Categorie

Aflevering 1

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 1

Door | 1996, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
•vr:
iiii
rrn
1996 NUMMER 1
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Nieuwe Sassenpoortenbrug 5487 Ansichtkaart van de Nieuwe Sassen-poortenbrug,
poststempel 8 september 1910.
‘Heden zitten wij in Zwolle. Daarheen zijn we gefietst
over Raalte. Heden zag ik Olieslagers vliegen.
Bijna een uur was hij in de lucht, ’t Was prachtig
dat te zien. Het was heel stil en naar ik hoor vloog
hij 600 m hoog.’
De gebeurtenis waarover op deze ansichtkaart
wordt gesproken, was de volgende. De Belgische
luchtvaartpionier Jan Olieslagers was in september
1910 uitgenodigd naar Zwolle te komen om vliegdemonstraties
te geven. Op het vliegterrein tegenover
de Hanekamp, langs de huidige Vondelkade,
was een grote hangar geplaatst. Het Bleriot-toestel
bevond zich daarin in een kist. De machine moest
ter plekke worden gemonteerd. Ondanks de sterke
wind ging het vliegtuig op 7 september de lucht in.
De vlucht duurde dan ook maar 15 minuten. E’e
volgende dag was het beter weer. De vele bezoekers
onder wie schoolkinderen die tegen gereduceerd
tarief het terrein op konden, zagen dat
Olieslagers tot 600 meter hoogte kwam. Hij landde
pas na ruim 52 minuten, een nieuw landelijk
record. Na op 9 september nog een korte vlucht te
hebben uitgevoerd, vertrok hij weer uit Zwolle.
Op de kaart is sprake van de Nieuwe Sassenpoortenbrug,
omdat tot 1909 een ophaalbrug over de
stadsgracht lag. In dat jaar kwam de vaste betonnen
Sassenpoortenbrug tot stand.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In 1995 ging het bekende Zwolse wegrestaurant
De Toerist over in handen van het horecaconcern
Van der Valk. B.B. Ester beschrijft in
dit eerste Zwols Historisch Tijdschrift van het
nieuwe jaar de geschiedenis van deze voormalige
tapperij. De Toerist blijkt een oudere geschiedenis
te hebben dan men zou vermoeden. Al in 1817 was
er een directe voorganger bij het tolhek even ten
noorden van de Berkumerbrug. Vanaf 1835 zat de
herberg aan de Hessenweg.
In november 1995 bracht een zestal Russissche archivarissen
een bezoek aan het gemeentearchief
van Zwolle. Onderwerp van gesprek waren de historische
banden tussen Zwolle en Rusland. Wim
Coster, Wim Huijsmans en Jeanine Otten geven
een impressie van de wederzijdse contacten.
M.H. Palfenier-Lentjes vertelt over het eerste
Zwolse vrouwelijke raadslid, Berendina Stoel, naar
wie kortgeleden een straat in Schellerhoek is genoemd.
Een andere bekende Zwollenaar, zij het op ander
terrein en in een andere tijd, was de zeventiendeeeuwse
rector van Latijnse school, historicus en
arts Henricus Brumanus. Jean Streng geeft een
schets van zijn leven.
In 1869 gaf dominee Tideman uit Hoorn een lezing
voor ’t Nut in de Buitensociëteit. Onderwerp:
de wandelende jood; tendens: anti-semitisch.
L.A. Snijders belicht de commotie die dit
(gelukkig) in het rustige Zwolle veroorzaakte.
Wil Cornelissen geeft de naamsoorsprong van de
Rhijnvis Feithlaan en de Hoekstraat.
Dit tijdschrift begint met een nieuwe vaste rubriek,
waarin het vaak fascinerende verhaal achter
de voor- en achterzijde van een jaren geleden verstuurd
ansichtkaartje wordt verteld.
Tot slot zijn een drietal voor de geschiedschrijving
van Zwolle belangrijke boeken door deskundige
lezers besproken.
Groeten uit Zwolle
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995) B.B. Ester
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W. Huijsmans en J. Otten
Berendina Stoel
Op de bres voor vrouw en kind M.H. Palfenier-Lentjes
Straatnamen, niet zo eenvoudig Wil Cornelissen
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus].C. Streng
Rumoer na een Nutslezing in 1869 L.A. Snijders
Literatuur
Boekbespreking
Mededelingen
Auteurs
15
19
20
24
27
29
33
34
Omslag: De Toerist aan de Kranenburgweg omstreeks 1960
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Restaurant De Toerist en
zijn voorgeschiedenis (1817-1995)
B.B. Ester
Café De Toerist op een
oude ansichtkaart van
omstreeks 1920.
Van het bekende Zwolse wegrestaurant De
Toerist – sinds 1935 gelegen aan de oude
rijksweg naar Meppel, bij de Vechtbrug –
wordt in de Zwolsche Courant van 9 augustus
1977 een korte geschiedenis gegeven. Deze begint
met de aankoop in 1900 door W.H. Ester van een
was een tol annex tapperij, die ten noorden van de
Berkumerbrug bij het Zwolse Tolhek De Tol lag.
De stad Zwolle, de eigenaar, verpachtte deze tol
aan Henrikus Jansen. Voor de tol ‘met het huis
daarbij’ moest hij gedurende de periode 1817 t/m
1819 ƒ 310 per jaar betalen. De pachtcondities wacafé
gelegen aan de Hessenweg, voorheen eigendom
van G.J. Boerrigter.
De geschiedenis van dit pand rijkt echter ten minste
65 jaar verder terug, tot 1835. Het etablissement
blijkt daarvóór nauw verbonden te zijn met de in
het begin van de negentiende eeuw nog bestaande
tol op de Hessenweg, bij het Zwolse Tolhek aan de
Berkumerbrug.
De herberg bij het Zwolse Tolhek (1817-1835)
De oudste voorloper van restaurant De Toerist
ren kennelijk aantrekkelijk, want vóór de vervaldatum
verzocht Henrikus Jansen de pacht te verlengen
voor dezelfde prijs voor een periode van
twaalf jaar. Bovendien vroeg hij of de stad in het
huisje een nieuwe schoorsteen en een keldertje
wilde laten aanbrengen. In april 1819 besloot de
gemeenteraad de tol met het huisje weer aan hem
te verpachten, tegen een jaarlijkse pacht van ƒ 350.
Nieuw was echter de bepaling, dat van transporten
van arme zieke reizigers geen tol mocht worden
gevraagd. Bovendien moest de pachter jaarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijks een extra bedrag van 5% van de verbouwingskosten
betalen.
Henrikus Jansen heeft deze twaalf jaar echter niet
uitgediend. Hij overleed op 2 april 1825 op 48-jarige
leeftijd. Hij werd toen herbergier genoemd;
men mag dus aannemen dat hij zijn tol ook als
café/herberg had ingericht.
Zijn weduwe, de ‘herbergiers’ Geertje Willems
Kamerman, hertrouwde in 1826 met Hermannus
Derksen Boerdijk.
Het tolrecht ging na het overlijden van Henrikus
Jansen over op zijn weduwe, en door haar huwelijk,
op Hermannus Boerdijk. Deze heeft zijn
functie als tolgaarder waarschijnlijk gecombineerd
huisje met het tolhek.’ Het huisje moest tussen 1
mei en 1 juni 1835 worden afgebroken. Boerdijk
kocht het huisje zelf voor 120 gulden. Mr.
Sichterman kocht het tolhek voor 43 gulden.
Omdat Boerdijk de kooppenningen niet voor 1
mei 1835 betaalde, (mogelijk doordat hij op 6 mei
van datzelfde jaar voor 550 gulden een stuk hooiland
kocht) legde de stad Zwolle hem op 1 juli 1835
een hypotheek op voor hetzelfde bedrag, namelijk
120 gulden. Uiteindelijk zal hij wel betaald hebben,
want korte tijd later woonde hij volgens de kadastrale
gegevens op perceel D336, later D580, aan de
Hessenweg dichtbij de kort daarvoor gereedgekomen
Berkumersluis in het Lichtmis-kanaal, thans
met die van landbouwer en herbergier.
Toen in 1831 het contract afliep wist Boerdijk nogmaals
het tolrecht te verwerven, en wel tot en met
1834-
Gedeputeerde Staten van Overijssel hieven de tol
op de Hessenweg per 1 januari 1835 op. Bovendien
zou het tolhuisje moeten worden afgebroken
en ging het onderhoud aan de weg over op de betrokken
gemeenten. Op 8 december 1834 werd ten
huize van Hermannus Boerdijk, ‘kastelijn in ’t tolhuisje’
openbaar ‘voor afbraak verkocht het tol-
Hessenweg 5.
Uit kadastrale gegevens blijkt dat de tol en herberg
op het Tolhek de directe voorganger is geweest
van de herberg op Hessenweg 5. Deze stond daar
in 1935 nog als De Toerist; en als meermaals verbouwde
woning staat het er ook nu nog. Eveneens
blijkt dat Boerdijk zijn tolhuisje inderdaad heeft
afgebroken en verplaatst, d.w.z. nieuw opgebouwd.
Opmerkelijk is dat de herberg van Boerdijk voor
een groot deel op de kadastrale wegstrook is ge-
Hef pand van de oude
Toerist aan de
Hessenweg op dit moment.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
plaatst. Een eigendomsverwerving onder de naam
Boerdijk is niet te vinden in de hypothecaire boekhouding
noch in het notarieel archief.
Boerderij/herberg bij de Berkumersluis
(1835-1935)
Vanaf 1835 zette Boerdijk zijn landbouwbedrijf annex
herberg aan de Hessenweg bij de Berkumersluis
voort. In die tijd was het adres Berkum,
Bruggenhoek 19; nu Hessenweg 5. Het lag aan de
Hessenweg naar Ommen-Hardenberg, op de hoek
van de nieuwe weg naar Meppel langs het
Lichtmiskanaal, bij de juist geopende sluis in dit
kanaal.
Drie generaties Boerdijk hebben vanaf 1835 tot
1900 op deze plaats hun landbouwbedrijf annex
Situatieschets van de
Berkumersluis met de
ontwikkeling van de
herberg.
herberg gehad. Het gebied is later uitgebreid met
twee percelen met ieder een schuur. Deze schuren
werden gebruikt voor de opslag van turf en voor
de stalling van paarden; voor een herberg zeer belangrijk.
De in 1895 geopende tramlijn Dedemsvaart –
Zwolle liep vlak langs het huis.
HermannuS Boerdijk was dus de eerste eigenaar/
bewoner van de herberg. Dochter Willemina
trok na haar huwelijk in 1852 met Kornelis
Boerrigter bij haar ouders in en nam langzamerhand
de werkzaamheden van het boerenbedrijf en
de herberg over. Toen Hermannus’ vrouw Geertje
Kamerman in 1856 overleed, had deze alle onroerende
goederen vermaakt aan haar man. Na het
overlijden van Kornelis Boerrigter in 1871 zette
Hermannus de zaak met zijn dochter voort. Na de
dood van Hermannus in 1877 kwam het hele bezit
in handen van Willemina.
Deze zette het bedrijf voort samen met haar enige
zoon Gerrit Jan. Hun bestaan moet met de nodige
financiële problemen gepaard gegaan zijn. Zij nam
een hypotheek van ƒ 4.000, verstrekt door de RK
Parochie van OLV Hemelvaart te Zwolle. En daar
bleef het niet bij: de leningen en de schulden bleven
zich opstapelen. In 1892, toen zij overleed,
stond er naast de onroerende goederen, een huis
en bijna 4,6 ha grond, een schuld van ƒ 7.200 en
een batig saldo van minder dan ƒ 1.000.
Het liep niet goed met de herberg. Gerrit Jan
Boerrigter kon de rente over de hypotheek niet
betalen. De parochie van OLV Hemelvaart ging
daarop over tot openbare veiling van de goederen.
Zo kwam op 3 april 1900 Willem Hendrik Ester
voor ƒ 4.505 in bezit van het huis en erf. Het huis
had een vergunning tot verkoop van sterke drank.
Het bevatte twee vertrekken en ook een koeie- en
een paardestal. Verder hoorden er twee percelen
hooiland bij. Gerrit Jan Boerrigter vertrok na de
verkoop naar Enschede.
Willem Hendrik Ester was een landbouwer uit
Dalfsen. Al een week na de koop kreeg hij zijn
drankvergunning. Van de kennelijk redelijk florerende
zaak – die om onbekende redenen ‘de zinken
plaat’ werd genoemd – was hijzelf naar men
zegt de beste klant. Passanten werden naar zijn
herberg genood met het fraaie rijm op het bord
boven de deur:
‘Bent ge afgemat en moe
kom dan een weinig rusten
bij Hendrik Ester aan de sluis,
die heeft goede bier en brandewijn in
huis.’
In 1910 bouwde hij haaks op de boerderij/herberg
een nieuwe woning (nu Hessenweg 7). Slechts enkele
jaren later, in 1914, verkocht hij alle opstallen
aan zijn jongere broer Lammert Jan Ester. De reden
van deze verkoop was waarschijnlijk de ziekte
van zijn vrouw, die in 1915 overleed. Hij behield
wel het woonrecht op Hessenweg 8, waar hij tot
zijn dood in 1941 bleef wonen.
Lammert Jan Ester was vóór 1914 tapper en veerman
van het Haersterveer. In die functie werd hij
toen opgevolgd door zijn neef Jan Kouwen, de
schoonzoon van Willem Hendrik Ester. In mei
1915 kreeg hij zijn drankvergunning. Spoedig daarZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
na richtte hij de in 1910 gebouwde woning in als
café.
De situering van het café veranderde dus. Tot 1910
was het op de Hessenweg naar Dalfsen georiënteerd;
na 1914 op de straatweg Zwolle-Meppel.
Verkeersstromen veranderen met de tijd! In 1923
verkocht Lammert Jan Ester de zaak aan zijn
schoonzoon Hendrik Willem Henderiks.
In de jaren dat Henderiks de scepter zwaaide in
het café werd het alom bekend. In de volksmond
werd het café Henderiks genoemd, maar officieel
heette het café De Toerist.
Restaurant De Toerist, Kranenburglaan 10
(1935-1995)
In 1934 nam H.W. Henderiks – vanwege de aanleg
van de nieuwe verkeersweg van Meppel naar
Zwolle en de nieuwe brug over de Vecht – het initiatief
om een geheel nieuw en modern restaurant
te bouwen op het adres Kranenburgweg 10. In 1935
werd de eerste steen gelegd door zijn enige dochter
Gerrigjen. Daarmee werd een nieuwe periode
ingeluid, een nieuwe start gemaakt; geen café
maar een restaurant!
Tot na de Tweede Wereldoorlog was de ontwikkeling
zeer rustig. Nadat in 1947 de leiding over het
bedrijf was overgenomen door de oprichters
schoonzoon Albert Spijkerman, profiteerde het na
1950 ten volle van de explosieve economische ontwikkelingen.
De eerste uitbreiding vond al plaats
in 1954. Inmiddels is het restaurant vele malen –
1960, 1970, 1977 – verbouwd, uitgebreid en regelmatig
aangepast aan de eisen van de tijd.
Het restaurant – toen nog een van de weinige familie-
restaurants – werd in 1981 omgezet in een
BV, die vanaf 1985 onder de directie van H.W.
Spijkerman stond.
In mei 1995 werd het bedrijf overgenomen door
het Van der Valk-concern.
In een periode van 160 jaar is er zeer veel veranderd.
De karresporen van 1835 zijn de straatwegen
van 1935 geworden en, voorzover deze nog bestaan,
zijn ze nu getransformeerd in twee- en vierbaans
autosnelwegen. Evenzeer is de weggebruiker
veranderd. De reiziger met de diligence van 1835,
de wegtoerist van 1935, ze zijn verdwenen en in de
plaats daarvan is gekomen de snelle en gehaaste
autorijdende zakenman van tegenwoordig.
Gelukkig weet ook in de huidige tijd de gehaaste
‘wegtoerist’ nog steeds De Toerist bij Zwolle te
vinden en te waarderen. Dit kan gezien worden als
een bevestiging dat het lange verleden van het restaurant
borg staat voor een voorspoedige toekomst.
* Dit stuk is gebaseerd op een langer artikel dat
zich in het Gemeentearchief bevindt. Het is geschreven
vóór de overname door het Van der
Valk-concern in mei 1995.
Restaurant De Toerist”
in 1995 met de uitbreiding
door de fam.
Spijkerman.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Russische indrukken
Contacten tussen Zwolle en Rusland
W. Coster, W.
Huijsmans en J. Otten
Tijdens hun bezoek aan
het gemeentearchief
Zwolle op 13 november
1995 bekeken de
Russische archivarissen
de tentoongestelde archivalia
die op Rusland
betrekking hebben.
V.l.n.r.: Jeanine Otten
(atlasbeheerder GAZ),
Galina Ipatova
(Omsk), Natalia I.
Razgon (Altaj), Wim
Coster, Wim
Huijsmans (plv. archivaris
GAZ), Wladimir
A. Jerjomentsjenko
(Moskou), Valentin G.
Mishanov (Sint-
Petersburg), tolk,
Marina Bobyleva
(Moskou) (foto: Jan
Drost).
Inleiding
Op 13 en 14 november 1995 bracht een
zestal Russische archivarissen een bezoek
aan Zwolle. Dit bezoek vormde een onderdeel
van een tiendaags werkbezoek aan ons
land om zich op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen
van het Nederlandse archiefwezen.
Het gezelschap bestond uit twee heren en vier dames.
Twee kwamen uit Moskou en één uit Sint-
Petersburg. Van de ligging van deze plaatsen heeft
iedereen nog wel een beeld. Drie personen van het
gezelschap kwamen daarentegen uit regio’s waarvan
de meeste mensen in het gunstigste geval wel
eens gehoord hebben, maar waarbij zij geen flauw
idee hebben waar ze liggen. Het ging om Omsk,
een grote stad in de Oeral, om Oedmoertië, een
republiek in het midden van de Russische federatie,
en om Altaj, een district in Centraal-Azië tegen
de grens met Kazachstan. Om een idee over
de afstand te geven: dit district ligt dichter bij
Peking dan bij Moskou.
Uit de gesprekken tupsen de Russische en Zwolse
archivarissen bleek dat, bij vergelijking met de situatie
hier, men in Rusland qua infrastructuur en
techniek op archièfgebied achter loopt. Zo is er
bijvoorbeeld een groot gebrek aan goed verpakkingsmateriaal
voor archieven en aan degelijke archiefdepots.
Ook worden computers amper gebruikt.
Vakinhoudelijk bleek men goed onderlegd.
De komst van de Russen was aanleiding voor het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gemeentearchief Zwolle na te gaan welke banden
er in het verleden tussen Zwolle en Rusland geweest
zijn. Het materiaal dat aan de Russen getoond
werd, moest vooral illustratief en visueel
aantrekkelijk zijn.
Dit artikel is ontstaan om te voorkomen dat het
geselecteerde materiaal na afloop van het bezoek
weer in archiefdozen zou verdwijnen zonder dat
vastgelegd werd wat er zo al aan materiaal aanwezig
is over de connecties tussen Zwolle en
Rusland. Natuurlijk kunnen hierin niet alle aspecten
tussen Zwolle en Rusland aan bod komen.
Hanze
In 1230 kreeg Zwolle stadsrecht van de bisschop
van Utrecht. De bloeiperiode van Zwolle ligt in de
eerste helft van de vijftiende eeuw. Twee begrippen
staan daarbij centraal: de Hanze en de
Moderne Devotie.
De Hanze was een bondgenootschap van
Westeuropese handelssteden, vooral gelegen in
het huidige Duitsland en in Oost-Nederland.
Gedreven door gemeenschappelijke belangen
zochten dezen steden contact met elkaar en zegden
zij elkaar hulp toe. Lübeck stond aan het
hoofd van dit verbond van steden. Zwolle was
voor 1400 al lid van de Hanze maar werd in 1407
officieel opgenomen. Hanzesteden lagen ook langs
de Oostzee, tot in Rusland toe. Er liep een handelsroute
van Brugge over Hamburg, Lübeck en
Reval (Tallin) naar Novgorod. In deze
Noordrussische stad was een Hanzekantoor gevestigd.
De laatste Hanzevergadering werd in 1669 gehouden.
Zwolle nam in 1980 het initiatief om na
311 jaar opnieuw een vergadering van
Hanzesteden bijeen te roepen. Dit initiatief viel op
vruchtbare bodem en vindt nu jaarlijks in een
Hanzestad plaats. De steden verdringen zich om
het te organiseren.
Moderne Devotie
Op het eind van de veertiende eeuw ontstond in
de IJsselstreek een nieuwe religieuze beweging onder
de naam Moderne Devotie van wie Geert
Grote de stichter was. Zwolle ontwikkelde zich in
die tijd tot een religieus en onderwijscentrum van
internationaal belang. Johan Cele gaf les op de
y CfciSfc
Latijnse school aan leerlingen die van heinde en
ver kwamen. Hij was bevriend met Geert Grote.
De Moderne Devotie had zo direct invloed op de
leerlingen van de Latijnse school. Zij verbleven in
de internaten van de fraters. Buiten de schooluren
was de opvoeding aan hun zorgen toevertrouwd.
Mede daardoor kon de invloed van de Moderne
Devotie zich relatief snel over West-Europa uitbreiden.
Afcfe waarbij Zwolle
opnieuw in de Hanze is
opgenomen, Lübeck 9
juni 1407 (GAZ,Soll.
Charters AAZ01,
inv.nr. 407.09).
Sint-Ambrosius, in 374
tot bisschop van
Milaan gewijd, schrijvend
in zijn cel.
Ingekleurde houtsnede
in: Opera Sancti
Ambrosii, deel 1,1492
(GAZ, coll.
Emmanuelshuizen, nr.
XVII).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Moderne Devoten, zowel leken als kloosterlingen,
bleven de Rooms-Katholieke Kerk trouw. Zij
streefden een verinnerlijking van het geloofsleven
na in een tijd waarin binnen de kerk veel wantoestanden
heersten. Aflaathandel bloeide, in kloosters
was een gebrek aan tucht en de hoge geestelijkheid,
afkomstig uit de adel, kon vaak beter
vechten dan de mis lezen. De Moderne Devoten
Kaart van Rusland
naar Isaac Abraham
Massa, getiteld:
‘Russiae, vulgo
Moscovia dictae, Partes
septentrionalis et orientalis
[Rusland, ook wel
Moskovië geheten, de
noordelijke en oostelijke
delen] / Auctore Isaaco
Massa’, in: Atlas
Maior, dl. 1 (1664), uitgegeven
doorJoan
Blaeu (GAZ, coll.
Bibliotheek, inv.nr.
11A6-2).
of Broeders des Gemeenen Leven wilden een oprecht
godsvruchtig leven, zonder uiterlijk vertoon.
Zij trachtten dit in commune te verwezenlijken. Zij
verdienden hun brood voor een groot deel door
het overschrijven van bijbels, missalen en stichtelijke
werken. De belangrijkste pagina’s en hoofdletters
werden prachtig versierd. In de beginhoofdletters
zijn vaak prachtige voorstellingen van
Christus of.heiligen afgebeeld. Deze illustraties en
miniaturen waren niet alleen bedoeld om het gebedenboek
er mooier uit te laten zien, maar ze
droegen er ook toe bij dat de lezers de tekst beter
in zich op ikonden nemen. Een vergelijking met
iconen uit de Russische kerkelijke kunst dringt
zich op.
De bekendste Moderne Devoot is zonder enige
twijfel Thomas a Kempis. Op de Sint-Agnietenberg
bij Zwolle, waar hij in 1471 overleed, schreef
hij zijn De imitatione Christi (Over de Navolging
van Christus). Na de Bijbel is dit het meest gelezen
boek ter wereld. Het is vertaald in bijna alle talen,
tot in het Russisch toe. Het gemeentearchief
Zwolle bezit een grote collectie Thomas a Kempisuitgaven
waaronder enkele in cyrillisch schrift.
Russische kaarten
Het gemeentearchief Zwolle bezit een collectie
kostbare zestiende- en zeventiende-eeuwse atlassen.
Hieronder wordt nader ingegaan op de
Russische kaarten in drie van deze atlassen.
De stedenatlas Civitatis Orbis Terrarum van Georg
Braun en Frans Hogenberg was één van de best
verkochte boeken in het laatste kwart van de zestiende
eeuw. De zes delen werden uitgegeven tussen
1572 en 1617. In het gemeentearchief zijn de
eerste twee delen van de Latijnse editie aanwezig,
gebonden in een leren band met in goud en kleur
het wapen van Zwolle en het jaar 1593 gedrukt. In
het tweede deel komt een gefantaseerde plattegrond
van Moskou voor. De voorgrond is gestoffeerd
met bizons, Moskovieten te paard in
krijgsuitrusting en arresleden. Het was indertijd
erg moeilijk’om aan betrouwbare gegevens te komen
omdat men gemakkelijk voor spion kon
worden aangezien. Vertegenwoordigers van landen
en handelsagenten uit het westen mochten
niet in Moskou wonen vanwege het taboe op het
contact met westerlingen. Bij Moskou ontstond
een voorstad, de Sloboda, waar zich op den duur
een westerse kolonie vormde.
In de zeventiende eeuw was de door Joan Blaeu
stijlvol uitgegeven Atlas Maior of Grooten Atlas of
Wereldbeschrijving in perkamenten banden van
grootfolio-formaat een traditioneel relatiegeschenk
van de Verenigde Republiek der Nederlanden
aan koninklijke en andere belangrijke personen.
Het was de duurste gedrukte uitgave die
men in de tweede helft van de zeventiende eeuw
kon kopen. In de vaart der volkeren heeft de stad
Zwolle zich in het verleden een gebonden en met
kleuren afgezette Nederlandse editie van de Atlas
Maior aangeschaft, bestaande uit tien delen atlas
en twee delen Stedenboek (Noord en Zuid-
Nederland). Russische kaarten komen voor in het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
tweede deel, uitgegeven in 1664. Dat het erg moeilijk
was om aan recente gegevens te komen voor
het maken van de kaarten, blijkt uit de grote kaart
van Rusland. Blaeu gebruikte voor deze kaart een
vijftig jaar oude drukplaat met een uit 1613 daterend
ontwerp van de in 1632 overleden kaarttekenaar
van de Oostindische Compagnie, Hessel
Gerritsz. Het tweede deel van de Atlas Maior bevat
verder drie kaarten van Zuid, West, Noord en
Oost-Rusland. De eerst- en laatstgenoemde kaarten
waren al verschenen in Blaeu’s Theatrum uit
1638. De kaart van West-Rusland werd voor het
eerst in 1662 in de Atlas Maior opgenomen, maar
het kaartbeeld dateert uit 1610 en is van de hand
van Isaac Abraham Massa (1586-1643), gebaseerd
op zijn Beschrijvinge van der Samoyeden Landt in
Tartarien. Massa’s waardevolle kaarten van Siberië
waren de eerste die in het westen verschenen.
Massa was een veelzijdig Haarlems koopman die
handel dreef met Rusland en bevriend was met de
Haarlemse schilder Frans Hals die in 1626 zijn
portret schilderde. Als jongen werd Massa in de
leer gedaan bij Amsterdamse kooplieden die handel
dreven met Rusland. In 1600, dertien jaar oud,
reisde hij naar Rusland en woonde daar acht jaar
bij zijn werkgever. Tijdens dit verblijf was hij getuige
van Ruslands ‘Troebelen’ toen het land geteisterd
werd door oorlog, hongersnood en complotten.
Hij wist een unieke kaart van het zeventiende-
eeuwse Moskou in handen te krijgen; iets
wat hem veel moeite kostte, omdat het in 1605 als
verraad gold wanneer een Moskoviet zo’n kaart
aan een buitenlander gaf. De plattegronden van
Moskou en het Kremlin in de Atlas Blaeu dateren
van voor 1630 en zijn zonder twijfel gegraveerd
naar Russische originelen; waarschijnlijk uit de
collectie Russische kaarten in bezit van Hessel
Gerritsz., en mogelijk afkomstig van Fjodor, de
zoon van tsaar Boris Godoenov (1598-1605).
In de omstreeks 1696 door Nicolaas Visscher II
uitgegeven Atlas Minor komen twee kaarten voor
van het vorstendom Moskovië en van het
Russische Rijk. Deze laatste kaart was van de hand
van Nicolaes Witsen (1641-1717), burgemeester van
Amsterdam en bewindhebber van de Verenigde
Oostindische Compagnie. Witsen had een speciale
interesse voor Rusland en het noordelijk deel
van Azië, dat toen voor de Europeanen nog grotendeels
onbekend was. In 1664-1665 bezocht hij
Moskovië, in 1665 was hij in Moskou. In 1690 publiceerde
Witsen een kaart van Tartarije en in 1692
een groot boek over dat gebied.
Migratie
Bijna 300 jaar geleden bezocht tsaar Peter de
Grote Nederland. Met zijn gevolg verbleef hij te
Zaandam en Amsterdam om het vak van scheepstimmerman
onder de knie te krijgen. Het tsaar-
Peter-huisje in Zaandam is nu een toeristische attractie
van de eerste orde. De reis naar Nederland
was voor de tsaar een hele onderneming.
Des te meer bewondering dwingt het af te constateren
dat er aan het eind van de zeventiende, begin
achttiende eeuw al particulieren waren die
vanuit Zwolle naar Rusland reisden en vice versa.
Dankzij het uitgebreide kaartsysteem van het
Zwolse gemeentearchief is dat snel vast te stellen.
Zo kwam Willem Emont met attestatie uit
Moskou. Hij meldde zich in 1678 bij de
Hervormde kerk in Zwolle als lidmaat aan. Adolf
Gibbonis vertrok 25 jaar later met attestatie uit
Zwolle naar Moskou. In beide gevallen ging het
om kooplieden die lidmaat waren van de
“Willem Emont uit der
Muscou.’ Attestatie van
Willem Emont, in 1678
uit Moskou komende,
N.H. lidmatenboek.
(GAZ, KA 017, inv.nr.
139)
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse interpretatie
anno 1930 van de
Kozakken, tijdens de
historiespelen in park
Eekhout ter gelegenheid
van het y00-jarig bestaan
van Zwolle, september
1930 (GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Het gymnasium in de
Goudsteeg in 1920. Op
de voorgrond de heer
Koppelle, leraar Duits
(GAZ, coll.
Topografisch-
Historische Atlas).
Hervormde kerk. Ongetwijfeld waren de contacten
intensiever dan alleen van deze twee personen.
Reisden immers katholieke of joodse Zwollenaren
af, dan werd hun geen bewijs van hun kerkgenootschap
meegegeven. Contacten tussen particulieren
en Rusland, die plaatsvonden buiten het
stadsbestuur om, onttrekken zich helemaal aan de
waarneming van de huidige onderzoeker; indien
er althans geen archivalia van bewaard zijn gebleven
in bijvoorbeeld een familiearchief.
In de achttiende eeuw werd ,êr incidenteel wel eens
een brief bezorgd op het Zwolse stadhuis vanuit
een Russische stad, maar van een intensief verkeer
was allesbehalve sprake. De contacten bleven marginaal.
Franse tijd
Na de inval van de Fransen namen aanvankelijk,
vele jonge mannen als vrijwilliger dienst in hel:
Franse leger. Napoleon voerde de conscriptie in,
de verplichte inschrijving voor de militaire dienst.
Tientallen Zwollenaren trokken gedwongen in hel:
leger van Napoleon mee naar Rusland.
Verscheidenen kwamen om nadat ze vele ontberingen
hadden doorstaan.
Jan Willem van Wetering, geboren in 1789 in
Zwolle, meldde zich in 1803 als vrijwilliger aan. Hij
was nog geen veertien! Van hem is een dagboekje
bewaard gebleven. Daarin beschreef hij hoe hij in
1805 met het Franse leger naar Oostenrijk trok, in
1807 onder andere in Bremen verblijf hield en in
1811 in Gent gelegerd was. Met het leger van
Napoleon stak hij in het voorjaar van 1812 bij Kleef
de grens over. Hij beschreef de tocht over de
Beresina en de verschrikkelijke ellende die hij daar
zag. Toen de kansen voor Napoleon in november
1812 verkeken waren, meldde Van Wetering zich
aan bij een Russisch-Duits legioen. Met dat leger
trok hij in omgekeerde richting naar Frankrijk.
Op 31 maart 1814 bereikte hij Parijs.
De Russische plaatsen die Van Wetering in zijn
dagboekje noemde, hadden voor de archivarissen
uit Rusland een bekende klank. Op de Russische
kaart van Blaeu is de route, zoals Van Wetering
die beschreef, exact te volgen.
Prins de Naritschin
In november 1813 trokken Russische troepen
Zwolle binnen en maakten een eind aan de Franse
overheersing. Het waren Kozakken die uit het zuiden
van Rusland afkomstig waren. Zij reden op
kleine paarden en stonden onder bevel van generaal
prins de Naritschin. De Fransen boden geen
weerstand. De Zwollenaren onthaalden de
Kozakken op jenever omdat ze de Fransen meer
dan zat waren. Toch was Zwolle ook weer blij de
Kozakken kwijt te raken. Ze deden zich immers
volgens overlevering overvloedig te goed aan sterke
drank en bovendien joegen ze op kippen en
vrouwen…
Nicolaas van Wijk
Gaat het om bekende Zwollenaren, dan worden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 13
naast Thomas a Kempis ook steevast Johan Derk
van der Capellen tot de Pol, Potgieter en Rhijnvis
Feith (1753-1824) in één adem genoemd. Van
laatstgenoemde dichter zijn enkele werken in het
Russische vertaald. In dit verband moet er echter
nóg een erudiete Zwollenaar genoemd worden,
namelijk Nicolaas van Wijk (1880-1941). Hij was
de eerste Nederlandse hoogleraar in de Slavische
talen en groeide op in Zwolle. Deze domineeszoon
bezocht hier het Gymnasium in de
Goudsteeg, waar al spoedig zijn taalgevoeligheid
werd onderkend. In 1898 vertrok hij naar
Amsterdam om Nederlands te studeren. Drie jaar
later studeerde hij cum laude af; weer drie jaar later
promoveerde hij, wederom cum laude.
Ondertussen had hij zich ook beziggehouden met
de Slavische talen en had hij geruime tijd in
Moskou doorgebracht. In 1907 ging hij opnieuw
naar Rusland, en een jaar later verscheen in het
tijdschrift De Gids een uitgebreid reisverslag onder
de titel Russische indrukken. Op 25 juli 1913 volgde
zijn benoeming tot hoogleraar in Leiden.
In Zwolle kwam hij in de eerste jaren na zijn vertrek
nog regelmatig terug om zijn familie te bezoeken,
de uitgave van een boek bij W.E.J. Tjeenk
Willink te bespreken of een lezing te geven. Zo
sprak hij bijvoorbeeld in 1920 op de
Volksuniversiteit over ‘Het nihilisme in de
Russische literatuur’. Rusland wenste hij na de revolutie
van 1917 niet meer te bezoeken, maar voor
Russische emigranten in Nederland zette hij zich
tot zijn dood in 1941 met hart en ziel in.
Portret van Nicolaas
van Wijk, in: N. van
Wijk, Russische indrukken,
Leiden, 1988.
4% OBUQATIOMS-AÏÏLEIHE
4% OBLIGATIE LEENIHG
WLADI KAWKfS
WLADI KAWKAS
EP001WE0 •AATSCMPPD
nK (1 BEW»’/,. ösfMÜJ)»iïa
Quito – I.SKU4» Etlnid tlnlinj,
IW.™n» 14/ 1ilmius «ld lirju.ijf IBt litt uo.ii» Hou”
P«MlllAP.rEPHDSlD.BAfflTH
” ••’-‘• WLIfrpWlAS-EjfEMBAHF-fiESELLSClAFT,
Russische obligaties
Hoewel de contacten met Rusland in deze eeuw
toenamen, is daarvan in de archivalia in het gemeentearchief
Zwolle weinig te merken.
Onvermeld mogen echter niet de Russische obligaties
blijven die rond de eeuwwisseling door
sommige Zwollenaren en kerkbesturen werden
aangeschaft. Met het geld werden spoorlijnen aangelegd
om het immens grote land te ontsluiten.
Na de Russische revolutie van 1917 waren deze
obligaties van de ene op de andere dag weinig of
niets meer waard.
