Categorie

1991

Zwolse Historisch Tijdschrift 1991, Aflevering 3

Door 1991, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

• s’i
Het gemeenteandip
8E JAARGANG 1991 NUMMER 3
Redactioneel
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Broerenkerkplein op
wasdag; ca 1930. Foto
A. Meulenbelt. Wat is uw voorstelling van een archief?
Een verzameling door de tand des tijds
aangevreten papier? Een donker gebouw
met mannen in stofjassen die zich buigen
over mysterieuze handschriften? Of denkt u bij het
woord ‘archief aan een modern toegerust historisch
beheers- en informatiecentrum?
Dit themanummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift geeft u een beeld van het gemeentearchief
van Zwolle dat èn op eigentijdse wijze wettelijk
vastgestelde taken uitvoert èn als schatkamer
fungeert voor avontuurlijke gravers naar uiteenlopende
aspecten van het stedelijk verleden.
In het openingsartikel legt J. Hagedoorn een
relatie tussen de aard en omvang van de bewaard
gebleven archiefbescheiden en de historische ontwikkeling
van de stad Zwolle. Gemeentearchivaris
F.C. Berkenvelder schetst een geschiedenis van
het Zwolse archief, waarbij markante figuren de
revue passeren en de verandering van een soms
wat verwaarloosd werkterrein naar een moderne
dienstverlenende instelling zichtbaar wordt.
Vervolgens nemen we u mee op een rondgang
door het gemeentearchief. Diverse medewerkers
van het archief informeren u over de activiteiten
die in en buiten het gebouw plaatsvinden
om historisch bronnenmateriaal te verwerven,
te beheren en te ontsluiten. Het meest
bekend is waarschijnlijk de studiezaal, waarvan
J.L. Admiraal een beeld geeft. C.J.G.M. Sonneville
schrijft over het bijzondere bibliotheekbezit
van het archief. De beelddocumentatie valt onder
de verantwoordelijkheid van H.J.H. Knoester.
Hij leverde niet alleen een bijdrage over ‘zijn’ atlas,
maar tevens het fotomateriaal voor dit themanummer.
De afbeeldingen zijn niet bedoeld
als illustratie bij de inhoud van de artikelen, maar
als een afspiegeling van de diversiteit van de collectie
van het gemeentearchief. Op deze wijze
‘vertelt’ de fotoserie een eigen verhaal.
Dat de ontwikkeling van de audio-visuele
media nog in de kinderschoenen staat, wordt
door J.J. Seekles beschreven. Acquisitie (het verwerven)
van archiefmateriaal en de inspectie van
materiaal en beheer zijn gewoonlijk aan het oog
van de studiezaalbezoeker onttrokken; W.A.
Huijsmans en J.J. Seekles werpen licht op deze
werkzaamheden. De meeste bezoekers kennen
wel het resultaat van de micro-verfilming van archiefbescheiden,
namelijk de microfiches in de
studiezaal. J.J. Seekles gaat nader in op de achtergronden
van de micro-verfilming. Wellicht hebben
sommigen wel eens een boekband of historische
kaart in handen gehad, die de restauratie-afdeling
had verlaten. A.G.M. Heijmerikx laat zien
dat de werkzaamheden van de restaurator naast
vakkennis veel inventiviteit en speurzin vereisen.
Tot slot is een bijdrage opgenomen van H.A.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 73
Inhoudsopgave
Stalknecht. Hij heeft een historische studie verricht
naar de plaatselijke krant, een veel geraadpleegde
bron in het gemeentearchief. Hij beschrijft
hoe een dergelijk onderzoek in z’n werk
kan gaan.
Financiële beperkingen belemmerden ons om
nog meer voorbeelden op te nemen van onderzoek
dat gebaseerd is op Zwolse archieven. In
volgende nummers van dit tijdschrift zullen dergelijke
artikelen te lezen zijn, zodat u kunt zien
dat de vragen van de onderzoekers net zo gevarieerd
en verrassend kunnen zijn als het bronnenmateriaal
en de persoonlijke aanpak van de
onderzoeker.
Aanleiding voor het samenstellen van dit themanummer
is het feit dat dit jaar de Vereniging
van Archivarissen in Nederland (VAN) honderd
jaar bestaat. Ter gelegenheid hiervan wordt op 12
oktober 1991 de Open Archieven Dag gehouden,
een manifestatie waaraan ook het Zwolse gemeentearchief
medewerking verleent.
Dit themanummer is tot stand gekomen door
goede samenwerking tussen de themaredactie en
de medewerkers van het gemeentearchief. De samenwerking
bij gelegenheid van de VAN-festiviteiten
maakte het mogelijk om voor de produktie
van dit nummer dankbaar gebruik te maken van
een financiële tegemoetkoming van de gemeente
Zwolle.
Wij wensen u veel leesplezier. Wellicht mag
het gemeentearchief u binnenkort verwelkomen
als geïnspireerd en actief historisch onderzoeker
of als geïnteresseerde bezoeker.
De themaredactie: Jan ten Hove,
Wim Huijsmans, Anneke van der Wurff
Papier en werkelijkheid; archief en geschiedenis J. Hagedoorn 74
Geschiedenis van het gemeentearchief van Zwolle F.C. Berkenvelder 87
Studiezaal J.L. Admiraal
Bibliotheekcollectie C.J.G.M. Sonneville
Beelddocumentatie H.J.H. Knoester
Audio-visuele media JJ. Seekles
Micro-verfilming J.J. Seekles
Acquisitie en inventarisatie W.A. Huijsmans
Gemeentelijke archiefinspectie J.J. Seekles
Restauratie A.G.M. Heijmerikx
De krant van gisteren H.A. Stalknecht
Personalia
101
103
105
108
110
111
113
115
118
120
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Papier en werkelijkheid; archief en
geschiedenis
J. Hagedoorn
Markt op het Gasthuisplein;
ca 1900.
Foto C.J.J. Schaepman.
De geschiedenis van een stad, streek of
land hangt ten nauwste samen met het
overgeleverde bronnenmateriaal. Met
geschiedenis wordt hier dan bedoeld de kennis
van het verleden, of de reconstructie die wij op
basis van de ons overgeleverde bronnen van dat
verleden kunnen maken. Daarin is onmiddellijk
de beperking van de geschiedbeoefening besloten:
wij kunnen slechts streven naar een zo nauwkeurig
mogelijke benadering van de historische
werkelijkheid, van dat wat geschied is. Niet alleen
speelt onze interpretatie daarbij een belangrijke
rol, maar ook de beschikbaarheid van bronnenmateriaal
bepaalt het beeld. En waar niets is overgeleverd,
vervaagt ons beeld van het verleden.
Anderzijds heeft het verloop van de geschiedenis
ook het bronnenmateriaal gevormd. Immers,
om welke reden dan ook is dit materiaal
eens gecreëerd en is het in de loop der eeuwen
overgeleverd. Ook hier geldt: waar bepaalde gebeurtenissen
hebben plaatsgevonden, kunnen zij
hun sporen in de bronnen hebben nagelaten. De
historische realiteit heeft dus bepaald welke
bronnen werden vervaardigd en hoe zij werden
gevormd.
In deze bijdrage zullen wij onderzoeken hoe
de geschiedenis van de stad Zwolle en een bepaalde
soort van bronnen, namelijk het archiefmateriaal,
samenhangen. Na een korte definiëring van
het begrip ‘archief, wordt een schets van de
Zwolse geschiedenis gegeven, waarbij de nadruk
ligt op het archiefmateriaal. We zullen ons hierbij
beperken tot archivalia in het Zwolse gemeentearchief
en tot de geschiedenis van voor 1940.
Het archief
Het historisch bronnenmateriaal is zeer divers
samengesteld. Gedacht kan worden aan stoffelijke
bronnen, al dan niet aan ons overgeleverd via
de archeologie, en meestal te zien in musea. Het
gaat hier om bijvoorbeeld kunst- of gebruiksvoorwerpen,
gebouwen en kledingstukken. In
deze bijdrage wordt echter gesproken van de geschreven
bronnen, en dan nog alleen van de nietverhalende;
dus niet gedichten, boeken, pamfletten
of andere documenten die geschreven zijn
om te vermaken, voor te lichten ofte overtuigen.
Het zal hier alleen gaan om archivalia, ook wel
archieven genoemd, niet te verwarren met de instanties
die het materiaal beheren, dan wel de gebouwen
waar ze bewaard worden. Een archief is
volgens de archiefwetenschap het geheel van bescheiden,
die ontvangen of opgemaakt zijn door
een instelling, een persoon of een groep personen,
als gevolg van de taken en werkzaamheden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
die zij verrichten, en die bestemd zijn een kortere
of langere tijd te worden bewaard.’
Hiermee wordt onmiddellijk de bovengenoemde
beperking duidelijk. Archief werd alleen
gevormd als men daarbij belang had. Zo zal men
het belangrijker hebben gevonden stukken te bewaren
die iets konden bewijzen, dan stukken die
puur van informatieve aard waren. Een jaarrekening
of een gerechtelijke uitspraak zal dus eerder
bewaard zijn dan een verjaardagsbrief of een aantekening
over het klimaat. Een archief krijgt dus
min of meer toevallig de vorm waarin het wordt
overgeleverd. Het is dan ook niet een complete
overlevering van het eens beschikbare materiaal.
Bovendien ging men lang niet altijd zo zorgvuldig
met het archiefmateriaal om als tegenwoordig
wordt gedaan. Zo is bij een grote opruiming van
het archief van Zwolle (toen nog in het stadhuis
gevestigd) in 1859 vermoedelijk ook archiefmateriaal
verdwenen.2 Voor alle duidelijkheid zij hier
nog opgemerkt dat in deze bijdrage niet alleen de
archieven van de gemeente Zwolle centraal zullen
staan, maar ook de archieven van andere instellingen
of personen die in de depots van het gemeentearchief
worden bewaard.
De middeleeuwen: Zwolle tot 1528
De oudste stukken waarin van Zwolle melding
wordt gemaakt bevinden zich niet in het archief
van Zwolle, maar in archieven van de overheid
waarvan Zwolle voor 1230 afhankelijk was, namelijk
de kerk van Deventer. Deze akten, vijf in getal,
stammen alle uit de jaren voor 1230. De oudste
vermelding van de naam Zwolle vinden we in
een akte, gedateerd 1040, waarin de bisschop van
Utrecht, die landsheer van Overijssel was, de
Zwolse Michaélskerk schenkt aan het kapittel van
Deventer.3 Hiermee zijn ook de verhoudingen
geschetst waarmee de inwoners van dit middeleeuwse
Zwolle te maken hadden. De handelsnederzetting
Zwolle, gunstig gesitueerd tussen IJssel
en Vecht en aan de handelswegen tussen west en
oost en noord en zuid, lag in het gebied van de
bisschop van Utrecht, die er de kerkelijke en wereldlijke
autoriteit had. De schenking in 1040 had
tot gevolg, dat de Deventer kerk en haar geestelijkheid
een stevige vinger in de Zwolse pap kregen.
Het duurde tot het eind van de zestiende
eeuw voordat Zwolle zich geheel aan die bevoogding
kon onttrekken.4
Het was dan ook in Deventer dat de Zwollenaren
in 1230 het stadsrecht verkregen uit handen
van! bisschop Willebrand, als dank voor hun
steun in de strijd tegen de Drenten in 1227. Deze
verzelfstandiging betekende dat de stad zich met
eenimuur mocht omringen, dat de inwoners van
de nederzetting aan de Grote A het burgerrecht
konden verkrijgen en dat zij eigen bestuur en
rechtspraak verkregen binnen de stadsvrijheid.
De verlening van dit stadsrecht betekende ook
het begin van het stadsarchief. De bestuurders
van de stad Zwolle hadden er immers alle belang
bij de hun verleende rechten te kunnen bewijzen,
zodat zij de tekst ervan goed bewaarden. Toch is
deze oorspronkelijke oorkonde niet bewaard gebleven.
Een brand in 1324, waarbij nog geen tien
huizen in de stad gespaard bleven, heeft mogelijk
ook het oudste archief van Zwolle verbrand.
Het zijn dan ook latere afschriften van de pri-
Grote Markt en Melkmarkt.
Links de Harmonie,
rechts op nr.ii
hotel het ‘Heerenlogement’
(later hotel
Dijkstra en thans restaurant
La Meridiana);
aug.1893. Coll.
Wispelweij.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vileges van de stad die ons overgeleverd zijn. Het
privilegeboek bevat afschriften van akten uit de
jaren tussen 924 en 1570 en begint met een oorkonde
uit 1490, waarin wordt bepaald dat burgers
in wereldlijke zaken niet voor de geestelijk rechter
kunnen worden gedaagd. Maar ook regelingen
omtrent tolheffingen, de jaarmarkten, het
dijkrecht, overeenkomsten tussen Zwolle, Deventer
en Kampen, Hanzeprivileges en de muntslag
zijn erin opgenomen.5
Een gevolg van de verlening van het stadsrecht
was, zoals vermeld, het verkrijgen van het
recht op eigen bestuur en rechtspraak (tot op zekere
hoogte). Van belang was dus dat de heren
magistraten, verzameld in de colleges van raad en
meente en van schepenen en raden, hun eigen
besluiten bij gingen houden.6 In deze resoluties
zijn eigenlijk alleen maar besluiten te vinden, zoals
de naam al zegt. Wie zoekt naar de motieven
achter de besluiten, zoekt vaak tevergeefs, of
moet ze tussen de regels kunnen lezen. Veel van
het politieke spel van die tijd blijft dus voor ons
verborgen. Hoewel de functionele organisatie
van het stadsbestuur in de loop der eeuwen kleine
wijzigingen onderging, heeft deze wijze van besturen
feitelijk bestaan tot de stichting van het
Koninkrijk der Nederlanden in 1813 en tot dat
moment hebben de bestuurders op vrij uniforme
wijze hun besluiten opgetekend. De taken van de
magistraten waren legio en daartoe hadden zij de
werkzaamheden verdeeld. Zo waren er bijvoorbeeld
schepenen die zich bij toerbeurt met de
bouwwerkzaamheden bezighielden en anderen
met het keuren van goederen, graan of wijn. Verreweg
de belangrijkste taken waren echter die van
de financiën en rechtspraak.
Vele stukken in het archief van de stad Zwolle
hebben betrekking op financiën, van de overheid
of particulieren. Het aantal van de ongeveer 7000
nummers in de inventaris van het oude stadsarchief
(dat tot 1813 loopt) dat betrekking heeft op
belastingen of stadsfinanciën, bedraagt meer dan
4000. Met name de jaarrekeningen en maandrekeningen
van de stad, waarin keurig de uitgaven
en inkomsten opgetekend staan, vormen een
vrijwel ononderbroken reeks van het eind van de
veertiende tot het eind van de achttiende eeuw.
Zo werd bijvoorbeeld nauwkeurig opgetekend
welke reizen de leden van de magistraat maakten
ten behoeve van de stad, hoeveel men tijdens de
vergaderingen verteerde, welke boetes men oplegde,
welk bezit de stad had aan roerende goederen,
hoeveel bouwstenen men aanschafte en wat
de opbrengsten waren van de tollen.7 Daarnaast
zijn er onder andere balanzen, kwitanties, overzichten
van de kosten van oorlog en van de inkomsten
uit accijnzen.
Maar niet alleen deze boekhouding van de
stad verschaft belangrijke informatie over Zwolle
en zijn inwoners. Uit stukken in de familiearchieven
krijgen we op een meer persoonlijk niveau
inzicht in de wijze waarop onze voorouders
leefden in het laat-middeleeuwse Zwolle, alhoewel
er maar weinig stukken zijn die de periode
voor 1528 bestrijken.
Meer van dit soort gegevens zijn te vinden in
de rechterlijke archieven van de stad en de archieven
van kerkelijke instellingen, van armenen
gasthuizen, marke-archieven en waterschapsarchieven.
De rechterlijke archieven, waarvan de
oudste stukken uit het eind van de vijftiende eeuw
stammen, bestaan uit registers van de zogenoemde
vrijwillige en van de contentieuze rechtspraak.
In de eerste vinden we zaken als schuldbekentenissen,
volmachten, borgstellingen, testamenten,
overdrachten van bezit, huwelijksvoorwaarden en
voogdijregelingen. Bij de contentieuze rechtspraak
ging het om gedingen en criminele rechtspraak.
Eerder werden deze rechtshandelingen
opgetekend in de resolutieboeken. Zo bevat “Dat
boeck mit de starre” naast resoluties van schepenen
en raden ook optekening van vrijwillige en
contentieuze zaken uit de jaren na 1383.8 En in de
maandrekeningen vinden we (achterstallige)
boetes, bijvoorbeeld van “Hessel de drager van
Averlippe die Haghedoren bij nachte wonde” in
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 77
!399-9 Verwonderlijk is deze ‘vermenging’ van
uitvoerende en rechtsprekende macht niet: de
schepenen waren niet alleen bestuurders, maar
spraken ook recht en fungeerden als notaris.10
Ook in de niet-overheidsarchieven vinden we
stukken van gerechtelijke aard. Het gaat hierbij
dan meestal om charters, waarin de overdracht
van goederen is geregeld. Zo is de kopie-akte van
de verkoop op 5 juli 1384 van het eerste huis van
de broeders des gemenen levens in Zwolle te vinden
in het archief van het Rijke Fraterhuis, dat
tussen de Praubstraat en de Papenstraat stond.
Uiteraard hadden deze instellingen belang bij het
bewaren van deze akten: ze dienden als bewijs.
Het is dan ook niet verwonderlijk, dat ons in dergelijke
archieven veel van deze charters zijn overgeleverd.
Het gaat hier immers steeds om instellingen
die nog bestaan, of die opgegaan zijn in
nog bestaande instellingen. Ook voor privé-personen
werden dergelijke overdrachten vastgelegd
in charters, maar het is niet duidelijk of het bewaarde
een groot of een klein deel van de oorspronkelijke
hoeveelheid uitmaakte.11
Opvallend is dat de oudste stukken uit deze
niet-overheidsarchieven meest uit de veertiende
eeuw stammen. Het laatste kwart van de veertiende
en de eerste helft van de vijftiende eeuw
vormen een periode in de Zwolse geschiedenis
die wel de Gouden Tijd is genoemd.12 De stad
ontworstelde zich aan de afhankelijkheid van de
moederstad Deventer. De drie grote Overijsselse
steden versterkten hun positie ten opzichte van
de landsheer door onderlinge verdragen, die we
weer in de privilegeboeken terugvinden. De vergaderingen
van de steden, de Overijsselse edellieden
en de bisschop zouden in de zestiende eeuw
uitgroeien tot de Overijsselse Staten, die na 1580
het bestuur van het gewest op zich namen.
Zwolle profiteerde van de toenemende zelfstandigheid,
met name op economisch gebied.
Daardoor groeide de stad snel qua inwonertal tot
zo’n 3200 in 1400 en qua oppervlakte tot de omvang
van het huidige stadshart. De Zwolse economie
was gefundeerd op de doorvoerhandel en het
huidige Rodetorenplein was eeuwenlang het handelscentrum
van de stad aan het Zwartewater.
Zwolle meldde zich in 1294 aan als lid, maar werd
pas in 1407 toegelaten tot de Hanze, het verbond
van Noordeuropese handelssteden.13 Aparte registers
in de Zwolse archieven bevatten dan ook
de besluiten van de Hanzerecessen vanaf 1416.’4
De nauwe contacten met in het bijzonder het
Duitse achterland worden ook duidelijk uit de
hoeveelheid brieven afkomstig van Duitse steden.
Al van het eind van de veertiende en het begin
van de vijftiende eeuw dateren brieven uit Breinen,
Emmerich, Hamburg, Keulen en andere
steden.15
Door deze contacten werd Zwolle een schakel
in de laatmiddeleeuwse economische orde van
Noordwest-Europa en de stad profiteerde er
ruimschoots van. De oudste gebouwen in de stad
– zoals het stadhuis, de Bethlehemkerk, de Broerenkerk
en de Grote Kerk – dateren alle uit deze
jaren van bloei. Die welvaart had ook tot gevolg,
dat er meer aandacht kwam voor het welzijn van
de Zwollenaar. Al sinds de veertiende eeuw bestonden
het Binnen- en het Buitengasthuis, instellingen
gesticht door het stadsbestuur, die zich
Gasfabriek aan het Assiesplein;
ca 1955. Foto
A. Meulenbelt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Turfschepen, gelegen
aan de Pannekoekendijk;
ca 1925. Coll.
Steenbergen.
het lot van reizigers, armen en bejaarden aantrokken
door ze onderdak te bieden.16 Deze instellingen
hadden inkomsten uit bezittingen in de
vorm van huizen of landerijen. De gasthuizen bestaan
nog steeds en hun archieven geven ons informatie
over (bijna) zeven eeuwen zorg voor de
zwakkeren in de samenleving.17
In de loop van de vijftiende eeuw zouden nog
meer instellingen van weldadigheid worden gesticht,
meestal (bij testament) door rijkere inwoners
van de stad die op deze wijze aan de christelijke
plicht tot naastenliefde wilden voldoen. Ze
boden veelal onderdak aan enkele armen, zieken
of ouderen, zoals het Pestengasthuis (1458), het
St.-Laurensgasthuis (1444) en de Witvoetshuizen
(1477). Ook kerkelijke broederschappen van geestelijken
of leken legden zich toe op verzorging
van de armen. Hiervan waren er in Zwolle zo’n
twintig. Uit deze broederschappen zouden ook
de gilden ontstaan, verenigingen van ambachtslieden,
waarvan er in Zwolle zo’n tien hebben bestaan.
Slechts enkele van deze organisaties hebben
eigen archieven nagelaten, meest vanaf het
midden van de zeventiende eeuw.18
In deze tijd van grote economische bloei werd
de behoefte gevoeld aan een nieuwe religieuze inspiratie.
De Deventenaar Geert Grote (1340-1384)
werd de inspirator van deze beweging, de Moderne
Devotie. Zwolle werd er één van de centra
van. De Moderne Devotie streefde naar een eenvoudig,
praktisch leven in navolging van Christus.
Het best zijn deze idealen verwoord door
Thomas a Kempis (1379-1471), die in het klooster
op de Agnietenberg bij Zwolle leefde. Ook in de
stad had de beweging haar vestiging, onder andere
in het Arme en Rijke Fraterhuis. De fraters, of
broeders des gemenen levens, voorzagen in hun
onderhoud door het afschrijven van boeken. Bovendien
boden zij onderdak aan leerlingen van
de destijds wereldberoemde Zwolse stadsschool.
Te Windesheim werd in 1387 het eerste klooster
van de Moderne Devotie gesticht. Afgezien van
de kloosters buiten de stad zijn van de vestigingen
van de Moderne Devoten in en om Zwolle
archieven bewaard gebleven, waaruit wij kunnen
leren hoe het dagelijks leven er verliep, wat men
at, waaraan men zijn tijd besteedde en welke bezittingen
de kloosters of huizen hadden. Juist uit
deze bronnen valt af te leiden hoe de middeleeuwse
Zwollenaren leefden en dachten.19
De nieuwe tijd: 1528-1795
Tegelijk met het verbleken van Zwolle’s bloei aan
het eind van de vijftiende eeuw — de stad profiteerde
steeds minder van haar positie als Hanzestad
– taande ook de macht van de Overijsselse
landsheer, de bisschop van Utrecht. De drie IJsselsteden
hadden hun macht weten te vergroten,
doordat zij toestemming moesten geven voor belastinginning
door de bisschop. De onderlinge
contacten tussen de drie steden kunnen onder
andere worden afgelezen uit de zes pakken brieven
van Kampen en Deventer uit de periode
1476-1807.20 De macht van de bisschop werd ook
beknot door de oorlogen die de Gelderse hertog
Karel voerde om zijn territorium uit te breiden.
Hij slaagde er tussen 1521 en 1527 in Groningen en
Drenthe te onderwerpen en grote delen van het
Sticht onder zijn gezag te stellen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
Om uit de klauwen te blijven van de hertog en
zijn plunderende troepen onderwierpen de staten
en de steden van Overijssel zich aan de machtige
Karel V. In “Dat boeck geteikent met een sterre”
vinden we dan ook de overeenkomst waarbij
Overijssel Karel als landsheer erkent en die waarbij
de provincie en de stad Zwolle Georg Schenck
als diens stadhouder erkennen.21 Niet alleen werden
Zwolle en Overijssel nu deel van een veel grotere
staat, zodat hun invloed op de landsheer veel
kleiner werd. Zij werden ook betrokken bij de
machtspolitiek van Karel V, die Duits keizer,
Spaans koning, Habsburgs aartshertog en heer
van de Nederlanden was.
De zestiende eeuw was er voor Zwolle één van
vele crises. De economische positie van de stad
verzwakte. De handel over zee ging de handel
over land vervangen. Daarnaast was er in Europa
toenemende onvrede over kerkelijke misstanden.
In vroeger eeuwen bleef de onvrede altijd beperkt
tot binnen-kerkelijke bewegingen, zoals de Moderne
Devotie. Nadat Luther zijn 95 stellingen
had aangeslagen werd hij in 1521 uit de kerk gestoten
en na hem traden ook anderen uit de kerk.
Ook te Zwolle kregen zij later hun aanhangers,
getuige de archieven van de doopsgezinde, hervormde
en lutherse gemeenten.22
Niet alleen deze groeiende religieuze tegenstelling,
maar vooral ook de politieke ontwikkelingen
vanaf het midden van de zestiende eeuw –
de landsheren drongen de Nederlandse gewesten
wetten en verordeningen op die tornden aan de
onafhankelijkheid die zij voordien hadden bezeten
— zorgden ervoor dat Overijssel en dus ook
Zwolle betrokken raakten bij de Nederlandse Opstand
tegen de landsheer, i.c. Philips II, de zoon
van Karel V. In Overijssel waren tot 1566 niet die
spanningen aanwezig geweest die elders tot de
Beeldenstorm of opstand leidden. De Overijsselse
Staten namen een afwachtende houding aan,
maar het gewest werd door de door Philips gestuurde
landvoogd Alva beloond met dezelfde
harde maatregelen die hij elders toepaste. Zo
kreeg Zwolle een garnizoen ingekwartierd. Onderhandelingen
met Alva in 1573 liepen op niets
uit.23 Overijssel gleed door de inkwartiering van
soldaten en de hoge kosten daarvan steeds meer
af in de richting van de opstandige gewesten. In
1578 ging Zwolle ‘om’ en koos de kant van de opstandigen.
Dit had onder andere tot gevolg dat de
aanhangers van de hervormde, of zoals dat toen
heette gereformeerde, religie langzamerhand de
politieke overhand kregen. Niet alleen beginnen
de archieven van de hervormde gemeente in 1581,
de meeste van de katholieke kloosters, broederschappen
en kerken eindigen aan het eind van de
zestiende eeuw.24
Het archiefmateriaal vanaf 1600 wijkt naar soort
en inhoud niet belangrijk af van het materiaal ervoor.
Derhalve wordt in het onderstaande de
Zwolse geschiedenis kort geschetst, waarbij het archiefmateriaal
summier ter sprake komt. Zwolle
had in de zeventiende en achttiende eeuw, zeker
na de Vrede van Munster in 1648, een belangrijke
centrumfunctie voor het omliggende platteland.
De stad was enerzijds marktplaats voor agrarische
produkten, anderzijds konden de bewoners van
Winkelinterieur van de
NV v/h H.}. Baarslag,
winkel in koloniale
waren aan de Melkmarkt
29-31; 1914.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het platteland in de stad de nodige nijverheidsprodukten
kopen. Industrieel vervaardigde produkten
waren er nog nauwelijks, afgezien van
textiel. Belangrijk bleef de transito- of overslaghandel
tussen het westen van de Nederlanden en
Twente en Westfalen. De handel was met name
geconcentreerd rond de huidige Thorbeckegracht,
waar de meeste factoors woonden. Door
deze activiteiten kende Zwolle eind zeventiende
eeuw een zekere mate van welvaart. Ondanks de
grote pestepidemieën van 1636 en 1656 – waaraan
binnen enkele maanden soms duizenden Zwollenaren
ten offer vielen – had de stad rond 1670
zo’n 12.000 inwoners.
In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland,
Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster.
De oostelijke provincies werden zonder al te
veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse,
Munsterse en Keulse troepen. Ook Zwolle gaf
zich over en werd door deze troepen bezet. De
stad bleef na het vertrek van de vreemde troepen
in 1674 met forse schadeclaims en schulden zitten,
als gevolg van inkwartiering, knevelarij, vernielingen
en extra belastingen, zo valt onder andere
uit de zogenaamde Staten van Oorlog en de
maand- en jaarrekeningen af te lezen. Als straf
voor de snelle overgave trok de nieuwe stadhouder
Willem III bij regeringsreglement van 1675 de
benoeming van burgemeesters, schepenen en
provinciale staten aan zich.
Na zijn dood in 1702 werd het regeringsreglement
afgeschaft, zodat raad en gezworen gemeente
zelf de keuze van de stadsbestuurders bepaalden.
In sommige steden kwam het tot onenigheden
rond de benoeming van burgemeesters
en schepenen. In Zwolle gebeurde dat niet, maar
de gezworen gemeente eiste tussen 1703 en 1709
meer invloed. Opvallend was dat in het eerste
kwart van de eeuw vele nieuwe families vertegenwoordigd
raakten in de Zwolse magistraat.25
Hiervan getuigen ook stukken in de verschillende
familiearchieven. Deze archieven geven overigens
ook inzicht in allerlei andere aspecten van het leven
van de Zwolse elite, zoals haar rijkdom, belezenheid,
familiebanden en bezit.26
Hoewel in het westen van de Nederlanden het
economisch verval al eind zeventiende eeuw had
ingezet, was Zwolle nog redelijk welvarend. Door
de centrumfunctie van de stad was de lokale economie
minder gevoelig voor economische depressies.
De textielindustrie bloeide weliswaar
begin achttiende eeuw, maar zou in de loop van
de eeuw tanen. Daarnaast telde Zwolle een grote
variatie aan bedrijven, zoals een azijnmakerij,
een zijdefabriek, een lijmkokerij, zeepziederijen,
kousen-, knopen-, zout-, spelden- en papierfabrieken.
Van geen van deze fabrieken is specifiek
archiefmateriaal bewaard gebleven. Die nijverheid
zou in de loop van de eeuw de achteruitgang
van de textielindustrie delen. De Zwolse bevolking
groeide nauwelijks tussen 1680 en 1750,
doordat velen hun geluk elders gingen beproeven.
Er woonden zo’n 12.000 mensen in de stad,
waarvan 70% hervormden en 20% katholieken.
27
Deze informatie en getallen zijn vaak alleen
door moeizaam speurwerk of geduldig telwerk
uit de bronnen af te lezen. De vraag naar ambachtelijke
variatie of de hoeveelheid inwoners
interesseerde de burgerlijke overheid nauwelijks,
tenzij belasting geheven kon worden, zoals het
hoofdgeld, accijnzen of vuurstedengeld. In een
enkel geval hebben wij door omstandigheden wat
meer zicht op lonen en prijzen, zoals uit de jaren
1670 tot 1688, toen de magistraat een register betreffende
de aard en prijs van bouwmateriaal en
arbeidsloon bijhield. En in 1722 werden straatgedeelten
opgemeten in verband met de heffing
van reinigingsgelden.28
Wanneer er zich rampen voordeden zoals de
veepest (1714), strenge winters (1740-1741), of een
epidemie van de zogenaamde rode en grauwe
loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart in
de stad zeer. De neergang in de economie in de
jaren veertig, gekoppeld aan deze rampen en het
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 8l
voor de Republiek slechte verloop van de Oostenrijkse
Successieoorlog leidden ertoe dat Willem
IV in 1747 tot erfstadhouder werd uitgeroepen
en de regeringsreglementen weer van kracht
werden. Alle verkiezingen moesten aan de prins
worden voorgelegd. De invloed van de stadhouder
werd hierdoor zeer groot, zoals bleek uit de
kwestie rond de Zwolse predikant Antonius van
der Os. Door raadsleden af te zetten kreeg regentes
Anna van Hannover, de weduwe van Willem
IV, het gedaan dat Van der Os – wiens denkbeelden
zij niet deelde – uit zijn ambt werd gezet.29
Eind achttiende eeuw, toen de Republiek
door economische en militaire dreigingen (van
Engelse zijde) ten onder leek te gaan, wist de laatste
Oranje-stadhouder, Willem V, geen leiding te
geven. Dit frustreerde hen die de economische
achteruitgang en het verval van de macht van de
Republiek wilden keren.30 Zij vonden in hun onvrede
aansluiting bij democratisch getinte stromingen
in het oosten van Nederland. Daartoe behoorden
mensen wier pogingen om tot de aristocratische
regentenelite door te dringen, stuitten
op het oligarchische karakter van die groep. Ook
zij zagen in Willem V een zondebok, omdat hij
door middel van de regeringsreglementen deze
oligarchie bevorderde. Dit conglomeraat van
groepen staat bekend als de patriotten en hun leider
bij uitstek werd de in Zwolle wonende Johan
Derk van der Capellen tot den Pol, beroemd geworden
door het pamflet Aan het volk van Nederland.
31
De tegenstellingen tussen de patriotten enerzijds
en de Oranjegezinden en regenten anderzijds
groeiden na 1780. Overal in den lande, ook
in Zwolle, werden vrijkorpsen en burgercommissies
in het leven geroepen om de gekoesterde
idealen met de wapens, respectievelijk het woord
te kunnen verdedigen. De roerigheid van deze
tijd vinden we uiteraard ook terug in de archiefstukken.
Zo is er onder andere een register van de
door de burgerij gewenste veranderingen van het
regeringsreglement uit de jaren 1785-1790 en een
verslag van een onderzoek naar een patriots blad
getiteld De Volksvriend.32 In januari 1787 hoorden
duizenden samengestroomde Zwollenaren op de
Grote Markt de afkondiging van de namen van
hun nieuwe burgemeesters en schepenen: het waren
alle zestien patriotten.33 Deze overwinning
was echter van korte duur: Willem V riep zijn
zwager, de Pruisische koning, te hulp om de oude
orde te herstellen. Op 23 september 1787 marcheerden
de Pruisen Zwolle binnen en vele patriotten
vluchtten naar Frankrijk. Willem V benoemde
hem welgezinde magistraten en de oude
Republiek zou nog tot 1795 bestaan.
De Franse tijd: 1795-1813
Na een mislukte inval in 1793, rukten Franse legers
in de zomer van 1794 de Nederlanden binnen
zonder noemenswaardige tegenstand. Op 29 januari
1795 bereikten zij Kampen. Toen dit bericht
Zwolle bereikte, richtten enkele voormalige patriotten
een Comité Revolutionaire op dat de
burgemeesters afzette en in hun plaats zestien
Provisionele Burgerrepresentanten benoemde.34
Deze lieten op hun beurt in mei 1795 verkiezingen
houden, zodat de Zwollenaren voor het eerst hun
Pannekoekendijk I
Beestenmarkt (huidige
Harm Smeengekade)
gezien vanaf de molen
op de Jufferen wal; ca
1885. Onder meer is de
nachtboot naar Amsterdam
te zien. Colt.
Waanders I.
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Harm Smeengekade
tijdens veemarkt met
de Eekwalmolen op de
achtergrond; juni 1895.
Coïl. Wispelweij.
eigen stadsbestuur direct verkozen. Op zich zou
het bestuur niet zo radicaal veranderen dat soort
en inhoud van het archiefmateriaal drastisch wijzigden.
Toch zijn er aan de hand van de archivalia
historische veranderingen of ontwikkelingen
te constateren.
Ook na 1795 bleven de Zwollenaren hun eigen
bestuurders kiezen. Verder moesten de ingezetenen
veelvuldig stemmen over in te voeren grondwetten
en andere zaken. Dit had tot gevolg dat de
animo om aan deze volksraadpleging deel te nemen
afnam, zo kunnen wij opmaken uit de bewaard
gebleven stemuitslagen.35 Zwolle ondervond
ook last van de Franse bevrijders: zij moesten
ondergebracht worden en van eten en kleding
voorzien worden. Het onderdak viel nog wel te
regelen, maar voedsel was een groter probleem.
De Fransen betaalden met zogenoemde assignaten:
papiergeld, dat niets waard bleek te zijn.36
Nog in 1830 was Zwolle niet af van de schulden
uit de Franse tijd.
Behalve de zojuist genoemde verkiezingen,
werd de gelijkheid van alle burgers tot principe
verheven. Dit betekende dat ook de joden – vanaf
1721 bestond er in Zwolle een snel groeiende
joodse gemeenschap – gelijkberechtigd werden.
Verder werden kerk en staat gescheiden en de gilden
afgeschaft. Een ander resultaat van de Franse
dominantie was de omvorming van de oude Republiek
– een federatie van zeven souvereine gewesten
– tot een nationale staat. Voor Zwolle waren
er nog meer veranderingen: in 1802 werd de
stad hoofdstad van het nieuw gevormde departement
van de Oude IJssel, waartoe naast Overijssel
ook Drenthe, Zuid-Friesland en de noord-Veluwe
behoorden. In hetzelfde jaar kreeg de stad een
nieuw bestuursreglement. De magistraat zou
voortaan uit twaalf burgemeesters bestaan.37 In
1809 telde de Zwolle 12.892 inwoners: circa 9300
hervormden, 2800 katholieken, 360 luthersen,
340 joden en 60 doopsgezinden.38
De oorlogstoestand en de invoering van het
continentaal stelsel in 1810 (bedoeld om de handel
met Engeland te beperken) hadden economische
achteruitgang tot gevolg. Zwolle had nog
wel handelscontacten met het Duitse achterland,
maar ook de stad deelde in de neergang, doordat
de nijverheid verder kwijnde. De bevolking verarmde
door de hoge accijnzen, dure levensmiddelen
en werkloosheid. Nadat in 1811 de dienstplicht
was ingesteld – om welke reden ook de
burgerlijke stand door de overheid ter hand werd
genomen – zag men de Franse overheersers liever
vertrekken. Hoewel de bevrijders van Zwolle
plunderende en zich bedrinkende Don-kozakken
waren, werden ze in 1813 na de val van Napoleon
met blijdschap ingehaald.
Zwolle na 1813
Na het vertrek van de Fransen in 1813 werd Nederland
een constitutionele monarchie. Aan de
gewestelijke en stedelijke autonomie was definitief
een eind gemaakt. Dat betekende dat allerlei,
eerder min of meer stedelijke taken door de provinciale
of nationale overheid werden overgenomen,
zoals de rechtspraak, de buitenlandse politiek,
defensie en de meeste belastingen. Anderzijds
verfijnden de taken van het lokale bestuur
zich en breidden zich in de loop van de laatste
Z W O L S H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
anderhalve eeuw uit. Te denken valt onder andere
aan de meer gestructureerde diensten van de
gemeente (zoals politie of openbare werken) of
de plaatselijke volksvertegenwoordiging, met alle
werkzaamheden van dien. Daarnaast kregen vele
initiatieven van de burgerij, overheid of andere
organisaties veelal een rechtspersoonlijkheid in
de vorm van een vereniging of stichting. Deze
verfijning van taken en toename van meer of
minder zelfstandige organisaties deed de behoefte
aan het vastleggen van gegevens dan ook toenemen,
al was het alleen maar om achteraf verantwoording
te kunnen afleggen. Het archief had
nu niet alleen meer de functie van bewijsmateriaal,
maar diende ook steeds meer om het gevoerde
beleid te kunnen toetsen aan de gegeven uitgangspunten.
Dit betekende dat de afgelopen 150
jaar veel meer archiefmateriaal gevormd werd
dan in de eeuwen ervoor en dat de omvang van
dit materiaal jaarlijks onevenredig toeneemt, zeker
nadat de typemachine, het kopieerapparaat
en de computer/tekstverwerker hun intrede deden.
De Nederlandse overheid zag zich na 1813 geconfronteerd
met een nieuwe staat, die nieuwe regels
behoefde. Dit betekende onder andere het vervaardigen
van een grondwet, maar ook van lokale
reglementen, zoals een reglement van bestuur
van de stad Zwolle, dat in 1824 tot stand kwam en
een zogenoemd Reglement van Policie uit 1825,
waarbij de verantwoordlijkheden van het bestuur
geregeld werden, zoals brandpreventie, verkeer,
reiniging, bouwtoezicht en voedselkeuring.39 De
archieven van het gemeentelijk bestuur bevatten
dan ook een uitgebreide hoeveelheid gegevens op
velerlei terrein. Tot de oudste dienstarchieven
van de gemeente Zwolle behoren dat van de Politie
(vanaf 1825) en dat van Openbare Werken
(vroeger ook stadsarchitect genoemd; vanaf
1842).40
Andere taken van de lokale overheid waren
onder andere het bijhouden van de registers van
de burgerlijke stand en het om de tien jaar laten
verrichten van een volkstelling. Per huis werd een
nauwkeurige opgave gedaan van de bewoners,
beroepen, geboorteplaats en -datum en familierelatie.
Deze registratie zou later de basis vormen
voor het bevolkingsregister. Nu maken genealogen
dankbaar gebruik van de bewaard gebleven
informatie over hun voorgeslacht. Op deze wijze
vergaren jaarlijks vele duizenden mensen kennis
van het verleden.41
Deze registers maken het ook mogelijk de bevolkingsontwikkeling
van Zwolle te volgen. Van
13.000 in 1813, 18.000 in 1850, 23.000 in 1879,
34.000 in 1909 tot 43.000 in 1940. Vele factoren
waren van invloed op deze ontwikkeling, zoals
epidemieën (met name de cholera), de vestiging
van een Werkplaats van de Spoorwegen in Zwolle
in 1870, de aanleg van de waterleiding (1892) en
toename van de hygiëne en de sluiting van de zojuist
genoemde Werkplaats in 1938. Het is hier
niet de plaats daarop uitvoerig in te gaan. Maar al
deze factoren hebben hun sporen in de archieven
nagelaten.42
In de wijze van verkiezen van het gemeentebestuur
en in de openbaarheid van bestuur kwamen
halverwege de vorige eeuw veranderingen
als gevolg van de grondwetswijziging van 1848.
De openbaarheid had tot gevolg, dat er vanaf 1867
gedrukte verslagen van de raadsvergaderingen
zijn en dat er vanaf 1852 een jaarlijks Verslag van
de toestand van de gemeente Zwolle werd uitgegeven.
De verandering in de wijze van verkiezen
legde de kiem voor het ontstaan van politieke
partijen. Hoewel er al eerder kiesverenigingen
waren (waarvan geen archieven zijn overgeleverd),
dateren de archieven van politieke partijen
— de ARP voorop — pas van het eind van de negentiende
eeuw.43 De bewustwording van de arbeider
en de groei van de arbeidersbeweging eind
negentiende eeuw leidden tot de stichting van
een Algemeen Zwolsch Werkliedenverbond in
1876. Van dit verbond is helaas geen archief bewaard
gebleven; wel van latere, meestal confes84
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
sionele vakbonden.44 Zwolle was geen industriestad
en kende dus geen groot arbeidersproletariaat.
De meeste arbeiders waren in dienst van de
beter betalende spoorwegen. Toch kende Zwolle
enkele industriële bedrijven waarvan archieven
bewaard zijn gebleven, zoals de NV Vloerzeilfabriek
fa. De Vogel van Calcar en Co, de NV Zwolsche
Biscuitfabriek, de azijnfabriek van de fa.
Heerkens en- Schaepman en de ijzergieterij van
Wispelweij, die alle uit de negentiende eeuw
stammen.45 Niet alleen is het aantal grote industriële
bedrijven gering, ook ontbreekt nagenoeg
de zware industrie zoals die eind negentiende
eeuw in het westen van Nederland opkwam.
Hoewel er geen groot proletariaat was, ontbrak
in Zwolle de armoede niet en dus waren er
instellingen van liefdadigheid om de nood te lenigen.
In de negentiende eeuw waren dit veelal particuliere
of kerkelijke instellingen, zoals de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen (vanaf 1799), de
vereniging Hulpbetoon (1888), Moederlijke weldadigheid
(1830), de Stadsarmeninrichting (1820)
en de kerkelijke armbesturen.46 Door wetgeving
gedwongen zou de Zwolse overheid eigenlijk pas
vanaf 1897 zelfde zorg voor de minder bedeelden
ter hand nemen. Zo was er vanaf 1898 een dienst
voor de gemeentelijke armenzorg en later, vanaf
1937 de sociale dienst. Ook min of meer particuliere
initiatieven ter verbetering van het lot van de
armen bleven bestaan, evenals de instellingen
voor ouderenzorg als de Gasthuizen of de Daniëlla’s
Stichting.47 Ook de huisvesting was een zaak
waarmee de overheid zich in toenemende mate
ging bemoeien, alhoewel daar in Zwolle wel de
Woningwet van 1901 voor nodig was. Voor die
tijd was met name de sociale woningbouw een
zaak van particulier initiatief, zoals de Vereniging
tot Verbetering der Arbeiderswoningen (1859).
Voor 1901 werden bouwplannen wel aan de goedkeuring
van de gemeentearchitect onderworpen,
maar eisen aan de bouw en met name aan de
woonruimte werden nauwelijks gesteld. Vanaf
1901 konden woningbouwverenigingen voorschotten
krijgen om bouwprojecten te realiseren.
In Zwolle werden verschillende verenigingen gesticht,
veelal op levensbeschouwelijke grondslag.
De gemeente stelde in 1907 een eigen inspectie in:
de bouwpolitie, later Bouw- en woningtoezicht
geheten.48
Naast aandacht voor het persoonlijk welzijn
nam de overheid ook maatregelen met betrekking
tot onderwijs. Sinds 1806 was er een nationale
onderwijswet, waarbij de overheid eisen
stelde aan de vorm en inhoud van het onderwijs.
Maar ook particuliere organisaties – vaak op kerkelijke
grondslag – namen initiatieven tot het oprichten
van scholen.49 Naast de in het begin van
de negentiende eeuw reeds bestaande kerkgenootschappen
der hervormden, luthersen, joden,
doopsgezinden en katholieken werden in de loop
der tijd nog andere kerken gesticht, met name
door groepen die zich afscheidden uit de Hervormde
Kerk of afsplitsingen daarvan. Te denken
valt aan de Gereformeerde Kerken in Nederland
(vanaf 1835), de Christelijk Gereformeerde Kerk
(1895) en de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden
(1926).50
Door deze uitgebreide hoeveelheid archieven
van allerlei herkomst is het steeds beter mogelijk
de grote en de fijne lijnen van de geschiedenis te
onderscheiden. De geschiedenis van het persoonlijk
leven kan er door geschetst worden. Niet
alleen de grote politiek, de stads- en bevolkingsontwikkeling,
maar ook de individuele ontwikkeling,
het dagelijks leven, hoe men woonde, de
wijze waarop de Zwollenaar zich ontspande door
lezen of sporten kunnen in archieven van desbetreffende
organisaties worden achterhaald.51
Mits de archieven bewaard zijn, is het mogelijk
deze verfijning tot een bijkans microscopisch niveau
uit te breiden door de bestudering van familie-
en persoonlijke archieven. Voorbeelden
daarvan zijn de archieven van de families Feith
(1654-1982) en Vos de Wael (1700-1930) en de
persoonlijke archieven van ds G. Horreüs de
Haas (1879-1943), de schrijver J.K. van Eerbeek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(1898-1937) of burgemeester mr I.A. van Royen
(1859-1938).52 Niet alleen krijgen de grote lijnen
van de geschiedenis een zo broodnodige nuancering
door bestudering van dit persoonlijk leven,
maar ook kan hierdoor de weg naar de geschiedenis
voor velen geopend worden.
Besluit
Het is natuurlijk onmogelijk om in een kort artikel
als het bovenstaande een op alle punten bevredigende
samenhang tussen de geschiedenis en
het bewaarde archiefmateriaal aan te geven. Duidelijk
mag wel zijn dat het archiefmateriaal tegelijk
de bron en de beperking van de geschiedbeoefening
is: wij zijn afhankelijk van het overgeleverde
materiaal om een beeld van het verleden te
kunnen schetsen. Het ontbreken van bronnen,
zoals het bovengenoemde nagenoeg ontbreken
van archieven van (zware) industrieën, kan echter
ook het gevolg zijn van een historische ontwikkeling.
Natuurlijk heeft de toegenomen zorg
voor archiefselectie en -beheer ervoor gezorgd,
dat we met name over de laatste 150 jaar uitvoeriger
geïnformeerd zijn dan over eerdere perioden,
ook al omdat we de gegevens uit de archieven beter
kunnen toetsen aan andere.
Anderzijds heeft men in vroeger jaren lang
niet altijd gegevens of bevindingen op schrift gesteld,
domweg omdat daaraan geen behoefte was.
Allereerst werd het materiaal niet vervaardigd
met het oog op de geschiedbeoefening. Daarnaast
heeft men nooit kunnen voorzien welke vragen
de geschiedbeoefenaar aan zijn materiaal zou
stellen; net zo min als wij kunnen voorzien welke
vragen toekomstige generaties zullen stellen.
Dat betekent dus dat wij uiterste zorg moeten
betrachten bij het selecteren van te bewaren archivalia,
maar nog meer bij het bewaren en toegankelijk
maken daarvan. Toekomstige geschiedvorsers
moeten immers in staat zijn om net als
wij hun wortels in de tijd te bestuderen.
Noten
1. Gregor Rensen en Piet den Otter, Historisch onderzoek
in Overijssel. Een handleiding (Utrecht 1987) 71.
2. Thom.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2dln.;
Zwolle 1954-1961) 11,182.
3. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle (4
dln.; Zwolle 1767-1775) I, 84 ev.
4. F.C. Berkenvelder, ‘De groei van middeleeuws
Zwolle naar zelfstandigheid’ in: Zwolle in de middeleeuwen.
Onderzoekingen naar een vroeg-stedelijke samenleving.
(Zwolle 1980) 167-186.
5. Alle hieronder genoemde archieven en archiefstukken
zijn te raadplegen in het gemeentearchief
Zwolle (GAZ); Administratieve archieven Zwolle
(AAZ) 01, 001: Privilegeboek 924-1570.
6. AAZoi-020, resoluties van raad en meente; en
AAZ01-063 en verder, resoluties van schepenen en raden.
7. Zie de serie Maandrekening van Zwolle (Zwolle
1970-.. die door het gemeentarchief Zwolle wordt uitgegeven.
8. AAZ01-005.
9. Maandrekening van Zwolle 1399 (Zwolle 1970) 3.
10. Overijssel kent pas sinds 1811 een apart notariaat.
11. Kerkelijke archieven (KA) 009, Cartularium van
het Domus Clericorum; afgedrukt in: Domus Parva.
Het eerste huis van de Moderne Devoten in Zwolle, |.
Hagedoorn en I. Wormgoor ed. (Zwolle 1987) 59; voor
particuliere charters, zie de Persoonlijke Archieven
(PA).
12. F.C. Berkenvelder, ‘Zwolle ten tijde van de Moder-
Een door mr Rhijnvis
Feith (1753-1824) beschilderde
waaier; ca
‘794-
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ne Devotie’, in: Een zuivere, eenvoudige, standvastige
geest… De Moderne Devotie te Zwolle (Zwolle 1984) 6
ev.
13. F.C. Berkenvelder, Zwolle als Hanzestad (Zwolle
1983).
14. AAZ01-004 en 6291 e.v.
15. AAZ01-705 t/m 762.
16. N.D.B. Habermehl, ‘Het Heilige-Geestgasthuis te
Zwolle in de late middeleeuwen: stichting en ontwikkeling’,
in: Zwolle in de middeleeuwen 139-165.
17. IA005, IA006 en IA0031.; zie ook: J. Buning,
Vreemdelingen, kostkopers en ouderen. Geschiedenis van
het Binnen- en Buitengasthuis te Zwolle (Utrecht 1990).
18. AAZ01-006 en 007; F.C. Berkenvelder, ‘De gilden
in Zwolle tot 1600’, in: Overijsselse Historische Bijdragen
104 (1989) 7-33; Gilde- en broederschapsarchieven
(GA) 001-004.
19. Zie bijvoorbeeld: Kerkelijke Archieven (KA)oo4:
het Armen Fraterhuis; KA009: het Rijken Fraterhuis;
Domus Parva; Een zuivere, eenvoudige, standvastige
geest…; Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij
de IJssel (Kampen 1987).
20. AAZ01-618-623.
21. AAZ01-006.
22. Resp. KA062; KA017 en KA022.
23. AAZ01-546.
24. KA001 t/m KA014 en KA023 t/m KA048.
25. Zie: C.M.C. Paulusma-du Pree, De Zwolse magistraat,
16/5-1747. Een onderzoek naar de oligarchisering
en naar een mogelijke democratische tegenbeweging (ongepubliceerde
scriptie; Zwolle 1981) en A.J.A. Bos, De
Zwolse magistraat 1747-1795. Een onderzoek naar een
mogelijk oligarchiseringsproces (ongepubliceerde scriptie;
Zwolle 1978).
26. Zie bijvoorbeeld: FA011, archief van de familie Gelderman,
waarvan bestaat de Inventaris van het familiearchief
Gelderman 1532-1988 JJ. Seekles ed. (Zwolle
1990).
27. N.D.B. Habermehl, ‘De bevolkingsontwikkeling
van Zwolle van 1628 tot 1748’, in: Zwols Historisch Jaarboek
I (1984) 84.
28. AAZ01-4036, resp. 4459.
29. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os,
predikant te Zwolle 1748-1755 (Kampen 1988) 161-168.
30. De economische neergang verkleinde overigens
ook de tolerantie, zoals blijkt uit een verzoek van de
Zwolse gilden om de joden uit de stad te weren; zie
AAZ01-040,13 mei 1785.
31. De wekker van de Nederlandse natie. Johan Derk
van der Capellen 1741-1784 (Zwolle 1984).
32. AAZ01-4036 en AAZ01-6051-6052.
33. Zie P.J. Lettinga, ‘Zwolle’, in: Overijsselse Historische
Bijdragen 99 (1984) 47-68.
34. AAZ01-102.6
35. AAZ01-360 ev.
36. AAZ01-3916-3920.
37. AAZ01-111.
38. AAZ01-419.
39. Zie: AAZoi-00222, blz. 378a en De Vries, II, 199-
210.
40. Dienstarchieven (DA) 003, resp. DA002.
41. Zie de registers van de burgerlijke stand vanaf 1811
en de volkstellingen, o.a. 1812,1830,1840 en 1849 en bevolkingsregisters
1850-1860 en 1860-1940.
42. Zie: J. Hagedoorn, “Verbroken stilte. Een schets
van Zwolle in de 19de eeuw’, in: Zwols Historisch Jaarboek
2 (1985), 14-28; CA (Commissie-archieven) 004,
Geneeskundig toevoorzicht 1805-1865; CA0015, Choleracommissie,
1866; DA006, gasfabriek, waterleiding
en gemeentelijk bosbedrijf (1890-1972); DA013, Sophia-
ziekenhuis (1884-1918). Het archief van het in 1848
gestichte RK-ziekenhuis berust niet bij het gemeentearchief.
43. Verenigingsarchieven (VA) 034 (ARP), VA035
(CHU), VA040 (PSP), VA054 (D66), VA059 (WD);
het archief van de SDAP-afdeling berust bij het IISG te
Amsterdam.
44. VA060 t/m VA067.
45. Bedrijfsarchieven (BA)oo2, BA003, BA011 resp.
BA018.
46. VA005, VAooó, VA015; zie bijvoorbeeld A.H. ten
Cate, Het Weeshuis der Hervormde gemeente te Zwolle,
1834-1854 (MO-scriptie; Staphorst 1979)
47. DA022 en DA019; andere instellingen: CA002,
Geestelijke en moreele herbewapening; CA005, Nationaal
crisiscomité; CA006, Werklozenfonds; IA036,
Daniëlla’s Stichting.
48. VA018; VA019, Bouwvereniging “Door Eendracht
Saamgebracht”; VA039, Bouwvereniging “St. Joseph”.
Andere bouwverenigingen: AZCW, Beter Wonen, Samenwerking
etc; DA021, Bouwpolitie.
49. Zie de Schoolarchieven (SA)-groep en diverse Verenigingsarchieven.
50. Resp. KA018, KA067 en KA071.
51. Bijvoorbeeld VA072, Athletiek- en voetbalvereniging
PEC; VA079, Fotoclub Zwolle; VA045 t/m 47, verschillende
bibliotheken.
52. FA015 en FA010; PA1189, PA1188 en PAU84.
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
Geschiedenis van het gemeentearchief
van Zwolle
Een moeizaam begin
R.C. Bakhuizen van den Brink, de bekende
Algemeen Rijksarchivaris, komt de eer toe
ervoor te hebben gezorgd, dat er in Zwolle
een begin van archiefbeheer gekomen is. Dankzij
zijn persoonlijk ingrijpen kwam het namelijk
tot de aanstelling van de eerste Zwolse gemeentearchivaris.
Naar aanleiding van een door G.H.M. Delprat
geschreven boek over Geert Grote en de Moderne
Devotie schreef Bakhuizen van den Brink op 20
augustus 1856 een brief aan B en W van Zwolle.
Delprat had namelijk pas na het verschijnen van
het boek vernomen, dat zich een aanzienlijk gedeelte
van het archief en de manuscripten van het
klooster Windesheim in het gemeentearchief van
Zwolle bevond. Uit de wel zeer summiere opgave
van de inhoud van het archief, die in 1827 was
vervaardigd, viel dit niet op te maken. Vandaar
dat Bakhuizen van den Brink het gemeentebestuur
verzocht een nadere opgave van de kloosterarchieven
te geven en Delprat in de gelegenheid
te stellen ze te onderzoeken. In de brief
schreef hij verder: “Misschien echter biedt de gedane
aanvrage eene ongezochte aanleiding om
deze en welligt andere archieven Uwer belangrijke
stad nader te doen onderzoeken en sorteren.
Nadere berigten omtrent de uitslag van zoodanigen
arbeid zouden met dankbaarheid worden
ontvangen”.
De gevraagde “nadere berigten” bleven echter
uit en dus zocht Bakhuizen van den Brink het hogerop.
Gedeputeerde Staten van Overijssel schreven
op 24 februari 1858 op last van de minister
van Binnenlandse Zaken aan het gemeentebestuur
dat het archief van Zwolle “vatbaar en rijp
is voor een betere ordening”. Het gemeentebestuur
kon daarbij gebruik maken van de hulp van
de provinciale archivaris. B en W zwichtten voor
zoveel druk en de gemeenteraad ging op 7 april
akkoord met het voorstel het archief te ordenen.
Op 25 augustus 1858 machtigden GS de provinciale
archivaris om van 1 september tot 1 november
’s middags van twee tot vier uur het stedelijk
archief van Zwolle te ‘regelen’. Zo begon mr J.J.
van Doorninck, sedert 1838 provinciaal archivaris,
op 1 september 1858 om 14 uur zijn werk als
eerste gemeentearchivaris van Zwolle. Voor de
door hem te maken kosten en de beloning van
degenen, die hem bij het werk zouden assisteren,
kreeg hij een ‘schadeloosstelling’.
Van Doorninck moest zijn werk onder uitermate
primitieve omstandigheden verrichten. Zo
schreef hij in zijn eerste jaarverslag: “Uit hoofde
het locaal voor geene verwarming geschikt is, zijn
de werkzaamheden gedurende den winter ge-
F.C. Berkenvelder
Papenstraat 3. Binnenplaats
met de bewoonster
en de bakker; ca
1950. Foto A. Meulenbelt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
der was er allerlei ongeordend materiaal aanwezig,
dat ten dele geen betrekking op Zwolle had.
Het andere vertrek was een kleine zolderkamer.
Marktkooplui bij de
Gasthuisstraat; ca
1900. Links het Binnengasthuis,
nu verbouwd
tot winkelpanden.
Foto C.J.J. Schaepman.
staakt”. Ook in latere jaren werd gemeld, dat “de
werkzaamheden niet dan zeer langzaam voortgaan,
waartoe dan ook, dewijl op het archief niet
gestookt wordt, slechts een gedeelte van de zomermaanden
en dan nog maar weinig uren van
de dag, besteed kunnen worden”. Over de aard
van zijn werkzaamheden is niet veel bekend, aangezien
Van Doorninck daarover geen uitvoerige
mededelingen deed. Wel weten we, dat hij het “in
het belang van de onderzoeker nodig vond de
stukken zoveel mogelijk naar chronologische
orde te rangschikken”.
Aangezien Van Doorninck dus niet veel tijd
aan het archief kon besteden, drong het gemeenteraadslid
mr H.E.C, van Kerckhoff op 27 april
1868 aan op ordening van het gemeentearchief.
Als gevolg daarvan werd de directeur van de juist
opgerichte Rijks-HBS, dr W.J.A. Huberts, gevraagd
een onderzoek in te stellen naar de toestand
van het archief. Volgens zijn op 10 februari
1869 ingediende rapport waren er twee archieflokalen
in het gemeentehuis. In de eerste zaal lagen
de door onder meer Van Doorninck gerangschikte
series. Er bevonden zich ook een aantal laden
met charters en een kast met boeken en incunabelen,
afkomstig van het klooster Windesheim. Ver-
• Een charter is een stuk perkament, waarop
een akte geschreven staat, en dat voorzien
is van één of meer zegels. Men spreekt
ook wel over oorkonde.
• De voor 1501 gedrukte boeken noemt men
incunabelen ofwiegedrukken.
Naar aanleiding van dit rapport vergaderde de
gemeenteraad op 11 augustus 1869 achter gesloten
deuren, waarbij besloten werd dat Huberts tot
tijdelijk archivaris werd benoemd met een salaris
van 400 gulden per jaar. Hij kreeg de opdracht
een beredeneerde inventaris van het archief te
maken met alfabetische en tijdrekenkundige inhoudsregisters.
Na enkele jaren bleek dat ook de
tweede gemeentearchivaris te weinig tijd had om
zijn taak naar behoren te vervullen, waarna hem
op 26 januari 1874 eervol ontslag werd verleend.
Het bleek echter onmogelijk te zijn om voor 400
gulden per jaar een geschikt persoon voor de
functie van archivaris te vinden. Op 29 oktober
1874 verklaarde Huberts dat hij wel door wilde
gaan met zijn werkzaamheden, maar dan met assistentie
van E. Zuidema, een leraar op zijn HBS.
Inmiddels was echter twijfel gerezen over de
door Huberts verrichte arbeid en daarom werd
eerst aan mr J. Nanninga Uitterdijk, de gemeentearchivaris
van Kampen, gevraagd zijn oordeel
hierover te geven. Het rapport van Nanninga
Uitterdijk, dat op 29 december 1874 in een besloten
raadsvergadering werd behandeld, was ronduit
vernietigend voor Huberts. Het door hem ingevoerde
rubriekensysteem noemde Nanninga
Uitterdijk “afkeuringswaardig”, omdat het nooit
exact kon zijn en op deze manier het overzicht
over het geheel werd verbroken. Bovendien lagen
nog honderden charters in de grootste wanorde
voor de ramen. Ook waren de delen en de registers
niet beschreven. Nanninga Uitterdijk besloot
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
zijn rapport met de constatering dat het Zwolse
archief een rijk archief was, “rijker dan ik mij had
durven voorstellen”. En hoewel inventarisatie
geen gemakkelijke taak zou zijn, hoopte hij toch
dat het college van B en W “niet langer zal dulden,
dat deze kostbare verzameling nog langer op
een dergelijke onordelijke wijze bewaard wordt”.
Hij stelde dan ook voor een deskundige aan te
stellen, “die daar al zijn tijd aan kan wijden en
niet voor een paar jaar, maar als vaste ambtenaar
op een behoorlijk salaris”.
• Een cartularium is een register, waarin
door de belanghebbende alle akten die op
de eigen stad of instelling betrekking hebben,
zijn overgeschreven.
De gemeenteraad sloot zich op 23 maart 1875 bij
de conclusies van Nanninga Uitterdijk aan en op
1 oktober daaropvolgend werd jhr mr Th.H.F.
van Riemsdijk uit Utrecht de derde gemeentearchivaris.
Met deze energieke man deed Zwolle
een schot in de roos. Hij verdiepte zich in de geschiedenis
van het archief en vroeg op grond
daarvan zulke belangrijke archivalia terug als een
doopboek en het cartularium van het Agnietenbergklooster,
die aan particulieren waren uitgeleend.
Verder begon hij met het weer op orde
brengen van de archiefruimten. Al op 10 januari
1876 leverde hij bij B en W een verslag in van
maar liefst dertien dichtbedrukte bladzijden.
Helder en overzichtelijk schetste hij daarin de lotgevallen
van het gemeentearchief en de pogingen
lot ordening ervan, voor zover hij die kon achterhalen.
Hij pleitte ervoor het oud-archief ook
ruimtelijk duidelijk te scheiden van het nieuw-archief,
waarbij hij de grens bij 1 januari 1814 wilde
leggen omdat toen een andere ‘rangschikking’ ter
secretarie een aanvang nam. Verder wilde de archivaris
dat het archieflokaal behoorlijk zou kunnen
worden afgesloten en dat anderen alleen met
zijn voorkennis daarin toegelaten zouden kunnen
worden.
Op 27 mei 1876 ging de gemeenteraad ermee
akkoord, dat het lokaal boven de schepenzaal tot
bewaarplaats van het nieuw-archief werd ingericht.
Alle bestanddelen van het oud-archief konden
zodoende in het grote archieflokaal worden
verenigd. De charters werden overeenkomstig
een ordening uit 1774 in een honderdtal laden gelegd.
De betere plaatsing van de archieven, die zo
werd verkregen, was er de reden van dat Van
Riemsdijk zijn eerste jaarverslag “niet zonder opgewektheid”
schreef. Vanwege de herplaatsing
van de tot dusver over drie vertrekken verspreide
archiefbescheiden moest hij nauwkeurig van de
inhoud kennis nemen. Daarna werd de oude
orde zoveel mogelijk hersteld. Ook de verspreide
losse stukken, waarvan de onderlinge betrekking
niet te bepalen was, kregen met behoud van het
verband, waarin zij waren aangetroffen, een
plaats. De ingebonden dagbladen, gemeenteverslagen
en andere administratieve drukwerken,
benevens de oude boeken en de gedrukte ordonnanties
en publicaties kwamen bij de verhuizing
op de kleine zolderkamer terecht.
“Aan de definitieve inventarisering zou echter
nog menige werkzaamheid van voorbereidende
aard vooraf dienen te gaan”, zo schreef Van
Vervoer in het laatste
oorlogsjaar: een tot
koets omgebouwde autobus.
Voor de twee
pk’s ligt de haver op
het dak; 12 maart 1945.
Foto dr ].]. Reinking.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Riemsdijk. “Ten gevolge van het vroegere gebrek
aan toezicht gedurende zoveel jaren is het archief
langzamerhand zodanig in wanorde geraakt, dat
daarin niet ineens door het nemen van enige
maatregelen van algemene aard, een einde kan
worden gemaakt”. Wat Van Riemsdijk hier
schreef, was een geheel nieuw geluid. Tot twee
keer toe vermeldde hij dat hij de orde zoveel mogelijk
had gehandhaafd, dan wel hersteld. Tot die
tijd waren archivarissen alleen maar bezig de archiefbescheiden
of chronologisch of onderwerpsgewijze
volgens door henzelf bedachte rubrieken
te ordenen.
• Tegenwoordig gaat men ervan uit dat een goede, wetenschappelijke
inventaris de structuur van het archief op een systematische wijze
laat zien. Daarvoor is het nodig dat elk stuk terugkeert naar het archief,
waaruit het afkomstig is (herkomstbeginsel) en binnen dat archief
naar zijn oorspronkelijke plaats. Het systeem van indeling
moet gegrond zijn op de oorspronkelijke organisatie en de inrichting
van het bestuur van de archiefvormende instantie (de oude orde)
om de samenhang van de bestanddelen van het betreffende archief
te kunnen laten zien. De oude orde is immers ontstaan overeenkomstig
de behoeften van de archiefvormende organisatie en hangt daar
ten nauwste mee samen (structuurbeginsel).
Van Riemsdijk kreeg niet de tijd de door hem
ontvouwde plannen zelf uit te werken, want al op
1 mei 1877 vertrok hij. Uiteindelijk zou deze zeer
kundige man in 1887 Algemeen Rijksarchivaris
worden. Een halfjaar voor zijn vertrek, op 2 oktober
1876, was de eerste “Instructie voor de gemeentearchivaris
van Zwolle” door de gemeenteraad
aangenomen. Deze instructie werd al op 26
februari 1877 door een andere vervangen. Wellicht
was dit een gevolg van de instelling op 4 december
1876 van een speciale commissie voor het
gemeentearchief, bestaande uit een lid van B en
W en twee raadsleden. Deze instructie bleef bijna
een eeuw gelden en werd pas in 1970 vervangen.
Op 1 april 1878 trad de vierde gemeentearchivaris
aan. Dat was mr A.G.A. baron Sloet tot Oldhuis,
die districtsschoolopziener was. Hij had
grote waardering voor het werk van zijn voorganger,
die de archiefbescheiden in vijf en de
charters in zeven rubrieken had ingedeeld: “Het
getuigt van grote werkkracht en heldere zaakkennis,
dat Van Riemsdijk in anderhalfjaar op deze
wijze orde wist te scheppen in de schromelijke
chaos van verwarring, waarin de oude en nieuwe
bescheiden ten gevolge van langdurig gemis van
het nodige toezicht waren geraakt”.
Ook bij Sloet rees echter twijfel of “een zuiver
doorgevoerde chronologische rangschikking en
catalogisering”, die hij zich tot die tijd steeds had
voorgesteld, wel de meest doelmatige wijze was
voor de beschrijving van het archief. In ieder geval
was de ordening van de charters uit 1774 te
verwerpen, omdat men toen alleen die charters
bij elkaar had gebracht, die op dat moment voor
het dagelijks administratieve gebruik enige waarde
hadden. Een grote menigte charters was als
van geen belang zijnde terzijde gelegd en bleef
ongesorteerd liggen. Sloet wilde de stukken van
het archief niet chronologisch, maar volgens hun
inhoud en “dus rubrieksgewijze” beschrijven.
Een indeling in rubrieken lukte desnoods nog
wel bij de losse stukken, maar natuurlijk niet bij
de registers, waarin stukken van zeer verschillende
aard afgeschreven waren.
Zodoende drong ook bij Sloet het besef door
dat de oude ordening, juist ook voor de uiteindelijke
inventarisatie, van het grootste belang was.
In het jaarverslag van 1878 schreef hij althans dat
het naar zijn mening de aangewezen weg was de
stukken door te lezen en het gelijksoortige zo veel
mogelijk te verenigen. Daarbij tekende hij wel
aan “dat dit werk met voorzichtigheid diende te
geschieden om de stukken van verschillende inhoud,
die echter kennelijk tot adstructie van een
zelfde zaak gediend hadden, niet te scheiden, of
juist weer te verenigen indien ze los verspreid
waren geraakt in verschillende portefeuilles, terwijl
het mij tevens dienstig leek de plaats van herkomst
kort aan te tekenen bij de beschrijving,
omdat ik vooralsnog geen zekerheid heb, dat alZWOLS
H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
leen willekeur de splitsing der stukken heeft veroorzaakt”.
Dat een rubrieksgewijze rangschikking
problemen met zich meebracht, omdat “vele
stukken toch […] gevoegelijk onder twee of drie
verschillende rubrieken gebracht kunnen worden,
terwijl andere daarentegen tot geene der
aangenomen rubrieken behoren”, had hij inmiddels
ook ontdekt.
Op 1 april 1883 liep de vijfjarige periode ten
einde, waarvoor Sloet tot gemeentearchivaris was
benoemd. De raad besloot hem echter nog tot het
einde van het jaar in dienst te houden. Inmiddels
werd beraadslaagd over de toekomst van het archief.
De meerderheid van de raad begreep, dat
daar een ontwikkeld man werkzaam zou moeten
zijn, die zijn tijd en kennis onverdeeld aan het archiefzou
kunnen wijden. Aan deze laat

