Categorie

Aflevering 1

Zwolse Historisch Tijdschrift 1985, Aflevering 1

Door 1985, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ZWOLS
HIcSTODIcSCH
TIJDSCHDIFT
, Dr BJ. Kam
TWorbeckegracht 38 C
19011 VN ZWOLLE
038-421 4314
2 / 6
ZWOL6E H16TODI6CHE VEDENIG1NG
ZWOL& HIÓTODI&CH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG TWEE 1985
pgn
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 Opgraving Spoelstraat -Egbert Dikken
5 De Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
1840 – 1891 -G.G.J. Rensen
VAN DE INSTELLINGEN
19 De prentencollectie van het POM-Peter Paul Kerpel
20 Culturele Raad Overijssel -F.D. Zeiler
BOEKBESPREKINGEN
24 De wekker van de Nederlandse natie. Joan Derk van
der Capellen, 1741-1784, diverse auteurs.
27 Wil ’t bezoek afscheid nernen. 100 jaar Sophia
Ziekenhuis in Zwolle, Wout Sleijster.
30 MEDEDELINGEN
32 TENTOONSTELLINGSAGENDA POM 1985.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrijft:
J. Hagedoorn, R.T. Oost (eindredacteur), mevr. I. Wormgoor
(illustratieredactrice), mevr. A. van der Wurff
Redactie Zwols Historisch Jaarboek:
J.F. Borst (eindredacteur) & P.J. Lettinga.
@ Zwolse Historische Vereniging.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/
of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopy,
microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestenminp van de uitgever.
XVOUt iI*TOBI*Clt VIBCRICiaC
VAN DE REDACTIE
Evenals in 1984 kunt U in 1985 vier kwartaaluitgaven van de Zwols»
Historische Vereniging verwachten. . . y
Zoals U zietis dit eerste nummer van de tweede jaargang in een
nieuw jasje gestoken: de plattegrond van Zwolle heeft plaats gemaakt
voor een. gezicht op de stad. Van groter belang is het feit
•; dat we voor een nieuwe naami hebben gekozen en wel één die recht
doet aan het karakter van het: blad. •-. .
Eigenlijk is de Nieuwsbrief vanaf het eerste nummer meer geweest
dan een eenvoudig mededelingenblaadje voor de vereniging. Auteurs
van korte artikelen wisten hun weg naar het blad te vinden. Mede
door de uitgave van het themanummer over de Moderne Devotie te
Zwolle, heeft de Nieuwsbrief zich de status, verworven van een
tijdschrift. Welnu, dan noemen we deze uitgave voortaan ook tijdschrift.
Het aantal pagina’s is toegenomen, zodat nu ook plaats
kan worden geboden aan artikelen van wat grotere omvang.
Vanzelfsprekend hopen wij, dat de ruimere publicatiemogelijkheid
de leden van de Vereniging stimuleert tot het aanbieden van artikelen
en artikeltjes over aspecten van de Zwolse geschiedenis.
Wij wensen U veel plezier bij het lezen van dit nummer van het .
Zwols Historisch Tijdschrift.
OPGRAVING SPOELSTRAAT (terrein nieuwe bibliotheek)
Egbert Dikken
Doordat er uren voor archeologisch onderzoek als STELPOST in het
project waren opgenomen, kon ik, als uitzendkracht van Randstad
in de periode van 25 oktober tot en met 13 december 1984, waarnemingen
doen in de bouwput van de nieuwe bibliotheek. Een en ander
gebeurde in nauw overleg met de heer Van Kregten van Openbare
Werken.
Ook kon een beroep worden gedaan op leden van de Archeologische
Werkgem. Nederland (A.W.N.) of “toevallig” passerenden. Dat dit
onderzoek niet zonder medewerking van de bouw kon plaatsvinden 1),
wil ik benadrukken. Denkt U maar eens aan het even inroepen van
de hulp van een dragline 2), het gebruik van verlengkabels,
extra schoppen, veiligheidshelmen en bouwlampen voor ’s nachts.
Om de bouw niet te hinderen werd er ook ’s nachts en in de weekeinden
gewerkt.
Jammer was ook nu weer, dat door voortijdige publicaties van door
de GROEP gevonden gegevens, sommige personen archeologie met
zelfverheerlijking verwarren. 3)
De veelheid van gebruiksvoorwerpen die in oude beerputten werd
aangetroffen zal hopelijk bij de opening van de bibliotheek, begin
1986, tentoongesteld worden. Ook een publicatie van alle gegevens
zal dan hopelijk klaar zijn.
Erg verrassend was dat op de laatste twee dagen van het onder- ‘
zoek, bij het verdiepen van de bouwput, stortkuilen en paalgaten
van een gebouw uit de achtste tot tiende eeuw konden worden ingemeten.
De bewoningssporen werden aangetroffen op een niet vei—
wachte verhoging in het terrein, liggend naast de huidige Spoelstraat.
Twee vondsten uit het totaal wil ik U vast beschrijven.
Ten eerste: 26 kleine en twee grote kralen (afbeelding 1).
Waarschijnlijk een gedeelte van een rozenkrans. Doordat het
koordje er no in zat, was de volgorde te bepalen. Zes keer
klein, één keer groot, tien keer klein, één keer groot, tien
keer klein. De grote kralen zijn glad en iets ovaal van vorm.
De kleine kralen zijn gefaceerd. Het materiaal is waarschijnlijk
been of ivoor. Een afbeelding van een soortgelijk snoer
is te zien op het schilderij “Stuppacher Madonnen Bild” 4)
uit ongeveer 1520. Ons snoer kan in de vijftiende eeuw geplaatst
worden.
Ten tweede: een sluit- of pi.jlgewicht dat binnenin geijkt is
met het stadswapen.
In de kwartieren de letters Z.V.O.L. en daarboven het goedkeuringsjaartal
1604. Een sluit- of pijlgewicht bestaat uit in
elkaar passende kommetjes of bakjes, waarvan het buitenste,
het huis, van een deksel met scharnier en sluiting is voorzien.
Bij de gewichten is ieder onderdeel tweemaal zo zwaar
als het kleinere dat erin past. Alleen de twee allerkleinste
wegen evenveel. Daardoor is elk onderdeel even zwaar als alle
onderdelen, die het bevat, samen. 5)
Het bakje (afbeelding 2) weegt ongeveer 233,1 gram. Het materiaal
is waarschijnlijk brons. Naast het bakje is een al eerder
door mij gevonden gewicht afgebeeld. Dit gewicht is van
lood met koper bekleed. Dit weegt ongeveer 467 gram. De aanduiding
I betreft Eén Zwols Pond. Op het bakje staat Y2, dus
een half Zwols Pond. Vreemd is dat het boekje De oude Nederlandse
maten en gewichten 6) vermeldt dat Zwolle voor het
waaggewicht ongeveer 503,8 gram en het lichtgewicht pond 479,8
gram rekende. De gewichten in het Provinciaal Overijssels Museum
en eventuele meldingen van lezers die dit soort gewichten
in bezit hebben of er iets van weten, zullen verwerkt
worden in de officiële publicatie.
Ik besluit dit stukje met de hoop uit te spreken dat de gemeente
Zwolle of de Provincie in de toekomst op z’n minst meerdere projecten
op de bovengenoemde manier zal laten begeleiden. Laten we
eerlijk zijn: ook nu zijn weer belangrijke historische gegevens
naar boven gekomen, die anders verloren waren gegaan.
Met dank aan de heren Assink, Van Beek, Bóuman, Bruins, Hagedoorn,
Van de Kerkhof, De Koning, Oostingh en Van Vilsteren.
ff,
Gewicht, 233,1 gram
schaal: 1:1
Gewicht 467,2 gram
x = koperoverlapping
schaal: 1:1
afbeelding 2
Noten.
1. Firma Schakel & Schrale, de heer Witteveen, Gemeente Zwolle,
de heren De Kleine en Berends.
2. Sloopbedrijf Van de Vegte.
3. Zie Zwolse Courant van 6 tn 15 december 1984.
4. Mathis Gothardt-Neithardt, afgebeeld in Walter Dexel Das Hausgera’te
Mitteleuropas, 80.
5. D.A..Wittop Koning en G.M.M. Houben. 2000 jaar gewichten in
Nederland, Stelsels, ijkwezen, vormen, makers, werkers, gebruik
(Löchem 1980), 101-102. ..
6. J.M. Verhoef, De oude Nederlandse maten en gewichten (1983),
‘• – 95. ‘ • ; ‘ • ” . • • • • • • • • . • – – • • •
:
. . • ‘ • . . . • • – • • •’• • .’• ••’ • ‘ •••
DE ZWOLSCHE STOOMBOOT-WAATSCHAPPIJ, 1840-1891
G.G.J. Rensen
Uit:
M.G. de Boer, Geschiedenis van de Amsterdamsche Sdbatunvaaft
(Amsterdam 1921).
“Door Zwartewaters donk’re vloed,
Ten spijt van golfslag en getij,
Stroomt daar een schip met bliksemspoed
Naar ’t zuiderpias, naar ’t scheeprijk IJ.
Uit Overijssels kustwarand
Komt het als bode aan ’t Amstelstrand.”
INLEIDING
Met deze strofen begint het jubeldicht dat dominee Van Senden op
13 september 1842 in de Overijsselsche Courant publiceerde. Aanleiding
vormde het in dienst stellen van de stoomboot de ‘Stad
Zwolle’ op het lijnveer tussen Zwolle en Amsterdam. Voor het
eerst in de geschiedenis was het daarmee mogelijk geworden om
met een door stoom aangedreven boot van Zwolle, over het Zwartewater
en de Zuiderzee, naar ’s lands hoofdstad te reizen. Men
kan zich de blijdschap en nauwelijks verholen trots van de
dichter dan ook wel voorstellen, te meer omdat het initiatief
door een Zwolse onderneming genomen was, namelijk de Zwolsche
Stoomboot-Maatschappij.
De geschiedenis van het vervoerswezen is een onderwerp waarvoor
in de historiografie de laatste jaren een toenemende belangstelling
valt te constateren. Dat heeft reeds geleid tot een
stroom van publicaties over de middelen van vervoer in het verleden,
de verbeteringen in de communicatiemiddelen en de maatschappelijke
betekenis ervan. In de sociaal-economische geschiedenis
vraagt men zich bijvoorbeeld af welke invloed de vervoersmiddelen
hadden voor de economische groei en de onderlinge
communicatie en met welke snelheid de innovaties werden doorgevoerd,
terwijl de industriële archeologie vooral is geïnteresseerd
in de technisch-industriële en architectonische vormgeving.
Ook voor de Overijsselse geschiedschrijving heeft de belangstelling
voor de geschiedenis van het vervoer reeds vruchten afgeworpen,
zij het vooral in beschri ;yende zin. Zo heeft G.J. Schutten
enkele jaren geleden een prachtig boek geschreven over de
scheepvaart in de periode vóór het stoomtijdperk, terwijl zeer
recent de stoomvaart te Kampen onderwerp van studie is geweest.
Over het vervoerswezen in Noordwest-Overijssel is nog niet zo
lang geleden een geschiedenis verschenen. 1) Misschien dat ook
het bewaard gebleven archief van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
nog eens aanleiding is voor een systematisch onderzoek
naar de geschiedenis van de scheepvaart in en om Zwolle.
In dit artikel wil ik enkele wetenswaardigheden over deze
maatschappij presenteren.
INITIATIEF VAN ZWOLSE NOTABELEN
De Zwolsche Stoomboot-Maatschappij werd officieel opgericht op
26 augustus 1840, toen de notariële acte door notaris M.J.V.
Kramer werd bezegeld. Behalve door de notaris en enkele getuigen,
werd de acte door maar liefst 30 deelnemers in de nieuwe
maatschappij, waarvan sommigen bovendien als gevolmachtigden
voor anderen optraden. Het totaal aantal aandeelhouders dat
7
zich bereid verklaarde met één of meer aandelen van ƒ 1.000,—
in het ondernemingskapitaal deel te nemen, bedroeg 47. 2)
De totstandkoming van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij was een
vrijwel volledig Zwolse aangelegenheid. Niet alleen was de gemeente
Zwolle met vijf van de 69 aandelen één van de drie grootste
aandeelhouders, maar ook waren slechts elf deelnemers buiten
de stad woonachtig, tezamen goed voor niet meer dan dertien aandelen.
Opvallend is dat uit de vermelde beroepen en functies van
de aandeelhouders blijkt dat zij voor een groot deel behoorden
tot de belangrijkste notabelen van Zwolle. Men zou verwachten,
dat het kapitaal van een onderneming als deze door industriëlen
of kooplieden bijeengebracht zou worden, maar dat was niet het
geval. Slechts enkele aandeelhouders oefenden een beroep in de
industrieel-ambachtelijke sfeer of in de handel uit (zie bijlage).
Het vermoeden rijst dat de aandeelhouders behoorden tot een
kleine kring van personen die elkaar goed kenden vanwege de openbare
functies die zij bekleedden of via de Zwolse sociëteit. Uit
de kring van het gemeentebestuur van Zwolle nam bijvoorbeeld de
burgemeester, A.J. Vos de Wael, met twee aandelen deel, maar ook
nog een wethouder, twee raadsleden, de gemeente-secretaris en de
gemeente-ontvanger. Ook uit de kringen van het provinciale bestuur
en de rechterlijke macht kwam een aantal kapitaalverschaf-
STOOMBOOT- yLjKr VAART
AMSTERDAM en ZMOLLE.
TOOftLOOPIGE DIENST-REGELING.
Yan ZWOLLE naar jtitSTE&DjiM, Maandag 1 ‘* morgens
ff’oemdag en f te
Zaiiirdag. •» 6 «reu.
Yan JtMSTERDJM naar ZfTOLLB , fiingtdag, “»•« morgens
Dondtr-dag en j te
Zondag. J 8 uren.
Kadere inlichlin” bij de AGENTEN der Maalscbappij , te Zwolle ,
D. 0. TA» RIEL. Hasselt , M. L. T.IJL. Zwartsluis , H. 1 . PO f FE.
Jnuterdam , C. IACSEST.
Een van de eerste advertenties.
Uit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant,
13 september 1842.
8 ‘ . – • . • • • . – .• • • • • • : . .• ” . • . : • • –
fers. De niet-Zwolse deelnemers in de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
behoorden in de meeste gevallen tot de kennissen- of
familiekring van de Zwollenaren, hetgeen afgeleid mag worden uit
het feit dat ze zich door de laatstgenoemden lieten vertegenwoordigen
bij de oprichting. Het is dan ook waarschijnlijk dat
de oproep tot deelneming in de nieuwe onderneming zich tot Zwolle
beperkt heeft en dat niet is getracht om ook elders kapitaal aan
te trekken.
Volgens de statuten werd het aandelenkapitaal vastgesteld op
f 80.000,—, waarvan bij de oprichting dus reeds ƒ 69.000,— bijeengebracht
was. Het resterende bedrag moest binnen één jaar na
de koninklijke goedkeuring aangetrokken worden. Verder werd bepaald
dat om de vennootschap in werking te zetten, tenminste
tien procent van het kapitaal daadwerkelijk gestort moest worden.
Dit laatste werd nog eens uitdrukkelijk vastgelegd in een aanvulling
op de statuten van 22 oktober 1840. 3)
Het doel van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij, waarvan de zetel
te Zwolle gevestigd werd, was “het aanleggen van eene geregelde
vaart met Stoomboten, voor transport van passagiers en
goederen tusschen Zwolle en Amsterdam, en welke zoodanige tusschenliggende
plaatsen zal aandoen, als het meest gepast zal geoordeeld
worden”. 4) De directie en de commissarissen werden benoemd
uit de deelnemers. N.F. Gomarus en J. Jansen, elk in het
hezit van vijf aandelen, werden aangesteld tot directeuren, terwijl
de heren J.S. Sandberg, J.A. baron Van Fridagh, H. van Sonsbeeck,
P. Bicker Caarten en G. Luttenberg als commissarissen aantraden.
HET BELANG VAN VERBETERING VAN DE VERBINDINGEN
Het laat zich niet moeilijk raden wat de belangrijkste aanleiding
voor de oprichting van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
is geweest. Ten behoeve van de handel en nijverheid was het immers
noodzakelijk om een snel en regelmatig contact te onderhouden
met Amsterdam, niet alleen omdat het de hoofdstad van het
land was, maar ook omdat het de belangrijkste zeehaven was. Reeds
vanaf de 17de eeuw was Zwolle via een geregelde beurtvaart met
Amsterdam verbonden, maar de zeilvaart was traag en gebrekkig en
relatief gering in omvang. Het voordeel van een stoomschip was
dat het behalve een grotere snelheid, vooral ook een grote regelmaat
in de vaartijden mogelijk maakte. 5) Zwolle, dat een belartg-
.rijke functie vervulde als doorvoerhaven in de handel met’ het
Oostnederlandse en zelfs Duitse achterland (denk bijvoorbeeld aan
Dienstregeling Toor de maanden M E I en JUIVIJ 1843,
mei het nieuw gebouwde, Toor PASSAGIERS eu
GOEDEREN bijzonder goed ingciigtc Stoomva.irtuig
DE STAD ZUOLEE
Tan AnüTKRDiin naar ÜKfVARTSL,! »5, H.tSSELT en
KlVULLi:, telken Xomdag, Woensdag vu Vrijdag, des
morgen* «en S ure.
V u KWÖLLi: (te HASSELT eu aEWAIlTSLX’IS l>aii«agiers
opnemende en afladende) naar AnSTEKDAJI, «eiken
Mngtdag, Mtonderdag en Xutwrdag ( des morgens «en
9 ure.
Met correspouderende Diligence ondernemingen tau ZWOLLE naar geheel
TWEKTHE eu tan ZWARTSLUIS naar MEPPEL en «nier.
l)e Kautorcn liju gevestigd: Ie jémsterdam in de .Nieuwe Slads Herberg
aan het Y, en te Zitalle ia de Nieuwe Stads Herberg aan het Zwarleualer.
Kadere inlui maliën zijn Ie bekomen bij de onderscheidene AG LM L.N
der Maatschappij.
Uit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant,
14 april 1843.
de Twentse textielindustrie), had dus alle belang bij een verbetering
van de communicatiemiddelen met Amsterdam. Vandaar dat tal
van politieke functionarissen, de gouverneur van Overijssel voorop,
zich in de jaren dertig inspanden om de nieuwe mogelijkheden
van de stoomvaart ook in Overijssel te introduceren.
In 1837 had dat reeds geleid tot de oprichting van de Rhijn en
IJssel Stoomboot-Maatschappij te Deventer. Deze maatschappij onderhield
vanaf augustus 1838 met een zeestoomboot en een rivierstoomboot
een beurtveer tussen Amsterdam en Keulen. In Kampen
moesten de passagiers overstappen van de zeestoomboot op de rivierstoomboot.
Ten behoeve van de reizigers uit Zwolle was een
dilligence-dienst tussen Zwolle en Kampen in het leven geroepen,
die aansloot op de stoomboot naar Amsterdam. 6) Het succes van
deze stoomboot-onderneming zal de Zwollenaren nog hebben gesterkt
in de wens om een eigen, directe verbinding met de hoofdstad tot
stand te brengen.
Op 12 september 1842 werd die wens gerealiseerd, toen de eerste
stoomboot van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij – de ‘Stad
Zwolle’ gedoopt – de reis naar Amsterdam aanvaardde, onder gejuich
van een grote menigte die bij de Nieuwe Stadsherberg aan
de Buitenkant was samengestroomd. De ‘Stad Zwolle’ was in~1842
gebouwd op de werf van T.A. Gleichmann te Hamburg. Het was een
zogenaamde raderboot van ijzer met een clippersteven en een platte
spiegel (achtersteven). 7) De boot werd voortgestuwd door twee
10
grote raderen aan weerskanten van het schip, die in beweging gezet
werden door een stoommachine met een vermogen van 60 pk. De
snelheid waarmee het schip kon varen varieerde van zeveneneenhalve
tot achteneenhalve Engelse mijl per uur (plusminus dertien
km/u.). 8) Voor het geval de stoommachine haperde, beschikte de
boot ook nog over twee zeilmasten, zodat de reis altijd – zij
het langzamer – voortgezet kon worden. Volgens de oudste balans
van de onderneming, had de stoomboot f 62.000,— gekost, dat wil
zeggen bijna evenveel als het eigen vermogen, waarvoor de gezamenlijke
deelnemers ingeschreven hadden. 9)
TEGENSLAG EN REORGANISATIE
De eerste jaren zijn voor de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij niet
bepaald gunstig verlopen. Welke problemen zich precies hebben
voorgedaan, is niet helemaal duidelijk. Voor een deel zullen ze
te maken hebben gehad met de slechte bevaarbaarheid van het
Zwarte Water en het Zwolsche Diep. Door de voortdurende aanvoer
van slib en zand, was de diepte van de riviermonding op sommige
plaatsen zo gering, dat in droge tijden de zeeschepen er niet
door konden. De stoomboot ‘Stad Zwolle’ bleek bij de eerste
proefnemingen bovendien een grotere diepgang te hebben dan was
voorzien. 10) Zeker in de eerste jaren, toen de verbetering van
het Zwolsche Diep nog nauwelijks van de grond gekomen was, moet
dit de regelmatige vaart van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
belemmerd hebben. Vanzelfsprekend kwam dat de resultaten van de
onderneming niet ten goede.
Een probleem van andere aard was waarschijnlijk het onvoldoende
functioneren van de machinerie van de stoomboot. Reeds in 1843
moesten er namelijk nieuwe stoomketels aangebracht worden, hetgeen
“‘de investeringen in de boot met nog eens bijna f 9.000,—
verhoogde. 11) Dit zal ongetwijfeld een tegenvaller geweest zijn
voor de jonge maatschappij. Voor de aandeelhouders betekende dat
het achterwege blijven van enig rendement van hun beleggingen en
zelfs risico’s voor verliezen.
Deze tegenvallers bracht een aantal aandeelhouders, waaronder de
beide directeuren, ertoe zich uit de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
terug te trekken. Het eigen vermogen van de onderneming
daalde daardoor zo zeer, dat op 22 mei 1844 een bijzondere algemene
vergadering van aandeelhouders werd belegd, om te beslissen
of de onderneming voortgezet zou worden. Het bleek mogelijk om
het eigen kapitaal door nieuwe aandeelhouders weer aan te vullen
en omdat ook de vooruitzichten als gunstig bestempeld werden,
werd besloten de zaak voort te zetten. Wel werden de statuten op
belangrijke punten gewijzigd. De taken van de directeuren en de
commissarissen werden voortaan vervuld door een uit de aandeel11
houders te benoemen bestuur van negen personen. Binnen het bestuur
werden commissies ingesteld voor de financiële aangelegenheden,
het personeels- en materiële beleid en de zorg voor brandstoffen
en machinerie. 12)
Uit de nieuwe lijst van aandeelhouders blijkt, dat nog slechts
20 van de 47 aandeelhouders uit 1840 waren overgebleven. Er komen
21 nieuwe namen op de lijst voor, waardoor het totaal op 41
deelnemers komt. Samen hadden zij ingeschreven voor 67 aandelen
van ƒ 1.000,—. Bovenaan de lijst van aandeelhouders staat de Koning
der Nederlanden, Willem II, die twee aandelen had genomen.
De grootste aandeelhouder was echter met zes aandelen notaris
M.J.V. Kramer, die dan ook tot president van de Zwolsche Stoomboot-
Maatschappij benoemd werd. Dat het nieuwe bestuur van de
maatschappij vertrouwen genoot, blijkt uit het feit dat de gemeente
Zwolle een subsidie van ƒ 500,— ter beschikking stelde
en dat ook de broer van de Koning, Prins Frederik, drie aandelen
nam. 13) Het totaal aantal aandelen van het koninklijk huis
breidde zich datzelfde jaar nog uit tot tien. 14)
1 11111
: • : : ; • • • • . . • • * • • • • •
: T : : . – : : . – : . • : • : ” : . . • . .
H