In het gemeentearchief zijn in een particulier archief
couponbladen aanwezig van een Russische
obligatie uit 1912 die was uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij te Sint-
Russische obligatie uit
1912, uitgegeven door de
Wladikawkas spoorwegmaatschappij
te
Sint-Petersburg. Tot
1917 zijn de couponnetjes
keurig geknipt en
ingeleverd. Daarna bleven
ze aan de mantel
bevestigd. (GAZ, KA
Onze Lieve
Vrouwenparochie).
Philosofenallee 1,
Zwolle. In de periode
1905-1908 woonde
Henk Sneevliet op de
eerste verdieping (foto:
Jan de Koning i.o.v.
Gemeentearchief
Zwolle, 1985).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een groet uit het
Wologda van voor 1917.
Boven: v.l.n.r.
Seminarie, Archangelskstraat,
Gouvernementeel
Mannen Gymnasium,
Middelbare school,
Eerste Vrouwen
Gymnasium (part. coll.
Zwolle).
Petersburg. Tot 1917 zijn de couponnetjes keurig
geknipt en ingeleverd. Daarna bleven de couponnetjes
aan de mantel bevestigd.
Henk Sneevliet
De politieke carrière van Henk Sneevliet (1883-
1942) begon in Zwolle. Hij werkte bij het spoor en
was lid van de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij. Voor die partij zat hij in de periode 1907-
1909 in de Zwolse gemeenteraad. Daarna verhuisde
hij naar Utrecht en werd lid van de
Communistische Partij. Hij voerde oppositie tegen
Troelstra. Hij was lid van het Uitvoerend
Comité van de Derde Internationale. In de tijd dat
hij in Nederlands-Indië verbleef was hij nauw betrokken
bij de Sarekat Islam en de Indonesische
Communistische Partij in China. Ook bij de oprichting
van de Communistische Partij in China
zou hij betrokken geweest zijn. Hij woonde vele
jaren in Moskou en was bevriend met Lenin. Later
koos hij voor Trotzki. Op 13 april 1942 werd hij te
Amersfoort in het concentratiekamp gefusilleerd.
Michael Minsky
Sinds 1978 woonde de Russische bariton en dirigent
van het Don Kozakken Koor, Michael
Minsky in Zwolle. Hij werd bekend vanwege zijn
Russische Galaconcerten, waaraan tal van bekende
artiesten meewerkten. In 1982 startte hij met de
voorbereiding van de herdenking van het 1000-ja
rig bestaan van de Russisch Orthodoxe Kerk. Dit
feit werd op 30 september 1988 in Zwolle herdacht
met een concert in de Grote Kerk waarbij koningin
Beatrix en tal van kerkelijke en wereldlijke
hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren.
Minsky was al ziek maar kon die dag toch nog
meemaken. Het was de kroon op zijn werk. Negen
dagen later overleed hij. Zijn archief werd, voor
zover het op Zwolle betrekking had, door zijn weduwe
aan het gemeentearchief geschonken.
Slot
In 1989 knoopte het gemeentebestuur van Zwolle
op initiatief van Adrie Wever, raadslid voor het
Links Akkoord, vriendschapsbanden aan met
Wologda, een grote stad ten noorden van
Moskou. Anno 1996 staan deze contacten op een
laag pitje omdat de communicatie – ondanks perestrojka
en glasnost – moeilijker verloopt dan
voorzien was.
Tijdens het in november 1995 afgelegde bezoek
aan het gemeentearchief Zwolle, nam de
Russische delegatie van archivarissen met interesse
kennis van het tentoongestelde materiaal. De tijd
van voorbereiding was te kort om onderzoek te
doen naar nog meer contacten tussen Zwolle en
Rusland. Maar wellicht dat dit artikel zal inspireren
tot verdere nasporingen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berendina Stoel.
Op de bres voor vrouw en kind.
Op 27 mei 1994 werd in de Aalanden aan de
Volterbeek het vrouwenopvang- en begeleidingscentrum
van de Berendina Stoel
Stichting (BSS) opgeleverd. In juli ging in het huis
de opvang van vrouwen en de begeleiding voor
vrouwen en hun kinderen van start. De BSS richt
zich ook op jonge zwangere vrouwen en ‘tienervensomstandigheden
van vrouwen en kinderen in
Zwolle. In het onderstaande verhaal wordt het leven
van deze sociaal bewogen vrouw geschetst.
Haar jeugd
Berendina Gerharda Nieuwhof werd op 10 september
1878 in Zwolle geboren. Zij was de tweede
M.H. Palfenier-Lentjes
moeders’ die hulp en begeleiding nodig hebben.
De BSS werkt samen met Blijf van m’n Lijf en het
Leger des Heils. De naam van de stichting is afkomstig
van de vrouw die als eerste vrouwelijke
raadslid in het begin van de jaren twintig van deze
eeuw voor de Sociaal Democratische Arbeiders
Partij (SDAP) in de Zwolse gemeenteraad zat en
zich krachtig inzette voor de verbetering van de ledochter
van het echtpaar Johannes Lambertus
Nieuwhof, steenhouwer, en Geertruida Maria
Overwater. Zij had vijf zusters en een broer. Niets
wees er in 1878 bij de geboorte van Berendina
Nieuwhof op dat zij een grote rol zou spelen in de
maatschappelijke politieke geschiedenis van
Zwolle.
Haar wieg stond in een huisje aan het Klein
Op 27 mei 1994 vond de
oplevering plaats van
het vrouwenopvangcentrum
van de Berendina
Stoel Stichting aan de
Volterbeek. De heer A.].
Dost (rechts), voorzitter
van de Stichting, neemt
de sleutel in ontvangst
(foto: collectie
Berendina Stoel
Stichting).
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Grachtje, in één van de armste wijken van de stad.
Doordat het Klein Grachtje grensde aan de tuinen
rond de villa van baron Van Dedem aan de
Diezerkade, werd zij al jong geconfronteerd met
het verschil tussen rijk en arm.
Voor onderwijs was zij aangewezen op de armenschool
in de Schoolstraat, waar de klassen bestonden
uit zestig leerlingen. De kwaliteit van dit onderwijs
mag dan ook niet al te hoog ingeschat
worden. Trouwens, ook het gebouw werd zeer ondoelmatig
geacht.
Over de jaren na haar schooltijd is helaas maar
zeer weinig bekend. Het is niet ondenkbaar dat zij
al vroeg thuis haar moeder moest helpen, zeker na
de dood van haar vader in 1895.
Op 25 augustus 1898 trouwde zij met Anthonie
Johan Stoel, die rijtuigschilder bij de Nederlandse
Spoorwegen was.
Beide echtelieden hadden een godsdienstige achtergrond.
Berendina kwam uit een rooms-katholiek
gezin en Anthonie was Nederlands Hervormd.
Het huwelijk werd echter niet kerkelijk ingezegend.
Uit de boeken van de rooms-katholieke kerk blijkt
dat Berendina Stoel als lid werd geschrapt.
Ongetwijfeld was haar lidmaatschap van de SDAP
daar debet aan. Anthonie Stoel, overigens ook lid
van de SDAP, bleef Nederlands Hervormd en ook
hun kinderen zijn in die religie opgevoed. Dat zij
de stap van ‘rooms’ naar ‘rood’ maakte, was omdat
zij koos voor de partij die haar wèl in de gelegenheid
stelde om op te komen voor de arbeidersvrouwen
en hun kinderen. Zij kende de slechte levensomstandigheden
^an deze groep immers
maar al te goed.
De vrouwenbeweging
In 1903 werd Anthonie Stoel ontslagen omdat hij
had deelgenomen aan de Spoorwegstaking.
Daardoor kwam het echtpaar niet in aanmerking
voor financiële bijstand. Werk was voor Anthonie
in Zwolle moeilijk te vinden en in 1905 besloten
Anthonie en Berendina dan maar naar
Amsterdam te trekken, waarschijnlijk in de hoop
daar aan de slag te kunnen. De keuze voor
Amsterdam zal mede beïnvloed zijn door het feit
dat daar in die tijd de vrouwenemancipatie in opkomst
was en in datzelfde jaar de Sociaal
Democratische Vrouwen Club (SDVC) werd opgericht,
een onderafdeling van de SDAP. Deze
SDVC had tot doel de vrouw politiek bewust te
maken, het kiesrecht voor vrouwen te verkrijgen
en tevens om moederschapszorg en kinderopvang
te stimuleren.
Na een verblijf van drie maanden in Amsterdam
keerde het echtpaar Stoel naar Zwolle terug; naar
verluid ingegeven door heimwee.
Terug in Zwolle was Berendina Stoel actief in de
SDAP. Binnen deze partij heeft zij via verschillende
cursussen ook haar politieke opleiding gehad.
Eén van de prominente SDAP-leden die voor deze
opleiding zorgde, was Henriëtte Roland Holst, die
in 1907 in Zwolle een lezing gaf. In datzelfde jaar
maakte mevrouw Stoel deel uit van een delegatie
van Zwolse vrouwen die in Amsterdam contact
zocht met de SDVC. In 1908 werden in verschillende
regio’s afdelingen van deze vrouwenbeweging
opgericht. Berendina Stoel werd voorzitster
van de Zwolse afdeling.
Ter ondersteuning van het verkrijgen van het
vrouwenkiesrecht bezocht Berendina Stoel vooral
achtergestelde vrouwen om hen van het belang
van dit kiesrecht te overtuigen. Uit angst voor repercussies
voor de vrouwen zelf of hun mannen,
viel dit zeker niet mee. Ook hield zij lezingen in de
Buitensociëteit. Door dit alles heeft Berendina
Stoel een groot aandeel gehad in de strijd van de
vrouwenbeweging in Zwolle.
Uiteindelijk werd zij door haar strijd zo belangrijk
voor de SDAP dat zij in 1919 door deze partij voor
de gemeenteraad verkiesbaar werd gesteld. Op de
kandidatenlijst stond zij op de achtste plaats.
De politieke carrière
Bij de verkiezingen van 1919 veroverde Berendina
Stoel een zetel in de raad. Deze verkiezingsuitslag
betekende voor haar een persoonlijke triomf, zeker
ook omdat, zelfs binnen de SDAP, nog niet iedereen
gelukkig was met een vrouw in de raad. Bij
haar installatie als raadslid werd zij beloond met
het zingen van de Internationale door haar achterban
uit de vrouwenbeweging en met vijftig rode
rozen.
In de raad bewoog mevrouw Stoel zich op sociaalZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 17
maatschappelijk terrein en dan in het bijzonder
gericht op het verbeteren van de leefomstandigheden
van de arbeidersvrouwen en -kinderen. Zo
kreeg zij onder meer zitting in de commissies
openbare bewaarscholen, kindervoeding en woningbouw.
Haar grote verdienste was het onder de
aandacht brengen van de erbarmelijke omstandigheden
waarin deze zaken verkeerden. Het was
haar gebleken dat de raadsleden zeer slecht op de
hoogte waren van de wantoestanden. Op haar eigen
kordate, niet mis te verstane spreekwijze
bracht zij dit alles onder de aandacht, zoals duidelijk
blijkt uit de notulen van de raad.
In december 1920 overlegde de raad of de kindervoeding
door de gemeente of door particulieren
verstrekt moest worden. De discussie spitste zich
vervolgens toe op de vraag of de maaltijden ook
gedurende de vakanties uitgedeeld moesten worden.
Volgens de notulen zei mevrouw Stoel:
‘… dat de statistiek bewijst, dat de kinderen als ze
weer op Kindervoeding komen, sedert het einde
van de maaltijden, in gewicht afgenomen zijn.
Daaruit blijkt de noodzakelijkheid om langer dan
drie maanden voedsel te verstrekken. Het is hoog
tijd, dat de vrouw zich eens wat meer met dergelijke
zaken bemoeit. Altijd zijn vrouw en kind vergeten…
Spreker zou niet willen beginnen met voeding
van gemeentewege, als het kind op school
komt, ook het kind op de bewaarschool, dat het
noodig heeft, moet de voeding ontvangen.’
Uit de notulen blijkt overduidelijk dat mevrouw
Stoel het verbeteren van de levensomstandigheden
geen zaak van liefdadigheid vond. Volgens haar
was dit een zaak van de hele gemeenschap, uit te
voeren door de gemeente.
Zo heeft zij in februari 1923 over de woningtoestanden
gezegd:’… als zij niet geweten had, dat de
berichten over de woningtoestanden in Palvu1 serieus
waar waren, zij dan bij het lezen gedacht zou
hebben, wat is dat schrikkelijk overdreven.
Spreker heeft zelf een onderzoek ingesteld. Zij
komt met heel velen van dat soort menschen in
aanraking… Spreker zou tegen de vrouwen van de
raadsleden eens willen zeggen, hoe het haar te
moede zou zijn, als zij in zoo’n krot moesten huizen.’
In februari 1924 discussieerde de raad uitvoerig
over het al dan niet inrichten van een bewaarschool.
Mevrouw Stoel pleitte hartstochtelijk voor
het wel inrichten van een bewaarschool ‘op de
Hoogstraat’. Vervolgens staat er in de notulen:
‘Spreker (mw. Stoel) begrijpt niet, hoe de leden
van den Raad zoo boomen kunnen opzetten over
een betrekkelijk luttel bedrag, ’t Is of de Raad
Amsterdam moet gaan kopen. Het is toch te gek,
De heer en mevrouw
Stoel (foto: mevrouw
B.G. Stoel-Slot,
Zwolle).
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat de heeren raadsleden daar nu twee avonden
over zitten te boomen, over de inrichting van één
gemeentelijk bewaarschool. Men moest zich schamen…
Spreker zou den raad dringend willen verzoeken
om nu hedenavond te besluiten tot inrichting
van de Willemsschool tot bewaarschool…
Reeds in 1918 is immers het besluit genomen
waarbij de invoering van voorbereidend onderwijs
urgent werd verklaard.’
Mevrouw Stoel had niet altijd succes met haar
voorstellen voor verbeteringen, maar zij heeft wel
op vele terreinen een eerste stap gezet. Zij liet de
arbeidersvrouwen betere tijden kennen.
De jaren na de gemeenteraad
Berendina Stoel heeft zeven jaren in de Zwolse gemeenteraad
gezeten. In 1926 werd haar echtgenoot
aangesteld als huismeester van het passantenhuis,
een gemeentelijk verzorgingshuis, aan de Friese
Wal. De voorwaarden waren dat de huismeester
gehuwd was, de kinderen de deur uit moesten zijn
en de echtgenote de taakvan huismeesteres op
zich zou nemen. Dit betekende dat Berendina
Stoel het lidmaatschap van de raad moest opgeven.
Bij haar afscheid sprak de voorzitter van de
raad enige woorden van waardering: ‘Spreker constateert,
dat het werk van mevrouw Stoel veel
waardering bij alle raadsleden heeft gevonden.
Zoo niet allen, dan toch zeer velen onder de
raadsleden zien haar met leedwezen heengaan.
Spreker gelooft in hun geest te handelen, wanneer
hij de wensch uit, dat het mevrouw Stoel zelf en
haar man goed moge gaan en zij in hun nieuwe
betrekking met genoegen werkzaam mogen zijn.
(applaus).’
Ook voor de taak in het verzorgingshuis heeft zij
zich, samen met haar man, voor de volle honderd
procent ingezet. Bij de pensionering van het echtpaar
Stoel in 1941 bleek dat zij in al die jaren
slechts een paar verlofdagen hadden opgenomen.
Daarom kregen zij als beloning een gratificatie van
333 gulden en 33 cent, dit was twee maanden salaris.
:
Na hun pensionering zijn de heer en mevrouw
Stoel gaan wonen in de Iepenstraat, waar
Anthonie Stoel op 9 februari 1946 overleed.
Berendina Stoel is toen ingetrokken bij haar dochter
die in de Tesselschadestraat woonde. Op 3 juli
1952 is zij daar, door de politiek vergeten, overleden.
In 1991 werden in de wijk Schellerhoek straten vernoemd
naar vrouwen die voor de geschiedenis
van Zwolle van belang zijn geweest. Sedertdien
draagt een zijstraat van de Jofferenlaan de naam
Mevrouw Stoelstraat om haar op die manier te
eren. Ook door haar naam toe te kennen aan de in
het begin van dit artikel genoemde Stichting zal
deze blijvend voor Zwolle gehouden blijven.
Noot
Palvu is de naam van het partijblad en het verenigings-
1. gebouw van de SDAP aan de Eekwal nummer 29.
De afkorting staat voor: Proletariërs Aller Landen
Verenigt U.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Straatnamen, niet zo eenvoudig
In de raadsvergadering van 8 september 1878
vroegen bewoners van de Stropsteeg, om een
andere naam voor hun straat. Men was niet
gelukkig met de bestaande naam.
In dezelfde vergadering verzocht de heer Schuite
om de naam Duistere Steeg te vervangen door het
meer welluidende Prins Hendrikstraat. Prins
Hendrik, bijgenaamd De Zeevaarder, een broer
van koning Willem III, was in datzelfde jaar getrouwd
met prinses Marie van Pruisen.
Burgemeester en wethouders wilden niet direct reageren.
Zij gaven er de voorkeur aan te wachten
tot er meerdere verzoeken zouden komen, wellicht
ook van bewoners van andere straten.
Bovendien vond de voorzitter de naamsverandering
van Duistere Steeg in Prins Hendrikstraat
‘minder verkieslijk’. Immers ‘als de leden van het
Koninklijk Gezin hier op bezoek komen, geven zij
allicht de wens te kennen om de straten te bezoeken,
waaraan men hun naam heeft gegeven’.
Kennelijk verkeerde de genoemde weg in een niet
al te beste staat. Misschien zou de prins wel eens
beledigd kunnen zijn.
Natuurlijk werd het voorstel gedaan om een commissie
te benoemen, maar uiteindelijk besloot de
gemeenteraad dat het college van B&W zich er
nog eens over moest buigen.
Meer dan drie jaar later, in de vergadering van 3
april 1882, besloot de raad zonder discussie(l), om
vele nieuwe straten van een naam te voorzien of
oude namen te veranderen. We zien dan dat de
Duistere Steeg Schoolstraat gaat heten en de
Stropsteeg Akkerstraat. De Akkerstraat liep van de
Diezerweg naar het Klein Grachtje, daar waar nu
de Eikenstraat ligt.
In diezelfde vergadering van 1882 werd de straat
‘langs de huizen der Vereniging tot verbetering
der arbeiderswoningen buiten de Diezerpoort’
voorzien van de naam Rhijnvis Feithstraat.
In de daaropvolgende raadsvergadering, dus op 24
april 1882, kwam de heer Van Rees daarop terug.
Hij stelde voor om de Platte Allee te vernoemen
naar Rhijnvis Feith, omdat ‘die naar het door den
dichter zoo geliefde Boschwijk voert.’ Hij wilde de
nog maar kortgeleden gegeven naam Rhijnvis
Feithstraat omgedoopt zien in Hoekstraat.
Dit voorstel zorgde voor enige verwarring in de
vergadering. De ‘schoone naam’ van de Rhijnvis
Feithstraat zo maar om te dopen tot het neutrale
Hoekstraat vond de heer Jordanus onjuist. Hij
stelde dan ook de naam Oostkampstraat voor. ‘Als
opvoedkundige en onderwijsman is de naam
Oostkamp juist in dit gedeelte der stad zeer bekend’,
gaf hij aan. De heer Gratema wilde de straat
echter vernoemd zien naar de heer Van Meurs, ‘de
man, die den stoot heeft gegeven tot de verbetering
van de woningen van de arbeidende klasse
hier ter stede.’ Gratama wilde Van Meurs graag
hulde toebrengen, ‘hij behoort nog in het land der
levenden’, voegde hij er aan toe.
Over en weer discussieerde men over ingebrachte
ideeën. De heer De Goeijen informeerde nog wie
dan wel de heer Hoek zou mogen zijn. De voorzitter
antwoordde daarop dat die naam was gekozen
omdat de straat de vorm van een driehoek had.
Tenslotte: de Platte Allee werd zonder hoofdelijke
stemming voorzien van de nieuwe naam Rhijnvis
Feithlaan, terwijl de Hoekstraat zijn naam kreeg
met tien tegen vier stemmen. Beide straten bestaan
nog steeds. De Rhijnvis Feithlaan loopt van
de Brink tot aan de Vechtstraat; de Hoekstraat ligt
achter het winkelcentrum De Diezerpoort en
vormt de verbinding tussen de Schoolstraat en de
Langenholterweg.
Wil Cornelissen
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Henricus Brumanus (1638-1679)
Zwols rector, historicus en medicus
J.C. Streng
Brief van Brumanus
waarin hij om een aanvullende
subsidie voor
huishuur verzoekt.
De zeventiende eeuw was niet de eeuw van
de specialisten. Wijsheid was boekenwijsheid.
Wie lezen kon – en dan in de eerste
plaats Latijn – en over een goed gevulde bibliotheek
beschikte, was in staat om zich vrijwel de
volledige toenmalige wetenschap eigen te maken.
Dat kon door van Aristoteles tot Zeno alle schrijvers
ijverig te bestuderen. Het was dan ook vrij
normaal dat geleerden zoals Henricus Brumanus
thuis waren in diverse thans gescheiden wetenschapsgebieden.
Biografie
Henricus Brumanus was de zoon van Sergius
Brumanus en Judith Feith. Sergius en Judith waren
in 1634 te Elburg gehuwd; hij was toen apotheker
aan de Markt te Zwolle.1 Enkele jaren later, in
1641, kocht Sergius het Zwolse burgerrecht. Het
echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan alleen
Henricus de volwassen leeftijd bereikte. Hij was
op 18 november 1638 te Zwolle gedoopt. Bijna tien
jaar later werd Henricus als leerling aan de Zwolse
Latijnse school ingeschreven waar hij tussen 1647
en 1654 de lessen volgde. Hij verdiende als beste
leerling twee maal een prijsboek: een geschiedwerk
van Dionysius van Halicarnassus en een verzamelband
met de gedichten van Virgilius. Toen
Henricus de Latijnse school verliet, was zijn vader
reeds gestorven. Want in 1654 verzocht de weduwe
Brumanus namelijk aan de magistraat een bijdrage
in de studiekosten van Henricus om de studie
voort te zetten.2 Waarschijnlijk heeft het stadsbestuur
het verzoek ingewilligd omdat het in deze
tijd gebruikelijk was om talentvolle burgerzonen
daarin tegemoet te komen. Het is niet duidelijk
aan welke universiteit hij verder studeerde. In de
studenten-alba van de universiteiten in de
Verenigde Republiek komt zijn naam niet voor.
Evenmin is zijn naam onder de gepromoveerden
te vinden. Dit laatste is wel verklaarbaar, want de
stad was in haar ondersteuning niet zo royaal dat
een dure promotie mogelijk was. Doctor is
Henricus dus waarschijnlijk nooit geworden.
Als tegenprestatie voor de stedelijke ondersteu-
Vtury f »»••»>•

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1995, Aflevering 1

Door | 1995, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisc
Tiidschri
ir»
G 1 9 9 5 F 9 , 5 0
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
Dick Hogenkamp
Een van de huizen die tijdens de oorlog
zwaar werden beschadigd lag in de Anjelierstraat.
Op 28 april 1941 werd het getroffen
door een bombardement, waarbij vijf mensen
het leven verloren.
Hoe het kwam dat deze woning gebombardeerd
werd, is niet bekend. Mogelijk werd de bom
‘verloren’.
De juiste plaats van het getroffen huis is alleen
te herkennen aan de spits van de Jozefkerk aan de
Assendorperstraat.
Volgens één van de bewoners van de Groeneweg
werden nog tijdens de Tweede Wereldoorlog
de woningen herbouwd. In de jaren tachtig werden
die huizen volledig herbouwd. Tegelijkertijd
werd toen de Azaleastraat gesloopt.
Boven: De Anjelierstraat na het bombardement van
28 april 1941 (foto: de heer Goris, coll. Harmens).
Onder: De Anjelierstraat na de herbouw in de jaren
tachtig (foto: D. Hogenkamp).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt een themanummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift dat verschijnt bij
gelegenheid van 50 jaar bevrijding van
Zwolle.
Over de oorlog raakt men nog steeds niet uitgepraat.
Ook de redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft gemeend dat er nog zoveel te
schrijven valt, dat een themanummer gerechtvaardigd
is. De nadruk valt hierin op de zogenoemde
‘egodocumenten’: Zwollenaren en anderen vertellen
over hun belevenissen uit die oorlogsjaren. Zo
beschrijft Wil Cornelissen zijn herinneringen aan
de RHBS aan de Bagijnesingel. Om het verhaal te
completeren heeft hij tevens het archief van de
school doorgespit.
De Zwolse Ank Meliesie-Appelhof zat in die
periode ook op de RHBS. In haar bijdrage beschrijft
deze journaliste welke indruk de oorlog op een
Zwols puber-meisje maakte.
De ‘bevrijder van Zwolle’, de Canadees Leo
Major, vertelde in 1985 hoe hij in de nacht van 13 op
14 april 1945 de eerste geallieerde in onze stad was.
Zijn getuigenis wordt hier voor het eerst letterlijk,
in vertaling, weergegeven.
Bob Erdtsieck behandelt in zijn bijdrage het
reilen en zeilen van de kerken in Zwolle tussen
1940 en 1945. Vooral in het begin was nog nauwelijks
sprake van moedig openlijk verzet.
Het moment van de bevrijding is onderwerp
van een foto-artikel van Aranka Meijerink. Zij
haalde de mooiste foto’s van die dertiende en veertiende
april uit de collectie van Paul Harmens en
schreef er onderschriften bij.
In de rubriek Zwolle vroeger en nu vergelijkt
Dick Hogenkamp een gebombardeerde straat met
de situatie nu.
Aan het slot van deze aflevering volgen een
boekbespreking en enkele mededelingen.
Zwolle vroeger en nu Dick Hogenkamp
De Zwolse Rijks HBS tijdens de oorlogsjaren Wil Cornelissen
Herinneringen Ank Meliesie-Appelhof
De bevrijding van Zwolle op 14 april 1945 Leo Major
Zwolse kerken in oorlogstijd Bob Erdtsieck
De bevrijding in foto’s Aranka Meijerink en Paul Harmens
Boekbespreking
Mededelingen
Agenda
Auteurs
4
13
21
26
31
36
37
38
39
Omslag: Een Canadese bevrijder wordt op 14 april 1945 omstuwd door Zwolse
meisjes (foto: Voerman, coll. Harmens).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolse Rijks HBS tijdens de oorlogsjaren”
Wil Cornelissen
Ir. E.J. Baumann
Een gewone middelbare school, bevolkt met
gewone leerlingen, in een gewone provincieplaats.
Oorlog. Eerst in het verre buitenland. Na 10
mei 1940 ook in Nederland. Dreiging rondom, op
een armlengte afstand. Hoe reilde en zeilde het
onderwijs in die jaren? Konden de leraren hun
leerlingen vertrouwen? Konden de leerlingen de
leraren vertrouwen?
Ik ontmoette een medeleerling uit die tijd,
Roelof Arp. Toen ik hem vertelde dat ik bezig was
met een artikel over onze HBS in de bezettingsperiode
zei hij na een korte stilte: ‘Als ik aan de HBS
denk, denk ik aan de oorlog.’ Hoe heeft het ons
verdere leven beïnvloed?
Een kleine reconstructie.
Inleiding
De Tweede Wereldoorlog was op 3 september 1939
een feit. Op 24 oktober, lees ik in de notulen van
de lerarenvergadering, heeft directeur ir. E.J. Baumann
een circulaire gekregen, waarin staat dat in
oorlogstijd de school zal worden gesloten. ‘Daarom
heeft het geen zin meer verdere luchtbeschermingsmaatregelen
te nemen’, zo noteert de secretaris,
leraar L.T. de Bruin. Maar verder komen er
nog geen schokkende zaken naar voren. Of het
moest zijn, dat in november 1939 de heer Caspers
klaagt, dat ‘de leerling Geurtsen bij school een
pijpje rookte, hetgeen toch volgens het reglement
verboden is.’ De notulen van de lerarenvergaderingen
vermelden ‘normale’ zaken als brutaliteit
van leerlingen, spijbelen en rapportcijfers. En nog
in maart 1940 vraagt de heer Polak bij de rondvraag
of er al reisplannen zijn. ‘De voorzitter zegt
van neen.’
Bezetting
Nederland raakt op 10 mei op directe wijze
betrokken bij het drama. Zwolle wordt al op die
eerste oorlogsdag bezet door de Duitse troepen.
De burgemeester beveelt o.a. dat men géén licht
naar buiten mag laten schijnen, dat er geen trekdieren
en vee op de openbare weg ‘door hunne
geleiders mogen worden verlaten’, dat er niet mag
worden geschrobd en dat de WC zo min mogelijk
moet worden doorgetrokken. Maar onderwijs
werd er op die 10de mei en de volgende dagen niet
gegeven. Op 14 mei vermelden de notulen de
woorden van Baumann: ‘In deze tragische ure,
waarin we blij zijn weer aan het werk te kunnen
gaan, heb ik zojuist van den Inspecteur vernomen,
dat de school weer normaal door zal gaan.’ Maar
nog niet direct, want de ruiten zijn nog stuk! Toch
klinkt er al dreiging door. Er wordt vermeld dat
het verboden is een onderwerp aan te snijden, dat
niet met het onderwijs in verband staat. En er
mogen geen uitlatingen te berde worden gebracht
die ook maar enigszins naar politiek zwemen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De directeur neemt maatregelen
In een schrijven aan de ouders meldt de directeur,
‘dat de nieuwe cursus op normale wijze voortgang
zal vinden.’ Toch niet zó normaal, want in verband
met handhaven van de middeneuropese
zomertijd zullen de lessen wel op een heel merkwaardige
tijd beginnen. Er kan namelijk geen licht
worden gebruikt, ‘want lichtafscherming in het
gebouw is vanwege de daaraan verbonden kosten
niet mogelijk’. Daarom zullen de lessen na 18
november om 9.20 uur en na 12 december zelfs om
10 uur beginnen; pauzes vervallen evenals de vrije
woensdagmiddag. Voor de buitenleerlingen die
de IJssel moeten oversteken, is het lastig op tijd op
school te zijn. Er is veel stagnatie bij de veren (de
IJsselbrug was in de meidagen in de lucht gevlogen).
Ook schrijft Baumann aan de ouders: ‘Door
de nabije legering van Duitse troepen moest ik tot
mijn spijt de normale bewegingsvrijheid van de
leerlingen voor en na schooltijd enigszins inperken.’
Een circulaire uit Den Haag over leerboeken
‘die geen toespelingen mogen bevatten welke het
Grootduitse Rijk enz. in discrediet brengen of
daartoe geschikt zijn’ krijgt als reactie uit Zwolle
een schrijven waarin o.a. het volgende dubieuze
punt wordt vermeld: In het leerboek der scheikunde
nr. 22 van Dr. G.J. van Meurs en Dr. H.P.
Baudet staat op blz. 90, 21ste regel van boven dat
‘In de [Eerste] Wereldoorlog de gasaanval [door
het “blazen” van chloor] door de Duitsers bij Yperen
op 22 April 1915 het begin is geweest van het
gebruik op grote schaal van oorlogsgassen, organische
verbindingen, die bijna alle chloor bevatten.’
Mag zo’n zin er nu wèl of niet in blijven
staan? En in het Taaloefeningenboek van G.
Leffertstra staat de in te vullen zin: ‘In Duitsland
uitte zich het antisem…tisme in het verdr…ven
van talrijke Israël…ten.’ Baumann schrijft: ‘In de
eerste plaats is dit een feit, dat toch ook niet zal
worden ontkend.’ Ik vind het een dapper antwoord
van een HBS-directeur tegenover het zeer
‘foute’ ministerie (Departement heette dat toen).
Evenals het volgende: in de leerboeken der economie
‘zou men kunnen stuiten op de opvatting dat
men Marx niet meer mag noemen en hetzelfde
geldt voor economen als Lassalle, Malthus, Rathenau
en anderen. Ik meen, dat werken van deze
schrijvers in Duitschland verboden zijn. Wil men
inderdaad zover gaan, dan is geen enkel leerboek
in economie geschikt.’
Bij bestudering van de geschiedenis van onze
school komt men al heel spoedig de onvaderlandslievende
houding van de leraar Duits, B. de
3.»
«8
.; :A
ytï
550
551
, ” tl jat
wedar br
Schrljvu
BALFOUR
BAUVEJS
. . . . . .Banagrt bij don brlof van
nr. 17038′ afdcoling V.H.M
_! OCT. ‘ï?*i-
0 .
van bookon, wolko na vorwijdorlng van do aangogovon hlodzljdon
ulkboar zijn voor hot Voorburuidond Hoogor on Hlndelti
r(o) Titol
52 Advonturo atorioa ?or boys
pagi 109-118 “Tho iran croos pirato”
ultanijdün.
Zuid en noord I, 18de druk,
pag. 309-312 “Vadcrtjo Uuaaot” ultsnljdun
BEVLRLSY NICi-lOLS Twcnty-fivo.
; Pag. 25 uitsnijden ,’
BOAS
3R0EKHUYS2J,
VAM DEUfiSEN h
DB BUISONJÉ L
CE EUICOWÊ h
Hodcrn ongllah prono’ ‘,
Pag. 7 en pag: 66 – 77 uitsnijden
Van Groenlnnd tot do Zuidpool
N METO2R- POG- 139 ‘uitanijdon-
N D2 JONG Tuxto zur Uiborsotzung ina HollSndiacoo,
dool n , twoodo druk {N.B. do dordo druk
• la gocdgo!:ourd.}
,p. 12, NoVI “Gricchn” van AiZ-süig
‘ p. 22, No-XII, “Erinnorungaft” van Kronprlnz
ïJilhalm.
p« 27, No.XIV, “Dor.Kalocr” van Rathonau
p. 35, No.XDC, “JJapoloon im Be^sowagon”
, van B.Ludwig
p- 43, -Hö-HEVIl, ‘aicr-alto Fcntano” van
Th. a a n
N LE JONG Hutzolfdo bock, .Juol I,-dords druk,
dozolfdo uitgovor (N.B. dG Wo.druk Is
goodgokourd).
Do atuKton.van WRasorman, Hnnn oo Frank
uitanljdon.
lar Ondurwlja.
Uitgovor.
Hutchinoon,
Londen.
Dooolóo,
Eruggo.,
Ponguin Dooko,
Londen.
Hoc Mlllon,
Londen.
Zomer on Kounl-.i,.
V/agonlngon •
Woltora,
Groningun.
ultanijdon.

TSöltcru,
Groningon-
Jong tegen. Later komt ook de opvolger van Baumann,
P.A. van Rossem, op het tapijt. Mevrouw
Davidson en H. Strijker herinneren zich, dat De
Jong ‘meteen al in mei ’40 in zwart uniform op
school kwam’. En de eerste zegt ook nog dat deze
leraar haar en ook Hansje Pinas als joodse leerlingen
totaal negeerde.
Toch gaat het ‘gewone’ schoolleven óók door.
Een van de weinige amusante dingen vertelde de
heer A.J. Stoel (toen leerling, later leraar op de
Zwolse HBS) mij: ‘Ik ben één maal in mijn leven
om 4 uur ’s morgens opgestaan. Dat was op 10 mei
1940. Ik moest toen een biologie-repetitie van juffrouw
Talma (“De Bezem”) nog leren. Maar toen
ik een uur later hoorde, dat de oorlog was uitgebroken
en toen diezelfde morgen bleek, dat de
school gesloten was, dacht ik: Hè gelukkig, nou
gaat die repetitie tenminste niet door.’
Een deel van de verplichte
wijzigingen in de
leerboeken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dreigende taal
De dreiging die ik mij herinner, wordt bevestigd
in de oude bewaard gebleven geschriften. De genoemde
De Jong valt uit tegen een meisje dat op
een vraag van hem antwoordde met ‘Yes’. ‘We
spreken geen Engels; Gott strafe England.’ Tegenover
Baumann die hem ter verantwoording
R. H. B. o.
Besch«rmhe«n
d« WolEd. H««r
Ir. E. J. Baumann, Dit.
