Categorie

2016

Zwolse Historisch Tijdschrift 2016, Aflevering 2

Door | 2016, Aflevering 2, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Zwolse
Olympiërs
33e jaargang 2016 nummer 2 – 8,50 euro
ZHT2 2016.indd 1 6-7-2016 14:04:56
Suikerhistorie
Café Restaurant ‘De Peperbus’,
Diezerstraat 123
De Sassenpoort en de Peperbus behoren tot de
bekendste gebouwen in Zwolle. Het is dan ook
niet verwonderlijk dat vele ondernemingen of
verenigingen met hun naam naar beide iconen
verwijzen. Zo ook dit horecapand dat niet meer
bestaat.
Het stond niet ver van de Diezerpoortenbrug,
links naast het hoekpand van Jan Bosch (bakkerij
De Zoete Inval) en liep aan de achterzijde door tot
aan de stadsgracht.
Het smalle pand deed in het begin van de vorige eeuw dienst als melksalon, waar stadsbewoners
melk van boeren uit de buurt konden kopen of
een glas melk konden drinken. Rond 1930 werd
de uitbater niet meer als melksalonhouder aangeduid maar als koffiehuishouder, zeg maar kroegbaas. Melkboeren gingen voortaan de melk in de
stad uitventen en de salons raakten in onbruik.
Het was G.J.M. Wijngaarden (geb. 1890) die rond
1935 overschakelde op koffie en zwak alcoholische
dranken. Hij gaf het pand de naam De Peperbus.
Zijn zoon Peter (geb. 1917) nam de zaak in 1950
over en sindsdien stond het omschreven als caférestaurant. In 1957 kwam het bedrijf in handen
van B.J. van Groningen, die daarvoor had gewerkt
als kelner bij Hotel Peters aan de Grote Markt. Om
het de klanten naar de zin te maken schafte hij een
biljart aan bij de Zwolse biljartfabriek Hoffscholze
ter waarde van ruim 1.000 gulden en een tv bij de
firma Van Nieuwenhoven van ruim 1.200 gulden.
In verband met de stadsvernieuwing werd het
café-restaurant in 1970 opgeheven en het pand in
1973 afgebroken. Ter plekke verrees de stadsmuur
in hernieuwde glorie.
70 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Café Restaurant ‘De Peperbus’ en bakkerij De Zoete Inval begin jaren zeventig.
Het hele blok huizen werd gesloopt om plaats te maken voor de reconstructie
van de stadsmuur. Rechts is nog een slagboom van de Diezerpoortenbrug zichtbaar. (Foto Han Prins, collectie HCO)
ZHT2 2016.indd 2 6-7-2016 14:04:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 71
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 70
Zwolse Olympiërs Steven ten Veen 72
De Zwolse timmerman Jannes Ligtenbergh
en de Groningse Stadhuisprijs van 1775
Thomas H. von der Dunk 83
Ten Clarenwater of Klaarwater:
een plaats vol bedrijvigheid Wim Coster 101
Twee eeuwen de krant van Tijl
Slot: Van binnenstad naar kaal terrein
en vervolgens het einde
Willem van der Veen 111
Levensbericht Pieter Lettinga (1952-2016)
Jan Drentje 122
In memoriam Gerrit Banck (1931-2016)
Annèt Bootsma – van Hulten 124
Mededelingen 124
Auteurs 125
Redactioneel
I
n de afgelopen periode is een groot aantal mensen ons ontvallen die ieder op hun
manier hebben bijgedragen aan de geschiedschrijving van Zwolle en het behoud van zijn
cultureel erfgoed: Pieter Lettinga, Gerrit Banck,
journalist Michael Amsman en oud-burgemeester
Job Drijber De eerst twee waren als respectievelijk
oprichter en als actief en betrokken lid nauw aan
onze vereniging verbonden. Hun in memoriam
vindt u in dit nummer.
De voor u liggende editie van het Zwols Historisch
Tijdschrift is weer een typische afspiegeling van
de geschiedenis van de nobele stad Zwolle: veelzijdig en soms onverwacht. Want wie zou kunnen
bedenken dat een Zwolse timmerman ooit een
poging deed het nieuwe stadhuis van de grote stad
Groningen te mogen ontwerpen en bouwen?
Jannes Ligtenbergh (1733-1796) deed het en
Thomas H. von der Dunk laat zien hoe het hem
daarbij verging. Wim Coster toont hoe een kleine
Zwolse enclave aan de Gelderse kant van de IJssel
door de eeuwen heen een plek was van devotie en
bedrijvigheid, totdat de natuur zijn rechtmatige
plaats opeiste. Het olympisch jaar 2016 is voor
Steven ten Veen aanleiding de Zwolse deelnemers
aan de Olympische Spelen door de jaren heen
eens op een rijtje te zetten. Willem van der Veen
komt met de afsluiting van zijn serie over Tijl,
waarbij al verklapt kan worden dat er geen sprake
is van een ‘happy ending’. Natuurlijk is er weer het
suikerzakje ditmaal met een zoete terugblik op
café-restaurant De Peperbus, tot 1970 gevestigd
aan de Diezerstraat 123 op de plaats waar nu de in
oude luister herstelde stadsmuur te vinden is.
Wij wensen u veel leesplezier en een zonnige
zomer!
Coverfoto: Nico Rienks met zijn gouden medaille in 1988 in Seoul.
(Foto ANP)
ZHT2 2016.indd 3 6-7-2016 14:04:58
72 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
Zwolse Olympiërs
Van 5 tot en met 21 augustus worden in
Rio de Janeiro de 28e editie van de Olympische Zomerspelen gehouden. Van de
meer dan 10.000 atleten die er aan de start verschijnen, zal slechts een handjevol een binding
met Zwolle hebben. Anna van Breggen en Kirsten
Wild doen mee aan het wielrennen en worden
als kanshebsters voor een medaille beschouwd.
Dat geldt zeker ook voor Jeroen Dubbeldam,
die in 2000 in Seoel op de hoogste trede van het
erepodium stond. De oud-Zwollenaar, hij woont
tegenwoordig in Weerselo, is er nu zestien jaar
later weer bij en het is zeker niet uitgesloten dat
de springruiter opnieuw een greep naar het goud
doet. Beachvolleyballer Reinder Nummerdor
doet in Rio voor de derde keer aan de Spelen mee.
Samen met partner Richard Schuil greep hij vier
jaar geleden in Londen net naast een medaille, ze
werden er vierde. Met zijn nieuwe partner Christiaan Varenhorst gaat hij een nieuwe poging doen
om een olympische medaille te winnen. Daarmee
is het contingent van atleten met een Zwolse achtergrond compleet.
De eerste Zwollenaar die aan Olympische
Spelen meedeed, was Walter Middelberg. Hij
roeide in 1900 mee in de Nederlandse acht, die
derde werd. De Zwolse inbreng bij olympiades
zou daarna altijd bescheiden blijven. Pas vanaf
de jaren tachtig werd voorzichtig zichtbaar dat
Zwolle langzaam maar zeker een sportstad aan het
worden was. Groot was het aantal Zwolse sporters
dat naar de Spelen werd afgevaardigd tot nu toe
echter nooit.
Walter Middelberg
Parijs stond in 1900 in het teken van de Wereldtentoonstelling, waarvan de Eiffeltoren als trotse
herinnering al meer dan een eeuw over de Franse
hoofdstad waakt. Maar Parijs was in 1900 ook
het decor voor de tweede editie van de moderne
Olympische Spelen, die vier jaar daarvoor in
Athene voor de eerste keer waren gehouden.
Nederlanders deden toen niet mee, maar in Parijs
verschenen 42 landgenoten – allen man – aan
de start, waaronder de in Zwolle geboren Walter
Middelberg, die als lid van de acht met stuurman
de derde plaats behaalde.
Die goede prestatie van de toen 25-jarige Middelberg ging aan iedereen in Zwolle voorbij. In
de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
(verder: Zwolse Courant) verscheen nauwelijks
nieuws over de Spelen in Parijs. Sport was geen
activiteit om je over op te winden. De gewone man
Affiche voor de Olympische Spelen en de
Wereldtentoonstelling in Parijs in 1900.
(Internet)
Steven ten Veen
ZHT2 2016.indd 4 6-7-2016 14:04:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 73
had het druk genoeg om een schamele boterham
te verdienen en wie lid was van een van de sportverenigingen die Zwolle rijk was, kwam bijna
altijd uit de betere kringen. Zoals Walter Middelberg, geboren op 30 januari 1875 als zoon van
een ingenieur die bij de Staatsspoorwegen werkte.
Toen hij naar de Olympische Spelen in Parijs werd
uitgezonden, studeerde hij chemie aan de Rijks
Universiteit Leiden en was daar lid van de studentenroeivereniging Njord. Bij de in 1887 opgerichte
Zwolsche Roei- en Zeilvereniging had hij het
roeien geleerd.
De Spelen van 1900 in Parijs verliepen nogal
chaotisch. Pierre de Coubertin, de Franse baron
die in 1894 het Internationale Comité voor de
Olympische Spelen had opgericht, kreeg het aan
de stok met het comité dat de sportwedstrijden
van de Wereldtentoonstelling organiseerde en
trok zich terug. Daardoor is er later veel discussie geweest over de vraag of in 1900 wel sprake
was geweest van echte Olympische Spelen, ook
al omdat er regels werden gehanteerd die anders
waren dan die bij de Spelen van 1896 en alle latere
edities. Goud, zilver en brons voor de atleten die
als de nummers één, twee en drie eindigden, kende men toen nog niet. Walter Middelberg heeft
vermoedelijk, net zoals de andere leden van de
acht, een bronzen beeld als prijs ontvangen. Maar
uiteindelijk is Parijs toch in de officiële uitslagenlijsten opgenomen en is het brons van het beeld
van Middelberg dus echt brons. Van de uit Zwolle
afkomstige roeier is verder niet veel bekend. Hij
promoveerde in 1902 in Leiden tot doctor in de
chemie en werd later leraar scheikunde aan de
HBS in Hengelo (Ov.), waar hij op 15 september
1944 overleed.
Van Blijenburgh en Athene 1906
Schermer Willem Hubert van Blijenburgh werd
op 11 juli 1881 in Zwolle geboren. Van Blijenburgh heeft de tak van sport die hem de deelname
aan niet minder dan vijf Olympiades en twee
bronzen medailles opleverde ongetwijfeld niet
in zijn geboortestad geleerd. Hubert, zoals zijn
roepnaam luidde, deed namelijk aan schermen
en dat werd in Zwolle zeker in clubverband niet
beoefend. Hij maakte er tijdens zijn carrière in het
leger kennis mee. Hij deed mee aan de Spelen van
1906 in Athene, 1908 Londen, 1912 Stockholm,
1920 Antwerpen en 1924 Parijs. In het memorabele rijtje van sporters die aan vier of meer Olympische Spelen hebben meegedaan, staat overigens
nog een Zwollenaar: Nico Rienks. Net zoals Van
Links: Baron Pierre de
Coubertin, 1863-1937.
(Wikimedia)
Onder: Hubert van
Blijenburgh (links)
in actie tijdens een
schermtoernooi in Den
Haag, begin twintigste
eeuw. (Collectie Jonker)
ZHT2 2016.indd 5 6-7-2016 14:05:01
74 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
Blijenburgh verscheen hij bij vijf olympiades aan
de start, waarbij hij twee keer goud en één keer
brons won.
In 1916 moesten de Spelen, die in Berlijn
zouden worden gehouden, vanwege de Eerste
Wereldoorlog worden afgelast. Die van 1906 in
Athene roepen vragen op, omdat het sportevenement immers om de vier jaar plaats vindt. Na de
Olympische Spelen van 1896 in Athene, die zeer
succesvol waren verlopen, hoopten de Grieken
dat hun land de permanente arena zou worden
voor de Spelen. Pierre de Coubertin wilde daar
niets van weten, maar daar trok men zich in
Griekenland weinig van aan en in 1906 werden in
Athene ‘gewoon’ weer Olympische Spelen georganiseerd, die wederom als geslaagd konden worden
beschouwd. Het was de bedoeling om daar in
1910 en 1914 mee door te gaan, maar interne problemen maakten dat onmogelijk.
De Spelen van 1906 zijn uiteindelijk door
het Internationaal Olympisch Comité (IOC)
niet als echte Olympische Spelen in de boeken
opgenomen, maar Nederland heeft dat altijd wel
gedaan en dat brengt het aantal deelnames voor
Van Blijenburgh dan op vijf. In 1912 en 1920 won
hij brons als lid van het Nederlandse degenteam.
Individueel kwam hij uit op zowel degen als sabel,
maar werd hij in de voorrondes steeds uitgeschakeld. Van Blijenburgh, die in ons land de eerste
hoogleraar in de lichamelijke opvoeding werd,
heeft grote invloed uitgeoefend op de manier
waarop in Nederland gymnastiekonderwijs werd
gegeven. De methode die hij propageerde en binnen de strijdmacht in praktijk bracht, verschilde
nogal van wat toen gebruikelijk was en daardoor
werd hij mikpunt van hevige kritiek en zelfs persoonlijke aanvallen binnen de wereld van de lichamelijke opvoeding. Uiteindelijk heeft het werk
van Van Blijenburgh, die op 14 oktober 1936 in
Bilthoven overleed, geleid tot nieuwe inzichten in
de manier waarop het Nederlandse gymnastiekonderwijs moest worden gegeven.
Atletiek
De eerste medaille die ons land op het onderdeel
atletiek behaalde, was in 1924 in Parijs: brons op
de 4 x 100 meter estafette. De derde loper van die
Zwolse Olympiërs vanaf 1980
Te beginnen vanaf 1980 (Moskou) hebben de volgende Zwolse sporters aan
Olympische Spelen (Zomerspelen) meegedaan:
Moskou 1980
John Pierik (9 augustus 1949 Hengelo), kleiduiven skeet 11e
Los Angeles 1984
Eric Pierik (21 maart 1959 Zwolle), hockey, 6e plaats Nederlands team
Nico Rienks, roeien dubbel vier 9e
John Pierik kleiduiven skeet 4e
Seoel 1988
Nico Rienks (1 februari 1962 Tiel), roeien dubbel twee goud.
Henk Jan Zwolle (30 november 1964 Enschede), roeien skiff 12e
Barcelona 1992
Nico Rienks, roeien dubbel twee 3e
Henk Jan Zwolle, roeien dubbel twee 3e
Atlanta 1996
Ellen Kuipers (8 april 1971 Hattem), hockey brons Nederlands team.
Ellen Meliesie (2 januari 1963 Zwolle), roeien lichte dubbel twee 6e
Arie Middag (24 januari 1973 Zwolle), roeien dubbel vier 10e
Nico Rienks, roeien acht goud
Sydney 2000
Marten Eikelboom (12 oktober 1973 Zwolle), hockey goud Nederlands
team
Arie Middag, roeien acht 8e
Nico Rienks, roeien acht 8e
Reinder Nummerdor (10 september 1976 IJsselmuiden), volleybal 5e
Nederlands team
Karin Kuipers (18 juli 1972 Zwolle), waterpolo 4e Nederlands team
Athene 2004
Marten Eikelboom, hockey zilver Nederlands team
Reiner Nummerdor, volleybal 9e Nederlands team
Beying 2008
Reiner Nummerdor, beachvolleybal in kwartfinale uitgeschakeld
Sandra Kosterink (13 augustus 1984 Zwolle), softbal 7e Nederlands team
Londen 2012
Reiner Nummerdor, beachvolleybal 4e
Kirsten Wild (15 oktober 1982 Almelo), wielrennen omnium 6e en ploegachtervolging 6e
ZHT2 2016.indd 6 6-7-2016 14:05:01
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 75
ploeg was Jan Cornelis de Vries, lid van Z.A.C., de
Zwolsche Athletische Club. De Vries, geboren op
2 maart 1896 in Zwolle als zoon van een touwslager, voetbalde als rechtsbuiten in het eerste elftal
van Z.A.C. Zijn snelheid was zijn grootste wapen
en dat bracht hem eigenlijk vanzelfsprekend bij de
atletiekafdeling van de club die zijn sportterrein
vlakbij de Katerveersluizen aan de Oude Veerweg
had. De Vries werd kampioen van Nederland
op de 100 meter en in 1920 uitgezonden naar de
Olympische Spelen in Antwerpen, waar hij weinig
succes had. De Zwolse Courant plaatste op dinsdag
17 augustus het volgende bericht over zijn optreden: ‘Jan de Vries viel voor de 100 M. onmiddellijk af. Hij werd niet geplaatst, doordat hij reeds
dadelijk na de start naar ’t schijnt tengevolge van
zenuwachtigheid struikelde, waardoor hij eenige
meters achterop raakte. Hij herstelde nog snel,
maar kon het nadeel op den korten afstand niet
meer goed maken.’
Vanwege zijn voetbalcapaciteiten zou De Vries
bij deze olympiade ook nog bijna zijn toegevoegd
aan het Nederlands elftal. De voetballers waren in
Antwerpen ondergebracht op het schip de Hollandia, dat in de haven lag afgemeerd. De omstandigheden waren er ronduit slecht. De hutten
waren klein en een goede ventilatie ontbrak, het
eten smaakte niet en er kon niet worden getraind.
Uit protest stapte een aantal spelers van boord en
zocht een hotel op. Een echte rel werd het toen
een viertal spelers in de stad aan de boemel ging
en pas na twee dagen weer boven water kwam. De
leiding wilde ze naar huis sturen en de vervangers,
waaronder dus De Vries, stonden al klaar. Maar
de andere spelers van de selectie verklaarden zich
solidair met de vier ‘muiters’, die na lang overleg
tenslotte toch mochten blijven.
Na Antwerpen besloot De Vries, die officier bij
de bereden artillerie van de Landmacht was, om
de atletiek voor gezien te houden. Hij verhuisde
naar Den Haag en ging bij HBS voetballen. Maar
in 1923 vroeg de bekende atletiekcoach Kreigsman hem weer te gaan lopen. De Vries werkte bij
V.E.L. aan een comeback, die hem een bronzen
medaille bij de Spelen van 1924 in Parijs opleverde. Op de 200 meter werd hij al in de series
De Nederlandse deelnemers aan de Spelen van 1920 in Antwerpen waren ondergebracht op het schip de Hollandia, dat in de haven was afgemeerd. Hier proberen
van voren naar achteren Jan Cornelis de Vries, Adje Paulen, Cor Wezepoel,
Harry van Rappard en Albert Heijnneman op het dek te oefenen. Rechts kijkt
Evert de Herder, secretaris/penningmeester van de Nederlandsche Athletiek Unie
toe. De Herder, afkomstig uit Zwolle, was jarenlang lid van ZAC. (Internet)
De Nederlandse atletiekploeg van de Spelen van 1924 in Parijs. Achterste rij van
links naar rechts Teun Sprong, Harry de Keijser, Hendrik Koomink, Rinus van
den Berge, Henk Kamerbeek, Johan Hardeman (secretaris Nederlandse Athletiek Unie), Hannes de Boer, Jaap Boot, Adje Paulen, Oscar van Rappard, Jan
Cornelis de Vries en Harry Broos.
Middelste rij van links naar rechts: Jan Zeegers, J.H. van Dijk (official), Vuijk
(bestuurslid NAU), H. Hjertberg (trainer) en Frits Lamp. Voorste rij van links
naar rechts: Willem Bolten, Wim Peters, Cornelis Brouwer, Wim Kat, Menso
Johannes Menso, Lau Spel en Johannes van Kampen. (Internet)
ZHT2 2016.indd 7 6-7-2016 14:05:01
76 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
uitgeschakeld, maar op de 4 x 100 meter estafette
ging het zeer voorspoedig. De Nederlandse ploeg
liep in de series zelfs naar een wereldrecord van
42.0, dat echter al snel door de oppermachtige
Amerikaanse ploeg werd verbeterd (41.2). In de
finale werd Nederland vierde, maar doordat Zwitserland vanwege een foute wissel werd gediskwalificeerd, schoof de ploeg op naar de derde plaats.
De Vries had een belangrijk aandeel in dit succes.
Hij was een meester in de bochten en dus niet
voor niets de derde loper van de bronzen ploeg.
Voor de Zwolse Courant was dat overigens geen
reden om jubelend te berichten over de prestatie
van de oud-Zwollenaar. ‘Eindelijk eenige Hollandsche successen. De estafette-ploeg Boot, v.d.
Berg, de Vries en Broos plaatste zich als derde achter Amerika en Engeland’, luidde het bericht in de
krant, die zich tijdens de Spelen dagelijks beperkte
tot uitslagen. Wel werd vermeld dat de ‘kranige
Hollandsche athleten, waaronder de Zwollenaren
Willem Peters en Harry de Keijser en oud-Z.A.C.-
er de Vries’ in Parijs waren aangekomen…
Na de Spelen van 1924 stopte Jan de Vries
definitief met atletiek. Hij ging weer voetballen bij HBS, waarmee hij in 1925 kampioen van
Nederland werd. Tijdens de Olympische Spelen
van 1928 in Amsterdam was De Vries, die na
zijn militaire loopbaan als administrateur bij de
Stoomvaart Maatschappij ‘Nederland’ in Den
Haag werkte, leider van de atletiekploeg en lid van
de technische commissie van de KNAU. Hij overleed op 19 april 1939 in Den Haag.
Een van de beste en meest veelzijdige leden van
de afdeling atletiek van Z.A.C. was in de twintiger
jaren Harry de Keijser (geboren 11 september
1900 in Roosendaal), die als soldaat was gelegerd
bij de Instructie Bataljonschool in Kampen. In
1924 in Parijs deed hij mee aan polsstokhoogspringen (uitgeschakeld in de series) en de tienkamp, waarop hij als tiende eindigde, maar wel
de beste op het onderdeel discuswerpen was en
nummer twee op de 100 meter en het polsstokhoog. Aan de Spelen van 1928 in Amsterdam had
hij ook graag meegedaan, maar de Ned.-Indische
Athletiek Unie beschikte niet over de financiële
middelen om de overtocht van de beroepsmilitair
naar het moederland te betalen. ‘Jammer, want
ik was in topvorm’, zei hij er later over. De Keijser
was na zijn pensionering hoofd administratie en
conservator van Bronbeek bij Arnhem. Hij overleed op 2 januari 1995 in Leusden.
