Categorie

Aflevering 4

Zwolse Historisch Tijdschrift 2001, Aflevering 4

Door 2001, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

f, IWOIS
Historisc
Tiidschrift
r Special: •*
Zwolse Nu1
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(Collectie Willem van
der Veen).
Op de plaats waar u normaal de ansicht aantreft,
vindt u nu vanwege dit themanummer een klassenfoto
met kinderen van de Nutsschool. Het
betreft de klas van een bekende Zwollenaar, journalist
Willem van der Veen. Hij stelde de foto voor
dit themanummer ter beschikking voorzien van
het volgende commentaar:
‘Het is de eerste klas in 1938. Ook de enige eerste
klas. Veel leerlingen had de Nutsschool toen
niet. Dit is ook de reden dat ik naar de Nutsschool
ben gestuurd. Mijn grootvader had een directeur,
de heer F.N.L. Aberson uit Hattem, die in het
bestuur van Het Nut zat. Hij haalde mijn grootvader
over (of misschien droeg hij het hem wel
gewoon op) om zijn kleinzoon het onderwijs op
de Nutsschool te laten volgen, teneinde het leerlingental
op te krikken. Mijn ouders stemden erin
toe.
Op één na ken ik alle namen van de kinderen
die op de foto staan. De enige die ik vergeten ben,
is toevallig de jongen die helemaal vooraan in de
eerste bank rechts zit. Voor de rest probeer ik ze in
volgorde (van links naar rechts) op te schrijven:
Bob Bollweg, Joop Oelrich, Bertus Hendriks, Alex
Oldeman, Hilma Zuyderduyn, Riti Nijveldt,
vraagteken, Joke van Lokhorst, Wim van der Veen
(mijn persoontje, half zichtbaar achteraan. Wat
had ik daar de pest over in!), Hans Marcus, Geertje
Kluitenaar, Marretje Keijzer, Bob van der Wielen,
Tuby Vriens, Nelleke Breen, Jan Sollewijn
Gelpke, Hetty de Herder, Willy Beek, Thea Aberson
(de dochter van de Nutsbestuurder, zie
boven) en Jeanet van Loo. En natuurlijk juf Panjer,
staande achteraan.
Deze klas heeft slechts twee jaar in het bekende
schoolgebouw aan het Groot Wezenland gezeten.
Toen de bezetting begon werd de school onmiddellijk
[juni 1940] door de Duitsers gevorderd en
verhuisde successievelijk naar allerlei andere
schoolgebouwen, onder meer naar de r.k. Thomasschool
achter het katholieke ziekenhuis, de
Celeschool in de Celestraat en twee scholen op het
Assendorperplein. Het was een chaotische tijd,
waar het onderwijs sterk onder geleden moet hebben,
maar als kinderen ervoer je het al gauw als
“heel gewoon”.’
Meer over de Nutsschool vanaf pagina 145.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Als kind passeerde ik dagelijks een gebouw met
daarop de woorden: Begrafenisvereniging Algemeen
Belang. Wat het algemene belang was dat
deze uitvaartvereniging diende begreep ik toen
nog niet. Of zou bedoeld zijn dat het zonder
begraven bovengronds maar een rommeltje zou
worden? Ik kon me daar toen wel wat bij voorstellen.
Mijn nieuwsgierigheid was daarmee bevredigd.
Onwillekeurig moest ik aan dat gebouw
terugdenken toen ik de kopij voor het voorliggende
nummer onder ogen kreeg. Het Zwols Historisch
Tijdschrift handelt dit keer in zijn geheel over
de geschiedenis van het Departement Zwolle van
de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Een
hele mond vol en al snel werd dan ook kortweg
gesproken van ‘Het Nut’. Deze instelling werd,
geïnspireerd door de ideeën van de Verlichting,
meer dan twee eeuwen geleden opgericht en stelde
zich tot hoofddoel ‘het volk te verheffen’. Onderwijs
en voorlichting waren daarbij de basisinstrumenten.
Hoe dit in Zwolle uitpakte en welke instrumenten
hier werden gebruikt kunt u in de volgende
bladzijden lezen; auteur Pieter Koenders
geeft u daarin een overzicht van alle activiteiten
die in de afgelopen tweehonderd jaar door het
Zwolse Nut zijn ontplooid. Het verhaal is een
bewerking van de inleiding op de eveneens door
Koenders samengestelde Inventaris van de archieven
van het departement Zwolle van de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen (uitgegeven in 2000
door het Gemeentearchief Zwolle). Waarschijnlijk
is het al opgevallen dat het huidige nummer
extra dik is en dat zelfs een kleurenfoto de omslag
siert. Dit is allemaal te danken aan de erfgenaam
van het Nut, de Stichting tot Algemeen Nut Zwolle,
die met een financiële bijdrage de totstandkoming
van dit nummer mogelijk heeft gemaakt.
Genoeg nu van de redactie. Tijd om te lezen!
Klasgenoten
Het Departement Zwolle van de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen Pieter Koenders
De landelijke organisatie
De oprichting van het Departement Zwolle
De Nutsbibliotheek
De Nutsschool
De Nutsspaarbank
Sociale zorg
Diverse activiteiten
Het Cele-centrum
Auteur
130
132
134
138
141
145
156
160
165
170
174
Omslag: In 1966 werd op grootse wijze het honderdvijftigjarig bestaan van de
Nutsschool gevierd. De school kreeg bij die gelegenheid van het Departement
Zwolle een talenpracticum, als symbool van modern onderwijs. Op de foto de
officiële ingebruikname van dit cadeau. (Collectie HCO). Zie voor complete foto
pagina 153.
132 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Departement Zwolle van de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen
Pieter Koenders
Eerste blad van de Wetten
der Bataafsche
Maatschappij tot Nut
van ’t Algemeen, 1805.
(Collectie HCO).
Er bestaan weinig organisaties die zo’n volledig
beeld van de Nederlandse samenleving
weerspiegelen als de Maatschappij tot Nut
van ’t Algemeen. Talloze clichés over de aard van
de Nederlandse natie zijn eveneens van toepassing
op de aard en activiteiten van dit deftige genootschap.
Het elkaar opvoeden tot deugdzame en
productieve leden van een harmonieus geordende
maatschappij zit kennelijk hecht verankerd in de
Nederlandse aard. Vanaf het einde van de acht-
W E T T E N
D E fl.
B A T A A F S C H E
MAATSCHAPPIJ;
TOT NUT FAN T JLGEMEEN.
I N L E I D I N G .
•Het doeleinde der Maatfcbapptj i s , (zonde*
zich in ie Jaaten met burgerlijke of godsdienstige
gefchiilen , noch mee de mcêr bepaalde
werkzaamheden van andere Maatfchappijën,)
om godvrucht en goede zeden, overeenkomstig
met de grondbegihrelen van den Christelijker!
Godsdienst, en zoodanige nuttige kunsten en
weetenfehappen, als voornaamlijk voor de minvermogenden
nuttig en onontbeerlijk zijn., onder
hen voordteplamen » ten einde dus hua
verftand te befchaaven, hun hart te vormen.
» en alzoo meêr algemeen geluk, alümme,
te bevorderen.
Tot dat einde zal zij zich bezig houden:
i . Mee alles wat tot bevordering van bet
onderwijs der Jeugd , en tot verbetering van
liet Schoolwezen , diensrig kan zijn. Zij zal
zich bijzonder toeleggen op het doen vervaardigen
van alle zoodanige Schoolboeken, welke,
in onderfcheïdene vakken van con verstandig
onderwijs , zullen, worden bevonden noodig
te zijn.
Aa o. Zij
tiende eeuw werden de lage landen bij de zee niet
langer gekenschetst als natie van ondernemende
zeevaarders en kooplieden, maar als een land van
prekerige dominees en schoolmeesters. Inmiddels
zijn hun taken overgenomen door opbouwwerkers
en vormingsleiders. Missionarissen en zendelingen
werden ontwikkelingswerkers. Aan het einde
van de twintigste eeuw worden in dit verband
andere termen gebruikt zoals gidsland en poldermodel,
maar de vermanende vinger en de beschavingslust
blijven onverminderd van kracht en het
begrip ‘burgerlijk’ krijgt weer een positieve lading.
Ook de organisatiestructuur van het Nut
reflecteerde de Nederlandse cultuur: autonoom in
eigen kring zonder te willen vervallen in particularisme;
eenheid in veelheid. De plaatselijke afdelingen
van het Nut, departementen genaamd, vormden
de lokaal gekleurde afspiegeling van de
Nederlandse samenleving. Bijna vanzelfsprekend
verzelfstandigden veel plaatselijke afdelingen zich
op de golven van de individualiseringstrend vanaf
de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Dit proces
verliep bijna parallel aan de heroriëntatie van
het Nut als gevolg van de ontwikkeling van de verzorgingsstaat:
nieuwe tijden, nieuwe activiteiten,
nieuwe structuren. Het Nut verloor daarmee haar
functie als lokaal netwerk van notabelen.
In het kader van bovenstaande levert de bestudering
van de archieven van het Zwolse Nutsdepartement
een tweeledig beeld op: het sociale en
culturele leven in Zwolle tijdens de afgelopen
tweehonderd jaar komt gedetailleerd naar boven
en tegelijk wordt het inzicht in de vaderlandse
geschiedenis verdiept. In het volgende zal een
overzicht gegeven worden van de activiteiten van
het Zwolse Nutsdepartement in de twee eeuwen
van haar bestaan. Vanwege de relatie met de landelijke
organisatie zal daar eerst een beeld van
worden geschetst.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 133
Voorzitters
Voorzitters van het eerste (1789), tweede (1799-1814) en derde (1815-1981) Zwolse Nutsdepartement.
1789 L.Nolst
1799 ds. J.F Serrurier
1800 J.A. de Vos van Steenwijk
1803 S. van Ommeren
1809 ds. J.F. Serrurier
1815
1841
1842
1850
1881
1884
1887
1890
1893
1898
1899
1906
1912
1931
1932
1938
1940
1949
1957
1967
Ant. Doijerjzn
H. van Sonbeeck
J.C.H, de GaayFortman
ds. L. Vroom
W.A. Elberts
I. van den Bergh
S. Cramer
A. Deking Dura
V.C.LM.E. Frackers
F.G. vanPesch (wnd.)
A.F.W.Jordaan
W.J. Bierens de Haan
jhr. G.A.J. van Spengler
R.G.A.Z. baron van Haersolte (wnd.)
J.C. Tjeenk Willink
G.A.B. Fijn van Draat
S.P. Wildervank
F.N.L. Aberson
ds. J. Meerburg Snarenberg
D. van den Akker (tot 1981)
F.WH.DEUTMANN ZWOLLEJ
Ds. L. Vroom, voorzitter
van het Zwolse Nut
van 1850 tot 1881.
(FotoF.W.H. Deutmann,
collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De landelijke organisatie
34 >
Vriend!
„ Verbeuld U inijne fmart. Gister verloor tfc
op het onverwachtst mijn'”goeden, mijn’geliefder»
Vader. Eene beroerte rukte hem uit dit leven,
terwijl wij, uit hoofde van zijnen onderzon» en
gezondheid, nog cene lange reeks va» jareu zijn
bijzijn hoopten te genieten. Mijne goede Moeder
kan niet tot bedaren komen. Uren- Jmig ligt
zij in bêBwijnilng. Ik rnoet troosten, en beh
zélf zoo veel troost noodigi Vergeef mij dat
ik U niet uitvoeriger fcbrijf. Mj>n hart is ta
fterk’getroffen, en mijne lroart overweldigt inij.
©ok’CHi hélit liog eèn’Vader1, Vriend I Mo£t zoodanig
een1 verlies als liet riiijne nog lange van O
verwijderd blijven! Dit wenscht Ö van ganfeher
harte”
Uw Vriend.”
Hïir Volgt nog ecu voorbeeld van algcincenerfoort.
„ Mijff Heer]
,i Ik vind mij verpltgt UE; to melden, dat mijn
tiroeder N». N. den’iff.’ van deze maand in den
ouderdom van 45 Jaren. is overleden. Na vel»
jaren eene bloeijcnde gezondheid genoten ta
hebben, fleepte eene rotkoorts in den tijd van
ncht’tfageri hem w g , UE. befeft dus hieruit,
hoe onverwacht ons deze flag treft.
De’hemel vetfehoone UE. en UEs. hoog ge?
fcliatte familie nog vete jaren yocr tülke fmarter
lyke toevaHenl
Voorbeeld van brieven uit de ‘Voorschriften tot het opstellen en schrijven van
brieven en andere schriftelijke opstellen’ speciaal voor het onderwijs uitgegeven
door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, 1806. (Collectie HCO).
De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen
ontstond aan het eind van de achttiende
eeuw. Als gevolg van het complexer worden
van de samenleving, de economische achteruitgang
en de verpaupering van de bevolking
groeide in de loop van die eeuw in Nederlandse
verlichte kringen de behoefte aan deugdzame en
nuttige werklieden die de basis van het rekenen,
lezen en schrijven beheersten. In deze kringen
beschouwde men de Nederlandse natie als één
gezin en zag men de armen als grote kinderen. De
gegoede burgerij kreeg de rol van ouders aangemeten,
die de morele plicht had de armen op te
voeden. Essentiële elementen hierin waren natio-
‘^ naai besef, vaderlandsliefde, huiselijk geluk, gewe-
‘4 tensvorming, matigheid, zuinigheid, zelfbeheerï
sing en schaamtegevoel. Het (verlicht) christen-
‘ -, dom vormde hierbij de vanzelfsprekende grond-
‘1 slag van de Nederlandse samenleving. De
af; ontwikkeling moet worden gezien tegen de ach-
‘•j tergrond van de toenemende mobiliteit die het
^ saamhorigheidsgevoel en de integratie van de
«J Nederlandse provincies bevorderde, wat vanaf
r ongeveer 1770 leidde tot een groeiend algemeen
* Nederlands natiebesef. De beweging wordt sinds
de jaren tachtig van de twintigste eeuw wel aangeduid
als het ‘burgerlijk beschavingsoffensief.’
Het voertuig van deze volksopvoeding was de
‘Maatschappij: “tot Nut van ’t Algemeen”.’2 Op 16
november 1784 werd ‘het Nut’ te Edam opgericht
‘*. als: ‘Genootschap van Kunsten en Wetenschappen
onder de zinspreuk: “tot nut van ’t algemeen”.’
Het initiatief kwam van de doopsgezinde
predikant Jan Nieuwenhuijzen. Na enkele jaren
ontstond politieke onenigheid binnen de vereniging
tussen de prinsgezinden, die ook het lokale
overheidsgezag in handen hadden, en de patriotten.
De kwestie werd in 1789 opgelost door het
genootschap in Edam te liquideren en in het libeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
ralere Amsterdam opnieuw op te richten als Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen. Medisch doctor
Martinus Nieuwenhuijzen, de zoon van de
oprichter, werd algemeen secretaris en speelde een
centrale rol bij het bepalen van de koers van het
Nut. Opvallend veel predikanten buiten de officiële
staatskerk (doopsgezind, remonstrants,
waals, luthers) en patriotten stonden aan de basis
van het Nut. Dat is begrijpelijk gezien de relatie
tussen de hervormde kerk, de prinsgezinden en de
regenten van het ancien régime aan de ene kant en
aan de andere kant de tolerante houding, liberale
denkwijze en de federalistische en democratische
organisatiestructuur van het Nut. Het Nut was
tevens een belangrijk voertuig van de idealen van
de verlichting en de Nederlandse natievorming.
Na de Franse tijd en de vorming van het koninkrijk
in 1815 werden ook talloze Nederlands-hervormde
predikanten actief in het Nut. Hoewel
formeel neutraal, trok de beweging weinig roomskatholieken,
terwijl joden per definitie geen lid
konden worden van een organisatie die zich tot
1866 beriep op de christelijke beginselen. Joden
waren overigens wel welkom op de openbare bijeenkomsten,
want onverdraagzaamheid en antisemitisme
golden als onbeschaafd.3 Vrouwen
werden pas vanaf 1899 toegelaten.
Kernactiviteiten
Opvoeding en onderwijs vormden de kernactiviteiten
van het Nut. Alle activiteiten van het Nut
waren instrumenten in dienst van deze hoofdtaken.
Een belangrijk bijproduct was het sociale
aspect. Het Nut voorzag in de behoefte van een
regelmatig onderling contact tussen de gegoede en
beschaafde burgers, die met behulp van lezingen
tevens hun kennis op peil konden houden. Voor
velen zal het zelfs de motivatie zijn geweest om
zich bij het Nut aan te sluiten. Vanaf de oprichting
tot 1866 organiseerde het landelijke Nut jaarlijks
prijsvragen over uiteenlopende onderwerpen
(‘prijsstoffen’), die door deskundigen werden
beoordeeld en met een erepenning werden
beloond. Voorts publiceerde men de bekroonde
inzendingen als beloning in de serie Werken van
de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Een
ander hulpmiddel voor kennisoverdracht vorm-
NAAMLIJST.
V A M D X
L E D E N
D i a
ZIVOLSCHE MAATSCHAPPIJ
TOT NUT VAN ‘T ALGEMEEN.
|.L.
AJ-
L.
JJ
H.
T.
G.
J.D.
A.
II.
H
DEN I NOVEMDER I809.
BESTVUR.
F. Serrurier, Voorzitter.
Rietberg, Secretaris.
van Goudoever, Penningmeester;
Ter Pelkwijk.
H. C. Nilaiit.
Schnebbelie.
de Vri.
W. ten Cate.
E. F. Heerkens.
ten Cate.
W. A. J. van Lochteren Stakebrant*
J. van der Laan.
C. W; van Haeifolte.
Feith.
Tijl.
Naamlijst van de leden der ‘Zwolsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’ uit
1809. Het Nut telde op dat moment 90 leden. Op het afgebeelde eerste blad
komen we ondermeer de namen tegen van jan ter Pelkwijk, Rhijnvis Feith, Lubbertus
Rietberg (notaris-dichter) en Derk Jan van der Laan (schilder-ondernemer).
Op de lijst staan verder telgen uit vele vooraanstaande negentiende-eeuw –
se families, zoals Doijer, Queijsen, Jordens, Sandberg, Van derFeltz, Tijl, Heerkens,
Schaepman, Van Haersolte, Potgieter, Eekhout, Vos de Wael, Van Dedem,
Bentinck, Tobias, Metelerkamp, Greven, Schlingemann, Feith, Helmich, Gelderman,
Thomassen a Thuessink en Van Pallandt. Naast de reguliere kende het
Nut op dat moment ook nog twee honoraire leden; de musicus Johann Carl Röhner
en de apotheker Willem van Barneveld. (Collectie HCO).
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
den vanaf 1855 de jaarlijkse Volksalmanakken die
evenals de Prijsverhandelingen gratis aan alle leden
werden toegestuurd.
De Wetten
De functie van de Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen was vastgelegd in de zogeheten wetten.
Bij de oprichting werd het doel omschreven
als:
‘Godsvrucht en goede Zeden, overeenkomstig
met de grondbeginselen van den Christelijke
Godsdienst, te bevorderen; – en voorts zoodanige
nuttige Kundigheden en Wetenschappen
voort te planten, als voornamelijk voor den
mingeoefenden Burgerstand onontbeerlijk
zijn; ten einde daarvoor deszelfs verstand te
beschaven, het hart te vormen, en, zoo veel
mogelijk, algemeen geluk te verspreiden.’
In de loop der tijd zijn de wetten diverse keren
aangepast aan de geest van de tijd. Ze weerspiegelen
zo de ontwikkeling van de Nederlandse
samenleving. De ‘mingeoefenden Burgerstand’
werd in 1785 ‘den Gemeenen Burger’, in 1795
‘den minvermogenden Burger’ en in 1805 ‘den
minvermogenden Burgerstand’, terwijl het in
1825 weer net als in 1784 de ‘mingeoefende Burgerstand’
luidde. In 1834 breide men het ‘algemeen
geluk’ uit tot ‘algemeen Volksgeluk’. In
1854 werd de formulering van het doel substantiëler
gewijzigd:
‘De Maatschappij wijdt hare zorg aan de verbetering
van den verstandelijken, zedelijken
en maatschappelijken toestand, inzonderheid
der mingegoede volksklasse. Bepaaldelijk
tracht zij heilzame invloed te oefenen op de
opvoeding en het onderwijs der jeugd, de veredeling
van volksbegrippen, en de aankweeking
van godsvrucht en goede zeden.’
Met betrekking tot de neutraliteit was de volgende
bepaling opgenomen:
‘Bij het uitgeven van geschriften en bij hare
overige bemoeiingen, onthoudt zich de maatschappij
zorgvuldig van alle partijkeuze in
geschillen over Godsdienst of Staatkunde’.
Vanaf 1866 werd het ook voor joden mogelijk
lid te worden van het Nut. In 1885 vond een vrij
belangrijke modernisering plaats:
‘Te dien einde tracht zij mede te werken tot
verbetering van den verstandelijken, zedelijken en
maatschappelijken toestand des volks, bepaaldelijk
door invloed uit te oefenen op de opvoeding
en het onderwijs, de verdeling van de volksbegrippen
en de verheffing zoowel van het arbeidsvermogen
als van den levensstandaard der werklieden.’
In 1915 werd ‘der werklieden’ geschrapt. Deze
tekst bleef geldig tot 1967, toen de meest radicale
wijziging werd doorgevoerd:
‘De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen stelt
zich ten doel het maatschappelijk en cultureel
welzijn van individu en gemeenschap te
bevorderen.
De Maatschappij tracht haar doel in het bijzonder
te verwezenlijken langs de weg van
het onderwijs en de opvoeding in de ruimste
zin;
het volksontwikkelingswerk;
andere vormen van maatschappelijk en cultureel
opbouwwerk.’
Het eind van de jaren zestig markeerde tegelijk
de dalende invloed van het Nut op de Nederlandse
samenleving als gevolg van groeiende welvaart,
individualisme, verdwijnend ontzag voor autoriteiten,
het ontstaan van de verzorgingsstaat,
emancipatie van de doelgroepen (arbeiders, vrouwen,
jeugd), democratisering en globalisering van
de maatschappij. De oorspronkelijke basisprincipes
van het Nut, zoals christelijke waarden, burgerlijke
normen, goede zeden en nationaal gevoel
waren niet meer vanzelfsprekend. De Nederlandse
staatsburger werd steeds meer Europeaan en
wereldburger en ontleende zijn identiteit tegelijkertijd
aan zijn deelname aan allerlei ongrijpbare,
vaak kortstondige en steeds veranderende subculturen.
De wijziging van de Nutswet in 1983 speelt
sober in op deze ontwikkelingen. Overigens was
dit, zoals we nog zullen zien, niet meer van belang
voor de Zwolse afdeling, die twee jaar eerder al
afhaakte en zich toen verzelfstandigde.
Organisatiestructuur
De wetten vormden het raamwerk waarbinnen de
plaatselijke afdelingen, de departementen, functioneerden.
Net als de wetten, is ook de organisaZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
tiestructuur van het Nut in de loop van de tweehonderd
jaar regelmatig aangepast. In algemene
lijnen was deze als volgt:
Het Nut kende gewone en algemene leden.
Gewone leden waren natuurlijke personen (individuen)
die als lid waren aangenomen door een
van de Nutsdepartementen. Algemene leden
waren rechtspersonen (instellingen) en natuurlijke
personen (individuen) die door het bestuur
van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen als
algemeen lid waren aangenomen. De rechtspersonen
(instellingen) dienden wat betreft hun doelstelling
en werkzaamheden verwant te zijn aan het
Nut. Natuurlijke personen (individuen) konden
algemeen lid worden als ze buiten het ressort van
een Nutsdepartement woonden. Het hoogste
bestuursorgaan van het Nut was de Algemene
Vergadering.
De Algemene Vergadering werd gevormd
door de algemene leden. Deze algemene leden
hadden elk één stem. De gewone leden werden
vertegenwoordigd door de afgevaardigde van hun
Nutsdepartement, welke een stemmenwaarde
vertegenwoordigde die evenredig was aan het aantal
leden van het betreffende Nutsdepartement.
De algemene leden betaalden jaarlijks rechtstreeks
contributie aan de algemene kas van het
Nut. De gewone leden betaalden aan hun Nutsdepartement,
dat hiervan jaarlijks een bedrag
afstond aan de landelijke organisatie. De Nutsdepartementen
bepaalden zelf wat hun plaatselijke
leden moesten bijdragen.
De Algemene Vergadering van het Nut bepaalde
het beleid. Dit beleid werd voorbereid en uitgevoerd
door het hoofdbestuur, dat gekozen werd
door de Nutsdepartementen. Binnen dit kader
functioneerden de departementen vrijwel autonoom.
De departementen legden in feite geen verantwoording
af aan de Algemene Vergadering,
maar deden jaarlijks verslag van hun werkzaamheden.
Veel departementen verzuimden gedurende
een langere of kortere periode over hun activiteiten
te rapporteren en regelmatig informeerde
het landelijke Nut of een departement nog wel
bestond. Voor de duidelijkheid moet benadrukt
worden, dat het Nut een vereniging was van alle
gewone leden. Het was geen bond van departementen,
maar een gedecentraliseerde vereniging.
Binnen de overkoepelende structuur werden
denkbeelden en initiatieven ontwikkeld en uitgedragen,
in de hoop dat ze door de departementen
werden overgenomen en uitgevoerd. Zo kreeg elk
departement zijn lokale kleur. Wie zoekt naar de
oorsprong van plaatselijke Nutsactiviteiten komt
dan ook dikwijls uit bij een publicatie of vergadering
van de landelijke Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen.
De doopsgezinde kerk in
de Wolweverstraat 9
omstreeks 1925. Van
1800 tot 1807 werd de
consistoriekamer
gebruikt door het Zwolse
Nut voor de gratis
uitlening van boeken.
(Collectie HCO).
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De oprichting van het Departement Zwolle
De eerste poging tot oprichting van een
Zwols departement van de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen vond plaats op 15
september 1789, vijfjaar na de oprichting van de
landelijke organisatie. Omdat onder de initiatiefnemers
verschillende patriotten waren, verbood
de Zwolse prinsgezinde magistraat het departement
al na de eerste vergadering op 13 oktober
1789. Een aantal deelnemers bleef als persoon lid
van de landelijke organisatie, die dat jaar vanwege
dezelfde politieke richtingenstrijd Edam verliet en
zich te Amsterdam vestigde.
Op 4 juni 1799 werd het Departement Zwolle
der Bataafsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen
opgericht. Vanwege de deplorabele financiële
toestand scheidde het Zwolse departement
zich al binnen een jaar weer af, zodat het geen geld
meer hoefde af te dragen aan de landelijke organisatie.
Het departement wijzigde op 21 mei 1800
zijn naam in Zwolsche Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen. De doelstelling en taken bleven echter
identiek. Om onduidelijke redenen werd de
Zwolse Maatschappij na de Franse tijd, op 28
januari 1814, geliquideerd. Mogelijk wilde de met
het patriottisme geassocieerde organisatie zo een
signaal van betrouwbaarheid afgeven aan de twee
maanden eerder als soeverein vorst ingehuldigde
Willem I. Het kapitaal, f 500, werd gestort in de
rijkskas en het boekenbezit droeg men over aan de
toentertijd bekende onderwijzer Gerrit Spijkerman.
Op 2 maart 1815 werd voor de derde keer binnen
26 jaar een Departement Zwolle der Maatschappij
‘tot Nut van ’t Algemeen’ opgericht.
Enkele van de negen initiatiefnemers maakten
eerder deel uit van de Zwolsche Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen, die dertien maanden ervoor
was geliquideerd. De feitelijke continuïteit van
beide verenigingen blijkt (naast de namen van de
initiatiefnemers) uit de mededeling tijdens de
oprichtingsvergadering dat de aan Spijkerman
overgedragen bibliotheek ‘terug kwam’ in het
bezit van het Departement Zwolle.
Dit voor de derde keer opgerichte Zwolse
Nutsdepartement was een aanmerkelijk langer
leven beschoren dan zijn twee voorgangers; het
zou in deze vorm 166 jaar blijven bestaan. Op 11
juni 1981 werd de Vereniging’ Departement
Zwolle van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen
losgemaakt uit zijn landelijke structuur en
omgevormd tot de Stichting tot Algemeen Nut
van Zwolle. De leden van het dagelijks bestuur
hielden in de nieuwe stichting hun functie van
voorzitter, secretaris en penningmeester. Het landelijke
Nut kreeg een klein deel van het kapitaal.
De rest werd bestemd voor steun aan activiteiten
in Zwolle.
Organisatie en taken
De band met de landelijke organisatie en de plaatselijke
gang van zaken bij de uitvoering van de
doelstelling werd vastgelegd in Huishoudelijke
Wetten. Het eerste huishoudelijk reglement kwam
tot stand op 30 maart 1815. Tot de ondertekenaars
behoorde Frederik Wilhelm Thorbecke, vader van
de befaamde staatsman Jan Rudolf. De voornaamste
bepalingen waren:
‘Bij het vaststellen dezer huishoudelijke Schikkingen,
voor het Departement Zwolle, worden
de algemeene Wetten der Maatschappij ten
grondslag gelegd, en in der zelver volle kracht
gelaten.
Elk die den Christelijken Godsdienst belijdt,
van geen zedeloos gedrag, en boven de 18
Jaren oud is, zal onder voorwaarde van betaling
der jaarlijksche toelage ad ƒ 5:5 tot Lid
der Maatschappij, kunnen aangenomen worden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
Reciteren en declameren
‘Vooral in het eerste decennium van de negentiende eeuw organiseerde
het Zwolse Nut regelmatig declamatie-avonden. De Nutsavonden
werden gehouden in de Lutherse Kerk. Naast lezingen
werden er ook concerten gegeven of uitvoeringen met combinaties
van lezingen en concerten. Deze Nutsavondjes waren volgens de
notaris-dichter Lubbertus Rietberg een van de aangenaamste en
nuttigste uitspanningen in het “wintersaizon”. In juni 1806 reciteerde
hij zijn gedicht “De eerzucht”. Deze voordracht werd afgewisseld
met muziek die gespeeld werd door twee Kamper muzikanten.
Op een volgende Nutsavond in 1807 droeg Lubbertus
opnieuw een lang eigen gedicht voor onder de titel: “Het geluk der
liefde”. De tekst werd in 1810 als boekje onder dezelfde titel uitgegeven.
Behalve met het reciteren van eigen dichtwerk trad Rietberg
ook met redevoeringen voor het voetlicht. Zo stond hij in
ieder geval geprogrammeerd voor 13 maart 1810. Ook in de jaren
twintig werd deze traditie gehandhaafd: in de buitengewone wintervergaderingen
werden verhandelingen in zowel “proza als
dichtmaat” gehouden, soms afgewisseld met “eene aangename
muzijk” in het gezelschap van vrouwen.’
Uit: ‘Het is thans zeer briljant’, J.C. Streng.
LEERREDE
. T E €v ‘,: ‘,,
A A N P 11 IJ Z l – ^ G
KOEPOK-INENTING|
D O O R
A S S U E R U S DO11KR,
A, L. M. & PHIL. DOCTOR TE ZWOLL.E.
[ Deze Druk op ordinair Papier is voornamelijk
vervaardigd op last van den Heere
L A N D D R O S T
IN HET DEPARTEMENTOVKRTJSSEL)
Om te ftrekken ter Uitdeelïnge aan — en
;ot Nut van den Minvermogenden, om
daardoor het Gebruik van dit zoo heilzaam ®
Middel algemeen te maken.]
De doopsgezinde predikant Assuerus Doijer hield in 1808 een Nutslezing over de koepok-inënting die in hetzelfde
jaar in druk verscheen. De overheid zag het belang ervan direct in. Het boekje werd met subsidie van de
Zwolse magistraten uitgegeven, voor 250 exemplaren betaalde de stad twaalf gulden en tien stuivers aan uitgever
J. de Vri (eveneens Nutslid). De landdrost liet in 1809 een goedkope editie maken voor verspreiding op
het platteland, deze is hier afgebeeld. Het boekje was zeer succesvol. In 1823 – Doijer was inmiddels ‘Honorair
lid van de Maatschappij der koepokinenting ter Rotterdam’ – kwam er een vierde druk van uit. (Collectie
J.C. Streng).
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Geen Staatkundige of Godsdienstige geschillen
zullen in de vergaderingen mogen plaats
hebben.’
Het departement functioneerde autonoom
binnen het algemene kader dat door de Algemene
Vergadering van alle departementen van de Maatschappij
werd vastgesteld. Op lokaal niveau
bepaalde de algemene vergadering van het departement
het beleid. Voor de dagelijkse gang van
zaken benoemde de algemene vergadering van het
departement een bestuur dat het departement in
rechte vertegenwoordigde. Het huishoudelijk
reglement bepaalde dat het dagelijks bestuur
bestond uit een president, een secretaris, een
plaatsvervangend secretaris, een penningmeester
en een plaatsvervangend penningmeester. Na de
organisatorische regelingen vervolgde het huishoudelijk
reglement met de activiteiten:
‘De bij de algemeene wetten bepaalde werkzaamheden
zullen het Departement ten richtsnoer
versterken, terwijl het zich beijveren zal
om zoo veel nut te stichten als in deszelfs kring
mogelijk is.
Elk der Leden zal worden uitgenoodigd op zijn
beurt een kort betoog over eenige nuttige zaak
voor te lezen, op dat aan de bedoeling der
Maatschappij des te meer voldaan worde.’
De uitvoering van taken werd gedelegeerd aan
commissies, die elk hun eigen administratie voerden.
Iedere commissie had een voorzitter, secretaris
en penningmeester. De commissies handelden
vrij autonoom. Hun bevoegdheden waren door de
algemene vergadering van het departement vastgelegd
in instructies. De commissies moesten
jaarlijks rekenschap afleggen aan die vergadering.
Verlies functie
Naarmate de landelijke en regionale overheden in
de tweede helft van de twintigste eeuw meer taken
gingen vervullen op sociaal-cultureel gebied en
onder invloed van de maatschappelijke veranderingen
die al bij de koersverandering van de landelijke
Nutsorganisatie zijn aangeduid, verloor het
Departement Zwolle zijn functie. De verzelfstandiging
van de spaarbank, het ziekenfonds en de
school aan het einde van de jaren zestig dwongen
het Zwolse departement tot een heroriëntatie. Het
departementsbestuur werd vervangen door het
bestuur van de Nutsschool en hield zich in de
praktijk voornamelijk bezig met de oprichting van
een vormingscentrum in het Cele-complex.
Na de liquidatie van het departement en de
oprichting van de Stichting tot Algemeen Nut
Zwolle op 11 juni 1981 werd het doel geherformuleerd
tot:
‘…het bevorderen van het sociaal, cultureel en
maatschappelijk welzijn ten behoeve van de
samenleving in Zwolle en omstreken’.
De Nutsstichting ging zich toeleggen op financiële
ondersteuning van sociale, culturele en
maatschappelijke activiteiten in en om Zwolle.
Een belangrijk facet werd de samenwerking met
instellingen die zich op hetzelfde terrein bewogen.
Dit gebeurde met name binnen de Stichting Edukatief
Centrum CELE Zwolle.
In 1990 trok het Zwolse Nut zich terug uit het
Cele-centrum. De enige taak die sindsdien overbleef,
is het verlenen van subsidie aan plaatselijke
activiteiten.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
De Nutsbibliotheek
De basis van de Nutsbibliotheek werd
gelegd door het tweede Nutsdepartement,
de Zwolsche Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen. Voor de gratis uitlening gebruikte
men vanaf 17 juni 1800 de consistorie van de
doopsgezinde gemeente aan de Wolweverstraat.4
Van deze bibliotheek is geen catalogus bewaard
gebleven, maar het ligt voor de hand dat men in
ieder geval de standaardpublicaties van het (landelijke)
Nut bezat. Vermoedelijk was er te weinig
belangstelling en stopte men in 1807 met het uitlenen.
De boeken werden ter beschikking gesteld
aan de onderwijzers van Zwolle. Bij de opheffing
van de Zwolsche Maatschappij werden de boeken
in eigendom overgedragen aan de onderwijzer
Gerrit Spijkerman.5
Heroprichting Nutsbibliotheek
Op 20 april 1815 besloot het zeven weken eerder
heropgerichte Departement Zwolle opnieuw een
leesbibliotheek op te zetten. Het doel was: ‘aan
dezulken, wier tijdelijke omstandigheden niet toelaten
boeken te koopen, gelegenheid te geven tot
verkrijging van zoodanige werken als geschikt zijn
om door het lezen van dezelve, aan den wensch
naar verstandsbeschaving en verbetering van hart,
en de begeerte om zich op een nuttige wijze te ontspannen,
te kunnen voldoen’. De bestuursleden
moesten eerst nog onderzoeken waar het boekenbezit
van de voormalige Zwolsche Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen was gebleven. De 147
boeken die de Zwolsche Maatschappij bij de
opheffing in 1814 had overgedragen aan de onderwijzer
Gerrit Spijkerman, had deze afgestaan aan
de onderwijzers van het District Zwolle. De notulen
van 1 juni 1815 meldden dat men over de
teruggave aan het onderhandelen was met de
schoolopziener Van Goudoever. Op 6 juli 1815
besloot het departement een Commissie voor de
Directie der Leesbibliotheek in te stellen. De leden
werden een week later geïnstalleerd. Op 7 december
1815 werd goedgekeurd geld te besteden aan
de huisvesting en inrichting van een lokaal. Op 9
december werden de inmiddels teruggekregen
Nutsboeken overgedragen aan de commissie voor
de leesbibliotheek en vanaf 18 januari 1816 konden
de boeken eindelijk worden geleend in een
pand op de hoek van de Nieuwe Markt (nu:
Samuel Hirschstraat) en de Schoutensteeg.
Het boekenbezit groeide van tweehonderd
banden in 1817 tot zeshonderd in 1821 en negenhonderd
in 1828. In 1835 vonden bijna elfduizend
uitleningen plaats. Fondslijsten uit de beginjaren
Het voormalige Kramersgildehuis
in de
Praubstraat, hoek
Papendwarsstraat. Hier
hielden in het begin van
de negentiende eeuw
veel leesgezelschappen
hun bijeenkomsten.
De Nutsbibliotheek was
hier jarenlang, tot 1872,
gevestigd.
(Collectie HCO).
142 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1912 nam de voorzitter van de Commissie tot de Nuts-Volksbibliotheek, ds.
S.K. Bakker, het initiatief tot de oprichting van een openbare leeszaal. Deze
plannen konden verwezenlijkt worden toen de heer H. Löhnis voor dit doel een
kapitaal pand schonk, Kamperstraat 21. In 1916 werd hier de Openbare Leeszaal
geopend. In 1951 werd Kamperstraat 19 bij het geheel betrokken. Deleeszaal
cq. bibliotheek bleef hier gevestigd tot 1986, toen de verhuizing nar de Diezerstraat
plaatsvond. De foto dateert uit de begintijd van de leeszaal, links op de
foto is nog een stadspomp te zien. (Collectie HCO).
zijn niet bewaard gebleven. Het jaarverslag over
1836 meldde ‘…dat de lectuur evenals vroeger
voor het grootste gedeelte zich bepaalt bij Godsvrucht,
Zedekunde, Reisverhalen en Mengelwerken’.
In de jaren dertig van de negentiende eeuw
mochten daarom ook de bewoners van de Zwolse
gevangenis boeken aanvragen uit de leesbibliotheek.
6 De Nutsboekerij, ook wel aangeduid als
Volksbibliotheek, behield in de loop der jaren
haar beschavende functie. In 1906 was ze twee
avonden per week open en werden aan 350 leden
12.500 boekdelen uitgeleend.7 In een terugblik op
de Nutsbibliotheek schreef de secretaris zelfs dat
het uitdelen van het grote aantal boeken in een
beperkt aantal uren zo veel gedrang opleverde, dat
verschillende keren de hulp van de politie moest
worden ingeroepen.8
Huisvesting
De (heropgerichte) Nutsbibliotheek gebruikte na
de start in de Schoutensteeg een lokaal van het
Kramersgildehuis aan de Praubstraat 4 hoek
Papendwarsstraat.9 In 1844 klaagde de Commissie
tot de Nutsbibliotheek dat het pand te vochtig
was. De boeken begonnen te schimmelen, te
scheuren en uit de banden te vallen. Het gebouw
was door zijn bouwvalligheid zelfs levensgevaarlijk.
Pas toen de commissie dreigde de leeszaal te
sluiten, omdat het dagelijks bestuur van het Nutsdepartement
de zaken op haar beloop liet, werd
met steun van het stadsbestuur in 1845 een veiliger
onderkomen gevonden in een voormalige suikerraffinaderij
bij de Diezerpoortenbrug. Drie
jaar later verhuisde de bibliotheek echter weer
terug naar het Kramersgildehuis, omdat dit
inmiddels was opgeknapt en veel gunstiger lag dan
de voormalige suikerraffinaderij. De zaal werd
gehuurd van loodgieter J.C. Staal.10 Eindelijk, op
28 februari 1872, kreeg de bibliotheek een vast
eigen lokaal in een gebouw in de Papenstraat,
waar later de drukkerij van La Rivière en Voorhoeve
was gevestigd. Toen de Nutsspaarbank in
1889 een kantoor bouwde aan de Blijmarkt 23,
was het logisch dat ook de Nutsbibliotheek daar
een plaatsje kreeg. In 1910 zegde de Nutsspaarbank
echter de huur op, omdat ze ruimte nodig
had voor archiefopslag.11 Daarop verhuisde de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 143
bibliotheek naar een achterkamer van Odeon aan
de Praubstraat. In dit gebouw wisselde de Nutsbibliotheek
nog enkele keren van lokaal, tot de boekerij
ten slotte in langdurige bruikleen overgedragen
werd aan de Vereeniging ‘Openbare Leeszaal
en Bibliotheek te Zwolle’.12
Intermezzo: de Algemene Bibliotheek
De Nuts-Volksbibliotheek was bedoeld voor de
vorming en beschaving van de lagere standen van
de Zwolse gemeenschap. In 1827 werd de Algemene
Bibliotheek opgericht, voor het ‘beschaafde
publiek’ dat behoefte had aan boeken met een
meer wetenschappelijk en literair karakter. Dit
initiatief stond los van het Nut. Dat is begrijpelijk,
omdat de beschaafde klasse per definitie niet
beschaafd hoefde te worden en het Nut hier dus
geen taak had. Toch waren er wel enkele Nutsleden
bij betrokken. Ook dit is begrijpelijk, omdat
een vrij groot deel van de beperkte groep Zwolse
notabelen verbonden was aan het Nutsdepartement.
De Algemene Bibliotheek zat aanvankelijk
in een lokaal van de gemeente waarvoor met het
oog op het wetenschappelijke doel geen huur
hoefde te worden betaald. In 1842 werd ruimere
huisvesting gevonden boven de nieuw gebouwde
Nutsschool aan de Bitterstraat. Toen de school in
1897 kampte met ruimtegebrek, moest de Algemene
Bibliotheek verhuizen naar een bijgebouw
van de Grote Sociëteit in de Koestraat. Driekwart
eeuw later kwamen de boeken voor het onbeschaafde
volk en de boeken voor de beschaafde
burgerij alsnog broederlijk op dezelfde plank te
staan, want in 1968 fuseerden de plaatselijke
bibliotheken tot de Stichting Gemeenschappelijke
Bibliotheek Zwolle. Deze verhuisde in 1986 naar
het voormalige provinciehuis aan de Diezerstraat.
Het Nut toonde zijn historische verbondenheid
door de bibliotheek bij die gelegenheid een facsimile
van de Gutenbergbijbel te schenken ter waarde
van tienduizend gulden.
Oprichting Openbare Leeszaal en Bibliotheek
In 1907 trachtte mr. E. van Ketwich Verschuur
een Zwolse openbare leeszaal op te richten. Zijn
poging mislukte, omdat de Zwolse gemeenteraad
weigerde een vaste jaarlijkse subsidie ter beschik –
De COMMISSIE voor de
JLeesbibliotïieek van het Departement
Zwolle der MAATSCHAPPIJ TOT
NUT VAN ‘T ALGEMEEN, berigt dat tot 1 April e. k.
de boekerij iristede van éénmaal, tweemalen ’s weeks, van af
Maandag den 14 dezer zal geopend zijn, en wel behalve zoo
dis gewooulijk des Donderdags morgens van 11 tot 1 uur,
ook nog des Maandat/s avonds van 5 tot 7 uur.
De boeken der bibliotheek, waarvan het lokaal in de
Praubstraat is gelegen, worden g r a t t i s ter lezing uitgereikt;
terwijl de Catalogus die 1645 nummers inhoudt, op
aanvrage te verkrijgen is tegen eene betaling van 10 centen.
De werken zijn onlangs wederom mei een groot aantal
vermeerderd, en dna»vau een 2* Supplement aan den Catalogus
toegevoegd.
De Commissie vestigt de aandacht op deze voor de Volksklasse
nuttige inrigting, opdat daarvan, gelijk thans, ecu
steeds toenemend gebruik moge worden gemankt.
J)e Commissie voor de Leesbibliotheek voornomnd,>
J. H. VA* MEEVERDEN, Pres.
D. J. A. JORDEN3, Secret.
king te stellen. Vijfjaar later, in 1912, had de voorzitter
van de Commissie tot de Nuts-Volksbibliotheek
ds. S.K. Bakker meer succes. Hij verwierf
zowel de steun van de Nutscommissie als van de
gemeenteraad. Het dagelijks bestuur van het
Nutsdepartement was aanvankelijk tegen het
plan, maar werd door Bakker overgehaald zijn initiatief
te steunen. De Commissie tot Oprichting
eener Openbare Leeszaal in Zwolle telde een aantal
Nutsleden en begon op 14 oktober 1913 met
haar voorbereidingen. Acht maanden later, op 18
juni 1914, vond de formele oprichtingsvergadering
plaats. Van Ketwich Verschuur aanvaardde
het vice-voorzitterschap. Door het uitbreken van
de Eerste Wereldoorlog en de daarmee samenhangende
financiële problemen werden de activiteiten
opgeschort. Het initiatief werd nieuw leven
ingeblazen, toen de heer H. Löhnis voor de huisvesting
van de bibliotheek een huis met tuin aan
de Kamperstraat 21 schonk. Löhnis was kunstmestfabrikant
en lid van Provinciale Staten, hij
behoorde in die tijd tot de rijkste Zwollenaren.
Inmiddels waren bij Koninklijk Besluit van 27
december 1915 de statuten goedgekeurd en sloot
men zich aan bij de Centrale Vereniging van
Advertentie van de
Commissie voor de
Volks Leesbibliotheek
van het Nut in de
‘Zwolsche Courant’ van
7 januari 1867.
144 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee foto’s van de in 1916 geopende Openbare Leeszaal aan de Kamperstraat
21. Het interieur oogstte bij de opening ieders bewondering. Het bordje “Verboden
te spreken’ heeft daar vele jaren gehangen. (Uit: Eigen Erf, collectie HCO).
Openbare Leeszalen en Bibliotheken in Nederland.
De dochter van de gulle gever, Hermance
Löhnis, werd in het bestuur gekozen en aangesteld
als onbezoldigd directrice. In juli 1916 besloot het
Zwolse Nutsdepartement alle boekwerken en de
hele inventaris van de Nuts-Volksbibliotheek in
bruikleen over te dragen aan de openbare leeszaal.
Bovendien schonk het Nutsdepartement een jaarlijkse
som (om te beginnen driehonderd gulden)
onder de voorwaarde dat de Commissie tot de
Volksbibliotheek in haar geheel bleef bestaan en
dat steeds twee leden van deze commissie zitting
hadden in het bestuur van de Vereeniging ‘Openbare
Leeszaal en Bibliotheek te Zwolle’. Voorts
vroeg de Nutscommissie als tegenprestatie vierhonderd
lidmaatschapsbewijzen om deze gratis te
verspreiden onder personen, waarvan de Nutscommissie
oordeelde dat ze hiervoor in aanmerking
kwamen.
Op 25 augustus 1916 vond de eerste bestuursvergadering
plaats en op 11 september 1916 de
tweede algemene ledenvergadering. Op deze
laatstgenoemde bijeenkomst werd het huishoudelijk
reglement vastgesteld. De eerste Nutsvertegenwoordigers
waren Willem Jansen en Iz. Marcus.
Initiatiefnemer Bakker, de voorzitter van de
Nutscommissie die tevens voorzitter werd van de
openbare leeszaal, werd kennelijk niet als nutsvertegenwoordiger
geteld. De Openbare Leeszaal en
Bibliotheek begon met 2500 boekbanden, die voor
het grootste deel afkomstig waren van het Nut, en
duizend leden. De Nutscommissie beperkte zich
sindsdien voornamelijk tot het herstellen van
stukgelezen boeken en het jaarlijks bij het Nutsdepartement
aanvragen van een subsidie van honderd
tot driehonderd gulden voor aankoop van
nieuwe boeken. Daarbij constateerde het departement
vrijwel ieder jaar dat de Commissie tot de
Leesbibliotheek geen jaarverslag van haar werkzaamheden
had ingeleverd. Op de algemene vergadering
van 20 februari 1947 besloot het departement
de Nutscommissie op te heffen, de Volksbibliotheek
in eigendom over te dragen aan de Vereeniging
‘Openbare Leeszaal en Bibliotheek’ en de
subsidies voortaan rechtstreeks aan deze vereniging
over te maken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 145
De Nutsschool
Luchtfoto van het Groot
Wezenland uit 1933
met linksboven een
mooi zicht op de toen
nog maar een paar jaar
oude Nutsschool.
Opvallend is het grote
schoolplein. Rechts aan
de school is een aangebouwde
dienstwoning te
zien, die door een van
de leerkrachten
bewoond werd. Op de
voorgrond is de azijn-en
waskaarsenfabriek van
Heerkens Schaepman
en Co te zien en in het
midden het oude
rooms-katholieke ziekenhuis.
(KLM Aerocarto).
146 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In publicaties over de Zwolse Nutsschool
wordt het beginjaar meestal gesteld op 1816,
maar in feite begon de geschiedenis van de
school al veel eerder, op 27 oktober 1800.13 Op die
dag opende de Zwolsche Maatschappij tot Nut
van ’t Algemeen namelijk een school in het daartoe
verbouwde Weversgildehuis aan de Nieuwstraat
bij de Korte Smeden. Cornelis Bosch was de
eerste schoolmeester. Hij gaf les in ‘lezen, schrijven,
rekenen en enige andere nuttige wetenschappen’.
De school was door zijn hoge kwaliteit een
landelijk voorbeeld. In die jaren kwam het schooltoezicht
in Zwolle geheel in handen van Nutsleden.
Daaraan zal niet vreemd geweest zijn dat de
districtsschoolopziener tevens voorzitter was van
het Zwolse Nut. Desondanks mislukte de Nutsschool.
Vermoedelijk sloot deze al in 1806 zijn
deuren en vertrok onderwijzer Bosch naar Kampen.
14
Heroprichting in de Papenstraat, 1815-1816
Op 20 juli 1815, zestien maanden na de heroprichting
van het nieuwe Departement Zwolle,
werd een Commissie tot het ontwerpen van een
conceptplan voor een Departementsschool
benoemd. De eerste secretaris van het Zwolse
Nutsdepartement en naderhand tevens voorzitter
van de Commissie tot de Nutsschool J.A. Oostkamp
betoogde dat men zich tot doel stelde de
kinderen een beschaafde opvoeding te geven,
zodat zij ‘brave en kundige leden der Burgerlijke
en Christelijke Maatschappij’ werden.15 De formele
oprichtingsvergadering was op 14 september
1816.16 Op 25 november werd Gerrit Spijkerman,
die verbonden was aan het Weeshuis, aangesteld
als schoolhoofd. Spijkerman functioneerde tot dat
moment als vice-secretaris van het Zwolse Nutsdepartement.
Zijn betrokkenheid bij het Nut
kwam eerder tot uiting bij de opheffing van het
voorafgaande Zwolsche Nut, toen men hem alle
schoolboeken schonk. De school ging op 2 december
1816 van start met 69 leerlingen. Men begon
met een dagschool in drie lokalen en een avondschool
in twee lokalen.17 De huisvesting gaf de
nodige perikelen. Omdat de eigenaar van een huis
aan de Ossenmarkt het pand niet kon leveren,
huurde men voorlopig het voormalige kantoor
van de ontvanger van de stedelijke belasting in de
Goudsteeg. Daarnaast huurde de school kamers in
het huis van een weduwe Thiebout, die in de
Papenstraat naast het Cele-poortje woonde.
Bovenmeester Spijkerman woonde er zelf ook en
in 1817 werd er nog een bedstede bijgebouwd
voor de ondermeester. Pas in 1840 kreeg de Nutsschool
haar eigen behuizing in de Bitterstraat.18
Kwaliteit van het onderwijs
Hoewel de school zich in opzet richtte op de minvermogenden,
kwamen de leerlingen in werkelijkheid
voornamelijk uit de betere standen. Het
onderwijs stond op een zodanig hoog peil, dat de
leerlingen in staat waren na de Nutsschool vervolgonderwijs
te volgen aan de Latijnse school, het
latere gymnasium. Hiermee onderscheidde de
Nutsschool zich van de andere lagere scholen,
waarbij het onderwijs tevens eindonderwijs was.19
De kinderen leerden rekenen, schrijven, lezen,
‘Nedertaalkunde’, aardrijkskunde, geschiedenis,
natuurkunde, meetkunde en zangkunde.20 De
grondslag van de school was niet openbaar en niet
christelijk. De richting van het onderwijs kunnen
we aanduiden met de anachronistische term neutraal
bijzonder onderwijs. Aan de ene kant wilde
het Nut zo algemeen mogelijk zijn, aan de andere
kant baseerde het zich op christelijke beginselen.
Dat leidde vanzelfsprekend tot conflicten. Zo trok
de bekende Zwollenaar Jan ter Pelkwijk zich in
juni 1822 terug uit de Commissie tot de Nutsschool,
omdat twee predikanten zijn godsdienstige
gevoelens in een kwaad daglicht zetten. Een leerling
had namelijk tijdens de godsdienstles geantwoord,
dat Ter Pelkwijk had geleerd dat de mens
tot het rijk van de dieren behoort.21 Het hoogtepunt
van elk schooljaar was de bijeenkomst in juni
of juli in de Broerenkerk. Na de examens werden
de ereprijzen uitgereikt en kregen alle kinderen een
traktatie. Ook de leerlingen van de armeninrichtingschool
deden hieraan mee. Veel notabelen
bezochten dit grote evenement. Zelfs de gouverneur
van Overijssel kwam de eerste keer. Op 2
december 1820 werd als aanvulling op de lagere
school een onderhoudingsschool opgericht. Hiermee
kregen leerlingen uit de hoogste klas de gelegenheid
enkele uren per week de leerstof uit te
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 147
JufPanjer
‘JufPanjer was een bewonderenswaardige en lieve vrouw die meer deed dan het
verplichte leesplankje van aap-noot-mies in de koppen van het haar toegewezen
grut stampen. Ze probeerde -om het een beetje hoogdravend te zeggen – een
zaadje van de rijkdom der cultuur in de prille hersentjes te strooien. Tientallen
jaren heeft ze dat volgehouden bij generaties van Zwolse kinderen. In de jaren
tachtig is ze op hoge leeftijd overleden. Zij was een voorbeeld van oprechte pedagogische
betrokkenheid bij het lot van jonge zielen die ze meer toewenste dan het
materialisme van alle dag.’
Uit: ‘Zwolle in de achteruitkijkspiegel’, dl. 2, Willem van der Veen.
De onderamzerfê
De eerste klas van de Nutsschool aan het Groot Wezenland in het cursusjaar 1959/60. Van boven naar beneden vlnr.: Marnix Bootsma,
Rudi Stam, onbekend, Bob Hartstra, Hans Manschot, Martin de Leeuw, onbek., onbek., Betty Tadema, Rein van Lochem, Margriet
van Marie, onbek., onbek. Tweede rij: Elsemiek Heins, Ernst Koopman, Pim van Dijken, Caroline Kroonenberg, onbek., onbek.,
Dinise Gimbrère, onbek. Voorste rij: Jonneke van Diemen de Jel, Roelie Haag, Alice Visser, Pé Kruithof, onbek., JufA. C. Panjer, Joke ?
,Maria te Winkel. Op de grond zittend: Jan Verhagen, Ellie Leferink, onbek., Jan Kam. (Particuliere collectie).
148 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
V
___ –
AAS.
/ , / ‘ • ‘S
•///?”, ‘/fs////?///
– . //J>;Z’/_ ..
r /-y///
y si •/•>•/•
” – ^ / ‘ f >••'”
– Q/yy’y/. . . .
« <%k'fyyy*/C — u u ir /r Al /,i ' tt ft 17 U )V iy f />–
ir
i i
iA
ft
U
•f
‘/l
II
U
,/.
V
V
IY
“)
j.a
n
JI