Cursus 9#2l
VEREN
Ie wijs
den Heer
…..—~*ïi£&4&
G
van
, f
NG – ZWOLLE
lidmaatschap
Nsmtns h«l bastuun
Hoe-wel directeur
Baumann al was ontslagen,
prijkte zijn
naam als ‘Beschermheer’
nog steeds op de
lidmaatschapkaarten
van de HBS-vereniging.
roept(!) verklaart De Jong, dat dit als grapje was
bedoeld. Baumann zegt dit in een schrijven aan de
Inspecteur MO van de inspectie. Er werd in 1940 al
hoog spel gespeeld. En ach ja, we liepen als protest
(was dit nu al een ‘verzetsdaad’?) met rood-witblauwe
kipperingetjes om de vingers. Maar Baumann
is bang voor de gevolgen. Hij schrijft aan vader
Hibbel in de Veenestraat: ‘Uw zoon droeg heden
in school een aantal z.g. kipperingetjes in nationale
kleuren. Omdat dit als een demonstratie
zou kunnen worden opgevat nam ik maatregelen.
Ik verzoek U om medewerking.’ En Herman Spijkstra
heeft bij een proefwerk zijn papier aan het begin
en aan ’t eind met vlaggetjes versierd ‘die daarbij
niet behoorden’. Ook zijn vader krijgt een brief.
Er moeten Ariërverklaringen worden ingestuurd.
Alle leraren vullen verklaringen A in. Voor
Dr. Jac. Smit was een B-verklaring nodig, hij was
‘gemengd’ gehuwd. De verklaringen van S. Elte en
J. Polak waren natuurlijk het ergste. Zij waren
jood. De heer Polak zou al spoedig met ziekteverlofworden
gestuurd.
De eerste vergadering zonder de leraar Elte
verloopt gespannen. Interessant is natuurlijk wat
er in de notulen staat. Soms is ’t nog interessanter
om te zien wat er niet in staat. Ook de heer Vleeshouwer
is dan al van school verdwenen. Hij werd
op 8 november 1940 met ziekteverlof gezonden,
werd op 11 januari 1941 wegens verzetsdaden gearresteerd,
kreeg levenslang, maar kwam na de oorlog
uit de concentratiekampen terug. In de notulen
staat over de vergadering van 6 december 1940
vermeld: ‘Een hartelijk welkom voor de Heer
Meursing, die de lessen van den Heer Elte geeft.
De Voorzitter wil geen politiek in deze vergadering
brengen; wanneer hij opmerkt, dat het ons
allen spijt, dat de Heer Elte zijn lessen heeft moeten
staken.’
Mijn aantekeningen over 1940 vermelden
voorts nog dat de burgemeester aan alle scholen
een waarschuwing schrijft over het feit dat er
scholieren zijn, die tegen Duitse soldaten aanfietsen
en ook lange neuzen trekken. Er komt eveneens
een waarschuwing in verband met Koninginnedag
op 31 augustus. De heer P.A. van Rossem
(dan nog leraar Frans aan het Christelijk Lyceum)
moet scholen controleren (!) en B. de Jong riep in
de Zwolse Courant volksgenoten op om lid te
worden van de NSB.
Baumann ontslagen
De voor de Rijks HBS belangrijkste gebeurtenis in
1941 is wellicht het ontslag en de arrestatie van
directeur Baumann geweest. Dat gebeurde in juli
van dat jaar. Maar daarvóór hadden zich al dreigende
zaken voor hem afgespeeld. Nadat P.A. van
Rossem door Rijkscommissaris Seyss Inquart is
belast ‘met het doen van onderzoekingen naar
gedragingen van leerkrachten, welke gevaar kunnen
opleveren voor het handhaven van de orde en
de rust in de scholen en het uitbrengen van een
advies aan mij daaromtrent’ (zo schrijft de beruchte
Secretaris-Generaal J. van Dam van het
Departement van Opvoeding, Wetenschap en
Cultuurbescherming), krijgt Baumann last met
Van Rossem. Deze laatste meldt aan het DeparteZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ment, dat hem bij een bezoek aan de HBS is gebleken
dat Baumann er geen kennis van zou dragen,
dat het Insigne-verbod in de eerste plaats de
docenten der scholen zou gelden. Voorts blijkt dat
het verboden boek ‘The Man with the Clubfoot’
nog op school in gebruik is. Het ernstigste is, dat
Van Rossem aan Van Dam in Den Haag heeft
gemeld dat ‘de uit zijn ambt ontheven leeraar S.
Elte herhaaldelijk de school bezoekt en met docenten
en leerlingen contact heeft.’ Van Dam wijst
er op, dat dit voor de heer Elte in de eerste plaats
onaangename gevolgen heeft.
Baumanns antwoord beslaat o.a. een volle
bladzijde over het dragen van verboden insignes.
En wat het Engelse boek betreft: ‘Dat is aan mijn
aandacht ontsnapt.’ Verder schrijft hij: ‘De heer
Elte is in de afgelopen maanden enige malen, ik
meen driemaal, op school bij mij geweest voor een
informatie, waartoe voor ieder de gelegenheid
open staat. De heer Elte is ook vader van een leerling
der school.’ Dat laatste was waar. Elte was
gemengd gehuwd, zijn dochter Greetje zat op de
HBS. Zij zou later eens van Van Rossem te horen
hebben gekregen: ‘Jij moet je kalm houden, anders
word je net als je vader verwijderd.’
Maar Baumann is nog niet klaar met Van Rossem.
Die schrijft hem op 26 mei 1941 vanuit zijn
huis in de Wilhelminastraat (toen nog niet omgedoopt
tot Willem de Zwijgerstraat), dat hem werd
verzekerd ‘dat U, naar aanleiding van mijn onderzoek
naar de wantoestanden op de school, die
onder Uwe directie staat, U jegens mij lasterlijke
uitlatingen hebt veroorloofd. Is het waar, dat U
hebt beweerd, dat ik bij dat onderzoek onder
invloed van alcohol stond? Zoo ja, hebt U die
bewering schriftelijk of mondeling, danwei schriftelijk
en mondeling gedaan?’
In een schrijven voor de zomervakantie van
1941 verzoekt de directeur aan de ouders medewerking
bij de inspectie van boekentassen van hun
kinderen, want er zijn tassen van leerlingen in
handen van de Duitse Politie gevallen, waarbij
‘ook beledigingen aan het adres van het Duitse
Staatshoofd zijn gevonden.’ Ook waarschuwt hij
tegen moppen, kettingbrieven ‘of wat dan ook’.
Op 19 juli 1941 wordt Baumann ontslagen door
de bezetter.
DIENST.
DepartementJyt& Opvoeding,
Wetenschap ej/jCultuur bescherming.
Den Heer
^ «nu
No. 597.
JWRECTÉUÏTRIJKS H. a. s. ZWOLIE
TELEFOONNUMMER 2081
Twee dagen later wordt Dr. J.F.L. Reudier
waarnemend directeur. Slechts voor korte tijd,
want op 18 november wordt hij ‘afgezet’. Zijn
opvolger is wiskundeleraar L.T. de Bruin. Hij zal
waarnemend directeur blijven tot de komst van
P.A. van Rossem op 1 augustus 1942.
Mijn aantekeningen van het jaar 1941 vermelden
onder andere de volgende feiten. Er zijn problemen
rond de salarissen, omdat de girorekening
nog rekent op de handtekening van directeur Baumann.
Maar die is dan ondergedoken en de handtekening
van de waarnemend directeur is bij de
giro nog niet officieel bekend. Er is bij leraren en
leerlingen grote angst voor verraad. Leerlingen
weigeren geld te geven voor een krans bij de begrafenis
van een mede-leerling; die jongen was NSB-er
(…). Leerlingen klagen, dat de leraar B. de Jong in
de klas praat over de krijgsverrichtingen in Rusland,
de overwinning van Duitsland en het verslaan
van Engeland en over het dienstnemen bij de
Waffen SS. In een schrijven van Reudier aan de
solliciterende heer W.J. Tuin wordt gesproken
over ‘de grote verwarring die hier nog steeds
heerst’.
In augustus en september 1941 wordt opgave
gedaan aan de burgemeester van joodse leerlingen.
Keurig naar klasse gerangschikt worden die
De C van Cultuurbescherming
in het
opschrift van deze enveloppe
werd veranderd in
een K (handschrift van
wnd. dir. De Bruin).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
leerlingen opgesomd die ‘uit ten minste 3 naar ras
voljoodse grootouders stammen en ten 2e zij, die
uit twee voljoodse grootouders stammen, wanneer
zij een Joodsch-godsdienstige opvoeding
ontvangen.’ Zo verdwijnen met ingang van 1 september
14 leerlingen van school…
Hoe reageerden de andere leerlingen hierop?
We weten het niet goed meer. Of hebben we ’t verdrongen?
Ik denk, dat de herinnering van Henny
van ’t Vlie het dichts bij de waarheid komt: ‘Wij
waren met de meisjes – 6 a 8 per klas – hecht
bevriend met elkaar. De Zwollenaren kwamen
ook geregeld bij elkaar thuis. Wij vonden het heel
erg toen de joodse kinderen niet meer bij ons op
school mochten komen. Wij hebben er met elkaar
over gepraat, en waren woedend én verdrietig, dat
onze vriendinnetjes er niet meer bij waren. Maar
we hebben niet gestaakt, zelfs niet geprotesteerd.’
We waren bang.
Er is natuurlijk wèl over het vertrek van de
joodse leerlingen en leraren gesproken. Zowel
P.A. van Rossem binnen als buiten de lerarenkamer, zowel binnen
als buiten de school. Maar de angst voor verraad
zat er in dat tweede oorlogsjaar al diep in.
Misschien is ’t hier de plaats even te spreken
over de ‘foute’ leerlingen of over de kinderen van
‘foute’ ouders. Bijna niemand sprak met ze. Ze liepen
alleen naar school, ‘een meter of tien vóór of
achter ons’, herinnert Henny van ’t Vlie zich.
Ikzelf heb het meisje Bentema, dat een paar huizen
van mij af woonde, inderdaad zó al die jaren naar
school zien gaan. ‘En ook Uschi was altijd alleen.
Soms werd er wel eens opgemerkt: “Zielig eigenlijk”,
maar zonder afspraak bemoeide toch niemand
zich met haar. In de gymlessen liep ze helemaal
achteraan. Zei ze iets, dan kreeg ze wel antwoord.
Ze werd niet totaal genegeerd, maar werd
ook nergens bij betrokken.’
Ik heb getracht in contact te komen met die
‘foute’ leerlingen van toen. Ik wilde met ze praten.
Ik kende nog een paar anderen ook. Maar mijn
pogingen waren tevergeefs. Ik heb uiteindelijk wel
met vier gesproken, maar over het onderwerp
‘foute leerling’, wilde (of kon) men mij niets vertellen.
Het moeten ook voor die leerlingen ellendige
jaren zijn geweest.
Van Rossem wordt directeur
Op 1 augustus wordt Pieter Arthur van Rossem de
nieuwe directeur van de Zwolse Rijks HBS. Niemand,
werkelijk niemand heeft goede herinneringen
aan hem. Wel zeer slechte. Lenie de Coninck:
‘Een beest, hij keek altijd in je agenda’s.’ H. Strijker:
‘Een loeder.’ Rudi Borggreve: ‘Een slagveldhyena.’
Verdere herinneringen bijvoorbeeld van
Wim Caspers en Jan Karel zijn al niet veel beter.
Van Rossem, geboren in het Belgische Temsche
op 11 december 1894, was in de Eerste Wereldoorlog
een wel zeer actief Flamingant geweest.
Hij werd voor zijn gedrag na die oorlog ter dood
veroordeeld en vluchtte naar Nederland. In 1931
komen we hem tegen als leraar Frans aan het
Zwolse Christelijk Lyceum aan de Veerallee. Volgens
het bevolkingsregister heeft hij dan ‘geen
nationaliteit’.
Na zijn aanstelling begon een waar schrikbewind
te heersen op school. Maar de eerlijkheid
gebiedt mij te zeggen, dat er ook al vóór zijn komst
strenge maatregelen worden genomen, zoals tegen
Rudi Elemans, die een aanplakbiljet der SS ‘op
schandelijke wijze heeft besmeurd’ (zo schrijft op
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
11 april de waarnemend directeur De Bruin). Aan
de inspecteur wordt in de desbetreffende brief
precies aangegeven wie van de leraren vóór en wie
tégen stemde om Rudi van school te verwijderen.
Maar het voorstel van De Bruin werd met 12 tegen
6 stemmen verworpen. De meerderheid vond verwijdering
toch een te strenge straf. Rudi moest nu
in de komende 10 weken elke woensdag en elke
zaterdag van 2 tot 4 uur op school terugkomen.
‘Hij zal dan onder toezicht van een lerares of leraar
werk maken’, schrijft De Bruin. Ik heb niet kunnen
vinden welke leraren zich hiervoor hebben
gemeld; of zouden ze zijn aangewezen?
Ook in dit jaar kom ik een brief tegen die te
maken heeft met (on)vaderlandslievendheid. Het
betreft een schrijven van de NSB-vader Gerritsen,
die aan de directeur schrijft of hij de cijfers van
zijn zoon Leen eens wil vergelijken met die van
andere leerlingen. Hij heeft de sterke indruk, dat
zijn zoon slechter beoordeeld wordt.
En verder? Ach, Van Rossem klaagt tegenover
de Secretaris-Generaal van het Departement van
Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming
(nu met een K gespeld!) dat er kopieën van vroegere
uitgaande en ingekomen stukken ‘niet of
slechts sporadisch aanwezig zijn. Wie ze zoekgemaakt
heeft en waar zij gebleven zijn, weten wij
niet. Maar, het moeten onverantwoordelijke elementen
zijn geweest.’
Op 10 september 1942 wordt een speciale lerarenvergadering
gehouden, ter gelegenheid van het
75-jarig bestaan van de school. Het is alleen Van
Rossem die het woord voert. Uit de notulen pluk
ik de volgende zinnen: ‘Hier worden jonge mensen
opgeleid en opgevoed door leraressen en leraren,
die de taak op zich genomen hebben, de
samenleving bruikbaar en zelfs deugdelijk materiaal
te leveren voor de geestelijke en stoffelijke
opbouw van het volksbestaan.’ En dat zal moeten
gaan ‘goedschiks of kwaadschiks’. Hij hoopt verder
dat het toekomstige honderd-jarig bestaan
feestelijk herdacht zal worden. Dat is nu niet
mogelijk ‘omdat deze tijd zich nu eenmaal niet
leent voor feestelijkheden.’ Wat dat laatste betreft,
had Van Rossem nu eens gelijk!
Dreiging
In de jaren 1943 en 1944 wordt het steeds moeilijker
de lessen doorgang te laten vinden. Er vinden
razzia’s plaats (Van Rossem klaagt over het vele
absenteïsme van leerlingen in de hogere klassen).
De heer Tuin, die in Leeuwarden woont (het leraarschap
te Zwolle is niet zijn enige baan), vraagt
het lesrooster zó te maken dat de trein van half drie
uit Zwolle gehaald kan worden. Anders moet hij
om half zes weg en de trein heeft meestal vijftig minuten
vertraging, ‘en dan heb ik een bewijs nodig
om op straat te zijn tot 9 uur. Anders moet ik tot 4
uur binnen blijven.’ Voor de onbekenden met deze
materie: er gold een verbod om zich op bepaalde
tijden ’s nachts buiten te bevinden.
Ik zie ook, dat de leerlinge Elly Bokstijn plotseling
tijdens de cursus 1943/1944 in de tweede klas
wordt geplaatst, in 1944/1945 in de derde klas zit,
maar de leerlingenkaart vermeldt dat zij in de cursus
1945/1946 vertrokken is. Het lijkt een doodgewone
mededeling, maar ik weet dat Elly uit Den
Haag kwam, waar haar vader op het CDK (— Centraal
Distributie Kantoor) werkzaam was. Het
CDK werd uit de kustlinie naar Zwolle gedirigeerd
en zo kwam Elly naar de provincie.
Gjalt Spijkstra
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In de Thomas a Kempisstraat
was in de
oorlog de Wehrmachtstankstelle,
waar leden
van Hitlers oorlogsmachine
hun benzine
haalden. Benzine werd
voor gewone Nederlanders
in de loop van de
oorlog steeds schaarser.
De foto werd op 25
februari 1941 gemaakt.
In het meest rechtse huis
is momenteel tabakswinkel
Thomas a
Kempis gevestigd; waar
in 1941 het bord Esso
aan de muur was bevestigd,
is nu een snackbar
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
Spanning bracht op school de kwestie Gjalt
Spijkstra. Misschien is dit het enige echte openlijke
verzetsverhaal van een leerling. In de hoogste
klas gaf de leraar Duits opdracht een stuk uit het
Duits in het Nederlands te vertalen. Dit stuk was
afkomstig uit ‘Mein Kampf van Adolf Hitler! De
klas weigerde de vertaling te maken. Gjalt Spijkstra
nam als klassevertegenwoordiger de taak op
zich om dit aan de ‘foute’ leraar De Jong te melden.
Een uitermate flinke, maar ook riskante zaak.
Het kwam Spijkstra duur te staan. Twee dagen
later werd hij gearresteerd en naar de gevangenis
in Arnhem getransporteerd. Hij heeft daar zes
weken gezeten.
Ook de leerling Jan de Coninck werd eens,
voor een andere zaak, gearresteerd.
Het was gevaarlijk om je mond open te doen.
En het was nog gevaarlijker om dat tegen onbetrouwbare
leerlingen of leraren te doen. Gelukkig
waren verreweg de meeste leraren ‘goed’. Er wordt
verteld, dat de heer Zijlstra (‘Sijmen’) bijvoorbeeld
absoluut niet bang was. Hij waarschuwde de
oudere jongens, als er weer eens een razzia werd
gehouden. ‘Dan klommen we langs de regenpijpen
naar beneden.’
In 1944 moest de school geheel worden ontruimd.
Dat was al in het jaar daarvoor gedeeltelijk
gebeurd. Maar nu eisten de Duitsers het hele
gebouw op. We werden gehuisvest in de meisjesschool
in de Bloemendalstraat èn in de gemeentelijke
naaischool op ’t Assiesplein. Die verhuizing
herinner ik mij nog zéér wel. Bovenop de bok van
een paard en wagen zat ik daar, met het geraamte
‘Piet’ naast me. Achter mij klotsten de retorten,
reageerbuizen, natuur- en scheikundetoestellen
door en over elkaar. Een zotte tocht moet dat zijn
geweest. Voorzichtig waren we niet. Rudi Borggreve
weet nog dat hij zoutzuur over het uurwerk
van de grote klok in het nu lege gebouw goot. Misschien
was ook dit een klein verzetsdaadje.
De heer Smit klaagt in januari 1944 dat hij ’t zo
koud heeft. Kolen zijn er niet. We houden de jassen
in de klas aan.
Ook zijn er leraren (onder anderen Caspers en
de wiskundeleraar J.H.N, de Jongh, niet te verwarren
met de foute De Jong!) opgepakt. Zij moesten
voor de bezetters verdedigingswerken graven.
Zowel Caspers als De Jongh zijn er met valse doktersverklaringen
uitgekomen. Zij werden in de
Buitensociëteit gevangen gehouden. Veel Zwolse
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
doktoren waren in die tijd bereid valse verklaringen
af te leggen. Vooral dr. Eeftink Schattenkerk
was daar een meester in. ‘Hij vertelde je precies
hoe je moest suggereren, dat je een maagzweer of
een blindedarmontsteking had.’
De eerste maanden van het laatste oorlogsjaar 1945
waren koud, gevaarlijk en angstig. En hoewel in
Zwolle geen échte honger is geleden, waren we
voortdurend op zoek naar eten. Lessen op school
werden onregelmatig gegeven. De leraren en de
oudere leerlingen (de jongens liepen groot gevaar
opgepakt te worden), durfden niet goed meer over
straat. Op de lerarenvergadering van 10 april (er
zijn slechts zes leraren aanwezigen) deelt voorzitter
Van Rossem mee, dat de opkomst der leerlingen
gering is. Besloten wordt de school tot nader
order, wegens het oorlogsgeweld, te sluiten. Het
zal Van Rossems laatste vergadering zijn.
Vier dagen later wordt Zwolle door de Canadezen
bevrijd.
Bevrijding
Was na die veertiende april 1945 alles weer spoedig
nogmaal? Verre van dat.
Een kleine greep, zéér onvolledig, uit die
schoolperiode.
Libbe Blom uit mijn klas komt om bij het
demonteren van een granaat. Van Rossem wordt
gearresteerd. De Jong eveneens. Deze laatste was
op 1 maart 1943 naar de Duitse School in Hengelo
gegaan. Beiden worden ‘wegens ontrouw’ ontslagen.
Baumann komt terug, schrijft op 15 mei aan
de commissaris van politie Lettinck een aanklacht
tegen Van Rossem en De Jong (in zijn brief noemt
hij ze ‘het tweetal schurken’). Bij de eerste lerarenvergadering
worden Baumann en Elte hartelijk
verwelkomd. Vleeshouwer zal later, op 22 juni, uit
een concentratiekamp terugkomen. De school aan
dé Bagijnesingel verkeert in een verregaande staat
van vervuiling en wordt bovendien voorlopig nog
niet vrijgegeven. Daar zullen we pas in de herfst
van 1945 terugkomen; we worden dan verwelkomd
door een groot aantal vlooien.
Maar in april kunnen we ook niet meer in de
Bloemendalstraat terecht: ‘Het zal dus nodig zijn
het gehele onderwijs te geven in het gebouw aan
-BUPAUTIiMUUT VAH
KUNSTtN E^
Afschrift.
OMPBRWUi^ KUN6TEH -BW
1 3 ?l?5??*.?ï! X3QC 194-5»
No. 159.8 AFDEELINGX.H.BM.O.
-PC SECRETARIS-GENERAAL VAN HET DEPARTEMENT
“‘t
‘-fl I 9 DEa 1945
IWlJt», KUNMRN faSF= 5KFF
DE MIHISTER VAN ONDERWIJS, KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN:
Gelet op artikel 4-, sub 1, van het Besluit Rechtsherstel
ontslagen ambtenaren, het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren, het Koninklijk Besluit van
18 April 1945, no 2, (Staatsblad no F.55) en het
Ambtenarenreglement Rijke hoogere burgerscholen;
HEEFT GOEDGEVONDEN:
opnieuw te benoemen aan de Rijka hoogere burgerschool te
Zwolle te rekenen van 14 April 1945
a. Ir.E.J. Baumann tot directeur in vasten dienst, op een
jaarwedde tevens pensioensgrpndslag van zesduizend zeshonderd
zeven en tachtig gulden (f.6687.-), waarbij een
tijdelijke toelage zal worden toegekend van tweehonderd
een en negentig gulden (f.291.-) per jaar;
b. S.Elte, tot leeraar in vasten dienst, op een jaarwedde
-tevens TiftnBlofinagrondalag van vijf duizend negenhonderd
gulden tf.59OO.-T, waarbij een tijdelijke toelage zal
worden toegekend van tweehonderd zeven en vijftig gulden
(f.257.-) per jaar.
Afschrift dezer zal worden gezonden aan de Algemeene
Rekenkamer, aan den Inspecteur van het middelbaar onderwijs
in de vierde inspectie en aan den Directeur der Rijks hoogere
burgerschool te Zwolle» Uittreksels zullen worden gezonden
aan de belanghebbenden, elk voor zooveel hem aangaat„
1s-Gravenhage, 13 December 1945.
den Directeur der Rijka
hoogere burgerschool
te
Z w o 1 1 e .
het Assiesplein.’ Omdat daar slechts zeven lokalen
vrij te maken zijn, zullen er twee ploegen van telkens
zeven klassen komen. De ene week krijgt een
ploeg ’s ochtends, de andere ’s middags les; de volgende
week omgekeerd ‘omdat over ’t algemeen
de ochtendlessen vruchtbaarder zijn’. De dames
De Kok en Van Niftrik zijn in april nog niet aanwezig.
Zij zitten in het nog bezette deel van het
land en kunnen Zwolle dus nog niet bereiken.
De leerlingen zijn geleidelijk de tucht ontwend.
‘Ze zijn verwilderd’, staat er te lezen. De
joodse leerlingen komen, voor zover zij de oorlog
De herbenoeming van
Baumann en Elte met
ingang van de bevrijdingsdag
van Zwolle (14
april 1945). Zie de verwarrende
strepen in het
hoofd van de brief. Nog
tot lang na de bevrijding
gebruikte men het oude
oorlogspapier.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
hebben overleefd, weer op school terug (passend
zou natuurlijk zijn, daar een lang verhaal over te
schrijven).
Baumann klaagt in de vergadering, dat niet
iedereen zijn mond heeft kunnen houden over het
feit dat hij met enkele collega’s over hun houding
in de oorlog heeft moeten spreken. Dat waren dan
de leraren die niet echt fout, maar wellicht ook
niet echt goed geweest zijn. De namen van hen
zijn mij bekend, maar zou hun houding veel verschillen
met de houding van al die andere Nederlanders?
Ik geloof van niet.
De leraren in de exacte vakken klagen, dat de
vijfde-klassers ‘de werkroutine kwijt zijn, terwijl
ze ook geen fundamentele kennis meer hebben. Er
zijn ernstige hiaten; zo kunnen de leerlingen niet
meer werken met negatieve exponenten.’ Deze
klacht is van oktober 1945. De vijfde-klassers van
de cursus 1944/1945 hadden hun diploma die
zomer zonder examen gekregen.
En de NSB-kinderen? Over de NSB-ers (zó worden
ze genoemd in de notulen) wordt verklaard:
‘Als ze geen aanleiding geven tot verstoring der
orde kunnen ze worden geplaatst.’
Er is een groot tekort aan boeken. Aan de leraren
wordt gevraagd hun present-exemplaren af te
staan. Bij het weer in gebruik nemen van ons eigen
gebouw aan de Bagijnesingel blijken er wel veel
vlooien maar weinig borden te zijn.
Maar het onderwijs komt weer op gang, al lees
ik dat nog in 1947 de eindexamenopgaven mechanica
en Frans niet zo streng beoordeeld moeten
worden. Er moet rekening worden gehouden met
de afgelopen jaren. De heer De Jongh verklaart,
dat het nog wel tot 1950 heeft geduurd, voordat
alles weer ‘echt normaal’ was.
Veel is er geschreven. Veel is ook niet geschreven.
Ik vertelde niet over de vele malen luchtalarm,
over de dramatische begrafenis van de leerlinge
Willie Hartsuiker, verstoord door overvliegende
schietende vliegtuigen, over het dragen van klompen
in de school, want schoenen hadden we niet
meer, over de secretaresse van de HBS-vereniging,
Dicky van der Laan, die aan het Departement toestemming
moest vragen voor de opvoering van
een toneelstuk, over de Zwolse NSB-ers die in de
zomer van 1945 de school moesten schoonmaken
na de ontruiming der Canadezen en Engelsen
onder bewaking van ex-verzetsmensen, die nog al
eens gauw met een handgranaat dreigden.
Toen de lerares mej. J.E.C, de Kok uit Utrecht
in Zwolle terugkwam, woog ze nog maar 87 pond.
‘Baumann zei me: Ga alsjeblieft gauw zitten!’
Leraar Tuin zat in het verzet tijdens de oorlog. En
de heer A. de Roos, onze conciërge, zag na de oorlog
de (toen) gevangen genomen Van Rossem
hem toefluisteren: ‘De Roos, hoe denken ze over
mij?’ De Roos antwoordde: ‘Och, dat gaat wel.’
Een aardige man, die meneer De Roos, maar juist
was zijn antwoord niet…
Slotbeschouwing
Men vroeg mij te schrijven over de Zwolse HBS tijdens
de oorlogsjaren. Ik ben mij er volledig van
bewust dat het een zeer onvolledig verhaal is
geworden. Ik mengde mijn eigen herinneringen
met de feiten die ik in de archieven vond. En
gelukkig waren velen mij behulpzaam door hun
verhalen aan mij door te geven.
Vijftig jaar geleden.
Het kwam weer terug …
Noot
* Bovenstaand verhaal is een bewerking van een artikel
dat in 1992 is verschenen in het herdenkingsboek
‘Vijfmaal zilver’ -125 jaar RHBS, MMS, RSC, Van der
Capellen scholengemeenschap Zwolle.
Het artikel is gebaseerd op archiefmateriaal en op
mondelinge en schriftelijke herinneringen van oudleraren,
oud-leerlingen en van de schrijver zelf, die
van 1941 tot 1948 leerling was van de Rijks HBS.
In het rijksarchief aan de Eikenstraat te Zwolle is
het archief van RHBS te vinden onder nr. 344.3. Van
de oorspronkelijke 18 meter is 3.75 meter bewaard
gebleven. 2.25 meter ging retour naar de school.
12 meter is vernietigd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen
De Tweede Wereldoorlog ligt nu al weer
een halve eeuw achter ons. De hele ellende
heeft bijna vijf jaar geduurd. En wat
zijn nu vijfjaren in een halve eeuw? Toch hebben
deze jaren een zeer diepe indruk gemaakt op degenen
die ze bewust hebben meegemaakt. Vooral
omstreeks de meidagen komt ons alles duidelijk
voor de geest: de spannende dagen rond de tiende
mei 1940, de honger – al hebben wij in Zwolle
nauwelijks echte honger gekend! – , de overtrekkende
vliegtuigen, het luchtalarm, de angst voor
razzia’s, maar vooral de enorme blijdschap, toen
we eindelijk werden bevrijd. Ik kan me niet voorstellen
een dergelijke massale vreugde-uitbarsting
daarna ooit meer te hebben meegemaakt; we
waren eindelijk vrij!
Nu vinden we dit vanzelfsprekend. En we zijn
dikwijls ontevreden, terwijl we het toch eigenlijk
zo ontzettend goed hebben. Daarom is het goed
terug te blikken op de tijd, waarin wij geknecht
werden door Hitler’s trawanten. En daarom is het
belangrijk, dat wij ons realiseren waar rassenhaat
– die in onze tijd weer zo opkomt- toe kan leiden.
Ik was een kind, toen de oorlog uitbrak. Daarom
hebben mijn leeftijdgenootjes en ik misschien niet
ten volle beseft wat onze ouders in die tijd hebben
afgetobd. Wat moet het voor moeders moeilijk
zijn geweest hun kinderen niet te kunnen geven,
wat ze nodig hadden. En dan die angst om mannen
en zonen, die elke dag kans liepen opgepakt te
worden om in Duitsland te werk te worden
Ank Meliesie-Appelhof
Klas3A van de RHBS in
1943. De foto werd genomen
op de binnenplaats
van het schoolgebouw
aan de Bagijnesingel
(foto: A. Meliesie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Klas3A van de RHBS in
een andere samenstelling,
nu gefotografeerd
in de tuin achter de
school. De kniekousen
die de meisjes droegen,
waren gemaakt van een
uitgehaalde sprei of van
zelfgesponnen schapewol
(foto:A. Meliesie).
gesteld. Om niet te spreken over mannen en vrouwen
die dagelijks hun leven waagden in de illegaliteit.
Wat dat betreft heb ik maar weinig meegemaakt;
datzelfde geldt eigenlijk voor een groot
gedeelte van de Zwollenaren. Als kind vond je het
best spannend. Er gebeurde nog eens iets! Bovendien
had je kans, dat een repetitie niet doorging,
‘Komt er oorlog?’
Ik herinner me nog, dat de ‘grote mensen’ dikwijls
ernstige gesprekken voerden en daarbij zeer zorgelijk
keken. Maar er gebeuren zoveel interessante
dingen in je kindertijd, dat je daar niet bij stilstond.
Gebeurtenissen in Duitsland, zoals jodenvervolging,
rassenhaat en het gebral van Hitler
omdat er luchtalarm was. En het laatste oorlogsjaar
had je maandenlang vrij van school. ‘Kolenvakantie’
noemden ze dat, omdat er geen brandstof
meer was om de klaslokalen warm te stoken.
Bovendien konden veel onderwijzers en leraren
niet meer vrij over straat lopen, omdat de moffen
– we noemden de Duitsers nooit anders en ik
moet bekennen, dat ik nog altijd over ‘moffen’
praat – behoefte hadden aan jonge mannen om
voor hen te werken.
Nee, dit wordt geen verhaal over lijden en ontberingen.
Hier volgen de herinneringen van een
Zwols meisje aan de periode, die zo’n diepe
indruk heeft nagelaten op de mensen die het allemaal
hebben meegemaakt.
gingen volledig aan ons voorbij. Wel weet ik nog,
dat op de bovenverdieping van een huis vlak achter
het onze, plotseling oude Duitse joden woonden.
Ze waren er opeens.
Het woord ‘oorlog’ hoorde ik steeds vaker en
ik werd soms wel een beetje bang. ‘Komt er oorlog?’
vroeg ik dan. En altijd was het weinig bevredigende
antwoord: ‘Dat is niet te hopen’.
En toen kwam de ochtend van de tiende mei.
Heel vroeg werd ik wakker, omdat mijn oudere
zus half huilend de slaapkamer van onze ouders
binnenliep: ‘Ik hoor steeds schieten en er zijn allemaal
vliegtuigen. Het is oorlog.’ ‘Ga toch slapen’,
zei mijn vader doezelig: ‘Dat zijn alleen maar oefeningen.’
Maar plotseling klonk een harde knal en
ook wij hoorden het onheilspellende gebrom van
vliegtuigen. We vlogen ons bed uit en renden naar
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
beneden. Daar werd direct de radio aangezet (wij
hadden radiodistributie) en door de luidspreker
hoorden we de sombere stem van de omroeper,
die sprak over schending van onze neutraliteit,
gesignaleerde vliegtuigen en gelande parachutisten.
Het was oorlog.
Later gingen we naar buiten, waar de mensen
bij elkaar stonden. Wij, de kinderen uit de straat,
waren al gauw over de schok heen en speelden
krijgertje rondom de groepjes pratende ouders.
De ramen werden beplakt met lange stroken plakband
om te voorkomen, dat het glas zou breken
als er een explosie zou zijn.
’s Middags zagen wij de Duitse soldaten voor
het eerst – en nog lang niet voor het laatst!- in de
Wipstrikkerallee. Ik heb geen idee, waar ze plotseling
vandaan kwamen. Ze waren zeker niet helemaal
uit Duitsland naar Zwolle komen lopen… In
camouflagepakken, met helmen, die waren bedekt
met bladeren en takken, slopen ze van boom tot
boom. Dus dat was nu de vijand!
’s Avonds sliepen we met ons vieren in de
voorkamer op matrassen. Voor zover ik me herinner
was het een vrij rustige nacht. De volgende dag
kregen we inkwartiering. We moesten een piepjonge
Duitse soldaat in huis nemen. Het was bijna
nog een kind. Mijn ouders kwamen met de jongen
in gesprek. Er was hem verteld, dat de Engelsen
ons land waren binnengevallen en dat de Duitsers
waren gekomen om de Britten te verjagen. Mijn
vader en moeder hebben hem duidelijk gemaakt,
dat daar geen sprake van was en dat de Duiters ons
land hadden overvallen! Ik verstond toen nog
geen woord Duits, maar de soldaat schijnt te hebben
gezegd: ‘Wat moet het voor jullie dan moeilijk
zijn om mij in huis te moeten nemen.’ Na deze
woorden was het onmogelijk de arme jongen
honds te behandelen. Zou hij de oorlog overleefd
hebben?
Bezetting
Het waren vreemde dagen. Het was stralend weer,
maar de stemming was somber, omdat duidelijk
werd, dat bezetting onvermijdelijk was; vooral
toen we hoorden, dat koningin Wilhelmina, prinses
Juliana en de kleine prinsesjes ons land hadden
verlaten. Burgemeester van Walsum hield via de
radio een emotionele rede, waarin hij het Koninklijk
Huis hevige verwijten maakte over deze
‘vlucht’. Hij zal daar later ongetwijfeld veel spijt
van hebben gehad. In elk geval is het hem niet in
dank afgenomen. Het is uiteraard in een opwelling
gebeurd.
Het werd 15 mei. Wij hoorden geruchten, dat
Rotterdam zwaar was gebombardeerd en dat
andere grote steden zouden volgen als Nederland
niet capituleerde. De vijf vreselijke oorlogsdagen
waren voorbij. Je zag veel mensen huilen. Optimisten
zeiden, dat het hoogstens een jaar zou
duren. Aan deze uitspraak klampte je je hoopvol
vast, omdat je het zo graag wilde geloven. Het is
maar goed, dat wij toen nog niet wisten, dat het
bijna vijfjaar zou duren, voordat we de rood-witblauwe
vlag weer konden uitsteken.