Wim Peters
Wim Peters maakte in Parijs zijn entree als specialist op de hinkstapsprong, die tot een imposante
carrière zou leiden, maar jammer genoeg niet een
olympische medaille opleverde. Tijdens de Spelen
van Parijs in 1924 was de op 5 juli 1903 in Meppel geboren atleet van P.E.C. nog een broekie, die
door Henk Kamerbeek, de vader van de bekende
tienkamper Eef Kamerbeek, bij de arm werd genomen. Peters haalde de finale van het hinkstapspringen niet, maar kwam bij de Spelen van 1928
in Amsterdam – hij was inmiddels in het bezit van
het Europees record – als favoriet aan de start. In
de eerste ronde maakte hij de verste sprong van
alle deelnemers, maar die werd door een Engels
jurylid afgekeurd omdat hij bij de afzet de balk
Harry de Keijser
(midden) tijdens een
hardloopwedstrijd
in Nederlands-Indië,
augustus 1925. (Archief
ZAC, collectie HCO)
ZHT2 2016.indd 8 6-7-2016 14:05:01
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 77
Links: Wim Peters
(links) met een estafetteploeg van PEC, verder
vlnr.: E. v.d. Vegt,
R. Koekkoek, M. v.d.
Voort. (Archief ZAC,
collectie HCO)
De sprong van Wim
Peters tijdens de Spelen
in Amsterdam. Die
zou waarschijnlijk
goed voor goud zijn
geweest als het Engelse
jurylid geen rode vlag
had opgestoken, omdat
Peters met zijn voet
over de balk zou zijn
geweest. (Particuliere
collectie)
Om Wim Peters naar Los Angeles te krijgen, moest
1.500 gulden bij elkaar worden gebracht. Dat geld
kwam er dankzij een aantal gulle gevers, waaronder de bekende Zwolse arts dokter Spanjaard, de
recette van een vriendschappelijke wedstrijd tussen
PEC en ZAC en een inzameling van de Zwolse Courant. Het toen nog ontbrekende bedrag van 223,25
werd gedoneerd door prof. Snapper, die als keuringsarts Peters fit genoeg had bevonden om aan de
Spelen mee te doen. (Archief PEC, collectie HCO)
Een ansichtkaart van de ‘SS Rotterdam’ waarmee
de Nederlandse olympische ploeg, die uit dertien
mannen en elf vrouwen bestond, in 1932 naar de
Verenigde Staten reisde. Op de kaart hebben de
Nederlandse atleten hun handtekening gezet. De
namen van Wim Peters en Tollien Schuurman zijn
met pijltjes aangegeven. (Collectie Jonker)
Op het dek van de SS
Rotterdam vermaken
de Nederlandse sporters
zich tijdens de lange
reis (zeven dagen) van
Rotterdam naar New
York. Daarna volgde
nog een treinreis dwars
door Amerika naar Los
Angeles, die ook zeven
dagen duurde. (Collectie Jonker).
ZHT2 2016.indd 9 6-7-2016 14:05:05
78 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
zou hebben overschreden. Onterecht volgens
hemzelf en ooggetuigen. Door dit voorval raakte
Peters helemaal uit zijn concentratie en hij eindigde tenslotte als zevende. Voor de Spelen van 1932
in Los Angeles was de Zwollenaar aanvankelijk
niet geselecteerd omdat hij geblesseerd was. Peters
zelf vond evenwel dat hij voldoende hersteld was,
werd door de als medisch deskundige ingeschakelde professor Snapper in het gelijk gesteld, maar
kreeg vervolgens van het Nederlands Olympisch
Comité en de Atletiek Unie te horen dat het geld
op was. Alleen als er 1.500 gulden op tafel werd
gelegd, zou Peters naar de Spelen mogen. Twee
Zwolse raadsleden (Houtsma en Oosterwijk,
beide RK Volkspartij) trokken hun voorstel om
als gemeente duizend gulden beschikbaar te stellen schielijk terug, toen duidelijk werd dat het
overgrote deel van de raad gruwde bij de gedachte
om zoveel geld ten bate van de sport uit te moeten
geven. Uiteindelijk organiseerde de Zwolse Courant een actie, die net genoeg geld opbracht om
Peters naar de Spelen van Los Angeles te krijgen.
Hij kwam er niet verder dan de vijfde plaats. ‘In
de finale nam ik een geweldigen aanloop. Met
den vasten wil om het uiterste te presteren stoof
ik op den balk af, doch vlak voor het doel zakte
ik door mijn knie en moest onmachtig tot eenige
prestatie naar de kleedkamer afdruipen’, aldus het
relaas van Peters in een brief die hij naar de Zwolse
Courant stuurde. Aan de Spelen van 1936 in Berlijn deed hij niet mee. ‘Ik moest niets van Hitler
en zijn fascistische ideeën hebben. Ik wist dat de
Spelen in Berlijn één grote propaganda van naziDuitsland zouden worden’, zei hij er later over.
Wim Peters, die niet minder dan 36 jaar lang het
nationaal record op de hink-stap-sprong in zijn
bezit had en als ambtenaar bij de gemeente Zwolle
werkte, overleed op 30 maart 1995.
Amsterdam 1928
Voor Jan Hermannus van Reede, op 12 januari
1878 in Zwolle geboren, werd Amsterdam wel
een groot succes. De dressuurruiter, die vier
jaar daarvoor in Parijs had gedebuteerd met een
veertiende plaats in het individueel klassement,
behaalde als lid van het dressuurteam de bronzen
medaille. In het individueel klassement werd Van
Het olympisch dorp tijdens de Spelen van 1932 in Los Angeles bestond uit houten
woningen, die meer op barakken leken. Links een woning van de Deense ploeg en
daarnaast twee van de Nederlanders. De man die op een stoel naast de deur zit, is
Wim Peters. Hij heeft zijn handtekening ook op de kaart gezet. (Collectie Jonker)
Links: Alle deelnemers van de Spelen in Los Angeles hadden een badge die hen
toegang tot de olympische accommodaties verschafte. Op de badge van Wim
Peters stond 341, het nummer dat hij als deelnemer had. (Collectie Jonker).
Rechts: De sleutel van het onderkomen in het Olympisch dorp van Wim Peters.
(Collectie Jonker)
ZHT2 2016.indd 10 6-7-2016 14:05:10
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 79
Reede, die beroepsmilitair was, achtste. Lid van de
atletiekploeg bij die Spelen was behalve Peters ook
zijn clubgenoot Jan Gerard Britstra. Hij kwam uit
op de 110 meter horden, maar werd in de series
uitgeschakeld. Britstra, op 10 april 1905 in Norg
geboren, was in Zwolle een bekende leraar lichamelijke opvoeding en is heel lang als trainer actief
geweest bij P.E.C. Hij overleed op 7 maart 1987 in
Zwolle.
Tollien Schuurman
Zoals gezegd wilde Wim Peters om principiële
redenen niet meedoen aan de Spelen van 1936 in
Berlijn, die op 6 februari officieel door Adolf Hitler werden geopend. Hetzelfde gold voor Tollien
Schuurman (20 januari 1913 Zorgvlied), die in de
jaren dertig in Windesheim woonde, waar haar
vader hoofd was van de openbare school. Tollien
werd getraind door Jan Britstra en werd daarom
Links: Poster van de
Olympische Spelen
in Amsterdam, 1928.
(Internet)
Rechts: Jan Hermannus
van Reede, 1878-1987.
(Internet)
Voor het clubblad De
P.E.C. ’er maakte Teun
van der Veen deze
karikatuur van Jan
Gerard Britstra (1904-
1987), die meedeed
aan de Spelen van 1928
in Amsterdam. In het
dagelijks leven was hij
niet alleen sportleraar,
maar ook masseur van
de voetballers en atleten
van PEC. Omdat hij
dat laatste werk met
krachtige hand verrichtte, werd hij ‘de
beul’ genoemd. (Archief
PEC, collectie HCO)
ZHT2 2016.indd 11 6-7-2016 14:05:12
80 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
lid van P.E.C. Daar was nog een besluit van de
ledenvergadering voor nodig, omdat volgens het
reglement van de club damesleden niet welkom
waren. De Drentse was een supertalent op de
sprint. Zij verbeterde twee keer het wereldrecord
op de 100 meter en werd vele malen nationaal
kampioene op de 100 en 200 meter. De olympiade
van Los Angeles werd een deceptie voor haar. De
voorbereiding werd verpest door een conflict over
de begeleiding. Tollien wilde dat Britstra mee naar
LA ging, de Koninklijke Nederlandse Atletiek
Unie weigerde dat. Uiteindelijk ging zij ter wille
van de estafetteploeg, die zonder Schuurman thuis
zou blijven, overstag. In de halve finale werd het
Hollandse loopwonder uitgeschakeld.
Voor de Spelen van 1936 in Berlijn gold
Schuurman als favoriete voor goud op de 100
meter. Maar het meisje uit Windesheim trok zich
het lot van de joden in Duitsland aan en weigerde
mee te doen. De Atletiekunie oefende grote druk
uit op Schuurman om dat standpunt te herzien.
KNAU-voorzitter A.J.G. Strengholt, directeur van
De Telegraaf, reisde persoonlijk naar Windesheim
om te proberen de atlete op andere gedachten te
brengen, maar dat hielp niet. In De Telegraaf werd
Schuurman beschuldigd van onvaderlands gedrag
De Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles werden op 30 juli geopend. Op de
foto de binnenkomst van de Nederlandse ploeg met als vlaggendrager de ruiter
Charles F. Pahud de Mortanges, die een gouden plak zou winnen. De ploeg telde
in tegenstelling tot de Spelen vier jaar daarvoor in Amsterdam, toen er maar liefst
214 Nederlandse deelnemers waren, slechts 24 sporters. (Collectie Jonker)
Links: De halve finale
van de 100 meter voor
dames in Los Angeles
met rechts Tollien
Schuurman, die zou
worden uitgeschakeld.
(Internet)
Rechts: De dames estafetteploeg 4 x 100 meter
die meedeed aan de
Spelen van 1932 in Los
Angeles. Van links naar
rechts Cor Aalten, Jo
Dalmolen, Bep du Mée
en Tollien Schuurman.
(Internet)
ZHT2 2016.indd 12 6-7-2016 14:05:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 81
wat er toe leidde dat er veel anonieme scheldbrieven bij haar thuis in Windesheim werden bezorgd.
Verbitterd besloot zij al snel een punt achter haar
atletiekcarrière te zetten. Na de oorlog, zij had een
pedicurepraktijk in Apeldoorn, was Schuurman
nog trainer van de atletiekvereniging Olympic
in deze plaats. De laatste jaren van haar leven
woonde zij in Elspeet, waar zij op 29 januari 1994
op 81-jarige leeftijd overleed.
Melbourne 1956
Aan de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn
deed uiteindelijk geen enkele Zwollenaar mee.
Bij de olympiades die na de Tweede Wereldoorlog zijn gehouden, zou dat ook lang zo blijven.
In Londen (1948) zat de in Zwolle geboren (22
juni 1926) Sietze Haarsma, die aan de Technische Universiteit in Delft studeerde, in de vier
zonder stuurman. De roeiers haalden de finale
niet. In Melbourne (1956) verscheen geen enkele
Nederlander aan de start. Vanwege de Russische
inval in Hongarije (4 november, minder dan een
maand voor de opening van de Spelen) had het
Nederlands Olympisch Comité besloten niet
mee te doen. Een van de sporters die daarvan het
slachtoffer werden, was Willem van der Veen.
De Zwolse journalist die lid was van de Zwolse
Mixed Hockey Club (ZMHC) had tijdens een
oefenduel tussen het Nederlands hockeyteam en
een B-selectie zoveel indruk gemaakt, dat hij als
wisselspeler aan de olympische ploeg werd toegevoegd. ‘Ik had mijn olympisch kostuum al gepast.
Het was een grote teleurstelling dat we thuis
moesten blijven’, aldus Van der Veen.
Rienks, Dubbeldam en Eikelboom
De oogst aan gouden medailles voor Zwolse sporters is vier, waarvan er door Nico Rienks twee
werden behaald. De op 1 februari 1962 in Tiel
geboren roeier verhuisde al op jonge leeftijd naar
Zwolle, waar hij lid werd van de Zwolse Roei- en
Zeilvereniging ZRZV. De top van deze sport
bereikte hij toen hij aan de Vrije Universiteit in
Amsterdam bewegingswetenschappen studeerde
en als lid van Okeanor en later Willem III op
de Bosbaan roeide. De eerste gouden medaille
behaalde Rienks samen met Ronald Florijn in
1988 in Seoel in de dubbel-twee. Acht jaar later,
in Atlanta, zat hij in de Holland acht die in een
schitterende race naar het goud roeide. Rienks,
eigenaar van Rienks Arbodienst, woont inmiddels
weer in Zwolle. Hij is getrouwd met Harriët van
Ettekoven, die als lid van de damesacht bij de Spelen van 1984 in Los Angeles brons veroverde.
Jeroen Dubbeldam (15 april 1973) is een geboren
en getogen Zwollenaar. Zijn ouderlijk huis stond
aan de Hessenweg, waar zijn vader een manege
Nico Rienks (links) en
Ronald Florijn met
hun gouden medailles
in 1988 in Seoul. (Foto
Paul Stolk, internet)
Jeroen Dubbeldam
maakt met zijn paard
De Sjiem een ereronde
na het behalen van de
gouden medaille bij de
Spelen van 2000 in Sydney. (Internet)
ZHT2 2016.indd 13 6-7-2016 14:05:13
82 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
had. Toen hij op 12-jarige leeftijd paard ging
rijden, bleek al snel dat hij over uitzonderlijke
talenten beschikte. Dat resulteerde tenslotte in de
gouden medaille bij de Olympische Spelen van
2000 in Sydney. De Sjiem heette het paard dat
Dubbeldam bereed. Jaren geleden verhuisde hij
naar Weerselo, waar hij een eigen stal heeft. Dat de
oud-Zwollenaar nog altijd een topruiter is, bewees
hij vorig jaar door in Frankrijk wereldkampioen
te worden.
Goud was er in 2000 in Sydney voor Marten Eikelboom. De op 12 oktober 1973 in Zwolle geboren
hockeyer groeide op in Hattem, waar zijn vader
een van de belangrijkste spelers in de Veluwse
hoofdklasser was en twee keer in het Nederlands
elftal mocht spelen. Maar dat aantal werd door
zoon Marten ruimschoots verbeterd; hij bracht
het tot niet minder dan 177 interlands, waarvan
de meeste als lid van de hockeyclub Amsterdam.
Bij de Spelen van Sydney was Marten in de eerste
vijf wedstrijden wisselspeler, maar in de halve
finale en finale stond hij in de basis. Die twee wedstrijden waren bloedstollend spannend en werden
pas na het nemen van strafballen beslist. Tegen
Australië in de halve finale scoorde Marten de
belangrijke vijfde goal en in de finale tegen ZuidKorea zorgde hij voor 4-3.
Mega-sportgebeuren
Hockey is de sport die ons land veel medailles heeft opgeleverd, waaronder twee keer goud
voor de dames en drie keer goud voor de heren.
Dameshockey werd overigens pas in 1980 op het
programma gezet, zoals er door het Internationaal
Olympisch Comité regelmatig wijzigingen worden aangebracht. Zo is touwtrekken verdwenen,
terwijl het lange tijd als serieus onderdeel van de
atletiek werd beschouwd. Ons land behaalde er
bij de Spelen van 1920 in Antwerpen de zilveren
medaille mee. Sporten waarbij motorische kracht
als bron wordt gebruikt, zijn op de Spelen taboe.
Max Verstappen, onze nieuwe nationale sportheld, zal als autocoureur dus nooit een olympische
medaille kunnen behalen.
Winterspelen werden in 1924 ingevoerd.
Nederland deed die eerste keer in Chamonix niet
mee, maar stuurde vier jaar later twee schaatsers
naar St. Moritz, die voor alle afstanden werden
ingeschreven. Ze vielen niet in de prijzen, de
medailleoogst van de schaatsers moest nog beginnen. Daarbij ligt de gouden plak die Zwollenaar
Michel Mulder twee jaar geleden in Sotsji won
natuurlijk nog vers in het geheugen. Hij werd
bovendien derde op de 1000 meter en zijn tweelingbroer Ronald veroverde het brons op de 500
meter. Lotte van Beek, brons op de 1500 meter,
maakte het Zwolse feestje in Sotsji compleet.
Straks in Rio de Janeiro doen meer dan tienduizend sporters aan de 28e
editie van de Zomerspelen mee. Voor de meesten zal de slogan van Pierre
de Coubertin – ‘Meedoen is belangrijker dan winnen’ – van toepassing zijn. Maar winnen is anno
2016 wel heel belangrijk geworden. Niet alleen
om een beroemde sportman of sportvrouw te
zijn, zeker ook om lucratieve contracten binnen te
halen. Want de Olympische Spelen zijn een megasportgebeuren geworden, waar miljoenen mensen
in alle delen van de wereld vastgekluisterd aan
de televisie naar kijken. Hoe anders dan in 1900
toen Walter Middelberg brons won en niemand in
Zwolle daar iets van wist…
Bronnen en literatuur
Ton Bijkerk, Olympisch Oranje, 2012
Steven ten Veen, 100 Jaar Atletiek in Zwolle / De Geschiedenis van av PEC 1910, Waanders 2010
Adri van Drielen en Steven ten Veen, Jan Drost, heer
met camera, Waanders & De Kunst, 2013
Steven ten Veen, ‘Jasper Warner’, in Zwols Historisch
Tijdschrift 25 (2008) nummer 3/4, p. 108-127
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
Zestig jaren Z.A.C. (1893-1953)
Olympisch sportarchief en aanvullende informatie van
Laurentz Jonker
Op weg naar goud.
Marten Eikelboom
juicht na de gewonnen
(3-2) halve finale tegen
Duitsland tijdens de
Spelen van Sydney in
2000. (Internet)
Rechts: Touwtrekken
was tot 1920 een olympische sport. Ons land
won er bij de Spelen
van 1920 in Antwerpen
een zilveren medaille
mee. Deze foto werd
gemaakt bij de Spelen
van 1900 in Parijs, welk
team hier trekt is niet
bekend. (Internet)
ZHT2 2016.indd 14 6-7-2016 14:05:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 83
De Zwolse timmerman Jannes Ligtenbergh
en de Groningse Stadhuisprijsvraag van 1775
Thomas H. von der D Dunk
e achttiende eeuw staat in de Nederlandse architectuurgeschiedenis in zekere
zin nog altijd te boek als een eeuw van
rust. Omdat na de gouden zeventiende eeuw
de welvaart en de bevolkingsgroei in de Republiek stagneerde, namen de bouwactiviteiten in
omvang en betekenis af. Nieuwe prestigieuze
stedelijke bouwprojecten, zoals grote kerken of
stadhuizen, werden schaars. Er vonden nauwelijks meer stadsuitbreidingen plaats, zodat er ook
veel minder nieuwe woonhuizen opgetrokken
werden – en zeker geen hele wijken – dan voorheen. Kleinere verbouwingen zetten de toon,
waaronder het optrekken van nieuwe statige
gevels; daarnaast ondergingen veel interieurs een
modernisering.1
Zwolle vormt geen uitzondering op de regel,
wat ongetwijfeld mede verklaart waarom er –vergeleken met andere periodes – ook in deze stad
relatief nog weinig onderzoek naar de bouwkunst
van de achttiende eeuw gedaan is. Ook door het
ontbreken van ‘grote’ namen spreekt die minder
tot de verbeelding. Veel voor particulieren verricht werk blijft bij gebrek aan uitvoerige archivalia voor ons sowieso anoniem. Tot de bestaande
literatuur is tot dusverre maar een hoogst enkele
bouwmeester doorgedrongen, wat voor het hele
gewest Overijssel geldt.2
Een van de vele bouwkundigen die in die periode werkzaam was, was de Zwolse timmerman
Jannes Ligtenbergh (1733-1796). Dankzij zijn
deelname aan de Stadhuisprijsvraag van Groningen van 1775, waarbij zijn inzending bewaard
is gebleven, zijn wij sinds kort überhaupt met
zijn bestaan bekend. Of hij ook in zijn eigen stad
bouwkundige sporen van betekenis heeft nagelaten, is niet zeker. Met enig speurwerk viel wel iets
over zijn levensloop te achterhalen. Ook een vergelijking van zijn Groningse ontwerp met enkele
bestaande panden in de Zwolse binnenstad blijkt
zinvol, om enige context te bieden.
Dit artikel behelst een bescheiden poging om
hem, op basis van de thans beschikbare informatie, weer op de kaart te zetten. Omdat de enige
tekeningen die van zijn hand bewaard zijn de Groningse betreffen en er verder geen werk met zekerheid aan hem kan worden toegeschreven, zal eerst
die prijsvraag aan bod komen, omdat die daarom
nog het meeste licht op Ligtenbergh als bouwkundige werpt. Het werpt daarmee natuurlijk ook
zijdelings een licht op de laat achttiende-eeuwse
bouwkunst in Zwolle als geheel.
De eerste Nederlandse architectuurprijsvraag
In het jaar 1770 nam de stadsregering van Groningen het besluit om haar bouwvallig geworden
middeleeuwse stadhuis op de Grote Markt door
nieuwbouw te vervangen. De burgemeesters wilden van deze gelegenheid gebruik maken om een
supermodern gebouw neer te zetten, dat hun stad
tot eer en aanzien strekken moest. Dat betekende:
een stadhuis in een streng neoclassicistische stijl,
die de tot dan toe overheersende ‘Nieuwe Zwier’
van de als decadent beschouwde rococo met zijn
vele krullerige versiersels moest doen wijken voor
een strakke rechtlijnige bouwtrant, die veel nauwer bij de voorbeeldig geachte klassieke Oudheid
aansloot. Dit conform de idealen van de ‘Edele
Eenvoud’ van de bekende aartsvader der kunsthistorische wetenschap Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), die in deze decennia in heel
Europa furore maakten.3
Om dit doel te bereiken werd in de nazomer
van 1774 besloten om een prijsvraag uit te schrijven, de eerste op het gebied van de bouwkunst in
Nederland, waaraan dan ook naast menig amateur en ambachtsman door nagenoeg de volledige
nationale architectenelite deelgenomen werd.4
ZHT2 2016.indd 15 6-7-2016 14:05:13
84 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
De initiatiefnemers waren de oppermachtige
burgemeester Anthony Adriaan van Iddekinge
(1711-1789)5 en het alzijdig geleerde factotum
Petrus Camper (1722-1789), in de loop der jaren
hoogleraar in de medicijnen en enige andere
disciplines aan de universiteiten van Amsterdam,
Franeker en Groningen.6 Als hoofdkenmerk van
de gewenste nieuwe bouwstijl werd, naast de voorgeschreven kubusvorm met vier vleugels van drie
bouwlagen onder omlopend schilddak rondom
binnenplaats, uitdrukkelijk een vrijstaande zuilenportiek over de volle hoogte van het gebouw
verlangd, in de terminologie van die tijd: een
‘peristyle’.7 Overigens was het, hoofdzakelijk door
Camper opgestelde, programma van eisen met
name gevuld met praktische punten, zodat men
daarin vooral een opsomming vond van de voor
het nieuwe stadhuis benodigde vertrekken, van
luchtig verlichte banketzaal tot (niet minder verplicht) duister en stevig ommuurd cachottenblok.
Als sluitingsdatum werd 1 februari 1775 vastgelegd. Meer dan drie dozijn projecten werden
ingestuurd, waarvan de helft in het Groningse
stadsarchief bewaard gebleven is. Eind maart ging
vervolgens de Amsterdamse architect Jacob Otten
Husly (1738-1796)8 met de premie strijken. Naar
zijn, als gevolg van inmiddels gerezen financiële
problemen, uiteindelijk sterk vereenvoudigde ontwerp werd tenslotte tussen 1793 en 1810 in twee
fases het nieuwe, thans nog bestaande stadhuis
opgetrokken.
De beide initiatiefnemers hadden er alles
aan gedaan om de prijsvraag bekendheid te verschaffen, via persoonlijke relaties in binnen- en
buitenland waarbij zelfs de gezanten van de Republiek werden ingeschakeld om het prijsvraagprogramma onder de aandacht van professionele
architecten elders in Europa te brengen.9 Binnenslands werd de focus mede dankzij Campers
contacten sterk op Amsterdam gericht, met als
gevolg dat de prijsvraag zeker negen deelnemers
uit deze stad telde – zo’n kwart dus van het totaal.
