaakt of men vooraf een lijst van trefwoorden
heeft opgesteld en/of hoe die lijst is samengesteld.
Bovendien is die toekenning niet altijd consequent of volledig
geschied. Zo kan een artikel over joodse begraafplaatsen
in Twente (nr. 4748) alleen gevonden worden onder het
trefwoord ‘Twente, joodse geschiedenis’, terwijl men een
bijdrage over Israëlitische begraafplaatsen in Denekamp
(nr. 4750) alleen tegenkomt bij ‘Denekamp, begraafplaatsen’.
Ronduit een tekortkoming van de bibliografie is de wijze
waarop bijvoorbeeld het boek De joodse gemeente Deventer;
omvattende Bathmen, Deventer, Diepenveen, Heino, Holten,
Olst, Raalte en Wijhe (nr. 8004) vermeld wordt in het topo-
‘ grafisch register. Men treft het alleen aan onder: ‘Bathmen,
! joodse geschiedenis’! Bij geen van de andere plaatsen uit de
titel komt men een verwijzing naar dit boek tegen. En dit
‘ soort omissies komt meer voor. Ik gebruik hier overigens exi
pres voorbeelden van publikaties over Jodendom, omdat deze
! rubriek geheel ontbr




Like ons!