Het eerste jaar merkte je eigenlijk niet zoveel
van de oorlog. Er was nog niet zoveel gebrek aan
alles. Dat kwam pas later, toen de bonkaarten
kwamen en de mensen – ik geloof vanaf hun vijftiende
jaar – een persoonsbewijs kregen. Wel zag
je de gehate Duitse uniformen in de straten en
dikwijls marcheerde een kolonne Duitse soldaten
door de straten. Ze zongen uit volle borst; en
eigenlijk zongen ze allesbehalve lelijk. Ze zongen
liedjes als: ‘Heidemarie’ en ‘Erica’. (Onze Nederlandse
militairen zongen de vaderlandse versie:
Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad.)
Veel erger waren echter de zwarte uniformen
van de NSB-ers. Die werkten op ons, Nederlanders,
als een rode lap op een stier. En dan de
Jeugdstormers met hun blauwe bloesjes en hun
zwart-oranje mutsen. Bij mij in de klas zat een
meisje, dat bij de Jeugdstorm was. Op hoogtijdagen
kwam ze in uniform op school. Ik had de
pech, dat ze naast mij in de bank zat. Ik ging helemaal
op het puntje zitten, zodat ik er bijna afviel.
Eigenlijk was het een heel lief kind en ze kon er
natuurlijk ook niets aan doen dat haar vader NSBer
was. Maar ze werd gemeden als de pest en niemand
vond haar zielig. Nu, achteraf, natuurlijk
wel!
Na verloop van tijd zag je mensen met een ster
lopen. Dat waren joden. In de binnenstad, vooral
in de Bitterstraat en omgeving, woonden veel
joden. Zij werden één voor één weggevoerd, maar
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aan de Meppelerstraatweg
was al snel na de
oorlog voor de daar op
31 maart 1945 gefusilleerden
een kruis opgericht.
Later werd een
meer permanent herinneringsteken
geplaatst.
De Meppelerstraatweg
werd toen nog
omzoomd door weilanden
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
daar heb ik eigenlijk weinig van gemerkt. Wel verdwenen
er joodse klasgenoten en leraren.
Wij begonnen langzamerhand door te krijgen,
dat de oorlog wel langer zou duren dan een jaar.
De situatie werd grimmiger en ook het verzet
werd groter. Er verschenen illegale blaadjes. Ik
weet nog goed, dat die bulletins tussen de leuning
en de zitting van de stoelen werden verstopt.
Kruitschip
We zijn op een ochtend erg geschrokken. Dat was,
toen een kruitschip in de buurt van Zwolle werd
getroffen. Ik lag te dromen over een klein vliegtuigje,
dat een groot vliegtuig aanviel. Zou het een
voorspellende droom zijn geweest? Ineens hoorden
we een harde dreun. Mijn moeder riep, dat ik
naar beneden moest komen. Ik had daar weinig
zin in, want het was toch al gebeurd? Toen ik in de
gang kwam zag ik mijn vader, die zich in de WC
stond te scheren. Hij was zich juist aan het inzepen
toen de klap kwam en ging daar, op de volgens
hem meest veilige plek, gewoon mee door.
Wij hadden er geen idee van, wat er aan de
hand was. Van de meeste huizen waren de ruiten
gesneuveld. Bij ons was alles nog heel, waarschijnlijk
omdat de bovenraampjes open stonden. Het is
gek, dat je op spannende momenten soms de slappe
lach krijgt. Op de bovenverdieping van een
huis in onze straat stak een gezette buurvrouw
verdwaasd haar hele, in hardroze nachtpon gestoken,
bovenlichaam door het raam, waar geen glas
meer inzat. Het was een komisch gezicht.
Melk halen
Echte honger hebben wij niet gekend. Maar elk
jaar werden de levensmiddelen schaarser. Schoenen
waren niet meer verkrijgbaar; alleen via de
zwarte handel. Schoenzolen slijten en kindervoeten
groeien snel. Daarom gingen we klompen dragen.
Wij gingen op klompen naar school en dat
was best te doen, wanneer je er eenmaal aan
gewend was. Alleen als er sneeuw lag was het lopen
soms moeilijk. Er bleven dan dikke klonten onder
de klompen plakken, die je telkens moest verwijderen.
Zo kloste je in school met veel lawaai over de
houten vloeren. We verfden de klompen in verschillende
vrolijke kleuren. Het mooist waren de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
fel oranje exemplaren, beschilderd met rood-witblauwe
vlaggen. Want je trachtte je vaderlandslievendheid
op allerlei manieren te tonen. De NSBers
waren op dat punt erg kinderachtig. Oranje en
rood-wit-blauw waren taboe.
Het brood zag er nauwelijks uit als brood. Het
was een donkere, kleiige substantie, waar we soms
uit balorigheid balletjes van maakten. Wij, Zwollenaren,
hadden het geluk midden tussen de boeren
te wonen, zodat er nog wel aan groente, fruit,
eieren, melk en soms vlees te komen was. Enkele
malen per week gingen we met de fiets de boer op
om melk te halen. Ik had het geluk, dat mijn fietsbanden
erg lang goed gebleven zijn, al hobbelde
het wel erg door de vele stukken, die op de binnenbanden
waren geplakt. Veel mensen moesten
het met houten banden doen.
Mijn grootouders hadden een bakkerswinkel
in de Voorstraat. Daar kwamen op vrijdag, als er
markt was, boeren uit de omgeving inkopen doen.
Mijn oma tracteerde ze in de kamer achter de winkel
op koffie. Daardoor kende mijn vader veel
boeren, waar we melk mochten halen. In weer en
wind fietsten wij naar Wijthem, Berkum, Haerst
en het Plankenloodsje. Mijn moeder had grote
zakken genaaid, die zij onder haar rokken droeg.
Daar stopte ze de melkflessen in, want als bij een
controle bleek dat je levensmiddelen bij je had,
dan was je ze kwijt.
Tijdens zo’n tocht heb ik eens iets vreselijks
meegemaakt, dat ik nooit zal vergeten. Ik fietste
over de Meppelerweg, waar het toen nog erg landelijk
was. De flats en huizen, die er nu staan,
waren er nog niet. In de verte zag ik een politieman
staan. Eerst wilde ik teruggaan, omdat ik
dacht, dat er controle was, maar niemand werd
aangehouden en bovendien had ik alleen maar
lege flessen bij mij. Ik reed dus door en plotseling
zag ik aan de kant van de weg een aantal lijken liggen.
Ik wilde niet kijken (ik had nog nooit een
dode gezien), maar het was of mijn blikken ernaar
toegetrokken werden. In die tijd zat mijn aanstaande
zwager in de gevangenis en ik heb de
gefusilleerde mannen één voor één aangekeken.
Toen ik terugfietste heb ik een grote omweg
gemaakt, omdat ik er niet nog een keer langs durfde.
Toen ik thuiskwam was ik helemaal overstuur.
Luizen en schurft
Dingen die we nu heel gewoon vinden, waren in
de laatste oorlogsjaren meestal onmogelijk. Zo lag
het verenigings- en uitgaansleven volkomen stil,
omdat je na acht uur niet meer de straat op mocht.
Bij elkaar op visite gaan was er dus niet meer bij;
behalve wanneer je bleef slapen. Buiten kon je je in
de donkere winterdagen moeilijk oriënteren. Je
probeerde je weg te vinden met behulp van een
zogenaamde knijpkat, waarvan het licht was afgeschermd
met donker papier. Ook een fietslamp
gaf weinig licht. Wat dat betreft was de sneeuw die
in de koude winter van ’44-’45 viel een uitkomst.
Daardoor kon je tenminste nog iets zien. Dat was
dan ook het enige voordeel, omdat de wegen
slecht begaanbaar waren en bijna niemand nog
goed schoeisel had. We liepen op klompen, waar
je de aangekoekte sneeuw vaak vanaf moest halen.
Verder leverde het wassen van kleren problemen
op omdat er geen goede zeep meer was. Ook
toiletzeep was niet verkrijgbaar; we moesten ons
wassen met kleizeep en dat schuimde niet.
Hoewel de propere Nederlandse huisvrouwen
alles deden om de boel zo schoon mogelijk te houden,
ontstonden er problemen: luizen en schurft.
Bij een luizenplaag moesten niet alleen de kriebelende
beestjes uit het haar verwijderd worden,
maar ook de neten. Dat gebeurde met azijn. Als de
neten namelijk achterbleven, had je zo weer een
kolonie van die parasieten. Ik heb zelf enige malen
luizen gehad en daarvoor behoefde ik me niet te
schamen; ik was niet de enige!
Schurft was nog erger. Ik heb het tweemaal
gehad en ik stak ook een bij ons logerend nichtje
aan (of andersom). Mijn moeder smeerde ons van
top tot teen in met een stinkende groene zalf, die
bij De Gaper werd verkocht. Daar zal ongetwijfeld
veel van die smurrie over de toonbank zijn gegaan.
De kleren die je had gedragen moesten grondig
worden gereinigd.
Dat waren van die onverwachte problemen
waar vooral huisvrouwen mee te kampen hadden.
Hongerwinter
Eindelijk kwam de landverwachte invasie. Op een
morgen kwam mijn tante die bij ons in de buurt
woonde, bij ons binnenrennen. ‘De Engelsen en
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Amerikanen zijn in Normandië geland!’ riep ze
uit. Iedereen was uitgelaten. Buren groepten bijeen
in de straat en we waren ervan overtuigd dat
de oorlog nog voor het einde van het jaar afgelopen
zou zijn.
Op een mooie dag in september was er
opnieuw grote opwinding. Parachutisten waren
bij Arnhem en Nijmegen geland. Nu kon het zeker
niet lang meer duren… Vlaggen werden tevoorschijn
gehaald, oranje strikken werden klaargelegd
en optimisten kochten bloemen om de
bevrijders te verwelkomen. Maar helaas, de bevrijders
kwamen nog niet. Het zuiden was vrij, maar
de rest van Nederland stond aan het begin van de
moeilijkste periode uit de oorlog.
Op straat was het erg stil, want er reden bijna
geen auto’s meer. Je kon op straat nu naar hartelust
rolschaatsen. En als de stadsbus, die door
middel van een gasgenerator werd voortbewogen,
voorbij kwam, kon je je zonder gevaar laten meetrekken,
want zo hard reed die bus niet…
Hoe erg de jodenvervolging was wist men toen
niet, maar we waren uiteraard wel op de hoogte
van het feit dat alle joodse inwoners van de stad
waren verdwenen. Ze waren weggevoerd of
ondergedoken. Ik had in die jaren pianoles bij
mevrouw Noordhof, die in de P.C. Hooftstraat
woonde, in de hoek van het pleintje. Na de oorlog
werd bekend dat daar een groot aantal joden was
ondergedoken. De pianoleerlingen, die het huis in
en uit liepen, hebben er nooit iets van gemerkt.
Wel heb ik eens een oudere man op de trap zien
staan, maar daar dacht ik verder niet over na.
Mannen waren niet veilig op straat. Ze konden
elk moment opgepakt worden om te helpen verdedigingswerken
te graven. Soms zag je groepen
mannen en jongens naar de Buitensociëteit marcheren,
waar ze tijdelijk werden ondergebracht.
Onze school aan de Bagijnesingel werd gevorderd.
Wij kregen les in de Naaischool op het
Assiesplein.
Echte honger hebben we nooit gehad, al werd
het voedsel wel schaarser. We aten vaak roggepap,
maar vaak waren er ook aardappelen, groente en
zelfs vlees, dat we bij de boeren haalden. Toch
hebben we een enkele keer eten bij de centrale
keuken aan de Vondelkade gehaald. We kregen
daar erwtensoep of één of andere smakeloze
stamppot. Je at het omdat je trek had, maar een
succes was het niet.
Inkwartiering
In de laatste oorlogswinter kregen we inkwartiering.
We moesten onderdak bieden aan vier militairen
van middelbare leeftijd. Ze werden ondergebracht
op de kamers van mijn zus en mij, zodat
wij op de zolderkamer moesten slapen. Van twee
van hen weet ik de naam nog: Siegler en Heinemann.
Heinemann was een grote blonde germaan
die duidelijk liet merken dat hij niets van de nazi’s
moest hebben. Hij vertelde vaak dat de berichten
gunstig voor ons waren. Wij zeiden echter niet
veel, omdat je niemand durfde te vertrouwen.
Siegler was een zielig mannetje, veel te oud om
nog dienst te doen. Eén van de overige twee was
een uitgesproken rotvent, een echte nazi. Heinemann
waarschuwde ons regelmatig voor hem.
Siegler had kennelijk veel behoefte aan huiselijke
• gezelligheid. Soms kwam hij met een smoesje in
de huiskamer en we vonden het te honds om
onaangenaam tegen hem te doen. Hij zat dan in
een stoel, onwetend van het feit dat tussen de leuning
en de zitting illegale krantjes of foto’s van de
prinsesjes uit Ottawa waren verstopt.
Met kerstmis kregen onze gasten-tegen-wilen-
dank allerlei lekkernijen. Op de morgen van de
eerste kerstdag, toen we wisten dat ze geruime tijd
weg zouden zijn (je kende hun doen en laten langzamerhand
wel) slopen mijn aanstaande zwager
en ik naar hun kamer. In de kast stonden trommels
met kerstkransjes. We namen enkele koekjes
uit de trommel waarvan we dachten dat die van de
‘rotmof was. Wij vonden dat geen stelen, net
zomin als men het in die tijd onrechtmatig vond
om hout en kolen te gappen; het was ons immers
allemaal afgepakt. De kransjes smaakten heerlijk!
In de namiddag werden er echter vurige kolen op
ons hoofd gestapeld. Siegler kwam binnen met
zijn trommel en bood ons gul een kerstkransje
aan. We kwamen tot de ontdekking dat we het lekkers
uit de verkeerde koektrommel hadden genomen,
’s Avonds, toen het viertal weg was om hun
kerstmaal te nuttigen (zij wel) zijn we weer naar
boven geslopen en hebben we kransjes uit een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
andere trommel genomen en in Sieglers bezit
teruggelegd.
Zo ging het jaar 1944 voorbij en konden we
elkaar op 1 januari een ‘Gelukkig Nieuwjaar’ wensen
met steeds dezelfde opmerking: ‘Dat het nu
eindelijk vrede mag worden.’
Eindelijk vrij
Aan de lange koude winter kwam een einde. De
dagen werden langer en je kon het voorjaar al ruiken.
En we roken ook de bevrijding. De berichten
waren gunstig: de geallieerden stootten door en
ook aan het Russische front werden geweldige
vorderingen gemaakt. ‘Het gaat goed’, zeiden de
mensen tegen elkaar. NSB-ers en moffen werden
hoe langer hoe zenuwachtiger en daardoor
gevaarlijker. Regelmatig werden pamfletten aangeplakt,
waarop te lezen stond dat er verzetslieden
gefussileerd waren. We wisten dat er onderduikers
waren en dat er verzetsgroepen actief waren, maar
veel ging langs je heen, vooral als je jong was. Ik
weet echter nog wel dat een belangrijke verzetsleider,
bijgenaamd De Groene, begin februari in de
Assendorperstraat werd neergeschoten. Daar
werd druk over gepraat.
Aan het gerommel in de verte kon je met eigen
oren waarnemen dat de bevrijders naderden. Ik
heb nooit meer zo’n vreemde verjaardag gevierd
als op de dertiende april 1945. Veel visite kwam er
niet, omdat de Vechtbrug omhoog stond en niet
meer naar beneden kon. De Wipstrikbuurt was
vanuit de stad dus niet meer bereikbaar, ’s Avonds,
toen we even achter het huis stonden, hoorden we
granaten gieren. We renden naar binnen. Later
hoorden we dat enkele mensen waren gedooddoor
dit granaatvuur; dus in het zicht van de
bevrijding. Daarna bleef het rustig, griezelig rustig.
Toch kan ik me niet herinneren dat we bang
waren. We vertrouwden er ongetwijfeld op dat we
zonder bombardementen of zware gevechten zouden
worden bevrijd. In ieder geval gingen we naar
bed. Mijn zuster en ik sliepen op de zolderkamer
aan de voorkant, omdat de Duitse soldaten nog
steeds bij in ons huis waren. Midden in de nacht
De granaten die door
terugtrekkende Duitsers
in de nacht van 13 op 14
april vanaf de Gelderse
kantvandeljsselop
Zwolle werden afgeschoten,
vernielden ook huizen
in de Celestraat. De
foto werd na de bevrijding
gemaakt, toen uit
de kapotte ramen reeds
de Nederlandse driekleur
wapperde. Op de
achtergrond hetDominicanerklooster
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werden we wakker: er werd hard ‘alarm!’
geschreeuwd en er was veel lawaai op straat. Toen
we voor het raam gingen kijken zagen we dat de
hele Brederostraat vol was met soldaten, die
bepakt en bezakt klaar stonden om weg te gaan.
Ditmaal was het beslist geen oefening! We raakten
er helemaal opgewonden van. Het zag er allemaal
erg chaotisch uit: de helden struikelden over hun
eigen voeten in de haast om weg te komen. En
daar gingen ze: een armzalige groep Duitse militairen
op leeftijd, die ongetwijfeld blij zullen zijn
geweest dat ze naar de Heimat terug konden gaan.
Het beeld van die wegsjokkende soldaten is voor
altijd in mijn hersens gegrift…
Vervolgens zijn we kennelijk-weer in slaap
gesukkeld, maar bij het ochtendgloren werden we
opnieuw gewekt. We hoorden hollende voetstappen
in de straat en er werd iets geroepen over
kolen. We hebben ons toen maar aangekleed en
zijn in het wilde weg achter anderen aangehold
naar een garage in de buurt, waar kolen lagen
opgeslagen. Ik geloof dat er geen steenkool meer
over was, maar dat interesseerde ons niet veel. De
winter was voorbij en de volgende winter zouden
we in een vrij land leven.
Toen gebeurde ineens van alles tegelijk. Ik
weet niet meer hoe we hoorden dat de Canadezen
op de Wipstrikkerallee waren gesignaleerd, maar
op een gegeven ogenblik stonden we aan deze weg
en zagen we de bevrijders. Het was voor ons een
groot wonder. Eindelijk was de langverwachte
bevrijding gekomen!
Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit zo blij en
ook zo dankbaar ben geweest als toen. Voor het
eerst, na vijf jaar, wapperde de rood-wit-blauwe
vlag weer aan een groot aantal huizen. We liepen
op straat en praatten met bekenden en onbekenden.
Het bevrijdingsfeest was één grote verbroedering.
Op een gegeven moment bevond ik me in de
Tesselschadestraat. Daar stond een grote groep
mensen om enkele joden, die daar ondergedoken
hadden gezeten, heen. Er waren ook enkele Canadezen.
Aan de overkant van de ‘Nieuwe Vecht
stonden de mensen te reikhalzen,, omdat zij de
bevrijders wilden zien. Die buurt. was op dat
moment nog niet bevrijd, omdat de Canadezen
niet over de Vechtbrug konden komen. In een
sneltreinvaart werd een noodbrug aangelegd,
zodat de rest van de stad niet lang daarna de
bevrijders ook kon toejuichen.
Herberg De Hanekamp werd door de Canadezen
als onderkomen gebruikt. Toen we er door de
ramen keken, zagen we er witbrood liggen! Dat
hadden we in jaren niet gezien; laat staan geproefd.
’s Middags, toen een noodbrug over de Vecht
was gelegd, zijn we naar de stad gegaan. Daar was
het groot feest. Geallieerde tanks, volgeladen met
jonge mensen, reden door de straten. De vlaggen
wapperden en bijna iedereen droeg oranje. Er
waren echte sigaretten, die ik moest proberen te
bemachtigen voor mijn vader, die jarenlang zelfgefermenteerde
tabak had gerookt. Gelukkig
waren de bevrijders er erg gul mee.
De leefden in een roes. Elke avond gingen we
de stad in. Er werd gedanst op verschillende plaatsen
en we liftten, groen als we waren, met militairen
mee. Het kwam niet in ons hoofd op dat er
soldaten waren met minder goede bedoelingen,
totdat mijn vriendin en ik een hachelijk avontuur
beleefden, waardoor we wel voorzichtiger werden.
We zagen bevrijde verzetstrijders terugkomen,
kaalgeschoren en gekleed in een overall. Op het
grote Kerkplein hebben padvinders en padvindsters
(die eindelijk hun uniformen weer mochten
dragen) de uit een gevangenkamp ontslagen hopman
Huysman toegezongen.
En toen kwam de avond van de vierde mei,
waarop we hoorden dat heel Nederland vrij was.
Er werd feest gevierd; een feest zonder baldadigheden
of vandalisme. Dat er voor onze bevrijding
vele duizenden hun leven hadden gegeven en dat
er zo onnoemelijk veel is geleden – vooral door de
joden – dat werd ons later pas goed duidelijk.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
De bevrijding van Zwolle op 14 april 1945
Leo Major was verkenner in het Canadese
Regiment de la Chaudière. Hij is ereburger
van Zwolle, sinds hij op 14 april 1985 door
burgemeester G. Loopstra werd onderscheiden.
Hij ontving toen de erepenning van de stad.
Major, die na 1945 meerdere malen in Zwolle is
geweest, woont met zijn vrouw Pauline in Candiac
(Quebec), niet ver van de grens met de VS. Ook in
dit herdenkingsjaar zal het echtpaar Major in onze
stad de plechtigheden en feestelijkheden bijwonen.
De vertaling van Majors woorden houdt het midden
tussen een letterlijke en een meer vrije vertaling.
Verslag
Ik voelde die nacht vlak voor de bevrijding van
jullie mooie stad geen enkele emotie, omdat het ‘t
zelfde was als elke keer bij ’t patrouillelopen of bij
een aanval in de oorlog.
Ik probeerde niet te denken. Dat was mijn
manier om geen angst te voelen; om nergens
anders aan te denken dan te slagen in al mijn
ondernemingen. Dat deed ik voor het eerst op Dday,
6 juni 1944, en diezelfde houding behield ik
elke dag, tot mijn laatste actie, later in Korea. Om
zoveel dagen oorlog te overleven zonder gek te
worden en je hoofd niet te verliezen. Mijn houding
moet, met Gods hulp, de juiste zijn geweest.
Ik ben er, per slot van rekening nog steeds, en zit
Leo Major
Vertaling
Wil Cornelissen
In de vroege ochtend
van 14 april 1945 moest
deze Duitser nog de wijk
nemen uit de stad. Hij
werd aan de Wilhelminasingel
door dr. Reinking
vanuit het raam
gefotografeerd
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Leo Major, met zijn
ooglapje, op 14 april
1945 aan de Wipstrikkerallee.
Hij is in het
gezelschap van, van
links naar rechts, de
heer Udves, de heer
Slendebroek en de heer
A. Beintema. De kinderen
komen uit het gezin
Kuipers; op de hurken
zit F. Kuipers
(foto: Gemeentearchief
Zwolle).
hier tegenover je om over de bevrijding te praten.
Ik ben ook de bevrijder van een kleine stad in
het meest zuidelijke deel van Nederland. Ik herinner
me de naam van dat plaatsje niet, maar wat ik
wel weet is dat ’t zo’n tien kilometer ten zuiden
van Breskens was. (Wellicht is dit Oostburg
geweest – vert.) De hele bevolking was door de
Duitsers geëvacueerd.
Hoe ’t ook zij, op een nacht viel een van onze
onderbezette compagnieën de vijand in die plaats
aan en zij werden geheel gedecimeerd. Niet één
man kwam terug. Diezelfde nacht zond mijn kolonel
mij er op uit om uit te zoeken wat er was
gebeurd. Ik ging op weg en kwam terug met 43
Duitse (krijgs)gevangenen; toen was die Nederlandse
stad in onze handen. Voor die actie ben ik
door Montgomery onderscheiden. Dat was in
1944, vele maanden vóór Zwolle. De tweede
bevrijding waarover ik kan vertellen, was bij mijn
Nederlandse familie Sleepenbeek in Nijmegen. Ik
J
noem hen mijn familie, omdat ik door hen als een
zoon werd behandeld. Het gezin bestond uit een
moeder, een vader die kapitein was in ’t Nederlandse
leger, drie dochters en een zoon van twaalf
jaar. Zij waren allen zeer gelovig en elke keer als ik
in Duitsland op patrouille ging, zeiden ze dat ze
voor mij zouden bidden dat ik de volgende morgen
terug zou komen. Het was voor mij daar een
rustpunt en dat bleef ’t voor mij gedurende vier
maanden. Toen de dag kwam dat we afscheid
moesten nemen, zeiden ze weer dat ze voor mij
zouden bidden. Maar toen ze zeiden dat ik voorzichtig
moest zijn, zei ik dat ik binnenkort een
Nederlandse stad voor hen zou bevrijden. Ik weet
niet waarom ik dat zei, omdat we eigenlijk richting
Duitsland gingen, maar zo was ‘t. Misschien zei i

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1993, Aflevering 1

Door | 1993, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
M3üt Chomas”5chocsf1,^chterziid^ met speelplaats en praeftuintfe Twee keer de plaats waar zo’n 70 jaar katholiek
onderwijs is gegeven: de Thomasschool
aan de Blekerstraat. De Blekerstraat
is nu geheel bebouwd door het ziekenhuis De
Weezenlanden en vormde het verlengde van de
Assendorperdijk in de richting van het Groot Wezenland.
Links is een gedeelte van het Dominicanenklooster
te zien en op de ansichtkaart van omstreeks
1910 rechts nog net het oude gebouw van
het rooms-katholiek ziekenhuis.
De R.K. Thomasschool was op 18 december
1908 geopend en ingezegend door pastoor N. van
Balen. In Zwolle waren in die tijd nog twee andere
katholieke scholen, in de Praubstraat en aan het
Assendorperplein. Voor de totstandkoming van
de drie scholen heeft de fabrikant Th.E.F. Heerkens
grote financiële offers gebracht. Zijn fabriek
stond trouwens vlak achter de school. De Thomasschool
was een jongensschool waar de Fraters
van Tilburg en enkele lekenonderwijzers lesgaven.
Op 1 september 1956 werd het schoolgebouw afgekeurd
en bouwde men een nieuwe St. Jozefschool
aan de Assendorperdijk. De school aan de Blekerstraat
werd verbouwd tot R.K. ULO voor meisjes
St. Theresia. De fraters maakten plaats voor nonnen.
Pas in de laatste jaren kwamen er ook jongens
in de klassen. Het gebouw moest in het midden
van de jaren zeventig wijken voor de nieuwbouw
van het ziekenhuis De Weezenlanden die op de
onderste foto zichtbaar is.
Boven: De Thomasschool aan de Blekerstraat op een
ansichtkaart van omstreeks 1910.
Onder: Dezelfde plek zo’n 80 jaar later,
(foto’s: D. Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Het Zwols Historisch Tijdschrift verenigt
de meest uiteenlopende historische personen.
Vrijmetselaars, 27 op verdachte
wijze aan hun einde gekomen stadgenoten en een
Schotse vechtjas die piëtistische boeken in het Nederlands
vertaalt: in het nieuwe nummer staan ze
broederlijk naast elkaar.
Die vrijmetselaars zijn de gebruikers van het
monumentale woonhuis Bloemendalstraat 11. Jhr.
A.J. Gevers heeft de historie van het pand en zijn
bewoners onderzocht. De oudst bekende bewoner
is Herman van Diepenbroek die in de zestiende
eeuw leefde. In 1867 kocht vrijmetselaarsloge Fides
Mutua het gebouw dat door architect Willem
Koch grondig werd verbouwd.
De 27 stadgenoten waren in de zeventiende
eeuw om het leven gekomen en dr. B.J. Kam heeft
onderzocht in hoeverre op hun lichaam sectie
werd gepleegd om de doodsoorzaak vast te stellen.
In veel gevallen werd ook het lichaam geopend;
slechts in een paar gevalen werd daar vanaf gezien
in verband met de ondraaglijke stank.
De Schotse vechtjas was lohan Fargharson, die
als vaandrig in ieder geval tussen 1618 en 1627 in
Zwolle was gelegerd. W.J. op ’t Hof vertelt over
zijn leven en over de twee Engelse theologische
werken die hij in het Nederlands vertaalde. In die
tijd liet het piëtistische puritanisme via Britse
huurtroepen tot in Zwolle zijn invloed gelden.
Als introduktie beschrijft D. Hogenkamp in
‘Zwolle vroeger en nu’ de grote veranderingen die
er aan de Blekerstraat hebben plaatsgehad.
En als afsluiting onderwerpen dr. A. Fuldauer
de langverwachte uitgave ‘De doden vertellen’
over de opgraving in de Broerenkerk en drs. A.H.
ten Cate het boek van ds. J. Bosch ‘Het Weeshuis
aan de Broerenstraat te Zwolle’, aan een kritische
beschouwing.
Zwolle vroeger en nu D. Hbgenkamp 2
Het pand Bloemendalstrat 11 en zijn bewoners jhr. A.J. Gevers 4
Pathologische anatomie in de zeventiende eeuw B.J. Kam 13
Johan Fargharson: vaandeldrager in tweeërlei dienst W.J. op ’t Hof 22
Literatuur 30
Agenda 34
Mededelingen 34
Personalia 35
Omslag: Drie mannen in een keuken; een dronkaard, een gehangene en een man
die met een degen doorboord is. Tekening van Gesina ter Borch; fragment (foto:
Rijksmuseum, Amsterdam).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het pand Bloemendalstraat 11
en zijn bewoners
jhr. A.J. Gevers
De omgeving van de
Bloemendalstraat.
Fragment van de, wat
gebrekkige, kaart van
Zwolle door Braun en
Hogenberg uit 1581.
De stad Zwolle was vroeger in een aantal
delen opgesplitst, waarvan de wijk Sassenstraat
er één was. De huidige Sassenstraat
vormde als het ware het middelpunt van
deze wijk, die het grootste gedeelte van de zuidelijke
helft van de binnenstad omvatte. Hij slingerde
zich vanaf de Sassenpoort naar de Grote Kerk.
Tussen Sassenstraat en Koestraat, die globaal genomen
oost-westverbindingen vormen, lopen een
paar straten van zuid naar noord. Praubstraat,
Goudsteeg en Bloemendalstraat zijn hun huidige
namen. In de loop van de geschiedenis hebben ze
ook andere namen gehad.
Vooral de Praubstraat – genoemd naar de
proost van Deventer – en de Bloemendalstraat
konden bogen op belangrijke inwoners. De
Praubstraat herbergde onder andere de Fraterhuizen,
het Begijnenconvent en de woning van de
adellijke familie Van den Rutenberg. De Bloemendalstraat
kende de aanzienlijke woning van de
griffier Bartholomeus van Coelen en – in later tijd
– van de bekende schrijver en dichter Rhijnvis
Feith. Tegenover de woning van de laatste bevindt
zich het pand dat het onderwerp vormt van onderstaand
verhaal.
Woonhuis
De tot nu toe oudst bekende eigenaar van het huis
Bloemendalstraat 11 is Herman van Diepenbroek.
Deze was mogelijk een zoon van Kerstken van
Diepenbroek, die in 1511 het burgerrecht van
Zwolle verwierf. Kerstken werd in 1524 in de raad
gekozen en op zijn naam werd in 1545 een raadsherenbeker
vervaardigd.1 Herman zelf komt vanaf
1546 voor in de maandrekeningen van de stad.
Op 31 mei vestigden Jasper Vrese en zijn vrouw
Anna een jaarlijks rente ten behoeve van de stad
‘uuth een hus ende were gelegen in de Sassenstrate
dat Herman Dipenbroick thobehort’.2 Zelf vestigden
Herman van Diepenbroek en zijn vrouw
juffer Catharina een rente op dit huis in 1569 ten
behoeve van Geert ter Borch. Het huis blijkt dan te
liggen tussen een pand van Gerrit Splinter en ‘Vilsterenwere’,
een bezitting van de Vilsterenshuizen.
Aan de voor- en achterzijde grensde het huis
aan de straat.3 Zoals in akten van die tijd gebruikelijk
was, werd de ligging van het huis niet nader
gespecificeerd en was de vermelding van de wijk,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in dit geval Sassenstraat, voldoende geacht.
De Vilsterenshuizen vormde een stichting om
een aantal oude mannen en vrouwen onderdak te
geven. Hiertoe hadden Herman van Vilsteren en
zijn vrouw Wendelmoet van Haersolte in 1468
hun huis bij testament nagelaten. Ten behoeve
van dit ‘bejaardentehuis’ moet ook Herman van
Diepenbroek een rente hebben gevestigd. In de zeventiende-
eeuwse legger van deze instelling vinden
we namelijk de inschrijving dat ‘uuth Harmen
van Diepenbroeck syn huys by Bethleem’ jaarlijks
een bedrag van vier goudgulden en zeven stuiver
moet worden betaald.4 Diezelfde inschrijving vermeldt
bovendien dat ‘nu Wolff van Ittersum’ dit
bedrag moet betalen. Inderdaad had deze het huis
in de Bloemendalstraat op 28 februari 1595 bij een
openbare verkoop gekocht.5 Bij die gelegenheid
bleek het pand te bestaan uit ‘ein huys unnd wehre
mit twie huirhuisen daerachteren, wesende also
eine duergaende wehre, gelegen in Pasmansstraete’.
De benaming Pasmansstraat is op dat ogenblik
de gangbare naam (verwijzend naar een van de inwoners,
namelijk Pasman ten Holthe) voor de
Bloemendalstraat. De naam Bloemendalstraat
duikt pas op na de vestiging van de familie Van
Bloemendal in het grote huis in het midden van de
straat.
Wolf van Ittersum was een zoon van de gelijknamige
Wolf van Ittersum en Christina van
Dorth. Hij werd in 1591 als raad gekozen. In 1612
werd hij namens het stadsbestuur van Zwolle aangesteld
als afgevaardigde in de Statenvergaderingen.
Hij stierf als lid van de raad van de stad in
1637. Daarna werd ook op zijn naam een zilveren
raadsherenbeker vervaardigd. Zijn eerste huwelijk,
met Christina van Haersolte, werd gezegend
met de geboorte van een zoon, eveneens Wolf (de
jonge) genaamd. Ter gelegenheid van zijn tweede
huwelijk in 1607 deed Wolf de oude erfuiting jegens
zijn zoon.6 Bij de vele goederen wordt dan
ook “t huyss in Pasmansstraete, daer die caemener
Tungeren innen woent’ genoemd. De bewoner is
dan dus Johan van Tongeren, sedert 1593 raadslid,
die op dat ogenblik de functie van eerste kameraar
uitoefende. Hij zou in 1614 ten landdage worden
afgevaardigd. In 1631 overleed hij als raadslid, zodat
ook op zijn naam een raadsherenbeker werd
gemaakt.
Toch zou Wolf de jonge niet van het profijt
van dit huis genieten: hij overleed nog voor zijn
vader. Hij liet zijn weduwe, Aleida Sloet tot Buckhorst,
met minstens negen kinderen achter.7 Pas
in 1654 zouden deze kinderen de ouderlijke boedel
scheiden. Van deze kinderschaar bleven tenslotte
alleen Florentina, Helena, Wilhelmina en Gijsbert
van Ittersum over.
Als luitenant deed Gijsbert van Ittersum in
juni 1662 belijdenis in de hervormde kerk. Later
nam hij ook plaats in het stadsbestuur; hij werd in
1677 als raad gekozen. Hij was burgemeester toen
hij met zijn twee zusters Florentina en Wilhelmina
in 1684 een testament opmaakte.8 Daarin wezen zij
elkaar aan als erfgenaam. Als ze alledrie overleden
zouden zijn, zouden hun bezittingen vererven op
de kinderen van hun zuster Helena van Ittersum
en haar man Dirk van Haersolte. Dat gebeurde inderdaad
in 1698.
