Categorie

Aflevering 2

Zwolse Historisch Tijdschrift 1989, Aflevering 2

Door 1989, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1S8S
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHQIFT
ZWOLSE HléTODlSCHE VEDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER TWEE / JAARGANG ZES /
3 3 VAN DE REDACTIE
34
42
59
ARTIKELEN
Ovenbrand en brandewijn. De geschiedenis van de
Zwolse glasblazers A. Carmiggelt
Werkloosheid in de gemeente Zwolle van 1925 tot
1939 T. Casparie en J. Sanders
Problemen rond de koster-schoolmeester in Zwolle
J. Erdtsieck
BOEKBESPREKINGEN
62 W. Fritschy, L. Douw (red.), Oost-Nederland in de
negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe,
Overijssel en Gelderland in de negentiende en
vroeg twintigste eeuw.
Besproken door J. Drentje
6 3 P Bange (red.), De doorwerking van de Moderne
Devotie. Windesheim 1387-1987.
Besproken door N. Lettinck
VAN DE INSTELLINGEN
66 De bibliotheek van de provincie OverijsselB
. Kiestra
68 Tentoonstellingsagenda
68 PERSONALIA
33
VAN DE REDACTIE
Zoals in het vorige nummer al werd aangekondigd wordt nu
de winnende scriptie gepubliceerd van de prijsvraag voor
middelbare scholieren.
Thomas Casparie en John Sanders hebben onderzocht welke
invloed de crisis van 1929 had op de werkloosheid in
Zwolle. Zij hebben ontdekt dat de stijging van de werkloosheid
in Zwolle iets later begon dan in de rest van
Nederland. Ook het herstel van de werkgelegenheid was
iets later dan elders. De verklaring hiervoor leest u
ook in hun artikel.
Verder is dit tijdschriftnummer gevuld met een artikel
over glasblazers en over een Zwolse koster-schoolmeester.
Ook zijn er mededelingen, onder andere over de bibliotheek
van het Provinciehuis.
Traditiegetrouw wordt het tijdschrift afgesloten met de
tentoonstellingsagenda van het Provinciaal Overijssels
Museum.
34
OVENBRAND EN BRANDEWIJN
De geschiedenis van de Zwolse glasblazers.
ARNOLD CARMIGGELT
Inleiding
De eerste glasblazerij in Nederland werd opgericht in
1581 te Middelburg. In tegenstelling tot de meeste andere
glashuizen in de Republiek bleef zij relatief lang
in bedrijf, tot 1645. Dit is opmerkelijk, want ondanks
de steun en subsidies die de glasblazerijen veelal van
de stedelijke en/of provinciale overheden ontvingen,
verdwenen zij meestal al weer, nadat ze slechts enkele
jaren werkzaam waren geweest. De reden van dit mislukken
deze nijverheid tot bloei te brengen, is niet glashelder.
Buitenlandse concurrentie lijkt één van de belangrijkste
oorzaken te zijn *•) . Eveneens niet bevorderlijk
voor de ontwikkeling van de nijverheid in de Republiek
was de geringe arbeidsdiscipline van de glasblazers en
het feit dat zij internationaal bekend stonden als
driftkoppen. Dit laatste is begrijpelijk; naarmate men
de oven hoger opstookte, steeg het drankgebruik! Laatstgenoemde
facetten zullen we ook bij enkele Zwolse glasblazers
terugvinden. Hier liep een ruzie dermate uit de
hand, dat een glasblazer zelfs zijn collega vermoordde.
Galllard
De geschiedenis van de Nederlandse glasproduktie kan
niet geschreven worden zonder de herroeping van het
Edict van Nantes in 1685 te vermelden. De vlucht van
Hugenoten, die hiervan het gevolg was, zorgde voor een
toestroom van Franse glasblazers naar de Republiek. Deze
laatste groep nam bij hun vestiging hier veelal weer hun
oude beroep op.
Louis Gaillard, een Franse vluchteling, geboren te St.
Marcellin in de Dauphiné is in 1698 vanwege de “vreetheyt
des Konincks van Vranckrijk” naar de Republiek uitgeweken
2) . Hij verblijft in 1688 in Zwolle. Schepenen
en Raad verlenen op 27 maart van dat jaar aan hem en
(zijn broer ?) Daniel Gaillard toestemming om een glasblazerij
op te richten en verlenen beiden vrijheid van
alle provinciale en stedelijke accijnsen voor een periode
van tien jaar. Bovendien ontvangen zij een subsidie
35
van honderd gulden en mogen zij hun bedrijf vestigen in
het zogenaamde ‘Klokkehuis’3). Dit Klokkenhuis was gelegen
in de Kloksteeg, een smal straatje dat zijn naam
ontleende aan het Klokkenhuis en aan de oostzijde van
Broerenkerk in noordelijke richting liep. Het Klokkenhuis
was in de zeventiende eeuw eigendom van de stad 4 ) .
Wanneer de Gaillard’s met de eigenlijke produktie van
glaswerk zijn begonnen, is onduidelijk. Op 22 november
1688 is er echter reeds sprake van een kind dat wordt
begraven en dat woonde bij ‘het glashuis’ 5) . In de
Memorie inzake de alashuizen in Nederland (uit 1698 ?)
die zich in het gemeente-archief van Gouda bevindt,
leren we dat Louis Gaillard pas in 1692 in Zwolle als
glasblazer begonnen zou zijn, maar dit lijkt niet in
overeenstemming met de gegevens die we in het gemeentearchief
van Zwolle aantreffen 6 ) .
In 1688 wordt aan ‘de participanten van de glasblaserie’
opnieuw een subsidie verleend van 500 of 600 gulden voor
de tijd van vijf of zes maanden 7 ) . Een jaar later gaat
Louis Gaillard in ondertrouw met ene Suzanna Krouse 8 ) .
Doordat de gereformeerde Franse vluchtelingen vrijstelling
van stadsaccijnsen wordt gegeven, bevestigen Schepenen
en Raad in 1690 nog eens nadrukkelijk dat meester
glasblazer Daniel Gaillard geen turfaccijns hoeft te
betalen 9) . Louis wordt hierin niet genoemd. Hij zal
echter nog wel in Zwolle wonen, want op 8 oktober 1693
vinden we in het doopboek van de Waalse Gemeente dat op
die datum “Charles Gaillard, fils de Noble Louis Gaillard”
ingeschreven wordt 1 0 ) .
Louis Gaillard blijft echter niet in Zwolle. We weten
dat hij in 1697 ‘meester en direkteur’ is van het glashuis
in Gouda 1J-) . Louis Gaillard moet voor december
1720 overleden zijn, aangezien zijn vrouw dan als weduwe
aangeduid wordt ” ) . Over Daniel Gaillard vinden we in
de archieven niets meer terug.
de Fer/ del Ferro
Uit de reeds eerder genoemde Memorie inzake de qlashuizen
in Nederland blijkt dat in 1694 ene Leander de Fer
en in 1697 ‘Leander de zoone’ in Zwolle een glasblazerij
beginnen. Hoewel de jaren niet helemaal lijken te kloppen,
komen we de betreffende personen wel in Zwolse archiefstukken
tegen. In 1691 wordt door Schepenen en
Raad aan Leander del Ferro een glasblazerij, een werkhuis,
een daarbij gelegen woning en vrijheid van turfaccijns
verleend voor zes achtereenvolgende jaren ^ ) •
36
In 1696 gaat del Ferro in ondertrouw met ene Deliana
Hamer uit Nijmegen 14) . Een kind uit een eerder huwelijk,
Leon del Fer(r)o genaamd (de hiervoor genoemde
‘Leander de zoone1), wordt door Schepenen en Raad op 5
mei 1696 eveneens toestemming verleend om de glasblazerij,
het werkhuis, een daarbij behorend ‘camertjen’ te
betrekken. Ook hij krijgt vrijheid van alle accijnsen
15) . Blijkbaar neemt hij in dit jaar het bedrijf van
zijn vader over. In deze resolutie van Schepenen en Raad
wordt tevens opgetekend dat men wel verwacht “dat het
werk in de voornoemde glasblaserije met meerder ijver
als voor desen” zal worden uitgevoerd. In hetzelfde pand
waar zich de glasblazerij en het werkhuis bevinden,
werkt ook een zekere Roelof Morgenstern die er een karrelspinnerij
(voor het maken van zeildoek en canvas) op
nahoudt.
Op 11 november 1697 wordt de glasblazerij verhuurd aan
ene Raamhorst, een riemsnijder van beroep, die echter
wel weer direct moet verdwijnen wanneer de stedelijke
overheid dit wenst 16) . De laatste jaren van d’ zeventiende
eeuw en het eerste decennium van de achttiende
eeuw vormen een duistere periode in de geschiedenis van
de Zwolse glasblazers. Waar dit beroep in de stad werd
uitgeoefend en of het überhaupt wel in deze periode
plaatsvond, is onduidelijk. Pas in 1711 weten we meer.
Dan wordt aan Leon del Ferro toestemming verleend om in
het Klokkenhuis zijn glasblazerij te vestigen 1 7 ) . Zijn
zoon, Mareus del Ferro, is als knecht werkzaam in dit
bedrijf. We zullen hem in de volgende paragraaf nog tegenkomen.
Voor 1722 moet het glashuis verdwenen zijn,
omdat er in het Klokkenhuis dan een ‘bukkingdrogerije’
gevestigd wordt.
De moord
Op een dinsdag in februari van het jaar 1714 zouden de
glasblazers uit het bedrijf van del Ferro samen mosselen
gaan eten in het huis van hun collega Jacobus Buis 1 8 ) .
Het waren Lambertus Moor(e) en zijn zoon Martinus, Laurens
Wijnenaer, Gerard Nojel, Berent Smit, Jean Fabre en
Mareus del Ferro. Jean Fabre was om 12 uur ’s middags,
vlak voordat er gegeten zou gaan worden, nog even naar
huis gegaan om zijn muts, die hij altijd tijdens zijn
werk droeg, te verwisselen voor een pruik en hoed- Zijn
kostbaas viel het echter op dat Jean Fabre ook een degen
van boven haalde en deze beneden neerlegde. Wat had dat
“De Glasblaaser.
E aifyndrStofi leid onder} Grof.
37
g j , hajstalk glas,
‘Doorluchtig j of’tgm LichaamPwas:
Soo sai hditfcesen’van de^oomen,
Naadat hetcindling is berijd,
Uit d’Oven decserTyden Strijd,
In’t Eeuwig licht tevoorschijn koo/nm.
uit: Het Menselvk Bedrvf; 100 Verbeeldingen van Ambachten
naar originele etsen van Jan en Caspar Luiken
(Amsterdam 1694).
38
te betekenen?
Een aantal glasblazers hield zich rond het middaguur bezig
met het halen en bereiden van de mosselen, terwijl
Martinus Moor, Marcus del Ferro en Jean Fabre nog even
een borreltje vooraf namen ten huize van Berent Smit.
Een hoedenmakersknecht, Andries Hoijer genaamd, was
hierbij ook aanwezig. Deze laatste vertelt aan Martinus
dat Marcus del Ferro en Jean Fabre ruzie met elkaar hebben.
Martinus biedt hun een glaasje brandewijn aan om
de zaak bij te leggen, maar hoewel Jean Fabre hiertoe
wel genegen is, blijft Marcus koppig “zeggende gij moet
eerst met mij slaan met den degen eer ik drink”. Na deze
woorden verlaat Marcus het pand.
Martinus moet van de ernst van de zaak en deze woorden
doordrongen zijn geweest, want hij gaat naar het huis
van Jean Fabre om zijn degen voor de zekerheid weg te
nemen. Martinus heeft de degen onder zijn rok gestoken
en op zijn weg terug naar het huis van Berent Smit, komt
hij Jean Fabre tegen die hem vraagt of hij zijn degen
heeft. Martinus antwoordt bevestigend, maar deelt hem
tevens mee dat hij deze niet krijgt.
Wanneer Martinus terugkeert naar het huis van Berent
Smit, treft hij hier alleen Andries Hoijer aan, die hem
vertelt het een goede zaak te vinden dat Martinus de
degen heeft meegenomen om op deze wijze een escalatie
van de ruzie te voorkomen. Beide heren drinken hier nog
een glas brandewijn op. De talrijke glaasjes leiden ertoe
dat Martinus “genoodsaakt wierd om uit te gaan om
sijn behoef te doen”. Hij verstopt de degen zolang
achter een kast, “zeggende tegens Andries dat se den
degen aldaar niet zouden vinden”. Wanneer Martinus echter
terugkomt, blijkt dat zowel Andries Hoijer als de
degen verdwenen zijn. Martinus besluit nu om naar het
huis van Jacobus Buis te gaan.
Wanneer hij hier aankomt, treft hij Andries aan die nu
twee degens onder zijn rok heeft. Martinus en even later
de andere glasblazers proberen hem over te halen om de
degens af te geven. Maar Andries weigert want “seggende
dat de degens maar zoude naar buiten brengen om zijn
woort te houden, dog niet ter plaatse daar del ferro en
fabre het zelve besteld hadde en dat zulks met swaare
eeden hadden bevestigt”. Na deze woorden vertrekt Andries
met beide degens.
Na een klein half uur komt er een ‘Deensche ruiter’ aan
de deur van Jacobus Buis die het gezelschap mededeelt
39
dat er buiten de Diezerpoort een glasblazer gewond ligt,
welke een pruik en een hoed met een gouden boordsel op
heeft en in een witte rok gekleed is. De glasblazers
vertrekken naar de plaats des onheils. Bij aankomst
wordt het slachtoffer, Jean Fabre, op een ladder gelegd.
Jean spreekt met enige daar aanwezige onderofficieren
van het regiment van de prins van Oranje nog enige
woorden in het frans, waar de glasblazers weinig van
begrijpen. Daarna sterft hij.
Martinus en Lambertus Moor en Jacobus Buis gaan nu richting
de herberg ‘de Hanekamp’ om Marcus del Ferro te
zoeken. Ze treffen hem inderdaad hier in een beschonken
toestand aan, op het punt staande om te vertrekken samen
met een schipper. Lambertus vraagt nog aan Marcus “wat
zijnent wegen aan desselfs papa en mama zoude seggen”.
Marcus antwoordt schouderophalend met de woorden: “segt
mij alle Swolsche meisjes goede nagt”. Daarop vertrekt
Marcus in de richting van het Katerveer en nadat de
glasblazers hun bier bij de herberg hebben leeggedronken,
volgen zij zijn weg. Wanneer zij, evenals Marcus,
over de IJssel zijn gezet door de veerschipper van het
Katerveer, treffen zij aan de overkant in een huis
Marcus aan. Eén van de huisgenoten maakt duidelijk dat
hij daar niet kan blijven; “dat ijmand van het huisgezin
hadde gezegt dat wanneer haar een dubbeltjen wierde
gegeven zij genoodsaakt zoude weesen om iemand welke een
ongeluk hadde gehad te moeten bewaren tot de tijd dat
dezelve van het Gerigte wierde afgehaalt”. Deze woorden
gehoord hebbende, vertrekt Marcus in de richting van
Hattem en zover we kunnen nagaan, keert hij nimmer meer
in Zwolle terug.
Ook over de andere glasblazersknechten valt vrijwel
niets meer terug te vinden. Wel wordt het lijk van Jean
Fabre in opdracht van het gerecht nader geschouwd. Twee
steken hebben hem dodelijk getroffen: “een steeck
omtrent het reghter sleutelbeen welke penetrant was tot
in de borst jaa zelfs tot in de reghter lobus van de
longe was gaande” en: “De tweede steeck is geweest onder
het diaphragma of het middelschot ande slinker sijde
schuins ter sijde het cartilago ensiformis, welke steeck
door de maage was gaande..”. Deze lijkschouwing vindt
plaats op 22 februari 1714. Een dag later wordt Jean
Fabre begraven.
40
Het einde
Zoals reeds eerder werd vermeld, moet de glasblazerij
van Leon del Ferro voor 1722 met haar werkzaamheden gestopt
zijn. Daarna wordt het Klokkenhuis als haringdroger
ij benut.
In 1730 wordt door Schepenen en Raad toestemming verleend
aan Johan Jacob Beijer om in het Bolwerk achter
Mijkerkenskolk een gebouw neer te zetten om aldaar spiegel-
en vensterglas te gaan produceren 19) . Daarbij zal
Johan Beijer vrijgesteld worden van de accijnsen op
brandhout en kolen. Het is de vraag of Beijer, die op
dat moment nog in Amsterdam woont, ooit naar Zwolle is
gekomen. Over zijn persoon en over zijn op te richten
bedrijf, treffen we niets in de archivalia aan.
Tenslotte kunnen we de glasblazer Jan Berend Boode nog
vermelden die in 1812 als vader van Frans Boode genoemd
wordt 20) . Jan Berend en zijn vrouw Dina van Haraelen
zijn beiden reeds overleden. Vermoedelijk heeft Jan Berend
zijn vroegere beroep elders uitgeoefend.
We kunnen stellen dat de geschiedenis van de Zwolse
glasblazers een typische afspiegeling is van het algemene,
landelijke beeld dat we kennen van de ontwikkeling
van deze nijverheid. Buitenlanders spelen veelal
bij de oprichting een initiërende rol. Na 1685 zijn dat
vooral de Franse Hugenoten 2 1 ) . Hoewel de overheid veelal
stimulerend werkte bij de vestiging van glashuizen,
komen de bedrijven niet echt goed tot ontwikkeling.
Overmatig drankgebruik van veel glasblazers zal hierbij
ook niet positief gewerkt hebben.
Noten:
1. Voor een algemeen overzicht van de ontwikkeling van de
glasblazerijen in de Republiek zie: P.W. Klein “Nederlandse
glasmakerijen in de 17e en 18e eeuw” in: Economisch en Sociaal
Historisch Jaarboek. 42e deel (1981) p. 31-43.
2. G.A. Gouda, Oud -Archief. 2542, 25-4-1698.
3. G.A. Zwolle, Resoluties van Schepenen en Raden. 1688. p. 85.
4. Met dank aan W.A. Huijsmans, gemeente-archief Zwolle, voor het
opzoeken van de lokatie van het Klokkenhuis.
41
5. G.A. Zwolle. Kwitanties en rekeningen van de Grote Kerk, p.
2352.
6. G.A. Gouda. Oud-Archief. 2542. Stukken betreffende de
glasblazerij. Memorie inzake de glashuizen in Nederland.
7. G.A. Zwolle. Re3. van Schep, en Rad. 1688. p. 134.
8. G.A. Zwolle. RBSO. 726- p. 194.
9. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1690, p. 248.
10. G.A. Zwolle. RBSO. 754A-p. 1.
11. zie noot 2.
12. G.A. Zwolle. H.H. Lidmatenboek. 3. p. 12.
13. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1691.p. 353.
14. G.A. Zwolle. RBSO. 727-p.llO. (attestatie gegeven naar
Nijmegen op 8-9-1696).
15. G.A. Zwolle. Res van Schep en Rad.. 1696-p. 276-77.
16. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1697.p. 395.
17.G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1711.p. 321.
18. De rekonstruktie van de moord vond plaats aan de hand van
getuigen-verklaringen en het rapport van de lijkschouwing, te
vinden in: G.A. Zwolle. RAOOI-415. p. 556-623.
19. G.A. Zwolle. Res. van Schep, en Rad. 1730.p. 464.
20. G.A. Zwolle.Reg. van alle hulzen. 1812, Ie wijk Waterstraat
125, p. 64-65.
21. vergelijk: H. van Gangelen “Archlvalische gegevens
betreffende de glasblazerij” in: P.H. Broekhuizen, A. Carmiggelt,
H. van Gangelen en G.L.G.A. Kortekaas (red.), Kattendlep
deurgraven: hlstorisch-archeologlsch onderzoek aan de noordzijde
van het Gedempte Kattendiep te Groningen. Groningen, 1988.
42
WERKLOOSHEID IN DE GEMEENTE ZWOLLE VAN 1925 TOT 1939
Thomas Casparie, John Sanders
1. Inleiding
De (Westerse) wereld heeft enkele crises gekend. We kunnen
hierbij denken aan oorlogen, maar ook aan economische
crises. Een belangrijke en omvangrijke is de crisis
in de jaren dertig geweest. Deze crisis werd ingeluid
met de beursval in 1929 in de Verenigde Staten en verspreidde
zich al snel daarna naar Europa. Deze enorme
crisis had grote gevolgen.
Ten eerste waren er de rechtstreekse: zeer hoge werkloosheid,
armoede, doden door honger, toename van criminaliteit,
etcetera. Behalve deze gevolgen zijn er ok
de indirecte gevolgen geweest. Hierbij is natuurlijk de
belangrijkste de opkomst van het fascisme geweest en in
het bijzonder het nazisme en de hierop volgende Tweede
Wereldoorlog.
Al deze gevolgen hebben de Westerse wereld beïnvloed.
Daarom is het nuttig om deze tijd te onderzoeken en je
af te vragen hoe het begon en hoe het verliep. Natuurlijk
is dat al vele malen gebeurd. Men ging dan echter
uit van heel Nederland of zelfs heel West-Europa. Dit is
natuurlijk heel globaal. Het is daarom misschien zinvol
om een specifiek gebied te onderzoeken en dan niet een
van de grote steden in de randstad te nemen maar een
middelgrote stad, een stad als Zwolle. Zou in deze
stad, dat een centrum is van een groot boerengebied de
crisis anders verlopen, op een ander tijdstip, zou hij
erger zijn, of juist minder erg?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden zijn we ons gaan
concentreren op het meest kenmerkende punt voor crises:
de werkloosheid. We hopen door ons onderzoek de vragen
aan het eind te kunnen beantwoorden.
De crisis werd ingeluid met de beurskrach in New York in
1929. Natuurlijk merkte West-Europa dit niet meteen (zogenaamde
’traagwerking’). Hierdoor waren de gevolgen
van de crises in Nederland later te merken en in Zwolle
nog iets later. De crisis strekte zich in Zwolle uit
van 1930/1931 tot en met 1936/1937. Voor de duidelijkheid
hebben we enkele jaren vóór en enkele jaren na de
crisis genomen. Ons onderzoek loopt dus van 1925 tot en
met 1939, het jaar waarin de Tweede Wereldoorlog begon.
43
Aangezien ons onderzoek veel getallen en cijfers oplevert,
hebben wij voor de duidelijkheid een aparte bijlage
met getallen en grafieken gemaakt. In het verslag
zullen wij naar deze bijlage verwijzen. Om de getallen
in de tabellen goed te kunnen begrijpen, moeten het
aantal inwoners van de gemeente Zwolle en de omvang van
de totale beroepsbevolking bekend zijn. Het aantal inwoners
was in 1925 38.599 en steeg tot 42.525 in 1939.
Wat betreft de grootte van de beroepsbevolking is ons
slechts één getal bekend. Dit getal is afkomstig uit
1930 en bedraagt 16.247 personen.
Wij zullen ons alleen toeleggen op de werkloosheid op
zichzelf en niet op de sociale kant van de werkloosheid.
2. Crisis in Zwolle
Laten we, alvorens we met het beschrijven van het verloop
van de crisis in Zwolle beginnen, eerst een vergelijking
trekken met het Rijk (= geheel Nederland).
Hierbij beperken we ons tot de periodes waarin de crisis
in Zwolle en in het Rijk plaatsvond. In het volgende
hoofdstuk zullen we ook getallen vergelijken.
In de grafieken 1 en 2 zien we dat de crisis in Zwolle
later begint dan in het Rijk. Dit kan verklaard worden
door het verschil in economische sectoren die in de gemeente
Zwolle en in het Rijk aanwezig zijn.
Een aantal groepen die in eerste instantie getroffen
worden (hierbij nemen we aan dat alle soorten groepen in
het hele land vertegenwoordigd zijn) zijn de volgende:
-mensen die hun geld geïnvesteerd hebben in aandelen,
bedrijven;
-werknemers die werken bij industrieën die welvaartsgoederen
produceren (de zogenaamde ‘lichte industrie’);
-bankiers.
Het is duidelijk dat het soort groepen dat getroffen
wordt, niet echt typerend voor Zwolle is. Hiermee kan
verklaard worden waarom in Zwolle de crises later begon,
aangezien in het Rijk wel de bovenstaande groepen aanwezig
zijn.
Bovendien zien we in grafiek 2 dat de curve van Zwolle
op een gegeven moment (1935) de curve van het Rijk inhaalt.
Dit kan verklaard worden door het feit dat in
Zwolle bedrijven aanwezig zijn die weliswaar niet in
eerste instantie getroffen worden, maar wel later.
Hierbij moeten we denken aan de agrarische sector, nijverheid
en handel. Deze sectoren zijn ruim aanwezig in
44
Zwolle. Deze sectoren zullen, zodra de crisis in het
gehele land doorgedrongen is, ook getroffen worden,
waardoor de werkloosheidscurve van Zwolle rond 1935 die
van het Rijk inhaalt. ;
Verder zien we dat de werkloosheid in het Rijk eerder
minder wordt dan in Zwolle. Daarvoor is een logische
verklaring. De groepen namelijk die als eerste getroffen
werden, zullen zich bij een aantrekkende economie ook
weer als eerste herstellen.
3. Hoe verloopt de crisis?
Om deze vraag duidelijk te beantwoorden hebben we de
tijdsperiode 1925-1939 onderzocht. Voor ons onderzoek
hebben we voornamelijk de Verslagen van de Gemeente
Zwolle gebruikt.
1925-1928:
In 1925 kende men ook al werkloosheid in Zwolle. Het
aantal werklozen was toen ongeveer 74 5 personen.
Van 1925 tot 1928 schommelt het aantal werklozen nogal,
maar het neemt af. De reden hiervoor is de grote welvaart
die bereikt werd in de V.S. en in Europa vlak voor
de beurskrach en crisis.
Kijken we echter naar het aantal ingeschreven werklozen,
ook wel ‘aanbiedingen’ genoemd, dan zien we dat dat aantal
in de periode 1925-1928 licht stijgt in vrijwel alle
categorieën. Zie tabel 1.
Maar uit tabel 2 blijkt dat tegelijkertijd het aantal
werkzoekenden die een baan hebben gevonden, ook wel aangeduid
met ‘plaatsingen’, toeneemt. Het percentage aanbiedingen
dat geplaatst is, is voor deze jaren respectievelijk
44,9%, 44,1%, 42,6%, 48,0%.
Conclusie: in de periode 1925-1928 schommelt de werkloosheid
een beetje, maar zij neemt wel af.
1929:
In 1929 vindt de beurskrach in de V.S. plaats en begint
daar de crisis. Hoewel deze crisis tamelijk snel overwaait
naar ons land en naar Zwolle, wordt haar invloed
toch maar zeer licht gemerkt in 1929. Het aantal werklozen
neemt namelijk iets toe (672 in 1929 tegen 616 in
1928). Het percentage geplaatsten blijft vrijwel gelijk
(48,6 in 1929).Dit verschil kan verklaard worden door
het feit dat het werkloosheidscijfer aan het eind van
het jaar wordt opgemaakt, toen de beurskrach net had
plaatsgevonden, in tegenstelling tot het cijfer van het
aantal geplaatsten, dat over het gehele jaar bepaald
45
Werkverschaffing nabij speeltuin ‘het Noorden’ gelegen
aan de Albert Cuypstraat
Foto van A. Meulenbelt, aanwezig bij gemeentearchief
Zwolle; reprografie: J.P. de Koning
46
wordt.
Conclusie: De beurskrach heeft vrijwel geen invloed op
de werkloosheid in Zwolle; de economie blijft (nog) rustig.
1930-1931:
In 1930 daalt het percentage geplaatsten tot 45,2%. Het
aantal werklozen stijgt in vergelijking met voorafgaande
jaren sterk. Verder is het opvallend dat de verhouding
werkzoekenden/werklozen sterk verandert, vooral bij de
vrouwen (zie de tabellen 3 en 4).We zien dat langzamerhand
de crisis in Zwolle doordringt.
In 1931 schrijven veel mensen zich in bij het arbeidsbureau.
In de tabellen 3 en 4 zien we dat het aantal
werkzoekenden met ongeveer 35% toeneemt: veel mensen
merken de crisis nu net en uit voorzorg schrijven velen
zich in om voor de grote klap nog een baantje te vinden.
Dit verklaart ook waarom het aantal vooral bij de vrouwen
sterk stijgt: veel vrouwen die eerst thuis bleven
moeten nu om het salaris van hun echtgenoot aan te vullen
of omdat hun echtgenoot werkloos is geworden, een
baan zoeken. Hetzelfde geldt voor kinderen (zie vrouwen-
/mannen onder de 18 jaar). Als we willen onderzoeken of
net aantal mensen dat werkelijk een baan vindt dèk toeneemt,
moeten we kijken naar tabel 1.
Als eerste zien we dat inderdaad in 1931 het aantal aanbiedingen
sterk toeneemt, vooral bij de vrouwen. Kijken
we dan naar de kolom plaatsingen dan zien we dat het
aantal plaatsingen niet rechtevenredig toeneemt: voor
mannen ouder dan 18 wordt van de aanbiedingen in de periode
1929-1931 respectievelijk 40%, 37%, 33% geplaatst.
Bij vrouwen ligt het echter heel anders. Ten eerste liggen
de percentages veel hoger, maar ten tweede neemt het
aantal plaatsingen evenredig toe met het aantal aanbiedingen.
De markt voor vrouwen was nog lang niet verzadigd
in tegenstelling tot de markt voor mannen. Op een
gegeven moment is het zelfs het geval dat werkgevers
meer vrouwen vragen dan mannen.
Een veel belangrijker reder misschien is het feit dat
vrouwen veel goedkopere werkkrachten zijn: ze werden
sterk onderbetaald vergeleken met de mannen.
Conclusie: de crisis begint langzamerhand; de werkloosheid
stijgt en er is sprake van een dalende conjunctuur.
1932-1934:
Als we dan naar 1932 gaan, dan zien we dat de stijging
die in 1931 plaatsvond, doorzet. Wij hoeven dit niet
verder uit te werken: zie de tabellen 1 tot en met 4.
47
Werkverschaffing nabij speeltuin ‘het Noorden’ gelegen
aan de Albert Cuypstraat
Foto van A. Meulenbelt, aanwezig bij gemeentearchief
Zwolle; reprografie: J.P. de Koning
48
In 1933 zet de sterke stijging nog steeds door. Er vallen
echter enkele dingen op.
Ten eerste zien we in tabel 1 dat het aantal aanbiedingen
zijn grootste stijging heeft in 1933.
In 1933 vinden we ook voor het eerst in de verslagen het
exacte percentage werklozen van de totale bevolking van
de gemeente Zwolle. Dit bedraagt in 1933 2,80% (zie tabel
5) .
De grote stijging na 1932 is onder andere te wijten aan
hoge naoorlogse geboorte. Tussen 1928 en 1932 was er een
geringen toename van de beroepsbevolking, dankzij het
lage geboortecijfer tussen 1914 en 1918 (Eerste Wereldoorlog)
.
In 1934 zet de stijging nog steeds door: de crisis begint
nu echt. In tabel 5 zien we dat het percentage
werklozen van de totale bevolking in de gemeente Zwolle
op 31 december gestegen is van 2,80% in 1933 tot 3,75%
in 1934. Dat is vooral te wijten aan de crisis die veel
slachtoffers maakt in de bouwsector, die in de jaren
1932-1938 erg verslechtert door weinig opdrachten (zie
ook grafiek 3). Hierop zien wij dat de werkloosheid in
de bouwbedrijven zeer sterk toeneemt, veel sterker dan
in de overige sectoren.
Het is misschien interessant om te kijken naar het percentage
geplaatsten (tabel 2) . Wij zien hier dat het
percentage geplaatsten daalt van 44% in 1933 tot 35% in
1934. De verklaring hiervoor is dat de werknemers minder
aanvragen plaatsen. Het aantal geplaatsten is lager dan
het aantal voldane aanvragen van de werkgevers. De verklaring
daarvoor is het feit dat werkgevers ook mensen
van buiten de gemeente Zwolle in dienst nemen. Veel arbeiders
die in Zwolle werken (vooral bij de grote bedrijven)
komen van buiten de gemeente Zwolle. Slechts
de helft woont in Zwolle en slechts een derde is in
Zwolle geboren!
Het aantal werklozen neemt in de periode 1931 tot 1936
sterk toe. Opvallend is dat in de zomermaanden de werkloosheid
daalt terwijl deze in de wintermaanden een
sterke stijging vertoont. De reden hiervoor is het feit
dat in de wintermaanden enkele beroepen niet of nauwelijks
uitgevoerd kunnen worden. De bouw- en wegensector
ligt bijvoorbeeld stil. Dit is de zogenaamde seizoenswerkloosheid.
Dit verschijnsel is duidelijk te zien in
grafiek 4: in de wintermaanden is de werkloosheid in de
bouwsector het hoogst, terwijl dit niet bij de overige
sectoren het geval is.
49
Om de werkloosheid met andere gemeenten te vergelijken
is het gewenst dat we gebruik maken van de zogenaamde
‘werkloosheidsdagen in procenten1, dat wil zeggen die
uitdrukken welk percentage dagen niet gewerkt is van het
totaal aantal dagen dat gewerkt had kunnen worden.
Hierbij blijft het aantal werklozen buiten beschouwing
(zie de grafieken 1,2 en 5).
De seizoenwerkloosheid in Zwolle blijkt aanmerkelijk
groter te zijn dan in andere gemeenten in Nederland. In
1937 bijvoorbeeld ligt Zwolle boven het Rijks gemiddelde.
Dat komt vooral door de overheersende plaats van de
bouwbedrijven die in Zwolle gevestigd zijn. Bijvoorbeeld
op 1 april 1938 komt 26% van de werklozen uit de bouw.
Conclusie: De werkloosheid stijgt in de periode 1932-
1934 sterk. Het is vooral de bouwsector die deze werkloosheid
veroorzaakt. De economie verslechtert steeds
meer; de crisis stijgt naar een hoogtepunt.
1935;
In 1935 is er nog steeds sprake van een verslechtering
van de werkgelegenheid. Maar de daling van het percentage
geplaatsten is gestagneerd (35,4% in 1934 tegen
35,9% in 1935) (zie tabel 2). Ook in tabel 3 en tabel 4
zien we dat de stijging lager is in 1935 dan in het jaar
daarvoor. Het exacte percentage van de totale bevolking
in de gemeente Zwolle vinden we in tabel 5: 4,5%.
Voor de vrouwen kan 1935 het slechtste jaar van de crisis
genoemd worden. In dat jaar is de werkloosheid onder
vrouwelijke werknemers het hoogst.
Conclusie: De crisis lijkt op zijn hoogtepunt in 1935.
De werkloosheid stijgt niet zo sterk meer; de economie
verslechtert niet veel meer.
1936:
In 1936 vindt er een opleving plaats van de Nederlandse
en de Zwolse economie. Deze korte opleving is een kenmerk
van crises. Altijd na een periode van dalende conjunctuur
vindt er een zeer plotselinge opleving plaats.
Deze is echter slechts tijdelijk: na zo’n opleving is er
meestal een stagnerende conjunctuur.
Het exacte percentage werklozen van de totale bevolking
in de gemeente Zwolle stijgt ook niet meer: dit blijft
4,5%.
Conclusie: De crisis is inderdaad over zijn hoogtepunt
heen: er vindt een lichte opleving van de economie en
werkgelegenheid plaats.
50
1937:
In 1937 zien we dat de opleving zich inderdaad niet
doorzet. Een verklaring daarvoor is onder andere de opheffing
van de ‘Centale Werkplaats’ der Nederlandse
Spoorwegen in 1937. Er is namelijk sprake van een groot
negatief vestigingsoverschot bij de N.S. Desondanks
daalt het percentage werklozen iets: van 4,5% naar 4,4%.
De economie leeft op.
Ook het percentage geplaatsten stijgt: van 37% naar 42%
(tabel 4) . In tabel 3 en tabel 4 zien we dat ook het
aantal werkzoekenden niet meer stijgt. Uit dit alles
kunnen we concluderen dat de crises inderdaad over z’n
hoogtepunt heen is.
Conclusie: Hoewel het herstel niet even snel doorzet als
het begon, neemt de crisis duidelijk af.
1938-1939:
1938 is het jaar van het herstel. Dit blijkt onder andere
uit tabel 2: in 1937 was het percentage geplaatsten
40%; in 1938 45%! We zien een duidelijk herstel van de
economie. Uit 1938 is ook een bron afkomstig die de
werkloosheid in de verschillende leeftijdscategorieën
weergeeft: tabel 6. Hierbij moet natuurlijk wel rekening
gehouden worden met het feit dat dit geldt voor de beroepsbevolking
en niet voor de totale bevolking. Hierdoor
liggen de percentages relatief hoog.
Dan zijn we aangeland bij het laatste jaar van ons onderzoek:
1939. In 1939 herstelt de economie zich verder.
Dit vinden we onder andere weer in tabel 2: het percentage
geplaatsten stijgt verder naar 51%. Het aantal
werkzoekenden, ingeschreven bij de arbeidsbureaus verandert
nog sterker: het aantal daalt met 22%!!
Het exacte percentage werklozen daalt van 4,15% in 1938
tot 3,35% in 1939. Een sterke daling.
Conclusie: Het lijkt erop dat de economie zich weer bijna
volledig heeft hersteld, alhoewel de getallen nog
niet de hoogte van 1925-1928 hebben bereikt. Toch ging
het de goede kant op.
4. Conclusie en samenvatting
Wij kunnen nu dus duidelijk zeggen dat er een crisis
heeft plaatsgevonden in de jaren dertig in Zwolle. Wij
zien dit aan de stijgende werkloosheid, die zich begin
dertiger jaren vertoonde.
Deze stijging werd voorafgegaan door een periode van
welvaart. Door deze welvaart voor vele mensen leefde de
zogenaamde ‘lichte industrie’ (consumptiegoederen en
luxe artikelen) op. Er ontstond echter een overproductie.
Tegelijkertijd kwam de landbouw sterk in de problemen.
Deze factoren (en ook vele andere, psychologische
factoren) speelden mee in de beurskrach van 1929.
Hierdoor werd een periode van dalende conjunctuur ingeluid.
Eerst werden de bedrijven, die rechtstreeks te maken
hadden met de crisis, getroffen, maar na enkele jaren
was de gehele samenleving er van doordrongen. Doordat in
Zwolle vooral bedrijven aanwezig waren die pas in tweede
instantie getroffen werden door de beurskrach begon de
stijging (en daling) van de werkloosheid, in Zwolle betrekkelijk
laat.
In 1929 begon de werkloosheid al langzaam te stijgen,
ook in Zwolle. In de volgende vier jaren steeg deze nog
veel meer. Dit was vooral bij de mannen het geval. Bij
vrouwen, omdat hun arbeidsmarkt nog niet verzadigd was
en omdat ze lagere lonen ontvingen, steeg de werkloosheid
niet zo drastisch.
In 1934/1935 bereikte de crisis zijn top: 4,5% van de
gehele bevolking in Zwolle was werkloos. Dat getal is in
1988 zelfs lager (2,0%). Deze hoge werkloosheid was het
geval in het gehele land. Wij kunnen zelfs zeggen dat de
werkloosheid in Zwolle nog betrekkelijk laag was vergeleken
met het Rijk. Na de top in 1935 was er sprake van
een herstel. Hoewel dit herstel zich niet even snel
voortzette als het begonnen was, nam de werkloosheid in
de volgende paar jaren langzaam weer af. Het niveau van
1925 werd echter nooit meer bereikt voor de Tweede Wereldoorlog.
Zoals in de gehele Westerse wereld is er in Zwolle ook
een crisis geweest in de jaren dertig. Deze crisis heeft
vele slachtoffers gemaakt. Hoewel er wel uitkeringen
waren voor werklozen in die tijd, betekende geen baan
hebben toch vaak honger lijden. Deze kant van de crisis
hebben wij niet behandeld. Wij hebben ons bewust beperkt
tot een objectieve weergave van de feiten die te vinden
waren over de werkgelegenheid in die periode. Wij hebben
geen aandacht besteed aan de sociale gevolgen van deze
feiten.
52
Literatuur:
L. van Vuuren, Rapport betreffende een onderzoek naar de
welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle (1930-1939).
Zwolle 1939.
Verslagen Gemeente Zwolle van de periode 1918-1939.
De Zwolse Courant, jaargang 1928-1929.
Sprekend verleden.
Met dank aan: Drs. P. Berends, Gemeente Archief te
Zwolle, Prof. Dr. A.F. Casparie.
Biilage
Alle woorden opgenomen in deze bijlage zijn letterlijk
uit de desbetreffende bronnen opgenomen (zie literatuurlijst)
. Hierdoor kunnen de woorden nogal eens onduidelijk
zijn. Daarom volgt hieronder een korte omschrijving
van de gebruikte woorden:
Aanbiedingen : werkzoekenden, die ingeschreven zijn.
Plaatsingen : werkzoekenden, die een baan gevonden
hebben.
Aanvragen : de vraag van werkgevers naar werknemers.
Voldaan ‘• indien een aanvraag van de werkgever
voldaan is.
Werkzoekenden: een ieder die een baan zoekt, zowel bij
werkloosheid als bij verandering van
baan.
53
tabel 1: Aanbiedingen en plaatsingen van werknemers
A A N B I E D I N G E N
Jaar Mannen Vrouwen
P L A A T S I N G E N
Mannen Vrouwen
1925
1926
1927
1928
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
2394
2657
3174
2862
2859
3134
3599
3752
3957
4116
4224
3417
3933
4049
3703
440
419
414
415
404
492
499
524
561
715
785
787
847
746
576
751
890
917
1178
1113
1240
1531
1548
1480
1460
1558
1364
1434
1500
1438
409
441
430
497
401
453
584
704
689
820
888
842
1002
976
903
917
927
1120
1185
1163
1148
1202
1133
1240
997
1067
683
1096
1117
1224
217
230
211
211
184
181
185
155
210
252
289
303
351
376
372
402
503
564
644
736
818
1025
1027
975
789
896
864
914
965
1060
259
273
261
289
240
258
389
439
468
481
476
535
631
707
705
tabel 2: Het totale aantal aanbiedingen van werknemers
en het totale aantal aanvragen van “werkgevers van 1925
tot 1939. ~~~
A A N B I E D I N G E N
Jaar geplaatst
1925
1926
1927
1928
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
3994
4377
5056
4852
4777
5319
6213
5737
6678
7111
7455
6410
7216
7271
6620
1795
1933
2156
2329
2323
2405
2801
2754
2897
2519
2677
2385
2992
3165
3361
A A N
0
2948
3350
3752
4132
3799
3968
3728
3963
3450
3551
3150
3990
4370
5103
V R A G E N
voldaan
0
1947
2183
2360
2366
2484
2951
2900
3107
2741
2937
2574
3227
3358
3581
54
tabel 3: Het aantal ingeschreven werkloze mannen op de
arbeidsbureaus op 31 december van het genoemde jaar
Jaar
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1938
1939
M A N N E N
ouder dan 18
totaal
werkzoekend
623
792
1021
1295
1487
1835
2263
2278
2202
2214
1792
jaar
waarvan:
werkloos
425
528
670
940
1021
1324
1551
1637
1580
1586
774
twg
bwv
97
0
39
38
0
150
189
0
173
0
559
M A N
jonger
tot.
werkzoek.
37
80
99
120
114
150
188
164
195
108
62
N E N
dan 18 jaar
waarvan
werkloos
18
59
63
85
59
89
116
104
112
52
24
tabel14: Het aantal ingeschreven werkloze vrouwen pp de
arbeidsbureaus op 31 december van het genoemde jair
VROUWEN VROUWEN
ouder dan 18 jaar jonger dan 18 jaar
Jaar totaal waarvan totaal waarvan
werkzoek. werkloos werkzoek. werkloos
17 26 8
33 27 19
55 50 28
60 78 56
54 64 39
117 103 82
153 172 130
120 130 100
103 155 105
66 82 46
19 39 13
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937
1.938
1939
96
63
118
131
107
187
261
201
204
206
127
55
tabel 5: Het percentage werklozen van de totale bevolking
van de gemeente Zwolle op~31 december van het genoemde
jaar.
Jaar : 1933 1934 1935 1936 1937 1938 1939
percentage: 2,80% 3,75% 4,50% 4,50% 4,40% 4,15% 3,35%
Let op: deze percentages gelden voor de gehele bevolking.
Kijken we alleen naar de beroepsbevolking, dan
liggen deze percentages 3,5 tot 4,0 maal hoger.
tabel 6: De werkloosheid in verschillende leeftijdscategorieën
van de beroepsbevolking in procenten
leeftijd percent, leeftijd percent. leeftijd percent.
14/15 3% 32/33 16% 50/51 11%
16/17 4% 34/35 15% 52/53 11%
18/19 5% 36/37 15% 54/55 12%
20/21 9% 38/39 14% 56/57 11%
22/23 12% 40/41 11% 58/59 11%
24/25 12% 42/43 11% 60/61 7%
26/27 14% 44/45 8% 62/63 11%
28/29 17% 46/47 9% 64/65 5%
30/31 17% 48/49 8%
56
36
30
20
10
0
1
1

