Categorie

1987

Zwolse Historisch Tijdschrift 1987, Aflevering 1

Door 1987, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

4f. KAM
rte«V»fr 38 c
V 1 W «WOLLE
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHDIFT
1987 – 01
ZWOL&E HI&TOD16CHE VEDEN1G1NG
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOUGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG VIER 1987
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 De “welingerigte” kleine-kinderschool van de stadsarmeninrichting
te Zwolle (1827-ca.1841) – deel 2
Jaap Hagedoorn & Willy van der Most
13 De bouwgeschiedenis van het Vrouwenhuis te Zwolle
Peter Boer
VERENIGINGSNIEUWS
22 Lezingencyclus 1987: “Aspecten van de Moderne Devotie”
VAN DE INSTELLINGEN
23 Tentoonstellingsagenda Provinciaal Overijssels Museum
24 PERSONALIA
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck, P. Lindhoud
(wnd.hoofdredacteur), R.T. Oost, mevr. I. Wormgoor,
H.C.J. Wullink, mevr. A. van der Wurff
Zwolse Historische Vereniging
Niets uu de/e uitgave may worden verveelvoudigd en
ot openbaar gemaakt dooi middel van druk. fotocopv.
microfilm ut op welke WI|/H ook /ondel voorafgaande
schriftelijke toestemming v.in de uityuver
In de drie jaar van haar bestaan heeft de Zwolse Historische
Vereniging vier maal per jaar een tijdschrift en éénmaal per
jaar een jaarboek kunnen uitbrengen. Bestuur en beide redacties
hebben gemeend met ingang van 1987 de redacties van het
jaarboek en van het tijdschrift – voorlopig voor een jaar –
samen te voegen. Hiermee wordt een betere onderlinge afstemming
van de twee publicatievormen beoogd, terwijl tevens het
in verband met andere verplichtingen veroorzaakte verlies
van twee jaarboekredacteuren kan worden opgevangen.
De nieuwe redactie blijft voor de taak staan geschikte en
aantrekkelijke kopij voor zowel het tijdschrift als het jaarboek
te zoeken. Ook bij een niet al te groot kopij-aanbod
wil de redactie blijven streven naar een redelijke kwaliteit
van haar publicaties. Dit, naast de genoemde reorganisatie,
brengt met zich mee dat het aantal uitgaven van het tijdschrift
wordt teruggebracht van vier naar drie per jaar.
Overigens betekent dat dit jaar geen vermindering van het
totale aantal pagina’s dat wij U bieden. Twee van de drie
tijdschriftnummers zullen verschijnen als themanummers. Het
eerste gaat over de ‘Zwolse mummie’ en zal in verband met
de rond dit object geplande tentoonstelling in het POM,
reeds in maart verschijnen. Een themanummer over de opgravingen
in de Praubstraat zal waarschijnlijk in september
uitkomen. Dit jaar hoopt de redactie ook toe te komen aan
een plan waardoor het tijdschrift een wat gevarieerder karakter
zal krijgen. Tot slot kunnen wij meedelen dat de
redactie dit jaar een kalender hoopt uit te brengen met
oude Zwolse foto’s.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek.
DE “WELINGERIGTE” KLEINE-KINDERSCHOOL VAN DE STADSARMENINRICHTING
TE ZWOLLE (1827 – ca. 1841) (deel 2/slot)
JAAP HAGEDOORN & WILLY VAN DER MOST
SAMENVATTING VAN DEEL I (ZHT 1986-4)
De toenemende bemoeienis van de overheid met het onderwijs leidde
in 1827 tot de stichting van een school voor arme kinderen
van twee tot zes jaar. Deze school werd onderdeel van de Stadsarmeninrichting,
die tot doel had de arme en behoeftige stand
door onderwijs en arbeid te verheffen, vóór 1827 waren er de zogenaamde
bewaarscholen voor kleine kinderen. Daar was echter
meestal sprake van ‘bewaren’ en niet van onderwijzen. De kleinekinderschool
werd geleid door een matres, bijgestaan door enkele
helpsters. Zij hadden een op de praktijk gerichte opleiding gekregen
van Jan ter Pelkwijk, de Overijsselse gedeputeerde die
zich inzette voor hervorming van het onderwijs. Het succes van
het nieuwe, kwalitatief goede en gratis onderwijs valt af te
lezen aan de drastische groei van het aantal leerlingen: van
40 in 1827 tot 340 in 1847.
HET ONDERWIJS 35)
Het doel van het onderwijs was de ontwikkeling van de verstandelijke
en lichamelijke vermogens van de kleine kinderen. Daai
naast poogde men ze de beginselen van zedelijkheid en beschaving
bij te brengen. We moeten daarbij denken aan het aankweken van
eerbied voor God en de medemensen, het oefenen van een ordelijk
gedrag en het aanleren van voortdurende en ijverige werkzaamheid.
De kinderen zouden zo, uiteraard binnen hun eigen stand,
opgeleid worden tot nuttige leden van de maatschappij. Hoewel
dit alles zwaar klinkt, stond bij Ter Pelkwijk voorop, dat de
kinderen met plezier naar school moesten gaan en de school zouden
zien.als “eene plaats van vermaak” 36).
In de lokalen van de school waren bankjes met daaraanvast lessenaars,
waaraan de kinderen konden zitten en werken. Deze bankjes
waren op maat gemaakt. De kinderen zaten zodanig, dat ze met
z’n drieën op één el (circa 70 cm.) zaten. Niet erg ruim dus,
maar ze zaten dan ook niet voortdurend op hun plaatsen. Om te
schrijven en te tekenen hadden de kinderen een griffel, die in
een penhouder was gestoken om te voorkomen dat ze die in hun
mond zouden steken, maar ook om ze te wennen aan het schrijven
met een pen. Ten slotte waren er borden en verschillende leei—
en speelmiddelen aanwezig.
De lessen duurden ’s zomers van acht tot twaalf en van één tot
zes uur en ’s winters van half negen tot twaalf en van één tot
vijf uur. Er werd, in overeenstemming met de geestelijke èn de
lichamelijke opvoeding die men nastreefde, afwisselend lesgegeven
en gespeeld. De kinderen werden daartoe in groepen verdeeld.
Hierbij moet opgemerkt worden, dat de jongens en meisjes
tijdens de lessen apart zaten, en dat er bovendien een indeling
naar leeftijd bestond.
Het onderwijsgedeelte van de lessen bestond uit verschillende
oefeningen, die echter gemeenschappelijk hadden, dat ze zeer
aanschouwelijk waren en aangesloten bij de belevingswereld van
de kinderen. Met name in dit aanschouwelijke karakter van de
lessen kan de invloed van de toentertijd bekende pedagoog J.H.
Pestalozzi gezien worden, van wiens ideeën Ter Pelkwijk een
aanhanger was. De lessen bestonden uit:
00 duidelijk leren spreken.
Dit werd geoefend door meestal gezamenlijk zinnen of gedichtjes
op te zeggen. Vooral de gedichten van Hieronymus van Alphen
(bekend van ‘Jantje zag eens pruimen hangen’) werden daarbij
DB PMT1IMIBOOM.
Juttjckwetf ujuKocdval pruimen. U-Jo.
• ENZ V I I T I I L I N O .
Jantje zag eens pruimen hangen,
o I alt eieren zo groot.
‘• Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
fclioor zijn vader ’t liein verbood.
Hier ia, zei hij, noch mijn vader,
noch de tuinman , die het tiet >
Aan een boom, zo vul geladen,
raiu men vijf zet pruimen niet.
Maar ik wil gehuorzaam wezen,
en niet plukken: ik loop heen.
Zou i k , o» een hand vol pruimen,
ongehoorzaam wezen ? Neen.
Voord ging Jimjc : tn>«r ziin vader,
die hem (til beluisterd had,
Kwjm hem in liet ltmpcn ii-gcn
voor aio op hel roiddclpad.
Kutn mijn Jantje, zei de vader,
kom mijn kl.ine lurtcd’cfl
Nu u i IK y pruimen plukken)
nu heeft vader Jantje lief.
Dair ou | i ig Papa ain ’t febudden,
Jantje raapte fdiiclijk op;
Jantje krec] zijn hoed vol pruimen,
en liep been op een galop.
Hieronymus van Alphen, Kleine gedichten voor kinderen
(Utrecht 1821), 29 – 30
4
veel gebruikt 37)..In deze gedichten treffen we morele lessen
aan, zodat het leren van deze gedichten ook bijdroeg aan de zedelijke
ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast werd er veel en
graag gezongen. De kleinen leerden zo spelenderwijs hun moedertaal
goed uit te spreken en hun geheugen te oefenen. Bovendien
werd het Zwolse dialect op deze wijze bestreden, dat de kindepen
thuis veelvuldig hoorden, waarbij men, zo schrijft Ter Pelkwijk,
“de letter b_ gewoonlijk laat hooren wanneer zij niet noodig is
en integendeel verzwijgt, waar zij vereischt wordt” 38).
00 Opmerken en onderscheiden van voorwerpen.
De zintuigen werden hierbij geoefend door het bekijken, bevoelen
en benoemen van voorwerpen die de kinderen kenden, zoals hun eigen
lichaamsdelen, kartonnen figuren (vierkanten, rechthoeken,
ruiten enz.), dierenplaten, planten, zaden, houten plankjes en
kruidenierswaren). Een voorbeeld van deze beide oefeningen (spreken
en opmerken) geeft de schoolmeester en dialectschrijver
willem Kloeke, die de eerder genoemde school voor de gegoede
stand bezocht: “wel erinner ik miej, da-w’ naemen van kleuren
mossen leeren van ’n groot stuk wit bordpapier, doeur fluweelen
linties van alderande kleuren over e-spannen waeren. De naemen
van de kleuren wieren deur de juffrouw e-nuumd en dan mossen
wiej diie net zoolange nozeggen, tu-w’ ’t wisten” 39).
00 Tellen en getalleer.
Met behulp van kleine houten kubussen leerden de kinderen tellen
en ook optellen. Juist dit onderwijs moest volgens Ter
Pelkwijk zeer aanschouwelijk worden voorgesteld, om de kinderen
te leren welke hoeveelheden bij welke getalswaarden hoorden. De
rekenlessen werden daarna voortgezet met •stipfiguren op karton,
zodat ze het verband tussen hoeveelheid en cijfersymbool leerden.
Ook waren er twee ebbenhouten toiletjes met op het ene de
tien stippenfiguren en op het andere de getallen van één tot
tien. De kinderen moesten dan de juiste combinaties bij elkaar
zoeken. Om de kinderen het vermenigvuldigen bij te brengen, gede
gebruikte
1 2 3 4
stippenfiguren
• •
5 6 7 8 9
• •
10
bruikte men tien stroken papier, waarop telkens één van de stippenfiguren
was afgebeeld. De kinderen moesten dan telkens zeggen
hoeveel keer ze een bepaalde figuur zagen en hoeveel de totale
waarde was, bijvoorbeeld:
= 3 maal 7 = 21
Later werd hiervoor het telraam gebruikt 40). Ten slotte leerden
de kinderen nog hoofdrekenen.
00 Vormleer.
Dit was een soort eenvoudige meetkunde. De kinderen moesten
lijnen, hoeken en figuren leren benoemen en tekenen. Dit onderwijs
hield duidelijk verband met het eerder genoemde opmerken
en onderscheiden van voorwerpen, maar was wat abstracter van
opzet.
00 Lezen.
Dit was alleen bedoeld voor de oudste kinderen. In de toelichting
bij het reglement voor de kleine-kinderschool werd geconcludeerd,
dat lezen op zich niets bijdroeg aan de ontwikkeling
van de verstandelijke en zedelijke vermogens van het kind
en dat het “geheel onnoodig, ja schadelijk is, dat kinderen
het lezen te vroeg leeren”. De kleintjes zouden het gelezene
immers nog niet begrijpen en dus zouden de leeslessen nutteloos
zijn. Het bleek echter noodzakelijk de oudste kinderen toch
leesonderwijs te geven. Na de kleine-kinderschool gingen de
meesten door naar de leer- en werkscholen van de armeninrichting.
Als daar, door het ontbreken van het leren lezen op de kleinekinderschool,
teveel aandacht aan dit onderwijs gegeven moest
worden, zou de andere kennis die de kinderen al opgestoken hadden,
gemakkelijk kunnen verwateren. Wanneer zij konden lezen,
konden ze direct door naar de hogere afdelingen van de leeren
werkscholen 41). Bij het leesonderwijs werd gebruik gemaakt
van de zogenaamde klankmethode met behulp van een letterkast.
We mogen ons dit voorstellen als een soort ‘Aap-noot-Mies’-
leesplankje.
Het onderwijs werd afgewisseld met spelletjes en lichaamsoefeningen,
die onder leiding van één van de helpsters op de
speelplaats plaatsvonden, of bij slecht weer in het speellokaal.
Er was speelmateriaal aanwezig, zoals een hobbelpaard, hoepels,
tollen en knikkers. Dit spelen zou, zo was Ter Pelkwijk van mening,
de gezondheid en levendigheid van de kinderen bevorderen
en de school tot een vrolijk instituut maken. De eerder genoemde
6
Kloeke over het spelen: “A-w’ no de spölskooele gongen, dan
gong Darrekien (een helpster JH/WvdM) veurop en ield er iiene
van ons aer vaste an de rokken en ieder volgend kind ield ‘t
kind vaste, dat veur ‘m liep en dan zongen wiej, Sjok, sjok,
achter an miej rok; Veur an miej rok is ’t beste! Sjok, sjok,
enz.” 42).
Aangezien het onderwijs aan de Zwolse kleine-kinderschool geheel
nieuw was en niemand er ervaring mee had ging men, zoals
gezegd, uit van de voorbeelden van anderen (Pestalozzi, Visser
en Woldendorp) en werd de theorie steeds door de praktijk bijgesteld.
De kinderen moesten bij dit alles met zachtheid behandeld
worden. Gehoorzaamheid moest door vermaningen en beloningen
worden afgedwongen, minder door straffen. De laatste
bestonden uit het in de hoek zetten van een kind of het in
school houden wanneer zijn of haar groep naar de. speelplaats
ging. Beloningen werden gegeven in de vorm van plaatjes, die,
als de kinderen erg hun best hadden gedaan, ook nog zelf uitgezocht
mochten worden.
RESULTATEN
De resultaten van het nieuwe kleuteronderwijs konden jaarlijks
geconstateerd worden tijdens de examens, gehouden in aanwezigheid
van de gouverneur, de burgemeester, raadsleden en andere
aanzienlijke ingezetenen 42a). Er werd gezongen en de kinderen
gaven proeven van hun vorderingen in het spreken, rekenen,
schrijven enz. Daarna werden aan de beste kinderen premies uitgedeeld,
meestal kledingstukken, terwijl de allerbesten een
bijzonder geschenk van de gouverneur kregen, meestal een boekje,
’s Middags was er dan feest op school, waarbij aan de kinderen
saliemelk geschonken werd.
Ook het zedelijk onderwijs had zijn vruchten afgeworpen, zo
blijkt uit de verslagen van de examens: “Aandoenlijk was het
gezigt van zulk eene schaar jonge kinderen van de behoeftigste
volksklasse, allen, naar hunne stand, zeer goed gekleed, helder
en zuiver, en zoo ordelijk, zoo stil en ingetogen en toch zoo
gepast vrijmoedig als. men van kinderen van die jaren mag verwachten:
zoo dat ook hier de vreemdeling niet de kinderen der
behoeftige zoude erkennen, en men ook bij dit gedeelte van het
opkomende geslacht de duidelijkste blijken aantreft van den
verbeterden toestand der armen in deze stad” 43).
De verslagen van de examens in de Overijsselsche Courant waren
steeds zeer lovend, maar werden,dan ook geschreven door G. Luttenberg,
secretaris van het bestuur van de Stadsarmeninrichting.
Van andere zijden was er echter ook lof. Kloeke spreekt over de
__ i vnn f»*» in Oen j i f io IK.’IH I)<-ÜOMW»_^ ' .— ioaooLcnoow voon DE_#KMEHIHBICTIHC Jaarboekje van de provincie Overijssel 1839 (Zwolle z.j.) bijzondere aantekening t.o. p.44 scholen van de armeninrichting, "woeur 't onderwies, zoo a-'k laeter wel ebbe e-markt, eerder beter dan slechter was dan op d'andere skooelen in de stad" 44). En rijksinspecteur voor het onderwijs Wijnbeek is er in 1833 en 1841 zeer over te spreken: "mogten kinderscholen naar het model der Zwolsche ingerigt, ten behoeve vooral der geringe volksklasse, in alle steden, de groote in 't bijzonder, worden daargesteld, (...) Welke heilzame gevolgen zou zulks niet opleveren voor de orde, ondergeschiktheid en arbeidzaamheid dier volksklasse!" 45). In de rest van zijn rapport vergelijkt hij de bewaarscholen elders steeds met de Zwolse, welke vergelijking steeds in het voordeel van de laatste uitvalt. De roem van de kleine-kinderschool reikte tot over de grenzen en zelfs koning Willem I bracht er (in 1830) een bezoek aan. In zijn tweede rapport meldt Wijnbeek, dat naar zijn mening de kinderen te lang achter elkaar met leren bezig waren. In het Derde Verslag over de toestand van de Stadsarmeninrichting wordt hierop gereageerd 46). De kinderen moesten in de korte tijd dat ze op school waren - ze moesten immers al vroeg hun bijdrage leveren aan het gezinsinkomen - zoveel mogelijk leren, waaraan ze in hun (ambachts- en werklieden-)stand behoefte hadden. 8 Dat dit, voor de aan de armeninrichting opgeleiden, vruchten afwierp, bewijst een onderzoek in het Derde Verslag (1841) naar de toenmalige positie van 600 oud-leerlingen 47). Daarvan waren er 449 uit de behoeftige stand afkomstig geweest; slechts één verkeerde in 1841 nog in die staat. Van de 118 kinderen uit de bedeelde stand werden er op dat moment nog drie bedeeld. Op korte termijn had het regelmatig bezoeken van de kleinekinderschool positieve gevolgen voor de gezondheid van de kinderen. Al in 1831 werd geconstateerd, dat er onder de kinderen van deze school relatief weinig ziekte en sterfte voorkwam 48) en tussen 1835 en 1840 stierven er jaarlijks maar twee kinderen van de ongeveer 250 die daar les kregen 49). Een zeer laag aantal als we weten dat de kindersterfte in die tijd nog zeer groot was. Het regelmatig schoon maken van de school, het buiten spelen en het doen van lichaamsoefeningen, maar ook het weren van niet-ingeënte of (voor de kinderziekten) niet-immune kinderen zullen de belangrijkste oorzaken van de bovengenoemde constatering geweest zijn. De goede resultaten van de school voor behoeftige kinderen had tot gevolg, dat al in 1829 besloten werd, dat er ook één voor de gegoede stand moest komen. Deze school was eerst gevestigd in het voormalige Jufferenconvent op de hoek van de Blijmarkt en de Praubstraat en later in de Fratersteeg tussen de Goudsteeg en de Praubstraat. Het onderwijs werd op een gelijke manier gegeven als aan de armeninrichting. Het schoolgeld bedroeg tien gulden per jaar. Er waren een hoofdonderwijzeres en drie secondantes aangesteld. Er gingen jaarlijks ongeveer 100 kinderen naar deze school' 50). De stedelijke overheid hoopte dat de kleine-kinderschool als voorbeeld zou gaan werken voor andere Zwolse bewaarscholen. Hiervan is één voorbeeld gevonden. In 1836 vormde de weduwe J. Snijder haar bewaarschool om naar voorbeeld van de kleine-kinderschool. Als blijk van waardering schonk de stad haar schooltje, waar in dat jaar 64 kinderen leskregen, een doos met voorwerpen voor het aanschouwelijk onderwijs en een hobbelpaard 51). Bovendien adviseerde de plaatselijke schoolcommissie geen matressen meer toe te laten, die geen kennis hadden genomen van het nieuwsoortig onderwijs, zonder haar enkele lessen te laten volgen aan de kleine-kinderschool 52). Daarnaast mag de afname van het aantal bewaarscholen, die gemiddeld zo'n twintig leerlingen hadden, eveneens een teken zijn van de verbeterende invloed die de kleine-kinderschool had op het Zwolse bewaarschoolonderwijs, vooral nadat de school naar het nieuwe gebouw was verplaatst (1839). Zwolse kleine-kinder- en bewaarscholen en het aantal leerlingen van die scholen 53) jaar 1827 1834 1835 1836 1837 1838 1839 1840 1841 kleine-kinderscholen aantal 2 2 3 3 3 2 2 2 leerlingen 438 335 414 436 423 360 397 403 bewaarscholen aantal 39 24 24 25 23 22 17 17 15 leerlingen 440 480 481 458 530 410 358 359 324 tabel III De invloed van het vernieuwende karakter van de Zwolse kleinekinderschool strekte zich echter uit tot buiten de stadsgrenzen. De school werd door velen uit binnen- en buitenland bezocht. Daarnaast werden in Zwolle de eerste onderwijzeressen gevormd voor een groot aantal bewaarscholen in Nederland. Zo werden twee meisjes door het Deventer stadsbestuur naar Zwolle gestuurd om daar aan de kleine-kinderschool door Ter Pelkwijk opgeleid te worden tot matres. Na één jaar onderwijs konden zij in 1834 naar Deventer terugkeren om daar een bewaarschool naar het Zwolse voorbeeld te gaan beheren 54). Ook uit onder andere Groningen en Rotterdam kwamen kwekelingen naar Zwolle om daar de nodige ervaring op te doen 55). Zwolle heeft op die manier een speerpuntfunctie vervuld in de vernieuwing van het onderwijs aan kinderen tussen twee en zes jaar. CONCLUSIE De oproep in 1827, om het bewaarschoolonderwijs op een nieuwe leest te schoeien en met name voor arme en behoeftige kinderen toegankelijk te maken, was in Zwolle aanleiding om de nog jonge Stadarmeninrichting uit te breiden met een zogenaamde "welingerigte" kleine kinderschool. Het onderwijs aan de twee- tot zesjarigen zou dienstbaar zijn aan het doel van de inrichting: de verheffing van de behoeftige stand door arbeid en onderwijs. 10 Mr. J. ter Pelkwijk 1769 - 1834 Collectie: Prov.Overijssels Museum. Repro: J.P. de Koning 11 Met die verheffing kon nu reeds op jonge leeftijd begonnen worden. Bovendien zouden de kinderen voorbereid worden op het werk en onderwijs aan de armeninrichting. Doordat hun ouders in staat zouden zijn om een groter gezinsinkomen te verwerven - de moeder kon ook gaan werken - zouden ze zo meewerken aan hun eigen verheffing. Door samenwerking van het bestuur van de armeninrichting, de raad van de stad Zwolle en de stedelijke schoolcommissie, maar vooral door de inzet van dr. Jan ter Pelkwijk, die de reglementen voor de nieuwe school samenstelde, het toekomstige onderwijzend personeel onderwees en methodes voor en voorwerpen bij het onderwijs ontwierp, kon het onderwijs ruim anderhalf jaar na de oproep van start gaan. Het onderwijzend personeel, één matres en enkele helpsters, moest aan enkele vereisten voldoen. Onderwijservaring en een redelijk jeugdige leeftijd waren, naast onder andere beschaafdheid, zedelijkheid en liefde voor de kinderen, de belangrijkste. Geen eisen werden gesteld aan de ontwikkeling en de pedagogische en didactische vaardigheden van de vrouwen. De salariëring van de matres was redelijk. Het loon van de helpsters, jonge meisjes uit de leerscholen van de armeninrichting, zal het inkomen van het gezin waaruit ze kwamen aangevuld hebben. Het onderwijs moest de lichamelijke en verstandelijke vermogens van de kinderen ontwikkelen. Daartoe werd het leren afgewisseld met spelen. Het leren viel te verdelen in spraak-, reken- en leeslessen, terwijl ook aandacht werd besteed aan het onderscheiden van voorwerpen en de vormleer. Het onderwijs moest voor alles aanschouwelijk en begrijpelijk zijn. Ter Pelkwijk volgde hiermee de toentertijd moderne onderwijsmethode van Pestalozzi, zoals hij bij het onderwijs aan de kandidaat-matressen en -helpsters gebruik had gemaakt van de toen populaire handleidingen voor bewaarschoolhoudsters van Visser en Woldendorp. Over de resultaten van het onderwijs lieten velen zich lovend uit. Op de lange termijn bleek de armeninrichting haar doelstellingen te verwezenlijken, waaraan het onderwijs op de kleine-kinderschool dus zijn bijdrage leverde: de vele oudleerlingen hadden zich een onafhankelijke positie in de maatschappij verworven. De goede resultaten van de kleine-kinderschool leidden tot een explosieve stijging van het aantal leerlingen. Daarnaast nam het aantal ouderwetse bewaarscholen, waar de nadruk meer op het bewaren dan op de scholing lag, af, ook doordat er nog een kleine-kinderschool was opgericht, nu voor de gegoede stand. Door dit goede kleuteronderwijs trok Zwolle veel kwekelingen aan, die na de gevolgde lessen het kleuteron12 derwijs elders ook op moderne leest schoeiden. Hierdoor fungeerde Zwolle in de jaren dertig van de vorige eeuw als (een) centrum voor de vernieuwing van het kleuteronderwijs. De moderne wijze waarop in Zwolle, met behulp van nieuwe ideeën op het gebied van het kleuteronderwijs, gestalte gegeven werd aan de oproep om een "welingerigte" kleine-kinderschool op te richten, had niet alleen gunstige gevolgen voor de Zwolse armen en behoeftigen, maar ook voor de gehele stad en voor het onderwijs in geheel Nederland. Noten 35. Gebaseerd op de reglementen in Derde Verslag, 14-35; en GAZ, SAOO3. 36. GAZ, SAOO3, 6. 37. Verder gedichten van mevrouw Bilderdijk en de volksliederen uitgegeven door het Nut, zie GAZ, SAOO3, 11. 38. Ibidem, 14. 39. W. Kloeke, Zwolse sketsies (heruitgave 1986 van: Zutphen 1931), 14. 40. 'Het onderwijs in Overijssel tussen 1830 en 1850 volgens de rapporten van inspecteur Wijnbeek', R. Reinsma ed. in Verslagen en mededelingen VORG 80 (1965) (Wijnbeek 1841) 55. 41. Tweede verslag, 40-41. 42. Kloeke, 24. 42a Zie verslagen in Overijsselsche Courant 1829 no.63 (7-8) 1; 1830 no.70 (31-8) 1; 1831 no.95 (29-11) 1; 1837 no.74 (15-9) 1. 43. Ibidem, 1831 no.95 (29-11) 1. 44. Kloeke, 34. 45. Wijnbeek 1833, 81. 46. Ibidem en Derde Verslag, 13. 47. Derde Verslag, 46-56. 48. Overijsselsche Courant 1831 no.87 (1-11) 1. 49. Derde Verslag, 14. 50. Derde Verslag, 56-63 en Wijnbeek 1833, 79-81. 51. GAZ, CA013, Notulen 7-1-1836. Deze school bestond tot 1839. 52. RAO, PCOO, no.387, verslag 1836 bij stukken april 1837. 53. 1827: RAO, PCOO, no.385, 10-10-1827. 1834-1841 in RAO, PCOO, no's 386 en 387, verslagen van de jaren 1834-1841 bij de stukken van april 1835-1842. 54. Tweede Verslag, 42-43. 55. Van Essen, 28. DE BOUWGESCHIEDENIS VAN HET VROUWENHUIS TE ZWOLLE PETER BOER " PRAESTANT AETERNA CADUCIS " (het eeuwige gaat boven het vergankelijke) en 11 ANNO 1742 IS DIT HUIS TOT EEN VROUWENHUIS GESTIGT VOLGENS DE UITERSTE WILLE VAN JUFFER ALEIDE GREVE OVERLEDEN DEN 4 FEBR. 1742 DOGTER VAN DE HEER GEURT GREVE GEMEENSMAN BURGERHOPMAN DEZER STAD EN CONTRAROLEUR VAN DE CONVOIEN EN LICENTEN EN VAN VROUW LAMBERTA HOLT." INLEIDING Bovenstaande teksten prijken op de gevelstenen van het pand Melkmarkt 53, bekend onder de naam Vrouwenhuis. Het Vrouwenhuis, dat een aaneengesloten blok bebouwing vormt tussen de Melkmarkt en de Voorstraat met een langsgevel aan de Korte Kamperstraat, werd gesticht om onderdak te verschaffen aan ongehuwde, bejaarde vrouwen. Met name armlastige dienstbodes van hervormde huize vormden de doelgroep. Waarom juist aan deze groep vrouwen huisvesting is geboden, is niet duidelijk; dat deze vrouwen best wat hulp gebruiken konden, lijdt geen twijfel. Een beroep als dienstbode bood waarschijnlijk beperkte mogelijkheden wat te sparen en zij die niet trouwden hadden geen kinderen die later voor een onbezorgde oude dag konden zorgen. Als de welgestelde Aleida Greve na haar dood haar huis ter beschikking stelt, heeft dit pand de huidige omvang al bijna bereikt . Met het beheer van de financiën en het toezicht op de dagelijkse gang van zaken wordt een aantal regenten belast (deze situatie duurt tot op de dag van vandaag voort). De regenten trachten ge14 Praestant aeterna caducis, het eeuwige gaat boven het vergankelijke. Foto: Gemeentelijke Fotodienst Zwolle, J.P. de Koning 15 durende ruim 200 jaar de herinnering aan weldoenster Aleida Greve steeds levend te houden. Zij doen dit onder andere door vertrekken die niet (meer) voor bewoning geschikt zijn, of die daarvoor gewoon te fraai worden geacht (en dat zijn er nogal wat), alsmede een aantal trappen en gangen, zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat te houden. Het exterieur van het gebouwencomplex wordt vreemd genoeg in de loop der tijd een aantal malen "gemoderniseerd" en verandert dus nogal. Zo blijkt dus dat een stuk 17e en 18e eeuwse wooncultuur op unieke en oorspronkelijke wijze bewaard gebleven is dankzij de combinatie van langdurige bewoning door bejaarde vrouwen en de behoudzucht van de regenten. In dit artikel wil ik de wordingsgeschiedenis van het latere Vrouwenhuis vanuit een bouwkundige achtergrond belichten. Met name wordt ingegaan op de groei vanuit individuele bouwdelen tot een cultuur- en bouwhistorisch zeer waardevol complex. DE BOUW De oudst bekende afbeelding van het Vrouwenhuis is te zien op de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1580. Deze kaart is wat betreft de weergave van individuele panden niet altijd even betrouwbaar. Op figuur I zijn twee bebouwingsdelen zichtbaar, respectievelijk aan de Melkmarkt (waar toen nog het water van de Aa stroomde) en aan de Voorstraat. Tussen de Voorstraat en de Melkmarkt ligt een onbebouwd terrein, dat door een muur van de straat is afgesloten, zodat een binnenplaats is ontstaan. Wanneer we de bebouwing aan de Melkmarktzijde nauwkeuriger bekijken, is een voorhuis met verdieping zichtbaar, waar aan de achterzijde een lager pand zonder verdiepingen tegenaan gebouwd is. Het pand met verdieping bestaat nog steeds en is op figuur II met de letters A en B aangegeven. Tegen bouwdeel B staat een even hoog gebouw (C), dat op de kaart van 1580 schuil gaat achter het voorhuis. De bouwdelen A, B en C zijn op grond van hun constructieve opbouw te dateren tussen 1525 en 1550. Het oudste deel, deel A met een voorgevel aan de Melkmarkt, zal gebouwd zijn omstreeks 1525. Kort na deze datum is deel B er tegenaan gebouwd en wel op een dusdanige wijze dat op het eerste gezicht sprake is van één bouwmassa die als geheel opgetrokken is. Uit de opbouw van de kapconstructie blijkt echter het tegendeel. Omstreeks 1550 is tegen deel B een evenhoog pand gebouwd dat waarschijnlijk altijd met dit deel verbonden is geweest, omdat het geïsoleerd op een binnenterrein ligt. Genoemde bebouwing aan de Melkmarktzijde is dus kort na elkaar gebouwd om als geheel bewoond te 16 fig.I Fragment van de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1580. fig.III Fragment uit de stadsplattegrond van Blaeu uit plm. 1650. worden. Dat de delen A, B en C altijd bij elkaar hebben gehoord, blijkt tevens uit het feit dat alleen deel A een trap van de begane grond naar de verdieping heeft. De trap van de verdieping naar het zolderniveau is aanwezig in deel B. In deel C zijn in het geheel geen trappen of trapravelingen aanwezig. EIGENAREN, BEWONERS EN UITBREIDING VAN HET PAND De delen A, B en C, alsmede een achterhuis aan de Voorstraat zijn omstreeks 1600 eigendom van een zekere Johan Wayer 1). In akten waarin sprake is van het achterhuis aan de Voorstraat wordt deel E bedoeld, dat op grond van de constructieve opbouw .tussen 1475 en 1575 gebouwd moet zijn. Opvallend is dat alleen de delen A en E onderkelderd zijn; bij latere uitbreidingen was er kennelijk geen behoefte aan extra kelderruimte. Wanneer Johan Wayer in 1614 komt te overlijden, wordt zijn onroerend goed door de erfgenamen gesplitst en verkocht. Het voorhuis aan de Melkmarkt wordt verkocht aan Herman Ewolts, het achterhuis komt in handen van Johan Hendrixen. 17 Tot ongeveer 1645 vinden er geen ingrijpende bouwactiviteiten plaats. Zo omstreeks 1633 wordt het voorhuis bewoond door Elisabeth Ewolts die in 1627 getrouwd is met Johan van Leeuwen 2). Vader Herman Ewolts is dan kennelijk reeds verhuisd naar een belendend perceel, want in 1642 koopt Dr. Hendrik Wolfsen een pand dat zich uitstrekt van de Aa (Melkmarkt) tot aan de Voorstraat. Aan de voorzijde grenst het aan het pand van de weduwe Roelof Nolten en in de Voorstraat ligt het tussen de panden van burgemeester Herman Ewolts en Gerrit Hendrix 3). Deze Hendrik Wolfsen is in 1644 getrouwd met Aleyda Varwers 4). Op de stadsplattegrond van Ioan Blaeu van omstreeks 1650 staan wat betreft het Vrouwenhuis nog steeds dezelfde gebouwen als op de kaart van Braun en Hogenberg weergegeven. Op de kaart van Blaeu, die zeer nauwkeurig te werk ging, is op het erf, halverwege de Voorstraat en de Melkmarkt, een vrijstaand gebouwtje aangegeven (zie figuur III). Wellicht is bij het vervaardigen van de kaart toch een foutje gemaakt. In de achtergevel van deel B bevinden zich namelijk bouwsporen die wijzen op een lagere aankapping die later gesloopt moet zijn. Deze sporen kunnen afkomstig zijn van het bouwsel dat op de kaart van Blaeu als vrijstaand wordt weergegeven. Omstreeks 1670 wordt als eigenaar nog steeds secretaris Wolfsen genoemd, maar als huurder verschijnt Pieter Soury ten tonele. Deze Pieter Soury is in 1668 getrouwd met Aleyda Wolfsen, de dochter van Hendrik en Aleyda. Het pas getrouwde stel komt dus bij de ouders van de bruid inwonen. Of deze inwoning een uitbreiding van het huis tot gevolg heeft gehad is niet bekend, maar wel staat vast dat tussen 1650 en 1682 het deel gebouwd wordt, waarin de huidige regentenkamer is ondergebracht (deel D). Deze bouwmassa is verdiepingsloos en sluit bouwkundig gezien perfect aan op deel E, dat destijds nog in handen was van de familie Hendrix. Op de begane grond is op geen enkele wijze een verbinding (geweest) tussen deel D en E, wat gezien de verschillende eigenaars ook niet waarschijnlijk is. De zolder van deel D is echter vanuit deel B of vanaf de begane grond niet bereikbaar (geweest), de toegang loopt via de zolder van deel E. Voor deze tegenstrijdigheden is nog geen verklaring gevonden. Toch is zonder twijfel deel D als uitbreiding van A-B-C gebouwd, en wel vóór 1682. Dit blijkt uit de wijze waarop de toegangen van B naar D en van D naar buiten zijn geconstrueerd. De voormalige buitendeur van deel D hangt nog steeds op zijn originele plaats (zie ook figuur II). Pas in 1682 koopt burgemeester Pieter Soury het achterhuis aan de Voorstraat van Albertje (Hendrix) Muijsevanger (woordspeling: Soury = muis Fr.) 5). Zijn schoonvader Hendrik Wolfsen is dan kennelijk al overleden. 18 777/// fig.II Chronologisch ontwikkelingsoverzicht. In 1682 zijn dus het voor- en achterhuis weer eigendom van één persoon geworden. Om binnendoor van de Melkmarkt naar de Voorstraat te" komen moet men echter nog steeds een stuk over het binnenterrein lopen. Burgemeester Soury lost dit probleem op door op het binnenterrein een smalle strook te bebouwen met een 19 verbindingsgang. Deze gang, die deel uitmaakt van de indrukwekkendste elementen van het Vrouwenhuis, zal gebouwd zijn tussen 1682 en 1695, het jaar waarin Pieter Soury komt te overlijden. De verdiepingsloze gang is overkapt met een lessenaarsdakje. Het plafond wordt gevormd door een gedrukt tongewelf met steunbogen die dragen op pilasters met ionische kapitelen, alles uitgevoerd in hout. Deze steunbogen en de kapitelen zijn rijk versierd met houtsnijwerk; op de pilasters is gesneden loofwerk aangebracht dat is opgebouwd uit onder andere bloemkelken, sparappelen, eiken-, bramen- en klimopbladeren. De maker van dit houtsnijwerk is Hermannus van Arnhem 6). Deze kunstenaar heeft in Zwolle gewerkt tussen 1667 en 1708. In een ander deel van het Vrouwenhuis en wel op de begane grond van deel C, is tevens een houten schouw van zijn hand te vinden. De pilasters aan weerszijden van deze schouw zijn op dezelfde wijze als in de gang voorzien van loofwerk. In het midden is een wapenschild aangebracht, met daarop het alliantiewapen van de families Wolfsen en Soury 7) (zie figuur IV). STICHTING VAN HET VROUWENHUIS In 1706, ruim tien jaar na het overlijden van Pieter Soury, wordt het huis van de erven Soury overgeschreven op naam van Aleida, Judith en Henrica Greve. De drie zusters kopen na het overlijden van hun oom van moederszijde, Herman Holt, van het geld dat zij erven het "huis en doorgaande where" van wijlen kameraar Soury 8). Of Aleida en haar zusters ook daadwerkelijk in het huis gaan wonen is niet bekend. Dat zij het pand mogelijk als beleggingsobject verworven hebben is niet uitgesloten. Met name de ongehuwde Aleida (die leefde van 1670 tot 1742), is de geschiedenis ingegaan als een zeer vermogende vrouw. Haar vermogen blijkt onder andere uit het feit dat zij omstreeks 1723 vuurstedegeld moet betalen voor een groot aantal huizen in de Voorstraat 9 ) . Als in 1742 Aleida als langstlevende van de drie zusters komt te overlijden, geeft zij in haar testament instructies voor het stichten en beheren van een Vrouwenhuis aan de Aa. Het huis heeft dan nog steeds de omvang zoals het in 1706 aangekocht werd. Dr. G.W. Golts, convooimeester en neef van Aleida, wordt als verantwoordelijke man voor het Vrouwenhuis aangesteld 10). Er blijkt veel animo voor het Vrouwenhuis te zijn, want in 1750 telt het tehuis reeds vijftien bewoners 11). Tussen 1742 en 1832, het jaar waarin het Vrouwenhuis voor het eerst bij het 20 kadaster wordt vastgelegd, worden de gebouwen uitgebreid met een vleugel aan de Voorstraat. De indeling van deze vleugel wijst duidelijk op.de huisvesting van alleenstaanden. In 1832 is de huidige omvang van het gebouwencomplex bereikt en sindsdien zijn slechts op kleine schaal veranderingen aangebracht. Hoewel de geschiedenis van na 1742 buiten het bestek van dit artikel valt, is het volgende nog vermeldenswaard. Waarschijnlijk zijn om hygiënische redenen kort na de stichtingsdatum op grote delen van de wanden geglazuurde, witte wandtegels aangebracht. Deze tegels accentueren de eenheid die het complex vormt en zorgen daarnaast voor een zeer bijzonder effect. fig.IV Schouw op de begane grond in deel C 21 Verbindingsgang met houtsnijwerk in renaissancestijl door Hermannus van Arnhem Foto beschikbaar gesteld door Marcel Malherbe b.f.n. Kort samengevat kan worden geconcludeerd dat het Vrouwenhuis zoals dat nu bestaat, gegroeid is vanuit een tweetal clusters laat-middeleeuwse bebouwing aan weerszijden van de oostgevel van de Korte Kamperstraat. Het binnenterrein is onder invloed van de verschillende eigendomssituaties en de bewoners vanuit het noorden bebouwd, totdat het complex omstreeks 1700 grotendeels zijn huidige vorm bereikt heeft. De status van Vrouwenhuis heeft voornamelijk een consoliderend effect op de aard en omvang van de bebouwing gehad. 22 NOTEN 1 Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), Rechterlijk Archief (RAOOD-25, p.459, 534, 535. 2 GAZ, Retroakten van de Burgelijke Stand Overijssel (RBSO) 721, p.364. 3 GAZ, RA001-O29, p.269. 4 GAZ, RBSZ 723, p.229. 5 GAZ, RA001-034, p.17O. 6 Verbeek, J., "Hermannus van Arnhem, houtsnijder" in Bulletin van het Rijksmuseum 16 (1968), p.24, p.67 e.v. 7 Rietstap, J.B., Illustrations to the Armorial General (London 1965; reprint). 8 GAZ, RAOO1-O37, p.388. 9 GAZ, Administratief Archief Zwolle (SAZO1)^175. 10 GAZ, RA001-137, p.16-18. 11 GAZ, AAZ01-4347. LEZINGENCYCLUS ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING IN 1987: 11 ASPECTEN VAN DE MODERNE DEVOTIE " In het najaar van 1987 zal herdacht worden dat 600 jaar geleden te Windesheim een klooster gesticht werd om de instandhouding en bescherming van de Moderne Devotie te waarborgen. Deze door Geert Grote gegrondveste religieuze beweging streefde naar een zuivere geloofsbeleving en een zuiver en praktisch leven in navolging van Christus. In korte tijd breidde deze beweging zich over heel Europa uit. Het centrum ervan bleef, vooral door de activiteiten van het klooster te Windesheim, in de IJsselvallei liggen. Het nabijgelegen Zwolle ondervond ook de invloed van de Moderne Devotie. In de stad (tussen de huidige Papen- en Praubstraat) en erbuiten (op de Agnietenberg) vestigden zich broederschappen van Moderne Devoten. In 1984 werd ter gelegenheid van de herdenking van de 600-ste sterfdag van Geert Grote reeds een boekje door de Zwolse Historische Vereniging uitgegeven. Voor deze laat-middeleeuwse religieuze herleving bestaat nog steeds veel belangstelling. Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging organiseert daarom in 1987 vier lezingen rond dit thema. Pater R.Th.M. van Dijk uit Nijmegen zal spreken over de Windesheimer kloostercongregatie. De heer R. van Beek uit Zwolle zal de opgravingen bespreken die in 1986 plaatsvonden in een deel 23 van de Zwolse vestiging van de Moderne Devoten in de Praubstraat. Mevrouw drs. M.L. Caron uit Utrecht zal spreken over de religieuze voorstellingswereld van de broeders des gemenen levens, zoals de Moderne Devoten ook wel genoemd werden. Mevrouw drs. L.S. Wierda uit Groningen zal de zogenaamde Agnietenbergse verluchtkunst belichten. De broeders op de Agnietenberg voorzagen onder andere met dit versieren van handschriften in hun levensbehoeften. Nadere aankondiging van de verschillende lezingen volgt. TENTOONSTELLINGSAGENDA PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM - begin maart 87 Onze Lieve Heer van zolder Bijbelse voorstellingen zoals de aankondiging van de geboorte van Christus, het laatste oordeel e.d., geschilderd in de 16e t/m 19e eeuw. - begin maart 87 - tm 1 maart 87 12.03.87-26.04.87 Vriendschappelijke herinneringen Alba amicorum uit eigen bezit Vrienden schreven, tekenden en borduurden in het album amicorum, een voorloper van het huidige poëziealbum. Marokko veraf en dichtbij Een educatieve fototentoonstelling aangevuld met diverse objecten (onderdeel van het Zwolse Kultuur- Anders-project) Kunst of Kunde Werk van docenten verbonden aan de opleidingseenheid tekenen-handvaardigheid van de Christelijke Lerarenopleiding Zwolle, die midden maart 1987 opgenomen gaat worden in de nieuwe Hogeschool Zwolle, een samenvoeging van meerdere opleidingen van Hoger Beroeps Onderwijs. 24 maart t/m juli 1987 De Zwolse mummie mei t/m juli 1987 Een tentoonstelling over binnenscheepvaart i.v.m. de opening van een nieuwe haven aan het Zwartewater te Zwolle en een congres van de Vereniging Schuttevaer. begin augustus 1987 Kermistentoonstelling Leden van de Zwolse Historische Vereniging hebben op vertoon van hun ledenkaart gratis toegang tot het museum. Dit geldt ook voor huisleden van de vereniging (jaarcontributie huisleden: ƒ 7,50: nadere informatie bij de ledenadministratie). Het museum is geopend van dinsdag tot en met zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur; zondag van 14.00 tot 17.00 uur. Het adres van het museum is Voorstraat 34, 8011 ML Zwolle. Telefoon: 038 - 214.650. PERSONALIA Korte beschrijving van de auteurs, die aan deze uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift meewerkten Jaap Hagedoorn (geboren 1960) voltooide onlangs zijn studie geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Heeft al meerdere publicaties op het gebied van de Zwolse, Overijsselse en joodse geschiedenis op zijn naam staan. Willy van der Most (geboren in 1961) voltooide de opleiding aan de Bibliotheek en Documentatie Academie en studeert thans Historische Pedagogiek aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Peter Boer (geboren in 1961) verrichtte in het kader van zijn studie bouwkunde aan de H.T.S. een onderzoek naar de haalbaarheid van restauratie van het Zwolse Vrouwenhuis. Het artikel is een bewerkte samenvatting van het historisch onderzoek dat voor dit afstudeerproject werd verricht. De auteur is in tijdelijke dienst werkzaam bij de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Zwolle, alwaar hij zich bezig houdt met inventarisatie en documentatie van bestaande bebouwing. BESTUUR: voorzitter: J . Hagedoorn secretaris: R. Salet penningmeester: H. Brassien Leden: R.T. Oost B.H. Edel Tyassenbelt 28, Zwolle Sellekamp 32, Zwolle Brederostraat 76, Zwolle Jellissenkamp 2, Zwolle SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE: Postbus 1448 REDACTIE-ADRES: Boddemate 14 GIROREKENING: 8001 BK Zwolle 8014 JH Zwolle 5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging te LIDMAATSCHAP: Zwolle Jeugdleden, studenten en 65-plus leden tussen 21 en 65 jaar huisleden f 2 5 , — per jaar ƒ 3 5 , — per jaar f 7,50 per jaar type&layout: henk brassien(OLIVETTI-LIVIUS / 90%) druk: adm.centrum 'De Sassenpoort' - Zwolle omslag: "SWOLLA", kopergravure, anoniem, 18e eeuw Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden "T- r vï"-' ••'-'• . '• 1