De raadsherenbeker
van Wolf van Ittersum,
die in 1586 als Zwols
raadslid overleed. Hier
zijn de wapens Van
Ittersum— Van Wythmen
(zijn tweede huwelijk)
afgebeeld. Uit zijn
derde huwelijk met
Christina van Dorth
stamde Wolf van Ittersum
die in 1595 het huis
in de Bloemendalstraat
kocht (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Silhouette van Willem
Queysen (1754-1817) als
representant van het
volk van Overijssel,
1795-
Dirk van Haersolte, eveneens militair, was in
1663 gehuwd met Helena van Ittersum en kreeg
twee zonen: Arend en Wolf, genoemd naar de beide
grootvaders. Deze jongens werden te Zwolle
gedoopt, respectievelijk in 1664 en 1666. In die periode
was Dirk van Haersolte commandeur op het
huis Borculo. Vrij snel na de geboorte van haar
tweede zoon is Helena van Ittersum overleden. In
1669 hertrouwde Dirk (ook: Diederik van Haersolte
tot de Lauwick) met Fosetta Hommens, die
de havezate Zuthem ten zuiden van Zwolle bewoonde.
9
Wolf van Haersolte huwde in 1698 met Jacoba
de Rode van Hekeren. In 1704 vertrok het echtpaar
uit Zwolle, om er in 1711, vanuit Lochem, weer terug
te keren. Nog geen jaar later, op 26 februari
1712, werd Wolf in de St. Michaëlskerk begraven.
Zijn weduwe werd daar in 1729 bijgezet.
Arend van Haersolte, gemeensman van Zwolle,
was bijna twee jaar ouder dan zijn broer. Na de
dood van zijn schoonzuster kwam hij met de overige
erfgenamen overeen dat hij het huis in de
Bloemendalstraat mocht blijven bewonen.10 Dat
deed hij inderdaad tot zijn overlijden in 1731. Zijn
kinderloosheid en het grote getal van erfgenamen
maakten het noodzakelijk een boedelinventaris op
te maken. Behalve Arends aandeel in het huis in de
Bloemendalstraat bezat hij onder meer het spieker
Nyenstein in Lenthe, een katerstede in Assendorp
en enkele koeweiden op de Werlermars. Aan contant
geld werd voor 3618 gulden aangetroffen. De
meubels in het huis maken in de inventaris geen
luxueuze indruk. Wel waren er twaalf familieportretten,
elf schilderijen met een zwarte lijst en twee
met een vergulde lijst. Bij de boeken werden
slechts acht titels vermeld.
Pas in 1734 gingen de overige erfgenamen over
tot de openbare verkoop van de goederen uit de
nalatenschap van Arend van Haersolte. Het huis
in de Bloemendalstraat werd als derde perceel geveild.
Pieter Brouwer was de nieuwe eigenaar voor
een bedrag van 1000 gulden.11 Reeds op 25 mei
1735 maakte deze bekend dat hij het op 5 maart had
doorverkocht en wel aan ‘juffer Tichler’ voor een
bedrag van 4500 gulden.12 De transactie had hem
dus geen windeieren gelegd.
Met ‘juffer Tichler’ werd Elisabeth Tichler bedoeld,
op dat moment 40 jaar oud. Zij was de oudste
dochter van Gerhard Tichler, een uit Deventer
afkomstige jurist, en Geertruid van Brakel.13 Gerhard
Tichler had het in Zwolle tot burgemeester
gebracht. Zijn weduwe werd in 1734 in de Grote
Kerk begraven. Daar werd in 1759 ook het stoffelijk
overschot van hun dochter Elisabeth bijgezet.
Het is niet onwaarschijnlijk dat zij verbouwingen
aan het huis heeft laten verrichten. Het plafond in
de kamer aan de straatkant dateert wellicht uit die
tijd. Haar nalatenschap kwam terecht bij haar zuster
Fenna Ingena Tichler, weduwe van de predikant
Regnerus Ens. Het huis in de Bloemendalstraat
zou vijfjaar later wederom vererven en wel
op haar dochter Aleida Anna Ens.14
Aleida Ens was in 1751 gehuwd met Gerrit Albert
Podt, die het Drostenhuis aan de Melkmarkt
mee ten huwelijk aanbracht.15 Het echtpaar ging
in dat huis wonen en liet het verbouwen en verfraaien.
Sindsdien prijkt daar in het stucwerk op
een der schoorstenen het wapen Podt-Ens. De
overige bezittingen werden verhuurd. De enige
dochter van het echtpaar, Geertruid Fenna Ingena
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Notaris van der Biescn te Zwolle
is voornemens, op Dingsdag den 17 October e. k., des middags
om 12 uur, in het ODÈON te Zwolle, publiek te verkoopen:
.
Het wel ingerigt, van ouds bekend •
NIEUW HEEREfV LOGEMENT, :
gunstig gelegen in de Bloemendalstraat te Zwolle, achteruitiiomende
in de Krommejak, voorzien van 6 beneden- en 6
boyenkamers, gedeeltelijk geplafonneerd, grooté. keuken, 3
ruime zolders, watervrijen kelder, uitmuntend pomp- en regenwater
en verdere geriefelijkheden, kad. Zwolle S. ÏY No.
1963, groot 3 roeden. Staande op ƒ 4600.
Te bezien des Maandags en Donderdags van 11 tot 2 uur
met een toegangkaartje van den Notaris.
Podt, erfde al de roerende en onroerende goederen.
Kort nadat de nieuwe eeuw was begonnen,
transporteerde Geertruid Podt op 27 februari 1800
haar huis in de Bloemendalstraat aan haar achternicht
Gesina Catharina Lemker en haar man mr
Willem Queysen.16 Dit echtpaar bewoonde het
huis al enige jaren; in ieder geval sinds 1795.
Queysen had gestudeerd te Leiden, waar hij in
1773 promoveerde. Op 10 december van dat jaar
legde hij de eed als advocaat af. Pas in 1786 trouwde
hij. Uit dit huwelijk werd een vijftal kinderen
geboren.
In diezelfde tijd was de Bloemendalstraat een
bolwerk van patriotten; niet alleen woonde er de
bekende Johan Derk van der Capellen, maar ook
trof men er Van Pallandt tot Zuthem, Pieter Feith,
de wijnkoper Landman, de drost Van Isselmuden
tot Paaslo en de klerk der Staten Van Hoboken.17
Ook Queysen werd tot de patriotten gerekend.
Misschien was dat wel de reden waarom hij tot
dan geen overheidsfuncties bekleedde. Pas na de
intocht van de Fransen werd hij in 1796 voor het
kiesdistrict Zwolle gekozen tot lid van de Nationale
Vergadering. Zijn politieke loopbaan vereiste in
1801 zijn verhuizing naar ‘s-Gravenhage.18 Het
Zwolse huis werd verhuurd. In 1806 probeerde
Willem Queysen het van de hand te doen, maar
het leverde ter veiling niet genoeg op.19 Het pand
werd toen bewoond door Abraham van Bommel.
Pas in 1810 vond Queysen in de persoon van Paulus
Sichterman een koper.20
Paulus Cornelis Adriaan Sichterman was afkomstig
uit Groningen, waar zijn familie door de
handel zeer vermogend was geworden. Na zijn
huwelijk met de Zwolse Sara van Muyden kocht
hij de buitenplaats Dijkzicht in Berkum aan de
Vecht. Daar verbleef de familie in de zomer, terwijl
in het koude jaargetijde binnen de stad Zwolle
werd gewoond. Uit die stad kwam ook zijn tweede
vrouw Mechteld Royer, waarmee hij in 1815 was
getrouwd. In 1818 werd hij lid van de Provinciale
Staten van Overijssel, een functie die hij tot 1834
zou vervullen. Maar reeds eerder, op 8 april 1817,
werd zijn ‘hegt, sterk en weldoortimmerd huis’ in
de Bloemendalstraat in veiling gebracht.21
Hendrikus Brand, ‘ordinaris houder’, kocht
het huis voor ƒ 3610,-. Brand was vermoedelijk dezelfde
die in 1811 als pruikenmaker en later als ‘dienende
broeder’ Brand, van de vrijmetselaarsloge
Fides Mutua voorkwam. In deze laatste functie
woonde hij in de Nieuwe Concertzaal, een pand
twee huizen van nummer 11 vandaan en toentertijd
in huur bij de loge Fides Mutua. Deze vrijmetselaarsloge
was daar terecht gekomen omdat in
1814 een fusie had plaatsgevonden met de in dat
Aankondiging van de
veiling van het pand in
de Bloemendalstraat in
1865.
Aankondigingen van
een ‘soiree musicale’
door T.H. Lorenz.
‘NIEUW KOFFIJHUIS (BLOEQ1ENDALSTRAAT.Y
1MEN AVOND GEDURENDE DE KERMIS,
S O I E É E i U I S U L E ,
DOOR DE FAMIL1U
EHONE SAUVLET,
meteen gezelschap van 12 Personen, waaronder een zeer beroemde KOMIEK. Eiken avond verscheidenheid van voordragteii,
in het Hollandsen, Fransch en Duitsch. Daar in bovenstaand Café” niet anders dan een geciviliseerd publiek wordt toegelaten’
kunnen Ileeren mei hunne Dames hiervan een ze’er fjoed gebruik maken. Het BufFct zal steeds v ‘ ” ” ” ” ” • ‘ ‘ * * Aanvang 8 ixtir. Eiritréo –
alle VERVEKSliUINGK-:* voorzien T. EC. LOREKTTZ.
Nieuw* Koffyhuis. (Bloemendalstraat.)
Op lieden ÏKHDAO voor Ii«t eerst en verder gedurende de gelnecle ÏSEKMIS
fflffif B # •mam •SRS fgg ga ii m m fg W ïffl
door dc Familie R I I O M E S A S J Ï ‘ i L E T , mei een gezelschap van 11 personen, waaronder een zeer beroemden
k o m i e k . Eiken avond verscheidenheid van voordragten .in het Hollandsch, l”i-anseh en Duitach. Daar in bovenstaand
Café niet anders dnn een geciviliseerd publiek wordt toegelaten, kunnen Heeren met hunne Dames hiervan een zeer goed
gebruik maken. Het Buffet zal steeds van allo ‘VBlK’^KKSCHSMCrEBI voorzien zijn.
Aanvang 8 nnr. Entree v r i j . ‘ T. BI.
Op lieden ‘^attarcüag- en morgen ïourtag avo»i«l O eiti 7 Aju-ïï,
door de ]?amilie ]D* A KI.C © KJ A •, Gezelschap bestaande uit z e v e ï ï personen’, wanrondcr vïci* Dames,
met medewerking van de Komieke Zangeresse Madame gSEKL’SfiSË’iT’tVSS.
. . . T. H. LOJU
NB. Heden ontvangen Ëclit Bcijersch RHsInger Bier.
Hecfen DOUSERDAe eia morgen ^HIJBAG
S O I R E E S MI S I C A L E S , door de Famlllo B E U M E R . ‘
Aanvang T’U vi.t*3?. ‘S. :S. LOH.ENTZ.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oproep aan de crediteuren
en debiteuren
van T.H. Lorentz in
1867.
Aankondiging van de
veiling van het pand in
de Bloemendalstraat,
1867.
Aankondiging van de
aanbesteding van de
verbouwing van het
pand in de Bloemendalstraat
door de vrijmetselaarsloge,
1869.
pand gevestigde ‘Franse’ loge Union et Force. Aan
die loge was ook de servant Brand verbonden geweest.
Gemakshalve was die overgenomen. De eigenaresse
van de Nieuwe Concertzaal, de weduwe
Lenz, verhuurde het huis sinds 1816 aan de provinciale
ambtenaar Razoux.
’s “-A3S Allen, die. iets verselHJÏdïg’d zijn
f* r ? aan, of te VOï’ditL’e.u hebben van dea
O u vs.’ Heer ï . H. LOJÏENTZ, Kdüjhnishouder
.te Zïoolle, worden verzocht daarvan [ü^?^
g a v e of foetaSiasg’ te doen, binnen l’l dagen na heden,
ten Kantore van den onuergeteekende.
ZWOLLE, 1Y Oetaber 1S67. • .
J. H. VAN RODEN,
Notaris.
Mr. j 7 ‘ . S a . ‘ i . ‘ S ! t r B Ï ® f l J E S ‘ , Notaris te Zwolle, zaï
op Singsdafi 6 November 1867, des middags te 12 uren, in
het 0DJ20N te Zwolle, doen inzetten, en iSfteoU>gantHugoBtoughton,
«BitDtnu
tBt 6« «ug&«!ftli« fwahe ra /aeöec-btiptfcö obttflötfet/
D00*.
ÏOHAN SARCHARSON
t Bethun Schouu.
t’AMSTELREDAM,
3 a 3 p p ö ö
toopw op’c ftttat/uiften ut rguiom tfpbd.
Anno 1618.
ligher Schriftuere.11 Dit werk is bedoeld om het
verstaan van de Bijbel te bevorderen en heeft als
zodanig geen specifiek piëtistisch karakter.
Bro

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1992, Aflevering 1

Door | 1992, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
9E JAARGANG 1992 NUMMER 2 ‘RIJS 1 9,50
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Vroeger was de Buitenkant één van de
drukste handelskades van Zwolle. Toen de
stadsmuur zijn verdedigende functie verloor,
werden er tegen de ‘buitenkant’ van de muur
woningen gebouwd. Om de handelskade breed genoeg
te houden voor het verkeer, moesten dit zeer
ondiepe huisjes zijn. Daarom werd aan de bovenverdieping
een zogenaamde ‘overstek’ gebouwd.
De woningen werden daardoor iets dieper en ruimer.
Ook hakten sommige bewoners, zeer tegen
de wens van het toenmalige stadsbestuur in, een
bedstede uit in de stadsmuur.
Op de tweede foto is de – gerestaureerde – stadsmuur
weer zichtbaar, nadat een aantal huisjes
met overstek is verwijderd.
Mensen met een niet al te gevoelige neus (als
u het eens probeert, weet u wat ik bedoel) kunnen
nu op de hoek van de Steenstraat en de Buitenkant,
de oude gerestaureerde weergang beklimmen.
Boven: Buitenkant. Oude situatie.
Onder: Buitenkant. Huidige situatie.
(Foto’s: D. Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 37
Redactioneel Inhoud
Het is inmiddels misschien voor u al een
vertrouwde verschijning geworden: een
oude en een nieuwe foto genomen vanaf
dezelfde plaats. Zeker is wel dat er veel is veranderd
in Zwolle. Zo ook aan de Buitenkant, de plaats die
deze keer de aandacht krijgt.
Nog veel meer is er veranderd sinds de tijd
waarin het artikel van Ingrid Wormgoor speelt.
Zij gaat in op de stadspastoors die tot in de veertiende
eeuw verbonden waren aan de St. Michaëlkerk;
wat waren hun taken en wat was de invloed
die het kapittel van Deventer kon uitoefenen op
hun benoeming?
Jean Streng beschrijft de perikelen die met het
uitgeven van de Oden en Gedichten van Rhijnvis
Feith samengingen. De Zwolse uitgever H.A.
Doyer trok uiteindelijk toch aan het langste eind.
Wil Cornelissen gaat in op een minder bekende
Zwollenaaar: zijn grootvader Izak Os, een opa
zoals elk kind zich zou wensen. Izak Os was een
druk bezet zakenman en hij is enkele jaren lid
geweest van de Zwolse gemeenteraad. Bovendien
is hij een van degenen naar wie iri de nieuwbouwwijk
Schellerbroek een straat is genoemd.
In het Provinciaal Overijssels Museum worden
veel zeldzame en bijzondere voorwerpen bewaard.
Eén van die bijzondere voorwerpen is een
drinkschaal, die gemaakt is van een noot die alleen
op de Seychellen voorkomt. Aan het eind van
deze maand is deze schaal in het Amsterdams
Historisch Museum te bewonderen, maar eerst
kunt u hier de bijzonderheden erover lezen.
Het tijdschrift wordt gewoontegetrouw afgesloten
met een aantal vaste rubrieken: mededelingen,
literatuur en de agenda.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
De eerste pastoors van de St. Michaëlkerk Ingrid Wormgoor
Een ‘mennistenstreek’ van H.A. Doyer J.C. Streng
Izak Os (1870-1943) Wil Cornelissen
Een bijzonder voorwerp in het POM Lydie van Dijk
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Literatuur
Agenda
Mededelingen
Personalia
36
38
43
47
5i
53
55
56
56
57
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De eerste pastoors van de St. Michaëlkerk
Ingrid Wormgoor I:
Zegel van Regnerus van
Drynen
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
n een middeleeuwse stad nam de parochiekerk
letterlijk en figuurlijk een centrale plaats in. De
. kerk lag in het midden van de stad en haar
geestelijken – van wie de stadspastoor de belangrijkste
was – hadden tot taak zorg te dragen voor
het zieleheil van alle parochianen. Bovendien beheerden
zij de goederen van de kerk en waren zij
vaak betrokken bij de kerkelijke rechtspraak.
Naast deze kerkelijke zaken hielden de pastoors
zich ook regelmatig bezig met andere activiteiten.
Zij deden dat vaak op verzoek van derden.
Hieronder wordt beschreven wat er bekend is
over de niet zuiver kerkelijke bezigheden van de
eerste Zwolse stadspastoors. Tevens wordt gekeken
naar de benoeming van die pastoors. Met het
oog op enerzijds het gewicht dat in die tijd aan de
zielzorg werd toegekend en anderzijds de betekenis
van de verrichte werkzaamheden, is immers te
verwachten dat meerdere partijen belang hadden
bij de aanstelling van een hen welgezinde pastoor.
Vroegste geschiedenis
De vroegste schriftelijke vermeldingen over de
Zwolse kerk zijn afkomstig uit het archief van het
Lebuïnuskapittel van Deventer. Het oudste stuk
dateert van 7 december 1040. Bisschop Bernoldus
van Utrecht verklaarde toen dat hij zijn kerk in
Zwolle aan het Lebuïnuskapittel schonk. Hij deed
dat op verzoek van Theodericus, de proost van
Deventer, aan wie hij de kerk vroeger in gebruik
had gegeven. Theodericus zou tijdens zijn leven in
het bezit van de kerk blijven tegen een jaarlijkse
betaling van 1 pond Deventer munt. Na zijn overlijden
zouden de broeders de vrije beschikking
over de kerk krijgen. Zij moesten alleen enkele
heffingen aan de bisschop betalen.1
Korte tijd is de kerk nog in bezit geweest van
Ancelmus, proost van Sint Jan in Utrecht. In 1093
maakte bisschop Conradus de beschikking van
zijn voorganger, die de kerk aan Ancelmus had
I
overgedragen, ongedaan. Hij herstelde de vroegere
situatie en stelde de kanunniken van Deventer
weer in het onbezwaarde bezit van de kerk, behoudens
de betaling van de heffingen die zij aan
de bisschop verschuldigd waren.2 Mogelijk heeft
dit gulle gebaar van Conradus te maken met het
feit dat de kerk van Deventer hem in 1076 had geholpen
in zijn strijd tegen Dirk V, graaf van Holland.
In 1129 bevestigde bisschop Andreas de
schenking nogmaals.3
Hoewel sommige historici betwijfelen of deze
oorkonden echt zijn, mogen we wel concluderen
dat zowel de Zwollenaren als de Deventenaren er
in de dertiende eeuw van uitgingen dat het kapittel
van Deventer recht had op de Zwolse kerk.4
De kanunniken van Deventer bleven tot 1580 in
het onbezwaarde bezit van de Zwolse kerk. Hierdoor
had een niet-Zwolse instelling formeel de
bevoegdheid om de stadspastoor van de enige parochiekerk
van Zwolle te benoemen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Benoeming en bezigheden van de
stadspastoors
Over de eerste bedienaars van de kerk is weinig
bekend. In 1230 was ene Ludolphus plebaan.5 Hij
trad op als de eerste getuige toen de bisschop
stadsrechten verleende aan Zwolle. In 1252 was hij
nog steeds aan de parochiekerk verbonden. Toen
verzochten deken en kapittel van Deventer aan de
bisschop van Utrecht of zij na het heengaan van
Goeswinus en Ludolphus, respectievelijk priesters
in Deventer en Zwolle, in beide kerken twee
andere priesters mochten benoemen. De bisschop
gaf hen daartoe toestemming.6 Het recht van het
kapittel om de pastoor in Zwolle te benoemen
was blijkbaar niet geheel vanzelfsprekend.
Over twee pastoors in de veertiende eeuw,
Hesselus Heynck en diens opvolger Regnerus van
Drynen, is meer bekend. Hesselus was eerder kanunnik
te Deventer geweest. In 1326 wordt hij als
zodanig genoemd.7 Na de dood van Gerardus
“1
Heynck werd hij in 1332 kanunnik van de Sint Jan
te Utrecht.8 Vóór 1339 werd hij daarnaast ook tot
rector van de parochiekerk van Zwolle benoemd.
Hesselus was dus bekend met de situatie in Deventer
en hij had bovendien contacten in Utrecht.
Gezien zijn achtergrond als kanunnik van het Lebuïnuskapittel
is hij waarschijnlijk door dit kapittel
voorgedragen als pastoor. In die functie zal
hij bij tijd en wijle op gespannen voet hebben gestaan
met het in 1309 gestichte Bethlehemklooster.
Er was namelijk tussen hem en het klooster
onenigheid ontstaan over de betaling van begrafenisgelden.
Dit conflict werd weliswaar in 1339 geregeld,
maar in 1350 en 1351 bekrachtigden respectievelijk
deken en kapittel van Deventer en
ook bisschop Jan van Arkel de overeenkomst. In
1350 gebeurde dat op verzoek van de prior en het
convent van Bethlehem en in 1351 meldde Jan van
Arkel expliciet dat Hesselus beloofd had de overeenkomst
na te zullen komen. Het lijkt er dus op
Grote kerk te Zwolle;
tekening door A. Beerstraten;
eerste helft 17e
eeuw (foto: Provinciaal
Overijssels Museum,
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat Hesselus zich aangetast voelde in zijn (financiële)
rechten als stadspastoor en dat hij ondanks
de eerste overeenkomst probeerde zijn positie te
handhaven tegenover het klooster.
Verder is nog bekend dat Hesselus in 1350
aanwezig was bij de overdracht van een vordering
aan het Bethlehemklooster. Voor dit geld moest
een altaar in de kloosterkerk opgericht worden en
moesten missen gelezen worden.9 Ook keurde hij
in 1356 de oprichting van een altaar in zijn eigen
parochiekerk goed.’ °
Tenslotte moest Hesselus zich erbij neerleggen
dat de St. Michaëlkerk geïncorporeerd werd
bij de kerk van Deventer. In maart 1364 lijfde bisschop
Jan van Arkel de Zwolse kerk bij die van
Deventer in, op voorwaarde dat pastoor Hesselus
Heynck niet in zijn rechten geschaad zou worden.
11 Blijkbaar was Hesselus daar niet gelukkig
mee, want een maand later moest hij op straffe
van 400 oude schilden beloven zich te zullen
schikken in de incorporatie, op voorwaarde dat
de paus een en ander binnen een jaar zou goedkeuren.
‘2 Kort daarop gaf notaris Wernerus Ghelmari
een gewaarmerkte kopie (= transsumpt) van
drie akten die allemaal de rechten van het kapittel
op de kerk van Zwolle bevestigden.13 Gezien de
datum van dit transsumpt, is het mogelijk opgesteld
om de goedkeuring van de paus voor de incorporatie
te verkrijgen. Of die pauselijke goedkeuring
inderdaad binnen een jaar gegeven is, is
onbekend. Ze ontbreekt in elk geval in het kapittelarchief.
Hesselus Heynck overleed waarschijnlijk kort
voor 14 december 1376. Op die dag ging namelijk
Henricus de Orto de Huessen, kanunnik van de
kerk te Deventer en procurator en syndicus van
de deken en het kapittel van Deventer, in appèl bij
de Heilige Stoel, omdat Regnerus van Drynen na
het overlijden van Hesselus beweerde recht te
hebben op de Zwolse kerk. Via Johannes ter
Huerne, zijn gemachtigde, had hij de inkomsten
van die kerk aan zich getrokken. Henricus ging in
appèl omdat de deken en het kapittel al sinds
mensenheugenis, dat wil zeggen meer dan zestig
jaar, het recht hadden de pastoor van de parochiekerk
te benoemen. ‘4
Een dag later verklaarde ook Ghiselbertus Sonekaert,
eveneens procurator van de deken en het
kapittel van Deventer, dat hij namens deken en
kapittel bij de Heilige Stoel in appèl ging. Hoewel
Albertus de Renen onlangs tot pastoor was benoemd,
probeerde Regnerus van Drynen zich in
het bezit te stellen van de functie van vicaris van
de kerk van Zwolle. Hij deed dat door middel van
een brief van paus Gregorius XI, waarin deze het
recht de pastoor te benoemen (= collatierecht)
toekende aan de deken Segninus de Anchana en
het aartspriesterschap van Xanten.’5
Deze brief van Gregorius XI is niet bewaard
gebleven. Wel zijn er drie andere bepalingen van
deze paus ten gunste van Regnerus. In 1371 beloofde
hij hem een beneficium (= kerkelijk ambt
waaraan inkomsten en verplichtingen verbonden
zijn), dat tot het kapittel van Deventer behoorde.
In 1373 beloofde hij hem het vicarie van Johannes
de Doper en Laurentius in de kerk van Zutphen.
Tenslotte bevestigde de paus hem op 6 februari
1377 in het bezit van de parochiekerk te Zwolle.16
De kandidaat van het Lebuïnuskapittel, Albertus
de Renen, was hiermee buitenspel gezet. Wat er
verder met hem gebeurd is, is onbekend.
Het kapittel liet het er echter niet bij zitten: op
14 mei 1377 liet het een notaris drie akten transsumeren,
waarin bepaald werd dat het kapittel de
pastoor van Zwolle mocht aanstellen.17 Het
mocht echter allemaal niet baten: de protesten
van het kapittel hadden geen succes en Regnerus
bleef tot zijn dood in 1398 functioneren als stadspastoor.
Wel ging hij in 1384 mede namens de parochiekerk
tegen het kapittel in beroep, maar het
is onbekend of dat iets met zijn benoeming had te
maken.18
Tijdens zijn ambtsperiode laaide het: conflict
over giften en begrafenisgelden met het Bethlehemklooster
weer op. Volgens Gerardus Coccius,
kroniekschrijver van het Bethlehemklooster, weigerde
Regnerus de overeenkomst tussen zijn
voorganger en het klooster te handhaven. Bethlehem
deed daarop een beroep op de paus, maar
voordat deze had gereageerd was het conflict al
opgelost door het stadsbestuur.
Behalve met het Bethlehemklooster, werd ook
met het klooster te Windesheim een overeenkomst
over de offergelden gesloten. Het klooster
zou jaarlijks een pond aan de pastoor betalen.
Daarnaast zou de pastoor de helft van de inkomsten
en offergaven krijgen, wanneer het tenminste
ging om inkomsten die hoger waren dan
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
. 1 in Overirjècl fyht: op de rechte zyde -vaadert Ys£j.,if
Caapstadt, ie fit metgoeSe muerm, en nwchtjgk van. velak • van, dmt
fyh mee/ter Sen. Proeve vmZeyfe/kr inden lacreif«$.Jen. rCt A.V, bij
J . ‘i 3.rMy. ;u z x v. i., ., L-.xKOU.
kant had niet alleen oog voor de literaire, maar
ook voor de marktwaarde van de door hem aangekochte
werken. Diverse werken van Feith waren
rond 1820 immers geheel of gedeeltelijk
uitverkocht. Bovendien werd duidelijk dat de
dichter niet meer lang zou leven. Een uitgave van
het volledige oeuvre in een goedkope octavo uitgave,
leek in die omstandigheden commercieel
zeer aantrekkelijk. Feith zelf zag ook zijn einde
naderbij komen — hij refereert er in zijn brieven
vaak aan – en een goedkope uitgave juichte hij
toe. Hij had zelfs al een titel voor de hele serie bedacht:
Alle de Werken van Mr. R. Feith. Ieder deel
zou een apart ‘fransch tijteltje’ moeten krijgen
met de vermelding van de inhoud van het
deeltje.6
Roet in het eten
Immerzeel kocht in vrij korte tijd veel rechten op,
maar hij kon toch niet alles bemachtigen. In 1824
was Immerzeel ‘na veel tobben, en na vele opofferingen
te hebben gedaan’ in het bezit van 23 werken
van Feith.7 Aan zijn collectie ontbraken onder
andere de rechten op de vijf delen Oden en
Gedichten. De eerste vier delen waren in handen
van Allart geweest, het vijfde deel kwam uit het
bezit van de uitgevers Bohn en Van Stegeren.8 De
vijf delen waren gezamenlijk gekocht door de
Zwolse uitgevers Hendrik Assuerus Doyer en Jan
Lodewijk Zeehuizen. Doyer was doopsgezind en
had aan de Grote Markt in Zwolle een boekenzaak.
Daarnaast was hij de Zwolse gelegenheids-
dichter bij uitstek. Van Zeehuizen is alleen
bekend dat hij uitgever was.9
Immerzeel stond voor het probleem de
rechten van beide heren te verwerven. Doyer, die
ook op het alleenrecht uit was, stond er gunstiger
voor. Hij hoefde alleen maar de rechten van Zeehuizen
op te kopen. Zeehuizen wilde zijn deel wel
verkopen, maar aan wie: Doyer of Immerzeel?
Feith en Doyer
Feith fungeerde in Zwolle als tussenpersoon van
Immerzeel. Hij moest Doyer bewegen zijn rechten
af te staan. Aanvankelijk schatte Feith de zaak optimistisch
in. Zeehuizen leek hem geen probleem,
‘maar met Doyer, die geld heeft, is het slimmer’.10
Toch leek Doyer meegaand. Feith schreef aan Immerzeel
dat hij er niet aan twijfelde dat de koop
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
HJBT tt*AW.’vaar_jK|iTH.. j
zou lukken. Hij voegde een brief van Doyer bij,
‘die niets bijzonders heeft, dan dat hij juist op het
idé drukt, dat gij voornemens zijt met der tijd uit
te voeren. Ik ken voor ’t overige den man niet, en
heb hem zelfs nooit hooren noemen’.”
Immerzeel vroeg Feith om met Doyer te gaan
praten. Feith wilde dat wel doen, maar hij vreesde
dat te veel druk de zaak moeilijker zou maken.12
Uiteindelijk kwam Doyer zelf naar Feith toe. Na
dat bezoek moest de schrijver het volgende teleurstellende
bericht aan Immerzeel melden: ‘Ik
geloof dat de Heer Doyer ons fijntjes gefopt heeft.
Ik dacht dat er weinig zwarigheid in zijn zou om
de kopij van de Oden van hem te krijgen, en door
zijn eersten brief aan u werd ik merkelijk in dit idé
bevestigd. Ondertusschen is het nu zeker dat hij
die rol gespeeld heeft om van Zeehuizen af te komen.
Nu hij alleen van de kopij meester is, spreekt
hij uit een geheel anderen toon. Ik had expres wat
getalmd om naar hem toetegaan om hem niet al te
happig te maken, en toen ik hem bij mijn buiten
zag komen, dacht ik eerst nu is de zaak klaar;
maar ik had deerlijk buiten den waard gerekend’.
Doyer had tijdens zijn bezoek verklaard dat hij
er lang op uit was geweest om de enige eigenaar
van de Oden en Gedichten te worden, en dat hij
het kopierecht voor geen geld meer over wilde
doen. De uitgever beloofde er zich gouden bergen
van, zo constateerde Feith. Hij schrijft dan verder:
‘Vergeefs stelde ik hem na genoeg alles voor wat
gij mij ten naasten bij in uw brief schrijft en dat
hij, een jong Boekverkooper, en in Zwolle niet
aan kon tegen een in alle opzichten bekende
Boekverkooper in Holland. Hij was niet te
verzetten en zei, dat al woonde hij te Hattem hij
alles even zoo goed kon als de beste Hollander,
dewijl hij alles in Amsterdam zou laten uitvoeren
en nu reeds een uitmuntende correspondencie
had. Enfin, er was niets tegen te doen, en eindelijk
snoerde hij mij den mond door te zeggen: Al de
schade die gij er op ziet neem ik voor mijn rekening,
en ik weet, dat gij te lang met mijn vader
verbonden zijt geweest, om het voordeel, dat ik er
in zie, mij niet te gunnen’. Wat Doyer met de
laatste toespeling bedoelde, is thans niet duidelijk.
Feith begreep het wel, want hij eindigde met de
conclusie: ‘Toen had ik uitgepraat’.13
Immerzeel en Doyer
Daarna heeft Immerzeel waarschijnlijk nog een
poging gedaan om alsnog de volledige rechten
van de Oden en Gedichten van Doyer te kopen.
Deze was echter niet te vermurwen. Ruim een
maand na de vorige brief schreef Feith aan Immerzeel
dat Doyer ‘zoo vast aan zijn plan [kleeft],
dat er maar niet aan te doen is’. En hij vervolgde:
‘Ik zei hem lagchende, dat hij in dit geval zijn geloof
niet had kunnen verzaken, maar dat hij er
menig mennisten streekje, vooral omtrent Zeehuizen,
onder had laten loopen. Hij lachte en beleed
mij, dat van ’t begin af aan zijn ware doel
geweest was om op de minst kostbare wijze van de
5 [delen] Oden alleen meester te zijn. Ik zei hem,
dat zoo ik door zijn’ eerste brief aan u niet bedrogen
was ik hem een lelijke poets had kunnen
spelen, door a tout prix van Zeehuizen zij ne helfte
te koopen, wanneer hij met de andere helfte toch
niets had kunnen uitvoeren. Juist daarom, zei hij,
hield ik mij in het begin zoo onverschillig’. ‘4
Feith was teleurgesteld over de gang van zaken.
Het speet hem het meest dat het nu na zijn
dood niet mogelijk zou zijn alle werken onder één
titel uit te geven.15
Het graf van Feith op
de Algemene Begraafplaats
aan de Meppelerstraatweg
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Immerzeel legde ruim een jaar later, in 1823,
een nieuw plan aan Doyer voor. Hij stelde voor –
na de voordelen voor hen allebei breed uitgemeten
te hebben – de Oden en Gedichten op te nemen
in zijn verzamelserie van de werken van
Feith, de Dicht- en prozaïsche werken. Daarnaast
zou de mogelijkheid blijven bestaan de Oden en
Gedichten ook apart te bestellen. Wat Doyer
bewogen heeft snel toe te geven is niet duidelijk.
In ieder geval werden de heren het, na enig heen
en weer geschrijf over het kaftje en over de problemen
bij de inschrijving, vrij snel eens. De vijf
delen Oden en Gedichten werden samengevat in
drie banden en verschenen als laatste in de serie –
het laatste deel XV is een latere toevoeging.
Doyer was zo mak als een lam. Hij liet zich
volkomen door Immerzeel leiden, wiens ‘door de
ondervinding reeds beproefd oordeel’, ‘meerder
kennis’ en ‘goede raad’ hij graag wilde volgen.16
Later, in de jaren dertig van de negentiende eeuw,
publiceerde Doyer zelfs nog enige gedichten in
Immerzeels precieuze Muzenalmanak.
Tot slot
Zo lijkt de wens van Feith om een uniforme uitgave
van al zijn werken dan toch in vervulling te zijn
gegaan. Maar niets is minder waar. De Dicht- en
prozaïsche werken vormen maar een deel van
Feiths oeuvre en een uniforme uitgave van zijn
volledige werk bestaat tot op heden nog steeds
niet.
4. Brief van Feith aan Immerzeel, 28 juni 1820.
5. Idem, 11 januari 1822.
6. Idem.
7. Brief van Immerzeel aan Doyer, 16 oktober 1823.
8. H.G. ten Bruggencate, Mr. Rhijnvis Feith. Een bijdrage
tot de kennis van zijn werk en zijn persoonlijkheid
(Wageningen 1911) 245-246.
9. Genealogische gegevens over Doyer: Nederland’s
Patriciaat 30 (1944) 53; over zijn boekhandel: F.C.
Berkenvelder, Zo was Zwolle rond 1900, (Zwolle
1970) 116; B.P.M. Dongelmans, Van Alkmaar tot
Zwijndrecht. Alfabet van boekverkopers, drukkers en
uitgevers in Noord Nederland 1801-1850 (Amsterdam
1988) 210; over zijn gedichten: W.A. Elberts,
Historische wandelingen in en om Zwolle, (Zwolle
1973) 12,121,195. Zeehuizen was de zoon van bakker
Jan Lodewijk Zeehuizen en Ida Hendriks. Hij was
op 7 augustus 1777 te Zwolle geboren en stierf aldaar
op 26 juni 1830. Hij trouwde op 7 augustus
1803 met Henriette Charlotte Bourdeaux. Over zijn
boekhandel: Dongelmans, o.c, 211.
