Categorie

Aflevering 4

Zwolse Historisch Tijdschrift 2016, Aflevering 4

Door | 2016, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Jan ter Pelkwijk
een ‘merkwaardige’
kindervriend
33e jaargang 2016 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2016.indd 1 11-1-2017 13:39:53
Suikerhistorie
Lunchroom restaurant Backers
Luttekestraat 48
In december 1930 kreeg L. Backers van B en W van Zwolle
vergunning voor de verkoop van zwak alcoholische dranken voor de ‘benedenvoorlocaliteit’ van Luttekestraat 48.
Leendert (roepnaam Leen) Backers (geb. 1903) stamde uit
een zeer muzikale Zwolse familie. Zijn vader Petrus Backers
had een sigarenfabriekje op het Eiland. Daarnaast was hij
dansmeester. De vijf zonen van Petrus Backers – onder wie
Chris Backers, allround musicus met een sigarenzaak in de
Roggenstraat – vormden samen een bandje waarin Leen
drumde.
Het pand Luttekestraat 48 was lang en smal. Het kwam
uit in de Van Hattumstraat waar de keuken was en de vrouw
van Leen de scepter zwaaide. Leen stond achter de toog en
zorgde voor de gezellige praat. Het echtpaar woonde boven
de zaak.
Op het suikerzakje ontbreekt het huisnummer in de
Luttekestraat. De vermelding ‘bij de stoplichten’ was voor
elke Zwollenaar destijds voldoende, want de eerste – en
lange tijd de enige – verkeerslichten in de stad werden eind
1938 op het drukke kruispunt Kamperstraat-LuttekestraatBlijmarkt geïnstalleerd. Al het doorgaande verkeer ging
toen nog door de stad.
Het was een gezellige gelegenheid. Er werd gekletst,
geouwehoerd, een kaartje gelegd en biljart gespeeld.
En ’s avonds schonk Leen ook wel eens een neutje onder de
toonbank. De stemming kwam er dan pas goed in.
Leen hing zijn horeca-jas in 1973 aan de wilgen. Het
pand werd aangetrokken bij de geweermakers- en jachtartikelenzaak van de fa. H.J. Bremer, die al eigenaar was. Voortaan kon je op nr. 48 geen pilsje meer drinken maar waren
er spullen te koop die met de ruitersport te maken hadden.
Sinds 2011 laten dames zich er exclusief aankleden bij Lady
Star Fashion.
186 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie Hogenkamp)
Tegenwoordig is in het pand Luttekestraat 48 een modewinkel gevestigd. (Foto: Annèt Bootsma)
ZHT4 2016.indd 2 11-1-2017 13:39:54
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 187
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 186
Jan ter Pelkwijk (1769-1834)
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
Jan Bijlsma 188
Een jeugd in de Vlasakkers, 1942 – 1955
Annèt Bootsma – van Hulten 201
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 14: Het pakhuis van
Herman Brood Jan van de Wetering 210
‘Veel heil en zegen in het Nieuwe Jaar!!!’
Een nieuwjaarsbrief in oorlogstijd
Geert Banck 220
Boeken en Recent verschenen 223
Mededelingen /Auteurs 225
Redactioneel
Er zijn weinig Zwollenaren die vernoemd
zijn op de kaart van Zwolle. Er zijn maar
heel weinig Zwollenaren die twee keer vernoemd zijn. Dan moet je wel een heel belangrijke
Zwollenaar zijn geweest, iemand van het kaliber
Thorbecke, Thomas a Kempis of Johan Derk van
der Capellen, van wie overigens alleen de eerste
inderdaad twee keer is vernoemd. Maar het is ook
een tegenwoordig wat onbekendere grootheid
gelukt: Jan ter Pelkwijk. Hij heeft het tot een park
en een straat gebracht. Deze Ter Pelkwijk, notabele, provinciaal bestuurder, publicist, geleerde,
actief lid van de Maatschappij tot Nut van het
Algemeen, begaan met de Stadsarmeninrichting
en bovenal geïnteresseerd in onderwijs en een
groot kindervriend staat centraal in het artikel van
Jan Bijlsma.
Hoe relatief roem is blijkt uit de volgende
episode van het vervolgverhaal van Jan van de
Wetering over Zwolle in de jaren zestig. Enigszins
buitensporige ambities tot cityvorming hadden Ter
Pelkwijk – straat, zowel als park – samen met de
Wilhelminasingel bijna van de kaart geveegd. Met
de cityvorming volgde Zwolle de landelijke trend.
En, zo valt uit de Zwolse Courant op te maken,
dat gebeurde ook, zij het op een afstandje, met de
nieuwe muziekvoorkeuren van de jeugd en het
fenomeen van de politieke actie.
Het derde grotere artikel gaat over de herinneringen van emerituspredikant Hans van der
Horst aan zijn jeugd in de Vlasakkers, waar zijn
vader een kruidenierswinkel had. Een relaas over
de Indische Buurt en ruime omgeving in de jaren
veertig en vijftig van de vorige eeuw. Het nummer
wordt gecompleteerd met een suikerzakje van
Backers in de Luttekestraat en een nieuwjaarsgroet van honderd jaar geleden. De redactie sluit
zich natuurlijk volledig bij de goede wensen aan.
Coverfoto: Portret van Jan ter Pelkwijk, omstreeks
1830 geschilderd door Jacobus Schoemaker Doyer.
(Collectie SMZ)
ZHT4 2016.indd 3 11-1-2017 13:39:55
188 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Jan ter Pelkwijk (1769-1834)
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
In het Stedelijk Museum Zwolle hangt een door
Jacob Schoemaker Doyer geschilderd portret van
Jan ter Pelkwijk. Volgens zijn biograaf Gerrit Luttenberg is Ter Pelkwijk daarop afgebeeld zoals hij
op woensdagavonden de wetenschappelijke cursus
voor een select clubje belangstellenden placht te
houden. In zijn linkerhand houdt hij een Goudse
pijp vast, die ook als aanwijsstok dienst doet.1 Jan
ter Pelkwijk zal zo rond de zestig jaar oud zijn
geweest toen dit schilderij gemaakt is. Hij stond
op het toppunt van zijn roem. In 1825 had hij
op verzoek van de gouverneur van de provincie
Overijssel een boek geschreven over de vreselijke
watersnoodramp die het gebied rond de Zuiderzee
had getroffen. Het boek werd een bestseller avant
la lettre en de opbrengst kwam ten goede aan de
slachtoffers van de ramp. En vervolgens was 1828
het jaar waarin een ‘welingerigte’ kleine kinderschool tot stand was gekomen. Ter Pelkwijk had met
hart en ziel aan de totstandkoming ervan gewerkt.
Voor hem was het een blijk van erkenning dat in
1830 koning Willem I de school bezocht. Het was
zijn levenswerk, zijn troetelkind. De school was een
groot succes en had een landelijke uitstraling.
‘Een licht onder zijn tijdgenoten’
Gerrit Luttenberg was niet zuinig met zijn loftuitingen op Ter Pelkwijk. ‘Een licht onder zijn tijdgenoten’ werd hij genoemd en de intellectuele elite
van Zwolle was het daar roerend mee eens. Ter
Pelkwijk was inderdaad een buitengewoon geleerd
mens. Hij had onder meer aan de universiteit van
Harderwijk gestudeerd en mocht de kennis die
hij had opgedaan graag etaleren. Toen het bestuur
van de Zwolse Stadsarmeninrichting hem dan ook
benaderde met het verzoek om voor een select
gezelschap een wetenschappelijke cursus op te
zetten, was hij na wat ritueel tegenstribbelen daar
graag toe bereid. Het moeten memorabele bijeenkomsten zijn geweest. Ter Pelkwijk maakte zich
er niet met een Jantje van Leiden af. Hij bereidde
zich altijd grondig voor, wat vaak op nachtwerk
neerkwam. In het vertrek waar de cursus gehouden werd, was voor niet meer dan dertig belangstellenden plaats. Ter Pelkwijk zat op een stoel
en links van hem was een bord opgesteld waarop
allerlei figuren waren getekend en aan de wand
hingen tal van platen en plattegronden. En, zoals
al gezegd, de pijp diende als aanwijsstok. Dat hij
anderhalf uur achtereen uit z’n hoofd sprak, vond
men heel bijzonder.
Ter Pelkwijk sprak bij voorkeur over Bijbelse
geschiedenis. Maar als hij het over Salomo had
Rechts:Het titelblad van
‘Overijssels Watersnood’ door Jan ter
Pelkwijk. (Heruitgave
2002)
Jan Bijlsma
ZHT4 2016.indd 4 11-1-2017 13:39:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 189
dan schakelde hij net zo makkelijk over op het
thema scheepvaart en de onderlinge handel tussen de volkeren. Toen enkele aanwezigen met
het voorstel kwamen om de geschiedenis van
Overijssel te behandelen, wilde Ter Pelkwijk dat
verzoek graag honoreren mits hij voldoende tijd
zou hebben om eerst alles grondig te bestuderen.
Het was inderdaad geen half werk dat hij leverde.
De geschiedenis werd in ‘eene aaneengeschakelde
orde afgehandeld, en het laat zich vanzelve denken dat ook bij de behandeling van dit onderwerp
alles aangevoerd en te berde gebragt werd, wat uit
de algemeene Geschiedenis en die des Vaderlands,
uit de Aardrijks- en Natuurkunde en uit de zeden
en gewoonten der Volkeren licht en belangrijkheid kon aanbrengen.’2 Ter Pelkwijk leverde duidelijk geen half werk. Je zou kunnen zeggen dat hij
naar perfectionisme neigde.
Toen de cursus in november 1834 weer een
aanvang had genomen, gaf hij aan dat het hem allemaal wat te veel dreigde te worden. Hij zou daarom
in plaats van iets nieuws graag nog eens zijn eerste
les willen herhalen. Aldus geschiedde. Helaas bleek
deze les ook de laatste te zijn. Op weg naar huis
voelde hij zich niet goed. Zijn vrienden moesten tot
hun leedwezen vaststellen dat de toestand van hun
zo gerespecteerde vriend zienderogen verslechterde. Na een ziekbed van vijf dagen kwam Jan ter
Pelkwijk te overlijden, op 18 november. Een van de
aanwezige bestuursleden verkeerde in de stellige
overtuiging dat Ter Pelkwijks laatste woorden ‘de
armeninrichting’ waren geweest. Echt onwaarschijnlijk is dat ook niet omdat hij onnoemlijk veel
tijd en energie in de in 1820 door de Maatschappij
tot Nut van het Algemeen opgerichte Stadsarmeninrichting had gestoken.
Spektakel
De begrafenis vond plaats op 22 november 1834
op de recent (1824) aangelegde algemene begraafplaats aan de Meppelerstraatweg en was een
spektakel zonder weerga. Vrijwel de hele burgerij
was aanwezig. De lijkkoets die geëscorteerd werd
door twaalf hoofdonderwijzers, werd voorafgegaan door kinderen van de Stadsarmeninrichting.
Samen met de kinderen die de lijkkoets volgden
waren dat er vierhonderd in totaal. In de stoet
bevonden zich verder onderwijzers, bestuurders
van de gemeente en de provincie, de curatoren
van de Latijnse school, de Schoolcommissie en het
Nut. Naast de gebruikelijke toespraken zongen de
kinderen een treurzang.3
Dat Jan ter Pelkwijk op zo’n indrukwekkende
wijze begraven werd, was niet zo verwonderlijk.
Hij was een van de meest gerespecteerde notabelen van Zwolle. De in 1769 in Heino geboren
domineeszoon ging al op zijn zevende jaar naar
de Franse school te Barneveld, waar hij de vakken
geschiedenis, natuurkunde, wiskunde en aardrijkskunde volgde. Vier jaar later bezocht hij de
Latijnse school te Zwolle. Als zestienjarige vertrok
hij naar het Athenaeum Illustre te Deventer, waar
hij vooral wiskunde studeerde. In 1790 promoveerde hij als jurist en filosoof te Harderwijk.4
Portret van Jan ter
Pelkwijk, omstreeks
1830 geschilderd door
Jacobus Schoemaker
Doyer. (Collectie SMZ)
ZHT4 2016.indd 5 11-1-2017 13:39:56
190 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Daarna leefde hij vijf jaar ambteloos thuis in de
vaderlijke pastorie, alleen verdiept in de wetenschap en gratis les gevend aan boerenjongens
die lezen noch schrijven konden.5 Vanwege zijn
kennis van de Franse taal vervulde Ter Pelkwijk
tijdens de Franse tijd (1795-1813) tal van functies
binnen het provinciaal bestuur. In 1798 werd hij
griffier van de Provinciale Staten en verhuisde
hij naar Zwolle. Na 1814 werd hij Zwols lid van
de Provinciale Staten en was hij regelmatig lid
van het College van Gedeputeerde Staten. Deze
bestuursfuncties verschaften hem financiële
onafhankelijkheid. Maar waar hij echt warm voor
liep dat was het onderwijs. Al in 1800 was hij
medeoprichter van de Zwolse Nutsschool geweest.
Toen deze instelling rond 1806 (voorlopig) alweer
werd opgeheven, begon Ter Pelkwijk aan jongens
met uitzonderlijk talent huisonderwijs te geven.
Tot aan zijn dood had hij altijd wel enkele van
deze ‘kwekelingen’ onder zijn hoede, onder wie
Johan Rudolf Thorbecke. Bij het herstel van het
hoger onderwijs in 1815 na de Franse tijd had
Ter Pelkwijk met onder meer Rhijnvis Feith zitting in het College van Curatoren van de Latijnse
School.6 Voor zijn biograaf Gerrit Luttenberg
stond het vast dat van alles wat voortreffelijk was
in het karakter van Ter Pelkwijk de kinderliefde de
grootste en meest sprekende trek was.7 Zijn grote
‘passie’ was de in 1828 opgerichte ‘welingerigte
kleine kinderschool’.
Om deze prestatie naar waarde te schatten
doen we er goed aan deze tegen de achtergrond
van de hervorming van het onderwijs aan het eind
van de achttiende en het begin van de negentiende
eeuw te plaatsen.
Onderwijshervorming
Aan het eind van de achttiende eeuw was onderwijshervorming een onderwerp dat hoog op de
maatschappelijke agenda stond. Dit had te maken
met de toen heersende overtuiging dat ‘het geluk
eens volks, eener borgerlyke maatschappy juist
zo groot [is] als het geluk van alle de byzondere
menschen, van alle borgers t’zamen genomen.’8
Dit citaat komt uit het tijdschrift De Borger en
de gedachte dat persoonlijk en maatschappelijk
geluk vervlochten waren, vond veel weerklank in
kringen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Het Nut was in 1784 opgericht en beoogde
de positie van ‘het volk’ te verbeteren. Langs deze
weg zou het verval waar de Republiek mee te kampen had een halt toegeroepen kunnen worden. In
Nutskringen ging men er van uit dat het herstel
pas mogelijk was als de gehele bevolking een
bepaald cognitief beschavingsniveau had bereikt
en daarmee burger van de natie was geworden.9
Herstel werd mogelijk geacht door verbetering
van het onderwijs. Zo rond 1790 was de toestand
van het onderwijs inderdaad ronduit zorgwekkend. Volgens hedendaagse maatstaven moet
het onderwijs echt een rommeltje zijn geweest:
leerlingen zaten door elkaar, met leeftijd en niveau
werd geen rekening gehouden. Er werd hoofdelijk
les gegeven, wat wil zeggen dat elk kind individueel bij de lessenaar van de schoolmeester werd
geroepen om te worden overhoord, het werk te
laten nakijken en een nieuwe opdracht te krijgen.
Om het rumoer een beetje binnen de perken te
houden werd er zo nu en dan een fikse tik uitgedeeld. Een punt van kritiek was ook dat leren
beperkt bleef tot het instampen en dat inzicht
nauwelijks werd gestimuleerd. Verder werd kinderen ingeprent om uit angst voor straf, door God
of mens toegediend, braaf te zijn en trouw aan de
kerk.10
De wens om tot een onderwijshervorming te
komen werd gevoed door tal van nieuwe opvattingen over opvoeding en onderwijs. Volgens
filosofen als John Locke en Jean-Jacques Rousseau
was het jonge kind te ‘vormen’. Opvoeden werd
zodoende meer een creatieve in plaats van een
voornamelijk corrigerende activiteit. Belangrijk
was ook dat de redelijke vermogens van het kind
werden aangesproken.
Binnen het Nut bleek men zeer ontvankelijk
te zijn voor dergelijke nieuwe, verlichte ideeën
over opvoeding. Zo had je in Duitsland de filantropijnen die vonden dat kinderen als kinderen
behandeld moesten worden en niet als volwassenen, dat kinderen veel lichamelijke oefeningen
moesten doen, dat onderwijs in aardrijkskunde
en geschiedenis belangrijk was en dat er aandacht
aan muziek en tekenen besteed moest worden.
Jan Hendrik Swildens (1745-1809), die zich tot de
ZHT4 2016.indd 6 11-1-2017 13:39:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 191
onderwijsideoloog van het Nut zou ontwikkelen,
was een half jaar in het Filantropinum in Dessau
geweest en liet zich door die opvattingen sterk
inspireren.11
Nederland was niet het enige land dat zich
druk maakte om de verbetering van het onderwijs, maar wat Nederland onderscheidt van de
omringende landen was dat het zwaartepunt van
de discussie eigenlijk voortdurend bij het elementaire onderwijs heeft gelegen. Hier ging de discussie van meet af aan over wat later de ‘volksschool’
zou gaan heten. Deze discussie vond plaats binnen
het grote kader van het debat over het nationale
verval en het daarin vervatte nieuwe burgerbegrip.
Voor het programma van nationaal herstel werd
opvoeding van het lagere volk een hoofdpunt.
En zo richtte zich de aandacht automatisch op
de school als bij uitstek de instantie waarvan het
bereik zich ook tot armen uitstrekte en bovendien
op een leeftijd dat hun karakter nog niet definitief
was gevormd.12
Vader van de behoeftige volksklasse
Het is aannemelijk dat Jan ter Pelkwijk als lid van
het Zwolse departement van het Nut vanuit een
dergelijk perspectief naar de wereld om zich heen
heeft gekeken. Voor hem sprak het vanzelf dat
onderwijs een belangrijk middel was om armoede
te bestrijden. Ook in Zwolle was armoede een
immens probleem. Rond 1820 waren ruim 1400
Zwollenaren – 10 procent van de bevolking –
afhankelijk van de een of andere vorm van bedeling. Blijkens een rapport waren er in Zwolle veel
arme kinderen die ondervoed waren en nauwelijks kleren hadden ‘om hunnen naaktheid’ te
bedekken.13 Vanuit het Nut werden acties ondernomen om direct de nood te lenigen. Zo werd
in 1815 een commissie ter uitdeling van onder
andere spijzen ingesteld. Deze zorgde er van 1817
tot 1820 voor dat de arme inwoners van Zwolle
‘niet door honger verteerd, noch door koude verkleumd’ werden.’14 De door het Nut geboden hulp
bleef niet beperkt tot deze voedseluitdelingen. In
1820 werd door het Zwolse Nut de armeninrichting opgericht. De doelstelling was ‘verbetering
van het lot der Armen en behoeftigen, door middel van arbeid en onderwijs.’ Ter Pelkwijk kwam
in het bestuur daarvan, en ‘van nu aan’, aldus zijn
biograaf, ‘werd de Stads Armeninrigting het middelpunt van zijn werkzaamheden, de verspreiding en verlichting en beschaving en van zijne
pogingen ter uitbreiding en verbetering van het
De naam van Jan ter Pelkwijk prijkt prominent op het eerste blad van de ledenlijst van de Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen uit 1809, evenals die
van Rhijnvis Feith. Het Nut telde toen negentig leden. (Collectie HCO, archief
Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen)
ZHT4 2016.indd 7 11-1-2017 13:39:57
192 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
lager onderwijs, inzonderheid aan de behoeftige
volksklasse.’15 Ter Pelkwijk was onvermoeibaar in
zijn streven om van die armenschool een succes
te maken. Zijn motivatie moet hij ongetwijfeld
geput hebben uit het optimistisch besef dat kennis mensen op een hoger plan kan brengen. Hij
bemoeide zich met alle facetten die dit werk met
zich meebracht. Hij bedacht leermiddelen, gaf
adviezen over de lesinhoud, gaf les aan toekomstige leerkrachten en als het zo uitkwam, gaf hij
ook nog eens les aan de kinderen. Die waren erg
op hem gesteld. ‘Ome Jan’ werd hij door hen wel
genoemd.16
Jan ter Pelkwijk kan volgens Luttenberg met
recht als ‘den vader van geheel de behoeftige
Volksklasse’ worden beschouwd ‘die alles aanwendt, wat tot hun geluk en tevens tot hun genoegen kan strekken.’ Wat hem uiteindelijk nog de
meeste voldoening zou geven, was de opzet en de
uitbouw van de ‘welingerigte’ kleine kinderschool.
Het zou zijn troetelkind worden.17
Ter Pelkwijks troetelkind, de ‘welingerigte’
kleine kinderschool
Het onderwijs, of beter gezegd de opvang, aan
kinderen van 2 tot 6 jaar werd door zogenaamde
matressenschooltjes verzorgd. Het was waarschijnlijk de meest abominabele vorm van onderwijs. In Zwolle waren er in 1827 39 van dergelijke
bewaarschooltjes. Aan schoolgeld waren de
ouders 5 tot 10 cent per week kwijt.18 De kwaliteit van deze schooltjes liet vaak danig te wensen
over. In 1821 gaf een Haagse hoofdonderwijzer
een weinig lovende beschrijving van een dergelijk
schooltje: ‘In vele dier schooltjes was ik niet bij
magte, wegens stiklucht of onreinheid binnen
te gaan; er werd niets degelijks geleerd, noch bij
het kind ontwikkeld; slechts razen, vechten en
twisten hoorde men er, totdat de maters tusschen
beiden kwam, om de kleinen tot bedaren te brengen, doch sommige vrouwen waren te oud en te
gebrekkig, om eenige orde te kunnen handhaven,
al hadden zij er behoefte aan gevoeld.’19
In Nederland komt er voor dit onderwijs
aan jonge kinderen echt beweging in de zaak als
koning Willem I in 1827 de gouverneurs van de
provincies oproept om ‘welingerigte’ bewaarscholen tot stand te brengen naar het voorbeeld
van de in dat jaar in Brussel opgerichte modelbewaarschool van de Maatschappij tot Nut van ’t
Algemeen.
De raad van de stad Zwolle schoof het verzoek
van de gouverneur van Overijssel door naar de
schoolcommissie en het Zwolse departement van
de Maatschappij tot Nut van het Algemeen die het
naar de in 1820 opgerichte Stadsarmeninrichting
doorschoof.20 En daar hoorde dit verzoek ook
helemaal thuis. De Zwolse raad zag er wel wat in
dat deze nieuwe welingerigte kleine kinderenschool zich zou kunnen ontwikkelen tot een lichtend voorbeeld voor toekomstige bewaarscholen.
Omdat het in deze school meer dan alleen maar
om oppassen of bewaren zou gaan, werden er
extra eisen aan de toekomstige matressen gesteld.
Het nieuwe was dat er ruimschoots aandacht aan
de ontwikkeling van de verstandelijke en zedelijke vermogens besteed moest worden. Dit was
belangrijk omdat: ‘de kinderen in die jaren aan
zichzelve overgelaten wordende, zoo neemt derzelve ontwikkeling veelal eene verkeerde rigting
aan: zij vestigen op niets hunne aandacht, gewennen zich tot altoosdurend speelen, verkrijgen van
geenerhande zaken naauwkeurige denkbeelden
en hunne zielsvermogens geraken, als het ware
aan het sluimeren.’21
Anders dan in de matressenschooltjes was
over dit nieuwe onderwijs aan jonge kinderen
echt nagedacht. De lessen waren zeer aanschouwelijk en ze sloten aan bij de belevingswereld
van de kinderen. In Duitsland was deze aanpak
geïntroduceerd door de filantropijnen en de
pedagoog Johann Heinrich Pestalozzi (1746-
1827), waar Ter Pelkwijk een groot aanhanger
van was.22 Verder liet Ter Pelkwijk zich inspireren door de Groningse onderwijzeres Alberdina
Woldendorp die de Praktische handleiding voor
onderwijzeressen der aanvangs- of kinderscholen
en die der vrouwelijke handwerken voor jeugdige
meisjes (1827) had geschreven. Haar verdienste
was dat ze goed toepasbare aanwijzingen gaf
voor de dagelijkse praktijk van het trainen van
waarneming, gehoor en gevoel van kinderen,
waarmee ze in de lijn stond van de onderwijsopvattingen van het Nut.23
ZHT4 2016.indd 8 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 193
De lessen op de Zwolse kleine kinderschool
bestonden uit duidelijk leren spreken, opmerken
en onderscheiden van voorwerpen, eenvoudige
meetkunde en lezen (alleen voor de oudste kinderen). Geheel in de lijn van de filantropijnen werden er spelletjes en lichaamsoefeningen gedaan.
Het speelmateriaal bestond uit een hobbelpaard,
hoepels, tollen en knikkers.
Het Nut en de welingerigte kleine kinderschool
Dat de welingerigte kleine kinderschool sterk op
het gedachtegoed van het Nut leunt is zonneklaar.
Het was een Nutslid als Ter Pelkwijk te doen om
het brengen van beschaving, om ‘opbeuring’ en
verheffing van de lagere stand. De beschavingsarbeid kon beginnen bij het taalgebruik van de
kinderen. Ook in Zwolle werd daar blijkens het
verslag uit 1834 aan gewerkt:
‘In de eerste plaats oefent men hen in het
opnoemen en aanwijzen der deelen van het eigen
ligchaam, en daarbij gezamenlijk spreken, b.v.
Dit zijn mijn ooren, wat doet gij met de ooren?
hooren met de ooren kan ik hooren enz. De uitspraak der hier op gegeven woorden is hier vooral
noodig, daar men in het Zwolsche dialect de letter
h gewoonlijk laat hooren wanneer zij niet noodig
is en integendeel verzwijgt waar zij vereischt is.’24
Het volk is ‘verbasterd’, het spreekt onverstaanbare
dialecten en daar moet iets aan gedaan worden.25
Ter Pelkwijk moet deze opvatting gedeeld hebben.
Pas in de twintigste eeuw zouden pedagogen een
ander geluid laten horen. Zo was de uit Zwolle
afkomstige veelzijdige onderwijsman Willem
Kloeke (1852-1934) van oordeel dat Zwolse kinderen die voor het eerst naar school gingen niet
goed werden opgevangen omdat ze direct met het
‘deftige’ Hollands werden geconfronteerd. Het
zou veel beter zijn de kinderen in het Zwols op
te vangen. Van leerkrachten in het Zwolse lager
onderwijs mocht je verwachten dat ze het Zwols
beheersten. Willem Kloeke heeft veel verhalen in
het Zwolse dialect geschreven, die in 1931 werden
uitgegeven onder de titel Zwolsche Sketsies.26
En laat nu een van die sketsies uitgerekend over
Jan ter Pelkwijk gaan, door hem de ‘Zwolsche
Pestalozzi’ genoemd. Ter Pelkwijk wordt door
hem als een voorbeeldig pedagoog getekend:
‘D’er was in diie tied ’n skooelopziiender, diie biej
zien skooelbezuken niks anders deed dan onderzuken, wat de kinders van ’t iiene en ’t ander wisten; an
d’uutblinkers gaff-e dan ’n klein papiertien doeur
met zien naeme d’er onder op e-drukt ston:
“Ik ben over U te vrede.
De Schoolopziener.”
‘k Wete niiet of diie skooelopziiender ook nô
de kennisse van Nederlandsche tael informeeren
en of t’er nog meer schooelopziienderas zokke
mooie papierties zonder adres uut-deelen, maer
‘k wete wel, dät Ter Pelkwijk dat veurbeeld niiet
volgen; iie ield niiet van zo’n iiewigdurend papieren bewies van tevrèdeneid; iie ad wat anders. Iie
droegh in de regel ’n eele lange jässe met ’n kneep
in de rugge en lange slippen met groote zakken
en in diie zakken att-e ôste altied appels, paeren,
nötten of ander läkkers veur de kinders, diie goed
adden op e-past.’27
In dit sketsie wijst Kloeke ook op het belang
dat Ter Pelkwijk aan goed zangonderwijs hechtte.
Willem Kloeke (1852-
1934) in 1925. (Uit:
Zwolsche Sketsies, foto
H. Deutman)
ZHT4 2016.indd 9 11-1-2017 13:39:57
194 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Naast populaire liedjes van Hieronymus van
Alphen zoals Jantje zag eens pruimen hangen werd
in het door het Nut geïnspireerd onderwijs veel
waarde gehecht aan het zingen van volksliederen
waardoor liefde tot het vaderland bevorderd zou
worden.
Met de invoering van het klassikale onderwijs
binnen het lager onderwijs was ook het schoolklimaat veranderd. Om te bepalen of een kind naar
een volgende klas kon gaan, moesten kinderen
onderling vergeleken kunnen worden. Schoolrapporten deden hun intrede en vlijt en gedrag
werden beoordeeld. Er kwamen halfjaarlijkse examens en prijsuitreikingen. De prijzen bestonden
uit prenten of boekjes, zodat kinderen, geheel in
de geest van het Nut, een eigen boekenbezit konden opbouwen.28 Deze praktijk werd nu getuige
het Verslag uit 1830 ook naar de kleine kinderschool overgeheveld:
‘Dat bij iedere school en telken schooltijd,
behoorlijke aantekening wordende gehouden
van het gedrag der kinderen, er jaarlijks afzonderlijke openbare examens en prijsuitdeelingen
worden gehouden van de kleine kinderschool (…)
weze examens steeds opgeluisterd werden door
tegenwoordigheid van Zijne Excellentie de Heer
Gouverneur dezer provincie, (…) van Commissie
uit de onderscheidene nuttige inrigtingen in deze
stad, en vooral van de ouders der kinderen. Bij die
examens worden de meest verdienstelijke leerlingen, van Stadswege, met premien, bestaande
deels in boekengeschenkjes en deels van kledingstukken begiftigd. (…) Ter gelegenheid van het
examen der kleine kinderschool en de leerscholen
worden kinderen des avonds van die dag, in het
locaal der inrigting, op bier en brood onthaald.’29
In 1841 kon het bestuur van de Armeninrichting in zijn verslag er vol trots melding van
Fragment uit het verslag in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (23 juli 1830) van het bezoek van koning Willem I aan
Zwolle in juli 1830: ‘Zijne Majesteit bezigtigde, met blijkbare tevredenheid, de onderscheidene scholen enz., zag en hoorde met welgevallen eenige proeven van de wijze waarop de kinderen, ook zelfs die der school van de zoodanige beneden de zes jaren, werden onderwezen, en onderhield zich daarover in het bijzonder met den heer Burgemeester en den heer Mr. J. ter Pelkwijk, welke laatste mede zoo
bijzonder veel aan den bloei der inrigting toebrengt’. (www.delpher.nl)
ZHT4 2016.indd 10 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 195
maken dat het onderwijs van de kinderschool duidelijk vruchten had afgeworpen. Een onderzoek
had aangetoond ‘dat de personen, die bij hunne
opneming tot de kring der bedeelden behooren,
grootendeels daaruit opgebeurd en tot de bijdragende leden van de burgerlijke maatschappij
opgeleid worden.’30 Van 600 oud-leerlingen waren
er 449 uit de behoeftige stand geweest; slechts één
verkeerde in 1841 nog in die staat. Van de 118
kinderen uit de bedeelde stand werden er op dat
moment nog drie bedeeld.31
Zwolle als trendsetter
Wat opvallend is in dit verhaal over het ontstaan
van de de welingerigte kleine kinderschool is dat
in de stad Zwolle zo snel gereageerd werd toen
koning Willem I in 1827 aan de gouverneurs van
de provincies de oproep deed om de bestaande
praktijk van bewaarschoolonderwijs te hervormen. De zaken werden voortvarend aangepakt.
Zo was op 20 oktober 1827 al vastgesteld aan
welke eisen de matressen nieuwe stijl moesten
voldoen. Ter Pelkwijk kreeg de taak toebedeeld
deze vrouwen op hun nieuwe taken voor te bereiden. Bij de beoordeling van hun geschiktheid lette
hij niet alleen op braaf gedrag, goedaardigheid en
kinderliefde maar ook op ‘de opslag van het oog’.
Op 14 augustus 1828 werden kinderen uitgekozen
om tot de school toegelaten te worden en op 29
september 1828, een jaar na de oproep, ging de
school van start met 35 leerlingen.32 De lessen
vonden plaats in het Renovatum, het gebouw van
de Stadsarmeninrichting aan de Blijmarkt dat
later werd afgebroken om plaats te maken voor
het Paleis van Justitie. Zwolle liep echt voorop. In
andere steden met toch ook een burgerlijke elite
die de beschavingsidealen van het Nut waren
toegedaan, werd in het geheel niet of soms veel
later op de oproep gereageerd. Zo kwam er in
Dordrecht in 1844 een stadsbewaarschool en in
Leeuwarden pas in 1850 een Armenbewaarschool.
Ook de aandacht die in Zwolle aan de scholing
van bewaarschoolhouderessen werd besteed, was
nieuw. Lange tijd was deze opleiding, ook wel
‘vormschool’ genoemd, uniek in Nederland. Ze
heeft ertoe bijgedragen dat het bewaarschoolonderwijs een schoolser karakter kreeg; lezen, schrijven en rekenen vormden de belangrijkste bezigheden. In 1836 kwam een soortgelijke opleiding
in Rotterdam tot stand, enkele jaren later gevolgd
door opleidingen in Den Haag en Groningen.33
Dat het in Zwolle zo snel is gegaan mag op het
conto van Jan ter Pelkwijk worden geschreven.
Met tomeloze energie heeft hij zich voor deze
school ingespannen. Is daar een verklaring voor te
geven? Waarom was hij eigenlijk zo gemotiveerd
om met deze onderneming van start te gaan? Om
een – voorlopig – antwoord op die vraag te vinden, loont het de moeite om datgeen wat Gerrit
Luttenberg in zijn Levensberigt over de persoon
Ter Pelkwijk te berde brengt eens nader te bekijken.
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
In dit artikel is al meerdere malen naar het Levensberigt van de Zwolse stadssecretaris Gerrit Luttenberg (1793-1847) verwezen. Het is aan hem
te danken dat de mens Jan ter Pelkwijk wat meer
reliëf heeft gekregen. Luttenberg was ook één van
de prominente leden van het Nut en volgens het
Biografisch Woordenboek van Van der Aa was hij
‘in nederige stand’ te Zwolle geboren, maar ‘beurde zich door eigen geestkracht en eigen verdienste
uit die laagte op, en steeg van trap tot trap tot de
waardigheid van secretaris van zijn geboortestad.’
Vrij snel na het overlijden van Ter Pelkwijk werd
het Levensberigt gepubliceerd. Het is een biografie
zoals die vaker in de negentiende eeuw werden
geschreven, namelijk van het type waarin de dode
een overdreven lofrede kreeg en die deed denken
aan de middeleeuwse hagiografie.34 Luttenberg is
inderdaad niet zuinig met zijn loftuitingen, maar
biedt daarnaast veel interessante informatie over
het leven van zijn held.
Het is voor Luttenberg boven alle twijfel verheven dat Ter Pelkwijk een ‘hoogst merkwaardig’,
in de zin van opmerkelijk, man is geweest. Wat
geleerdheid aanging stak hij met kop en schouders boven de gemiddelde Zwolse notabele uit.
De onderwerpen waar hij zich mee bezig hield,
waren, getuige de opsomming van Luttenberg,
zeer divers: Bijbelse geschiedenis, Griekse
beschaving, scheepvaart, tijdrekening, maten en
gewichten, wiskundige aardrijkskunde, natuurZHT4 2016.indd 11 11-1-2017 13:39:57
196 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
kundige aardrijkskunde, de sterrenhemel en de
wind.
Hij was niet alleen ‘merkwaardig’ omdat hij
