Categorie

1992

Zwolse Historisch Tijdschrift 1992, Aflevering 1

Door 1992, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
9E JAARGANG 1992 NUMMER 2 ‘RIJS 1 9,50
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Vroeger was de Buitenkant één van de
drukste handelskades van Zwolle. Toen de
stadsmuur zijn verdedigende functie verloor,
werden er tegen de ‘buitenkant’ van de muur
woningen gebouwd. Om de handelskade breed genoeg
te houden voor het verkeer, moesten dit zeer
ondiepe huisjes zijn. Daarom werd aan de bovenverdieping
een zogenaamde ‘overstek’ gebouwd.
De woningen werden daardoor iets dieper en ruimer.
Ook hakten sommige bewoners, zeer tegen
de wens van het toenmalige stadsbestuur in, een
bedstede uit in de stadsmuur.
Op de tweede foto is de – gerestaureerde – stadsmuur
weer zichtbaar, nadat een aantal huisjes
met overstek is verwijderd.
Mensen met een niet al te gevoelige neus (als
u het eens probeert, weet u wat ik bedoel) kunnen
nu op de hoek van de Steenstraat en de Buitenkant,
de oude gerestaureerde weergang beklimmen.
Boven: Buitenkant. Oude situatie.
Onder: Buitenkant. Huidige situatie.
(Foto’s: D. Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 37
Redactioneel Inhoud
Het is inmiddels misschien voor u al een
vertrouwde verschijning geworden: een
oude en een nieuwe foto genomen vanaf
dezelfde plaats. Zeker is wel dat er veel is veranderd
in Zwolle. Zo ook aan de Buitenkant, de plaats die
deze keer de aandacht krijgt.
Nog veel meer is er veranderd sinds de tijd
waarin het artikel van Ingrid Wormgoor speelt.
Zij gaat in op de stadspastoors die tot in de veertiende
eeuw verbonden waren aan de St. Michaëlkerk;
wat waren hun taken en wat was de invloed
die het kapittel van Deventer kon uitoefenen op
hun benoeming?
Jean Streng beschrijft de perikelen die met het
uitgeven van de Oden en Gedichten van Rhijnvis
Feith samengingen. De Zwolse uitgever H.A.
Doyer trok uiteindelijk toch aan het langste eind.
Wil Cornelissen gaat in op een minder bekende
Zwollenaaar: zijn grootvader Izak Os, een opa
zoals elk kind zich zou wensen. Izak Os was een
druk bezet zakenman en hij is enkele jaren lid
geweest van de Zwolse gemeenteraad. Bovendien
is hij een van degenen naar wie iri de nieuwbouwwijk
Schellerbroek een straat is genoemd.
In het Provinciaal Overijssels Museum worden
veel zeldzame en bijzondere voorwerpen bewaard.
Eén van die bijzondere voorwerpen is een
drinkschaal, die gemaakt is van een noot die alleen
op de Seychellen voorkomt. Aan het eind van
deze maand is deze schaal in het Amsterdams
Historisch Museum te bewonderen, maar eerst
kunt u hier de bijzonderheden erover lezen.
Het tijdschrift wordt gewoontegetrouw afgesloten
met een aantal vaste rubrieken: mededelingen,
literatuur en de agenda.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
De eerste pastoors van de St. Michaëlkerk Ingrid Wormgoor
Een ‘mennistenstreek’ van H.A. Doyer J.C. Streng
Izak Os (1870-1943) Wil Cornelissen
Een bijzonder voorwerp in het POM Lydie van Dijk
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Literatuur
Agenda
Mededelingen
Personalia
36
38
43
47
5i
53
55
56
56
57
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De eerste pastoors van de St. Michaëlkerk
Ingrid Wormgoor I:
Zegel van Regnerus van
Drynen
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
n een middeleeuwse stad nam de parochiekerk
letterlijk en figuurlijk een centrale plaats in. De
. kerk lag in het midden van de stad en haar
geestelijken – van wie de stadspastoor de belangrijkste
was – hadden tot taak zorg te dragen voor
het zieleheil van alle parochianen. Bovendien beheerden
zij de goederen van de kerk en waren zij
vaak betrokken bij de kerkelijke rechtspraak.
Naast deze kerkelijke zaken hielden de pastoors
zich ook regelmatig bezig met andere activiteiten.
Zij deden dat vaak op verzoek van derden.
Hieronder wordt beschreven wat er bekend is
over de niet zuiver kerkelijke bezigheden van de
eerste Zwolse stadspastoors. Tevens wordt gekeken
naar de benoeming van die pastoors. Met het
oog op enerzijds het gewicht dat in die tijd aan de
zielzorg werd toegekend en anderzijds de betekenis
van de verrichte werkzaamheden, is immers te
verwachten dat meerdere partijen belang hadden
bij de aanstelling van een hen welgezinde pastoor.
Vroegste geschiedenis
De vroegste schriftelijke vermeldingen over de
Zwolse kerk zijn afkomstig uit het archief van het
Lebuïnuskapittel van Deventer. Het oudste stuk
dateert van 7 december 1040. Bisschop Bernoldus
van Utrecht verklaarde toen dat hij zijn kerk in
Zwolle aan het Lebuïnuskapittel schonk. Hij deed
dat op verzoek van Theodericus, de proost van
Deventer, aan wie hij de kerk vroeger in gebruik
had gegeven. Theodericus zou tijdens zijn leven in
het bezit van de kerk blijven tegen een jaarlijkse
betaling van 1 pond Deventer munt. Na zijn overlijden
zouden de broeders de vrije beschikking
over de kerk krijgen. Zij moesten alleen enkele
heffingen aan de bisschop betalen.1
Korte tijd is de kerk nog in bezit geweest van
Ancelmus, proost van Sint Jan in Utrecht. In 1093
maakte bisschop Conradus de beschikking van
zijn voorganger, die de kerk aan Ancelmus had
I
overgedragen, ongedaan. Hij herstelde de vroegere
situatie en stelde de kanunniken van Deventer
weer in het onbezwaarde bezit van de kerk, behoudens
de betaling van de heffingen die zij aan
de bisschop verschuldigd waren.2 Mogelijk heeft
dit gulle gebaar van Conradus te maken met het
feit dat de kerk van Deventer hem in 1076 had geholpen
in zijn strijd tegen Dirk V, graaf van Holland.
In 1129 bevestigde bisschop Andreas de
schenking nogmaals.3
Hoewel sommige historici betwijfelen of deze
oorkonden echt zijn, mogen we wel concluderen
dat zowel de Zwollenaren als de Deventenaren er
in de dertiende eeuw van uitgingen dat het kapittel
van Deventer recht had op de Zwolse kerk.4
De kanunniken van Deventer bleven tot 1580 in
het onbezwaarde bezit van de Zwolse kerk. Hierdoor
had een niet-Zwolse instelling formeel de
bevoegdheid om de stadspastoor van de enige parochiekerk
van Zwolle te benoemen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Benoeming en bezigheden van de
stadspastoors
Over de eerste bedienaars van de kerk is weinig
bekend. In 1230 was ene Ludolphus plebaan.5 Hij
trad op als de eerste getuige toen de bisschop
stadsrechten verleende aan Zwolle. In 1252 was hij
nog steeds aan de parochiekerk verbonden. Toen
verzochten deken en kapittel van Deventer aan de
bisschop van Utrecht of zij na het heengaan van
Goeswinus en Ludolphus, respectievelijk priesters
in Deventer en Zwolle, in beide kerken twee
andere priesters mochten benoemen. De bisschop
gaf hen daartoe toestemming.6 Het recht van het
kapittel om de pastoor in Zwolle te benoemen
was blijkbaar niet geheel vanzelfsprekend.
Over twee pastoors in de veertiende eeuw,
Hesselus Heynck en diens opvolger Regnerus van
Drynen, is meer bekend. Hesselus was eerder kanunnik
te Deventer geweest. In 1326 wordt hij als
zodanig genoemd.7 Na de dood van Gerardus
“1
Heynck werd hij in 1332 kanunnik van de Sint Jan
te Utrecht.8 Vóór 1339 werd hij daarnaast ook tot
rector van de parochiekerk van Zwolle benoemd.
Hesselus was dus bekend met de situatie in Deventer
en hij had bovendien contacten in Utrecht.
Gezien zijn achtergrond als kanunnik van het Lebuïnuskapittel
is hij waarschijnlijk door dit kapittel
voorgedragen als pastoor. In die functie zal
hij bij tijd en wijle op gespannen voet hebben gestaan
met het in 1309 gestichte Bethlehemklooster.
Er was namelijk tussen hem en het klooster
onenigheid ontstaan over de betaling van begrafenisgelden.
Dit conflict werd weliswaar in 1339 geregeld,
maar in 1350 en 1351 bekrachtigden respectievelijk
deken en kapittel van Deventer en
ook bisschop Jan van Arkel de overeenkomst. In
1350 gebeurde dat op verzoek van de prior en het
convent van Bethlehem en in 1351 meldde Jan van
Arkel expliciet dat Hesselus beloofd had de overeenkomst
na te zullen komen. Het lijkt er dus op
Grote kerk te Zwolle;
tekening door A. Beerstraten;
eerste helft 17e
eeuw (foto: Provinciaal
Overijssels Museum,
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat Hesselus zich aangetast voelde in zijn (financiële)
rechten als stadspastoor en dat hij ondanks
de eerste overeenkomst probeerde zijn positie te
handhaven tegenover het klooster.
Verder is nog bekend dat Hesselus in 1350
aanwezig was bij de overdracht van een vordering
aan het Bethlehemklooster. Voor dit geld moest
een altaar in de kloosterkerk opgericht worden en
moesten missen gelezen worden.9 Ook keurde hij
in 1356 de oprichting van een altaar in zijn eigen
parochiekerk goed.’ °
Tenslotte moest Hesselus zich erbij neerleggen
dat de St. Michaëlkerk geïncorporeerd werd
bij de kerk van Deventer. In maart 1364 lijfde bisschop
Jan van Arkel de Zwolse kerk bij die van
Deventer in, op voorwaarde dat pastoor Hesselus
Heynck niet in zijn rechten geschaad zou worden.
11 Blijkbaar was Hesselus daar niet gelukkig
mee, want een maand later moest hij op straffe
van 400 oude schilden beloven zich te zullen
schikken in de incorporatie, op voorwaarde dat
de paus een en ander binnen een jaar zou goedkeuren.
‘2 Kort daarop gaf notaris Wernerus Ghelmari
een gewaarmerkte kopie (= transsumpt) van
drie akten die allemaal de rechten van het kapittel
op de kerk van Zwolle bevestigden.13 Gezien de
datum van dit transsumpt, is het mogelijk opgesteld
om de goedkeuring van de paus voor de incorporatie
te verkrijgen. Of die pauselijke goedkeuring
inderdaad binnen een jaar gegeven is, is
onbekend. Ze ontbreekt in elk geval in het kapittelarchief.
Hesselus Heynck overleed waarschijnlijk kort
voor 14 december 1376. Op die dag ging namelijk
Henricus de Orto de Huessen, kanunnik van de
kerk te Deventer en procurator en syndicus van
de deken en het kapittel van Deventer, in appèl bij
de Heilige Stoel, omdat Regnerus van Drynen na
het overlijden van Hesselus beweerde recht te
hebben op de Zwolse kerk. Via Johannes ter
Huerne, zijn gemachtigde, had hij de inkomsten
van die kerk aan zich getrokken. Henricus ging in
appèl omdat de deken en het kapittel al sinds
mensenheugenis, dat wil zeggen meer dan zestig
jaar, het recht hadden de pastoor van de parochiekerk
te benoemen. ‘4
Een dag later verklaarde ook Ghiselbertus Sonekaert,
eveneens procurator van de deken en het
kapittel van Deventer, dat hij namens deken en
kapittel bij de Heilige Stoel in appèl ging. Hoewel
Albertus de Renen onlangs tot pastoor was benoemd,
probeerde Regnerus van Drynen zich in
het bezit te stellen van de functie van vicaris van
de kerk van Zwolle. Hij deed dat door middel van
een brief van paus Gregorius XI, waarin deze het
recht de pastoor te benoemen (= collatierecht)
toekende aan de deken Segninus de Anchana en
het aartspriesterschap van Xanten.’5
Deze brief van Gregorius XI is niet bewaard
gebleven. Wel zijn er drie andere bepalingen van
deze paus ten gunste van Regnerus. In 1371 beloofde
hij hem een beneficium (= kerkelijk ambt
waaraan inkomsten en verplichtingen verbonden
zijn), dat tot het kapittel van Deventer behoorde.
In 1373 beloofde hij hem het vicarie van Johannes
de Doper en Laurentius in de kerk van Zutphen.
Tenslotte bevestigde de paus hem op 6 februari
1377 in het bezit van de parochiekerk te Zwolle.16
De kandidaat van het Lebuïnuskapittel, Albertus
de Renen, was hiermee buitenspel gezet. Wat er
verder met hem gebeurd is, is onbekend.
Het kapittel liet het er echter niet bij zitten: op
14 mei 1377 liet het een notaris drie akten transsumeren,
waarin bepaald werd dat het kapittel de
pastoor van Zwolle mocht aanstellen.17 Het
mocht echter allemaal niet baten: de protesten
van het kapittel hadden geen succes en Regnerus
bleef tot zijn dood in 1398 functioneren als stadspastoor.
Wel ging hij in 1384 mede namens de parochiekerk
tegen het kapittel in beroep, maar het
is onbekend of dat iets met zijn benoeming had te
maken.18
Tijdens zijn ambtsperiode laaide het: conflict
over giften en begrafenisgelden met het Bethlehemklooster
weer op. Volgens Gerardus Coccius,
kroniekschrijver van het Bethlehemklooster, weigerde
Regnerus de overeenkomst tussen zijn
voorganger en het klooster te handhaven. Bethlehem
deed daarop een beroep op de paus, maar
voordat deze had gereageerd was het conflict al
opgelost door het stadsbestuur.
Behalve met het Bethlehemklooster, werd ook
met het klooster te Windesheim een overeenkomst
over de offergelden gesloten. Het klooster
zou jaarlijks een pond aan de pastoor betalen.
Daarnaast zou de pastoor de helft van de inkomsten
en offergaven krijgen, wanneer het tenminste
ging om inkomsten die hoger waren dan
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
. 1 in Overirjècl fyht: op de rechte zyde -vaadert Ys£j.,if
Caapstadt, ie fit metgoeSe muerm, en nwchtjgk van. velak • van, dmt
fyh mee/ter Sen. Proeve vmZeyfe/kr inden lacreif«$.Jen. rCt A.V, bij
J . ‘i 3.rMy. ;u z x v. i., ., L-.xKOU.
kant had niet alleen oog voor de literaire, maar
ook voor de marktwaarde van de door hem aangekochte
werken. Diverse werken van Feith waren
rond 1820 immers geheel of gedeeltelijk
uitverkocht. Bovendien werd duidelijk dat de
dichter niet meer lang zou leven. Een uitgave van
het volledige oeuvre in een goedkope octavo uitgave,
leek in die omstandigheden commercieel
zeer aantrekkelijk. Feith zelf zag ook zijn einde
naderbij komen — hij refereert er in zijn brieven
vaak aan – en een goedkope uitgave juichte hij
toe. Hij had zelfs al een titel voor de hele serie bedacht:
Alle de Werken van Mr. R. Feith. Ieder deel
zou een apart ‘fransch tijteltje’ moeten krijgen
met de vermelding van de inhoud van het
deeltje.6
Roet in het eten
Immerzeel kocht in vrij korte tijd veel rechten op,
maar hij kon toch niet alles bemachtigen. In 1824
was Immerzeel ‘na veel tobben, en na vele opofferingen
te hebben gedaan’ in het bezit van 23 werken
van Feith.7 Aan zijn collectie ontbraken onder
andere de rechten op de vijf delen Oden en
Gedichten. De eerste vier delen waren in handen
van Allart geweest, het vijfde deel kwam uit het
bezit van de uitgevers Bohn en Van Stegeren.8 De
vijf delen waren gezamenlijk gekocht door de
Zwolse uitgevers Hendrik Assuerus Doyer en Jan
Lodewijk Zeehuizen. Doyer was doopsgezind en
had aan de Grote Markt in Zwolle een boekenzaak.
Daarnaast was hij de Zwolse gelegenheids-
dichter bij uitstek. Van Zeehuizen is alleen
bekend dat hij uitgever was.9
Immerzeel stond voor het probleem de
rechten van beide heren te verwerven. Doyer, die
ook op het alleenrecht uit was, stond er gunstiger
voor. Hij hoefde alleen maar de rechten van Zeehuizen
op te kopen. Zeehuizen wilde zijn deel wel
verkopen, maar aan wie: Doyer of Immerzeel?
Feith en Doyer
Feith fungeerde in Zwolle als tussenpersoon van
Immerzeel. Hij moest Doyer bewegen zijn rechten
af te staan. Aanvankelijk schatte Feith de zaak optimistisch
in. Zeehuizen leek hem geen probleem,
‘maar met Doyer, die geld heeft, is het slimmer’.10
Toch leek Doyer meegaand. Feith schreef aan Immerzeel
dat hij er niet aan twijfelde dat de koop
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
HJBT tt*AW.’vaar_jK|iTH.. j
zou lukken. Hij voegde een brief van Doyer bij,
‘die niets bijzonders heeft, dan dat hij juist op het
idé drukt, dat gij voornemens zijt met der tijd uit
te voeren. Ik ken voor ’t overige den man niet, en
heb hem zelfs nooit hooren noemen’.”
Immerzeel vroeg Feith om met Doyer te gaan
praten. Feith wilde dat wel doen, maar hij vreesde
dat te veel druk de zaak moeilijker zou maken.12
Uiteindelijk kwam Doyer zelf naar Feith toe. Na
dat bezoek moest de schrijver het volgende teleurstellende
bericht aan Immerzeel melden: ‘Ik
geloof dat de Heer Doyer ons fijntjes gefopt heeft.
Ik dacht dat er weinig zwarigheid in zijn zou om
de kopij van de Oden van hem te krijgen, en door
zijn eersten brief aan u werd ik merkelijk in dit idé
bevestigd. Ondertusschen is het nu zeker dat hij
die rol gespeeld heeft om van Zeehuizen af te komen.
Nu hij alleen van de kopij meester is, spreekt
hij uit een geheel anderen toon. Ik had expres wat
getalmd om naar hem toetegaan om hem niet al te
happig te maken, en toen ik hem bij mijn buiten
zag komen, dacht ik eerst nu is de zaak klaar;
maar ik had deerlijk buiten den waard gerekend’.
Doyer had tijdens zijn bezoek verklaard dat hij
er lang op uit was geweest om de enige eigenaar
van de Oden en Gedichten te worden, en dat hij
het kopierecht voor geen geld meer over wilde
doen. De uitgever beloofde er zich gouden bergen
van, zo constateerde Feith. Hij schrijft dan verder:
‘Vergeefs stelde ik hem na genoeg alles voor wat
gij mij ten naasten bij in uw brief schrijft en dat
hij, een jong Boekverkooper, en in Zwolle niet
aan kon tegen een in alle opzichten bekende
Boekverkooper in Holland. Hij was niet te
verzetten en zei, dat al woonde hij te Hattem hij
alles even zoo goed kon als de beste Hollander,
dewijl hij alles in Amsterdam zou laten uitvoeren
en nu reeds een uitmuntende correspondencie
had. Enfin, er was niets tegen te doen, en eindelijk
snoerde hij mij den mond door te zeggen: Al de
schade die gij er op ziet neem ik voor mijn rekening,
en ik weet, dat gij te lang met mijn vader
verbonden zijt geweest, om het voordeel, dat ik er
in zie, mij niet te gunnen’. Wat Doyer met de
laatste toespeling bedoelde, is thans niet duidelijk.
Feith begreep het wel, want hij eindigde met de
conclusie: ‘Toen had ik uitgepraat’.13
Immerzeel en Doyer
Daarna heeft Immerzeel waarschijnlijk nog een
poging gedaan om alsnog de volledige rechten
van de Oden en Gedichten van Doyer te kopen.
Deze was echter niet te vermurwen. Ruim een
maand na de vorige brief schreef Feith aan Immerzeel
dat Doyer ‘zoo vast aan zijn plan [kleeft],
dat er maar niet aan te doen is’. En hij vervolgde:
‘Ik zei hem lagchende, dat hij in dit geval zijn geloof
niet had kunnen verzaken, maar dat hij er
menig mennisten streekje, vooral omtrent Zeehuizen,
onder had laten loopen. Hij lachte en beleed
mij, dat van ’t begin af aan zijn ware doel
geweest was om op de minst kostbare wijze van de
5 [delen] Oden alleen meester te zijn. Ik zei hem,
dat zoo ik door zijn’ eerste brief aan u niet bedrogen
was ik hem een lelijke poets had kunnen
spelen, door a tout prix van Zeehuizen zij ne helfte
te koopen, wanneer hij met de andere helfte toch
niets had kunnen uitvoeren. Juist daarom, zei hij,
hield ik mij in het begin zoo onverschillig’. ‘4
Feith was teleurgesteld over de gang van zaken.
Het speet hem het meest dat het nu na zijn
dood niet mogelijk zou zijn alle werken onder één
titel uit te geven.15
Het graf van Feith op
de Algemene Begraafplaats
aan de Meppelerstraatweg
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Immerzeel legde ruim een jaar later, in 1823,
een nieuw plan aan Doyer voor. Hij stelde voor –
na de voordelen voor hen allebei breed uitgemeten
te hebben – de Oden en Gedichten op te nemen
in zijn verzamelserie van de werken van
Feith, de Dicht- en prozaïsche werken. Daarnaast
zou de mogelijkheid blijven bestaan de Oden en
Gedichten ook apart te bestellen. Wat Doyer
bewogen heeft snel toe te geven is niet duidelijk.
In ieder geval werden de heren het, na enig heen
en weer geschrijf over het kaftje en over de problemen
bij de inschrijving, vrij snel eens. De vijf
delen Oden en Gedichten werden samengevat in
drie banden en verschenen als laatste in de serie –
het laatste deel XV is een latere toevoeging.
Doyer was zo mak als een lam. Hij liet zich
volkomen door Immerzeel leiden, wiens ‘door de
ondervinding reeds beproefd oordeel’, ‘meerder
kennis’ en ‘goede raad’ hij graag wilde volgen.16
Later, in de jaren dertig van de negentiende eeuw,
publiceerde Doyer zelfs nog enige gedichten in
Immerzeels precieuze Muzenalmanak.
Tot slot
Zo lijkt de wens van Feith om een uniforme uitgave
van al zijn werken dan toch in vervulling te zijn
gegaan. Maar niets is minder waar. De Dicht- en
prozaïsche werken vormen maar een deel van
Feiths oeuvre en een uniforme uitgave van zijn
volledige werk bestaat tot op heden nog steeds
niet.
4. Brief van Feith aan Immerzeel, 28 juni 1820.
5. Idem, 11 januari 1822.
6. Idem.
7. Brief van Immerzeel aan Doyer, 16 oktober 1823.
8. H.G. ten Bruggencate, Mr. Rhijnvis Feith. Een bijdrage
tot de kennis van zijn werk en zijn persoonlijkheid
(Wageningen 1911) 245-246.
9. Genealogische gegevens over Doyer: Nederland’s
Patriciaat 30 (1944) 53; over zijn boekhandel: F.C.
Berkenvelder, Zo was Zwolle rond 1900, (Zwolle
1970) 116; B.P.M. Dongelmans, Van Alkmaar tot
Zwijndrecht. Alfabet van boekverkopers, drukkers en
uitgevers in Noord Nederland 1801-1850 (Amsterdam
1988) 210; over zijn gedichten: W.A. Elberts,
Historische wandelingen in en om Zwolle, (Zwolle
1973) 12,121,195. Zeehuizen was de zoon van bakker
Jan Lodewijk Zeehuizen en Ida Hendriks. Hij was
op 7 augustus 1777 te Zwolle geboren en stierf aldaar
op 26 juni 1830. Hij trouwde op 7 augustus
1803 met Henriette Charlotte Bourdeaux. Over zijn
boekhandel: Dongelmans, o.c, 211.
10. Brief van Feith aan Immerzeel, 11 januari 1822.
11. Ibidem, 20 februari 1822.
12. Ibidem, 9 april 1822.
13. Ibidem, 1 mei 1822.
14. Ibidem, 15 juni 1822.
15. Ibidem.
16. Brieven van Doyer aan Immerzeel, 19 oktober 1823
en 28 december 1823.
Noten
1. Deze correspondentie is aanwezig in de Koninklijke
Bibliotheek in Den Haag onder signatuur 133 C
11.
2. T. Broos, ‘”Boeken zijn zo goed als geld maar geld is
beter”. Johannes Allart (1754-1816)’, in: Spektator 9
(1979/80) 14-25. Idem, ‘Misdruk en mispunt’, in:
Spektatorn (1981/82) 212-223.
3. Uit een contract, d.d. 15 januari 1804, blijkt dat
Feith zodra hij bij Allart de kopie van zijn ‘gezangen’
inleverde – met het voorwerk tenminste niet
minder dan honderd pagina’s – 420 gulden, en
voor elke volgende 16 pagina’s meer, 40 gulden zou
ontvangen. Gemeentearchief Zwolle, Familiearchief
Feith (FA015), inv.nr. 123.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
IzakOs (1870-1943)
In joodse kring is het de gewoonte iemand bij
een feestelijke gebeurtenis toe te wensen: ‘Tot
120 jaar!’ Dit is een verwijzing naar de leeftijd
die Mozes zou hebben bereikt.
In december 1990 was het 120 jaar geleden dat
mijn grootvader Izak Os, zakenman èn socialist,
in Zwolle werd geboren. Hij heeft, net zomin als
miljoenen anderen die Mozaïsche leeftijd mogen
bereiken. Hij is, doodziek, als laatste Zwolse jood,
op 27 mei 1943 uit zijn huis in de Derk Buismanstraat
10 gehaald. Samen met zijn vrouw Lea
maakte hij de tocht naar Westerbork per ambulance.’
Hij stierfin Sobibor.
Mijn broer Igor heeft in zijn boek Van Zwolle
tot Brest-Litowsk voor opa Izak een monument
opgericht.2 Hij heeft hem beschreven en herdacht
op zijn manier. Ik kan het portret alleen nog maar
met wat feiten en herinneringen aanvullen. Izak
Os was een opa zoals elk kind zich zou wensen:
klein, oud en grijs, zijn kleinkinderen verwennend.
Het was een gauw ontroerde man die zich
het best op zijn gemak voelde als hij op straat of in
de eigen huiskamer plat-Zwols kon spreken.
Izak Os en de politiek
Zijn meest bekende politieke daad is – en hij heeft
het graag en vaak verteld – dat hij bij de oprichting
van de SDAP op 26 augustus 1894 in zaal
‘De Atlas’ op de Zwolse Ossenmarkt aanwezig
was. (De naamsovereenkomst vertelde hij er ook
altijd met glimoogjes bij!). En honderden malen
kwam dan: ‘Ik hoorde dan wel niet bij de twaalf
apostelen, maar ik was toch zeker de dertiende’.3
En of het waar is dat Troelstra bij hem heeft overnacht?
Mijn grootvader heeft het me zelf verteld
en dat mag ik dan toch niet, na zoveel jaren, in
twijfel trekken?
Al jong kwam Izak bij de socialistische beweging.
Dat was voor een beginnend zakenman toch
wel iets bijzonders. In die tijd moet hij in het
provinciale, kleinsteedse Zwolle al een vrij beken-
Wil Cornelissen
de figuur zijn geweest. De oorsprong van de later
door iedereen gekende Oom Izak is toen gelegd.
Voor oma Lea werd het wel eens teveel. Zij
had de zorg voor het gezin,4 er waren vaak financiële
problemen en steeds weer verhuizingen. (De
straten waar de familie woonde, weerspiegelen
het al of niet succes hebben in zaken.) Daarbij waren
er de vele partijgenoten die, meestal onverwachts,
langs kwamen, mee aten en bleven logeren.
Izak Os is tweeëneenhalf jaar lid van de Zwolse
gemeenteraad geweest. In familiekring is daar
wel eens goedmoedig-spottend over gepraat. Opa
zou niet zo vaak z’n mond hebben opengedaan en
hij zou nogal eens door afwezigheid geschitterd
hebben. Ik heb nu eens alle raadsverslagen van de
jaren 1919 tot en met 1922 doorgenomen en kwam
tot de conclusie dat Izak Os wel degelijk zijn
Izak Os (circa 1920).
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Handtekening van Izak
Os. Izak werd ook wel
geschreven als Isac of
Isaac. Zelf schreef hij
Izaak.
Briefkaart geadresseerd
aan Oom Izak. De PTT
had er weinig moeite
mee.
r r : r ‘ /
mond heeft opengedaan. Weliswaar sprak hij niet
zo vaak als Leenden Lansink of Jos Vogt, maar
toch. Bovendien bleek dat opa bij 74% van de vergaderingen
aanwezig is geweest. Dat is voor een
druk bezet zakenman een niet onaardige score.
In de tijd dat Izak in de gemeenteraad zat, was
mr. dr. LA. van Roijen burgemeester. Men vergaderde
veel: vier raadsvergaderingen per maand
waren geen uitzondering. De onderwerpen liepen
uiteen, zoals de onderwerpen ook nu nog uiteen
lopen. Izak Os sprak in die jaren, zoals Igor al memoreerde,
inderdaad over de brandweer. Hij
pleitte voor het invoeren van een acht-urige
werkdag voor het vaste brandweerpersoneel.5
Ook wilde hij graag spreken over de kermis, maar
dat lukte niet. ‘Reeds 14 maal heeft dit punt op de
agenda gestaan, maar nooit komt het in behandeling’,
klaagde hij.6
. In de notulen van de raadsvergaderingen
vond ik echter ook andere, zeer principiële standpunten.
Bij de benoeming van bestuursleden van
de gasthuizen merkten de socialisten bij monde
van Izak Os op, dat er nooit sociaal-democraten
werden voorgedragen. Indien dit zo bleef, zei hij,
zou de fractie van de SDAP met eigen kandidaten
komen. Dit dreigement werkte, want in diezelfde
vergadering werd I. Os, buiten de aanbeveling van
B&W om, benoemd tot lid van de Commissie van
Toezicht op de Bank van Leening.7 Een halfjaar
later werd, eveneens buiten de aanbeveling om,
i-T”:- •”
*.-‘>:••••
7 ‘ V .•
• – r . . – .
ds. Horreüs de Haas tot lid van het bestuur van
het Hervormd Weeshuis benoemd.8
In het jaar daarop, toen weer de benoeming
van een bestuurslid voor de gasthuizen op de
agenda stond, ‘meent dhr. Os dat in het bestuur
ook iemand zitting moet hebben, die bekend is
met de noden en behoeften van de arbeiders en
die zelf geboren is uit die groep van de bevolking,
waaruit ook de bewoners van de Gasthuizen
voortkomen’. Bovendien wilden de socialisten
een vrouw in het bestuur. Op voorstel van de heer
Os werd de aanbeveling teruggezonden naar het
bestuur met het verzoek een nieuwe voordracht in
te dienen. De burgemeester reageerde geïrriteerd.9
Ook het voorstel om marktkooplieden, die
ƒ 30,- a ƒ 40,- marktgeld moesten betalen, dit bedrag
in vier keer in plaats van in één keer te laten
betalen, kwam van zijn hand. ‘Dat bedrag is meer
dan het hele bedrijfskapitaal van sommigen hunner
bedraagt’, zo stelde hij.i0
Verder sprak hij mee over de meest uiteenlopende
onderwerpen. Hij sprak over de smeerboel
op de vrijdagse beestenmarkt en over de spoedige
verplaatsing van die veemarkt: ‘Er is voor werkloze
arbeiders weinig of niets meer te vinden.
Men zou goed werk doen door nu met het in orde
maken van het nieuwe terrein te beginnen’. Hij
sprak mee over christelijke bioscoopvoorstellingen
voor de schooljeugd, over de standplaats van
de handelaren in ijswafels en over het al of niet in
één pand verkopen van bevroren, Argentijns
vlees en inlands vlees. Ook bij de verhitte en langdurige
(en na 70 jaar vermakelijke) discussies
over het weer invoeren van de kermis roerde hij
zich. Die kermis was enige jaren eerder afgeschaft,
voornamelijk vanwege het ermee gepaard
gaande drankmisbruik. Bovendien ‘is een
kermis uit de tijd’, zo werd er gezegd. Izak Os
deed een voorstel ‘om een waardig en veredeld
volksfeest in te stellen wat alle lagen der bevolking
kan bevredigen’.”
Op 10 april 1922 nam Izak Os afscheid van de
gemeenteraad. Burgemeester Van Roijen wijdde
op die datum enkele afscheidswoorden aan het
vertrekkende raadslid de heer Os.
Jodendom
Heeft het jodendom een belangrijke rol gespeeld
in het leven van Izak Os? Jazeker. Hij was jood en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
wilde dat ook zijn, al had hij zijn vrienden in veel
ruimere kring. Het viel hem soms moeilijk
grenzen te trekken. Het huwelijk van mijn ouders
(mijn vader was geen jood) heeft hij proberen tegen
te houden. Zijn verzet hielp niet en mijn geboorte
in 1928 zorgde weer voor de goede en zeer
warme familieverstandhouding.
Bekende namen op de
felicitatielijst van
5 december 1939.
Ik herinner mij het grote feest op 5 december
1939. Oma Lea en opa Izak waren 50 jaar getrouwd
en opa was die dag 45 jaar lid van de partij.
In Het Volk, in Voorwaarts en in de Zwolsche Courant
verschenen er artikelen over. De familie zong
het bruidspaar toe: ‘O, Papa, ga nog jaren naar
Palvu heen, Eekwal toch wel bekend, zoolang U
leeft strijd voor Uw ideaal, Strijd voort steeds zonder
end’12, er komen stapels post en telegrammen
en er komen veel, zéér veel vrienden en bekenden
die oma en opa nog vele goede jaren toewensen.
Vijf maanden later begon de Tweede Wereldoorlog.
Ik herinner mij nog de verschrikkelijke wond
aan zijn been (hij leed aan suikerziekte), de lucht
die er in dat kleine kamertje hing en de zorg en de
Izak Os en zijn vrouw
Lea Spits (eindjaren
’30).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Felicitatie van een partijgenoot
uit Hillegersberg
ter gelegenheid
van het feit dat Izak 45
jaar lid van de SDAP
was.
Straatnaambord in
Zwolle-Zuid in de wijk
Schellerbroek.
%y-tc/,,
liefde die zijn dochter Clara hem tot het laatst toe
gaf. Zij wilde en zij moest hem ook wel verzorgen,
verplegen en verbinden. Hulp van niet-joodse zijde
was verboden.
Eind mei 1943 werden opa en oma naar Westerbork
vervoerd. De laatste briefkaart ontving
mijn moeder op 5 juni. Een maand later heeft hij
met zijn vrouw de lange reis naar Polen moeten
maken. Ik weet niet of hij bij aankomst in Sobibor
nog leefde. Ik hoop het niet.
Ik denk nog vaak aan hem. Zeker nu er in
Zwolle een Izak Osstraat is gekomen. Maar ik
hoef daar niet doorheen te fietsen om hem weer
voor me te zien.
Vele jaren na de oorlog is er op de joodse begraafplaats
in Herfte een steen geplaatst, waarop
alle omgebrachte leden van de familie Os zijn vermeld.
Opa Izak, oma Lea en al die anderen…
* Dit artikel verscheen eerder in het PvdA-blad, afdeling
Zwolle, december 1990.
Noten
1. De N.V. grafkisten- en meubelfabriek v/h fa. H. van
Breemen, afd. ziekenvervoer, kreeg er later van de
gemeente Zwolle het bedrag van ƒ 70,- voor. Zie:
Iet Vierstraete-Erdtsieck, De Jodenvervolging in
Zwolle; geschiedenis van de Joden te Zwolle tussen
1933 en 1946. (Wezep, 1985).
2. Igor Cornelissen, Van Zwolle tot Brest-Litowsk.
(Amsterdam, 1983).
3. De twaalf oprichters van de SDAP werden
spottend de twaalf apostelen genoemd. Later werd
het een erenaam.
4. Het gezin van Izak Os en Lea Spits bestond uit:
Abraham (1890, na 3 weken overleden), Marianne
(1891), Jochem (1893), Clara (1895), Rika (1897) en
Truus (1899; mijn moeder).
5. Raadsvergadering 8.11.1920, Gemeentearchief
Zwolle.
6. ibidem. 30.12.1920.
7. ibidem. 19.1.1920.
8. ibidem. 28.6.1920.
9. ibidem. 25.1.1921.
10. ibidem. 20.12.1920.
11. ibidem. 23.2.1920; 21.2.1921; 14.3.1921; 20.6.1921;
18.7.1921 en 18.4.1921.
12. ‘PALVU’ (= Proletariërs Aller Landen Verenigt U),
destijds het eigen partijgebouw van de Zwolse
SDAP op de Eekwal 29.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een bijzonder voorwerp in het POM
Onlangs liet Boudewijn Büch in zijn programma
over de eilanden in de Indische
Oceaan, enkele grote noten met een
vreemde vorm zien, die daar als souvenir werden
verkocht. Het betrof de zogenaamde Seychellennoot,
die nu voor de toeristen in de winkels ligt,
maar die in de zestiende en zeventiende eeuw als
een kostbare en exotische noot gold.
Zo’n exotische noot bevindt zich sinds de Geschiedkundig-
Overijsselsche Tentoonstelling van
1882 in het POM.
Voordat ik inga op het voorwerp zelf, volgt
hier eerst iets over de herkomst en het gebruik van
deze noten.
Oorspronkelijk heette de noot Maledivische
noot, genoemd naar de Malediven waar de vruchten
aanspoelden. Daarom dacht men aanvankelijk
dat ze in zee groeiden. Op de Malediven kwamen
de noten soms in bezit van Nederlanders of
Portugezen, die de eilanden aandeden op hun reis
naar Indië.
Een noot kan 10 tot 15 kg zwaar worden. Zij
bestaat uit twee ovale delen met aan één kant een
insnoering tot de helft van de hoogte. Vaak werden
de noten in tweeën gedeeld, waardoor twee
schuitachtige vormen ontstonden.
De Seychellennoot is de vrucht van de Lodoicea
seychellorum, een palm die alleen op de Seychellen
voorkomt en die 20 tot 30 meter hoog kan
worden.
Seychellennoten waren tot ver in de achttiende
eeuw uiterst zeldzaam en derhalve zeer kostbaar.
De Habsburgse Keizer Rudolf II zou in het
begin van de zeventiende eeuw ƒ 4.000,- betaald
hebben voor een noot.
Niet alleen vanwege de zeldzaamheid waren ze
zo prijzig, maar ook werden er bijzondere krachten
aan toegeschreven. Carolus Clusius haalt de
Portugese arts Garcia da Orta aan, die schrijft dat
velen geloven dat een zieke geneest wanneer hij
water drinkt dat enige tijd in een dergelijke noot
heeft gestaan. Ook wordt in de zestiende en
zeventiende eeuw vermeld, dat iemand met gif in
zijn lichaam door deze noot voor de dood wordt
behoed. Nog in 1769 schrijft de kruidenkundige
Rumphius dat de noot vooral geschikt is bij vergiftiging
door arsenicum. Aan het eind van de
eeuw echter werd met dit bijgeloof afgerekend. In
het grote woordenboek van Noël Chomel staat
dan: ‘dat derzelven tegengiftige kragt voornamelijk
in de inbeelding bestaat’.
Toen de Fransen de vruchten in 1769 op de
Seychellen ontdekten, kwamen ze in groten getale
in de handel. Dit veroorzaakte een scherpe prijsdaling.
Seychellennoten, gevat in zilver, behoorden
tot de voorwerpen die in kunst- en rariteitenkabinetten
in de zestiende en zeventiende eeuw voorkwamen.
Hiertoe behoorden ook de iets minder
zeldzame kokosnoten en nautilusbekers, evenals
bijzondere schelpen, koralen e.d.
Het aantal Seychellennoten dat in de zeventiende
eeuw Europa bereikte was zeer klein. Ongeveer
tien exemplaren zijn bekend. Het voorwerp
in het POM is hiervan het enige in Nederland.