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1991, Aflevering 1

Door 1991, Aflevering 1, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

NK I JKEXEMPUAR
Historisch
Tijdschrift
8e jaargang
1991, nr.1
ƒ9,50
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
‘HEID, BROEDERSCHAP.
ï COURANT,
r den 2 Jtimtary. 1796.
DER B1TAAFSCHE VRYBKID.
té-f
£ t
;; H:
A, t-.ra.-tit
van
tcll£l>
u«a
als oeK va
dsihöH va
dat te Au
vuur dl» V
viecion t«
raio rog
urfoa | wloorca
iüiuot I Is h-‘C
>uti ik j zoo goed !
O J I . zo er niet
in da | Ik ka
D10K O /is
der «ewsp
d» eer il

•*••
k aiii;
orytie
co
and >
e uit
1 det
icrJuo
cyoei
t, dn
D Huhi
t ,
j
lytt «r
voorleuoo,
Ifs eeu
D.t V.i=»
t> n beeft
tturgtry ir
Mon h
utn zig,
•Jat dit ie
urn dit I
.!«
beifcea.
Dur e
Gsld rl
JOU RN AL P O LITI QUE
DU D EP AR.1 E M ENT
DES BOUCHES DE L’ISSEL.
STAATKUNDIG DAGBL A
VAN HET DEPARTEMENT
DER MONDEN VAN DEN YSSEL.
j e t i d i ;’J 3 1 U t c c m b r e %<-i Zls daai v i f i i . Ik I -D.nar unt. I l het V hooft l n z ' hgrnor ri mogelyke -Jat djn.l ta»tof G . 7 9 0 Dur.dcrcag den 31 Dtctrr.ber I N T E R I E U R . PREFECTTJRK DU DEPA1^ T1" NfENT DES BOUCHRS f»E Ul'-SPL. No t. ) re D I V I S I O N - . CHEVAL1FR de L'KMPIRE , MEMBRE He i t « 4 - r.I,.M CHOMNKIIR. er B -8
. | ^ – j . in de mee(te Previntien %in «ns Cemenebeft i l:ct Koogduitfche Nieuws vroeger dan andere Courau- rSt “”O^ “” ”
*-^ verfclridene Weekbladen, Couranten en ancUre I ten en £i:-iiwspspieren ie kunnen mede deeten.
Nieuwspapicren worden uitgegeven; waar door de N»?ie
niet alleen genoegzaam word onderricht v«n dca lydelyken
toeftand «lezer Repnblyk, van derzelver TOCTcti
andeten, zo kan een ieder, zo wel binnen JJ M 2 8
als buiten deeze Provintie door middel van dit ons. a3 u *• “o
van 13 juni 1805 wezen zij erop dat zij
hun krant “met zeer zware kosten en onvermoeide
werkzaamheid tot die trap der
volkomenheid hebben gebragt” welke zij
thans bezat. Maar nu vreesden ze “dat
mogelijk iemand binnen deze Stad ook
een Courant zoude willen ondernemen,
ofschoon waarschijnlijk wel onder eene
andere benaming”. De Tijls hielden het
stadsbestuur voor dat zij daardoor veel
inkomsten uit de advertenties zouden verliezen,
“welke toch wel het Fonds uitmaken,
waardoor deze onze Courant haar
bestaan behoudt”. De eventuele komst
van een tweede nieuwsblad zou de Zwolsche
Courant dus grote schade toebrengen,
“waarvan hoogstwaarschijnlijk gevolg
zoude zijn, dat deze Courant weder te
gronde ging, – of wel den val van beide
zoude kunnen na zich slepen”. Dat beeld
hield men het stadsbestuur voor: bij het
toelaten van een andere krant zou Zwolle
uiteindelijk eindigen zonder krant! Om dit
te voorkomen vroeg men of de Zwolsche
Courant niet “zodanig eene vastigheid
gegeven konde worden, waardoor zij
supplianten alleen, en niemand anders
binnen deze Stad bevoegd wierden een
Courant te mogen drukken en Advertissementen
in deselve (te mogen) plaatsen”.
Daar had men best wat voor over,
“desnoods onder uitkering van een jaarlijks
equivalent aan de stad, Godshuizen
of waartoe zulks mogt bestemd worden”.
Op dit verzoek werd op 25 juni 1805
gunstig beschikt. In ruil voor een jaarlijkse
betaling van 50 goudguldens ten behoeve
van het weeshuis bezat Tijl nu
voor Zwolle een monopolie.
Koninkrijk Holland
In 1806 maakte de Bataafse Republiek
plaats voor het Koninkrijk Holland. De
bemoeienis van de overheid met de
kranten werd er niet minder op. Zo
mochten alleen die staatsstukken geplaatst
worden, die in de Staatscourant
voorkwamen. Hetzelfde gold voor aanstellingen
van ambtenaren, officieren en
dergelijke. De gemeentebesturen moesten
erop toezien dat “geene verontrustende
nieuwstijdingen, zo binnen ’s lands ofte
uit de Armee van het Rijk overgenoomen
uit Buitenlandsche weinig geaccrediteerde
nieuwspapieren worden geplaatst”. 6) En
in 1807 werden de kranten zelfs opgedragen
“[…] om niets, dit Rijk algemeen
en de krijgsbewegingen binnen en in de
nabijheid van deszelfs grensen in het bijzonder
[…] te plaatsen”, alvorens dit was
verschenen in de Koninklijke Courant.
Bovendien moesten alle te plaatsen berichten
eerst worden voorgelegd aan de
procureur des Konings, “[…] die bij deze
word versogt en geauctoriseerd, alzodanige
passages als daarin mogte oordelen
strijdig te zijn met deze order daaruit
te roijeeren […]”. 7) Dit voorschrift
werd overigens al op 23 september daaropvolgend
ingetrokken, “[…] met aanbeveling
van wat voorzichtig in ’t plaatzen
van opgemelde tijdingen te zijn”.
Daarop lieten Martinus en Hendrikus Tijl
de procureur weten de Hollandse kranten
tot richtsnoer te zullen nemen, “’t geen
denzelven goedkeurde”. 8)
Drukkerijen
In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd
bij het Franse keizerrijk. Overijssel
heette nu departement van de Monden
van den IJssel, of eigenlijk ‘Département
des Bouches de 1′ Yssel’. Van overheidswege
werd steeds meer druk uitgeoefend
om toch vooral de Franse taal te
gebruiken. Al snel kwam het voorschrift
dat de berichten in de kranten zowel in
het Nederlands als ook in het Frans
moesten worden afgedrukt. En zo heette
vanaf 1 februari 1811 de Zwolsche Courant
ook ‘Gazette de Zwolle’. De Franse
vertalingen waren overigens niet altijd
naar de zin van de autoriteiten. Zo lezen
we in een brief van de directeur-generaal
van politie aan Tijl van 7 januari 1812 dat
deze meermaals fouten had ontdekt, die
de lezers slechts konden leiden “dans des
erreurs grossières”.
Met de inlijving werd de Franse wetgeving
in Holland van toepassing. Bij keizerlijk
decreet van 5 februari 1810, dat nu
ook in Nederland gold, was de boekhandel
geregeld. Daarin was onder meer het
aantal drukkers per departement aan banden
gelegd. De Tijls, die naast krantenuitgevers
tevens boekdrukkers waren, wilden
blijkbaar weten waar ze aan toe waren.
In het archief vinden we een brief
van 22 februari 1811 uit Nijmegen, schijnbaar
geschreven door een huisvriend, die
hen nadere informatie gaf. “Het is waar,
dat het getal der drukkers in Parijs is gereduceerd
en op 60 is gebragt, en zulks
ook in de overige Departementen zal
plaats hebben”, zo konden ze lezen. Ook
in het Nederlandse gebied zouden binnenkort
maatregelen te verwachten zijn.
Maar de schrijver stelde ze direct gerust:
“Doch geloove ik niet dat UE iets zal te
vreezen hebben, daar Zwolle, zo ik
meene de Hoofdplaats van het Departement
is, en het getal der drukkers zo zeer
groot niet is”.
In het archief van Tijl bevindt zich een
stuk dat nader licht werpt op de Zwolse
boekdrukkenj van die dagen. Het gaat
hier om een concept-antwoordenlijst. Niet
vermeld is op wiens verzoek deze is opgesteld.
Vermoedelijk zal dat de prefekt
zijn geweest, de hoogste bestuurder in
het departement. De eerste vraag informeerde
naar het aantal drukkerijen in
Zwolle in 1806 en 1811. Uit het antwoord
blijkt dat er in 1806 vier drukkerijen actief
waren geweest, die van M. en H. Tijl (onderfirma
van M. Tijl en zoon), F. Clement,
J. de Vri en B. Idzinga. Deze drukkerijen
waren er in 1811 nog steeds. In 1806 hadden
vader en zoon Tijl acht werklieden in
dienst gehad, in 1811 nog maar zes. Voor
Clement lag dit getal op vier respectievelijk
drie en voor De Vri op zes en
vier. Idzinga had in 1806 één werkman,
“dat zijn zoon was” en zat nu zonder
werkvolk.
Op de vraag hoeveel deze drukkerijen in
1806 en 1811 gedrukt hadden, luidde het
antwoord: “De Drukkers van de drie
groote drukkerijen kunnen deze vraag
met geen mogelijkheid beandwoorden,
alleen zoude van hun eenige verklaring
op dezelve kunnen dienen dat zij in en
voor 1806 ruim een derde meer arbeidsloonen
in een rond jaar betaald hebben
dan zij thans in een rond jaar doen,
waarvan veelal de oorzaak is, dat te vooren
op hunne drukkerijen aanzienlijk veel
besteld werk gedrukt wierd, en thans veel
voor hun rekening moeten opleggen om
hun werkvolk aan het werk te houden;
waarmede zij, met groote schade blijven
zitten”. Op de vraag naar de aard der
werkzaamheden bij de verschillende
drukkerijen was het antwoord dat Tijl,
naast de krant, smout- en boekwerk verzorgde,
waarbij schoolboeken apart
worden genoemd. De overige drukkers
deden, uitgezonderd natuurlijk het
drukken van een krant, hetzelfde werk.
De kleine drukkerij van Idzinga vervaardigde
voornamelijk “Tabakspapier”.
Niet lonend
Op de vraag naar de veranderingen door
de jaren heen was het antwoord dat deze
vooral in het teken hadden gestaan van
achteruitgang. Met name de teruggang in
het drukwerk voor het departementaal
bestuur, “’t welke in en voor 1806 op de
drie groote drukkerijen zeer veel werk
veroorzaakte”, was hier aan debet. Tijl
was er nog het beste uitgesprongen. Het
drukwerk dat de prefektuur in 1811 had
uitbesteed was geheel ten gunste van
deze drukker gekomen. Maar dit werk
was, nog steeds volgens de antwoordenlijst,
gering, “omdat veele besluiten thans
gratis in de Courant worden geplaatst en
de overigen geschreven worden”.
Een andere oorzaak van de slechte gang
van zaken moest worden gezocht “in het
van jaar tot jaar afneemen van den trek
tot het koopen van boeken, waar door
het drukken van boekwerk bijna niet
meer kan worden ondernomen”. Gevraagd
naar de diepere redenen van deze
veranderingen luidde het uitvoerige antwoord:
“Ie. Aan de tijdsomstandigheden,
2e. aan de schaarsheid van geld, 3e. aan
het doen of laten schrijven van veele zaken,
die te voren gedrukt wierden, 4e.
aan de steeds afneemende leeslust, 5e.
aan het menigvuldig drukken der boeken,
wetten en rijkspapieren die thans aan de
keizerlijke drukkerij te Amsterdam gedrukt
worden, en waarvan zij verstoken
zijn, 6e. aan het afneemen van den koophandel,
7e aan de moeilijkheid en kostbaarheid
der verzending, 8e. aan zoo
veele moeilijke bepalingen waaraan de
boekdrukkerijen inzonderheid onderworpen
zijn en ten 9e om dat het drukken
van boekwerk thans minder is dan
voorheen, uithoofde van het bezwaarlijke,
om naar het voormalig Zeeland, voormalige
Bataafsche Braband enz. eenige
Hollandsche gedrukte werken te verzenden;
het plekje grond waarop Hollandsche
boeken moeten worden gedebiteerd
zoo klein is, dat het in zeer veele gevallen
de kosten niet kan opbrengen, om
auteur, drukloon en papier te betalen, en
om dat de Hollandsche taal in geen land,
buiten ons vaderland wordt gelezen, dan
in de colonien van oost en westindien, en
thans ook zelven in de Hollandsche Departementen
minder gelezen wordt dan
voorheen”. Een hele waslijst! Op de vraag
naar de middelen tot verbetering van de
toestand, was het nuchtere antwoord:
“Zijn zeer bezwaarlijk om op te geven;
Wanneer de opgegevene redenen der
verandering konden worden weggenoomen,
dat zouden wel de beste middelen
van verbetering zijn”.
Staatkundig Dagblad
Ook voor de kranten bracht de inlijving
veranderingen met zich mee. Met name
het keizerlijk decreet van 3 augustus 1810
was van belang. Dit decreet, dat handelde
over de nieuwsbladen, trad op 9 april
1811 hier in werking. In elk departement
mocht voortaan nog maar één staatkundig
nieuwsblad verschijnen. Dit blad zou onder
toezicht komen te staan van de prefekt,
die vooraf iedere uitgave moest
goedkeuren. Ook zou hij een redacteur
benoemen. Het was de Zwolsche Courant
die voor het departement van de Monden
van den IJssel werd aangewezen als staatkundig
nieuwsblad. In een circulaire deelden
de Tijls de abonnees mee dat zij met
ingang van 1 augustus 1811 waren aangesteld
als drukkers en uitgevers van het
Staatkundig Dagblad van het departement
van de Monden van den IJssel, “het eenigst
Nieuwspapier het welk van den 1
GELYKHEÏD, VRYHEÏD, BROEDERSCHAP.
ZWOLSCHE COURANT.
No. i. Zaturdag.den 2 Jauuary. 1796.
MET TWEEDE JAAR DER KATAAFSCHE VRYBKID.
2 kn
N E D E R L A N D E N .
Brlif uit ‘sHAGE varj den 29 Decfinbtir 1795»
M E D E B U R G E R !
Gy ‘/.’«et, Vii^nd! dat h«t uog en do wsnsch »an
. N é l.!ni!s Britivjn teedj la;:g op h’;t (Uarftellja
eener Natiooale Conventie gevestigd wa<-, dut u«e Froviricii* door het onannelyk ntimuo der Cocciuiit' daanoa via den Burc.-r J >‘d^ns &o toet ui t^t blos KIM ba> ft,trn vo:>ral
dat do Stad Z#olla ony» fchryva» pu’v cq maiKt, op Hj( O«ory6-
( i l , op d»t 2»o!le’, coo-nnals (>«eJ£ bcdr • ‘ , a!s die uo
h»illi;<8 plïats, waar ds Vyh 11 eo" fc3uit(>|i«(g viad«nd-.>
i h i is op.rnyk hursn z-lsl v=5ijjt, Z|J vin don aiterdoH.t
ontheffa, als of 4t:zet tyner
G’cocutnlittsrde s — lü ze* door éé , waot wO’t, dit
ir twae of drie G cimoiitu-erde«t «atuui» Ortirysf^l io Hu’
H. M»g V.ïrga’tinnf; waren, eo hoo t«ij eij-cotlys hi.-t,
dia In datrza het woora voerHj. wrtef ik »ifr mrtt^’s. alt
I Is h-JC nlst ODjelükklg, daar de ^aikco buitL-o ‘ilardi
j zoo goed (ban, ddC de twtwdritt ons ten »al oio:: bwtgnr;,
. zo er oiet by ryis kratjtdaciig io roorzieD ?d/dt.
| Ik H ‘ U » onk noi «eldj», dat Uw Mrurg*r eo naj
mees O.aipfci G cummittiariU i i «e Vergadeikg j:bi;f
der jewap cdu Burjwym Ji C ran Llgt«ob«((; gis =i by
da seriitf Vafg’Joriwj’ hoeft gr-auC’t erd, cshouden i;j do
Mutchül’ k.1»»- Io ret grW-.-zun Stadh;uJrrlyk liwanijr^
ü«t V,’l3jlai:d rp itiaf van Banni^f m»nt voor eer.i^e j.a
rtn beeft vnbojin aan de G:drput -erdacs o IKD.
Ds Burgnr V. D S>«k i l thans »oor ernwoek ? r i f i j t r t .
Zie daar Vriend tl hit niiuwsdit ik ut? Bflotr xjnbj pro:
vifi i . ik ie/hasl > deol hot ci:t zilorn aan n»i !
o .2
S j – a t
ï ?-
5 S „ « o.
E’S!-
Augustus aanstaande af in dit Departement
zal mogen worden gedrukt”.
Uit die tijd zal ook het ongedateerde
schrijven stammen waarin de Tijls de prefekt
hun reactie gaven op een ontwerpreglement
van instructie. Het voortaan te
plaatsen wapen van het Keizerrijk zouden
ze zo snel mogelijk laten vervaardigen,
“hoezeer het hun kostbaar is”. Blijkbaar
maakte het concept-reglement ook gewag
van de kwaliteit van het drukwerk. De
Tijls antwoordden: “Zij zullen alles wat
mogelijk is doen, om de letter die zij
thans voor hunnen Courant gebruiken,
zuiver en duidelijk te drukken; doch zij
kunnen daartoe vooralsnog geen nieuwe
letter doen vervaardigen, om dat daarmede
eene voor hun te zware kosten van
ten minsten tusschen de zeven en achthonderd
guldens gemoeid is”. Wat betreft
de kwaliteit van het papier, die was gelijk
aan die van andere kranten. “Indien het
debiet egter zodanig mocht aanwinnen”,
dan zou het gebruik van beter papier
overwogen kunnen worden.
Een ander punt betrof de Franse vertaling:
“Het zal allermoeilijkst en voor de
uitgevers genoegzaam onmooglijk zijn om
iemand, die beide talen verstaande, te
vinden”, die als corrector wilde werken.
Temeer daar hem slechts een laag loon
kon worden geboden. De door de prefekt
voorgestelde subsidie in deze vonden de
Tijls onvoldoende, “daar dezelve, met eerbied
gezegd, waarlijk in schijn, maar
geenzins in de daad eenige aanwinst is”.
Voorgesteld werd het correctiewerk te
laten uitvoeren door “den jongsten uitgever”,
Hendrikus Tijl, die dat tot dan toe
steeds had gedaan. “Hoezeer de Fransche
taal niet goed verstaand, doch die zich
met alle vlijt zal toeleggen en zich werkelijk
toelegd om daardoor verder machtig
zal worden”.
Aan de wens van de prefekt om officiële
mededelingen gratis in het blad te plaatsen
wilden ze wel voldoen, “wanneer de
stukken niet zoo menigvuldig en uitgebreid
zijn”. Vader en zoon Tijl stelden
voor eenvierde voorpagina daarvoor te
reserveren. De eis dat de krant vooraf
door de prefekt zou moeten worden
goedgekeurd was natuurlijk niet te negeren.
Wel werd gevraagd deze autorisatie
tijdig te geven. Dit met het oog op het
halen van de postwagens en schepen. De
krant moest immers op tijd bij de abonnees
zijn, omdat vertragingen “[…] eene
dadelijke opzegging van een groot aantal
zouden ten gevolge hebben”. Het voorstel
was dat de knecht die de krant naar de
prefekt bracht, op de autorisatie zou
mogen wachten. Ook in de wens dat de
prefekt en de maire van Zwolle eerder
een gedrukte krant zouden ontvangen
dan de overige abonnees kon worden
toegestemd. Voor de maires van de andere
gemeenten was dat echter niet haalbaar.
Het voorstel de abonnementen niet meer
op naam van de maires, maar op die van
de gemeentebesturen te stellen, stuitte op
bezwaar. De Tijls voorzagen dat alle leden
van het gemeentebestuur “[…] en
anderen die als bedienden of in anderen
qualiteiten bij de Gemeente Besturen verkeeren”,
in dat geval hun abonnement
zouden opzeggen. Dat zou dan weer inkomsten
schelen. En hoe minder lezers,
des te hoger de kosten. Nadrukkelijk
moest vermeden worden dat de abonnementsgelden
omhoog zouden moeten
gaan. Martinus en Hendrik Tijl wisten
“moreel zeker […] dat zoo dra de Courant
maar slegts een enkele duit verhoogt
wierd in prijs, er dadelijk zoo veele zouden
worden afgezegt, dat zij binnen weinige
weken met het drukken en uitgeven
en alzo met die souree van hun bestaan
zich geheel genoodzaakt zijn uitscheiden
en de Courant die nu zij […] met zware
kosten en grote moeite hebben op den
been gebragt, wederom zien te gronde
gaan”. Als voorbeeld gaven ze de duit
porto die lezers van buiten Zwolle extra
moesten betalen “sedert den nieuwe inrichting
der Posterijen”. Dat had hun maar
liefst honderd opzeggingen opgeleverd.
En het ging toch al niet best met de
krant. Zo hadden nog onlangs zeer velen
opgezegd, “om dat, zeggen zij, de
Courant van hoe langer hoe minder belang
voor Particulieren wordt”. De in de
ontwerp-instructie opgenomen plicht zich
aan de aanwijzingen en verordeningen
van de prefekt te houden vormde voor de
Tijls geen probleem: “Na dit art. zullen de
Uitgevers, even zoo als het alle burgers
betaamd, zich met eerbied gedragen, daar
onze Prefekt toch niets van ons vorderen
zal, dan dat billijk is, en uitvoerlijk”.
Advertentieblad
De krant stond nu dus onder toezicht van
de prefekt. Daarnaast moest men ook
rekening houden met G. van Lennep, de
te Groningen gevestigde inspecteur voor
de drukkerijen en de boekhandel in de
departementen Wester Eems, de Monden
van den IJssel, den Boven-IJssel en Vriesland.
Een keizerlijk besluit van 26 september
1811 bracht verdere wijzigingen.
Er werden voorschriften gegeven voor de
zogeheten ‘feuilles d’affïches, annonces et
avis divers’. Het was de bedoeling dat de
advertenties uit de nieuwsbladen zouden
worden genomen en in een zelfstandig
blad uitgegeven. Er zou voortaan dus
sprake zijn van een staatkundig blad en
een advertentieblad. Beide bladen mochten
bovendien niet bij dezelfde uitgever
verschijnen. Er was een lijst opgesteld van
veertien Nederlandse steden waar een
dergelijk advertentieblad gedrukt mocht
worden. Zwolle werd daarbij niet genoemd.
Martinus en Hendrik maakten zich daarover
ernstig zorgen. Ze waren bang dat
het hun uiteindelijk zou worden verboden
advertenties uit te geven en schreven
hierover een brief aan de prefekt. Hoewel
ongedateerd stamt de brief waarschijnlijk
van januari 1812. In de brief schreven ze
“dat zij ten hoogsten bedugt zijn dat dit
Decreet ook zijne strekking tot hunne
Courant mogte hebben”. En verder: “Dat
het hun vergunt zij hier bij met alle nederigheid
aan de attentie van U mijnheer
de Prefekt aan te bevelen, vooreerst, hunne
huiselijke omstandigheden en het gedeeltelijk
bestaan ’t welk hun de Courant
en voornamelijk de advertentien, na tweeentwintigjarigen
arbeid, opgelevert, en ten
anderen de nuttigheid, noodzakelijkheid
en kennelijke behoefte van dezelve voor
de ingezetenen van dit Departement en
aangrenzende oorden, en welke Courant
door bijna zoo veel duizend menschen
gelezen wordt als er honderden worden
gedebiteerd”. De Tijls vroegen de prefekt
hulp bij het zoeken van de weg, “[…] welke
wij voor ons behoud zouden moeten
inslaan”. En tot slot: “Het is met een hart
vol vertrouwen en oprechte eerbied dat
wij ons derhalven tot U wenden, U smekende
voor het behoud onzer Courant en
inzonderheid der advertentien”.
Maar de Tijls konden voorlopig gerust
zijn. De krantenuitgevers in de steden die
niet op de lijst hadden gestaan, mochten
doorgaan met het uitgeven van advertenties.
Voorwaarde was wel dat deze op
een apart blad bij de krant zouden worden
gevoegd. Alles leek erop te wijzen
dat de regeling voor deze laatste groep
tijdelijk was en dat ook hier uiteindelijk
de advertenties van het overige nieuws
zouden worden gesplitst. Dit vooruitzicht
bleef vader en zoon Tijl zwaar op de
maag liggen. En niet ten onrechte, want
de krant liep toch al niet zo goed. Dat
komt naar voren uit hun brief aan de
prefektuur van 3 februari 1812, waarin
opgave werd gedaan van de oplage van
de krant nu en vroeger, “met redenen van
de vermindering derzelven”. Aanvankelijk,
“na eerst een reeks van jaren met een
zeer onbestendig debiet geworsteld en
vele schokken ondergaan te hebben, was
het debiet van den jare 1795 af tot 1805
toe op eene bestendige voet”. De krant
had in die jaren gemiddeld 1000 abonnees.
Zowel binnen als buiten Overijssel,
schreven de Tijls vol trots, wist de krant
zich een lezersschaar te verwerven. Vooral
ook door de “zeer matige prijs”. De
krant kreeg een klap toen in 1806 de
belasting op het zegel was ingevoerd. 9)
Daardoor moest de prijs worden verhoogd
wat leidde tot 250 opzeggingen.
Van die tijd tot midden 1810, toen het op
last van de directeur van politie verboden
werd nieuws te halen uit buitenlandse
correspondentie en kranten, verloren ze
nog eens een hondertal klanten, en een
herstel had zich tot heden nog niet ingezet.
Integendeel, want vanaf het begin van
1811 bestond de krant grotendeels uit
mededelingen van de prefektuur. Bovendien
veroorzaakte het voorschrift de berichten
ook in de Franse taal te plaatsen
een verdere achteruitgang van plaatsruimte.
Dat had tot gevolg “dat wij aan de
begeerte van het publiek minder konden
voldoen en veele nieuwstijdingen moesten
agterlaten”. Opnieuw verloor de krant
lezers zodat die nu nog slechts 500 abonnees
kon tellen. Ook de losse verkoop
aan “buitenlieden en onbestendige koopers”
was in de laatste jaren aanzienlijk
gedaald. Van de 100 exemplaren die
daarvoor extra werden gedrukt, hield
men nu vaak zo’n driekwart over. Om
10
JOURNAL POLITIQUE
DU DEP AR. 7 £ MENT
DES BOUCHES DE L’ISSEL.
STAATKUNDIG DAGBL A D
VAN HET DEPARTEMENT
DER MONDEN VAN DEN YSSEL.
Jeudi !e 3 . üeccmbre rS:2 ( N g 7 9 . ) Donderdag den 31 December ifli».
I N T E R I E U R .
PRÉFECTURE DU DEPARTEMENT DES
BOUCHP.S DE L’f:SFL.
(No. t.) re D ! V I S ‘I O N Le CHEVALIFR de L’ïMPiRE , MEMBRE de UÉji.
GlüN J’HONNEUR, er ,(e L’OkDRR lMPcRlfa»
de :> RfUNIOrN . PRé FE T ;
Pitv.enr. («3 Irccieifts q « lej Medecia3 vétérinaire* *4snït daoi
«e Déptttenteat fout ,
Mrulcuri:
FRANS CAREL SCHULTK 1 Zwolle,
1ACOB VAN HER KLUIM a ü™.’«’,
“WOLTfiR JAN VAN CLÜ.EF 4 VolUnhoft.
el
JAN HENDRIt FERDll AM> GOOSMAN » £W«»
Cit annonce fe hit exptesfemenr, atto que ‘es admmisrrés
pcijfti! les dMtidRim d’«urres perleose* non qiulificcs c: iouvent
feóorantes
P.
Le Prtftt
H O F S T E D E .
DES SOUCHES DS L’ISSEL.
f de Z
L’AUOJTEUft AU CüWSElL 1>*£TAT, SOÜS-PREFET;