.-‘O
‘t
,7
17

‘ • • * .
/fi
/o
/o
9
II
//
‘/
S

N
/fi
/$
“1
‘9
‘9
ib
/’< V * 9° 9* 'M 'M 9* ,)S 17 . ÏC NS a M } } YS /z "1 0 - u| /fé>.
ióo
f64′.
J66.
IZlS
m
I’7J?/
•/ƒ/
‘M
/il
‘S”
,’A
SI
“)
‘0
2/
>s
/6
‘T
1
A
20
20
20
‘1
f
17
‘9
i
!
r
r
f
b
3
/

ét
/A ‘
M
n

te !
ui
u-
12
•U ;
1
!
/,
A
‘j
I
|
••
]
rr
f /
ff
. >i
• / j – rt
u
2
‘ i
t
)
. Ar
, Af
.. /.7
7,6
• – •
!
/ /
/S
/6
IA
13
/A
M
/>
f..
: –
•7f.
7f.
73.
-6*.
.65.
6A
t?3
6i.
J9
ê-i
ój.
1
M
>9

‘1
ik
12
11

il’
u-
•T
I
Ja
JO
ZO
22

JfJ.
ld
17
‘7
iy
^ .
f’
63.
6i
SC)
SS.
62.
é?0.
f8
sa
Ai.
Ab.
Al
4Y.
^-
M6
loó
M
/#&
/êl
HU
/ei
W1
09


i d
10/
fp
0/
9?
f- •y
205
20$.
J40-
215
,217
?//>
1Q8
105
* • •
> 5
I
i
3
A
4
A
A
/,
A
0
9
tr
JO
/f
y
7
V.
•/
/
-•—.
.
/Z
tz< 12. /A. JA /A. JA. JJ H il Jl i 3. 3. : 3. 3. A. ? , z Jl. £ l z,. • X I ) k( • I y Een overzicht uit 1845 van het aantal leerlingen van de dag-, avonden onderhoudingsschool van het Nut. Uit het leerlingenregister 1816- 1863. (Collectie HCO). breiden. Bij de avondschool werden de lessen vanaf 1829 naar sekse gescheiden gegeven.22 Omdat slechts een klein aantal leerlingen het aanvullend onderwijs benutte, verdween de onderhoudingsschool na enkele jaren. Hiervoor in de plaats kwamen andere initiatieven, zoals les in Italiaans boekhouden, het zogenaamde dubbel-boekhouden. Verder werd in 1839 de jaarlijkse publieke prijsuitreiking afgeschaft. Voortaan gebeurde dit binnen de school met uitsluitend direct betrokkenen. Nieuwe initiatieven in de Bitterstraat In 1840 verhuisde de school naar de Bitterstraat in een pand vlak achter de (later gebouwde en inmiddels weer afgebroken) rooms-katholieke Michaëlskerk.23 Vanaf dat moment kregen de jongens en meisjes ook overdag gescheiden les. In hetzelfde jaar werd de Franse taal als leervak op vrijwillige basis ingevoerd. De ouders moesten hiervoor stevig bijbetalen. In 1842 volgde kostenloos zangonderwijs en in 1845, na jarenlange discussie over de gevaren die er aan verbonden waren, het gymnastiekonderwijs. Dit bleef voorlopig wel beperkt tot de jongens. De behoefte aan lichamelijke vorming groeide en in 1865 bouwde het Nut aan de Jufferenwal een apart pand voor het gymnastiekonderwijs.24 Drie jaar later meldde de krant ook het voornemen van het Nut een muziekschool op te richten.25 De ceremoniële prijsuitreiking was toen al sedert jaren vervangen door een stelsel van schoolonderzoeken gedurende het gehele schooljaar. In hoeverre het plan voor de muziekschool slaagde, kan alleen worden achterhaald door historisch onderzoek. Een notulenboek van de Algemene Vergadering van het departement bevat in ieder geval een overzicht van de subsidies voor een muziekschool over de jaren 1876-1884. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 149 Nieuwe behuizing aan het Groot Wezenland De stabiliteit van de Nutsschool kan worden afgeleid van de lange perioden dat de schoolhoofden in functie waren. Het eerste schoolhoofd, Spijkerman, was 49 jaar in functie, van 1816 tot 1865. Hij werd opgevolgd door de heer Muyderman, die 35 jaar de school leidde. Toen duurde het twee jaar voor het schoolbestuur een geschikte kandidaat vond. Dit werd de heer Rijkaart, die weliswaar bekwaam was, maar ook een geduchte tegenspeler van het schoolbestuur bleek. De continuïteit van de dagelijkse leiding betekende echter niet dat het de school altijd voor de wind ging. Zo ontstond in 1880 een dusdanig groot financieel tekort dat de Nutsspaarbank moest bijspringen. Daarop werden begin januari 1881 alle bestuursleden van het departement vervangen. In latere jaren speelden vooraanstaande Zwollenaren als de uitgevers JJ. Tijl en J.C. Tjeenk Willink een belangrijke rol. Met name door de inspanningen van de laatstgenoemde kon op 30 augustus 1930 een nieuw imposant schoolgebouw worden geopend aan het Groot Wezenland 28. De heer Keuning was toen schoolhoofd. Desondanks werd al in 1937 geopperd de school te sluiten wegens het teruggelopen aantal leerlingen. De eerste klas van de Nuts-lagere school in het cusrsusjaar 1924/25. De Nutsschool was toen nog aan de Bitterstraaat gevestigd. Van een paar kinderen zijn de namen bekend: zittend vooraan eerst een jongetje Helder, daarnaast Jeanne Reinders; de rij daarboven links Lex Mesdag en Mieke van Tienen; daarboven links Wim Quirijns en een jongetje Uit den Bogaard, dan de juf, het tweede kind rechts van haar is Ina de Leeuw en vervolgens Attie Stuurman. Op de bovenste rij staat links een meisje Tjeenk Willink. (Particuliere collectie). 150 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Het speelplein van de Nutsschool aan het Groot Wezenland in 1939 en omstreeks 1970. De bomen zijn in dertig jaar tijd flink gegroeid. Op de onderste foto was de Nutsschool al gefuseerd tot Jan Nieuwenhuijzenschool. Het fietsenhok onttrekt net het poortje aan het zicht waarlangs de leerlingen binnenkwamen. Op de foto is goed te zien hoe de school grensde aan de "Witte Villa's' aan het Groot Wezenland die beginjaren negentig werden gesloopt om plaats te maken voor het parkeerterrein van De Weezenlanden. De school moest al eerder het veld ruimen, in 1977/78. (Collectie HCO). Bezettingsperikelen Tijdens de Duitse bezetting moest de Nutsschool alle zeilen bijzetten om te kunnen voortbestaan. Al in juni 1940 moest de school zijn nieuwe behuizing aan het Groot Wezenland verlaten en werden de klassen over steeds wisselende locaties verspreid. Het materiaal werd eveneens op verschillende plekken opgeborgen, maar bleek daar niet veilig voor het oorlogsgeweld. Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) gooiden leden van de Hitlerjugend uit frustratie over de geallieerde invasie alle wandplaten, kaarten en kleine bankjes op straat die opgeborgen waren op de zolder van een kweekschool. Tijdens de laatste oorlogswinter deed de school veel moeite het contact te behouden met de kinderen. De oudere leerlingen kregen les bij de meester thuis, terwijl de juffrouw bij de kleintjes thuis langs ging. Het schoolbestuur verloor wel het zicht op het meubilair en de archieven. Op een gegeven moment kreeg het bericht dat de schoolbanken in een loods lagen opgeslagen en door de jeugd werden weggesleept. De banken die nog konden worden gered, verhuisden naar de Nieuwstraat en naar de Bitterstraat. Bij de bevrijding was het leed nog niet voorbij, want bewoners zetten tijdens de bevrijdingsfeesten de banken op straat, terwijl werklui, die tijdelijk gehuisvest waren in de Kweekschool, de wandkaarten en banken opstookten om zich te warmen en hun kleding te drogen. Bovendien vorderden de Canadese troepen het schoolgebouw. Pas op 21 november 1945 kon de school terugkeren in het zwaar gehavende pand, met een paar geredde schoolbanken, vrijwel zonder leermiddelen en zonder de vrijwel geheel verdwenen schooladministratie. 26 Ook ontkwam de Nutsschool niet aan de naoorlogse zuiveringsperikelen. Reorganisatie en opheffing Aanvankelijk ontwikkelde de Nutsschool zich na de bevrijding voorspoedig. In 1966 werd op grootse wijze het honderdvijftigjarig jubileum gevierd.27 Bij die gelegenheid besloot het departement middelen in te zamelen voor een talenpracticum, in die jaren een symbool voor modern onderwijs.28 Bij de organisatie van de jubileumviering kwamen spanningen naar boven met het ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 151 Vierde klasser in oorlogswinter 'In de herfst verdween de kleurige pracht van het Bloemenlandje onder een laagje water dat uit hetAlmelose Kanaal werd gepompt. En dan, als het vroor, een paar nachtjes later lag er de mooiste ijsvloer die men zich denken kon. Nog wel in de onmiddellijke nabijheid van de binnenstad. (...) Op het grote ovaal in het midden van de vlakte kon je je eigenlijk niet vertonen als je nog niet met de handen op de rug kon rijden. Daar zoefden immers de cracks voorbij, in perfecte balans schuin door de bochten scherend. Een van hen bekeek ik met extra belangstelling. Het was onze onderwijzer uit de vierde klas van de vlakbij de ijsbaan gelegen Nutsschool waar ik toen zat in de strenge winter van 1941/42. Hij heette Van Berkum, niet te verwarren met de hoofdonderwijzer, wiens naam Van Bekkum luidde. We waren allemaal dol op die man: sportief, grapjes maken voor de klas, mooie verhalen vertellen in de geschiedenisles, prachtig voorlezen op zaterdagmorgen tot besluit van de schoolweek. En dan ook nog een held op schaatsen! Hij droegzo'n nauwe schaatsbroek, een trui met club-badge en hij reed op Noren! Echte Noren...! Wie deden dat toen? Alleen de allerbesten. Op een vrije woensdagmiddag stond ik weer te kijken naar die hardrijders, in de hoop een voorbijflitsende glimp van de meester te kunnen opvangen. Verdraaid, daar kwam hij aan! "Meneerrr...!" schreeuwde ik. Hij zag me waarachtig ook nog en, wat nog verbazingwekkender was, hij stond plotseling stil met een snerpende kras van zijn dure Noren. "Wil je even een rondje mee?", riep hij. Ik was te verbouwereerd om "alstublieft, meneer" te zeggen. "Pak m'n handen", zei hij en legde ze op zijn rug. Toen begon ik aan een paar schaatsrondjes die ik mijn hele leven niet meer vergeten ben. Ik schreeuwde van opwinding, zo griezelig hard ging het. Nooit heb ik mij sneller op schaatsen voortbewogen dan toen, bijna tien jaar oud, in het kielzog van de meester. Ook niet toen ik al volwassen was en me redelijk kon redden op het ijs, zelfs op Noren. Die man kon op dat moment helemaal niet meer stuk... tot een paar maanden later. Het was voor jongetjes een vreemde, verwarrende tijd in die oorlog. Uit het raam van mijn ouderlijk huis zag ik een soort van demonstratie op de grote, ronde vluchtheuvel van de Grote Markt. Jongens en meisjes met zwart-oranje mutsjes stonden daar keurig in het gelid: de Jeugdstorm, de jongerenafdeling van de NSB. Als de grote leider in zwart uniform met glanzende laarzen manifesteerde zich al commanderend... mijn onderwijzer uit de vierde klas! Ik wist niet wat ik zag. Ik liet het wel uit m'n hoofd om "meneerrr...!" uit het raam te roepen.' Uit: 'Zwolle in de achteruitkijkspiegel', dl 2, Willem van der Veen. overkoepelende departementsbestuur, als gevolg stad was de Nutsschool echter gedoemd te vervan de speciale organisatiestructuur met onduide- dwijnen. In diezelfde tijd bedreigde een leerlinglijke bevoegdheden. Op 22 november 1967 werd entekort ook de openbare Eshuisschool aan het de Commissie tot de Nutsschool na 151 jaar opge- Assendorperplein. In een uiterste poging het tij heven. Op dezelfde dag trad het volledige departe- nog te keren fuseerden in augustus 1969 de Nutsmentsbestuur af. Garmt Tiessen, die sinds 1964 school en de Eshuisschool tot een nieuwe openbasecretaris van de Commissie tot de Nutsschool re lagere school, die genoemd werd naar de was, werd de nieuwe secretaris van het Zwolse befaamde oprichter van de Maatschappij tot Nut Nutsdepartement. Het departementsbestuur fun- van 't Algemeen, Jan Nieuwenhuijzen.29 Het geerde voortaan tevens als schoolbestuur. Door de hoofd van de Eshuisschool kreeg de leiding, tervergrijzing en ontvolking van de Zwolse binnen- wijl de nieuwe school werd gevestigd in het pand 152 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT Door een leerling gemaakt programma van de bonte avond van de Nutsschool in 1958. (Collectie HCO). • • ^ Rapportboekje van de Nutsschool uit 1959. (Particuliere collectie). Nutsschoó) - Zwolle RAPPORTENBOEKJE van de Nutsschool. Omdat de gemeente armlastig was, verklaarde het Nutsdepartement zich bereid nog enkele jaren de kosten van het onderhoud te dragen. Maar ondertussen wilde het belendende ziekenhuis De Weezenlanden uitbreiden en had het zijn begerige blik geworpen op de grond van de school. Tegen zoveel bestuurlijk en financieel geweld had de school weinig in te brengen. Op 1 januari 1971 sloot de Jan Nieuwenhuijzenschool zijn deuren en enkele jaren later verrees op die plek nieuwbouw van De Weezenlanden. Een van de naweeën was dat het departement maandenlang een nieuwe bestemming moest zoeken voor het talenpracticum, waarvoor kort ervoor enthousiast geld was ingezameld in het kader van de jubileumviering. Het kwam uiteindelijk terecht bij de Wilgenburgschool. Verwarrende bestuursstructuur Zoals vermeld, had de Nutsschool een afwijkende bestuursstructuur. Het Nutsdepartement werd juridisch vertegenwoordigd door het dagelijks bestuur van het departement. Dit dagelijks bestuur droeg ook de juridische verantwoordelijkheid voor de activiteiten van de verschillende commissies die het beleid in de praktijk uitvoerden. Ook de Nutsschool werd wettelijk vertegenwoordigd door het dagelijks bestuur van het departement, dat in die hoedanigheid het formele schoolbestuur vormde. In de praktijk functioneerden de commissies vrij autonoom en legden ze jaarlijks verantwoording af aan de algemene vergadering van het departement. Terwijl het dagelijks bestuur van het departement op grond van zijn rechtspersoonlijkheid het echte schoolbestuur was, zag de buitenwereld gewoonlijk de Commissie tot de Nutsschool als het schoolbestuur. De Commissie tot de Nutsschool was in feite slechts een oudercommissie met ruime bevoegdheden die was samengesteld uit vaders van leerlingen. De moeders waren georganiseerd in een Commissie van Bijstand tot de Nutsschool, die zo in feite optrad als de gebruikelijke oudercommissie. Vanaf 25 augustus 1964 vergaderden de Commissie tot de Nutsschool en de Commissie van Bijstand gezamenlijk. Men sprak niet meer van 'het schoolbestuur', maar van 'het bestuur'. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 153 In 1966 werd op grootse wijze het honderdvijftigjarig bestaan van de Nutsschool gevierd. De school kreeg bij die gelegenheid van het Departement Zwolle een talenpracticum, als symbool van modern onderwijs. Op de foto de officiële ingebruikname van dit cadeau. (Collectie HCO). Het vooraanzicht van de Nutsschool aan het Groot Wezenland omstreeks 1970. De school werd hier in 1930 geopend. In 1969 fuseerde de school met de openbare Eshuisschool tot Jan Nieuwenhuijzenschool. Ondanks dat moest de school per 1 januari 1971 zijn deuren sluiten. Het