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1987, Aflevering 2

Door 1987, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

A/VNA
7WVl
M^MMK
N
onder redactie van:
I. Wormgoor
A. van der Wurff
Zwolle 1987
2 / 6
Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
_ x TW 8011 VN ZWOLLE
J. ten Hove 038-4214314
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG
Hove, J. ten
De Zwolse mummie / auteur J. ten Hove ; red. I. Wormgoor en
A. van der Wurff. – Zwolle : Zwolse Historische Vereniging : Provinciaal
Overijssels Museum. – 111., foto’s
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-06-7
SISO 922.1 UDC 393.3
Trefw.: mummies.
Colofon
Deze publicatie is een gezamenlijke uitgave van het Provinciaal Overijssels Museum
en de Zwolse Historische Vereniging. Het is tevens nummer twee van de vierde jaargang
(1987) van het Zwols Historisch Tijdschrift.
Omslag: R. Vink (Educatieve dienst van ’t POM). Het ontwerp is ontleend aan de
hiërogliefen uit het Dodenboek, dat zich op de muren van een graf in Thebe bevindt
en waarin aanwijzingen worden gegeven over de te bewandelen weg naar de eeuwigheid.
Druk: Administratie- en dienstencentrum “De Sassenpoort”, Zwolle.
Copyright © 1987 ’t POM en de Z.H.V.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door
middel van druk, fotocopie, microfilm of op andere wijze, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgevers.
Woord vooraf
Oudere Zwollenaren zullen zich nog iets kunnen herinneren van één van de
merkwaardigste voorwerpen die het Provinciaal Overijssels Museum in zijn collectie
heeft gehad, namelijk een Egyptische mummie. Bij röntgenfotografie in 1955 bleek,
dat de mummie over meer botten beschikt dan een menselijk skelet behoort te hebben.
Voor velen was het een interessante vraag hoe de mummie in ’t POM terecht
was gekomen. Het antwoord leek in de vijftiger jaren te zijn, dat een Zwolse dominee
die prinses Marianne in 1849 had begeleid op een reis naar Egypte, de mummie
mee naar huis had gebracht.
In 1986 raakte drs. Jan ten Hove, werkzaam bij het Rijksarchief in de provincie
Overijssel, in het kader van een breder onderzoek naar de Zwolse musea in de negentiende
eeuw, geboeid door de vele onbeantwoorde vragen rond de mummie. Het
onderwerp was een nader onderzoek waard. Hierbij bleek al spoedig, dat op de
vraag naar de herkomst meerdere antwoorden mogelijk waren.
De Zwolse Historische Vereniging en het Provinciaal Overijssels Museum
besloten tot de gezamenlijke uitgave van het intrigerende verhaal van de Zwolse
mummie. Het Rijksarchief verdient dank omdat de auteur in het kader van zijn archiefwerkzaamheden
de gelegenheid kreeg dit onderzoek te verrichten. Rond het
mysterieuze voorwerp organiseerde ’t POM een kleine tentoonstelling (7 maart – begin
augustus 1987).
De redactie