een aantal opvallende prestaties had geleverd op
het gebied van het onderwijs, maar hij moet door
veel Zwollenaren door zijn doen en laten ook
wel merkwaardig in de betekenis van een beetje
vreemd zijn ervaren. Hij moet een enigszins zonderlinge man zijn geweest.
Luttenberg schrijft: ‘Waar men hem ook aantrof was hij steeds voorzien met onderscheidene
zakboekjes en losse papieren, op welke hij aantekeningen maakte, en met deze boekjes en papieren en onderscheidene kleine gereedschappen van
verschillende aard was hij steeds zoo zeer beladen,
dat de gewone zakken in zijne kleederen niet toereikende waren, om de geheele toestel te bergen;
zoo dat de panden van zijne jas, daarmede geheel
gevuld waren. (…) Die gewoonte, om aantekeningen te houden en steeds met onderscheidene zakboekjes en gereedschappen, als passerdoos, kompas enz. voorzien te zijn heeft hij tot aan zijnen
dood gehouden hetgeen hem in zijne dagelijkse
werkzaamheden van groot gerief was.’35
Voor Luttenberg is het boven alle twijfel verheven dat kinderliefde Ter Pelkwijks allergrootste
deugd is: ‘Nooit was hij gelukkiger dan wanneer
hij zich omringd vond door een groote schare kinderen, hoe jonger hoe liever, en onverschillig uit
welken stand der maatschappij; schoon men altijd
eene zekere voorkeur voor de behoeftige volksklasse, duidelijk bij hem heeft kunnen bespeuren.
Al die leerlingen op de Stads Armeninrigting, ten
getale van meer dan 800, kende hij meest alle bij
hunne namen, bij hun karakter, aanleg en gedrag,
en bij den graad der vorderingen die zij maakten.
In elke school en in elke klasse had hij zijne lievelingen, die met eenen kus of handdruk of ander
teeken van goedkeuring begunstigd werden. En
het kon niet anders, of de man, die met zoo vele
neergebogenheid en teedere liefde voor het welzijn en het genoegen der kinderen zorgde, moest
als een vader geëerd en bemind, en als de algemeene kindervriend beschouwd worden.’36
Jan ter Pelkwijk hield zielsveel van kinderen en liet
dat blijken ook. Het was zijn lust en zijn leven om
‘met arme kinderen dagelijks te verkeeren en aan
hunne onschuldigen spel en vermakelijkheden
deel te nemen.’37 Die hoogst geleerde man, met
zijn opschrijfboekjes, passer en kompas vond het
heerlijk om met de kinderen te tollen en te hoepelen. Dan was hij ‘Ome Jan’. Kunnen we zeggen dat
Jan ter Pelkwijk een pedofiel was? Ik denk het wel,
waarbij we ons goed moeten realiseren dat in die
tijd dat etiket nog niet de negatieve connotatie had
die het tegenwoordig heeft. Pedofilie is wat anders
dan pedoseksualiteit. Iets wat tegenwoordig nog
wel eens vergeten wordt. Het was overigens wel
kinderliefde in extremis en kon wel degelijk argwaan wekken. Zo bestaat er een brief uit 1927
waar de al eerder genoemde Willem Kloeke de
herinneringen van zijn ouders aan Jan ter Pelkwijk opschrijft. Hij deed dat op verzoek van de
heer G.A.W. ter Pelkwijk (1882-1964), die een
verre achterneef van Jan ter Pelkwijk was. Kloeke
schrijft in zijn brief hoe zijn grootmoeder, een
‘godsdienstige maar zeer bijgeloovige vrouw’, door
het doen en laten van de ‘zoo beminden kindervriend’ onaangenaam verrast werd:
‘Mijn moeder kwam als klein kind reeds vaak
met anderen in de stad en… leerde door andere
kinderen den zoo beminden kindervriend Ter
Pelkwijk kennen. Toen ze als tienjarig meisje eens
met haar moeder in de stad kwam, zag ze den
zoo gevierden man en liep, eer haar moeder ’t
kon verhinderen, naar hem toe. Ter Pelkwijk, die
voor dien tijd zeer ouderwets gekleed was, droeg,
zooals mijn moeder vaak vertelde, een lange donkergrijze jas. In die jas waren groote zakken, die
in den regel goed voorzien waren van kleine versnaperingen, prentjes of eenvoudige stukjes speelgoed voor kinderen. Ter Pelkwijk sprak moeder
en kind vriendelijk toe en gaf de kleine een lekkere
peer, maar mijn grootmoeder (de dochter van ’n
catechiseermeester), een godsdienstige maar zeer
bijgeloovige vrouw, die Ter Pelkwijk niet kende
en ontdekte, welk een betooverenden invloed die
zonderlinge mijnheer met zijn schrandere oogen
en toch zoo vriendelijken blik op de kleinen had,
en wel wetende, dat Satan zich soms vertoont in
de gedaante van een engel des lichts, wist haar
dochtertje met een enkel gebaar te beduiden, de
peer niet op te eten. Na van Ter Pelkwijk afscheid
ZHT4 2016.indd 12 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 197
genomen te hebben, nam ze de peer en gaf haar
kind een betere! Eerst heel veel later begreep mijn
moeder, wat haar moeder had gevreesd.’38
Uit het al eerder aangehaalde sketsie dat
Kloeke schreef, komt duidelijk naar voren dat
hij de reserves die zijn grootmoeder jegens Ter
Pelkwijk koesterde, niet deelde. Het slot van zijn
brief spreekt duidelijke taal: ‘Telkens en telkens
weer wisten mijn ouders wat te vertellen van den
zoo geachten Ter Pelkwijk en zoo werd deze paedagoog, dien ik nooit had gezien, voor mij als kind
een soort heilige en daardoor ook is het mij nu
nog zoo aangenaam eenige regelen aan zijne nagedachtenis te kunnen wijden.’39
‘Een afgetrokkene levenswijze’
Afgaande op de beschrijving van Luttenberg
kunnen we stellen dat Ter Pelkwijk een complexe
persoonlijkheid was. Hij was perfectionistisch. De
manier bijvoorbeeld waarop hij de wetenschappelijke cursus voor het bestuur van de Stadsarmeninrichting voorbereidde, maakt dit duidelijk.
Zonder nu direct zijn persoonlijkheid in een
pathologisch keurslijf te plaatsen, kunnen begrippen als obsessief en compulsief enig licht werpen
op zijn gedrag. Obsessieve mensen zijn heel sterk
op één onderwerp gericht en streven naar het in
detail perfectionistisch zijn. Dat hij zijn hele ziel
en zaligheid in de welingerigte bewaarschool legde, heeft iets dwangmatigs. Toch heeft dit obsessieve wel degelijk een enorme hoeveelheid energie
weten vrij te maken om dit project tot een groot
succes te maken.
Hoewel het Levensberigt veel weg heeft van
een hagiografie, heeft Luttenberg wel degelijk oog
voor enkele zwakke plekken van zijn held. Het
volgende fragment biedt een curieus kijkje achter
de schermen.
‘Het mag noodeloos geacht worden op te
merken, dat Ter Pelkwijk, niettegenstaande zijn
voortreffelijke hoedanigheden, even als alle
menschen, gebreken aankleeft; doch wij blijven
de waarheid getrouw, wanneer wij betuigen, dat
die onvolkomenheden niet zoo zeer uit het hart
voorkomen, maar hebbelijkheden waren, die
voornamelijk hare oorsprong ontleend uit de
De Diezerstraat
omstreeks 1910. Ter
Pelkwijk bleef altijd
wonen in een bovenwoning op nr. 31, het
pand rechts met de gele
luiken en de uitstaande
zonnewering. (Collectie
HCO)
ZHT4 2016.indd 13 11-1-2017 13:39:58
198 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
eenzelvige, afgetrokkene levenswijze, die hij in
vroegere tijd had aangenomen toen hij, zich nog
niet rechtstreeks met het Schoolwezen ingelaten
hebbende, de meeste tijd, buiten het gezellige
verkeer, op zijn kamer doorbragt. De goedaardige man konde echter niet lange uit zijn gewoon
zachte humeur blijven en zijn vrienden, die hem
nauwkeurig kenden, wisten zijn opwellingen
van drift en onvergenoegdheid altijd spoedig
te doen wijken, door zijne denkbeelden af te
leiden, tot het een of ander onderwerp, met het
Schoolwezen in verband staande, te trekken. En,
wanneer de rimpels niet spoedig genoeg van het
voorhoofd weken, dan nam men een ander en
altijd onfeilbaar middel te baat: men zorgde dat
er eenige kleine kinderen, uit zijne lievelingen,
met hem in betrekking kwamen, en, op het aanschouwen deze onnozele kinderen, geraakte zijn
Een jaar na het overlijden en de begrafenis van Jan ter Pelkwijk werd door de stad Zwolle te zijner nagedachtenis op zijn graf een aanzienlijk maar sober vormgegeven monument geplaatst. Het is tegenwoordig een rijksmonument, het is namelijk een van de oudste nog
bestaande gietijzeren grafmonumenten van ons land. (Foto Jan van de Wetering)
ZHT4 2016.indd 14 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 199
ziel terstond in haar gewone zachte stemming en
de armen werden tot de kinderen uitgestrekt en
bij de omhelzingen en liefkozingen der kleinen
verdwenen de sporen van onvergenoegdheid en
geheel het gelaat was opgehelderd.’40
Waar Luttenberg precies op doelt als hij het
over ‘hebbelijkheden’ heeft, is niet geheel duidelijk. Die hebbelijkheden zouden te maken hebben
met het gegeven dat Jan ter Pelkwijk lange tijd
nauwelijks deel had aan het sociale verkeer. Of
dat iets te maken had met zijn status als vrijgezel,
is moeilijk te zeggen. Hij moet in zijn gehuurde
bovenwoning aan de Diezerstraat 31 een tamelijk
geïsoleerd en eenzaam leven hebben geleid. Vanaf
het moment dat hij zich meer met het onderwijs
ging bemoeien, zou er verandering in die toestand
zijn gekomen. Toch scheen hij ook toen nog met
regelmaat geplaagd te worden door opwellingen
van drift en ‘onvergenoegdheid’. In voorkomende
gevallen bleken kinderen op wonderbaarlijke wijze zijn stemming positief te kunnen beïnvloeden.
Het zou interessant zijn om die kinderliefde
van Jan ter Pelkwijk eens nader onder de loep
te nemen. Helaas ontbreekt het ons verder aan
betrouwbare gegevens. Wat echter wel aannemelijk is, is dat zijn preoccupatie met kinderen hem
snel en voortvarend heeft doen reageren op het
verzoek van de koning. Het voorstel viel, zoals we
inmiddels weten, in vruchtbare aarde.
Epiloog
Het is ruim 180 jaar geleden dat Jan ter Pelkwijk
overleed. Zoals in het begin van dit artikel opgemerkt, was zijn begrafenis een spektakelstuk. Het
waren ook ronkende woorden die bij de groeve
gesproken werden. Dominee Van Senden zag
de zon daar onder gaan: ‘Hij was geene star, hij
was eene zon en die zon is ondergegaan voor
Nederland.’ Voor Gerrit Luttenberg was hij ‘een
licht onder zijne tijdgenoten’ en ‘een zeldzame en
gelukkige verschijning aan de zedelijke horizont.’
Lijnrecht tegenover deze loftuitingen staat het
enigszins misprijzende oordeel van Jean Streng
die in zijn boek over het Zwolse culturele leven
in de vroege negentiende eeuw tot de slotsom
komt dat Jan ter Pelkwijk de meest overschatte
Zwollenaar uit de eerste helft van de negentiende
eeuw is.41 Zelf geef ik er de voorkeur aan een
middenpositie in te nemen. Ter Pelkwijk is niet
een groot genie geweest die onsterfelijke meesterwerken heeft gewrocht of grootse ontdekkingen
heeft gedaan. Maar hij is wel een veelzijdig en in
alle opzichten merkwaardig mens geweest. Nu
wil ik meteen toegeven dat Ter Pelkwijk geen
wereldschokkende ontdekkingen heeft gedaan
of grote kunstwerken heeft gewrocht. Maar hoe
bescheiden dat ook geweest mag zijn; hij heeft wel
degelijk een pioniersrol gespeeld op het terrein
van het onderwijs. Met zijn verlichte opvattingen
over opvoeding en onderwijs en met zijn organisatievermogen en zijn enthousiasme heeft hij een
wezenlijke rol gespeeld in de eerste fase van het
ontstaan van het moderne kleuteronderwijs.
Maar zoals gezegd – Jan ter Pelkwijk was een
veelzijdig mens en dan in het bijzonder op het
intellectuele vlak. We mogen ons dan ook gelukkig prijzen dat de Stichting IJsselacademie Kampen in 2002 met een heruitgave van Ter Pelkwijks
verslag van de watersnoodramp van 1825 is gekomen. Volgens Gerrit Luttenberg was het verslag
‘door deskundigen als een meesterstuk in haren
soort beoordeeld geworden.’ Het is inderdaad een
goed leesbaar meesterstuk dat Ter Pelkwijks streven naar perfectie in positieve zin uit laat komen.
Als de tekst een indicatie is van de wijze waarop
Ter Pelkwijk les gaf dan valt het te begrijpen dat
zijn toehoorders daar met groot genoegen naar
geluisterd moeten hebben en dat de wetenschappelijke cursussen waar we dit verhaal mee begonnen zo memorabel waren.
Literatuur
Coronel, S., ‘De bewaarschool: Een schets van een matressenschooltje te Amsterdam in 1827 in 1827’. In:
Kruithof, B., J. Noordman, P. de Rooy (red.). (1982).
Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding,
bronnen, onderzoek. Nijmegen, SUN
Bakker, N., J. Noordman, M. Rietveld-van Wingerden
(2006). Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee &
Praktijk 1500-2000. Assen, Van Gorcum
Bloemhoff-de Bruijn, Ph. (2014). ‘Willem Kloeke’. In:
www.wieiswieinoverijssel.nl
Derde verslag van den staat der Stadsarmeninrigting te
Zwolle op den 1sten Januarij 1841. Zwolle, Tijl
Bootsma-van Hulten, A., ‘Herinneringen van Willem
ZHT4 2016.indd 15 11-1-2017 13:39:59
200 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Kloeke aan Jan ter Pelkwijk’. In: Zwols Historisch
Tijdschrift 26 (2009) nr. 3, 133-137
Hagedoorn, J. en W. van der Most, ‘De welingerigte
kleine-kinderschool van de Stadsarmeninrichting
te Zwolle (1827 tot ca. 1841)’. In: Zwols Historisch
Tijdschrift 3 (1986) nr. 4, 85-96 en 4 (1987) nr. 1,
1-12
Kloek, J. en W. Mijnhardt. (2001). 1800 Blauwdrukken
voor een samenleving. Den Haag, Sdu Uitgevers
Kloeke, W. ((1931) 1986). Zwolsche Sketsies, Kampen
Koenders, P. ‘Het Zwolse Nut’. In: Zwols Historisch Tijdschrift 18 (2001) nr. 4
Kruithof, B, ‘De deugdzame natie. Het burgerlijk beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen tussen 1784 en 1860’. In: Kruithof, B., J.
Noordman en P. de Rooy (red.) (1982). Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding, bronnen,
onderzoek. Nijmegen; SUN
Loo, L. Frank van (1981). ‘Den arme gegeven…’ Een beschrijving van armoede, armenzorg en sociale zekerheid in Nederland, 1784-1965. Meppel Amsterdam,
Boom
Luttenberg, J. (1835). Levensberigt van J. ter Pelkwijk.
Zwolle, Tijl
Pelkwijk, J. ter (2002). Overijssels Watersnood. Een
heruitgave van het verslag van de ramp van 1825.
Kampen, Stichting IJsselacademie
Streng, J.C. (1999). ‘Het is thans zeer briljant’ Aspecten
van het Zwolse culturele leven tijdens de overgang
van ancien regime naar moderne tijd. Hilversum,
Verloren
Streng, J.C. (2004). Zwols Biografisch Woordenboek. Een
draagbaar mausoleum. Hilversum, Verloren
Tweede verslag van den staat der Stadsarmeninrigting te
Zwolle op den 1sten Augustus 1834. Zwolle, Tijl
Voorhorst, M. ‘De deugd der Weldadigheid’ De maatschappij tot Nut van het Algemeen in Zwolle van
1815-1830. In: Zwols Historisch Jaarboek 1989,
25-57
Vries, Th.J. de (1961). Geschiedenis van Zwolle, dl. II,
Zwolle, Tijl
Wolf, H.C. de (1983). ‘Onderwijs en opvoeding in de
Noordelijke Nederlanden 1795-1813’. In: Algemene
Geschiedenis der Nederlanden, deel 11. Weesp, Fibula Van Dishoeck
www.wieiswieinoverijssel.nl (2014). J. ter Pelkwijk, bestuurder en bevorderaar onderwijs
Noten
1. Luttenberg 58
2. Luttenberg 59
3. Streng (1999) 205
4. wieiswieinoverijssel
5. De Vries 178
6. Bootsma 133-134
7. Luttenberg 73
8. Kloek en Mijnhardt 267
9. Kloek en Mijnhardt 261
10. De Wolf 38
11. Kloek en Mijnhardt 283
12. Kloek en Mijnhardt 285
13. Ten Hove 422
14. Voorhorst 33
15. Luttenberg 44
16. Voorhorst 46
17. Luttenberg 66
18. Hagedoorn en Van der Most (1986) 84
19. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 482
20. Hagedoorn en Van der Most (1986) 86
21. Verslag 1830, pag. xvi
22. Hagedoorn en Van der Most (1987) 3
23. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 486
24. Verslag 1834, pag. 29-30
25. Kruithof 366
26. Bloemhoff
27. Bootsma 134
28. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden
468, 469
29. Verslag 1830, pag. xxxvi
30. Verslag 1841, pag.12
31. Hagedoorn en Van der Most(1987) 8
32. Hagedoorn en Van der Most (1986) 88-91
33. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 487
34. www. kunst-en-cultuur.infonu.nl/biografie
35. Luttenberg 7 en 8
36. Luttenberg 73
37. Luttenberg 70
38. Bootsma 136
39. Bootsma 137
40. Luttenberg 72
41. Streng (1999) 23
ZHT4 2016.indd 16 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 201
Een jeugd in de Vlasakkers, 1942 – 1955
Annèt Bootsma – D van Hulten
e Vlasakkers is een klein straatje in de
Indische Buurt, gelegen tussen de Madurastraat en de hoek Javastraat / Riouwstraat. Oorspronkelijk was het een zijstraat van
de Thomas a Kempisstraat, vanuit de stad gezien
helemaal aan het eind gelegen, schuin tegenover
de ingang van de algemene begraafplaats aan de
Meppelerstraatweg. De aansluiting van de buurt
op de Meppelerstraatweg is eind jaren zestig verlegd, waardoor de Vlasakkers feitelijk een zijstraat
van de Madurastraat werd. Voor het gebied tussen de Meppelerstraatweg en de Nieuwe Vecht,
waarin de Vlasakkers gesitueerd is, werd in 1908
door woningbouwvereniging Openbaar Belang
een vergunning aangevraagd voor de aanleg
van straten, ten behoeve van 79 daar te bouwen
arbeiderswoningen.1 Het vormde het begin van
de Indische buurt, zo genoemd omdat de straten
namen kregen uit Nederlands Oost-Indië. Alleen
het stukje Vlasakkers draagt een afwijkende
naam, het is het laatste restant van de weg die in
de negentiende eeuw van de Meppelerstraatweg
schuin naar de oliemolens aan de Nieuwe Vecht
liep. De benaming ‘Vlasakkers’ is een verwijzing
naar de aanduiding en functie van het gebied voor
er huizen kwamen. De bouw van de volgende
tachtig woningen ging van start in 1921, groepsgewijs per twintig.2
De emerituspredikant Hans Pieter van der Horst
(geb. 1942) bracht zijn jeugd door in de Vlasakkers, waar zijn vader een kleine kruidenierszaak
had. Van der Horst studeerde eerst een aantal
jaren geschiedenis in Utrecht, maar zwaaide toen
om naar theologie, uiteraard uit overtuiging, maar
ook omdat hij meer direct contact met mensen
wilde. Hij was predikant in Friesland en NoordBrabant. Via de recentelijk overleden (december
2016) theologe Hebe Kohlbrugge kwam hij al als
student in contact met de destijds onderdrukte
kerkgemeenschap in Tsjecho-Slowakije. Dit resulteerde in een studietijd theologie in Praag en in
vruchtbare, intensieve en langdurige contacten
met christenen daar, die tot op de dag van vandaag
voortbestaan.
Van der Horst stamt uit een eigenzinnige
Zwolse familie, een volle neef van hem was bijvoorbeeld de (kunst)schilder Jan van der Horst
(1924-2014), die de replica van de Nachtwacht
schilderde die zich in Expo Madrid in Dalfsen
bevindt. In 2012 bracht Hans van der Horst
zijn familiearchief, bestaande uit fotoalbums en
documenten, onder bij het HCO. Naar aanleiding
daarvan sprak ik een aantal keren met hem. Zo
ontvouwde zich het verhaal van een gelukkige
jeugd in een buurt waaraan nog nooit aandacht in
dit tijdschrift is besteed, eenvoudig maar liefdevol, een herkenbaar tijdsdocument uit het sobere
en verzuilde Nederland van vlak na de oorlog.
De Vlasakkers, gesitueerd tussen de Thomas a Kempisstraat
/ Meppelerstraatweg
en de Riouwstraat /
Javastraat. Kaart uit de
jaren vijftig. (Particuliere collectie)
ZHT4 2016.indd 17 11-1-2017 13:39:59
202 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Hieronder volgt zijn relaas, over de laatste molenaar van Zwolle, over zijn Joodse ‘nichtje’, over het
verplichte meewerken als middenstandstelg.
Tuberculose
‘Ik ben geboren op 25 juni 1942, in het Sophia
Ziekenhuis. Mijn ouders waren in november 1940
getrouwd, laat voor hun leeftijd, vader was toen
al 41, moeder 30. Mijn vader was Klaas van der
Horst, geboren op 28 april 1899. Hij kwam uit een
gezin van dertien kinderen, waarvan de helft jong
overleed. Mijn moeder was Hendrikje Schurink,
geboren op 22 juni 1910. Haar roepnaam was
Hennie. Zij kwam ook uit een groot gezin, ze had
zeven broers en zusters. Ik was hun eerste kind.
Mijn broer Jaap werd in oktober 1943 geboren en
mijn zus Anneke in 1946. De P in mijn naam staat
voor Pieter. Mijn volle neef Pieter Reijenga, zoon
van vaders zuster Dina, stierf in 1934 op 17-jarige
leeftijd aan tuberculose. Naar hem ben ik vernoemd. Tbc zat in de familie. Mijn vader had
het ook gehad, hij had daarom in eerste instantie
geaarzeld om kinderen te krijgen.
Mijn grootvader Hendrik van der Horst (geb.
1860) was stoker. Volgens zijn zoon Frits werkte
hij bij de zoutfabriek “In Sale Salus” (in het zout zit
het heil) in de Waterstraat. Zijn oude zakhorloge,
dat hij na twaalf en half jaar dienstverband ontving, is in mijn bezit. Daarin staat gegraveerd
“H. v.d. Horst 1 Nov. 1893 – 1 Mei 1906”.
Mijn vader Klaas had alleen lagere school.
Hij heeft nog gevent met zakjes blauw Reckitt,
daarmee moest hij door heel Overijssel trekken.
Hij werkte eerst bij een sigarenbedrijf aan de Luttekestraat. Daar moest hij sigaren wegbrengen en
dan liep hij achter de tram aan in plaats van mee
te rijden, om een dubbeltje uit te sparen. In 1924
kon hij geld lenen bij de Nederlandse Kruideniers
Bond en begon toen een kruidenierszaakje aan de
Vlasakkers. Aanvankelijk bezorgde hij zelf op de
bakfiets, met een mand er op, de boodschappen.
Dat ging door de hele stad, wel tot Langenholte en
Schelle aan toe.
Mijn vader begon zijn winkeltje op de Vlasakkers nr. 6. Het pand was in bezit van Klaas van
Berkum, de schoonvader van zijn oudste broer Jan
van der Horst. Van Berkum woonde er zelf ook,
op 6a. In 1925 verhuisde hij. Daarop betrokken
mijn vader en grootvader Vlasakkers nr. 6a. Mijn
grootmoeder was al overleden. Grootvader is daar
tot zijn dood, op 23 juni 1940, blijven wonen.
Na een paar jaar kreeg Klaas tbc. Zijn zuster
Martha nam de zaak in die periode voor hem
waar. Hij lag in een sanatorium in Apeldoorn.
Toen hij terug kwam en de draad weer wilde
oppakken, bleken er alleen maar schulden te zijn.
Hij kon weer helemaal van voren af aan beginnen. Toen hij de zaak weer op de rit had, kwam de
oorlog. Ik weet niet hoe mijn ouders het in die tijd
gehad hebben. Ze zijn er met de winkel en twee
baby’s doorgekomen. Klaas had nog wel wat en
alles ging ten slotte door, het hele leven. Dit was
niet het westen van het land, dat scheelde ook.
Krediet
De verkoop in de winkel ging in mijn jeugd allemaal op krediet, er werd met boekjes gewerkt. Er
werd vaak pas betaald als de volgende boodschappen gebracht werden. Sommige mensen betaalden
zelfs pas als het boekje vol was. Mijn vader moest
Klaas van der Horst
(1899-1980) als jonge
man.
ZHT4 2016.indd 18 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 203
dat wel toestaan, bang als hij was om klanten te
verliezen. Hij hielp altijd veel mensen, met levensmiddelen en kredietverlening. Want veel van die
mensen hadden hem geholpen bij de opbouw van
de zaak en die wilde hij niet in de steek laten. Maar
het geld viel soms moeilijk binnen te krijgen. Ik
weet nog dat mijn ouders wel eens zeiden, als die
en die betaalden, dan zouden we lang op vakantie
kunnen. Een keer, ik was een jaar of twaalf, zei
mijn vader voordat ik naar de catechisatie in het
kerkelijk bureau in de Kamperstraat ging, als je
naar dit adres gaat en je krijgt het geld, dan mag je
het houden. Het betrof een gezin in de Javastraat
en het ging om een gulden of zestig, een behoorlijk bedrag in die tijd. Maar ik kreeg de deur voor
mijn neus dichtgesmeten. Dat kon dus flink oplopen met dat kredietsysteem.
Het pand Vlasakkers 6-6a zag er wat vreemd uit.
De voorkant bestond uit een vierkant blok van
twee verdiepingen met een plat dak, daarachter
lag een gedeelte in boerderijvorm. Het zat van
binnen ook ingewikkeld in elkaar. De achterkant
Wat hebben wij vandaag nodig? In het
boodschappenboekje
schreef je niet alleen op
wat je nodig had, maar
er was ook een ideeënlijstje, wat meteen ook
reclame maakte voor
de diverse leveranciers.
Deze mooie kleurenuitvoering dateert uit eind
jaren vijftig.
Vlasakkers 6-6a. Op de
zonnewering staat K vd
Horst, Levensmiddelen.
ZHT4 2016.indd 19 11-1-2017 13:40:00
204 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
van het huis was gewoon een boerderij, inclusief
een hooiberg. Vroeger woonde daar de voerman
D.J. Rietberg. Dat was in mijn kleutertijd nog het
geval. Ik herinner me zijn vrouw nog, die had als
stopwoord “Val d’ömme”. Daarna trok de melkboer, -venter en -rijder Hendrik van den Berg daar
in. Ons gezin woonde naast en boven de winkel en
ook nog gedeeltelijk boven het boerderijgedeelte.
Het was klein. Mijn broertje, zusje en ik sliepen
boven in een kamer met opklapbedden, anders
was er geen ruimte. Daarachter lag de keuken.
De slaapkamer van mijn ouders bevond zich aan
de achterkant, onder het schuine dak. Daar liep
ook nog een trap naar het magazijn beneden, een
houten trap die altijd netjes geboend was, maar
daardoor zo glad dat ik er wel eens naar beneden
gevallen ben. Op een winkeltje op de hoek van
de Sumatrastraat (van ene Banning) en de melkhandel van Van den Berg na, waren wij de enige
winkel in de buurt.
De molen van Marsman
Tegenover ons huis lag korenmolen de Vlijt,
niet te verwarren met die andere korenmolen,
de Beltmolen aan de Thomas a Kempisstraat,
vlak achter de Balistraat. Die was overigens al
afgebroken toen ik geboren werd. Verderop,
langs de Nieuwe Vecht, lagen natuurlijk de
oliemolens van de oliefabriek van Reinders. Wij
hadden het altijd over de molen van Marsman.
Molenaar J. Marsman (geb. 1876) was toen al
op leeftijd en kon het werk nauwelijks meer
aan.3 Als kinderen mochten wij hem op zondag
regelmatig een pannetje soep of vla brengen.
Mijn ouders hebben nog meegeholpen om hem
in 1954 een plaats in het Gereformeerde Rusthuis (tussen het Koewegje en het Blekerswegje)
te verschaffen. Daarmee ging de laatste echte
molenaar in Zwolle met pensioen. De molen
werd verkocht en de nieuwe eigenaar liet hem
in 1955 slopen.
Links: Het echtpaar
Klaas en Hennie van
der Horst-Schurink
(links) voor de winkel
met twee onbekenden.
Rechts: Hans van der
Horst als peuter met
zijn vader en een kennis uit Heino voor de
ingang van de winkel.
Het schuine dak van de
achterkant van het huis
is duidelijk te zien.
ZHT4 2016.indd 20 11-1-2017 13:40:00
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 205
Volksbuurt
Wij speelden met kinderen uit de buurt, zoals de
Java-, Riouw- en Sumatrastraat. Het was een echte
volksbuurt, er woonden arbeiders, lager administratief personeel en kleine handelaartjes. In de
Javastraat woonde een “communist”, die eens het
hele meubilair van een inwonende vrouw uit het
bovenraam op straat kieperde nadat hij haar het
huis uit had gezet. Dat gaf een geweldige oploop in
de straat, het was een echte rel.
Een prachtige plek om te spelen was voor
ons het oude tramstation van de DSM (Dedemsvaartse stoomtramwegmaatschappij), vlak om de
hoek van de Vlasakkers aan de Meppelerstraatweg, recht tegenover de ingang van de algemene
begraafplaats. Na het opheffen kort na de oorlog
van de tramlijn was er een machinefabriekje in het
voormalige stationnetje gevestigd. Ik heb daar nog
eens vastgezeten. Er waren onrechtmatigheden
geconstateerd op het terrein van de voormalige
remise, waar wij graag verstoppertje speelden. In
de veronderstelling dat wij de kwajongens waren
die dat op hun geweten hadden, werd ik in m’n
kraag gevat en naar binnen gesleept. Mijn broertje
Links: Korenmolen de
Vlijt aan de Vlasakkers, beter bekend als
de molen van Marsman. Op de achtergrond zijn de huizen
van de Madurastraat
zichtbaar. (Collectie
HCO)
Rechts: Hans van der
Horst met een onbekende jonge man op
de bok van een van de
wagens van molenaar
Marsman.
Onder: Hans (links) en
Jaap van der Horst met
sjerpen en een vlaggetje op Koninginnedag
1948. De foto is genomen op de Vlasakkers
voor hun huis, richting
Thomas a Kempisstraat
/ Meppelerstraatweg.
Het meisje is Willy van
der Vegte, een vriendinnetje uit de buurt.
ZHT4 2016.indd 21 11-1-2017 13:40:00
206 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
waarschuwde moeder: “Ze hebben Hans meegenomen!” Moeder kwam verhaal halen en kreeg
mij al gauw mee. Bij het weggaan braken mijn
zenuwen en schold ik de man achter het bureau
uit, waarvoor ik van moeder een flinke uitbrander
kreeg. Er waren trouwens wel meer mogelijkheden om te spelen, we woonden in feite aan de rand
van de stad, achter de Bankastraat lag toen nog
niks, alleen weiland tot aan de fabriek van Reinders.
Mijn vader kwam uit een arbeidersfamilie, mijn
moeder uit een middenstandsmilieu. Haar familie kwam oorspronkelijk uit Steenwijk. Mijn opa
Hendrik Schurink (1869-1940) ging als bakkersknecht in Zwolle werken. In 1927 liet hij een
bakkerszaak op de Thomas a Kempisstraat 103
bouwen. Maar omdat hij zwaar diabetes had, deed
hij die in 1933 over aan zijn zoon en diens vrouw.
Dat waren mijn oom Gé en tante Rinie Schurinkde Lange. Zij woonden boven de winkel. Opa
Schurink (1869-1940) en zijn jongste dochter,
mijn moeder, bewoonden de bovenste verdieping.
Schuin daartegenover was het schildersbedrijf
van mijn oom Jan van der Horst (de vader van
de kunstschilder Jan van der Horst) gevestigd, zo
hadden mijn ouders elkaar leren kennen. Mijn
moeder zou de verpleging ingaan, maar kreeg
toen kennis aan mijn vader.
Een veel oudere neef van mij, de zoon van de
oudste zus van mijn moeder, was dominee. Dat
was de eerste die studeerde in de familie, ik was
de derde. Mijn neef Jaap Schurink, ook een stuk
ouder, was de tweede. Hij is dierenarts geworden.
Tijdens de oorlog heeft hij zich als student nog
een keer in de hooiberg van Rietberg, onze achterburen, moeten verstoppen omdat er opeens
Duitsers in de winkel stonden, ze bleken uit te
zijn op flessen slaolie die in de etalage stonden.
Jaap was toen toevallig bij ons. Hij heeft aan
het eind van de oorlog nog voor de Canadezen
gewerkt.
“Ie wörren zeker ok dominee”
Voor de buurt waar we woonden was het wel
bijzonder dat ik na de lagere school naar de middelbare school ging, het christelijk lyceum aan de
Veerallee. “Ie wörren zeker ok dominee, ie gaon
naor ’t Lyceum.” Dat was ik helemaal niet van
plan, ik wou geschiedenisleraar worden. Want
een meneer Vijfhuizen op mijn lagere school,
de christelijke Koningin Emmaschool aan de
Jacob Catsstraat in de Wipstrik, kon schitterende
geschiedenisverhalen vertellen, over bijvoorbeeld
Napoleon en de slag aan de Berezina, ik krijg het
er nog koud van als ik er aan denk. Later op het
lyceum trof ik Jan van Dijl als geschiedenisleraar.
Hij wist alles over de Oranjes en andere vorstenhuizen en kende daar mooie anekdotes over. Hij
heeft zelfs een keer voor groothertogin Charlotte
van Luxemburg
mogen vertellen over voor haar onbekende
familieleden. Van Dijl bracht mij de eerste beginselen van de genealogie bij en leerde mij toneel
spelen. Ik heb veel aan zijn lessen gehad.
Wij liepen met de kinderen uit de buurt via de
Riouwstraat, de Borneostraat, de Vechtbrug en
de Vondelkade naar de lagere school. Ik kan me
nog herinneren dat tijdens de watersnoodramp in
1953 het water bij de Vechtbrug heel hoog stond.
Van de ramp zelf kreeg je eigenlijk nauwelijks
iets mee, maar dat hoge water, dat beeld blijft dan
hangen. Je liep heel wat af in die tijd, mijn beste
vriendjes op school woonden bijvoorbeeld op de
Philosofenallee en de Badhuiswal en daar ging je
lopend heen.
Hans van der Horst
met een parasolletje en
daarachter zijn neef
Jaap Schurink. De foto
is genomen voor het
huis op de Vlasakkers,
richting de Riouwstraat. Links begint de
Javastraat.
ZHT4 2016.indd 22 11-1-2017 13:40:00
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 207
Mijn Joodse “nichtje”
Zo’n zes maanden na mijn geboorte lag er opeens
een baby’tje bij ons op de stoep, een klein meisje
met heel donker haar. Mijn ouders hebben haar
naar het Sophia gebracht en de volgende dag
stond in de krant dat er een blond vondelingetje
gevonden was. Dat klopte niet, maar men vermoedde dat ze Joods was en dat wilden ze niet te
veel benadrukken. Er werden in de tweede helft
van 1942 in Nederland regelmatig Joodse kinderen te vondeling gelegd in de hoop ze zo van vervolging te redden. De Duitsers verordonneerden
begin 1943 dan ook dat iedere vondeling voortaan
als Joods zou worden aangemerkt tot het tegendeel was bewezen.
Mijn oom Frits, die het verhaal van de vondelinge hoorde, is meteen naar het ziekenhuis
gegaan en heeft haar mee kunnen krijgen. Hij en
zijn vrouw Roelie van der Hulst hadden geen kinderen, ze hebben het meisje opgenomen en uiteindelijk opgevoed. Zo werd Hetty, zoals ze genoemd
werd, mijn “nichtje”. Later bleek dat ze inderdaad
Joods was en uit Hengelo kwam en dat de verzetsmensen die haar hadden gebracht eigenlijk
eerst mijn oom en tante Schurink op de Thomas
a Kempisstraat in gedachten hadden gehad om
het kindje neer te leggen. Want ze wisten dat mijn
tante Rinie ook uit Hengelo afkomstig was. Maar
men had de situatie daar niet veilig gevonden en
zo waren ze bij een zus van de bakker, mijn moeder dus, uitgekomen. De ouders en