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 4

Door 2000, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

‘ • • • : « • • ; » > [
f
i
De watertof en
op de Turfmarkt
-‘•«!.’
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
MEIjKMAKKT ZWOLLE na de boemsnooiiug (Mnurt 1904).
üitg. H. H. Kok Bzn. Zwolle.
(CAKTK POSTALE.)
/£>-
Zijde vour het «dros bestemd, (Uöté resem’ ii l’iulrésse.)
‘ Zwolle
archief
Ansichtkaart Melkmarkt
Poststempel 1904
Wilde de in 1904 acht-jarige Carolien Baarslag met
deze ansicht haar nichtje Annie Lubbers de pas
gesnoeide bomen vlak bij haar huis tonen? Het
gezin Baarslag woonde op Melkmarkt 31, Caroliens
vader had daar een winkel in kruidenierswaren.
Deze winkel is op de kaart niet te zien, wel is
er vol zicht op Melkmarkt 39-I, het in 1874
gebouwde post- en telegraafkantoor. Naast dit
kantoor is het Drostenhuis nog redelijk zichtbaar,
dat werd omstreeks deze tijd Museum, daarvoor
was er van 1897 tot 1902 het R.K. Ziekenhuis gevestigd.
In 1910 werd het nieuwe postkantoor aan de
Nieuwe Markt in gebruik genomen, het pand aan
de Melkmarkt bleef toen nog wel jarenlang telegraafkantoor.
Melkmarkt 39-I werd in 1965 afgebroken,
het was toen al enige jaren in gebruik
geweest bij het Provinciaal Overijssels Museum.
Daarna was er op deze plek ruim dertig jaar sprake
van het ‘gat aan de Melkmarkt’ tot er in 1996^97 de
nieuwbouw van het Museum verrees.
De geadresseerde Annie Lubbers woonde met
haar ouders en zusje op de buitenplaats Landwijk,
gelegen op de hoek Kuyerhuislaan/Ceintuurbaan.
Annie’s vader Cornelius Lubbers exploiteerde
daar een boomkwekerij. Annie’s moeder was
Trijntje Baarslag, een zus van de vader van Carolien.
{Gemeentearchief Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Redactioneel Inhoud
Dit is alweer het vierde nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift in het futuristisch klinkende
jaar 2000. Het is maar goed dat ons blad de draden
van het verleden bijeen probeert te houden en het
verhaal van de Zwolse geschiedenis ook voor het
nieuwe millennium wil laten spreken. De inhoud
van het blad is ditmaal bijzonder gevarieerd. Zo is
er het verhaal van Wim Huijsmans over de Zwolse
burgemeesters. We kunnen alvast verklappen dat
blijkt dat het Zwolse burgemeesterschap aan de
basis heeft gelegen van menig glanzende carrière.
Verder vindt u een artikel van de hand van J.
Erdtsieck. Het is een samenvatting van zijn
onlangs verschenen boekje Tegen de stroom in
over de geschiedenis van de hervormde gemeente
in Zwolle van 1940 tot 2000. Miriam Schneiders
schrijft over de Zwolse watertoren die alweer 108
jaar de Turfmarkt domineert.
Wie wil weten waarom een uit Nederlands-
Indië afkomstige jongeman in Zwolle verzeild
raakte, moet het verhaal van Jeanine Otten lezen.
Zij schreef over de Stadstekenschool die tussen
1819 en 1898 in Zwolle te vinden was. De dames
Pruim en Leussink hebben zich weer verdiept in
de notulen van de Zwolse zeventiende-eeuwse
kerkenraad en zijn daar gestoten op een afvallig en
verdorven lid.
Liefhebbers van eigenaardigheden kunnen
zich plezieren in het verhaaltje over een ooievaar
die rond 1855 te lui was om zelf zijn kostje bij
elkaar te scharrelen en zich liet bedienen door de
visvrouwen van de Zwolse vismarkt.
Er worden twee oproepen gedaan, Wim Coster
wil meer weten over een oude dienstmakker
van zijn grootvader en Theo de Kogel zoekt informatie
over de rijwielhandel in Zwolle. Aandacht
verder voor finale van de eerste Zwolse Historische
Quiz op 23 september jl., waarbij de heer
G. Banck als winnaar uit de bus kwam.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 108
De watertoren op de Turfmarkt Miriam Schneiders 110
Messcherpe ‘Bijlen’: tekeningen van Vincent Bijl, 1895-1897
Jeanine Otten 118
Tegen de stroom in J. Erdtsieck 122
De ooievaar en de eileuver Wim Coster 127
Een afvallige en verdorven lid: Elysabet de Wael.
Kerkelijke tucht te Zwolle Jennie Pruim en Riet Leussink 128
Een oude dienstmakker Wim Coster 133
De Zwolse burgemeesters Wim Huijsmans 134
Boekbespreking 137
Onderzoek onderweg 138
Mededelingen 139
Agenda 139
Auteurs 140
Omslag: De watertoren op de Turfmarkt, met op de achtergrond de Oosterkerk,
omstreeks 1928. (Collectie Gemeentearchief Zwolle)
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De watertoren op de Turfmarkt
‘omdat het gebouw de omgeving niet behoeft te ontsieren
Miriam Schneiders
De originele watertoren
zoals J. Schotel hem
ontworpen heeft rond
1900. (Gemeentearchief
Zwolle)
Op de Turfmarkt in Zwolle staat een in 1892
gebouwde watertoren die ontworpen is
door ir. J. Schotel. Zijn huidige vorm en
uiterlijke verschijning heeft de toren echter te
danken aan een ingrijpende verbouwing in 1960,
toen na een dramatisch ongeluk enkele jaren eerder
besloten was de watertoren te ommantelen.
De nieuwe ommanteling, neergezet als een opvallend
tienkantig bakstenen bouwwerk, heeft een
hoogte van 38.05 meter en een doorsnede van 13.5
meter op het breedste punt.
Binnen de mantel staat de oorspronkelijke
ronde toren, echter zonder de karakteristieke uitkraging
die tijdens de verbouwing in 1960 verwijderd
is. De watertoren heeft een gesloten draagconstructie
met tussenvloeren. Boven in de toren
bevindt zich het originele ijzeren hangbodemreservoir
met een inhoud van 500 m3.
Een nieuwe bestemming
In het najaar van 1999 kondigde de Waterleiding
Maatschappij Overijssel NV (WMO) aan, dat
besloten was om de watertoren te verkopen. Als
gevolg van stormschade twee jaar eerder, was de
watertoren al uit bedrijf genomen. Een onderzoek
had aangetoond dat de toren aan de Turfmarkt
niet meer die watertechnische functie had die hij
zou moeten hebben. Mede door de groei van
Zwolle waren verbeterde technieken noodzakelijk
geworden om waterlevering te kunnnen garanderen
(bijvoorbeeld aanpassingen op het pompstation
Engelse Werk).
Zowel projectontwikkelaars als particulieren
zijn volop bezig geweest hun ideeën op papier te
zetten voor een passende nieuwe bestemming. De
WMO heeft zes van deze plannen bestudeerd. De
voorwaarde was een goed plan in combinatie met
het uitbrengen van een aannemelijk bod.
Het is zeker geen nieuw verschijnsel dat een
watertoren voor verkoop wordt aangeboden en
dat gezocht wordt naar een alternatieve functie. In
de regel raken de watertorens in Nederland buiten
gebruik omdat de toren verouderd is, de onderhoudskosten
te hoog worden of omdat het distributiesysteem
verandert. Bovendien kan tegenwoordig
het water met behulp van elektrische
pompen op de gewenste druk gehouden worden
en staat de hoeveelheid water in het reservoir in
geen verhouding tot het verbruik ervan. Om deze
redenen hebben de laatste decennia tientallen
watertorens in Nederland een nieuwe functie
gekregen en deze trend zet zich voort.
In Breda aan de Wilhelminasingel staat een
watertoren (1894) in Hollandse renaissancestijl die
ook ontworpen is door Schotel. Deze toren is in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
1974 te koop aangeboden onder de voorwaarde
dat het object zou worden gerestaureerd. Dit is
inmiddels gebeurd. De toren is verbouwd tot kantoor
en heeft de status van rijksmonument. Van
een andere watertoren is bekend dat deze tegenwoordig
in gebruik is als ‘woontoren’ (Soest). In
weer andere gevallen waren watertorens groot
genoeg om er meerdere woningen in te realiseren
(Gorinchem, Zaltbommel en Zutphen). Een Centrum
voor Hedendaagse Kunst (Oost-Souburg)
en een bistro (Boskoop) behoren ook tot de
mogelijkheden.1 Dichter bij huis is in 1989 de
watertoren De Lichtmis (1931) te Nieuwleusen
verkocht voor een symbolisch bedrag. Dat gebeurde
pas nadat in overleg met die gemeente een passende
herbestemming was gevonden. En in 1996
besloot het Provinciaal Waterleidingbedrijf
Noord-Holland (PWN) de watertorens van Aalsmeer,
Kwadijk, Hoogkarspel, Wieringerwaard en
Bussum per opbod te verkopen.2 Volgens de plannen
van PWN zouden de watertorens in Noord-
Holland niet naar de hoogste bieder gaan, maar
naar degene die een redelijk bod combineerde met
een goed plan.
Toren als markeringspunt
Sinds de vroege Oudheid bestaat er bij verschillende
volkeren een bijzondere passie voor torens. De
vroegste bewoners van Mesopotamië bouwden
hun toren van Babel en de Egyptenaren richtten
hun piramiden op. Eeuwenlang bleven dit de
hoogste monumenten ter wereld. In de Middeleeuwen
ontstond in West-Europa zo’n voorliefde
voor torens, dat sommige steden een ware competitiestrijd
leverden om het bezit van de hoogste
toren. Naast de symbolische betekenis van middeleeuwse
torens van kerken of stadhuizen, waren
torens bijzonder geschikt voor verdediging, uitkijk,
het geven van seinen, alarmering en tijdaanwijzing.
De vele watertorens die vanaf het midden
van de vorige eeuw in Nederland verrezen, voorzagen
in eerste instantie in een zuiver praktische
behoefte. De toren in zijn algemeenheid wordt
nog steeds beschouwd als een belangrijk prestigeobject,
als waardevol onderdeel van de gebouwde
omgeving en indrukwekkend markeringspunt in
het stedelijk landschap.
Drinkwatervoorziening
De geschiedenis van de drinkwatervoorziening,
waarvan de bouw van watertorens een onderdeel
vormt, loopt voor een belangrijk deel parallel met
de ontwikkeling van de stedelijke gemeenschappen.
Ver voor onze jaartelling werden in de steden
in het Midden-Oosten en later ook in India, China
en Egypte, waterleidingsystemen aangelegd. Deze
kunnen beschouwd worden als voorlopers van de
huidige drinkwatervoorzieningen. De basisprincipes
van de centrale drinkwatervoorziening zoals
wij die nu kennen, werden in de oudheid al door
de Grieken toegepast. De Romeinen borduurden
voort op de ideeën van de Grieken. Zij waren
meesters van de civiele techniek. Zij bouwden niet
alleen imposante aquaducten, maar voegden ook
een nieuw element toe, namelijk de castella. Castella’s
zijn grote reservoirs die dezelfde functie
hadden als de watertorens die wij nu kennen. Aanvoerleidingen
van drinkwater kwamen uit in de
hoger gelegen castella’s. Van daaruit werd het
water onder druk getransporteerd naar drie
gescheiden leidingsystemen. Wanneer de watertoevoer
verminderde, zorgde een eenvoudige
compartimentering van de castella voor selectieve
distributie.
In de Middeleeuwen raakte de drinkwatervoorziening
in het slop. Door de groei van de steden
raakte het aanwezige oppervlaktewater, dat in
de regel als drinkwater gebruikt werd, steeds sterker
vervuild. Besmettelijke ziektes braken uit.
Men onderkende toen het verband nog niet tussen
vervuild drinkwater en bijvoorbeeld cholera.
Omdat de waterleidingsystemen niet in staat
waren om voldoende water te leveren en het transport
van het drinkwater problematisch verliep,
ging men over tot de bouw van hoog geplaatste
waterreservoirs in combinatie met door waterraderen
aangedreven pompsystemen. Dit hoogreservoir,
meestal maar beperkt van inhoud, stond
zo dicht mogelijk bij de pompen; vaak op de
bovenste verdieping van het gebouw waar de
pompen waren ondergebracht. Hier en daar werd
ook al een afzonderlijke watertoren gebouwd, van
waaruit het water onder constante druk naar de
verbruikers werd getransporteerd.
De Industriële Revolutie die aan het eind van
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Globale raming van
kosten, 1890. (Gemeentearchief
Zwolle)
GLOBALE RAMING VAN KOSTEN.
In overeenstemming met het vorenstaande volgt hieronder eea raming van kosten voor een productie-
Termogen van 150 M3 per uur.
Aankoop ran grond Memorie
“Werken voor de prise d’eau f 75000
Pompstation (gebouwen en machines) » 47500
Dienstwoningen » 5000
Persleiding; met zinkers .’….» 161000
Stadbuizeonet met brandkranen, afsluiters, enz. . » 89000
Watertoren met hoogreservoir » 35000
Bijkomende werken, als telefoon, etc » 11500
Kosten van uitvoering en onvoorzien » 26000
Totaal, behalve grondaankoop f 450000
Yoor een waterleiding, waarvan de prise d’eau in staat is om 2.00 M3 per uur te leveren, niet
de daarbij behoorende machines etc, zullen de aanlegkosten, behalve den grondaankoop, f 490,000
bedragen. Met die inrichting kan men dus in 15 uren 3000 M3 leveren, terwijl dienovereenkomstig bij
langer werkdnur der machines het productievermogen kan verhoogd worden zonder uitbreiding, das zonder
verhooging der kosten van aanleg.
Tot toelichting dezer begrootingen dient, dat, al mochten tusschen de geraamde bedragen deronderdeelen,
bij de uitvoering verschil blijken te bestaan met de werkelijke kosten, de totaal-bedragen, resp.
ƒ 450,000 en f 490,000 (behalve terreinaankoop) alleszins voldoende zijn te achten om de werken naar
den eisch uit te voereH, zoodat in dit opzicht geene teleurstelling is te verwachten.
ROTTERDAM, 6 December 1890.
J. SCHOTEL, Ingenieur.
de achttiende eeuw in Engeland een aanvang nam,
zorgde voor innovaties op technisch gebied. We
denken dan aan de toepassing van de stoommachine,
een doorbraak in de aandrijving van pompinstallaties
en aan het gebruik van gietijzeren buizen
voor de leidingen. Echter, men paste nog geen
zuiveringsinstallaties toe, zodat de besmetting
door colibacteriën gewoon doorging en zich zelfs
uitbreidde als gevolg van het groeiend aantal centrale
drinkwatervoorzieningen.
In Nederland liet de aanleg van centrale drinkwatervoorzieningen
nog vrij lang op zich wachten.
Het was niet ongewoon dat men in het begin van
de negentiende eeuw in vrijwel alle steden, en
waarschijnlijk ook wel in Zwolle, nog grachtwater
dronk. Rond 1854, juist toen in Nederland de eerste
drinkwaterleiding in gebruik genomen werd,
ontdekte men dat er verband bestond tussen verontreinigd
drinkwater en cholera. Men stond toen
voor de opgave om zich in eerste instantie te richten
op de zuivering van het water.
De watertoren als nieuwe uitdaging
Nederland bleef vergeleken met de omringende
landen, lang achter met de aanleg van een publieke
drinkwatervoorziening. Maar toen het zover
was, werd in Nederland de bouwvan een watertoren
dan ook als een uitdaging beschouwd. Op
technisch gebied kon de constructie van het reservoir
en de onderbouw steeds verder worden verbeterd
als gevolg van nieuwe bouwtechnieken en
materialen. Het installeren van een ijzeren reservoir
in plaats van een houten, was een belangrijke
verbetering. De toepassing van betontechniek
betekende eveneens een grote ommekeer in de
bouw van watertorens. Nieuwe reservoirtypen en
nieuwe watertorenvormen kwamen tot stand
door deze ontwikkelingen. Zoals meer voorkomt
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
in de geschiedenis liep Nederland niet voorop in
de technische ontwikkeling, maar volgde het
Engeland, Frankrijk en Duitsland.
Niet alleen de technische ontwikkeling zorgde
voor een nieuwe uitdaging. Ook de ontwerpers,
veelal ingenieurs, probeerden van iedere watertoren
iets unieks te maken. Geheel identieke watertorens
zijn in Nederland eigenlijk niet gebouwd.
Waarom niet zou je denken. Er werden toch veel
watertorens gebouwd in de vorige eeuw en waarom
dan zo weinig uniformiteit? Ofschoon het
hooggelegen reservoir de grondvorm dicteerde,
speelden de verschillende architectuurstromingen
een grote rol bij de totstandkoming. Maar, zoals
eerder vermeld, richtte men zich in eerste instantie
op de zuivering van water. De strijd tegen
slechte hygiënische omstandigheden speelde een
erg grote rol.
Het is dan ook om deze reden dat de watertoren
vooral een sterk symbolische betekenis kreeg
en dit in zijn vormgeving moest uitstralen.3 De
watertoren verscheen als een nieuw en beeldbepalend
architectonisch element. Tot de jaren vijftig
van de twintigste eeuw zijn in Nederland nog
watertorens gebouwd. Inmiddels functioneren er
velen niet meer, omdat de torens voor de drinkwatervoorziening
in principe overbodig zijn
geworden.
De Zwolse watertoren
In april 1891 presenteerde ir. J. Schotel uit Rotterdam
zijn tekeningen en bestek, nadat hem de
opdracht was gegeven een centrale drinkwatervoorziening
aan te leggen voor de gemeente Zwolle.
4 Om een waterleidingsysteem te realiseren, was
het noodzakelijk eerst een ‘prise d’eau’ te bepalen.
Een prise d’eau is de plaats waar een waterleiding
water opneemt. Schotel had reeds zijn oog laten
vallen op de ‘Heerdesche heide’ omdat het daaruit
verkregen water aan de strengste eisen van hygiëne
beantwoordde. Bovendien was hij ervan overtuigd
dat er op den duur ook voldoende hoeveelheid
zou zijn te vinden.5 Op 27 oktober 1891 nam
de gemeenteraad zijn voorstel aan. Vervolgens
kocht de gemeente Zwolle van de gemeente Heerde
percelen heidegrond met een gezamenlijke
oppervlakte van ongeveer 469 hectaren, voor een
Links: Het interieur van
de watertoren: De
‘waterstandsaanwijzer’,
op de begane grond,
zoals beschreven door
Schotel in zijn toelichting.
(Foto: Maarten de
Graad)
Onder: De trapopgang
van de watertoren naar
een tussenver’dieping. In
deze periode is ook aan
de decoratieve afwerking
van de balustrade
aandacht besteed.
(Foto: Maarten de
Graad)
prijs van f 70,- per hectare, en voor een totaal
bedrag van f32.888,52.
In het voorjaar van 1892 kwam Schotel met het
voorstel om de toekomstige watertoren te plaatsen
aan de Bagijneweide, hoek Rhijnvis Feithlaan. De
Raad had echter bezwaar tegen plaatsing aan de
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het zicht naar boven op
het hangbodemreservoir
in de oude toren. (Foto:
Maarten de Graad)
Bagijneweide, omdat op het bedoelde terrein ook
de remise van de Dedemsvaartsche stoomtram
zou komen.6 Enkele weken later presenteerde
Schotel zijn definitieve tekening en bestek van de
watertoren. Schotel achtte voor plaatsing van de
toren, behalve de Bagijneweide, de volgende locaties
ook geschikt: het Rode Torenplein; een driehoekig
stukje grond tegenover de ‘Doleerende’ of
Oosterkerk of de Turfmarkt op de hoek van de
Schoenkuipenbrug.
In een toelichting beschrijft hij de benedenruimte
van de watertoren die in verschillende
lokalen verdeeld zal worden. Een of twee ruimten
waren bedoeld als kantoor voor de waterleiding,
een andere ruimte zou geschikt zijn als politiepost
en als bergplaats voor watermeters. Schotel achtte
het raadzaam dat het gebouw bewaakt werd. De
bedoeling was dat het pompstation op de heide
telefonisch met het bureau van de waterleiding en
het hoogreservoir in de toren door een elektrische
‘waterstandsaanwijzer’ met het pompstation verbonden
zou worden. In verband met de vestiging
van het bureau van de waterleiding vond Schotel
het dan ook wenselijk de toren niet te ver uit het
centrum van de stad te plaatsen. ‘Vooral ook’,
schrijft Schotel, ‘omdat het gebouw de omgeving
niet behoeft te ontsieren, zoals ook uit de tekening
blijkt; zelfs zouden sierlijke details aangebracht
kunnen worden, voor het geval dit werd
gewenscht.’ De vraag is wel wat Schotel bedoelde
met sierlijke details? Zoals uit de tekening en realisatie
blijkt, koos hij voor een sobere uitstraling. Of
was hij van mening dat het overdadiger kon? Hoe
dan ook, B en W bleven voorstander, net zoals
Schotel het ook het liefst had gezien, van locatie
Bagijneweide. De locatie Klein Grachtje kwam
ook nog ter sprake, maar viel af in verband met
vrees voor infectie door de nabijheid van een
mestplaats en de gasfabriek. Spinhuiswal bleek
ook niet aan te bevelen te zijn. Uiteindelijk is toch
afgeweken van de eerder voorgestelde plek en
accepteerden B en W het besluit van de Raad om
de toren te plaatsen op de Turfmarkt. Bovendien
adviseerde de Raad, in overleg met de heer Schotel,
om een ‘directeur der Zwolsche Waterleiding’
te benoemen, zodat deze van meet af aan bij de
aanleg aanwezig kon zijn en vertrouwd met het
werk waarover hij het beheer zou voeren; dit op
een jaarwedde van f 1600,-. De watertoren was
maar één onderdeel van het drinkwatersysteem,
waartoe ook stoommachines met toebehoren op
het terrein van het pompstation en een buizennet
behoorden. Verder maakten ook een uitwijkspoor
vlakbij het station van Wapenveld met woningen
voor machinist en stoker van het machinegebouw
en ketelhuis deel uit van het hele project.
Wat de bouw van de watertoren betreft, van de
23 ingekomen inschrijvingen was die van J. Visser
uit Papendrecht het laagst. Voor de som van
f38.170,- werd hem op 7 mei 1892 het werk opgedragen
en met meerwerk van f 690,09 het bedrag
afgesloten. In de toren is o.a. verwerkt circa
1030 m3 metselwerk van ‘natuurlijke en gebakken
steen’. Het hangbodemreservoir, dat een inhoud
heeft van 500 m3, weegt ruim 26.000 kg. Het werk
werd op 23 december 1892 opgeleverd.
Schotel
J. Schotel was architect-ingenieur te Rotterdam.
Hij was onder meer betrokken bij de bouw van de
Moerdijkbrug en heeft zestien watertorens op zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
naam staan. Het gebruik van nieuwe materialen,
zoals staal en gietijzer, brachten in deze periode
nieuwe constructiemogelijkheden met zich mee.
Schotel die deze watertorens tussen 1883 en 1911
ontwierp, besteedde bijzonder veel aandacht aan
het uiterlijk en volgde nauwgezet de in die tijd toegepaste
neostijlen in de architectuur. Neostijlen
zijn een benaming voor stijlen die kenmerken van
een vroegere stijl opnieuw hanteren. Veelal werd
in deze tijd gekozen voor de neoromaanse bouwstijl,
omdat deze stijl door zijn sobere karakter
beter aansloot bij de functionele aard van de
watertoren. De neogotiek en neorenaissance werden
doorgaans te kostbaar en te bewerkelijk
gevonden. Schotel liet zich hierdoor niet weerhouden
en zijn eerste watertorens liet hij optrekken
in een neogotische verschijningsvorm.
De watertoren van Zwolle met een sober
neogotisch karakter is hier een voorbeeld van.
Neogotisch wil zeggen dat voor de vormgeving
van dit bouwwerk uit de negentiende eeuw motieven
ontleend zijn aan de gotiek, een middeleeuwse
bouwstijl. Deze motieven zijn nog terug te vinden
bij het ingangsportaal en de wederzijdse boogvensters
met tracering in de koppen van de oude
watertoren. De dragende bakstenen buitenwand
was op elke verdieping voorzien van vensters. De
verbrede kop was het meest decoratieve deel van
de hele toren door de speelse motieven in het metselwerk.
De muurvelden met daarin geplaatst
dezelfde vensters als in de romp zorgden voor een
gelijkmatige verdeling van en evenwicht in de bakstenen
wand. Bovenop het tentdak bevonden zich
dakkapellen voorzien van pinakels. Het hoogste
punt (37.7 m) werd bekroond met bol en windvaan,
waarop aangegeven het jaartal 1892.
Twintig jaar later zien we bij Schotel watertorens
met neorenaissance-elementen verschijnen
zoals kantelen bij de watertoren van Overveen. Na
de eeuwwisseling kregen art nouveau motieven in
de decoraties de overhand. Zijn laatste watertorens
worden beschouwd als de meest bijzondere
die Schotel ontworpen heeft in zijn loopbaan. Bij
de watertorens van Boskoop en Woerden werkte
hij met een combinatie van gekleurde baksteen
voor de reservoirommanteling. Dat in ieder geval
de gemeente Zwolle zeer tevreden was met de
realisering van een efficiënte drinkwatervoorziening,
en ook een eigen watertoren, blijkt uit de
volgende loftuiting: ‘te danken aan de buitengewone
voortvarendheid en werkkracht van den
heer ingenieur J. Schotel, die toegerust met volledige
kennis en rijpe ervaring, zich ten volle het
vertrouwen waardig getoond heeft, dat wij door
het hem opdragen der leiding van het geheele
werk in hem hebben gemeend te mogen stellen.’7
De toestand na 1957
Op 21 februari 1957 veroorzaakt een brok losvallend
gesteente, afkomstig van de uitkraging van de
De oude watertoren in
februari i%j, een dag
na het dodelijke ongeval.
Het trottoir rond de
toren is afgezet. (Foto:
DolfHenneke, collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
! J
n6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ontmanteling van de
oude kap, 1959.
(Gemeentearchief
Zwolle)
Rechts: De watertoren
met de nieuwe ommanteling,
jaren zestig.
(Foto: DolfHenneke,
collectie Gemeentearchief
Zwolle)
watertoren, een dodelijk ongeval.8 De dood van
een vijfjarig kind veroorzaakte verdriet bij de
familie en onrust onder de Zwolse bevolking. De
vraag is of dit ongeluk voorkomen had kunnen
worden. De laatste controle en het benodigde herstel
hadden in 1936 plaatsgevonden. Door de
hoogte van de toren zou controle op de bouwtoestand
niet gemakkelijk zijn. Het ongeval was in
ieder geval voor de gemeente aanleiding de toren
aan een uitgebreide inspectie te laten onderwerpen.
Deze werd op 22 mei 1957 uitgevoerd door het
Rijksinstituut voor de Drinkwatervoorziening. De
conclusie was dat de toren in slechte staat verkeerde.
Het voegwerk was slecht en het metselwerk
vertoonde op sommige plaatsen meterslange
scheuren. Wat nu? Afbreken, of een andere oplossing.
Men koos voor de tweede mogelijkheid,
namelijk het oude bouwwerk intact laten en een
nieuwe toren om de oude heen bouwen. Een uitzondering
moest gemaakt worden voor de uitkraging.
Dit karakteristieke onderdeel van de ronde
toren met de meest uitgesproken neogotische
details verkeerde in zo’n slechte toestand dat het is
afgebroken. De nieuwe tienkantige toren is opgebouwd
naar een ontwerp van architectenbureau
Mastenbroek en De Herder. Voor er gestart werd
met de werkzaamheden, was het inmiddels 1959.
Voor het bedrag van f175.000 werd de oude toren
door het bedrijf Fokkens-Naarden NV uit Velp
ommanteld. In het najaar van 1960 was het dan
zover en verscheen de watertoren in een nieuwe
jas.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
Er is geen uitgebreid bouwhistorisch onderzoek
nodig om vast te stellen dat de oorspronkelijke
watertoren aangewezen kan worden als industrieel
monument van de negentiende eeuw. De
toren mist weliswaar een wezenlijk onderdeel.
Maar als waardevol markeringspunt in een stedelijke
omgeving en als karakteristiek drinkwatermonument,
verdient het lot van deze watertoren
een zorgvuldige afweging bij herbestemming.
Naschrift
Inmiddels is de watertoren eigendom geworden
van projectontwikkelaar Nijhuis Bouw BV te Rijssen.
Wat de precieze herbestemming zal gaan
worden is nog niet bekend, maar de watertoren zal
deel gaan uitmaken van een stedebouwkundig
plan dat momenteel door Nijhuis wordt ontwikkeld
voor een groter gedeelte van de Turfmarkt.
Noten
1. Peter Nijhof, Ed Sculte e.a., Herbestemming industrieel
erfgoed in Nederland. Zutphen 1994,14.
2. Weert Schenk in de Volkskrant van 28 november
1996,18.
3. Henk van de Veen, Watertorens in Nederland. Rotterdam
1989,44.
4. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), AAZOi, 3961.
5. GAZ, Verslag van de toestand der gemeente Zwolle
1891,70.
6. GAZ, Handelingen van den Raad der gemeente
Zwolle 18 januari 1892,7.
7. GAZ, Verslag van de toestand de gemeente Zwolle
1892,58.
8. Moorden brand deel 7. Zwolle, 1997.
V’
Boven: De kap van de
nieuwe ommanteling
van binnen. (Foto:
Maarten de Graad)
Links: De watertoren op
de Turfmarkt in 1999.
(Foto: Maarten de
Graad)
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Messcherpe ‘Bijlen’:
tekeningen van Vincent Bijl, 1895-1897
Jeanine Otten
Stilleven met geopend
boek, globe en lantaarn,
door Vincent Bijl (1874-
1950), 1S97. Gesigneerd
r.o.: ‘V. Bijl17 April
1897’. Opschrift l.o.:
‘Geteekend door V. Bijl.
/ Gezien DLako’. Tekening,
zwart en wit krijt
op grijs papier, afin.
blad: 50 x 70 cm.
(Gemeentearchief
Zwolle; schenking W.H.
Vincent Bijl, 1998)
Een welkome aanvulling op de collecties van
het Gemeentearchief Zwolle zijn de jaarlijkse
schenkingen. De jaarverslagen van het
archief staan elke keer weer bol van geschonken
archieven, boeken, video’s, geluidscassettes,
foto’s, prenten, tekeningen, kaarten, enzovoorts.
En elk jaar zit er wel een heel bijzondere aanwinst
bij die speciale aandacht verdient. Dat zo’n schenking
meestal niet zonder slag of stoot gaat is
begrijpelijk. De schenker doet afstand van iets dat
hij of zij misschien wel een mensenleven lang zuinig
bewaard heeft. Het Gemeentearchief stelt in
geval van een schenking altijd een schenkingsovereenkomst
op waarin bijzonderheden omtrent
de overdracht van eventuele rechten en de mate
van openbaarheid vastgelegd worden. Dit artikel
gaat in op zo’n bijzondere aanwinst die in de afgelopen
drie jaar in etappes in het Gemeentearchief
terechtkwam.
Messcherpe tekeningen
De schenking bestaat uit een aantal zeer fraai
gekleurde technische tekeningen van bewerkte
deuren en allerlei houtverbindingen in voor-,
boven- en zijaanzicht. De tekeningen zijn aan het
eind van de negentiende eeuw gemaakt op de
Zwolse Stadstekenschool door Vincent Bijl, de
vader van de schenker. In de loop van twee jaar
vulde de schenker deze collectie aan met een aantal
technische tekeningen van bruggen en hekwerken,
twee stillevens, een paar diploma’s van de
Stadstekenschool, een met ebbenhout ingelegde
perenhouten tekendriehoek en een ebbenhouten
radeermesje die bij het maken van de tekeningen
gebruikt zijn. Opvallend is het vakmanschap
waarmee deze messcherpe tekeningen zijn
gemaakt. De minutieus geschilderde houtnerf, de
egale schaduwen en de strakke inktlijnen verraden
dat het werk zeer arbeidsintensief was en een vaste
hand vergde. De schenker wist uit hoofde van zijn
beroep (architect) precies hoe de tekeningen tot
stand waren gekomen. Zijn vader moet de lijnen
getrokken hebben met behulp van de perenhouten
tekendriehoek die op een houten tekenhaak
lag. De ouderwetse trekpen waarmee dat gebeurde
moest hij voortdurend bijvullen met een pipet
met inkt. De inkt maakte hij zelf door met een
penseel een beetje water over een Oost-Indisch
inktsteentje te wrijven. Dit leverde een mooie
dunne inkt op die goed vloeide.
De tekeningen laten zien dat men met de
beperkte middelen die aan het eind van de negentiende
eeuw beschikbaar waren, zeer fraaie resultaten
kon bereiken. Geavanceerde tekentafels,
speciale fineliners, rekenmachines en goede
bureaulampen bestonden immers nog niet. Daarnaast
geeft deze schenking een goed beeld van het
niveau van het tekenonderwijs op de Stadstekenschool.
Tot nu toe ontbrak dat beeld omdat van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
Stadstekenschool zelf geen archief bewaard is
gebleven. Wel bevindt zich in de bibliotheek van
het Gemeentearchief een portefeuille met het
opschrift ‘Stads Teekenschool Zwolle 1841’. De
inhoud van deze portefeuille bestaat uit tientallen
lithografieën met voorbeelden van woonhuizen
en andere gebouwen in allerlei stijlen. Waarschijnlijk
is het lesmateriaal dat de leerlingen konden
bestuderen en natekenen.
Vincent Bijl (1874-1950)
Vincent Bijl (Pasoeroan 1874 – 1950 Arnhem)
kwam als jongeman van 18 vanuit Nederlands-
Indië naar Rotterdam om een opleiding tot architect
te volgen. Door tegenslagen kon hij die opleiding
niet afmaken en moest hij in zijn eigen
levensonderhoud voorzien. Zo kwam hij in 1895
als 21-jarige vanuit Rotterdam in Zwolle, waar hij
in zijn levensonderhoud voorzag als bouwkundig
opzichter. Hij woonde drieënhalf jaar in een logement
in de Voorstraat (nu nr. 3). Een jaar na zijn
aankomst in Zwolle liet hij zich portretteren door
de Zwolse fotograaf F.W.H. Deutmann in de
Kamperstraat. We zien hem zelfbewust voor een
geschilderde achtergrond poseren, met leren
handschoenen aan, half zittend op een tafel, zijn
hoed naast zich, in de rechterhand een bewerkte
elegante wandelstok. De foto stuurde hij op tweede
kerstdag 1896 naar zijn vader, achterop schreef
hij: ‘Zwolle 26 December 1896, Voor den Heer
C. Bijl, van zijn jongsten zoon Vincent’.
Tijdens zijn verblijf in Zwolle bezocht Vincent
’s avonds de Stadstekenschool, die toen gevestigd
was aan het Grote Kerkplein in de zogenaamde
‘Brouwerschool’. Hij volgde er de lessen hand- en
bouwkundig tekenen van D. Lako en van H. van
Dijk, leraar lijntekenen en projectieleer.1 In 1897
behaalde Vincent Bijl diverse diploma’s aan de
Stadstekenschool. Een van de ondertekenaars van
de diploma’s was W.A. Elberts, president van de
Commissie van Toezicht op het Middelbaar
Onderwijs en later schrijver van Historische wandelingen
in en om Zwolle (1910). In juni 1898 vertrok
Vincent Bijl uit Zwolle naar Roermond waar
hij bij Rijkswaterstaat in dienst kwam. Na vijfjaar
verhuisde hij naar Arnhem. Daar leerde hij zijn
vrouw kennen en daar werden ook zijn twee kinderen
geboren. Het beroep van architect heeft
Vincent Bijl door omstandigheden niet kunnen
uitoefenen. Hij heeft wel zijn zoon W.H. Vincent
Bijl in staat kunnen stellen de opleiding tot architect
te volgen. De tekeningen die al die tijd
bewaard werden in Arnhem, doorstonden op
miraculeuze wijze de Slag om Arnhem in september
1944. Nu zijn ze voor iedereen te bewonderen
in het Gemeentearchief Zwolle.
De Stadstekenschool, 1819-1898
De Stadstekenschool te Zwolle werd in 1819 opgericht
en leidde een bloeiend bestaan. De eerste les-
Vincent Bijl in 1896
gefotografeerd door de
Zwolse fotograaf
F.W.H. Deutmann.
(W.H. Vincent Bijl,
Arnhem)
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Houtverbindingen en
details van een vaste
houten brug, door Vincent
Bijl (1874-1950),
1897. Gesigneerd r.o.:
Gemerkt l.b. in potlood:
‘No. 2. Opschrift r.o. in
pen: ‘vD[ijk] Technische
tekening, pen in
zwart, penseel in kleuren,
afin. blad: 50 x 65
cm. (Gemeentearchief
Zwolle; schenking W.H.
Vincent Bijl, 1998)
sen startten in de winter van 1819 onder leiding
van stadstekenmeester, schilder en tekenaar Willem
Gerrit van Ulsen (1762-1830). In deze tijd werden
tal van stadstekenscholen gesticht als uitvloeisel
van de wet, die in 1817 bij Koninklijk Besluit
van kracht was geworden. Deze stadstekenscholen
zouden niet alleen aan de jeugd, maar ook aan de
ambachtsman gratis tekenonderwijs moeten verschaffen.
2 In 1838 was de Stadstekenschool ondergebracht
in de voormalige Armenschool aan de
Nieuwe Haven (nu Luttekestraat 70).3 Er werd
’s avonds lesgegeven in het vrije tekenen, meestal
naar gipsafdrukken van beeldhouwwerken zoals
dat tot ver in de twintigste eeuw dé methode
geacht werd om goed te leren tekenen. Er werd
ook onderwezen in het bouwtekenen, met passer
en liniaal, vooral ten behoeve van bouwvakkers
die ‘hogerop’ wilden. Op een situatietekening uit
1855 van stadsarchitect B. Reinders ten behoeve
van de verkoping van een terrein grenzend aan de
Stadstekenschool zien we de ‘Stads Arm- en Teekenschool’
gelegen op de hoek van de huidige Luttekestraat
en de Eekwal. Tegen de Stadstekenschool
aangebouwd was aan de Eekwalzijde ook
een openbaar toilet, het ‘stadssecreet’. Uit de tekening
blijkt verder dat in 1855 de voormalige stadsarchitect
H. Klinkert vlak naast de tekenschool
woonde.4
In 1843 was het militaire magazijn in de gewezen
Latijnse School op het Grote Kerkplein (hoek
Lombardstraat) na het vertrek van het depot van
de 7de afdeling infanterie, overbodig geworden.
Men maakte van de benedenverdieping een exercitielokaal
voor de schutterij.5 De bovenverdieping
werd in 1855 ingericht voor de Stadstekenschool.
Een jaar later verhuisde de school vanuit
de voormalige Armenschool naar deze ‘nieuwe’
behuizing in de oude Latijnse School aan het Grote
Kerkplein.6 Er werd onderwezen in het handen
bouwkundig tekenen en het boetseren en er
werden praktische timmerlessen gegeven.
Het gebouw van de oude Latijnse School verdween
in 1867. In dat jaar verscheen aan het Grote
Kerkplein een nieuwe school voor uitgebreid lager
onderwijs, de zogenaamde ‘Brouwerschool’.
Helaas moesten hiervoor enkele fraaie middelZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
eeuwse gebouwen worden gesloopt: de Beurs
(eigenlijk het uit 1448 stammende Wijnhuis), de
in 1450 gebouwde Raadtoren en de uit 1443 stammende
Latijnse School.7 Het imposante nieuwe
schoolgebouw was een ontwerp van stadsarchitect
B. Reinders. De school dankte haar bijnaam aan
K. Brouwer, die van 1877 tot 1914 hoofd van deze
school was. In de school werden ook de Burgeravond-
en Tekenschool gevestigd. Hoe de lokalen
voor het vak Handtekenen waren gemeubileerd
weten we door een plattegrond van architect en
leraar aan de Tekenschool J.G.J. van Roosmalen,
behorend bij het verslag aan de Commissie van
Toezicht op het Middelbaar Onderwijs, ingezonden
27 februari 1868. Naast het lokaal voor het
handtekenen bevonden zich een lokaal waar de
gipsafdrukken waren opgesteld en een zogenaamde
werkzaal.8 De classicistische stijl waarin het
bouwwerk was uitgevoerd kon Elberts, de ondertekenaar
van de diploma’s van Vincent Bijl, niet
bekoren. Hij noemde het in 1910 een lelijk schoolgebouw
met een smakeloze gevel dat gelukkig
door de voorgenomen bouw van een nieuw stadhuis
ten dode is opgeschreven.9 De Brouwerschool
is pas in 1936 afgebroken maar de bouw van
het nieuwe stadhuis liet nog veel langer, namelijk
tot 1972, op zich wachten.
Het einde van de Stadstekenschool kwam kort
nadat Vincent Bijl haar had verlaten. In 1898
fuseerden de Stadstekenschool en de Burgeravondschool
tot de Burgeravondschool met vierjarige
cursus. De opening van de gereorganiseerde
school vond plaats op 24 november 1898 in de pas
gebouwde Ambachtschool (het huidige Flevogebouw
aan de Menno van Coehoornsingel). Begin
1922 werd de Burgeravondschool met vierjarige
cursus opgeheven, hiervoor in de plaats kwam de
Avondnijverheidsschool (met vijfjarige cursus)
die tot 1 oktober 1977 heeft bestaan.10
Noten
1. Gemeentearchief Zwolle Jaarverslag 1997. Zwolle
1998, 31; Gemeentearchief Zwolle Jaarverslag 1998.
Zwolle 1999,129 en afb. 36.
2. E.A. van Dijk, Willem Gerrit van Ulsen (1/62-1830),
schilder en tekenaar, in : J. Folkerts e.a. (red.), Overijsselse
biografieën}. Amsterdam 1993,105-106.
3. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle. Zwolle 1910 (herdruk 1973), 58. F.C. Berkenvelder,
Zo was Zwolle rond 1900. Zwolle 1970,77.
Gemeentearchief Zwolle, DA002,463,1855II.
Elberts, Historische wandelingen, 211.
Elberts, Historische wandelingen, 58.
Berkenvelder, Zo was Zwolle, 61.
Gemeentearchief Zwolle, DA002,129,1868 I.
Elberts, Historische wandelingen, 184.
Het ABC van de Ambachtsschool gedurende honderd
jaar. Zwolle 1983.
In 1897 behaalde Vincent
Bijl, leerling der 2e
klasse 3e af deling, de
eerste prijs, een kleine
bronzen medaille, als
bewijs van vlijt en
gemaakte vorderingen
in het tekenen van
deur- en raambetimmeringen.
Het diploma
van de Stadstekenschool
Zwolle werd ondertekend
door de Commissie
van toezicht op het
Middelbaar Onderwijs
bestaande uit directeur
V. Frackers, president
W.A. Elberts en secretaris
Vroom. (Gemeentearchief
Zwolle; schenking
W.H. Vincent Bijl,
2000)
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tegen de stroom in
J. Erdtsieck Het onderstaande artikel is een samenvatting
van het onlangs verschenen boekje
Tegen de stroom in dat de geschiedenis
bevat van de hervormde gemeente in Zwolle van
1940-2000. Het is een vervolg op de tien jaar geleden
verschenen publicatie Een aanzienlijke
gemeente met een eerlijke verdraagzaamheid die de
periode van 1830-1940 beschrijft. Getracht is om in
deze samenvatting ook voor de niet-kerkelijke
lezer duidelijk te zijn. Heeft men meer interesse
dan biedt het boekje uitvoeriger informatie*.
Het verleden
De oorlogsjaren 1940-1945 waren voor de hervormde
gemeente in Zwolle niet al te moeilijk. De
bezetter liet de kerken betrekkelijk met rust en
door de moeilijke tijden was de kerkgang groter
dan anders. Maar vooral werden het, naarmate de
maatschappelijke nood steeg, jaren van bezinning.
Hoe na de oorlog verder te gaan?
De hervormde gemeente, die in 1945 nog 40%
van het inwoneraantal omvatte, kon zich maar
moeilijk losmaken van het verleden. In de tijd
voor de Franse revolutie was zij de enige bevoorrechte
kerk geweest, die een aantal taken die we
thans als overheidstaak zouden bestempelen voor
haar rekening nam (de doop als geboorteaangifte,
huwelijkssluitingen, begrafenissen, onderwijs).
Het hele kerkelijk bedrijf werd door de overheid
betaald uit oude fondsen.
In 1795 werd de scheiding tussen kerk en staat
principieel vastgesteld. Toen echter de overheid in
1802 vroeg tot welke godsdienst men behoorde,
waarbij het antwoord ‘geen’ onmogelijk was, antwoordde
in Zwolle 70% met ‘hervormd’. Hoewel
de kerkverlating zich in de negentiende eeuw
langzaam inzette en na 1900 in een stroomversnelling
kwam, kunnen de 20.000 Zwolse lidmaten in
1945 toch nog hieruit verklaard worden. De traditie
in de toen nog overwegend Sallandse stad sprak
een woordje mee. Dopen, trouwen en begraven
deed je vanuit de kerk. Maar daar moet wel bij
worden aangetekend dat van die 20.000 leden
slechts 5000 tot de actieve kerkgangers konden
worden gerekend.
Nieuwe impulsen
Uit dit verleden kan het nieuwe elan verklaard
worden dat de kerk bezielde voor het tijdvak dat in
1945 voor haar lag. Het waren ook landelijke tendensen,
ze sloegen in Zwolle evenwel heel goed
aan. In de eerste plaats intern. De gemeente was in
het verleden behoorlijk verdeeld geweest. De verdraagzaamheid
was wel groot, maar veel samenhang
was er niet geweest. Het was een ‘hotelkerk’,
iedere groepering ging zijn eigen gang. De eenheid
was alleen administratief.
De oorlogstijd had de leiding van de kerk
ervan doordrongen dat er meer erkenning en
waardering voor elkaar moest komen, en bovenal
dat men ook een externe taak had. Het was niet
genoeg om voor zichzelf en de organisatie op te
komen, men droeg een verantwoordelijkheid
voor het hele volk. De boodschap van het evangelie
zag men als een profetie voor de samenleving
en de kerk rekende het tot haar taak een getuigenis
hiervan te geven. Vanuit dit perspectief ging men
aan de slag met onbewust het oude gevoel in het
hoofd, dat de kerk een publieke taak had.
Direct na de oorlog onderging het predikantencorps,
zes man, een vernieuwing. Het was een
wat betreft geestelijke achtergrond bont gezelschap,
maar vertegenwoordigde toch goed de
schakeringen in de Zwolse gemeente. Een nieuwe
aanpak liet zich verder zien op velerlei terrein,
zoals de uitgave van een centraal kerkblad, een
wijkindeling, schoolcatechisaties, jeugdwerk,
sociaal werk en bejaardenzorg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
Zondagsschool Broerenkerk
in mei 1950. Op
verschillende locaties
kwamen zo’n 1400 kinderen
elke zondag
omstreeks de middag
bijeen. Deze zondagsschool
was al over z’n
hoogtepunt heen. In de
gloriedagen kwamen er
nogsoo leerlingen. De
betekenis van dit werk is
in de loop der jaren sterk
verminderd. Staande, in
het midden, de auteur,
op 29-jarige leeftijd,
(foto Van Hezel)
Kerkblad
De uitgave van het kerkblad Hervormd Zwolle
kwam in de plaats van de verschillende blaadjes
die elke richting vroeger uitgaf. Men had de illusie
dat elke pastorale eenheid op het huisadres het
blad zou kunnen ontvangen, zodat de kerk, op
papier althans, gehoor had in elk hervormd gezin.
In werkelijk is men nooit verder gekomen dan de
25% belangstellende leden.
Wijkindeling
Er kwam ook een wijkindeling: binnenstad / Kamperpoort,
Assendorp en Wipstrik, en aan elke wijk
werden twee predikanten verbonden. Gemeenteleden
werden verondersteld om zich alleen tot
hun wijkpredikanten te wenden en bij hen ter kerke
te gaan ongeacht de geestelijke stroming.
Tevens hoopte men zo de gemeente overzichtelijker
te maken en de saamhorigheid te bevorderen.
Voor de meeste gemeenteleden was dit teveel
gevraagd, ze bleven toch de predikanten van hun
keuze trouw. Herhaaldelijk lezen we dan ook in
het kerkblad dat de wijkgedachte maar niet van de
grond wilde komen. Een nadeel was ook dat alle
kerken, op één na, in de binnenstad waren en niet
in de woonwijken.
Uiteindelijk groeiden de wijkgemeenten uit
tot bolwerken van bepaalde stromingen in de kerk
en de bindende factor was dan ook niet meer de
woonplaats, maar de visie die men op de bijbelse
boodschap had.
Schoolcatechisaties
Een verdere opdracht zag men in het geven van
schoolcatechisaties. Hiervoor werden twee krachten
aangesteld die tevens het jeugdwerk zouden
leiden. Wettelijk had men die mogelijkheid. De
openbare school moest hiervoor ruimte geven.
Maar het was onmogelijk om dit in alle klassen te
doen. De kosten waren namelijk voor de kerk. In
de twaalf openbare scholen beperkte men zich tot
de hoogste twee klassen. De opzet was niet te
evangeliseren, maar wel om de jeugd enige bijbelkennis
bij te brengen. De ouders moesten toe124
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stemming voor dit onderwijs geven en dat gebeurde
ook vrij vlot. Praktisch elk schoolkind nam
eraan deel en de medewerking van het onderwijzend
personeel was erg groot. Tegenwoordig
wordt dit werk in breder verband gedaan en is er
ook plaats voor humanistisch onderwijs. Het
wordt nu door de overheid gesubsidieerd.
Jeugdwerk
Veel aandacht ging de kerk ook aan het jeugdwerk
besteden. Vanouds waren er veel hervormde
jeugdclubs en ze leverden vaak het kader voor het
kerkenwerk, maar de kerk zelf bemoeide zich er
niet mee. Ook niet met de zondagsscholen die
toch een voorbereidende schakel probeerden te
zijn voor een regelmatige kerkgang. Twee jeugdleiders
trachtten al dit werk te stimuleren en de
band met de kerk te verstevigen. Na jarenlange
verwaarlozing van dit aandachtsveld werd dit niet
door iedereen gewaardeerd.
Sociaal werk en bejaardenzorg
In dezelfde tijd ontsproten enkele initiatieven, die
later onder een algemene vlag zijn gaan varen. Het
clubhuiswerk was vanuit de kerk opgezet en had
als doel de jeugd uit problematische gezinnen op
te vangen. Aanvankelijk werd dit door de hervormde
gemeente gefinancierd. Dit was mogelijk
door het bezit van aanzienlijke fondsen die men in
het verleden had verkregen. De offervaardigheid
van de gemeente was nog niet zo groot. Maar toen
de overheid steun ging geven kwamen er ook
regels en voorschriften. Het gevolg was dat dit
werk in 1961 werd overgedragen aan een algemene
stichting.
Evenzo is het met het sociaal werk gegaan.
Gezinsverzorging en maatschappelijk werk werden
als voortzetting van de in de oorlog ontstane
praktijk voorgezet. Er werd gedroomd over een
diaconaal centrum in de binnenstad, een plaats
van een leef- en gebedsgemeenschap van waaruit
helpers zouden uitzwermen over de hele stad. Met
landelijke hulp werd zelfs een diaconaal predikant
aangesteld voor het werk onder wat men toen
noemde ‘de a-socialen’.
Op langere termijn werden twee moderne
tehuizen voor ouderen gesticht, de Molenhof en
de Rivierenhof, die de verouderde accommodatie
in de Van Karnebeekstraat moesten vervangen.
Einde Stadsevangelisatie
Een vooroorlogse werkvorm, de Stadsevangelisatie,
liep op zijn laatste benen en beperkte zich tenslotte
alleen nog maar tot de exploitatie van enkele
(verouderde) gebouwen, die in 1960, na de liquidatie,
overgedragen werden aan de hervormde
gemeente. Ze waren echter niet meer bruikbaar
voor het kerkenwerk zoals dit langzamerhand was
ontstaan en zijn allen afgestoten.
Polarisatie
Uiteraard kwamen de vernieuwingen, die door
een betrekkelijk kleine maar enthousiaste groep
tot stand waren gebracht, zwaar onder vuur te liggen
van een meer behoudend deel van de gemeente.
Geen ongewoon verschijnsel, dat zich in de
samenleving ook voordeed. Na een aanvankelijke
vernieuwingsdrift ontstond er weerstand en een
verlangen om de vooroorlogse situatie weer te
herstellen.
Dit werd verhevigd door de tweespalt die de
Indonesische kwestie in de samenleving, maar ook
in de kerk teweeg bracht. Toen in de prediking van
de meeste predikanten duidelijk werd dat men
vanuit de kerk de tijd van het kolonialisme voorbij
achtte, kwam een deel van de rechterzijde van de
kerk in het geweer. Deze reactie werd nog verhevigd
toen duidelijk werd dat enkele predikanten
lid waren of sympathie hadden voor de Partij van
de Arbeid. Toen de kerkenraad besloot om op
1 mei een speciale kerkdienst te houden, protesteerden
vele gemeenteleden. Men verweet de predikanten
politiek op de kansel te brengen. Toch
was de aversie tegen ‘rood’ beperkt. Waarschijnlijk
had de gemeente met de vooroorlogse ‘rode
predikanten’ al enige gewenning opgedaan, bijvoorbeeld
de alom geziene ds. Horreüs de Haas. •
Om uit de impasse te komen trachtte een predikant,
ds. Miskotte, de kerkdiensten een andere
vorm te geven. Het accent zou niet meer moeten
vallen op de preek, maar op de elementen van lofprijzing
en aanbidding. Hierbij viel men terug op
oude kerkelijke en voor-reformatorische symbolen
en formuleringen. Hoewel de beweging in zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
pure vorm weinig aanhang vond, ‘te rooms’, heeft
ze toch wel invloed gehad op de vormgeving van
andere erediensten. Daar was de televisie echter
ook debet aan.
De behoudende vleugel versterkt
Als afsluiting van een periode moet hier de terugkeer
van de uiterste rechtervleugel van de hervormde
gemeente nog vermeld worden. Reeds in
1904 kwam een groep gemeenteleden die zich niet
konden verenigen met de koers in de kerk – de
hervormde gemeente was toen nog overwegend
vrijzinnig – in een ander gebouw bijeen zonder het
lidmaatschap van de kerk op te geven. Ze stichtten
in 1923 een eigen gebouw, Elim, aan de Jufferenwal,
waar zondags bijna 1000 kerkgangers bijeenkwamen.
In het kader van de gemeenteopbouw lukte het
na eindeloze gesprekken deze groep weer een
reguliere plaats te geven in het kerkelijk bestel. Dit
lukte in 1964. Deze terugkeer bracht voor de kerk
in zijn geheel een aanzienlijke versterking mee,
maar veroorzaakte ook dat de behoudende krachten
meer invloed kregen op het kerkelijk beleid.
Zij leveren tegenwoordig een derde deel van de
bijna 3000 kerkgangers die de hervormde
gemeente per zondag kent.
Een nieuwe fase
Begin jaren zestig werd een tijd van hard werken
en zuinig leven met nieuwe idealen afgesloten en
deed de welvaart zijn intrede. De naoorlogse jeugd
werd volwassen. Radicalisering op allerlei terrein
nam toe en dit vond ook in de kerk uiteraard zijn
weerslag.
Toen drong het besef door dat men de illusie
van een kerk die invloed kon uitoefenen in het
maatschappelijk leven wel kon vergeten. Men zag
de kerkverlating, vooral van de papieren leden,
steeds toenemen. We zien dan dat er alles aan
gedaan werd om ‘het verloren terrein’ terug te
winnen. Dit werd nog versterkt door de stormachtige
groei van Zwolle, met bijbehorende import,
die in deze tijd inzette.
Men huldigde in die dagen nog de ‘dorpskerkfilosofie’.
Ieder van de acht wijken in Zwolle moest
een eenheid vormen met een kerk, een pastorie en
dienstencentrum waar men dagelijks terecht kon.
Deze opzet is totaal mislukt omdat de wijken
meestal geen eenheid vormden en ook spraken de
financiën een geducht woordje mee. Tenslotte zijn
er in elke wijk wel zulke centra gekomen, maar die
kregen net als ander door de kerk gestart werk een
algemene invulling. Toch werden er in deze periode
en ook later veel nieuwe kerken gebouwd, in
Holtenbroek, Berkum, Westenholte, de Aa-landen
en Zwolle Zuid. Daartegenover stond dat
twee kerken in de binnenstad, de Broerenkerk en
de Bethlehemse kerk, afgestoten konden worden
en de Grote Kerk een multifunctionele bestemming
kreeg.
Ds. Felix Bobeldijk was
van 1948-1980 predikant
alhier. Hij ontpopte
zich in de loop der
jaren als het geweten
van de kerk. Bobeldijk
was iemand die zijn
geluid niet onder stoelen
of banken stak en zich
niet liet inpakken door
welke vrome overwegingen
dan ook. Door zijn
innemend karakter
werd hij door velen op
handen gedragen, maar
hij riep ook enorme
weerstand op door zijn
onconventionele woorden
en daden._(Tekening
T. van der Veen)
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Jaren zestig en zeventig
In de roerige jaren zestig en zeventig probeerde
men van alles om meer mensen naar de kerk te
krijgen. In samenwerking met andere kerken werd
een grote campagne begonnen onder de naam van
‘Licht over Zwolle’. Dit werd een mislukking,
mede door gebrek aan belangstelling bij de
gemeenteleden zelf, die hierbij aangaven deze
methode niet meer van deze tijd te vinden.
Er werden kerkdiensten gehouden in de
schouwburg voor middelbare scholieren. Alternatieve
diensten voor hen die het in de bestaande
kerkelijke structuren niet meer zagen zitten.
Behoudende wijkgemeenten zochten het meer in
de klassieke methoden door het aanstellen van
evangelisten om buitenkerkelijken te benaderen.
Veel resultaat leverde dit niet op.
In de samenleving was inmiddels een hevige polarisatie
opgetreden door de koude oorlog, de
gebeurtenissen in Vietnam en de (kern)wapenwedloop.
Dit gaf ook in de kerk aanleiding tot vele
en scherpe tegenstellingen. Vooral ds. Bobeldijk
deed hierin radicale uitspraken, die de rechtervleugel
van de kerk in woede deed ontsteken. Pas
de grote internationale omwentelingen in 1989
deed deze onrust bedaren.
Samen op weg (SOW)
Een aparte noot bij dit verhaal is nog de samenwerking
met de Gereformeerde Kerk. Dit proces
loopt in Zwolle nu bijna al dertig jaar met wisselend
succes. Ongeveer een derde van het aantal
kerkgangers kerkt thans in een zogenaamde
SOW-gemeente. Voor een derde deel is dit nog
onbespreekbaar en de rest kent vele ‘maren en
mitsen’. Wel is er sinds 1988 een gezamenlijk kerkblad,
Op Weg. De oorzaken voor deze trage gang
zijn te complex om in deze samenvatting op te
nemen. Laten we het hier maar houden op een
cultuurverschil.
Afsluiting
Hoewel na 1945 de hervormde gemeente met een
groot elan een nieuwe start probeerde te maken
werd het in de loop van de jaren daarna duidelijk
dat de oude plaats in de samenleving niet meer
herwonnen kon worden. Het aanpassen van de
organisatie aan de huidige situatie verloopt echter
nog vrij traag. Hoewel veel mensen de kerk verlaten
hebben, vertonen degenen die gebleven zijn
grote opofferingsgezindheid zowel in tijd als in
geld.
Minder mensen geven telkens meer geld en
tijd. Wel moet hierbij worden aangetekend dat de
ouderen hier oververtegenwoordigd zijn. Het
afstoten van twee oude kerken en het verplaatsen
van het kerkelijk bureau naar een minder kostbare
locatie gaf financieel veel respijt.
Er moet rekening mee gehouden worden dat
het kerkelijk leven geen bedrijf is dat efficiënt kan
werken. Daarvoor zijn de geestelijke verschillen in
de gemeente te groot. De hervormde gemeente
biedt een scala aan stromingen die allen aan hun
trekken willen komen. Over de te voeren koers is
men het daarom lang niet met elkaar eens en vele
plannen tot herstructurering stranden om die
reden. En tenslotte is het voor velen moeilijk de
bescheiden plaats, 15% van de bevolking, die de
kerk tegenwoordig in de samenleving inneemt te
accepteren. Tegen de stroom in zal de kerk haar
plaats moeten vinden.
bron: Hervormd Zwolle van 1945-1988 en Op Weg
van 1988-1999
* Het boekje Tegen de stroom in is te verkrijgen bij het
kerkelijk bureau van de hervormde gemeente, Molenweg
241, Zwolle. In het boekje is tevens een lijst van 20
eerdere publicaties van de auteur opgenomen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
De ooievaar en de eileuver
Zwolle heeft iets met de ooievaar, ofwel de
eileuver, zoals blijkt uit het feit dat de eerste
carnavalsvereniging hier ter stede de naam
draagt van deze vogel, die de wisseling der seizoenen
symboliseert. Wanneer de gevederde eileuvers
overwinteren in zuidelijker streken, nemen
menselijke vertegenwoordigers van heel diverse
pluimage, leden van carnavalsvereniging De
Eileuvers, de honneurs waar.
Omstreeks het midden van de negentiende
eeuw, toen er in Zwolle in het geheel nog geen carnavalsvereniging
bestond, was er echter een vliegende
eileuver, die juist buiten het seizoen, in de
winter dus, behoorde tot de vertrouwde en geliefde
verschijningen in de stad.
In de krant van Tijl werd in januari 1855 melding
gemaakt van ‘den langgebeenden ooievaar’,
die bij iedere Zwollenaar bekend scheen te zijn. De
vogel werd door ‘zijne vriendinnen, de vischvrouwen’
op de Vismarkt dagelijks voorzien van vis.
De zorg van de dames ging zelfs zover dat ze het
dier op zekere dag, ter bescherming tegen de kou,
een paar grijze kousen aantrokken. ‘Het behoeft
wel niet gezegd te worden, dat het alles behalve
gemakkelijk geweest is, om hem in dit voor eenen
vogel zoo vreemdsoortig kleedingstuk behoorlijk
te doen geraken.’
De vogel maakte dagelijks ook een uitstapje
naar zijn ‘geboortenest’ in de buurt van Frankhuis.
‘Van die gewone uitvlugt terugkeerende,
kondigt hij zijne tegenwoordigheid aan door met
den snavel tegen de vensterglazen te tikken van het
bij den afslag gelegen huisje van Jan Richter, die
hem alsdan zijne vischportie uitreikt. Verzadigd
zijnde begeeft hij zich in zijn warm, met hooi
gevuld hok, en deelt die ruimte broederlijk met
den hond van zijn verzorger’. Twee jaar later had
de ooievaar gezelschap gekregen. Van de dagelijkse
tochtjes naar Frankhuis kon toen weinig meer
komen, want beide vogels waren gekortwiekt.
Eind januari 1857 waren zij al weer bezig met het
verzamelen van hout en dorre takken, waarvan zij
in het speciaal voor hen gebouwde hok een nest
begonnen te maken. Hun dagelijks rantsoen
bestond ‘uit 16 a 20 vorens of bleijen.’ Deze riviervis
vormde hun lievelingskost, al wilden ze, als
enige zeevis, ook nog wel eens een bot consumeren.
‘Genoemde twee ooijevaars, die den geheelen
winter hier doorgebracht hebben, schijnen goed te
tieren’, concludeerde de krant.
Precies honderd jaar later, op 1 februari 1957,
werden de eerste palen geslagen voor het nest van
de tegenwoordige Eileuvers. Ook zij ‘schijnen
goed te tieren’ in hun verblijfplaats Zwolle, die zij
gedurende de carnavalstijd omdopen tot Sassendonk.
Omdat het in 2001 ‘4 x 11’ jaar geleden is dat
zij zich hier nestelden, wordt daar op bijzondere
wijze aandacht aan besteed. In het
Stedelijk Museum Zwolle is vanaf
begin februari een tentoonstelling te
zien over de Zwolse Carnavalsverenigingen.
Bovendien verschijnt er een
boek over de geschiedenis van het carnaval
in de tweede helft van de twintigste
eeuw in Zwolle.
Tenslotte: Enige tijd geleden bestonden
bij Jaep van Dijk plannen om ter
nagedachtenis aan de bedelende ooievaar
een beeldje (van een eileuver met
sokken) neer te zetten op het Rode
Torenplein, waar toentertijd de Vismarkt
werd gehouden. Het kwam er
(nog) niet van. Maar zou het niet aardig
zijn dit plan, in het jaar waarin de
Eileuvers hun 44-jarig jubileum vieren,
alsnog te realiseren? Alaaf.
Wim Coster
De gestileerde eileuver
die te zien is op drukwerk
van carnavalsvereniging
De Eileuvers.
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een afvallig en verdorven lid: Elysabet de Wael
Kerkelijke tucht te Zwolle
Jennie Pruim en
Riet Leussink In april 1630 trouwt met attestatie1 van de gereformeerde
kerk2 Elysabet de Wael, wonende te
Amsterdam, met Willem van Twenhuisen, een
rooms-katholieke jongeman uit Zwolle. Zij trouwen
te Amsterdam en het jonge paar vestigt zich
in Zwolle. Op welke wijze Elysabet de leden van de
kerkenraad van de gereformeerde gemeente in
Zwolle veel zorgen geeft, laten wij onderstaand
volgen.
Elysabet en de kerkenraad
In de kerkenraadsvergadering van 22 januari 1633
wordt voor de eerste keer over Elysabet de Wael,
huisvrouw van Willem van Twenhuysen, gesproken,
omdat zij niet aanwezig is bij de kerkdiensten
maar ook niet tijdens het heilig avondmaal. Er
gaan geruchten dat ze zo nu en dan de paapse vergaderingen
bijwoont. Besloten wordt dat dominee
Hillenius poolshoogte gaat nemen. Enkele maanden
later komt de kwestie van Elysabet de Wael
opnieuw in de kerkenraad ter sprake. Dominee
Schuttenius en dominee Hillenius hebben haar
inmiddels gesproken, en wel in de tuin bij ene Jan
Ketwijck. In tegenwoordigheid van de heer Ketwijck
en zijn echtgenote heeft Elysabet tegen de
beide dominees verklaard dat zij de paapse religie
prefereert boven de gereformeerde. Verder delen
de heren mee dat Elysabet, om haar trouweloosheid
en lichtvaardige afval te bevestigen, diverse
leugens en lasteringen te berde heeft gebracht.
Niet alleen heeft ze met haar leugens een predikant
uit Amsterdam, die door een paap of jezuïet
in het disputeren zou zijn overwonnen, schandalig
beledigd, maar ook gaat zij lichtvaardig met
haar eigen geweten om en heeft ze, ondanks haar
beloften, de ‘bekende waarheid’ verlaten. Dit verslag
wordt door de kerkenraad met ‘bedroefde
oren’ aangehoord. Er wordt besloten tegen Elysabet
de Wael met kerkelijke discipline te procederen
en een briefte schrijven aan de kerkenraad van
Amsterdam om advies.
Advies uit Amsterdam
Van de kerkenraad van Amsterdam wordt per
brief een uitgebreid advies ontvangen, dat in de
Zwolse kerkenraad in zijn geheel wordt voorgelezen.
In het kort komt het er op neer dat Elysabet
met een paapse jongeman uit Zwolle is getrouwd,
waarvoor zij door de kerkenraad van Amsterdam
is aangesproken en bestraft. Zij heeft daarop
beloofd zich aan de leer van de gereformeerde
kerk te houden. Naar aanleiding van deze belofte
krijgt zij kerkelijke attestatie bij haar vertrek naar
Zwolle. Daarom zijn de broederen van de kerkenraad
van Amsterdam niet alleen zeer verwonderd
maar ook zeer bedroefd om te vernemen dat Elysabet
zich zeer weinig aan haar heilige belofte gelegen
heeft laten liggen. Wanneer zij in Amsterdam
komt om haar familie en vrienden te bezoeken,
verklaart zij steeds dat zij zich houdt aan de leer
van de gereformeerde kerk. Daarbij zeer droevig
klagend over de dwang van haar man, haar
schoonouders en anderen, maar met het verhaal
hoe dapper zij zich daartegen verweert. Wanneer
zij in Amsterdam is, gaat zij niet alleen naar de
predikatie, maar neemt zij ook deel aan het
avondmaal. Het verhaal van de Antwerpse jezuïet,
dat in de brief wordt aangehaald, is pertinent
onwaar.
Elysabet en het pausdom
In de kerkenraad van Zwolle wordt opgemerkt dat
het ‘inkruipen van de klopkens en papen’, waardoor
de kerk van Jezus Christus wordt geschaad,
mede een oorzaak is geweest dat Elysabet de Wael
van het gereformeerde geloof is afgevallen en zich
tot het pausdom heeft begeven. De kerkenraad zal
genoodzaakt zijn kerkelijk met Elysabet te proceZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
Het koorwerk in de
Grote Kerk, hierachter
werd het avondmaal
gehouden. (Gemeentearchief
Zwolle)
deren. Voor de jaarwisseling komt de kerkenraad
nogmaals bijeen, onder andere ter bespreking van
het aanstaande heilig avondmaal. Men besluit de
huisvrouw van ‘Willem van Twenhusen’ voor de
eerste keer als afvallige van de gereformeerde religie
af te kondigen.
In het voorjaar van 1634 wordt Elysabet, voor
de bediening van het heilig avondmaal, opnieuw
als afvallige genoemd. Als de kerkenraad in juni
bijeenkomt, komt zij wederom ter sprake. De kerkenraadsleden
willen beslist niet over één nacht ijs
gaan. Voordat men verder met haar gaat procederen,
wordt de afgevaardigde naar de synode, die te
Vollenhoven zal worden gehouden, opgedragen
om te informeren of de kerkenraad van Zwolle wel
kan procederen om tot uitzetting uit de kerkgemeenschap
over te gaan van dit vrouwspersoon.
Ter nadere informatie kan de afgevaardigde meedelen
dat de desbetreffende vrouw een lidmaat
van de gemeente van Amsterdam is geweest en
met een besloten attestatie en een aanbevelingsbrief
van de kerkenraad van Amsterdam aan de
predikanten van Zwolle alhier is gekomen. Echter,
voordat zij het heilig avondmaal in Zwolle heeft
gebruikt, is zij schandelijk tot het pausdom vervallen
en niettegenstaande de veelvoudige kerkelijke
vermaningen over haar afval volhardt, tot ergernis
van velen, Elysabet hierin. De synode stemt er mee
in dat de kerk van Zwolle haar christelijke vermaningen
aan deze persoon continueert en hiervan
de kerkenraad van Amsterdam in kennis stelt en
daarna zal doen wat tot stichting van Gods
gemeente nodig zal worden bevonden.
De kerkban
Twee weken later, op 19 juni 1634, wordt in de vergadering
van de kerkenraad van Zwolle verwezen
naar het advies van de synode. Hierop besluit de
kerkenraad dat over een uitsluiting uit de kerkgemeenschap
of wel kerkban, hetgeen door de kerkenraad
nog nooit eerder is toegepast, met de kerkenraad
van Amsterdam zal worden gecorrespondeert.
Een dag later besluit men Elysabet de Wael,
onwillig, voor de bediening van het heilig avondmaal
met openbare naam ‘voor te stellen’. In de
laatste vergadering van juli deelt dominee Victor
op de kerkenraad mee dat hij te Amsterdam met
dominee Rudolf Petri over Elysabet heeft gespro130
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een notitie in de kerkenraadsnotulen
over
Elysabet, 14 mei 1635.
Zie voor transcriptie
p. 132.
ken en over hoeverre de kerkenraad van Zwolle
met haar had geprocedeerd. Dominee Petri adviseerde
met deze kwestie niet al te veel haast te
maken. Als Elysabet in Amsterdam zou komen,
zou hij al het mogelijke aanwenden om haar te
spreken te krijgen en alle middelen gebruiken om
haar weer te winnen voor het gereformeerde
geloof.
Inmiddels is het september en de kerkenraad
besluit dat men voor de viering van het heilig
avondmaal Elysabet de Wael zal voorstellen en dat
de predikanten daarna naar een gelegenheid zullen
zoeken om haar aan te spreken, of ten huize
van Ketwijck, waar zij dikwijls komt, of in haar
eigen huis.
Gesprek met Elysabet
Op een zaterdag gaan de predikanten naar het
huis van Elysabet en zij worden daar ‘niet seer