Het is een halve noot, als drinkschaal, met een
gladde zilveren band langs de rand en over de
noot naar de stam van de voet. De zilveren stam
wordt gevormd door een Bacchusfiguurtje, zittend
op een vat, en met in de rechterhand een
drinkschaal. De linkerhand is omhoog geheven.
Misschien hield hij daarin een nu ontbrekende
druiventros vast. Ook in de rechtervoet en achter
het vat zijn kleine openingen waarin mogelijk een
ornament heeft gezeten.
De versiering van de ronde voet bestaat uit
vier dolfijnen of zeemonsters, omgeven door water.
Waarschijnlijk heeft op de noot een deksel gezeten.
De noot is aan de buitenzijde onbewerkt,
de binnenkant is gelakt.
Lydie van Dijk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Drinkschaal, gemaakt
van Seychellennoot
(foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
Aan de onderzijde van de voetrand zijn drie
merken geslagen, de jaarletter (1659), het stadswapen
van Zwolle en een onleesbaar meesterteken.
Het stuk behoort tot de bruiklenen van de gemeente
Zwolle aan het POM en was, zoals reeds
gezegd, voor het eerst te zien op de Geschiedkundig-
Overijsselsche Tentoonstelling in 1882.
Aanvankelijk dacht men dat het om een beker
van het klompenmakersgilde ging. Waarschijnlijk
was deze opvatting gebaseerd op de vorm van de
noot. In Zwolle heeft echter nooit een dergelijk
gilde bestaan. Daarna vermoedde men dat de beker
eigendom van het tappers- en wijndragersgilde
geweest was, uitgaande van de vorm van de
stam. Van dit gilde zijn echter geen archivalia
bewaard, noch verwijst enige inscriptie op de beker
naar dit gilde.
In de stadsrekeningen van de gemeente Zwolle
over 1659 is de herkomst van deze beker waarschijnlijk
wel te traceren. In 1659, dus het jaar
waarin het zilverbeslag vervaardigd is, wordt een
met zilver beslagen ‘noete muskaet’ vermeld.
Deze muskaatnoot was door overste Schirk aan
de stad geschonken, samen met een hoorn die
eveneens voorzien was van zilverbeslag.
Dat deze, ‘noete muskaet’ dezelfde is als de
Seychellennoot, is om een aantal redenen aannemelijk.
Ten eerste kende men in 1659 de juiste
naam van de noot niet, en ten tweede was een
muskaatnoot niet zeldzaam en bovendien klein.
De stad zou voor zo’n kleine noot nooit aan de
meid van de overste enkele guldens voor het
geschenk hebben gegeven. Bovendien maakt de
stadsschrijver melding van twee ‘rariteyten’.
De Seychellennoten die eind zestiende en
zeventiende eeuw naar Europa kwamen, zijn veelal
in rariteitenkabinetten terecht gekomen. Over
dit onderwerp begint eind juni in het Amsterdams
Historisch Museum een tentoonstelling
met de titel ‘De wereld binnen handbereik, Kunsten
Rariteitenkabinetten in de Gouden Eeuw’. De
beker uit het POM zal daar ook te zien zijn.
Literatuur
B. Dubbe, ‘Gildebeker of rariteit?’ in: Antiek (1970), 27-
32-
R. Fritz, ‘Kokosnootbokalen, vervaardigd in de Nederlanden
van de 15de tot de 18de eeuw’ in: Antiek
(i979). 673-732-
R. Fritz, Die Gefasse aus Kokosnuss in Mitteleuropa,
1250-1800 (Mainz 1983).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Straatnamen, niet zo eenvoudig,
Klein Weezenland
Op 26 januari 1933 werd in een speciale
raadsvergadering afscheid genomen van
mr. dr. LA. van Roijen, die ruim 35 jaar
burgemeester van Zwolle was geweest. De raad
kwam, bij monde van wethouder R.J.J.M. Teilegen,
met een aardig afscheidsgeschenk. De Wilhelminasingel
zou van naam worden veranderd en in
de toekomst Burgemeester van Roijensingel gaan
heten. De scheidende burgemeester was hierdoor
zeer verrast en apprecieerde dit denkbeeld buitengewoon.
Hij sprak de hoop uit dat de raad dit voorstel
zou aannemen.
In de daaropvolgende raadsvergadering van 6
februari, dus nog geen twee weken later, kwam er
echter een ander voorstel op tafel. De fungerende
voorzitter deed na overleg met alle fractievoorzitters
het voorstel om niet de Wilhelminasingel,
maar het Klein Weezenland te vernoemen naar de
oud-burgemeester!
Wat was er in de tussentijd gebeurd? We kunnen
het gedeeltelijk nagaan aan de hand van de
ingezonden brieven in de Zwolse Courant. Het
vermoeden bestaat dat men achteraf terugschrok
voor het idee om de Wilhelminasingel van zijn
naam te ontdoen. Getuigde dat wel van eerbied
tegenover de regerende vorstin? Het idee was leuk
geweest, maar nu begon men toch te aarzelen.
In de elf dagen die tussen de beide vergaderingen
lagen, zijn er veel voorstellen gedaan. Omgedoopt
zou kunnen worden de Potgietersingel (de
Van Roijenbank stond daar al), de Veerallee (de
historische naam was na de bouw van de IJsselbrug
toch verouderd), de Zeven Alleetjes en de
Terborchstraat (Terborch zou dan in de schildersbuurt,
die toen gebouwd werd, vernoemd
kunnen worden).
Mr. D. Sanders deed in een ingezonden brief
het voorstel om het Klein Weezenland (van
Nieuwe Havenbrug tot Sassenpoortenbrug) tot
Burgemeester van Roijensingel om te dopen. Of
dit de raad op een idee heeft gebracht, weet ik
Wil Cornelissen
Klein Weezenland ca.
1900, sinds 1933 Burgemeester
van Roijensingel
genaamd
(gemeen tea rch ief
Zwolle, foto: J.P. de
Koning).
Jf/ein Weezenlani.
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
niet. Een feit is dat op 6 februari 1933 het cadeau
voor de oud-burgemeester werd gewijzigd: zonder
hoofdelijke stemming werd de toestand zoals
die ook nu nog bestaat. De burgemeester moest
wijken voor de koningin.
Spinhuiswal
De naamsverandering van de Spinhuiswal in
Menno van Coehoornsingel heeft een wat merkwaardige
achtergrond.
De Spinhuiswal dankte zijn naam aan de
gevangenis die vroeger werd aangeduid als tuchthuis
of spinhuis, en in 1739 werd gebouwd. Dit
jaartal staat nog altijd te lezen boven de toegangspoort.
Het huidige Flevogebouw was tot 1934 ambachtsschool.
In 1941 werd de oude school bestemd
voor de Rijksdienst Wieringermeerdirectie,
later Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders,
nog later Flevopolders. Daar is dan ook de naam
‘Flevogebouw’, die thans op de gevel prijkt, van
afkomstig.
Nu vond men het in 1941 ongepast (destijds
werd gezegd: ‘minder welluidend’), dat het correspondentieadres
van die Rijksdienst zou luiden:
Spinhuiswal.
Volgens het rapport van de gemeentearchivaris
was Spinhuiswal ook niet de oorspronkelijke
naam. Dat was Friesche Wal. Via de wat kronkelige
redenering dat Menno van Coehoorn een Fries
was, kreeg op 26 september 1941 de Spinhuiswal
de nieuwe naam Menno van Coehoornsingel, die
nog steeds de verbinding vormt tussen de Diezerpoortenplas
en het Assiesplein.
Koewegje
In het verleden stelde de gemeenteraad straatnamen
vast. Dat kon nog wel eens tot aardige discussies
leiden.
In augustus 1923 kwam er een verzoek van
bewoners en toekomstige bewoners om het Koewegje
in het vervolg Brinkstraat of Bagijnestraat
te noemen.
Bij de behandeling van deze kwestie, tijdens
de gemeenteraadsvergaderingen van 20 augustus
en 24 september 1923, werd het voorstel van B&W
om de naam Koewegje nu officieel vast te leggen,
nogal bekritiseerd. Het verzoek van de bewoners
kreeg steun van de heer Cromme. Een mooie
uitspraak van hem staat in de notulen: ‘Hij is
altijd genegen aan dergelijke kleine verzoeken uit
de burgerij te voldoen, als het geen kosten met
zich brengt.’
De voorzitter, burgemeester I.A. van Roijen,
voerde ter verdediging aan dat de naam Koewegje
historisch verantwoord was: ‘Er was een tijd, dat
dit deel van de stad buiten de bebouwde kom lag
en dat daarlangs de koeien gevoerd werden.’
De heer Vogt interrumpeerde schertsenderwijs
dat hij altijd had gedacht dat dat was omdat
daar oude koeien uit de sloot gehaald werden!
Na een stemming (twaalf tegen acht stemmen)
werd de naam Koewegje officieel vastgesteld.
In de volgende raadsvergadering kwam men
echter op dit besluit terug en vond er weer een
lange discussie plaats. De heer Lindeboom stelde
dat het een straat was waar nette woningen stonden.
Hij ondersteunde het verzoek van de bewoners
om de straat Brinkstraat of Bagijnestraat te
noemen. De heer Van Vlaardingen vertolkte de
mening (en dat kan wel eens de belangrijkste reden
zijn geweest voor het verzoek) ‘dat een brief
geadresseerd Koewegje zo ordinair staat. De
adressanten vragen om een fatsoenlijke naam
voor hun straat’, en hij wilde dat ondersteunen.
Nu kwam er nog een nieuw argument op tafel.
Het verhaal van de burgemeester, dat vroeger
de koeien hier langs werden geleid, bleek niet
waar te zijn. Die beesten werden langs het Blekerswegje
gevoerd en de naam Koewegje bestond
toen niet. De straat werd toen ‘Achter de planken’
genoemd.
In een nieuw voorstel werd gesuggereerd de
straat de naam Oosterkerkstraat te geven. De burgemeester
was in deze vergadering niet aanwezig.
Er werd nog op gewezen ‘dat het toch niet zo
fatsoenlijk was om nu al weer op het vorige besluit
terug te komen. Raadslid Augusteijn had een
wijs advies: ‘Laten wij in de geest van den Burgemeester
handelen, door de naam Koewegje te behouden.’
En zo geschiedde het ook. Met vijftien stemmen
tegen negen, bleef de naam Koewegje bestaan.
Het vormt nog steeds de verbinding tussen
de Brink en de Turfmarkt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
Literatuur
Nieuwe boeken
W. Coster en R.B.J. Oosterveld, Volksuniversiteit
Zwolle; vijfenzeventig jaar onderwijs en cultuur
voor volwassenen. Zwolle (Coster Pers) 1992.
B.J. Kam, Capita selecta,capita occidorum; doodstraffen
in Zwolle van Columbus tot Napoleon.
Zwolle (Geert Grote) 1992.
‘Het openluchtbad’ in: Informatieblad monumentenzorg
en archeologie in Zwolle. Zwolle
(gemeente Zwolle, sector stadsontwikkeling)
1992.
Janna van der Waarde, ‘Eb ie ze ook nog ‘ekend?
Zwolle (Waanders) 1991.
Zwolse veraelties met tekeningen van Teun
van der Veen.
H.C.J. Wullink, ‘Een instructie voor de organist
van de Bethlehemse kerk te Zwolle’, in: de
Mixtuur, nr. 70 (1992).
Over de Zwolse organist Albert Hempenius
(1813-1880).
F.D. Zeiler, Door de klanken der muziek vereend.
Muziekleven in Overijssel 1740-1810. Zwolle
(Tentoonstellingsdienst Overijssel) 1991.
Brochure uitgebracht bij een reizende tentoonstelling.
F.D. Zeiler, Het rentambt Windesheim, 1585-1805
en ‘De Bourschap Winshem’. Kampen (IJsselakademie)
1992.
Kwartierstatenboek
De afdeling West-Overijssel van de Nederlandse
Genealogische Vereniging hoopt in het najaar tot
de uitgave van een Kwartierstatenboek te komen.
In deze fraai verzorgde uitgave zijn onder de
titel’Boeren, burgers en buitenlui’ 50 kwartierstaten
opgenomen die grotendeels betrekking
hebben op het gebied van de afdeling, te weten
West-Overijssel, Salland, het Land van Vollenhove
en de kop van de Veluwe. Het boek is de
eerste publikatie van deze omvang met betrekking
tot dit gebied en bevat duizenden familienamen.
Het werk telt 120 pagina’s op liggend A-4 formaat.
Een lijst van inzenders, alsmede een lijst van
intekenaren zal worden opgenomen. Het boek
wordt afgesloten met een alfabetisch-lexicografisch
naamregister.
Op enkele uitzonderingen na, zijn in alle
kwartierstaten 31 kwartieren met volledige gegevens
betreffende geboorte, huwelijk en overlijden
opgenomen, plus de naam van de ouders van
de vijfde generatie. Ongeveer de helft van de
kwartierstaten wordt gevolgd door een lijst met
vervolgkwartieren. Het hoogst opgevoerde kwartiernummer
is 14.158.848!
Om zo goed mogelijk zicht te krijgen op de
vraag naar dit boek, en dus naar de gewenste oplage,
heeft de afdeling besloten tot het openen van
een voorintekening. De voorintekenprijs is
ƒ 37,50. Wilt u de uitgave toegezonden hebben dan
komt daar ƒ5,- portokosten bij.
U kunt intekenen door overmaking van ƒ 37,50
per exemplaar (eventueel vermeerderd met portokosten)
op postbankrekeningnummer 39 13 760
ten name van penningmeester NGv-afdeling
West-Overijssel, Hortensiastraat 11,8013 AA Zwolle,
onder vermelding van ‘kwartierstatenboek’.
Daar de oplage gerelateerd zal zijn aan het
resultaat van deze voorintekening, is het voor gegadigden
belangrijk om hieraan deel te nemen.
Alledaagse Dingen
Onlangs is het eerste nummer verschenen van Alledaagse
Dingen, een nieuw tijdschrift voor iedereen
die op de hoogte wil blijven van wat er in Nederland
gaande is op het gebied van (de geschiedenis
van) het dagelijkse leven. Het tijdschrift
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
richt zich op een breed publiek. Op een gedegen
en tegelijk aantrekkelijke manier wordt ingegaan
op allerlei onderwerpen betreffende de volks- en
streekcultuur. Ook geeft het een overzicht van interessante
activiteiten op dit terrein.
Alledaagse Dingen is bestemd voor leden van
verenigingen, professionals, amateurs en alle andere
geïnteresseerden op het gebied van de volkscultuur.
Het wil een zo volledig mogelijk overzicht
geven van wat er in Nederland leeft op dit
terrein.
Alledaagse Dingen is een uitgave van het Nederlands
Centrum voor Volkscultuur. Het is rijk
geïllustreerd en verschijnt acht maal per jaar.
U kunt een gratis proefnummer bestellen
door ƒ 3,- aan postzegels (voor de portokosten) te
sturen naar: Nederlands Centrum voor Volkscultuur,
Lucasbolwerk n, 3512 EH Utrecht.
Voor meer informatie: tel.030-319997.
Agenda
Tentoonstellingen in het Provinciaal
Overijssels Museum
t/m 14 juni
DROSTENHUIS: Als de dag van gisteren. Sport in
Zwolle.
GOUDEN KROON: Het Overijssels(e) Landschap.
Een tentoonstelling in het kader van het 60 jarig
bestaan van Het Overijssels Landschap. Door
middel van schilderijen, tekeningen en foto’s
wordt het landschapsonderhoud van vroeger en
nu toegelicht.
20 juni -13 augustus
DROSTENHUIS: Antonie Daniel Prudhomme,
1745-1826. Tekeningen en schilderijen van deze
Zwolse kunstenaar die onder andere enkele jaren
op de Amsterdamse tekenakademie naar model
tekende.
GOUDEN KROON: Kruiden
14 – 22 augustus
GOUDEN KROON: Kermistentoonstelling, dit keer
rond het thema ‘illusie’.
Mededelingen
Oproep
De heer Ehrhardt uit Leeuwarden is op zoek naar
de negentiende eeuwse archieven van de rederij
Doyer en Kalff.
Wie op de hoogte is van de verblijfplaats van
deze archieven wordt verzocht contact op te nemen
met:
Hein Ehrhardt
De Bird 104
8918 GA Leeuwarden
tel. 058-662128.
Steden des Tijds
Op zaterdag 13 juni j.1. is Teleac opnieuw gestart
met de serie ‘Steden des Tijds, historische stadstypen
in de Nederlanden’. Deze serie is in het najaar
van 1990 voor de eerste keer uitgezonden.
In deze serie staan tien steden centraal. Bij elk
van die tien steden is telkens een bepaalde omstandigheid
aan te wijzen, die heeft geleid tot een
spectaculaire ontwikkeling en bloei. Zeven Nederlandse
en drie Belgische steden worden op
deze manier belicht.
De serie bestaat uit tien televisie- en tien radioprogramma’s,
een cursusboek en een wandelgids.
De verschillende stadstypen worden in het boek
beschreven aan de hand van de stadsgeschiedenissen.
De ontwikkeling van de stad wordt tot ongeveer
1800 behandeld. Er is veel aandacht besteed
aan het dagelijks leven in de steden.
De televisielessen volgen de hoofdstukken in
het boek. In de radioprogramma’s ligt het accent
juist op de ontwikkelingen in de negentiende en
twintigste eeuw. Ook besteedt de radio uitgebreid
aandacht aan de plaatselijke archieven.
Voor meer informatie kunt u tijdens kantooruren
contact opnemen met het Teleac-informatienummer:
030-946946.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Personalia Colofon
Wil Cornelissen (1928) was werkzaam bij het onderwijs.
drs. Lydie van Dijk is als kunsthistorica verbonden
aan het Provinciaal Overijssels Museum.
D. Hogenkamp (1949) is arbeidsdeskundige bij
de Gemeenschappelijke Medische Dienst. Hij
is verknocht aan Zwolle en geeft regelmatig
diavoorstellingen over oud en nieuw Zwolle.
drs. J.C. Streng (1945) was enige jaren werkzaam
in het bedrijfsleven en ging daarna geschiedenis
studeren; eerst aan de Noordelijke Leergangen
te Zwolle en vervolgens aan de Rijks
Universiteit Groningen. In 1986 legde hij zijn
doctoraalexamen geschiedenis af en twee jaar
later het doctoraal kunstgeschiedenis. Thans
is hij werkzaam als free-lance historicus.
drs. Ingrid Wormgoor (1956) studeerde geschiedenis
aan de Rijks Universiteit te Groningen.
Momenteel werkt zij als museumconsulent bij
de Culturele Raad Overijssel.
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een uitgave van de
Zwolse Historische Vereniging en verschijnt vier maal
per jaar. Leden van de vereniging krijgen het tijdschrift
gratis toegezonden.
Bestuur Zwolse Historische Vereniging
J. Hagedoorn, voorzitter
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle
E. Tijssen, secretaris
David Spanjarstraat 4, 8017 DD Zwolle
H. Brassien, penningmeester
Thorbeckegracht 3c 8011 VL Zwolle
A. Bootsma-van Hulten, BJ. Kam, R.T. Oost,
I. Wormgoor, leden
Secretariaat/ledenadministratie
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle, telefoon: 038-223214
Financiën: girorekening Postbank: 5570775 t.n.v.
Zwolse Historische Vereniging
Tarieven lidmaatschap:
65+ (wonend binnen Zwolle), jeugdleden
en studenten ƒ 25,00/jaar
overige leden ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift
W. Cornelissen, J.H. Drentje, H. Halbertsma,
J. ten Hove, W.A. Huijsmans, M. van der Laan,
I. Wormgoor.
Adviseur: N. Lettinck
Redactie-adres: Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle
Vormgeving: Rob van den Elzen bNO
Druk: Hoekman Genemuiden
ISSN 0926-7476 © Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/
of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie,
microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1992, Aflevering 1

Door 1992, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Dit plaatje is genomen staande achter de
vier ijskarren van ijsbedrijf Santing, een
ijssalon op de hoek van de Vispoortenplas
en Achter de Broeren. Het bedrijfje bestond ongeveer
van 1945 tot 1956. Op de foto is de ijssalon net
niet te zien.
In de tijd van de foto waren deprijzen van de
ijsjes respectievelijk 2,3,5,10 en 15 cent.
Uiteraard was ook toen reclame geen onbekend
verschijnsel. Op de zijkant van de ijswagentjes
staan de volgende ‘pakkende’ teksten:
‘Zijt gij warm, dan doet ge wijs
u te verfrissen met Santings Ijs.’
en:
‘Santings Ijs, dat is gewis
het fijnste wat er is.’
De oorspronkelijke eigenaar van de in Zwolle
zeer bekende ijssalon Leben, de heer Chris Leben,
leerde hier het ijsmaken.
Op de nieuwe foto ziet u een andere bekende
zaak in Zwolle, namelijk die van Jochem van Zanten
aan de Vispoortenplas. De panden rechts op
de foto zijn gelukkig op het nippertje gered en
schitterend gerestaureerd.
Boven: Vispoortenplas; oude situatie
Onder: Vispoortenplas; nieuwe situatie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In het vorige nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft u kunnen genieten van winters
ijsvermaak. In dit nummer loopt D. Hogenkamp
vooruit op 2r.omers ijsvermaak. Aan de
hand van een oude en een recente foto belicht hij
de plaats van de bekende, maar nu verdwenen, ijssalon
Santing.
Aafje Lem, die bezig is met een onderzoek
naar boeken in de middeleeuwen in Zwolle, voert
een minder bekende Zwollenaar ten tonele. Het is
de frater Tilmannus Honf die omstreeks 1450 in
Zwolle woonde en later naar Harderwijk ging.
’t Was een aardige kerel, want als zijn maatjes uit
Zwolle kwamen, trok hij steevast een fles wijn
open.
Arnoldus Gelderman is eveneens een Zwollenaar
die niet iedereen zal kennen. Toch was hij
van 1723 tot zijn dood in 1757 lid van het stadsbestuur.
Jaap Hagedoorn schetst aan de hand van
een biografisch en een zogenaamd prosopografisch
onderzoek (onderzoek naar groepen) een
beeld van de kleine provinciestad Zwolle tussen
1675 en 1750. Het artikel is een bewerking van de
lezing die de auteur hield in september 1990 in de
Waalse kerk bij de aanbieding van de inventaris
van het archief Gelderman.
Jan Willem van Beusekom beschrijft vervolgens
weer een aantal Zwolse jongere monumenten.
In zijn artikel is vooral aandacht voor de
schitterende negentiende-eeuwse villa’s langs de
Van Roijensingel.
Ook Raymond Salet schrijft over het besturen
van de stad; en dan vooral over de problemen die
daarbij kunnen ontstaan. Hij gaat uitvoerig in op
de plannen die het College van Burgemeester en
Wethouders liet ontwerpen (en vervolgens niet
liet uitvoeren) in verband met mogelijkheden
voor stadsuitbreiding.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Zwolse Fraters /1 Aafje Lem
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Arnold Gelderman (1677-1757) een Zwolse burgemeester
Jaap Hagedoorn
Jongere bouwkunst in Zwolle Jan Willem van Beusekom
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw Raymond Salet
Literatuur
Bestuursmededelingen
Personalia
4
6
7
15
23
32
33
35
Omslag: C. Pronk, ’t Stadhuis te Zwol.
(foto: Provinciaal Overijssels Museum)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse Fraters /i
Aafje Lem Het fraterhuis van de broeders van het
Gemene Leven te Zwolle is – en niet zonder
reden – voor veel onderzoekers een
inspirerend onderwerp. Niet alleen de stichtingsgeschiedenis,
maar ook de bouwgeschiedenis van
de door de fraters bewoonde panden en de ontwikkeling
van het geestelijk leven in deze belangrijke
instelling van de Moderne Devotie, zijn het
beschrijven meer dan waard gebleken.’
Een heel belangrijke bron voor deze bijdragen
is telkens weer de kroniek van het fraterhuis.2 De
kroniek, die aan het eind van de vijftiende eeuw
geschreven werd door Jacobus de Voecht, een van
de fraters uit het huis, bestaat uit een verzameling
levensbeschrijvingen van de fraters die het huis
bewoonden vanaf de stichting tot ongeveer 1490.
Daarnaast geeft de kroniek een prachtig beeld van
het ontstaan van het huis, dat naar de patroonheilige
ook wel Gregoriushuis werd genoemd, de fraterhuizen
die vanuit Zwolle zijn gesticht, de zorg
van de fraters voor de leerlingen van de stadsschool
en het geestelijk klimaat dat in de begintijd
in het fraterhuis heerste.
Een van deze fraters van wie we de levensbeschrijving
in de kroniek kunnen terugvinden, is
Tilmannus Honf.3 Het is een zeer korte beschrijving;
het beslaat nog geen dertig regels en is ook
slechts een paragraafje in een groter hoofdstuk.4
Daarnaast wordt Tilmannus’ naam nog slechts
eenmaal genoemd in de kroniek: hij is een van de
fraters die in 1432, na de beëindiging van het Interdict,
terugkeert naar Zwolle.5
Zoals alle verhalen begint ook het verhaal van
Tilmannus’ leven met een beschrijving van zijn
voorbeeldig geestelijk leven; hij wordt een gloedvol
en toegewijd frater genoemd, nederig en gehoorzaam.
Een dergelijke karaktertekening is niet
uitzonderlijk; de levensbeschrijvingen van deze
eerste groep fraters hebben namelijk een voorbeeldfunctie:
ze zijn opgeschreven om fraters uit
later tijden ter stichting te dienen. Deze zogenaamde
‘vitae’ zijn een bekend genre binnen de
literatuur van de Moderne Devoten, dat vooral
bij de zusters van het gemene leven populair was.6
Direct na deze uitweiding over zijn toewijding
wordt vermeld dat Tilmannus door een lichamelijk
gebrek de in de Consuetudines (de gewoontes
of regels) van het huis beschreven oefeningen niet
meer aankan.
Gelukkig bereikt rond diezelfde tijd de rector
van het fraterhuis, de beroemde Dirc van Herxen,
een verzoek om hulp. Jacobus Wolf, een frater afkomstig
uit de Hieronymusberg bij Hattem,7
vraagt de Zwolse rector om assistentie bij het besturen
van het zusterhuis (Agnietenklooster) in
Harderwijk. De Hattemse fraters hadden namelijk
de zorg voor de zusters in Harderwijk in de
tijd dat er in Harderwijk nog geen fraterhuis was.8
Tilmannus vertrekt daarop naar Harderwijk,9
waar hij de hem toegewezen taak tot het eind van
zijn leven vervult, ook hier weer gekenmerkt door
gehoorzaamheid en nederigheid. Bovendien
houdt hij zich, net zoals hij dat in Zwolle gewend
was, ook in Harderwijk zoveel mogelijk bezig met
studeren, mediteren en het schrijven van boeken.
Dat Tilmannus’ vertrek naar Harderwijk
waarschijnlijk heeft plaatsgevonden rond dezelfde
tijd dat daar de eerste stappen werden gezet
voor de stichting van een fraterhuis, blijkt uit een
tweetal oorkonden.10 In de eerste uit 1441 verzoeken
Schepenen en Raad van Harderwijk Dirc van
Herxen een fraterhuis te stichten, waarvoor zij
hem een huis ter beschikking stellen. Dirc van
Herxen voldoet aan dat verzoek en stelt Godefridus
van Kempen aan als de eerste rector aldaar.”
In de andere oorkonde, die van een jaar later dateert,
worden twee delen van een huis in de straat
van Sevenhusen in Harderwijk door de eigenaren
overgedragen aan Gerrit de Wilde en heer Teleman
van Houft ten behoeve van Dirc van Herxen
en de Zwolse fraters. Tilmannus is dan blijkbaar
al woonachtig in Harderwijk, maar kan daar dan
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nog niet langer dan een jaar hebben gewoond,
aangezien er voor die tijd nog geen fraterhuis in
Harderwijk was.
Tenslotte wordt Tilmannus nog eenmaal vermeld
in 1451, in verband met zijn functie van procurator
van de nonnen in Harderwijk.12 Daarmee
zijn vrijwel alle gegevens die over het leven van
Tilmannus Honf bekend zijn, beschreven.
Wat de Vita’ van Tilmannus, zoals die beschreven
is in de Zwolse kroniek, echter een speciaal
tintje geeft en het lezen meer dan waard
maakt is een voor dit type tekst wat ongebruikelijke
toevoeging aan zijn levensbeschrijving. Als Tilmannus
eenmaal in Harderwijk zit, onderneemt
hij nog maar zelden de reis naar Zwolle. De enkele
keer dat hij nog in zijn oude huis verschijnt,
wordt hij door zijn voormalige medebroeders
met een wat plagende ondertoon terechtgewezen,
13 omdat hij behoorlijk dik is en voegen ze
hem toe dat hij het, gezien zijn omvang, wel goed
naar zijn zin zal hebben in Harderwijk. Als er omgekeerd
Zwolse broeders naar Harderwijk komen,
logeren ze steeds bij Tilmannus en hij ontvangt
ze altijd allerhartelijkst. En mocht het voorkomen
dat hij alleen thuis is, dan roept hij: “Tijd
voor mijn beste maatje!” en trekt een fles wijn
open.14
Deze – voor een ‘vita’ met een voorbeeldfunctie
— wat verrassende anekdotische toevoeging is
er een van een slechts klein aantal passages in de
kroniek, waaruit blijkt dat iets menselijks de fraters
ook niet vreemd was. In een volgend artikel
zal ik proberen daar nog wat voorbeelden van te
laten zien. Een van de fraters die dan de revue zal
passeren, is de beroemde Wessel Gansfort.
Noten
1. Hagedoorn, J. (red.), Domus parva. Het eerste huis
van de Moderne Devoten te Zwolle. (Zwolle 1987). In
deze publikatie wordt verwezen naar andere literatuur.
2. Schpengen, M. (ed.), Jacobus Traiecti alias de
Voecht, Narratio de inchoatione domus clericorum in
Zwollis. (Werken uitgegeven door het Historisch
Genootschap, 3e serie nr 13, Utrecht 1908).
3. Ik houd mij hier aan de spelling zoals deze voorkomt
bij Schoengen.
4. Schoengen, 103-104.
5. ibidem, 92. Het Interdict (een straf uit het kanoniek
recht waarbij o.a. een verbod op het vieren van de
eredienst van kracht is) wordt in 1426 door Sweder
van Culemborg opgelegd aan de IJsselsteden, omdat
die zijn gezag als pauselijk elect niet erkennen,
maar Rudolf van Diepholt verkiezen. De Moderne
Devoten gehoorzamen aan het Interdict en vertrekken
uit Zwolle. Ze gaan eerst naar het fraterhuis
Hieronymusberg bij Hattem en van daaruit naar
Doesburg, waar ze een nieuw fraterhuis stichten.
6. Zie bijv.: Man, D. de, Hier beginnen sommige stichtige
punten van onsen oelden zusteren. Naar het te
Arnhem berustende handschrift, (’s Gravenhage
1919).
7. De geschiedenis van dit fraterhuis, dat vanuit
Zwolle gesticht is, is beschreven door A. Klein Kranenburg,
Geschiedenis van het fraterhuis St. Hieronymus
te Hulsbergen. (Heerde 1986).
8. De geschiedenis van het fraterhuis in Harderwijk is
beschreven door K.H.M. Mars, ‘De Latijnse school
en het fraterhuis van Harderwijk.’ in: Archief voor
de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland.
(i974)> 154-236.
9. Mars, 162, stelt abusievelijk dat Teleman van Honnef
leiding heeft gegeven aan het fraterhuis in Groningen.
Hiervan blijkt noch iets uit de archieven
van het Groningse fraterhuis, noch uit de kroniek
van het Zwolse fraterhuis.
10. Hofman, J. ‘De broeders van ’t gemeene leven en de
Windesheimsche kloostervereeniging.’ in: Archief
voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht
(1878),118-119.
11. Mars, 161, verwart de eerste rector van het fraterhuis
in Harderwijk, Godefridus (Govert) van Kempen
met de man die de geestelijke zorg voor de fraters
in de Hieronymusberg op zich neemt, als dit
huis in 1407 nog geen rector heeft, de frater
Go(a)belinus van Kempen. Van laatstgenoemde is
in de kroniek geen levensbeschrijving opgenomen;
zijn leven wordt evenwel wel beschreven in het zgn.
‘Frensweger handschrift’, (uitgegeven door W. Jappe
Alberts en A.L. Hulshoff, Groningen 1958, p.210
Naam van Teleman
van Houft (Honft),
zoals die voorkomt in
het charter van 20
januari 1442 (Gemeentearchief
Zwolle, inv.
KA 009, Ch. coll.
442-01)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
e.v.) In deze levensbeschrijving is geen sprake van
bemoeienissen met het fraterhuis in Harderwijk,
zoals er ook in de levensbeschrijving van Godefridus
in de kroniek geen sprake is van het rectorschap
in Hulsbergen. Dergelijke belangrijke informatie
zou in de kroniek niet achterwege gelaten
zijn.
12. Gemeentearchief Kampen: Inv. nr 798, fol. 30V.
13. De tekst spreekt hier van humiliare (vernederen),
maar gezien de context is deze wat eufemistische
vertaling wel op zijn plaats. Zie voor de context
noot 14.
14. Schoengen, 103-104: “…et cum Suollis veniret…,
tune fratres nostri solent ipsum humiliare, eo quod
satis esset corpulentus et bonos dies haberet et cetera.”
“Cum… aliqui nostrorum venissent in Harderwijek…
solebat dicere: ‘Jam oportet nos habere
patriotam meum’, per hunc intelligens vinum…”
Straatnamen, niet zo eenvoudig…
Wil Cornelissen Tot 1974 had de gemeenteraad het recht
straatnamen te bepalen. Dat kon nog wel
eens tot aardige discussies leiden. Zo stuitte
het voorstel van het College van Burgemeester
en Wethouders om een nieuwe straat te sieren
met de naam Hortensiastraat op enige weerstand
in de gemeenteraad. Er werd geopperd dat Zwollenaren
die naam niet zouden kunnen uitspreken,
“’t Zal Attensiastraat worden”, zo zei de heer
Augustijn. Mevrouw Stoel meende daarentegen,
dat het een mooie gelegenheid was om mensen te
leren de ‘h’ voor een woord niet weg te laten. Augustijn
stelde nog voor de straat ‘Fuchsiastraat’ te
noemen. Deze naam moest echter gespeld worden
door de voorzitter, toen een van de raadsleden,
de heer Valeton, daarom vroeg. De bezwaren
van de heer Augustijn werden niet gedeeld
door de meerderheid van de gemeenteraad: met
zestien tegen vier stemmen kreeg de Hortensiastraat
zijn naam tijdens de vergadering van 14 juni
1926.
Wist u, dat er in Zwolle tot 1935 een Deventerdwarsstraat
bestond? Op voorstel van het College
van Burgemeester en Wethouders zou die straat
omgedoopt worden tot Zuiderlaan. De heer Valeton
was echter bang om de kluts kwijt te raken.
Deze Zuiderlaan zou dan namelijk ten noorden
van de Oosterlaan en de Westerlaan liggen. “Het
college is bezig de aarde op z’n kop te zetten”, zo
betoogde hij. De heer Van der Vegt had nog een
ander bezwaar. Hij stelde dat het helemaal geen
laan was: de Deventerdwarsstraat was immers
geen weg die aan beide zijden met bomen beplant
was.
Nog tijdens de vergadering kwam de heer
Fransen met een ander idee. Het College nam dat
idee over en zo kreeg de Deventerdwarsstraat een
nieuwe naam: Zuiderkerkstraat.
Dit alles speelde zich af tijdens de raadsvergadering
van 26 augustus 1935.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman (1677-1757)
een Zwols burgemeester1
De belangstelling voor de geschiedenis van
het persoonlijk leven is groeiende. De
toenemende stroom biografieën en biografische
woordenboeken bewijzen dit.2 Niet alleen
individuen zijn onderwerp van onderzoek.
Ook probeert men het: leven van groepen te schetsen
in zogenaamde prosopografische studies. Het
gaat hierbij dan meestal om beschrijvingen van de
sociale bovenlagen in een stad of streek.3 Men
probeert vanuit het bijzondere algemene uitspraken
te doen over het persoonlijk en publiek leven
van een groep. Deze prosopografische schetsen en
algemene uitspraken sdjn op hun beurt ook weer
geschikt om een biografie schets in een kader te
zetten.
In Zwolle staat het prosopografisch onderzoek
op een laag pitje. Wel zijn er ruim tien jaar
geleden twee studies verricht naar de politieke en
sociale bovenlaag van Zwolle in de zeventiende en
achttiende eeuw. Daaruit is gebleken, dat er in de
jaren 1700-1725 een zekere mate van sociale mobiliteit
bestond. Voor families uit de maatschappelijke
regionen net onder de bovenlaag bestonden
er mogelijkheden om tot de sociale en politieke
top door te dringen.4 Deze prosopografisch getinte
these wil ik toetsen aan de hand van het voorbeeld
van de familie Gelderman, in het bijzonder
Arnoldus Gelderman (1677-1758). Opvallend is
namelijk, dat Arnoldus’ grootvader bode van de
Staten van Overijssel was, terwijl hij zelf opklom
tot burgemeester. Hoe voltrok zich deze maatschappelijke
stijging, die in ongeveer 75 jaar
plaatsvond? Een biografisch-prosopografisch onderzoek
naar Arnold Gelderman en zijn familie
kan op deze vraag een antwoord geven.
De familie Gelderman
De vroegste geschiedenis van de familie Gelderman
is in nevelen gehuld. Ondanks uitgebreid
onderzoek is nog steeds onbekend waar de stamvader
Arend Jans Gelderman, zich ook noemende
Jaap Hagedoorn
Van Nimwegen, vandaan kwam. We weten
slechts dat hij op 9 december 1639 benoemd werd
tot landschapsbode van de Staten van Overijssel
op een jaarlijks tractement van 50 gulden, dat echter
met enige emolumenten werd aangevuld.5 Dit
was in die tijd zeker één van de weinige, maar toch
zeker niet één van de minst belangrijke ambtelijke
functies. Een bode van de staten bracht informatie
van en naar Overijssel; een zeer vertrouwelijke
baan, die niet van enig gevaar ontbloot was in tijden
van oorlog.
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
voerde in de zeventiende eeuw verschillende
oorlogen. Was Arend Jans dan een soldaat die tijdens
de laatste episode van de Tachtigjarige Oorlog
met zijn compagnie in de vestingstad Zwolle
verzeild was geraakt? Het is niet bekend. In ieder
geval maakte hij als landschapsbode de laatste negen
jaar van die oorlog mee. Dat zijn functie kennelijk
ook financieel gewaardeerd werd, blijkt uit
het feit dat hij in 1643 in staat was een huis aan te
schaffen in de Walstraat en in het jaar erna het
groot burgerschap van Zwolle kocht.6
Puntschotel met het
wapen van de familie
Gelderman. Amsterdam,
1638.
8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman
(1677-1757). (foto: Iconografisch
Bureau,
Den Haag).
Arend Jans huwde in 1640 met Willemtijn Egbers,
de dienstbode van burgemeester Ewols. Uit
dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, waarvan
alleen de één na jongste zoon, Egbert, zijn ouders
zou overleven. Hem benoemden Arend Jans
en Willemtien in 1656 tot enig erfgenaam.7 In 1653
had Arend Jans van Ridderschap en Steden van
Overijssel toestemming verkregen één van zijn
zoons op te leiden tot landsbode, zodat deze hem
na zijn dood zou opvolgen.8 Al in 1663 wordt Egbert
Gelderman, dan vijftien jaar oud, in de stukken
als bode aangeduid. Zijn ouders overleden
enige jaren later: Willemtijn Egbers in 1667 en
Arend Jans in 1669. Zij werden beiden begraven in
het portaal van de Grote Kerk. Nu was dat wel
niet de meest in aanzien staande plek in de Grote
Kerk, maar wie in een kerk begraven werd – en in
Zwolle met name in de Grote Kerk – stond in enig
aanzien en beschikte over voldoende middelen
een dure begrafenis te kunnen betalen.
Egbert Gelderman was enige maanden na het
overlijden van zijn moeder in 1667 gehuwd met
Anna Aalts, dochter van de stadssmid Jan Aaltsen
en Sophia van Ulsen. Uit dit huwelijk zouden zes
kinderen worden geboren, waarvan Arnoldus, geboren
aan de Blij markt in 1677, het vijfde was. In
1681 overleed Anna Aaltsen.