V’oainnr tiigiet ^Éfl^itivemeot 1’orgt .iitloo -dtkiés Baieiux-,
prcvicr.t. fes sdtnrnisrrfis et ^étfraleBicDt tous firttionnjires ou
üutres pu’fonflcs ^U’ fin’ on feraicot dins les cas d”avoir des té*
hC’.’iis avi-c iul : ffu”4 dS’rr du lei^Janviet 1S13 , l’ordte faivaet
ftra érabil 4 la Soit* PiÜfecivrc.
•tes oureacrx frroot oa»»rts foei les j^urs depuf» buit heorej
i’j malin jüs^u’a qjarre. heures fréfsr,
Jcvrout ê te mifcs da >8 a Bdo v. pi»:é^-, è eer cflet, a Ia puite
t;c: Je U jous-Pi^fec.ure; cecte pu:te fcra Üuvertc aux
B1NNENLANDSCHE BERIGTEN.
P.V!FEKTÜRP: VAN HET DEPARTEMENT DER.
MONDEN VAN HEN YSSPL.
^Wo. 1.) iftr ]) 1 V 1 5 i E. D RYHS RIDOF.-R , L I ) van het I.^CloRN vnn TPR .
en van dj UElZERI.YK.E ORDli dm UF-CNIE,
P R E F E K T ;
^•’<-i j : ter keixus varr een leder ii<"n ru Ifi ann^ajt. dtt de eNS CAREL SCHULTE- te Zwoüt.
jlCOr, Vnl< u t R KLUii'J te O-.-n-n. WOLTER JAN VAN CI.EEP te J'oUtnfii.rt: J^TJ HF.NDRiK. FERniNAND 0 0 0 S M A N •- Pc'.'.•:.-. WirdcR.le d:-ze gcstiiitteerde Vee-At'fcn «Idj; bekend gemuki , ti:n ei Je de Inue^iivneo .(ciclvc vm inderc u»g-qu«lj. ficetfJc ea veeltyjs orkundi^e peifuncn kut.nco ocderfcheidca. Zwolle i;Q aa Decotnbet 1812. De Prefckt P. Tl O F S T K O E . D E P A R T E M E N T P E R M O N D E N V A N D E N Y S S E L . Arroodisfcmeni vin ?wnllt. De A U D I T E U R by «ierf STi» A T S R A A D . O N D E B . . P R K . FER.T van Zv.o'.it De otpanifitic zyncr kDreaux volkuroen willende r e a l e n . » t r . s»1ttij?t';yne nndr/hoorlnyen , eo In 't ilp,iuu-'0 ,hc Ambttn»(co uf inJüre petfooen , dit 2yn o f l o u d t n zyn ID ': geval vao b e - tiekfeii'Cen met hem te hebben, rtn, te Wejiii nen met rfen iften Januaty i B ; . A: noTolgeDjc «rde ia de Ouder Prcfckturc ztl 'woiden i", e s c e r d L)c Rufcaux zul'cn alle dagen vafi '1 mornecê tPn Kbr . tot des nu.T:1'd«2s ten . i e t u i en open 7ryn ,-urt,(eiuiid rd d.- Zu:i en bebondenc, Kecjtdjgeo, na dieo ty< j t l m:n er Dicmind meet oeivanjen Het rubiick z? toegar» tor de Rorernx hetben des MainJag», Dinjidag' m V i y 13^» VJII c]e f r f t i K j[rhnordi;tB var den Onder Prtfekt l y o bfpJild
pp I);f..^..’3^ , v.n eco r^: -Ipc urco des nimiJd”^>, en np ‘ i ^ *
(t^g , v^i tmoTfitus :tn t i .n rr>; t w i r i t r rrn — i)c publieke
A u n t . r i t e n d’iitc :ei: 3 : :i • y 1.1 unrvjrgm w j r J e o , wanneer
Zy z i k . c n:.-t 1H1, U j . ‘ t i Hn f k: ‘c beha: j r i en r.cbb’.D.
De Ver? teKfv.hr.Ken ( o f R ‘ q . ; e s ‘ m ) en tl’c sr.Jerc aan d f o
O r J i j P i t l – i t f..nb : e l l ‘ j » k c j , zul.en m ,e en wurJ’jn guloken
ie Je liai , w c u c ICÜ a i .D CIQJC jjD ifc voo.drut ici Ondci •
een verdere daling van het aantal lezers
te voorkomen, vroegen de Tijls de prefekt
de krant te laten zoals die nu was, “[…] en
de advertentien er niet van te scheiden”.
Wanneer dat laatste toch zou gebeuren
zagen ze de toekomst somber in “[…] en
wij op den duur daarmede zullen vallen”.
Om de financiële positie wat te verbeteren,
stelden ze aan de prefekt voor dat de
bekendmakingen van verkopingen, die
nu via kerkespraak gebeurden, eerst in de
krant zouden moeten worden gedaan.
Pas dan “blijft er voor ons nog een straal
van hoop dat dezelve in stand zal kunnen
blijven”.
En passant werd de prefekt ook nog gevraagd
om een geldelijke bijdrage in de
kosten “die wij wezenlijk en zonneklaar
ten dienste van zijn H.E.Ed. Gest. hebben
aangewend en waardoor al eene zeer
aanmerkelijke somme voor druk of
schrijfloonen heeft uitgewonnen”. Het
schrijven eindigde met gepaste nederigheid:
“Vergeeft het ons WelEd. Gest.
Heer! als wij somtijds door deze wat te
langdradig mogte geweest zijn; – de
menigvuldige ondervinding die wij hebben,
dat UEG. ons belang steeds heeft
behartigd en in ons lot hebt deelgenomen
heeft ons aangespoord onze belangen bij
dezen nog eens op nieuw met eerbied
aan UEG. op te dragen”.
Op 3 december 1813 verscheen er een speciale editie van het
Dagblad van den Monden van den IJssel. Daarin vinden we
onder meer een beschrijving van de feestelijkheden te Zwolle
naar aanleiding van het einde van de Franse overheersing. De
inhoud is als volgt: Zwolle den 2 december. Gisteren voordemiddag
werd alhier van de Puye van het Stadshuis de Proclamatie
, (geplaatst in ons vorig No) onder eene groote toegevloeide
menigte, plegtig afgekondigd; terwyl aan den Grooten
Toren, van ’s Lands Huis en van alle in de Haven leggende
schepen de Oude Hollandsche Nationale Vlag waaide. Warme
Vaderlands liefde openbaarde zich op een ieders gelaat, en
weldra na het einde der Proclamatie weergalmde de lugt van het
zoo lang door geweld onderdrukte VIVAT ORANJE; wanneer de
Musiek het aloud beminde Vaderlandsche Volkslied; Wilhelmus
van Nassauwen, met hetzelve paarde – De eenparige deelneming
van een ieder ingezetene in deze allerbelangrykste gebeurtenis
vertoonde zich terstond door het eenparig dragen van oranje;
den geheelen dag wierd met algemeene vreugde door alle de
Ingezetenen zonder onderscheid doorgebragt, en de vermakelykheden
met Musiek en Serenades tot laat in den nacht
zonder eenige desordres geëindigd”.
Aan het verzoek aangaande de aankondigingen
bij kerkespraak werd voldaan.
Vanaf 1 mei 1812 moesten alle verkopingen,
verhuur en pachtvoorwaarden voor
onroerend goed eerst in de Courant van
het departement der Monden van den
IJssel worden geplaatst. Maar aan de gevreesde
splitsing van het blad ontkwam
men niet. Op last van de prefekt werd de
courant per 1 april 1812 vervangen door
een Staatkundig Dagblad en een Advertentieblad.
Wel mocht het advertentieblad
bij het staatkundig blad worden gevoegd.
Het verbod deze beide bladen bij één
uitgever te laten verschijnen, wist men te
omzeilen door ook op naam van
Hendrikus Tijl een brevet van drukker
aan te vragen. Door de prefekt werd toen
ook een redacteur benoemd, mr. A.
Goudoever. Dat er wel degelijk op naleving
van de advertentie-voorschriften
werd gelet, bewijst de brief die de inspecteur
over de boekdrukkerijen en de boekhandel
op 14 oktober 1813 aan Tijl
schreef. Daarin heette het: “Gezien hebbende
dat gij, van tijd tot tijd, in het Staatkundig
Dagblad van uw Departement
annonces van particulieren plaatst welke
daarin niet behooren, vind ik mij verpligt
u te waarschuwen zulks in het vervolg
niet meer te doen”.
Het einde van de Franse overheersing
Op deze voet bleef de firma Tijl tot november
1813 doorgaan met het uitgeven
van hun krant. In die maand, op 11 november,
verschenen de kozakken voor
Zwolle. Al een dag eerder was de Franse
administratie de stad ontvlucht. In het
licht van deze gebeurtenissen richtten de
Tijls zich op 12 november tot de prefekt:
“Daar wij, zoo wel rechtstreeks als van ter
zijden ontwaar worden, dat de leezeren
van ons Dagblad en Advertentieblad en in
het algemeen de meeste Ingezetenen van
deze stad en omliggende plaatzen van
ons verwagten, dat die bladen voortaan
alleen in de Hollandsche taal in het licht
verschijnen, zonder dat de Fransche taal
daarbij worde gedrukt”. Nu zou Tijl dat
maar al te graag willen, maar de instructies
verboden dat nog steeds. En tegen de
wet wilde men niet ingaan, “doch aan
den anderen kant met zeer veel reële
redenen vrezende de onaangename ge-
12
volgen zoo voor ons zei ven, als ook mogelijk
voor de rust van deze stad, wanneer
wij in het tegenwoordige tijdstip
voortgaan de Fransche taal mede in onze:
publieke bladen te gebruiken”. Graag zag
men aanwijzingen van de prefekt tegemoet,
“ten einde ons van onze niet ongegronde
vrees te ontheffen en om ons ten.
allen tijden te kunnen verantwoorden”.
De prefekt antwoordde echter dat hij niet
meer in functie was en verwees naar de
maire. Bij deze laatste diende men het
verzoek in enkel de Nederlandse taal te
gebruiken, de hierdoor ontstane ruimte
met advertenties op te vullen, berichten
op te nemen die tegen Frankrijk waren
en bovendien de naam van de krant zonodig
te veranderen. 10) De maire stemde
toe, zodat op 16 november 1813 een vernieuwde
krant het licht zag onder de
naam Dagblad van de Monden van den
IJssel.
Kort daarop werd Berend Hendrik van
Bentinck tot Buckhorst als provisioneel
gouverneur belast met de voorlopige uitoefening
van het bestuur van het departement.
Op 2 december 1813 ontvingen de
Tijls van hem een schrijven waarin zij
werden “gëmaintineerd” in het uitsluitend
recht tot het drukken van het departementale
dagblad, zoals hun was verleend
op 28 maart 1812. Ook redacteur
Goudoever moest in zijn functie blijven.
Sterker nog, men werd “gelast, en beveeld
dezen aangestelden Redacteur, en
de voormelde boekdrukkers om met het
drukken en uitgeven van het voorge. dagblad
provisioneel te blijven voortgaan op
den voet en conditie als bij het voorge.
besluit is bepaald, en daarbij tot hiertoe
gebruikelijk was”. Martinus en Hendrikus
Tijl wilden natuurlijk niets liever. Het zo
gehate aparte advertentieblad werd opgeheven.
En om het verhaal helemaal een
‘happy end’ te geven: de krant heette
vanaf 13 mei 1814 weer Overijsselsche
Courant. Daarmee had het dus de naam
terug die in 1795 met zoveel tegenzin was
opgegeven. Deze naam zou de krant tot
1845 behouden. In dat jaar werd deze
gewijzigd in Provinciale Overijsselsche en
Zwolsche Courant, een benaming die
precies honderd jaar dienst zou doen. Na
1945 keerde de naam Zwolsche Courant
terug en zo heet de krant nu nog.
Verantwoording:
Dit artikel is grotendeels geschreven
op basis van stukken
uit het historisch archief van Tijl
Krantenuitgeverij. Dit archief berust
bij Tijl. Het betreffende archiefgedeelte
is ongeïnventariseerdT
Het was daarom niet mogelijk
met noten naar de stukken
te verwijzen. In de lopende tekst
is daarom steeds zo mogelijk datum
en aard van het onderhavige
stuk aangegeven. Daar waar
ik gebruik heb gemaakt van andere
informatie dan die uit de
bovengenoemde stukken wordt
wel verwezen naar noten.
Voornamelijk gaat het hier om
gegevens uit het jubileum-
Bijvoegsel van de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant
van 6 juni 1890.
Geraadpleegde literatuur:
J. I. van Doorninck, ‘De Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche
Courant’, in: Bijdragen tot de
Geschiedenis van Overijssel 4
(1878) 217-223 en 346-354.
Tijls Curiosa, luchtige rondgang
in de schatkamer der herinneringen,
1777-1952. (Gedenkboek
uitgegeven ter gelegenheid van
het 175-jarig bestaan’ van de
Drukkerij en Uitgeverij van de
Erven JJ. Tijl te Zwolle.)
Noten:
1. Zie: Stamboom en acten betreffende
bet geslacht Tijl
(Groningen, Zwolle, Hasselt)
Stamboom ca. 1670-1927.
Acten 1697-1805.
2. Provinciale Overijsselsche en
Zwolsche Courant (POZC), 6
juni 1890.
3. Extract Resoluties Schepen
en Raad dei’ stad Zwolle, 28
mei 1795-
4. In de infon-natiekrant expositie
200 jaar Zwolse Courant,
uitgegeven door het POM in
juni 1990, vinden we op pagina
7 de volgende kenschets
van de situatie: “Voor
1798 bestond een praktische
persvrijheid zonder een theoretische,
na de totstandkoming
van de grondwet in
1798 was dat omgekeerd”.
5. POZC, 6 juni 1890.
6. Besluit van 25 april 1807
Gedeputeerd Bestuur van
Overijssel, door het stadsbestuur
van Zwolle op 1 mei
1807 als resolutie aangenomen.
7. Ingekomen stuk Tijl, 27
augustus 1809
8. Idem, in marge.
9- Dit zegel was op 1 januari
1806 ingevoerd. Een geboorteadvertentie
werd toen geschreven
op een zegel van
twee gulden, een overlijdensadvertentie
kostte één
gulden. Op overige advertenties
werd 60 cent zegelgeld
geheven. Het zegel werd pas
in 1868 afgeschaft. POZC, 6
juni 1890.
10. POZC, 6 juni 1890.
13
Muurschilderingen in de Weeme,
of de zin van het kopiëren
J.J. de Jong
Het gebouw De Weeme
aan de Lombardstraat.
Iedereen die in geschiedenis is
geïnteresseerd, is verheugd ak een
bijzondere vondst wordt gedaan. Na
de eerste opwinding beginnen de
problemen zich echter meestal snel
op te stapelen. Wat moet er gebeuren
om de vondst te behouden? In Zwolle
is al sinds 1925 sprake van een dergelijk
probleem. In de Weeme, het
gotische gebouw tussen het VW-kantoor
en het stadhuis, werd toen een
aantal gotische muurschilderingen
herontdekt, die zo bijzonder waren
dat al direct voor behoud en herstel
werd gepleit.
Nu, 65 jaar later, is het probleem alleen
maar groter geworden. Er moest een
moeilijke keuze worden gemaakt, want
restauratie was noodzakelijk, maar niet
meer mogelijk. Daarom is besloten de
schilderingen te kopiëren. Een dergelijk
besluit kan worden gekenmerkt als een
laatste poging de thematiek en de vormgeving
van oude schilderingen te bewaren,
maar het staat bloot aan kritiek.
Een kopie is niet oorspronkelijk, het resultaat
is een ‘namaak’schildering en
bovenal klinkt het verwijt a-historisch
bezig te zijn.
Geschiedenis
In de Lombardstraat bevindt zich een Lvormig
huis dat vermoedelijk dateert uit
het begin van de vijftiende eeuw. Het
diende aanvankelijk als pastorie van de
Grote Kerk. In 1636 werd het gebouw de
Bank van Lening. Bij de opheffing van
deze instelling in 1923 vond een ingrijpende
aanpassing van het gebouw plaats
ten behoeve van de huisvesting van het
14
Bureau van politie. Tijdens deze verbouwing
zijn schilderingen in vier van de
zes nissen van één van de binnenmuren
ontdekt. In 1975 is het gebouw opnieuw
grondig onder handen genomen. Toen
heeft het de functie van vergaderruimte
gekregen, behorend bij het stadhuis.
De muurschilderingen
In de noordelijke binnenmuur van de
Weeme bevindt zich in spitsboogvormige
nissen van anderhalve meter breed en
vier meter hoog een viertal muurschilderingen.
De schilderingen zaten achter
metselwerk dat in één van de vorige
eeuwen in de nissen is aangebracht. Toen
de schilderingen in 1925 werden gevonden
bleek bij nadere bestudering dat hier
sprake was van laat-middeleeuwse
schilderingen die, vermoedelijk dankzij
het constante klimaat van hun omgeving,
in redelijke staat verkeerden. Ze waren
weliswaar vuil, maar de hechting aan de
pleisterlaag was nog goed te noemen.
Mede op verzoek van de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg (RDMZ) is destijds
besloten de schilderingen schoon te maken
en waar nodig te herstellen. De uitvoering
van dit werk was in handen van
Jacob Por, die als restaurateur aan de
Rijksdienst was verbonden. Volgens hem
waren oorspronkelijk alle zes de nissen
beschilderd, maar twee ervan heeft men
in latere tijden opengebroken ten behoeve
van ramen, waarbij de schilderingen
verloren gingen.
De beschildering is op de kalklaag aangebracht
en is een grisaille, dat wil zeggen
dat er geen kleuren zijn gebruikt. Met
donkergrijs of zwart zijn de contouren
aangegeven en met een lichtere tint grijs
zijn de schaduwen ingetekend.
In de vier beschilderde nissen zijn aan de
bovenkant, in de spitstoelopende boogtrommels,
borstbeelden van profeten afgebeeld.
Daaronder, in de rechthoekige
nisvelden, zijn borstbeelden van apostelen
te zien. De figuren lijken op het
eerste gezicht anatomisch goed te zijn uitgewerkt,
maar bij nadere bestudering is
de weergave van de lichamen primitief.
De kleding van de apostelen is zodanig
geschilderd dat deze een transparante
indruk geeft.
Gelet op de positie van de apostelen in
het vlak is vermoedelijk niet de gehele
nis beschilderd geweest, maar was er
sprake van een echte borstwering of van
een getekende borstwering op ongeveer
een meter hoogte. Bouwhistorisch onderzoek
tijdens de restauratie van 1975 heeft
hierover geen uitsluitsel kunnen geven.
Beschrijving van de schilderingen
In de eerste nis links is alleen nog het
borstbeeld van de profeet Jesaja overgebleven.
Met zijn rechterhand wijst hij
naar de spreukband waarop staat: “ecce
virgo concipiet et pariet filiu(m); vocabi-
Toestand van de
schilderingen bij de
herontdekking in 1924.
Tweede nis van links,
met daarin de profeet
Amos in de boog en
daaronder de apostelen
Thomas (links) en
Jacobus Alphaeus
(rechts). (Foto: J. Por)
15
De derde nis zoals in 1924
herontdekt met in de boog
Micha en daaronder Bartholomeus
en Mattheus. (Foto:
J. Por)
t(ur) no(men) ei(us) em(m)anuel”. Volgens
Jesaja 7:14: “Ziet, een maagd zal
zwanger worden, en zij zal een zoon baren,
en zijnen naam Emmanuel heten”.
De tussen haakjes geplaatste letters zijn
tekstreconstructies.
In de tweede nis zien we het borstbeeld
van de profeet Micha met de spreuk:
“congregaciones congregabo Jac(ob), in
unim scivi coduca(m)”. Volgens Micha
2:12: “Ik zal Jacob samen vergaderen, ik
zal U geheel tot één samenbrengen”. Onder
dit borstbeeld staan de apostelen
Thomas met zijn attribuut, de lans, en een
spreuk uit het Credo en Jacobus Alphaeus
met zijn attribuut, de staf, en een onleesbare
spreuk.
In de derde nis is het borstbeeld van de
profeet Amos met de spreuk: “qui edificat
in celo asce(n)s(ionem); fasciculu(m)
suu(m) terra(m) (fundavit)”. Volgens
Amos 9:6: “Zijn opgang bouwt Hij in de
Hemel en op de aarde heeft Hij Zijn
benden gevestigd”. Hieronder zijn de
apostelen Bartholomeus met zijn mes en
een spreuk en Mattheus met zijn zwaard
en een spreuk afgebeeld.
In de vierde nis tenslotte zien we het
borstbeeld van de profeet Tobias met de
spreuk: “benedictus d(e)us qui exaltavit
eam et sit regnu(m) eius in s(e)c(u)la
s(e)c(u)lo(rum) sup(er) ea(m)”. Volgens
Tobias 13: “Gezegend zij de Heer, die
haar verhoogd heeft; blijve over haar Zijne
heerschappij in alle eeuwigheid”.
Daaronder zijn de apostelen Simon Zelotus
met een spreuk en Judas Thadeus met
zijn hellebaard en een spreuk afgebeeld.
Omdat de spreuken van de apostelen
achter elkaar gelezen moeten worden
staan ze hierbij als eenheid: “Descendit ad
i(n)ferna; t(er)cia die ressurexit a mortuis
(Thomas) … (onleesbaar Jacob) Credo on
spiritum sanctum (Barthelomeus) Sanctam
ecclesiam catholicam sanct(am) com(m)unione(
m) (Mattheus) carnis ressurectionem
(Simon) et vitam eternam amen
(Judas)”.
Restauratie in 1924 en in 1975
De restauratie van 1924 heeft achteraf
gezien veel schade aan de schilderingen
toegebracht. De chemische middelen en
het vernis waarmee ze te lijf zijn gegaan
hebben een verstikkende uitwerking gehad
op de schilderingen en de pleisterlaag.
In 1975 constateerde de Rijksdienst dat
slechts weinig van het oude werk nog
aanwezig was en dat een nieuwe restauratie
nodig zou zijn om weer “… kleur te
brengen in wat eens een bijzondere en
artistiek hoogstaande schildering moet
zijn geweest”. In dat jaar startte een totale
restauratie van het gebouw en van de
schilderingen. De Zwolse kunstenaar Joop
Eikenaar kreeg opdracht de schilderingen
te herstellen en te retoucheren. Hij deed
dit op zeer deskundige wijze.
16
In verband met de nieuwe functie van de
ruimte werd verwarming aangebracht pal
onder de nissen. De Rijksdienst waarschuwde
toen al voor het gevaar van een
hete luchtstroom langs de schilderingen:
“Het is belangrijk de zaal zo bescheiden
mogelijk te verwarmen. De bestaande
neiging van de verf af te bladderen zal
ook na restauratie mogelijk blijven voortbestaan.
Verwarming is in dat proces een
stimulerende factor”. (RDMZ 25 juni 1975)
De situatie In 1988
In 1988 bleek de schrijver van bovenstaande
regels gelijk te hebben gekregen.
De afwerklaag bladderde hevig en delen
van de kalklaag waren geheel losgeraakt
van de ondergrond. De schade was niet
alleen in de originele kalklagen, maar ook
in de gerestaureerde delen terug te vinden.
De combinatie van hete luchtstroom
en de oppervlaktespanning in de pleisterlaag
zorgde ervoor dat de schilderingen
onrustbarend snel vervielen. Na een uitvoerig
onderzoek kwam de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg tot de conclusie
dat restauratie nauwelijks meer
mogelijk was, omdat het alsmaar verder
uittreden van de zouten de schilderingen
en de pleisterlaag onherroepelijk van de
muur zou drukken. Omdat de verwarming
zou blijven branden, zou het proces
van het transport van zouten van het binnenste
van de muur naar de oppervlakte
alleen maar worden gestimuleerd. Er
werd een onderzoek ingesteld naar een
methode om de schilderingen te behouden.
Hierbij passeerden vier mogelijkheden
de revue.
De eerste optie was het opnieuw vastzetten
van de oude en in 1975 gerestaureerde
lagen. Hierbij was het echter twijfelachtig
of alle kleine schilfertjes weer vastgezet
konden worden en bovendien betekende
dit dat iedere vijf jaar aan de schilderingen
gewerkt moest worden omdat
het probleem ïn de muur niet was verholpen.
Bij dergelijke werkzaamheden
treedt altijd materiaalverlies op, zodat er
binnen afzienbare tijd geen origineel materiaal
meer over zou zijn. Dit proces
wordt dan het verhaal van de antieke bijl
waar vader een nieuw blad en zoon een
nieuwe steel opzet.
De tweede mogelijkheid was een kopie
op de muur te schilderen. Dit zou tot gevolg
hebben dat de originele schilderingen
opgegeven werden. Ook hierbij zou
op termijn weer een restauraties nodig
zijn, zolang de problemen in de muur
niet zijn verholpen.
Het chemisch bewerken van de muur en
de schilderingen was de derde overweging.
Hiervoor heeft de afdeling
Monumentenzorg van de gemeente
Zwolle zich gewend tot DSM die de verschillende
mogelijkheden tot conservering
op een rijtje heeft gezet.
1. Impregneren. Dit moest tot op grote
De vierde nis zoals in 1924
herontdekt met in de boog
Tobias en daaronder de
apostelen Simon Zelotus
en Judas Thadeus.
(Foto: J. Por)
17
Joop Eikenaar tijdens het
schilderen van de afbeeldingen
in de tweede
nis, 1989-
diepte, 2 mm, gebeuren, hetgeen niet
mogelijk was. Daarna zouden,de loszittende
delen alsnog vastgezet moeten
worden. Grootste nadeel was dat de
vochtwerking en daarmee de oppervlaktespahning
werden verergerd door
de afsluitende laag. Totale “drooglegging”
van de muur was niet mogelijk.
2. Bewerken met siliconen. Deze oplossing
hield in dat een siliconenlaag op
de schilderingen gespoten werd, smeren
was niet meer mogelijk. Dit zou
een definitieve oplossing zijn, omdat
er dan geen restauratiewerk meer mogelijk
is. De schilderingen worden onbereikbaar.
Tenslotte bestond het gevaar
dat de siliconenlaag zou vergelen.
3. Acrylaat aanbrengen. Dit is een lichtecht
produkt dat niet kan vergelen of
anderszins verkleuren, maar het moet
in een lage concentratie worden aangebracht.
Het gevaar bestaat dan dat
het niet diep genoeg in de muur
dringt, zodat op termijn de schildering
met grote plakken tegelijk los kan laten.
4. Fluorteren. Dit is een techniek die in
fluorzuur oplosbare zouten omzet in
onoplosbare zouten. De in de muur
aanwezige zouten konden dan niet
langer met het in de muur aanwezige
vocht naar de oppervlakte worden getransporteerd.
Hoewel dit op zich de
beste oplossing was, zou het transport
van zouten pas na enkele jaren gestopt
zijn. Tegen die tijd zouden de schilderingen
geheel verloren zijri gegaan.
De conclusie van DSM luidde dat de
schilderingen met behulp van chemische
middelen slechts tijdelijk voor verder verval
konden worden behoed. De vochtwerking
achter de aangebrachte laag zou
uiteindelijk tot akelige effecten leiden.
Het leek daarom niet mogelijk op deze
manier de schilderingen aan te pakken.
De vierde mogelijkheid was het opnieuw
schilderen van de afbeeldingen. op een
nieuwe ondergrond van plaatmateriaal.
Dit hield in dat in de nissen stevige,
naadloze, platen werden geplaatst, waar-”
op een ondergrond werd geschilderd die
qua kleursteüing en structuur overeenkwam
met pleisterwerk. Hierop zouden
de schilderingen opnieuw worden
getekend. Deze methode was ook bij de
opgegeven schilderingen in de pastorie
van de Grote Kerk te Leeuwarden met
succes toegepast.
Discussie en besluit
De bovenstaande mogelijkheden hebben
de nodige discussie opgeleverd. Het belang
van de schilderingen was van dien
aard dat een actie tot behoud gerechtvaardigd
was. Hoe dat moest worden
uitgevoerd was een andere zaak. Daarbij
speelden diverse argumenten een rol.
18
– Wat restaureer je eigenlijk nog? Of: hoeveel
oorspronkelijk materiaal is na de restauraties
van 1924 en 1975 nog overgebleven?
– Gaat het hier om de nog aanwezige
originaliteit van het materiaal of om de
vormgeving, de thematiek en de gebruikte
techniek, kortom de artistieke waarde?
– Wordt het restaureren van deze schilderingen
een vijf- of tienjaarlijks terugkerend
probleem met steeds weer kleine
wijzigingen in materiaal en uitvoering? Of
doen we het in één keer goed?
Uiteindelijk is gekozen voor de oplossing
van het volledig kopiëren van de schilderingen
op een nieuwe achtergrond.
Daarbij gelden enkele voorwaarden. Bij
het aanbrengen van de platen in de nissen
moesten de originele schilderingen
zoveel mogelijk worden ontzien. Deze
moesten als het ware worden begraven
achter de nieuwe platen. Een tweede
voorwaarde was dat in de kopie de retouches
van 1975 herkenbaar waren ten opzichte
van de in 1925 gevonden schilderingen.
Als derde voorwaarde werd geformuleerd
dat de schilderingen nauwkeurig
werden opgemeten, de coördinaten vastgelegd
en de bestaande toestand gefotografeerd.
Uitvoering
De gemeenteraad van Zwolle stemde in
met deze werkwijze en stelde een bedrag
van f 36.000,- beschikbaar. Ook ditmaal is
aan Joop Eikenaar gevraagd het werk uit
te voeren, omdat hij de schilderingen
goed kende en omdat van hem voortreffelijk
resultaat te verwachten was, gezien
zijn werk in 1975.
Als nieuwe ondergrond werd gekozen
voor platen uit één stuk die in de nissen
werden geplaatst met rondom een ruimte
van anderhalve centimeter. Deze panelen
werden ter plekke gemaakt en bestonden
uit platen multiplex van 2 meter bij 18
mm, op elkaar gelijmd. Men heeft ze zó
in de nissen bevestigd, dat de schilderingen
niet doorboord werden ten behoeve
van de ophanging van de platen. Dé gaten
en sleuven zijn geplamuurd en uitgevlakt
waarna de panelen werden bespannen
met glasvlies in een alkydharslijm.
Met een acrylverf is de ondergrond op de
juiste kleur gebracht. Om de eenheid in
de ruimte te bewaren werden ook in de
lege nissen panelen geplaatst.
De opmetingen en foto’s van de schilderingen
waren de basis voor het kopiëren
waarbij Eikenaar als volgt te werk is gegaan.
Op transparant kalkeerpapier zijn
de schilderingen overgetrokken. Vervolgens
is het papier omgekeerd en zijn de
schilderingen op de achterzijde nogmaals
overgetrokken. Daarna zijn de panelen in
de nissen aangebracht. Tot slot is de achterzijde
van het papier op de panelen gelegd
en werd de voorzijde overgetrokken
zodat een afdruk van de tekening op de
panelen is gedrukt.
Met penselen en olieverf zijn vervolgens
de lijnen stukje voor stukje uitgewerkt.
Om een gelijkmatige structuur te krijgen
zijn alle penseelstreken onzichtbaar gemaakt
(uitgedast) en werd de nog natte
verf met de kwast beklopt om het oppervlak
gelijkmatig te maken (getamponeerd).
In de. overgangen van licht
naar donker is getracht het effect van
losse penseelstreken te vermijden.
Op grond van het documentatiemateriaal
zijn zoveel mogelijk elementen teruggehaald.
Zo is bijvoorbeeld een nimbus geschilderd
op grond van de foto’s uit 1924.
Het is daarbij steeds een afweging geweest
van wat wel en niet verantwoord
is. Sommige reconstructies van Por uit
1924 zijn om die reden weggelaten. In
de schilderingen zijn deze problemen nog
zichtbaar, doordat het oude werk iets
donkerder is weergegeven en de twintigste-
eeuwse retouches en reconstructies
iets lichter.
Wat uiteindelijk het oordeel over deze
werkwijze ook moge zijn, zeker is dat
een uniek stuk middeleeuwse schilderkunst
in zijn vormentaal en uitdrukkingskracht
bewaard is gebleven. De schilderingen
zijn dan wel geen kunstwerken
van een meester als Giotto, die als prestige-
objecten met ongelimiteerde middelen
kunnen worden vertroeteld. Wel zijn
het nog maar weinig voorkomende werken
van onbekende kunstenaars die uitdrukking
hebben gegeven aan het geestelijk
leven in een lang voorbije tijd.
19
Jacobus Tichlerus (1604-1652):
vertegenwoordiger van
de Nadere Reformatie
W.J. op ’t Hof
Een eerder artikel over de Nadere
Reformatie In Zwolle mondde uit in
de constatering dat de eerste nadere
reformator In de Overijsselse hoofdstad,
Everhardus Schuttenius, piëtistisch
geladen contacten had met diverse
andere personen In Zwolle. Deze
vaststelling leidde tot twee vragen. De
eerste vraag was: vormde Schuttenius
het middelpunt van een groep gelijkgezinden
in Zwolle? De tweede vraag
luidde: kunnen er wellicht nog meer
Zwollenaren dan Schuttenius tot de
bewuste groepering van de Nadere Reformatie
worden gerekend? 1) In dit
artikel wil ik ingaan op de tweede
vraag. Tevens zullen dan flauwe contouren
van het antwoord op de eerste
vraag opdoemen.
Vooraf vraagt nog één punt om opheldering
en wel de term ‘vertegenwoordiger
van de Nadere Reformatie. Hieronder versta
ik iemand die door middel van één of
meer door hem of haar in het Nederlands
geschreven werken de idealen van de genoemde
groepering heeft gepropageerd
en als doelstelling heeft trachten te
verwezenlijken. Dit houdt in dat het in
aanmerking komende oeuvre van de desbetreffende
persoon tijdens zijn of haar
leven verschenen moet zijn. Van de in de
laatste paragraaf van het vorige artikel
genoemde personen komen er drie in
aanmerking voor representant van de
Nadere Reformatie: Wolterus ter Burgh,
Zacharias Heyns en Jacobus Tichlerus.
Aan deze laatste zal nu aandacht worden
geschonken. 2)
Tichlerus’ levensloop
Zoals Schuttenius’ leven verweven was
met Zwolle, zo was dat van Jacobus Tichlerus
verbonden met Deventer. 3) In deze
stad werd Jacobus geboren en op 10 april
1Ö04 gedoopt als zoon van Fenneken van
Keizersweerdt en de predikant van Olst,
Rutgerus Tichlerus die in deze tijd wegens
perikelen rond de pastorie te Olst in Deventer
woonachtig was. 4) Rutgerus was
zelf in Deventer op 4 november 1574, terwijl
hij in deze zelfde stad op 6 oktober
1601 Fenneken huwde. Hun huwelijk
werd gezegend met drie kinderen: Truijken,
Jacobus en Swenne.
Jacobus junior werd op 23 april 1623 als
student in de theologie aan de universiteit
te Franeker 5) en op 11 september 1624
aan de Leidse universiteit ingeschreven. 6)
Het ligt in de lijn der redelijkheid om op
grond van de dedicatie in de eerste druk
van zijn boek aan te nemen dat hij op
kosten van zijn vaderstad gestudeerd
heeft.
Nadat Tichlerus in het voorjaar van 1626
in de classis Deventer het voorbereidend
en het afsluitend examen met goed gevolg
had afgelegd werd hij op 10 oktober 1626
te Wesepe beroepen. 7) Hier werd hij door
C. Bokelman, predikant te Wijhe, voorgesteld
en door H. Weddeus, predikant te
Bathmen, bevestigd. Hij had problemen
met zijn kerkeraad over de slechte toestand
van de pastorie. Eind mei 1630 volgde
hij zijn overleden vader als predikant te
Olst op, nadat hij daar door dezelfde predikanten
als in zijn eerste gemeente was
voorgesteld en bevestigd. Hij had in Olst
dezelfde problemen als in Wesepe. In
20
1653 verwisselde hij Olst voor Elburg.
Twee jaar later werd hij predikant te
Zwolle. Halverwege het jaar 1637 werd hij
als zodanig door Schuttenius, die ook deel
van de beroepingscommissie had uitgemaakt,
bevestigd. 8) Op 21 oktober 1641
kwamen uit Deventer