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1999, Aflevering 4

Door 1999, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

•V r
IWOIS
istorisc
De rijke geschiedenis van
de Onze-Lieve-Vrouwekerk
• »:•»:»:•:•:*;•*•:•
,’• t-
*•
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
ZWOLLE. KAMPERPOORTEr
MET GEZICHT NAAR Dl
KAMPERSTRAAT.
Groeten uit Zwolle
Ansichtkaart Kamperpoortenbrug met Peperbus
Poststempel: 11 september 1907
L.0. Gisteravond half zeven ben ik hier aangekomen.
Van de Groninger reis is niets meer gekomen.
Ge hebt zeker den geheelen dag uit staan kijken?
Waart ge hier nu ook maar, het is zulk prachtig
weer. Krijg ik spoedig eenig nieuws terug? Vele groeten
van ons allen.
J.W. Haven, Molenweg 43, Zwolle.
Volgens het adresboek woonde in 1907 op het
adres Molenweg 43 het gezin van Barend Louis Ie
Mahieu en zijn vrouw Joukje Haven. Barend was
als machinist werkzaam bij het spoor, zoals zo
velen in Assendorp. Niet voor niets werd Assendorp
ook wel de spoorhazenbuurt genoemd. De
afzender van de kaart zal wel tijdelijk te gast zijn
bij verwanten omdat zijn achternaam hetzelfde is
als die van de vrouw van Le Mahieu. Het schrift
verraadt de hand van iemand die mooi en deftig
kan schrijven, de kennis van het Latijn is echter
minder groot. In het adres is sprake van Mutua
Fides (= wederzijdse trouw). Dat was de naam van
de Groninger studentensociëteit aan de noordzijde
van de Grote Markt.
De kaart toont ons de Kamperpoortenbrug als
draaibrug, waarboven de Peperbus hoog uittorent.
Deze brug werd in 1951 vervangen door een
ophaalbrug, die intussen ook al weer vervangen is
door een brede, vaste brug, bedoeld om grotere
verkeersstromen vanuit en naar het centrum te
leiden dan heden ten dage het geval is.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
De Peperbus is de bekendste toren van Zwolle en
hoort als toren bij de Onze Lieve Vrouwekerk. Dit
jaar is het 600 jaar geleden dat op de plek waar nu
de kerk staat, een kapel werd ingewijd. De
parochie van de Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming
besteedt hier op bijzondere wijze aandacht
aan en ook het Zwols Historisch Tijdschrift
wil niet aan dit historische feit voorbijgaan. Na
overleg met een klein comité van de parochie is
besloten een themanummer uit te brengen, waarin
enkele bijzondere facetten uit de rijke geschiedenis
van de Onze-Lieve-Vrouwekerk voor het
voetlicht gebracht worden.
Dirk Jan de Vries, die in het verleden al over de
middeleeuwse bouwgeschiedenis van de kerk
publiceerde, richt zijn aandacht nu op de koorgewelven
en de onderbouw van de Peperbus. Ook
aan het beeld van de aartsengel Michaël, dat na
veel omzwervingen ‘rust’ vond en een plaats kreeg
in de kerk aan de Ossenmarkt, besteedt hij aandacht.
Diepgravend is de verhandeling van A.J. Looyenga
over het kerkgebouw, dat in de tweede helft
van de negentiende euw in een neogotisch gewaad
werd gestoken. Vooral op initiatief van pastoor
Spitzen werd de neogotische restauratie en inrichting
gerealiseerd. Veel uitbreidingen uit die tijd
zijn overigens bij de laatste grote restauratie in de
jaren 1975-1981 weer gesloopt.
Jean Streng schrijft tenslotte over twee zilveren
beelden die voor de kerk gemaakt werden toen het
klimaat voor de katholieke gemeenschap iets milder
werd. Ook verhaalt hij over het wel en wee van
de kerkelijke gemeenschap zoals dat door de achtereenvolgende
pastoors genoteerd werd in het
zogeheten Registrum Memoriale. Jubilea van kerkelijke
ambtsdragers, processies naar Kevelaar en
veranderingen in de jaren zestig van deze eeuw
passeren de revue.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 110
Enkele bijzonderheden van de kerk DJ. de Vries 112
De Onze-Lieve-Vrouwekerk in de negentiende eeuw
A.J. Looyenga 120
Twee zilveren heiligen J. Streng 144
Het rijke roomse leven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk J. Streng 146
Auteurs 154
Omslag: Beelden van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (foto’s: M.I. Meijerink).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Enkele bijzonderheden van de kerk
DirkJ.de Vries Twee vrij recente artikelen in het Jaarboek
Monumentenzorg gaan over de middeleeuwse
bouwgeschiedenis van respectievelijk
de toren en de kerk.1 Enkele versierende
onderdelen die hier nadere uitwerking verdienen,
bleven daarin onderbelicht; zonder overigens
recht te doen aan de veel omvangrijker, rijke verzameling
oudere interieurstukken.
Uit de combinatie van het voorgaande bouwhistorische
en archivalische onderzoek kwam naar
voren dat aan de ogenschijnlijke architectonische
eenheid van de kerk toch een meer complex en
gefaseerd ontstaan ten grondslag ligt. Heel bijzonder,
niet alleen voor Zwolle maar ook landelijk
gezien, is dat een groot deel van de middeleeuwse
boekhouding bewaard bleef; thans veiliggesteld in
het Zwolse Gemeentearchief. De vooraanstaande
katholiek Emanuel van Twenhuizen onttrok dit
materiaal aan de stedelijk vordering (en vernietiging)
waaraan de andere kerk- en kloosterarchieven
ten prooi vielen. Opmerkelijk is eveneens, dat
de kerk tegenwoordig een waardevol beeld bezit
dat in de vorige eeuw nog aan de stad toebehoorde.
Het gaat om het beeld de aartsengel Michaël
dat in deze bijdrage beschreven wordt.
Koorgewelven
Het koor kwam samen met de transeptarmen en
de eerste, oostelijke travee van het schip omstreeks
het jaar 1417 onder dak. Dit blijkt uit de doorgaande
nummering (telmerken) op de kapconstructies
boven deze bouwdelen en uit de dendrochronologische
datering van het toegepaste eikenhout dat
in de winter van 1416 op 1417 gekapt werd. In het
kasboek is bovendien sprake van de aanschaf van
‘bakken, stilen ende plancken tut deser kercken’,
hetgeen wijst op bouwactiviteiten. Omdat er in
1399 reeds een kapel gewijd werd, nemen we aan
dat een (lager) deel van het koor, waar een Antoniusaltaar
opgesteld stond, toen reeds in gebruik
werd genomen. Door het aanmoedigen van het
kerkbezoek, waaraan in 1399 een pauselijke aflaat
verbonden werd, door het stichten van broederschappen
en door schenkingen van burgers
ondervond ook de bouw financiële steun. In 1417
sloot men de grote bouwcampagne voorlopig en
provisorisch af door tegen het meest westelijke
spant, doorgaand tot beneden toe, een tijdelijke
houten wand aan te brengen. Het plaatsen van de
kappen en de daarbij horende dwarsverbanden in
de vorm van trekbalken, maakte het mogelijk
gewelven aan te brengen. Het was echter gebruikelijk
daarmee enkele jaren te wachten om. het metselwerk
een goede uitharding te gunnen en de fundamenten
te laten ‘zetten’. Met andere woorden:
de koorgewelven zullen niet veel ouder zijn dan
1420. Mogelijk dateren ze zelfs van na 1451, toen
het schip toegevoegd werd.
Het koor telt twee vakken met kruisgewelven op
rechthoekige grondslag in het westen en een polygonaal,
zogenoemd 5/8 sluitingsvak in het oosten.
De gewelfribben ontspringen tegen de zijmuren
op consoles met plantaardige vormen. In de top
van het gewelf komen zij samen tegen een sluitsteen.
Het is heel gebruikelijk dat daarop, vooral
in de koorsluiting een voorstelling van Christus
werd aangebracht, immers: ‘Jezus Christus is
de uiterste hoeksteen op welken het geheel
gebouw bekwamelijk te zamen gevoegd zijnde,
opwast tot eenen heiligen tempel in den
Heere'(Ef. 2:19-22).
De koorsluitingssteen van de O.L.V.-kerk is
echter vlak. In de negentiende eeuw werd er een
geschilderde, gouden zon op aangebracht. De zon,
symbool van het Licht, misstaat op deze plek overigens
niet en past bij de middeleeuwse, christelijke
iconografie.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT “3
Het koor en transept
van de O.L. V. -kerk te
Zwolle vanuit het zuidoosten
(foto A.J. van der
Wal, RDMZ1971).
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koorgewelf van de
O.LV.-kerk Zwolle.
Sluitsteen met Maria
en Jezus in reliëf
(foto RDMZ1981).
Koorgewelf van de
O.LV.-kerk. Voorstellingvan
St.-Antonius
op sluitsteen in het
middelste gewelf
(foto RDMZ1981).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
De twee westelijke vakken van het koor bevatten
daarentegen wèl sluitstenen met middeleeuws
beeldhouwwerk. Tegenwoordig zijn ze voorzien
van een i9de-eeuwse polychromie. De meest westelijke
steen toont in reliëf een voorstelling van
Maria met het kind Jezus. Zij is gehuld in een ruime,
geplooide mantel die ook haar hoofd en rechter
arm afdekt waarop zij het naakte kindje draagt.
Haar linker hand omvat de voeten van het kind.
De gelaatstrekken van beide figuren zijn met meer
recente verf nogal aangezet waardoor de mimiek
waarschijnlijk afwijkt van de middeleeuwse
gelaatstrekken.
De middelste sluitsteen van het koorgewelf
toont een baarddragende man met lang haar. Hij
draagt een mantel met kraag of kap en houdt met
zijn rechter hand een bel en met zijn linker hand
een krukvormig attribuut vast. In dit reliëf kan
bezwaarlijk een voorstelling van de God-Vader
gezien worden, zoals Ter Kuile aanneemt.2 Bruikbaarder
is de suggestie van Gerard Keilholtz, organist
van de kerk, dat het hier om een voorstelling
van Antonius Abt gaat. Het voornaamste attribuut
van Antonius is de T- (Tau) staf met een
horizontale kruk waarvan ook een enkelzijdige
variant, functionerend als een wandelstok bekend
is. Dit type kortere stok lijkt op deze sluitsteen te
zijn afgebeeld. Een ander attribuut van Antonius
is de bel, ook gedragen door het zogenoemde St-
Antoniusvarken, op zich weer een symbool van de
heilige Antonius. Antonius werd vereerd als
patroon tegen besmettelijke ziekten, zoals de pest
en het St.-Antoniusvuur.3 Er zijn diverse redenen
die de aanwezigheid van het reliëf met de voorstelling
van Antonius rechtvaardigen en verklaren.
De eerste reden is dat in de aflaat van 1399
sprake is van een Antoniusaltaar. Ook in latere
beschrijvingen van de kerk wordt dit altaar als het
op een na belangrijkste genoemd (na het aan
Maria en Maria Magdalena gewijde hoofdaltaar).4
Opmerkelijk is, dat één jaar voor de wijding van
de kapel en het verlenen van de aflaat een ernstige
pestepidemie woedde in Zwolle: ‘De gehele
somertyd door stierven er dagelyks twintig, ook
wel dertig menschen binnen dese Stad. Selfs zyn er
die verhalen, dat er alle dagen meer dan vyftig
alhier, en in ons Carspel uit dit leven weggerukt,
en na het graf gesleept zyn’.5
De hele periode waarin het oostelijk deel van
de Q.L.V.-kerk tot stand kwam, werd geplaagd
door golven van pest: iri de zomer van 1421 heerste
er opnieuw een epidemie, evenals in de jaren 1423
en 1440.6 Deze gebeurtenissen zullen er mede toe
bijgedragen hebben dat er in 1445 een tweede
broederschap in de O.L.V.-kerk gesticht werd,
namelijk de ‘broederscap des heiligen vaders sancti
Anthonii’.7 Zo’n zelfde broederschap was in 1412
gesticht ter ere van ‘onser lieuer vrouwen’.8
De bepalingen inzake de bezigheden en verplichtingen
jegens de broederschap zijn beknopter
geformuleerd dan bij de O.L.V. broederschap
(zie noot 8). De procuratoren die bij de stichting
genoemd worden, zijn behalve Henrick Schonekamp
als priester van het Antoniusaltaar, Lubbert
Tymanssoen en Johan van Millingen. Zij staan
met hun vrouwen (respectievelijk Hase en Jutte)
ook vermeld ‘in der yrsten sexteernen ofte capitell’
als degenen ‘die oir renten geloest hebn’. Betaling
van een jaarlijks bedrag of een ‘rente’, een inkomen
uit een onderpand, financierde het lidmaatschap
van de broederschap.
Onderbouwvan de toren
Dankzij de bewaard gebleven kasboeken en
bestekken is over de bouw van de toren, en vooral
over de lantaarn, veel bekend. De bouw van de
toren moet omstreeks 1463 begonnen zijn; tien
jaar nadat het schip was voltooid met het plaatsen
van een westgevel, voorzien van overhoekse
steunberen. Het lijkt erop dat men in die gevel
reeds een grote opening met staande tanden
spaarde, om de toekomstige aansluiting met de
nieuwe toren mogelijk te maken.9 Onder de kerkmeesters
Gerbert van den Busch en Jacob van
Twenhuesen kreeg Berend van Covelens in het
voornoemde jaar opdracht de toren te ‘doen tymmeren
ende mueren’ waarvoor ze hem nog vijftig
gulden moesten betalen.10 Hieruit blijkt de
betrokkenheid van stadsbouwmeester Berend of
Bernt van Covelens die tussen 1445 en 1474 tal van
stedelijke opdrachten uitvoerde. In 1447 kreeg hij
het burgerrecht van Zwolle maar het is bekend dat
hij ook in andere steden werkzaamheden verrichtte.
11 De torenromp is sober uitgevoerd met drie
n6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plint van de Peperbus
ca. 1463 (foto auteur
1996).
Blokje van Munstersteen
voorzien van
inscriptie aan de zuidzijde
van de doorgang
van het torenportaal
(foto auteur).
geledingen, grotendeels in baksteen opgetrokken
en telt telkens drie nissen per gevel/geleding.
Een niet eerder gesignaleerde bijzonderheid is
de natuurstenen plint van de toren, thans alleen
aan de westzijde zichtbaar.12 Men ziet nu twee
lagen (oorspronkelijk meer want de straat kwam
omhoog) van op hun kant gestelde blokken Bentheimer
zandsteen. Natuurstenen plinten komen
wel vaker voor, maar ze zijn doorgaans in glad
afgewerkte blokken uitgevoerd. Hier zien we echter
een ruwe afwerking met diagonale slagen in
één richting, Waarschijnlijk werden deze slagen
aangebracht met een puntbeitel of spitsvlecht als
grove afwerking van een gekloofd of gebouchardeerd
oppendak. Een randslag ontbreekt.
Een dergelijke plint geeft een rustiek effect. Ze
zijn van antieke, Romeinse architectuur bekend,
evenals van weerbare bouwwerken uit de tijd van
de Staufïsche keizers. Het dichtstbijzijnde en
tevens voor Nederland unieke voorbeeld is de
hoge plint van de massief natuurstenen Proosdij
te Deventer, Sandrasteeg 8 (1130 d). Jongere voorbeelden
dateren doorgaans uit de tijd van de
Renaissance. In Italië is dat de vijftiende eeuw, in
Nederland voor het eerst vanaf de zestiende eeuw.
Een toepassing rond 1463 is dus uitzonderlijk.
Wellicht heeft het met de afkomst/opleiding van
Berend te maken, ergens uit het Duitse Rijngebied,
Wesel of Koblenz? In ieder geval zijn in
Duitsland uit de vijftiende eeuw meer voorbeelden
bekend van rustica metselwerk in plinten of
zelfs over de volle hoogte van gevels.13
De doorgang van de toren naar de kerk is 4,83
meter breed, heeft afgeschuinde, geprofileerde
hoeken en bevat aan weerszijden een steens diepe
nis van 0,54 x 0,72 meter op 1,21 meter boven de
vloer. Een opvallend onderdeel bevindt zich op
circa 1,9 meter hoogte in de zuidmuur ter hoogte
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
van de licht gebogen bovenzijde van de nis. Het
gaat om een beschadigd blokje van zogenoemde
Baumberger of Munstersteen dat voorzien is van
een inscriptie en oorspronkelijk een lengte van 44
centimeter had. Sinds de ingrijpende ontpleistering
in 1978 is de lengte gereduceerd tot 30 centimeter
(bij een hoogte van 13 centimeter en een
dikte van 6 cm) en gaapt er rechts van het steentje
een gat. De beschadiging komt de leesbaarheid
van de inscriptie in gotische letters niet ten goede.
Bovendien werd de bovenste regel rechts eerder en
met opzet afgevlakt. De bovenste regel lijkt met
een kapitale D te beginnen, maar daarna is de
interpretatie moeilijk, omdat de dun ingehakte
hulplijntjes van de letters ontbreken of met kalk
gevuld zijn. Er zou bijvoorbeeld kunnen staan:
Die genede… De tweede regel begint met een
wapenschildje waarin een T (Tau) opgenomen is.
De daarop volgende reeksen inscripties worden
duidelijk van elkaar gescheiden: twee keer door
een drietal diep ingehakte ruiten boven elkaar en
door een diep gestoken ‘klavertje’ waarvan het
subtiel dun gesneden steekje wèl bewaard bleef.
Alleen de eerste reeks lijkt leesbaar: CCCC, mogelijk
deel van een jaartal (1)4.., maar het vervolg
lijkt daar niet op aan te sluiten. Kortom: een puzzel
die nog niet opgelost is.
Met het oog op een mogelijke betekenis van de
inscriptie ging een eerste gedachte uit naar een
gedenksteen c.q. herinnering aan de eerste steenlegging,
zoals bijvoorbeeld in het zuidkoor (1464)
en de toren (1515) van de N.H. kerk te Delden.14 In
dat geval zou de steen primair in het baksteen
metselwerk van de Peperbus opgenomen moeten
zijn, maar daar wijst het breukvlak rechts in het
gat naast het steentje niet op. Omdat alle natuursteen
aan de buitenzijde van de toren Bentheimer
is en Munstersteen doorgaans wat later toepassing
vindt in Zwolle, lijkt een datering later dan 1463
meer voor de hand te liggen.
Hebben we hier te maken met een memoriesteentje
in verband met een begraving op deze
plaats? Het steentje zit nogal hoog en soortgelijke
stenen ontbreken elders in de kerk. Een bijzonder
aanknopingspunt lijkt ook het wapenschildje met
de T te zijn. Is het ‘een steenhouwersmerk, een
teken van een onbekende meester? Alleen die rang
lijkt zich van wapenschildjes rond het merk te
hebben bediend.15 Een laatste suggestie voor dit
teken gaat in de richting van een (overleden) individueel
lid of van de collectieve betrokkenheid van
de St.-Antoniusbroederschap. Antonieten droegen
immers de tau of het crux commissa als
embleem.
Aartsengel Michaël
Op een nieuw plateau met randschrift, gedragen
door een zandstenen leeuwenkop, bevindt zich
sinds 1993 boven de noorddeur in het schip een
beeld van Michaël. Volgens een koperen plaquette
stond het beeld voordien (vanaf 1951) in de hal van
Beeld van Michaël
boven de noorddeur in
het schip van de O.L. V. –
kerk in 1615 vervaardigd
door Frerick Reynerse
(foto auteur 1997).
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de St. Michaëlsschool aan het A-plein. Voor die
tijd stond het in de negentiende-eeuwse
St.-Josephkerk aan de Nieuwstraat en daarvoor in
de Diezer (buiten) poort. Zoals bekend was
Michaël niet alleen de patroon van de stedelijke
hoofdkerk maar ook van de stad. Van de oudere
Vispoort is eveneens bekend dat die onder
bescherming van de stadspatroon was gesteld en
‘Sencte Mychiels poerte’ genoemd werd.16
Het 1,5 meter hoge beeld van fijnkorrelige
zandsteen is opvallend goed bewaard gebleven,
wellicht dankzij de oudste opstelling in een nis en
door de gele verf die er op aangebracht is. De steen
zelf is grijzer; in enkele diepere holten werden
geen oudere kleursporen aangetroffen. De
gehelmde Michaël is gekleed als een Romeinse soldaat
met een metalen borststuk over een geplooide
mantel die tot op de knieën valt en in stroken
uit de schouderstukken (dierenkoppen) van het
harnas komt. De armen van Michaël zijn verder
onbedekt, maar over de onderbenen zijn scheenstukken
geschoven. Een zekere onbalans in de
houding ontstaat omdat het linker been daaronder
op een dwarsgeplaatste, plat liggende draak
rust. Het beest hapt in de onderrand van een
staand ovaal, het wapen van Zwolle dat door
Michaël met zijn linker arm wordt gedragen. In
zijn rechter hand draagt hij een houten speer.
Michaëls hoofd staat onder een vrij schuine hoek,
in de richting van de draak gewend. Michaël heeft
verder twee niet al te ver uitstekende vleugels. Het
beeld heeft een ruwe achterzijde – stond dus met
de rug tegen een muur – en bevat daar een smeedijzeren
oog ter bevestiging aan een haak. De dynamische,
strijdende drakendoder ontleent zijn stabiliteit
verder aan een rechthoekig voetstuk (36 x
30 centimeter) dat ruim tien centimeter hoog is.
De Buiten-Diezerpoort werd in het jaar 1828
gesloopt, zoals Heerkens noteerde: ‘Met de geheel
en alle slechting van Stads hooge wallen, muren en
poorten, mei: uitzondering der reeds afgebroken
Kamper en Luttekepoort, is in het jaar 1828 aan de
noordzijde een aanvang gemaakt. De Buitendieserpoort
in welkers fraaije met platte pilasters
opgehaalde buitengevel, zich in het midden een
nis met het beeld van Stadsbewaarengel Michaël
op iedere zijde een vengster zich vertoonde, was
tevens in hare tweede verdieping van eene opene
poort, doch in eene overdwarsche rigting voorzien,
dewelke tot doorgang der beide naast gelegene
wallen diende. Deze buitenpoort is in gezegd
jaar 1828 verkocht voor ƒ 605,- en afgebroken…’.17
Op bevel van prins Maurits werd Zwolle begin
zeventiende eeuw van nieuwe aarden bolwerken
voorzien. Tot deze werkzaamheden behoorde ook
het bouwen van een nieuwe buitenste Diezerpoort
in het jaar 1615, ruim nadat de vroegere buitenpoort
omstreeks 1594 was afgebroken. Van Hattum
schreef daarover in 1755: ‘Na het voleinden
van Stads Vesten, aan dese syde, wierdt de twede
of Buiten Dieserpoort, thans nog in wesen, opgebouwd,
en in den jare 1615, voltooyd, gelyk voor
die poorte gesteld is met vergulde letteren op een
blaauwe grond; zynde ook het beeld van Stads
Schuts Heylige, den Aarts Engel Michiel» met een
Draak onder syn voeten, aan de buiten syde voor
de poort geplaatst’.’8
Dankzij speurwerk van oud-gemeentearchivaris
F.C. Berkenvelder valt er thans meer over de
maker van het beeld te vertellen. Uit de Maandrekeningen
blijkt dat men in 1614 metselde aan een
nieuwe poort voor de Diezerpoort en dat een
beeldhouwer uit Amsterdam daar twee dagen
werkte.19 De rekeningen van het jaar 1615 melden
dat aan Frerick Reynerse, beeldhouwer, is aanbesteed
twee hoofden voor 3 daler te houwen. Daarnaast
krijgt hij 20 Car. gulden voor het houwen
van de engel Michiel. Er komen twee leeuwen op
de nieuwe Diezerpoort die in hetzelfde jaar nog
met leien wordt gedekt.20
De twee (lopende) leeuwen schijnen bewaard
te zijn gebleven als tuinornamenten van het Huis
Boschwijkbij Zwolle.21
Op grond van de vermelding in het jaar 1614
kan wellicht afgeleid worden dat met een beeldhouwer
uit Amsterdam de in 1615 genoemde Frerick
Reynerse bedoeld wordt. Over Fre(de)rick
Reyn(i)erse is in de algemene index van het Zwolse
Gemeentearchief niets te vinden. In algemene
publicaties over beeldhouwers in de vroege zeventiende
eeuw ontbreekt deze Frerick, evenals in de
notariële akten, beroepslijsten, poort-, ondertrouw-
en begrafenisboeken uit die tijd in het
Amsterdamse archief.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
Met de ondubbelzinnige toeschrijving van het
Michaëlsbeeld (en de leeuwen) aan Frerick Reynerse
kan wellicht elders toch een aanknopingspunt
in de geschreven bronnen gevonden worden.
Duidelijk is dat het om een tot nog toe onbekende
beeldhouwer gaat die een trefzekere stijlopvatting
en een goede materiaalbeheersing combineerde.
Dit Michaëlsbeeld uit voormalig stedelijk
bezit, is dankzij de opleving van het R.K. geloof in
de negentiende eeuw behouden gebleven in een
kerk die ooit voor andere heiligen werd op- en
ingericht.
Noten
1. Dirk J. de Vries, “Soe dattet een Ewych Werck mach
bliven’; de bouw van de Onze Lieve Vrouwetoren of
Peperbus te Zwolle’, Jaarboek Monumentenzorg
1992, Zwolle/Zeist 1992, 71-96 en Dirk J. de Vries,
‘De middeleeuwse bouwgeschiedenis van de Onze
Lieve Vrouwekerk te Zwolle’, Jaarboek Monumentenzorg
1996,194-202.
2. E.H. ter Kuile, Noord- en Oost-Salland. De Nederlandse
Monumenten van Geschiedenis en Kunst.
‘s-Gravenhage 1974,122.
3. J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie.
Haarlem 1978, nr. 668.
4. De Vries 1996, noot 21.
5. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle I,
Zwolle 1767,257-258.
6. Van Hattum 11767,332,341,376.
7. Gemeentearchief Zwolle, Archief O.L.V. parochie,
voorlopig inv.nr.707; het origineel is gevat in een
omslag van leer en eikenhout.
8. idem, voorlopig inv.nr.708. ‘JhesuS. Int Jaer ons heren
dusent CCCC unde twalfe Doe auerdroeghen
onser lieuer vrowen broeders dat men alle jaer enen
nijen gildemeister kiesen sal. Ende die twe jaer lanc
toekomende sal hijt wesen ende die twe gildemeisterfi
moghen voert kiesen vi broeders daer die twe
hen mede. moghen beraden. Ende wes die achtte
dan averdraghen, dat sullen die ander gildebrueders
ende Susters volghen. Ende weert sake dat yemant
were die des niet volghen en wolde, die moechte uut
der bruderscap gaen.
9. Zieafb. 2, De Vries 1996,196.
10. De Vries 1996,72-73.
11. DJ. de Vries, Bouwen in de late middeleeuwen. Stedelijke
architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht,
Utrecht 1994,64-66.
12. Het metselwerk aan de noord- en zuidzijde is vernieuwd
na het wegbreken van de negentiendeeeuwse
aanbouwen. Alleen bij de zuidwestelijke
hoek kan men thans misschien opmaken dat de
plint om de hoek aan de zuidzijde van de toren
doorliep.
13. Bijvoorbeeld het omstreeks 1462 daterende Reichlin-
Meldegg-Haus, thans museum aan de Krummer
Bergstrafie en het Raadhuis uit ca. 1490 te
Überlingen alsook Haus zur Katz uit 1424 in Konstanz;
beide Duitse steden liggen aan de Bodensee.
Zie: Peter Findeisen, Stadt Überlingen. Bodenseekreis.
Ortsatlas Baden-Württemberg, Stuttgart 1994,
36.
14. De Vries 1994,111-114.
15. H. Janse en DJ. de Vries, Werk en merk van steenhouwer.
Het steenhouwersambacht in de Nederlanden
voor 1800, Zwolle/Zeist 1991,61-62.
16. De Vries 1994,234.
17. Rijksarchief Overijssel, Hs. uit verzameling Heerkens,
nr. 1, in Archief VORG, 24-25.
18. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle V,
Zwolle 1775,33.
19. GAZ, AAZ01-1941,21,49 en 68. Deze en de volgende
noot met vriendelijke dank aan F.C. Berkenvelder.
20. GAZ, AAZ01-1942,33,61, 63,74,75,86,89,99,101.
21. Heymerick Tromp, ‘Tuin- en parkaanleg’, in:
E. Gelderman en J. Hagedoorn [eds.], Een aardsch
paradijs. De buitenplaatsen Boschwijk, Landwijk en
Veldwijk nabij Zwolle, Zwolle 1994,169.
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Onze-Lieve-Vrouwekerk
in de negentiende eeuw
A.J. Looyenga
De orgelkast van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk,
vervaardigd in
1697 door Nicolaus
Brunswick en in 1813 te
Zwolle geplaatst. Het
huidige instrument
dateert uit 1896 en is
gemaakt door de orgelmaker
Maarschalkerweerd.
De neogotische
borstwering is ontworpen
door F. W. Mengelberg
(fotoM.I.
Meijerink).
Op 4 maart 1809 werd de O.L.V.-kerk of
Kruiskerk, die sinds mensenheugenis niet
meer voor de eredienst was gebruikt, op
bevel van Lodewijk Napoleon overgedragen aan
de katholieken, ter vervanging van de schuilkerken
aan de Koestraat en de Spiegelsteeg.1 Zoals
bijna overal, bleef de toren eigendom van de stad.
De schuilkerken aan de Hoornsteeg en die ‘Onder
de Bogen’ bleven bestaan. Voor het herstel van de
kerk schonk koning Lodewijk Napoleon ƒ 9.100.
Zijn gift was uiterst welkom want het kerkgebouw
verkeerde in een abominabele toestand. De daken
waren slecht, de muren ingewaterd enz. Er werd
hard gewerkt aan het herstel en op 25 augustus 1811
werd de kerk in gebruik genomen.2 In 1815 werd de
laat zeventiende-eeuwse torenspits door blikseminslag
verwoest. Pas in 1828 kwam een nieuwe koepelvormige
bekroning tot stand naar ontwerp van
de stadsarchitect H. Klinkert. Sindsdien draagt de
toren de naam Peperbus.
De vroeg negentiende-eeuwse inrichting
De inrichting was aanvankelijk nog provisorisch:
een altaar, een preekstoel en een kabinetorgeltje.
Spoedig werden stappen ondernomen om tot een
waardiger inrichting van het godshuis te komen.
Het was voor heel wat katholieke gemeenten in die
tijd moeilijk om aan passende inventarisstukken
te komen voor de kerken die zij hadden teruggekregen.
Een van de mogelijkheden, die vooral in
het Brabantse veelvuldig werd benut, was het
overnemen van stukken uit opgeheven Idoosters
uit de Zuidelijke Nederlanden. Op die manier zijn
tal van belangwekkende stukken kerkelijke kunst
in Noord-Brabantse kerken beland. Voor kerken
in Overijssel bood het katholieke Munsterland een
vergelijkbare mogelijkheid. Zo kwam het kerkbestuur
van de O.L.V.-kerk terecht bij de voormalige
Observantenkirche in Munster. Voor het daar
aanwezige hoogaltaar waren zij net te laat; het was
al verkocht.3 Wel wisten zij het orgel te verwerven.
Het instrument was in 1697 gebouwd door Nicolaus
Brunswick. Door bemiddeling van een zekere
prof. J.E. Kistemaker te Munster werd dit instrument
aangekocht en in 1813 werd het in Zwolle
opgesteld.4
Nu het niet gelukt was om een hoogaltaar over
te nemen, besloot men een nieuw altaar te laten
maken. Op 16 oktober 1817 nam de meestertimmerman
Johannes C. Polier dit werk aan. In 1819
was het altaar klaar. Het is helaas niet bekend wie
de ontwerper ervan was. Over de maker van het
beeldhouwwerk is wel een aanwijzing te vinden.
Er bestaat namelijk een overeenkomst uit 1818 tussen
het kerkbestuur en de beeldhouwer Antonius
Wallenhorst, voor het maken van een beeld van
Willibrordus.5 Verder staan in het rekeningenboek
betalingen aan een beeldhouwer Wallenbeek
(ongetwijfeld een verschrijving) voor een aantal
beelden, niet alleen van Willibrord, maar ook van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
Bonifatius en Michaël. Omdat al deze figuren op
het hoogaltaar voorkwamen, zullen de beelden
van Wallenhorst daarvoor bestemd zijn geweest.
Het is zeker niet ondenkbaar dat deze beeldhouwer
ook het altaar heeft ontworpen. Hij tekende
het eerder genoemde contract in Duits schrijfschrift,
dus waarschijnlijk was hij een Duitser.
Gezien de zojuist vermelde Zwolse connecties met
Munster, is het goed mogelijk dat hij uit deze stad
afkomstig was.
In een advies van 3 februari 1819, over de
afwerking van het altaar, dat vermoedelijk afkomstig
is van de bovengenoemde professor Kistemaker
staat: ‘Ik heb mijne gedachten er over laten
gaan, en ook andere kundige mannen bevraagd.
Ons oordeel is, dat de kleur zoude wesen wit,
namelijk bleek wit, of als men hier ’t noemd melkwit.
Dit staat deftig, en de nieuwste autaren hier
hebben ook deze kleur. De verziersels aan de pylaren,
boven en beneden, als ook die elders, worden
dan verguld, eenigen meer helder en andere bleeker
na welbevinden; edoch moet niet te veel goud
aangebragt worden of doorschitteren. Zulk is
tegen de eenvoudige majesteit, die voor ’s Heeren
tempel past.’6 De keuze voor wit met goud is
typisch voor het neoclassicisme, de overheersende
stijlrichting van die dagen. In zijn vormgeving
droeg het altaar daarentegen nog een sterk barok
karakter. De opbouw herinnert aan de Romeinse
kerkgevels, zoals die in de late Renaissance werden
ontwikkeld en vooral in de barok een grote bloei
beleefden. Het retabel had een flauw gebogen
benedengedeelte dat door zuilen werd geleed. Het
middendeel daarvan, waar zich het altaarstuk
bevond, werd geflankeerd door twee pilasters en
gekoppelde zuilen. Daarvoor stond het eigenlijke
altaar met zijn tombevormige onderbouw (stipes).
Zoals nog zal blijken, dateren het tabernakel
en de forse door engelen geflankeerde expositietroon
van later tijd. In de zijgedeelten waren doorgangen
aangebracht, waarboven nissen met beelden.
Het bovengedeelte bestond uit een schelpnis
met beeld, geflankeerd door pilasters en even achteruit
geplaatste zuilen, die een gebogen fronton
met het Alziend Oog droegen, een voorstelling die
vanaf de late achttiende eeuw tot ongeveer 1850
veelvuldig in kerken werd aangebracht.
Het altaarstuk was een schilderij in de trant
van Pieter de Grebber, dat wordt gedateerd op het
tweede kwart van de zeventiende eeuw. Het kwam
vrijwel zeker uit één der schuilkerken en heeft
daar wellicht ook als altaarstuk dienst gedaan. Het
bevindt zich thans in de torenhal. Op het altaarretabel
waren verscheidene beelden aangebracht,
waarvan de meeste wel te identificeren zijn. Het
beeld links beneden draagt een kroon en staat op
een maansikkel; dit is dus Maria. Het rechter beeld
is vermoedelijk Jozef, omdat in zijn rechter hand
iets te zien is dat op zijn attribuut de leliestaf lijkt.
Bovendien werd het in deze tijd gebruikelijk Jozef
als pendant van Maria een plaats te geven. In de
loop van de negentiende eeuw zou dit leiden tot de
vaste aan weerszijden van het hoogaltaar geplaatste
Maria-en Jozef-altaren. Door wie en wanneer
deze beelden zijn vervaardigd is niet bekend. In de
nis in de bovenbouw is een staande figuur van
Christus te zien met de zegevaan. Dit beeld werd
pas in 1856 geplaatst, vermoedelijk door de verder
Het voormalige hoogaltaar
uit 1819. De communiebank
is afkomstig
van de Gebrs. Goossens
uit ‘s-Hertogenbosch;
circa ISJO (foto
Gemeentearchief Zwolle,
KA074).
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
onbekende beeldsnijder P.J. Dalmeijer.7 De twee
rijk bewerkte figuren aan weerszijden van de
bovenbouw, die ook de visuele verbinding tussen
onder- en bovenbouw tot stand brengen, zijn
moeilijker te identificeren. Het linker beeld lijkt
een Romeinse wapenrok te dragen en voorzien te
zijn van vleugels. Het zou dan de stadspatroon
Michaël kunnen voorstellen, wat overeenkomt
met de eerder geciteerde betaling aan de beeldhouwer
Wallenhorst. De identiteit van een druk
met de rechterarm gebarende figuur ter rechter