Zwolle rond 16779
Zwolle had in de zeventiende en achttiende eeuw
een belangrijke centrumfunctie voor het omliggende
platteland. De stad was enerzijds marktplaats
voor agrarische produkten, anderzijds
konden de bewoners van het platteland in de stad
de nodige nijverheidsprodukten kopen. Industrieel
vervaardigde produkten, afgezien van textiel
waren er nog nauwelijks. Zeer belangrijk voor
Zwolle was de transito- of overslaghandel. Zwolle
werd een stapelplaats voor goederen die tussen
het westen van de Nederlanden en Twente en
Westfalen werden vervoerd. Daarvoor werden
rond 1700 de handelswegen naar het zuidoosten
(Wipstrik) en oosten (Hardenberg) verbeterd. Al
in 1600 was de Nieuwe Vecht gegraven, die Zwolle
met de Vecht verbond. Tot de produkten die
op deze wijze werden verhandeld, behoorden onder
andere koloniale waren, hout, tabak, wijn,
boter, graan en hooi. De handel was geconcentreerd
rond de huidige Thorbeckegracht, waar de
meeste factoors woonden.
Door deze activiteiten kende Zwolle aan het
eind van de zeventiende eeuw een zekere welvaart.
Omstreeks 1700 was het huidige stadshart
geheel bebouwd. Aan de uitvalswegen naar Kampen,
Deventer en het oosten waren dunbebouwde
boerennederzettingen. Ondanks de grote pestepidemieën
van 1636 en 1656 – waaraan binnen
enkele maanden soms duizenden Zwollenaren
ten offer vielen – had de stad rond 1670 zo’n
12.000 inwoners en was nog groeiende.
In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland,
Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster.
De oostelijke provincies werden zonder al te
veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse,
Munsterse en Keulse troepen. Ook 2’wolle gaf
zich over en werd door deze troepen bezet. Dit
had tot gevolg, dat de stedelijke overheid na het
vertrek van de vreemde troepen in 1674 m e t forse
schadeclaims en schulden bleef zitten, als gevolg
van inkwartiering, knevelarij, vernielingen en extra
belastingen.
Nadat de bezettende machten waren verdreven
en Willem III tot stadhouder was benoemd,
strafte de laatste de gewesten die nauwelijks weerstand
hadden geboden aan de vijandelijke troepen.
Bij het regeringsreglement van 1675 trok de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stadhouder de goedkeuring van de verkiezing van
burgemeesters, schepenen, raden en meenslieden
in Utrecht, Overijssel en Gelderland aan zich, om
zich van de loyaliteit: van de onbetrouwbare gewesten
te verzekeren.
Egbert Gelderman
In hetzelfde jaar 1675 maakte Egbert Gelderman
promotie. Op 22 februari ontving hij uit handen
van Willem III zijn benoeming tot kamerbewaarder
van de provincie.10 Dit betekende onder andere
dat hij aanwezig was bij de vergadering van
de Staten van Overijssel, maar ook dat hij als belastingontvanger
van de provincie kon fungeren:
kortom een brede, vertrouwelijke functie. Het
kan zijn dat de stadhouder ook het ambtelijk apparaat
aan zich wilde binden en daarom (onder
andere) de landsbode Gelderman tot dit ambt bevorderde.
Het gezin Gelderman kreeg onderdak
in het gebouw van Gedeputeerde Staten aan de
Blijmarkt, waar ook Arnold geboren zou worden.
Na het overlijden van zijn eerste vrouw Anna
Aaltsen, huwde Egbert in 1682 met Elisabeth Scriverius,
dochter van predikant Samuel Scriverius.
Niet alleen kregen de kinderen Gelderman op
deze wijze weer een moeder, ook zouden de familiebanden
met de familie Scriverius een rol spelen
bij de sociale promotie die de familie – en met
name Arnold – nog zou maken.
De benoeming tot kamerbewaarder gaf vader
Egbert kennelijk een hogere sociale status, waardoor
hij geschikt was voor het vervullen van verantwoordelijke
nevenfuncties. Zo werd hij in 1681
vaandrig in het burgerregiment en lid van de gezworen
gemeente, het lichaam dat leden van de
magistraat benoemde en over enkele zaken geraadpleegd
moest worden. In 1683 werd Egbert
benoemd tot ouderling van de Hervormde Kerk.
Uit zijn huwelijk met Elizabeth Scriverius zouden
twee zonen geboren worden, die waarschijnlijk
beiden jong stierven.
Arnolds jonge jaren
Nog een andere aanwijzing voor de gestegen sociale
positie van de familie Gelderman blijkt uit
de opleiding van Arnold: hij bezocht tussen 1687
en 1692 de Latijnse school te Zwolle, in die tijd de
school voor de kinderen uit de bovenlagen van de
samenleving.” Arnolds lidmaatschap van de deftig
geachte Waalse Kerk – waar Frans de tale Kanaans
is – zal door dit onderwijs mogelijk gemaakt
zijn. Al in 1702 werd hij diaken in deze
kerk, die pas in 1697 door de gemeentelijke overheid
was erkend.
Arnold trad in 1699 in het huwelijk met Petronella
Ulger, de eveneens in 1677 geboren dochter
van Lubbert Ulger en Jannigje Gerrits van Enschede.
Het huwelijk vond in het kerkje van Windesheim
plaats. Het gold in die dagen als een teken
van stand om daar te trouwen. Petronella’s
vader, Lubbert Ulger, was serviesmeester, dat wil
zeggen dat hij voor het onderdak van de ingekwartierde
soldaten verantwoordelijk was, en verder
lid van de gezworen gemeente. Ook de banden
met deze familie Ulger zouden de sociale positie
van de familie Gelderman ten goede komen.
Arnolds zwager, de jurist Dithmar Ulger, was begin
achttiende eeuw één van de voorlieden van de
gezworen gemeente. Een andere zwager, Willem
Berg, had een hoge functie in het leger en zou het
eveneens tot burgemeester brengen.12
Uit het huwelijk van Arnold en Petronella, dat
ruim 58 jaar zou duren, werden drie dochters en
drie zoons geboren. Eén dochter stierf jong. Van
de overige kinderen zouden alleen de oudste
dochter en de jongste zoon hun ouders overleven.
Petronella Ulger
(1677-1762), de dochter
van een lid van de
gezworen gemeente
waarmee Arnold Gelderman
in 1699 trouwde
(foto: Iconografisch
Bureau, Den Haag).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het gezin woonde aan de Bitterstraat, in het huis
van de Ulgers, later aan de Blijmarkt.
Inmiddels was het tijd geworden dat ook Arnold
een werkkring zou krijgen. Daarom richtte
Egbert Gelderman in 1704 – net als zijn vader vijftig
jaar eerder – een verzoek aan Gedeputeerde
Staten. Hij gaf daarin aan dat zijn leeftijd (hij was
56 jaar) ‘ende tusschenkomende swakheijd’ hem
af en toe beletten zijn werk te doen. Hij stelde
daarom voor dat zijn zoon Arnold mede als kamerbewaarder
werd aangesteld als waren zij één
persoon. Bij overlijden van de één, zou de ander
het werk alleen overnemen.13 Aardig detail is dat
uit het handschrift blijkt dat deze brief door Arnold
geschreven is. Gedeputeerde Staten stemden
in met het verzoek, zodat Arnold na het overlijden
van zijn vader in 1711 de functie alleen bekleedde.
De geschiedenis herhaalde zich.
Arnolds ouders – Elisabeth Scriverius overleed
in 1715 – werden overigens begraven in de
Grote Kerk, niet meer in het portaal, maar op het
in meer aanzien staande Lage Koor.
Zwolle in de eerste helft van de achttiende eeuw
Hoewel in het westen van de Nederlanden het
economisch verval al aan het eind van de zeventiende
eeuw had ingezet, was Zwolle nog redelijk
welvarend, vooral vanwege de centrumfunctie
van de stad. Dit maakte de lokale economie minder
gevoelig voor economische depressies. De
middenstand profiteerde van deze bloei. De adel
en de rijken die in grond hadden belegd, kregen
door malaise in de landbouw nauwelijks waar
voor hun investeringen.
De handel van de factoors aan de Thorbeckegracht
bleef een peiler van de Zwolse economie en
werd door de overheid begunstigd en beschermd.
Een uiteindelijk niet uitgevoerd plan uit 1706 om
de waterafvoer via de IJssel te vergroten en deze
rivier dus beter bevaarbaar te maken werd door
de Zwolse overheid met kracht bestreden. Het
zou betekenen dat Deventer per schip bereikbaar
werd, wat de Zwolse handelspositie ten opzichte
van het oosten zou bedreigen. ‘4
De textielindustrie bloeide begin achttiende
eeuw, maar zou in de loop van de eeuw tanen.
Van de 1000 weefgetouwen in 1723 bleken er door
concurrentie van de Emdense industrie in 1751
nog maar 80 over te zijn.15 Naast de textielindustrie
telde Zwolle een enorme variatie aan bedrijven.
Zo waren er een azijnmakerij, een zijdefabriek,
een lijmkokerij, zeepziederijen, kousen-,
knopen-, zout-, spelden en papierfabrieken.16
Ondanks deze variatie zou de nijverheid in de
loop van de eeuw de achteruitgang van de textielindustrie
delen.
De Zwolse bevolking groeide tussen 1680 en
1750 nauwelijks doordat velen hun geluk elders
beproefden.17 Er woonden rond de 12.000 mensen
in de stad, waarvan zo’n 70% hervormden en
20% katholieken.18
Politieke conflicten
In 1702 was Willem III overleden en daarmee begon
het Tweede Stadhouderloze tijdperk. De gehate
regeringsreglementen werden afgeschaft, zodat
raad en gezworen gemeente zelf hun keuze
van de stadsbestuurders bepaalden. Dit betekende
overigens wel, dat overal in den lande de gezworen
gemeente, waarin de gegoede middenstand
was vertegenwoordigd, meer invloed op het
bestuur ging eisen. Tot dan toe was haar rol door
burgemeesters en schepenen beperkt. In sommige
steden kwam het tot zogenaamde ‘plooierijen’:
onenigheden rond de benoeming van burgemeesters
en schepenen.19 In Zwolle gebeurde dat
niet, maar hier eiste de gezworen gemeente tussen
1703 en 1709 wel inzage in de stadsboeken,
wilde zij gekend worden in de zaken rond de
Zwolse munt en dreigde zij haar veto uit te spreken
over nieuwe belastingen. Arnold Geldermans
zwagers Willem Berg en Dithmar Ulger traden op
als woordvoerder van de gezworen gemeente.20
De zaak liep echter met een sisser af. Waarom is
niet duidelijk.
Kennismaking met de politiek
Arnolds ster was stijgende. In 1708 werd hij
vaandrig van het burgerregiment, in 1713 hopman
van de schutterij. In 1715 benoemden Gedeputeerde
Staten hem tot hun klerk, maar hij bleef
ook kamerbewaarder. Daarnaast was hij vanaf
1717 ontvanger van de zogenaamde Ensergelden,
een belasting ten behoeve van het vuurbaken op
Ens. Arnolds sociale positie was inmiddels kennelijk
dermate hoog, dat hij geschikt was voor politieke
ambten. In 1712 en 1713 werd hij namelijk gekozen
tot lid van de gezworen gemeente. Hij
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
moest bedanken voor de eer, omdat hij ambtenaar
was.
In zijn omgeving had Arnold echter wel te
maken met de politiek. Uiteraard kwam hij als
klerk in aanraking met vele bestuurlijke en politieke
zaken, maar ook in zijn familie moet de politiek
aan de orde zijn gekomen. Zijn zwagers Berg
en Ulger waren lid van de gezworen gemeente,
evenals de echtgenoot van zijn oudste zuster Wilhelmina,
de brouwer Egbert Ridder. Zijn beide
andere zwagers, Gerhard Spaar en Samuel Johannes
Scriverius – respectievelijk getrouwd met
Sophia en Maria Gelderman – zouden later lid
van dit college worden. Bovendien vormden Ridder,
Ulger en Scriverius in 1713 samen met ene
Voet een factie, die met drie andere facties (de
Vriesen, de Roubolle en de Cabale genaamd) een
overeenkomst sloot over de verdeling van zestien
plaatsen in de gezworen gemeente.21 Het is de tijd
van de zogenaamde contracten van correspondentie,
waarbij de regenten onderling afspraken
maakten over de verdeling van ambten en lidmaatschappen
van politieke colleges.
Hoewel de familie Gelderman qua sociale status
zo langzamerhand tot de bovenlagen van de
Zwolse samenleving behoorde, maakte ze als tamelijk
nieuwe familie geen deel uit van de oude
regentengeslachten. In principe was het dus
moeilijk om lid te worden van de politieke elite.
Onderzoek heeft echter uitgewezen, dat juist in
het eerste kwart van de achttiende eeuw de kans
om als buitenstaander toegelaten te worden tot
die regerende bovenlaag groter was dan ervoor en
erna.22 Waarschijnlijk kwam dit doordat sommige
oude families uitstierven of geen kandidaten
hadden voor de te vervullen zetels.
Ook de hevige factiestrijd – er waren in totaal
vijf facties die om de plaatsen op de kussens streden
– werkte snellere wisseling van de wacht in de
hand. In de jaren 1723 en 1724 kwam het bijvoorbeeld
zes keer voor dat een burgemeester niet
werd herbenoemd, een ongekend hoog getal. Ook
het feit dat het regeringsreglement was afgeschaft
speelde een rol. Willem III had belang gehad bij
continuïteit en loyaliteit en dus voor een regelmatige
herbenoeming gezorgd.
L’histoire se répète
Arnold Gelderman had zich bij de factie van de
Roubolle aangesloten. Zijn ambtelijke functie
verhinderde evenwel dat hij aan de verkiezingen
deelnam. Nadat zij de Latijnse school hadden
doorlopen, waren zijn zonen Egbert en Samuel
Johannes op een leeftijd dat zij een werkkring
moesten krijgen. En wederom herhaalde de geschiedenis
zich.23 Al in 1719 deelde Arnold de
functie van kamerbewaarder met zoon Egbert, en
die van klerk met Samuel Johannes. De beide
broers verwisselden in 1722 nog een keer van
functie, want in dat jaar verzocht Arnold om ontslag
aan de heren Gedeputeerden. Hij was bang
dat hij zijn werk niet meer naar behoren kon uitvoeren
als gevolg van ‘lich[amel]ijcke swackheden’.
Hij stelde voor zijn beide zoons te benoemen
in zijn respectievelijke functies24, hetgeen geschiedde.
Egbert zou tot zijn dood in 1752 klerk
blijven. Samuel Johannes zou zijn functie afstaan
Voor- en achterzijde
van een VOC-glas met
het wapen van de familie
Gelderman. Dit glas
behoorde toe aan
Arnoldus Gelderman,
die gedeputeerde was
bij de VOC, kamer
Delft.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stamboom van de
families Ulger, Gelderman
en Scriverius.
ULGER GELDERMAN
Arend Jans
x
Willemtijn Egbers
SCRIVERIUS
Samuel Johannes
x
Jacobje Jans
Lubbert Ulger
x
Johanna G. van Enschede
I I I 1 I I
z Egbert z
x
— AnnaAaltsen ‘
Elisabeth Scriverius
– z
– z
Dithmar d
x
I I
Petronella x Arnold
Samuel Johannes
x
Maria la Blan
Willem Berg
Anna Elisabeth –
Johanna Maria –
Egbert –
Johanna Maria –
Samuel Johannes –
Willem Gerrit –
1 I
i d :
x
Egbert
Ridder
d c
x
Gerard
Spaar
Maria x Samuel Johannes –
Anthonij –
x
Sara Amia
d -|
x
Hanselaar
z –
Egbertus –
d –
Eeckhout
I I I
d z z
X
Tobias
Johannes
Antonius x
Nilant
z = zoon, d = dochter, meenslid, raadslid, meens- en raadslid
Gilliana
Paulina
x
Antonius
v.d. Os
Jannes –
z
d –
z –
z –
d -I
aan de jongste broer Gerrit Willem, die tot zijn
dood in 1773 kamerbewaarder zou zijn. Bijna
honderd jaar was deze functie toen in de familie
geweest.
Raadslid en burgemeester
Arnold had zijn ontslag waarschijnlijk mede aangeboden
om mee te kunnen dingen naar het
raadslidmaatschap. In 1723 werd hij gekozen en
tot zijn dood in 1757 zou hij lid zijn van het college
van burgemeesteren, schepenen en raden van de
stad Zwolle. Als lid van de Zwolse overheid heeft
hij in de loop der jaren tal van functies gehad. De
regerende burgemeesters verdeelden de werkzaamheden
onderling. Zo was Arnold achtereenvolgens
keurmeester, tichelmeester, timmermeester
en cameraar, zeg maar wethouder van
financiën. In deze functies zat een opbouw. Het
cameraarschap was de belangrijkste die binnen
het Zwolse stadsbestuur te vergeven was en werd
meestal door de oudste raadsleden vervuld. Ook
was Arnold in 1724 Zwols afgevaardigde naar de
Staten van Overijssel.
Zoals opgemerkt, was Arnold lid van één van
de regentenfacties. Hij heeft zelf nauwkeurig bijgehouden
wie van welke factie op het kussen
kwam en welke functies ze hebben bekleed. Deze
aantekeningen vormen een dankbare bron voor
het onderzoek naar het functioneren van de contracten
van correspondentie. Niet alleen via deze
facties, maar ook door het toenemend aantal familieleden
op invloedrijke posities, moet Arnold
Gelderman naar mate hij ouder werd een politicus
van gewicht zijn geworden. In 1719 was zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
zwager en neef Joan Scriverius raadslid geworden,
in 1727 werd zwager Willem Berg eveneens raadslid.
Zoon Samuel Johannes werd na een rechtenstudie
in 1732 secretaris van de stad Zwolle. Egbertus
Scriverius, een zoon van zijn zuster, werd in
1738 raadslid, evenals diens neef Johannes Antonius
in 1745. Verder was de familie Scriverius verwant
aan de families Eekhout, Nilant en Tobias,
die ook op het kussen zaten, danwei zouden komen
te zitten. Kortom: de familie Gelderman was,
in de persoon van Arnold, onverbrekelijk verbonden
met de politieke en sociale bovenlaag van
Zwolle.
Zwolle tijdens Arnolds raadslidmaatschap
De jaren waarin Arnold Gelderman raadslid van
Zwolle was, kenmerken zich door de eerste tekenen
van economisch verval, zoals al eerder vermeld.
In de industrie was deze teruggang het eerst
merkbaar. Wanneer er zich rampen voordeden
als de veepest (1714), strenge winters (1740-1741),
of een epidemie van de zogenaamde rode en grauwe
loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart
in de stad zeer.
Ook op politiek niveau waren er moeilijkheden.
In 1726 dreven de Zwolse burgemeesters een
belasting op gebrande wateren door, zeer tegen de
zin van de gezworen gemeente. Hierdoor werd de
prijs van een borrel met 50% verhoogd. Dit leidde
tot een opstand onder het weversvolk. Onder leiding
van enkele belhamels werden bij verschillende
burgemeesters de ruiten ingegooid onder leuzen
als: “Zoo moet men die donders leren” en “De
groten zijn toch al den donder atheïsten”. De
schuldigen werden gegrepen en één raddraaier
kreeg de strop.25
De neergang in de economie in de jaren veertig
van de achttiende eeuw, gekoppeld aan de eerder
genoemde rode loop en het voor de Republiek
slechte verloop van de Oostenrijkse Successieoorlog
deden ook in Zwolle de roep om Oranje toenemen.
Dit leidde ertoe dat Willem IV in 1747 tot
erfstadhouder werd uitgeroepen en de regeringsreglementen
weer van kracht werden. Alle verkiezingen
moesten aan de prins worden voorgelegd.
Hierdoor verdwenen de laatste restjes van de
oude factietegenstellingen.26
Het was niet Willem IV, maar na zijn overlijden
in 1751 wel zijn weduwe Anna van Hannover
die probeerde in de steden eigen mensen in de
raad te krijgen. Daartoe liet zij in Zwolle verschillende
raadsleden afzetten, waaronder enkele leden
van de Scriveriusfamilie.27 Op de achtergrond
hierbij speelde een kerkelijk conflict rond ds. Antonius
van der Os mee. Deze werd verweten af te
wijken van de orthodoxie en de leerstellingen van
Dordt. De gemeentelijke overheid had hem de
hand boven het hoofd gehouden, maar de kerkeraad
wilde hem kwijt. Van der Os was getrouwd
met een achternicht van Arnold Gelderman, Gilliana
Paulina Scriverius. De familie Scriverius, en
dus waarschijnlijk ook Arnold, gold als voorstander
van Van der Os. Vandaar dat Anna van Hannover,
die tegenstandster was van de ideeën van
Van der Os, mede hierom gebaat was bij beknotting
van de macht van de familie Scriverius.28
Laatste levensjaren
De laatste jaren van het leven van Arnold Gelderman
waren niet gemakkelijk. In 1742 verloor hij
zijn dochter Johanna Maria. In 1747 en 1748 stierven
binnen een jaar zijn schoondochter Engelina
Johanna Kymmell en zijn zoon Samuel Johannes
en in 1752 overleed zijn oudste zoon Egbert. Bovendien
werd hij de laatste jaren van zijn leven geplaagd
door een slechte gezondheid. In de spaarzame
brieven uit die tijd informeren de schrijvers
steeds naar zijn gezondheid, of nodigen hem uit,
zo zijn gezondheid hem toelaat te komen. Nog in
1756 wordt Arnold benoemd tot Zwols gedeputeerde
bij de VOC, kamer Delft. Of hij die functie
ook werkelijk heeft kunnen uitoefenen, blijft de
vraag: Arnold Gelderman overleed op 6 december
1757 en werd op 14 december 1757 op het Lage
Koor van de Grote Kerk begraven. Petronella Ulger
zou hem vijfjaar overleven.
Besluit
Als wij het leven van Arnold Gelderman bezien,
dan moet gezegd worden dat hij een geweldige
carrière maakte: van kamerbewaarder tot burgemeester
en gedeputeerde. Deze loopbaan was zeker
mede het gevolg van de nauwkeurig geplande
overdracht van functies binnen de familie Gelderman.
Grootvader Arent Jans was hiermee reeds
begonnen en ook Arnold zou zijn zoons zo een
goede start in het leven geven. Anderzijds is de
succesvolle loopbaan van Arnold ook te danken
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
aan de betere mogelijkheden die niet-magistraatsfamilies
begin achttiende eeuw hadden om
op het kussen te komen. Lidmaatschap van een
factie vergrootte die mogelijkheden, maar ook de
(familie)banden met andere magistraatsfamilies.
Arnnold heeft hierdoor de hem geboden mogelijkheden
dan ook ten volle benut. Met zijn burgemeesterschap
werd een eeuw van sociale stijging
bekroond.
Noten
1. Dit artikel is een bewerking van een lezing over Arnoldus
Gelderman, gehouden in de Waalse Kerk op
1 september 1990, ter gelegenheid van de overhandiging
van een rouwbord van Arnoldus Gelderman
aan de Eglise Wallone te Zwolle en de presentatie
van de Inventaris van het familie-archief en collectie
Gelderman aan het Zwolse gemeentebestuur door
de voorzitter van de Stichting Familiearchief en collectie
Gelderman, mr. E.F.G.M. Gelderman. De
stichting verwerft en beheert/laat beheren archiefmateriaal
betreffende de familie Gelderman en stimuleert
het wetenschappelijk onderzoek dat met
behulp van deze bronnen wordt verricht.
In 1991 verscheen in het Nederlands Patriciaat 1990
de genealogie van de familie Gelderman.
2. Naast drie delen van het Biografisch Woordenboek
van Nederland die de afgelopen tien jaar verschenen,
worden er ook op deelgebieden steeds vaker
biografische woordenboeken uitgegeven, zoals
Overijsselse biografieën, J. Folkerts e.a. ed (Zwolle
1990) en twee delen in de reeks Drentse biografieën.
3. Zeer bekend in dit verband zijn de werken van J.J.
de Jong Met goed fatsoen. De elite in een Hollandse
stad. Gouda 1/00-1780, L. Kooijmans Onder regenten.
De elite in een Hollandse stad. Hoorn 1700-1780
en M. Prak Gezeten burgers. De elite in een Hollandse
stad. Leiden 1700-1780.
4. Zie C.M.C. Paulusma-du Pree, De Zwolse magistraat,
1675-1747. Een onderzoek naar de oligachisering
en naar een mogelijke democratische tegenbeweging
(ongepubliceerde scriptie; Zwolle 1981) en
A.J.A. Bos, De Zwolse magistraat 1747-1795. Een onderzoek
naar een mogelijk oligarchiseringsproces (ongepubliceerde
scriptie; Zwolle 1978).
5. Rijksarchief in Overijssel (RAÓ), Statenarchief
(SA) 355, Resoluties Gedeputeerde Staten, 9-12-
6. Inventaris, XIII; en burgerschapsregister in: Gemeentelijke
Archiefdienst Zwolle (GAZ), AAZ01-
413.131-
7. GAZ, RAooi-112,454 (dd. 9 oktober 1656)
8. RAO, SA 360, Resoluties Ridderschap en Steden, 8-
11-1653.
9. Gebaseerd op L. van Vuuren, Rapport betreffende
een onderzoek naar de welvaartsbronnen van de gemeente
Zwolle (Zwolle 1939) 6-15; Paulusma-du
Pree, 6-8; N.D.B. Habermehl, ‘De bevolkingsontwikkeling
van Zwolle van 1628 tot 1748’ in: Zwols
Historisch Jaarboek l (1984) 84.
10. Inventaris, XIII.
11. Zie J. Frederiks, Ontstaan en ontwikkeling van het
Zwolse schoolwezen tot omstreeks 1700 (dissertatie;
Zwolle 1960) passim.
12. Zie voor de familie Ulger, J. Van Doorninck, Geslachtkundige
aanteekeningen ten aanzien van de
Gecommiteerden ten Landdage van Overijssel zedert
1610-1974… (Deventer 1871) 620.
13. GAZ, FA011, Familiearchief Gelderman, 1. Deze
collectie is beschreven in Inventaris van het familie-
archief en collectie Gelderman, J.J. Seekles ed.
(Zwolle 1990)
14. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2 dln.;
Zwolle 1954-1960) II, 102.
15. Van Vuuren, 6-15.
16. Van Vuuren, 12.
17. Habermehl, 84.
18. Bos, 5-6.
19. Zie W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink,
Burgers in verzet tegen regenten-heerschappij.
Onrust in Sticht en Oversticht 1703-1706 (Amsterdam
1976).
20. Paulusma, 32 ev., en 65.
21. Paulusma, 22.
22. Paulusma, 14-16.
23. J.C. Streng, ‘De veiling van de bibliotheek van Samuel
Johannes Gelderman te Zwolle in 1749’ in:
Zwols Historisch Jaarboek 6 (1989) 123-125.
24. GAZ, FA011,5.
25. De Vries, 113-115.
26. Bos, 19.
27. Bos, 13-14.
28. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os,
predikant te Zwolle 1748-1755 (Kampen 1988) 161-
168.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 15
Jongere bouwkunst in Zwolle
In twee eerdere nummers van het Zwols Historisch
Tijdschrift (1990, nr. 4 en 1991, nr. 2)
zijn artikelen gepubliceerd over de stedebouwkundige
ontwikkeling van Zwolle in de periode
1850-1940 en over de bouwwerken in de binnenstad
uit diezelfde tijd. In het onderstaande
stuk worden de gebouwen buiten de singels beschreven.
Het volgende en laatste artikel zal gaan
over het buitengebied (de voormalige gemeente
ZwoUerkerspel). Vlak buiten de singels vinden we
een aaneengesloten gebied met waardevolle objecten
van jongere bouwkunst. De Zwolse singelbebouwing
is ook landelijk gezien zeer bijzonder.
Vooral het deel tussen de Luttekestraat en de
Sassenpoortbiedt nog steeds een fraai negentiende-
eeuws panorama. De hele stationswijk, gebouwd
na aanleg van de spoorlijn in 1864, is een
gebied met voorbeelden van negentiende-eeuwse
architectuur.
Burgemeester van Roijensingel 1
Deze witgepleisterde villa uit 1862 valt op door het
iets teruggelegen torentje dat er aan toegevoegd
werd door de architecten F.C. en J.D.C. Koch in
1913-1914. Aan de achterzijde bevindt zich een serre.
Thans is het in gebruik als makelaarskantoor.
Burgemeester van Roijensingel 2, Villa Eekhout
In 1860 werd deze villa tegenover de Nieuwe Havenbrug
gebouwd naar een ontwerp van de Zwolse
aannemer M. de Groot in eclectische stijl. In
1911 kocht de gemeente het pand; lange tijd waren
er plannen en ook ontwerpen voor een nieuw
stadhuis op deze plaats. De villa bleef echter gespaard,
evenals het fraaie landschappelijke park
erachter. Het pand is nu kantoor.
Burgemeester van Roijensingel5
Deze grote villa werd gebouwd in 1875-1877 in
classisistische stijl. Het huis heeft over twee bouwlagen
een grote erker en wordt bekroond door een
koepelvormig dak. In de tuin is in 1884-1885 een Jan Willem
bijgebouw met prieel geplaatst. van Beusekom
Burgemeester van Roijensingel 6
Villa in neo-renaissancestijl, gebouwd in 1882-
1883 naar een ontwerp van J.Gosschalk. De asymmetrische
gevel heeft rechts een risalerende trapgevel
en links een overhoekse erker over twee
bouwlagen. Het geheel wordt bekroond door een
houten loggia.
Burgemeester van Roijensingel 9
Burgemeester van
Roijensingel 9
Dit kantoorpand is gebouwd in 1914 naar een tra- (foto: J. de Koning)
i 6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Van Nagellstraat
(foto: M. Malherbe)
Zeven Alleetjes 1
(foto: J. de Koning)
ditionalistisch ontwerp van de Zwolse architect
M. Meyerink voor de Eerste Onderlinge Aannemers
Verzekeringsmaatschappij. Later was het in
gebruik als Bank van Doijer & Kalf en laatstelijk
als Amrobank. Thans is het verbouwd tot 26 appartementen.
De symmetrie van de gevel wordt
verstoord door het ranke hoektorentje met open
hoogste trans.
Burgemeester van Roijensingel 17/18
Deze grote en opvallend gesitueerde stadvilla, is
gebouwd in 1884-1885 naar een ontwerp van de
Zwolse architect S.J.H. Trooster in eclectische stijl
met karakteristieke, overhoeks geplaatste erkerachtige
torentjes met rondlopende balkons. Ernaast
werd in 1899 een personeelswoning gebouwd
naar ontwerp van D. de Herder.
Van Nagellstraat7-19
Eén van de ‘nieuwe’ straten in de buurt van het
station, laat een opvallende aaneengesloten bebouwing
uit 1899-1900 van de architect G.B.
Broekema zien, in afwisselende stijl met kenmerken
van de Jugendstil.
Kantoor van de IJsselcentrale aan de Zeven
Alleetjes.
Dit gebouw lijkt bij eerste beschouwing na-oorlogs.
Het oudste gedeelte werd echter ontworpen
in 1939 door de architecten A. van der Steur en M.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meijerink in de stijl van de Delftse School. Deze
bouwstijl werd vooral gepropageerd door de
Delftse hoogleraar Granpré Molière. Vooral na de
oorlog werd veel in deze stijl gebouwd. Het gebouw
werd in 1942 voltooid.
Emmawijk 2/3
In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de
Willemsvaart naar het westen verlegd. Op de gedempte
oorspronkelijke vaart werd een wijk met
grote huizen gebouwd. Dit dubbele herenhuis in
neo-renaissancestijl, werd in 1893 ontworpen
door de Zwolse architect S.J.H. Trooster.
Veerallee 3/4/5
De drie Jugendstilhuizen onder één kap, zijn ontworpen
door de Zwolse architect G.G. Post. Met
de ernaast liggende panden Veerallee 1/2 vormen
ze een karakteristiek geheel. Thans zijn ze deels in
gebruik als kantoor of als woonruimte.
Wilhelminastraat
(foto: J. de Koning)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Prins Hendrikstraat
(foto: J. de Koning)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wilhelminastraat 4/26A, Julianastraat 62162a
Deze aaneengesloten rij woningen is gebouwd in
1905-1906, met de zeer karakteristieke Jugendstilvormgeving
van de later in Kampen woonachtige
architect G.B. Broekema. Samen met de panden
aan de overzijde van de straat geeft het een gaaf
beeld uit het begin van deze eeuw.
Wilhelminastraat 25/35
De zes woningen in Jugendstil zijn gebouwd in
1904 naar een ontwerp van de Zwolse architect
G.G. Post.
Prins Hendrikstraat 2/26
De gehele straatwand met neo-renaissance en Jugendstil-
elementen, is gebouwd in 1902, naar het
ontwerp van de Zwolse architect M. Meyerink.
Prins Hendrikstraat ïliya
Deze rij woningen met Jugendstil-elementen, is
gebouwd tussen 1902 en 1904 naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post. Tussen de woningen
5 en 7 bevindt zich een houten poortje dat
toegang geeft tot het achterterrein.
Marnixschool aan de Westerlaan
Dit complex is in 1922-1923 oorspronkelijk gebouwd
als een combinatie voor lagere school en
ULO door de Zwolse architecten M. en H. Meyerink.
Het gebouw bestaat uit een aantal haaks op
elkaar geplaatste vleugels met grote lage schilddaken.
Aan de voorzijde valt een halfronde uitbouw
op.
Station
Reeds in 1863 werd het station gebouwd. De
Staatsspoorwegen hanteerden vijf klassen al naar
gelang de grootte en het belang van de vestigingsplaats.
Vooruitlopend op het belangrijke knooppunt
van spoorwegen (zeven op het hoogtepunt)
kreeg Zwolle een Klasse I station in de stijl van het
Waterstaatsclassicisme. De 60 meter lange gevel
bestaat uit een negen traveeën breed middengedeelte
met twee bouwlagen en twee verdiepingloze
zijvleugels. Het gebouw staat op de Rijksmonumentenlijst
en is kort geleden gerenoveerd. Het
uiterlijk bleef daarbij intact.
Hoge Spoorbrug
In 1882-1883 werd een smalle brug over het ruim
100 meter brede stationsemplacement gelegd. De
brug bestaat uit drie overspanningen van 36 meter
lengte, waarvan zowel de onder- als de bovenrand
gebogen zijn. In verband met de visuele gelijkenis
wordt van een ‘lensliggerbrug’ gesproken.
In Nederland is deze brug het enige voorbeeld van
een dergeljke constructie. Deze brug is onlangs op
de Rijksmonumentenlijst geplaatst en dien ten
gevolge bij de huidige herinrichting gespaard gebleven.
Van Karnebeekstraat 106/114
De vijf woonhuizen in classicistische stijl zijn gebouwd
in 1873 door aannemer B.J. Ernst, nabij de
oprit van de Hoge Spoorbrug.
Hertenstraat 27
Dit bedrijfspand is ontworpen door de Zwolse architecten
H. van Dijk en J.D.C. Koch in een aangepaste
bouwstijl, passend in een woonwijk. De
sobere architectuur wordt geaccentueerd door
een trapgevel en hoektorentje. Het pand is later
verbouwd tot 14 wooneenheden.
Dominicanenklooster aan de Assendorp er straat
27/29
Dit grote complex met een neo-gotische kruisbasiliek
en klooster, werd gebouwd naar een ontwerp
van de Maastrichtse architect J. Kayser en
De Hoge Spoorbrug
(foto:], de Koning)
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dominicanenklooster
(foto: J. de Koning)
werd in 1902 gewijd. Na een grote brand in 1933
werd het klooster herbouwd. De kerk heeft geen
echte toren, maar wel twee symmetrische traptorentjes
aan weerszijden van de voorgevel en een
zeskantige houten vieringtoren.
Eigenhaardstraat 12/46, Assendorperstraat 41/43
De twee rijtjes arbeiderswoningen van de Woningbouwvereniging
Eigen Haard, zijn gebouwd
in 1893-1894 naar een ontwerp van de Zwolse architecten
W. en F. Koch.
Assendorperstraat 78/86
De oorspronkelijk symmetrische rij van winkelwoonhuizen
uit 1907-1908 is gebouwd naar een
ontwerp van de Zwolse architect G.G. Post. De
fraaie om de hoek doorlopende Jugendstil-winkelpui,
heeft een overhoeks geplaatste ingang en
daarboven een hoge erker met spits dak.
Molenweg 169
Deze kleine, maar opvallend rijk geornamenteerde
woning is in 1896 gebouwd naar een ontwerp
van de architect G.B. Broekema als representatief
gedeelte van een confectiefabriek. Deze fabriek
heeft achter de woning gelegen en is enkele jaren
geleden afgebroken.
Assendorperstraat 129
De landelijke naam Landwijk doet vermoeden
dat dit landhuisje hier al stond voordat de wijk
Assendorp werd gebouwd. Schijn bedriegt, want
in werkelijkheid is dit gebouwtje in 1884 voor een
liefdadigheidsinstelling, de St. Vincentiusvereniging,
gebouwd. Het heeft maar enkele jaren
dienst gedaan als opvang voor verwaarloosde
kinderen. Daarna vestigde zich er een bloemkwekerij
in. Het uiterlijk van het pand bleef ongewijzigd.
Opvallend is de asymmetrische opzet van de
gevel en de zinken bekroningen op het dak.
Ambachtsschool Mimosastraat 1
Op een karakteristiek punt (vroeger lag hier
Zwolles drukste spoorwegovergang), ligt een
schoolgebouw in de stijl van Het Nieuwe Bouwen.
Het is ontworpen door de Leeuwarder architect
A. Baart en de Zwolse architect L. Krook.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
Meppelerstraatweg 19
(foto: J. de Koning)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hertenstraat 27
(foto: M, Malherbe)
Vooral de hoek tussen de twee vleugels met het
hoge trappenhuis zijn opvallend.
Sophiaziekenhuis aan de Rhijnvis Feithlaan 80/84.
Het ziekenhuis is een bekend voorbeeld van Het
Nieuwe Bouwen. Het is ontworpen door J.G.
Wiebenga, directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst.
Het oorspronkelijke ontwerp uit 1931 werd na
aanzienlijke aanpassingen in 1933-1934 uitgevoerd.
Vooral de hoekoplossing aan de kant van
de Philosofenallee is karakteristiek.
Philo sofenallee 31/36
De zes woonhuizen zijn gebouwd naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post in 1906
met een symmetrische gevel. In de gevel zijn drie
risalerende ingangspartijen met hoefijzerbogen.
Algemene Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg
Dit is de eerste begraafplaats buiten de stad, aangelegd
in 1823. Het grote smeedijzeren hek tussen
hekpijlers met met rococo-vazen komt vermoedelijk
van elders. Rechts hiervan staan een wachtruimte
en een dienstwoning in eclectische stijl.
Op de begraafplaats zijn grafmonumenten
van onder andere Rhijnvis Feith en Ter Pelkwijk
te zien. Verder zijn er graven van de families
Sandberg en Van Ittersum.
R.K. Begraafplaats aan de Bisschop
Willebrandlaan 92
De begraafplaats is aangelegd in 1841 en heeft een
neo-gotische kapel uit 1883.
Marechausseekazerne aan de Meppelerstraatweg 19
Dit opvallende kantoor van de Koninklijke Marechaussee
is in 1931 gebouwd naar militair (en dus
anoniem) ontwerp. In het gebouw waren ook vijf
woningen geïntegreerd. Vooral de toren die de
hoeklocatie benadrukt, markeert het gebouw.
Daarnaast is het kleurgebruik, onder andere in de
tegeltableaux, opvallend.
Openluchtbad aan de Ceintuurbaan.
Dit inmiddels niet meer in gebruik zijnde zwembad,
werd in 1934 gebouwd naar een ontwerp van
de directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst J.G. Wiebenga in de stijl van Het Nieuwe
Bouwen. Twintig jaar geleden werd het al genoemd
als een topobject van de architectuur uit
de periode 1900-1940.