Wt
IN PRO1″ ENTtN
/
r
h
u
••”
>3»0EN
il
”ft
l’tt
“/f
-,1
)
-/
7—:
‘V i
‘”j/
19»
Jt
/-
Ut
Cl
‘ ‘ ,1 \,A /
“V
grafiek 1
173
O
K357

i
I
•e •S ?
t
– Q
i
S e
a – :
grafiek 3 grafiek 4
AANTAL V/tRM-OOZSN OPWtTEINDS
DEH MAAND IN GROEP 17
grafiek 5 UI
09
10
59
PROBLEMEN ROND DE KOSTER-SCHOOLMEESTER IN ZWOLLE
J. Erdtsieck
Zoals vele andere kerken in vorige eeuwen kende ook de
Lutherse Kerk in 1815 de functie van koster-schoolmeester.
Een arme gemeente zoals de Evangelisch Lutherse
was, kon hier uiteraard niet veel voor uittrekken, maar
de gelegenheid werd geboden om de karige inkomsten aan
te vullen met het exploiteren van een school. De kerk
stelde ruimte en materiaal ter beschikking en het
schoolgeld was voor de meester. De armen hoefden slechts
de helft van het schoolgeld te betalen, de diakonie paste
de andere helft bij.
Als de schoolmeester bekwaam was, zo redeneerde men, dan
kreeg de man ook leerlingen, dus ook meer inkomsten. Hij
had dus de hoogte van zijn salaris in eigen hand.
Maar buiten het schoolwerk had hij ook in de kerk nogal
wat te doen. Zijn werk begon hier ’s zaterdags als hij
het briefje van de dominee moest ophalen. Hierop stonden
de te zingen liederen en ook welke Bijbelgedeelten hij
in de dienst diende te lezen. Ook moest hij de borden
waar-op de liederen aangekondigd werden klaar maken,
’s Zondags om 9 uur en 14.30 uur werd hij in de kerk
verwacht om de deuren te openen en klaar te staan om de
nodige diensten te verlenen. Hij moest de te zingen liederen
oplezen en als er doop was zorgde hij ook voor
doopwater. Bij het avondmaal moest hij zorgen voor brood
en wijn. Ook diende hij bij iedere kerkeraadsvergadering
aanwezig te zijn en de uitnodiging bij de leden aan huis
aanzeggen. En bij dit alles werd verwacht, dat hij de
‘liefde en achting van de predikant, de gemeente en de
jeugd kon verwerven”. En dit alles voor ƒ150,— per
jaar.
In de school had hij de Kleine Catechismus te onderwijzen
en te overhoren en het evangelie van de zondag te
laten lezen of over te laten schrijven. De overige lessen
bestonden uit rekenen, schrijven en les in de Nederduitse
en Hoogduitse (!) taal.
Hier toonde de Lutherse Kerk duidelijk haar afkomst en
het is dan ook niet verwonderlijk, dat toen in april
1815 vervanging moest komen van de uit Duitsland afkomstige
koster-voorzanger SlUter, men allereerst weer
daar ging zoeken. Men had namelijk gehoord, dat SlUter
een broer had, die dit werk in Duitsland ook deed.
Maar de aangezochte had geen interesse. Nu werd de heer
60
L. Thorbecke (een neef van de latere minister-president
J.R. Thorbecke), die familie had in Osnabrück verzocht
eens te schrijven naar zijn relaties. Dit had succes en
spoedig daarop kwam zich een zekere Heinrich Mötz presenteren.
Hij was de Nederlandse taal wel niet zo machtig,
maar dit zou hem onderwezen door de predikant. Wel
schreef men: “Er muss eine gute Stimme zum Singen haben,
auch vor alle dingen ein Zeugnis seines guten und
Christliche VerhMltnis vorzeugen können und ein Glied
der Evangelisch Lutherische Genie inde sein”.
Bij een presentatie in Zwolle werd hij benoemd en zo
deed hij op 29 oktober 1815 zijn intrede als ‘custosschoolmeester’.
Met het werk in de kerk had hij geen moeite, maar het
beginnen van een school was niet zo gemakkelijk. De
kerkeraad had nog geen lokaal en er waren ook nog geen
kinderen. En juist daarvan moest hij het financieel hebben.
Op 28 november schreef hij al een brief, dat hij
niet rond kon komen van het tractement. Dit was niet
verwonderlijk, want de predikant die tot 1814 ƒ250,—
tractement had, klaagde ook al steen en been. De kerkeraad
beloofde hierop een lokaal te zoeken en kinderen te
werven.
De koster had echter geen geduld meer en op 10 januari
1816 werd door de predikant gemeld, dat Mötz met de
noorderzon in de richting Deventer was verdwenen onder
meeneming van een voorschot op zijn tractement, zijnde
37 guldens en 10 stuivers.
Zo was men weer terug bij af. Weer was het de heer
L. Thorbecke die in Duitsland informeerde, maar ditmaal
zonder succes.
Nu besloot de kerkeraad het in Nederland te proberen en
er werd een advertentie geplaatst in de ‘Opregte Haarlemmer
Courant’, het toonaangevende dagblad in die dagen.
Dit leverde twee sollicitanten op, één uit Groningen en
één uit Doesburg. De laatste, de heer J.M.A. Reindhold,
viel bij de leden het meeste in de smaak. Maar er kwam
een kink in de kabel. Het aanstellen van onderwijzers en
het houden van een school was in het nieuwe Koninkrijk
inmiddels aan regels gebonden. Er was toestemming van de
koning voor nodig. De sollicitatie werd aangehouden en
er werd een brief aan de koning opgesteld en verzonden.
Het antwoord kwam al spoedig: men wilde eerst aan de
hand van een vragenlijst het nodige van de Lutherse
plannen weten. De kerkeraad liet weten, dat het om een
Openbare school ging (iedereen was welkom), maar dat ook
61
Lutherse wees- en armenkinderen kwamen. Onderwijs werd
gegeven in lezen, rekenen, schrijven en de Nederduitse
en Hoogduitse taal. Het onderwijs was niet gratis, maar
voor de armen werd de helft betaald door de diakonie.
Toen antwoordde de minister op 9 november 1816, dat de
school wel toegestaan kon worden, maar dat er een nieuwe
oproep moest komen voor de onderwijzer in de Staatscourant,
de Zwolse Courant en desnoods de Opregte Haarlemmer
Courant. Bovendien moesten de kandidaten een vergelijkend
examen afleggen onder toezicht van het eerste
schooldistrict van de Provinciale schoolcommissie. Deze
stond voor Zwolle en omstreken onder voorzitterschap van
ds. A.A. Alting uit Kampen.
In februari 1817 meldden zich nu twee sollicitanten,
waaronder weer de heer Reinhold uit Doesburg en de heer
F.PH. Röpeke. Het proces verbaal van het examen wees
uit, dat de heer Reinhold afgewezen werd, omdat hij niet
de vereiste bevoegdheden had, maar dat de heer Röpeke
uit Leeuwarden benoemd kon worden.
Helaas kwam er op 28 maart 1817 weer oponthoud. De minister
was tot de ontdekking gekomen, dat de school eigenlijk
een zogenaamde burgerschool was, die toestemming
moest hebben van Burgemeester en Wethouders van
Zwolle. Wellicht wilden dezen de toestemming van de commissie
overnemen. Dit gebeurde inderdaad en op 10 april
werd bericht van B & W ontvangen, dat de benoeming kon
plaatsvinden. Eindelijk had de Lutherse Kerk na twee
jaar weer een custos-schoolmeester.
Bron:
Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle; Kerkelijke Archieven
KA022 02
62
BOEKBESPREKING
Wantje Fritschy, Leo Douw (red.), Oost-Nederland in de
negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe.
Overijssel en Gelderland in de negentiende en vroeg
twintigste eeuw. (Amsterdam, 1988) 114 pag.
ISBN 90-6256-603-0. ƒ. 42,50.
J.H. Drentje
In de serie ‘Regionale geschiedenis van Nederland’
uitgegeven door de Vrije Universiteit van Amsterdam is
als aflevering 3 verschenen: Oost-Nederland in de
negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe.
Overijssel en Gelderland in de negentiende en vroeg
twintigste eeuw (Amsterdam, 1988). Het betreft hier een
bundeling van voor publicatie bewerkte scripties en onderzoeksverslagen
van studenten en medewerkers van de
vakgroep economische en sociale geschiedenis van de V.U.
De titel van het boek wekt de verwachting, dat de lezer
zicht zal krijgen op het moderniseringsproces in de negentiende
eeuw in Oost-Nederland. Het accent ligt echter
op het platteland van Drente in de tweede helft van de
negentiende eeuw en het moderniseringsproces blijkt
vooral een problematische term te zijn. Er is onder andere
onderzoek gedaan naar het karakter van de criminaliteit
in Drente in de tweede helft van de negentiende
eeuw. Hieruit blijkt geen relatie tussen criminaliteit
en modernisering. In de meeste bijdragen wordt het moderniseringsproces
in Drente vooral als een ontwikkeling
van buitenaf gezien. Uit het onderzoek naar de verbeteringen
in Drentse infrastructuur blijkt echter onder
meer, dat een belangrijk deel van het geld voor de
Drentse Kanaalmaatschappij uit Drente zelf afkomstig
was.
In het algemeen wordt met betrekking tot de Drentse
landbouw uitgegaan van de visie van J.L. van Zanden,
zoals hij die uiteen heeft gezet in De economische
ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende
eeuw 1800-1914 (Wageningen 1985) . Van het in
1987 in de A.A.G.-bijdragen verschenen proefschrift van
J. Bieleman Boeren OP het Drentse zand; een nieuwe visie
op de oude landbouw (Wagningen 1987) kon blijkbaar geen
gebruik gemaakt worden, zodat de landbouw in Drente voor
1800 vanwege de eeuwige roggebouw uitsluitend als ach63
terlijk wordt omschreven (blz. 14).
Bieleman heeft echter aangetoond, dat het Drentse boerenbedrijf
al in de zeventiende eeuw een veel dynamischer
karakter had en in een zekere betrekking tot de
markt stond, terwijl het productiviteitsniveau behorende
bij de eeuwige roggebouw al rond 1700 doorbroken was. Er
is tussen Bieleman en Van Zanden een discussie ontstaan,
die werd gevoerd in Tijdschrift voor Geschiedenis 101
nr. 2 (1988) 190-224. Wie een goed overzicht van deze
discussie wil, kan dit vinden in het tijdschrift van de
Drentse Historische Vereniging Ons Waardeel 8 nr. 5
(1988).
Op deze uitgave van de V.U. maken wij u attent, omdat
amateur-historici en studenten hieruit tal van ideeën op
kunnen doen voor een onderzoek, waarbij ook gebruik gemaakt
wordt van seriële gegevens. Vooral het laatste
artikel van Marian de Vries over huwelijk en gezin in
Salland is een mooi voorbeeld van een onderzoek met behulp
van de methode van gezinsreconstructie. Zij komt
hierbij de voor Salland typerende grootfamilie op het
spoor, waarbij de grootouders inwoonden en er sprake was
van een huishouden bestaande uit drie generaties: een
leefsituatie die men drie keer in zijn leven meemaakte.
Haar artikel heeft echter geen expliciete relatie met de
centrale vraagstelling. Was het wel zo verstandig deze
bundeling van zo naar onderwerp, tijd en plaats verschillende
scripties het moderniseringsproces op te
dringen?
BOEKBESPREKING
Doorwerking van de Moderne Devotie? Bespreking van:
P. Bange, C. Graafland, A.J. Jelsma, A.G. Weiier
(red.), De doorwerking van de Moderne Devotie. Windesheim
1387-1987. (Verloren, Hilversum, 1988) ƒ58,50.
Nico Lettinck
Voor de meeste lezers van dit tijdschrift zullen de
uiteenlopende vieringen rond het thema ‘Windesheim 600’
nog vers in het geheugen liggen. In dat kader werd in de
herfst van 1987 een uitstekend bezet wetenschappelijk
symposium gehouden met als thema ‘De doorwerking van de
Moderne Devotie; Windesheim 1387-1987’. In en rondom de
64
huidige Nederlands-Hervormde Kerk van windesheim werden
toen door een straffe wind begeleid maar liefst 18 lezingen
over dit onderwerp gehouden. Deze teksten zijn
nu fraai door uitgeverij Verloren gepubliceerd in een
bundel waarvan alleen de vaal paarse kaft weinig tot de
verbeelding spreekt. De inhoud daarentegen verdient alle
aandacht van degenen die op welke manier dan ook geïnteresseerd
zijn in de betekenis van de Moderne Devotie en
de Windesheimer beweging voor later eeuwen.
Over de Moderne Devotie, Windesheim en de toonaangevende
geestelijken zoals Geert Grote en Thomas van Kempen zijn
in de loop der tijd al bibliotheken volgeschreven.
Wellicht mede daarom heeft het congrescomité besloten de
aandacht nu eens te verleggen naar de eventuele doorwerking
van deze beweging. De meeste auteurs hebben zich
goed aan hun opdracht gehouden. Het resultaat van de
vaak minutieuze detailstudies is dat heel wat algemeen
bekende visies omtrent de betekenis van de Moderne Devotie
gecorrigeerd of genuanceerd worden. Ik kan er hier
slechts enkele noemen.
Uit diverse bijdragen blijkt dat het zeker niet meer
verantwoord is de Moderne Devotie te beschouwen als dé
voorloper (of zelfs maar een voorloper) van de Reformatie.
De ‘geest van Windesheim1 vertoont (voor sommigen
wellicht helaas) geen specifieke Nederlandse karaktertrekken,
zoals wel eens beweerd is. Erasmus is, ondanks
zijn korte scholing bij de broeders, niet beïnvloed door
de Moderne Devotie. Zijn spiritualiteit staat zelfs
haaks op die van zijn leermeesters. Bij de Remonstranten
en Doopersen is nauwelijks een teken van directe beïnvloeding
te vinden; de enige lijn van zichtbare beïnvloeding
zou gevormd kunnen worden door de waardering in
die kringen van het beroemde boekje van Thomas van Kempen:
Over de navolging van Christus. Maar hier duikt
meteen het steeds terugkerende probleem op: in hoeverre
laat men zich feitelijk beïnvloeden door een boek dat
men prijst? Van Adolf Hitler wordt ook verteld dat hij
Goethe op zijn nachtkastje had liggen. Maar zegt dit
iets wezenlijks over de doorwerking van Goethe bij deze
man? Dit probleem wordt systematisch aan de orde gesteld
in een ‘verkennend onderzoek naar de waardering voor de
Imitatio Christi in de Nederlanden tussen 1600 en 1800,
in het bijzonder onder de katholieken’. Hier wordt de
standaardopvatting dat dit boek altijd en overal door
iedereen werd geprezen behoorlijk bijgesteld. De auteur
stelt vast dat de Imitatio in die periode zeker geen
volksboek was en dat het steeds door verschillende bewegingen
om verschillende redenen werd gebruikt en geprezen.
65
Deze laatste conclusie dringt zich op indien we het totaal
van de bundel overzien. Eigenlijk creëerde iedere
gelovige die zich op geestelijke verwantschap met Thomas
van Kempen liet voorstaan zijn eigen Thomas. In gereformeerde
uitgaven van de Imitatio werd bijvoorbeeld meestal
het vierde deel weggelaten, omdat het te Rooms was.
Het meest onverhuld ging G. Voetius te werk in zijn
voorwoord bij De worstelinghe eenes bekeerde sondaers
(1631) van W. Teellinck. Daarin prees hij deze voorman
van het piëtisme als ‘eenen tweeden Thomas a Kempis
(doch ghereformeerden) van onse eeuwe1. Bij het lezen
van dergelijke woorden kan men zich afvragen: op welke
wijze wordt er tegenwoordig omgesprongen met de erfenis
van de Moderne Devotie? Wat zou bijvoorbeeld de bedoeling
geweest zijn om de Christelijke Hogeschool in Zwolle
te vernoemen naar het klooster Windesheim?
De bundel wordt geopend met enkele dergelijke programmatische
artikelen, maar een samenvattende evaluatie van
alle bijdragen ontbreekt helaas. Alleen in het laatste
artikel wordt een aanzet tot synthese gegeven en tegelijk
geeft het een relativering van het hele geleerde
boekwerk: ‘Kennelijk heeft elke tijd zijn eigen beeld
van de Moderne Devotie en dus ook van de eventuele doorwerking
ervan ‘.
66
DE BIBLIOTHEEK VAN DE PROVINCIE OVERIJSSEL
B. KIESTRA, bibliothecaris
Het is niet algemeen bekend dat de bibliotheek van de
provincie open is voor het publiek.
De collectie van circa 100.000 banden is niet alleen van
belang voor het provinciale bestuur en haar ambtenaren,
doch ook voor de historicus en de geïnteresseerde burger.
Voor deze laatste liggen er regelmatig (concept-)
rapporten, regelingen, nota’s ter inzage in de bibliotheek,
tevens de provinciale notulen en verslagen.
Informatie van de rijksoverheid (Staatsblad, Staatscourant,
parlementaire verslagen, wetten en wetsontwerpen)
zijn eveneens aanwezig en zijn bovendien via databestanden
snel toegankelijk. Een uitgebreide juridische
collectie is voorhanden.
In de loop van de jaren heeft de bibliotheek een uitgebreide
collectie Overijsselse publicaties opgebouwd.
Deze collectie van zogenaamde Transisalana is van groot
belang voor onder andere historici en geïnteresserden in
streekgeschiedenis.
Alhoewel er tevens collecties Transisalana aanwezig zijn
bij de Provinciale Bibliotheekcentrale – Oost Overijssel
in Borne en de Atheneumbibliotheek in Deventer -, biedt
de provinciale bibliotheek door de aanwezigheid van een
grote en oude collectie van (provinciale) overheidspublicaties
een bredere historische en bestuurlijke achtergrond.
Enige voorbeelden van aanwezige rijksoverheidspublicaties
zijn:
– Staatsblad der Nederlanden, 1813-heden,
– Nederlandse Staatscourant, 1798-heden,
– Handelingen der Tweede Kamer, 1814-heden,
– Handelingen der Eerste Kamer, 1849-heden.
Enige voorbeelden van aanwezige provinciale publicaties
zijn:
– Provinciaal Blad van Overijssel, 1816-heden,
– Notulen van de vergadering van Provinciale Staten van
Overijssel, 1842-heden,
– Jaarboekje van de provincie Overijssel, 1832-1969 (in
1975 voortgezet als Almanak voor de provincie Overijssel)
.
De Transisalana-collectie bestaat uit publicaties over
Overijsselse steden, dorpen, streken, etc. en allerlei
onderwerpen waarbij geheel of gedeeltelijk het Overijs67
selse aspect ervan beschreven wordt.
Enige voorbeelden:
– Melchior Winhof, Lantrecht van Averissel, 1559,
– Lantrechten van Overyssel, 1676,
– Stadregt van Swolle, 1701,
– Dykregt van Salland, 1730,
– Deductie voor de Regering der Stad Hasselt, 1786,
– Mr. J.W. Racer, Almelosche Oudheden, 3 banden,
1785-1786,
– Overijsselse Courant, 1796-1964,
– Bijdragen van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsen Regt en Geschiedenis, 1860-heden,
– Mr. J.I. van Doorninck et al., Bijdragen tot de Geschiedenis
van Overiissel, 14 delen, 1874-1907,
– J.C.H, de Groot en A.M.J. Schoot Uiterkamp, Bibliografie
van Overijssel, 1951-1980.
Tijdschriftenartikelen over Overijssel en/of Overijsselse
onderwerpen worden bewaard en door middel van het
Literatuur-documentatie Overijssel (LIDO) ontsloten via
de catalogus (1981-1983) en voor de jaren 1950-1980 en
1984-heden via de computer toegankelijk gemaakt.
De provinciale bibliotheek bezit een uitgebreide collectie
(topografische) kaarten van Overijssel. De collectie
vangt aan met kaarten uit de 17e eeuw. Raadpleging hiervan
is alleen mogelijk met speciale toestemming.
De gehele collectie van de bibliotheek is ontsloten door
middel van van cataloguskaarten (alfabetisch op hoofdwoord,
op classificatienummer en op topografische
aanduiding).
Vanaf 1984 is de collectie tevens ontsloten via de computer.
Naslagwerken, overheidspublicaties en andere publicaties
zijn voor ieder ter inzage beschikbaar, de overige publicaties
zijn veelal uitleenbaar.
De bibliotheek is gevestigd in het Provinciehuis, Luttenbergstraat
2, Zwolle, tel. 038-252525.
De openingstijden zijn op werkdagen van 8.30-16.30u.
68
TENTOONSTELLINGSAGENDA VAN HET PROVINCIAAL OVERIJSSELS
MUSEUM
Drostenhuis. Melkmarkt
8 juni tot en met 10 augustus : Langs de IJssel.
2 september tot en met 1 oktober : Circus Krone.
Gouden Kroon. Voorstraat
17 juni tot en met 15 juli : In de wieg gelegd
(oude doop- en kraamgebruiken).
11 tot en met 19 augustus : Kermistentoonstelling:
Stoere jongens,
ferme knapen.
9 september tot en met 22 oktober: Bejaardenzorg in
Zwolle.
Tuinactiviteiten
8 juli : Surinaamse dag
15 juli : Clownsdag
22 juli : Slagwerkdag
29 juli : Boekenmarkt
5 augustus : Klederdrachtenshow
18 augustus: Chinese dag
26 augustus: Jazzconcert
2 september: Dierendag, met verkiezing van de leukste
straathond.
PERSONALIA
A. carmiggelt (1964) studeerde geschiedenis en archeolo-
?,! !!” f® Rijksuniversiteit te Groningen. Werkt thans
de
Thomas casparie, 16 jaar, 5 vwo (Gymnasium Celeanum,
Zwolle), woonachtig in Hattera (Gld.)
John Sanders, 16 jaar, 5 VWO (Gymnasium Celeanum,
Zwolle), woonachtig in Wapenveld (Gld )
J. Erdtsieck was van 1947 tot 1952 werkzaam als catecheet-]
eugdwerkleider in de hervormde gemeente te
Zwolle. Van 1972 tot 1984 was hij bedrijfsmaatschap-
?, l ,^r k S r ln d i e n s t van de burgerlijke gemeente.
Vanaf 1976 ouderling in de hervormde gemeente Zwolle
(Holtenbroek).
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek:
E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck,
I. Wormgoor, H.C.J. Wullink, A. van der Wurff.
BESTUUR:
voorzitter:
J. Hagedoorn
secretaris:
R. Stel
penninqmeester:
H. Brassien
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle
Boddeitiate 43,8014 JK Zwolle
Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle
leden:
P.J. Berends, R.T. Oost, R. Salet, I. Wormgoor
SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE:
telefoon: 038 – 539 625 Postbus 1448, 8001 BK Zwolle
REDACTIE-ADRES: Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle
FINANCIEN:
Girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging, Zwolle
TARIEVEN LIDMAATSCHAP:
jeugdleden, studenten, 65+
leden tussen 21 en 65 jaar
huisleden
f 25,— per jaar
f 35,— per jaar
f 7,50 por jn.ir
typewerk: Marinus Prins
lay-out: Henk Brassien
druk: Koninklijke Tijl N.V. Zwolle
omslag: “Swolla”, kopergravure, anoniem, 18e eeuw
(Zwolle rond 1600, gezien vanuit het zuiden)
r