10. Brief van Feith aan Immerzeel, 11 januari 1822.
11. Ibidem, 20 februari 1822.
12. Ibidem, 9 april 1822.
13. Ibidem, 1 mei 1822.
14. Ibidem, 15 juni 1822.
15. Ibidem.
16. Brieven van Doyer aan Immerzeel, 19 oktober 1823
en 28 december 1823.
Noten
1. Deze correspondentie is aanwezig in de Koninklijke
Bibliotheek in Den Haag onder signatuur 133 C
11.
2. T. Broos, ‘”Boeken zijn zo goed als geld maar geld is
beter”. Johannes Allart (1754-1816)’, in: Spektator 9
(1979/80) 14-25. Idem, ‘Misdruk en mispunt’, in:
Spektatorn (1981/82) 212-223.
3. Uit een contract, d.d. 15 januari 1804, blijkt dat
Feith zodra hij bij Allart de kopie van zijn ‘gezangen’
inleverde – met het voorwerk tenminste niet
minder dan honderd pagina’s – 420 gulden, en
voor elke volgende 16 pagina’s meer, 40 gulden zou
ontvangen. Gemeentearchief Zwolle, Familiearchief
Feith (FA015), inv.nr. 123.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
IzakOs (1870-1943)
In joodse kring is het de gewoonte iemand bij
een feestelijke gebeurtenis toe te wensen: ‘Tot
120 jaar!’ Dit is een verwijzing naar de leeftijd
die Mozes zou hebben bereikt.
In december 1990 was het 120 jaar geleden dat
mijn grootvader Izak Os, zakenman èn socialist,
in Zwolle werd geboren. Hij heeft, net zomin als
miljoenen anderen die Mozaïsche leeftijd mogen
bereiken. Hij is, doodziek, als laatste Zwolse jood,
op 27 mei 1943 uit zijn huis in de Derk Buismanstraat
10 gehaald. Samen met zijn vrouw Lea
maakte hij de tocht naar Westerbork per ambulance.’
Hij stierfin Sobibor.
Mijn broer Igor heeft in zijn boek Van Zwolle
tot Brest-Litowsk voor opa Izak een monument
opgericht.2 Hij heeft hem beschreven en herdacht
op zijn manier. Ik kan het portret alleen nog maar
met wat feiten en herinneringen aanvullen. Izak
Os was een opa zoals elk kind zich zou wensen:
klein, oud en grijs, zijn kleinkinderen verwennend.
Het was een gauw ontroerde man die zich
het best op zijn gemak voelde als hij op straat of in
de eigen huiskamer plat-Zwols kon spreken.
Izak Os en de politiek
Zijn meest bekende politieke daad is – en hij heeft
het graag en vaak verteld – dat hij bij de oprichting
van de SDAP op 26 augustus 1894 in zaal
‘De Atlas’ op de Zwolse Ossenmarkt aanwezig
was. (De naamsovereenkomst vertelde hij er ook
altijd met glimoogjes bij!). En honderden malen
kwam dan: ‘Ik hoorde dan wel niet bij de twaalf
apostelen, maar ik was toch zeker de dertiende’.3
En of het waar is dat Troelstra bij hem heeft overnacht?
Mijn grootvader heeft het me zelf verteld
en dat mag ik dan toch niet, na zoveel jaren, in
twijfel trekken?
Al jong kwam Izak bij de socialistische beweging.
Dat was voor een beginnend zakenman toch
wel iets bijzonders. In die tijd moet hij in het
provinciale, kleinsteedse Zwolle al een vrij beken-
Wil Cornelissen
de figuur zijn geweest. De oorsprong van de later
door iedereen gekende Oom Izak is toen gelegd.
Voor oma Lea werd het wel eens teveel. Zij
had de zorg voor het gezin,4 er waren vaak financiële
problemen en steeds weer verhuizingen. (De
straten waar de familie woonde, weerspiegelen
het al of niet succes hebben in zaken.) Daarbij waren
er de vele partijgenoten die, meestal onverwachts,
langs kwamen, mee aten en bleven logeren.
Izak Os is tweeëneenhalf jaar lid van de Zwolse
gemeenteraad geweest. In familiekring is daar
wel eens goedmoedig-spottend over gepraat. Opa
zou niet zo vaak z’n mond hebben opengedaan en
hij zou nogal eens door afwezigheid geschitterd
hebben. Ik heb nu eens alle raadsverslagen van de
jaren 1919 tot en met 1922 doorgenomen en kwam
tot de conclusie dat Izak Os wel degelijk zijn
Izak Os (circa 1920).
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Handtekening van Izak
Os. Izak werd ook wel
geschreven als Isac of
Isaac. Zelf schreef hij
Izaak.
Briefkaart geadresseerd
aan Oom Izak. De PTT
had er weinig moeite
mee.
r r : r ‘ /
mond heeft opengedaan. Weliswaar sprak hij niet
zo vaak als Leenden Lansink of Jos Vogt, maar
toch. Bovendien bleek dat opa bij 74% van de vergaderingen
aanwezig is geweest. Dat is voor een
druk bezet zakenman een niet onaardige score.
In de tijd dat Izak in de gemeenteraad zat, was
mr. dr. LA. van Roijen burgemeester. Men vergaderde
veel: vier raadsvergaderingen per maand
waren geen uitzondering. De onderwerpen liepen
uiteen, zoals de onderwerpen ook nu nog uiteen
lopen. Izak Os sprak in die jaren, zoals Igor al memoreerde,
inderdaad over de brandweer. Hij
pleitte voor het invoeren van een acht-urige
werkdag voor het vaste brandweerpersoneel.5
Ook wilde hij graag spreken over de kermis, maar
dat lukte niet. ‘Reeds 14 maal heeft dit punt op de
agenda gestaan, maar nooit komt het in behandeling’,
klaagde hij.6
. In de notulen van de raadsvergaderingen
vond ik echter ook andere, zeer principiële standpunten.
Bij de benoeming van bestuursleden van
de gasthuizen merkten de socialisten bij monde
van Izak Os op, dat er nooit sociaal-democraten
werden voorgedragen. Indien dit zo bleef, zei hij,
zou de fractie van de SDAP met eigen kandidaten
komen. Dit dreigement werkte, want in diezelfde
vergadering werd I. Os, buiten de aanbeveling van
B&W om, benoemd tot lid van de Commissie van
Toezicht op de Bank van Leening.7 Een halfjaar
later werd, eveneens buiten de aanbeveling om,
i-T”:- •”
*.-‘>:••••
7 ‘ V .•
• – r . . – .
ds. Horreüs de Haas tot lid van het bestuur van
het Hervormd Weeshuis benoemd.8
In het jaar daarop, toen weer de benoeming
van een bestuurslid voor de gasthuizen op de
agenda stond, ‘meent dhr. Os dat in het bestuur
ook iemand zitting moet hebben, die bekend is
met de noden en behoeften van de arbeiders en
die zelf geboren is uit die groep van de bevolking,
waaruit ook de bewoners van de Gasthuizen
voortkomen’. Bovendien wilden de socialisten
een vrouw in het bestuur. Op voorstel van de heer
Os werd de aanbeveling teruggezonden naar het
bestuur met het verzoek een nieuwe voordracht in
te dienen. De burgemeester reageerde geïrriteerd.9
Ook het voorstel om marktkooplieden, die
ƒ 30,- a ƒ 40,- marktgeld moesten betalen, dit bedrag
in vier keer in plaats van in één keer te laten
betalen, kwam van zijn hand. ‘Dat bedrag is meer
dan het hele bedrijfskapitaal van sommigen hunner
bedraagt’, zo stelde hij.i0
Verder sprak hij mee over de meest uiteenlopende
onderwerpen. Hij sprak over de smeerboel
op de vrijdagse beestenmarkt en over de spoedige
verplaatsing van die veemarkt: ‘Er is voor werkloze
arbeiders weinig of niets meer te vinden.
Men zou goed werk doen door nu met het in orde
maken van het nieuwe terrein te beginnen’. Hij
sprak mee over christelijke bioscoopvoorstellingen
voor de schooljeugd, over de standplaats van
de handelaren in ijswafels en over het al of niet in
één pand verkopen van bevroren, Argentijns
vlees en inlands vlees. Ook bij de verhitte en langdurige
(en na 70 jaar vermakelijke) discussies
over het weer invoeren van de kermis roerde hij
zich. Die kermis was enige jaren eerder afgeschaft,
voornamelijk vanwege het ermee gepaard
gaande drankmisbruik. Bovendien ‘is een
kermis uit de tijd’, zo werd er gezegd. Izak Os
deed een voorstel ‘om een waardig en veredeld
volksfeest in te stellen wat alle lagen der bevolking
kan bevredigen’.”
Op 10 april 1922 nam Izak Os afscheid van de
gemeenteraad. Burgemeester Van Roijen wijdde
op die datum enkele afscheidswoorden aan het
vertrekkende raadslid de heer Os.
Jodendom
Heeft het jodendom een belangrijke rol gespeeld
in het leven van Izak Os? Jazeker. Hij was jood en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
wilde dat ook zijn, al had hij zijn vrienden in veel
ruimere kring. Het viel hem soms moeilijk
grenzen te trekken. Het huwelijk van mijn ouders
(mijn vader was geen jood) heeft hij proberen tegen
te houden. Zijn verzet hielp niet en mijn geboorte
in 1928 zorgde weer voor de goede en zeer
warme familieverstandhouding.
Bekende namen op de
felicitatielijst van
5 december 1939.
Ik herinner mij het grote feest op 5 december
1939. Oma Lea en opa Izak waren 50 jaar getrouwd
en opa was die dag 45 jaar lid van de partij.
In Het Volk, in Voorwaarts en in de Zwolsche Courant
verschenen er artikelen over. De familie zong
het bruidspaar toe: ‘O, Papa, ga nog jaren naar
Palvu heen, Eekwal toch wel bekend, zoolang U
leeft strijd voor Uw ideaal, Strijd voort steeds zonder
end’12, er komen stapels post en telegrammen
en er komen veel, zéér veel vrienden en bekenden
die oma en opa nog vele goede jaren toewensen.
Vijf maanden later begon de Tweede Wereldoorlog.
Ik herinner mij nog de verschrikkelijke wond
aan zijn been (hij leed aan suikerziekte), de lucht
die er in dat kleine kamertje hing en de zorg en de
Izak Os en zijn vrouw
Lea Spits (eindjaren
’30).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Felicitatie van een partijgenoot
uit Hillegersberg
ter gelegenheid
van het feit dat Izak 45
jaar lid van de SDAP
was.
Straatnaambord in
Zwolle-Zuid in de wijk
Schellerbroek.
%y-tc/,,
liefde die zijn dochter Clara hem tot het laatst toe
gaf. Zij wilde en zij moest hem ook wel verzorgen,
verplegen en verbinden. Hulp van niet-joodse zijde
was verboden.
Eind mei 1943 werden opa en oma naar Westerbork
vervoerd. De laatste briefkaart ontving
mijn moeder op 5 juni. Een maand later heeft hij
met zijn vrouw de lange reis naar Polen moeten
maken. Ik weet niet of hij bij aankomst in Sobibor
nog leefde. Ik hoop het niet.
Ik denk nog vaak aan hem. Zeker nu er in
Zwolle een Izak Osstraat is gekomen. Maar ik
hoef daar niet doorheen te fietsen om hem weer
voor me te zien.
Vele jaren na de oorlog is er op de joodse begraafplaats
in Herfte een steen geplaatst, waarop
alle omgebrachte leden van de familie Os zijn vermeld.
Opa Izak, oma Lea en al die anderen…
* Dit artikel verscheen eerder in het PvdA-blad, afdeling
Zwolle, december 1990.
Noten
1. De N.V. grafkisten- en meubelfabriek v/h fa. H. van
Breemen, afd. ziekenvervoer, kreeg er later van de
gemeente Zwolle het bedrag van ƒ 70,- voor. Zie:
Iet Vierstraete-Erdtsieck, De Jodenvervolging in
Zwolle; geschiedenis van de Joden te Zwolle tussen
1933 en 1946. (Wezep, 1985).
2. Igor Cornelissen, Van Zwolle tot Brest-Litowsk.
(Amsterdam, 1983).
3. De twaalf oprichters van de SDAP werden
spottend de twaalf apostelen genoemd. Later werd
het een erenaam.
4. Het gezin van Izak Os en Lea Spits bestond uit:
Abraham (1890, na 3 weken overleden), Marianne
(1891), Jochem (1893), Clara (1895), Rika (1897) en
Truus (1899; mijn moeder).
5. Raadsvergadering 8.11.1920, Gemeentearchief
Zwolle.
6. ibidem. 30.12.1920.
7. ibidem. 19.1.1920.
8. ibidem. 28.6.1920.
9. ibidem. 25.1.1921.
10. ibidem. 20.12.1920.
11. ibidem. 23.2.1920; 21.2.1921; 14.3.1921; 20.6.1921;
18.7.1921 en 18.4.1921.
12. ‘PALVU’ (= Proletariërs Aller Landen Verenigt U),
destijds het eigen partijgebouw van de Zwolse
SDAP op de Eekwal 29.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een bijzonder voorwerp in het POM
Onlangs liet Boudewijn Büch in zijn programma
over de eilanden in de Indische
Oceaan, enkele grote noten met een
vreemde vorm zien, die daar als souvenir werden
verkocht. Het betrof de zogenaamde Seychellennoot,
die nu voor de toeristen in de winkels ligt,
maar die in de zestiende en zeventiende eeuw als
een kostbare en exotische noot gold.
Zo’n exotische noot bevindt zich sinds de Geschiedkundig-
Overijsselsche Tentoonstelling van
1882 in het POM.
Voordat ik inga op het voorwerp zelf, volgt
hier eerst iets over de herkomst en het gebruik van
deze noten.
Oorspronkelijk heette de noot Maledivische
noot, genoemd naar de Malediven waar de vruchten
aanspoelden. Daarom dacht men aanvankelijk
dat ze in zee groeiden. Op de Malediven kwamen
de noten soms in bezit van Nederlanders of
Portugezen, die de eilanden aandeden op hun reis
naar Indië.
Een noot kan 10 tot 15 kg zwaar worden. Zij
bestaat uit twee ovale delen met aan één kant een
insnoering tot de helft van de hoogte. Vaak werden
de noten in tweeën gedeeld, waardoor twee
schuitachtige vormen ontstonden.
De Seychellennoot is de vrucht van de Lodoicea
seychellorum, een palm die alleen op de Seychellen
voorkomt en die 20 tot 30 meter hoog kan
worden.
Seychellennoten waren tot ver in de achttiende
eeuw uiterst zeldzaam en derhalve zeer kostbaar.
De Habsburgse Keizer Rudolf II zou in het
begin van de zeventiende eeuw ƒ 4.000,- betaald
hebben voor een noot.
Niet alleen vanwege de zeldzaamheid waren ze
zo prijzig, maar ook werden er bijzondere krachten
aan toegeschreven. Carolus Clusius haalt de
Portugese arts Garcia da Orta aan, die schrijft dat
velen geloven dat een zieke geneest wanneer hij
water drinkt dat enige tijd in een dergelijke noot
heeft gestaan. Ook wordt in de zestiende en
zeventiende eeuw vermeld, dat iemand met gif in
zijn lichaam door deze noot voor de dood wordt
behoed. Nog in 1769 schrijft de kruidenkundige
Rumphius dat de noot vooral geschikt is bij vergiftiging
door arsenicum. Aan het eind van de
eeuw echter werd met dit bijgeloof afgerekend. In
het grote woordenboek van Noël Chomel staat
dan: ‘dat derzelven tegengiftige kragt voornamelijk
in de inbeelding bestaat’.
Toen de Fransen de vruchten in 1769 op de
Seychellen ontdekten, kwamen ze in groten getale
in de handel. Dit veroorzaakte een scherpe prijsdaling.
Seychellennoten, gevat in zilver, behoorden
tot de voorwerpen die in kunst- en rariteitenkabinetten
in de zestiende en zeventiende eeuw voorkwamen.
Hiertoe behoorden ook de iets minder
zeldzame kokosnoten en nautilusbekers, evenals
bijzondere schelpen, koralen e.d.
Het aantal Seychellennoten dat in de zeventiende
eeuw Europa bereikte was zeer klein. Ongeveer
tien exemplaren zijn bekend. Het voorwerp
in het POM is hiervan het enige in Nederland.
Het is een halve noot, als drinkschaal, met een
gladde zilveren band langs de rand en over de
noot naar de stam van de voet. De zilveren stam
wordt gevormd door een Bacchusfiguurtje, zittend
op een vat, en met in de rechterhand een
drinkschaal. De linkerhand is omhoog geheven.
Misschien hield hij daarin een nu ontbrekende
druiventros vast. Ook in de rechtervoet en achter
het vat zijn kleine openingen waarin mogelijk een
ornament heeft gezeten.
De versiering van de ronde voet bestaat uit
vier dolfijnen of zeemonsters, omgeven door water.
Waarschijnlijk heeft op de noot een deksel gezeten.
De noot is aan de buitenzijde onbewerkt,
de binnenkant is gelakt.
Lydie van Dijk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Drinkschaal, gemaakt
van Seychellennoot
(foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
Aan de onderzijde van de voetrand zijn drie
merken geslagen, de jaarletter (1659), het stadswapen
van Zwolle en een onleesbaar meesterteken.
Het stuk behoort tot de bruiklenen van de gemeente
Zwolle aan het POM en was, zoals reeds
gezegd, voor het eerst te zien op de Geschiedkundig-
Overijsselsche Tentoonstelling in 1882.
Aanvankelijk dacht men dat het om een beker
van het klompenmakersgilde ging. Waarschijnlijk
was deze opvatting gebaseerd op de vorm van de
noot. In Zwolle heeft echter nooit een dergelijk
gilde bestaan. Daarna vermoedde men dat de beker
eigendom van het tappers- en wijndragersgilde
geweest was, uitgaande van de vorm van de
stam. Van dit gilde zijn echter geen archivalia
bewaard, noch verwijst enige inscriptie op de beker
naar dit gilde.
In de stadsrekeningen van de gemeente Zwolle
over 1659 is de herkomst van deze beker waarschijnlijk
wel te traceren. In 1659, dus het jaar
waarin het zilverbeslag vervaardigd is, wordt een
met zilver beslagen ‘noete muskaet’ vermeld.
Deze muskaatnoot was door overste Schirk aan
de stad geschonken, samen met een hoorn die
eveneens voorzien was van zilverbeslag.
Dat deze, ‘noete muskaet’ dezelfde is als de
Seychellennoot, is om een aantal redenen aannemelijk.
Ten eerste kende men in 1659 de juiste
naam van de noot niet, en ten tweede was een
muskaatnoot niet zeldzaam en bovendien klein.
De stad zou voor zo’n kleine noot nooit aan de
meid van de overste enkele guldens voor het
geschenk hebben gegeven. Bovendien maakt de
stadsschrijver melding van twee ‘rariteyten’.
De Seychellennoten die eind zestiende en
zeventiende eeuw naar Europa kwamen, zijn veelal
in rariteitenkabinetten terecht gekomen. Over
dit onderwerp begint eind juni in het Amsterdams
Historisch Museum een tentoonstelling
met de titel ‘De wereld binnen handbereik, Kunsten
Rariteitenkabinetten in de Gouden Eeuw’. De
beker uit het POM zal daar ook te zien zijn.
Literatuur
B. Dubbe, ‘Gildebeker of rariteit?’ in: Antiek (1970), 27-
32-
R. Fritz, ‘Kokosnootbokalen, vervaardigd in de Nederlanden
van de 15de tot de 18de eeuw’ in: Antiek
(i979). 673-732-
R. Fritz, Die Gefasse aus Kokosnuss in Mitteleuropa,
1250-1800 (Mainz 1983).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Straatnamen, niet zo eenvoudig,
Klein Weezenland
Op 26 januari 1933 werd in een speciale
raadsvergadering afscheid genomen van
mr. dr. LA. van Roijen, die ruim 35 jaar
burgemeester van Zwolle was geweest. De raad
kwam, bij monde van wethouder R.J.J.M. Teilegen,
met een aardig afscheidsgeschenk. De Wilhelminasingel
zou van naam worden veranderd en in
de toekomst Burgemeester van Roijensingel gaan
heten. De scheidende burgemeester was hierdoor
zeer verrast en apprecieerde dit denkbeeld buitengewoon.
Hij sprak de hoop uit dat de raad dit voorstel
zou aannemen.
In de daaropvolgende raadsvergadering van 6
februari, dus nog geen twee weken later, kwam er
echter een ander voorstel op tafel. De fungerende
voorzitter deed na overleg met alle fractievoorzitters
het voorstel om niet de Wilhelminasingel,
maar het Klein Weezenland te vernoemen naar de
oud-burgemeester!
Wat was er in de tussentijd gebeurd? We kunnen
het gedeeltelijk nagaan aan de hand van de
ingezonden brieven in de Zwolse Courant. Het
vermoeden bestaat dat men achteraf terugschrok
voor het idee om de Wilhelminasingel van zijn
naam te ontdoen. Getuigde dat wel van eerbied
tegenover de regerende vorstin? Het idee was leuk
geweest, maar nu begon men toch te aarzelen.
In de elf dagen die tussen de beide vergaderingen
lagen, zijn er veel voorstellen gedaan. Omgedoopt
zou kunnen worden de Potgietersingel (de
Van Roijenbank stond daar al), de Veerallee (de
historische naam was na de bouw van de IJsselbrug
toch verouderd), de Zeven Alleetjes en de
Terborchstraat (Terborch zou dan in de schildersbuurt,
die toen gebouwd werd, vernoemd
kunnen worden).
Mr. D. Sanders deed in een ingezonden brief
het voorstel om het Klein Weezenland (van
Nieuwe Havenbrug tot Sassenpoortenbrug) tot
Burgemeester van Roijensingel om te dopen. Of
dit de raad op een idee heeft gebracht, weet ik
Wil Cornelissen
Klein Weezenland ca.
1900, sinds 1933 Burgemeester
van Roijensingel
genaamd
(gemeen tea rch ief
Zwolle, foto: J.P. de
Koning).
Jf/ein Weezenlani.
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
niet. Een feit is dat op 6 februari 1933 het cadeau
voor de oud-burgemeester werd gewijzigd: zonder
hoofdelijke stemming werd de toestand zoals
die ook nu nog bestaat. De burgemeester moest
wijken voor de koningin.
Spinhuiswal
De naamsverandering van de Spinhuiswal in
Menno van Coehoornsingel heeft een wat merkwaardige
achtergrond.
De Spinhuiswal dankte zijn naam aan de
gevangenis die vroeger werd aangeduid als tuchthuis
of spinhuis, en in 1739 werd gebouwd. Dit
jaartal staat nog altijd te lezen boven de toegangspoort.
Het huidige Flevogebouw was tot 1934 ambachtsschool.
In 1941 werd de oude school bestemd
voor de Rijksdienst Wieringermeerdirectie,
later Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders,
nog later Flevopolders. Daar is dan ook de naam
‘Flevogebouw’, die thans op de gevel prijkt, van
afkomstig.
Nu vond men het in 1941 ongepast (destijds
werd gezegd: ‘minder welluidend’), dat het correspondentieadres
van die Rijksdienst zou luiden:
Spinhuiswal.
Volgens het rapport van de gemeentearchivaris
was Spinhuiswal ook niet de oorspronkelijke
naam. Dat was Friesche Wal. Via de wat kronkelige
redenering dat Menno van Coehoorn een Fries
was, kreeg op 26 september 1941 de Spinhuiswal
de nieuwe naam Menno van Coehoornsingel, die
nog steeds de verbinding vormt tussen de Diezerpoortenplas
en het Assiesplein.
Koewegje
In het verleden stelde de gemeenteraad straatnamen
vast. Dat kon nog wel eens tot aardige discussies
leiden.
In augustus 1923 kwam er een verzoek van
bewoners en toekomstige bewoners om het Koewegje
in het vervolg Brinkstraat of Bagijnestraat
te noemen.
Bij de behandeling van deze kwestie, tijdens
de gemeenteraadsvergaderingen van 20 augustus
en 24 september 1923, werd het voorstel van B&W
om de naam Koewegje nu officieel vast te leggen,
nogal bekritiseerd. Het verzoek van de bewoners
kreeg steun van de heer Cromme. Een mooie
uitspraak van hem staat in de notulen: ‘Hij is
altijd genegen aan dergelijke kleine verzoeken uit
de burgerij te voldoen, als het geen kosten met
zich brengt.’
De voorzitter, burgemeester I.A. van Roijen,
voerde ter verdediging aan dat de naam Koewegje
historisch verantwoord was: ‘Er was een tijd, dat
dit deel van de stad buiten de bebouwde kom lag
en dat daarlangs de koeien gevoerd werden.’
De heer Vogt interrumpeerde schertsenderwijs
dat hij altijd had gedacht dat dat was omdat
daar oude koeien uit de sloot gehaald werden!
Na een stemming (twaalf tegen acht stemmen)
werd de naam Koewegje officieel vastgesteld.
In de volgende raadsvergadering kwam men
echter op dit besluit terug en vond er weer een
lange discussie plaats. De heer Lindeboom stelde
dat het een straat was waar nette woningen stonden.
Hij ondersteunde het verzoek van de bewoners
om de straat Brinkstraat of Bagijnestraat te
noemen. De heer Van Vlaardingen vertolkte de
mening (en dat kan wel eens de belangrijkste reden
zijn geweest voor het verzoek) ‘dat een brief
geadresseerd Koewegje zo ordinair staat. De
adressanten vragen om een fatsoenlijke naam
voor hun straat’, en hij wilde dat ondersteunen.
Nu kwam er nog een nieuw argument op tafel.
Het verhaal van de burgemeester, dat vroeger
de koeien hier langs werden geleid, bleek niet
waar te zijn. Die beesten werden langs het Blekerswegje
gevoerd en de naam Koewegje bestond
toen niet. De straat werd toen ‘Achter de planken’
genoemd.
In een nieuw voorstel werd gesuggereerd de
straat de naam Oosterkerkstraat te geven. De burgemeester
was in deze vergadering niet aanwezig.
Er werd nog op gewezen ‘dat het toch niet zo
fatsoenlijk was om nu al weer op het vorige besluit
terug te komen. Raadslid Augusteijn had een
wijs advies: ‘Laten wij in de geest van den Burgemeester
handelen, door de naam Koewegje te behouden.’
En zo geschiedde het ook. Met vijftien stemmen
tegen negen, bleef de naam Koewegje bestaan.
Het vormt nog steeds de verbinding tussen
de Brink en de Turfmarkt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
Literatuur
Nieuwe boeken
W. Coster en R.B.J. Oosterveld, Volksuniversiteit
Zwolle; vijfenzeventig jaar onderwijs en cultuur
voor volwassenen. Zwolle (Coster Pers) 1992.
B.J. Kam, Capita selecta,capita occidorum; doodstraffen
in Zwolle van Columbus tot Napoleon.
Zwolle (Geert Grote) 1992.
‘Het openluchtbad’ in: Informatieblad monumentenzorg
en archeologie in Zwolle. Zwolle
(gemeente Zwolle, sector stadsontwikkeling)
1992.
Janna van der Waarde, ‘Eb ie ze ook nog ‘ekend?
Zwolle (Waanders) 1991.
Zwolse veraelties met tekeningen van Teun
van der Veen.
H.C.J. Wullink, ‘Een instructie voor de organist
van de Bethlehemse kerk te Zwolle’, in: de
Mixtuur, nr. 70 (1992).
Over de Zwolse organist Albert Hempenius
(1813-1880).
F.D. Zeiler, Door de klanken der muziek vereend.
Muziekleven in Overijssel 1740-1810. Zwolle
(Tentoonstellingsdienst Overijssel) 1991.
Brochure uitgebracht bij een reizende tentoonstelling.
F.D. Zeiler, Het rentambt Windesheim, 1585-1805
en ‘De Bourschap Winshem’. Kampen (IJsselakademie)
1992.
Kwartierstatenboek
De afdeling West-Overijssel van de Nederlandse
Genealogische Vereniging hoopt in het najaar tot
de uitgave van een Kwartierstatenboek te komen.
In deze fraai verzorgde uitgave zijn onder de
titel’Boeren, burgers en buitenlui’ 50 kwartierstaten
opgenomen die grotendeels betrekking
hebben op het gebied van de afdeling, te weten
West-Overijssel, Salland, het Land van Vollenhove
en de kop van de Veluwe. Het boek is de
eerste publikatie van deze omvang met betrekking
tot dit gebied en bevat duizenden familienamen.
Het werk telt 120 pagina’s op liggend A-4 formaat.
Een lijst van inzenders, alsmede een lijst van
intekenaren zal worden opgenomen. Het boek
wordt afgesloten met een alfabetisch-lexicografisch
naamregister.
Op enkele uitzonderingen na, zijn in alle
kwartierstaten 31 kwartieren met volledige gegevens
betreffende geboorte, huwelijk en overlijden
opgenomen, plus de naam van de ouders van
de vijfde generatie. Ongeveer de helft van de
kwartierstaten wordt gevolgd door een lijst met
vervolgkwartieren. Het hoogst opgevoerde kwartiernummer
is 14.158.848!
Om zo goed mogelijk zicht te krijgen op de
vraag naar dit boek, en dus naar de gewenste oplage,
heeft de afdeling besloten tot het openen van
een voorintekening. De voorintekenprijs is
ƒ 37,50. Wilt u de uitgave toegezonden hebben dan
komt daar ƒ5,- portokosten bij.
U kunt intekenen door overmaking van ƒ 37,50
per exemplaar (eventueel vermeerderd met portokosten)
op postbankrekeningnummer 39 13 760
ten name van penningmeester NGv-afdeling
West-Overijssel, Hortensiastraat 11,8013 AA Zwolle,
onder vermelding van ‘kwartierstatenboek’.
Daar de oplage gerelateerd zal zijn aan het
resultaat van deze voorintekening, is het voor gegadigden
belangrijk om hieraan deel te nemen.
Alledaagse Dingen
Onlangs is het eerste nummer verschenen van Alledaagse
Dingen, een nieuw tijdschrift voor iedereen
die op de hoogte wil blijven van wat er in Nederland
gaande is op het gebied van (de geschiedenis
van) het dagelijkse leven. Het tijdschrift
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
richt zich op een breed publiek. Op een gedegen
en tegelijk aantrekkelijke manier wordt ingegaan
op allerlei onderwerpen betreffende de volks- en
streekcultuur. Ook geeft het een overzicht van interessante
activiteiten op dit terrein.
Alledaagse Dingen is bestemd voor leden van
verenigingen, professionals, amateurs en alle andere
geïnteresseerden op het gebied van de volkscultuur.
Het wil een zo volledig mogelijk overzicht
geven van wat er in Nederland leeft op dit
terrein.
Alledaagse Dingen is een uitgave van het Nederlands
Centrum voor Volkscultuur. Het is rijk
geïllustreerd en verschijnt acht maal per jaar.
U kunt een gratis proefnummer bestellen
door ƒ 3,- aan postzegels (voor de portokosten) te
sturen naar: Nederlands Centrum voor Volkscultuur,
Lucasbolwerk n, 3512 EH Utrecht.
Voor meer informatie: tel.030-319997.
Agenda
Tentoonstellingen in het Provinciaal
Overijssels Museum
t/m 14 juni
DROSTENHUIS: Als de dag van gisteren. Sport in
Zwolle.
GOUDEN KROON: Het Overijssels(e) Landschap.
Een tentoonstelling in het kader van het 60 jarig
bestaan van Het Overijssels Landschap. Door
middel van schilderijen, tekeningen en foto’s
wordt het landschapsonderhoud van vroeger en
nu toegelicht.
20 juni -13 augustus
DROSTENHUIS: Antonie Daniel Prudhomme,
1745-1826. Tekeningen en schilderijen van deze
Zwolse kunstenaar die onder andere enkele jaren
op de Amsterdamse tekenakademie naar model
tekende.
GOUDEN KROON: Kruiden
14 – 22 augustus
GOUDEN KROON: Kermistentoonstelling, dit keer
rond het thema ‘illusie’.
Mededelingen
Oproep
De heer Ehrhardt uit Leeuwarden is op zoek naar
de negentiende eeuwse archieven van de rederij
Doyer en Kalff.
Wie op de hoogte is van de verblijfplaats van
deze archieven wordt verzocht contact op te nemen
met:
Hein Ehrhardt
De Bird 104
8918 GA Leeuwarden
tel. 058-662128.
Steden des Tijds
Op zaterdag 13 juni j.1. is Teleac opnieuw gestart
met de serie ‘Steden des Tijds, historische stadstypen
in de Nederlanden’. Deze serie is in het najaar
van 1990 voor de eerste keer uitgezonden.
In deze serie staan tien steden centraal. Bij elk
van die tien steden is telkens een bepaalde omstandigheid
aan te wijzen, die heeft geleid tot een
spectaculaire ontwikkeling en bloei. Zeven Nederlandse
en drie Belgische steden worden op
deze manier belicht.
De serie bestaat uit tien televisie- en tien radioprogramma’s,
een cursusboek en een wandelgids.
De verschillende stadstypen worden in het boek
beschreven aan de hand van de stadsgeschiedenissen.
De ontwikkeling van de stad wordt tot ongeveer
1800 behandeld. Er is veel aandacht besteed
aan het dagelijks leven in de steden.
De televisielessen volgen de hoofdstukken in
het boek. In de radioprogramma’s ligt het accent
juist op de ontwikkelingen in de negentiende en
twintigste eeuw. Ook besteedt de radio uitgebreid
aandacht aan de plaatselijke archieven.
Voor meer informatie kunt u tijdens kantooruren
contact opnemen met het Teleac-informatienummer:
030-946946.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Personalia Colofon
Wil Cornelissen (1928) was werkzaam bij het onderwijs.
drs. Lydie van Dijk is als kunsthistorica verbonden
aan het Provinciaal Overijssels Museum.
D. Hogenkamp (1949) is arbeidsdeskundige bij
de Gemeenschappelijke Medische Dienst. Hij
is verknocht aan Zwolle en geeft regelmatig
diavoorstellingen over oud en nieuw Zwolle.
drs. J.C. Streng (1945) was enige jaren werkzaam
in het bedrijfsleven en ging daarna geschiedenis
studeren; eerst aan de Noordelijke Leergangen
te Zwolle en vervolgens aan de Rijks
Universiteit Groningen. In 1986 legde hij zijn
doctoraalexamen geschiedenis af en twee jaar
later het doctoraal kunstgeschiedenis. Thans
is hij werkzaam als free-lance historicus.
drs. Ingrid Wormgoor (1956) studeerde geschiedenis
aan de Rijks Universiteit te Groningen.
Momenteel werkt zij als museumconsulent bij
de Culturele Raad Overijssel.
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een uitgave van de
Zwolse Historische Vereniging en verschijnt vier maal
per jaar. Leden van de vereniging krijgen het tijdschrift
gratis toegezonden.
Bestuur Zwolse Historische Vereniging
J. Hagedoorn, voorzitter
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle
E. Tijssen, secretaris
David Spanjarstraat 4, 8017 DD Zwolle
H. Brassien, penningmeester
Thorbeckegracht 3c 8011 VL Zwolle
A. Bootsma-van Hulten, BJ. Kam, R.T. Oost,
I. Wormgoor, leden
Secretariaat/ledenadministratie
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle, telefoon: 038-223214
Financiën: girorekening Postbank: 5570775 t.n.v.
Zwolse Historische Vereniging
Tarieven lidmaatschap:
65+ (wonend binnen Zwolle), jeugdleden
en studenten ƒ 25,00/jaar
overige leden ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift
W. Cornelissen, J.H. Drentje, H. Halbertsma,
J. ten Hove, W.A. Huijsmans, M. van der Laan,
I. Wormgoor.
Adviseur: N. Lettinck
Redactie-adres: Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle
Vormgeving: Rob van den Elzen bNO
Druk: Hoekman Genemuiden
ISSN 0926-7476 © Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/
of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie,
microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1992, Aflevering 1

Door | 1992, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Dit plaatje is genomen staande achter de
vier ijskarren van ijsbedrijf Santing, een
ijssalon op de hoek van de Vispoortenplas
en Achter de Broeren. Het bedrijfje bestond ongeveer
van 1945 tot 1956. Op de foto is de ijssalon net
niet te zien.