Tenslotte
Het veldwerk voor dit artikel is inmiddels al weer
drie jaar geleden uitgevoerd. Een groot aantal van
de beschreven panden is inmiddels op de rijks- of
gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. De vorig
jaar ter gelegenheid van de Open Monumentendag
uitgegeven ‘Wandel- en fietstocht jonge
bouwkunst in Zwolle’ verenigt panden uit het vorige
artikel in de binnenstad en panden buiten de
singels op een logische route. De brochure is verkrijgbaar
bij de VW, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de Menno van Coehoornsingel.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw
Aan het einde van de vorige en begin deze
eeuw zijn er in vele steden in Nederland
plannen gemaakt voor stadsuitbreidingen.
Dat daar nogal wat haken en ogen aan zaten, lag
niet alleen aan het feit dat vele van deze steden
nog geheel of gedeeltelijk in hun middeleeuwse
jasje, of liever gezegd keurslijf, zaten, maar ook
aan een gebrek aan deskundigheid en regelgeving
op met name het gebied van de ruimtelijke ordening.
Bestuurlijk gezien was een dergelijke stadsuitbreiding
dan ook geen sinecure. Het kostte een
gemeentebestuur al heel wat hoofdbrekens alvorens
men het erover eens was welke deskundige
zich mocht buigen over de problematiek. Lag er
eenmaal een plan ter tafel dan wilden ‘boeren,
burgers en buitenlui’, gemeenteraad en hogere
overheden er ook nog eens hun zegje over doen.
Het zal dan ook geen verbazing wekken dat
het jaren duurde voordat menig plan tot uitvoering
kwam. Dat daarbij vaak de bestuurlijke verhouding
van meer betekenis was, dan de esthetische
kwaliteit van het plan zal geen verbazing
wekken. In het navolgende artikel wordt met
name het bestuurlijk geharrewar rondom een
voorstel voor een uitbreidingsplan voor de gemeente
Zwolle uit de doeken gedaan.
De conceptie van een plan
In het eerste kwart van deze eeuw gaat het Zwolle
economisch voor de wind. De stad ligt gunstig op
een knooppunt van land-, water- en spoorwegen.
Tussen 1919 en 1936 neemt de bevolking van de
stad met 24% toe. Het woningbestand neemt zelfs
met 41,5% toe. (Ook toen was er al sprake van ‘gezinsverdunning’.)
Er is in deze periode dan ook
sprake van grote bouwactiviteiten. Grote woningcomplexen
ontstaan onder andere in het Veeralleekwartier,
Assendorp, op de Pierik en in de
Wipstrik.
Al deze uitbreidingen vinden plaats op basis
van zogenaamde partiële uitbreidingsplannen.
Daar was niets onoirbaars aan. De Woningwet
van 1901 bood het gemeentebestuur de mogelijkheid
om op basis van deze planfiguur haar stadsuitbreidingen
te reguleren. Het was echter een
fragmentarisch beleid. Begin jaren twintig wordt
de roep om een algemeen uitbreidingsplan (AUP)
hoorbaar. In maart 1924 wijzen Gedeputeerde
Staten van Overijssel de gemeente erop, dat volgens
artikel 31 van de Woningwet een gemeente
met meer dan 10.000 inwoners een uitbreidingsplan
in hoofdzaak (behoudens vrijstelling) moet
opstellen en dat dit plan tevens eenmaal in de tien
jaar dient te worden herzien.
Het College van Burgemeester en Wethouders
neemt de brief voor kennisgeving aan en gaat over
tot de orde van de dag. Een jaar later laait de discussie
over een AUP opnieuw op. Nu worden er
vragen gesteld door gemeenteraadsleden.
Het College blijft weigeren om aan de wet te
voldoen en denkt de zaak te kunnen sussen door
de partiële uitbreidingsplannen aan een externe
deskundige voor te leggen. Hiervoor kiest men de
Inspecteur van de Volksgezondheid ir. R. Le
Poole.
Le Poole acht een stedebouwkundige adviseur
niet nodig, mits het College zijn uitgangspunt namelijk
“een wei-doordacht net van verkeerswegen”
als vervanging voor een AUP overneemt.
Een minderheid in de raad wijst er op dat het
idee van een verkeersstructuurplan als substituut
voor een AUP wat mager is en dat Le Poole wellicht
een kundig man is maar geen stedebouwer.
De raad is van mening dat ze heel goed zelfde
plannen kan beoordelen en vaststellen en dat zonodig
het oordeel van het bedrijfsleven kan worden
gevraagd. De directeur van Openbare Werken
is bekwaam genoeg om de plannen op te stellen.
Daar heeft men volgens de meeste raadsleden
geen commissie van stedebouwkundigen voor
nodig. Een bijkomende zaak, maar zeker niet on-
Raymond Salet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerste opzet voor een
structuurplan door
Dudok en Magnée uit
1949. (foto: Rijksuniversiteit
Groningen)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
belangrijk voor de besluitvorming, is dat de adviezen
van Le Poole onbetaald verstrekt worden.
Door het verwerpen van het voorstel bezuinigde
men ook nog eens duizend gulden op een commissie.
Het voorstel om een commissie van stedebouwkundigen
in te stellen, wordt dan ook met
ruime meerderheid verworpen.
Pas in 1937 wordt in de gemeenteraad aangedrongen
op een sociaal-geografisch en economisch
onderzoek. Het: college is het hiermee eens,
maar een dergelijk onderzoek kan niet door eigen
ambtenaren verricht worden wegens gebrek aan
deskundigheid. Gezocht wordt naar iemand met
een wetenschappelijke opleiding die in staat is een
sociaal-economisch onderzoek naar de grondslagen
der welvaart van Zwolle geheel zelfstandig uit
te voeren.
De raad is bereid hiervoor vijfduizend gulden
uit te trekken. Op aanraden van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten valt de keus op prof.
L. van Vuuren, hoofd van het Geographisch Instituut
van de Rijksuniversiteit Utrecht.
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog
gooit roet in het eten. Van Vuurens survey verdwijnt
voorlopig in een bureaulade.
De gemeente verleent een opdracht
Aan het begin van de oorlog worden bij Zwolle de
IJsselbruggen opgeblazen. Zwolle is daardoor als
verkeersknooppunt uitgeschakeld en strategisch
niet meer van belang. De stad loopt dan ook tijdens
de oorlog weinig schade op. Na de oorlog is
een wederopbouw-programma niet nodig. Nadat
het normale leven weer op gang is gekomen, doemen
dezelfde problemen van voor de oorlog weer
op. Het draait nog steeds om de vraag of nu wel of
niet een ontwikkelingsplan en een AUP moeten
worden opgesteld.
Provinciale Staten vinden met name de stedebouwkundige
plannen van de gemeente onvoldoende.
“De zeer belangrijke vraagstukken van de
toegang tot de stad, van de landschappelijke begrenzing
van de toekomstige bebouwde kom en
van de coördinatie van het stedelijk groen, zijn
niet tot een oplossing gebracht”, schrijft het provinciaal
bestuur aan de gemeente.
In de loop van 1947 dringt de toenmalige directeur
van de Provinciaal Planologische Dienst
(PPD) ir. A. Kraayenhagen bij het College van
Burgemeester en Wethouders erop aan om een
AUP op te stellen. Zwollerkerspel, de omringende
gemeente, heeft namelijk laten weten alleen mee
te werken aan annexatie door de gemeente Zwolle
als er een vastgesteld AUP is. Dit is een reden te
meer om nu eindelijk eens iets te ondernemen.
Kraayenhagen stelt voor om de stedebouwkundige
W.M. Dudok te vragen.
In maart 1948 ligt er een voorstel van Burgemeester
en Wethouders aan de raad om aan Dudok
een opdracht te verlenen voor:
a. Een ontwikkelingsplan, met inbegrip van een
uitbreidingsplan in hoofdzaak.
b. Een uitbreidingsplan in onderdelen van die
gedeelten die het eerst worden uitgevoerd.
c. Gedetailleerde plannen voor de nodige wijzigingen
in de stadskern.
d. De nodige bebouwingsvoorschriften en een
schriftelijke toelichting.
De kosten voor dit project worden geraamd
op ƒ 32.000,-.
De gemeenteraad gaat met het voorstel akkoord
en op 5 april 1948 wordt de opdracht
officieel aan Dudok verleend.
Verschillen van inzicht
Ruim een jaar verstrijkt voor de presentatie van
het eerste schetsplan. Deze presentatie vindt
plaats op 11 mei 1949 in het gemeentehuis voor
een select gezelschap achter gesloten deuren.
Aanwezig zijn: Dudok, Kleinjan (hoofdingenieur
van Rijkswaterstaat), Kraayenhagen, Kloos van de
N.V. Ned. Spoorwegen, B&W, de waarnemend
gemeentesecretaris en de directeur Openbare
Werken.
Dudok licht zijn schetsplan als volgt toe: “De
stad zal in het noorden begrensd worden door de
rijksweg 28 (Amersfoort-Zwolle-Meppel). Het
station dat nu de stad in het zuiden begrenst,
krijgt een centrale ligging. Een nieuw stadscentrum
sluit zich harmonisch aan bij het oude en de
belangrijkste toegangsweg naar het nieuwe centrum
leidt door het oude waardoor dit levend
blijft.”
Dat Dudok de stad in het noorden niet verder
wil uitbreiden maar begrenst door de rijksweg
stuit op grote bezwaren van Kraayenhagen. Hij is
van mening dat Zwolle de toegangspoort tot
noordoost Nederland is en dat dit in het stede26
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
bouwkundige plan tot uitdrukking moet komen.
Daarnaast wil hij industrie vestigen aan het Zwarte
Water in plaats van aan de IJssel mede met het
oog op de oude wet van 1919 die nog steeds een
nieuwe verbinding tussen IJssel en Zwarte Water
mogelijk maakt. (Dudok hoefde op uitdrukkelijk
verzoek van de opdrachtgever hier geen rekening
mee te houden.) Uitbreiding ten noorden van de
rijksweg is voor hem dan ook noodzaak.
Om uit de impasse te raken vraagt het gemeentebestuur
aan Dudok om een nieuw schetsplan
te maken op basis van de door Kraayenhagen
gemaakte opmerkingen. Dudok stemt hiermee in.
Kraayenhagen besluit zelf ook een plan te maken.
Hij stelt Dudok hiervan in kennis. Dudok
onthoudt zich verder van commentaar.
Inmiddels is het ETIO (Economisch Technologisch
Instituut Overijssel) door het gemeentebestuur
benaderd met het verzoek om het surveyonderzoek
te doen – hetgeen niet meer inhoudt
dan het actualiseren van het rapport Van Vuuren
dat voor de oorlog is opgesteld. Daarnaast maken
zowel de directeur Openbare Werken als de PPD
een kostenanalyse van de plannen. (Openbare
Werken begroot het plan-Dudok op ƒ 7.150.000,-
en het PPD-plan op ƒ 6.150.000,-. De PPD begroot
het plan-Dudok op ƒ 9.000.000,- en het
PPD-plan op ƒ 3.000.000,-.)
Uit de toelichtingen die Dudok en Kraayenhagen
bij hun ontwikkelingsplannen geven, blijkt
hun verschil van inzicht om het doel, namelijk de
industrialisatie en het economisch herstel van
Zwolle, te bereiken. Voor Dudok betekent het
goede aan- en afvoerwegen, geschikte industrieterreinen
en een gunstige positie van de woongebieden
ten opzichte van de werkgebieden. Volgens
Dudok is een goed stadsplan ondenkbaar
zonder een logisch verkeerswegenstramien als basis.
(Een gedachte die Le Poole twintig jaar geleden
ook al geopperd had.)
Letterlijk schrijft Dudok: “In de structuur van
een stad is speciaal het verkeer vorm-bepalend
(..). Geen der overige facetten van de stedebouw
heeft zulk een beangstigende ontwikkeling vertoond
(…). Het is daarom dat men er overal naar
streeft het verkeer te houden buiten een gebied
waar het niet rechtstreeks mee te maken heeft. Dit
principe brengt allereerst mede interlocale hoofdverkeerswegen
te leiden niet door, maar langs de
steden en het speciaal op de stad gerichte verkeer
af te tak

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1992, Aflevering 3

Door 1992, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
9E JAARGANG 1 9 9 2 NUMMER 3
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Op deze foto ziet u de Assendorperdijk, in
de tijd dat daar nog veel kleine boerderijen
stonden. De laatste boerderijtjes zijn
tegen het eind van de jaren vijftig – begin jaren
zestig verwijderd.
Boven is de muur te zien die de tuin van het
Dominicanenklooster aan de Assendorperstraat
begrenst. Op de achtergrond is een begin gemaakt
met de bouw van de MTS, later HTS, en tegenwoordig
HTO. Het boerderijtje stond op de hoek van de
Assendorperdijk en de huidige Luttenbergstraat.
De foto is omstreeks het jaar 1955 gemaakt.
De enige overeenkomst met de vorige foto is de
muur van het klooster die sedert 1903 alle veranderingen
heeft doorstaan. De Assendorperdijk is
veranderd in een gebied met scholen en woningen.
De tijd dat je hier – de vroeger nog niet beschermde
– witte en paarse kievitstulpen kon
plukken, is voorgoed voorbij.
Boven: De Assendorperdijk. Oude situatie.
Onder: De Assendorperdijk. Huidige situatie,
(foto’s: D. Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
Redactioneel Inhoud
Op 2 november wordt op het vernieuwde
stationsplein een beeld onthuld van Johan
Rudolph Thorbecke, de grondlegger
van de moderne staatsinrichting. Thorbecke is in
1798 in Zwolle geboren, maar verliet de stad al op
zestienjarige leeftijd. Op de vraag waarom er in
Zwolle een standbeeld wordt opgericht voor iemand,
die slechts een klein deel van zijn leven in
de stad heeft doorgebracht, geeft in dit nummer
H.J.H. Knoester antwoord. Uit het artikel over de
‘wieg’ van Thorbecke komt duidelijk naar voren,
dat de Zwolse lotgevallen van zijn familie op de
karaktervorming van de jonge Johan Rudolph een
duidelijk stempel hebben gedrukt. Dit stempel is
van grote invloed geweest op het latere leven van
de befaamde staatsman. Een standbeeld voor hem
is in Zwolle dan ook zeer op zijn plaats.
Dat een artikel soms een merkwaardige ontstaansgrond
kan hebben, blijkt uit het verhaal van
Henk ten Dam. Een door een erfenis verkregen
houtskooltekening bracht hem ertoe in de geschiedenis
te duiken van twee in 1896 en 1897 te
Zwolle gehouden tentoonstellingen van schilderijen
en tekeningen. De organisatie hiervan was in
handen van de net opgerichte Zwolsche Vereeniging
tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer
en tot Verfraaiing van Stad en Omstreken.
Jan van Rees, een grootvader van Ten Dam, speelde
daarbij een grote rol. Dankzij onder meer afschriften
van op de tweede expositie betrekking
hebbende brieven, die in de familie bewaard zijn
gebleven, schetst hij een interessant beeld van deze
vroege vorm van ‘stadspromotie’.
Tenslotte gaat Jan Willem van Beusekom in het
laatste artikel uit de reeks over de jongere bouwkunst
in Zwolle in op een aantal interessante objecten
in de voormalige gemeente Zwollerkerspel.
Wederom blijkt dat de periode 1850-1940 prachtige
staaltjes van bouwkunst heeft opgeleverd.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Zwolle, wieg van Thorbecke H.J.H. Knoester
Twee tentoonstellingen in Zwolle Henk ten Dam
Jongere bouwkunst in Zwolle Jan Willem van Beusekom
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Ikonen uit Noord-Rusland Lydie van Dijk
Literatuur
Agenda
Mededelingen
Personalia
58
60
65
75
81
82
84
Omslag: Kinderen van J.E.H. Thorbecke en
J. C. Rietberg (detail van de foto op pagina 63)
en de handtekening van J.R. Thorbecke.
6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle, wieg van Thorbecke
H.J.H. Knoester
Johan Rudolph Thorbecke
(1798-1872)
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
Aan de wieg van Johan Rudolph Thorbecke
– en dan bedoel ik een figuurlijke wieg – is
in Zwolle gedurende een lange periode
stukje bij beetje gebouwd. Allerlei facetten die zijn
jonge leven hebben beïnvloed, zijn langzaam gegroeid
in de eeuw waarin hij het levenslicht aanschouwde.
In dat voorspel op zijn aardse bestaan
ligt de Zwolse invloed die Thorbecke voor zijn
hele leven een stempel heeft meegegeven.
Carrière
Johan Rudolph Thorbecke werd geboren in 1798
en volgde tot 1814 onderwijs aan de Zwolse Latijnse
School. Daarna bezocht hij tot 1817 het Athenaeum
Illustre in Amsterdam. Hij studeerde rechten
in Leiden en promoveerde in 1820.
Een reis naar Duitsland had veel invloed op
zijn denken. Hij nam het Duitse intellectuele leven
in zich op en was een tijd lang privaatdocent in
Göttingen. Daar ontmoette hij Adelheid Solger,
met wie hij in 1836 zou trouwen. In 1825 was hij
buitengewoon hoogleraar in de letteren in Gent.
Van zijn verdiensten steunde hij zijn broer Herman
in diens studie medicijnen. De Belgische opstand
in 1830 dwong hem naar Nederland terug te
keren.
Het jaar erop werd hij in Leiden tot buitengewoon
hoogleraar benoemd, nu in de rechtsgeleerdheid.
In 1834 volgde de benoeming tot gewoon
hoogleraar.
In 1844 werd hij gekozen als lid van de Tweede
Kamer. Van het begin af stond hij een wijziging
van de grondwet in meer democratische zin voor.
De invloed van de Ridderschappen in de Provinciale
Staten en ook in Den Haag zou moeten verdwijnen.
De resten van het ‘ancien régime’, de tijd
van de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden,
zouden moeten plaatsmaken voor een
constitutionele monarchie met kiesrecht voor een
groter deel van de bevolking. Zijn ideaal vond echter
niet meteen weerklank.
In 1848 echter verdreef een revolutie in Frankrijk
de ‘burgerkoning’ Louis Philip. Dit veroorzaakte
een schok die zijn weerslag had in heel Europa.
Ook de Nederlandse koning Willem II voelde
zijn positie zo zeer bedreigd dat hij medewerking
verleende aan staatkundige hervormingen.
Hiertoe werd een staatscommissie tot hervorming
van de grondwet benoemd onder voorzitterschap
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 6l
van Thorbecke. De nieuwe grondwet die de commissie
voorstelde, werd in hetzelfde jaar 1848 aanvaard
en vormt nog steeds het fundament van ons
staatsbestel.
Wacht op onze daden
In 1849 leidde Thorbecke voor het eerst een kabinet
als minister van Binnenlandse Zaken. In de jaren
dat de vooruitstrevende liberalen aan de
macht waren, zouden er drie kabinetten Thorbecke
volgen. Nadat Thorbecke de trotse woorden
‘Wacht op onze daden!’ had gesproken, volgde de
ene wet op de andere.
De volledige gelijkberechtiging van de roomskatholieken
en het herstel van hun bisschoppelijke
hiërarchie, een uitvloeisel van het principe van
scheiding van kerk en staat, betekenden een schok
voor vele protestanten. De voorkeurspositie van
de Hervormde Kerk was hiermee officieel ten einde.
Hervormd Nederland reageerde verontwaardigd
met de Aprilbeweging van 1853. Ook de Gemeentewet
en de Provinciewet zijn aan Thorbecke
te danken en werken door tot in deze dagen.
Tussen 1848 en 1872 was Johan Rudolph Thorbecke
een man met veel invloed. Ook als hij niet
zelf over regeringsbevoegdheid beschikte, hield
men als leider van de oppositie terdege rekening
met hem.
Het karakter en de daadkracht die Thorbecke
kenmerkten, zijn reeds vroeg bij hem te onderkennen.
Zijn moeilijke jeugd in Zwolle, zijn in een
isolement verkerend ouderlijk milieu en zijn opvoeding
in een stad die vlak daarvoor met het patriottisme
was doordrenkt, zullen zeker daarop
van invloed zijn geweest.
De Thorbeckes en Zwolle
Om diverse redenen waren de Thorbeckes niet zo
maar een doorsnee Zwolse familie. Er zijn vier,
soms wat tegenstrijdige, facetten van hun anders
zijn.
Om te beginnen behoorde de familie Thorbecke
tot een kleine, sterk op Duitsland gerichte
groep kooplieden, de zogenoemde factoors. Deze
mensen zaten in een netwerk van Duitse families,
waarvan de leden in Zwolle hun roomse of lutherse
godsdienst bleven belijden. In Duitsland lag
hun bakermat. Als zonen van Duitse kooplieden
waren ze uitgezonden naar Amsterdam of Zwolle
om daar de zaken van Duitse familiebedrijven te
gaan behartigen. Er ontstond zo een vaste handelslijn
tussen Amsterdam (koloniale waren) en
Westfalen (textiel), met als overslagpunt Zwolle.
Zwolle lag op de grens van goed, diep vaarwater en
ondiepe wateren en landwegen. Het huis van de
Thorbeckes stond aan de Dijk (nu Thorbeckegracht
11 en 12), het toenmalige centrum van de
transitohandel. Op de kaden van de huidige Thorbeckegracht
werden de goederen overgeslagen op
andere schepen of op wagens.
De familie Thorbecke handelde aanvankelijk
in allerhande waren, maar specialiseerde zich later
in koloniale waren en vooral tabak. Het bleef niet
alleen bij handel in tabak, want te beginnen bij
Thorbeckes grootouders waren zij ook fabrikant
van snuif en tabak.
De familie Thorbecke woonde meer dan een
eeuw in hetzelfde pand, maar niet van vader op
zoon. De Zwolse familielijn stierf enige malen uit.
Thorbeckes geboortehuis
aan de Thorbeckegracht
(foto: J.P. de
Koning, gemeente
Zwolle).
62 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het interieur van de
lutherse kerk aan de
Koestraat (foto: J.P. de
Koning, gemeente
Zwolle).
Dan kwamen er steeds weer ‘verse’ Thorbeckes uit
Duitsland om het ontstane gat op te vullen. Door
dat feit bleven de Thorbeckes steeds in hoge mate
Duits of Westfaals. Langs de huidige Thorbeckegracht
vonden zij nog meer van deze vermogende
lieden. De vader van Johan Rudolph, de geboren
en getogen Zwollenaar Frederik Wilhelm Thorbecke,
keerde terug naar Duitsland om in Göttingen
te studeren en vond ook in Duitsland zijn
bruid. Hij trouwde in 1794 met zijn nicht Christine
Regina Thorbecke uit Osnabrück. Christine
heeft nooit goed Nederlands leren spreken en onderhield
een sterke band met haar Duitse familieleden.
In moeilijke tijden steunde de Duitse tak de
Nederlandse tak financieel. Dat zal niet alleen zijn
gebeurd omdat men familie was, maar ook omdat
men er zakelijk belang bij had. Voor de Duitse tabaksfabrikanten
Thorbecke was een betrouwbare
handelspost in Nederland erg belangrijk.
De Thorbeckes bleven ook steeds hun, in
Zwolle afwijkende, godsdienst trouw: zij waren
luthers. Slechts weinig Zwollenaren waren dat. In
hun lutherse kerk vonden zij standgenoten om
mee om te gaan en eenvoudiger lieden om voor
hen te werken. Een verandering van godsdienst
zou bij de familieleden en handelspartners in
Duitsland zeker verbazing hebben gewekt en afstand
hebben geschapen, ook op zakelijk gebied.
Daar stond tegenover dat de Thorbeckes door een
afwijkende godsdienst te belijden in Zwolle wat
aan de zijlijn stonden. Tijdens de Republiek kon er
geen sprake van zijn dat een lutheraan werd opgenomen
in het stadsbestuur. Daarvoor moest men
hervormd zijn.
Ondanks dat zullen de Thorbeckes zich toch
nauwelijks minder dan de Zwolse regenten hebben
gevoeld. Hun familie behoorde eertijds in
Borgholzhausen en later in de stad Osnabrück tot
de bestuurskringen. De Zwolse Thorbeckes moeten
in een merkwaardige tussenpositie hebben gezeten.
Enerzijds wisten ze dat ze ook leden waren
van een regentenfamilie. Een oom van Johan Rudolph,
de oudste broer van zijn moeder, was bijvoorbeeld
van 1813 tot 1830 burgemeester van Osnabrück.
Daarvoor was hij ook tabaksfabrikant
geweest. Anderzijds kwamen de Thorbeckes als
lutheranen in Zwolle zeker niet in aanmerking
voor een rol als bestuurder.
Toch had men goede relaties met de regentenkringen.
Zo trouwde Johan Caspar Thorbecke in
1744 te Zwolle met Gerredina Elsabee Eekhout. Zij
was de dochter van dr Roelof Eekhout en Elisabeth
Greven, die tot de hoogste kringen van de stad behoorden.
De weduwe Thorbecke-Eekhout hertrouwde
in 1754 met Jan Antony Scriverius, eveneens
een lid van een bekend regentengeslacht. De
klim op de maatschappelijke ladder kon niet worden
doorgezet, want de Thorbeckes bleven zoals
gezegd hun lutherse geloof trouw. De relatie met
de Eekhouts zullen zij echter niet zijn vergeten.
Het is dan ook niet vreemd dat de Thorbeckes
zich omstreeks 1780 aansloten bij de patriotten.
Patriotten behoorden tot de ontwikkelde en welgestelde
burgerij die geen politieke invloed had
maar daar wel aan toe was. Ook de Thorbeckes
wilden niet berusten in hun ondergeschikte lot
vanwege hun geloof, want in het gebied rond Osnabrück,
waar het lutheranisme de heersende
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 63
godsdienst was, hadden familieleden wel wat in de
melk te brokkelen. In Zwolle was een grote groep
burgers patriottisch en een van de Nederlandse
leiders, Joan Derk baron van der Capellen tot de
Poll, had zich juist hier gevestigd. In Zwolle kwamen
veel draden van het patriottisme bijeen. Tijdens
de jeugd van Johan Rudolph was dit weliswaar
reeds verleden tijd, maar de geest van de
stroming was nog sterk aanwezig in het denken
van de Zwollenaar.
Op de grens van twee werelden
Het beeld dat zo ontstaat, is er één van vele tegenstellingen.
De Thorbeckes waren, ruwweg in de
periode van 1790 tot 1820, zowel Duits als Nederlands.
In Duitsland regent, in Zwolle onmondig
burger. In Duitsland beleden zij de heersende
godsdienst, in Zwolle waren zij dissenter. Door de
maatschappelijke positie van hun Duitse familie
waren zij behoudend, door hun positie in Zwolle
waren zij patriot. In de ogen van de Zwolse doorsnee
burger waren zij rijk, in de ogen van de adel
en de rijkste regenten waren zij ‘bescheiden af. De
vader van Johan Rudolph was rond 1815 als ‘een
gezeten heer’ lid van de Groote Sociëteit, maar
wist wel dat hij financieel aan de rand van de afgrond
stond.
Kortom, ze waren enerzijds goed af, anderzijds
hingen zij tussen wal en schip. Maar uiteindelijk
waren zij op grond van de positie van familieleden
in Duitsland en hun eigen voorspoedige jaren tussen
1680 en 1780 zeer standsbewust.
De ondergang van de familiefirma
De onzekerheden in het gezin Thorbecke stapelden
zich na 1806 op. De Franse overheersing
bracht een teruggang van de handel teweeg, terwijl
er wel zware belastingen moesten worden opgebracht.
Een jarenlange recessie volgde, die een
groot deel van de Zwolse burgerij bedreigde. Vader
Thorbecke hield naar buiten toe zijn stand op,
maar teerde langzaam in op zijn vermogen. De fa-
De kinderen van
J.E.H. Thorbecke en
J.C. Rietberg aan de
Dijk (nu Thorbeckegrachtu)
omstreeks
1810. Van links naar
rechts Sophia, Lubbertus,
Friedrich Wilhelm,
Franz Heinrich en
Katharine. Aan de
muur hangen portretten
van de ouders
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
64 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Silhouetportretten uit
ijS>4 van Frederik
Wilhelm Thorbecke
(1760-1832) en Christina
Regina Thorbecke
(1769-1835), de ouders
van Johan Rudolph
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
milie, die altijd al in een zeker isolement had geleefd,
vereenzaamde sterk. Vooral toen rond 1818
een conflict uitbrak binnen de lutherse gemeente
in Zwolle. Vader Thorbecke koos voor de kleine,
meer vrijzinnige groep. Zijn broer en buurman
aan de huidige Thorbeckegracht koos voor de orthodoxe
richting. Deze meerderheid, die in het
In zijn jeugd moet Johan Rudolph in en rond
zijn ouderlijk huis een zee van indrukken hebben
opgedaan. Zijn ouders en de meeste mensen in
zijn omgeving vochten hard voor hun bestaan in
moeizame tijden waaraan geen einde leek te komen.
Vader Thorbecke was geen toonbeeld van
doorzettingsvermogen, maar heeft de carrière van
conflict juridisch zwak leek te staan, won uiteindelijk
en kreeg het kerkgebouw toegewezen.
De verhouding tussen Frederik Wilhelm en
zijn broer J.E.H. Thorbecke was om zakelijke redenen
trouwens al jaren eerder bekoeld. Als compagnons
in de familiefirma konden zij maar moeilijk
met elkaar samenwerken. Vader Thorbecke
besloot na jaren van recessie in 1805 zijn geld uit de
familiezaak terug te trekken. Dat was geen onverstandig
besluit. Zijn broer ging alleen verder, worstelend
om in steeds moeilijker omstandigheden
zijn hoofd boven water te houden. Hij ging in 1820
failliet, «en onbeschrijfelijke schande voor de hele
familie.
Omstreeks 1825 was voor de Thorbeckes de situatie
verre van rooskleurig. Er was slechts één
lichtpunt. Vader Thorbecke had jarenlang alles
geïnvesteerd in de opvoeding en studie van zijn
zonen Johan Rudolph en Herman.
zijn zoon met volharding en ook inzicht een aanzet
gegeven die verbazing wekt. Hij overtroefde
alle tegenslag door het welslagen van zijn zoon,
een succes dat hij bijna zelf had afgedwongen.
Toen het schip van vader Thorbecke zonk,
konden de beide zoons in de reddingsboot van
hun afgesloten studie ontkomen. Johan Rudolph
stond toen aan het begin van een lange carrière –
eerst als professor, later als staatsman – die zijn
weerga niet had in ons land.
Dat speelde zich buiten Zwolle af, maar de
kiem van alles, de karaktervorming van de staatsman,
lag in Zwolle. Al sedert de zeventiende eeuw
was aan de ‘wieg’ van Johan Rudolph Thorbecke
gebouwd. Daarom is een standbeeld voor hem in
Zwolle ook zo op zijn plaats.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee tentoonstellingen in Zwolle
In de jaren vijftig kwam een houtskooltekening
van Théophile de Bock door vererving in
mijn bezit. Samen met afschriften van brieven
uit één van de drie bewaard gebleven kopieboeken
van mijn grootvader van moederskant, Jan van
Rees, die op die tekening betrekking hadden,
vormde dat het begin van een speurtocht. En dit
alles tezamen leverde de stof voor dit verhaal.
De tekening bleek samen met 42 andere tekeningen
en met meer dan 80 schilderijen in juni
1897 op een tentoonstelling in de Harmonie aan de
Grote Markt gehangen te hebben. Jan van Rees
had, als invaller, de leiding gekregen van deze expositie.
Al ras bleek mij echter, dat dit niet de eerste
tentoonstelling was die de Zwolsche Vereeniging
tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer en
tot Verfraaiing van Stad en Omstreken had georganiseerd.
De eerste tentoonstelling was een halfjaar
tevoren gehouden: en dat met veel succes. Met die
tentoonstelling wil ik dit verhaal beginnen.
De tentoonstelling van 1896
Op 5 oktober 1896 stond in de Zwolsche Courant
te lezen dat onlangs bij de heer Waanders op de
Grote Markt stukken (d.w.z. schilderijen) van Co
Breman geëxposeerd waren geweest. Nu waren er
vier stukken te zien van Jan Harm Weijns.
Beide schilders waren te Zwolle geboren, respectievelijk
in 1865 en 1864, en beiden waren leerling
van Jan Derk Huibers. Deze was van 1872 tot
en met oktober 1881 tekenleraar aan de Zwolse Tekenschool.
Een paar weken later, op 21 oktober, stond in
de krant weer een mini-expositie aangekondigd.
Ditmaal waren er in het vergrote magazijn van de
heer Uiterwijk in de Diezerstraat vijf schilderijen
te zien van de Zwollenaar J.W. Meijer.
Terwijl deze kennelijk in de mode zijnde winkel-
exposities elkaar opvolgden, bereidde de Tentoonstellingscommissie
van de Zwolsche Vereeniging
tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer
en tot Verfraaiing van Stad en Omstreken (de
voorloper van de huidige vvv), haar eerste ‘grote’
schilderijententoonstelling voor. Van een leien
dakje ging het niet, want de opening moest veertien
dagen worden uitgesteld.1 De oorzaak van
deze vertraging was het feit dat het Nova Zemblapanorama
van Apol – het ‘pièce de resistance’ –
niet op tijd in Zwolle kon zijn door verlenging van
een tentoonstelling elders.
De tentoonstelling werd gehouden van zondag
1 november tot en met zondag 8 november op de
bovenzaal van de Harmonie aan de Grote Markt.
Een advertentie van het bestuur van de Vereeniging
in de Zwolsche Courant van 2 november
maakt duidelijk dat het twaalf meter lange, uit zes
tableaux bestaande stuk ‘Nova Zembla’ de trekpleister
van de tentoonstelling vormde. Dit was het
Henk ten Dam
Advertentie in de
Zwolsche Courant van
2 november 1896.
OP DE BOVENZAAL VAST X>E HARMONIE TE ZWOLLE
Van vZondag 1 tot (Zo.ndag 8 November 1896 . .-
‘. van .de beroemde 12, meter lange Schilderij van Apol
S’;: S “v en van!verschillende andere fraaie
Toegangskaalten a 25 Cent in1 verschillende Magazijnen verkrijgbaar.
Donderdag 5 ïfovember entree “tegen afgifte van twee kaarten.
HET BESTUUR VAN, 3E VEREENIGING
TOT BEVORDERING VAN HM’ VREEMDELINGENVERKEER
66 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werk van L.F.H. (Louis) Apol. Apol had in 1880 een
reis naar Nova Zembla gemaakt met het schip
‘Willem Barentsz’. Hij voelde zich zeer aangetrokken
tot winterse landschappen en besneeuwde
bossen waren favoriet bij hem. Het eigenlijke
panorama Nova Zembla bevond zich in die tijd in
Amsterdam. Het was op veel grotere schaal, en onder
leiding van Apol, grotendeels door anderen gemaakt.
Vereeniging tot bevordering vau ?t Vreemdelingenw;
^iyèrkecr ;fenz. te Zwolle.
. ..-. . • .’ ‘••-: . v ” – .,•.!-,•’ w e r k e n . v a u d e H e e r e n ••”•’
:• ‘:”,•• Th;,DE..B0CK SIÉBE T E N CATE;.FRITS-MONOMAAN, o n a n d e r e n •••:•;•••
L ‘.’ ‘ . ••’• , . ‘ . ‘ op d e •
‘ ; . BOVENZAAL DER HARMONIE .
Zaterdag 5 Juni tot en met Maandag 14 Juni.
Dagelijks van 10 tot 5 uur. Entree 2 5 cents.
. ••’• Leden en- Donateurs hebben voor de hun toegezonden Mart’eenmaal persoonlijk toegang tot de
.Tentoonstelling. .; . ‘ •••-‘•. ‘ ‘ ‘ •••”‘” –
• ‘ Kaarten, verkrijgbaar bij’.de bekende’ adressen en in de Harmonie. .
Advertentie in de
Zwolsche Courant van
5 juni 1897.
Behalve het werk van Apol, waren er zo’n twintig
andere stukken te zien. Hier waren enkele zeer
kostbare werken bij. De recensent van de Zwolsche
Courant noemde op 2 november werken van Willem
Maris, Van de Sande Bakhuijzen, Van Borselen,
Leickert, Hooper, Oppenoorth, Eerelman,
Andreotti, Jan van Beers en Von Kemendy.
Enigszins afgescheiden van de schilderijen waren
ook nog foto’s te zien, die ‘ter opluistering’ ingezonden
waren door de Zwolsche Amateur Photografen
Vereeniging.
De behanger en stoffeerder Kolkman zorgde
voor de aankleding van de expositieruimte. De
tentoonstellingscommissie zelf verbeterde de verlichting
van de schilderijen door op donderdag
drie acetyleen-standaards te plaatsen. Tijdens de
avonduren konden de schilderijen hiermee verlicht
worden. Twee van deze standaards kwamen
tegenover Nova Zembla te staan en de derde tegenover
de zuidelijke wand.
Reacties en belangstelling
De Zwolsche Courant was blij met deze tentoonstelling:
op 2 november staat in de krant te lezen
dat zij zich verheugde dat het bestuur van de Vereeniging
‘ook in deze richting werkzaam is, daar
onze plaats tot dusver al zeer weinig te zien kreeg
op dit gebied’.
De belangstelling voor de tentoonstelling was
tijdens de openingsdag vrij groot: er kwamen 86
personen kijken. De woensdag daarop brachten
194 personen een bezoek aan de tentoonstelling.
Daaronder waren 25 leerlingen van de school van
de heer Wuite, die voor een geringe vergoeding in
de gelegenheid werden gesteld om te komen. Dit
voorbeeld van schoolhoofd Wuite werd op zaterdag
door twee andere schoolhoofden gevolgd: in
totaal leverde dat 88 leerlingen als bezoekers op.
De toegangsprijs, die op 25 cent was vastgesteld,
werd voor schoolkinderen op zaterdag gehalveerd.
Ook op zondag gold een gereduceerd tarief:
tot 14.00 uur betaalde men 10 cent. Na die tijd
was het weer 25 cent.
In totaal bezochten 1188 betalende bezoekers
de tentoonstelling, waarvan alleen al op zondag
vóór 14.00 uur 348. De Zwolsche Courant was zeer
tevreden over het verloop van de tentoonstelling.
Zij schreef op 10 november dat de organisatoren
‘die deze zaak hebben op touw gezet, hebben alle
voldoening voor de vele moeite en zorgen die zij
zich in dezen hebben getroost. Aan velen, die anders
minder in de gelegenheid zijn, hebben zij uitnemend
kunstgenot bezorgd’.
Overigens is het nog interessant te vermelden
dat de Vereeniging aanvankelijk van plan was geweest
schilderijen en tekeningen van Jan Toorop
tentoon te stellen. Het plan sprong volgens de recensent
af op de hoge kosten. Bovendien zou het
ook wat te gewaagd zijn om in Zwolle, waar zo
hoogst, hoogst zelden schilderijen, aquarellen of
tekeningen te zien waren, te beginnen met produkten
van zo’n nieuwe en excentrieke kunstuiting.
Werden er nu ook schilderijen verkocht? Jazeker.
Direct al tijdens de opening ging het eerste
schilderij van de hand. Het was een groot winterlandschap,
‘De Ijsbaan’ van Charles Leickert.
Daarna werd nog een schilderij verkocht, maar het
is niet bekend van wie dat was. Tenslotte werden
:WOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Théophile de Bock,
Keienberg. Houtskooltekening
(foto: H. ten
Dam).
Onder: Het uiterwaarden-
kleigaten-landschap
ter hoogte van de
Renkumse Molenbeek
en de Strang, voorjaar
1987 (foto: H. ten Dam).
op donderdag nog twee schilderijen verkocht:
‘Het Landschap’ van Van Borselen en ‘Landschap
met Schapen en Geiten’ van Rosa Bonheur. Deze
laatste schilderes was overigens niet door de recensent
genoemd.
Bestuur
Ongeveer gelijktijdig met de kunsttentoonstelling,
namelijk van 6 tot en met 8 november, had de
Vereeniging een driedaags bloemenfeest georganiseerd
in de grote zaal van de Buitensociëteit. De
zaal was door chrysanten en andere sierplanten
herschapen in een soort wintertuin, met als middelpunt
een fontein.
De verenigde Zwolse bloemisten hadden het
grootste deel van de organisatie op zich genomen,
maar de financiële aspecten werden door de Vereeniging
behartigd. Jan van Rees zette zich daar als
‘president’ of ‘voorzitter’ van de afdeling Vreemdelingenverkeer
voor in.