liiil
_
i
i
m 1 11
i
P1
F.A.C. Hoffmann (onder directie van J. Plugger) Gezicht op de
haven van Zwolle vanaf het Zwarte Water (lithografie), 3e kwart
19e eeuw (foto: POM).
12
Met de reorganisatie van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
lijken ook de resultaten te zijn verbeterd. De beurtvaart op Amsterdam
verliep geregeld en voorzover uit de resultatenrekeningen
kan worden afgeleid, werden de meeste jaren met een positief
saldo afgesloten. 15) Uit dezelfde resultatenrekeningen blijkt
eveneens dat de inkomsten van de onderneming meer uit het personenvervoer
dan uit het goederenvervoer werden gehaald. Wel werd
deze laatste bron van inkomsten in de jaren 50 relatief steeds
belangrijker, zoals uit onderstaande tabel blijkt.
Tabel:
1844
1845
1846
1650
1853
1854
1855
1857
1858
1859
1860
INKOMSTEN VAN DE ZWOLSCHE STOOMBOOT-MAATSCHAPPIJ
VERVOER VAN PERSONEN EN GOEDEREN, 1844 – 1860.
A:personenvervoer
(guldens)
13.120
11.807
13.012
18.448
27.384
34.965
31.689
38.557
38.373
45.424
41.759
B:goederenvervoer
(guldens)
2.087
2.243
2.070
2.514
5.554
7.230
7.096
9.135
9.117
10.937
12.081
totaal
A + B
(guldens)
15.207
14.050
15.082
20.962
32.938
42.195
38.785
47.692
47.490
56.361
53.840
UIT HET
B in %
van het
totaal
13,7
16,-
13,7
12,-
16,9
17,1
18,3
19,2
19,2
19,4
22,4
REGELS VOOR DE OVERTOCHT
Uit het in 1844 vastgestelde reglement van de Zwolsche Stoomboot-
Maatschappij, kunnen we ons een nadere voorstelling maken over de
gang van zaken bij de beurtvaart. 16) Zo werd bepaald dat de boot
altijd stipt op tijd moest vertrekken, ook als er geen passagiers
of goederen aan boord waren. Onderweg naar Amsterdam mochten alleen
plaatsen die gelegen waren aan het Zwarte Water worden aan13
gedaan. In 1844 had dit nog alleen betrekking op Hasselt en Genemuiden
.
Aan boord van de stoomboot moest “eene voldoende, het vaartuig
kundige en bekwame bemanning ” aanwezig zijn. Dat betekende behalve
een kapitein, enkele stuurlieden en bemanningsleden en
een werktuigkundige, ook een conducteur en een hofmeester. De
conducteur was belast met de handhaving van de orde aan boord,
het verstrekken van de plaatsbewijzen, het bewaren van de afgegeven
goederen, terwijl hij bovendien moest zorgen dat de passagiers
in de juiste kajuiten of op het juiste dek terecht kwamen.
De hofmeester en zijn bedienden hadden vooral te zorgen voor het
ontbijt en het middagmaal, welke aan boord genuttigd konden worden.
De passagiers konden bovendien verversingen bij hem kopen.
Het reglement bepaalde dat de bemanning zich “bescheiden” op
moest stellen tegenover de passagiers; fooien mochten niet gevorderd
worden.
In de voorkajuit en op het buitendek was het aan de reizigers
toegestaan om te roken “mits met een dopje op de pijp”. Een passagier
mocht 20 kilo aan bagage vrij vervoeren, maar als hij ook
nog zijn paard en rijtuig mee aan boord wilde nemen, dan moest
daarvoor extra betaald worden. Als er ondanks al deze strikte
bepalingen na afloop van de reis toch nog klachten waren, dan konden
de reizigers deze kwijt in een klachtenboek, dat tenminste
eens per maand aan de burgemeesters van Zwolle en Amsterdam
moest worden voorgelegd.
Om mee te kunnen reizen , was het noodzakelijk om van te voren
bij de agentschappen van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij een
plaatsbewijs te kopen. Er waren twee klassen: voor de eerste kajuit
bedroeg de prijs van een reis van Zwolle naar Amsterdam
ƒ 4,75 en voor de tweede kajuit f 3,25. Naar Hasselt kostten de
kaartjes respectievelijk f 0,60 en ƒ 0,50 en naar Genemuiden
f 0,85 en ƒ 0,75. Arme reizigers, die een bewijs van onvermogen
konden overleggen, konden met de boot meevaren, op voorwaarde
dat ze op het voordek plaatsnamen en tegen betaling van het
vraohttarief; in ieder geval niet op een plaats die ook voor de
eerste en tweede klas-reizigers bestemd was.
GROEI VAN DE ONDERNEMING
De goede resultaten waren aanleiding om de stoombootdiensten uit
te breiden. In 1852 werd er daarom een tweede stoomboot gekocht
en in de vaart tussen Zwolle en Amsterdam gebracht. In plaats van
om de andere dag, kon men nu iedere dag vanuit Zwolle naar Amsterdam
reizen. De Zwolsche Stoomboot-Maatschappij verwierf daardoor
een nog belangrijker positie in het vervoer van passagiers en goe14
deren naar ’s lands hoofdstad. In datzelfde jaar verkreeg de
onderneming ook een concessie om tussen Zwartsluis en Groningen
een diligence-dienst te openen. 17)
In de jaren 60 van de vorige eeuw, brak de stoomvaart definitief
door en werd de zeilvaart voorgoed verdrongen. 18) In 1861 kreeg
de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij concurrentie van een andere
maatschappij die eveneens een dienst tussen Zwolle en Amsterdam
opende. Volgens het gemeenteverslag van Zwolle, leidde dat in
1862 tot “een overdreven mededinging”, hetgeen ertoe leidde dat
de concurrerende onderneming reeds een jaar later haar terrein
naar de lijn Harlingen – Amsterdam verlegde. Ondanks het feit
dat in de volgende jaren nog meer mededingers een concessie vei—
kregen om tussen Zwolle en Amsterdam met een geregelde stoomboot
te varen, lijkt dat de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij niet echt
te hebben gedeerd. De zaken werden steeds meer uitgebreid. Zo
werd in aansluiting op de dienst op Amsterdam tevens een stoombootdienst
op Meppel geopend (in 1870) en één op Deventer (plm.
1880). In 1865 verkreeg de onderneming een concessie om de diligencedienst
naar Twenthe te regelen.
Met één van haar mededingers, de Fa. W. Meeter & Cie., kwam het
in 1877 tot een conflict over de vertrektijden. De Zwolsche
Stoomboot-Maatschappij diende bij het gemeentebestuur een klacht
in wegens het feit dat genoemde firma de vertrektijden van haar
boot liet samenvallen met die van de Zwolsche. Het conflict werd
uiteindelijk door Gedeputeerde Staten van Overijssel beslist
door de vertrektijden zo vast te stellen dat er voldoende tijd
tussen het vertrek van de boten van de beide firma’s gelegen was.
Overigens ging de firma Meeter & C .. in 1878 failliet, zodat de
Zwolsche Stoomboot-Maatschappij opnieuw een concurrent overleefd
had.
ONDERGANG
In de jaren 80 van de vorige eeuw, schijnt het met de Zwolsche
Stoomboot-Maatschappij echter ook niet meer zo florissant te gaan.
Over de oorzaak van de teruggang kan ik slechts gissen, maar wellicht
heeft de voltooiing van het landelijke spoorwegnet in deze
periode voor een toenemende concurrentie gezorgd. Misschien is
ook de geleidelijke verschuiving van de handel van Amsterdam naar
Rotterdam een reden geweest. Tot overmaat van ramp werd begin
1891 nog één van de boten, de ‘Stad Kampen’ op de Zuiderzee vei—
nield. 18)
De aandeelhouders van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij besloten
daarom in 1891 de onderneming te liquideren. Ze bleek niet meer
in staat om aan al haar betalingsverplichtingen te voldoen, hetgeen
ertoe leidde dat de Keulse steenkolenhandelaar J. Balthazar
15
op 2 oktober van dat jaar bij de arrondissementsrechtbank te
Zwolle het faillissement van de onderneming aanvroeg. Reeds één
dag later werd het faillissement door de rechtbank uitgesproken.2C
De scliuldoischcrs in het faillissement van de
naainlooze vennootBchnp „de Ztrolschc
(IIadcr) Stoomïioot-ïflnaf schappij In
llkfcldatlc” worden opgeroepen om de rekening
en verantwoording aan te hooren, welke op
Maandag den 13 Februari 1893, des namiddigs
to half twee uur, op het Paleis van Justitie te
Zwolle ten overstaan van den Heer Recnter-
CommiBsaris zal worden afgelegd door
den Ourator,
O. P. VROOM.
Het einde van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij.
Uit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant,
8 februari 1893.
Uit de stukken die bewaard zijn gebleven, blijkt dat er behalve
de preferente nog 40 concurrente schuldeisers waren, die tesamen
voor bijna ƒ 16.500,— aan vorderingen hadden. Met een voi—
dering van f 9.700,— was J. Kalff te Zwolle, die de onderneming
in 1887 een hypotheeklening had verstrekt de grootste schuldeiser.
Overigens was op die hypothecaire lening reeds een belangrijk
deel terugbetaald, want de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij
had zoals uit de stukken van het faillissement blijkt, kans gezien
om kort voor de faillietverklaring haar belangrijkste bezittingen
te gelde te maken. De drie nog resterende stoomboten, het
gebouw van de smederij, het kolenpakhuis, de agentuurlokalen te
Hasselt en Zwartsluis, het wachtlokaal met steiger aan de Willemsvaart
en de aanlegsteiger aan de Buitenkant hadden gezamenlijk
f 13.385,— opgebracht, welk bedrag rechtstreeks was gestort op
de rekening van J. Kalff. Dit geld bleef dan ook buiten de opbrengst
van de boedelverkoop.
De boedelverkoop van de resterende bezittingen, namelijk de twee
agentuurlokalen te Amsterdam en Zwolle en de gereedschappen en
de inventaris van de smederij, bracht slechts f 1.134,07 op,
waardoor er na voldoening van de preferente schulden slechts 12%
van het totaal aan vorderingen aan de concurrente schuldeisers
kon worden overhandigd. Daarvoor moesten ze nog wel tot februari
1893 wachten.
16
Met de verdeling van de opbrengsten van de boedelverkoop, eindigde
de geschiedenis van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij. De
spullen werden overgenomen door C. Bosman, die ze op zijn beurt
wn 1896 weer doorverkocht aan Verschure & Co.’s Algemeene Binnenlandse
Scheepvaart-Maatschappij te Amsterdam. 21) Ondanks dit wat
roemloze einde, heeft de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij in de
ruim halve eeuw van haar bestaan, onbetwist een grote bijdrage
geleverd aan de verbetering van het vervoerswezen in Zwolle en
de communicatie van deze plaats met andere delen van het land en
de provincie.
HET ARCHIEF
Het archief van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij is onlangs op
enigszins onverwachte wijze in het bezit gekomen van het Rijksarchief
in Overijssel te Zwolle. De stukken bleken namelijk deel
uit te maken van het overgedragen archief van de arrondissementsrechtbank
te Zwolle, waarin ze door het faillissement waren terechtgekomen.
Vanwege de omvang en de bijzondere betekenis ervan,
is het archief van de onderneming – hoewel niet geheel volgens de
regels – uit het bestand van de arrondissementsrechtbank gelicht
en apart toegankelijk gemaakt. 22)
De inhoud van het archief bestaat uit:
00 d? notulen van de vergaderingen van het bestuur van de onderming
over de1 periode 1847 – 1884;
00 zes delen registers van uitgegane brieven over de periode
1872 – 1884 en
00 verschillende stukken betreffer .e de financiële verantwoording,
onder andere balansen, verlies- en winstrekeningen, rekeningencourant
van de reservekas en de rekeningen betreffende de apart
geadministreerde aandelen van het koninklijk huis. Deze financiële
stukken, soms zeer fraai van opmaak en zeer groot van omvang,
beslaan globaal de periode 1844 – 1871, al zijn er belangrijke
lacunes. Ze hadden veel geleden van de tand des tijds,
maar ze zijn na een grondige restauratie nu zonder problemen te
raadplegen.
Behalve in dit archief bevindt zich natuurlijk ook in andere archieven
nog informatie over de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij.
Te denken valt daarbij onder andere aan het archief van het Provinciaal
Bestuur van Overijssel na 1813 (aanwezig in het Rijksarchief)
en aan het archief van het Gemeentebestuur van Zwolle
(aanwezig bij de Gemeentelijke Archiefdienst).
17
NOTEN.
1 G.J. Schutten, Varen waar geen water is. Reconstructie van een
verdwenen wereld. Geschiedenis van de scheepvaart ten oosten
van de IJssel van 1300 tot 1930 (Hengelo, 1981); H.W. van der
Hoven, ‘Geschiedenis van de stoomvaart op Kampen’ in Kamper Almanak
(1981/82) 241-274, (1982/83) 231-266, (1983/84) 205-246;
J.H.S.M. Veen, Van tram, boot en bus. De geschiedenis van het
streekvervoer in het noordwesten van Overijssel (Kampen z.j.).
Het meest jjitvoerige werk over de Zwolse scheepvaart tot nu toe
is: Ph.H. Jrooster, 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en hun
scheepvaart. Ach lieve tijd 18 (Zwolle 1981).
2 De notariële acte is te vinden in: Gemeentelijke Archiefdienst
Zwolle (GAZ), Notariële Archieven (NA) 001, nr.749, actenr.
6065. Het aantal aandelen van de deelnemers is vermeld in:
Statuten der Zwolsche Stoomboot-Maatschappij (Zwolle 1841)
(aanwezig in GAZ).
3 GAZ, NA 001, nr.749, actenr.6105.
4 Statuten, art.2 en art.44.
5 IJ. Brugmans, Paardenkracht en mensenmacht. Sociaal-economische
geschiedenis van Nederland 1795-1940 (’s Gravenhage 1961)
101.
6 Van der Hoven, 253-263.
7 J.W. Lodder, Nederlandse Raderboten 1823-1955 (Alkmaar z.j.) 18.
8 Overijsselsche Courant, 13 september 1842, 3.
9 Balans per 31 december 1850, Rijksarchief in de provincie Overijssel
(RAO), Archief Zwolsche Stoomboot-Maatschappij, nr.15.
10 Overijsselsche Courant, 5 augustus 1842, 3.
11 Balans per 31 december 1850, zie noot 9.
12 Statuten, reglementen en vrachtlijsten der Zwolsche Stoomboot-
Maatschappij (Zwolle 1844) (aanwezig in GAZ).
13 Overijsselsche Courant, 18 oktober 1844, 1.
14 Balans per 31 december 1850, zie noot 9.
15 RAO, Archief Zwolsche Stoomboot-Maatschappij, Resultaten en
verantwoordingen 1844-1860, nrs. 14-16.
16 Statuten, reglementen en vrachtlijsten.
17 De hier vermelde en nog volgende gegevens over de ontwikkeling
van de Zwolsche Stoomboot-Maatschappij zijn gebaseerd op de gegevens
uit de jaarlijkse Gemeenteverslagen van Zwolle (aanwezig
in GAZ en RAO).
18
18 Brugmans, 98-99.
19 W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle (bewerkt
door mr. C.W. van der Pot Bz., Zwolle 1910) 100.
20 RAO, Archief van de arrondissementsrechtbank Zwolle, dossiers
faillissementen, stukken betreffende het faillissement der •
Zwolsche Stoomboot-Maatschappij, doos 46.
21 Lodder, 18.
22 De inventaris van het archief is op te vragen onder nummer 302.
De totale omvang ervan beslaat ongeveer 0,75 meter.
BIJLAGE: AANDEELHOUDERS IN DE ZWOLSCHE STOOMBOOT-MAATSCHAPPIJ (1840)
NAAM BEROEP OF FUNCTIE WOONPLAATS
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zv/olle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Hasselt
Zwolle
AANTAL
AANDELEN
5
2
1
5
1
1
1
2
1
2
1
1 •
1
2
2
2
1
. 1
01 Stad Zwolle
02 A.J. Vos de Wael
03 C.W. Schlingemann
04 N.F. Gomarus
05 jhr. R. Sandberg
06 G. Luttenberg
07 mr. W. Tobias
08 J.A. van Fridagh
09 mr. J.S. van Naamen
van Eemnes
10 mr. J.A. Sandberg
11 mr. P. Bicker Caarten
12 mr. I.J.H. de Bruyn
13 mr. F.P.A. HeêrEëhs
14 mr. A.W. van Pallandt
van Beerse
15 mr. H. van Sonsbeeck
16 mr. F.W.A.J. van
Lamweerde
17 mr. M.L. Tijl
18 mr. G.T.J.
Wicherlink
19 G.C.F. Coninck
Westenberg
20 mr. F.C. Queysen
21 freule A.M. Bentinck
22 J.H. de Bruyn
23 mr. C.J. van Bommel
van Trompenburg
burgemeester van Zwolle/
buitengew.lid Staten-Generaal
wethouder stad Zwolle
raadslid stad Zwolle
raadslid stad Zwolle/
lid Prov. Staten Overijssel
secretaris stad Zwolle
ontvanger stad Zwolle
lid Ged. Staten Overijssel
lid Prov. Staten Overijssel
lid Ged. Staten Overijssel
prov.inspecteur der belastingen
in Overijssel
procureur prov. gerechtshof
pres. arr.rechtbank Zwolle
lid Eerste Kamer/president
prov. gerechtshof
raadsheer prov. gerechtshof
lid Ridderschap van Overijssel
procureur prov. gerechtshof
raadsheer prov. gerechtshof
aspirant-notaris te Zwolle
oud-president rechtbank Almelo
rentenierse
gepensioneerd kolonel
rentenier
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
’s Graveland
19
24 mej. J.C.M. Poppe
25 R. van Prehn
26 H.J. Buysman
27 Fa. Doyer & Pruimers
28 H. van Holten
29 J.I. Poppe
30 H.F.M, van Cleef
31 J. Barneveld
32 A. Buysman
33 J. Jansen
34 C.C. Chappuis
35 A. Russell
36 C.W. Eekhout EJz
37 E.T. Schaepman
38 C. Kooyman
39 Fa. Hens & Schaepman
40 A. Strabbe
41 B. Tobias
42 mr. J.H. Tobias
43 L.M. Tijl
44 P. Voute
rentenierse
rentenier
fabrikant
wijnhandèlaren
koopman
koopman
particulier
bakker
schilder/koopman
koopman
geëmployeerde Handel-Mij.
koopman
med. doctor
med. doctor
schipper
wijnhandèlaren
koopman
kalkbrander
Oostindisch ambtenaar
assuradeur
rentenier
45 W.E.J. Tjeenk Willink boekdrukker/boekhandelaar
46 J.J. Tijl
47 C.W.P. Arriens
boekdrukker/boekhandelaar
geëmployeerde Handel-Mij
totaal aantal aandelen
Dalfsen
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Amsterdam
Hazelunne (Hann.)
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwartsluis
Zwolle
Amsterdam
01 st
Zwolle
Zwolle
Amsterdam
Zwolle 1
Zwolle 1
Zwolle 1
Hazelunne (Hann.) 1
Amsterdam 2
1
1
1
1
2
1
1
1
1
1
1
1
69
DE PRENTENCOLLECTIE VAN HET POM
Een schat aan historische informatie voor iedereen toegankelijk.
Peter Paul Kerpel,
educatief medewerker POM
De prentencollectie van het Provinciaal Overijssels Museum bestaat
uit plusminus 3.000 prenten die stammen uit de zeventiende
tot en met twintigste eeuw. De collectie bestaat uit topografische
afbeeldingen, historieprenten, portretten van Overijsselse
personen, provinciekaarten en stadsplattegronden en enkele tekeningen
van Overijsselse kunstenaars.
Al deze prenten hebben betrekking op Overijssel. Enkele wereldatlassen
en een collectie kinderprenten maken daarnaast ook deel
uit van de collectie.
20
Begin 1984 werd in het Drostenhuis een speciale ruimte in gebruik
genomen waar delen van de collectie in de vorm van wisselexposities
worden getoond. De grote invloed van daglicht op prenten
maakte een aantal aanpassingen in deze ruimte noodzakelijk. Zo
zijn bijvoorbeeld alle vitrines van een, door de bezoeker te bedienen,
verlichting voorzien, om de invloed van licht tot een minimum
te beperken.
Het is echter ook mogelijk de collectie voor studiedoeleinden te
bekijken in de studiezaal/bibliotheek van het museum. Een mogelijkheid
die onzes inziens nog aan te weinig (historisch) geïnteresseerden
in Zwolle en omstreken bekend is l
In de collectie bevinden zich plusminus 600 prenten die betrekking
hebben op de stad uit alle bovengenoemde categoriën. Al deze
prenten zijn ook op foto’s vastgelegd zodat zij eenvoudig geraadpleegd
kunnen worden. De originele prenten kunnen bij de aanwezige
museummedewerker worden opgevraagd.
De studiezaal van het museum bevindt zich in het pand Voorstraat
34 en is geopend van dinsdag tm vrijdag van 13.30 – 16.30 uur.
Telefonische inlichtingen zijn te krijgen bij het POM, telefoon
038 – 21.46.50.
Het museum hoopt veel geïnteresseerden in de studiezaal te mogen
begroeten. Een schat aan historisch materiaal ligt op hen te
wachten.
DE CULTURELE RAAD OVERIJSSEL EN ZIJN AFDELING MUSEA,
OUDHEIDKUNDE, MONUMENTEN
F.D. Zeiler,
stafmedewerker Culturele Raad Overijssel
Sinds 1979 biedt het historische Van Wiechenhuis in de Nieuwstraat
in Zwolle onderkomen aan het bureau van de Stichting Culturele
Raad Overijssel. Deze organisatie stelt zich ten doel ‘het bevorderen
van het culturele leven in de provincie Overijssel’ en doet
dit onder meer door ‘het ondersteunen en stimuleren van culturele
activiteiten’ en ‘het leveren van een bijdrage tot een samenhangend
cultuurbeleid van de provinciale, gemeentelijke en rijksoverheid’
(artikel-3 van de statuten).
21
:. Pronk, “t Stadthuis te Zwol” plm. 1730, gewassen penseelekening
(P.sntencollectie POM).
22
De verschillende deelgebieden van de cultuur worden behartigd
door afdelingen, waarvan er vanouds zes bestaan: amateuristische
muziekbeoefening, drama (thans podiumkunst geheten), vormingsen
ontwikkelingswerk, beeldende kunsten, literatuur (momenteel
slapende) alsmede musea, oudheidkunde, monumenten.
Voor elk van deze deelgebieden zijn vakmedewerkers beschikbaar,
die het eigenlijke werk van de Culturele Raad Overijssel onder
medeverantwoordelijkheid van het algemeen bestuur verrichten. De
laatste jaren is het accent van de werkzaamheden minder op de beleidsadvisering
gericht en meer op de practische ondersteuning en
voorlichting. Voorbeelden hiervan zijn verschillende projecten in
de sfeer van de volwasseneneducatie (tegenwoordig in een eigen
gebouw ondergebracht, het Karel V – huis in de Sassenstraat) en
de kunstzinnige vorming. Tevens is sinds 1980 de Tentoonstellingsdienst
Overijssel actief, die reizende exposities vervaardigt en
distribueert. Sinds twee jaar heeft ook de streekconservator voor
Noordoost Overijssel zijn domicilie in het Van Wiechenhuis.
De afdeling Musea, Oudheidkunde, Monumenten is met ruim 70 aangeslotenen
de grootste binnen de Culturele Raad. Het werkgebied omvat
musea en oudheidkamers, geschiedbeoefening, monumentenzorg,
archeologie, archieven en natuur- en milieubescherming. Vier tot
zes keer per jaar komt men in vergadering bijeen, waarbij contacten
worden gelegd en ervaringen uitgewisseld, maar ook reacties,
rapporten en adviezen worden besproken waarin de wensen
en verlangens van de museale en oudheidkundige wereld aan de
respectieve overheden worden kenbaar gemaakt. Daarnaast onderneemt
de afdeling onder meer de volgende activiteiten:
=== Het veldnamenonderzoek.
De inventarisatie van veldnamen geschiedt sinds 1973 in de gehele
provincie onder verantwoordelijkheid van de Commissie Veldnamenonderzoek,
waarin behalve de Culturele Raad ook het Rijksarchief
en het Amsterdamse P.J. Meertensinstituut participeren.
=== Het volkskundig onderzoek.
Sinds drie jaar tracht de Volkskundewerkgroep het onderzoek naar
de eigen cultuur in Overijssel te begeleiden en te stimuleren.
Deze werkgroep, waarin onder meer wetenschappelijke instituten
en IJssel- en Twenthe-Akademie participeren, heeft in april 1984
een rapport met een twaalftal projectvoorstellen gepresenteerd.
=== Een basiscursus voor amateurhistorici.
Deze cursus werd voorbereid door het in 1983 opgerichte ‘Beraad
van historische verenigingen’ en vindt plaats in het Rijksarchief
23
(voor cursisten uit West-Overijssel) en in het Rijksmuseum Twenthe
(voor Twentse cursisten). Deze cursus is bedoeld als een vervolg
op de paleografiecursussen, waartoe de afdeling destijds mede
het initiatief nam, en bestaat uit tien lessen waarbij theorie
en practijk elkaar zullen afwisselen.
=-= De uitgifte van het ‘Overijssels Contactbericht’.
Dit periodiek ontstond in 1975 en is thans uitgegroeid tot een
volwaardig kwartaalbericht, dat informatie omvat over musea en
museumbeleid, monumentenzorg, regionale en locale geschiedbeoefening
(inclusief een overzicht van de locaalhistorische tijdschriften)
en documentatie geeft over bronnen en literatuur.
Als aansluiting hierop kan het documentatiecentrum in het gebouw
van de Culturele Raad gelden, waar men onder andere alle tijdschriften
– ook het Zwols Historisch Tijdschrift – kan inzien en
voor technische en inhoudelijke vragen over museumbeheer terecht
kan.
=== Organisatie.
Zo wordt verzorgd de organisatie van studiedagen (in de afgelopen
drie jaar handelend over respectievelijk streekcultuur, archeologie
en museumbeleid), instructiedagen (onder andere over papieren
textielrestauratie) en éénmalige manifestaties (zoals de hei—
denking van de 2OOste sterfdag van Joan Derk van der Capellen tot
den Pol).
Tenslotte bestaan er, al dan niet in projectverband, contacten
met instellingen en organisaties in het gehele land en wordt op
museaal gebied intensief samengewerkt met de Nederlandse Museumvereniging
en het LandelijK Contact van Museumconsulenten.
Het bureau van de Culturele Raad Overijssel is geopend op werkdagen
van 09.00 – 17.00 uur; de stafmedewerker is op vrijdag NIET
aanwezig. Het documentatiecentrum is op dinsdag- en donderdagmiddag
vrij te bezoeken en voorts op afspraak.
24
DE WEKKER VAN DE NEDERLANDSE NATIE. JOAN DERK VAN DER
CAPELLEN 1741 – 1784.
Diverse auteurs
Uitgeverij Waanders bv, Zwolle 1984.
168 pagina’s, prijs f 47,50
B. Meijering
In september 1984 verscheen een tentoonstellingscatalogus, die
een co-productie mag heten van twee instanties: het herdenkingscomité
Joan Derk 1784 – 1984 en het honderd jaar jonge Provinciaal
Overijssels Museum. Hoofdpersoon in kwestie is de Gelders-
Overijsselse politicus Joan Derk, baron Van der Capellen tot den
Pol. Achteraf bezien lijkt het deze Van der Capellen te zijn geweest,
die met zijn optreden en publicaties een beslissende stoot
heeft gegeven aan de anti-stadhouderlijke, deels ook hervormingsgezinde
patriottenbeweging uit het laatste kwart van de achttiende
eeuw.
Vooraf een opmerking over iets wat in de bundel slechts zijdelings
aan de orde komt. Recalcitrant statenlid voor de Riddei—
schap als Joan Derk was, heeft hij op beslissende momenten in
zijn carrière steun gekregen van de drie, in de Staten eveneens
stemhebbende, IJsselsteden Deventer, Kampen en Zwolle. Zijn moeizame
entree in de politiek en zijn agitatie tegen de zogenaamde
drostendiensten kunnen ook hier als voorbeeld dienen.
Vermeldenswaardig is ook het conflict rond de “overstemming”, oftewel
de geldige meerderheid van stemmen (bijvoorbeeld de drie
steden plus een toen niet nader overeen te komen aantal leden uit
de Ridderschap); dat conflict had het besluitvormingsproces in
de Staten al zo’n twee eeuwen bemoeilijkt, maar werd een jaar na
Van der Capellens overlijden uiteindelijk in het voordeel van genoemde
IJsselsteden beslist. Voeg daar nog bij, dat de democratisch-
patriottische actie in de “drieguldensprovincie” Overijssel
begon en daar relatief brede sociale steun verkreeg, dan zal duidelijk
zijn, dat de onderhavige bundel nuttige achtergrondinformatie
biedt over het politieke klimaat in Zwolle en omstreken.
Dan nu de eigenlijke inhoud. Behalve het voorwoord van de voorzitter
van het P.O.M., H. Smit, en de inleiding door de voorlichter
van de provincie, H. Schelhaas, is een twaalftal artikelen
opgenomen. Een gedeelte handelt over nogal uiteenlopende onderwerpen
als: Van der Capellen in prosopografisch perspectief
: ••• • ‘ ° • • • – – • • ‘ • • ‘ • ? 5
(jhr. R.C.C, de Sayornin Lohman), de afschaffing van de drostendiensten
(G.T. Hartong), het ziektebeeld van de hypochondrische
Joan Derk (H.L. Houtzager), zijn vier vrienden en het Romeinse
monument dat hem was toebedacht (beide laatste bijdragen van het
echtpaar W.F. Wertheim en A.H. Wertheim – Gyse Weenink). Verder
worden op de tentoonstelling aanwezige objecten van commentaar
voorzien in bijdragen betreffende de partijstrijd; dié strijd is
kennelijk (ook) uitgevochten.met pamfletten- (opnieuw G.T. Hartong),
prenten (mevr. L. de-Jong), penningen (mevr. G. van der
Meer) en allerhande aardewerk (É.M.Ch.F. Klijn en H.G. van de
Meijden). Tenslotte belicht een drietal overzichtsartikelen in
verband met Joan Derk achtereenvolgens zijn houding ten opzichte
van Noord-Amérika (J.W. Schulte Nordholt), de Patriottische Revolutie
in Overijssel (W.Ph. te Brake), en de herkomst en vorming
van zijn politieke denkbeelden (L.H.M. Wessèls).
Behalve veelzijdig is de bundel eveneens wat heterogeen van inhoud.
Dat komt mede, doordat auteues’als Schelhaas, Schulte Nordholt
en de Wertheims, terwijl ze ;j3ver.Van de’r Capellen aan het
schrijven zijn;, tegelijk bedekte polemiek voeren over politieke
zaken van. dé twintigste «eu(».. ?0ók op historisch terrein echter
bestaan duidelijke meningsverschillen. Neem alleen maar de vraag,
of enerzijds Van der Capellens optreden tot zijn vroegtijdige
dood in 1784 en anderzijds de pas later’ingetreden radicalisering
binnen; hét patriottisme in eikaars verlengde liggen. Weliswaar
valt moeilijk te ontkennen,-dat Upan,Derk in de praktijk heeft
geijverd voor herstel .van (beweerde) oude grondwettige rechten
en privileges en dat hij:: althans niet openlijk protest heeft aangetekend
tegen het aristocrati:sch-oiigarehische, op een standenordening
gebaseerd systeem, maar’, alleen tegen bepaalde ingesloper
misbruiken etr inbreuken yan de kant van de stadhouder. Maar probleem
is hoe .die gematigde opstelling te verklaren.
Volgens.het echtpaar Wertheim (en Schelhaas) wenste de regentenpatript,
Van der Capelleh fasegewijs te opereren, gezien het repressieve
karakter van het Oranje-regiem: en omdat het radicale
alternatief voor. dë behoudende patriottenvleugel onverteerbaar
zou zijn. Maar wat Van ^er’Capellen in laatcte instantie nastreefde,
was fundamentele herziening yan het staatsbestel, compleet
met invoering van actief kiesrecht voor de burgerij en al,
– aldus nog steeds de Wertheims, die hiervoor verwijzen naar
Joan Derks modern-ogende analyses over de rechten van het volk
als ook naar de groeiende verwijdering tussen hem en de Hollandse
regeritenelite.
Andere medewerkers aan deze zelfde bundel zetten bij de veronderstelde
moderniteit van de “grondlegger van onze democratie”
26
echter de nodige vraagtekens. Schulte Nordholt noemt hem (Joan
Derk) een radicaal met de mond, maar conservatief in de praktijk,
bang voor teveel volksinvloed en tegelijk strijder voor
gelijkheid, met bovendien een opmerkelijke waardering voor een
tamelijk behoudend amerikaans grondwetsvoorstel op basis van de
zogenaamde imperium-mixtum-idee; volgens die idee zou de ideale
staatsvorm een mengvorm zijn van respectievelijk het monarchale,
aristocratische en democratische bestel. Evenals Schulte Nordholt
is ook Wessels van mening, dat Van der Capelléns voorkeur
uitging naar een beperkte democratie bij representatie. Tenslotte
vermeldt Te Brake, hoe voor- en tegenstanders van het
stadhouderlijke regime zich in een latere fase van de patriottenstrijd
gelijkelijk op Van der Capellen meenden te kunnen beroepen.
“Het enige wat we daarom met zekerheid kunnen zeggen,
is dat het niet aangaat de Patriotten Revolutie van 1787 zonder
meer gelijk te stellen met de staatkundige opvattingen die Van
der Capellen in 1784 of daarvóór heeft uitgesproken” oordeelt
Te Brake. Me dunkt, een weinig opzienbarende conclusie, maar gezien
de stand van het onderzoek, nog wel zo veilig. 1)
Voor wie Joan Derks aarzeling tussen oud en nieuw een uitgemaakte
zaak is, meldt zich intussen direct een volgende vraag: als het
patriottisme zich na Van der Capelléns overlijden – voorbij aan
zijn uitgesproken bedoelingen – van een herstel- tot een vernieuwingsbeweging
heeft ontwikkeld, als datzelfde patriottisme
bovendien méér vaders en originelere representanten dan Van der
Capellen heeft gekend, wat is dan zijn (beperkte, maar reële) betekenis?
Zoveel maakt (de titel van) deze bundel wel duidelijk:
in een tijd dat de meningen over regentenheerschappij en/of democratie
nog allerminst uitgekristalliseerd waren, heeft Van der
Capellen een scheiding der geesten voorbereid door zijn geruchtmakende,
soms dubieuze polemieken en strijdmethodes (denk aan de
door hem aangeprezen vrijcorpsen).
Misschien had in de drie laatstgenoemde bijdragen ruimere aandacht
besteed kunnen worden aan wat De Jong en recent Kossmann
hebben opgemerkt over de -naieve- verbinding bij Van der Capellen
van nationalisme en democratie.
Juist dat gekwetste nationalisme toont mijns inziens de betrekkelijkheid
van Van der Capelléns talrijke paradoxen en tegenstrijdigheden
(van ons standpunt uit bezien dan wel te verstaan).
2) •
Rest een opmerking over de uitvoering van de bundel. Die maakt
een zeer verzorgde indruk. (Alleen wekt de zetting van de inhoudsopgave
op pagina 4 enige verwarring en moet voor ‘staatkundig’
op pagina 8 mijns inziens ‘staatkunde’ gelezen worden).
27
Illustraties en tekst sluiten goed op elkaar aan. Een uitgebreid
notenapparaat en een persoons- en plaatsnamenregister
verhogen de bruikbaarheid als studiewerk. Kortom: aanbevolen.
Noten.
1. De wekker van de Nederlandse Natie. Joan Perk van der Capel-
: len 1741 – 1784 (Zwolle. 1984), 119.
2. M. de Jong Hzn., Joan Perk van der Capellen. Staatkundig levensbeeld
uit de wordingsstri.jd van de moderne democratie in
Nederland (Groningen, 1922),„195;
E.H. Kossmann, Pe Lage Landen 1780 – 1940. Anderhalve eeuw
Nederland en België (Amsterdam, 1976), 17; en dezelfde, in:
NRC – Handelsblad (31 oktober 1981).
WIL ‘T BEZOEK AFSCHEID NEMEN
100 JAAR SOPHIA ZIEKENHUIS IN ZWOLLE
door Wout Sleijster
onder redactie van: J.Th. Buss, H.J. van Dijk, R. Ester,
E.M. Mesdag
Uitgeverij Waanders bv, Zwolle 1984.
144 pagina’s, prijs ƒ 29,50
Dr. B.J. Kam
Uitgeverij Waanders heeft aan haar publicaties over Zwolle een
boek toegevoegd dat een overzicht wil geven van de gebeurtenissen
tijdens de eerste honderd jaar, die in 1984 sinds de opening
van het Sophia Ziekenhuis zijn verstreken.
In de inleiding zegt de schrijver, dan wel de vierhoofdige redactie
(het wordt nergens duidelijk wie voor de tekst van de verschillende
onderdelen getekend heeft), dat de geschiedenis van
het Sophia Ziekenhuis opgevat kan worden als ‘spiegel van een
eeuw ziekenhuiswezen in Nederland’. Een forse uitspraak, die geheel
voorbijgaat aan het feit dat de Nederlandse samenleving is
verdeeld in hokjes, en dat deze hokjesgeest zich nergens duide2
8 ‘.•’ • • • . ‘ • ” •. ‘ . ‘ .. . ; • / . • – • . • • ‘
lijker openbaart dan in het ziekenhuiswezen. Men kan rustig stellen,
dat iedere godsdienstige richting in ons land wel ergens,
ooit, een ‘eigen1 zieken- of gasthuis heeft gesticht, beheerd of
geëxploiteerd, en het zou te ver voeren om te stellen, dat de
honderd jaar geschiedenis van EEN ziekenhuis maatgevend kan zijn
voor het gehele Nederlandse ziekenhuiswezen. Men kan dé verschillen
heel duidelijk in.de architectuur herkennen, en ook in Zwolle
is dit te zien aan de beide ziekenhuizen, die nauwelijks tien
jaar in bouwperiode verschillen.
Zo is dus dit mooi uitgevoerde, stevig gebonden en zeer ruim geillustreerde
boek een schoolvoorbeeld geworden van een hybride,
een tussenvorm, een muilezel. Het is, afgezien van de poging om
een chronologische volgorde aan te houden, geen logisch opgezet
geheel geworden, maar een verzameling anecdotes, doorspekt met
hier en daar verspreide persoons- en exploitatiegegevens en incidenteel
een (meestal illustratieve) vergelijking met het heden.
Het is jammer om te moeten stellen, dat het belang van het ziekenhuis
om een ‘heus’ gedenkboek te: doen verschijnen het heeft
moeten afleggen tegen het belang van de uitgever, die een goed
verkopende en daardoor risicoloze uitgave het licht wilde doen
zien: een soort stripverhaal, weliswaar zonder tekstwolkjes, maar
wel geschreven in een stijl die onbegrijpelijk infantiel aandoet.
Voorbeelden hiervan zijn op vrijwel iedere pagina te vinden, zoals
de ‘heuse’ operatie (p.23); de orthopedist (=maatschoenmaker)
op pagina 119, waar waarschijnlijk een orthopaedisch chirurg
wordt bedoeld; het adjectief ‘steriel’ wordt in de tekst ‘rein’
terwijl het ‘bacterievrij’ moet zijn (p.84); en met de ‘heuse’
verpleegster op pagina 27 zal de schrijver waarschijnlijk een gediplomeerd
verpleegkundige bedoeld hebben. Het op pagina 116 afgebeelde
zusterhuis staat parallel aan de Philosofenallee en niet
aan de Rhijnvis Feithlaan, zoals het bijschrift vermeldt. Het getuigt
van weinig inzicht in de achtergrond van Staphorster polio
•epidemie’ om juist in verband met deze bevolkingsgroep van ‘de
duvel’ te spreken, ondanks de daarop in de tekst volgende goedpraterij.
Daarnaast vertoont de tekst een aantal niet te excuseren slordigheden,
zoals het abrupt afbreken van de anecdote waar men nog een
afsluitende alinea verwacht (zie bijvoorbeeld pp. 43 en 77). Het
tonnetjesstelsel heeft in de verste verte niets te maken met een
zielig kind; de prostitutie niets met Vitringa en de controverse
tussen hem en zijn collega Frank.
Dit allemaal is op zichzelf misschien nog niet zo erg; wat echter
veel zwaarder weegt (en hier heeft de redactie de kans om er nog
enigszins een gedenkboek van te maken volledig gemist) is, dat er
29
uitermate willekeurig is omgesprongen met de naamsvermelding bij
de vele foto’s. Deze zijn geheel systeemloos, de ene maal wel,
de andere maal niet opgenomen. Een appendix of aanvullend register
waarin alle namen (voor zover te achterhalen) vermeld hadden
kunnen worden zou het boek enige historische waarde hebben verleend.
De heer Eikelboom is, behalve op pagina 131, ook op pagina
86 afgebeeld: waarom niet vermeld ? Waarom moeten de artsen
op pagina 108 anoniem blijven”? Het boek zou aldus met een eenvoudig
naamsregister en vermelden van functies en datum van de
foto nog énige functie als gedenkboek hebbén kunnen krijgen. In
de huidige vorm ware zeker een naamsvermelding van portier Verhagen
op pagina 142 op zijn plaats geweest, een man die het ziekenfonds
(en de kleine particulier van die tijd) kapitalen heeft
bespaard door patiënten met oppervlakkig letsel naar hun huisarts
terug te sturen.
Het is verdrietig te moeten constateren, dat er ook nog historische
onjuistheden zijn vermeld. Het hongeroedeem in de vorige
eeuw op pagina 9 is vocht, dat uit de duim van de schrijver is
gezogen. Voedseldroppings hebben in de oorlog slechts tussen 29
april en 8 mei 1945 in het westen van ons land plaatsgevonden en
zeker niet ‘regelmatig’ zoals de tekst ons op pagina 97 wil wijsmaken.
De op pagina 101 afgebeelde pakjes cigaretten zijn in de
jaren 1941 – 1942 sporadisch uitgegooid. Er is in Zwolle DRIE
maal (buiten de vermelding op pagina 41) een landelijk medisch
congres gehouden (1857, 1881 en 1975) waarvan het tweede misschien
gezien moet worden als een soort.’beloning’ voor het. in
de boezem der Maatschappij Geneeskunst terugkeren van de Zwolse
artsen, die zich daaruit in 1861 hadden teruggetrokken als protest
tegen de wetgevingsplannen van Thorbécke op de uitoefening
der geneeskunst. De eerste cardioloog tenslotte, die in het
Sophia Ziekenhuis aantrad, was Van Deth en niet Enthoven.
Het is uitermate jammer dat er zoveel onjuiste gegevens zijn vermeld:
het maakt het boek, hoe aardig en leuk het dan ook als
kijkboek mag tonen, mét de voortreffelijke (hedendaagse kleuren-)
foto’s van staffotograaf Van Dam en de nette typografische verzorging,
vanuit historisch oogpunt tot een mislukte uitgave. Met
name de miserabele tekst, het ontbreken van ook maar een enkele
chronologische tabel of historisch overzicht en een aantal onnodige
en vooral slordige fouten maken het tot een werk, dat voor ‘.
de geschiedschrijving van Zwolle of als naslagwerk op de ‘spiegel
van een eeuw Nederlands ziekenhuiswezen’ van geen enkele betekenis
geacht moet worden.
30
MEDEDELINGEN
De oplettende lezer zal wellicht opgevallen zijn, dat het Tijdschrift
‘een andere letter’ heeft. In het eerste jaar werd getypt
op een geleende machine. Dankzij een subsidie van het Comité
Zomerzegels kon de vereniging een (gebruikte) electrische
typemachine aanschaffen. De letter is van het type Olivetti
Livius. Het oorspronkelijk getypte is verkleind naar 90%.
VOORZITTER LEGT DE HAMER NEER
De voorzitter van onze vereniging, N.D.B. Habermehl, treedt op
1 maart aanstaande af als bestuurslid. Hij is met ingang van die
datum benoemd tot chef lager en middelbaar nautisch onderwijs
van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Hierdoor wordt
hij gedwongen zich in het westen des lands te vestigen, hetgeen
medio 1985 zal gebeuren. Hij acht het echter voor de vereniging,
zijn nieuwe functie en zichzelf beter om per 1 maart zijn werkzaamheden
voor de vereniging te stoppen.
Uiteraard wensen wij hem geluk met zijn nieuwe functie, maar zijn
vertrek zal een gevoelig verlies voor de vereniging betekenen. Als
één van de initiatiefnemers tot de oprichting van de vereniging
en later als voorzitter heeft hij grote inzet vertoond. Die inzet
werd in korte tijd beloond met een groot aantal leden en een goedlopende
vereniging. Daarnaast is hij een gedegen wetenschapper,
waarvan hij in het Tijdschrift en het Jaarboek menig bewijs heeft
geleverd. Wij zullen zijn organisatietalent en, in de bestuursvergaderingen,
bij bijeenkomsten en vertegenwoordigingen, zijn
leidinggevende capaciteiten missen, evenals de vele gezellige
uren bij hem en zijn vrouw thuis.
Nico en Jeannette bedankt! Het ga jullie goed.
Plaatsvervangend voorzitter.
Het voorzitterschap zal tot de algemene ledenvergadering worden
waargenomen door de secretaris, J. Hagedoorn.
LEZINGENCYCLUS “ZWOLLE IN DE MIDDELEEUWEN”
De lezingen die hét bestuur van de Zwolse Historische Vereniging
in 1985 organiseert, hebben “Zwolle in de middeleeuwen” tot onderwerp.
Het ligt in de bedoeling dat hierbij aandacht wordt geschonken
aan zowel de methode van het onderzoek en geraadpleegde
bronnenmateriaal als aan het uiteindelijke resultaat.
31
Vier sprekers hebben zich bereid verklaard een onderwerp voor
hun rekening te nemen. R. van Beek, als geen ander thuis op het
gebied van de archeologie, spreekt over het Zwolse bodemarchief,
in het bijzonder over de recente vondsten bij het voormalige
kasteel Voorst en bij de Diezerpromenade. Naast een groot aantal
dia’s die het betoog ondersteunen, zullen enkele opzienbarende
vondsten worden getoond.
De lezing van drs. F.C. Berkenvelder, directeur van de Gemeentelijke
Archiefdienst Zwolle, is gebaseerd op geschreven bronnen.
Op basis van deze bronnen geeft hij een korte schets van de Zwolse
geschiedenis in de late middeleeuwen om vervolgens de relatie
met de Hanze nader uit te diepen.
Het kunsthistorisch aspect wordt behandeld door drs. D.J. de
Vries. Deskundig op het gebied van de bouwkunst en de beeldende
kunst, laat hij mede aan de hand van dia’s iets zien van het
rijke kunsthistorische verleden van onze stad.
Aan de zieken- en armenzorg wordt door drs. N.D.B. Habermehl aandacht
geschonken. Het accent ligt hierbij op het Heilige Geestgasthuis,
Zwolle’s eerste ziekenhuis, het Heilige Kruisgasthuis,
gesticht ten behoeve van de melaatsen en het Pestengasthuis.
De lezingen, twee in het voorjaar en twee in het najaar, worden
gehouden in het gebouw van de Gemeentelijke Archiefdienst, Voorstraat
26 te Zwolle. De aanvangstijd is steeds 20.00 uur. De lezingen
zijn gratis toegankelijk voor leden en hun introducé(e)s.
Op een later tijdstip volgen de preciese data waarop de lezingen
worden gehouden.
Voor nadere informatie kunt U zich wenden tot N.D.B. Habermehl,
Philosofenallee 24, 8023 TB Zwolle (telefoon 038 – 53.91.91).
MEDEDELING GEMEENTELIJKE ARCHIEFDIENST ZWOLLE
De gemeente-archivaris, drs. F.C. Berkenvelder, heeft ons verzocht
de onderstaande mededeling te plaatsen.
Wegens personeelsinkrimping als gevolg van de bezuinigingen ziet
de Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle zich helaas genoodzaakt de
serviceverlening aan het publiek te beperken.
De openingstijd van de studiezaal zal met anderhalf uur per werkdag
moeten worden teruggebracht.
Met ingang vai. 1 januari 1985 zal.de studiezaal derhalve voor het
publiek uitsluitend geopend zijn:
3 2 . . • • ••• . .
00 maandag tm vrijdag 10.00 – 12.30 uur en
• . 13.30 – 17.00 uur . … .
00 dinsdagavond 19.00 – 22.00 uur
(voorwaarden bij de archiefdienst te vernemen).
NEERGESTORTE VLIEGTUIGEN ZWOLLE 1940 – 1945
De heer J.L. Schotman, Melissepad 8, 8042 HV. Zwolle (telefoon
038 — 21.56.65) speurt al jaren naar gegevens over neergestorte
vliegtuigen in het gebied Zwolle/Zwollerkerspel tijdens de oorlogsperiode
1940/1945. Wie hem kan helpen met gegevens, ooggetuigenverslagen,
foto’s, restanten enz. wordt verzocht contact
op te nemen met de heer Schotman.
TENTOONSTELLINGEN 1985 PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
18.01 – 17.03 FELIX
Een tentoonstelling over het werk van deze
Zwolse schilder met speciale aandacht voor
de Zwolse vestingwerken.
02.02 – 19.05 KINDERPRENTEN
04.05 – 12.05 ZWOLLE TIJDENS DE BEZETTING
Een tentoonstelling, georganiseerd door de
Zwolse Historische Vereniging, over het ge-
. . wöne leven in Zwolle tijdens de oorlog van
;•••••••• 1940 – 1945. –
24.05-09.08 STADSPLATTEGRONDEN .
— .. ..06 – .. .07 , VOORWERPEN UIT OVERIJSSELSE SYNAGOGEN
09.08-17.08 KERMISTENTOONSTELLING
De geschiedenis van muziek op de kermis.
…09 -…11 MODERNE ARCHITECTUUR IN OVERIJSSEL
…12- …02/86 WEESHUIZEN IN OVERIJSSEL
De exacte data worden te zijner tijd in de pers bekend gemaakt.
Leden van de Zwolse Historische Vereniging hebben op vertoon van
hun ledenkaart gratis toegang tot het Provinciaal. Overijssels Museum.
Dit geldt ook voor huisleden (jaarcontributie f 7,50).
Voor meer inlichtingen over de tentoonstellingen kunt Ü contact
opnemen met educatief medewerker Peter Paul Kerpel, telefoon 038-
2T.46.5o.. .•;. ••. .-•• .’•.’