In de tijd van de foto waren deprijzen van de
ijsjes respectievelijk 2,3,5,10 en 15 cent.
Uiteraard was ook toen reclame geen onbekend
verschijnsel. Op de zijkant van de ijswagentjes
staan de volgende ‘pakkende’ teksten:
‘Zijt gij warm, dan doet ge wijs
u te verfrissen met Santings Ijs.’
en:
‘Santings Ijs, dat is gewis
het fijnste wat er is.’
De oorspronkelijke eigenaar van de in Zwolle
zeer bekende ijssalon Leben, de heer Chris Leben,
leerde hier het ijsmaken.
Op de nieuwe foto ziet u een andere bekende
zaak in Zwolle, namelijk die van Jochem van Zanten
aan de Vispoortenplas. De panden rechts op
de foto zijn gelukkig op het nippertje gered en
schitterend gerestaureerd.
Boven: Vispoortenplas; oude situatie
Onder: Vispoortenplas; nieuwe situatie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In het vorige nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft u kunnen genieten van winters
ijsvermaak. In dit nummer loopt D. Hogenkamp
vooruit op 2r.omers ijsvermaak. Aan de
hand van een oude en een recente foto belicht hij
de plaats van de bekende, maar nu verdwenen, ijssalon
Santing.
Aafje Lem, die bezig is met een onderzoek
naar boeken in de middeleeuwen in Zwolle, voert
een minder bekende Zwollenaar ten tonele. Het is
de frater Tilmannus Honf die omstreeks 1450 in
Zwolle woonde en later naar Harderwijk ging.
’t Was een aardige kerel, want als zijn maatjes uit
Zwolle kwamen, trok hij steevast een fles wijn
open.
Arnoldus Gelderman is eveneens een Zwollenaar
die niet iedereen zal kennen. Toch was hij
van 1723 tot zijn dood in 1757 lid van het stadsbestuur.
Jaap Hagedoorn schetst aan de hand van
een biografisch en een zogenaamd prosopografisch
onderzoek (onderzoek naar groepen) een
beeld van de kleine provinciestad Zwolle tussen
1675 en 1750. Het artikel is een bewerking van de
lezing die de auteur hield in september 1990 in de
Waalse kerk bij de aanbieding van de inventaris
van het archief Gelderman.
Jan Willem van Beusekom beschrijft vervolgens
weer een aantal Zwolse jongere monumenten.
In zijn artikel is vooral aandacht voor de
schitterende negentiende-eeuwse villa’s langs de
Van Roijensingel.
Ook Raymond Salet schrijft over het besturen
van de stad; en dan vooral over de problemen die
daarbij kunnen ontstaan. Hij gaat uitvoerig in op
de plannen die het College van Burgemeester en
Wethouders liet ontwerpen (en vervolgens niet
liet uitvoeren) in verband met mogelijkheden
voor stadsuitbreiding.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Zwolse Fraters /1 Aafje Lem
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Arnold Gelderman (1677-1757) een Zwolse burgemeester
Jaap Hagedoorn
Jongere bouwkunst in Zwolle Jan Willem van Beusekom
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw Raymond Salet
Literatuur
Bestuursmededelingen
Personalia
4
6
7
15
23
32
33
35
Omslag: C. Pronk, ’t Stadhuis te Zwol.
(foto: Provinciaal Overijssels Museum)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse Fraters /i
Aafje Lem Het fraterhuis van de broeders van het
Gemene Leven te Zwolle is – en niet zonder
reden – voor veel onderzoekers een
inspirerend onderwerp. Niet alleen de stichtingsgeschiedenis,
maar ook de bouwgeschiedenis van
de door de fraters bewoonde panden en de ontwikkeling
van het geestelijk leven in deze belangrijke
instelling van de Moderne Devotie, zijn het
beschrijven meer dan waard gebleken.’
Een heel belangrijke bron voor deze bijdragen
is telkens weer de kroniek van het fraterhuis.2 De
kroniek, die aan het eind van de vijftiende eeuw
geschreven werd door Jacobus de Voecht, een van
de fraters uit het huis, bestaat uit een verzameling
levensbeschrijvingen van de fraters die het huis
bewoonden vanaf de stichting tot ongeveer 1490.
Daarnaast geeft de kroniek een prachtig beeld van
het ontstaan van het huis, dat naar de patroonheilige
ook wel Gregoriushuis werd genoemd, de fraterhuizen
die vanuit Zwolle zijn gesticht, de zorg
van de fraters voor de leerlingen van de stadsschool
en het geestelijk klimaat dat in de begintijd
in het fraterhuis heerste.
Een van deze fraters van wie we de levensbeschrijving
in de kroniek kunnen terugvinden, is
Tilmannus Honf.3 Het is een zeer korte beschrijving;
het beslaat nog geen dertig regels en is ook
slechts een paragraafje in een groter hoofdstuk.4
Daarnaast wordt Tilmannus’ naam nog slechts
eenmaal genoemd in de kroniek: hij is een van de
fraters die in 1432, na de beëindiging van het Interdict,
terugkeert naar Zwolle.5
Zoals alle verhalen begint ook het verhaal van
Tilmannus’ leven met een beschrijving van zijn
voorbeeldig geestelijk leven; hij wordt een gloedvol
en toegewijd frater genoemd, nederig en gehoorzaam.
Een dergelijke karaktertekening is niet
uitzonderlijk; de levensbeschrijvingen van deze
eerste groep fraters hebben namelijk een voorbeeldfunctie:
ze zijn opgeschreven om fraters uit
later tijden ter stichting te dienen. Deze zogenaamde
‘vitae’ zijn een bekend genre binnen de
literatuur van de Moderne Devoten, dat vooral
bij de zusters van het gemene leven populair was.6
Direct na deze uitweiding over zijn toewijding
wordt vermeld dat Tilmannus door een lichamelijk
gebrek de in de Consuetudines (de gewoontes
of regels) van het huis beschreven oefeningen niet
meer aankan.
Gelukkig bereikt rond diezelfde tijd de rector
van het fraterhuis, de beroemde Dirc van Herxen,
een verzoek om hulp. Jacobus Wolf, een frater afkomstig
uit de Hieronymusberg bij Hattem,7
vraagt de Zwolse rector om assistentie bij het besturen
van het zusterhuis (Agnietenklooster) in
Harderwijk. De Hattemse fraters hadden namelijk
de zorg voor de zusters in Harderwijk in de
tijd dat er in Harderwijk nog geen fraterhuis was.8
Tilmannus vertrekt daarop naar Harderwijk,9
waar hij de hem toegewezen taak tot het eind van
zijn leven vervult, ook hier weer gekenmerkt door
gehoorzaamheid en nederigheid. Bovendien
houdt hij zich, net zoals hij dat in Zwolle gewend
was, ook in Harderwijk zoveel mogelijk bezig met
studeren, mediteren en het schrijven van boeken.
Dat Tilmannus’ vertrek naar Harderwijk
waarschijnlijk heeft plaatsgevonden rond dezelfde
tijd dat daar de eerste stappen werden gezet
voor de stichting van een fraterhuis, blijkt uit een
tweetal oorkonden.10 In de eerste uit 1441 verzoeken
Schepenen en Raad van Harderwijk Dirc van
Herxen een fraterhuis te stichten, waarvoor zij
hem een huis ter beschikking stellen. Dirc van
Herxen voldoet aan dat verzoek en stelt Godefridus
van Kempen aan als de eerste rector aldaar.”
In de andere oorkonde, die van een jaar later dateert,
worden twee delen van een huis in de straat
van Sevenhusen in Harderwijk door de eigenaren
overgedragen aan Gerrit de Wilde en heer Teleman
van Houft ten behoeve van Dirc van Herxen
en de Zwolse fraters. Tilmannus is dan blijkbaar
al woonachtig in Harderwijk, maar kan daar dan
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nog niet langer dan een jaar hebben gewoond,
aangezien er voor die tijd nog geen fraterhuis in
Harderwijk was.
Tenslotte wordt Tilmannus nog eenmaal vermeld
in 1451, in verband met zijn functie van procurator
van de nonnen in Harderwijk.12 Daarmee
zijn vrijwel alle gegevens die over het leven van
Tilmannus Honf bekend zijn, beschreven.
Wat de Vita’ van Tilmannus, zoals die beschreven
is in de Zwolse kroniek, echter een speciaal
tintje geeft en het lezen meer dan waard
maakt is een voor dit type tekst wat ongebruikelijke
toevoeging aan zijn levensbeschrijving. Als Tilmannus
eenmaal in Harderwijk zit, onderneemt
hij nog maar zelden de reis naar Zwolle. De enkele
keer dat hij nog in zijn oude huis verschijnt,
wordt hij door zijn voormalige medebroeders
met een wat plagende ondertoon terechtgewezen,
13 omdat hij behoorlijk dik is en voegen ze
hem toe dat hij het, gezien zijn omvang, wel goed
naar zijn zin zal hebben in Harderwijk. Als er omgekeerd
Zwolse broeders naar Harderwijk komen,
logeren ze steeds bij Tilmannus en hij ontvangt
ze altijd allerhartelijkst. En mocht het voorkomen
dat hij alleen thuis is, dan roept hij: “Tijd
voor mijn beste maatje!” en trekt een fles wijn
open.14
Deze – voor een ‘vita’ met een voorbeeldfunctie
— wat verrassende anekdotische toevoeging is
er een van een slechts klein aantal passages in de
kroniek, waaruit blijkt dat iets menselijks de fraters
ook niet vreemd was. In een volgend artikel
zal ik proberen daar nog wat voorbeelden van te
laten zien. Een van de fraters die dan de revue zal
passeren, is de beroemde Wessel Gansfort.
Noten
1. Hagedoorn, J. (red.), Domus parva. Het eerste huis
van de Moderne Devoten te Zwolle. (Zwolle 1987). In
deze publikatie wordt verwezen naar andere literatuur.
2. Schpengen, M. (ed.), Jacobus Traiecti alias de
Voecht, Narratio de inchoatione domus clericorum in
Zwollis. (Werken uitgegeven door het Historisch
Genootschap, 3e serie nr 13, Utrecht 1908).
3. Ik houd mij hier aan de spelling zoals deze voorkomt
bij Schoengen.
4. Schoengen, 103-104.
5. ibidem, 92. Het Interdict (een straf uit het kanoniek
recht waarbij o.a. een verbod op het vieren van de
eredienst van kracht is) wordt in 1426 door Sweder
van Culemborg opgelegd aan de IJsselsteden, omdat
die zijn gezag als pauselijk elect niet erkennen,
maar Rudolf van Diepholt verkiezen. De Moderne
Devoten gehoorzamen aan het Interdict en vertrekken
uit Zwolle. Ze gaan eerst naar het fraterhuis
Hieronymusberg bij Hattem en van daaruit naar
Doesburg, waar ze een nieuw fraterhuis stichten.
6. Zie bijv.: Man, D. de, Hier beginnen sommige stichtige
punten van onsen oelden zusteren. Naar het te
Arnhem berustende handschrift, (’s Gravenhage
1919).
7. De geschiedenis van dit fraterhuis, dat vanuit
Zwolle gesticht is, is beschreven door A. Klein Kranenburg,
Geschiedenis van het fraterhuis St. Hieronymus
te Hulsbergen. (Heerde 1986).
8. De geschiedenis van het fraterhuis in Harderwijk is
beschreven door K.H.M. Mars, ‘De Latijnse school
en het fraterhuis van Harderwijk.’ in: Archief voor
de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland.
(i974)> 154-236.
9. Mars, 162, stelt abusievelijk dat Teleman van Honnef
leiding heeft gegeven aan het fraterhuis in Groningen.
Hiervan blijkt noch iets uit de archieven
van het Groningse fraterhuis, noch uit de kroniek
van het Zwolse fraterhuis.
10. Hofman, J. ‘De broeders van ’t gemeene leven en de
Windesheimsche kloostervereeniging.’ in: Archief
voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht
(1878),118-119.
11. Mars, 161, verwart de eerste rector van het fraterhuis
in Harderwijk, Godefridus (Govert) van Kempen
met de man die de geestelijke zorg voor de fraters
in de Hieronymusberg op zich neemt, als dit
huis in 1407 nog geen rector heeft, de frater
Go(a)belinus van Kempen. Van laatstgenoemde is
in de kroniek geen levensbeschrijving opgenomen;
zijn leven wordt evenwel wel beschreven in het zgn.
‘Frensweger handschrift’, (uitgegeven door W. Jappe
Alberts en A.L. Hulshoff, Groningen 1958, p.210
Naam van Teleman
van Houft (Honft),
zoals die voorkomt in
het charter van 20
januari 1442 (Gemeentearchief
Zwolle, inv.
KA 009, Ch. coll.
442-01)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
e.v.) In deze levensbeschrijving is geen sprake van
bemoeienissen met het fraterhuis in Harderwijk,
zoals er ook in de levensbeschrijving van Godefridus
in de kroniek geen sprake is van het rectorschap
in Hulsbergen. Dergelijke belangrijke informatie
zou in de kroniek niet achterwege gelaten
zijn.
12. Gemeentearchief Kampen: Inv. nr 798, fol. 30V.
13. De tekst spreekt hier van humiliare (vernederen),
maar gezien de context is deze wat eufemistische
vertaling wel op zijn plaats. Zie voor de context
noot 14.
14. Schoengen, 103-104: “…et cum Suollis veniret…,
tune fratres nostri solent ipsum humiliare, eo quod
satis esset corpulentus et bonos dies haberet et cetera.”
“Cum… aliqui nostrorum venissent in Harderwijek…
solebat dicere: ‘Jam oportet nos habere
patriotam meum’, per hunc intelligens vinum…”
Straatnamen, niet zo eenvoudig…
Wil Cornelissen Tot 1974 had de gemeenteraad het recht
straatnamen te bepalen. Dat kon nog wel
eens tot aardige discussies leiden. Zo stuitte
het voorstel van het College van Burgemeester
en Wethouders om een nieuwe straat te sieren
met de naam Hortensiastraat op enige weerstand
in de gemeenteraad. Er werd geopperd dat Zwollenaren
die naam niet zouden kunnen uitspreken,
“’t Zal Attensiastraat worden”, zo zei de heer
Augustijn. Mevrouw Stoel meende daarentegen,
dat het een mooie gelegenheid was om mensen te
leren de ‘h’ voor een woord niet weg te laten. Augustijn
stelde nog voor de straat ‘Fuchsiastraat’ te
noemen. Deze naam moest echter gespeld worden
door de voorzitter, toen een van de raadsleden,
de heer Valeton, daarom vroeg. De bezwaren
van de heer Augustijn werden niet gedeeld
door de meerderheid van de gemeenteraad: met
zestien tegen vier stemmen kreeg de Hortensiastraat
zijn naam tijdens de vergadering van 14 juni
1926.
Wist u, dat er in Zwolle tot 1935 een Deventerdwarsstraat
bestond? Op voorstel van het College
van Burgemeester en Wethouders zou die straat
omgedoopt worden tot Zuiderlaan. De heer Valeton
was echter bang om de kluts kwijt te raken.
Deze Zuiderlaan zou dan namelijk ten noorden
van de Oosterlaan en de Westerlaan liggen. “Het
college is bezig de aarde op z’n kop te zetten”, zo
betoogde hij. De heer Van der Vegt had nog een
ander bezwaar. Hij stelde dat het helemaal geen
laan was: de Deventerdwarsstraat was immers
geen weg die aan beide zijden met bomen beplant
was.
Nog tijdens de vergadering kwam de heer
Fransen met een ander idee. Het College nam dat
idee over en zo kreeg de Deventerdwarsstraat een
nieuwe naam: Zuiderkerkstraat.
Dit alles speelde zich af tijdens de raadsvergadering
van 26 augustus 1935.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman (1677-1757)
een Zwols burgemeester1
De belangstelling voor de geschiedenis van
het persoonlijk leven is groeiende. De
toenemende stroom biografieën en biografische
woordenboeken bewijzen dit.2 Niet alleen
individuen zijn onderwerp van onderzoek.
Ook probeert men het: leven van groepen te schetsen
in zogenaamde prosopografische studies. Het
gaat hierbij dan meestal om beschrijvingen van de
sociale bovenlagen in een stad of streek.3 Men
probeert vanuit het bijzondere algemene uitspraken
te doen over het persoonlijk en publiek leven
van een groep. Deze prosopografische schetsen en
algemene uitspraken sdjn op hun beurt ook weer
geschikt om een biografie schets in een kader te
zetten.
In Zwolle staat het prosopografisch onderzoek
op een laag pitje. Wel zijn er ruim tien jaar
geleden twee studies verricht naar de politieke en
sociale bovenlaag van Zwolle in de zeventiende en
achttiende eeuw. Daaruit is gebleken, dat er in de
jaren 1700-1725 een zekere mate van sociale mobiliteit
bestond. Voor families uit de maatschappelijke
regionen net onder de bovenlaag bestonden
er mogelijkheden om tot de sociale en politieke
top door te dringen.4 Deze prosopografisch getinte
these wil ik toetsen aan de hand van het voorbeeld
van de familie Gelderman, in het bijzonder
Arnoldus Gelderman (1677-1758). Opvallend is
namelijk, dat Arnoldus’ grootvader bode van de
Staten van Overijssel was, terwijl hij zelf opklom
tot burgemeester. Hoe voltrok zich deze maatschappelijke
stijging, die in ongeveer 75 jaar
plaatsvond? Een biografisch-prosopografisch onderzoek
naar Arnold Gelderman en zijn familie
kan op deze vraag een antwoord geven.
De familie Gelderman
De vroegste geschiedenis van de familie Gelderman
is in nevelen gehuld. Ondanks uitgebreid
onderzoek is nog steeds onbekend waar de stamvader
Arend Jans Gelderman, zich ook noemende
Jaap Hagedoorn
Van Nimwegen, vandaan kwam. We weten
slechts dat hij op 9 december 1639 benoemd werd
tot landschapsbode van de Staten van Overijssel
op een jaarlijks tractement van 50 gulden, dat echter
met enige emolumenten werd aangevuld.5 Dit
was in die tijd zeker één van de weinige, maar toch
zeker niet één van de minst belangrijke ambtelijke
functies. Een bode van de staten bracht informatie
van en naar Overijssel; een zeer vertrouwelijke
baan, die niet van enig gevaar ontbloot was in tijden
van oorlog.
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
voerde in de zeventiende eeuw verschillende
oorlogen. Was Arend Jans dan een soldaat die tijdens
de laatste episode van de Tachtigjarige Oorlog
met zijn compagnie in de vestingstad Zwolle
verzeild was geraakt? Het is niet bekend. In ieder
geval maakte hij als landschapsbode de laatste negen
jaar van die oorlog mee. Dat zijn functie kennelijk
ook financieel gewaardeerd werd, blijkt uit
het feit dat hij in 1643 in staat was een huis aan te
schaffen in de Walstraat en in het jaar erna het
groot burgerschap van Zwolle kocht.6
Puntschotel met het
wapen van de familie
Gelderman. Amsterdam,
1638.
8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman
(1677-1757). (foto: Iconografisch
Bureau,
Den Haag).
Arend Jans huwde in 1640 met Willemtijn Egbers,
de dienstbode van burgemeester Ewols. Uit
dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, waarvan
alleen de één na jongste zoon, Egbert, zijn ouders
zou overleven. Hem benoemden Arend Jans
en Willemtien in 1656 tot enig erfgenaam.7 In 1653
had Arend Jans van Ridderschap en Steden van
Overijssel toestemming verkregen één van zijn
zoons op te leiden tot landsbode, zodat deze hem
na zijn dood zou opvolgen.8 Al in 1663 wordt Egbert
Gelderman, dan vijftien jaar oud, in de stukken
als bode aangeduid. Zijn ouders overleden
enige jaren later: Willemtijn Egbers in 1667 en
Arend Jans in 1669. Zij werden beiden begraven in
het portaal van de Grote Kerk. Nu was dat wel
niet de meest in aanzien staande plek in de Grote
Kerk, maar wie in een kerk begraven werd – en in
Zwolle met name in de Grote Kerk – stond in enig
aanzien en beschikte over voldoende middelen
een dure begrafenis te kunnen betalen.
Egbert Gelderman was enige maanden na het
overlijden van zijn moeder in 1667 gehuwd met
Anna Aalts, dochter van de stadssmid Jan Aaltsen
en Sophia van Ulsen. Uit dit huwelijk zouden zes
kinderen worden geboren, waarvan Arnoldus, geboren
aan de Blij markt in 1677, het vijfde was. In
1681 overleed Anna Aaltsen.
Zwolle rond 16779
Zwolle had in de zeventiende en achttiende eeuw
een belangrijke centrumfunctie voor het omliggende
platteland. De stad was enerzijds marktplaats
voor agrarische produkten, anderzijds
konden de bewoners van het platteland in de stad
de nodige nijverheidsprodukten kopen. Industrieel
vervaardigde produkten, afgezien van textiel
waren er nog nauwelijks. Zeer belangrijk voor
Zwolle was de transito- of overslaghandel. Zwolle
werd een stapelplaats voor goederen die tussen
het westen van de Nederlanden en Twente en
Westfalen werden vervoerd. Daarvoor werden
rond 1700 de handelswegen naar het zuidoosten
(Wipstrik) en oosten (Hardenberg) verbeterd. Al
in 1600 was de Nieuwe Vecht gegraven, die Zwolle
met de Vecht verbond. Tot de produkten die
op deze wijze werden verhandeld, behoorden onder
andere koloniale waren, hout, tabak, wijn,
boter, graan en hooi. De handel was geconcentreerd
rond de huidige Thorbeckegracht, waar de
meeste factoors woonden.
Door deze activiteiten kende Zwolle aan het
eind van de zeventiende eeuw een zekere welvaart.
Omstreeks 1700 was het huidige stadshart
geheel bebouwd. Aan de uitvalswegen naar Kampen,
Deventer en het oosten waren dunbebouwde
boerennederzettingen. Ondanks de grote pestepidemieën
van 1636 en 1656 – waaraan binnen
enkele maanden soms duizenden Zwollenaren
ten offer vielen – had de stad rond 1670 zo’n
12.000 inwoners en was nog groeiende.
In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland,
Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster.
De oostelijke provincies werden zonder al te
veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse,
Munsterse en Keulse troepen. Ook 2’wolle gaf
zich over en werd door deze troepen bezet. Dit
had tot gevolg, dat de stedelijke overheid na het
vertrek van de vreemde troepen in 1674 m e t forse
schadeclaims en schulden bleef zitten, als gevolg
van inkwartiering, knevelarij, vernielingen en extra
belastingen.
Nadat de bezettende machten waren verdreven
en Willem III tot stadhouder was benoemd,
strafte de laatste de gewesten die nauwelijks weerstand
hadden geboden aan de vijandelijke troepen.
Bij het regeringsreglement van 1675 trok de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stadhouder de goedkeuring van de verkiezing van
burgemeesters, schepenen, raden en meenslieden
in Utrecht, Overijssel en Gelderland aan zich, om
zich van de loyaliteit: van de onbetrouwbare gewesten
te verzekeren.
Egbert Gelderman
In hetzelfde jaar 1675 maakte Egbert Gelderman
promotie. Op 22 februari ontving hij uit handen
van Willem III zijn benoeming tot kamerbewaarder
van de provincie.10 Dit betekende onder andere
dat hij aanwezig was bij de vergadering van
de Staten van Overijssel, maar ook dat hij als belastingontvanger
van de provincie kon fungeren:
kortom een brede, vertrouwelijke functie. Het
kan zijn dat de stadhouder ook het ambtelijk apparaat
aan zich wilde binden en daarom (onder
andere) de landsbode Gelderman tot dit ambt bevorderde.
Het gezin Gelderman kreeg onderdak
in het gebouw van Gedeputeerde Staten aan de
Blijmarkt, waar ook Arnold geboren zou worden.
Na het overlijden van zijn eerste vrouw Anna
Aaltsen, huwde Egbert in 1682 met Elisabeth Scriverius,
dochter van predikant Samuel Scriverius.
Niet alleen kregen de kinderen Gelderman op
deze wijze weer een moeder, ook zouden de familiebanden
met de familie Scriverius een rol spelen
bij de sociale promotie die de familie – en met
name Arnold – nog zou maken.
De benoeming tot kamerbewaarder gaf vader
Egbert kennelijk een hogere sociale status, waardoor
hij geschikt was voor het vervullen van verantwoordelijke
nevenfuncties. Zo werd hij in 1681
vaandrig in het burgerregiment en lid van de gezworen
gemeente, het lichaam dat leden van de
magistraat benoemde en over enkele zaken geraadpleegd
moest worden. In 1683 werd Egbert
benoemd tot ouderling van de Hervormde Kerk.
Uit zijn huwelijk met Elizabeth Scriverius zouden
twee zonen geboren worden, die waarschijnlijk
beiden jong stierven.
Arnolds jonge jaren
Nog een andere aanwijzing voor de gestegen sociale
positie van de familie Gelderman blijkt uit
de opleiding van Arnold: hij bezocht tussen 1687
en 1692 de Latijnse school te Zwolle, in die tijd de
school voor de kinderen uit de bovenlagen van de
samenleving.” Arnolds lidmaatschap van de deftig
geachte Waalse Kerk – waar Frans de tale Kanaans
is – zal door dit onderwijs mogelijk gemaakt
zijn. Al in 1702 werd hij diaken in deze
kerk, die pas in 1697 door de gemeentelijke overheid
was erkend.
Arnold trad in 1699 in het huwelijk met Petronella
Ulger, de eveneens in 1677 geboren dochter
van Lubbert Ulger en Jannigje Gerrits van Enschede.
Het huwelijk vond in het kerkje van Windesheim
plaats. Het gold in die dagen als een teken
van stand om daar te trouwen. Petronella’s
vader, Lubbert Ulger, was serviesmeester, dat wil
zeggen dat hij voor het onderdak van de ingekwartierde
soldaten verantwoordelijk was, en verder
lid van de gezworen gemeente. Ook de banden
met deze familie Ulger zouden de sociale positie
van de familie Gelderman ten goede komen.
Arnolds zwager, de jurist Dithmar Ulger, was begin
achttiende eeuw één van de voorlieden van de
gezworen gemeente. Een andere zwager, Willem
Berg, had een hoge functie in het leger en zou het
eveneens tot burgemeester brengen.12
Uit het huwelijk van Arnold en Petronella, dat
ruim 58 jaar zou duren, werden drie dochters en
drie zoons geboren. Eén dochter stierf jong. Van
de overige kinderen zouden alleen de oudste
dochter en de jongste zoon hun ouders overleven.
Petronella Ulger
(1677-1762), de dochter
van een lid van de
gezworen gemeente
waarmee Arnold Gelderman
in 1699 trouwde
(foto: Iconografisch
Bureau, Den Haag).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het gezin woonde aan de Bitterstraat, in het huis
van de Ulgers, later aan de Blijmarkt.
Inmiddels was het tijd geworden dat ook Arnold
een werkkring zou krijgen. Daarom richtte
Egbert Gelderman in 1704 – net als zijn vader vijftig
jaar eerder – een verzoek aan Gedeputeerde
Staten. Hij gaf daarin aan dat zijn leeftijd (hij was
56 jaar) ‘ende tusschenkomende swakheijd’ hem
af en toe beletten zijn werk te doen. Hij stelde
daarom voor dat zijn zoon Arnold mede als kamerbewaarder
werd aangesteld als waren zij één
persoon. Bij overlijden van de één, zou de ander
het werk alleen overnemen.13 Aardig detail is dat
uit het handschrift blijkt dat deze brief door Arnold
geschreven is. Gedeputeerde Staten stemden
in met het verzoek, zodat Arnold na het overlijden
van zijn vader in 1711 de functie alleen bekleedde.
De geschiedenis herhaalde zich.
Arnolds ouders – Elisabeth Scriverius overleed
in 1715 – werden overigens begraven in de
Grote Kerk, niet meer in het portaal, maar op het
in meer aanzien staande Lage Koor.
Zwolle in de eerste helft van de achttiende eeuw
Hoewel in het westen van de Nederlanden het
economisch verval al aan het eind van de zeventiende
eeuw had ingezet, was Zwolle nog redelijk
welvarend, vooral vanwege de centrumfunctie
van de stad. Dit maakte de lokale economie minder
gevoelig voor economische depressies. De
middenstand profiteerde van deze bloei. De adel
en de rijken die in grond hadden belegd, kregen
door malaise in de landbouw nauwelijks waar
voor hun investeringen.
De handel van de factoors aan de Thorbeckegracht
bleef een peiler van de Zwolse economie en
werd door de overheid begunstigd en beschermd.
Een uiteindelijk niet uitgevoerd plan uit 1706 om
de waterafvoer via de IJssel te vergroten en deze
rivier dus beter bevaarbaar te maken werd door
de Zwolse overheid met kracht bestreden. Het
zou betekenen dat Deventer per schip bereikbaar
werd, wat de Zwolse handelspositie ten opzichte
van het oosten zou bedreigen. ‘4
De textielindustrie bloeide begin achttiende
eeuw, maar zou in de loop van de eeuw tanen.
Van de 1000 weefgetouwen in 1723 bleken er door
concurrentie van de Emdense industrie in 1751
nog maar 80 over te zijn.15 Naast de textielindustrie
telde Zwolle een enorme variatie aan bedrijven.
Zo waren er een azijnmakerij, een zijdefabriek,
een lijmkokerij, zeepziederijen, kousen-,
knopen-, zout-, spelden en papierfabrieken.16
Ondanks deze variatie zou de nijverheid in de
loop van de eeuw de achteruitgang van de textielindustrie
delen.
De Zwolse bevolking groeide tussen 1680 en
1750 nauwelijks doordat velen hun geluk elders
beproefden.17 Er woonden rond de 12.000 mensen
in de stad, waarvan zo’n 70% hervormden en
20% katholieken.18
Politieke conflicten
In 1702 was Willem III overleden en daarmee begon
het Tweede Stadhouderloze tijdperk. De gehate
regeringsreglementen werden afgeschaft, zodat
raad en gezworen gemeente zelf hun keuze
van de stadsbestuurders bepaalden. Dit betekende
overigens wel, dat overal in den lande de gezworen
gemeente, waarin de gegoede middenstand
was vertegenwoordigd, meer invloed op het
bestuur ging eisen. Tot dan toe was haar rol door
burgemeesters en schepenen beperkt. In sommige
steden kwam het tot zogenaamde ‘plooierijen’:
onenigheden rond de benoeming van burgemeesters
en schepenen.19 In Zwolle gebeurde dat
niet, maar hier eiste de gezworen gemeente tussen
1703 en 1709 wel inzage in de stadsboeken,
wilde zij gekend worden in de zaken rond de
Zwolse munt en dreigde zij haar veto uit te spreken
over nieuwe belastingen. Arnold Geldermans
zwagers Willem Berg en Dithmar Ulger traden op
als woordvoerder van de gezworen gemeente.20
De zaak liep echter met een sisser af. Waarom is
niet duidelijk.
Kennismaking met de politiek
Arnolds ster was stijgende. In 1708 werd hij
vaandrig van het burgerregiment, in 1713 hopman
van de schutterij. In 1715 benoemden Gedeputeerde
Staten hem tot hun klerk, maar hij bleef
ook kamerbewaarder. Daarnaast was hij vanaf
1717 ontvanger van de zogenaamde Ensergelden,
een belasting ten behoeve van het vuurbaken op
Ens. Arnolds sociale positie was inmiddels kennelijk
dermate hoog, dat hij geschikt was voor politieke
ambten. In 1712 en 1713 werd hij namelijk gekozen
tot lid van de gezworen gemeente. Hij
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
moest bedanken voor de eer, omdat hij ambtenaar
was.
In zijn omgeving had Arnold echter wel te
maken met de politiek. Uiteraard kwam hij als
klerk in aanraking met vele bestuurlijke en politieke
zaken, maar ook in zijn familie moet de politiek
aan de orde zijn gekomen. Zijn zwagers Berg
en Ulger waren lid van de gezworen gemeente,
evenals de echtgenoot van zijn oudste zuster Wilhelmina,
de brouwer Egbert Ridder. Zijn beide
andere zwagers, Gerhard Spaar en Samuel Johannes
Scriverius – respectievelijk getrouwd met
Sophia en Maria Gelderman – zouden later lid
van dit college worden. Bovendien vormden Ridder,
Ulger en Scriverius in 1713 samen met ene
Voet een factie, die met drie andere facties (de
Vriesen, de Roubolle en de Cabale genaamd) een
overeenkomst sloot over de verdeling van zestien
plaatsen in de gezworen gemeente.21 Het is de tijd
van de zogenaamde contracten van correspondentie,
waarbij de regenten onderling afspraken
maakten over de verdeling van ambten en lidmaatschappen
van politieke colleges.
Hoewel de familie Gelderman qua sociale status
zo langzamerhand tot de bovenlagen van de
Zwolse samenleving behoorde, maakte ze als tamelijk
nieuwe familie geen deel uit van de oude
regentengeslachten. In principe was het dus
moeilijk om lid te worden van de politieke elite.
Onderzoek heeft echter uitgewezen, dat juist in
het eerste kwart van de achttiende eeuw de kans
om als buitenstaander toegelaten te worden tot
die regerende bovenlaag groter was dan ervoor en
erna.22 Waarschijnlijk kwam dit doordat sommige
oude families uitstierven of geen kandidaten
hadden voor de te vervullen zetels.
Ook de hevige factiestrijd – er waren in totaal
vijf facties die om de plaatsen op de kussens streden
– werkte snellere wisseling van de wacht in de
hand. In de jaren 1723 en 1724 kwam het bijvoorbeeld
zes keer voor dat een burgemeester niet
werd herbenoemd, een ongekend hoog getal. Ook
het feit dat het regeringsreglement was afgeschaft
speelde een rol. Willem III had belang gehad bij
continuïteit en loyaliteit en dus voor een regelmatige
herbenoeming gezorgd.
L’histoire se répète
Arnold Gelderman had zich bij de factie van de
Roubolle aangesloten. Zijn ambtelijke functie
verhinderde evenwel dat hij aan de verkiezingen
deelnam. Nadat zij de Latijnse school hadden
doorlopen, waren zijn zonen Egbert en Samuel
Johannes op een leeftijd dat zij een werkkring
moesten krijgen. En wederom herhaalde de geschiedenis
zich.23 Al in 1719 deelde Arnold de
functie van kamerbewaarder met zoon Egbert, en
die van klerk met Samuel Johannes. De beide
broers verwisselden in 1722 nog een keer van
functie, want in dat jaar verzocht Arnold om ontslag
aan de heren Gedeputeerden. Hij was bang
dat hij zijn werk niet meer naar behoren kon uitvoeren
als gevolg van ‘lich[amel]ijcke swackheden’.
Hij stelde voor zijn beide zoons te benoemen
in zijn respectievelijke functies24, hetgeen geschiedde.
Egbert zou tot zijn dood in 1752 klerk
blijven. Samuel Johannes zou zijn functie afstaan
Voor- en achterzijde
van een VOC-glas met
het wapen van de familie
Gelderman. Dit glas
behoorde toe aan
Arnoldus Gelderman,
die gedeputeerde was
bij de VOC, kamer
Delft.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stamboom van de
families Ulger, Gelderman
en Scriverius.
ULGER GELDERMAN
Arend Jans
x
Willemtijn Egbers
SCRIVERIUS
Samuel Johannes
x
Jacobje Jans
Lubbert Ulger
x
Johanna G. van Enschede
I I I 1 I I
z Egbert z
x
— AnnaAaltsen ‘
Elisabeth Scriverius
– z
– z
Dithmar d
x
I I
Petronella x Arnold
Samuel Johannes
x
Maria la Blan
Willem Berg
Anna Elisabeth –
Johanna Maria –
Egbert –
Johanna Maria –
Samuel Johannes –
Willem Gerrit –
1 I
i d :
x
Egbert
Ridder
d c
x
Gerard
Spaar
Maria x Samuel Johannes –
Anthonij –
x
Sara Amia
d -|
x
Hanselaar
z –
Egbertus –
d –
Eeckhout
I I I
d z z
X
Tobias
Johannes
Antonius x
Nilant
z = zoon, d = dochter, meenslid, raadslid, meens- en raadslid
Gilliana
Paulina
x
Antonius
v.d. Os
Jannes –
z
d –
z –
z –
d -I
aan de jongste broer Gerrit Willem, die tot zijn
dood in 1773 kamerbewaarder zou zijn. Bijna
honderd jaar was deze functie toen in de familie
geweest.