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2017, Aflevering 4

Door | 2017, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
De Reformatie in Zwolle
Werelden van verschil
34e jaargang 2017 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2017.indd 1 23-1-2018 16:24:10
Suikerhistorie
Café Van Limburg, Van Karnebeekstraat 125
Het pand is in 1909 gebouwd als café in opdracht
van G.W. van Dun, zoon van een horeca-ondernemer, en ontworpen door de bekende Zwolse
Jugendstilarchitect G.G. Post (1877-1928). Het is
het laatste huis in de (toen nog geheten) Deventerstraat vlak bij de Hoge Spoorbrug. Kort na de
oorlog werd de straat omgedoopt in Van Karnebeekstraat, naar jonkheer mr. M.P.M. van Karnebeek, burgemeester van Zwolle tijdens de Tweede
Wereldoorlog.
G.W. van Dun woonde zelf vanaf 1910 op villa
Vijverberg aan de Beukenallee en verhuurde het
café. De pachters, onder meer B. Hoff en S. Zwiers,
komen in de Zwolse adresboeken voor als zetkastelein, koffiehuishouder en verlofhouder. Het
pand stond bekend als het Stations-koffiehuis,
waar op zaterdagavond kon worden gedanst
Op zaterdag 5 december 1936 opende de
nieuwe eigenaar, Engelbertus van Limburg (1877-
1957), het ‘van ouds bekende, geheel naar de
eischen des tijds’ her-ingerichte café. Er waren
volgens de Zwolse Courant prima consumpties te
verkrijgen en het biljart was van een uitstekende
kwaliteit. Zijn zoon Bernardus (1911-1980) volgde hem als eigenaar op. De naam van het pand
was na de oorlog veranderd in café Van Limburg
of Limburgia. De periode Van Limburg werd afgesloten rond 1975. Daarna kon men er pannenkoeken eten. Bovendien bood het onderdak aan de
Chr. HEAO-studentenvereniging Oikos Nomos.
Al geruime tijd is nu in het pand restaurant
La Terra Italiana gevestigd met een uitgebreide
Italiaanse keuken, waar je niet alleen pizza’s en
pasta’s kunt eten maar ook allerlei andere gerechten. Buon appetito.
174 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Het pand van het voormalige café Van Limburg bij de Hoge Spoorbrug, tegenwoordig restaurant La Terra Italiana. (Foto Annèt Bootsma)
ZHT4 2017.indd 2 23-1-2018 16:24:15
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 175
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 174
De Reformatie in Zwolle
Werelden van verschil Jan Bijlsma 176
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 15: Hi-Ha-Happening
Jan van de Wetering 195
Evert en Marie Hartman en hun speelen theetuin Harry Koopman 208
Recent verschenen 219
Auteurs 221
Redactioneel
Vijf eeuwen geleden spijkerde Maarten
Luther zijn 95 stellingen op de deur van
de kapel in Wittenberg. Reden voor het
uitroepen van een herdenkingsjaar: ‘500 jaar
Reformatie’. Het Zwols Historisch Tijdschrift
besteedt in dit laatste nummer van 2017 aandacht
aan de Reformatie in Zwolle. Auteur Jan Bijlsma
schetst een boeiend beeld van de vele vormen die
de Reformatie in vijf eeuwen (en zelfs een beetje
meer) in Zwolle heeft gekregen.
Jan van de Wetering is in zijn tocht door de
jaren zestig inmiddels aangekomen in het jaar
1967. Zwolle droomt van grootse uitbreidingen en
er wordt geducht gesloopt in de binnenstad. Park
de Wezenlanden wordt aangelegd met de hulp
van werklozen die het verboden wordt machines
te gebruiken. Men vreest de moderne jeugdcultuur die in de grote steden in het westen van het
land opkomt. Door het oprichten van clubhuizen
hoopt men alles in goede banen te leiden. Het
verhindert niet dat ook wat Zwolse jeugd zich
buiten de voor hen gebaande paden ging treden.
De eerste Zwolse hippies worden gesignaleerd op
een boot in Frankhuis en bij een happening in het
Engelse Werk.
Hoe anders was de Zwolse jeugd aan het begin
van de twintigste eeuw. Die speelde in speeltuin
Hartman aan de Wipstrikkerallee. Auteur Harry
Koopman, nakomeling van de naamgever van de
speeltuin, vertelt over zijn familiegeschiedenis en
de geschiedenis van speel- en theetuin Hartman.
Geïnspireerd op theetuin Thijssen aan de Willemsvaart begon het echtpaar Hartman in de jaren
tien van de vorige eeuw een soortgelijke uitspanning aan de andere kant van de stad. Diverse zelfgemaakte attracties, versnaperingen en prieeltjes
waren een succesvolle formule voor een goedlopend familiebedrijf .
De redactie wenst u weer veel leesplezier.
Cover: Zwolle begin zeventiende eeuw, gezien
vanaf het Zwartewater. Anoniem. (Collectie
Stedelijk Museum Zwolle)
ZHT4 2017.indd 3 23-1-2018 16:24:16
176 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
I
n 1924 beweerde Albert Hyma, een Amerikaanse protestant met Nederlandse roots,
dat de Moderne Devotie voor het keerpunt
in de Europese geschiedenis heeft gezorgd. Geert
Grote (1340-1384) komt volgens hem de eer toe
de grondlegger te zijn geweest van wat hij de
christelijke renaissance noemt. Hij mag als de
spirituele vader van grote geesten als Thomas a
Kempis, Wessel Gansfort, Erasmus, Hegius, Agricola, Luther, Zwingli, Calvijn en Loyola worden
beschouwd.1 Deventer en Zwolle zouden dus de
bakermat van de Reformatie zijn geweest. Voor de
citymarketing van deze steden zou dat natuurlijk
geweldig zijn geweest. Maar helaas, de vlag kan
binnen blijven. Door de kerkhistoricus R.R. Post
is dit boek eind jaren zestig van de vorige eeuw
grondig gefileerd.2
L.J. Rogier had er eind jaren veertig al op
gewezen dat er vaak op erg simplistische wijze een
relatie tussen de Moderne Devotie en de Reformatie wordt gelegd. Zo van: ‘Geert Grote werkte aan
een hervorming, Luther werkte aan een hervorming; dus werkten beiden aan de hervorming.’3
Er zitten zeker enkele aanrakingspunten tussen Moderne Devotie en Reformatie, maar in de
kern blijft de eerste een echt rooms-katholieke
beweging. De devoten waren trouw aan de paus,
ze waren hartstochtelijke Maria-vereerders, ze
verleenden aflaten, geloofden in de verdiensten
van heiligen en hun tussenkomst bij God en, zoals
de negentiende-eeuwse kerkhistoricus Acqouy
dat formuleert, heeft de beweging ‘nooit de minste
overhelling tot het protestantisme getoond.’4
De brief aan de Romeinen
Niet met de Moderne Devotie maar met Luther
begon de Reformatie. Vaak wordt het publiceren
in 1517 van de 95 stellingen over de aflaatpraktijk
als het begin gezien. Dat is niet helemaal juist.
Naar hij zich later herinnerde, heeft Luther in de
herfst van het jaar 1515 of 1516 zijn fundamenteel
inzicht na intensieve studie en ingespannen peinzen gekregen dat de verhouding tussen God en
mens niet in de sfeer van het straffen en belonen
ligt, maar bepaald wordt door genade. In de brief
van de apostel Paulus aan de Romeinen was hij
getroffen door de zin dat God vrijspraak schenkt
aan allen die in Jezus Christus geloven. God eist
geen goede werken, maar vraagt om persoonlijk
vertrouwen in de vergeving der zonden.
Maarten Luther (1483-1546) was professor
aan de pas opgerichte universiteit van Wittenberg.
Hij was een man die enorm geworsteld had met
zijn geloof. Hij werd een tijdlang volledig in beslag
genomen door de vraag of hij ooit wel gered zou
worden. Als monnik had hij zich met grote ijver
geworpen op alle mogelijke goede werken. Maar
al dat vasten, waken en bidden had voor zijn
De Reformatie in Zwolle
Werelden van verschil
Jan Bijlsma
Maarten Luther met
zijn echtgenote Katharina von Bora in 1529.
Olieverf op paneel
door Lucas Cranach de
Oude. (Internet)
ZHT4 2017.indd 4 23-1-2018 16:24:17
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 177
gevoel geen enkel effect. Hij kwam in een grote
crisis terecht. Hoe heiliger Luther probeerde te
worden, des te meer werd hij zich zijn verlorenheid bewust. Hij vreesde dat God hem voor eeuwig verworpen had. Al die inspanning was dus
zinloos geweest. Hij ging God haten.
Grondige bijbelstudie leidde, zoals gezegd, uiteindelijk tot een verlossend inzicht. Voor Luther
was de consequentie van dit nieuwe inzicht dat
alle kerkelijke praktijken opnieuw vanuit het licht
van het Woord van God in de Bijbel doordacht
moesten worden.
Als we de rooms-katholieke kerk van rond
1500 vergelijken met een imposant gebouw waar
in de loop der tijden van alles verbouwd is en bijgebouwd dan kan Geert Grote gezien worden als
iemand die bouwvallige onderdelen wil slopen en
andere delen restaureren. Luther daarentegen ziet
herbouw op basis van de oude fundamenten als
enige mogelijkheid.
Met Luther breekt een nieuwe fase aan in
het christelijk denken. Niet goede werken, maar
alleen het geloof (sola fide) kan de relatie met God
herstellen. De praktijk om het leven van heiligen
na te volgen, heeft dan ook geen enkele betekenis
meer. Het geloof is dan ook niet een persoonlijke
prestatie, maar de vrucht van genade (sola gratia)
en het enige geschrift dat echt telt is de bijbel (sola
scriptura).
Binnen deze visie is er in het geheel geen ruimte meer voor de aflaat.
Aflaat
Volgens een definitie op de site van de KRO is
een aflaat een kwijtschelding van straffen die de
gelovige in het hiernamaals moet uitboeten.5 Deze
praktijk is in de vroege Middeleeuwen ontstaan
en wordt nog steeds gepraktiseerd. Vergeving van
zonden is duidelijk niet alleen een kwestie van
geloof zoals Luther meende. In de Katholieke Kerk
worden zonden vergeven in het sacrament van de
biecht. Daarmee is de kous nog niet af. Om voor
kwijtschelding in aanmerking te komen, moet
er boete worden gedaan. Men zou bijvoorbeeld
kunnen denken aan deelname aan een bedevaart,
het doen van vrijwilligerswerk of het doneren aan
een goed doel. De aflaat wordt verkregen na de
boetedoening en deelname aan de Heilige Mis en
het ontvangen van de communie en wanneer het
Onzevader is opgezegd en er is gebeden voor de
‘intenties van de paus’. Pas dan krijgt de gelovige
kwijtschelding van de louteringen in het hiernamaals.
Voor Luther vormde de aflaatpraktijk een
bewijs dat er veel mis was in de katholieke kerk.
Om van zijn schulden bij de paus af te komen
kreeg aartsbisschop Albrecht van Mainz van de
paus toestemming om een grote aflaathandel te
organiseren. De helft van de opbrengst mocht hij
voor afbetaling aanwenden, de andere helft zou
voor de bouw van de Sint Pieterskerk bestemd
zijn. Het ergerlijke was dat Albrecht er veel reclame voor maakte. Het zou gaan om een echte ‘aanbieding’. Echt berouw was niet nodig en omdat
de aflaatbrief ook in het stervensuur kon worden
ingelost was hij in de ogen van het volk praktisch
een vrijbrief om te zondigen.6 Dit was niet anders
dan lichtvaardige koophandel met de hemel.
Luther besloot daarom van dit onderwerp een
theologisch dispuut te maken. De 95 stellingen
vormden hiertoe een aanzet.
Simon Corver en Gerardus Listrius
Volgens de negentiende-eeuwse Franse schrijver
Victor Hugo is de uitvinding van de boekdrukkunst de grootste gebeurtenis in de geschiedenis
geweest. Het is de moeder van alle revoluties. Dit
geldt zeker in het geval van de Reformatie. Binnen
enkele weken waren de 95 stellingen van Luther
door heel Duitsland verspreid. De boekdrukkers hebben de kwestie tot een zaak van het volk
gemaakt.
M.E. Kronenberg, die onderzoek heeft gedaan
naar opstandige drukkers in de hervormingstijd,
stelt dat Zwolle destijds een uitstralingscentrum
van grote betekenis is geweest.7 In 1519 vestigde
Simon Corver zich in de stad. Hij noemde zijn
bedrijf Officina Corveriana. Over zijn leven is
nauwelijks iets bekend. In het Latijnse gedicht
Elegia vertelt hij dat hij als kloosterling vanwege
zijn lutherse opvattingen uit Amsterdam verdreven was. Na omzwervingen tot in Rusland toe
komt hij uiteindelijk in bona Suolla (het goede
Zwolle) terecht. Hij is erg enthousiast over de stad.
ZHT4 2017.indd 5 23-1-2018 16:24:17
178 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Waarom hij kort na maart 1523 Zwolle verlaat en
zich in Hamburg vestigt, is niet bekend.8 Bij de
Officina verschenen boeken van Erasmus. Van
Luther verschenen onder andere diens geschrift
over de vrijheid van een christenmens.
Het is niet uitgesloten dat Simon Corver op
verzoek van Gerardus Listrius, de rector van de
Latijnse school, naar Zwolle is gekomen. Gerardus Listrius (Gerrit Lijster) werd in 1490 in Rhenen geboren en was van 1516 tot 1523 rector van
de Zwolse Latijnse school. Het was een man die
toen hij in Zwolle werd aangesteld al een behoorlijke staat van dienst had. Na in Deventer en Leuven te hebben gestudeerd, ging hij naar Bazel,
waar hij met de toen al overal bekende humanist
Desiderius Erasmus kennis maakte. Op diens
verzoek verrichtte Listrius allerlei correctiewerkzaamheden en schreef een commentaar op de
Lof der Zotheid. Eenmaal in Zwolle zag hij het als
zijn taak om de Zwolse jeugd voor de opvattingen van Erasmus enthousiast te maken. Hij stond
in een nauwe betrekking tot de Officina Corveriana. Voor Corver keurde en selecteerde hij de te
drukken boeken. In tegenstelling tot de stedelijke
overheid die er trots op was om een dergelijk
geleerd man in haar stad te hebben, waren de
broeders van het Dominicanenklooster buitengewoon argwanend. Dat Listrius zo enthousiast
het denken van Erasmus propageerde, was hen
een doorn in ’t oog en dat hij ook nog eens goede
contacten onderhield met die ketterse Luther
werd door de broeders als hoogst gevaarlijk
beoordeeld. Het duurde dan ook niet lang of
Listrius werd vanaf de kansel door de prior van
het klooster van ‘lutherije’ beticht. De dominicanen waren geharnaste tegenstanders, maar
Listrius liet zich niet onbetuigd en reageerde in
de tweede helft van 1520 met een opmerkelijke
theologische brief (Epistula theologica adversus
Dominicanos Suollenses) gericht aan de prior.
Afgaande op zijn toon, moet Listrius een strijdbare man zijn geweest:
‘Jij bent hier in Zwolle degene die het eerst de
strijdtrompet geblazen heeft. Jij hebt in je preekjes,
die overigens alleen door vrouwtjes bezocht worden die er toch niets van begrijpen, de zaak van
Luther ter sprake gebracht. Wanneer er iemand is
Een uitgave van een
werk van Listrius door
Corver. Tekst op het
titelblad: Gerardi Listrii
Rhenensis, De figuris
et tropis opusculum.
Onderaan het wapen
van Zwolle. (Internet)
Desiderius Erasmus
(1466/69-1536),
olieverf door Lucas
Cranach de Oude.
(Collectie Boijmans
Van Beuningen)
ZHT4 2017.indd 6 23-1-2018 16:24:18
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 179
die de werken van Luther leest, dan hebben we dat
alleen aan jou te danken, want jij hebt zijn naam
hier bekendgemaakt. Door voor diens geschriften
te waarschuwen en ze te verbieden, heb jij bij allen
de nieuwsgierigheid opgewekt om ze wel te lezen,
want de mens streeft altijd naar het verbodene.’9
In de brief wordt uitgebreid ingegaan op theologische kwesties als de rechtvaardiging door
het geloof, de biecht, de mis en de macht van de
paus. Voor Listrius is de bijbel de enige bron van
waarheid en kan de zondaar alleen gered worden
door het geloof. En het is dit geloof dat de kerk
zou moeten uitdragen. De dominicanen zullen
zich ongetwijfeld diep beledigd hebben gevoeld,
toen Listrius onomwonden stelde dat allen die dit
weigeren te belijden geëxcommuniceerd moeten
worden. Uiteraard bleven de dominicanen bij
hun gelijk en het was uiteindelijk Listrius die het
in Zwolle te heet onder de voeten werd en naar
Amersfoort vertrok. Over zijn verdere levensloop
is niets bekend.
Wat het optreden van Listrius zo interessant
maakt, is dat de gangbare opvatting als dat het
lutheranisme alleen in grote handelscentra als
Antwerpen, Brugge en Amsterdam voet aan de
grond had gekregen, aan herziening toe is. Er
moet in Zwolle een kring van mensen zijn geweest
die open stond voor de nieuwe radicale opvattingen van Luther. De drukkerij van Corver en een
publicatie als Listrius’ Epistola Theologica getuigen
hiervan. Het is de historicus Bart Jan Spruyt die
deze tekst na het nodige speurwerk op basis van
een achttiende-eeuwse editie heeft uitgegeven.
Het zou de moeite waard zijn dat deze tekst middels een vertaling voor een breder publiek toegankelijk wordt gemaakt.
Een schuilkerk aan de Blijmarkt
Het lutheranisme heeft vanaf het begin slechts
een marginale rol in de Nederlandse gewesten
gespeeld. In tegenstelling tot Duitsland en de
Scandinavische landen moest ze het zonder de
steun van de landsheer stellen. Het Habsburgse
gezag dat vanuit Brussel regeerde wist door drastische maatregelen de groei van de ‘secte luteriaen’
te frustreren.
Lutheranen hebben een zeer bescheiden rol
gespeeld in het reformatieproces in de Nederlandse gewesten. Het zijn uiteindelijk de calvinisten
die het karakter van de Reformatie in Nederland
zullen bepalen. Na 1580 deelden zij op kerkelijk
terrein de lakens uit. Het was de lutheranen niet
toegestaan om openlijk hun geloof te belijden. In
Zwolle werd het hun pas in 1649 toegestaan aan
de Blijmarkt een kerk te openen, maar deze werd
kort na de opening op last van de gereformeerde
kerkenraad alweer gesloten. In het jaar daarop
kregen ze zelfs een boete, omdat ze illegaal in het
nieuwe gebouw bijeenkomsten belegden. Pas
sinds 1661 mochten de lutheranen van de stedelijke overheid ‘met ogenluickinge hun religie in
vrijheid uitoefenen’.10
Deze kerk aan de Blijmarkt is aanmerkelijk
bescheidener van opzet dan de tussen 1406 en
1466 gebouwde Sint Michaëlskerk (Grote Kerk)
aan de Grote Markt, met een toren die met zijn
bijna 120 meter de hoogste van Nederland was.
De luthersen hadden zo’n ruimte niet nodig.
Luther had immers afstand genomen van de
rooms-katholieke opvatting dat de kerk het
Lichaam van Christus is. In de Michaëlskerk stond
het altaar centraal. Het altaar waar Christus zich
in de eucharistieviering door het geconsacreerde
brood, de hostie, aan de gelovigen geeft die daardoor met het Mystieke Lichaam van Christus, de
kerk, verenigd worden. Voor Luther stond niet het
De uit 1649 daterende
lutherse kerk, rechts,
aan de Blijmarkt
omstreeks 1910. Links
schouwburg Odeon.
(Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 7 23-1-2018 16:24:18
180 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
altaar centraal, maar de kansel. Vanaf de kansel
werd het Woord verkondigd.
Gemeente zonder vlek of rimpel
In de Zwolse Wolweverstraat staat de doopsgezinde kerk, een kerk die evenals de lutherse kerk
oogluikend werd toegestaan. Het huidige gebouw
stamt uit het midden van de negentiende eeuw.
Het oorspronkelijke, heel bescheiden gebouw was
onopvallend achter een rijtje bestaande huisjes
gebouwd. Net als de lutherse kerk was het een
schuilkerk, dat wil zeggen een kerk die van buiten
niet echt als kerk herkenbaar mocht zijn. In geen
geval mocht het gebouw bij de calvinisten (gereformeerden) ergernis opwekken. Klokgelui was
verboden en gezang mocht buiten niet hoorbaar
zijn.
De doopsgezinde gelovigen die in 1639
het pand betrokken, streefden er naar om een
‘gemeente zonder vlek of rimpel’ te zijn. Ze wilden
terug naar de praktijk van de eerste christengemeente. Ze wilden een heilige kerk zijn en die
intentie moest in daden tot uiting komen. Alles
wat niet in de bijbel stond, moest verwijderd worDe St. Michaëlskerk
(Grote Kerk) met de
destijds hoogste toren
van Nederland, midden
zeventiende eeuw. Tekening door Abraham
Beerstraaten. (Collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
ZHT4 2017.indd 8 23-1-2018 16:24:19
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 181
den. Ze verwierpen daarom de kinderdoop. De
doop was slechts voorbehouden aan mensen die
als volwassenen belijdenis hadden gedaan. Voor
de doopsgezinden vormde de Bergrede (Mattheüs
5-7) de kern van de Bijbel. Op basis van die tekst
weigerden ze een eed af te leggen, een zwaard
te dragen en een functie in het stadsbestuur te
bekleden. In Zwolle respecteerde de magistraat
de weigering van de doopsgezinden om wapens te
dragen. Als vervangende opdracht werd van hen
verwacht een eigen brandspuit te onderhouden
en te bedienen.11 ‘Stillen in den lande’; zo werden
ze vaak genoemd. De uitdrukking is ontleend aan
psalm 35, 20 en duidt op rustige, vreedzame burgers die graag een stil leven zouden leiden en niet
deelnemen aan daden van geweld.
Toch hadden hun doperse geestverwanten
honderd jaar eerder voor een geweldige onrust
weten te zorgen toen in 1533 het bericht de ronde
deed dat in Münster, in Westfalen, het Nieuwe
Jeruzalem uit de hemel zou nederdalen en aan
de wederdopers daar de heerschappij over alle
landen zou geven. De uit Holland afkomstige
Matthijs de Bakker en Jan van Leyden hadden
daar de macht gegrepen en oefenden een waar
schrikbewind uit. Toen een poging van de bisschop om de stad te heroveren op een fiasco
uitliep, werd dat als een groot wonder geduid. Er
werden zendboden naar de Nederlanden gestuurd
met een brief die repte van ‘een groot wonder dat
in Münster had plaatsgevonden’. In dezelfde brief
werden Nederlandse broeders en zusters opgeroepen zich in Genemuiden en bij het Bergklooster
nabij Zwolle te verzamelen om van daaruit naar
de beloofde stad op te trekken.12 Voor het stadsbestuur was het ronduit alarmerend wat er allemaal
gebeurde. Men bleek echter goed op de hoogte te
zijn. Toen er namelijk bij Genemuiden 27 schepen
met strijdlustige wederdopers die goed voorzien
waren van trommels, slagzwaarden, spietsen en
hellebaarden aanmeerden, werden ze opgewacht,
ontwapend en weer naar huis gestuurd. Het bleken vaak simpele zielen te zijn. De leiders werden
gearresteerd en berecht.13
Er was echter ook een grote groep – een
‘untellicke mennichvoldicheit van man, wijf ende
kinder’– die op 24 maart 1534 door stedelijke
troepen bij Bergklooster in de boeien werd geslagen. Uiteindelijk werden alleen de aanvoerders
duchtig aan de tand gevoeld en geëxecuteerd. Hun
lichamen werden in ongewijde grond bij de Sassenpoort begraven.14
De verdreven bisschop stelde ondertussen een
nieuw leger samen en belegerde Münster. In juni
1535 kwam een eind aan het beleg. Twee mannen
wisten op een nacht te ontsnappen en gaven informatie over zwakke plekken in de verdedigingswal.
In de nacht van 24 juni 1535 lanceerden de belegeraars een verrassingsaanval, drongen de stad binnen en wisten het verzet te breken.
Bij de overwinning van de bisschop heeft
Zwolle samen met Deventer en Kampen een,
weliswaar bescheiden, bijdrage geleverd. In de
geschiedenis van het beleg wordt dit namelijk speciaal vermeld. Het gaat dan om de Zwolse ‘slange’,
een soort kanon dat namens de drie steden door
de Zwolse schepen Geert van Yrthe naar het
De doopsgezinde kerk
in de Wolweverstraat 9,
1925. (Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 9 23-1-2018 16:24:19
182 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
strijdperk werd gebracht. Of men daar veel met
het wapen heeft gedaan is nog maar de vraag. Een
hele lading ongebruikte kanonskogels werd geretourneerd.15
Haat tegen het oude geloof
Voor Nederland is het hele proces van hervorming
onlosmakelijk verbonden met de Opstand, de strijd
tegen het Spaanse streven om de Nederlanden
in het Habsburgse Rijk te integreren. Vanaf het
moment in 1566 wanneer Alva door de Spaanse
koning Philips II naar Nederland wordt gestuurd
om orde op zaken te stellen, escaleerde het conflict.
De drijvende kracht achter de Opstand is Willem
van Oranje geweest. Hoewel zijn moeder luthers
was en hij aan het hof van Karel V een katholieke
opvoeding had genoten, was hij er snel achter gekomen dat zijn strijd alleen kans van slagen had als
hij hulp zou krijgen van de calvinisten. Deze calvinisten waren volgens Jan Romein ‘zózeer overtuigd
én van de rechtvaardigheid van hun haat tegen het
oude geloof én van de waarheid van het nieuwe
geloof waarvan hun lippen overliepen, dat alle
vervolging de voortgang daarvan niet alleen kon
stuiten, maar zelfs bevorderen moest.’ 16
Haat tegen het oude geloof. Inderdaad, en de
haat was groot. Het is Johannes Calvijn (1509-
1564) geweest die de basis heeft gelegd voor die
vorm van protestantisme, die het grootst mogelijke contrast met de rooms-katholieke kerk vormde. In het calvinisme vond een grote schoonmaak
plaats. Door het leerstuk van de predestinatie was
er geen enkele basis meer voor de leer der goede
werken. Je was gered of niet. De roomse mis werd
als afgodendienst aan de kant geschoven. De eredienst werd beperkt tot preek, gebed en het zingen
van oudtestamentische psalmen. Beelden, kruisen, kaarsen en altaren werden verwijderd en de
orgels verkocht.
De haat tegen het oude geloof kwam heel duidelijk tot uiting in de Beeldenstorm uit 1566. Een
preek van de predikant Sebastiaan Matte op 10
augustus in het West-Vlaamse Steenvoorde liep
uit op een orgie van vernielzucht. In Mattes preek
zal ongetwijfeld het oudtestamentisch gebod dat
de mens zich ‘geen gesneden beeld’ mag maken
een rol hebben gespeeld. Het waren de leiders van
de calvinisten die mensen uit de onderste bevolkingslagen betaalden om kerkinterieurs te vernielen. De Beeldenstorm was een samengaan van
weloverwogen handelen van overtuigd calvinistische leiders en tot nog toe onderdrukt gebleven
volkssentimenten.17
Voor deze leiders was dit ‘stormen’ van kerken
gelegitimeerd door een beroep op artikel 36 van
de in 1562 verschenen Nederlandse geloofsbelijdenis van Guido de Brès. Artikel 36 gaat over de
overheid. De overheid, zo gaat de tekst, staat niet
alleen voor de taak om acht te geven op de openbare orde maar ‘ook de hand te houden aan de heilige kerkdienst, alle afgoderij en valse godsdienst
te weren en uit te roeien, het rijk van de antichrist
te vernietigen.’ De paus was de antichrist en zijn
kerken bolwerken van afgoderij. Uitroeien daarvan was dus geboden.
De Beeldenstorm raasde als een wervelwind
in noordelijke richting, maar nam, hoe verder die
kwam, af in verwoestende kracht. In Zwolle bleef
het bij een aan diggelen geslagen beeld op een zuil
op het St. Michaëlskerkhof.18 Veertien jaar later
zou echter ook het interieur van die parochiekerk
aan de vernielwoede ten prooi vallen.
Johannes Calvijn
(1509-1564). (Internet)
ZHT4 2017.indd 10 23-1-2018 16:24:19
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 183
Voor Willem van Oranje betekende deze
‘storm’ een grote teleurstelling. Wat hem voor
ogen stond was een brede protestantse kerk naast
de katholieke. Hij beleed een algemeen christendom dat los stond van de verschillende kerken.19
Die gedroomde harmonie was nog ver te zoeken.
Veeleer kwamen door de Opstand protestanten
en katholieken onverzoenlijk tegenover elkaar te
staan. In 1580 liep het in Zwolle finaal uit de hand
en er dreigde even een regelrechte burgeroorlog.
Eenige twijspalt
Dat de harmonie in Zwolle in de zomermaanden
van 1580 verder weg was dan ooit komt duidelijk
aan het licht als een tamelijk onschuldig voorval
tot een enorm conflict met ettelijke doden blijkt te
kunnen escaleren.20
De aanleiding tot de ongeregeldheden was
tamelijk onschuldig. Op 15 juni maakte een
katholieke inwoner een ommetje. Op de markt
werd hem door een viertal gereformeerde stadgenoten de weg versperd. Omstanders gingen zich
er mee bemoeien en er ontstond een vechtpartij.
Om de orde te herstellen kwam de wacht in actie.
De kleine kanonnen die op de markt stonden werden door hen in stelling gebracht en de ruziemakers namen positie in. De gereformeerden bleven
bij de wacht en de katholieken verschansten zich
in de Diezerstraat. Het conflict ontwikkelde zich
tot een heuse strijd. De gereformeerden deden
een beroep op medestanders in Amsterdam om
hulp te bieden. De Amsterdammers riepen op hun
beurt ook Enkhuizen en Hoorn te hulp. Met succes. Op 19 juni staken twee compagnieën van in
totaal 225 man voetvolk uit die steden de IJssel bij
Oldeneel over. Bij de Sassenpoort kwamen ze stad
binnen. Het verzet van de katholieke Spaansgezinden werd nu gebroken. Ook steden als Kampen en
Hattem waren met soldaten en burgers de Zwolse
gereformeerden te hulp geschoten. Voor een
aantal burgers uit Kampen had de poging om de
Zwollenaren te helpen fatale gevolgen gehad. Ter
hoogte van ’s-Heerenbroek waren ze in de armen
van katholieke boeren gelopen. Twaalf Kampenaren werden vermoord. De schermutselingen
binnen de stadsmuren hadden aan gereformeerde
zijde een viertal doden en aan katholieke zijde
een zestal geëist. Er vielen niet alleen doden te
betreuren. Huizen van katholieke burgers werden
geplunderd en ook de St. Michaëlskerk moest het
ontgelden.
‘In de Michaelskerke wierden ook, hetzij in
het begin, hetzij in het einde deser oploop, alle de
beelden gestormd, de autaren ter aarde nedergeworpen en alle cieraden en frajigheden vernielt.
Het pragtige tabernakel van het hoge Autaar,
schoon eenige 1000 cronen waardig, wierdt mede
niet gespaard en geheellijk in stukken geslagen en
verbrijselt.’
Aldus Burchard Joan van Hattum in zijn
geschiedenis van Zwolle.21 Er kan nog aan worden
toegevoegd dat de geuzen op de Grote Markt drie
vuren aanstaken en het kerkelijk goed uit de kerk
verbrandden.
Later, in 1614, toen Zwolle al een protestantse
stad was geworden, moest de sacristie wijken
voor het nieuwe gebouw van de Hoofdwacht.
Met de op de gevel aangebrachte tekst Vigilate et
Orate (waakt en bidt) werd door de magistraat
aangegeven dat de burgerlijke overheid er voor de
publieke zaken van de burgers was en de kerk voor
geestelijke zaken.
De Hoofdwacht met het
voor de scheiding tussen
staat en kerk symbolische opschrift Vigilate
et Orate, waakt en bidt.
Foto uit 1948. (Collectie
HCO)
ZHT4 2017.indd 11 23-1-2018 16:24:20
184 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Gezicht op Zwolle van
over het Zwartewater.
Op de voorgrond twee
geknielde mannen die
tot God smeken: miserere mei Deus, Heer
ontferm U over mij.
1629. (Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 12 23-1-2018 16:24:20
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 185
ZHT4 2017.indd 13 23-1-2018 16:24:21
186 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Weerbarstige praktijk
Het calvinisme heeft de Nederlanden vanuit
Frankrijk veroverd. In Frankrijk waren veel
mensen in de ban geraakt van de opvattingen
van Johannes Calvijn die in 1559 in Genève een
academie had opgericht die tot een internationaal centrum was uitgegroeid. De vorming van
een vroom en strijdbaar geslacht was het doel
van deze instelling. Wat echter voor veel mensen
het meest tot de verbeelding sprak, was de wijze
waarop Calvijn de stad had gereorganiseerd. Hij
had er een theocratie van gemaakt, wat inhield
dat alle terreinen van het maatschappelijk leven
aan de Soevereiniteit Gods onderworpen moesten
worden. Ook de overheid was aan het Woord van
God onderworpen.
Calvijn had in Genève de strijd aangebonden tegen alles wat hij als zedeloosheid zag. Het
bezoek aan herbergen werd verboden. Er stonden
strenge straffen op dansen, kaartspelen, echtbreuk, ontucht, godslastering. Er werd op gelet of
kinderen wel hun ouders gehoorzaamden en of
kerkdiensten niet werden verzuimd. Ouderlingen
hadden elk een eigen wijk en hadden het recht om
elke woning binnen te gaan om te controleren of
de bewoners zich wel aan Gods geboden hielden.
Voor veel calvinistische predikanten was de
Geneefse praktijk een lichtend voorbeeld dat tot
navolging inspireerde. Ook in Zwolle was dat
het geval. Zo verwachtte de kerkenraad van de
burgerlijke overheid medewerking om het maatschappelijk leven te hervormen. Het bestuur ging
hierin ten dele mee. Het was bereid om toe te zien
op het naleven van de zondagsrust en het verbieden van herbergbezoek tijdens de preek.
De kerkenraad kon de magistraat er evenwel niet toe overhalen om een jaarlijks festijn
als de Johannes-bieren af te schaffen. Dit waren
buurtfeesten. De oproep tot matigheid en een
christelijke levenswandel vond weinig gehoor.
De praktijk bleek erg weerbarstig te zijn. Allerlei
gewoonten en gebruiken, vaak eeuwenoud, bleken
moeilijk uit te roeien. In februari 1666 achtte het
stadsbestuur het nog nodig om een plakkaat uit
te vaardigen ‘tegens de insolenties voor dese in de
vastelavontsdage (= Carnaval) met ganse-trecken,
hoender-smiten, mommeriën, sweertdansen en
anders gepleget.’22 Wel was het gelukt om in 1644
een eind te maken aan de St. Nicolaasmarkt op de
huidige Oude Vismarkt, waar men tot ’s avonds
laat koeken, zoetigheden en andere lekkernijen
kon kopen. Sinterklaas was een rooms feest en
daar moest een einde aan worden gemaakt.
Op het punt van de zondagsviering werden
veel overtredingen geconstateerd. De plaatselijke
herberg was een geduchte concurrent. Andere
vormen van vermaak waren: tonnensteken, ganstrekken, papegaaischieten, hanengevechten, danspartijen, kaatsen. Ook de elite werd berispt als er
bij festijnen gedanst werd.
Toch was er een duidelijke tegenstelling tussen predikanten en regenten. Predikanten vonden
conform artikel 36 dat alle andere religies uitgebannen moesten worden. Regenten moesten daar
niets van hebben. Zij neigden op praktische en
politieke gronden tot een beleid van leven en laten
leven. Zij wensten eenvoudig geen onrust.23
Alle arbeid is ter ere Gods
In zijn Geschiedenis van Zwolle geeft Jan ten Hove
een overzicht van het aantal lidmaten van de gereformeerde kerk in 1621.24 Het aantal mensen dat
lidmaat was, dat wil zeggen mensen die belijdenis
hadden gedaan, bedroeg 833. Interessant is de
informatie die Ten Hove over de achtergrond van
deze mensen geeft. Onder de lidmaten bevonden
zich mensen van alle rangen en standen, van welgestelde regenten tot onbemiddelde textielarbeiders. De middengroep van gevestigde ambachtslieden lijkt evenwel het best vertegenwoordigd te
zijn. Wat de beweegredenen van deze mensen is
geweest om zich bij de gereformeerde kerk aan
te sluiten, valt natuurlijk niet meer te achterhalen. Maar dat het calvinisme onder de gevestigde
ambachtslieden aantrekkingskracht heeft, is niet
toevallig. Het calvinisme heeft namelijk een specifieke kijk op beroep en arbeid geïntroduceerd
die bevorderlijk is geweest voor de economische
ontplooiing .
Met andere protestantse richtingen deelt het
calvinisme de opvatting dat de ware vroomheid
niet bestaat uit een vlucht uit de wereld, maar
gezocht moet worden in het alledaagse werk, in
gezin, in beroep, maatschappij, school en staat.
ZHT4 2017.indd 14 23-1-2018 16:24:21
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 187
Uiteindelijk dient alle arbeid verricht te worden
ad majorem dei gloriam, tot meerdere eer en glorie van God. Een mens moet woekeren met zijn
talenten en succes hebben is een teken van uitverkoren zijn. Deze kijk op arbeid met zijn nadruk
op het zakelijke, nuchtere en beheerste sloot naadloos aan bij het opkomend kapitalisme. Van de
ondernemer wordt verwacht dat hij de gemaakte
winst weer in het bedrijf investeert; er goede sier
mee maken is zonde. Verder is belangrijk geweest
dat Calvijn afstand heeft genomen van het in
het canonieke (kerkelijke) recht geformuleerde
verbod om rente te nemen. Volgens hem is er van
een algemeen renteverbod in de bijbel ook geen
sprake. Het rentepercentage mocht echter niet
boven de 5 procent uitkomen. Samenvattend kan
gezegd worden dat door Calvijn aan het menselijk
beroep in het algemeen en aan de handel in het
bijzonder adeldom is gegeven. Het calvinisme
heeft door deze andere visie op arbeid en geld verdienen een stimulerende invloed op de ondernemingszin kunnen uitoefenen. Het is ook zeker een
van de factoren geweest die het ontstaan van het
moderne kapitalisme hebben gestimuleerd.
Een kosmische rangorde
Het protestantisme is verre van een eenheid. Er
zijn lutheranen, doopsgezinden, calvinisten,
remonstranten, christelijk gereformeerden,
Nederlands gereformeerden, en ga zo maar door.
Ondanks alle onderlinge verschillen hebben ze
gemeen hun afstand tot het rooms-katholicisme.
Anders gezegd: het protestantisme heeft radicaal
gebroken met het wereldbeeld dat eeuwenlang,
tot aan de dag van vandaag, aan de basis van de
rooms-katholieke mens- en wereldbeschouwing
heeft gelegen. Anders dan protestantse stromingen gaat het rooms-katholicisme namelijk uit
van het bestaan van een kosmische hiërarchie of
rangorde.
Zwolle begin zeventiende eeuw, gezien vanaf
het Zwartewater. Anoniem. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
ZHT4 2017.indd 15 23-1-2018 16:24:22
188 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Er is een hemelse en er is een aardse hiërarchie. God staat aan de top en is de schepper van
het geheel. De katholieke leer gaat ervan uit dat
de hemelse hiërarchie uit negen engelenkoren
bestaat. Aan de top van de aardse rangorde staat
de paus, die de plaatsvervanger van Christus op
aarde is. Hij is het hoofd van de kerk, van het mystieke lichaam van Christus. De kerk is van bovennatuurlijke oorsprong en heeft bovennatuurlijke
verlossingsmacht.
Anders dan in het protestantisme is de individuele gelovige opgenomen in een bovennatuurlijk
netwerk. Zo heeft ieder mens een persoonlijke
engelbewaarder die volgens de katholieke traditie
door God is aangesteld om de mens te verlichten,
te beschermen, te geleiden en te besturen. Deze
engelbewaarders horen tot de laagste rang van
de hemelse hiërarchie.25 En dan zijn er ook nog
de heiligen die aangeroepen kunnen worden als
voorsprekers bij God. Zij kunnen proberen God
mild te stemmen als een gelovige iets verzoekt.
Ook de kloosters spelen een grote rol in deze
kosmische orde. De kerkhistoricus J.A. Mol
bestempelt de kloosters heel treffend als dienstverlenende instellingen, bij wie men zich kon
verzekeren tegen de risico’s van het hiernamaals.
De monniken en nonnen vormden het spiegelbeeld van de hemelse engelen door met een niet
aflatende cyclus van koordiensten aan God eer te
bewijzen. Zij smeekten voortdurend Gods zegen
af voor de christenheid, zichzelf en hun begunstigers. Door geld en goederen aan het klooster
te doneren konden gebeden worden gefinancierd
om het verblijf in het vagevuur te bekorten. De
gedachte was dat hoe strenger de monniken leefden, des te succesvoller de gebeden zouden zijn.26
Ook de heilige maagd Maria speelt een cruciale rol in dit bovennatuurlijke netwerk. Zij is middelares en mede-verlosseres.
Dat katholieken een andere visie op arbeid
hadden dan lutheranen, doopsgezinden en calvinisten heeft alles te maken met het achterliggende
mens- en wereldbeeld. Voor het rooms-katholieke
denken gold, en geldt, dat hoe hoger iets in de
rangorde stond, hoe dichter dat bij de zuiver geestelijke lichtwereld was. Hoe dichter bij het laagste,
hoe meer materie. Des te hoger in de rangorde,
des te dichter bij God. De hoogste maatschappelijke stand, de geestelijkheid, stond dichter bij
de wereld van de zuivere geest dan de adel, die
op zijn beurt weer in rangorde boven boeren en
ambachtslieden stond. Voor Calvijn gold daarentegen dat elke arbeid uiteindelijk dient tot meerdere eer en glorie van God.
In dit verband mag nog even worden opgemerkt dat de fraters van de Moderne Devotie nog
helemaal binnen de gangbare katholieke kaders
dachten. Elke keer namelijk als zij er in slaagden
een leerling van de Latijnse school af te houden
van een wereldlijke carrière dan waren ze zeer verheugd en dan was het of ze net op tijd een ziel uit
de klauwen van de duivel hadden gered.27
Algemeen priesterschap der gelovigen
In zijn in 1520 gepubliceerd geschrift Aan de
christelijke adel van de Duitse natie over de verbetering van de christelijke samenleving bepleit Luther
een einde te maken aan de tot dan toe geldende
heilshiërarchie. Volgens hem zijn ‘paus of bisschop niet meer dan de geringste priester en deze
is niet meer dan een gewoon christenmens, al
was het vrouw of kind, want ieder die uit de doop
gekropen is, is priester en kan de naaste, die hem
zijn schuld belijdt, in naam van God de zonde
vergeven.’28
Dat er tussen de gelovige en God geen priester
meer staat, heeft er toe geleid dat er binnen het protestantisme een grote nadruk op de persoonlijke
geloofsverantwoordelijkheid kwam te liggen. Het
leidde ook tot andere machtsverhoudingen. De
kerk is dan niet meer het Lichaam van Christus
waarin alle gezag van boven komt en waar Rome
altijd het laatste woord heeft. De kerkvader Augustinus kon in één van zijn preken nog zeggen: Roma
locuta, causa finita (Als Rome gesproken heeft, dan
is de zaak besloten). Voor een protestant is dat vloeken in de kerk. Het is niet het hoofd van de kerk
die beslist, maar de kerk die niets anders is dan ‘de
vergadering der gelovigen’ en binnen die vergadering is een predikant niets anders dan een ‘dienaar
des Woords’. Predikanten worden niet van boven af
aangewezen, maar door de gemeenteleden.
Het afscheid van de katholieke gezagsstructuur had ook een keerzijde: er ontstond een voeZHT4 2017.indd 16 23-1-2018 16:24:22
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 189
dingsbodem voor allerlei scheuringen en afscheidingen. Het begon al in het begin van de zeventiende eeuw met de strijd tussen de ‘rekkelijken’ en
‘preciezen’ over Calvijns leer van de predestinatie.
In de zogenaamde ‘nadere reformatie’ die zich
concentreerde op het innerlijk leven was er kritiek op de lakse praktijk van de publieke kerk. Er
was veel strijd en de door Willem van Oranje zo
gewenste harmonie was ver te zoeken.
Grote scheuringen vonden plaats in de negentiende eeuw. Zo was er de Afscheiding van 1834
en de Doleantie van 1886. In Zwolle getuigen de
Plantagekerk en de Oosterkerk daar nog van. Een
voor veel kerkmensen traumatische ervaring was
de kerkscheuring in 1944, die tot het ontstaan van
de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt zou leiden.
De erfenis van de Reformatie in Zwolle
Hemelsbreed liggen de Plantagekerk aan de Ter
Pelkwijkstraat en de Oosterkerk aan de Bagijnesingel een paar honderd meter van elkaar verwijderd. Het zijn fraaie gebouwen en ze staan op de
monumentenlijst. De Plantagekerk werd in 1875
in gebruik genomen en de Oosterkerk in 1888. De
Plantagekerk is aan de oostzijde op een houten
paalconstructie gefundeerd op de plek waar ooit
de Aa de stad binnen stroomde. Het is zonder
meer een markant gebouw.
De Oosterkerk wordt ook wel de kerk van
de Doleantie genoemd. De doleantie was de
kerkscheuring die in 1886 had plaats gevonden
onder leiding van dominee Abraham Kuyper.
De Plantagekerk was de kerk van de christelijk
gereformeerden, die een combinatie waren van
twee groeperingen die na de Afscheiding uit 1834
waren ontstaan. Nadat in 1892 de christelijk gereformeerden met de Nederduitsch gereformeerden
van Kuyper herenigd waren, werd de PlantageDe Plantagekerk aan
de Ter Pelwijkstraat,
1976. (Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 17 23-1-2018 16:24:23
190 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
kerk heel prozaïsch Gereformeerde Kerk A en
de Oosterkerk Gereformeerde Kerk B genoemd.
Niet iedereen was even content met dit huwelijk.
In 1895 blies een kleine groep nieuw leven in de
christelijk gereformeerde kerk. Ze vestigden zich
aan de Thorbeckegracht, in de Noorderkerk, ook
wel klumpieskerk genoemd.
Plantagekerk en Oosterkerk gingen weer uit
elkaar toen in 1944 de Kampense hoogleraar
Klaas Schilder met zijn ‘Vrijmaking’ de relatie met
de gereformeerde kerk verbrak. Het ging inhoudelijk om de visie op het leerstuk van de predestinatie, waarover in de zeventiende eeuw remonstranten en contraremonstranten ook al strijd hadden
geleverd. Onenigheid over de te volgen procedure
om tot een oplossing te komen heeft eveneens
bijgedragen tot een escalatie van het conflict. De
scheuring liep dwars door families heen. Van de
ene op de andere dag konden mensen diametraal
tegenover elkaar komen te staan.
De relatie tussen de nieuwe Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerk verhardde doordat de vrijgemaakten zich als de enige
legitieme voortzetting van de gereformeerde kerk
beschouwden.29 De vrijgemaakten wilden van
geen enkel compromis iets weten. Zij vormden de
ware kerk. Wie naar de Oosterkerk ging, ging naar
de valse kerk en betrad daar het voorportaal naar
de hel. Heil of hel, daar ging het om.30
In de Plantagekerk en al die andere vrijgemaakte kerken ontstond de roep om een zogenaamde ‘doorgaande reformatie’. De vrijgemaakten kregen een eigen krant, het Nederlands Dagblad, en een eigen politieke partij, het GPV, het
Gereformeerd Politiek Verbond. In het jaar 2000
besloot het GPV om samen met de Reformatorische Politieke Federatie (RPF) verder te gaan als
ChristenUnie. Verder werden er tal van gereformeerde scholen opgericht, zoals in 1959 in Zwolse
het Greijdanus College dat tegenwoordig ook
vestigingen in Hardenberg, Meppel en Enschede
heeft. Kars Veling en Arie Slob, oud-fractievoorzitters van de ChristenUnie, zijn beiden werkzaam
geweest op het Greijdanus College.
De Oosterkerk aan de
Bagijnesingel. (Collectie
HCO)
ZHT4 2017.indd 18 23-1-2018 16:24:25
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 191
Nederlands Gereformeerd en
Gereformeerde Kerk Hersteld
Het duurde niet lang of er kwam verzet tegen de
gedachte dat de vrijgemaakten de enige ware kerk
vormden en dat elke vorm van samenwerking met
leden van andere kerken in scholen en politieke
partijen werd uitgesloten. In een Open Brief van
25 kerkleden werd in het midden van de jaren zestig kritiek geleverd op het wantrouwen tegen alles
wat van buiten de eigen kring kwam. Wat volgde
was een grootscheepse zuivering, wat er toe leidde
dat tal van kerken buiten het kerkverband kwamen te staan (de Vrijgemaakten buiten Verband).
In 1979 ging deze groep verder onder de naam
Nederlands Gereformeerde Kerken. ‘Opnieuw
,’aldus Agnes Amelink in haar boek over de gereformeerden, ‘was door een kleine gemeenschap
een spoor van tranen getrokken, met verbroken
vriendschap, gescheurde familiebanden en psychisch gebroken mensen.’31
Kenmerkend voor de Nederlands gereformeerden was de ruimte die gegeven werd aan een
evangelische geloofsbeleving met groeiende aandacht voor het werk van de Heilige Geest. De bijeenkomsten werden gehouden in de Zuiderkerk.
Het wordt een beetje eentonig, maar in 1983
kwam het tot een breuk in de Nederlands Gereformeerde Kerk, en wel in Zwolle. Er zijn weliswaar
allerlei pogingen ondernomen om de breuk te
herstellen. Er zijn verzoeningsvergaderingen
geweest, men erkent dat de naam van Christus
geschaad is, maar toch zijn er in Zwolle nog
steeds twee Nederlands gereformeerde kerken. De
ene groep komt bijeen in de Zuiderkerk, Zwolle II
houdt tot op heden haar diensten in het Carolus
Clusius College in de Veeralleebuurt.
En dan heeft er in de gereformeerde kerk vrijgemaakt in 2003 nog een scheuring plaatsgevonden. Deze ‘malcontenten’ waren van mening dat
de vrijgemaakten ruimte boden aan een ‘onschriftuurlijke leer’. Gods woord zou daar niet veilig
zijn en bovendien zouden daar vrouwen worden
toegelaten tot het ambt.. Binnen dit nieuwe kerkverband ging het ook niet van een leien dakje. In
december 2009 wist het Reformatorisch Dagblad
te melden dat er grote onrust was binnen de
Gereformeerde Kerken Hersteld. Er waren weer
ambtsdragers geschorst. De groep gereformeerden hersteld houdt zijn diensten in kerkgebouw
De Hoeksteen in de Aa-landen.
Het algemeen priesterschap der gelovigen
heeft duidelijk een keerzijde.
God in Zwolle
Getuige het onderzoek God in Nederland uit 2016
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
gaat het proces van ontkerkelijking in Nederland
gestaag verder.32 Iets meer dan de helft van de Nederlanders is geen lid meer van een kerkelijke groepering. Het aantal mensen dat nooit de kerk bezoekt
is gestegen van 47 procent in 2006 tot 59 procent in
2016. Er is sprake van minder geloof, ook binnen de
kerk. Traditionele christelijke geloofsvoorstellingen
en uitingsvormen verliezen terrein. Ruim 45 procent
van de bevolking weet niet dat Pasen een christelijke
feestdag is. De meeste Nederlanders associëren
Pasen met eitjes en chocola.
Als we de cijfers van het CBS wat nader bekijken, dan blijkt dat het kerkbezoek in Zwolle nog
tamelijk hoog is. 22 procent van de bevolking hier
brengt ’s zondags een bezoek aan een kerk tegen
een landelijk percentage van 16,9.
De Zuiderkerk aan de
Zuiderkerkstraat. (Foto
De Koning, collectie
HCO)
ZHT4 2017.indd 19 23-1-2018 16:24:25
192 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Voor katholiek Nederland zijn de resultaten
opmerkelijk. Nog maar 13 procent gelooft in het
bestaan van een hemel en 17 procent in een persoonlijke God. Paus Franciscus wordt overigens
wel als iemand met een inspirerende boodschap
beschouwd. Dat veel katholieken hun eigen
kerk nog als het Mystieke Lichaam van Christus
beschouwen, lijkt dan ook hoogst onwaarschijnlijk.
Binnen protestantse kerken is de secularisatie
minder sterk. Voor Zwolle geldt dat bijna 25 procent van de bevolking tot een protestants kerkelijke
richting (Nederlands hervormd, gereformeerd,
PKN) behoort. Vooral het hoge percentage gereformeerden is opvallend; 8,9 procent tegen 3 procent
landelijk. Ook in de politieke verhoudingen zien
we dit terug. Met acht zetels is de ChristenUnie
de grootste fractie in de Zwolse raad. In enigszins
omfloerste bewoordingen heeft de ChristenUnie
afstand genomen tot het beruchte artikel 36 van de
Nederlandse Geloofsbelijdenis, om daarmee ook
voor katholieken aantrekkelijk te kunnen zijn.33
Dat aan de traditie van de zondagsheiliging
nog altijd veel waarde wordt gehecht, bleek toen
in 2002 Kars Veling dit onderwerp in een tv-programma aan de orde stelde. Volgens Veling, van
1988 tot 2002 verbonden aan het Greijdanus College in Zwolle en lijsttrekker voor de pas opgerichte ChristenUnie, moest je mensen die ’s zondags
een ijsje eten niet de maat nemen. Bij een groot
deel van de achterban viel dit verkeerd. Op zondag
hoort geen ijs te worden verkocht. Alle commotie
zou er uiteindelijk toe leiden dat Veling de politiek
vaarwel zei en in 2003 rector van het openbare
Johan de Wittcollege in Den Haag werd.
Veling is overigens ook jarenlang verbonden
geweest aan de Gereformeerde Sociale Academie
te Zwolle, de voorloper van de huidige Hogeschool Viaa aan de Grasdorpstraat die het altijd zo
goed doet in de landelijke rankings.
Ook genoemd mag worden de stichting Present dat als een initiatief van de Christelijk Gereformeerde Kerk in Zwolle is uitgegroeid tot een
indrukwekkende vrijwilligersorganisatie.
Hoewel protestantse groeperingen een belangrijk stempel op de Zwolse samenleving drukken,
is Zwolle niet te vergelijken met nabijgelegen
gemeenten op de Veluwe waar raadsvergaderingen nog met een ambtsgebed geopend worden en
strikt wordt vastgehouden aan de zondagsrust. In
Zwolle vormen de koopzondagen geen probleem
en verder wordt in het protestantse Zwolle uitbundig carnaval gevierd en wordt sinds 2007 op 15
augustus ter gelegenheid van Maria Hemelvaart
een processie rond de Onze Lieve Vrouwebasiliek
gehouden.
Van St. Michaëlskerk tot Academiehuis
Ook in Zwolle is het kerkbezoek de laatste
decennia drastisch terug gelopen wat kerkbesturen er toe dwong kerkgebouwen af te stoten.
Sinds enkele jaren wordt de Grote of St. Michaëlskerk niet meer voor zondagse vieringen
gebruikt en heeft nu een andere functie gekregen. De kerk is nu Academiehuis geworden. Het
is, aldus de fraai vormgegeven site, ‘een plek om
te leren en te innoveren. Om te luisteren en te
kijken. Om te ontdekken en te verwonderen
en jezelf te verrijken. Het Academiehuis biedt
plaats aan vernieuwing en verinnerlijking van
Kars Veling (Internet) jong en oud.’
ZHT4 2017.indd 20 23-1-2018 16:24:25
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 193
Afgaande op de programmering voor het najaar
van 2017 is er ruimte voor een breed scala aan activiteiten. Kunstenaars exposeren er hun werk, er
worden cantates van Bach uitgevoerd en een boeddhistische monnik denkt samen met de stadspastor
na over het thema geluk. Er valt dus veel te kijken, te
luisteren en te leren. De vraag dient zich echter aan
of je van een academiehuis ook niet mag verwachten
dat er ruimte zal zijn voor onderzoeken en discussiëren – toch de kernactiviteiten van een academie.
Grote Kerk: Academiehuis. (Foto Elske
Bootsma)
ZHT4 2017.indd 21 23-1-2018 16:24:29
194 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Aan onderwerpen geen gebrek. Denk maar
aan het vraagstuk van de vrije wil. In tegenstelling
tot Luther dachten rooms-katholieke theologen
dat de mens een vrije wil heeft. Ze waren niet de
eersten die over deze kwestie de degens kruisten
en ook niet de laatsten. Het is ook niet louter een
theologisch en wijsgerig probleem. Denk maar
aan neurowetenschappers als Victor Lamme en
Dick Swaab die stellen dat ons brein bepaalt wat
we doen en de reacties die dat weer losmaakt. Het
zijn vragen die ertoe doen.
Literatuur
Ameling, A. (2002), De gereformeerden. Amsterdam:
Bert Bakker
Berkhof, H. en O.J. de Jong (1967), Geschiedenis der
kerk. Nijkerk: Callenbach
Elte, S. (1936), ‘Godsdienstige conflicten in Zwolle in
het tijdvak van 1530-1580’, in: VMORG 52, p.1-70
Engen, J. van (2008), Sisters and Brothers of the Common Life. The devotio Moderna and the World of
the Later Middle Ages. Pennsylvania: University of
Pennsylvania Press
Groenveld, S. en H.L.Ph. Leeuwenberg (2008), De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650). Zutphen: Walburg Pers
Groenveld, S., J.P. Jacobszn, S. L. Verheus (1993).
Wederdopers, menisten, doopsgezinden. Zutphen:
Walburg Pers
Hansen, M.L. ‘Het oproer te Zwolle in 1580’, in: Zwols
Historisch Tijdschrift 13 (1996) p.48-53
Heussi, K. (1971), Dreizehnte Auflage. Kompendium
der Kirchengeschichte. Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul
Siebeck)
Hove, J. ten (2005), Geschiedenis van Zwolle. Zwolle:
Waanders
Hyma, A. (1924), The Christian Renaissance. Grand Rapids: The Reformed Press
Kronenberg, M.E. (1948), Verboden boeken en opstandige drukkers in de Hervormingstijd. Amsterdam:
P.N. van Kampen en Zn
Mol, J.A., ‘Bemiddelaars voor het hiernamaals. Kloosterlingen in middeleeuws Frisia’, in: E. Knol, J.M.M.
Hermans e.a. (red.), Hel en hemel. De Middeleeuwen
in het Noorden. Catalogus van de tentoonstelling in
het Groninger Museum 13 april-2 september (Groningen, 2001), 152-164
Panhuysen, L. (2000), De beloofde stad. Opkomst en
ondergang van het koninkrijk der wederdopers. Amsterdam/ Antwerpen: Atlas
Post, R.R. (1968), The Modern Devotion. Leiden: E. J. Brill
Rogier, L.J. (1947), Geschiedenis van het katholicisme
in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw (2 dln).
Amsterdam Urbi et Orbi
Romein, J. en A. (1973, vijfde, geheel herziene druk), De
lage landen bij de zee. Amsterdam: Em. Querido’s
uitgeverij
Spruyt, B.J. (1998). Listrius (Lyster), Gerardus (Geryt)
1485-1522) In: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme. Deel 4, p.316
Noten
1. Hyma 5
2. Post 16-17
3. Rogier I, 105
4. Acquoy II, 268
5. https://www.kro.nl/katholiek/abc/aflaat
6. Berkhof 142
7. Kronenberg 70
8. Ten Hove 229
9. Spruyt 316
10. Ten Hove 279
11. Ten Hove 342
12. Panhuysen 169
13. Elte 19
14. Elte 21
15. Elte 26
16. Romein 310
17. Groenveld e.a. 82
18. Elte 47
19. Groenveld e.a. 93
20. Hansen 48-53
21. Elte 70
22. Ten Hove 274
23. Groenveld e.a. 185
24. Ten Hove 276
25. https//www.kro.nl/katholiek/abc/engelen
26. Mol 156
27. Van Engen 278
28. www. Digibron
29. Amelink 197
30. Amelink 199
31. Amelink 203
32. http://www.cbs.nl/nl.nl/publicatie/2016/51
33. Bespreking Notitie Uniefundering. https:/www.
christenunie.nl/library
ZHT4 2017.indd 22 23-1-2018 16:24:29
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 195
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 15: Hi-Ha-Happening
Jan van de Wetering (70) verplaatst zich vijftig jaar
terug in de tijd. Hij laat zich verrassen door wat hij
in de kolommen van de Zwolse Courant tegenkomt
over de stad van zijn jeugd. Het is het jaar 1967.
Met hun lied ‘All you need is love’ brandmerken
The Beatles met slechts één toverwoord – Love –
een geheel tijdperk, al wist niemand toen nog wat
daaronder verstaan moest worden. Er was maar
één ding zeker: er hing verandering in de lucht.
Een kleine groep Zwolse jongeren begon zich af
te zetten tegen de gezeten burgerij, waarbij ze het
gedrag imiteerden van hun leeftijdsgenoten uit het
Amsterdam dat al gauw het zelfbenoemde ‘magisch
centrum van de wereld’ zou worden.
Voetje voor voetje trad Zwolle in het spoor
van de nieuwe tijd die in Amsterdam en
de andere grote steden allang was begonnen – uitgebroken moeten we misschien zeggen.
Er ging geen week voorbij of de Zwollenaren
zagen met woede, verbazing en nieuwsgierigheid
naar wat de jongeren in de grote steden nu weer
hadden bedacht om zand in de machine van de
overheid te strooien. Het leek op een virus. Een
jaar eerder, in 1966, lieten de eerste Zwolse provo’s
van zich horen, maar die zongen wel een toontje
lager dan in de hoofdstad. Heel beschaafd namen
ze deel aan een discussie met de kloosterlingen
van het Dominicanenklooster. Datzelfde jaar
probeerden aanhangers van de PSP een optreden
van de Nederlandse Luchtmachtkapel te verstoren
omdat ze vonden dat ‘militaire muziekkorpsen
oneerlijke instellingen zijn, die ter opluistering
dienen van een in wezen ontluisterend apparaat.’
De woorden waren wat dreigender dan de middelen: een bootje met een protestspandoek in de
Zwolse grachten.1
De vraag is in hoeverre de berichten in de Zwolse
Courant uit die tijd een maatstaf zijn voor wat zich
werkelijk in de stad afspeelde. De Zwollenaren die
het beeld zouden bepalen van wat we tegenwoordig
‘de jaren zestig’ noemen, waren in 1967 twintigers.
Dat waren niet de journalisten die dag in dag uit de
kolommen van de krant vulden. De vooroorlogse
generatie had het roer nog stevig in handen. Hooguit
hadden de babyboomers het in die tijd geschopt tot
leerling-journalist. De oudere generaties bepaalden het beeld van een stad in verandering. Door
de gekleurde bril van de journalisten uit die tijd
én de hedendaagse gekleurde bril van mij, leest u
achtereenvolgens over twee verschillende soorten
veranderingen in 1967: een materiële, de stedenbouwkundige veranderingen; en een immateriële, de
verandering van de tijdgeest.
Dromen van Groot Zwolle
Zwolle maakte stedenbouwkundig gezien schoon
schip met het verleden. Verwaarloosde huizen uit
sloppenbuurten werden gesloopt, de binnenstad
verloor voor een groot deel zijn woonfunctie, de
oude infrastructuur uit de tijd dat auto’s nog van
marginaal belang waren, maakte plaats voor autovriendelijke aanpassingen. En niet te vergeten:
er moest ruimte gemaakt worden voor industrie,
want Zwolle moest groot worden, heel groot zelfs.
Zwolse nieuwigheden
– Twee Staphorster boerinnen kregen een parkeerbon op de Nieuwe Markt.
Ze hadden de daar pas geplaatste parkeermeter aangezien voor een weegschaal.
– ‘Computer is ongelooflijk stom apparaat’ zette de Zwolse Courant boven
het verslag van een lezing van een ingenieur van het Philips Rekencentrum
voor de afdeling Zwolle van de Volksuniversiteit. Daar dacht de krant een
paar maanden later anders over toen de uitslagen van de Zwolse gemeenteraadsverkiezingen razendsnel door een computer werden verwerkt.
Jan van de Wetering
ZHT4 2017.indd 23 23-1-2018 16:24:29
196 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
In zijn nieuwjaarstoespraak herhaalde burgemeester Roelen nog eens zijn plannen voor wat
de beleidsmakers ‘Groot Zwolle’ noemden. Door
de opheffing van Zwollerkerspel (per 1 augustus
1967) kon Zwolle naar alle kanten uitbreiden,
vooral met de vestiging van nieuwe industrieën.
Wel merkte Roelen wat beteuterd op dat de
gehoopte nieuwe vestigingen van buitenlandse
bedrijven (in navolging van Scania) waren uitgebleven.2 De Zwolse gemeenteambtenaren dachten
met hun burgemeester mee. Eén van hen had al
een slogan bedacht voor advertenties om industrieën over te halen zich in Zwolle te vestigen:
‘Ruimer dan de randstad is de Zwolse stadsrand’.3
Het idee van Groot Zwolle bleef in de kringen
van het gemeentebestuur rondzingen. Tijdens een
bijeenkomst voor het plaatselijke bedrijfsleven in
november benadrukte burgemeester Roelen dat
Zwolle alles in zich had om uit te groeien tot een
stad van een kwart miljoen inwoners. Tijdens de
bijeenkomst ging ir. Krijtenburg van Openbare
Werken in op de ruimtelijke aspecten van de
uitbreiding van Zwolle. Hij achtte een concentrische uitbouw mogelijk, die echter gevolgd moest
worden door lineaire uitbouw, ‘om de stad – wil
zij contact houden met de natuur – niet een steenmassa te laten worden.’ Zijn, in eigen woorden,
‘futuristische ideeën’ voorzagen in 26.000 woningen langs de Vecht en een groot aantal woningen
langs de bestaande spoorlijnen. Alleen al langs
de spoorlijn naar Almelo kon ruimte gemaakt
Burgemeester Roelen
presenteert op 11 oktober het Structuurplan
voor een groot Zwolle.
(Collectie HCO)
Het nieuwe Zwolle: de gemeentegrenzen na de opheffing van Zwollerkerspel.
Het besluit om de gemeente Zwollerkerspel op te heffen werd op 7 maart 1967
goedgekeurd door de Eerste Kamer. Op 8 maart kwam de Zwolse Courant met
een extra editie, waar onder meer de vergroting van het grondgebied van de
gemeente Zwolle uitvoerig belicht werd.
ZHT4 2017.indd 24 23-1-2018 16:24:31
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 197
worden voor 36.000 woningen volgens Krijtenburg.4 Ja, futuristisch waren deze ideeën zeker, of
moeten we eerder zeggen utopisch: Zwolle had in
1967 nog maar net de 60.000ste inwoner mogen
begroeten, al zou dat aantal door de opheffing van
Zwollerkerspel al gauw stijgen tot 73.000.5
Vijftig jaar terug in de tijd
De bespiegelingen over een Groot Zwolle strookten niet altijd met de aanpak van de gemeente in
het hier en nu. In de winter van 1965/1966 waren
werkloze arbeiders verplicht tewerkgesteld voor
de aanleg van park de Wezenlanden.6 Dat ging
maandenlang door tot er vileine artikelen over
dit door het ministerie van Volkshuisvesting
gesubsidieerde project in de landelijke dagbladen verschenen. De arbeidsomstandigheden in
Zwolle waren volgens het Nederlands Katholiek
Vakverbond onnodig zwaar. Een verslaggever
van de Zwolse Courant stapte er op af en wond er
geen doekjes om: ‘Wie het park De Wezenlanden in aanleg betreedt, stapt vijftig jaar in de tijd
terug.’ De ongeveer honderd arbeiders moesten
er werken met de schop, de kruiwagen en een met
handkracht voortgeduwde kiepkar. En dat, stelde
de verslaggever vast, ‘terwijl binnen een straal van
enkele kilometers vele draglines werkloos en renteloos staan te verroesten. (…) Niemand zal het in
zijn hoofd halen om een plafond te witten met een
tandenborstel als er een flinke kwast binnen zijn
bereik ligt.’ De arbeiders kwamen niet alleen uit
Zwolle en Zwollerkerspel, maar ook uit plaatsen
als Staphorst en Nieuwleusen. De meesten van
hen waren twaalf uur per dag van huis voor een
loon dat nauwelijks meer was dan hun uitkering
van de Werkloosheidswet.
Vooral het niet benutten van beschikbare
machines stak de verslaggever. ‘Als het Ministerie machines laat roesten, laat het ook daarin
gestolde arbeid roesten.’ Of deze verwijzing naar
het gedachtegoed van Karl Marx – dat in de jaren
zestig in linkse kringen weer grote populariteit
genoot – het Zwolse gemeentebestuur over de
streep heeft getrokken is niet bekend, maar zeker
is dat de met de hand voortgeduwde kiepkarretjes al enkele dagen later werden vervangen door
diesel-locomotiefjes. Dat was een waagstuk, want
De laatste stalhouder van Zwolle
Jaar na jaar verdween het Zwolle van weleer. Op 3 april 1967 maakte de
Zwolse Courant melding van het overlijden van een Zwols monument:
Gait Mulder. Wie kende hem niet? Gait Mulder werd in 1893 geboren in de
stalhouderij annex café ‘Het zwarte Paard’ aan de Thomas a Kempisstraat
van zijn ouders. In 1919 opende hij een eigen stalhouderij aan het Diezerplein nr. 4, die hij (vermoedelijk in 1922) kon uitbreiden door de aankoop
van een oude herenstal van baron Van Pallandt aan het Klein Grachtje.
‘Met de dood van “Gait” Mulder is een kleurrijke figuur heengegaan.
Sinds 1919 reed hij duizenden paartjes naar het stadhuis in zijn door
schimmels getrokken bruidskoets, de zweep met bloemen versierd, zelf
een grote bloem in het knoopsgat dragend. Hij was ongetwijfeld één van
de bekendste figuren, zeker tot in 1956 zijn stalhouderij werd opgeheven.
Dagelijks zag men zijn imposante gestalte – 265 pond – op de bok, niet zelden een vierspan of een zesspan mennend.’
Gait Mulder.
(Collectie HCO)
Artikel in de Zwolse Courant van 1 februari 1967.
ZHT4 2017.indd 25 23-1-2018 16:24:33
198 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
het ministerie had gedreigd de subsidie in te trekken: afspraak was dat het werk voor 80 procent
met de hand gedaan zou worden en 20 procent
machinaal. In oktober ging het ministerie na een
dringend verzoek van de gemeente Zwolle door de
bocht. De verdeling van menskracht en machines
voor de aanleg van park de Wezenlanden werd
omgekeerd: het werd nu 80 procent machines
en 20 procent mankracht (de tijd van het woord
‘menskracht’ was nog niet aangebroken).7
Zwollenaren tussen het puin
Zwolle hield de vaart erin met het opruimen van
oude gebouwen in de binnenstad en de oude wijken daarom