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1989, Aflevering 1

Door 1989, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

2/ 6 1
1989
ZWOLcS
HI&TOQISCH
TIJD6CHDIFT
ZWOlét HlóTODISCBt VEDtNIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG ZES / 1989
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 Simson en Delila,
niet van Gesina ter Boren Lydie van Dijk
6 Het leven in de dertiger jaren binnen de muren van
een herenhuis gelegen aan de stadsgracht van Zwolle
Wiet Kühne-van Diggelen
•Q Windesheim en de nood der archeologie
R.Th.M. van Dijk
26 VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
VAN DE INSTELLINGEN
30 Mededeling van het gemeente-archief Zwolle: Over de
IJssel Distributie Vereniging (1916-1920)
J.J. Seekles
31 Mededeling van het rijksarchief in Overijssel:
Repertoria op de registers van de particuliere leenkamers
in Overijssel 1400-1809
3 2 Tentoonstellingsagenda POM
.. PERSONALIA
IWOLêE lilêTODIêCMt VIDENICINC
VAN DE REDACTIE
Het eerste lustrumjaar van de Zwolse Historische Vereniging
is alweer achter de rug en met dit tijdschriftnummer
gaat de vereniging vol goede moed op weg naar 1993.
De prijsvraag die vorig jaar ter gelegenheid van het
lustrum is uitgeschreven onder middelbare scholieren
heeft een dubbele prijswinnaar opgeleverd: Thomas Casparie
en John Sanders schreven samen een werkstuk over de
werkloosheid in Zwolle gedurende de jaren ’30. De eerste
prijs was onder andere publicatie van de scriptie in dit
tijdschrift. U kunt dat in het volgende nummer verwachten.
Deze keer is het tijdschrift gevuld met drie artikelen,
een lijst met verschenen publicaties over Zwolle, archiefmededelingen,
een boekbespreking en de tentoonstellingsagenda
van het POM. Het artikel van Lydie van Dijk
gaat in op een schilderij waarop Simson en Delila zijn
afgebeeld. Wiet Kühne-Van Diggelen schetst de sfeer in
het huis aan de stadsgracht waar haar grootouders woonden
en R. Th. M. van Dijk geeft nogmaals zijn visie op
de ligging van het klooster te Windesheim. Hiermee zijn
de twee verschillende opvattingen over deze vraag ook in
dit tijdschrift gepubliceerd en zal de discussie – althans
voor de redactie – gesloten zijn totdat er echt
nieuwe ontwikkelingen zijn mee te delen.
SIMSON EN DELILA, niet van Gesina ter Boren
LYDIE VAN DIJK
In het POM bevindt zich een schilderij, gemerkt en gedateerd
“Gesina ter Borch. fe: Ao 1665”. Het betreffende
schilderij, waarop Simson en Delila zijn afgebeeld, is
154 x 152 cm. groot en is in 1887 aangekocht.
Onlangs is door mevrouw Christina J.A. Wansink, medewerkster
van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie
in Den Haag, naar mijn mening duidelijk bewezen
dat dit schilderij niet door Gesina ter Borch geschilderd
kan zijn. 1)
Andere schilderijen die met zekerheid aan Gesina toe te
schrijven zijn, zijn niet bekend. Zij heeft veel tekeningen
en aquarellen gemaakt, waarvan het merendeel zich
in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam bevindt. In het
POM zijn twee aquarellen van herbergtaferelen, gedateerd
1686 en 1687, van haar hand aanwezig.
Gesina ter Borch was de dochter van Gerard ter Borch de
Oude en Wiesken Matthijs. Zij werd op 15 november 1631
in Deventer geboren. Zij heeft les gehad van haar vader
en haar halfbroer Gerard, die 14 jaar ouder was.
Ik twijfelde reeds lang aan het feit dat Gesina ter
Borch het schilderij Simson en Delila geschilderd zou
hebben, omdat het stilistisch totaal anders is dan haar
tekeningen. De waterverftekeningen van Gesina zijn zeer
levendig van stijl. Mevrouw Wansink heeft verwantschap
ontdekt met het werk van de Utrechtse schilder Hendrik
Bloemaert (1601-1672). Deze verwantschap is vooral opvallend
bij een vergelijking met een in 1986 bij Christie’s
in Londen geveild schilderij van een musicerend
paar. Dit schilderij is gesigneerd door Hendrik Bloemaert
en gedateerd 1660. Niet alleen de houding van het
paar, een zittende vrouw die zich over haar schouder
naar de toeschouwer wendt, en een staande voorovergebogen
man, komt overeen met Delila en haar helper, maar
ook de kleding en de gezichtstypen vertonen een opvallende
gelijkenis.
Hoe kon nu een schilderij, dat stilistisch zo weinig overeenkomsten
vertoont met tekeningen van Gesina ter
Borch, voor een werk van haar hand gehouden worden?
Vooral natuurlijk omdat het doek voluit gesigneerd en
gedateerd is. In het verslag van de vergadering van de
Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en
Geschiedenis van 10 november 1937 staat vermeld: “Het
doek … verkeerde tot nu toe in een extra droeve staat,
hier en daar scheuren, hier en daar gaten, hier en daar
het oude linnen in hopeloozen staat van vergaan. Volgens
de overlevering zou het geschilderd zijn door Geziena
ter Borch …; maar geen signatuur, geen onderteekening
was ooit bij menschenheugnis op ‘ t half vergane doek
ontdekt.”
Hendrik Bloemaert, Simson en Delila (foto: POM)
Geüina ter Borch, zelfportret, Rijksmuseum, Amsterdam
(foto: POM)
Het schilderij werd voor 1937, toen het gerestaureerd
is, beschouwd als een werk van Gesina ter Borch. Bij deze
restauratie kwam ook de signatuur en de datering aan
het licht, zodat de overlevering bevestigd werd. Nauwkeurige
beschouwing van de signatuur roept echter twijfels
op over de authenticiteit ervan. Waar de naam “Gesina
ter Borch” staat, is duidelijk iets weggepoetst.
Er zijn sporen te zien van een andere, jammer genoeg
niet leesbare signatuur. Bij de datering “fe: Ao 1665″
zijn deze verschijnselen afwezig. Deze lijkt wel oorspronkelijk
te zijn. Volgens mevrouw Wansink correspondeert
dit met de wijze waarop Hendrik Bloemaert signeerde.
Bij vergelijking tussen de twee onderdelen van de
signatuur zijn duidelijke verschillen te zien: de datering
is met een andere kwast geschilderd dan de signatuur,
hetgeen bijvoorbeeld bij de e in Gesina en in fe:
blijkt. Zou de restaurateur in 1937 de overlevering een
handje geholpen hebben door een moeilijk leesbare signatuur
te ‘herschrijven’?
Het POM is nu het enig bekend schilderij van Gesina ter
Borch kwijt, maar een uitstekend werk van de Utrechtse
schilder Hendrik Bloemaert rijker.
Noot:
1) Christina J.A. Wansink, ‘Simson en Delila; niet Gesina
ter Borch, maar Hendrik Bloemaert1, in: Oud Holland,
1988 no. 3, pag. 236-241.
J
5’ ” • – – • > * ‘
Signatuur op het schilderij, “Simson en Delila” (foto:
POM)
HET LEVEN IN DE DERTIGER JAREN BINNEN DE MUREN VAN EEN
HERENHUIS GELEGEN AAN DE STADSGRACHT VAN ZWOLLE
WIET KÜHNE-VAN DIGGELEN
Zwolle heeft haar oude herenhuizen weer lief. Niet dat
die liefde ooit helemaal was verdwenen, maar zij was wel
lichtelijk bekoeld. Het lijkt wel of er in zo’n situatie
iets moet gebeuren om bij de bevolking het besef terug
te brengen dat haar monumenten onmisbaar zijn. Zij vertellen
immers de geschiedenis van de stad.
De gebeurtenis die Zwolle weer extra heeft wakker geschud
is de afbraak van het Gouverneurshuis. Het stond
in het Ter Pelkwijkpark en had aan de goede luisteraar
vele interessante verhalen kunnen vertellen. Nu is er
geen deur, geen plafond, geen kast en geen enkel donker
hoekje van dat bewuste huis meer dat de herinnering van
vroegere bewoners kan terugbrengen of de fantasie kan
inspireren van een geduldige navorser.
O, als de herenhuizen die al meer dan honderd jaar in
Zwolle staan hun herinneringen eens zouden prijsgeven,
hoeveel meer zouden wij dan weten over het dagelijks leven
in vroeger tijden, over de gewoonten en vooral de
gedachten van de mensen, die tientallen jaren geleden
geleefd hebben.
Een van die huizen is mij dierbaar als geen ander. Daar
woonden sinds 1892 mijn grootouders van Diggelen en in
de dertiger jaren mocht ik daar lange zomervakanties logeren.
Toen konden “de muren nog spreken”, omdat de bewoners
al heel lang in hetzelfde huis vertoefden en
daarbij de tijd namen om de oude verhalen levend te houden.
Werd er veel gepraat? Jazeker! Door de familie tijdens
de koffie of de thee in de salon, tijdens de maaltijden
in de eetkamer en gedurende de lange avonden in het boudoir
of de herenkamer. Er werd gepraat door de heren op
hun sociëteit, door de dames op hun jours en door de
echtparen tesamen tijdens de zondagmiddagvisites. Die
duurden wel niet zo lang want er moest een groot aantal
worden afgewerkt op de zondag, maar zij waren wel zo
frequent dat men ruimschoots op de hoogte bleef van het
laatste nieuws. De familie praatte op een zomerdag in de
theekoepel in de tuin, tijdens een autorit (zelfs op hoge
toon en in onenigheid als zich technische mankementen
• . * »*»*••. “*. A»’. * • < " * ' ? ' Het pand Van Royensingel 18, waarop het verhaal van W. Kühne betrekking heeft (foto in bezit van de auteur). voordeden, welke door de chauffeur moesten worden verholpen, die was erop gekleed!), met de kinderen bij al het mooie oude speelgoed in de kinderkamer en, maar dat was meer mannenwerk, bij het kiezen van de wijn in de wijnkelder in het souterrain. Ook door het personeel werd gepraat, natuurlijk, in hun grote keukens of bij hun werk in huis (als Mevrouw het maar niet hoorde!). In de mangelkamer op dinsdag, de hele dag mangelen, strijken en vouwen na al het werk in de waskeuken op maandag. Ook daar werd gepraat, al moest dat dan wel harder boven het geluid van de pruttelende wasketels, het neerkletsende wasgoed en de dansende wringer uit. En niet te vergeten in de meidenkamer, daar was het prettig praten, onder elkaar 's avonds voor het slapen gaan konden de meisjes alles kwijt wat ze de hele dag hadden moeten opzouten. Tijdens de boodschappen bij de winkeliers was er ook vaak tijd genoeg om te praten. De bestelde boodschappen werden opgehaald; betalen hoefde niet, alles ging op de Het pand Van Royensingel 18, gezien vanaf de achterzij de (foto in bezit van de auteur). rekening, die eenmaal per jaar werd betaald. Op 2 januari ging de knecht de rekening voor de familie halen en betalen. En bij al deze bezoeken kreeg men het laatste nieuws uit de stad gratis bijgeleverd. Werd er teveel gepraat? Ja en nee. Teveel over orde en netheid, over wat men wel en niet kon doen en vooral over alles wat men moest doen om aan sociale leven deel te hebben. Teveel over de strakke dagindeling: alles ging op de klok en o wee, als iets of iemand te laat was. Teveel zo dat derden het niet mochten horen. (Kwam er iemand onverwacht binnen dan zei Opa snel tegen Oma: "Don't speak about it!" Dan rapporteerden de kinderen elkaar later: "Het was weer spiekerbout!") En ach, zoveel over 'hoe hoort het' en de schande over degenen die daartegen zondigden. Teveel over wat verkeerd was gegaan of gedaan en hoe onoverkomelijk erg dat was. Een gebroken bordje was een kleine ramp! Een vermeende beledeging ging pas na lange, lange tijd in het vergeetboek. Misschien werd er teveel gepraat over het hoe en te weinig over het waarom van de dingen. Te weinig over innerlijke roerselen, over menselijke gevoelens. Dat dééd je niet, stel je voor! Er werd geconverseerd. Conversatie was tot een soort kunst verheven, die men leren moest: het tot op de bodem uitdiepen van een onderwerp gedurende lange tijd en liefst een onderwerp, dat geen van de aanwezigen werkelijk persoonlijk aanging. Dreigde de conversatie een dieper menselijk probleem te raken dan was het de kunst onmiddellijk van onderwerp te veranderen. Mijn grootmoeder was daar een meester in. Er kon echter naar mijn smaak nooit teveel worden gepraat over vroeger, over alles wat zich in en om het grote huis had afgespeeld. Over de kwajongensstreken van mijn vader en zijn broers. Over de 'practical jokes' van mijn grootvader, over zijn avonturen met zijn auto, die begin 1900 het rijtuig verving en over de trouwe koetsier, later chauffeur Jan, voor wie wij kinderen groot ontzag hadden. Die verhalen hebben zoveel indruk op mij gemaakt, dat ik ze verzameld heb in het boek Het deurtje van Zwolle.1) In 1941 zijn de vertrouwde stemmen in het huis verstomd. De Duitsers hadden in 1940 het pand gerequireerd. Mijn grootvader kreeg enkele kamers toegewezen om in te blijven wonen en probeerde aldus zijn bezit te bewaken in de hoop, dat de bezetting van korte duur zou zijn. Vreemde stemmen, bevelen en geluiden vulden de kamers, de hal, het trappenhuis, het sousterrain. Op den duur bleek dit 10 een ondragelijke toestand en moest de familie het huis verlaten. Zo kwam er een droevig einde aan een periode van meer dan vijftig jaren, waarin het pand de warmte en levendigheid van een echt familiehuis uitstraalde. Noot: -W. Kühne-van Diggelen, Het deurtje van Zwolle. Herinne- ringen aan een honderdjarig herenhuis, Hoogeveen 1988. 11 WINDESHEIM EN DE NOOD DER ARCHEOLOGIE DR. R.TH.M. VAN DIJK Na de plechtige aanbieding van de herdenkingsbundel Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij de IJssel (Kampen, 1987) op 2 oktober 1987 is het ongeveer een jaar rustig geweest in de discussie over de oorspronkelijke ligging van het geheel verdwenen klooster te Windesheim. In de vorige aflevering van dit tijdschrift heeft R. van Beek de pen weer ter hand genomen (1). Op enkele details na is deze bijdrage inhoudelijk gezien slechts een herhaling van hetgeen reeds in de bundel Windesheim is gepubliceerd. Van Beek geeft er zelfs geen blijk van de bedenkingen van F. Koorn tegen zijn historische en archeologische conlusies te hebben gelezen (2) . Uitgangspunt voor verdere discussie blijft uiteraard de lijnrecht tegenover elkaar staande bijdragen over de locatie van het klooster (3). Verder zijn nog enkele andere artikelen in genoemde bundel voor de discussie van belang (4). Over de principiële vraagstelling - waar lag de kloosterkerk met het 'claustrum'? - is iedereen het eens. Alleen zat het getij niet mee: archeologen zijn nu eenmaal afhankelijk van wat de bodem prijsgeeft en van het eigenlijke klooster werd tijdens opgravingen geen spoor gevonden. Hierdoor trad gebrek aan voldoende historische kennis omtrent de locatie des te opvallender aan het licht. In deze bijdrage wil ik aantonen: 1. dat het historisch vooronderzoek van Van Beek onvoldoende is en hem slechts in staat stelt tot een globaal en statisch-historisch beeld zonder diachronische dimensies, 2. dat gebrek aan kennis en begrip van bepaalde onmisbare Latijnse bronnen het archeologisch onderzoek nadelig heeft beïnvloed, 3. dat het de archeologen aan inzicht in het bouwplan van klooster-complex te Windesheim heeft ontbroken. 1. Een statisch-historisch beeld Een van de meest voorkomende fouten in de drie bijdragen van Van Beek is het gebrek aan logica. Hij conludeert voortdurend te veel uit te weinig premissen - een berucht verschijnsel in de logica. Daartoe poneert hij onbewezen beweringen als stellingen en daagt zijn opponent uit tot het bewijzen van het tegendeel. Verwijzend naar zijn artikel over de oudste geschiedenis 12 van Windesheim, stelt Van Beek dat hij heeft "aangetoond dat in de middeleeuwen vijf hoeven (d.w.z. zeggen boerderijen met hun landerijen, enz.) in Windesheim bestaan hebben" (5). Hierbij heeft hij "getracht de ligging van de oorspronkelijke boerderijen op de twee rivierduinen in Windesheim zo goed mogelijk aan te geven" (6). Uit eerder door Van Beek verricht historisch onderzoek blijkt dat de hoeve van Bertold ten Have te Windesheim ten zuiden begrensd was door de hoeve Oding en ten noorden door de hoeve van Wolbertus (7) . Op grond hiervan concludeert Van Beek dat hiermee "de onderlinge ligging van deze drie hoeven op het rivierduin was vastgesteld ..." (8). De vraag blijft waar de boerderijen en de erfscheidingen precies lagen. Om deze vraag te beantwoorden veronderstelt Van Beek een strakke agrarische structuur die aan de vorming van de buurschap Windesheim ten grondslag zou hebben gelegen, in de Karolingische tijd door het sterk centrale gezag zou zijn opgelegd en zou hebben geresulteerd in vijf hoeven van elk 40 ha. Uit dit oogpunt blijkt er voor de hoeve van Lubertus van Windesheim op het langgerekt rivierduin geen plaats te zijn geweest, zodat deze "volgens de gegevens van anderen" - Van Beek vermeldt niet wie - "in de buurt van het hoefijzervormige rivierduin (moet) hebben gelegen" (9). Van Beek houdt, mede "op grond van gegevens uit andere buurschappen" - hij vermeldt niet welke -, zonder meer vast aan de veronderstelde strakke agrarische structuur van de buurschap en besluit: "Op basis van deze gegevens heb ik de grens tussen de hoeve Odink en de hof van Windesheim op het rivierduin tussen de huidige boerderijen van Van den Oort en Wytenhorst gelegd" (10). Dit alles is niet meer dan een reeks veronderstellingen, die op zich juist kunnen zijn, maar niet bewezen worden. Het enige echte bewijsstuk waaraan Van Beek refereert is de acte van 23 november 1386, waarbij de Utrechtse bisschop Florens van Wevelinckhoven verklaart dat hij enkele met name genoemde en aan de broeders van Deventer geschonken goederen, waaronder de "hof toe Windessem, die van Bertoldus ten Haeve was ..." bij het klooster te Windesheim geïncorporeerd en tot geestelijk goed gemaakt heeft (11). Van Beek komt niet verder dan een globale hoevenverdeling in de veertiende eeuw. Daarbij plaatst hij alle hem bekende gegevens in één statisch-synchronisch perspectief. Hij verschaft onvoldoende dynamischdiachronisch inzicht in de topografische verschuivingen die door verkoop en verpachting, vererving en schenking voor, in en na de veertiende eeuw op het rivierduin van Windesheim hebben plaats gevonden (12). F.Koorn betreurt 13 het dan ook dat Van Beek "al in 1400 weer ophoudt" en vraagt zich af "of zijn reconstructieschets wel klopt" i (13). In mijn bijdrage heb ik in dit verband gewezen op |het belang van nader onderzoek in de rentmeestersarchie- | ven van het rentambt 'Klooster te Windesheim' voor de ilocatie van het klooster (14). Om dezelfde reden heeft ,F. Koorh ervoor gepleit "ook de Sallandse schattingsregisters uit het eind van de veertiende eeuw, de vijftiende eeuw en begin zestiende eeuw eens aan een nauwjkeurig onderzoek te onderwerpen" (15). Totdat dergelijk diachronisch-historisch onderzoek zijn '•vruchten zal hebben afgeworpen, ben ik bereid, op een ^suggestie van Van Beek, de veronderstelde zuidelijke lerfscheiding van de hof van Windesheim discutabel te la- |ten (16). Wel blijf ik wijzen op het mogelijk belang dat uit geografisch of waterhuishoudkundig oogpunt gehecht izou kunnen worden aan de haakse ligging van de zijwegen iaan de Veldweg en de Hollewandsweg, en wel in verband met de oorspronkelijke erfscheidingen (17). Het is im- 'mers nog niet bewezen dat de zuidelijke arfscheiding van jde hof van Windesheim een stuk noordelijker heeft gelegen, zoals Van Beek veronderstelt. ;2. De 'zuidzijde' in het Latijn i iVanuit zijn visie opteert Van Beek natuurlijk voor een izo noordelijk mogelijk gelegen zuidgrens van het erfgoed ^an Bertold ten Have. Want toen de archeologische opgravingen op de noordelijke helft van Windesheim ter hand werden genomen, was men onbekend met het Chronicon Windeshemense van de Windesheimse kloosterchronist Joannes Busch (18). Weliswaar gaf men voor, deze onmisbare Lajtijnse bron te kennen (19). Maar elders valt te lezen dat men pas eind juni - bedoeld is in 1987 - "een copie van een gedeelte van het Chronicon Windeshemense..." ontving (20). Hieruit blijkt dat men zich voor het localiseren van het klooster ten tijde van de opgravingen (oktober 1986 en februari 1987) heeft beholpen met de samenvatting van J.G.R. Acquoy, die onvermeld laat wat in zijn bron wel staat: dat het eigenlijke klooster (kerk met 'claustrum') is gebouwd op de zuidzijde van de hoogte te Windesheim (21). Nu het archeologisch onderzoek op de noordelijke helft fan Windesheim geen sporen van het eigenlijke klooster aan het licht heeft gebracht, zou het Van Beek goed uitkomen wanneer de 'zuidzijde' van Joannes Busch op de noordelijke helft van Windesheim gelocaliseerd zou kunhen worden! Om die reden wil hij ook de noordgrens van het erfgoed van Bertold ten Have zo noordelijk mogelijk localiseren. Daartoe ontkent hij eerst - zonder enig be14 wijs te leveren en in strijd met bewijzen voor het tegendeel - dat de Dorpsstraat vroeger rechtdoor heeft gelopen (22). Vervolgens wijst hij op een 'tegenspraak1 in mijn betoog die er eenvoudig niet is, omdat ik voor de localisering van het eigenlijke klooster in het zuiden en de samenhang hiervan met andere meer noordelijk gelegen gebouwen binnen het totale kloostercomplex de veronderstelde noordgrens uiteraard niet belangrijk acht(23). Tenslotte gaat Van Beek, ondanks gebrek aan diachronisch- historisch feitenmateriaal, "er van uit ... dat de noordgrens van de hof van Bertold ten Have zich iets ten noorden van het huidige kerkhof heeft bevonden" (24). In zijn ijver om het eigenlijke klooster vooral niet op het erf van Van der Oort ten zuiden van de Dorpsstraat te moeten zoeken gaat Van Beek zo ver, dat hij bodemvondsten in de paar sleuven die op genoemd erf getrokken zijn aanvoert als bewijs van zijn gelijk: bodemvondsten wijzen op bewoning, de plek waar het klooster gebouwd werd was volgens de bronnen onbewoond, dus kan het klooster nooit op het terrein van Van den Oort hebben gestaan (25). Alsof de broeders die de bouwplek voor hun klooster in hun ogen als 'onbewoond' aantroffen eerst archeologisch onderzoek hadden moeten doen naar sporen van vroegere bewoning alvorens de term 'onbewoond' te mogen gebruiken! (26) Dit is een van de meest treffende voorbeelden van de logica waarvan Van Beek zich bedient. Zijn argument is trouwens in strijd met de opvattingen die hij zelf elders over de vroegere bewoning van Windesheim heeft neergelegd (27). Er zijn verschillende manieren waarop Latijnse teksten vertaald kunnen worden. Ook Van Beek heeft dat gemerkt (28). Terecht stelt hij, dat voor een juiste vertaling deskundigheid vereist is. Hij waagt zich dan ook niet aan een uitspraak over de juiste vertaling van de passage over de zuidzijde van de hoogte te Windesheim. De tekst die in het geding is luidt, zoals hij door Van Beek elders meer volledig en correct is weergegeven, als volgt: "Quibus solempniter actis et instrumentatis communni omnium decreto conclusum est et firmatum, guod in villa Windesem parrochie Swollensis dyocesis Traiectensis in allodio et bonis Bertoldi ten Have monasterium primum ordinis canonicorum regularium in hiis partibus iam inchoandum et in debita observancia instituendum et reformandum iuxta extremam magistri Gerardi voluntatem in refugium et solacium omnium huius provincie devotorum fundare vellent et edificare pro eo, guod situs loei istius omnino bonus et satis aptus videbatur fundusgue montis 15 in Windesero in australi eius plaqa cum plurimis agris et pratis fructiferis per liberam possesorum suorura resignacionem monasterio iam esset appropriaus"(29). Van deze zin hebben R. van Beek en H. Clevis in hun eerdere bijdrage een volledige vertaling opgenomen (30). Deze laat, globaal genomen, grammaticaal en syntactisch niets te wensen over; er is een vertaler aan het werk geweest die Latijn kent (31). Maar het klassiek Latijn dat deze vertaler waarschijnlijk voor ogen staat is iets anders dan het Neolatijn van de noordelijke Nederlanden in de late middeleeuwen. Met andere woorden: men moet de historische context van een Latijnse tekst kennen om deze niet alleen grammaticaal en syntactisch, maar ook contextueel goed te kunnen vertalen. Juist op het vlak van de contextualiteit laat de vertaling van Van Beek wèl te wensen over, zoals ik zal aantonen. Allereerst is actis et instrumentatis niet helemaal correct vertaald: "Nadat deze dingen plechtig in een akte waren vastgelegd ..." (32). Instrumentum publicum is een rechtsterm die in de veertiende tot zestiende eeuw gebruikt wordt voor een notariële oorkonde betreffende overdracht van goederen, rechten en dergelijke. Instrumentare is het opstellen en uitreiken van afschriften aan de hand van een minuut in het protocol. Daaraan vooraf gaat het afleggen van de mondelinge verklaringen en het uitwisselen van de symbolische handelingen (33). Een betere vertaling - één dus die rekening houdt met de context van de notariële rechtspleging in de late middeleeuwen - luidt: Nadat dit (= mondelinge verklaringen en symbolische handelingen) plechtig was afgehandeld (actis) en in een acte was vastgelegd (instrumentatis) Vervolgens is parrochie Swollensis vertaald als 'kerspel Zwolle' (34). Wellicht heeft de term kerspel in de acte van 23 november 1386 een rol gespeeld (35). Ook zou bij de vertaling gedacht kunnen zijn aan de oude naam van de voormalige gemeente Zwollerkerspel (1802-1967) (36). In de veertiende eeuw behoorde Windesheim kerkrechtelijk echter tot de parochie van Zwolle (37). De juiste vertaling - die rekening houdt met de context van het canoniek recht - luidt daarom: van de parochie Zwolle. Het ging in Windesheim om een klooster in debita observancia instituendum et reformandum. Deze zinsnede is in de bijdrage van Van Beek en Clevis als volgt vertaald: "en volgens behoorlijke observantie geïnstitueerd en gereformeerd" (38). Om juist te kunnen vertalen, moet men weten dat de stichting van het klooster te Windesheim plaats vond tegen de achtergrond van de Europese religieuze observantiebewegingen die in de late middeleeuwen 16 het vervallen kloosterleven zochten te herstellen (39). Ook de Moderne Devotie vormde een geestelijk klimaat waarin met vrucht gewerkt kon worden aan de oorspronkelijke, althans strengere regeltucht (observancia) van de betrokken orde, in dit geval die der reguliere kanuniken van Sint Augustinus. Voor het oprichten (instituere) van een nieuw klooster streefden de moderne devoten, evenals de observanten in andere kloosterorden, ernaar dat dit van meet af hervormd (reformare) - dat is van deze vereiste (debita) observantie - zou zijn. De betere vertaling - die rekening houdt met de historische context van de observantiebewegingen - luidt daarom: en volgens de vereiste observantie opgericht en hervormd. Tenslotte komen wij aan het uitgebreide zinsdeel dat in de geciteerde tekst van Joannes Busch het meest relevant voor de locatie van het klooster is: quod situs . . . appropriatus. De kritische lezer, die de vertaling al betrapt heeft op defecten van notarieel-rechtelijke, canonieke en kerkhistorische aard, mag zich voldoende gewaarschuwd weten. Van Beek hecht aan de volgende vertaling: "omdat de ligging van die plaats in alle opzichten goed en voldoende geschikt leek en er reeds een boerderij (dat wil zeggen land met alle daarop geplaatste bouwwerken) aan de zuidzijde van een/de berg in Windesem met zeer veel vruchtbare akkers en weiden, vrijwillig afgestaan door de bezitters ervan, eigendom van het klooster was geworden" (40). Het is opvallend dat hier "(dat wil zeggen land met daarop alle geplaatste bouwwerken)" zonder verdere verantwoording aan de oorspronkelijke, eerder meegedeelde vertaling is toegevoegd(41). Het gaat namelijk om de vertaling van fundusque montis in Windesem in australi eius plaga. In het laatmiddeleeuws Latijn van de noordelijke Nederlanden betekent fundus in de eerste plaats 'bodem' (solum, pars ima), vervolgens 'grond' (terra) of 'stuk grond (bij een hoeve behorend)' (agres, area, praedium), maar nooit alleen 'boerderij' (= boerenwoonhuis, domus agriculturae, praedium rusticum) (42). De discussie over de vertaling van fundus . .. plaga is niet zonder relevantie. Heel het betoog van Van Beek is er immers op gericht de aanwezigheid van een boerderij op de zuidzijde van het land van Bertold ten Have te bewijzen. Want daar kon het klooster niet gebouwd worden! Daarom verwerpt hij mijn vertaling ("grond van de hoogte te Windesheim op de zuidzijde daarvan met zijn talrijke vruchtbare akkers en weiden") als "niet in overeenstemming met de situatie op het rivierduin" en handhaaft hij de zijne ("een boerderij aan de zuidzijde van een/de berg in Windesheim met zeer veel vruchtbare akkers en 17 weilanden") (43). Voor de kloosterbouw zou men "de hoogte (de berg) ten noorden van de Dorpsstraat (waar het klooster zou worden gesticht)" gekozen hebben "en werd alleen het deel ten zuiden van de Dorpsstraat in beslag genomen door de boerderij en eventuele andere bouwwerken, het zognaamde agrarische gedeelte". Deze "zal' men aanvankelijk in takt hebben gelaten", omdat "ten noorden van de Dorpsstraat een onbebouwde hoogte lag die volgens de broeders uitnemend geschikt was voor de bouw van het klooster" (44). Dit alles vormt opnieuw niet meer dan een reeks onbewezen beweringen. Hoe was de situatie op het rivierduin? Van Beek heeft daarover een uitgesproken mening: "Hierbij gaat het mijns inziens natuurlijk om de zuidzijde van de hoogte van Windesheim voor zover die op de hof van Bertold ten Have betrekking had; niet om de zuidzijde van het langgerekte rivierduin" (45). De Latijnse tekst verplicht evenwel tot een andere vertaling. In de visie van Van Beek had er moeten staan in australi sua plaga (op zijn zuidzijde, dat is de zuidzijde van de hof van Bertold ten Have). Er staat echter in australi eius plaga (op de zuidzijde daarvan, dat is de zuidzijde van de hoogte te Windesheim). Van Beek's vertaler heeft het zeer relevante niet-reflexief pronomen possessivum eius helaas over het hoofd gezien! Het gaat in het Chronicon Windeshemense wel degelijk om de zuidzijde van het langgerekte rivierduin, waar volgens het getuigenis van Joannes Busch het klooster is gebouwd. 3. De twee-kernentheorie Er is nog een tweede dwingende reden om het eigenlijke klooster niet op de noordzijde van het rivierduin van Windesheim te zoeken. De resterende kloostergebouwen in dat areaal - de brouwerij (thans kerk) en het lekenziekenhuis (thans pastorie) - kunnen door de aard van hun functie niet tot het eigenlijke klooster - kerk met 'claustrum' - behoord hebben. Het Westeuropees kloosterplan van de oude orden, zoals die der benedictijnen, cisterciënzers en reguliere kanunniken, vertoont steeds een duidelijk onderscheid tussen het eigenlijke klooster (wooncomplex) en de meer of minder verspreid staande dienstgebouwen ('industriële' complex) (46). Het staat vast dat de Windesheimers hun klooster hebben gebouwd volgens de criteria die in hun orde, die der reguliere kanunniken van Sint-Augustinus, golden (47). Nadat het archeologisch onderzoek in oktober 1986 niets had opgeleverd, heb ik op verzoek van de overkoepelende Stichting Windesheim 600 nader bronnen- en literatuuronder18 zoek verricht, dat met medewerking van enkele andere betrokken personen geresulteerd heeft in het voor intern gebruik bedoelde rapport 'Het klooster te Windesheim gelocaliseerd' (48). Hierin wordt aangetoond dat ook het totale kloostercomplex te Windesheim heeft bestaan uit twee kernen: 1. het eigenlijke klooster (kerk met 'claustrum') en 2. de dienstgebouwen. Tevens wordt aannemelijk gemaakt dat voor de localisering van de eerste kern (kerk met 'claustrum1) de boerderij met omliggend land van E. van den Oort het meest in aanmerking komt (49). Toch hebben de betrokken archeologen met de aangedragen inzichten niets gedaan, ook niet nadat in weerwil van adviezen - die door de Stichting Windesheim 600 met klem waren overgenomen - de archeologische opgravingen op de noordelijke locatie waren hervat. Natuurlijk werd er opnieuw niets gevonden en men herhaalde ten overvloede dat het klooster geheel verdwenen moest zijn (50). Het was immers al lang duidelijk dat er hooguit uitbraaksleuven in de bodem verwacht konden worden (51). Maar daarmee was de vraag niet beantwoord waar het eigenlijke klooster precies gelegen had. In hun bijdrage aan de bundel Windesheim zeggen Van Beek en Clevis, zonder enig argument aan te voeren, "dat tegen een twee-kernentheorie het nodige valt in te brengen" (52). Zij stellen simpelweg vast: "Lezing van de kroniek van Busch geeft naar ons idee geen aanleiding om uit te gaan van twee kernen", waarmee zij het gedocumenteerde bewijsmateriaal geheel negeren (53). Hun bezwaren tegen de locatie Van den Oort baseren zij in feite niet op ' lezing van de kroniek van Busch', maar uitsluitend op het bouwkundig onderzoek van D.J. de Vries en G. Berends. Dit onderzoek laat echter een aantal vragen open die tot nu toe niet beantwoord zijn (54). Uit ontevredenheid over de negatieve resultaten van het archeologisch onderzoek en over de kennelijke tegenzin van de archeologen tegen het aanvaarden van gedocumenteerde adviezen van vooral historische aard heeft zich de Historische werkgroep Klooster Windesheim gevormd (55). Voortgezet bronnen- en literatuuronderzoek heeft de deugdelijkheid van de 'twee-kernentheorie' alleen maar bevestigd, juist ten aanzien van het kloostercomplex te Windesheim (56). Nauwgezette analyse van de eerste redactie van het Chronicon Windeshemense van Joannes Busch heeft geleid tot een betrouwbare reconstructie van de verschillende bouwfasen waarin aan het eigenlijke klooster gebouwd en verbouwd is (57). Uit 19 deze belangrijke bron, die in zijn eerste redactie uitvoeriger over Windesheim zelf is dan de meer bekende tweede redactie, blijkt dat wij in Windesheim te maken hebben met een georiënteerde kloosterkerk, aan de zuidzijde waarvan twee naast elkaar gelegen guadraten ieder een pandhof omsloten en waar aan de zuidzijde van het oostelijk pand het keukenkwartier in de vorm van een klein guadraat op aansloot (58). Hiermee staat de constructie van de eerste kern, het eigenlijke klooster (kerk met 'claustrum'), thans volledig vast. Het Chronicon Windeshemense bevat in zijn beide redacties verder tal van aanwijzingen voor de dienstgebouwen die samen met de tweede kern, het 'industriële' complex, vormen. Ook gebouwen als een brouwerij en een lekenziekenhuis, die te Windesheim zonder discussie geïdentificeerd zijn, behoren uit de aard van hun functie tot deze tweede kern. De Vries en Berends concluderen dat de nog bestaande en door hen beschreven 'bouwkundige restanten van het klooster te Windesheim1 "alle na het afsluiten van de kroniek tot stand gekomen zijn" en zij besluiten: "Men zal derhalve vergeefs zoeken naar een relatie tussen deze schriftelijke bron en de gereleveerde bouwkundige restanten (59). Hiermee ontkennen zij iedere historische continuïteit tussen de door Joannes Busch voor 1464 voltooide gedetailleerde beschrijving van het kloostercomplex en alle daarna verrichte bouwactiviteiten op dit terrein. Wetenschappelijk gezien een absurd standpunt! Het lijkt mij een 'contradictio in terminis' om dan nog, zoals De Vries en Berends doen, te blijven spreken van 'de bouwkundige restanten van het klooster te Windesheim'. Zeker ten aanzien van de boerderij van Van den Oort geven zij zelf impliciet toe dat het oudste gedeelte er stond, toen ook het klooster zelf er nog was! (60) Wat lag er meer voor de hand dan de relatie tussen kloosterreconstructie en deze boerderij met omgeving aan een serieus disciplinair onderzoek te onderwerpen, zoals ik bij herhaling heb bepleit? Naast de boven aangehaalde bronnen wijzen ook de overige historische indicaties immers alle in de richting van juist deze boerderij (61). Terwijl, zeker na de mislukking van de opgravingen in oktober 1986 en februari 1987, de locatie Van den Oort voor nader archeologisch onderzoek in aanmerking kwam, creëren Van Beek en Clevis juist daar een zwart gat. Alsof de sporen van het verdwenen klooster niet meer gevonden zouden mogen worden! 4. De nood der archeologie Het heeft de archeologen dus niet alleen aan voldoende 20 historisch vooronderzoek en aan kennis van de Latijnse bronnen ontbroken, maar ook hadden zij geen idee van het kloosterplan van Windesheim en van de feitelijke constructie van kerk en 'claustrum'. In 1933 klaagde W. de Vreese "over den grooten Nood der Nederlandsche Philologie" (62). Hij trok daarmee ten strijde tegen de filologen die met oude teksten omgaan zonder de handschriften waarin deze zijn overgeleverd te kunnen lezen. In de laatste halve eeuw hebben de codicologie en de filologie elkaar gevonden, tot welzijn van de tekstedities, die immers de vrucht zijn van gemeenschappelijke codicologische en filologische inspanning. Het zou te ver voeren om, met een knipoog naar De Vreese, van 'de nood der archeologie' in het algemeen te spreken. Er zijn immers te veel uitstekende voorbeelden van interdisciplinaire samenwerking tussen historici en archeologen (63). Dat een wederzijds verstaan echter niet zo voor de hand ligt, wijt H.L. Janssen aan het feit, "dat in West-Europa archeologen noch historici gewend zijn archeologische gegevens als historische feiten te interpreteren, zodat de archeologische bronnen niet voldoende in het totale historische beeld worden geïntegreerd" (64). In Windesheim is het omgekeerde gebeurd: men heeft de gegevens en aanwijzingen uit de historische bronnen niet in het archeologisch onderzoek kunnen integreren. Het zou goed zijn als in Windesheim, waar de relaties zozeer verstoord zijn geraakt, de archeologie en de geschied- en andere wetenschappen elkaar in een nieuwe, meer heilzame relatie konden vinden. Daarbij zouden de volgende conclusies als uitgangspunten kunnen gelden: 1. de diachronisch-historische en archeologische onderzoekingen dienen in interdisciplinair verband te worden voortgezet, opdat een zo compleet mogelijk historisch beeld van de situatie in Windesheim voor 1387 (bouw van het klooster), tussen 1387 en 1594 (verblijf van de communiteit in het klooster) en na 1596-1598 (afbraak van het klooster) verkregen wordt; 2. het Chronicon Windeshemense wijst ondubbelzinnig de zuidzijde van het rivierduin te Windesheim aan als de plek waar het eigenlijke klooster gebouwd is; 3. het Chronicon Windeshemense toont ontwijfelbaar de aanwezigheid aan van twee kernen die samen het totale kloostercomplex van Windesheim uitmaakten: het wooncomplex (kerk met 'claustrum') en het 'industriële' complex (de dienstgebouwen); 4. de eerste redactie van het Chronicon Windeshemense beschrijft zo nauwkeurig de verschillende bouwfasen van het klooster te Windesheim, dat de samenhang van kerk en 'claustrum' tot in onderdelen nauwkeurig zijn; 21 A. Rademaker, De overblijfselen van één der oude kloosters te Windesheim (foto: POM) 22 5. op grond van de aard van het totale kloostercomplex komt de directe omgeving van de bestaande restanten ten noorden van de Dorpsstraat (kerk, voorheen brouwerij; pastorie, voorheen lekenziekenhuis) juist niet in aanmerking voor nader archeologisch onderzoek naar de eventuele sporen van het verdwenen wooncomplex (kerk met 'claustrum'); 6. de historische indicaties voor de ligging van het verdwenen klooster wijzen de locatie Van den Oort (boerderij en omgeving) aan als meest aannemelijke bouwplaats van het klooster (kerk met 'claustrum'); 7. in het licht van de historische gegevens en indicaties moet de bouwkundige samenhang van de boerderij van Van den Oort met het klooster aan een nieuw kritisch onderzoek onderworpen worden. Noten: 1. R. van Beek, 'Windesheim, klooster in discussie', Zwols Historisch Tijdschrift, V (1988) 76-83. Verder geciteerd als Van Beek. 2. F. Koorn, 'Boekbespreking. Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij de IJssel', Zwols Historisch Tijdschrift, V (1988) 23-27. 3. R. van Beek en H. Clevis, 'Een klooster gezocht. Een archeologisch onderzoek naar restanten van het moederklooster van de Moderne Devotie te Windesheim', Windesheim, 77-91. Verder geciteerd als Van Beek- Clevis; R.Th.M. van Dijk, 'De ligging van het klooster te Windesheim', Windesheim, 93-128. Verder geciteerd als Van Dijk. 4. R. van Beek, 'Tussen keizer en klooster. Een stukje oudste geschiedenis van Windesheim', Windesheim, 17- 24. Verder geciteerd als Van Beek, 'Tussen keizer en klooster; D.J. de Vries en G. Berends, 'De bouwkundige restanten van het klooster te Windesheim', windesheim, 129-149; M. van der Leeuw, 'Windesheim - welstand en grondbezit', Windesheim, 251-264; j. p. van den Berg en D.M. van der Schrier, 'Het water in het historische landschap van Windesheim, Windesheim, 265-305; H. van Dijk, 'De ruimtelijke ontwikkeling van Windesheim', Windesheim, 323-337; W.A. Huijsmans, 'Veldnamen van Windesheim', Windesheim 393-413. 5. Van Beek, 76. Zie ook Van der Leeuw, a.a., 251-252. 6. T.a.p. 7. Van Beek, 'Tussen keizer en klooster', 17- 8. Van Beek, 78. 9. T.a.p. 23 10. Van Beek, 78-79. De onderstreping is van mij. Ook Van Beek, 'Tussen keizer en klooster', 20, gaat niet nader in op het ontstaan van de buurschappen in de Karolingische tijd; hij refereert uitsluitend aan eigen werk. 11. F.C. Berkenvelder, Zwolse regesten, I, 1350-1399 (Zwolle, 1980) 192-193 (nr. 265). Vgl. Van Beek, 76 en 83, noot 3. 12. Vgl. Van der Leeuw, a.a., 252 vlg. 13. Koorn, 'Boekbespreking', 25. 14. Van Dijk, 120,,^.,_.,J:.i;=:^.. _ 15. Koorn, 'Boekbespreking', 26. 16. Vgl. Van Beek, 79 en Van Dijk, 98. 17. Van Beek, 77, figuur 1. Vgl. Van den Berg - Van der Schrier, a.a., 266-290. 18. Des Augustinerpropstes Iohannes Busch Chronicon Windeshemense und Liber de reförmati'one- monasteriorum, K. Grube, ed. Geschichtsguellen der Provinz Sachsen und angrenzender Gebiete XIX (Halle,1886). Verder geciteerd als Chron. Wind. Vgl. Van Dijk, 96-98. 19. Zwolse Courant, 15 oktober 1986 en 4 maart 1987. 20. Van Beek - Clevis, 80. 21. J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed (3 dln; Utrecht. 1875-1880) I, 66; Van Beek - Clevis, 79, citeert Acguoy, t.a.p. Vgl. Chron. Wind., 268. 22. Van Beek, 79. Er zijn echter cartografische bewijzen dat de noordelijke ombuiging wel degelijk een latere correctie op een oorspronkelijke situatie is. Ik acht deze wijziging van belang voor de localisatie van het eigenlijke klooster. Vgl. Van Dijk, 98. Ook Van den Berg - Van der Schrier, a.a., Windesheim, 266, wijzen op een oorspronkelijk andere situatie: "De Dorpsstraat vormt de verbinding met de landerijen op De Esch. Eertijds lag er wat zuidelijker een tweede weg in die richting". 23. Van Beek, 79. Vgl. Van Dijk, 98 en 117. 24. Van Beek, 79, De onderstreping is van mij. 25. Vgl. Van Beek, 80. 26. Chron. Wind., 275, meldt dat de broeders de plek waar het klooster gebouwd zou worden, aantroffen "sine hominum habitaculis", zonder mensenwoningen. 27. Van Beek, 'Tussen keizer en klooster', 20 vlg. 28. Van Beek, 80. 29. Chron. Wind., 268. Vgl. Van Beek - Clevis, 80. De door mij onderstreepte woorden en zinsdelen worden nader besproken. Van Beek, 80, citeert slechts het laatste gedeelte van deze zin, aansluitend bij mijn vertaling, Van Dijk, 96. 30. Van Beek - Clevis, 81. Het is overigens merkwaardig dat Van Beek over deze eerdere bijdrage in zijn 24 jongste artikel in de eerste persoon spreekt en aan het bestaan van de medeauteur, H. Clevis, voorbij schijnt te gaan. Vgl. Van Beek, 80. 31. Drs. H.J. Bruins te Vlaardingen. Vgl. Van Beek - Clevis, 91, noot 13; Van Beek, 83, noot 10. 32. Van Beek - Clevis, 81. 33. Vg. J.F. Niermeyer, Mediae Latinitatis Lexicon minus (Leiden, 1976) 547: "protocolariser, consigner dans un instrument de tabellionat". Met dank aan H. van Bavel O.Praem., archivaris van de Abdij van Berne te Heeswijk-Dinther. 34. Van Beek - Clevis, 81. 35. Berkenvelder, Zwolse Regesten, I, 192. 36. Vgl. F.C. Berkenvelder e.a., 'Windesheimer wetenswaardigheden uit de kerspeler periode 1802-1967', Windesheim, 436. 37. Vgl. bijvoorbeeld Berkenvelder, Zwolse Regesten, I, 203 (nr. 283): bisschoppelijke bevestiging van de stichting van het klooster te Windesheim in de parochie van Zwolle. 38. T.a.p. 39. Zie hierover o.a. H. Grundmann, Religiöse Bewegungen im Mittelalter. Untersuchunqen über die geschichtlichen Zusammenhange zwischen der Ketzerei, den Bettelorden und den religiösen Frauenbewegungen im 12. und 13. Jahrhundert und über die qeschichtlichen Grundlagen der deutschen Mystik. Anhang: Neue Beitrage zur Geschichte der religiösen Bewegungen im Mittelalter (Darmstadt, 1970); R.Th.M. van Dijk, Zur historischen und geistlichen Bedeutung 'Devotio Moderna' für Nordwesteuropa im ausgehenden Mittelalter: Die Reformarbeit des Windesheimers Johannes Busch. Vortrag anlasslich der Kamper Tagung am 21. November 1982 in Kamp. Schriftenreihe der Vereini gung Europaische Begegnungsstatte am Kloster Kamp (Kamp, z.j.); K. Elm, 'Die Bruederschaft vom gemeinsamen Leben. Eine geistliche Lebensform zwischen Kloster und Welt, Mittelalter und Neuzeit', in: Geert Grote & Moderne Devotie. Voordrachten gehouden tijdens het Geert Grote Congres, Nijmegen 27-29 september 1984, onder redactie van J. Andriessen, P. Bange en A.G. Weiier. Middeleeuwse Studies I. Publicatie van het Centrum voor Middeleeuwse Studies Katholieke Universiteit Nijmegen (Nijmegen, 1985) 358- 384. .40. Van Beek, 80. 41. Vgl. Van Beek - Clevis, 81. Mijn bezwaren tegen de eerste vertaling (fundus=boerderij) zijn via het informele circuit blijkbaar tot Van Beek doorgedrongen. 25 42. J.W. Fuchs, Lexicon Latinitatis Nederlandicae Medii Aevi. Woordenboek van het middeleeuws Latijn van de Noordelijke Nederlanden, O. Weijers en M. Gumbert- Hepp, ed. (Leiden, 1977- ), fase. 28(1987) 438- 439 (pp. 2177-2178). Vgl. a.w., III (1986) D 705 (p. 1587). 43. Van Beek, 80. 44. Vgl. Van Beek, 82. De onderstreping is van mij. 45. Van Beek, 82. 46. Vgl. E. Persoons, 'De verspreiding van de Moderne Devotie', in: C.C. de Bruin; E. Persoons en A.G. Weiier, Geert Grote en de Moderne Devotie (Zutphen, 1984) 92. 47. Chron. Wind., 275. 48. Gedateerd 26 januari 1987. Zie Van Dijk, 95-96. 49. Verder uitgewerkt bij Van Dijk, 99-101. 50. Zwolse Courant, 28 februari 1987. 51. Van Dijk, 113. Vgl. van Beek, 82. 52. Van Beek - Clevis, 80. 53. T.a.p. 54. Van Dijk, 116. 55. Van Dijk, 121, noot 1. 56. Van Dijk, 101-110. 57. Van Dijk, 103-107 (afb. 2-5) en 128 (afb. 8). Voor de eerste redactie van het Chronicon Windeshemense zie V. Becker, 'Eene onbekende kronijk van het klooster te Windesheim', Bijdragen en Mededeelinqen van het Historisch Genootschap, X (1887) 376-445. 58. Van Dijk, 105. 59. De Vries - Berends, a.a., 148. 60. De Vries - Berends, a.a., 140-148. 61. Van Dijk, 110-117. 62. W. de Vreese, Paradox over den grooten Nood der Nederlandsche Philologie', Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1932-1933, 30-61, in: id. , Over handschriften en handschriftenkunde. Tien codicoloqische studiën. Bijeengebracht, ingeleid en toegelicht door P.J.H. Vermeeren. Zwolse Reeks van taal- en letterkundige studies, XI. (Zwolle, 1962) 142-178. 63. Men zie bijvoorbeeld Numaga, XXXV (1988), afl. 2 met uitstekende historisch-archeologische bijdragen van J.E. Bogaers, J.K. Haalebos e.a., 'Opgravingen op het terrein van het voormalige Canisiuscollege, 1987' (25-41) en van J. Raeven, 'Het voormalige fort Sterreschans te Nijmegen' (42-72). 64. H.L.Janssen, 'De materiële cultuur van de middeleeuwse stedelijke kloosters in Nederland als probleem van de historische interpretatie van archeologische gegevens', in: Geert Grote & Moderne Devotie (vgl. noot 41), 201-231, citaat p. 202. 26 VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN A.J. Borgman, Zwolse riemelerieje. Zwolle, uitgave in eigen beheer 1988. 12 p. ƒ3,—. R.J. Brinkman, Nieuwstraat 35: resultaten van een bouwsporenonderzoek in het pand Nieuwstraat 35 te Zwolle. Zwolle 1986. 47 p. Jan Dhont, Gedichten. Zwolle, Waanders 1988. 52 p. ISBN 90-6630-138-4 (gebonden) Dichtbundel met werken van wijlen de heer J. Dhont, internist, oud-medisch directeur van het ziekenhuis De Weezenlanden; uitgegeven t.g.v. de officiële opening van bouwfase IV van het ziekenhuis op 27 mei 1988. Egbert Dikken, Herman Kamphuis en Gert Oostingh, Van boerderij tot artsenij. Zwolle, Waanders 1988. Serie Ach Lieve Tijd. 32 p. Niet in de handel. Deze uitgave is aangeboden door het bouwteam bij de officiële opening van bouwfase IV van ziekenhuis De Weezenlanden te Zwolle op 27 mei 1988. J.Donath, J. Hessels en T. Spoelstra, De Swiersens Armenhuizen (1750-1950). Zwolle 1988. 46 p. De doorwerking van de Moderne Devotie. Windesheim 1387- 1987. Hilversum, Verloren 1988. ISBN 9065503188. 320 p. ƒ45,--. Voordrachten gehouden tijdens het Windesheim Symposium Zwolle/Windesheim, 15-17 oktober 1987. Jacob Doyer, Geleqenheidsgedichten. Kopieën van de gelegenheidsdichter Jacob Doyer (1748- 1805), trijpfabrikant te Zwolle. Gedichten die op Zwolle betrekking hebben. -Jan Drost, Hein Oordijk en Frans Paalman (foto's). Oud nieuws. Zwolle '88. Eén jaar Zwolse persfotografie. Uitgave Graphic Art Service 1988. 40 p. ƒ9,90. J. Erdtsieck, Kleine luiden worden groot. Een schets van het ontstaan en de ontwikkeling van de Gereformeerde 'Kerk van Zwolle, deel II: de jaren 1900-1990. Zwolle, uitgave in eigen beheer 1988. Niek van Es en Gilbert de Jong, 'Het Engelse Werk in Zwolle' in: Groen (1988) 4, p. 31-36. 27 W. Fritschy, en L. Douw (red.), Oost-Nederland in de negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe, Overijssel en Gelderland in de negentiende en vroeg twintigste eeuw. Amsterdam, VU Uitgeverij 1988. Regionale geschiedenis van Nederland; afl. 3. Jaap Hagedoorn, Met het oog op gisteren: 25 jaar monumentenzorg in Zwolle. Zwolle Waanders, 1988. 80 p. ISBN 90-6630-145-7. G.T. Hartong, 'Wolterus ter Burgh, schoolmeister en koster te Zwolle' in: Nadere Reformatie 1984 (8) nr. 4, p. 125-136. Rotterdam: Stichting Studie der Nadere Reformatie, 1984. 11 p. G.T. Hartong, 'Overzicht van Overijsselse gelegenheidspreken en -leerreden tot 1900' in: Oost oogst 1985 (5) nr. 4. Borne: Provinciale Bibliotheekcentrale Overijssel- Oost, 1985. p. 2-11. S. Hietbrink, E.M. van der Gulik en C. van der Vegt, Cultuur als economische infrastructuur. Uitstralingseffecten van investeringen in cultureel onroerend goed in Zwolle. Amsterdam, Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam 1988. Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Willem Jan op 't Hof, Engelse Piëtistische geschriften in het Nederlands, 1598-1662. Rotterdam, Lindenberg 1987. Hoofdstuk 10 gaat over Everhardus Schuttenius, Zwols predikant. Verschenen als proefschrift voor de Rijksuniversiteit te Utrecht. Jubileumboekje 1976-1987: 11 jaar; CV. de Gleuvenskoevers. Zwolle 1987. 23 p. Jubileumkrant 50 jaar drogisterij-parfumerie Westenberg. Zwolle ( z.j.). 8 p. Wiet Kühne-van Diggelen, Het deurtje van Zwolle. Herinneringen aan een honderd jarig herenhuis. Hoogeveen, Slingenberg 1988. 125 p. ƒ15,95. F. van Rijendam-van Barneveld en M.P. Pul, Van bogen tot rechte hoeken: kroniek van het ziekenhuis de Wëezenlanden. Zwolle, Stichting R.K. Ziekenverpleging De Weezenlanden 1988. 96 p. ISBN 90-6630-136-8. Uitgave bij gelegenheid van de opening van bouwfase IV. 28 G.P.M. Schunselaar, 'Zwolle en haar ijkmeesters. maten en gewichten voor 1820, dl. 1' in: Meten en wegen (16) 1988 nr. 61, p. 1423-1427. Amsterdam, Gewichten en maten verzamelaars vereniging, 1988. 4 p. ISSN 0920-2420. H.G. Schuurman, Wegen naar de stad. Georganiseerd evangelisatiewerk van hervormden en gereformeerden te Zwolle 1877-1940. Zwolle 1988. Doctoraalscriptie Missiologie Faculteit der Godgeleerdheid Rijksuniversiteit Utrecht. 171 p. ƒ12,50. Verkrijgbaar bij de auteur, Spaarne 17 te Zwolle. Dirk Westerhof, De naam Westerhof. Oorsprong, betekenis en verspreiding. Zes eeuwen geschiedenis. Bergen op Zoom, Dirk Westerhof 1988. 208 p. ƒ77,50. Verkrijgbaar bij boekhandel Westerhof, Zwolle. H.C.J. Wullink, 'Een nieuwe organist voor de Hervormde Kerk te Wijhe anno 1907' in Historische Vereniging Wijhe (september 1988) 21, p. 12-17. In dit artikel staat onder meer informatie over Zwolse organisten, in het bijzonder betreffende Jacobus Burbach. 29 BOEKBESPREKING MET HET OOG OP GISTEREN. 25 JAAR MONUMENTENZORG IN ZWOLLE. Uitgeverij Waanders, Zwolle 1988. N. ROOVERS Met het oog op gisteren is een verhaal over 25 jaar monumentenzorg in Zwolle. Over 80 pagina's geeft Jaap Hagedoorn op een allerplezierigste manier een overzicht van deze zorg; van de Monumentenwet in 1961 tot de Monumentenverordening Zwolle in 1985. De schrijver voert je snel door de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland om daarna ruim aandacht te geven aan het ontstaan, de ontwikkeling en de werkzaamheden van het bureau monumentenzorg. Restauraties van het bureau en opvattingen met kritische aantekeningen bij de niet van echt te onderscheiden (nep-)monumenten worden in woord en beeld getekend. Tenslotte komen de trieste sloop van het gouverneurshuis en de ontwikkelingen rond de jonge bouwkunst ter sprake. Een nieuw beleid 'om het karakter van de stad' besluit het boekje. Een klein boekje voor een klein publiek. Alleen de ingewijden zullen zich de namen van zorgers herinneren, alleen zij die lang in het circuit meedraaien hebben de vreugde der herkenning van de beschreven ontwikkelingen. Daarom is deze wandeling door de tijd, verluchtigd met veel schitterende foto's, meer tot een wandeling door een monumentale stad geworden. Daartoe daagt dit aantrekkelijk vormgegeven boekje uit: om te kijken naar en te houden van de prachtige stad Zwolle. 30 MEDEDELING VAN HET GEMEENTE-ARCHIEF ZWOLLE: OVER DE IJSSEL DISTRIBUTIE VERENIGING (1916-1920) J.J. SEEKLES Op 2 oktober 1916 hield de burgemeester van Zwolle, Mr. I.A. van Roijen, met vertegenwoordigers van verscheidene gemeentebesturen een bespreking over mogelijke vormen van samenwerking bij de uitvoering van de Distributiewet 1916. Deze bespreking leidde tot de instelling van een commissie, die belast werd met een onderzoek naar mogelijke samenwerkingsvormen. Tevens werd besloten om aan de commissie het voorlopige bestuur van de vereniging op te dragen en op 20 oktober daaraan voorafgaand een oprichtingsvergadering te houden. Na afloop van deze constituerende vergadering bleek, dat 17 gemeenten zich bij de IJssel Distributie Vereniging hadden aangesloten. In de op 8 december 1916 vastgestelde statuten werd de doelstelling als volgt verwoord: "... te bevorderen, dat van de levensmiddelen, brandstoffen en huishoudelijke artikelen, door de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel aan te wijzen, steeds voldoende hoeveelheden in de aangelsloten gemeenten aanwezig en verkrijgbaar zijn." Dit doel moest worden bereikt door bovenbedoelde goederen in te slaan van het Rijk of te kopen van particulieren. Het hoofdkantoor en -magazijn stond in Zwolle; daarvoor had men Huize Eekhout betrokken. In elk der aangesloten gemeenten konden bijkantoren of hulpmagazijnen worden ingericht. De Algemene Ledenvergadering van 30 augustus 1918 kende slechts één agendapunt: bespreking van de wenselijkheid de Vereniging te ontbinden. Van verscheidene gemeentebesturen waren berichten van uittreding ontvangen en ook de Zwolse Levensmiddelencommissie had bezwaren tegen een voortbestaan van de Vereniging geuit. Na uitvoerige discussies werd besloten de Vereniging vooralsnog niet op te heffen. Ook tijdens de bestuursvergadering van 19 juni 1919 kwam de liquidatie aan de orde. Geconcludeerd werd, dat zolang Duitsland de vredesvoorwaarden nog niet had ondertekend, het voorbarig zou zijn een goed draaiend bedrijf op te heffen. Nadere gegevens over de opheffing ontbreken in het archief. 31 Het archief van de IJssel Distributie Vereniging bevindt zich onder nr. VA020 in het depot van het Zwolse Gemeente- archief. Het omvat slechts één archiefdoos en loopt over de jaren 1916-1920. De openbaarheid is niet beperkt . MEDEDELING VAN HET RIJKSARCHIEF IN OVERIJSSEL Onlangs verschenen bij het Rijksarchief in Overijssel: A. J. Mensema, Repertoria op de registers van de particuliere leenkamers in Overijssel 1400 - 1809. Zwolle 1988. Uitgaven van het Rijksarchief in Overijssel nrs. 15, 16 en 17, totaal 867 blz. ISBN 90-71238-18-0. Prijs per deel ƒ24,50. Particuliere leenkamers waren instellingen, die administreerden welke onroerende goederen in leen waren uitgegeven en aan wie. Deze leenkamers zijn een overblijfsel van het middeleeuwse leenstelsel, waarin een persoonlijke rechtsverhouding bestond tussen een leenheer (een bisschop, graaf enz.) en diens leenmannen. In ruil voor het leen - de opbrengst uit een stuk onroerend goed of de uitoefening van bepaalde rechten - diende de leenman bepaalde taken, bijv. militaire dienst, voor de leenheer uit te voeren. Na de middeleeuwen vervallen deze verplichtingen en krijgt de leenverhouding steeds meer het karakter van een financiële heffing. De leenman moet aan de leenheer bij belening een som gelds betalen. De zeggenschap van de leenheer over zijn in leen gegeven onroerende goederen of rechten wordt steeds geringer. De leenman is de feitelijke bezitter. Thans zijn de leenkamerarchieven vooral van belang omdat ze de onderzoeker een gedetailleerd beeld geven van het eigendom van bepaalde goederen en rechten. Daarnaast zijn deze archieven van groot belang voor het boerderijonderzoek, het veldnamenonderzoek en voor genealogisch geïnteresseerden. Via de uitvoerige index op de repertoria komt men vele Zwollenaren c.q. Zwolse instellingen op het spoor die in het voormalige Schoutambt Zwolle of elders in de provincie goederen in leen hadden. Omgekeerd kan men van een aantal boerderijen en landerijen in het Zwolse de eigendomsverhoudingen achterhalen. De Repertoria zijn verkrijgbaar bij het Rijksarchief, Eikenstraat 20, Zwolle, tel. 038 - 540722. 32 TENTOONSTELLINGSAGENDA VAN HET PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM Gouden Kroon, Voorstraat tot en met 5 februari: Wintervermaak. omstreeks 20 februari tot en met 3 april: Vleermuizen. begin april tot en met 4 juni: Grasdorp, een Zwolse schildersfamilie. Drostenhuis, Melkmarkt 21 januari tot en met 2 april: Oma's naaidoos; textiel en naaionderwijs. 14 april tot eind mei: Oude Oranje-curiosa. PERSONALIA N. Roovers is medewerker van de Monumentencommissie van het Oversticht te Zwolle. L. van Dijk is als kunsthistorica werkzaam bij het Provinciaal Overijssels Museum. R.Th.M. van Dijk is verbonden aan de 'Stichting Titus Brandsma Instituut' te Nijmegen. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de Nederlandse spiritualiteit en de Moderne Devotie. W. Kühne-van Diggelen is woonachtig te St.Oedenrode. Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek: E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck I. Wormgoor, H.C.J. Wullink, A. van der Wurff. BESTUUR: voorzitter: J. Hagedoorn Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle secretaris: R. Stel Boddemate 43, 8014 JK Zwolle penningmeester: H. Brassien Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle leden: P.J. Berends, R.T. Oost, R. Salet, I. Wormgoor SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE: telefoon: 038 - 539 625 Postbus 1448, 8001 BK Zwolle REDACTIE-ADRES: Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle FINANCIEN: Girorekening Postbank: 5570775, t.n.v. Zwolse Historische Vereniging, Zwolle TARIEVEN LIDMAATSCHAP: jeugdleden, studenten, 65+ ƒ25,— per jaar leden tussen 21 en 65 jaar ƒ35,-- per jaar huisleden ƒ 7,50 per jaar typewerk: Marinus Prins lay-out: Henk Brassien druk: Koninklijke Tijl N.V. Zwolle omslag: "Swolla", kopergravure, anoniem, 18e eeuw, (Zwolle rond 1600, gezien vanuit het Zuiden)