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 2

Door 2003, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

w
i*
K»!
20e jaargang 2003 nummer 2 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
Nlfch , L/0 ZWOLLE, Nleu«fchavenbrug
Geslaagd voor het
toelatingsexamen l
HARTELIJK GEFELICITEERD
Een goed advies
beste! vóór de vakantie nog je
schoolboeken:
Bijtijds bestellen betekent leverei
op tijdl
Wacht niet tot het laatste moment
Diverse boeken zijn dan vaak uit
verkocht of in herdruk.
tiet vriendelijke groetet
H. TULP N.V.
Tel. (O5Ï00J-11441
Soefcnwxfef
Scnoofvttfpennen
Ttktnaniktlen
^Wa£j2?
(Collectie HCO)
Reclamekaart van H. Tulp N.V.
Poststempel 21 juni 1961
Zwolser kan het bijna niet: een kijkje vanaf de
Burgemeester van Roijensingel op de Nieuwe
Havenbrug en de Peperbus, die hoog boven de
huizen aan de Eekwal uitrijst, geschilderd door
een amateur, waarschijnlijk naar een foto of
ansicht. Rechtsonder heeft hij zijn naam vermeld:
Roet- of Hoefman.
Ruim 100 jaar was drukkerij en uitgeverij Tulp
een begrip in Zwolle. Tulp begon in 1882 aan de
Blijmarkt. Rond 1970 verhuisde het bedrijf naar de
Rieteweg en na fusies verdween de handelsnaam
in de jaren negentig uit Zwolle.
Tulp was ook op het gebied van schoolboeken
actief. Zoals de leerlingen van groep 8 tegenwoordig
deelnemen aan de landelijke CITO-toets ter
bepaling van het vervolgonderwijs, zo moest men
tot de invoering van de Mammoetwet in 1968 een
toelatingsexamen afleggen voor de middelbare
school. De firma Tulp speelde daar handig op in.
Was je geslaagd voor dat examen, dan ontving je
een schriftelijke felicitatie van Tulp met de aansporing
om daar snel je schoolboeken te bestellen.
In 1961 ontving R. Stevens uit de Gladiolenstraat
4 te Zwolle deze kaart. Hij was geslaagd voor
zijn examen en begon aan een nieuwe vorm van
onderwijs.
In latere adresboeken van Zwolle woonde het
gezin Stevens niet meer aan de Gladiolenstraat in
Assendorp. De naam was te algemeen om via
adres- of telefoonboeken verder te zoeken. Maar
misschien kent een van de lezers deze R. Stevens
en weet hij of zij wat er van hem geworden is. Met
belangstelling zien wij uw informatie tegemoet.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
Een tijdschrift vol persoonlijke herinneringen…
Veel Zwollenaren zullen zich mr. Job Drijber
nog herinneren. Hij was burgemeester van Zwolle
van 1969 tot 1980, een roerige periode vanwege
democratisering en stadsvernieuwing. Drijber is
ereburger van de stad en in januari 2002 werd een
singel naar hem vernoemd: Burgemeester Drijbersingel,
voorheen Zamenhofsingel geheten.
Annèt Bootsma en Wil Cornelissen hebben uitgebreid
met hem gesproken. Het artikel dat uit deze
interviews is samengesteld, omvat meer dan alleen
Drijbers Zwolse periode.
Tijdens de uitreiking van de Prijs voor de
Zwolse Geschiedenis 2002 hield winnaar Jan van
de Wetering een voordracht over het Ter Pelkwijkpark,
waar hij opgroeide. Op verzoek van de
redactie heeft hij deze boeiende causerie voor het
tijdschrift beschikbaar gesteld.
Van de burgemeester naar de zwerver; Wil
Cornelissen switcht moeiteloos tussen de uitersten
van het sociale spectrum. De zwerver Bram
Poortier, beter bekend als ‘Brammetje’ haalde
regelmatig de Zwolse Courant. Hij overleed begin
dit jaar. Kort na zijn begrafenis ontving Wil Cornelissen
een gedicht op deze gebeurtenis, geschreven
door Fons Kool. Als inleiding hierop zet Cornelissen
de gebeurtenissen van de laatste jaren nog
eens op een rij.
Het tijdschrift begint zoals gebruikelijk met
een ansichtkaart. Dit keer is hij wel heel toegesneden
op de verschijningsdatum. Het betreft namelijk
een reclameboodschap van een drukkerij
gericht aan een scholier die net is geslaagd voor
het toelatingsexamen van de middelbare school.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsmavan
Hulten en Wim Huijsmans 38
Mr. Job Drijber, ereburger van Zwolle.
Een portret Annèt Bootsmavan
Hulten en Wil Cornelissen 40
Ode aan het Ter Pelkwijkpark.
Een wandeling door een verdwenen paradijs
Jan van de Wetering 66
Bram Poortier. Een zwerver ging heen…
Wil Cornelissen 72
Boekbesprekingen 74
Mededelingen 77
Auteurs 78
Omslag: Een burgemeester moet van alle markten
thuis zijn. Op 19 december 1975 decoreerde burgemeester
Drijber het 400.000ste dier dat dat jaar op
de Zwolse veemarkt werd aangevoerd. Op de achtergrond
het draaiorgel ‘de Engelenbak’. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. Job Drijber, ereburger van Zwolle
Een portret
Annèt BootsmavanHulten
en
Wil Cornelissen
Job Drijber als kind in
Laren, beginjaren dertig.
(Collectie Drijber)
In 1998 riep de Zwolse gemeenteraad het instituut
ereburger in het leven, als hoogste onderscheiding
van de stad en bedoeld voor mensen
met uitzonderlijke verdiensten voor Zwolle. De
eerste – en totnogtoe enige – persoon aan wie deze
bijzondere titel werd toegekend, is Zwolle’s oudburgemeester
mr. Job Drijber. In januari 2000
werd hem het ereburgerschap van Zwolle uitgereikt
op grond van zijn bijzondere inspanningen
voor de stad. Bij die gelegenheid karakteriseerde
burgemeester Jan Franssen mr. Drijber als een
zeer gedreven, gezaghebbend en bevlogen burgemeester.
In januari 2002 werd de voormalige Zamenhofsingel
omgedoopt in Burgemeester Drijbersingel.
Burgemeester Henk Jan Meijer roemde daarbij
de periode Drijber, 1969 -1980, als een tijdvak
waarin veel was gebeurd ten goede van de stad in
het algemeen en de binnenstad in het bijzonder.
Deze feiten maken uiteraard nieuwsgierig naar
een man en een periode in de stadsgeschiedenis
die nu al officieel als bijzonder geboekstaafd staan.
Wij voerden daarom twee uitgebreide gesprekken
met mr. Drijber, die tegenwoordig als burgemeester
in ruste woonachtig is in zijn laatste standplaats
Arnhem. In deze gesprekken rees voor ons
het beeld op van een man met een helder inzicht
en vooral ook met een geweldige werklust; die
door zich altijd goed voor te bereiden en te laten
informeren en door optimaal gebruik te maken
van zijn in de loop der jaren opgebouwde netwerk
van relaties, gesprekspartners doorgaans een stap
voor was en zich daardoor terecht de faam van een
effectief en bekwaam bestuurder verworven heeft.
De neerslag van deze vraaggesprekken, waarin wij
bepaald niet alleen over Zwolle spraken maar de
levensloop voorgeschoteld kregen van een markante
persoonlijkheid, wordt hieronder weergegeven.
Een interview als noviteit in het Zwols Historisch
Tijdschrift. Mr. Drijber leerde het bestuurlijke
handwerk van onderaf; eerst als raadslid en
wethouder in Leiden, vervolgens als burgemeester
van Middelburg, daarna van Zwolle en tenslotte
van Arnhem. Voordat wij mr. Drijber verder voor
en over zichzelf laten spreken, eerst nog een korte
schets van de tijd waarin zijn Zwolse burgemeesterschap
zich afspeelde.
Zwolle in de jaren zeventig
De komst van mr. Job Drijber in 1969 van Middelburg
naar Zwolle viel samen met een omslag in de
tijd. De studentenonrust en de revolutionaire
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
denkbeelden uit de tweede helft van de jaren zestig
begonnen in de hele samenleving respons te vinden.
Er voltrokken zich daardoor in de jaren
zeventig een aantal maatschappelijke veranderingen
die ongekend waren. Inspraak was een nieuw
fenomeen dat zich razendsnel door allerlei instituties
en organen verspreidde. Er verschenen actiegroepen.
Polarisatie vierde hoogtij. De opvattingen
over zedelijkheid en cultuur wijzigden en er
ontstonden allerlei emancipatiebewegingen. Grote
aantallen rijksgenoten en allochtonen kwamen
naar Nederland. De vooruitgangsideeën uit de
jaren zestig, die zich onder meer hadden geuit in
het voortvarend slopen van oude binnenstadsgedeelten
om plaats te maken voor grootschalige
wegen en nieuwbouw, deden geen opgeld meer.
Daarvoor in de plaats kwam een voorkeur voor
renoveren, restaureren, kleinschaligheid en het op
historische plaatsen weren van de inmiddels massaal
oprukkende auto.
Ter illustratie, het aantal inwoners van Zwolle
nam tussen 1 januari 1970 en 1 januari 1980 met
zesduizend personen toe van 76.000 naar 82.000;
het aantal huwelijken liep daarentegen terug van
836 in 1970 naar 492 in 1979 terwijl het aantal echtscheidingen
steeg van 37 naar 105. In tien jaar tijd
werden in Zwolle 6961 woningen gebouwd, waarvan
347 in 1970 en 954, het hoogste aantal, in 1976
en 1200 woningen werden gerenoveerd. Aan restauraties
werd tussen 1960 en 1970 bijna 2 miljoen
gulden besteed, van 1970 tot 1980 vertwintigvoudigde
dat bedrag tot 39 miljoen. De Aa-landen
verrezen en de grondslag voor Zwolle-Zuid was
gelegd. In 1970 telde Zwolle nog nauwelijks Surinamers
en Antillianen, in 1980 respectievelijk 600
en 200. Het aantal Marokkanen en Turken steeg
van 5 en 50 naar 135 en 1080. In 1970 waren in
Zwolle nog praktisch geen wijkcentra, in 1980 telden
bijna alle wijken centra en wijkgemeenschappen
met een inspraakfunctie. De jeugdzorg werd
in deze jaren een issue en het aantal sportvelden
verdubbelde bijna. Vrouwen betraden op veel
grotere schaal dan ooit tevoren de arbeidsmarkt.
Schaduwzijde van de jaren zeventig was dat het
Kennismakingsreceptie
met de nieuwe burgemeester
Drijber en zijn
echtgenote in Odeon,
november 1969. (Foto
Henneke, collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse college van
burgemeester en wethouders
uit 1969 -1970,
vlnr. de wethouders
Hubbers (KVP) en
Runhaar (ARP), burgemeester
Drijber,
gemeentesecretaris Peeman
en de wethouders
Nooter en Witvliet, beiden
PvdA. (Collectie
HCO)
gevoel van onveiligheid bij de burgerij toenam.
Maar positief was dat de werkgelegenheid zich in
Zwolle, vergeleken met de rest van het land, gunstig
ontwikkelde. Vanwege de hier sterk ontwikkelde
dienstensector nam het aantal banen toe.
De stad werd door al deze ingrijpende veranderingen
in de samenleving niet overspoeld; men
slaagde erin ze redelijk te verwerken en rond 1980
waren ze geïntegreerd in de samenleving. Een uitkomst
die begin 1970 zeker niet vanzelfsprekend
was. Temeer omdat naast de boven geschetste
algemene tijdsverschijnselen op dat moment hier
nog drie specifieke kwesties speelden die de
gemoederen bezighielden: de herinrichting van de
binnenstad, de uitbreiding van de stad naar Zwolle-
Zuid en meest controversieel, de stadhuiskwestie.
In 1970 was de afbraak van het noordelijk deel
van de binnenstad in volle gang en ging het om de
vraag hoe het braakliggende gedeelte weer moest
worden ingevuld. De ideeën die daarover hadden
bestaan in de jaren zestig waren inmiddels achterhaald.
Om de ontsluiting van en de infrastructuur
in Zwolle-Zuid gerealiseerd te krijgen moest een
beroep op het Rijk gedaan worden; een subsidie
van goed 100 miljoen gulden kwam pas na intensief
lobbywerk medio 1975 rond. En tenslotte de
stadhuiskwestie; Zwolle wachtte al ruim zeventig
jaar op een nieuw stadhuis. De hiervoor ontwikkelde
plannen uit de jaren zestig zorgden echter
voor een weliswaar niet politieke, maar op z’n
minst emotionele tweedeling in de Zwolse samenleving.
Het stadhuisplan beheerste begin jaren
zeventig alle verhoudingen in Zwolle. Net toen de
tegenstellingen volkomen onoverbrugbaar leken,
kwam er een gewijzigd plan ter tafel dat vervolgens
snel werd verwezenlijkt.
Mr. Drijber kenschetst de jaren 1970 -1972 nu
als de moeilijkste waaraan hij in zijn achtentwintigjarige
burgemeesterscarrière het hoofd te bieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
den had. Maar door zijn gevoel voor het historische
stadsbeeld, zijn landelijke netwerk van relaties
en zijn initiatiefrijke manier van leiding geven
(en nemen) bleek Drijber in Zwolle de juiste man
op de juiste plaats en tijd te zijn. Onder zijn gedreven
leiding doorstond de stad alle genoemde perikelen
en kwam uiteindelijk voorspoedig uit de
jaren zeventig te voorschijn. We laten nu graag de
heer Drijber aan het woord over zijn leven, het
verloop van zijn carrière en natuurlijk zijn tijd in
Zwolle.
Jeugd en studietijd
Wat is een jongensdroom? Trambestuurder, brandweercommandant;
hoe kom je tot de wens om burgemeester
te worden. Zat dat er van huis uit al in?
Belangstelling voor de politiek, het bestuur? Via uw
vader? Wat was de rol van uw moeder?
Drijber: Ik ben geboren in Nederlands-Indië, in
Malang, Oost-Java. Daar heb ik tot mijn zevende
jaar gewoond. Heel mooi, ik was daar zeer aan
gehecht en vond het heel erg om daar weg te gaan.
Mijn vader was advocaat, eerst in Zutphen en later
in Soerabaja. Na een jaar of tien is hij overgegaan
naar de Borsumij, de Borneo Sumatra Handelsmaatschappij.
De directie daarvan zat in Den
Haag, hij was hoofdvertegenwoordiger in Indië.
Wij gingen in 1931 terug naar Nederland. Omdat
mijn vader met pensioen ging, hij was toen 54. Ik
had een oude vader, ik was enig kind uit z’n tweede
huwelijk. Destijds in Zutphen was hij gemeenteraadslid
voor de Vrijzinnig Democraten. In Soerabaja
zat hij ook in de raad. Hij werd in 1916
gevraagd om burgemeester van Soerabaja te worden.
Dat heeft hij niet gedaan vanwege alle representatie,
daar had hij geen zin in. Toen we terugkwamen
vestigden we ons in Laren, daar werd m’n
vader wethouder voor inmiddels de liberalen. De
Drijbers waren oorspronkelijk landbouwers in
Drenthe. De eerst niet-landbouwer was m’n betovergrootvader
die adjunct-directeur van de
Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord
was. Daarna volgden diverse burgemeesters en
dominee’s, ook een Atjeh-generaal. Mijn moeder
kwam uit Arnhem, haar vader was officier.
Ik heb in Hilversum op het gymnasium gezeten.
Maar het ging allemaal niet vanzelf, ik was
helemaal geen vlot jongetje op school. Ik had weliswaar
drie halfbroers, maar die waren veel ouder.
Dus ik was in feite enig kind en een beetje eenzelvig.
Mijn moeder was heel verstandig, zij heeft
echt haar best voor mij gedaan. Maar ik leefde op
Luchtfoto uit 1972
waarop het effect van de
kaalslag in het noordelijk
deel van de binnenstad,
rond de Broerenkerk,
goed te zien is.
(Uit ‘Op de bres voor
Zwolle’, Zwolle 1992)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. Job Drijber, chronologie
– > • •
uit 1973. (Collectie HCO)
BMBB^BH 1924
^^^^^BYBYBBYJ W5
BIBHBVI BB^B^B^KBI
i t ‘ ‘ff
1’ m
ï – ‘”•”• !’ w j’ . , ‘~^sM
‘i *” ‘ i l i |
f ^ 1
1950
1952
1953 -1961
1956 -1961
1958 -1961
1961 -1969
1969 -1980
november 1969
n^H^BBBBH
PJ&yR^^^^^^H J9/o -1972
^SQ^^^^^^^^^H augustus 1972
|l|ua[BBBBBBBBfl
IBBBB^BI m^^^^^^^^^^^^^M medio 1975
^MgUHB|^BK| J4 mei 1980
urgemeester van Zwolle, mei 1980
1980 -1990
januari 2000
januari 2002
Geboren te Malang op Oost-Java, Nederlands-
Indië
Verhuizing naar Nederland, vestiging
in Laren, Noord-Holland
Eindexamen gymnasium
Opleiding voor bestuursambtenaar
en de studie ïndologie en Indisch
Recht te Leiden
Afstuderen Indisch Recht, adjunctsecretaris
college van curatoren
Afstuderen Nederlands Recht
Gemeenteraadslid voor de WD in
Leiden
Beatrix in huis
Wethouder in Leiden, onder meer
portefeuille verkeer en vervoer
Burgemeester van Middelburg
Burgemeester van Zwolle
Geïnstalleerd als burgemeester van
Zwolle
‘Moeilijkste bestuurlijke jaren’
Compromis over het stadhuisplan
aangenomen door de Zwolse
gemeenteraad
Rijk kent Zwolle een eerste subsidie
van 103 miljoen gulden toe voor de
ontsluiting van Zwolle-Zuid
Opening nieuwe stadhuis
Viering van Zwolle 750
Officieel afscheid van Zwolle, krijgt
daarbij de erepenning van de stad
Zwolle uitgereikt
Benoemd tot erelid van de Vrienden :
van de Stadskern
Burgemeester van Arnhem
Benoemd tot ereburger van Zwolle
Officiële onthulling van de naam
Burgemeester Drijbersingel
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
de achtergrond, kwam nooit in een bestuur van
een gymnasiastenbond of zo. Ik las wel heel veel.
Vooral geschiedenis, het enige vak ook waar ik
echt goed in was. Wiskunde vond ik vreselijk.
De oorlog heeft op u ook een geweldige indruk
gemaakt? Ja, heel sterk en dat is ook gebleven, het
is een blijvend stempel. Ik ben na m’n eindexamen
in 1943 nog een jaar in Rotterdam geweest, naar
de Belastingacademie. Je kon toen niet gaan studeren
want de universiteit was dicht. Je moest je
melden op het Arbeidsbureau. Dat wilde ik niet,
vandaar deze opleiding. De Duitsers gaven daar
Ausweisen voor want die vonden het van belang
dat in de belastingdienst continuïteit zat. Ik heb
wel wat illegaals gedaan, bonnen rondgebracht en
krantjes, wat koeriersdiensten, maar niets spectaculairs.
Maar ik wou weer terug naar Indië. Wel
met enige aarzeling, want mijn ouders waren al
oud, dat vond ik wel een punt. Na de bevrijding
heb ik mij daarom in Leiden opgegeven voor
bestuursambtenaar en de studie Indologie en
Indisch Recht en ik werd aangenomen als kandidaat
Indisch bestuursambtenaar. Ik dacht dat er ik
weet niet wat voor mogelijkheden waren. Maar
dat werd uiteindelijk niks want we weten allemaal
hoe dat gegaan is. Toen ik afgestudeerd was kon ik
wel makkelijk banen in het bedrijfsleven krijgen,
maar daar ben ik niet iemand voor. Inmiddels had
ik echter wel een andere richting in mezelf ontwikkeld.
Tot mijn verbazing. Want als scholier
was ik altijd op de achtergrond maar toen ik in
Leiden studeerde, veranderde dat. Ik kwam in de
archiefcommissie van het Leids Studenten Corps
en moest bij bepaalde gelegenheden toespraken
houden. Dat ging eigenlijk heel goed, ze luisterden
ook nog. Daar kwamen dingen bij, faculteitsbestuur,
commissie van de sociëteit, Indische Vereniging.
In die tijd met de Indische Kwestie kwamen
vele bekende Nederlanders spreken, Logemann,
toen minister van Overzeese Gebiedsdelen,
Gerbrandy, ook Indonesiërs; niet van de Republiek
natuurlijk, die kwamen hier niet. Die bijeenkomsten
moest ik leiden. Op een gegeven
moment ben ik tot mijn stomme verbazing zelfs
praeses van het corps geworden.
Dat was in mijn leven een enorme omslag. Ik
vertel dat omdat dat voor mijn burgemeesterschap
van belang is geweest. Want toen duidelijk
werd dat ik niet naar Indië kon begon ik toch wel
meer voor het bestuur te voelen. Daarbij had ik
ook het Leidse civitasideaal, het ideaal van de
scheidslijnen moeten weg, iedereen moet een kans
krijgen, in de samenleving maar om te beginnen
in de Leidse studentenwereld. Oude tegenstellingen
weg. Dat is mij altijd wel blijven bezielen. Ik
weet wel, de theorie en de praktijk liggen uit
elkaar, want je bent zoals je bent. Je komt toch uit
een bepaald milieu; je bent wel idealistisch maar in
werkelijkheid handhaaf je in zo’n studentenwereld
toch weer zo de tradities dat een aantal zich er
niet thuis voelt.
Ik studeerde afin 1950, in Indisch Recht. Indologie
heb ik laten lopen want daar had ik niets
meer aan, maar daarna heb ik Nederlands Recht
gedaan en dat in 1952 afgerond.
Adjunct-secretaris van het college van curatoren
In 1950, direct na mijn eerste afstuderen, ben ik
gaan werken. Mijn vader had helemaal geen geld
meer, hopeloos was dat. Want zijn derde zoon is
in zijn Leidse studententijd schizofreen geworden,
die jongen is in psychiatrische inrichtingen
terechtgekomen. Mijn vader moest dat zelf betalen.
Zo was dat in die tijd. Tot hij nog ƒ 5000 over
had, toen heeft de gemeente het overgenomen. Dit
heeft ons werkelijk financieel te gronde gericht. Ik
moest vanwege die tweede studie wel in Leiden
blijven en toen kreeg ik een functie bij het college
van curatoren aangeboden. Het college van curatoren
was destijds het bestuur van de universiteit.
Dat waren geen fulltimers, maar er was een fulltime
secretaris met een heel apparaat. Als jong jurist
kon ik daar beginnen als adjunct-secretaris, een
nieuwe functie. Ik deed studentenzaken, bouwzaken
en speciale opdrachten. Had een uitstekende
chef, mr. Wiersma, die is later hoogleraar geworden
en lid van de Hoge Raad, een heel intelligente
jurist. Daar heb ik erg veel aan gehad. Het is erg
belangrijk om in je begintijd een chef te hebben
waar je veel van leert.
In 1953 werd ik raadslid, voor de WD. We
zaten met een driemansfractie in de Leidse raad.
Ook een hele goede leerschool, want ik wilde toen
al burgemeester worden.
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dat was toen al duidelijk? Zeker, al toen ik
adjunct-secretaris werd. Daarom was het goed dat
ik raadslid werd. Maar het liep niet allemaal zo
vanzelfhoor.
In mijn tijd als adjunct-secretaris aan de universiteit
heb ik ontzettend veel geleerd, hoe je
plannen moet verwezenlijken, ook bouwplannen.
Daar heb ik mijn hele leven plezier van gehad.
Daarvoor had je nodig het ministerie van Onderwijs,
de Rijksgebouwendienst en het ministerie
van Financiën. Wilde je een groot bouwplan er
doorheen krijgen dan moest je met alle ambtenaren
op het betreffende departement gaan praten,
soms met de professor erbij, om ze wat enthousiast
te krijgen. Bij grote plannen maakte ik stuurgroepen
en inviteerde hogere ambtenaren van
departementen om daar in te zitten. Dan kon ik
zelf mee sturen en zo lukte het meestal wel om die
plannen er door te krijgen.
De universiteit groeide hard in die jaren en er
was ook een enorme achterstand, in de dertiger
jaren was niets gebouwd. Ik heb daar ook het
belang van wat ze tegenwoordig netwerken noemen
geleerd. Als je voor iets wat je wilt verwezenlijken
alleen de gewone weg bewandelt, al zit een
plan nog zo goed in elkaar, prima toelichtingen en
alles, het dus alleen voor zich zelf laat spreken en
er verder niet achteraan gaat, dan gebeurt er niets.
Dat is nu nog steeds zo. Als je als gemeente ergens
niet volkomen achterheen gaat en niet zorgt dat er
een netwerk is waarmee je doordringt in de spelonken
van het departement of de provincie, dan
kun je het wel vergeten. Op een gegeven moment
ging mijn baas weg. Ik werd geen opvolger, ze
vonden mij te jong en te lastig, er kwam een oudere
meneer van het departement. Toen wilde ik
eigenlijk weggaan, ik moest toch een keer weg. Ik
had inmiddels al gesolliciteerd op twee burgemeesterschappen,
Ruinen en Ruurlo. De Leidse
burgemeester, tevens curator, Van Kinschot was
vermoedelijk niet zo dol op mij. Want ik was, met
een aantal anderen, heel lastig in de raad. Daar heb
ik trouwens nog wel profijt van gehad, als ik later
zelf lastige raadsleden had dan kon ik vanuit mijn
eigen ervaringen heel aardig met ze praten.
Beatrix
Ik dacht dus ik moet nu eindelijk eens weg en toen
gebeurde er iets merkwaardigs. Ik was in 1952
getrouwd, met Mary Halbertsma, we kenden
elkaar vanaf 1947. Zij had de school voor Maatschappelijk
Werk gedaan. We woonden in Leiden
op een verdieping aan het Rapenburg, daar werden
ook onze oudste twee kinderen geboren.
Maar in 1955 kregen mijn vrouw en ik van koningin
Juliana het verzoek of wij prinses Beatrix in
huis wilden nemen. Want Beatrix zou in 1956 in
Leiden komen studeren. Zij moest vrij zijn, maar
er moesten toch wel mensen zijn, liefst een gezin,
dat ook wel z’n eigen gang ging maar een beetje
een oogje in het zeil kon houden. We konden
daarvoor verhuizen naar Rapenburg 45, het vroegere
huis van professor Telders, de hoogleraar
Volkerenrecht. Telders was, nog in april ’45, in het
kamp overleden en had zijn huis nagelaten aan het
Leids Universiteits Fonds. Op de tweede verdieping
zou prinses Beatrix met haar vriendin Renée
Roëll gaan wonen. En er was natuurlijk ook een
rechercheur. Daarboven moest nog een ouderejaars
komen. Die moesten wij uitzoeken, een studente
die haar eigen weg ging maar Beatrix wegwijs
kon maken.
Hoe krijg je zo’n verzoek van de koningin? Had u
al contacten met de familie? Nee, wel eens een
handje gegeven, maar verder niet. Maar koningin
Juliana had zelf ook in Leiden gestudeerd en de
band met haar Leidse tijdgenoten vastgehouden.
Zo kon zij makkelijk advies inwinnen. Met name
het bestuur van het Leids Universiteits Fonds
speelde daarbij een rol, in de eerste plaats de secretaris-
penningmeester mejuffrouw mr. M.[Marietje]
Blok. Een centrale figuur in het Leidse universitaire
leven. Prinses Beatrix zou eerst drie jaar
blijven. Het werden er vijf omdat zij bij nader
inzien haar studie wilde afsluiten met het doctoraalexamen
Rechten Vrije Studierichting. Ze is tot
1961 gebleven.
In Leiden beheerst het 3 oktoberfeest1 de stad.
Daarom was het voor mij een grote gebeurtenis
toen ik secretaris werd van het bestuur van de
3 oktobervereniging. Daaraan bewaar ik de beste
herinneringen, ook al moest je er hard voor werken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
In 1958 werd ik wethouder, Leiden was toe aan
een vijfde wethouder en de VYD mocht die leveren.
Het college van B en W was in leeftijd tussen
de 56 en 64, men vond dat er eens iemand van een
andere generatie in moest.
Welke portefeuille had u? Ik had vier bedrijven
onder mij en verder volkshuisvesting, verkeer en
openbaar vervoer. Het Leids gemeentebestuur
was niet erg gemakkelijk* de sfeer was niet geweldig
in die tijd. Maar goed, ik heb dat drie jaar
gedaan, met plezier. Die portefeuille verkeer en
vervoer heb ik tweeëntwintig jaar gehouden, ook
nog in Middelburg en Zwolle. Verder had ik mijn
handen vol aan de bouw van de Groenoord-
(markt)hallen en een voor die tijd moderne vuilverbrandingsinstallatie.
Middelburg
Op een gegeven moment werd ik van diverse kanten
ingeseind dat er een burgemeesters vacature
was. Ik aarzelde, want ik was nog maar twee jaar
wethouder en zat net midden in die bouw van de
Groenoordhallen. Maar er werd me gezegd door
Van der Kwaak, toen een CH-gedeputeerde van
Zuid-Holland, de W D zit nu in de regering en er
is een grote achterstand aan WD-burgemeesters,
nu moet je je kans grijpen. Ik heb toen met m’n
vroegere hoogleraar staatsrecht gesproken. Staatsrecht
had ook m’n belangstelling, ik had graag
geschiedenis willen studeren maar zag daar destijds
niet zoveel mogelijkheden in. Ik legde hem
mijn dilemma voor en hij zei, Van der Kwaak
heeft volkomen gelijk, ik had het u zelf moeten
adviseren, ik maak nu een afspraak voor u met de
secretaris-generaal. Toen kwam ik op het departement
en daar zeiden ze, als u nu niet was gekomen
dan hadden we dat uitgelegd als een teken dat u
geen belangstelling had. Toen heb ik gesolliciteerd
naar Smallingerland in Friesland. Ik wist wel dat ik
dat niet zou krijgen, politiek lag dat niet voor de
hand, maar ik kwam wel op de voordracht. Ik had
inmiddels ook naar Middelburg gesolliciteerd en
ben dat uiteindelijk met veel moeite geworden.
Toxopeus, die toen minister van Binnenlandse
Zaken was, wilde mij hebben maar de toenmalige
commissaris2 in Zeeland, De Casembroot, wou de
burgemeester van Zierikzee, een CH-er. Daar was
hij ook zeer mee bevrind. Een burgemeester moest
bovendien kerkelijk meelevend zijn. Hij riep mij
niet eens op.
Dus die dominees in de familie, dat heeft zich
niet voortgezet? Nou, wij waren remonstrants.
Mijn moeder was dat en mijn vader is het later
geworden, die was hervormd. In die zin kon ik wel
kerkelijk meelevend zijn. De burgemeester van
Leiden sprak De Casembroot er nog op aan, hij
kende hem goed: jij moet wel Drijber oproepen.
En dat is toen alsnog gebeurd. Er was dus veel over
te doen, in eerste instantie kwam het niet door de
ministerraad en toen hebben ze de vakantie er
overheen laten gaan. Die tijd is benut om minister-
president De Quay te overtuigen van de kwaliteiten
van kandidaat Drijber om Middelburg te
ontwikkelen. Op 13 oktober werd ik uiteindelijk
benoemd.
Toch wel bijzonder, u had geen ervaring en
wordt meteen burgemeester van een provinciehoofdstad.
Ja, maar hoeveel inwoners had Middelburg
toen? Zo’n 23.000. Daarom kon het. Bovendien
had ik in Leiden als wethouder ervaring opgedaan
gericht op een stad, niet op een dorp. Ik ben acht
jaar in Middelburg geweest en heb een hele goede
tijd daar gehad. De Middelburgse samenleving is
heel gezellig om te wonen. Het was toen nog een
hele ouderwetse samenleving. Dat had ook z’n
goede kanten. Die Leidse raad was destijds al een
raad zoals we dat tegenwoordig overal hebben,
van alles wat, soms moeilijk, nou ja, niet geweldig.
Een grote fractie van de PvdA, daar zaten wel een
paar goeden in maar ook mensen die niets voorstelden.
In Middelburg waren goede wethouders,
onder anderen Kaland, die later naar de Eerste
Kamer is gegaan. De fractievoorzitter van de PvdA
was jhr. Schorer, directeur van een verzekeringsmaatschappij,
die ook nog enige tijd wethouder is
geweest. De fractievoorzitter van de drie daar
samenwerkende christelijke partijen was mr. Van
Empel, president van de rechtbank. Allemaal
mensen van niveau Dus ik wist eerst niet hoe ik
het had, een totaal andere raad, die zich bovendien
aan de grote lijnen hield, ook met de begrotingsbehandeling.
In Leiden hadden we daarvoor
vijf middagen en zes avonden nodig. En in Middelburg
sprak ’s middags de raad en ’s avonds
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het oude stadhuis en de
Schepenzaal, gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
voor de nieuwbouw.
De foto dateert
uit de eerste helft van de
jaren zestig. (Foto Henneke,
collectie HCO)
moest B en W antwoorden. Soms nog een avond
en de rest moest dan maar in de diverse commissies
besproken worden, want anders duurde het
veel te lang en dat achtte men helemaal niet nodig.
De raad die ik aantrof bleef ongeveer in die
samenstelling tot 1966, toen kwamen er anderen
en werd het een gewone doorsnee Nederlandse
raad. Het mooie was er van af. In die tijd ontwikkelde
Middelburg zich, evenals Zeeland, heel
hard. In Middelburg heb ik ook veel te maken
gehad met monumentenrestauraties, ik ben de
nota’s op dat gebied op een gegeven moment zelf
gaan schrijven. Dus toen ik naar Zwolle ging zat ik
op en top in dat monumentenbeleid, ook in de
subsidieregelingen, alles wat er op dat gebied maar
te verzinnen viel.
Even een zijsprong, in hoeverre is de vrouw van
een burgemeester belangrijk, moet ze alleen maar
zomerpostzegels verkopen, kan ze nee zeggen, wat
wordt van haar verwacht? Nou, tegenwoordig is
dat natuurlijk allemaal anders, de vrouwen hebben
nu doorgaans een eigen werkkring. Dat was
toen niet gebruikelijk, als ze gingen trouwen dan
gaven ze hun beroep op. Mijn vrouw heeft in Middelburg
in allerlei besturen gezeten, jazeker, en ze
onderhield de contacten. En we gaven diners – dat
deden we trouwens in Zwolle ook – en gingen daar
ook zelf naar toe. Je werd ook geacht gauw na de
verhuizing een ontvangst te organiseren. De
Casembroot zei, dat moet je op twee dagen doen,
een zaterdag en een zondag. Meestal is het op een
zondag maar de kerkelijke mensen kunnen dan
niet. Dus we hadden twee ontvangsten, ik in jacquet
en mijn vrouw in een geklede japon en Marie
bediende, in klederdracht. De mensen kregen een
kopje thee en als de volgende gasten kwamen dan
werd je geacht weer plaats te maken. Zoals gezegd
waren de sociale verhoudingen ook nog ouderwets.
Mijn vrouw zat bijvoorbeeld in een handwerkclub,
er waren twee nette clubs, van de oudere
dames en de jongere. Mijn vrouw zat bij de jongere
en die heeft toen eens voorgesteld om een
hele actieve mevrouw daar in op te nemen. Toen
zei de moeder-overste van die club, ja, dat is
inderdaad een heel waardevol mens, ze doet ongelofelijk
veel, dat is zo, maar ja, ze haalt het nèt niet.
Dat is bij ons thuis een gevleugeld woord geworden,
‘ze haalt het nèt niet’. Er waren in Middelburg
veel mensen die het nèt niet haalden. En die
hadden het daar niet leuk. De stranden waren ook
helemaal zo ingedeeld. Later zal dat zeker veranderd
zijn, maar toen was dat nog zo.
Naar Zwolle
Hoe gaat zo’n overstap van Middelburg naar Zwolle
in z’n werk, bent u gevraagd, vroeg de partij u? Nee,
ik heb daarnaar gesolliciteerd. De tijd was er rijp
voor. In die acht jaar hadden we in Middelburg
alles op de rails, wat daar maar gebeuren moest
was wel gebeurd. Toen hoorde je, voelde je, de
burgemeester gaat weg, die blijft hier natuurlijk
niet. Ik weet nog dat na mijn laatste nieuwjaarsrede
een wethouder zei – een hele aardige uit de
landbouw afkomstige man – ja, ik heb met weemoed
geluisterd, want het is natuurlijk uw laatste
nieuwjaarsrede. En de commissaris van politie zei,
mijn collega uit Zwolle heeft geïnformeerd naar u,
want u gaat naar Zwolle heb ik begrepen. En een
vriendin van ons die haar moeder in Kampen
opzocht had een kopje koffie gedronken op het
station in Zwolle en zij hoorde daar in die restauratie
mensen zeggen, onze burgemeester Roeien3
gaat naar Arnhem en dan krijgen wij de burgemeester
van Middelburg. Dat was in februari 1969.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
Het nieuwe stadhuis en
de Schepenzaal gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
vlak na de gereedkoming
van de nieuwbouw
begin 1976. (Collectie
HCO)
Ik had inderdaad wel eens met Geertsema gesproken,
die deed toen in de Kamer de burgemeestersbenoemingen
voor de WD, zo van, het wordt tijd
dat ik eens wegga. Arnhem kwam vrij en Haarlem,
maar Haarlem was katholiek en toen zei hij, ja,
dan zie ik wel een mogelijkheid. Ik dacht dan
begrijp ik waar jij aan denkt, Roeien moet maar
naar Arnhem en Drijber naar Zwolle. Toen al die
geruchten rondgingen zijn wij op Goede Vrijdag
eens gaan kijken hoe dat Zwolle er eigenlijk uitzag.
Want we waren er nog nooit geweest. Alleen als
student was ik eens in de Koestraat geweest bij de
familie Nysingh, een Leidse clubgenoot van mij,
maar verder nooit.
Toen hebben we daar rondgekeken, ook even
bij de ambtswoning in de Wipstrikkerallee4 en
daar zagen we Roeien op een balkonnetje zitten.
We hebben de binnenstad bekeken, daar schrokken
we natuurlijk vreselijk van, die binnenstad die
voor een groot deel tegen de vlakte lag en die
auto’s op die vlaktes geparkeerd. En dat ongelukkige
stadhuis, dus we zeiden, veel soeps is het allemaal
niet. Maar ik heb gesolliciteerd en vanaf dat
moment was het eigenlijk al vastgesteld dat ik dat
zou worden. Dat was helemaal geen punt, dat was
gewoon uitgemaakt.
Ik ben dat ook mede geworden doordat de
gemeenteraad destijds nog geen inspraak had. Er
bestond ook nog geen profiel. De commissaris,
Van Nispen5, had alleen met de fractievoorzitters
gesproken. Hij zei mij toen wel dat als het aan hen
gelegen had het wellicht anders gelopen was. Volgens
hem zaten ze niet echt op iemand uit zuidwest
Nederland te wachten. Bovendien zei hij, ze
zijn een beetje bang voor je, je moet ze heel erg op
hun gemak stellen. Dat verbaasde me, de verhoudingen
in Middelburg waren toch altijd erg goed.
Maar daar heb ik toen goed op gelet, dat ik ze vrindelijk
tegemoet trad. Bij de begrotingsbehandeling
zei Okkels6 toen in de gemeenteraad, na elf
maanden maar het leek wel elf jaar, dat het allemaal
geweldig ging en iedereen was enthousiast.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Had u dan al een bepaalde reputatie? Kennelijk
wel. Ik heb nooit begrepen waar dat vandaan
kwam. Maar stel, zo’n raad had wel een profiel
moeten maken en wat was toen actueel in Zwolle?
De restauraties, want het hele beleid moest om.
Dus moest je iemand hebben die op dat gebied
ervaring had. Nou, met alle respect voor iedereen,
maar de burgemeester van Middelburg had precies
die ervaring. Verder moest je iemand hebben
die zich zou gaan richten op de sprong over het
spoor. Want Zwolle was bijna uitgebouwd aan de
noordkant. Ik had ook daarmee ervaring, want
toen ik in Middelburg kwam zeiden ze, we moeten
nu over het kanaal en het spoor en dat moet u
maar trekken. En dat is ook gebeurd.
Je zou denken, als je die twee spitsen hebt in
het beleid dat je dan gaat kijken welke burgemeesterssollicitant
past daar nou bij, hè. Maar dat
gebeurde helemaal niet, integendeel. Men heeft
dat helemaal niet overwogen. Maar het kwam wel
zodra ik benoemd was. Toen zeiden ze, gelukkig
dat u er bent, want we moeten over het spoor en
verder moet alles anders, de tijd is helemaal omgeslagen,
we kunnen geen doorbraken meer doen, er
mag niets meer afgebroken worden, we moeten
voor de noordelijke binnenstad een heel ander
plan gaan maken en u hebt de ervaring van Middelburg,
u moet daar maar leiding aan geven.
Samen met de wethouder natuurlijk, met
Nooter7. Een wijze goede man, die zelf ook voelde,
na al die jaren dat het beleid een andere kant op
moest. Met hem kon ik het goed vinden.
Omslag in de tijd
Dus toen ik kwam moest alles anders, niet meer
afbreken maar restaureren. De raad was heel
onzeker. Dat kon ik me wel voorstellen, want het
hele klimaat veranderde, er kwamen actiegroepen.
De publieke tribune werd voor het eerst bezet
door protesterende krakers.
Dat was een grote omslag. Enorm. Zo’n grote
omslag. Ook met het stadhuis. Dat was altijd als
vanzelfsprekend aangenomen, tijdens de laatste
maanden van Roeien het toenmalige plan nog met
tweederde meerderheid. Dus je zei tegen de raad,
maar dat hebben jullie een jaar geleden aangenomen
en dan zeiden ze, ja maar dat telt nu niet
meer. Zo was de sfeer. De eerste actiegroep richtte
zich tegen het stadhuisplan, die kwam met een
alternatief om een stadskantoor te bouwen op het
bolwerk waar nu misschien de schouwburg komt.
Dat was volkomen nieuw, een actiegroep. En los
daarvan, iedereen wilde opeens inspraak plegen.
En hoe deed je dat dan, daar moest de bevolking
ook aan wennen, want als je zegt, je krijgt
inspraak, dan heb je het idee dat wat je zegt ook zal
gaan gebeuren en dat was lang niet altijd het geval
natuurlijk. Dat gaf spanningen. Eerst zat ik als
burgemeester allerlei inspraakzittingen zelf voor.
Maar daarvan moet ik achteraf toegeven dat het
beter was, als het enigszins spannend werd, om
een neutraal iemand te nemen. Ook bij de verkeerszaken,
mijn portefeuille, ging ik zelf de wijken
in. Daar waren altijd veel verlangens, verkeersdrempels
moesten er komen en dat soort
dingen. Ik ging daar met de ambtenaren heen, vergaderingen
liet ik wel door een ambtenaar leiden
maar grote inspraakavonden deed ik zelf. Dat
moest je allemaal ervaren.
Het was een moeilijke tijd, daarbij kwam dat
net die hele binnenstadsproblematiek centraal
stond. Je kan nu zeggen, ja dat was toch makkelijk,
je ging met de tijd mee, geen vierbaansweg meer
door het oude centrum maar zoveel mogelijk het
bestaande handhaven en verder in passende
moderne stijl opbouwen, maar zo eenvoudig was
het echt niet. Want een deel van dat plan moest
wel doorgaan. Ik stond op het standpunt dat we in
het noorden van de binnenstad zoveel mogelijk
moesten behouden; niet meer afbreken maar restaureren
en in stijl bouwen. Die vierbaansweg
naar de nieuw te bouwen V&D en daar een parkeerterrein
dat kon niet meer, dat moest spectaculair
veranderd. Dus toen hebben we Aldo van
Eijck uitgenodigd om een plan te maken voor dat
stadsgedeelte. We zeiden, dan zien ze, ook al die
actiegroepen, dat we echt serieus bezig zijn.
Aldo van Eijck, was dat uw idee? Dat denk ik
wel. Nou ja, dat komt in teamverband, je bent aan
de praat met ambtenaren en de wethouder en dan
rolt er zo’n idee uit. Dat moet gebeuren. En verder
moest er nog meer gebeuren dat niet zo erg paste
in het restauratiebeleid van de zeventiger jaren, de
bouw van de nieuwe V&D en C&A. Want dat was
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dringend nodig, die zaten aan de Diezerstraat in
volstrekt verouderde behuizingen. Er waren veel
besprekingen geweest en de plekken waren vastgesteld.
De bouwplannen vonden we niet mooi
maar je moest met die bedrijven verder. Toen ik er
pas was zeiden ze in het college, we hebben de
onderhandelingen met V&D en C&A nog even
uitgesteld tot u er was, en gaat uw gang. Samen
met de wethouder van financiën en economische
zaken, Runhaar8, een van de beste wethouders
met wie ik ooit heb samengewerkt, heb ik de
besprekingen gevoerd, over de grondprijs en van
alles en nog wat. Maar de speelruimte van de
gemeente was niet zo groot. V&D is gebouwd op
een plek waardoor de Bitterstraat werd afgesloten,
een aantasting van het oude stratenpatroon. Dat
moest er echter allemaal doorheen gehaald worden.
Dat hele plan is ook een compromisplan,
want B en W had in een vorige periode daarvoor
een architect uit Ter Apel aangetrokken die nog
werkte volgens het stramien van de zestiger jaren.
Maar we moesten toch zien er het beste van te
maken. Dat was soms echt moeilijk. Dat we die
noordkant van de binnenstad, zonder al te veel
problemen van inspraak en actiegroepen voor
elkaar hebben gekregen, ligt denk ik toch mede
aan de stadhuiskwestie. Die trok zo geweldig alle
aandacht op zich, iedereen was daardoor geobsedeerd.
De actiegroepen richtten zich daar tegen.
De strijd om het nieuwe stadhuis
Maar dat stadhuisplan moest toch wel doorgaan,
want Zwolle zat er al vanaf 1896 op te wachten. De
meerderheid in de raad voor het plan van Konijnenburg9
werd echter steeds geringer. Telkens
moest er een nieuwe beslissing komen. Bijvoorbeeld
een voorlopig krediet moest een definitief
krediet worden en dan moest de raad weer beslissen.
Dan bleek dat het laatste plan een iets andere
plattegrond had en moest het bestemmingplan
weer worden aangepast. Zo was er telkens reden
om het weer in de raad te brengen. En de steun
nam steeds verder af. Inmiddels was het plan al
wel aanzienlijk verbeterd, we hadden er nog een
adviescommissie aan verbonden met vooraanstaande
architecten die ook Konijnenburg geadviseerd
hebben. Ik vond eigenlijk dat er toen een
goed plan uitkwam, toen wel. Het eerste plan
vond ik zelf ook niet zo geweldig. Konijnenburg
was een knappe architect, ik vind wat hij nu
gemaakt heeft zelfs heel knap, maar dat is een heel
ander plan dan waar wij toen over praatten. Hij
was eigenlijk geen architect voor de binnenstad,
had daar ook geen ervaring mee.
Het eerste plan besloeg een veel grotere oppervlakte?
Dat ook, maar de stijl was ook anders. Ik
kan me best voorstellen dat de mensen daar niet
voor waren. B en W was in meerderheid voor het
aangepaste plan, alleen Loos10 niet, maar verder
liepen de scheidingen dwars door de fracties heen.
Dat was erg belangrijk. Daardoor kwam het niet in
politiek vaarwater. Uiteindelijk staakten de stemmen
tot twee keer toe in de raad. Met die stemmingen
is raadslid Van der Brug11, die bij een val
ernstig geblesseerd was, nog in een brancard naar
boven naar de raadszaal gedragen om tegen te
gaan stemmen. Dat was in mei 1972. De impasse
was compleet. Daarop zei ik, laat dan de raad zelf
maar eens bedenken hoe ze eruit zouden kunnen
komen. Ze hebben vervolgens de voor- en tegenstanders
bij elkaar gezet maar ze kwamen er nog
steeds niet uit. Toen hebben nota bene de ambtenaren
aan de raad geschreven dat de raad moest
beslissen wat er moest gebeuren, maar dat ze niet
mochten beslissen dat er niets gebeurde. Want
men wachtte al bijna tachtig jaar en het moest nu
toch afgelopen wezen. Vanuit de Vrienden van de
De maquettes van het
voorlaatste en het uiteindelijke
gerealiseerde
ontwerp voor het nieuwe
stadhuis. Het bovenste
ontwerp haalde het
niet doordat op 29 mei
1972 voor de tweede
maal de stemmen hierover
in de gemeenteraad
staakten. (Uit: ‘Op
de Bres voor Zwolle’,
Zwolle 1992)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Opening nieuwe stadhuis
De officiële opening van het nieuwe Zwolse stadhuis vond plaats
op zaterdag 15 mei 1976. De daaraan gekoppelde manifestaties
en festiviteiten waren echter veel te omvangrijk om zich allemaal
op die ene officiële openingsdag af te spelen, het programma
begon daarom al op de woensdagavond daarvoor. Hieronder
drie momentopnamen uit die dagen.
Op 13 mei 1976 was er een open huis voor de bouwers, adviseurs,
het bestuur van de Vrienden van de Stadskern, de archeologische
werkgroep, buren enzovoort. Burgemeester Drijberhier in gesprek
met twee opposanten van het eerste uur van de oorspronkelijke
plannen en bestuursleden van de Vrienden van de Stadskern Han
Prins enpastoorj. Loos. NaastHan Prinszijn echtgenote Joukje.
(Collectie HCO)
14 mei 1976, burgemeester en wethouders tijdens de ‘voor’ opening
van het nieuwe stadhuis. Uiterst links wethouder P. Loos, vooraan
op de trap H. Okkels, daarachter naast elkaar vlnr. de wethouders
Van den Berg en J. Tamse en gemeentesecretaris N. Meiman,
daarachter met pijp wethouder T. ter Bekke. Rechts vooraan kabinetchefVan
Rappard. (Collectie HCO)
^ ^ j 15 mei 1976, de officiële opening van het nieuwe stadhuis door de
2%Aasi minister van Binnenlandse Zaken mr. W.F. de Gaay Fortman.
Vlnr. de minister, burgemeester Drijber met echtgenote encommissaris
van de koningin Niers met echtgenote. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Stadskern is toen uiteindelijk een compromis aangedragen.
Daar kwam uit dat de Weeme zou blijven
staan, maar dat het gebouw daar achter, de
school aan de Goudsteeg waar ook resten van de
fraterhuizen in zaten, weg mocht en dan moest de
plattegrond kleiner worden.
De overeenstemming daarover is begin juli
1972 ontstaan, de architect was op vakantie. De
laatste week van juli hoorde hij dat en hij is er toen
in geslaagd in een maand tijd het plan te maken
wat uiteindelijk ook verwezenlijkt is. Ik vond dat
ongelofelijk knap. Een totaal ander plan. Want hij
kon dat andere plan – waar hij wel vanaf 1963 aan
gewerkt had – niet meer gebruiken, hij moest veel
geconcentreerder gaan bouwen. Hij kon nu wel de
Weeme erbij gebruiken als vergaderruimte. Ik had
daar veel respect voor. We kregen zijn presentatie
op 22 augustus 1972. De raad vond het prachtig,
die waren dolblij dat ze van die controverse af
waren en met algemene stemmen werd gezegd, dit
is het, uitwerken. Toen hebben we als B en W
gezegd, één ding, we kennen de raad van Zwolle al
langer dan gisteren, als we dit weer helemaal moeten
gaan uitwerken en uitwerken, dan is dat klaar
tegen de tijd dat de volgende raad komt en dan
komen er weer bezwaren en kunnen we opnieuw
beginnen. Het is nu 22 augustus, 23 oktober is er
een reguliere raad, daar moet het definitieve krediet
in. Met enkele stelposten, maar dat moet. Dan
moet er dag en nacht doorgewerkt worden en in
die tussentijd moeten we ook nog inspraak houden.
Deze en de volgende tekeningen doen we in
de inspraak. En toen op 23 oktober werd het weer
door de raad met algemene stemmen aangenomen.
Ze zeiden zelfs dat er meer inspraak was
geweest, wat niet waar was. In januari 1973 was er
toch al een raadslid dat riep, nu achteraf, nu ik het
nog eens zie vind ik het toch eigenlijk zus en zo,
maar ik zei, man, het spijt me maar je bent nu te
laat [lachthartelijk].
Maar ik vond die hele combinatie van het stadhuis
en wat er verder nog moest gebeuren, inclusief
de grote moeilijkheid om de sprong naar Zuid
te maken, die begin zeventiger jaren, de moeilijkste
bestuurlijke jaren die ik als burgemeester heb
gehad. In al die tijd. Dat was echt heel moeilijk om
dat allemaal voor elkaar te krijgen.
De sprong naar Zwolle-Zuid
In de tijd van Roeien was Zwolle industriekern
geworden. Dat was heel belangrijk want dan kreeg
je behoorlijke subsidies voor vestigingen van
bedrijven en voor de infrastructuur. Daar heeft
het kabinet Biesheuvel, dat in 1971 kwam, een eind
aan gemaakt. In dat regeerakkoord werd bepaald
dat het aantal kernen veel te groot was. Zwolle en
onder meer ook Kampen werden geschrapt. Dat
was natuurlijk een behoorlijke tegenvaller want
wij moesten juist met veel rijkssteun over het stationsemplacement
naar Zuid springen. Wij hebben
toen vreselijk veel moeite gedaan bij dat kabinet,
er zaten ook twee ministers in met wie ik persoonlijk
min of meer bevrind was, namelijk Geertsema
op Binnenlandse en Langman op Economische
Zaken.
Helpt zoiets, als je mensen persoonlijk kent?
Nou, soms wel. Maar ik ben dan wel WD-er,
maar ik kon meestal meer bereiken bij PvdA- en
CDA-ministers dan bij WD-ers. In die tijd kon ik
het heel goed vinden met Udink, minister van
Volkhuisvesting, die wou ook veel doen voor
Zwolle. Hij zei mij dan, kunt u nou niet nog eens
bij uw partijgenoten Geertsema en Langman lobbyen,
ik krijg ze niet om. Dan zei ik, nou ik zal het
doen, maar ik krijg ze ook niet om, dat weet ik nu
Zwolle promotie in Den
Haag. Een Zwolse delegatie
onder leiding van
burgemeester Drijber
presenteert in het Haagse
Nieuwspoort het
nieuwe structuurplan
van de stad, 27 oktober
1971. Vlnr. onbekend, de
heer Dekker, directeur
van de socio-grafische
dienst van de gemeente
Zwolle, de heer Roorda
van Eijsinga van het
stedebouwkundig
adviesbureau O.D. 205,
burgemeester Drijber,
de heer Messer, stedebouwkundige
van de
gemeente Zwolle en
wethouder Venstra.
(Foto GPD Den Haag,
collectie HCO)
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
al. Dat was een moeilijkheid. Maar het ministerie
van VROM, of eigenlijk toen nog VRO, toen was
de M(milieubeheer) er nog niet bij, was zéér voor
Zwolle. De leiding van het departement en ook de
directeur van de Rijksplanologische Dienst, dat
was toen Quené, zagen namelijk de ontwikkeling
van Zwolle als een voorwaarde voor de ontwikkeling
van het Noorden. Ze zeiden willen wij dat
Noorden ontwikkelen, dat wil de regering en ook
de Tweede Kamer, dan moet er iets tussen liggen.
Je kunt niet zeggen hier is de Randstad en dan heb
je daar Groningen. Daar moet een steppingstone
zijn. Dus eerst moet Zwolle goed ontwikkeld worden
en dan kan je in het Noorden wat doen. Zij
waren daarom altijd erg voor ons. Dat was niet
gering. Ik vind dat een man als Quené daar wel
eens voor geëerd mag worden. Die heeft heel veel
voor Zwolle gedaan. Hij was eerst directeur van de
Rijksplanologische Dienst, daarna secretarisgeneraal
op het ministerie van VRO. In de tachtiger
jaren werd hij voorzitter van de SER, enfin, het
was een heel vooraanstaande man en een hele aardige
man ook. Daar mag Zwolle wel dankbaar
voor zijn, dat dat ministerie zo meewerkte.
Het was zelfs zo, in die tijd van Udink, dat het
departement van VRO het idee had dat je niet
rijksdiensten vanuit Den Haag moest spreiden
over het hele land, maar dat je een tweede ‘schrijftafel’
moest maken, een heel end van Den Haag af.
Dat was voor die diensten ook veel beter. En waar
zou die tweede schrijftafel dan komen? Juist, in
Zwolle. Maar dat idee was politiek niet reëel.
Voor de ontwikkeling van Zwolle-Zuid hadden
we een speciaal team. Dat ontstond zo; er
bood zich een grote projectontwikkelaar aan en
daar waren we toen bijna mee akkoord gegaan.
Maar toen kwam er een combinatie van het destijds
bekende Rotterdamse stedebouwkundige
bureau Stad en Landschap met twee ingenieursbureau’s
en ook nog een belegger in onroerend
goed. Zij presenteerden gezamenlijk een plan. Wij
zijn met die groep in zee gegaan omdat die offerte
meer vrijheid bood dan die van de projectontwikkelaar.
Met projectontwikkelaars kun je een contract
sluiten, maar dat is dan verder ook bindend
en daar kan heel weinig aan veranderd worden. De
leider van dat team was de directeur van Stad en
Landschap, Schut, de oud-minister van VRO.
Schut was voor hij minister werd onze stedebouwkundige
in Middelburg. Daar had ik altijd met
hem samengewerkt en ik had de band met hem
vastgehouden. Ik zei daarom, we moeten Schut
nemen want die heeft goede entrees op het departement.
Want het was van het grootste belang om
subsidies te krijgen. Toen heeft zich een heel proces
ontwikkeld, waarbij wij ook nauw hebben
samengewerkt met de opeenvolgende ministers,
Udink en later Gruyters. Het is toen uiteindelijk
gelukt om de status van groeistad te krijgen. Op
die basis hebben we van het Rijk als eerste tranche
103 miljoen gulden gekregen voor de ontsluiting
van Zwolle-Zuid. Om dat allemaal voor elkaar te
krijgen was ook een hele moeilijke operatie. Daar
hebben we, met z’n allen, heel veel energie ingestoken.
Maar toen het stadhuis er was, de restauraties
in de binnenstad in volle gang waren en de sprong
naar Zuid was verzekerd, werd het besturen wat
minder enerverend. Toen was het zaak om het
goed uit te voeren.
Werkhouding
Hard gewerkt, zegt u. Het verhaal gaat altijd nog dat
meneer Drijber ook op zondag wel naar het stadhuis
ging en daar ook vaak doorwerkte. O zeker, dat
vond ik ook helemaal niet erg. Ook ’s avonds wel.
Ik zat daar in dat oude stadhuis heel mooi, in die
hoek. Als je daar dan nog laat zat dan zeiden ze
wel, zit u er nou nog? Dan zei ik, nee helemaal
niet, ik ben gewoon thuis geweest, heb daar gegeten,
de krant gelezen en even televisie gekeken en
nou om tien uur ga ik weer naar het stadhuis.
Maar goed, dat deed ik inderdaad. Dat was destijds
ook het geval in Middelburg. Ze hadden daar
grote plannen, Middelburg moest groeien en toen
heb ik ook gezegd, kijk, ik vind het uitstekend dat
we die taakstelling gaan doen, maar dan moet
iedereen gewoon doorwerken. Dan moet je niet
zeggen, het is vijf uur, nu gaan we naar huis, want
dat kan niet. Wie mee wil doen, prima, maar dan
gaan we er ook geweldig achteraan.
Dat hebben we in Zwolle ook wel gedaan, met
een aantal goede mensen. Maar de sfeer was…
anders. Er was een voortreffelijke gemeentesecreZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
taris in Zwolle, Jan Peeman, hij is na een jaar
benoemd tot griffier van de Staten in Groningen.
Die zei tegen mij voordat ik de eerste keer op de
Nieuwjaarsbijeenkomst het personeel zou toespreken,
je zult wel gaan zeggen dat er een heleboel
dingen op stapel staan en dat er toch nog een
heleboel meer moet gebeuren, dat we de status
van industriekern moeten houden en dat we in de
binnenstad die hele verandering met eensgezindheid
moeten dragen, dat soort dingen. Inderdaad,
zei ik, zoiets zou best kunnen. Ja, zei hij, zo zou
Roeien dat ook zeggen. Maar dat slaat bij deze
mensen niet in. Toen kreeg ik van Jur Tjeenk Willink12
een oudejaarsoverpeinzing, die maakte dat
elk jaar en die kwam mij dat brengen. Daar zag ik
ook iets in, een negentiende-eeuws verhaal over de
jaarwisseling, een beetje beschouwend en dat heb
ik toen als uitgangspunt genomen. Peeman zei,
nou dat is goed hoor, men vond het leuk dat het
iets totaal anders was, niet die taakstelling. En toen
kwam er in het personeelsblad een artikeltje van
een linkse dwarse jongen en die schreef, hoe is het
nou toch mogelijk, de burgemeester houdt zijn
eerste nieuwjaarstoespraak en waar heeft hij het
over? De negentiende eeuw! Zo zie je maar weer,
het is nooit goed [lacht hartelijk]. Maar die secretarie,
dat was toen een vrij moeilijk te hanteren
gezelschap. Er zat niet een grote dynamiek in. Er
waren hele goede mensen bij maar de sfeer was
afwachtend ten opzichte van die bestuurders die
altijd maar meer wilden. Dat veranderde later.
Daar kom ik nog op terug.
Goed oud versus goed modern
U wordt in Zwolle gememoreerd als de burgemeester
die gezorgd heeft voor het behoud van de stad, u hebt
daarvoor bij uw afscheid in 1980 het erelidmaatschap
van de Vrienden van de Stadskern gekregen,
was u daar altijd al mee bezig? Ja, die belangstelling
was er altijd wel, maar in Leiden uitte dat zich nog
maar op bescheiden wijze. In die tijd vond het ook
nog geen ingang. Zoals al een paar keer aangeduid,
heeft zich dat in Middelburg verder ontwikkeld.
Ik heb me bijvoorbeeld altijd verzet tegen de
redenering: goed oud moet kunnen naast goed
modern. Dat zie je nog in de Breestraat in Leiden.
Maar het is niet waar. Het kan alleen als goed
modern een geleding heeft en een schaal die past
bij het oude. Je ziet hier in Arnhem ook vreselijke
dingen, horizontale gevels naast verticale. Oud is
altijd verticaal. In een historische binnenstad
moet je geen lang horizontaal gebouw neerzetten.
Hoe zat dat alweer met de nieuwbouw aan de
Thorbeckegracht, vlak bij de Diezerpoortenbrug; dat
alles al klaar was, dat alleen de burgemeester nog
zijn fiat moest geven, maar die bekeek de plannen en
zei, hier zet ik mijn handtekening niet onder. Dat
zijn nu die balkonwoningen. Er was ooit een plan
om daar een grijze wand van te maken, en dat zou
Drijber hebben verhinderd! Dat is waar, ja. Er
moest daar iets gebeuren, de oude pakhuizen13 die
daar stonden waren helemaal vervallen, daar
moest nieuwbouw komen. Er is toen een projectontwikkelaar
gekomen en die heeft een architect
aangetrokken om dat te doen. Daar is veel over
heen en weer gepraat en uiteindelijk is er een plan
gekomen wat de goedkeuring kreeg van Welstandstoezicht
en ook van de directeur Openbare
Werken14. Maar het was geen goed plan, onder
andere weer veel te horizontaal en op zo’n gevoelig
punt in de stad, dat kon niet. Dus ik zei, dit
moet anders. Maar het zal moeilijk zijn om dit te
keren, dan moeten we wel van goede huize
komen. Met die plannen onder de arm ben ik naar
Middelburg gereden, om ze met professor Berg-
Vijf van de zes monumentale
maar volledig
vervallen achttiendeeeuwse
zogeheten Marsmanpanden
aan de
Thorbeckegracht, vlak
voor de sloop in 1981.
(Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee tekeningen van de
invulling van het bouwplan
voor appartementen
aan de Thorbeckegracht;
boven het door
alle instanties goedgekeurde
maar door burgemeester
Drijber
tegengehouden ontwerp,
onder het ontwerp
dat uiteindelijk
gerealiseerd is. (Uit:
‘Op de Bres voor Zwolle’,
Zwolle 1992)
hoef te bespreken. Berghoef was hoogleraar
bouwkunde in Delft en een bekende architect, van
onder andere het stadhuis in Hengelo. Ik kende
hem nog van de Studentenhuisvesting, hij was
destijds actiefin Delft en ik in Leiden. We hebben
toen veel samengewerkt. Later in Middelburg
heeft hij onder meer het provinciehuis ontworpen
en het waterschapsgebouw. Hij had gevoel voor de
oude stad, hij is ook in Middelburg gaan wonen.
Berghoef vond van die plannen hetzelfde als ik.
We concludeerden dat ik met die mensen moest
gaan praten, samen met de wethouder, en ze uitleggen
dat het plan niet doorging maar dan zou
aanwijzen wat het wel moest zijn. Berghoef schetste
het voor en ik leerde dat uit mijn hoofd. Toen
kwam het plan in B en W en ik dacht, ik moet zorgen
dat ik wethouder Loos meekrijg. Die was het
gelukkig met me eens. De sfeer in B en W was
eigenlijk nog zo, dat die machtiging die ik in het
begin min of meer kreeg, maak wat van de binnenstad,
in feite nog steeds gold. Het was inmiddels
1978. Toen hebben we een gesprek gehad met
de projectontwikkelaar en Openbare Werken en
gezegd, B en W heeft het plan niet goedgekeurd.
Wat er aan ontbreekt dat zal ik u tekenen. Zoiets
zou het moeten zijn en dat is het helemaal niet. Ik
vind het voor u ook heel vervelend, zei ik tegen die
projectontwikkelaar, want u heeft wel uw best
gedaan door een goede architect te nemen, maar
het is geen architect die verstand heeft van binnensteden.
Dat is nou net het punt. We moeten er
nu zien uit te komen en als het nodig is, het kost u
geld want u moet weer opnieuw beginnen, kunnen
wij nog wel iets aan de grondprijs doen om u
tegemoet te komen. Want het is ook ons erg veel
waard dat het goed komt. Wij kunnen u ook nog
wel verder helpen, als u een andere architect hebt,
dan hebben wij nog wel mogelijkheden om u nog
meer te laten zien wat je in de binnenstad kunt
doen. Want iemand als Han Prins15 was ook
bereid om te tekenen. Maar ik had deze zaak niet
met hem besproken. Want iets als de Vrienden
van de Stadskern is heel nuttig, maar die moeten
niet helemaal in het hart van het beleid doordringen.
Want dat kon je ook weer niet goed verkopen.
Maar met Berghoef achter de hand voelde ik
me sterk genoeg. Die projectontwikkelaar, aardige
man, heeft dat genomen. En bij de verdere uitwerking
is Han Prins betrokken. Toen is dit er uitgekomen.
Ik vind het goed geworden, alleen de steen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
had ik graag minder donker gezien. Ik was al weg,
want anders had ik zeker gevraagd, welke steen
komt er. Dat had ik geleerd bij Aldo van Eijck,
daar ben ik ook niet zo verrukt van de steensoort,
daar had ik toch meer achterheen moeten zitten.
De verhouding en de samenwerking met de
Vrienden van de Stadskern was trouwens na 1972,
na de controverse om het stadhuis waar we aanvankelijk
tegenover elkaar stonden, heel goed. In
de voor het behoud en de herinrichting van het
oude stadshart beslissende zeventiger jaren zijn
het gemeentebestuur en de Vrienden elkaar toen
dicht genaderd.
Verder ging het zo dat wij samen keken, de
wethouder en ik, naar de bouwaanvragen. En vaak
dingen afwezen. Ik weet nog dat ik een keer in de
Diezerpromenade stond met een architect en een
zaakwaarnemer van zo’n groot landelijk bedrijf.
Die maken dan zoiets wat ze overal maken. We
stonden daar voor het bewuste pand met de tekening
en ik zei tegen die architect, u maakt nu iets
wat u overal maakt en blijkbaar krijgt u veel medewerking.
Maar bij ons niet. Dat is natuurlijk vervelend,
maar wij willen proberen iets heel anders
te doen. U vindt het zeker gek dat de burgemeester
zich met een winkelpui bemoeit. En daar hebt u
ook gelijk aan. Dat doen burgemeesters niet. Maar
ik doe dat wel en daar moet u dan even aan wennen.
Dreigt dan niet het gevaar dat je op het terrein
van een wethouder komt? Je kunt het als burgemeester
alleen doen wanneer de wethouder van
Openbare Werken meewerkt. Dat had ik met
Nooter, met Venstra16 en daarna met Loos. Loos
had daar naar mijn idee soms wat moeite mee. Dat
zou je niet denken, gezien de opvattingen van z’n
vader17. Maar die ging doorgaans ook wel mee. Op
zo’n manier kon je wel iets goeds krijgen. In Middelburg
was ik voorzitter van Welstandstoezicht.
Dat was zo geregeld in Zeeland. Het college dat in
1966 kwam, heeft daar een eind aan gemaakt. Ze
hadden daar wel gelijk aan. Ze zeiden, we vinden
dat een verkeerde constructie; de burgemeester
bekijkt met de architect en de gemeentearchitect
die plannen en dan komt het bij ons en moeten wij
het goed vinden. Maar ik heb er heel veel van
geleerd. Die panden in zo’n Diezerstaat zijn altijd
afgesneden, daarboven is iets en daaronder. Maar
dat moet niet, zo’n pand moet op z’n ‘poten’ blijven
staan. Dat is het uitgangspunt en dat probeer
ik dan al die mensen uit te leggen. Maar veel zin
heeft het niet, want je bent een tijdje weg en dan
zie je her en der weer vreselijke dingen.
Maar de recente invulling van het Eiland door
Natalini vind ik heel mooi geworden. Eerst was er
een plan dat weinig gelukkig was. Dat zie je vaak,
dat een projectontwikkelaar wel de moeite doet
om een goede architect te vinden, maar niet er aan
denkt dat het een architect moet zijn die verstand
heeft van binnensteden. Die de plannen aanpast
aan het karakter, aan de maat en schaal van de hele
enscenering van de vorige eeuwen. Dat mislukt
heel vaak, buitengewoon jammer. Gelukkig heeft
Natalini dat wel. Het is alleen een beetje massief, je
ziet zo dat het ‘aus einem Guss’ is gebouwd. Een
binnenstad is geleidelijk aan ontstaan, je had dat
nog iets meer kunnen nabootsen door bijvoorbeeld
wat meer variatie in de gevelhoogtes aan te
brengen.
Ambtsverplichtingen
Moest u ook de langgehuwden toespreken en bezoeken?
De zestigjarigen, ja. Daar gingen m’n vrouw
en ik naar toe. Een heel werk. Maar we deden dat
met plezier want je hoort veel over hoe het leven
vroeger in zo’n stad was. Het gesprek brachten we
daar ook altijd op. Dat deden we in Middelburg
ook, al die bezoeken. Een enkele keer is mijn
vrouw wel eens alleen gegaan, want dan was er
zo’n receptie en die viel bijvoorbeeld net op die
middag dat de enige mogelijkheid was om een
gesprek met Gedeputeerde Staten te hebben. In
het jaar van Zwolle 750, dat ik helaas maar ten dele
heb meegemaakt door mijn overstap naar Arnhem,
hebben we in april alle diamanten bruidsparen
op het stadhuis uitgenodigd voor een feestelijke
middag. Want ik had toen zoveel te doen dat
die aparte bezoeken in de verdrukking kwamen.
Dat herinner ik mij als een groot succes. Dus toen
zei ik, misschien is dit wel leuk om elk jaar te doen
en niet meer op bezoek te gaan. Maar ik weet niet
hoe dat verder gegaan is, ik was weg. In Arnhem
heb ik het nooit gedaan. Dat werd te veel. De honderdjarigen
nog wel, maar geen bruidsparen meer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tegenwoordig zijn de omgangsvormen informeler,
er wordt nu gesproken over Jan Franssen, Henk
Jan Meijer. Dat was toch in uw tijd niet zo, u was
meneer Drijber. Dat is nu inderdaad anders. Ook
hier in Arnhem was ik meneer Drijber, mr. J. Drijber.
M’n opvolger werd altijd bij de voornaam
genoemd, burgemeester Paul Scholten. Ja, dat is
de verandering in de tijd, die voornamen, het gaat
er wat informeler aan toe.
Voelde u zich in uw doen en laten beperkt door
uw functie’;’Nee, dat heb ik nooit zo gevoeld. Wat
zou ik dan anders gedaan hebben? Ik heb van huis
uit heel weinig geduld, dat is een lastige eigenschap.
Je moet daarom wel oppassen dat je je niet
driftig toont. Ook als je werkelijk boos bent, moet
je het niet tonen. Soms moet je wel eens doen alsof.
Een zeker spel zit daar in. Dat kan nuttig zijn.
Maar als je echt boos bent, is voorzichtigheid
geboden. Ik heb me wel het een en ander aangeleerd,
zeker in de raad. Ik had wel eens een gedachtewisseling
met de toenmalige gemeentesecretaris
Niek Meiman. Die zei dan na een raadsvergade-
Een burgemeester moet van alle markten thuis zijn. Op 19 december 1975 decoreerde burgemeester Drijber het 400.000ste dier dat dat
jaar op de Zwolse veemarkt werd aangevoerd.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 2