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2009, Aflevering 4

Door | 2009, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Wim Huijsmans
Suikerhistorie

Snackcorner Norp. (Foto Jan van de Wetering)
Banketbakkerij / Tearoom A. Norp
In een nummer dat in het teken staat van de jarige Sassenpoort mag een suikerzakje met die poort erop natuurlijk niet ontbreken. Vlakbij de Sassen-poort aan de Burgemeester Van Roijensingel 24 is snackcorner Norp al ruim een halve eeuw geves­tigd. In dit pand, zo rond 1890 in neorenaissance stijl opgetrokken en voorzien van een tuitgevel, begon A. Norp op 1 januari 1952 een banketbak­kerszaak, kokerij en automatiek. Het pand was op een gunstig punt gelegen. Er was veel klandizie. In 1953 kon de zaak daarom al in een nieuw jasje gestoken worden. Drie jaar later breidde Norp zijn zaak verder uit. Hij kocht het naast gelegen pand (nr. 23). Daarin kwam een tearoom die in september 1956 werd geopend. De tearoom was volgens de krant smaakvol ingericht met modern meubilair. En men zat ‘uiteraard zeer dichtbij het gebak’.
Het fenomeen tearoom was voor Zwolle nieuw. De tearoom werd vooral door dames bezocht voor een lekker kopje thee en een heerlijk gebakje. Wim Sonneveld heeft de tearoom onsterfelijk gemaakt met zijn tragikomische Tearoom Tango, waarin hij bezingt hoe hij zich ‘belazerd’ voelt. Het lied eindigt met de onvergetelijke woorden: ‘Deze dame hier, ober, wil nou even alles afrekenen.’ Of Norp ook van deze gasten gehad heeft, vermeldt de historie niet.
Na het overlijden van Norp sr. in 1960 zette
A. Norp jr. het bedrijf voort. De tearoom annex lunchroom werd in 1972 opgeheven. De activitei­ten vonden van toen af aan alleen nog maar in nr. 24 plaats. Het bedrijf ging met zijn tijd mee. Norp is in Zwolle nog altijd een begrip. Zoals de Sas­senpoort om haar schoonheid wordt geroemd, zo worden de kroketten van snackcorner Norp wijd en zijd geroemd.

Redactioneel Inhoud

De Sassenpoort is, naast de Peperbus, nog altijd gezichtsbepalend voor Zwolle.
In 2009 werd het 600-jarig bestaan van deze enig overgebleven stadspoort herdacht. Jan van de Wetering beschrijft in dit nummer niet alleen de geschiedenis van de poort zelf, maar ook wat er zich zo al in en om de poort in de loop van de eeuwen heeft afgespeeld. In de tweede helft van de vijftiende eeuw heeft Wolf van Ittersum er ‘vrij­willig’ gevangen gezeten, en zo’n vijftig jaar later zat Karel van Gelre er vast. In de twintigste eeuw heeft het Rijksarchief Overijssel lang gebruikt gemaakt van de toen tochtige en stoffige ruimtes.
In het begin van de zeventiende eeuw werden nieuwe vestingwerken om de stad aangelegd. Er werd voor de toegang tot de Sassenpoort een zogenaamd hoornwerk aangelegd. Dit bestaat nu ongeveer vierhonderd jaar. Kees Canters, zelf woonachtig ‘aan het hoornwerk’, toont aan dat dit verdedigingswerk nog duidelijk terug te vin­den is in het stratenpatroon ter plaatse. Eén van de bekendste gelegenheden op het terrein van het voormalige hoornwerk is snackcorner Norp. Wim Huijsmans beschrijft de geschiedenis van dit bedrijf aan de hand van een suikerzakje waarop de Sassenpoort is afgebeeld.
Een ander jubileum, negentig jaar, wordt gevierd door de Groninger vereniging De Mol­leboon. Martin Werkman gaat vooral in op de vooroorlogse periode van deze vereniging, aan de hand van stukken die hij in de nalatenschap van zijn vader vond.
Frank Inklaar en Jan van de Wetering hebben historicus Wim Coster geïnterviewd van wege zijn proefschrift (2008) over mr. B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1807-1884). Deze Zwollenaar heeft veel betekend voor de emancipatie van het platte­land. Coster noemt hem dan ook treffend ‘Baron op klompen’.
Suikerhistorie Wim Huijsmans 142
600 jaar Sassenpoort Jan van de Wetering 144
Het hoornwerk van Zwolle Een merkwaardig verlopende straat en twee bijzondere voordeuren Kees Canters 158
Mollebonen en blauwvingers Groningers in Zwolle 1919-1940, een kleine geschiedenis van de Grönniger Verainen ‘De Molleboon’ Martin Werkman 167

Welvaart, welvaart

De inspanningen van een Zwolse baron op klompen
Frank Inklaar en Jan van de Wetering 174 Boekbesprekingen 178 Mededelingen 180 Auteurs 182
Omslag: De Sassenpoort gezien vanaf het Van Nahuijsplein, door Joan Willem Meijer, 1840-1929. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

600 jaar Sassenpoort

Jan van de Wetering Ruim honderd jaar geleden, op de Tweede Pinksterdag van 1905, kwamen de leden van het Zwolsch Vrijwilligerscorps terug van een tweedaagse fietstocht die hen helemaal

naar Duitsland had gevoerd. Een noviteit in die dagen, want fietsen was destijds lang niet voor iedereen weggelegd. Via Arnhem, over de Veluwe fietsten ze richting Zwolle. De Zwolse Courant vond het zo bijzonder dat er een volledig verslag van de tocht in de krant verscheen. Daaruit blijkt dat de blijdschap van de deelnemers over hun veilige terugkeer groot was. Op de IJsseldijk bij Hattem kregen ze Zwolle in zicht. En hun reactie op het zien van de stad is nu, honderd jaar later, voor veel Zwollenaren nog steeds herkenbaar. We lezen: ‘Zoodra wij te Hattem de Peperbus met het Olie- en Azijnstel wederom in het zicht kregen, ging er een luid hoera op, blij en dankbaar dat de tocht zo goed was verlopen, terwijl het toch slechts huurfietsen waren, waaraan de berijders niet gewend waren.’1
De Peperbus met het ‘Olie- en Azijnstel’. Ja, dat weet elke Zwollenaar: als je van verre de Peperbus ziet, ben je eigenlijk alweer in Zwolle. Zo heb ik het ook mijn dochters van kindsbeen af geleerd. Maar dat Olie- en Azijnstel, daar heeft niemand het meer over. Honderd jaar geleden wist iedere Zwollenaar dat daar de Sassenpoort mee werd bedoeld. Tot op de dag van vandaag geven men­sen markante gebouwen bijnamen. Zo heet in de volksmond de Martinitoren in Groningen ‘de Olle Grieze’ en de Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort ‘de Lange Jan’. Dat we die bijnaam voor de Sassenpoort zijn vergeten, heeft misschien te maken met het feit dat de poort in tegenstelling tot de Peperbus niet meer van verre zichtbaar is. Het Olie- en Azijnstel is verdwenen achter de in de afgelopen eeuw verrezen hogere gebouwen.
Maar markant is de Sassenpoort tot op de dag van vandaag. Dat kunnen we zelfs beschouwen als een kernfunctie van de poort in onze tijd: de Sas­senpoort is niet alleen gezichtsbepalend voor de directe omgeving, maar net als de Peperbus en de Grote Kerk voor de hele stad. Het zijn monumen­tale iconen. Laten we eerlijk zijn: onze moderne tijd is arm aan gebouwen met een zekere allure. Niet elk groot gebouw bezit die eigenschap: zo ken ik weinig Zwollenaren bij wie het hoge en massale ABN-gebouw warme gevoelens wakker maakt. Om markant te zijn, in positieve zin, moet er sprake zijn van wat de bekende kunsthistoricus Gombrich in zijn gelijknamige boek ‘Eeuwige schoonheid’ heeft genoemd. En om misverstanden te vermijden: dan hoeft het niet alleen om kunst- of bouwwerken uit lang vervlogen tijden te gaan.

Markantheid als kernfunctie dus. Maar eeu­wenlang had de Sassenpoort voor de Zwollenaren andere, belangrijker functies. Daarover gaat dit verhaal.

Wanneer is de Sassenpoort gebouwd?
We vieren dit jaar het 600-jarig bestaan van de Sassenpoort. Dat brengt ons bij het jaar 1409.
Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat échte zekerheid hierover niet bestaat. In verschillende publicaties staan dan ook even zoveel verschil­lende geboortejaren vermeld. De site van VVV Zwolle vermeldt bijvoorbeeld 1406, evenals het Architectenweb en de Geschiedenis van Zwolle van Thom. de Vries. De doorgaans goed geïnformeer­de W.A. Elberts noemt in zijn Historische wande­lingen in en om Zwolle 1408 als geboortejaar. Zelfs 1436 wordt in oude bronnen vermeld. De laatste geschiedschrijver van Zwolle, Jan ten Hove, noemt 1409, evenals De Zwolse canon. Tot dat jaar zijn namelijk bedragen voor de aankoop van stenen ten behoeve van de poort in de stadsreke­ningen te vinden, daarna niet meer. Hoe dan ook, zeker is dat de huidige Sassenpoort een voorloper heeft gehad, want er zijn documenten bekend uit de veertiende eeuw waarin de naam ‘Sassink­poort’ of andere verbasteringen al voorkomen.
Ook over de herkomst van de naam Sassen-poort blijft het bij speculaties. Die worden helder

De Sassenpoort vanaf het Van Nahuijsplein. Detail aquarel uit 1860 van Willem Hekking, 1825-1904. (Collectie HCO) Sassenpoort met rechts de molen op het Sas­senpoortenbolwerk (nu Van Nahuijsplein). Aquarel van Gerrit Grasdorp (1659-1716), rond 1700. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

op een rij gezet in het dertiendelige Aardrijkskun­dig Woordenboek der Nederlanden (1839-1851) van A.J. van der Aa. In dat boek laat hij geen vlek in Nederland onbesproken. Over de naam Sassen-poort schrijft hij:
‘De oorsprong van de naam der Sassenpoort is twijfelachtig. Oudstijds werd hij Sassingpoort of Sassinkpoort geschreven, zoo als men meent naar de oude Saksen of Sassen, die ook eenige tijd in deze landstreek gewoond hebben. Andere oudheidkundigen beweren, dat zij eertijds de Assendorperpoort of Assenpoort, naar het nabij­gelegen Assendorp genoemd werd, en de naam Assenpoort naar verloop van eenige eeuwen, in Sassenpoort veranderd is.’
Hoe het ook zij, tegenwoordig denken de meeste historici en naamkundigen dat de naam Sassenpoort van het woord ‘Saksen’ is afgeleid.

Waarom een poort?

De geschiedenis van de Sassenpoort begint bij de opkomst van de steden in de dertiende eeuw. In de vroege Middeleeuwen, pakweg van 600-1100, waren er geen steden in Nederland. De mensen woonden hoofdzakelijk in nederzettingen op het platteland en voorzagen in hun onderhoud door landbouw en visserij. Het toenemend belang van de handel trok allerlei ambachtslieden aan waar­door een eigen dynamiek ontstond op bepaalde geconcentreerde plaatsen. Die lagen dan vooral langs de handelsroutes, in onze streek langs de IJs­sel. Zo ontstonden de latere Hanzesteden Deven­ter, Kampen, Zutphen, Doesburg en ook Zwolle. Met de groei van de steden nam hun macht toe. Voor de bewoners was het wonen in een stad als Zwolle een soort bevrijding. Van horige boeren werden ze vrije poorters.
De landsheren uit die tijd, hier de bisschop van Utrecht, bevorderden zeer bewust steden­bouw. Ze hielden daarbij de touwtjes stevig in handen door onder voorwaarden stadsrechten te verlenen. Zwolle verkreeg het stadsrecht in 1230.

Dat bood grote voordelen: Zwolle kreeg een eigen bestuur, eigen rechtspraak en het privilege om versterkingen aan te leggen. De groei van de stad kon beginnen.
Was de opkomst van de stad in de dertiende eeuw een belangrijke ommekeer, het recht zich tegen de boze buitenwereld te beschermen hield een soort revolutie binnen die revolutie in. Want tot dusver waren met name de kastelen en burch­ten traditioneel de plek waar belangrijke militaire conflicten werden uitgevochten. Denk in Zwolle maar aan het voormalige kasteel Voorst, dat met enige regelmaat het middelpunt van regionale schermutselingen was. Pas met de val van het kas­teel in 1362 was de stad verlost van de permanente dreiging van de heren van Voorst.

De vestingstad Zwolle

Toen Zwolle stadsrechten kreeg, hield dat onder meer in dat de jonge stad zijn grondgebied mocht beschermen door de aanleg van grachten en muren. Dat was ook nodig, want naast roofrid­ders als die van Voorst, zwierf er volk rond dat je liever niet in je stad aantrof: afgedankte soldaten, stropende bendes en ander ongeregeld volk. Zo begon Zwolle zich langzaam te ontwikkelen als een echte vestingstad. Van die beginjaren is weinig bekend. Wel is bij Achter de Broeren een restant gevonden van een stenen stadsmuur van voor 1300. Dat was opmerkelijk omdat Zwolle toen nog in hoofdzaak een stad van hout was.
Na een alles verwoestende grote stadsbrand in 1324 stimuleerde Zwolle nog meer het bouwen in steen. De stad kocht bakstenen van steenbak­kerijen uit de directe omgeving: Kampen, Hat­tem, Harculo, Kathen, Zalk en Wilsum. Dat ging om enorme aantallen. In 1374 nam het Zwolse stadsbestuur het besluit om zes jaar lang jaarlijks
500.000 bakstenen aan de stadsmuur te besteden. Nog in 1411 leverde een steenbakkerij in Wilsum honderdduizend stenen aan Zwolle.
Zwolle had vermoedelijk al in de dertiende eeuw drie stadspoorten: de Diezerpoort, de Kamper-poort en de Sassenpoort (en een waterpoort: de Rodepoort). Hoe deze voorlopers van de latere poorten eruit zagen, weten we niet. Met de (ver­moedelijke) oplevering van ‘onze’ Sassenpoort in 1409 was de eerste fase van de fortificatie van Zwolle voltooid.
Zo komen we bij de oorspronkelijke functie van de Sassenpoort. Net als de andere twee stads­poorten had de Sassenpoort twee hoofdfuncties: de poort gaf toegang tot de stad, maar de poort maakte ook deel uit van de verdedigingswerken van de stad. Vanuit de hoogte van een poort kon je ongewenst bezoek van verre zien aankomen. Daarom kregen de poorten ook zware deuren en valhekken. Vóór de Sassenpoort lag nog een ver­dedigingslinie: een gracht met een ophaalbrug. De poorten werden bewaakt door een zogenoemde portier of door een wacht van poorters. De naam zegt het al. Bij donker werden de poorten geslo­ten. Dat was ’s zomers om negen uur ’s avonds, en ’s winters al om zeven uur. De bevolking werd vooraf gewaarschuwd door het luiden van de waakklok. Na sluiting trad de wacht aan en ging de nacht in. De sleutels moesten de poortwachters inleveren bij de magistraat.
De diepte van stadspoorten (8-10 meter) werd meestal bepaald door de lengte van een hooi­wagen. Die moest uit veiligheidsoverwegingen kunnen worden onderzocht voordat hij de stad werd binnengelaten. Het zou zo maar een Paard van Troje kunnen zijn. Ook de breedte van de poort was afhankelijk van die van de hooiwagens: voetgangers moesten niet het risico lopen geplet te worden door zo’n wagen. Het uiterlijk van de poorten was belangrijk: ze moesten allure uitstra­len. Veel poorten komen voor op de stadszegels van een stad. Niet in Zwolle, maar bijvoorbeeld wel in Kampen (de Koornmarktspoort).

Een vrijwillige gevangene
We weten niet precies wanneer, maar de Sas­senpoort moet al vroeg naast de functies van stadspoort en verdedigingswerk een derde functie hebben gekregen: die van gevangenis. Veel is daarover niet bekend, op één zeer opmerkelijke geschiedenis na.
Het begon allemaal in het jaar 1464. De Sas­senpoort was toen net een halve eeuw oud. Het waren de jaren van Zwolle’s Gouden Eeuw (1380­1480). De bouw van de Grote Kerk was zes jaar Maar dan nu die bijzondere geschiedenis, waarin de Sassenpoort een hoofdrol speelt. Voor een goed begrip van de gebeurtenissen is het van belang te weten dat Zwolle in die tijd onder het wereldlijk en geestelijk bestuur van de bisschop van Utrecht viel. Hij was de baas over het Sticht dat uit twee delen bestond, het Sticht Utrecht (vergelijkbaar met de tegenwoordige provincie) en het Oversticht, waar onder andere Salland onder viel. Sticht en Oversticht werden van elkaar gescheiden door het hertogdom Gelre (verge­lijkbaar met het tegenwoordige Gelderland). Dat leverde voortdurend conflicten op tussen de hertogen van Gelre aan de ene kant en de bisschop van Utrecht (en later de Habsburgse keizers) aan de andere kant.

Gevelbeeld Sassenpoort. eerder voltooid en bijna direct daarna waren de
(Foto Jan van de Wete- Zwollenaren begonnen met de bouw van de Onze
ring) Lieve Vrouwekerk. Het was ook de tijd van de
beroemde Latijnse school van Joan Cele, al leefde
die toen zelf al niet meer. De studenten zorgden
voor veel – soms ongewenste – levendigheid in
de stad. Ook in 1464. Daarover vertelt geschied­
schrijver Van Hattum in zijn Geschiedenissen der
stad Zwolle:
‘Ongemeen groot was nog, omtrent dese tyd,
de toeloop na Stads Schole, welke, volgens het
verhaal van sommige, toen door Adriaan Florens
Soon, in de volgende eeuw de Sesde Paus van
die naam geworden, betreden wierdt. Onder het
groot getal Studenten waren er verscheiden, van
een los en ongebonden leven, die veele baldadig­
heden bedreven. (…) Anderen liepen des nagts in
de herbergen en met lange messen over de straten,
en regteden vele moetwilligheden aan; so door het krakelen, als vegten met Stads inwoonders.’ 2
De situatie liep zo uit de hand, schrijft Van Hat-
Geromantiseerd portret tum, dat maatregelen geboden waren. Uiteinde-
van Wolf van Ittersum. lijk beval men dat: ‘(…) alle de Clerken en Studen-
De schildering bevindt ten die na de klokkeslag van 9 uur, in slegte Her-
zich in het vertrek in bergen, ofte op de straten met wapens gevonden
de Sassenpoort waarin wierden, ofte met iemand sloegen of vogten, door
Van Ittersum zeventien Stads dienaars vryelyk aangetast, en tot den ande­
jaar gevangen werd gehouden. (Foto Jan ren morgen in de gevangenisse gesmeten mogten worden (…)’.3 Die gevangenis zou wel eens de Sas-
van de Wetering) senpoort geweest kunnen zijn.

In 1464 ontstond een conflict binnen de bekende Zwolse familie Van Ittersum. De pater familias Johan van Ittersum overleed dat jaar en al snel ontstond ruzie over de verdeling van de erfe­nis tussen zijn zoon Wolf en diens zwager, Wolter van Keppel. Die zwager woonde in het hertogdom Gelre. Van Keppel lokte Wolf van Ittersum naar Deventer, zogenaamd om het conflict op te los­sen. Bij Olst werd Van Ittersum opgewacht door zijn zwager, die in gezelschap was van vijftien gewapende ruiters. De Gelderlanders trokken Van Ittersum van zijn paard, doodden twee van zijn knechten en voerden hem mee naar een slot in de buurt van Zutphen. Daar sloten ze hem op.

Dat was zeer tegen de zin van de Zwollena­ren, die sympathie voor de familie Van Ittersum hadden. Het stadsbestuur legde een boete op van twintig ponden aan iedereen die Van Keppel in
Op deze kaart zien we hoe het hertogdom Gelre lag ingeklemd tussen het Sticht en Oversticht. Het zorgde regelmatig voor grote conflicten tussen de hertog van Gelre en de bisschop van Utrecht, de landsheer van het Sticht en het Oversticht. (Uit de ‘Bosatlas van Nederland’, Groningen, 2007)

zijn huis toeliet. Maar daar liet Zwolle het niet bij. Het stadsbestuur schreef een brief aan de hertog van Gelre om hulp. Die was immers als landsheer van Gelre verantwoordelijk voor het gedrag van Van Keppel. Ze zetten de hertog van Gelre daarbij onder druk door te schrijven dat als hij zijn hulp niet verleende, Zwolle de bisschop van Utrecht zou informeren. De hertog van Gelre had geen zin in moeilijkheden en werd direct een stuk toeschie­telijker. Na een bijeenkomst van alle partijen kwa­men ze overeen dat de hertog van Gelre dringend aan Van Keppel zou verzoeken om Van Ittersum vrij te laten.
Van Keppel gehoorzaamde, maar niet zonder een wel zeer bijzondere list. Hij liet Van Ittersum op erewoord zweren dat deze zich direct weer in de boeien zou laten slaan zodra Van Keppel dat zou verzoeken of gebieden. Van Ittersum werd vrij gelaten en keerde vliegensvlug naar Zwolle terug. Daar werd het bericht over de afgeperste belofte al snel bekend. Nu was het de beurt aan de Zwollenaren om iets slims te bedenken. En dat deden ze:
Mezekouw van de Sas­senpoort. Door deze luiken konden de ver­dedigers van de stad pek of kokende olie op de vijand gooien. (Foto Jan van de Wetering)
‘Den raad (…) stelde een andere list in het werk, waar door [Van] Ittersum verhindert moest worden, om syn eed en woord van eere te volbrengen. Op de binnenste Sassenpoort wierdt Wolf van Ittersum, met syn vrouw en kinderen, gevangen geset. Om hem dese spiegelgevangenisse [= een soort schijngevangenis] te minder lastig te doen vallen, liet de Raad voor hem, boven de binnen syde van de Poorte een uitstek, of een soort van een Puye maken, waar na toe hy door een nieuw vervaardigde deur een toegang hadt. Hier door hadt hy gelegenheid om, nu en dan een frissche lugt te scheppen, en met de naburen, en de gene, die in en uit de poort traden, pratende de tyd te slyten. Gedurende verscheiden jaren bleef hij alhier sitten, en hy heeft ’er verscheiden kinde­ren by syn Ehegemalinne gewonnen gehadt.’ 4
Zo zat Van Ittersum voor zijn eigen bestwil vrijwillig gevangen in de Sassenpoort. Elke keer wanneer Van Keppel aan Van Ittersum door brie­ven of boden opdracht gaf zich weer in Gelre te laten opsluiten, antwoordde Van Ittersum naar eer en geweten dat hij zich best weer in dat hertog­dom gevangen wilde laten zetten, maar dat het stadsbestuur van Zwolle hem in de Sassenpoort gevangen hield. Maar de prijs was hoog: hij zou er zeventien jaar opgesloten blijven.

Merkwaardig is de nadruk die de oude bronnen leggen op de speciale ruimte waar Van Ittersum met Zwollenaren kon praten. Die ruimte was bijna tien meter boven de grond, zodat hij min of meer moest schreeuwen om verstaanbaar te zijn. Je kunt alleen maar speculeren waar die gesprek­ken dan over gingen. Behalve over koetjes en kalf­jes en de regelmatige gezinsuitbreidingen was er in die zeventien jaar gespreksstof genoeg. Dat leert ons de stadsgeschiedenis van Van Hattum weer. Een kleine greep uit de vele beschreven gebeurte­nissen: 1471: ‘Een felle Pest begon ter selfder tyd op het Berg-Clooster weder te heerschen, alwaar Thomas van Kempen, in syn twe-en-tnegentigste Jaar, (…) aan een waterzuchtigheid overleet.’ 1474: De Zwolse raad neemt een besluit op de badstoven in Zwolle. Badstoven waren ver­warmde ruimten waarin men onder toezicht van een stoofmeester een bad kon nemen. Mannen konden er op alle dagen terecht, vrouwen alleen op donderdag. Op overtreding van deze regel kon de stad een boete opleggen tot twintig pond per overtreding. 1478: De boekdrukkunst werd in Zwolle geïntro­duceerd. Het jaar daarop rolden in Zwolle al vier boeken van de pers. Er zouden er nog vele volgen. 1480: Drie jaar voor de vrijlating van Van Itter­sum was Zwolle zonder enig overleg met Kampen en Deventer verder gegaan met het graven van een kanaal van de IJssel naar de stad. Onze buursteden waren woest en riepen de bisschop van Utrecht erbij om de Zwollenaren te stoppen. Het conflict liep uit de hand toen Deventer en Kampen gezan­ten naar Zwolle stuurden en de arbeiders daar verboden verder te graven. De stadshistoricus schreef:
‘Dese menschen [waren] onnosel genoeg om aan dit bevel te gehoorsamen [en] verlieten hun werk: dog voor een korte tijd, want so dra men hier van binnen de Stad verwittigt wierdt, leide de Schout hen, bij het vallen van den avond, na de werkplaats te rug, en geboot hen de begonnene uitdiepinge voort te zetten (…).’
Uiteindelijk gaf de bisschop van Utrecht bevel het graafwerk te stoppen en Zwolle gehoorzaam­de. Het zou enkele eeuwen duren voordat Zwol­lenaren de schop opnieuw ter hand namen. Tot zover enkele gebeurtenissen tijdens de gevangen­schap van Van Ittersum.5 Toen zijn wraakzuch­tige zwager in 1483 overleed, werd Van Ittersum eindelijk vrij gelaten. Maar Zwolle was na al die jaren nog steeds verbolgen op de familie Van Kep­pel. De stad loofde een beloning uit om de zonen van Van Keppel dood of levend aan het stadsbe­stuur uit te leveren. Een dode Van Keppel leverde 150 Rijnse guldens op, een nog levende Van Kep­pel 300 guldens.

Zwolle gaat vreemd:
het avontuur met de hertog van Gelder

De Sassenpoort maakte zoals gezegd deel uit van de vesting Zwolle, samen met de andere stads­poorten, de grachten, de muren en de vele torens. De vraag is gerechtvaardigd of al die versterkingen van de stad zin hebben gehad. Een lastig te beant­woorden vraag, want misschien waren de verdedi­gingswerken van Zwolle zo afschrikwekkend dat mogelijke vijanden een aanval op de stad bij voor­baat kansloos achtten. Maar er bestaat minstens één sprekend voorbeeld in de Zwolse geschiedenis waaruit het nut van al die stenen verdedigings­werken duidelijk is gebleken. En wat zo aardig is: de Sassenpoort speelt daarin een hoofdrol.
Die geschiedenis begint zo’n vijftig jaar na de vrij­willige gevangenschap van Wolf van Ittersum. In het Zwolse stadsbestuur waren rond 1520 nogal wat sympathisanten van één van volgende herto­gen van Gelre, Karel van Egmond, ook wel Karel van Gelre genoemd. Zwolle vond dat zijn eigen landsheer, de bisschop van Utrecht, onvoldoende voor het stadsbelang opkwam. In 1521 sloot Zwolle daarom eenzijdig, dus zonder Kampen en Deventer, een verbond met de hertog van Gelre. Zwolle liep dus in feite over naar de vijand, een in die tijd ongekende stap en de eigenlijke reden, het plegen van meineed aan de eigen landsheer, van de bijnaam ‘blauwvingers’. Maar de stad kwam van een koude kermis thuis. Om de oor­logskas te vullen perste Karel van Gelre al gauw de Zwolse bevolking uit. Het economisch leven kwam tot stilstand en de hertog werd snel zeer impopulair bij de bevolking. Drie jaar later, in het vroege voorjaar van 1524, barstte de bom. In een negentiende-eeuws verslag van Evert Moulin uit Kampen staan de turbulente gebeurtenissen hel­der beschreven:
‘Bij de andersdenkende Zwollenaren [begon] het besluit te herleven om zich van de overheer­sching te ontslaan en het juk af te werpen. De burgerij begon te morren en op de regenten te schelden. Deze, voor oproer beducht, zonden de burgemeesters (…) naar hertog Karel om zijne hulp in te roepen. Drie vaandels Gelderschen, op het huis den Doorn in bezetting liggende, kregen last om de stad binnen te trekken; maar voor de Diezerpoort genaderd werden de deuren voor hen gesloten. De burgerij kwam op de been en verzette zich tegen het inlaten der Gelderschen.’6
Karel van Gelre door de Zwollenaren gevangen. Schilderij in de Staten-zaal, Diezerstraat. (Uit: Ten Hove ‘De geschiedenis van Zwolle’)

Langzaam ging het stadsbestuur overstag: de Zwollenaren openden geheime onderhandelingen met Kampen om Overijssel onder bisschoppelijk bestuur terug te brengen. Tijdens de verkiezin­gen van 1524 kwam er een machtswisseling in het stadsbestuur en Zwolle schikte zich weer als vanouds onder het gezag van de bisschop van Utrecht. Maar daar nam de hertog van Gelre geen genoegen mee. Hij schreef het nieuwe stadsbe­stuur dat hij genegen was de bezwaren van de Zwolse burgerij te horen. Daarom zou hij met een klein gevolg naar Zwolle komen, om de orde en rust te herstellen. En hij voegde al gauw de daad bij het woord. In de Kamper Kronyk lezen we:
‘Op den 4 maart 1524 trok hij met eene bende ruiters, drie vaandelen voetvolk en vergezeld van eenige edellieden den IJssel over. De burgemeester van Zwolle, Reinier van den Bussche, begaf zich met 300 schutters hem tegemoet en begroette den vorst aan het Katerveer. Maar [hij] gaf zijne bevreemding te kennen hem van zoveel krijgsvolk vergezeld te zien. En op des hertogs vraag of het hem niet vrij stond met dit gevolg binnen Zwolle te komen, gaf de burgemeester een weigerend ant­woord (…).’
Daar aan het Katerveer zagen de Zwolse bestuurders de bui al hangen. Als al dat krijgsvolk de stad binnen zou komen, dan waren de rapen gaar. Ze zeiden tegen de hertog dat hij de stad wel binnen mocht komen, maar dan alleen met een klein gevolg van edelen, dus zonder soldaten. Maar Karel van Gelre liet zich niet tegenhouden en trok met zijn drie vaandels krijgsvolk naar de stad.
Voor een goed begrip van de nu volgende gebeurtenissen merken we op dat waar in dit artikel over de Sassenpoort wordt gesproken, we het eigenlijk hebben over de Binnen-Sassenpoort. Er was ook een Buiten-Sassenpoort, ter hoogte van de brug over de stadsgracht. Die poort was aanmerkelijk kleiner en vermoedelijk van hout gebouwd. Wie Zwolle op die plek in of uit wilde, moest dus door twee poorten heen. Tussen beide poorten was een omsloten ruimte (bijna twintig jaar later veranderd in ommuurd binnenplein).
Terug naar Karel van Gelre, die met zijn leger­tje van het Katerveer naar Zwolle was gereden en nu voor de buitenste Sassenpoort stond. We geven weer het woord aan de Kamper kroniek­schrijver:

‘De hertog tot aan de Sassenpoort genaderd, steeg van zijn paard en schaarde zich nevens zijne edellieden in de eerste gelederen der voetknech­ten, om met dezelve de stad in te trekken. De bur­gers die de poort bezet hielden, wilden (…) alleen den hertog met zijn gevolg van edelen binnen laten, maar konden den aandrang der gelederen niet tegenhouden. Alzoo de poortdeuren welke zij wilden sluiten, door de piekeniers weder openge­duwd werden en reeds was de hertog met een goed getal van zijn volk binnen de eerste poort, toen de burgers die op dezelve de wacht hadden, het val­hek lieten nedervallen, waardoor eenige Gelder­schen werden gekwetst. De hertog, voorttredende en ook de binnenpoort gesloten vindende, sprong naar alle zijden in het rond om zich een uitweg te banen, maar de raad deed spoedig de binnenpoort openen en den hertog noodigen om de stad in te treden, hetwelk hij gramstorig weigerde. Toen vernemende dat de burgerij in de wapens was en tot eene geduchte tegenweer voorbereid, gelaste hij de zijnen om het gevecht hetwelk voor de poort reeds begonnen was, te staken.’
Zo zat de hertog tussen de twee Sassenpoorten gevangen en zijn leger stond machteloos aan de overkant van de gracht. Hij kon geen kant meer op. Volgens verschillende verslagen schijnt hij daar stampvoetend en rood van woede te hebben rondgelopen. Hij koos eieren voor zijn geld en gaf opdracht aan zijn troepen, inmiddels 2000 man sterk, de strijd te staken. Maar Zwolle bleef waak­zaam: ‘In de stad werden de muren en torens door de burgers bezet, het kanon op de wallen en in de straten geplant en de wachten verdubbeld, terwijl de burgerij in gespannen verwachting de nacht doorbracht.’
De volgende dag werd de hertog beleefd uitgeleide gedaan, waarop Van Gelre zich met zijn krijgsvolk over de IJssel terugtrok. Maar hij liet het er niet bij zitten. Hij was zwaar in zijn eer aangetast. Een maand later ging hij met een grote troepenmacht in de aanval. Bij de nade­ring van het Gelderse leger brandde Zwolle het nonnenklooster, het Buschconvent, en andere

Op deze uitsnede van huizen voor de Sassenpoort af, zodat de vijand
een kaart van Braun en daar geen gebruik van kon maken. Vanaf die tijd
Hogenberg uit 1581 is waren de Zwolse kloosters uitsluitend binnen
het ommuurde voor­ de stadsmuren te vinden. Vervolgens werd de
plein van de Sassen- Zwolse vesting nog één keer door de hertog van
poort goed te zien. In Gelre op de proef gesteld: ‘Op den 6 april [1524]
1524 werd hertog Karel verscheen het Geldersch leger voor de stad, en na
van Gelre hier door de een vruchteloos aanbod van vergelijk, deed hertog
Zwollenaren ingesloten. Karel het geschut planten en begon de vesten te
(Collectie Stedelijk beschieten, waardoor aanmerkelijke schade ver-
Museum Zwolle) oorzaakt werd. Een toren stortte in en de muren
geraakten hier en daar omver, maar de belegerden
herstelden de breuken zooveel doenlijk en gaven
daarbij zoo dapper vuur van torens en wallen dat
eene vijandelijke schans bijkans geheel vernield en
Soldaat Zwols garni­ derzelver geschut tot zwijgen gebragt werd.’
zoen ten tijde van de Karel van Gelre voelde dat de belegering van
Tachtigjarige Oorlog. Zwolle hem te veel geld zou kosten en een paar
(Uit: ‘Vestingroute, weken later werd de vrede tussen de strijdende
Historische wandeling partijen getekend. En Zwolle, dat gehoorzaamde
door de voormalige ves­ de komende jaren als vanouds de bisschop van
ting Zwolle’) Utrecht.

De Sassenpoort en de Tachtigjarige Oorlog
De avonturen van Zwolle met de hertog van Gelre hebben nog een typisch middeleeuws karakter. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) gin­gen de verschillende gewesten zich verenigen tot een republiek, waarmee een einde kwam aan het gezag van bisschoppen, hertogen en keizers. Maar daarmee kwam nog geen einde aan Zwolle als ves­tingstad. In tegendeel. Zwolle hield de poorten – vaak uit opportunistische redenen – aanvankelijk gesloten voor afwisselend de Spaanse en staatsge­zinde troepen. Maar in 1579 waren de Spanjaar­den definitief uit Zwolle verdreven en werden ze spoedig opgevolgd door de troepen van de jonge Republiek der Verenigde Provinciën. Het nieuwe bewind ging zich met zaken bemoeien die tot dus­ver aan de stad zelf voorbehouden waren. Prins Maurits wilde dat Zwolle deel ging uitmaken van een grote verdedigingslinie, die het noorden van ons land Spanjaardvrij moest houden. Daarom vond hij dat Zwolle betere vestingwerken moest aanleggen. De al aanwezige stadsmuren en grach­ten waren niet voldoende; er waren beter verde­digbare bastions, bolwerken en wallen nodig. Ook bij de Sassenpoort werd een bolwerk gebouwd: het Sassenpoortenbolwerk (nu Van Nahuysplein). Bovendien kwam aan de overkant van de gracht een hoornwerk te liggen (tegenwoordig ongeveer het gebied tussen de Van Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat en de Zeven Alleetjes). Door de bouw van de bastions en bolwerken kreeg de stadskern tussen 1606 en 1619 de stervorm die tot op de dag van vandaag herkenbaar is.