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1991, Aflevering 2

Door 1991, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Zwols
Historisch
Tijdschrift
8e jaargang
1991, nr.2
ƒ9,50
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
^
/
De Zwolse dichter
Lubbertus Rietberg
(1783-1826)
p o ;Ë z IJ
TAV
nu TB Ï: H
A.ü. M. Piil. tjoc rf xiv.
Redactioneel
Op de omslag:
De bijdrage van R. Feith in
het Album Amicorum van
Rietberg.
Omslag Poëzij.
Op pagina 38:
Postkantoor aan de Nieuwe
Markt.
Op pagina 39:
De bijdrage van W.J.
Schmidt in het Album
Amicorum van L. Rietberg,
Oude Vismarkt 13.
Het derde nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift is weer een afspiegeling
van de lange Zwolse geschiedenis. V.T.
van Vilsteren beschrijft in zijn artikel over
gruit een aspect van het middeleeuwse
verleden. Gruit heeft twee betekenissen:
het is een ingrediënt van bier, en het is
tegelijkertijd het woord dat het recht om
gruit te verkopen omschrijft. Zeker een
geestrijk onderwerp.
In een artikel van J.C. Streng komt de
nieuwe geschiedenis aan bod. In zijn bijdrage
beschrijft hij het leven van Lubbertus
Rietberg (1783-1826), een Zwols schrijver
die al snel na zijn dood in de vergetelheid
raakte. Streng gaat na in welke mate de
belangrijke geestelijke stromingen van zijn
tijd in zijn werk zijn terug te vinden.
De geschiedenis van deze eeuw komt aan
bod in het artikel van J. Erdtsieck over
Hendrik Hoonhorst (1854-1933). Hendrik
Hoonhorst was één van de oprichters van
de Christelijke Gereformeerde Kerk in
Zwolle. Erdtsieck bechrijft hoe Hoonhorst
jarenlang zijn stempel op deze geloofsgemeenschap
heeft gedrukt.
Het vervolgartikel van J.W. van Beusekom
over de Jongere Bouwkunst beschrijft een
stukje levend verleden. Hij neemt ons aan
de hand door de binnenstad van Zwolle.
Van vele gebouwen laat hij ons kennismaken
met de vele (kunst)historische bijzonderheden.
Dit jaar bestaat de Vereniging van
Archivarissen in Nederland honderd jaar.
Ter gelegenheid hiervan wordt op zaterdag
12 october de Open Archieven Dag gehouden.
Op deze dag wordt ook het Zwols
Gemeentearchief voor het publiek opengesteld.
Op de Open Archieven Dag kan de
bezoeker van het Gemeentearchief delen
van het archief bezoeken die normaal niet
voor het publiek toegankelijk zijn. In verband
met de Open Archieven Dag zal het
Zwols Historisch Tijdschrift in een themanummer
nader ingaan op het Zwols Gemeentearchief.
Om zijn actualiteit niet te
verliezen, zal dit themanummer iets later –
pas vlak voor de twaalfde october- verschijnen.
38
Inhoudsopgave
iO De Zwolse dichter Lubbertus Rietberg
(1783-1826) j.C. Streng
53 Hendrik Hoonhorst (1854-1933),
grondlegger van de Christelijke
Gereformeerde Kerk te Zwolle
J. Erdtsieck
58 Niet meer dan een
stampe of twe …
V.T. van Vilsteren
63 Jongere bouwkunst in
Zwolle, 1850-1940
(deel 2)
Jan Willem van Beusekom
68 Literatuur
70 Agenda
71 Personalia
39
De Zwolse dichter
Lubbertus Rietberg (1783-1826)
J.C. Streng
“Hoe juicht mijn Kunstmin thans, daar ik mijn
Moederstad Geluk wens met den roem, haar in uw
roem beschoren!”
Met bovenstaand citaat prees Rhijnvis
Feith zijn geboorteplaats Zwolle met
de eveneens in Zwolle geboren
dichter Lubbertus Rietberg. Feith
overdreef. Lubbertus’ roem was zeker
niet zo groot als Feith suggereerde en
bovendien van korte duur.
Lubbertus Rietberg publiceerde
tijdens zijn leven vier dichtbundels
en een aantal losse gedichten. In
1868 werd een een aantal van zijn
gedichten opgenomen in de < zeer ruim bemeten bloemlezing van Nederlandse dichters uit de negentiende eeuw, samengesteld door J. van Vloten en negen jaar later weer in de bloemlezing van J.P. de Keyser. Het was respectievelijk de eerste en de laatste keer dat werk van hem na zijn dood in een nationale context werd gepresenteerd. Rietberg leek daarna nog slechts interessant voor regionale cultuurhistorici. Hij was echter zo 'weinig bekend dat zelfs in een artikel over de Zwolse literatuur zijn naam niet voorkomt. D Dit opstel is geen daad van rechtvaardiging voor een miskend dichter. De reden om aandacht aan Rietberg te besteden is om na te gaan in welke mate belangrijke geestelijke stromingen van zijn tijd terug te vinden zijn in zijn werk. Na een korte biografie volgt een paragraaf met de belangrijkste thema's uit zijn werk. Het opstel wordt afgesloten met een overzicht van de 'waardering die het dichtwerk van Lubbertus in zijn tijd en later genoot Als bijlagen zijn een bibliografie en een lijst met vindplaatsen van zijn brieven toegevoegd. Biografie De familie Rietberg zat aanvankelijk in de handel en de kleine industrie. De grootvader van Lubbertus (1734-1809), ook Lubbertus geheten, was houthandelaar en legde de grondslag van het familiekapitaal. Hij was gehuwd met Anna Sophia Stenvers (1736-1769) en was eigenaar van twee zaagmolens te Zwolle. Hij werd getypeerd als "een geschikt mensch". 2) Een dochter van hem, Johanna Geertruid, was gehuwd met de factoor, koopman en tabaksfabrikant, Jan Everhard Hendrik Thorbecke. Deze grootvader was in 1787 lid van de Zwolse patriottische magistraat geweest. In dit slechts zeven maanden durend bestuur, had ook Rhijnvis Feith zitting. Na de Bataafse omwenteling in 1795 was grootvader Lubbertus in februari 1795 lid van de Provisionele Representanten. Maar hij weigerde enige maanden later om zitting te nemen in het stadsbestuur vanwege de in zijn ogen zeer gebrekkige nieuwe regeringsvorm. 3) Herman (1761-1823), de enige zoon van 40 Lubbertus die volwassen was geworden, koos voor een ambtelijke functie. Onder het Bataafse bewind werd hij controleur der directe belastingen. Hij stierf als rentenier. Herman Rietberg huwde in 1782 Johanna van Loo (1764-1832). Hun eerste kind was Lubbertus, de latere dichter. Hij was geboren op 6 augustus 1783 en werd de volgende dag gedoopt. Van de na hem geboren acht kinderen bereikten twee broers en drie zusters de volwassen leeftijd. Een van hen, Everdina, huwde na weduwe te zijn geworden van Johannes Dumpel, in 1837 met Everhard Eisso Christoffel Feith, een zoon van Rhijnvis Feith. Lubbertus bezocht slechts een korte periode de Zwolse Latijnse school. Hij staat als leerling ingeschreven in 1794. In 1795 staat vermeld dat hij van de vijfde naar de vierde klas werd bevorderd. Kort daarna werd Lubbertus door zijn ouders van de Zwolse Latijnse school gehaald en op een instituut voor opvoeding en onderwijs in Beverwijk geplaatst. Het instituut stond onder leiding van dominee Joannes Wigeri (1750-1818). Hij leidde leerlingen op voor de universiteit. 4) Dominee Wigeri was een prominent lid van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. De opvoeding van Wigeri maakte diepe indruk op Lubbertus. Aan de Latijnse school dacht Rietberg later met genoegen terug. Het was de tijd waarin hij "in 't letterperk" wel eens een prijs won die hij trots thuis bracht. 5) Het onderwijs in de Latijnse taal en in de geschiedenis van de klassieke oudheid hebben duidelijke sporen nagelaten in zijn latere dichtwerk. Het is niet duidelijk of dominee Wigeri zo ver ging om Romeinse en Griekse figuren als modellen van burgerdeugd aan zijn leerlingen voor te stellen. Onwaarschijnlijk is het niet want onder het Bataafse bewind spiegelde men zich graag aan klassieke helden. Lubbertus kreeg, al of niet onder invloed van Wigeri, tijdens de schoolvertalingen van De excellentibus ducibus (Beroemde aanvoerders) van de Romeinse historicus Cornelius Nepos grote bewondering voor de daden die Kimon en Epaminondas voor hun vaderland verrichtten. Op latere leeftijd schreef hij nog gedichten over de beide helden. Uit zuivere literaire bewondering maakte hij bewerkingen van de verhalen over Pyramus en Thisbe en over Cefalus en Procis uit de Metamorphoses van Ovidius. Bovendien maakte hij een geslaagde parafrase van het 'Vita mare est' (Het leven is als de zee) van de neo-Latijnse dichter Sidronius Hosschius. 6) Sinds 1799 was Lubbertus in het bezit van een Album Amicorum. 7) De laatste opdracht uit Beverwijk, van dominee Wigeri, dateert van 16 juli 1800. Twee maanden later, op 17 september 1800, liet Lubbertus zich als student aan de Groningse universiteit inschrijven. De opleiding van dominee Wigeri, voorzover die erop gericht was zijn leerlingen op te voeden tot maatschappelijk nuttige burgers, sloot goed aan bij een nieuwe mentaliteit op de universiteiten. Aan het einde van de achttiende eeuw vond daar een heroriëntatie plaats over de positie van de wetenschap en haar verhouding tot de samenleving. Meer dan voorheen was men er van overtuigd dat de wetenschap moest dienen tot nut van de maatschappij. In het eerste kwart van de negentiende eeuw was dit ideaal aan de Groningse universiteit nog ongebroken aanwezig. 8) De beide dissertaties die Rietberg schreef, bevestigen dat. De eerste dissertatie verdedigde Rietberg op 21 september 1803. De keuze van het onderwerp, natuurkundige waarnemingen, speciaal over elektriciteit, kan enige verwondering wekken voor iemand met literaire aspiraties. Het past echter in die tijd met zijn grote belangstelling voor de natuurwetenschappen. Studerend in Beverwijk zal Rietberg zeker het nabijgelegen centrum van de natuurwetenschap, Teylers Fundatie in Haarlem, bezocht hebben. Mogelijk werd daar zijn belangstelling voor natuurkunde gewekt of bevorderd. De promotie op dit onderwerp lijkt toch een modieuze gril: Rietberg heeft zich daarna nooit meer met de natuurwetenschappen bezig gehouden. Na de verdediging van zijn éérste proefschrift kon hij zich sieren met de wijdlopige titel van Artium Liberalium •Magister Philosofiae Doctor (A.L.M. Phil. Dr.). 9) Omdat een promotie op een natuurkundig onderwerp toen weinig maatschappelijke perspectieven bood, zwaaide hij om naar een faculteit met meer vooruitzichten. Het werd rechten. 41 Op 24 mei 1806 promoveerde Rietberg tot Juris Utriusque Doctor (J-U.Dr.). 10) Bij de juridische faculteit kwam de veranderde wetenschappelijk benadering tot uitdrukking doordat niet meer gekozen werd voor het Romeinse recht als onderwerp van een dissertatie maar voor een contemporain juridisch probleem. Het proefschrift van Rietberg gaat over het juridisch belang van de boekhouding van kooplieden. Het proefschrift werd zeer geprezen niet alleen omdat het een heel doorwrocht werkstuk was, maar vooral omdat het betrekking had op een aspect van 'Hedendaagsche Regtsgeleerdheid'. Rietberg pleit in dit proefschrift voor vrije handel. In een voorrede benadrukt hij het belang van de handel voor Nederland en hij noemt vijf voorwaarden voor haar bloei: achting voor handwerk en koophandel naast kennis van de zeevaart, vrijheid van godsdienst, spaarzaamheid, het belang van voorraden grondstoffen voor de verwerking tot goederen en goede faciliteiten tot de uitrusting van koopvaardijschepen. Dit zijn bepaald oude denkbeelden. Rietberg •- en velen met hem - beschouwde de nieuwe Bataafse Republiek in economisch opzicht als een voortzetting van de handeldrijvende Verenigde Republiek. Het belangrijkste deel van de dissertatie gaat over de juridische aspecten van de boekhouding van de koopman. In dit gedeelte verwerkte hij de nieuwste Duitse literatuur. Rietberg is in zijn stellingen iemand met verlichte en optimistische denkbeelden. Een stelling is dat volkeren, al gaat het langzaam, uiteindelijk toch wel beschaafd worden. In een andere stelling pleit hij voor het inenten van koeien met koepokstof op initiatief van de overheid, il) Rietberg was met deze combinatie van twee titels na zes jaar studeren vrijwel uniek in Nederland. Een paar weken na zijn promotie in de rechten vestigde hij zich als advocaat te Zwolle. 12) Hij trad ook op als procureur. In 1812 opende hij een notariskantoor. Lubbertus dichtte al tijdens zijn schooljaren. Met zijn Beverwijkse studievriend, de in het Album Amicorum voorkomende Haarlemmer Johan Enschedé (1785-1866), bezocht hij op 21 juli 1801 het Haarlemse dichtgenootschap 'Democriet'. Dit dichtgenootschap was genoemd naar de Griekse filosoof Democritus van Abdera, de "lachende filosoof'. Het genootschap had tot doel de waarheid eenvoudig en geestig onder woorden te brengen en "de aankweking van een tevreden gemoed, dat alles gepaard met kleine dichterlijke oefeningen". Het dichtgenootschap gaf aan haar vaste leden en eenmalige passanten de naam van een beroemde of Bijdrage vanJ.D. Wolthers in het Album Amicorum. 42 minder beroemde vaderlandse dichter als pseudoniem. Lubbertus kreeg tijdens zijn bezoek de naam 'Lucas Pater' en Johan de naam 'Kornelis van Dulkenraad'. 13) Tijdens zijn studie in Groningen maakte Rietberg een aantal traditionele gelegenheidsgedichten voor diverse promoties. In Zwolle bleef niet onbekend dat Lubbertus zich met poëzie bezighield. Want ondanks zijn studie te Groningen nam hij volop deel aan het Zwolse gezelschapsleven. In het eerste decennium van de negentiende eeuw werden op avonden van de zelfstandige Zwolse Maatschappij tot Nut van 't Algemeen voordrachten gehouden. Rhijnvis Feith schreef in deze tijd drie nutslezingen die hij zeker in Zwolle zal hebben voorgedragen omdat hij lid was van het Zwolse Nut. 14) De Nutsavonden werden gehouden in de Bethlehemse kerk. Naast lezingen werden er ook concerten gegeven of uitvoeringen met combinaties van lezingen en concerten. 15) Lubbertus bezocht deze bijeenkomsten graag omdat bij die gelegenheden de "schone kunne" aanwezig was. De Nutsavondjes waren in zijn ogen een van de aangenaamste en nuttigste uitspanningen in het "wintersaizon". 16) In juni 1806 reciteerde Rietberg op een Zwolse Nutsavond zijn eigen gedicht 'De eerzucht'. Deze voordracht werd afgewisseld met muziek gespeeld door twee Kamper muzikanten. 17) Door de Franse bezetting kreeg ook Rietberg te maken met censuur. Hij was daardoor genoodzaakt geweest de voorbeelden van eerzucht in de klassieke oudheid te zoeken terwijl hij liever uit de nieuwste geschiedenis had gekozen. Uiteraard werd hier Napoleon bedoeld. Dezelfde censuur was de reden dat het gedicht pas in 1814 werd opgenomen in zijn bundel Poëzij. Op een Nutsavond in 1807 droeg Lubbertus opnieuw een lang eigen gedicht voor. Het was getiteld 'Het geluk der liefde'. Hij hoopte dat het vooral het vrouwelijk publiek zou bekoren. Deze tekst, politiek niet relevant, werd in 1810 als boekje onder dezelfde titel uitgegeven. Rietberg was bijzonder ingenomen met de zelfstandige Zwolse Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Hij was een zeer actief lid. Vanaf 1809, en misschien al eerder, was hij tot de opheffing op 23 januari 1814 secretaris van het Zwolse Nut. In 1806 maakte hij met andere leden van het Nut deel uit van het plaatselijk schoolbestuur. 18) Toen het Zwolse Nut in januari 1814 werd opgeheven was hij diep teleurgesteld. In net voorwoord van Poëzij, tien jaar later, is hij er nog bitter over gestemd. Ruim anderhalf jaar later werd de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen - verder het Nut genoemd - heropgericht. Nu niet als zelfstandige maatschappij maar als departement van de landelijke organisatie. 19) Op 4 juli 1816 werd hij na ballotage tot lid aangenomen. Maar het ware enthousiasme was verdwenen, hij vervulde geen bestuurlijke functie meer. In hetzelfde jaar weigerde hij nog om niet nader toegelichte "moverende redenen" in de schoolcommissie van het Nut zitting te nemen. Wel nam hij financiële risico's door het kopen van aandelen in de "negotie des departements". 20) Naast het Nut was er in Zwolle nog een vereniging om tegemoet te komen aan de sterke behoefte aan sociabiliteit die in de eerste helft van de negentiende eeuw bestond. Dat was de deftige en dure Groote Sociëteit. Dè gelegenheid in Zwolle waar de plaatselijke elite, uiteraard ook hier na ballotage, elkaar ontmoette. Lubbertus was vanaf 1806 lid. 21) Had het Nut hoge maatschappelijke doelstellingen, de Groote Sociëteit was louter een gezelligheidsclub. De Groote Sociëteit had dan ook aanmerkelijk meer leden dan het Nut. Het verenigingslokaal was de plaats om met elkaar te kouten. Zeker zal het gesprek gegaan zijn over "een fijne flesch en eene lekkere pastij". Onderwerpen waar volgens Rhijnvis Feith "Zwolsche heeren" beter over wisten te oordelen dan over literatuur. 22) Rietberg bleef tot aan zijn dood lid van de Groote Sociëteit. Rietberg, Jan Coenraad Pruimers en Jan Assuarus Doijer 23), "Zwolsche jongelieden, die aan het verzenmaken deden", waren grote bewonderaars van hun beroemde stadgenoot Rhijnvis Feith. 24) Rietberg adoreerde Feith. Volgens Vopiscus Horatius Acker, met wie Lubbertus ook vriendschappelijke banden onderhield, zag Rietberg tegen Feith op als een kind tot zijn vader. 25) Vanaf zijn jeugd stond Lubbertus in contact met Feith. In het Voorbericht' van Lente- 43 laveren put hij zich uit in bewondering voor zijn leermeester en vriend die hem als knaap het eerst naar Apollo's altaar leidde om aan de Muze der poëzie te offeren. Het was Lubbertus' overtuiging dat alleen door ondersteuning van een ouder en groter dichter de dichtkunst zou kunnen bloeien. Door dagelijkse omgang met Feith had Lubbertus geleerd dat jeugdige verbeeldingskracht getemperd diende te worden door. 'Natuur' en "waar gevoel". Als er iets goeds in deze bundel staat, aldus Rietberg, dan is dat te danken aan de wijze lessen van Feith. Lubbertus viel de eer te beurt om op 4 april 1817 een gedicht in de Vriendenrol' van Rhijnvis Feith te schrijven. 26) Rhijnvis schreef op 10 april 1817 - de laatste gedateerde bijdrage - een gedichtje in het Album Amicorum van Lubbertus. Behalve zijn vriendschap voor Rietberg prijst Feith Zwolle met de geciteerde regels aan het begin van dit opstel, en vooral zijn eigen uitgekomen inzichten met betrekking tot de dichterlijke talenten van Rietberg. Rhijnvis zal bij die gelegenheid aan Lubbertus trots de aantekening van de Duitse dichter F.G. Klopstock in zijn 'VriendenroF hebben laten zien. 27) De vriendschap blijkt ook uit de emoties die Feith in aanwezigheid van Rietberg toonde als zijn "ontvlamde geest zich aan de stof ontoog*. 28) Lubbertus' bewondering voor Feith resulteerde in vier gelegenheidsgedichten. 29) Bovendien komen in de gedichten van Lubbertus expliciete verwijzingen naar werken van Feith voor. Vooral in zijn eerste bundel Het geluk der liefde. In dit gedicht leest, als toppunt van huiselijk geluk, een echtgenoot voor uit Feiths Ouderdom. Dit was het werk van Feith dat naast Het Graf in het eerste kwart van de negentiende eeuw bijzonder gewaardeerd werd. Het tweede boek van Rietberg, een bundel gedichten onder de titel Lentelovéren, kwam uit in 1810. De jaren 1812 en 1813 waren onder de Franse overheersing een politiek, economisch en cultureel dieptepunt in Nederland. Lubbertus trok zich in zijn vrije tijd terug in zijn "boekenkluis" om daar te schrijven. Ofschoon hij uit verzet tegen de censuur besloten had geen verzen te publiceren, wees hij in 1813 een verzoek van H.W. Tydeman en N.G. van Kampen om bijdragen in hun op te richten tijdschrift Mnemosyne. niet af. 30) Rietberg schreef in deze jaren naar aanleiding van de Franse militaire sucsessen en vooral de debacles een serie gelegenheidsgedichten. Ze werden voornamelijk afgedrukt in de bundel Poezij, uitgebracht in het jaar van de bevrijding, 1814. De titelpagina van Poezij heeft een vignet ontworpen door Derk Jan van der Laan. Het stelt Europa's "schutgeest" voor die naast de vervallen Tempel der Vrijheid zijn uitgedoofde toorts weer aansteekt. Het prentje symboliseert de gedachte van waaruit de bundel in hoofdzaak is samengesteld: de hoop op cultureel, vooral literair, herstel van Nederland. De meeste gedichten in de bundel gaan over de bevrijding van het Franse juk. Ze waren geschreven "als troost voor de rampen der mensheid en het vaderland". Chronologisch gerangschikt is het eerste gedicht een hekeldicht op de oorlogen van Napoleon en het laatste een gedicht op de tranen die Napoleon zou hebben geschreid "toen hij van den troon vervallen verklaard was". In het "Voorberigt' van Dichtbloemen uit 1825 blijkt dat Rietberg in de bevrijding van de Fransen een overeenkomst ziet met de bevrijding van de Spanjaarden in de zeventiende eeuw. Beide keren werd er, conform de oude vaderlandse mythe 31), gevochten voor de edele "vrijheid van gemoed". Rietberg is in zijn gedichten veel minder fel tegen de Fransen dan Adriaan Loosjes, Cornelis Loots en Jan Frederik Helmers. Maar ook'na de bevrijding, in de Oranje euforie, komt er maar één gedicht in de bundel Poezij voor Willem I uit zijn pen. Of dit een zaak is van een karakter- of een generatieverschil, is niet duidelijk. Vermoedelijk van beide. Rietberg was in zijn Dichtbloemen van 1825, tien jaar na de bevrijding, al weer zeer vergevingsgezind ten opzicht van de Fransen. Rietberg bewandelde in een gedicht wel eens een zijpad; de opmerking over zijn gelukkige jeugd was er een. In zijn gedicht 'Het geweten', opgenomen in Dichtbloemen, refereert hij aan de acteur Ward Bingley (1757-1818). Hij was diep onder de indruk geraakt van het spel van Bingley omdat deze zo prachtig diverse emoties kon uitbeelden. Hij had de acteur in 1815 tijdens de jaarmarkt in juli in de 44 nieuwe Zwolse schouwburg zien optreden. 32) Een enkele keer hield Rietberg een voordacht. Op 15 oktober 1819 werden in een buitengewone vergadering door het Nut drie beloningen uitgereikt aan drie personen die drenkelingen van de verdrinkingsdood gered hadden. Lubbertus droeg bij die gelegenheid een gedicht voor over 'Menschlievendheid'. In datzelfde maand reisde hij naar Amsterdam om op 27 oktober het gedicht 'Het geweten' voor te dragen in de maatschappij Felix Meritis. 33) De beide gedichten werden opgenomen in zijn bundel Dichtbloemen. De door Rietberg zo gewenste ontplooiing van het literaire leven liet niet lang op zich wachten. In 1815 werden de in 1813 opgestuurde gedichten in het eerste nummer van het nieuwe letterkundige tijdschrift Mrtemosyne geplaatst. Lang hield de enthousiast aangevangen relatie tussen Rietberg en de beide redacteuren H.W. Tydeman en N.G. van Kampen niet stand. Van Kampen wenste in 1817_het gedicht 'Aan^Molly' niet te plaatsen omdat het te "lubriek" zou zijn. 34) Daarop wendde Lubbertus zich voor plaatsing tot de uitgever J. Immerzeel jr. Immerzeel was in 1819 begonnen met het uitgeven van de Muzenalmanak. Het waren kleine precieuze jaarboekjes. Niet alleen was de almanak gevuld met gedichten van de contemporaine fine fleure van de Nederlandse dichtwereld maar de almanak was ook verfraaid met portretten en prentjes, goud op snee, en voorzien van een cassette. Het werd het smaakbepalende tijdschrift van die tijd. 35) Immerzeel had al in 1818 een verzoek aan Lubbertus gedaan om enige dichtstukjes voor de Muzenalmanak in te leveren. Aan dit verzoek werd met het insturen van 'Aan Molly' voldaan. 3© Na plaatsing in 1819 van het door Van Kampen gewraakte gedicht, dat overigens in hetzelfde jaar toch nog in Mnemosyne geplaatst werd, publiceerde hij tot zijn dood jaarlijks een of meerdere gedichten in de Muzenalmanak Rietberg was opgenomen in het koor van de vaderlandse poëten. In juli 1822 stuurde hij kopij voor de bundel Dichtbloemen op naar Immerzeel, die hij al eerder over een uitgave van zijn gedichten had gepolst. In een bijgesloten brief maakte Lubbertus zijn wensen kenbaar over zijn honorarium - twintig exemplaren van de uitgave - de titel en de uitvoering van het boek. Drie jaar later, in 1825, kwam de bundel uit conform de wensen van de schrijver. Rietberg vond alleen dat het vignet in zijn bundel te veel leek op een vignet dat voor de Poezij van Tollens was gebruikt. 37) Het vignet was ontworpen en uitgevoerd door J.C. Bendorp, die ook de vignetten maakte voor de Muzenalmanak Op 8 februari 1824 stierf Rhijnvis Feith. Al tijdens het ziekbed van Feith waren de dichters Hendrik Tollens, J.L. Nierstrasz én Willem Hendrik Warnsinck van plan om met de voornaamste dichters en vrienden van Feith de dichter na zijn dood te eren met een dichterlijke gedenkzuil uit te geven door G.T.N Suringer te Leeuwarden. 38) Rietberg werd gevraagd een bijdrage te leveren. In februari 1824, in dezelfde maand dat Feith gestorven was, had hij zijn gedicht klaar. Rietberg was van mening dat het gedicht een van zijn beste was omdat hij het "con amore" had gemaakt. 39) Het duurde nog een jaar vóór hij zijn bijdrage instuurde. De oorzaak van de vertraging was dat een commissie in Zwolle ook aan een uitgave met gelegenheidsgedichten dacht en Rietberg om een bijdrage had gevraagd. Het was een verzoek dat hij als stadgenoot niet kon weigeren. De Zwolse plannen resulteerden echter niet in een boek - daar werd vanaf gezien juist met het oog op de uitgave van Suringer - maar in de oprichting van een stenen gedenkzuil voor Feith. 40) Lubbertus stuurde daarop zijn bijdrage naar Suringer. 41) Het boek, Gedenkzuil voor Mr. Rhijnvis Feith, kwam uit in 1825. Het gedicht van Rietberg was nog voor het in druk' verscheen onderwerp van discussie. Plaatselijk kinnesinne zal de reden zijn geweest, want de Zwolse dichters stonden te dringen om hun gedichten over Feith gedrukt te krijgen. 42) De reeds genoemde vriend van Rietberg, Acker, vond het in ieder geval nodig Lubbertus in het openbaar te steunen. In 1824 nam Acker het in een ingewikkeld Latijns gedicht op voor het toen nog ongepubliceerde gedicht van Rietberg. Acker prees het gedicht in het bijzonder maar meer nog de literatuur in het al- 45 gemeen: het werk der poëten is het enige dat onder de voortgang van de eeuwen nooit zal bezwijken en mensen blijvend beroemd maakt. De trots van een malle wereld, zoals die tot uitdrukking komt in uitbundige grafmonumenten, zal dat niet kunnen. Die dienen slechts om een waanzinnig plebs vol bewondering te laten gapen. 43) Ondertussen waren de werkzaamheden aan het monument voor Feith begonnen. De houding van Rietberg en Acker ten opzichte van dit monument was dubbelzinnig. In de gedichten van Rietberg komen regelmatig opmerkingen voor over de relatieve waarde en het nutteloze van uiterlijke eerbewijzen. Het zijn slechts daden die iemand beroemd maken. Maar nu het om Feith ging stapte hij over zijn bezwaren heen en was dit grafmonument een eerbewijs van warme erkentenis van het nageslacht. 44) En het was Acker die ondanks breedsprakig dédain voor een marmeren monument, de Latijnse vertaling van het grafschrift op de zuil voor zijn rekening nam. De onthulling van het monument vond plaats op 26 oktober 1825. 45) Rond 1820 woonde Lubbertus aan het plein bij het (voormalige) binnengasthuis, in het huis van "de dames Van Deventer" 46) In 1823 legde hij zijn notarisambt neer en verhuisde hij naar een andere woning. Zijn rentenierende vader was in mei van dat jaar- gestorven en mogelijk stelde de erfenis hem in staat met het notariaat op te houden. Ongetwijfeld zag Rietberg nog een lange tijd gewijd aan de literatuur in het verschiet. Hij stierf echter, ongehuwd, nog geen twee jaar later op 14 maart 1826 na* een "langdurige verzwakking" 8 47) in zijn woning staande voor de Sassenpöort. De al zeer bejaarde Acker schreef een kort 'Epitaphium' voor Lubbertus en er verscheen een kort redactioneel bericht in de Algemeene Konsten Letterbode. 48) Twee maanden na de dood van Rietberg adverteerde de Zwolse boekhandelaar M. Tijl en Zoon, met de aankondiging dat hij dat jaar weer een aanzienlijke verkoping van boeken zal houden die nagelaten waren door Dr. Lubbertus Rietberg. De aankondiging ging vergezeld van een uitnodiging aan het publiek om voor deze veiling boeken in te brengen. Het duurde nog tot 27 december voor de veiling plaats vond. Een catalogus was gratis te verkrijgen. 49) Over de inhoud van de bibliotheek is bijna niets bekend. Rietterg was een geregelde klant bij de Zwolse boekhandelaar Tijl, maar kocht voornamelijk materiaal voor het uitvoeren van zijn notarisambt en slechts zeer zelden literatuur. Dat hij vier gulden en zestien stuivers neertelde voor twee exemplaren van zijn eigen Lenteloveren, was niet bijzonder. Wel bijzonder was dat hij enige Middelnederlandse werken kocht. 50) De thema's in het werk van Rietberg Na de bovenstaande levensbeschrijving zal het niemand verwonderen dat Rietberg onderwerpen voor zijn dichtwerken koos die nauw aansloten bij het gedachtegoed van het Nut en Rhijnvis Feith. Het is niet altijd mogelijk de beide invloeden inhoudelijk te scheiden. Feith had reeds lang afstand genomen van zijn sentimentele werken waarbij de romanfiguren zich overgaven aan hun gevoel, en erkende de sociale verplichtingen van de mens en de dichter. Hij was van mening dat het de taak van een dichter was de deugd uit te dragen en de ondeugd te bestrijden. De beste poëzie was moralistisch en religieus. 50 Het beste middel om deze hooggestemde gedachten uit te dragen was het leerdicht. Daarover bestond tussen Feith en het Nut geen verschil van mening. De algemeen secretaris van het Nut, G. Brender a Brandis, vertaalde in 1783 een Frans traktaat over' het leerdicht. Rietberg werd bovendien door zijn grote voorbeeld Feith, die een grote kennis bezat op het terrein van de literaire theorie, leerrijk onderhouden over dit genre. 52) Rietberg was een oplettende leerling, het grootste deel van zijn dichtwerk bestaat uit leerdichten en zijn verhalen zijn moraliserend. Wat had hij zijn lezers mee te delen? Rietberg was religieus maar niet orthodox protestant. Hij lijkt het meest op gehad te nebben met die contemporaine stroming die tegenwoordig wordt aangeduid met de term 'christelijke verlichting'. Het was èen stroming die rede en openbaring met elkaar trachtte te verzoenen. De ethiek werd daarbij belangrijker geacht dan de leerstelligheid. Eind achttiende eeuw was 46 de 'christelijke verlichting' in Nederland onder vooruitstrevende kringen wijd verbreid. 53) Bij Rietberg wordt dit theologisch amalgaam van rede en schrift, uitgebreid met Leibniz' 'keten der wezens', als volgt verwoord. De plaats van de mens in de schepping is die* van een stip in het heelal maar voorzien van een ziel die eeuwig voortduren zal. De mens is "Een tusschen goed en kwaad ellendig midden-ding" in de keten der wezens. 54) De-ziel is slechts gelukkig als ze aan de stoffelijke wereld onttrokken wordt. De ziel staat boven de stof en het doel is niet het streven naar aardse roem maar naar "volmaakbaarheid". Al het menselijk deugdzaam handelen vindt zijn bekroning in een hiernamaals, in God. God had naast de openbaring aan ieder mens de rede gegeven om als kompas te dienen voor het streven naar perfectabiliteit. De term "volmaakbaarheid" wordt regelmatig door Rietberg gebruikt en het streven om dat doel te bereiken was voor hem het grootste scheppingsideaal. 55) Al tijdens zijn studententijd moet het begrip onderwerp van disputen zijn geweest want in een gelegenheidsgedicht bij zijn promotie in 1803, werd hij door een medestudent nog nadrukkelijk aangemaand: "Streef naar volmaaktheid!". 56) Mogelijk was het dominee Wigeri in Beverwijk geweest die Rietberg voor het eerst in aanraking bracht met dit begrip. Ook in Nutskringen leefde sterk de overtuiging dat het christelijk geloof de mens kon vervolmaken. 57) Lubbertus schreef twee grote gedichten over huwelijk en gezin. In de gedichten wordt het huwelijk uitgebreid beschreven in huiselijke taferelen. De eerste dichtbundel Het geluk der liefde betreft één lang gedicht over het belang en de grote voordelen van een gelukkige huwelijk. Over hetzelfde onderwerp handelt 'Het huiselijk geluk' in Poëzij. Het gezin werd niet alleen beschouwd als het non plus ultra van persoonlijk geluk en liefde 58) maar ook als de kern van de samenleving en het uitgangspunt voor maatschappelijke verbetering. Aan het begin van de negentiende eeuw was propaganda voor het gezin een geliefd onderwerp in Nutskringen. 59) Het is daarom niet verwonderlijk dat Lubbert Het geluk der liefde juist op een Nutsavond voordroeg. Het gedicht is een fraai voorbeeld van huiselijkheidspoëzie. 6o) Rietberg beschrijft zijn tijdgenoten een idylle over een gelukkig, rondom de open haard verzameld zeventiende-eeuws huisgezin. Vooral als echtgenote en moeder werd de vrouw door Lubbertus hoog gewaardeerd: "De hoop van het vaderland zijn de teerste moeders". Alleen dit "meesterstuk der scheppende' natuur" is in staat de wilde man te temmen. Als ideaal type van de vrouw fungeerde Maria Reigersberg, de trouwe echtgenote van Hugo de Groot. Deze visie en toont de gestegen waardering voor vrouwen zoals die op het einde van de achttiende eeuw was ontstaan. 6D Het hoogste geluk voor echtparen was in spirituele vereniging doordringen tot God. De huwelijksband zou na de dood bekroond worden met een duurzame vereniging in het hiernamaals. In de gedichten van Rietberg komt maar zelden erotiek in het huwelijk voor. Als geslachtsgemeenschap één keer nadrukkelijk gesuggereerd wordt - "Voldoe, voldoe den lust!" - volgt meteen de moraliserende opmerking dat "zin-genot alleen" het mannelijk hart niet boeien kan. Het ware geluk in het huwelijk blijft "beproefde deugd en reine trouw". Helaas' was daar volgens Rietberg in zijn tijd geen sprake meer van. 62) Lubbertus schreef in het bijzonder aan de armen het vermogen tot deugd en geluk toe. Naarmate de maatschappelijke positie slechter werd, werd het geluk steeds groter: het geluk woonde volgens hem in hutten en niet in paleizen. Het was bij de hard werkende arbeider waar de echtgenote met een eenvoudige maaltijd liefdevol haar man opwachtte, waarna zij samen bij de open haard de avond doorbrachten, 's Nachts sliep de arme geruster in zijn hut dan de rijke in zijn "slaapsalet". Geluk was speciaal weggelegd voor de "landman" en de "schaapherder". Al deze literaire gemeenplaatsen weken af van "de in Nutskringen bestaande oordelen over de arme bevolking. Daar heerste honger - terwijl er aan alcohol geen gebrek was - domheid en slechte manieren vermeerderd met andere ellende. Het Nut beschouwde het als haar taak juist deze mensen maatschappelijk te verheffen. 63) In het gedicht 'Gelijkheid' in de bundel Dicbtbloemen gaat Rietberg in op de be- 47 -844—6—3" Omslag Lenteloveren. ï* J.. :RIETBEliG A. I,. 31. Mul. X 3, V. jlï. il. Tïr. m .3. »>; via.