Daaronder bevond zich ook niemand minder dan
de nog jeugdige dilettant Willem Bilderdijk (1756-
1831).10 De overigen kwamen – afgezien van een
Deen, een Fransman en twee Duitsers11 – vooral
uit de rest van Holland, of dichter bij huis: de
gewesten Friesland en Groningen. Onder de laatsten bevond zich, anders dan in het geval van de
Hollanders, geen enkele bouwkundige van naam,
en alle ‘Friese’ en ‘Groningse’ ontwerpen maakten
zodoende geen enkele kans. Geen der vijf met
naam bekende noordelijke mededingers haalde
zelfs maar de eerste selectie van veertien stuks die
Camper, die behalve met de opstelling van het
prijsvraagprogram ook met de beoordeling van
de inzendingen was belast, medio maart voor zijn
rekening nam.12
Het ontwerp van Jannes Ligtenbergh
Tot die categorie direct afgewezen deelnemers
behoorden ook de makers van de twee inzendingen uit Overijssel: de ene van meestertimmerman
Eberhard Philip Seydel (1728-1814) en meestermetselaar Anthonie Polman (1740-1813) uit Vollenhove13 en de andere dus van Ligtenbergh. De
inzending van het eerste duo is verloren gegaan,
die van Ligtenbergh niet. Juist de zijne maakt
meer dan welk ander bewaard gebleven ontwerp
het onderscheid duidelijk tussen theoretisch
geschoolde architecten, die snapten wat in Groningen werd verlangd, en praktisch werkzame
ambachtslieden, die daarvan niet de geringste
notie hadden. Het maakt daarmee misschien ook
Het tussen 1793 en
1810 gebouwde stadhuis van Groningen,
naar een ontwerp van
Jacob Otten Husly
(1738-1796).
(Foto auteur)
ZHT2 2016.indd 16 6-7-2016 14:05:14
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 85
meer dan welk ander ontwerp duidelijk hoe ongewoon modern de bouwtrant was die Camper en
Van Iddekinge voor hun nieuwe stadhuis voor
ogen stond. Veel deelnemers hadden bijvoorbeeld
duidelijk niet begrepen wat met een ‘peristyle’
bedoeld was – een klassiek tempelfront – en
waren dientengevolge met een klein portiekje van
twee zuiltjes ter hoogte van slechts de bel-etage
aan komen zetten, zoals dat voor buitenhuizen
al vele decennia gebruikelijk was. Maar van allen
wier geesteskind tot ons gekomen is, maakte onze
Zwolse timmerman het wel het bontst.
‘Sunt bona mixta malis et absurdis’ (het is een
mix van goede, slechte en ongerijmde ontwerpen), zo had Van Iddekinge al op 23 februari na
een eerste blik op de binnengekomen plannen aan
Camper geschreven.14 Een blik op Ligtenberghs
inzending maakt in een oogopslag duidelijk: diens
creatie viel zonder twijfel in de laatste categorie.
De vijf bladen van het in het Groningse stadsarchief bewaard gebleven project tonen plattegronden van beide verdiepingen – de laatste met
doorsnede van de kap – alsmede aanzichten ‘Van
fooren’, ‘Van agter’ en ‘Op Sijd’.15
Een motto ontbreekt, maar beide plattegrondtekeningen zijn – in strijd met de prijsvraagvoorwaarden, die door de verplichting van een motto
juist anonimiteit en daarmee onpartijdigheid bij
de jury beoogden te waarborgen – deels (plattegrond en doorsnee) gesigneerd met ‘Jannes Ligtenbergh’, zich bij deze noemende ‘In de Eertûra
Mester te Zwol’ (Meester in de architectuur). Een
erudiet bouwkundige was hij niet. De spelling van
deze betiteling doet al het ergste vermoeden. Van
hem is tot dusverre geen ander werk met zekerheid bekend dan dit en misschien is dat – mede
Ontwerp van Ligtenbergh, grondplan.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 17 6-7-2016 14:05:17
86 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
gezien de onbeholpen tekenstijl – maar goed ook.
Van alle bewaarde ontwerpen voldeed het wel
het minste aan de voorstelling van Camper en
de zijnen en de geleerde zal het ongetwijfeld vol
afschuw van tafel hebben geveegd.
Het enige wat nog enigszins deugde was de
grondvorm: vrijwel exact een vierkant, ietsje breder dan diep, zij het met een vrij klein uitgevallen
binnenplaats. Maar voor de rest hield de maker
zich nauwelijks aan enige essentiële voorwaarde
van het prijsvraagprogram. Om te beginnen telde
het maar twee bouwlagen in plaats van drie, die
bovendien tezamen een zeer gedrongen indruk
maakten onder de welhaast even hoge (en daarmee een wanstaltige omvang aannemende), met
drie schoorstenen per zijde (twee op de hoeken,
een in het midden) gemarkeerde kap. Eindeloze
rijen gelijksoortige vensters met lichtgebogen
latei – elf in de beide zijgevels, dertien in de voorgevel, liefst vijftien in de achtergevel – geleedden
de langgestrekte wanden, die door krachteloze geblokte hoeklisenen werden begrensd. Een
peristyle, toch duidelijk voorgeschreven, ontbrak.
Aan de voorzijde trof men in plaats daarvan in de
middenas boven een lage stoep een in de meest
wulpse rococo-ornamentiek vormgegeven klein
ingangsportaal met dito venster daarboven; aan
de achterzijde waren er drie van zulke portalen en
in elk der zijgevels ook nog eens één. Aan de achterzijde, waar zij behalve de middelste ook de derde travee (van buitenaf gerekend) innamen, gaven
de flankerende deuren toegang tot respectievelijk
de waag en het wijnhuis, en de centrale deur tot
het stadhuis zelf. Dit alles was geenszins de edele
eenvoud van het neoclassicisme die de Groningse
burgemeesters voor ogen stond.
Maar het ergste kwam nog boven de kroonlijst. Ronduit bizar was de in enorme krullen
uitwaaierende kuif, die aan alle zijden de volledige
breedte van het gebouw besloeg en zodoende ook
in de hoogte een buitenproportionele omvang
aannam. In de afgebeelde zijgevel bleef deze nog
het meest binnen de perken, met een door een
keizerskroon bekroond soort wapenschild in het
midden. In de hoofdfaçade trof men er mismaakte
sculpturen aan, waarvan er in elk geval eentje,
blijkens de weegschaal, de rechtspraak moest
verbeelden. In de achtergevel tenslotte rustten op
de kuif een viertal vrouwelijke beelden, waarvan
de wulpse vormen eerder voor bordeelhouders
dan voor burgemeesters toepasselijk schenen.
Direct achter de hoofdingang van de voorgevel
bevond zich de vestibule, met aansluitend de binnenplaats, die ook vanuit het middelste achterporOntwerp van
Ligtenbergh, voorgevel.
(Groninger Archieven)
Ontwerp van Ligtenbergh, achtergevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 18 6-7-2016 14:05:22
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 87
taal en via een op de twee zijportalen uitkomende
gang kon worden bereikt. Vermoedelijk moet men
de twee grotere ruimtes in de hoek tussen deze
gangen en de vestibule als de raadskamer en banketzaal beschouwen, die aan de deelnemers expliciet voorgeschreven waren; uitwendig werden zij
niet in de gevelopstanden aangeduid, de axiale
symmetrie bleef zo bewaard. Waar de gevangenen
van Ligtenbergh gelaten moesten worden, wordt,
afgezien van twee kleine cellen ter weerszijden
van de monding van de achtergang op de binnenplaats, niet duidelijk; mogelijk verdwenen de
overigen ergens onder de grond.
Ligtenbergh had met zijn ontwerp iets
geleverd dat voor de nieuwe lichting van bouwkunstkenners van die dagen ongetwijfeld als een
schoolvoorbeeld van ontaarde architectuur kon
dienen. Het toonde de door de neoclassicisten
verafschuwde ‘Nieuwe Zwier’ in optima forma,
in een uitbundig overdadige vorm zoals die in de
praktijk eigenlijk vrij zelden aangetroffen werd en
zodoende bijna ontleend leek aan een doelbewust
de neoclassicistische ‘tegenpartij’ demoniserende
karikatuur.
Een tweede ouderwets project
Ligtenberghs project mag dan wel voor de
moderne ogen van Camper het meest afstotelijk
van allen geweest zijn, het meest door de tijd
achterhaalde was het niet. Daarvoor moet vermoedelijk een ander doorgaan dat onder het motto ‘Labor Inproobus omnia vinzit’ (= labor improbus omnia vincit – noeste arbeid overwint alles)
was ingediend. In zijn terughoudende decoratie
vormt het het tegendeel van het zojuist besprokene, maar soberheid en strakheid waren niet de
enige criteria waarop Camper de binnengekomen
ontwerpen beoordeelde. Zodoende verdween ook
deze creatie meteen in de prullenmand: het overleefde de eerste selectieronde evenmin. Tezamen
met Ligtenberghs geesteskind laat het zien dat
uit-de-tijd-zijn in het nieuwe neoclassicistische
tijdvak twee tegenovergestelde dingen betekenen
kon: een teveel aan vorm én totale vormeloosheid.
Het project, dat uit vijf bladen met een soort
van legenda bestaat, is eveneens in het Groningse
stadsarchief bewaard gebleven.16 De maker is
onbekend en evenmin weten we uit welke contreien van Nederland hij stamde. Uit een bijgevoegde
anonieme brief valt alleen op te maken dat de uitvoering, die vier jaar in beslag zou nemen, maximaal f 350.000 zou kosten.17 De bouwtekeningen,
alle van het bewuste motto voorzien, zijn een
‘Grondt van de Voornaamste Vokade’, een ‘Grondt
van de trap na de Cappitale Verdieping. Onderste
Verdieping of Vokade’, een ‘Standt van de Voorseyde Naa’t oosten’, een ‘Standt van de Seyde Naa’t
Noorden’, en een ‘Door Gesneede Standt Naa’t
Noorde’. Ook ditmaal duidt de beroerde spelling,
bijvoorbeeld van het woord ‘façade’, op een eenvoudige ambachtsman.
Zij tonen ons een kubusvormig, nagenoeg
vierkant en vermoedelijk in baksteen gedacht
gebouw van vier vleugels rond een ruime binnenplaats, met aan de buitenzijde eindeloze rijen
rechthoekige ramen zonder enig gebruik van het
klassieke ordenapparaat om de gevels te geleden.
Het is een lompe stenen klomp, waarvan de opzet
niet minder ver dan in Ligtenberghs geval afwijkt
van hetgeen de uitschrijvers van de prijsvraag
voor ogen moet hebben gestaan. Het ontwerp
bezat met zijn grote koepeltoren aan de voorzijde
– bestaande uit een enorm en tamelijk lomp vierkant onderstuk op dakhoogte met dubbele open
Ontwerp van
Ligtenbergh, zijgevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 19 6-7-2016 14:05:24
88 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
achtkante lantaarn daarboven – in combinatie met
het volledig ontbreken van een klassieke peristyle,
veel meer de inmiddels ouderwetse trekken van
een Hollands stadhuis uit het midden van de
zeventiende eeuw dan van een modern openbaar
gebouw in internationale neoclassicistische bouwtrant. Ook het zeer hoge en steile schilddak met
de simpele dakkapellen en dito hoekschoorstenen
droeg daaraan bij.
Niet alleen in de dominante klokkentoren,
die in zijn opzet – gesloten vierkant onderstuk,
open achtkante lantaarn, koepeldak, minilantaarn
en topkoepeltje – een grove en in de proporties
geperverteerde versie van de cupola van het
befaamde Amsterdamse Stadhuis (1648-’65) van
Jacob van Campen lijkt,18 week deze inzending
van de meeste anderen af. Ook anderszins was
zeer vrijmoedig – of misschien beter gezegd: zonder enig begrip – met het prijsvraagprogramma
omgesprongen. Alle vier zijden van het gebouw
bezaten een middenrisaliet, die de vensterrijke
gevels – dertien traveeën voor en achter, veertien
aan de beide zijden – hun monotonie ontnam.
Ook waren telkens de twee buitenste vensterassen
in een hoekrisaliet samengevat, waarbij overigens
niet helemaal duidelijk is hoe dit met het strak en
ononderbroken doorlopende schilddak te rijmen
valt. Die omtrek van de plattegrond was duidelijk
aan het Amsterdamse Stadhuis ontleend. De risalietindeling van de gevel houdt daarbij overigens
nog minder rekening met de vertrekindeling van
het gebouw erachter dan al in Amsterdam het
geval was.
De, op enkele zeer smalle geblokte verticale
liseenbanden na, effen gevels telden liefst vijf
van deze vensterrijen boven elkaar, waarbij alle
vensters dezelfde rechthoekige of – naar gelang
Ontwerp Labor
Inproobus, grondplan.
(Groninger Archieven)
Rechts: Ontwerp Labor
Inproobus, voorgevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 20 6-7-2016 14:05:28
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 89
de hoogte – vierkante vorm bezaten. Cordonlijsten zorgden ervoor dat de tweede en derde,
en de vierde en vijfde reeks, tot verdiepingen
werden gegroepeerd, precies als in Amsterdam.
Alleen de kolossale pilasterorde, waarmee
Van Campen dit daar nog extra zichtbaar had
benadrukt, ontbreekt. En net als daar was bij
dit anonieme ontwerp de derde en vijfde reeks
ramen veel lager (nagenoeg vierkant) dan de
tweede en vierde. ‘Labor Inproobus’ was van
alle bewaarde prijsvraagontwerpen het enige
waarvoor dit gold – zowel het eigenmachtig
grote ‘Amsterdamse’ aantal van vijf vensterrijen,
als de bedoelde dito groepering ervan. Mogen
we hier een relatie veronderstellen – en daarmee misschien een herkomst van het ontwerp
uit Amsterdam?19
Het feit dat de bewuste liseenbanden bij de
eerste bouwlaag niet geblokt zijn, zou kunnen
suggereren dat voor de onderverdieping natuursteen en voor de overige etages baksteen gekozen
is. Door die liseenbanden kreeg ‘Labor Inproobus’
Maaslandse trekken; in zijn contouren doet het
vaag denken aan het uit 1675 daterende, in 1779-
’80 verbouwde stadhuis van Hasselt in Belgisch
Limburg20 en het Maastrichtse Stadhuis (1659-
’64) van Pieter Post.21
Van alle bewaarde projecten was in dit geval
de ingangspartij het meest bescheiden uitgevallen. Een tegen de massiviteit van het grote
aantal ramen in het niet vallende dubbele trap
ter breedte van de vijf vensterassen tellende
middenrisaliet voert naar een klein bordes, dat
door een minuscuul portiekje ter hoogte van de
Ontwerp Labor
Inproobus, zijgevel.
(Groninger Archieven)
ZHT2 2016.indd 21 6-7-2016 14:05:31
90 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
tweede vensterlaag wordt overhuigd. De middenrisaliet zelf, die door precies eendere eenvoudige vensters als de rest van de gevels is geleed,
wordt afgesloten door een driehoekig fronton
met stadswapen, waarboven dan de genoemde
stadhuistoren volgt. Waar de zijgevel dit centrale
accent ontbeert, werkt deze nog massiever en
eentoniger: het is één grote wand met reeksen
rechthoekige ramen, als gezegd vijf rijen van
veertien stuks boven elkaar. Een zijingang ontbreekt.
Al met al was het project kansloos. Het was
weliswaar sober, maar ook alleszins plomp en
daardoor geenszins van Edele Eenvoud. Hadden
nogal wat inzendingen door hun rococo-uiterlijk
moeiteloos enige decennia eerder ontworpen
kunnen zijn, in dit geval was ook een datering van
een eeuw terug heel geloofwaardig geweest. Van
alle projecten die Camper onder ogen kreeg was
het misschien nog wel het meest ouderwetse, ook
vanwege die zo weinig gestileerde logge koepeltoren van hout.
Gravure van het door
Jacob van Campen
ontworpen stadhuis van
Amsterdam, gebouwd
tussen 1648-1665, voorgevel. (Uit: Architecture,
peinture et sculpture
de la Maison de Ville
d’Amsterdam, 1719)
Het uit 1675 daterende,
in 1779-1780 verbouwde stadhuis van Hasselt
in Belgisch Limburg.
(Foto auteur)
Rechts: Gravure van
het uit 1659-1664
daterende stadhuis van
Maastricht van Pieter
Post. (Uit: Les Ouvrages
d’Architecture de Pierre
Post, 1715)
ZHT2 2016.indd 22 6-7-2016 14:05:33
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 2 | 91
De kwestie van de toren
Die toren als zodanig is opvallend: dit is het enige
bewaarde ontwerp dat er eentje bezit. Wel is van
twee inzenders, wier plan niet is teruggevonden,
bekend dat zij ook voor een toren gekozen hadden.22 In het prijsvraagprogram was nergens
over de wenselijkheid of onwenselijkheid ervan
gesproken, ofschoon die in Nederland vanouds
voor stadhuizen gangbaar was: eerst, in de late
Middeleeuwen en de zestiende eeuw in de vorm
van een vanaf de grond opgetrokken rijzig belfort,
dan, vanaf het midden van de zeventiende eeuw
in de vorm van een elegante cupola. Het Amsterdamse Stadhuis was daarvan de belangrijkste – zij
het niet de eerste – vertegenwoordiger geweest,
dat sindsdien school had gemaakt: zowel bij
grotere als bij kleinere exemplaren. Voorbeelden
uit die tijd vormen Zaltbommel (1763, Anthony Viervant),23 Sneek (1767, Aarnt Boeikema),24
Ootmarsum (1768, Egbert Schrader)25 en niet in
de laatste plaats Weesp, in 1772-’76 door de latere
prijsvraagwinnaar in Groningen, Jacob Otten
Husly, opgetrokken.26
Men had dus ook een opmerking dienaangaande in het Groningse prijsvraagprogamma
kunnen verwachten, maar dat zwijgt daarover
opvallend genoeg geheel. Anders dan in Weesp
zou Husly zelf ditmaal dan ook geen toren(tje)
ontwerpen, maar een paar andere mededingers
deden dat op eigen initiatief wel. Zo moet de
Medemblikse stadsfabriek Cornelis Jans Stikker
(1708?-1788) een achtkantig houten torentje getekend hebben.27 Eén van de weinige buitenlandse
deelnemers, Paul-Antoine Bouchu, koninklijk
architect in Parijs, had eveneens een exemplaar
toegevoegd.28 Hoe groot of klein die laatste was
– laat staan hoe hij eruit zag – is onbekend, maar
ook voor Frankrijk was dit in deze jaren geenszins
ongebruikelijk; voorbeelden bieden de stadhuizen
van Rennes (1734-’43, Jacques Gabriel) en Cambrai (1782-’86, Nicolas Henri Jardin).29
Die ‘nalatigheid’ in het prijsvraagprogramma
hangt misschien samen met de nabijheid van de
Martinitoren, die met zijn imposante formaat zo’n
elegante cupola op het stadhuis toch zou hebben
doodgedrukt. Juist Camper kan zich, als ingezetene van Amsterdam, dat risico hebben gerealiseerd
omdat hij ongetwijfeld weet had van het – op een
kleine stomp na – nooit gerealiseerde project
voor een zeer hoge toren (hoger dan de Utrechtse
Dom) voor de Nieuwe Kerk, pal naast het stadhuis
op de Dam.30 Daaraan was in 1647, vrijwel gelijktijdig met het stadhuis, begonnen en gedurende
vijf jaar ijverig voortgebouwd, totdat het werk als
gevolg van het overlijden van de burgemeester
die als de belangrijkste beschermheer had gefungeerd weer was stopgezet. Van dit project waren
niet alleen twee maquettes bewaard gebleven,
maar circuleerden ook diverse prenten die de
geprojecteerde kerktoren in volle glorie toonden
en waarop juist die toren door zijn nabijheid Van
Campens stadhuiscupola naar verhouding een erg
nietig voorkomen gaf. Zoals prijswinnaar Husly
het in zijn toelichting formuleerde:
‘Ik heb geen Tooren op het Gebouw geordineert om dat het Programma daar niets van
bepaald. en de Tooren van de St.Martens kerk 328
vt hoog zijnde, dit Toorentje te klyn zoude doen
schijnen, daar het evenwel naar het Gebouw diende geproportioneerd te zijn. Ik denk daarom dat
het Gebouw zig kloeker en grooter zal vertoonen
zonder Tooren. Ook kan geen Tooren welstandig
op t Gebouw blijven omdat men twee voornaame
en groote Pleijnen heeft, te weeten aan de Noord
en Oostzijden. op een van beijde die Facaden
diend den Tooren te staan en wel op de Voornaamste dat is in mijn Plan in ’t Noorden. Die zal
zig dan ook zeer wel van de Ebbingestraat enz
vertoonen maar van de oostzijde of Groote Markt
gesien sijnde zal deselve scheev op ‘t Gebouw
schijnen te staan, en t zelve dus ontsieren en het
selve heeft Plaats in ‘t Stadhuijs te Amsterdam
doch is bijnaa niet merkbaar om dat op beijde
zijden geen Plijnen maar alleen naauwe Passages
zijn die beletten den Tooren te sien, en van agteren
is ook geen genoegzaame ruimte, daar ziet men
alleen het spits. Echter scheev op ’t gebouw als
men niet juijst in de Middellijn staad.’31
Heeft ook Camper deze uitkomst in Groningen,
waar de Martinitoren duidelijk het ‘eerstegeboorterecht’ bezat, bewust willen vermijden? Als het niet
hierom was dat een torentje op het nieuwe stadhuis
beter achterwege kon blijven, dan wel vanwege het
ZHT2 2016.indd 23 6-7-2016 14:05:33
92 | jrg. 33 – nr. 2 zwols historisch tijdschrift
feit dat het gebouw twee hoofdgevels zou hebben,
zodat zo’n toren hoe dan ook bij één hoofdaanzicht
de beoogde symmetrie zou verstoren – tenzij men
voor de Maastrichtse oplossing koos deze geheel in
het midden te plaatsen, wat de maker van ‘Labor
Inproobus’ dus niet heeft gedaan. In dat geval zou
er namelijk van een centrale, licht scheppende binnenplaats – een andere belangrijke eis van het prijsvraagprogramma, waaraan de ontwerper zich wel
gehouden heeft, maar die bijvoorbeeld bij Lightenbergh weer zeer klein uitgevallen was – geen sprake
meer geweest kunnen zijn.
Bij ‘Labor Inproobus’ was het probleem ‘opgelost’ door slechts voor één hoofdfaçade te kiezen.
Door niet uit eigener beweging voor een toren te
kiezen, had Ligtenbergh zich in elk geval dit soort
extra complicaties bespaard. Hoe Bouchu het had
aangepakt is onbekend, zoals dat ook voor het
achtkante torentje geldt dat in Stikkers ontwerp
optrad. Vermoedelijk hadden ook zij gewoon
maar één voorgevel ontworpen; Husly was in zijn
ingewikkelde keuze voor twee, waarmee hij met
de speciale stedebouwkundige situatie rekening
hield, vrij uitzonderlijk, maar had mogelijk mede
daaraan zijn uiteindelijke uitverkiezing te danken.