Wie de overige leden van het bestuur en de
commissie waren, weet ik niet. Nergens ben ik na-
Links: Signering door
Théophile de Bock.
Detail van de tekening
‘Keienberg’ (foto: H. ten
Dam).
68 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
men tegengekomen. Mij is alleen bekend dat Jan
van Rees, firmant in Jan van Rees & Zoon in
theeën en verzekeringsagent, op 8 mei 1896 aan het
bestuur van de Vereeniging liet weten dat hij zijn
verkiezing als bestuurslid aanvaarddde.2 Kort
daarop of misschien zelfs al direct, moet hij als
voorzitter zijn benoemd. In oktober en november
1896 noemde hij zich tenminste ‘president’ of
‘voorzitter’ van de afdeling Vreemdelingenverkeer.
In deze functie had hij met de bloemententoonstelling
te maken.
De organisatie van de kunsttentoonstelling zal
vermoedelijk voor rekening zijn gekomen van de
afdeling Verfraaiing van Stad en Omstreken. Als
dat zo is, dan weten we in elk geval zeker dat in
juni 1897 Hermannus van Gorkum voorzitter van
die afdeling was.
De tentoonstelling van 1897
In dit tweede deel van mijn verhaal kan ik wat
meer persoonlijke en zakelijke details vertellen
dan in het eerste deel het geval was. Dit is mogelijk
dankzij het brievenboek van mijn grootvader Jan
van Rees, die als invaller de leiding van de tentoonstelling
van Hermannus van Gorkum overnam.
Het gebruik van deze bron geeft onvermijdelijk
een enigszins eenzijdig beeld, want over de
activiteiten van de vele andere enthousiaste betrokkenen
vernemen we niets. Ten opzichte van
die onbekende anderen krijgt Jan van Rees hier
dus teveel aandacht.
Op 30 april 1897 hield de Vereeniging haar
tweede algemene ledenvergadering in de bovenzaal
van café Frans Vulker, gelegen in de Luttekestraat.
Van de 216 gewone leden waren er – behalve
het bestuur – slechts twee aanwezig! Aan het eind
van de vergadering deelde de voorzitter mee dat er
van zondag 30 mei tot maandag 7 juni in de bovenzaal
van de Harmonie aan de Grote Markt een tentoonstelling
zou worden gehouden van schilderijen
van Théophile de Bock en Siebe ten Cate.3
Op 28 mei meldde de krant inderdaad dat deze
tentoonstelling de daaropvolgende zondag zou
beginnen. Drie dagen later, dus op 31 mei, moest
de krant echter berichten dat er een kink in de kabel
was gekomen, doordat de schilderijen van
Théophile de Bock niet verzonden konden worden,
‘daar de expositie te Dordrecht, waar ze zijn
tentoongesteld, een week is verlengd’.
Zaterdag 5 juni stond in de krant te lezen dat
de schilderijen van Théophile de Bock zeer spoedig
verwacht werden. De heren van de Vereeniging
hadden intussen besloten door te zetten en de
bovenzaal van de Harmonie in te richten met
schilderijen, aquarellen en pasteltekeningen van
Siebe ten Cate uit Parijs, van Frits Mondriaan en
van nog enkele anderen.
Pas in de namiddag van tweede pinksterdag (7
juni) kwamen de 30 schilderijen en 43 tekeningen
samen met De Bock zelf aan in Zwolle. Direct
daarop begon het comité met de plaatsing van de
werken. Volgens de Zwolsche Courant van 9 juni
mocht het zich daarbij ‘verheugen in de wenken
en de persoonlijke medewerking van den heer De
Bock, zoodat zooveel dit mogelijk was, aan ieder
genre de juiste plaats is toegekend en zeer goed
voor de lichtverdeling is gezorgd. De stukken komen
mooi uit op den eenvoudigen maar smaakvollen
achtergrond. Wij vertrouwen dat het niet
aan bezoekers zal ontbreken. Van ’s morgens 10
tot des namiddags 5 is de toegang open’.
Jan van Rees
Jan van Rees was met zijn broer Hein en zijn vader
Jan Wijnand, compagnon in de firma Jan van Rees
& Zoon. Het kantoor en magazijn van deze theehandelaren
lag aan de Thorbeckegracht en de
Spinhuisbreehoek.
In het begin van het jaar 1897 had Jan van Rees
het extra druk wegens ziekte van zijn broer Hein.
Zo schreef hij op 11 februari aan zijn zwager Chris
van Enter: ‘Hein is nog lang niet goed, hij logeert
nu met Truus (Makking, zijn vrouw-HtD) op de
Thorbeckegracht. Zijn voorjaarsreizen doe ik denkelijk
allen voor hem. Maandag (15-2) ga ik op reis
en bljf minstens 2 maand uit’.4
Heins ziekte leidde eind april tot zijn dood.
Kort daarop zal Jan enige tijd thuis zijn geweest
voor de begrafenis en voor het regelen van de nalatenschap.
Direct daarna zette hij echter zijn reizen
voort. Pas begin juni kwam hij in Zwolle terug.
Drie maanden achter elkaar had hij rondgereisd
per koets: op zaterdagavond kwam hij thuis
en op maandagmorgen vertrok hij weer vroeg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 69
Omstreeks die tijd, dus begin juni, moest de
voorzitter en tweede secretaris van de Vereeniging,
Hermannus van Gorkum, steeds vaker verstek
laten gaan. De reden hiervan was, zo meen ik
te mogen stellen, de ziekte van zijn oudste dochter
Louise Alexandra.5 Van Gorkum vroeg daarom
aan zijn medebestuurslid Jan van Rees of hij zo
Verkoop
Aan het eind van de eerste tentoonstellingsweek
was het nog droevig gesteld met de verkoop van de
geëxposeerde werken. Er was slechts één bod uitgebracht
op een schilderij van Mondriaan. Om de
verkoopmogelijkheden te vergroten wilde Jan van
Rees de tentoonstelling verlengen. Op 11 juni
nodig voor hem wilde inspringen. Toen de situatie
bij Van Gorkum thuis verslechterde, ging hij buiten
de stad medische hulp voor zijn dochter zoeken.
Jan van Rees nam daarop op woensdag 9 juni
definitief de leiding van de tentoonstelling op
zich.
Al eerder, na de inrichting van de tentoonstelling
op tweede pinksterdag, had Jan van Rees
Théophile de Bock meegenomen naar zijn huis op
‘Het Hardenberg’, Groot Wezenland 31, om daar
samen met zijn vrouw Jenny van Rees-van Enter
de avondmaaltijd te gebruiken. Een briefje van Jan
van Rees aan De Bock getuigt daarvan: ‘Wanneer
zien wij U weer, ons huis staat steeds graag voor U
open’.6
schreef hij daarom naar Siebe ten Cate, Théophile
de Bock en Frits Mondriaan, en hij stelde hen voor
om de tentoonstelling een week langer open te
houden. Per brief of telegram lieten alle drie heren
weten akkoord te gaan.
Van Rees zorgde vervolgens voor het aanplakken
van de door De Bock veranderde ‘reclamekaarten’
(een soort affiche?-HtD). Ook liet hij catalogus-
nummers drukken op grijsgeel karton om
de wat slordig, met de hand geschreven nummers
bij de schilderijen te vervangen. Tevens vroeg hij
De Bock naar de mogelijkheden om de verkoop
verder te stimuleren.
Dat verkoop van geëxposeerde werken noodzakelijk
was, was voor de recensent van de Zwolsche
Courant duidelijk. Hij schreef op 11 juni: ‘Zal
Thorbeckegracht, gezien
naar de Diezerpoortenbrug,
1902. Op Thorbeckegracht
.19 was de theehandel
van Jan van
Rees gevestigd (foto: Gemeentearchief
Zwolle;
reprografie f.P. de Koning).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groot Wezenland, circa
1900. Deze woningen
stonden bekand onder
de naam ‘den Hardenberg’.
Op Groot Wezenland
31 woonde Jan van
Rees (foto: Gemeentearchief
Zwolle; reprografie
J.P. de Koning).
’t mogelijk wezen en blijven, wat wij zoo van harte
hopen, dat wij geregeld zulke exposities in Zwolle
krijgen, dan is het hoogst wenschelijk dat er
kunstwerken worden aangekocht, omdat dit een
van de bestwerkende middelen is tot het geëxposeerd
krijgen van mooie werken. Een groote keus
van mooie werken heeft men hier zeer zeker’.
Ook de kunstenaars hadden uiteraard belang
bij verkoop van hun werken, maar dat gold eveneens
voor de organiserende vereniging. In dit geval
kreeg de Vereeniging 10% van de bedongen
verkoopprijs voor het vinden van aspirantkopers
en voor het bemiddelen tussen deze aspirantkopers
en de kunstenaars. Leden van de commissie
klampten daartoe bezoekers aan, die ze qua financiële
draagkracht in staat achtten een schilderij te
kopen. Jan van Rees schreef zelfs enkele bekende
schilderijenbezitters aan. Eén zo’n brief, aan mr
C.F. Kaempff, is bewaard gebleven:
‘Naar ik van terzijde hoorde was U voornemens
op onze schilderijententoonstelling iets aan
te kopen, daarom ben ik zo vrij U ingesloten de
catalogus te zenden en U eventueel de bemiddeling
van de Commissie aan te bieden. Vooral De
Bock en ook ten Cate zijn vertegenwoordigd door
prachtige stukken, de recensie in de Zwolsche
heeft U zeker geheel op de hoogte gesteld. (…)
Aangenaam zal het ons zijn zoo U mocht overkomen,
daarvan even bericht te ontvangen, daar wij
dan zullen zorgen dat een paar commissieleden tegenwoordig
zijn. Zullen wij in ’t vervolg deze tentoonstellingen
kunnen houden, dat toch zeker
zeer gewenscht is, dan is verkoop no. 1 op ’t programma
en tot dusver werd nog slechts 1 schilderij
verkocht’.7
Op 18 juni bracht mr Kaempff, advocaat, notaris
en lid van de Zwolse gemeenteraad, inderdaad
een bezoek aan de tentoonstelling. De volgende
dag schreef Jan van Rees hem:
‘Naar aanleiding van uw bezoek aan de schilderijententoonstelling
kom ik U namens het Bestuur
er even op attent maken, dat Zondagavond 7
uur de sluiting plaats heeft. Mocht U eens ongestoord
de schilderijen willen bezien, dan zijn wij
graag bereid, b.v. van avond tusschen 7 en 8 de
zaal voor U open te houden en zoo u dan een deskundige
over een en ander zoudt willen raadplegen
dan zijn wij overtuigd, dat de Heer de Jong,
teekenleeraar der R.H.B.school, die de recensie in
de Zwolsche schreef, graag bereid is U van dienst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
te zijn. Tusschen 1 en 2 van middag zal ik mij de
eer geven, ten Uwent, Uw antwoord hierop te komen
vragen’.s
Mogelijk heeft deze persoonlijke benadering
het gewenste effect gehad. Bij de sluiting van de
tentoonstelling waren er althans nog maar vier
schilderijen verkocht, zoals de Zwolsche Courant
op 22 juni wist te melden. Een week later schreef
diezelfde krant dat er nog twee stukken verkocht
waren, namelijk twee schilderijen van Siebe ten
Cate, ‘De Maas bij Rotterdam’ (catalogusnummer
2; zie bijlage) en ‘Dordrecht’ (catalogusnummer
onbekend). Het is heel goed mogelijk dat mr
Kaempff de koper van deze twee schilderijen is geweest.
In totaal werden er dus zes schilderijen verkocht.
Behalve de twee stukken van Siebe ten Cate
waren dat ‘Op Katwijk’ van Frits Mondriaan (catalogusnummer
49), ‘Maanlicht’ van De Bock (catalogusnummer
74?) en ‘Houtpioenen’ en “t Musschennest’
van Jacoba L. van Essen.
Al met al zal de Vereen iging met de verkoop
van deze zes schilderijen toch nog aardig wat
courtage opgestreken hebben. Toch moet toen al
duidelijk geworden zijn dat de markt voor schilderijen
in Zwolle beperkt was en snel verzadigd.
Overigens was ook het aantal bezoekers lager
dan bij de eerste tentoonstelling. In twee weken
Boven: Grote Markt te
Zwolle met ‘de Harmonie’
waarde tentoonstellingen
gehouden
werden
(foto: Gemeentearchief
Zwolle; reprografie J.P.
de Koning).
Grote Markt te Zwolle,
anno 1910
(foto: Gemeentearchief
Zwolle; reprografie J.P.
de Koning).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tijd kwamen er slechts een kleine 700 betalende
bezoekers. Aan de entreeprijs kan het niet gelegen
hebben. Die was nog steeds 25 cent, terwijl op zondag
slechts 10 cent betaald hoefde te worden.
Niet onvermeld mag blijven dat Van Rees ook
mr A. van Naamen van Eemnes probeerde te interesseren
in de aankoop van een of meerdere schilderijen.
Hij moet beide heren ongeveer gelijktijdig
benaderd hebben. In elk geval meldt Van Rees op
15 juni aan Théophile de Bock: ‘Verschillende
kunstliefhebbers en koopers animeerde ik tot aankoop,
zoowel mondeling als schriftelijk. – De Heer
van Naamen van Eemnes schreef mij terug, dat hij
geen ruimte meer beschikbaar had en dus niet
meer kocht, wij willen hopen dat de anderen er
beter over denken’.9
De tekening van Théophile de Bock
Vermoedelijk aan het eind van de eerste tentoonstellingsweek
kreeg Jan van Rees een brief van
Théophile de Bock, waarin hij hem als herinnering
aan hun aangename kennismaking aanbood
een tekening uit te kiezen uit de 43 tekeningen en
schetsen die van hem op de tentoonstelling hingen.
Het zal een gebaar geweest zijn om zijn tot
twee keer toe vertraagde inzending op de tentoonstelling
goed te maken, alsook om dank te brengen
aan Jan van Rees en zijn vrouw voor de ontvangst
op 7 juni. Bovendien was hij Jan van Rees speciale
dank verplicht voor zijn inzet om de verkoop van
de schilderijen te stimuleren. Jan van Rees spreekt
in een zakelijke brief aan De Bock van 15 juni pas
aan het slot in heel korte bewoordingen zijn dank
uit: ‘Uit Uw teekeningen koos ik voorloopig die
getiteld ‘Keienberg’ en plaatste er ter animeering
‘verkocht’ onder. Vriendelijk dank voor deze royale
herinnering aan onze aangename kennismaking.
Hopende dat spoedig onderhandelingen
over aankoop Uwer schilderijen U nopen zullen
over te komen, teeken ik (…)’.10
Direct volgend op het dankwoord werd Van
Rees dus weer zakelijk. Zou hij zich niet lekker gevoeld
hebben, dat hij als voorzitter van de commissie
een dergelijk geschenk kreeg en bleef hij
daarom zo ingetogen? Sprak hij er daarom pas
over aan het eind van zijn brief? Intussen vermoed
ik toch dat Jan en Jenny van Rees-van Enter door
dit aanbod van De Bock zeer gevleid waren.
Zij lieten hun keus dus vallen op de houtskooltekening
getiteld ‘Keienberg’. Het heeft me heel
wat speurwerk gekost om met vrij grote zekerheid
te kunnen zeggen dat de tekening geïnspireerd is
op het uiterwaarden- en kleigatenlandschap langs
de noordelijke oever van de Rijn ter hoogte van
Renkum. De Bock woonde in die jaren in Renkum,
aan de Nieuwe Weg. Ten noorden van zijn
woning lag het landhuis Keienberg en daaromheen
het landgoed met dezelfde naam. Tegen het
einde van de negentiende eeuw behoorde daar
ook een deel van de uiterwaarden toe. En daarvan
maakte De Bock deze tekening, precies op de
plaats waar de Renkumse Molenbeek uitmondt in
de Strang.
De tekening kan vrij nauwkeurig gedateerd
worden, namelijk tussen 1895, het tijdstip waarop
De Bock zich in Renkum vestigde en juni 1897,
toen de tekening in Zwolle geëxposeerd werd.
Op de achterzijde van de tekening staat een
houtskoolschets van een soortgelijk rivierenlandschap.
Er zijn ook enkele bouwsels en een boot
met mast op te zien. Deze schets kwam te voorschijn,
toen de tekening in juli 1991 uit de lijst werd
gehaald om schoongemaakt te worden.
De tekening werd eerst zonder passepartout
ingelijst in een smal wortelnotenhouten lijstje. De
prent bleef in het huis van mijn grootouders totdat
mijn grootmoeder in 1941 stierf. Na haar dood
kwam de prent in bezit van haar dochter – mijn
tante – Lu Hingst-van Rees. Toen zij in 1955 stierf,
kreeg ik de prent als herinnering aan haar, zonder
ook maar ooit iets gehoord te hebben over de herkomst
ervan.
Na de tentoonstelling
Direct na de sluiting van de schilderijententoonstelling
begon men de bovenzaal van de Harmonie
in orde te maken voor een expositie gravures, etsen,
autotypen, aquarellen en fotografieën, ingezonden
door de firma Jacob Tamse & Postel aan
de Sassenstraat. Al op woensdag 23 juni werd deze
tentoonstelling, die wederom onder het patronaat
van de Vereeniging stond, geopend.
Jan van Rees trok zich echter al spoedig terug
uit het bestuur van de Vereeniging. Op 2 augustus
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 73
1897 schreef hij aan president S.J.H. Trooster:
‘Door het overlijden van mijn broeder zijn mijn
werkzaamheden, in ’t bizonder het reizen, zoodanig
toegenomen, dat ik mij tot mijn spijt genoodzaakt
zie U mede te deelen, dat ik voor het bestuurslidmaatschap
der Vereeniging Vreemdelingenverkeer
enz. bedank’.”
Het bestuur vergaderde over de brief en besloot
dat de tweede secretaris Hermannus van
Gorkum schriftelijk aan Van Rees zou vragen zijn
voornemen ongedaan te maken. Het antwoord
van Van Rees is duidelijk:
‘Zeer gevoelig voor den vriendelijken aandrang,
waarmede Uw bestuur mij tracht terug te
doen komen op mijn besluit, moet ik U tot mijn
spijt mededeelen, dat ik ’t juist in ’t belang der
Vereeniging acht, daarbij te volharden. – Alleen
mannen die behalve lust en ijver ook tijd hebben
flink voor de belangen aan onze Vereeniging toevertrouwd
te werken, moeten in mijn ogen zitting
nemen in haar bestuur en daar mij geheel den tijd
ontbreekt en in de eerste jaren ontbreken zal om
metterdaad zoo voor haar werkzaam te zijn, als ik
dat wel zou willen, verzoek ik U aan Uw bestuur
mede te deelen, dat ik tot mijn grooten spijt mijn
besluit tot aftreden moet handhaven’.’2
Dit komt mij voor als een respectabel en verstandig
besluit, temeer als we weten dat Van Rees
in 1896 boekhouder/penningmeester van de
doopsgezinde gemeente was. In 1897 werd hij president
van het doopsgezinde kerkbestuur, dat in
die tijd verwikkeld was in noodzakelijke, maar
stroef verlopende fusiebesprekingen met de andere
doopsgezinde gemeenten in de regio. Bovendien
had hij verschillende hobby’s. Hij verzamelde
postzegels, had duiven, kippen en konijnen en een
tuin met rozen, lathyrus en oost-indische kers.
Tenslotte was hij een enthousiast fietser.
Tenslotte
Ik wil dit verhaal van de twee schilderijententoonstellingen
besluiten met de opmerking die ik al
eerder maakte: er waren natuurlijk meer enthousiaste
leden van de tentoonstellingscommissie,
maar ik ken hun namen niet, laat staan de bijzondere
aard van hun inzet.
Ik ben benieuwd of er in Zwolle nog mensen
zijn die over de beide tentoonstellingen in 1896 en
1897 meer weten en/of in het bezit zijn van toen
gekochte schilderijen.
Bijlage
Catalogus van de tentoonstelling van 1897
Deze catalogus heb ik gedeeltelijk kunnen reconstrueren
uit de recensie in de Zwolsche Courant
van 11 juni 1897 en uit gegevens in het kopieboek
3 van Jan van Rees.
Waar mogelijk, heb ik achter de titels de reactie
van de recensent opgenomen.
nr. titel/onderwerp
Siebejoh. ten Cate (1858-1908)
2 De Maas bij Rotterdam (olieverf)
onbekend Gezicht op Dordrecht
6 Omstreken van Brugge
7 Omstreken van Brugge
13 La Rue de la Chapelle de Paris (pastei)
‘Wat een waarheid in die besneeuwde, triestige,
natkoude straten met de wegnevelende huurrijtuigen
en de enkele voetgangers’.
14 LePontNeufa Paris
17 Parijse straatscene: een werkende straatatleet
‘.. .die moet vooral gezien worden’.
18 Parijse straatscene
25 Waterloo Station Londen
‘Kranig! Frappant in zijn soberheid …avond …
een trein rechts, komend in den nevel om den
hoek van een weg … een paar lantaarns links’.
28a Gezicht op Thorbeckegracht Zwolle (aquarel)
onbekend nog vier aquarellen
‘Ook bij de schilderijen en pastels vinden we kijkjes
op onze stad, waarvan een enkele wel een
beetje ‘gestyleerd’ is’.
Jacoba L.van Essen (1870-1936)
35 Houtpioenen!
‘Als bloemschilderes genoeg bij ons bekend’.
(36) ’t Musschennest
37 Strand bij Scheveningen
‘Heeft vele goede eigenschappen in kleur en teekening’.
zonder nr. Lichte papavers
‘Het beste van Mej. van Essen’.
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hendrik Savrij (1823-1907)
zonder nr. landschap
‘Hoort hier tussen al die voortbrengselen van
mooie kunst niet thuis, ’t Hoort hier thuis als een
boer in de Eerste Kamer, als een modderschuit
tusschen een oorlogsvloot. Het is slecht, niet in
het minst van teekening. Zulke mismaakte koeien
als we hier vinden hooren op de kermis thuis
in een tentje’.
Louis Apol (1850-1936)
39 :’een schilderij’
Frits Mondriaan (1853-1932)
40 Duinkant
‘Een kapitaal stuk, dat het heel goed doet zolang
men nog niet verwend is door de hooge kunst
van De Bock. Ondanks het “doorvoed” zijn, zou
men de “Duinkant” breeder van opvatting wenschen,
zooals zijn “Dennenbosch”, nr. 50, met de
groote paddestoelen, en de kleurstudie “Toren
van Rijnsburg”, nr. 46’.
46 Toren van Rijnsburg
47 Bennekomseweg
‘.. .met berken, dat wel iets lager mocht hangen,
evenals z’n buurman’.
49 Op Katwijk
50 Dennenbosch met groote paddestoelen
Théophile de Bock (1851-1904)
52 Zandgraverij (olieverf)
‘Lest best. Bij de Bock vol, groot licht, geen nevel.
Hoe breed is dit geschilderd en hoe mooi is ’t van
kleur’.
54 De twee Lindebomen
‘…met het hooge groen en de ijle, lichtende
lucht’.
56 ?
61 ?
67 In de bosschen van Doorwerth
71-74 Vier schilderijen
‘…waarvan niet ’t minst mooie is “Renkum langs
de rivier”, vooral als men de vergulden lijst wegmaakt
en even op ’n afstand gaat. Het is alles zoo
frisch, zoo in-gezond het werk van De Bock’.
74 Na zonsondergang (wellicht hetzelfde als Maanlicht)
80 Op Oranje Nassau (een landgoed-HtD)
zonder nr. 43 tekeningen en schetsen waaronder
‘Zandgraverij’ en ‘Keienberg, Renkum’
‘Wie van de schilderijen van de Bock komt, verwacht
niet anders dan kranige, meesterlijke,
breed-gedane studies en in die verwachting
wordt men waarlijk niet teleurgesteld’.
In de tweede week, dus na de verlenging, is de tentoonstelling
nog aangevuld met werken van:
Jozef Israëls (1824-1911)
zonder nr. Verkleumd (vraagprijs ƒ 2500,-)
zonder nr. Als men oud wordt (vraagprijs ƒ 2500,-)
zonder nr. Klein Jantje (vraagprijs ƒ 2500,-)
zonder nr. Korenveld (aquarel; vraagprijs ƒ 900,-)
Anton Mauve (1838-18
zonder nr. Boer achter ploeg (aquarel; vraagprijs
ƒ3500,-)
zonder nr. Een binnenhuis, stal (olieverf; vraagprijs
ƒ800,-)
Noten
1. Zwolsche Courant 13 oktober 1896.
2. Kopieboek3/36.
3. Zwolsche Courant 3 mei 1896.
4. Kopieboek 3/126.
5. Zij overleed op 1 juli 1897 op 11-jarige leeftijd.
(Zwolsche Courant 5 juli 1897).
6. Kopieboek 3/143.
7. Ibidem 3/147.
8. Ibidem 3/152. Zowel in november 1896 als in juni
1897 werden de recensies in de Zwolsche Courant
ondertekent met de initialen A.L.V.B. Uit deze brief
van Van Rees wordt duidelijk dat de tekenleraar De
Jong optrad als recensent.
9. Ibidem 3/148.
10. Ibidem.
11. Ibidem 3/156.
12. Ibidem 3/163.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Jongere bouwkunst in Zwolle
In een drietal eerder in het Zwols Historisch
Tijdschrift gepubliceerde artikelen is aandacht
besteed aan de bouwkunst uit de periode
1850-1940, de zogenaamde jongere bouwkunst.
In het eerste artikel van deze serie (1990, nr. 4)
is aandacht besteed aan de stedebouwkundige
ontwikkelingen in de periode 1850-1940. Het tweede
artikel (1991, nr. 2) ging over de jongere bouwkunst
in de binnenstad en het derde artikel (1992,
nr.i) behandelde gebouwen buiten de singels,
maar binnen de bebouwde kom. In dit laatste artikel
worden ter afsluiting nog enkele objecten in
het buitengebied beschreven. Merendeels zijn
deze gelegen in de voormalige gemeente Zwollerkerspel.
De interessante objecten worden hieronder
per categorie behandeld. De geografische spreiding
van de objecten maakt verschillende routes
mogelijk. Een boeiend gebied sluit direct aan de
zuidkant aan op de bebouwde kom en vormt de
verbinding tussen de stad en de rivier de IJssel.
Hier heeft een aantal belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen
plaatsgevonden.
Het Engelse Werk
Op de door Menno van Coehoorn aan het eind
van de zeventiende eeuw ontworpen verdedigingslinie,
is in 1809 een landschapspark aangelegd in
Engelse stijl door de Utrechtse tuinarchitect Hendrikvan
Lunteren. De gebogen lijnen van de paden
en de verspreide boomgroepen geven een sterk
ruimtelijke werking.
Veerhuis aan hetKaterveer
Op een karakteristiek punt, namelijk tussen de
nieuwe en de oude verkeersbrug over de IJssel,
staat op de rivierdijk het voormalige veerhuis. Het
Katerveer was tot 1930 één van de belangrijkste
veerverbindingen in ons land.
Katerveer sluizen aan Oude Veerweg
In 1819 werd de lang verbeide scheepvaartverbinding
met de IJssel gegraven. Dit kanaal doorsneed
een vestingwerk aan de rivier. Hierin werd een
dubbel sluizencomplex aangelegd, dat met name
opvalt door z’n begroeide taluds en de dubbele
ophaalbruggen. Het complex staat op de rijksmonumentenlijst.
Bruggen over de IJssel
De eerste vaste oeververbinding over de IJssel
kwam in 1864 tot stand. De spoorbrug was een belangrijke
schakel in het spoorwegnet, vooral in de
Jan Willem
van Beusekom
Katerveersluizen;
de kleine sluis
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Katen’eer•sluizen;
de grote sluis
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
Schutsluis aan de
Hasselterdijk
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
verbinding tussen het westen en noorden van het
land. De spoorbrug heeft aan weerszijden een lange
vaste aanloopbrug. In het midden een boogbrug
en een hefbruggedeelte, waardoor het scheepvaartverkeer
ook bij een hoge waterstand doorgang
kan vinden. Aan de Zwolse zijde bevindt zich
voor de aanloopbrug een spoorviaduct over de
Schellerdijk. In de gemetselde opleggingen bevindt
zich een steen met inscriptie ‘N.C.S.M. 1.905’.
De afkorting staat voor Nederlandse Centraal
Spoorweg Maatschappij.
Hoewel het aanvankelijk de bedoeling was om
de spoorbrug te combineren met een verkeersbrug,
heeft het nog tot 1927 geduurd voordat enkele
honderden meters stroomafwaarts aan een
tweede boogbrug werd begonnen. Deze werd in
1930 in gebruik genomen als onderdeel van de
Zuiderzeestraatweg.
Sluizen
Behalve het sluizencomplex aan het Katerveer bevinden
zich rond Zwolle meer sluisjes. Aan de
Maatgravenweg bevindt zich ‘het Nieuwe Verlaat’
in de Nieuwe Vecht die als verbinding werd gegraven
tussen Vecht en het kanaal naar Almelo.
Het sluisje heeft een kenmerkende ovale sluiskolk,
nog in vrijwel oorspronkelijke staat. Aan de HasZWOLS
H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 77
selterdijk bevindt zich een klein schutsluisje tussen
het Zwarte Water en de Oude Wetering, genaamd
Rademakerszijl.
Boerderijen
Het agrarische gebied rond de stad strekte zich tot
ver in de negentiende eeuw uit tot vrijwel aan de
rand van de historische binnenstad. Slechts enkele
stadsuitbreidingen hadden hier plaatsgevonden.
(Zie ook het eerste artikel).
Tal van boerderijen bevonden zich in dit gebied
dat inmiddels veel verder bebouwd is. Binnen
de bebouwde kom vinden we nog enkele karakteristieke
boerderijen. Aan de Klooienberglaan ligt
de gelijknamige dwarshuisboerderij uit 1848. Het
voorhuis valt op door zijn bei-étage met hoge achtruitsschuifvensters.
Aan de Helderlichtsteeg ligt de grote dwarshuisboerderij
‘het Helderlicht’, waarvan het voorhuis
twee bouwlagen telt.
Aan de zuidrand van de bebouwde kom bevindt
zich een aantal karakteristieke boerderijen
uit deze eeuw. Deze behoorden oorspronkelijk tot
het landgoed Zandhove, dat thans in sterk verbouwde
staat als verpleeghuis in gebruik is.
Aan de Hollewandsweg 38 ligt de in 1937 door
de architect P.A. Lankhorst gebouwde boerderij
‘de Hollewand’ met het uiterlijk van een landelijke
villa. Overeenkomstig van architectuur is de boerderij
‘de Oude Mars’ aan de Mars 2, ontworpen
door dezelfde architect in 1938 en opgezet rond
een rechthoekige binnenplaats. Aan de Hollewandsweg
23 staat een bijbehorende dienstwoning
die in dezelfde stijl gebouwd is en dus waarschijnlijk
van dezelfde architect is.
Afwijkend van architectuur is de boerderij
‘Bikkenrade’ aan de Hollewandsweg 40. Het heeft
een monumentaal toegangshek.
In de buurschap Oldeneel liggen aan de Oldenneelseweg
1 en 4 dwarshuisboerderijen met
een opvallend breed voorhuis, beide met een halve
verdieping. Op de IJsseldijk ligt aan de Kleine
Veerweg het eenvoudig classicistische huis ‘IJsselzicht’.
Dwarsh u isboerderij,
gelegen aan de Helderlichtsteeg
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Huis ‘de Schellerberg’
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
‘Frisia-state’, gelegen
aan de Ruiterlaan
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
Buitens
Rond Zwolle liggen tal van buitenplaatsen. Een
aantal daarvan dateert uit de periode van de jongere
bouwkunst.
Ten zuiden van de stad ligt in de buurschap
Schelle het huis ‘de Schellerberg’ uit 1876, met
landschappelijke tuinaanleg waarin enkele borstbeelden,
en een aardig dierenverblijf.
Aan de Ruiterlaan, oorspronkelijk buiten de
stad, ligt het buiten ‘Frisia-state’, dat in 1873/74 is
gebouwd naar een ontwerp van de architect L.H.
Eberson voor baron De Vos van Steenwijk.
Aan de Frankhuisweg ligt aan het water ‘het
Bildt’, gebouwd in 1848 met aangebouwd koetshuis.
Jarenlang heeft dit complex leeggestaan.
Op het landgoed Windesheim bevindt zich
een aantal aardige dienstwoningen aan de Windesheimerweg.
Aan de Heinoseweg staat het buiten ‘Boschwijk’,
een eenvoudig symmetrisch huis met een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
aardig torentje. Het was de laatste ambtswoning
van de burgemeester van Zwollerkerspel.
Villa’s
Een goed bewaard gebleven landelijke villa bevindt
zich aan de Haersterveerweg 27. Deze werd
in 1934 gebouwd naar een ontwerp van R.G. Rodenburg.
Het heeft een rieten schilddak. De stalen
kozijnen hebben een overheersend horizontale
roedeverdeling.
Een merkwaardig, geheel houten huis ligt aan
de Herfterlaan, direct aan de spoorlijn naar Dalfsen.
Het huis werd in de jaren twintig gebouwd in
opdracht van jonkheer van Nispen.
Tot voor kort stond aan de andere zijde van de
spoorlijn nog een geheel houten huis ‘Sorghvliet’.
Helaas is dit gebouw inmiddels vervangen door
nieuwbouw.
Aan de Beukenallee 1 werd in 1875 de villa ‘Vijverberg’
gebouwd naar een ontwerp van de architecten
W. en F.C. Koch. In 1909 werd het verhoogd
door de architect G.G. Post. In 1907-08 werd aan
de inrit een tuinmanswoning gebouwd. De tuinaanleg
is nog deels in oorspronkelijke staat.
Woonhuizen
In het oorspronkelijke buitengebied van Zwolle
liggen enkele concentraties van woningen, zoals
bijvoorbeeld langs de Oude Deventerweg. Hier
staat een aantal opvallende woningen. Het rijtje
met de nummers 46-48, 50-52, 54-56 en 58-60
heeft bijvoorbeeld een aan de art-nouveau verwante
architectuur.
Scholen
Een aardig voorbeeld van een plattelandschooltje
met aangebouwde woning staat tussen de buurschappen
Schelle en Oldeneel aan de Bosweg.
Begraafplaatsen
Nadat aanvankelijk in en om de kerk begraven
werd, kwam in de Franse tijd een wet tot stand die
Haersterveerweg 27
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Israëlitische begraafplaats
aan de Kuyerhuislaan
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
verplichte tot het aanleggen van begraafplaatsen
buiten de toenmalige stad. De twee vervolgens
aangelegde begraafplaatsen aan de Meppelerstraatweg
zijn reeds in het vorige artikel genoemd.
Nog verder buiten de stad vinden we met
name rond de Agnietenberg een concentratie van
begraafplaatsen.
Op het terrein van de voormalige buitenplaats
‘Kranenburg’ ligt thans de Algemene Begraafplaats
Kranenburg. Het landgoed is nog herkenbaar
in het toegangshek en het lanenstelsel op het
terrein. Eén van de oorspronkelijke bijgebouwen
is thans in gebruik als dienstgebouw. In de jaren
dertig zijn een aula en dienstwoning gebouwd met
karakteristieke rieten kappen.
De begraafplaats Bergklooster behoorde oorspronkelijk
bij het klooster op de Agnietenberg.
Het bijzondere van deze privé begraafplaats is het
feit dat alleen aangesloten families hier begraven
kunnen worden. Hier liggen dan ook bekende
Zwolse families als Van Haersholte, Van Haerst,
De Vos van Steenwijk en tal van anderen.
De kleine R.K. begraafplaats aan de Gasthuisdijk,
hoek Blaloweg, behoorde oorspronkelijk bij
het nabijgelegen Buitengasthuis.
In tegenstelling tot andere, merendeels ingetogen
joodse begraafplaatsen valt de Israëlitische begraafplaats
aan de Kuyerhuislaan op door het imposante
hek, waarvan de pijlers bekroond zijn met
grote vazen met gedrapeerde doeken en door de
grote aula met monumentale ingangspartij. Het
complex staat op de rijksmonumentenlijst.
Diversen
Aan de Hasselterdijk 43 staat een klein tolhuis met
een rieten dak en met een opvallende colonnade
aan de voorzijde. Recentelijk is aan de achterzijde
een nieuw bouwdeel toegevoegd.
Aan de Haersterveerweg lag tot voor kort op
een verhoging het eenvoudige classicistische gebouwtje
van theeschenkerij ‘de Agnietenberg’ uit
circa 1875.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
Tenslotte
Het veldwerk voor dit artikel is inmiddels ruim
drie jaar geleden uitgevoerd. Derhalve kan niet gegarandeerd
worden dat alles nog aanwezig is in de
staat waarin het beschreven is. Een aantal van de
beschreven objecten is inmiddels op de rijks of gemeentelijke
monumentenlijst geplaatst. Binnen
afzienbare tijd zal het Monumenten Selectie Project
van start gaan. Uit de in het kader van het Monumenten
Inventarisatie Project geïnventariseerde
objecten zal dan een keuze gemaakt worden
van objecten die in aanmerking komen voor
plaatsing op de rijksmonumentenlijst.
De in 1990 ter gelegenheid van de Open Monumentendag
uitgegeven ‘Wandel- en fietstocht
jonge bouwkunst in Zwolle’ bestrijkt een klein gedeelte
van het buitengebied. De brochure is verkrijgbaar
bij de vvv, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de Menno van Coehoornsingel.
Straatnamen, niet zo eenvoudig…
In 1942 vaardigde de Duitse bezetter de verordening
uit dat straten, die genoemd waren
naar levende leden van het koninklijk huis,
moesten worden omgedoopt.
Voor Zwolle had dat betrekking op de Wilhelminasingel,
de Wilhelminastraat en de Julianastraat.
Andere leden van het koninklijk huis, die
tegenwoordig in aanmerking zouden kunnen komen,
waren toen nog niet in een straat vernoemd.
Omdat de gemeenteraad in die periode buiten
spel was gezet, besloot burgemeester jhr mr
M.P.M, van Karnebeek op 28 maart van dat oorlogsjaar
om de drie genoemde straten respectievelijk
de volgende namen te geven: Bolwerksingel,
Willem de Zwijgerstraat en Louise de Colignystraat.
Toen Zwolle op 14 april 1945 werd bevrijd en
Van Karnebeek na een onderduikperiode weer op
de burgemeestersstoel plaatsnam, was zijn eerste
officiële daad: de ‘terugdoping’ van de drie betreffende
straten.
Wil Cornelissen
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ikonen uit Noord-Rusland
Lydie van Dijk Van 22 november 1992 tot 31 januari 1993 is
in het Provinciaal Overijssels Museum een
zeer bijzondere tentoonstelling te zien. Dit
keer geen onderwerp uit de regionale of lokale historie
en geen kunstenaar uit de streek, maar een
tentoonstelling met een internationaal karakter
met voorwerpen uit de Russische stad Vologda.
Vologda, een partnerstad van Zwolle, ligt zo’n 500
km ten noorden van Moskou.
Resultaten van deze internationale contacten
waren al eerder in het POM te zien in de vorm van
de kanttentoonstelling van de onderneming ‘Snezjinka’.
Voor bovengenoemde tentoonstelling heeft
het Staatshistorisch-en kunstmuseum in Vologda
een representatieve selectie gemaakt uit haar ikonencollectie.
Deze collectie bevat ongeveer 4000
ikonen, waarvan er 50 in het POM geëxposeerd
worden, zowel in de Gouden Kroon als in het
Drostenhuis. Enkele vertrekken van de vaste opstelling
zullen hiervoor ontruimd worden. Er zijn
zowel kerkikonen als ikonen voor privé-gebruik te
zien.
Het opzetten van een dergelijke tentoonstelling
is niet alleen organisatorisch een hele klus
(hoewel de ikonen uit één museum komen), maar
ook financieel. Het gaat de draagkracht van het
POM verre te boven. Gelukkig bleek een aantal bedrijven
en instellingen en het ministerie van wvc
bereid een financiële bijdrage te leveren om deze
tentoonstelling mogelijk te maken.