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1984, Aflevering 1

Door 1984, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal

2/ 8 f
NIEUW6BQIEFJ
ZiWULöC –
NIEUW&BDIE
INHOUDSOPGAVE VAN HET EERSTE NUMMER VAN DE
JANUARI
pagina
omslag
1
2
3
7
15
17
19
21
22
2k
26
28
omslag
1984
Joan Blaeu, (deel van) Platteqronc
1664.
Ten geleide.
Korte schets van het ontstaan van
torische Vereniging.
KORTE ARTIKELEN
F
EERSTE JAARGANG
i van Zwol Ie,
de Zwolse His-
Het Nieuwe of Pestengasthuis te Zwolle in de late
middeleeuwen.
Een hete lente?
TERUGBLIK
Opgravingen “Kasteel de Voorst” b
VAN DE INSTELLINGEN
Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle
Het Rijksarchief in Overijssel.
PUBLICATIES EN BOEKBESPREKINGEN
j Westenhol te.
“Zwolle als hanzestad”, F.C. Berkenvelder.
“Zwolse Regesten II”, F.C. Berkenvelder.
“Meters buutenspel”, Gerard Schutte.
Mededeli ngen
Agenda
Wie is wie
NIEUWSBQIE F
-1 –
_ Or B.J. Kam
i norbeckegracht 38
8011 VN ZWOLLE
038-42143 14
ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING
TEN GELEIDE
De Zwolse Historische Vereniging stelt zich onder meer ten doel aandacht
te schenken aan activiteiten en publicaties die betrekking hebben op het
verleden van Zwolle. Een geschikt middel daartoe is – zo menen wij -een
periodiek, waarin deze zaken aan de orde worden gesteld. Daarom zal er
eens in de drie maanden een NIEUWSBRIEF worden uitgegeven, waarmee J.
Hagedoorn, R.T. Oost en mevr. A. van der Wurff zich belasten.
Het resultaat van hun inspanninq en die van een aantal anderen ligt in
de vorm van dit bescheiden tijdschrift voor U.
In dit eerste nummer zijn ook enkele korte artikelen opgenomen. Hiermee
hopen wij een aanzet te hebben gegeven, die tot navolging zal leiden.
Nog steeds gaat het resultaat van veel historisch onderzoek verloren omdat
het niet gepubliceerd wordt. Wij stellen dan ook graag ruimte ter
beschikking om soortgelijke artikelen op te nemen. Hiervan kunnen anderen
dan weer profiteren bij hun onderzoek. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid
uitgebreidere studies te publiceren. Deze kunnen in het eveneens
door ons uit te geven JAARBOEK worden opgenomen.
Wij wensen de NIEUWSBRIEF een lang en gelukkig leven toe en de redactie
vee) doorzettingsvermogen om tot een optimaal resultaat te komen.
Het bestuur van de
Zwolse Historische Vereniging.
-2-
KORTE SCHETS VAN HET ONTSTAAN VAN DE ZWOLSE HISTORISCHE
VERENIGING.
Bij zowel J. Hagedoorn als ondergetekende leefde reeds geruime tijd de
wens tot de oprichting van een Zwolse Historische Vereniging te komen.
Concrete stappen hiertoe werden, voornamelijk door tijdgebrek, niet ondernomen.
In deze situatie kwam op 1 juli 1983 verandering toen Hagedoorn
een doelstelling formuleerde en enige middelen aangaf teneinde het gestelde
doel te bereiken. Dit nu vormde de aanzet tot verdere actie.
Met een aantal historisch geïnteresseerden werd contact opgenomen, van
wie H. Brassien en P.J. Lettinga zich bereid verklaarden aan het initiatief
mee te werken. De eerste gezamenlijke activiteit betrof de voorbereiding
op de door de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt
en Geschiedenis te organiseren tentoonstelling ter gelegenheid van haar
125-jarig bestaan. Deze op 3 september te houden tentoonstelling, die
tot doel had zoveel mogelijk historische verenigingen uit Overijssel bijeen
te brengen, leek een goede gelegenheid de plannen wereldkundig te
maken. Bovendien werd er contact opgenomen met de Zwolse Courant. Zo verscheen
er op de dag voorafgaand aan de tentoonstelling in voornoemde
krant een uitgebreid artikel over het initiatief. Op de tentoonstelling
zelf trad de vereniging in oprichting naar buiten met een stand waar men
zich als “in-principe” lid kon opgeven.
ZHV – stand in het Provinciehuis 3 sept.1983
-3-
Het slechte weer die dag en de geringe publiciteit aan deze manifestatie
gegeven, hadden tot gevolg dat de voor dit initiatief zo belangrijke
groep historisch geïnteresseerde Zwollenaren thuis bleef. Het aantal mensen
dat zich die dag aanmeldde, bedroeg dan ook slechts 27.
Wat waren nu de plannen? In de eerste plaats de verschijning van een
kwartaalbericht (Nieuwsbrief) met daarin onder andere artikelen, mededelingen,
boekbesprekingen en een agenda. Daarnaast de uitgave van een gedrukt,
plezierig leesbaar en rijk geïllustreerd Jaarboek van zo’n honderd
pagina’s. Gezien het vele werk verbonden aan het tot stand komen
van deze periodieken, werd besloten nog geen melding te maken van verdere
activiteiten.
Nu de tentoonstelling niet het verwachte resultaat had opgeleverd, werden
lijsten aangelegd van mogelijk geïnteresseerden en werd de daarop
voorkomende personen en instellingen een informatiefolder toegestuurd.
Bovendien werd een aantal affiches gemaakt en onder diverse Zwolse instellingen
verspreid. Maar ook de resultaten van deze actie vielen enigszins
tegen. Op 15 september bedroeg het ledenbestand nog maar 50 personen.
Vervolgens werd overgegaan tot de huis-aan-huis verspreiding van
een duizendtal folders. Wederom viel de oogst tegen: begin oktober werden
82 leden geteld. Hierna nam het ledental evenwel snel toe, een ontwikkeling
die nog werd versneld door een artikel over het initiatief op
de voorpagina van de Zwolse Koerier van 12 oktober. Vijf dagen later bedroeg
het aantal leden reeds 112 waarmee het streefgetal van 100 leden,
nodig om de vereniging van start te doen gaan, ruimschoots was overschreden.
Het initiatief was succesvol geweest en met de uitwerking van
de plannen kon een aanvang worden gemaakt.
N.D.B. Habermehl.
HET NIEUWE OF PESTENGASTHU1S TE ZWOLLE IN DE LATE MIDDELEEUWEN.
Een uiterst besmettelijke en daardoor gevreesde ziekte in de late middeleeuwen
was de pest, ook wel Zwarte Dood genoemd. Met name de pestepidemie
van 13^8 – 1351» toen de Zwarte Dood zich vanuit Italië over
West-Europa verbreidde, zaaide overal dood en verderf. Ook Zwolle bleef
niet gespaard, terwijl in de daarop volgende jaren de pest hier regelmatig
terugkeerde 1 ) .
Toen Zwolle in 1^50 wederom door de pest werd getroffen, besloot het
Stadsbestuur iets voor de slachtoffers van deze afschuwelijke ziekte te
doen. Voor een periode van 2$ jaar werd van Henric Dunning het nabij de
Het Nieuwe of Pestenqasthuis.
Diezerpoort in de Nieuwstraat gelegen huis* dat eertijds aan Seynen ter
Kulen had toebehoord, gehuurd en als tijdelijk ziekenhuis ingericht 2).
Om het de patiënten zo aangenaam mogelijk te maken, werden brandstof,
dekens en andere benodigdheden aangevoerd 3)- Dat het noodhospitaal aan
de verwachtingen voldeed, maar ook dat de pest nog niet was uitgewoed,
blijkt uit het feit dat in 1^53 de huurtermijn met nog eens een jaar
werd verlengd A). In 1^58 sloeg de pest opnieuw in alle hevigheid toe.
Nu ging het stadsbestuur ertoe over de eertijds gehuurde woning aan te
kopen en deze definitief als gasthuis ten behoeve van pestlijders in te
richten 5)•
Over de interne gang van zaken staan ons slechts enkele summiere gegevens
ter beschikking. Zo weten wij dat in het gasthuis een ziekenoppasser
was aangesteld, belast met de zorg voor de aan hem toevertrouwde
patiënten. Zijn inkomsten ontleende hij aan een verpleeggeld van 2£
stuiver per etmaal, te betalen door iedere patiënt die het gasthuis genezen
verliet. Stierf de patiënt evenwel – hetgeen meestal het geval
was – dan bedroegen de kosten 3 stuivers per etmaal, te betalen door de
nabestaanden. Waren deze hiertoe niet in staat dan was het hem toegestaan
de verpleegkosten op de kleren van de dode te verhalen. Ongetwij-
5-
feld zal bovenstaande financiële regeling de ziekenoppasser ertoe gebracht
hebben goed voor deze categorie patiënten te zorgen. Of hij evenveel
aandacht aan de arme patiënten besteedde, valt te betwijfelen. De
armen namelijk moest hij gratis verplegen. Stierven zij evenwel in het
gasthuis dan had de ziekenoppasser recht op de kleding van de overledene,
of anders betaalden de procuratoren (beheerders) van het Heilige
Geestgasthuis de gemaakte kosten. Opmerkelijk in onze ogen is dat de
patiënt zelf voor zijn eten en drinken moest zorgen. De armen wier financiële
draagkracht dit te boven ging, kregen hun eten uit het Heilige
Geestgasthuis. Modern aandoend is de bepaling dat in het geval een
knecht of dienstbode aan de pest leed en naar het gasthuis werd gebracht,
de werkgever gedurende acht dagen voor de kost moest zorgen, terwijl de
zieke zelf de verpleegkosten moest betalen 6 ) .
Het opensnijden van een pestbuil
Houtsnede uit 1 ^82
-6-
De vraag hoevee! patiënten in het Gasthuis verpleegd konden worden, laat
zich moeilijk beantwoorden. Uit de tijd zelf staan ons op dit punt geen
cijfers ter beschTkking. Enige eeuwen later, in de 19e eeuw, deed hetzelfde
qebouw eveneens dienst als ziekenhuis, waarbij hooguit een 20-tal
patiënten kon worden opgenomen 7). Daar het in de 15e eeuw niet ongewoon
was meerdere patiënten per bed of bedstede te verplegen, kan dit
aantal in 1450 hoger geweest zijn, maar zal, gezien de afmetingen van
het gebouw, de veertig niet hebben overschreden.
Vergelijken wij de hierboven geschetste ontwikkeling met die in andere
steden, dan valt het op dat Zwolle als een der eersten een zelfstandig
gasthuis ten behoeve van pestlijders inrichtte. De meeste Noordnederlandse
steden gingen daar pas in de loop van de 16e eeuw toe over 8 ) .
De verklaring hiervoor moet gezocht worden in de economische bloei die
Zwolle in de 15e eeuw kende. Deze gaf het stadsbestuur de financiële
ruimte om een – zij het in onze ogen beperkt, maar voor die tijd vooruitstrevend
– sociaal beleid te voeren.
N.D.B. Habermehl.
Noten
1. F.C. Berkenvelder, Zwolse Regesten. I (Zwolle 1980) no.3; A. ten
Doesschate, “Geneeskunde in Oud-Zwolle”, in Verslagen en Mededelingen
van de Vereeniqing tot beoefening van Overiisselsch Regt en Geschiedenis.
45 (1928), 34-40; B.J. van Hattum, Geschiedenissen der
stad Zwolle (5 dln; Zwolle 1767-1775) I, 257, 332, 341, 376, 404,
416, 421.
2. Gemeente-archief Zwolle (GAZ), AAZ01-00008, Antiquum registrum, 297;
GAZ , AAZ01-01859, Maandrekening 1450, 92.
3. GAZ, AAZO1-01859, Maandrekening 1450, 92.
4. GAZ, AAZ01-01862, Maandrekening 1453, 162.
5. GAZ, AAZ01-00005, Registrum diversorum actuum, 194.
6. A. Telting, Stadboeken van Zwolle (Zwolle 1897), 327-
7. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle (fotografische
herdruk 1973), 108.
8. J.A. Kossmann-Putto, “Armen en ziekenzorg in de Noordelijke Nederlanden”
in: Algemene geschiedenis der Nederlanden (Haarlem 1982),
M , 259.
-7″:
EEN HETE LENTE
Onderzoek naar
van 18^8.
7
de gebeurtenissen i n Zwo1Ie in het voorjaar
Inleiding
Voor velen zal het jaartal 1848 niet onbekend zijn. Het was allereerst
het jaar van de revolutionaire bewegingen in heel Europa. In februari
werd in Parijs, na opstanden, de Franse republiek uitgeroepen. In maart
ontstonden oproeren in Berlijn, Wenen en Italië en later in andere Europeesche
landen. De successen van deze oproeren en revoluties waren van
korte duur, de reactie kwam snel en veel van het oude werd hersteld. Wel
zaaide deze storm schrik en onrust over Europa.
Ook in de Nederlandse geschiedenis is 1848 een belangrijk jaartal. Het
was het jaar van de grote grondwetsherziening in liberale zin, voorbereid
door Thorbecke en enige anderen. In het kort kwam deze, door velen
te radicaal geachte, wijziging neer op het vergroten van de macht van
de ministers en de Tweede Kamer, het invoeren van een ongetrapt kiesstelsel
(de kiezers kozen in het vervolg direct de volksvertegenwoordigers
1)) en garantie van een grotere mate van, onder meer, pers-, verenigings-
en godsdienstvrijheid.
De aanzet tot deze fundamentele herziening werd op 13 maart 1848 door
Koning Willem II gegeven. Hij was, volgens eigen zeggen, in 24 uur van
zeer conservatief zeer liberaal geworden. Op deze wijze kwam hij tegemoet
aan soortgelijke gevoelens die in het parlement leefden 2 ) . De woelingen
in het buitenland, met name die in Parijs en Berlijn, zijn van
belangrijke invloed geweest op de ontwikkeling van die gevoelens en op
de beslissing van de koning.
Men vreesde blijkbaar dat onrust en oproer vanuit het buitenland naar
Nederland zouden overslaan. Dit blijkt uit de snelheid van de koninkklijke
ommekeer, maar ook uit de brieven van de ministers van binnenlandse
zaken en justitie aan de gouverneurs van de provincies van 1
maart 1848 3 ) , drie dagen nadat de Parijse gebeurtenissen hier bekend
waren geworden. De gouverneurs kregen opdracht verslag uit te brengen
van de volksgeest in hun gewest, een vraag die ze aan de burgemeesters
doorzonden. Elke veertien dagen zou er, in het diepste geheim, gerapporteerd
worden.
In dit artikel zal onderzocht worden, wat er in Zwolle gebeurde in het
voorjaar van 1848 als gevolg van de binnen- en buitenlandse gebeurtenissen.
Was er reden om onrust te vrezen, was er onrust en welke maatregelen
trof men ter voorkoming van uitbarstingen?
Hoofdstuk I Voorgeschiedenis 4 ) .
Onrust, woelingen en opstand worden veroorzaakt door onvrede met de bestaande
toestand. Was er in Zwolle, en in het algemeen in Nederland,
-8-
reden tot onvrede in het voorjaar van 1848? Om dat te constateren is
het belangrijk vast te stellen wat er zich voor en in dit jaar afspeelde.
Met name na de Belgische afscheiding in 1839 meenden velen in het noorden,
dat er voor een kleine staat als Nederland geen toekomst was weggelegd.
Ze kon zich beter aansluiten bij een groter geheel, bijvoorbeeld
Duitsland. Vele anderen waren opgelucht toen men van de lastige
Belgen verlost was. De binnenlandse problemen zouden nu met frisse moed
en een stevige aanpak opgelost kunnen worden. Toen de binnenlandse situatie
niet verbeterde, was dit een extra reden voor teleurstelling en
onzekerheid.
Naast, maar ook zeker van invloed op, deze onzekerheid speelde zich ook
een crisis in de binnen- en buitenlandse politiek van Nederland af.
Door velen werd namelijk een herziening van de grondwet gewenst, om verschillende
redenen, maar toch vooral om het halfslachtige karakter ervan.
Traditie, wantrouwen tegen vernieuwing en onverschilligheid, maar met name
de koning hielden een herziening tegen tot maart 1848. Een eind 1847
daartoe gedaan voorstel vond men in maart 1848, onder druk van de toestand
in Europa, niet meer ver genoeg gaan. Vooruitgang en behoud bestreden
elkaar dus in deze periode, wat spanningen, teleurstellingen en frustraties
opriep. Internationaal gezien stond Nederland in het toenmalige
Europa vrij afgezonderd. Dat isolement werd veroorzaakt door de strijd
tegen de Belgen, handelsconflicten met Engeland en Duitsland en het uiterst
onhandig gemanoevreer van Willen II in internationale zaken. Nederland
werd op zichzelf teruggeworpen.
Tenslotte was er in de jaren 40 van de vorige eeuw ook nog sprake van een
economische crisis, met als gevolg gebrek aan werk en vergroting van het
probleem van het pauperisme. Dit alles werd nog verergerd door een aardappelziekte
die Nederland in 1845 en volgende jaren trof. Hierdoor werd
de voedselvoorziening ernstig aangetast en de voedselprijzen stegen. In
de zomer van 1847 waren ze het hoogst. De ellende onder de lagere volksklassen
steeg en het aantal bedeelden en behoeftigen nam toe, in Zwolle
zelfs tot 20% van de bevolking in 1845 en 1847 5 ) . Ook braken er hongeroproeren
uit in Nederland. In Overijssel kwam het niet verder dan enige
samenscholingen in Deventer en Zwolle. Voedsel uitdelingen (in Zwolle in
de winter van 1848 nog 500-600 porties per dag 6)), liefdadigheid, werkvoorziening
en prijsfixaties voorkwamen hier echter een uitbarsting.
Zowel voor Nederland als geheel, als voor de lagere volksklassen dreigde
er een bestaanscrisis. Onvrede en onzekerheid heersten in Nederland. Een
signaal hiervoor is de grote stroom emigranten naar Amerika in deze periode.
Het was in dit klimaat, dat de berichten uit Parijs hier op 27 februari
1848 kekend werden.
Hoofdstuk II Zwolle, voorjaar 1848 7 ) .
De ministers eisten, in hun al eerder genoemde brieven, 14-daagse rapporten
over de volksgeest. Zij adviseerden ook de vreemdelingen, met name
Belgen en Fransen, scherp in de gaten te houden. Ook moesten “onverwijld
die ingezetenen, welke uit hoofde van hunnen maatschappelijke toestand,
-9-
meer bijzonder belang bij behoud van openbare rust” hadden, zich aaneensluiten
ter handhaving van die rust. Geheimhouding stond, zoals vermeld,
echter voorop.
De Zwolse burgemeester, A.J. Vos de Wael, meldde op 3 maart aan gouverneur
G.J. Bruce, dat er in Zwolle geschokt gereageerd was op de berichten
uit Frankrijk. Maar volgens hem keurden allen de gebeurtenissen daar
af. Hij zou de voorgestelde maatregelen uitvoeren, behalve de laatste, en
wel om twee redenen. Allereerst zouden de lagere volksklassen zich, als
ze achter het geheim kwamen, buitengesloten voelen, wat voorkomen moest
worden. In de tweede plaats zouden de “braven en weldenkenden” kunnen
menen, dat de regering de touwtjes niet meer strak in handen had. Ondanks
de verzekering dat er rust heerste in zijn provinciehoofdstad,
vroeg de gouverneur om versterking van het Zwolse legerkorps. De bezetting
zou hier bij het uitbreken van een oproer onvoldoende zijn, zo verzekerde
hij de minister.
Op 15 maart volgde het tweede rapport van Vos de Wael. Hoewel het begint
met de verzekering, dat orde en rust heersen, blijkt uit het vervolg,
dat er toch spanningen waren in de Zwolse samenleving, die konden
overslaan naar de lagere volksklassen. Hij verzocht dan ook om versterking
van de Zwolse legermacht ter afschrikking van kwaadwi11igen, “zoo
er enkelen mochten zijn of ontstaan”.
Onder de Zwolse handelaren, expediteurs en fabrikanten hoorde men geluiden
van onvrede als gevolg van de hoge belastingen en de blijkbaar nog
al eens minder correcte wijze van inning daarvan. Naast deze ontevreden-_
heid over fiscale zaken werd er in dagbladen en door achtenswaardige
burgers kritiek geuit op het voorstel tot grondwetsherziening, dat uit
I8A7 dateerde. In het ‘maartse klimaat’ vond men ze niet ver genoeg gaan.
Ook in de volgende rapporten blijft de burgemeester hameren op het feit,
dat orde en rust heersen, waarna echter allerlei problemen naar voren
geschoven worden. De dringende vraag om versterking van de Zwolse bezetting
doet eveneens vermoeden, dat er onderhuidse spanningen zijn geweest
waarvan men de ontlading vreesde. De politieke en economische problemen
werden, zo zien we in de rapporten, ook in Zwolle als de oorzaak van die
spanningen aangevoerd. De druk van de buitenlandse gebeurtenissen werd
ook hier gevoeld.
De spanningen op politiek gebied ontlaadden zich op positieve wijze,
toen half maart de beslissing van Willem II bekend werd, om de grondwet
op “ruimere wijze” te herzien. Ook in Zwolle werd met tevredenheid en
blijdschap gereageerd. Laten we de Overijsselse gouverneur even aan het
woord: “Gister (16 maart J.H.) werden van veele gebouwen in deze stad
vlaggen uitgestoken. Twee sociëteiten waren gei 11 umineerd. Een corps
muzijkanten trok onder fakkel licht door de straten. Een groote massa
volks was op de been, doch alles liep in de beste orde af en reeds
vroegtijds was alles weder rustig” 8 ) . Vos de Wael had het wat gevaarlijk
gevonden, maar nog gevaarlijker om de volkstoeloop tegen te houden.
Hij drukte de organisatoren van het feest op het hart voorzichtig te
zijn en liet de politie toezicht houden. Alles liep goed af, maar het
was dus eenvoudig om volksgroepen op de been te brengen, zo constateerde
hij.
-10-
Het was inmiddels eind maart en de storm van opstand begon over Europa
te woeden. Uit eigen land kwamen ook onheilspellende berichten, bijvoorbeeld
uit Twenthe. De toestand was daar, zo werd gemeld, zeer explosief,
vooral door de lage lonen en het gebrek aan werk. Omdat er tegen deze
problemen nog geen directe maatregelen waren genomen, was er behoefte
aan voorzorgsmaatregelen tegen onrust en opstand. Het dringende verzoek
van Vos de Wael en de gouverneur om extra soldaten voor Zwolle werd op
2 april beloond. Een compagnie van 118 onderofficieren en manschappen
van de infanterie rukte op die dag Zwolle binnen 9 ) . Vos de Wael vond
dit echter nog te weinig en vroeg om de legering van een escader cavalerie
te Zwol Ie.
De ministers in Den Haag opperden weer de mogelijkheid van een soort
burgerwacht, met name gevormd door hen “die wat te verliezen hebben”.
Op 11 april werd er in de Provinciale Overi jsseische en Zwolsche Courant
door het stadsbestuur een oproep geplaatst aan de Zwolse burgers om een
Corps Rustbewaarders te vormen als voorzorgsmaatregel tegen eventueel
oproer. Op het stadhuis lag 14 dagen een intekenregister daarvoor gereed
10). De oproep werd op 21 april herhaald. In dezelfde tijd werden de
burgers er nog eens aan herinnerd, dat men verplicht was aangifte te
doen van het in huis nemen van of van het verhuren van huizen aan vreemdelingen
11)- Nog steeds was er dus angst voor oproer onder het vork,
aangestoken~door * vreemde elementen’.
Wat gebeurde er inmiddels aan de economische problemen? Er is al melding
gemaakt van de voedsel schaarste en -duurte en de hoge belastingen, die
de ellende onder de lagere volksklassen deden toenemen. Hoewel er half
april nog geen gebrek aan werk was, moest het stadsbestuur toch maatregelen
nemen tegen een toekomstig tekort aan arbeid. Eind april werd er
in de eerder genoemde krant een besluit van de gemeenteraad gepubliceerd
12), waarin twee publieke werken werden aangekondigd: het geschikt
maken van een terrein bij de Schoenkuipenbrug voor een turfmarkt en het
aanleggen van een los- en laadplaats in de Waterstraat aan de stadsgracht.
Daarvoor was ƒ 7.000,– nodig. De raad zag hiervoor af van haar
presentiegeld, in totaal ƒ 800,–. De gegoede burgers werden opgeroepen
een bijdrage te storten. Deze lieten zich niet onbetuigd en tekenden
voor ƒ 4.230,– op beide projecten in. Dit geld werd uiteindelijk alleen
bestemd voor het turfmarktplan. Voor 29 hoofden van huisgezinnen was er
één jaar lang werk. Het terrein werd opgehoogd en aan twee zijden door
een gracht omringd. Het uiteindelijke doel, Zwolle tot stapelplaats voor
de Drentse turf te maken, mislukte echter 13).
Eind mei stak de politieke onvrede nog een keer de kop op. De grondwetswijziging
vorderde, ondanks het snel opgestelde plan van de commissie-
Thorbecke, langzaam. Vos de Wael meldde, dat dit de aandacht trok en onderwerp
van dagelijks gesprek was. Vlugschriften erover werden verspreid
en enkele dagbladen stimuleerden de ontevredenheid en het schrijven van
petities. De verwachtingen waren hooggespannen en teleurstelling moest
voorkomen worden. Het ongeduld werd verhoogd door de nog steeds drukkende
belastingen, aldus Vos de Wael. Op 19 juni bood de regering haar
voorstellen tot grondwetsherziening aan, die de Tweede Kamer in augustus,
in iets gewijzigde vorm, goedkeurde. Op 3 november 1848 werd de nieuwe
grondwet afgekondigd.
– 1 1 –
••*»
Het Almelose Kanaal rond
1848 werd aangelegd,
jes. Gemeentelijke
1890. Ernaast de Turfmarkt die in
in het kanaal enkele turfscheep-
– J.P. de Koning.
Li nks
Fotodienst
-12-
In dit onrustige voorjaar werden dus maatregelen getroffen om politieke
en economische grieven in te dammen. Ook werden er maatregelen van een
min of meer militair karakter genomen. Eén daarvan was het instellen
van een corps rustbewaarders.
Hoofdstuk III Het corps rustbewaarders 14).
Op 11 april 1848 werden de Zwol se “burgers opgeroepen om een corps rustbewaarders
te vormen, om “toneelen, welke elders eene ontbinding der
maatschappelijke orde” tot gevolg hadden gehad, hier te voorkomen. Het
ging om mannen die niet tot de stedelijke schutterijen behoorden. Men
had 14 dagen de tijd om in te tekenen. Op 21 april werd de oproep herhaald.
Na vier dagen hadden zich al ongeveer 70 mannen ingeschreven en
in totaal staan er 13** namen op de lijst (waarvan twee onleesbaar). Dit
mag een redelijk succes genoemd worden. Maar wie schreven zich nu in en
kunnen we ons een beeld vormen van die 134 mannen?
Aangezien er beroepen, leeftijden en namen bekend zijn kunnen we de
groep op verscheidene manieren splitsen. Eerst zullen de beroepsgroepen
onder de loep worden genomen.
tabel 1 uitsplitsing naar beroep.
No.
1
2
3
4
5
6
beroepsgroep
overheidsfunctionarissen (ook rechterl
handwerks- en ambachtslieden (meesters
ondernemers/onafhankeiijken (advocaat
geen beroep
personeel en arbeiders
overig
totaal
i jke
en
etc)
macht)
aantal
52
knechten) 27
22
19
6
8
134
%
38,8
20,1
16,4
14,2
4,5
6,-
100,-
Bij deze uitsplitsing valt een aantal zaken op. Het aantal mannen in overheidsdienst
is opmerkelijk groot, bijna 2/5 deel. Zij hadden natuurlijk
het meeste belang bij handhaving van het bestaande stelsel, dat
hun salarissen betaalde. Dit is nogmaals een aanwijzing, dat men vreesde
dat hier, net als in Parijs, de regering omvergeworpen zou worden. Ook
de groep die opgaf geen beroep te hebben is vrij groot. Bij controle
blijken dit voor een groot gedeelte mannen uit aanzienlijke en welgestelde
families te zijn, die dus eveneens belangen te verdedigen hadden. Personeel
en arbeiders hadden blijkbaar minder belangen te verliezen bij
een opstand of omwenteling. Vandaar het lage aantal in deze groep, die
normaal gesproken een groter aandeel in de beroepsbevolking zal hebben
gehad.
Ook op een andere manier is te bewijzen dat de 134-groep wat te verliezen
had, namelijk door naar de hoogte van de directe belasting te kijken
die de leden van de groep betaalden 15). We moeten hierbij uitgaan van
de mannen die in 1848 25 jaar en ouder zijn. Van de 132 leesbare namen
voldoen 98 hieraan. Maar liefst 32 daarvan (32,65%) betaalden / 40,– of
meer aan directe belastingen. Van de totale manlijke bevolking boven die
leeftijd haalde maar ongeveer 13% die hoeveelheid. De meer welgestelden
waren dus eerder geneigd zich aan te sluiten dan de rest. De groepen
personeel en overigen zijn bij die 32 niet vertegenwoordigd 16).
Een derde methode om de belangen te meten die de 134 mannen hadden is
die van de leeftijdsopbouw. De leeftijden van de groep varieerden van 18
tot en met 61 jaar. De gemiddelde leeftijd was precies 36 jaar, 4 personen
waren zo oud, 65 waren jonger en 65 ouder dan 36 jaar.
tabel 2 leeftijdsopbouw in procenten
leeftijd
1 8 – 3 6 jaar
36 jaar
37 tm6i jaar
1848
48,52
2,98
48,51
1859
53,75
2,64
43,63
Normaal heeft de leeftijdsgroep tot 36 jaar de overhand, maar bij de
mannen van het corps was dit de groep van 36 jaar en ouder. De groep 37
tot en met 51-jarigen was daarbinnen veel meer dan evenredig vertegenwoordigd.
De mannen in deze categorie zaten midden in of aan het eind
van de opbouw van hun maatschappelijke carrière, hadden grotere en duurdere
gezinnen te onderhouden dan de groepen eronder of erboven en hadden
dus meer belangen te verliezen. In hoeverre herinneringen aan de Franse
tijd, zo’n 40 jaar daarvoor, voor sommigen een reden was om zich aan te
melden, is een vraag waarop geen antwoord te geven is. Een andere leeftijdsgroep
die ook oververtegenwoordigd is op de lijst, is die van 22
tot 27 jaar. Mag dit geweten worden aan zucht naar avontuur?
Dat er over het corps en de aanmelding daarvoor gesproken werd, mag
blijken uit het feit, dat 13 keer een familienaam aangetroffen wordt,
die vaker op de lijst voorkomt (al te algemene namen uitgezonderd), en
uit het feit, dat in 10 gevallen groepjes mannen met hetzelfde beroep
na elkaar aangetroffen worden. Thuis en op het werk sprak men erover en
men besloot zich, naar voorbeeld van anderen, op te geven. Vermeld
dient nog te worden, dat velen zich niet opgaven. Van een panieksituatie
was dus geen sprake. Ook is onbekend in hoeverre het corps gefunctioneerd
heeft.
Conclusie
Vastgesteld is dat er in Nederland in het voorjaar van 1848 een crisissituatie
heerste, zowel op politiek als op economisch gebied. Hiernaast
ontstond als gevolg van de voedsel schaarste en -duurte een bestaanscrisis
voor de lagere bevolkingsklassen. Ook in Zwolle zijn geluiden van
ontevredenheid over deze toestand waar te nemen, zoals uit de rapporten
van burgemeester Vos de Wael blijkt. De overheid vreesde dat in Nederland,
als gevolg van de woelingen in het buitenland, ook opstand en oproer
zouden uitbreken.
Verscheidene maatregelen moesten een uitbarsting voorkomen of smoren. Allereerst
werden vreemdelingen, als mogelijke dragers van het oproerbacterie,
goed in de gaten gehouden en wees de overheid nog eens op de
meldingsplicht die er ten aanzien van vreemdelingen bestond. De politieke
onvrede werd bedwongen door de koninklijke ingreep half maart ten
gunste van een ruimere herziening van de grondwet en door het aanbieden
van de regeringsvoorstellen hiertoe aan de Tweede Kamer, half juni 1848
De ellende onder het Zwolse volk werd eerst door voedsel uitdelingen verzacht.
Een meer structurele aanpak vormde het door de stedelijke overheid
gestarte turfmarktproject. Een gelukkige ontwikkeling bij dit alles
was de goede oogst in de zomer van 1848.
Tot de voorzorgsmaatregelen moeten gerekend worden het versterken van
het Zwolse legerkorps en het instellen van een corps rustbewaarders. 13*t
mannen meldden zich hiervoor aan. Uit de samenstelling van deze groep
van 13*» mannen kan afgelezen worden welke maatschappelijke groeperingen
de meeste belangen te verliezen hadden bij een eventuele omwenteling.
Dit waren personen in overheidsdienst, de hoger aangeslagenen in de directe
belastingen en de mannen tussen 37 en 51 jaar. Deze groepen zijn
alle drie meer dan evenredig vertegenwoordigd. De laatste groep heeft
een grotere verantwoordelijkheid voor het gezin te dragen dan andere
leeftijdsgroepen.
Internationaal gezien kan het voorjaar van 1848 dus heet genoemd worden.
Ook in Nederland is een zekere warmte waar te nemen, die echter niet zo
ondraaglijk werd dat er een panieksituatie ontstond. Bovendien vormden
overheidsmaatregelen op nationaal en locaal niveau een hitteschild. Bepaalde
politieke en economische ontwikkelingen zorgden voor een verfrissend
briesje. In Zwolle heeft de warmte nooit het kookpunt gehaald …
J. Hagedoorn.
Noten:
1 Alleen de leden van de Eerste Kamer werden en worden nog niet direct
gekozen.
2.0verigens^ingen deze gevoelens vaak niet zover als de uiteindelijke
grondwet van 1848.
3.Rijksarchief in Overijssel (RAO), Kabinet van de Gouverneur (KG),
inv. no. 82, 2 maart 1848 no. 33/34 en 34/35-
4.Waar niet expliciet vermeld, overgenomen uit J.C. Boogman, Rondom
1848. De politieke ontwikkeling van Nederland 1840-1858 (Bussum
1978) 9-49.
5.RAO, Gemeenteverslagen 1845 en 1847.
6.0veri jssel, no 349 (19 januari 1848) 2.
7.Waar niet expliciet vermeld overgenomen uit Gemeente-archief Zwolle
(GAZ), AAZ02-4021.
8.R0A, KG, inv. no. 82, 17 maart 1848, no. 65 en 67/56.
9.Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (POZC), 68e jaargang
no. 27 (4 april 1848) 1. ~
10. Idem, no. 29 (11 april 1848) 1.
11.Idem, no. 32 (21 april 1848) 2.
12.Idem, no. 33 (26 april 1848) 1.
13-W.A. Elberts, Historische wandelinqen in en om Zwolle (herdruk;
Zwolle 1973) 103 en 244.
14.Zie noot 7.
15-GAZ, AAZ02-4083. Lijst uit 1847 waarop alle Zwolse mannen van 25 jaar
en ouder vermeld staan, die ƒ 4 0 , — aan directe belasting betaalden
(uitgezonderd de patenten).
16.Algemeen statistisch materiaal is afkomstig uit: Alqemeene Statistiek
van Nederland II (2 dln.; Leiden 1873), hoofdstuk VII en daaruit
met name de leeftijdsopbouw in 1859.
-IS-‘
OPGRAVING “KASTEEL DE VOORST”. BIJ WESTENHOLTE
Nu de opgravingen op het kasteelterrein bij Westenholte voorbij zijn, is
het de vraag of niet nog meer gegevens uit het terrein gehaald hadden
kunnen worden. Achteraf is dit natuurlijk makkelijk om te zeggen. Let
wel, er is een redelijke opgraving geweest, maar de Rijksdienst voor Oudheidkundig
Bodemonderzoek (R.O.B.) had de opdracht kasteel en grachtenstelsel
te lokaliseren, niet meer en niet minder. Er zijn echter uitspraken
in het naar aanleiding van de opgraving verschenen boekje, Het
kasteel Voorst. Macht en val van een Overijsselse burcht, die discutabel
zijn, zoals: “dat het onderzoek geen ruimte liet om na te gaan waar
de toegang tot de voorburcht heeft gelegen” of “hadden de opgravers nu
maar de plaats van die donjon (hoofdtoren EJD) kunnen lokaliseren” 1) en
dat de opgraving beperkt en onvolledig was 2 ) .
Zo zijn in put 6 tijdens de opgravingen twee stukken muur gevonden die
duidelijk op zwerfkeien gefundeerd waren. In het eerder genoemde boekje
worden ze echter niet genoemd. Deze gegevens zijn wel door Kamphuis verwerkt
in zijn maquette van het kasteel, die te zien was op de tentoonstelling
in het Provinciaal Overijssels Museum (katalogusnummer Al), als
onderdeel van de hoofdtoren. De plaatsing van deze hoofdtoren plus de
nieuwe gegevens duiden op belangrijke overeenkomsten tussen de Voorst en
het kasteel Ham in Westfalen. Voorlopig wil ik het hierbij laten (wat
niet betekent dat er niets meer te zeggen valt), om aandacht te besteden
aan de nieuwste gegevens uit het terrein.
In augustus 1983 zijn er op het terrein werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve
van de aanleg van het park. De R.O.B, vond de wijze waarop deze
werkzaamheden werden uitgevoerd te ver gaan, wat te maken heeft met de
in het verleden gemaakte afspraken hierover. Maar door die werkzaamheden
konden nieuwe gegevens en vondsten genoteerd worden. De dank hiervoor
gaat uit naar Openbare Werken en de firma Van Gelder. .
In put 6, waar twee rijen staanders gevonden werden, konden we nog eens
zeven palen (A) bijtekenen in zuid-westrichting (zie afbeelding 1). Ook
zijn eerder gevonden muurresten (B) op het plattegrondje ingetekend.
Bij het opschonen van de buitenste ringsloot werden drie palen gevonden
(C). In het verlengde hart van deze drie palen, richting zuid-oost, werden
op een diepte van nog geen 60 centimeter negen palen plus een stuk
muur gevonden (D). Dit zou kunnen betekenen dat er vanaf het hoger gelegen
perceel een brug (van C naar D) gelegen heeft.
Wat oostelijker in de ringsloot werd over een afstand van ruim 70 meter
een puinlaag blootgelegd (E). Wijst dit op een geplaveide toegangsweg?
Bij het toegangswegje (F) werd een duiker geplaatst. Ook hier kon ik
twee palen waarnemen. Is hier sprake van nog een brugje (zoals bij kasteel
Ham)?
Na intekening van het nieuw ontdekte stuk muur en bestudering van foto’s
en dia’s van de eerste opgraving, is het zeer de vraag of de trapeziumvorm
van de voorburcht (zie afbeelding 1) wel juist is. Verder bestaat,
op grond van fotomateriaal van de eerste opgraving, het vernoeden dat
er binnen de ons bekende ringmuur een oudere bebouwingsfase ligt, rond
1
en hoger gelegen. Dit wijst in de richting van een zogenaamd Mottekasteel
(kasteel Ham).
Enkele vondsten dienen hier nog te worden vermeld. Bij (C) werd door
Wim Rijnberg een zogenaamde klotendolk gevonden (afbeelding 2 ) , tot nu
toe de vroegste in Overijssel. Het in de publiciteit gekomen zeqelstempel
van SVEDERI DE VORSTE dat gevonden is, is aan de hand van het lettertype
te dateren in de eerste helft van de dertiende eeuw. R. van
Beek is nog bezig met het onderzoek van het stempel. Verder werd een
“loodbuskogel” gevonden van het kaliber 52 m/m, met een gewicht van
afbeelding 1
1156 gram. Dit soort was tot nu toe onbekend. Tevens werden twee completen
houten schachten van kruisboogpijlen gevonden. Ook deze vondst is
uniek voor Nederland. De schachten zijn inmiddels geconserveerd. Al deze
gegevens en nieuwe vondsten zullen te zijner tijd verschijnen in een bijlage
bij het eerder genoemde boekje.
“W
i ^>
afbeelding 2
– 1 7 –