Het onbekende leven van Ligtenbergh
Wie was Jannes Ligtenbergh? Deze tot voor kort
nog volstrekt onbekende bouwkundige laat zich
met hulp van enkele gegevens in het stadsarchief
van Zwolle enigszins traceren. Hij werd op
4 december 1733 gedoopt als zoon van Hermannus Ligtenberg en diens vrouw Geertruy Sibels,32
die op 24 juni 1726 met elkaar waren getrouwd.33
Het beroep van Hermannus is niet bekend maar
het is niet onaannemelijk dat hij, net als zijn zoon,
ook timmerman is geweest; zijn broer Hendrikus
was dat in elk geval eveneens.34 Met zijn vrouw
kreeg hij zes kinderen, drie zonen en drie dochters, waarvan er drie al zeer snel overleden; onze
Jannes was de vierde op rij.35 Hermannus stierf
begin februari 1750, om op het Grote Kerkhof te
worden begraven.36
Jannes Ligtenbergh deed op 19 september
1757, woonachtig in de Walstraat, belijdenis,
huwde vervolgens op 3 mei 1762 Lamberta van
der Haar en verwierf op 16 januari 1763 het kleine
burgerschap.37 Met zijn vrouw kreeg hij vier kinderen, twee zonen en twee dochters, waarvan er
drie al zeer jong stierven.38 In die tijd woonde
hij, als meestertimmerman werkzaam, in de
Bitterstraat, zoals blijkt uit de aankoop van een
huis aldaar naast de hof van juffrouw Noppen in
september 1761, vermoedelijk vooruitlopend op
zijn huwelijk.39 Het heeft er veel van weg dat Ligtenbergh daarbij financieel enigszins boven zijn
macht gegrepen heeft; tot tweemaal toe moest hij
in de daarop volgende jaren geld lenen, waarvoor
zijn huis dan als onderpand diende,40 terwijl hij in
februari 1766 de rekening ad f 123 aan de ‘Nieuwe
Sagemole’ voor enige ontvangen houtwaren niet
kon betalen en zo andermaal op de desbetreffende
schuldbekentenis zijn huis als onderpand fungeerde.41 Of het daardoor kwam of niet: een half
jaar later zag Ligtenbergh zich gedwongen zijn
huis te verkopen.42
Over zijn verdere materiële lotgevallen in de
volgende drie decennia weten we niets, maar erg
goed is het met Jannes uiteindelijk niet afgelopen.
In zijn laatste dagen trok hij, wonend buiten de
Kamperpoort, van de Gereformeerde Armenkas.
Op 28 december 1796 werd hij van de armen
begraven op het kerkhof van het Buitengasthuis.43
Ligtenberghs ontwerp voor de Groningse
prijsvraag uit begin 1775 is, als gezegd, het enige
dat van zijn hand bekend is. Verder weten we
überhaupt niet welke timmermansactiviteiten
hij in zijn vaderstad zélf ontwikkeld heeft. We
mogen aannemen dat hij lid is geweest van het
stedelijke St. Maartensgilde, dat de metselaars
en de timmerlieden verenigde.44 Zijn woonadres
spoort daarbij uitstekend met de geografische
indeling die in Zwolle in sociaal opzicht bestond:
de helft van de timmerknechten woonde buiten de
stadspoorten, maar alle timmerbazen hadden binnen de muren domicilie gekozen; de Bitterstraat
bevindt zich in het noordwestelijke kwadrant van
de binnenstad en bood in die decennia onderdak
aan een reeks van pottenbakkerijen.45
Bouwen in Zwolle in de achttiende eeuw:
het Drostenhuis
De achttiende eeuw en zeker de tweede helft daarvan was op het gebied van de bouwkunst ook voor
ZHT2 2016.indd 24 6-7-2016 14:05:33
zwols historisc

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2016, Aflevering 3

Door | 2016, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Het verhaal
van de
Moderne
Devotie
33e jaargang 2016 nummer 3 – 8,50 euro
ZHT3 2016.indd 1 21-9-2016 12:32:06
Suikerhistorie
Café-restaurant Suisse
Luttekestraat 17
Café-restaurant Suisse van de familie Van Vilsteren was decennialang een begrip. Ruim 160 jaar geleden begon Antonius van
Vilsteren een banketbakkerszaak in de Luttekestraat op nr. 17.
Om zich te onderscheiden van de toentertijd vele andere banketbakkers en wellicht ook vanwege de goede kwaliteit van zijn
banket en chocola noemde hij zich ‘confiseur Suisse’. Naast de
verkoop van banket en chocola was het ook mogelijk in de winkel
ijs en ‘ververschingen’ te gebruiken. In 1891 kwam het accent
meer te liggen op de horeca. Op deze locatie werd toen café Suisse
geopend. Van Vilsteren handhaafde de ingeburgerde naam. Vandaar ook het beeldmerk (naar de Zwitserse vlag) op het suikerzakje.
Het café breidde zich van lieverlee uit. In 1926 werd het pand
grondig verbouwd onder leiding van de Zwolse architect G.Th.
Ruberg en de voorgevel vernieuwd in een karakteristieke interbellum baksteenarchitectuur. Groot(s) valt sindsdien de naam
Suisse boven de fraaie glas-in-lood bovenlichten te lezen. Naast
de horeca werd de verhuur van zalen steeds belangrijker. In 1960
kocht Van Vilsteren het belendende perceel – het voormalige
pand van Van Gend en Loos – en liet het er bij aan trekken. Het
café en het restaurant werden daardoor aanzienlijk groter. Veel
bedrijven, zaken, instellingen en verenigingen maakten van de
zalenverhuur gebruik. Zo had de carnavalsvereniging De Eileuvers hier haar residentie, vergaderden veel politieke partijen hier
en werden er dansavonden gehouden. Het Suisse-complex strekte
zich uit van de Luttekestraat tot aan de Blijmarkt. In de jaren
tachtig van de vorige eeuw werd dat gedeelte afgestoten, waarna
discotheek X-Ray er was gevestigd.
Na het overlijden in 1998 van de laatste eigenaar uit de familie
Van Vilsteren werd Suisse gesloten. Nu vindt men hier de zaak
van Piet Zoomers.
130 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Café-restaurant Suisse aan de Luttekestraat 15-17
omstreeks 1970. (Collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 2 21-9-2016 12:32:06
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 131
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 130
Het Verhaal van de Moderne Devotie
Jan Bijlsma 132
Wim Buurlage: organisator
en stadsomroeper Jos Buurlage 145
‘En, mevrouw, ik wil u spreken over liefde’
Wim Coster 155
Zwolle tijdens de Eerste Wereldoorlog
Aflevering 3: Het oorlogsvirus, 1915-1916
Jan van de Wetering 167
Boeken 179
Recent verschenen 180
Mededelingen / Auteurs 181
Redactioneel
De artikelen in dit nummer behandelen
weer zeer verschillende aspecten van de
geschiedenis van Zwolle: godsdienst, een
beknopte biografie. een buitenechtelijke affaire en
de Eerste Wereldoorlog.
De Moderne Devotie wordt door Jan Bijlsma
uitgebreid beschreven. Hoe op instigatie van de
Deventenaar Geert Grote in Zwolle leefgemeenschappen van de Broeders en Zusters des Gemenen
Levens ontstonden en hoe zij moesten leven. Bijlsma
toetst hierbij het beeld dat het Amsterdamse culturele onderzoeksbureau LAGroup eind vorig jaar in
opdracht van de gemeente Zwolle van deze beweging heeft geschetst en komt tot andere conclusies.
Wellicht herinneren lezers zich Wim Buurlage
nog. Hij had een radio- en tv-winkel, verhuurde
geluidsinstallaties, was organisator van evenementen en stadsomroeper. Zijn familie vestigde
zich in 1938 in Zwolle en Wim werkte hier tot
1971. Zijn zaak was gevestigd in de Luttekestraat,
schuin tegenover café-restaurant Suisse, waaraan
het suikerzakje gewijd is.
Wim Coster beschrijft hoe Multatuli reageerde
op het feit dat Johanna Theodora Pruimers, geboren baronesse Van Dedem, uit haar verhouding
met de dominee Johannes Gerrit van Rijn een
buitenechtelijk kind op de wereld bracht. Multatuli was in eerste instantie niet goed op de hoogte
van de feiten, hij dacht dat ze daarom in de Zwolse
gevangenis zat. Toen de werkelijke toedracht tot
hem doordrong, herzag hij zijn mening.
In twee vorige afleveringen van het Zwols Historisch Tijdschrift heeft Jan van de Wetering geschreven over het effect dat de Eerste Wereldoorlog op
Zwolle had. Nu beschrijft hij hoe het er aan toe ging
in 1916. De schaarste aan levensmiddelen nam
toe, waardoor de prijzen stegen, en de stad werd in
januari geteisterd door hoog water. Maar er werden
ook veel feestjes gevierd.Veel leesplezier!
Coverfoto: Thomas van Kempen aan het werk.
Rechts is Thomas opnieuw afgebeeld, nu samen
met een andere kloosterling. Miniatuur in een
handschrift, 1576.(www.literatuurgeschiedenis.nl/
middeleeuwen/literatuurgeschiedenis)
ZHT3 2016.indd 3 21-9-2016 12:32:07
132 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Het verhaal van de Moderne Devotie
‘Ga niet naar buiten, maar keer in tot jezelf,
daar woont de waarheid.’
Aurelius Augustinus, De vera religione 39,72
S
teden presenteren zich tegenwoordig als
merk. City branding heet dat in het jargon.
Je moet je als een aantrekkelijke stad in de
markt weten te zetten waardoor je interessant
wordt voor bedrijven en toeristen. Het is voor
steden elk jaar weer spannend om te kijken welke
plaats ze in de ranking van de Atlas voor gemeenten innemen. Amsterdam staat daarin steevast op
de eerste plek, Emmen en Heerlen leveren strijd
om de positie van de rode lantaarn. Zwolle stond
dit jaar op de zestiende positie. Niet gek. Maar het
kan altijd beter.
Om het merk Zwolle nog beter te ‘positioneren’ is de hulp ingeschakeld van het Amsterdamse
culturele adviesbureau LAGroup. Eind december
2015 verscheen het concept eindrapport Versterking en samenwerking cultuur historisch domein
waarin drie verhaallijnen worden gepresenteerd
die het ‘overkoepelende Verhaal’ van Zwolle vullen. Het gaat om de verhaallijnen Hanzestad,
Moderne Devotie en Democratie. Er wordt geconstateerd dat er in Zwolle veel instellingen zijn die
zich bezig houden met de cultuurhistorie van de
stad. ‘Het Verhaal’ van Zwolle is echter onvoldoende bekend en wordt daardoor onvoldoende
uitgedragen. Dit verhaal, aan de hand waarvan
de cultuurhistorie eenduidig verteld en vermarkt
zou kunnen worden, is er feitelijk nog niet maar
wordt wel wenselijk geacht. Hoe zo’n verhaal er uit
zou kunnen zien wordt in een heuse elevator pitch
getoond:
‘Wij zijn Zwolle! Ondernemende Hanzestad
voor mensen met een open blik en betrokken
geest. (…) we krijgen de ruimte om te groeien en
te vernieuwen omdat we het elkaar gunnen, maar
ook omdat we hier onszelf mogen zijn. We zijn
doorzetters en vrijdenkers. We zijn niet op onszelf
gericht maar geloven in de som der delen en gunnen elkaar succes en geluk. Onze nuchtere handelsmentaliteit uit de Hanzeperiode en ons tolerante karakter als erfenis uit de Moderne Devotie
vormen de grondleggers van ons hedendaags
DNA en verklaren de successen die we boeken.’1
In ‘Het Verhaal’ zoals LAGroup dat voorstelt,
krijgt de Moderne Devotie de rol toebedeeld van
tegenwicht bieden aan de Hanzementaliteit die
het gevaar in zich bergt al te eenzijdig de nadruk
op economische groei te leggen. De Moderne
Devotie zou met haar ‘kernwaarden’ soberheid,
gehoorzaamheid en kuisheid de mens centraal
stellen en met initiatieven op het terrein van het
zorgen een dam kunnen opwerpen tegen moreel
verval. De Moderne Devotie zou in de late Middeleeuwen de basis gelegd hebben voor de Zwolse
mentaliteit die er nog steeds een van verantwoordelijkheidsgevoel is maar ook tegendraads en
spiritueel.
Moderne Devotie moet dus voor de gemeente
Zwolle een USP, een Unique Selling Point, worden. Waar in de citymarketing goed op gelet moet
worden, is of de gecommuniceerde identiteit wel
overeenkomt met de feitelijke identiteit.2 De vraag
is dus of het beeld dat LAGroup van de Moderne
Devotie schetst de toets der kritiek kan doorstaan.

Het begin
In Zwolle begint het verhaal van de Moderne
Devotie in 1384 als de Deventenaar Geert Grote
(1340-1384) in Zwolle aan de Begijnenstraat
(tegenwoordig Praubstraat) een huis koopt en
dat als broederhuis inricht. Het wordt het arme
klerkenhuis en later het arme fraterhuis genoemd.
De bedoeling is dat het op dezelfde leest geschoeid
Jan Bijlsma
ZHT3 2016.indd 4 21-9-2016 12:32:07
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 133
wordt als de leefgemeenschap die Grote in 1381
in de Engestraat in Deventer had gesticht. Deze
zogenaamde Broeders van het Gemene Leven
hielden zich bezig met bidden, mediteren en het
kopiëren van geestelijke geschriften. Daarnaast
begeleidden ze jongens van de Latijnse school.
Toen enkele broeders van het fraterhuis in
Zwolle te kennen gaven dat ze meer in afzondering wensten te leven, werd hun in maart 1384
door Geert Grote een geschikte plek op de Nemelerberg aangewezen. In 1398 werd dat broederhuis
omgevormd tot klooster. Tot beschermvrouw
werd de heilige Agnes gekozen en de Nemelerberg heette daarom voortaan Agnietenberg. Van
1406 tot aan zijn dood in 1471 verbleef Thomas a
Kempis in dit klooster. In 1387 werd het klooster
Windesheim geopend.
De door Geert Grote geïnitieerde beweging
bleek een groot succes. Pas later kreeg deze beweging de naam Moderne Devotie, wat vertaald kan
worden als ‘innerlijke vernieuwing’ of ‘vernieuwde innigheid’.3
De broeders kregen naast huizen in Nederland, huizen in België en Duitsland. Vanuit het
klooster Windesheim werden talrijke kloosters
gesticht en bestaande kloosters hervormd. Naast
de huizen voor de broeders werden 87 huizen
voor de Zusters van het Gemene Leven gesticht.
Grote’s keuze voor een derde weg
In 1387, drie jaar na Grote’s dood, werd het klooster Windesheim ingewijd. Hoewel binnen deze
instelling ruimte was om zijn opvattingen over
het waarachtige religieuze leven vorm te geven,
was het klooster bepaald niet zijn ideaal. Het was
voor hem een noodoplossing. Voor het geval dat
de toch wel kwetsbare fraterhuizen in hun bestaan
bedreigd zouden worden, zou er een schuilplaats
zijn. Het klooster te Windesheim werd immers
door de toestemming van de bisschop van Utrecht
beschermd.
Wat Grote in vage contouren voor ogen had
staan was een overzichtelijke gemeenschap voor
mannen of voor vrouwen waar men zich binnen een gemeenschappelijke huishouding op de
ontwikkeling van de ‘innerlijke persoon’ zou kunnen richten. Zijn inspiratie voor een dergelijke
leefwijze had hij ontleend aan de beschrijving in
het Bijbelboek Handelingen (4,32) van de eerste
christengemeente:
‘De menigte die het geloof had aangenomen,
was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom
noemde; integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk.’
Het Domus Clericorum
of arme fraterhuis.
(Foto Annèt Bootsma)
Het klooster Windesheim werd tijdens de
Reformatie ontmanteld,
het enige wat resteerde
was (en is) de brouwerij. Tekening uit 1730.
(Schoemaker Atlas,
collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 5 21-9-2016 12:32:09
134 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Grote, geboren in 1340 in Deventer, leek een briljante carrière als geleerde tegemoet te gaan maar
een crisis in zijn leven zorgde ervoor dat hij zich
in 1374 bekeerde. Leven in zelfgekozen armoede
werd voor Grote toen een belangrijk doel. Hij zag
af van zijn kerkelijke inkomsten en stelde zijn huis
aan de Bagijnestraat in Deventer, op één kamer
na, ter beschikking aan arme lieden. Grote had
voor het leven in een klooster kunnen kiezen en
dan een gelofte moeten af leggen om langs die weg
naar religieuze perfectie te streven. De bestaande
kloosterordes sloten echter niet aan bij wat hem
voor ogen stond. Hij zou een nieuwe orde kunnen
stichten, maar deze weg was afgesloten omdat het
kerkelijk recht nieuwe stichtingen verbood.
In plaats van een kloostergelofte af te leggen,
deed hij iets wat later heel gebruikelijk binnen de
Moderne Devotie zou zijn: hij formuleerde een
persoonlijk religieus ontwikkelingsplan:
Conclusa et proposita, non vota, in nomine Domini
a magistro Gerardo edita (Besluiten en voornemens, geen geloften, in de naam des Heren door
meester Geert opgesteld).4 Dit was zijn eigen plan
en de intentie was zijn leven geheel in dienst van
God te stellen. Hij maakte met zichzelf de afspraak
zich niet meer met de ijdele wetenschap in te
laten en niet meer aan openbare disputen mee te
doen. Ook beloofde hij op geen enkele manier,
hetzij door het schrijven van een boek, hetzij door
reizen of studie, naar eerbewijzen te streven. Ook
nam hij zich voor elke dag de mis bij te wonen en
wat daar in de preek gezegd werd op zichzelf toe
te passen, matig te leven, zichzelf te verloochenen
en God te behagen.5 Het was zijn voornemen om
elke dag dit propositum (voorstel) te raadplegen en
eventueel aan te vullen met nieuwe punten.
Uit de vele brieven en preken van Geert Grote
komt duidelijk naar voren dat hij diep doordrongen was van de deplorabele toestand waarin de
kerk zich bevond. De kerk maakte op velen de
indruk een bedrijf te zijn dat zich bijna uitsluitend
om aardse zaken leek te bekommeren. Waar Grote
zich zorgen over maakte, was de verwereldlijking
en veruiterlijking van de kerk. Zo gruwde hij bijvoorbeeld van al de energie die in de bouw van
de Domtoren in Utrecht werd gestoken. In zijn
schotschrift Tegen de toren van Utrecht (Contra
turrim trajectensem) uit 1374 vergeleek hij de
Domtoren met de toren van Babel. Het geld voor
de bouw zou volgens hem beter voor de armen
kunnen worden besteed. Zo’n toren is eigenlijk
een onnut ding dat slechts dient om de klokken
in op te hangen. Zo’n toren leidt alleen maar tot
opschepperij, ijdelheid en hoogmoed.6
Tegenover de veruiterlijking plaatste Geert
Grote de verinnerlijking wat in een bewuste afkeer
van al het wereldse tot uiting kwam. Niet alleen in
woorden distantieerde hij zich van de wereld; ook
in veelzeggende gebaren. Wat hij at, was ronduit
afschuwelijk. Het was ongezouten, vaak aangebrand en opzettelijk met iets onsmakelijks vermengd. Als het zo uitkwam, at hij beschimmeld
brood. Alleen op donderdag waste hij zijn bord af.
De overige dagen liet hij het de kat schoon likken.
De Domtoren te
Utrecht, detail van een
kruisigingstriptiek van
de Meester van Frankfurt, omstreeks 1485
geschilderd. (Internet)
ZHT3 2016.indd 6 21-9-2016 12:32:09
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 135
Ook in zijn kleding liet hij zien dat hij de wereld
verachtte. In zijn talloze malen verstelde grijze pij,
leek hij wel een bedelaar.7 Dit ascetische gedrag
werd door zijn volgelingen zeer op prijs gesteld.
Met zijn preken tegen alles wat er zoal mis was
met de kerk had hij enorm succes. Via aanplakbiljetten werd zijn komst aangekondigd. Ver voor
zijn optreden waren de kerken al vol en dromden
de mensen samen op de kerkhoven om nog maar
iets van de prediking op te vangen. In een brief
aan een van zijn leerlingen vatte hij zijn prediking
als volgt samen:
‘Wat ik altijd vrijwel overal preek is, dat we het
lijden van onze Heer Jezus Christus voortdurend
voor de geest moeten hebben en opnieuw doorleven en dat niet alleen in die zin dat we het door
overpeinzing voor ons oproepen, maar ook en
meer nog, dat we door overgegeven navolging van
zijn boete, smaad en smarten het geheel verwerkelijken.’8
Volgens hem was het klooster niet de ideale plek
om deze navolging vorm te geven. Navolging
moest plaats vinden midden in de stedelijke
samenleving. De zogenaamde status medius, middenpositie of derde weg. Het ging hem om een
gemeenschap waarin het geestelijk leven zich zonder dwang, vrijwillig en in simpele, sobere vormen voltrekt zoals dat ook in de eerste christelijke
gemeente het geval moet zijn geweest.
Hoewel Geert Grote in 1379 zijn geboortehuis
beschikbaar stelde voor vrouwen die in zijn geest
een religieus gemeenschapsleven willen leiden
en die leefden van de opbrengst van het werk van
eigen handen, is de feitelijke totstandkoming
van de frater- en zusterhuizen het werk geweest
van Florens Radewijnsz (1350-1400) en Gerard
Zerbolt (1367-1398). Van cruciaal belang was om
deze religieuze gemeenschappen een juridische
legitimering te geven. Het probleem was dat er
geen nieuwe ordes gesticht mochten worden.
Zerbolt wist evenwel een constructie te bedenken waarmee dit verbod omzeild kon worden:
de ‘gezinsgemeenschap’ van vrome lieden (vaak
leken), waarin de pater familias regels stelt, zonder
dat er bindende geloften werden afgelegd.9 Na
veel juridisch gesteggel gaf de bisschop in 1401
toestemming voor de leefwijze van de Zusters en
Broeders van het Gemene Leven; zonder kloosterregels maar met vastgelegde huisgewoonten.
Zij bezaten alles gemeenschappelijk
Het hebben van eigen bezit is door de eeuwen
heen een heikel punt voor de christelijke kerk
geweest. Had Jezus niet tegen de rijke jongeling
gezegd dat, wilde hij een echte volgeling zijn, hij
zijn bezit moest verkopen en dat aan de armen
moest geven? Ondanks die aansporing was de
kerk in de loop van haar bestaan druk bezig
geweest om enorme schatten op aarde te verzamelen. Het was tegen deze geest dat Geert Grote
ten strijde was getrokken. In de eerste christengemeente hadden de gelovigen toch ook geen
eigen bezit? Vooral de proprietarii, monniken
met eigen bezit, waren hem een doorn in het oog.
Omdat bezit, de zorg voor het bezit en de wens
steeds meer te bezitten, mensen onvrij maakt en
het innerlijk daardoor wordt verwaarloosd, is het
in de nieuwe frater- en zustergemeenschappen uit
den boze. Niet alleen in de frater- en zusterhuizen, maar ook in de aan Windesheim verbonden
kloosters werd er scherp op gelet of er inderdaad
geen bezit werd achter gehouden. Als bij het overlijden bleek dat iemand toch eigen bezit had dan
werd hij niet op het kerkhof begraven en als die
doodzonde pas later aan het licht kwam, dan werd
niet geschroomd het lichaam op te graven en buiten het gewijde kerkhof een plek gegeven.10
De eis dat je afstand deed van alle bezit werd in
de statuten van de frater- en zusterhuizen opgenomen. Als iemand opgenomen wenste te worden in
een dergelijk huis dan werd in het bijzijn van een
notaris vastgelegd dat alle goederen en inkomsten
aan de gemeenschap vervielen. Om later claims
van familie bij het overlijden van de nieuwe frater
voor te zijn, werd ook al een testament opgesteld.