zijde is niet vast te stellen. Op de uiterste hoeken
van de onderbouw zijn nog twee beelden
geplaatst; het linker draagt een kerkmodel met
twee torens in de hand en stelt dus Willibrordus
voor en het rechter zal waarschijnlijk Bonifatius
zijn. Sinds de zeventiende eeuw was het namelijk
zeer gebruikelijk beide geloofsverkondigers als
eikaars pendant in een kerk te plaatsen. Ook deze
beelden moeten zijn geleverd door Wallenhorst.
In 1856-1857, toen ook het al vermelde Christusbeeld
werd geplaatst, is het altaar verfraaid met
enig snijwerk (waarschijnlijk boven het tympaan)
en met een nieuw tabernakel. Ook werd het bij die
gelegenheid ‘kunstig geschilderd’. De witte tint
viel blijkbaar niet meer zo in de smaak.
Wat later met dit altaar is gebeurd, is niet duidelijk.
Toen in 1872 de opdracht voor het huidige
hoogaltaar was verleend, wilde het kerkbestuur
het oude altaar verkopen, maar men raakte het
niet kwijt. Toen kwam pastoor Spitzen echter in
contact met de Praefectus Apostolicus van
Lapland. Volgens hem zou het oude altaar ‘zeer te
stade komen in de nieuw kerk te Drontheim, welke
ZD staat te bouwen’.8 Uit diverse bronnen valt
af te leiden dat het inderdaad naar Noorwegen is
verscheept.9 Men moet in Trondheim wel ambitieuze
plannen hebben gehad, wilde men het kolossale
Zwolse altaar kunnen onderbrengen. Te
ambitieus klaarblijkelijk, want tot 1902 moest de
katholieke gemeenschap in die stad het met een
zeer bescheiden kapel doen. Wat intussen met het
altaar is gebeurd, is niet bekend.10
Behalve het zojuist beschreven altaar werden
ook andere stukken voor de kerk aangeschaft. In
1812 kreeg de kerk een preekstoel en in 1825 een
communiebank. Daarna gebeurde er geruime tijd
niets. In 1842 werden twee balkons in ‘de zijpanden’
aangebracht voor extra plaatsen. In 1850
kreeg de kerk een geschilderde kruisweg, waarvoor
ƒ 1021,- werd betaald aan O. de Boer.” Dit zal
de schilder Otto de Boer senior (1797-1856) zijn,
die werkzaam was in Amsterdam, Den Haag,
Leeuwarden en Groningen. Hij schilderde onder
meer bijbelse voorstellingen en altaarstukken. De
St. Michaëlskerk in zijn geboorteplaats Woudsend
bewaart een altaarstuk met de Opwekking van
Lazarus en een kruisweg van zijn hand. Ook de
St. Simon en Judas te Ootmarsum bezit een door
hem vervaardigde kruisweg.12 De Zwolse kruisweg
werd in 1873 geschonken aan de katholieke
parochie te Fredrikshald (Halden) in Noorwegen.
13 In 1852 kreeg de kerk via pastoor Van
Kessel dertien terracotta beelden van de Goede
Herder en de Twaalf Apostelen. Deze zijn in het
seminarie Rijsenburg terecht gekomen.14 In 1857
werd ‘de gevel van de kerk verfraaid en met de
beeltenis van de Hemelvaart van Maria voorzien.’
15 Deze beeltenis werd in 1871 aan de
parochie te Heino geschonken en is daar nog
steeds in de kerk aanwezig.16
De in 1826 aangeschafte communiebank werd
in 1862 verfraaid met drie gebeeldhouwde panelen,
vervaardigd in het atelier van de Gebrs. Goossens
te ‘s-Hertogenbosch, dat in dezelfde tijd ook
drie biechtstoelen leverde. Al deze stukken zijn
inmiddels verdwenen. De ontwerptekening van
de vernieuwde communiebank heeft schrijver
dezes eertijds gefotografeerd. Zij toont voorstellingen
van de bruiloft te Kana, de wonderbaarlijke
spijziging en het laatste avondmaal. Zijaltaren zijn
er ook geweest, want in de kerkbestuursnotulen
van 26 november 1873 staat dat het oude St. Jozefaltaar
aan de kerk van Winschoten is geschonken.
Daar is het overigens niet meer aanwezig.
Nieuwe opvattingen
Zo bood de kerk omstreeks 1860 het beeld van een
sobere blanke gotische ruimte, met een grotendeels
neoclassicistische inrichting, die nog een
sterke barokke inslag had. Aan de oostzijde werd
de ruimte gedomineerd door het enorme hoogaltaar,
aan de westzijde door het grote barokke
orgel. De grote, lichte ruimte zelf, moet echter
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
overheersend zijn geweest. Het ideaalbeeld van
een licht kerkinterieur met hier en daar wat kleuraccenten,
maakte na 1860 snel plaats voor een
andere visie. De romantiek had de Middeleeuwen
herontdekt en dat liet de denkbeelden over kerken
en kerkinrichting niet onberoerd. Men wilde de
gotiek laten herleven en men droomde van halfduistere,
mysterieuze, kleurrijke ruimten. Middeleeuwse
kerken werden soms op krachtdadige wijze
in overeenstemming gebracht met het ideaalbeeld
dat men zich van een middeleeuwse kerk
had gevormd. Een goed voorbeeld was de St. Catharinakerk
te Utrecht. Deze tamelijk sobere laatgotische
kloosterkerk werd tussen 1860 en 1865
verbouwd tot datgene wat men zich bij een gotische
kathedraal voorstelde. De middeleeuwse
werkelijkheid werd daarbij ondergeschikt gemaakt
aan de negentiende-eeuwse droom van de
Middeleeuwen.17
De neogotische restauratie: achtergronden
Dat ook in de Zwolse O.L.V.-kerk een rijke gotische
droom werd gerealiseerd, is het werk van pastoor
Otto Anthonius Spitzen (1823-1889).IS Deze
werd geboren te Steenwijkerwold en kreeg zijn
priesteropleiding aan de seminaries te ‘s-Heerenberg
en Warmond. Daarna studeerde hij enige tijd
te München, onder andere bij de beroemde kerkhistoricus
Ignaz Döllinger. In 1846 werd hij tot
priester gewijd en daarna werkte hij als kapelaan te
Heino, Steenwijkerwold en Zwolle. Van 1851 tot
1857 was hij professor aan het Groot-Seminarie te
Warmond. Van 1858 tot 1866 was hij pastoor te
Heino en daarna werd hij in Zwolle benoemd. Hij
was zeker één van de meest erudiete priesters van
zijn tijd. Hij was lid van verschillende geleerde
genootschappen en kreeg vooral bekendheid door
zijn studies over Thomas a Kempis. Deze droegen
er wezenlijk toe bij dat diens auteurschap van De
imitatione Christi definitief kwam vast te staan.
Verder verscheen van zijn hand een uitvoerige
studie over de middeleeuwse Biblia Pauperum.19
Spitzen had dus een grote belangstelling voor
de Middeleeuwen. Het lag voor de hand dat hij de
middeleeuwse kerk waaraan hij verbonden werd,
ook nieuwe middeleeuwse luister wilde geven. In
Wr j^.Jy3?ari)r|)ttbrk
JËÏrowbplan
Plattegrond van de kerk
door S. Trooster, gedateerd
april 1887. De
reeds uitgevoerde en nog
uit te voeren vergrotingswerken
zijn aangegeven
(Gemeentearchief
Zwolle, KA074).
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het Registrum Memoriale schreef hij daarover:
‘Vanaf het oogenblik dat hij benoemd werd, had
de pastoor de restauratie en verfraaiing van het
heerlijk kerkgebouw als de voornaamste groote
zaak beschouwd.- Eerst 28 Mei 1868 bracht hij dit
ter sprake. Aanvankelijk niet met algemeenen bijval.’
20
Op 29 november 1869 stelde hij het onderwerp
opnieuw aan de orde: ‘na ingewonnen advies van
Monseigneur den aartsbisschop stelde hij (de pastoor)
voor den gerenommeerden architect den
Heer Schneider te laten overkomen, ten einde
dezen te belasten met het ontwerpen der teekeningen
van de bereids gewijzigde en uitgebreide,
maar nog altijd bekrompen plannen. Den pastoor
was ingevallen of de biecht- en catechismuszalen
aan wederzijde van het langschip der kerk niet zoo
konden worden aangelegd, dat ze later konden
worden doorgetrokken en op deze wijze twee lage
zijschepen als het ware vormen. De Heer Schneider
alsmede de Weieerwaarde Heer Van Heukelum,
“Baurath” des aartsbisschops keurden het
voorstel goed. De Heeren kerkmeesters vereenigden
zich eenparig er mede. De Heer Schneider
beloofde voor eene som van ƒ 560 een algemeen
plan van restauratie, vergroting en versiering der
kerk te ontwerpen, dat voor Juni 1870 gereed zou
zijn.’21 Uit de notulen van het kerkbestuur van 29
november 1869 blijkt ook dat er was gesproken
over een nieuw hoogaltaar en twee nieuwe altaren
in het transept.
De plannen werden nader uitgewerkt door de
architect H.J. Wennekers. Het volledige ontwerp
kon niet terstond worden uitgevoerd, omdat het
kerkbestuur nog niet alle tegen de kerk gebouwde
huizen had verworven. De bouwactiviteiten die
tussen 1870 en 1873 onder leiding van Wennekers
hun beslag kregen, omvatten achtereenvolgens
het transept met de twee daarbij aansluitende traveeën
van het schip, een sacristie aan de noordzijde
van het koor en het koor zelf. Tussen 1887 en
1889 volgde de rest van het schip en de sacristie aan
de zuidzijde van het koor. Deze werkzaamheden,
waarbij het oorspronkelijke plan in hoofdzaak
moet zijn aangehouden, stonden onder leiding
van de Zwolse bouwkundige S.J.H. Trooster.22
De Utrechtse School in de neogotiek
In het voorgaande stuk zijn verschillende personen
genoemd die een nadere introductie behoeven.
In de eerste plaats de ‘Baurath’ van de aartsbisschop,
Gerardus Wilhelmus van Heukelum
(1834-1910). Deze telg uit een familie van baksteenfabrikanten
koos voor het priesterschap. Hij
werd in 1859 gewijd en meteen daarna benoemd
tot kapelaan aan de St. Catharinakerk te Utrecht,
de kathedraal van het aartsbisdom. In 1873 werd
hij pastoor te Jutphaas, waar hij tot zijn dood
bleef. Hij had reeds vroeg belangstelling voor kerkelijke
kunst en architectuur en ontwikkelde
geleidelijk vrij uitgesproken denkbeelden daarover.
Hij vond dat de kerkelijke kunst, die natuurlijk
gotisch moest zijn, haar inspiratiebron moest
vinden in het eigen land. Voor de architectuur
betekende dit dat de veertiende en vijftiendeeeuwse
baksteenbouw van midden en oostelijk
Nederland het uitgangspunt voor nieuwe gebouwen
moest zijn.
Van Heukelum kreeg kans om zijn ideeën in
de praktijk te brengen toen in 1868 de pastoor/plebaan
van de Utrechtse kathedraal, Andreas Ignatius
Schaepman tot aartsbisschop werd benoemd.
Van Heukelum werd nu diens informele adviseur
in zake kerkelijke kunst, of zoals Spitzen het
noemde, diens ‘Baurath’.23 Om de geestelijkheid
voor zijn ideeën te winnen richtte hij in 1869 een
vereniging voor kerkelijke kunst op, het Sint Bernulphusgilde,
aanvankelijk alleen voor geestelijken,
later ook voor leken. Verder was hij ook de
oprichter van het Aartsbisschoppelijk Museum,
waarin kerkelijke kunst werd geëxposeerd die als
een voorbeeld voor nieuwe creaties kon dienen.
Zijn belangrijkste taak was het echter om kunstenaars
te vinden die zijn programma zouden kunnen
uitvoeren. Hij had vooral behoefte aan een
architect.
De beroemdste kerkenbouwer van die tijd was
P.J.H. Cuypers (1827-1921), maar tegen de2.e figuur
had Van Heukelum de nodige bezwaren. Hij zou
later zeggen dat hij Cuypers geen architect achtte
in ‘volle Nederlandse zin’, maar de ware reden was
eerder dat hij Cuypers niet plooibaar genoeg
vond. Hij zocht naar andere architecten en kwam
zodoende in contact met Hugo Schneider (1841-
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
1925).24 Deze was afkomstig uit Duitsland en had
zijn opleiding gehad bij verschillende coryfeeën
van de neogotiek, zoals Carl Gottlob Ungewitter
in Kassei, Richard Voigtel te Keulen, Friedrich
(von) Schmidt te Wenen en George Gilbert Scott
te Londen. Sinds 1865 was hij te Aken gevestigd.
Van Heukelum was goed bekend met de kunstkenner
en priester Franz Bock uit Aken en is waarschijnlijk
via hem met Schneider in contact gekomen.
Van Heukelum wilde Schneider ontwerpen
laten maken voor kerken en semikerkelijke
gebouwen en deze door Nederlandse architecten
laten uitvoeren. Zo konden die leren hoe het
moest. Twee architecten had Van Heukelum aanvankelijk
‘op zicht’: Herman Wennekers, die
onder andere de restauratieplannen voor Zwolle
kreeg uit te voeren en verder onder toeziend oog
van Van Heukelum de fraaie kerk van Vierakker
bij Zutphen (1869) tot stand bracht, alsmede Gerard
te Riele, die naar ontwerp van Schneider een
katholieke kerk bouwde in Wijhe (1869-1871).25
Uiteindelijk doorstond geen van beiden de proef,
want Van Heukelum kwam in contact met de
architect Alfred Tepe (1840-1920) en concludeerde
spoedig dat deze zijn man was. Tepe heeft talrijke
kerken gebouwd: wij noemen hier slechts die te
Raalte en Heeten en verder de kapel op de RK
begraafplaats te Zwolle.26 Van Heukelum wist ook
nog andere kunstenaars voor zijn denkbeelden te
winnen: de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg
(1837-1919), de glazenier Heinrich Geuer
(1841-1904) en de edelsmid Gerard Brom (1831-
1882). Samen met Tepe vormden zij het zogeheten
Utrechts Kwartet. De door Van Heukelum geïnitieerde
richting staat bekend als de Utrechtse
School. Vooral Mengelberg zou voor de Zwolse
O.L.V.-kerk van groot belang blijken te zijn.
Het restauratieplan van Hugo Schneider
Laten wij het plan dat Schneider voor de O.L.V.-
kerk maakte eens nader bezien. In de eerste plaats
werd het gebouw hersteld, waarbij de gotische
stijlkenmerken weer sterker tot spreken werden
gebracht. Verscheidene ramen, die in de loop der
eeuwen waren dichtgemetseld, bijvoorbeeld in de
litr f^.J^.Birotljutek O.I/.)O.Jj«m«t»a«l. Tekening van de zuidzijde
van de kerk gedateerd
april 188/, door
S. Trooster, met het
reeds gebouwde en nog
te bouwen gedeelte van
de zijbeuk (Gemeentearchief
Zwolle, KA074).
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
koorsluiting, werden geopend en evenals de overige
vensters voorzien van natuurstenen raamstijlen
met traceerwerk in laatgotische vormen. Het
meest spectaculaire aspect van de werkzaamheden
was de toevoeging van een reeks kapellen, of beter
gezegd van zijbeuken, aan het schip. Verschillende
overwegingen zullen hierbij van invloed zijn
geweest. In de eerste plaats van praktische aard: er
kwam meer ruimte in de kerk, de zijbeuken konden
worden gebruikt voor processies, die immers
niet buitenshuis mochten worden gehouden, en
verder waren zij zeer geschikt om de biechtstoelen
te plaatsen. Bij Spitzen en zijn architect kan echter
nog iets anders hebben meegespeeld. Een eenbeukige
kerk was niet in overeenstemming met het
door een kathedraalachtig ideaaltype bepaalde
gotiekbeeld van de neogotici. Door toevoeging
van zijbeuken zou de Zwolse kerk iets meer een
‘kathedraal’ karakter krijgen.
De nieuwe zijbeuken onderscheidden zich
door materiaalgebruik en vormgeving duidelijk
van het oude werk. Zij hadden bij elke travee een
steekkap eindigend in een topgevel. Deze topgevels
hadden niet de volle breedte van de kapeltravee,
maar waren eerder een soort zeer groot uitgevallen
dakkapellen. Om toch de indruk van een
volledige topgevel te verkrijgen had de ontwerper
een kunstgreep toegepast, waarbij de hoekkepers
van deze dakkapellen in de gevels van elke travee
naar beneden doorliepen tot aan de steunberen.
Hieruit blijkt duidelijk dat de ontwerper streefde
naar een afwisselende bedaking die echter het
oude werk niet al te zeer mocht domineren.
Vreemd was wel dat het achterste gedeelte van het
dak dat direct bij het oude werk aansloot oorspronkelijk
plat was afgedekt.27 In 1884 kregen
deze daken een schuine helling en werden de
ramen van het schip iets naar beneden doorgetrokken,
alles volgens plan van Alfred Tepe.28 De
verdere afwerking van de zijbeuken was vrij eenvoudig.
Aan beide zijden van de toren bevonden
zich eenvoudige aanbouwen. Aan de zuidzijde was
echter tussen deze aanbouw en de zijbeuk een
portaal aangebracht dat door een extra hoog tentdak
en een ingang met wimberg een speciaal
accent kreeg. Of dit portaal ook nog op het ontwerp
van Schneider teruggaat staat niet vast.
Inwendig waren de zijbeuken laag en donker.
Om ze bij de kerkruimte te laten aansluiten waren
tussen de muurpijlers in het schip bogen uitgebroken.
Daarbij sloot zich het kruisgewelf der zijbeuktraveeën
niet direct aan, aangezien rnen tussen
de buitensteunberen van het schip een brede
boog had aangebracht. Het nieuwe werk was dus
ook inwendig nadrukkelijk gescheiden van het
oude. Bij de restauratie van 1975-1981 werden de
negentiende-eeuwse uitbreidingen, afgezien van
de aanbouwen aan het koor, gesloopt. In het schip
werden de neogotische raamstijlen en traceringen
door nieuwe vervangen. Bijna was toen ook de
neogotische inrichting van de kerk aan de vernietiging
prijs gegeven. Gelukkig is men te elfder ure
nog tot beter inzicht gekomen.
Friedrich Wilhelm Mengelberg
De sobere blanke kerk die Spitzen bij zijn komst in
Zwolle aantrof, was voor hem niet aanvaardbaar.
Een kleurige en tegelijk mystieke kerk wenste hij,
een ruimte die door haar atmosfeer en door haar
voorstellingen tot devotie opriep. Spitzen en zijn
medestanders hebben wellicht gedacht de O.L.V.-
kerk in haar middeleeuwse gedaante terug te
brengen. Maar het waren hun eigen Middeleeuwen,
het was in zekere zin een droom. Het was de
veelzijdige beeldhouwer Mengelberg die deze
droom werkelijkheid maakte.
Friedrich Wilhelm Mengelberg (1837-1919), de
vader van de beroemde dirigent Willem Mengelberg,
was geboortig uit Keulen.29 Na zijn leertijd
in Keulen opende hij een beeldhouwersatelier in
zijn geboortestad, dat hij in 1865 naar Aken verplaatste.
In 1868 vervaardigde hij een bisschopszetel
voor de St. Catharinakathedraal te Utrecht.
Hiermee had hij zo’n succes dat hij besloot om
naar Utrecht te verhuizen. Zijn atelier kwam daar
tot grote bloei en had een enorme productie. In
1892 telde het 32 medewerkers. Voor tal van kerken
in Nederland en het Rijnland produceerden
zij altaren, preekstoelen, biechtstoelen, orgelfronten,
beelden, kruiswegstaties en wat dies meer zij.
Thans zijn ongeveer 500 werken geïdentificeerd.
Bekend zijn de bronzen deuren van het noordportaal
van de Keulse Dom uit 1887-1891, resultaat van
een prijsvraag.30
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
Toen Van Heukelum kort na zijn benoeming
tot pastoor van Jutphaas in 1873 in dat dorp een
nieuwe kerk liet bouwen door Alfred Tepe, werd
aan Mengelberg de inrichting toevertrouwd.
Andere door hem ontworpen ensembles zijn de
interieurs van de St. Michaël te Schalkwijk en de
St. Willibrordus te Utrecht; beide kerken zijn
eveneens ontworpen door Tepe. Fraaie stukken
uit zijn atelier zijn ook te vinden in de Krijtberg te
Amsterdam en in de RK kerken te Heeten en Raalte.
Een belangrijk werkstuk tenslotte was het
monument voor Thomas a Kempis in de voormalige
St. Michaëlkerk te Zwolle, dat bij de betreurenswaardige
afbraak van deze kerk op zo smadelijke
wijze te gronde is gegaan.
Uitgangspunten van de neogotische inrichting
De neogotische inrichting van de Zwolse O.L.V.-
kerk behoort tot de belangrijke Mengelbergensembles.
Alvorens daarover in bijzonderheden
te treden, willen wij ingaan op de beginselen die
eraan ten grondslag liggen. Deze waren gedeeltelijk
ontleend aan de toenmalige opvattingen over
middeleeuwse kerksymboliek en gedeeltelijk aan
eigentijdse pastorale en liturgische overwegingen.
De negentiende-eeuwse Rooms-Katholieke Kerk
droeg in vele opzichten nog het stempel van het
Concilie van Trente, dat veel hebbelijkheden van
de middeleeuwse kerk had opgeruimd. De liturgie
werd bij die gelegenheid geüniformeerd, de iconografie
gestandaardiseerd en de hoeveelheid devoties
gereduceerd. Het kerkbegrip van na Trente
vond zijn artistieke uitdrukking in de barok. Deze
‘barokke’ religieuze mentaliteit werkte in de
negentiende eeuw door. Dat betekende dat een
terugkeer naar de Middeleeuwen, zo men die al
zou willen, onmogelijk was. Ook de neogotici
konden en wilden dat niet en zo zou men kunnen
spreken, met een zekere overdrijving weliswaar,
van een barokke religiositeit in middeleeuws
gewaad.
Het ideale neogotische kerkgebouw moest
worden geconcipieerd volgens één alles omvattend
concept, dat een iconografische en stilistische
eenheid vormde. Binnen de Utrechtse School was
het vaak Mengelberg die voor kerken een algemeen
inrichtingsplan ontwierp.
Het neogotische kerkconcept ging uit van een
tamelijk strikte scheiding van koor- of altaargedeelte
en kerkschip. Verder had een neogotische
kerk van enige betekenis vrijwel altijd twee zijkoren,
wat bij middeleeuwse kerken eerder uitzondering
dan regel is. De Zwolse kerk had ze ook niet
en men heeft ze hier niet toegevoegd. Men heeft
zich ermee tevreden gesteld de oostelijke wanden
van de transeptarmen als zodanig te behandelen.
Deze maken dus in zekere zin deel uit van de koorpartij.
Het hoogkoor is het belangrijkste gedeelte
van het kerkgebouw. Het is gewijd aan het Sacrament
van de eucharistie en daarmee aan het heilswerk
van Christus. In de iconografie komt dat dan
ook tot uitdrukking. In het gewelf van de kruising
ziet men acht engelen met de arma Christi, de lijdenswerktuigen
van Christus. In de triomfboog
tussen kruising en koor verbeeldt een groot crucifix,
het triomfkruis, de dood van Christus, tezamen
met het getuigenis der apostelen dat gestalte
krijgt in de apostelbalk, waar elke apostel een artikel
van de geloofsbelijdenis bij zich heeft. In de
overhuiving van het hoogaltaar, waar het offer van
Christus op onbloedige wijze opnieuw tegenwoordig
wordt gesteld, ziet men Christus als goddelijke
rechter bij het Laatste Oordeel; hij houdt
een boek in de hand met de Alpha en de Omega,
Het kruisingsgewelf met
engelen met de lijdenswerktuigen
van Christus,
geschilderd in 1881-
1882 door Johann Lange
(foto: auteur).
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Apostelbalk met triomfkruis,
vervaardigd in
1878 door F. W. Mengelherg
(foto: auteur).
het begin en het einde. Hij wordt geflankeerd door
Maria en Johannes de Doper als voorsprekers
voor de mensheid.
Het zou bij de thematiek van het priesterkoor
gepast hebben, wanneer de gebrandschilderde
ramen de hoofdmomenten van Christus’ heilswerk
hadden verbeeld. Het is mogelijk dat de oorspronkelijk
aanwezige vensters inderdaad dergelijke
voorstellingen hebben bevat, maar daarover
is weinig bekend. De huidige vensters uit 1905-
1910 hebben grotendeels betrekking op Maria, de
patroonheilige van de kerk. Dat het heilswerk van
Christus de gehele kosmos omvat, wordt waarschijnlijk
aangeduid door de tekenen van de dierenriem
in het sluitingsgewelf. De hemelse machten
die Christus in het Sanctus verheerlijken zijn
weergegeven door de engelen in de koorgewelven.
De lerende kerk wordt aangeduid door de vier
beelden van de westerse kerkleraren Hieronymus,
Gregorius, Augustinus en Ambrosius. Vreemd is
het dat de vier evangelisten slechts een bescheiden
plaats is vergund, namelijk aan de achterzijde van
het triomfkruis en wel door middel van hun symbolen.
De transeptarmen hebben als thematiek de
menswording van Christus. Op de noordelijke
Het noorder transept
met de profetenschilderingen
van Johann Lange
uit 1883 en een
gedeelte van de door
dezelfde schilder vervaardigde
kruisweg;
1883-1888 (foto:
auteur).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
hoek ziet men een beeld van Maria, Onbevlekt
Ontvangen; doordat zij vrij was van de erfzonde
was zij waardig om Gods zoon te ontvangen en
mens te doen worden. Aan de zuidzijde ziet men
Christus in een menselijk aspect, namelijk dat van
het Heilig Hart. Hier hebben wij een duidelijk
voorbeeld van een niet middeleeuwse devotie in
middeleeuws gewaad. De H. Hart-verering dateert
uit de zeventiende eeuw, maar werd pas in het
laatste kwart van de negentiende eeuw vanuit de
kerk sterk gestimuleerd. Op de oostelijke wanden
van de transeptarmen vindt men schilderingen
van de profeten die Christus’ komst en menswording
hebben voorzegd. In de noordelijke transeptarm
bevindt zich het altaar gewijd aan Maria. De
noordzijde was in de Middeleeuwen een zeer
gebruikelijke plaats voor een Mariakapel of –
altaar. Ook bij de St. Michaëlkerk in Zwolle was
het noordelijke koor aan Maria gewijd.
Het zuidelijke zijaltaar is aan Jozef gewijd. Dat
is in het geheel niet middeleeuws. In de Middeleeuwen
was Jozef een tamelijk onbelangrijke heilige.
In de baroktijd nam zijn verering toe om in de
negentiende eeuw een hoogtepunt te bereiken. In
1870 werd hij zelfs uitgeroepen tot patroon van de
gehele kerk. Het werd dan ook pas in de loop van
de negentiende eeuw gebruikelijk dat het Mariaaltaar
een Jozef-altaar als tegenhanger kreeg.
Het schip is de ruimte voor het kerkvolk. De
daar aangebrachte voorstellingen hebben in de
negentiende-eeuwse iconografie dan ook meestal
betrekking op deze wereld. Men ziet daar dikwijls
afbeeldingen van heiligen. Het schip van de
O.L.V.-kerk bevatte echter geen voorstellingen.
De neogotische polychromie
Tot zover de inhoudelijke uitgangspunten voor de
inrichting van de kerk; nu de uitwerking. Beslissend
voor de indruk die de kerk nu maakt, is de
polychromie; ook al is die alleen in koor en transept
behouden gebleven. De witte kerk, die pastoor
Spitzen bij zijn komst te Zwolle aantrof, paste
goed bij de esthetische standaard van de vroege
negentiende eeuw. De ontdekking dat de oude
Grieken hun gebouwen vaak zeer bont beschilderden
heeft aan een verandering in het denken over
architectuur en kleur in aanzienlijke mate bijgedragen.
Men kan in hoofdzaak twee soorten polychromie
onderscheiden: de constructieve polychromie,
waarbij de kleur door het gebruik van
verschillend getinte bouwmaterialen wordt verkregen,
en de geschilderde polychromie.31
De constructieve polychromie is in Nederland
geïntroduceerd door Pierre Cuypers; de geschilderde
wellicht ook, maar deze vond vooral aanhang
binnen de Utrechtse School. Men dient te
bedenken dat authentieke voorbeelden van middeleeuwse
polychromie zeer schaars waren, zodat
men vaak eigen inventies volgde. Veel invloed
hadden de opvattingen van de Franse architect
Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879), terwijl er vanaf
omstreeks 1870 tal van voorbeeldboeken van de
drukpers rolden.
Ofschoon Mengelberg van beroep beeldhouwer
was, heeft hij verscheidene ontwerpen voor
kerkbeschildering gemaakt. Dat voor de Zwolse
kerk is één van de vroegste. Het dateert uit 1881. Er
is nog een schets bewaard die vermoedelijk van
Mengelberg afkomstig is waarop de hoofdlijnen
van de wanddecoratie zijn aangegeven).32
De kerkschilder Gerard F.X. Jansen (1835-
1896) bracht in 1881-1882 de beschildering van
koor en transept aan. De engelen met de arma
Christi in het kruisingsgewelf en de in 1883 aangebrachte
profeten in de transeptarmen zijn het
Zuider transept met de
profetenschilderingen
van Johann Lange uit
1883 en een gedeelte van
de door dezelfde schilder
vervaardigde kruisweg
(1883-1888). Uiterst
links een der twee grote
kandelabers met lezenaar
naar ontwerp van
F. W. Mengelberg vervaardigd
door Gerard
Brom; 1877 (foto:
auteur).
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schetsontwerp voor de
wandbehandeling van
het koor. Potloodtekening
waarschijnlijk van
F. W. Mengeïberg
(Gemeentearchief
Zwolle, KA074).
werk van de schilder Johann Lange (1823-1908) uit
Aken, die daarbij naar de ontwerptekeningen van
Mengeïberg werkte.33 Opvallend is de als tegeltableau
uitgevoerde textiel-imitatie in de onderste
wandgedeelten van het koor. De tegels zijn naar
ontwerp van Mengeïberg uitgevoerd door J. Schillemans
te Utrecht. Tussen de koorramen is telkens
een architectuurschildering aangebracht, die een
gotische aedicula (klein gebouwtje) voorstelt,
waarin gordijnen zijn opgehangen. De kleurstelling
van deze schilderingen is duidelijk verwant
aan de schilderingen die Viollet-le-Duc liet aanbrengen
in de kapellen van de Notre-Dame in
Parijs en waarover hij een platenalbum uitgaf.
Het wandgedeelte boven die schilderingen
heeft een wat groenige tint, wat in de polychromie
van die tijd vrij gebruikelijk was. Het is gedecoreerd
met groene vierpasjes en in bruin en goud
uitgevoerde Franse lelies. Ter hoogte van de
kraagstenen van de gewelven is een brede band
aangebracht, geheel in overeenstemming met de
aanbevelingen van Viollet-le-Duc; daarboven is
de wand crèmekleurig met een enkel plantaardig
motief.
In het transept was de beschildering iets
anders opgezet: het onderste gedeelte van de wand
is in brokaatimitatie beschilderd; daarboven
bevindt zich een fries met symbolische voorstellingen
die betrekking hebben op Maria en Jozef en
aansluiten bij de aan hen gewijde altaren. Dan
volgt de al genoemde reeks profeten; zij zijn
geschilderd tegen een achtergrond in paars en
steenrood en geplaatst onder goudkleurige gotische
baldakijns met wimbergen. Daarboven volgt
een hoog gedeelte met schijnvoegen. Tenslotte ziet
men dezelfde brede band als in het koor met daarboven
een blank gedeelte met enig plantaardig
ornament. Het benedengedeelte van de noord- en
zuidwanden van het transept, waar de kruisweg is
aangebracht, is voorzien van tegeltableaux met
afwisselend cirkels en ruitvormig geplaatste vierkanten,
afgebiesd met meanderranden. In de plint
zijn kwasten te zien.
Aan de noordzijde ziet men in de meanderrand
twee tegels met daarop J. Schillemans/
Utrecht 1886. Op zich is dit niets bijzonders, maar
het is vreemd dat deze tegels op hun kop zijn aangebracht.
Het verhaal gaat dat Mengeïberg, de
ontwerper, erop tegen was dat de tegelfabrikant
zijn werk zou signeren. Alleen de naam van de
ontwerper mocht erop staan. De tegelfabrikant
vond dit de omgekeerde wereld en signeerde toch:
omgekeerd.34
Het schip werd pas in 1893 beschilderd naar
het oorspronkelijke plan van Mengeïberg. Gerard
Jansen en verder J.A. Waterkamp uit Zwolle
deden dat elk voor een deel. In 1906 moest de
beschildering worden vernieuwd. Toen werden
ook de zijbeuken gepolychromeerd. De wandgedeelten
die naast de nieuw aangebrachte scheidbogen
naar de zijbeuken waren overgebleven,
werden voorzien van schijnvoegen, boven de
bogen bevond zich een geschilderd fries met gotische
arcaden, waartussen gordijnen. De muurgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
deelten daarboven waren op dezelfde manier
behandeld als het transept. Bij de restauratie van
1975-1981, waarbij de neogotische zijbeuken werden
verwijderd, verdween ook de polychromie
van het schip. Om toch een goed geheel te verkrijgen
met de gehandhaafde beschildering in het
oostelijke gedeelte van de kerk werd in het schip
een bescheiden nieuwe beschildering aangebracht.
Dit was ontworpen door Han Prins uit
Zwolle en uitgevoerd door D. Schoonekamp uit
Amsterdam. De brede biezen die op de transeptgewelven
zijn te zien, werden in het schip op een
iets verstrakte wijze nagevolgd. De wandpijlers
kregen een steenroze kleur en werden voorzien
van witte schijnvoegen. Het resultaat is zeker
overtuigend. Ontwerper en uitvoerder hebben op
bekwame wijze de beide delen van het gebouw
visueel tot elkaar weten te brengen.
De neogotici wensten niet alleen de wanden van
een kleurrijk gewaad te voorzien, maar ook de
vloeren moesten zo worden behandeld. Men kon
daarbij kiezen voor een mozaïekvloer, zoals bijvoorbeeld
in de Keulse Dom, maar dat was voor
de gemiddelde kerk te kostbaar. Een nieuwe techniek
bood uitkomst, een tegelsoort die dikwijls
wordt aangeduid met de Engelse term encaustic
tile. Zij werd in Engeland het eerst ontwikkeld en
later op het Europese continent verbreid door de
firma Villeroy & Boch uit Mettlach. De door hen
geleverde tegels worden vaak als Mettlacher tegels
aangeduid. In Zwolle kreeg het priesterkoor in
1875 e e n dergelijke vloer. Het ontwerp stamt van
Jean Bethune (1821-1894) uit Gent, één der
invloedrijkste neogotici uit België.35 De connectie
met Bethune is waarschijnlijk via Schneider tot
stand gekomen. Deze was namelijk in die tijd
betrokken bij de restauratie van de Dom in Aken,
waar toen een koepelmozaïek werd aangebracht,
naar ontwerp van genoemde Bethune. De kleuren
van de vloer zijn geel en bruinrood met hier en
daar zwart. Hij is in enige grote velden ingedeeld,
Zuidwand van het koor
met beschildering en
tegeltableau ontworpen
door F. W. Mengelberg
en het in diens atelier
vervaardigde beeld van
Augustinus (foto
auteur).
Schip naar het westen
voor de restauratie van
1975-1981, met de
neogotische beschildering
en de preekstoel
van Mengelberg; 1878
(Gemeentearchief
Zwolle, KA074- 504).
132 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een van de twee werktekeningen
voor de tegelvloer
in het koor. Pentekening
gedeeltelijk met
waterverf ingekleurd,
gesigneerd J. Wennekers,
Zwolle (Gemeentearchief
Zwolle,
KA074-117).
Het voormalig hoogaltaar
in de St. Catharina-
kathedraal te
Utrecht, ontworpen in
1868 doorHugo Schneider,
uitgevoerd door
F. W. Mengelberg (foto:
E.F Georges, naar tekening.
Utrecht, Museum
Catharijneconvent).
waarbinnen een patroon van cirkels en vierkanten,
met geometrische motieven. Op een enkele
plaats is een adelaar afgebeeld.
De neogotische altaren
In 1872 kreeg Mengelberg de opdracht om een
hoogaltaar te leveren. Het moest aldus het Registrum
Memoriale ‘niet alleen deftig en sierlijk zijn,
maar ook aan alle liturgische eischen beantwoorden,
zoodat de vorm van een ciboriealtaar werd
gekozen.’ Het eerste ontwerp dat Mengelberg vervaardigde
voldeed niet, maar het tweede kwam