staande standenmaatschappij. Voor hem
moest er vastgehouden worden aan deze
maatschappelijke ordening zolang “wij
nog in ’t stof verkeren”. Met deze zienswijze
liep hij in de pas met de maatschappijbeschouwingen
van het Nut. 64)
Bij Rietberg was de motivatie als volgt.
De Franse Revolutie was het bewijs dat
de ene na de andere ramp de mensheid
treft als het volk zich de gelijke van de
vorst waant. Volledige gelijkheid maakte
de meeste mensen tot slaven van hun
driften. Hier stond tegenover dat de rede
echter leerde dat aan gelijkheid niet te
ontkomen viel. Hoe kon nu een maatschappij
gebaseerd op gelijkheid stand
houden zonder dat daaruit chaos ontstond?
Lubbertus loste dit op met twee
eenvoudige uitgangspunten. De gelijkheid
moest niet overdreven worden – een gedachte
die al eerder door Gerrit Paape en
Cornelis Zillesen was uitgedragen 65) – en
de maatschappij moest niet gebaseerd zijn
op sociale standen zoals in het Ancien
Régime. De ongelijkheid mocht alleen
gebaseerd zijn op persoonlijke verdienste.
De opstand van de bevolking verklaarde
Lubbertus echter niet, zoals na het bovenstaande
te verwachten zou zijn, uit de
sociale ongelijkheid zoals die tijdens het
Ancien Régime had bestaan. Hij had een
psychologische verklaring. De oorzaak
van de opstand van het volk was de eerzucht
van de mens. Deze monocausale
verklaring lag Rietberg na aan het hart.
Hij maakte twee gedichten over dit onderwerp.
In de bundel Dichtbloemen staat een lang
hekeldicht over ‘De Eerzucht’. In de bundel
Lenteloveren staat een lang gedicht
met als titel ‘Gevoel van eigen-waarde
beschouwd als bron van zedelijk geluk’.
Ze lijken eikaars tegenpool maar ze zijn
pendanten. In beide gedichten wordt betoogd
dat eerzucht en zelfbelang de gesel
van de mensheid waren. Daartegenover
stelde Rietberg het gevoel van eigenwaarde,
een geschenk van God, als bron
van zedelijk geluk. Rietberg geeft geen
duidelijke definitie wat hij onder eigenwaarde
verstaat. Eigenwaarde was vooral
standvastigheid om weerstand te bieden
aan wereldse verleidingen en een deugdzaam,
voor het mensdom nuttig leven te
leiden. 66)
Het onderwerp van het gedicht ‘Het geweten’
is duidelijk. Een deel van het gedicht
handelt over de ellende die veroorzaakt
wordt door een kwaad geweten.
Het andere deel gaat over de genoegens
van een zuiver geweten. Iedereen – christen,
jood, heiden of moslim – veronderstelde
Rietberg optimistisch, heeft een
innerlijke stem die leert het goede te minnen
en het kwade te verachten. Iemand
met een slecht geweten kent geen huiselijk
geluk en heeft wroeging. Het geweten
straft het kwaad in hoge en lage kringen
en voor God blijft niets verborgen. Mensen
met een zuiver geweten laten zich
leiden door de rede, zijn gelukkig in hun
gezinsleven, zijn niet ambitieus en streven
niet naar een ordelint, rang of marmeren
grafsieraden.
Rietberg was een groot voorstander van
48
verdraagzaamheid. In het ‘Voorberigt’ van
de bundel Dichtbloemen ging hij daar iets
dieper op in omdat hij vreesde dat niet
iedereen het met zijn gedicht ‘Verdraagzaamheid’
eens zal zijn. Het gedicht is
een “ernstige bespiegeling over de dwaasheid
der menschen, die elkander verachten,
haten, ja te vuur en te zwaard dikwijls
vervolgen om Godsdienstige leerstellingen”.
De ‘wijsgeer’ schaamt zich wanneer
hij leest welke gruwelen er gepleegd
zijn sinds het ontstaan van het christendom.
Hoewel het gedicht een beschouwing
over verdraagzaamheid in het algemeen
wil zijn, was Lubbertus nog zoveel
protestant en Nederlander dat hij de
voorbeelden van onverdraagzaamheid
ontleende aan de katholieke inquisitie, de
bloedraad, de plakkaten en ‘snoode
Filips’. In het gedicht keert hij zich tegen
dogma’s en priesters. Niet zonder aanleiding;
in Nederland bestond over de toenemende
katholieke invloed op het openbare
leven in Frankrijk onder het bewind
van Karel X, grote bezorgdheid.
Lubbertus stelde alle godsdiensten gelijk
omdat elk volk volgens eigen zeden het
hoogste Wezen vereert. Juist dit laatste zal
hem niet in dank zijn afgenomen omdat
nog steeds het merendeel van de gelovige
christenen meende dat het christendom
de redelijkste en de beste godsdienst
was. 67)
Receptie van het werk
Rietberg twijfelde nogal aan de kwaliteit
van zijn eigen werk en hij vreesde de
“kunstrechters”. In zijn voorwoord van de
uitgave van Het geluk der liefde bekent
hij al blij te zijn als het gedicht niet geheel
verworpen zou worden. De kritiek
was echter lovend en daarom durfde hij
in 1810 een tweede bundel uit te geven.
In zijn laatste bundel Dichtbloemen is
Rietberg minder bevreesd. Hij dicht, naar
eigen zeggen, naar zijn luim en wat zijn
hart hem ingeeft zonder zich aan anderen
te storen en vertrouwend op zijn Muze,
“hetzij zij dartelen of ernstig wezen wil”.
68)
Waardering voor het werk van Rietberg
was er zeker. Tydeman, Van Kampen en
Immerzeel vroegen hem om bijdragen
voor plaatsing in hun tijdschriften. Zelfs
Willem Bilderdijk prees een enkel gedicht
van hem. 69) De waardering die Rietberg
in zijn tijd genoot is vooral te lezen in de
kritieken die naar aanleiding van zijn
bundels verschenen in de Algemeene
Vaderlandsche Letter-Oefeningen. Enthousiast
werd de eerste bundel ontvangen.
De keuze van het onderwerp en de beschrijving
werden geprezen. De recencent
vraagt zich zelfs af of hij zich in zijn enthousiasme
niet al te zeer heeft laten misleiden
door de hoge waarde van het onderwerp.
De recehtie naar aanleiding van
de bundel Lenteloveren is veel kritischer
van toon. De onbekende schrijver windt
zich nogal op over Lubbertus’ inzicht dat
er alleen goede poëzie gemaakt kan worden
onder leiding van een groot leraar.
Waarom de recencent dat vindt, wordt
duidelijk door de opmerking dat de invloed
van Feith veel te nadrukkelijk in
het werk,van Rietberg aanwezig is. Naast
“overfraaije” beschrijvingen geroemd te
hebben worden de vermeende gebreken
behandeld. Schoolmeesterachtig worden
de taal- en spelfouten aangewezen. Inderdaad
was Rietberg voor een dichter zijn
hele leven opvallend slordig wat de spelling
betreft. In bijna elke brief verzoekt
hij de uitgever zijn werk van spelfouten
te zuiveren en aan het nieuwe “Siegenbekiaansche
stelsel” 70) aan te passen.
Ernstiger is het gebrek aan poëtisch vermogen
dat de recencent vervolgens vaststelt.
Er is gebrek aan “vinding” terwijl de
vele vergelijkingen “bijzonder stijf voorgesteld”
worden. De geconstateerde gebreken
worden weer geweten aan te weinig
invloed van Feith. Rietberg weet, volgens
de recencent, in zijn gedichten die in de
klassieke oudheid spelen niet de juiste
sfeer te treffen. Die is veel te modern. In
‘De jeugd van Cimon’, als Rietberg weer
een zijweg inslaat, wordt het verhaal zelfs
onderbroken met een modern pleidooi
voor borstvoeding door de moeder van
het kind. 71) De kritische toon neemt toe
in de recensies naar aanleiding van de
bundels Poëzij en Dichtbloemen. Ironie
en negatieve kritiek komen in de plaats
van positieve opmerkingen.
In de kritieken van 1814 en 1825 tracht
de recensent een algemeen beeld te geven
van Rietbergs dichtkunst. Hij is van
mening dat de kracht van Rietberg niet
ligt in het lierdicht maar in het leerdicht.
De beschrijvingen in de gedichten zijn
beter dan de gevoelsuitingen. De recen-
49
cent beschouwt Rietberg als een dichter
die meer door langdurig oefenen dan
door een natuurlijke aanleg dichter is
geworden. De denkbeelden van Rietberg
vindt de recensent meer prozaïsch dan
poëtisch van aard. 72)
Rietberg schreef zijn gedichten voor de
sociale klasse waar hij als notaris zelf
toebehoorde. Vooral de leden van het
Nut waren zijn publiek. Heel direct bij
zijn spreekbeurten en indirect via zijn
bundels. Rietberg heeft nooit een poging
ondernomen om in het “beschavingsoffensief
van het Nut voor de lagere
sociale standen te schrijven. Hij wenste
dat zijn boeken er typografisch fraai uitzagen,
met prent en in groot octavo.
Hierdoor waren zijn boeken niet goedkoop.
Niemand uit de noodlijdende klasse
kon 2 gulden en acht stuivers neertellen
voor Lenteloveren.
Immerzeel had rond 1830 nog twee bundels
van Rietberg in zijn fonds. In 1830
schreef hij in een van zijn jaarlijks terugkerende
beschouwingen over recent gestorven
dichters in de Muzenalmanak
een korte necrologie over Rietberg.
Immerzeel ging voorbij aan de kritieken
en maakte van de prozaïsche nood een
deugd en noemde de gedichten zonder
verdere toelichting “zinrijk en gespierd”.
Hij voegde daar aan toe dat Rietberg in
zijn gedichten smaakvol zijn geleerdheid
toonde. Over de receptie van Rietberg na
Immerzeel werd aan het begin van dit
opstel al geschreven. In de negentiende
eeuw namen alle samenstellers van biografische
woordenboeken en bloemlezingen
Immerzeels beschouwing impliciet
of expliciet over. 73)
Tegenwoordig is er geen enkele waardering
meer voor Rietberg. P. Buijnsters
noemde hem streng een slippendrager
van Feith en hij rekende Rietberg tot die
groep dichters die met hun laffe gedichten
het zicht op Feith ontnemen. 74) Misschien
is het verschil van mening tussen
Buijnsters en Rietberg niet eens zo groot.
Rietberg was een groot bewonderaar van
Rhijnvis Feith en zijn dichtwerk terwijl hij
zich over zijn eigen werk altijd zeer bescheiden
uitliet. Het ontbrak Rietberg niet
aan zelfkennis. In een brief aan
Immerzeel schrijft hij naar aanleiding van
de dood van Feith dat dit verlies niet eenvoudig
te herstellen zal zijn “en door
menigte der jongere dichters niet vergoed
kan worden”. 75) De onderstreping is van
Lubbertus en het is niet onmogelijk dat
hij zichzelf ook tot deze menigte rekende.
Samenvatting
Zijn hele literaire oeuvre overziend kan
niét gesteld worden dat de Muze van
Lubbertus Rietberg zeer dartel was. Zijn
meeste en belangrijkste werk is zeer ernstig
van aard. De maatschappelijke en
religieuze postulaten die hij in zijn leerdichten
behandelde had Rietberg niet zelf
bedacht. De thema’s vond hij in het algemeen
bij het Nut of ze werden hem specifiek
aangereikt door Feith. Veel van wat
Rietberg verwoordde – en bepaald zijn
kijk op de religie – is te vinden in De
Ouderdom van Rhijnvis Feith. 76) Tot in
alle consequenties uitgesponnen redenaties
over religie en maatschappij zijn
het al evenmin. Dat kon moeilijk anders,
een leerdicht was een literair genre, geen
filosofisch betoog. Rietberg was een
moralist. Het kwaad in de wereld weird
dan ook niet veroorzaakt door verkeerde
maatschappelijke structuren maar door
psychologische defecten bij de mens. Hij
preekte tevredenheid, verdraagzaamheid
en huiselijkheid en het handhaven van de
bestaande maatschappelijke orde. Het zou
met de wereld wel goed gaan als iedereen
door het gebruik van de rede naar
“volmaakbaarheid” streefde. Met als uiteindelijke
individuele beloning: opneming
van de ziel in het hiernamaals.
Noten:
1. J. van Vloten, ‘Lubbertus
Rietberg’, in: J. van Vloten,
Bloemlezing uit de
Nederlandsche dichters II,
Deventer 1868, 16-28. J.P. de
Keyser, Neerland’s letterkunde
in de negentiende eeuw.
Bloemlezing, ten gebruihe bij
de beoefening onzer letterkunde,
Tweede deel, ‘s-
Gravenhage 1877, 346-349.
J.W. Schotman, ‘Zwolle en de
literatuur’, in: Overijssel.
Jaarboek voor cultuur en historie,
16 (1962), 65-86.
2. P.J. Trooster, ‘De drie houtzagerijen
te Zwolle, 1662-
1810’, in: Zwols Historisch
Jaarboek 1989, 84-86. 0J
V[an] D[oorninck], ‘Zwolle’s
regering 1787-1812’, in: Bijdragen
tot de geschiedenis
van Overijssel 2 (1875), 18.
3. P.J. Lettinga, ‘Zwolle’, in:
M.A.M. Franken en R.M.
Kemperink (red.), ‘Herstel,
hervorming of behoud?. Tien
Overijsselse steden in de
Patriottentijd, 1780-1787,
Overijsselse Historische Bijdragen
99 (1984), 47-68. J.
50
Theunisz, ‘De regering van
de Provisionele Burgerrepresentanten
van Zwolle
60 januari – 3 mei 1795)’, in:
Tijdschrift voor Geschiedenis
55 (1940), 254-271.
4. Zwolle, Gfemeente] A[rchief),
Album studiosae iuventutis
Scholae Swollanae, i.1. P.C.
Molhuysen en PJ. Blok
(red.), Nieuw Nederiandsch
Biografisch Woordenboek
(NNBW), Leiden 1911-1937,
4, 1456.
5. Dichtbloemen, viii. Poezij,
102.
6. ‘De jeugd van Cimon, zoon
v a n M i l t i a d e s , den
Atheniënser”, in: Dichtbloemen,
1-32. ‘Epimanondes’ in:
Dichtbloemen, 94-112.
‘Cefalus en Procis. van verre
gevolgd naar het latijn van
Ovidius’ in: Poëzij, 162-171.
‘Pyramus en Tnisbe’, in:
Dichtbloemen 183-202. ‘Navolging
der eerste elegie van
Sidroniu Hosscius’, in: Dichtbloemen,
113-117.
7. Zwolle, GA, een kopie van
het album: Z kw 269. Met
dank aan de heer W.A.
Huijsmans die mij op het
album attent maakte. Het
origineel berust bij mevrouw
drs. A.M. Kutsch Lojenga-
Rietberg te Doesburg.
8. J. Huizinga, ‘Geschiedenis der
universiteit gedurende de
derde eeuw van haar bestaan,
1814-1914’, in: J.
Huizinga, Verzamelde werken,
Haarlem 1951, deel 8,
85-87.
9. L. Rietberg, SyUoge observationum
physicarum,
Groningen 1803. Recenties
verschenen in de Algemeene
Vaderlandsche Letter-Oefeningen
(AVLO) 1804, 41O411
en in de Nieuwe Vaderlandsche
Bibliotheek 1804, 451-
452. De titel betekent: meester
in de vrije kunsten en
doctor in de filosofie.
10. L. Rietberg, Dissertatio iuridica
inauguralis De vi ac efficacia
librorum mercatoriorum,
Groningen 1806.
11. Een recentie verscheen in de
Algemeene Konst- en Letterbode
(AKLB) 1806, 264-268.
Aan deze recentie ontleende
ik de inhoud van de dissertatie.
De titel betekent: doctor
in de beide rechten.
12. Zwolle GA, Patentregister 18-
06-1806, 2.
13. Voor Johan Enschedé, zie:
NNBW 4, 573-574. W.P.J.
Overmeer, ‘Het dichtlievend
genootschap Democriet te
Haarlem’, in: De Navorscher
54 (1904), 260-279, 457-458.
14.H.G. ten Bruggencate, Mr.
Rhijnvis Feith. Een bijdrage
tot de kennis van zijn werken
en persoonlijkheid, Wageningen
1911, 134-136.
15J.H. Drentje, Minnaars der
deugdbevoraering. De maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen
in Zwolle van 1789
tot 1814. Onuitgegeven scriptie
van de Christelijke lerarepopleiding,
Zwolle 1986. 40.
W.A. Elberts, Historische
wandelingen in en om
Zwolle, Zwolle 1973, 177-178.
16. Het geluk der Liefde, voorwoord.
Over de populariteit
van voordrachten: W. van
den Berg, ‘Sociabiliteit, genoot-
schappelijkheid en de
orale cultus’, in: M. Spies
(red.), Historische letterkunde,
facetten van vakbeoefening,
Spektator Cahiers 3,
Groningen [1984], 151-170.
17. Zwolle GA, VA005 Ontvangsten
en uitgaven van het Dept.
Zwolle der Maatschappij
T.N.V.H.A. 1799 en de
Zwolsche Maatschappij tot
Nut van ’t Algmeen, 1800-
1814, 2-12-1807.
18. Zwolle GA, RA001 113, 22-23.
19. M. Voorhorst, ‘”De deugd der
Weldadigheid”. De Maatschappij
tot Nut van het Algemeen
in Zwolle’, in: Zwols
Historisch jaarboek 1989, 25-
56.
20. Zwolle GA, VA005, Boek der
notulen van de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen, departement
Zwolle, dd. 6-6-
1816, 4-7-1816, 5-9-1816, 5-
12-1822.
21. Zwolle GA, VA001 212, passim.
22.J.A.F.L. Baron van Heeckeren,
‘Iets over Rhijnvis Feith’, in:
Taal en Letteren 4 (1894),
152.
23. Over Pruimers: Th. de Vries,
Enkele rijmen van J.C.
Pruimers, Zwolle 1966. Van
Vloten, o.c, 234-235. Doyer
was boekhandelaar in Zwolle
en schreef gelegenheidsgedichten,
zie: W.A. Elberts,
Historische wandelingen in
en om Zwolle, Zwolle 1973,
12, 195, 121.
24. Baron van Heeckeren, o.c.
152.
25. V.H. Acker komt voor in het
Album amicorum van
Lubbertus. V.H. Acker,
‘Epitaphium V. Cl. Lubberti
Rietbergii Poëta vernaculi’, in:
AKLB 1828, 196. Voor Acker
zie: NNBW, 10, 7. Met dank
aan Dr. CA. Bos die dit
Latijnse gedicht, en een volgend,
zonder te aarzelen vertaalde.
26. PJ. Buijnsters, ‘De Vriendenrol
van Rhijnvis Feith’, in:
Documentatieblad Werkgroep
Achttiende Eeuw (1973), 3-15.
27.’Hulde aan de nagedachtenis
van Mr. Rhijnvis Feith’, 234.
28. Idem, 238.
29.’Aan Mr. Rhijnvis Feith’ in
Lenteloveren. ‘Aan Mr. R.
Feith, bij den ontvangst van
het vijfde deel zijner oden en
gedichten’, en ‘In de vriendenrol
van Mr. R. Feith’, het
gedicht dat hij in de ‘Vriendenrol’
van Feith had geschreven,
werden opgenomen
in Dichtbloemen.
Tenslotte nog ‘Hulde aan de
nagedachtenis van Mr.
Rhijnvis Feith’.
30. Brief dd. 09-10-1813.
31.1. Schöffer, ‘The Batavian
Myth during the Sixteenth
and Seventeenth Genturie’, in:
Britain and the Netberlands,
volume V, The Hague 1975,
79-, 101.
32.V[an] D[oorninck, JJ, ‘Het
toneel te Zwolle’, in: Bijdragen
tot de geschiedenis
van Overijsel, 5 (1879), 275-
277.
33. M. van Hattum, Lezingen en
verhandelingen in ‘Concordia
et Lihertate’ (1769-1806) en
‘Felix Meritis’ (Dep. letterk.)
(1769-1808, 1810-1832,
1865-1873), Amstelveen
1983.
34. Brief dd 05-05-1819.
35. E. de la Fontaine Verwey, De
illustratie van letterkundige
werken in de XVllle eeuw,
Bijdrage tot de geschiedenis
van net Nederlandse boek,
Amsterdam 1934, 126-128.
36. Brief dd. 12-01-1818.
37. Brieven dd. 26-07-1822, 13-
07-1823, 19-07-1824, 20-03-
1825.
38.G.W. Huygens, Hendrik
Tollens. De dichter van de
burgerij, Een biografie en een
tijdsbeeld. Rotterdam / ‘s-Gravenhage
1972, 191.
39-Brief dd. 23-03-1823.
40. Hulde aan Mr. Rhijnvis Feith,
ter gelegenheid der inwijding
van deszelfs gedenkteken;
voorafgegaan door een verslag
van de commissie, met
de daarstelling van hetzelfe
belast geweest, Zwolle 1826,
8-9.
41.Brieven, dd. 04-03-1824, 09-
04-1824.
42. Gedichten van de Zwollenaren
H. As. Doyer, P.L. de
Beer en V.H. Acker werden
opgenomen in de in noot 46
genoemde bundel. De
Zwollenaren J.A. Oostkamp,
A. Wispelweij en A.H.E.
Bourdeau publiceerden al in
1824: Hulde aan de nagedachtenis
van Mr. Rhijnvis
Feith, Ridder der orde van
den Nederiandschen Leeuw,
Lid van het Koninklijk
Instituut enz. enz., Zwolle
1824.
43.’In lessum funebrem viri Cl.
L. Rietbergii D.M. Rhynvis
Fethii consecratum’, in: AKLB
1824, 247-248. Mogelijk was
Acker ook de schrijver van
de Latijnse gedichten die al
eerder naar aanleiding van de
dood van Feith waren ‘verschenen
in de AKLB 1824,
115, 130-131.
44. Negatief: Dichtbloemen 55;
Poëzij 113. Positief: ‘Hulde
aan de nagedachtenis’, 239-
45. AKLB 1825, 294-295.
46. Elberts, o.c. 128.
47. Overijsselsche Courant 17-3-
1826, 24-3-1826.
48. AKLB, 1826, 178-179. V.H.
Acker, ‘Epitaphium V. CL.
Lubberti Rietbergii, Poetae
vernaculi’, in: AKLB, 1826,
195-196.
49. Overijsselsche Courant 9-5-
1826, 12-5-1826, 16-5-1826,
19-5-1826, 15-12-1826, 22-12-
1826.
50. Zwolle GA, Firma Tijl, Grootboek
03-01-1819, 14-11-1821
en 7-12-1821, • 03-01-1819.
Voor de belangstelling voor
Middelnederlandse literatuur
zie: H. de Buck, De studie
van het Middelnederlandsch
tot in het midden der negentiende
eeuw, Groningen/Den
Haag 1930. Rietberg kocht:
Historie van Blansefloer, Historie
van de schone Helena,
Historie van Jan van Parijs,
Historie van Valetien en
Ourson en de Historie van de
Ridder met de Zwaan.
51. Baron van Heeckeren, o. c.
249-263.
52.PJ. Buijnsters, Tussen twee
werelden. Rhijnvis Feith als
dichter van ‘Het graf, Assen
1963, 102-122.
53.W.W. Mijnhardt, ‘De
Nederlandse Verlichting: een
terreinverkenning’, in: Figuren
en figuraties. Acht opstellen
aangeboden aan J.C.
Boogman, Groningen [19791,
51
54. Het geluk der liefde, 26. In de
literatuur had deze theorie
blijkbaar nog een poëtische
functie ofschoon ze wetenschappelijk
onder grote druk
stond, zie: T. Jongenelen, ‘De
Hollandsche Maatschappij en
de ‘Trapsgewijze opklimmirig”‘,
in: Utrechtse Historische
Cahiers 2 (1981) No.
2, 39-54.
55.Lenteloveren, 66.
56. D. Francois, ‘Aan mijnen veel
waardigen vriend L. Rietberg,
bij gelegenheid zijner promotie
in de wijsbegeerte’, in: L.
Rietberg, Sylloge, zonder paginanummer.
Dit bevestigt
nog eens de stelling van
Hanou dat het streven naar
perfectabiliteit een brede
geestelijk stroming was. A.J.
Hanou, Sluiers van Isis I,
Deventer 1988, 458.
. 57. A. de Groot, ‘”God wil het
waar geluk van ’t algemeen”.
Nutspublikaties van de eerste
vijftig jaar over godsdienst en
zede’, in W.W. Mijnhardt en
A.J. Wichers (red.), Om het
algemeen volksgeluk. Twee
eeuwen particulier initiatief
1784-1984, Edam 1984, 231-
246, esp. 236. Overigens was
deze gedachte niet alleen in
Nutskringen bekend. De conservatieve
H. van Alphen
vond; dat ook, zie: P.J.
Buijnsters, Hieronymus van
Alphen (1746-1803), Assen
1973, 184.
58. D. Haks, Huwelijk en gezin
in Holland in de 17e en 18e
eeuw, Utrecht 1985, 140. J. de
Gier, ‘Het beperkte geluk van
Abraham Blankaart’, in: De
Nieuwe Taalgids T7 (1984),
424-436.
59. B. Kruithof, ‘De deugdzame
natie. Het burgerlijk beschavingsoffensief
van de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen
tussen 1784 en 1860′,
in: Symposion 2 (1980), 28-
30.
60. Haks, o.c, 20, 152.
61. Haks, o.c, 152.
62.Poëzij, 145.
63- Kruithof, o.c, 26. H.F.J.M.
van Eerenbeemt, ‘Armoede in
de “gedrukte” optiek van de
sociale bovenlaag in
Nederland, 1750-1850’, in:
Tijdschrift voor Geschiedenis
88 (1975), 468-500, passim.
64. Kruithof, o.c, 26. Van
Eerenbeemt, o.c, 475-
65.E.O.G. Haitsma Muiier, ‘De
receptie van de Franse Revolutie
in Nederland. Contemporaine
reacties en geschiedschrijving’,
in: Tijdschrift voor
Geschiedenis 102 (1989), 460,
463.
66.Poezij, 133.
67. Inderdaad was niet iedereen
het met Rietberg eens. In de
inleiding van zijn lemma
‘Rietberg’ maakt Van Vloten,
o.c, melding dat dit gedicht
uit de door hem geraadpleegde
bundel is gescheurd.
68. Het geluk der liefde, Voorwoord.
Dichtbloemen,
Voorberigt. Brief dd. 31-05-
1818.
69.H.W.T. Tydeman, Briefwisseling
van Mr. W. Bilderdijk
met de hoogleraren en Mrs.
Af. en H.W. Tydeman. Gedurende
de jaren 1807 tot
1831, Tweede deel, Sneek
1867, 129.
70. Brieven dd. 09-10-1813, 31-
05-1818, 05-05-1819, 18-05-
1824, 19-07-1824.
71. Dichtbloemen, 6. Borstvoeding
door de moeder werd
o.a. bepleit door: Y. van
Hamelsveld, De zedelijke toestand
der Nederlandsche natie
op bet einde der achttiende
eeuw, Amsterdam 1791,
171.
72. AVLO (1808), 523-525. Idem
(1811), 89-93. Idem (1815),
519-328. Idem (1825), 605-
610.
75. Muzenalmanak 1830, 230-
231. Zie de biografische
woordenboeken van: A.J. van
der Aa; P.G. Witsen
Geysbeeck; J.C. Kobus en W.
de Rivecourt; J.G. Frederiks
en F.J. van den Branden en
het Supplement op Feller’s
Geschiedkundig woordenboek.
74. Buijnsters, Twee werelden,
273, 274.
75. Brief dd. 18-05-1824.
76.H.G. ten Bruggencate, o.c.,
98-105- PJ. Buijnsters, Twee
werelden, 201, 220, 247.
Bijlage 1: bibliografie
a. Bundels.
Het geluk der liefde door L.
Rietberg, A.L.M. Phil & J.U.Dr.
Te Haarlem, bij A. Loosjes, Pz.
1808.
Lenteloveren door Mr. L.
Rietberg. A.L.M. Phil. & J.U.Dr.
Te Zwolle bij H. Tyl en J. de VrL
MDCCCX.
Titelvignet van DJ. van der
Laan.
Poëzij van L. Rietberg, A.L.M.
Phil. & J.U.Dr. Te Haarlem, bij
Francois Bohm. MDCCCXTV.
Titelvignet van DJ. van der
Laan.
Dichtbloemen van L. Rietberg.
A.L.M. & J.U.Dr. Te Rotterdam,
bij J. Immerzeel, ‘ junior.
MDCCCXXV.
Titelvignet van J.C. Bendorp.
Amsterdam, UB sign. 400 C 33
met de oorspronkelijke tekening
voor de titelprent.
b. Losse gedichten (zonder aanspraak
op volledigheid).
‘Aan mijnen vriend J.C. Scharp,
bij zijne bevordering tot meester
in de beide rechten’, in: J.C.
Scharp, Specimen juridicum inaugurale,
de vi et effectu conditionum,
[…], Groningen 1804.
‘Aan mijnen vriend G. Nilant
Bannier, bij zijne bevordering tot
meester in de beide rechten’, in:
G. Nilant Bannier, Specimen juridicum
inaugurale, continens
explicationem legis 55. D. de
Reg. juris, […], Groningae 1804.
‘Aan mijnen vriend C.M.F, von
Bönninghausen, bij zijn bevordering
tot meester in de beide
regten’, in: C.M.F, de Bönninghausen,
Specimen iuridicum
inaugurale, de iure venandi […],
Groningen 1806.
‘Aan mijnen waarden vriend Mr.
A. van Goudoever, bij gelegenheid
van de openbare verdediging
zijner letterkundige verhandeling,
over Polijbius als historieschrijver
beschouwd’, in: A. van
Goudoever, Disputatio philologica
de historicis Polybii laudibus,
f…], Utrecht 1809, 133-136.
‘De lente, aan Elize’, in:
Mnemosyne 1 (1815), 287-289.
‘Aan Eucharis’, in: Mnemosyne 1
(1815), 290-292.
‘Op den dood van J.F.
Helmers+’, in: Algemeene Vaderlandsche
Letter-Oefeningen
(1815),.
‘Aan Mollij’, in: Muzenalmanak
1819, 120-121. Ibidim, in:
Mnemosyne 1 (1819), 318-320.
‘Gedachten bij een grafge
welf++’, in: Muzenalmanak
1820, 191-194.
‘Raad’ en ‘Aan Carus++’, in:
Muzenalmanak 1821, 24, 63-64.
‘De Schaapherder++’, in: Muzenalmanak
1822, 102-103.
‘Aan Aristus++’, in: Muzenalmanak
1823, 3.
‘De leeuwerik*+’ in: Muzenalmanak
1823, 63-64.
‘Het spinnend moedertje’, in:
Muzenalmanak 1824, 118-121.
‘Het hutje in het veld’, in: Muzenalmanak
1825, 94-96.
“s Levens gastmaal’, in: Muzenalmanak
1826, 25-34.
‘Hulde aan de nagedachtenis van
Mr. Rhijnvis Feith’, in: Gedenkzuil
voor Mr. Rhijnvis Feith,
Leeuwarden, bij G.T.N. Suringer.
MDCCCXXV.
+ Opgenomen in de bundel
Poezij.
++ Opgenomen in dé bundel
Dichtbloemen.
Bijlage 2: brieven vam
Rietberg
Eén brief aan H.W. Tydemari dd.
9-10-1813; Leiden Gemeentearchief,
Tydeman-archief inv. nr.
311.
Zeven brieven aan I. Immerzeel
dd. 20-8-1814, 12-1-1818, 31-5-
1818, 5-5-1819, 13-7-1823, 19-7-
1824, 20-3-1825; Den Haag,
Koninklijke Bibliotheek, sign.
133 C 11.
Eén brief aan I. Immerzeel dd.
26-07-1822. Den Haag,
Nederlands Letterkundig
Museum, sign. R 492.
Drie brieven aan G.T.N. Suringer
dd. 23-3-1823, 4-3-1824, 20-3-
1825; Amsterdam, Bibliotheek
van de Vereeniging ter Bevordering
van de Belangen des
Boekhandels, Suringerarchief,
Sign. BSu 49-82, BSu 49-83, BSu
49-84.
52
Hendrik Hoonhorst (1854-1933),
grondlegger van de Christelijke
Gereformeerde Kerk te Zwolle
J. Erdtsieck
Op 7 juni 1895 kwamen Albertus te
Kiefte, een 55-jarige timmermansknecht,
Hendrik Hoonhorst, een 41-
jarige winkelier, en Andries Najer,
een 52-jarige timmerman en jaloeziemaker
bijeen. Zij stelden toen een
verklaring op, die op 12 oktober
1895 medeondertekend werd door
nog enige leden van de toenmalige
Christelijke Gereformeerde Gemeente
(Plantagekerk). Hierin verklaarden zij
Christelijk Gereformeerd te blijven
en niet te kunnen meegaan met de
voorgenomen Vereniging met de
Nederduits Gereformeerde Kerk
(Oosterkerk)’. ï)
De naam van deze Hendrik
Hoonhorst blijft vanaf die tijd tot
1929 voorkomen. Naar mijn mening
was deze Hoonhorst jaren lang de
informele en charismatische leider
van de toen nog betrekkelijk kleine
gemeente aan de Thorbeckegracht
Zijn leven weerspiegelt een tijdsbeeld.
Daarom construeerde ik uit
allerlei fragmenten en gegevens zijn
levensloop, hoewel natuurlijk niet
alles te achterhalen vieL
Zijn bevindelijke achtergrond
Hendrik Hoonhorst werd geboren op 17
januari 1854 te Nijkerk in een gezin, dat
tot de zogenaamde Christelijke Afgescheiden
Gemeente behoorde: een groep
mensen die in 1834 uit de grote
Hervormde Kerk was gestapt. Op de
Veluwe, en zeker in Nijkerk, heerste een
zogenaamde bevindelijke traditie. Dit betekende
dat men minder waarde hechtte
aan geloofskennis, maar vooral aandacht
had voor wat het christelijk geloof in het
leven betekende en hoe ver men al was
in de groei naar de ware Godskennis.
Zoals zovelen van zijn tijdgenoten op het
platteland was Hendrik bestemd om landarbeider
te worden. We vinden hem dan
later terug in Oldebroek, waar hij tot 12
augustus 1889 woonde. 2) Hij was gehuwd
met Christina Würsten en zijn enige
dochter Maria werd in 1887 geboren.
De reden van zijn verhuizing naar Zwolle
is niet moeilijk te raden. Van circa 1880
tot 1895 heerste er in ons land een grote
crisis in de landbouw. 3) De boeren konden
niet meer op tegen de import van
goedkope granen uit Amerika en onder
de landarbeiders heerste grote werkloosheid.
Ondersteuning was er nauwelijks en
op het platteland was niets te verdienen.
De trek naar de steden kwam op gang. In
Zwolle, >een plaats zonder industrie of
grote havens, was echter ook geen droog
brood te verdienen. Er zat dus niets anders
op dan een klein winkeltje te beginnen
in het arbeidersbuurtje, dat omstreeks
1870 ontstaan was op de plaats van het
huidige parkeerterrein aan de Zamenhofsingel.
4) Met zijn ongetwijfeld vele ‘pofklanten’
zal Hoonhorst aanvankelijk niet
een ruim bestaan hebben gehad, maar hij
had klandizie van zijn geloofsgenoten.
Het winkeltje heeft tot 1929 bestaan. Later
zag hij zelfs nog kans om geld aan de
kerk uit te lenen!
53
Kerkelijk sloot hij zich aan bij de Christelijke
Gereformeerde Gemeente, die ;n
1869 ontstaan was uit drie afzonderlijke
kerkgemeenschappen en sinds 1875 een
fors kerkgebouw bezat aan de huidige
Ter Pelkwijkstraat (de Plantagekerk).
Onrust in de kerk
Enkele jaren na zijn komst in Zwolle ontstond
er grote onrust op het Gereformeerde
kerkelijk erf. 5) In 1887 was een
nieuwe Kerk ontstaan, de Nederduits
Gereformeerde Kerk (de Oosterkerk). In
1892 hadden de synodes van de Christelijke
Gereformeerde en de Nederduits
Gereformeerde Kerken, zonder raadpleging
van de plaatselijke gemeentes, besloten
tot een vereniging van beide
Kerken. De plaatselijke eenheid moest na
1892 nog besproken worden. Reeds in
oktober 1892 begonnen de eerste ontmoetingen
en in november 1893 was men
al zo ver, dat de plannen bekend gemaakt
konden worden en de lidmaten
zich hier over konden uitspreken. De
naam van de Christelijke Gereformeerde
Kerk was al veranderd in Gereformeerde
Kerk A in tegenstelling tot de andere partij
die de ‘B’ achter de naam plaatste.
Nu kwam Hendrik Hoonhorst in het geweer.
Op 15 oktober 1894 stelde hij een
brief op, die door elf anderen medeondertekend
werd. Deze twaalf verklaarden
geen vrede te hebben met de voorgenomen
vereniging. Ze riepen de kerkeraad
op om de reeds gelegde banden te
verbreken, de gemeenschap met de
Gereformeerde Kerk op te zeggen en
weer als aparte Christelijke Gereformeerde
Gemeente op te treden.
Met leedwezen nam de kerkeraad hiervan
kennis en die riep de briefschrijvers op
voor een bespreking. Tien ervan bleven
echter in hun standpunt volharden. De
kerkeraad ging toch door en de voorgenomen
fusie kwam op 10 april 1897 tot
stand.
Hendrik Hoonhorst had zo zijn eigen
mening over de Gereformeerde Kerk B
(de Oosterkerk). Hij zag met schrik het
tijdstip tegemoet dat die kerk de zijne zou
overheersen. Hij voelde