Wie voortijdig vertrok, mocht alleen zijn eigen
kleren meenemen. Kasten, tafel en geldbuidel
waren gemeenschappelijk. Er waren fraterhuizen waarin zelfs niet van ‘mijn’ tuniek gesproken
mocht worden. Niet ‘mijn’ maar ‘onze’ tuniek.11
Het loslaten van eigen bezit was een eerste stap
om de eigen wil te breken. De fraters moesten zich
laten welgevallen dat aan het begin van de vastenZHT3 2016.indd 7 21-9-2016 12:32:09
136 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
tijd de rector alle kamers grondig kwam inspecteren. Onder geen beding mocht iemand geld
bij zich hebben. Om de gemeenschappelijkheid
te bevorderen, mocht niemand aanstoot geven
of met iemand de spot drijven. Speciale vriendschappen waren niet toegestaan. Verwacht werd
dat je voor iedereen even aardig was. Het streven
was er echt op gericht om ‘een van hart en ziel’ te
zijn, zoals men dat in de eerste gemeente geweest
zou zijn.
Niet voor iedereen stond de deur uitnodigend
open. Zo werd aan pas gescheiden mannen en
aan priesters die het wat rustiger aan wilden doen
de toegang geweigerd.12 Eventuele kandidaten
werden beoordeeld op hun gezondheid, leeftijd,
wat ze eerder hadden gedaan en of ze een nuttige
bijdrage konden leveren. Na een proefperiode van
een jaar werd in een toelatingsgesprek getracht
er achter te komen wat de intenties waren. Veel
waarde werd er aan gehecht dat de kandidaat
bereid was zich te laten corrigeren en kritiek te
accepteren. Of anders gezegd: hij moest kneedbaar zijn, dat wil zeggen bereid zijn zichzelf te
vernederen, zich te gedragen als de minste van
allen, het slechtste goed genoeg voor zich te achten, het zwaarste te doen, het minst te nemen, het
onooglijkst gekleed te gaan en zich alles te laten
welgevallen.13 Heel belangrijk was ook de bereidheid om open en eerlijk over eigen zwakheden en
zonden te praten.
Je moest veel van ‘jezelf laten zien’ en je moest
‘feedback’ kunnen geven en kunnen ontvangen.
De zogenaamde correctio fraterna. Je moest bereid
zijn je eigen ik op te geven, het als het ware poreus
maken waardoor het ik in de gemeenschap uit kon
vloeien en de gemeenschap de plek van het ik in
kon nemen.14
Na een dergelijk gesprek werd er gestemd over
toelating. Eenmaal aangenomen werd hun geleerd
hoe je je moest gedragen: hoe je stem te gebruiken, een nederige houding aan te nemen, je de
juiste oogopslag eigen te maken, wanneer je hardop, wanneer je stil moest bidden. De oude manieren moesten ze afleren, openlijk schuld belijden,
zich verootmoedigen, zich laten vernederen, leven
in volslagen gemeenschappelijkheid, nooit over
anderen oordelen en je niet met andermans zaken
bemoeien. Voortaan was het leven geheel in dienst
van God gesteld.15
Wat deze gemeenschappen zo bijzonder maakte,
was dat er zo veel waarde aan goed overleg en
het bereiken van consensus werd gehecht. Geert
Grote had voor het fraterhuis bepaald dat er
maandelijkse vergaderingen waren waar elk lid
van de gemeenschap punten aan de orde kon
stellen. Over zaken als het benoemen van een
rector of een provisor, het aannemen of weigeren
van nieuwe leden, het kopen van land of iemand
opdragen zich tot priester te laten wijden. Als
men het onderling niet eens kon worden dan kon
de rector de beslissing voor zich uit schuiven en
twee gerespecteerde broeders aanwijzen die hem
hielpen om een juiste beslissing te nemen. Aldus
functioneerde een dergelijke gemeenschap als een
mini-republiek waarin de leden er zich bewust
van waren dat ze op basis van vrijwilligheid een
organisatie vormden en in staat waren met stedelijke overheden afspraken te maken.16
‘Heylich is vanden handen te leven’
Met de opvatting dat fraters en zusters arbeid
moesten verrichten om in hun levensonderhoud
te voorzien, namen ze afstand van de praktijk van
de bedelmonniken. Verder werd de hoogst praktische gedachte gekoesterd dat het niet goed is om
altijd maar op geestelijke zaken gericht te zijn. In
de vrouwenhuizen werd door spinnen en weven
geld verdiend, in de fraterhuizen werden boeken
geproduceerd.
Vooral in Zwolle ontwikkelde de boekproductie zich tot een bloeiende onderneming. In
tegenstelling tot de productie van de vrouwenhuizen die voor de gilden een bedreiging vormden,
was de productie van boeken een onderneming
die door de stedelijke overheid zeer op prijs werd
gesteld, zozeer zelfs dat ze de officiële kopiisten
van de stedelijke wetsdocumenten werden.
Veel van wat de devote mannen en vrouwen
geschreven hebben, is verloren gegaan, maar op
basis van wat resteert komt Frits van Oostrom tot
de schatting dat de totale productie op ongeveer
600.000 exemplaren moet worden geschat.17
Volgens Van Oostrom zijn de devoten op één terZHT3 2016.indd 8 21-9-2016 12:32:09
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 137
rein echt vernieuwend geweest. Vanaf het begin
hebben ze zich gericht op tweetalige verspreiding
van hun geschriften. Ze hebben daarmee ingespeeld op een groeiende behoefte aan stichtelijke
literatuur bij de stedelijke bevolking. De devotiebeweging heeft met haar geschriften de grens
gepasseerd die er tussen geestelijkheid en leken
bestond, namelijk tussen het Latijn en de volkstaal. Daarmee hebben de devoten onbedoeld een
weg gebaand voor de latere Reformatie. Ik zeg
onbedoeld omdat de devoten trouwe katholieken
waren die geen moment het gezag van de paus in
twijfel hebben getrokken, streng aan de leer van
de kerk vasthielden, in de werking van aflaten
geloofden en met een sterk geloof aan heiligen.18
Naast de zorg voor de eigen ziel, hadden de
broeders van de fraterhuizen veel oog voor het
zielenheil van anderen. Op zon- en feestdagen
hielden ze vermanende toespraken voor belangstellende burgers. Er werd dan een tekst in de
volkstaal voorgelezen met sterk moraliserende
trekken die meestal over zonden en deugden ging
en over de hellestraffen als je in je zondig leven
bleef volharden.19
Er was één groep die hun speciale aandacht
had: de leerlingen van de Latijnse school. In Zwolle en Deventer waren Latijnse scholen gevestigd
die grote bekendheid genoten. In Zwolle was het
Joannes Cele – een vriend van Geert Grote – die
de school op een hoog niveau had weten te brengen. Vanuit de verre omtrek waren de leerlingen
afkomstig.
Er waren jaren dat de school wel door achthonderd leerlingen bezocht werd. Op een inwonertal van rond de vijfduizend bracht dat heel wat
organisatie met zich mee. Het valt te begrijpen
dat er nog wel eens het nodige mis kon gaan en de
jongens konden gemakkelijk slachtoffer van uitbuiting worden. Zowel in Deventer als in Zwolle
waren er meelevende burgers die zich over deze
jongens ontfermden en voor onderdak, voeding
en veiligheid zorgden. Ook de fraters hebben zich
om deze jongens bekommerd. Voor onbemiddelde jongens werd het zogenaamde ‘arme fraterhuis’
opgericht en voor de leerlingen die wél konden
betalen het ‘rijke fraterhuis’. De stadsbesturen van
Zwolle en Deventer waren zeer ingenomen met
deze initiatieven. De fraters zorgden voor wat je
‘naschoolse opvang’ zou kunnen noemen. Het
huiswerk werd gemaakt en er was veel aandacht
voor het bijbrengen van de juiste mores. Ze moesten onder andere leren elkaar te bekritiseren. De
jongens waren in een leeftijd (12 tot 19 jaar) waarin seksuele gevoelens ontluiken. De fraters zagen
het als hun taak om ze ook op dit terrein mores te
leren. De zweep werd daarbij niet geschuwd.
Voor de fraters was de opvang van rijke leerlingen
niet alleen een interessante bron van inkomen, er
De boekproductie in
de fraterhuizen steeg
kwantitatief en kwalitatief tot grote hoogte.
Hier zielen in het vagevuur, het begin van de
Vigilie. (Sarijs handschrift, collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 9 21-9-2016 12:32:11
138 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
speelde nog iets anders. Ze voelden zich namelijk
geroepen om al die opgroeiende jongens na te
laten denken over hun toekomst. Voor veel ouders
van deze jongens was de Latijnse school het voorportaal tot de universiteit of een carrière binnen
de kerk. In hun begeleidingsgesprekken met de
jongens probeerden ze die op andere gedachten
te brengen. Ze waarschuwden voor ijdele ambitie
en eenzijdige gerichtheid op carrière. ‘Ga niet
naar buiten, maar keer in tot jezelf, daar woont de
waarheid’ was hun advies aan de jongens in navolging van de voor de devoten zo belangrijke kerkvader Aurelius Augustinus (354-430). Wanneer ze
er in slaagden iemand van een wereldlijke carrière
af te houden dan waren ze zeer verheugd en dan
was het alsof ze net op tijd een ziel uit de klauwen
van de duivel hadden gered.20
Het oordeel over de opvoedingstaken van de
fraters is over het geheel genomen positief. Het
vermelden waard is echter wel de hoogst negatieve
waardering van Erasmus voor het onderwijs van
de devoten. Op 26-jarige leeftijd kwam hij op het
Collège Montaigu in Parijs dat door de devoot Jan
Standonck geleid werd. Hij deed dat met harde
hand: slecht voedsel, slecht onderdak, slaag en
vernedering van de leerlingen die in het hospitium voor arme studenten leefden. Dertig jaar
later dacht Erasmus nog altijd met afschuw aan
die periode. Binnen het jaar was hij weg uit die
instelling, waar volgens hem de wanden een theologengeest bezitten.21
Gerard Zerbolt (1367-1398)
Innerlijke vernieuwing; daar was het de devoten
om te doen. Ze waren niet de enigen die aan het
eind van de veertiende eeuw door dit ideaal gedreven werden, maar wat zo specifiek voor de door
Geert Grote gestichte ‘gezinsgemeenschappen’
was, was dat het boek zo’n prominente rol speelde
in de dagelijkse praktijk. Het dagelijks ritme van
de fraters en de zusters werd van ’s ochtends vroeg
tot ’s avonds laat beheerst door boeken en nog
eens boeken. Kenmerkend was dat ze niet, zoals
in de bestaande kloosterordes, gebonden waren
aan een verplichte lijst maar de ruimte kregen om
naar eigen behoefte literatuur te verzamelen en te
bestuderen.22 Van iedereen werd namelijk naar
De broeders aan het
werk, hier twee keer
verbeeldt in de persoon
van Thomas a Kempis.
Miniatuur in een handschrift van de Imitatione Christi, 1576.(www.
literatuurgeschiedenis.
nl/middeleeuwen/literatuurgeschiedenis)
Het eerste fraterhuis in
Zwolle. Later herbouwd
als onderkomen voor de
rijke, betalende, scholieren van de Latijnse
school. (Collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 10 21-9-2016 12:32:11
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 139
het voorbeeld van Geert Grote’s propositum, een
persoonlijk religieus ontwikkelingsplan verwacht.
Bij het lezen ging het niet om vergaren van kennis,
maar om geestliker tymmeringe (geestelijk timmerwerk).23 Wederopbouw van het zelf, groeien
in de deugden; daar was het om te doen. Nauwgezet je eigen ontwikkeling en die van anderen in
de gaten houden. Een belangrijk middel in je weg
naar zo groot mogelijke perfectie was het noteren
in zogenaamde rapiaria van uitspraken die je
raakten en die zo vaak als dat kon te herkauwen
(ruminare).
Om een idee te krijgen van het soort teksten
waarin de fraters aan de Praubstraat zich verdiepten loont het de moeite de De Spiritualibus Ascensionibus (Over Geestelijke Opklimmingen) van
Gerard Zerbolt te lezen. Dat we sinds enkele jaren
toegang tot deze heel bijzondere tekst hebben,
is te danken aan de vertaling en toelichting van
Rudolf van Dijk. Geestelijke opklimmingen is een
op morele verbetering gericht oefenboek. Het uitgangspunt is dat de devoot met de uiterlijke mens
die in de innerlijke mens heerst de strijd aan moet
binden. Deze strijd moet op systematische wijze
worden aangepakt. Het startpunt is dat moet worden ingezien dat de vermogens van de ziel door de
erfschuld ontwricht zijn waardoor de ondeugden,
zonden, vrij spel hebben. Deze ondeugden hebben onder leiding van hun koningin hoogmoed
hun legertenten in de vermogens van de ziel opgeslagen.24 Het uiteindelijk doel van de geestelijke
opklimming is het in relatie treden met Jezus om
zodoende aan een god-menselijke werkelijkheid
deel te krijgen. Die weg naar boven vraagt veel
geduld en doorzettingsvermogen. Er moet namelijk voortdurend strijd worden geleverd. Zo kom
je onderweg de ondeugd van de hebzucht tegen
met haar dochters verraad, bedrog, ronddwalen,
meineed, onrust, verharding van het hart. Om
de hebzucht te overwinnen moet de deugd van
de armoede worden nagestreefd, wat plaatsvindt
op een drietal niveaus. Als beginneling moet je
streven naar tevreden zijn met het rechtmatige,
als gevorderde tevreden met het hoognodige en
op het niveau van de volmaakte wil je niets meer
bezitten.25 En zo moet dan de geestelijke bergbeklimmer eveneens de resterende zes ondeugden
met evenzovele waarachtige deugden bestrijden.
Als de aandacht mocht verslappen dan moet
motivatie worden geput uit het overpeinzen van
de vier uitersten: dood, oordeel, hel en hemel.
Sowieso was opwekking tot ‘schrik voor den dood,
tot vrees voor het oordeel, tot angst voor de hel en
De heilige Augustinus
in contemplatief gebed,
fresco rond 1480 door
Sandro Botticelli,
Florence. (Internet)
ZHT3 2016.indd 11 21-9-2016 12:32:12
140 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
tot liefde voor het hemelsch vaderland’ erg geliefd.
Zo werd tijdens de gezamenlijke maaltijd in het
klooster Windesheim veelvuldig uit het Cordiale
van Gerard van Vliederhoven voorgelezen dat
heel gedetailleerd de helse folteringen beschrijft.26
Gerard Zerbolt is voor de Moderne Devotie van
grote betekenis geweest. Niet alleen door zijn
geschriften op het terrein van systematische meditatie heeft hij zich verdienstelijk gemaakt, maar
ook door zijn grondige kennis van het canonieke
en het Romeins recht. Door het bestaan van de
fraterhuizen juridisch te legitimeren heeft hij het
voortbestaan ervan veilig weten te stellen.
Dat Gerard Zerbolt soms wel heel sterk op het
innerlijk was gericht, komt naar voren in de volgende anekdote. Als hij naar de kerk ging kon hij
zo in zichzelf gekeerd zijn dat hij voorbijgangers
gewoon niet zag. Toen iemand hem eens vroeg
of die voorbijgangers hem niet hinderden, was
zijn reactie: ik zie wel iets maar ik denk dan altijd
er een kudde zwijnen passeert. Wat gaat mij het
uiterlijk van mensen toch aan.27
Gerlach Peters (1378-1411)
Voor veel devoten werd het aardse bestaan
als een verblijf in een vreemd, vijandig land
beschouwd, waarin men gemakkelijk de weg
kwijt kon raken en bekoord kon worden door
allerlei verlokkingen waardoor men van het
eigenlijke doel van het leven – terugkeer naar
het hemels vaderhuis – uit het oog kon verliezen.
Omdat dit streven vaak gericht was op een zeer
intieme ontmoeting met God kan de Moderne
Devotie onder de rubriek van de mystiek worden
gerangschikt. Talloos zijn de beschrijvingen van
broeders en zusters die tijdens hun droevige
pelgrimage in het aardse tranendal al een voorproefje hebben van eenwording met God. Zo
heeft zuster Stijne Zuetelinks uit Deventer het
over ‘het vastgeplakt worden aan God’ als een
ultieme ervaring.28 Ook plastische uitdrukkingen als ‘het rusten in de wonden van onze lieve
Heer’, ‘overstort te zijn met het hete, dierbare
bloed van Christus’, ‘verenigd te zijn met Hem’
en ‘verslonden in Hem’ duiken regelmatig op in
allerlei beschrijvingen.29
Mystiek van een beduidend hoger niveau is
te vinden in het werk van Gerlach Peters die via
Florens Radewijnsz in het klooster Windesheim
terecht was gekomen. Volgens de overlevering
moet hij een allerbeminnelijkst mens zijn geweest
en het kon zomaar tijdens een wandeling met
medebroeders in de boomgaard gebeuren dat
er een ‘hogere bezieling’ in hem opkwam. Hij
verontschuldigde zich dan met woorden als
‘Broeders, ik moet naar mijn cel, daar wacht
mij iemand.’ De vrucht van die ontmoetingen
vertrouwde hij toe aan stukjes lei, strookjes perkament en papier. Na zijn dood werden al die
fragmenten verzameld en gebundeld onder de
titel Soliloquium (Alleenspraak). Het Soliloquium
is een op de mystieke vereniging gerichte verhandeling. Een goede samenvatting geeft het volgende
citaat uit genoemd werk:
‘Tenslotte zal ik met mijn vernieuwde wil al
wat mij te doen staat wakker en gezwind aanpakken. Mijn ziel zal er zich dagelijks toe inspannen
vorderingen te maken in God, zich te ontdoen van
zichzelf, en zich geheel te verliezen, om zichzelf
nooit meer te kunnen terugvinden, en te komen
tot die diepe vernietiging of verwerping van zichzelf, zodat zij zichzelf en alle dingen afsterft in
God, uit God leeft en alles door Hem volbrengt.’30
Peters is er van overtuigd dat als de ziel uit de
verwarrende wereld wil vertrekken naar het
gebied van de vrede er geen andere weg is dan
die van het kruis van Christus. Hij wil er daarom
naar streven om verborgen en verworpen te zijn,
van geen betekenis, arm en verachtelijk. Slechts
door uiterlijke gelijkvormigheid aan de armoede
en de eenvoud van de Heer Jezus bestaat dan de
mogelijkheid dat God in ons gemoed komt zetelen.31
De Imitatione Christi
Waar De Imitatione Christi (De Navolging van
Christus) wordt gelezen, werkt de Moderne
Devotie door, aldus de kerkhistoricus Otto de
Jong. Inderdaad, De Navolging kan met recht het
kroonjuweel van de Moderne Devotie worden
genoemd. De status van dit boek is onaantastbaar. Er bestaan meer dan 3000 verschillende
ZHT3 2016.indd 12 21-9-2016 12:32:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 141
edities van dit werk en het behoort tot de meest
vertaalde en meest gedrukte boeken. Zelfs Johan
Huizinga die in zijn Herfsttij der Middeleeuwen de
devoten als een groep ‘eenvoudige mannetjes en
vrouwtjes wier grote hemel zich welfde boven een
minuscuul wereldje ’ had weg gezet, had een grote
bewondering voor de Navolging. Het eentonige
ritme van de tekst maakt op hem de indruk ‘als de
zee op een zachten regenavond of het zuchten van
den wind in de herfst.’32
De tekst is niet van één persoon, maar is een
bundeling van stichtelijke overdenkingen, rapiaria, die in kringen van devoten circuleerden
en uiteindelijk door Thomas a Kempis geredigeerd en gebundeld zijn. Net als bij de hierboven
behandelde geschriften van Zerbolt en Peters is
de grondgedachte dat de wereld waarin we leven
beheerst wordt door ijdelheid. Deze wereld moet
daarom veracht worden.33 Niet alleen de wereld
moet veracht; ook wie zichzelf goed kent, wordt
in zijn ogen een waardeloos wezen.34 In navolging
van Peters moet er serieus werk van het ‘uitwieden
van ondeugden’ worden gemaakt.35 Ook de banden met vrienden en bekenden moeten worden
losgemaakt.36 Uiteindelijk gaat het om de bereidheid om het kruis te dragen, wat inhoudt dat alle
tegenslagen, vijandschap, ongemakken, smaad en
ellende geduldig worden ondergaan. Om met God
één te worden in een altijddurende liefde moet
‘de koninklijke weg van het heilig kruis’ betreden
worden:37
‘Want God wil, dat gij beproevingen leert
dragen zonder vertroosting, en dat gij u algeheel
aan Hem onderwerpt en door de beproeving
nederiger wordt. Niemand ervaart zo hartgrondig
het lijden van Christus als degene aan wie soortgelijk lijden overkomt. Het kruis staat dus altijd
gereed en het wacht u overal. Gij kunt er niet aan
ontvluchten, waar gij ook heen rent, want overal
waar gij komt, draagt gij uzelf mee en zult gij altijd
uzelf vinden. Wend u naar boven, wend u naar
beneden, wend u naar buiten, wend u naar binnen; altijd en overal vindt gij het kruis en gij moet
overal uw verduldigheid bewaren, indien gij de
innerlijke vrede wilt hebben en de eeuwige kroon
wilt verdienen.’38
Noli foras ire
Noli foras ire. Ga niet naar buiten, maar keer
in jezelf, daar woont de waarheid. De devoten
zijn altijd trouw gebleven aan dat advies van de
kerkvader Augustinus. Het sleutelwoord van het
Incipit tractatus devotus de reformatione
virium animae (Hier
begint het tractaat
gewijd aan de hervorming van de ziel), de
eerste pagina van een
geschrift van Gerard
Zerbolt. (Internet)
ZHT3 2016.indd 13 21-9-2016 12:32:13
142 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
verhaal van de Moderne Devotie is dan ook verinnerlijking. Je moet innerlijk vorderingen (profectus) maken, wat je met een aantal gelijkgestemden
– mannen en vrouwen strikt gescheiden – in een
communeachtig verband doet. Om de stedelingen
te tonen dat alleen het innerlijk er toe doet, draag
je opzettelijk kleding en schoeisel van inferieure
kwaliteit.39 Door alles gemeenschappelijk te hebben en van de eigen arbeid te leven, doe je de geest
van de eerste christengemeente herleven.
Titus Brandsma (1881-1942), de grote kenner
van de Nederlandse mystiek, wist in zijn rede ter
gelegenheid van de Geert Grote-herdenking in
1940 in Deventer de kern van de Moderne Devotie nog iets pregnanter te formuleren als ‘een keer
naar den Heer’. Voor Brandsma was Geert Grote
en daarmee de Moderne Devotie ‘een lichtend
voorbeeld ook voor dezen tijd, waarin ook al te
ver doorgevoerd zingenot en al te hooger waardering van het geld opnieuw roepen om “een keer
naar den Heer”.’40
In het rapport van LAGroup spelen deze aspecten
in ‘het overkoepelend Verhaal’ geen enkele rol.
Wel worden als kernwaarden ‘soberheid, gehoorzaamheid en kuisheid’ genoemd, maar wat men
daar precies mee wil, blijft onduidelijk. Het kan
natuurlijk zijn dat gehoorzaamheid en kuisheid in
het Zwolse DNA zit, daar wil ik van af zijn.