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1998, Aflevering 4

Door 1998, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

l l ^ l
W01S
Historisch
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Ansichtkaart Sassenpoortenbrug 1913
Donderdag, 6 Nov. ’13
Lieve Gerardl
Zoo juist ontvingen we het mandje met waschgoed.
Wat is dat lang onderweg. Ik zal je morgen Vrijdag
dadelijk het gevraagde toezenden per postpakket,
waarin ook een sportblouse.
Denk vooral op je neus, datje daar niet aan peutert.
Jo heeft het ook gehad, doch het was na gebruik der
zalf gauw genezen. Heb je Mevrouw Hostenbach het
pakketje al bezorgd of laten bezorgen? Je hebt me veel
pleisier gedaan met je brief, wel, wel vent, ga maar
zoo door. Met Kersttijd zullen we pret maken. Ik ben
zeer over je tevreden. Cor is weer beter, doch is zoo
speelsch, dat er van leeren zoo weinig komt.
Morgen schrijf ik een brief in ’t pakje. Alles is hier
wel. Hans ook.
(Manchetknoopen ook morgen)
Hartelijk gegroet van je liefh. Papa.
Lieve Gerardl
Morgen zal ik je ook een paar lettertjes schrijven
hoor! en het gevraagde zal ik in het waschmandje
zenden. Je hebt je goed gehouden hoor met je besluiten,
nu lieve jongen, hartelijk gegroet, je liefhebbende
mama.
Gerard Morsink ging in september 1913 op veertienjarige
leeftijd naar het klein-seminarie in Rolduc.
Seminaristen kwamen alleen met kerst, pasen
en de zomervakantie naar huis. De ouders van
Gerard woonden in Zwolle aan de Veerallee nr. 22.
Jo (11) en Cor (8) waren zijn broertjes. Na twee
jaar brak Gerard zijn studie in Rolduc af en kwam
hij weer in Zwolle wonen.
Voor de geschiedenis van de Sassenpoortenbrug
wordt verwezen naar Groeten uit Zwolle in
het eerste nummer van de lopende jaargang.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
Herhaalt de geschiedenis zich? In deze aflevering
van het Zwols Historisch Tijdschrift komt in twee
bijdragen een thema aan de orde dat vandaag de
dag weer actueel is. Deze herfst lagen er zandzakken
op de Thorbeckegracht als bescherming tegen
het hoge water. De wateroverlast in vroeger tijden
langs deze gracht wordt zeer beeldend beschreven
in het bijzondere gedicht ‘De Diek’ van wijlen
mevrouw Annie Scheffer. Het dateert uit 1945 en is
gesteld in onvervalst Zwols, een unicum voor ons
tijdschrift.
Dat Zwolle vanouds voortdurend geteisterd
werd door overstromingen komt ook ter sprake in
het artikel over de eerste Zwolse stadsarchitect,
Derk Zwens, van Miriam Schneiders.
Familiedrama’s blijken eveneens een verschijnsel
van alle tijden te zijn. In de bijdrage van
Ben Kam over Jacomina, vormt dit gegeven een
leidmotief met alle gruwelijke en tragische consequenties
van dien.
Wil Cornelissen haalt weer prachtige herinneringen
op; ditmaal aan zijn catechisatie bij de vermaarde
‘rode’ dominee Horreüs de Haas. Tenslotte
de briefkaart; de kerstsfeer indachtig gaat die dit
keer over een Zwols seminaristje uit 1913.
Wij wensen u veel leesgenoegen en uiteraard
een gezond en voorspoedig 1999.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 110
Jacomina: een gerechtelijke dwaling in 1728? Ben Kam 112
Derk Zwens, Bouwmeester en Inspecteur van Stadsgebouwen
te Zwolle, 1777-1820 Miriam Schneiders 122
De Diek Annie Scheffer 135
Catechisatie Wil Cornelissen 139
Literatuur 140
Mededelingen 141
Omslag: Eekwal te Zwolle. Detail van een schilderij door G. Felix
(Stedelijk Museum Zwolle).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Jacomina: een gerechtelijke dwaling in 1728?
Ben Kam
Pentekening van Jan
Grasdorp van de Zwolse
vestingwerken (Stedelijk
Museum Zwolle).
Over de lijfstraffen in Zwolle zijn al eerder
I publicaties verschenen. Tot nu toe is echter
niet diep ingegaan op de procesvoering
en de strafmaat. Het ‘geval Jacomina’ was
aanleiding om nader literatuur- en archiefonderzoek
hiernaar te doen. De bedoeling van het
onderzoek was om na te gaan of er motieven zijn
te vinden die de zwaarste straf uit het rechtboek,
‘levendig radbraken van onder op’ kunnen rechtvaardigen
bij een kennelijk psychisch gestoorde
vrouw van nog geen dertig jaar oud. Dit onderzoek
heeft zich niet beperkt tot de procesvoering
en de uitvoering van de straf: de leefomstandigheden
van Jacomina, de omgeving waar ze woont en
het beeld van het dagelijks leven in de stad geven
zulke interessante feiten over Zwolle in het begin
van de achttiende eeuw, dat een beschrijving daarvan
de moeite waard lijkt.
De feiten, die opgespoord zijn door de uitgaven
van de stad voor het straffen van misdadigers
na te gaan, spreken voor zich. De maandrekening
van 1728 vermeldt een aantal posten voor apprehensie,
detentie en executie van Jacomina Jannes,
‘geëxecuteerd den 24 maij 1728.” Jacomina Jannes
is een 26-jarige vrouw, die in de nacht van 2 op 3
mei 1728 in haar woning man en twee kindertjes
heeft vermoord. Zij gebruikt hiervoor het mes van
haar man, die mandenmaker is en dit mes altijd
bij zich draagt. Als hij naar bed gaat, legt hij het
neer op de stoel naast de bedstee, waarin het hele
gezin gezamenlijk pleegt te slapen.
Soldatendochter huwt soldaat
Jacomina is op 4 november 1701 in Leeuwarden
gedoopt als dochter van de beroepssoldaat (hij is
in 1727 nog steeds in dienst) Johannes Harmens en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT «3
van Teupke Jans. Hij is soldaat in de compagnie
van Capitein Merwede en doet in Leeuwarden
belijdenis op 13 maart 1700.2 Jacomina komt op de
een of andere manier in Zwolle terecht. Er is geen
attestatie te vinden van haar overschrijving. Zij
gaat op 26 juli 1721 in ondertrouw met Jan Alberts,
een jonge man uit Assendorp. Zij trouwen op 17
augustus te Zwolle met als getuigen Hendrik Jansz
en haar moeder, Cathryne Johannes. Op 6 september
1722 wordt een zoon Albertus gedoopt.
Deze moet jong zijn overleden, want na zoon
Johannes op 14 januari 1724, komt er een tweede
Albertus ter wereld op 28 juli 1726.
De echtgenoot van Jacomina, de mandenmaker
Jan Alberts, staat ook bekend als Jan van den
Doevelaar. Hij werkt sinds zijn ontslag uit militaire
dienst, zo’n jaar of acht geleden, bij Willem
Franke. Franke woont in de Hagensteeg. Of zijn
mandenmakerij daar ook is gevestigd is nergens
uit de verhoren op te maken. De naam van de even
verderop gelegen Mandjessteeg zou kunnen wijzen
op het bestaan van mandenmakerijen in het
stadsgedeelte tussen de tegenwoordige Spoelstraat
en Kerkstraat. Alberts heeft kennelijk enige zelfstandigheid
in zijn werk: hij heeft een mandje
‘aangenomen’ in Assendorp.
Het gezin heeft een aantal jaren buiten de Sassenpoort
in Assendorp gewoond, in de buurt van
de Russeveltsteeg naast de Rijckeboer. De laatste is
een veehouder die in het begin van wat nu de
Assendorperstraat is zijn bedrijf heeft. De Russeveltsteeg
is tot nu toe niet exact geplaatst maar
komt voor in een aantal transportacten.3 Begin
mei 1728 verhuist het echtpaar naar een huisje aan
de rand van de Binnenbleek naast de Bastkuil.
Topografie van de stad
De binnenbleek is een stuk onbebouwd land,
waarschijnlijk grasland, tussen de tegenwoordige
Spoelstraat en de bocht van de Ter Pelkwijkstraat,
waar nu een aantal herenhuizen en de Plantagekerk
zijn gebouwd. De Ter Pelkwijkstraat is in 1728
de Grote Aa, het riviertje dat midden door de stad
loopt en via Gasthuisplein en Grote Markt bij de
Rode Toren de stad weer verlaat. Het is voor de
aanleg van de huidige buitengracht de voortzetting
van de Stuyversgracht, een waterloop door de
Weezenlanden parallel aan de Nieuwe Wetering.
De Kleine Aa kruist de Diezerstraat, stroomt door
de Smeden en zet zich voort als een smalle sloot
tussen Nieuwstraat en Waterstraat tot ze bij het
Hopmanshuis weer in de gracht uitmondt. In de
omarming van deze riviertjes ligt de binnenbleek,
waarvan de functie op de kaarten van Blaeu duidelijk
is aangegeven met drogend linnen.
Op twee van de kaarten van Blaeu (ed. 1649 en
1657 Janssonius) is aan de overzijde van de Grote
Aa, gezien vanaf de binnenbleek, een klein huisje
getekend dat onder aan de wal moet hebben
gestaan. Het ligt precies in het midden van de
basis van het bastion ‘Aan de Ziel’, nu Ter Pelkwijkpark,
maar wel onder tegen de wal aan. Wij
realiseren ons vandaag de dag nauwelijks dat de
gehele Wilhelminasingel (toen ‘Aan de Wal’ geheten)
een totale hoogte had van bijna zes meter!4
Wij genieten nu van een ruim uitzicht over de
stadsgracht, maar in 1728 is daar geen sprake van:
de stad is eng omsloten door een hoog verdedigingswerk,
dat in zijn geheel als militair gebied
wordt beschouwd. Het kent een arsenaal en militaire
galg in het Genverbergbolwerk, een aantal
kazematten in het Bolwerk ‘Aan de Ziel’ en een
bunker in het Sassenpoortenbolwerk. ’s Nachts
worden deze verdedigingswerken door schildwachten
bewaakt en er gaat regelmatig een
patrouille over de wallen de stad rond. De schildwachten
en de patrouilles kijken dus neer op wat
er zich binnen de wal afspeelt.
De situatie uit 1649 is op de kadasterkaart van
1820 nauwelijks veranderd. Het huisje heeft het
kadastrale nummer F 2113 en is in 1820 volgens de
Eerst Aanwijzende Tafel van Grondeigenaren
eigendom van de mandenmaker Albert Gerrits.
Het grondoppervlak is op de kadasterkaart 6 x 10
meter. Wanneer men de situatie nameet op de
huidige kadasterkaart ligt het huisje tussen de percelen
Wilhelminasingel 20 en de huizen aan de
Ter Pelkwijkstraat 2-8. Wie naast het huis no. 20
het gangetje inloopt, komt ook nu nog in een dieper
gelegen tuin uit: het hoogteverschil is ongeveer
2 tot 2,5 meter ten opzichte van de huidige
Wilhelminasingel.
Eind april 1728 verhuist Jacomina met man en
kindertjes naar dit kleine huisje, dat waarschijnlijk
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gedeelte van de kadasterkaart
uit 1832, waarop
de plaats van het
huisje van Jacomina is
aangegeven.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1997, Aflevering 4