^
Schaal: 1:*».
Al met al zijn dit zeer interessante ontdekkingen en vondsten, die genoteerd
konden worden door dagelijks op het terrein aanwezig te zijn. Hopelijk
zal van de zijde van de gemeente en het museum meer druk worden uitgeoefend
om in de toekomst nogmaals een opgraving te laten plaatsvinden.
De kosten zijn met een goede organisatie, en eventueel sponsoring ,laag
te houden.
E.J. Dikken.
Noten:
1. J.G.N. Renaud, “Castellologie in Overijssel”, Het Kasteel Voorst.
Macht en van van een Overijsselse burcht (Zwolle, 1983) I4».
2. Verspreid in A.D. Verlinde, “Het kasteel Voorst. OpgravingspiatLcgrond
en reconstructies”, in Het kasteel Voorst. 17-36.
GEMEENTELIJKE ARCHIEFDIENST ZWOLLE.
Volgens de Archiefwet heeft de gemeentelijke archiefdienst de volgende
doelstellingen: het beschikbaar krijgen, houden en stellen van informatie
uit archieven en verzamelingen ten behoeve van dé handhaving van de
rechtszekerheid en de bestudering van de ontwikkeling van de plaatselijke
en regionale samenleving, speciaal op het gebied van haar geschiedenis
en kul tuur.
De gemeentelijke archiefdienst Zwolle verzamelt en beheert daarom allerlei
archiefstukken en dokumenten die op de een of andere manier betrekking
hebben op Zwolle. Naast deze schriftelijke informatie beschikt de
dienst ook over (oude) kaarten en tekeningen, een foto-archief, een bibliotheek
en een geluidsafdeling.
De archiefdienst houdt zich bezig met het beheer van het materiaal maar
ook met studie, inventarisatie en dokumentatie. Haar hoofdtaak bestaat
naast het instand houden van de verzamelingen en archieven uit het voor
een breder publiek toegankelijk maken van het aanwezige materiaal.
Zelfwerkzaamheid van de bezoeker is noodzakelijk. Wel kan deskundige
hulp geboden worden. Voor de onderzoeker zijn de verzamelingen onder
andere toegankelijk door middel van een zeer uitgebreid kaartsysteem
(circa 1.500.000 fiches) op persoonsnamen, beroepen, plaatsnamen, straaten
wijknamen enz. Op deze wijze zijn de belangrijkste bronnen ontsloten.
De meest geraadpleegde archivalia zijn alle gemicrofilmd; door zelfbediening
kan men ogenblikkelijk over de gewenste gegevens beschikken.
Systematische inventarissen en andere toegangen zijn aanwezig van de overige
archieven, zoals:
— de archieven van de gemeente Zwolle ( vanaf 1265);
— de archieven van de gemeente Zwollerkerspel (1803-1967);
— het oudrechterlijk archief van Zwolle en Zwollerkerspel, 1383-1811
(bevat onder meer testamenten, aan- en verkoop onroerend goed, boedelbeschrijvingen,
civiele en criminele rechtspraak);
— de archieven van de Zwolse notarissen (1811-1892);
— archieven van Zwolse kerken, verenigingen, instellingen, scholen,
families, personen enz.
De topoqrafisch-historische verzameling bevat onder meer (oude) kaarten,
tekeningen, een uitgebreide serie prentbriefkaarten, een fotodokumentatie
van het Zwolse stadsbeeld, luchtfoto’s, bouwtekeningen.
De bibliotheek bevat voornamelijk boeken over Zwolle en Zwollenaren en
publikaties op historisch en genealogisch gebied. Ook aanwezig zijn de
in Zwolle verschenen kranten (vanaf 1795), nieuws- en advertentiebladen;
daarnaast is er een uitgebreide verzameling wijk-, kerk- en verenigingsbladen.
De collectie is toegankelijk door middel van catalogi; de meest
gebruikte boeken en tijdschriften staan direkt onder handbereik in de
studiezaal.
De geluidsafdeling, een recente aktiviteit van de dienst, bewaart en
conserveert geluidsbanden met teksten uitgesproken bij belangrijke
Zwolse gebeurtenissen en banden met waardevolle documentaire gegevens,
zoals het Zwols spraakeigen. Deze afdeling ontvangt of kopieert graag
banden die voor Zwolle van belang zijn.
Alle verzamelingen zijn in principe openbaar en bieden legio mogelijkheden
voor historisch, bouwkundig, economisch, demografisch en genealogisch
onderzoek. Er is volop gelegenheid voor historisch geïnteresseerden
om individueel of in groepsverband een aantal uren per week vrijwillig
aktief te zijn ten behoeve van het historisch onderzoek. Te denken
valt aan het ontsluiten van de Zwolse geschiedenis van de 19e en 20e
eeuw. Dit kan onder andere gebeuren door middel van de Zwolse Courant
op onderwerpen als culturele aangelegenheden, verkeer en vervoer, sport,
onderwijs, winkels en bedrijven, patroon- en vakverenigingen, speciale
reklames enz. Soortgelijk onderzoek is mogelijk met diverse andere bron-
19-
nen zoals notulen gemeenteraad (ook van Zwollerkerspel), archieven van
stichtingen, verenigingen, notarissen enz.
In samenwerking met het Rijksarchief in Overijssel worden regelmatig
cursussen gegeven in het lezen van oud schrift, zodat ook de oudere archieven
voor amateur-historici toegankelijk worden.
De archiefdienst is gevestigd aan de Voorstraat 26. De studiezaal is
vrij toegankelijk op werkdagen van 8.30-12.30 uur an van 13-30-17-00
uur.
Op verzoek is openstelling op dinsdagavond mogelijk.
Jan Borst.
HET RIJKSARCHIEF IN OVERIJSSEL
Bij de bestudering van de geschiedenis van de stad Zwolle ligt het voor
de hand allereerst daarvoor het rijke bezit van het gemeente-archief te
raadplegen. Er bevindt zich echter hier ter stede nog een openbare instelling
die archieven bewaart, namelijk het Rijksarchief in de provincie
Overijssel. Ook hier is veel materiaal voor de Zwolse geschiedenis
aanwezig, zij het dat zoiets verborgen kan zitten in archieven en fondsen,
waar u dat niet zou verwachten. Het is daarom onze bedoeling om in
een aantal artikelen enige suggesties aan te dragen.
Eén van de belangrijkste taken van een archiefdienst is het toegankelijk
maken van de archieven die zij in huis heeft. Het resultaat daarvan is
de serie inventarissen, plaatsingslijsten of andere overzichten, die
het de bezoeker mogelijk maken een inzicht te verkrijgen wat zich tussen
al die meters papier verbergt. Het Rijksarchief mag zich gelukkig prijzen
haar publiek een gestaag groeiende reeks gedrukte inventarissen te
kunnen aanbieden. Dit maakt niet alleen de toegankelijkheid van de archieven
groter, maar ook opent dat de mogelijkheid zich elders te kunnen
voorbereiden op een bezoek aan de studiezaal van het Rijksarchief.
Het Rijksarchief is gevestigd aan de Eikenstraat 20 te Zwolle en telefonisch
te bereiken onder nummer 038 – 5*tO722.
Op verzoek van de Zwolse Historische Vereniging, die we bij haar start
veel succes toewensen, willen we de meest recent verschenen inventarissen
onder Uw aandacht brengen.
A.J. Mensema, Inventaris van het archief van het huis Oldhagensdorp
te Vollenhove. Verschenen in 1977; 2 delen.
Hierin stukken van zakelijke aard over goederen te Zwolle
en Zwollerkerspel (inv.nrs. 925″967)• Bevat voorts
archivalia betreffende (vooraanstaande) rooms-katholieke
families, die ook betrekkingen hadden met Zwolle,
zoals Van Oldeneel, Kockman, Van Doetinchem en Van
Uterwijck.
-20-
A.J. Mënsema, Inventaris van de archieven van de marken in de provincie
Overi jssel. Verschenen 1978.
Hierin stukken betreffende de marken Assendorp (ï450-
1897), Biaio (1713-1888), Berkum (1300-1865), Dieze
(1567-1855), Genne en Holten (1571-1895), Haarst (1670-
1855), Herculo (1^70-1843), Katwolde (1567-1895), Langenholte
(1552-1863), Mastenbroek (1328-157’»), Oldeneel
(1640-1848), Sekdoorn (1562-1646), Spooide (1489-1874),
Voorst en Westenholte (1577-1909), Zalné en Wythmen
(1713-1869), Zuthem (1709-1864) en de Zeven Marken
(1783-1864).
O.H. Postma, Inventaris van het archief van het Provinciaal College
van Toezicht op de goederen en fondsen van de Nederlands-
Hervormde gemeenten in de provincie Overijssel. Verschenen
1978.
Dit archief, grotendeels volgens het verbaal stelsel ingericht,
beslaat de periode 1820-1951 en bevat uiteraard
ook stukken betreffende de goederen der Zwolse
Hervormde Gemeente.
A.J. Mensema, Repertorium op de leenregisters van de leen- en hofhoriqe
goederen van de proosdij van Sint Lebuinus te Deventer.
Verschenen 1981.
Van dit 3″delige werk bevat het tweede deel de beleningen
van goederen te Zwolle (stadsvrijheid) en te Zwollerkerspel
over de periode 1408-1809.
Mr. W.J. Meeuwissen, Inventaris van het familie-archief Heerkens. Verschenen
1982. ~~
Hierin archivalia betreffende tal van aanzienlijke rooms
katholieke families, zoals Heerkens, Beuns, Rees, Wyer,
Vos de Wael e.a., alsmede betreffende goederen te Zwolle
en Zwollerkerspel (b.v. het buiten Hofvliet aan het
Zwartewater).
R.M. de Raat, Inventaris van de archieven van de strafinrichtingen in
de provincie Overijssel. Verschenen 1983•
Hierin ook stukken betreffende het provinciaal tuchthuis
en gevangenis aan de Menno van Coehoornsingel te Zwolle.
Alhoewel reeds in 1967 verschenen, verdient ook de Inventaris van de
verzameling Handschriften toebehorende aan de Vereeniging tot beoefening
van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, vervaardigd door Mr. E.D.
Eijken, een intensieve bestudering. Hierin kan men talloze aantekeningen
aantreffen over diverse onderwerpen uit de Zwolse geschiedenis.
Afdeling Externe Zaken van het Rijksarchief,
Jhr. A. Gevers.
BOEKBESPREKING
F.C. Berkenvelder:
Zwol
151
se Historische
bladzijden, pr
ZWOLLE ALS
Reeks No.1,
ijs f 2**,50.
-21-
HANZESTAD.
Waanders BV, Zwol Ie 1983.
“Zwolle Hanzestad”. De^e uitdrukking zal iedere Zwollenaar die het 750-
jarig bestaan van de stad heeft meegevierd, bekend in de oren klinken.
Stelt men echter een willekeurig iemand de vraag: “Wat was de Hanze voor
een instelling?” of “Welke relatie bestond er tussen Zwolle en de Hanze?”,
dan zal hij of zij het antwoord meestal schuldig blijven. Dankzij
het onlangs verschenen boek Zwolle als Hanzestad, van de hand van gemeente-
archivaris F.C. Berkenvelder, kan nu in deze leemte worden voorzien.
Auteur begint met de overgang te schetsen van de oorspronkelijke koop-
1iedenhanzes, genootschappen van handelaren voor de gelegenheid gevormd
ter wederzijdse bescherming, naar de stedenhanze, een verbond van steden,
gesloten om de belangen van hun kooplieden in den vreemde te bevorderen.
De plaats die Zwolle, sedert 1407′ als lid toegelaten, in de Noordduitse
stedenhanze, meestal kortweg aangeduid als ^e Hanze, innam, vormt het
hoofdbestanddeel van het boek. Zwolle komt naar voren als een weinig
principieel Hanzelid. Enerzijds hechtte de stad, met name in de 15e
eeuw, veel waarde aan het lidmaatschap van de Hanze omdat zij toen voor
een belangrijk deel haar welvaart ontleende aan de handelsbetrekkingen
met het Duitse achterland. Anderzijds schrokken de Zwolse kooplieden er
niet voor terug in toenemende mate handel te drijven met de grootste
concurrenten van de Hanze, de opkomende Hollandse steden. In de loop
van de 16e eeuw werd Overijssel niet alleen economisch, maar ook politiek
binnen de Hollandse invloedssfeer getrokken. Voor Zwolle was de
Hanze na 1580 dan ook niet langer van wezenlijke betekenis en werden er
dientengevolge geen vergaderingen meer bijgewoond. Een overzicht van de
handelsbetrekkingen die Zwolle in de late middeleeuwen heeft gehad en
een opsommina van de Hanzevergaderingen die werden bijgewoond, completeren
het werk.
Gebruik makend van zijn grote kennis van het Gemeente-archief, heeft
Berkenvelder een schat aan nieuwe gegevens het licht doen zien. Het gepresenteerde
materiaal vormt dan ook een belangrijke aanvulling op hetgeen
reeds over het middeleeuwse Zwolle bekend is. Maar de manier, waarop
de geschiedenis in beeld is gebracht.chronologisch en bovendien weinig
gestructureerd, vergt veel – mijns inziens teveel – van het geduld
van de lezer. Een ander bezwaar dat ik hier nog wil noemen, is dat vrijwel
uitsluitend de handelspolitieke kant van Zwolle’s relatie met de
Hanze wordt belicht. Culturele, demografische en sociale aspecten worden
niet of nauwelijks ter sprake gebracht. En het zijn juist deze zaken die
een historische studie zo boeiend kunnen maken.
Daartegenover staat dat een enkele maal het induvidueel menselijk handelen
bijzondere aandacht krijgt. Treffende voorbeelden hiervan zijn de
-22-
lotgevallen van burgemeester Berend van Yrte bij de (weder)opname van
Zwolle in de Hanze in 1407 en de competentiestrijd tussen de afgevaardigde
van Zwolle en Kampen over de in te nemen zetel op de algemene
Hanzevergadering van 1530 In Lübeck.
Tot slot een enkel woord over het uiterlijk van deze studie. Het boek
is aantrekkelijk uitgevoerd en bescheiden doch functioneel geïllustreerd.
Alleen de wat al te uitbundige toepassing van de vrije regelval
qeeft de bladzijden een onrustige aanblik. Maar misschien vormt dit wel
een goede afspiegeling van de woelige jaren die Zwolle als Hanzestad
doormaakte.
N.D.B. Habermehl.
BOEKBESPREKING
F.C. Berkenvelder: ZWOLSE REGESTEN, II. 1400 –
Waanders BV, Zwolle 1983.
bladzijden, prijs ƒ 100, —.
Een uitgave van allure – zowel qua inhoud als uitvoering – is het onlangs
verschenen boek Zwolse Regesten. II. 1400-1425. samengesteld door
gemeente-archivaris F.C. Berkenvelder en uitgegeven door Waanders. Het
betreft een bronnenpublicatie die niet alleen voor de huidige generatie
historici, maar ook voor die in de toekomst van belang is. Samen met de
eveneens door Berkenvelder uitgegeven maandrekeningen vormen de Regesten
– beknopte samenvattingen van officiële akten – een onuitputtelijke
bron voor een ieder die zich bezig houdt met de bestudering van de geschiedenis
van het middeleeuwse Zwolle.
Auteur heeft voor de regestenvorm gekozen om zo aansluiting te vinden
bij het Oorkondenboek van Overijssel, reaesten 797 – 1350. 6 delen,
Zwolle 1963 – 1969, samengesteld door G.J. ter Kuile. Daarnaast heeft
ook het financiële aspect – een integrale uitgave van de akten is onbetaalbaar
– een niet onbelangrijke rol gespeeld. Zoals de titel reeds
aangeeft, zijn slechts de regesten van die akten opgenomen waarbij de
rechtshandeling betrekking heeft op Zwolle binnen zijn huidige grenzen,
dan wel die te Zwolle zijn uitgevaardigd.
Het boek beslaat de jaren 1400 – 1425, een uiterst woelige periode in
de Zwolse geschiedenis. In het circa 3600 inwoners tellende stadje, dat
in 1407 als lid van de Hanze was toegelaten, kwam het economische
zwaartepunt steeds meer bij de gilden te liggen. Dientengevolge wisten
zij in 1413 een aandeel in de stadsregering te krijgen. Voor een belanq-
23-
rijk deel werd dit aangewend om de toenemende invloed van de Moderne
Devoten een halt toe te roepen. Een interdict was het gevolg, maar het
rijke Zwolle wist dit gevaar te bezweren. Uiteindelijk werd de gilden
Lucienacht 1416 op dramatische wijze hun politieke invloed ontnomen.
Een aantal ambachtslieden werd onthoofd, terwijl anderen vluchtten of
uit de stad werden verbannen. Voor de economische positie van Zwolle
een rampzalige ontwikkeling. Vanwege de deelname aan de oorlog tussen
de bisschop van Utrecht en de hertog van Gel re in bondgenootschap met
de graaf van Holland (1420-1 422), en de betrokkenheid bij de strijd om
de Utrechtse bisschopszetel na de dood van Frederik van Blankenheim in
1423, kreeg de economie geen kans zich te herstellen. Pas in 1432 kwam
aan deze malaise een einde.
Uiteraard komen bovengenoemde gebeurtenissen in de regesten aan bod.
Maar er is meer. Ook krijgen wij een duidelijk inzicht in de inrichting
en werking van typisch middeleeuwse instellingen als gasthuizen, broederschappen,
kloosters en begijnhoven. Verder laten zij ons bijvoorbeeld
zien hoe een ter dood veroordeelde zijn laatste dag doorbracht
en op welke wijze hij naar het schavot werd geleid. Bovendien vallen er
ook indirect belangwekkende gegevens uit de regesten af te leiden zoals
de omvang van de stad aan de hand van de ligging van muren en stadsgrachten,
de topografische ontwikkeling door de vermeldina van de straten
en de vermogenspositie van de welgestelden uit de testamenten.
Voor de historicus vormt dit regestenboek een geweldig hulpmiddel, daar
een tweetal uiterst tijdrovende werkzaamheden reeds voor hem is gedaan.
Zo zijn de in het Latijn of de volkstaal opgestelde akten vertaald in
hedendaags Nederlands, waarmee een voor velen vrijwel onneembare barrière
is weggenomen. Niet minder belangrijk is dat door het opnemen
van een uitgebreide index, verdeeld in de rubrieken achternamen, voornamen,
topografie buiten en binnen de gemeente Zwolle, de 742 regesten
optimaal toegankelijk zijn.
Kortom, dit boek verschaft de onderzoeker een schat aan informatie, door
Berkenvelder op voortreffelijke wijze toegankelijk gemaakt. Maar er is
nog een reden die de uitgave van dit boek rechtvaardigt, namelijk de
bescherming van de kwetsbare chartercollectie. De originele stukken
zullen in het vervolg – enkele uitzonderingen daargelaten – niet meer
geraadpleegd behoeven te worden, hetgeen de levensduur zeker ten goede
zal komen.
Al met al redenen te over om dankbaar te zijn voor de enorme inspanning
die Berkenvelder zich heeft willen getroosten om dit boek tot stand te
brengen. Met spanning kijken wij dan ook uit naar de verschijning van
deel III, dat de al even boeiende periode 1425 ” 1A50 zal beslaan.
N.D.B. Habermehl.
-24-
BOEKBESPREKING —
Gerard Schutte: METERS BUUTENSPEL ! Voetbal in Zwolle 1893-1983.
Tijl Grafisch bedrdrijf b.v., Zwolle 1983
359 bladzijden, prijs ƒ 24,50.
In tien jaar tijd heeft Schutte een bijna vermoeiende hoeveelheid gegevens
verzameld over negentig jaar Zwols voetbal leven. Hij heeft daarbij
bewust enige keuzes gemaakt om dit zeer brede gebied af te bakenen. In
de eerste plaats beperkt hij zich in zijn boek tot de sportieve kant
van de clubs. Uit interesse heeft hij gekozen voor de voetbal Iers, en dan
voornamelijk de spelers van het eerste elftal, en niet voor de bestuurlijke
geschiedenis van de clubs. Daarnaast heeft hij zich dan alleen beziggehouden
met de verenigingen die in de grote K.N.V.B.-competitie
speelden en niet met die uit de afdelingen. De laatste beslissing was
vooral een praktische, omdat er over de laatstgenoemde clubs te weinig
bronnenmateriaal is. Die bronnen bestaan overigens uit kranten, jaarboeken
van de K.N.V.B., verenigingsarchieven, zo die bestaan, en mondelinge
informatie.
De schrijver voert ons in h2 hoofdstukken in een ijltempo langs de geschiedenis
van tien Zwolse voetbalverenigingen. In het kort worden de
totstandkoming en de hoogte- en dieptepunten van de betreffende club in
jaartallen geschetst. Hierna vermeldt hij de eindstanden van de competities
waarin de clubs speelden, met de topscorers van dat jaar.
Daartussendoor beschrijft Schutte een groot aantal interessante aspecten
van het voetbal leven, zoals bekende Zwolse voetballers, de rivaliteit
tussen de drie grote clubs (Z.A.C., P.E.C, en Zwolsche Boys), het
streven naar één betaald-voetbalorganisatie in de jaren 60, bijnamen
van voetballers, kampioenschappen en bekende Zwolse voetbal fami1ies.
Veruit de aardigste hoofdstukken zijn die, waarin wordt gesproken over
de ronselpraktijken van met name de eerder genoemde grote drie. Met allerlei
middelen probeerde men de beste spelers van de andere club weg
te kapen en daarbij schuwde men zelfs het schenden van de amateurbepalingen
niet. Aan het eind beschrijft de auteur de grootste voetballer
die Zwolle ooit gekend heeft: Beb Bakhuys. Hij weet diens kwaliteiten
ook met behulp van cijfermateriaal te bewijzen.
Hoewel de schrijver dit doel niet in eerste instantie nastreeft, ontwikkelt
hij in de loop van het boek enige belangwekkende stellingen.
Zo haalt hij, na bestudering van het verzamelde materiaal, de legende,
dat er voor de oorlog meer gescoord werd dan erna, genadeloos onderuit.
Op dezelfde wijze prikt hij de opgeblazen herinneringen van sommige bestuursleden
en spelers door. Zeer belangrijk zijn echter de conclusies
over de ontwikkeling in het karakter van de verschillende clubs, die
mijns inziens nauw samenhangen met maatschappelijke ontwikkelingen.
Schutte constateert namelijk een vervaging van de tegengestelde aard
van de clubs op het sociale en confessionele vlak. Zo was, met name
vóór de oorlog, Z.A.C. (Zwolsche Athletische Club) de club van de betere
stand, Zwolsche Boys die van de arbeiders en P.E.C. (Prins Hendrik-
25-
Ende Desespereert Niet – Combinatie) die voor de middengroepen. Anderzijds
was men als gereformeerde aangesloten bij C.S.V.’28 (Christelijke
Sport Vereniging), als hervormde bij Be Quick ’28 en als katholiek
bij S.V. Zwolle. Het afgescheiden karakter van de laatste drie komt
het best tot uitdrukking in. de verschillende voetbalbonden op confessionele
grondslag die vóór 19^0 bestonden. Deze ontwikkel ingen zijn
verder onderzoek waard.
Het boek is verder belangrijk, omdat het ook de vroegste geschiedenis
van de clubs behandelt, die vaak niet schriftelijk is vastgelegd. Men
is daarvoor dus aangewezen op mondelinge informatie, liefst uit de
eerste hand. Een mensenleven is eindig en daarom is het voor dit stukje
van het Zwolse verleden belangrijk dat het nu_ is vastgelegd, op het
moment dat voetballers van het eerste uur nog geraadpleegd konden worden.
Ook is het boek een naslagwerk wat betreft standen, topscorers, kampioenschappen
en namen.
Jammer is het echter, dat er weinig structuur in het boek aanwezig is.
Beter was misschien geweest het statistisch gedeelte achterin het boek
op te nemen en de geschiedenis van de clubs en de afzonderlijke artikelen
meer inéén te schuiven. Een bezwaar is ook, dat de voetbalgeschiedenis
tussen 19*tO en 1965 relatief weinig aandacht krijgt. Verder mist
het boek een gedegen hoofdstuk over de spelverruwing van de laatste tien
jaar. Het feit, dat Schutte de spelers, die voor de oorlog hun amateurstatus
schonden door betalingen aan te nemen, in bescherming neemt, is
afkeurenswaardig. Later wil hij namelijk spel verruwing toeschrijven aan
de enorme, niet-sportieve, belangen die in een wedstrijd op het spel
staan. De oorsprong van die belangen ligt mijns inziens al bij die eerder
genoemde betalingen, in welke vorm dan ook.
Beneden iedere historische maat is de wijze waarop Schutte een belangrijk
deel van de scheidsrechters meent te moeten karakteriseren, als
vrij dom en zonder al te veel kennis van zaken. Uit beschrijving van een
door zijn club (C.S.V.) meegemaakte kwestie, lijkt het alsof hij persoonlijke
rancuneuze gevoelens wil botvieren.
Ronduit a-historisch is het hoofdstuk waarin hij de lezers aanvalt op
hun mogelijk negatieve opinie over spelers, trainers en wedstrijden
(“U hebt zelf misschien een persoonlijkheid, die het nog niet kan halen
bij die van een broedse kip!” (blz. 312)). Er zal ongetwijfeld veel onjuiste
kritiek zijn, maar aan dit soort vermanende vingertjes heeft de
geïnteresseerde lezer niets.
Al met al echter heeft Schutte, ook door zijn stijl van schrijven, een
boek geschreven over 90 jaar Zwols voetbal lief en -leed, dat de aanschaf
en de moeite van het lezen meer dan waard is. Van begin tot eind
weet hij de lezer met verhalen en feiten te boeien. Daarbij komt nog,
dat hij de baten van het boek ter beschikking stelt van een goed doel.
Het boek is te verkrijgen bij alle Zwolse voetbalverenigingen waaraan
in het boek aandacht is besteed, bij Toto- en Lottoverkooppunten en bij
het stadskantoor van de Zwolse Courant.
J. Hagedoorn.
• -26-
| MEDEDELING VAN DE REDAKTIE OVER “DOEL VAN DE NIEUWSBRIEF” )
Zoals de naam Nieuwsbrief al aangeeft, willen wij voor u de nog niet
algemeen bekende “nieuwtjes” op het gebied van de rijke geschiedenis
van Zwolle naar boven halen. Dit blad wil de lezers in de gelegenheid
stellen om eenmaal in het kwartaal bekend te worden met de resultaten
van de bestudering van de geschiedenis van Zwolle binnen haar huidige
grenzen. Deze resultaten zullen aan de lezers in het kort worden meegedeeld,
met vermijding van de nodeloze langgerektheid welke anders
een uitnemend hulpmiddel is om lege kolommen aan te vullen.
De redactie rekent het tot haar plicht om, altijd het betere voor ogen,
rusteloos te trachten een blad te leveren, waarin het aangename met
hèt nuttige gepaard gaat.
De “hoofdschotel” zal bestaan uit een aantal korte artikelen. Wij zullen
allen zeer erkentelijk zijn, die onze pogingen tot het zo smaakvol
mogelijk serveren daarvan, middellijk of onmiddellijk ondersteunen.
Door in dit blad een agenda op te nemen willen wij U op de hoogte houden
van wat in de nabije toekomst in Zwolle op historisch gebied te
verwachten valt: tentoonstellingen, activiteiten vanuit bepaalde instellingen,
vergaderingen en dergelijke.
Een “teruqblik” op een recente manifestatie zal in dit blad ook niet
ontbreken evenmin als besprekingen van onlangs verschenen publicaties
die een stuk Zwolse geschiedenis betreffen.
Voorts kan al datgene wat betrekking heeft op de geschiedenis van
Zwolle en van wezenlijk belang beschouwd wordt, ter plaatsing worden
aangeboden. De auteurs zijn echter verantwoordelijk voor de inhoud van
hun bijdrage.
Redactie “Nieuwsbrief”.
MEDEDELINGEN
WERKGROEP DOCUMENTATIE HANDMERKEN
De laatste jaren is in Nederland meer belangstelling ontstaan voor de
zogenaamde hand- of huismerken. In april 1982 is een “Werkgroep Dokumentatie
Handmerken” opgericht. Deze werkgroep stelt zich ten doel een
begin te maken met een wetenschappelijk verantwoorde registratie van
het Nederlandse hand- en huismerkenbestand. Belangstellenden kunnen
-27-
door middel van een standaard registratieformulier hun medewerking verlenen
aan dit initiatief. Voor nadere informatie kunt U zich wenden tot
uw redactie.
JOAN PERK BARON VAN DER CAPELLEN TOT DEN POLL
Het jaar 1984 zal in het teken staan van een aantal manifestaties rond
de herdenking van de tweehonderdste sterfdag van Joan Derk. In volgende
uitgaven zullen wij dieper op deze, op vele manieren verguisde of hoog
geprezen figuur ingaan. Een goed overzicht van de manifestaties in het
kader van de herdenking en een beknopte levensloop zijn terug te vinden
in het “Joan Derk Bulletin”, een uitgave van het werkcommité Joan Derk
van der Capellen tot den Poll 1984, p/a Culturele Raad Overijssel,
Postbus 1347 te Zwolle.
HET JOODSE ONDERWIJS IN ZWOLLE 19^+1 – 1
Van mevrouw G. Vierstraete – Erdtsieck is recent in druk verschenen
“Het Joodse onderwijs in Zwolle. 1941 – 1943” (eigen uitgave, Wezep
1983). Het betreft hier een scriptie in het kader van haar geschiedenisstudie
aan de Noordelijke Leergangen te Zwolle. Belangstellenden
kunnen een exemplaar (kosten ƒ 10,– excl. verzendkosten) bestellen
bij de schrijfster, mevrouw G. Vierstraete – Erdtsieck, Hortensiastraat
14, 8091 VC Wezep, telefoon 05207 – 1846.
L I D M A A T S C H A P VAN DE ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING
Bijzonder verheugend was het de afgelopen maanden zoveel namen te kunnen
noteren van mensen die het initiatief tot de oprichting van een
historische vereniging in Zwolle wilden ondersteunen. Nu de statuten
op 15 december 1983 notarieel vastgelegd zijn en de “Zwolse Historische
Vereniging” een feit is, is het moment gekomen waarop het aspirant-lidmaatschap
omgezet zal worden in het lidmaatschap van de vereniging.
Mocht U bij nader inzien op Uw principe-besluit terug willen komen en
geen prijs stellen op het lidmaatschap van de “Zwolse Historische Vereniging”,
wilt U dit dan binnen een maand na het verschijnen van dit
blad kenbaar maken aan de penningmeester, H. Brassien, Brederostraat 76
3023 AV Zwolle ?
Degenen, die zich na 1 januari 1984 als nieuw lid aanmelden, betalen
vanaf die datum contributie. Leden, die zich in de loop van een jaar
opgeven ontvangen alle in dat jaar al verschenen nieuwsbrieven.
Voor degenen, die zich al vóór 1 januari 1984 opgegeven hadden, geldt
de regeling, zoals die verwoord is in het hen toegezonden informatieblad
over de op te richten vereniging: zij betalen eerst contributie
bij de verschijning van het eerste Jaarboek (najaar 1984).
-28-
AGENDA
TENTOONSTELLINGEN IN HET PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
21 januari t/m 19 februari 1984
»De nieuwe munten van Nederland.
Op deze tentoonstelling zal een aantal ontwerpen, mallen, munten en
penningen uit de eigen collectie van het POM en een diaserie over
het maken van munten te zien zijn.
apri1 / juni
•Loop naar de pomp.
Deze tentoonstelling zal een overzicht geven van de Zwolse stadspompen
en de watervoorziening in het verleden.
mei / juni 1984
•Stadstuinen / geneeskrachtige planten.
Twee prentententoonstel1ingen met werk uit eigen collectie van het
POM
CULTURELE RAAD OVERIJSSEL
Van de culturele Raad Overijssel kregen wij het verzoek U erop te attenderen,
dat 10 februari 1§84 een studiedag gehouden wordt met als
thema: ” Het museumbeleid in Overijssel en het probleem dat de decentralisatie
van dit beleid, ook voor de Zwolse Musea, met zich meebrengt”.
Mededelingen voor de volgende agenda kunnen vóór 1 maart 1984 worden
toegezonden aan de Redaktie van de NIEUWSBRIEF.
ZWOL&E HI&TORI6CHE VERENIGING
Bestuurssamenstel1 ing
Voorzitter N.D.B. Habermehl
Philosofenal1ee 2k Zwolle
Secretar i s J. Hagedoorn
p/a Wipstrikkeral1ee 176 Zwolle
Penn i ngmeester H. Brassien
Brederostraat 76 Zwolle
Lid (eindred. NIEUWSBRIEF) R.T. Oost
Jel1 issenkamp 2 Zwolle
Lid (eindred. JAARBOEK) J.F. Borst
Meenteweg 7 Zwolle
REDAKTIELEDEN NIEUWSBRIEF
J. Hagedoorn
R.T. Oost (eindredacteur)
Mevr. A. van der Wurff
SEKRETARIAAT ZWOLSE HISTORISCHE VERENING ING:
Wipstrikkeral1ee 176, 8023 DP ZWOLLE
REDAKTIE NIEUWSBRIEF / ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING:
Jel1issenkamp 2, 8014 EW ZWOLLE
REDAKTIE JAARBOEK / ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING:
Meenteweg 7, 80’M AT ZWOLLE
LEDENADMINISTRATIE ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING:
Brederostraat 76, 8023 AV ZWOLLE
layout/
typewerk: henk brassien