DE ZWOLSE MUMMIE
Een mummie in een provinciaal museum is een zeldzaam verschijnsel. Gezien
de doelstelling van provinciale en regionale musea, die zich hoofdzakelijk richten op
het bijeenbrengen en tentoonstellen van voorwerpen die een directe relatie met het
eigen gewest en de eigen streek hebben, kan men nauwelijks verwachten in een dergelijk
museum een Egyptische mummie aan te treffen. Toch kon nog niet zo lang geleden
een bezoeker van het Provinciaal Overijssels Museum, naast de grotendeels in
diverse stijlkamers ondergebrachte objecten uit de historie van Overijssel, in de oudhedenkamer
een mummie bewonderen.
In het navolgende verhaal wordt ingegaan op de vraag welke rol ‘de oudste inwoner
van Zwolle’ vervulde binnen de collectie van het museum, waarbij een stukje
museumgeschiedenis ter sprake komt. In het kort wordt aandacht besteed aan enkele
aspecten rond mummies en mummificatie. Ook komt een aantal opmerkelijke feiten
over de datering en de herkomst van de Zwolse mummie aan bod, die geheel
recht doen aan de mysterieuze sfeer, waarmee de gebalsemde lichamen van inwoners
van het oude Egypte geassocieerd worden. We volgen de discussie tussen een paar
mummie-experts over de datering en gaan in verband met een speurtocht naar de
herkomst van de Zwolse mummie in het gezelschap van twee Overijsselse reizigers
mee naar Egypte.
Het museum en de mummie
In 1955 werd, nadat de mummie door een merkwaardige ontdekking sterk in de
belangstelling was komen te staan, de vraag gesteld of dit voorwerp eigenlijk wel op
zijn plaats was in het Provinciaal Overijssels Geschiedkundig Museum, zoals het
toen nog werd genoemd. De directeur, J.W. Schotman, maakte in zijn antwoord op
deze vraag duidelijk, een ruime taakstelling na te streven voor zijn “museum van
voorwerpen betreffende de geschiedenis, kunst en oudheidkunde, in het bijzonder
van Overijssel.”1
Naar zijn idee had een historisch museum tot taak “een cultuurhistorisch beeld
te geven van het leven onzer voorouders vanaf de vroegste tijden, en waar de ontwikkelingsgang
van de mens loopt van de praehistorie . . . kan het zin hebben, de locale
Overijsselse geschiedenis te tonen in verband met oudere perioden. Immers tot
in onze dagen werken deze oude culturen nog na in wetenschap en kunst.” Een
waarheid als een koe, maar aan het feit dat op deze wijze een provinciaal museum
met een uit de aard der zaak beperkte doelstelling een pakhuis van uit alle werelddelen
bijeengesleepte voorwerpen kan worden ging Schotman gemakshalve voorbij.
Hetzelfde geldt voor zijn tweede argument, dat dergelijke objecten getuigen van de
reislust van onze voorvaderen en als zodanig in een historisch beeld passen.
Het is moeilijk aan de indruk te ontkomen dat deze twee argumenten een dekmantel
vormden voor het werkelijke en niet onbelangrijke argument dat exotische
voorwerpen zoals mummies een grote aantrekkingskracht uitoefenen op bezoekers
die anders niet zo snel over de drempel van een museum zouden stappen. Schotman:
“Eenmaal daar, leren ze ook het andere kennen en waarderen. Elk museum heeft nu
eenmaal behoefte aan dergelijke paradepaardjes.”2
Mummies en mummificatie
Inderdaad gaat van de confrontatie met de in windsels gewikkelde stoffelijke
resten van mensen die duizenden jaren geleden geleefd hebben voor een groot publiek
een fascinerende bekoring uit. Deze bekoring wordt niet in de laatste plaats
veroorzaakt door de tot macabere hoogten gestegen reputatie van mummies. Deze
sinistere reputatie wordt enerzijds in de hand gewerkt door de onuitroeibare verhalen
over de ‘vloek van de farao’, waarvan alle personen die betrokken waren geweest
bij de verstoring van de eeuwige rust van Toetankamon het slachtoffer geworden
zouden zijn, en komt anderzijds voort uit de vele griezelverhalen in boeken en films,
waarin tot leven gekomen mummies dood en verderf zaaien.
In werkelijkheid getuigt elke Egyptische mummie van een beschaving die vervuld
was van de gedachte dat het leven op aarde in het hiernamaals op plezierige wijze
voortgezet zou worden. Een goede voorbereiding op dit ‘tweede leven’ was van
groot belang en iedere bemiddelde Egyptenaar beijverde zich tijdens zijn leven een
graf in gereedheid te brengen waarin hij, omringd door alles wat hij nodig dacht te
hebben, op een aangename wijze de eeuwigheid kon doorbrengen. Maar zonder een
woonplaats voor wat de Egyptenaren als de ziel zagen, was een leven na de dood ondenkbaar.
Teneinde de meest geëigende woonplaats, het lichaam, voor ontbinding
te behoeden werd mummificatie toegepast.3
Herodotos’ beschrijving van het balsemen
Voor een beschrijving van de wijze waarop een lichaam gemummificeerd werd,
kunnen we het beste de Griek Herodotos aan het woord laten, die omstreeks 460-455
voor Christus in Egypte heeft rondgereisd. Niet alle verhalen in zijn reisverslag zijn
even betrouwbaar, maar recent onderzoek heeft aangetoond dat, hoewel de uitdroging
van het lichaam door het te overdekken met natron slechts 40 dagen in beslag
neemt, zijn weergave van de gevolgde procedure bij het balsemen grotendeels juist
is.4 Hij beschreef drie verschillende wijzen van mummificatie en begon met de meest
kostbare methode:
“Eerst halen ze (de balsemers) met een ijzeren haak de hersenen door de neusgaten naar buiten,
gedeeltelijk ook door medicamenten erin te gieten. Dan maken ze met een scherpe Aithiopische
steen een snede in de buikwand en halen alle ingewanden eruit, reinigen de buikholte, spoelen die
met palmwijn en strooien fijngewreven specerijen erin. Vervolgens vullen ze de buikholte op met
zuiver mirrepoeder, kasia en andere reukwerken, maar geen wierook, en als hij vol is, naaien ze
hem weer dicht. Nadat ze dit gedaan hebben, leggen ze het lijk in natron waarin ze het 70 dagen
laten liggen; langer mag niet. Als de 70 dagen verstreken zijn, wassen ze het lijk en omwikkelen
het van top tot teen met gesneden repen byssos weefsel, die ze met een beetje gom inwrijven, dat
de Egyptenaren meestal als lijm gebruiken. Daarna nemen de familieleden het over: zij laten een
mensvormige houten kist maken, waarin ze het lijk opsluiten. Als dan de kist gesloten is, wordt
hij bijgezet in een grafkamer, rechtopstaand tegen de wand.
Op deze wijze behandelen ze de lijken, als de kostbaarste methode wordt gekozen. Wie terugschrikt
voor de kosten en dus de middelste klasse kiest, krijgt de volgende behandeling.
De balsemers vullen hun spuiten met olie van de cederboom en vullen daarmee de buikholte
zonder deze open te snijden of de ingewanden eruit te halen, maar ze spuiten de olie door de aars
naar binnen en beletten deze eruit te stromen en leggen het lijk het voorgeschreven aantal dagen in
de natron. Op de laatste dag laten ze de ingespoten olie weer uit de buikholte weglopen. Die olie
heeft het vermogen om de maag en ingewanden op te lossen en deze bij het uitstromen mee naar
buiten te voeren. De natron evenwel lost het vlees op en zo blijft van het lijk slechts de huid en de
beenderen over. Na dit gedaan te hebben leveren ze het lijk af zonder er verder iets aan te doen.
De derde wijze van balseming vindt toepassing bij de behoeftigen. Daarbij wordt de buikholte
uitgespoeld met ramenaswater en het lijk blijft 70 dagen in de natron en wordt daarna afgehaald.”
5
Herodotos beschreef de situatie toen de oude Egyptische beschaving in een
eindstadium was aangeland, maar gedurende een groot deel van de ruim drieduizend
jaar – vanaf ca. 2700 voor Christus tot ca. 400 na Christus – dat in Egypte stoffelijke
overschotten werden gemummificeerd, vond in essentie het prepareren van de lichamen
plaats volgens bovenstaande methoden.
Grafrovers, kooplieden en verzamelaars
Veel kans om in alle rust van hun ‘tweede leven’ te genieten kregen de meeste
Egyptenaren niet. Al in het oude Egypte werden de graftombes opengebroken door
dieven en rovers, aangelokt door de kostbaarheden die de overledene een comfortabel
bestaan in het hiernamaals moesten verzekeren. Ook de lichamen zelf werden
niet ontzien. De mummies werden geplunderd en in stukken gebroken vanwege de
kostbare amuletten die tussen de windsels werden geplaatst.
In de middeleeuwen werden mummies een geliefd handelsprodukt, aanvankelijk
voornamelijk in gemalen vorm. De geneeskrachtige uitwerking die van het gebruik
van mummiepoeder werd verwacht leidde tot een levendige handel in deze
merkwaardige substantie. Graven werden massaal leeggehaald en het gemummificeerde
mensenvlees kwam op de markt in Cairo terecht, “waar”, aldus een Arabische
dokter in 1203, “het voor een habbekrats te koop is. Voor een halve dirhem
kocht ik drie hoofden gevuld met de substantie.”6 Buitenlandse kooplieden kochten
het poeder in grote hoeveelheden op en maakten enorme winsten met de export naar
Europa.
De wetenschappelijke opbloei tijdens de renaissance, waarbij de opleving van
de studie van de klassieke literatuur een grote rol speelde, gaf aanleiding tot het gretig
verzamelen van voorwerpen uit de oudheid. In de curiositeitenkabinetten, bijeengebracht
door particuliere verzamelaars en universiteiten, werden behalve objecten
uit de Romeinse en Griekse geschiedenis Egyptische beeldjes en mummies hogelijk
op prijs gesteld.7 In het kabinet van anatomie en rariteiten van de Leidse universiteit
was al sinds 1622 een collectie Egyptische voorwerpen, waaronder mummies, aanwezig.
8
De in militair opzicht mislukte bezetting van Egypte door Napoleon, die in 1798
begon en slechts drie jaar zou duren, bevorderde in Europa de interesse in de Egyptische
cultuur. De Franse wetenschappers die in het kielzog van de soldaten meetrokken,
legden hun bevindingen vast in de 24 delen van de Description de l’Egypte, verschenen
tussen 1809 en 1813, dat de grondslag legde voor de nieuwe studie egyptologie
en de belangstelling voor deze fascinerende cultuur sterk aanwakkerde . Een rage
in Egyptische oudheden en curiosa ontstond in Europa. Diplomaten, kooplieden en
toeristen wedijverden met elkaar om de spectaculairste collecties antiquiteiten te verzamelen.
Mummies speelden in deze verzamelwoede een hoofdrol. In 1833 merkte
een bezoeker tegen Mohammed Ali, de heerser over Egypte, op “dat het haast onfatsoenlijk
was uit Egypte naar Europa terug te keren zonder een mummie in de ene
en een krododil in de andere hand.”9
Een mummie met vier benen
Veel van deze mummies zijn in musea terechtgekomen, waar ze hun dagen
doorbrengen met het trotseren van de nieuwsgierige blikken van de bezoekers, die
zich afvragen welke raadselen onder de windsels verborgen zitten. De raadsels die
‘de mummie van Zwolle’ met zich mee bleek te dragen overtroffen echter de stoutste
verwachtingen.
Tot 1955 was de Zwolse mummie een bron van onbeantwoorde vragen. Over de
datering of de herkomst kon niets met zekerheid gezegd worden. Het was zelfs niet
eens zeker of men wel met een echte mummie of met een produkt van de Egyptische
toeristenindustrie te maken had. Door de grote vraag naar mummies in de negentiende
eeuw hadden handelaars al snel door dat ze ook met vervalsingen goede zaken
konden doen. In 1837 schreef een zekere Scott: “Want de gretigheid waarmee allerlei
rommel door reizigers wordt verkocht, maakt de handel erin bijzonder winstgevend
en biedt alle mogelijkheden tot bedrog, omdat de vervaardiging van mummies
wordt aangemoedigd.”10 Op suggestie van Lili Kaelas, directrice van het Historisch
Museum te Stockholm, werd in mei 1955 besloten de mummie röntgenologisch te
laten onderzoeken en zekerheid over de authenticiteit te krijgen. Het onderzoek
werd uitgevoerd door de röntgenoloog van het Sophiaziekenhuis te Zwolle en hetgeen
de röntgenfoto’s onthulden was op zijn minst verbazingwekkend te noemen.
Aan de echtheid van de mummie viel niet te twijfelen: het skelet was wel degelijk
uit menselijke botten samengesteld. Maar de wijze waarop het skelet, dat duidelijk
mannelijke kenmerken vertoonde, was samengesteld wekte in hoge mate bevreemding
op. Van de schedel was de bovenkaak gedeeltelijk verdwenen. De onderkaak
was gebroken en bevatte nog enkele tandresten. Het rompgedeelte was een wirwar
van door elkaar liggende beenderen, waaronder twee bovenbeenbotten die midden
in de borstholte lagen. Het bekken was niet aanwezig en behalve enkele resten
van halswervels waren nergens wervellichamen te zien. Het gemis van deze onderdelen
werd echter ruimschoots gecompenseerd door de grootste verrassing die de
mummie in petto had: de aanwezigheid van een extra stel boven- en onderbenen!”
Deze ontdekking leidde, toen de media er lucht van kregen, tot een stroom van
publiciteit. Krantenkoppen als “opzienbarende mummie in Zwolle”12 en “mummie
met vier benen”13 zetten het museum in het middelpunt van de belangstelling. Het
bezoekersaantal nam sterk toe: in de maanden juni, juli en augustus 1955 passeerden
2726 bezoekers de kassa, ruim twee maal zoveel als in het gehele voorgaande
jaar.14
Discussie over datering
Nadat de aanvankelijke verbazing over de samenstelling van het inwendige van
de mummie was verdwenen, werd een antwoord gezocht op de vraag hoe deze merkwaardige
ontdekking verklaard kon worden. Op advies van het Rijksmuseum voor
Oudheden in Leiden werd door Schotman contact gezocht met twee Britse deskundigen:
prof. dr. W.R. Dawson, een egyptoloog die een aantal publicaties over mummies
op zijn naam had staan, en prof. dr. D.E. Derry, een anatoom die aan de universiteit
van Cairo had gedoceerd en betrokken was geweest bij het onderzoek van
een aantal koningsmummies. Dat het met ‘de vloek van de farao’ niet zo’n vaart
liep, bewijst het feit dat Derry in 1955 al 80 jaar op deze aardbodem rondliep. Hij
had immers in de twintiger jaren de meest vergaande daad van mummie-schennis
verricht door de autopsie op de mummie van Toetankamon uit te voeren.15
Dawson kwam, na de röntgenfoto’s en een foto van het uiterlijk van de mummie
te hebben bestudeerd, tot de conclusie dat het hier gaat om een door grafrovers
beschadigde en geplunderde mummie, die in de oudheid weer is gerestaureerd. De
afwezigheid van juwelen en amuletten binnen de windsels lijkt deze theorie te bevestigen.
De over-compleetheid van het skelet was volgens Dawson te wijten aan het
feit dat de mummie in een tombe met meerdere lichamen heeft gelegen, waardoor
bij het opnieuw wikkelen een fout is gemaakt. Restauratie van dusdanig beschadigde
mummies vond alleen plaats bij personen van koninklijke of hoge afkomst. Dawson
beschreef: “Ik heb nog nooit gehoord dat de mummie van iemand van gewone
komaf op een dergelijke wijze werd hersteld.” Naar zijn mening duidt de manier
waarop de mummie is gewikkeld op een periodisering in de 19e of 20e dynastie (ca.
1320-1085 voor Christus) en heeft de restauratie tijdens de 21e dynastie (ca. 1085-
945 voor Christus) plaatsgevonden. Hij heeft de röntgenopnamen doorgestuurd
naar een anatoom, teneinde meer te weten te komen “over het persoon aan wie de
meerderheid der botten toebehoren.”16
Derry deelde Dawsons mening dat de mummie het slachtoffer is geworden van
grafrovers, maar hij geloofde aanvankelijk dat de mummie afkomstig is uit de Ptolemeïsche
periode (323-30 voor Christus), een tijd waarin veel aandacht werd
besteed aan het uiterlijk van de mummie, maar de inwendige verzorging sterk te
wensen overliet.17 Nadat hij echter een foto had gezien van het uiterlijk van de
mummie liet hij deze mening vallen. De mummie dateert zeker van voor de Ptolemeïsche
tijd, maar een precieze periodisering durfde hij niet te geven. Zonder verwijdering
van de wikkels en bestudering van de gevolgde preparatiemethode was dit
volgens hem onmogelijk.18
Waren de heren het op wetenschappelijk gebied niet met elkaar eens, op menselijk
gebied vertoonden ze een duidelijke overeenkomst: ze waren snel geprikkeld.
Dawson meldde dat hij een zeer interessant verslag van de door hem geraadpleegde
anatoom had ontvangen, maar omdat Schotman niet snel genoeg op zijn vorige
brief had gereageerd schreef hij kwaadaardig: “Ik neem dus aan dat de hele zaak u
niet langer interesseert en ik heb daarom het verslag maar niet opgestuurd . . .” ‘9 En
Derry schreef toen hij het gevoel kreeg dat aan zijn kennis werd getwijfeld: “Ik ben
een anatoom en geen egyptoloog, maar gedurende de 38 jaar dat ik in Egypte heb
De Zwolse mummie, daterend uit de 19e of 20e dynastie (ca. 1320 – 1085 v.
Chr.) of uit de Ptolemeïsche periode (323 – 30 v. Chr.).
(Provinciaal Overijssels Museum).
gewerkt ben ik in contact geweest met alle egyptologen, . . ., en weet dus wel iets
over dit onderwerp.”20
Door diep in het stof te kruipen wist Schotman de heren weer tot bedaren te
brengen en hun hulp te verkrijgen bij het ontcijferen van Egyptische decoratieve
motieven en hiërogliefen die bij het schoonmaken van de windsels te voorschijn waren
gekomen. Hoewel de fragmenten erg vaag waren, werd aan hen een zwartwitfoto
toegestuurd. Voor het wat verfomfaaide uiterlijk van de mummie gaf Schotman
de volgende verklaring: “. . . (de mummie) heeft vele jaren in een gebouw
gestaan dat tevens als school dienst deed en is door de schooljongens nogal mishandeld
zodat het zelfs mogelijk is dat botten door een gat in de windsels naar buiten
zijn getrokken . . .”2I
In het door een nu weer bereidwillige Dawson opgestuurde verslag van de anatoom,
prof. dr. A.J.E. Cave, werd gewezen op de extreme slijtage van de tanden.
Dit is bij vrijwel alle wetenschappelijk onderzochte mummies aangetroffen en wordt
verklaard door het feit dat het meel, waarmee het brood in het oude Egypte werd gebakken,
vermengd was met allerlei zand-, stof-, en grinddeeltjes en zo de werking
van schuurpapier kreeg.22 De macabere conclusie van het rapport luidt: “Een
‘mummie’ vervaardigd door het opnieuw wikkelen van een afgebroken en zwaar
verminkt hoofd, twee armen zonder handen en twee paar benen (één paar zeker met
kracht van de oorspronkelijke romp afgerukt). Overduidelijk anatomisch bewijs
van mummie-schennis bij grafplundering en van officiële ‘reddings’-werkzaamheden.”
23
De door Derry te hulp geroepen prof. Brian Emery, hoogleraar in de egyptologie
aan het University College te Londen, had aan de toegestuurde zwart-witfoto
niet genoeg om tot een oordeel te komen.24 Dawson gaf echter een interessante mening
over de beschildering. Volgens hem maken deze fragmenten deel uit van de zogenaamde
cartonnage, het laatste omhulsel rond de mummie, dat vervaardigd werd
door om de mummie heen repen in vloeibaar gips gedrenkt linnen aan te brengen.
Dit omhulsel werd, nadat het gips hard was geworden, beschilderd. Met de cartonnage
op ‘de Zwolse mummie’ is ook iets merkwaardigs aan de hand. Dawson beweerde
dat deze van veel latere datum is dan de mummie zelf! De afbeelding van
sandalen op het gedeelte dat de voeten bedekt wijst erop dat de cartonnage uit de
Ptolemeïsche of Romeinse tijd afkomstig is. Aangezien Dawson er vast van overtuigd
was dat de mummie niet later dan de 21e dynastie is te dateren, waren volgens
hem deze fragmenten van een andere mummie afkomstig. Waarschijnlijk is dat
door de plaatselijke handelaar gedaan waar dit exemplaar was gekocht.25
Hoewel Schotman de beide heren nog beloofde een gekleurde tekening van de
fragmenten toe te sturen, schijnt het daar niet meer van gekomen te zijn. De correspondentie
eindigt met deze toezegging.
De meest recente mening over de datering van de mummie komt van de heer
T.H.M. Falke uit Leiden, een radiodiagnost die zich ook met mummie-onderzoek
heeft beziggehouden. Volgens hem is de mummie wel degelijk afkomstig uit de Ptolemeïsche
periode en is van ‘mummie-schennis bij grafplundering’ en latere restauratie
geen sprake, maar zijn de extra beenderen en de slechte toestand van het skelet
te wijten aan het feit dat in deze tijd de balsemers niet erg zorgvuldig met de hen toevertrouwde
lichamen omsprongen. Het restant van de cartonnage op de mummie is
afkomstig uit de Ptolemeïsche tijd en het is, aldus Falke, niet meer dan logisch te
veronderstellen dat de mummie zelf ook in deze tijd, waaruit meer voorbeelden van
mummies met extra beenderen bekend zijn, vervaardigd is. Hij hecht geen enkele
waarde aan het naar zijn mening vergezochte verhaal van Dawson en wijst op de
aanwezigheid van een Ptolemeïsche mummie in het Allard Pierson Museum in
Amsterdam, die op dezelfde wijze is gewikkeld als de Zwolse mummie.26
Het dateren van mummies is, zoals uit het bovenstaande mag blijken, een hachelijke
zaak. Meer zekerheid zou verkregen kunnen worden door het uitvoeren van een
C14-onderzoek, waarmee een poging kan worden gedaan de ouderdom van het skelet
en de windsels van de mummie te bepalen.27 Helaas was het niet mogelijk een dergelijk
kostbaar en gecompliceerd onderzoek op de Zwolse mummie toe te passen, zodat
we over de exacte datering nog in onzekerheid blijven.
De mummie van de prinses
Behalve de datering was in 1955 ook de herkomst van de mummie een open
vraag. Hoe was een Egyptische mummie in de hoofdstad van Overijssel verzeild geraakt?
Deze vraag leek in juni 1955 definitief beantwoord te worden. Uit Hilversum
ontving Schotman een brief van een zekere J. Ganderheijden, waarin onder meer
het volgende staat geschreven:
“Na gedurende het weekend mijn familiepapieren nog eens nagezien te hebben, kan ik U het volgende
mededelen: Mijn overgrootvader, Ds. G.H. van Senden, heeft in het midden der vorige
eeuw H.K.H. Prinses Marianne der Nederlanden als wetenschappelijk adviseur begeleid op een
reis naar Egypte en Palestina. Aangezien men het onkies vond hem hiervoor in klinkende munt te
honoreren, werd hem machtiging gegeven voor rekening van de Prinses alle voorwerpen aan te
schaffen, welke hem mochten interesseren. Hiertoe behoorde ook de mummie, welke destijds algemeen
bekend stond als de mummie van de prinses. Door een zonderlinge verwarring schijnt het
nageslacht hieruit opgemaakt te hebben, dat er sprake was van het stoffelijk overschot van een
Egyptische prinses.”28
Het raadsel leek opgelost; een dominee was verantwoordelijk voor de aanwezigheid
van ‘de Zwolse mummie’. Het is alleszins de moeite waard deze predikant en
zijn reis eens nader te bekijken.
Een predikant en een prinses op reis
Gerard Heinrich van Senden werd op 23 december 1793 in Uphusen, een plaatsje
in de buurt van Emden, geboren. Hij besloot net als zijn vader predikant te worden
en behaalde in 1815 zijn kandidaatsexamen in de godgeleerdheid. Na eerst in
kleinere plaatsen gepreekt te hebben werd hij in 1832 naar Zwolle beroepen, waar
hij de rest van zijn leven bleef. Zoals wel meer dominee-dichters in de negentiende
eeuw, tokkelde ook Van Senden regelmatig op de lier en bij elke passende gelegenheid
wist hij met een cantate, een klaagzang of een uitboezeming de juiste snaar te
treffen. Ook liet de veelzijdige predikant verscheidene theologische werken het licht
zien en maakte hij, zoals elke zichzelf respecterende notabele in deze tijd, deel uit
van diverse genootschappen.29
Prinses Marianne, foto uit omstreeks 1870.
(Koninklijk Huisarchief, Den Haag).
10
Hij stelde belang in veel onderwerpen, maar zijn grote voorliefde ging uit naar
de bestudering van de geografie en de geschiedenis van het Heilige Land. Van Senden
schreef zelf: “Eene mijner schoonste uitspanningen was, wanneer ik, met landkaart
en reisboek voor mij, de moedigen volgde, die verre togten ondernomen en de
wijde wereld gezien hadden.”30 Palestina kende hij als zijn broekzak: “Weldra was
er in dat land bijna geen berg meer en dal, – geene rivier en beek, – geen meer en zee, –
geene stad en dorp, – geen puinheuvel en ruïnengroep, – of ik had er bij vertoefd met
mijne voorstellingen, ik had er bij stil gestaan met wetenschappelijk onderzoek, – ik
had gezocht, er mij een bepaald denkbeeld van te vormen.”31
Dit reizen binnen de muren van zijn studeerkamer, waarbij hij slechts in gedachten
in de voetsporen van de echte reizigers kon treden, bevredigde de dominee
niet geheel en vaak had hij met de gedachte gespeeld zijn herdersstaf tijdelijk neer te
leggen en de pelgrimsstaf op te nemen. Aan de realisatie van deze droom was hij nog
niet toegekomen. Zijn werk, gezin en beperkte financiële mogelijkheden hielden
hem thuis en hij begon te twijfelen of hij ooit het Heilige Land met eigen ogen zou
mogen aanschouwen.
Maar een onverwacht bericht deed de predikant een gat in de lucht springen.
Prinses Marianne, dochter van Willem I, wilde een reis naar het Heilige Land maken
en bood Van Senden aan haar als “Geestelijke en Aardrijkskundige” te
vergezellen.32 Van Senden kende de prinses al sinds 1830, toen hij ter ere van haar
huwelijk met prins Albert van Pruisen een proeve van zijn dichterlijke bekwaamheid
had afgeleverd. Maar dit huwelijk was, Van Sendens poëtische heilwensen ten spijt,
verre van gelukkig geweest en in 1845 had Marianne haar man verlaten. De prinses
was in Voorburg gaan wonen en daar had Van Senden regelmatig gesprekken met de
zeer in theologie geïnteresseerde Marianne gevoerd. Het Heilige Land zal in deze
gesprekken ongetwijfeld door de graag zijn stokpaardje berijdende Van Senden
vaak naar voren zijn gebracht.
De reden waarom deze lange reis werd ondernomen kwam wat Marianne betreft
eerder uit bittere noodzaak dan uit een religieuze voorliefde voor het Heilige
Land voort. Ze was al enkele maanden zwanger van haar koetsier, de getrouwde Johannes
van Rossum, en teneinde de koninklijke familie niet al te zeer in verlegenheid
te brengen was het gewenst het kind op een flinke afstand van Nederland ter wereld
te brengen.33
Op 2 juli 1849 vertrok het reisgezelschap met de stoomboot Willem I uit
Amsterdam. Van Rossum, inmiddels bevorderd tot secretaris, ging ook mee. Dat
was een andere reden voor de aanwezigheid van Van Senden; hij kon als godvrezend
man de rol van chaperon vervullen, teneinde de toch al wat beschadigde reputatie
van de prinses zo onbezoedeld mogelijk te houden.34
11
AS». 5 ^ J”
KMT» ‘HM f«M«MF- v *-‘ #
G. //.
van Senden
voor de reis
met Prinses
Marianne naar
Palestina, 1849.
(Gemeen telijke
Archiefdienst
Zwolle).
12
Onderweg naar de Middellandse Zee werden verscheidene havens bezocht,
waarbij de aanwezigheid van de prinses steeds een uitstekende ontvangst waarborgde.
Uiteindelijk werd eind augustus Sicilië bereikt, waar Marianne, afgezonderd van
haar medereizigers, op 30 oktober in het dorpje Cefalu haar kind ter wereld bracht.
Nadat, zoals een krant schreef, “de ongesteldheid, welke H.K.H, de prinses Marianne
der Nederlanden verpligt had een ruimen tijd op Sicilië te verblijven, geheel
was geweken”35, werd via Malta doorgereisd naar Alexandrië, waar men op 7 december
aankwam. Het kind bleef voorlopig achter op Sicilië.
In Egypte
Het lag in de bedoeling direct door te reizen naar Palestina, zodat het kerstfeest
in Bethlehem gevierd kon worden. Maar in deze verwachting werden de reizigers teleurgesteld.
De stoomboten die van Alexandrië naar Beiroet voeren namen geen passagiers
voor Jaffa op en de Egyptische regering “verklaarde overvloed te hebben
aan goede wil, maar gebrek aan stoomschepen.”36 Het aangeboden zeilschip werd
geweigerd, “omdat men, stappende aan boord van een zeilschip, wel weet, wanneer
men vertrekt, doch niet wanneer men aankomt.”37 Voordat een stoomboot beschikbaar
was kon nog wel de nodige tijd verstrijken. Vandaar dat het plan werd opgevat
de karavaanroute over land te nemen, die dwars door de woestijn van Cairo naar
Gaza liep.
Op 12 december voer het gezelschap in een door de Egyptische regering geleverde
boot verder de Nijl op. In Cairo werden ze opgewacht door een rijtuig van de pasja,
dat hen naar hotel d’Orient bracht, het beste hotel van de stad. Vanuit hier werden
alle voorbereidingen getroffen voor de aanstaande woestijnreis, waarvoor alleen
al zo’n 30 è 40 kamelen nodig zouden zijn. Met tevredenheid vermeldde Van
Senden de gelukkige omstandigheid dat de prinses over ruime financiële middelen
beschikte, want “voor een matig fortuin zoude alleen de reis door de woestijn ene
volslagen ruïne zijn.”38
Voor het probleem van de aanhoudende schommeling op het “vrachtschip
door de woestijn” hadden de begeleidende Arabieren de volgende oplossing gekozen.
Over de rug van een kameel werd een touwwerk gedrapeerd, waaraan twee
langwerpige bakken waren bevestigd, zodat één passagier aan de linker-, en één aan
de rechterzijde van het dier kon plaatsnemen. Deze constructie maakte het mogelijk
tijdens de reis een beschaafde conversatie te voeren. De praktische uitwerking van
dit niet onaardige idee liet nogal wat te wensen over, want Van Senden schreef:
“Met eene soort van wanhoop deinsden wij terug voor deze zwevende koetsen der
13
woestijn, – en ik riep uit: ‘Neen, dan nog liever in de boekenkist van Vader Hugo
Grotius’.”39
De reizigers hoefden een dergelijke beproeving echter niet mee te maken. Terwijl
alle benodigdheden voor een langdurig verblijf in de woestijn al waren aangeschaft,
werd de reis alsnog afgelast. Enerzijds omdat het slechte weer de toch al riskante
tocht nog gevaarlijker maakte, anderzijds omdat de prinses door een “terreur
panique” voor de woestijn overvallen werd. Van Senden: “Het speet mij, want 14
dagen onder tenten en in die streken zouden de waarde van 14 maanden levens gehad
hebben . . .>>40
Prinses Marianne en haar gevolg bleven nu wat langer in Egypte en maakten
van de gelegenheid gebruik de bezienswaardigheden rond Cairo, opgenomen in het
reisprogramma van elke bezoeker van Egypte, te bekijken. Op 15 december werd
een bezoek gebracht aan de piramiden en de sfinx van Gizeh, een uitstapje dat, aldus
Van Senden, “eene eigenaardige vermoeijing met zich meebracht.”41 De toen 56-
jarige dominee had zich voorgenomen niet alleen in het binnenste van de piramide
van Cheops door te dringen, maar deze ook te beklimmen. Zich moeizaam van de
ene steen op de andere hijsend, daarbij geassisteerd door “wilden”, bereikte Van
Senden in het gezelschap van Van Rossum en hofmeester Hartman puffend en hijgend
de bijna 140 meter hoge top. Na weer op adem te zijn gekomen bewonderden
de heren onder het genot van een Hollandse sigaar het magnifieke uitzicht.42 Mogelijk
heeft de predikant de verontwaardiging gedeeld van de Franse schrijver Flaubert,
die precies één week voor het Nederlandse reisgezelschap de piramiden had bezocht
en in zijn reisjournaal schreef: “Zeer irriterend is het aantal namen van idioten
die overal neergekladderd zijn: bovenop de Grote Piramide staat een zekere Buffard,
79 Rue Saint-Martin, behangfabrikant, in zwarte letters . . ,”43
Na veilig beneden te zijn gekomen werd het interieur van de piramide bezocht.
Ook dit was niet gemakkelijk. De doorgangen, die zo nauw waren dat personen die
te dik of te flink van postuur waren erin beklemd raakten, verplichtten de bezoekers
zich in vreemde houdingen te begeven. Flaubert noteerde op 8 december 1849: “Als
we op handen en voeten uit één van de gangen komen kruipen, ontmoeten we een
groep Engelsen die net binnenkomt; zij bevinden zich in dezelfde houding als wij;
een uitwisseling van beleefdheden; elke groep vervolgt zijn weg . . .”M
Naast Gizeh heeft Van Senden nog Sakkara bezocht, waar zich de befaamde trappiramide,
de oudste bestaande stenen constructie ter wereld, en de beroemde mummiegroeven
bevinden. Ook werd een kijkje genomen bij de ruïnes van Memphis, de
oude hoofdstad van de farao’s, en Heliopolis. Even werd met de gedachte gespeeld
verder de Nijl op te varen naar Thebe. De niet geheel van zelfgenoegzaamheid vrij te
pleiten dominee schreef: “Ik heb slechts wat gewigt op den weegschaal te leggen, en
14
f
G. H7van~Senden, gravure door J. W. Kaiser naar W. C, Chimaer van
Oudendorp, 1852. (Provinciaal Overijssels Museum).
15
die togt geschiedt.”45 Maar vrees voor verder tijdverlies deed het gezelschap terugkeren
naar Alexandrië.
Helaas schonk Van Senden in zijn brieven en zijn reisbeschrijving weinig aandacht
aan zijn verblijf in Egypte en de indruk die de monumenten op hem hebben
gemaakt. Het was voor de predikant, die normaliter weinig problemen had zijn ervaringen
op papier te zetten, “onmogelijk de indruk te beschrijven dien eerst
Alexandrië, dan den Nijl en eindelijk Kairo op mij maakte. De piramiden, de Nekropolis
en de Sphinx hebben mij nog dieper getroffen.”46
Uit een andere bron, het dagboek van hofmeester Hartman, weten we dat Van
Senden en zijn reisgenoten een bezoek hebben gebracht aan de bazaar in Alexandrië,
waar alle mogelijke waren verkocht werden.47 Niet alleen tapijten, specerijen, sieraden,
kostbaar geborduurde kledij en een keur van exotische voorwerpen uit alle delen
van de Arabische wereld werden hier te koop aangeboden, maar ook slaven. Op
het gebied van souvenirs was een ruime keuze voorhanden. Allerlei meer of minder
authentieke antiquiteiten, zoals amuletten, scarabeeën, beeldjes en papyri, waren
hier te koop en menig bezoeker vergaapte zich aan de volledig in lijnwaad gewikkelde
lichamen en de zwart geworden ledematen en verschrompelde gezichten van de
mummies. Hoewel Van Senden op de bazaar waarschijnlijk de verleiding niet heeft
kunnen weerstaan enkele voorwerpen voor zichzelf aan te schaffen, was het eigenlijke
doel het kopen van een slaaf voor prinses Marianne. De keuze viel op een negerjongetje
van vijftien jaar, die later met de prinses terugging naar Nederland en in
1851 op een kostschool in Leiden werd ondergebracht.48
Op 14 januari verliet het reisgezelschap Egypte; vanuit Alexandrië werd koers
gezet naar Jaffa. Na een lange reis had Van Senden eindelijk het Heilige Land bereikt.
Het absolute hoogtepunt was voor hem een verblijf in het met sneeuw bedekte
Jeruzalem. Na vele omzwervingen, waarbij ook Damascus en Beiroet werden bezocht,
stond de dominee op 4 augustus 1850, ruim een jaar na het begin van de reis,
weer op de kansel in Zwolle. Kort na het verschijnen van het eerste deel van zijn reisbeschrijving
overleed hij op 20 oktober 1851.
Een geschenk aan het museum
Van Senden heeft veel gekocht onderweg en niet alleen op rekening van de prinses.
Uit Beiroet schreef hij: “Ik heb gekocht en zal nog koopen meer dan ik geld
heb. De gelegenheid biedt zich niet weder aan, die er thans is.”49 En uit Jeruzalem:
“Vele zaken heb ik hier gekocht, die U, hun en mij, tot een blijvend aandenken zullen
zijn. Ook van Alexandrië wordt het één en ander dat ik in Egypte kocht, naar
16
Amsterdam met scheepsgelegenheid verzonden.”50 Zijn aankopen varieerden van
tijgervellen tot bloementafels, maar wat uit Alexandrië werd toegestuurd vermeldde
hij in een brief aan zijn kinderen die toen de reis bijna beëindigd was uit Napels werd
verstuurd: “Uit Alexandrië zult gij ontvangen, of ontvangen hebben, een partij
palmboomen, – manden, – mummiën, – enz.”51 Ongetwijfeld zal door zijn kinderen
vreemd opgekeken zijn bij de aankomst van deze zending uit Egypte. Dat Van Senden
het in zijn brief over ‘mummiën’ had, hoeft niet te betekenen dat hij enkele
complete mummies heeft meegenomen. Ook onderdelen van mummies, zoals handen
en voeten, vonden bij toeristen gretig aftrek. En gemummificeerde lichamen
van dieren, bijvoorbeeld katten of ibissen, waren een geliefd souvenir.
Teneinde te weten hoe een door Van Senden meegebrachte mummie in het museum
is terechtgekomen, keren we terug naar de brief van Ganderheijden. Hij
schreef verder:
“Na de vroegtijdige dood van mijn overgrootvader werd het huishouden op de Thorbeckegracht
voortgezet door twee zijner kinderen, mr. E.G. van Senden, overleden in 1892, en een zijner
zusters, overleden in 1895, welke laatste mijn vader als erfgenaam aanwees. De mummie was op
verzoek van mijn oudtante in bewaring gegeven bij de Vereniging voor Provinciale Welvaart, mogelijk
omdat mijn overgrootvader of mijn oudoom deel uitmaakten van het bestuur. Toen mijn
oudoom wegens gevorderde leeftijd zich geheel van de mummie wilde ontdoen, is deze ten geschenke
gegeven aan de plaatselijke verzameling van Oudheden. Dit schijnt in 1887 gebeurd te
zijn.”52
Het museum van ‘ Welvaart’
Met ‘de plaatselijke verzameling van Oudheden’ wordt het museum van oudheden
en zeldzaamheden bedoeld dat, samen met een museum voor natuurlijke historie,
door de Overijsselsche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart
(‘Welvaart’) werd beheerd in het Reventer, een gebouw aan het Bethlehemsekerkplein,
dat vroeger deel uitmaakte van een klooster.
‘Welvaart’ stelde zich tot doel Overijssel op een hoger economisch en wetenschappelijk
plan te brengen onder het motto “door wetenschappelijke kennis tot
welvaart en tot welvaart door wetenschappelijke kennis.”53 In dit kader paste ook
de oprichting in 1846 van een kabinet van natuurlijke historie en geologie, waarmee
beoogd werd “de kennis van de geologischen gesteldheid van onzen bodem te bevorderen
en tevens om de lust tot beoefening van de natuurlijke historie, die zoo naauw
aan den vooruitgang der nijverheid verbonden is, aan te wakkeren.”54 Grote nadruk
werd gelegd op een wetenschappelijk verantwoorde verzameling geologische en mi-
17
Het grafmonument van G. H.
van Senden te Zwolle, lithografie
door F. A. C. Hof f man
naar Chimaer van Oudendorp,
1852.
(Provinciaal Overijssels Museum).
neralogische voorwerpen, die zowel voor wetenschappelijke doeleinden als voor het
middelbaar onderwijs gebruikt kon worden.
Het museum moest echter ook aantrekkelijk zijn voor een groter publiek. Aangezien
voor een verzameling versteningen, mineralen en delfstoffen de gewone man
weinig belangstelling zou tonen, werd besloten “door het meer vreemde en schitterende
onzer voorwerpen de belangstelling voor de wetenschappelijke waarde” aan
te wakkeren.55 Om het oog van het publiek te strelen werd een collectie opgezette
vogels aangekocht, waarbij speciale aandacht werd besteed aan “dezulken die door
pracht van vederen uitmuntten.”56
De financiële middelen van ‘Welvaart’ waren beperkt en van een grootschalig
aankoopbeleid kon geen sprake zijn. Gezien het grote belang dat gehecht werd aan
de geologische verzameling werd het bescheiden bestedingsbudget hoofdzakelijk gebruikt
om deze aan te vullen. Verder was het museum afhankelijk van de goedgeefsheid
van de plaatselijke bevolking. Dankzij deze goedgeefsheid kwamen ook diverse
historische, archeologische en etnografische Voorwerpen binnen. Voor deze verzameling
werd in 1849 een aparte zaal in het Reventer ingericht, waar het museum van
oudheden en zeldzaamheden werd gevestigd. In dit museum bevond zich in 1852,
18
naast onder andere “een stuk linnen van het hemd van Willem den Zwijger, gedragen
op het oogenblik, dat hij werd doorschoten”, in de afdeling Afrika “de asch
van een mummie, met eenige stukjes byssus.”57
De musea in het Reventer werden “meer en meer het middelpunt van alles
waarvan de bewaring voor natuurkunde, geologie, kennis van planten en dieren,
volkenkunde, oudheidkunde en aanverwante wetenschappen van eenig belang is.”58
Onwillekeurig komt de vergelijking op met de al eerder genoemde curiositeitenkabinetten
uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarin niet alleen antiquiteiten, maar
ook natuurhistorische, etnografische, kunstzinnige en wonderlijke voorwerpen werden
verzameld. Dergelijke collecties lijken in onze ogen zonder vast plan bijeengebracht
te zijn, maar de welhaast encyclopedische verzameling van een curiositeitenkabinet
wordt wel gezien als een poging tot het samenstellen van een microcosmos,
bedoeld om enerzijds Gods vindingrijkheid als schepper te demonstreren in de natuurhistorische
voorwerpen en anderzijds de menselijke creativiteit te tonen in de
vorm van door mensenhanden vervaardigde voorwerpen.59 Een dergelijke gedachte
lag, zoals we hebben gezien, niet ten grondslag aan de oorspronkelijk wetenschappelijk
opgezette verzameling van ‘Welvaart’. Bovendien speelde hier, in tegenstelling
tot de meeste curiositeitenkabinetten die slechts voor een zeer select publiek toegankelijk
waren, bij de uitbreiding de didactische waarde een grote rol. Alles “wat tot
opheldering door aanschouwing strekken kan” werd in dankbaarheid aanvaard en
tentoongesteld.60 Binnen een dergelijke brede collectie zal de aanlokkelijke aanwezigheid
van een Egyptische mummie zeker op prijs gesteld zijn.
Geleidelijk werd vrijwel het gehele Reventer door de musea in gebruik genomen,
maar door gebrek aan geld en deskundige leiding werd de verzameling verwaarloosd.
In 1876 beschreef een bezoeker het gebouw als een “onding, op zijn
hoogst een pakhuis, waar, in de meest mogelijke verwarring, de bouwstoffen zijn
opgehoopt voor een drie- of viertal zeer onvolledige miniatuurmuseums.” In het Reventer
was alleen “een gefloddermutste bewaarster” aanwezig die niet gehinderd
door enige kennis van zaken de bezoekers rondleidde.61 Veel bezoekers kwamen er
niet. Op de vraag of de musea in trek waren antwoordde de bewaarster: “De butenlu
komt nog wel is kieken en de meisters ut de stad, maer veur de rest is ’t niet
volle.”62
Na de benoeming in 1886 van een conservator die zich, weliswaar in zijn vrije
tijd, ging bezighouden met het beheer en de inventarisatie van de collectie werd de
verzameling opnieuw geordend. De historische voorwerpen die betrekking hadden
op de geschiedenis van Overijssel werden in 1887 geschonken aan het enkele jaren
eerder opgerichte geschiedkundige museum van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsch Regt en Geschiedenis (‘VORG’), gevestigd in een herenhuis aan het Aa-
19
plein. De overige voorwerpen bleven achter in het museum voor natuurlijke historie
en volkenkunde, zoals de nieuwe naam luidde. In 1903 werd het Reventer-, dat door
achterstallig onderhoud in een gebrekkige toestand verkeerde, gesloten en verhuisde
de verzameling naar het nieuwe museumpand van de ‘VORG’: het Drostenhuis aan
de Melkmarkt. Op 6 juni 1905 werden de verenigde musea geopend. Na de liquidatie
van het al lange tijd zieltogende ‘Welvaart’ in 1906 werd het beheer over de collectie
definitief aan de ‘VORG’ overgedragen, waarbij de laatste zich verplichtte “om de
onder haar beheer gestelde voorwerpen en boeken als een goed huisvader te beheeren.”
«
De teloorgang van ‘Welvaart’ in de laatste decennia van de negentiende eeuw is
terug te vinden in het archief van de vereniging, dat na 1875 zeer summier is. Notulen
van vergaderingen werden niet bijgehouden, jaarverslagen zijn er niet en meldingen
betreffende schenkingen aan het museum ontbreken. Een notitie dat de mummie
van Van Senden rond 1887 definitief aan het museum geschonken zou zijn is
niet in het archief te vinden. Wel blijkt uit een ledenlijst dat de in de brief van Ganderheijden
genoemde zoon van de dominee, E.G. van Senden, in 1847 lid is
geworden64 en in een catalogus van de etnografische verzameling komt een andere
schenking van E.G. van Senden voor, namelijk twee stokken en twee pijpen uit Turkije.
65 Of deze voorwerpen van de reis van de dominee afkomstig zijn is niet bekend.
Het Reventer voor de restauratie van 1915.
(Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle).
20
Een tweede mummie
Bij het doornemen van de bewaarde jaarverslagen van ‘Welvaart’ komen we
een merkwaardige verrassing tegen, die ons tevens op het spoor zet van een tweede
Overijsselse Egypteganger. In het verslag over 1865 lezen we dat baron von Knobelsdorff
van de Gelder “eene mumie (sic) met bijbehoorende kist, voor omstreeks 50
jaren uit Egypte medegebragt” aan het museum heeft geschonken.66 Een paar jaar
eerder had de baron al “onderscheidene afgietsels van Egyptische voorwerpen, van
camee’n en van penningen” en “eene Egyptische mummie van eene hand met de
kist” geschonken.67 Wie was deze baron en hoe waren de voorwerpen in zijn bezit
gekomen?
Frederik Willem Adriaan Karel von Knobelsdorff bewoonde het huis de Gelder
bij Wijhe. Dit huis was sinds 1683 in het bezit geweest van de familie Van Dedem.
Von Knobelsdorffs moeder, Johanna Phillipina Hermanna van Dedem, had de havezate
in 1825 van de laatst overgebleven mannelijke Van Dedem tot de Gelder
geërfd, haar broer Anthony Boldewijn Gijsbert.68 Deze interessante figuur, waarvan
de memoires in druk zijn verschenen, heeft in zijn jeugdjaren een reis naar
Egypte gemaakt.69
Een jonge baron in Egypte
A. B. G. baron van Dedem werd op 23 augustus 1774 in het huis de Gelder geboren.
Op tienjarige leeftijd vertrok hij met zijn familie naar Constantinopel, waar
zijn vader tot ambassadeur van de republiek der Nederlanden aan het Turkse hof
was benoemd, een functie die hij met onderbrekingen tot 1809 zou vervullen.70 De
klassieke oudheid was destijds in de mode en de jonge Anthony vatte, gestimuleerd
door het feit dat in de kringen waarin hij verkeerde naast politiek voornamelijk over
oudheden werd gepraat, een grote interesse op voor de studie van de oude geschiedenis
en antiquiteiten. De fantasie van de adolescent werd sterk gestimuleerd door de
reisverhalen van zijn gesprekspartners en, na eindelijk toestemming van zijn vader
te hebben gekregen, trok hij er in 1791 zelf op uit. Na eerst een reis naar Griekenland
en Klein-Azië te hebben gemaakt, vertrok de jonge baron op 27 augustus 1792
21
naar Egypte in het goede en deskundige gezelschap van de Franse oudheidkundige
Louis Fauvel, die het land aan de Nijl al twee maal eerder had bezocht.71
Een reis naar Egypte was in deze tijd een veel onzekerder onderneming dan in
de tijd van Van Senden. Hoewel Egypte in naam werd geregeerd door de pasja, de
vertegenwoordiger van de Turkse sultan, werd het in feite beheerst door de Mamelukse
beys, despotische heersers die al eeuwen de dienst uitmaakten en in weinig
meer waren geïnteresseerd dan het uitvechten van onderlinge conflicten en de opbrengst
van de zware belastingen die ze het volk oplegden. Europeanen werden als
een noodzakelijk kwaad gezien en uitermate vijandig bejegend. Volgens Van Dedem
konden Europeanen in Alexandrië binnenshuis even comfortabel leven als in Frankrijk
of Italië, “maar men kon z’n neus niet buiten de deur steken zonder zich te laten
begeleiden door janitsaren”.72 Pas in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen
de pasja Mohammed Ali de teugels strak in handen had, werd Egypte een door Europeanen
druk bezocht land.
Anthony bevond zich echter in een bevoorrechte positie; de connecties van zijn
vader in de diplomatieke dienst bewezen hem goede diensten. In Alexandrië, een lelijke
en vieze stad, verbleef hij ruim drie weken bij de consul-generaal van Holland,
een voormalige genie-officier van het Franse leger.
Onderweg naar Cairo werd een tussenstop gemaakt in een dorpje, waar de
plaatselijke danseressen grote faam genoten. Van Dedem en Fauvel waagden er ook
een oogje aan, maar waren niet enthousiast: “Ze waren erg mooi, maar wij walgden
van hun overdadige wulpsheid. De Mamelukken en Arabieren, die door hen in vervoering
werden gebracht, begrepen niets van onze afkeer voor deze prachtige schepsels”.
73
In Cairo werd Van Dedem ontvangen door de Oostenrijkse consul-generaal, die
hem in contact bracht met Moerad Bey, de Mamelukse despoot die het deltagebied
van de Nijl controleerde. Moerad had veel belangstelling voor Anthony, die zich in
het Turks verstaanbaar kon maken en allerlei nieuwtjes uit Constantinopel met zich
meebracht. Als uitzonderlijk gunstbewijs mocht hij in Cairo een paard berijden, terwijl
alle andere christenen, uitgezonderd de consuls, zich met ezels moesten behelpen.
Verscheidene avonden bracht Van Dedem in het gezelschap van Moerad Bey
door, die verhalen uit zijn avontuurlijke leven vertelde. Hij was geboren in Circassië
en kwam als jonge slaaf naar Egypte, waar hij zich dank zij zijn vaardigheden en
moed wist op te werken tot één van de 24 beys die Egypte controleerden. Het liefst
zag hij Anthony muzelman worden: ‘U houdt van vrouwen, paarden en oudheden’,
zei hij tegen mij, ‘dat alles zult u hebben; ik geef u het bevel over een contingent Mamelukken’.”
74 Van Dedem kon dan Moerads concurrent in Boven-Egypte, Hassan
22
Bey, gaan bevechten. Beleefd maar beslist wees Anthony dit aanbod van de hand.
Zelf had hij geen hoge dunk van Moerad, die elders wordt beschreven als “verheven
boven de zijnen in grootheid van ziel en verstand”.75 Van Dedem, niet helemaal vrij
van een westers superioriteitsgevoel, noemde hem onwetend en bijgelovig.
De gruwelijke hongersnood die de bevolking van Cairo teisterde maakte grote
indruk op de jonge baron. In de straten, die bedekt waren met lijken en stervenden,
had hij een vrouw met zes kinderen het karkas van een kameel zien afknagen, terwijl
werd gevochten om dode honden en katten. Dit gespreksonderwerp kon Moerad
Bey maar matig op prijs stellen. Nadat Van Dedem hem zijn ervaringen had verteld
wendde hij zich tot de Oostenrijkse consul-generaal en zei: “U laat deze ongelovige
dus sterven van de honger, aangezien hij over die ellende praat; ik zal hem bewijzen
dat het ons aan niets ontbreekt.”76 Vanaf nu kreeg Anthony elke dag een overvloed
aan eten toegestuurd, dat op zijn bevel onder de armen werd verdeeld.
Een bezoek aan de piramiden
Dat in deze tijd een bezoek aan de piramiden niet het vlot verlopende uitstapje
van Van Senden en zijn reisgenoten was, bewijst Van Dedems bezoek. Na de nacht
uitermate comfortabel in het paleis van Moerad Bey te hebben doorgebracht, gingen
Van Dedem en zijn gezelschap al vroeg in de morgen op weg. Fauvel bleef ziek achter,
waar hij gezien de komende gebeurtenissen niet rouwig om hoefde te zijn. Als
gevolg van een overstroming was de bodem modderig en moeilijk begaanbaar. De
gidsen raakten de weg kwijt en na vijf uur voortploeteren belandde het gezelschap in
een bedoeïenenkamp, waar ze aanvankelijk vriendelijk ontvangen werden. Maar al
spoedig beseften de bedoeïenen het buitenkansje dat in de vorm van Van Dedem en
consorten hun kamp was binnengelopen. De reizigers werden twee dagen lang vastgehouden,
beroofd van hun bezittingen, vrijwel zonder voedsel en gedwongen hun
dorst te lessen met groenachtig water uit een morsig poeltje. Na onderhandelingen,
waarbij Van Dedem moest beloven bij terugkomst in Cairo de bedoeïenen kruit en
lakenstof te sturen, mocht de reis worden hervat.
Aan de ellende was echter nog geen einde gekomen, want al na een half uur
kwamen de bedoeïenen weer achter hen aangestormd. Om de achtervolgers te ontlopen
werd de smalle dijk verlaten waarover de weg liep en kwam het gezelschap in
diep water terecht. Het paard van Van Dedem raakte uitgeput en waarschijnlijk zou
hij zijn verdronken als hij niet door zijn knecht was vastgegrepen en op zijn paard
getrokken. De bedoeïenen, die hun prooi zagen ontglippen, vuurden op de hulpeloze
zwemmers en de kogels doorboorden hun kleding. Ternauwernood werden ze uit
23
De groot-vizier aan het hof van sultan Abdul-Hamid I ontvangt in audiëntie Frederik Gijsbert van
Dedem vergezeld van zijn zoon Anthony Boldewijn Gijsbert van Dedem, omstreeks 1784; uit het atelier
van Jean-Baptiste Vanmour. (Stichting Edwina van Heek, Singraven, Denekamp).
deze penibele situatie gered door de hen begeleidende sjeik, die een eindje vooruit
had gereden. De 50 soldaten die een ongeruste Moerad Bey er op uit had gestuurd
om Van Dedem te zoeken trof hij later plunderend in een dorpje aan.
Zonder verdere hindernissen bereikte Van Dedem eindelijk de piramiden en de
sfinx van Gizeh. Net als vele andere reizigers die het interieur van de piramide van
Cheops bezochten beklaagde hij zich over de verstikkende warmte en de stinkende
lucht. Verder schreef hij: “Het is niet erg gemakkelijk door te dringen tot het binnenste
van de piramide; de gang waardoor men binnenkomt is nauw en dwingt je er
op de buik door heen te kruipen. . . . Als men vervolgens de grote gang wil bestijgen
die naar de grafkamer van de koning voert, moet men handig zijn, wil men niet vallen.”
77 In de mastaba’s, de grafkamers waar de familieleden van de farao en hoge
ambtenaren werden begraven, bracht hij veel tijd door met het overnemen van de
hiërogliefen.
Ook Van Dedem heeft verder nog Sakkara, Memphis en Heliopolis bezocht.
Hier heeft hij meer dan een uur tot aan zijn middel in het water gestaan om het kolossale
hoofd van een sfinx en een obelisk te tekenen. Volgens Van Dedem werden in
zijn tijd deze plaatsen nog nauwelijks door reizigers bezocht. Het gloeiend hete klimaat,
de ongemakken die het reizen met zich mee bracht en de vele gevaren onderweg
doofden de reislust in menig bezoeker. Van Dedem schreef dat hij verscheidene
reizigers heeft zien aankomen, wier dadendrang door angst en vermoeidheid snel beteugeld
werd. Velen gaven er de voorkeur aan hun reisjournalen uit boeken over te
schrijven in plaats van er zelf op uit te gaan.
Terugreis en levensloop
Na een verblijf van ruim twee weken vertrok Anthony op 2 november uit Cairo.
Op de terugreis naar Alexandrië werd hij bij Rosetta overvallen door een zeldzaam
fenomeen in deze tijd van het jaar: tien dagen continu regen gepaard met een krachtige
noordenwind. In deze weersomstandigheden kon Alexandrië niet bereikt worden
en noodgedwongen moest Van Dedem in Rosetta, dat hij al eerder had bezocht,
blijven. Verontschuldigend schreef hij: “Niet wetend hoe ik mijn tijd moest doorkomen
in dit plaatsje dat ik al had bestudeerd, gaf ik me over aan plezier.”78 Uit het
manuscript van de memoires, dat voor publicatie door de bewerkster, Elisabeth
Lecky-barones van Dedem, van een aantal in haar ogen scabreuze details is ontdaan,
blijkt dat dit plezier in een niet onbelangrijke mate werd veroorzaakt door de
aanwezigheid van vele mooie Arabische meisjes, die profijt hoopten te trekken uit
het oponthoud van de rijke westerlingen. Door deze dames werd Van Dedem aller-
25
minst afgeschrikt. Hij beschreef uitgebreid hun uiterlijke schoonheid, waardoor,
zoals hij stelde, zijn zinnen geactiveerd werden.79 Terug in Alexandrië maakte hij dit
‘tijdsverzuim’ weer goed: “Ik bleef nog een maand, en bracht mijn tijd veel nuttiger
door dan in Rosetta.”80
Op 14 december 1792 verliet Anthony Egypte. De reis naar Constantinopel verliep
allesbehalve vlekkeloos. Tijdens een razende storm verloor hij een prachtige
struisvogel die hij van de pasja had gekregen, twee mooie gazellen en zijn papegaaien.
Gelukkig overleefde zijn aapje, dat in het want was geklauterd, het natuurgebeuren.
Vervolgens kon een achtervolgende piraat ternauwernood afgeschud worden.
Uiteindelijk bereikte het schip veilig Constantinopel en na ruim vijf maanden
onderweg geweest te zijn kon Anthony op 14 februari 1793 zijn familie weer begroeten.
Enkele maanden na zijn terugkeer kreeg vader Van Dedem twee jaar verlof. Op
5 september verliet de familie Van Dedem Constantinopel en keerde terug naar Holland.
De rest van zijn leven bracht Anthony van Dedem in Hollandse en Franse diplomatieke
en militaire dienst door. Hij maakte als generaal de veldtocht naar Rusland
mee, waar hij wederom in verscheidene penibele situaties verzeild raakte. Twee
paarden werden tijdens gevechten onder hem weggeschoten en de barre terugtocht
moest hij voor een groot gedeelte lopend afleggen. De taaie Van Dedem wist echter
ook nu weer de thuishaven levend te bereiken. De laatste jaren van zijn leven bracht
hij temidden van zijn familie en vrienden op de Gelder door, dat hij in 1820 van zijn
vader had geërfd. Met plezier dacht hij aan de reizen uit zijn jeugd terug. Hij schreef
met een vleugje melancholie: “De reizen door de klassieke oudheid laten herinneringen
na die nooit vervagen en die een grote bron van troost zijn, wanneer later de afkeer
van de wereld of ziekte ons voeren naar afzondering en eenzaamheid.”81 In
1825 stierf Van Dedem tijdens een reis in Italië.
Twee mummies in het museum?
Zoals al opgemerkt ging na zijn dood de Gelder over in het bezit van zijn zuster,
die in Constantinopel met de Pruisische diplomaat Von Knobelsdorff was getrouwd.
Opvallend genoeg kende zij ook prinses Marianne van dichtbij; zij was als
grootmeesteresse aan het hof van de prinses verbonden geweest. De boedelinventaris
die na haar dood in 1860 is opgemaakt vermeldt dat zich in het hangkamertje een
Egyptische mummie bevindt, geschat op 30 gulden.82 Het is niet zeker dat Anthony
deze mummie uit Egypte heeft meegenomen. Hij kan hem later gekocht hebben en
26
Röntgenfoto van het hoofd van de Zwolse mummie, van de zijkant gezien. Een
deel van het aangezicht met de bovenkaak ontbreekt. Duidelijk zijn de windsels
en de bloedvaten bij de slaap te zien. (Foto: Academisch Ziekenhuis Leiden,
1987).
27
zowel zijn vader als zijn zwager hebben tijdens hun gezantschap in Constantinopel
ongetwijfeld de mogelijkheid gehad een mummie aan te schaffen. Maar de vermelding
in het jaarverslag van ‘Welvaart’ dat de mummie ‘voor omstreeks 50 jaren uit
Egypte medegebragt’ is lijkt, ondanks de foute datering, toch te wijzen op de reis
van Anthony, die voor zover bekend als enig lid van de familie Egypte daadwerkelijk
heeft bezocht. Wel zeker is dat de mummie, die in 1860 aanwezig was op de Gelder,
in het museum is terechtgekomen.
Maar wat te denken van het verhaal van Ganderheijden? In dit geval is het zeker
dat Van Senden ‘mummiën’ uit Egypte heeft meegenomen, maar onomstotelijk
bewijs dat een mummie uit zijn bezit aan het museum is geschonken ontbreekt. De
enige aanwijzing voor de schenking is de geciteerde brief van juni 1955. De daarin
genoemde familiepapieren zouden uitsluitsel moeten geven. Helaas eindigde een lange
speurtocht naar de huidige verblijfplaats van Ganderheijden op Curacao, waar
hij op 3 juni 1978 is overleden.83 Nabestaanden waren niet te achterhalen, zodat het
onduidelijk is waar de familiepapieren zijn gebleven, als ze al niet verloren zijn gegaan.
Als we echter naar de in zijn brief genoemde feiten kijken, blijken deze in het
algemeen zo goed te kloppen dat aan de juistheid van zijn verhaal nauwelijks te twijfelen
valt.
Als zijn verhaal klopt zijn er dus ooit twee mummies in het Zwolse museum geweest.
Voor deze stelling is echter geen enkel bewijs te vinden. Op een taxatielijst
van het museum uit 1927, waaruit in ieder geval duidelijk wordt dat de marktwaarde
van een mummie in 67 jaar aanmerkelijk gestegen is, vinden we een mummie in vitrine
vermeld, geschat op 300 gulden!84 Van een tweede mummie is echter geen sprake.
Ook ‘de Egyptische mummie van eene hand met de kist’ is niet meer aanwezig.
Wel wordt een aantal niet nader geïdentificeerde gipsafgietsels genoemd, waaronder
mogelijk de eveneens door Von Knobelsdorff geschonken afgietsels van Egyptische
voorwerpen. Misschien zijn de gemummificeerde hand en een eventuele tweede
mummie door een slechte conservering verloren gegaan of zijn ze ergens buiten
Zwolle terechtgekomen.
Vertrek van de collectie ‘Welvaart’ en de mummie
Het laatstgenoemde lot is wel aan het grootste deel van de collectie ‘Welvaart’
te beurt gevallen. De museumdirecteuren uit de gelederen van de ‘VORG’ besteedden
weinig aandacht aan het niet-historische deel van de verzameling van het museum,
dat door gebrek aan ruimte steeds verder naar de achtergrond werd geschoven.
Na 1906 werd in de verslagen van het museum alleen aandacht besteed aan de
28
geschiedkundige kant van de collectie, zoals blijkt uit het verslag over 1919, waarin
blijdschap werd getoond over het bezoek van een groot aantal scholieren, “omdat
zij getuigenis afleggen van belangstelling in het verleden van Overijssel en hierdoor
in de geschiedenis der provincie wier studie toch het hoofddoel onzer Vereeniging
is.”85 Uiteindelijk verdween de etnografische verzameling in 1939 naar het Koninklijk
Instituut voor de Tropen in Amsterdam en de natuurhistorische collectie werd in
1953 afgestaan aan het Natuurhistorisch Museum in Enschede en het museum Natura
Docet in Denekamp, waaraan al eerder de verzameling opgezette vogels was geschonken.
86 De mummie, die buiten deze twee collecties viel en nog een zekere historische
waarde had, bleef echter in Zwolle.
Nadat in 1954 het beheer van het museum werd overgenomen door de Stichting
Overijssels Geschiedkundig Museum voerde de nieuwe directeur, J. W. Schotman,
enige veranderingen door in de indeling van de diverse ruimten, waardoor de verzameling
op een meer logische en geordende wijze werd getoond en de samenhang tussen
de verscheidene onderdelen werd verbeterd. In de oudhedenkamer bleef, wegens
de in het begin van dit verhaal genoemde redenen, de mummie gehandhaafd.
De in 1962 aangetreden opvolger van Schotman, K. Boonenburg, was minder
gecharmeerd van de mummie. Het idee dat de tentoongestelde voorwerpen uit de
provincie afkomstig moesten zijn of anderszins er duidelijk iets mee te maken hadden
werd door hem strict doorgevoerd. Een paradepaardje als de Zwolse mummie
leidde slechts de aandacht van de echt Overijsselse voorwerpen af. Daar kwam nog
bij dat de mummie in het museum niet op de juiste wijze geconserveerd kon worden
en bovendien, weliswaar via een omweg, de aandacht vestigde op een minder fortuinlijke
episode uit de geschiedenis van ons vorstenhuis.87 Nadat in 1969 al de afgietsels
van Egyptische voorwerpen waren vernietigd werd de mummie, die inmiddels
naar de zolder was verhuisd, in 1971 in bruikleen afgestaan aan het Rijksmuseum
voor Oudheden te Leiden. In de collectie van dit museum speelde de Zwolse
mummie een weinig prominente rol.
Tijdens de tentoonstelling in 1987 heeft een nieuwe generatie museumbezoekers kennis
kunnen maken met ‘de oudste inwoner van Zwolle’, die niet alleen een stukje
museumgeschiedenis vertegenwoordigt, maar nog steeds vragen oproept die niet
volledig beantwoord kunnen worden. Het is verleidelijk een gedeeltelijk antwoord
op deze vragen te zoeken door met de gedachte te spelen dat, gezien de samenstelling
van het skelet en de door Dawson gemaakte opmerking over het tijdsverschil tussen
de mummie zelf en de cartonnage, er ooit in Zwolle van twee mummies één gemaakt
is. Maar een dergelijke gedachte, hoe verleidelijk ook, lijkt zelfs voor de met bizarre
verhalen omgeven Zwolse mummie te buitensporig.
29
Met hartelijke dank aan allen die mij bij het onderzoek voor dit verhaal behulpzaam
zijn geweest, in het bijzonder de heer drs. P. W. J. den Otter, die de Zwolse mummie
aan de vergetelheid heeft ontrukt, en mevrouw B. W. J. G. Brutel de la R