Door 1997, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisc
Themanummer
Zwolle en de laifü- en tuinüouw
P R I J S F 1 2 , § O
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma-van Hulten
bif ZIVyLJJL
BRIEFKAART
Drinkt
,Spoolde”-Melk
1 L. flesch 17 ets.
7 i L
Telefoon 485.
C ÏT£ 1*. S— ~ f’ ‘jT
‘ i l f” •”’ ••> ‘•£,
‘ZWOLLE
ABCH.1EF.
001573
Ansichtkaart ‘Hygiënische Modelboerderij’ aan
de Beukenallee te Spoolde bij Zwolle.
De ansichtkaart is nooit verzonden, maar waarschijnlijk
aan belangstellenden uitgereikt ten tijde,
van de opening op 10 mei 1909 of in de periode van 3
totj mei, toen de modelboerderij gratis kon worden
bezichtigd.
In 1908 hadden de heren J.W.J. baron de Vos van
Steenwijk, bewoner van Frisia State in de Ruiterlaan,
en C.J.A. Greven, wonende op huize Schellerberg,
aan architect M. Meijerink de opdracht
gegeven een modelhoeve te bouwen Voor het
leveren van op hygiënische wijze gewonnen melk
van gezond vee.’ Het geheel bestond uit een riante
woning met daarvan gescheiden een groot, koepelvormig
bijgebouw waarin de hygiënische stal
was gevestigd. Bovendien was er een ondergronds
lokaal waar de melk werd verzameld, gezeefd en
afgetapt in flessen. In deze ruimte werden de flessen
melk bewaard in koelbakken met stromend
water tot ze de deur uitgingen. Voordat het melkvee
een plaatsje kreeg in de betegelde stal (voor 27
koeien) stond het enige tijd in de quarantaine-stal.
Die werd geventileerd met behulp van roosters en
een luchtkoker. Ten behoeve van een snelle en
grondige schoonmaak waren de vloeren van terrazzo
en de muren betegeld. Overal was warm en
koud water beschikbaar. Alles werd er dus aan
gedaan om de melk zo hygiënisch mogelijk te
kunnen winnen. De melk werd regelmatig chemisch
en bacteriologisch onderzocht en in hoofdzaak
afgeleverd aan de beide ziekenhuizen en
gerenommeerde horeca-bedrijven in de stad.
Na de Tweede Wereldoorlog werd de modelboerderij
verbouwd tot K.I. Station voor de K.I.
Vereniging ‘Zwollerkerspel.’ In verband met de
aanleg van het verkeersplein Spoolde is deze markante
boerderij in 1966 afgebroken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
Het overgrote deel van de artikelen in het Zwols
Historisch Tijdschrift gaat over de stad Zwolle.
Het platteland en de land- en tuinbouw zijn er tot
nu toe bekaaid afgekomen. Met dit themanummer
willen we ook die kant van de gemeente eens
voor het voetlicht brengen. We hopen dat er mensen
zijn die zich hierdoor laten inspireren om ook
eens onderzoek te doen naar deze kant van de
gemeente. Hopelijk volgen er binnen afzienbare
tijd meerdere artikelen over de voormalige gemeente
Zwollerkerspel.
In een inleidend artikel geeft Wim Coster
enkele ontwikkelingen weer over de standsorganisaties
van de landbouwers, over de beschikbare
hoeveelheid landbouwgrond en over de productie
van melk, boter en kaas. Vervolgens geeft Martien
Knigge de veranderingen aan die in het landschap
hebben plaatsgevonden. W. Koersen graaft in zijn
herinneringen en Jolande Haverkort gaat in op de
rol van boerinnen en plattelandsvrouwen. Vervolgens
komen de productie van landbouwwerktuigen
door de firma O. de Leeuw en de tuinbouw en
veilingen aan de orde.
Tenslotte besteedt Jaap Hagedoorn aandacht
aan een geheel ander aspect van de Zwolse
geschiedenis, namelijk aan een bundel die verschenen
is ter gelegenheid van de opening van de
nieuwbouw van het Stedelijk Museum Zwolle.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma-van Hulten 110
Zwolle en de land- en tuinbouw Wim Coster 112
Het landschap van Zwolle; een boerenerfenis Martien Knigge 122
Herinneringen uit een boerenleven W. Koersen 126
Boerinnen en plattelandsvrouwen Jolande Haverkort 130
De landbouwwerktuigen van de firma O. de Leeuw
Annèt Bootsma-van Hulten 138
Tuinbouw en veiling J.A. Iemenschot en Menno van der Laan 144
Literatuur 149
Auteurs 150
Dank 151
Omslag: Op de veemarkt in Zwolle in 1971, met linksonder het logo van de zuivelfabriek
‘Hoop op Zegen’. (Foto: Gemeentearchief Zwolle).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle en de land- en tuinbouw
Wim Coster
Het Landbouwhuis van
de OLM was van 1920
tot 1968 te vinden aan
de Burgemeester van
Roijensingel 22. Tegenwoordig
is hier Dansen
Balletschool
Tijdeman gevestigd
(ArchiefOLM).
Om verschillende redenen is er aanleiding
voor een themanummer over Zwolle en
de land- en tuinbouw.’ Allereerst, omdat
dit onderwerp in de geschiedschrijving – ook bij
de Zwolse Historische Vereniging – nog relatief
weinig aan de orde is gekomen.2 Voorts hebben de
laatste decennia laten zien, dat de land- en tuinbouw
in deze gemeente, zoals ook elders, sterk van
omvang en karakter is veranderd en dat er veel is
verdwenen. Op zichzelf is dat een conclusie die
met hetzelfde recht kan worden getrokken voor de
laatste eeuwen, zeker de twintigste. Maar het verschil
is, dat anno 1997 nog de mogelijkheid bestaat
dit proces van veranderingen op de voet te volgen.
Daarbij is echter haast geboden, want het tempo
van die veranderingen neemt – kenmerkend voor
een moderne maatschappij – voortdurend toe.
Zeker in de agrarische sector is de versnelling
duidelijk aanwezig. Niet alleen in de bedrijfsvoering
en het sociale leven, maar ook met betrekking
tot het landschap.3 Ontwikkelingen buiten de
eigen sector spelen hierbij een belangrijke rol. Niet:
in de laatste plaats werken die door in het aanzien
van het boerenland en de ‘aankleding’ daarvan.
De beschikbare hoeveelheid landbouwgrond, om
slechts één van die externe factoren te noemen,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
neemt voortdurend af. De grond wordt daardoor
steeds duurder. De aanleg van woonwijken,
industriegebieden, sport- en recreatieterreinen,
wegen en waterwegen en ‘het teruggeven aan de
natuur’ stellen nu eenmaal hun eisen.4
In de stad, ook in de delen die vroeger behoorden
tot Zwollerkerspel, is reeds veel van de landen
tuinbouw verdwenen: zuivelfabrieken ‘Hoop
op Zegen’ aan de Philosofenallee en ‘De Eendracht’
aan de Berkumstraat, tal van boerderijen,
de veiling ‘Zwolle en Omstreken’, de vele kassen
die met elkaar een glazen stad vormden en meer.
Ook de samenstelling van de beroepsbevolking
veranderde. Volgens de Landbouwtelling 1995
waren in de voorafgaande periode in Zwolle nog
213 mannen en 19 vrouwen 38 uur of meer per
week werkzaam in de land- en tuinbouw.5 Van de
Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen afdeling
Zwollerkerspel is nog slechts een klein gedeelte
boerin. Het Tuinbouwonderwijs daarentegen,
in 1946 met zeer bescheiden middelen van start
gegaan, maakte opgang. Het Agrarisch opleidingscentrum
De Groene Welle, nu nog gevestigd aan
de Prinses Margrietlaan en de Ruiterlaan, bloeit
en nieuwbouw op Hanzeland is aanstaande.6
De Zwolse veemarkt is tegenwoordig geconcentreerd
in de IJsselhallen, terwijl vroeger, verspreid
over de stad vee- of beestenmarkten, paardenmarkten,
varkensmarkten en ook pluimveemarkten
plaatsvonden. De drie standsorganisaties
ABTB, CBTB en OLM zijn verplaatst naar Deventer,
om daar samen verder te gaan onder één dak.
Zo zou er veel meer zijn op te noemen. In dit
themanummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
kunnen echter slechts enkele facetten van
de geschiedenis van de Zwolse land- en tuinbouw
worden behandeld. Het nummer is dan óók en
vooral bedoeld als een signaal, als een aanzet voor
verdere onderzoekingen en publikaties. Tevens is
het bedoeld als een suggestie om archief- en ander
historisch waardevol materiaal te deponeren op
het Gemeentearchief en het Rijksarchief hier ter
stede.7
In het navolgende worden enkele aspecten van
drie onderwerpen behandeld: de standsorganisaties,
het areaal en de produktie van melk, boter en
kaas.
Tot slot: er is nóg een aanleiding, om de aandacht
te vestigen op de geschiedenis van de land- en
tuinbouw in Zwolle en omstreken. Toekomstige
herindelingen in de provincie zullen namelijk tot
gevolg hebben, dat deze gemeente (weer) nieuwe
landbouwgronden binnen haar grenzen krijgt.
Die zullen, voor een deel althans, deze status niet
behouden. Evenmin als dat het geval was met het
grondgebied van Zwollerkerspel. Wellicht ontstaat
er daardoor in de toekomst, naast de ‘Vrienden
van de Stadskern’, behoefte aan een verenigingvan
‘Vrienden óm de Stadskern’!
Standsorganisaties
Sinds het eind van de negentiende eeuw hebben
standsorganisaties een belangrijke rol gespeeld in
de Overijsselse land- en tuinbouw. Zij hielden zich
bezig met een uitgebreid scala aan activiteiten, te
vatten onder noemers als onderzoek, onderwijs,
voorlichting, vorming en niet te vergeten belangenbehartiging.
Omstreeks 1920 waren er in Overijssel
drie standsorganisaties. Daarnaast waren er
talloze ‘verlengstukken van het boerenbedrijf,8
zoals de coöperaties, die niet zelden uit de standsorganisaties
waren voortgekomen. Ook ontstonden
er enkele bonden van boerenarbeiders.
Het typisch Nederlandse verschijnsel van de
Op woensdag 11 mei
1983 opende Prins Bernhard
het nieuwe OLMkantoor
aan de Dokter
Stolteweg tegenover het
Sophia-ziekenhuis.
Anno 1997 is hier Groene
Land Verzekeringen
te vinden (Archief
OLM).
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
‘Peperbus’ en melkfles
in het logo van de zuivelfabriek
‘Hoop op
Zegen’ (Archief OLM).
verzuiling, de opdeling van de maatschappij in
scherp gescheiden kerkelijk-politieke belangengroepen,
trad ook op in de agrarische wereld. Dat
leidde tot een grote versnippering van de activiteiten,
maar hield samenwerking aan de top niet
tegen.
De verzuiling van de standsorganisaties leidde
in deze provincie tot de ‘Kring Overijssel van de
Aartsdiocesane Rooms-Katholieke Boeren- en
Tuindersbond’ (ABTB), de ‘Overijsselsche Christelijke
Boeren- en Tuindersbond (CBTB), en de
algemene ‘Overijsselsche Landbouw Maatschappij.’
9 De ABTB kwam voort uit de in 1896 opgerichte
Nederlandsche Boeren Bond, die het christendom
erkende als de grondslag van de maatschappij
en in 1897 een Overijsselse afdeling kreeg.
In 1918 ontstond de Nederlandsche Christelijke
Boeren- en Tuindersbond (NCBTB). De Boerenbond
ging toen Katholieke Nederlandsche Boeren-
en Tuindersbond (KNBTB) heten. De ABTB
maakte deel uit van deze federatie en Overijssel
kreeg hierbinnen dus weer een eigen ‘Kring’. Veel
coöperaties waren hierbij met al hun leden aangesloten.
Een Overijsselse tak van de NCBTB ontstond
in 1919. Op 12 november van dat jaar kwam aan de
Grote Markt in ‘De Harmonie’ te Zwolle een veertigtal
Overijsselse boeren bijeen, om te luisteren
naar de voorzitter van de NCBTB, prof. P.A. Diepenhorst.
Velen van de toehoorders hadden reeds
onderdak gevonden bij de ‘algemene’ OLM. Toch
had het pleidooi van Diepenhorst succes, niet in
de laatste plaats door het argument, dat in het
bestaande landbouwonderwijs de evolutie-leer
van Darwin werd verkondigd. Dat onderwijs nu,
werd door de OLM bevorderd. Volgens de professor
was de leer van Darwin echter strijdig met het
bijbelse scheppingsverhaal. ‘En zo gelukte het Diepenhorst
de zaal te overtuigen en werd de Overijsselsche
Christelijke Boeren- en Tuindersbond
opgericht.’10 Op de eerste algemene ledenvergadering,
die plaatsvond op 11 februari 1920, hadden
zich 225 leden aangemeld. Maar echt crescendo
ging het nog niet. Het ledental van de bond liep
zelfs weer terug. Ook bleven veel boeren tegelijkertijd
lid van de CBTB en (via de coöperaties)
van de OLM. Voorzitter J. Haverkamp van de
CBTB was opvallend genoeg zelfs adjunct-secretaris
van de OLM! Deze organisatie wilde zich dan
ook nadrukkelijk ‘algemeen’ noemen en onderdak
bieden aan alle politieke en godsdienstige
richtingen.
In dezelfde maand november 1919 waarin de
afdeling Overijssel van de CBTB werd opgericht,
viel in de Algemene Vergadering van de OLM het
besluit om het secretariaat vanuit Hengelo te verplaatsen
naar Zwolle.” Een eigen afdeling in die
stad had de OLM toen overigens niet meer. ‘Zwolle
en Omstreken’ was namelijk in het voorjaar van
1919 opgegaan in de ‘Coöperatieve Landbouwbank
en Handelsvereniging Zwollerkerspel’ te
Zwolle en deze had zich weer met alle leden aangesloten
bij de OLM.12 Zo hoefden die boeren dus
niet zelf hun lidmaatschap te betalen en kregen zij
bovendien het Overijsselsch Landbouwblad toegestuurd.
Die mogelijkheid was in 1918 ontstaan na
een statutenwijziging. Het was een meesterzet van
de eerste betaalde algemeen secretaris van de
OLM ir. S.L. Louwes, die daarmee voor zijn organisatie,
ook in financieel opzicht, een breed draagvlak
had gecreëerd.
De standsorganisaties werkten, zoals gezegd,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
niet alleen naast, maar ook mét elkaar. In 1929 bijvoorbeeld,
werd in Heino de Proefboerderij Aver
Heino opgericht. Het doel was ‘door onderzoek
en aanschouwelijke voorlichting te trachten de
bedrijfsvoering van de Overijsselse boer te verbeteren.’
13
Na de oorlog leek het erop, alsof binnen de agrarische
sector de ‘doorbraak’ van de verzuilde
samenleving zou gelukken. Al op 2 juli 1945 werd
de Stichting van de Landbouw opgericht, bedoeld
als een gezamenlijk platform van en voor werkgevers
en werknemers. Uiteindelijk zou dit moeten
resulteren in de oprichting van het Landbouwschap.
Dit was een voorbeeld van de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie (pbo), waarin sectoren
van beroep en bedrijf zelf, onder toezicht van de
overheid, regels konden stellen en uitvoeren. Het
duurde tot 1954 voor het zover was, maar de
beoogde ‘doorbraak’ leek toen verder weg dan
ooit.
Ruim veertig jaar later waren er vergevorderde
plannen om het Landbouwschap weer op te heffen
en hadden de standsorganisaties elkaar dan
toch, niet in de laatste plaats vanwege het afnemend
aantal agrariërs, gevonden. Per 1 januari
1995 ging de Land- en Tuinbouworganisatie Mid-
Oost (LTO MidOost) van start. Hierin waren
behalve de ABTB, de CBTB en de OLM in Overijssel
ook de ABTB en de CBTB in Gelderland en
Utrecht vertegenwoordigd. Later traden nog
(andere) organisaties uit Gelderland, Zeeland en
Utrecht toe, waarmee de G(ewestelijke)LTO
ZuidMiddenOost ontstond.
Voor Zwolle betekende dit alles, dat de drie
hoofdzetels van de voormalige organisaties hier
verdwenen om in Deventer ‘samen onder één dak’
te worden gevestigd.’4
Areaal
Toen Zwolle en Zwollerkerspel in 1967 werden
samengevoegd, ontstond daarmee een echte landen
tuinbouwgemeente. Al was de samenvoeging
nu juist niet bedoeld om dat karakter te handhaven.
De stad had ruimte nodig en daarom werden
de dorpen Berkum (met de buurtschappen Brinkhoek,
Bruggenhoek, Poepershoek en Veldhoek),
Frankhuis, Ittersum, Schelle, Spoolde, Westenholte,
Wijthmen, Windesheim en Westenholte en
de buurtschappen Haerst, Harculo, Herfte, Hoog-
Zuthem, Langenholte, Nieuwe Wetering, Oldeneel,
Oude Wetering, Streukel, Voorst en Zalné,
op last van het provinciebestuur, opgenomen in
de stedelijke sfeer. Zo kreeg de stad Zwolle, zelf net
2000 hectare groot, er ruim 8000 hectare bij.’5
Het areaal aan cultuurgrond (weideland en bouwgrond)
is sinds 1967 voortdurend afgenomen. De
nieuwe woonwijken Holtenbroek, Aa-landen en
Zwolle-Zuid en Stadshagen en die in de bestaande
dorpen slokten een groot gedeelte van de landbouw-
en tuinbouwgrond op. Ook de bedrijfsterreinen
De Marslanden A-F, Oosterenk, Voorst AC
en Vrolijkheid consumeerden hiervan het nodige,
terwijl achter het station het nieuwe Hanzeland
volop in ontwikkeling is.
Anno 1995 was in de gemeente Zwolle nog 4835
hectare grond, dat wil zeggen bijna de helft van de
totale oppervlakte van de gemeente, in gebruik als
cultuurgrond.16 Het overgrote deel, 4324 hectare,
van deze voor land- en tuinbouw bestemde grond
bestond uit grasland. Voor de akkerbouw resteer-
Fragment van een
wandbord, dat in september
1954 door de
Coöp. Landbouwbank
en Handelsvereening
Zwollerkerspel te Zwolle
werd aangeboden aan
F. Middag voor zijn
‘jarenlange dienst als
voorzitter’. (Particulierecollectie.)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op dé Zwolse veemarkt
in 1965. Toen onder de
bomen, nu onder dak.
(Foto: Gemeentearchief
Zwolle.)
de 477 hectare en de tuinbouw ten slotte moest het
stellen met 22 hectare. Met andere woorden: het
actuele beeld wordt bepaald door de veeteelt.17
Omstreeks 2000 zal er, in het kader van de
gemeentelijke herindelingen, net als in 1967 weer
het een en ander aan dit areaal worden toegevoegd,
maar de afname van de oppervlakte cultuurgrond
zal ook daarna doorgaan.
Een vergelijking van deze cijfers met het jaar
1900 laat zien, dat ruim 12.000 van de meer dan
14.000 hectare van het toenmalige ZwoUerkerspel
en iets meer dan 1300 hectare van de bijna 2000
hectare van de stad Zwolle toen bestond uit ‘weide-
en hooiland’. Het totaal aan ‘bouwland’
(akkerbouwgronden) in stad en kerspel bedroeg
rond de eeuwwisseling zo’n 1000 hectare en de
verschillende vormen van tuinbouw hadden hier
bijna 150 hectare ter beschikking.18 (Zie voor een
gedetailleerde opgave de staat op pagina 117.)
Samengevat: omstreeks 1900 bestond bijna
85% van Zwolle en ZwoUerkerspel uit cultuurgrond.
Anno 1995 was dit nog 50% (waarbij wel
moet worden bedacht, dat het gedeelte van de
grond van ZwoUerkerspel dat in 1967 naar andere
gemeentes ging, vooral een agrarische bestemminghad).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
Staat met gedetailleerde
strektheid der gronden’ in
gegevens over de ‘uitge-
Zwolle en Zwollerkerspel,
naar de algemene omschrijving uit het Verslag van
Gedeputeerden aan de Staten over 1900. :>’
Soort
-Heide, veengronden,
duin en zand
-Vergraven grond,
moeras, strand
en water
-Rietland, kwelders,
gorzen, schorren,
aanwassen, slikken
-Dijken en bermen
-Veld- en spoorwegen
-Onbelastbare eigendommen
De (te) hoge totalen kunnen
Zwolle

17.15
18.13
38
46
127
Zwollerkerspel
10.76
214.65
44.69
109.97
186.80
62.19
1 worden toegeschreven aan
-Erven van gebouwen en
lustplaatsen
-Bouwland . •;
“!v ‘-Weide en Hooiland
-Tuinen, inclusief boomgaarden
-Moestuinen, warmoezerijen
enz.
(voor den handel)
-Bloemisterijen
-Boomkweekerijen
-Boomgaarden
(voor den handel)
-Hakhout en bosch
-Dennenbosschen
-Griend- twijg- of
rijswaardenhout
Totaal
128
,. 165
1316.77
8
48
0.80
3