Geen verinnerlijking, geen keer naar de Heer,
maar wel zorg en tolerantie spelen een rol in het
verhaal van de citymarketeers. Ja, zorgen dat
deden de fraters en zusters wel voor elkaar, maar
zorgen was niet hun primaire streven. LAGroup
adviseert initiatieven op het terrein van het zorgen
te ontplooien om zo een dam tegen moreel verval
op te werpen. Het is onduidelijk wat de lezer zich
hierbij voor moet stellen.
En wat wordt er in die snelle elevator pitch
eigenlijk met het ‘tolerante’ karakter van de Zwolse gemeenschap bedoeld? In de Oudheid en de
Middeleeuwen betekent het Latijnse werkwoord
tolerare zoveel als het verdragen van lichamelijk
en psychisch onrecht in de vorm van foltering,
pijn of natuurrampen. Pas later kreeg het de betekenis van verdraagzaamheid jegens andersdenkenden. De Zwollenaar zou een tolerant karakter
hebben. Uit zich dat soms in dragen zonder klagen of in het openstaan voor mensen met radicaal
andere opvattingen?
In het begin van dit artikel werd de vraag
geponeerd of het door de citymarketeers van de
LAGroup gepresenteerde verhaal van de Moderne
Devotie de toets der kritiek kan doorstaan. Het
antwoord luidt: nee. De gecommuniceerde identiteit komt niet overeen met de feitelijke identiteit. Het verhaal rammelt omdat de devoten een
modern jasje krijgen aangemeten dat hun niet
past. Dat valt te betreuren omdat het verhaal van
de Moderne Devotie een ijzersterk verhaal is. De
Gravure van Thomas a
Kempis, door T. Mensinck, eind zeventiende
eeuw. In de rand staat
een zinspreuk van Thomas: In omnibus quasivi, et nusquum inveni,
nisi in angello cum
libello (Ik heb overal rust
gezocht en het nergens
gevonden, behalve in een
hoekje met een boekje).
(Foto collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 14 21-9-2016 12:32:13
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 143
devoten hebben met hun frater- en zusterhuizen
op een inventieve wijze getracht de kerk van binnen uit te hervormen. Hun streven naar innerlijke
vernieuwing heeft voor een grondige kloosterhervorming gezorgd en een voortzetting gevonden
in de spiritualiteit van de Jezuïeten. En zo is de
erfenis van Geert Grote, Gerard Zerbolt, Gerlach
Peters en Thomas a Kempis wel degelijk iets om
als stad trots op te zijn. ‘Een keer naar de Heer’
ligt uiteraard niet op de weg van de gemeentelijke
overheid. Wat wel tot haar taak gerekend mag
worden is het koesteren van wat van deze beweging in de vorm van gebouwen en kostbare handschriften resteert en deze op een zo aantrekkelijk
mogelijke manier voor een geïnteresseerd publiek
te presenteren.
Literatuur
Acquoy, J.G.R. (1984) Het klooster te Windesheim en zijn
invloed. Deel 1, I en II). (Herdruk van de uitgave
Utrecht 1875-1880).Leeuwarden: Gerben Dijkstra.
Augustijn, C. (1988). ‘Erasmus en de Moderne Devotie’.
In: P. Bange (red.), De doorwerking van de Moderne
devotie : Windesheim 1387-1987. Hilversum: Verloren.
Delprat, G.H.M. (1830). Verhandeling over de Broederschap van Geert Groote en over den invloed der
fraterhuizen op den wetenschappelijken en godsdienstigen toestand voornamelijk van de Nederlanden na den XIV. Eeuw. Utrecht: Joh. Altheer.
Dijk, R. van (2002). De Moderne devotie. Haar invloed
in de negentiende en twintigste eeuw, In: Overijsselse Historische Bijdragen 117 (2002) 7-50.
Enghen, J. van (2008). Sisters and Brothers of the Common life. The Devotio Moderna and theWorld of
In het Zwolse fraterhuis
vervaardigd handschrift, tweede helft
vijftiende eeuw. (Sarijs
handschrift, collectie
HCO)
ZHT3 2016.indd 15 21-9-2016 12:32:16
144 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
the Later Middle Ages. Pennsylvania: University of
Pennsylvania Press.
Goudriaan, K. (red.) (2008). Vernieuwde innigheid.
Over de Moderne Devoten, Geert Grote en Deventer.
Nieuwegein: ARKO
Huizinga, J. (1963) tiende druk. Herfsttij der Middeleeuwen. Haarlem: Tjeenk Willink en zoon.
Jong, O.J. de (1988). In: P. Bange (red.), De doorwerking
van de Moderne devotie : Windesheim 1387-1987.
Hilversum: Verloren.
Joosse, U. (2007). Van de (vier) Uitersten. Een onderzoek
naar de functie van de tekst ‘Van de (vier) Uitersten
aan de hand van een analyse uit het handschrift LTK
268 uit de Universiteitsbibliotheek in Leiden. Doctoraalscriptie Mediëvistiek. Universiteit Utrecht.
Kempis, Thomas a (1985). De navolging van Christus.
Vertaald door Gerard Wijdeveld. Antwerpen: De
Nederlandse Boekhandel; Kampen: Kok Agora.
Lücker, M.A. (1950). Meister Eckhart und die Devotio
Moderna. Leiden: E.J. Brill.
Oostrom, F. van (2013). Moderne devoten in tekst en
context. 7e Thomaslezing gehouden op 12 december 2013. http://thomasakempis.nl
Post, R.R. (1967). Geert Grootes Tractaat ‘Contra Turrim Trajectensem’ teruggevonden. ’s Gravenhage:
Martinus Nijhoff.
Post, R.R. (1968). The Modern Devotion. Confrontation
with Reformation and Humanism. Leiden: Brill.
Romein, J. en A. (1959). Erflaters van onze beschaving.
Nederlandse gestalten uit zes eeuwen. AmsterdamAntwerpen: Wereldbibliotheek.
Swart, K. en P. Koppen (2015). Gemeente Zwolle. Versterking en samenwerking cultuur historisch domein
(Concept). Amsterdam LAGroup.
Vos, C.F. (1866). De leer der vier uitersten. Academisch
proefschrift. Hoogeschool te Utrecht. Amsterdam:
Y. Rogge
Zerbolt van Zutphen, Gerard (2011). Geestelijke opklimmingen. Een gids voor de geestelijke weg uit de vroege
Moderne Devotie. Vertaald, ingeleid en toegelicht
door R.Th.M. van Dijk O. Carm. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Noten
1. Swart en Koppen 23
2. www.citymarketingonline.nl/ wat is citymarketing
3. Zerbolt
4. Acquoy 26
5. Acquoy 27
6. Post (1967)
7. Acquoy (I) 53
8. Romein 39
9. Van Enghen 305
10. Acquoy 281
11. Van Enghen 174
12. Van Enghen 174
13. Acquoy (II) 284
14. Van Enghen 186
15. Van Enghen 196
16. Van Enghen 199
17. Van Oostrom 3
18. Acquoy (II) 262
19. Van Enghen 284, 285
20. Van Enghen 151
21. Augustijn 73
22. Van Enghen 278
23. Van Enghen 301
24. Zerbolt 123
25. Zerbolt 129
26. Joosse 37
27. Lücker 58
28. Van Enghen 304
29. Acquoy (II) 307
30. Weiler 42
31. Weiler 43
32. Huizinga 238
33. Kempis I,1,12
34. Kempis I,2,3
35. Kempis I,3,24
36. Kempis I,20,30
37. Kempis I,3,10
38. Kempis II, 12, 18-23
39. Van Enghen 269
40. De Jong 289
ZHT3 2016.indd 16 21-9-2016 12:32:16
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 145
Wim Buurlage: organisator en stadsomroeper
Jos Buurlage Een zwoele zomeravond in het begin van de
jaren zestig. Een vol plein in Zwolle. Dat
kan het Nachtegaalplein zijn, het Assendorperplein, het Rodetorenplein, maar ook een
locatie in een nieuwe wijk, zoals het Simon van
Slingelandtplein in Dieze-Oost. Jonge wielrenners duwen hun fietsen met dikke banden door
de menigte, op weg naar huis. Ze hebben na de
etappe van de Ronde rond Zwolle even moeten uithijgen. Gewoontegetrouw is het tempo beschaafd,
totdat de grens van Zwolle in zicht komt. De rondeleider formeert een kopgroep van vijf renners,
die met de tong op het stuur moeten proberen
in de Zwolse straten het razende peloton voor te
blijven.
Als zij arriveren, is het publiek door de commentator al opgewarmd. De rondeleider neemt
naast hem op het podium plaats. De leiders in de
klassementen krijgen een frisse trui en een kus
van de rondemiss. Maar daar is het merendeel van
de toeschouwers niet voor gekomen. Zij zien uit
naar de prijzenregen. Medewerkers van de ronde
mengen zich onder het publiek. Zij fungeren als
Mister X. De rondeleider geeft instructies. ‘Mister
X, u zet drie passen naar voren, nu gaat u twee
passen naar rechts en u geeft een envelop aan de
dichtstbijzijnde dame aan uw rechterhand. Mister
X, u huppelt nu vier passen vooruit; de envelop is
voor de meest nabije heer met een hoed voor u.’
Na ongeveer tien minuten komen de gelukkigen met de enveloppen op het podium. De rondeleider bekijkt de inhoud. Een deel van de winnaars
krijgt de prijs meteen. Dat kan een schemerlamp
zijn of een bon voor een pakket levensmiddelen.
De rondeleider heeft beroepshalve zoveel theatervoorstellingen bijgewoond, dat hij perfect
weet hoe hij de spanning kan opbouwen. Andere
winnaars krijgen daarom het verzoek even te
wachten. Die worden benijd door het publiek.
Hun wacht een grote prijs. Dat kan een radio zijn,
een gashaard, een reis (zes dagen naar de Moezel),
maar het meest begerenswaardig is in die dagen
de wasmachine.
Die rondeleider, Wim Buurlage, is een bekende Zwollenaar. Men kan hem kennen van de vele
bals die hij leidt. Van de sportevenementen die
hij van commentaar voorziet. Van de tentoonstellingen, waar hij de dagelijkse leiding heeft. Van het
door hem gepresenteerde Oranje-koffie-uurtje op
het Grote Kerkplein op Koninginnedag. Ook van
zijn winkel in de Luttekestraat, waar hij televisies
verkoopt met een onovertroffen beeldkwaliteit.
En natuurlijk van zijn geluidswagen, waarmee hij
vaak door Zwolle rijdt, om bijvoorbeeld een concours hippique of een operettevoorstelling aan te
kondigen.
Jeugd
Wim Buurlage werd in 1923 geboren in Groningen, in een goed katholiek gezin. Zijn beste
vriend was Gerard Veringa, later minister van
Onderwijs en Wetenschappen. Samen waren ze
misdienaar. Samen waren ze ook bij de padvinderij. Vader Joost Buurlage was filiaalhouder van
de VELO, een bedrijf dat wasmachines maakte en
die in eigen winkels verkocht, samen met fietsen,
radio’s, speelgoed en huishoudelijke artikelen. In
1938 waren er al honderd van deze kleine warenhuizen. Zo’n filiaalhouder leidde het bestaan
van een moderne nomade. Joost werd in 1926
overgeplaatst naar Assen. Op zondag zette hij vijf
stoelen in zijn motorbakfiets, waar echtgenote en
kinderen op plaatsnamen, en zo reed het gezin
naar Groningen voor familiebezoek. Later mocht
hij opnieuw een filiaal in de Martinistad leiden.
Maar niet voor lang. De volgende halte was in
1937 Kampen; het eindstation werd in 1938 de
Diezerstraat (nr. 57) in Zwolle.
ZHT3 2016.indd 17 21-9-2016 12:32:16
146 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Wim bezocht hier de St. Antonius MULO aan
de Grote Baan. Hij had de capaciteiten om door
te stromen naar de HBS. Zwolle had echter nog
geen katholieke HBS, zodat die optie verviel. Hij
ging aan de slag als laborant in de azijnfabriek van
Schaepman. Niet voor lang. De VELO stond het
filiaalhouders toe naast hun werk een eigen nering
te drijven. De voorganger van vader Buurlage had
een radiowinkel geopend, die zo goed liep dat
hij volledig kon overstappen. Door dit voorbeeld
geïnspireerd huurde Joost Buurlage in 1939 een
winkelpand op de hoek van de Kamperstraat en
de Van Hattumstraat, nu in gebruik bij Olland.
Zijn radiowinkel vernoemde hij naar zoon Wim.
De combinatie van de eerste twee letters van vooren achternaam leidde tot Radio Wibu.
Zo werd de zestienjarige laborant winkelier,
op het hoogtepunt van de economische crisis.
Hij was het gezicht van de winkel. Zijn vader was
vooral op de achtergrond actief. Diens belangrijkste bezigheid bleef het leiden van het VELOfiliaal. Wim verkocht luxeartikelen als radio’s en
grammofoons. Maar ook onderdelen voor de vele
radioamateurs en goede tweedehands apparaten
voor mensen met een smalle beurs. Bovendien
ontwikkelde Wim zich door cursussen al snel
tot een bekwaam reparateur. Geluidsversterkers
waren destijds schaars. Toch slaagde hij erin een
Philips-versterker met een uitgangsvermogen van
40 watt te verwerven, die hij met microfoons, luidsprekers, een grammofoon en een collectie platen
ging verhuren. Vooral orkesten waren geïnteresseerd. Doordat de solisten nu achter een microfoon konden plaatsnemen, hoefden de musici hun
volume niet meer te dempen.
Sport was voor de familie Buurlage belangrijk.
Vader Joost voetbalde in zijn jonge jaren bij GVAV
Rapiditas, voorloper van FC Groningen. Hij nam
ook deel aan motorraces. Zoon Wim deed aan
atletiek bij PEC. Hij blonk uit in hardlopen en
bezat zeer lange tijd het clubrecord verspringen.
Hij was een belangrijke kracht in het estafettekwartet. Zijn fascinatie voor sport zou hem niet
meer loslaten.
Oorlog en bevrijding
In het midden van de oorlog verhuisde de winkel
naar Luttekestraat 30, het pand van sigarenwinkelier Pieper. Die had nauwelijks nog iets te verkopen en besloot het pand te verhuren. Aan het
fraaie winkelinterieur, een combinatie van Art
Nouveau en Art Deco, mocht de huurder niets veranderen. Daardoor beschikte Wim waarschijnlijk
als enige radiowinkelier over een hoge droogkast
Radio Wibu op de hoek
van de Kamperstraat en
de Van Hattumstraat,
1939. (Collectie HCO)
ZHT3 2016.indd 18 21-9-2016 12:32:17
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 147
voor sigaren. Niet alleen in de sigarenhandel, ook
in de radiobranche waren de goederen schaars.
Dat blijkt uit het relaas van Hennie Meijer, later
bekend als jazzgitarist en als schrijver, onder het
door Gerard Reve bedachte pseudoniem Henk
Romijn Meijer. In de oorlog behoorde Meijer als
scholier tot de klantenkring van Radio Wibu.
Hij haalde herinneringen aan die tijd op in zijn
bundel Een blauwe golf aan de kust (1986). Onze
gemakkelijk te herkennen hoofdpersoon heet
hier ‘Willem Muiswinkel’, zijn bedrijf ‘Wilmuis’.
Een deel van de beschreven activiteiten blijkt te
bestaan uit ruilhandel. Een goede Amerikaanse
jazzplaat is bijna onbetaalbaar. Maar Muiswinkel is bereid zo’n plaat te ruilen tegen twee door
de klant meegebrachte platen, mits hij die kan
gebruiken.
In 1943 maakte de bezetter een hardhandig
einde aan de handelsactiviteiten van Radio Wibu.
Wim Buurlage werd opgepakt, voor de Arbeitseinsatz. De winkel werd dichtgetimmerd. Wim
belandde in Duitsland eerst in de gevangenis en
later werd hij tewerkgesteld op een boerderij.
Vooral de ervaringen in gevangenschap werkten
traumatiserend. Ze lieten levenslang sporen na.
De buitenwereld merkte daar echter weinig tot
niets van. In mei 1945 keerde hij terug in Zwolle
en meteen ging hij energiek aan de slag. Op 12 mei
1945 liet hij in het Zwols Nieuws- en Advertentieblad weten: ‘Radio Wibu zet haar bedrijf met 100
procent capaciteit voort.’ Die capaciteit benutte hij
aanvankelijk vooral bij het verhuren van geluidsinstallaties. De Canadese bevrijders zorgden voor
veel werkgelegenheid. Voor een grote manifestatie op het Gemeentelijk Sportpark leverde hij de
apparatuur, die door de militairen werd geïnstalleerd. Op de tribune bekeek hij tevreden hoe ze de
luidsprekers ophingen, genietend van een door de
bevrijders aangeboden rokertje. Hij had wel andere ervaringen opgedaan met mannen in uniform.
Befaamd waren de feesten van de Canadezen
in hotel Van Gijtenbeek aan het Stationsplein.
Terwijl voedsel nog zeer schaars was, konden de
gasten daar genieten van een buffet dat ook nu
nog het predicaat luxe zou verdienen. De muziek
werd verzorgd door jonge Zwolse jazzmusici, met
saxofonist Jan Voerman voorop. Die muziek kon
natuurlijk niet zonder geluidsversterking. Die
werd in hotel Van Gijtenbeek, ook in de decennia daarna, altijd verzorgd door Wibu. Musici
en geluidstechnicus prikten uiteraard graag een
vorkje mee van de buffetten.
De atletiek pakte Wim niet meer op. Hij ging
nu voetballen bij PEC. Veel tijd had hij daar overigens niet voor, want in zijn bedrijf was hij in de
jaren na de oorlog creatief en dynamisch bezig.
Omdat er maar weinig radiotoestellen op de
markt kwamen, besloot hij die zelf te gaan fabriceren. Het pand aan de Luttekestraat was smal,
maar diep. Achter de winkel en de werkplaats was
er een derde ruimte, waar vier werknemers de hele
dag radio’s bouwden. De radiomeubels kwamen
van de firma Brandsteder uit Amsterdam, later de
importeur van Sony. De onderdelen hoofdzakelijk
van Amroh uit Muiden.
Wim zag in die naoorlogse jaren volop kansen.
Zo besloot hij wasmachines te gaan verhuren.
’s Morgens gebracht, tegen de avond opgehaald.
Wim Buurlage rond
1950. (Particuliere collectie)
ZHT3 2016.indd 19 21-9-2016 12:32:17
148 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
Aanvankelijk vervoerde hij ze zelf op een transportfiets. Later ging de jongste bediende daarvoor
met een bakfiets op pad. Op zaterdagmiddag reed
Wim met een geluidswagen op en neer door de
Luttekestraat. Voor tien winkeliers uit die straat
maakte hij reclame. Korte, pakkende boodschappen. Elke winkelier betaalde daarvoor een rijksdaalder.
Toen er veel militairen in Nederlands-Indië
waren gelegerd, trok Wim de provincie in om
platen op te nemen, waarop familieleden aan het
woord kwamen. Die werden naar Indië gezonden.
Na de opname liet hij via een geluidsinstallatie
een stukje horen. Op die trips liet hij zich graag
vergezellen door zijn verloofde, Willy van Zon.
Haar taak was het de plaat in een hoesje te doen en
die met een brede glimlach aan de klant te overhandigen. Later, toen ze getrouwd waren, had zij
binnen de firma haar eigen handel. Platen die bij
verversing van het repertoire in jukeboxen waren
verwijderd, kocht zij op. Ze verkocht ze voor een
aantrekkelijke prijs.
Geluidsinstallaties
Voor en kort na de oorlog verhuurden veel Zwolse
radiohandelaren geluidsinstallaties. De meesten stopten er na enkele jaren mee. Wibu kocht
van enkele gestopte collega’s de apparatuur. De
klantenkring groeide. In de jaren vijftig waren er
op hoogtijdagen als 30 april en 5 mei wel twaalf
installaties in bedrijf, niet alleen in Zwolle, maar
ook in Kampen, Oldebroek, Dalfsen, Epe en
Zwartsluis. Zaalhouders vormden een flink deel
van de klantenkring. Die beschikten toen over het
algemeen nog niet over eigen geluidsinstallaties.
Om het sjouwen met apparatuur te beperken,
bracht Wim Buurlage vaste luidsprekers aan in de
Buitensociëteit, Odeon, Parovita (parochiehuis
van de St Jozefparochie in de Assendorperstraat),
De Dageraad (Molenweg), Suisse (Blijmarkt) en
zaal Donker (hoek Oude Vismarkt – Gasthuisstraat, eerste etage). Vader Joost was de eerste
jaren vaak achter de knoppen van een geluidsversterker te vinden. Tot hij in 1952 werd getroffen
door een hartaanval. Hij verliet de VELO, beperkte zijn werk voor Wibu tot assistentie in de winkel
en startte een handel in regenkleding.
Een eervolle klus voor Wibu was de verzorging van het geluid in het Openluchttheater in
het Engelse Werk. De eerste versie daarvan werd
geopend in 1949. Na enkele verplaatsingen en
uitbreidingen had het theater in 1952 zijn definitieve vorm, achter de uitspanning van Krisman.
Er waren 1000 zitplaatsen. Het spel was van tamelijk hoog niveau. Toneelspeler en regisseur Ton
Dalenoord, zoon van de banketbakker op de hoek
van de Roggenstraat en de Diezerstraat, legde
er de basis voor een loopbaan als beroepsacteur.
Tegenwoordig plakt men acteurs een microfoontje
op het hoofd. Toen moesten enkele zo onzichtbaar
mogelijk opgestelde microfoons het gesproken
woord registreren. Het geproduceerde geluid
moest een stevige avondbries kunnen weerstaan.
Het werd een specialisme van Wibu. In 1954
werden er in de speeltuin aan de Hortensiastraat
vier voorstellingen gegeven van de operette
Radio Wibu, Luttekestraat 30, in de tweede
helft van de jaren
vijftig. De lampen aan
weerzijden van de gevel
zijn typerend voor de
Art Deco bouwstijl.
(Particuliere collectie)
ZHT3 2016.indd 20 21-9-2016 12:32:17
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 3 | 149
Alpenzicht in Weissenthal. De eerste avond waren
er 1500 toeschouwers. De legendarische Zwolse
recensent Henri Th. Timmerman schreef dat de
geluidskwaliteit dankzij de door Wibu ‘goed opgestelde microfoons’ uitstekend was. Toen ze nog
maar nauwelijks op de markt waren, beschikte
geluidstechnisch bureau Wibu al over enkele
bandrecorders. Wim verzuimde uiteraard niet
toneelgezelschappen en verenigingen op de mogelijkheden te wijzen. Hij maakte veel opnames,
waarmee zij hun toneelvoorstellingen en revues
konden verlevendigen.
De meeste sportaccommodaties in Zwolle
en omgeving hadden rond 1950 evenmin eigen
installaties. Wibu verzorgde het geluid bij voetbal, hockey, motorraces, roeien, wielrennen,
tennis, zwemmen, skelteren en vele andere sporten. Aangezien de eigenaar beschikte over een
heldere stem, een zuivere dictie en enige kennis
van zaken, vroeg men hem vaak als microfonist
op te treden. Hij deed dat met genoegen, in het
bijzonder bij zijn oude liefde, atletiek. Op het
Gemeentelijk Sportpark zat hij, samen met enkele
organisatoren, achter een marktkraam, dichtbij
de sintelbaan. Hoewel hij de keus had uit een
groot aantal goede microfoons, gebruikte hij bij
die gelegenheden steevast een Shure 730, onder
kenners befaamd als de Billie-Holidaymicrofoon.