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1987, Aflevering 3

Door 1987, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Gemeente
Zwolle
Coordmalen
202 88 i 502.Öl PARVA ad ‘Obiect nr > Volg m
Isl Periode
/S eeuw
Noordpiil
Welensch Lerd
ff P S/e^-linde. Rijksdienst voor het Oudheidkundig BodemondAoek Amersfoort
1
• •
a
a
i Bn i’DB
B’fflB

I
I
Het eerste huis van de Moderne Devoten in Zwolle.
2/
DOMUS PARVA
J. Kam
ZWOLLE
038-42143 14

DOMUS
PARVA
Het eerste huis
van de Moderne Devoten
te Zwolle
Onder redactie van
J. Hagedoorn
I. Wormgoor
Zwolle 1987
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG
Domus
Domus Parva: het eerste huis van de Moderne Devoten te Zwolle/ onder red. van J. Hagedoorn
en I. Wormgoor. –
Zwolle: Zwolse Historische Vereniging. -111.
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-07-5
SISO 245.4 UDC 271(492*8000)(091)
Trefw.: Moderne Devotie; Zwolle; geschiedenis.
COLOFON:
Deze publikatie is een uitgave van de Zwolse Historische Vereniging. Het is tevens nummer
drie van de vierde jaargang(1987) van het Zwols Historisch Tijdschrift.
– Omslag: J. van Pelt. In het ontwerp zijn een tekening van Praubstraat 14 en een tekening van
een in de kelder van dat gebouw gevonden kan verwerkt.
Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door financiële steun van de Archeologische Werkgemeenschap
voor Nederland afd. IJsseldelta-Vechtstreek en van de Provincie Overijssel.
Druk: Offsetdrukkerij Hoekman bv, Genemuiden
Copyright © 1987 Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door
middel van druk, fotocopie, microfilm of op ander wijze, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgevers.
Inhoudsopgave
Woord vooraf 7
Bouwgeschiedenis en restauratie van Praubstraat 14 en omgeving
door J.T. Teunis 9
Materiële nalatenschap van Zwolse fraters en scholieren. Een archeologisch
onderzoek in één van hun huizen.
doorj. Assink, R. van Beek en H. Hasselt, m.m.v. O. Goubitz, J.P. Pais,
S.Y. Vons-Comis en G.F.IJzereef 19
Materiële cultuur van het Fraterhuis te Zwolle (1400-1500)
door Marlies Caron 57
De auteurs 72