Raadslid en burgemeester
Arnold had zijn ontslag waarschijnlijk mede aangeboden
om mee te kunnen dingen naar het
raadslidmaatschap. In 1723 werd hij gekozen en
tot zijn dood in 1757 zou hij lid zijn van het college
van burgemeesteren, schepenen en raden van de
stad Zwolle. Als lid van de Zwolse overheid heeft
hij in de loop der jaren tal van functies gehad. De
regerende burgemeesters verdeelden de werkzaamheden
onderling. Zo was Arnold achtereenvolgens
keurmeester, tichelmeester, timmermeester
en cameraar, zeg maar wethouder van
financiën. In deze functies zat een opbouw. Het
cameraarschap was de belangrijkste die binnen
het Zwolse stadsbestuur te vergeven was en werd
meestal door de oudste raadsleden vervuld. Ook
was Arnold in 1724 Zwols afgevaardigde naar de
Staten van Overijssel.
Zoals opgemerkt, was Arnold lid van één van
de regentenfacties. Hij heeft zelf nauwkeurig bijgehouden
wie van welke factie op het kussen
kwam en welke functies ze hebben bekleed. Deze
aantekeningen vormen een dankbare bron voor
het onderzoek naar het functioneren van de contracten
van correspondentie. Niet alleen via deze
facties, maar ook door het toenemend aantal familieleden
op invloedrijke posities, moet Arnold
Gelderman naar mate hij ouder werd een politicus
van gewicht zijn geworden. In 1719 was zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
zwager en neef Joan Scriverius raadslid geworden,
in 1727 werd zwager Willem Berg eveneens raadslid.
Zoon Samuel Johannes werd na een rechtenstudie
in 1732 secretaris van de stad Zwolle. Egbertus
Scriverius, een zoon van zijn zuster, werd in
1738 raadslid, evenals diens neef Johannes Antonius
in 1745. Verder was de familie Scriverius verwant
aan de families Eekhout, Nilant en Tobias,
die ook op het kussen zaten, danwei zouden komen
te zitten. Kortom: de familie Gelderman was,
in de persoon van Arnold, onverbrekelijk verbonden
met de politieke en sociale bovenlaag van
Zwolle.
Zwolle tijdens Arnolds raadslidmaatschap
De jaren waarin Arnold Gelderman raadslid van
Zwolle was, kenmerken zich door de eerste tekenen
van economisch verval, zoals al eerder vermeld.
In de industrie was deze teruggang het eerst
merkbaar. Wanneer er zich rampen voordeden
als de veepest (1714), strenge winters (1740-1741),
of een epidemie van de zogenaamde rode en grauwe
loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart
in de stad zeer.
Ook op politiek niveau waren er moeilijkheden.
In 1726 dreven de Zwolse burgemeesters een
belasting op gebrande wateren door, zeer tegen de
zin van de gezworen gemeente. Hierdoor werd de
prijs van een borrel met 50% verhoogd. Dit leidde
tot een opstand onder het weversvolk. Onder leiding
van enkele belhamels werden bij verschillende
burgemeesters de ruiten ingegooid onder leuzen
als: “Zoo moet men die donders leren” en “De
groten zijn toch al den donder atheïsten”. De
schuldigen werden gegrepen en één raddraaier
kreeg de strop.25
De neergang in de economie in de jaren veertig
van de achttiende eeuw, gekoppeld aan de eerder
genoemde rode loop en het voor de Republiek
slechte verloop van de Oostenrijkse Successieoorlog
deden ook in Zwolle de roep om Oranje toenemen.
Dit leidde ertoe dat Willem IV in 1747 tot
erfstadhouder werd uitgeroepen en de regeringsreglementen
weer van kracht werden. Alle verkiezingen
moesten aan de prins worden voorgelegd.
Hierdoor verdwenen de laatste restjes van de
oude factietegenstellingen.26
Het was niet Willem IV, maar na zijn overlijden
in 1751 wel zijn weduwe Anna van Hannover
die probeerde in de steden eigen mensen in de
raad te krijgen. Daartoe liet zij in Zwolle verschillende
raadsleden afzetten, waaronder enkele leden
van de Scriveriusfamilie.27 Op de achtergrond
hierbij speelde een kerkelijk conflict rond ds. Antonius
van der Os mee. Deze werd verweten af te
wijken van de orthodoxie en de leerstellingen van
Dordt. De gemeentelijke overheid had hem de
hand boven het hoofd gehouden, maar de kerkeraad
wilde hem kwijt. Van der Os was getrouwd
met een achternicht van Arnold Gelderman, Gilliana
Paulina Scriverius. De familie Scriverius, en
dus waarschijnlijk ook Arnold, gold als voorstander
van Van der Os. Vandaar dat Anna van Hannover,
die tegenstandster was van de ideeën van
Van der Os, mede hierom gebaat was bij beknotting
van de macht van de familie Scriverius.28
Laatste levensjaren
De laatste jaren van het leven van Arnold Gelderman
waren niet gemakkelijk. In 1742 verloor hij
zijn dochter Johanna Maria. In 1747 en 1748 stierven
binnen een jaar zijn schoondochter Engelina
Johanna Kymmell en zijn zoon Samuel Johannes
en in 1752 overleed zijn oudste zoon Egbert. Bovendien
werd hij de laatste jaren van zijn leven geplaagd
door een slechte gezondheid. In de spaarzame
brieven uit die tijd informeren de schrijvers
steeds naar zijn gezondheid, of nodigen hem uit,
zo zijn gezondheid hem toelaat te komen. Nog in
1756 wordt Arnold benoemd tot Zwols gedeputeerde
bij de VOC, kamer Delft. Of hij die functie
ook werkelijk heeft kunnen uitoefenen, blijft de
vraag: Arnold Gelderman overleed op 6 december
1757 en werd op 14 december 1757 op het Lage
Koor van de Grote Kerk begraven. Petronella Ulger
zou hem vijfjaar overleven.
Besluit
Als wij het leven van Arnold Gelderman bezien,
dan moet gezegd worden dat hij een geweldige
carrière maakte: van kamerbewaarder tot burgemeester
en gedeputeerde. Deze loopbaan was zeker
mede het gevolg van de nauwkeurig geplande
overdracht van functies binnen de familie Gelderman.
Grootvader Arent Jans was hiermee reeds
begonnen en ook Arnold zou zijn zoons zo een
goede start in het leven geven. Anderzijds is de
succesvolle loopbaan van Arnold ook te danken
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
aan de betere mogelijkheden die niet-magistraatsfamilies
begin achttiende eeuw hadden om
op het kussen te komen. Lidmaatschap van een
factie vergrootte die mogelijkheden, maar ook de
(familie)banden met andere magistraatsfamilies.
Arnnold heeft hierdoor de hem geboden mogelijkheden
dan ook ten volle benut. Met zijn burgemeesterschap
werd een eeuw van sociale stijging
bekroond.
Noten
1. Dit artikel is een bewerking van een lezing over Arnoldus
Gelderman, gehouden in de Waalse Kerk op
1 september 1990, ter gelegenheid van de overhandiging
van een rouwbord van Arnoldus Gelderman
aan de Eglise Wallone te Zwolle en de presentatie
van de Inventaris van het familie-archief en collectie
Gelderman aan het Zwolse gemeentebestuur door
de voorzitter van de Stichting Familiearchief en collectie
Gelderman, mr. E.F.G.M. Gelderman. De
stichting verwerft en beheert/laat beheren archiefmateriaal
betreffende de familie Gelderman en stimuleert
het wetenschappelijk onderzoek dat met
behulp van deze bronnen wordt verricht.
In 1991 verscheen in het Nederlands Patriciaat 1990
de genealogie van de familie Gelderman.
2. Naast drie delen van het Biografisch Woordenboek
van Nederland die de afgelopen tien jaar verschenen,
worden er ook op deelgebieden steeds vaker
biografische woordenboeken uitgegeven, zoals
Overijsselse biografieën, J. Folkerts e.a. ed (Zwolle
1990) en twee delen in de reeks Drentse biografieën.
3. Zeer bekend in dit verband zijn de werken van J.J.
de Jong Met goed fatsoen. De elite in een Hollandse
stad. Gouda 1/00-1780, L. Kooijmans Onder regenten.
De elite in een Hollandse stad. Hoorn 1700-1780
en M. Prak Gezeten burgers. De elite in een Hollandse
stad. Leiden 1700-1780.
4. Zie C.M.C. Paulusma-du Pree, De Zwolse magistraat,
1675-1747. Een onderzoek naar de oligachisering
en naar een mogelijke democratische tegenbeweging
(ongepubliceerde scriptie; Zwolle 1981) en
A.J.A. Bos, De Zwolse magistraat 1747-1795. Een onderzoek
naar een mogelijk oligarchiseringsproces (ongepubliceerde
scriptie; Zwolle 1978).
5. Rijksarchief in Overijssel (RAÓ), Statenarchief
(SA) 355, Resoluties Gedeputeerde Staten, 9-12-
6. Inventaris, XIII; en burgerschapsregister in: Gemeentelijke
Archiefdienst Zwolle (GAZ), AAZ01-
413.131-
7. GAZ, RAooi-112,454 (dd. 9 oktober 1656)
8. RAO, SA 360, Resoluties Ridderschap en Steden, 8-
11-1653.
9. Gebaseerd op L. van Vuuren, Rapport betreffende
een onderzoek naar de welvaartsbronnen van de gemeente
Zwolle (Zwolle 1939) 6-15; Paulusma-du
Pree, 6-8; N.D.B. Habermehl, ‘De bevolkingsontwikkeling
van Zwolle van 1628 tot 1748’ in: Zwols
Historisch Jaarboek l (1984) 84.
10. Inventaris, XIII.
11. Zie J. Frederiks, Ontstaan en ontwikkeling van het
Zwolse schoolwezen tot omstreeks 1700 (dissertatie;
Zwolle 1960) passim.
12. Zie voor de familie Ulger, J. Van Doorninck, Geslachtkundige
aanteekeningen ten aanzien van de
Gecommiteerden ten Landdage van Overijssel zedert
1610-1974… (Deventer 1871) 620.
13. GAZ, FA011, Familiearchief Gelderman, 1. Deze
collectie is beschreven in Inventaris van het familie-
archief en collectie Gelderman, J.J. Seekles ed.
(Zwolle 1990)
14. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2 dln.;
Zwolle 1954-1960) II, 102.
15. Van Vuuren, 6-15.
16. Van Vuuren, 12.
17. Habermehl, 84.
18. Bos, 5-6.
19. Zie W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink,
Burgers in verzet tegen regenten-heerschappij.
Onrust in Sticht en Oversticht 1703-1706 (Amsterdam
1976).
20. Paulusma, 32 ev., en 65.
21. Paulusma, 22.
22. Paulusma, 14-16.
23. J.C. Streng, ‘De veiling van de bibliotheek van Samuel
Johannes Gelderman te Zwolle in 1749’ in:
Zwols Historisch Jaarboek 6 (1989) 123-125.
24. GAZ, FA011,5.
25. De Vries, 113-115.
26. Bos, 19.
27. Bos, 13-14.
28. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os,
predikant te Zwolle 1748-1755 (Kampen 1988) 161-
168.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 15
Jongere bouwkunst in Zwolle
In twee eerdere nummers van het Zwols Historisch
Tijdschrift (1990, nr. 4 en 1991, nr. 2)
zijn artikelen gepubliceerd over de stedebouwkundige
ontwikkeling van Zwolle in de periode
1850-1940 en over de bouwwerken in de binnenstad
uit diezelfde tijd. In het onderstaande
stuk worden de gebouwen buiten de singels beschreven.
Het volgende en laatste artikel zal gaan
over het buitengebied (de voormalige gemeente
ZwoUerkerspel). Vlak buiten de singels vinden we
een aaneengesloten gebied met waardevolle objecten
van jongere bouwkunst. De Zwolse singelbebouwing
is ook landelijk gezien zeer bijzonder.
Vooral het deel tussen de Luttekestraat en de
Sassenpoortbiedt nog steeds een fraai negentiende-
eeuws panorama. De hele stationswijk, gebouwd
na aanleg van de spoorlijn in 1864, is een
gebied met voorbeelden van negentiende-eeuwse
architectuur.
Burgemeester van Roijensingel 1
Deze witgepleisterde villa uit 1862 valt op door het
iets teruggelegen torentje dat er aan toegevoegd
werd door de architecten F.C. en J.D.C. Koch in
1913-1914. Aan de achterzijde bevindt zich een serre.
Thans is het in gebruik als makelaarskantoor.
Burgemeester van Roijensingel 2, Villa Eekhout
In 1860 werd deze villa tegenover de Nieuwe Havenbrug
gebouwd naar een ontwerp van de Zwolse
aannemer M. de Groot in eclectische stijl. In
1911 kocht de gemeente het pand; lange tijd waren
er plannen en ook ontwerpen voor een nieuw
stadhuis op deze plaats. De villa bleef echter gespaard,
evenals het fraaie landschappelijke park
erachter. Het pand is nu kantoor.
Burgemeester van Roijensingel5
Deze grote villa werd gebouwd in 1875-1877 in
classisistische stijl. Het huis heeft over twee bouwlagen
een grote erker en wordt bekroond door een
koepelvormig dak. In de tuin is in 1884-1885 een Jan Willem
bijgebouw met prieel geplaatst. van Beusekom
Burgemeester van Roijensingel 6
Villa in neo-renaissancestijl, gebouwd in 1882-
1883 naar een ontwerp van J.Gosschalk. De asymmetrische
gevel heeft rechts een risalerende trapgevel
en links een overhoekse erker over twee
bouwlagen. Het geheel wordt bekroond door een
houten loggia.
Burgemeester van Roijensingel 9
Burgemeester van
Roijensingel 9
Dit kantoorpand is gebouwd in 1914 naar een tra- (foto: J. de Koning)
i 6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Van Nagellstraat
(foto: M. Malherbe)
Zeven Alleetjes 1
(foto: J. de Koning)
ditionalistisch ontwerp van de Zwolse architect
M. Meyerink voor de Eerste Onderlinge Aannemers
Verzekeringsmaatschappij. Later was het in
gebruik als Bank van Doijer & Kalf en laatstelijk
als Amrobank. Thans is het verbouwd tot 26 appartementen.
De symmetrie van de gevel wordt
verstoord door het ranke hoektorentje met open
hoogste trans.
Burgemeester van Roijensingel 17/18
Deze grote en opvallend gesitueerde stadvilla, is
gebouwd in 1884-1885 naar een ontwerp van de
Zwolse architect S.J.H. Trooster in eclectische stijl
met karakteristieke, overhoeks geplaatste erkerachtige
torentjes met rondlopende balkons. Ernaast
werd in 1899 een personeelswoning gebouwd
naar ontwerp van D. de Herder.
Van Nagellstraat7-19
Eén van de ‘nieuwe’ straten in de buurt van het
station, laat een opvallende aaneengesloten bebouwing
uit 1899-1900 van de architect G.B.
Broekema zien, in afwisselende stijl met kenmerken
van de Jugendstil.
Kantoor van de IJsselcentrale aan de Zeven
Alleetjes.
Dit gebouw lijkt bij eerste beschouwing na-oorlogs.
Het oudste gedeelte werd echter ontworpen
in 1939 door de architecten A. van der Steur en M.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meijerink in de stijl van de Delftse School. Deze
bouwstijl werd vooral gepropageerd door de
Delftse hoogleraar Granpré Molière. Vooral na de
oorlog werd veel in deze stijl gebouwd. Het gebouw
werd in 1942 voltooid.
Emmawijk 2/3
In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de
Willemsvaart naar het westen verlegd. Op de gedempte
oorspronkelijke vaart werd een wijk met
grote huizen gebouwd. Dit dubbele herenhuis in
neo-renaissancestijl, werd in 1893 ontworpen
door de Zwolse architect S.J.H. Trooster.
Veerallee 3/4/5
De drie Jugendstilhuizen onder één kap, zijn ontworpen
door de Zwolse architect G.G. Post. Met
de ernaast liggende panden Veerallee 1/2 vormen
ze een karakteristiek geheel. Thans zijn ze deels in
gebruik als kantoor of als woonruimte.
Wilhelminastraat
(foto: J. de Koning)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Prins Hendrikstraat
(foto: J. de Koning)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wilhelminastraat 4/26A, Julianastraat 62162a
Deze aaneengesloten rij woningen is gebouwd in
1905-1906, met de zeer karakteristieke Jugendstilvormgeving
van de later in Kampen woonachtige
architect G.B. Broekema. Samen met de panden
aan de overzijde van de straat geeft het een gaaf
beeld uit het begin van deze eeuw.
Wilhelminastraat 25/35
De zes woningen in Jugendstil zijn gebouwd in
1904 naar een ontwerp van de Zwolse architect
G.G. Post.
Prins Hendrikstraat 2/26
De gehele straatwand met neo-renaissance en Jugendstil-
elementen, is gebouwd in 1902, naar het
ontwerp van de Zwolse architect M. Meyerink.
Prins Hendrikstraat ïliya
Deze rij woningen met Jugendstil-elementen, is
gebouwd tussen 1902 en 1904 naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post. Tussen de woningen
5 en 7 bevindt zich een houten poortje dat
toegang geeft tot het achterterrein.
Marnixschool aan de Westerlaan
Dit complex is in 1922-1923 oorspronkelijk gebouwd
als een combinatie voor lagere school en
ULO door de Zwolse architecten M. en H. Meyerink.
Het gebouw bestaat uit een aantal haaks op
elkaar geplaatste vleugels met grote lage schilddaken.
Aan de voorzijde valt een halfronde uitbouw
op.
Station
Reeds in 1863 werd het station gebouwd. De
Staatsspoorwegen hanteerden vijf klassen al naar
gelang de grootte en het belang van de vestigingsplaats.
Vooruitlopend op het belangrijke knooppunt
van spoorwegen (zeven op het hoogtepunt)
kreeg Zwolle een Klasse I station in de stijl van het
Waterstaatsclassicisme. De 60 meter lange gevel
bestaat uit een negen traveeën breed middengedeelte
met twee bouwlagen en twee verdiepingloze
zijvleugels. Het gebouw staat op de Rijksmonumentenlijst
en is kort geleden gerenoveerd. Het
uiterlijk bleef daarbij intact.
Hoge Spoorbrug
In 1882-1883 werd een smalle brug over het ruim
100 meter brede stationsemplacement gelegd. De
brug bestaat uit drie overspanningen van 36 meter
lengte, waarvan zowel de onder- als de bovenrand
gebogen zijn. In verband met de visuele gelijkenis
wordt van een ‘lensliggerbrug’ gesproken.
In Nederland is deze brug het enige voorbeeld van
een dergeljke constructie. Deze brug is onlangs op
de Rijksmonumentenlijst geplaatst en dien ten
gevolge bij de huidige herinrichting gespaard gebleven.
Van Karnebeekstraat 106/114
De vijf woonhuizen in classicistische stijl zijn gebouwd
in 1873 door aannemer B.J. Ernst, nabij de
oprit van de Hoge Spoorbrug.
Hertenstraat 27
Dit bedrijfspand is ontworpen door de Zwolse architecten
H. van Dijk en J.D.C. Koch in een aangepaste
bouwstijl, passend in een woonwijk. De
sobere architectuur wordt geaccentueerd door
een trapgevel en hoektorentje. Het pand is later
verbouwd tot 14 wooneenheden.
Dominicanenklooster aan de Assendorp er straat
27/29
Dit grote complex met een neo-gotische kruisbasiliek
en klooster, werd gebouwd naar een ontwerp
van de Maastrichtse architect J. Kayser en
De Hoge Spoorbrug
(foto:], de Koning)
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dominicanenklooster
(foto: J. de Koning)
werd in 1902 gewijd. Na een grote brand in 1933
werd het klooster herbouwd. De kerk heeft geen
echte toren, maar wel twee symmetrische traptorentjes
aan weerszijden van de voorgevel en een
zeskantige houten vieringtoren.
Eigenhaardstraat 12/46, Assendorperstraat 41/43
De twee rijtjes arbeiderswoningen van de Woningbouwvereniging
Eigen Haard, zijn gebouwd
in 1893-1894 naar een ontwerp van de Zwolse architecten
W. en F. Koch.
Assendorperstraat 78/86
De oorspronkelijk symmetrische rij van winkelwoonhuizen
uit 1907-1908 is gebouwd naar een
ontwerp van de Zwolse architect G.G. Post. De
fraaie om de hoek doorlopende Jugendstil-winkelpui,
heeft een overhoeks geplaatste ingang en
daarboven een hoge erker met spits dak.
Molenweg 169
Deze kleine, maar opvallend rijk geornamenteerde
woning is in 1896 gebouwd naar een ontwerp
van de architect G.B. Broekema als representatief
gedeelte van een confectiefabriek. Deze fabriek
heeft achter de woning gelegen en is enkele jaren
geleden afgebroken.
Assendorperstraat 129
De landelijke naam Landwijk doet vermoeden
dat dit landhuisje hier al stond voordat de wijk
Assendorp werd gebouwd. Schijn bedriegt, want
in werkelijkheid is dit gebouwtje in 1884 voor een
liefdadigheidsinstelling, de St. Vincentiusvereniging,
gebouwd. Het heeft maar enkele jaren
dienst gedaan als opvang voor verwaarloosde
kinderen. Daarna vestigde zich er een bloemkwekerij
in. Het uiterlijk van het pand bleef ongewijzigd.
Opvallend is de asymmetrische opzet van de
gevel en de zinken bekroningen op het dak.
Ambachtsschool Mimosastraat 1
Op een karakteristiek punt (vroeger lag hier
Zwolles drukste spoorwegovergang), ligt een
schoolgebouw in de stijl van Het Nieuwe Bouwen.
Het is ontworpen door de Leeuwarder architect
A. Baart en de Zwolse architect L. Krook.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
Meppelerstraatweg 19
(foto: J. de Koning)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hertenstraat 27
(foto: M, Malherbe)
Vooral de hoek tussen de twee vleugels met het
hoge trappenhuis zijn opvallend.
Sophiaziekenhuis aan de Rhijnvis Feithlaan 80/84.
Het ziekenhuis is een bekend voorbeeld van Het
Nieuwe Bouwen. Het is ontworpen door J.G.
Wiebenga, directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst.
Het oorspronkelijke ontwerp uit 1931 werd na
aanzienlijke aanpassingen in 1933-1934 uitgevoerd.
Vooral de hoekoplossing aan de kant van
de Philosofenallee is karakteristiek.
Philo sofenallee 31/36
De zes woonhuizen zijn gebouwd naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post in 1906
met een symmetrische gevel. In de gevel zijn drie
risalerende ingangspartijen met hoefijzerbogen.
Algemene Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg
Dit is de eerste begraafplaats buiten de stad, aangelegd
in 1823. Het grote smeedijzeren hek tussen
hekpijlers met met rococo-vazen komt vermoedelijk
van elders. Rechts hiervan staan een wachtruimte
en een dienstwoning in eclectische stijl.
Op de begraafplaats zijn grafmonumenten
van onder andere Rhijnvis Feith en Ter Pelkwijk
te zien. Verder zijn er graven van de families
Sandberg en Van Ittersum.
R.K. Begraafplaats aan de Bisschop
Willebrandlaan 92
De begraafplaats is aangelegd in 1841 en heeft een
neo-gotische kapel uit 1883.
Marechausseekazerne aan de Meppelerstraatweg 19
Dit opvallende kantoor van de Koninklijke Marechaussee
is in 1931 gebouwd naar militair (en dus
anoniem) ontwerp. In het gebouw waren ook vijf
woningen geïntegreerd. Vooral de toren die de
hoeklocatie benadrukt, markeert het gebouw.
Daarnaast is het kleurgebruik, onder andere in de
tegeltableaux, opvallend.
Openluchtbad aan de Ceintuurbaan.
Dit inmiddels niet meer in gebruik zijnde zwembad,
werd in 1934 gebouwd naar een ontwerp van
de directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst J.G. Wiebenga in de stijl van Het Nieuwe
Bouwen. Twintig jaar geleden werd het al genoemd
als een topobject van de architectuur uit
de periode 1900-1940.
Tenslotte
Het veldwerk voor dit artikel is inmiddels al weer
drie jaar geleden uitgevoerd. Een groot aantal van
de beschreven panden is inmiddels op de rijks- of
gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. De vorig
jaar ter gelegenheid van de Open Monumentendag
uitgegeven ‘Wandel- en fietstocht jonge
bouwkunst in Zwolle’ verenigt panden uit het vorige
artikel in de binnenstad en panden buiten de
singels op een logische route. De brochure is verkrijgbaar
bij de VW, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de Menno van Coehoornsingel.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw
Aan het einde van de vorige en begin deze
eeuw zijn er in vele steden in Nederland
plannen gemaakt voor stadsuitbreidingen.
Dat daar nogal wat haken en ogen aan zaten, lag
niet alleen aan het feit dat vele van deze steden
nog geheel of gedeeltelijk in hun middeleeuwse
jasje, of liever gezegd keurslijf, zaten, maar ook
aan een gebrek aan deskundigheid en regelgeving
op met name het gebied van de ruimtelijke ordening.
Bestuurlijk gezien was een dergelijke stadsuitbreiding
dan ook geen sinecure. Het kostte een
gemeentebestuur al heel wat hoofdbrekens alvorens
men het erover eens was welke deskundige
zich mocht buigen over de problematiek. Lag er
eenmaal een plan ter tafel dan wilden ‘boeren,
burgers en buitenlui’, gemeenteraad en hogere
overheden er ook nog eens hun zegje over doen.
Het zal dan ook geen verbazing wekken dat
het jaren duurde voordat menig plan tot uitvoering
kwam. Dat daarbij vaak de bestuurlijke verhouding
van meer betekenis was, dan de esthetische
kwaliteit van het plan zal geen verbazing
wekken. In het navolgende artikel wordt met
name het bestuurlijk geharrewar rondom een
voorstel voor een uitbreidingsplan voor de gemeente
Zwolle uit de doeken gedaan.
De conceptie van een plan
In het eerste kwart van deze eeuw gaat het Zwolle
economisch voor de wind. De stad ligt gunstig op
een knooppunt van land-, water- en spoorwegen.
Tussen 1919 en 1936 neemt de bevolking van de
stad met 24% toe. Het woningbestand neemt zelfs
met 41,5% toe. (Ook toen was er al sprake van ‘gezinsverdunning’.)
Er is in deze periode dan ook
sprake van grote bouwactiviteiten. Grote woningcomplexen
ontstaan onder andere in het Veeralleekwartier,
Assendorp, op de Pierik en in de
Wipstrik.
Al deze uitbreidingen vinden plaats op basis
van zogenaamde partiële uitbreidingsplannen.
Daar was niets onoirbaars aan. De Woningwet
van 1901 bood het gemeentebestuur de mogelijkheid
om op basis van deze planfiguur haar stadsuitbreidingen
te reguleren. Het was echter een
fragmentarisch beleid. Begin jaren twintig wordt
de roep om een algemeen uitbreidingsplan (AUP)
hoorbaar. In maart 1924 wijzen Gedeputeerde
Staten van Overijssel de gemeente erop, dat volgens
artikel 31 van de Woningwet een gemeente
met meer dan 10.000 inwoners een uitbreidingsplan
in hoofdzaak (behoudens vrijstelling) moet
opstellen en dat dit plan tevens eenmaal in de tien
jaar dient te worden herzien.
Het College van Burgemeester en Wethouders
neemt de brief voor kennisgeving aan en gaat over
tot de orde van de dag. Een jaar later laait de discussie
over een AUP opnieuw op. Nu worden er
vragen gesteld door gemeenteraadsleden.
Het College blijft weigeren om aan de wet te
voldoen en denkt de zaak te kunnen sussen door
de partiële uitbreidingsplannen aan een externe
deskundige voor te leggen. Hiervoor kiest men de
Inspecteur van de Volksgezondheid ir. R. Le
Poole.
Le Poole acht een stedebouwkundige adviseur
niet nodig, mits het College zijn uitgangspunt namelijk
“een wei-doordacht net van verkeerswegen”
als vervanging voor een AUP overneemt.
Een minderheid in de raad wijst er op dat het
idee van een verkeersstructuurplan als substituut
voor een AUP wat mager is en dat Le Poole wellicht
een kundig man is maar geen stedebouwer.
De raad is van mening dat ze heel goed zelfde
plannen kan beoordelen en vaststellen en dat zonodig
het oordeel van het bedrijfsleven kan worden
gevraagd. De directeur van Openbare Werken
is bekwaam genoeg om de plannen op te stellen.
Daar heeft men volgens de meeste raadsleden
geen commissie van stedebouwkundigen voor
nodig. Een bijkomende zaak, maar zeker niet on-
Raymond Salet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerste opzet voor een
structuurplan door
Dudok en Magnée uit
1949. (foto: Rijksuniversiteit
Groningen)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
belangrijk voor de besluitvorming, is dat de adviezen
van Le Poole onbetaald verstrekt worden.
Door het verwerpen van het voorstel bezuinigde
men ook nog eens duizend gulden op een commissie.
Het voorstel om een commissie van stedebouwkundigen
in te stellen, wordt dan ook met
ruime meerderheid verworpen.
Pas in 1937 wordt in de gemeenteraad aangedrongen
op een sociaal-geografisch en economisch
onderzoek. Het: college is het hiermee eens,
maar een dergelijk onderzoek kan niet door eigen
ambtenaren verricht worden wegens gebrek aan
deskundigheid. Gezocht wordt naar iemand met
een wetenschappelijke opleiding die in staat is een
sociaal-economisch onderzoek naar de grondslagen
der welvaart van Zwolle geheel zelfstandig uit
te voeren.
De raad is bereid hiervoor vijfduizend gulden
uit te trekken. Op aanraden van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten valt de keus op prof.
L. van Vuuren, hoofd van het Geographisch Instituut
van de Rijksuniversiteit Utrecht.
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog
gooit roet in het eten. Van Vuurens survey verdwijnt
voorlopig in een bureaulade.
De gemeente verleent een opdracht
Aan het begin van de oorlog worden bij Zwolle de
IJsselbruggen opgeblazen. Zwolle is daardoor als
verkeersknooppunt uitgeschakeld en strategisch
niet meer van belang. De stad loopt dan ook tijdens
de oorlog weinig schade op. Na de oorlog is
een wederopbouw-programma niet nodig. Nadat
het normale leven weer op gang is gekomen, doemen
dezelfde problemen van voor de oorlog weer
op. Het draait nog steeds om de vraag of nu wel of
niet een ontwikkelingsplan en een AUP moeten
worden opgesteld.
Provinciale Staten vinden met name de stedebouwkundige
plannen van de gemeente onvoldoende.
“De zeer belangrijke vraagstukken van de
toegang tot de stad, van de landschappelijke begrenzing
van de toekomstige bebouwde kom en
van de coördinatie van het stedelijk groen, zijn
niet tot een oplossing gebracht”, schrijft het provinciaal
bestuur aan de gemeente.
In de loop van 1947 dringt de toenmalige directeur
van de Provinciaal Planologische Dienst
(PPD) ir. A. Kraayenhagen bij het College van
Burgemeester en Wethouders erop aan om een
AUP op te stellen. Zwollerkerspel, de omringende
gemeente, heeft namelijk laten weten alleen mee
te werken aan annexatie door de gemeente Zwolle
als er een vastgesteld AUP is. Dit is een reden te
meer om nu eindelijk eens iets te ondernemen.
Kraayenhagen stelt voor om de stedebouwkundige
W.M. Dudok te vragen.
In maart 1948 ligt er een voorstel van Burgemeester
en Wethouders aan de raad om aan Dudok
een opdracht te verlenen voor:
a. Een ontwikkelingsplan, met inbegrip van een
uitbreidingsplan in hoofdzaak.
b. Een uitbreidingsplan in onderdelen van die
gedeelten die het eerst worden uitgevoerd.
c. Gedetailleerde plannen voor de nodige wijzigingen
in de stadskern.
d. De nodige bebouwingsvoorschriften en een
schriftelijke toelichting.
De kosten voor dit project worden geraamd
op ƒ 32.000,-.
De gemeenteraad gaat met het voorstel akkoord
en op 5 april 1948 wordt de opdracht
officieel aan Dudok verleend.
Verschillen van inzicht
Ruim een jaar verstrijkt voor de presentatie van
het eerste schetsplan. Deze presentatie vindt
plaats op 11 mei 1949 in het gemeentehuis voor
een select gezelschap achter gesloten deuren.
Aanwezig zijn: Dudok, Kleinjan (hoofdingenieur
van Rijkswaterstaat), Kraayenhagen, Kloos van de
N.V. Ned. Spoorwegen, B&W, de waarnemend
gemeentesecretaris en de directeur Openbare
Werken.
Dudok licht zijn schetsplan als volgt toe: “De
stad zal in het noorden begrensd worden door de
rijksweg 28 (Amersfoort-Zwolle-Meppel). Het
station dat nu de stad in het zuiden begrenst,
krijgt een centrale ligging. Een nieuw stadscentrum
sluit zich harmonisch aan bij het oude en de
belangrijkste toegangsweg naar het nieuwe centrum
leidt door het oude waardoor dit levend
blijft.”
Dat Dudok de stad in het noorden niet verder
wil uitbreiden maar begrenst door de rijksweg
stuit op grote bezwaren van Kraayenhagen. Hij is
van mening dat Zwolle de toegangspoort tot
noordoost Nederland is en dat dit in het stede26
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
bouwkundige plan tot uitdrukking moet komen.
Daarnaast wil hij industrie vestigen aan het Zwarte
Water in plaats van aan de IJssel mede met het
oog op de oude wet van 1919 die nog steeds een
nieuwe verbinding tussen IJssel en Zwarte Water
mogelijk maakt. (Dudok hoefde op uitdrukkelijk
verzoek van de opdrachtgever hier geen rekening
mee te houden.) Uitbreiding ten noorden van de
rijksweg is voor hem dan ook noodzaak.
Om uit de impasse te raken vraagt het gemeentebestuur
aan Dudok om een nieuw schetsplan
te maken op basis van de door Kraayenhagen
gemaakte opmerkingen. Dudok stemt hiermee in.
Kraayenhagen besluit zelf ook een plan te maken.
Hij stelt Dudok hiervan in kennis. Dudok
onthoudt zich verder van commentaar.
Inmiddels is het ETIO (Economisch Technologisch
Instituut Overijssel) door het gemeentebestuur
benaderd met het verzoek om het surveyonderzoek
te doen – hetgeen niet meer inhoudt
dan het actualiseren van het rapport Van Vuuren
dat voor de oorlog is opgesteld. Daarnaast maken
zowel de directeur Openbare Werken als de PPD
een kostenanalyse van de plannen. (Openbare
Werken begroot het plan-Dudok op ƒ 7.150.000,-
en het PPD-plan op ƒ 6.150.000,-. De PPD begroot
het plan-Dudok op ƒ 9.000.000,- en het
PPD-plan op ƒ 3.000.000,-.)
Uit de toelichtingen die Dudok en Kraayenhagen
bij hun ontwikkelingsplannen geven, blijkt
hun verschil van inzicht om het doel, namelijk de
industrialisatie en het economisch herstel van
Zwolle, te bereiken. Voor Dudok betekent het
goede aan- en afvoerwegen, geschikte industrieterreinen
en een gunstige positie van de woongebieden
ten opzichte van de werkgebieden. Volgens
Dudok is een goed stadsplan ondenkbaar
zonder een logisch verkeerswegenstramien als basis.
(Een gedachte die Le Poole twintig jaar geleden
ook al geopperd had.)
Letterlijk schrijft Dudok: “In de structuur van
een stad is speciaal het verkeer vorm-bepalend
(..). Geen der overige facetten van de stedebouw
heeft zulk een beangstigende ontwikkeling vertoond
(…). Het is daarom dat men er overal naar
streeft het verkeer te houden buiten een gebied
waar het niet rechtstreeks mee te maken heeft. Dit
principe brengt allereerst mede interlocale hoofdverkeerswegen
te leiden niet door, maar langs de
steden en het speciaal op de stad gerichte verkeer
af te tak

Lees verder