De gevierde jazzzangeres ging er enkele malen
mee op de foto. Het is een kristalmicrofoon met
cardioïde eigenschappen, die een heldere klank
produceert en nauwelijks omgevingsgeluid registreert, waardoor de kans op rondzingen beperkt
is.
Omroeper en balleider
Wim Buurlage was ook de omroeper bij allerlei
wedstrijden die zich in het grensgebied van sport
en amusement afspeelden. Artsen bijvoorbeeld
gingen op het voetbalveld de strijd aan met onderwijzers. Zwolse journalisten voetbalden tegen
leden van de gemeenteraad. In 1954 speelden
artsen tegen veteranen van Zwolse voetbalclubs,
ten bate van het Rode Kruis. De Zwolse Courant
roemde de ‘gloedvolle microfoon-verslaggever
Wim Buurlage’, die ‘spreekkoren en voetgestamp’
organiseerde. Gemeenteraadsleden van Zwolle
speelden in 1959 tegen collega’s uit Kampen. De
opbrengst was voor het Krotopruimingsfonds. De
Kamper Uien maakten de Blauwvingers in: 0-5.
Tot overmaat van ramp was er nauwelijks publiek.
De microfonist merkte schamper op dat van de
opbrengst misschien net één voordeur kon worden aangeschaft.
Zo’n ietwat komische rol speelde hij ook in
1952 in het kader van een actie om de financiële
positie van het Hopmanshuis te verstevigen. In
dat huis was Theater Lumière ingericht. Er werden
stomme films vertoond met muzikale begeleiding.
Onze hoofdpersoon was de ‘explicateur’, voor de
gelegenheid gekleed in een rokkostuum met een
hoge hoed. Een kundige grimeur had hem voorzien van een sierlijke snor. Volgens de Zwolsche
Courant wees hij de bijzonderheden op het filmdoek aan met een biljartkeu, maar op de bijbehorende illustratie van Teun van der Veen hanteerde
hij een klassieke Engelse wandelstok met knop,
die perfect past bij de dandyeske outfit.
De amusementswereld was Wim niet vreemd.
Kort na de oorlog overtuigde hij exploitant Massier van de uitspanning Urbana aan de Wipstrikkerallee ervan dat er een toekomst was voor
dansen bij een grammofoonplaat. Hij mocht voor
deejay gaan spelen. Het werd een groot succes.
In de eerste helft van de jaren vijftig bood zaal
Donker (hoek Oude Vismarkt – Gasthuisstraat)
Als omroeper op het
Gemeentelijk Sportpark, met de BillieHolidaymicrofoon.
(Particuliere collectie)
ZHT3 2016.indd 21 21-9-2016 12:32:17
150 | jrg. 33 – nr. 3 zwols historisch tijdschrift
mensen die op zondagavond niet vroeg naar bed
wilden, de gelegenheid het weekend op de dansvloer sfeervol af te sluiten. Wim Buurlage leidde
het dansen in goede banen en trad ook op als
conferencier. Hij was er zelfs prins Carnaval. In
het seizoen leidde hij tot het midden van de jaren
zestig elk weekend minstens één bal. Hij hield
orde, maar creëerde met spelletjes en ingewikkelde polonaises ook een uitbundige sfeer. Vond
zo’n bal in Odeon plaats, dan was de kans groot
dat hij voor het volgende bal een stropdas moest
aanschaffen. Gerant Nekkers had namelijk de
gewoonte om tijdens de nazit een schaar uit zijn
binnenzak te halen en aan de aanwezige heren te
vragen: ‘Is ’t te knijp?’ Na een bevestigend antwoord knipte hij ongeveer vijftien centimeter
onder de knoop de stropdas door. Je kon natuurlijk ontkennend antwoorden, maar dat stond
gelijk aan het weigeren van een duel in de negentiende eeuw.
Geluidswagen
Bij een groot publiek was Wibu bekend van de
geluidswagen. Hij kondigde vooral sportieve en
culturele evenementen aan. Maar hij werd ook
ingezet om bijvoorbeeld in perioden van droogte
de Zwollenaren te vragen zeer zuinig te zijn met
water. In de jaren vóór de fusie met Zwollekerspel
(1967) was het mogelijk, zelfs met het lage tempo
van een geluidswagen, in twee uur heel Zwolle te
doorkruisen. De mededelingen werden afgewisseld met vrolijke muziek. Was de schoolgaande
jeugd thuis, dan reed er een hele stoet kinderen
op fietsjes achter de wagen aan. Een ander ritueel
voltrok zich bij het binnenrijden van de Pierik. Als
de wagen stopte, kwam slager Bennie Poppe aangesneld met op de punt van zijn slagersmes een
sappig stukje leverworst voor de ‘stadsomroeper’.
Iemand met zo’n scala aan activiteiten moet
wel over organisatorisch talent beschikken. Dat
bleef niet onopgemerkt. Bij het Openluchttheater
was hij op dit vlak een gewaardeerde adviseur.
Dat gold ook voor de Actie Vakantiebesteding,
een activiteitenprogramma voor de jeugd in de
zomervakantie. De jongeren keken uit naar Jongensstad en Meisjesstad (met veel padvinderachtige activiteiten), de groots opgezette sportdag en
de zeepkistenrace op de Suikerberg. De Stichting
Vrienden van de Buitenschool vroeg hem in
1956 een centrale rol te spelen in de organisatie
van de jaarlijkse ker

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2016, Aflevering 4

Door | 2016, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Jan ter Pelkwijk
een ‘merkwaardige’
kindervriend
33e jaargang 2016 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2016.indd 1 11-1-2017 13:39:53
Suikerhistorie
Lunchroom restaurant Backers
Luttekestraat 48
In december 1930 kreeg L. Backers van B en W van Zwolle
vergunning voor de verkoop van zwak alcoholische dranken voor de ‘benedenvoorlocaliteit’ van Luttekestraat 48.
Leendert (roepnaam Leen) Backers (geb. 1903) stamde uit
een zeer muzikale Zwolse familie. Zijn vader Petrus Backers
had een sigarenfabriekje op het Eiland. Daarnaast was hij
dansmeester. De vijf zonen van Petrus Backers – onder wie
Chris Backers, allround musicus met een sigarenzaak in de
Roggenstraat – vormden samen een bandje waarin Leen
drumde.
Het pand Luttekestraat 48 was lang en smal. Het kwam
uit in de Van Hattumstraat waar de keuken was en de vrouw
van Leen de scepter zwaaide. Leen stond achter de toog en
zorgde voor de gezellige praat. Het echtpaar woonde boven
de zaak.
Op het suikerzakje ontbreekt het huisnummer in de
Luttekestraat. De vermelding ‘bij de stoplichten’ was voor
elke Zwollenaar destijds voldoende, want de eerste – en
lange tijd de enige – verkeerslichten in de stad werden eind
1938 op het drukke kruispunt Kamperstraat-LuttekestraatBlijmarkt geïnstalleerd. Al het doorgaande verkeer ging
toen nog door de stad.
Het was een gezellige gelegenheid. Er werd gekletst,
geouwehoerd, een kaartje gelegd en biljart gespeeld.
En ’s avonds schonk Leen ook wel eens een neutje onder de
toonbank. De stemming kwam er dan pas goed in.
Leen hing zijn horeca-jas in 1973 aan de wilgen. Het
pand werd aangetrokken bij de geweermakers- en jachtartikelenzaak van de fa. H.J. Bremer, die al eigenaar was. Voortaan kon je op nr. 48 geen pilsje meer drinken maar waren
er spullen te koop die met de ruitersport te maken hadden.
Sinds 2011 laten dames zich er exclusief aankleden bij Lady
Star Fashion.
186 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie Hogenkamp)
Tegenwoordig is in het pand Luttekestraat 48 een modewinkel gevestigd. (Foto: Annèt Bootsma)
ZHT4 2016.indd 2 11-1-2017 13:39:54
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 187
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 186
Jan ter Pelkwijk (1769-1834)
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
Jan Bijlsma 188
Een jeugd in de Vlasakkers, 1942 – 1955
Annèt Bootsma – van Hulten 201
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 14: Het pakhuis van
Herman Brood Jan van de Wetering 210
‘Veel heil en zegen in het Nieuwe Jaar!!!’
Een nieuwjaarsbrief in oorlogstijd
Geert Banck 220
Boeken en Recent verschenen 223
Mededelingen /Auteurs 225
Redactioneel
Er zijn weinig Zwollenaren die vernoemd
zijn op de kaart van Zwolle. Er zijn maar
heel weinig Zwollenaren die twee keer vernoemd zijn. Dan moet je wel een heel belangrijke
Zwollenaar zijn geweest, iemand van het kaliber
Thorbecke, Thomas a Kempis of Johan Derk van
der Capellen, van wie overigens alleen de eerste
inderdaad twee keer is vernoemd. Maar het is ook
een tegenwoordig wat onbekendere grootheid
gelukt: Jan ter Pelkwijk. Hij heeft het tot een park
en een straat gebracht. Deze Ter Pelkwijk, notabele, provinciaal bestuurder, publicist, geleerde,
actief lid van de Maatschappij tot Nut van het
Algemeen, begaan met de Stadsarmeninrichting
en bovenal geïnteresseerd in onderwijs en een
groot kindervriend staat centraal in het artikel van
Jan Bijlsma.
Hoe relatief roem is blijkt uit de volgende
episode van het vervolgverhaal van Jan van de
Wetering over Zwolle in de jaren zestig. Enigszins
buitensporige ambities tot cityvorming hadden Ter
Pelkwijk – straat, zowel als park – samen met de
Wilhelminasingel bijna van de kaart geveegd. Met
de cityvorming volgde Zwolle de landelijke trend.
En, zo valt uit de Zwolse Courant op te maken,
dat gebeurde ook, zij het op een afstandje, met de
nieuwe muziekvoorkeuren van de jeugd en het
fenomeen van de politieke actie.
Het derde grotere artikel gaat over de herinneringen van emerituspredikant Hans van der
Horst aan zijn jeugd in de Vlasakkers, waar zijn
vader een kruidenierswinkel had. Een relaas over
de Indische Buurt en ruime omgeving in de jaren
veertig en vijftig van de vorige eeuw. Het nummer
wordt gecompleteerd met een suikerzakje van
Backers in de Luttekestraat en een nieuwjaarsgroet van honderd jaar geleden. De redactie sluit
zich natuurlijk volledig bij de goede wensen aan.
Coverfoto: Portret van Jan ter Pelkwijk, omstreeks
1830 geschilderd door Jacobus Schoemaker Doyer.
(Collectie SMZ)
ZHT4 2016.indd 3 11-1-2017 13:39:55
188 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Jan ter Pelkwijk (1769-1834)
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
In het Stedelijk Museum Zwolle hangt een door
Jacob Schoemaker Doyer geschilderd portret van
Jan ter Pelkwijk. Volgens zijn biograaf Gerrit Luttenberg is Ter Pelkwijk daarop afgebeeld zoals hij
op woensdagavonden de wetenschappelijke cursus
voor een select clubje belangstellenden placht te
houden. In zijn linkerhand houdt hij een Goudse
pijp vast, die ook als aanwijsstok dienst doet.1 Jan
ter Pelkwijk zal zo rond de zestig jaar oud zijn
geweest toen dit schilderij gemaakt is. Hij stond
op het toppunt van zijn roem. In 1825 had hij
op verzoek van de gouverneur van de provincie
Overijssel een boek geschreven over de vreselijke
watersnoodramp die het gebied rond de Zuiderzee
had getroffen. Het boek werd een bestseller avant
la lettre en de opbrengst kwam ten goede aan de
slachtoffers van de ramp. En vervolgens was 1828
het jaar waarin een ‘welingerigte’ kleine kinderschool tot stand was gekomen. Ter Pelkwijk had met
hart en ziel aan de totstandkoming ervan gewerkt.
Voor hem was het een blijk van erkenning dat in
1830 koning Willem I de school bezocht. Het was
zijn levenswerk, zijn troetelkind. De school was een
groot succes en had een landelijke uitstraling.
‘Een licht onder zijn tijdgenoten’
Gerrit Luttenberg was niet zuinig met zijn loftuitingen op Ter Pelkwijk. ‘Een licht onder zijn tijdgenoten’ werd hij genoemd en de intellectuele elite
van Zwolle was het daar roerend mee eens. Ter
Pelkwijk was inderdaad een buitengewoon geleerd
mens. Hij had onder meer aan de universiteit van
Harderwijk gestudeerd en mocht de kennis die
hij had opgedaan graag etaleren. Toen het bestuur
van de Zwolse Stadsarmeninrichting hem dan ook
benaderde met het verzoek om voor een select
gezelschap een wetenschappelijke cursus op te
zetten, was hij na wat ritueel tegenstribbelen daar
graag toe bereid. Het moeten memorabele bijeenkomsten zijn geweest. Ter Pelkwijk maakte zich
er niet met een Jantje van Leiden af. Hij bereidde
zich altijd grondig voor, wat vaak op nachtwerk
neerkwam. In het vertrek waar de cursus gehouden werd, was voor niet meer dan dertig belangstellenden plaats. Ter Pelkwijk zat op een stoel
en links van hem was een bord opgesteld waarop
allerlei figuren waren getekend en aan de wand
hingen tal van platen en plattegronden. En, zoals
al gezegd, de pijp diende als aanwijsstok. Dat hij
anderhalf uur achtereen uit z’n hoofd sprak, vond
men heel bijzonder.
Ter Pelkwijk sprak bij voorkeur over Bijbelse
geschiedenis. Maar als hij het over Salomo had
Rechts:Het titelblad van
‘Overijssels Watersnood’ door Jan ter
Pelkwijk. (Heruitgave
2002)
Jan Bijlsma
ZHT4 2016.indd 4 11-1-2017 13:39:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 189
dan schakelde hij net zo makkelijk over op het
thema scheepvaart en de onderlinge handel tussen de volkeren. Toen enkele aanwezigen met
het voorstel kwamen om de geschiedenis van
Overijssel te behandelen, wilde Ter Pelkwijk dat
verzoek graag honoreren mits hij voldoende tijd
zou hebben om eerst alles grondig te bestuderen.
Het was inderdaad geen half werk dat hij leverde.
De geschiedenis werd in ‘eene aaneengeschakelde
orde afgehandeld, en het laat zich vanzelve denken dat ook bij de behandeling van dit onderwerp
alles aangevoerd en te berde gebragt werd, wat uit
de algemeene Geschiedenis en die des Vaderlands,
uit de Aardrijks- en Natuurkunde en uit de zeden
en gewoonten der Volkeren licht en belangrijkheid kon aanbrengen.’2 Ter Pelkwijk leverde duidelijk geen half werk. Je zou kunnen zeggen dat hij
naar perfectionisme neigde.
Toen de cursus in november 1834 weer een
aanvang had genomen, gaf hij aan dat het hem allemaal wat te veel dreigde te worden. Hij zou daarom
in plaats van iets nieuws graag nog eens zijn eerste
les willen herhalen. Aldus geschiedde. Helaas bleek
deze les ook de laatste te zijn. Op weg naar huis
voelde hij zich niet goed. Zijn vrienden moesten tot
hun leedwezen vaststellen dat de toestand van hun
zo gerespecteerde vriend zienderogen verslechterde. Na een ziekbed van vijf dagen kwam Jan ter
Pelkwijk te overlijden, op 18 november. Een van de
aanwezige bestuursleden verkeerde in de stellige
overtuiging dat Ter Pelkwijks laatste woorden ‘de
armeninrichting’ waren geweest. Echt onwaarschijnlijk is dat ook niet omdat hij onnoemlijk veel
tijd en energie in de in 1820 door de Maatschappij
tot Nut van het Algemeen opgerichte Stadsarmeninrichting had gestoken.
Spektakel
De begrafenis vond plaats op 22 november 1834
op de recent (1824) aangelegde algemene begraafplaats aan de Meppelerstraatweg en was een
spektakel zonder weerga. Vrijwel de hele burgerij
was aanwezig. De lijkkoets die geëscorteerd werd
door twaalf hoofdonderwijzers, werd voorafgegaan door kinderen van de Stadsarmeninrichting.
Samen met de kinderen die de lijkkoets volgden
waren dat er vierhonderd in totaal. In de stoet
bevonden zich verder onderwijzers, bestuurders
van de gemeente en de provincie, de curatoren
van de Latijnse school, de Schoolcommissie en het
Nut. Naast de gebruikelijke toespraken zongen de
kinderen een treurzang.3
Dat Jan ter Pelkwijk op zo’n indrukwekkende
wijze begraven werd, was niet zo verwonderlijk.
Hij was een van de meest gerespecteerde notabelen van Zwolle. De in 1769 in Heino geboren
domineeszoon ging al op zijn zevende jaar naar
de Franse school te Barneveld, waar hij de vakken
geschiedenis, natuurkunde, wiskunde en aardrijkskunde volgde. Vier jaar later bezocht hij de
Latijnse school te Zwolle. Als zestienjarige vertrok
hij naar het Athenaeum Illustre te Deventer, waar
hij vooral wiskunde studeerde. In 1790 promoveerde hij als jurist en filosoof te Harderwijk.4
Portret van Jan ter
Pelkwijk, omstreeks
1830 geschilderd door
Jacobus Schoemaker
Doyer. (Collectie SMZ)
ZHT4 2016.indd 5 11-1-2017 13:39:56
190 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Daarna leefde hij vijf jaar ambteloos thuis in de
vaderlijke pastorie, alleen verdiept in de wetenschap en gratis les gevend aan boerenjongens
die lezen noch schrijven konden.5 Vanwege zijn
kennis van de Franse taal vervulde Ter Pelkwijk
tijdens de Franse tijd (1795-1813) tal van functies
binnen het provinciaal bestuur. In 1798 werd hij
griffier van de Provinciale Staten en verhuisde
hij naar Zwolle. Na 1814 werd hij Zwols lid van
de Provinciale Staten en was hij regelmatig lid
van het College van Gedeputeerde Staten. Deze
bestuursfuncties verschaften hem financiële
onafhankelijkheid. Maar waar hij echt warm voor
liep dat was het onderwijs. Al in 1800 was hij
medeoprichter van de Zwolse Nutsschool geweest.
Toen deze instelling rond 1806 (voorlopig) alweer
werd opgeheven, begon Ter Pelkwijk aan jongens
met uitzonderlijk talent huisonderwijs te geven.
Tot aan zijn dood had hij altijd wel enkele van
deze ‘kwekelingen’ onder zijn hoede, onder wie
Johan Rudolf Thorbecke. Bij het herstel van het
hoger onderwijs in 1815 na de Franse tijd had
Ter Pelkwijk met onder meer Rhijnvis Feith zitting in het College van Curatoren van de Latijnse
School.6 Voor zijn biograaf Gerrit Luttenberg
stond het vast dat van alles wat voortreffelijk was
in het karakter van Ter Pelkwijk de kinderliefde de
grootste en meest sprekende trek was.7 Zijn grote
‘passie’ was de in 1828 opgerichte ‘welingerigte
kleine kinderschool’.
Om deze prestatie naar waarde te schatten
doen we er goed aan deze tegen de achtergrond
van de hervorming van het onderwijs aan het eind
van de achttiende en het begin van de negentiende
eeuw te plaatsen.
Onderwijshervorming
Aan het eind van de achttiende eeuw was onderwijshervorming een onderwerp dat hoog op de
maatschappelijke agenda stond. Dit had te maken
met de toen heersende overtuiging dat ‘het geluk
eens volks, eener borgerlyke maatschappy juist
zo groot [is] als het geluk van alle de byzondere
menschen, van alle borgers t’zamen genomen.’8
Dit citaat komt uit het tijdschrift De Borger en
de gedachte dat persoonlijk en maatschappelijk
geluk vervlochten waren, vond veel weerklank in
kringen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Het Nut was in 1784 opgericht en beoogde
de positie van ‘het volk’ te verbeteren. Langs deze
weg zou het verval waar de Republiek mee te kampen had een halt toegeroepen kunnen worden. In
Nutskringen ging men er van uit dat het herstel
pas mogelijk was als de gehele bevolking een
bepaald cognitief beschavingsniveau had bereikt
en daarmee burger van de natie was geworden.9
Herstel werd mogelijk geacht door verbetering
van het onderwijs. Zo rond 1790 was de toestand
van het onderwijs inderdaad ronduit zorgwekkend. Volgens hedendaagse maatstaven moet
het onderwijs echt een rommeltje zijn geweest:
leerlingen zaten door elkaar, met leeftijd en niveau
werd geen rekening gehouden. Er werd hoofdelijk
les gegeven, wat wil zeggen dat elk kind individueel bij de lessenaar van de schoolmeester werd
geroepen om te worden overhoord, het werk te
laten nakijken en een nieuwe opdracht te krijgen.
Om het rumoer een beetje binnen de perken te
houden werd er zo nu en dan een fikse tik uitgedeeld. Een punt van kritiek was ook dat leren
beperkt bleef tot het instampen en dat inzicht
nauwelijks werd gestimuleerd. Verder werd kinderen ingeprent om uit angst voor straf, door God
of mens toegediend, braaf te zijn en trouw aan de
kerk.10
De wens om tot een onderwijshervorming te
komen werd gevoed door tal van nieuwe opvattingen over opvoeding en onderwijs. Volgens
filosofen als John Locke en Jean-Jacques Rousseau
was het jonge kind te ‘vormen’. Opvoeden werd
zodoende meer een creatieve in plaats van een
voornamelijk corrigerende activiteit. Belangrijk
was ook dat de redelijke vermogens van het kind
werden aangesproken.
Binnen het Nut bleek men zeer ontvankelijk
te zijn voor dergelijke nieuwe, verlichte ideeën
over opvoeding. Zo had je in Duitsland de filantropijnen die vonden dat kinderen als kinderen
behandeld moesten worden en niet als volwassenen, dat kinderen veel lichamelijke oefeningen
moesten doen, dat onderwijs in aardrijkskunde
en geschiedenis belangrijk was en dat er aandacht
aan muziek en tekenen besteed moest worden.
Jan Hendrik Swildens (1745-1809), die zich tot de
ZHT4 2016.indd 6 11-1-2017 13:39:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 191
onderwijsideoloog van het Nut zou ontwikkelen,
was een half jaar in het Filantropinum in Dessau
geweest en liet zich door die opvattingen sterk
inspireren.11
Nederland was niet het enige land dat zich
druk maakte om de verbetering van het onderwijs, maar wat Nederland onderscheidt van de
omringende landen was dat het zwaartepunt van
de discussie eigenlijk voortdurend bij het elementaire onderwijs heeft gelegen. Hier ging de discussie van meet af aan over wat later de ‘volksschool’
zou gaan heten. Deze discussie vond plaats binnen
het grote kader van het debat over het nationale
verval en het daarin vervatte nieuwe burgerbegrip.
Voor het programma van nationaal herstel werd
opvoeding van het lagere volk een hoofdpunt.