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1991, Aflevering 4

Door 1991, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Lol
Historisch
fc«:W^^Jt
1
Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
8011 VN ZWOLLE
038-421 43 14
8E JAARGANG 1991 NUMMER 4
-*11 ‘” “Mff * •
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Op deze foto kijken we heel onbescheiden
even in de parochietuin van de RK St. Jozefkerk
aan de Assendorperstraat.
Deze kerk werd in 1933 in gebruik genomen. De
noodzaak voor een tweede katholieke kerk, naast
de al bestaande Dominicanenkerk, ontstond
door de sterke groei van de wijk Assendorp. Die
groei werd veroorzaakt door de komst van de
Centrale Werkplaats van de Spoorwegen naar
Zwolle.
In de tuin zien we een processie. De tijd waarin
processies door de wijk werden gehouden was
toen reeds voorbij. Gelet op het model van de
tuin is het aannemelijk, dat er reeds rekening was
gehouden met besloten processies.
Van oorsprong was Assendorp een wijk met
veel boerderijen, waarbij de tuinders de overhand
hadden. Op de achtergrond van de foto is dit landelijke
karakter nog goed te herkennen.
Op de nieuwe foto is de tijd van de processies
voorbij.
U ziet, naast uiteraard dezelfde parochietuin,
dat Assendorp is vol gebouwd. Het hoge gebouw
op de achtergrond staat op de hoek van de Wethouder
Alferinkweg en de Hortensiastraat.
Boven: Parochietuin van de St. Jozefkerk; oude
situatie. (Foto Hogenkamp)
Onder: Parochietuin van de St. Jozefkerk; nieuwe
situatie. (Foto Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
Redactioneel Inhoud
Het verleden kan soms meer tot onze verbeelding
spreken dan het heden. Zo kunt
u door dit nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift te lezen al ijspret hebben, terwijl
anderen alleen maar nat worden van de regen.
Ook kunt u nog naar de authentieke stationskap
kijken, terwijl die inmiddels afgebroken is. Veel
moois wordt snel geschiedenis. Gelukkig zijn er
dan vaak foto’s gemaakt en bewaard. Met veel
plezier laten wij u die in ons tijdschrift zien.
Zo’n tijdschrift als het onze is bijna voor honderd
procent afhankelijk van de inspanningen
van onderzoekers die de moeite nemen hun bevindingen
op papier te zetten. Dit zijn lang niet
altijd professionele geschiedkundigen. Telkens
weer blijkt hoezeer mensen met zeer verschillende
achtergronden geboeid raken door elementen uit
het verleden en daar onderzoek naar gaan doen.
De drukte tijdens de Open Archieven Dag van 12
oktober 1991 toonde dat nog eens aan. Ter gelegenheid
daarvan wijdde de Zwolse Historische
Vereniging een tijdschriftnummer aan het Zwolse
gemeentearchief. Omdat de kas leeg was, konden
vier bijdragen niet meer geplaatst worden. Deze
willen wij u toch niet onthouden, omdat ze u wellicht
op ideeën brengen of moed geven om een eigen
onderzoek te beginnen. Alle geschiedschrijving
blijft uiteindelijk op het speurwerk in de archieven
gebaseerd. De betekenis van het Griekse
werkwoord historeo, te weten trachten te komen,
drukt dit goed uit. Zo opgevat zijn er gelukkig veel
historici in Zwolle. Wat zij over onze stad te weten
komen, laten wij graag in drukvorm zien.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp 122
Negentiende-eeuws ijsvermaak
Herman Aarts en Aranka Meyerink-Wijnbeek 124
De stationskap in Zwolle P.C. Wieringa, ir. C. Douma, J.J.deJong 133
De kunst van het zoeken J.C. Streng 137
Op zoek naar onze voorouders P. Jonkers-Stroink 140
Minnaars der deugdbevordering J.H. Drentje 143
Het verleden van een huis W.A. Huijsmans 147
Recensies 151
Mededelingen 152
Omslag: J. W. Meyere, Kortebaanwedstrijd op de
stadsgracht in Zwolle, 1886. (foto: POM)
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negentiende-eeuws ijsvermaak
‘Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan! Geen volk ter wereld
is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van het schoeisel op den
geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den Nederlander dansschoenen
aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem uit metjagtstevels;
schoei hem met de treurspellaars of den blijspelmuil; gij verandert daarmede
den man niet. Hij wordt daarom nog geen ware danser, ruiter,
jager ofkomediant. Hij blijft een Nederlander die danst, rijdt, jaagt of
komedie speelt. Maar geef den Nederlander een paar schaatsen onder de
voeten, en hij is geen Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel
schaatsenrijder, als ooit een Spanjaard danser, een Engelsman ruiter, of
een Franschman komediant was. Hij is een man-schaats geworden.
Herman Aarts
Aranka Meyerink-
Wijnbeek Deze beschrijving in het aardige boekje van
J.W. Kirchner geeft op een illustratieve
manier aan hoezeer het vermaak op het
ijs in onze cultuur is ingebed. Het schaatsenrijden
op stadsgrachten, vaarten, plassen en rivieren gaf
de gelegenheid om vrienden of familie te bezoeken
en nieuwe vriendschappen te sluiten. Het ijs
nodigde de mensen als het ware uit tot het vieren
van een winters feest. Het schaatsenrijden is een
echt volksvermaak waaraan door alle sociale lagen
en door alle leeftijden kan worden deelgenomen.
Tot en met de achttiende eeuw was er in strenge
winters sprake van een echte kermis op het ijs,
compleet met muzikanten, wafelkramen en mallemolens.
Hoe het in de vorige eeuw toeging blijkt
uit de volgende schets in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant over de winter van 1895:
‘Een gedeelte van de baan was smaakvol met Nederlandse
vlaggen getooid en door duizenden
lampions in een soort verlichte straat herschapen
langs welke een bonte menigte, van allerlei stand
en leeftijd, zich vrolijk bewoog, onder de opwekkende
tonen van het muziekcorps. Er waren ruime,
goed verlichte en verwarmde tenten geplaatst,
waar men zich van allerlei goede verversingen
bedienen kon, terwijl een onafzienbare menigte
deelnam aan het feest’.
Het ijsvermaak bestaat niet meer in die vorm,
hoewel de grote schaatswedstrijden van nu de
sfeer van de oude kermis op het ijs benaderen zo
niet overtreffen. Men hoeft alleen maar te denken
aan de uitbundige wijze waarop de recente elfstedentochten
zijn verlopen.
Hardrijden op de schaats
Zolang er geschaatst wordt, worden er wedstrijden
gehouden. Op het moment dat de ene
schaatser de andere uitdaagt met de vraag; ‘Wie
van ons is het eerst bij die hoek?’ is er een wedstrijd.
Aan het begin van de negentiende eeuw
werden er, het eerst in Friesland, wedstrijden georganiseerd
waarbij prijzen te verdienen vielen.
Zonder twijfel waren de kasteleins de eerste organisatoren
van de wedstrijden; zij benutten elke
gelegenheid om de gelagkamer vol te krijgen.
Veel binnenschippers, die in de winter met hun
schip vastvroren, waren geduchte wedstrijdrijders.
Rond 1850 werden de eerste ijsclubs in ons
land opgericht, onder meer in Zwolle. Ze hadden
gewoonlijk als doelstelling het organiseren van
schaatswedstrijden. De prijsuitreiking vond als
regel in het café plaats en niet zelden werd de
hoofdprijs door de kastelein beschikbaar gesteld.
Aanvankelijk bestond deze uit een gouden of zilveren
voorwerp, zoals het felbegeerde gouden
horloge of een zilveren tabaksdoos. Al spoedig
daarna werden geldprijzen in het vooruitzicht gesteld.
In 1838 werd in Harlingen al om prijzen van
ƒ 125,- en meer gereden, voor die tijd waren dat
aanzienlijke bedragen. Teneinde concurrentie
tussen de ijsclubs tegen te gaan, kwam men overeen
de hoogte van de prijzen onderling vast te
stellen. Heel lang heeft een maximum van ƒ 100,—
gegolden voor een eerste prijs bij een hardrijderij
voor mannen. Met de geldprijzen kwamen ook
de uitwassen. De deelnemers gingen vooraf afspraken
maken wie zou winnen en wie de geldprijs
zou krijgen; een kwalijke praktijk, maar niet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
onbegrijpelijk. Over het algemeen zullen de deelnemers
aan de wedstrijden het niet breed hebben
gehad. In een jaargetijde waarin de inkomsten
van schippers en boeren minimaal waren ontstond
voor sommige van hen plotseling de mogelijkheid
om forse geldbedragen binnen te halen.
De bekende rijders regelden bovendien onderling
naar welke wedstrijden ze gingen.
Beroepsrijders
Het geld dat de schaatsers wisten te verdienen
maakte hen tot ‘beroepsrijders’, een benaming die
in de vorige eeuw steeds gebruikelijker werd. Op
31 januari 1895 organiseerde de Zwolse Ijsclub een
hardrijderij voor beroepsrijders op de korte baan.
Het woei die dag hard, zeer hard; baanvegers waren
op de ijsclub zo goed als overbodig, de wind
joeg de sneeuw van de baan. Maar het weer bleef
goed en de banen waren in orde en als men eenmaal
op de vlakte was viel het nog mee. Er kwam
dan ook allengs vrij wat publiek op de banen om
getuige te zijn van de hardrijderij voor beroepsrijders.
Tegen 11 uur trokken de deelnemers met
enige leden van het bestuur van de ijsclub door de
stad naar de baan. In de aankondiging van de
wedstrijd werd vermeld dat men naar de baan zou
gaan na aankomst van de trein uit Friesland en
Groningen. Gezien het grote aantal deelnemers
uit die provincies was dat een begrijpelijke opmerking.
Er kwamen 56 deelnemers uit verschillende
provincies aan de start. De directie van de
ijsclub had alles uitstekend georganiseerd. De
baan van 180 meter was flink breed en aan weerszijden
waren kleedkamertjes ingericht. De muziek
had een plaats gekregen rond het midden van
de baan, in een tent die voldoende beschutting tegen
de wind bood. Het publiek stond aan één zijde
vlak langs de hardrijdersbaan. Het was gebruikelijk
dat het publiek aan beide zijden van de baan
stond, maar in verband met kolfwedstrijden die
later op de middag zouden plaatsvinden was dat
niet mogelijk. De uitslag was: ie prijs ƒ 75,- S.Bleeker
te Heeg, 2e prijs ƒ 40,- H.Wester te Eernewoude,
3e prijs ƒ 20,- Joh. Grafhorst te Kampen,
4e prijs ƒ 10,- B.Kruithof te Deventer en 5e prijs
ƒ 5,- E.Blankvoort te Oldebroek.
Voorwaarden
Niet iedere ijsvereniging was even blij met deelname
door rijders uit andere delen van het land.
Vooral de Friese rijders waren zo sterk dat ze nogal
eens met de geldprijzen naar huis gingen. Sommige
ijsclubs bouwden om die reden voorwaarden
voor deelname in, waardoor de Friezen in feite
werden uitgesloten. Een van de mogelijkheden
om dat te doen was door uitsluitend amateurs of
leden, buitenleden en donateurs van de organiserende
vereniging toe te laten, of de wedstrijd alleen
open te stellen voor ingezetenen van de provincie
Overijssel, of van een bepaalde gemeente,
zoals bijvoorbeeld in Wijhe en Genemuiden gebeurde.
De gezamenlijke schipperij van Zwolle organiseerde
op de stadsgracht bij de Sassenpoort een
gekostumeerde hardrijderij op schaatsen waaraan
alleen schippersgezellen wonende of liggend met
het schip in Zwolle mochten deelnemen. Andere
criteria die voor deelname werden aangelegd betroffen
geslacht en leeftijd. De meeste ijsclubs organiseerden
hardrijderijen voor mannen boven
de 18 jaar. Soms vonden afzonderlijke wedstrijden
plaats voor gehuwden en ongehuwden. Bijzonder
was ook de bepaling dat alleen dié leden van een
ijsclub mochten deelnemen die nog nimmer een
prijs gewonnen hadden.
Kortebaanwedstrijd op
de stadsgracht, 18/6
Mogelijk heeft de schilder].
W. Meyere deze
foto voor zijn schilderij
gebruikt, (foto: POM)
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schaatsen op de stadsgracht
bij de Emmawijk
tijdens de strenge
winter van 1961. (foto:
Henneke)
Bijzondere wedstrijden
Op gezette tijden werden schaatswedstrijden georganiseerd
ter gelegenheid van een bijzondere
gebeurtenis. Ook onderlinge wedstrijden werden
geregeld gehouden.
De bakkers van Zwolle hielden op 10 februari
1895 een vergadering in het café van Runhaar aan
de Nieuwe Markt, in verband met een te houden
gekostumeerde hardrijderij op de schaats. De vergadering
werd, behoudens het bestuur, bezocht
door 52 bakkers. De Zwolse ijsclub was bereid de
banen ter beschikking te stellen en voor de te houden
optocht was vergunning verleend. De volgende
dag kwamen de bakkers in de Nieuwe Stadsherberg
bijeen. Vandaar vertrok de stoet, door
een grote menigte vergezeld, met muziek en enige
vlaggen en vaandels, in bakkerskostuum, bestaande
uit witte kleding en witte mutsen, naar de ijsbanen.
Hier en daar hadden de bakkers, ter ere
van het feest, de vlaggen uitgestoken. Het weer
was in zover gunstig te noemen dat er een vrolijk
zonnetje scheen, maar de wind was vrij koud. Al
zullen de meeste deelnemers onder hun linnen
pakjes wel iets extra’s hebben aangedaan, het zag
er koud uit. Maar dat was een aansporing te meer
om zich warm te rijden in de wedstrijd. Er waren
35 deelnemers. Na afloop ging men met de muziek
voorop en omstuwd door een grote menigte
naar de Nieuwe Stadsherberg. De prijzen, een
gouden remontoir (horloge) en vijf paar schaatsen,
werden door de heer Emich, president van de
bakkersvereniging, uitgereikt. De bakkers bleven,
onder voordracht en zang, nog enige tijd bijeen.
De slagers van Zwolle wilden blijkbaar niet
achterblijven bij hun collega’s van het brood. Op
14 februari 1895 organiseerden zij eveneens een
gekostumeerde hardrijderij. De ijsbanen in de
Weezenlanden waren opnieuw ter beschikking
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
gesteld en gekleed in witte jas en dito schort, plus
een rode muts snelden de slagers over het ijs. Of er
wellicht toepasselijke prijzen uitgereikt werden,
vermeldt de historie niet.
Op tal van plaatsen werden wedstrijden voor
kinderen in diverse leeftijdsgroepen georganiseerd.
Op 15 februari 1895 bijvoorbeeld werd op de
Thorbeckegracht in Zwolle een wedstrijd gehouden
voor jongens van 10-14 jaar. Er had zich daarvoor
een commissie gevormd, terwijl enige bewoners
van de gracht en van de Posthoornbreehoek
geld hadden gegeven om prijzen te kopen. Toen
men bij de heer Borgman in de Steenstraat kwam
om een pet te kopen, gaf deze nog een mooie wintermuts
op de koop toe, de firma Boerboom gaf
nog enige snuisterijen en de heer De Graaf nog
een mandje appels, zodat iedere deelnemer een
prijsje kon krijgen. Na afloop werden de jeugdige
hardrijders getrakteerd op chocolade, krentebroodjes
en koek en ‘met een sigaar in den mond
trokken allen huiswaarts’.
Gekostumeerde hardrijderijen waren heel
populair. De op 28 januari 1879 door de schippersvereniging
‘Eendracht maakt macht’ georganiseerde
wedstrijd trok 42 deelnemers die waren
uitgedost als ridders uit de middeleeuwen, anderen
als edellieden uit later tijd, daartussen bewogen
zich Zouaven, Russen, Polen, Turken, zigeuners,
Tyrolers en Hongaren, terwijl Pierrot en
Harlekijn net zo min ontbraken als de beer en de
aap. De Ijsclub in Zwolle had toestemming verleend
om van de door haar ingerichte baan gebruik
te maken.
Ijskolven
Aan het eind van de vorige eeuw is een poging gedaan
het ijskolven, of het bandyspel zoals het hier
genoemd werd, in ons land populair te maken.
Het spel is afkomstig uit Engeland. Het doel van
het spel was om met behulp van een houten kolf
of bandystick, een kleine bal door het doel van de
tegenstander te slaan. Omdat het kolven een vlug
en pittig spel is, was de verwachting dat het ook in
ons land zou aanslaan. Om het spel meer bekendheid
te geven vond in 1895 een demonstratiewedstrijd
plaats tussen een team uit Haarlem en het
Zwolse Z.A.C. De Zwollenaren verloren kansloos
met 17-0. Behalve een wedstrijd tegen een Amsterdamse
formatie, die overigens ook ruim verloren
werd, heeft het spel geen blijvende plaats
tussen de andere sporten ingenomen.
Vrouwen in de hardrijdersbaan
De schaatswedstrijden werden overheerst door
mannen, maar dat wil niet zeggen dat er helemaal
geen vrouwen in de hardrijdersbaan kwamen. Uit
een advertentie in de Leeuwarder Courant van 7
januari 1871 blijkt dat vijf dames, die zich waarschijnlijk
ergerden aan de dominante positie van
de mannen bij het schaatsen, een voorrijder vragen,
voorzien van korte broek en ruige muts. Ze
werden afgetroefd door een tegen-advertentie
waarin 7 heren elk een achterrijdster voorzien van
korte broek en ruige muts vroegen. Het is opvallend
dat het wel algemeen aanvaard was dat vrouwen
deelnamen aan gekostumeerde schaatspartijen
en aan het ‘schoonrijden’, maar dat ze alleen
bij wijze van uitzondering werden toegelaten tot
de hardrijderijen. Uitzonderingen waren ook
wedstrijden waarbij paren tegen elkaar in het
strijdperk traden, zoals die op 19 januari 1876 te
Genemuiden waar ‘gepaarde mannelijke en vrouwelijke
personen’ aan de wedstrijd konden deelnemen.
Met de opkomst van de ijsclubs nam het
wedstrijdaanbod voor paren langzaam toe.
Schoorvoetend klonk de roep om wedstrijden
voor vrouwen te houden, maar de zedenmeesters
uit de vorige eeuw waren streng en invloedrijk. De
tijden veranderden maar langzaam. Uit ‘kieschheid’
bleef men zich lang verzetten tegen wedstrijden
voor vrouwen. In 1890 werd in Kampen zelfs
nog zo’n rijderij verboden en vijfjaar later vroeg
een correspondent van de NRC zich af of het nu
werkelijk raadzaam was de ‘dikwijls werkelijk
manachtige naturen, die elkander de zege betwisten
door een dergelijke wedstrijd in die richting
verder te emanciperen?’ Pas na de eeuwwisseling
werd de deelname van vrouwen algemeen geaccepteerd.
Protest tegen de hardrijderij
Nederland zou Nederland niet zijn als er niet iemand
was die een belerend vingertje opstak. In de
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courantvan
31 januari 1895 stond te lezen: ‘Het schaatsenrijden
is nu eenmaal niet weg te redeneren of weg te
zuchten. Zo vaak de winterkoning de wateren bevloert,
zal land- en stadsvolk de ijzeren vleugels
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schaatsen op de uiterwaarden
van de IJssel
ter hoogte van de boerderij
van Dubbeldam,
27 december 1961. (foto:
Henneke)
aan de voeten leggen om paard en wagen voorbij,
met de locomotief een wedren aan te vangen en ‘t
genot te hebben van een geheel het lichaam verfrissende
en sterkende beweging, en om verre
vrienden en bloedverwanten, wier bezoek in den
zomer te veel tijd en geld zou kosten, op de goedkoopste
en aangenaamste wijze te gaan begroeten.
Blijft dus het schaatsenrijden als volksvermaak
vaststaan en heeft het zoveel goede zijden, dan
schiet er niets anders over, dan alle kracht in te
spannen, om het goede ervan te behouden en het
verkeerde weg te doen, zodat het als volksvermaak
wordt geacht en veredeld. Jammer is het dat
de gewoonte, tot in het begin der vorige eeuw bij
ons algemeen, om van het ijsvermaak te genieten,
bij de aanzienlijke vrouwen zo sterk is afgenomen.
Zij missen daardoor een goed en opwekkend
genot, en het schaatsenrijden zelf wordt
daardoor lichter min edel. Het is niet goed, ook
dit vermaak en de regeling ervan aan het volk alleen
over te laten en aan de winzucht der koffiehuishouders,
die wedstrijden in het hardrijden
uitschrijven. Op enkele plaatsen als Deventer en
Groningen, zijn er ijsverenigingen van meer beschaafden,
die, behalve hun eigen genot ook de
veredeling van dit volksvermaak voor de geringeren
op het oog hebben. Zij kunnen veel goeds
doen. Eén groot bezwaar, bij de andere volksfeesten
een bederf, kan hier niet veel onheil stichten,
de sterke drank, dewijl deze, meer dan uiterst matig
gebruikt de benen verlamt en dus het rijden
onmogelijk maakt. Vandaar dat koffie, melk en
heet bier, nauwelijks hete wijn, de gewone verkwikkingen
der schaatsenrijders zijn. Het hardlopen
moest echter door die ijsverenigingen niet zozeer
worden aangemoedigd als wel het sierlijk lopen’.
Kritiek uit een heel andere hoek blijkt uit een
ingezonden brief in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courantvan 14 januari 1879. Door het
invallen van de dooi was er van een hardrijderij in
Kampen niets terecht gekomen en daar was de
briefschrijver blij mee, want hij meende zeer ongunstig
te moeten oordelen over de hardrijderij
op schaatsen: ‘En waarom? Omdat hierbij een bovenmatige
krachtsinspanning van de dingers naar
de prijzen wordt gevorderd tot welk geen mensch
zijn evenmensch mag in verzoeking brengen; een
bovenmatige krachtsinspanning die den hardrijder
zeer licht onherstelbare schade aan zijn gezondheid
berokkent zo niet iets ergers. Het is
daarom te hopen dat de hardrijderijen op schaatsen
voor goed mogen worden gebannen uit de rij
der volksvermaken. Wil men nog iets van dien
aard houden, dat men dan liever prijzen uitloven
aan hem die ’t sierlijkst schaatsen rijdt’. De briefschrijver
concludeerde dat de hardrijderijen zouden
moeten worden afgeschaft, omdat ze in een
beschaafde maatschappij niet thuishoren.
Beide scribenten braken een lans voor het
schoonrijden. Ze waren niet de enigen. Ook in
andere ingezonden kranteberichten werd de
hoop uitgesproken dat er meer schoonrijderijen
zouden worden gehouden, omdat het in de eerste
plaats goed zou zijn voor de afwisseling en in de
tweede plaats omdat het schoonrijden uitstekend
geschikt zou zijn om ‘al de voordelen van het zo
te waarderen schaatsenrijden te doen uitkomen’.
Er zijn veel schoonrijderijen geweest, maar ze zijn
altijd in de schaduw blijven staan van de hardrijderij,
die meer tot de verbeelding van de mensen
sprak. Er werd ook wel naar een combinatie van
beide gezocht. Menig schoonrijderij vond plaats
in de pauze van een hardrijderij.
Schaatstochten
In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courarctverschenen
in strenge winters berichten over
de toestand van het ijs in en rond Zwolle:
Kampen, 13 januari 1895: ‘Het ijs is zo sterk dat
men dagelijks van het eiland Urk op schaatsen
hier aankomt; terwijl men thans met paarden en
volgeladen wagens met hooi, zaad en andere zware
vrachten bij het pontveer over de IJssel rijdt’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
Deze en andere berichten van vergelijkbare
strekking komen geregeld voor wanneer de Zuiderzee,
de IJssel en de meren in Noord-West
Overijssel bevroren waren. Dan was het tijd voor
lange schaatstochten. De correspondenten van de
regionale nieuwsbladen deden opgave van de
conditie van het ijs in hun omgeving, zoals de ijsmeesters
in Friesland nu nog doen voor een elfstedentocht.
Overijssel bezit weliswaar niet zoveel
open water als Friesland maar er zijn bijzonder
aardige tochten te maken. In de strenge winter
van 1895 informeerden de correspondenten het
publiek nogal verschillend over de ijstoestand. In
de kranten verschenen berichten met de volgende
inhoud:
– Raalte: het ijs op het kanaal van hier naar
Deventer biedt de schaatsenrijders een goede
gelegenheid aan, de Ijsclub Voorwaarts zorgt
zoveel mogelijk dat de banen goed in orde
worden gehouden, door goed vegen en het des
avonds ingieten van de ontstane barsten. Met
succes kan men van hier naar de Snippeling
rijden; vandaar naar Deventer doet men het
best te wandelen daar het ijs op de Schipbeek
wel vertrouwd maar zeer ongelijk is.
Dedemsvaart: Het ijs is op de Dedemsvaart,
voor zover die in de gem. Avereest loopt, zeer
goed; ook de banen zijn goed in orde. ’t is,
naar ik geloof, overal sterk genoeg.
Vollenhove: Het ijs in zee om Vollenhove zover
het oog reikt is overal sterk en vertrouwd,
bv. naar Schokland, Blokzijl, Genemuiden en
Kampen, doch overal vol sneeuwhoopjes.
Vanwege de ijsclub Vooruitgang zullen heden
banen geveegd worden op de Zuiderzee van
Vollenhove naar Kampen, Genemuiden en
Zwartsluis in verbinding met de daar bestaande
banen. Reeds ’s morgens om half zeven
worden ongeveer 30 personen aan het werk
gezet, zodat wanneer het blijft doorvriezen,
morgen de gelegenheid op die banen zal zijn
opengesteld. Van de Moespot over Ronduite,
de Belt, Aardenburgergracht naar Zwartsluis
is het ijs volkomen vertrouwd en de banen geveegd.
Het ijs is echter niet mooi maar toch
berijdbaar.
Kortebaanwedstrijd op
de Zalnese Wetering ter
hoogte van de spoorlijn
Meppel, ongeveer 1960.
(foto: Henneke)
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ijsbaan aan deAssendorperdijk
ter hoogte
van het huidige politiebureau,
(foto: POM)
Voor de armen
In een tijd zonder sociale voorzieningen was de
zorg voor de armen toevertrouwd aan de kerken
en aan goedwillende particulieren. In de vorige
eeuw zaten veel arbeiders en boerenknechten in
de winter zonder werk en daarmee vrijwel zonder
inkomsten. De manier waarop de armen deelnamen
aan de ijsfeesten doet nu nog al discriminerend
aan. Na een wedstrijd in Zwartsluis, in 1855,
werd gesteld dat de hardrijderij goed verlopen
was, dat de organisatoren op een geslaagde dag
konden terugzien en dat ook de algemene armen,
waarvoor het overschot van de inleg- en entreegelden
bestemd was, een niet onbeduidend voordeel
hadden gehad. In diezelfde tijd werd in Kampen
een hardrijderij gehouden waarbij het doel
was geld in te zamelen voor de algemene armen.
Na aftrek van de kosten bleef een bedrag van
ƒ 338,79 over. Een dag later organiseerde de Kamper
vereniging ‘Weldadigheid’ eveneens een ijsfeest.
Het slechte weer was er echter oorzaak van
dat maar weinig deelnemers aan deze gekostumeerde
rijderij op kwamen dagen. De opbrengst
van de entreegelden, bestemd voor de algemene
armen, viel daardoor tegen.
Op 6 februari 1895 werd in Vollenhove een rijderij
om levensmiddelen gehouden. De wedstrijdcommissie,
door weldadige ingezetenen van
Ambt en Stad Vollenhove daartoe in staat gesteld,
kon iedere rijder 16 pond brood, 75 turven en een
kop erwten toebedelen. Na elke rit kreeg de winnaar
bovendien een bonus bestaande uit een kop
erwten. Ijsclub ‘Vooruitgang’ in Vollenhove
hield een hardrijderij om levensmiddelen voor
behoeftigen. Een behoeftig gezin dat niet in staat
was daaraan persoonlijk deel te nemen kon een
plaatsvervanger sturen; 77 huisgezinnen meldden
zich aan. Er waren geldprijzen voor de winnaars,
maar iedere deelnemer ontving een bon voor
kwart kilo spek. In dezelfde week werden in Olst
hardrijderijen voor behoeftigen gehouden waarbij
voor spek en bonen werd gereden. In Kampen
werd op de stadsgracht, door enige werklieden,
een ijsvermaak georganiseerd voor de kinderen
van de beide kosteloze stadsscholen en van de
rooms-katholieke jongensschool. Na een optocht
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
door de stad begaf men zich naar de met vlaggen
versierde ijsbaan. Ongeveer 100 jongens hadden
zich aangemeld. Elk van de deelnemers ontving
een kledingstuk. In de week daarvoor was een collecte
tot dit doel gehouden. Vergelijkbaar ging het
in de strenge winter van 1895 toe in Wijhe. Ook
hier werden hardrijderijen en volksspelen op het
ijs gehouden. Voor een som van ongeveer ƒ 300,-
waren brandstoffen en levensmiddelen gekocht,
die onder de mededingende behoeftigen, alsmede
aan hen die niet aanwezig waren, doch als behoeftig
bekend waren, uitgedeeld. Nog pijnlijker werd
het toen schaats- en hardloopwedstrijden op
klompen op het ijs werden georganiseerd voor
minvermogenden. Sommige organisatoren deden
het voorkomen alsof de wedstrijd in tweeën
was gesplitst. ‘Ook degenen die niet zo gelukkig
zijn om schaatsen te bezitten waren dus in de gelegenheid
gesteld naar een prijs te dingen’, aldus
de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
in 1895. Bij een wedstrijd in dat zelfde jaar in
Zwolle waren levensmiddelen uitgeloofd. Men
had door de giften van vele ingezetenen van de
stad een ruime voorraad kunnen inslaan en bovendien
hadden sommige winkeliers verschillende
levensmiddelen gratis verstrekt, zodat aan elke
deelnemer een prijs kon worden uitgereikt. Dat
was niet het geval na een hardrijdwedstrijd waarbij
25 kaartjes voor de gaarkeuken van mejuffrow
de weduwe Van der Bend beschikbaar waren, die
zoveel mogelijk aan de gehuwden gegeven werden.
De organisatoren van de wedstrijden om levensmiddelen
bedoelden het ongetwijfeld goed.
In de praktijk pakte het evenwel anders uit. Door
in de baan te verschijnen waren er levensmiddelen
of goederen te verdienen. Geen wonder dat iedereen
die daartoe maar enigszins in staat was
zich aanmeldde voor zo’n ‘spekrijderij’. Niet alleen
jonge mannen schreven in, maar ook mannen
op leeftijd en gehandicapten. Door het houden
van hardloopwedstrijden op klompen waren
er nog meer deelnemers. Het publiek vermaakte
zich kostelijk met hen; burgerlijk vermaak om de
capriolen van oude en arme mensen, die ook nog
dankbaar moesten zijn voor de prijzen die ze aan
het eind van de dag ontvingen.
In de zelfde sfeer moeten de baanvegers bekeken
worden. In romantische ijsverhalen komt de
baanveger nogal eens naar voren als iemand die
zo aardig is het ijs sneeuwvrij te houden. De werkelijkheid
was wel even anders. Baanvegers waren
werklozen die praktisch geronseld werden om het
koude werk te verrichten; weigeren was er, behoudens
bijzondere omstandigheden, niet bij.
Een aantal Zwolse baanvegers was in r895 zelfs
van ’s middags vier a vijf uur tot ’s nachts twee uur
op het ijs werkzaam om met warm water de
scheuren zoveel mogelijk dicht en het ijs weer
glad te maken. De verdiensten waren treurig. Begin
februari van dat jaar bevatten de bussen van
de baanvegers op de Zwolse stadsgrachten en het
Zwarte Water ƒ 35,58, zodat aan elk van de 64
baanvegers op die dag 55 cent kon worden uitbetaald.
De dagen erna waren de verdiensten weinig
beter. Het hoogste bedrag dat op een dag werd
verdiend was ƒ 1,50. Er waren ook mensen die zich
het lot van de baanvegers aantrokken. Op een
ochtend stopte iemand een envelop in de bus met
de mededeling dat zich daarin een gift bevond. Bij
opening bleek er een gouden tienguldenstuk in te
zitten en een briefje met de volgende inhoud: ‘Er
zijn op de stadsgrachten en Zwartewater tot aan
de Rademakerszijl 64 baanvegers; die menschen
die voor hun onderhoud willen werken verdienen
dooreen tot nu toe 55 cent per dag. Zijn er nu geen
gegoede ingezetenen die ook eens een wandeling
of een rit op die ijsbanen gaan maken om die bussen
ook eens een beetje te begunstigen’.
De ijsbaan van de
Zwolse Ijsclub, circa
1900. (foto: POM)
132 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zomerfeesten
In 1850 werd in Zwolle een vereniging opgericht
die zich volgens haar statuten ten doel stelde: ‘Het
laten verrijden op schaatsen van prijzen en premiën’.
Met veel succes organiseerde de vereniging
schaatspartijen. Een aantal jaren na de oprichting
werd de doelstelling van de vereniging verruimd.
Er werd nu gesproken over de Ijsclub, Vereniging
ter bevordering van Volksvermaken. Het rechtstreekse
gevolg daarvan was dat in het vervolg
’s winters hardrijderijen en ’s zomers volksfeesten
werden georganiseerd. De zomerfeesten werden
als regel vlak voor de jaarlijkse kermis gehouden.
De bijbedoeling daarvan was dat het zomerfeest
klandizie wegtrok van de kermis. In 1857 werd een
roeiwedstrijd op de Wetering boven de Schoenkuipersbrug
gehouden. Na afloop werden er verschillende
volksvermaken gehouden, zoals boegsprietlopen,
tobbespel en zaklopen. In andere jaren
bestonden de volksvermaken ook wel uit
wedstrijden op waterschoenen of het vlaggespel te
water. Het muziekkorps van de stedelijke schutterij
liet zich op gezette tijden horen en de feesten
werden besloten met een prachtig vuurwerk en
een bal champêtre. Toen in 1860 de grote tentoonstelling
van Provinciale Nijverheid werd geopend
werden de openbare festiviteiten op een
aangename wijze besloten door wedstrijden en
volksvermaken vanwege de vereniging de Ijsclub.
De activiteiten van de Ijsclub breidden zich steeds
meer uit. Er waren diverse andere ijsclubs in
Overijssel die dit patroon van hardrijderijen in de
winter en volksfeesten in de zomer overnamen. In
1871 vond het zomerfeest plaats op de Turfmarkt
in Zwolle. De volksspelen werden geopend met
ringrijden waarbij prijzen van ƒ 20,- en ƒ 10,- te
verdienen waren. Daarop volgde het mastklimmen,
eveneens om geldprijzen. Daarna had het
hoepellopen plaats, dat op geheel nieuwe wijze ingericht,
de toeschouwers zeer vermaakte. De
reeks van volksspelen werd besloten met het
klimmen langs gespannen koord, hoepellopen en
het tobbespel. Het feest, opgeluisterd door het
stedelijk corps eindigde met een fraai vuurwerk.
De Zwolse Ijsclub vierde in 1875 haar 25-jarig bestaan
met een uitnemend gelukt feest. De Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant schreef:
‘Men hoorde niet de minste aanmerking. Zelfs
restauratie en bediening, en dat bij zulk een toeloop,
werden geroemd’. Echter, het werd allemaal
te kostbaar en te veel omvattend voor de enthousiaste
Ijsclub. Tijdens de algemene ledenvergadering
van 1878 stelde het bestuur voor de zomerfeesten
te beperken of zelfs helemaal af te schaffen.
De vereniging keerde terug tot haar premiers
amours. Het organiseren van een ijsfeest werd opnieuw
hoofdzaak, terwijl het zomerfeest afhankelijk
werd gesteld van de toestand van de kas. De
eerste zomer na dit besluit was er alleen een vuurwerk
en muziek van de schutterij. In een nabespreking
van het feest in de Provinciaal Overijsselsche
Courant suggereerde een journalist voorzichtig
of het niet mogelijk was ‘enige der vroegere
amusementen’ in het vervolg toch weer te laten
plaatsvinden ‘met het oog op de sympathie die de
groote massa er altijd voor toonde te bezitten, ziet
men ze noode verdwijnen’. De directie van de Ijsclub
liet zich echter niet vermurwen en hield het
bij activiteiten op de schaats.
Geraadpleegde literatuur
Hedman Bijlsma, Ien, Twa, Trije: Fuort. Het kortebaanschaatsen
in Friesland. (Heerenveen 1985).
Hedman Bijlsma en Karel Verbeek, Niet over een nacht
ijs. (Jubileumboek 100 jaar KNSB, Den Haag 1982).
J.W. Kirchner, Nederlanders door Nederlanders geschetst.
(Amsterdam 1842).
H.J.Looman, Het boek van de schaats. (Amsterdam
1944)-
S.H.Hijlkema, Nederlandsch handboek voor de IJs-sport.
(Amsterdam 1887).
W.Mulier, Wintersport. (Haarlem 1893).
D.M. van der Woude, Vrouwen in de hardrijdersbaan.
(Heerenveen 1948).
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. (Zwolle
1850-1900).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 133
De stationskap in Zwolle
Restauratie niet mogelijk
P.C. Wieringa
Het stationscomplex van Zwolle uit 1868
met zijn bijzondere perron-overkapping
en de hoge spoorbrug gelden, zoals blijkt
uit de vele geschriften die over dit complex de
laatste jaren zijn verschenen, onomstotelijk als
één van de hoogwaardige monumenten in Nederland.
De vraag van de Nederlandse Spoorwegen
in 1989 om de perron-overkapping te mogen slopen,
sloeg dan ook in als een bom.
De Rijksdienst vond de argumenten van de
NS onvoldoende onderbouwd en twijfelde aan de
uitspraak, dat een restauratie niet verantwoord
zou zijn in verband met de slechte bouwtechnische
staat van de constructie en de toegepaste belastingsberekeningen.
De Rijksdienst voor de Monumentenzorg
meende dan ook, dat een nader onderzoek voor
een restauratie gerechtvaardigd zou zijn, waarbij
de volgende aandachtspunten verwerkt zouden
worden:
– een goede inventarisatie van de technische gebreken
van de constructie en het toegepaste
materiaal;
– de toepassing van de juiste normen en veiligheidsfactoren
voor de belastingsberekeningen
van de constructie van deze bijzondere ‘open/
dichte’ perronkap;
– de uitvoeringsmogelijkheden van materiaalherstel
en eventuele toelaatbare aanpassingen
aan de constructie waarbij de monumentale
waarden herkenbaar blijven.
Een werkgroep bestaande uit technisch-specialisten
van de NS, Technische Universiteit Delft
en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg hebben
dit onderzoek uitgevoerd en externe deskundigen
begeleid.
Dankzij de enorme inzet van ir. Douma van
de Nederlandse Spoorwegen, die op een bewonderenswaardige
wijze aan het onderzoek heeft
meegewerkt, is het volgende gebeurd.
Ten eerste zijn bij het demonteren van de kapconstructie
de gebreken en de vervormingen alsmede
de scheurvorming in een fotoreportage en
inventarisatie vastgelegd. Verder zijn in een windtunnelproef
de juiste uitgangspunten en waarden
vastgesteld voor de berekening van de windbelasting
op de constructie. Tenslotte is in het rapport
van prof. ir. A.L. Bouma (TU-Delft) en van ir.
G.G. Nieuwmeyer de constructie van het spant
berekend. Daarna moest worden geconstateerd
dat de aanwezige constructie niet geëigend is voor
deze situatie.
De gegevens uit het onderzoek met het doel
om de bijzondere perron-overkapping te behouden
en te restaureren of aan te passen, zullen nog
in rapporten moeten worden verwerkt. Wel kon
toen reeds gezegd worden dat – helaas – de restauratie
van de kap uitgesloten werd geacht en dat
eventuele aanpassingen aan de constructie van
een dusdanige orde zouden zijn dat er dan geen
De afbraak van de sationskap.
(Foto: Frans
Paalman)
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voorlopige schets van
de voorgenomen
nieuwbouw
sprake meer zou zijn van behoud van de cultuurhistorische
waarden van het monument.
De Nederlandse Spoorwegen zullen naar aanleiding
van de resultaten van het onderzoek opnieuw
een vergunningaanvraag via de gemeente
Zwolle bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
indienen zoals wettelijk voorgeschreven is in
de Monumentenwet 1988 (art. 11 t/m 21).
Het uitgangspunt van het plan zal een nieuwe
overkapping inhouden, waarbij de karakteristieke
constructiedelen van de monumentale kap zichtbaar
worden verwerkt.
The proof is the existence?
ir. C. Douma
Diep in mijn hart heb ik de afgelopen twee
jaar gehoopt, dat onze knappe staalconstructeurs
– met hun onheilsprofetie over
een levensgevaarlijke toestand die niet langer
mocht worden gecontinueerd – dit keer enigszins
ongelijk zouden krijgen. Onder het motto the
proof is its existence, koesterde ik de hoop dat het,
in opdracht van NS uitgevoerde windtunnelonderzoek
zodanige belastings-coëfficiënten zou genereren
dat nog altijd sprake zou kunnen zijn van
een aanvaardbaar identieke en authentieke renovatie.
Weliswaar niet zodanig dat de uitzonderlijk
slanke profilering van deze sikkelspanten in alle
details zou kunnen worden gehandhaafd en hersteld,
maar dat door middel van drastische verzwaring
van de bovenrand en andere versterkingen
nog sprake zou kunnen zijn van een redelijk
vormgelijke restauratie, die nog voldoende blijk
zou geven van ‘herkenning en erkenning’ van
deze unieke constructie.
‘De stationskap wacht op een wonder’,
schreef de Zwolse Courant in mei jongstleden.
Welnu, dat wonder is niet gekomen. Windtunnelonderzoek
naar het gedrag van de (overigens
reeds drastisch vervormde!) spanten bij hoge
windbelastingen en daarbij gevolgde berekeningen
hebben zodanige resultaten opgeleverd dat
bovengenoemde NS-ingenieurs méér dan gelijk
gekregen hebben. De in opdracht van de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg uitgevoerde
tweevoudige contra-expertise door de TU Delft
kon deze desastreuze conclusies alleen maar bevestigen.
Ik citeer prof. ir. A.L. Bouma, die reeds eerder
te kennen had gegeven, dat met de huidige kennis
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
van aard en grootte van windbelastingen men een
dergelijk spant thans nooit meer zou ontwerpen:
‘Bij het beoordelen van de veiligheid van deze
perronkap is de toestand waarin deze thans verkeert
van primordiaal belang. De kap verkeert in
een slechte staat en bevindt zich bij grote belasting
in de gevarenzone. Het dit voorjaar genomen besluit
tot demontage was terecht. De conclusie
moet luiden dat de perronkap aan het einde van
zijn leven is gekomen. Sic transit.
Eenduidig is nu dan ook de recente conclusie
van de gemeente Zwolle, de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg en de NS dat sloop en vervangende
nieuwbouw onvermijdelijk zijn. Hoe die
nieuwe overkapping er precies uit zal zien, is de
komende maanden onderwerp van overleg tussen
de drie genoemde partijen.
Bijgaande schets toont een eerste impressie
van deze nieuwe, eveneens ‘monumentale’ overkapping.
Het moge duidelijk zijn dat hiermee het
laatste woord nog niet is gezegd. Zo hebben wij
bijvoorbeeld voorgesteld om karakteristieke constructiedelen
van de oude spanten als goed zichtbare
rudimenten in de nieuwe overkapping onder
te brengen.
Vast staat wél dat – ondanks diverse opvattingen
dat nu net zo goed gekozen kan worden voor
een platte overdekking of een zadeldak – NS de
handhaving van een gebogen overkapping prefereert,
omdat deze gebogen vormen zo karakteristiek
zijn voor de oude(re) stationskappen in ons
land. Die keuze garandeert tevens een onveranderd
uiterlijk van het totale stationsaanzicht vanaf
het voorplein. Zoals ook onze eigentijdse interieuraanpassing
van het voorliggende stationsgebouw
laat zien, dat wij het exterieur van ons culturele
erfgoed zorgvuldig intact laten.
Gevoel tegen verstand
J.J.delong
De sloop van de stationskap in Zwolle
wordt door iedere monumentenzorger als
een nederlaag ervaren. Een strijd is na
ruim twee jaar beëindigd. Er resten slechts foto’s
en in de toekomst delen van de kap in een museale
opstelling.
Hoe komt zoiets nu tot stand? Ik kan alleen
het proces beschrijven zoals dat bij de sectie Monumentenzorg
is ervaren. Het begon in 1989 met
de droge mededeling dat de kap ‘op’ was en moest
worden vervangen. Je reageert dan heftig in de
sfeer van ‘dat kan niet’ en ‘hij moet gerestaureerd
worden’. Doordat bestuur en burgers van de
waarde van de kap overtuigd bleken te zijn, werd
de NS gedwongen de zaak van een andere invalshoek
te bekijken. Dus niet slopen, maar restaureren
indien… Dat de NS deze optie wilde uitvoeren
wanneer technische studies de haalbaarheid
konden aantonen, was voor Monumentenzorg
een positieve wending, die enige hoop deed ontstaan.
De daarop volgende proeven bij het Nationaal
Laboratorium voor Lucht- en Ruimtevaart
leverden een aantal kentallen die een indicatie gaven
van de druk die de wind op de kap uitoefende.
In dit stadium werd echter op een dusdanig specialistisch
niveau gesproken, dat voor niet-specialisten
– en dat is bijna iedereen – de discussie
nauwelijks te volgen was. Op basis van de windtunnelproeven
concludeerden de betrokken medewerkers
van de NS, dat de kap niet voldeed aan
de normen en dat restauratie onmogelijk was. In
een poging om te kijken of de kap met aanpassingen
kon worden gered, schakelde Monumentenzorg
experts van de Technische Universiteit (TU)
Delft in. Allerlei formules, variabelen en constan-
Zichtop de kap vanaf
perron 3. (Foto gemeente
Zwolle.)
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Detailopname. Versterking
van de constructie
is nauwelijks
mogelijk zonder het
ontwerp geweld aan te
doen. (Foto gemeente
Zwolle.)
Foto: Bouw nieuwe
kap.
ten zijn op de constructie losgelaten met als conclusie:
de kap kan niet worden gerestaureerd en
zou in onze tijd nooit gebouwd mogen worden.
Iedere keer dat een technisch-specialist je vertelt
dat het een mooie maar constructief geheel
ontoereikende kap is, groeit je bewondering voor
de ontwerpers van destijds en begin je je sterker
aan de kap te hechten. Immers, logenstraft de kap
al niet 125 jaar lang iedere theorie door ‘gewoon’
in weer en wind te blijven staan? Is dit praktijk tegen
theorie en gevoel tegen verstand? Hadden er
geen onderzoekingen gedaan moeten worden?
Dan zouden we de kop in het zand gestoken hebben
en dan zou nooit een redelijke besluitvorming
tot stand zijn gebracht, omdat er te weinig
bekend is van dergelijke constructies en hun gedrag
tijdens stormen. Natuurlijk kun je ervan uitgaan,
dat de TU Delft eerlijk en objectief de constructie
heeft bestudeerd in opdracht van en betaald
door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
De TU Delft heeft een mogelijke verklaring
voor het niet instorten van de kap, die neigt in de
richting van een dosis geluk waarbij het er soms
om gespannen heeft, getuige de vervormingen
van de spanten. Ook de later aangebrachte glaswanden
en het ophangen van de bedrading aan de
kap hebben mogelijk geholpen de kap overeind te
houden.
Is het dan verantwoord risico’s te nemen? Gebouwen
en constructies hebben de neiging onverwacht
in te storten. Zie de veertiende-eeuwse toren
in Italië, die zonder een zuchtje wind instortte.
Een ander voorbeeld is de A-kerk in Groningen,
waar bij toeval is ontdekt dat de pijlers gevaarlijk
aan het scheuren waren en waar stalen
kolommen in aangebracht moesten worden. Zo
zijn er voorbeelden te over, ook van gebouwen
waarin enorme veranderingen zijn aangebracht
om ze te conserveren, zoals de torens van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda en van de Martinikerk
in Groningen, waar betonskeletten de toren
dragen en het originele materiaal een beschermlaagje
is geworden.
Ingrijpende veranderingen kunnen niet toegepast
worden bij een fragiele kap, waar de constructie
tevens het visuele effect veroorzaakt. Versterking
van de constructie door het plaatsen van
een meter hoge spanten over de kap, zoals de TU
Delft adviseerde, zou een directe aantasting betekend
hebben van het monumentale aanzien. Dergelijke
ingrepen worden door weinigen nagestreefd.
Al deze ontwikkelingen hebben er bij de gemeentelijke
sectie Monumentenzorg toe geleid,
dat er gevoelsmatig steeds meer tegenstand tegen
sloop ontstond, een tegenstand die tenslotte alleen
nog op de architectonische waarde gebaseerd
was. De rapporten van de NS en de Rijksdienst
voor de Mounumentenzorg kunnen niet worden
genegeerd. We zullen ons erbij moeten neerleggen
dat restauratie onmogelijk is. Wat nu rest is samen
met de NS en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
een goede, nieuwe kap te realiseren.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
De kunst van het zoeken
Bij oppervlakkige beschouwing heeft Zwolle
cultureel niet veel te bieden. Bij het horen
van de naam Zwolle met betrekking tot
kunst zal niemand op het puntje van zijn stoel
gaan zitten. Toch heeft het Zwolse archief voor
kunst- en cultuurhistorici legio mogelijkheden te
bieden. Vanwege de beperkte ruimte van het artikel
geldt als periodebegrenzing de zeventiende tot
het begin van de negentiende eeuw. Als kunstenaars
worden hier niet alleen de kunstschilders,
maar ook de ambachtslieden van de toegepaste
kunsten – de zilversmeden, tinnegieters en anderen
– en de literatoren beschouwd.
Zwolle en de kunsten
Zwolle was nooit de verblijfplaats van een groot
kunstenaar van nationale betekenis. De beroemde
Gerard ter Borch was weliswaar in Zwolle geboren,
maar hij vestigde zich te Deventer. Ook een
specifieke Zwolse schildersschool is nooit ontstaan
en een belangrijke plateelbakkerij van huishoudelijke
artikelen zoals in Delft was er evenmin.
De kunsthistorische onderzoekers kunnen
zich met een Zwols onderwerp dus niet koesteren
in de magische uitstraling die van een groot kunstenaar
uitgaat.
Een positieve factor is dat het aantal mogelijkheden
om kunst te benaderen zich de laatste decennia
enorm heeft verbreed. Naast de traditionele
manier van het bedrijven van kunstgeschiedenis,
het schrijven over een iconografisch onderwerp
of het leven van een kunstenaar, worden
studies geschreven waarin kunst onder nieuwe en
niet specifiek kunsthistorische invalshoeken
wordt bekeken. Om slechts enkele mogelijkheden
te noemen: de sociale en economische betekenis
van kunst, onderzoek naar kunstverzamelaars en
kunst als propaganda. Het is duidelijk dat al deze
mogelijkheden ook op de situatie in Zwolle toepasbaar
zijn.
Mogelijk onderzoek
Een niet onbelangrijke bijdrage aan onderzoek leveren
de archiefambtenaren, want zij ontsluiten
in de loop der jaren de archieven. In Zwolle bestaat
nu als gevolg van al dat werk een omvangrijke
collectie kaartjes, die zijn geordend op persoonsnaam
en hoedanigheid en zo een prima ingang
op de archieven bieden. Dankzij de grotere
toegankelijkheid zijn de mogelijkheden tot breder,
dieper en – niet onbelangrijk – sneller onderzoek
in het archief sterk verbeterd, vooral op de al
genoemde nieuwe gebieden.
Onderzoek naar de Zwolse ambachtsgilden,
het sociaal-economische kader voor de werkzaamheden
van de kunstenaars tijdens het ancien
regime, biedt nog talrijke mogelijkheden. Het
enige dat over de Zwolse ambachtsgilden bekend
is, is al weer ruim vijftig jaar geleden gepubliceerd
en lang niet volledig.’ Het onderzoek wordt bemoeilijkt
omdat in Zwolle geen archieven van gilden
bewaard zijn gebleven. Daarentegen bieden
de ordonnanties en de resoluties van schepenen
en raden nog tal van mogelijkheden voor onderzoek.
Het betreft dan aanvullende ordonnanties
over zowel de reglementering van de gilden als
beschermende maatregelen tegen concurrentie
van buiten de stad. Het onderzoek wordt vergemakkelijkt
omdat er één alfabetische en twee systematische
indexen op de resoluties zijn.
Zwolse kunstenaars zijn als groep nog niet onderzocht.
De omvang en daarmee het economisch
belang van de diverse gilden is thans duidelijker
vast te stellen, omdat er dankzij de kaartjes
een adequate ingang is op beroepen. Zo maakt alleen
al het simpelweg doornemen van de kaartjes
en de genoemde indexen duidelijk dat de glasschilders
in de zeventiende eeuw een belangrijke
plaats innamen. B. Dubbe heeft in zijn diverse
werken over zilversmeden en tinnegieters zeker
ook voor Zwolle pioniersarbeid verricht. Dankzij
zijn werk zijn van deze ambachtslieden al veel na-
J.C. Streng
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zogenaamde gildetafel
met de merken van enige
zilversmeden. (Foto
Provinciaal Overijssels
Museum, Zwolle.)
men bekend. Met aanvullend onderzoek moet het
mogelijk zijn enig zicht te krijgen op de sociaaleconomische
positie die ze in de stad innamen.
Daarbij is het goed zijpaden niet te vermijden. Als
voorbeeld kan het rekest van 1785 gelden waarin
onder andere de ambachtsgilden op meer invloed
in het stadsbestuur aandrongen. Welhaast alle gildeleden
zijn in dit rekest genoemd.2
Interessante mogelijkheden biedt het onderzoek
naar de sociale positie van de kunstenaars
binnen Zwolle. Per beroepsgroep lijken er bij nadere
beschouwing grote sociale verschillen te hebben
bestaan. De zilversmeden bijvoorbeeld schijnen
onder de ambachtsgilden de hoogste sociale
plaats ingenomen te hebben. Ze waren belangrijk
genoeg om tot de Zwolse elite door te dringen.
Sommige zilversmeden waren verwant aan schepenen
of raden of zaten zelf in het stedelijke bestuur,
hetzij als magistraat hetzij als lid van de gezworen
gemeente.
De spreiding van kunst onder de stedelijke elite
is tegenwoordig een geliefd object van onderzoek.
Aan de hand van testamenten en boedelinventarissen
wordt getracht een beeld te krijgen
van de materiële cultuur waarmee men zich omringde.
Onderzocht worden de aanwezige portretten,
schilderijen, het zilverwerk, de inhoud
van de porseleinkast, de omvang van de bibliotheek
en andere luxeartikelen. Onderzocht zou
kunnen worden in welke mate de elite van Zwolle
zich met zulke objecten omgaf en de mogelijke
toename daarvan in de loop van 200 jaar.
Als collectief wensten de regenten door het geven
van opdrachten hun maatschappelijke positie
duidelijk te maken. De omvang en de veranderende
vormen waarop dat in de loop van de tijd
plaatsvond, zijn nog niet onderzocht. De herenbanken
in de kerken en het stadszilverwerk zijn
bekende voorbeelden, waarschijnlijk omdat ze
(gedeeltelijk) de tijd hebben overleefd. Objecten
die van minder duurzaam materiaal zijn gemaakt,
zoals glas, zijn alleen maar uit schriftelijke bronnen
bekend. De Zwolse magistraat verstrekte tot
ver in de zeventiende eeuw regelmatig opdrachten
tot het maken van beschilderde ramen in de
kerken. De ramen waren – ter meerdere eer en
glorie van de opdrachtgevers – voorzien van de
namen en de wapens van de heren regenten en/of
secretarissen. Dit stedelijk patronaat van de kunsten,
hoe kleinschalig het ook is, verdient zeker
nader onderzoek. In de loop van het ancien regime
lijkt collectieve patronage af te nemen – het
politieke debacle van 1672 is waarschijnlijk het
keerpunt – om plaats te maken voor persoonlijke
opdrachten. In dit verband is er nog vruchtbaar
onderzoek mogelijk naar de maatschappelijke
functie van gelegenheidsgedichten.
De bron bij uitstek om de stedelijke opdrachten
te onderzoeken zijn uiteraard de stadsrekeningen.
Zij zijn over de onderhavige periode
compleet bewaard gebleven. Het nut van deze
bron wordt duidelijk bij hét lezen van de artikelen
die Dubbe en anderen over Zwolse zilversmeden
hebben geschreven. Er is echter van deze
bron nog geen gebruik gemaakt om het stedelijk
patronaat te onderzoeken. Nadeel bij de stadsrekeningen
is dat er geen index op is vervaardigd,
zodat het doornemen van de rekeningen geen sinecure
is. Het zou ideaal zijn als het onderzoek
systematisch gebeurde en vastgelegd werd op
fiches of op een andere wijze.
Resultaten
Het verrichten van een studie naar een individueel
kunstenaar of een onderzoek ter verbreding of
verdieping van de kennis over zijn werk, blijft altijd
aantrekkelijk en op dit gebied worden dan
ook de meeste resultaten behaald. In Zwolle waren
tijdens het ancien regime vaardige schilders,
glasschilders, zilversmeden en houtsnijders werkzaam.
Aan diverse kunstenaars is al aandacht geschonken
in verscheidene artikelen en boekjes,
die hier niet allemaal genoemd kunnen worden.
Uitgangspunt voor het onderzoek was in de
meeste gevallen een bestaand kunstwerk of een
oeuvre. Voor de kunstgeschiedenis van Zwolle
zijn in de laatste decennia vooral J. Verbeek en de
al genoemde Dubbe vruchtbare schrijvers geweest.
Een enkele vondst kan vaak leiden tot een
boeiend artikel met een wijdere strekking. Zo
schreef Verbeek naar aanleiding van de aankoop
van een zilveren theebusje door het Rijksmuseum
twee artikelen over de zilversmid Eusebius Willem
Voet, waarin talrijke details over het culturele
leven in Zwolle zijn opgenomen.3
Op literair gebied zijn er ook nog wel ontdekkingen
te doen over onderbelichte dichters en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
dichteressen. Recent werd, helaas wat verscholen
gepubliceerd, de vrijwel onbekende zeventiendeeeuwse
Anna Morian onder de aandacht gebracht.
4 De aanwezigheid van een kopie van het
Album amicorum van Lubbertus Rietberg in het
archief was de aanleiding een onderzoek naar
deze dichter in te stellen. Het resultaat is een poging
het werk van deze Zwolse dichter te plaatsen
in de literaire wereld aan het begin van de negentiende
eeuw. Er bleek meer over hem te vertellen
dan aanvankelijk werd verwacht.5
Besluit
Het beeld over het culturele leven in Zwolle zou al
danig in positieve zin gewijzigd worden, indien
iemand eens aan de hand van de bestaande studies
een samenvattend onderzoek zou verrichten
en de stand van zaken opmaakte. Het boek van
Hoefer, dat onbedoeld deze taak vervulde door de
erin opgenomen grote hoeveelheid informatie
over beeldhouwers, schilders en zilversmeden, is
verouderd.6
Wat de schilderkunst betreft is er een samenvatting
van de hand van Verbeek.7 Een nieuwe
studie zou echter ook de andere ambachten moeten
beschrijven en zijn voorzien van een alfabetische
naamlijst van alle Zwolse kunstenaars met
bij iedere kunstenaar de biografische gegevens,
bestaande literatuur en verblijfplaats van werk.
Uiteraard dient een geschiedenis van de gilden
aan de naamlijst vooraf te gaan. Een dergelijk
boek zou de lacunes aantonen en systematischer
onderzoek mogelijk maken. De studie zou als referentiepunt
kunnen dienen voor nieuwe onderzoeken
op diverse terreinen.
Onderzoek naar al die kleine meesters en hun
opdrachtgevers zou nog onvermoede inzichten
kunnen opleveren over het culturele leven te
Zwolle tijdens het ancien regime. Iedere bijdrage
die het beeld vollediger maakt, is welkom.
Noten
1. G.J. Hoogewerff, De geschiedenis van de St. Lucasgilden
in Nederland (Amsterdam 1947) 67-73.
2. M. van Heuven-Bruggeman, ‘Een rekest in Zwolle
in de nazomer van 1785’, in: Verslagen en mededelingen
van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsen
regt en geschiedenis 91 (1976) 70-95.
3. J. Verbeek, ‘Rond een zeshoekig theebusje’, in: Bulletin
van het Rijksmuseum 11 (1963) 94-99. Idem,
‘Een vierde theebusje van Eusebius Willem Voet’,
in: Bulletin van het Rijksmuseum 16 (1968) 13-16.
4. G.T. Hartong, ‘Anna Morian, Zwols dichteres’, in:
Overijssel in proza en poëzie (Borne 1983).
5. J.C. Streng, ‘De Zwolse dichter Lubbertus Rietberg
(1783-1826)’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1991)
40-52.
6. F.A. Hoefer, Wandelingen door oud-Zwolle (Zwolle
1912).
7. ]. Verbeek, ‘De beeldende kunst in Overijssel’, in:
B.H. Slicher van Bath e.a. (red.), Geschiedenis van
Overijssel (Zwolle 1970) 333-341.
Een houten theebusje
met zilver versierd
(rond 1700). In de dop
is de naam van de ook
op degildetafel voorkomende
smid E.W. Voet
gegraveerd. (Foto Provinciaal
Overijssels
Museum, Zwolle.)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op zoek naar onze voorouders
P. Jonkers-Stroink
David Schuschan Stibbe,
89 jaar oud, overleden
in 1806. (Foto Provinciaal
Overijssels
Museum, Zwolle.)
Genealogie of stamboomonderzoek is een
hobby die door steeds meer mensen wordt
ontdekt. Dat is niet zo verwonderlijk,
want van het achterhalen van de identiteit van
onze voorouders en het invullen van hun levenswandel
gaat een grote fascinatie uit. Het gemeentearchief
beschikt over een rijk scala aan bronnen,
waarmee het leven van vele generaties Zwollenaren
kan worden ingekleurd. Hieronder volgen enkele
voorbeelden van de soms lastige, maar altijd
interessante problemen die bij een genealogisch
onderzoek om de hoek komen kijken.
In de negentiende eeuw komen we bij het genealogisch
onderzoek over het algemeen geen al
te grote hindernissen tegen. De in 1811 ingevoerde
burgerlijke stand en het in 1850 tot stand gekomen
bevolkingsregister maken het mogelijk een stamboom
gemakkelijk tot het begin van de negentiende
eeuw terug te voeren. Vóór 1811 moeten we
gebruik maken van grotendeels door de kerkelijke
instanties bijgehouden doop-, trouw- en begraafboeken,
ook wel DTB-boeken genoemd. Deze
primaire bronnen bevatten de gegevens die de basis
van elk genealogisch onderzoek vormen, te
weten namen, verwantschappen, data en plaatsen.
Het overgrote deel van de primaire bronnen
is alfabetisch toegankelijk gemaakt, wat het onderzoek
natuurlijk aanmerkelijk vergemakkelijkt.
Dat wil uiteraard niet zeggen dat er bij een onderzoek
geen problemen naar voren kunnen komen.
Zo blijken er op de lijst van zerken op de
joodse begraafplaats van Zwolle leden van de familie
Stibbe voor te komen met de vermelding: de
leviet. De vraag is nu of deze Stibbes afstammelingen
zijn van stamvader David Stibbe, die zelf geen
leviet was. Uit de bronnen kwamen de namen van
Leonardus, Lucas, Isidoor, Betje, Duifje en Eduard
Levie Stibbe naar voren. Uit verder onderzoek
bleek dat zij afstamden van de ongehuwde Duifje
Elias Stibbe, die op 25 december 1803 was geboren
en op 14 september 1879 overleed. In haar overlijdensakte
stond dat haar ouders Elias Moses Stibbe
en Beeletje Salomons Cohen waren. In een geboorteregister
van niet-gereformeerde kinderen
was in het gedeelte dat op joodse kinderen betrekking
had, te lezen dat op 10 maart 1776 Elias
was geboren, de zoon van Moses Davids Stibbe en
Marjanne Elias. Deze Moses bleek een zoon te
zijn van de stamvader David Stibbe en Duifje
Hartogs.
Zo waren de familieverhoudingen blootgelegd,
maar hoe zat het nu met die vermelding van
de leviet? Om dat te ontdekken werd verder onderzoek
gedaan naar de ongehuwde Duifje. Het
bleek dat zij samenwoonde met Hartog Cosman
Troostwijk. Deze Hartog overleed op 4 augustus
1850 als echtgenoot van de ongeneeslijk krankzinnige
Klara Davids Cohen. Verder kwam naar voren
dat de eerste kinderen van Duifje in het geZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
boorteregister als Troostwijk waren ingeschreven,
een inschrijving die later werd doorgehaald en
veranderd in Stibbe. De oplossing voor het raadsel
lag in het feit, dat Hartog en Duifje voor de
joodse wet wel degelijk gehuwd waren. Die wet
biedt namelijk onder speciale condities een man
de mogelijkheid om, als zijn vrouw krankzinnig
is, een tweede vrouw te huwen. De Troostwijks
waren levieten en vandaar dus de vermelding op
de grafstenen!
Een ander voorbeeld van onderzoek in de registers
van de burgerlijke stand en de DTB-boeken
betreft de herkomst van Cornelis Rijfkogel,
die te Zwolle op 23 oktober 1834 trouwde met Clara
Edelenbos. Uit de bijlagen bij dit huwelijk bleek
dat hij op 21 november 1802 te Heemstede geboren
was als zoon van Cornelis Rijfkogel en Maria
Royer. Meer informatie over de ouders ontbrak,
omdat ze al vele jaren ‘absent’ waren, de vader al
24 jaar. Uit de bijlagen bleek tevens dat zijn grootvader
van moederszijde in Zwolle overleden was.
Het onderzoek spitste zich dus toe op Maria Royer.
Zij werd op 24 maart 1780 geboren en op 26
maart gedoopt als dochter van Johannes Royer en
Aleida Brink. Uit het rechterlijk archief van Zwolle,
dat ook gedeeltelijk alfabetisch toegankelijk is,
bleek dat de ouders van Maria op 13 sprokkelmaand
(februari) 1811 voor de schepenen van de
stad waren verschenen om te melden dat hun
dochter al geruime tijd slecht door haar man behandeld
werd. Aleida verklaarde dat ze, toen ze
zich in het begin van 1805 op verzoek van haar
dochter Maria naar Lisse had begeven, waar het
echtpaar woonde, daar meermalen getuige van
was geweest. Vervolgens had Cornelis Rijfkogel in
lentemaand (maart) 1805 zijn vrouw en kinderen
verlaten. Daarop hadden Johannes en Aleida zich
over de kinderen ontfermd.
Vóór 181a was men niet verplicht een vaste familienaam
te voeren. Dat kan bij genealogisch
onderzoek nog wel eens tot verwarring en problemen
leiden. Zo kwamen in Zwolle een Catrina,
Adam en Bartholomeus Luikerhof voor, die respectievelijk
in 1716, 1728 en 1719 trouwden. De
dopen van deze drie Luikerhofs waren in de alfabetische
toegang echter niet terug te vinden. Maar
omdat zij of hun wederhelften onderling getuige
bij eikaars huwelijken waren, mogen we aannemen
dat we hier met leden van één gezin te maken
hebben. Een belangrijke aanwijzing was dat Catrina
bij haar begrafenis in 1740 Van Ooij werd genoemd.
De naam Van Oijen duikt namelijk wel
vaker op in verband met de naam Luikerhof. Zo
was de vrouw van Adam in 1729 getuige bij de ondertrouw
van Hendrine Esting, de weduwe van
Jan van Oijen. Jan van Oijen was zelf getuige bij
het huwelijk van Bartholomeus.
Omdat het onderzoek in de DTB-boeken geen
uitkomst bood, moesten andere bronnen opgezocht
worden. Zo werd het wijkboek van de Sassenstraat
geraadpleegd, omdat bekend was dat
Bartholomeus in de Walstraat had gewoond en
deze straat destijds in de wijk Sassenstraat was ge-
Huwelijksbokaal, gewaakt
voor het huwelijk
van Egbertus Vos
de Wael en Johanna
Maria van Sonsbeeck
op 16 augustus 1746.
Het dopen, trouwen en
begraven laat niet alleen
in het archief sporen
na. (Foto Provinciaal
Overijssels Museum,
Zwolle.)
142
J_
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op de bokaal werden
naast liefdessymbolen
en een gedicht ook de
familiewapens gegraveerd.
Het linker wapen
is van de familie
Vos de Wael. Dat bij
dit huwelijk niet alleen
het familievermogen
een rol speelde, blijkt
onder andere uit de
hartvorm van de wapens.
(Foto Provinciaal
Overijssels Museum)
legen. Wellicht dat hierin viel te achterhalen waar
de familie vandaan kwam. Bartholomeus werd
vermeld als metselaar, ‘van alhier’. Dat betekende
dat hij dus toch uit Zwolle afkomstig was. Vervolgens
zat er niets anders op dan het doopboek over
een bepaalde periode door te nemen en de doop
van elke Bartholomeus op te schrijven. Belangwekkend
was de doop van een Bartholomeus op 3
maart 1697. Zijn ouders, Peter Hofkerus en Annetje
Bartholomeus, lieten namelijk op 27 mei 1694
een dochter Catrina en op 15 februari 1699 een
zoon Adam dopen. Met deze gegevens in het achterhoofd
kon verder worden gezocht. In het
trouwboek was te vinden dat Anna Bartolomeus
op 12 februari 1682 trouwde met Hendrik van
Ooijen, soldaat onder het regiment van kapitein
Torck. Een huwelijk van Anna met Peter Hofkerus
was echter niet te vinden. Uiteindelijk bleek
dat ze onder andere namen in het huwelijk waren
getreden, want op 25 januari 1691 trouwde Anna
Karnaeij, weduwe van Hendrik van Ooij, met Peter
Haafkens, een soldaat. Deze familie is dus wel
zeer los met achternamen omgesprongen!
Uit het bovenstaande is al gebleken dat secundaire
bronnen kunnen helpen om een vastgelopen
onderzoek weer op gang te brengen. Ook
kunnen ze informatie geven over de levensomstandigheden
van onze voorouders. Zo was bekend
dat ene Gerrit Helleman circa 1755 in Zwolle
geboren was. Onderzoek bracht aan het licht dat
hij op 4 december 1755 luthers werd gedoopt als
zoon van Gerrit Helleman en Catharina Margrite
Vreese. De doop, het huwelijk of de begrafenis
van de ouders konden echter niet in Zwolle worden
gevonden, zodat het onderzoek moest worden
voortgezet in secundaire bronnen. In het
rechterlijk archief werd in een inventaris van goederen
in de wijk Diezerstraat gevonden dat de ouders
vóór half juli 1766 waren overleden. Vanaf
dat moment werd door twee lutherse ouderlingen
een lijst van alle inkomsten en uitgaven van
de wezen bijgehouden. Volgens een resolutie van
schepenen en raden van 15 juni 1791 werd de
voogdij toen beëindigd omdat alle kinderen volwassen
waren. In de boekhouding was sprake van
een stalhouderij. In de transportregisters, waarin
de aan- en verkoop van onro