Verwaarlozing en afbraak
In 1648 was de Tachtigjarige Oorlog voorbij, maar de vesting Zwolle bleef onder landelijk toezicht in stand. Als vanouds ging de Sassenpoort als het donker werd op slot en nog steeds werd de poort ook als gevangenis gebruikt. Maar de rol van de poort als onderdeel van de verdediging van Zwol­le verloor door nieuwe technieken in de manier van oorlogvoeren jaar na jaar aan betekenis. Tegen het einde van de achttiende eeuw waren de verdedigingswerken in verval geraakt. De Franse tijd bracht daar geen verandering in.
Toen het Franse garnizoen eind 1813 uit de stad vertrokken was, ontbrak geld om al die oude muren, torens en poorten te onderhouden. En als dat geld er wel was geweest dan zou onderhoud, gezien met de ogen van die tijd, slecht besteed zijn geweest. De verdedigingswerken hadden hun waarde verloren. Dat alles had tot gevolg dat
ze nog verder in verval raakten wat voor de stad Aartsengel Sint
erger was: ze stonden in de weg! Michaël, bescherm­
heilige van Zwolle.
In 1838 verdedigde het stadsbestuur als volgt het Raamversiering in de
besluit de vestingwerken op te ruimen: ‘De tij- Sassenpoort. (Foto Jan
den en de omstandigheden zijn (…) aanzienlijk van de Wetering)
veranderd. Sedert het laatst der vorige eeuw is
Zwolle gelukkig geene vesting meer. (…) Oudtijds
was men genoodzaakt de stad zoo veel mogelijk
ontoegankelijk te maken, en ze tot een groot bol- De Sassenpoort gezien
werk te stichten. Thans kan men ze geheel ópen­ vanaf het Van Nahuijs­
stellen, en de huivering verwekkende bolwerken, plein, door Joan Willem
bastions en hooge wallen kunnen nu tot aange- Meijer, 1840-1929.
naame lustplaatsen en wandeldreven aangelegd (Collectie Stedelijk
worden.’ Museum Zwolle)

Dit plan werd – naar Zwolse begrippen – in ongekend tempo gerealiseerd. Vijf jaar later al, in 1843, zei de burgemeester in een toespraak het volgende:
‘Oude nauwe poorten, die geene bouwkundi­ge waarde bezaten, zijn gesloopt en opgeruimd; de hooge wallen en borstweringen, overblijfsels van een verdedigings-stelsel dat in onze eeuw doelloos is geworden, zijn gevallen en in aangename wan­deldreven herschapen’. Van de drie stadspoorten bleef er één over: de Sassenpoort.
Het nieuwe stadsbeeld na de sloop en de aan­leg van wandelplaatsen wordt ons verteld door een Amsterdams koopman, die op 4 mei 1848 Zwolle aandeed voor een toeristisch bezoek. Uiteraard ging hij ook de Sassenpoort bekijken:
‘De Koestraat brengt ons aan de Sassenpoort, die bij de Zwollenaren, vooral van den echten stempel, in hooge achting staat, wijl hier de ondeu­gende hertog Karel als eene rot in den val liep – anno 1524. De booze wereld, en vooral de altijd op Zwolle jaloersche steden Deventer en Kampen, ver­telden al spoedig, dat Karel (…) voor een grooten losprijs was vrijgelaten, en dat de raad der stad daaraan zijne vingers had blaauw geteld, waarom

De Sassenpoort. Ano­niem, derde kwart negentiende eeuw. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
al den Zwolschen onmeedoogend den bijnaam van blaauwvingers werd aangewreven. (…)
Aan deze geschiedkundige herinneringen heeft Zwolle het voor een groot deel te danken, dat in dezen anti-poortgezinden tijd, dit fraai gedenkteken van vroegere dagen voor den ver­woestenden moker is beveiligd gebleven. Meer echter dan die geschiedkundige herinneringen, pleit voor het in wezen blijven dezer poort, en dit is haar inderdaad behagelijk uiterlijk. Die spitse torentjes met hare leijen daken, geven aan den bevalligen omtrek eene romantische tint. Het is nu, alsof die poort daar is opgetrokken, ten einde het deftig en ernstig verleden aan het jolig lachende heden te huwen. Daarom: Leve de Sas­senpoort! (…).’
Onze Amsterdamse koopman vervolgt zijn wandeling door de stad met een sneer: ‘Wij verla­ten de Sassenpoort, wier doorgang wij wat meer reinheid toewenschen.’ 7

Bewaarplaats Rijksarchief Overijssel
Het had niet veel gescheeld of de Sassenpoort was in 1877 alsnog afgebroken. Dat jaar was onderhoud dringend nodig. De kosten werden op 2000 gulden geraamd. De Zwolse Raad boog zich over de kwes­tie. Eerst kwam raadslid De Vos van Steenwijk aan het woord. Hij zei:
‘Men moet bij deze uitgave niet vergeten dat de Sassenpoort zijn tijd gehad heeft en een monument is dat niet meer in onzen tijd past. Daarbij is ’t eene belemmering voor de passage. ’t Zou de Zwolschen die aan het gebouw gewend zijn, misschien in den aanvang vreemd zijn als het opgeruimd werd, maar het kon wel eens noodzakelijk zijn.’
De notulist hield het zakelijk, maar uit alles valt te merken dat de emoties in de raad hoog oplie­pen. Uiteindelijk maakte raadslid Van der Voort een einde aan het debat met de woorden: ‘Het is mijn innige overtuiging dat er nooit een Raad zal opstaan die de schendende hand aan den Sassen­poortentoren zal slaan.’ 8
De door De Vos van Steenwijk genoemde belemmering van de passage bij de Sassenpoort werd in 1904 opgelost door een extra doorgang naast de poort te maken. In 1898 kreeg de Sassenpoort een nieuwe bestemming: de poort werd in gebruik geno­men als bewaarplaats van het Rijksarchief in Over­ijssel. Een paar jaar daarvoor was de poort door de gemeente aan het Rijk overgedragen, onder beding dat het gebouw in staat en stijl zou worden gerestau­reerd en dat op de toren het uit de achttiende eeuw daterende slaguurwerk gaande zou blijven.

Tot 1977 zou de Sassenpoort de functie van Rijksarchief behouden. Onder omstandigheden die een archief onwaardig zijn. De woorden gesproken bij het afscheid van archivaris Albert Mensema, nu twee jaar geleden, vatten het probleem kort en bondig samen: ‘Het was een archiefgebouw, even romantisch als ondoelmatig, met z’n wenteltrappen en verborgen hoeken en gaten, koud en vochtig in de winter en met veel stof, vleermuizen en vliegen.’9

Met het verdwijnen van het archief verloor de poort alweer een functie, niet voor de eerste keer en naar alle waarschijnlijkheid ook niet voor de laatste keer. Maar na 600 jaar staat de Sassenpoort er nog steeds en er wordt alweer nagedacht over een nieu­we bestemming. Misschien wel een verbreding van de huidige museale functie. Ook zijn er plannen om de poort in 2010 af te sluiten voor het verkeer. De geschiedenis stopt na 600 jaar niet: de Sassen-poort gaat op weg naar nieuwe avonturen. Laten we de poort in ere houden en ons aansluiten bij de woorden van die negentiende-eeuwse koopman uit Amsterdam: Leve de Sassenpoort!
* Dit artikel is een bewerking van de gel;ijknamige lezing die in de cyclus Historische Avonden op 10 september 2009 in het HCO werd gehouden.
Literatuur

Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Ne­derlanden uit 1839-1851 Ach lieve tijd, 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en hun ves­tingwerken Bouwen in Nederland, 600-2000, red. Prof. dr. Koos Bosma, e.a., Zwolle, 2007 Hattum, B.J. van, Geschiedenissen der stad Zwolle, I-V, 1767-1775. (Zwolle, 1975) Wetering, Jan van de, De Zwolse canon, De geschiedenis van Zwolle in 50 vensters, Zwolle, 2008 Elberts, W.A., Historische wandelingen in en om Zwolle, Schiedam, z.j. Vries, Thom. J., Geschiedenis van Zwolle, deel I en II, Zwolle, 1954-1961

Noten

1.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant,jaargang 1905

2.
B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle, II, p. 2-3

3.
Idem, p. 4

4.
Idem, p. 14

5.
Idem, p. 18-48

6.
Evert Moulin, Historische Kamper Kronyk (1839), p. 362­365

7.
UitNederlandschMuseum,Geschied-enletterkundige merkwaardigheden (1848), p. 542

8.
HCO, Handelingen van den raad der gemeente Zwolle, 1877

9.
HCO: Uit toespraak Piet den Otter op 14 september 2007

Gezicht op het Van Nahuijsplein onder de boog van de Sas­senpoort. Circa 1938. (Eigen Erf, collectie HCO)
Medewerkers van het Rijksarchief in de Sas­senpoort, zittend archi­varis J. Geesink, circa 1922. (Collectie HCO)
Kees Canters

Het hoornwerk van Zwolle

Een merkwaardig verlopende straat en twee bijzondere voordeuren

D
e Zuiderkerkstraat in de Stationswijk van Zwolle vertoont halverwege een flauwe bocht die niet direct valt te verklaren op basis van wat er ter plaatse is te zien. Toch blijkt deze bocht een duidelijk aanwijsbare herkomst te hebben: een verslag van een kleine, historische rondtocht ter plaatse.

De kaart van Blaeu

Een kaart uit de atlas ‘Toonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden, met haar Beschrij­vingen’, uitgegeven bij Joan Blaeu in 1649, toont ‘Swolla’. De kaart geeft een prachtig en gaaf beeld van Zwolle ‘binnen haar veste’: de middeleeuwse muur omsluit de stad en als tweede verdedigings­gordel liggen er om de stad heen elf bastions naar buiten te prikken. Het betreft een stervormige vesting, gebouwd geheel conform de regels van de toentertijd geldende vestingbouwkunde. In de middeleeuwse muur vallen vier grote stadspoorten te onderscheiden met elk een of twee bruggen over de aangrenzende wateren. Alleen bij de Vispoort aan de huidige Thorbeckegracht is geen doorgaan­de verbinding naar de wereld buiten de stad.
Buiten de drie grote poorten, Diezerpoort, de Sassenpoort en de Kamperpoort, ontwikkelden zich later, vooral in de twintigste eeuw, de karakteristieke oude wijken van Zwolle: Diezerpoort (oorspron­kelijk Nieuwstad geheten), Assendorp en Kamper-poort. Alleen bij de Kamperpoort is al iets van deze ontwikkeling aangeduid, een paar verspreid liggende huizen met in de tuinen keurige patronen van haag­jes en fruitbomen. Een tweede staat van deze kaart, een korte tijd later gemaakt, laat overigens zien dat er toen ook al sprake was van bebouwing buiten de Diezerpoort en buiten de Sassenpoort.
Er is een tijd geweest dat er twee Sassen-poorten waren: een Binnen- en een Buiten-Sassenpoort. De Binnen-Sassenpoort was de uit 1409 stammende en nog steeds bestaande, grote stenen poort. Omstreeks 1700 werd de buiten-poort geschetst door de tekenaar Gerrit Grasdorp, die veel locaties in en om Zwolle vereeuwigde. De Buiten-Sassenpoort was toen niet meer dan een wat zwaar uitgevallen houten poort, zoals we die wel kennen van foto’s van de erepoorten opgericht voor het bezoek van koningin Wilhel­mina en regentes Emma in 1895 en van koningin Wilhelmina en prinses Juliana in 1921. Deze buitenpoort was dus niet vergelijkbaar met de grote binnenpoort. Op een stadsplattegrond uit 1823 getekend door G. Haasloop Werner staat de Buiten-Sassenpoort nog summier aangeduid.

De plattegrond van Joan Blaeu van ‘ Swol­la’, omstreeks 1650. (Collectie HCO) Poort buiten de Sassen-poort, omstreeks 1700 geschetst door Gerrit Grasdorp, 1659 – 1716. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

Detail uit de platte­grond van Joan Blaeu met de Sassenpoort en omliggende gebouwen. Voor de wal met de zeventiende-eeuwse stadsmuur ligt een deel van de vesting buiten de stadsgracht, het hoorn-werk. Omstreeks 1650. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

Door de aanleg van de bastions aan het begin van de zeventiende eeuw (zie hieronder) moest de rechtdoorgaande uitvalsweg om het Sassenpoort­enbolwerk – het tegenwoordige Van Nahuysplein
– iets verlegd worden. De huidige weg vanuit de oude binnenstad naar de brug vertoont nog steeds de merkwaardige slinger die hiervan het gevolg was. Rechts op de genoemde tekening van Gras-dorp is de wal van het bastion duidelijk te zien, inclusief een houten wachthuisje er bovenop, de voorloper van het later op precies dezelfde plek gebouwde stenen wachthuis ter hoogte van de bushalte – tegenwoordig ‘onderdeel’ van Fortis… Dat het hier oorspronkelijk een gebouw van de gemeente betreft, blijkt uit het duidelijk zichtbaar aangebrachte, blauwwitte gemeentewapen van Zwolle.

Hoornwerk

Wanneer we op de kaart van Blaeu iets nauwkeu­riger naar de omgeving van de poorten kijken, valt op dat er voor de buitenste Diezerbrug als een soort taartpunt een kleine wal is aangelegd, een ravelijn, en bij de brug van de Sassenpoort zelfs een nog groter verdedigingswerk. Bij de Kamper-poort is niets toegevoegd.
Het type verdedigingswerk zoals aange­bracht bij de Sassenpoort wordt een hoornwerk genoemd, volgens A.H. Mohr (in Vestingbouw-kundige Termen, 1983): ‘buitenwerk van een ves­ting, bestaande uit een gebastionneerd front [= twee halve bastions verbonden door een wal, de zogenoemde courtine, KC] en twee lange, doorgaans evenwijdige, flanken, aansluitend aan de vestinggracht.’
In de loop van de zestiende eeuw veranderden de opvattingen over de aard en kracht van een verdedigbare stad. Een gevolg hiervan was dat de uit de Middeleeuwen stammende stenen verde­digingsmuren rond een stad vervangen moesten worden door aarden verdedigingswerken. Dit was veel goedkoper dan stenen muren, ook in het onderhoud. Bovendien waren dit soort werken veel beter bestand tegen het steeds zwaarder wordende kanonvuur. Een alternatief voor vervanging kon zijn de aarden verdedigingswerken vóór de stenen

Ruïne van een stads­poort buiten de Sassen-poort, omstreeks 1700 geschetst door Gerrit Grasdorp, 1659-1716. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)

omwalling en / of óver de verdedigingsgracht aan­leggen. Daarnaast was het zaak om de extra kwets­bare bruggen goed te beschermen. Dit bereikte men door het aanleggen van een zogenoemd voor­werk, waardoor de afstand tot de belegeraar werd vergroot met als gevolg dat de effectiviteit van het vijandelijk geschut werd verminderd.

Het hoornwerk van Zwolle
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd ook de verdediging van Zwolle aangepast aan de eisen des tijds. Op aandringen van en met aanzienlijke financiële steun vanuit de Staten-Generaal wer­den de te vernieuwen verdedigingswerken van Zwolle ingepast in een nieuw concept, een frontli­nie langs de IJssel. De nieuwe verdedigingsfunctie maakte deel uit van de verdedigingsstrategie van de Staten-Generaal tegen de koning van Spanje. Belangrijkste doel hiervan was een linie opwer­pen tegen de mogelijk uit het oosten oprukkende Spaanse troepen. Die waren omstreeks 1600 in het oosten van het land namelijk succesvol geweest door de herovering van enkele steden op de opstandelingen. Er dreigde daardoor gevaar uit
Detail van de kaart van
G. Haasloop Werner waarop de Sassenbin­nenpoort, de huidige Sassenpoort, en de Sas­senbuitenpoort zijn aangegeven, 1823. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
het oosten voor Utrecht en Holland.
Het hoornwerk van Zwolle vormt van deze veranderende inzichten een fraaie uitwerking. Door de wel 150 meter lange flanken van dit voorwerk werd metterdaad de afstand tussen de brug en de eventuele vijandelijke batterijen aan­zienlijk vergroot. De Sassenpoort met brug was waarschijnlijk de belangrijkste toegang tot Zwolle en, aangezien deze eerste ‘IJssellinie’ ook toen al naar het oosten gericht was, was dit mogelijk ook de reden dat met name de hier gelegen brug extra aandacht kreeg door de aanleg van een eigen hoornwerk.
Door onderhandelingen over de respectieve bijdragen van Zwolle en van de Staten in de kos­ten voor de aanleg van de nieuwe verdedigings­werken duurde het nog zo’n tien jaar voordat ermee begonnen kon worden. Dat had wel als voordeel dat de werkzaamheden uiteindelijk in een relatief rustige periode konden worden gere­aliseerd, namelijk tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Dit betekent dat er dezer jaren naast het vieren van de zes eeuwen oude Sassenpoort, nog een ander eeuwfeest te vieren is, namelijk dat van de vier eeuwen bestaande, en nog steeds goed herkenbare Zwolse verdedigingsopzet met gracht, bastions, poorten en bruggen. Een geschikte aanleiding om eens na te gaan of een (tijdelijke) reconstructie van de Diezerpoort en de Kamper-poort te overwegen valt, bij voorbeeld in de vorm van stalen steigerbouw? Dat zou als bijkomend effect kunnen hebben dat er wat meer balans komt tussen de drie oude Zwolse buitenkernen, Assendorp, Dieze(rpoort) en Kamperpoort. Op de plaats waar vroeger de Diezerpoort stond is in ieder geval voldoende ruimte voor zo’n (tijde­lijke) herbouw beschikbaar.

Het hoornwerk nu

Uit de vorm of de naam van sommige openbare ruimtes valt op indirecte wijze nog steeds de invloed van de oorspronkelijke aanwezigheid van het hoornwerk af te leiden. Aan de oostzijde was voldoende ruimte aanwezig om een lange lijnbaan voor een touwslagerij in te richten waar strengen hennep tot touw konden worden gedraaid. Tot het eind van de jaren tien van de twintigste eeuw bestond deze touwslagerij nog. In de jaren twintig werd het gebouw van deze touwslagerij door de Coöperatieve Groente- en Fruitveiling gebruikt als veilinggebouw. Na de Tweede Wereldoorlog leende deze plek zich uitstekend voor de aanleg van een parkeerplaats. De langgerekte vorm van deze parkeerplaats voert dus niet terug op de lijn­baan maar op de oostelijke flank van het hoorn-werk.
De merkwaardige naam van de straat aan de westzijde van het hoornwerk, Zeven Alleetjes, herinnert er aan dat de gemeente Zwolle in de loop van de negentiende eeuw het hoornwerk tot een wandelpark bestemde. Daartoe werden zeven rijen lindes aangeplant, die met elkaar zeven allee­tjes omzoomden. Dat de directe omgeving van het hoornwerk nog lang groen bleef, blijkt ook uit de naam Tuinstraat. Hier maar ook elders lagen de warmoezerijen van Zwolle, waar groente en krui­den werden gekweekt voor de stedelingen.
Een belangrijk deel van het hoornwerk werd sinds 1885 in beslag genomen door de in opdracht van J.F.G. van Reede, wijnkoper te Zwolle, door architect S.J.H. Trooster ontworpen grande villa met bijbehorende tuin: Burgemeester Van Roij­ensingel 18. In het boekje Het deurtje van Zwolle (1988) beschrijft mevrouw Wiet Kühne-van Diggelen op boeiende wijze de sfeer die er in de jaren dertig in dit woonhuis hing, toen ze daar als kleinkind van de toenmalige eigenaar, mr. B.P.G. van Diggelen jr., heerlijke, lange zomers met haar beide zussen logeerde. De titel van het boekje slaat op de voordeur van de villa: een twee meter brede en drie meter hoge poort met twee openslaande deuren, met zijn vele neorenaissance en neoclas­sicistische stijlkenmerken goed passend in de rest van de imponerende gevel: een wel héél bijzon­dere voordeur en dus bepaald geen ‘deurtje’.
Grootvader Van Diggelen had het uitzon­derlijk grote huis (23 ruime kamers!) al in 1891 gekocht, voor ƒ 41.005, hij was toen nog student in de rechten te Leiden. In het boekje is echter nergens sprake van het hoornwerk. De huidige parkeerplaats aan de Van Roijensingel beslaat voor een groot deel de oorspronkelijke tuin van deze villa en dus ook van het Zwolse hoornwerk.

Wiet Kühne-van Dig­gelen, ‘Het deurtje van Zwolle’. Hoogeveen, 1988. (Particuliere col­lectie)
‘Het deurtje van Zwol­le’, de voordeur van het imposante pand Burge­meester van Roijensin­gel 18. (Foto auteur) Het gebouw van de voormalige NV Electriciteits Fabriek IJsselcentrale aan de Zeven Alleetjes; tegen­woordig is hier de GGD IJsselland gevestigd. (Foto’s auteur)

Het hoornwerk wordt tegenwoordig voor een ander groot deel in beslag genomen door het kantoorgebouw van de voormalige NV Electrici­teits Fabriek IJsselcentrale, een interessant en met oog voor het ambachtelijke detail ontwerp van de architecten A.J. van der Steur en M. Meijerink, uitgevoerd in de periode 1936-1945. Eerstge­noemde werkte op landelijk niveau en ontwierp bij voorbeeld ook het Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam. Meijerink woonde en werkte in Zwolle; hij was de oprichter van Architectenbureau Meijerink waar later ook zijn zoon en kleinzoon de scepter zwaaiden. De latere uitbreiding van het kantoorgebouw richting Van Roijensingel springt met zijn donkerbruine pane­len van cortenstaal in het oog, maar contrasteert – om niet te zeggen detoneert – daardoor ook des te meer met de statige, imponerende gevels van de eindnegentiende-eeuwse villa’s die Zwolse nota­belen hier toen langs de stadssingel lieten bouwen.
Nog een ander groot gebouw op het hoorn-werk is dat van de Stichting De Vilsterenshuizen aan de Zuiderkerkstraat, begin jaren dertig van de vorige eeuw ontworpen door architect J.D.C. Koch. Het bouwwerk heeft een groot volume, maar valt mede door zijn vorm en wat verscholen ligging aan de buitenkant nauwelijks op. Inwen­dig is het kenmerkend voor de wijze waarop men in de jaren dertig aankeek tegen de huisvesting van alleenstaanden: de robuuste afwerking en de met kleurige maar toch saaie tegels beklede, holklinkende gangen roepen associaties op met een sportfondsenbad, hier en daar zelfs met een gevangenis; de oorspronkelijke naam van dit gebouw, ‘Gesticht Vilsterenhuizen’, wijst in dezelfde richting. De huidige eigenaar, Woning­stichting Openbaar Belang, heeft plannen om dit gebouw te gaan slopen en het dan vrijkomende, grote perceel een andere bestemming te geven.
Verder is natuurlijk de Zuiderkerk van de Nederlands Gereformeerde Kerk een beeldbe­palend gegeven op het hoornwerk, een gebouw dat in 1923 werd opgetrokken naar een ontwerp van architect J.H. van der Veen. Door het gebruik van verschillende soorten baksteen in hoekige, classicistische banden gemetseld, door de quasi-gotisch vormgegeven ramen, door een klein ‘art deco’-achtig vieringtorentje op de kruising van schip en dwarsbeuk en door de stevige kerktoren, waarvan de spits wel wat weg heeft van een aantal over elkaar geplaatste puntmutsen, maakt het gebouw een wat eclectische indruk. Twee borden aan de buitenkant herinneren aan de Tweede Wereldoorlog, toen hier bijeenkomsten van ver­zetsmensen plaatsvonden. Zo werd hier in maart 1943 onder leiding van ‘Frits de Zwerver – in wer­kelijkheid dominee F. Slomp – de eerste ruilbeurs voor onderduikers gehouden.

Op de noordelijke hoek van het hoornwerk, hoek Van Karnebeekstraat – Van Roijensingel, is Snackcorner Norp gevestigd, waar de lekkerste dingen uit het frituurvet komen en de altijd vrien­delijke heer Norp de regie voert. Onder de klanten bevindt zich ook wel eens een gehaaste wethouder die tussen twee afspraken door snel nog even ‘iets warms’ consumeert. ’s Avonds vormt de goed zichtbare buitenreclame, uitgevoerd in neonver­lichting, het bewijs dat de vooruitgang ook het hoornwerk niet ongemoeid heeft gelaten.

Voortbestaan van (de naam) het hoornwerk
Tot voor kort was er nog steeds sprake van het hoornwerk, namelijk door de ‘Clematistuin het Hoornwerk’, gelegen naast de al eerder genoemde parkeerplaats aan het begin van de Van Karne­beekstraat. Op het oppervlak van een middelgrote tuin groeiden en bloeiden hier onder (bege)lei­ding van mevrouw Roelie van der Meulen meer dan vierhonderd verschillende clematissoorten. De tuin kon worden bezocht en was in de wereld van tuinliefhebbers wijd en zijd bekend. Om haar missie voor het plantengeslacht Clematis te

Voordeur van Zuider­kerkstraat 12, ‘Aan het hoornwerk’. (Foto auteur)

Detail uit de kaart van Zwolle omstreeks 1960, het door de Burgemees­ter Van Roijensingel, Van Karnebeekstraat, Zuiderkerkstraat (met de merkwaardige bocht) en de Zeven Alleetjes gevormde hoornwerk valt nog duidelijk te onderscheiden. (Parti­culiere collectie) completeren verkocht mevrouw Van der Meulen op kleinschalige wijze ook clematissen aan het publiek, waaronder de meest gewone maar ook zeer exotische, met bloemen zo groot als ontbijt­bordjes. Vooral de boeiende en stevig gedirigeerde rondleidingen van mevrouw Van der Meulen door haar eigen Hof van Eden waren bijzonder. Je kreeg precies aangewezen waar je je voeten moest zetten en waar je op moest letten, met tot slot, in een donkere, wat geheimzinnige kamer, de ver­toning van een cd met bewegende (!) beelden van spectaculair bloeiende exemplaren uit haar tuin. Of de Clematistuin ooit weer open zal gaan? Inmiddels is het voortbestaan van de naam
‘hoornwerk’ in de openbare ruimte van Zwolle toch verzekerd – voor zolang als het duurt. Alweer enige jaren geleden heb ik mijn eigen woning in de Zuiderkerkstraat van de naam ‘Aan het hoorn-
werk’ voorzien, als zichtbare herinnering aan de fysiekhistorische oorsprong van de omgeving.

Ik heb bij het aanbrengen van deze naam op mijn voordeur geprobeerd hetzelfde lettertype te gebruiken als architect C.J. Vriens, die het blokje van drie woningen ontwierp waarvan de woning deel uitmaakt, heeft gebruikt. Het is een prach­tig, uitbundig en zeer sprekend lettertype – naar ik aanneem, een eigen ontwerp van Vriens. Het blokje is gebouwd in 1935 en de letter past precies bij de gehanteerde bouwstijl, die in de jaren dertig als modern gold. Hiermee is een tweede bijzon­dere voordeur gesignaleerd op of rond het hoorn-werk – en er zijn er nog meer!

De bocht
Op basis van het bovenstaande is nu goed te verkla­ren waarom er halverwege de Zuiderkerkstraat zo’n merkwaardige bocht zit: de Zuiderkerkstraat volgt precies de rooilijn van het Zwolse hoornwerk.

Mollebonen en blauwvingers
Groningers in Zwolle 1919-1940, een kleine geschiedenis van de Grönniger Verainen ‘De Molleboon’
E
ind maart 1920 viel bij een aantal inwoners van Zwolle en omstreken een brief in de bus. ‘An de leden van De Molleboon’ stond erboven. Het was een in het Gronings gestelde uit­nodiging voor een bijeenkomst in Odeon, alwaar op woensdagavond 7 april om acht uur ‘wie de eerste jaordag van onze verainen vieren.’ Het pro­gramma, dat zoveel jaar later door de blauwpaarse vlekken op het papier toont dat er vele doorslagen van getypt werden, vermeldde naast de Opening, ook ‘Verslag van Secretaores en Puutholder’ (pen­ningmeester) en ‘Rondvraog en Veurdrachten’. Na de pauze was er tijd voor ‘Gezelschapsspeulen en Bal’.
Groningse gebruiken werden op de bijeen­komsten in ere gehouden. Dat blijkt uit de vol­gende teksten: ‘Veur de pauze ken kovviedronken worden oet kraentjespotten. Dai hier gebruuk maöken wil wordt dringend verzocht veur zuk en zien gezelschap tiedeg ’n kovviepot te bezör­gen an ’t Odeon.’ En verder: ‘Dai gain kovviepot machteg worden ken mout tiedeg an ’t Bestuur opgeven veur houveul man hai graog hebben wil. ’t Bestuur zörgt den as ‘t even ken veur ’n kov­viepot.’ De toegang voor leden was vrij op vertoon van hun ‘diplomao’. Huisgenoten niet-leden mochten er voor vijftig cent in, vreemden moes­ten één gulden betalen.
Het echtpaar Werkman-Bos
Een van die genoemde kraantjeskannen stond thuis in de kast bij mijn in 2006 overleden moe­der. Zij, Hennie Werkman-van der Vegt, geboren en getogen Zwolse (Assendorp, nicht van de in 2001 in dit tijdschrift beschreven Wim Peters) en haar enkele jaren eerder overleden man Chris Werkman, geboren in Winschoten en getogen in Zwolle, erfden die kan van hun (schoon)moeder, mevrouw T. Werkman-Bos, echtgenote van M.H.
Werkman. Deze beiden, mijn grootouders, ver-Martin Werkman huisden in 1920 uit Winschoten, waar hij hoofd­redacteur was van de Nieuwe Winschoter Courant, naar Zwolle. Daar werd mijn grootvader eerst

M.H Werkman, hoofd­redacteur van de ‘Pro­vinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant’ en lid van De Molle­boon. Omstreeks 1927. (Collectie auteur)

redacteur Letteren en Kunst, later hoofdredacteur van de Zwolse Courant (destijds voluit de Provin­ciale Overijsselsche en Zwolsche Courant geheten). Ze vestigden zich in de Prins Hendrikstraat 20, waar ze tot hun dood woonden. Ik heb er vele zomervakanties doorgebracht.
Beiden hadden in Winschoten actief deel­genomen aan het maatschappelijke en culturele leven. Mijn grootmoeder speelde niet onverdien­stelijk toneel – ze kreeg er in Nieuwolda een gou­den medaille voor – en mocht graag piano spelen. Mijn grootvader schreef niet alleen voor de krant, maar regisseerde ook toneel, zat in vele commis­sies en publiceerde gedichten in tijdschriften als De Nieuwe Gids en Groot Nederland. Zijn broer – de vandaag nog altijd bekende drukker-graficus
H.N. Werkman – drukte in 1910 M.H. Werkmans poëziedebuut Museum van Plastische Verzen. In 1917 deed hij dat nog eens voor Werkmans Inlei­ding tot de Poëzie. Ten tijde van zijn verhuizing verscheen zijn eerste (en laatste) roman Ennema­heert. In Zwolle werden beiden lid van De Mol­leboon, een vereniging van Groningers in Zwolle en omstreken die een jaar eerder, in april 1919 was opgericht.
De oprichting
De feestrede bij het tienjarig bestaan van De Molleboon, 2 maart 1929, doet het oprichtings­verhaal uit de doeken. Drie Groningse Zwolle­naren stonden aan de wieg: dr. D.A.C. Dornheck Busscher, conrector van het gymnasium, H.W. Heckman, eigenaar van een herenkledingzaak aan de Melkmarkt 28 en K. van Zandbergen, belas­tingcontroleur. Ze belegden op 14 maart 1919 een vergadering in de Harmonie aan de Grote Markt voor de oprichting van een afdeling van de ‘Grunneger Sproak’, waar nog zes andere Zwol­lenaren bij aanwezig waren. Dat waren de heren
A.B.W. van de Beek, L. Beertema, J.R. Derksema,
T.H. van Dijk, dr. L.E. Eerkes en ir. H. Blankstein. De eerste avond die zij op 12 april 1919 in Odeon organiseerden, werd een groot succes. Er kwam een honderdtal Groninger Zwollenaren op af. Die belangstelling was zo groot, omdat de destijds in Groninger kring bekende auteur Geert Teis Pzn., pseudoniem van G.J. Ritzema, optrad. Hij was de schrijver van het overal in Nederland opgevoerde stuk Dizzepi-Dizzepu, maar ook van populaire teksten als het Grönnens Laid en een Groningse versie van Heinrich Heine’s Die Lorelei: de Knaol­ster Lorelei (‘Ik wait nait wat zel ’t toch beduden, dat ik zo miesderig bin’). De aanwezigen waren enthousiast. Een maand later was het eerste bestuur van de Groninger Vereniging De Molle­boon een feit. Dat bestond uit de heren Dornheck Busscher (voorzitter), Van Zandbergen (secreta­ris) en De Jonge, Heckman en Beertema (leden). Van Zandbergen was bestuurslid tot in 1931. Mijn grootvader volgde hem in 1922 op als secretaris, bleef dat tot in 1940 en werd bij zijn vertrek in 1946 benoemd tot erelid.

Krantenknipsel over de viering van het tienjarig bestaan in april 1929. Geheel links zittend mevrouw T. Werkman-Bos, zittend derde van links mevrouw Blank­stein- van Noord, met achter haar staand, H.Blankstein. Zit­tend, derde van rechts: M.H.Werkman. (Collectie auteur)
De Prins Hendrikstraat omstreeks 1920, gezien vanaf de Veerallee. (Collectie HCO)

De ‘Knaolster Lorelei’ In ’t Grönnens
door Geert Teis Pzn. De Grönniger Verainen De Molleboon wilde ‘de
(Collectie auteur) in Zwolle en omstreken wonende Groningers met
elkaar in kennis brengen’. Dat blijkt uit het elf
artikelen tellende reglement. Niet alleen om over
Groningen te praten, maar ook om een biblio­
theek van boeken en tijdschriften in het Gronings
samen te stellen. Vergaderingen, voordrachten
en toneelspelen ‘alles zooveul as ’t ken in ’t Grön­
nens’, hoorden daar ook bij. Die bibliotheek

telde 47 titels, in schoonschrift neergepend in een schrift met blauw gemarmerd kaft.* De toneel­vereniging, later aangesloten bij het Nederlands Tooneelverbond, zag in de loop van 1919 het levenslicht en voerde al in het voorjaar van 1920 het eerste stuk op: Dizzepi-Dizzepu van de eerder genoemde Geert Teis Pzn.
In de nalatenschap van mijn in 1997 overleden vader Chris (C.K.) Werkman, journalist te Den Haag, bevinden zich nog vele bescheiden over De Molleboon. Uit die brieven, programma’s, toneel­stukken (typoscripten en drukken), uitnodigin­gen, correspondentie, liedteksten en dergelijke blijkt dat het een zeer actieve vereniging was. In 1923 en 1924 telde De Molleboon respectievelijk 167 en 162 leden. Vanaf het najaar 1919 tot april 1940 organiseerde het bestuur elk jaar – in het voor- en najaar – twee feestelijke bijeenkomsten.
In januari was er altijd een ‘Neijaorsvezide’ (nieuwjaarsvisite of -bijeenkomst) in Hotel Van Gijtenbeek, met voordrachten, muziek en zang door het eigen dameskoor. Steevast zongen alle leden uit volle borst het ‘Verainigingslaid’. Met Pasen werd er ‘neut’n riestern’ of ‘neut’n schai­t’n’ georganiseerd. Met de hak werd er dan een streep getrokken in het zand, waarop op geregelde afstanden walnoten werden gelegd. Met een meta­len kogel moesten die