Woord vooraf
In de winter van 1986 vond, tijdens de laatste restauratiefase van het Cele-complex
te Zwolle, een archeologische opgraving plaats in de kelder van Praubstraat 8-III
(thans 14) door leden van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland
(AWN), afdeling IJsseldelta-Vechtstreek. De opgraving geschiedde onder toezicht
van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort.
Daar werden ook de vondsten gedetermineerd, getekend en gerestaureerd. De
resultaten van deze opgraving geven inzicht in de vroege geschiedenis van de
Moderne Devotie te Zwolle. De Deventenaar Geert Grote (1340-1384) was de
vormgever van deze religieuze beweging. Hij streefde naar een eenvoudige levenswijze,
in navolging van het leven van Christus. Het meest bekend werden deze
idealen door het werk van de Zwolse kloosterbroeder Thomas a Kempis (1379-
1471), Over de navolging van Christus.
Behalve in kloostergemeenschappen organiseerden de Moderne Devoten zich ook
in broederschappen. De Zwolse broeders of fraters vestigden zich voornamelijk in
het gebied tussen de huidige Praubstraat en de Papenstraat. De fundamenten van
hun eerst vestiging, het Domus Parva, werden bij de bovengenoemde opgraving
teruggevonden, evenals talloze gebruiksvoorwerpen. De interessante onderzoeksresultaten
en de hernieuwde belangstelling voor de Moderne Devotie waren voor
de Zwolse Historische Vereniging aanleiding om dit boekje uit te geven.
Deze uitgave kwam tot stand in nauwe samenwerking met het bestuur van de
AWN-afdeling IJsseldelta-Vechtstreek. Ook de heer R. van Beek speelde bij de totstandkoming
van deze bundel een belangrijke rol, niet alleen als opgravingscoördinator,
maar ook als auteur. Bovendien trok hij het merendeel van de auteurs aan.
Bij de voorbereidingen was ook de heer H.J. Aarts, directeur van het Provinciaal
Overijssels Museum, betrokken. Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door
financiële steun van de bovengenoemde afdeling van de AWN en de provincie
Overijssel. Het omslagontwerp is van Jeroen van Pelt. Ten slotte gaat onze dank uit
naar de auteurs die aan deze uitgave meewerkten.
De redactie
Praubstraat 14, de in 1497 gebouwde refter van het Fraterhuis
(foto:].P. de Koning, gem. fotodienst)
Bouwgeschiedenis en restauratie van
Praubstraat 14 en omgeving
door J.T. Teunis
Inleiding1
Toen in het najaar van 1986 op een plek met tal van historische gebouwen in één
van de oudste gedeelten van Zwolle de restauratie van de kelder onder Praubstraat
14 gereed kwam, was een eertijds verpauperd stadsdeel weer hersteld. De restauratie
van dit stadsdeel duurde met onderbrekingen een groot aantal jaren. In de
Zwolse Courant van 28 mei 1963 werd reeds gemeld, dat de gemeenteraad in principe
besloten had het zogenaamde Cele-complex te restaureren. Het duurde echter
nog vijf jaar voordat het eerste gedeelte van het complex, het zogenaamde Celepoortje,
gereed was. De kosten hiervan bedroegen ƒ 3913,-. Met de laatste fase van
1986 was een bedrag van ƒ 2.600.000,- gemoeid. De totale restauratie van het Celecomplex
kostte bijna vijf miljoen gulden. Aan het voltooien van deze restauratie
hebben in opdracht van het gemeentebestuur verschillende aannemers meegewerkt.
Het architectenbureau Roebbers en Klein Douwel uit Deventer voerde
samen met de afdeling bouwkunde en monumentenzorg van de dienst Openbare
Werken de directie uit.
Over de benaming van het tussen de Papenstraat, Blijmarkt, Praubstraat en
Papendwarsstraat gelegen complex mogen sommigen hun twijfels hebben en Joan
Cele mag hier dan gewoond hebben, anderen benamingen zoals Frater- of Klerkenhuizen
zijn hier meer op hun plaats. De gebouwen van dit complex boden in de late
middeleeuwen namelijk onderdak aan een Broederschap des Gemenen Levens, met
als belangrijkste inspirator en stichter Geert Grote uit Deventer. Het pand
Praubstraat 14 (voorheen 8 III) maakte ook deel uit van de huizen van deze broederschap.
In het onderstaande zal de aandacht besteed worden aan dit gebouw en de
omringende huizen, die tijdens de laatste fase gerestaureerd werden. De nadruk zal
liggen op de bouwhistorische aspecten van deze huizen2.
Restauratie van de panden in de Praubstraat
De laatste restauratiefase gold de panden Praubstraat 4, 6, 8, 8-III, 10 en 12. Na het
herstel zijn ze vernummerd als Praubstraat 4 tot en met 18. In deze beschrijving zullen
we de nieuwe nummers aanhouden. De eerst drie nummers zijn in de huidige
vorm een negentiende-eeuws bouwwerk. Tijdens de restauratie is weinig oorspronkelijks
teruggevonden. In vroeger tijden stond er onder andere het onderkomen
van het Nicolaas- of Kremersgilde. Het pand is op eenvoudige wijze gerestaureerd.
Op de verdieping zijn twee wooneenheden gemaakt en de begane grond kan voor
een café of restaurant worden gebruikt. Ook in de panden Praubstraat 10 en 12 treffen
we weinig originele restanten aan. In de voorgevel bevinden zich achter het
stucwerk ontlastingsboogjes met zandstenen aanzet en sluitblokjes. De plaats van
de huidige panden kwam tussen 1501 en 1553 in bezit van de broedergemeenschap.
Van 1722 waren deze in gebruik bij diverse bewoners en eigenaren.
Praubstraat 16 is volgens DJ. de Vries gebouwd als toegangsgebouw tot het binnenterrein
van de Fratérhuizen3. Het werd gebouwd tijdens het rectoraat van
Albert van Kalkar (1457-1482). Praubstraat 18 is grotendeels in 1496 en 1497 opgetrokken.
Op deze plaats moet het Terminariusgebouw van de Minderbroeders van
Kampen gestaan hebben. Het werd in de laatstgenoemde jaren op enkele stukken
muur en mogelijk de kelder na afgebroken om plaats te maken voor de huidige
bouwmassa. Hier blijkt van 1628 tot 1635 Willem Bartjens gewoond te hebben en
in 1650 de maker van de eerste kaart van Overijssel, Ten Have4. Van 1628 tot 1679
zijn gedeelten van beide gebouwen bewoond geweest door predikanten en later
door diverse burgers.
De kap van de Praubstraat 16 is opgebouwd uit enkelvoudige spantjukken met sporen
en hanebalken. Waarschijnlijk is deze kap secundair, want er is sprake van
onregelmatige telmerken en de kap kan eventueel plaatselijke gesteld zijn op ouder
Kapconstructie zoals die in de Praubstraat werd aangetroffen (tekening auteur)
10
metselwerk. Opvallend is nog dat de spanten nogal ver uiteen staan (hart op hart ca.
275 cm.), wat op een zuinige bouw kan duiden. Hoewel de kap van nummer 18 op
dezelfde wijze is gebouwd, lijkt ze origineler. De telmerken op de spanten lopen
regelmatig op en de constructie is logischer. Het is overigens niet onmogelijk dat
Praubstraat 16 en 18 in 1497 zijn samengevoegd.
De Praubstraat tijdens de restauratie ffbto:J.P. de Koning, gem. fotodienst)
De vloer van Praubstraat 16 werd weer op de oorspronkelijke hoogte aangebracht,
20 centimeter lager dan vóór de restauratie. De borstweringshoogte correspondeert
nu •weer met de gerestaureerde kloostervensters in de achtergevel en de verdiepingshoogte
is weer aanvaardbaar voor gebruik. Op de tweede verdieping tegen de
achtergevel van Praubstraat 16 bevindt zich een compleet korbeelstel met
muurstijl. Bij bikwerkzaamheden op de eerste verdieping zijn sporen van een
soortgelijk stel met muurstijl gevonden. Opvallend is dat de balklagen van beide
panden verschillende hoogtematen hebben, terwijl de nok op dezelfde hoogte ligt.
Onder Praubstraat 18 bevindt zich een kelder bestaande uit twee segmentbooggewelven,
gescheiden door een gordelboog. Onder 16 bevindt zich een keldertje
van 1,5 x 1,6 m. met een segmentboogvormig gewelf op muraalboog)es. De kelders,
11
die conserverend behandeld zijn, staan in open verbinding met elkaar.
In de voorgevel werden de negentiende-eeuwse vensters gehandhaafd. In de achtergevel
kwam bij werkzaamheden naast de bestaande doorgang een boogstelling van
drie bogen te voorschijn. De bogen, die op zandstenen pijlers rusten, zijn in oude
staat teruggebracht. Deze bogen kunnen gediend hebben als poort naar het binnen
terrein, maar ook als een open variant op de kloostergang. In de achtergevel waren
vijf types vensters te herkennen, die alle teruggerestaureerd konden worden,
behalve op de tweede verdieping, waar alleen de luikopemngen hersteld werden.
Voor de bovenste openingen werden niet genoeg aanwijzigingen gevonden om het
venster met een bovenlicht uit te voeren. Dit was ook niet mogelijk, omdat zich
vlak boven de gevonden sporen van de bovenlichten de overkragende steen van de
dakgootconstructie bevindt. Als de oorspronkelijke vensters inderdaad bovenlichten
hadden, dan betekent dit dat de overkragende steen en de kap bij een verbouwing
aangebracht zijn en dus jonger zijn dan het onderliggende metselwerk.
Er waren voldoende restanten in de gevels van Praubstraat 16 en 18 aanwezig om de
gootoverkraging in voor- en achtergevel weer aan te brengen. Het is mogelijk dat
deze overkraging oorspronkelijk later is aangebracht. In de zuidelijke topgevel
werden oude luikopeningen hersteld, evenals de zandstenen kraagconstructie op
de hoek van deze gevel. Op deze kraagstenen bevinden zich overigens niet te lezen
ingekraste tekens, die mogelijk jaartallen zijn. Waarom de gevel onder een hoek is
afgeschuind is tijdens de restauratie niet duidelijk geworden. De bouwnaad in de
achtergevel geeft duidelijk de scheiding tussen beide panden aan.
Praubstraat 14
De constructie van kap en verdieping
Achter de panden Praubstraat 16 en 18 ligt Praubstraat 14, de zogenaaamde refter
en aula (sinds 1497) van het Fraterhuis. De architect koos bij dit nog vrij gave
gebouw voor een sobere restauratie. Het oude trappenhuis aan de binnenzijde van
de noordoostelijke topgevel en het schoorsteenkanaal aan dezelfde gevel werden
gesloopt. De zolder heeft geen borstwering. De gehele kapconstructie is opgebouwd
uit eikehout. De acht spanten zijn recht van vorm en genummerd met
gesneden telmerken. De sporen zijn halfhouts overkeept door middel van haanhouten.
Alle verbindingen in de kap zijn opgesloten met eiken toognagels. Restanten
in de spanten wijzen erop dat er vroeger een vheringvloer is geweest. Tijdens de
restauratie is de kap conserverend behandeld.
De moerbalken liggen vrij ver uit elkaar. Sommige van de zeven balkvelden hebben
namelijk een overspanning van bijna 250 cm. De kinderbalkjes liggen op ongeveer
50 cm. van elkaar en zijn 8 of 9 x 10 cm. Het geheel is afgedekt met brede eikedelen
van 35 en 60 cm met een dikte van 35 mm. Enkele onderdelen zijn tijdens de restauratie
vervangen. Opvallend is dat de moer- en kinderbalken met sleutelstukken met
12
geschilderd zijn geweest. In de directe omgeving van het gebouw komt dit ook nog
voor in het Huis met de Hoofden (Goudsteeg 17) uit ca. 1500 en Goudsteeg 12,
onderdeel van het hof van Zuthem, uit 1535. Opmerkelijk is nog de overeenkomst
tussen de consoles onder de moerbalken van Praubstraat 14 en 18. Dit kan duiden
op dezelfde bouwmeester en bouwperiode.
Gevelwerk
Bij onderzoek heeft DJ. de Vries op de oostelijke hoek in de gevel een baksteen
gevonden met daarin in arabische cijfers gekerfd het jaartal 1497. Uit nader onderzoek
is gebleken dat dit jaartal ingekrast is voordat de steen werd gebakken. Dit
jaartal komt overeen met de datering aan de hand van de lagenmaat van de
gebruikte stenen. De stenen hebben het formaat 22/23,5 x 11,5/12 x 4,5/5 cm. Tien
lagen hebben een afmeting van 63,5 cm, wat een datering van rond 1500 geeft.
De later ingebrachte kozijnen zijn uit het muurwerk verwijderd en vervangen door
de oudere vorm, de kruisramen. Afmetingen en vlakverdeling waren vrij eenvoudig
te achterhalen, maar de oorspronkelijke profilering van het natuursteen was
moeilijk te onderscheiden. Daarom is bij de restauratie geen profiel aangebracht in
de gekozen natuursteen, de basaltlava. Budgettaire redenen speelden hierbij overigens
ook een rol. Opvallend is dat de vorm van de vensternissen vrijwel gelijk is aan
die van Praubstraat 18. De vroeg-achttiende-eeuwse schuiframen zijn gehandhaafd.
Steen met het jaartal 1497 in de gevel van Praubstraat 14 (foto:].P. de Koning, gem. fotodienst)
Noemenswaard is nog het zandstenen restant in de hoek aan de noordzijde van de
gevel. Mogelijk is het een restant van een devotielicht of een dichtgezette lantaarn.
Hoeken van gevels werden vroeger wel gebruikt als verhchtingspunten, zoals te
zien is aan de Grote Kerk (de Korte Ademhalingssteeg) en de hoek van het
renaissance-stadhuis van Hattem.
13
De kelder
Hoewel restauratie van de kelder van Praubstraat 14 aanvankelijk om budgettaire
redenen niet was opgenomen in het plan, werd hiertoe tijdens de laatste restauratiefase
alsnog besloten. De afdeling bouwkunde en monumentenzorg van de dienst
Openbare Werken van de gemeente Zwolle maakte hiervoor na onderzoek een
plan. De kelder zou 25 cm. worden uitgediept en van een betonvloer worden voorzien,
zodat de ruimte geschikt zou zijn voor exposities en vergaderingen.
De kelder is te beschrijven als een tweebeukig, ribloos kruisgewelf op zandstenen
pijlers, dat zich over vijf traveeën uitstrekt. Tijdens de restauratie werd een secundaire
muur afgebroken die de noordoostelijke travee scheidde van de overige.
Naast het nieuwe trappenhuis vindt men op kelderniveau een dichtgezette doorgang
naar een kelder die in verbinding stond met Praubstraat 16 en 18. Deze kelder
moest echter wijken voor het nieuwe uitwendige trappenhuis van Praubstraat 14.
Deze kleine kelder had een tongewelf met insteken en lag onder een gebouwtje dat
aan de aula was vastgebouwd en door Hofstee als keuken is gedefinieerd5. De
gedeeltelijk nog aanwezige schoorsteen in de zuidoostelijke gevel kan hier een
onderdeel van zijn geweest. Op basis van bouwkundige gegevens kan vastgesteld
worden dat dit gebouwtje al vóór 1497 bestond en dat men tijdens de bouw van het
huidige pand met het bestaan ervan rekening gehouden heeft. In het eerder
genoemde plan van Openbare Werken heeft men in overleg met de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg gekozen voor sloop van deze kleine kelder om ruimte te
geven aan het uitwendige trappenhuis. Hierdoor zou de gaafheid van Praubstraat
14 zo goed mogelijk bewaard blijven, kwam men tegemoet aan de esthetische waarden
die de architect aan gebouw, trappenhuis en omgeving stelde en werden problemen
rond planvorming en functioneren van de andere gebouwen omzeild. Achteraf
was het misschien beter geweest als men deze argumenten naast zich neer had
gelegd en het huidige trappenhuis elders had gebouwd.
Aan de andere zijde van de kelder onder Praubstraat 14 bevindt zich nog een doorgang,
naar de met puin volgestorte kelder onder de huidige manege van Odeon, de
vroegere kelder onder het St. Gregonushuis. Door een luikje dat tijdens de restauratie
werd aangebracht kan men een kijkje in deze gang nemen. In deze kelderhoek
bevinden zich twee in vorm afwijkende gewelfjes, waarnaast zich nog een kelder
bevindt. Restauratie van deze kelders zou echt de laatste fase van de restauratie van
het Cele-complex betekenen. Misschien dat dit ooit nog eens gebeurt.
Tot slot van de beschrijving van de kelder onder Praubstraat 14 kan nog meegedeeld
worden, dat zich in de langsgevel aan de binnenplaats drie oorspronkelijke
vensteropeningen bevinden, waarvan één in een eerder periode tot keldertoegang
met luik en traptreden is verbouwd. Deze situatie is gehandhaafd. Opvallend is dat
deze openingen niet corresponderen met de traveematen van de ramen en de spanten
in de bovenliggende gevels en verdiepingen. Een verklaring hiervoor kan zijn
14
dat de kelderramen georiënteerd zijn op de kelder, die in verband met overspanningen
onafhankelijk staat van de overige indeling van het gebouw. Restanten van
kaarsnissen, venster- en luikopeningen zijn nu goed zichtbaar. Opmerkelijk is nog
dat het tweede gewelfveld vanaf de zuidelijke gevel aan de langsmuur vrijwel vlak
is. Dat heeft waarschijnlijk te maken met een nabijgelegen muuropening die als glijgoot
gediend kan hebben.
Tijdens de restauratie van de kelder was er gelegenheid tot het doen van archeologisch
onderzoek. Naast de vondst van voorwerpen kon men tijdens het graven ook
andere waarnemingen doen. Allereerst is onder de langsgevel waartegen het
nieuwe trappenhuis zich bevindt een grondverbetering aangetroffen onder de fundering
van het huidige gebouw. Deze bestaat afwisselend uit lagen zand en klei, elk
in dikte variërend van 5 tot 7 cm. Het totale pakket is zo’n 40 cm. dik. De bouwers
wilden hiermee de zetting van het gebouw opvangen, wat hen in dit geval goed is
gelukt.
ril ii II—r
» ” J n il
II » II l> I kettingverband
II IL Jl »
UUL—II
II If II II”
II II II II vlaams verband
i ii i
ir~JLZ]ClJLl3II
staand verband
Verder stuitten de amateur-archeologen op funderingsresten in de eerste twee
noordoostelijke traveeën. Het zou hier gaan om restanten van een huis dat eens aan
Geert Grote had toebehoord. De bovenzijde van deze resten ligt op 0,56+ NAP.
Dit is op sommige plaatsten gelijk aan de onderzijde van de huidige fundering. De
stenen van dit restant hebben een formaat van 27 x 14, 5 x 6,4 cm. Wanneer we de
hoogte van de acht teruggevonden lagen omrekenen naar tien lagen stenen, dan
komen we tot een lagenmaat van 73,8 cm. Het metselverband bestaat afwisselend
uit een kop- en een strekkenlaag. De koppenlagen liggen recht boven elkaar en vormen
een zogenaamd staand verband.
Dit metselwerk is als laat-veertiende-eeuw te dateren. Dat het metselwerk van na
1325 is, wordt ook bewezen doordat in fundatiewerk van voor 1325 strekken en
koppen veelal in dezelfde laag voorkomen en dat rond 1325 ketting- of vlaams ver-
15
band gebruikelijk was. Het staand verband is van later datum. Een datering van de
gevonden fundatieresten vóór 1360 is dus niet aannemelijk. Met behulp van de
methode tot systematisering en datering van D.J. de Vries komt men tot een vergelijkbare
datering. Deze methode geeft zowel voor de lagenmaat als voor het steenformaat
de periode 1375 tot 1500 aan6. In dit verband is het aardig te vermelden dat
op de zolder van het stadhuis een soortgelijke lagenmaat is gevonden, die uit 1448
dateert. Aan de noordwest kant van de fundatieresten werd een halfronde uitbouw
aangetroffen die jonger is dan deze resten, maar ouder dan het huidige gebouw uit
1497. De funktie van deze uitbouw is niet duidelijk. Voor een haardplaats lijkt de
constructie te licht. Mogelijk moet gedacht worden aan een waterput die op een
hoger niveau inpandig werd.
In de kelder bevinden zich vier eenvoudige zandstenen pijlers waar de gewelven op
steunen. De pijler in het verdiepte gedeelte is gefundeerd op metselwerk, dat rust op
een grondverbeteringslaag van 55 cm. puin en zand en 22 cm. beer. Soortgelijke
zandstenen pijlers komen in de directe omgeving voor in de kelder van het voormalige
Domus Pauperum (Praubstraat 17) en de Weme aan de Lombardstraat. De
Weme is gedateerd op 1497 en de kelder van Praubstraat 17 op 1516. Dit duidt dus
op een zelfde bouwperiode als Praubstraat 14 in de huidige toestand. De overeenkomst
tussen de pijlers in Praubstraat 14 en 17 is niet zo verwonderlijk. Beide
gebouwen behoorden immers tot het Fraterhuis-complex. De vergelijking met de
zuiltjes uit de Weme, de vroegere pastorie van de St. Michaelskerk, is interessanter.
De gelijkvormigheid onderbouwt de stelling dat aan de Fraterhuizen geen speciale
bouwmeesters verbonden waren, maar dat de bouw door plaatselijke ambachtslieden
werd uitgevoerd.
Het Zwolse gemeentebestuur deelde het enthousiasme van de archeologen en
monumentenzorg na de ontdekking van de fundamenten en verleende een aanvullend
krediet voor de aanpassing van dit gedeelte van de kelder. De restauratie van de
gevonden fundamenten kon op verschillende wijzen worden uitgevoerd. Eén van
de gedachten was om de betonvloer over de restanten door te trekken en de fundering
door middel van bijvoorbeeld kloostermoppen of tegels in de vloer weer te
geven. Ook was een constructie met glas mogelijk, een soort vitrine.
Om de fundatie in al z’n dimensies te laten zien is voor een fraaie en tevens praktische
uitvoering gekozen, namelijk de funderingsresten uitgraven. Tussen de restanten
en het opgaande metselwerk van het huidige gebouw werd een betonvloer met
randconstructie gestort. Wegens gebrek aan kloostermoppen van gelijk formaat als
die van het funderingsrestant zijn de bovenste lagen van het restant van een licht
afwijkend formaat, afkomstig van de werf van Openbare Werken. Ter afwerking
werd over de betonvloer in het verdiepte gedeelte een bestrating aangebracht. Het
overige, hoger gelegen gedeelte van de keldervloer werd alsnog in gewapend beton
uitgevoerd, afgewerkt met nieuwe plavuizen. De oorspronkelijke diepte van de
kelder wordt weergegeven als bovenkant van de betegelde betonbalkconstructie.
16
Een muurrestant aan zuidoostelijke zijde, verdween na opmeting onder deze
betonvloer.
De gerestaureerde kelder onder Praubstraat 14 met de gevonden bouwfragmenten
(schets: Openbare Werken Zwolle)
Samenvatting
De oorspronkelijke bebouwing rond het Domus Parva in de Praubstraat stamt grotendeels
uit de tweede helft van de vijftiende eeuw, waarbij opgemerkt moet worden
dat nummer 18 nog muurwerk uit de veertiende eeuw bevat. Gelijk met de
bouw van het Domus Parva werden de panden Praubstraat 16 en 18 verbouwd: er
kwamen nieuwe gevels, waarbij die van nummer 16 zal zijn verlaagd. Mogelijk
werd ook de kap van nummer 18 aangepast, waarbij de kaponderdelen werden hergebruikt.
Hierop lijken althans de telmerken te wijzen. Waarschijnlijk zijn de drie
zuidelijke bogen van het poortgebouw (Praubstraat 16) dichtgezet in 1497, toen
Praubstraat 14 werd gebouwd. Deze bouw zal praktisch gebruik van de bogen minder
eenvoudig hebben gemaakt. Het huidige pand Praubstraat 14, de aula of refter
van het Fraterhuis, werd over de resten van een ouder huis gebouwd. De funderingsresten
wijzen op een bouwsel uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. Met
17
het gereedkomen van deze kelder werd de restauratie van het Cele-complex afgesloten.
Noten
1. Voor deze bijdrage is vooral gebruik gemaakt van de volgende literatuur: G. Berends, ‘De
gebouwen van het Fraterhuis in Zwolle’ in: Bulletin KNOB 73 (1974), 88-98
G. Berends, ‘Zwolle Praubstraat 8-III’ in: Bulletin KNOB 78 (1979) 38-39
C.R.G. Hofstee, De fraterhuizen te Zwolle (eigen uitgave; doctoraalscriptie; Amsterdam
1975)
DJ. de Vries, De constructieve ontwikkeling van het stadswoonhuis te Zwolle van 1300-1700
vergeleken met voorbeelden uit de IJsselstreek en de stad Utrecht. Een methode tot systematisering
en datering (3dln.; scriptie; Zwolle 1979)
DJ. de Vries, Onderzoek Praubstraat 10-12 door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te
Zeist (Zeist 1978).
De auteur dankt de volgende personen voor hun informatie en bijdrage: H.P. Boer en
A.H. Kroes (BK/MZ openbare Werken Zwolle), jhr. AJ. Gevers en AJ. Mensema (Rijksarchief
in Overijssel) en J.P. de Koning (Gemeentelijke fotodienst)
2. Achtereenvolgens werkten de aannemers Van der Horst, Bouma, bouwbedrijf Moes en
aannemersbedrijf Schakel-Schrale aan de restauratie.
Voor een uitvoerige historische en bouwhistorische beschrijving van Celecomplex wordt
verwezen naar het eerste onder noot 1 vermelde artikel.
3. Zie DJ. de Vries, Onderzoek Praubstraat 10-12
4. Gemeentelijke archiefdienst Zwolle, AAZ01-04071 t/m 04084, registers van vuurstedenof
schoorsteengeld, 1628-1803
5. C.R.G. Hofstee, ‘De gebouwen van het Fraterhuis te Zwolle’ in: Een zuivere, eenvoudige,
standvastige geest…De Moderne Devotie te Zwolle (Zwolle 1984), 46.
6. Zie noot 1, DJ. de Vries, De constructieve ontwikkeling….
18
Materiële nalatenschap
van Zwolse fraters en scholieren
Een archeologisch onderzoek in één van hun huizen
door J. Assink, R. van Beek en H. Hasselt
m.m.v. O. Goubitz, J.P. Pais, S.Y. Vons-Comis en G.F. IJzereef
‘zie, spijs, drank, kleeren en al het andre
noodige wat tot de onderhouding van het
lichaam behoort, dat is allemaal iets
bezwaarlijks voor een vurige geest.’
Inleiding
Aldus Thomas a Kempis in zijn boek De Imitatione Christi^. Maar omdat hij weet
dat niemand zonder deze dagelijkse benodigdheden kan leven bidt hij: ‘Heer, dat ik
die nooddruft matig moge gebruiken, en niet in de war raken door het verlangen er
naar’. Kostbare schotels of ander fraai uitgevoerd dagelijks gerei zijn in huishoudens
van Moderne Devoten in het algemeen dus niet te verwachten. Pater Joannes
Vos van Heusden, van 1391 tot 1424 prior van het klooster in Windesheim,
bezwoer zijn medebroeders dan ook dat ze de oude eenvoud moesten bewaren en
niet anders dan uit houten nappen moesten eten2. Als ze al behoefte hadden aan
verfraaiïng concentreerde zich dat vooral op religieuze voorwerpen.
Het archeologisch onderzoek in de kelder van het Fraterhuis in de Praubstraat
(vroeger Begijnenstraat) 14 (voorheen 8-III), leverde, zoals dus kon worden verwacht,
geen luxe voorwerpen op, maar wel naast het gebruikelijke eenvoudige
gerei zoals drinkbekers, kannen en potten, houten bakjes etc, enkele zeldzame en
tot nu toe onbekende gebruiksvoorwerpen.
Het archeologisch onderzoek
Dit onderzoek door enkele leden van de Archeologische Werkgemeenschap voor
Nederland (A.W.N.), afdeling IJsseldelta-Vechtstreek, begon op 31 januari 19863.
Aanleiding daartoe was een mededeling van de afdeling Bouwkunde/Monumentenzorg
van de dienst Openbare Werken van de gemeente Zwolle, dat deze kelder
in het kader van een renovatie en restauratie van het Fraterhuis zou worden verdiept.
Het onderzoek vond met diverse onderbrekingen plaats tot 22 maart 19864.
19
Plattegrond van de kelder van Praubstraat 14 met de gevonden funderingsresten
(schets: Openbare Werken Zwolle)
Begonnen werd in het zuidwestelijke deel, waar de grond onder de keldervloer
reeds was verlaagd. Nadat met de schop een leesbaar vlak was gemaakt, werd een
nog vrijwel ongeschonden gepodzoleerde zandondergrond zichtbaar, doorsneden
van een met klei en zand opgevulde, noordwest-zuidoost lopende slenk (afb. 1
respectievelijke bij A en B). Hier en daar bevond zich nog een restant loodzand, de
B-laag, boven de inspoelingslaag A van het humuspodzol. Dit oude niveau van
Zwolle lag ter plaatse op circa 10 a 15 cm plus N.A.P. De slenk stelt waarschijnlijk
een oude erfafscheiding voor. Aanwijzingen, in de vorm van muurresten of uitbraaksleuven,
die het vermoeden van C.R.G. Hofstee zou kunnen waarmaken, dat
daar de eerste vestiging van de fraters, vóór of in 1384 zou hebben plaats gehad, of
dat daar later de keuken van de klerken heeft gestaan, werden niet gevonden5. In de
zuidelijke wand van de kelder was ter plaatse van de slenk een grondverbeteringsstruktuur
te zien van zes lagen, afwisselend zand en klei, met een dikte per laag
van ongeveer 6 cm 6. Het zand was soms gemengd met puin.
Nadat deze waarnemingen waren gedaan, kon op een later tijdstip, nadat ook aan
de noordoostkant van de kelder de grond was verdiept, het onderzoek worden
voortgezet. Daarbij kwamen bij het vlakken tot onze verbazing muurresten van
kloostermoppen te voorschin (afb. 1 bij C). De muren ter breedte van circa 60 cm
omsloten een ongeveer rechthoekige ruimte van 4,2 bij 4,7 meter. Deze was gevuld
met een circa 55 cm dikke laag zand en puin, met daaronder een beerlaag van iets
meer dan 20 cm. Aan de zuidoostkant liepen de muurresten onder de bestaande
20
muur door. De meest oostelijke muur vertoonde een kleine verspringing. Het
steenformaat van de kloostermoppen bedraagt 28 x 14 x 7 cm. Dit duidt op een
gebouw uit omstreeks 1400, zoals ook in de bijdrage van J.T.Teunis geconcludeerd
wordt. Aan de noordwestzijde kwam een halfronde aanbouw van een kleiner formaat
baksteen bloot die met de opening koud tegen de oude muur was gemetseld
(Afb. 1 bij D). Aan de andere kant bevond hij zich onder de muur van het huidge
gebouw en moet dus ouder zijn dan deze en wel van vóór 14977.
Opgravingsvondsten ffbto:J.P. de Koning, gem. fotodienst)
Het volgende werk was nu het puin tussen de oude muurresten te verwijderen.
Gedeelte voor gedeelte werd aldus vrijgemaakt en kon de zich daaronder bevindende
beer, voorzichtig op vondstmateriaal worden onderzocht8. Nadat het
onderzoek aan de noordoostkant van de kelder was beëindigd kon ook het vrijgekomen
middengedeelte aan een inspectie worden onderworpen. Ook hier kwamen
muurresten te voorschijn die, gezien het steenformaat 26 x 13 x 5 cm van iets jongere
datum zijn dan die van de eerste stichting (zie afb. 1 bij E). Mogelijk betreft het
een verbouwing uit circa 14219. De ruimte binnenin was ook hier opgevuld met
zand en puin. Merkwaardig was het voorkomen bij F van het restant van een soort
21
bestrating met gebroken kloostermoppen.
Het Domus Parva
De vraag die gesteld moest worden luidde: tot welk gebouw hebben de muurresten
van omstreeks 1400 behoord? Het kon voorzover te zien was geen groot gebouw
zijn geweest. Raadpleging van de daarvoor in aanmerking komende literatuur10
leidde tot de conclusie, dat het hier het Domus Parva, het kleine huis van de eerste
stichting van de beweging van de Moderne Devotie in Zwolle moest betreffen.
Deze eerst stichting vond in 1384 plaats toen drie mannen, Johan Essekenssoon,
Witte Coep Maeszoen en Wijchman Ruering, hun pas gebouwde huis in de Begijnenstraat
aan Geert Grote te Deventer verkochten”. Dat was met de duidelijke
bedoeling het aan de door Geert Grote begonnen en door Florens Radewijns overgenomen
beweging dienstbaar te maken. Als voorbeeld diende het Heer Florenshuis
in Deventer. Dat blijkt duidelijk uit de transacties die vlak daarop plaats vonden.
Eerst betrok Geert Grote Florens Radewijns en Johan van de Gronde door
middel van schenking bij het huis in Zwolle12, waarna dit weer aan de drie oorspronkelijke
eigenaren en bewoners, Johan Essekenssoon, Witte Coep Maeszoen
en Wijchman Ruering in gebruik werd gegeven13.
Volgens deze transacties was het huis in de Begijnenstraat gelegen, tussen het huis
van de Minderbroeders van Kampen en het huis van Claes de Messemaker. Helemaal
duidelijk is deze plaatsbepaling niet. Volgens de Narratio van Jacobus Traiecti
alias de Voecht lag het stuk grond waar het huis van de drie mannen op gebouwd
was naast het Begijnhof en grensde het aan het huis van de priester Hendrik van der
Golde14. Volgens De Voecht is het huis later de kamer van de kok en de keuken van
de klerken geworden. Dat het huis niet direct aan de Begijnenstraat zelf lag maar
iets meer naar achteren menen wij te kunnen opmaken uit een akte van 14 maart
1385 waarin staat dat het huis gelegen was in de Begijnenstraat tussen het huis van
de Minderbroeders van Kampen en de tuin van de begijnen aan de ene kant en het
huis van Claes de Messemaker aan de andere kant15. Van het huis van Hendrik van
der Golde, waar het huis van de drie devoten volgens Jacobus de Voecht toch aan
grensde, wordt niet gerept. Ook in de transacties van 1384 wordt het huis van Hendrik
van der Golde niet genoemd, wel het huis van de Minderbroeders. Volgens ons
duidt dit er op dat Hendrik van der Golde een gedeelte van het huis van de Minderbroeders
bewoonde. Hij had ook de zielzorg over de begijnen van de Minderbroeders
van Kampen overgenomen16.
Meer duidelijkheid krijgen we met een akte van 22 september 1394, waarbij de
pastoor van Zwolle aan de geestelijken Gherardus Kalker, Henric Zeflic en Ghijsbertus
van Vlimen, een hofstede in erfpacht geeft die aan de Blijmarkt te Zwolle is