Ikoon komt van het Griekse woord eikoon, dat
portret of gelijkenis betekent. Het is een meestal
op hout geschilderde voorstelling van Christus, de
Moeder Gods (zo wordt Maria in de orthodoxe
kerk genoemd) en de heiligen. Zij maken in de
oosters-orthodoxe kerk, evenals het woord en het
sacrament, deel uit van de eredienst.
In het Westen had de religieuze kunst vooral
een educatieve en decoratieve functie. Hier ontwikkelden
individuele kunstenaars zich vooral sedert
de renaissance. De ikonenschilderkunst échter,
bleef door haar binding met de liturgie en de
daaruit voortvloeiende trouw aan vastgelegde
beelden ‘gevangen’ in een soort verstarring. Ikonenschilders
waren vertolkers van de onzichtbare
werkelijkheid. Zij werkten in anonimiteit en volgens
strikte regels. Ikonen werden niet als kunst
beschouwd en ikonenschilders golden dan ook
niet als kunstenaars.
Een ikoon bestaat uit planken van zo mogelijk
harsvrij hout. Op de uitgediepte ondergrond werd
lijm gestreken en linnen aangebracht. Daarna
bracht men in verschillende lagen krijt aan. Dit
was de ondergrond voor de schildering. De ikonenschilder
bracht de contouren van de voorstelling
aan, bedekte vervolgens de achtergrondvlakken
met bladgoud en bracht daarna de kleuren
aan. Soms werden ikonen gedeeltelijk bekleed met
een metalen versiering.
De geëxposeerde ikonen stammen uit de zestiende
tot en met de achtiende eeuw en geven een
goede indruk van de rijke traditie, die men op het
gebied van religieuze kunst in Noord-Rusland
kende. Zij weerspiegelen de politieke invloed in
het noorden van machtige steden als Novgorod,
Moskou en Rostov. Ook zijn er stukken die laten
zien dat de traditionele volkskunst een bron van
inspiratie was.
Een van de grote kerkikonen is een staande Nikolaas,
frontaal afgebeeld. Deze ikoon, Nikolaas
Zarajskij, 16,5 x 79,5 cm, is afkomstig uit de Leontij
van de Rostov-kerk te Vologda en dateert uit de
tweede helft van de zestiende eeuw.
Nikolaas is de meest vereerde heilige in Rusland.
Zoals bekend was hij bisschop van Mira in
Klein-Azië in de vierde eeuw. Hij nam deel aan het
concilie van Nicea in 325. In de orthodoxe kerk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
wordt zijn feest gevierd op 6 december en op 9
mei, de dag van de overbrenging van zijn gebeente
naar de stad Bari in Zuid-Italië. Nikolaas is de beschermheilige
van de handel en de scheepvaart.
De voorstelling van Nikolaas Zarajskij is het
oudste type Nikolaas-uitbeelding. Hierbij is Nikolaas
frontaal en ten voeten uit afgebeeld. Met zijn
rechterhand maakt hij een zegenend gebaar en in
zijn andere hand houdt hij een rijk versierd evangelieboek
vast. Het oorspronkelijke voorbeeld
voor deze ikoon is waarschijnlijk van Byzantijnse
herkomst, en zou volgens de legende in het jaar
1225 van Korsum naar het stadje Zarajsk zijn overgebracht.
Onderweg verbleef de ikoon lange tijd in
Novgorod, waar zij grote wonderen verrichtte.
Karakteristiek voor Nikolaas is zijn hoge voorhoofd,
als teken van zijn goedheid, en zijn korte
wit-grijze haar en volle ronde baard. Hij draagt
een liturgisch bisschopsgewaad van de orthodoxe
kerk, een kazuifel en een met grote kruisen bestikte
stola (omophorion).
3BE
Links- en rechtsboven verschijnen in een medaillon
Christus en de Moeder Gods. Zij reiken
Nikolaas de tekenen van het bisschopsambt aan,
het evangelieboek en het omophorion. De voorstelling
verwijst naar de legende dat in de nacht
voor de wijding tot bisschop Christus en Maria
aan de weifelende Nikolaas verschenen om hem te
overtuigen zijn nieuwe ambt te aanvaarden.
Deze en andere ikonen worden uitgebreid beschreven
in het boek over ikonen dat door uitgeverij
Waanders wordt uitgegeven.
Tegelijkertijd met de expositie in het POM
wordt in het Rijksmuseum Het Catharijneconvent
in Utrecht een tentoonstelling georganiseerd met
circa honderd ikonen uit Nederlands bezit. Het
boek getiteld Ikonen, dient tevens als catalogus
voor beide exposities. Een aantal auteurs behandelt
de verschillende aspecten van historie en ikonenschilderkunst.
Zo beschrijft mevrouw Adeline
M. Janssens, oud-directrice van het Centraal Museum
in Utrecht, de werkwijze en techniek van
ikonenschilders, de voorstellingswereld van de
ikonen en de geschiedenis van de eerste 1000 jaar
ikonenschilderkunst. Het vervolg hierop, ikonen
na de val van Constantinopel, wordt behandeld
door kunsthistoricus Simon Morsink, die ook de
beide catalogus-delen voor zijn rekening neemt
evenals een artikel over de ikonen uit Vologda.
Slavist en historicus Wim Coster beschrijft de geschiedenis
van het Russische Noorden.
Het is lang geleden dat

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1992, Aflevering 4

Door 1992, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

mvu
Historisch
• t t »>j f &

‘^•k
9E JAARGANG 1992 NUMMER 4 P R I J S F 9 , 5 O
9 2 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Hoek Dijkstraat/Assiesstraat
Links op de bovenste foto is de zijkant van
ijzergieterij ‘de Nijverheid’ van Wispelwey
te zien. Op diverse plekken in Zwolle zag
(en zie je nog steeds) door Wispelwey vervaardigde
brugleuningen en lantaarnpalen.
Als je vroeger het lef had om met door het voetballen
kaalgetrapte neuzen van je schoenen thuis te
komen, liep je het risico snibbig toegevoegd te
krijgen: ‘Ik mag wel schoenen van Wispelwey voor
je kopen.’
Rechts op de foto ziet u de lage panden waarin
jarenlang de vervoersmaatschappij VMD zat.
Het pand van Wispelwey is vervangen door een
bankgebouw, de panden van de VMD door appartementen.
Het pand op de hoek van de Thorbeckegracht
en de Dijkstraat is in oktober 1954 afgebroken
om de doorgang naar de stad te verbreden. Op
de hoek is nu een benzinestation gevestigd.
Boven: Hoek Dijkstraat/Assiesstraat (oude situatie).
Onder: Hoek Dijkstraat/Assiesstraat (nieuwe
situatie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Redactioneel Inhoud
In dit nummer van ons tijdschrift worden weer
enkele nieuwe aspecten van de oude Zwolse
geschiedenis belicht. U vindt een uitgebreid
artikel van H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler over de
stadsmusicus en organist van de Grote Kerk, Johann
Gottlieb Nicolai. Meer dan een kwart eeuw
bespeelde hij het beroemde Schnitger-orgel, soms
zelfs terwijl hij rookte!
De steenfabriek in Windesheim bestaat al zo’n
honderdvijftig jaar. Veel gebouwen in de omgeving
zullen met stenen uit Windesheim gebouwd
zijn. Johan Seekles ging de historie van de steenfabriek
na.
Wil Cornelissen beschrijft de joodse begraafplaats
aan de Kuyerhuislaan, de vroegere Watersteeg.
Al meer dan honderd jaar worden hier de
Zwolse joden begraven. De grafstenen leren ons
veel over deze bevolkingsgroep.
Aafje Lem vertelt in het tweede deel van haar
verhaal over de Zwolse fraters over Wessel Gansfort.
Ook hij zal aan het Haersterveer hebben staan
dromen…
D. Hogenkamp vraagt weer uw aandacht voor
zijn foto’s van oud en nieuw Zwolle. Wat is de stad
gegroeid. Een vooruitgang?
Verder wordt bij de nieuwe literatuur nog speciaal
gewezen op stadgenoot Johan Rudolf Thorbecke.
Ter gelegenheid van de onthulling van een
standbeeld van hem op het Stationsplein, zijn er
verschillende publikaties aan hem gewijd.
Tenslotte: onze vereniging groeit. Binnenkort
hopen we 600 leden te hebben. Helpt u mee?
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
J.G. Nicolai, stadsmusicus en organist (1744-1801)
H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler
De Waalsteenfabriek te Windesheim Johan Seekles
De joodse begraafplaats van Zwolle Wil Cornelissen
Zwolse fraters/2 Aafje Lem
Literatuur
Agenda
Mededelingen
Personalia
92
94
105
110
117
119
120
121
123
Omslag: Orgel in de Grote ofSt. Michaëlskerk te
Zwolle, vervaardigd in 1719-1721 door de gebroeders
Johan Georg en Frans Caspar Schnitger (foto: J.F.
van Os, Aalten)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
J.G. Nicolai, stadsmusicus en organist
(1744-1801)
H.C.J.Wullinken
F.D. Zeiler Naast de vier manualen van het in 1721 voltooide
orgel in de Grote Kerk te Zwolle,
trof men vóór de grote restauratie van
1955 een naam aan: ‘Johan Gottlieb Nicolai’. Deze
inscriptie doet vermoeden dat Nicolai iets te maken
heeft gehad met het Schnitger orgel. Inderdaad
woonde en werkte in het laatste kwart van de
achttiende eeuw in Zwolle een musicus met deze
naam. Hij had de eer de vijfde vaste organist in
successie van het beroemde orgel te zijn. Voor
hem hadden Everwijn Metelercamp, Wolter Wolters,
Henricus Radeker en Anthon Christiaan
Stechwey op de orgelbank plaatsgenomen.1
Organisten stonden destijds in dienst van de
burgerlijke gemeente en dientengevolge behoorden
benoemingen en ontslagen tot de competentie
van het stadsbestuur. Een dergelijke situatie bestaat
nog in Haarlem. Dat de magistraat na de Reformatie
de zeggenschap over de orgels had, was
niet meer dan een bestendiging van een lang bestaande
toestand. Ook andere muzikanten, zoals
klokkenisten en trompetters, waren in dienst van
de stad.
Wie was nu Nicolai, welke muzikale activiteiten
ontplooide hij en hoe dachten zijn tijdgenoten
daarover? We zullen in dit artikel proberen een
antwoord op deze vragen te vinden aan de hand
van archivalia, kranteberichten en muziekhistorische
collecties.
Opgemerkt zij nog dat Nicolai een tijdgenoot
was van Haydn, Mozart en Johann Christian
Bach, waarmee we hem in de ‘klassieke’ periode
van de muziekgeschiedenis kunnen plaatsen.
Zijn komst naar Zwolle
Er bestaat geen goed historisch overzicht van het
Zwolse muziekleven. Zowel oudere als jongere auteurs
beperken zich meestal tot de geschiedenis
van de orgels of tot de geschiedenis van de organisten.
Wij noemen Van Apeldoorn, Hartmans en
Vente.2 Recentelijk hebben Ten Bokum en Zeiler
de ontwikkeling van het muziekleven in regionaal
verband behandeld. De eerste beschreef de negentiende
en de vroege twintigste eeuw, de tweede de
direct daaraan voorafgaande periode.3 Vooral dit
laatste onderzoek heeft veel nieuwe gegevens opgeleverd
met betrekking tot Nicolai en zijn tijdgenoten.
Jan Pieter Heije (1809-1876), medicus en tekstdichter
van liederen ‘in de volkstoon’, deelt ons
mee dat Nicolai in 1744 werd geboren in het Duitse
Gross Neundorf.4 Heije’s Belgische collega-musicoloog
Grégoire noemt 1775 als jaar van Nicolai’s
benoeming tot organist van de Grote Kerk: ‘Les
organistes connus de cette église sont: Nicolai
(1775), Röhner (1801), S.A. Hempenius (1821) et
son fils Hempenius (1849)’.5 Van Apeldoorn conformeert
zich aan deze gegevens, al wordt elders
vermeld dat Nicolai reeds in februari 1774 als organist
in Zwolle werkzaam zou zijn geweest.6 Mogelijk
is hij toen al een tijdlang invaller voor Stechwey
geweest.
Zijn officiële aanstelling is echter van 1775, zoZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
als blijkt uit de uitgebreide ‘Memorie wegens het
gepasseerde omtrent de vacante organistenplaats
door het overlijden van de organist Stechwey…’7
Uit deze Memorie blijkt dat het stadsbestuur had
besloten ‘ te beroepen niet alleen een organist,
maar een goed Musicus’. Kandidaten werden opf#^££%£!
^ : * – * & * ^ ; ^W-töfil
geroepen zich ‘in persoon en met hunne schijnen
en bescheiden van goed gedrag en bekwaamheid’
ter secretarie te melden. Wel moesten zij van protestantse
religie zijn, doch dat werd ruim opgevat:
ook lutherse, doopsgezinde of waalse kandidaten
kwamen in aanmerking. De procedure nam een
volle week in beslag. Op 18 april 1775 meldden zich
zeven sollicitanten, onder wie tenminste drie
Duitsers. Ook twee Zwolse muzikanten waren van
de partij: Hans Hendrik Cremer en Evert Voorthuis.
Iedere kandidaat moest allereerst een kwartier
op het orgel van de Grote Kerk spelen. Verplicht
was één vers uit psalm 42 ‘en vorders aan
haar zelfs overgelaten waar mede het overige van
haar tijd wilden doorbrengen ter betoninge van
haar kunst’. Er waren steeds twee assistenten aanwezig
voor het registreren en dergelijke, terwijl
een roededrager (politiefunctionaris) toezag dat
de gegadigden niet over de balustrade kwamen.
Het was namelijk de bedoeling dat de toehoorders
het spel anoniem, en dus zo objectief mogelijk,
zou kunnen beoordelen. Tevoren was om de volgorde
geloot. Naast de gecommitteerden konden
ook de magistraat en gewoon publiek komen luisteren.
Drie dagen later volgde het proefspel op het
stadsclavecimbel. Dit vond plaats in de raadskamer
op het stadhuis en werd bijgewoond door leden
van het muziekcollege, de edelen, gemeenslieden
en predikanten alsmede gewone ‘liefhebbers’.
Van 3 tot 6 uur passeerden de kandidaten de revue,
elk met een verplichte sonate (er staat helaas
niet bij vermeld, van wie) en een stuk naar keuze.
Cremer en Voorthuis lieten de sonate schieten. Zij
gaven bij de derde en laatste ronde op 24 april, te
kennen van verdere deelname af te zien. Die extra
ronde op het orgel werd nodig geacht ‘vermits uit
al het voorscrevene niet genoegzaam geoordeeld
konde worden van de konst, als hebbende behalven
de Psalm het vordere van buiten geleerd kunnen
hebben’. Daags daarna vertrokken de kandidaten.
De ‘uitheemsche’ ontvingen 8 ducaten reiskostenvergoeding.
Kliebosch uit Leiden, Nicolai
uit Munster en Bos uit Tiel werd gevraagd ‘als
meest in consideratie komende’ zich voor een
eventuele verdere procedure beschikbaar te houden.
Vier weken later was de benoeming van Nicolai
een feit.
In letterlijke zin zou hij snel zijn ingeburgerd:
een goed jaar later werd hem op zijn verzoek het
Klein Burgerschap van de stad Zwolle verleend.8
De eerste sonate in
autograaf
(foto: F.D. Zeiler).
Titelblad van de 24
sonates in Nicolai’s
handschrift, circa 1790
(Foto: F.D. Zeiler).
^…,•!•! .^ ,„,. ,,,- , .y. „-., „-V^-_» . • „ , . ” . . , ..rtiijr,^*.;*.-.
….. .-„-MSJMLL L-S^r^ ..,,-:„_…._
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het eerste ‘Overijssels
orkest’, 1777
(foto: T. Rudolphij).
Toegangskaartje tot het
‘concert’ van 1777
(foto: T. Rudolphij).
Het openbare muziekleven
Volgens de instructie voor de organist uit 1722
diende hij, als er geen dienst was, twee maal per
week de bezoekers van de Grote Kerk met orgelspel
te vermaken. Zo’n ‘wandelconcert’ vond elke
dinsdag en vrijdag van 4 tot 5 uur plaats, aanvankelijk
alleen ’s zomers, maar in Nicolai’s tijd ook
in de winter. Dat laatste blijkt uit het verzoek dat
de stadsmusicus in 1777 deed ‘om gedurende de
maanden januarij & februarij de uuren in de week
des agtermiddags, om de koude, niet op ’t orgel te
speelen…’9 Het verzoek werd zonder opgaaf van
redenen geweigerd. Gelukkig kon de organist later
dat jaar de leiding geven aan een wel zeer bijzonder
concert. Dit werd op 26 augustus 1777 gegeven
in de Grote Kerk ter ere van de ontvangst van
prinses Wilhelmina en haar kinderen, die op
doorreis naar Friesland Zwolle aandeden. De ‘memoriale
aantekening’ vermeldt over deze audiëntie:
‘Dat bij t inkoomen der Kerk ’t Muziek en ‘t
Orgel zig hebben laten hooren, ophoudende gedurende
den tijd, dat bij Hunne Hoogheden de
audientien, zo op de Consistorie, als beneden in
de Kerk wierden gegeven: zijnde gem. Musijcq gecomponeert
geweest volgens de Memorie hier agter
gevoegt.
De audientien afgelopen zijnde, is het Musieck gegaan.’10
wederom hervat, en daar mede eenigen tijd aange- Het ‘muziek’ (orkest) bestond uit drie eerste
en drie tweede violen, twee waldhoorns, twee tra-
” 7 verso’s, twee alten en twee celli; Nicolai bespeelde
“” ‘ n i~r — • • – • ” het orgel. Onder de musici treffen we bekende na-
__ :^,’,.: •.!«•— * < -. men aan, zoals Seidel (Zeijdel) sr. en jr. uit Vollen- ^J'J.,,^. ., .-,-.,. «ï hove, Regenspurg uit Deventer en de Zwolse solli- ' citanten van twee jaar daarvoor, Voorthuis (met *" C zoon) en Cremer." Maar liefst vier leden waren ~"'V. ~~ C uit Kampen overgekomen, zodat hier met recht "'1.*~ " '^.1; ' '*" gesproken kan worden van het eerste 'Overijssels "--" ' "* . " • orkest'. Zelfs het toegangsbiljet, dat geïnteresseera. <•<. ,•<*.*>;..’«, A de burgers konden kopen, is bij het protocol inge-
/, <-<• JJ>* ,-••’.’-, , .’ plakt. Helaas wordt niet vermeld, welke muziek er
<< . * ^3'*•'*"'* die dag in de Grote Kerk heeft geklonken. ' * •-, « & _ De meeste muzikanten waren in die tijd gevorderde
amateurs. Zwolle was evenals andere steden
een ‘collegium musicum’ rijk, dat in 1684 met
steun van de stad was (her)opgericht en dat wekelijks
in het Refter musiceerde. Gedurende het laathouden,
ter tijd Hoogstdezelven uit de Kerk zijn
f
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
ste kwart van de achttiende eeuw traden dergelijke
kamermuziekensembles steeds meer in de openbaarheid;
in Zwolle kennelijk met zo’n succes, dat
daar in 1792 een ‘Nieuwe Concertzaal’ in de Bloemendalstraat
werd gebouwd. Uit de aankondigingen
in de Zwolsche Courant komt een gevarieerd
programma-aanbod naar voren: zangrecitals, militaire
harmoniemuziek, operettes, instrumentale
solisten en koormuziek.12
In het voorjaar van 1796 leidde de stadsmuziekmeester
onder meer een uitvoering van zijn
eigen opera ‘De Geboorte Dag’ en een ‘Musicale
Sledevaart,zijnde een simphonie die met Slede
Schellen geaccompagneerd zal worden’. In dit
laatste werk herkennen we de ‘Musikalische Schlittenfahrt’
van Leopold Mozart. Uit de bij zijn dood
opgemaakte boedelinventaris weten we dat Nicolai
ook een exemplaar van Haydn’s ‘Schöpfung’
bezat, waarschijnlijk in de Nederlandse vertaling
van J. Klinker, die in 1801 met groot succes in Amsterdam
was uitgevoerd. Pas twee jaar nadien
slaagde Nicolai’s Kamper collega Cornelis Berghuijs
er in, om ook in Zwolle Haydn’s meesterwerk
tot klinken te brengen.
Een bijzonder concert vond plaats op woensdag
1 april 1801, ’s avonds om 6 uur: ‘waarin verscheidene
der nieuwste Aria’s en Duo’s zullen
geëxecuteerd worden; waar by nog een geheel
nieuw door hem zelven (Nicolai) uitegevonden
INSTRUMENT, de HARMONIE genoemd, zal gehoord,
en geduurende de tusschenpozing, gezien
mogen worden’. Dit nieuwe instrument wordt in
de krant als volgt omschreven: ‘(Het) bestaat in de
form van een Staartstuk, met Fiool Snaaren betrokken,
en waaraan van onderen een Rad is aangebragt,
welke met een Stijkstok van 6 en een half
El lang onder de Snaaren leidt en een binnenwerk
met de Clauwieren vereenigd zynde de Snaren op
de Strijkstok trekt, en de Toonen voortbrengt’. ‘3
Composities14
De zoeven genoemde opera (in de oorspronkelijke
Duitse druk wordt gesproken van ‘Operette’) is
niet de enige compositie die we van Nicolai ken-
Titelpagina van Nicolai’s
A.B.C, pour Ie clavecin,
ca. 1/89
(foto: F.D. Zeiler).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
J1 R E M I K H, ï: U l; <, »» -V De eerste les uit het A.B.C. (foto: F.D. Zeiler). r e d t f j r a l i c c 4. f i" e i f /«/•yVrfi-. nen. Zijn oeuvre-catalogus vermeldt zeven opusnummers met kamermuziek, terwijl in de collectie van het Haags Gemeentemuseum een pianopartij bewaard wordt van zijn opus 12, 'Six sonates pour les dames'. Deze werden omstreeks 1785 in eigen beheer uitgegeven. Hetzelfde geschiedde met Nicolai's pianomethode, het 'A.B.C, pour Ie clavecin ou forte piano' (1789) en het vervolgdeel, 'XXIV Sonates pour Ie clavecin sur les 24 tons de la musique' (1790). De Toonkunst-Bibliotheek in Amsterdam bewaart niet alleen de unieke Zwolse druk van het eerste deel, maar tevens de autograaf van de 24 sonates. Deze zijn nog sterk clavecinistisch geschreven. Ook al was de fortepiano in opkomst en werd Nicolai zelfs in 1792 aangesteld tot commissionair van de gebroeders M. en P. Meijer, pianobouwers te Amsterdam, het zou nog tot na 1800 duren voor het nieuwe instrument zijn zegetocht begon.15 De methode moet echter populair geweest zijn. De Friese organist en muziekhandelaar P. Frank prees in 1803 per advertentie deze boeken aan. Eerder onderkende de Zwolse drukker en uitgever Tijl de waarde ervan en adverteerde met de leus: 'het zeer beroemd ABC Boek voor het clavier van wylen J. G. Nicolai'.'6 In de Leeuwarder Courant van 6 maart 1812 kan men lezen dat het publiek te Amsterdam en elders een kerstcantate van Nicolai met enthousiasme ontving: 'De organist P. Frank zal, met de vereischte approbatie, op vrijdag den 20 maart 1812, des avonds ten half zes uren, in de groote kerk te Leeuwarden, geadsisteerd door een zeer aanzienlijk gezelschap toonkunstenaren en beoefenaren der vokaal en instrumentaal muzyk, executeren de beroemde en te Amsterdam en elders met ongemeene toejuiching uitgevoerde Cantate, op de geboorte van den Zaligmaker, in muzijk gebragt door den vermaarden componist J.G. Nicolai. Zullende de zang, door het orgel, en door een welbezet en uitgezocht orchest, onder directie van den orchestmeester des Communes, verzeld, en voorts, door gepaste op het orgel uit te voeren stukken, voorafgegaan en afgewisseld worden'.17 Identificatie van deze kerstcantate stuit op problemen. We kennen hem niet uit andere bron. Dat 'onze' Nicolai de componist is, en niet een van zijn ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99 vele naamgenoten, lijkt echter aannemelijk: Frank heeft zijn collega blijkens zijn bovengenoemde aanprijzing uit 1803 goed gekend. Andere onzekere of onvolledige vermeldingen betreffen een opera in 1779, 'zeker musikaal stuk' in 1786 en de muziek bij de cantate 'Het Onweder' van Rhijnvis Feith (1785 of later), waarvoor Nicolai's opvolger J.C. Röhner in 1806 overigens een nieuwe versie schreef.18 De composities van Nicolai worden tegenwoordig zelden uitgevoerd. Meestal kost het veel speurwerk om vergeten meesters onder het stof der eeuwen vandaan te halen. Niet zo lang geleden, op 4 december 1989, vertolkten studenten van het Zwolse conservatorium in de Reulandzaal aldaar, twee fluitcomposities van Nicolai: een solo in Bes grote terts, opus 7 nr. 6 voor fluit en basso continuo, bestaande uit de delen allegro moderato, adagio un poco andante en rondo presto, en verder een Sonata II in G grote terts voor fluit en cello, bestaande uit de delen allegro moderato en tempo di menuetto.19 Al met al zal er veel nader onderzoek nodig zijn om een beeld te krijgen van de omvang en aard van Nicolai's oeuvre. 'vrije' kunstenaarschap in deze tijd zeer voor de hand: Nicolai's collegae Böhler sr. in Deventer en Berghuijs in Kampen zouden dat eveneens aan den lijve ondervinden.21 Grote consternatie ontstond naar aanleiding van het inspectierapport van de orgelmakers A. Wolffers en G.T. Batz in 1790.22 Hun kritiek op de toestand van het orgel was niet gering, al gaven zij toe: 'Voor 't overige vinden wij alles in goeden order, en moeten bekennen, dat het Orgel over 't algemeen, net en wel bewerkt is; en dus aan ons den Roem van beijde Makers bevestigt. Jammer dat het selve niet beeter onderhouden is.' Vooral over dat laatste was Nicolai des duivels. Hij schreef een verweerschrift van twintig kantjes om de bewering als zou hij het instrument hebben verwaarloosd te weerleggen. Er waren verschillende mankementen, die geweten moesten worden aan constructiefouten. Hij beriep zich daarbij mede op de Groninger firma Schnitger & Freytag, die een contraexpertise had uitgevoerd. Andere zaken zoals de lekken in de blaasbalgen, achtte hij van ondergeschikt belang. Daags voor de inspectie had hij nog gestemd, maar als er intussen weer op gespeeld SP f II!! S i 'k<£? Ww**»»é«ï «mui*" «ü MakmiémmKJtSiSi, ttmV» m stoma ML kalt»*"J[9 I I wXt a« * «ttoSwft» Sita.tw.fM, ia «nMnMlwwjwl "»•*•» «••8*w>ll”»i?S!«IS?S 1
i***r«tt’< tadut M i kMVIWM», ••«» »«*lf&tfSi«« «S*»"4" " ^ ' t ó Ï Ï " mJËSi '«•!*to ftw «ei i p K'l«« m T * MMw ft O X M W , %«. Wt MfiM>i * « J * * » * 5 •> » « OÉM* ‘ 1.
Eai ]ON0M*N •»» «J )”«•> *• • • «luaétaixi I» HolltoiH*1″‘™p* MlSu<ïurSHEM« [*fl g.Ww « «•<*•. M M ' f MIK. #« MM « fe/nt;«it few» fattt «••«'» kteaw noftï MD 3V)* ** ] tami. wtdtrM *) ' o 'i nlab tooiftotji" l i o i/i»: mttftK , mmthtm <*f siMit* " «tl K»I hJo* SM :WUfcHKKl !,l#rtflHu» ft»*Wl MZOOKHIKDÏ Advertentie in de Zwolsche Courant van 1 augustus 1792, waarin de piano makers M. en P. Meyer te Amsterdam Johann Gottlieb Nicolai voorstellen als commissionair van hun instrumenten (foto: T. Rudolphij). Karaktertrekken Nicolai wordt als musicus omschreven als 'verdienstelijk', 'kundig' en zelfs als 'vermaard'.20 Hij moet echter niet in alle opzichten gemakkelijk zijn geweest, getuige de wrijvingen die er vooral in latere jaren met het kerkbestuur en de stedelijke overheid ontstonden. Nu lagen botsingen tussen de steile regentenmentaliteit en het opkomende was kon er natuurlijk weer sprake zijn geweest van ontstemming. Al stemt men een jaar lang van de ochtend tot de avond, aldus Nicolai, dan nog krijgt men 4500 pijpen nooit echt 'egaal'. Hijzelf heeft steeds de nodige reparaties verricht. Wie zou het orgel beter kennen dan hij, die er al vijftien jaar op had gespeeld? Was er soms iemand op uit om hem zwart te maken? 100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Deze tirade miste zijn uitwerking niet. Het stadsbestuur haastte zich de organist van alle blaam te zuiveren. Vermoedelijk had het zelf de meeste boter op het hoofd, want om kosten uit te sparen was een regelmatige controle van het orgel jarenlang uitgebleven. Nicolai had het hoogstens kunnen bijhouden, maar hij was natuurlijk geen l k"r"""* O.> Di Rr?:P, fet 3f M«t( 2’U tot bÊfJuit ^0* W4at*t Chrcenfn, cp «te Wteuwe CjnO!”a:af
is Z’.»:U.>, <"e plwlo Mini* m iï Ctk>r’.>.p>ta.ti nB.OKBOOBTÏ t>«0, f » j . O. N i o i u ,
ui; ver-
Kit
*Hggjf|
1’^-
, _C»K Si.
B e»» STE205 picfcrifei^ sït fclcr CatlEig too tólsCa loaiaa tra pliatrt, dïg en cat» »scraoea( o»
S O T H U T V O O a T.
di damt-aa»! ilhltr
… ;i Oigaoitt N i c o i , i t
_ _ geeJEOCufOBirf «reidco t ^ytóa enca Sfffi^c»’» dfa
Ds Zmét mw&s ^Q te W ^ » t c i.y des Org&sét EECS,
fjölite tssiiï ferfto».
‘ Au ;:Iïe KÖCK LtetïQ lxk«i«) gimitói iUt aJUtr gsarrintrd ti J. F. KOKPMAN
CL’tff, wei c;o a.c{-j – kcuiig vu» ctlaU eo a u a fraai val öewcrklrg, waarrotfi hy dj Koper»
i2;-keit’ da ‘y-i vae «ei1 J « I w ^stüan Icflws, Hj «tiziKit ifcittire» cso kdsw s«tft en ICCOBKSKUIÏÖ, CD OrtBeri
‘ ‘ ‘ wt c$&ftïl’M,o ztï vsimii weid*©, « j ! e^a irde» Èao w s a t x r i 25»?-:» ^a tóHfliïa tebait^elfeg. Hjio-
1 CJSSÏÏ’Ö j . QtwBS in hu Vf^röti vao OvtïïJföi s*a *Üs 2jif«8paort tö / s o i l c Dcutve «a.! h»f 3 a 4
>e oc,!=igc;cfe£Edo, Lfcctsiafii bj £cïï&!^tf£ gOjiauit SLD c^ijl^? fcdids^I^^^* 00I00JJ ?y &$%&& rcö pf^EDEc VÜQ
:j Culiaij EJO «ia j’csaö ariea ^wïiJ 83B!a kisDso bOTóarBcslB.’ï, houtSta-fit astJün «ió ?EiIjsietdei5 f»at ï r« f *ÏÖ»
“*” *”J*3t»3i:”J!ot*» Ü I S S L . 0KI I ” Ï * …. HENDRIK VS» DHR V.B0T.
Ï i o r HB
ï ï j ?.ït«af«3 CBOUWII, ïsl iz eei h£bbfi, cp Dcsd^idi!! k – KOEK «Didi t»i Lte
KORTE PIANO’S k i
Hoven: Aankondiging
van de uitvoering van
Nicolai’s ‘Geboortedag’,
1J96 (foto: T. Rudolphij).
Onder: Uitvoering van
een aria van Nicolai en
Leopold Mozart’s
‘Musikalische Schlittenfahrt’
in de Nieuwe
Concertzaal, 1796 (foto:
T. Rudolphij).
orgelbouwer. Het feit dat de reparatie naar de aanwijzingen
van Schnitger & Freytag geschiedde en
deze firma vervolgens weer met het onderhoud
werd belast, zegt voldoende.
Vier jaar later was het op een andere manier
mis. Op woensdag 5 februari 1794 had Nicolai na
het psalmzingen tijdelijk de kerk verlaten om les te
geven. De dienstdoende predikant preekte die
avond heel kort met het gevolg dat bij de aanvang
van de volgende psalm de organist niet op zijn
post was. De voorzanger zette in en eerst bij de
derde regel keerde de organist terug op de orgelbank
en liet het orgel zich horen. Predikant en gemeente
ergerden zich ‘luttel’, maar de heren magistraten
namen dit niet en ontboden Nicolai voor
een berisping. Bovendien veroordeelden zij hem
tot een boete van vijf goudguldens omdat hij ‘in
zijn functie heeft gemankeerd en tevens heeft
overtreden de publicatie, waarbij het houden van
een bedestond is geordonneerd’.23
Een overwegend komische anecdote wordt bij
Van Apeldoorn gememoreerd: ‘Deze organist was
een hartstochtelijk rooker; zóó zelfs dat hij niet laten
kon op het orgel te rooken, waardoor somtijds
zware rookwolken van daar in het kerkruim opstegen.
Een vermaning, welke hem die gewoonte
van den Magistraat op den hals haalde, lokte het
minder beleefd antwoord uit: ‘Wenn ich nicht
rauchen darf, so spiel ich auch nicht mehr,”24
Over Nicolai’s contacten met collegae in
Zwolle en daarbuiten weten we betrekkelijk weinig.
Of het ‘Overijssels orkest’ uit 1777 zich nog op
andere plaatsen heeft laten horen is niet bekend.
Wel is hij in zijn beginperiode nog enkele malen
met verlof geweest om concerten te geven in zijn
land van herkomst. Zo bezocht hij Munster in
1779 en Bergen bij Dorsten aan de Lippe in 1786.25
Als orgeladviseur wordt de naam van Nicolai
in verband gebracht met het Hinszorgel in de Bovenkerk
te Kampen. Op 16 juli 1789 behoorde hij
tot de deskundigen die de uitbreiding van het orgel
keurden. F.C. Schnitger jr. en H.H. Freytag
hadden het instrument van een vrij pedaal voorzien.
Nicolai’s metgezel was niemand minder dan
Nicolaas Arnoldi Knock, grietman over Oost-Stellingwerf,
gecommitteerde van de Friese landdag,
maar vooral de auteur van een bekende en veel geraadpleegde
dispositieverzameling.26 Eerder hadden
beide deskundigen het reparatiewerk van Schnitger
en Freytag aan Nicolai’s eigen orgel geïnspecteerd
en in orde bevonden.27 Het lijkt erop dat
de heren elkaar mede om die reden in het conflict
van 1790 steunden.
Nicolais overlijden
Na een kortstondige ziekte overleed Nicolai op 1
juli 1801 in zijn woonplaats Zwolle. Zijn verscheiden
werd in de krant van 4 juli aldus bekendgemaakt:
‘Heden middag stierf in den ouderdom
van 58 Jaaren J.G. NICOLAI, in leven Organist van
de Groote of Michaëli Kerk binnen deze stad, na
eene bedlegering van drie dagen’. Zwolle den 1
July 1801. A. ERDSIECK q.q.’ De begrafenis volgde
op 4 juli ’s avonds om 11 uur in de Bethlehemse
Kerk. Voor het luiden van klokken staat in het begraafboek
ƒ 2,- en 16 stuivers genoteerd.28
In de krant van 15 juli verscheen het volgende
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
bericht: ‘Alle de geenen welke iets te pretenderen
hebben of verschuldigd zijn aan den boedel van
wylen JOHAN GODLIEB NICOLAI, in leven Organist
en Stads Musicus te Zwolle, worden verzogt daar
van ten spoedigsten immer voor den 1 September
aanstaande, schriftelyk opgaaf te doen aan den
Ondergetekende woonagtig in de Sassenstraat al-
COLAI gewis veel groter is geworden’.29
Op 15 juli 1801 verscheen een oproep van de
Municipaliteit (stadsbestuur) waarin kandidaten
verzocht werd te solliciteren op de vacature van
stadsmusicus. Het jaarlijks tractement zou ƒ 450,-
bedragen. Op 8 en 12 augustus 1801 werd de advertentie
herhaald. Als Nicolai’s opvolger zou ten-
• • j g • mede brümtf qcmclt. dat do l3rsTKN, Urentnuf *
I K I W v«n ha Ate!4( o rWen U 10 d> 4
1
Fs
tg «ii»-^(j/trj jwmr van nel nisiïsi t3 riteen is 10 uc ^ u
NnHflrane van hei DepHtemeHKal Bcftuormndfi) i, «,« ,,,
g ” Ouden Vafei von deo 1 ^eöryaiy c&ei« ficplaaut I !
gs te bti-omco «yo by M tVt rftoON reZ«oll*, f
>« a a n i
il il
^ 3
esp tmixt cüNKüat»
*s« Ö? ecg ceü fefc. cf &£»2
f8D, «««te . _.
t, del
Sa i.loaf, • A- ,vi »» O»»’< «M» tK trcottoa ire>*c j .
t i ‘ lMT VtMtVRMI I T * i «JBBONI11 t>n.>1. o l ;
Ar.k «6 0 c. rts twl ‘BI lm» snittoo Si.itii» ajl» M tas tftets»»»* «KI
, e&s «e« Sm
* C^»»I«I> «JWS%« tioiBd
!«>ar fnlMu te».|W t »!, 10 flrt». —»• tM ta Blüa «mli rktaio4 «tpemltim* » l m » S
Os satotii ssii» 1» t toll ( ttiiiiii W^trtn:» «* •» >„fcS?
6
/c
J
Opjemaail en deugdelijk Teilhard.
Vergeleken met het :
Do Landm
mbuutploa”
üler,
ta,v, ,
DB ISOBME
en bijbhd,
i goedgekeurd.
ra-VBMFlCAraus.
Hoewel de stenen in principe allemaal min of
meer eenvoudig en gelijk behoren te zijn ‘omdat
men in de dood gelijk is’, vallen ons toch al spoedig
enige bijzonderheden op. We zien matseiwo’s
waarop zegenende handen zijn afgebeeld. Hier
zijn Kohaniem begraven, die immers de zegen
over de gemeente mogen uitspreken. Er zijn ook
stenen waarop een schenkkaji is afgebeeld. Dat is
dan van een Leviet, een afstammeling van Levi, de
derde zoon van aartsvader Jacob, die het zuiverende
water over de handen van een Koheen mag uitgieten,
voordat die de zegen uitspreekt.
We zien ook invloeden van de niet-joodse omgeving
waarin joden al eeuwenlang leven. Voorbeelden
hiervan zijn een gebroken zuil, een treurwilg
en een zandloper, geen typische joodse symbolen.
Wel zijn er na circa 1900 meer Davidsterren
afgebeeld, een symbool dat we voor die tijd niet
zien. Dat hangt samen met het opkomend zionisme;
men werd zich bewuster van zijn jodendom.7
Maar op de grote steen van opperrabbijn Samuel
Juda Hirsch (1872-1941) zien we nu juist geen
Davidster. Hij was geen zionist. Van hem is de uitspraak:
‘De verlossing uit de diaspora (verstrooiing)
is een zaak van God, niet van politici.’ En dat
hij streng orthodox was, moge ook blijken uit het
^•feit dat op zijn steen louter Hebreeuwse teksten
staan, geen Nederlandse woorden. Juist het toenemen
van Nederlandse in plaats van Hebreeuwse
woorden was in de voorafgaande eeuw meer en
meer gewoonte geworden, zo zelfs dat er stenen
uit de recente periode zijn, waarop helemaal geen
Hebreeuwse letters staan; een gevolg van voortschrijdende
assimilatie. Deze assimilatie blijkt ook
uit het feit, dat aan de vermelding van de joodse
dag- en jaartelling niet meer strikt de hand wordt
gehouden. Er zijn zelfs vele voorbeelden te zien
van ‘gemengde’ datering.
Op een van de stenen staat een ontroerende
tekst – en een bijzonderheid is dat dit de enige
steen is, waarvan de achterkant is beschreven – die
luidt:
‘Eene deugdzame Vrouw
Voor ieder gastvrij en trouw
Der Kinderen sieraad en kroon
bescheiden in hulpbetoon.’