Door 2013, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Jakobs Sport
Vijftig jaar een begrip in Zwolle

30e jaargang 2013 nummer 2 – 8,50 euro

70 zwols historisch tijdschrift

Suikerhistorie

Wim Huijsmans

Café-restaurant ‘Neuf’
De deur van Luttekestraat 13 gaf ruim een eeuw lang toegang tot een horecazaak waar je naar bin­nenliep voor een kop koffie, om wat te eten of voor een vergadering. De afbeeldingen in glas-in-lood in de bovenramen op de begane grond getui­gen daar nog altijd van. Tegenwoordig staat het pand vol met nieuwe fietsen en toebehoren.
Rond 1890 nam Andries P. Nekkers, koffie­huishouder en bierhandelaar, het café over van de vorige eigenaar. Ruim tachtig jaar bleef het eigen­dom van de familie Nekkers. Toen Derk van Maar in 1918 de zaak overnam van zijn schoonvader, gaf hij daaraan de naam ‘Neuf’. Het Franse woord neuf heeft meerdere betekenissen. Naast negen en nieuw kan neuf ook nieuws betekenen (quoi de neuf = is er nieuws?). Er zijn meer horecazaken in Nederland die zo heten. Geen wonder, want in een café valt altijd wel wat nieuws te horen.
Toen Van Maar in 1929 failliet ging en even later ging scheiden, kwam de zaak in handen van zijn zwager Doekele P. Nekkers. Hij droeg Neuf op 31 december 1954 over aan zijn neef Barteld van Maar, die eigenaar bleef tot 1970. Met hem verdween de familie Nekkers uit Neuf. Het pand wisselde daarna vaak van eigenaar en werd ten­slotte bij de naastgelegen fietsenzaak van Scholten aangetrokken.
Neuf fungeerde in de vorige eeuw als thuis­honk van verschillende Zwolse verenigingen, zoals biljartclub ‘de Peperbus’, motor- en auto­club Zwolle en carnavalsvereniging ‘de Sas­senpoorters’. Op 8, 9 en 10 februari 1960 hield volgens een advertentie in de Zwolse Courant Madame Dupois, groot zieneres, zitting in Neuf. Of zij toen al het einde van Neuf heeft voorzien, vermeldt de historie niet.

(Collectie ZHT)

Luttekestraat 13, anno 2013. De glas-in-lood ramen herinneren nog aan Neuf.(Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 71

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans70
Van Fa. D. Jakobs tot Jakobs Sport
Vijftig jaar een begrip in Zwolle
Bert J. Davidson72
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 1: Zwols meisje lokte
Groninger uit liefde naar haar geboortestad
Willem van der Veen96
Literair Café ‘In de Sinnepoppen’
Eleonore van der Eijk 103
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 9: De zomer van het melkvisioen
(juli-september 1963)
Jan van de Wetering111
Recent verschenen
Annèt Bootsma – van Hulten116
Mededelingen117
Auteurs118

Redactioneel
Na twee themanummers (over Westenholte-Voorst-Frankhuis en de gemeentelijke Monu­mentenzorg) is het Zwols Historisch Tijdschrift weer eens gevuld met losse artikelen. Die artikelen hebben overigens wel iets gemeenschappelijks. In alle verhalen is er in meer of mindere mate sprake van persoonlijke herinneringen.
In twee artikelen spelen familiebanden een belangrijke rol. Bert Davidson vertelt over de
Fa. D. Jakobs en Jakobs Sport, de winkel aan de Grote Markt van zijn (groot)ouders, maar tegelij­kertijd vertelt hij ook het familieverhaal.
Persoonlijke herinneringen spelen ook een centrale rol in een nieuwe serie. Willem van der Veen behandelt in meerdere afleveringen de geschiedenis van de Zwolse Courant. Hij heeft
53 jaar voor deze krant gewerkt, zodat de geschie­denis van de krant (ook) een persoonlijk geschie­denis zal zijn.
Onze jongste auteur ooit, Eleonore van der Eijk, vertelt over het bedrijf van haar opa, het helaas ook al verdwenen literair café ‘In de Sinne­poppen’ aan de Buitenkant. En ook in dit verhaal is de geschiedenis van het café verweven met de geschiedenis van de familie.
En over series en persoonlijke herinneringen gesproken, dit Zwols Historisch Tijdschrift bevat weer een aflevering van de persoonlijke kijk van Jan van de Wetering op Zwolle in de jaren zestig. Dit keer krijgt u meer te horen over de Holten­broekse melkoorlog.
En dit alles wordt vooraf gegaan door de rubriek Suikerhistorie, waarin Wim Huijsmans u meevoert naar café-restaurant ‘Neuf’ aan de Lut­tekestraat.

Omslag: De Grote Markt rond 1970. (Foto M.Wassenaar)

72 zwols historisch tijdschrift

Van Fa. D. Jakobs tot Jakobs Sport
Vijftig jaar een begrip in Zwolle
Het is vrijdagmorgen, zomer 1935. De eeuwenoude Zwolse markt slingert door de stad, van de Nieuwe Markt naar het Rodetorenplein, alle straten en zijstraten zijn bezet. Het is een drukte van belang, de lucht is vol van geluiden: van paard en wagens en kooplieden die hun waren aanbieden. Geuren van brood, bloemen, fruit en specerijen mengen zich met de scherpe reuk van leer, stoffen en paardenuitwerpselen. Alles is te koop: groenten en fruit, kaas, boter en eieren die boerinnen in korfjes van huis meegenomen hebben, levend en dood gevogelte en rijen van kramen met lapjes waar stadse vrouwen en boerinnen in dracht van de Veluwe, het Kampereiland en Staphorst in graaien. Er zijn standwerkers die geneesmid­delen verkopen die wonderen kunnen verrichten, er is zeep die alles schoonmaakt, fluitjes van een cent. De oude Veterman staat op de hoek bij het stadhuis zijn oude potten, pannen en kleren aan te prijzen. Op de Melkmarkt lopen Daniel Jakobs en zijn twaalfjarige dochter Saartje van hun winkel en woning op de Grote Markt naar het Rodetorenplein, waar al sinds 1792 vis gemijnd wordt, vers aangevoerd uit de Zuider- en Noordzee. Daniel koopt een zootje groene haring, die hij klaar zal maken voor het middageten. De klanken van het nieuwe carillon in de Peperbus, dat gekocht is met het geld dat over was van de bouw van de IJsselbrug, regenen zachtjes op de mensen neer. De lucht is bijna oogverblindend blauw, de donkere wolken van de toekomst zijn nauwelijks zichtbaar aan de horizon.
Daniel Jakobs
Waarom Daniel Jakobs (geb. 1894) zich in Zwolle vestigde is niet bekend, hij had geen duidelijke binding met de stad. Nadat hij in 1919 met groot verlof uit het leger ging na ruim vier jaar gemo­biliseerd te zijn geweest, huurde hij een kamer in de Terborchstraat bij de familie Bilderbeek. Oor­spronkelijk kwam hij uit zuidoost Drenthe, waar zijn familie al generaties gewoond had. Daniels vader, Israël Jakobs, die een goed huwelijk had gesloten met een vrouw uit een familie die veel geld had verdiend met vervenen, kocht een groot huis met winkel in wat toen de Dorpsstraat (nu Noorderstraat) heette in Emmen. Hij verkocht daar allerlei soorten textiel: onder meer dekens, lakens, kleren, garen en band en bedden. Daniel was de oudste zoon en had niet veel meer dan lagere school; alles was nog zeer primitief in dat deel van het land. Hij hielp zijn vader in de zaak wat in die tijd inhield ‘de boer opgaan.’ In het dun bevolkte Drenthe was het normaal dat winkels er verkopers op uitstuurden en Daniel sleepte zijn zware koffer met stalen en een dik opschrijfboek door het Drentse land, in het begin lopend en sla­pend in herbergen of bij een boer in het hooi. Vele grote nu nog bestaande winkels, zoals V&D en C&A, zijn op die manier ontstaan.
In 1914, onder de dreiging van een wereld­oorlog, mobiliseerde Nederland. Daniel Jakobs, ook wel Jaap genoemd naar zijn achternaam, was ingeloot en moest onder dienst. Hij werd gelegerd in Tilburg als soldaat in het rijwielenkorps van het 19e regiment infanterie. Als gelovige Jood was het moeilijk voor hem om in de kazerne te wonen en dus werd hij ingekwartierd bij de plaatselijke familie Cohen. Een andere joodse soldaat, Sam Boektje uit Blokzijl, was daar ook ondergebracht. De jonge mannen raakten goed bevriend. In Til­burg brachten ze bijna vijf jaren met manoeuvres, maar vooral met verveling en nietsdoen door. Een lichtpuntje voor Daniel en Sam was dat zij fietsen leerden repareren en konden werken aan hun hobby: het in elkaar zetten van radio’s uit losse onderdelen.
De Cohens hadden drie dochters, waaronder Esther en Sophia. De twee jongelieden werden verliefd en elk verloofde zich met één van de twee meisjes. Daniels twee jongere broers waren inmiddels in de zaak in Emmen gekomen en het is mogelijk dat er voor Daniel geen plaats meer was en dat hij daarom voor zichzelf begon. In Zwolle handelde Daniel in van alles, voornamelijk waren die hij in Duitsland kocht en in partijen weer verkocht. In het najaar van 1919 begon hij de Fa. (firma) D. Jakobs in Zwolle, maar niet voordat hij terug was gegaan naar Tilburg om met zijn ‘Fietje’ te trouwen. Ze begonnen een winkel aan de Nieu­we Haven 4, nu Luttekestraat 54. Spoedig daarna breidden ze uit door ook nummer 58 te huren. Ze woonden boven de winkel op nummer 58, van het andere pand had Daniel alleen de winkel gehuurd. Het pand was eigendom van en werd bewoond door de banketbakker Andries Troostwijk en zijn vrouw Lena van Tijn. Tussen deze twee echtparen ontwikkelde zich een hechte vriendschap. Daniel en Sophia (Fie) kregen twee dochters, Betje (Bep­pie) in 1920 en Saartje, meestal Zus genaamd (de moeder van de auteur), in 1922.
Rijwielen en radio’s
De zaken verliepen vanaf het begin voorspoedig, Daniel verkocht en repareerde fietsen en alle accessoires die daarbij hoorden. In die tijd werd het gebruik van een fiets nog gezien als een sport, niet als het algemene vervoermiddel dat het later werd. De zaak verkocht ook andere sportartikelen en kleding, waarbij Daniel de ervaring en con­necties die hij bij zijn vader verkregen had met succes gebruikte. Dat succes werd nog groter toen hij met behulp van zijn in Tilburg opgedane elektrotechnische kennis radio’s, lampen en huis­houdelijke elektrische apparaten ging verkopen en herstellen. Radio’s waren destijds de rage en werden op bestelling vervaardigd. Daniel kocht er houten kasten voor en vulde ze met de nodige onderdelen, inclusief trimmers tegen de ‘Mexi­caanse Hond’, een bepaalde storing die een joe­lend geluid maakte en de ontvangst overstemde. Een hoornachtige luidspreker van metaal of bake­liet completeerde het geheel en de radio was klaar om afgeleverd te worden. Deze apparaten waren heel duur, er zijn rekeningen bewaard gebleven waar zo’n radio in de jaren twintig al 145 gulden kostte, een formidabel bedrag voor die tijd. De meeste radio’s werden dan ook op afbetaling gekocht. Zeker na de economische crisis van 1929 was het voor veel klanten moeilijk de aflossing te betalen. Sommigen konden maar een kwartje in plaats van de overeengekomen vijftien gulden per week aflossen. In schrijnende gevallen schold Daniel, goedhartig als hij was, de schuld kwijt. In de jaren dertig kwamen de fabrieksgebouwde radio’s op de markt en de Fa. D. Jakobs werd de alleenvertegenwoordiger in de regio van het toen bekende Nederlandse merk ‘Waldorp’. In 1936 opende hij de eerste grammofoonopnamestudio in Zwolle. Een van de eerste opnames was de rede die prinses Juliana en prins Bernhard hielden ter gelegenheid van hun verloving in september. De Zwolse Courant maakte er een lovend verslag van.
Omdat het Daniel zo voor de wind ging had hij samen met zijn zwager Sam Boektje, die zijn compagnon was geworden, nog een winkel op de Oudestraat 41 in Kampen geopend; de naam van de zaak was nu Fa. D. Jakobs en Co. De Boektjes woonden ook bij de winkel op nummer 39. Zij waren erg hartelijk en gastvrij en hun woning met achtertuin werd een ontmoetingspunt voor hun familie en vrienden. De kinderen van Jakobs en Troostwijk waren daar vaak te gast met vrienden en vierden er feestjes.
De beide zaken doorstonden de crisis goed en bleven winstgevend. Ze werden zelfs te klein; er was bijna geen opslagruimte meer in beide panden. Het stond er ook stampvol, zoals een foto genomen in de zaak in Kampen duidelijk aantoont. Daniel zocht in Zwolle naar een gro­tere winkel en vond die op de Grote Markt 8, een groot historisch pand daterend uit de zestiende eeuw, waar voordien de sigarenwinkel van Das­sen gevestigd was. In 1932 vond de verbouwing en verhuizing plaats; de Jakobsen gingen weer boven de winkel wonen. Het pand was ruim, er waren vijf verdiepingen, meer dan genoeg voor winkelopslag en woonruimte. In die tijd gaven ze de rijwielhandel op, de concurrentie was te groot geworden.
Er openbaarden zich na verloop van jaren verschillen van opvatting over het beleid van de winkels tussen de twee compagnons. Daniel was zuinig en wilde de firma verder uitbouwen, Sam was tevreden met één winkel en de goede boter­ham die hij ermee verdiende en leefde royaal. Hoewel de vriendschap tussen de twee families in stand bleef, gingen ze begin 1940 ieder hun eigen weg. De naam van de Zwolse zaak veranderde weer in Fa. D. Jakobs. Ondanks de onzekere tijden vergrootte Daniel de winkel door er een gedeelte van het souterrain bij aan te trekken.
De Jakobsen waren in de loop van twintig jaar geheel ingeburgerd geraakt in Zwolle. Ze waren lid van de Zwolse Israëlitische Gemeente en waren erg gezien in de stad. Daniel zong als eerste tenor in het Zwols Mannenkoor en nam, ironisch genoeg, deel aan de Mattheus Passion, een muziekstuk met mijns inziens onweerlegbare antisemitische elementen. Iedere vrijdag konden ze gezien worden op de markt. Hun twee dochters gingen naar de HBS. Beppie wilde na haar eind­examen in de zaak en ging werken als stagiaire bij Maison de Bonneterie in Amsterdam. De tijden waren zo slecht, dat Daniel moest betalen voor deze stage.
Oorlogsdreiging
De situatie in Duitsland en het toenemende anti­semitisme begonnen een domper te leggen op het rustige leven van de familie Jakobs. Veel Duits-Joodse emigranten namen hun toevlucht in de stad, sommigen op doortocht, anderen bleven in de overtuiging dat het in Nederland wel niet zo’n vaart zou lopen en het land wel weer, net zoals in de Eerste Wereldoorlog, neutraal zou blijven.
De gebeurtenissen van 10 mei 1940, toen de Duit­sers Nederland binnenvielen, maakten een einde aan deze illusies. De maatregelen om alle Joden uit het openbare leven en daarna uit Nederland te verwijderen, werden geraffineerd langzaam en geleidelijk tot uitvoering gebracht.
Saartje (Zus) Jakobs, die in 1940 eindexamen HBS had gedaan, moest afzien van haar plannen om economie te studeren en ging in de zaak wer­ken. Ze had in de Zwolse joodse jeugdvereniging Dolf Davidson (geb. 1918) ontmoet, hij werd haar vaste vriend. Dolf woonde oorspronkelijk in Dülmen in Duitsland, vlak over de grens. Zijn vader Isidor (geb. 1879), een geboren Zwollenaar, had daar sinds 1903 een slagerij maar Dolf kwam vaak naar Zwolle op familiebezoek. Ze hadden de Nederlandse nationaliteit behouden. Dolf werd al snel gedwongen het gymnasium in Münster te verlaten. Zijn hoop om ooit veearts te worden werd zo de grond ingeboord en er bleef hem alleen maar over om ook slager te worden. De maatregelen tegen de Joden in Duitsland werden steeds strenger. In 1937 kwamen de Davidsons weer terug naar Nederland omdat het hen onmo­gelijk was gemaakt hun vak uit te oefenen, het werd Joden verboden om vee te kopen. Dolf ver­telde dat zijn vader voor die tijd veel cateringop­drachten had. Hij was gewoon om samen met de pastoor van de katholieke kerk mensen op te zoe­ken die in armoede leefden en gaf hen dan overge­bleven voedsel. Sommige van die mensen stonden later voor de slagerij met plakkaten waarop ‘Kauf nicht bei Jüden’ geschreven stond.
Gelukkig was het voor hen mogelijk, als Nederlandse staatsburgers, terug te keren naar hun vaderland. De Nederlandse regering had het in die tijd bijna onmogelijk gemaakt voor buiten­landse politieke vluchtelingen om in ons land een toevlucht te zoeken. De Davidsons moesten wel bijna al hun bezittingen achterlaten, waaronder de slagerij met het woonhuis en al hun geld, op 5000 Reichsmarken (ƒ 3600) na. Hun huisraad en kleren waren de enige zaken die ze mee konden nemen.
Dat was de tweede keer dat Isidor bijna al zijn geld verloor. Tijdens de Duitse superinflatie in 1923 had hij zijn verworven kapitaal bij een Nederlandse bank in Reichsmarken bewaard. De Duitse regering bleef maar geld drukken om haar oorlogsschuld te betalen en tenslotte bedroeg de monetaire waarde van de bankbiljetten minder dan de waarde van het papier waarop het gedrukt was. Daarna bouwde hij langzaam zijn reserves weer op, wat gezien de politieke situatie en de wereldrecessie moeilijk was. Maar ook daarop moest hij interen toen de Nazi-maatregelen zijn zaak langzaam maar zeker verstikten. Bijna geheel berooid pakte hij in Nederland het slagersvak wederom op, totdat dat ook hier voor Joden ver­boden werd. Tot die tijd werkte Dolf als slagersge­zel in verschillende regionale slagersbedrijven en bij zijn vader, die vlees kocht en verkocht zonder zelf een slagerij te hebben. Op 27 december 1939 kwam Isidor om het leven bij een motorongeluk in de sneeuw bij Windesheim. Hij werd daar gevonden, nauwelijks meer levend en onderkoeld, zijn tas met geld en papieren verdwenen, weer was hij alles kwijt. Hij ligt begraven op de joodse begraafplaats aan de Kuyerhuislaan, de enige van zijn generatie van de families Davidson en Jakobs die een aanwijsbaar graf heeft.
Verwalter
Op 19-jarige leeftijd moest Dolf in militaire dienst en werd sergeant bij een divisie van de pantseraf­weer. Als hij in uniform was moest hij altijd een begeleider hebben; door zijn zware Duitse accent kon hij gemakkelijk voor een spion gehouden worden. Gedurende de Duitse inval in mei 1940 werd hij ingezet bij de IJssellinie. Behalve helpen met het opblazen van objecten om de voortgang van de Duitsers te vertragen, heeft hij weinig of geen actie gezien. Tegen de tijd dat de voorhoede van het bezettende leger zijn stellingen bereikte, had Nederland al gecapituleerd. Hij werd korte tijd als krijgsgevangene vastgehouden, maar onderofficieren als hij werden al gauw weer op vrije voeten gesteld.
In april 1941 moesten Joden hun radio’s inleveren. Op de bewaard gebleven lijsten komt de naam van Daniel Jakobs niet voor. Het is aan­nemelijk dat hij reeds daarvoor al zijn radio’s en radio-onderdelen had moeten afstaan. In maart 1941 verscheen een verordening met het doel alle Joden uit het bedrijfsleven te verwijderen. Dit zou gebeuren door aanstelling van een ‘Verwalter’ (een zaakwaarnemer), die de betreffende zaak zou overnemen, doorzetten of liquideren.
Dat gebeurde met de Fa. D. Jakobs tegen het einde van 1941. Een nichtje van Daniel en Fie, dat daar op dat moment logeerde, kan zich nog herinneren dat er een Duitse man in burger aan de deur kwam met papieren dat hij als Verwalter van de zaak was aangesteld. Fie, die open deed, nam het gelaten op, het kwam niet onverwachts. ‘Nou, komt u maar binnen’, was het enige dat ze zei. Deze Verwalter was zo slecht nog niet. Hij had deze taak aangenomen omdat hij anders naar het oostfront gestuurd zou worden. De familie Jakobs mocht in het pand blijven wonen. De Duitser gaf een maan­delijkse uitkering aan Daniel in ruil voor zakenad­vies en nam de zusjes Jakobs aan als verkoopsters. Hij betaalde hen een relatief hoog loon, zodat de familie een bron van inkomsten had. Ook zorgde hij ervoor dat Daniel, die kort daarop gearresteerd werd omdat hij ‘werkeloos’ was, een verklaring van onmisbaarheid kreeg, waardoor hij weer werd vrij­gelaten. Deze situatie duurde waarschijnlijk tot het midden van 1942, toen de Verwalter alsnog voor het leger werd opgeroepen. Zijn vervanger was een Nederlandse NSB’er, die de familie uit de zaak en het bijbehorende huis zette. Het bedrijf werd na verloop van tijd door de NSB’er, die geen kennis van zaken had, opgeheven en in november 1943 geliquideerd. De voorraad werd aan een sportwin­kel in Amsterdam verkocht, al het geld werd op de bank gezet, klaar om aan de bezetters overgedragen te worden. De winkel werd aan een buurman ver­huurd.
De kampen
Daniel Jakobs werd toen weer als werkeloze opge­roepen voor een werkkamp en kwam in kamp ‘De Vecht’, net buiten Dalfsen, terecht. Daniel en Fie waren zich er wel van bewust dat deze deporta­ties niet veel goeds voorspelden, maar de totale ‘Endlösung’ was iets dat ze zich, zoals vele ande­ren, niet konden of wilden voorstellen. Met hun dochters spraken ze over de mogelijkheden van onderduiken wat hun vanwege hun populariteit in Zwolle van verschillende kanten aangeboden werd, maar ze wilden deze mensen niet het risico van gepakt en zwaar gestraft te worden aandoen. Voor emigreren was het te laat.
Met nog ongeveer tweehonderd andere Joden, voornamelijk uit het westen van Nederland, werd Daniel te werk gesteld bij het ontginnen van grond in het bezit van de graaf van Rechteren in Dalfsen, onder de leiding van de Nederlandse Heidemaat­schappij. Het was lichamelijk zwaar werk, het verwijderen van boomwortels en van ijzeroer, waar geen van de tewerkgestelden aan gewend was. In het begin was de behandeling goed, er was genoeg eten en de geïnterneerden mochten zich relatief vrij bewegen in de omtrek na het werk en op zon­dag. Daniel werd zelfs in de gelegenheid gesteld om op 11 augustus 1942 met een van de bewakers naar Zwolle te lopen om het huwelijk van zijn dochter Saartje (Zus) met Dolf Davidson bij te wonen. Net als haar oudere zus Beppie en diens verloofde Mau­rits Wijnbeek hoopten Zus en Dolf door getrouwd te zijn bij elkaar te kunnen blijven bij deportatie naar Oost-Europa.*
Daarna werd de behandeling in het kamp steeds slechter en de rantsoenen steeds kleiner. Op 3 oktober 1942 werden alle kampbewoners naar het station Dalfsen gemarcheerd en via Zwolle doorgestuurd naar Westerbork. Er waren er maar een paar die, verborgen tussen de bussen op een melkwagen, ontsnapten. Dat zijn de eni­gen van de kampbewoners die de oorlog overleefd hebben. Tegelijkertijd werden in Zwolle ongeveer tweehonderd Joden, onder wie alle familieleden van Daniel, opgepakt bij een razzia en vastgezet in het gymnastieklokaal van het gymnasium aan de Veerallee. Zij wachtten daar op transport naar Westerbork. Dolf en Zus Davidson ontsnapten miraculeus aan het transport. Dolf was net aan een ‘voetbalknietje’ geopereerd en kon haast niet lopen. Een Duitse bewaker, die dezelfde operatie had ondergaan, had medelijden met hen en liet hen gaan. Daniel, Fie en Beppie Wijnberg-Jakobs werden met andere familieleden herenigd in Wes­terbork. Daniel schreef een geruststellende brief naar Zus, maar verdere correspondentie beschrijft in bedekte termen de deplorabele toestanden en behelsde verzoeken om voedsel en kleren te stu­ren. Tenslotte is er nog een in haast geschreven, uit de trein gegooide afscheidsbrief van Dolfs oudere broer Walter. In december 1942 werden allen naar Auschwitz vervoerd, waar de twee vrouwen direct vermoord werden; Daniel stierf in maart 1943. Sam Boektje en zijn familie ondergin­gen hetzelfde lot, tezamen met alle andere Joden uit Kampen. Geen van hen was de mogelijkheid gegeven om onder te duiken en niemand van de Joodse Kampenaren heeft de concentratiekampen overleefd. Het is ironisch dat in de laatste jaren de bestuurders van de stad Kampen veel aandacht hebben gewijd aan dat gedeelte van hun geschie­denis. Toen ‘stonden ze erbij en keken ernaar…’
Onderduik
Dolf en Zus Davidson waren na hun fortuinlijke vrijlating weer naar Dolfs ouderlijk huis in de Venestraat 3 gegaan en leefden verder onder de dreiging opgepakt te worden bij de volgende raz­zia. Toen die kwam – en dat was altijd bekend omdat leden van de Zwolse politie dat doorgaven aan de ondergrondse – hadden ze geen onder­duikadres. De heldhaftige illegale werkster Jo Franssen had met haar echtgenoot daarnaar gezocht, maar niets was beschikbaar. Uit nood bood ze toen aan dat ze zich tijdelijk in haar huis mochten verbergen. De Franssens woonden in de Bloemendalstraat op nr. 13, dat was tegelijk een veilige en onveilige plek: vlak naast het voorma­lige Vrijmetselaarsgebouw. De NSB had het in beslag genomen en gebruikte het als ‘Kringhuis’, hun hoofdkwartier en ook als gevangenis voor politieke tegenstanders. Niemand zou kunnen denken dat in het naburige pand onderduikers verborgen werden.
Ze zijn daar tot bijna het einde van de oorlog, twee jaar later, gebleven, een grote opoffering voor de familie Franssen dat een gezin met jonge kin­deren had. Tegen het eind van de oorlog was het nog nodig te verhuizen, omdat de woning gevor­derd werd. Ze werden toen ondergebracht in de woonetage boven bakkerij Verrips, vlak naast het stadhuis in de Sassenstraat, waar ze de bevrijding meemaakten. Zus herinnerde zich nog dat ze van­uit het huis een Canadese militair, misschien wel Leo Major, de ‘bevrijder van Zwolle’, op het bordes van het stadhuis met een vlag had zien zwaaien. Het ergste was voorbij, maar de schaduw van het onrecht hen en hun familie aangedaan zou voor de rest van hun leven over hen hangen’.
Trage naoorlogse afwikkeling
Na de oorlog zochten Dolf en Zus Davidson wanhopig naar hun familie. Lopend, op fietsen met houten banden, liftend en per spoor toen de treinen weer liepen, bezochten ze de plaatsen waar die geleefd hadden. Zus vond vier oudooms en tantes, twee neven en twee nichten; Dolf had alleen nog maar een zuster en een nicht. Ze waren totaal op zichzelf aangewezen zonder onderdak of geld. Veel van hun huisraad was in beslag geno­men en verdwenen of verkocht door degenen aan wie zij het in bewaring gegeven hadden. Een vrouw weigerde het terug te geven. Ze lieten het maar gaan. Bezittingen waren niet zo belangrijk als de vrijheid die zij nu hadden. Zij hadden recht op vergoeding voor geleden verlies, maar de overheid was ongelofelijk traag, onverschillig en bureaucratisch in het behandelen en afhandelen van deze claims. Een klein gedeelte werd uitbe­taald in 1947, maar het overgrote deel liet op zich wachten tot 1952. Zelfs in 1960 waren zaken nog steeds niet afgehandeld. Ook erfenissen van dege­nen die niet teruggekeerd waren uit de concentra­tiekampen werden niet als urgent beschouwd, het duurde jaren voordat ze waren afgewikkeld.
Dat gold voor allen die onder de bezetting geleden hadden: politieke en krijgsgevangenen, leden van het verzet en mensen die in concentra­tie- en werkkampen gezeten hadden. De toenma­lige Nederlandse regering deed ook weinig voor repatriëring van gevangenen en het terugbrengen en herbegraven van Nederlanders die in het buitenland omgebracht waren, behalve in een paar symbolische gevallen die uitdrukkelijk in de pers vermeld werden. Men was toen de mening toegedaan dat de slachtoffers zelf of hun familie en vooral de Duitse overheid daar voor moesten zorgen, een zelfde soort houding als na de eerste wereldoorlog, die de basis legde voor de tweede. Ook pensioenen waar nabestaanden van oorlogs­slachtoffers en leden van het verzet recht op had­den, lieten vaak op zich wachten tot het begin van 1950. Anderzijds creëerde de overheid een mythe van een heldhaftige regering en dito volk, dat zich in grote aantallen tegen de Nazi’s verzet had. Het tegendeel daarvan is waar en deze feiten zijn lang­zamerhand algemeen bekend. Dat heeft geleid tot de tegenwoordige mijns inziens wat excessieve herdenkingsdrift in Nederland.
Jakobs werd weer Jakobs
Pas in 1952 kregen Dolf en Zus een gedeeltelijke vergoeding voor de schade die de Verwalters en anderen veroorzaakt hadden, maar in de eerste tijden na de bevrijding hadden ze geen geld. Ze hadden zelfs de laatste paar maanden onderdui­ken niet kunnen betalen. Gelukkig leenden hun vrienden Henk en Alie Peeters, de eigenaars van Hotel Peters op de Grote Markt, dat eerst als het Wehrmachtsheim voor Duitse soldaten gevor­derd was geweest en daarna als het geallieerde hoofdkwartier in Zwolle fungeerde, hen geld om hun onderduik schulden af te betalen en in hun eerste levensonderhoud te voorzien. Na zes weken in het hotel geleefd te hebben kregen ze de ouder­lijke woning in de Venestraat terug, die ingepikt was geweest door een NSB’er. Dolf werkte eerst als kok bij de gaarkeuken op de Nieuwe Markt, als slager kon hij geen werk vinden. Hij wierp zich op de handel en kocht en verkocht wat hij maar te pakken kon krijgen. Dat leidde in korte tijd tot een goed bestaan en Dolf genoot van dit ongeregelde en vrije leven, na zolang opgesloten te zijn geweest. Zus was meer behoudend en wilde de keurige zaak Fa. D. Jakobs weer terug en, zoals meestal het geval was, haar opinie won.
In december 1945 huurden ze het pand van Andries en Lena Troostwijk waar Daniel Jakobs ook gestart was en begonnen ze weer een winkel in sportartikelen en radio’s. Ze konden alleen niets verkopen totdat ze daar vergunningen voor hadden. De organisatiezucht destijds maakte het zo dat ze eerst van meer dan tien vakverenigingen lid moesten worden, inclusief de ‘Vereniging van Detailhandelaren van Droogscheerapparaten’, waar ze de eerste keer niet door de ballotage kwa­men. De vergunningen en lidmaatschappen kwa­men heel langzaam binnen. Een ander probleem was in die tijd waarin bijna alles ‘op de bon’ was, dat een zaak alleen nieuwe voorraad kon krijgen door vervanging van wat verkocht was. Maar de Fa. D. Jakobs had geen voorraad, die was in 1943 geliquideerd. Dus moesten er dringende brieven aan de betreffende overheidsinstanties en belang­rijke leveranciers geschreven worden. Deze moei­lijkheden werden overigens in relatief korte tijd opgelost. Intussen zochten ze naar verkoopbare en nuttige handelswaar die niet binnen het distri­butiesysteem viel: alles wat maar beschikbaar was in die eerste jaren van gebrek na de oorlog. Dolf vond dat in de voorraad van in beslag genomen en verbeurd verklaarde zaken bij het Militaire Gezag. Gedurende de week reisde hij per trein naar Den Haag en Amsterdam, huurde een bakfiets met tandem en liet zich rondrijden naar leveranciers. Voorraad werd per spoor verzonden. Zus zorgde voor de winkel, ze was toen zwanger van hun eerste kind. Er waren successen en miskopen, maar in het algemeen vond Dolf altijd wel wat verhandelbaars. Schoten in de roos waren de kilo’s schoenijzertjes om zolen te sparen, kisten met blaasinstrumenten en blanke schoenpoets die als meubelwas gebruikt werd. Toen zij een grote partij rubber regenjassen zonder bonnen te koop aanboden, waren er zoveel gegadigden dat een politieagent moest komen om de rij wachtenden in bedwang te houden. Andere zaken lagen nog jarenlang onverkocht in de opslagruimte. De regering stelde de prijzen van radio’s vast, maar ze waren zo schaars dat ze verloot werden onder toezicht van een notaris. Toen zij een keer wat leren voetballen op de kop getikt hadden, stonden er rijen jonge kinderen voor de etalage; zij hadden nog nooit een echte voetbal gezien.
Tot overmaat van ramp werd Dolf in 1945 weer opgeroepen voor militaire dienst, om deel te nemen aan de strijd in Nederlands-Indië. Deze oproep werd gedaan door wat eufemistisch het ‘Aanmeldingsbureau voor Oorlogsvrijwilligers’ heette. Hoewel de Nederlandse regering via kran­ten liet weten dat burgers en oud-soldaten zich en masse aanmeldden, was het moeilijk voor Dolf om deze oproep ongedaan te maken. Het feit dat hij er een volle diensttijd inclusief oorlogstijd op had zitten en een oorlogsslachtoffer was geweest, bleek voor de autoriteiten geen argument. Tenslotte kreeg hij vier maanden voorlopig uitstel vanwege economische redenen van onmisbaarheid in zijn nieuwe zaak, maar niet voordat zijn advocaat een persoonlijk bezoek aan het hoofdkwartier in Den Haag gebracht had. Daarmee was de zaak afgedaan en in 1949 zwaaide hij voorgoed af.
In 1946 kreeg de zaak officieel de naam Fa. D. Jakobs terug van het Nederlands Beheersinstituut, dat de door de Nazi’s geconfisqueerde bedrijven beheerde. In 1947 werd de zaak weer als vennoot­schap bij de Kamer van Koophandel ingeschre­ven. Maar het belangrijkste voor hen was om het pand op de Grote Markt, dat intussen al verhuurd was, terug te krijgen. Zus was erfgename. Maar alle vooroorlogse administratie was uit het pand weggehaald en met onbekende bestemming afge­voerd, inclusief het huurcontract dat op naam van de Fa. D. Jakobs stond. Oude vrienden van Daniel Jakobs wisten zich te herinneren dat er een huur­contract met recht van koop was, maar het viel niet te vinden. Uiteindelijk werd er een opslag­plaats van archieven van Zwolse joodse firma’s, die door de Duitsers waren onteigend, gevonden in Windesheim. Daaronder bevond zich een grote kist waarin Daniel alle papieren vanaf 1919 bewaard had. Dolf en Zus doorzochten de kist, maar er zat geen contract tussen. Er was alleen een rekening van de advocaat die het contract had opgesteld. Die had nog een praktijk in Zwolle en na veel zoeken werd het contract toch gevonden. Er was inderdaad een recht van huur en van koop in 1948, beide voor een vaste prijs. Ze konden de koopprijs niet betalen en begonnen een proces voor hun recht van huur, maar al hun argumen­ten werden afgewezen.
Toen gebeurde er een klein wonder.
De Nederlandse Middenstands Bank (nu ING) nodigde Zus en Dolf uit voor een gesprek. Het bleek dat de Verwalter bij de liquidatie van de
Fa. D. Jakobs al het geld op de rekening van de zaak had gestort. De NMB had echter het bevel om alle geconfisqueerde fondsen naar de Duitse, voormalig joodse, ‘roofbank’ Lippmann Rosenthal & Co over te maken niet opgevolgd en er was een behoorlijk saldo aanwezig. Zus herin­nerde zich ook het oude gironummer nog en vroeg de Postbank of op die rekening geld stond. De girodienst wilde deze informatie echter aan niemand geven behalve aan Daniel Jakobs. Zus stortte toen een klein bedrag op haar vaders giro­rekening en met de afrekening kwam de tweede verrassing, er was daar ook nog een leuk bedrag.
Er moest weer een proces gevoerd worden voor het recht van koop en deze keer was het oor­deel gunstig voor de Davidsons. Zij hadden nu genoeg middelen om een aanbetaling op het pand Grote Markt 8 te doen en na nog een jaar wachten, in 1948, konden zij de winkel en de bovenwo­ning betrekken. Het pand bevond zich nog in de originele staat maar was erg verwaarloosd. Met schoonmaken, verven en wat kleine reparaties werd het echter weer heel toonbaar. De Zwolse kunstschilder en tevens hun buurman Teun van der Veen beschilderde de hoge gewitte wanden met vignetten van Olympische sporten in Zwols blauw. De afbeelding van de discuswerper zou voor de rest van het bestaan het logo voor de zaak vormen. De winkel had een diepe voorpui met etalages aan de Grote Markt en de achterdeur, met een etalage ernaast, kwam uit op de Roggestraat. De winkel was lang en vrij smal, met veel blank houten toon­banken, kasten en schappen met glas ervoor. Er was ook een kleine uitbreiding met paskamers en een werkkamer in het souterrain. Het geheel werd verwarmd met een grote, ronde, zwarte kolenka­chel die midden in de zaak stond.
‘Jakobs wordt weer Jakobs’ en ‘Jakobs is weer Jakobs’ waren de slogans die voor en bij de openingsreceptie werden gebruikt. Er was grote belangstelling, ook van de overheid en er was een zee van bloemen. Sommige klanten van voor de oorlog grepen deze gelegenheid aan om hun oude schulden af te betalen.
Grootste sportzaak in de regio
Na de aanvankelijk moeilijke tijd van herstel van de schade die de oorlog had aangericht, trad er een tijdperk in van welvaart en vooruitgang in Nederland. Zwolle groeide en de Fa. D. Jakobs groeide mee. Het was lange tijd de enige en tot de sluiting ook de grootste sportzaak in de regio. Zwollenaren kregen tijd voor sport en vakantie. Voetballen, hockeyen, tennissen, reizen en andere activiteiten maakten opgang en de firma, waarvan de naam intussen was veranderd in ‘Jakobs Sport’, profiteerde daarvan. Het echtpaar Davidson kocht zijn eerste auto, een zwarte Opel Olympia, in 1950. Er was toen nog geen dealer in Zwolle, Dolf ging hem in Amsterdam ophalen.
De zaak spendeerde veel geld aan adverten­ties in de krant en reclame op sportvelden, en organiseerde evenementen om deze vrijetijdsbe­zigheden te populariseren. De oude winkel in de Luttekestraat werd nu gebruikt als extra show­room. Wanneer er in Zwolle op Koninginnedag een optocht werd gehouden, nam Jakobs Sport er aan deel. De muziekvereniging Jubal liep voorop, dan het Oranje comité bestaande uit een aantal oudere mannen in donkere pakken en hoge hoe­den, sportverenigingen en padvinders en daarna kwamen de ‘praalwagens’ waaronder die van de sportzaak met een klein tentenkamp erop. De wagens werden ‘bemand’ door winkelmeisjes die sleutelringen en andere reclameartikelen naar het grabbelende Zwolse publiek wierpen.
Er werden modeshows gehouden, eerst in de etalage van de winkel, zelfs met een mannelijke mannequin. Dat was in die tijd zo bijzonder dat het de Zwolse Courant haalde. Later waren er gedurende vele jaren twee modeshows in de Bui­tensociëteit met professionele mannequins en een commentator, een voor de zomer- en een voor de wintercollectie. Deze shows waren heel popu­lair en de zaal was altijd tot de nok toe gevuld. Het Zwolse publiek was erg geïnteresseerd in de nieuwste mode, maar was aan de andere kant ook erg conservatief en de geshowde collectie was ten dele dat wat in het vorige jaar al in het westen van het land getoond was. De klanten kregen wat zij wilden en Jakobs Sport kon de kleren voor een goede prijs inkopen. Zo was iedereen gelukkig. Chris Backers, die naast de zaak een sigarenwin­kel had in de Roggenstraat, was heel gewild als pianist in de stad en hij begeleidde de shows met populaire muziek.
In de tuin van de Buitensociëteit werd ook ieder voorjaar gedurende vijf dagen een kampeer­show gehouden, met de nieuwste tenten en ande­re kampeerartikelen, vouwwagens en caravans.
Al deze evenementen werden uitvoerig in de krant beschreven. Door het onvoorspelbare
klimaat in Nederland vielen de kampeershows letterlijk nog wel eens in het water. Ze werden, met goedkeuring van de Zwolse overheid, na enkele jaren verplaatst naar de leegstaande Beth­lehemsekerk. Tenten werden uitgestald op de grafzerken in de vloer. In die tijd was het gebruik van kerken voor commerciële doeleinden nog een nieuwigheid en menigeen sprak er schande van.
Wintersport
Wintersport en skiën waren inmiddels heel popu­lair geworden en bij Jakobs Sport kon je een vol­ledige ski-uitrusting aanschaffen. Er waren veel enthousiaste vaste klanten, die ieder jaar hun gar­derobe en sportmateriaal vervingen of aanvulden. De voetbalclubs PEC, Zwolsche Boys en ZAC, de tennisclubs en de hockeyclubs in Zwolle en Hat­tem leverden veel klanten op. Jakobs Sport was niet goedkoop, maar legde de clientèle in de watten en zorgde voor een grote keus. Hockeysticks konden bijvoorbeeld aan de individuele spelers aangepast worden. Bijna alle tennisrackets werden met de hand bespannen en de klanten konden de hardheid van de snaren eerst uitproberen. De zaak gaf een kwaliteitsgarantie op alles wat verkocht werd, rui­len en teruggeven was mogelijk in een tijd toen dat nog niet algemeen gebruik was.
Als een behoudende zaak in een behoudende stad verkocht Jakobs Sport bijna alleen maar bekende merken, die producten met bewezen kwaliteit leverden. Sommige, zoals Puma en Adi­das voor schoenen, Dunlop en Wilson voor sport­artikelen, Westfalia en Campingaz bestaan nog steeds; andere zoals de kledingfabrikanten Sturka en Kerko zijn verdwenen of in grotere bedrijven opgegaan. De badpakken van de verdwenen bedrijven Heinzelmann Orchidee en Jantzen brengen nu vaak op de ‘vintage’ kledingmarkt vele malen de originele prijs op. Tegenwoordig, dertig jaar na de sluiting, zijn er nog steeds oude klanten die artikelen die zij bij Jakobs Sport gekocht heb­ben, dragen of gebruiken.
In de winter probeerden de Davidsons ook het schaatsen te bevorderen door zelf een ijsbaan aan te leggen op de gravelbanen van de Zwolse Lawn Tennis Bond in de Veeralleebuurt. Dat was een vreselijk koud werkje, de hele nacht moest water als mist op de banen gesproeid worden en het viel dan maar te hopen dat het de volgende dag niet dooide. Als het lukte was het er een drukte van belang. Ze zorgden ook voor een koek en zopie, en verkochten behalve schaatsen van Viking en Nooitgedagt in de garderobe van het tennis­complex ook winterkleding. Dat hebben ze maar twee seizoenen (1951 en 1952) volgehouden, het nachtwerk in de bittere kou was te veel van het goede. Ze werden daarbij geholpen door Anton en Wim ten Koppel, die bij hen in de winkel werk­ten en die zich vooral bezighielden met het repa­reren van radio’s. Omdat dat onderdeel een beetje buiten de interesse van de zaak begon te vallen, deden zij de radiovergunning over aan de broers, die een winkel op de Melkmarkt begonnen die tot 2012 bestaan heeft.
Verzendhuis Actief
Niet alle ondernemingen die Zus en Dolf David­son begonnen, wierpen vruchten af. In 1956 start­ten ze, met financiële hulp van een paar vrienden als mede-investeerders, een postorderbedrijf, verzendhuis Actief, geïnspireerd door het suc­ces van Wehkamp. Ze huurden een pand aan de Burgemeester van Roijensingel en adverteerden in radiogidsen en damesbladen. Ze verkochten en verzonden per post artikelen als zomerkleding, Zaalberg jassen, sport- en kampeerbenodigd­heden en spelen zoals sjoelbakken van Homas. Bestellingen kwamen en masse binnen, de brie­venbus was elke dag overvol met enveloppen met ingevulde bestelbonnen, maar al gauw bleek dat dit niet een nevenbezigheid was die je met een alcoholische parttime bedrijfsleider, een paar kantoormeisjes en een magazijnbediende kon afdoen. Het fiasco met leren motorjassen van Gelmok maakte dat heel duidelijk. Ze werden erg goed verkocht, maar in vele gevallen niet betaald. Het werd duidelijker dat er veel profes­sionele wanbetalers waren, die bijverdienden met het doorverkopen van duurdere artikelen van postorderbedrijven waarvoor ze zelf niet betaald hadden. Een uitgebreide administratie die vooral het klantenbestand bijhield, een incassobureau en een veel groter aantal medewerkers waren nodig. Wehkamp had zijn onderneming groots opgezet en bracht daardoor zijn postorderbedrijf tot grote bloei. Weer vond Zus Davidson dat het beter was om een keurige sportzaak te hebben. Het kapitaal werd hergebruikt voor de oprichting van ‘Sport­huis Twente’ in Hengelo, waarvan zij de directrice werd en die vele jaren goed gedraaid heeft.
Bekende namen
Een aantal bekende Nederlanders uit de sportwe­reld kwam naar Jakobs Sport als vertegenwoor­digers. In die tijd werden topsporters nog niet betaald zoals tegenwoordig en na of zelfs tijdens hun carrière werkten velen voor sport- en kle­dingproducenten. Eddy Pieters Graafland (Eddy PG), welbekende keeper van Ajax, Feyenoord en het Nederlands elftal, was daar één van. De in die tijd beroemde schaatskampioenen Cees Verkerk en Ard Schenk kwamen ook naar de zaak als pro­motie voor de schaatsfabrieken waarmee ze con­tracten hadden. Als zij naar Zwolle kwamen stond het portiek en het aangrenzende deel van de Grote Markt vol met belangstellenden. Goede klanten werden binnengelaten, mochten een praatje maken en om een foto met handtekening vragen.
Peter van der Hurk kwam uit Meppel en had een agentuur in dameskleding. Hij zag er goed uit en liep mee in de modeshows van Jakobs. Dolf Davidson sprak altijd met grote eerbied over hem omdat hij in het verzet gezeten had. Verzetsheld is een betere benaming voor Van der Hurk. Hij zorgde ervoor dat vele mensen konden onder­duiken en verzorgde valse papieren voor hen; als coördinerend lid van de knokploeg in Mep­pel en later van de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten hielp hij neergeschoten geallieerde piloten en joodse vluchtelingen ontsnappen naar Engeland en het bevrijde deel van Frankrijk. In december 1944 werd hij met zijn vrouw en vijf anderen gearresteerd, gevangen gezet en gemar­teld. Zij werden bevrijd door een andere groep, een actie waar doden bij vielen. Na de oorlog kreeg hij de Bronzen Leeuw en werd hij verder onderscheiden als Member of the British Empire en met de Medal of Freedom with Gold Palm van de VS, onderscheidingen die zelden worden uit­gereikt aan buitenlanders.
De meest kleurrijke en indrukwekkende ver­tegenwoordiger die de zaak bezocht was wel Man­gal Singh, die hockeysticks uit wat toen nog Brits-Indië heette verkocht. Singh was een Sikh en hij ging ook als zodanig gekleed: een forse man met een lange zwarte baard, een tulband, een ruim wit gewaad met daaronder een broek, blote voeten in sandalen en, nog het meest indrukwekkend, een dolk aan zijn zijde. Mangal arriveerde per trein en als hij bij de sportzaak aankwam had hij een hele optocht van gefascineerde Zwollenaren achter zich aanlopen als een zwijgende, serieus kijkende processie. Singh was de enige die glimlachte. De aandacht deerde hem niet want in tegenstelling tot zijn vervaarlijke uiterlijk was Mangal Singh een hele goedaardige man, die dol op kinderen was. De oudste zoon van Zus en Dolf, Hans (Bert) Davidson, herinnert zich dat hij bij hem op schoot zat, bang en blij geïntrigeerd tegelijkertijd.
Een andere bekende figuur die als klant veel in de winkel kwam, vooral toen ze nog geassocieerd was met de Zwolse kunstenaarsvereniging ‘Het Palet’, was de schilderes van het Staphorster leven Stien Eelsingh, een telg uit de Zwolse stads- en portretfotografen familie. Stien hield van mooie kleren, maar zat constant in geldnood. Diverse keren stelde ze voor om deze kleren te ruilen voor schilderijen, maar Dolf wilde daar niet van horen. Hij had liever geld. Achteraf gezien was dat natuurlijk een verkeerde beslissing, kunstwerken van Stien Eelsingh zijn nu veel geld waard.
Een van de personeelsleden van Jakobs Sport is een heel populaire schrijver geworden. Omstreeks 1950 kwam Wim Gijsen van de HBS af en moest een baantje vinden. Omdat hij uit een communistisch gezin kwam, was men bevooroor­deeld over hem. De Zwollenaren waren blijkbaar al vergeten dat de communisten een hoofdrol gespeeld hadden in het verzet tegen de Duitsers. De ‘koude oorlog’ was in volle gang. Het kon Dolf niet schelen waar iemand vandaan kwam, als de persoon maar hard wilde werken. Wim werd aangenomen als winkelbediende, vooral voor het bespannen van rackets en het afstellen van schaatsen en ski’s. Zijn literair talent werd al gauw duidelijk, hij droeg eigengemaakte gedichtjes en liedjes voor. Hij was vooral een fantastisch vertel­ler van zelfverzonnen verhalen. Hans Davidson zat uren naast hem, ademloos te luisteren als Gijsen vertelde terwijl hij rackets bespande. Na verloop van tijd verhuisde hij naar het westen van het land met zijn vriendin Sippie. Hier volgt een deel van wat Wikipedia over hem genoteerd heeft: ‘Wim Gijsen (1933-1990) was naast zijn werk als dichter, hoorspel auteur en schrijver van literair werk een van de eerste Nederlandse schrijvers van moderne sciencefiction en fantasy die doorbrak bij het grote publiek. Hij schreef al jaren literair proza, gedichten, kinderboeken en diverse wer­ken in het New Age genre over onder meer de dood, het hiernamaals, meditatie, vegetarisme en yoga, voordat hij in 1980 begon aan een grote serie van sciencefiction en fantasy boeken.’ Gijsen schreef onder meer de roman Bollebieste (1974), die in Zwolle speelde.
Personeel
Jakobs Sport heeft altijd meer personeelsleden gehad dan andere zaken van vergelijkbare grootte. Voor de eigenaren was het belangrijk om de best mogelijke service te verlenen. Niemand hoefde te wachten om geholpen te worden, behalve mis­schien gedurende de drukke zaterdagen en tijdens de uitverkoop. Als er niets te doen was zaten de winkelmeisjes etiketten met de naam van de zaak in de kleren te naaien, dat was toen de gewoonte. De Davidsons waren goed voor hun personeel, er was altijd een dag in het jaar waarop de zaak dicht ging vanwege een personeelsreisje. Toch was er een komen en gaan van bedienden, van de leerling-verkoopster tot de bedrijfsleider. Lonen waren in die tijd laag en de meeste vrouwen hiel­den op met werken als ze trouwden. Daarnaast was Dolf een veeleisende werkgever. De Zwolse Courant van die dagen bevatte bijna iedere maand een advertentie waarin verkopers gevraagd wer­den.
Er is maar één personeelslid dat een persoonlijk stempel op de gang van zaken bij Jakobs Sport heeft gedrukt en dat was Ina Veldhuis. Zij was een leuk uitziende jonge vrouw, zeer artistiek en al op jonge leeftijd lid van ‘Het Palet’. Zij was op weg om te solliciteren voor een baantje als verkoopster, toen ze een advertentie in de etalage van de winkel zag. Ze stapte naar binnen en werd door Dolf, die op het punt stond om een maand op vakantie te gaan, zonder veel vragen aangenomen. Ina had een han­dicap: door een medische fout was ze verlamd aan één hand maar, slim als ze was, wist ze dat gedu­rende haar sollicitatiegesprek te verbergen. Omdat ze bang was dat ze bij terugkeer van haar werkgever ontslagen zou worden, deed Ina extra haar best en bewaarde alle kassabonnen waar zij de verkoopster van was. Teruggekomen van vakantie waren Dolf en Zus op de hoogte van de lichamelijke beperking van het nieuwe winkelmeisje en dachten aan ont­slag. Toen Dolf echter het dikke pak met kassabon­nen zag, veranderde hij van gedachten. Ina’s werk­lust en zakeninzicht zorgden ervoor dat ze in korte tijd tot bedrijfsleider werd benoemd. Ze was een strenge cheffin, maar werd als een soort dochter en vriendin van het echtpaar Davidson beschouwd en was betrokken bij de inkoop en vele andere zake­lijke beslissingen. Ze ging mee naar de leveranciers, fungeerde als model en maakte het leven van haar werkgevers veel makkelijker.
Aan het eind van de jaren vijftig was de winkel van Jakobs Sport te klein en te ouderwets gewor­den en de Davidsons namen de beslissing om het interieur van de zaak radicaal te moderniseren. Het verbouwingsplan werd ontworpen door de architect Van Broekhuizen van het destijds bekende bureau Feenstra en Van Broekhuizen uit Hengelo. Het aannemersbedrijf van Ab Meulink in Hattem voerde het werk uit. Het was een inge­nieuze constructie die alle beschikbare ruimte optimaal gebruikte, waardoor de oorspronkelijke indeling van drie naar vijf etages werd uitgebreid. Er was een zwevende middenetage en het kantoor achter in het pand had uitzicht op de zaak zoals de brug van een schip. Het trappenhuis naar de achterzijde van de zaak diende als een van de paskamers met behulp van een neerklapbare vloer. Het souterrain was voor sportartikelen, de hoogste verdieping diende als een permanente kampeertentoonstelling en op de tussenlig­gende etages werden kleren verkocht. Het open vloerplan maakte dat de winkel groter oogde, het vormde een aantrekkelijk geheel. De verbouwing werd duurder dan gepland was. De fundering bestond uit rijshout en koeienhuiden, iets wat in de zestiende eeuw toen het gebouw werd opge­trokken niet ongebruikelijk was. Hoewel die pri­mitieve ondergrond, samen met de dikke muren, het gebouw vier eeuwen zonder enige problemen gedragen had, wilde Bouw- en Woningtoezicht daar niet van horen: een nieuwe fundering ging de grond in voor de helft van de kosten van de ori­ginele begroting.
Medio 1960 werd de vernieuwde winkel met veel festiviteiten geopend, Dolf kreeg daarbij een diploma als ‘hoofd-bemoeial’. Het bleek al spoe­dig dat de verbouwing een belangrijke verbetering was. Door de grotere ruimte en de mogelijkheid veel kleding uit te stallen waren modeshows niet meer zo nodig, net zo min als de kampeershows omdat de bovenverdieping daarvoor ingericht was. De laatste van die shows buiten de winkel werd in 1965 gehouden.
Geen zakelijke beslommeringen meer
De hoogconjunctuur hield aan en de zaken gin­gen voorspoedig. Dolf en Zus Davidson waren net zo zichtbaar en gezien in de stad als Daniel en Sophia Jakobs destijds. Maar in het begin van de jaren zeventig begon het enthousiasme voor de zaak bij zowel Zus als bij Dolf te tanen. Ze hadden het gevoel dat ze, door de oorlog, hun jeugd gemist hadden, daarna alleen maar hard hadden gewerkt en daardoor veel ervaringen in het leven waren misgelopen. Het was misschien wel een lichte vorm van wat tegenwoordig post-traumatic stress syndrome heet. Ze waren meer en meer bezig met hun hobby’s, waaronder reizen en het houden van IJslandse paarden en andere dieren rond hun huis buiten de stad. Er was geen opvolger. Hun jongste zoon Donald, die interesse in de zaak toonde, stierf op vijftienjarige leeftijd plotseling op weg naar het gymnasium. Zoon Hans was bijna klaar met zijn studie medicijnen. Ook zagen ze de structuur van het bedrijfsleven veranderen. Grotere speciaalzaken zoals die van hen ondervonden steeds meer concurrentie van warenhuizen. De klanten waren niet meer bereid extra te betalen voor betere kwaliteit en service. Ook ondervonden ze toen al de worgende greep van de gemeente Zwolle op de binnenstad die nog steeds doorgaat: minder bereikbaarheid, parkeren alleen maar aan de rand van de stad voor hoge prijzen. En verder een altijd maar doorgaande druk van voorschriften, verplichtingen en stan­daards die niet van toepassing zouden moeten zijn op oude huizen en die voor zelfstandige winkels nauwelijks op te brengen zijn. Daardoor is het karakter van de stad geheel veranderd. Als je in de Diezerstraat niet omhoog naar de gevels kijkt – en wie doet dat nog? – kun je haast geen verschil zien met de belangrijkste winkelstraten in vele andere Nederlandse steden, een eenvormige verloedering. Allemaal filialen van landelijke ketens, winkels als Fa. D. Jakobs en Jakobs Sport zijn er nauwelijks meer.
Het was een goede tijd geweest die hen financi­eel onafhankelijk gemaakt had en het idee om eruit te stappen kreeg stilaan vorm. In 1973, terugko­mend van een vakantie in Italië, hoorden ze dat er tijdens hun afwezigheid weer veel problemen met personeel en leveranciers geweest waren. Boven­dien zei Ina Veldhuis haar baan op, omdat haar man een eigen bakkerij was begonnen. Thuis was het rustig en zonder spanning, hun hond Bimbo en hun paarden hadden hen enthousiast begroet en binnen vijf minuten was de beslissing genomen: we houden er mee op. Ze pleegden een paar tele­foontjes naar hun makelaar voor de verhuur van het pand en naar zakenrelaties om een grote voor­raad in te slaan voor de finale uitverkoop. Twee maanden later, in augustus, trokken ze de deur van Jakobs Sport definitief achter zich dicht.
Ze hebben nooit spijt gehad van die beslis­sing. Meer dan dertig jaar leidden ze daarna een interessant en druk leven met vele vrienden en met wat er over was van hun familie. Ze waren altijd in de weer met hun hobby’s. Lichamelijk kregen ze wel wat klachten, maar geestelijk bleven zij vitaal. Dolf stierf in 2004 op 86-jarige leeftijd aan een hartverlamming. Zus (Saartje), die hulp­behoevend was geworden maar thuis wilde en kon blijven, overleed vier jaar later. Zij was toen 85 jaar. Het was het einde van een tijdperk vol tragiek maar ook succes, een bewijs van de vast­houdendheid van twee Zwolse families die samen een bedrijf opzetten dat meer dan vijftig jaar een bloeiend bestaan gekend heeft.
* Maurits Wijnbeek was een broer van Selma Wijn­beek, zie: Ad van Liempt, Selma, de vrouw die Sobi­bor overleefde, Laren, 2010.
** Alle afbeeldingen bij dit artikel komen uit de col­lectie van de auteur, tenzij anders vermeld.