gelegen en met zijn noordzijde aan het Begijnhof grenst17. De hofstede grenst dus
niet aan de Begijnenstraat. Wel wordt gezegd dat de hofstede met het oosteinde aan
22
het huis grenst waar heer Hendrik van der Golde thans in woont. Dit wordt door
ons zo uitgelegd dat Hendrik van der Golde inmiddels is verhuisd van het huis van
de Minderbroeders aan de Begijnenstraat, naar het meer naar achteren gelegen huis
van de eerste stichting, het Domus Parva. Dit was vrijgekomen door het vertrek
van Johan Essekenssoon (ook wel Johan Regelandezone of Johan van Ommen
geheten), Witte Coep Maeszoen en Wijchman Ruering naar het klooster op de
Nemelerberg.
Het Fraterbuiscomplex ca. 1410
(tekening: C.R.G. Hofstee)
23
De aankoop van de hofstede door Gherardus Kalker en consorten moet gezien
worden in het licht van een voorafgaande transactie van 23 januari 139318. Hierbij
geven Claes de Messemaker en Alijt zijn vrouw een deel van de tuin achter hun
huis, over een breedte van 13 meter aan de tuin van de pastoor grenzend, aan
Gheerde ten Bome van Ulsen in erfpacht. Benevens een strook ter breedte van 1,13
meter die aan de kant van het huis van Johan Regelandezone van de tuin naar de
(Begijnen)straat loopt. Op 16 februari februari 1404 verklaart namelijk de priester
Hendricus ten Boem van Hulsen, de zoon van bovengenoemde Gheerde Bome van
Ulsen, dat zijn vader de in de akte van 23 januari 1393 genoemde grond gepacht en
gekocht had ten behoeve en met geld van Gheerde van Kalker en Hendrik van der
Golde19. Door deze aankoop verkrijgen de fraters, vooruitlopende op de aankoop
van de hofstede van de pastoor, een uitgang naar de Begijnenstraat en mogelijkheden
tot vergroting van het Domus Parva. De transactie is een voorbeeld van de
manier waarop de devoten de stadsbepalingen omtrent goederen in de dode hand
meenden te moeten omzeilen.
Op de hofstede die met zijn oosteinde aan het huis van de eerste stichting grensde
werd het Sint Gregoriushuis gebouwd. St. Gregorius was de patroonheilige van de
studenten. Het huis kwam in 1396 gereed. Sinds die tijd werd het St. Gregoriushuis
het Domus Major (het grote of voornaamste huis) en het nabijgelegen huis van de
eerste stichting, het Domus Parva (het kleinste of minste huis) genoemd. Andere
namen voor dit laatste huis zijn het Domus Parva Fratrum, het Parva Domus Clericorum
en het Parva Domus Scolarium. Dit laatste omdat de priester Hendrik van
der Golde (zijn naam leeft nog voort in de Goudsteeg) er leerlingen van de school
van Johannes Cele huisvestte. Gezien de ligging vlakbij het St. Gregoriushuis, waar
de rectoren van de fraters in woonden, werd het ook wel het Proxima Domus of
Domus Vicina, het buurhuis genoemd. Van het St. Gregorius huis is alleen de kelder
nog over. Deze ligt, volgestort met zand en puin, onder de huidige manegezaal
van schouwburg Odeon.
In het Domus Parva, in 1497 verbouwd tot aula en eetzaal, konden op een gegeven
ogenblik wel 50 leerlingen van de stadsschool worden gehuisvest. Ook de later als
grondlegger van het bijbels humanisme zo beroemd geworden Wessel Gansfort
had tussen 1432 en 1449 een eigen kamertje in het Domus Parva20. Hij volgde de
lessen in de hoogste twee klassen en gaf zelf les in de lagere klassen. Wessel was een
groot bewonderaar van Thomas a Kempis, die hij meermalen tijdens een verblijf in
Zwolle, in zijn cel in het klooster van St. Agnes op de Nemelerberg heeft opgezocht.
Wessel Gansfort was namelijk lijfarts van de illustere bisschop van Utrecht.
David van Bourgondië. Wanneer deze op zijn kasteel in Vollenhove vertoefde,
wenste hij Gansfort in zijn nabijheid te hebben om hem, wanneer het nodig was,
direct te kunnen raadplegen. Het verhaal gaat dat de bisschop door Wessel Gansfort
genezen is van jicht. Hij was zo op zijn beroemde lijfarts gesteld dat hij hem per
24
brief verzekerde van zijn steun tegen aanvallen van de inquisitie.
Tot degenen die een poosje in het Domus Parva hebben gewoond schijnt ook de
edelman Meinoldus van Windesheim, die moreel en financieel zoveel aan de
stichting van het St. Gregoriushuis heeft bijgedragen behoord te hebben2Oa.
Wessel Gansfort, naar een kopergravure
in bezit van de Universiteitsbibliotheek
te Groningen (tekening: R. van Beek)
Aardewerk
Het aardewerk dat in de Praubstraat is gevonden is te verdelen in twee hoofdgroepen,
namelijk:
import aardewerk; steengoed en afkomstig uit Siegburg en Langerwehe.
inheems aardewerk; de blauwgrijs- en roodbakken produkten die mogelijk in
Zwolle of in het omliggende gebied vervaardigd zijn.
Import aardewerk
In het Rijnland, aan de voet van de Eifel, werden produkten vervaardigd die we aanduiden
als steengoed. Met de daar gebruikte klei kon een volledige sintering verkregen
worden, zodat het aardwerk hard en waterdicht werd. Dit maakte de produkten
uitermate geschikt voor drink- en schenkgerei. Een van de uiterlijke kenmerken
van dit drink- en schenkgerei is de uitgeknepen voet als standring.
Er zijn onder andere verschillende trechterbekers gevonden. Deze trechterbekers
zijn naar hun vorm weer onder te verdelen in drie verschillende typen. Het eerste
type heeft een klokvormige trechter en al dan niet een oor (afb. la), het tweede type
heeft een stijle trechter en al dan niet een oor (afb. lb) en het laatste type heeft een
25
Import aardewerk (tekeningen: H. de Kort (R OB, Amersfoort) en J. Assink; schaal 1:4)
26
brede hals en een oor (afb. lc). Van dit laatste type is alleen een fragment gevonden.
Het merendeel van de bekers heeft een leemglazuur en de zogenaamde oranjerode
wangetjes. Op twee voorwerpen zijn versieringen gevonden die met apphque’s zijn
aangebracht. Al deze bekers zijn in Siegburg vervaardigd. In Utrecht is een klokvormige
trechterbeker gevonden met dezelfde afmetingen als de bekers die in de
Praubstraat zijn gevonden 21. Aan de hand van de vondsten zijn de gemiddelde
afmetingen van de klokvormige trechterbekers bepaald (fig. 1).
Behalve deze trechterbekers zijn een aantal kannen en fragmenten van kannen
gevonden van een ander type. Een deel hiervan is afkomstig uit Langerwehe en een
ander deel uit Siegburg (onder andere afb. 2) De Langerwehe-kannen zijn voorzien
van een bruine leem-engobe en hebben een hoge, nagenoeg cyhndrische hals. De
scherf is grauw-grijs tot iets paarsachtig van kleur. De kannen hebben een gemiddelde
hoogte van 26,3 cm. en een gemiddelde inhoud van 950 cc. Het materiaal uit
Siegburg heeft ongeveer dezelfde afmetingen. De halzen van de Siegburg-kannen
zijn echter meer cylindrisch van vorm. Deze kannen zijn dus gemiddeld iets groter
dan de bovengenoemde trechterbekers. Mogelijk hebben ze als schenk- of voorraadkannen
gediend.
De grootste gevonden kan, waarvan de hals met oor ontbreekt, is afkomstig uit
Langerwehe (afb. 3). De inhoud zal ongeveer drie liter zijn geweest. De kan is voo^
zien van een bruine leem-engobe, evenals de Langerwehe-kan van afb. 4. Deze heeft
een korte hals met een dakgeulrand.
& -A+- H (hoogte)
H’ (scbouderhoogte)
S (bodem)
Bfbuik)
A'(kelk)
A (kelk)
inhoud
gewicht
19,6 cm
14,0 cm
8,0 cm
10,0 cm
5,0 cm
8,5 cm
0,61
0,6 kg
figuur 1. Gemiddelde afmetingen van klokvormige trechterbekers
Verder zijn er enkele scherven van grijs-wit steengoed gevonden. Een van de scherven
is afkomstig van een Jacoba-kan (afb. 5), de overige zijn afkomstig van twee
drinkkannen. Dit steengoed is vervaardigd in Siegburg. Soortgelijk materiaal is
27
gevonden bij de opgraving van het kasteel De Voorst22.
Tenslotte zijn er twee flesjes gevonden. Het ene is afkomstig uit Siegburg (afb. 6).
Het is geglazuurd en is roodbruin tot olijfgroen van kleur. Klinge heeft een vergelijkbaar
exemplaar beschreven23, maar jammergenoeg vermeldt hij niets over het
gebruik. Mogelijk is het, gevuld met spijsolie, gebruikt aan tafel of in de keuken.
Het tweede flesje komt uit Langerwehe (afb. 7). Het heeft twee doorboorde oortjes
en is bedekt met een donkerbruine leem-engobe. Het is 8,5 cm. hoog en heeft een
inhoud van 80 cc. Dergelijke flesjes zijn onder andere ook in Amsterdam en bij het
klooster Mariendael gevonden24. Volgens Bruijn zijn deze flesjes gebruikt bij het
spinnen25. Ze werden met een koordje om de hals gedragen en waren gevuld met
olie of ander vet. Hiermee werden de vingers vet gemaakt, zodat het spinnen
gemakkelijker ging.
Aan de hand van al het gevonden steengoed is het Minimum Aantal Exemplaren
(MAE) gesteld op 49. Hiervan komen acht exemplaren uit Langerwehe en 41 uit
Siegburg. (Zie tabel 1 en grafiek 1).
Tabel 1 Minimum aantal exemplaren import
type
klokvormige trechterbeker met oor
klokvormige trechter beker zonder oor
stijle trechterbeker met oor
stijle trechterbeker zonder oor
breedhals trechterbeker met oor
trechterbeker met oor (niet compleet)
trechterbeker zonder oor (niet compleet)
schenkkannen (afb. 2)
schenkkannen (afb. 2)
kan (afb. 3)
kan (afb. 4)
grijs-witte Jacoba-kan (afb.5)
grijs-witte drinkkan
onbekend type kan
flesje (afb. 6)
flesje (afb. 7)
De grijs-witte drinkkannen en de schenkkannen zijn het oudst. Ze zijn in het midden
van de veertiende eeuw gemaakt. Baart beschrijft een vergelijkbare kan als de
Langerwehe-schenkkan van afb. 2 en dateert deze tussen 1377 en 142526. Ook bij
opgravingen van het St.Agnes- en St.Michielklooster zijn deze kannen aangetroffen.
Deze exemplaren zijn gedateerd tussen 1375 en 145027. De trechterbekers verschillen
ook onderling. Het type met de stijle trechter is van ca. 1400, terwijl het
aantal
4
1
4
1
1
10
5
2
5
1
1
1
2
9
1
1
herkomst
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Langerwehe
Langerwehe
Langerwehe
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Langerwehe
28
type met de klokvormige trechter in het midden van de vijftiende eeuw gedateerd
moet worden.
Aantallen aan de hand van komplete/inkomplete exemplaren
Aantallen aan de hand van de scherven
Aantallen
schenkkannen f H
grijs/wit f~~
tvpe onbekend 1
type afb. 3 ^|
type afb. 4 •
f,esjes am.b €
verhouding:
Siegburg
Langerwehe
ro
• i
P
•=
ON
p
CD
1
o a> ro
O
ro
ro
ro
O
ro
03 o Xi. ON CD
£^
O
-fc»
ro
Inheems aardewerk
Zeker hebben ook in Zwolle, net zoals in enkele andere middeleeuwse steden, pottenbakkers
gewoond. Volgens het Registrum Civium, het register van nieuw ingeschreven
burgers van Zwolle, zijn er verschillende pottenbakkers ingeschreven. In
1343 waren dat Wicboldus die Potmaker en Wilhelmus Potter; in 1350 Johannes
Potmaker en in 1373 Otto Potman en zijn broer28. In de maandrekeningen wordt
in 1399 een Wolters die potghyeter genoemd en in 1403 een Ludeken den
potman29. Deze Ludeken woonde in een huis in de ‘Duusterstege (de huidige
Schoolstraat) in der Nyerstad’30. Verder bezat een Godeken Pottman voor 1415
een hofstede naast het Wytenhuis buiten de Voorsterpoort31. Waarschijnlijk
waren deze pottenbakkers in verband met brandgevaar buiten de stadspoorten
gevestigd. Of het gevonden inheems aardewerk door Zwolse pottenbakkers is
gemaakt, is echter geenszins zeker. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Het inheems aardewerk is onder te verdelen in blauwgrijs, witbakken en roodbakken
aardewerk. Van het blauwgrijze aardewerk zijn drie fragmenten gevonden,
namelijk van een vuurklok, een grape en een onbekend type pot. De fragmenten
moeten op omstreeks 1300 gedateerd worden. Van het witbakken aardewerk is
slechts een oorfragment gevonden. Van het roodbakken aardewerk, is daarentegen
weer veel meer gevonden. Het MAE is op 40 gesteld. (Zie tabel 2 en grafiek 2). Hieronder
zijn zes complete of bijna-complete kamerpotten (afb. 8) en fragmenten van
nog zeven andere kamerpotten. Deze potten zijn gemiddeld 16 cm. hoog. Ze heb-
29
ben een bolle bodem, waardoor ze gemakkelijker over de vloer schuiven, en een
hoge cylindervormige hals. Twee potten zijn ongeglazuurd. De overige hebben
meestal een geglazuurde bodem en rand. Ook is meestal het gedeelte van de schouder
tegenover het oor geglazuurd. Waarschijnlijk houdt dit verband met het uitschenken;
door het glazuur is de pot gemakkelijker schoon te maken.
Kromsteertpan, zieafb. 10 (foto: J. Assink)
Verder zijn er verschillende grapen gevonden, waaronder vier complete exemplaren
met een oor (afb. 11 en 12). Twee hiervan hebben fijne ribbels op de schouder.
Een grape heeft een verbrede klauwvoet, waarvan het middelste knijpspoor het
eerst is aangebracht. Een andere grape, een exemplaar met twee oren, is compleet
op de poten na. Aan de breukvlakken is te zien dat een poot per ongeluk is afgebroken
en dat daarna de fwee andere zijn verwijderd, zodat de pot nog gebruikt kon
worden. Deze grape heeft een eenvoudige slibversiering van witte klei. Van een
ander type, de stijlwandige grape met een oor, is ook een compleet exemplaar
gevonden. Deze is versierd met fijne ribbels van de schouder tot de bodem (vergelijk
afb. 13). De grapen zijn, evenals de bovengenoemde kamerpotten, te dateren in
het eerste kwart van de vijftiende eeuw.
Daarnaast zijn twee kromsteertpannen gevonden. Deze pannen worden zo
30
Inheems aardewerk (tekeningen: H. de Kort, R OB A mersfoort; schaal 1:4)
31
genoemd om hun hoge kromme steel. Het kleine exemplaar (afb. 9) heeft een diameter
van 14,5 cm. en een hoogte van 5,5 cm. De pan staat wat scheef, omdat één
van de poten tijdens het bakken tegen een ander voorwerp heeft gestaan. Het raakvlak
hiervan is nog te zien. De andere kromsteertpan is groter en hoger (afb. 10).
Door zijn hoogte van 16,5 cm. is het zelfs een uniek exemplaar. De pan is, als enige
van de gevonden exemplaren, aan de onderzijde geblakerd. Beide pannen zijn
alleen aan de binnenzijde geglazuurd. Tenslotte zijn er nog fragmenten gevonden
van een drinkuyt, een kaarsenmakersbak, twee grote (water)kannen en een grape
met twee grote ribbels32
Tabel 2 Minimum aantal exemplaren inheems
type
vuurklok (fragment)
grape (rand en oor)
kan (fragment)
oorfragment
kamerpot
kamerpot (incompleet)
kromsteert
grape met oor
grape met een oor (incompleet)
grape met twee oren
grape met twee oren (incompleet)
stijlwandige grape
stijlwandige grape (incompleet)
grape met twee ribbels (incompleet)
drinkuyt (fragment)
kaarsenmakersbak (fragment)
grote (water)kan (fragment)
aantal
1
1
1
1
6
7
2
4
10
1
3
1
1
1
1
1
2
kleur
blauwgrijs
blauwgrijs
blauwgrijs
witbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
De opgraving in de Praubstraat heeft een unieke collectie aardewerk opgeleverd.
Voor de totale collectie mag een datering van 1375-1450 aangenomen worden,
waarbij enkele oudere fragmenten, gezien hun geringe aantal, buiten beschouwing
worden gelaten. De trechterbekers die zowel in het tweede als in het derde kwart
van de vijftiende eeuw voorkomen, moeten op grond van de overige vondsten tot
de vroegste bekers behoren. Opvallend is ook dat er zoveel gave en bijna gave exemplaren
zijn gevonden. Naar een verklaring daarvoor kunnen we slechts gissen.
(Angst voor een besmettelijke ziekte?). Verder is ook de verhouding tussen de aantallen
van het inheemse en import aardewerk verrassend: iets meer import dan
inheems. In Amsterdam is veel meer inheems dan import aardewerk gevonden
32
(verhouding l:5)32a. En hoewel er te weinig vergelijkingsmateriaal uit ander steden
bekend is, lijkt het logisch te veronderstellen dat het gebruik van veel import aardewerk
wijst op meer handel.
Aantallen aan de hand van komplete/inkomplete exemplaren
Aantallen aan de hand van de scherven
Aantallen 1
Kamerpotten •••
Grape, éénoor pH^HI
Grape, tweeoor ^B^_^^
LJ
Grape, éénoor stijl ^^Pl
Grape, twee ribbels n
1 1
Kromsteert 1^ H |
Grote kannen ^^J
Drinkuyt, kaarsenbak
Blauwgrijs, vuurklok
Blauwgrijs, onbekend
Witbakken
• M M
3
O) O
r—
O)
Aan de hand van de vondsten kunnen twee verschillende plaatsen in de beerkelder
onderscheiden worden. In het noordoostelijke deel is veel drink- en schenkgerei
gevonden samen met voorraadpotten, terwijl in het zuidwestelijke deel veel botten
zijn gevonden met de geblakerde kromsteert en de twee-orige grape met slibversiering.
Mogelijk kan dit een aanwijzing zijn voor de plaats van een eetzaal en voor een
keuken.
Metaalvondsten
Door het gebruik van metaaldetectors kon een aantal interessante metalen voorwerpen
worden geborgen:
Sleutelhanger (aïb. 1.)
Een bronzen voorwerp, voorzien van vier ronde gaten, zal gediend hebben als sleutelhanger.
Aan de onderste drie gaten, elk met een diameter van 8,75 mm hebben
33
sleutels gehangen. Waarschijnlijk werden deze met een ketting (‘sleutelraecx’) of
een ring daaraan vastgemaakt. Het bovenste gat, met een diameter van 10 mm.,
diende voor bevestiging aan de gordel door middel van een riemhanger. Een dergelijk
riemhanger werd overigens op het stort aangetroffen, en wordt hieronder
besproken. De sleutelhanger is gegoten en de weinige versiering, tussen bovenste
en onderste gaten, is later met een vijl aangebracht of geaccentueerd. In verhouding
tot de ons bekende exemplaren uit Neurenberg33 is het exemplaar uit de
Praubstraat erg eenvoudig uitgevoerd. De datering van dit exemplaar, vijftiende
eeuw, komt overeen met de sleutelhanger uit de beerkelder.
Riemhanger (afb. 2)
Op het stort (de uitgegraven grond) werd een bronzen riemhanger aangetroffen.
Dit exemplaar is gegoten en daarna gebogen. De bovenzijde laat ons nog duidelijk
zien op welke plaats een stiftje is aangebracht. Dit werd door de gordel gestoken en
vastgeklonken. Op deze wijze bleef de hanger op z’n plaats. Behalve sleutelhangers
konden er allerlei ander voorwerpen aan worden gehangen, bijvoorbeeld een beurs
of naaigerei34. Gezien de slechte conservering van deze riemhanger in tegenstelling
tot de sleutelhanger, lijkt het ons onwaarschijnlijk dat beide voorwerpen tegelijkertijd
in de beerput zijn beland. Het is dus niet aannemelijk dat deze riemhanger bij de
eerder genoemde sleutelhanger hoort.
S/e«re/s(afb.3t/m5)
Er werden drie ijzeren sleutels gevonden, helaas allen in een zeer slechte staat. We
kunnen nog slechts de contouren onderscheiden. De kern is, waarschijnlijk door
het lange verblijf in de beer, volledig opgelost. Er zijn tenminste twee types sleutels,
want de contouren van de handgrepen verschillen duidelijk. Alle sleutels zijn van
het korte type en meten ca. 8,0 cm. Van één sleutel (afb.4) is nog een gedeelte van de
baard waarneembaar, die te dateren is in de veertiende of vijftiende eeuw35. De
sleutel van afbeelding 5 treft men in het begin van de vijftiende eeuw aan36, hoewel
het gebruik ervan tenminste tot in de eerste helft van de zestiende eeuw mogelijk
is.37. De vorm van de baard zou in dit geval uitsluitsel kunnen bieden, maar is bij
dit exemplaar uit de Praubstraat niet te reconstrueren.
Nestel (zfb. 6)
Tijdens het zeven van enkele beermonsters ontdekten we een klein, geel koperen
nesteltje. Een nestel bestaat uit een metalen kokertje dat wordt bevestigd aan de uiteinden
van rijgveters of strikken. Het heeft twee functies: bescherming van het
veteruiteinde en hulpmiddel bij het rijgen. Er zijn in Nederland nestels van verschillende
afmetingen gevonden. Dit maakt duidelijk dat ze hun toepassing vonden
op verscheidene soorten kledingstukken38
34
Sleutelhanger, nestel, riemhanger en sleutels (tekeningen: H. Hasselt)
35
Heft van scheermes of lancet (afb. 7)
Tussen het vele botmateriaal dat werd gevonden39 troffen we tijdens het reinigen
een benen heft aan van een scheermes of lancet. Helaas bleek het ijzeren lemmet
niet meer aanwezig. Dit zal evenals de eerdergenoemde sleutels zijn vergaan. De
benen heftplaten worden samengehouden door twee metalen stiften, waarvan die
aan het brede uiteinde tevens als scharnierstift diende voor het lemmet.
Een compleet scheermes, met soortgelijk heft, kennen we uit Deventer40. Dit
wordt in de tweede helft van de vijftiende eeuw gedateerd. Als het lemmet bij ons
exemplaar lancetvormig was uitgevoerd dan zal het gebruikt zijn voor de aderlating.
Beide toepassingen liggen minder ver uiteen dan men misschien zou vermoeden,
beide werden gebruikt door de barbier41. Een gravure uit 1524 laat ons een
wapen zien van de ‘baardemakers’. Op een schild staan twee scharnierscharen afgebeeld
met daaronder een scheermes of lancet, waarvan het heft grote gelijkenis vertoont
met het door ons gevonden exemplaar42.
Of de buurman van de fraters, Claes de Messemaker, voor de vervaardiging van dit
mes in aanmerking komt is geen vanzelfsprekendheid. De beste kwaliteit haalde
men, tenminste in 1525, uit Duitsland, getuige het volgende handschrift; ‘Die sceersen
(scheermessen) om te barbieren wt Almaengien getekend metter sterren en
metter ekelen zyn de beste’43.
Heften van tafelmessen (afb. 8/9)
Er werden twee heften aangetroffen van tafelmessen. Beide exemplaren hebben
benen beslagplaten, die met bronzen stiftjes aan de plaatangel zijn bevestigd. Het
ijzeren lemmet is bij beide exemplaren vrijwel geheel verdwenen. Gezien de grote
overeenkomst tussen beide heften is het niet ondenkbaar dat ze in dezelfde werkplaats
vervaardigd zijn. Hoewel, zoals gezegd, het lemmet niet aanwezig is, mogen
we ervan uitgaan dat beide heften van tafelmessen waren. Vlees werd veelal in stukken
gesneden en geserveerd in een centrale schotel. In het ander geval lag daarvoor
een speciaal voorsnijmes op tafel. Gegeten werd hoofdzakelijk met de handen; de
geestelijkheid verzette zich sterk tegen het gebruik van vorken. Het was een belediging
voor God, als men het voedsel waarom men in het Onze Vader bad, onwaardig
vond om met de vingers aan te raken44. Men at voornamelijk van (houten) teiloren,
die rond of rechthoekig van vorm waren. Een compleet tafelmes met enigszins
soortgelijk uitgevoerd (ebbehouten) heft is gevonden in Amsterdam. De datering
hiervan wordt gesteld op het eerste kwart van de vijftiende eeuw tot en met de
eerste helft van de zestiende eeuw45.
Chrismatorium
Het fraaie, cihndervormige bronzen busje, voorzien van een schroefdekseltje is een
chrismatorium, ook wel bedieningsvaatje genoemd. Het bevatte gewijde olie voor
het toedienen van de sacramenten. Door het ontbreken van een tekst of afkorting
36
1 2 3
i i afb. 11
afb. 7 afb. 8 afb. 9
Mesheften en schrijfstift (tekeningen: H. de Kort, ROB Amersfoort)
is het niet mogelijk te bepalen welk een soort olie in dit bedieningsvaatje heeft gezeten.
Er zijn drie soorten olie, en wel Oleum Cathechumenorum (voor de doop en de
priesterwijding), het Oleum lnfirmorum (voor het Heilig Oliesel), en het Chrisma
(voor de doop, het vormsel en de bisschopswijding). Deze drie oliën zijn wat de
substantie betreft identiek. Voor alle drie wordt olijfolie gebruikt, dat afhankelijk
van de bestemming werd gewijd. Bedieningsvaatjes komen zowel afzonderlijk
voor als in setjes van twee of drie exemplaren46.
Of het exemplaar uit de Praubstraat deel heeft uitgemaakt van zo’n setje is niet duidelijk.
Bedieningsvaatjes blijken vooral uit tin vervaardigd te zijn. Dit werd door de
Trierse synode van 1227 speciaal aanbevolen. Doch ook brons, zilver en het kost
37
bare bergkristal werden in de middeleeuwen voor deze doeleinden gebruikt.
Gelet op de overige vondsten zal het bedieningsvaatje uit de Praubstraat in de late
veertiende tot de late vijftiende eeuw geplaatst mogen worden, waarmee we een
voor Nederland zeldzaam vroeg exemplaar bezitten. Over de vraag hoe zo’n kostbaar
bedieningsvaatje in de beerkelder is terecht gekomen, kunnen we slechts gissen.
Ongetwijfeld zal het hebben toebehoord aan een priester, die mogelijk zelfs in
het Fraterhuis leefde.
Chrismatorium (foto:]. Hagedoorn; tekeningH. de Kort, ROB Amersfoort)
Bol (afb. 10)
Ons onbekend is de gebruiksfunctie van een koperen bol. Deze bestaat uit twee
‘fietsbel-achtige’ delen, die door een stift (voorzien van schroefdraad) aan elkaar
kunnen worden geschroefd. Om deze stift zit een ijzeren, ruw afgewerkte kogel.
Ten tijde van de vondst bevond zich op de naad van beide helften, een fragment
gestikt leer. Het is ons niet duidelijk of dit leer ook werkelijk bij de bol heeft
behoord, óf dat dit door het verblijf in de beerkelder daaraan is vastgekoekt. In het
laatste geval zal het mogelijk afkomstig kunnen zijn van een schoen. Opvallend is
dat beide delen van de koperen bol hermetisch op elkaar sluiten, zonder ook maar
iets zichtbaar naar binnen of buiten af te wijken. We mogen veronderstellen dat
deze intensieve bewerking een speciale reden heeft, want waarvoor heeft men een
zuiver ronde en holle bol nodig? De ijzeren kogel, die zich in de bol, rond de stift
bevindt, veroorzaakt bij het bewegen van de bol, een dof klikkend geluid. Suggesties,
ook na een oproep in het verenigingsblad van de A.W.N.47, bleken te speculatief
om een gebruiksfunctie toe te kennen. We sluiten echter niet uit dat het
hier een spel-, of religieus attribuut betreft. Gehoopt werd, na reiniging, een kartografische
gravering op de bol aan te treffen, waarmee we dan een uitzonderlijk
vroege zakglobe – die ongeveer een eeuw later erg in zwang zou raken – zouden hebben
ontdekt.48 Dit bleek echter niet het geval te zijn.
38
0 1 2 3 4 5
cm
A/b. 10, koperen bol (tekening: H. de Kort, ROB Amersfoort)
Inktpotje
Bijzonder interessant is de vondst van een klein, taps toelopend inktpotje. Het is
vervaardigd uit een legering van tin in lood. Het inktpotje heeft een plat dekseltje
dat door middel van een scharmerstiftje bewogen kon worden. Inkt was zeker tot
het midden van de vijftiende eeuw een schaars produkt, waar behoedzaam mee
werd omgesprongen. De vorm van dit inktpotje, dat aan de binnenzijde zeer spits
toeloopt, garandeert het gebruik tot vrijwel de laatste druppel.
Het is aannemelijk dat het exemplaar uit de Praubstraat zijn oorsprong vindt in
afgezaagde hoorns van runderen of andere dieren. Op een drieluik uit ca. 1400 treffen
we een schrijvende geestelijke aan, die een hoornvormig inktpotje aan z’n
schrijftafel heeft bevestigd49. De vorm van ons functionele inktpotje heeft als
nadeel dat het niet zonder enig hulpmiddel kan staan, het zal dus in een houder
gezeten hebben. Een bevestiging van dit idee treffen we aan op een laatmiddeleeuwse
prent waarop ‘Marie de France’ staat afgebeeld. Aan de zijkant van
de stoel van deze 12e-eeuwse schrijfster van aristocratische verzen, treffen we tenminste
twee inktpotjes aan, die door een beugeltje worden vastgehouden50. Belangrijke
mededelingen werden in de middeleeuwen op perkament geschreven; persoonlijke
aantekeningen, rekeningen en schooloefeningen zonder blijvend belang
werden in was gekrast. Hiervoor gebruikte men speciale wasplankjes51. Daarnaast
werden ook schrijfleitjes gebruikt. De inkt bracht men op het perkament aan met
39
een aangepunte ganzeveer. Een ganzeveer leent zich uitstekend om mee te schrijven.
Ze is eenvoudig aan te punten (met het zogenaamde pennemes), en bijzonder
veerkrachtig en sterk. Hierdoor konden de vaak sierlijke Jetters, zonder (onnodige)
onderbreking worden neergezet.
Langzamerhand veranderde de vorm van het inktpotje. Behalve dat het dan zonder
extra hulpmiddel kon staan, nam de inhoudscapaciteit toe. Uit Egmond is een
inktpotje bekend uit de eerste helft van de zestiende eeuw. Dit wijkt – wat de vorm
betreft – al geheel af van het exemplaar uit de Praubstraat52.
Inktpotje (tekening H. de Kort, R OB A mersfoort) en een afbeelding van de apostel Lucas uit:
Evangelarium (ca. 1480). Aan de schrijfbank hangt een inktpotje
Schnjfstift (?) (afb. 11)
Een klein bronzen voorwerp, waarvan één zijde spatelvormig uitloopt en de
andere zijde een afgeknotte punt bezit is waarschijnlijk een schrijfstift. Met de punt
kon in was worden geschreven, terwijl de spatel diende om de was naderhand weer
glad te strijken, of om correcties aan te brengen.
In de Koninklijke bibliotheek Alben I te Brussel bevindt zich een miniatuur
waarop de veertiende-eeuwse mysticus Ruusbroec met wastafel en schrijfstift staat
afgebeeld. Opvallend hierbij is dat er van een wasplankje op perkament wordt
overgeschreven53. Een beeld dat goed past in het Fraterhuis, met z’n scholieren.
40
Indien ons voorwerp een schrijfstift is dan hebben we te maken met een uitzonderlijk
klein exemplaar (3,5 cm). Uit Amsterdam zijn een aantal schrijfstiften bekend
uit de tweede helft van de vijftiende eeuw, de afmetingen variëren van 7,5 tot 9,5
cm54. Suggesties als zou ons voorwerp als scalpeltje voor de (gebruikelijke) aderlating
hebben gediend, menen we van de hand te moeten wijzen. Ons exemplaar
bezit namelijk geen snede. Bovendien lijkt het voor de hand te liggen dat men hiervoor
ijzer zou gebruiken, wat zich immers veel beter leent voor aanscherping, en is
daar de afgeknotte punt niet mee verklaard!
Leest, tripzool en leerresten
door O. Goubitz
De leest
De vondst van een schoenmakersleest mag nog steeds zeldzaam genoemd worden.
De meeste leesten zijn namelijk als brandstof in het vuur beland. Maar overigens
pas dan, als ze volstrekt onbruikbaar geworden waren, door splijting, breuk of,
zoals meestal, doordat het zoolvlak door het veelvuldig oppennen van het zoolleder
volledig murw was geworden. Hoewel een leest niet zo moeilijk te maken is, is
het maken van een tweede, in spiegelbeeld en geheel passend bij de ander, veel moeilijker.
Dat vereist vakmanschap. Vandaar dat schoenmakers zeer zuinig op hun
leest waren.
De vorm van de in de Praubstraat gevonden leest, qua grootte ongeveer overeenkomend
met schoenmaat 40, wijst op gebruik in de zestiende eeuw. Het zoolvlak laat
namelijk een vrij slappe vorm zien, die vooral in de zestiende eeuw gebruikelijk
was. Zo geeft de hierna beschreven tripzool weer een typisch vijftiende-eeuwse
zoolvorm te zien.
De leest, gemaakt van elzehout (determinatie dr. L. Kooistra, ROB), is beschadigd.
Met een spade of iets dergelijks heeft men haar tweemaal op de zijkant geraakt en bij
de neus mist een stuk. Door een slecht gelukte conservering mijnerzijds is er een
knmpscheur over bijna de gehele lengte op de zijkant ontstaan. Opvallend is, dat de
leest heel weinig gebruikt is. Het is zelfs niet aan te tonen dat ze ooit gebruikt is. De
plaatsen waar doorgaans de sporen van het oppennen te zien zijn, zijn recentelijk
beschadigd.
Interessant is het merkteken op de bovenzijde van de leest. Het is een haak of een
wolfsangel, een vrij algemeen voorkomend teken, zij het dan meestal met toevoegingen
als dwarsstreepjes of initialen. De meeste van dergelijke merktekens zijn
afgeleid van runetekens en dienden als eigendomsmerk of, zoals mogelijk in dit
geval, om bijeenhorende leesten te kunnen herkennen.
De tripzool
Een andere vondst betrof een zogenaamde tripzool. Een trip is een houten muil
41
met een wreefband. De houten zool van de gevonden trip heeft een beschadigde
neuspunt en mist een gedeelte van de rand langs het hielvlak. De beschadiging van
de neuspunt lijkt recent, die van de hiel is vermoedelijk ontstaan voor de tripzool in
de grond raakte. Dat het leder van de wreefband toen nog aan de zool vastzat, lijkt
niet waarschijnlijk, omdat dit meestal ook wel behouden blijft in de bodem. De trip
is gemaakt van wilgehout (de terminatie dr. L. Kooistra, ROB).
Leest en tripzool (tekening auteur)
De voetmaat van deze trip is ongeveer 32 geweest. Omdat de nokken nauwelijks
gesleten zijn, kan aangenomen worden dat de trip niet veel gebruikt is. Mogelijk
heeft dat te maken met een voortijdig afsplijten van een stuk van het hielvlak. Hierdoor
werd de trip dan ondraagbaar. In de zijkant zijn, vlak onder de bovenkant,
twee nagelgaten te zien. Daaruit blijkt’dat de wreefban