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 4

Door | 2003, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

• f cü/
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
/LUCHTPOST’
(Collectie HCO)
Sophia Ziekenhuis Zwolle. Kindertuin
Poststempel 22 december 1938
‘Beste Vrienden, allemaal hartelijk gefeliciteerd met
de verjaardag van Tante Wim en nog maar vele
jaartjes. Hoe is het kan U nog al dooi blijven, wat een
wintertje is het. Het is met mij zelf alles nog Oké dus
nu maar afwachten. Nu luidjes prettige dag en ook
maar prettige kerstdagen met vele groeten van M.B.
Rigter- Vreeswijk.
[Rondom in potlood geschreven:] Ik geloof dat
het met het kindje niets word, de dokter ziet het tenminste
niet erg goed in Gonnieje doet maar of je er
nog niks van weet.
Het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis kwam voort
uit de hervormde armenzorg. Het Sophia Ziekenhuis
werd geopend in 1884 en was gevestigd op een
deel van de zogeheten Bagijneweide, op de hoek
van de Rhijnvis Feithlaan en de Nieuwe Vecht. In
de loop der tijd werden verschillende delen aangebouwd.
De grootste uitbreidingen vonden plaats
in 1915 en 1935. De hoofdingang bevond zich tot
1935 aan de zijde van de Nieuwe Vecht, daarna
werd het nieuwe door stadsarchitect J.G. Wiebenga
opvallend strak vormgegeven gedeelte geopend
en werd de hoofdingang verplaatst naar de Rhijnvis
Feithlaan.
In de prachtige tuin van het ziekenhuis was het
bij mooi weer goed toeven voor de patiënten. Het
ziekenhuis verhuisde in 1972 naar de rand van de
stad. Het oude gebouw aan de Rhijnvis Feithlaan
is nu rijksmonument. Het wordt momenteel
gerenoveerd voor een nieuwe gebruiker, de kunstacademie
Constantijn Huygens. Zie voor meer
afbeeldingen van het oude Sophia pagina 143.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
Redactioneel Inhoud
De inhoud van het laatste nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift uit 2003 is weer zeer gevarieerd.
Aan bod komt de negentiende-eeuwse Zwolse
stadsarchitect Berend Reinders, onder meer ontwerper
van de voormalige RHBS aan de Bagijnesingel.
Daarna switchen we naar de manier hoe in
de zeventiende eeuw met huwelijkstrouw werd
omgegaan.
Verder wordt beschreven hoe een ondernemende
Zwolse boerenfamilie in 1895 hofleverancier
werd en en passant wordt verklaard waarom
bioscoop de Kroon deze naam draagt.
De moord op een marechaussee in Ommen
zorgde begin twintigste eeuw voor de nodige consternatie,
lees het verhaal hierover.
Een afbeelding die bij een artikel in het ZHT
nr. 2 van dit jaar stond, leverde een unieke foto op
van koningin Juliana op de bank bij een gewoon
Zwols echtpaar.
Ook op de ansicht in datzelfde nummer werd
gereageerd, deze reactie valt te lezen onder de
Mededelingen.
De ansicht in dit nummer biedt een kijkje in
het oude Sophia Ziekenhuis. Omdat daar veel te
zien was, treft u in dit nummer nog meer ansichten
van dit voormalige ziekenhuis aan.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten
en Wim Huijsmans 134
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-Hameete 136
Het oude Sophia in ansichtkaarten
Jeanine Otten 143
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd 146
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’ Jeanine Otten 153
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en Jennie Pruim 156
Met Juliana op de bank
Annèt Bootsma-van Hulten 162
Mededelingen 164
Auteurs 166
Omslag: Lijkwagen met het stoffelijk overschot van
marechaussee A. Hoekstra voor de kazerne van de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle op Beestenmarkt
7 (nu Harm Smeengekade), 9 augustus 1902.
(Foto P.J. Bieseman, collectie HCO)
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Berend Reinders (1825-1890),
stadsarchitect in Zwolle van 1855 tot 1875
Danielle Brinkman-
Hameete Het ambt van stadsarchitect bestaat in
Zwolle al vanaf de late middeleeuwen en
heeft sindsdien een forse ontwikkeling
doorgemaakt. Toch is er relatief weinig bekend
over dit ambt dat herkenbaar zijn sporen in de
stad heeft nagelaten. In het onderstaand artikel
wordt een kleine tijdspanne gelicht, namelijk de
periode van 1855 tot 1875, waarin Berend Reinders
als stadsarchitect diende in Zwolle.
Berend Reinders
In de negentiende eeuw bleef de bouwkunst in
Zwolle stevig geworteld in de plaatselijke traditie.
Er bevond zich hier geen op internationaal niveau
geschoolde architect. Toen in 1854 Zeger van der
Bie als stadsarchitect het veld ruimde, zag de raad
zich genoodzaakt een nieuwe stadsarchitect aan te
stellen. Het was de Groninger Berend Reinders,
die deze post verwierf. Hij was vooral technisch
goed op de hoogte van zowel bruggen als gebouwen
door zijn ervaring opgedaan als provinciaal
opzichter van Waterstaat en als meester-timmerman
in de stad Groningen.
Berend Reinders was op het moment van zijn
aanstelling dertig jaar oud. Van Reinders is een
aantal brieven bewaard gebleven die van zakelijke
aard zijn. Een familiearchief als informatieve bron
over zijn leven ontbreekt. Daarom is over zijn
privé-leven weinig bekend. De belangrijkste feiten
uit zijn persoonlijk leven, ontleend aan de akten
van de burgerlijke stand, zijn snel opgesomd.
Berend Reinders werd op 4 januari 1825 geboren te
Groningen. Zijn vader, Reinder Reinders, was
klerk en zesentwintig jaar oud toen zijn zoon werd
geboren. Zijn moeder Hillegien Woldring, zonder
beroep, was negenentwintig jaar toen zij haar
zoon ter wereld bracht. Berend Reinders woonde
met zijn ouders aan de Aa in Groningen. Toen
Berend was opgegroeid oefende hij eerst het
beroep van meester-timmerman uit en later werd
hij provinciaal opzichter van Waterstaat en
onderwijzer aan de Academie van Beeldende
Kunsten in Groningen. Op 30 januari 1855 werd
hij door de gemeenteraad van Zwolle aangesteld
als stadsarchitect.1 Zijn infunctietreding zou per
1 maart 1855 ingaan. Op die datum verscheen
Berend Reinders tijdens de vergadering van burgemeester
en wethouders. Hij legde de eed af en
beloofde hiermee zich aan de voorgeschreven
instructie te houden.2
Reinders vertrok met zijn vrouw Dorothea
Reinders-Pothoff en zoon Berend naar Zwolle.
Eenmaal hier gevestigd breidde het gezin zich uit.
In het jaar 1856 werd hun tweede zoon, weer
Berend genaamd, geboren en in 1858 een dochter
genaamd Maria, in 1861 een zoon Hermannes, in
1867 een dochter Lucintia en in 1870 een zoon
Theodoor. Het laatst geboren kind overleed na
drie maanden aan enteritis chronica, een chronische
ontsteking van het darmslijmvlies.3 In 1875
werd na een dienstverband van twintig jaar met de
stad Zwolle Reinders eervol ontslag verleend. Op
12 januari 1875 werd hij aangesteld als architectdirecteur
in Den Haag.4 In deze stad bleef hij
werkzaam tot zijn dood in 1890.5
De fabricage
De fabricage, zoals de verzamelnaam luidde voor
het stadsbedrijf ten tijde van Reinders ambtsperiode,
bestond uit verschillende onderdelen:
de civiele bouwkunde, de waterbouwkunde, de
stadsplanning en de verschillende taken die na
de aanstelling van de werklieden door de stadsarchitect
werden bewerkstelligd.
Civiele bouwkunde
De belangrijkste taak van de stadsarchitect lag op
het gebied van de civiele bouwkunde. De stad had
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
veel gebouwen onder haar hoede die groot en
bewerkelijk in onderhoud waren, zoals het stadhuis,
de kazerne, het passantenhuis, de scholen, de
torens en de poorten. Veel aandacht werd besteed
aan de brugwachtershuisjes, de brandspuithuisjes,
de lantaarnpalen en de stadspompen. Bovendien
stonden onder toezicht van de stadsarchitect de
openbare straten, wegen, plantsoenen, stadsgronden
en wateren.6
Jaarlijks vond de inspectie van de stadsgebouwen
en werken plaats. In de maand september
diende de stadsarchitect een verslag in bij burgemeester
en wethouders. Het verslag gaf de toestand
van de gebouwen weer en de beraming van
de kosten van onderhoud of vernieuwing voor het
komend jaar.7 Maandelijks stelde de stadsarchitect
burgemeester en wethouders op de hoogte
van de werkzaamheden die naar zijn oordeel aan
de gemeentelijke eigendommen of werken moesten
worden uitgevoerd. Wekelijks rapporteerde
Reinders schriftelijk aan de raad over de werkzaamheden
van de afgelopen en de komende
week. Het stadsbestuur hechtte veel waarde aan de
toelichting van de stadsarchitect, vooral waar het
ging om de technische aspecten die bij veel stadswerken
aan de orde kwamen. Het stadsbestuur
besliste op grond van tekeningen die Reinders of
een ondergeschikte van de objecten maakte. Enkele
tekeningen van Reinders zijn bewaard gebleven.
Hij besteedde veel zorg aan deze vaak gesigneerde
tekeningen.8 Slechts met voorkennis en goedkeuring
van burgemeester en wethouders werden
werken uitgevoerd.9
Was er sprake van direct gevaar voor dé
publieke veiligheid, dan gaf de stadsarchitect
onmiddellijk order tot het uitvoeren van de nodige
voorzieningen. De raad werd vervolgens zo snel
mogelijk in kennis gesteld.10 Bij uitbrekende
brand diende de stadsarchitect direct hulp te bieden.
Immers door zijn kennis van het stadsplan,
was hij goed op de hoogte van de aanwezigheid
van water, eventuele brandspuiten en pompen in
de omgeving van de brandhaard.”
Een onvoorziene omstandigheid was de cholera-
epidemie die in Zwolle voor de tweede keer uitbrak
in 1855, net na de aanstelling van Reinders. In
zijn functie als stadsarchitect was hij direct belast
met het uitvoeren van restrictieve maatregelen.
Hij diende de stad hygiënischer te maken, de choleralijders
onder te brengen, twee grachten te
dempen en een riolering aan te leggen. Met deze
maatregelen dacht de raad een herhaling van een
cholera-epidemie te voorkomen. Helaas brak in
1866 opnieuw een hevige epidemie uit. In 1865 en
1866 vielen de oogsten tegen en schoten de voedselprijzen
omhoog. Veel mensen waren ondervoed
en daardoor vatbaar voor de cholera. De
conditie van vooral de armen diende daarom verbeterd
te worden en dat gebeurde door middel
van voedseluitdelingen, het bevorderen van de
hygiëne door het schoonmaken van huizen, straten
en openbare privaten en tenslotte het branden
van teertonnen. Grote epidemieën kwamen na
1866 niet meer voor. De succesvolle bestrijding
van de cholera-epidemie gaf aan dat Berend Reinders
prima in staat was het veelomvattende takenpakket
waar de stadsarchitect verantwoordelijk
voor was uit te voeren.
Waterbouwkunde
Een deel van Reinders taken lag op het terrein van
de waterbouwkunde. Hij had voor dit onderdeel
van de architectuur veel belangstelling. Zwolle
was afhankelijk van een goede waterhuishouding.
Daarom diende de stadsarchitect de dijken,
wegen, bruggen en waterleidingen regelmatig aan
een inspectie te onderwerpen. Bovendien vergden
de sluis- en waterwerken veel aandacht en met
name voor de onderhoudswerkzaamheden, zoals
de beschoeiingen gemaakt van houten wallen,
steigers met paalwerk en de balkenconstructies en
stenen pijlers.12 Elk kwartaal in de eerste week van
januari, april, juli en oktober rapporteerde de
stadsarchitect schriftelijk aan de raad over de toestand
van de bruggen.13
Zoals bijvoorbeeld het geval was bij de brug
over de Willemsvaart. Na eeuwenlange pogingen
om te komen tot een waterverbinding tussen Zwolle
en de IJssel, was op 24 augustus 1819 de Willemsvaart
officieel geopend. Dit gebeurde op de verjaardag
van koning Willem I. Zwolle had de vaart aan
hem te danken, omdat hij het rijk tot betaling had
overgehaald. De vaart was in eerste instantie niet
gegraven voor de waterhuishouding, maar voor de
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
scheepvaart. De nieuwe waterweg maakte oeververbindingen
noodzakelijk. Vanaf halverwege de
negentiende eeuw was er namelijk sprake van een
toename van het verkeer. Reinders droeg zorg voor
een verbeterde infrastructuur en waterbeheersing
door het ontwerpen van een aantal beweegbare
bruggen in Zwolle. De bruggen kregen vanwege het
gebruik van verbeterde technieken, nieuwe materialen
en daarmee samenhangende vormgeving een
heel ander karakter dan gebruikelijk. Tijdens de
ambtsperiode van Reinders waren de bruggen van
hout, daarna vooral van ijzer, zoals de brug over de
Willemsvaart (een draaibrug) en de Vis(ch)poortenbrug
(een valbrug).14 Hoewel de bruggen niet
mooi werden gevonden, duidde zijn bouwkunst
wel op architectonische kennis.
Aankoop van materialen
De aankoop, aanvoer en opslag van materialen
viel ook onder het takenpakket van de stadsarchitect.
De aankoop werd geregeld bij publieke aanbesteding
of in openbare veiling. Dat gebeurde
vooral bij materialen die veel gebruikt werden.
Reinders hield nauwkeurig de direct gebruikte en
de nog te gebruiken materialen bij in zijn weekrapporten.
Zo bleef men precies op de hoogte van
de hoeveelheden die gebruikt werden, zodat de
materialen op tijd bij de leveranciers besteld konden
worden. Per kwartaal leverde Reinders de
aantekeningen in bij de raad, twee keer per jaar
vergezeld met de rekeningen.
Er werden hoge eisen gesteld aan de materialen
die uit de kas van de stad betaald werden. De
keuring ervan was een belangrijke bezigheid. De
opslag van de materialen gebeurde in speciale
opslagloodsen. Enkele stadswerklieden waren
aangesteld voor het beh eer van de materialen in de
verschillende stadswerkplaatsen. Alle arbeiders
die met de materialen en gereedschappen van de
gemeente werkten waren verplicht hierover verantwoording
af te leggen. Bij schade of verlies
werd de desbetreffende arbeider op zijn loon
gekort. Bij diefstal moest de raad ingelicht worden,
die dan een straf oplegde.
De gereedschappen en werktuigen werden niet
alleen in stadsdienst gebruikt. Particulieren waren
in de gelegenheid deze te huren tegen een door de
stadsarchitect vastgesteld tarief. Wekelijks gaf de
stadsarchitect aan de raad op welk bedrag daarvoor
was geïnd.
Invullen van de stadsgrond
De stadsarchitect droeg ook zorg voor het zo nuttig
mogelijk gebruiken van de stadsgrond. Gevallen
van eerste uitgifte van grond of van nieuwe
bestemming kwamen in de praktijk bij hem
terecht. Er werd verwacht, dat hij kon optreden als
onderhandelaar.
Tot zijn takenpakket hoorde het ontwerpen
van plannen, tekeningen, bestekken en het doen
van aanbestedingen op het gebied van onderhoud,
vernieuwing van stadswerken of geheel nieuwe
gebouwen of werken. Bovendien was hij ervoor
verantwoordelijk dat alle beschikbare gronden en
percelen van de stad een maximum aan rendement
opleverden.15 Zoals het geval was bij de
nieuwbouwvan de Rijks Hogere Burgerschool.
De Rijks Hogere Burgerschool
De geschiedenis van de Rijks Hogere Burgerscholen
begon in het midden van de negentiende
eeuw. Dit schooltype werd opgericht voor leerlingen
die scholing wilden op het gebied van de handel,
nijverheid en staatsdienst. Het was opmerkelijk
dat Zwolle van minister Thorbecke toestemming
kreeg één van de eerste Rijks Hogere Burgerscholen
van Nederland te plaatsen. Mogelijk had
hij een zwak voor zijn geboortestad. Naar buiten
toe gaf Thorbecke als reden voor het bouwen van
een hogere burgerschool in Zwolle op, dat de stad
een centrale plaats in Nederland innam. De minister
verzocht de raad een schetstekening te laten
maken van een gebouw en een terrein aan te wijzen
waarop de school gevestigd zou worden.16 Op
5 april 1865 viel de definitieve beslissing van de
raad om de school op de Bagijnenweide te plaatsen.
17 De Rijks Hogere Burgerschool zou
ƒ 60.000,- gaan kosten.18 Na de bouw bleken de
kosten te zijn opgelopen tot ƒ 81.250,-. Zwolle
kreeg een subsidie van ƒ 20.000,- van het rijk. Het
plan kreeg goedkeuring van de minister. Reinders
rechtvaardigde zijn werk met het argument dat hij
duurzaam wilde bouwen, om in de toekomst de
onderhoudskosten laag te kunnen houden.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
Voor Reinders was het een uitgelezen kans een
rijksgebouw in Neoclassicistische stijl te bouwen
met toepassing van eigen kenmerken.19 Deze
bouwstijl werd in Nederland in de periode tussen
ongeveer 1800 en 1870 veel toegepast. In september
1867 was het gebouw gereed.20 Het werd voordat
het in gebruik werd genomen ter bezichtiging
opengesteld voor publiek.21 Vooral de vorm van
het gebouw trok de aandacht van de bezoekers.
Het pand was gebouwd in een rechthoekige hoef,
waarbij de diepte van het arrière-corps in de voorgevel
0,75 ellen bedroeg. Hij plaatste aan beide zijden
van de hoofdingang twee zuilen. Bij enkele
van zijn eerder ontworpen gebouwen paste hij
eenvoudige versiering rond de vensters toe, maar
die liet hij bij de Rijks Hogere Burgerschool achterwege.
Ter verfraaiing van het gebouw werd
besloten het uurwerk van de Diezerpoort naar de
nieuwe school over te brengen. In 1953 besloot de
raad echter de klok uit het gebouw van de RHBS te
halen en voor tenminste tien jaar in bruikleen af te
staan aan het kerkbestuur van de Sint-Jozefkerk in
de Assendorperstraat.22
Werklieden bij de fabricage
Uit het voorgaande blijkt dat de stadsarchitect veel
verantwoordelijkheden droeg. Hij diende zich,
wilde hij zijn functie naar behoren uitoefenen,
nauwgezet aan de instructie te houden die hij bij
zijn aanstelling had aanvaard. Met de eedaflegging
nam hij die grote verantwoordelijkheid op zich.
Tot zijn taak hoorde ook het selecteren en voordragen
van werklieden. Reinders was voor een
deel afhankelijk van goede stadsarbeiders wilde hij
de stadswerkzaamheden op tijd gereed krijgen.
Ontwerp tekening van
de voorgevel van de
Rijks Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin
KNOB 2000-4)
Ontwerp plattegrond
begane grond en eerste
verdieping van de Rijks
Hogere Burgerschool.
(Uit: Bulletin KNOB
2000-4)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Rijks Hogere Burgerschool
aan de Bagijnesingel
omstreeks 1890.
(Collectie HCO)
Het aantal vaste werklieden
Het aantal werklieden van de fabriek gedurende
de tijd dat Reinders zijn ambt uitoefende, betrof
drieëndertig vaste werknemers. Uiteraard waren
verschillende beroepen vertegenwoordigd. Om
een indruk te geven, volgt hier de staat van de
ambtenaren en vaste arbeiders bij de fabricage in
1855. Drie opzichters stonden in rang onder de
stadsarchitect en zorgden afzonderlijk voor het
dagonderhoud, de arbeiders en de stadsgoederen.
Verder waren er vier timmerlieden in vaste dienst.
Er werkten bij de stadsfabriek twee metselaars, één
loodgieter, één stratenmaker en één opperman
van het cholera-hospitaal. Vervolgens was er één
opzichter over de wandelplaatsen en onder hem
werkten zes arbeiders. Tevens was er een opzichter
werkzaam met vier arbeiders die aangenomen
waren om de lantaarns bij te vullen. Negen arbeiders
sloten de rij waarvan er één de openbare privaten
schoonhield en waarvan de andere acht
inzetbaar waren waar nodig.23
De stadsarchitect behoorde niet alleen zijn
eigen taken naar behoren te vervullen, hij moest
tevens de stadswerklieden motiveren goed werk af
te leveren. De stadswerklieden waren net als de
stadsarchitect gebonden aan een instructie. Indien
een stadsarbeider, om wat voor reden ook, niet
naar behoren functioneerde beschikte de stadsarchitect
over voldoende mogelijkheden om de man
tot de orde te roepen of in het ergste geval te ontZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
slaan. Midden negentiende eeuw was er voor de
stadswerklieden op (hoge) leeftijd, voor zover valt
na te gaan in de bronnen, geen pensioen geregeld.
Zolang ze konden werken hield de stadsarchitect
deze oudere stadsarbeiders beschikbaar voor lichte
werkzaamheden.
Uitbetaling van de lonen
Wekelijks, op maandag, gaf de stadsarchitect aan
de hand van het aantal gewerkte uren de werklonen
van de stadsarbeiders schriftelijk door aan de
raad. In 1862 deed Reinders een voorstel tot verhoging
van het dagloon van de stadswerklieden. Het
loon werd gemiddeld ƒ 0,05 a ƒ 0,10 per dag verhoogd
en kwam op een gemiddelde van ƒ 1,00 per
dag.
Het loon werd per uur betaald. Dit had te
maken met de lengte van de dagen. In de winter
waren de dagen kort omdat het ’s ochtends laat
licht was en ’s avonds vroeg donker. Daarom kon
er hoogstens zeven uur gewerkt worden. In het
voor- en najaar werd er acht uur gewerkt en in de
zomer gemiddeld tien a elf uur. De raad had aan
de hand van de seizoenen een staat van uren opgesteld,
waaraan de stadswerklieden zich dienden te
houden.24
Betaling stadsarchitect
Bovenstaande beoogt een indruk te geven van wat
de functie van stadsarchitect zoal omvatte. Tot eer
van de stad dient gezegd dat Reinders voor zijn
vele werk behoorlijk werd betaald. Bij zijn aanstelling
in 1855 werd zijn salaris vastgesteld op ƒ 1500,-
per jaar. Uit de verslagen van de raad van de
gemeente Zwolle bleek dat de stadsarchitect bij
aanvang van zijn ambtstermijn inderdaad ƒ 1500,-
ontving. In de loop der jaren werd zijn traktement
nog enkele malen verhoogd. Bij zijn vertrek in 1875
bestond de jaarwedde van Reinders uit ƒ 2100,-.25
Nevenactiviteiten
In de eerste decennia van de negentiende eeuw
viel er in Nederland nog niets te bespeuren van
een economische ontwikkeling die gelijkenis vertoonde
met de industriële revolutie, zoals die zich
in de omringende landen aan het voltrekken was.
Pas rond 1850 begonnen de eerste veranderingen
zich af te tekenen, hetgeen ook het Zwolse economische
leven niet onberoerd liet. De eerste stoommachine
hier ter stede werd geplaatst in 1853 in de
ijzergieterij van G.J. Wispelweij & Co, toentertijd
een bedrijf met tweeënveertig arbeiders. De
fabriek van Krol, de machinefabriek aan de Veerallee,
de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen
en de Gemeentelijke Gasfabriek volgden, zodat
omstreeks 1875 al achtenveertig stoommachines in
bedrijfwaren.26
Bij deze industriële ontwikkeling speelde de
afdeling Zwolle van de ‘Vereeniging ter bevordering
van de Fabrieks- en Handwerknijverheid’ een
belangrijke rol. Reinders was lid van deze vereniging.
In 1853 bracht de vereniging een industrieschool
tot stand. Verder was er in Zwolle een
Commissie van Werkverschaffing waarin Reinders
als voorzitter zitting had. Deze Commissie
bracht verscheidene initiatieven naar voren, zoals
een ‘Vereerend Getuigschrift’ dat uitgereikt werd
aan arbeiders die meer dan twintig jaar in hetzelfde
bedrijf werkzaam waren geweest. Daarnaast
werden door de ‘Vereeniging’ prijsvragen uitgeschreven
waarbij een beroep werd gedaan op de
vindingrijkheid en beheersing van veel technieken.
De belangrijkste activiteiten die georganiseerd
werden waren de industriële tentoonstellingen.
De eerste tentoonstelling was in 1840, waar
slechts eenendertig inzendingen waren. Twintig
jaar later kwamen bijna duizend inzendingen binnen
en ongeveer vijfduizend bezoekers.27 Hoe
succesvol de tentoonstelling ook was, industrie
van enige omvang kwam er niet uit voort. Zwolle
had een gunstige geografische ligging, maar kapitaal
en grondstoffen ontbraken. Wat betreft Reinders
kan uit zijn optreden in deze commissies
opgemaakt worden dat hij zeer begaan was met de
industriële ontwikkeling van Zwolle.
Goede stadsbeambte
Reinders behoorde niet tot degenen die door hun
enorme prestaties een stempel op hun tijd zetten.
Hij had de maat van zijn omgeving en moet
beoordeeld worden in het verband van zijn tijd
om datgene, wat hij tot de bouwkunst heeft bijgedragen,
op de juiste betekenis te schatten. Door
alle gegevens die over de stadsarchitect te verkrij142
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen waren te verzamelen, is een beeld opgebouwd
van vooral de omstandigheden waaronder hij
werkte. Reinders heeft voor zover de bronnen
onthullen geen gebouwen ontworpen en uitgevoerd
in opdracht van particulieren in zijn vrije
tijd. Dit is niet met zekerheid te zeggen, omdat
geen persoonlijk dossier van hem is gevonden.
Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat zijn ontwerpen
voortkwamen uit opdrachten die hij als
stadsarchitect kreeg van de raad.
De stadsarchitect uit: de negentiende eeuw stak
in de communis opinio niet uit boven de gemiddelde
burgerman. Een dergelijke sfeer van eenvoud
lijkt te passen bij Reinders. Het is in dit verband
tekenend dat er van hem geen portret
bekend is. Vooral de eigenschappen ijver, toewijding,
stiptheid, zin voor orde, bereidwilligheid om
dienstbaar te zijn, maakten hem tot een goede
stadsbeambte.
* Dit artikel verscheen eerder, in uitgebreidere vorm,
in het Bulletin, orgaan van de KNOB (Koninklijke
Nederlandse Oudheidkundige Bond), 2OOO-4.
Noten
Gebruikte afkortingen:
GAZ Historisch Centrum Overijssel,
collectie voormalig Gemeentearchief Zwolle
AAZ01 Administratieve stadsarchieven
AAZ02 Administratieve stadsarchieven
DA002 Dienst openbare werken, 1842-1949
1 GAZ, AAZ02-24, Register van de Notulen van de
Gemeenteraad te Zwolle, 30 januari 1855.
2 GAZ, AAZ02-704,1 maart 1855.
3 GAZ, AAZ02-03123, Sterfte-statistiek 1865-1876,
21 juli 1870.
4 R. Vijfwinkel, K.P. Companje, W.J. de Geus en
M.M. Hegener, ’s Haags werken en werkers, 350 jaar
gemeentewerken (1636-1986), p.130.
5 Gemeentearchief Den Haag, Algemeen Verslag van
de Werkzaamheden en Notulen der Vergaderingen,
in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs
(Instituutsjaar 1889-1890), 11 februari 1890,
P-36-37-
6 GAZ, AAZ01-409, Register voor de ambtenaren
der Gemeente 1821-1842, artikel 1.
7 GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, artikel 3.
GAZ, AAZ01 art.8.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 3, art.4.
GAZ, AAZ01 subonderdeel 4, art.4.
GAZ, AAZ01 art.16.
GAZ, AAZ01 art.17.
GAZ, AAZ02-3041, Instructies voor het gemeentepersoneel
1778, art.3.
B. Lamberts en H. Middag, Architectuur en stedebouw
in Overijssel 1850-1940 (Zwolle 1991) p.134.
GAZ, AAZ01-409, Register 1821-1842, art.8.
W.A.Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle (1973 Zwolle) p.243.
Het Nationaal Archief, Tweede Afdeling, archief
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Vijfde
Afdeling Onderwijs, 1848-1876, inventarisnummer
755, no.93,5 april 1865, p.192.
GAZ, DA002-105,24 juli 1865, p.663.
L.H. Eberson, Ebersons Bouwkunst, Overzicht van
de onuitgegeven werken onzer Nederlandsche tijdgenooten,
uitgegeven tussen 1873-1875.
Het Nationaal Archief, 186,16 juli 1867, p.716.
Eberson, 1873-1875 Arnhem.
Jubileumcommissie, Gedenkboek; honderd jaar rhbs
Zwolle 1867-1967, p.20.
GAZ, DA002-461,21 september 1855.
GAZ, DA002-13,6 januari 1862.
Verslag van de Raad der Gemeente Zwolle 1875, p.8.
P.J.C, de Boer, De Zwolse ‘Fabrieks- en handwerknijverheidstentoonstelling’
van 1860, p.62.
De Boer, p.63.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 143
Het oude Sophia in ansichtkaarten
In 1884 werd op de hoek van de Rhijnvis Feithlaan
en de Nieuwe Vecht een uiterst modern
ziekenhuis geopend. De naam was ontleend
aan koningin Sophie (1818-1877), de eerste echtgenote
van koning Willem III. De Zwolse raad wilde
met deze vernoeming de nagedachtenis eren van
de koningin, die Zwolle op 18 juli 1874 had bezocht
en die zoveel voor de ziekenverpleging had
gedaan. In 1880 begon de bouw en op 1 oktober
1884 kon het ziekenhuis geopend worden. Het
ontwerp was van de toenmalige stadsarchitect J.L.
van Essen en kostte, compleet met inventaris,
ƒ70.000,-.
Sindsdien vond meermalen verbouwing en
nieuwbouw plaats. Op 13 maart 1915 werd een
nieuwe vleugel, die was ontworpen door stadsarchitect
Lourens Krook, met veel redevoeringen in
gebruik genomen. In 1935 kreeg het Sophia Ziekenhuis
een uitbreiding, van een voor die tijd
ongekend moderne architectuur. Stadsarchitect
Jan Gerko Wiebenga ontwierp de nieuwe vleugel
in de stijl van het Functionalisme.
Het Sophia bleef bijna negentig jaar aan de Rhijnvis
Feithlaan gevestigd. In 1972 verhuisde het hospitaal
naar de Ceintuurbaan aan de rand van de
stad. De hoofdingang kwam aan de Dokter van
Heesweg. Na de fusie met het ziekenhuis De Weezenlanden
in 1998 werd het Sophia Ziekenhuis een
locatie van de Isala-klinieken. Beide ziekenhuizen
willen in 2010 een nieuw gebouw betrekken, dat
op de grond van het nieuwe Sophia Ziekenhuis
moet verrijzen.
Van ziekenhuis tot kunstacademie
Op de zolderverdieping van het oude Sophia Ziekenhuis
was gedurende ruim twintig jaar kunstenaarsvereniging
Het Palet gehuisvest. In juli 2002
kreeg de vereniging van de gemeente Zwolle te
horen dat ze het pand zo snel mogelijk moest verlaten
om plaats te maken voor de kunstacademie
van Hogeschool Constantijn Huygens te Kampen.
Het voormalige ziekenhuis zal daartoe worden
verbouwd naar een ontwerp van architect Hubert-
Jan Henket. Henket heeft een nieuwe vleugel langs
de Nieuwe Vecht ontworpen die in stijl en hoogte
aansluit op het ontwerp uit de jaren dertig van
architect Wiebenga. Ook achter het hoofdgebouw
van het voormalige ziekenhuis komt nieuwbouw.
Het oude Sophia Ziekenhuis is eigendom van
de gemeente. Renovatie en nieuwbouw ten behoeve
van de Hogeschool Constantijn Huygens worden
op kosten van de gemeente uitgevoerd. De
totale kosten worden geraamd op ongeveer elf
miljoen euro.
Jeanine Otten
Zwolle
Jto-J-i
Het oude Sophia Ziekenhuis, ontworpen door stadsarchitect J.L. van Essen, geopend
1 oktober 1884. Prentbriefkaart uitgegeven door J.H. Schaefer te Amsterdam,
met poststempel Zwolle, 2 oktober 1901. (Collectie HCO)
144 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Sophia Ziekenhuis in 1950, vanuit de lucht.
Links de Nieuwe Vecht, rechts de Rhijnvis Feithlaan.
Op de voorgrond de nieuwbouw uit de jaren
dertig door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door Aerofoto KLM, met poststempel
Zwolle, 15 oktober 1956. (Collectie HCO)
Het trappenhuis in het Sophia Ziekenhuis, ontworpen
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever, zonderpoststempel.
(Collectie HCO)
Het gedeelte van het Sophia Ziekenhuis gebouwd
door stadsarchitect J.G. Wiebenga. Prentbriefkaart
uitgegeven doorN.V. Vroom & Dreesman te Zwolle,
met poststempel Zwolle, 15 augustus 1948. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT H5
Uitzicht vanuit het trappenhuis naar het oudste
gedeelte van het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door H. Hartman te Zwolle circa 1935,
met poststempel Zwolle, 21 juli 1938. (Collectie
HCO)
De binnentuin van het Sophia Ziekenhuis, met links
het oudste gedeelte uiti884, rechts het gedeelte uit
1935- Prentbriefkaart uitgegeven doorH. Hartman
te Zwolle circa 1935, zonder poststempel. (Collectie
HCO)
De operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis. Prentbriefkaart
uitgegeven door een onbekende uitgever,
zonder poststempel. (Collectie HCO)
146 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een hoffelijk gebaar naar veehouder
en melkverkoper Logtenberg
Siem van der Weerd
Boerderij van de familie
J. Logtenberg (geb. 1827)
aan de Assendorperstraat
O/387, tegenover
het latere kerk I kloostercomplex,
omstreeks
1887. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
Zwolle heeft, in tegenstelling tot de buursteden
Hattem en Kampen, in de vorige eeuw
niet te maken gehad met het uitplaatsen
van binnenstadsboerderijen. De boerderijen hier
bevonden zich al buiten de grachten. In Dieze,
voor de Kamperpoort en in Assendorp trof men
tal van kleine melkveebedrijven aan, die als neveninkomst
vaak ook nog groenten op de ‘koude
grond’ verbouwden.
De boerengezinnen zorgden doorgaans zelf
voor de afzet van de producten. Op sommige
boerderijen werd ook nog boter of kaas gemaakt,
maar vrijwel altijd werd geprobeerd de melkproducten
en de groenten aan het eigen klantenbestand
uit te venten.
Jan Logtenberg (1827-1896) die getrouwd was met
Gerridina Schutte, woonde vanaf 1861 aan de
Assendorperstraat O/387. Tegenover zijn boerderij
zou later, in 1902, de Dominicanenkerk en het
klooster verrijzen. Zowel van deze boerderij als
van het interieur is nog een foto aanwezig. Deze
twee foto’s geven een duidelijk beeld van hun
woon- en leefomgeving. Het is opvallend hoe de
familie zocht naar nieuwe afzetmogelijkheden
voor de melkproducten, met het doel meer omzet
en betere prijzen te behalen. Zoon Antonie (geb.
1866) bezat daarvoor een creatieve en zakelijke
geest.
Waarschijnlijk exploiteerde veehouder en
melkverkoper Jan Logtenberg samen met Antonie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 147
reeds vanaf 1895 een melksalon aan de Oude Vismarkt
36. Eind 1900 werd een herenhuis met tuin,
Diezerstraat E/33, later als 66 genummerd,
gekocht van de handelaar in ijzerwaren en landbouwwerktuigen
Oeds de Leeuw. Via een openbare
veiling deed deze het, met de aanwezige gaskronen
en gasarmaturen, onder het toeziend oog van
notaris Van Reede van de hand voor ruim veertienduizend
gulden. Timmerman Tijmen Disselhof
verklaarde ‘te hebben geboden voor Koopman
en Winkelier Antonie Logtenberg’. De verhuizing
van de Oude Vismarkt naar de Diezerstraat betekende
dat de zaak voortaan op een A-locatie was
gevestigd. De nieuwe salon was ook vanaf het
Gasthuisplein te bereiken. Op de tuinmuur daar
stond met forse letters aangegeven: ‘Melkinrichting
J. Logtenberg’.
De kroon op het werk
Begin september 1895 kreeg Zwolle hoog bezoek.
Koningin-regentes Emma en haar dochter het
jonge koninginnetje Wilhelmina waren enkele
dagen in Zwolle te gast. Het stadsbestuur, met
burgemeester jhr. W.C.Th, van Nahuijs voorop,
was al een hele tijd druk geweest met de voorbereiding.
Niet alleen moesten de feestelijkheden
goed verlopen, ook het bedrijfsleven zag een schone
kans zich bij dit bezoek te presenteren in de
hoop zo een graantje mee te pikken van dit niet
alledaagse gebeuren. Uniek was dat het koninklijk
bezoek eerst aan vier en later nog aan enkele andere
bedrijven een eervolle en blijvende herinnering
naliet in de vorm van een hofleverancierpredikaat.
Burgemeester Van Nahuijs heeft bij de verlening
daarvan zeker een belangrijke rol gespeeld.
J. Logtenberg ‘veehouder en melkverkooper’
aan de Assendorperstraat; de gebroeders F.G. en
D. Boerboom, die een zaak dreven in galanterieën
aan de Melkmarkt; de boven al genoemde handelaar
in ijzerwaren en landbouwwerktuigen O. de
Leeuw uit de Diezerstraat en de lakfabrikanten
A.C. en H. Klinkert in de Bloemendalstraat, handelende
onder de firma Klinkert & Co, zagen hun
wens om zich hofleverancier te mogen noemen,
bekroond.
Op 23 oktober 1895 werd hen via de hofcom-
Interieur van de boerderij
van de familie
Logtenberg aan de
Assendorperstraat.
Waarschijnlijk is deze
foto genomen in 1887.
Het meeste meubilair is
nog steeds in familiebezit.
Rechts van de
staartklok hangt een
geborduurd ‘trouwdoek’
uit 1861; het jaar
dat Jan Logtenberg en
Gerridina Schutte, de
ouders van Antonie,
trouwden. De foto is
vermoedelijk in de
zomer genomen, want
de kachel is verwijderd.
Op de kachelplaat staat
nu de Statenbijbel met
koperen sloten. Boven
de schoorsteen hangt
een ingelijste plaat met
een bijbelse voorstelling,
uitgegeven door Joh. de
Liefde. Op dezelfde
hoogte links daarvan
hangt een verzamelplaatvan
bekende kerkreformatoren
uit verschillende
landen. (Collectie
Dijk/Logtenberg)
148 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
missie, de instantie die deze verzoeken behandelde,
een Vergunning verleend tot het voeren van
het Wapen van Hare Majesteit de Koningin-
Weduwe’. Burgemeester van Nahuijs berichtte op
25 oktober de hofcommissie, dat hij de bijbehorende
diploma’s had uitgereikt en de benodigde
verklaringen bijgaand en ondertekend terug
stuurde. Klinkert was kennelijk slechts gedeeltelijk
aan zijn trekken gekomen want de burgemeester
schreef in dezelfde brief: ‘laatstgenoemden [A.C.
en H. Klinkert] is meegedeeld, dat hun verzoek,
‘Aan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden
Mevrouw!
Geeft met den diepsten eerbied te kennen: Jan Logtenberg veehouder en melkverkooper
woonende in de Assendorperstraat te Zwolle;
dat hem de hooge eer te beurt gevallen is, tijdens het verblijf van Hare
Majesteiten de Koningin en de Koningin Regentes in de gemeente Zwolle,
twee malen per dag ter Hoogst derzelver gebruik, melk te mogen leveren aan
den Heer Commissaris der Koningin in de Provincie Overijssel;
dat hij vertrouwt dat op de qualiteit der geleverde melk in geen enkel
opzigt eenige aanmerking is gemaakt, maar zij integendeel in allen deele goed
zal zijn bevonden en dat hij dat vertrouwen grondt, allereerst op de omstandigheid
dat hij er eenen uitmuntenden veestapel op na houdt (zijnde hij
immers ter dier zake reeds tweemalen van wege de Geldersch Overijsselsche
Maatschappij van Landbouw met verguld zilver en zilver bekroond) en in de
tweede plaats op het feit dat hij vooral gedurende het verblijf der vorstinnen in
Zwolle, met buitengewone voorzichtigheid en nauwkeurigheid bij het melken
enz. is te werk gegaan;
dat hij zoo gaarne, mede als herinnering aan de onvergetelijke dagen van
2 tot 5 september 1895, verlof zoude bekomen om den titel van Hofleverancier
te voeren;
Redenen waarom requestrant met diepen eerbied Uwe Majesteit verzoekt;
Dat het Uwe Majesteit moge behagen, requestrant den titel van Hofleverancier
te verleenen.
Zwolle 9 september 1895
’t welk doende enz.
Jan Logtenberg.’
Transcriptie van de brief van Jan Logtenberg aan koningin Emma, gedateerd 9 september
1895. Moeder en dochter logeerden tijdens hun bezoek aan Zwolle in het
Gouverneurshuis, de residentie van de commissaris van de koningin. Logtenberg
refereert daarom in de brief aan zijn leveranties aan de commissaris.
1
om hun zaak Koninklijke Fabriek te noemen,
door Hare Majesteit niet is ingewilligd.’ Ook een
herhaald verzoek sorteerde geen effect.
‘In een der voorsteden’
Uit raadpleging van het Koninklijk Huisarchief
blijkt dat de toekenning van het predikaat hofleverancier
aan Logtenberg nogal wat voeten in de
aarde heeft gehad.
Een brief (zie kader) die Jan Logtenberg op
9 september 1895 aan de koningin-regentes stuurde,
straalt verbondenheid uit met het Koninklijk
Huis. Op een bescheiden manier vroeg hij daarin
om een blijvende herinnering aan de voor hem
onvergetelijke septemberdagen.
Zoals toen gebruikelijk moest de burgemeester
een nader onderzoek instellen en een standaard
formulier invullen over de aspirant hofleverancier.
Welnu, over de omvang van de zaak kon de
burgemeester kort zijn: ‘Groote omzet, behoort
tot de voornaamste melkverkoopers.’ De soliditeit
van de zaak was: ‘Hoogstgunstig’. Dat de zaak, in
dit geval, de boerderij, al vanaf 1829 had bestaan en
dat Logtenberg Nederlands Hervormd was, werkte
zeker in zijn voordeel. Maar op de vraag hoe het
uiterlijk voorkomen der zaak was en ‘of dezelve op
een gunstig gelegen stand in de gemeente gedreven
wordt’, antwoordde burgemeester van
Nahuijs vernietigend: ‘Onaanzienlijk en wordt
gedreven in één der voorsteden.’ Het advies van de
burgemeester luidde dan ook: ‘Wijl adressant tot
de boerenstand behoort en zijn zaak op een min
goeden stand wordt gedreven, wordt in overweging
gegeven het verzoek niet in te willigen.’
De hofcommissie nam het advies van de burgemeester
over en adviseerde de koningin-regentes
negatief. Toen de particulier secretaris van de
koningin het advies bestudeerd had en met Emma
had gesproken, gaf het hem aanleiding een brief
op poten terug te sturen naar de hofcommissie.
De koningin was namelijk wel bereid aan Logtenberg
het wapen te verlenen, ‘en overigens, [zo
deelde de secretaris mee] een Veehouder en Melkverkooper
wel meestal niet in het midden van
eene stad zal wonen, en veelal een boer zijn zal.’
De opstelling van koningin Emma en haar
manier van handelen in deze zaak komt precies
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 149
overeen met wat haar dochter Wilhelmina ruim
vijftig jaar later over haar moeder schreef: ‘Zij
[Emma] dreef de spot met hoogmoed, ijdelheid
en het zich verhovaardigen of op iets laten voorstaan.’
Min of meer gedwongen schreef vervolgens de
hofcommissie opnieuw aan burgemeester van
Nahuijs. In deze brief werd nog eens fijntjes meegedeeld
dat het voor de koningin welhaast vanzelfsprekend
was dat een boer niet in de binnenstad
zou wonen.
Van Nahuijs berichtte op 11 oktober 1895 dan
ook maar terug dat ‘aangezien Hare Majesteit wel
geneigd blijkt te zijn aan Logtenberg het wapen te
verkenen, er thans voor mij geen overwegende
redenen meer bestaan bij het door mij gegeven
afwijzend advies te volharden.’
Wellicht behoort Logtenberg tot de weinige
boeren en plattelanders die hofleverancier werden
en zó hoffelijk en met respect door de Kroon zijn
benaderd.
Melksalon de Kroon
Eén van de eerste acties die de vier Zwolse bedrijven
na de toekenning van het hofleverancierpredikaat
ondernamen was het laten gieten van de
hofleverancierborden bij het gerenommeerde
bedrijf ‘De Pletterij’ te Den Haag. Zo’n bord aan
de gevel hielp sterk mee om de naamsbekendheid
te vergroten en een zaak nog meer uitstraling te
geven.
Voor de melksalon van vader en zoon Logtenberg,
die voortaan ‘Melksalon de Kroon’ heette,
werd ook het servies aangepast en voorzien van de
opdruk: ‘J. Logtenberg Hofleverancier, veehouder
en melkverkooper Zwolle’. Eén kopje uit 1895
prijkt nog steeds in de oude vitrinekast van de
familie.
‘T is Oranje, ’t blijft Oranje
Ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina
op 31 augustus 1898 werden ook in Zwolle voorbereidingen
voor een feest getroffen. De familie Logtenberg
trok, ditmaal in de persoon van Antonie,
opnieuw de aandacht. Weer probeerde hij het
bedrijf te promoten, door op die dag mee te rijden
in de feestelijke optocht. Zijn melkventerswagen
was voor die gelegenheid omgetoverd tot een waar
kunstwerk waarin de Peperbus boven alles uittorende.
De afbeelding van de jonge vorstin prijkte
in het midden en natuurlijk stonden achter op de
wagen prachtige gepoetste koperen melkbussen.
Ook waren er rijtuiglampen bevestigd. De
opbouw van de wagen was geheel onzichtbaar
door een prachtig, rondom de wagen gehangen,
gekleurd doek met daarop het jaartal 1898, het
devies van de Oranjes ‘Je Maintiendrai’ en daarboven
de kapitale letter W van Wilhelmina. Het
zogenaamde Wilhelminalaken werd geleverd
door de firma Hes & Co in de Diezerstraat. Om
extra kracht bij te zetten was de wagen voor deze
gelegenheid bespannen met twee paarden.
De volgende dag berichtte de Zwolse Courant:
‘De keurige wagen van de firma Logtenberg verwierf
de tweede prijs. Niettegenstaande de kleinere
afmetingen had men hier op zeer smaakvolle
wijze alle attributen van het bedrijf weten aan te
brengen, en ’t geheel maakte, wat juist bij een
melkfirma past, een indruk van groote netheid en
helderheid.’
Gevel van de achteringangvan
‘Melksalon de
Kroon’ aan het Gasthuisplein.
Tekening uit
het verbouwingsplan
voor de heren Wulffen
Wachters ten behoeve
van een bioscoop en
theater, 1911. (Collectie
HCO)
te qualltott MEIiK,
OUDE VISCHMARKT /’ZWOLLE.
Tloerilerijeu te lttersimi on Oldeiiucl.
Deze reclamekaart is waarschijnlijk gedrukt in 1895, het jaar dat Logtenberg hofleverancier
werd. Op het origineel staan de spijlen van het hek opengewerkt in de
kaart, veel fraaier dan op een afdruk is aan te geven. Het hofleverancierbord is
duidelijk zichtbaar in de linkerbovenhoek. (Collectie Dijk/Logtenberg)
150 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Versierde melkwagen
van de familie Logtenberg-
ter Molen ter ere
van het kroningsfeest
van koningin Wilhelmina,
31 augustus 1898.
De Peperbus torent
boven de kunstige versieringen
op de wagen
uit. Op de bok van de
wagen zitAntonie Logtenberg,
zijn broer Gerrit
staat voor de paarden
(kijkt in de lens).
(Foto J.J.D. de Graaf.
Collectie Dijk/Logtenberg)
De duizenden bezoekers en feestgangers in de
stad moeten er, net als Antonie zelf, wel van genoten
hebben.
W-.WËÊK.W
Het prachtige en kleurrijke doek waarmee de wagen van Logtenberg tijdens de
optocht op31 augustus 1898 was behangen. (Foto H. van Dijk)
Blijvende herinneringen aan de Kroon
Tot 1911 kon men bij Logtenberg in de Diezerstraat
heerlijk genieten van een kopje melk, chocolademelk
of koffie en wellicht ook van andere zelfbereide
producten, zoals dikke melk. Wat precies de
aanleiding voor de opheffing van de zaak was, valt
niet meer met zekerheid te achterhalen maar een
sterk vermoeden is er wel. Al vanaf 1903 kon men
in de suite achter de melksalori ook genieten van
natuurpanorama’s uit andere landen. Deze attractie,
door Antonie dan ook Wereldpanorama
genoemd, bood voor enkele stuivers de mooiste
reisimpressies uit verre landen. De Zwolse Courant
had het panorama ook bezocht en schreef op 4
februari 1903: ‘Voor menschen met een beperkte
beurs, die niet in de gelegenheid zijn de natuur
daar ginds zelf te gaan bewonderen, is deze inrichting
een uitkomst en men zal zijn geld zeker niet
beklagen.’
Hoewel er nog geen sprake was van film, werd
Diezerstraat 66 al wel bekend als een plek in Zwolle
waar programma’s met bewegende (fotobeelden
te zien waren. Twee exploitanten van bioZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 151
scooptheaters in Groningen, L.H.J. Wachters en
F.Chr.H.E. Wulff, raakten geïnteresseerd in deze
nevenactiviteiten van Logtenberg. Het pand in de
Diezerstraat werd op 7 april 1911, ruim tien jaar
nadat het werd gekocht, weer van de hand gedaan
en voor een stevige prijs op naam van de Groningers
overgeschreven. Ruim achtduizend gulden
winst leverde deze transactie voor Logtenberg op.
De volgende maand reeds diende de Zwolse
architect Douwe de Herder namens zijn
opdrachtgever Wulff een verbouwingstekening in
bij de gemeente voor een ‘bioscope’. Boven de verbouwde
onderpui moest voortaan volgens tekening
in kapitalen prijken: BIOSCOOP –
THEATER – DE KROON.
Bioscoop de Kroon bleef ruim tachtig jaar op
dezelfde locatie in de Diezerstraat gevestigd.
Tegenwoordig bevindt dit filmtheater zich in een
nieuw pand aan de andere kant van het Gasthuisplein,
maar de naam ‘De Kroon’ is er nog steeds
aan verbonden. Jan Logtenberg uit Oldeneel, in 1943 in opdracht van zijn klanten gefotografeerd
op deEekwal. Aan de achterkant van de foto is vermeld: ‘Ondergetekenden (35),
allen afnemers van uw producten, hebben met veel genoegen aan uw op uw 40-
jarig jubileum gegeven huldeblijk bijgedragen’. Jan, beter bekend als ‘Dikke Jan’,
woonde bij het Kleine Veer en was een zoon van Berend Jan, de oudste broer van
Antonie Logtenberg. Net als de versierde wagen van Antonie was ook deze wagen
van het type kaasbrik. Achter op de wagen zijn twee koperen melkbussen zichtbaar.
(Collectie Dijk/Logtenberg)
Het bewaard gebleven wapenbord zoals het aan de gevels van de melksalons aan
de Oude Vismarkt en de Diezerstraat en de boerderij aan de Kleine Veerweg
heeft gehangen. De kleuren zijn door het overschilderen niet meer oorspronkelijk.
Dit model wapenbord van Koningin Emma werd vervaardigd in de periode
1891-1898. Het wapen rechts is dat van Koningin Emma, eronder is in het Latijn
haar devies vermeld: ‘Palma sub ponder e crescit’, de palm groeit tegen de verdrukking
in. Helemaal onderaan staat nog duidelijk leesbaar ‘Pletterij Den
Haag’, de naam van het bedrijf dat het bord goot. (Foto H. van Dijk)
152 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een kopje uit 1895,
gebruikt in de melksalons
van Logtenberg.
(Foto H. van Dijk)
Logtenberg uut de Krone
Natuurlijk werd na het sluiten van de melksalon
en de daarop volgende verbouwing tot bioscoop
het hofleverancierbord verwijderd. Na enige tijd
werd dit, wellicht in strijd met de gedragscode,
bevestigd aan de nog nieuwe boerderij van Gerrit
Logtenberg, de negen jaar jongere broer van
Een advertentie van
‘Melksalon de Kroon’
in de ‘Zwolse Courant’
van 21 juli 1902.
ZWOtlB
„De fan”
Diezerstraat E 33
Aanbeeeletid
Firma J. LOGTENBEBG
HOFLEVERANCIER
Antonie, aan de Kleine Veerweg 5 in Schelle. Daar
hangt het ook al sinds lang niet meer, want in 1940
viel het oog van de Duitsers er op en moest het
weg. De drie bevestigingspunten in de voorgevel
zijn nog wel steeds duidelijk zichtbaar. Gelukkig is
het bord bij alle consternatie in die tijd niet verloren
gegaan. Hoewel het is overgeschilderd en de
originele kleuren niet meer aanwezig zijn, wordt
het nog zeer gave bord zorgvuldig door de familie
bewaard. Ook in Schelle had het bord een functie.
Enkele ouderen uit de buurtschappen Schelle en
Oldeneel herinneren zich nog dat ter onderscheiding
van andere in de omgeving wonende Logtenberg’s,
deze familie werd aangeduid met: ‘Logtenberg
uut de Krone’.
Literatuur
M.R. van der Krogt, Een koninklijk gebaar. Hofleveranciers
in Nederland. Zaltbommel 2000
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 153
‘Begrafenis van het slachtoffer
van de moord te Ommen’
Voor ons ligt een bruinige foto (albuminedruk)
van 16,5 x 22,5 cm met de afbeelding
van een menigte die zich verzameld heeft
voor de kazerne van de Koninklijke Marechaussee,
in de bocht van de paardentram. Links hangen
twee jongens zelfs in de lantaarnpaal om alles
goed te kunnen zien. In het midden staat een lijkkoets,
een zogenaamde zijlader, met opgenomen
gordijnen, getrokken door twee paarden met dekkleden.
Wat meer naar links zijn nog twee landauers
(schuitjesmodel) te zien. Voor de lijkwagen
staan soldaten van de landwacht met muziekinstrumenten
en wat meer op de voorgrond een
groepje marechaussees. Het publiek is zomers
gekleed, tussen de vele pettendragers en vrouwen
in Zwolse dracht zien we ook mannen, vrouwen
en kinderen met strohoeden. De stoet staat op het
punt zich in beweging te zetten.
De foto, gemaakt door de Zwolse fotograaf PJ.
Bieseman (1860-1931), werd in 2003 aan het Historisch
Centrum Overijssel geschonken door de
heer Th.J.C. (Dick) van Zuidam te Elburg. Zijn
grootvader, Augustinus Franciscus Verbeke
(geboren 2 mei 1880 te IJzendijke) was in de periode
dat deze gebeurtenis plaatsvond brigadier bij de
Koninklijke Marechaussee te Zwolle. Hij staat
ongetwijfeld in het groepje brigadiers voor de
kazerne. De kazerne was van 1889 tot 1931 op Beestenmarkt
7 (later Harm Smeengekade) gevestigd.
Vóór 1889 was dit het logement ‘de Zeven Provinciën’,
vanwaar de omnibussen naar het Katerveer
vertrokken om de passagiers naar de boten der
Rijn- en IJsselstoombootmaatschappijen te brengen.
De kazerne verhuisde in 1931 naar de nieuwe
kazerne aan de Meppelerstraatweg 19.
Arnoldus Hoekstra
De gebeurtenis zelf betreft de uitvaart van marechaussee
Arnoldus Hoekstra op 9 augustus 1902.’
Arnoldus Hoekstra (geboren 13 december 1875 te
Wijtgaard) werd op 5 augustus 1902 als marechaussee
te paard van de te Ommen gevestigde
Brigade Koninklijke Marechaussee bij de achtervolging
van een stroper neergeschoten.
Bij de aanleg van de spoorlijn Zwolle-Ommen
in 1902 waren in Ommen veel personen werkzaam.
Onder hen bevond zich een veertigtal
grondwerkers uit Noord-Brabant, die daar
gehuisvest waren in een keet en die zich in hun
vrije tijd bezig hielden met wildstropen. De marechaussee
verrichtte daarom speciaal dienst in het
jachtveld.
In de namiddag van 5 augustus 1902 waren de
marechaussees Hoekstra en De Lange, beiden
ongehuwd en plichtsgetrouwe, dienstijverige
ambtenaren, met toestemming van hun brigadecommandant
vrijwillig het veld ingetrokken om te
proberen een wildstroper te pakken. Omstreeks
acht uur ’s avonds ontdekten ze in de buurt van de
spoorbrug over de Regge in de buurtschap Giethmen
drie stropers waarvan één in het bezit was van
een geweer. De achtervolging werd onmiddellijk
ingezet. Hoekstra was de stroper met het geweer
tot op zeer korte afstand genaderd toen deze zich
omdraaide, het geweer op Hoekstra richtte en een
schot loste. Hoekstra werd dodelijk in de borst
getroffen. Hij had nog net kans gezien om zijn
revolver te grijpen en een schot te lossen, maar
zonder de stroper te raken. De getroffene werd
naar Ommen vervoerd, waar de plaatselijke arts
dr. Warnsinck direct ter plaatse was. Hij kon echter
geen hulp meer verlenen. Hart, long, lever en
maag waren doorboord, zodat de dood spoedig
intrad. Bij de lijkschouwing in het Sophia Ziekenhuis
door de artsen Frank en Vitringa bleek dat
Hoekstra door 63 hagelkorrels was getroffen,
waarvan enkele tot aan zijn ruggegraat waren
doorgedrongen. Daar marechaussee De Lange de
Jeanine Otten
154 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijkwagen met het stoffelijk
overschot van
marechaussee A. Hoekstra
voor de kazerne van
de Koninklijke Marechaussee
te Zwolle op
Beestenmarkt 7 (nu
Harm Smeengekade),
p augustus 1902. (Foto
P.J. Bieseman, collectie
HCO)
dader had gezien, leverde de arrestatie weinig
moeilijkheden op. Dezelfde avond werden in de
eerder genoemde keet vijf polderwerkers gearresteerd.
De dader was een zekere Jacobus van Groese,
24 jaar oud, uit het Brabantse Wagenberg. Hij
ontkende dat hij op Hoekstra had geschoten. Het
geweer was volgens hem per ongeluk afgegaan
toen de marechaussee hem naderde. Van Groese
werd te Zwolle veroordeeld tot een gevangenisstraf
van zes jaar, wegens het opzettelijk aan een
ander toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de
dood ten gevolge hebbend.2
De begrafenis
Het lichaam van Arnoldus Hoekstra werd op
zaterdag 9 augustus 1902 op plechtige wijze ter
aarde besteld op het rooms-katholieke kerkhof te
Zwolle. Een grote menigte had zich voor de kazerne
aan de Beestenmarkt verzameld om de laatste
eer te bewijzen. Om half twaalf zette de stoet zich
in beweging, voorafgegaan door de muziek van
het instructie-bataljon te Kampen. Uit de hele
divisie waren afgevaardigden gezonden. Op de
baar lagen zes kransen, van de officier van Justitie
te Zwolle, van de burgemeester en van de bevolZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 155
king van Ommen, van de officieren en van de
marechaussee der derde divisie en ten slotte van
zijn kleine vriend Alex Warnsinck. De degen en de
sjako rustten op de kist. De slippen van het lijkkleed
werden gedragen door vier marechaussees,
de naaste kameraden van de overledene, waaronder
De Lange. Enige rijtuigen met familieleden
volgden het stoffelijk overschot.
Met dof tromgeroffel en treurmuziek trok de
stoet langzaam door de Zwolse straten, een dichte
mensenhaag aan weerszijden. Aan het graf werd
Hoekstra door zijn chef de divisie-commandant
majoor W.M. Wijnaendts geprezen als een braaf
en rondborstig mens, door iedereen geacht, maar
ook als een kranige politiedienaar. Daarna sprak
de commandant van het district Zwolle, eerste luitenant
P. van Oort, en tot slot de burgemeester
van Ommen, jhr. J.L. van Nahuijs. Hiermee was
de plechtigheid, die tevens werd bijgewoond door
de president van de arrondissementsrechtbank te
Zwolle, mr. W.F.E. baron van Aerssen, rechter mr.
P.C.A. Sichterman en de officier van justitie mr.
J.P. van Outeren, afgelopen en verlieten de familieleden
en aanwezigen bewogen het kerkhof.
‘Vooral de verloofde van Hoekstra kon men het
aanzien hoeveel zij verloren had aan hem, die haar
het liefst op aarde was’, besloot de Zwolse Courant
haar verslag van 11 augustus 1902.
Noten
1 Een andere foto, enkele ogenblikken later genomen,
werd met het bijbehorende verhaal afgedrukt in De
Prins op 22 augustus 1902.
2 Zwolse Courant, 7 en 8 augustus, 1902; De Prins,
22 augustus 1902, Guldenboek Marechaussee, 1971,
p.22.
156 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Trouwbeloften in de Hervormde Kerk
van Zwolle rond 1665
Riet Leussink en
Jennie Pruim Langzaam ploegend door de notulen van de
hervormde kerk van Zwolle valt het op hoeveel
beroering er in de kerkenraad kan ontstaan
als er iets mis gaat met trouwbeloften.
Als je omstreeks 1650 iemand trouwbeloften
deed in tegenwoordigheid van twee getuigen,
ouders, vrienden of twee eerlijke mensen en je wilde
later die beloften intrekken, dan moest je daar
heel goede redenen voor aanvoeren. De kerkenraad
of de schepenen moesten daar dan hun goedkeuring
aan geven. Heimelijke trouwbeloften
moesten, als er iets mis ging, bewezen en aannemelijk
gemaakt worden door schriftelijke bewijzen,
brieven of documenten, of door het afleggen
van een eed. In tegenstelling tot wat in de tijd
daarvoor gebruikelijk was (de katholieke tijd) kon
je geen recht ontlenen aan de simpele verklaring
dat je elkaar ‘heimelijke trouwbeloften’ had
gedaan.
Ouders konden, zonder opgave van redenen,
het huwelijk van minderjarige kinderen tegenhouden.
Waren de kinderen meerderjarig en de
ouders waren het niet eens met de gegeven trouwbeloften,
dan beslisten de kerkenraden of de schepenen.
Ondertrouwde en verloofde personen die
zich bij de kerkenraad hadden laten aantekenen
werden drie zondagen in de kerk geproclameerd
of afgekondigd. Je werd geacht binnen vier weken
na de laatste afkondiging te trouwen in de hervormde
kerk. Het kerkelijk huwelijk gold ook als
burgerlijk huwelijk. Wilde je thuis trouwen of in
een andere gemeente, dan moest daar weer goedkeuring
voor gevraagd worden en het kostte extra
geld. Als de bruiloft te lang werd uitgesteld, vielen
er boetes.
Om gewichtige redenen
In de notulenboeken van de Zwolse hervormde
kerk zijn het zowel de vaders als de moeders die
met hun zorgen over hun kinderen naar de kerkenraad
gaan. Zo komt op 28 maart 1665 de vrouw
van Hendrick Camphuys de heren vertellen dat
haar zoon zich wel met Engele Berents heeft verloofd,
maar toch niet denkt haar te trouwen, ‘om
gewichtige redenen’, zegt zij. Zij en haar man
mogen het meisje niet, dus, heren, als Engele soms
mocht komen om zich te laten inschrijven voor de
huwelijksvoltrekking, wilt u haar dan zeggen dat u
dat niet doet?
Goed, mevrouw, zeggen de heren, maar als het
meisje uit zichzelf naar de magistraat gaat vanwege
verbroken trouwbeloften dan kunnen wij daar
weinig tegen doen.
De term ‘om gewichtige redenen’ wordt in dit
verband vaak gebruikt. De moeder heeft in dit
geval de kerkenraad kennelijk kunnen overtuigen
dat het meisje een slechte naam heeft, of haar
ouders. Om redenen van privacy, veronderstellen
wij, wordt dat niet met alle details in de notulen
opgenomen.
Het ja-woord en de getuigen
Op 10 april 1662 komt Jan Berentsen Roubol met
zijn zoon Berent Jansen Roubol naar de kerkenraadsvergadering
om te vertellen dat ze op
21 februari in het huis van Lucas Hermsen waren
en dat toen de vrouw van Lucas had toegestemd in
een huwelijk tussen Berent en haar dochter
Gesien: ‘dat sij oock daerop de hant aen de jongman
hadde gelanght ende dat de dochter oock
geseijt hadde dat sij wel daermede tevreden was,
als de moeder tevreden was ende dat sij selff oock
hem als haeren bruydegom de hant hadde gegeven.’
Daarna moet iemand op die belofte zijn teruggekomen
maar Berent, met de steun van zijn
vader, wil het er niet bij laten zitten en roept getuigen
op.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 157
Minnend paartje.
Tekening door Gesina
Terborch, 1653. (Uit:
Drawings from the Ter
Borch Studio Estate 2)
Eerst komen Gesien en haar moeder op het
matje. Het meisje zegt dat de jongen haar wel
trouw had aangeboden, maar dat zij die nog niet
aangenomen had. Maar dat zij de volgende zondag
in aanwezigheid van haar vrienden dat had
willen doen.
Berent wordt om commentaar gevraagd. Hij
geeft toe dat Gesien gelijk heeft maar dat Gesien
en haar vrienden, op aandringen van haar moeder,
samen op het welvaren van bruid en bruidegom
gedronken hebben en dat Gesien de vader
van Berent vader had genoemd. En dat ze, toen ze
een paar dagen tevoren met Berent aan het wandelen
was, hem beloofd had dat ze hem nooit zou
verlaten. Gesien wordt weer binnen geroepen,
maar die houdt vele slagen om de arm. Dan wordt
het tijd voor de eerste getuige: Annechien Peters,
dienstmaagd van Roubol. Ze is er niet bij geweest
toen de trouwbeloften gedaan werden, maar ze
zegt dat ‘Berent Jansen Roubol ende sijn vader alsoock
de moeder van Gesien Jans haer geseyt hadden,
dat het houlijck soo verre was dat het moste
voortgaen, dat sij selff mede op ’t welvaren van
’t houlijck hadde gedroncken. Hadde oock
gehoort dat de jonge luyden de ouders onder
maelkanderen vader ende moeder noemden.’
Dan wordt Annechien Claessen, dienstmaagd
van Lucas Hermsen, gevraagd wat zij van de zaak
weet en zij zegt dat zij haar mevrouw tegen Roubol
heeft horen zeggen dat zij toestemt-in het huwelijk
als de vrienden van haar dochter er ook mee
instemmen (vrienden waren familieleden, ook de
ouders).
Hoe dit geval afgelopen is? Kennelijk is de
weerspannige bruid op haar stuk blijven staan, of
hebben de vrienden haar het huwelijk afgeraden,
want in dat zelfde jaar (1662) gaat Berent Jansen
Roubol in ondertrouw met Catharina Trebes. In
1665 laat hij een zoon Joannes dopen en in 1666
een dochter Catharina.
158 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Interieurfoto van de
Grote Kerk, met zicht
op de preekstoel en het
koorhek, die allebei in
de beschreven periode al
aanwezig waren. De
kerken raadsvergaderin –
gen vonden plaats in de
oude consistoriekamer
van de Grote Kerk.
(Collectie HCO)
Lieve(r) Annichjen
Een zekere Berent Berents komt er onverwacht
gemakkelijk vanaf als Lysbet Roeberts in februari
1664 bij de kerkenraad komt klagen dat Berent
haar trouwbeloften heeft gedaan en haar ook
beslapen heeft, maar haar daarna heeft laten zitten
en nu met Annichjen Jans gaat. Als Berent
gevraagd wordt waarom hij zich zo misdragen
heeft, zegt hij koeltjes dat dat allemaal wel waar is,
maar dat hij: ‘weersin krijgende in Lysbeth,
wederom was gegaan naar Annichjen.’ Daar
wordt deze keer door de kerkenraad niet zwaar
aan getild en het wordt aan Lysbeth overgelaten of
ze er een rechtszaak van wil maken.
Ringetjes en ducatons
Willem Gerrits, een jonge man uit Heino, komt
op 2 oktober 1666 naar de kerkenraadsvergadering
om mee te delen dat het meisje waarmee hij denkt
sinds een halfjaar verloofd te zijn, nu haar huwelijk
met een ander aankondigt. En hij had haar bij
de verloving nog wel een ducaton gegeven ter
bezegeling van zijn trouw. (Hoeveel die ducaton
waard was is niet na te gaan. Je had zilveren ducatons
ter waarde van drie gulden en gouden
ducatons die zes gulden waard waren).
De kerkenraad roept het meisje, Hermtien
Derks, op om verantwoording af te leggen en ze
komt samen met haar moeder. Ze ontkent dat ze
de jongeman trouw beloofd had, ze had alleen
maar stil gezwegen. En wat die ducaton betreft, ze
had geen idee gehad wat dat was en ze had hem
ook terug willen geven aan Willem, maar die had
hem niet willen aannemen.
En de moeder verklaart dat zij, toen haar
dochter haar de ducaton had laten zien, het meisje
opdracht had gegeven hem terug te sturen. Met
een briefje erbij dat haar moeder het huwelijk
nooit goed zou keuren en dat zijzelf ook niet met
hem wilde trouwen.
De kerkenraad heeft daarna Willem Gerrits
‘eernstlik en met vele reden vermaant Hermtien
niet te begeeren tot een huysvrou.’ En als hij voet
bij stuk wilde houden, dan moest hij zich maar
wenden tot de magistraat, maar ze raadden hem
dat ten sterkste af, want Hermtien is minderjarig.
De jongeman verzet zich met hand en tand en
roept dat hij wel eens eventjes naar de magistraat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 159
zal gaan. Maar al op 9 oktober blijkt dat Willem
‘door een brieften van sijn eygen hant Hermtien
heeft vrij gekent.’ Hij had zich plotseling herinnerd
dat hij zijn ducaton indertijd toch terug
gekregen had en daarmee was de zaak afgedaan.
De weduwe
Ook de zorgen van de weduwe van Arent Lentink
zijn groot als ze heeft ontdekt dat haar dochter,
‘litmaet van onse kerk, sig met de soon van Peter
van Berkum, een paaps jongman, soo ver te buyten
gegaen heeft dat sij malkander troubeloften
gedaen ende een ringetien [ringetje] wedersijts op
trouw gegeven hebben’ en ze wendt zich op
25 februari 1668 tot de kerkenraad om haar ‘de
hant te willen bieden om dat huwelijk te stuyten’.
De kerkenraad is het met de moeder eens: de kans
dat het meisje ‘in de blintheijt des pausdoms’ zal
vallen en dat ‘de kinderen die uyt sodanigen
huwelik geprocreeert mogten werden, tot de
paapsche afgoderie souden afgetrocken werden’ is
groot. Daarom worden dominee Crans en ambtman
Boelen namens de kerkenraad er op af
gestuurd om de zoon van Peter van Berkum te
intimideren, zodat hij het meisje het ringetje zal
teruggeven.
Het meisje wordt ook onder druk gezet. Ze
haalt onmiddellijk bakzeil en verklaart dat ze
nooit toestemming had willen geven als haar moeder
het niet goed zou vinden, maar de jongen
houdt voet bij stuk! Wat de hele boze wereld ook
doet, hij geeft het ringetje niet terug. Het feit dat
de jongelui elkaar een echt ringetje hebben gegeven,
ligt iedereen zwaar op de maag en kan niet
zomaar over het hoofd worden gezien. De wederzijdse
ouders werken er naar toe, dat de geliefden
elkaar officieel en ‘vrijwillig’ de ringetjes weer
terug zullen geven.
Op de volgende kerkenraadsvergadering komt
de jonge ridder niet zelf, maar wordt vertegenwoordigd
door zijn moeder. Die verklaart dat zij
zelf ook niet gelukkig is met dit voorgenomen
huwelijk, maar dat haar zoon het ringetje absoluut
niet wil teruggeven.
Dan grijpt de kerkenraad met harde hand in
en laat de jongen en het meisje arresteren en voor
de magistraat (=stadsbestuur) brengen. Daar zakt
f
de dappere ridder de moed in de schoenen en hij
geeft het ringetje aan het meisje terug; zij accepteert
het en hij accepteert het hare.
Hoe hard kan het leven toch zijn voor jonge
geliefden. Maar: de orde is hersteld, het jonge paar
wordt weer op vrije voeten gesteld en iedereen
gaat opgelucht naar huis. Over het liefdesverdriet