6

35
1921.85
156.76
792.44
12281.73
86.10


3
25
285.36
0.49
84.25
14.259.45
dubbeltellingen binnen verschillende categorieën.
Op zaterdag 18 mei 1968
kwamen vele duizenden
boeren uit Overijssel
bijeen in de veilinghal
van de Coöp. Groentenen
Fruitveiling aan de
Kranenburgweg om
hun ongenoegen te laten
blijken over de verlaging
van de melkprijs in het
kader van hetEEG-zuivelbeleid.
ABTB, CBTB
en OLM trokken daarbij
gezamenlijk op
(ArchiefOLM).
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Verloren verleden. ‘De
Roode Molen’ aan de
Nieuwe Vecht in 1928.
(foto: Van Eigen Erf)
Melk, boter en kaas
Rond de eeuwwisseling werd het door nieuwe
technieken mogelijk om machinaal boter te produceren.
Via particuliere ondernemers en coöperaties
begon de fabriekmatige verwerking van
melk opgang te maken. De kwaliteit van de aangeleverde
melk was echter allesbehalve uniform.
Niet alleen tussen de bedrijven onderling bestonden
er grote verschillen, maar ook binnen de veestapel
van één boer. Onderzoek, voorlichting en
onderwijs moesten daarin verandering brengen.
Landbouworganisaties en -coöperaties namen
daarbij het voortouw, gesteund door gemeenten
en provincies (Overijssel werkte veelal samen met
Gelderland).
Ook op modelboerderijen als die in Spoolde
(zie pagina 110) konden de boeren de kunst afkijken.
Daar werden de koeien eerst door een veearts
onderzocht en pas als ze gezond bleken te zijn, en
dus ook vrij van t.b.c, konden ze een plekje krijgen
in de stal. Hier deed men er alles aan om de
Coba’s en Frieda’s in optimale conditie en schoon
te houden. De koeien kregen het beste voer en zuiver
drinkwater en de staarten zaten vast aan een
staartlijn. Werden de koeien gemolken, dan wasten
de in het wit geklede boer en zijn melkknecbten
(die bij hun indiensttreding eveneens geneeskundig
waren gekeurd) eerst de handen. Vervolgens
maakten zij de uier van de koe schoon en pas
dan begonnen ze te melken. Was de uier leeg, dan
werd de emmer met melk naar het ondergrondse
lokaal gebracht. Voordat aan de volgende koe
werd begonnen, moesten eerst weer de handen
worden gewassen en de uier schoongemaakt.
Maar ook op de gewone boerderij, in de dagelijkse
praktijk, kon het goede voorbeeld worden
gegeven. Zo oefende in 1903 de Zuivelconsulent
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
voor Overijssel, V.R.IJ. Croesen, over een negental
veestapels binnen zijn werkgebied een controle
uit.19 De bedoeling was, om per koe de produktie
van melk en de daarvan te produceren kaas vast te
stellen. Het was namelijk duidelijk geworden, dat
die produktie niet alleen afhing van de grondsoort
en het voedsel, maar vooral van de ‘aanleg van
ieder dier’. En ook, dat die aanleg erfelijk was. Als
bijvoorbeeld een stier afkomstig was van een koe
met een hoog vetgehalte in de melk, dan zouden
ook de nakomelingen van die stier weer goede
resultaten leveren. Stierhouderijen, fok- en controleverenigingen
gingen dus een belangrijke rol
spelen bij de verbetering van de veestapel. Lang
niet iedereen was echter genegen of in staat aan de
experimenten en controles mee te werken. Toch
moest de kennis over het ‘voortbrengend vermogen’
van een koe in de praktijk worden verkregen:
door te meten en te wegen. Boeren die aan een
dergelijk onderzoek wilden meewerken konden
rekenen op een vergoeding van de ‘Veeverbeeteringscommissie
voor de provincie Overijssel’ en
‘De Afdeeling Overijssel van het Nederlandsche
Rundveestamboek’ (al moesten ze de meetapparatuur
wel voor eigen rekening aanschaffen).
In het genoemde jaar 1903 was boer L.A. Reuvekamp20
uit Zwolle, wonend aan de Oude Wetering
2, één van de deelnemers aan een onderzoek.
Naast drie boeren uit Holten en Markelo behoorden
hiertoe ook M. Holtland en W.H. van der
Kolk, beiden te ‘s-Heerenbroek, P. van der Pol te
Mastenbroek, B. van Dalfsen te Genemuiden en
A. van Veen Mzn. te Blankenham. De grootte van
de negen veestapels varieerde van zes tot twintig
koeien. De veestapel van Reuvekamp was gedurende
‘een geheel lactatie-tijdperk’, dat wil zeggen
de periode van melkgift ‘van af het afkalven tot het
opnieuw droog staan’, gecontroleerd.
De naam van de beesten in de hiernavolgende
staat zegt soms iets over hun uiterlijk, maar ook
wel over de plaats of boer van herkomst. Het ging
uiteraard meer om de cijfers. Het aantal kilo’s
melk (A) en het gemiddelde vetgehalte (B) bepaalden
de boterproduktie (C). Ook het aantal dagen
waarop werd gemolken (D) en de leeftijd van de
koeien (E) telden mee. Daarnaast konden diverse
andere factoren (F), in het schema in verkorte
vorm weergegeven, van belang zijn voor de resultaten.
Staat met de veestapel van L.A. Reuvekamp te Zwol-
Ie in 1903.
Nr
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
Naam
Roode Mina
Poppe
De Kramkop
De Mastebr.
De Dunne
Snel
R. Schutte
Zw. Schutte
De Scheele
Zwarte Mina
De Hammer
De Genneger
Bakkertje
Bella
Donna
R. Mastebr.
A
4129
5328
6873
5299
4409
5146
3716
2776
4332
4084
3777
4263
2319
3888
2764
2425
B
3.21
2-93
3-13
2.72
3-30
3-38
3-45
3-71
2.78
3-89
3-50
3.12
3-34
3-59
3-90
3.20
C
M3-5
168
233
154
158
189
139-5
112.5
138.5
174
144
144
84
142
124.5
84
D
227
280
370
275
294
319
254
241
284
296
290
288
144
351
322
240
E
8
6
6
6
3
4
3
3
5
4
4
3
3
2
2
2
F
Over twee
jaar.
Kalfde
te vroeg.
Zeer ziek
geweest
Drooggezet.
Ziek,
melk stop
17 De Blauwe 3976 3.32 143 288 3
De uitkomsten bij Reuvekamp (en ook die bij de
andere deelnemers) lagen zeer waarschijnlijk
boven de gemiddelde provinciale cijfers, want het
waren meestal de meer vooruitstrevende boeren
met de al betere bedrijfsresulaten, die aan dergelijke
experimenten deelnamen.21 De inspanningen
leverden echter over een breed front succes op;
mede dankzij het landbouwonderwijs, stalverbeteringswedstrijden,
melkerscursussen en -wedstrijden
en dergelijke.
Na de Tweede Wereldoorlog werd ook de K.I.,
de kunstmatige inseminatie die gericht was op het
fokken van de economisch meest verantwoorde
koe, algemeen. De aankoop van eerste klas Fries
fokmateriaal was hierbij van groot belang. De
bestrijding van twee gevaarlijke veeziekten, de
runder t.b.c. en de abortus-Bang, was eveneens
een niet te onderschatten factor.
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In de jaren vijftig ging bij de metingen, naast
het vetgehalte, nog een ander element meetellen:
het eiwitgehalte in de melk. Men ontdekte toen,
dat dit bepalend was voor de mogelijkheden tot
kaasproduktie, zoals het vetgehalte dat was voor
de boterproduktie. (Ook bij de vervaardiging van
kunstmelk werd eiwitrijke, magere melk gebruikt).
Zodoende werd er sindsdien, alhoewel
niet overal, uitbetaald ‘naar het vet’ en ‘naar het
eiwit’. De uitbetalingen werden weer gerelateerd
aan de marktprijzen voor boter en kaas. Gestreefd
werd dus, zowel in de zwart- als roodbontfokkerij,
naar een koe met erfelijke aanleg voor een hoge
melk-, eiwit- en vetproduktie (bij voorkeur gecombineerd
met de geschiktheid voor vleesproduktie).
Anno 1997 gelden een vetgehalte van 4.30 –
4.40% en een eiwitgehalte van 3.30-3.40% als normaal,
evenals een jaarlijkse (dat wil zeggen, in een
periode van zo’n 300 dagen) melkproduktie per
koe van negen a tienduizend kilo. Ruimschoots
een verdubbeling van het, gezien de mogelijkheden
en moeilijkheden van die tijd, prachtige
gemiddelde (4088 kilo) van boer Reuvekamp in
1903.
Noten
1. De auteur dankt ir. E. Bouma te Zwolle, voormalig
algemeen secretaris van de OLM, en ing. M. Buiten
te Oosterwolde (Fr.), voor hun opmerkingen en
suggesties bij de navolgende tekst en W.A. Huijsmans
voor enkele aanvullende gegevens.
2. In het meest recente databestand van april 1997 van
de ZHV zijn, afgezien van een boekbespreking van
J. Drentje in jaargang 6, aflevering 2, welgeteld vier
publikaties te vinden die hierop rechtstreeks betrekking
hebben. B. Hijma. ‘Zwolle en de Overijsselsche
Landbouw Maatschappij’ in: Zwols Historisch Tijdschrift,
(1985), 4-15; J.J. Seekles. ‘Markt op het Gasthuisplein’
in: Zwols Historisch Tijdschrift, (1993),
117-118; Wim Huijsmans, ‘Veemarktimpressie’ in:
Idem, 119-120; Ton de Graaf, ‘De Rabobank Zwolle:
van bank voor boeren en tuinders tot algemene
bank’ in: Zwols Historisch Tijdschrift, (1997), 86-95.
3. Zie voor een Overijssels overzicht in vogelvlucht: H.
Siemes, 1960-1985. Een groene revolutie in land- en
tuinbouw. Zwolle 1985. Verder o.a. de bundel van:
H. Diederiks, J.Thomas Lindblad en Boudien de
Vries (red.), Het platteland in een veranderende wereld.
Boeren en het proces van modernisering. Hilversum
1994 en: Geert Mak, Hoe God verdween uitjorwerd,
Amsterdam 1997 (10e dr.)
4. In een artikel van P.H. Steinmetz, ‘Last hogere
grondkosten steeds moeilijker te dragen’ in: GLTO
Nieuws, 5 september 1997,10-11, worden deze factoren
beschreven en becommentarieerd. Eén conclusie:
‘In Nederland is er geen enkele relatie meer tussen
het producerend vermogen van de grond en de
kosten (rente/pacht) van deze grond.’
5. CBS. Landbouwtelling 1995. Tabel 47. Het ging hier
om de periode april 1993 tot en met maart 1994. De
totaalcijfers, dus met inbegrip van de part-timers
voor Zwolle, waren 339 mannen en 127 vrouwen.
Ter vergelijking: de totaalcijfers voor Overijssel:
17294 en 8535. De samenstelling en opbouw van de
agrarische beroepsbevolking in Zwolle(rkerspel) is
een onderwerp dat nadere bestudering verdient!
6. Nevenvestigingen bevinden zich in Kampen en
Hardenberg.
7. Bij de bestudering van de landbouwgeschiedenis
zijn als recente standaardwerken aan te bevelen: J.L.
van Zanden, De economische ontwikkeling van de
Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw 1800-
1914. Utrecht 1985; Jan Bieleman, Geschiedenis van
de landbouw in Nederland 1500-1950. Amsterdam
1992; H.W. Lintsen (red.), Geschiedenis van de Techniek
in Nederland. Zutphen 1992. (Deel 1, het onderdeel
landbouw en voeding.)
Voor de Overijsselse en ook de specifiek Zwolse geschiedenis
van de land- en tuinbouw zijn vele artikelen
te vinden in: De Mars. Maandblad van en voor
de provincie Overijssel. 1953-1982. De gecombineerde
nummers 1 en 2 van 1959 waren geheel gewijd aan
de agrarische sector.
Ook zijn tal van aanknopingspunten te vinden in:
H. Siemes, De boer op in Overijssel. Jaarboek Overijssel
1988. Zwolle 1988; W. Coster, Erfgoed van Overijssel.
Deel 1. Sporen van jacht, visserij en landbouw.
Jaarboek Overijssel 1995. Zwolle 1995; W. Coster,
Overijssel op het land. Een geschiedenis van de Overijsselsche
Landbouw Maatschappij 18/1-1996. Zwolle
1996.
Voorts zij met nadruk verwezen naar de archiefoverzichten
van het Gemeentearchief Zwolle en het
Rijksarchief Overijssel, waar archieven van vak- en
standsorganisaties (ook met betrekking tot het werk
van vrouwen en jongeren) coöperatieve aan- en
verkoopverenigingen, zuivelfabrieken, tuinbouw,
onderwijs- en onderzoekinstellingen en andere zijn
te vinden.
8. De omschrijving is ontleend aan het (anonieme) arZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
tikel, ‘Saamhorige boeren bouwden de “verlengstukken
van het boerenbedrijf’ ‘ in: De Mars, janfeb,
1959,19-23. Hierin wordt ook een overzicht gegeven
van coöperaties, aan- en verkoopverenigingen
enz.
9. Zie a) voor de Rooms-katholieke organisaties: M.
Smits, Boeren met Beleid. Honderd jaar Katholieke
Nederlandse Boeren- en Tuïndersbond. 1896-1996.
Nijmegen 1996. (diss.). Hierin is een schema opgenomen
met de ontwikkelingsgang van regionale
landbouworganisaties in de periode 1837-1995 en
komen ook specifiek Overijsselse zaken aan de orde,
b) CBÏB: G.J. Iemhoff, 75 Jaar Christelijke Boerenen
Tuindershond in Overijssel. Kampen 1994,
c) OLM: W. Coster, Overijssel op het land. Een geschiedenis
van de Overijsselsche Landbouw Maatschappij,
18/1-1996. Zwolle 1996.
10. G.J. Iemhoff, 75 jaar Christelijke Boeren- en Tuindersbond
in Overijssel, 10.
11. Zie Coster, ‘Overijssel op het land’, 80.
12. Hijma. ‘Zwolle en de Overijsselsche Landbouw
Maatschappij’, 3-4.
13. K.A. Klarenberg. ‘Laboratorium der boeren’ in: De
Mars. Maandblad van en voor de provincie Overijssel.
Juli 1953,160-162. Het archief van de Proefboerderij
is gedeponeerd op het Rijksarchief Overijssel.
14. Het ‘samen onder één dak’ is hier bedoeld als een
variant op het motto bij het vignet van de OLM ‘samen
onder één kap’, waarmee echter werd geduid
op de verschillende takken van deze organisatie. Zo
ontstond uit de boezem van deze organisatie een,
inmiddels in het Groene Land opgegane, verzekeringsmaatschappij
en een (zelfstandig gebleven)
boekhoudbureau, thans OLM Accountants & Belastingadviseurs.
15. De rest van Zwollerkerspel, in totaal zo’n 6000 hectare,
bestaande uit Cellemuiden, Genne, Laag-Zuthem,
Mastenbroek en Streukel, ging naar Genemuiden,
Hasselt, Heino en IJsselmuiden. Zie voor
Zwollerkerspel: A. Melisie – Appelhof, ‘Honderd
jaar Zwolle, de Zwollenaren en hun Zwollerkerspel’
in: Huijsmans e.a. (red.) Als de Dag van Gisteren.
Deel 11. Zwolle 1992.
16. Hier wordt het begrip landbouw opgevat in de zin
van akkerbouw én veeteelt.
17. Deze gegevens zijn ontleend aan het boekwerkje, De
Overijsselse landbouw in cijfers. 1990-1995, dat in oktober
1996 werd uitgebracht door de provincie
Overijssel en grotendeels is gebaseerd op informatie
van het CBS. (Het verschil van 1 hectare kan worden
toegeschreven aan afrondingsverschillen.)
18. De gegevens met betrekking tot de oppervlaktes van
de gemeenten omstreeks 1900 zijn ontleend aan
Winkler Prins Geïllustreerde Encyclopaedie. Amsterdam
1912, 3e druk. Die voor de landbouw zijn ontleend
aan het Verslag van de Gedeputeerde Staten
aan de Staten der Provincie Overijssel, omtrent de toestand
der provincie in 1900 Zwolle 1901. De cijfers
voor deze, ook in andere opzichten voor historisch
onderzoek zeer geschikte en toegankelijke, Verslagen
zijn voor de landbouw op hun beurt weer grotendeels
samengesteld op basis van de Verslagen
over de Landbouw voor 1900.
Zie voor de tuinbouw ook het artikel van Iemenschot
en Van der Laan.
19. Het hiernavolgende is, voor zover betrekking hebbend
op het jaar 1903, vooral ontleend aan: B.Hijma
en M. Vink-Bos, Inventaris Twentsche/Overijsselsche
Landbouw Maatschappij (1871) 1879-1995 Zwolle
1996. Inv.nr. 609, pp. 33-48.
20. Lucas (‘Luuks’) Antonius Reuvekamp (1854-1946),
veehouder, lid van de Gemeenteraad van Zwollerkerspel,
gehuwd met Gijsbertha W.A. Zwartjes
(1855-1929). Hun zoon Wilhelmus Theodorus Reuvekamp
(geb. 1888) nam later het bedrijf over.
21. Typerend genoeg zaten Holtland als voorzitter en
Reuvekamp als secretaris in het bestuur van de
Landbouwvereniging in Zwolle. Zie het verslag van
Gedeputeerden aan de Staten over 1909, p 217. Anno
1997 is de naam Reuvekamp nog steeds, in de praktijk
en in de organisatie, te vinden binnen de landbouw
in Zwolle!
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het landschap van Zwolle;
een boerenerfenis
Martien Knigge
De geologische structuur
waarop de ontwikkelingvan
het Zwolse
landschap is gebaseerd:
dekzandruggen in een
rivierengebied.
(Foto: collectie Knigge)
Het begrip landschap wordt doorgaans verbonden
met de landbouw. Zeer sterk
komt dat tot uiting in de bewering dat
boeren het landschap hebben gemaakt. Vaak
wordt hiermee impliciet bedoeld dat ‘daarom’ de
boeren het landschap ook kunnen – of zelfs moeten
– verzorgen en dat anderen zich hiermee niet
al te veel moeten bemoeien.
Hoewel deze gedachtengang de charme van de
eenvoud heeft, klopt hij niet. Het landschap werd
en wordt namelijk niet alleen door de boeren
gebruikt, maar ook door vele anderen. Uiteraard
kan dit alles niet los worden gezien van de tijdsomstandigheden.
Zo zijn er landschappen geweest
die in de loop der tijd natuurlandschap, natuurlandschap
met agrarisch gebruik, agrarisch cultuurlandschap
of cultuurlandschap met stedelijk
recreatief (mede)gebruik waren. Deze opsomming
kan naar believen worden verfijnd en uitgebreid.
Voortdurend wordt het beeld van de omgeving
bepaald door de wisselwerking tussen natuur
en cultuur en daardoor verandert het landschap
door de tijd heen. Opvattingen dat het landschap
er op een bepaalde manier uitziet, dat het altijd zo
geweest is en dat het altijd zo moet blijven zijn acultureel
en getuigen van een deerlijk gemis aan
historisch besef.
Hoe het kwam
Het oerlandschap van Zwolle bestond uit een
reeks zandruggen in een zeer natte omgeving.
Deze zandruggen lagen evenwijdig aan elkaar in
noordwest-zuidoostelijke richting. Ze waren in de
laatste ijstijd, 10 tot 80 duizend jaar geleden, door
de wind gevormd. Tussen die zandruggen lagen
laagtes die in oppervlakte groter waren dan de
ruggen en die zeer nat waren door de talrijke rivieren
en beken die er doorheen stroomden. Het was
land dat velen nauwelijks zouden beschouwen als
land. Het was een stroomgebied, een benedenloop,
een delta.
Het aardige is dat de ‘ribbels’ van dit gebied
nog altijd herkenbaar en vertrouwd zijn. Achtereenvolgens
van zuidwest naar noordoost waren
het de hoogtes van Oldeneel en Schelle; van Ittersum,
Assendorperlure en Spoolde; van AssenZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
dorp, Zwolle ten zuiden van de Melkmarkt en
Westenholte; van Zalné en Dieze; van Herfte, Berkum
en Langenholte.
Een vergelijkbaar landschapsbeeld kunnen we
nu nog aanschouwen in Noordoost-Polen en in
de Donaudelta in Roemenië. Wat we daar aantreffen
zijn waterrijke gebieden met veel bos, zowel
lage vloedbossen als hoogopgaande bossen met
oude, dikke bomen, afgewisseld met moerassige
en grazige open vegetaties waar wilde of halftamme
runderen en paarden zorgen voor een afwisselend
landschapsbeeld.
Het cultuurlandschap van Zwolle, dat in dit
natuurlijke landschap ontstond, ontwikkelde zich
op dezelfde wijze als alle cultuurlandschappen in
Oost en Zuid-Nederland. Ongeveer 5000 jaar
geleden vestigden de bewoners – tot dat moment
levend als jager en visser – zich als landbouwer in
dit gebied. Als woonplaats kozen ze de randen van
de hoogtes. In de richting van de waterloop ontgonnen
ze de grond als weiland en hooiland en op
de hoge plekken legden ze akkers aan. De allerlaagste
delen bleven vooralsnog moeras, de hoogste
delen bos. . > •
Hoe we het weten
De voornaamste bron van kennis over de landschapsontwikkeling,
behalve geologische, bodemkundige
en ecologische informatie, bestaat uit
landkaarten. Vooral de topografische kaarten, die
vanaf 1850 verschenen en regelmatig werden geactualiseerd,
geven een goede indruk van de veranderingen
in het landschap. Oudere kaarten zijn
daar minder geschikt voor, omdat die voor een
bepaald doel werden gemaakt, bijvoorbeeld om
een stad weer te geven, de ligging van verdedigingswerken
of de omgeving van een bepaald
landgoed. Een allesomvattend beeld van het
bewuste gebied bieden die oude kaarten dus niet.
Hoe het cultuurlandschap, het platteland, eruitzag
valt er niet uit op te maken.
Behalve kaarten geven pok schilderijen ons
een beeld van het vroegere landschap. Het blijft
echter vaak giswerk, of deze afbeeldingen topografisch
correct zijn, of dat de fantasie van de schilder
en de karaktertrekken van de stijlperiode bepalend
zijn geweest.
-f V. I
•/;y
Tenslotte is uit de recente historie fotografisch
materiaal beschikbaar. Het probleem daarbij is
echter dat de foto’s dikwijls moeilijk exact zijn te
situeren, zodat ook hierbij de informatie vooral
exemplarisch is. Een uitzondering hierop is de
documentaire fotografie; bijvoorbeeld wanneer
een gemeente foto’s laat maken voor onteigenings-
of verwervingsprocedures in verband met
de aanleg van woonwijken of wegen.
Hoe het was
De topografische kaart van circa 1900 van Zwolle,
toont een stad die wordt gedomineerd door de
voormalige vesting. Op dat moment hoorden
slechts de oude voorsteden buiten de drie stadspoorten
en het westelijk deel van Assendorp bij de
stadsbebouwing. Voor de rest bestonden Zwolle
en Zwollerkerspel uit buitengebied. De ontsluiting
door doorgaande wegen was beperkt en ongetwijfeld
was het leven er rustig …. en agrarisch.
Bebouwing was nog steeds voornamelijk te vinden
op de zandruggen. Daartussen lagen brede laagtes
of dalen, elk met zijn eigen riviertje of wetering.
Complexen bouwland waren te vinden in Langenholte,
tussen de verschillende delen van Berkum,
in Dieze richting de Kloosterberg (waar boe-
Dieze omstreeks 1900.
Buiten de oude voorstad
is er nauwelijks bebouwing.
Nu liggen hier
Holtenbroek en Aa-landen.
De Kloosterberg is
de Klooienberg.
(Foto: collectie Knigge)
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Han Prins schilderde in
1951 dè stadsrand nog
aan dé Assendorperdijk.
derderijnamen als De Hel, De Hemel, Het Slot,
’t Holt en ’t Blik haast dwingen tot nostalgie), op
de Oosterenk en langs de Lure. Voor de rest
bestond het landschap uit grasland met plaatselijk
een enorme dichtheid aan beplante kavelgrenzen,
vermoedelijk rijen knotwilgen en knotpopulieren.
Deze kleinschalige weidegebieden lagen vooral
tussen Schelle, Oldeneel en Ittersum en verder ten
zuiden van Westenholte langs de IJssel en in Langenholte.
Wijdse open landschappen lagen ten
zuidoosten van de stad: in het weteringengebied
van Mars en Geeren, in de Polder Sekdoorn en
verder richting Windesheim.
Tuinbouw kwam voor in de oude voorsteden:
ten zuiden van de Hoogstraat, langs de Middelweg
en de Langenholterweg en langs de Assendorperdijk.
Bij Oldeneel waren talrijke boomgaarden.
Bos van enige oppervlakte tenslotte, was te
vinden op de Agnietenberg, op Zandhove en tegenover
Zuthem.
Van de nieuwe tijd was toen nog weinig te
zien. Alleen het spoorlijnennet was compleet en
telde zelfs nog een lijn meer dan tegenwoordig: de
stoomtram naar Dedemsvaart.
Hoe het werd
Wanneer we de situatie van rond 1900 vergelijken
met de huidige, dan valt direct op dat er zo weinig
buitengebied in Zwolle is overgebleven. In krap
honderd jaar is de stad de gemeentegrenzen dicht
genaderd. Landschap is er echter nog steeds en het
oude landschap is in grote trekken nog herkenbaar.
Wel moet je constateren dat het buitengebied
niet alleen kleiner is dan vroeger, maar ook minder
geleed. Er is minder verschil, de nivellering
heeft huisgehouden. De kleinschalige graslandcomplexen
met veel knotbomen zijn nog slechts
fragmentarisch aanwezig tussen Schelle en Oldeneel
en bij de Spoolderenk. Boerderijen liggen nu
niet meer alleen op de dekzandruggen maar ook
in de laagtes. Slechts enkele delen van de gemeente
zijn nog weids en open: het gebied van Sekdoorn
heeft nog veel van zijn oude allure en verlatenheid
en ook tussen Wijthmen en de Marshoek bepaalt
vooral de ruimte het landschap.
Maar de ruimte is al snel eindig. Zo doorsnijden
niet meer alleen spoorlijnen, maar ook hoogspanningsleidingen
en autowegen het landschap.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
Nieuwbouwwijken en industrieterreinen, recreatiepiassen
en wandelparken beslaan het overgrote
deel van het gemeentelijk grondgebied. De goede
waarnemer vindt er nog veel overblijfselen van
het oude boerenlandschap, zeker na het raadplegen
van ‘oude kaarten en foto’s. Soms zijn dat
wegen – Assendorperdijk, Diezerenk, Helderlichtsteeg,
Bloksteeg. Soms zijn het restanten van de
rijen knotbomen – vooral in Zwolle-Zuid. Soms
zijn het erfbeplantingen of leilindes die zijn opgenomen
in het stedelijk groen. Maar soms is er
niets meer wat nog herinnert aan het groene verleden.
Holtenbroek en grote delen van de Aalanden
bijvoorbeeld zijn gebouwd op een tabula rasa:
eerst werd rigoureus het oude landschap opzijgeschoven
en bedolven, pas daarna werd er
gebouwd. Helaas gebeurde dit nogmaals in Hanzeland.
Bij deze ‘gouden locatie’ paste kennelijk
geen restant van het verleden, zodat Assendorperlure
met Luurderschans van de kaart geveegd werden.
Hoe het verder gaat
Is er nog landschap na 2000? Ja, natuurlijk. De
vraag is alleen, wat voor landschap. De landbouw
zal niet meer centraal staan en in tegenstelling tot
vroeger zal deze niet meer de motor zijn van het
platteland; wel de verzorger. Nog meer dan nu, zal
het Zwolse platteland stadsrand zijn, hoofdzakelijk
bedoeld voor het welzijn van de Zwollenaren,
dus vooral stedelingen. Die zullen ook moeten
betalen voor het behoud en onderhoud van het
landschap. Behalve voor het menselijk welzijn is
het landschap er voor de natuur. Wat vroeger normaal
en zonder veel inmenging van buitenaf functioneerde,
moet nu met ambtelijke en bestuurlijke
nota’s geregeld worden. Gelukkig echter laat de
natuurfunctie zich dikwijls goed combineren met
de stedelijke functie. De toekomst van het Zwolse
landschap is hiermee duidelijk. Uitloopgebied
voor stedelingen en ruimte voor de natuur. En
uiteraard ook inspiratiebron voor liefhebbers,
kunstenaars, fotografen en mensen die op zoek
zijn naar hun wortels.
En de boeren? Zij kunnen niet gemist worden.
Het is in het belang van het landschap dat er vitale
en grondgebonden landbouw blijft bestaan. Zonder
de geur van mest, het geronk van trekkers en Zwolle op de drempel
het loeien van koeien kan het landschap gewoon van de2i-eeuw. Het
niet. Ook niet na 2000! platteland is vooral
stadsrand geworden.
(Foto: collectie Knigge)
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen uit een boerenleven
W. Koersen
‘Mastenbroek’, ‘Santemafabriek’of’Blokmelk’
aan de Gasthuisdijk
in Frankhuis. Later
werd d^ze fabriek opgenomen
binnen de
Coberco (foto: W. Koersen).
Melkveehouder W. Koersen (1933) uit
‘s-Heerenbroek stamt uit een geslacht,
dat al generaties lang behoort tot de
boeren rondom Zwolle. Als het gaat om de handel,
stelt hij diplomatiek, is er sprake van een
‘directe en innige verbinding met de stad.’ In een
aantal schetsen geeft hij weer, hoe het boerenleven
van vóór en kort na de oorlog er in zijn herinnering
uitziet.
Van heinde en verre
Als de boerenbevolking op vrijdag naar de markt
trok, dan was dat één grote mode-show, waarbij
de donkere kleuren overheersten. Vooral degenen
die uit Mastenbroek, uit ‘s-Heerenbroek en uit het
achterland van Kampen en het Kampereiland
kwamen, hadden niet veel kleur in hun garderobe.
De vrouwen droegen vaak zwarte rokgewaden en
witte mutsen in allerlei vormen (waarbij er
natuurlijk een verschil bestond tussen de door-deweekse
dracht en die voor de zondag). De Genemuidenaren
waren te herkennen aan hun zwarte
klompen.
De Staphorster en Rouvéense vrouwen droegen,
zoals nog steeds, bontgekleurde en van stipwerk
voorziene kraplappen. Ook de vrouwen van
de Veluwe waren meestal, als het om de kleur
ging, wat luchtiger gekleed.
Over de ouderwetse boerenbroek met de klap
vanuit het kruis, in plaats van een gulp, deed mijn
vader eens het volgende (volgens hem authentieke)
verhaal. Op zekere dag kreeg hij van een jongeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
i De Stoomzuivelfabriek
! in ‘s-Heerenbroek
(foto: W. Koersen).
dame, die op de fiets voorbij kwam en afstapte, de
vraag hoe laat het was. Om die vraag te kunnen
beantwoorden moest mijn vader zijn horloge te
voorschijn halen, maar dat bevond zich achter de
klap. Hij begon de knopen aan weerszijden bij de
heup los te maken, maar voor hij zijn horloge te
pakken had, was de jongedame er al lang vandoor.
Voor de handel gingen niet alleen de boeren
naar de stad, maar omgekeerd waren er ook tal
van neringdoenden die van heinde en verre langs
de boerderijen trokken. Eén van hen was de zadelmaker
Veluwenkamp, met zijn klemstok op de
rug waaraan zijn gereedschapszak bungelde. Paardetuigen
werden ter plaatse gerepareerd. In mijn
gedachten kan ik nog de lucht opsnuiven uit die
zak met ledervet en in traan gedompeld touw.
Ook ‘Tinus de stoelenmatter’ uit de Hoogstraat
en Henk Wieringa (wiens vader een kledingzaak
had aan de Oude Vismarkt) waren graag
geziene gasten. Met een grote koffer verscheen
Wieringa in de woningen, waarna een keuze kon
worden gemaakt uit de voorraad kleding.
Zeer bekend was, al in de jaren twintig, de
juwelier Aron Krukziener die tot 1934 woonde op
nummer 27 in de Kamperstraat en daarna op Diezerstraat
56. Hij trok ook rond met een vaste kruier.
Eerst was hij dan met een wagen vol spullen
naar een boer in ‘s-Heerenbroek getrokken. Daar
stond de grote kruiwagen gereed. De kruier had
het niet gemakkelijk, want behalve de last op de
wagen had hij ook nog een zeel op zijn rug. Vele
zilveren brandewijnkommetjes, lepeldoosjes,
gebakvorkjes en gouden zakhorloges (voor de
zoons die 21 jaar werden) geraakten zo in de boerenkabinetten.
Tijdens één van zijn expedities
naar Mastenbroek stierf Krukziener aan een hartaanval.
Bij de veeboeren waren de gebroeders Leo en
David van Tijn belangrijke figuren. Hun ouders,
die rond de eeuwwisseling een groot huis bewoonden
aan de tegenwoordige Harm Smeengekade
tegenover de Keersluisbrug, zaten ook in de handel.
Dit huis stond dus precies op het einde van de
vee- of beestenmarkt die op de kade langs de
gracht werd gehouden. De varkensmarkt vond
plaats op de Pannekoekendijk, in het verlengde
van de Harm Smeengekade.
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRFFT
De ‘Hoop op Zegen’ aan
de Philosofennallee
(foto: W. Koersen).
Als kleine jongen kreeg ik chocolade of snoepjes
van Leo en David en later, als jonge boer, verkocht
ik hun weer koeien. Ze overleefden, met
hun zuster Lea, de oorlog door onder te duiken in
de Mastenbroeker polder. Nadien, toen ze inmiddels
op hoge leeftijd waren, gingen ze nog steeds
bij de boeren langs om vee te kopen. Een taxi van
de firma Tadema, met als chauffeur Eef van de
Gronden, reed hen rond. Bij hun begrafenis op de
joodse begraafplaats aan de Kuyerhuislaan heb ik,
volgens de joodse traditie, een schep zand op hun
graf mogen gooien.
Zuivelfabrieken
De eerste Zwolse zuivelfabriek, genaamd ‘Mastenbroek’,
stond aan de Gasthuisdijk in Frankhuis.
Het was een particuliere fabriek, onderdeel van de
Zwitserse onderneming ‘Gruyère.’ Deze fabriek
werd onder de boeren lange tijd de ‘Santemafabriek’
genoemd, naar de vooroorlogse direkteur
F.J. Santema. Een andere naam was de ‘blokmelkfabriek.’
Er werd namelijk ‘blokmelk’ geproduceerd,
ingedampte melk met suiker erbij die in
afgekoelde vorm in blokken werd verhandeld.
Na 1900 werden er in Zwolle twee coöperatieve
zuivelfabrieken gebouwd. De ‘Hoop op Zegen’,
van 1903, stond aan de Philosofenallee en kreeg de
melk voornamelijk van de zuivere veeboeren ten
oosten van Zwolle, dus uit Berkum en Langenholte,
en zelfs uit Dalfsen. De ‘Eendracht’, gebouwd
in de jaren 19164917, stond aan de Berkumstraat en
kreeg de melk vooral van tuinders rondom Zwolle,
die ook vee hielden. Een paar veeboeren uit
Spoolde en Westenholte leverden hier eveneens.
De grote veeboeren uit Mastenbroek peinsden er
echter niet over hun melk naar Zwolle te brengen.
Zij richtten daarom in 1915 de coöperatieve
‘Stoomzuivelfabriek ‘s-Heerenbroek’ op. Het
bewind van de eerste direkteur was geen succes.
Wellicht omdat de man ook nog een boerderij in
Twente kocht en in Zwolle een slijterij dreef aan
de Grote Markt, genaamd ‘De drie flesjes.’ Dan
was er ook nog de modelboerderij – zeer hygiënisch
met onder andere betegelde muren – van
Tromp in Spoolde. Daar betrok het Sophiaziekenhuis
de melk. Na de oorlog werd die leverantie
overgenomen door boer Dubbeldam uit het
Engelse werk. Ik zie hem nog zo op een zondagZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
morgen, toen wij ter kerke gingen, in zijn jeep met
kratten melk over de Veerallee rijden.
Met de jeep
De jeep van boer Dubbeldam was waarschijnlijk
gekocht via de Marshall-hulp. Veel boeren schaften
zich toen zo’n vierwiel aangedreven trekkracht
aan, ter vervanging van de paarden waaraan toen
een groot gebrek bestond. De leverancier in deze
streek was de firma B.J. Schurink, die was gevestigd
op de hoek van de Veerallee en de Nieuwe
Weg, die nu Kamperweg heet.
De jeeps werden geleverd in twee kleuren, grijs
en heel donkerblauw. Berend Jan Schurink, die
zelf rondreed in een oude vooroorlogse vierkante
Citroen, gaf ook les. Meestal gebeurde dat, tot
groot vermaak van de buren, ergens achter op het
land. Lang duurde die vreugde niet. De trekkers
verschenen, maar ook de echte paardenkrachten
kwamen weer tot leven.
Op de Biggenmarkt aan
de Pannekoekendijk in
Zwolle, vermoedelijk
omstreeks 1930. (foto:
W. Koersen).
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerinnen en Plattelandsvrouwen
Jolande Haverkort
Op de landbouwtentoonstelling
Zwolland
in 1928 was ook de
Landbpuwhuishoudschool
‘DeRollecate’
met een stand present
(foto: Archief’De Rollecate’).
In 1982 ging de eerste cursus Landbouwschool
voor (jonge) boerinnen van start aan de Rijksmiddelbare
Landbouwschool te Zwolle. De
cursus was een groot succes. Er waren 24 deelnemeemsters.
Bovendien stonden nog eens 40 vrouwen
op de wachtlijst. De cursus voorzag duidelijk
in de behoefte aan een vakspecifieke opleiding.
Die behoefte was ontstaan doordat het aandeel
van vrouwen in de landbouw groter was geworden
en doordat hun taken op het boerenbedrijf waren
toegenomen en veranderd. Betaalde krachten
waren voor velen onbetaalbaar geworden en in
gezinsbedrijven was de arbeid van man en vrouw
samen hard nodig. De tijdsgeest zorgde ervoor dat
vooral de jongere en beter opgeleide vrouwen niet
alleen wilden mee-werken; ze wilden ook meeondernemen.
De boerinnen van vandaag zijn
medeverantwoordelijk voor het bedrijf, ze lopen
risico’s en brengen zelf ook kapitaal in.
Toch worden ze nog steeds in de eerste plaats
gezien als huisvrouw en moeder en pas in de tweede
plaats als boerin met deeltaken in het bedrijf, en
dan zowel Voor’ als ‘achter’. Maar ‘achter’ gaat in
veel gevallen nog altijd voor. Een terugblik…
‘Voor’ en ‘achter’
De boerin heeft altijd een belangrijke rol gespeeld
in de bedrijfsvoering, ook al was haar taak niet op
elk bedrijf dezelfde. De bedrijfsgrootte en de aanwezigheid
van meerdere generaties op één bedrijf,
waren bijvoorbeeld factoren die meespeelden bij
de bepaling van de werkzaamheden van de boerin.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
CORSETTEN
Alleen verkoop van deberoemde
Engelsche
„Langley ‘Corsetten
„Langley” brengt een Cörset voor
ieder figuur.
„Langley” verwerkt uitsluitend de
beste stoffen.
„Langley” verkoopt ieder Corset
met volle garantie.
B O N D VA N B O E RIN N E N E N
Donderdag 23 April ’s nam. half drie
zal in de vergaderzaal der Cööpera-
; tieve Landbouwersbank te Zwolle
Mevrouw WÏERSMA – RISSELADA van
Leeuwarden, uiteenzetten het doel, van
-de Bond van Boerinnen en andere platte-
. ; .;• Tahdsvrouwen. Getracht zal worden!in Zwolle
/-.en, omgeving ;een’afdeeling van]bovengenoemde
Bond op te richten. Dus Boerinnen en
andere plattelandsvrouwen kom t allen
Het Bestuur der Vereeniging vari oud-leerlingen
van Landbouwhuislioudcursussen te .Zwolle
De advertentie in de
POZC van 16 april 1931
die het officiële begin
van de Bond van Boerinnen
en andere Plattelandsvrouwen
inluidde.
Ook werd de arbeid van vrouwen op agrarische
bedrijven niet altijd zichtbaar in cijfers.’
Een indeling in ‘voor’ en ‘achter’ was echter
van oudsher wel op elk bedrijf te vinden. De boer
had zijn werkzaamheden in het achterhuis en de
boerin de hare in het voorhuis, inclusief moestuin
en boomgaard. Daarnaast had ze vaak nog de zorg
voor het kleinvee, de schapen, de kippen en eventuele
zuivelbereiding. Door de zorg voor de kippen
(de eieren mocht ze verkopen en het geld zelf
houden) en de zuivelbereiding (boter, kaas en
melk) was de boerin bij specifieke onderdelen van
het bedrijf betrokken.
In de loop van onze twintigste eeuw veranderde
haar rol. Al heeft de boerin in de meeste gevallen
nog steeds de zorg voor het voorhuis, tegenwoordig
is ze zeker ook bij het gehele bedrijf
betrokken. De boerin werd uit het isolement van
het voorhuis gehaald en er werd haar een venster
op de wereld geboden.
Tal van instanties hadden een rol bij de totstandkoming
van deze verandering en ze speelden
erop in door bijvoorbeeld het geven van onderwijs
en voorlichting. Een aantal van deze instanties
wordt hierna belicht.
Het landbouwhuishoudonderwijs
In Nederland was voor de boerenzonen vanaf 1890
landbouwonderwijs in de vorm van bijvoorbeeld
landbouwwintercursussen beschikbaar. Zij werden
zo van tal van nieuwe ontwikkelingen binnen
de landbouw op de hoogte gebracht. Voor de boerendochters
waren er echter nog geen cursussen.
De scheiding tussen achterhuis (de boer) en voorhuis
(de boerin) werd op die manier eerder groter
dan kleiner. Langzaamaan groeide het besef dat
ook boerendochters landbouwonderwijs zouden
moeten krijgen. Het duurde echter nog tot 1909
voordat er een begin gemaakt werd met landbouwonderwijs
voor meisjes. In de praktijk werd
dit landbouw/iuis/ioudonderwijs voor boerendochters
en plattelandsvrouwen, omdat de boerin
in de eerste plaats als huisvrouw, vervolgens als
moeder en dan pas als boerin gezien werd. Het
landbouwhuishoudonderwijs diende ‘ter verheffing
van het platteland.’ De boerendochters
moesten immers, net als de boerenzonen, voorbereid
worden op hun taak op de boerderij. Via het
onderwijs wilde men de vrouwen duidelijk maken
wat het belang en de betekenis van de landbouw
waren. Men hoopte zo de vrouwen te motiveren,
zodat ze hun echtgenoot zouden aanmoedigen tot
modernisering van het bedrijf. De middelen die
voor modernisering nodig waren zouden dan
mede-betaald kunnen worden uit de moderne
huishouding die de boerin via het onderwijs had
leren voeren, zo zuinig en efficiënt mogelijk. Het
motto in die tijd was dan ook: ‘Een gezond en zuinig
huishouden in een landelijke huishouding.’
Hygiëne en zowel de geestelijke als de lichame132
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op de fiets om nieuwe
leden te winnen. De
dames G. Schutte-van
Dijk (links) en E. Hildebrand-
Hulsebosch in
1935 (foto: particuliere
collectie).
lijke gezondheid werden steeds belangrijker. Zo
werd bijvoorbeeld het gebruik van de hooikist
aanbevolen. In deze kist met hooi kon het eten
gaar worden en warm worden gehouden. Dit was
heel wat hygiënischer dan de oude gewoonte om
een pan met eten in bed te zetten. Ook de bedstee
voldeed niet meer. Het ijzeren ledikant was in
opkomst, omdat het zindelijker en hygiënischer
was.
In Overijssel werd in 1912 te Enschede gestart
met landbouwhuishoudonderwijs. De eerste
(rijks)-opleiding voor landbouwhuishoudlerares
was ‘De Rollecate’ in Den Hulst, en huishoudlerares
Theda Mansholt had hier de leiding. Zij propageerde
het ‘goed doordacht huishouden’, waarbij
‘elke verrichting plaats diende te hebben met de
kleinst denkbare aanwending van tijd, weg en
kracht, bij tegelijkertijd het meest gunstige
gebruik van het materiaal.’
In 1915 gingen de eerste gediplomeerden van
‘De Rollecate’ aan het werk. In de beginperiode
werd meestal niet lesgegeven in een echt schoolgebouw.
De eerste cursussen werden gegeven op
allerlei locaties, bijvoorbeeld in café’s of om de
beurt bij de leerlingen thuis. De leraressen moesten
door weer en wind, meestal per fiets, heel wat
kilometers afleggen om hun diverse cursussen te
kunnen geven. Er was zeer veel vraag naar de cursussen.
Later werden daarom echte scholen opgericht,
op een vaste plaats. In het landbouwhuishoudonderwijs
werden lessen gegeven in koken,
voedingsleer, wasbehandeling en huishoudkunde.
Het kwam ook wel voor dat er lesgegeven werd.
door een onderwijzer met landbouwakte in de
vakken natuur-, schei- en plantkunde, in bemesting,
in groente-, fruit- en bloementeelt, en veevoeding
en -verzorging.
Ook in Zwollerkerspel was er in ieder geval
vanaf 1914 sprake van landbouwhuishoudonderwijs.
Het ging hierbij om ambulante cursussen,
die, zoals ook elders, plaatsvonden op allerlei locaties.
Een echte landbouwhuishoudschool heeft
Zwollerkerspel nooit gehad.
Op voorspraak van de Overijsselsche Landbouw
Maatschappij (OLM) werd in het voorjaar
van 1914 begonnen met een cursus voor boerendochters.
Er waren twaalf deelneemsters, die
gedurende negen maanden 2,5 uur per week les
volgden in huishoudelijke en landbouwkundige
onderwerpen. Mej. J. Huizinga, lerares aan de
Rijkslandbouwhuishoudschool De Rollecate, had
de leiding over de cursus.
In 1916 werd er van januari tot november een
cursus gegeven aan meisjes en volwassen vrouwen.
De gebruikelijke methode was het lesgeven
door middel van voorwerklessen. De lerares heette
Neeltje de Zeeuw. Zij was 21 jaar en kwam oorspronkelijk
uit Vlaardingen. Zij had in Schiedam
aan de huishoudschool het diploma huishoudkunde
behaald en had een LO-akte handwerken.
In april 1915 volbracht zij haar opleiding aan De
Rollecate. Met ingang van 1 juni 1915 werd zij door
de OLM benoemd tot onderwijzeres bij het landbouwhuishoudonderwijs
te Zwolle.
Voorlichting buiten scholen
In het Overijsselsen Landbouwblad, het officiële
orgaan van de Overijsselsche Landbouw Maatschappij,
werd in een speciale rubriek aandacht
besteed aan de boerin. Deze rubriek verscheen
overigens pas voor het eerst in 1919, drie jaar na de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 133
eerste uitgave van het blad in 1916. De titel van de
rubriek was: ‘Voor de huisvrouw’. De nadruk lag
op ‘rentabiliteit in de huishouding’ en ‘zindelijkheid
in de woning.’ Vóór alles werd de boerin dus
gezien als huisvrouw. Haar werd voorgehouden
dat zindelijkheid voor de gezondheid voorrang
moest krijgen op de zindelijkheid voor het oog.
Met andere woorden: men kon beter de voeten
eens wassen in plaats van slechts de klompen mooi
wit te schuren.
Vanaf 1920 verscheen er een nieuwe rubriek in
het Landbouwblad, ditmaal onder de naam ‘Voor
de boerin.’ In de begintijd van het bestaan van de
rubriek werd relatief veel aandacht besteed aan de
boerinnentaken, te weten de slacht, melkbehandeling,
melkwinning en teelt van groenten. In de
loop van de tijd kwam er meer nadruk te liggen op
huishoudelijke taken, van kledingverzorging tot
het wassen en strijken van boorden en manchetten
en schoonmaken van strohoeden. Ook aan
kinderverzorging werd ruim aandacht besteed.
Stichting voor Huishoudelijke voorlichting
De Stichting voor Huishoudelijke Voorlichting
ten Plattelande (HVP) werd opgericht in 1935. Initiatiefneemster
tot oprichting van de HVP was
Greta Smit, een bekende naam binnen het landbouwhuishoudonderwijs.
In de crisistijd van de
jaren dertig wilde de HVP de vrouwen leren met
de weinige middelen die zij nog hadden zoveel
mogelijk te doen. De HVP werd wel het zusje van
het landbouwhuishoudonderwijs genoemd. Er
werden cursussen gegeven in bijvoorbeeld koken,
tuinbouw, matrassen maken en naaien. Met name
de cursussen matras maken waren zeer populair.
Jaren later, toen de tijden weer wat gunstiger werden,
volgden ook cursussen beter bewegen en
woninginrichting.
Uit verslagen van de Commissievergadering
van de HVP blijkt dat ook Theda Mansholt en
Greta Smit van de partij waren. In de Commissievergadering
van 12 juni 1937 werd hulde gebracht
aan mevrouw Smit, initiatiefneemster van de
HVP. Er was echter nog veel werk te doen, want de
armsten werden nog onvoldoende bereikt. Wel
was men van mening dat de HVP een gunstige
invloed op het landbouwhuishoudonderwijs had.
De HVP-cursussen kenden vanaf het begin
een grote belangstelling. In de gehele provincie
Overijssel werden in 1936, dus vlak na de start van
de HVP in 1935, 102 cursussen gegeven bij een
totaal leerlingenaantal van 2234. In 1937 was het
aantal cursussen gestegen tot 132 en bedroeg het
aantal leerlingen 2664.
Ook in Zwollerkerspel was de HVP actief. Tussen
november 1947 en oktober 1951 was het de
In 1947 ging de afdeling
Zwollerkerspel met
veertien leden in klederdracht
naar het congres
van hetACWW, de
Wereldbond van Plattelandsvrouwen,
in
Amsterdam. Pas sinds
1978 overigens, is de
afdeling lid van het
ACWW. In dat kader
bestaat er een uitwisselingsprogramma
met
Culmstock in Engeland
(foto: particuliere collectie).
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Böndslied van de
NBvP. ‘Opgewekt in
marstempo te zingen’
(particuliere collectie).
huishoudlerares D.J.H. Heukers die het rayon
Westen (van Overijssel) en IJsselstreek namens de
HVP onder haar hoede had. In 1947 gaf ze aan
achttien deelneemsters een cursus huishoudelijke
voorlichting in Berkum. Te Berkum, te Windeshei
m en in Schelle gaf zij in 1948 verscheidene
kookcursussen aan gemiddeld achttien leerlingen.
De algemene opvatting was dat de HVP niet
gezien moest worden als concurrentie voor het
landbouwhuishoudonderwijs voor meisjes. De
voorlichting van de HVP was bestemd voor
getrouwde en ongetrouwde vrouwen die een huishouden
voerden. Men meende echter dat de
ideale situatie zou moeten zijn dat het niet een
kwestie was van of onderwijs of voorlichting,
Voor piano en orgel
(kan ook dienen voor
vierstemmig koor)
Woorden en muziek
van ) . P. Wiersma
Opgewekt in marstempo te zingen
Sopr.
r p r p T ^ T T f T ‘ r r r
pi.Wii vrou-wen van hot (and. Zijn1 hecht aan-een ver – bon-den. Wij
2. Ons drijft één-iclf-de drang. Ons bindt één-zelf de stre-ven. Om
m
3. Kom, plat – te-lam ; naar uw ver
1. stre – ven hand aan hand, En ma – Eten sterk—
2. hoog voert on • ze gang. Naar scho • • ner vorm_
b J L
Uw wil. Uw trouw, Zal kracht var – ho – gen.
p r^ r r r r ” r r
I lic • d’en roept ons op. Om on – ie kracht te wjj – den,
2. jiloe – gen on • ze grond En zoo – ken goe • de we gen,
I K J. J> J. J i i J J II
3. wil – ten voot
3. heil van i Vi
maar dat beide elkaar zouden moeten aanvullen.
Naast het geven van cursussen en voorlichting,
legde de HVP ook huisbezoeken af, waarbij men
huishoudelijke voorlichting gaf en ook adviezen
met betrekking tot inrichting van de woning,
’s Zomers werden er geen cursussen gegeven; dan
waren alle handen nodig bij de werkzaamheden,
op het land.
In 1950 werden in Zwollerkerspel nog twee
kookcursussen aan 34 leerlingen gegeven. Vanaf
1951 werd de subsidie voor de HVP verminderd,
maar toch was ze tot 1979 actief. Een actie in
1956-1957 om via het landbouwhuishoudonderwijs
tot betere voedingsgewoonten te komen was
bijvoorbeeld een groot succes.
Het winterprogramma 1957-1958 vermeldde
kookcursussen, een wascursus, een tuinbouwcursus,
naaicursussen en diverse lezingen. Onderwerpen
van die lezingen waren onder andere ‘Van
tuin naar tafel’ over gezonde voeding, ‘Inmaak’,
‘De slacht’, en ‘Inrichting van de keuken.’ Voor
deze laatste cursus was een demonstratiekoffer
beschikbaar, met allerlei huishoudelijke materialen,
die in het Landbouwhuis te Zwolle bewaard
werd. Opnieuw bleek hieruit de samenwerking
tussen de OLM en bijvoorbeeld HVP en landbouwhuishoudonderwijs.
Aan cursussen als
“s Avonds nog fit’, over werkhouding en indeling
van de werkzaamheden, en ‘Inkomstenbesteding’
valt af te lezen dat de accenten enigszins gingen
verschuiven. D

Lees verder