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 1

Door 2003, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

*-*•
20e jaargang 2003 nummer 1 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Ö;DEtEEUW
Hofli?)erat)_cier
L E.
Datum postmerk.
M.
Hiermede heb ik de. eer U, te berichten, dat
mijn reiziger, de Heer K. L. KEIZER, U binnen
‘enkele dagen denkt te.bezoeken/. ,
, Aangenaam zal het nüj zijn, indien U hem
met Uw gewaardeerde orders zult willen belasten.
Na beleefde groeten, verbfijf ik .’•
:.• :• -f-.-. ,,. .Hoogachtend -:
: .,’••/ • . ‘••• I-.’ «..-
.••• . . •: . “‘:>’-• •’ ‘ v UEd.’.dw. Dn.,, ,’. . /.
: -• • „•:•:•.’ ] ‘ < • / / O. DE LEEUW. 0.' de LeeUW - kandtiouwwerktuigen - Zwolle (Holland) IEFKAA Algemeane Poatveioemging"ft/n]Oji Paai Zijde voor het Bdres bestemd (Cöti ristmi t? (Particuliere collectie ) Groeten uit Zwolle Reizigerkaart van de firma O. de Leeuw Poststempel 30 december 19.. (?) O. de Leeuw is een van de oudste ondernemingen in Zwolle en bovendien nog steeds een zelfstandig Zwols bedrijf. De onderneming dateert uit 1810, toen in het pand Diezerstraat 72 een handel in ijzerwaren begon. Deze ijzerwarenhandel transformeerde zich geleidelijk tot groothandel. In 1890 werd de Groninger Oeds de Leeuw de enige firmant en hij verbond toen zijn naam aan het bedrijf. De Leeuw breidde het bedrijf uit met een landbouwpoot, O. de Leeuw Landbouwwerktuigen. De afgebeelde reizigerkaart, opmerkelijk genoeg maar hier helaas niet zichtbaar in kleur, moet afkomstig zijn uit de jaren twintig of dertig. In de jaren twintig verwierf O. de Leeuw namelijk het exclusieve importeurschap voor de noordelijke helft van Nederland voor de werktuigen van de Amerikaanse fabriek Deering. Deering maakte allerlei soorten landbouwmachines, van de afgebeelde 'hooibouwwerktuigen' voor paardenkracht tot tractoren. Verreweg de meeste in die jaren verkochte machines waren nog bestemd voor paardenkracht. O. de Leeuw was, en is overigens nog altijd, gerechtigd het predikaat 'hofleverancier' te voeren. Deze eer werd het bedrijf in 1895 samen met drie andere Zwolse bedrijven verleend ter gelegenheid van het bezoek van koningin Emma en prinses Wilhelmina aan de stad. Landbouwwerktuigen worden tegenwoordig niet meer door het bedrijf verkocht. O. de Leeuw BV is nu de naam van een holding waaronder zeven technische groothandels ressorteren. Vijf daarvan zijn nog gevestigd in Zwolle en omgeving: Ijzerleeuw, Leeuwbouw, Leeuwtechniek, Hattemleeuw en O. de Leeuw Groentechniek. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Redactioneel Inhoud De lijn van de geschiedenis laat zich met wat fantasie vergelijken met, vergeef het cliché, een waterstroom. In een brede bedding ontvouwt zich het wereldgebeuren, in zich steeds verfijnende zijtakken en -takjes de regionale en lokale gebeurtenissen en besognes. En zo stroomt er ook in dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift een beekje van vertelling naar vertelling. Het begint met het verhaal over de Zwolse reder en kapitein Lange van de hand van de heer Hein Ehrhardt. Als daar geen water aan te pas komt! Wil Cornelissen vertelt over Bep Wiersma, een dappere jonge vrouw die tijdens de Tweede Wereldoorlog het leven liet. Zonder twijfel wandelde zij ook, net als zovele Zwollenaren, in de tuin van Huize Eekhout. Over die tuin schrijft Jeanine Otten. En Wim Huijsmans laat ons inzoomen op het kleine, niet zo schokkende maar voor Park Eekhout onmisbare verhaal achter de volière, die tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw in het park te vinden was. Elk verhaal volgt zijn eigen bedding. Maar met één rode draad: het gebeurde in Zwolle. Groeten uit Zwolle Annèt Bootsmavan Hulten en Wim Huijsmans Zwolse negentiende-eeuwse zeevarende voorouders Hein Ehrhardt Bep Wiersma (1922-1945) Wil Cornelissen Park Eekhout Jeanine Otten De volière in Park Eekhout Wim Huijsmans Mededelingen Auteurs Omslag: De beukenbomenpoort in Park Eekhout in mei 1974. (Collectie HCO, Foto Gemeente Zwolle, afd. voorlichting) ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Zwolse negentiende-eeuwse zeevarende voorouders Hein Ehrhardt Er is tot nu toe weinig aandacht besteed aan de scheepsbouw en koloniale zeilvaart in de negentiende eeuw in Zwolle. Zulks afgezien van het vele werk dat Gerrit van Hezel vrijwel als enige onderzoeker op dit terrein heeft verricht. Eigenlijk is die geringe belangstelling merkwaardig, omdat deze activiteiten bijzonder boeiende aspecten van het Zwolse leven in de negentiende eeuw zijn geweest. Maar aan de andere kant is het ook wel begrijpelijk, omdat belangrijke archieven zoals dat van de Zwolse Waterschout en van de voornaamste rederij - de firma Doijer en Kalff - vrijwel geheel verdwenen zijn. Hopelijk vult het op komende wegen zijnde grote Zwolse geschiedenisboek dit hiaat. Tegen de Zwolse (koloniale) scheepvaart en scheepsbouw ben ik aangelopen bij een onderzoek naar de avonturen op zee van mijn betovergrootvader Thomas Lange en van diens zoon Johan Jörgen Lange, de vader van mijn grootmoeder Catharina Johanna Steenbergen - Lange. Het resultaat van mijn bevindingen volgt hierna; voor de verantwoording van de vermelde gegevens moge verwezen worden naar de achter dit artikel genoemde publicaties. Maar nu eerst naar Thomas Lange. Thomas Lange Thomas Lange werd in 1796 in Jevnaker in Noorwegen geboren als predikantenzoon uit een regentengeslacht met bindingen met zeevaart en handel. Over zijn jeugdjaren in het kinderrijke gezin op de pastorie op het Noorse platteland en over de periode tot zijn vertrek naar Nederland in 1817 is vrijwel niets bekend. In dat jaar monsterde Thomas in Amsterdam aan als matroos op het grote hoekerschip 'Willem den Eersten' voor een reis naar Batavia. Het schip vertrok eind maart 1818 met 'Z.M. Troepen', niet nadat er op het laatste moment nog een wisseling van kapitein had plaatsgevonden. Vier maanden later kwam het schip in Rio de Janeiro aan, waarheen het na een muiterij onder het: detachement had moeten uitwijken. Daarna ging het een tijdje beter. Het schip bereikte Batavia zonder verdere problemen, 'overwinterde' er en vertrok eind maart 1819 weer naar Amsterdam. Op die reis werd op 20 mei het schip door de bliksem getroffen en zwaar beschadigd. In die toestand kwam de 'Willem den Eersten' op 26 juni aan de Kaap aan, waar het schip zo goed en zo kwaad als het ging werd opgekalefaterd. Begin november werd de thuisreis weer hervat, maar de volgende dag al bleek het schip opnieuw lek en moest worden teruggekeerd. De 'Willem den Eersten' werd op het strand gezet, de lading gelost en het schip verkocht. Kapitein Abes stierf aan de Kaap. Het was, nog maar zachtjes uitgedrukt, bepaald niet een eenvoudige eerste verre reis voor de Noorse domineeszoon. Hoe en wanneer Thomas in Nederland is teruggekomen, is niet bekend. We komen hem pas weer in april 1822 tegen toen hij als matroos boekte op het fregatschip 'de Strever' onder kapitein Afflick voor een reis naar Paramaribo. Deze overleed tijdens de reis in Paramaribo. Met Thomas' carrière ging het intussen voor de wind; hij werd stuurman op het brikschip de 'Nordloh' dat op Indië voer. Met dit schip waren er weinig problemen, behalve dat de 'Nordloh' op de derde reis (Thomas was opperstuurman) tussen de zandbanken bij Duinkerken vastliep. Inmiddels was het 1827 en Thomas trouwde met de Amsterdamse Catharina Carstens. Ook kocht hij in dat jaar geheel met eigen geld een klein schip, de voormalige 'Vlashandel', door hem 'Catharina' genoemd. Daarmee maakte hij drie reizen naar het Oostzeegebied en een reis naar ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Noorwegen. Naast de kapitein waren er als regel zes of zeven bemanningsleden aan boord. Na de vierde reis (waarbij de scheepsjongen verdronk), met tarwe, rogge en graan voor de Zuidelijke Nederlanden, verkocht hij in Antwerpen het schip voor hetzelfde bedrag waarvoor hij het had gekocht: ƒ 5.500,-. Tot zo ver de voorgeschiedenis; nu komt Zwolle in beeld. Thomas Lange varende vanuit Zwolle met de 'Vrouw Catharina' Op zoek naar een nieuw schip kwam Thomas Lange in Zwolle terecht, waar al drie jaar op de werf van Pieter van Goor een schip van ruim tweehonderd ton op stapel stond. Van Goor had op 11 maart 1825 aan de Staatsraad, Administrateur voor de Nationale Nijverheid, gevraagd om in aanmerking te mogen komen voor de premie zoals deze door Koning Willem I ter bevordering van de scheepsbouw was ingesteld. Een positieve reactie kwam al vijf dagen later. Een subsidie van 30 procent op de bouwkosten van het scheepshol werd in het vooruitzicht gesteld. Toch duurde het nog tot 30 mei 1829 voor het schip te water werd gelaten. De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant juichte na een tewaterlating in aanwezigheid van de gouverneur van de provincie en de burgemeester van Zwolle: 'Dit is het eerste schip, voor de vaart op buitenlandsche Zeeën bestemd, hetwelk immer op de werven dezer Stad is gebouwd, en wij bemerken hier in met genoegen den gunstige invloed, welke Zr. Majesteits maatregelen ter aanmoediging van den Scheepsbouw ook op de werven onzer Stad uitoefenen.' Het kan zijn dat het moeilijk is geweest om kopers (en wellicht een kapitein) te vinden. Thomas Lange moet van dit schip gehoord hebben, al was er zijnerzijds geen enkele binding met Zwolle. In ieder geval werd hij samen met drie anderen reder van het schip: Johannes Ridderinkhof, houtkoper te Zwolle Evert Lindeboom, koopman te Heino Thomas Lange, schipper te Zwolle Hermannus van der Vegte, touwslager te Zwolle voor 8/32ste deel voor 2/32ste deel voor iV32ste deel voor iV32ste deel Lange's compagnons waren stuk voor stuk mensen die tot de kring behoorden waaruit in 1835 de Christelijke Afgescheiden Kerk zou ontstaan. Voorwaar een nieuwe wereld voor een zoon van een vrijzinnige dominee uit het verre Noorden. Lange maakte zeventien reizen met de 'Vrouw Catharina', zoals het schip genoemd werd. Lam- Thomas Lange, 1796- 1841, kort voor zijn overlijden in 1841 geportretteerd door de Surinaamse schilder S.F. C. Arons. (Collectie auteur) ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT bert Jan Lindeboom, uit de familie van een van de voornaamste reders, was vrijwel altijd van de partij als bemanningslid (eerst als scheepsjongen, later als stuurman). Misschien een vorm van zakelijke controle door de familie. Er waren als regel tien bemanningsleden. BIJ HET VAN STAPEL LOOFEA DRIEMJST KOFSCHIP, M at jubelkreet vervult de lucht. Terwijl een' kiel. verhit in vlugt, Van 't hellend vlak komt dalen En neerstort op den effen' vloed. Die tintelt in den z.icliten gloed Der avondzormestralen '•' Een' kiel, die hier geen' weerga had. Die d' achtbren naam der Vaderstad Ontrolt op steng en steven. Daalt daar in 't Zwarte water neer: En daarom wordt er; keer op keer, Weer jubel aangeheven. En wensch ligt in dien jubehoon Voor 'tzeegevaart, zoo trotsch als schoon Opregtelijk besloten: Dat ZWOLLE op zee voorspoedig zij.' I.s wensch van Zwolle's burgerij, ]s wensch van Zwolle's grooteu. Hel zij gij gaat naar :t Westerland, Alwaar de zoustraal feller brandt, Of uaar het Zuiden stevent; Het iij gij zweeft op Noordervloed. 01'naar het Oosten henen spoedt, Uw' vaart zij steeds gezegend. Zeil zwaar belaan met kostbre vracht Naar havens, waar weer vracht U wacht; f?a Trotseer en stroom en baren; Wees zegevierend in d'orkaan: l)an.< lustig over d'oceaan, En doe dat vele jaren! Dat statig zich Uw' vlag onLroll', Üm heinde en ver de stad van ZWOLL' Aan vreemden te verkonden. Maar rein., als 't zilver, dat daar straalt In 'tZwolsche kruis, waarmee zij praalt. Zij steeds hare eer bevonden! G. II. VA SEI>E.
Lofdicht van de bekende Zwolse dominee en gelegenheidsdichter G.H. van Senden
ter gelegenheid van de tewaterlating van het kofschip de ‘Stad Zwolle’, 23 juli
1839. (Collectie auteur)
De eerste reis, van Liverpool naar Dordrecht
met een lading zout, gaf al direct schade aan masten
en zeilen. Op de tweede reis naar Riga, heen
met ballast en terug met rogge en gerst, verliep
alles voorspoedig. Op de derde reis, weer terugkomende
met zout uit Liverpool, kwam de ‘Vrouw
Catharina’ in aanvaring met de ‘Antigone’ van
kapitein Leefkens. Er was uiteraard nogal wat
schade, maar de ‘Antigone’ was er erger aan toe.
Dit schip strandde na de botsing uiteindelijk voor
Blankenberge en werd prompt door Vlaamse
kustbewoners geplunderd. De volgende reizen,
naar de Oostzee en Noorwegen, verliepen zonder
incidenten.
Voor de tiende reis werd een nieuw, gewaagder
reisdoel gekozen: Suriname. Heen met stukgoed;
de kolonie was voor veel elementaire zaken
afhankelijk van invoer uit het moederland. Terug
bestond de lading uit suiker en katoen. Dan weer
met dakpannen naar Riga, weer twee keer naar
Suriname en dan ineens naar Genua en Livorno
om marmer. Zwolle, waar Lange ook woonde,
bleef steeds zijn thuisbasis.
In 1837 vertrok de ‘Vrouw Catharina’ opnieuw
naar Suriname, waar het na een reis van 59 dagen
aankwam. Voor de terugreis werd het schip
hoofdzakelijk beladen met suiker. Een week na het
vertrek in januari 1838 uit Paramaribo kwam het
schip in moeilijkheden, en wel in die mate dat het
vier weken stuurloos in zwaar beschadigde toestand
op de Atlantische Oceaan ronddobberde.
Ten slotte werd het schip opgemerkt door een
Amerikaans schip dat de bemanning redde. De
‘Vrouw Catharina’ werd opgegeven.
De vier reizen van Lange samen met de twee
reizen van het volgende schip naar Suriname in de
periode 1832-1841 vergelijkende met de totale
export uit Suriname in die periode, blijkt dat Thomas
Lange 2 procent van het totaal voor zijn rekening
heeft genomen. Geen reden voor een postkoloniaal
schuldgevoel bij zijn nakomelingen of voor
de gemeente Zwolle.
Het goede schip de ‘Stad Zwolle’
Ondanks het verlies van zijn schip hadden de overige
reders hun vertrouwen in kapitein Lange en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de scheepvaart niet verloren. Zij besloten een
nieuw schip te laten bouwen; het eerste grote
schip in Zwolle na de bouw van de ‘Vrouw Catharina’.
Ridderinkhof deed overigens niet meer mee.
De verschillende reders bezaten de volgende
parten:
Evert Lindeboom
Johannes Lindeboom,
arts te Zwolle
Willem Hendrik Wicherlink
Thomas Lange
Wolter Wagter Smitt
voor 4/i6de deel
voor 446de deel
voor 346de deel
voor 2A6de deel
voor i46de deel
Alle eigenaren, ook Smitt en Wicherlink, behoorden
tot de Lindeboom familie. Thomas Lange had
als enige buitenstaander nog een klein aandeel. De
tewaterlating van het 272 ton grote schip werd
weer uitbundig gevierd. Het stadsbestuur bood
een Zwolse vlag aan, de bekende dominee en gelegenheidsdichter
G.H. van Senden maakte een lofdicht.
Het kofschip de ‘Stad Zwolle’ maakte zijn
maiden-trip naar Paramaribo. Op de terugreis viel
de lichtmatroos Willem Blad overboord en verdronk.
Ook de tweede reis ging naar Suriname, weer
met stukgoed en Lindeboom als stuurman. Op de
heenreis werd Thomas Lange geportretteerd door
de Surinaamse schilder Samuel Ferdinand Cornelis
Arons, die als passagier terugkeerde van een
schildersopleiding in Amsterdam. Op 9 maart 1841
vertrok het schip weer uit Paramaribo, met een
rijke lading aan suiker, koffie, rijst katoen, cacao
en kwassiehout (een koortswerend bitterhout).
Drie dagen later, 12 maart 1841 om vier uur ’s morgens,
viel Thomas Lange tijdens een storm uit de
ra en verdronk. Lindeboom nam de leiding over;
de ‘Stad Zwolle’ kwam zonder Thomas Lange,
maar wel met diens door Arons geschilderde portret
enige tijd later verder behouden in het vaderland
aan.
Lange liet een jong gezin, met drie zoons en
twee dochters, achter. Twee van de zonen, Johan
Jörgen en Hendrik Thomas, lieten zich niet
afschrikken door het lot van hun vader en gingen
ook naar zee. Johan Jörgen, de oudste zoon en
genoemd naar zijn Noorse grootvader, bleef aan
Zwolle gebonden. Van Hendrik Thomas, de jongste
zoon, zijn voor wat Zwolle aangaat alleen twee
reizen als kok met de ‘Provincie Overijssel’ voor
de Zwolsche Reederij Maatschappij van Zwolle
naar Amsterdam bekend. Diens verdere loopbaan,
hij eindigde in 1880 als kapitein op de grote
clipper ‘Auguste’, is voor dit Zwolse verhaal niet
relevant en blijft dus verder buiten beschouwing.
Johan Jörgen Lange
Johan Jörgen was bij het overlijden van zijn vader
nog maar twaalf jaar. Anderhalfjaar later monsterde
hij als scheepsjongen aan op de ‘Stad Zwolle’.
Deze eerste reis begon meteen al ongelukkig.
Het schip moest vrijwel direct lekkend de haven
van Falmouth in vluchten, waar het gerepareerd
werd. De tweede reis verliep nog slechter. Terugkomend
moest het zwaar beschadigd de haven van
Portmouth inlopen. De kosten van de tijdrovende
reparatie waren vrijwel gelijk aan de waarde van
het schip. Begrijpelijk dan ook dat de reders na
thuiskomst tot verkoop besloten. De Nederlandse
Kofscheepsrederij te Amsterdam kocht in 1845 de
Johan Jörgen Lange,
1828-1900, als jonge
man. (Collectie auteur)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het barkschip de ‘Sir
RobertPeeï. Johan Jörgen
Lange voer op zes
reizen als kapitein op
dit schip. (Collectie
auteur)
‘Stad Zwolle’ en herdoopte het in ‘Jacoba’. Maar
tegenspoed bleef het schip achtervolgen. Scheepsberichten
meldden dat in mei 1854 de equipage op
de Atlantische Oceaan van het wrak van de
‘Jacoba’ werd gered. Wat je noemt een roemloos
einde voor wat eens de trots van Zwolle was.
Johan Jörgen was het schip na de verkoop niet
trouw gebleven. Hij maakte twee reizen met andere
schepen naar Suriname. De tweede reis was met
‘De Hoop’ onder kapitein Londt. Dit schip
strandde in het Kanaal van Bristol en ging verloren.
Daarna volgden vier minder avontuurlijke
reizen naar Nederlands-Indië. Een en ander vanuit
Amsterdam, maar Lange’s basis bleef Zwolle
waar zijn moeder ook nog woonde. Vervolgens
ging hij vanuit Dordrecht opereren. Gedurende
drie reizen was hij stuurman op het grote barkschip
‘Eva Johanna’, dat op Indië en het Verre
Oosten voer. De laatste reis eindigde in 1856. Op
de volgende vaarten was Johan Jörgen niet meer
present. En dat was maar goed ook; in 1861 vertrok
de ‘Eva Johanna’ vanaf Java, daarna is er nooit
meer iets van dit goede schip vernomen.
Gedurende zijn verlof na zijn laatste reis met
de ‘Eva Johanna’ werd Lange er door de Zwolse
arts Johannes Lindeboom op geattendeerd dat op
de werf Willem Roelof Van Goor een barkschip
gebouwd werd voor de Zwolse reders Doijer en
Kalff, waarvoor nog een kapitein werd gezocht.
Deze werf ‘Willem Roelof Van Goor’ was
dezelfde werf waarop de ‘Vrouw Catharina’ en de
‘Stad Zwolle’ waren gebouwd en was door Willem
Roelof van Goor overgenomen van zijn broer Pieter.
Willem Roelof bouwde het schip samen met
zijn zoon Jan Willem. Het bedrijf was gelegen aan
het Zwarte Water op het Eiland, vrij dicht bij de
noordwestelijke punt, waar de Trekvaart via
’t Mallegat in het Zwarte Water kwam. De Trekvaart
is gedempt; in het terrein is nog een rest van
’t Mallegat te zien.
Zo werd Johan Jörgen Lange in 1857 kapitein
op de ‘Sir Robert Peel’ (genoemd naar de Britse
premier die ijverde voor de vrije handel en de
impopulaire ‘Corn Laws’ afschafte), een barkschip
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ter grootte van 378 ton. In hetzelfde jaar trouwde
hij met de Zwolse Eleonora Johanna ter Wee.
Scheepsbouw en zeilvaart hadden inmiddels in
Zwolle een grotere vlucht genomen, waarop hierna
nog verder ingegaan wordt. De tewaterlating
op 24 maart 1858 kreeg weliswaar de nodige aandacht
in de pers, maar van lofdichten of aanwezigheid
van autoriteiten was dit keer geen sprake
meer. Ook de eigendomsverhoudingen waren
geheel anders. De kapitein bezat slechts drie van
de vierenzeventig parten: Doijer en Kalff als reders
slechts twee. Van der Vegte, Evert en Johannes
Lindeboom en de weduwe Smitt deden ook met
een klein aandeel weer mee. Totaal waren er nu
niet minder dan 57 participanten. Een belangrijk
deel van de bestuurlijke toplaag van Zwolle participeerde,
evenals verschillende vooraanstaande
kooplieden en toeleveranciers. Slechts vijf aandelen
werden in Overijssel buiten Zwolle verkocht
en maar elf buiten de provincie. In alle opzichten
dus een Zwols schip. De bemanning bestond
gemiddeld uit vijftien koppen, meestal gemonsterd
in Amsterdam, zoals ook bij de bemanningen
van de ‘Vrouw Catharina’ en de ‘Stad Zwolle’
steeds het geval was geweest. Broer Hendrik Thomas
heeft drie reizen meegemaakt. Het moet voor
moeder Catharina een geruststellende gedachte
geweest zijn dat de broers zo wat op elkaar konden
passen, maar uit oogpunt van risicospreiding was
de aanwezigheid van haar beide zonen op lange
reizen naar vreemde oorden op hetzelfde schip
zeker niet optimaal.
Johan Jörgen Lange voer op zes reizen als kapitein
op de ‘Sir Robert Peel’. Van noemenswaardige
schade was daarbij geen sprake. Tochten veelal
met ladingen van de Nederlandsche Handelsmaatschappij.
Er werden ook wel passagiers meegenomen,
burgers en militairen, zoals bijvoorbeeld
de met de Militaire Willemsorde 4de klasse,
wegens ‘deszelfs gedrag bij de Krijgsverrigtingen
ter Sumatra’s Westkust’, onderscheiden korporaal
Lootens.
Veel Twentse textiele goederen werden met de
‘Sir Robert Peel’ naar Indië gestuurd. Soms ook
bijzondere zaken. Zoals een kist kranten, ter doorzending
naar Japan, en 43 kisten leerzame en
stichtelijke boeken voor de bibliotheken van
Scheepsbouwer
Jan Willem van Goor,
1822 -1913, op hoge leeftijd.
(Collectie auteur)
onderofficieren en manschappen van de 43 garnizoenen
in Indië. Er was in Indië, net zoals in Suriname,
behoefte aan allerlei zaken die het land zelf
niet produceerde. Bijvoorbeeld, om iets opvallends
te noemen, geschept Hollands geript pro
patria papier ïste soort, maar ook sabelkwasten
voor korporaals en ziekenmutsen voor officieren.
Deze laatste roepen wel wat vragen op. Misschien
handig bij malaria, maar moesten zieke manschappen
het dan zonder doen? Op de vijfde reis
vervoerde het schip ook 50 kisten geweren, 770
colli buskruit en 105 kisten bier (a vier dozijn flessen)
naar Makassar op Celebes. Een bijdrage van
de familie en indirect Zwolle aan het handhaven
van het Nederlandsche Gezag in de Archipel.
Op de zesde reis (juli 1864 – april 1866) werd
een geheel andere route gezeild: Van Genua naar
Cadiz en dan naar Buenos Aires via Montevideo
en om de zo gevreesde Kaap Hoorn over de Grote
Oceaan naar Batavia. Over de ladingen op deze
reis is vrijwel niets bekend. Vanuit Batavia een uit10
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het echtpaar Johan Jörgen
Lange, 1828-1900,
en Eleonora Johanna
Lange – ter Wee, 1830 –
1908. (Foto Deutmann,
collectie auteur)
stap naar Bangkok (zout voor de Nederlandsche
Handelsmaatschappij). Terug naar Nederland
met ondermeer suiker, tin en koffie.
Vervolgens werd tot verkoop van het schip
besloten. Er waren belangrijke betimmeringen
nodig en Doijer en Kalff bouwde zijn vloot af. De
‘Sir Robert Peel’ werd op 20 augustus 1866 in
Amsterdam geveild en voor ƒ 14.600,- verkocht
aan de Gebroeders van Ommeren in Rotterdam.
Slechts de barometer, nog in familiebezit, werd
achtergehouden. Het schip werd door Van
Ommeren ‘Bravo’ genoemd en maakte tot 1874
nog een aantal reizen, waaronder naar Amerika.
In 1874 werd het aan Chr.F. Svensen in Drammen
(Noorwegen) verkocht. Het schip behield de
naam ‘Bravo’. Na 1881 wordt het niet meer
genoemd. Met de verkoop van de ‘Sir Robert Peel’
eindigde ook de feitelijke binding van de familie
Lange met de Zwolse zeevaart. Het tableau de la
troupe van de nakomelingschap van Thomas Lange
telt nu twaalf personen, waarvan het jongste lid
in september 2002 is geboren. Geen van de huidige
nakomelingen woont nog in Zwolle of omgeving
of heeft daar ooit gewoond. Wel hebben veel
nakomelingen van Lange zich op de een of andere
manier met water bezig gehouden.
Johan Jörgen Lange bleef na de verkoop van de
‘Sir Robert Peel’ in Zwolle achter. Hij was 38 jaar
oud, met 24 zeevarende jaren achter de rug. Het
lukte hem niet een nieuw schip te vinden, zodat
hij besloot een slijterij te kopen. De slijterij van
Jacob van der Kolk in de Korte Kamperstraat (nu
nr. 22) werd begin januari 1867 overgenomen. Het
leven in het provinciale Zwolle moet voor deze
wereldreiziger benauwend geweest zijn. Een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
bestaan waartoe hij, nog jong, veroordeeld werd.
De slijterij heeft hij met goed succes tot 1885
gedreven, waarna het bedrijf aan Hendrik Portheine
J.C.zoon werd overgedaan. Er volgden
negen rustige jaren. In 1894 sloeg een zenuwziekte
toe, waarna hij tweeëneenhalf jaar verpleegd
moest worden in de psychiatrische inrichting in
Meerenberg. Daarna hervatte hij het rustige
bestaan van rentenier in Zwolle, waar hij in oktober
1900 overleed.
Door de periode van de ‘Sir Robert Peel’ speelde
ook de zeilvaart en scheepsbouw in Zwolle in
wijder verband. Daarover, en meer speciaal over
de rederijen van Doijer en Kalff, nu meer.
De rederijen van Doijer en Kalff in Zwolle
Was de bouw van de ‘Stad Zwolle’ nog een bijzondere
gebeurtenis in Zwolle, nadien nam de
scheepsbouw ter stede een betrekkelijk grote
vlucht. De subsidiepolitiek, de opkomst van de
textielindustrie en de groei van de Nederlandse
Handelsmaatschappij maakten dat investering in
zeilschepen een aantrekkelijke zaak werd geacht.
Vermoedelijk is het deze eufore sfeer geweest die
leidde tot de oprichting van de eerste rederij van
Doijer en Kalff in 1846. Aan het creëren van deze
sfeer heeft in Zwolle de ‘Overijsselsche Vereeniging
tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart’
veel bijgedragen.
Doijer en Kalff stortten zich actief op de koloniale
zeilvaart. De Indische producten werden
overigens niet naar Zwolle gevoerd, maar naar
Amsterdam. De schepen kwamen hooguit voor
reparatie even naar Zwolle. Op het terrein van de
scheepsbouw was Van Goor de voornaamste
Zwolse werf. Van Goor bouwde niet alleen voor
Doijer en Kalff, maar ook voor opdrachtgevers uit
Amsterdam.
Doijer en Kalff waren de voornaamste Zwolse
reders. Andere belangrijke rederijen waren de
Zwolsche Reederij Maatschappij (met als centrale
figuren Jan van Rees en weer Hermannus van der
Vegte) en Wessel Meeter. De schepen van deze
beide rederijen kwamen echter niet buiten Europa.
Nagegaan kon worden welke schepen voor de
rederijen van Doijer en Kalff hebben gevaren.
Het resultaat is het volgende:
Naam
Zwolsche Diep *
Anne en Mientje
Vrouw Alida
Christina en Catharina
Professor Kayser
Sallandt *
Saramacca *
Sir Robert Peel *
St Michaël *
Tasmania I *
Twee Gezusters
Tasmania II
Lasten
93,5
28
62
46
85
85
96
199
187
203
52
111
Wat er met het schip gebeurde
verongelukt zonder slachtoffers
verkocht
prijsverklaard
verongelukt zonder slachtoffers
verkocht
vergaan met man en muis
verongelukt zonder slachtoffers
verkocht
vergaan met man en muis
verkocht
verongelukt zonder slachtoffers
vergaan met man en muis
Bouwjaar
1848
1838
1830
1854
1856
1850
1849
1858
1851
1854
1844
1866
Jaren voor
D&K
7
2
5
4
10
10
18
8
8
10
4
5
Jaar einde
bezit D&K
1855
1854
1855
1858
1868
1860
1867
1866
1859
1864
1859
1871
*) gebouwd voor Doijer en Kalff door Willem Roelof van Goor in Zwolle; de overige schepen zijn elders gebouwd en door Doijer en Kalff gekocht.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit vergelijkende berekeningen is gebleken dat het
aantal verongelukte schepen aan de hoge kant,
maar zeker niet extreem was. Wel was dat het
geval bij de met man en muis vergane schepen.
Drie van de twaalf is heel veel.
De ‘Sir Robert Peel’ was het laatste grote schip
dat voor Doijer en Kalff door Van Goor werd
gebouwd; wel werd nog iets later voor Fraissinet
en Baak in Amsterdam de bark ‘Johan Christiaan’
door Van Goor afgeleverd. Een schip met een
ongelukkige start omdat het al bij de uitreis naar
Amsterdam op de Noorderleidam van het Zwolse
Diep vastliep, waarvan het pas maanden later met
veel moeite afgehaald kon worden.
Het einde van al deze Zwolse maritieme activiteiten
kwam al snel. Het is ondoenlijk om de neergang
van de Zwolse scheepvaart en van de rederijen
van Doijer en Kalff in enkele zinnen weer te
geven. Een enkel aspect moge echter genoemd
worden. Zo was de algemene malaise in de zeilvaart
na 1857 zeker mede een reden om de vloot
geleidelijk af te bouwen en verongelukte schepen
niet te vervangen. Dat er drie van de twaalf schepen
met man en muis vergingen zal het enthousiasme
ook niet hebben vergroot, evenmin als de
verdrietelijke start van de ‘Johan Christiaan’. Ook
is er reden om aan de profijtelijkheid van de
ondernemingen te twijfelen. Zeker voor Van
Goor; hij viel in een heel lage belastingscategorie.
De ongelukkige ligging aan het Zwolse Ondiep
was en bleef eveneens een negatieve factor. Zo ook
de bochten in het smalle Zwarte Water en het
snelle bevriezen van de wateren naar en van Zwolle.
En dan was er nog de toenemende concurrentie
van.het beter gelegen Harlingen. Een belangrijke
oorzaak moet waarschijnlijk ook worden gezocht
in het feit dat het transport van textiel uit Twente
naar Amsterdam ondertussen per spoor of via de
gereedgekomen Twentse kanalen (over Deventer)
eenvoudiger was. Binnenvaart via Zwolle was
voor dit doel niet handig meer.
Het kan ook nog zijn dat de negentiendeeeuwse
regenten van Zwolle niet zozeer thuis
waren op het water, maar meer op het zand.
Dat neemt niet weg dat een woord van respect
voor de heren Ridderinkhof, Lindeboom en Van
der Vegte, die de eersten waren die het aandurfden
om scheepsbouw en scheepvaart op wat grotere
schaal in Zwolle te beginnen, op zijn plaats is. Zo
mogen ook de prestaties van de familie Van Goor,
die Indièvaarders bouwde op een terreintje aan
het Zwarte Water, niet tekort gedaan worden,
evenmin als die van kapiteins en bemanningen die
hun leven inzetten en regelmatig verloren.
Literatuur
Ehrhardt, Hein. Drie negentiende-eeuwse kapiteins. Thomas,
Johan Jörgen en Hendrik Thomas Lange,
Leeuwarden, 1997.
Ehrhardt, Hein. Zeevarend voorgeslacht. Zeereizen van
Thomas, Johan Jörgen en Hendrik Thomas Lange,
Leeuwarden, 1999.
De scheepswerf Willem Roelof van Goor, omstreeks 1900. Deze werf was in de
negentiende eeuw gelegen aan het Zwarte Water op het Eiland, vrij dicht bij de
noordwestelijke punt, waarde Trekvaartvia ’t Mallegat in het Zwarte Water
kwam. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bep Wiersma (1922 -1945)
Wie was Bep Wiersma? Waarom is er een
straat naar haar genoemd? Wat heeft zij
gedaan en wanneer leefde ze? Hieronder
het portret van een moedige vrouw.
Elisabeth Wiersma werd op 22 augustus 1922
in Zwolle geboren in een gezin waarvan de vader
werkzaam was bij de Nederlandse Spoorwegen.
De familie woonde in Assendorp, in de Van Ittersumstraat
96. Elisabeth (Bep) groeide op in een
warm gezin. Er waren twee kinderen, Bep en een
jonger zusje (Margrieta, geb. 5 april 1925). Bep was
een bescheiden meisje, niet opvallend, zegt haar
jeugdvriendin Meta Brunnekreef.
Misschien was haar belangstelling voor geschiedenis,
literatuur en staatsinrichting wat uitzonderlijk.
Na de mulo (te vergelijken met de
tegenwoordige mavo) ging zij naar de christelijke
kweekschool aan het Assendorperplein. Daar
slaagde zij in 1941.
Illegaal werk
Het gezin Wiersma verhuisde in hetzelfde jaar
naar Breda. Vader kon daar promotie maken.
Voor Bep was het moeilijk om als protestantse
onderwijzeres een baan in het rooms-katholieke
zuiden te vinden. Ook in oorlogstijd waren de
geloofsscheidingen (de ‘zuilen’) nog volop aanwezig.
Daarom werkte Bep, via haar vader, een periode
bij de NS.
Een collega uit het onderwijs, Leonie Overgoor,
werkte al voor de illegaliteit en zij vroeg haar
vriendin om medewerking. Bep kon namelijk
vanwege haar werk zonder problemen op het stationsemplacement
komen. De geallieerden waren
zeer geïnteresseerd in de plattegronden van wegen
en van de treinenloop rondom Breda. Bep zorgde
daarvoor en onder andere via de Belgische verzetsgroep
‘Myra Guise’ werden vele berichten
doorgeseind naar Engeland.
Medio 1943 wilde Bep uit Breda weg. Misschien
loerde er verraad. In elk geval kreeg ze na
een korte tussenstop in Kampen een betrekking in
Sleen (Drenthe). Daar werkte zij op een lagere
school.
Op 24 oktober 1943 kwamen er twee SD-ers de
klas binnen. Zonder veel omhaal werd Bep meegenomen,
de kinderen overdonderd achterlatend.
Volgens een leerling uit die groep heeft zij toen
afscheid genomen met de woorden: ‘Kinderen, ik
ga nu weg. Misschien kom ik terug, maar dat weet
ik niet zeker.’
Gevangenschap
Bep Wiersma ging weer naar Noord-Brabant.
Maar niet naar Breda; zij werd als gevangene in het
voormalige Grootseminarie in Haaren geplaatst.
Wil Cornelissen
Bep Wiersma, 2922 –
1945. (Particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
//V /r/’ /r- ff/r//
dat, bij koninklijk besluit van 4 Maart 1954, Nr 2650,
HET KRUIS VAN RIDDER IH BE ORDE VAD LEOPOLD II MET DE PALM
en toekenning van het OORLOGSKRUIS 1940 MET DE PA1H
en de MEDAILLE VAN DE WEERSTAND
posthuum verleend werden
op datum van 8 April 1945
aan Mejuffer W I E H S M A. Blisabeth,
“Vurig vaderlandster, stelde zich zonder aarzelen ter besfchikking van
een Inlichtings- en Actiedienst en verwezenlijkte, tot volledige voldoening
van haar oversten, de gevaarlijke opdrachten die haar toevertrouwd
werden. Wegens haar vaderlandlievende bedrijvigheid aangehouden en naar
Duitsland weggevoerd, stierf er te Ravensbrück, op 17 Januari 1945«”
Oorkonde behorend bij de één van de twee Belgische onderscheidingen die aan
Bep Wiersma verleend werden. De tekst onderaan het blad luidt: ‘Vurig vaderlandster,
stelde zich zonder aarzelen ter beschikking van Inlichtings- en Actiediensten
verwezenlijkte, tot volledige voldoening van haar oversten, de gevaarlijke
opdrachten die haar toevertrouwd werden. Wegens haar vaderlandlievende
bedrijvigheid aangehouden en naar Duitsland weggevoerd, stierf er te Ravensbrück,
op 17 Januari 1945.’ (Particuliere collectie)
Daar zat zij met haar vriendin Leonie in een cel.
De dagen waren lang en deprimerend. Toch
schreven ze quasi opgewekt naar huis: ‘Om half
twaalf krijgen we middageten. Soep of stamppot.
’s Avonds brood of pap. Die pap is echt lekker.
Iedere dag luchten we een halfuur.’
De inhoud van de brieven naar huis vertelden
logischerwijze niets over hun illegale werk. Wel
schreven ze dat ze elkaar voorlazen, dat er weer
Veel lekkers bij de koffer met wasgoed zat’ (verstopte
briefjes van thuis?) en dat ze al vijf muizen
hadden gevangen. Leonie schreef:
‘Eerst was ik er als de dood voor, maar Bep
vindt het schattige beestjes en ze bestudeert ze als
die muizen door de cel hollen en zelfs over de bedden
rondtollen.’
De gevangenen probeerden het thuisfront
steeds gerust te stellen. Er werd gebabbeld dat ‘we
goed slapen’, ‘zelfs [uit een latere brief] nu we hier
met z’n vijven in de cel zitten. En van de in de pakjes
gestuurde appelbeignets en pannekoeken hebben
we gesmuld.’
De werkelijkheid zal anders zijn geweest. Leonie,
de vriendin van Bep, kon in de rand van het
naar huis gestuurde wasgoed allerlei mededelingen
en vragen naar de familie zenden. Ook hadden
ze door middel van klopsignalen contact met
twee medegevangenen. Twee jongens die als
gevolg van het beruchte Englandspiel gepakt
waren. Bep had met een van die jongens wat meer
contact en ze maakten samen plannen voor later,
als de oorlog voorbij was…
Naar Duitsland
In juni 1944 kwam het tot een schijnproces. De
vrouwen werden ter dood veroordeeld. Dit vonnis
werd niet bekrachtigd; waarschijnlijk zijn de landingen
in Normandië daar mede oorzaak van
geweest. De geallieerden rukten op door Frankrijk
en België.
Op ‘dolle dinsdag’ (5 september 1944) werden
de gevangenen uit Haaren op transport gezet. In
Vught zag Bep heel even de jongen waarmee ze
contact had gehad. Maar het vrouwentransport
ging verder: naar het beruchte concentratiekamp
Ravensbrück, een reis van drie dagen met meer
dan tachtig uitgehongerde vrouwen in een goedeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
renwagon. In het kamp Ravensbrück werd Bep
heel ziek. Ze kreeg hoge koortsen en moest toch
op appèl staan. Daar is zij toen in elkaar gezakt en
werd naar de ziekenbarak gebracht. Na een korte
periode van (schijnbaar) herstel is Bep op 16 januari
1945, een paar maanden voor de bevrijding, aan
paratyfus overleden. Zij was nog maar 22 jaar oud.
Onderscheidingen
Postuum werden aan Bep Wiersma diverse (ook
Belgische) onderscheidingen toegekend.
In Zwolle was er eerst het Bep Wiersmapad,
dat de verbinding vormde tussen de Christelijke
Hogeschool Windesheim en de Parallelweg, het
fietspad langs het spoor. Later kwam daarvoor in
de plaats de Bep Wiersmastraat, gelegen in Schellerhoek,
de wijk met straten vernoemd naar
bekende Zwolse vrouwen. Op haar oude school,
de christelijke pabo (vroeger kweekschool), werd
een herinneringsteken voor deze dappere oudleerlinge
geplaatst. Omdat deze pabo inmiddels is
opgegaan in de Hogeschool Windesheim bevindt
dit monument, samen met begeleidende tekst en
foto, zich tegenwoordig daar.
* Met dank aan mevrouw M. Vos-Wiersma, zuster
van Bep.
Literatuur:
Windesheim Magazines 2e jrg. 1992, nr 3 en 4.
BEP WIERSMA
KI MET COnCEriTRATIEKAMP
rEJMVEüSBRlJCK OVERLEDEN1
JE JANUARI 1345
o
Plaquette die deel uitmaakt van het herinneringsteken voor Bep Wiersma dat
indertijd in haar oude opleidingsschool geplaatst werd ‘als een blijvende wegwijzer
voor hen die de oorlog overleefden.’ Dit herinneringsteken bevindt zich tegenwoordig
in de Hogeschool Windesheim. (Foto redactie)
Het herinneringsteken voorBep Wiersma in de Hogeschool Windesheim in zijn
geheel, bestaande uit een stukje rails op de grond, een zuil met de plaquette, een
foto en op de muur een bordje met verklarende tekst. (Foto redactie)
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Park Eekhout
Jeanine Otten
Het stukje Liniesloot bij
Park Eekhout achter de
sluis naar de Willemsvaart,
omstreeks 1885-
1900. Foto F.W.H.
Deutmann. (Collectie
HCO)
Vanwege de langdurige renovatie van Park
Eekhout staat dit park weer volop in de
belangstelling. De Zwolse Courant heeft er
al menig artikel aan besteed en in 2002 hield Han
Goodijk, omgevingsontwerper bij de gemeente
Zwolle, in het kader van het lezingenprogramma
‘Historische Avonden 2001-2002’ een lezing over
de geschiedenis van en de nieuwe ontwikkelingen
in Park Eekhout. Het hiernavolgende is een neerslag
van alle publiciteit.
Engelse landschapstijl
Park Eekhout is van oorsprong de tuin van Huize
Eekhout, die in Engelse landschapstijl is aangelegd.
Deze stijl kwam omstreeks 1760 in Engeland
tot ontwikkeling en werd in de rest van Europa
veelvuldig nagevolgd. Een Engelse tuin bestaat uit
langs vijvers gegroepeerde weiden en boomgroepen.
Kenmerkend zijn de steeds wisselende uitzichten,
de vloeiende paden, rijen bomen en de
romantische sfeer. De stijl werd in de negentiende
eeuw veel toegepast, vooral bij openbare parken.
Het door J.D. Zocher ontworpen Vondelpark in
Amsterdam is er een bekend voorbeeld van. In
Zwolle kennen we het Engelse Werk, dat is aangelegd
op de voormalige schans het Nieuwe Werk,
een onderdeel van de in de Tachtigjarige Oorlog
aangelegde verdedigingslinie tussen de stad en de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
IJssel. In 1828 werd dit Nieuwe Werk voor wandelaars
opengesteld en werd er begonnen met de
aanleg van een park in Engelse landschapstijl. In
de volksmond kreeg dit park daarom al snel de
naam het ‘Engelse Werk’.
Van stadstuin naar stadspark
Park Eekhout dateert, evenals de villa, uit 1860 en
werd aangelegd door de rijke advocaat mr. Evert
Jan Eekhout (1833-1910).1 Eekhout was erg op zijn
tuin gesteld. Hij stierf op 87-jarige leeftijd en had
‘eenige oogenblikken voor hij den laatsten adem
uitblies nog in zijn tuin vertoefd…’.2 Bij de aanleg
van de tuin grensde de achterzijde aan relatief
open landbouwgebied. Buiten de oude stadsgracht
was er toen nog nauwelijks bebouwing.
Aan de westkant lag tot 1873 de Willemsvaart, die
grotendeels het traject van de oude Liniesloot
volgde. De Liniesloot was in de zeventiende eeuw
aangelegd als onderdeel van de verdedigingslinie
tussen de stad en het Nieuwe Werk bij de IJssel.
Als een vork stroomde de sloot op twee plaatsen in
de stadsgracht; de westelijk vork werd later vergraven
tot de Willemsvaart, de oostelijke vork liep
direct langs Huize Eekhout. In 1873 werd de loop
van de Willemsvaart verlegd naar de Willemskade
en een paar jaar later werd het sluisje opgeruimd.
De Liniesloot en het restant van de Willemsvaart
verwaterden tot een vijver en een slootje.
Een jaar na de dood van mr. Eekhout werden zijn
percelen geveild. De gemeente Zwolle kocht het
huis en de grond. Het was nog niet bekend welke
plannen de gemeente met het uitgestrekte stuk
grond had. Mogelijkheden waren een villa-terrein,
een wandelpark of de locatie voor een nieuw
te bouwen stadhuis.3 In augustus 1911 werd de tuin
van Eekhout voor het eerst voor het publiek opengesteld.
4
De gemeente besloot het terrein te bestemmen
voor de bouw van een nieuw stadhuis. Lourens
Krook, stadsarchitect van 1904 tot 1930, ontwierp
daarvoor een Vredespaleisachtig gebouw. Zijn
ontwerp werd in maart 1913 door de raad goedgekeurd.
Maar eerst werd het terrein nog gebruikt voor
de Provinciale Overijsselsche Nijverheidstentoonstelling
(PONT), die ter gelegenheid van het 100-
jarig bestaan van het koninkrijk Nederland van 31
juli tot 2 september 1913 werd gehouden. De
bezoekers moesten een bruggetje oversteken om
het hoofdgebouw van de expositie in de tuin te
bereiken. Vele firma’s uit geheel Overijssel exposeerden
daar. Achter in de tuin bevond zich ‘Oud
Zwolle’. Door een stadspoort kwam men op een
oud marktplein met oude geveltjes en herbergen.
Na afloop van de tentoonstelling moest de tuin
worden opgeknapt. Vanwege de hoge kosten voor
de nieuwbouw en het uitbreken van de Eerste
Wereldoorlog kwam van stadhuisbouw niets
terecht en bleef de tuin voorlopig als Park Eekhout
bestaan.5
Openstelling en bewaking Park Eekhout
Tussen de beide wereldoorlogen wisselde de
openstelling van Park Eekhout nogal. Er werd ook
regelmatig over gesoebat. In de regel opende het
park eind maart, half april of begin mei. Half
oktober, begin november of half november ging
het weer dicht. Alleen in 1936 was het park de hele
winter voor het publiek open geweest, ’s Avonds
en ’s nachts ging het park ook op slot.
De ‘vork’ van de Liniesloot.
Detail van ‘Plan
der Stadt Zwol & Nieuwe
Werken aan den IJssel’
door J.B. van Batenburg
1765. (Collectie
HCO, THA-Zwolle)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ingang PONT, Plan
1913. De toegangspoort
werd ontworpen door
architect Meijerink.
(Collectie HCO)
Ingang P. O.N. T. Plan 1913 — Zwolle.
Niet iedereen was even gelukkig met de wintersluiting.
Zo ontving het college van B en W in
november 1930 een brief, die was ondertekend
door 35 personen, ‘allen oude menschen uit Zwolle’,
met het verzoek om Park Eekhout zo mogelijk
de hele winter open te houden. De oudjes wilden
graag in het park van de mooie voor- en najaarsdagen
genieten. Slechts daar voelden zij zich veilig
voor het ’tegenwoordige snelverkeer. Dit laatste is
ook van toepassing voor Dames met hunne kinderen
en met of zonder kinderwagens.’
Een soortgelijk verzoek kwam er in 1932 van
Georgius Akkerboom sr., 86 jaar oud, wonende in
de Anjelierstraat 33, ‘mede namens zeer vele
ouden van dagen’. ‘Met dit prachtige voorjaarsweer
is het voor ons oudjes van 86-90 en ouder
een ware behoefte om eens rustig, niet te ver van
de stad in ons mooie park te mogen vertoeven’,
lichtte Akkerboom zijn vraag toe.
De gemeente had het plantsoen zo nu en dan
‘naar behoefte’ in de winter zonder toezicht opengesteld,
maar kwam daarvan terug toen er steeds
meer baldadigheid plaatsvond. Onder andere was
de waterbak van het urinoir vernield, een keermuur
langs de sloot omgetrokken en tussen
gazons, voorjaarsaanplantingen en wegen was
geen onderscheid meer te zien. Het park ging
voorlopig ’s winters niet meer open. En een nachtelijke
openstelling was al helemaal niet aan de
orde. Wiebenga, directeur Gemeentewerken van
1930 tot 1934, vond één keer in de week, op woensdagavond
tijdens het concert van het Stedelijk
Muziekkorps, tot 9 uur laat genoeg!
In de zomer was er voldoende toezicht. Tot
1925 waren er twee wachters, die elkaar aflosten
tegen een vergoeding van tien gulden per week per
persoon. Daarna werd het toezicht toevertrouwd
aan de politie die het park betrok in de reguliere
surveillance.
Ondanks een bord met het opschrift ‘Losloopende
honden, rijwielen en kinderen zonder geleide
worden niet toegelaten’ aan de ingang van het
park werd een tijdlang het meebrengen van fietsen
in het park oogluikend toegelaten. Het gevolg was
dat er misbruik van werd gemaakt. De parkwachters
kregen de opdracht er strenger op toe te zien.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Directeur van Gemeentewerken Krook was van
mening dat het park zó dichtbij de stad was, dat
bezoekers van het park zich te voet hierheen konden
begeven. Om notoire fietsers ter wille te zijn
werd overwogen bij het kantoor van de gemeenteontvanger
in Huize Eekhout een rijwielrek te
plaatsen.
In 1964 werden de parkwachters in een passend
kostuum gestoken. Vooral de jongeren bleken
hierdoor geïntimideerd te worden. De meer
voorlichtende manier van optreden van de parkwachters
bleek goed aan te slaan bij het publiek,
volgens het jaarverslag van Openbare Werken uit
1964.
Volière, kiosk en drinkfontein
In 1929 kwam er in de zuidwesthoek van het park,
vlak bij de Liniesloot, een volière naar ontwerp
van de directeur Gemeentewerken Krook. Het
vogelhok kostte net iets meer dan duizend gulden
en werd bevolkt door sierduiven en andere fraai
gevederde vogels.
Elders in het park was een kiosk van de geheelonthoudersbeweging.
Wat er ontbrak, was een
drinkfonteintje. In 1934 vroeg daarom raadslid
H.J. van der Vegt per brief aan het college van B en
W of er niet een kon worden geplaatst. Volgens
hem werd Park Eekhout zeer gewaardeerd, vooral
door vele ouden van dagen, die uit alle delen van
de gemeente Zwolle in het park samenkwamen
om er een rustig uurtje door te brengen en te
genieten van de schone natuur. Meermalen had
hij vernomen, dat zij het zeer op prijs zouden stellen
als ze er ook wat konden drinken. Dat kon wel
bij de kiosk van de ‘geheelonthoudersvereeniging’,
maar voor de daar geschonken dranken
moest natuurlijk worden betaald.6 ‘Willen B & W
eens overwegen of zij in het park een gelegenheid
zullen laten maken, waar het publiek kosteloos
een frissche teug leidingwater kan genieten?’ zo
besloot Van der Vegt zijn verzoek.
In 1935 kwam het fonteintje er, vlak bij het
wachthuisje van de parkwachter.
De volière raakte overigens tijdens de Tweede
Wereldoorlog in verval en het hout werd eruit gesloopt.
Pas in 1951 werd zij hersteld.
Een ontsierende muur
Park Eekhout werd aan de kant van de Burgemeester
van Roijensingel van de openbare weg
afgescheiden door een ontsierende muur. De
muur was een doorn in het oog van de VW, die
zowel in 1927 als in 1938 aan B en W verzocht het
blinde muurtje af te laten breken. Als afscheiding
was een kleine afrastering bij de gras- en bloemperken
voldoende. Pas in 1940 nam de gemeente,
in de persoon van de directeur Gemeentewerken,
dit plan over. Hij vond wel dat de muur dan vervangen
diende te worden door een mooi ijzeren
hek op stenen voet. Het hekwerk kon dan ook
direct een stuk terug geplaatst worden, zodat de
Van Roijensingel ter plaatse wat overzichtelijker
werd en het trottoir wat breder. Daartoe was echter
een stukje van de tuin van Van Roijensingel 1
(nu makelaar Meeüs) nodig. De bewoner, oogarts
G.B.J. Keiner, weigerde echter elke medewerking.
En, omdat men in die oorlogsjaren wel wat anders
aan het hoofd had, bleef de zaak slepen.
Pas in 1953 werd weer contact opgenomen met
de heer Keiner, die meldde dat een perceelsgrenswijziging
helaas niet mogelijk was, vanwege de
uitrit van zijn garage. Drie jaar later deed de directeur
van Gemeentewerken opnieuw het voorstel
de inmiddels vervallen muur te vervangen door
een fraai hek. De gemeenteraad nam daartoe eind
1956 een besluit, maar schortte een jaar later de
uitvoering ervan op wegens gebrek aan geld.
De bronnen zijn niet volledig over de sloop
van de muur en de plaatsing van een hek. Er was
eind jaren veertig namelijk wel degelijk een hekwerk
aan de Burgemeester van Roijensingel. Dit
hek is goed te zien op een foto uit die tijd van een
kleuter naast de in 1947 geschonken drinkfontein.
Herdenkingsmonumenten
Een directe relatie met de Tweede Wereldoorlog
hebben de twee herdenkingsmonumenten in het
park. Het eerste is een drinkfontein, die op 28
oktober 1947 uit dank is aangeboden namens honderden
Twentse dwangarbeiders uit Markelo,
Goor, Rijssen en Enter. In de hongerwinter waren
zij gedwongen geweest de Duitse verdedigingslinie
bij Zwolle te graven. Zij waren op 27 oktober
1944 bij grote razzia’s in Twente opgepakt en met
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Indië-monument
Op het Indië-monument staan de namen van de vijftien Zwolse jongemannen
die in de periode 1946-1950 in Nederlands-Indië zijn omgekomen.
(Foto auteur)
Het zijn:
H.J. van den Berg 02-11-1919/30-01-1949
M. Bruins 08-02-1927/01-06-1949
W. Dijkstra 13-06-1926/23-10-194/
R.H. Elemans 18-07-1927/08-03-1947
J. van Erven 30-04-1927/18-02-1947
H. ter Haar 05-08-1926/31-12-1948
E. Hillebrand 30-01-1927/10-08-1946
J. Lemstra 10-10-1927/27-02-1949
H.J. van der Linde 24-04-1921/20-03-1946
P. Melse 27-03-1918/22-02-1950
J.H.M. Poppe 16-09-1926/05-04-1949
F.H. Santing 21-11-1925/11-11-1947
L.M. Teeken 14-11-1926/23-07-1949
H.J.A. van der Vegt 04-12-1925/23-04-1949
D. Visser 27-09-1925/21-01-1949
een goederentrein naar Zwolle gebracht. De mannen
moesten in scholen slapen. Ze kregen wel
voedsel van de Duitsers, maar geen borden en
bestek. Daar zorgden de Zwollenaren voor. Verder
probeerden de Zwollenaren het leed van de
gravers enigszins te verzachten door ’s avonds de
scholen te bezoeken om kleding te repareren en
sokken te stoppen. De huidige drinkfontein is een
kopie uit 1985 van de oorspronkelijke, die begin
jaren tachtig ernstig beschadigd werd. De replica
is vervaardigd uit een van de zuilen van de afgebroken
Sint-Michaëlkerk aan de Roggenstraat.7
Dit monument stond bij de ingang van het park
aan de kant van de Burgemeester van Roijensingel
en nu bij de Roopoort.
Het tweede monument, nu aan de zijde van de
Van Roijensingel, werd op 15 augustus 2002 onthuld.
Het is het Zwolse Indië-monument 1941-
1962, dat werd ontworpen door Catharina Ramaekers
uit Maastricht. Het initiatief voor het monument
kwam uit de hoek van oud-strijders die de
Zwolse militairen wilden eren die hun leven in
Nederlands-Indië lieten. Dit particuliere initiatief
werd op aangeven van de gemeente verbreed naar
burgerslachtoffers. Op de liggende delen van het
monument is een bronzen plaat aangebracht met
de kaart van Nederlands-Indië en de namen van
vijftien Zwolse jongemannen die in de periode
1946-1950 in dat gebied zijn omgekomen. Het
monument is geadopteerd door basisschool De
Parkschool.8
Herinneringen
Omstreeks 1950 woonde J.M. Zwiers in Huize
Eekhout. Als stoker-schoonmaker van het kantoor
van de gemeenteontvanger woonde hij in de
dienstwoning die in de villa was ondergebracht.
Hij bewaart levendige herinneringen aan het park.
Het huisje van de parkwachter of de kiosk stond
links van de ingang aan de Burgemeester van Roijensingel.
In de kiosk verkocht de parkwachter
limonade, snoep en sigaren. Het park ging rond
9 uur open en bij zonsondergang weer dicht. Het
was alleen ’s zomers open. Anders dan nu was er
maar één toegang tot het park, namelijk aan de
Burgemeester van Roijensingel. De ingangen aan
de zijde van de Emmawijk en de Roopoort waren
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
er nog niet. Aan de zuidwestkant van het park lag
het overblijfsel van de Liniesloot. Zwiers had, zo
zei hij gekscherend, de grootste tuin van Zwolle.
Na sluitingstijd kon hij via het souterrain van Huize
Eekhout zó het park in wandelen en had hij het
park voor zich en zijn gezin alleen, ’s Zomers
genoot hij van de ‘poorten met rozen’ waar je
onderdoor kon lopen.
Dierenweide
Eind jaren vijftig kwam er ook een dierenweitje bij
Park Eekhout. De schapen en geiten waren van
personeel van de plantsoenendienst. De directeur
van Gemeentewerken tekende in 1959 persoonlijk
een nieuwe stal als schuilgelegenheid. Hij had aandacht
voor de omgeving: ‘Teneinde het landelijke
karakter zo min mogelijk geweld aan te doen, zal
de dakbedekking in riet worden uitgevoerd en zullen
de wanden bestaan uit gepotdekselde delen.’
De schaapskooi kostte 1.500 gulden.
De dierenweide breidde zich in de loop der
jaren ook uit. Maar daar waren niet alle omwonenden
het mee eens! In 1968 stuurde de bewoner
van Roopoort 1, commissaris van de koningin jhr.
mr. dr. O.F.A.H, van Nispen tot Pannerden, een
brief op hoge poten naar het stadsbestuur. Hij
maakte ernstige bezwaren tegen de aanleg door de
plantsoenendienst van een wei naast de ambtswoning.
Doordat de plantsoenendienst bomen had
gekapt, had Van Nispen nu uitzicht op een aantal
hokken, loodsen en een mesthoop. De plantsoenarbeiders
hadden niet aan zijn verzoek willen voldoen
de wei te beperken tot de achtertuin. Ze liep
door tot voor aan de straat, waardoor naast zijn
inrit en in de nabijheid van keuken en slaapkamers
voortaan dieren liepen, met alle daaraan verbonden
minder prettige gevolgen van mest, stank,
Links: Gea Zwiers naast
de door Twentse
dwangarbeiders
geschonken drinkfontein,
ca. 1947-1948.
(Particuliere collectie)
Een modern binnenstadspark,
het gerenoveerde
Park Eekhout in
februari 2003. (Foto
auteur)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kinderen bij de dierenweide
in Park Eekhout,
omstreeks 1960. (Uit: H.
Alma / J. Louwen,
‘Zwolle, stad met
karakter’)
vliegen enzovoorts. Van Nispen verzocht de dreigende
overlast in zoverre ongedaan te maken, dat
de wei zou eindigen ter hoogte van de voorgevel
van zijn garage, liefst nog een meter daarachter.
Binnen amper een week antwoordde het gemeentebestuur
dat zij de werkzaamheden hadden stopgezet.
Aan de herbeplanting van het terrein zou
zodanige aandacht worden geschonken, dat de
commissaris in de toekomst geen overlast meer
zou ondervinden. Voordat tot verdere afwerking
werd overgegaan zouden de directeur van
Gemeentewerken en van de Plantsoenendienst
persoonlijk de plannen aan Van Nispen voorleggen.
Kom daar als burger tegenwoordig nog maar
eens om…
Van Nispen liet minzaam weten dat hij zeer
erkentelijk was voor de medewerking.
Ook ’s nachts open
In de jaren zestig werd er weer gedelibereerd over
de openstelling van het park. De Zwollenaren wilden
het park ook ’s avonds open hebben en vonden
de burgemeester en wethouders aan hun zijde.
De directeur van Gemeentewerken, S. van der
Wal, echter wist dat het park in de schemering
werd bevolkt door met ‘minnelust’ bevangen lieden
en vreesde ‘manifestaties op zedelijk gebied’.
In 1962 meldde hij het college van B en W: ‘Ik kan
mij moeilijk voorstellen, welk nut het langer
openstellen van het park zou kunnen afwerpen.
Integendeel: het park wordt bij avond juist afgesloten
ter voorkoming van een onjuist gebruik van
het park. Met een eenvoudige verlichting is misbruik
niet tegen te gaan.’ Vraagt u ook maar eens
aan de commissaris van politie, was zijn advies.
Commissaris Bergsma zag er, mits met wat extra
verlichting, echter geen probleem in om het plantsoen
’s avonds open te stellen. ‘Overigens’, zo
merkte hij op,’ doet zich ongeveer een gelijke situatie
voor ten aanzien van de Potgietersingel. Naast
de zorg die deze singel af en toe oplevert, dient
toch ook te worden gezegd, dat veel Zwollenaren
aan deze singel een prettige herinnering uit hun
jongelingsjaren bewaren en dit plantsoen zo
gezien, ook in dit ook nog wel een nuttige functie
vervult.’
Uiteindelijk kwam de openstelling in de avonduren
er toch. Voor flink wat geld werd een aantal
lantaarnpalen geplaatst. Gelijktijdig werd een hekwerk
langs de Van Roijensingel verplaatst naar de
dierenweide aan de Emmawijk, waar het een oude
afrastering bij de voederplaats moest vervangen.
Het geheel zou 13.650 gulden kosten.
Restauratie
Ongeveer honderd jaar nadat mr. Eekhout de eerste
bomen in zijn tuin had geplant, was de dienst
Openbare Werken in 1964 bezig een eerste restauZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het dierenverblijfmet
rieten dak en wanden
van ‘gepotdekselde
delen’ uit 1959 in het
gerenoveerde Park Eekhout,
februari 2003.
(Foto auteur)
te
ratieplan voor het park op te stellen. Onderdeel
daarvan werd ook de bestemming van een legaat
van mejuffrouw Wolf. Zij was in 1940 gestorven en
had 500 gulden nagelaten voor een bank of klok in
Park Eekhout. Dat geld stond nog steeds ergens op
een rekening. De bank zou worden meegenomen
Het door beukenbomen
gevormde poortje in
Park Eekhout op een
prentbriefkaart. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De beukenbomenpoort
in Park Eekhout in mei
1974. (Collectie HCO,
Foto Gemeente Zwolle,
afd. Voorlichting)
in de plannen. Van restauratie kwam voorlopig
echter weinig. De gemeente voerde een terughoudend
beheer in de tuinen van Eekhout: niets werd
veranderd en alles groeide maar door. Door de
opgeschoten struiken en planten vervaagde de
oorspronkelijke tuinopzet en veranderde de
Engelse tuin langzamerhand in een bos. De
bomen die mr. Eekhout had geplant, waren ruim
honderd jaar later tot volle wasdom gekomen.
Aan het eind van de twintigste eeuw werd Park
Eekhout niet langer ervaren als een prettige plek
om te verblijven. Het park was onveilig door de
slechte verlichting, de geïsoleerde ligging en de
aanwezigheid van daklozen en junks. Het werd
door omwonenden en mensen die via het park
van de Emmawijk naar de binnenstad wilden
zoveel mogelijk gemeden. In 1998 lanceerde de
gemeente daarom een plan om het park grondig
op te knappen. Na een jaar voorbereiding presenteerde
de wethouder voor milieu, Gerard van
Dooremolen, begin 2000 de nota ‘Binnenstadsparken’.
De parken De Wezenlanden en Eekhout
en de groene singels binnen de grachten zouden
zich de komende jaren moeten ontwikkelen tot
echte ‘stadsparken’, die beter toegankelijk waren
en waar allerlei culturele activiteiten konden
plaatsvinden. De gemeente stelde tweeënhalf miljoen
gulden ter beschikking.9
Het herinrichtingsplan werd opgesteld door
een werkgroep, waarin onder meer de Vrienden
van de Stadskern, Zwolle Groenstad, Bewonersvereniging
Binnenstad en de gemeente zitting
hadden. De kinderen uit de buurt dachten mee
over de speelplek, die verhuisde naar de Roopooft.
Het belangrijkste was het terugbrengen van de
oorspronkelijke Engelse landschapstijl. Door
nieuwe uitgangen te maken en de doorgaande
routes beter vorm te geven, werd het isolement
van het park opgelost. De Liniesloot en de laanbeplanting
van de Emmawijk werden in oude luister
hersteld. De hoofdentree aan de Burgemeester van
Roijensingel kreeg een smeedijzeren hek. Besloten
werd dat het park als proef in ieder geval tot een
jaar na de officiële heropening – in mei 2003 –
’s nachts open zou blijven.
Sommige door mr. Eekhout geplantte’bomen
waren zo oud dat ze levensgevaarlijk waren
geworden: dikke takken braken spontaan af. Twee
oude beuken, waarvan de takken een poortje
vormden, moesten om die reden in januari 2001
sneuvelen. Dit ‘beukenpoortje’ is op oude prentbriefkaarten
goed te zien. Het was jammer, maar
na 140 jaar is het ook wel eens tijd voor vernieuwing.
Zelfs Evert Jan Eekhout zou het daar mee
eens zijn.
Bron
Historisch Centrum Overijssel, GAZ. AAZ03, dossier
-1.777.83, Park Eekhout 1925-1968.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In het gerenoveerde Park Eekhout moeten nieuwe
beukenbomen weer een poortje gaan vormen,
februari 2003. (Foto auteur) !•/;
De gerestaureerde Liniesloot langs Park Eekhout,
februari 2003. (Foto auteur)
Noten
1. D.-J. Rouwenhorst, Het cultureel erfgoed van Vastgoed
Zwolle: karakteristieke huizen in Noord- en
Oost-Nederland, Zwolle 2000, p. 13-17.
2. Zwolse Courant, 29 september 1910.
3. Zwolse Courant, 4 juli 1911.
4. Zwolse Courant, 8 augustus 1911.
5. F.C. Berkenvelder, Zo was Zwolle rond 1900, Zwolle
1970, p. 78.
6. Een saillant detail in verband met het latere gebruik
van het park door alcoholisten is dat in de jaren
7-
9-
voor de Tweede Wereldoorlog in het park een kiosk
van het Zwols Drankweer Comité stond. Tijdens de
oorlog moest deze kiosk gesloten blijven. In mei
1947 werd zij met enige plechtigheid weer geopend.
Zie Zwolse Courant, 17 mei 1947. Wanneer de kiosk
verdween, is niet bekend.
Zwolse Courant, 17 april 2001,26 april 2001.
Apeldoornse Courant, 25 juli 2002.
Zwolse Courant, 5 oktober 2001,9 oktober 2001.
26 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De volière in park Eekhout
Wim Huijsmans
Tekening van de volière
in park Eekhout, ontworpen
doorL. Krook,
stadsarchitect, 1928.
(HCO, AAZ03, dossier
volière park Eekhout)
Wie herinnert zich niet de min of meer
verplichte wandeling op zondagmiddag
naar het park om daar eendjes te voeren
of brood te geven aan de schapen, de hertjes of
ander kleinvee. Van generatie op generatie vormt
het een van de wel haast: onvermijdelijke activiteiten
van jonge ouders. Op een vrije middag met de
kinderen op de arm, aan de hand of in de buggy
naar het park. Ook voor ouderen is een wandeling
naar het park een aangename en gezonde verpozing.
Dat er ook vogels van andere pluimage
komen, die deze openbare ruimte oneigenlijk
gebruiken, is erg jammer.
Hieronder zal aandacht worden besteed aan de
– inmiddels verdwenen – volière in park Eekhout
en de problemen, die de verzorging van de vogels
met zich meebracht.
Zwolse Artis?
In 1928 verzocht de Zwolsche Sierduivenclub, die
op 11 september 1925 was opgericht, aan het
gemeentebestuur om een volière te plaatsen in het
park Eekhout. De club had daarvoor de volgende
redenen. Tot dan toe was er nog geen volière in
een park in Zwolle. Bovendien trok een volière in
andere plaatsen veel toeschouwers en vogelliefZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hebbers. Maar de belangrijkste reden was toch wel
dat een volière Van zeer groote opvoedkundige
waarde is voor de jeugd eener stad, want hierdoor
zal de liefde voor de vogels worden aangewakkerd
en de vernielzucht waaraan een groot deel der
jeugd mank gaat, worden getemperd.’ De sierduivenclub
was bereid enige koppels zeer fraaie duiven
beschikbaar te stellen, die de club ‘zeer zware
financiële offers’ kostten. Maar dat had de club
graag voor het goede doel over. Eveneens was de
club bereid bij de bouw te helpen.
Het gemeentebestuur reageerde enthousiast
nadat aan de heer L. Krook, stadsarchitect en
directeur van Openbare Werken van 1904 tot 1930,
om advies gevraagd was. Hij ontwierp een volière,
waaraan elementen van de nieuwe zakelijkheid
zijn te herkennen zoals de strakke horizontale en
verticale lijnen en het ontbreken van opsmuk.
Park Eekhout zou met een volière in aantrekkelijkheid
winnen. Een probleem vormden echter de
‘vrij belangrijke’ kosten. De bouw van de volière
werd op duizend gulden geschat. Daarnaast kwamen
de kosten van onderhoud en schoonhouden
en de kosten van de verzorging van de vogels. Om
het plan niet te laten afketsen kwam het college
van B en W met het voorstel om te zoeken naar
een vorm van samenwerking met de Zwolsche
sierduivenclub. Het volgende werd afgesproken:
de gemeente zou de volière bouwen en de sierduivenclub
moest dan een bepaald aantal vogels
daarin onderbrengen en verzorgen zolang het
park voor het publiek was open gesteld. In de wintermaanden,
wanneer het park voor het publiek
gesloten was, moesten de duiven weer door de
leden worden teruggenomen. Naast het krediet
van 1000 gulden voor de bouw van de volière
moest de raad ook haar goedkeuring geven voor
een vergoeding van drie gulden per week voor verzorging
van de vogels, ongeveer vijfenzeventig
gulden per seizoen.
Het voorstel van B en W werd niet zonder slag
of stoot aangenomen. In de raadsvergadering van
16 juli 1928 werd er uitgebreid over gediscussieerd.
Sommige leden van de raad hadden hun twijfels
over de grote opvoedkundige waarde van de volière.
Anderen wezen op de consequenties van het
akkoord met de sierduivenclub. Wat moest de
gemeente doen met de volière als de club werd
opgeheven of wanneer liefhebbers van konijnen,
witte muizen of andere dieren met een soortgelijk
verzoek kwamen. Wanneer het zo zou doorgaan
‘komen wij langzamerhand tot een Zwolsche
Artis’. En dat kon toch niet de bedoeling zijn. De
voorstanders in de raad onderstreepten het
opvoedkundige belang van de volière. Er moesten
dan niet alleen sierduiven, maar ook ander