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 4

Door | 2002, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

J. •i
2002 m
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
(Collectie Dijk)
Ansichtkaart Meppelerweg
(nu Meppelerstraatweg)
Poststempel 15 oktober 1913
‘W.F. -.-
Kom morgen donderdag met de 7.17 trein thuis. We
zijn gisteravond naar de bioscoop geweest en daarvan
daan Ep van de trein gehaald. Wij gaan alle
dagen een rijtoertje maken, en ’s morgens gaan we
wandelen de stad in. Hoe gaat alles, goed, ik denk
het van wel.
Hier alles wel. Groetend E. Keijer – K[…]’
Op wat tegenwoordig de hoek van de Meppelerstraatweg
en de Hogenkampsweg is, zijn deze twee
in 1905 en 1906 gebouwde panden, een stal en een
villa, nog steeds te vinden. Ze werden gebouwd
voor de familie Dijk, hengstenhouders, maar
vooral ook internationale paardenhandelaars.
Rechts naast de villa, gescheiden door een klein
weggetje, lag een boerderij die eveneens van de
familie was. Links lag (en ligt nog altijd) de Algemene
Begraafplaats. Schuin tegenover de familie
Dijk bevond zich het station van de Dedemsvaartsche
Stoomtramwegmaatschappij (DSM), een
tramweg die heeft bestaan tot 1947.
De kaart komt uit een reeks die in eigen beheer
door de familie Dijk werd uitgegeven. Ongetwijfeld
voor correspondentie- en reclamedoeleinden,
maar ook, volgens de heer J.E. Dijk (geb. 1920),
omdat zijn vader Egbert (geb. 1891) iedere dag een
kaart naar zijn verloofde stuurde. Dit betrof een
meisje Keijer uit het Groningse Weiwerd (bij Delfzijl).
De kaart was ook aan deze familie geadresseerd.
De ‘Ep’ waarover gesproken wordt, is
Egbert Dijk. Hij en zijn verloofde trouwden in
1917. Lees meer over de familie Dijk en hun bedrijf
vanaf pagina 140.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
Redactioneel Inhoud
In dit Zwols Historisch Tijdschrift spelen het paard
en de weg vanuit de stad naar de Agnietenberg een
belangrijke rol. Het was in het jaar 1407 dat de
Zwolse schepen Berend van Yrte te paard naar
Lübeck ging om te bewerkstelligen dat Zwolle
opnieuw in de Hanze werd opgenomen. Na acht
weken kwam hij terug, echter zonder zijn eigen
bestepaard, dat hij in Meppen (vlak voor de grens)
moest achterlaten. Met een geleende viervoeter
volbracht hij de thuisreis.
Of Berend van Yrte en Thomas a Kempis
(1380-1471) elkaar in Zwolle, waar toen circa 4000
mensen woonden, ontmoet hebben is onbekend.
De kans is echter groot. En wellicht was dat dan op
de weg tussen de stad en de Agnietenberg, waar
Thomas woonde. Deze weg kreeg, voor zover die
binnen de stedelijke bebouwing lag, aan het eind
van de negentiende eeuw de naam Thomas a
Kempisstraat, als eerbetoon aan deze grote Zwollenaar.
Verderop heette die weg toen Meppelerweg,
nu Meppelerstraatweg. En hier woonde de
familie Dijk, die de laatste anderhalve eeuw een
florerende handel in paarden en koeien dreef. Aan
de gevel van hun huis is dat nog steeds te zien.
Ging het bij Berend van Yrte om zijn beste paard,
bij Dijk betrof het luxe paarden.
De Zwolsche Mixed Hockey Club bestaat
100 jaar, speelt op en vindt vertier bij het hockeyveld
aan de Haersterveerweg, de weg richting
Agnietenberg. Uit het artikel wordt andermaal
duidelijk dat vroeger de beste paarden op stal werden
gezocht… Kortom: de redactie hoopt dat u na
het voorgaande een (lees)honger heeft als een
paard.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsmavan
Hulten en Wim Huijsmans 138
Dijk, van alle markten thuis
Honderd jaar internationale paardenen
koeienhandel vanuit Zwolle
Siem van der Weerd 140
Een zeppelin boven de Zwolse
binnenstad JeanineOtten 150
De Hottinger-kaart van Zwolle
en omgeving (1783) Herman Versfeit 152
Thomas a Kempis Ton Hendrikman 156
‘Een club der vrijage van
de goede standen’, 100 jaar ZMHC
Willem van der Veen 164
Boeken 166
Mededelingen 169
Auteurs 170
Omslag: Zondagmorgen 13 oktober 1929 8.20 uur;
ondanks het vroege tijdstip zijn vele Zwollenaren op
de Grote Markt ooggetuige van de zeppelin boven de
stad. (Foto SMZ)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dijk, van alle markten thuis
Honderd jaar internationale paarden- en koeienhandel
vanuit Zwolle
Siem van der Weerd
Fragment uit het voorwoord
van de memoires
van de toen bijna tachtigjarige
Jacob Dijk,
1971: ‘Er zullen altijd
wel mensen zijn die veel
meer hebben beleefd,
maar dus altijd baas
boven baas. Het gaat
dus alleen om mijn
eigen belevenis van deze
jaren. De schrijver, J.
Dijk.'(CollectieDijk)
Eeuwenlang was Zwolle een belangrijk handelscentrum
voor grootvee. De rundvee- en
paardenmarkten van de stad behoorden tot
de belangrijkste van het land. Paardenmarkten
werden altijd op de laatste donderdag van de
maand gehouden. Veel meer nog dan op de vrijdagse
veemarkt kwamen de paarden en de handelaren
van ver. Tot de bekende handelaren behoorde
vanaf 1875 de familie Dijk. Op grote schaal handelde
deze familie gedurende tientallen jaren vanuit
Zwolle op internationaal niveau in paarden.
De mechanisatie in de landbouw verdrong de
paarden. Omstreeks 1960 kwam er vrijwel een
eind aan de paardenfokkerij voor landbouwgebruik
en waren de hoogtijdagen van de paardenhandel
voorbij.
De familie Dijk is al meer dan een eeuw gevestigd
aan het begin van de Meppelerstraatweg, naast de
Algemene Begraafplaats. Jan Egbert Dijk (1920),
bij boeren en paardenliefhebbers in de regio
bekend als de ‘jonge Jan’, nam nog volop deel aan
de paardenhandel en herinnert zich tal van feiten.
De oudere familie- en bedrijfsgeschiedenis is
gelukkig ook bewaard gebleven. Oom Jacob, één
van de vroegere firmanten, schreef in 1971, op bijna
tachtigjarige leeftijd zijn herinneringen op. Met
een schrift van zeventig bladzijden vol herinneringen
liet hij een rijke bron aan feiten en anekdotes
na. Talrijke familiefoto’s en krantenartikelen helpen
mee de verhalen tot leven te wekken. In die
krantenartikelen werd meestal geschreven over
hun bekende hengstenhouderij of over hun grote
vakkennis op het gebied van paardenkeuringen en
jureringen tijdens concoursen. De paardenhandel
echter, de financiële basis van het bedrijf, kreeg tot
nu toe veel minder aandacht.
Goed voorbereid
Jan Egbert Dijk jr. vertelde voor dit artikel wat hij
nog wist over de afgelopen zestig jaar. Zijn vader
Egbert (1891) en diens broer Jacob (1892) stamden
uit een familie van boeren en handelaren in Dieze.
Zijn overgrootvader, Egbert uit 1842, had altijd al
veel paarden voor de handel op voorraad. Zijn
grootvader Jan Egbert sr. (1867) scheen voor de
handel geboren te zijn. Deze besefte al snel dat zijn
zonen, Egbert en Jacob, naast het rijden met de
bokkenwagen en het voetballen met een opgepompte
varkensblaas ook moesten worden voor-
£-•* f
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
bereid op de boerderij en de handel. Met de
knechten trokken de twee jongens er al vroeg met
paard en wagen op uit om mee te helpen bij het
hooien of het uitspreiden van de mest. Moeder
Hendrikien Dijk-Jans hield van orde en aanpakken
en had oog voor anderen. Ze zorgde dat er op
donderdag enkele vierduiten in de vensterbank
lagen voor de langskomende bedelaars.
Meestal brachten de dienstmeisjes de melk van
de boerderij naar de klanten in de stad. Soms, als
ze ‘aan het spinnen waren’, vrijaf hadden, moesten
de broers de melk rondbrengen. Ze werden
ook wel eens op pad gestuurd om overtollige melk
te verkopen. Dat kon op de Grote Markt voor de
Harmonie, waar vooral schippers de afnemers
waren. Voor een mengel (1 liter) betaalde je acht
cent, een oord (halve liter) was ook mogelijk.
Als veel koeien in een zelfde periode hadden
gekalfd, was er veel meer melk dan de vaste klantenkring
vroeg. Melk van pas afgekalfde koeien
bevat weinig vet en werd door de klant als waterig
beoordeeld. Als Egbert en Jacob de melk in de
buurt wilden verkopen, kregen ze aan de deur
soms te horen: ‘We schrobben vandaag niet.’
Binnen het netwerk van handelscontacten dat
hun vader Jan Egbert vóór 1900 had opgebouwd
kwamen ook veel buitenlanders voor. Dat was de
aanleiding voor Jan Egbert zijn zonen talen te
laten leren. Egbert en Jacob werden naar de Franse
school van meester Brouwer aan het Grote Kerkplein
gestuurd. Egbert ging in april 1906 naar een
kostschool in Boskoop om Duits en Engels te
leren. Hij bleef daar bijna twee jaar. In Boskoop
studeerden ook veel kinderen van buitenlandse
handelaren.
Jacob volgde na de Franse school lessen aan
het instituut Loman aan de Emmawijk 1. Onderweg
moest hij vaak met de schooltas op de rug nog
enkele koeien of een paard meenemen naar de
markt of afleveren aan de Veelading aan de Willemsvaart.
Het Veeladingcomplex naast het
spoorlijntje naar Kampen bestond uit een laadperron
en een grote veestalling.
Later werden de beide broers naar België
gestuurd om het Frans nog vlotter te leren spreken.
Egbert ging naar Visé en Jacob werd als
volontair geplaatst bij een bekende, de joodse vee-
Jan Egbert Dijk, 1867 –
1941. De vader van
Egbert (1891) en Jacob
(1892). (Collectie Dijk)
handelaar Jacques Samuël aan de Rue des Paradis
in Luik. Eens per veertien dagen kocht Samuël
zo’n dertig koeien in Zwolle. Jacob moest ze dan
in Luik melken. Afgemolken koeien gingen terug
naar Zwolle voor de slacht. De handel naar België
nam flink toe.
In 1908 kocht vader Jan Egbert in opdracht van
Mornard Relinne honderden koeien in Zwolle en
Leeuwarden. Per stuk verdiende hij dan 10 gulden.
De hengst Patriarch
wordt getoond achter de
boerderij aan de Meppelerstraatweg.
Op de
achtergrond is de marechausseekazerne
zichtbaar
en de achterkant
van de huizen aan de
Jupiterstraat. De foto is
genomen omstreeks
1950. (Collectie Dijk)
142 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De nieuwe stal uit 1905,
met uitstekend paardenhoofd
en de uitgebeitelde
woorden ‘ƒ.
Dijk’ en ‘Luxe paarden’.
Deze stal is nu
verbouwd tot woning
van de familie].E. Dijk.
Rechts naast de stal lag
de een jaar later
gebouwde villa, zie ook
de rubriek ‘Groeten uit
Zwolle. (CollectieDijk)
Jacob mocht vervolgens in 1909 met zijn vader
mee naar de Cinquantenaire, de markthallen in
Brussel, om Belgische trekpaarden te kopen.
Omstreeks 1910, toen de broers tegen de twintig
waren, hadden ze een stevige theoretische en
praktische opleiding achter de rug. Jacob schreef
openhartig: ‘Wij zijn vader wel dankbaar dat hij
ons zo heeft laten leren.’
Op de markt
In die tijd werden vanuit de boerderij aan de Meppelerstraatweg
al veel paarden verhandeld, maar
niet alle paarden vonden een nieuwe eigenaar. De
overgebleven exemplaren gingen naar tientallen
markten en jaarmarkten. Extra treinen reden op
marktdag vanaf de Veelading aan de Willemsvaart
naar Leeuwarden, Utrecht, Gorinchem of Haarlem.
Na aankomst op het station maakten vader
en zoons Dijk vaak gebruik van het gereedstaande
hotelrijtuig, een service die de betere hotels hun
gasten boden. De paardenknechts brachten de
paarden te voet naar de markt. Vanaf station
Leeuwarden naar de markt in Kollum was dat nog
zeker enige uren lopen.
Iedere maand werd aan de Zwolse Brink en
Diezerkade paardenmarkt gehouden. Het in stap
en draf laten zien van de paarden, het ‘monsteren’,
gebeurde op de Rhijnvis Feithlaan of op het Diezerplein.
De boeren verkochten daar vaak hun
afgerichte paarden en keerden huiswaarts met een
jong nog niet beleerd paard.
In Utrecht deed vader Jan Egbert altijd veel
zaken met Worms, een handelaar uit Colmar in
Elzas-Lotharingen. In Rotterdam had Dijk een
vaste klantenkring in het havengebied. Vele
‘petroleumpaarden’, werkzaam op de olieraffinaderijen,
werden door Dijk geleverd.
Dijk haalde veel paarden uit de omgeving van
Aurich en Oldenburg, omdat die in Noord-Oost
Nederland erg op prijs werden gesteld. Honderden
hengsten uit dit gebied vonden via Dijk een
nieuwe eigenaar, hij exporteerde zelfs naar Amerika.
Regelmatig ging hij naar Duitsland om
geschikte dekhengsten te zoeken voor het dekstation
in Zwolle. In de tijd dat Dijk nog geen telefoon
had maar wel regelmatig telegrammen moest
beantwoorden, gebruikte hij de telefoon van grutter
Bartels uit de Vechtstraat. Ook vanuit het buiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 143
tenland belde vader Jan Egbert naar Bartels, exact
om zeven uur ’s avonds, omdat er dan één van zijn
zoons aanwezig was.
Paarden voor de strijd
Vanaf 1913 kocht Dijk geen paarden meer in het
buitenland, maar kochten de Duitsers en de Fransen
paarden in ons land. Het was een voorbode
van de wereldoorlog. De grote legers werden op
‘paardensterkte’ gebracht. Hoewel Nederland buiten
de oorlog bleef, vorderde de overheid wel veel
paarden voor de mobilisatie. Boeren en paardenfokkers
moesten paarden en stallen afstaan voor
het leger. Militairen namen ook bij Dijk de paardenstal,
de zolders en het koetshuis in beslag. Jan
Egbert Dijk sr. en de bekende Zwolse stalhouder
Zwartjens kregen de taak de gevorderde paarden
uit Zwolle en omgeving op de Turfmarkt te taxeren.
Nu was het Rijk altijd al een belangrijke afnemer
van paarden van Dijk geweest. De firma leverde
veel paarden aan de marechaussee van de
kazernes in Zwolle, Leeuwarden en Arnhem.
Soms kwamen de jonge marechaussees uit Zwolle
met de trenzen (de hoofdstellen) en al naar de
stallen om een paard van hun keuze uit te zoeken,
ongeveer zoals jonge ICT-managers bij de dealer
hun lease-auto ophalen. Tijdens de diensttijd
bereed men zijn ‘eigen’ paard. Dijk wees iedereen
al in de stal ‘zijn’ paard toe, waarop de jonge
De broers Jacob (links)
en Egbert (rechts) Dijk
in 1910. De broers
scheelden net geen jaar,
Egbert werd op 22
november 1891 geboren,
Jacob op 21 november
1892. In december 1893
kregen ze nog een zusje,
Hendrika Frederika.
Jacob schreef in 1971 zijn
memoires, Egbert is de
vader van Jan Egbert
Dijk, de ‘jonge Jan’.
(Collectie Dijk)
De Veelading aan de
Weerallee, 1921. Het
Veeladingcomplex
bevond zich naast het
spoorlijntje naar Kampen
en bestond uit een
laadperron en een grote
veestalling. (Foto Eelsingh,
collectie G. de
Weger)
144 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een pasje van Egbert
Dijk voor de nationale
en internationale landbouwtentoonstelling
in
Den Haag van de
‘Koninklijke Nederlandsche
Landbouwvereeniging’
in 1913. (Collectie
Dijk)
Koninklijke Nederig Landbouwvereenïgïno.
Nat. in Intern. Lplbouwtentoonstelliiig
g.—15 Se?t. 1913.
Handteekemng
DOORLOOPEND BEWIJS V A N 4 H 5 A N G VOOR
J
bediende van
?..JLi6…Z..
£07
De Secretaris derl(. N. L.
V. R. Y. CKOESEN.
knaap dan ook trots terug reed naar de kazerne.
Het africhten van de paarden voor marechausseedienst
gebeurde in de Konijnenbelten in Westenholte.
Rijksveearts dr. Lubberink en overste Wijnand
deden de geneeskundige keuring en de aankopen.
L
De boer deugde dus ook niet
Toen Dijk eens rond 1920 zeer vroeg in de ochtend op de fiets richting Veelading
reed om te controleren of de treinwagons gereed stonden, hoorde hij een
paard draven op de Beestenmarkt, nu de Harm Smeengekade. Het bleek een
best Belgisch paard te zijn, begeleid door twee mensen op de fiets. De mannen
wilden het paard wel verkopen. Dijk kocht het paard voor 575 gulden, een veel
te lage prijs. Er zat iets niet pluis. Het paard werd ondergebracht in één van de
veestallen aan de Harm Smeengekade en Dijk riep stiekem de politie. Terwijl
de mannen bij hem aandrongen op betalen arriveerden de agenten en werden
de heren ingerekend. De echte eigenaar van het paard vond later in de veestal
zijn paard terug en beloofde Dijk eerste recht van koop. Later verkocht hij het
paard toch aan een ander voor 1400 gulden. De boer deugde dus ook niet.
Later werden de aankopen door het Rijk centraal
geregeld. Militairen van de remontecommissie
zorgden er voor dat het leger steeds over voldoende
paarden beschikte. De paarden, ‘remonten’,
moesten geleverd worden aan een paar leveringsplaatsen,
zoals Culemborg. Meestal reisde de
remontecommissie langs de handelaren om te kijken
wie hoeveel paarden mocht leveren. De eindkeuring
vond dan plaats in Culemborg. Op een
keer moest Dijk daar twaalf zwarte paarden laten
keuren. Hij verscheen echter met dertien paarden,
twaalf zwarte en een donkerbruine. Bij de keuring
op verrichtingen en gebreken werd het bruine
paard om zijn kleur geweigerd. Dit paard wilde
niet aangespannen worden en moest dus als ruiterpaard
verkocht worden. Als dat niet zou lukken
betekende dat een flinke verliespost. Het legeronderdeel
van de marechaussee gebruikte geen menpaarden,
maar alleen rijpaarden. Het paard liet
zich bij het voordraven van z’n beste kant zien en
Egbert duidde de remontecommissie dat hij juist
dit paard had meegenomen omdat hij het zo’n
typisch ‘marechausseepaard’ vond. Na een week
beraad was ook nummer dertien verkocht en had
Dijk een zorg minder.
Midden onder de Eerste Wereldoorlog, in
1916, kondigde een Duitse tussenpersoon aan dat
op zekere dag bij de Veelading paarden voor uitvoer
naar Duitsland aangeboden konden worden.
De Duitse tussenhandelaren die de paarden moesten
kopen waren echter al een dag eerder gearriveerd.
Jan Egbert Dijk nodigde ze prompt bij hem
thuis uit en liet ze 77 paarden zien. De inkopers
vonden er 75 goed genoeg voor export naar Duitsland.
De volgende dag kon Dijk fluitend naar de
Veelading. Jacob herinnert zich dat het hem ‘duizelde’
toen hij de cheque kreeg van 75 keer 1325
gulden, samen bijna een ton. De twee overgebleven
paarden werden voor een zacht prijsje verloot
onder de aanwezige boeren.
Het vredesjaar
Vanaf 1918 handelden de broers Egbert en Jacob
ook voor eigen rekening, buiten hun vader om.
Een eerste zorg na de oorlogstijd was het te gelde
maken van alle Duitse marken die ze nog in hun
bezit hadden. Omwisselen bij de bank betekende
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 145
verlies lijden, er iets voor kopen was dus het beste.
Nadat de broers een importvergunning hadden
bemachtigd, kochten ze enkele dure Duitse hengsten.
Omdat Nederland buiten de oorlog was gebleven,
was hier de veestapel nog redelijk op peil.
Veel Belgische vluchtelingen probeerden bij
terugkeer naar hun land met koeien van hier hun
uitgedunde veestapel weer aan te vullen. Direct na
de oorlog probeerde Dijk voor terugkerende Belgen
ongeveer 200 ‘vluchtelingenkoeien’ naar België
te exporteren. Een kleine proefzending koeien
liep bij Maastricht in de fuik en werd door de Belgische
douane in beslag genomen. Tot overmaat
van ramp brak onder de koeien ook nog mond- en
klauwzeer uit. Hoewel de rest van de zending bijtijds
terug naar Zwolle werd gedirigeerd, kostte
deze exportpoging veel geld.
Interbellum
Omstreeks 1920 kwam de paardenhandel naar
Duitsland weer op gang, omdat de politieke situatie
verbeterde. De vraag naar paarden was
enorm, omdat duizenden paarden tijdens de oorlog
waren gedood. Van vrije invoer was voorlopig
geen sprake zolang Duitsland bezet gebied bleef.
Toch leverde Dijk in deze periode vele honderden
paarden. Om voldoende verkoopvoorraad te hebben
moesten overal in Nederland paarden worden
aangekocht. Dijk plaatste in een krant op Texel
een advertentie met de mededeling dat de firma
op marktdag paarden wenste aan te kopen. Het
werd een succesvolle dag en met 21 paarden stak
men ’s avonds over naar Den Helder.
Na enige tijd echter stagneerde de handel met
Duitsland opnieuw. Per paard moesten 500 marken
invoerrechten worden neergeteld en dat was
te veel om nog winst te maken. De export viel weg,
maar de politieke situatie bleef voor 1930 in Duitsland
redelijk stabiel. Dijk probeerde voortdurend
nieuwe handelsterreinen te vinden. Zo leverde de
firma toch nog tientallen paarden aan Duitse bierbrouwerijen.
In Neu-Brandenburg kocht Dijk
merries voor verkoop in Nederland. Vanuit Brandenburg
vervoerde hij ook paarden en kalveren
per trein naar Tsjechië of Slowakije. Bij een dergelijk
lang transport ging een kleine verzameling
List en Bedrog
Niet altijd zat het goed met de centen. Aan huis werden
eens twee beste paarden voor een stevige prijs
verkocht aan een dame uit Rotterdam. De levering
zou ook in Rotterdam plaatsvinden. Na de koop
werd keurig een cheque uitgeschreven. Maar toen
Jacob net voor de aflevering in Rotterdam toch nog
even informeerde naar de kredietwaardigheid van de
dame, kreeg hij argwaan. Hij besloot alsnog contant
geld te vragen. Zijn handelsinstinct bedroog hem
niet, de dame bleek inderdaad geen cent te bezitten.
Is dat niet mijn koe?
Op weg naar zijn stamcafé kwam Jacob op een zaterdagavond eens een man
tegen die een koe begeleidde. De man was onderweg naar de nachtboot op
Amsterdam. Omdat Dijk vermoedde dat het een koe van hemzelf was, sommeerde
hij de man de koe af te staan. Verschrikt liet deze de koe los en rende
weg. Na enig zoeken werd de dief ontdekt in een heg, maar opnieuw volgde
een vluchtpoging. Verscholen in een greppel van een twijgwaard, met een
groot mes op zak, werd hij even later aangehouden.
Jan EgbertDijk, de ‘jonge
Jan’, geb. 1920, met
een paard op de Grote
Markt op weg naar
waarschijnlijk de Veelading
of de Veemarkt,
eindjaren dertig. Op de
achtergrond het pand
hoek Grote Markt I
Oude Vismarkt, waar
nu ‘HetNotenwinkeltje’
is gevestigd. (Collectie
Dijk)
146 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het ouderlijk huis van
Jacob en EgbertDijk, de
boerderij aan de Meppelerstraatweg.
Op de
voorgrond staan Egbert
en zijn echtgenote,
Annechien Jantina
Keijer (geb. 1891).
Egbert en Annechien
trouwden in 191/, de
foto moet omstreeks die
tijd genomen zijn.
Linksonder is het begin
van wat nu de Hogenkampsweg
is, zichtbaar.
Links naast de boerderij,
aan de andere kant
van deze voorloper van
de Hogenkampsweg,
lagen de nieuwe villa en
stal van de familie.
(Collectie Dijk)
Jan EgbertDijk (geb.
1920) in 1924 met zijn
moeder A.]. Dijk-Keijer
en zusje Betsy (geb.
1918) voor de deuren
van de dekstal. (Collectie
Dijk)
geneesmiddelen en hulpmiddelen voor het vee
mee. Indien zich onderweg een tepelbeschadiging
voordeed, beschikte men over melknaalden en
melkbotjes om toch de uiers te kunnen legen.
Crisistijd
‘Toen kwamen de slechte jaren’, zo beschreef
Jacob in zijn herinneringen de periode vanaf 1930.
Overproductie van vee en een neergaande economie
waren de kenmerken van de jaren tot aan de
Tweede Wereldoorlog. Het was zelfs zo dat als
drachtig vee werd gedood er slachtpremies konden
worden opgestreken. Handel met Duitsland,
die voor Dijk van groot belang was, kon alleen nog
als ruilhandel doorgaan. Voor alles was een vergunning
nodig. Wie niet over durf en financiële
reserves beschikte, viel af want de betalingen vonden
pas na enige weken plaats. Dijk exporteerde
nog wel via het Belgisch paardenstamboek naar
Duitsland. De paarden kocht hij dan rond
Dedemsvaart, waar de boeren veel Belgische paarden
gebruikten.
Eens kon Dijk samen met een collega uit
Brummen 64 kleine ‘Belgen’ leveren voor de keukenwagens
van het Nederlandse leger. Dat was
echter moeilijker dan gedacht, want ze konden er
maar 59 vinden. En de vraag van het leger werd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 147
nog groter, ook omdat een andere collega eveneens
te weinig paarden kon leveren. Dankzij de
‘jodenman Lazerus’ uit Winschoten kon Dijk toch
nog twaalf paarden bijkopen.
Vanaf de voormobilisatie in 1939 kocht het
leger veel paarden en vanaf de algemene mobilisatie
in augustus had de krijgsmacht nog veel meer
paarden nodig. Jacob Dijk kreeg de opdracht de
vorderingscommandant in Meppel te helpen en
moest proberen in één dag een trein vol paarden
naar Den Haag te sturen. De burgemeester van
Meppel zorgde voor de betaling van de 180 paarden.
Jacob werd treincommandant en kreeg vijftien
helpers mee. De bekende Zwolse paardenman
Huib Dubbeldam, die toen in Den Haag wachtmeester
was, kwam de paarden met soldaten afhalen.
Luit de Jonge, een andere bekende Zwollenaar
die in Den Haag bij een exportbureau voor vee
werkte, regelde de terugreis voor de begeleiders.
Toch ging in dat jaar ook de gewone handel
door. Zo had een Italiaanse graaf die bij Van Gijtenbeek
aan het Stationsplein logeerde, gehoord
van de exportactiviteiten van Dijk. Hij kwam
langs en in het Frans werd onderhandeld. De graaf
kocht veertig koeien, die Egbert naar Italië bracht.
De zoon van Egbert, Jan Egbert jr. die toen
negentien jaar oud was, deed ook ervaring op in
het buitenland. Hij bracht paarden naar Parijs
voor koning Faroek van Egypte. De voorkeur van
de koning ging uit naar bruine ruinen met weinig
Monstering
Het in een korte tijd aankopen van grote aantallen
paarden voor de export was een omvangrijk
en intensief gebeuren. Tal van boeren werden
bezocht en de afspraken verschilden per aankoop.
De joodse veehandelaarEduard Keizer, die in het
begin van de vorige eeuw aan de Emmawijk 11
woonde, voerde het systeem van monstering in.
Het vond veel navolging. Bij een monstering werd
in een advertentie een oproep gedaan paarden
van een bepaalde soort en leeftijd op een aangegeven
plaats te laten zien. Zo werd op initiatief van
de handelaar een kleine markt gecreëerd, een plek
waar vraag en aanbod elkaar ontmoetten. In de
regio Zwolle was dat vaak de ‘Toerist’ in Berkum
of ‘Waanders’ in Staphorst. Het monsteren, het
laten voordraven van de paarden, vond dan daar
plaats. Met de eigenaar van het paard kwam men
daarna al dan niet tot aankoop.
Een export collectie voor
Spanje staat opgesteld
op de monsterbaan achter
het bedrijf.
Omstreeks 1938. (Collectie
Dijk)
148 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negen bruine ruinen
bestemd voor koning
Faroek van Egypte.
Klaar om naar Parijs
getransporteerd te worden,
1939. Links vooraan
staat Jacob Dijk.
(Collectie Dijk)
wit. Jan Egbert jr. kende Parijs, waar hij talen had
gestudeerd. Zijn middelbare-schooltijd had hij
doorgebracht aan de Handelsschool in het Refter.
Opnieuw oorlog
In 1939 moesten alle paarden in het gebied van de
waterlinie, tussen Muiden en de Biesbosch, worden
getaxeerd. Jacob Dijk was een van de taxateurs.
Van onder water zetten kwam in de meidagen
van 1940 echter niets, schrijft Jacob: ‘De Duitsers
vlogen er toch over heen.’
Over de oorlog wordt in zijn memoires nauwelijks
geschreven. Met allerlei baantjes werd de
tijd gevuld en taxaties waren aan de orde van de
dag. De boerderij zorgde nog enigszins voor een
vaste bron van inkomsten.
In die oorlogsjaren werd de Noordoostpolder
drooggelegd en in cultuur gebracht. Dierenarts
Bakker uit Kampen zorgde voor de nodige paarden,
die hij als afgekeurde dekhengsten uit Limburg
haalde. De hengsten voldeden echter niet,
want ze waren niet geschikt om te werken. Omdat
Dijk de dierenarts kende kreeg hij van hoofdinspecteur
CL. van Steen van de Directie Wieringermeer
de opdracht eens tien paarden als probeersel
te leveren. Het pakte goed uit. ‘Koop maar
door’, was de vervolgopdracht. Jaren achtereen
werden vanuit Zwolle paarden in de polder ingezet.
Uiteindelijk leverde Dijk er wel 900. Afgerekend
werd steeds in het tegenwoordige Flevogebouw
aan de Menno van Coehoornsingel.
De boerderij aan de
Meppelerstraatweg eind
jaren dertig. Op de
voorgrond is nog een
stukje rails te zien van
de tram naar Dedemsvaart.
In deze tijd
bewoonde Jacob de
boerderij en Egbert de er
links naastgelegen ‘villa’,
waarvan nog een
stukje te zien is. De
boerderij werd rond
1960 gesloopt om plaats
te maken voor de
Hogenkampsweg. (Collectie
Dijk)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 149
Hofleverancier
Na de oorlog kocht Dijk tientallen jaren lang paarden
voor het Koninklijk Staldepartement. De stalmeester
van 1946 tot 1980, W.F.K. Bishoff van
Heemskerck, was een graag geziene gast van de
familie. Het viel soms niet mee om aan de vereiste
maatvoering en spanvorming te voldoen, zeker
omdat ook aan de betrouwbaarheid niet getornd
mocht worden en de paarden geen opzichtige
kleur mochten hebben. Vanwege de goede relatie
tussen Dijk en het Staldepartement vond in de
jaren vijftig in het Gemeentelijk Sportpark aan de
Ceintuurbaan een demonstratie plaats van koetsen
en paarden van het Koninklijk Huis. Toen
werd er ook gereden met de beroemde ‘crème
calèche’, die was bespannen met vier paarden.
PK’s versus paardenkracht
De verkoop van grote aantallen paarden ging tot
ver na de oorlog door. Zo werden eens meer dan
duizend paarden naar Italië geleverd, een gebeurtenis
die ook in de pers veel aandacht trok. Maar
Dijk leverde ook dichter bij huis. De grutters Bartels
uit de Vechtstraat en Marsman aan de Thorbeckegracht,
de slepers Lenderink en De Munnik,
de biscuitfabriek van Helder uit de Kamperpoort,
de zeepfabriek van Broek aan het Broerenkerkplein
en de oliefabriek van Reinders, zij allen vervoerden
met paarden die door de handslag van
Dijk waren gekocht. Reinders hield de plaatselijke
besteldienst met paard en wagen zelfs in stand tot
1962, het jaar dat koetsier Jochem de Velde Harsenhorst
met pensioen ging.
Maar de komst van de tractor was niet meer te
stuiten. De paarden legden het af tegen de vele
pk’s van de McCormick of de Fordson. De edele
viervoeters mochten nog een tijdje op de boerderij
blijven, maar werden niet meer ingezet op het
land. In de jaren zestig verdwenen de paarden van
het boerenerf. Het merendeel ging naar de slacht.
In de nadagen van het paard was het vooral de
jonge Jan Egbert die nog in paarden handelde.
Zijn vader Egbert en oom Jacob waren intussen de
zeventig gepasseerd en hadden afstand genomen
van het bedrijf. De boerderij op de noordelijke
hoek van de Hogenkampsweg en de Meppelerstraatweg
was inmiddels ingeklemd door de nieu-
Inladen voor Italië. De
gebroeders Rivolta, met
bontkraag, paardenhandelaren
uit Milaan
aan wie meer dan 1000
paarden geleverd werden,
zijn ook aanwezig.
Eindjaren veertig.
(Collectie Dijk)
we huizen van Dieze-Oost. Toch bleef er handel in
paarden. Vooral de opkomende ruitersport deed
de animo voor paarden weer toenemen. Op
bescheiden schaal speelde Dijk daarin tot 1990 een
rol.
De stal aan de Meppelerstraatweg uit 1905 is
voor de familie Dijk verbouwd tot geriefelijke
woning. Hoog in de gevel steekt een paardenhoofd
uit de muur, met aan weerszijden de onlosmakelijk
met elkaar verbonden begrippen ‘J-Dijk’
en ‘luxe paarden’.
Een aanspanning van Reinders Oliefabrieken omstreeks 1930. Op de bok zit links
de bekende koetsier Jochem de Velde Harsenhorst. De wagen heet de Aloë en
behoorde bij de gelijknamige fabriek van Reinders. Op de wagen liggen lijnoliekoeken,
een restproduct van de olieproductie en uitstekend geschikt als veevoer.
Op de achtergrond staat de Rode Molen uit 1724, die in 1934 werd gesloopt om
plaats te maken voor de Ceintuurbaan. Rechts is nog net iets van de Passiebloem
te zien. (Collectie van Dijk)
150 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een zeppelin boven de Zwolse binnenstad
Jeanine Otten Nadat de Zwolse Courant al dagen tevoren
over de mogelijke route van de Graf Zeppelin
boven Nederland had bericht, verscheen
op zondagmorgen 13 oktober 1929 om tien
voor half negen het luchtschip boven Zwolle. Het
was de vorige dag 12 oktober om kwart over elf
’s avonds vertrokken uit het Duitse Friedrichshafen,
waar de zeppelins gebouwd werden, met
aan boord een journalist van de Zwolse Courant.
Zijn verslag van de reis is paginagroot vier kolommen
breed te lezen in de Zwolse Courant van
maandag 14 oktober 1929.
Na een tocht over Delfzijl (6.52 uur), Groningen
(7.15 uur), Meppel, Staphorst (8.10 uur),
Zwolle (8.20 uur), Olst (8.35 uur), Deventer (8.38
uur), Apeldoorn met een ererondje en revérence
boven Paleis het Loo (8.50 uur), Den Bosch (9.50
uur), Waalhaven, Dordrecht, Rotterdam, Delft,
Den Haag, Scheveningen, Leiden, Sassenheim,
Haarlem, Amsterdam (waar boven Schiphol een
postzak werd uitgeworpen), Utrecht, Doorn, Nijmegen,
Beek (12.50 uur) en een sprookjesachtige
reis over de Rijn was de Graf Zeppelin om zeven
uur ’s avonds weer terug in Friedrichshafen. De
tocht boven Nederland had precies zes uur en tien
minuten geduurd. De belangstelling op de grond
was overweldigend. Overal dromden mensenmassa’s
samen op pleinen en markten.
In de krant van 14 oktober 1929 is een ooggetuigenverslag
opgenomen over de Graf Zeppelin
boven Zwolle. Hieronder volgt de letterlijke tekst
(in de oude spelling):
‘Zwolle, “Graf Zeppelin” boven de stad
In den vroegen Zondagmorgen
Het prachtige weer maakte het vroeg opstaan gisterochtend
niet al te moeilijk en wie omstreeks
zeven uur naar buiten wandelde zag zijn moeite
beloond door een kostelijk uitzicht over de velden
in morgennevels onder de blauwe lucht. De meeste
stadsgenooten verwachtten het luchtschip nog