Lees verder

Nieuwsbrief 1987

Door 1987, Zoek in ons tijdschrift

4f. KAM
rte«V»fr 38 c
V 1 W «WOLLE
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHDIFT
1987 – 01
ZWOL&E HI&TOD16CHE VEDEN1G1NG
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOUGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG VIER 1987
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 De “welingerigte” kleine-kinderschool van de stadsarmeninrichting
te Zwolle (1827-ca.1841) – deel 2
Jaap Hagedoorn & Willy van der Most
13 De bouwgeschiedenis van het Vrouwenhuis te Zwolle
Peter Boer
VERENIGINGSNIEUWS
22 Lezingencyclus 1987: “Aspecten van de Moderne Devotie”
VAN DE INSTELLINGEN
23 Tentoonstellingsagenda Provinciaal Overijssels Museum
24 PERSONALIA
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck, P. Lindhoud
(wnd.hoofdredacteur), R.T. Oost, mevr. I. Wormgoor,
H.C.J. Wullink, mevr. A. van der Wurff
Zwolse Historische Vereniging
Niets uu de/e uitgave may worden verveelvoudigd en
ot openbaar gemaakt dooi middel van druk. fotocopv.
microfilm ut op welke WI|/H ook /ondel voorafgaande
schriftelijke toestemming v.in de uityuver
In de drie jaar van haar bestaan heeft de Zwolse Historische
Vereniging vier maal per jaar een tijdschrift en éénmaal per
jaar een jaarboek kunnen uitbrengen. Bestuur en beide redacties
hebben gemeend met ingang van 1987 de redacties van het
jaarboek en van het tijdschrift – voorlopig voor een jaar –
samen te voegen. Hiermee wordt een betere onderlinge afstemming
van de twee publicatievormen beoogd, terwijl tevens het
in verband met andere verplichtingen veroorzaakte verlies
van twee jaarboekredacteuren kan worden opgevangen.
De nieuwe redactie blijft voor de taak staan geschikte en
aantrekkelijke kopij voor zowel het tijdschrift als het jaarboek
te zoeken. Ook bij een niet al te groot kopij-aanbod
wil de redactie blijven streven naar een redelijke kwaliteit
van haar publicaties. Dit, naast de genoemde reorganisatie,
brengt met zich mee dat het aantal uitgaven van het tijdschrift
wordt teruggebracht van vier naar drie per jaar.
Overigens betekent dat dit jaar geen vermindering van het
totale aantal pagina’s dat wij U bieden. Twee van de drie
tijdschriftnummers zullen verschijnen als themanummers. Het
eerste gaat over de ‘Zwolse mummie’ en zal in verband met
de rond dit object geplande tentoonstelling in het POM,
reeds in maart verschijnen. Een themanummer over de opgravingen
in de Praubstraat zal waarschijnlijk in september
uitkomen. Dit jaar hoopt de redactie ook toe te komen aan
een plan waardoor het tijdschrift een wat gevarieerder karakter
zal krijgen. Tot slot kunnen wij meedelen dat de
redactie dit jaar een kalender hoopt uit te brengen met
oude Zwolse foto’s.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek.
DE “WELINGERIGTE” KLEINE-KINDERSCHOOL VAN DE STADSARMENINRICHTING
TE ZWOLLE (1827 – ca. 1841) (deel 2/slot)
JAAP HAGEDOORN & WILLY VAN DER MOST
SAMENVATTING VAN DEEL I (ZHT 1986-4)
De toenemende bemoeienis van de overheid met het onderwijs leidde
in 1827 tot de stichting van een school voor arme kinderen
van twee tot zes jaar. Deze school werd onderdeel van de Stadsarmeninrichting,
die tot doel had de arme en behoeftige stand
door onderwijs en arbeid te verheffen, vóór 1827 waren er de zogenaamde
bewaarscholen voor kleine kinderen. Daar was echter
meestal sprake van ‘bewaren’ en niet van onderwijzen. De kleinekinderschool
werd geleid door een matres, bijgestaan door enkele
helpsters. Zij hadden een op de praktijk gerichte opleiding gekregen
van Jan ter Pelkwijk, de Overijsselse gedeputeerde die
zich inzette voor hervorming van het onderwijs. Het succes van
het nieuwe, kwalitatief goede en gratis onderwijs valt af te
lezen aan de drastische groei van het aantal leerlingen: van
40 in 1827 tot 340 in 1847.
HET ONDERWIJS 35)
Het doel van het onderwijs was de ontwikkeling van de verstandelijke
en lichamelijke vermogens van de kleine kinderen. Daai
naast poogde men ze de beginselen van zedelijkheid en beschaving
bij te brengen. We moeten daarbij denken aan het aankweken van
eerbied voor God en de medemensen, het oefenen van een ordelijk
gedrag en het aanleren van voortdurende en ijverige werkzaamheid.
De kinderen zouden zo, uiteraard binnen hun eigen stand,
opgeleid worden tot nuttige leden van de maatschappij. Hoewel
dit alles zwaar klinkt, stond bij Ter Pelkwijk voorop, dat de
kinderen met plezier naar school moesten gaan en de school zouden
zien.als “eene plaats van vermaak” 36).
In de lokalen van de school waren bankjes met daaraanvast lessenaars,
waaraan de kinderen konden zitten en werken. Deze bankjes
waren op maat gemaakt. De kinderen zaten zodanig, dat ze met
z’n drieën op één el (circa 70 cm.) zaten. Niet erg ruim dus,
maar ze zaten dan ook niet voortdurend op hun plaatsen. Om te
schrijven en te tekenen hadden de kinderen een griffel, die in
een penhouder was gestoken om te voorkomen dat ze die in hun
mond zouden steken, maar ook om ze te wennen aan het schrijven
met een pen. Ten slotte waren er borden en verschillende leei—
en speelmiddelen aanwezig.
De lessen duurden ’s zomers van acht tot twaalf en van één tot
zes uur en ’s winters van half negen tot twaalf en van één tot
vijf uur. Er werd, in overeenstemming met de geestelijke èn de
lichamelijke opvoeding die men nastreefde, afwisselend lesgegeven
en gespeeld. De kinderen werden daartoe in groepen verdeeld.
Hierbij moet opgemerkt worden, dat de jongens en meisjes
tijdens de lessen apart zaten, en dat er bovendien een indeling
naar leeftijd bestond.
Het onderwijsgedeelte van de lessen bestond uit verschillende
oefeningen, die echter gemeenschappelijk hadden, dat ze zeer
aanschouwelijk waren en aangesloten bij de belevingswereld van
de kinderen. Met name in dit aanschouwelijke karakter van de
lessen kan de invloed van de toentertijd bekende pedagoog J.H.
Pestalozzi gezien worden, van wiens ideeën Ter Pelkwijk een
aanhanger was. De lessen bestonden uit:
00 duidelijk leren spreken.
Dit werd geoefend door meestal gezamenlijk zinnen of gedichtjes
op te zeggen. Vooral de gedichten van Hieronymus van Alphen
(bekend van ‘Jantje zag eens pruimen hangen’) werden daarbij
DB PMT1IMIBOOM.
Juttjckwetf ujuKocdval pruimen. U-Jo.
• ENZ V I I T I I L I N O .
Jantje zag eens pruimen hangen,
o I alt eieren zo groot.
‘• Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
fclioor zijn vader ’t liein verbood.
Hier ia, zei hij, noch mijn vader,
noch de tuinman , die het tiet >
Aan een boom, zo vul geladen,
raiu men vijf zet pruimen niet.
Maar ik wil gehuorzaam wezen,
en niet plukken: ik loop heen.
Zou i k , o» een hand vol pruimen,
ongehoorzaam wezen ? Neen.
Voord ging Jimjc : tn>«r ziin vader,
die hem (til beluisterd had,
Kwjm hem in liet ltmpcn ii-gcn
voor aio op hel roiddclpad.
Kutn mijn Jantje, zei de vader,
kom mijn kl.ine lurtcd’cfl
Nu u i IK y pruimen plukken)
nu heeft vader Jantje lief.
Dair ou | i ig Papa ain ’t febudden,
Jantje raapte fdiiclijk op;
Jantje krec] zijn hoed vol pruimen,
en liep been op een galop.
Hieronymus van Alphen, Kleine gedichten voor kinderen
(Utrecht 1821), 29 – 30
4
veel gebruikt 37)..In deze gedichten treffen we morele lessen
aan, zodat het leren van deze gedichten ook bijdroeg aan de zedelijke
ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast werd er veel en
graag gezongen. De kleinen leerden zo spelenderwijs hun moedertaal
goed uit te spreken en hun geheugen te oefenen. Bovendien
werd het Zwolse dialect op deze wijze bestreden, dat de kindepen
thuis veelvuldig hoorden, waarbij men, zo schrijft Ter Pelkwijk,
“de letter b_ gewoonlijk laat hooren wanneer zij niet noodig is
en integendeel verzwijgt, waar zij vereischt wordt” 38).
00 Opmerken en onderscheiden van voorwerpen.
De zintuigen werden hierbij geoefend door het bekijken, bevoelen
en benoemen van voorwerpen die de kinderen kenden, zoals hun eigen
lichaamsdelen, kartonnen figuren (vierkanten, rechthoeken,
ruiten enz.), dierenplaten, planten, zaden, houten plankjes en
kruidenierswaren). Een voorbeeld van deze beide oefeningen (spreken
en opmerken) geeft de schoolmeester en dialectschrijver
willem Kloeke, die de eerder genoemde school voor de gegoede
stand bezocht: “wel erinner ik miej, da-w’ naemen van kleuren
mossen leeren van ’n groot stuk wit bordpapier, doeur fluweelen
linties van alderande kleuren over e-spannen waeren. De naemen
van de kleuren wieren deur de juffrouw e-nuumd en dan mossen
wiej diie net zoolange nozeggen, tu-w’ ’t wisten” 39).
00 Tellen en getalleer.
Met behulp van kleine houten kubussen leerden de kinderen tellen
en ook optellen. Juist dit onderwijs moest volgens Ter
Pelkwijk zeer aanschouwelijk worden voorgesteld, om de kinderen
te leren welke hoeveelheden bij welke getalswaarden hoorden. De
rekenlessen werden daarna voortgezet met •stipfiguren op karton,
zodat ze het verband tussen hoeveelheid en cijfersymbool leerden.
Ook waren er twee ebbenhouten toiletjes met op het ene de
tien stippenfiguren en op het andere de getallen van één tot
tien. De kinderen moesten dan de juiste combinaties bij elkaar
zoeken. Om de kinderen het vermenigvuldigen bij te brengen, gede
gebruikte
1 2 3 4
stippenfiguren
• •
5 6 7 8 9
• •
10
bruikte men tien stroken papier, waarop telkens één van de stippenfiguren
was afgebeeld. De kinderen moesten dan telkens zeggen
hoeveel keer ze een bepaalde figuur zagen en hoeveel de totale
waarde was, bijvoorbeeld:
= 3 maal 7 = 21
Later werd hiervoor het telraam gebruikt 40). Ten slotte leerden
de kinderen nog hoofdrekenen.
00 Vormleer.
Dit was een soort eenvoudige meetkunde. De kinderen moesten
lijnen, hoeken en figuren leren benoemen en tekenen. Dit onderwijs
hield duidelijk verband met het eerder genoemde opmerken
en onderscheiden van voorwerpen, maar was wat abstracter van
opzet.
00 Lezen.
Dit was alleen bedoeld voor de oudste kinderen. In de toelichting
bij het reglement voor de kleine-kinderschool werd geconcludeerd,
dat lezen op zich niets bijdroeg aan de ontwikkeling
van de verstandelijke en zedelijke vermogens van het kind
en dat het “geheel onnoodig, ja schadelijk is, dat kinderen
het lezen te vroeg leeren”. De kleintjes zouden het gelezene
immers nog niet begrijpen en dus zouden de leeslessen nutteloos
zijn. Het bleek echter noodzakelijk de oudste kinderen toch
leesonderwijs te geven. Na de kleine-kinderschool gingen de
meesten door naar de leer- en werkscholen van de armeninrichting.
Als daar, door het ontbreken van het leren lezen op de kleinekinderschool,
teveel aandacht aan dit onderwijs gegeven moest
worden, zou de andere kennis die de kinderen al opgestoken hadden,
gemakkelijk kunnen verwateren. Wanneer zij konden lezen,
konden ze direct door naar de hogere afdelingen van de leeren
werkscholen 41). Bij het leesonderwijs werd gebruik gemaakt
van de zogenaamde klankmethode met behulp van een letterkast.
We mogen ons dit voorstellen als een soort ‘Aap-noot-Mies’-
leesplankje.
Het onderwijs werd afgewisseld met spelletjes en lichaamsoefeningen,
die onder leiding van één van de helpsters op de
speelplaats plaatsvonden, of bij slecht weer in het speellokaal.
Er was speelmateriaal aanwezig, zoals een hobbelpaard, hoepels,
tollen en knikkers. Dit spelen zou, zo was Ter Pelkwijk van mening,
de gezondheid en levendigheid van de kinderen bevorderen
en de school tot een vrolijk instituut maken. De eerder genoemde
6
Kloeke over het spelen: “A-w’ no de spölskooele gongen, dan
gong Darrekien (een helpster JH/WvdM) veurop en ield er iiene
van ons aer vaste an de rokken en ieder volgend kind ield ‘t
kind vaste, dat veur ‘m liep en dan zongen wiej, Sjok, sjok,
achter an miej rok; Veur an miej rok is ’t beste! Sjok, sjok,
enz.” 42).
Aangezien het onderwijs aan de Zwolse kleine-kinderschool geheel
nieuw was en niemand er ervaring mee had ging men, zoals
gezegd, uit van de voorbeelden van anderen (Pestalozzi, Visser
en Woldendorp) en werd de theorie steeds door de praktijk bijgesteld.
De kinderen moesten bij dit alles met zachtheid behandeld
worden. Gehoorzaamheid moest door vermaningen en beloningen
worden afgedwongen, minder door straffen. De laatste
bestonden uit het in de hoek zetten van een kind of het in
school houden wanneer zijn of haar groep naar de. speelplaats
ging. Beloningen werden gegeven in de vorm van plaatjes, die,
als de kinderen erg hun best hadden gedaan, ook nog zelf uitgezocht
mochten worden.
RESULTATEN
De resultaten van het nieuwe kleuteronderwijs konden jaarlijks
geconstateerd worden tijdens de examens, gehouden in aanwezigheid
van de gouverneur, de burgemeester, raadsleden en andere
aanzienlijke ingezetenen 42a). Er werd gezongen en de kinderen
gaven proeven van hun vorderingen in het spreken, rekenen,
schrijven enz. Daarna werden aan de beste kinderen premies uitgedeeld,
meestal kledingstukken, terwijl de allerbesten een
bijzonder geschenk van de gouverneur kregen, meestal een boekje,
’s Middags was er dan feest op school, waarbij aan de kinderen
saliemelk geschonken werd.
Ook het zedelijk onderwijs had zijn vruchten afgeworpen, zo
blijkt uit de verslagen van de examens: “Aandoenlijk was het
gezigt van zulk eene schaar jonge kinderen van de behoeftigste
volksklasse, allen, naar hunne stand, zeer goed gekleed, helder
en zuiver, en zoo ordelijk, zoo stil en ingetogen en toch zoo
gepast vrijmoedig als. men van kinderen van die jaren mag verwachten:
zoo dat ook hier de vreemdeling niet de kinderen der
behoeftige zoude erkennen, en men ook bij dit gedeelte van het
opkomende geslacht de duidelijkste blijken aantreft van den
verbeterden toestand der armen in deze stad” 43).
De verslagen van de examens in de Overijsselsche Courant waren
steeds zeer lovend, maar werden,dan ook geschreven door G. Luttenberg,
secretaris van het bestuur van de Stadsarmeninrichting.
Van andere zijden was er echter ook lof. Kloeke spreekt over de
__ i vnn f»*» in Oen j i f io IK.’IH I)<-ÜOMW»_^ ' .— ioaooLcnoow voon DE_#KMEHIHBICTIHC Jaarboekje van de provincie Overijssel 1839 (Zwolle z.j.) bijzondere aantekening t.o. p.44 scholen van de armeninrichting, "woeur 't onderwies, zoo a-'k laeter wel ebbe e-markt, eerder beter dan slechter was dan op d'andere skooelen in de stad" 44). En rijksinspecteur voor het onderwijs Wijnbeek is er in 1833 en 1841 zeer over te spreken: "mogten kinderscholen naar het model der Zwolsche ingerigt, ten behoeve vooral der geringe volksklasse, in alle steden, de groote in 't bijzonder, worden daargesteld, (...) Welke heilzame gevolgen zou zulks niet opleveren voor de orde, ondergeschiktheid en arbeidzaamheid dier volksklasse!" 45). In de rest van zijn rapport vergelijkt hij de bewaarscholen elders steeds met de Zwolse, welke vergelijking steeds in het voordeel van de laatste uitvalt. De roem van de kleine-kinderschool reikte tot over de grenzen en zelfs koning Willem I bracht er (in 1830) een bezoek aan. In zijn tweede rapport meldt Wijnbeek, dat naar zijn mening de kinderen te lang achter elkaar met leren bezig waren. In het Derde Verslag over de toestand van de Stadsarmeninrichting wordt hierop gereageerd 46). De kinderen moesten in de korte tijd dat ze op school waren - ze moesten immers al vroeg hun bijdrage leveren aan het gezinsinkomen - zoveel mogelijk leren, waaraan ze in hun (ambachts- en werklieden-)stand behoefte hadden. 8 Dat dit, voor de aan de armeninrichting opgeleiden, vruchten afwierp, bewijst een onderzoek in het Derde Verslag (1841) naar de toenmalige positie van 600 oud-leerlingen 47). Daarvan waren er 449 uit de behoeftige stand afkomstig geweest; slechts één verkeerde in 1841 nog in die staat. Van de 118 kinderen uit de bedeelde stand werden er op dat moment nog drie bedeeld. Op korte termijn had het regelmatig bezoeken van de kleinekinderschool positieve gevolgen voor de gezondheid van de kinderen. Al in 1831 werd geconstateerd, dat er onder de kinderen van deze school relatief weinig ziekte en sterfte voorkwam 48) en tussen 1835 en 1840 stierven er jaarlijks maar twee kinderen van de ongeveer 250 die daar les kregen 49). Een zeer laag aantal als we weten dat de kindersterfte in die tijd nog zeer groot was. Het regelmatig schoon maken van de school, het buiten spelen en het doen van lichaamsoefeningen, maar ook het weren van niet-ingeënte of (voor de kinderziekten) niet-immune kinderen zullen de belangrijkste oorzaken van de bovengenoemde constatering geweest zijn. De goede resultaten van de school voor behoeftige kinderen had tot gevolg, dat al in 1829 besloten werd, dat er ook één voor de gegoede stand moest komen. Deze school was eerst gevestigd in het voormalige Jufferenconvent op de hoek van de Blijmarkt en de Praubstraat en later in de Fratersteeg tussen de Goudsteeg en de Praubstraat. Het onderwijs werd op een gelijke manier gegeven als aan de armeninrichting. Het schoolgeld bedroeg tien gulden per jaar. Er waren een hoofdonderwijzeres en drie secondantes aangesteld. Er gingen jaarlijks ongeveer 100 kinderen naar deze school' 50). De stedelijke overheid hoopte dat de kleine-kinderschool als voorbeeld zou gaan werken voor andere Zwolse bewaarscholen. Hiervan is één voorbeeld gevonden. In 1836 vormde de weduwe J. Snijder haar bewaarschool om naar voorbeeld van de kleine-kinderschool. Als blijk van waardering schonk de stad haar schooltje, waar in dat jaar 64 kinderen leskregen, een doos met voorwerpen voor het aanschouwelijk onderwijs en een hobbelpaard 51). Bovendien adviseerde de plaatselijke schoolcommissie geen matressen meer toe te laten, die geen kennis hadden genomen van het nieuwsoortig onderwijs, zonder haar enkele lessen te laten volgen aan de kleine-kinderschool 52). Daarnaast mag de afname van het aantal bewaarscholen, die gemiddeld zo'n twintig leerlingen hadden, eveneens een teken zijn van de verbeterende invloed die de kleine-kinderschool had op het Zwolse bewaarschoolonderwijs, vooral nadat de school naar het nieuwe gebouw was verplaatst (1839). Zwolse kleine-kinder- en bewaarscholen en het aantal leerlingen van die scholen 53) jaar 1827 1834 1835 1836 1837 1838 1839 1840 1841 kleine-kinderscholen aantal 2 2 3 3 3 2 2 2 leerlingen 438 335 414 436 423 360 397 403 bewaarscholen aantal 39 24 24 25 23 22 17 17 15 leerlingen 440 480 481 458 530 410 358 359 324 tabel III De invloed van het vernieuwende karakter van de Zwolse kleinekinderschool strekte zich echter uit tot buiten de stadsgrenzen. De school werd door velen uit binnen- en buitenland bezocht. Daarnaast werden in Zwolle de eerste onderwijzeressen gevormd voor een groot aantal bewaarscholen in Nederland. Zo werden twee meisjes door het Deventer stadsbestuur naar Zwolle gestuurd om daar aan de kleine-kinderschool door Ter Pelkwijk opgeleid te worden tot matres. Na één jaar onderwijs konden zij in 1834 naar Deventer terugkeren om daar een bewaarschool naar het Zwolse voorbeeld te gaan beheren 54). Ook uit onder andere Groningen en Rotterdam kwamen kwekelingen naar Zwolle om daar de nodige ervaring op te doen 55). Zwolle heeft op die manier een speerpuntfunctie vervuld in de vernieuwing van het onderwijs aan kinderen tussen twee en zes jaar. CONCLUSIE De oproep in 1827, om het bewaarschoolonderwijs op een nieuwe leest te schoeien en met name voor arme en behoeftige kinderen toegankelijk te maken, was in Zwolle aanleiding om de nog jonge Stadarmeninrichting uit te breiden met een zogenaamde "welingerigte" kleine kinderschool. Het onderwijs aan de twee- tot zesjarigen zou dienstbaar zijn aan het doel van de inrichting: de verheffing van de behoeftige stand door arbeid en onderwijs. 10 Mr. J. ter Pelkwijk 1769 - 1834 Collectie: Prov.Overijssels Museum. Repro: J.P. de Koning 11 Met die verheffing kon nu reeds op jonge leeftijd begonnen worden. Bovendien zouden de kinderen voorbereid worden op het werk en onderwijs aan de armeninrichting. Doordat hun ouders in staat zouden zijn om een groter gezinsinkomen te verwerven - de moeder kon ook gaan werken - zouden ze zo meewerken aan hun eigen verheffing. Door samenwerking van het bestuur van de armeninrichting, de raad van de stad Zwolle en de stedelijke schoolcommissie, maar vooral door de inzet van dr. Jan ter Pelkwijk, die de reglementen voor de nieuwe school samenstelde, het toekomstige onderwijzend personeel onderwees en methodes voor en voorwerpen bij het onderwijs ontwierp, kon het onderwijs ruim anderhalf jaar na de oproep van start gaan. Het onderwijzend personeel, één matres en enkele helpsters, moest aan enkele vereisten voldoen. Onderwijservaring en een redelijk jeugdige leeftijd waren, naast onder andere beschaafdheid, zedelijkheid en liefde voor de kinderen, de belangrijkste. Geen eisen werden gesteld aan de ontwikkeling en de pedagogische en didactische vaardigheden van de vrouwen. De salariëring van de matres was redelijk. Het loon van de helpsters, jonge meisjes uit de leerscholen van de armeninrichting, zal het inkomen van het gezin waaruit ze kwamen aangevuld hebben. Het onderwijs moest de lichamelijke en verstandelijke vermogens van de kinderen ontwikkelen. Daartoe werd het leren afgewisseld met spelen. Het leren viel te verdelen in spraak-, reken- en leeslessen, terwijl ook aandacht werd besteed aan het onderscheiden van voorwerpen en de vormleer. Het onderwijs moest voor alles aanschouwelijk en begrijpelijk zijn. Ter Pelkwijk volgde hiermee de toentertijd moderne onderwijsmethode van Pestalozzi, zoals hij bij het onderwijs aan de kandidaat-matressen en -helpsters gebruik had gemaakt van de toen populaire handleidingen voor bewaarschoolhoudsters van Visser en Woldendorp. Over de resultaten van het onderwijs lieten velen zich lovend uit. Op de lange termijn bleek de armeninrichting haar doelstellingen te verwezenlijken, waaraan het onderwijs op de kleine-kinderschool dus zijn bijdrage leverde: de vele oudleerlingen hadden zich een onafhankelijke positie in de maatschappij verworven. De goede resultaten van de kleine-kinderschool leidden tot een explosieve stijging van het aantal leerlingen. Daarnaast nam het aantal ouderwetse bewaarscholen, waar de nadruk meer op het bewaren dan op de scholing lag, af, ook doordat er nog een kleine-kinderschool was opgericht, nu voor de gegoede stand. Door dit goede kleuteronderwijs trok Zwolle veel kwekelingen aan, die na de gevolgde lessen het kleuteron12 derwijs elders ook op moderne leest schoeiden. Hierdoor fungeerde Zwolle in de jaren dertig van de vorige eeuw als (een) centrum voor de vernieuwing van het kleuteronderwijs. De moderne wijze waarop in Zwolle, met behulp van nieuwe ideeën op het gebied van het kleuteronderwijs, gestalte gegeven werd aan de oproep om een "welingerigte" kleine-kinderschool op te richten, had niet alleen gunstige gevolgen voor de Zwolse armen en behoeftigen, maar ook voor de gehele stad en voor het onderwijs in geheel Nederland. Noten 35. Gebaseerd op de reglementen in Derde Verslag, 14-35; en GAZ, SAOO3. 36. GAZ, SAOO3, 6. 37. Verder gedichten van mevrouw Bilderdijk en de volksliederen uitgegeven door het Nut, zie GAZ, SAOO3, 11. 38. Ibidem, 14. 39. W. Kloeke, Zwolse sketsies (heruitgave 1986 van: Zutphen 1931), 14. 40. 'Het onderwijs in Overijssel tussen 1830 en 1850 volgens de rapporten van inspecteur Wijnbeek', R. Reinsma ed. in Verslagen en mededelingen VORG 80 (1965) (Wijnbeek 1841) 55. 41. Tweede verslag, 40-41. 42. Kloeke, 24. 42a Zie verslagen in Overijsselsche Courant 1829 no.63 (7-8) 1; 1830 no.70 (31-8) 1; 1831 no.95 (29-11) 1; 1837 no.74 (15-9) 1. 43. Ibidem, 1831 no.95 (29-11) 1. 44. Kloeke, 34. 45. Wijnbeek 1833, 81. 46. Ibidem en Derde Verslag, 13. 47. Derde Verslag, 46-56. 48. Overijsselsche Courant 1831 no.87 (1-11) 1. 49. Derde Verslag, 14. 50. Derde Verslag, 56-63 en Wijnbeek 1833, 79-81. 51. GAZ, CA013, Notulen 7-1-1836. Deze school bestond tot 1839. 52. RAO, PCOO, no.387, verslag 1836 bij stukken april 1837. 53. 1827: RAO, PCOO, no.385, 10-10-1827. 1834-1841 in RAO, PCOO, no's 386 en 387, verslagen van de jaren 1834-1841 bij de stukken van april 1835-1842. 54. Tweede Verslag, 42-43. 55. Van Essen, 28. DE BOUWGESCHIEDENIS VAN HET VROUWENHUIS TE ZWOLLE PETER BOER " PRAESTANT AETERNA CADUCIS " (het eeuwige gaat boven het vergankelijke) en 11 ANNO 1742 IS DIT HUIS TOT EEN VROUWENHUIS GESTIGT VOLGENS DE UITERSTE WILLE VAN JUFFER ALEIDE GREVE OVERLEDEN DEN 4 FEBR. 1742 DOGTER VAN DE HEER GEURT GREVE GEMEENSMAN BURGERHOPMAN DEZER STAD EN CONTRAROLEUR VAN DE CONVOIEN EN LICENTEN EN VAN VROUW LAMBERTA HOLT." INLEIDING Bovenstaande teksten prijken op de gevelstenen van het pand Melkmarkt 53, bekend onder de naam Vrouwenhuis. Het Vrouwenhuis, dat een aaneengesloten blok bebouwing vormt tussen de Melkmarkt en de Voorstraat met een langsgevel aan de Korte Kamperstraat, werd gesticht om onderdak te verschaffen aan ongehuwde, bejaarde vrouwen. Met name armlastige dienstbodes van hervormde huize vormden de doelgroep. Waarom juist aan deze groep vrouwen huisvesting is geboden, is niet duidelijk; dat deze vrouwen best wat hulp gebruiken konden, lijdt geen twijfel. Een beroep als dienstbode bood waarschijnlijk beperkte mogelijkheden wat te sparen en zij die niet trouwden hadden geen kinderen die later voor een onbezorgde oude dag konden zorgen. Als de welgestelde Aleida Greve na haar dood haar huis ter beschikking stelt, heeft dit pand de huidige omvang al bijna bereikt . Met het beheer van de financiën en het toezicht op de dagelijkse gang van zaken wordt een aantal regenten belast (deze situatie duurt tot op de dag van vandaag voort). De regenten trachten ge14 Praestant aeterna caducis, het eeuwige gaat boven het vergankelijke. Foto: Gemeentelijke Fotodienst Zwolle, J.P. de Koning 15 durende ruim 200 jaar de herinnering aan weldoenster Aleida Greve steeds levend te houden. Zij doen dit onder andere door vertrekken die niet (meer) voor bewoning geschikt zijn, of die daarvoor gewoon te fraai worden geacht (en dat zijn er nogal wat), alsmede een aantal trappen en gangen, zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat te houden. Het exterieur van het gebouwencomplex wordt vreemd genoeg in de loop der tijd een aantal malen "gemoderniseerd" en verandert dus nogal. Zo blijkt dus dat een stuk 17e en 18e eeuwse wooncultuur op unieke en oorspronkelijke wijze bewaard gebleven is dankzij de combinatie van langdurige bewoning door bejaarde vrouwen en de behoudzucht van de regenten. In dit artikel wil ik de wordingsgeschiedenis van het latere Vrouwenhuis vanuit een bouwkundige achtergrond belichten. Met name wordt ingegaan op de groei vanuit individuele bouwdelen tot een cultuur- en bouwhistorisch zeer waardevol complex. DE BOUW De oudst bekende afbeelding van het Vrouwenhuis is te zien op de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1580. Deze kaart is wat betreft de weergave van individuele panden niet altijd even betrouwbaar. Op figuur I zijn twee bebouwingsdelen zichtbaar, respectievelijk aan de Melkmarkt (waar toen nog het water van de Aa stroomde) en aan de Voorstraat. Tussen de Voorstraat en de Melkmarkt ligt een onbebouwd terrein, dat door een muur van de straat is afgesloten, zodat een binnenplaats is ontstaan. Wanneer we de bebouwing aan de Melkmarktzijde nauwkeuriger bekijken, is een voorhuis met verdieping zichtbaar, waar aan de achterzijde een lager pand zonder verdiepingen tegenaan gebouwd is. Het pand met verdieping bestaat nog steeds en is op figuur II met de letters A en B aangegeven. Tegen bouwdeel B staat een even hoog gebouw (C), dat op de kaart van 1580 schuil gaat achter het voorhuis. De bouwdelen A, B en C zijn op grond van hun constructieve opbouw te dateren tussen 1525 en 1550. Het oudste deel, deel A met een voorgevel aan de Melkmarkt, zal gebouwd zijn omstreeks 1525. Kort na deze datum is deel B er tegenaan gebouwd en wel op een dusdanige wijze dat op het eerste gezicht sprake is van één bouwmassa die als geheel opgetrokken is. Uit de opbouw van de kapconstructie blijkt echter het tegendeel. Omstreeks 1550 is tegen deel B een evenhoog pand gebouwd dat waarschijnlijk altijd met dit deel verbonden is geweest, omdat het geïsoleerd op een binnenterrein ligt. Genoemde bebouwing aan de Melkmarktzijde is dus kort na elkaar gebouwd om als geheel bewoond te 16 fig.I Fragment van de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg uit 1580. fig.III Fragment uit de stadsplattegrond van Blaeu uit plm. 1650. worden. Dat de delen A, B en C altijd bij elkaar hebben gehoord, blijkt tevens uit het feit dat alleen deel A een trap van de begane grond naar de verdieping heeft. De trap van de verdieping naar het zolderniveau is aanwezig in deel B. In deel C zijn in het geheel geen trappen of trapravelingen aanwezig. EIGENAREN, BEWONERS EN UITBREIDING VAN HET PAND De delen A, B en C, alsmede een achterhuis aan de Voorstraat zijn omstreeks 1600 eigendom van een zekere Johan Wayer 1). In akten waarin sprake is van het achterhuis aan de Voorstraat wordt deel E bedoeld, dat op grond van de constructieve opbouw .tussen 1475 en 1575 gebouwd moet zijn. Opvallend is dat alleen de delen A en E onderkelderd zijn; bij latere uitbreidingen was er kennelijk geen behoefte aan extra kelderruimte. Wanneer Johan Wayer in 1614 komt te overlijden, wordt zijn onroerend goed door de erfgenamen gesplitst en verkocht. Het voorhuis aan de Melkmarkt wordt verkocht aan Herman Ewolts, het achterhuis komt in handen van Johan Hendrixen. 17 Tot ongeveer 1645 vinden er geen ingrijpende bouwactiviteiten plaats. Zo omstreeks 1633 wordt het voorhuis bewoond door Elisabeth Ewolts die in 1627 getrouwd is met Johan van Leeuwen 2). Vader Herman Ewolts is dan kennelijk reeds verhuisd naar een belendend perceel, want in 1642 koopt Dr. Hendrik Wolfsen een pand dat zich uitstrekt van de Aa (Melkmarkt) tot aan de Voorstraat. Aan de voorzijde grenst het aan het pand van de weduwe Roelof Nolten en in de Voorstraat ligt het tussen de panden van burgemeester Herman Ewolts en Gerrit Hendrix 3). Deze Hendrik Wolfsen is in 1644 getrouwd met Aleyda Varwers 4). Op de stadsplattegrond van Ioan Blaeu van omstreeks 1650 staan wat betreft het Vrouwenhuis nog steeds dezelfde gebouwen als op de kaart van Braun en Hogenberg weergegeven. Op de kaart van Blaeu, die zeer nauwkeurig te werk ging, is op het erf, halverwege de Voorstraat en de Melkmarkt, een vrijstaand gebouwtje aangegeven (zie figuur III). Wellicht is bij het vervaardigen van de kaart toch een foutje gemaakt. In de achtergevel van deel B bevinden zich namelijk bouwsporen die wijzen op een lagere aankapping die later gesloopt moet zijn. Deze sporen kunnen afkomstig zijn van het bouwsel dat op de kaart van Blaeu als vrijstaand wordt weergegeven. Omstreeks 1670 wordt als eigenaar nog steeds secretaris Wolfsen genoemd, maar als huurder verschijnt Pieter Soury ten tonele. Deze Pieter Soury is in 1668 getrouwd met Aleyda Wolfsen, de dochter van Hendrik en Aleyda. Het pas getrouwde stel komt dus bij de ouders van de bruid inwonen. Of deze inwoning een uitbreiding van het huis tot gevolg heeft gehad is niet bekend, maar wel staat vast dat tussen 1650 en 1682 het deel gebouwd wordt, waarin de huidige regentenkamer is ondergebracht (deel D). Deze bouwmassa is verdiepingsloos en sluit bouwkundig gezien perfect aan op deel E, dat destijds nog in handen was van de familie Hendrix. Op de begane grond is op geen enkele wijze een verbinding (geweest) tussen deel D en E, wat gezien de verschillende eigenaars ook niet waarschijnlijk is. De zolder van deel D is echter vanuit deel B of vanaf de begane grond niet bereikbaar (geweest), de toegang loopt via de zolder van deel E. Voor deze tegenstrijdigheden is nog geen verklaring gevonden. Toch is zonder twijfel deel D als uitbreiding van A-B-C gebouwd, en wel vóór 1682. Dit blijkt uit de wijze waarop de toegangen van B naar D en van D naar buiten zijn geconstrueerd. De voormalige buitendeur van deel D hangt nog steeds op zijn originele plaats (zie ook figuur II). Pas in 1682 koopt burgemeester Pieter Soury het achterhuis aan de Voorstraat van Albertje (Hendrix) Muijsevanger (woordspeling: Soury = muis Fr.) 5). Zijn schoonvader Hendrik Wolfsen is dan kennelijk al overleden. 