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 1

Door 2012, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

Industrieel monument
van de wederopbouw

29e jaargang 2012 nummer 1 – 8,50 euro

2 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

Café Stroomberg
In 1861 begon Marten Doggenaar, beurtschip­per op Leeuwarden, een café op de hoek van de Thomas a Kempisstraat en de Brink waaraan hij de naam De Nieuwstad gaf. Met de naam ‘Nijstad’ of ‘Nieuwstad’ werd eeuwenlang het gebied aangeduid dat voor de Diezerpoort lag. Egbert Stroomberg nam rond 1885 het café over. Naast tapper was hij ook scheepstimmerman. Het café mocht zich verheugen in een grote belangstelling van ondermeer (turf)schippers, tramreizigers en bezoekers van de paardenmarkt, die rond de Brink en in de Thomas a Kempisstraat werd gehouden. Vanaf circa 1930 verdween de tram uit het straatbeeld en deed de autobus zijn intrede. De paarden werden vanaf 1 april 1931 op de nieu­we Veemarkt verhandeld.
Na twee generaties Stroomberg kwam het pand in 1955 in bezit van Gerrit Mensink. Het bleef café Stroomberg heten. Café annex slijterij zijn nog steeds in handen van de familie Mensink.
Café Stroomberg heeft in de loop der jaren een grote vaste klantenkring opgebouwd. Ook schakers, kaarters en biljarters vinden hier hun thuishonk. Boven wordt er heel wat af vergaderd. Ook na honderdvijftig jaar is het bij Stroomberg nog altijd goed toeven, zowel in het café als in de glazen uitbouw. Je kunt er genieten van een lunch, van een kop koffie of wat sterkers. Boven de bar hangt het devies: ‘Drinck als regel maetig, maer dan wel regelmaetig’. Elke stamgast zal het daar­mee eens zijn.

(Collectie ZHT)

Stroomberg in 2011. (Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 3

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans2
Bedrijfshal IJzerleeuw
gemeentelijk monument
Annèt Bootsma – van Hulten4
Vriendinnetje van Leo Major
heeft een gezicht gekregen
Steven ten Veen12
Van Bonifaciusschool
via De Schalm naar Facet
Katholiek speciaal onderwijs 50 jaar geleden gestart tussen gevangenis en gasfabriek
Willem Damman17
De Molukkers van Zwolle
en hun achtergrond
Herman Aarts27
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 6: Het jaar van de zebra
(1961-1962)
Jan van de Wetering37
Boekbespreking40
Mededelingen41
Auteurs42

Redactioneel
Voor u ligt de gloednieuwe editie van het Zwols Historisch Tijdschrift, het eerste nummer van 2012, weer met een verscheidenheid aan boeiende historische gebeurtenissen.
Wij presenteren het eerste Zwolse industriële gemeentelijke monument van de wederopbouw aan u, de bedrijfshal van BV IJzerleeuw. Annèt Bootsma beschrijft dit nieuwe monument en geeft een schets van het bedrijf, zij gaat daarbij onder meer in op de tweehonderd jaar oude geschiede­nis van het Zwolse moederbedrijf O. de Leeuw.
Met Bevrijdingsdag voor de deur komt Steven ten Veen met nieuwe feiten over de bevrijder van onze stad, Leo Major. Zijn Nijmeegse vriendinne­tje heeft namelijk een gezicht en een naam gekre­gen, Antoinette Sliepenbeek.
Willem Damman schrijft over vijftig jaar geschiedenis van het rooms-katholieke speciaal onderwijs in Zwolle. In 1961 werd namelijk de Bonifaciusschool opgericht, later omgedoopt in De Schalm, een paar jaar terug in Facet. De school ontstond in een tijd waarin een term als ‘debiel’ nog gangbaar was. Damman beschrijft de veranderde visie op kinderen die ‘niet mee kun­nen komen’ en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de ontkerkelijking.
Verder is er aandacht voor de Molukse gemeenschap in Zwolle, binnen het bredere kader van de Molukse geschiedenis. Herman Aarts verhaalt van het KNIL, woonoorden en de Molukse gemeenschap in Holtenbroek. In het onlangs door het HCO uitgegeven boekje Kenang Kenangang, herinneringen zijn interviews met de eerste en tweede generatie Molukkers in Zwolle te lezen. Veel jaren zestig in dit nummer, Jan van de Wetering verhaalt in zijn gelijknamige serie over nieuwerwetse zaken als de twist en het zebrapad. Al deze teksten, aangevuld met het suikerzakje en een boekbespreking, bieden weer uren leesplezier!

Omslag: De tot naoorlogs industrieel monument aangewezen bedrijfshal van BV IJzerleeuw,
met het over de haven reikende dak, 2010.
(Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

4 zwols historisch tijdschrift

Bedrijfshal IJzerleeuw gemeentelijk monument

Eind maart van dit jaar is een bedrijfspand van BV IJzerleeuw door het college van
B en W aangewezen als gemeentelijk monument van de wederopbouw. IJzerleeuw is daarmee de eerste Zwolse onderneming die met een naoorlogs bedrijfspand de status van beschermd monument op de gemeentelijke monumentenlijst heeft verkregen. Het betreft de bedrijfshal van IJzerleeuw aan de Gasthuisdijk 15, die dateert uit 1961-1962 en die nu is aangemerkt als een bouwwerk van architectuurhistorisch belang en als goed bewaard gebleven voorbeeld van naoorlogse bedrijfsmatige bouw.
O. de Leeuw
IJzerleeuw is een voorraadhoudende groothandel in staal. Het bedrijf werd opgericht in december 1955, maar maakt onderdeel uit van een al veel ouder geheel. IJzerleeuw ontstond als zelfstandige werkmaatschappij van de Zwolse onderneming O. de Leeuw. De geschiedenis van O. de Leeuw gaat ruim tweehonderd jaar terug naar het begin van de negentiende eeuw. In 1810 begon Hen­drik Wijnekes in het pand Diezerstraat 72 een handel in ijzerwaren, onder het uithangbord ‘In den blauen saegh’. Wijnekes overleed in 1844. Vervolgens ging de ijzerwarenzaak in eigendom over op Hendrik J.J. Bolte, zijn weduwe Johanna H. Bolte-Stroink en tenslotte op haar broer Johan H.H. Stroink. In 1869 verscheen de jonge Gro­ninger Oeds de Leeuw (1846-1916) ten tonele. De Leeuw werd in 1872 medefirmant. In 1892 kocht hij Stroink uit en zette het bedrijf onder zijn eigen naam voort: firma O. de Leeuw. Het bedrijf telde toen negen medewerkers, waaronder één reiziger.
In het laatste kwart van de negentiende eeuw transformeerde de oorspronkelijke detailhandel zich tot een groothandel. Belangrijke afnemers waren smeden in het noordoosten van het land en het aangrenzende deel van Gelderland. Interes­sant is dat veel van deze smeden uitgegroeid zijn tot constructiebedrijven, machinefabrieken, car­rosseriebedrijven en landbouwmechanisatiebe­drijven, die tegenwoordig nog altijd hun goederen betrekken van de zeven bedrijven die onder de huidige O. de Leeuwgroep ressorteren. In die zin is O. de Leeuw meegeëvolueerd met haar klanten.
In de jaren negentig van de negentiende eeuw begon De Leeuw naast ijzerwaren ook kachels, wasmachines en landbouwwerktuigen te verko­pen. De landbouwmachines werden geïmporteerd uit Duitsland, Engeland en Amerika (Deering). Speciaal daarvoor werd in het begin van de twin­tigste eeuw een nieuw magazijn gebouwd op het Rodetorenplein. Dit grote bakstenen gebouw is eind jaren negentig van diezelfde eeuw afgebroken om plaats te maken voor het Maagjesbolwerk.
In 1895 werd de firma bij het bezoek aan Zwolle van koningin-moeder Emma en de jonge koningin Wilhelmina voor de eerste keer het pre­dicaat ‘hofleverancier’ verleend. In die tijd werden er ook daadwerkelijk leveranties aan de kroon-domeinen in Apeldoorn gedaan, zoals puntdraad en gereedschappen. Het predicaat hofleverancier is door alle volgende koninginnen verlengd, waar­door O. de Leeuw deze onderscheiding nu al 117 jaar onafgebroken heeft mogen voeren. Daarmee is de onderneming de oudste, nog bestaande, hof­leverancier van Overijssel.
De bedrijfsactiviteiten van O. de Leeuw waren tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw gestoeld op vier pijlers: landbouwwerktuigen, ijzerwaren, huishoudelijke apparaten en ijzer en staal. Daarna is de onderneming zich steeds meer gaan toeleggen op staal, ijzerwaren en gereed­schappen en technische producten en werd het een succesvolle toeleverancier voor bedrijfsmatige afnemers. De groothandel in consumentengoede­ren werd dan ook afgebouwd en de afdeling land­bouwwerktuigen werd in 1993 omgevormd tot een importhandel voor tuin- en parkmachines.
IJzerleeuw
Vanaf eind jaren vijftig begon de verzelfstandiging van de verschillende bedrijfsafdelingen van O. de Leeuw en de verhuizing naar moderne panden op onder meer het nieuwe industrieterrein Voorst A (Gasthuislanden) aan de rand van de stad. De uit­tocht uit de Zwolse binnenstad, waar de bedrijfs­activiteiten in de loop der jaren over vele panden versnipperd waren geraakt, werd ingeluid in 1955 met de oprichting van IJzerleeuw en de daadwer­kelijke vestiging (1956) van dit nieuwe bedrijf aan de Hasselterdijk in Frankhuis, op een van de gemeente gehuurd terrein van zo’n 17.000 m2. Dit betrof een voorlopige vestiging, bij de oprichting had men zich al verzekerd van een toezegging van de gemeente voor de aankoop van een vergelijk­baar terrein in de Gasthuislanden, welk gebied was aangewezen als nieuw industrieterrein en dat zou komen te liggen aan het nieuw te graven verbindingskanaal tussen het Zwartewater en de IJssel, het Zwolle-IJsselkanaal. Dit grootschalige project paste in het naoorlogse beleid om de stad door allerlei infrastructurele aanpassingen beter bereikbaar te maken. Het kanaal, waarbij ook insteekhavens naar nieuwe industriegebieden inbegrepen waren, zou een belangrijke stimulans gaan vormen in de ontwikkeling van de Zwolse economie.
De oprichting van IJzerleeuw was een ambiti­eus plan. Dat paste enerzijds goed bij de tijdgeest en de visie van de toenmalige directeur
Tj. Bootsma, schoonzoon van directeur O. de Leeuw jr. (1875-1954), maar het betekende voor het moederbedrijf toch een erg grote investering. Bootsma zocht daarom een landelijke partner om zijn plannen te verwezenlijken en vond die in de NV IJzerhandel Van der Vliet en De Jonge uit Amsterdam. Het doel van de gezamenlijke doch­ter vormde de handel in walserijproducten (ijzer en staal) in de meest uitgebreide zin, zoals balken, platen, profielbuizen en bouwstaalmatten. O. de Leeuw telde in die tijd ruim honderd personeels­leden, het bedrijf had in tien jaar tijd een enorme groei doorgemaakt.
In 1960 werd gestart met de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal. Kort daarna kwam de koop door IJzerleeuw van het nieuwe bedrijfsterrein aan de Gasthuisdijk definitief rond en kon worden begon­nen met de aanleg van het nieuwe bedrijfscomplex.
Men kan wel zeggen dat de opzet voor het nieuwe bedrijf de toenmalige Zwolse maat ruim oversteeg. Het complex was een ontwerp van het bouwbureau van Van Leer’s Vatenfabrieken uit Amstelveen. Dit bedrijf was onder meer gespeci­aliseerd in de bouw (en exploitatie) van vatenfa­brieken. Van Leer werd voor de nieuwbouw van IJzerleeuw ingeschakeld omdat partner Van der Vliet en De Jonge een dochteronderneming van dit bedrijf was. Tegelijkertijd werden ook het in Essen (Duitsland) gevestigde Architektur- und Ingenieurbüro ‘Silberkuhl’ en de firma ‘Montage­schaaldak’ uit Zwijndrecht bij het project betrok­ken.
Het nieuwe bedrijf werd via een insteekhaven (Katwolderhaven) aangesloten op het Zwolle-IJsselkanaal. De bedrijfshal werd zodanig opgezet dat deze aan een kant open was en het dak over de haven reikte. Zodoende konden, met aan het dak bevestigde kranen, goederen rechtstreeks in en uit een schip worden geladen. Deze situatie werkte prima en bestaat nog altijd, nadeel is alleen dat het door het open karakter voor de magazijnmede­werkers behoorlijk koud in de hal kan zijn.
Een betonskelet vormde de hoofdconstructie van de bedrijfshal, waar overheen zich aan de havenzijde een ‘gevouwen’ betonnen schaaldak bevond. Verder bestond het dak uit tien betonnen ‘sheddaken’* met stalen gordingen en spanten. Genoemd bureau uit Essen ontwierp het dak, het montagebedrijf uit Zwijndrecht voerde het uit. De stalen gordingen werden ter plekke gebogen en gelast. De bedrijfshal werd door het bouwbedrijf der Koninklijke Nederlandsche Maatschappij voor Havenwerken NV uit Amsterdam gefun­deerd op gewapend betonpalen. Al met al een bij­zondere betonnen constructie, die nu geldt als van grote typologische waarde. De overkapping doet denken aan die van de uit hetzelfde jaar stammen­de hal van het Amsterdamse RAI-gebouw.
Bij al dit buiten-Zwolse bouwgeweld maakte directeur Bootsma zich indertijd wel zorgen of dit niet de in de loop der tijd zorgvuldig opgebouwde en goede relaties met Zwolse aannemers zou ver­storen. Maar er werden wel Zwolse bedrijven als onderaannemer ingeschakeld en er was nog een ander Zwols element, het kantoorgebouw aan de straatzijde. Chr. Stoel, ingenieur-adviseur voor bouwconstructie in Zwolle, ontwierp dit gebouw als een staalskelet in een modern-functionalisti­sche stijl, met een plat dak met betonplaten.
Gestage groei
De bouw van het bedrijfspand vond plaats in 1961-1962. De voorlopige vestiging aan de Has­selterdijk en de mogelijkheid om daar veel meer voorraad te houden en, zeer belangrijk, veel gro­tere balken en staven op te slaan dan voordien mogelijk was, hadden direct al in een belangrijke behoefte voorzien. De zaken waren daar dan ook naar tevredenheid verlopen. Maar eenmaal gevestigd in het nieuwe onderkomen aan de Gasthuisdijk ontwikkelde IJzerleeuw zich zonder meer voorspoedig. Logisch gevolg daarvan was een dringende behoefte aan meer opslagruimte. In 1971 werd de verwerkings- en opslagcapaciteit van het bedrijf verdubbeld door de functionele ingebruikname van het naast de hal gelegen bui­tenterrein. Het kwam voor IJzerleeuw goed uit dat het schuin tegenover hen aan de Rieteweg gelegen voormalige bedrijfspand van NV Wispel­wey medio 1973 te koop kwam. Met de aankoop van dit pand beschikte het bedrijf over een totale oppervlakte van 25.000 m2, waarvan 10.000 m2 bebouwd was. Hiermee was de behoefte aan ruimte voorlopig gestild. De nieuw aangeschafte hal aan de Rieteweg werd binnen het bedrijf aan­geduid als hal 3, het buitenterrein naast de hoofd­hal als hal 2. Deze hal 2 werd eind jaren tachtig ook overdekt.
De meest recente uitbreiding vond plaats in 2004. Na jarenlange onderhandelingen kwamen direc­teur van de O. de Leeuwgroep Marnix Bootsma (zoon van Tj. Bootsma) en directeur Rinse Valk van de aangrenzende voedingsproducent Abbott Laboratories tot overeenstemming over een grondruil. Dat leverde voor IJzerleeuw en Abbott allebei een belangrijke ruimtewinst op. Het per­ceel van de in 1973 aangekochte hal 3 werd geruild met een schuin daartegenover, aan de Gasthuis­dijk gelegen terrein. Daarop verrees een nieuwe, tweemaal zo grote en volledig geconditioneerde hal 3, die op 20 mei 2005 feestelijk geopend werd door burgemeester Meijer. Bij die gelegenheid werd tevens het vijftigjarig jubileum van IJzer­leeuw gevierd.
Medewerkers
IJzerleeuw maakt deel uit van de O. de Leeuw­groep en heeft daarmee nog steeds het karakter van een familiebedrijf. Familiebedrijven opereren doorgaans meer op lange-termijn basis, ze zijn solide en hebben een betrokken relatie met hun medewerkers. Veel medewerkers bij IJzerleeuw kunnen bogen op een lang dienstverband, er wordt regelmatig een vijfentwintig- of zelfs veer­tigjarig bedrijfsjubileum gevierd. In dit verband moeten de heer en mevrouw Dick en Nelly van Brink-van Beek genoemd worden. Zij hebben bei­den erg veel bijgedragen aan de opbouw van IJzer­leeuw en hebben beiden hun vijftigjarig jubileum bij de O. de Leeuwgroep gevierd. Zij werden voor hun verdiensten voor het bedrijf in respectievelijk 1993 en 1995 koninklijk onderscheiden. In 2005 werd ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van IJzerleeuw het voltallige personeel met part­ners een lang weekend naar Praag aangeboden. Verder wordt er regelmatig iets voor (en door) de medewerkers georganiseerd, waarbij de gepen­sioneerden niet vergeten worden. IJzerleeuw telt momenteel circa dertig medewerkers en biedt ook werkgelegenheid aan een zevental chauffeurs van het voormalige transportbedrijf Van der Weerd, nu onderdeel van de Pax Transport Groep.
Vandaag besteld, morgen geleverd
IJzerleeuw vormt tegenwoordig samen met Teham Pongers te Hengelo en Geertsema Staal in Win­schoten (deze bedrijven werden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw overgenomen) de staalhandelsdivisie binnen de O. de Leeuwgroep. Klantgericht denken en handelen staan bij de hele groep voorop. IJzerleeuw heeft in de loop der jaren een solide reputatie opgebouwd als voorraadhou­dende staaltoeleverancier. In het lange en rijke ver­leden is veel product- en marktkennis opgebouwd. Daardoor kan de vraag van de klant bijna altijd direct worden beantwoord. Het bedrijf heeft zich toegelegd op deskundige advisering, zorgvuldige en snelle uitvoering van orders en uitgebreide service. De laatste jaren heeft IJzerleeuw geïnvesteerd in een moderne boorzaagstraat met daaraan verbonden een straalmachine. Zo kan ingespeeld worden op de wens van de klant om bewerkt materiaal snel toegeleverd te krijgen. Onder het motto ‘van­daag besteld, morgen geleverd’ rijden er dagelijks vrachtwagens door Noord-, Oost- en Midden-Nederland. Het klantenbestand loopt van de grote metaalverwerkende industrie tot de ambachtelijke siersmid. Zoals de in de jaren zestig en zeventig bekende Zwolse siersmid Willem Veltien, die vele uithangborden in het centrum van Zwolle heeft gemaakt. Natuurlijk hebben de bedrijfsresultaten in de loop der jaren wel gefluctueerd, maar het bedrijf heeft nooit rode cijfers hoeven schrijven. Een mooi resultaat voor een echt Zwols bedrijf, dat nu ook kan bogen op een bedrijfshal van cultuur­historische waarde.
* Een sheddak, zaagdak of zaagtanddak is een dak­vorm die vooral bij uitgestrekte fabriekshallen werd toegepast. Bouwkundig gezien betreft het een reeks evenwijdige zadeldaken met ongelijke schilden. De nokken zijn oost-westgericht. De schilden zijn voorzien van vele ramen. Het op het noorden ge­richte schild is veel steiler dan het op het zuiden ge­richte schild. Het gevolg van dit alles is dat de gehele hal gelijkmatig verlicht wordt. (Bron: Wikipedia)
** Dit artikel is gebaseerd op gegevens uit de bedrijfs­archieven van O. de Leeuw BV en BV IJzerleeuw, en de toelichting bij het besluit van B en W om de be­drijfshal aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Annèt Bootsma –
van Hulten

De tot naoorlogs indu­strieel monument aangewezen bedrijfshal van IJzerleeuw uit 1961-1962, in 2005. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)

zwols historisch tijdschrift 5

Een factuur van
O. de Leeuw uit 1952, een paar jaar voor de verzelfstandiging van de diverse bedrijfsafde­lingen. IJzerleeuw werd drie jaar later als zelf­standige dochter opge­richt, maar de naam werd al wel gehanteerd voor de handel in staaf-, plaat-, band-, beton- en balkijzer. (Bedrijfs-archief O. de Leeuw)

6 zwols historisch tijdschrift

Het begin aan de Has­selterdijk kende een provisorisch karakter. Maar er was voldoende opslagruimte. Op de achtergrond, aan de overkant van het Zwar­tewater, zijn de nieuwe flats van Holtenbroek te zien. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

Oude logo van IJzerleeuw. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)

zwols historisch tijdschrift 7

Maquette van de nieuwbouw, waarop de tien sheddaken en het gevouwen schaaldak aan de havenkant goed te zien zijn. (Bedrijfs-archief IJzerleeuw)

Luchtfoto van de IJzerleeuwhal met de karakteristieke dak­constructie. Begin jaren negentig. (Bedrijfs-archief IJzerleeuw)

8 zwols historisch tijdschrift

Boven: De hal gefoto-grafeerd vanaf de waterkant. Het licht-effect van de sheddaken is goed te zien. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)
Onder: Het over de haven reikende dak van de hal, 2010. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)

zwols historisch tijdschrift 9

Links: Een vrachtwagen wordt geladen in hal 1, 2005. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)
Rechts: Het in modern-functionalistische stijl opgetrokken kantoor. Oorspronkelijk was er maar een verdieping, begin jaren zeventig werd het kantoor uit­gebreid met een tweede verdieping, in 1996 volgde nog een facelift. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)
Luchtfoto uit 2004, met de nieuwe hal 3 in aan­bouw. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

Optreden van ‘levende’ standbeelden bij de festivi­teiten rond de viering van het vijftigjarig jubileum en de opening van hal 3 in 2005. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

10 zwols historisch tijdschrift

Burgemeester Meijer opende op 20 mei 2005 tijdens een feestelijke bijeenkomst de nieuwe hal 3 met een symboli­sche druk op de knop. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)

Onder de pannen bij O. de Leeuw
Tj. (Tjamko) Bootsma (1912-1993) was als schoonzoon van de toenmalige directeur Oeds de Leeuw jr. van 1946 tot 1991 betrokken bij O. de Leeuw, aanvankelijk als adjunct-directeur, en vanaf 1954 als directeur. Onder zijn leiding groeide O. de Leeuw uit tot een welvarende groep van groot­handelsondernemingen in staal en buizen, ijzerwaren en gereedschappen, en technische artikelen. Op zijn tachtigste verjaardag in november 1992 werd hij daarvoor tot ridder in de Orde van Oranje Nassau benoemd. Hij werd geïnterviewd in de Zwolse Courant van 4 december 1992: ‘In de ruim 180 jaar van het bestaan van het bedrijf is slechts één keer met verlies gedraaid. Dat was in 1930, en dat was een verlies van niets. Maar mijn schoonouders kwamen er wel speciaal voor terug van vakantie, zo ging dat in die tijd. De goede resultaten zijn altijd mede te danken geweest aan de loyaliteit van veel medewerkers. We hebben altijd bijzonder trouw personeel gehad. Het klinkt patriarchaal, ouderwets, maar vroeger was je onder de pannen als je voor O. de Leeuw werkte.’
Tjamko Bootsma, 1912-1993.

zwols historisch tijdschrift 11

Boven: De heer en mevrouw Dick en Nelly van Brink-van Beek, eind jaren vijftig. (Bedrijfsarchief IJzer­leeuw)
Links: De medewerkers van IJzerleeuw in 2009. Enkele personen ontbre­ken, evenals de chauf­feurs. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)
Rechts: Opname uit het magazijn, 2005. (Bedrijfs­archief IJzerleeuw)

Vrachtwagen voor hal 3, 2012. (Bedrijfsarchief IJzerleeuw)