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift, uitgaven 1991

Door 1991, Zoek in ons tijdschrift

NK I JKEXEMPUAR
Historisch
Tijdschrift
8e jaargang
1991, nr.1
ƒ9,50
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
‘HEID, BROEDERSCHAP.
ï COURANT,
r den 2 Jtimtary. 1796.
DER B1TAAFSCHE VRYBKID.
té-f
£ t
;; H:
A, t-.ra.-tit
van
tcll£l>
u«a
als oeK va
dsihöH va
dat te Au
vuur dl» V
viecion t«
raio rog
urfoa | wloorca
iüiuot I Is h-‘C
>uti ik j zoo goed !
O J I . zo er niet
in da | Ik ka
D10K O /is
der «ewsp
d» eer il

•*••
k aiii;
orytie
co
and >
e uit
1 det
icrJuo
cyoei
t, dn
D Huhi
t ,
j
lytt «r
voorleuoo,
Ifs eeu
D.t V.i=»
t> n beeft
tturgtry ir
Mon h
utn zig,
•Jat dit ie
urn dit I
.!«
beifcea.
Dur e
Gsld rl
JOU RN AL P O LITI QUE
DU D EP AR.1 E M ENT
DES BOUCHES DE L’ISSEL.
STAATKUNDIG DAGBL A
VAN HET DEPARTEMENT
DER MONDEN VAN DEN YSSEL.
j e t i d i ;’J 3 1 U t c c m b r e %<-i Zls daai v i f i i . Ik I -D.nar unt. I l het V hooft l n z ' hgrnor ri mogelyke -Jat djn.l ta»tof G . 7 9 0 Dur.dcrcag den 31 Dtctrr.ber I N T E R I E U R . PREFECTTJRK DU DEPA1^ T1" NfENT DES BOUCHRS f»E Ul'-SPL. No t. ) re D I V I S I O N - . CHEVAL1FR de L'KMPIRE , MEMBRE He i t « 4 - r.I,.M CHOMNKIIR. er B -8
. | ^ – j . in de mee(te Previntien %in «ns Cemenebeft i l:ct Koogduitfche Nieuws vroeger dan andere Courau- rSt “”O^ “” ”
*-^ verfclridene Weekbladen, Couranten en ancUre I ten en £i:-iiwspspieren ie kunnen mede deeten.
Nieuwspapicren worden uitgegeven; waar door de N»?ie
niet alleen genoegzaam word onderricht v«n dca lydelyken
toeftand «lezer Repnblyk, van derzelver TOCTcti
andeten, zo kan een ieder, zo wel binnen JJ M 2 8
als buiten deeze Provintie door middel van dit ons. a3 u *• “o
van 13 juni 1805 wezen zij erop dat zij
hun krant “met zeer zware kosten en onvermoeide
werkzaamheid tot die trap der
volkomenheid hebben gebragt” welke zij
thans bezat. Maar nu vreesden ze “dat
mogelijk iemand binnen deze Stad ook
een Courant zoude willen ondernemen,
ofschoon waarschijnlijk wel onder eene
andere benaming”. De Tijls hielden het
stadsbestuur voor dat zij daardoor veel
inkomsten uit de advertenties zouden verliezen,
“welke toch wel het Fonds uitmaken,
waardoor deze onze Courant haar
bestaan behoudt”. De eventuele komst
van een tweede nieuwsblad zou de Zwolsche
Courant dus grote schade toebrengen,
“waarvan hoogstwaarschijnlijk gevolg
zoude zijn, dat deze Courant weder te
gronde ging, – of wel den val van beide
zoude kunnen na zich slepen”. Dat beeld
hield men het stadsbestuur voor: bij het
toelaten van een andere krant zou Zwolle
uiteindelijk eindigen zonder krant! Om dit
te voorkomen vroeg men of de Zwolsche
Courant niet “zodanig eene vastigheid
gegeven konde worden, waardoor zij
supplianten alleen, en niemand anders
binnen deze Stad bevoegd wierden een
Courant te mogen drukken en Advertissementen
in deselve (te mogen) plaatsen”.
Daar had men best wat voor over,
“desnoods onder uitkering van een jaarlijks
equivalent aan de stad, Godshuizen
of waartoe zulks mogt bestemd worden”.
Op dit verzoek werd op 25 juni 1805
gunstig beschikt. In ruil voor een jaarlijkse
betaling van 50 goudguldens ten behoeve
van het weeshuis bezat Tijl nu
voor Zwolle een monopolie.
Koninkrijk Holland
In 1806 maakte de Bataafse Republiek
plaats voor het Koninkrijk Holland. De
bemoeienis van de overheid met de
kranten werd er niet minder op. Zo
mochten alleen die staatsstukken geplaatst
worden, die in de Staatscourant
voorkwamen. Hetzelfde gold voor aanstellingen
van ambtenaren, officieren en
dergelijke. De gemeentebesturen moesten
erop toezien dat “geene verontrustende
nieuwstijdingen, zo binnen ’s lands ofte
uit de Armee van het Rijk overgenoomen
uit Buitenlandsche weinig geaccrediteerde
nieuwspapieren worden geplaatst”. 6) En
in 1807 werden de kranten zelfs opgedragen
“[…] om niets, dit Rijk algemeen
en de krijgsbewegingen binnen en in de
nabijheid van deszelfs grensen in het bijzonder
[…] te plaatsen”, alvorens dit was
verschenen in de Koninklijke Courant.
Bovendien moesten alle te plaatsen berichten
eerst worden voorgelegd aan de
procureur des Konings, “[…] die bij deze
word versogt en geauctoriseerd, alzodanige
passages als daarin mogte oordelen
strijdig te zijn met deze order daaruit
te roijeeren […]”. 7) Dit voorschrift
werd overigens al op 23 september daaropvolgend
ingetrokken, “[…] met aanbeveling
van wat voorzichtig in ’t plaatzen
van opgemelde tijdingen te zijn”.
Daarop lieten Martinus en Hendrikus Tijl
de procureur weten de Hollandse kranten
tot richtsnoer te zullen nemen, “’t geen
denzelven goedkeurde”. 8)
Drukkerijen
In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd
bij het Franse keizerrijk. Overijssel
heette nu departement van de Monden
van den IJssel, of eigenlijk ‘Département
des Bouches de 1′ Yssel’. Van overheidswege
werd steeds meer druk uitgeoefend
om toch vooral de Franse taal te
gebruiken. Al snel kwam het voorschrift
dat de berichten in de kranten zowel in
het Nederlands als ook in het Frans
moesten worden afgedrukt. En zo heette
vanaf 1 februari 1811 de Zwolsche Courant
ook ‘Gazette de Zwolle’. De Franse
vertalingen waren overigens niet altijd
naar de zin van de autoriteiten. Zo lezen
we in een brief van de directeur-generaal
van politie aan Tijl van 7 januari 1812 dat
deze meermaals fouten had ontdekt, die
de lezers slechts konden leiden “dans des
erreurs grossières”.
Met de inlijving werd de Franse wetgeving
in Holland van toepassing. Bij keizerlijk
decreet van 5 februari 1810, dat nu
ook in Nederland gold, was de boekhandel
geregeld. Daarin was onder meer het
aantal drukkers per departement aan banden
gelegd. De Tijls, die naast krantenuitgevers
tevens boekdrukkers waren, wilden
blijkbaar weten waar ze aan toe waren.
In het archief vinden we een brief
van 22 februari 1811 uit Nijmegen, schijnbaar
geschreven door een huisvriend, die
hen nadere informatie gaf. “Het is waar,
dat het getal der drukkers in Parijs is gereduceerd
en op 60 is gebragt, en zulks
ook in de overige Departementen zal
plaats hebben”, zo konden ze lezen. Ook
in het Nederlandse gebied zouden binnenkort
maatregelen te verwachten zijn.
Maar de schrijver stelde ze direct gerust:
“Doch geloove ik niet dat UE iets zal te
vreezen hebben, daar Zwolle, zo ik
meene de Hoofdplaats van het Departement
is, en het getal der drukkers zo zeer
groot niet is”.
In het archief van Tijl bevindt zich een
stuk dat nader licht werpt op de Zwolse
boekdrukkenj van die dagen. Het gaat
hier om een concept-antwoordenlijst. Niet
vermeld is op wiens verzoek deze is opgesteld.
Vermoedelijk zal dat de prefekt
zijn geweest, de hoogste bestuurder in
het departement. De eerste vraag informeerde
naar het aantal drukkerijen in
Zwolle in 1806 en 1811. Uit het antwoord
blijkt dat er in 1806 vier drukkerijen actief
waren geweest, die van M. en H. Tijl (onderfirma
van M. Tijl en zoon), F. Clement,
J. de Vri en B. Idzinga. Deze drukkerijen
waren er in 1811 nog steeds. In 1806 hadden
vader en zoon Tijl acht werklieden in
dienst gehad, in 1811 nog maar zes. Voor
Clement lag dit getal op vier respectievelijk
drie en voor De Vri op zes en
vier. Idzinga had in 1806 één werkman,
“dat zijn zoon was” en zat nu zonder
werkvolk.
Op de vraag hoeveel deze drukkerijen in
1806 en 1811 gedrukt hadden, luidde het
antwoord: “De Drukkers van de drie
groote drukkerijen kunnen deze vraag
met geen mogelijkheid beandwoorden,
alleen zoude van hun eenige verklaring
op dezelve kunnen dienen dat zij in en
voor 1806 ruim een derde meer arbeidsloonen
in een rond jaar betaald hebben
dan zij thans in een rond jaar doen,
waarvan veelal de oorzaak is, dat te vooren
op hunne drukkerijen aanzienlijk veel
besteld werk gedrukt wierd, en thans veel
voor hun rekening moeten opleggen om
hun werkvolk aan het werk te houden;
waarmede zij, met groote schade blijven
zitten”. Op de vraag naar de aard der
werkzaamheden bij de verschillende
drukkerijen was het antwoord dat Tijl,
naast de krant, smout- en boekwerk verzorgde,
waarbij schoolboeken apart
worden genoemd. De overige drukkers
deden, uitgezonderd natuurlijk het
drukken van een krant, hetzelfde werk.
De kleine drukkerij van Idzinga vervaardigde
voornamelijk “Tabakspapier”.
Niet lonend
Op de vraag naar de veranderingen door
de jaren heen was het antwoord dat deze
vooral in het teken hadden gestaan van
achteruitgang. Met name de teruggang in
het drukwerk voor het departementaal
bestuur, “’t welke in en voor 1806 op de
drie groote drukkerijen zeer veel werk
veroorzaakte”, was hier aan debet. Tijl
was er nog het beste uitgesprongen. Het
drukwerk dat de prefektuur in 1811 had
uitbesteed was geheel ten gunste van
deze drukker gekomen. Maar dit werk
was, nog steeds volgens de antwoordenlijst,
gering, “omdat veele besluiten thans
gratis in de Courant worden geplaatst en
de overigen geschreven worden”.
Een andere oorzaak van de slechte gang
van zaken moest worden gezocht “in het
van jaar tot jaar afneemen van den trek
tot het koopen van boeken, waar door
het drukken van boekwerk bijna niet
meer kan worden ondernomen”. Gevraagd
naar de diepere redenen van deze
veranderingen luidde het uitvoerige antwoord:
“Ie. Aan de tijdsomstandigheden,
2e. aan de schaarsheid van geld, 3e. aan
het doen of laten schrijven van veele zaken,
die te voren gedrukt wierden, 4e.
aan de steeds afneemende leeslust, 5e.
aan het menigvuldig drukken der boeken,
wetten en rijkspapieren die thans aan de
keizerlijke drukkerij te Amsterdam gedrukt
worden, en waarvan zij verstoken
zijn, 6e. aan het afneemen van den koophandel,
7e aan de moeilijkheid en kostbaarheid
der verzending, 8e. aan zoo
veele moeilijke bepalingen waaraan de
boekdrukkerijen inzonderheid onderworpen
zijn en ten 9e om dat het drukken
van boekwerk thans minder is dan
voorheen, uithoofde van het bezwaarlijke,
om naar het voormalig Zeeland, voormalige
Bataafsche Braband enz. eenige
Hollandsche gedrukte werken te verzenden;
het plekje grond waarop Hollandsche
boeken moeten worden gedebiteerd
zoo klein is, dat het in zeer veele gevallen
de kosten niet kan opbrengen, om
auteur, drukloon en papier te betalen, en
om dat de Hollandsche taal in geen land,
buiten ons vaderland wordt gelezen, dan
in de colonien van oost en westindien, en
thans ook zelven in de Hollandsche Departementen
minder gelezen wordt dan
voorheen”. Een hele waslijst! Op de vraag
naar de middelen tot verbetering van de
toestand, was het nuchtere antwoord:
“Zijn zeer bezwaarlijk om op te geven;
Wanneer de opgegevene redenen der
verandering konden worden weggenoomen,
dat zouden wel de beste middelen
van verbetering zijn”.
Staatkundig Dagblad
Ook voor de kranten bracht de inlijving
veranderingen met zich mee. Met name
het keizerlijk decreet van 3 augustus 1810
was van belang. Dit decreet, dat handelde
over de nieuwsbladen, trad op 9 april
1811 hier in werking. In elk departement
mocht voortaan nog maar één staatkundig
nieuwsblad verschijnen. Dit blad zou onder
toezicht komen te staan van de prefekt,
die vooraf iedere uitgave moest
goedkeuren. Ook zou hij een redacteur
benoemen. Het was de Zwolsche Courant
die voor het departement van de Monden
van den IJssel werd aangewezen als staatkundig
nieuwsblad. In een circulaire deelden
de Tijls de abonnees mee dat zij met
ingang van 1 augustus 1811 waren aangesteld
als drukkers en uitgevers van het
Staatkundig Dagblad van het departement
van de Monden van den IJssel, “het eenigst
Nieuwspapier het welk van den 1
GELYKHEÏD, VRYHEÏD, BROEDERSCHAP.
ZWOLSCHE COURANT.
No. i. Zaturdag.den 2 Jauuary. 1796.
MET TWEEDE JAAR DER KATAAFSCHE VRYBKID.
2 kn
N E D E R L A N D E N .
Brlif uit ‘sHAGE varj den 29 Decfinbtir 1795»
M E D E B U R G E R !
Gy ‘/.’«et, Vii^nd! dat h«t uog en do wsnsch »an
. N é l.!ni!s Britivjn teedj la;:g op h’;t (Uarftellja
eener Natiooale Conventie gevestigd wa<-, dut u«e Froviricii* door het onannelyk ntimuo der Cocciuiit' daanoa via den Burc.-r J >‘d^ns &o toet ui t^t blos KIM ba> ft,trn vo:>ral
dat do Stad Z#olla ony» fchryva» pu’v cq maiKt, op Hj( O«ory6-
( i l , op d»t 2»o!le’, coo-nnals (>«eJ£ bcdr • ‘ , a!s die uo
h»illi;<8 plïats, waar ds Vyh 11 eo" fc3uit(>|i«(g viad«nd-.>
i h i is op.rnyk hursn z-lsl v=5ijjt, Z|J vin don aiterdoH.t
ontheffa, als of 4t:zet tyner
G’cocutnlittsrde s — lü ze* door éé , waot wO’t, dit
ir twae of drie G cimoiitu-erde«t «atuui» Ortirysf^l io Hu’
H. M»g V.ïrga’tinnf; waren, eo hoo t«ij eij-cotlys hi.-t,
dia In datrza het woora voerHj. wrtef ik »ifr mrtt^’s. alt
I Is h-JC nlst ODjelükklg, daar de ^aikco buitL-o ‘ilardi
j zoo goed (ban, ddC de twtwdritt ons ten »al oio:: bwtgnr;,
. zo er oiet by ryis kratjtdaciig io roorzieD ?d/dt.
| Ik H ‘ U » onk noi «eldj», dat Uw Mrurg*r eo naj
mees O.aipfci G cummittiariU i i «e Vergadeikg j:bi;f
der jewap cdu Burjwym Ji C ran Llgt«ob«((; gis =i by
da seriitf Vafg’Joriwj’ hoeft gr-auC’t erd, cshouden i;j do
Mutchül’ k.1»»- Io ret grW-.-zun Stadh;uJrrlyk liwanijr^
ü«t V,’l3jlai:d rp itiaf van Banni^f m»nt voor eer.i^e j.a
rtn beeft vnbojin aan de G:drput -erdacs o IKD.
Ds Burgnr V. D S>«k i l thans »oor ernwoek ? r i f i j t r t .
Zie daar Vriend tl hit niiuwsdit ik ut? Bflotr xjnbj pro:
vifi i . ik ie/hasl > deol hot ci:t zilorn aan n»i !
o .2
S j – a t
ï ?-
5 S „ « o.
E’S!-
Augustus aanstaande af in dit Departement
zal mogen worden gedrukt”.
Uit die tijd zal ook het ongedateerde
schrijven stammen waarin de Tijls de prefekt
hun reactie gaven op een ontwerpreglement
van instructie. Het voortaan te
plaatsen wapen van het Keizerrijk zouden
ze zo snel mogelijk laten vervaardigen,
“hoezeer het hun kostbaar is”. Blijkbaar
maakte het concept-reglement ook gewag
van de kwaliteit van het drukwerk. De
Tijls antwoordden: “Zij zullen alles wat
mogelijk is doen, om de letter die zij
thans voor hunnen Courant gebruiken,
zuiver en duidelijk te drukken; doch zij
kunnen daartoe vooralsnog geen nieuwe
letter doen vervaardigen, om dat daarmede
eene voor hun te zware kosten van
ten minsten tusschen de zeven en achthonderd
guldens gemoeid is”. Wat betreft
de kwaliteit van het papier, die was gelijk
aan die van andere kranten. “Indien het
debiet egter zodanig mocht aanwinnen”,
dan zou het gebruik van beter papier
overwogen kunnen worden.
Een ander punt betrof de Franse vertaling:
“Het zal allermoeilijkst en voor de
uitgevers genoegzaam onmooglijk zijn om
iemand, die beide talen verstaande, te
vinden”, die als corrector wilde werken.
Temeer daar hem slechts een laag loon
kon worden geboden. De door de prefekt
voorgestelde subsidie in deze vonden de
Tijls onvoldoende, “daar dezelve, met eerbied
gezegd, waarlijk in schijn, maar
geenzins in de daad eenige aanwinst is”.
Voorgesteld werd het correctiewerk te
laten uitvoeren door “den jongsten uitgever”,
Hendrikus Tijl, die dat tot dan toe
steeds had gedaan. “Hoezeer de Fransche
taal niet goed verstaand, doch die zich
met alle vlijt zal toeleggen en zich werkelijk
toelegd om daardoor verder machtig
zal worden”.
Aan de wens van de prefekt om officiële
mededelingen gratis in het blad te plaatsen
wilden ze wel voldoen, “wanneer de
stukken niet zoo menigvuldig en uitgebreid
zijn”. Vader en zoon Tijl stelden
voor eenvierde voorpagina daarvoor te
reserveren. De eis dat de krant vooraf
door de prefekt zou moeten worden
goedgekeurd was natuurlijk niet te negeren.
Wel werd gevraagd deze autorisatie
tijdig te geven. Dit met het oog op het
halen van de postwagens en schepen. De
krant moest immers op tijd bij de abonnees
zijn, omdat vertragingen “[…] eene
dadelijke opzegging van een groot aantal
zouden ten gevolge hebben”. Het voorstel
was dat de knecht die de krant naar de
prefekt bracht, op de autorisatie zou
mogen wachten. Ook in de wens dat de
prefekt en de maire van Zwolle eerder
een gedrukte krant zouden ontvangen
dan de overige abonnees kon worden
toegestemd. Voor de maires van de andere
gemeenten was dat echter niet haalbaar.
Het voorstel de abonnementen niet meer
op naam van de maires, maar op die van
de gemeentebesturen te stellen, stuitte op
bezwaar. De Tijls voorzagen dat alle leden
van het gemeentebestuur “[…] en
anderen die als bedienden of in anderen
qualiteiten bij de Gemeente Besturen verkeeren”,
in dat geval hun abonnement
zouden opzeggen. Dat zou dan weer inkomsten
schelen. En hoe minder lezers,
des te hoger de kosten. Nadrukkelijk
moest vermeden worden dat de abonnementsgelden
omhoog zouden moeten
gaan. Martinus en Hendrik Tijl wisten
“moreel zeker […] dat zoo dra de Courant
maar slegts een enkele duit verhoogt
wierd in prijs, er dadelijk zoo veele zouden
worden afgezegt, dat zij binnen weinige
weken met het drukken en uitgeven
en alzo met die souree van hun bestaan
zich geheel genoodzaakt zijn uitscheiden
en de Courant die nu zij […] met zware
kosten en grote moeite hebben op den
been gebragt, wederom zien te gronde
gaan”. Als voorbeeld gaven ze de duit
porto die lezers van buiten Zwolle extra
moesten betalen “sedert den nieuwe inrichting
der Posterijen”. Dat had hun maar
liefst honderd opzeggingen opgeleverd.
En het ging toch al niet best met de
krant. Zo hadden nog onlangs zeer velen
opgezegd, “om dat, zeggen zij, de
Courant van hoe langer hoe minder belang
voor Particulieren wordt”. De in de
ontwerp-instructie opgenomen plicht zich
aan de aanwijzingen en verordeningen
van de prefekt te houden vormde voor de
Tijls geen probleem: “Na dit art. zullen de
Uitgevers, even zoo als het alle burgers
betaamd, zich met eerbied gedragen, daar
onze Prefekt toch niets van ons vorderen
zal, dan dat billijk is, en uitvoerlijk”.
Advertentieblad
De krant stond nu dus onder toezicht van
de prefekt. Daarnaast moest men ook
rekening houden met G. van Lennep, de
te Groningen gevestigde inspecteur voor
de drukkerijen en de boekhandel in de
departementen Wester Eems, de Monden
van den IJssel, den Boven-IJssel en Vriesland.
Een keizerlijk besluit van 26 september
1811 bracht verdere wijzigingen.
Er werden voorschriften gegeven voor de
zogeheten ‘feuilles d’affïches, annonces et
avis divers’. Het was de bedoeling dat de
advertenties uit de nieuwsbladen zouden
worden genomen en in een zelfstandig
blad uitgegeven. Er zou voortaan dus
sprake zijn van een staatkundig blad en
een advertentieblad. Beide bladen mochten
bovendien niet bij dezelfde uitgever
verschijnen. Er was een lijst opgesteld van
veertien Nederlandse steden waar een
dergelijk advertentieblad gedrukt mocht
worden. Zwolle werd daarbij niet genoemd.
Martinus en Hendrik maakten zich daarover
ernstig zorgen. Ze waren bang dat
het hun uiteindelijk zou worden verboden
advertenties uit te geven en schreven
hierover een brief aan de prefekt. Hoewel
ongedateerd stamt de brief waarschijnlijk
van januari 1812. In de brief schreven ze
“dat zij ten hoogsten bedugt zijn dat dit
Decreet ook zijne strekking tot hunne
Courant mogte hebben”. En verder: “Dat
het hun vergunt zij hier bij met alle nederigheid
aan de attentie van U mijnheer
de Prefekt aan te bevelen, vooreerst, hunne
huiselijke omstandigheden en het gedeeltelijk
bestaan ’t welk hun de Courant
en voornamelijk de advertentien, na tweeentwintigjarigen
arbeid, opgelevert, en ten
anderen de nuttigheid, noodzakelijkheid
en kennelijke behoefte van dezelve voor
de ingezetenen van dit Departement en
aangrenzende oorden, en welke Courant
door bijna zoo veel duizend menschen
gelezen wordt als er honderden worden
gedebiteerd”. De Tijls vroegen de prefekt
hulp bij het zoeken van de weg, “[…] welke
wij voor ons behoud zouden moeten
inslaan”. En tot slot: “Het is met een hart
vol vertrouwen en oprechte eerbied dat
wij ons derhalven tot U wenden, U smekende
voor het behoud onzer Courant en
inzonderheid der advertentien”.
Maar de Tijls konden voorlopig gerust
zijn. De krantenuitgevers in de steden die
niet op de lijst hadden gestaan, mochten
doorgaan met het uitgeven van advertenties.
Voorwaarde was wel dat deze op
een apart blad bij de krant zouden worden
gevoegd. Alles leek erop te wijzen
dat de regeling voor deze laatste groep
tijdelijk was en dat ook hier uiteindelijk
de advertenties van het overige nieuws
zouden worden gesplitst. Dit vooruitzicht
bleef vader en zoon Tijl zwaar op de
maag liggen. En niet ten onrechte, want
de krant liep toch al niet zo goed. Dat
komt naar voren uit hun brief aan de
prefektuur van 3 februari 1812, waarin
opgave werd gedaan van de oplage van
de krant nu en vroeger, “met redenen van
de vermindering derzelven”. Aanvankelijk,
“na eerst een reeks van jaren met een
zeer onbestendig debiet geworsteld en
vele schokken ondergaan te hebben, was
het debiet van den jare 1795 af tot 1805
toe op eene bestendige voet”. De krant
had in die jaren gemiddeld 1000 abonnees.
Zowel binnen als buiten Overijssel,
schreven de Tijls vol trots, wist de krant
zich een lezersschaar te verwerven. Vooral
ook door de “zeer matige prijs”. De
krant kreeg een klap toen in 1806 de
belasting op het zegel was ingevoerd. 9)
Daardoor moest de prijs worden verhoogd
wat leidde tot 250 opzeggingen.
Van die tijd tot midden 1810, toen het op
last van de directeur van politie verboden
werd nieuws te halen uit buitenlandse
correspondentie en kranten, verloren ze
nog eens een hondertal klanten, en een
herstel had zich tot heden nog niet ingezet.
Integendeel, want vanaf het begin van
1811 bestond de krant grotendeels uit
mededelingen van de prefektuur. Bovendien
veroorzaakte het voorschrift de berichten
ook in de Franse taal te plaatsen
een verdere achteruitgang van plaatsruimte.
Dat had tot gevolg “dat wij aan de
begeerte van het publiek minder konden
voldoen en veele nieuwstijdingen moesten
agterlaten”. Opnieuw verloor de krant
lezers zodat die nu nog slechts 500 abonnees
kon tellen. Ook de losse verkoop
aan “buitenlieden en onbestendige koopers”
was in de laatste jaren aanzienlijk
gedaald. Van de 100 exemplaren die
daarvoor extra werden gedrukt, hield
men nu vaak zo’n driekwart over. Om
10
JOURNAL POLITIQUE
DU DEP AR. 7 £ MENT
DES BOUCHES DE L’ISSEL.
STAATKUNDIG DAGBL A D
VAN HET DEPARTEMENT
DER MONDEN VAN DEN YSSEL.
Jeudi !e 3 . üeccmbre rS:2 ( N g 7 9 . ) Donderdag den 31 December ifli».
I N T E R I E U R .
PRÉFECTURE DU DEPARTEMENT DES
BOUCHP.S DE L’f:SFL.
(No. t.) re D ! V I S ‘I O N Le CHEVALIFR de L’ïMPiRE , MEMBRE de UÉji.
GlüN J’HONNEUR, er ,(e L’OkDRR lMPcRlfa»
de :> RfUNIOrN . PRé FE T ;
Pitv.enr. («3 Irccieifts q « lej Medecia3 vétérinaire* *4snït daoi
«e Déptttenteat fout ,
Mrulcuri:
FRANS CAREL SCHULTK 1 Zwolle,
1ACOB VAN HER KLUIM a ü™.’«’,
“WOLTfiR JAN VAN CLÜ.EF 4 VolUnhoft.
el
JAN HENDRIt FERDll AM> GOOSMAN » £W«»
Cit annonce fe hit exptesfemenr, atto que ‘es admmisrrés
pcijfti! les dMtidRim d’«urres perleose* non qiulificcs c: iouvent
feóorantes
P.
Le Prtftt
H O F S T E D E .
DES SOUCHES DS L’ISSEL.
f de Z
L’AUOJTEUft AU CüWSElL 1>*£TAT, SOÜS-PREFET;