18 777/// fig.II Chronologisch ontwikkelingsoverzicht. In 1682 zijn dus het voor- en achterhuis weer eigendom van één persoon geworden. Om binnendoor van de Melkmarkt naar de Voorstraat te" komen moet men echter nog steeds een stuk over het binnenterrein lopen. Burgemeester Soury lost dit probleem op door op het binnenterrein een smalle strook te bebouwen met een 19 verbindingsgang. Deze gang, die deel uitmaakt van de indrukwekkendste elementen van het Vrouwenhuis, zal gebouwd zijn tussen 1682 en 1695, het jaar waarin Pieter Soury komt te overlijden. De verdiepingsloze gang is overkapt met een lessenaarsdakje. Het plafond wordt gevormd door een gedrukt tongewelf met steunbogen die dragen op pilasters met ionische kapitelen, alles uitgevoerd in hout. Deze steunbogen en de kapitelen zijn rijk versierd met houtsnijwerk; op de pilasters is gesneden loofwerk aangebracht dat is opgebouwd uit onder andere bloemkelken, sparappelen, eiken-, bramen- en klimopbladeren. De maker van dit houtsnijwerk is Hermannus van Arnhem 6). Deze kunstenaar heeft in Zwolle gewerkt tussen 1667 en 1708. In een ander deel van het Vrouwenhuis en wel op de begane grond van deel C, is tevens een houten schouw van zijn hand te vinden. De pilasters aan weerszijden van deze schouw zijn op dezelfde wijze als in de gang voorzien van loofwerk. In het midden is een wapenschild aangebracht, met daarop het alliantiewapen van de families Wolfsen en Soury 7) (zie figuur IV). STICHTING VAN HET VROUWENHUIS In 1706, ruim tien jaar na het overlijden van Pieter Soury, wordt het huis van de erven Soury overgeschreven op naam van Aleida, Judith en Henrica Greve. De drie zusters kopen na het overlijden van hun oom van moederszijde, Herman Holt, van het geld dat zij erven het "huis en doorgaande where" van wijlen kameraar Soury 8). Of Aleida en haar zusters ook daadwerkelijk in het huis gaan wonen is niet bekend. Dat zij het pand mogelijk als beleggingsobject verworven hebben is niet uitgesloten. Met name de ongehuwde Aleida (die leefde van 1670 tot 1742), is de geschiedenis ingegaan als een zeer vermogende vrouw. Haar vermogen blijkt onder andere uit het feit dat zij omstreeks 1723 vuurstedegeld moet betalen voor een groot aantal huizen in de Voorstraat 9 ) . Als in 1742 Aleida als langstlevende van de drie zusters komt te overlijden, geeft zij in haar testament instructies voor het stichten en beheren van een Vrouwenhuis aan de Aa. Het huis heeft dan nog steeds de omvang zoals het in 1706 aangekocht werd. Dr. G.W. Golts, convooimeester en neef van Aleida, wordt als verantwoordelijke man voor het Vrouwenhuis aangesteld 10). Er blijkt veel animo voor het Vrouwenhuis te zijn, want in 1750 telt het tehuis reeds vijftien bewoners 11). Tussen 1742 en 1832, het jaar waarin het Vrouwenhuis voor het eerst bij het 20 kadaster wordt vastgelegd, worden de gebouwen uitgebreid met een vleugel aan de Voorstraat. De indeling van deze vleugel wijst duidelijk op.de huisvesting van alleenstaanden. In 1832 is de huidige omvang van het gebouwencomplex bereikt en sindsdien zijn slechts op kleine schaal veranderingen aangebracht. Hoewel de geschiedenis van na 1742 buiten het bestek van dit artikel valt, is het volgende nog vermeldenswaard. Waarschijnlijk zijn om hygiënische redenen kort na de stichtingsdatum op grote delen van de wanden geglazuurde, witte wandtegels aangebracht. Deze tegels accentueren de eenheid die het complex vormt en zorgen daarnaast voor een zeer bijzonder effect. fig.IV Schouw op de begane grond in deel C 21 Verbindingsgang met houtsnijwerk in renaissancestijl door Hermannus van Arnhem Foto beschikbaar gesteld door Marcel Malherbe b.f.n. Kort samengevat kan worden geconcludeerd dat het Vrouwenhuis zoals dat nu bestaat, gegroeid is vanuit een tweetal clusters laat-middeleeuwse bebouwing aan weerszijden van de oostgevel van de Korte Kamperstraat. Het binnenterrein is onder invloed van de verschillende eigendomssituaties en de bewoners vanuit het noorden bebouwd, totdat het complex omstreeks 1700 grotendeels zijn huidige vorm bereikt heeft. De status van Vrouwenhuis heeft voornamelijk een consoliderend effect op de aard en omvang van de bebouwing gehad. 22 NOTEN 1 Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), Rechterlijk Archief (RAOOD-25, p.459, 534, 535. 2 GAZ, Retroakten van de Burgelijke Stand Overijssel (RBSO) 721, p.364. 3 GAZ, RA001-O29, p.269. 4 GAZ, RBSZ 723, p.229. 5 GAZ, RA001-034, p.17O. 6 Verbeek, J., "Hermannus van Arnhem, houtsnijder" in Bulletin van het Rijksmuseum 16 (1968), p.24, p.67 e.v. 7 Rietstap, J.B., Illustrations to the Armorial General (London 1965; reprint). 8 GAZ, RAOO1-O37, p.388. 9 GAZ, Administratief Archief Zwolle (SAZO1)^175. 10 GAZ, RA001-137, p.16-18. 11 GAZ, AAZ01-4347. LEZINGENCYCLUS ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING IN 1987: 11 ASPECTEN VAN DE MODERNE DEVOTIE " In het najaar van 1987 zal herdacht worden dat 600 jaar geleden te Windesheim een klooster gesticht werd om de instandhouding en bescherming van de Moderne Devotie te waarborgen. Deze door Geert Grote gegrondveste religieuze beweging streefde naar een zuivere geloofsbeleving en een zuiver en praktisch leven in navolging van Christus. In korte tijd breidde deze beweging zich over heel Europa uit. Het centrum ervan bleef, vooral door de activiteiten van het klooster te Windesheim, in de IJsselvallei liggen. Het nabijgelegen Zwolle ondervond ook de invloed van de Moderne Devotie. In de stad (tussen de huidige Papen- en Praubstraat) en erbuiten (op de Agnietenberg) vestigden zich broederschappen van Moderne Devoten. In 1984 werd ter gelegenheid van de herdenking van de 600-ste sterfdag van Geert Grote reeds een boekje door de Zwolse Historische Vereniging uitgegeven. Voor deze laat-middeleeuwse religieuze herleving bestaat nog steeds veel belangstelling. Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging organiseert daarom in 1987 vier lezingen rond dit thema. Pater R.Th.M. van Dijk uit Nijmegen zal spreken over de Windesheimer kloostercongregatie. De heer R. van Beek uit Zwolle zal de opgravingen bespreken die in 1986 plaatsvonden in een deel 23 van de Zwolse vestiging van de Moderne Devoten in de Praubstraat. Mevrouw drs. M.L. Caron uit Utrecht zal spreken over de religieuze voorstellingswereld van de broeders des gemenen levens, zoals de Moderne Devoten ook wel genoemd werden. Mevrouw drs. L.S. Wierda uit Groningen zal de zogenaamde Agnietenbergse verluchtkunst belichten. De broeders op de Agnietenberg voorzagen onder andere met dit versieren van handschriften in hun levensbehoeften. Nadere aankondiging van de verschillende lezingen volgt. TENTOONSTELLINGSAGENDA PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM - begin maart 87 Onze Lieve Heer van zolder Bijbelse voorstellingen zoals de aankondiging van de geboorte van Christus, het laatste oordeel e.d., geschilderd in de 16e t/m 19e eeuw. - begin maart 87 - tm 1 maart 87 12.03.87-26.04.87 Vriendschappelijke herinneringen Alba amicorum uit eigen bezit Vrienden schreven, tekenden en borduurden in het album amicorum, een voorloper van het huidige poëziealbum. Marokko veraf en dichtbij Een educatieve fototentoonstelling aangevuld met diverse objecten (onderdeel van het Zwolse Kultuur- Anders-project) Kunst of Kunde Werk van docenten verbonden aan de opleidingseenheid tekenen-handvaardigheid van de Christelijke Lerarenopleiding Zwolle, die midden maart 1987 opgenomen gaat worden in de nieuwe Hogeschool Zwolle, een samenvoeging van meerdere opleidingen van Hoger Beroeps Onderwijs. 24 maart t/m juli 1987 De Zwolse mummie mei t/m juli 1987 Een tentoonstelling over binnenscheepvaart i.v.m. de opening van een nieuwe haven aan het Zwartewater te Zwolle en een congres van de Vereniging Schuttevaer. begin augustus 1987 Kermistentoonstelling Leden van de Zwolse Historische Vereniging hebben op vertoon van hun ledenkaart gratis toegang tot het museum. Dit geldt ook voor huisleden van de vereniging (jaarcontributie huisleden: ƒ 7,50: nadere informatie bij de ledenadministratie). Het museum is geopend van dinsdag tot en met zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur; zondag van 14.00 tot 17.00 uur. Het adres van het museum is Voorstraat 34, 8011 ML Zwolle. Telefoon: 038 - 214.650. PERSONALIA Korte beschrijving van de auteurs, die aan deze uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift meewerkten Jaap Hagedoorn (geboren 1960) voltooide onlangs zijn studie geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Heeft al meerdere publicaties op het gebied van de Zwolse, Overijsselse en joodse geschiedenis op zijn naam staan. Willy van der Most (geboren in 1961) voltooide de opleiding aan de Bibliotheek en Documentatie Academie en studeert thans Historische Pedagogiek aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Peter Boer (geboren in 1961) verrichtte in het kader van zijn studie bouwkunde aan de H.T.S. een onderzoek naar de haalbaarheid van restauratie van het Zwolse Vrouwenhuis. Het artikel is een bewerkte samenvatting van het historisch onderzoek dat voor dit afstudeerproject werd verricht. De auteur is in tijdelijke dienst werkzaam bij de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Zwolle, alwaar hij zich bezig houdt met inventarisatie en documentatie van bestaande bebouwing. BESTUUR: voorzitter: J . Hagedoorn secretaris: R. Salet penningmeester: H. Brassien Leden: R.T. Oost B.H. Edel Tyassenbelt 28, Zwolle Sellekamp 32, Zwolle Brederostraat 76, Zwolle Jellissenkamp 2, Zwolle SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE: Postbus 1448 REDACTIE-ADRES: Boddemate 14 GIROREKENING: 8001 BK Zwolle 8014 JH Zwolle 5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging te LIDMAATSCHAP: Zwolle Jeugdleden, studenten en 65-plus leden tussen 21 en 65 jaar huisleden f 2 5 , — per jaar ƒ 3 5 , — per jaar f 7,50 per jaar type&layout: henk brassien(OLIVETTI-LIVIUS / 90%) druk: adm.centrum 'De Sassenpoort' - Zwolle omslag: "SWOLLA", kopergravure, anoniem, 18e eeuw Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden "T- r vï"-' ••'-'• . '• 1 A/VNA 7WVl M^MMK N onder redactie van: I. Wormgoor A. van der Wurff Zwolle 1987 2 / 6 Dr B.J. Kam Thorbeckegracht 38 C _ x TW 8011 VN ZWOLLE J. ten Hove 038-4214314 CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG Hove, J. ten De Zwolse mummie / auteur J. ten Hove ; red. I. Wormgoor en A. van der Wurff. - Zwolle : Zwolse Historische Vereniging : Provinciaal Overijssels Museum. - 111., foto's Met lit. opg. ISBN 90-71099-06-7 SISO 922.1 UDC 393.3 Trefw.: mummies. Colofon Deze publicatie is een gezamenlijke uitgave van het Provinciaal Overijssels Museum en de Zwolse Historische Vereniging. Het is tevens nummer twee van de vierde jaargang (1987) van het Zwols Historisch Tijdschrift. Omslag: R. Vink (Educatieve dienst van 't POM). Het ontwerp is ontleend aan de hiërogliefen uit het Dodenboek, dat zich op de muren van een graf in Thebe bevindt en waarin aanwijzingen worden gegeven over de te bewandelen weg naar de eeuwigheid. Druk: Administratie- en dienstencentrum "De Sassenpoort", Zwolle. Copyright © 1987 't POM en de Z.H.V. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie, microfilm of op andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Woord vooraf Oudere Zwollenaren zullen zich nog iets kunnen herinneren van één van de merkwaardigste voorwerpen die het Provinciaal Overijssels Museum in zijn collectie heeft gehad, namelijk een Egyptische mummie. Bij röntgenfotografie in 1955 bleek, dat de mummie over meer botten beschikt dan een menselijk skelet behoort te hebben. Voor velen was het een interessante vraag hoe de mummie in 't POM terecht was gekomen. Het antwoord leek in de vijftiger jaren te zijn, dat een Zwolse dominee die prinses Marianne in 1849 had begeleid op een reis naar Egypte, de mummie mee naar huis had gebracht. In 1986 raakte drs. Jan ten Hove, werkzaam bij het Rijksarchief in de provincie Overijssel, in het kader van een breder onderzoek naar de Zwolse musea in de negentiende eeuw, geboeid door de vele onbeantwoorde vragen rond de mummie. Het onderwerp was een nader onderzoek waard. Hierbij bleek al spoedig, dat op de vraag naar de herkomst meerdere antwoorden mogelijk waren. De Zwolse Historische Vereniging en het Provinciaal Overijssels Museum besloten tot de gezamenlijke uitgave van het intrigerende verhaal van de Zwolse mummie. Het Rijksarchief verdient dank omdat de auteur in het kader van zijn archiefwerkzaamheden de gelegenheid kreeg dit onderzoek te verrichten. Rond het mysterieuze voorwerp organiseerde 't POM een kleine tentoonstelling (7 maart - begin augustus 1987). De redactie DE ZWOLSE MUMMIE Een mummie in een provinciaal museum is een zeldzaam verschijnsel. Gezien de doelstelling van provinciale en regionale musea, die zich hoofdzakelijk richten op het bijeenbrengen en tentoonstellen van voorwerpen die een directe relatie met het eigen gewest en de eigen streek hebben, kan men nauwelijks verwachten in een dergelijk museum een Egyptische mummie aan te treffen. Toch kon nog niet zo lang geleden een bezoeker van het Provinciaal Overijssels Museum, naast de grotendeels in diverse stijlkamers ondergebrachte objecten uit de historie van Overijssel, in de oudhedenkamer een mummie bewonderen. In het navolgende verhaal wordt ingegaan op de vraag welke rol 'de oudste inwoner van Zwolle' vervulde binnen de collectie van het museum, waarbij een stukje museumgeschiedenis ter sprake komt. In het kort wordt aandacht besteed aan enkele aspecten rond mummies en mummificatie. Ook komt een aantal opmerkelijke feiten over de datering en de herkomst van de Zwolse mummie aan bod, die geheel recht doen aan de mysterieuze sfeer, waarmee de gebalsemde lichamen van inwoners van het oude Egypte geassocieerd worden. We volgen de discussie tussen een paar mummie-experts over de datering en gaan in verband met een speurtocht naar de herkomst van de Zwolse mummie in het gezelschap van twee Overijsselse reizigers mee naar Egypte. Het museum en de mummie In 1955 werd, nadat de mummie door een merkwaardige ontdekking sterk in de belangstelling was komen te staan, de vraag gesteld of dit voorwerp eigenlijk wel op zijn plaats was in het Provinciaal Overijssels Geschiedkundig Museum, zoals het toen nog werd genoemd. De directeur, J.W. Schotman, maakte in zijn antwoord op deze vraag duidelijk, een ruime taakstelling na te streven voor zijn "museum van voorwerpen betreffende de geschiedenis, kunst en oudheidkunde, in het bijzonder van Overijssel."1 Naar zijn idee had een historisch museum tot taak "een cultuurhistorisch beeld te geven van het leven onzer voorouders vanaf de vroegste tijden, en waar de ontwikkelingsgang van de mens loopt van de praehistorie . . . kan het zin hebben, de locale Overijsselse geschiedenis te tonen in verband met oudere perioden. Immers tot in onze dagen werken deze oude culturen nog na in wetenschap en kunst." Een waarheid als een koe, maar aan het feit dat op deze wijze een provinciaal museum met een uit de aard der zaak beperkte doelstelling een pakhuis van uit alle werelddelen bijeengesleepte voorwerpen kan worden ging Schotman gemakshalve voorbij. Hetzelfde geldt voor zijn tweede argument, dat dergelijke objecten getuigen van de reislust van onze voorvaderen en als zodanig in een historisch beeld passen. Het is moeilijk aan de indruk te ontkomen dat deze twee argumenten een dekmantel vormden voor het werkelijke en niet onbelangrijke argument dat exotische voorwerpen zoals mummies een grote aantrekkingskracht uitoefenen op bezoekers die anders niet zo snel over de drempel van een museum zouden stappen. Schotman: "Eenmaal daar, leren ze ook het andere kennen en waarderen. Elk museum heeft nu eenmaal behoefte aan dergelijke paradepaardjes."2 Mummies en mummificatie Inderdaad gaat van de confrontatie met de in windsels gewikkelde stoffelijke resten van mensen die duizenden jaren geleden geleefd hebben voor een groot publiek een fascinerende bekoring uit. Deze bekoring wordt niet in de laatste plaats veroorzaakt door de tot macabere hoogten gestegen reputatie van mummies. Deze sinistere reputatie wordt enerzijds in de hand gewerkt door de onuitroeibare verhalen over de 'vloek van de farao', waarvan alle personen die betrokken waren geweest bij de verstoring van de eeuwige rust van Toetankamon het slachtoffer geworden zouden zijn, en komt anderzijds voort uit de vele griezelverhalen in boeken en films, waarin tot leven gekomen mummies dood en verderf zaaien. In werkelijkheid getuigt elke Egyptische mummie van een beschaving die vervuld was van de gedachte dat het leven op aarde in het hiernamaals op plezierige wijze voortgezet zou worden. Een goede voorbereiding op dit 'tweede leven' was van groot belang en iedere bemiddelde Egyptenaar beijverde zich tijdens zijn leven een graf in gereedheid te brengen waarin hij, omringd door alles wat hij nodig dacht te hebben, op een aangename wijze de eeuwigheid kon doorbrengen. Maar zonder een woonplaats voor wat de Egyptenaren als de ziel zagen, was een leven na de dood ondenkbaar. Teneinde de meest geëigende woonplaats, het lichaam, voor ontbinding te behoeden werd mummificatie toegepast.3 Herodotos' beschrijving van het balsemen Voor een beschrijving van de wijze waarop een lichaam gemummificeerd werd, kunnen we het beste de Griek Herodotos aan het woord laten, die omstreeks 460-455 voor Christus in Egypte heeft rondgereisd. Niet alle verhalen in zijn reisverslag zijn even betrouwbaar, maar recent onderzoek heeft aangetoond dat, hoewel de uitdroging van het lichaam door het te overdekken met natron slechts 40 dagen in beslag neemt, zijn weergave van de gevolgde procedure bij het balsemen grotendeels juist is.4 Hij beschreef drie verschillende wijzen van mummificatie en begon met de meest kostbare methode: "Eerst halen ze (de balsemers) met een ijzeren haak de hersenen door de neusgaten naar buiten, gedeeltelijk ook door medicamenten erin te gieten. Dan maken ze met een scherpe Aithiopische steen een snede in de buikwand en halen alle ingewanden eruit, reinigen de buikholte, spoelen die met palmwijn en strooien fijngewreven specerijen erin. Vervolgens vullen ze de buikholte op met zuiver mirrepoeder, kasia en andere reukwerken, maar geen wierook, en als hij vol is, naaien ze hem weer dicht. Nadat ze dit gedaan hebben, leggen ze het lijk in natron waarin ze het 70 dagen laten liggen; langer mag niet. Als de 70 dagen verstreken zijn, wassen ze het lijk en omwikkelen het van top tot teen met gesneden repen byssos weefsel, die ze met een beetje gom inwrijven, dat de Egyptenaren meestal als lijm gebruiken. Daarna nemen de familieleden het over: zij laten een mensvormige houten kist maken, waarin ze het lijk opsluiten. Als dan de kist gesloten is, wordt hij bijgezet in een grafkamer, rechtopstaand tegen de wand. Op deze wijze behandelen ze de lijken, als de kostbaarste methode wordt gekozen. Wie terugschrikt voor de kosten en dus de middelste klasse kiest, krijgt de volgende behandeling. De balsemers vullen hun spuiten met olie van de cederboom en vullen daarmee de buikholte zonder deze open te snijden of de ingewanden eruit te halen, maar ze spuiten de olie door de aars naar binnen en beletten deze eruit te stromen en leggen het lijk het voorgeschreven aantal dagen in de natron. Op de laatste dag laten ze de ingespoten olie weer uit de buikholte weglopen. Die olie heeft het vermogen om de maag en ingewanden op te lossen en deze bij het uitstromen mee naar buiten te voeren. De natron evenwel lost het vlees op en zo blijft van het lijk slechts de huid en de beenderen over. Na dit gedaan te hebben leveren ze het lijk af zonder er verder iets aan te doen. De derde wijze van balseming vindt toepassing bij de behoeftigen. Daarbij wordt de buikholte uitgespoeld met ramenaswater en het lijk blijft 70 dagen in de natron en wordt daarna afgehaald." 5 Herodotos beschreef de situatie toen de oude Egyptische beschaving in een eindstadium was aangeland, maar gedurende een groot deel van de ruim drieduizend jaar - vanaf ca. 2700 voor Christus tot ca. 400 na Christus - dat in Egypte stoffelijke overschotten werden gemummificeerd, vond in essentie het prepareren van de lichamen plaats volgens bovenstaande methoden. Grafrovers, kooplieden en verzamelaars Veel kans om in alle rust van hun 'tweede leven' te genieten kregen de meeste Egyptenaren niet. Al in het oude Egypte werden de graftombes opengebroken door dieven en rovers, aangelokt door de kostbaarheden die de overledene een comfortabel bestaan in het hiernamaals moesten verzekeren. Ook de lichamen zelf werden niet ontzien. De mummies werden geplunderd en in stukken gebroken vanwege de kostbare amuletten die tussen de windsels werden geplaatst. In de middeleeuwen werden mummies een geliefd handelsprodukt, aanvankelijk voornamelijk in gemalen vorm. De geneeskrachtige uitwerking die van het gebruik van mummiepoeder werd verwacht leidde tot een levendige handel in deze merkwaardige substantie. Graven werden massaal leeggehaald en het gemummificeerde mensenvlees kwam op de markt in Cairo terecht, "waar", aldus een Arabische dokter in 1203, "het voor een habbekrats te koop is. Voor een halve dirhem kocht ik drie hoofden gevuld met de substantie."6 Buitenlandse kooplieden kochten het poeder in grote hoeveelheden op en maakten enorme winsten met de export naar Europa. De wetenschappelijke opbloei tijdens de renaissance, waarbij de opleving van de studie van de klassieke literatuur een grote rol speelde, gaf aanleiding tot het gretig verzamelen van voorwerpen uit de oudheid. In de curiositeitenkabinetten, bijeengebracht door particuliere verzamelaars en universiteiten, werden behalve objecten uit de Romeinse en Griekse geschiedenis Egyptische beeldjes en mummies hogelijk op prijs gesteld.7 In het kabinet van anatomie en rariteiten van de Leidse universiteit was al sinds 1622 een collectie Egyptische voorwerpen, waaronder mummies, aanwezig. 8 De in militair opzicht mislukte bezetting van Egypte door Napoleon, die in 1798 begon en slechts drie jaar zou duren, bevorderde in Europa de interesse in de Egyptische cultuur. De Franse wetenschappers die in het kielzog van de soldaten meetrokken, legden hun bevindingen vast in de 24 delen van de Description de l'Egypte, verschenen tussen 1809 en 1813, dat de grondslag legde voor de nieuwe studie egyptologie en de belangstelling voor deze fascinerende cultuur sterk aanwakkerde . Een rage in Egyptische oudheden en curiosa ontstond in Europa. Diplomaten, kooplieden en toeristen wedijverden met elkaar om de spectaculairste collecties antiquiteiten te verzamelen. Mummies speelden in deze verzamelwoede een hoofdrol. In 1833 merkte een bezoeker tegen Mohammed Ali, de heerser over Egypte, op "dat het haast onfatsoenlijk was uit Egypte naar Europa terug te keren zonder een mummie in de ene en een krododil in de andere hand."9 Een mummie met vier benen Veel van deze mummies zijn in musea terechtgekomen, waar ze hun dagen doorbrengen met het trotseren van de nieuwsgierige blikken van de bezoekers, die zich afvragen welke raadselen onder de windsels verborgen zitten. De raadsels die 'de mummie van Zwolle' met zich mee bleek te dragen overtroffen echter de stoutste verwachtingen. Tot 1955 was de Zwolse mummie een bron van onbeantwoorde vragen. Over de datering of de herkomst kon niets met zekerheid gezegd worden. Het was zelfs niet eens zeker of men wel met een echte mummie of met een produkt van de Egyptische toeristenindustrie te maken had. Door de grote vraag naar mummies in de negentiende eeuw hadden handelaars al snel door dat ze ook met vervalsingen goede zaken konden doen. In 1837 schreef een zekere Scott: "Want de gretigheid waarmee allerlei rommel door reizigers wordt verkocht, maakt de handel erin bijzonder winstgevend en biedt alle mogelijkheden tot bedrog, omdat de vervaardiging van mummies wordt aangemoedigd."10 Op suggestie van Lili Kaelas, directrice van het Historisch Museum te Stockholm, werd in mei 1955 besloten de mummie röntgenologisch te laten onderzoeken en zekerheid over de authenticiteit te krijgen. Het onderzoek werd uitgevoerd door de röntgenoloog van het Sophiaziekenhuis te Zwolle en hetgeen de röntgenfoto's onthulden was op zijn minst verbazingwekkend te noemen. Aan de echtheid van de mummie viel niet te twijfelen: het skelet was wel degelijk uit menselijke botten samengesteld. Maar de wijze waarop het skelet, dat duidelijk mannelijke kenmerken vertoonde, was samengesteld wekte in hoge mate bevreemding op. Van de schedel was de bovenkaak gedeeltelijk verdwenen. De onderkaak was gebroken en bevatte nog enkele tandresten. Het rompgedeelte was een wirwar van door elkaar liggende beenderen, waaronder twee bovenbeenbotten die midden in de borstholte lagen. Het bekken was niet aanwezig en behalve enkele resten van halswervels waren nergens wervellichamen te zien. Het gemis van deze onderdelen werd echter ruimschoots gecompenseerd door de grootste verrassing die de mummie in petto had: de aanwezigheid van een extra stel boven- en onderbenen!" Deze ontdekking leidde, toen de media er lucht van kregen, tot een stroom van publiciteit. Krantenkoppen als "opzienbarende mummie in Zwolle"12 en "mummie met vier benen"13 zetten het museum in het middelpunt van de belangstelling. Het bezoekersaantal nam sterk toe: in de maanden juni, juli en augustus 1955 passeerden 2726 bezoekers de kassa, ruim twee maal zoveel als in het gehele voorgaande jaar.14 Discussie over datering Nadat de aanvankelijke verbazing over de samenstelling van het inwendige van de mummie was verdwenen, werd een antwoord gezocht op de vraag hoe deze merkwaardige ontdekking verklaard kon worden. Op advies van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden werd door Schotman contact gezocht met twee Britse deskundigen: prof. dr. W.R. Dawson, een egyptoloog die een aantal publicaties over mummies op zijn naam had staan, en prof. dr. D.E. Derry, een anatoom die aan de universiteit van Cairo had gedoceerd en betrokken was geweest bij het onderzoek van een aantal koningsmummies. Dat het met 'de vloek van de farao' niet zo'n vaart liep, bewijst het feit dat Derry in 1955 al 80 jaar op deze aardbodem rondliep. Hij had immers in de twintiger jaren de meest vergaande daad van mummie-schennis verricht door de autopsie op de mummie van Toetankamon uit te voeren.15 Dawson kwam, na de röntgenfoto's en een foto van het uiterlijk van de mummie te hebben bestudeerd, tot de conclusie dat het hier gaat om een door grafrovers beschadigde en geplunderde mummie, die in de oudheid weer is gerestaureerd. De afwezigheid van juwelen en amuletten binnen de windsels lijkt deze theorie te bevestigen. De over-compleetheid van het skelet was volgens Dawson te wijten aan het feit dat de mummie in een tombe met meerdere lichamen heeft gelegen, waardoor bij het opnieuw wikkelen een fout is gemaakt. Restauratie van dusdanig beschadigde mummies vond alleen plaats bij personen van koninklijke of hoge afkomst. Dawson beschreef: "Ik heb nog nooit gehoord dat de mummie van iemand van gewone komaf op een dergelijke wijze werd hersteld." Naar zijn mening duidt de manier waarop de mummie is gewikkeld op een periodisering in de 19e of 20e dynastie (ca. 1320-1085 voor Christus) en heeft de restauratie tijdens de 21e dynastie (ca. 1085- 945 voor Christus) plaatsgevonden. Hij heeft de röntgenopnamen doorgestuurd naar een anatoom, teneinde meer te weten te komen "over het persoon aan wie de meerderheid der botten toebehoren."16 Derry deelde Dawsons mening dat de mummie het slachtoffer is geworden van grafrovers, maar hij geloofde aanvankelijk dat de mummie afkomstig is uit de Ptolemeïsche periode (323-30 voor Christus), een tijd waarin veel aandacht werd besteed aan het uiterlijk van de mummie, maar de inwendige verzorging sterk te wensen overliet.17 Nadat hij echter een foto had gezien van het uiterlijk van de mummie liet hij deze mening vallen. De mummie dateert zeker van voor de Ptolemeïsche tijd, maar een precieze periodisering durfde hij niet te geven. Zonder verwijdering van de wikkels en bestudering van de gevolgde preparatiemethode was dit volgens hem onmogelijk.18 Waren de heren het op wetenschappelijk gebied niet met elkaar eens, op menselijk gebied vertoonden ze een duidelijke overeenkomst: ze waren snel geprikkeld. Dawson meldde dat hij een zeer interessant verslag van de door hem geraadpleegde anatoom had ontvangen, maar omdat Schotman niet snel genoeg op zijn vorige brief had gereageerd schreef hij kwaadaardig: "Ik neem dus aan dat de hele zaak u niet langer interesseert en ik heb daarom het verslag maar niet opgestuurd . . ." '9 En Derry schreef toen hij het gevoel kreeg dat aan zijn kennis werd getwijfeld: "Ik ben een anatoom en geen egyptoloog, maar gedurende de 38 jaar dat ik in Egypte heb De Zwolse mummie, daterend uit de 19e of 20e dynastie (ca. 1320 - 1085 v. Chr.) of uit de Ptolemeïsche periode (323 - 30 v. Chr.). (Provinciaal Overijssels Museum). gewerkt ben ik in contact geweest met alle egyptologen, . . ., en weet dus wel iets over dit onderwerp."20 Door diep in het stof te kruipen wist Schotman de heren weer tot bedaren te brengen en hun hulp te verkrijgen bij het ontcijferen van Egyptische decoratieve motieven en hiërogliefen die bij het schoonmaken van de windsels te voorschijn waren gekomen. Hoewel de fragmenten erg vaag waren, werd aan hen een zwartwitfoto toegestuurd. Voor het wat verfomfaaide uiterlijk van de mummie gaf Schotman de volgende verklaring: ". . . (de mummie) heeft vele jaren in een gebouw gestaan dat tevens als school dienst deed en is door de schooljongens nogal mishandeld zodat het zelfs mogelijk is dat botten door een gat in de windsels naar buiten zijn getrokken . . ."2I In het door een nu weer bereidwillige Dawson opgestuurde verslag van de anatoom, prof. dr. A.J.E. Cave, werd gewezen op de extreme slijtage van de tanden. Dit is bij vrijwel alle wetenschappelijk onderzochte mummies aangetroffen en wordt verklaard door het feit dat het meel, waarmee het brood in het oude Egypte werd gebakken, vermengd was met allerlei zand-, stof-, en grinddeeltjes en zo de werking van schuurpapier kreeg.22 De macabere conclusie van het rapport luidt: "Een 'mummie' vervaardigd door het opnieuw wikkelen van een afgebroken en zwaar verminkt hoofd, twee armen zonder handen en twee paar benen (één paar zeker met kracht van de oorspronkelijke romp afgerukt). Overduidelijk anatomisch bewijs van mummie-schennis bij grafplundering en van officiële 'reddings'-werkzaamheden." 23 De door Derry te hulp geroepen prof. Brian Emery, hoogleraar in de egyptologie aan het University College te Londen, had aan de toegestuurde zwart-witfoto niet genoeg om tot een oordeel te komen.24 Dawson gaf echter een interessante mening over de beschildering. Volgens hem maken deze fragmenten deel uit van de zogenaamde cartonnage, het laatste omhulsel rond de mummie, dat vervaardigd werd door om de mummie heen repen in vloeibaar gips gedrenkt linnen aan te brengen. Dit omhulsel werd, nadat het gips hard was geworden, beschilderd. Met de cartonnage op 'de Zwolse mummie' is ook iets merkwaardigs aan de hand. Dawson beweerde dat deze van veel latere datum is dan de mummie zelf! De afbeelding van sandalen op het gedeelte dat de voeten bedekt wijst erop dat de cartonnage uit de Ptolemeïsche of Romeinse tijd afkomstig is. Aangezien Dawson er vast van overtuigd was dat de mummie niet later dan de 21e dynastie is te dateren, waren volgens hem deze fragmenten van een andere mummie afkomstig. Waarschijnlijk is dat door de plaatselijke handelaar gedaan waar dit exemplaar was gekocht.25 Hoewel Schotman de beide heren nog beloofde een gekleurde tekening van de fragmenten toe te sturen, schijnt het daar niet meer van gekomen te zijn. De correspondentie eindigt met deze toezegging. De meest recente mening over de datering van de mummie komt van de heer T.H.M. Falke uit Leiden, een radiodiagnost die zich ook met mummie-onderzoek heeft beziggehouden. Volgens hem is de mummie wel degelijk afkomstig uit de Ptolemeïsche periode en is van 'mummie-schennis bij grafplundering' en latere restauratie geen sprake, maar zijn de extra beenderen en de slechte toestand van het skelet te wijten aan het feit dat in deze tijd de balsemers niet erg zorgvuldig met de hen toevertrouwde lichamen omsprongen. Het restant van de cartonnage op de mummie is afkomstig uit de Ptolemeïsche tijd en het is, aldus Falke, niet meer dan logisch te veronderstellen dat de mummie zelf ook in deze tijd, waaruit meer voorbeelden van mummies met extra beende

Lees verder