lang niet, ofschoon het vertrek op een vervroegd
uur hen had kunnen waarschuwen. De verwachting
dat het om negen uur zou komen, was gebaseerd
op het eerst aangekondigde vertrek
omstreeks half twaalf. Maar Zaterdagavond werd
nog door den omroep bericht, dat het luchtschip
om kwart voor elf was vertrokken en zoo kon het
ook zooveel eerder hier zijn.
Berichten omtrent den loop der reis bleven uit
en eerst omstreeks acht uur werd hier en daar verteld,
dat de “Graf Zeppelin” te Steenwijk was
gezien. Toen hoorden wij sinds eenigen tijd al
waar wij stonden een ver verwijderd dof gebrom,
dat uit het Noorden scheen te komen.
In zicht
Opeens wees iemand een blanke ronde vlek aan,
als een wolkje met een kern, die zichtbaar werd
boven de verre gebouwen en boomen, en weldra
was er geen twijfel meer aan, het was het naderende
luchtschip. Het bleek te komen uit de richting
van Meppel en Zuidwaarts te koersen, werd grooter
en duidelijker, totdat het eenigszins van richting
veranderde en meer Westwaarts stevende. De
scheepswand blonk helder in het zonlicht, de
voorsteven schitterde als metaal, de gondels werden
zichtbaar.
In allerijl waarschuwden nu de uitkijkers hun
thuisgebleven huisgenooten en grappige tooneeltjes
speelden zich af op balcons en in tuinen, waar
velen zich nu kwamen vertoonen in nachtgewaad,
aangevuld met haastig aangetrokken jassen enz.
Anderen vonden geen gelegenheid meer om zich
te kleeden en bleven uit bed kijken als dit mogelijk
was.
Zoo kwam het, dat op de straten en buitenwegen
weinig mensen bijeen waren, maar dat het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 151
luchtschip toch door iedereen is gezien. Het voer
hoog, statig nader, naar het scheen op halve
kracht. Tenminste was het motorgebrom niet
sterk en de vaart betrekkelijk gering.
Boven Zwolle
Na zijn koers gewijzigd te hebben, is de “Graf Zeppelin”
dwars over de stad gekomen, zeker op een
paar honderd meter hoogte, van Oost naar West,
over het Noordelijk deel, ongeveer boven de
Thorbeckegracht langs. Het was toen ongeveer
kwart na acht. Hij voer vrij ver Noordelijk langs de
Peperbus, waar de vlag was uitgestoken, over de
nieuwe stadswijk in het Westen [Schildersbuurt],
iets ten Noorden daarvan, boog daarna weer om
naar het Zuiden, werd boven het Engelsche werk
gezien en voer zeer snel langs de IJssel, ver links
van het torentje van Hasselt zuidwaarts.
Het is een onvergetelijk gezicht geweest, zooals
het gevaarte rustig en met kalme vaart voorbijging,
blinkend grijs, de motorgondels en de kajuit
met groote ramen. Het was niet mogelijk menschen
op te merken. Wel werd beneden hangend
de Duitsche handelsvlag zwart wit rood gezien en
duidelijk was in roode letters de naam Graf Zeppelin
te lezen, evenals in zwart de letters en het
nummer van het luchtschip. Op het oogenblik,
dat het passeerde, begonnen de locomotieven op
het emplacement de begroeting met de stoomfluit,
welke aan boord ook gehoord is, zooals men
elders in dit nummer kan lezen. Overal zag men
kijkers met foto-toestellen in de weer en menige
mooie opname werd gemaakt.
Zoo langzaam voer het grootsche luchtvaartuig,
dat velen trachtten mee te loopen om het te
zien verder gaan. Eenmaal over de Willemsvaart
echter ontwikkelde het dadelijk weer een groote
snelheid, zoodat men het nog alleen kon zien verdwijnen
aan den Zuidelijken hemel, waar het nog
lang zichtbaar bleef.
Natuurlijk was het luchtschip het gesprek van
den heelen verderen dag. “Heb je hem gezien?”
was de inleiding van elk gesprek en ieder had hem
nog weer mooier gezien dan de vorige. Daarover
echter is wel iedereen het eens, dat alles heeft meegewerkt
om ons dezen Zondagmorgen iets onvergetelijks
te doen zien.’
De Zwolse Courant wordt bewaard in het Historisch
Centrum Overijssel. Het oudste exemplaar
dateert uit 1791. Om de kranten tegen schade door
raadplegen te beschermen, zijn ze op microfilm gezet.
Iedereen kan gratis in het Historisch Centrum
Overijssel de kranten op een speciale reader-printer
lezen. Een fotokopie van een pagina kost € 0.57.
Het Historisch Centrum Overijssel is gevestigd aan
de Eikenstraat 20 te Zwolle. De toegang is gratis.
Openingstijden: dinsdag t/m zaterdag 9-17 uur.
Tel. 038 4266300, e-mail: info@hcov.nl, website:
http://www.historischcentrumoverijssel.nl
Zondagmorgen 13 oktober
1929 8.20 uur;
ondanks het vroege tijdstip
zijn vele Zwollenaren
op de Grote Markt
ooggetuige van de zeppelin
boven de stad.
(Foto SMZ)
152 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Hottinger-kaart van Zwolle en omgeving
(1783)
Herman Versfeit Ruim tweehonderd jaar geleden hebben militaire
ingenieurs de streek rond Zwolle en
andere delen van Overijssel in kaart
gebracht. De door hen vervaardigde kaarten, die
lang verborgen hebben gelegen in de voor buitenstaanders
niet toegankelijke militaire archieven,
zijn in vrijwel alle gevallen de oudste betrouwbare
en gedetailleerde kaarten van het gekarteerde
gebied. Zij maken deel uit van de ‘Atlas Topographique
van het frontier des IJssels, Wedde en Westerwoldingerland’.
Deze als de ‘Hottinger-atlas’
bekend staande verzameling van 112 handschriftkaarten
van Noord- en Oost-Nederland, vervaardigd
tussen 1773 en 1792, berust in het Nationaal
Archief te Den Haag. Van deze kaartenserie hebben
64 geheel of gedeeltelijk betrekking op Overijssel.
Een van de kaarten geeft een fraai beeld van
Zwolle en omgeving, in het jaar 1783. In dit artikel
zal het ontstaan van de Overijsselse kaarten worden
beschreven. De kaarten uit de Hottinger-atlas
zullen in juni 2003 door de Drentse Historische
Vereniging als atlas worden uitgegeven.1
Militaire kartografie
Veel van de kaarten die in het verleden van ons
land zijn vervaardigd hebben een militaire achtergrond.
Voor de legerleiding is door de eeuwen
heen een goede kennis van het gebied waarop de
strijd zich zou kunnen afspelen van groot belang
geweest. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-
1648) en de tijd daarna waren de krijgshandelingen
voornamelijk gericht op het veroveren van
vijandelijke en de verdediging van eigen vestingsteden
en schansen. Eenmaal in het bezit van dergelijke
versterkingen viel het omliggende gebied
welhaast automatisch toe aan de bezitter van de
vesting. In die tijd was er dan ook vooral behoefte
aan stadsplattegronden en tekeningen van schansen.
In de loop der tijd verschoven de krijgshandelingen
echter steeds meer in de richting van een
strijd tussen grote legereenheden te velde. Begin
negentiende eeuw, ten tijde van de Napoleontische
oorlogen, zouden dit soort veldslagen de
uitslag van de oorlogvoering zelfs vrijwel geheel
gaan bepalen. Door deze veranderingen ontstond
er bij de militairen een toenemende behoefte aan
gedetailleerde topografische terreinkaarten. In
ons land betrof dat vooral kaarten van de gebieden
die voor de verdediging van belang waren. Een
aanzienlijk deel van het grondgebied van de Republiek
werd omsloten door natuurlijke barrières,
die voor een vijandelijk leger een flinke belemmering
vormden. Van noord naar zuidwest waren
dat de moerassen in het oosten van Groningen en
Drenthe, die langs de zuidgrens van Drenthe, de
IJssel, Maas, Rijn en Waal en de Zeeuwse wateren.
Een relatief groot deel van de militaire topografische
kaarten die in het verleden werden vervaardigd
hebben daardoor op die gebieden betrekking.
Ook andere grensgebieden, zoals het oosten
van Overijssel en Gelderland, waren als mogelijk
strijdtoneel van militair belang en werden dus
gekarteerd.
De kartering van de rivieren
Zoals hiervoor genoemd, hebben de IJssel en
delen van de Rijn en de Waal vroeger een belangrijke
rol gespeeld in de verdediging van ons land
tegen aanvallen vanuit het oosten. Betrouwbare
kaarten waren voor de legerleiding dan ook van
groot belang. In juli 1773 gaf stadhouder Willem V
luitenant ingenieur Herman van Hooff opdracht
om ‘Eene Kaarte te formeeren van het terrein tusschen
Nijmegen, de Rivier de Whaal op, en de Rijn
af, over Arnhem, langs den IJssel, over Doesburg,
Zutphen, Deventer, Zwolle en Campen, tot aan
Zwarte-Sluis, met de situatie daar annex, bijzonZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 153
derlijk de gefortificeerde Steeden en Forten, Rivieren,
Watergangen, Dijken en Sluijzen’.2
Van Hooff is ruim vijfjaar met het opmeten en
tekenen van de kaarten bezig geweest. Het gebied
dat hij karteerde bestond uit de rivieren en een
strook land aan weerszijden ervan. De breedte van
die strook wisselde, meestal bedroeg hij ongeveer
één uur gaans, zo’n vijf kilometer dus. In februari
1779 kon hij het resultaat van zijn arbeid, een kaart
met een omvang van maar liefst 630 x 270 centimeter,
aan de Raad van State toezenden. Drie jaar
later was ook het nette exemplaar van de kaart
gereed. Hij tekende dit met hulp van de extraordinaris
ingenieurs M.A. Snoeck en J.A. van Kesteren.
Op 26 februari 1782 overhandigde hij deze
‘Caart van een gedeelte der Whaalstroom, gedeelte
van de rivier den Rhijn en den geheelen IJsselstroom
met de situatie daar annex’ aan de Raad
van State. Zowel deze nette kaart als de eerder
genoemde brouillonkaart bevinden zich nu in het
Nationaal Archief.3
Zijn werk moet in de smaak gevallen zijn, want
de Raad gaf hem direct na ontvangst van de nette
kaart opdracht nog een tweede exemplaar te vervaardigen.
Ditmaal moesten de bladen een dusdanig
formaat hebben dat zij in een atlas konden
worden opgenomen. Zij moesten daar echter ook
weer uitgenomen kunnen worden om ze desgewenst
aaneen te kunnen voegen. Dit exemplaar
was al in oktober 1783 gereed.
De kartering van Salland
Het gebied ten oosten van de IJssel is in de loop
der eeuwen herhaaldelijk het toneel van strijd
geweest. Veel meer dan het westen van ons land
heeft het in het verleden geleden onder invallen
van vijandelijke legers, van belegeringen van vestingsteden
en van verwoestingen op het platteland.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog heeft Holland
alleen in de beginperiode te maken gehad
met Spaanse invallen. In Oost-Nederland daarentegen,
is tijdens deze oorlog tot eind twintiger
jaren van de zeventiende eeuw gevochten. Later in
die eeuw heeft het gebied ook nog twee Munsterse
en een Franse inval te verduren gehad. Voor de
verdediging van de Republiek hadden deze delen
van Overijssel en Gelderland een grote strategi-
Het in Oost-Nederland gekarteerde gebied is op dit kaartje met lichtgrijs aangegeven.
De rechte lijnen markeren de uiterste grens van de kaartbladen. De militaire
ingenieurs vervaardigden tussen 1773 en 1787 in totaal go kaarten, alle op
een schaal van honderd roeden op een Rijnlandse duim (1:14.400). De niet
gekarteerde stroken langs de Duitse grens werden in 1812 alsnog door Franse
militaire ingenieurs in kaart gebracht.
sche waarde. Betrouwbare kaarten van het gebied
waren voor de legerleiding dan ook van groot
belang.4
De Raad van State gaf daarom in 1785 de ervaren
ingenieur J.F. Wollant opdracht Salland en de
154 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Detail van de kaart met
Zwolle en omgeving. In
de nieuwe atlas zullen
de kaarten in kleur
opgenomen worden,
wat de details beter tot
hun recht doet komen.
Voor ‘ons gevoel’ moet
de kaart een kwartslag
gedraaid worden,
omdat het noorden
links ligt in plaats van
boven.
Graafschap in kaart te brengen. Hij moest zijn
kaarten op de door Van Hooff vervaardigde
rivierkaarten laten aansluiten. Na een jaar alleen
aan het werk te zijn geweest kreeg hij versterking.
In maart 1786 werd extraordinaris ingenieur M.A.
Snoeck bij de werkzaamheden ingeschakeld en in
het voorjaar 1787 kwam ook extraordinaris ingenieur
H.J. van der Wijck de gelederen versterken.5
Zonder problemen verliepen de terreinopnames
niet. De ingenieurs werden door de inwoners
van de streken waar zij hun werkzaamheden
moesten verrichten soms zeer onvriendelijk bejegend.
Zo schreef Wollant in september 1786 dat
hij: ‘te platten lande door de bewoonders op eene
verregaand licentieuse wijse in deselve quartieren
gemaltraiteert werd’. Ondanks deze moeilijkheden
kon Wollant de gereedgekomen kaarten in
oktober 1787 bij de Raad inleveren. Tezamen bestreken
zij de provincie Overijssel (met uitzondering
van Noordwest-Overijssel en Twente) en, op
enkele stroken langs de Duitse grens na, de gehele
Graafschap Zutphen. Ook de door Van Hooff c.s.
vervaardigde rivierkaarten maakten er deel van
uit. Deze waren, zoals in een voorgaand hoofdstuk
beschreven, tijdens de kartering van de rivieren
tussen 1773 en 1783 niet vol getekend. In de volgende
karteringsfase werden de wit gebleven delen
van de kaarten alsnog ingevuld. De door het drietal
vervaardigde kaarten maken nu deel uit van de
Hottinger atlas in het Nationaal Archief te Den
Haag. Wel werden de 25 kaarten wegens het
onhandig grote formaat – een van de kaarten had
bijvoorbeeld een afmeting van 90 bij 180 cm – in
een later stadium in 74 kleinere opgedeeld.6
In een volgende karteringsfase werden ook van
Twente, Zuidoost-Drenthe en Westerwolde kaarten
vervaardigd. Dat gebeurde onder leiding van
de van oorsprong Zwitserse kapitein ingenieur
J.H. Hottinger, aan wie de kaartenverzameling
zijn naam ontleend. De niet gekarteerde stroken
langs de Duitse grens in het oosten en zuiden van
de Graafschap en Twente werden in 1812 alsnog
door Franse en Nederlandse militaire ingenieurs
onder leiding van chef d’escadron d’Epailly in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 155
kaart gebracht. De acht door hen op een schaal
van 1:20.000 vervaardigde kaarten berusten in het
militaire archief te Vincennes. In het Rijksarchief
in Gelderland zijn foto’s van deze kaarten aanwezig.
7
De kaart van Zwolle
Weliswaar woonden de inwoners van Zwolle aan
het eind van de achttiende eeuw nog grotendeels
binnen de wallen, maar daarbuiten begon naar het
noord- en zuidoosten toch al bebouwing te ontstaan.
Die bebouwing is op de kaart huis voor huis
te herkennen. In de stad zelf is de bebouwing gegeneraliseerd,
maar het nu nog vrijwel geheel
bestaande stratenpatroon is goed zichtbaar. Anno
2002 is Zwolle enorm gegroeid, onder andere tot
aan de op de kaart getoonde plaatsen Berkum en
Zalné. Nabij de stad lagen de met arcering aangegeven
essen, waarop de landbouw werd bedreven
en daarbuiten strekten de hooi- en graslanden
zich over grote afstanden uit.
Opvallend op de kaart zijn de vele buitenplaatsen
in de omgeving van de stad. Ten zuidoosten is
bijvoorbeeld het aan de weg naar Almelo gelegen
Boschwijk te zien, vanaf 1783 de woning van de
dichter Rhijnvis Feith. Tot zijn dood in 1824
gebruikte hij dit buiten als zomerverblijf. Ook de
andere buitens stelden welgestelde inwoners van
Zwolle in staat de drukte en warmte van de
zomerse stad te ontvluchten om op het platteland
verkoeling te zoeken.
De atlas
In de door de Drentse Historische Vereniging uit
te geven atlas zullen alle kaarten van de Hottingeratlas
van Noord en Oost-Nederland worden opgenomen.
In totaal bestrijken deze kaarten Salland,
Twente, de Graafschap, de streek rond Arnhem en
Nijmegen, Zuidoost-Drenthe en Westerwolde.
Ook de zes tussen 1792 en 1794 door Hottinger
c.s. vervaardigde kaarten van de omgeving van de
stad Groningen zullen worden opgenomen.
De oorspronkelijke kaarten zijn alle op een
schaal van honderd roeden op een Rijnlandse
duim (1:14.400) getekend. In de uit te geven atlas
zullen zij op een kleinere schaal worden afgebeeld.
De details zullen echter goed herkenbaar blijven.
De atlas, die een formaat krijgt van 33,5 x 24 cm,
zal in kleurendruk worden uitgevoerd. Juist het
kleurgebruik op de kaarten maakt details, zoals
bijvoorbeeld de bebouwing, goed zichtbaar. Het
kaartgedeelte zal worden voorafgegaan door een
uitgebreide historische inleiding, waarin van elk
van de gekarteerde gebieden een beschrijving zal
worden gegeven van het militaire belang ervan en
van de wijze waarop de kaarten tot stand kwamen.
Naschrift
Het initiatief van de Drentse Historische Vereniging
verdient alle lof. De kaarten zullen door deze uitgave
voor een groot publiek toegankelijk zijn. Hoewel Zwolle
met haar omgeving maar een klein deel in deze uitgave
beslaat, is zij vanwege de precieze en fraaie weergave van
belang.
De atlas kan besteld worden bij de Drentse Historische
Vereniging, Postbus 243,9400 AE Assen. Tot juni 2003
bedraagt de voor intekenprijs € 40 (excl. verzendkosten).
Een briefje of een e-mail naar dhv@dhvdrenthe.
info met vermelding van ‘Bestelling Hottingeratlas’
is voldoende. U krijgt de atlas dan eind juni, begin
juli met een acceptgiro voor de betaling toegezonden.
Noten
1. Nationaal Archief (NA), Geniearchief, OSK IJ 11, W
17, OSPV G 41. In het Nationaal Archief wordt onder
nummer IJ lla ook een verkleinde versie van de
kaarten, op een schaal van 1:44.600, bewaard.
2. Scholten, F.W.J., Militair topografische kaarten en
stadsplattegronden van Nederland 1579-1795, Alphen
aan de Rijn 1989,115; NA, Geniearchief, Memoriën
4.OMM, inv.nr. 202, IJ 41, bijlage; NA,
RvSt, inv.nr. 329, resolutie 31.8.1773.
3. Scholten, 115,116; NA, RvSt, inv.nr. 341, resolutie
3.9.1779; inv.nr. 345 resolutie 29.11.1781; inv.nr.
346, resoluties 6.2.1782, 26.2.1782; Geniearchief,
Memoriën 4.OMM, inv.nr. 202, IJ 41. De brouillon
en de nette kaart worden onder nummer 4 OSK IJ
10 c en 4 OSK IJ 10 in het Nationaal Archief bewaard.
4. Meij, PJ. e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-
1795, Boek II, Zutphen 1975,109,131.
5. NA, RvSt, inv.nr 358, resoluties 28.3.1786,5.4.1786,
Scholten, 118,119.
6. NA, RvSt, inv.nr. 1146, ingekomen stukken,
31.10.1786; Scholten 119.
7. Zie ook: Versfeit, H.J., De Franse kaarten van
Drenthe en de noordelijke kust, Groningen 2001,36.
156 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis
Ton Hendrikman
Thomas van Kempen
op de Agnietenberg bij
Zwolle. Schilderij op
doek, anoniem, vermoedelijk
zeventiende eeuw.
(Collectie Onze Lieve
Vrouwebasiliek). Een
vrijwel identiek schilderij
hangt in het Stedelijk
Museum Zwolle.
Door een bijzondere samenloop van
gebeurtenissen stond het jaar 2001 in het
teken van Thomas a Kempis (of van Kempen).
Aan het begin van dat jaar vond er een fusie
plaats tussen de Zwolse rooms-katholieke
parochies (met uitzondering van de Dominicanenkerk
of, officieel, het Rectoraat Thomas van
Aquino) die verder gingen onder de koepelnaam
Parochie Thomas a Kempis. De Zwolse beeldhouwer
Torn Waterreus kreeg de opdracht een nieuw
beeld van Thomas a Kempis te vervaardigen ter
vervanging van het oude verweerde beeld uit 1904,
mede in verband met het toen op handen zijnde
eeuwfeest van Dominicanenkerk en -klooster in
het jaar 2002. Kunstenaar Jan Snoeck kreeg van de
gemeente Zwolle de opdracht, gebaseerd op en
geïnspireerd door de nagelaten werken van Thomas,
een werkstuk te maken voor de Thomas a
Kempiszaal in het oude stadhuis. De componist
en oud-directeur van het Conservatorium Zwolle,
Jacques Reuland, liet zich onder meer inspireren
door het geestelijk erfgoed van Thomas en componeerde
een klein oratorium onder de titel
Thomas a Kempis in Monte Sanctae Agnetis. In het
najaar van 2001 maakte de KRO-televisie een programma
over Thomas a Kempis in de reeks MystiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 157
ci van Hadewijch tot Hillesum. Bij Ten Have/Agora
verscheen de vierde uitgave van De navolging
van Christus in de vertaling van Gerard Wijdeveld.
En tenslotte werden er in het jaar 2001 initiatieven
genomen voor een tentoonstelling in het Stedelijk
Museum Zwolle over Thomas a Kempis. Deze
tentoonstelling is inmiddels gerealiseerd in
samenwerking met het Stadtische Kramermuseum
in Kempen. De opening vond plaats op
9 november 2002 en de tentoonstelling zal nog te
bezichtigen zijn tot 12 januari 2003.
Al met al aanleiding genoeg in te gaan op de
persoon van Thomas a Kempis, zijn plaats binnen
de Moderne Devotie, de beweging van Geert Grote
(1340-1384) uit Deventer, en op de geestelijke
nalatenschap van deze beweging, waarvan Thomas
tot de belangrijkste vertegenwoordigers mag
worden gerekend.
De beginjaren
Thomas Hemerken of Hamerken werd in 1379 of
in 1380 in het – tegenwoordig in Duitsland gelegen
– stadje Kempen geboren. Kempen behoorde tot
het aartsbisdom Keulen, waaronder toen ook een
groot deel van de noordelijke Nederlanden ressorteerde.
De vader van Thomas was een ambachtsman,
vermoedelijk zilversmid, getuige het hamer –
tje dat hij in het familiewapen voerde. Thomas
had nog een vijftien jaar oudere broer, Johannes.
Deze Johannes behoorde tot de kloosterlingen van
het eerste uur van het Mariaklooster in Windesheim;
hij was in 1387 betrokken bij de stichting
ervan. Evenals zijn broer voelde Thomas Hemerken
zich aangesproken door de roep die van de
religieuze en kerkelijke vernieuwingsbeweging
van Geert Grote uitging en die reeds een grote
bekendheid had gekregen binnen het bisdom
Utrecht waarvan Zwolle en Deventer de regionale
uitstralingscentra waren. De Moderne Devotie
verzette zich tegen het toenemend geestelijk verval
in kerk en maatschappij. Het kerkelijk gezag van
de paus was ernstig aangetast door het Westers
Schisma (1378-1417). Twee pausen resideerden er
toen; één in Avignon, de andere in Rome. In alle
geledingen van de kerkelijke hiërarchie was het
verwerven van betaalde ambten en carrièremakerij
als een sluipende ziekte doorgedrongen. In de
samenleving stond materieel gewin hoger aangeschreven
dan het gedrag van een innerlijk evenwichtig
levend mens. Het kon niet uitblijven dat
dit gevolgen had voor de kwaliteit van het geestelijk
leven en het daaruit voortvloeiend gedrag. De
Moderne Devotie stond ten opzichte van deze
misstanden een mentaliteitsverandering voor. In
het bijzonder richtte zij zich op jonge mensen;
scholieren, schoolgaand aan de verschillende
Latijnse stads- en kapittelscholen waarvan diverse
door onderwijshervormingen die nieuwe levenshouding
uitdroegen. De stadsschool van Zwolle
onder leiding van de onderwijshervormer magister
Johan Cele (ca. 1340-1417) en de kapittelschool
van Sint-Lebuïnus te Deventer onder leiding van
Willem Vreden waren toonaangevend in Thomas’
tijd.
Zo trok in 1392 de twaalfjarige scholier Thomas
vanuit Kempen naar het klooster Windesheim.
Zijn broer stuurde hem terug naar Deventer
met een aanbevelingsbrief voor Florens Rade-
Thomas a Kempis.
Fragment uit de houtsnede
‘St. Augustinus,
vader der reguliere
kanunniken en leraar’.
Anoniem, ca 1480.
Staatsmuseum voor
Kunst, Kopenhagen.
158 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis, foto
van het oorspronkelijke
vijftiende-eeuwse schilderij
dat zich in Keulen
bevond en in 1942 verloren
is gegaan. Het schilderij
werd toegeschreven
aan de Zwolse schilderJohan
van den
Mynnesten (1435? –
1504).(Collectie SMZ)
wijns, een van Geert Grote’s goede vrienden. In
Deventer werd Thomas opgenomen in het convict
(kosthuis) voor arme scholieren (domus pauperum)
onder de hoede van heer Florens, die als
Thomas’ mentor optrad. Florens Radewijns was
ook de stichter van het eerste fraterhuis in Deventer,
waar de grondslag werd gelegd voor de latere
huizen van de Broeders van het Gemene (gemeenschappelijke)
Leven. Het betrof een gemeenschap
van leken, die geen kloostergeloften aflegden,
maar gehoorzaamheid beloofden aan de rector
van het huis en met elkaar wilden leven volgens
het ideaal van de vroege kerk.
Intrede in het klooster op de Agnietenberg
In 1399, na zijn schoolloopbaan te hebben beëindigd,
keerde Thomas naar Windesheim terug.
Vandaaruit trok hij verder naar Zwolle. Vermoe-
VROMAS AKEMPISl
delijk volgde hij nog enkele lessen aan de beroemde
Latijnse school van meester Cele en kerkte hij
in de Onze Lieve Vrouwekapel aan de Ossenmarkt,
waarvan de eerste bouwfase net was voltooid.
Naar gebruik van die tijd en om geld voor
de bouw te genereren, was aan het bidden in de
druk bezochte kapel een aflaat verbonden. Zo trad
ook Thomas hier in de voetsporen van de vele pelgrims
want De Onze Lieve Vrouwekapel was toen
ook een bedevaartskerk, mede toegewijd aan de
pestheilige Antonius Abt. In hetzelfde jaar, hij was
toen 18 of 19, meldde Thomas van Kempen zich
aan de kloosterpoort van het Agnietenklooster op
de Nemelerberg vlak bij de Vecht, waar naar het
Deventer voorbeeld in 1386 vanuit de Praubstraat
een fraterhuis was gesticht en onder de schutse
gesteld van Sint-Agnes. Thomas ontmoette hier
voor de tweede keer zijn broer. Het broederhuis
werd namelijk in 1398 omgevormd tot een klooster
van Reguliere kanunniken van Windesheim volgens
de regel van Augustinus en behoorde tot de
kloosterfederatie het Kapittel van Windesheim.
Tot eerste prior werd benoemd Johannes van
Kempen. Dit klooster zou Thomas, behoudens
twee onderbrekingen, niet meer verlaten. De eerste
keer in 1402 om samen met zijn broer de nalatenschap
van zijn ouders te regelen in Kempen en
de tweede keer gedurende een conflict rond de
Utrechtse bisschopsbenoeming, toen de communiteit
moest uitwijken naar Ludingakerke bij Franeker
(1429-1432).
Schrijf- en vormingswerk
Na een noviciaatsperiode van zeven jaar deed
Thomas in 1406 zijn eeuwige professie, maar het
duurde nog tot 1413 of 1414 voordat hij zich tot
priester liet wijden. Waarom hij met dat besluit zo
lang heeft getalmd, is onbekend. In 1425 werd
Thomas benoemd tot subprior. Dat hield onder
meer in dat hij de taak van novicenmeester uitvoerde.
Dit was hem op het lijf geschreven. Thomas
heeft een belangrijke rol gespeeld bij de opleiding
en vorming van jonge kloosterlingen. In die
tijd schreef hij talloze geestelijke tractaten (opstellen),
die met die novicenmeesterstaak samenhingen.
Alles in het Latijn, naar het gebruik van die
tijd. Latijn was immers de universele taal van kerk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 159
en wetenschap. Intussen was Thomas ook begonnen
met het verzamelen van uitspraken en kernachtige
bijbelspreuken, die in kringen van de
Moderne Devotie opgeld deden; zij noemden dit
het geestelijk notitieboekje otRapiarium. Hiermee
legde Thomas vanaf 1420 de basis voor het al tijdens
zijn leven beroemd geworden boek De Imitatione
Christi (Over de Navolging van Christus).
Twintig jaar lang voegde Thomas aan deze tractaten
verbindende teksten toe, herschreef en redigeerde
ze. Hij structureerde de tekst in uiteindelijk
vier ‘boeken’, die samen de Navolging vormen. Al
tijdens zijn leven werden diverse redacties gekopieerd,
verspreid en gelezen binnen en buiten de
kringen van de Moderne Devoten. Vandaar dat er
verschillende redactionele versies bekend zijn. In
1441 sloot Thomas dat project af. De definitieve
handgeschreven redactie, voorzien van het jaartal
1441 en van zijn naam, bevindt zich in de Koninklijke
Bibliotheek in Brussel.
Tot op de dag van vandaag blijkt dit boek een
bron van grote geestelijke en mystieke rijkdom te
zijn met veel praktische wenken voor de opbouw
van een persoonlijk geestelijk leven. De populariteit
van de Navolging blijkt ook uit de vroege vertalingen
die er bekend zijn in diverse toenmalige
landstalen. Zo is er al een Middelnederlandse vertaling
bekend uit omstreeks 1440, een Middelengelse
vertaling uit circa 1475 en een Middelfranse
uit rond 1490, afgezien nog van de vele drukken
die vanaf het derde kwart van de vijftiende eeuw
verschijnen.
In de periode tussen 1427 en 1439 kopieerde
Thomas van Kempen ook de gehele bijbel in vijf
delen. Dit op de Agnietenberg tot stand gekomen
en door enkele medebroeders rijk geïllustreerde
werk is te bewonderen in de Hessische Hochschul-
& Landesbibliothek in Darmstadt. Een
ander belangrijk werk is de kroniek van het Agnesklooster.
Op de hoge leeftijd van 84 jaar begon
Thomas op aandringen van zijn medebroeders
aan dit karwei. Hij heeft de geschiedenis van het
huis tot aan zijn dood in 1471 bijgehouden. Hij
beschreef daarin de periode van 1386 tot 1471. Veel
heeft hij dus nog kunnen optekenen uit mondelinge
overleveringen. Een onbekend gebleven
medebroeder zette de geschiedschrijving nog
/ // 9 7 nocoa/Ccrcff . /
J
1
Irmvrls u/er.
Qoro. Nild<$n 1 ik/oosécrhof vopcfrnv'//5o(?/ï //*> C7ÊöoScCWnC-
Kyvi>SGancr
Van neé ~^Qntelen —
V) /’T) , nair,r/m)
•jfenrtcoS fèvh
JfoA. Ommen
(yer. Coriiiasn
yenr. QicxKer
4Jenf. Vjilhalmi
f L “7 V^
1
•J^rJi
i
3aet-/srt£
£afiiéée/-
2 aal
CC/ 6t~/or-
Grafplaats van Thomas van Kempen in de oostelijke kruisgang van het Sint-
Agnesklooster, zoals beschreven in de Agnietenbergkroniek. Reconstructie door
Paul Rademaker, 1999. (Uit: Een klooster ontsloten. De kroniek van Sint-Agnietenberg
bij Zwolle, p. ji)
i6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het door de kunstenaar
F. W. Mengelberg ontworpen
monument voor
Thomas a Kempis in de
oude Sint Michaëlkerk
aan de Roggenstraat.
Het monument was 8
meter hoog en werd in
1897 onthuld. Onderin
bevond zich de schrijn
met het gebeente van
Thomas. Op de zwart
marmeren onderbouw
stond, in het Latijn:
‘Ter ere, niet ter herinneringvan
Thomas a
Kempis, wiens naam
langer blijft dan elk
monument’. Profetische
woorden, want het
monument werd bij de
sloop van de kerk in
1965 evenmin gespaard.
Op de tentoonstelling in
het SMZ is een reconstructie
gemaakt met de
brokstukken die men
her en der heeft kunnen
traceren. (Uit: Ach Lieve
Tijd, deel 9)
voort tot 1477. De oudst bekende vertaling in het
Nederlands van de in het Latijn geschreven
Chronicon Canonicorum Regularium Montis SanctaeAgnetis
door Johannes Kattenbelt verscheen in
1718. Johannes Kattenbelt was een neef van
Arnold(us) Waeyer, die in de schuilkerkentijd veel
betekend heeft voor de zielzorg onder de Zwolse
katholieken.
Bij zijn dood liet Thomas van Kempen een
omvangrijk oeuvre na. De rector van het Gymnasium
Thomaeum in Kempen, Michael Josephus
Pohl, verzorgde tussen 1902 en 1922 een zevendelige
uitgave van het verzameld werk van Thomas,
de Opera Omnia. Ter gelegenheid van het eeuwfeest
van het eerste deel in de reeks is in het Duitse
Kempen dat feit dit jaar met een internationaal
congres gevierd.
Na Thomas’ dood
Toen Thomas van Kempen op 25 juli 1471, de
feestdag van Sint-Jacobus, in het klooster op de
Agnietenberg ’s avonds na de completen overleed,
werd hij begraven in het oostelijk deel van de
trans, die deel uitmaakte van de kruisgang. In een
bescheiden hoekje in de directe nabijheid van een
van de steunberen van de kloosterkerk werd Thomas’
lichaam bijgezet. Later zal deze informatie
van groot belang blijken te zijn voor het vinden
van Thomas’ stoffelijke resten twee eeuwen na zijn
dood. Het Sint-Agnesklooster op een uur gaans
van de binnenstad was toen vrijwel verdwenen, al
moeten er toen nog muurresten in het terrein op
Bergklooster zichtbaar geweest zijn.
De zestiende eeuw was een tijdperk van grote
onrust. De conflicten met de hertog van Gelder en
later de godsdiensttwisten en de daaruit voortvloeiende
Tachtigjarige Oorlog hadden een verwoestende
uitwerking op het Agnietenklooster. In
1561, nog geen honderd jaar na Thomas overlijden,
werd het klooster opgeheven. Tien jaar later
werd de kloosterbibliotheek verkocht en raakten
de kostbare boeken verstrooid. Enkele gebouwen
werden afgebroken en het overig deel verkocht
aan de zusters Augustinessen van het Zwolse
klooster ‘Op die Maet’, die er hun intrek namen.
Vanaf 1575 nam allerhande krijgsvolk bezit van het
strategisch gelegen gebouwencomplex nabij de
Vecht. In 1580 kreeg het Zwolse stadsbestuur, dat
toen de kant van de reformatie had gekozen, de
goederen van het Agnietenklooster definitief in
handen. Een jaar later besloten schepenen en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
raden het klooster af te breken. Met het vrijgekomen
materiaal werden ondermeer de vestingwerken
aangelegd. De openbare uitoefening van de
katholieke eredienst werd verboden en de tijd van
de schuilkerken brak aan.
Reliekschrijn
In 1672, in de geschiedenis bekend als het ‘Rampjaar’,
bezetten troepen van de bisschoppen van
Munster en Keulen ondermeer Zwolle. Deze
bezetting zou twee jaren duren. In de middeleeuwen
viel ons land kerkelijk bijna in zijn geheel
onder het bisdom Utrecht dat op zijn beurt weer
deel uitmaakte van het aartsbisdom Keulen. Er
bestonden dus oude historische banden met deze
streek. De Keulse keurvorst en kardinaal-aartsbisschop
Maximiliaan Hendrik Ernst van Beieren liet
de boven al eerder genoemde Arnold Waeyer,
priester in de schuilkerkentijd van de statie in de
Spiegelsteeg en goed bekend met de kloosterkroniek,
de plek aanwijzen op Bergklooster waar
Thomas van Kempen begraven was. Aanvankelijk
had de Keulse bisschop de bedoeling de stoffelijke
resten van Thomas als relikwieën na

Lees verder