Bert J. Davidson

Mobilisatie 1914-1918, links Daniel Jakobs, rechts Sam Boektje.

zwols historisch tijdschrift 73

Trouwfoto van
Daniel Jakobs en
Sophia Cohen, 1919.
De Fa. D. Jakobs op
Luttekestraat 54-58, circa 1924.

74 zwols historisch tijdschrift

Andries en Lena Troostwijk-van Tijn en Daniel en Fie Jakobs-Cohen gezamenlijk op vakantie in Knokke, België, 1939.

Verkoopshow van de Fa. D. Jakobs en Co. in Zwolle, jaren twintig.

zwols historisch tijdschrift 75

Daniel Jakobs en een winkelbediende voor de winkel op Oudestraat 41, Kampen, jaren dertig.

Opname van de rede van prinses Juliana prins Bernhard ter gelegenheid van hun verloving in 1936.

76 zwols historisch tijdschrift

Interieur van de win­kel Fa. D. Jakobs en Co. in Kampen. Midden Sam Boektje, rechts Beppie Jakobs, 1939.

De Fa. D.Jakobs en Co., op Grote Markt 8, begin jaren dertig. (Collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 77

Poster van de ten­tencollectie uit 1936, gevonden achter het behang tijdens de ver­bouwing in 1960.

78 zwols historisch tijdschrift

Walter Davidson (links), oudere broer van Dolf, voor de slage­rij op de Hindenburg­strasse 19 in Dülmen, circa 1935.

Dolf Davidson (met Jodenster) koopt ille­gaal kalveren in 1942.

zwols historisch tijdschrift 79

Afrekening van de 5000 Reichsmarken die de Davidsons bij hun‘Rückwanderung’ mee konden nemen.

Sergeant Dolf David­son, tijdens de mobili­satie in 1939.

80 zwols historisch tijdschrift

De familie Jakobs in 1940. Vlnr. Fie, Daniel, Beppie en Saartje.

Werkkamp ‘De Vecht’, 1942. Rechtsonder Daniel Jakobs.

zwols historisch tijdschrift 81

Dolf en Saartje David­son-Jakobs voor het stadhuis in Zwolle,
11 augustus 1942.

82 zwols historisch tijdschrift

Afscheidsbrief van Walter Davidson uit Westerbork, 16 februari 1943: ‘Meine Lieben. Teile Euch eben kurz mit das ich Heute morgen von hier weg-gehen. Bin gut gesund u[nd] auch gut versorgt. […] hoffe das wir uns alle gesund wieder-sehen werden. Haltet guten Mutes das soll ich auch machen. Viele herzlich grüsse u[nd] Küsse Euer Sohn Bruder Ihr Walter.’
Naast Dolf en Walter was er nog een oudste broer Hermann, die in Rotterdam woonde en ook in Polen vermoord werd. Hun zus Hannah overleefde de oorlog met valse persoonsbewijzen en werkte, ondanks haar joodse uiterlijk, in die jaren gewoon als verpleegster.

zwols historisch tijdschrift 83

‘Jakobs wordt weer Jakobs’, aldus de aan­kondiging in de etalage van Grote Markt 8 in 1948.

84 zwols historisch tijdschrift

zwols historisch tijdschrift 85

Saartje (Zus) Davidson kampeert met de zwar­te Opel Olympia.

86 zwols historisch tijdschrift

Praalwagen van Jakobs Sport op Koninginne­dag, begin jaren vijftig.

Een mannelijke man­nequin was in 1951 nog zo ongebruikelijk dat de Zwolse Courant er melding van maakte.

zwols historisch tijdschrift 87

Modeshow Jakobs Sport in de Buitensociëteit. De kinderen zijn Ingrid van der Linden en Hans en Donald (staand) Davidson. In het mid­den Peter van der Hurk.

Kampeershow in de tuin van de Buiten-
sociëteit. In de rub­ber kano zit Donald Davidson.

88 zwols historisch tijdschrift

De Zwolse Courant bericht over de ijsbaan van de firma Jakobs, 1951.

zwols historisch tijdschrift 89

90 zwols historisch tijdschrift

Bij ieder kledingstuk werd het bedrijfslabel ingenaaid.
Personeelsreisje naar Schiphol in de jaren vijftig, de dames staan voor de DKW van Dolf.

zwols historisch tijdschrift 91

Ina Veldhuis op 17-jarige leeftijd.

92 zwols historisch tijdschrift

Jakobs Sport na de
verbouwing: aange­zicht Grote Markt.
Jakobs Sport na de
verbouwing: aange­zicht Roggestraat.

zwols historisch tijdschrift 93

Jakobs Sport na de ver­bouwing, de zwevende middenetage met het kantoor daarachter. Op de voorgrond rechts de architect Van Broek­huizen, links Hans Davidson. Op de ach­tergrond Zus Davidson.

94 zwols historisch tijdschrift

De Grote Markt rond 1970. (Foto M.Wassenaar)

zwols historisch tijdschrift 95

Afscheidsinterview in de Zwolse Courant, 1973.

96 zwols historisch tijdschrift

Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 1: Zwols meisje lokte Groninger uit liefde
naar haar geboortestad
In het jaar 2002, toen de Hollandse gulden verdween en werd omgesmolten tot de Euro­pese euro, kwam na meer dan twee eeuwen ook een einde aan de verschijning van de Zwolse Courant. Het was de voorspelde afbraak van een monument, dat zich een van de oudste ‘nieuwspa­pieren’ van Nederland mocht noemen. En in elk geval de alleroudste, als het gaat om verspreiding door één uitgever. Op weg naar de totale ont­takeling was er in de laatste twee decennia van de twintigste eeuw al een sluipend proces aan de gang geweest, waarin het eens zo rijk geschakeer­de landschap van de schrijvende pers onafwend­baar werd geëgaliseerd tot een kale vlakte met hier en daar een protserige kantorengigant.
De ‘oude Zwolse’, eens het troetelkind van de Koninklijke Tijl, kon zich daaraan niet meer ont­trekken, want in het concern van de concurreren­de Apeldoornse bladenreus Wegener had zij niets meer in te brengen dan lege briefjes. In 1988, het jaar van fusie en overname, had het nog heel wat geleken. Toen werd er bedrieglijk optimistisch gesproken van een echte fusie, een gezamenlijke, vruchtdragende toekomst in de combinatie Tijl-Wegener, maar spoedig werd het al Wegener-Tijl, totdat ook het laatste teken van samenwerking rigoureus werd geschrapt.
Veertien jaar lang mocht de titel ‘Zwolse Courant’ nog op de voorpagina staan en kon er in Zwolle een eigen redactie werkzaam blijven, maar in 2002 kwam het definitieve einde. Een nieuw regionaal dagblad van Wegener, met de nogal ronkende naam de Stentor, nam de taak van de nieuwsvoorziening in het grote verspreidingsge­bied van de Zwolse Courant plus kopbladen over. Een zeer schrale troost blijft over voor wijlen de Koninklijke Erven Tijl. Naar het zich laat aanzien zal het verdwenen bedrijf tot in verre toekomst een onaantastbaar nationaal record blijven aan­kleven. Wie durft immers in de eenentwintigste eeuw te geloven dat er ooit nog een papieren krant verschijnt die het 198 jaren zal bolwerken onder het beheer van één uitgever?
Persoonlijke geschiedenis
Niet minder dan een kwart van die twee eeuwen maakte ik zelf als journalist actief mee. Daaruit put ik nu vooral de reden en de ambitie om een Zwolse Courant-story in afleveringen te schrijven. Door mijn persoonlijke geschiedenis bij de krant, die zich over 53 jaar uitstrekt, zie ik het een beetje als een dwingende taak. Bovendien vind ik het leuk om daar een eigen tintje aan te geven. Als scholier van 17 jaar leverde ik in 1949 immers al mijn eerste stukje voor de Zwolse stadspagina, een sportverslagje. Mijn laatste bijdrage, een toneelrecensie, viel in 2002 te lezen op de kunst­pagina in een van de allerlaatste nummers.
Eigenlijk gaat mijn herinnering aan de krant nog aanzienlijk langer terug. In de jaren dertig van de vorige eeuw stond ik in de Voorstraat als kind al vol bewondering te kijken door een breed raam, waarachter de kranten bij vele duizenden uit de toen – in mijn ogen – enorme rotatiepers van Tijl rolden. Een man in stofjas trok af en toe een exemplaar uit de stroom, vouwde het met breed gebaar open en liet zijn blik aandachtig over de pagina’s glijden. Dát leek me nog eens mooi en belangrijk werk!
Het was niet zo’n wonder dat ik al heel jong gegrepen was door het krantenbedrijf. Mijn ouderlijk huis aan de Grote Markt bevond zich schuin tegenover het Tijlgebouw aan de Melk­markt waar de Zwolse Courant werd gemaakt, waardoor ik steeds met de bedrijvigheid in en rond het grote pand werd geconfronteerd. Daar kwam nog bij dat mijn vader regelmatig als teke­naar voor die krant werkte en dat er journalisten bij ons over de vloer kwamen om te overleggen over illustraties bij hun artikelen. In die jaren even voor en na de Tweede Wereldoorlog had de pers­fotograaf nog lang niet zo’n overheersende aan­wezigheid in de journalistiek als een halve eeuw later. De ouderwetse tekenaar werd regelmatig ingeschakeld als er commentaar op het nieuws moest worden geleverd of reportages om beel­dende aanvulling vroegen.

Hans Alma
Een van de journalisten die kort na de oorlog bij mijn vader kwamen buurten, heette Hans Alma. Aan deze energieke redacteur die zich nog maar net in Zwolle had gevestigd en die een belangrijke rol bij ‘de Zwolse’ zou gaan spelen, had ik het te danken dat ik vlak na mijn middelbare schooltijd in 1951 als leerling-journalist op de redactie werd aangenomen. Een school voor de journalistiek bestond toen nog niet. Later in dit verhaal zal ik uitgebreider op Hans Alma terugkomen, omdat zijn leven daar aanleiding toe geeft. Het is een relaas van een snelle, succesvolle carrière met een abrupte en tragische afloop.
Nu, aan het begin van mijn feuilleton, kan ik het nagelaten werk van Alma goed gebruiken als vraagbaak voor het beschrijven van de oudste geschiedenis van de krant. Want door de eeuwen heen blonken de Tijls weliswaar uit in onderne­mingslust en vakmanschap, maar dat gold niet voor hun omgang met het bedrijfsarchief. Zij besteedden weinig aandacht aan de vastlegging van eigen handelingen en wederwaardigheden, waardoor er over grote delen van de historie van Tijls krant nauwelijks materiaal te vinden valt. Op twee kenmerkende uitzonderingen na, namelijk de twee perioden waarin Nederland te maken kreeg met vreemde overheersers. De his­torici H.A. Stalknecht en C.R. Ribbens wijdden studies aan de krant in respectievelijk de tijd van de Bataafse Republiek (1795-1813) en de Tweede Wereldoorlog (1940-1945). In 1991 en 1995 wer­den deze artikelen in het Zwols Historisch Tijd­schrift gepubliceerd.
Veertig jaar voor deze twee publicaties was Hans Alma de eerste die zich diepgravend met Tijls verleden bezig hield. De toenmalige direc­teur Hein Dikkers, die gehuwd was met Bep Tijl, had veel affiniteit met de historie van de familie waarvan zijn vrouw de laatste telg was. Hij gaf Alma de opdracht om een boekje te schrijven bij de viering van het 175-jarig

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 2

Door 2012, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Redactioneel Inhoud

Een bijzonder artikel in dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift is het interview met oud-wethouder Henk Okkels door steven ten Veen. Okkels kijkt terug op zijn politieke loop­baan onder drie burgemeesters, eerst als raadslid, daarna achttien jaar lang als wethouder. Hij ging ‘zuinig’ om met het beschikbare geld. Hij richtte de stadsbank op waar particulieren een krediet konden krijgen. Eén van de zaken die hij, onder veel protest, invoerde waren de minicontainers.
Okkels opende in 1977 het pand van de Westland-Utrecht Hypotheekbank aan de Grote Markt 11. Onderzoek voor zijn openingsrede werd gedaan door Wim Huijsmans. In de achttiende eeuw werd vermeld dat het pand een ‘weergaloze wijnkelder’ had. Deze mededeling wekte hoge ver­wachtingen bij de genodigden voor de opening!
In het Hopmanshuis vond de kunstenaarsclub (Het) Palet zijn eerste onderkomen. Willem van der Veen, wiens vader Teun aan de wieg van deze club stond, beschrijft hoe Palet daar en op andere plaatsen gehuisvest was. Niet altijd even comfor­tabel, maar wel gezellig. Onlangs is Palet naar een ‘nieuw’ onderkomen verhuisd, het voormalige Rode Kruisgebouw aan de stilobadstraat.
Jan van de Wetering gaat weer vijftig jaar terug in de tijd: platenzaken met popmuziek, nieuwe telefooncellen en de sluiting van de winkel van sigarenhandelaar Piet Kok in 1962. Kok hing in zijn etalage de voetbaluitslagen op, waar velen op af kwamen.
In 1822 overleed de jonge Zwollenaar Jan coenraad Pruimers. Hij studeerde rechten in Utrecht en vestigde zich vervolgens als advocaat in Zwolle, maar was vooral bekend als dichter. Zijn buurman was Rhijnvis feith in de Bloemen­dalstraat. Johan seekles beschrijft hoe tijdgenoten gegrepen waren door zijn vroegtijdige overlijden.
Suikerhistorie Wim Huijsmans 46
Palet begon met oude zolders en een kelder Kunstenaarsclub kreeg vijfde onderdak in 65 jaar Willem van der Veen 48
Jan Coenraad Pruimers, een vergeten Zwolse dichter Johan seekles 60
Henk Okkels, terugblik op een politieke loopbaan steven ten Veen 66
Grote Markt 11 Wim Huijsmans 74
Zwolle in de jaren zestig Aflevering 7: Hoe Piet Kok een einde maakte aan de jaren vijftig (1962) Jan van de Wetering 80
Mededelingen 84
Auteurs 86

Omslag: Tekenavond van kunstenaarsclub Palet in de jaren zeventig in de Broerenkazerne, aquarel door Teun van der Veen.

Palet begon met oude zolders en een kelder
Kunstenaarsclub kreeg vijfde onderdak in 65 jaar
Willem van der Veen
Reeds in 1929 werd er in groepen naar model getekend bij de Zwol­sche Kunstkring. Van links naar rechts Cor Vriens, Johan Hartzui­ker en Evert Bomhof.
D
e kunstenaars van Palet hebben voor de vijfde maal in het 65-jarig bestaan van hun vereniging een nieuw onderkomen betrokken. Nou ja, nieuw..? Voor hén in elk geval wel. Het voormalige Rode Kruisgebouw aan de stilobadstraat, waar in een nog eerder tijdstip ver­pleegsters van het sophia Ziekenhuis woonden, staat al meer dan honderd jaar op die plek. Maar wat zou het? Vanaf de oprichting van hun club zijn de ‘Paletters’ wel een beetje aan het stof der eeuwen gewend geraakt.
Het allereerste domein dat zij in 1947 betrok­ken, was immers een oud Zwols gebouw (circa 1660), het Hopmanshuis aan het Rodetorenplein. Ruim twee decennia vonden ze daar een uiterma­te sfeervol, maar ook zeer bouwvallig onderdak. Na de eerste verhuizing naar de Broerenkazerne, begin jaren zestig, kwamen ze weer terecht in een interieur van eeuwenoude balken en krakende vloeren. Nieuwere tijden in bouwkundig opzicht kwamen voor de Paletleden dichterbij toen ze eind jaren zeventig de bovenste verdieping van het kort tevoren gesloten sophia Ziekenhuis in de Rhijnvis feithlaan mochten betrekken. Op de gezellige zolder daarvan kreeg hun vereniging een verheugende opleving, die zich in de jaren negen­tig voortzette in alweer een andere, nog ruimer bemeten stek: een royaal samenstel van houten barakken op de hoek van Rhijnvis feithlaan en Bagijnesingel.
Hiermee heb ik al in een notendop de 65-jari­ge geschiedenis van Palets behuizing geschetst. Verderop in dit verhaal kom ik uitgebreider terug op de concentratie van kunstzinnige individualis­ten, die Het Palet, of Palet zoals ze zich in de jaren negentig ‘strakker’ zijn gaan noemen, al die jaren tot een echte vereniging maakten.

Een opmerkelijk verschijnsel eigenlijk. Beel­dende kunstenaars wordt immers vaak een etiket opgeplakt, waarop ‘prototype van het individua­lisme’ vermeld staat? En dan toch die hang naar gezelschap? Een beetje gezelligheid, avondjes gezamenlijk tekenen met broeders in de kunst en er dan na afloop oeverloos over kletsen onder het genot van een drankje: dat is voor de meesten toch een dringende behoefte. Bij alle andere acti­viteiten in het 65-jarige Paletleven is dat kunstzin­nige samenzijn tijdens de vaste tekenavond op de donderdagavonden voor de club misschien wel een van de voornaamste redenen van bestaan.
Zwolsche Kunstkring

Overigens mag Palet niet de primeur van de groepsgewijze beoefening van beeldende kunst in Zwolle voor zich opeisen. Van mijn vader Teun van der Veen weet ik dat hij in de jaren twintig van de vorige eeuw al wekelijks een avondje uit­trok voor een paar uurtjes tekenen of schilderen in gezelschap van Zwolse collega’s. De nestor Evert Bomhof was er destijds bij, maar ook jon­gere talenten als Jo van Efferen, stien Eelsingh, cor Vriens, Johan Hartzuiker en corry Brok. Onder de naam ‘Zwolsche Kunstkring’ tekenden en schilderden zij gezamenlijk op de zolder van de bejaarde Brouwerschool, die in de jaren dertig nog vlak achter het oude Zwolse stadhuis aan het Grote Kerkplein stond.
Net als nu bij Palet gingen ook toen al profes­sionals en amateurs broederlijk (en zusterlijk) met elkaar om en toonden hun werken op gezette tijden gezamenlijk aan het publiek. Dat gebeurde meestal in de oude concertzaal van Odeon, des­tijds een gebruikelijke locatie voor exposities.
Dat ging zo door tot 1936. Toen ging de sloophamer in het afgedankte schoolgebouw. Als jongetje van vier, dat er vlakbij op de Grote Markt woonde, is mij die ingreep goed bijgebleven, want plotseling veranderde toen het uitzicht uit mijn
Een deel van de Zwol­sche Kunstkring in 1931 bijeen op de zolder van de Brou­werschool op het Grote Kerkplein. Van links naar rechts Johan Hartzuiker, Corry Brok, Jo van Efferen en (als model) Goutje van der Spoel, destijds verloofde van Teun van der Veen.
Kunstschilder Han Douma, die aan de wieg van Het Palet stond, speelde ook cello.
ouderlijk huis. De kunstenaars raakten er hun zol­der door kwijt en dachten niet onmiddellijk aan vervanging van hun gebrekkige clublokaal onder de balken van de oude school. Het was immers een onzekere tijd van crisis en oorlogsdreiging, waarin de animo voor nieuwe gezamenlijke initi­atieven niet erg groot was.

Weer een zolder
Dat laatste verdroot Teun van der Veen, die zijn wekelijkse tekenavondje miste. Na enige tijd nam hij het voortouw en kwam met de verras­sende mededeling: ‘Kom maar bij mij op zolder… plaats genoeg!’ Dat was geen grootspraak. De eeuwenoude woning op de Grote Markt 9, boven boekwinkel Waanders, bevatte op de hoogste etage veel onbestemde ruimte, waar in vroeger tijden allerlei werkzaamheden waren verricht. Het meest geschikt voor een tekenlokaal was de grote voorzolder, waar men door vijf ramen op de Grote Markt kon uitkijken.
Mijn vader en zijn tekenvrienden sjouwden stoelen en lessenaars de hoge trappen op, een hele klim vanaf de voordeur, zo’n zestig treden via drie overlopen. Op de muur bovenaan de hoogste trap

ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT
had Teun een zelf verzonnen spreuk geschilderd: ‘Hoe hoger de klim hoe klaarder de lucht.’ Dat was in dit geval nog maar de vraag. Op die zolders was het altijd flink stoffig en bovendien viel het in die tijd niet te verwachten dat de heren hun pijpen en sigaren thuis zouden laten.
Nadat er licht was aangelegd en een klein podium voor de modellen was getimmerd, kon­den de kunstenaars komen. Bij het groepje dat voordien als Zwolsche Kunstkring optrad, voeg­den zich enkele schilders van de Veluwe, zoals frans Huysmans en Jos Lussenburg. Ook kwam er een jeugdige referendaris van het Provinciehuis bij. Hij heette Han Douma en zou een jaar of tien later een belangrijke rol spelen bij de oprichting van Het Palet. In het provinciaalse kunstklimaat van het vooroorlogse Zwolle had Douma bij sommigen bewondering en bij andere afkeuring geoogst voor de radicale stap die hij had gezet. Zijn zekerheid gevende ambtenarenleventje gaf hij prijs voor een ongewis bestaan als kunstschil­der.
Tot in de eerste twee oorlogsjaren gingen de tekenavonden op de zolder van mijn ouderlijk huis nog door, maar daarna kregen beslomme­ringen en zorg rond oorlog en bezetting zozeer de overhand, dat kunstbeoefening op een laag pitje ging branden. Bovendien werd het regime van de bezetters zo draconisch dat samenscholingen van kunstenaars – al was het maar van onschuldige kunstschilders op een oude zolder – niet meer werden getolereerd.