12 zwols historisch tijdschrift

Vriendinnetje van Leo Major
heeft een gezicht gekregen
Leo Major, de in 2008 overleden bevrijder van Zwolle, vertelde tijdens een van zijn vele bezoeken aan die stad dat hij ook had meegeholpen aan de bevrijding van Nijmegen. ‘Ik had daar een vriendinnetje. Toen ik verder trok zei ik: “Ik ga voor jou een stad bevrijden.” Nou, ik heb woord gehouden.’ Dat vriendinnetje, Antoi­nette Sliepenbeek, heeft na de oorlog vrijwel niets gezegd over de relatie die zij met de Canadese soldaat heeft gehad. Maar foto’s waarop zij samen met Leo Major stond, heeft zij altijd bewaard. Jan Kramer, haar oudste zoon die als klein kind graag in oude foto’s zat te snuffelen, vond ze in een schoenendoos. ‘Die man met dat ooglapje, Leo Major dus, trok me en ik vroeg er steeds naar. Maar mijn moeder heeft mij zo goed als niets verteld over haar persoonlijke belevenissen met Major in de oorlog. Ook niet later in haar leven.’
Familie Sliepenbeek
Die foto’s, aangevuld met enkele brieven, heeft Jan Kramer op 23 maart van dit jaar aan het His­torisch Centrum Overijssel (HCO) geschonken. Het Zwols Historisch Tijdschrift heeft de primeur (bijna al) deze foto’s aan u te kunnen tonen, ze staan bij dit artikel afgedrukt. De foto’s vormen een belangwekkende aanvulling op de vele ver­halen die over Leo Major zijn geschreven. Vooral omdat de Nijmeegse vriendin van de bevrijder van Zwolle nu een gezicht heeft gekregen. Antoi­nette Wilhelmina Pancratia Maria Sliepenbeek (1924) was het derde kind uit het gezin van Gerar­dus Johannes Maria Sliepenbeek (1887-1970) en Hendrika Johanna Maria Roelofs (1887-1962), dat tijdens de oorlog op de Sterreschansweg 82 in Nijmegen woonde. De andere kinderen waren Peter (1921-1983), Jos (1925-1999), Rikie (1926-2005) en Gerard (1928-2012). Antoinette trouwde na de oorlog op 29 december 1954 in Nijmegen met Gerardus Aloysius Kramer (1926). Zij overleed op 11 mei 1999 op 75-jarige leeftijd in Deurne. Haar man was al in 1984 gestorven.
Dat Leo Major tijdens een van zijn vele bezoe­ken aan Zwolle vertelde dat hij in Nijmegen een vriendinnetje had gehad, bewijst dat het meer was geweest dan zo maar een vluchtige relatie. Kort voor zijn terugkeer naar Canada heeft hij Antoi­nette zelfs gevraagd om mee te gaan naar zijn vaderland, maar die stap wilde of durfde ze niet te zetten. Vanuit Canada stuurde Major ondermeer een foto naar zijn Nederlandse vriendin waarop hij samen met zijn nichtje Jenine stond. Later tijdens een van zijn vele bezoeken aan ons land, heeft Major zijn vroegere vriendin nog bezocht. ‘Zij heeft daar bijna niets over verteld’, herinnert zoon Jan zich. ‘Zij vond het leuk om hem weer te zien, maar vond het nog steeds verstandig dat ze niet met hem mee naar Canada was gegaan.’
Gerard Sliepenbeek, de jongste telg uit het Nij­meegse gezin, heeft nog jarenlang contact gehou­den met Leo Major. Twee keer heeft Major samen met zijn vrouw Pauline (zij trouwden in 1953) bij hem in Venlo gelogeerd. Voor Sliepenbeek, die op 2 maart dit jaar op 83-jarige leeftijd is overleden, was Leo een echte held. ‘Hij bewonderde hem’, vertelt Jan Kramer. ‘Niet voor niets is hij na de oorlog naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda gegaan. Hij is ongeveer negen jaar beroeps­militair geweest.’
In Zwolle werd Leo Major pas in 1970, vijf­entwintig jaar na de bevrijding, een held. Dat een Canadese soldaat, lid van het Regiment de la Chaudière, een heldenrol had gespeeld tijdens de bevrijding van de stad was wel bekend, maar hoe hij heette en of hij nog leefde, wist vrijwel niemand. Tot hij in 1968 werd opgespoord door Zwollenaar Frits Kuipers en twee jaar later de uit­nodiging kreeg om in Zwolle de herdenking van de bevrijding bij te wonen.
Onverschrokken
Op 6 juni 1944, D-Day, landde Leo Major op een Normandisch strand. Het werden zijn eerste gevechtshandelingen, na drie jaar in trainings­kampen in Engeland doorgebracht te hebben. Een paar dagen na de invasie raakte hij door een fosforgranaat zwaar gewond aan zijn linkeroog. Zijn commandant wilde hem naar huis sturen, maar daar peinsde hij niet over. ‘Ik kan met één oog nog prima een geweer richten, misschien zelfs beter’, zou hij hebben gezegd. Die onverschrok­kenheid toonde Leo Major ook in de gevechten die zijn regiment met de Duitsers uitvocht tijdens de opmars richting Nederland. In de Slag om de Schelde, bedoeld om de haven van Antwerpen te ontsluiten voor bevoorradingsschepen, rekende hij volgens de overlevering in zijn eentje 93 Duit­sers in. Hij kreeg er de Distinguished Conduct Medal voor, de op een na hoogste onderscheiding voor militairen van het Britse Gemenebest. Major zou er later, tijdens de Korea-oorlog (1950-1953), nog een krijgen.
Toen het Regiment de la Chaudière half sep­tember 1944 Nijmegen had bereikt, bleven ze daar steken omdat het de geallieerde troepen niet was gelukt om bij Arnhem de Rijn over te steken (ope­ratie Market Garden). Veel soldaten werden bij inwoners van Nijmegen ingekwartierd. Vermoe­delijk kwam Leo Major bij de familie Sliepenbeek terecht en heeft hij op die manier Antoinette leren kennen. De opmars werd vervolgens hervat naar Zeeland. Daar raakte Major begin oktober (Slag om de Schelde) ernstig gewond aan zijn rug door de klap van een antitankmijn. Hij werd in een gip­sen korset gehesen, kreeg het advies om zich maar een tijdje buiten de strijd te houden en kwam toen voor de tweede keer bij de familie Sliepenbeek terecht, voor een wekenlange revalidatie.
Bevrijding van Zwolle
Toen Major was opgeknapt, voegde hij zich weer bij zijn regiment dat inmiddels de Rijn was overgestoken en optrok door het Rijnland. Begin maart 1945 was deze operatie voltooid. Het regiment keerde weer terug naar Nederland om zich te voegen bij de troepen die zich klaarmaak­ten voor het slotoffensief voor de Nederlandse bevrijding. Op 13 april was men tot Wijthmen bij Zwolle opgerukt. Vanuit het oosten was een ander Canadees regiment de stad genaderd. Omdat de Canadezen stevige gevechten rond Zutphen hadden moeten leveren, gingen zij er van uit dat de hoofdstad van Overijssel vanwege zijn strategische ligging aan spoor, wegen en water en de daar gevestigde hoofdkwartieren van Wehrmacht, Gestapo en Sicherheitsdienst fel zou worden verdedigd. Plannen om de stad met granaatvuur te bestoken lagen klaar, maar uit vrees voor burgerslachtoffers en schade aan de historische binnenstad werd besloten er twee vrijwilligers voor verkenning op uit te sturen. Dat werden Leo Major en zijn vriend Willy Arsenault. Zwaar bewapend gingen de twee laat op de avond van de dertiende april op pad, maar al na korte tijd werden ze bij Zalné door machi­negeweren onder vuur genomen. Arsenault werd getroffen en was op slag dood. Major ging alleen verder en trok rond 1.00 uur het donkere Zwolle binnen. Bij de Sassenpoort liep hij Duitsers tegen het lijf. ‘Ik maakte lawaai voor een heel regiment. Zij mochten niet weten dat ik alleen was. Met mijn geweer heb ik er een paar neergeknald, de rest sloeg op de vlucht’, vertelde hij later aan een journalist van de Zwolse Courant. Het waren nog wat achterblijvers, de meeste Duitsers hadden die nacht de aftocht al geblazen. Teruggekeerd bij zijn regiment kon Major melden dat het ver­zet van de Duitsers in Zwolle weinig voorstelde en de volgende dag, 14 april, trokken de Canade­zen de stad binnen, waar de bevrijding uitbundig werd gevierd.
Ereburger
Na 1970 is Leo Major samen met zijn vrouw Pau­line nog vele malen in Zwolle geweest. In 1985 kreeg hij de erepenning van de stad en in 2005, zestig jaar na de bevrijding, werd hij tot ereburger benoemd. Op maandag 13 oktober 2008 stierf Leo Major op 87-jarige leeftijd aan kanker. Na zijn overlijden werd een straat naar hem vernoemd, de Leo Majorlaan. Major had graag begraven wil­len worden op de Canadese oorlogsbegraafplaats in Holten, naast zijn vriend Willy Arsenault. Die begraafplaats is echter alleen bedoeld voor militai­ren die tijdens de strijd zijn gesneuveld. Daarom ligt het graf van de bevrijder en ereburger van Zwolle in Canada.
Literatuur
– Amsman, Michael, ‘Bevrijder van Zwolle Leo Ma­jor: “Je doodt of je wordt gedood. That’s war”’, in: Zwolse Courant, 2000
http://www.home.wanadoo.nl/wijthmen/wijth­men/oorlogsverhaal.htm
– Bax, Wouter, ‘Leo Major 1921-2008’ in: Trouw, 29 oktober 2008
– Leo Major over de bevrijding van Zwolle, Engelsta­lige versie
http://www.destentor.nl/multimedia/ar­chive/00912/Verslag_van_de_bevr_912578a.PDF
– Leo Major over de bevrijding van Zwolle, vertaling Wil Cornelissen.
http://www.obd.nl/bevrijdingskranten/dag/grafx/zwolle%20bevrijd.pdf
– Veenhof, Nicholas F., The Legendary Liberator of Zwolle. A biography of Léo Major. 2007
http://www.destentor.nl/multimedia/ar­chive/00445/Het_complete_Leo_Ma_445231a.pdf

Steven ten Veen

Leo Major in het mid­den met ooglapje met vlnr. Antoinette Slie­penbeek, Gerard Slie­penbeek, Jos Sliepen­beek en een onbekende militair. De foto zal waarschijnlijk in 1944 in de omgeving van Nijmegen gemaakt zijn, met zelfontspanner. (Collectie Sliepenbeek, HCO)
Nog een foto van het­zelfde uitje, nu gemaakt door Gerard Sliepen­beek. Vlnr. Antoinette Sliepenbeek, Leo Major met ooglapje, Jos Slie­penbeek en een onbe­kende militair. (Collec­tie Sliepenbeek, HCO)

zwols historisch tijdschrift 13

Het complete gezin Slie­penbeek minus vader Gerrit, bij hun woning aan de Sterreschansweg in Nijmegen. De foto is na de oorlog genomen. Achteraan staat zoon Gerard in zijn KMA-uniform, in het midden vlnr. Antoinette, Jos, Rikie en moeder Slie­penbeek. Vooraan zoon Peter. (Collectie Slie­penbeek, HCO)

Leo Major in de kamer bij de familie Sliepen­beek, waarschijnlijk 1944. (Collectie Slie­penbeek, HCO)

14 zwols historisch tijdschrift

Vader en moeder Slie­penbeek met hun drie dochters, vlnr. Antoi­nette, vader, moeder, Rikie en Jos (staand). Vader Gerard was in zijn jonge jaren beroeps­officier bij de landmacht en werkte later bij landbouworganisaties. De foto is na de oorlog genomen.(Collectie Sliepenbeek, HCO)
Leo Major en een onbe­kende militair voor het huis van de familie Sliepenbeek aan de Sterreschansweg 82 in Nijmegen, waarschijn­lijk 1944. (Collectie Sliepenbeek, HCO)

zwols historisch tijdschrift 15

Leo Major een half jaar na de oorlog weer terug in Canada, met naar eigen zeg­gen zijn nichtje Jenine. Antoinette Sliepenbeek schreef achterop de foto ‘winter Jan. 1946’. Major, een Franstalige Canadees die ook wel wat Engels sprak, schreef de overige tekst: ‘Ceci est une photo prise plus dernierement. Je suis avec ma cousine Jenine que tu connais deja assez bien. J’ai encore l’air un peux mili­taire malgré que je suis maintenant un civil, ne trouves tu pas. Your boy friend, Loves Leo.’ (Dit is een heel recent genomen foto. Ik sta er op met mijn nicht Jenine, die je inmiddels vrij goed kent. Ik zie er nog een beetje als een militair uit, ondanks dat ik nu een burger ben, vind je niet. Je vriendje, liefs, Leo).
(Collectie Sliepenbeek, HCO)

16 zwols historisch tijdschrift

‘I fought the war with only one eye and I did it pretty well’, zei Major later over zijn oogkwet­suur. Hier staat hij met ooglap op de Wipstrik­kerallee tijdens de intocht van de Canadezen op 14 april 1945. Rechts onder zit gehurkt Frits Kuipers, de man die Major ruim twintig jaar later weer in Canada opspoorde en zijn naam en daden daarmee aan de vergetel­heid ontrukte. (Collectie HCO)
In 1985 kreeg Leo Major de erepenning van de stad Zwolle. Hier staat hij met zijn vrouw Pau­line tussen burgemeester Loopstra en oud-burge­meester Drijber. (Col­lectie HCO)

zwols historisch tijdschrift 17

Van Bonifaciusschool via De Schalm naar Facet
Katholiek speciaal onderwijs 50 jaar geleden
gestart tussen gevangenis en gasfabriek
De school voor speciaal basisonderwijs Facet bestond op 1 september 2011 exact vijftig jaar. Aan dit jubileum van een halve eeuw onderwijs aan kinderen, die om wat voor reden ook de basisschool voortijdig hebben verlaten, wordt in het voorjaar van 2012 aandacht besteed. Een receptie, reünie en een feestprogram­ma staan er dan op het programma. Daarmee wordt de stichting van deze rooms-katholieke school voor buitengewoon lager onderwijs (BLO) in 1961 aan het Assiesplein (Noordereiland) herdacht. In dat jaar besloot het destijds nieuwe schoolbestuur – de Theodoor Heerkensstichting als opvolger van de stichting Bijzonder Onder­wijs ‘De Twee R.K. Parochiën van Zwolle’ – het gebouw van de oude naai- en breischool van de Armeninrichting uit 1885 in gebruik te nemen. Ondanks de povere staat van het gebouw luidde hier op 1 september 1961 voor het eerst de school­bel voor katholieke leerlingen met een leerach­terstand. Zuiderling de heer L.C. Maas van de fraterschool in Amersfoort – een dependance van de fraters van Utrecht – werd het eerste school­hoofd. Zijn speciale hobby waren kippen. Die pikten wat extra graantjes mee op de speelplaats van de broodkorsten die de jeugd er achterliet, terwijl de gelegde eieren goed van pas kwamen in de kooklessen van de oudste meisjesgroep. Deze eerste katholieke school voor ‘buitengewoon’ onderwijs lag tussen de gevangenis (uit 1739) en de gasfabriek (uit 1848). Het taalgebruik van de gevangenen bij het luchten, de gaslucht van het naastgelegen complex en de specifieke geuren van specerijen en maalderijen langs de Thorbecke­gracht leverden toen al diverse klachten op over een ongewenste en ongezonde leeromgeving. Al deze bedrijvigheid zou de leerlingen prikkelbaar maken, terwijl ze juist veel rust en ruimte nodig hadden. Toch zou het nog dertien jaar duren voordat een nieuwe school op een passende loca­tie kon worden geopend, aan de Palestrinalaan in Holtenbroek.
BLO-school
Alle tastbare herinneringen aan die begintijd op het Noordereiland zijn compleet verdwenen. Of het zouden nog een paar volgroeide bomen moe­ten zijn van de oude speelplaats, in de doorkijk van de straat naar De Spiegel. De destijds in het schoolbestuur flink vertegenwoordigde geestelijk­heid (een deken, twee pastoors en een kapelaan) koos Bonifacius als schoolnaam, de Latijnse naam (toen nog met een -c-, later met een -t- geschre­ven) van de in 754 bij Dokkum vermoorde mon­nik, bisschop en martelaar. De naam betekent zoveel als ‘hij die het goede doet’, ook wel geïn­terpreteerd als ‘hij die een goede toekomst heeft’. Dat kan van de school in die vijftig jaar tijd zeker gezegd worden, net als van de Hanzestad Zwolle met zijn middeleeuwse jaarmarkten rondom
5 juni, de kerkelijke feestdag van de H. Bonifatius.
Na de nieuwe Lager Onderwijswet Visser uit 1920 met ook een BLO-paragraaf1 en twee jaar later de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs, kreeg de gemeente Zwolle tien jaar later pas de eerste BLO-school in de oude schippersschool aan de Vechtstraat. Het zou nog 31 jaar duren voor het katholieke onderwijs ook over zo’n schooltype beschikte. Het Zwolse stads­bestuur had toen nog de twijfelachtige reputatie van de Overijsselse gemeenten het minst uit te geven aan onderwijs (zeven procent tegenover gemiddeld dertien procent). Raadsstukken uit die tijd ademen de sfeer van handen op de knip en geen ‘uitgaven buiten proportie, waardoor onze stad in armoede zal vervallen’. Katholieke leerlin­gen die op de lagere school niet konden meeko­men, waren destijds dan ook aangewezen op een openbare school. Sinds 1954 was deze gehuisvest in de Willem Barentszstraat (bij de Weteringbrug) onder de naam Casimirschool.2 De leerlingen van die school werden formeel als debielen en imbe­cielen betiteld. Termen die heden ten dage zeer negatief overkomen en als beledigend worden ervaren, maar die toen nog gewoon op het naam­bord op de gevel stonden.3
Mimi Steinebach
Voor het onderwijs aan katholieke leerlingen was na de oorlog op deze openbare BLO onder direc­teur Dronkers de Zwolse juf H.M. (Mimi) Stei­nebach aangetrokken. Zij gaf extra godsdienst­onderricht, leerde de leerlingen de catechismus, bereidde hen voor op de eerste communie en het vormsel en nam ook roomse leesboeken met hen door. Extra oefenmateriaal met een altaartje, miskleedjes en kazuifels betaalde juf Mimi uit eigen zak. Daarnaast vervulde zij ook een actieve rol in het katholieke Mariagilde, de latere scou­ting- of verkennersgroep. Hoewel op de Zwolse katholieke lagere scholen (gescheiden jongens- en meisjesscholen) blijkens de inspectierapporten voortreffelijk werd lesgegeven door de fraters van Tilburg en de zusters van Liefde, waren in 1949 toch al 29 katholieke leerlingen op deze openbare school aangewezen. De nood groeide begin jaren zestig tot ruim vijftig aanmeldingen op de school aan de Willem Barentszstraat, zodat daar een leer­lingenstop werd ingevoerd.
Mimi Steinebach (geb. 1916), tegenwoordig wonend in Zandhove, kan zich die tijd nog goed herinneren. ‘Ik ben niet de grondlegster van de Bonifacius, maar heb me in die tijd wel heel sterk gemaakt om deze BLO-school van onze eigen identiteit van de grond te krijgen. Het kostte veel inspanning om de Zwolse geesten daarvoor rijp te maken. Natuurlijk zat ik in een dubbelrol als katholieke leerkracht in gemeentelijke, openbare dienst. Uiteindelijk is de school er toch gekomen, maar ik moest een bittere teleurstelling wegslik­ken’, aldus Steinebach. Zij wees indertijd via onder meer diverse artikelen in de Zwolse Courant het toenmalige schoolbestuur, de gemeente en de wethouder meermalen op de nood van het ‘rooms-katholieke misdeelde kind’.
Ook sprak ze diverse katholieke standsorga­nisaties hierover toe. Ze kreeg destijds het advies van directeuren van katholieke BLO-scholen in Raalte en Hengelo om mee te solliciteren naar de functie van directeur. Haar eigen vakbond, waar­van ze bestuurlijk deel uitmaakte, stuurde in het voorjaar van 1961 een aanbevelingsbrief voor haar kandidatuur voor de directeursvacature. ‘Het sollicitatiegesprek, toen nog in het kantoor van de Theodoor Heerkensstichting aan het Gasthuis­plein, was weinig eervol. Ik zou louter voor het geld hebben gesolliciteerd en één der bestuurders merkte op dat mannen toch echt niet onder een vrouw wilden werken. Ja, na al het ijveren voor die rooms-katholieke buitengewone school was ik daar zeer verbolgen over. Dat was mijn eer te na’, aldus Steinebach, die tot haar pensionering op de Casimir bleef werken op de VSO-afdeling (voortgezet speciaal onderwijs) voor meisjes. Emancipatie stond toen in de kinderschoenen en de geestelijkheid had het nog voor het zeggen. Ondanks een later aanbod om er alsnog als leer­kracht te komen werken, was dat voor haar een gepasseerd station.
De Bonifaciusschool
De eer de Bonifaciusschool te hebben gesticht komt toe aan de heer H.A.M. Scholten, de eerste betaalde directeur en administrateur van de Th. Heerkensstichting, die na het Gasthuisplein 14a weldra onderdak kreeg aan de Wolweverstraat. In 1958 was al in de St. Aloysiusschool in de Koestraat gepionierd met twee hulpklassen voor leerlingen die achterbleven, waarvan een aantal in 1961 ook naar het Assiesplein kon overstappen. De heer Maas, het eerste schoolhoofd, kreeg in de Bonifaciusschool de zorg voor 26 katholieke leerlingen die van de Casimirschool waren geko­men. Hij ging echter ook bijna letterlijk de boer op om extra leerlingen te trekken voor de nieuwe katholieke streekschool voor speciaal onderwijs. Zo trok hij naar roomse scholen in Kampen en Dalfsen (ook geleid door de zusters van Liefde), Ommen, Vilsteren, Hoonhorst, Heino, Lier­derholthuis, Wijhe, Wijthmen en Hattem. Zelfs katholieke scholen uit de Noordoostpolder ver­wezen zo af en toe een leerling door. Zo kon in 1961 met drie klassen met in totaal 74 leerlingen en drie leerkrachten worden gestart aan het
Assiesplein. Daarbij fungeerden twee later benoemde meesters ook nog als taxichauffeur van leerlingen uit Ommen en Dalfsen.
Het knusse negentiende-eeuwse schooltje vol oliekachels was in bouwkundig opzicht echter aan het eind van zijn Latijn. Tocht, lekkages, in de winter moeilijk te verwarmen lokalen en pla­fondplaten die af en toe losraakten en zelfs naar beneden kwamen, moest de nieuwe directeur Theo Hoogeveen toen al trotseren. Hij was in 1969 van Arnhem gekomen. Gekscherend werd zijn eerste werkplek (het halletje voor de toiletten) ook wel het ‘Ministerie van WC’ genoemd, van­wege het ontbreken van een echte hoofdenkamer. De katholieke BLO groeide als kool van drie naar zeven klassen. De intern gerealiseerde gymzaal moest ook weldra onderdak bieden aan een groep leerlingen, hetgeen tegen het zere been van zowel de inspectie als de gemeentelijke gymopzichter was.
De Schalm
Bonifacius kende dus letterlijk ruimtegebrek. Na een eerste optie op nieuwbouw langs de Kranenburgweg in Berkum, kon uiteindelijk in 1974 een fraai nieuw schoolgebouw voor speci­aal- en voortgezet speciaal onderwijs voor 4- tot 18-jarigen aan de Palestrinalaan in Holtenbroek in gebruik worden genomen. De naam Boni­facius werd veranderd in De Schalm: symbool van een schakel in een ketting en tevens van een doorgaande lijn in opvoeding en onderwijs naar de volwassenheid. Symbool ook van een nieuwe tijd, want ondanks het protest van de deken van Zwolle tegen het laten vallen van de naam Boni­facius, was de invloed van de geestelijkheid op het onderwijs al sinds de kerkelijke omwenteling en vernieuwing in de eerste helft van de jaren zestig (Tweede Vaticaans Concilie in 1963) en volgende jaren tanende geweest. Het biechten was in de nieuwe Michaëlkerk (1964) aan de Middelweg, gebouwd na de afbraak van de oude kerk in de Roggenstraat, al afgeschaft. Weldra zou ook het biechthoren door de kapelaans Zegger en De Froe in een apart kamertje op school tot het verleden behoren.
Voor die tijd vervulde de nieuwe school aan de rand van Holtenbroek zowel regionaal als landelijk een voortrekkersrol qua nieuwe onder­wijsmethodieken. De saamhorigheid zoals die tot uiting was gekomen in de oude school met vaste werkavonden voor het maken van leermiddelen en het samen sporten werd ook op De Schalm voortgezet. De nieuwe term voor moeilijk lerende kinderen (MLK) deed zijn intrede, waarbij zowel de didactiek als de pedagogiek een grote sprong voorwaarts maakten in de begeleiding van het ‘speciale’ kind. De hulpvraag van elk individueel kind kwam centraal te staan. Ook de term ‘bui­tengewoon onderwijs’ veranderde geleidelijk in ‘speciaal onderwijs’. Mede door een actieve KOV-vakbondsrol4 van directeur Hoogeveen, die contacten in Den Haag had, kreeg de orthodidac­tische component steeds meer vorm en inhoud.
Het was tevens Hoogeveens verdienste het team waar mogelijk extra bijscholing te geven, op cursus te sturen en in de subsectie MLK bij elkaar over de vloer te laten kijken. ‘Het team was zeer toegewijd en nam elk initiatief ter hand, waar­door het vooral ook een teamprestatie is wat er in mijn leidinggevende periode allemaal tot stand is gekomen. Het team kreeg steeds meer specialis­ten (onder meer een logopedist, orthopedagoge, jeugdarts, vakleerkrachten, schoolmaatschappe­lijk werker en remedial teachers) en ook het toela­tingsgebied werd veel professioneler. Dat daarbij de vakbond een uitstekende steunpilaar was, staat buiten kijf’, aldus de gepensioneerde directeur, die zich in het CNV nog immer sterk maakt voor het onderwijs. Na 1974 werd het instructie-onderwijs (dat wil zeggen dat niet de leeftijd maar het niveau van lezen, spelling, rekenen-wiskunde en klokkijken bepalend is voor het bij elkaar plaatsen van leerlingen) geïntensiveerd en ook halfjaarlijks getoetst, waarvan ook de buitenwacht (basisscholen) haar profijt kon doen. Ook speciale projecten rondom sociaal gedrag, het picto-lezen, leerlijnen op het VSO voor praktijkonderwijs en rapportage kregen zelfs landelijke belangstelling en navolging. Thans is de methodiek van José Schraven, die 25 jaar als orthopedagoge op De Schalm werkte en twee jaar geleden verkaste, aan een landelijke opmars bezig. Haar Zo leer je kinde­ren lezen en spellen methodiek vindt alom intrede en wordt door Malmberg op de markt gebracht als een krachtige basis in het lees- en spellings­proces. Voorkomen is beter dan genezen, zo is de gedachte bij deze aan de Palestrinalaan ontwik­kelde methodiek.
Directeur Hoogeveen werd per 1 juni 2000 opgevolgd door de heer Gé Mulder, oud-leer­kracht van 1969 tot 1987 en na het directeurschap op een identieke school in Deventer weer op het oude nest teruggekeerd. Hij leidde de school de nieuwste tijd binnen. De voortgezette afdeling (13 tot 18 jaar) was na de nieuwe Wet op het Basis­onderwijs (1998) overigens al in 1999 losgekop­peld en werd als locatie Oost van het Thomas a Kempiscollege voortgezet.5 Nog wel in hetzelfde gebouw, maar bestuurlijk elders ondergebracht. Tijdens de periode Mulder huisden er tijdelijk ook enige groepen van SBO De Sluis (voorheen de Casimirschool) en een fusie leek toen op termijn tot de mogelijkheden te behoren, waarmee de tijd van weleer (1930-1961) terug zou kunnen keren. Die vlieger ging na vele jaren overleg en ook wel kopzorgen echter niet op. Ontwikkelingen rondom het samenwerkingsverband SBO/BAO6 (‘Weer samen naar school’), een nieuw opgericht schoolbestuur (Catent), de Brede School en geïn­tensiveerd inspectietoezicht, waarbij leerlijnen en verantwoording ook schriftelijk nadere uit­werking vereisten, waren in de periode Mulder hoogst actueel. Daarbij kreeg De Schalm, na het vertrek van De Sluis, ook nog inwoning van de Taaltrein (opvang voor kinderen tot vier jaar met ernstige taal- en spraakproblemen) en een spe­ciale buitenschoolse opvang binnen de poorten. Bij het afscheid van Mulder werd de schoolnaam omgedoopt in Facet, onder het motto ‘wij laten kinderen schitteren’!
Facet
Mathieu Bootsveld is na de heren Maas, Hoo­geveen en Mulder de vierde directeur in succes­sie. Aan hem de taak om Facet een prominente plaats te laten behouden in het proces Passend Onderwijs. Daarnaast moet hij onder meer het traject Handelingsgericht Werken (HGW), dat het schoolbestuur Catent de komende jaren op alle katholieke scholen onder zijn beheer intro­duceert, verder gestalte geven. Naast de zorg van Bootsveld voor alle zaken die al onder zijn voor­ganger in gang zijn gezet, wordt ook gaandeweg een compleet nieuw leerlingvolgsysteem inge­voerd. Met de viering van het gouden jubileum rust nog een extra taak op zijn schouders, maar de kersverse directeur is ook een kei in delegeren.
Facet draagt nog het predicaat rooms-katho­liek, maar van kerkelijke bemoeienis is nauwelijks meer sprake. Alle Zwolse parochies zijn opgegaan in één geheel. De Michaëlkerk – waaronder de school oorspronkelijk ressorteerde – is gesloten, er zijn alleen wat losse contacten met de Ver­rijzeniskerk in Holtenbroek. Kerkelijke feesten worden niet meer op school voorbereid en zijn louter parochiële zaken geworden. Het biech­ten, de voorbereiding op de eerste communie en het vormsel zijn derhalve fenomenen uit de beginjaren. Catechese wordt echter nog steeds gegeven, in de vorm van de zogeheten projecten van ‘Hemel en aarde’, waarin ook Bijbelverhalen aan bod komen. Vaste vieringen zijn er rondom Kerstmis en Pasen, waarbij de Vastenactie een jaarlijks project is om kinderen bij noden elders op de wereld te betrekken. In dat kader bezoeken leerlingen soms nog een kerk. Respect, goede omgangsvormen, naastenliefde en oog voor de schepping en andere godsdienstige uitingen staan hoog in het vaandel in de visie en missie van Facet.
Al met al hebben in een halve eeuw rooms-katholiek speciaal onderwijs zo’n pakweg vijf­duizend leerlingen in en rondom Zwolle hier onderwijs genoten. Het topjaar was ongetwijfeld 1983 met maar liefst 248 aan de inspectie opgege­ven leerlingen op de SO- en VSO-afdeling samen. Reden om in het voorjaar van 2012 extra aandacht aan dit jubileum te besteden met onder meer een weerzien van oud-leerlingen en personeel. Twee Facet-teamleden hopen een prachtig jubileumboek van de persen te laten rollen met vele kiekjes uit de oude doos. Ook het huidige schoolbestuur Catent hoopt men in de feestvreugde te betrekken.
* Het jubileumboek Van Bonifaciusschool via De Schalm naar Facet, 50 Jaar katholiek speciaal onder­wijs in Zwolle wordt op de reünie op dinsdag 26 juni a.s. gepresenteerd. Het boek kan daar aangeschaft worden. Daarna kan het boek gekocht en afgehaald worden op de administratie van Facet aan de
Palestrinalaan 915. De prijs is nu nog niet bekend.
Noten
1. De Lager Onderwijswet van 1920 noemde het buitengewoon onderwijs apart. Buitengewoon on­derwijs was bestemd voor die kinderen die ‘wegens ziels- of lichaamsgebreken of uit maatschappelijke oorzaken niet in staat zijn het gewone onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun Buitengewoon Onderwijs te doen geven.’
2. Voluit de Professor dr. R. Casimirschool. Rommert Casimir (Kollum, 1877 – Voorburg, 1957) was een Nederlands opvoedkundige en onderwijsvernieu­wer. Tegenwoordig heet de school SBO De Sluis en is gevestigd aan de Zwarteweg.
3. Visies in historisch perspectief op mensen met een handicap: – het separatiebeginsel (tot ongeveer eer­ste helft twintigste eeuw). Positief: de gehandicapte wordt liefdevol behandeld, negatief:de gehandi­capte wordt buiten de maatschappij geplaatst;
– het normalisatieprincipe (na 1945). Positief: de gehandicapte wordt niet alleen verzorgd, maar moet zich ook aanpassen aan de eisen van de maat­schappij. Negatief: er bestaat het gevaar van schijn­aanpassing, de gehandicapte wordt overvraagd;
– het integratieprincipe (vanaf 1970). Positief: meer gelijkwaardigheid tussen mensen met en zonder handicap. Negatief: overaccentuering van de eigen­heid van het kind, zonder rekening te houden met de eisen van de maatschappij.
4. KOV: katholieke onderwijs vakvereniging.
5. Met de Wet op het Basisonderwijs (1998) ver­dwenen de speciale scholen voor moeilijk-lerende kinderen (SO-MLK) en de speciale scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (SO-LOM) als naam uit de wet. Beide schoolty­pen zijn samengevoegd en gaan verder onder de naam: Speciaal Basisonderwijs (SBO). In deze wet is het niet meer geoorloofd als SBO-school een voortgezette afdeling (VSO-MLK) te voeren. Men kreeg drie jaar de tijd om de VSO-afdeling af te stoten. Met ingang van het schooljaar 1999-2000 is de VSO-afdeling overgedragen aan het Thomas a Kempiscollege en deze draagt nu de wettelijke naam: School voor Praktijkonderwijs.
6. SBO/BAO: speciaal basisonderwijs / basisonderwijs.

Willem Damman

Het gebouw van de oude naai- en brei­school van de Armen­inrichting uit 1885 was gelegen tussen de gasfabriek (links) en de gevangenis (rechts). De Bonifaciusschool werd er in 1961 gehuisvest. Luchtfoto uit 1947. (Uit: Oud Zwolle van­uit de lucht)

18 zwols historisch tijdschrift

De Bonifaciusschool, gelegen achter de gevan­genis, in het begin van de jaren zeventig.
(Collectie HCO)

Register oudste personeel Bonifacius
(geboortejaar, -plaats en opleidingsschool)
1961: L.H.C. Maas (1916, Valkenswaard – St. Gerardus Majella, Dongen)
A.C. Leyssen-Doodkorte (1937, Leeuwarden – St. Lucia, Rotterdam)
Geppaart-Van der Linden (1932, Waalwijk – St. Antonius, Dongen)
1962: S.P.M. Fecunda (1937, Willemstad Curacao – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
E.A.M. Geerdes (1939, Avereest – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
Stoffels-Pohlman (1914, Voorst, invalster)
G.J. Wunnink (1940, Weerselo – Rijkskweekschool, Coevorden)
1963: J.E. Homma (1931, Steggerda – St. Louis, Oudenbosch)
Zr. Jacqueline Hutten (1924, Boxmeer, tijdelijk)
M.E.J. Haage (1943, Zwolle – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
1964: D.F. van Velzen (1938, Zutphen – Insula Dei Kweekschool, Arnhem)
P.H. Schunselaar (1942, Zwolle – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
G.A.A Krüse-Roesink (1939, Borger – St. Gerardus Majella, Steenwijkerwold)
1965: J. Lorijn (1932, Arnhem – Rijkskweekschool, Deventer)
A.M.C. Spoelstra-Hulsenbek (1938, Deventer – Voorzienigheid, Amsterdam)
J.H. Willemsen (1941, Ommen – Voorzienigheid, Steenwijkerwold)

zwols historisch tijdschrift 19

De nu bijna 96-jarige Mimi Steinebach maakte zich sterk voor een rooms-katholieke BLO, maar zou er nooit werken. (Foto auteur)

20 zwols historisch tijdschrift

Katholieke scholen in Zwolle en herkomst eerste leerlingen Bonifaciusschool
Al in 1857 werd door de Zusters van Liefde aan het Gasthuisplein (destijds Gesticht genoemd) onderwijs gegeven aan katholieke meisjes, terwijl katholieke jongens terecht konden op de St. Aloysiusschool op de hoek Koestraat-Praubstraat. In tegenstelling tot het openbaar onderwijs was die stichting louter een privézaak en moest men voor alle kosten zelf opdraaien. Voor jongens moest meer schoolgeld betaald worden dan voor meisjes. In 1889 kwam weliswaar een bezoldiging van rijkswege voor personeel af, maar voor gebouwen, leer­middelen en inventaris moest de school de eigen broek ophouden. Door de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in 1920, waarvoor jaren strijd was geleverd (de zogeheten Schoolstrijd), was het mogelijk eigen scholen van rooms-katholieke signatuur te stichten. Ook de katholieke bevolking van Zwolle profiteerde maximaal van de nieuwe onderwijswet, want na 1920 boden de fraters van Tilburg (Van Roijensingel 7), die voor het eerst in 1892 in Zwolle als onderwijzers actief waren, extra hand- en spandiensten aan. In de verzuilde samenleving van destijds domineerden zusters en fraters decennialang het katholieke onderwijs. Het waren de hoogtijdagen van het Rijke Roomse leven, waarin kerk, school, gezin en standsorganisaties een eigen eenheid vormden. In het onderwijs ging alle aan­dacht weliswaar uit naar de lagere scholen, maar de zusters en fraters zagen ook kans een begin te maken met het voortgezet onderwijs. De LO-wet van 1920 kende namelijk ook een paragraaf voor uitgebreid lager onderwijs (ULO), waarvan de bekostiging in feite identiek aan die van lagere scholen was. Zo ontstonden al de Theresia-ULO en St. Anna Nijverheidsschool rondom het complex van de zusters aan de Vijfhoek, terwijl de fraters pionierden met de Antonius ULO aan de Grote Baan. In 1939 besloot het schoolbestuur
‘De Twee R.K. Parochiën van Zwolle’, waarin flink wat geestelijkheid vertegenwoordigd was, de lagere scholen parochiegewijs te verdelen. Dit werd mede ingegeven door de penibele situatie van de gemeentefinanciën. Kinderen konden zeven leerjaren (later acht) doorlopen op de jongens- en meisjesschool van de eigen parochie. Vanouds behoorde zuid-west Zwolle aan de Onze Lieve Vrouweparochie (Peperbus, Ossenmarkt) toe, terwijl noord-oost Zwolle bij de St. Michaël (Roggenstraat) kerkte. De scheidslijn lag tussen Zwartewater, Melkmarkt, Gasthuisplein en het Almelose Kanaal. Zo kwam de school aan het Aa-plein (vroeger St. Jozef geheten) voor jongens van de Michaël­parochie beschikbaar. De school kreeg dezelfde naam als de patroonheilige, Michaël. Meisjes konden terecht op de Irmgardisschool aan de Hofstraat (Dieze). Later zou daar ook de Franciscusschool in de buurt verschijnen (Molenkampsweg). De parochie van de Peperbus kende de Heilig Hartschool voor meisjes (zusters) en de St. Aloysiusschool voor jongens (fraters), die al decennia in dezelfde gebouwen vertoefden. Omdat ook Assendorp inmiddels een eigen parochie had, verschenen hier de Mariaschool (Assendorperstraat) en Thomas­school (Bleekerstraat), waarbij deze jongensschool later verkaste naar de Assendorperdijk en als Sint Jozefschool verder ging. In 1961 kwa­men de eerste leerlingen van de Bonifaciusschool voor BLO derhalve van de volgende katholieke lagere scholen uit stad en ommelanden (met tussen haakjes adres en schoolhoofd):
Mariaschool (Assendorperstraat 71, Zuster Dorothea, meisjes)
Michaëlschool (Aplein 7, Frater Wendelinus, jongens)
Jozefschool (Assendorperdijk 275-51, tijdelijk frater, jongens)
Franciscusschool (Molenkampsweg 19-11, G.F. Haage, jongens)
Irmgardisschool (Hofstraat 16, F.J.M. Wiersma, meisjes)
H. Hartschool (Vijfhoek 7, Zuster Arsana, meisjes)
Radboudschool (Bachlaan, J.W.J. Schoonaard, jongens en meisjes)
Kerspelschool (Westenholte, Van Mulkom, jongens en meisjes)
St. Jozef (Wijthmen, Kroesenallee 23, A.J.H. Bisschop, jongens en meisjes)
Uit omliggende plaatsen en parochies:
Aloysiusschool Dalfsen (Zr. Louisa), St. Cyriacusschool Hoonhorst (J.A. Overmars), Onze Lieve Vrouweschool IJsselmuiden,
Mgr. Zwijssenschool Kampen (Zr. Henrica, meisjes, G.J. Leferink, jongens), St. Jozefschool Hattemerbroek (W.H. van de Schepop),
St. Andreasschool Hattem, St. Josefschool Wijhe (J.H. Teunissen), St. Nicolaasschool Lierderholthuis (A.G.B. Spit), H. Barnardus­school Ommen (J.H. Fikkert), St. Willibrordus Vilsteren (J.H. de Wit), St. Stephanusschool Meppel (S. Flapper), St. Nicolaasschool Vollenhove (V.H. Martens), St. Clemensschool Steenwijk (Th.C.A. Huis in ’t Veld), St. Gerardus Majella Steenwijkerwold
(Zr. Aloysi), Mariaschool Ens (J. Huizinga), St. Bonifaciusschool Kraggenburg (H.H. Clerx) en Mariaschool Marknesse (J. v/d Bles).

zwols historisch tijdschrift 21

Theo Hoogeveen was de tweede directeur van de Bonifaciusschool. Hem komt samen met zijn personeel de eer toe de Bonifaciusschool en De Schalm (sinds 1974) uitgebouwd te hebben tot een speciale basis­school met methodieken voor het moeilijk leren­de kind. (Particuliere collectie)
In het oude schoolge­bouw werden de lokalen verwarmd met olieka­chels. Gé Mulder staat hier les te geven, augus­tus 1970. (Particuliere collectie)

22 zwols historisch tijdschrift

Groep 4 in het school­jaar 1974-1975, net na de verhuizing naar de nieuwe locatie aan de Palestrinalaan. (Parti­culiere collectie)

zwols historisch tijdschrift 23

Het docententeam in het schooljaar 1974-1975, net na de verhuizing naar de nieuwe locatie. Van links naar rechts, staand: Theo Hooge­veen, Jos Homma, Joop Lorijn, zuster Agnes, Eva Hauling, Jan Bon­garts. Gehurkt: Marise Timmers, Annemiek Weijers, Gé Mulder, Johan Willemsen.
(Particuliere collectie)

Logo van de Schalm. (Particuliere collectie)

24 zwols historisch tijdschrift

Het schoolvoetbalteam dat in 1978 kampioen van Zwolle en daarna regionaal kampioen werd. Ze mochten toen deelnemen aan het landelijke kampioen­schap op het KNVB-sportcentrum in Zeist. Begeleiders van links naar rechts: Gé Mulder, Johan Willemsen, Ber­tus van de Belt, Wim Oud Ammerveld.
(Particuliere collectie)

Teamfoto van de Schalm in het school­jaar 2005-2006. Van links naar rechts, boven: Gé Mulder, Henk Leferink, Odette Tem­mink; midden: Louk de Winter, Maurice de Haan, Wim Damman, Marise Timmers, Karen de Groot, Clementia Postma, Ernst Noord­huis. Zittend: Hanneke Leferink, Ellen Hiem­stra, Marcel Schmeier, stagiaire, Joke Bisschop.
(Particuliere collectie)

zwols historisch tijdschrift 25

Oud-directeur L.C. Maas bij de afscheids- en jubileumreceptie – veertig jaar onderwijs – van Gé Mulder in 2007. (Particuliere collectie)

26 zwols historisch tijdschrift

Kinderen voeren een circusvoorstelling op, 2007. (Particuliere col­lectie)

zwols historisch tijdschrift 27

De Molukkers van Zwolle en hun achtergrond
Zestig jaar geleden kwamen ongeveer vier­duizend Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen naar Nederland. Met hun komst werd een hoofdstuk van onze koloniale geschiedenis afgesloten en werd tevens een nieuw hoofdstuk van immigratie en integratie geopend.
Voorgeschiedenis
De Nederlanders dreven al vanaf de zeventiende eeuw handel met de Molukken. Het eiland Ambon was een van de oudste Nederlandse kolo­nies in Azië. De Molukse kruidnagels en noot­muskaat werden onder het monopoliestelsel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) verkocht.
In 1825 werd het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) opgericht, als onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht. De taken van het KNIL werden omschreven als: ‘handhaving van het Nederlands gezag in de archipel, optreden tegen inheemse tegenstanders en afwering van aanvallen van andere mogendheden’. Het KNIL is bij herhaling ingezet om het gezag in Nederlands-Indië te handhaven en dat gebeurde doorgaans op een weinig zachtzinnige manier.
Er namen relatief veel Molukkers dienst in het KNIL. Door de eeuwenlange contacten met Nederlanders was een deel van de Molukse bevolking overgegaan tot het christendom, velen konden lezen en schrijven en onderscheidden zich daarmee van andere inheemse bevolkingsgroe­pen. De Molukse militairen namen een bevoor­rechte positie in bij het KNIL, ze ontvingen lange tijd meer soldij dan andere niet-Europese bevol­kingsgroepen en stonden bekend om hun loyale houding aan het Nederlandse gezag. De militairen werden overal waar dat nodig was in Nederlands-Indië ingezet. Dat betekende dat de soldaten en hun gezinnen voortdurend werden overgeplaatst. Veel kinderen van Molukse militairen zijn dan ook buiten de Molukken geboren en menig Molukse soldaat trouwde met een meisje uit een ander deel van het land.
Inheemse soldaten van het KNIL leefden met hun gezinnen in kazernes, de tangsi. Europese militairen woonden met hun vrouwen en kin­deren buiten de kazerne. Inheemse militairen en hun gezinnen woonden binnen de omheining in de compagniesgebouwen, chambrees genoemd. Tussen de gebouwen bevonden zich het exerci­tieterrein en grasveldjes. Rond de tangsi was het doorgaans een drukte van belang met stalletjes met etenswaren en winkeltjes waar de vrouwen van de militairen inkopen konden doen.

Tweede Wereldoorlog en dekolonisatie
In januari 1942 viel het Japanse leger Nederlands-Indië binnen. Het KNIL capituleerde na twee maanden van strijd. Molukse militairen vochten aan Nederlandse zijde mee tegen de Japanners. De soldaten van het KNIL werden krijgsgevangen gemaakt. De meeste inheemse militairen kwamen vrij snel weer vrij, maar de Nederlandse KNIL-militairen en een deel van de Molukse militairen werden opgesloten in interneringskampen. Later werden ook Nederlandse burgers in deze beruchte kampen opgesloten. De Molukse militairen wei­gerden hun eed van trouw aan Nederland te her­roepen en werden als straf daarvoor als dwangar­beiders ingezet.
Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 ontstond een gezagsvacuüm in Nederlands-Indië. Nationalisten, die naar onafhankelijkheid van het land streefden, grepen de kans om de koloniale banden met Nederland te verbreken. Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Moham­med Hatta eenzijdig de onafhankelijke Republik Indonesia uit. De strijd die hieruit voortvloeide wordt de Bersiap-periode genoemd. ‘Bersiap’ was de strijdkreet van de nationalisten en betekent ‘wees paraat’ of ‘maak je gereed’. Om de macht weer in handen te krijgen stuurde Nederland een groot aantal militairen naar Nederlands Indië en werden opnieuw inlandse soldaten, waaronder veel Molukkers, voor het KNIL geworven. In een tweetal grootscheepse militaire acties, doorgaans politionele acties genoemd, werd geprobeerd de nationalisten op de knieën te krijgen. In deze strijd zijn vele duizenden slachtof

Lees verder