V’oainnr tiigiet ^Éfl^itivemeot 1’orgt .iitloo -dtkiés Baieiux-,
prcvicr.t. fes sdtnrnisrrfis et ^étfraleBicDt tous firttionnjires ou
üutres pu’fonflcs ^U’ fin’ on feraicot dins les cas d”avoir des té*
hC’.’iis avi-c iul : ffu”4 dS’rr du lei^Janviet 1S13 , l’ordte faivaet
ftra érabil 4 la Soit* PiÜfecivrc.
•tes oureacrx frroot oa»»rts foei les j^urs depuf» buit heorej
i’j malin jüs^u’a qjarre. heures fréfsr,
Jcvrout ê te mifcs da >8 a Bdo v. pi»:é^-, è eer cflet, a Ia puite
t;c: Je U jous-Pi^fec.ure; cecte pu:te fcra Üuvertc aux
B1NNENLANDSCHE BERIGTEN.
P.V!FEKTÜRP: VAN HET DEPARTEMENT DER.
MONDEN VAN HEN YSSPL.
^Wo. 1.) iftr ]) 1 V 1 5 i E. D RYHS RIDOF.-R , L I ) van het I.^CloRN vnn TPR .
en van dj UElZERI.YK.E ORDli dm UF-CNIE,
P R E F E K T ;
^•’<-i j : ter keixus varr een leder ii<"n ru Ifi ann^ajt. dtt de eNS CAREL SCHULTE- te Zwoüt.
jlCOr, Vnl< u t R KLUii'J te O-.-n-n. WOLTER JAN VAN CI.EEP te J'oUtnfii.rt: J^TJ HF.NDRiK. FERniNAND 0 0 0 S M A N •- Pc'.'.•:.-. WirdcR.le d:-ze gcstiiitteerde Vee-At'fcn «Idj; bekend gemuki , ti:n ei Je de Inue^iivneo .(ciclvc vm inderc u»g-qu«lj. ficetfJc ea veeltyjs orkundi^e peifuncn kut.nco ocderfcheidca. Zwolle i;Q aa Decotnbet 1812. De Prefckt P. Tl O F S T K O E . D E P A R T E M E N T P E R M O N D E N V A N D E N Y S S E L . Arroodisfcmeni vin ?wnllt. De A U D I T E U R by «ierf STi» A T S R A A D . O N D E B . . P R K . FER.T van Zv.o'.it De otpanifitic zyncr kDreaux volkuroen willende r e a l e n . » t r . s»1ttij?t';yne nndr/hoorlnyen , eo In 't ilp,iuu-'0 ,hc Ambttn»(co uf inJüre petfooen , dit 2yn o f l o u d t n zyn ID ': geval vao b e - tiekfeii'Cen met hem te hebben, rtn, te Wejiii nen met rfen iften Januaty i B ; . A: noTolgeDjc «rde ia de Ouder Prcfckturc ztl 'woiden i", e s c e r d L)c Rufcaux zul'cn alle dagen vafi '1 mornecê tPn Kbr . tot des nu.T:1'd«2s ten . i e t u i en open 7ryn ,-urt,(eiuiid rd d.- Zu:i en bebondenc, Kecjtdjgeo, na dieo ty< j t l m:n er Dicmind meet oeivanjen Het rubiick z? toegar» tor de Rorernx hetben des MainJag», Dinjidag' m V i y 13^» VJII c]e f r f t i K j[rhnordi;tB var den Onder Prtfekt l y o bfpJild
pp I);f..^..’3^ , v.n eco r^: -Ipc urco des nimiJd”^>, en np ‘ i ^ *
(t^g , v^i tmoTfitus :tn t i .n rr>; t w i r i t r rrn — i)c publieke
A u n t . r i t e n d’iitc :ei: 3 : :i • y 1.1 unrvjrgm w j r J e o , wanneer
Zy z i k . c n:.-t 1H1, U j . ‘ t i Hn f k: ‘c beha: j r i en r.cbb’.D.
De Ver? teKfv.hr.Ken ( o f R ‘ q . ; e s ‘ m ) en tl’c sr.Jerc aan d f o
O r J i j P i t l – i t f..nb : e l l ‘ j » k c j , zul.en m ,e en wurJ’jn guloken
ie Je liai , w c u c ICÜ a i .D CIQJC jjD ifc voo.drut ici Ondci •
een verdere daling van het aantal lezers
te voorkomen, vroegen de Tijls de prefekt
de krant te laten zoals die nu was, “[…] en
de advertentien er niet van te scheiden”.
Wanneer dat laatste toch zou gebeuren
zagen ze de toekomst somber in “[…] en
wij op den duur daarmede zullen vallen”.
Om de financiële positie wat te verbeteren,
stelden ze aan de prefekt voor dat de
bekendmakingen van verkopingen, die
nu via kerkespraak gebeurden, eerst in de
krant zouden moeten worden gedaan.
Pas dan “blijft er voor ons nog een straal
van hoop dat dezelve in stand zal kunnen
blijven”.
En passant werd de prefekt ook nog gevraagd
om een geldelijke bijdrage in de
kosten “die wij wezenlijk en zonneklaar
ten dienste van zijn H.E.Ed. Gest. hebben
aangewend en waardoor al eene zeer
aanmerkelijke somme voor druk of
schrijfloonen heeft uitgewonnen”. Het
schrijven eindigde met gepaste nederigheid:
“Vergeeft het ons WelEd. Gest.
Heer! als wij somtijds door deze wat te
langdradig mogte geweest zijn; – de
menigvuldige ondervinding die wij hebben,
dat UEG. ons belang steeds heeft
behartigd en in ons lot hebt deelgenomen
heeft ons aangespoord onze belangen bij
dezen nog eens op nieuw met eerbied
aan UEG. op te dragen”.
Op 3 december 1813 verscheen er een speciale editie van het
Dagblad van den Monden van den IJssel. Daarin vinden we
onder meer een beschrijving van de feestelijkheden te Zwolle
naar aanleiding van het einde van de Franse overheersing. De
inhoud is als volgt: Zwolle den 2 december. Gisteren voordemiddag
werd alhier van de Puye van het Stadshuis de Proclamatie
, (geplaatst in ons vorig No) onder eene groote toegevloeide
menigte, plegtig afgekondigd; terwyl aan den Grooten
Toren, van ’s Lands Huis en van alle in de Haven leggende
schepen de Oude Hollandsche Nationale Vlag waaide. Warme
Vaderlands liefde openbaarde zich op een ieders gelaat, en
weldra na het einde der Proclamatie weergalmde de lugt van het
zoo lang door geweld onderdrukte VIVAT ORANJE; wanneer de
Musiek het aloud beminde Vaderlandsche Volkslied; Wilhelmus
van Nassauwen, met hetzelve paarde – De eenparige deelneming
van een ieder ingezetene in deze allerbelangrykste gebeurtenis
vertoonde zich terstond door het eenparig dragen van oranje;
den geheelen dag wierd met algemeene vreugde door alle de
Ingezetenen zonder onderscheid doorgebragt, en de vermakelykheden
met Musiek en Serenades tot laat in den nacht
zonder eenige desordres geëindigd”.
Aan het verzoek aangaande de aankondigingen
bij kerkespraak werd voldaan.
Vanaf 1 mei 1812 moesten alle verkopingen,
verhuur en pachtvoorwaarden voor
onroerend goed eerst in de Courant van
het departement der Monden van den
IJssel worden geplaatst. Maar aan de gevreesde
splitsing van het blad ontkwam
men niet. Op last van de prefekt werd de
courant per 1 april 1812 vervangen door
een Staatkundig Dagblad en een Advertentieblad.
Wel mocht het advertentieblad
bij het staatkundig blad worden gevoegd.
Het verbod deze beide bladen bij één
uitgever te laten verschijnen, wist men te
omzeilen door ook op naam van
Hendrikus Tijl een brevet van drukker
aan te vragen. Door de prefekt werd toen
ook een redacteur benoemd, mr. A.
Goudoever. Dat er wel degelijk op naleving
van de advertentie-voorschriften
werd gelet, bewijst de brief die de inspecteur
over de boekdrukkerijen en de boekhandel
op 14 oktober 1813 aan Tijl
schreef. Daarin heette het: “Gezien hebbende
dat gij, van tijd tot tijd, in het Staatkundig
Dagblad van uw Departement
annonces van particulieren plaatst welke
daarin niet behooren, vind ik mij verpligt
u te waarschuwen zulks in het vervolg
niet meer te doen”.
Het einde van de Franse overheersing
Op deze voet bleef de firma Tijl tot november
1813 doorgaan met het uitgeven
van hun krant. In die maand, op 11 november,
verschenen de kozakken voor
Zwolle. Al een dag eerder was de Franse
administratie de stad ontvlucht. In het
licht van deze gebeurtenissen richtten de
Tijls zich op 12 november tot de prefekt:
“Daar wij, zoo wel rechtstreeks als van ter
zijden ontwaar worden, dat de leezeren
van ons Dagblad en Advertentieblad en in
het algemeen de meeste Ingezetenen van
deze stad en omliggende plaatzen van
ons verwagten, dat die bladen voortaan
alleen in de Hollandsche taal in het licht
verschijnen, zonder dat de Fransche taal
daarbij worde gedrukt”. Nu zou Tijl dat
maar al te graag willen, maar de instructies
verboden dat nog steeds. En tegen de
wet wilde men niet ingaan, “doch aan
den anderen kant met zeer veel reële
redenen vrezende de onaangename ge-
12
volgen zoo voor ons zei ven, als ook mogelijk
voor de rust van deze stad, wanneer
wij in het tegenwoordige tijdstip
voortgaan de Fransche taal mede in onze:
publieke bladen te gebruiken”. Graag zag
men aanwijzingen van de prefekt tegemoet,
“ten einde ons van onze niet ongegronde
vrees te ontheffen en om ons ten.
allen tijden te kunnen verantwoorden”.
De prefekt antwoordde echter dat hij niet
meer in functie was en verwees naar de
maire. Bij deze laatste diende men het
verzoek in enkel de Nederlandse taal te
gebruiken, de hierdoor ontstane ruimte
met advertenties op te vullen, berichten
op te nemen die tegen Frankrijk waren
en bovendien de naam van de krant zonodig
te veranderen. 10) De maire stemde
toe, zodat op 16 november 1813 een vernieuwde
krant het licht zag onder de
naam Dagblad van de Monden van den
IJssel.
Kort daarop werd Berend Hendrik van
Bentinck tot Buckhorst als provisioneel
gouverneur belast met de voorlopige uitoefening
van het bestuur van het departement.
Op 2 december 1813 ontvingen de
Tijls van hem een schrijven waarin zij
werden “gëmaintineerd” in het uitsluitend
recht tot het drukken van het departementale
dagblad, zoals hun was verleend
op 28 maart 1812. Ook redacteur
Goudoever moest in zijn functie blijven.
Sterker nog, men werd “gelast, en beveeld
dezen aangestelden Redacteur, en
de voormelde boekdrukkers om met het
drukken en uitgeven van het voorge. dagblad
provisioneel te blijven voortgaan op
den voet en conditie als bij het voorge.
besluit is bepaald, en daarbij tot hiertoe
gebruikelijk was”. Martinus en Hendrikus
Tijl wilden natuurlijk niets liever. Het zo
gehate aparte advertentieblad werd opgeheven.
En om het verhaal helemaal een
‘happy end’ te geven: de krant heette
vanaf 13 mei 1814 weer Overijsselsche
Courant. Daarmee had het dus de naam
terug die in 1795 met zoveel tegenzin was
opgegeven. Deze naam zou de krant tot
1845 behouden. In dat jaar werd deze
gewijzigd in Provinciale Overijsselsche en
Zwolsche Courant, een benaming die
precies honderd jaar dienst zou doen. Na
1945 keerde de naam Zwolsche Courant
terug en zo heet de krant nu nog.
Verantwoording:
Dit artikel is grotendeels geschreven
op basis van stukken
uit het historisch archief van Tijl
Krantenuitgeverij. Dit archief berust
bij Tijl. Het betreffende archiefgedeelte
is ongeïnventariseerdT
Het was daarom niet mogelijk
met noten naar de stukken
te verwijzen. In de lopende tekst
is daarom steeds zo mogelijk datum
en aard van het onderhavige
stuk aangegeven. Daar waar
ik gebruik heb gemaakt van andere
informatie dan die uit de
bovengenoemde stukken wordt
wel verwezen naar noten.
Voornamelijk gaat het hier om
gegevens uit het jubileum-
Bijvoegsel van de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant
van 6 juni 1890.
Geraadpleegde literatuur:
J. I. van Doorninck, ‘De Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche
Courant’, in: Bijdragen tot de
Geschiedenis van Overijssel 4
(1878) 217-223 en 346-354.
Tijls Curiosa, luchtige rondgang
in de schatkamer der herinneringen,
1777-1952. (Gedenkboek
uitgegeven ter gelegenheid van
het 175-jarig bestaan’ van de
Drukkerij en Uitgeverij van de
Erven JJ. Tijl te Zwolle.)
Noten:
1. Zie: Stamboom en acten betreffende
bet geslacht Tijl
(Groningen, Zwolle, Hasselt)
Stamboom ca. 1670-1927.
Acten 1697-1805.
2. Provinciale Overijsselsche en
Zwolsche Courant (POZC), 6
juni 1890.
3. Extract Resoluties Schepen
en Raad dei’ stad Zwolle, 28
mei 1795-
4. In de infon-natiekrant expositie
200 jaar Zwolse Courant,
uitgegeven door het POM in
juni 1990, vinden we op pagina
7 de volgende kenschets
van de situatie: “Voor
1798 bestond een praktische
persvrijheid zonder een theoretische,
na de totstandkoming
van de grondwet in
1798 was dat omgekeerd”.
5. POZC, 6 juni 1890.
6. Besluit van 25 april 1807
Gedeputeerd Bestuur van
Overijssel, door het stadsbestuur
van Zwolle op 1 mei
1807 als resolutie aangenomen.
7. Ingekomen stuk Tijl, 27
augustus 1809
8. Idem, in marge.
9- Dit zegel was op 1 januari
1806 ingevoerd. Een geboorteadvertentie
werd toen geschreven
op een zegel van
twee gulden, een overlijdensadvertentie
kostte één
gulden. Op overige advertenties
werd 60 cent zegelgeld
geheven. Het zegel werd pas
in 1868 afgeschaft. POZC, 6
juni 1890.
10. POZC, 6 juni 1890.
13
Muurschilderingen in de Weeme,
of de zin van het kopiëren
J.J. de Jong
Het gebouw De Weeme
aan de Lombardstraat.
Iedereen die in geschiedenis is
geïnteresseerd, is verheugd ak een
bijzondere vondst wordt gedaan. Na
de eerste opwinding beginnen de
problemen zich echter meestal snel
op te stapelen. Wat moet er gebeuren
om de vondst te behouden? In Zwolle
is al sinds 1925 sprake van een dergelijk
probleem. In de Weeme, het
gotische gebouw tussen het VW-kantoor
en het stadhuis, werd toen een
aantal gotische muurschilderingen
herontdekt, die zo bijzonder waren
dat al direct voor behoud en herstel
werd gepleit.
Nu, 65 jaar later, is het probleem alleen
maar groter geworden. Er moest een
moeilijke keuze worden gemaakt, want
restauratie was noodzakelijk, maar niet
meer mogelijk. Daarom is besloten de
schilderingen te kopiëren. Een dergelijk
besluit kan worden gekenmerkt als een
laatste poging de thematiek en de vormgeving
van oude schilderingen te bewaren,
maar het staat bloot aan kritiek.
Een kopie is niet oorspronkelijk, het resultaat
is een ‘namaak’schildering en
bovenal klinkt het verwijt a-historisch
bezig te zijn.
Geschiedenis
In de Lombardstraat bevindt zich een Lvormig
huis dat vermoedelijk dateert uit
het begin van de vijftiende eeuw. Het
diende aanvankelijk als pastorie van de
Grote Kerk. In 1636 werd het gebouw de
Bank van Lening. Bij de opheffing van
deze instelling in 1923 vond een ingrijpende
aanpassing van het gebouw plaats
ten behoeve van de huisvesting van het
14
Bureau van politie. Tijdens deze verbouwing
zijn schilderingen in vier van de
zes nissen van één van de binnenmuren
ontdekt. In 1975 is het gebouw opnieuw
grondig onder handen genomen. Toen
heeft het de functie van vergaderruimte
gekregen, behorend bij het stadhuis.
De muurschilderingen
In de noordelijke binnenmuur van de
Weeme bevindt zich in spitsboogvormige
nissen van anderhalve meter breed en
vier meter hoog een viertal muurschilderingen.
De schilderingen zaten achter
metselwerk dat in één van de vorige
eeuwen in de nissen is aangebracht. Toen
de schilderingen in 1925 werden gevonden
bleek bij nadere bestudering dat hier
sprake was van laat-middeleeuwse
schilderingen die, vermoedelijk dankzij
het constante klimaat van hun omgeving,
in redelijke staat verkeerden. Ze waren
weliswaar vuil, maar de hechting aan de
pleisterlaag was nog goed te noemen.
Mede op verzoek van de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg (RDMZ) is destijds
besloten de schilderingen schoon te maken
en waar nodig te herstellen. De uitvoering
van dit werk was in handen van
Jacob Por, die als restaurateur aan de
Rijksdienst was verbonden. Volgens hem
waren oorspronkelijk alle zes de nissen
beschilderd, maar twee ervan heeft men
in latere tijden opengebroken ten behoeve
van ramen, waarbij de schilderingen
verloren gingen.
De beschildering is op de kalklaag aangebracht
en is een grisaille, dat wil zeggen
dat er geen kleuren zijn gebruikt. Met
donkergrijs of zwart zijn de contouren
aangegeven en met een lichtere tint grijs
zijn de schaduwen ingetekend.
In de vier beschilderde nissen zijn aan de
bovenkant, in de spitstoelopende boogtrommels,
borstbeelden van profeten afgebeeld.
Daaronder, in de rechthoekige
nisvelden, zijn borstbeelden van apostelen
te zien. De figuren lijken op het
eerste gezicht anatomisch goed te zijn uitgewerkt,
maar bij nadere bestudering is
de weergave van de lichamen primitief.
De kleding van de apostelen is zodanig
geschilderd dat deze een transparante
indruk geeft.
Gelet op de positie van de apostelen in
het vlak is vermoedelijk niet de gehele
nis beschilderd geweest, maar was er
sprake van een echte borstwering of van
een getekende borstwering op ongeveer
een meter hoogte. Bouwhistorisch onderzoek
tijdens de restauratie van 1975 heeft
hierover geen uitsluitsel kunnen geven.
Beschrijving van de schilderingen
In de eerste nis links is alleen nog het
borstbeeld van de profeet Jesaja overgebleven.
Met zijn rechterhand wijst hij
naar de spreukband waarop staat: “ecce
virgo concipiet et pariet filiu(m); vocabi-
Toestand van de
schilderingen bij de
herontdekking in 1924.
Tweede nis van links,
met daarin de profeet
Amos in de boog en
daaronder de apostelen
Thomas (links) en
Jacobus Alphaeus
(rechts). (Foto: J. Por)
15
De derde nis zoals in 1924
herontdekt met in de boog
Micha en daaronder Bartholomeus
en Mattheus. (Foto:
J. Por)
t(ur) no(men) ei(us) em(m)anuel”. Volgens
Jesaja 7:14: “Ziet, een maagd zal
zwanger worden, en zij zal een zoon baren,
en zijnen naam Emmanuel heten”.
De tussen haakjes geplaatste letters zijn
tekstreconstructies.
In de tweede nis zien we het borstbeeld
van de profeet Micha met de spreuk:
“congregaciones congregabo Jac(ob), in
unim scivi coduca(m)”. Volgens Micha
2:12: “Ik zal Jacob samen vergaderen, ik
zal U geheel tot één samenbrengen”. Onder
dit borstbeeld staan de apostelen
Thomas met zijn attribuut, de lans, en een
spreuk uit het Credo en Jacobus Alphaeus
met zijn attribuut, de staf, en een onleesbare
spreuk.
In de derde nis is het borstbeeld van de
profeet Amos met de spreuk: “qui edificat
in celo asce(n)s(ionem); fasciculu(m)
suu(m) terra(m) (fundavit)”. Volgens
Amos 9:6: “Zijn opgang bouwt Hij in de
Hemel en op de aarde heeft Hij Zijn
benden gevestigd”. Hieronder zijn de
apostelen Bartholomeus met zijn mes en
een spreuk en Mattheus met zijn zwaard
en een spreuk afgebeeld.
In de vierde nis tenslotte zien we het
borstbeeld van de profeet Tobias met de
spreuk: “benedictus d(e)us qui exaltavit
eam et sit regnu(m) eius in s(e)c(u)la
s(e)c(u)lo(rum) sup(er) ea(m)”. Volgens
Tobias 13: “Gezegend zij de Heer, die
haar verhoogd heeft; blijve over haar Zijne
heerschappij in alle eeuwigheid”.
Daaronder zijn de apostelen Simon Zelotus
met een spreuk en Judas Thadeus met
zijn hellebaard en een spreuk afgebeeld.
Omdat de spreuken van de apostelen
achter elkaar gelezen moeten worden
staan ze hierbij als eenheid: “Descendit ad
i(n)ferna; t(er)cia die ressurexit a mortuis
(Thomas) … (onleesbaar Jacob) Credo on
spiritum sanctum (Barthelomeus) Sanctam
ecclesiam catholicam sanct(am) com(m)unione(
m) (Mattheus) carnis ressurectionem
(Simon) et vitam eternam amen
(Judas)”.
Restauratie in 1924 en in 1975
De restauratie van 1924 heeft achteraf
gezien veel schade aan de schilderingen
toegebracht. De chemische middelen en
het vernis waarmee ze te lijf zijn gegaan
hebben een verstikkende uitwerking gehad
op de schilderingen en de pleisterlaag.
In 1975 constateerde de Rijksdienst dat
slechts weinig van het oude werk nog
aanwezig was en dat een nieuwe restauratie
nodig zou zijn om weer “… kleur te
brengen in wat eens een bijzondere en
artistiek hoogstaande schildering moet
zijn geweest”. In dat jaar startte een totale
restauratie van het gebouw en van de
schilderingen. De Zwolse kunstenaar Joop
Eikenaar kreeg opdracht de schilderingen
te herstellen en te retoucheren. Hij deed
dit op zeer deskundige wijze.
16
In verband met de nieuwe functie van de
ruimte werd verwarming aangebracht pal
onder de nissen. De Rijksdienst waarschuwde
toen al voor het gevaar van een
hete luchtstroom langs de schilderingen:
“Het is belangrijk de zaal zo bescheiden
mogelijk te verwarmen. De bestaande
neiging van de verf af te bladderen zal
ook na restauratie mogelijk blijven voortbestaan.
Verwarming is in dat proces een
stimulerende factor”. (RDMZ 25 juni 1975)
De situatie In 1988
In 1988 bleek de schrijver van bovenstaande
regels gelijk te hebben gekregen.
De afwerklaag bladderde hevig en delen
van de kalklaag waren geheel losgeraakt
van de ondergrond. De schade was niet
alleen in de originele kalklagen, maar ook
in de gerestaureerde delen terug te vinden.
De combinatie van hete luchtstroom
en de oppervlaktespanning in de pleisterlaag
zorgde ervoor dat de schilderingen
onrustbarend snel vervielen. Na een uitvoerig
onderzoek kwam de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg tot de conclusie
dat restauratie nauwelijks meer
mogelijk was, omdat het alsmaar verder
uittreden van de zouten de schilderingen
en de pleisterlaag onherroepelijk van de
muur zou drukken. Omdat de verwarming
zou blijven branden, zou het proces
van het transport van zouten van het binnenste
van de muur naar de oppervlakte
alleen maar worden gestimuleerd. Er
werd een onderzoek ingesteld naar een
methode om de schilderingen te behouden.
Hierbij passeerden vier mogelijkheden
de revue.
De eerste optie was het opnieuw vastzetten
van de oude en in 1975 gerestaureerde
lagen. Hierbij was het echter twijfelachtig
of alle kleine schilfertjes weer vastgezet
konden worden en bovendien betekende
dit dat iedere vijf jaar aan de schilderingen
gewerkt moest worden omdat
het probleem ïn de muur niet was verholpen.
Bij dergelijke werkzaamheden
treedt altijd materiaalverlies op, zodat er
binnen afzienbare tijd geen origineel materiaal
meer over zou zijn. Dit proces
wordt dan het verhaal van de antieke bijl
waar vader een nieuw blad en zoon een
nieuwe steel opzet.
De tweede mogelijkheid was een kopie
op de muur te schilderen. Dit zou tot gevolg
hebben dat de originele schilderingen
opgegeven werden. Ook hierbij zou
op termijn weer een restauraties nodig
zijn, zolang de problemen in de muur
niet zijn verholpen.
Het chemisch bewerken van de muur en
de schilderingen was de derde overweging.
Hiervoor heeft de afdeling
Monumentenzorg van de gemeente
Zwolle zich gewend tot DSM die de verschillende
mogelijkheden tot conservering
op een rijtje heeft gezet.
1. Impregneren. Dit moest tot op grote
De vierde nis zoals in 1924
herontdekt met in de boog
Tobias en daaronder de
apostelen Simon Zelotus
en Judas Thadeus.
(Foto: J. Por)
17
Joop Eikenaar tijdens het
schilderen van de afbeeldingen
in de tweede
nis, 1989-
diepte, 2 mm, gebeuren, hetgeen niet
mogelijk was. Daarna zouden,de loszittende
delen alsnog vastgezet moeten
worden. Grootste nadeel was dat de
vochtwerking en daarmee de oppervlaktespahning
werden verergerd door
de afsluitende laag. Totale “drooglegging”
van de muur was niet mogelijk.
2. Bewerken met siliconen. Deze oplossing
hield in dat een siliconenlaag op
de schilderingen gespoten werd, smeren
was niet meer mogelijk. Dit zou
een definitieve oplossing zijn, omdat
er dan geen restauratiewerk meer mogelijk
is. De schilderingen worden onbereikbaar.
Tenslotte bestond het gevaar
dat de siliconenlaag zou vergelen.
3. Acrylaat aanbrengen. Dit is een lichtecht
produkt dat niet kan vergelen of
anderszins verkleuren, maar het moet
in een lage concentratie worden aangebracht.
Het gevaar bestaat dan dat
het niet diep genoeg in de muur
dringt, zodat op termijn de schildering
met grote plakken tegelijk los kan laten.
4. Fluorteren. Dit is een techniek die in
fluorzuur oplosbare zouten omzet in
onoplosbare zouten. De in de muur
aanwezige zouten konden dan niet
langer met het in de muur aanwezige
vocht naar de oppervlakte worden getransporteerd.
Hoewel dit op zich de
beste oplossing was, zou het transport
van zouten pas na enkele jaren gestopt
zijn. Tegen die tijd zouden de schilderingen
geheel verloren zijri gegaan.
De conclusie van DSM luidde dat de
schilderingen met behulp van chemische
middelen slechts tijdelijk voor verder verval
konden worden behoed. De vochtwerking
achter de aangebrachte laag zou
uiteindelijk tot akelige effecten leiden.
Het leek daarom niet mogelijk op deze
manier de schilderingen aan te pakken.
De vierde mogelijkheid was het opnieuw
schilderen van de afbeeldingen. op een
nieuwe ondergrond van plaatmateriaal.
Dit hield in dat in de nissen stevige,
naadloze, platen werden geplaatst, waar-”
op een ondergrond werd geschilderd die
qua kleursteüing en structuur overeenkwam
met pleisterwerk. Hierop zouden
de schilderingen opnieuw worden
getekend. Deze methode was ook bij de
opgegeven schilderingen in de pastorie
van de Grote Kerk te Leeuwarden met
succes toegepast.
Discussie en besluit
De bovenstaande mogelijkheden hebben
de nodige discussie opgeleverd. Het belang
van de schilderingen was van dien
aard dat een actie tot behoud gerechtvaardigd
was. Hoe dat moest worden
uitgevoerd was een andere zaak. Daarbij
speelden diverse argumenten een rol.
18
– Wat restaureer je eigenlijk nog? Of: hoeveel
oorspronkelijk materiaal is na de restauraties
van 1924 en 1975 nog overgebleven?
– Gaat het hier om de nog aanwezige
originaliteit van het materiaal of om de
vormgeving, de thematiek en de gebruikte
techniek, kortom de artistieke waarde?
– Wordt het restaureren van deze schilderingen
een vijf- of tienjaarlijks terugkerend
probleem met steeds weer kleine
wijzigingen in materiaal en uitvoering? Of
doen we het in één keer goed?
Uiteindelijk is gekozen voor de oplossing
van het volledig kopiëren van de schilderingen
op een nieuwe achtergrond.
Daarbij gelden enkele voorwaarden. Bij
het aanbrengen van de platen in de nissen
moesten de originele schilderingen
zoveel mogelijk worden ontzien. Deze
moesten als het ware worden begraven
achter de nieuwe platen. Een tweede
voorwaarde was dat in de kopie de retouches
van 1975 herkenbaar waren ten opzichte
van de in 1925 gevonden schilderingen.
Als derde voorwaarde werd geformuleerd
dat de schilderingen nauwkeurig
werden opgemeten, de coördinaten vastgelegd
en de bestaande toestand gefotografeerd.
Uitvoering
De gemeenteraad van Zwolle stemde in
met deze werkwijze en stelde een bedrag
van f 36.000,- beschikbaar. Ook ditmaal is
aan Joop Eikenaar gevraagd het werk uit
te voeren, omdat hij de schilderingen
goed kende en omdat van hem voortreffelijk
resultaat te verwachten was, gezien
zijn werk in 1975.
Als nieuwe ondergrond werd gekozen
voor platen uit één stuk die in de nissen
werden geplaatst met rondom een ruimte
van anderhalve centimeter. Deze panelen
werden ter plekke gemaakt en bestonden
uit platen multiplex van 2 meter bij 18
mm, op elkaar gelijmd. Men heeft ze zó
in de nissen bevestigd, dat de schilderingen
niet doorboord werden ten behoeve
van de ophanging van de platen. Dé gaten
en sleuven zijn geplamuurd en uitgevlakt
waarna de panelen werden bespannen
met glasvlies in een alkydharslijm.
Met een acrylverf is de ondergrond op de
juiste kleur gebracht. Om de eenheid in
de ruimte te bewaren werden ook in de
lege nissen panelen geplaatst.
De opmetingen en foto’s van de schilderingen
waren de basis voor het kopiëren
waarbij Eikenaar als volgt te werk is gegaan.
Op transparant kalkeerpapier zijn
de schilderingen overgetrokken. Vervolgens
is het papier omgekeerd en zijn de
schilderingen op de achterzijde nogmaals
overgetrokken. Daarna zijn de panelen in
de nissen aangebracht. Tot slot is de achterzijde
van het papier op de panelen gelegd
en werd de voorzijde overgetrokken
zodat een afdruk van de tekening op de
panelen is gedrukt.
Met penselen en olieverf zijn vervolgens
de lijnen stukje voor stukje uitgewerkt.
Om een gelijkmatige structuur te krijgen
zijn alle penseelstreken onzichtbaar gemaakt
(uitgedast) en werd de nog natte
verf met de kwast beklopt om het oppervlak
gelijkmatig te maken (getamponeerd).
In de. overgangen van licht
naar donker is getracht het effect van
losse penseelstreken te vermijden.
Op grond van het documentatiemateriaal
zijn zoveel mogelijk elementen teruggehaald.
Zo is bijvoorbeeld een nimbus geschilderd
op grond van de foto’s uit 1924.
Het is daarbij steeds een afweging geweest
van wat wel en niet verantwoord
is. Sommige reconstructies van Por uit
1924 zijn om die reden weggelaten. In
de schilderingen zijn deze problemen nog
zichtbaar, doordat het oude werk iets
donkerder is weergegeven en de twintigste-
eeuwse retouches en reconstructies
iets lichter.
Wat uiteindelijk het oordeel over deze
werkwijze ook moge zijn, zeker is dat
een uniek stuk middeleeuwse schilderkunst
in zijn vormentaal en uitdrukkingskracht
bewaard is gebleven. De schilderingen
zijn dan wel geen kunstwerken
van een meester als Giotto, die als prestige-
objecten met ongelimiteerde middelen
kunnen worden vertroeteld. Wel zijn
het nog maar weinig voorkomende werken
van onbekende kunstenaars die uitdrukking
hebben gegeven aan het geestelijk
leven in een lang voorbije tijd.
19
Jacobus Tichlerus (1604-1652):
vertegenwoordiger van
de Nadere Reformatie
W.J. op ’t Hof
Een eerder artikel over de Nadere
Reformatie In Zwolle mondde uit in
de constatering dat de eerste nadere
reformator In de Overijsselse hoofdstad,
Everhardus Schuttenius, piëtistisch
geladen contacten had met diverse
andere personen In Zwolle. Deze
vaststelling leidde tot twee vragen. De
eerste vraag was: vormde Schuttenius
het middelpunt van een groep gelijkgezinden
in Zwolle? De tweede vraag
luidde: kunnen er wellicht nog meer
Zwollenaren dan Schuttenius tot de
bewuste groepering van de Nadere Reformatie
worden gerekend? 1) In dit
artikel wil ik ingaan op de tweede
vraag. Tevens zullen dan flauwe contouren
van het antwoord op de eerste
vraag opdoemen.
Vooraf vraagt nog één punt om opheldering
en wel de term ‘vertegenwoordiger
van de Nadere Reformatie. Hieronder versta
ik iemand die door middel van één of
meer door hem of haar in het Nederlands
geschreven werken de idealen van de genoemde
groepering heeft gepropageerd
en als doelstelling heeft trachten te
verwezenlijken. Dit houdt in dat het in
aanmerking komende oeuvre van de desbetreffende
persoon tijdens zijn of haar
leven verschenen moet zijn. Van de in de
laatste paragraaf van het vorige artikel
genoemde personen komen er drie in
aanmerking voor representant van de
Nadere Reformatie: Wolterus ter Burgh,
Zacharias Heyns en Jacobus Tichlerus.
Aan deze laatste zal nu aandacht worden
geschonken. 2)
Tichlerus’ levensloop
Zoals Schuttenius’ leven verweven was
met Zwolle, zo was dat van Jacobus Tichlerus
verbonden met Deventer. 3) In deze
stad werd Jacobus geboren en op 10 april
1Ö04 gedoopt als zoon van Fenneken van
Keizersweerdt en de predikant van Olst,
Rutgerus Tichlerus die in deze tijd wegens
perikelen rond de pastorie te Olst in Deventer
woonachtig was. 4) Rutgerus was
zelf in Deventer op 4 november 1574, terwijl
hij in deze zelfde stad op 6 oktober
1601 Fenneken huwde. Hun huwelijk
werd gezegend met drie kinderen: Truijken,
Jacobus en Swenne.
Jacobus junior werd op 23 april 1623 als
student in de theologie aan de universiteit
te Franeker 5) en op 11 september 1624
aan de Leidse universiteit ingeschreven. 6)
Het ligt in de lijn der redelijkheid om op
grond van de dedicatie in de eerste druk
van zijn boek aan te nemen dat hij op
kosten van zijn vaderstad gestudeerd
heeft.
Nadat Tichlerus in het voorjaar van 1626
in de classis Deventer het voorbereidend
en het afsluitend examen met goed gevolg
had afgelegd werd hij op 10 oktober 1626
te Wesepe beroepen. 7) Hier werd hij door
C. Bokelman, predikant te Wijhe, voorgesteld
en door H. Weddeus, predikant te
Bathmen, bevestigd. Hij had problemen
met zijn kerkeraad over de slechte toestand
van de pastorie. Eind mei 1630 volgde
hij zijn overleden vader als predikant te
Olst op, nadat hij daar door dezelfde predikanten
als in zijn eerste gemeente was
voorgesteld en bevestigd. Hij had in Olst
dezelfde problemen als in Wesepe. In
20
1653 verwisselde hij Olst voor Elburg.
Twee jaar later werd hij predikant te
Zwolle. Halverwege het jaar 1637 werd hij
als zodanig door Schuttenius, die ook deel
van de beroepingscommissie had uitgemaakt,
bevestigd. 8) Op 21 oktober 1641
kwamen uit Deventer

Lees verder