Voorbode
Toch begon in die donkere tijd al een voorbode te ontluiken van een artistieke lente. De opmars van de geallieerde legers verliep zo voorspoedig dat men in het bezette Nederland reeds illusies begon te koesteren van betere tijden in een niet al te verre toekomst.
Ik was in die tijd een jaar of twaalf en had reeds zoveel benul dat ik de gesprekken thuis tus­sen mijn vader Teun en ‘een zekere meneer Dou­ma’ best kon volgen. Han Douma woonde vlak om de hoek in een bovenhuis in de Diezerstraat en kwam weleens buurten op het atelier van mijn vader. Als daar bezoek was sloop ik vaak zo onop­gemerkt mogelijk naar binnen en nestelde me –

Huisarts Jan Pluis,
nieuwsgierig als ik was – achter de grote schilders-
voorzitter Palet tot

ezel om de gespreksstof van de volwassenen met
1952. grote oren te volgen. Ik hoorde mijn vader met Douma filosoferen over plannen om na het einde van de oorlog met bevriende kunstenaars een club op te richten die open stond voor iedereen die zijn hart aan de beeldende kunst had verpand, zowel beroepsartiesten als amateurs. Ook hadden ze het over een vaste tekenavond in de week en over gezamenlijke schildersessies.
Als het luchtalarm afging via de sirene die vlak naast ons huis bij hotel Peters (Grote Markt 11, toen Wehrmachtsheim van de Duitsers) op het dak stond, rende Douma in allerijl naar huis, om maar zo gauw mogelijk bij vrouw en kinderen te zijn.

Oprichting

Na de bevrijding namen de in de oorlog gerijpte plannen vaste vormen aan. Mijn vader Teun droeg ideeën aan (tien mis, één raak) en Han Douma nam het organisatorische werk voor zijn rekening. Hij wist bijvoorbeeld een belang­rijke ambtenaar van zijn vorige werkgever, de provincie Overijssel, te enthousiasmeren. Deze mr. c.f. (Kees) Diesch, een echte kunstkenner die later een belangrijke rol zou gaan vervullen als stimulator van het Zwolse kunstklimaat, was kabinetschef van de Overijsselse commissaris der koningin. Hij schilderde zelf ook en zou al spoedig na de oprichtingsvergadering in april 1947 als secretaris van de nieuwe vereniging gaan fungeren. Aanvankelijk werd deze bestuurs­functie vervuld door Han Douma, die men wel als de voornaamste wegbereider van de nieuwe vereniging mocht beschouwen, maar Douma was inmiddels na zijn versmade ambtelijke loopbaan teveel artiest geworden om nog veel animo voor administratieve arbeid te kunnen opbrengen.
In de allereerste vergadering bij hotel Peters waren 23 aanwezigen het al spoedig eens over de naam van de nieuwe club. Wie met ‘Het Palet’ kwam aandragen is in de vergetelheid verdwenen, wellicht terecht, want het moet gezegd dat dit karakteristieke schildersattribuut ook wel zeer
KNO-arts J.B. Hinnen,

voor de hand lag als merknaam van een club van
voorzitter Palet rond
beeldende kunstenaars.
1960.

Accountant Engelbert Gerzee, voorzitter in de jaren vijftig.
Tekenavond begin jaren vijftig in het Gro­te Atelier op de zolder van het Hopmanshuis. Herkenbaar: Han Dou­ma (derde van links) en rechtsboven Jan van der Woerd.

De populaire Zwolse huisarts Jan Pluis, die in zijn vrije tijd schilderde, werd als voorzitter uit­verkoren, en Jan van der Woerd, eigenaar van een schilders- en glazenwassersbedrijf, die als hobby ook met het penseel om kon gaan, ging de pen­ningen beheren. Latere voorzitters in die beginja­ren werden Kees Diesch, de accountant Engelbert Gerzee en de KNO-arts Hinnen.

Voortvarend
‘De Paletleden gingen destijds met grote voort­varendheid aan de slag’, zoals het huidige Palet-lid Peter den Hengst in 2009 vaststelde in een beschouwing over de historie van de vereniging. Hij schreef dit doorwrochte stuk ten behoeve van een documentatie voor het Historisch centrum Overijssel (HcO).
De eerste tekenavond vond plaats op 19 juni 1947 en wel in het tekenlokaal van het Gymna­sium celeanum, in het fraaie, in de stijl van de Amsterdamse school opgetrokken gebouw aan de Veerallee. Tot op de dag van vandaag is die vaste tekenavond op de donderdag het onontbeerlijke, onafwendbare en hoognodige clubgebeuren van Palet gebleven. Een avond van serieuze kunstbe­oefening, gecombineerd met een gezellige nazit. Naaktmodellen werden in de beginperiode soms ‘helemaal’ uit Amsterdam gehaald. Nog in dat­zelfde oprichtingsjaar werd ook al een expositie georganiseerd en wel in het toenmalige gebouw van de IJsselcentrale aan de Zeven Alleetjes.

Hopmanshuis
Het duurde daarna bijna een jaar voordat Het Palet een eigen domein kreeg, namelijk het Hopmans-huis, een vervallen monument uit langvervlogen tijden. Het gebouw met zijn circa honderd ramen staat nog steeds aan Zwolle’s vroegere handelskade, nu Rodetorenplein, maar is niet meer zo roman­tisch gelegen als toen. In 1947 stond het nog voor de helft in het water. Daar kwam in de jaren zestig een einde aan, toen voor een betere doorstroming van het binnenstadsverkeer de Buitenkant werd verbreed en het Rodetorenplein vergroot. De door­gaande verkeersroute werd nu om het Hopmans-huis heen gelegd. Vlak na de oorlog leek deze loca­tie voor de kunstenaars een lot uit de loterij, temeer omdat ze de tweede verdieping – met prachtig uit­zicht door al die ramen – van de gemeente Zwolle konden huren voor een schijntje: 125 gulden per jaar. Maar er zat wel een addertje onder het gras. Het gebouw verkeerde in een gebrekkige staat van onderhoud. Het Palet zou daar de komende jaren nog veel mee te stellen krijgen.
Dat bleek al spoedig toen er een stichting Hopmanshuis in het leven was geroepen, die tot doelstelling had om ruimten van het gebouw als expositiezalen in te richten en – als uitvloeisel daarvan – tentoonstellingen van nationale beel­dende kunst te organiseren. Aanvankelijk lukte het nog om in de twee benedenzalen ondermeer Breitner, Jan sluyters en leden van de cobragroep te exposeren. Toen de stichting in 1953 echter hetzelfde probeerde met werk van Van Gogh kreeg zij een onverwachte spaak in het wiel gesto­ken. De eigenaar van de Van Goghs, het stedelijk Museum in Amsterdam, had zijn licht in Zwolle opgestoken en weigerde het werk ter beschikking te stellen. Het commentaar was niet mals. Hoe hadden ze het daar, in dat provinciestadje, in het hoofd gekregen, dat zulke kostbare, internationa­le kunst vlak boven een opslagplaats van gevaar­lijk brandbaar materiaal geëxposeerd zou kunnen worden..!? In de kelder van het Hopmanshuis lag namelijk allerlei oude troep opgeslagen: vodden, chris ten Bruggen Kate, Gerard Mensink alsmede Het Hopmanshuis op vaten olie, teer en nog meer. Het ironische feit de beeldhouwster Bé Thoden van Velzen. Zwolle het Rodetorenplein dat naderhand op die benedenverdieping nog wél bleef wat professionele kunst betreft ook goed fungeerde als het eerste jarenlang werk van Paletleden en andere kunste-vertegenwoordigd in Het Palet, waar onder meer domein van Het Palet. naars uit Zwolle en omgeving te zien was, mocht Evert Bomhof, Bep Dikkers, Titus Leeser, pater voor de stichting Hopmanshuis kennelijk géén bezwaar heten…

Het was Pluis…

Intussen liep het voorspoedig met de nieuwe vereniging Het Palet. In 1952 werd afscheid geno­men van de allereerste voorzitter, de huisarts Jan Pluis, die opgevolgd werd door Kees Diesch. Pluis werd geroemd om het feit dat hij, aldus de Zwolse Courant, ‘het artistieke schip van de oprichting af door de vaak moeilijke baren van het Zwolse kunstleven had geleid.’ Het was steeds Pluis’ stre­ven geweest om Het Palet niet tot een provinciaal onderonsje te maken, maar tot een vereniging die ondanks de gezelligheid toch het oog gericht houdt op de Kunst met de grote K., aldus de krant.
Voor dat laatste zorgde natuurlijk vooral het aanzienlijke deel van beroepskunstenaars onder de Paletleden. Zij kwamen niet alleen uit Zwolle maar ook uit de wijde omgeving. Een greep: Piet Zwiers uit Giethoorn, stien Eelsingh uit stap-horst, het echtpaar Brante-Bloemen uit steenwij­kerwold, de Veluwse schilders Jos Lussenburg, frans Huysmans, cees Graswinckel, Jo Kloek,

Links: Kunstschilder Evert Bomhof, Zwolse nestor in beginjaren van Het Palet.
Rechts: Pater Raymond van Bergen, legenda­risch Paletlid uit de begintijd.

Raymond van Bergen, Teun van der Veen, Han Douma, Jan van Merwijk, Evert caspers, Marinus Liebrecht, Ab de Groot en Rudi Koegler de toon aangaven.
Na uitgebreide werkzaamheden in het ver­waarloosde gebouw kon rond 1950 verreweg het grootste deel van het Hopmanshuis in gebruik worden genomen. Voor het eerst werden toen enkele individuele ateliers ingericht voor een deel van de beroepskunstenaars. Bovendien werd de zolderverdieping zoveel mogelijk opgeknapt en kreeg de naam Het Grote Atelier als belangrijk­ste trefpunt voor de hele vereniging. Niet alleen voor het wekelijks gezamenlijk tekenen, maar ook voor de gezelligheid na afloop. Er kwam zelfs een echte bar in, op de kop getikt bij de sloop van een Zwols café. Het enige Paletlid van adel – jonkheer cees Graswinckel, kunstschilder van beroep uit Wapenveld – stak de handen uit de mouwen en maakte het grote barmeubel passend aan de ruimte. In de afgelopen decennia werd het steeds meeverhuisd naar nieuwe locaties van Palet en tot de dag van vandaag scharen de leden zich er genoeglijk omheen. Begin jaren vijftig was zo’n barsfeer nog een nieuwtje in Zwolle. Dat zou niet lang meer duren.

Bohémiensfeer
Palet komt zelfs de (in de ogen van enkelen mis­schien twijfelachtige) eer toe dat het in die jaren een aparte, niet onbelangrijke rol zou gaan spelen in de vernieuwing van het Zwolse uitgaansleven. De jaarfeesten in het Hopmanshuis werden ver­maard. Het gebouw leek dan ook geknipt voor een sfeervol avondje uit. Het oude, houten interi­eur straalde gezelligheid uit en werd door Teun van der Veen verder opgefleurd met decors vol kleurige en humoristische afbeeldingen. In het nauwe, ronde trappenhuis bezetten feestgangers de vele treden, zij dronken elke passant vrolijk toe. Omhoog ging het naar het grote atelier op de zolder, waar de gesprekken aan de bar varieerden van quasi diepzinnig tot totale onzin. Dan omlaag naar de expositiezaal, waar zwoel gedanst werd op de muziek van een jazzband. Het was een onop­houdelijke stroom van mensen die het gevoel hadden voor een avond (en nacht) echte bohe­miens te zijn. Ik kan me herinneren dat de toen bekende radiozangeres Riedel van Kleef een keer geheel onverwacht bij die jazzband optrad. Zij was uitgenodigd door een bevriend kunstenaar en amuseerde zich kostelijk.

Dat Parijs in die jaren als het artistieke walhalla werd beschouwd kwam in Zwolle nog meer tot uiting in een verrassend initiatief van vier Palet-leden, Han Douma, Teun van der Veen, Jan van Merwijk en Henk Voges. Het idee was ontstaan in een echt volkscafé aan het einde van de Nieuwstraat. Daar resideerde Willem van Dorth, bijgenaamd ‘de Dodde’, die er een nogal gemêleerde klantenkring op na hield. Deze bestond uit ‘gewoon volk’ (vooral veel marktkooplui), maar ook intellectuelen en kun­stenaars, waaronder Paletleden uit het vlakbij gele­gen Hopmanshuis. Na hun tekensessies kwamen die op donderdagavond vaak een afzakkertje in Van Dorths café nemen.
De vier kunstenaars zaten daar op een late avond, begin 1954, met kroegbaas Willem om de ronde tafel. Zij vertelden hem dat de enorme kel­der onder het Hopmanshuis kortgeleden ontdaan was van alle brandgevaarlijke troep die er opge­slagen lag, en polsten hem voorzichtig over hun plan om daar een uitgaansgelegenheid in Parijs-achtige sfeer te creëren. Ze hadden ook al een naam bedacht: ‘Les Quatres Brosses’ ofte wel ‘De Vier Kwasten’. Toevallig zou die zomer de grote manifestatie ‘Zwolle Eén’ worden gehouden, met enkele feestweken. Daar zou die Parijse kroeg prachtig in passen. Van Dorth zag er wel brood in.

De Vier Kwasten

Zo kwam er te midden van de oude gewelven een sfeervolle ruimte in franse stijl: bizarre beschil­dering (daar kreeg Teun weer zijn kans), visnet­ten, kaarsen, een bar en een klein podium, alles natuurlijk in het half duister. Die kelder, waar franse landwijn als huisdrank werd geschon­ken, franse chansons het klankdecor vormden en muzikale passanten de gelegenheid kregen spontaan een nummertje ten beste te geven, werd een groot succes. Zó grandioos, dat de onderne­

Tekenavond in het Hopmanshuis, jaren vijftig. Op de voorgrond schilder Marinus Lie­brecht. Op de achter­grond schilder en beeld­houwer Rob Schotman.
Paletlid en schilder Jan van Merwijk in de jaren zestig.

Stien Eelsingh (links) leidt haar kunstschool­tje van Het Palet op de tweede etage van het Hopmanshuis, rond 1950.

Maar ze had op haar eigen, nieuwe manier de gezapigheid uit het Zwolse uitgaansleven verdre­ven. Op initiatief van de kroegbaas kreeg de kel­der van Les Quatres Brosses navolging in Zwolle, vooral in de Voorstraat, waar Van Dorth in de jaren zestig soortgelijke etablissementen ging exploiteren. Het avond- en nachtvertier in Zwolle was structureel veranderd, dankzij het initiatief vanuit Het Palet. Het was niet verwonderlijk dat de vereniging in die feestjaren een opvallende ledenwinst boekte. Zij bereikte het recordaantal van 125 leden, een aantal dat in haar hele bestaan wel zo ongeveer de bovengrens zou blijven. Bij veel van die nieuwelingen werd nauwelijks beel­dend talent aangetroffen. Ze waren veel meer uit op feestjes en gezelligheid. Toen het met die vrolijkheid minder werd, waren de meesten gauw weer vertrokken. Het ledental bleef, tot de dag van vandaag, rond de honderd schommelen. Wel zorgden tegenstanders van artistieke nivellering er voor dat er een ballotagecommissie voor nieu­we leden werd ingesteld.

Kunstschool
Heel wat serieuzer was Palets poging om een belangrijke rol te gaan spelen in het Zwolse en regionale kunstonderwijs, een apart verhaal in de historie van de kunstenaarsclub. In 1948 was het al gekomen tot oprichting van een eigen kunst­school. Dat geschiedde vooral door toedoen van de in Zwolle opgegroeide – en destijds in haar boerderij in staphorst wonende – schilderes stien Eelsingh, samen met de beeldhouwster Bé Thoden van Velzen uit Hattem, en later bijge­staan door de schilder Piet Zwiers uit Giethoorn. Het drietal onderkende dat er in Zwolle en wijde omgeving grote behoefte was aan een instituut voor onderwijs in verschillende takken van beel­dende kunst, zowel voor kinderen als volwasse­nen. De ‘Kunstschool Het Palet’ begon in 1948 op de tweede verdieping van het Hopmanshuis. Het cursusgeld bedroeg ƒ 1.50 per middag of avond. In het eerste jaar kwam er al een toeloop van zo’n honderd cursisten. Maar helaas ontstond er na een jaar of zeven een vervelende controverse over organisatie en financiën tussen stien Eelsingh en het Paletbestuur. Deze leidde er in 1956 toe dat de kunstschool werd stopgezet. Het conflict liep zo hoog op, dat stien Eelsingh en Piet Zwiers hun lidmaatschap van Het Palet opzegden en vervol­gens een nieuw eigen schooltje begonnen op een grote zolder aan het Koewegje.

Concurrent
Later karakteriseerde stien Eelsingh het conflict in een kranteninterview als ‘kleinsteedse misver­standen’. Maar haar schooltje werd wel jarenlang een geduchte concurrent van het nieuwe instituut dat inmiddels binnen de vereniging was ontstaan en dat de naam ‘Vrije Academie van Het Palet’ had gekregen. Deze situatie bleef bestaan tot het jaar 1964, waarin stien Eelsingh en Piet Zwiers kort na elkaar overleden en het schooltje in het Koewegje werd opgeheven.
Bij die Vrije Academie was inmiddels al dui­delijk gebleken dat zo’n kunstinstituut niet renda­bel te maken is zonder professionele hulp van bui­tenaf. Er werd een professionelere en zakelijker aanpak vereist. ‘Dat ging het vermogen van Het Palet te boven’, schrijft Peter den Hengst in zijn al eerder genoemde beschouwing voor het HcO.

Het Hopmanshuis in de
In 1959 beleefde men de start van een nieuw
deplorabele staat van

initiatief: de stichting Zwolse Kunstschool
omstreeks 1970. (Foto

‘Gerard Terborch’ die onder directie stond van
Han Prins, collectie

Joh.W. schotman, destijds directeur van het
HCO)

Overijssels Museum aan de Melkmarkt. Docenten werden allen Paletleden: Bé Thoden van Velzen, Jo Pessink, Rudi Koechler, Han Prins en Teun van der Veen. Het leek heel wat, maar zoals altijd en overal in die tijd bleef de financiële onderbou­wing minimaal. De gemeente gaf een subsidie van slechts duizend gulden per jaar.
Door de jaren zestig heen werd de invloed
Toen Teun van der

van Het Palet op het Zwolse kunstonderwijs dan
Veen in de jaren zeven-

ook steeds kleiner. In 1965 bleek de kunstschool,
tig in het atelier aan

die nog altijd gebruik maakte van de gebrekkige
de voorkant van de

accommodatie in het Hopmanshuis, al geen basis
Broerenkazerne werkte,

van bestaan meer te hebben. Opvolgster werd de
maakte hij vanuit het

Zwolse school voor Beeldende Kunst, die geheel
raam een schilderij van

los kwam te staan van Het Palet, hoewel ze nog
het Broerenkerkplein.

wel even in het Hopmanshuis gevestigd bleef. In
Het was de tijd van de

1967 kwam ook daar een einde aan en verhuisde
grote afbraak in dit

de school naar het Refter op het Bethlehemskerk­
gedeelte van Zwolle’s
plein.
binnenstad.

Bij Palet werd het afscheid allerminst betreurd. Toch voelde men later ook een beetje trots over het onmiskenbare feit dat in de eerste indruk maakte als hij er middenin zat of stond te generatie van Paletleden de basis was gelegd voor werken. Een voordeel was overigens wel de ruim wat heden ten dage het Zwolse centrum voor de bemeten zaal op de bovenste verdieping die heel kunsten ‘De Muzerie’ is. geschikt bleek voor de gezamenlijke donderdagse
tekenavond en de nazit aan de bar. Dit dierbare Hopmanhuis vaarwel meubel was mee verhuisd vanuit het Hopmans-Het Hopmanshuis werd langzamerhand zo’n huis. Maar echt gezellig werd het er nooit in die ruïne dat de gemeente Zwolle niet meer aan een ingrijpende, langdurige en kostbare restauratie ontkwam. Het Palet moest er daarom uit. De vereniging kreeg in 1968 de beschikking over een deel van de voormalige Broerenkazerne, een zeer

Bij de opening van
bejaard, nogal hol en somber gebouw met hoge
een Palet-expositie in

lokalen. Als men er rondliep was de sfeer totaal
de jaren zeventig ziet

anders dan in de knusse ambiance van het Hop-
men van links naar

manshuis. Een nadeel was het gebrek aan indi­
rechts Han Douma,

viduele ateliers. Mijn vader Teun bijvoorbeeld
mevrouw Tamse, wet-

had voor zichzelf nog wel een ruimte bemachtigd
houder Tamse (die het

aan de voorkant van het gebouw met zicht op het
openingswoord sprak)

Broerenplein en de Librije, maar die was zo royaal
en Chris ten Bruggen

en met zo’n hoog plafond dat hij een verloren
Kate.

Tekenavond in de jaren zeventig in de Broeren­kazerne.

kille kazerne, waar anderhalve eeuw eerder de soldaten van Napoleon gelegerd waren.

Ziekenhuiszolder
Toch waren de meningen zeer verdeeld toen er voor Palet na acht jaar een einde kwam aan de periode Broerenkazerne. De gemeente had het oude gebouw nodig om na uitgebreide renovatie onderdak te verschaffen aan het nieuwe Zwolse conservatorium. Voor Palet had men een andere locatie bedacht: de zolderverdieping van het voormalige sophia Ziekenhuis in de Rhijnvis feithlaan. Een hele overgang! Van het stof der eeuwen naar de moderniteit van de twintigste eeuw. Deze vleugel van het voormalige zieken­huis was nog maar veertig jaar oud en destijds gebouwd in een voor die tijd (jaren dertig) onge­kend moderne architectuur. Architect J.G.
Links: Modeltekenen bij Het Palet in de Broeren-kazerne, jaren zeventig.
Rechts: Tekenavond in de jaren zeventig in de Broerenkazerne.

Wiebenga had de nieuwe vleugel toen ontworpen in de stijl van het zogeheten functionalisme.
Ik herinner me uit 1976 nog de heftige discus­sies die mijn vader met zijn Paletcollega’s voerde. Voor hem betekende het: ‘weg uit de binnenstad, weg uit het voor hem zo vertrouwde sfeertje van het oude Zwolle. Voortaan moest hij –‘helemaal op de fiets’ – naar de Rhijnvis feithlaan.’
Maar wat viel het hem achteraf mee op die frisse, gezellige zolder van het ziekenhuis. Hij kreeg er een prachtig atelier in een van de ver­pleegsterskamers, evenals flink wat andere col­lega’s die konden profiteren van de beschikbare ruimte. Dat atelier van mijn vader werd al spoedig een soort van sociëteit. Ik kon hem er in zijn laat­ste jaren geen bezoekje meer brengen of het zat er altijd vol met collega’s en zomaar aanlopend volk. Vaak heftig discussiërend, terwijl Teun rustig door zat te tekenen of te schilderen.
De logistiek in dat voormalige ziekenhuis was prima verzorgd door een grote goederen- en personenlift, die vroeger diende om ondermeer hele ziekenhuisbedden naar boven of beneden te transporteren. Krakend maar onweerstaanbaar tilde de lift nu leden en bezoekers naar de Palet-zolder. Al hadden de kunstenaars nog zoveel van hun materiaal bij zich – lijsten, doeken, platen karton, ezels – een hijgend toesnellende gast kon er altijd nog wel even bij.

De Zwolse School

Mijn vader heeft de vierde verhuizing van zijn geliefde Palet niet meer meegemaakt. Hij was al een tiental jaren eerder overleden voordat er een einde kwam aan de langste periode die de club in één en hetzelfde gebouw had beleefd. Tegen hun zin moesten de Paletleden na 26 jaar in 2002 afscheid nemen van hun zolder in het voormalige ziekenhuis. Er moest plaats worden gemaakt voor de christelijke Academie voor Beeldende Kunst (nu ArtEZ), die van Kampen naar Zwolle verhuis­de en het hele ziekenhuiscomplex in gebruik nam.
Even was er sprake van dat Palet onderdak kon krijgen in de oude Ambachtsschool aan de Hortensiastraat, maar tot ieders teleurstelling werd het een complex van eenvoudige houten barakken schuin achter het voormalige sophia
59

Ziekenhuis, op de hoek van Rhijnvis feithlaan en Bagijnesingel. Het aanvankelijk nogal armetierig ogende onderkomen moest eerst ook nog een jaar of vier gedeeld worden met thuiszorgorganisatie Icare en een lerarenopleiding, maar vanaf 2006 werd Palet enig bewoner. Achteraf bleek toen dat de kunstenaars het nog niet zo slecht hadden getroffen met deze behuizing. Nergens eerder konden de leden zoveel individuele ateliers van hun vereniging huren als daar. Bovendien gaven de lange gangen gelegenheid om respectabele exposities van eigen leden te houden, hetgeen op hun beurt weer uitmondde in een eigen galerie, de Zwolse school genaamd. Die zal ongetwijfeld voortzetting krijgen in het nieuwe domein aan de stilobadstraat dat er schuin achter op een steen­worp afstand ligt. Palet kan er weer jaren tegen!
* De afbeeldingen bij dit artikel zijn allemaal van de hand van Teun van der Veen en in het bezit van de auteur, evenals de foto’s, tenzij anders vermeld.
** Kunstenaarsvereniging Palet beschikt over een mooie website: www.paletzwolle.nl
Tekenavond in de jaren tachtig op de zolder van het voormalige Sophia Ziekenhuis. Voor de grap tekende Teun van der Veen zichzelf als naaktmodel.

Jan Coenraad Pruimers, een vergeten Zwolse dichter
Johan Seekles
Silhouetportret van Jan Coenraad Pruimers. (Uit: Zwols Biografisch Woordenboek)

J
an coenraad Pruimers werd geboren op 1 mei 1799 te Zwolle, als oudste kind van de echte­lieden Daniel Pruimers en Gesina Dumpel. Zijn doop vond plaats op 5 mei 1799, in de Grote of st. Michaëlkerk. Hij overleed te Zwolle op 31 januari 1822, slechts 22 jaar oud.
Jeugd en opleiding
Jan coenraad was de eerste zoon van Daniel Prui­mers en Gesina Dumpel. Dit echtpaar was op 30 juli 1798 ’s avonds om 18.30 uur in de hervormde kerk te Zwolle getrouwd. Zij kregen tussen 1799 en 1817 twaalf kinderen, zeven meisjes en vijf jongens: Jan coenraad (1799), catharina (1800), conraad (1801), Geertruida Johanna (1802), Nicolaas (1804), Lucretia Hendrika (1806), Janna Johanna (1808), conrada Johanna Adriana (1810), Johanna Judith (1811), Barbara Hendrika (1813), Daniel (1814) en Daniel (1817). Vier kin­deren stierven kort na hun geboorte. Jan coen­raad werd vernoemd naar zijn grootvader van vaderszijde. Hij deed belijdenis op 24 september 1816.

Het gezin Pruimers bewoonde een huis in de Bloemendalstraat, nummer 2, destijds een van de deftige straten in het centrum van de stad. Vader Daniel Pruimers was in 1787 te Harderwijk afge­studeerd als jurist. Vanaf 1788 was hij politiek en bestuurlijk actief. Zo was hij onder meer lid van de Zwolse Orangistische magistraat (1788-1794), burgerhopman, erfmarkerichter van Varsen (1808), lid van de Vergadering van Notabelen voor de Monden van de IJssel (1814) en lid van de stedelijke raad van Zwolle (1815-1836). Met zijn oudere broer Lucas Hendrik Pruimers dreef Daniel een wijnkoperij/wijnhandel. Deze lucra­tieve handel stelde hen in staat om de havezaten Voorst onder Zwolle en de Arendshorst onder Ommen aan te kopen. Onbemiddeld was het gezin Pruimers dus zeker niet. De jeugdjaren van Jan coenraad zullen redelijk onbezorgd zijn ver­lopen, passend bij de maatschappelijke status van een regentenzoon.
Net als zijn vader en ooms coenraad, Lucas Hendrik en Rudolf Jan Pruimers ging Jan coen­raad naar de Latijnse school te Zwolle. De eerste inschrijving in het Album disciplinorum (register van leerlingen) dateert uit 1813. Hij sloot zijn schoolperiode af in 1816 met een oratie onder de titel De moribus Germanorum (= over de gebrui­ken van de Germanen). Vanaf september 1816 volgde hij een universitaire studie rechtsgeleerd­heid aan de Universiteit van Utrecht. Zijn pro­motie vond plaats op 15 juni 1821. Promotor was professor H. Arntzenius. De titel van het proef­schrift luidde: Dissertatio juridica inauguralis de cura, quam leges habent liberis prioris tori, en het was gewijd aan de rechten van kinderen uit een eerder huwelijk. Na zijn studie vestigde hij zich als advocaat te Zwolle.

Dichter in spe

Jan coenraad groeide op in een milieu waarin dichten, schrijven en schilderen gemeengoed waren. Het maakte deel uit van de opvoeding in een regentengezin. Vermoedelijk is Jan coenraad al op jonge leeftijd met dichten begonnen. Moge­lijk heeft Rhijnvis feith, zijn buurman in de Bloe­mendalstraat, het ontluikende talent van de jonge Pruimers gestimuleerd. Jan coenraad was samen met andere Zwolse dichters, zoals Lubbertus Riet-berg en Jan Assuerus Doyer, een geregelde gast op feith’s buitenverblijf Boschwijk. Ook in zijn Utrechtse studentenperiode zal hij volop de gele­genheid hebben gehad om zich met de dichtkunst bezig te houden. Zijn enige dichtbundel Rijmen gaf hij uit in 1821 bij de Amsterdamse uitgever Johannes van de Heij. Met de uitgave hoopte Jan coenraad duidelijkheid te krijgen op de vraag of hij de poëzie/dichtkunst blijvend moest beoefe­nen. De bundel werd zeer goed ontvangen, maar tot een vervolg kwam het door zijn vroegtijdig overlijden niet.
Wat vonden zijn familieleden, vrienden en andere literatoren van zijn gedichten? Laten we ons eerst op de dichtbundel zelf richten.

De dichtbundel Rijmen

De dichtbundel Rijmen is oorspronkelijk in 1821 in Amsterdam uitgegeven. Op veler verzoek werd te Groningen bij J. Oomkens in 1841 een tweede druk gepubliceerd. Het aantal pagina’s bedraagt
103. P.G. Witsen Geysbeek schreef een kort voor­woord: ‘In zijne kleijne poëtische nalatenschap liggen de zigtbaare kiemen van voortbrengselen, die, behoorlijk gerijpt, geen onsmakelijke dicht­oof zouden geweest zijn, inzonderheid in het cri­tische en epigrammatische vak, waarin trouwens jonge dichters doorgaans het gelukkigst arbeiden, schoon Pruimers ook aanleg tot het satyrische had.’
De bundel bevat drieëndertig gedichten, korte en lange. Zo bestaat het gedicht Onderscheid tus­schen hert en hart uit negentien woorden in vier regels. Een enkele keer lijkt het meer een verhaal in dichtvorm, zoals bijvoorbeeld het gedicht het Kaartspel of het gedicht Karel van Egmond gevan­gen, waarin Jan coenraad verwijst naar een ingrij­
61

pende gebeurtenis in de Zwolse geschiedenis, namelijk de gevangenname van hertog Karel van Egmond door Zwolle in 1524. Twee gedichten worden ingeleid door een Latijnse spreuk of regel. Bijna alle gedichten zijn in de Nederlandse taal, slechts één keer maakt hij gebruik van het Zwolse dialect, namelijk in het gedicht de belofte, waarin de kroeg ‘de Gulden Zwaan’ bezocht wordt. De gedichten zijn doorgaans vrolijk en luchtig, soms kritisch en satirisch. Aan Amor (God van de liefde) en Bacchus (God van de drank) zijn veel dichtregels gewijd. Vreugde en verdriet wisselen elkaar voortdurend af. Verontwaardigd is hij in het gedicht Dubbele onwaarheid, waarin vrouwen worden voorgesteld als lelijke apen! Het is de eni­ge keer dat verwezen wordt naar een boek, geti­teld Schola Curiositatis, als aanleiding voor een gedicht. In het laatste gedicht richt Jan coenraad zich rechtstreeks tot de lezer, met een oproep om een oordeel over zijn gedichten uit te spreken.1
Hieronder volgen de commentaren op Jan coenraad en zijn dichterschap, geschreven na zijn overlijden.
Het gedicht Dubbele onwaarheid uit de bun­del Rijmen. (Collectie HCO) Het gedichtje van de achtjarige Barbara Pruimers over de dood van haar broer. (Col­lectie HCO)

Barbara Hendrika Pruimers (1813-1873)
Toen Jan coenraad in januari 1822 overleed, was zijn zusje Barbara Hendrika acht jaar oud. In twaalf versregels verwoordde ze haar verdriet:2
Mijn broeder is gestorven ach!
Mijn lieven broeder Jan
Hij kon de studie o zo goed
En weet er nu niets van

Mijn ouders ach! Die treuren zeer
Mij broers en zusters ook
De halve stadt die treurt er van
’T gemis is ook zoo groot

Maar eens zal ik hem wederzien
In eenen beteren staat
Dan zal ik hem de handen bien
En zien hoe ’t met hem gaat.

ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT

Op latere leeftijd heeft Barbara een aantal verzen en gedichten in een schriftje, getiteld Verzen door
J.C. Pruimers, afgeschreven.3 Het boekwerkje bevat een aan ‘Oom D.’ gerichte brief in dicht­vorm en enkele gelegenheidsgedichten, geschre­ven door J.c. Pruimers, gevolgd door gedichten van R. feith, P.L. den Beer, L. Rietberg, W.P. Hubert en E.A. Borger. Opmerkelijk is een onge­titeld gedicht, dat hij schreef tijdens zijn ziekte. Het ongedateerde gedicht is geschreven te Zwolle, vermoedelijk in januari 1822, kort voor zijn over­lijden ‘aan eene sleepende Borstziekte’:
Trok hij ziek en zwak naar Zwoll,
Hoestte, proestte, kuchtte, kuchtte
Als een dempige oude knol
Voelend dat zijn zielekasse
Reparatie noodig had
Wendde hij zich tot den Doctor
Wijd beroemd door land en stad.

Het bijna gelijktijdig overlijden van twee voor­aanstaande en verdienstelijke jongelingen uit de stad, naast Pruimers ook mr. Alexander Gerard Vos de Wael, bracht Rhijnvis feith tot een korte overweging: ‘Dit vlugtig aanzijn is ’t begin van ons bestaan, het neemt door tegenspoed allengs in luister aan. Eens rijpt het in het graf, tot een volmaakter leven. En daar zal de Eeuwigheid den roof des tijds hergeven.’
Ook de Zwolse belastingontvanger P.L. den Beer (1771-1830), leerling van feith, schreef op 3 februari 1822 een gedicht over het overlijden van Pruimers en Vos de Wael. Den Beer stelt daarin bedroefd te zijn over het overlijden, maar geeft aan dat slechts God’s vaderliefde troost kan bieden:
Geen denkbeeld zal mij ooit begeven, ’T geen over ’t wisselvallig leven Zodanig heerlijk licht verspreidt, Ook bij het graf dier jongelingen Wier vroeger dood ik wilde zingen Schenkt nog dit denkbeeld zaligheid.

P. Bicker Caarten (1792-1855)4
Op de dag van Jan coenraad’s overlijden had de in Zwolle woonachtige Pieter Bicker caarten, controleur van ’s Rijks belastingen, al een gedicht

gemaakt. Het draagt de titel: Bij het overlijden van den heer en mr. J.C. Pruimers. In vier strofes pro­beerde Bicker caarten de diepbedroefde ouders een hart onder de riem te steken en te troosten. De laatste strofe luidt:
Staak dan ouders, staak uw klagten,
Treur! O stad en Vaderland!
Wijd den dierbren uw gedachten
Bloemen om zijn zerk geplant;
Vroeg liet hij, het jeugdig leven,
Maar de vruchten ons gegeven,
Tuigen van zijn mannengeest.
Pruimers, d’ eerkroon u geschonken:
Blijft om uwen schedel pronken,
Ze is der deugdenloon geweest!

L. Rietberg (1783-1826)5
De Zwolse notaris mr. Lubbertus Rietberg gaf op 24-jarige leeftijd zijn eerste gedicht uit, getiteld: Het geluk der liefde, dat in 1808 gunstig werd ontvangen. Later uitgegeven dichtbundels, zoals Lentelooveren (1810), Poezij (1814) en Dichtbloe­men (1825) werden door kenners eveneens posi­tief beoordeeld. Hij had zich voornamelijk in de school van Rhijnvis feith gevormd, wiens vriend­schap hij had verworven. Rietberg en Pruimers kenden elkaar. Ze zullen elkaar geregeld tijdens de dichtbijeenkomsten bij feith hebben gesproken. Het overlijden van de talentvolle Pruimers had Rietberg zeer aangegrepen. In zijn op 31 januari 1822 uitgegeven gedicht Uitboezeming bij het overlijden van mr. J.C. Pruimers zei hij daarover:
Wat hadt ge, o Vaderstad! Van hem niet mogen wachten,
Die vrolijkheid en scherts aan Themis ernst verbond;
Die deugd en wijsheid paarde aan ’t zuiverst pligtbetrachten,
En in wiens eersteling gantsch Neerland wellust vond!

Jhr. mr. A.G.A. ridder van Rappard (1799-1869)
Anthon ridder van Rappard was een studievriend van Jan coenraad Pruimers en Alexander Gerard Vos de Wael. Pruimers had een goede naam onder de studenten. Zijn dichtbundel Rijmen was met grote bijval ontvangen. Eén gedicht was zelfs in de Muzenalmanak opgenomen. De heren ken­den elkaar onder meer van de bijeenkomsten van het rechtsgeleerd dispuutgezelschap Themis. Van Rappard’s toespraken op het overlijden van beide
medestudenten werd onder de titel Herinneringen aan mr. A.G. Vos de Wael en mr. J.C. Pruimers
op bescheiden schaal in druk uitgegeven (1823). Over Pruimers schreef Van Rappard, in bijna dichterlijke bewoordingen: ‘Eene nog hoogere vlugt heeft hij bereikt in een dichtstukje, waarin hij het meest verheven onderwerp: God – bezingt, hetwelk tevens het laatste is, dat van hem het licht zag. Tot het ver­vaardigen van hetzelve werd hij opgewekt door het aanhooren van eene les van den hoogleeraar schröder, over het verhevene. Deze, gewoon om zijne opmerkingen over de empirische psycho­logie, wanneer de aard van het onderwerp zulks medebragt, met voorbeelden op te helderen, had ook bij dit onderwerp de schoonste voorbeelden uit dichters van ouderen en lateren tijd, op de hem eigene, wegslepende wijze voorgedragen. Pruimers hing met geheel zijne ziel aan den mond van zijnen voortreffelijken leermeester, verliet opgetogen deszelfs gehoorzaal, en vervaardigde in de verhevene en godsdienstige stemming, tot welke zijn geest was opgevoerd, het dichtstukje hetwelk ik bedoel. Niettegenstaande de werkelijke verdiensten, welke het bezit, en de vele voortreffe­lijke en wezenlijk verheven gedachten, in hetzelve vervat, komt het mij toch voor, een nieuw bewijs op te leveren, dat de dichter, bij zulke onderwer­pen, niet dien toon aansloeg, welke hem bijzonder eigen was, en welke zulke treffende oorspron­kelijkheid aan zijne overige, minder verhevene dichtstukjes bijzette. Maar bij zulk eene, zoo ik meen, niet minder ware dan onpartijdige beoordeeling, moeten wij nim­mer uit het oog verliezen, dat het slechts proeven zijn, en wel proeven van een jeugdig vernuft, dat gedurende den tijd van derzelver vervaardiging, altijd bezig was met het beoefenen van de regels der kunst, en zich dus ook, op dat oogenblik, wel-ligt minder kon onthouden, om aan zulke zijner voortbrengselen, welke zijnen gewonen zangtoon te buiten gingen, dat kunstmatige te geven, het­welk wij vermeenen er in aan te treffen (…)’ Ook van het uiterlijk van Pruimers gaf Van Rap­pard een beschrijving: ‘Zijn breed gewelfd en sterk achterover gebogen voorhoofd, zijn gebogen en spitse neus, naar wel­ken de zachte wenkbrauwen sterk henen bogen, de mond en kin, de vorm en hoofdtrekken van zijn gelaat teekenden schranderheid, vernuft, ver­beeldingskracht, in één woord, genialiteit.’6

E.J. Potgieter (1808-1875)
In het tijdschrift de Gids van 1843 gaat Potgieter dieper in op de bundel Rijmen van Pruimers. Aan zijn beschouwing gaf Potgieter een autobio­grafisch tintje. Als twaalfjarige had hij de beelte­nis en de dichtbundel van zijn jong overleden plaatsgenoot ontvangen. Pruimers’ vroege dood had een diepere indruk op hem gemaakt dan zijn verzen. In een emotionele opwelling had hem de gedachte gestreeld hoe mooi het moest zijn om geacht, geprezen, bewonderd en bemind, zeer vroeg te sterven, met een lauwerkrans om de blonde schedel en op de lippen een tevreden lach. Het verdriet van ouders bracht Potgieter terug naar de realiteit. Volgens Potgieter had Pruimers zijn bestemming gemist. Ook betreurde hij het dat uitgever Oomkens in de tweede druk van Rijmen geen uitgebreide levensbeschrijving en beoordeling van de gedichten had opgenomen. De ontwikkeling van een poëtisch talent had een aardige studie kunnen opleveren.7
Noten

Pruimers beoordeeld

1. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 4
Met zijn gedichten had Jan coenraad de humor
2. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 45
in de Zwolse dichtkunst teruggebracht. Na de
3. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 5 zwaarmoedigheid en het moralisme van feith 4. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 53 en zijn leerlingen een verademing. Ofschoon Jan 5. HcO, familiearchief Wicherlink, 1386, inv.nr. 56 coenraad feith bewonderde, stond hij het minst 6. J. de Bosch Kemper, Levensberigt van Jhr. mr.
onder diens invloed. Zijn gedichten hebben een A.G.A. Ridder van Rappard, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1870,
vrolijk en satirisch karakter. Het zijn grappig
pag. 123-140
berijmde anekdotes, waardoor hij inhoudelijk
7. Tijdschrift de Gids, 1843, Album. ‘Korte berigten
dichter bij de werken van A.c.W. staring stond.
over boekwerken, vlugschriften, enz., aankondigin-Pruimers is de enige met een tweede druk en een gen van vertalingen, letterkundig nieuws, enz.’, pag.bloemlezing achter zijn naam. Volgens zijn tijd-659-662 genoten zou Jan coenraad Pruimers nieuw elan 8. J.c. streng, Zwols Biografisch Woordenboek, Hil­
in het Zwolse literaire wereldje hebben gebracht.8 versum, 2004, pag. 201, 202

Henk Okkels, terugblik op een politiekeloopbaan
Steven ten Veen Een wat suffig provinciestadje waar veel ambtenaren wonen en heel weinig te doen is. Dat imago kleefde aan Zwolle toen in 1966 de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening ver­scheen, waarin aan dat provinciestadje plotseling

Henk Okkels als kersverse wethouder in 1972, tegen de achtergrond van de Structuurschets Zwolle 2000. (Foto Henneke, particuliere collectie)
een grote rol werd toebedeeld om de verwachte groei van ons land in goede banen te leiden. In de nota stond dat Zwolle zou moeten uitgroeien tot een stad van tenminste 250.000 inwoners. Een perspectief dat in het stadhuis met evenveel trots als gejuich werd ontvangen. Er werd onmiddellijk een structuurschets samengesteld, die op 4 sep­tember 1968 in het perscentrum Nieuwspoort in Den Haag werd gepresenteerd. Daarin stond aan­gegeven op welke manier Zwolle kon uitgroeien naar een stad, die in het jaar 2000 een kwart mil­joen inwoners zou tellen.
Van de plannen in de structuurschets Zwolle 2000 is maar weinig terecht gekomen. Maar feit is wel dat er aan het eind van de zestiger jaren in de vorige eeuw in Zwolle als het ware een knop is omgegaan. Zwolle straalde opeens veel meer dynamiek en zelfbewustzijn uit. Henk Okkels heeft eerst als raadslid en later als wethouder een actieve rol gespeeld in de nieuwe koers die Zwolle was ingeslagen. In 1966, kort voor de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel die als een soort van ijzeren barrière rond de stad lag, werd hij raadslid voor de cHU (christelijk Historische Unie) en van 1972 tot 1990, achttien jaar lang, was hij wethouder met financiën als belangrijkste onderdeel in zijn portefeuille. Okkels, nu 87, kijkt in dit artikel terug op zijn politieke loopbaan in Zwolle.