Er is een steen voor de 27-jarige actrice Lize
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT “3
Hamel, die met de Nederlandsche Tooneelvereeniging
in Odeon te Zwolle optrad nog drie dagen
voor haar overlijden. Ze werd op 2 januari 1914 begraven.
Directie en leden van diezelfde vereniging
lieten op de steen de woorden ‘In dankbare Herinnering’
vermelden.
Een van de oudste stenen is van een zekere
ror hachajiem’ die op grafstenen voorkomen, zijn
de beginletters van de zegenspreuk: ‘Moge zijn
(haar) ziel gebundeld zijn in de band van het Eeuwige
Leven.’
De oorlog
Ruimen van graven kan naar strikt joodse zin
HD22: STOf ,.
Ü&6S5 fiLSLlii CQHEN i’
Links: Grafsteen van
een Koheen
(foto: W. Cornelissen).
Rechts: Grafsteen van
een Leviet
(foto: W. Cornelissen).
Tojwe (Duifje). Er staat een duif op afgebeeld met
de woorden uit Hooglied 2:14: ‘Mijn Duifje in de
spleten der rotsen’. En een acrostichon dat in vertaling
luidt: ‘Goed van verstand – oprechte weg –
een eenvoudig duifje vluchtte – geroemd door die
haar kenden – een oprechte kroon – een hulp voor
haar duifjes.’
Ook vind ik er de stenen van mijn overgrootmoeder
Marianne Lamelo (1819-1911) en van haar
man, mijn overgrootvader Bernard Os, die in het
Pruisische Löwenhaus in 1824 is geboren en in 1919
in Zwolle stierf.
De laatste letters rcxJn’Tehi nafsjo saroer bisnimmer
plaatsvinden: een graf is voor eeuwig.
Herbegravingen behoren tot de grote uitzonderingen.
Eigenlijk kan dat laatste alleen als de overledene
naar Israël wordt overgebracht om in het
heilige land ter aarde te worden besteld. Toch hebben
er ook in Zwolle enkele herbegravingen
plaatsgevonden. Het betrof dan gestorvenen die in
de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld tijdens de
onderduikperiode, tijdelijk ergens anders ter aarde
waren besteld. In 1945 en 1946 vonden er zodoende
enkele herbegravingen plaats.
Ook vindt men vermeldingen op stenen die
verwijzen naar in concentratie- en vernietigings114
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Invloed van de nietjoodse
omgeving: een
zandloper
(foto: W. Cornelissen).
kampen vermoorde Zwolse joden. Zij kregen geen
graf in de eigenlijke betekenis van het woord, maar
hun namen zijn toch blijvend vermeld. De woorden
Auschwitz en Sobibor zijn vele malen te lezen.
Een joodse begraafplaats behoort eenvoudig te
zijn. Hekwerken en uitbundige versieringen zijn
eigenlijk on-joods. Maar uitzonderingen op deze
dem getrokken mogen worden. De meest simpele
begroeing is gras. Dit behoort, nadat het gemaaid
is, ergens te vergaan. Er mag geen voordeel van getrokken
worden.
Wat men op de Zwolse begraafplaats weinig
ziet, maar wat op andere plaatsen vaker gedaan
wordt, is het leggen van steentjes op de zerken na-
Invloed van de nietjoodse
omgeving: een
treurwilg
(foto: W. Cornelissen).
regel zien we ook hier. Er zijn zelfs enkele stenen
die de status van monument hebben gekregen.8
Eenvoud blijkt ook uit het feit dat er geen beplanting
op de graven aanwezig is. Men mag er
geen bloemen, bomen of struiken op laten groeien,
indachtig de regel dat er geen sappen uit de bo-
Invloed van de niet-joodse omgeving:
een gebroken zuil (foto: W. Cornelissen).
dat familieleden het graf hebben bezocht en daar
het kaddisch-gebed voor de overledene hebben
uitgesproken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
ssasn
HIER RUST
” -I WILHELMINA GANS j ‘-• – ti
1 • ..DOCHTER VAW • ” * (% “‘
SAL0H0H
EM HAMMA MEIJER: :’ X ‘ ‘„
SEB.TE ZEVENAARIB AUG.SB48 – V ‘ ” ‘i
OVERL ALHIER?
Beth Haim
De situatie van de Nederlandse joden na de Tweede
Wereldoorlog liet ook op de begraafplaats aan
de Kuyerhuislaan haar sporen na. De oude begraafplaats
aande Willemsvaart lag er na die oorlogsjaren
wel erg verwaarloosd bij. Er waren in de
periode 1940-1945 stenen verkocht aan steenhouwers,
die ze na bewerking opnieuw verkocht zouden
hebben. Er wordt gesproken over NSB-boeren
die hun koeien op die plek zouden hebben laten
weiden. Er zouden zerken als drempels zijn gebruikt.
En Schelhaas vermeldt dat er na de oorlog
stenen in Utrecht zouden zijn teruggevonden.9
Hoe het ook zij, de oude begraafplaats kon door
de sterk gedecimeerde joodse gemeente niet worden
heringericht en onderhouden.
In 1981 besloot de gemeenteraad van Zwolle
om het verzoek van de joodse gemeente in te willigen
en de oude begraafplaats aan de Willemsvaart
te laten ruimen. Het perceel werd voor één gulden
verkocht aan de gemeente Zwolle en in ruil daarvoor
liet de gemeente de stoffelijke resten en de
grafstenen overbrengen naar de Kuyerhuislaan.
De gemeente Zwolle nam bovendien de verplichting
op zich om de begraafplaats in Berkum blijvend
te onderhouden.10 Ook de steen die was ingemetseld
in de muur langs de Willemsvaart werd
naar de Kuyerhuislaan overgebracht.”
Men vindt nu in het achterste deel van de begraafplaats
in Berkum de stenen die afkomstig zijn
van die aloude begraafplaats, de begraafplaats die
al sinds 1722 in gebruik was. Het merendeel van de
hier bedoelde stenen bevat alleen teksten in het
Hebreeuws. Er staan stenen van onder anderen de
rabbijnen Hertzveld (1781-1846) en Frankel (1814-
1882).
Dit is de situatie zoals we die in 1992 (5752/3
volgens de joodse jaartelling) aantreffen. Een begraafplaats
die wel wordt aangeduid met de naam
Beth Haim (Huis des Levens), omdat de gestorvenen
bestemd zijn om tot het leven teruggebracht
te worden, zoals er geschreven staat. Andere benamingen
zijn Beth Olam (Huis der Eeuwigheid) en
Gedort (Jiddisch voor: gut Ort).
Zo liggen de Zwolse joden begraven ‘tot het
einde der dagen’. Moge voor ons allen, joden en
niet-joden, gelden Zichrono Liwracha, hun nagedachtenis
zij ons tot zegen.12
Symbool van het zionisme:
de Davidster
(foto: W. Cornelissen).
Grafsteen van opperrabbijn
S.J. Hirsch
(foto: W. Cornelissen).
ZWOLS «HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noten
Gemengde’datering op 1. Begrafenis-Register, eigendom van de Joodse Geeen
grafsteen meente Zwolle. Het woord Kohaniem wordt ook
(foto: W. Cornelissen). vaak als Cohaniem geschreven.
2. C.W. van der Pot, Zwolle’s omgeving omstreeks 1900
Kadastrale kaart van de 3. Gegevens Kadaster Zwolle; het terrein verkreeg het
huidige situatie. nieuwe kadastrale nummer Zwollerkerspel 826, la-
Voor minuuïrhn *e h’i’.pkwrl JQQ4L’
21…
blad F4
DIENSTJAAR 1 9 . 8 2
Archiefnummer l.OOL
ter 1415/1416, tegenwoo

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1992

Door 1992, Zoek in ons tijdschrift

ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Dit plaatje is genomen staande achter de
vier ijskarren van ijsbedrijf Santing, een
ijssalon op de hoek van de Vispoortenplas
en Achter de Broeren. Het bedrijfje bestond ongeveer
van 1945 tot 1956. Op de foto is de ijssalon net
niet te zien.
In de tijd van de foto waren deprijzen van de
ijsjes respectievelijk 2,3,5,10 en 15 cent.
Uiteraard was ook toen reclame geen onbekend
verschijnsel. Op de zijkant van de ijswagentjes
staan de volgende ‘pakkende’ teksten:
‘Zijt gij warm, dan doet ge wijs
u te verfrissen met Santings Ijs.’
en:
‘Santings Ijs, dat is gewis
het fijnste wat er is.’
De oorspronkelijke eigenaar van de in Zwolle
zeer bekende ijssalon Leben, de heer Chris Leben,
leerde hier het ijsmaken.
Op de nieuwe foto ziet u een andere bekende
zaak in Zwolle, namelijk die van Jochem van Zanten
aan de Vispoortenplas. De panden rechts op
de foto zijn gelukkig op het nippertje gered en
schitterend gerestaureerd.
Boven: Vispoortenplas; oude situatie
Onder: Vispoortenplas; nieuwe situatie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In het vorige nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft u kunnen genieten van winters
ijsvermaak. In dit nummer loopt D. Hogenkamp
vooruit op 2r.omers ijsvermaak. Aan de
hand van een oude en een recente foto belicht hij
de plaats van de bekende, maar nu verdwenen, ijssalon
Santing.
Aafje Lem, die bezig is met een onderzoek
naar boeken in de middeleeuwen in Zwolle, voert
een minder bekende Zwollenaar ten tonele. Het is
de frater Tilmannus Honf die omstreeks 1450 in
Zwolle woonde en later naar Harderwijk ging.
’t Was een aardige kerel, want als zijn maatjes uit
Zwolle kwamen, trok hij steevast een fles wijn
open.
Arnoldus Gelderman is eveneens een Zwollenaar
die niet iedereen zal kennen. Toch was hij
van 1723 tot zijn dood in 1757 lid van het stadsbestuur.
Jaap Hagedoorn schetst aan de hand van
een biografisch en een zogenaamd prosopografisch
onderzoek (onderzoek naar groepen) een
beeld van de kleine provinciestad Zwolle tussen
1675 en 1750. Het artikel is een bewerking van de
lezing die de auteur hield in september 1990 in de
Waalse kerk bij de aanbieding van de inventaris
van het archief Gelderman.
Jan Willem van Beusekom beschrijft vervolgens
weer een aantal Zwolse jongere monumenten.
In zijn artikel is vooral aandacht voor de
schitterende negentiende-eeuwse villa’s langs de
Van Roijensingel.
Ook Raymond Salet schrijft over het besturen
van de stad; en dan vooral over de problemen die
daarbij kunnen ontstaan. Hij gaat uitvoerig in op
de plannen die het College van Burgemeester en
Wethouders liet ontwerpen (en vervolgens niet
liet uitvoeren) in verband met mogelijkheden
voor stadsuitbreiding.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Zwolse Fraters /1 Aafje Lem
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Arnold Gelderman (1677-1757) een Zwolse burgemeester
Jaap Hagedoorn
Jongere bouwkunst in Zwolle Jan Willem van Beusekom
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw Raymond Salet
Literatuur
Bestuursmededelingen
Personalia
4
6
7
15
23
32
33
35
Omslag: C. Pronk, ’t Stadhuis te Zwol.
(foto: Provinciaal Overijssels Museum)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse Fraters /i
Aafje Lem Het fraterhuis van de broeders van het
Gemene Leven te Zwolle is – en niet zonder
reden – voor veel onderzoekers een
inspirerend onderwerp. Niet alleen de stichtingsgeschiedenis,
maar ook de bouwgeschiedenis van
de door de fraters bewoonde panden en de ontwikkeling
van het geestelijk leven in deze belangrijke
instelling van de Moderne Devotie, zijn het
beschrijven meer dan waard gebleken.’
Een heel belangrijke bron voor deze bijdragen
is telkens weer de kroniek van het fraterhuis.2 De
kroniek, die aan het eind van de vijftiende eeuw
geschreven werd door Jacobus de Voecht, een van
de fraters uit het huis, bestaat uit een verzameling
levensbeschrijvingen van de fraters die het huis
bewoonden vanaf de stichting tot ongeveer 1490.
Daarnaast geeft de kroniek een prachtig beeld van
het ontstaan van het huis, dat naar de patroonheilige
ook wel Gregoriushuis werd genoemd, de fraterhuizen
die vanuit Zwolle zijn gesticht, de zorg
van de fraters voor de leerlingen van de stadsschool
en het geestelijk klimaat dat in de begintijd
in het fraterhuis heerste.
Een van deze fraters van wie we de levensbeschrijving
in de kroniek kunnen terugvinden, is
Tilmannus Honf.3 Het is een zeer korte beschrijving;
het beslaat nog geen dertig regels en is ook
slechts een paragraafje in een groter hoofdstuk.4
Daarnaast wordt Tilmannus’ naam nog slechts
eenmaal genoemd in de kroniek: hij is een van de
fraters die in 1432, na de beëindiging van het Interdict,
terugkeert naar Zwolle.5
Zoals alle verhalen begint ook het verhaal van
Tilmannus’ leven met een beschrijving van zijn
voorbeeldig geestelijk leven; hij wordt een gloedvol
en toegewijd frater genoemd, nederig en gehoorzaam.
Een dergelijke karaktertekening is niet
uitzonderlijk; de levensbeschrijvingen van deze
eerste groep fraters hebben namelijk een voorbeeldfunctie:
ze zijn opgeschreven om fraters uit
later tijden ter stichting te dienen. Deze zogenaamde
‘vitae’ zijn een bekend genre binnen de
literatuur van de Moderne Devoten, dat vooral
bij de zusters van het gemene leven populair was.6
Direct na deze uitweiding over zijn toewijding
wordt vermeld dat Tilmannus door een lichamelijk
gebrek de in de Consuetudines (de gewoontes
of regels) van het huis beschreven oefeningen niet
meer aankan.
Gelukkig bereikt rond diezelfde tijd de rector
van het fraterhuis, de beroemde Dirc van Herxen,
een verzoek om hulp. Jacobus Wolf, een frater afkomstig
uit de Hieronymusberg bij Hattem,7
vraagt de Zwolse rector om assistentie bij het besturen
van het zusterhuis (Agnietenklooster) in
Harderwijk. De Hattemse fraters hadden namelijk
de zorg voor de zusters in Harderwijk in de
tijd dat er in Harderwijk nog geen fraterhuis was.8
Tilmannus vertrekt daarop naar Harderwijk,9
waar hij de hem toegewezen taak tot het eind van
zijn leven vervult, ook hier weer gekenmerkt door
gehoorzaamheid en nederigheid. Bovendien
houdt hij zich, net zoals hij dat in Zwolle gewend
was, ook in Harderwijk zoveel mogelijk bezig met
studeren, mediteren en het schrijven van boeken.
Dat Tilmannus’ vertrek naar Harderwijk
waarschijnlijk heeft plaatsgevonden rond dezelfde
tijd dat daar de eerste stappen werden gezet
voor de stichting van een fraterhuis, blijkt uit een
tweetal oorkonden.10 In de eerste uit 1441 verzoeken
Schepenen en Raad van Harderwijk Dirc van
Herxen een fraterhuis te stichten, waarvoor zij
hem een huis ter beschikking stellen. Dirc van
Herxen voldoet aan dat verzoek en stelt Godefridus
van Kempen aan als de eerste rector aldaar.”
In de andere oorkonde, die van een jaar later dateert,
worden twee delen van een huis in de straat
van Sevenhusen in Harderwijk door de eigenaren
overgedragen aan Gerrit de Wilde en heer Teleman
van Houft ten behoeve van Dirc van Herxen
en de Zwolse fraters. Tilmannus is dan blijkbaar
al woonachtig in Harderwijk, maar kan daar dan
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nog niet langer dan een jaar hebben gewoond,
aangezien er voor die tijd nog geen fraterhuis in
Harderwijk was.
Tenslotte wordt Tilmannus nog eenmaal vermeld
in 1451, in verband met zijn functie van procurator
van de nonnen in Harderwijk.12 Daarmee
zijn vrijwel alle gegevens die over het leven van
Tilmannus Honf bekend zijn, beschreven.
Wat de Vita’ van Tilmannus, zoals die beschreven
is in de Zwolse kroniek, echter een speciaal
tintje geeft en het lezen meer dan waard
maakt is een voor dit type tekst wat ongebruikelijke
toevoeging aan zijn levensbeschrijving. Als Tilmannus
eenmaal in Harderwijk zit, onderneemt
hij nog maar zelden de reis naar Zwolle. De enkele
keer dat hij nog in zijn oude huis verschijnt,
wordt hij door zijn voormalige medebroeders
met een wat plagende ondertoon terechtgewezen,
13 omdat hij behoorlijk dik is en voegen ze
hem toe dat hij het, gezien zijn omvang, wel goed
naar zijn zin zal hebben in Harderwijk. Als er omgekeerd
Zwolse broeders naar Harderwijk komen,
logeren ze steeds bij Tilmannus en hij ontvangt
ze altijd allerhartelijkst. En mocht het voorkomen
dat hij alleen thuis is, dan roept hij: “Tijd
voor mijn beste maatje!” en trekt een fles wijn
open.14
Deze – voor een ‘vita’ met een voorbeeldfunctie
— wat verrassende anekdotische toevoeging is
er een van een slechts klein aantal passages in de
kroniek, waaruit blijkt dat iets menselijks de fraters
ook niet vreemd was. In een volgend artikel
zal ik proberen daar nog wat voorbeelden van te
laten zien. Een van de fraters die dan de revue zal
passeren, is de beroemde Wessel Gansfort.
Noten
1. Hagedoorn, J. (red.), Domus parva. Het eerste huis
van de Moderne Devoten te Zwolle. (Zwolle 1987). In
deze publikatie wordt verwezen naar andere literatuur.
2. Schpengen, M. (ed.), Jacobus Traiecti alias de
Voecht, Narratio de inchoatione domus clericorum in
Zwollis. (Werken uitgegeven door het Historisch
Genootschap, 3e serie nr 13, Utrecht 1908).
3. Ik houd mij hier aan de spelling zoals deze voorkomt
bij Schoengen.
4. Schoengen, 103-104.
5. ibidem, 92. Het Interdict (een straf uit het kanoniek
recht waarbij o.a. een verbod op het vieren van de
eredienst van kracht is) wordt in 1426 door Sweder
van Culemborg opgelegd aan de IJsselsteden, omdat
die zijn gezag als pauselijk elect niet erkennen,
maar Rudolf van Diepholt verkiezen. De Moderne
Devoten gehoorzamen aan het Interdict en vertrekken
uit Zwolle. Ze gaan eerst naar het fraterhuis
Hieronymusberg bij Hattem en van daaruit naar
Doesburg, waar ze een nieuw fraterhuis stichten.
6. Zie bijv.: Man, D. de, Hier beginnen sommige stichtige
punten van onsen oelden zusteren. Naar het te
Arnhem berustende handschrift, (’s Gravenhage
1919).
7. De geschiedenis van dit fraterhuis, dat vanuit
Zwolle gesticht is, is beschreven door A. Klein Kranenburg,
Geschiedenis van het fraterhuis St. Hieronymus
te Hulsbergen. (Heerde 1986).
8. De geschiedenis van het fraterhuis in Harderwijk is
beschreven door K.H.M. Mars, ‘De Latijnse school
en het fraterhuis van Harderwijk.’ in: Archief voor
de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland.
(i974)> 154-236.
9. Mars, 162, stelt abusievelijk dat Teleman van Honnef
leiding heeft gegeven aan het fraterhuis in Groningen.
Hiervan blijkt noch iets uit de archieven
van het Groningse fraterhuis, noch uit de kroniek
van het Zwolse fraterhuis.
10. Hofman, J. ‘De broeders van ’t gemeene leven en de
Windesheimsche kloostervereeniging.’ in: Archief
voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht
(1878),118-119.
11. Mars, 161, verwart de eerste rector van het fraterhuis
in Harderwijk, Godefridus (Govert) van Kempen
met de man die de geestelijke zorg voor de fraters
in de Hieronymusberg op zich neemt, als dit
huis in 1407 nog geen rector heeft, de frater
Go(a)belinus van Kempen. Van laatstgenoemde is
in de kroniek geen levensbeschrijving opgenomen;
zijn leven wordt evenwel wel beschreven in het zgn.
‘Frensweger handschrift’, (uitgegeven door W. Jappe
Alberts en A.L. Hulshoff, Groningen 1958, p.210
Naam van Teleman
van Houft (Honft),
zoals die voorkomt in
het charter van 20
januari 1442 (Gemeentearchief
Zwolle, inv.
KA 009, Ch. coll.
442-01)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
e.v.) In deze levensbeschrijving is geen sprake van
bemoeienissen met het fraterhuis in Harderwijk,
zoals er ook in de levensbeschrijving van Godefridus
in de kroniek geen sprake is van het rectorschap
in Hulsbergen. Dergelijke belangrijke informatie
zou in de kroniek niet achterwege gelaten
zijn.
12. Gemeentearchief Kampen: Inv. nr 798, fol. 30V.
13. De tekst spreekt hier van humiliare (vernederen),
maar gezien de context is deze wat eufemistische
vertaling wel op zijn plaats. Zie voor de context
noot 14.
14. Schoengen, 103-104: “…et cum Suollis veniret…,
tune fratres nostri solent ipsum humiliare, eo quod
satis esset corpulentus et bonos dies haberet et cetera.”
“Cum… aliqui nostrorum venissent in Harderwijek…
solebat dicere: ‘Jam oportet nos habere
patriotam meum’, per hunc intelligens vinum…”
Straatnamen, niet zo eenvoudig…
Wil Cornelissen Tot 1974 had de gemeenteraad het recht
straatnamen te bepalen. Dat kon nog wel
eens tot aardige discussies leiden. Zo stuitte
het voorstel van het College van Burgemeester
en Wethouders om een nieuwe straat te sieren
met de naam Hortensiastraat op enige weerstand
in de gemeenteraad. Er werd geopperd dat Zwollenaren
die naam niet zouden kunnen uitspreken,
“’t Zal Attensiastraat worden”, zo zei de heer
Augustijn. Mevrouw Stoel meende daarentegen,
dat het een mooie gelegenheid was om mensen te
leren de ‘h’ voor een woord niet weg te laten. Augustijn
stelde nog voor de straat ‘Fuchsiastraat’ te
noemen. Deze naam moest echter gespeld worden
door de voorzitter, toen een van de raadsleden,
de heer Valeton, daarom vroeg. De bezwaren
van de heer Augustijn werden niet gedeeld
door de meerderheid van de gemeenteraad: met
zestien tegen vier stemmen kreeg de Hortensiastraat
zijn naam tijdens de vergadering van 14 juni
1926.
Wist u, dat er in Zwolle tot 1935 een Deventerdwarsstraat
bestond? Op voorstel van het College
van Burgemeester en Wethouders zou die straat
omgedoopt worden tot Zuiderlaan. De heer Valeton
was echter bang om de kluts kwijt te raken.
Deze Zuiderlaan zou dan namelijk ten noorden
van de Oosterlaan en de Westerlaan liggen. “Het
college is bezig de aarde op z’n kop te zetten”, zo
betoogde hij. De heer Van der Vegt had nog een
ander bezwaar. Hij stelde dat het helemaal geen
laan was: de Deventerdwarsstraat was immers
geen weg die aan beide zijden met bomen beplant
was.
Nog tijdens de vergadering kwam de heer
Fransen met een ander idee. Het College nam dat
idee over en zo kreeg de Deventerdwarsstraat een
nieuwe naam: Zuiderkerkstraat.
Dit alles speelde zich af tijdens de raadsvergadering
van 26 augustus 1935.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman (1677-1757)
een Zwols burgemeester1
De belangstelling voor de geschiedenis van
het persoonlijk leven is groeiende. De
toenemende stroom biografieën en biografische
woordenboeken bewijzen dit.2 Niet alleen
individuen zijn onderwerp van onderzoek.
Ook probeert men het: leven van groepen te schetsen
in zogenaamde prosopografische studies. Het
gaat hierbij dan meestal om beschrijvingen van de
sociale bovenlagen in een stad of streek.3 Men
probeert vanuit het bijzondere algemene uitspraken
te doen over het persoonlijk en publiek leven
van een groep. Deze prosopografische schetsen en
algemene uitspraken sdjn op hun beurt ook weer
geschikt om een biografie schets in een kader te
zetten.
In Zwolle staat het prosopografisch onderzoek
op een laag pitje. Wel zijn er ruim tien jaar
geleden twee studies verricht naar de politieke en
sociale bovenlaag van Zwolle in de zeventiende en
achttiende eeuw. Daaruit is gebleken, dat er in de
jaren 1700-1725 een zekere mate van sociale mobiliteit
bestond. Voor families uit de maatschappelijke
regionen net onder de bovenlaag bestonden
er mogelijkheden om tot de sociale en politieke
top door te dringen.4 Deze prosopografisch getinte
these wil ik toetsen aan de hand van het voorbeeld
van de familie Gelderman, in het bijzonder
Arnoldus Gelderman (1677-1758). Opvallend is
namelijk, dat Arnoldus’ grootvader bode van de
Staten van Overijssel was, terwijl hij zelf opklom
tot burgemeester. Hoe voltrok zich deze maatschappelijke
stijging, die in ongeveer 75 jaar
plaatsvond? Een biografisch-prosopografisch onderzoek
naar Arnold Gelderman en zijn familie
kan op deze vraag een antwoord geven.
De familie Gelderman
De vroegste geschiedenis van de familie Gelderman
is in nevelen gehuld. Ondanks uitgebreid
onderzoek is nog steeds onbekend waar de stamvader
Arend Jans Gelderman, zich ook noemende
Jaap Hagedoorn
Van Nimwegen, vandaan kwam. We weten
slechts dat hij op 9 december 1639 benoemd werd
tot landschapsbode van de Staten van Overijssel
op een jaarlijks tractement van 50 gulden, dat echter
met enige emolumenten werd aangevuld.5 Dit
was in die tijd zeker één van de weinige, maar toch
zeker niet één van de minst belangrijke ambtelijke
functies. Een bode van de staten bracht informatie
van en naar Overijssel; een zeer vertrouwelijke
baan, die niet van enig gevaar ontbloot was in tijden
van oorlog.
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
voerde in de zeventiende eeuw verschillende
oorlogen. Was Arend Jans dan een soldaat die tijdens
de laatste episode van de Tachtigjarige Oorlog
met zijn compagnie in de vestingstad Zwolle
verzeild was geraakt? Het is niet bekend. In ieder
geval maakte hij als landschapsbode de laatste negen
jaar van die oorlog mee. Dat zijn functie kennelijk
ook financieel gewaardeerd werd, blijkt uit
het feit dat hij in 1643 in staat was een huis aan te
schaffen in de Walstraat en in het jaar erna het
groot burgerschap van Zwolle kocht.6
Puntschotel met het
wapen van de familie
Gelderman. Amsterdam,
1638.
8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnold Gelderman
(1677-1757). (foto: Iconografisch
Bureau,
Den Haag).
Arend Jans huwde in 1640 met Willemtijn Egbers,
de dienstbode van burgemeester Ewols. Uit
dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, waarvan
alleen de één na jongste zoon, Egbert, zijn ouders
zou overleven. Hem benoemden Arend Jans
en Willemtien in 1656 tot enig erfgenaam.7 In 1653
had Arend Jans van Ridderschap en Steden van
Overijssel toestemming verkregen één van zijn
zoons op te leiden tot landsbode, zodat deze hem
na zijn dood zou opvolgen.8 Al in 1663 wordt Egbert
Gelderman, dan vijftien jaar oud, in de stukken
als bode aangeduid. Zijn ouders overleden
enige jaren later: Willemtijn Egbers in 1667 en
Arend Jans in 1669. Zij werden beiden begraven in
het portaal van de Grote Kerk. Nu was dat wel
niet de meest in aanzien staande plek in de Grote
Kerk, maar wie in een kerk begraven werd – en in
Zwolle met name in de Grote Kerk – stond in enig
aanzien en beschikte over voldoende middelen
een dure begrafenis te kunnen betalen.
Egbert Gelderman was enige maanden na het
overlijden van zijn moeder in 1667 gehuwd met
Anna Aalts, dochter van de stadssmid Jan Aaltsen
en Sophia van Ulsen. Uit dit huwelijk zouden zes
kinderen worden geboren, waarvan Arnoldus, geboren
aan de Blij markt in 1677, het vijfde was. In
1681 overleed Anna Aaltsen.
Zwolle rond 16779
Zwolle had in de zeventiende en achttiende eeuw
een belangrijke centrumfunctie voor het omliggende
platteland. De stad was enerzijds marktplaats
voor agrarische produkten, anderzijds
konden de bewoners van het platteland in de stad
de nodige nijverheidsprodukten kopen. Industrieel
vervaardigde produkten, afgezien van textiel
waren er nog nauwelijks. Zeer belangrijk voor
Zwolle was de transito- of overslaghandel. Zwolle
werd een stapelplaats voor goederen die tussen
het westen van de Nederlanden en Twente en
Westfalen werden vervoerd. Daarvoor werden
rond 1700 de handelswegen naar het zuidoosten
(Wipstrik) en oosten (Hardenberg) verbeterd. Al
in 1600 was de Nieuwe Vecht gegraven, die Zwolle
met de Vecht verbond. Tot de produkten die
op deze wijze werden verhandeld, behoorden onder
andere koloniale waren, hout, tabak, wijn,
boter, graan en hooi. De handel was geconcentreerd
rond de huidige Thorbeckegracht, waar de
meeste factoors woonden.
Door deze activiteiten kende Zwolle aan het
eind van de zeventiende eeuw een zekere welvaart.
Omstreeks 1700 was het huidige stadshart
geheel bebouwd. Aan de uitvalswegen naar Kampen,
Deventer en het oosten waren dunbebouwde
boerennederzettingen. Ondanks de grote pestepidemieën
van 1636 en 1656 – waaraan binnen
enkele maanden soms duizenden Zwollenaren
ten offer vielen – had de stad rond 1670 zo’n
12.000 inwoners en was nog groeiende.
In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland,
Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster.
De oostelijke provincies werden zonder al te
veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse,
Munsterse en Keulse troepen. Ook 2’wolle gaf
zich over en werd door deze troepen bezet. Dit
had tot gevolg, dat de stedelijke overheid na het
vertrek van de vreemde troepen in 1674 m e t forse
schadeclaims en schulden bleef zitten, als gevolg
van inkwartiering, knevelarij, vernielingen en extra
belastingen.
Nadat de bezettende machten waren verdreven
en Willem III tot stadhouder was benoemd,
strafte de laatste de gewesten die nauwelijks weerstand
hadden geboden aan de vijandelijke troepen.
Bij het regeringsreglement van 1675 trok de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stadhouder de goedkeuring van de verkiezing van
burgemeesters, schepenen, raden en meenslieden
in Utrecht, Overijssel en Gelderland aan zich, om
zich van de loyaliteit: van de onbetrouwbare gewesten
te verzekeren.
Egbert Gelderman
In hetzelfde jaar 1675 maakte Egbert Gelderman
promotie. Op 22 februari ontving hij uit handen
van Willem III zijn benoeming tot kamerbewaarder
van de provincie.10 Dit betekende onder andere
dat hij aanwezig was bij de vergadering van
de Staten van Overijssel, maar ook dat hij als belastingontvanger
van de provincie kon fungeren:
kortom een brede, vertrouwelijke functie. Het
kan zijn dat de stadhouder ook het ambtelijk apparaat
aan zich wilde binden en daarom (onder
andere) de landsbode Gelderman tot dit ambt bevorderde.
Het gezin Gelderman kreeg onderdak
in het gebouw van Gedeputeerde Staten aan de
Blijmarkt, waar ook Arnold geboren zou worden.
Na het overlijden van zijn eerste vrouw Anna
Aaltsen, huwde Egbert in 1682 met Elisabeth Scriverius,
dochter van predikant Samuel Scriverius.
Niet alleen kregen de kinderen Gelderman op
deze wijze weer een moeder, ook zouden de familiebanden
met de familie Scriverius een rol spelen
bij de sociale promotie die de familie – en met
name Arnold – nog zou maken.
De benoeming tot kamerbewaarder gaf vader
Egbert kennelijk een hogere sociale status, waardoor
hij geschikt was voor het vervullen van verantwoordelijke
nevenfuncties. Zo werd hij in 1681
vaandrig in het burgerregiment en lid van de gezworen
gemeente, het lichaam dat leden van de
magistraat benoemde en over enkele zaken geraadpleegd
moest worden. In 1683 werd Egbert
benoemd tot ouderling van de Hervormde Kerk.
Uit zijn huwelijk met Elizabeth Scriverius zouden
twee zonen geboren worden, die waarschijnlijk
beiden jong stierven.
Arnolds jonge jaren
Nog een andere aanwijzing voor de gestegen sociale
positie van de familie Gelderman blijkt uit
de opleiding van Arnold: hij bezocht tussen 1687
en 1692 de Latijnse school te Zwolle, in die tijd de
school voor de kinderen uit de bovenlagen van de
samenleving.” Arnolds lidmaatschap van de deftig
geachte Waalse Kerk – waar Frans de tale Kanaans
is – zal door dit onderwijs mogelijk gemaakt
zijn. Al in 1702 werd hij diaken in deze
kerk, die pas in 1697 door de gemeentelijke overheid
was erkend.
Arnold trad in 1699 in het huwelijk met Petronella
Ulger, de eveneens in 1677 geboren dochter
van Lubbert Ulger en Jannigje Gerrits van Enschede.
Het huwelijk vond in het kerkje van Windesheim
plaats. Het gold in die dagen als een teken
van stand om daar te trouwen. Petronella’s
vader, Lubbert Ulger, was serviesmeester, dat wil
zeggen dat hij voor het onderdak van de ingekwartierde
soldaten verantwoordelijk was, en verder
lid van de gezworen gemeente. Ook de banden
met deze familie Ulger zouden de sociale positie
van de familie Gelderman ten goede komen.
Arnolds zwager, de jurist Dithmar Ulger, was begin
achttiende eeuw één van de voorlieden van de
gezworen gemeente. Een andere zwager, Willem
Berg, had een hoge functie in het leger en zou het
eveneens tot burgemeester brengen.12
Uit het huwelijk van Arnold en Petronella, dat
ruim 58 jaar zou duren, werden drie dochters en
drie zoons geboren. Eén dochter stierf jong. Van
de overige kinderen zouden alleen de oudste
dochter en de jongste zoon hun ouders overleven.
Petronella Ulger
(1677-1762), de dochter
van een lid van de
gezworen gemeente
waarmee Arnold Gelderman
in 1699 trouwde
(foto: Iconografisch
Bureau, Den Haag).
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het gezin woonde aan de Bitterstraat, in het huis
van de Ulgers, later aan de Blijmarkt.
Inmiddels was het tijd geworden dat ook Arnold
een werkkring zou krijgen. Daarom richtte
Egbert Gelderman in 1704 – net als zijn vader vijftig
jaar eerder – een verzoek aan Gedeputeerde
Staten. Hij gaf daarin aan dat zijn leeftijd (hij was
56 jaar) ‘ende tusschenkomende swakheijd’ hem
af en toe beletten zijn werk te doen. Hij stelde
daarom voor dat zijn zoon Arnold mede als kamerbewaarder
werd aangesteld als waren zij één
persoon. Bij overlijden van de één, zou de ander
het werk alleen overnemen.13 Aardig detail is dat
uit het handschrift blijkt dat deze brief door Arnold
geschreven is. Gedeputeerde Staten stemden
in met het verzoek, zodat Arnold na het overlijden
van zijn vader in 1711 de functie alleen bekleedde.
De geschiedenis herhaalde zich.
Arnolds ouders – Elisabeth Scriverius overleed
in 1715 – werden overigens begraven in de
Grote Kerk, niet meer in het portaal, maar op het
in meer aanzien staande Lage Koor.
Zwolle in de eerste helft van de achttiende eeuw
Hoewel in het westen van de Nederlanden het
economisch verval al aan het eind van de zeventiende
eeuw had ingezet, was Zwolle nog redelijk
welvarend, vooral vanwege de centrumfunctie
van de stad. Dit maakte de lokale economie minder
gevoelig voor economische depressies. De
middenstand profiteerde van deze bloei. De adel
en de rijken die in grond hadden belegd, kregen
door malaise in de landbouw nauwelijks waar
voor hun investeringen.
De handel van de factoors aan de Thorbeckegracht
bleef een peiler van de Zwolse economie en
werd door de overheid begunstigd en beschermd.
Een uiteindelijk niet uitgevoerd plan uit 1706 om
de waterafvoer via de IJssel te vergroten en deze
rivier dus beter bevaarbaar te maken werd door
de Zwolse overheid met kracht bestreden. Het
zou betekenen dat Deventer per schip bereikbaar
werd, wat de Zwolse handelspositie ten opzichte
van het oosten zou bedreigen. ‘4
De textielindustrie bloeide begin achttiende
eeuw, maar zou in de loop van de eeuw tanen.
Van de 1000 weefgetouwen in 1723 bleken er door
concurrentie van de Emdense industrie in 1751
nog maar 80 over te zijn.15 Naast de textielindustrie
telde Zwolle een enorme variatie aan bedrijven.
Zo waren er een azijnmakerij, een zijdefabriek,
een lijmkokerij, zeepziederijen, kousen-,
knopen-, zout-, spelden en papierfabrieken.16
Ondanks deze variatie zou de nijverheid in de
loop van de eeuw de achteruitgang van de textielindustrie
delen.
De Zwolse bevolking groeide tussen 1680 en
1750 nauwelijks doordat velen hun geluk elders
beproefden.17 Er woonden rond de 12.000 mensen
in de stad, waarvan zo’n 70% hervormden en
20% katholieken.18
Politieke conflicten
In 1702 was Willem III overleden en daarmee begon
het Tweede Stadhouderloze tijdperk. De gehate
regeringsreglementen werden afgeschaft, zodat
raad en gezworen gemeente zelf hun keuze
van de stadsbestuurders bepaalden. Dit betekende
overigens wel, dat overal in den lande de gezworen
gemeente, waarin de gegoede middenstand
was vertegenwoordigd, meer invloed op het
bestuur ging eisen. Tot dan toe was haar rol door
burgemeesters en schepenen beperkt. In sommige
steden kwam het tot zogenaamde ‘plooierijen’:
onenigheden rond de benoeming van burgemeesters
en schepenen.19 In Zwolle gebeurde dat
niet, maar hier eiste de gezworen gemeente tussen
1703 en 1709 wel inzage in de stadsboeken,
wilde zij gekend worden in de zaken rond de
Zwolse munt en dreigde zij haar veto uit te spreken
over nieuwe belastingen. Arnold Geldermans
zwagers Willem Berg en Dithmar Ulger traden op
als woordvoerder van de gezworen gemeente.20
De zaak liep echter met een sisser af. Waarom is
niet duidelijk.
Kennismaking met de politiek
Arnolds ster was stijgende. In 1708 werd hij
vaandrig van het burgerregiment, in 1713 hopman
van de schutterij. In 1715 benoemden Gedeputeerde
Staten hem tot hun klerk, maar hij bleef
ook kamerbewaarder. Daarnaast was hij vanaf
1717 ontvanger van de zogenaamde Ensergelden,
een belasting ten behoeve van het vuurbaken op
Ens. Arnolds sociale positie was inmiddels kennelijk
dermate hoog, dat hij geschikt was voor politieke
ambten. In 1712 en 1713 werd hij namelijk gekozen
tot lid van de gezworen gemeente. Hij
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
moest bedanken voor de eer, omdat hij ambtenaar
was.
In zijn omgeving had Arnold echter wel te
maken met de politiek. Uiteraard kwam hij als
klerk in aanraking met vele bestuurlijke en politieke
zaken, maar ook in zijn familie moet de politiek
aan de orde zijn gekomen. Zijn zwagers Berg
en Ulger waren lid van de gezworen gemeente,
evenals de echtgenoot van zijn oudste zuster Wilhelmina,
de brouwer Egbert Ridder. Zijn beide
andere zwagers, Gerhard Spaar en Samuel Johannes
Scriverius – respectievelijk getrouwd met
Sophia en Maria Gelderman – zouden later lid
van dit college worden. Bovendien vormden Ridder,
Ulger en Scriverius in 1713 samen met ene
Voet een factie, die met drie andere facties (de
Vriesen, de Roubolle en de Cabale genaamd) een
overeenkomst sloot over de verdeling van zestien
plaatsen in de gezworen gemeente.21 Het is de tijd
van de zogenaamde contracten van correspondentie,
waarbij de regenten onderling afspraken
maakten over de verdeling van ambten en lidmaatschappen
van politieke colleges.