Assendorp en Ittersum
Henk (Hendrik) Okkels werd op 15 april 1925 in de Dahliastraat in Zwolle geboren. Net zoals bij veel andere gezinnen die in Assendorp woonden het geval was, werkte zijn vader in de centrale Werkplaats van de spoorwegen. Negen jaar oud was Henk toen hij met zijn ouders en twee oudere broers naar Ittersum verhuisde. In het vrijstaande huis aan de Nieuwe Deventerstraatweg met de naam ‘clematis’ op de voorgevel heeft hij er een onbezorgde jeugd gehad. ‘Ittersum, gelegen te midden van weilanden, was toen nog een echt dorp, waar iedereen elkaar kende. Je had er eigen­lijk twee groepen, socialisten en niet-socialisten. De niet-socialisten staken op Koninginnedag de oranje vlaggen uit en organiseerden een grote optocht, de socialisten vierden op de eerste mei hun dag van de arbeid. Maar toch kon iedereen heel goed met elkaar opschieten.’ Dat zijn roots in Noord-Duitsland liggen, vertelt Okkels maar al te graag. ‘Daar kwam mijn grootvader vandaan. Uit Ditzumer Hammrich in het Rheiderland, niet ver van de grens met Groningen. Ze noemen het daar het “Endje van de Welt”. Ik was vier jaar toen hij overleed, heb hem dus nauwelijks gekend. Maar ik heb wel de hele stamboom Okkels uitgezocht, wilde weten wat ze hebben gedaan, wat hun leven heeft bepaald. Mijn grootvader is via Drieborg bij Nieuweschans, waar hij smid was, in Zwolle terecht gekomen, waar hij net zoals later mijn vader bij de spoorwegen werkte.’

Na de lagere (Marnix)school ging Okkels naar het christelijk Lyceum aan de Veerallee om met het diploma op zak een baan te vinden op het Gewes­telijk Arbeidsbureau in de Kamperstraat. Na de bevrijding was hij lid van de zuiveringscommissie van het Arbeidsbureau, waarvan burgemeester strick van Linschoten voorzitter was. In 1950 kreeg Okkels een baan in Assen op de griffie van de provincie Drenthe. In datzelfde jaar trouwde hij met Hermina (Miep) Groen. Het jonge stel ging bij moeder Groen in de Hortensiastraat wonen, wat in die tijd van woningnood heel gebruikelijk was. Bijna een halve eeuw, 47 jaar om precies te zijn, heeft het huwelijk geduurd. Miep Okkels werd getroffen door de ziekte van Wege­ner, die er onder andere de oorzaak van was dat zij drie keer per week naar de nierdialyse moest. Zij overleed in 1997 op 79-jarige leeftijd.
Als ambtenaar van de provincie Drenthe reis­de Okkels elke dag met de trein op en neer naar zijn werk in Assen. Daarbij maakte hij nog een heel nare gebeurtenis mee. ‘Op de ochtend van 25 november 1953 reed de trein op de oversteek met de Nieuwleusenerdijk tegen een truck met oplegger. Ik zat in de voorste coupé toen ik plot­seling een geweldig lawaai hoorde. Tegen mijn medepassagiers schreeuwde ik dat ze de benen op de bank moesten leggen. Op dat moment ging het hele leven aan mij voorbij. Behalve een paar kleine wondjes kwam ik gelukkig met de schrik vrij.’
Politiek

Okkels, die in 1954 overstapte van de provinciale griffie in Assen naar die van Overijssel in Zwolle, had op jonge leeftijd al belangstelling voor de politiek. Hij werd lid van de cHU en was vooral actief binnen de jongerenorganisatie in Overijs­sel, waarvan hij voorzitter werd. Bij de plaatselijke afdeling in Zwolle bleef hij niet onopgemerkt en al snel kwam de naam van Okkels op de kandidaten­lijst voor de gemeenteraad te staan. ‘Maar op de ledenvergadering duikelde ik naar een onverkies­bare plaats. Door veel leden werd het me kwalijk genomen dat ik mijn dochters Alet en Hildegard naar de openbare school stuurde. Die mensen begrepen weinig van de beginselen van de partij waarvan zij lid waren. De openbare school is de school van het volk, kinderen uit alle geledingen ontmoeten elkaar daar, spelen er met elkaar. Het was dus een principiële keus.’
In 1966 werd Okkels dan toch lid van de gemeenteraad van Zwolle en een jaar later, na de verkiezingen die nodig waren door de opheffing van de gemeente Zwollerkerspel, fractievoorzit­ter van de cHU. Die partij zou overigens al snel daarna opgaan in de Protestants christelijke combinatie (ARP en cHU). Vervolgens sloot ook de KVP zich bij dit samenwerkingsverband aan en werden de raadsverkiezingen van 1970 als ccP (combinatie christelijke Partijen) inge­gaan. Twee jaar later werd Okkels tot wethouder benoemd als opvolger van de tussentijds vanwege gezondheidsredenen afgetreden J. Hubbers, die als belangrijkste onderdeel sociale zaken in zijn portefeuille had. Na de raadsverkiezingen van 1974 werd Okkels wethouder van financiën en mocht hij zich ‘de penningmeester van de stad Zwolle noemen.’
Zuinig

Een latere collega-wethouder, de in 2007 overle­den Hein Eskens (PvdA), heeft eens over Okkels

Wethouder Okkels kon er wel om lachen toen hij eind januari 1979 een fles azijn in ontvangst nam, die (van links naar rechts) Gaston Sporre, Jan ter Schegget en Gerard Stroeve namens de afdeling Zwolle van de PvdA hem kwamen brengen. De fles, sym­bool voor ‘zure politiek’, was immers bestemd voor het voltallige college waarin ook twee PvdA-wethouders zitting hadden. (Particuliere collectie)
gezegd: ‘Hij is niet alleen zuinig, hij is ook nog een potter.’ ‘Klopt’, zegt Okkels als hij er nog eens mee wordt geconfronteerd. ‘Ik ben inderdaad zuinig of beter gezegd, ik ga verstandig met mijn geld om. Want een “knieper”, zoals ze dat noe­men, ben ik zeker niet. Daarbij komt, dat ik heel veel belangstelling heb voor zaken op het gebied van financiën en economie. Programma’s op de televisie die daarmee te maken hebben, sla ik niet over.’ Toen Okkels in 1972 wethouder werd, had Zwolle met grote tekorten te kampen en waren de jaarrekeningen nooit op tijd klaar. ‘Ik herin­ner me een brief uit 1974 van het provinciaal bestuur, waarin gedreigd werd dat Zwolle tot een zogeheten artikel 12-gemeente zou worden verklaard als de financiën niet op orde werden gebracht. Zo’n maatregel betekent in de praktijk dat je als gemeente op financieel gebied niets meer te vertellen hebt omdat je onder curatele van het Rijk komt te staan, kortom dat je niet meer baas in eigen huis bent. Het tekort was berekend op zo’n acht à tien miljoen gulden. “Het gat van Okkels” noemde Gaston sporre het spottend op een ver­gadering van de PvdA. Het was dus tijd om orde op zaken te stellen.’
Okkels heeft dat met grote bedrevenheid, consequent en zonder aanzien des politieke per­soons gedaan. Het resultaat mocht er zijn. Zwolle had binnen een paar jaar de begroting niet alleen op orde, maar slaagde er ook in geld voor allerlei nuttige bestedingen die in de toekomst zouden moeten worden gedaan opzij te leggen. Zo waren er fondsen voor culturele accommodaties, voor parkeervoorzieningen en zelfs voor geneesmidde­len. Keerzijde van de medaille was wel dat Zwolle als er in Den Haag wat te verdelen viel vaak achter het net viste. ‘We werden er als financieel zeer gezond gezien. We hadden voor 140 miljoen gul­den aan voorzieningen, zeg maar reserves, op de bank staan. Die rijkdom heeft ons zonder al te veel problemen in de jaren zeventig door de oliecrisis gesleept, die tot fikse kortingen van het rijk op het gemeentefonds leidde. Op onze reserves pasten we een rente toe, die conform de markt was. Door die op de meeste fondsen te beperken tot de infla­tiecorrectie kwam er geld vrij om niet alleen de begroting sluitend te maken, maar ook nog extra investeringen te doen. We waren als het ware de bankier van onszelf.’

Schouwburg en containers
En Okkels bleef zuinig. De bouw van een nieuwe schouwburg bijvoorbeeld, door velen als hoogst noodzakelijk gezien, kwam bij hem niet in zijn gedachten op, ook al was er een fonds culturele accommodaties dat overigens bij lange na niet voldoende was om zo’n project te financieren. ‘Je zou niet alleen met de financiering van nieuw­bouw te maken hebben, maar ook met de exploi­tatie ervan. Bovendien hadden we al Odeon en de Buitensociëteit. Eerlijk gezegd heb ik me achteraf wel eens afgevraagd of ik niet iets te behoudend ben geweest met het uitgeven van geld.’
Het waren niet alleen de financiën waar­mee Okkels als wethouder te maken kreeg. De verzelfstandiging van het sophia Ziekenhuis beschouwt hij nog altijd als een huzarenstukje. Het ziekenhuis, na de oorlog ontstaan als een samenwerkingsverband tussen het gemeentelijk ziekenhuis en het protestants-christelijke zieken­huis in oprichting, viel onder het gezag van de gemeente wat betekende dat op het personeel de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren van toe­passing waren. Die situatie dreigde onhoudbaar te worden en dus kwamen er onder leiding van Okkels gesprekken over verzelfstandiging op gang. ‘Van een ziekenhuis had ik geen verstand, maar van onderhandelen wel. Om tot overeen­stemming te kunnen komen is een goede sfeer aan de onderhandelingstafel van het allergrootste belang. Daarom had ik toen het op het nemen van definitieve beslissingen aankwam alle partijen uitgenodigd om naar een hotel-restaurant op de 69
Veluwe, de Zwarte Boer bij staverden, te komen. Een goede maaltijd doet wonderen. Zou voor dit interview trouwens ook geen slecht idee zijn…’
Drie mini-containers (groen, grijs en blauw) hebben de meeste inwoners van Zwolle bij hun huis staan. De allereerste (grijze) container werd door Okkels ingevoerd. Dat ging niet zonder slag of stoot. ‘In alle wijken werden inspraakavonden gehouden en daarbij ging het er dikwijls hard aan toe. Veel bewoners dachten dat het met zo’n mini-container veel duurder zou worden en wilden daarom de plastic huisvuilzak die aan de straat werd gezet handhaven. Al met al was Zwol­le een van de eerste gemeenten in ons land waar de mini-container werd ingevoerd. De slag om de stadsverwarming heb ik echter verloren’, vertelt Okkels. ‘Het plan was om in Zwolle-Zuid alle woningen aan te sluiten op stadsverwarming, die door de IJsselcentrale zou worden aangelegd. Ik had heel links achter me staan, wat nog niet eerder was gebeurd. Maar het voorstel werd in de raad

Wethouder Okkels toont zich van de ‘bur­gervriendelijke kant’ en deelt hapjes uit bij een gelegenheid in het stadhuis, 1987. (Foto Paalman, particuliere collectie) Wethouder Okkels bij de opening van een basisschool in Holten-broek, mei 1985. (Foto Paalman, particuliere collectie)

Stadsbank
De stadsbank, die in 1994 ter ziele is gegaan, was het troetelkind van Okkels. Van hem kwam in 1986 het initiatief om Kredietbank en stortings­dienst samen te voegen tot stadsbank Zwolle. ‘We hadden cliënten die zich financieel heel goed kon­den redden en mensen die in de bijstand zaten en bij een gewone bank niet of moeilijk terecht kon­den. Bij de stadsbank konden zij ook een krediet krijgen voor de aanschaf van een wasmachine of iets dergelijks. Ze konden die dan contant betalen en bedongen vaak ook nog een aardige korting. Zelfs landelijk werd de stadsbank Zwolle, die de gemeente nog een behoorlijke winst opleverde, ten voorbeeld gesteld.’ Okkels was een verklaard tegenstander van zakelijke kredieten, maar na zijn vertrek kreeg deze activiteit meer ruimte. Met desastreuze gevolgen. De achterstanden op de aflossingen liepen hoog op en het schip stadsbank maakte langzaam maar zeker slagzij. Op 12 juli 1999 besloot de raad om de stadsbank op te hef­fen.
ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT
Als dieptepunt in zijn politieke loopbaan beschouwt Okkels het aftreden in 1985 van Jaap de Groot, collega-wethouder van de PvdA waar­mee hij goed kon opschieten. ‘Zijn fractie stelde hem min of meer verantwoordelijk voor de sloop van het Gouverneurshuis, terwijl hij daar hele­maal niets aan kon doen. Het Gouverneurshuis was een uitgewoond karkas, het stond niet op de rijksmonumentenlijst en een gemeentelijke monumentenlijst bestond nog niet. Door een sloopvergunning af te geven, handelde De Groot overeenkomstig de regels.’

Waarnemend burgemeester
Drie burgemeesters heeft Okkels meegemaakt:
J.A.f. Roelen, J. Drijber en G. Loopstra, terwijl hij zelf in 1980 tussen het vertrek van Drijber en de komst van Loopstra enkele maanden waarne­mend burgemeester was. ‘Daar kijk ik met grote voldoening op terug, want juist in die korte peri­ode bezochten koningin Beatrix en prins claus onze stad en werd in het kader van 750 jaar Zwolle de internationale Hanzedag gehouden. Ik durf echt wel te zeggen, dat ik me in die tijd als een vis in het water voelde.’
Toen Okkels in 1966 raadslid werd, was Roelen burgemeester. ‘Je zou hem de man van de vooruitgang kunnen noemen. Hij zorgde ervoor dat scania naar Zwolle kwam. Maar het was ook de tijd van de grote saneringen in de binnenstad, achteraf vaak bekritiseerd, maar toen door vrijwel de hele raad goedgekeurd. En dan was er de discussie over een nieuw stadhuis, die na het vertrek van Roelen in volle hevig­heid doorging en waarbij de emoties vaak hoog opliepen. Tijdens een van de raadsvergaderingen waarop een beslissing moest worden genomen (op 29 mei 1972), staakten de stemmen omdat Truus Mensink (ccP) tegen stemde. Daar was ik als fractievoorzitter niet van op de hoogte en ik werd dan ook ontzettend kwaad. Iedereen is vrij om te stemmen zoals hij of zij dat wil, maar als je je uiteindelijk niet aan de afspraken in de fractie wenst te houden, is het wel zo netjes om je voorzitter daarvan van tevoren in te lichten. Ik heb het altijd jammer gevonden dat het oor­spronkelijke plan van architect Konijnenburg niet is uitgevoerd, omdat het Grote Kerkplein daarmee volgens mij veel meer uitstraling zou hebben gekregen. Maar met de wijzigingen die hij in het plan moest aanbrengen, heeft Zwolle toch een stadhuis gekregen dat heel goed in het middeleeuwse stadscentrum past.’

Na Roelen, die in 1970 naar Arnhem vertrok, kwam Drijber. Als burgemeester van Middelburg had hij bewezen veel gevoel te hebben voor het historische karakter van een stad. Geen wonder dus dat in Zwolle onder zijn leiding een andere wind ging waaien. ‘In de tijd van Roelen werden Han Prins en zijn Vrienden van de stadskern op het stadhuis zo’n beetje als vijanden beschouwd. Drijber kon echter direct al heel goed met de Vrienden opschieten. Men luisterde naar elkaar. Drijber heeft veel voor Zwolle betekend. Hij bemoeide zich eigenlijk bijna overal mee. Tijdens de onderhandelingen over een nieuw college werd een keer de suggestie gedaan om de portefeuille van de burgemeester maar helemaal uit te kleden. Maar dat idee werd al snel verlaten onder het
Waarnemend burge­meester Okkels trad in 1980 op als gastheer bij het bezoek van koningin Beatrix en prins Claus in Zwolle. Hier wandelt het gezelschap over de Oude Vismarkt. Links achter prins Claus loopt mevrouw Okkels-Groen. (Particuliere collectie)
Oud-wethouder Okkels en oud-burgemeester Drijber in juli 1992 op het Grote Kerkplein, met op de achtergrond het in de jaren zeventig zo omstreden stadhuis. (Particuliere collectie) Locoburgemeester Okkels in gepeins verzonken, met op de achtergrond wethou­der J. Tamse (links) en gemeentesecretaris

N.H. Melman. (Parti­culiere collectie)
Wethouder Okkels bij het afscheid van Fred Pfeifer, hoofd van de afdeling voorlichting, mei 1990. (Foto Paal-man, particuliere col­lectie)

72 ZWOLs HIsTORIscH TIJDscHRIfT
Zwolse geschiedenis als de belangrijkste na de stichting van het koninkrijk in 1813 beschouwen. Zo heb ik het ook genoemd toen hij in 1980 naar Arnhem vertrok en ik hem namens de raad mocht toespreken. Bijzonder in die periode was ook dat we van 1974 tot 1978 een college zonder PvdA hebben gehad. Tijdens een afdelingsvergadering was besloten dat de socialisten niet samen met de VVD in een college zouden gaan zitten. Toen de onderhandelingen begonnen, hield Hein Eskens ons die belofte aan de kiezers voor. “Wij hebben dat de kiezers niet beloofd”,

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2011, Aflevering 2

Door 2011, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Bekroond
artikel
2010

De geur
van de stad

28e jaargang 2011 nummer 2 – 8,50 euro

70 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Restauratie Autobusstation, Oosterlaan
Station Zwolle, geopend op 8 juni 1864, is een van de belangrijkste spoorwegknooppunten van Nederland. Het station staat nu op zijn kop in ver­band met de aansluiting op de Hanzelijn, die eind 2012 in gebruik zal worden genomen.
Het busstation van Zwolle is een belangrijk knooppunt in zowel het stadsnet van Zwolle als in het streeknet. Voor de entree van het treinsta­tion ligt het stadsbusstation, langs de Oosterlaan ligt het busstation voor de streeklijnen. Tot 1951 stopten alle bussen voor het station. In dat jaar werd het Stationsplein heringericht en verhuis­den de streekbussen naar de Oosterlaan. Om het wachten van de buspassagiers te veraangenamen, werd in 1959 het ‘Restauratie Autobusstation’ aan het begin van de Oosterlaan gebouwd. Het pand bestond grotendeels uit glas. Zomers was het er bloedheet. Aan de perronzijde van het gebouw kwam een automatiek en boven de restauratie­ruimte konden de chauffeurs van de streekkbus­sen tussen de ritten even uitblazen.
De keuken van het busstation leverde ook aan niet-reizigers. Zo stond er in de Zwolse Courant van 19 december 1961 een advertentie om met het oog op de komende feestdagen toch vooral tijdig kroketten, bitterballen (4 voor 30 cent) en koude schotels te bestellen.
Rond 2000 werd het ‘glazen busrestaurant’ afgebroken. Ter plaatse verrees een ander bouwsel om passagiers van bus en trein meer te kunnen gerieven. Sinds 2009 wordt gesproken over ver­plaatsing van het busstation, om het spoorgebied verder te ontwikkelen en om de verkeersstromen het hoofd te bieden. Het nieuwe busstation komt aan de zuidzijde van het station.

(Collectie ZHT)

Hier stond van 1959 tot 2000 het ‘glazen busrestaurant’.
(Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 71

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans70
Klaas Baving rijwielen Theo de Kogel72
De geur van de stad Roel Steenbergen85
Alleen het kleedhok bleef staan…
Wielerpiste bij Urbana verdween
in oorlog Willem van der Veen91
Honderd jaar Remonstrantse Broederschap
in Zwolle Ingrid Wormgoor94
Zwolle in 1961
Deel 1: De stad ligt onder een glazen stolp
Jan van de Wetering104
Recent verschenen107
Mededelingen109
Auteurs110

Redactioneel
In deze editie van het Zwols Historisch Tijdschrift weer een aantal interessante verhalen over de geschiedenis van deze mooie stad. Wat te denken van het winnende verhaal van de schrijfwedstrijd 2010? Roel Steenbergen neemt ons mee naar zijn jeugd, toen Zwolle nog een stad vol geuren was. Op meeslepende wijze geeft hij een sfeerschets van een geurig verleden, van de geur van zoete pijpka­neel en slaolie van Reinders’ Oliefabrieken tot de stank van tonnetjes voor de plee.
Behalve ‘De geur van de stad’ ook aandacht voor fietsen, nu de Tour de France weer in volle gang is! Theo Kogel vertelt over Klaas Baving, eind negentiende eeuw een van de grootste fietsimpor­teurs van Nederland. Baving introduceerde fiets­merken als ‘Express’ en ‘Succes’. Hij was een slim adverteerder en had diverse agentschappen in het hele land. In een verhaal van Willem van der Veen komt de wielerbaan bij uitspanning Urbana aan de orde. Deze werd in 1934 geopend en kampioe­nen als Jan Derksen reden er hun wedstrijden. De baan was echter geen lang leven beschoren. Alleen het kleedhok bleef staan…
Verder een artikel over de Remonstrantse Broederschap, van Ingrid Wormgoor, naar aan­leiding van het honderdjarig bestaan in Zwolle. De geloofsstrijd tussen Gomarus en Arminius wordt belicht, als ook de totstandkoming en acti­viteiten van de remonstrantse kring in Zwolle. Deze kring had een verregaande samenwerking met de doopsgezinden, maar tot een fusie is het in Zwolle (nog) niet gekomen.
Ook in dit nummer: het bekende Suikerzakje, boekrecensies en het eerste deel van het vervolg op de serie ‘Zwolle in 1960’, nu een jaar later. Kort­om, weer een overcomplete editie van uw Zwols Historisch Tijdschrift!

Omslag: De Thorbeckegracht omstreeks 1960, toen de stad nog geuren had… (Collectie HCO)

72 zwols historisch tijdschrift

Klaas Baving rijwielen
De ontwikkeling van de fiets begon in 1817 met de introductie van de loopfiets door de Duitser Karl Friedrich Drais von Sauer­bronn. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde de fiets zich in een aantal stappen tot het vervoermiddel dat wij dagelijks gebruiken. Deze ontwikkeling begon in 1861 met de vinding van de Fransman Michaux, die een fiets ontwierp die via een roterend trapsysteem rechtstreeks op de vooras werd aangedreven. Een belangrijke volgende stap was de ‘hoge Bi’ uit 1870 van de Engelsen James Starley en William Hillman. Deze fiets had een groot voorwiel en een klein achterwiel. Hierdoor konden veel grotere snelheden worden gehaald. In 1885 ontwikkelde de Engelsman James Starley de veiligheidsfiets ‘Rover’. Deze fiets had voor en achter ongeveer even grote wielen en werd aangedreven door een ketting. Deze uitvoering leek al erg op het huidige ruitmodel dat eind negen­tiende eeuw werd ontwikkeld.1
Vanaf eind negentiende eeuw werd de fiets ook gebruikt als vervoermiddel voor de gewone burger. Daarvoor was het toch vooral een speeltje van de meer sportief ingestelde en welgestelde bovenlaag van de bevolking. Vele fabrikanten speelden in op de groeiende populariteit van de fiets. Bekende Nederlandse rijwielfabrikanten die eind negentiende of begin twintigste eeuw met de productie van hun fietsen begonnen waren Bur­gers uit Deventer, Fongers uit Groningen, Sim­plex uit Amsterdam en Gazelle uit Dieren.
Klaas Baving
In de vroege periode van het fietsgebruik werd echter een groot deel van de fietsen niet in Neder­land gemaakt, maar geïmporteerd uit Amerika, Engeland en Duitsland. Een van de grootste fiets-importeurs in Nederland was Klaas Baving uit Zwolle.
Opvallend is dat Baving niet alleen zijn ach­ternaam gebruikte maar ook zijn voornaam. Hiermee week hij af van de handelswijze van bekende rijwielfabrikanten zoals (Albert) Fongers uit Groningen en (Hendrikus) Burgers uit Deven­ter. Klaas Baving bouwde in vrij korte tijd zo’n degelijke reputatie op, dat zijn opvolgers H.G.A. Ackmann (van 1912 tot 1937) en J. Kappers (van 1937 tot 1971) de naam Baving als merknaam zijn blijven voeren.
Over het bedrijf en ook over Klaas Baving zelf is weinig informatie bewaard gebleven. Ook bin­nen de familie Baving is, voor zover bekend, geen (foto)materiaal van Klaas meer aanwezig. Naast een aantal bewaard gebleven fietsen geven vooral de vele, vaak fraai vormgegeven advertenties in tijdschriften zoals de Kampioen van de ANWB een mooi (tijds)beeld van het bedrijf. In dit artikel probeer ik een zo compleet mogelijk overzicht van de tot nu toe bekende historie van dit bedrijf te geven.
Van Drenthe naar Zwolle
Klaas Baving werd op 24 september 1864 in Vries (Drenthe) geboren.2 Hij was een liefhebber van de wielersport. Eind negentiende eeuw deed hij mee aan tal van wielerwedstrijden. Het boek Een halve eeuw wielersport van Hogenkamp geeft een uit­gebreide documentatie van de wielerwedstrijden die in deze periode werden gereden.3 In dit boek wordt Klaas Baving een aantal keren genoemd en staan bovendien de enige bekende foto’s van hem. Klaas was lid van de Asser Wielrijdersclub ‘Her­mes’, die opgericht was op 7 september 1892.
Omstreeks 1889 begon Baving met de handel in rijwielen. Blijkens advertenties in de Leeuwar­der Courant eerst in Dedemsvaart en daarna in Groningen. In Groningen begon Baving in 1892 samen met een compagnon Reese een rijwielzaak aan de Hereweg. Hij importeerde ondermeer Rudge rijwielen. In 1895 ging hij alleen verder met de zaak in Groningen. In de advertenties wordt nu niet meer gesproken van Baving en Reese, maar van Klaas Baving rijwielen.
Op 26 mei 1896 verhuisde Baving op 32-jarige leeftijd met zijn vrouw Hillechien Meinders uit Haren (Groningen) naar Zwolle. Het echtpaar vestigde zich aan de Veerallee nr. 710. Klaas begon daar zijn groothandel/import bedrijf in rijwielen. Op 18 oktober 1898 werd hun enige zoon Hen­drik geboren. Het huisnummer Veerallee 710 is later omgenummerd tot nr. 37. Er zijn geen foto’s bekend van het pand waarin Baving zijn zaak begon, de huidige bebouwing aan de Veerallee is van latere datum.
Fietsen, motoren en auto’s
Baving begon met de import van fietsen, maar al snel importeerde hij ook motoren en auto’s. Op
13 juli 1897 deponeerde hij bij het merkenbureau in Rijswijk de fietsmerken ‘Express’ en ‘Success’.
In de jaren daarna werden ook de merken ‘Perfec­tion’ (17-09-1898), ‘Welcome’ (29-04-1903) en ‘Salland’ (10-01-1911) door hem gedeponeerd. In de omvangrijke catalogi die hij maakte werden alle modellen beschreven. Van deze catalogi is vrijwel niets bewaard gebleven. In de bibliotheek van het fietsmuseum Velorama in Nijmegen zijn de twee oude catalogi uit 1913 en 1914 te vinden. Van de fietsmerken was de Success de duurste uitvoering. De Welcome en Express waren goedkoper. De Welcome modellen waren gezien de vormgeving waarschijnlijk gebouwd in een Duitse fabriek.
Het meest bijzondere model, waar Baving ook veel mee adverteerde, was het kettingloze, via een cardanas aangedreven Succes-rijwiel. Dit was een technisch mooi gemaakte fiets met voor- en ach­tervering en deze werd gebouwd door de Ameri­kaanse firma Pierce Arrow, een bekend bedrijf dat ook auto’s maakte.
Balhoofdplaatjes
Op het balhoofd werd een rijk versierd koperen balhoofdplaatje (merkplaatje) met de naam van het merk en daaromheen de tekst: ‘Especially made for Klaas Baving Zwolle’ geklonken. De opvolger van Klaas Baving, H.G.A. Ackmann veranderde dit vanaf 1912 in: ‘Especially made for H.G.A. Ackmann Zwolle.’
De balhoofdplaatjes van de merken Express en Welcome, met daaronder ‘Especially made for H.G.A. Ackmann Zwolle’ zijn nog vaak te vinden op oldtimerbeurzen of in antiekzaken. De heer J. Donze, beheerder van het buurtmuseum in de Kamperpoort, vertelde me het verhaal achter deze plaatjes. Het pand aan de Harm Smeengekade, waar Ackmann’s bedrijf het laatst was gevestigd, is samen met de daarnaast gelegen tramremise begin jaren zeventig in opdracht van de gemeente Zwol­le door het sloopbedrijf Van der Vegt leeggehaald. Donze werkte toen bij Van der Vegt. Veel spullen gingen naar de oud-ijzerboer. Daarbij bevond zich ook een kistje met deze plaatjes. Donze vertelde dat hij er een paar uitgehaald had. Deze liggen nu in het buurtmuseum. Blijkbaar heeft iemand, de oud-ijzerboer zelf of iemand anders, deze kist achtergehouden en later verkocht. Ken­merkend voor deze plaatjes is dat de gaatjes voor de bevestiging van de klinknageltjes aan de boven- en onderkant van het plaatje zitten. Vermoedelijk gaat het hier om een verkeerd geleverde partij. De gaatjes horen namelijk links en rechts te zitten, anders is het plaatje niet goed strak op de ronde balhoofdbuis te bevestigen. Waarschijnlijk is deze verkeerd geleverde partij ergens op de zolder van de zaak aan de Harm Smeengekade blijven staan tot aan de ontruiming.
Motorboten
Naast fietsen, motorfietsen en auto’s importeerde Klaas Baving ook motorboten. De motorfietsen verkocht hij net als de fietsen onder het merk ‘Success’. De motor was waarschijnlijk groten­deels van Duitse makelij.
In het Leids Dagblad van 1 september 1906 wordt vermeld dat prins Hendrik koningin Wilhemina op haar 26e verjaardag een Success motorboot voor tien personen heeft gegeven, geleverd door de heer K. Baving uit Zwolle.
Advertentiecampagne
In de periode dat Baving in Groningen zat was hij al begonnen met adverteren in de lokale kranten. Na zijn verhuizing naar Zwolle begon hij in 1899 een intensieve reclamecampagne via advertenties in onder andere de ANWB Kampi­oen voor Success en Perfection rijwielen. In de jaren daarna verschenen vele tientallen, vaak fraai vormgegeven advertenties. In deze advertenties speelde Baving vaak handig in op actuele situaties die op dat moment in de publiciteit waren. Ook probeerde hij door middel van deze advertenties nieuwe agentschappen in het land van de grond te krijgen. Hij was hiermee een van de grootste adverteerders in de Kampioen. Het is duidelijk dat Baving een ambitieus zakenman was die zijn zaak goed en groots aanpakte.
Van in ieder geval één advertentie is zeker dat hij dezelfde afbeelding gebruikte waarmee de Amerikaanse rijwielfabrikant, waarvan hij de fiet­sen aankocht, in de Verenigde Staten adverteerde. Dit betreft een advertentie van Pierce Cycles uit 1901. Gezien de vormgeving van veel advertenties is het waarschijnlijk dat hij vaker gebruik maakte van buitenlandse voorbeelden.
Agentschappen
In de eerste advertentie die Baving in de ANWB Kampioen van 1899 plaatste, maakte hij bekend dat hij agentschappen ging vestigen in het gehele land. Door intensief te adverteren beloofde hij zijn potentiële agenten een grote omzet:
‘Steeds numero een zult gij zijn in uw stad, dorp of gehucht waar gij ook woont in Nederland, als gij eigenaar zijt van het ‘Perfection’ en ‘Succes extra’ rijwielen agentschap voor 1900. Al is uw zaak onder de concurrenten de kleinste, al is uw zaak de groot­ste, men zal er bij U naar vragen, omdat het supe­rieure rijwielen zijn, omdat het rijwielen zijn met werkelijke waarde en er op een degelijke wijze uit­gebreide publiciteit aan gegeven zal worden. Het is zeker van belang, het heeft zeker waarde en het mag ontegenzeggelijk een voordeel boven vele andere agentschappen genoemd worden, dat er voor de ‘Perfection’ en ‘Succes extra’ rijwielen voor 1900 in ruim 140 veel gelezen bladen onafgebroken gead­verteerd wordt en ik de risico voor mijn rekening neem, om de niet verkochte machines op het einde van het seizoen terug te nemen. Er zijn nog andere voordelen aan dit agentschap verbonden, die gewaardeerd zullen worden, Verzekert U er van.
Klaas Baving Importeur, Zwolle.’
Om het vestigen van een agentschap zo makke­lijk mogelijk te maken bood Baving geïnteresseer­den de mogelijkheid om op zijn kosten in Zwolle te komen praten over de voordelen van een agent­schap. In een advertentie uit 1908 stelt hij:
‘Men ziet ze overal, de Success en Welcome rijwielen. Hoe vele malen hebt ge ’t niet gelezen. Hoe gemakke­lijk kunt ge U er van overtuigen. Dat ze overal loopen en steeds meer worden gezien, mogen wij als van veel zeggende beteekenis beschouwen. Men verkoopt ze gaarne, en ze laten zich zoo gemakkelijk ver­koopen, omdat een eenmaal verkocht wiel nimmer terugkomt voor reparatie. Dit spaart U tijd en geld, maakt uw zaak, uw naam en reputatie grooter en winstgevender. Stel u zoo mogelijk dadelijk met mij in verbinding, indien ge belang stelt in “een agent­schap voor altijd” en wanneer de Baving-Elswick, Success en Welcome rijwielen niet in uwe omgeving vertegenwoordigd zijn. Kom voor mijn kosten er over praten, of doe ’t per brief. Ik verlang niet, dat U dadelijk koopt of U verplicht. Kennismaking is voldoende, en waar gij ook woont in Nederland, de spoorkosten voor heen en terug vergoed ik U in elk geval bij uw bezoek. De nuttige, bezienswaardige Catalogus en Prijscouranten ontvangt U op aanvrage gratis en franco. Op welwillende medewerking kunt gij ten allen tijde rekenen.’
De aanpak van Baving had effect. Het bedrijf groeide snel, overal in het land kwamen agent­schappen van de grond en werden zijn fietsen verkocht. In enkele advertenties heeft Baving het over het aantal agentschappen dat hij in het land heeft. In een advertentie van 16 maart 1900: ‘Thans in circa 170 plaatsen.’ In een advertentie van 25 januari 1901: ‘Grootste aantal depot-agentschappen in de provinciën.’ In 1903: ‘Meer dan 300 Success-Agenten weten hoe gemakkelijk het is succes met de SUCCESS te behalen.’
De groei van het bedrijf blijkt ook uit de aan­dacht die het bedrijf kreeg in De toestand van de gemeente Zwolle. Hierin werd jaarlijks een overzicht van belangrijke ontwikkelingen in de gemeente gegeven. In 1908 lezen we: ‘Onder de firma’s die een grooten handel in rijwielen drijven, niet uitsluitend hier ter plaatse, maar in geheel ons land, mag zeker die van Klaas Baving wel in de eerste plaats worden genoemd.’ 4
Actuele gebeurtenissen
Uit de advertenties blijkt dat Baving vaak handig inspeelde op gebeurtenissen waarmee hij reclame kon maken voor zijn producten. De eerste keer dat we zo’n actuele gebeurtenis tegenkomen is in zijn Groningse tijd, vlak nadat hij gestopt was met de samenwerking met Reese. Baving ver­kocht toen rijwielen van het merk Brilliant. In de Leeuwarder Courant stond op 29 januari 1895 een advertentie met de opvallende kop ‘Oorlog in het oosten’. In de advertentie stond een ‘telegram’ uit Peking aan Klaas Baving afgedrukt waarin gene­raal Ylang-Ylang het heeft over de opmars van de Japanners en dat hij Brillants nodig heeft… Baving speelde hierbij in op de eerste Japans-Chinese oorlog die duurde van 1894 tot 1895.
Major Taylor
Een opmerkelijke advertentie stond ook in de Kampioen van 24 mei 1901. Baving refereerde toen aan het kampioenschap van Major Taylor, een zwarte Amerikaanse wielrenner die in dat jaar een Europese tournee maakte. Deze Marshall Walter ‘Major’ Taylor werd op 10 augustus 1899 wereldkampioen op de sprint (1,6 km). Hij werd ook wel ‘de vliegende neger’ genoemd. Over Taylor zijn diverse boeken verschenen en er is in Amerika zelfs een Major Taylor genootschap:
‘De ‘SUCCESS’ is het fabrikaat, dat bereden wordt door de snelste rijders der wereld. MAJOR TAYLOR de neger versloeg te Berlijn den 11 april ARENDT (de Kampioen van Duitschland) en den 27 mei te Parijs, revanche-match JACQUELIN (de Kampioen van Frankrijk) met ongekende gemakkelijkheid. Men moet de “SUCCESS” zien en uit elkaar nemen, voordat men een wiel koopt. De catalogus, die alle bijzonderheden bevat, wordt op aanvrage, met eeni­ge dozijnen tevredenheidsbetuigingen en een pracht-affiche, zoolang die voorradig zijn, gratis verstrekt.’
Het jubileum van mr. H. Smeenge
Een andere gebeurtenis waarmee Baving reclame maakte was het 25-jarig jubileum van mr. H. Smeenge als Kamerlid van het kiesdistrict Mep­pel op 10 april 1911. Mr. Smeenge (1852-1935) was ondermeer lid van de Tweede (1886-1918) en Eerste Kamer (1920-1935). Ter gelegenheid van zijn jubileum werd er een rondrit door de provin­cie gemaakt. Hierbij werd gebruik gemaakt van twee Perfecta auto’s van Klaas Baving.
Baving liet dit niet zomaar passeren en plaatste twee keer een advertentie in de Kampioen. Hierin citeerde hij krantenberichten waarin vermeld werd dat de auto’s van Klaas Baving het prima hadden gedaan, terwijl twee andere auto’s defect raakten tijdens de jubileumrit.
Sport
Een van de andere gebeurtenissen die we in de advertenties van Baving tegenkomen is de voet­balwedstrijd Holland – Duitsland die in 1912 in Zwolle werd gespeeld:
‘De Holland – Duitschland match trekt de aan­dacht van duizenden en met spanning vraagt men zich af… wie zal het winnen? In den qualiteits­match der rijwielen is het pleit beslecht. De erva­ring van jaren leert, dat de Success-, Welcome- en Express rijwielen niet te overtreffen zijn.’
Baving speelde ook in op sportieve gevoelens. Een paginagrote advertentie in de Kampioen van 1908 luidde: ‘Sport in de open lucht staalt de zenuwen en spieren. Let er maar eens op hoe druk en met hoeveel succes tegenwoordig de voetbal, korfbal, hockey, cricket, lawntennis, wielerpolo spelen worden beoefend. Overal sport. Maar de wielersport neemt toch verreweg de eerste plaats in, want niet licht zal ‘de club’ te voet worden bezocht. Dat neemt te veel tijd. Bij wielerpolo is zelfs de fiets onmisbaar. De fiets blijft dus voor­aan! Een deugdelijk rijwiel bewijst onschatbare diensten onder allerlei omstandigheden, en daarom is het goed, dat het tegenwoordig door den prijs vrijwel onder ieders bereik is. Men vrage b.v. de nieuwe modellen Perfection van ƒ 68,50, Express van ƒ 77,50 (…).’
In een advertentie in de Kampioen van 1912 had Baving het over gemeenschapsgevoel: ‘Gemeenschapsgevoel moeten wij hebben, ook op sportgebied. Als daar iemand moedeloos neerzit aan den weg, omdat zijn rijwiel defect is geraakt, en gij passeert op uw Success of Welcome die nooit teleur­stelt, stap dan af en vraag, of gij helpen kunt. Maar als gij ’t gedaan hebt, verzuim dan niet te wijzen op de enorme voordeelen van het Success en Welcome fabrikaat, want het geldt hier een levenskwestie.’
‘Het Franse juk’
In de inleiding op de eerste pagina’s van de cata­logus uit 1913 werd gerefereerd aan het feit dat het honderd jaar geleden was dat het Franse juk was afgeschud. In dit mooie stuk proza (zie kader) werd ook ingegaan op de groeiende betekenis van de fiets als volksvervoermiddel. Aan het einde van deze inleiding introduceerde men het nieuwe model Express. Blijkbaar werd dit ingevoerd omdat het ‘Welcome’ model niet zo goed werd verkocht. Dit Welcome model had een typisch Duitse vormgeving en week daarin af van wat Nederlandse fabrieken zoals Fongers en Burgers maakten. Die kozen voor het Engelse model damesfiets, dat nu nog steeds in Nederland als ‘omafiets’ veel wordt verkocht.
Verhuizing naar de Vechtstraat
In 1908 verhuisde Baving van de Veerallee naar de Vechtstraat 6. In een advertentie in de Kampioen maakt hij melding van deze verhuizing:
‘Uitbreiding van zaken was noodig. Van de Veer-allee, waar het te klein was, verplaatst naar de Thomas a Kempisstraat, hoek Vechtstraat, waar duizenden Rijwielen en Onderdelen geborgen kunnen worden. Is het niet aangenaam dit te kun­nen melden, en verdient het niet de aandacht van het publiek? In deze ernstige tijden, waar verschil­lende firma’s zooveel moeite hebben zich staande te houden, en dan genoodzaakt te zijn de zaken uit te breiden. Dit mag men toch wel als een punt van belang beschouwen.’
In het nieuw betrokken pand zat tot voor kort Van Dijk slaapcomfort. Er zijn geen foto’s bekend van dit pand uit de tijd dat Baving hier was gevestigd.
Overname door Ackmann
In 1912 verkocht Baving zijn zaak aan H.G.A. Ackmann. Op 9 februari 1912 plaatste hij een kennisgeving in de Kampioen waarin hij de over­name bekend maakte. Baving bleef na de verkoop van zijn zaak nog een jaar in Zwolle wonen aan het Bleekerswegje 1. In die periode stond hij nog geregistreerd als automobielhandelaar, samen met Swaagman. Op 7 juni 1915 keerde hij met zijn gezin terug naar Haren. Hij blijft nog weleen aan­tal jaren actief in de autohandel. In oktober 1915 begint de firma Klaas Baving in Amersfoort een automobiel garage.5
H.G.A. Ackmann werd in 1873 geboren in Duitsland en woonde in Schermerhorn. Op 11 december 1911 verhuisde hij van Schermerhorn samen met de weduwe Annetje Christina de Groot naar Prins Hendrikstraat 22a in Zwolle. Hij was niet getrouwd met deze weduwe. Volgens het bevolkingsregister van Zwolle trouwde Ackmann in 1919 met Alma Karline Eline Tilmann uit Osnabruck. Ze kregen twee dochters, Ilse Frieda en Hertha Wilhelmina.
Het hoe en waarom van de overname door Ackmann is niet bekend. Recent dook een docu­ment op dat nog meer vraagtekens bij deze over­name zet. In de archieven van de gemeente Scher­merhorn bevindt zich een fragment van het boek­je Wat anderen zeggen van Klaas Baving uit 1906.6 Dit soort boekjes met tevredenheidbetuigingen waren in die tijd een gebruikelijke reclamevorm. Baving maakte in enkele advertenties bekend dat dit boekje gratis was aan te vragen. Een van de ingezonden brieven uit dit boekje is van de heer H.G.A. Ackmann, handelaar in vermoedelijk tapijten of stoffen in Schermerhorn! Hij schrijft in zijn brief dat hij zeer tevreden is over de door Klaas Baving geleverde Success-Buckboard auto.
Het lijkt op basis hiervan dat er twee moge­lijkheden zijn: Ackmann was al een vriend of zakenpartner van Baving en heeft, zogenaamd als willekeurige klant, een brief geschreven die Baving gebruikte als reclame. Of Ackmann kende Baving niet en is door aankoop van de auto geïn­teresseerd geraakt.
Ackmann zette als groothandel/importeur de zaak onder de naam ‘Klaas Baving rijwielen’ op dezelfde voet voort. Hij begon meteen vanaf de overname in 1912 een eigen merk te voeren: Baving rijwielen anno 1912. Dit is een fietsmerk dat van ingekochte onderdelen werd geassem­bleerd. Hij verhuisde de zaak ergens tussen 1915 en 1919 van de Vechtstraat naar Praubstraat 25.
Overname door Kappers
In 1937 stapte Ackmann uit de zaak en vertrok naar Duitsland. Het bedrijf werd verkocht aan drie zakenlui: A.J. Botermans, H. van Binsbergen en J.W. Bosscha. Dit driemanschap wijzigde de naam van het bedrijf in ‘NV Ackmann’s rijwiel­industrie voorheen Klaas Baving’. In de oprich­tingsakte, die gepubliceerd is in de Staatscourant, wordt als eerste directeur J.W. Bosscha genoemd.7 Deze Bosscha staat in het Adresboek van Zwolle van 1937 vermeld als ‘directeur rijwielhandel’. Deze drie vennoten hadden alleen een winst­oogmerk en verkochten de zaak binnen een jaar weer door aan J. Kappers. Kappers was voor de overname al werknemer van Ackmann geweest.8 Bosscha begon daarna een zaak in radio’s in de Diezerstraat 61. Kappers bleef als groothandel fietsen onder het merk ‘Baving’ assembleren. Ook gebruikte hij in ieder geval nog de merken Suc­cess en Express. De zaak verhuisde in 1938 naar de Harm Smeengekade 8. Behalve in rijwielen han­delde de firma ook in ondermeer buitenboord­motoren, wasmachines, wringers en radio’s. In 1942 werd het bedrijf omgevormd van een NV in een CV. In de periode na de oorlog verloor het bedrijf langzamerhand zijn landelijke betekenis. Wat restte was een regionale grossier die ook nog fietsen onder eigen merk voerde.
Het einde en daarna
Volgens het archief van de Kamer van Koophan­del werd de naam van de zaak in 1967 gewijzigd in V.O.F. Ackmann’s groothandel. De naam Klaas Baving verdween hiermee. Het bedrijf bestond nog enkele jaren onder deze naam en werd op
1 april 1971 opgeheven door de toenmalige eigenaren R. Kappers en H.W. Kappers. In die tijd ging het in heel Nederland slecht met de rij­wielbranche. Veel fabrieken moesten sluiten of fuseren. Zo kwam er een einde aan een eens zo florerend bedrijf.
In Zwolle is de naam Klaas Baving nog wel een tijd blijven voortleven, omdat een neef naar zijn oom vernoemd was. Deze Klaas Baving jr. was in Zwolle een bekend muzikant. Hij bracht als Trio Klaas Baving met zanger Jan van Dam in 1980 ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Zwolle een singeltje uit met het nummer ‘Onder de Peperbusse’. Deze ‘jongere’ Klaas Baving is in 2007 overleden. Hiermee verdween ook de naam Klaas Baving uit Zwolle. Omdat Klaas Baving zoveel aan­dacht besteedde aan reclame blijft zijn naam echter ook in deze tijd weer opduiken; in 2009 vonden twee Nederlandse toeristen op vakantie in China in een klein kledingwinkeltje een T-shirt met opdruk van een advertentie van Klaas Baving rijwielen! Deze advertentie komt uit het boek van Hogen­kamp uit 1916. De Chinezen hebben deze onge­twijfeld van internet geplukt. Ja, Klaas zou tevreden zijn geweest als hij dit had geweten!
* Dit artikel is ook verschenen in Het Rijwiel, 2011/1
Noten
1. Theo de Kogel, ‘Rijwielindustrie en rijwielhandel’, in: Een kleine staalkaart van het Zwols industrieel erfgoed, Zwolse Historische Reeks nr. 2, september 2001
2. Bevolkingsregister Zwolle, HCO
3. Hogenkamp, G.J.M., Een halve eeuw wielersport, Amsterdam 1916
4. De toestand van de gemeente Zwolle, 1908. HCO
5. Archief Nieuwe Amersfoortse Courant
6. Archief Oudheidkundige Vereniging Schermer­horn, nr. AE127
7. Archief Kamer van Koophandel Zwolle: dossiernrs. 1127, 22146, 6188, 8435; HCO
8. Informatie R. Kappers, Zwolle

Theo de Kogel

Rechts: Advertentie van Baving in de ANWB Kampioen van 1903.
Baving Rijwielen en Auto’s, poster omstreeks 1920. (Collectie fiets­museum Velorama)

zwols historisch tijdschrift 73

De Asser Wielrijders­club ‘Hermes’, met uiterst rechts waar­schijnlijk Klaas Baving. (Uit: ‘Een halve eeuw wielersport’ van G.J.M. Hogenkamp)
Links: Klaas Baving (links) en Piet de Waardt, gefotografeerd in 1893. (Uit ‘Een halve eeuw wielersport’ van G.J.M. Hogenkamp)

Advertentie van Baving in de ‘Leeuwarder Cou­rant’ van 25 september 1889.

74 zwols historisch tijdschrift

Rechts: Paginagrote advertentie voor Success rijwielen met verend frame in uitvoering met en zonder ketting. (ANWB Kampioen mei 1901)

Als fietsimporteur ging Baving op zoek naar buitenlandse leveran­ciers waar hij zaken mee kon doen. Het veiling­huis in de Voorstraat te Zwolle bezit een brief­kaart die Klaas Baving op 12 oktober 1898 schreef aan The Vaupel Samaritan Company in het Amerikaanse Cleveland. Hij vroeg om informatie over te leveren fietsen. (Col­lectie Veilinghuis De Voorstraat)

zwols historisch tijdschrift 75

Van links naar rechts de balhoofdplaatjes van ‘Perfection’ met opschrift ‘Especially made for Klaas Baving Zwolle’, en ‘Wel­come’ en ‘Express’ met opschrift ‘Especially made for H.G.A. Ack­mann Zwolle’. (Collec­tie auteur)

Success motorfiets met kenteken H-307. Dit kenteken werd in 1906 afgegeven aan de heer Ooms uit Ammerstol. (Uit: D.F. Toersen et al. ‘De motorfiets in Nederland 1895-1940’. Veteraan motorenclub, Rijswijk 1991)

76 zwols historisch tijdschrift

Een van de bewaard gebleven Success car­danfietsen met geveerde voor- en achtervork, gebouwd door de Amerikaanse firma Pierce-Arrow uit Buf­falo. Zie: ‘Een Success cardanfiets, historie en restauratie’ in De Oude Fiets 2007/4. (Foto en fiets auteur)

Baving importeerde ook auto’s en verkocht die onder de merken Success en Perfecta. De eerste auto die we in reclames tegenkomen is deze op een ‘Bommel autootje’ gelijkende Success-Buckboard auto. (ANWB Kampi­oen 1905)

zwols historisch tijdschrift 77

Baving had agenten door het hele land, zoals blijkt uit deze gerestau­reerde muurreclame voor Baving rijwielen in de Oostergrachtswal in Leeuwarden. (Foto Jeanine Otten)

78 zwols historisch tijdschrift

Foto genomen op 10 april 1911 voor Hotel Luinge in Hoogeveen, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van mr. Smeenge als lid van het kiesdistrict Meppel. De ‘Perfecta’-limousine op de foto met het provinciaal nummer E-41 stond op naam van Klaas Baving en is gebouwd door Ramesohl & Schmidt AG te Oelde in Westfalen. Zie: Hans Waldeck, ‘Een Perfecta van de rijwiel-, motorfiets- en autohandelaar Klaas Baving uit Zwolle’, in CONAM-Bulletin, het periodiek van de Contactgroep Automobiel- en Motorrijwielhistorie jrg. 14 nr. 3 december 2004. (Fotoarchief Stichting Oud-Meppel)

Rechts: Advertentie van Baving in de ANWB Kampioen van 12 mei 1911 naar aanleiding van de jubileumrit van mr. H. Smeenge.

zwols historisch tijdschrift 79

Modellen Welcome en Express uit de Baving catalogus van 1913. (Collectie fietsmuseum Velorama)

Voorkant van de Baving catalogus uit 1913. (Collectie fietsmuseum Velorama)

80 zwols historisch tijdschrift

Het Jubileumjaar
‘Het jaar 1913 is voor ons land een jaar van betekenis. Een eeuw is het geleden, dat onze voorvaderen het fransche juk afschudden en zich een eigen vrij en zelfstandig volksbestaan verwierven. Ons volk zal zich dit jaar niet onbetuigd laten en aan het Buitenland toonen, dat het trotsch is op zijn bestaan als zelfstandige natie. Aan overzichten van wat wij waren en werden zal het eveneens zeker niet ontbreken. De geweldige ontwikkeling der techniek, die aan de geheele wereld een ander aanzien gaf, schiep ook hier nieuwe toestanden. Door zijn eigenaardige ligging mede daartoe aangewezen nam en neemt ons kleine land in het wereldgebeuren een belangrijke plaats in en volgt men daarbuiten met belangstelling den loop der dingen hier. Op het gebied van Kunst en Wetenschap handhaafden wij onzen historischen roem, terwijl Handel en Industrie voortdurend in bloei toenamen.
Het ligt voor de hand, dat op onze verschillende soorten van voortbrengselen en verbruiksartikelen dit jaar in het bijzonder de aandacht valt. Het spreekt ook bijna vanzelf, dat het rijwiel daaronder in de eerste plaats in aanmerking komt, want er is welhaast geen uitvinding zoo ingrijpend geweest, zoo onder ieders bereik gekomen en zoo populair als het rijwiel. Het beste bewijs hoe snel het rijwiel zich burger­recht verschaft heeft is wel, dat het ons een onmogelijke wereld zou toeschijnen, waarin men het rijwiel zou moeten missen, terwijl onze ouders in hun jeugd het nauwelijks gekend hebben. Vooral in ons vlakke land, dat zoo bij uitstek voor het gebruik van dit vervoermiddel geschikt is, neemt de fiets in het volksle­ven een belangrijke plaats in. Dat er vele soorten rijwielen zijn, behoeft geen betoog. Onder honderden verschillende merken worden zij het publiek aangeboden. Velen er van zijn als vallende sterren. Zij trekken in het voorbijgaan even de aandacht, in den regel slechts van enkelen, om dan weer voor goed te verdwijnen. Ook voor rijwielen geldt het oude spreekwoord: ‘Het beste is altijd het beste geld waard’.
Gedurende een belangrijk deel van deze, voor ons volk zoo betekenisvolle honderd jaren, kent men de ‘SUCCESS’ en ‘WELCOME’ rijwielen. Geen plek is er bijna in ons land waar men deze rijwielen niet kent. ‘DEGELIJKHEID’, de bekende oud-Hollandse eigenschap, is ook de eerste eigenschap van deze rijwielen. Op dien basis hebben zij zich, naar de eischen des tijds, geleidelijk ontwikkeld, wat model en afwerking betreft. Zoowel in de vroegere als in de tegenwoordige modellen hebben deze rijwielen oude vrienden, want er zijn wielrijders die hun ‘SUCCESS’ en ‘WELCOME’ wel tien jaren en langer berijden. Zij onderscheiden zich van alle andere merken die ter markt gebracht worden. Hun speciale naven, de brackets, de fittings, het is alles bijzonder werk; volmaakt, voor zoover hedendaagsche techniek zulks vermag. Naast de beide genoemde merken brengen wij onze ‘EXPRESS’ rijwielen in den handel, die ook reeds jaren lang van honderden sportliefhebbers de goede bekenden zijn. Deze rijwielen gelijken, wat afwerking enz. betreft meer op de andere modellen, die hier ter markt gebracht worden. Zij munten echter uit wat betreft prima materiaal en zijn door bekwame vaklieden gemaakt. De serie Success-, Wel­come-, en Express rijwielen bevat het allerbeste van wat op rijwielgebied kan worden gepresteerd.’
(Inleiding uit de Baving catalogus van 1913, collectie fietsmuseum Velorama)

zwols historisch tijdschrift 81

Links: Advertentie met kennisgeving van de overname van het bedrijf door H.G.A. Ackmann. (ANWB Kampioen 9 februari 1912)

Balhoofdplaatje van het in 1912 door Ackmann gedeponeerde merk ‘Baving’. (Collectie auteur)

Advertentie voor Klaas Baving Rijwielen in ‘De Nederlandse Rijwiel­handel’ van mei 1931, met een afbeelding van de vestiging in de Praubstraat.

Links: De Success-Buckboard auto waarover H.G.A. Ackmann in 1906 een tevredenheidsbetuiging schreef in het boekje ‘Wat anderen zeggen’. (Archief Gemeente Schermerhorn)

82 zwols historisch tijdschrift

Het pand van Ackmann’s rijwielindustrie aan de Harm Smeengekade eind jaren dertig. Momenteel zit hier makelaardij Goud­zwaard. Op de foto staan van rechts naar links de heer J. Kappers en zijn werknemers Weurts, Havers, Van Wijhe en Romunde. (Particuliere collectie)

zwols historisch tijdschrift 83

T-shirt met advertentie voor Klaas Baving rijwielen in 2009 door Alfred en Ilona van de Belt tijdens een vakantie gekocht in Guangzhou (Canton). Deze adver­tentie komt uit het boek ‘Een halve eeuw wielersport’ van Hogenkamp uit 1916. De Chinezen hebben deze advertentie blijkbaar nagetekend, want in de tekst staan een aantal spelfouten: ‘Wekcome’ in plaats van ‘Welcome’ en ‘Energire’ in plaats van ‘Energie’. (Particuliere collectie)

84 zwols historisch tijdschrift

De originele adver­tentie uit ‘Een halve eeuw wielersport’ van Hogenkamp uit 1916, die negentig jaar later opdook op een Chinees T-shirt.

Winnaar
Schrijfwedstrijd
2010

zwols historisch tijdschrift 85

De geur van de stad
Kaneel of liever nog pijpkaneel. Maak me ’s nachts wakker, houd een kaneelstokje voor m’n neus en ik zal roepen: de Thor­beckegracht!
Elke zondag liep ik – op weg naar de kerk op de Thorbeckegracht – met mijn moeder en vier broers over de Menno van Coehoornsingel. We staken het links liggende parkje schuin door, langs het stinkende urinoir. Dan hoefde ik nog maar één hoek om te slaan. Daar, op de Spin­huisbredehoek, gebeurde het. De neusvleugels spanden zich, ik haalde diep adem door mijn neus en bij het tweede huis – soms pas bij het derde huis – drong de geur van pijpkaneel naar binnen en was het alsof ik werd bedwelmd. Ik zag de grote bruine dekzeilen op de kade van de Thorbeckegracht, die de bedwelmende geur van de daaronder verborgen kaneelstokjes niet kon­den tegenhouden.
Geurpalet
Zwolle in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De stad was nog niet half zo groot als nu. De industri­ële bedrijvigheid was gewoon een onderdeel van de stad zelf. Kleine en grote industriële bedrijven waren aan de rand van of zelfs in de door grachten omgeven binnenstad te vinden.
De stad was één groot geurpalet, straten en gebouwen hadden hun eigen karakteristieke geur. Het gemeentelijke Sophia Ziekenhuis: als je de portier was gepasseerd en door de klapdeur de kleine hal binnenkwam, rook je de lysol die moest verhullen dat uitgerekend het ziekenhuis de grootste broedplaats van bacteriën was. In het rooms-katholieke ziekenhuis De Weezenlanden was het vast niet anders. Maar daar kwam ik niet. Kom daar nu eens om, het ziekenhuis van nu ruikt spic en span, zoals thuis het schoonge­maakte toilet.
Olie en zeep
Ik woonde in de Warmoesstraat. Als vroeger de wind verkeerd stond, rook je daar de slaolie van de Reinders’ Oliefabrieken, zo’n vijfhonderd meter van ons huis verwijderd. En op weg naar het openluchtzwembad lag links van de oliefabriek de gelijknamige zeepfabriek, officieel de Zwolsche Stoomzeep en Chemicaliënfabriek. De scherpe geur van groene zeep kreeg vat op je kleren als je er te lang bleef staan om een glimp op te vangen van wat zich binnen afspeelde.
Zeep viel op meer plaatsen te ruiken. Bij gebrek aan een douche werd ik eenmaal per week in een teil gewassen. Maar toen ik daarvoor te groot was geworden, maakte ik de wekelijkse tocht naar het Stilobad op de Turfmarkt. In het zwembad was een afzonderlijke ruimte, waar je tegen betaling kon douchen. Als je de ruimte binnenkwam waar je op een vrije douchecel moest wachten, was ook daar die geur van zeep, een eindeloze hoeveelheid zeep, opgelost in een wolk van stoom.
Stoom
Over stoom gesproken, wat was er mooier dan op woensdagmiddag een perronkaartje van vijf cent te kopen om uren te kijken naar de stoomtreinen, de krakende wagons, de stoomfluit te horen en de geur van olie en steenkool tot je door te laten dringen. We renden van het ene perron naar het andere. Maar het mooist was de Hoge Spoorbrug. Als uit het noorden een stoomtrein kwam aan­rijden, als op een perron een trein zich met veel gepuf in beweging zette, dan keken we snel over welke rails hij reed en renden we naar de plek waar de trein onder de brug door zou komen. Grote stoomwolken kwamen over de brug, je verdween er helemaal in, je voelde waterdruppels, maar vooral: je rook die machtige locomotief.
Hoe anders rook het op de vrijdagse veemarkt. De koeien en kalveren, het stro, de stront en urine, het was daar een kakofonie van geuren. Dampen­de dieren, zwetende opgewonden mannen, het bier bij het café, ik snoof het allemaal op, het werd opgeslagen in m’n hersens en dat geurgeheugen is niet meer te wissen. Als ik nu door de IJsselhallen loop, is het alsof er een deurtje wordt opengezet. Dan ruik ik opnieuw die geur die toch al zoveel jaren verdwenen is. Als we weer naar huis trok­ken, hing er op de Veerallee weer een heel andere geur. Het was de zoetige baklucht van Helder’s Biscuitfabriek aan de Hoogstraat, waar droge zoete koekjes werden gebakken.
Wierook
In het voorjaar – ik was een jaar of dertien, veer­tien – zongen we met een aantal schoolvriendjes in het jongenskoor van de Matthäus Passion. We oefenden elke week in het gebouw de Dageraad op de Molenweg. Clemens Holthaus had er de wind onder, maar het was prachtig. Nog veel mooier was echter – op weg naar huis – ons bezoek aan de Dominicanenkerk in de Assendorperstraat. Als protestants jongentje was ik gefascineerd door de geheimzinnige kerkruimte, waar een zoete geur van wierook hing. We meenden in het koor de priesters te zien zitten en eigenlijk waren we bang. Snel schepten we wat wijwater in onze hand en renden de kerk uit. Wisten wij dat je ook een kruisje moest slaan! Die wierookgeur was er ook op het roomse kerkhof aan de Middelweg, honderd meter van mijn huis. Ik mocht vaak de doodgraver helpen met het onderhoud van het kerkhof en het verblijf tussen al die dode lichamen was mij vertrouwd. Mooi werd het pas tijdens een begrafenis. We keken toe hoe de begrafenisstoet vanaf het grote hek naar het geopende graf liep. Voorop liep iemand met de wierookhouder, met direct daarachter de drager van het kruis. Was de stoet bij het graf aangekomen, dan stelden we ons op gepaste afstand op. Maar die afstand was niet zo groot of de wierookwolken waren voor ons zichtbaar en ruikbaar als de priester het wierook­vat heen en weer slingerde. Hoe duurder de begra­fenis, hoe meer er werd gebeden en met wierook geslingerd. Geur was – zo ontdekte ik – te koop.
Ook de natuur drong diep mijn neusgaten binnen. Of het nu de mooie witte seringenboom was bij ons achter het huis of het rozenbed bij mijn grootouders, het gemaaide gras in de wei­landen van Langenholte, de rododendrons op de Badhuiswal, de natuur was gul met haar geuren. En als het weer eens flink geregend en gedonderd had, dan rook de straat schoon. Schoonheid – zo ontdekte ik ook – kon je ruiken.
Schroeilucht
In onze zwerftochten door de stad was er nog een ander hoogtepunt als we op de Nieuwe Haven – nu Luttekestraat – waren aangekomen. Daar was de hoefsmederij van Poppe. Met een blaasbalg werd het vuur opgestookt en het hoefbeslag werd verhit en in de goede vorm geslagen. Het paard stond onrustig tussen de balken, schraapte met zijn hoeven over de grond, in afwachting van wat er stond te gebeuren. Dan kwam Poppe naar bui­ten, een tang in zijn hand en daarin geklemd een vurig rode hoef. Het paardenbeen werd opgetild; de smid stond met zijn rug tegen het achterwerk van het paard, een paardenbeen tussen zijn benen. En dan gebeurde waarvoor we waren gekomen: het gloeiende hoefbeslag werd op de witte rand van de zool van de paardenhoef gedrukt en een scherpe schroeilucht steeg op en vulde de straat. Als je geluk had, herhaalde het ritueel zich nog drie keer. Nog een aantal nagels erin geslagen en dan togen we opgewonden naar huis.
Tonnetjes
Als we geluk hadden, konden we dan nog net mee­maken dat de tonnenauto in de straat voor ons huis stond. Onze buurman die bij de reinigingsdienst werkte, had een dik leren zadel op zijn linkerschou­der. Hij pakte een lege ton van de wagen en liep door het heel smalle steegje tussen de huizen naar onze plee, een houten hokje tegen de achtermuur van ons huis. De ton werd omgeruild, de heel zware ton ging op zijn linkerschouder en werd met een krachtige zwier op de tonnenauto gezet. Het was alsof door die zwaai de smerige stank uit de ton de ruimte kreeg om door de straat weg te zweven. En soms ging die zwaai niet helemaal goed…
Ja, in die tijd hadden straten hun eigen geur. De Warmoesstraat rook anders dan de Eindstraat. En als we over de Wilhelminasingel liepen met die grote huizen en prachtige tuinen waarvan we zeker wisten dat daar een ander soort mensen woonde, dan heerste daar toch een heel andere geur, een geur die blijkbaar bij die mensen hoorde.
Nu woon ik zelf op het Van Nahuysplein in zo’n huis dat – toen ik een jochie was – niet bij ons soort mensen hoorde. Maar wat ik toen had, is er niet meer. In de loop van de jaren zijn alle geuren uit de stad verdwenen. De stad rúikt niet meer. Op z’n hoogst dringt de geur van het gemotoriseerd verkeer nog onze woning binnen. Een heel enkele keer komt de geur uit het verleden terug. Fiets in het weekend maar eens door een oude buurt van Zwolle, zoals de Bollebieste. Dan ruik je dat de karbonade heel langzaam wordt gebraden. Mis­schien zelfs op een petroleumstel, zoals dat vroe­ger lange tijd brandde om het vlees te braden.
Maar verder? Als ik nu geblinddoekt de stad zou worden rondgeleid, zou ik niet meer kunnen ruiken waar ik ben. Nu wordt de stad alleen nog maar gehóórd. Er gaat in de zomer bijna geen weekend voorbij of van ergens – meestal dicht­bij – klinken de dreunende bassen, nogal eens tot na middernacht, minstens 85 decibel. Dat ruik je niet, dat hoor je en hoe! Dat moet – zeggen de beleidmakers – want Zwolle wil zo graag een eve­nementenstad zijn. Als ik dan tegen beter weten in de slaap probeer te vatten en m’n ogen sluit, lijkt het soms alsof de geur van pijpkaneel de slaapka­mer vult en het lawaai verdringt. Dan ben ik weer dat jochie dat op de Thorbeckegracht door de kaneel bedwelmd raakte – in een tijd dat de stad nog haar geuren had.

Roel Steenbergen

De Thorbeckegracht omstreeks 1950. (Foto Bertus Meulenbelt, col­lectie HCO)

86 zwols historisch tijdschrift

De Warmoesstraat gezien vanuit de Mid­delweg, omstreeks 1930. (Collectie HCO)

De hoek Warmoes­straat/Middelweg in 1973. De auteur werd geboren en woonde tijdens zijn jeugdjaren in het derde huis van links, nummer 79. De dakkapel (koekoek) werd er in zijn jeugd opgezet. Ze sliepen daar met vijf broers. (Foto De Koning, collectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 87

Luchtfoto van het complex van Rein­ders’ Oliefabrieken aan de Nieuwe Vecht, omstreeks 1950. Rechts voor de Tesselschade­straat. Links, omcirkeld, bevond zich de zeepfa­briek. (Foto KLM, col­lectie HCO)

88 zwols historisch tijdschrift

Tot januari 1958 maakte de NS gebruik van stoomlocomotieven. Duitse stoomlocomotie­ven verschenen daarna nog wel op Nederlandse stations. Deze foto werd gemaakt van de Hoge Brug, jaren vijftig. (Col­lectie HCO)

Roel Steenbergen, 9 jaar oud. De foto was gratis gemaakt in het kader van een VIVO-zegeltjes spaaractie. (Collectie auteur)

zwols historisch tijdschrift 89

Boven: De kapel op het katholieke kerkhof aan de Middelweg. (Collec­tie HCO)
Links: Hoefsmid Th.A. Poppe, omstreeks 1950. (Collectie HCO)
Gevel van hoefsmederij Poppe aan de
Luttekestraat, toen nog Nieuwe Haven geheten, omstreeks 1950. In de zogeheten travalje werd het paard vastgezet. (Collectie HCO)

90 zwols historisch tijdschrift

Juryrapport
Wanneer je nu geblinddoekt ergens in Zwolle zou worden afgezet, valt moeilijk te raden waar je bent. Hooguit verschilt het geluid per wijk of per straat. Vroeger was dat wel anders. Roel Steenbergen beschrijft in ‘De geur van de stad’ welke indruk het toen nog veel kleinere Zwolle in zijn jeugd op hem maakte. Hij geeft een prachtig sfeerbeeld van de activiteiten die er plaatsvonden, van een katholieke mis tot de veemarkt en van de stoomtreinen op het station tot de schroeilucht die van het beslaan van de paarden bij Poppe afkwam. Steenbergen voert je mee langs al die ‘geurige’ plaatsen. Als je zijn verhaal leest zou je bijna willen dat je het nu ook nog zo zou kunnen ervaren. Maar, de stad ruikt niet meer. Hooguit naar een oliebol­lenkraam. Een groot deel van de zaken die de geur in de stad veroorzaakten zijn verdwenen of ingeperkt, omdat dit anders overlast voor omwonenden geeft.
Het levendige beeld dat Steenbergen in zijn artikel van Zwolle oproept, was reden voor de redactie om hem voor dit artikel te bekronen en hem de prijs voor de schrijfwedstrijd uit te keren.

Man van de reinigings­dienst met een tonnetje op z’n schouder, jaren twintig. Het tonnetjes­systeem werd in 1873 ingevoerd. In 1950 waren er nog ongeveer 400 huishoudens die er gebruik van maakten. De laatste tonnetjes ver­dwenen pas begin jaren zeventig uit het Zwolse stadsbeeld, honderd jaar na de invoering. (Uit: Ach Lieve Tijd, dl. 6)

zwols historisch tijdschrift 91

Alleen het kleedhok bleef staan…
Wielerpiste bij Urbana verdween in oorlog
Het laatste tastbare overblijfsel van een roemruchte episode in het Zwolse sport­leven valt te vinden op de parkeerplaats van Urbana, de aloude uitspanning aan het einde van de Wipstrikkerallee. Het is een onaanzienlijk bouwsel dat al meer dan zeventig jaar op luttele meters afstand van het inmiddels geheel ver­nieuwde café-restaurant staat. Wie het tot garage en bergruimte omgebouwde stulpje op Urbana’s erf nu bekijkt, zal zich niet kunnen voorstellen dat het eens als officiële kleedruimte diende voor de beste wielrenners van ons land, zelfs voor wereld­kampioenen.
Het kleedhok hoorde bij de wielerbaan die in 1934 achter Urbana werd geopend (op de plek waar zich nu een deel van de drukke Ceintuur­baan bevindt). Die baan van Zweeds grenenhout was een waar juweel in een tijd dat het wielrennen op de baan een ongekende populariteit genoot, veel meer nog dan het nu zo overheersende wiel­rennen op de weg. De piste stond zelfs bekend als de snelste van ons land en trok dan ook echte topcoureurs aan, zoals de Nederlandse wereld­kampioen op de sprint Jan Derksen, de beroemde Zesdagenrenners Jan Pijnenburg en Kees Pel­lenaars alsmede de prominenten Piet van Kem­pen en Frans Slaats. Onder hen bevond zich ook Zwollenaar Rinus Schotman, die zich soms als een evenknie van de grote kampioenen ontpopte en er weleens in slaagde ze te verslaan.
Deze tempobeul van onder de Peperbus werd bewonderend gadegeslagen door een piepjong Zwols rennertje, Han Mengerink geheten, wiens oudere broer Willem – vroeger een enthousiaste amateur­renner – hem had overgehaald om het ook eens op de piste van Urbana te proberen. De toen vijftienjarige Han was gelijk verkocht en gaf zich meteen maar op als lid van de RTVZ, de Ren- en Toervereniging Zwolle, die anno 2010 nog steeds bestaat.
Han Mengerink herinnert zich de gloriejaren
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog trainde Han Mengerink zich op de baan letterlijk een stuk in de rondte, temidden van de echte kampioenen die toen vaak bij Urbana te vinden waren. Nu, anno 2010, is Mengerink nog de enige Zwollenaar die het gevoel kan navertellen hoe de wieltjes konden snorren op die oude piste achter in de Wipstrik, hoe genotvol de speed van het snelle hout kon doortrillen in banden, benen en handen van de renner en zijn fiets.
Zeventig jaar later spraken wij met Han Mengerink in een heel andere sportambiance, namelijk bij de tennisbanen op het park van De Pelikaan, waar deze sportman – thans dik in de tachtig – nog wekelijks een balletje slaat.
‘Ik kan me nu nauwelijks nog voorstellen dat ik ooit getraind heb met Jan Derksen’, zegt Men­gerink verbaasd, ‘ik reed warempel weleens een wedstrijdje met hem.’
Deze latere wereldkampioen sprint van 1946 en’47, die in mei van dit jaar op 92-jarige leeftijd overleed, woonde toen in Spoolde en vond het gezellig als er een paar andere renners met hem meetrainden. Hoewel Han best enig talent voor de sprint had, was de jonge coureur natuurlijk geen partij voor deze coryfee.
Mengerink: ‘Jan Derksen zei bijvoorbeeld: daar ginds bij die paal beginnen we. Dan riep hij “weg!” en voordat ik er erg in had was hij in een paar trappen al bij die paal. Die man had een paar benen om u tegen te zeggen.’
De wielerbaan bij Urbana kwam in 1934 tot stand op initiatief van Urbana-eigenaar Massier en de aannemers Van Werven en Houtsma, alle drie wielerliefhebbers. In een tijd dat de wielersport in ons land qua populariteit de tweede sport was, beleefde de baan een paar topjaren. Publiek uit Zwolle en de hele regio stroomde toe om de grote sterren van sprint en achtervolging te zien. Maar op een gegeven moment kwam er de klad in.
Han Mengerink herinnert zich: ‘Dat kwam door verkeerd management. Vaak werden er aller­lei beloften gedaan en de komst van grote sterren in het vooruitzicht gesteld, maar die kwamen dan niet opdagen, waardoor het publiek zich bedrogen voelde. Vlak voor de oorlog ging het weer wat beter doordat spannende amateurwedstrijden werden georganiseerd, maar toen de meidagen van 1940 aanbraken was het gebeurd met de baan. Jonge renners, zoals wij, konden zich nauwelijks meer op straat vertonen, omdat ze anders in de kuif werden gepikt voor dwangarbeid in Duitsland. Wielrennen op de weg was er met al dat oorlogsgeweld helemaal niet meer bij. Het betekende gelijk het einde van mijn prille wielercarrière. Na de oorlog kwam ik er niet meer aan toe, ook al niet omdat ik het te druk kreeg met mijn stucadoorsbedrijf.’
Ook Urbana’s wielerbaan kreeg – na een bestaan van nog geen tien jaar – een roemloos einde. Door het steeds nijpender gebrek aan brandstof werden karrenvrachten Zweedse plank­jes uit het kostbare oppervlak gesloopt, waarna tegen het einde van de oorlog een totale afbraak volgde. Alleen het kleedhok bleef staan, tot de dag van vandaag.

Willem van der Veen

Han Mengerink (rechts) vlak voor de oorlog in volle sprint op de wielerbaan bij Urba­na. (Collectie auteur)

92 zwols historisch tijdschrift

Het oude kleedhok voor de renners bleef – iets verbouwd – 77 jaren staan. (Foto auteur)

Wielerwedstrijden op de baan bij Urbana trokken veel publiek in de jaren dertig van de vorige eeuw. De mid­denstand maakte gretig gebruik van de reclame­mogelijkheden. Voor­aan, tweede van links, rijdt Rinus Schotman. (Collectie auteur)

zwols historisch tijdschrift 93

Oud-wielrenner Han Mengerink anno 2010, nu in beslag genomen door de ten­nissport op de banen van De Pelikaan. (Foto auteur)

94 zwols historisch tijdschrift

Honderd jaar Remonstrantse Broederschap
in Zwolle
Op 14 januari 1610 richtten sympathisan­ten van de Leidse predikant en hoogle­raar Jacobus Arminius (1560-1609) een ‘Remonstrantie’ ofwel een verzoekschrift aan de Staten van Holland. Zij brachten daarmee hun bezwaren tegen de leer van de gereformeerde kerk naar voren. Dit was een belangrijke stap naar de oprichting van de Remonstrantse Broederschap.
De herdenking van deze remonstrantie vormde driehonderd jaar later de aanleiding voor enkele Zwollenaren om een remonstrantse kring in Zwolle op te richten.
Voorgeschiedenis
De remonstrantie van 1610 was onderdeel van een felle geloofsstrijd die toen al enige tijd aan de gang was. Ongeveer vanaf 1580 werd de predesti­natieleer een belangrijk theologisch onderwerp. Heeft de mens de vrijheid om tegemoet te komen aan Gods genade en zo ja, hoe groot is die vrij­heid. De theoloog Jacobus Arminius (1560-1609), groeide uit tot woordvoerder van degenen die de mens een zekere mate van vrijheid toekenden. Zij stonden bekend als arminianen of remonstranten. Hun tegenstanders werden contraremonstranten of gomaristen genoemd, naar hun woordvoer­der Franciscus Gomarus (1563-1641), eveneens hoogleraar in Leiden. Volgens deze gomaristen was het aandeel van de mens in zijn verlossing uiterst beperkt. Zij leerden dat God zijn genade schenkt zonder rekening te houden met welke menselijke verdienste dan ook.
Toen het Twaalfjarig Bestand (1609-1921) tijdelijk een einde maakte aan de militaire strijd tussen de Republiek der Zeven Verenigde Provin­ciën en de Spanjaarden, barstte deze godsdienstige strijd in alle hevigheid los. Die strijd werd verer­gerd omdat politiek en godsdienst door elkaar gingen lopen.
De vermenging van politiek en religie was in die tijd bijna onvermijdelijk, door de opbouw van de gereformeerde kerk als de enige formeel toegestane en ‘publieke kerk’. De vorming van de nieuwe staat en confessionalisering gingen hand in hand en de stedelijke en gewestelijke overheden speelden daarbij een grote rol. Bovendien vroe­gen de arminianen in hun remonstrantie om een algemene synode waarin de verschillen besproken zouden worden. Ook de gomaristen wilden graag zo’n nationale synode. Het conflict kwam daar­mee automatisch in politiek vaarwater.
Leiders zoals de Hollandse landsadvocaat Johan van Oldenbarneveldt, de jurist Hugo de Groot en de hofpredikant Johannes Uytenbogaert steunden het arminiaanse standpunt. Bovendien waren zij voorstanders van de gewestelijke auto­nomie. Dat was weer tegen het zere been van de stadhouder prins Maurits, die tevens opperbe­velhebber van leger en vloot was. Hij maakte zich juist grote zorgen over de provinciale versnippe­ring in de Republiek.
Discussies over de leer liepen uit op een felle pamflettenstrijd, waarin voor- en tegenstanders hun zegje deden. Bovendien ontstonden verschil­lende stedelijke oproeren. Daarop koos Maurits openlijk partij voor de contraremonstranten. Hij gebruikte vervolgens zijn troepen om zijn tegenstanders uit hun ambt te ontzetten. In enkele steden werd de remonstrants gezinde magistraat vervangen door contraremonstranten. De Groot en Oldenbarneveldt kwamen terecht in Slot Loe­venstein, de staatsgevangenis, en Uytenbogaert vluchtte naar Antwerpen.
Onder deze omstandigheden vond van 1618-1619 de synode van Dordrecht plaats. Uiteraard hadden de voorgaande gebeurtenissen gevolgen voor de samenstelling van de synode en daarmee op de eindresultaten. De arminianen waren hun politieke steun kwijt en daardoor was de grote meerderheid van de kerkelijke afgevaardigden op de synode contaremonstrants gezind. Uiteindelijk werden de nog aanwezige remonstrantse afge­vaardigden uit de synode weggestuurd. Daarna was de weg vrij om de gereformeerde genadeleer vast te leggen in de zogenoemde Dordtse Leer­regels.
Aan de remonstranten werd gevraagd te belo­ven om niet meer in de eredienst voor te gaan. Op één na weigerden zij dat en kozen ze voor balling­schap. De meesten van hen gingen naar Antwer­pen waar Uytenbogaert al eerder was aangeko­men. Daar richtten zij in 1619 de Remonstrantse Broederschap op.
Remonstrantse Broederschap
De beginperiode van de remonstranten was moeilijk. Predikanten waren verbannen en alle remonstranten liepen het gevaar gearresteerd te worden. Omstreeks 1630 begonnen de scherpste kantjes van de tegenstellingen te slijten. Ballingen begonnen terug te keren en zonder al te veel pro­blemen kon men gemeenten gaan opbouwen. Het was hen echter niet toegestaan – net zomin als aan katholieken en aan andere kerkgenootschappen – om kerken de openbare weg te bouwen, zodat men in schuilkerken een min of meer verborgen bestaan leidde.
De Broederschap hield een bescheiden omvang en vond haar aanhang vooral in het gewest Holland, waar Amsterdam een schuilkerk bouwde in 1630 en Rotterdam in 1632. Intussen was ze in 1631 officieel in de Republiek gevestigd en kreeg ze in 1633 een kerkorde. In 1634 kwam een Seminarium in Amsterdam dat in 1872 naar Leiden verhuisde. Er ontwikkelde zich een eigen leer waarbij vrijheid en verdraagzaamheid hoog in het vaandel stonden. In de zeventiende en acht­tiende eeuw waren dan ook veel voorstanders van religieuze tolerantie te vinden onder remonstran­ten en hun sympathisanten.
De achttiende eeuw en de Verlichting bete­kenden een moeilijke tijd voor de remonstranten. Voor velen bleken de gewaardeerde begrippen vrijheid en verdraagzaamheid zeer dicht te lig­gen tegen vrijblijvendheid en gebrek aan betrok­kenheid. Aan het eind van de eeuw werd zelfs rekening gehouden met een algehele ondergang van de broederschap. Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw volgde een licht herstel en groeide het ledental van de broederschap weer iets. De invloed van de predikant en hoogleraar Abraham des Amorie van der Hoeven (Rotterdam 1798-Arnhem 1855) zal daar niet vreemd aan zijn geweest. Deze representant van de romantiek wist een groot publiek aan te spreken en legde de nadruk op een verlicht-romantisch verbroede­ringsideaal.
Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw zette de groei van de broederschap zich voort onder invloed van het modernisme. Het modernisme is een stroming binnen de filosofie en theologie, waarbij men wilde aansluiten bij actuele ontwikkelingen in wetenschap, filosofie en maatschappij. Binnen de theologie werd het een centraal thema hoe de scheiding tussen geloof en geschiedenis, tussen historische betrouwbaarheid en godsdienstige waarheid en tussen wetenschap­pelijk (bijbel)onderzoek en godsdienst met elkaar te verzoenen zijn. Toen eind jaren vijftig deze moderne opvatting in bredere lagen van de kerk begon door te dringen, werden degenen die zich beriepen op goddelijke openbaring en kerkleer orthodox genoemd. Degenen die belang hechtten aan een historisch-kritische methode golden als modern of vrijzinnig.
Binnen de Remonstrantse Broederschap neig­de men overwegend naar het vrijzinnige moder­nisme, maar binnen de Hervormde Kerk laaide de discussie hoog op. Velen voelden zich daardoor niet meer thuis binnen de hervormde kerk en stapten over naar de remonstranten. In de laatste decennia van de negentiende eeuw groeide de broederschap daardoor fors. Er ontstonden nieu­we gemeenten in Groningen, Arnhem, Lochem, Doesburg, Hoogeveen en Meppel; dus ook buiten Holland waar ze van oudsher het meest vertegen­woordigd waren. In Zwolle bood de hervormde kerk voldoende ruimte voor de vrijzinnige rich­ting. Toch kwam ook daar – weliswaar iets na de grote hausse aan nieuwe gemeenten – een aparte remonstrantse kring tot stand.

Zwolle
Driehonderd en één jaar na de aanbieding van de remonstrantie – op 14 februari 1911 – vond de oprichtingsvergadering plaats van de Zwolse Remonstrantse kring. Directe aanleiding hiervoor was de herdenking in 1910 van deze remonstran­tie. Dit werd gezien als de basis van de Remon­strantse Broederschap en het stimuleerde enkele Zwollenaren te proberen een eigen gemeente op te richten. W. van Maanen, luitenant bij de Zwol­se artillerieschool, richtte zich samen met vier geestverwanten in februari 1910 via een circulaire tot de hun bekende remonstranten met de oproep om zich aaneen te sluiten. In november volgde een tweede oproep omdat men nog meer remon­stranten in Zwolle had ontdekt.
In de tussentijd hadden de initiatiefnemers overleg gehad met vertegenwoordigers van de landelijke organisatie. Daar bestond wei­nig enthousiasme voor de Zwolse plannen. De zogeheten Commissie tot de Zaken (CoZa), het landelijk bestuur van de Remonstrantse Broeder­schap, wees erop dat binnen de hervormde kerk van Zwolle voldoende ruimte was voor vrijzin­nige prediking. Ze verwachtte in dat opzicht problemen en betwijfelde of het Zwolse initiatief groot genoeg zou kunnen worden om tot een vol­waardige gemeente uit te groeien. Ze maande tot bedachtzaamheid maar was bereid om advies te geven. Tenslotte wees ze erop dat de initiatiefne­mers geen formele toestemming nodig hadden.
De bezorgdheid van de CoZa was wel begrij­pelijk. De vrijzinnige gelovigen konden in Zwolle terecht bij de doopsgezinden en ook binnen de hervormde gemeente hier overheerste de vrijzin­nigheid, hoewel daar ook ruimte was voor een orthodoxe minderheid. De hervormden waren dan ook niet blij met de plannen en in het week­blad De Hervorming verschenen diverse artikelen tegen de plannen om een remonstrantse kring op te richten. Sommige vrijzinnig hervormden vrees­den voor concurrentie bij hun strijd voor een vrij­zinnige richting binnen hun kerk, terwijl anderen de plannenmakers sektarisme verweten.
De Zwolse initiatiefnemers zetten echter door. Op 14 februari 1911 richtten zij in de doopsge­zinde kerk in de Wolweverstraat een eigen kring op. Er waren zeventig belangstellenden aanwe­zig, waarvan uiteindelijk 34 lid werden van de nieuwe Zwolse remonstrantse kring. Zij kozen bovengenoemde W. van Maanen tot voorzitter en mevrouw C. Thiebout-Loopuyt, echtgenote van de bankier C. Thiebout, tot secretaresse.
Met 34 leden was de omvang van de Zwolse kring beperkt. Dat is ze ook altijd gebleven, hoewel het aantal leden na de Tweede Wereld­oorlog langzaam toenam. In 1941 waren er 38 leden en in 1970 werd het hoogtepunt bereikt met 138 leden. Hierbij zal hebben meegespeeld dat de Hervormde Kerk van Zwolle, waar voor de oorlog het vrijzinnige geluid duidelijk te horen was, in 1940 een orthodoxe meerderheid kreeg. De vrijzinnige minderheid werd er nu alleen nog geduld. Datzelfde speelde overigens in meer plaatsen in Nederland en had te maken met een conflict binnen de hervormde kerk en het ontstaan van de Gereformeerde Kerken Vrij­gemaakt in 1944. Verschillende mensen stapten toen uit de hervormde kerk en sloten zich aan bij de remonstranten. Overigens heeft de Remon­strantse Broederschap altijd relatief veel leden gehad die overstapten vanuit een ander kerkge­nootschap.
Na 1970 deed de invloed van de secularisering zich gelden en begon een dalin

Lees verder