Hoewel de familie Gelderman qua sociale status
zo langzamerhand tot de bovenlagen van de
Zwolse samenleving behoorde, maakte ze als tamelijk
nieuwe familie geen deel uit van de oude
regentengeslachten. In principe was het dus
moeilijk om lid te worden van de politieke elite.
Onderzoek heeft echter uitgewezen, dat juist in
het eerste kwart van de achttiende eeuw de kans
om als buitenstaander toegelaten te worden tot
die regerende bovenlaag groter was dan ervoor en
erna.22 Waarschijnlijk kwam dit doordat sommige
oude families uitstierven of geen kandidaten
hadden voor de te vervullen zetels.
Ook de hevige factiestrijd – er waren in totaal
vijf facties die om de plaatsen op de kussens streden
– werkte snellere wisseling van de wacht in de
hand. In de jaren 1723 en 1724 kwam het bijvoorbeeld
zes keer voor dat een burgemeester niet
werd herbenoemd, een ongekend hoog getal. Ook
het feit dat het regeringsreglement was afgeschaft
speelde een rol. Willem III had belang gehad bij
continuïteit en loyaliteit en dus voor een regelmatige
herbenoeming gezorgd.
L’histoire se répète
Arnold Gelderman had zich bij de factie van de
Roubolle aangesloten. Zijn ambtelijke functie
verhinderde evenwel dat hij aan de verkiezingen
deelnam. Nadat zij de Latijnse school hadden
doorlopen, waren zijn zonen Egbert en Samuel
Johannes op een leeftijd dat zij een werkkring
moesten krijgen. En wederom herhaalde de geschiedenis
zich.23 Al in 1719 deelde Arnold de
functie van kamerbewaarder met zoon Egbert, en
die van klerk met Samuel Johannes. De beide
broers verwisselden in 1722 nog een keer van
functie, want in dat jaar verzocht Arnold om ontslag
aan de heren Gedeputeerden. Hij was bang
dat hij zijn werk niet meer naar behoren kon uitvoeren
als gevolg van ‘lich[amel]ijcke swackheden’.
Hij stelde voor zijn beide zoons te benoemen
in zijn respectievelijke functies24, hetgeen geschiedde.
Egbert zou tot zijn dood in 1752 klerk
blijven. Samuel Johannes zou zijn functie afstaan
Voor- en achterzijde
van een VOC-glas met
het wapen van de familie
Gelderman. Dit glas
behoorde toe aan
Arnoldus Gelderman,
die gedeputeerde was
bij de VOC, kamer
Delft.
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stamboom van de
families Ulger, Gelderman
en Scriverius.
ULGER GELDERMAN
Arend Jans
x
Willemtijn Egbers
SCRIVERIUS
Samuel Johannes
x
Jacobje Jans
Lubbert Ulger
x
Johanna G. van Enschede
I I I 1 I I
z Egbert z
x
— AnnaAaltsen ‘
Elisabeth Scriverius
– z
– z
Dithmar d
x
I I
Petronella x Arnold
Samuel Johannes
x
Maria la Blan
Willem Berg
Anna Elisabeth –
Johanna Maria –
Egbert –
Johanna Maria –
Samuel Johannes –
Willem Gerrit –
1 I
i d :
x
Egbert
Ridder
d c
x
Gerard
Spaar
Maria x Samuel Johannes –
Anthonij –
x
Sara Amia
d -|
x
Hanselaar
z –
Egbertus –
d –
Eeckhout
I I I
d z z
X
Tobias
Johannes
Antonius x
Nilant
z = zoon, d = dochter, meenslid, raadslid, meens- en raadslid
Gilliana
Paulina
x
Antonius
v.d. Os
Jannes –
z
d –
z –
z –
d -I
aan de jongste broer Gerrit Willem, die tot zijn
dood in 1773 kamerbewaarder zou zijn. Bijna
honderd jaar was deze functie toen in de familie
geweest.
Raadslid en burgemeester
Arnold had zijn ontslag waarschijnlijk mede aangeboden
om mee te kunnen dingen naar het
raadslidmaatschap. In 1723 werd hij gekozen en
tot zijn dood in 1757 zou hij lid zijn van het college
van burgemeesteren, schepenen en raden van de
stad Zwolle. Als lid van de Zwolse overheid heeft
hij in de loop der jaren tal van functies gehad. De
regerende burgemeesters verdeelden de werkzaamheden
onderling. Zo was Arnold achtereenvolgens
keurmeester, tichelmeester, timmermeester
en cameraar, zeg maar wethouder van
financiën. In deze functies zat een opbouw. Het
cameraarschap was de belangrijkste die binnen
het Zwolse stadsbestuur te vergeven was en werd
meestal door de oudste raadsleden vervuld. Ook
was Arnold in 1724 Zwols afgevaardigde naar de
Staten van Overijssel.
Zoals opgemerkt, was Arnold lid van één van
de regentenfacties. Hij heeft zelf nauwkeurig bijgehouden
wie van welke factie op het kussen
kwam en welke functies ze hebben bekleed. Deze
aantekeningen vormen een dankbare bron voor
het onderzoek naar het functioneren van de contracten
van correspondentie. Niet alleen via deze
facties, maar ook door het toenemend aantal familieleden
op invloedrijke posities, moet Arnold
Gelderman naar mate hij ouder werd een politicus
van gewicht zijn geworden. In 1719 was zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
zwager en neef Joan Scriverius raadslid geworden,
in 1727 werd zwager Willem Berg eveneens raadslid.
Zoon Samuel Johannes werd na een rechtenstudie
in 1732 secretaris van de stad Zwolle. Egbertus
Scriverius, een zoon van zijn zuster, werd in
1738 raadslid, evenals diens neef Johannes Antonius
in 1745. Verder was de familie Scriverius verwant
aan de families Eekhout, Nilant en Tobias,
die ook op het kussen zaten, danwei zouden komen
te zitten. Kortom: de familie Gelderman was,
in de persoon van Arnold, onverbrekelijk verbonden
met de politieke en sociale bovenlaag van
Zwolle.
Zwolle tijdens Arnolds raadslidmaatschap
De jaren waarin Arnold Gelderman raadslid van
Zwolle was, kenmerken zich door de eerste tekenen
van economisch verval, zoals al eerder vermeld.
In de industrie was deze teruggang het eerst
merkbaar. Wanneer er zich rampen voordeden
als de veepest (1714), strenge winters (1740-1741),
of een epidemie van de zogenaamde rode en grauwe
loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart
in de stad zeer.
Ook op politiek niveau waren er moeilijkheden.
In 1726 dreven de Zwolse burgemeesters een
belasting op gebrande wateren door, zeer tegen de
zin van de gezworen gemeente. Hierdoor werd de
prijs van een borrel met 50% verhoogd. Dit leidde
tot een opstand onder het weversvolk. Onder leiding
van enkele belhamels werden bij verschillende
burgemeesters de ruiten ingegooid onder leuzen
als: “Zoo moet men die donders leren” en “De
groten zijn toch al den donder atheïsten”. De
schuldigen werden gegrepen en één raddraaier
kreeg de strop.25
De neergang in de economie in de jaren veertig
van de achttiende eeuw, gekoppeld aan de eerder
genoemde rode loop en het voor de Republiek
slechte verloop van de Oostenrijkse Successieoorlog
deden ook in Zwolle de roep om Oranje toenemen.
Dit leidde ertoe dat Willem IV in 1747 tot
erfstadhouder werd uitgeroepen en de regeringsreglementen
weer van kracht werden. Alle verkiezingen
moesten aan de prins worden voorgelegd.
Hierdoor verdwenen de laatste restjes van de
oude factietegenstellingen.26
Het was niet Willem IV, maar na zijn overlijden
in 1751 wel zijn weduwe Anna van Hannover
die probeerde in de steden eigen mensen in de
raad te krijgen. Daartoe liet zij in Zwolle verschillende
raadsleden afzetten, waaronder enkele leden
van de Scriveriusfamilie.27 Op de achtergrond
hierbij speelde een kerkelijk conflict rond ds. Antonius
van der Os mee. Deze werd verweten af te
wijken van de orthodoxie en de leerstellingen van
Dordt. De gemeentelijke overheid had hem de
hand boven het hoofd gehouden, maar de kerkeraad
wilde hem kwijt. Van der Os was getrouwd
met een achternicht van Arnold Gelderman, Gilliana
Paulina Scriverius. De familie Scriverius, en
dus waarschijnlijk ook Arnold, gold als voorstander
van Van der Os. Vandaar dat Anna van Hannover,
die tegenstandster was van de ideeën van
Van der Os, mede hierom gebaat was bij beknotting
van de macht van de familie Scriverius.28
Laatste levensjaren
De laatste jaren van het leven van Arnold Gelderman
waren niet gemakkelijk. In 1742 verloor hij
zijn dochter Johanna Maria. In 1747 en 1748 stierven
binnen een jaar zijn schoondochter Engelina
Johanna Kymmell en zijn zoon Samuel Johannes
en in 1752 overleed zijn oudste zoon Egbert. Bovendien
werd hij de laatste jaren van zijn leven geplaagd
door een slechte gezondheid. In de spaarzame
brieven uit die tijd informeren de schrijvers
steeds naar zijn gezondheid, of nodigen hem uit,
zo zijn gezondheid hem toelaat te komen. Nog in
1756 wordt Arnold benoemd tot Zwols gedeputeerde
bij de VOC, kamer Delft. Of hij die functie
ook werkelijk heeft kunnen uitoefenen, blijft de
vraag: Arnold Gelderman overleed op 6 december
1757 en werd op 14 december 1757 op het Lage
Koor van de Grote Kerk begraven. Petronella Ulger
zou hem vijfjaar overleven.
Besluit
Als wij het leven van Arnold Gelderman bezien,
dan moet gezegd worden dat hij een geweldige
carrière maakte: van kamerbewaarder tot burgemeester
en gedeputeerde. Deze loopbaan was zeker
mede het gevolg van de nauwkeurig geplande
overdracht van functies binnen de familie Gelderman.
Grootvader Arent Jans was hiermee reeds
begonnen en ook Arnold zou zijn zoons zo een
goede start in het leven geven. Anderzijds is de
succesvolle loopbaan van Arnold ook te danken
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
aan de betere mogelijkheden die niet-magistraatsfamilies
begin achttiende eeuw hadden om
op het kussen te komen. Lidmaatschap van een
factie vergrootte die mogelijkheden, maar ook de
(familie)banden met andere magistraatsfamilies.
Arnnold heeft hierdoor de hem geboden mogelijkheden
dan ook ten volle benut. Met zijn burgemeesterschap
werd een eeuw van sociale stijging
bekroond.
Noten
1. Dit artikel is een bewerking van een lezing over Arnoldus
Gelderman, gehouden in de Waalse Kerk op
1 september 1990, ter gelegenheid van de overhandiging
van een rouwbord van Arnoldus Gelderman
aan de Eglise Wallone te Zwolle en de presentatie
van de Inventaris van het familie-archief en collectie
Gelderman aan het Zwolse gemeentebestuur door
de voorzitter van de Stichting Familiearchief en collectie
Gelderman, mr. E.F.G.M. Gelderman. De
stichting verwerft en beheert/laat beheren archiefmateriaal
betreffende de familie Gelderman en stimuleert
het wetenschappelijk onderzoek dat met
behulp van deze bronnen wordt verricht.
In 1991 verscheen in het Nederlands Patriciaat 1990
de genealogie van de familie Gelderman.
2. Naast drie delen van het Biografisch Woordenboek
van Nederland die de afgelopen tien jaar verschenen,
worden er ook op deelgebieden steeds vaker
biografische woordenboeken uitgegeven, zoals
Overijsselse biografieën, J. Folkerts e.a. ed (Zwolle
1990) en twee delen in de reeks Drentse biografieën.
3. Zeer bekend in dit verband zijn de werken van J.J.
de Jong Met goed fatsoen. De elite in een Hollandse
stad. Gouda 1/00-1780, L. Kooijmans Onder regenten.
De elite in een Hollandse stad. Hoorn 1700-1780
en M. Prak Gezeten burgers. De elite in een Hollandse
stad. Leiden 1700-1780.
4. Zie C.M.C. Paulusma-du Pree, De Zwolse magistraat,
1675-1747. Een onderzoek naar de oligachisering
en naar een mogelijke democratische tegenbeweging
(ongepubliceerde scriptie; Zwolle 1981) en
A.J.A. Bos, De Zwolse magistraat 1747-1795. Een onderzoek
naar een mogelijk oligarchiseringsproces (ongepubliceerde
scriptie; Zwolle 1978).
5. Rijksarchief in Overijssel (RAÓ), Statenarchief
(SA) 355, Resoluties Gedeputeerde Staten, 9-12-
6. Inventaris, XIII; en burgerschapsregister in: Gemeentelijke
Archiefdienst Zwolle (GAZ), AAZ01-
413.131-
7. GAZ, RAooi-112,454 (dd. 9 oktober 1656)
8. RAO, SA 360, Resoluties Ridderschap en Steden, 8-
11-1653.
9. Gebaseerd op L. van Vuuren, Rapport betreffende
een onderzoek naar de welvaartsbronnen van de gemeente
Zwolle (Zwolle 1939) 6-15; Paulusma-du
Pree, 6-8; N.D.B. Habermehl, ‘De bevolkingsontwikkeling
van Zwolle van 1628 tot 1748’ in: Zwols
Historisch Jaarboek l (1984) 84.
10. Inventaris, XIII.
11. Zie J. Frederiks, Ontstaan en ontwikkeling van het
Zwolse schoolwezen tot omstreeks 1700 (dissertatie;
Zwolle 1960) passim.
12. Zie voor de familie Ulger, J. Van Doorninck, Geslachtkundige
aanteekeningen ten aanzien van de
Gecommiteerden ten Landdage van Overijssel zedert
1610-1974… (Deventer 1871) 620.
13. GAZ, FA011, Familiearchief Gelderman, 1. Deze
collectie is beschreven in Inventaris van het familie-
archief en collectie Gelderman, J.J. Seekles ed.
(Zwolle 1990)
14. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2 dln.;
Zwolle 1954-1960) II, 102.
15. Van Vuuren, 6-15.
16. Van Vuuren, 12.
17. Habermehl, 84.
18. Bos, 5-6.
19. Zie W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink,
Burgers in verzet tegen regenten-heerschappij.
Onrust in Sticht en Oversticht 1703-1706 (Amsterdam
1976).
20. Paulusma, 32 ev., en 65.
21. Paulusma, 22.
22. Paulusma, 14-16.
23. J.C. Streng, ‘De veiling van de bibliotheek van Samuel
Johannes Gelderman te Zwolle in 1749’ in:
Zwols Historisch Jaarboek 6 (1989) 123-125.
24. GAZ, FA011,5.
25. De Vries, 113-115.
26. Bos, 19.
27. Bos, 13-14.
28. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os,
predikant te Zwolle 1748-1755 (Kampen 1988) 161-
168.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 15
Jongere bouwkunst in Zwolle
In twee eerdere nummers van het Zwols Historisch
Tijdschrift (1990, nr. 4 en 1991, nr. 2)
zijn artikelen gepubliceerd over de stedebouwkundige
ontwikkeling van Zwolle in de periode
1850-1940 en over de bouwwerken in de binnenstad
uit diezelfde tijd. In het onderstaande
stuk worden de gebouwen buiten de singels beschreven.
Het volgende en laatste artikel zal gaan
over het buitengebied (de voormalige gemeente
ZwoUerkerspel). Vlak buiten de singels vinden we
een aaneengesloten gebied met waardevolle objecten
van jongere bouwkunst. De Zwolse singelbebouwing
is ook landelijk gezien zeer bijzonder.
Vooral het deel tussen de Luttekestraat en de
Sassenpoortbiedt nog steeds een fraai negentiende-
eeuws panorama. De hele stationswijk, gebouwd
na aanleg van de spoorlijn in 1864, is een
gebied met voorbeelden van negentiende-eeuwse
architectuur.
Burgemeester van Roijensingel 1
Deze witgepleisterde villa uit 1862 valt op door het
iets teruggelegen torentje dat er aan toegevoegd
werd door de architecten F.C. en J.D.C. Koch in
1913-1914. Aan de achterzijde bevindt zich een serre.
Thans is het in gebruik als makelaarskantoor.
Burgemeester van Roijensingel 2, Villa Eekhout
In 1860 werd deze villa tegenover de Nieuwe Havenbrug
gebouwd naar een ontwerp van de Zwolse
aannemer M. de Groot in eclectische stijl. In
1911 kocht de gemeente het pand; lange tijd waren
er plannen en ook ontwerpen voor een nieuw
stadhuis op deze plaats. De villa bleef echter gespaard,
evenals het fraaie landschappelijke park
erachter. Het pand is nu kantoor.
Burgemeester van Roijensingel5
Deze grote villa werd gebouwd in 1875-1877 in
classisistische stijl. Het huis heeft over twee bouwlagen
een grote erker en wordt bekroond door een
koepelvormig dak. In de tuin is in 1884-1885 een Jan Willem
bijgebouw met prieel geplaatst. van Beusekom
Burgemeester van Roijensingel 6
Villa in neo-renaissancestijl, gebouwd in 1882-
1883 naar een ontwerp van J.Gosschalk. De asymmetrische
gevel heeft rechts een risalerende trapgevel
en links een overhoekse erker over twee
bouwlagen. Het geheel wordt bekroond door een
houten loggia.
Burgemeester van Roijensingel 9
Burgemeester van
Roijensingel 9
Dit kantoorpand is gebouwd in 1914 naar een tra- (foto: J. de Koning)
i 6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Van Nagellstraat
(foto: M. Malherbe)
Zeven Alleetjes 1
(foto: J. de Koning)
ditionalistisch ontwerp van de Zwolse architect
M. Meyerink voor de Eerste Onderlinge Aannemers
Verzekeringsmaatschappij. Later was het in
gebruik als Bank van Doijer & Kalf en laatstelijk
als Amrobank. Thans is het verbouwd tot 26 appartementen.
De symmetrie van de gevel wordt
verstoord door het ranke hoektorentje met open
hoogste trans.
Burgemeester van Roijensingel 17/18
Deze grote en opvallend gesitueerde stadvilla, is
gebouwd in 1884-1885 naar een ontwerp van de
Zwolse architect S.J.H. Trooster in eclectische stijl
met karakteristieke, overhoeks geplaatste erkerachtige
torentjes met rondlopende balkons. Ernaast
werd in 1899 een personeelswoning gebouwd
naar ontwerp van D. de Herder.
Van Nagellstraat7-19
Eén van de ‘nieuwe’ straten in de buurt van het
station, laat een opvallende aaneengesloten bebouwing
uit 1899-1900 van de architect G.B.
Broekema zien, in afwisselende stijl met kenmerken
van de Jugendstil.
Kantoor van de IJsselcentrale aan de Zeven
Alleetjes.
Dit gebouw lijkt bij eerste beschouwing na-oorlogs.
Het oudste gedeelte werd echter ontworpen
in 1939 door de architecten A. van der Steur en M.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meijerink in de stijl van de Delftse School. Deze
bouwstijl werd vooral gepropageerd door de
Delftse hoogleraar Granpré Molière. Vooral na de
oorlog werd veel in deze stijl gebouwd. Het gebouw
werd in 1942 voltooid.
Emmawijk 2/3
In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de
Willemsvaart naar het westen verlegd. Op de gedempte
oorspronkelijke vaart werd een wijk met
grote huizen gebouwd. Dit dubbele herenhuis in
neo-renaissancestijl, werd in 1893 ontworpen
door de Zwolse architect S.J.H. Trooster.
Veerallee 3/4/5
De drie Jugendstilhuizen onder één kap, zijn ontworpen
door de Zwolse architect G.G. Post. Met
de ernaast liggende panden Veerallee 1/2 vormen
ze een karakteristiek geheel. Thans zijn ze deels in
gebruik als kantoor of als woonruimte.
Wilhelminastraat
(foto: J. de Koning)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Prins Hendrikstraat
(foto: J. de Koning)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wilhelminastraat 4/26A, Julianastraat 62162a
Deze aaneengesloten rij woningen is gebouwd in
1905-1906, met de zeer karakteristieke Jugendstilvormgeving
van de later in Kampen woonachtige
architect G.B. Broekema. Samen met de panden
aan de overzijde van de straat geeft het een gaaf
beeld uit het begin van deze eeuw.
Wilhelminastraat 25/35
De zes woningen in Jugendstil zijn gebouwd in
1904 naar een ontwerp van de Zwolse architect
G.G. Post.
Prins Hendrikstraat 2/26
De gehele straatwand met neo-renaissance en Jugendstil-
elementen, is gebouwd in 1902, naar het
ontwerp van de Zwolse architect M. Meyerink.
Prins Hendrikstraat ïliya
Deze rij woningen met Jugendstil-elementen, is
gebouwd tussen 1902 en 1904 naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post. Tussen de woningen
5 en 7 bevindt zich een houten poortje dat
toegang geeft tot het achterterrein.
Marnixschool aan de Westerlaan
Dit complex is in 1922-1923 oorspronkelijk gebouwd
als een combinatie voor lagere school en
ULO door de Zwolse architecten M. en H. Meyerink.
Het gebouw bestaat uit een aantal haaks op
elkaar geplaatste vleugels met grote lage schilddaken.
Aan de voorzijde valt een halfronde uitbouw
op.
Station
Reeds in 1863 werd het station gebouwd. De
Staatsspoorwegen hanteerden vijf klassen al naar
gelang de grootte en het belang van de vestigingsplaats.
Vooruitlopend op het belangrijke knooppunt
van spoorwegen (zeven op het hoogtepunt)
kreeg Zwolle een Klasse I station in de stijl van het
Waterstaatsclassicisme. De 60 meter lange gevel
bestaat uit een negen traveeën breed middengedeelte
met twee bouwlagen en twee verdiepingloze
zijvleugels. Het gebouw staat op de Rijksmonumentenlijst
en is kort geleden gerenoveerd. Het
uiterlijk bleef daarbij intact.
Hoge Spoorbrug
In 1882-1883 werd een smalle brug over het ruim
100 meter brede stationsemplacement gelegd. De
brug bestaat uit drie overspanningen van 36 meter
lengte, waarvan zowel de onder- als de bovenrand
gebogen zijn. In verband met de visuele gelijkenis
wordt van een ‘lensliggerbrug’ gesproken.
In Nederland is deze brug het enige voorbeeld van
een dergeljke constructie. Deze brug is onlangs op
de Rijksmonumentenlijst geplaatst en dien ten
gevolge bij de huidige herinrichting gespaard gebleven.
Van Karnebeekstraat 106/114
De vijf woonhuizen in classicistische stijl zijn gebouwd
in 1873 door aannemer B.J. Ernst, nabij de
oprit van de Hoge Spoorbrug.
Hertenstraat 27
Dit bedrijfspand is ontworpen door de Zwolse architecten
H. van Dijk en J.D.C. Koch in een aangepaste
bouwstijl, passend in een woonwijk. De
sobere architectuur wordt geaccentueerd door
een trapgevel en hoektorentje. Het pand is later
verbouwd tot 14 wooneenheden.
Dominicanenklooster aan de Assendorp er straat
27/29
Dit grote complex met een neo-gotische kruisbasiliek
en klooster, werd gebouwd naar een ontwerp
van de Maastrichtse architect J. Kayser en
De Hoge Spoorbrug
(foto:], de Koning)
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dominicanenklooster
(foto: J. de Koning)
werd in 1902 gewijd. Na een grote brand in 1933
werd het klooster herbouwd. De kerk heeft geen
echte toren, maar wel twee symmetrische traptorentjes
aan weerszijden van de voorgevel en een
zeskantige houten vieringtoren.
Eigenhaardstraat 12/46, Assendorperstraat 41/43
De twee rijtjes arbeiderswoningen van de Woningbouwvereniging
Eigen Haard, zijn gebouwd
in 1893-1894 naar een ontwerp van de Zwolse architecten
W. en F. Koch.
Assendorperstraat 78/86
De oorspronkelijk symmetrische rij van winkelwoonhuizen
uit 1907-1908 is gebouwd naar een
ontwerp van de Zwolse architect G.G. Post. De
fraaie om de hoek doorlopende Jugendstil-winkelpui,
heeft een overhoeks geplaatste ingang en
daarboven een hoge erker met spits dak.
Molenweg 169
Deze kleine, maar opvallend rijk geornamenteerde
woning is in 1896 gebouwd naar een ontwerp
van de architect G.B. Broekema als representatief
gedeelte van een confectiefabriek. Deze fabriek
heeft achter de woning gelegen en is enkele jaren
geleden afgebroken.
Assendorperstraat 129
De landelijke naam Landwijk doet vermoeden
dat dit landhuisje hier al stond voordat de wijk
Assendorp werd gebouwd. Schijn bedriegt, want
in werkelijkheid is dit gebouwtje in 1884 voor een
liefdadigheidsinstelling, de St. Vincentiusvereniging,
gebouwd. Het heeft maar enkele jaren
dienst gedaan als opvang voor verwaarloosde
kinderen. Daarna vestigde zich er een bloemkwekerij
in. Het uiterlijk van het pand bleef ongewijzigd.
Opvallend is de asymmetrische opzet van de
gevel en de zinken bekroningen op het dak.
Ambachtsschool Mimosastraat 1
Op een karakteristiek punt (vroeger lag hier
Zwolles drukste spoorwegovergang), ligt een
schoolgebouw in de stijl van Het Nieuwe Bouwen.
Het is ontworpen door de Leeuwarder architect
A. Baart en de Zwolse architect L. Krook.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
Meppelerstraatweg 19
(foto: J. de Koning)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hertenstraat 27
(foto: M, Malherbe)
Vooral de hoek tussen de twee vleugels met het
hoge trappenhuis zijn opvallend.
Sophiaziekenhuis aan de Rhijnvis Feithlaan 80/84.
Het ziekenhuis is een bekend voorbeeld van Het
Nieuwe Bouwen. Het is ontworpen door J.G.
Wiebenga, directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst.
Het oorspronkelijke ontwerp uit 1931 werd na
aanzienlijke aanpassingen in 1933-1934 uitgevoerd.
Vooral de hoekoplossing aan de kant van
de Philosofenallee is karakteristiek.
Philo sofenallee 31/36
De zes woonhuizen zijn gebouwd naar een ontwerp
van de Zwolse architect G.G. Post in 1906
met een symmetrische gevel. In de gevel zijn drie
risalerende ingangspartijen met hoefijzerbogen.
Algemene Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg
Dit is de eerste begraafplaats buiten de stad, aangelegd
in 1823. Het grote smeedijzeren hek tussen
hekpijlers met met rococo-vazen komt vermoedelijk
van elders. Rechts hiervan staan een wachtruimte
en een dienstwoning in eclectische stijl.
Op de begraafplaats zijn grafmonumenten
van onder andere Rhijnvis Feith en Ter Pelkwijk
te zien. Verder zijn er graven van de families
Sandberg en Van Ittersum.
R.K. Begraafplaats aan de Bisschop
Willebrandlaan 92
De begraafplaats is aangelegd in 1841 en heeft een
neo-gotische kapel uit 1883.
Marechausseekazerne aan de Meppelerstraatweg 19
Dit opvallende kantoor van de Koninklijke Marechaussee
is in 1931 gebouwd naar militair (en dus
anoniem) ontwerp. In het gebouw waren ook vijf
woningen geïntegreerd. Vooral de toren die de
hoeklocatie benadrukt, markeert het gebouw.
Daarnaast is het kleurgebruik, onder andere in de
tegeltableaux, opvallend.
Openluchtbad aan de Ceintuurbaan.
Dit inmiddels niet meer in gebruik zijnde zwembad,
werd in 1934 gebouwd naar een ontwerp van
de directeur van de Gemeentelijke Technische
Dienst J.G. Wiebenga in de stijl van Het Nieuwe
Bouwen. Twintig jaar geleden werd het al genoemd
als een topobject van de architectuur uit
de periode 1900-1940.
Tenslotte
Het veldwerk voor dit artikel is inmiddels al weer
drie jaar geleden uitgevoerd. Een groot aantal van
de beschreven panden is inmiddels op de rijks- of
gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. De vorig
jaar ter gelegenheid van de Open Monumentendag
uitgegeven ‘Wandel- en fietstocht jonge
bouwkunst in Zwolle’ verenigt panden uit het vorige
artikel in de binnenstad en panden buiten de
singels op een logische route. De brochure is verkrijgbaar
bij de VW, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de Menno van Coehoornsingel.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Stadsuitbreidingen in de twintigste-eeuw
Aan het einde van de vorige en begin deze
eeuw zijn er in vele steden in Nederland
plannen gemaakt voor stadsuitbreidingen.
Dat daar nogal wat haken en ogen aan zaten, lag
niet alleen aan het feit dat vele van deze steden
nog geheel of gedeeltelijk in hun middeleeuwse
jasje, of liever gezegd keurslijf, zaten, maar ook
aan een gebrek aan deskundigheid en regelgeving
op met name het gebied van de ruimtelijke ordening.
Bestuurlijk gezien was een dergelijke stadsuitbreiding
dan ook geen sinecure. Het kostte een
gemeentebestuur al heel wat hoofdbrekens alvorens
men het erover eens was welke deskundige
zich mocht buigen over de problematiek. Lag er
eenmaal een plan ter tafel dan wilden ‘boeren,
burgers en buitenlui’, gemeenteraad en hogere
overheden er ook nog eens hun zegje over doen.
Het zal dan ook geen verbazing wekken dat
het jaren duurde voordat menig plan tot uitvoering
kwam. Dat daarbij vaak de bestuurlijke verhouding
van meer betekenis was, dan de esthetische
kwaliteit van het plan zal geen verbazing
wekken. In het navolgende artikel wordt met
name het bestuurlijk geharrewar rondom een
voorstel voor een uitbreidingsplan voor de gemeente
Zwolle uit de doeken gedaan.
De conceptie van een plan
In het eerste kwart van deze eeuw gaat het Zwolle
economisch voor de wind. De stad ligt gunstig op
een knooppunt van land-, water- en spoorwegen.
Tussen 1919 en 1936 neemt de bevolking van de
stad met 24% toe. Het woningbestand neemt zelfs
met 41,5% toe. (Ook toen was er al sprake van ‘gezinsverdunning’.)
Er is in deze periode dan ook
sprake van grote bouwactiviteiten. Grote woningcomplexen
ontstaan onder andere in het Veeralleekwartier,
Assendorp, op de Pierik en in de
Wipstrik.
Al deze uitbreidingen vinden plaats op basis
van zogenaamde partiële uitbreidingsplannen.
Daar was niets onoirbaars aan. De Woningwet
van 1901 bood het gemeentebestuur de mogelijkheid
om op basis van deze planfiguur haar stadsuitbreidingen
te reguleren. Het was echter een
fragmentarisch beleid. Begin jaren twintig wordt
de roep om een algemeen uitbreidingsplan (AUP)
hoorbaar. In maart 1924 wijzen Gedeputeerde
Staten van Overijssel de gemeente erop, dat volgens
artikel 31 van de Woningwet een gemeente
met meer dan 10.000 inwoners een uitbreidingsplan
in hoofdzaak (behoudens vrijstelling) moet
opstellen en dat dit plan tevens eenmaal in de tien
jaar dient te worden herzien.
Het College van Burgemeester en Wethouders
neemt de brief voor kennisgeving aan en gaat over
tot de orde van de dag. Een jaar later laait de discussie
over een AUP opnieuw op. Nu worden er
vragen gesteld door gemeenteraadsleden.
Het College blijft weigeren om aan de wet te
voldoen en denkt de zaak te kunnen sussen door
de partiële uitbreidingsplannen aan een externe
deskundige voor te leggen. Hiervoor kiest men de
Inspecteur van de Volksgezondheid ir. R. Le
Poole.
Le Poole acht een stedebouwkundige adviseur
niet nodig, mits het College zijn uitgangspunt namelijk
“een wei-doordacht net van verkeerswegen”
als vervanging voor een AUP overneemt.
Een minderheid in de raad wijst er op dat het
idee van een verkeersstructuurplan als substituut
voor een AUP wat mager is en dat Le Poole wellicht
een kundig man is maar geen stedebouwer.
De raad is van mening dat ze heel goed zelfde
plannen kan beoordelen en vaststellen en dat zonodig
het oordeel van het bedrijfsleven kan worden
gevraagd. De directeur van Openbare Werken
is bekwaam genoeg om de plannen op te stellen.
Daar heeft men volgens de meeste raadsleden
geen commissie van stedebouwkundigen voor
nodig. Een bijkomende zaak, maar zeker niet on-
Raymond Salet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerste opzet voor een
structuurplan door
Dudok en Magnée uit
1949. (foto: Rijksuniversiteit
Groningen)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
belangrijk voor de besluitvorming, is dat de adviezen
van Le Poole onbetaald verstrekt worden.
Door het verwerpen van het voorstel bezuinigde
men ook nog eens duizend gulden op een commissie.
Het voorstel om een commissie van stedebouwkundigen
in te stellen, wordt dan ook met
ruime meerderheid verworpen.
Pas in 1937 wordt in de gemeenteraad aangedrongen
op een sociaal-geografisch en economisch
onderzoek. Het: college is het hiermee eens,
maar een dergelijk onderzoek kan niet door eigen
ambtenaren verricht worden wegens gebrek aan
deskundigheid. Gezocht wordt naar iemand met
een wetenschappelijke opleiding die in staat is een
sociaal-economisch onderzoek naar de grondslagen
der welvaart van Zwolle geheel zelfstandig uit
te voeren.
De raad is bereid hiervoor vijfduizend gulden
uit te trekken. Op aanraden van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten valt de keus op prof.
L. van Vuuren, hoofd van het Geographisch Instituut
van de Rijksuniversiteit Utrecht.
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog
gooit roet in het eten. Van Vuurens survey verdwijnt
voorlopig in een bureaulade.
De gemeente verleent een opdracht
Aan het begin van de oorlog worden bij Zwolle de
IJsselbruggen opgeblazen. Zwolle is daardoor als
verkeersknooppunt uitgeschakeld en strategisch
niet meer van belang. De stad loopt dan ook tijdens
de oorlog weinig schade op. Na de oorlog is
een wederopbouw-programma niet nodig. Nadat
het normale leven weer op gang is gekomen, doemen
dezelfde problemen van voor de oorlog weer
op. Het draait nog steeds om de vraag of nu wel of
niet een ontwikkelingsplan en een AUP moeten
worden opgesteld.
Provinciale Staten vinden met name de stedebouwkundige
plannen van de gemeente onvoldoende.
“De zeer belangrijke vraagstukken van de
toegang tot de stad, van de landschappelijke begrenzing
van de toekomstige bebouwde kom en
van de coördinatie van het stedelijk groen, zijn
niet tot een oplossing gebracht”, schrijft het provinciaal
bestuur aan de gemeente.
In de loop van 1947 dringt de toenmalige directeur
van de Provinciaal Planologische Dienst
(PPD) ir. A. Kraayenhagen bij het College van
Burgemeester en Wethouders erop aan om een
AUP op te stellen. Zwollerkerspel, de omringende
gemeente, heeft namelijk laten weten alleen mee
te werken aan annexatie door de gemeente Zwolle
als er een vastgesteld AUP is. Dit is een reden te
meer om nu eindelijk eens iets te ondernemen.
Kraayenhagen stelt voor om de stedebouwkundige
W.M. Dudok te vragen.
In maart 1948 ligt er een voorstel van Burgemeester
en Wethouders aan de raad om aan Dudok
een opdracht te verlenen voor:
a. Een ontwikkelingsplan, met inbegrip van een
uitbreidingsplan in hoofdzaak.
b. Een uitbreidingsplan in onderdelen van die
gedeelten die het eerst worden uitgevoerd.
c. Gedetailleerde plannen voor de nodige wijzigingen
in de stadskern.
d. De nodige bebouwingsvoorschriften en een
schriftelijke toelichting.
De kosten voor dit project worden geraamd
op ƒ 32.000,-.
De gemeenteraad gaat met het voorstel akkoord
en op 5 april 1948 wordt de opdracht
officieel aan Dudok verleend.
Verschillen van inzicht
Ruim een jaar verstrijkt voor de presentatie van
het eerste schetsplan. Deze presentatie vindt
plaats op 11 mei 1949 in het gemeentehuis voor
een select gezelschap achter gesloten deuren.
Aanwezig zijn: Dudok, Kleinjan (hoofdingenieur
van Rijkswaterstaat), Kraayenhagen, Kloos van de
N.V. Ned. Spoorwegen, B&W, de waarnemend
gemeentesecretaris en de directeur Openbare
Werken.
Dudok licht zijn schetsplan als volgt toe: “De
stad zal in het noorden begrensd worden door de
rijksweg 28 (Amersfoort-Zwolle-Meppel). Het
station dat nu de stad in het zuiden begrenst,
krijgt een centrale ligging. Een nieuw stadscentrum
sluit zich harmonisch aan bij het oude en de
belangrijkste toegangsweg naar het nieuwe centrum
leidt door het oude waardoor dit levend
blijft.”
Dat Dudok de stad in het noorden niet verder
wil uitbreiden maar begrenst door de rijksweg
stuit op grote bezwaren van Kraayenhagen. Hij is
van mening dat Zwolle de toegangspoort tot
noordoost Nederland is en dat dit in het stede26
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
bouwkundige plan tot uitdrukking moet komen.
Daarnaast wil hij industrie vestigen aan het Zwarte
Water in plaats van aan de IJssel mede met het
oog op de oude wet van 1919 die nog steeds een
nieuwe verbinding tussen IJssel en Zwarte Water
mogelijk maakt. (Dudok hoefde op uitdrukkelijk
verzoek van de opdrachtgever hier geen rekening
mee te houden.) Uitbreiding ten noorden van de
rijksweg is voor hem dan ook noodzaak.
Om uit de impasse te raken vraagt het gemeentebestuur
aan Dudok om een nieuw schetsplan
te maken op basis van de door Kraayenhagen
gemaakte opmerkingen. Dudok stemt hiermee in.
Kraayenhagen besluit zelf ook een plan te maken.
Hij stelt Dudok hiervan in kennis. Dudok
onthoudt zich verder van commentaar.
Inmiddels is het ETIO (Economisch Technologisch
Instituut Overijssel) door het gemeentebestuur
benaderd met het verzoek om het surveyonderzoek
te doen – hetgeen niet meer inhoudt
dan het actualiseren van het rapport Van Vuuren
dat voor de oorlog is opgesteld. Daarnaast maken
zowel de directeur Openbare Werken als de PPD
een kostenanalyse van de plannen. (Openbare
Werken begroot het plan-Dudok op ƒ 7.150.000,-
en het PPD-plan op ƒ 6.150.000,-. De PPD begroot
het plan-Dudok op ƒ 9.000.000,- en het
PPD-plan op ƒ 3.000.000,-.)
Uit de toelichtingen die Dudok en Kraayenhagen
bij hun ontwikkelingsplannen geven, blijkt
hun verschil van inzicht om het doel, namelijk de
industrialisatie en het economisch herstel van
Zwolle, te bereiken. Voor Dudok betekent het
goede aan- en afvoerwegen, geschikte industrieterreinen
en een gunstige positie van de woongebieden
ten opzichte van de werkgebieden. Volgens
Dudok is een goed stadsplan ondenkbaar
zonder een logisch verkeerswegenstramien als basis.
(Een gedachte die Le Poole twintig jaar geleden
ook al geopperd had.)
Letterlijk schrijft Dudok: “In de structuur van
een stad is speciaal het verkeer vorm-bepalend
(..). Geen der overige facetten van de stedebouw
heeft zulk een beangstigende ontwikkeling vertoond
(…). Het is daarom dat men er overal naar
streeft het verkeer te houden buiten een gebied
waar het niet rechtstreeks mee te maken heeft. Dit
principe brengt allereerst mede interlocale hoofdverkeerswegen
te leiden niet door, maar langs de
steden en het speciaal op de stad gerichte verkeer
af te tak

Lees verder