En zo richtte zich de aandacht automatisch op
de school als bij uitstek de instantie waarvan het
bereik zich ook tot armen uitstrekte en bovendien
op een leeftijd dat hun karakter nog niet definitief
was gevormd.12
Vader van de behoeftige volksklasse
Het is aannemelijk dat Jan ter Pelkwijk als lid van
het Zwolse departement van het Nut vanuit een
dergelijk perspectief naar de wereld om zich heen
heeft gekeken. Voor hem sprak het vanzelf dat
onderwijs een belangrijk middel was om armoede
te bestrijden. Ook in Zwolle was armoede een
immens probleem. Rond 1820 waren ruim 1400
Zwollenaren – 10 procent van de bevolking –
afhankelijk van de een of andere vorm van bedeling. Blijkens een rapport waren er in Zwolle veel
arme kinderen die ondervoed waren en nauwelijks kleren hadden ‘om hunnen naaktheid’ te
bedekken.13 Vanuit het Nut werden acties ondernomen om direct de nood te lenigen. Zo werd
in 1815 een commissie ter uitdeling van onder
andere spijzen ingesteld. Deze zorgde er van 1817
tot 1820 voor dat de arme inwoners van Zwolle
‘niet door honger verteerd, noch door koude verkleumd’ werden.’14 De door het Nut geboden hulp
bleef niet beperkt tot deze voedseluitdelingen. In
1820 werd door het Zwolse Nut de armeninrichting opgericht. De doelstelling was ‘verbetering
van het lot der Armen en behoeftigen, door middel van arbeid en onderwijs.’ Ter Pelkwijk kwam
in het bestuur daarvan, en ‘van nu aan’, aldus zijn
biograaf, ‘werd de Stads Armeninrigting het middelpunt van zijn werkzaamheden, de verspreiding en verlichting en beschaving en van zijne
pogingen ter uitbreiding en verbetering van het
De naam van Jan ter Pelkwijk prijkt prominent op het eerste blad van de ledenlijst van de Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen uit 1809, evenals die
van Rhijnvis Feith. Het Nut telde toen negentig leden. (Collectie HCO, archief
Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen)
ZHT4 2016.indd 7 11-1-2017 13:39:57
192 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
lager onderwijs, inzonderheid aan de behoeftige
volksklasse.’15 Ter Pelkwijk was onvermoeibaar in
zijn streven om van die armenschool een succes
te maken. Zijn motivatie moet hij ongetwijfeld
geput hebben uit het optimistisch besef dat kennis mensen op een hoger plan kan brengen. Hij
bemoeide zich met alle facetten die dit werk met
zich meebracht. Hij bedacht leermiddelen, gaf
adviezen over de lesinhoud, gaf les aan toekomstige leerkrachten en als het zo uitkwam, gaf hij
ook nog eens les aan de kinderen. Die waren erg
op hem gesteld. ‘Ome Jan’ werd hij door hen wel
genoemd.16
Jan ter Pelkwijk kan volgens Luttenberg met
recht als ‘den vader van geheel de behoeftige
Volksklasse’ worden beschouwd ‘die alles aanwendt, wat tot hun geluk en tevens tot hun genoegen kan strekken.’ Wat hem uiteindelijk nog de
meeste voldoening zou geven, was de opzet en de
uitbouw van de ‘welingerigte’ kleine kinderschool.
Het zou zijn troetelkind worden.17
Ter Pelkwijks troetelkind, de ‘welingerigte’
kleine kinderschool
Het onderwijs, of beter gezegd de opvang, aan
kinderen van 2 tot 6 jaar werd door zogenaamde
matressenschooltjes verzorgd. Het was waarschijnlijk de meest abominabele vorm van onderwijs. In Zwolle waren er in 1827 39 van dergelijke
bewaarschooltjes. Aan schoolgeld waren de
ouders 5 tot 10 cent per week kwijt.18 De kwaliteit van deze schooltjes liet vaak danig te wensen
over. In 1821 gaf een Haagse hoofdonderwijzer
een weinig lovende beschrijving van een dergelijk
schooltje: ‘In vele dier schooltjes was ik niet bij
magte, wegens stiklucht of onreinheid binnen
te gaan; er werd niets degelijks geleerd, noch bij
het kind ontwikkeld; slechts razen, vechten en
twisten hoorde men er, totdat de maters tusschen
beiden kwam, om de kleinen tot bedaren te brengen, doch sommige vrouwen waren te oud en te
gebrekkig, om eenige orde te kunnen handhaven,
al hadden zij er behoefte aan gevoeld.’19
In Nederland komt er voor dit onderwijs
aan jonge kinderen echt beweging in de zaak als
koning Willem I in 1827 de gouverneurs van de
provincies oproept om ‘welingerigte’ bewaarscholen tot stand te brengen naar het voorbeeld
van de in dat jaar in Brussel opgerichte modelbewaarschool van de Maatschappij tot Nut van ’t
Algemeen.
De raad van de stad Zwolle schoof het verzoek
van de gouverneur van Overijssel door naar de
schoolcommissie en het Zwolse departement van
de Maatschappij tot Nut van het Algemeen die het
naar de in 1820 opgerichte Stadsarmeninrichting
doorschoof.20 En daar hoorde dit verzoek ook
helemaal thuis. De Zwolse raad zag er wel wat in
dat deze nieuwe welingerigte kleine kinderenschool zich zou kunnen ontwikkelen tot een lichtend voorbeeld voor toekomstige bewaarscholen.
Omdat het in deze school meer dan alleen maar
om oppassen of bewaren zou gaan, werden er
extra eisen aan de toekomstige matressen gesteld.
Het nieuwe was dat er ruimschoots aandacht aan
de ontwikkeling van de verstandelijke en zedelijke vermogens besteed moest worden. Dit was
belangrijk omdat: ‘de kinderen in die jaren aan
zichzelve overgelaten wordende, zoo neemt derzelve ontwikkeling veelal eene verkeerde rigting
aan: zij vestigen op niets hunne aandacht, gewennen zich tot altoosdurend speelen, verkrijgen van
geenerhande zaken naauwkeurige denkbeelden
en hunne zielsvermogens geraken, als het ware
aan het sluimeren.’21
Anders dan in de matressenschooltjes was
over dit nieuwe onderwijs aan jonge kinderen
echt nagedacht. De lessen waren zeer aanschouwelijk en ze sloten aan bij de belevingswereld
van de kinderen. In Duitsland was deze aanpak
geïntroduceerd door de filantropijnen en de
pedagoog Johann Heinrich Pestalozzi (1746-
1827), waar Ter Pelkwijk een groot aanhanger
van was.22 Verder liet Ter Pelkwijk zich inspireren door de Groningse onderwijzeres Alberdina
Woldendorp die de Praktische handleiding voor
onderwijzeressen der aanvangs- of kinderscholen
en die der vrouwelijke handwerken voor jeugdige
meisjes (1827) had geschreven. Haar verdienste
was dat ze goed toepasbare aanwijzingen gaf
voor de dagelijkse praktijk van het trainen van
waarneming, gehoor en gevoel van kinderen,
waarmee ze in de lijn stond van de onderwijsopvattingen van het Nut.23
ZHT4 2016.indd 8 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 193
De lessen op de Zwolse kleine kinderschool
bestonden uit duidelijk leren spreken, opmerken
en onderscheiden van voorwerpen, eenvoudige
meetkunde en lezen (alleen voor de oudste kinderen). Geheel in de lijn van de filantropijnen werden er spelletjes en lichaamsoefeningen gedaan.
Het speelmateriaal bestond uit een hobbelpaard,
hoepels, tollen en knikkers.
Het Nut en de welingerigte kleine kinderschool
Dat de welingerigte kleine kinderschool sterk op
het gedachtegoed van het Nut leunt is zonneklaar.
Het was een Nutslid als Ter Pelkwijk te doen om
het brengen van beschaving, om ‘opbeuring’ en
verheffing van de lagere stand. De beschavingsarbeid kon beginnen bij het taalgebruik van de
kinderen. Ook in Zwolle werd daar blijkens het
verslag uit 1834 aan gewerkt:
‘In de eerste plaats oefent men hen in het
opnoemen en aanwijzen der deelen van het eigen
ligchaam, en daarbij gezamenlijk spreken, b.v.
Dit zijn mijn ooren, wat doet gij met de ooren?
hooren met de ooren kan ik hooren enz. De uitspraak der hier op gegeven woorden is hier vooral
noodig, daar men in het Zwolsche dialect de letter
h gewoonlijk laat hooren wanneer zij niet noodig
is en integendeel verzwijgt waar zij vereischt is.’24
Het volk is ‘verbasterd’, het spreekt onverstaanbare
dialecten en daar moet iets aan gedaan worden.25
Ter Pelkwijk moet deze opvatting gedeeld hebben.
Pas in de twintigste eeuw zouden pedagogen een
ander geluid laten horen. Zo was de uit Zwolle
afkomstige veelzijdige onderwijsman Willem
Kloeke (1852-1934) van oordeel dat Zwolse kinderen die voor het eerst naar school gingen niet
goed werden opgevangen omdat ze direct met het
‘deftige’ Hollands werden geconfronteerd. Het
zou veel beter zijn de kinderen in het Zwols op
te vangen. Van leerkrachten in het Zwolse lager
onderwijs mocht je verwachten dat ze het Zwols
beheersten. Willem Kloeke heeft veel verhalen in
het Zwolse dialect geschreven, die in 1931 werden
uitgegeven onder de titel Zwolsche Sketsies.26
En laat nu een van die sketsies uitgerekend over
Jan ter Pelkwijk gaan, door hem de ‘Zwolsche
Pestalozzi’ genoemd. Ter Pelkwijk wordt door
hem als een voorbeeldig pedagoog getekend:
‘D’er was in diie tied ’n skooelopziiender, diie biej
zien skooelbezuken niks anders deed dan onderzuken, wat de kinders van ’t iiene en ’t ander wisten; an
d’uutblinkers gaff-e dan ’n klein papiertien doeur
met zien naeme d’er onder op e-drukt ston:
“Ik ben over U te vrede.
De Schoolopziener.”
‘k Wete niiet of diie skooelopziiender ook nô
de kennisse van Nederlandsche tael informeeren
en of t’er nog meer schooelopziienderas zokke
mooie papierties zonder adres uut-deelen, maer
‘k wete wel, dät Ter Pelkwijk dat veurbeeld niiet
volgen; iie ield niiet van zo’n iiewigdurend papieren bewies van tevrèdeneid; iie ad wat anders. Iie
droegh in de regel ’n eele lange jässe met ’n kneep
in de rugge en lange slippen met groote zakken
en in diie zakken att-e ôste altied appels, paeren,
nötten of ander läkkers veur de kinders, diie goed
adden op e-past.’27
In dit sketsie wijst Kloeke ook op het belang
dat Ter Pelkwijk aan goed zangonderwijs hechtte.
Willem Kloeke (1852-
1934) in 1925. (Uit:
Zwolsche Sketsies, foto
H. Deutman)
ZHT4 2016.indd 9 11-1-2017 13:39:57
194 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Naast populaire liedjes van Hieronymus van
Alphen zoals Jantje zag eens pruimen hangen werd
in het door het Nut geïnspireerd onderwijs veel
waarde gehecht aan het zingen van volksliederen
waardoor liefde tot het vaderland bevorderd zou
worden.
Met de invoering van het klassikale onderwijs
binnen het lager onderwijs was ook het schoolklimaat veranderd. Om te bepalen of een kind naar
een volgende klas kon gaan, moesten kinderen
onderling vergeleken kunnen worden. Schoolrapporten deden hun intrede en vlijt en gedrag
werden beoordeeld. Er kwamen halfjaarlijkse examens en prijsuitreikingen. De prijzen bestonden
uit prenten of boekjes, zodat kinderen, geheel in
de geest van het Nut, een eigen boekenbezit konden opbouwen.28 Deze praktijk werd nu getuige
het Verslag uit 1830 ook naar de kleine kinderschool overgeheveld:
‘Dat bij iedere school en telken schooltijd,
behoorlijke aantekening wordende gehouden
van het gedrag der kinderen, er jaarlijks afzonderlijke openbare examens en prijsuitdeelingen
worden gehouden van de kleine kinderschool (…)
weze examens steeds opgeluisterd werden door
tegenwoordigheid van Zijne Excellentie de Heer
Gouverneur dezer provincie, (…) van Commissie
uit de onderscheidene nuttige inrigtingen in deze
stad, en vooral van de ouders der kinderen. Bij die
examens worden de meest verdienstelijke leerlingen, van Stadswege, met premien, bestaande
deels in boekengeschenkjes en deels van kledingstukken begiftigd. (…) Ter gelegenheid van het
examen der kleine kinderschool en de leerscholen
worden kinderen des avonds van die dag, in het
locaal der inrigting, op bier en brood onthaald.’29
In 1841 kon het bestuur van de Armeninrichting in zijn verslag er vol trots melding van
Fragment uit het verslag in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (23 juli 1830) van het bezoek van koning Willem I aan
Zwolle in juli 1830: ‘Zijne Majesteit bezigtigde, met blijkbare tevredenheid, de onderscheidene scholen enz., zag en hoorde met welgevallen eenige proeven van de wijze waarop de kinderen, ook zelfs die der school van de zoodanige beneden de zes jaren, werden onderwezen, en onderhield zich daarover in het bijzonder met den heer Burgemeester en den heer Mr. J. ter Pelkwijk, welke laatste mede zoo
bijzonder veel aan den bloei der inrigting toebrengt’. (www.delpher.nl)
ZHT4 2016.indd 10 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 195
maken dat het onderwijs van de kinderschool duidelijk vruchten had afgeworpen. Een onderzoek
had aangetoond ‘dat de personen, die bij hunne
opneming tot de kring der bedeelden behooren,
grootendeels daaruit opgebeurd en tot de bijdragende leden van de burgerlijke maatschappij
opgeleid worden.’30 Van 600 oud-leerlingen waren
er 449 uit de behoeftige stand geweest; slechts één
verkeerde in 1841 nog in die staat. Van de 118
kinderen uit de bedeelde stand werden er op dat
moment nog drie bedeeld.31
Zwolle als trendsetter
Wat opvallend is in dit verhaal over het ontstaan
van de de welingerigte kleine kinderschool is dat
in de stad Zwolle zo snel gereageerd werd toen
koning Willem I in 1827 aan de gouverneurs van
de provincies de oproep deed om de bestaande
praktijk van bewaarschoolonderwijs te hervormen. De zaken werden voortvarend aangepakt.
Zo was op 20 oktober 1827 al vastgesteld aan
welke eisen de matressen nieuwe stijl moesten
voldoen. Ter Pelkwijk kreeg de taak toebedeeld
deze vrouwen op hun nieuwe taken voor te bereiden. Bij de beoordeling van hun geschiktheid lette
hij niet alleen op braaf gedrag, goedaardigheid en
kinderliefde maar ook op ‘de opslag van het oog’.
Op 14 augustus 1828 werden kinderen uitgekozen
om tot de school toegelaten te worden en op 29
september 1828, een jaar na de oproep, ging de
school van start met 35 leerlingen.32 De lessen
vonden plaats in het Renovatum, het gebouw van
de Stadsarmeninrichting aan de Blijmarkt dat
later werd afgebroken om plaats te maken voor
het Paleis van Justitie. Zwolle liep echt voorop. In
andere steden met toch ook een burgerlijke elite
die de beschavingsidealen van het Nut waren
toegedaan, werd in het geheel niet of soms veel
later op de oproep gereageerd. Zo kwam er in
Dordrecht in 1844 een stadsbewaarschool en in
Leeuwarden pas in 1850 een Armenbewaarschool.
Ook de aandacht die in Zwolle aan de scholing
van bewaarschoolhouderessen werd besteed, was
nieuw. Lange tijd was deze opleiding, ook wel
‘vormschool’ genoemd, uniek in Nederland. Ze
heeft ertoe bijgedragen dat het bewaarschoolonderwijs een schoolser karakter kreeg; lezen, schrijven en rekenen vormden de belangrijkste bezigheden. In 1836 kwam een soortgelijke opleiding
in Rotterdam tot stand, enkele jaren later gevolgd
door opleidingen in Den Haag en Groningen.33
Dat het in Zwolle zo snel is gegaan mag op het
conto van Jan ter Pelkwijk worden geschreven.
Met tomeloze energie heeft hij zich voor deze
school ingespannen. Is daar een verklaring voor te
geven? Waarom was hij eigenlijk zo gemotiveerd
om met deze onderneming van start te gaan? Om
een – voorlopig – antwoord op die vraag te vinden, loont het de moeite om datgeen wat Gerrit
Luttenberg in zijn Levensberigt over de persoon
Ter Pelkwijk te berde brengt eens nader te bekijken.
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
In dit artikel is al meerdere malen naar het Levensberigt van de Zwolse stadssecretaris Gerrit Luttenberg (1793-1847) verwezen. Het is aan hem
te danken dat de mens Jan ter Pelkwijk wat meer
reliëf heeft gekregen. Luttenberg was ook één van
de prominente leden van het Nut en volgens het
Biografisch Woordenboek van Van der Aa was hij
‘in nederige stand’ te Zwolle geboren, maar ‘beurde zich door eigen geestkracht en eigen verdienste
uit die laagte op, en steeg van trap tot trap tot de
waardigheid van secretaris van zijn geboortestad.’
Vrij snel na het overlijden van Ter Pelkwijk werd
het Levensberigt gepubliceerd. Het is een biografie
zoals die vaker in de negentiende eeuw werden
geschreven, namelijk van het type waarin de dode
een overdreven lofrede kreeg en die deed denken
aan de middeleeuwse hagiografie.34 Luttenberg is
inderdaad niet zuinig met zijn loftuitingen, maar
biedt daarnaast veel interessante informatie over
het leven van zijn held.
Het is voor Luttenberg boven alle twijfel verheven dat Ter Pelkwijk een ‘hoogst merkwaardig’,
in de zin van opmerkelijk, man is geweest. Wat
geleerdheid aanging stak hij met kop en schouders boven de gemiddelde Zwolse notabele uit.
De onderwerpen waar hij zich mee bezig hield,
waren, getuige de opsomming van Luttenberg,
zeer divers: Bijbelse geschiedenis, Griekse
beschaving, scheepvaart, tijdrekening, maten en
gewichten, wiskundige aardrijkskunde, natuurZHT4 2016.indd 11 11-1-2017 13:39:57
196 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
kundige aardrijkskunde, de sterrenhemel en de
wind.
Hij was niet alleen ‘merkwaardig’ omdat hij
een aantal opvallende prestaties had geleverd op
het gebied van het onderwijs, maar hij moet door
veel Zwollenaren door zijn doen en laten ook
wel merkwaardig in de betekenis van een beetje
vreemd zijn ervaren. Hij moet een enigszins zonderlinge man zijn geweest.
Luttenberg schrijft: ‘Waar men hem ook aantrof was hij steeds voorzien met onderscheidene
zakboekjes en losse papieren, op welke hij aantekeningen maakte, en met deze boekjes en papieren en onderscheidene kleine gereedschappen van
verschillende aard was hij steeds zoo zeer beladen,
dat de gewone zakken in zijne kleederen niet toereikende waren, om de geheele toestel te bergen;
zoo dat de panden van zijne jas, daarmede geheel
gevuld waren. (…) Die gewoonte, om aantekeningen te houden en steeds met onderscheidene zakboekjes en gereedschappen, als passerdoos, kompas enz. voorzien te zijn heeft hij tot aan zijnen
dood gehouden hetgeen hem in zijne dagelijkse
werkzaamheden van groot gerief was.’35
Voor Luttenberg is het boven alle twijfel verheven dat kinderliefde Ter Pelkwijks allergrootste
deugd is: ‘Nooit was hij gelukkiger dan wanneer
hij zich omringd vond door een groote schare kinderen, hoe jonger hoe liever, en onverschillig uit
welken stand der maatschappij; schoon men altijd
eene zekere voorkeur voor de behoeftige volksklasse, duidelijk bij hem heeft kunnen bespeuren.
Al die leerlingen op de Stads Armeninrigting, ten
getale van meer dan 800, kende hij meest alle bij
hunne namen, bij hun karakter, aanleg en gedrag,
en bij den graad der vorderingen die zij maakten.
In elke school en in elke klasse had hij zijne lievelingen, die met eenen kus of handdruk of ander
teeken van goedkeuring begunstigd werden. En
het kon niet anders, of de man, die met zoo vele
neergebogenheid en teedere liefde voor het welzijn en het genoegen der kinderen zorgde, moest
als een vader geëerd en bemind, en als de algemeene kindervriend beschouwd worden.’36
Jan ter Pelkwijk hield zielsveel van kinderen en liet
dat blijken ook. Het was zijn lust en zijn leven om
‘met arme kinderen dagelijks te verkeeren en aan
hunne onschuldigen spel en vermakelijkheden
deel te nemen.’37 Die hoogst geleerde man, met
zijn opschrijfboekjes, passer en kompas vond het
heerlijk om met de kinderen te tollen en te hoepelen. Dan was hij ‘Ome Jan’. Kunnen we zeggen dat
Jan ter Pelkwijk een pedofiel was? Ik denk het wel,
waarbij we ons goed moeten realiseren dat in die
tijd dat etiket nog niet de negatieve connotatie had
die het tegenwoordig heeft. Pedofilie is wat anders
dan pedoseksualiteit. Iets wat tegenwoordig nog
wel eens vergeten wordt. Het was overigens wel
kinderliefde in extremis en kon wel degelijk argwaan wekken. Zo bestaat er een brief uit 1927
waar de al eerder genoemde Willem Kloeke de
herinneringen van zijn ouders aan Jan ter Pelkwijk opschrijft. Hij deed dat op verzoek van de
heer G.A.W. ter Pelkwijk (1882-1964), die een
verre achterneef van Jan ter Pelkwijk was. Kloeke
schrijft in zijn brief hoe zijn grootmoeder, een
‘godsdienstige maar zeer bijgeloovige vrouw’, door
het doen en laten van de ‘zoo beminden kindervriend’ onaangenaam verrast werd:
‘Mijn moeder kwam als klein kind reeds vaak
met anderen in de stad en… leerde door andere
kinderen den zoo beminden kindervriend Ter
Pelkwijk kennen. Toen ze als tienjarig meisje eens
met haar moeder in de stad kwam, zag ze den
zoo gevierden man en liep, eer haar moeder ’t
kon verhinderen, naar hem toe. Ter Pelkwijk, die
voor dien tijd zeer ouderwets gekleed was, droeg,
zooals mijn moeder vaak vertelde, een lange donkergrijze jas. In die jas waren groote zakken, die
in den regel goed voorzien waren van kleine versnaperingen, prentjes of eenvoudige stukjes speelgoed voor kinderen. Ter Pelkwijk sprak moeder
en kind vriendelijk toe en gaf de kleine een lekkere
peer, maar mijn grootmoeder (de dochter van ’n
catechiseermeester), een godsdienstige maar zeer
bijgeloovige vrouw, die Ter Pelkwijk niet kende
en ontdekte, welk een betooverenden invloed die
zonderlinge mijnheer met zijn schrandere oogen
en toch zoo vriendelijken blik op de kleinen had,
en wel wetende, dat Satan zich soms vertoont in
de gedaante van een engel des lichts, wist haar
dochtertje met een enkel gebaar te beduiden, de
peer niet op te eten. Na van Ter Pelkwijk afscheid
ZHT4 2016.indd 12 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 197
genomen te hebben, nam ze de peer en gaf haar
kind een betere! Eerst heel veel later begreep mijn
moeder, wat haar moeder had gevreesd.’38
Uit het al eerder aangehaalde sketsie dat
Kloeke schreef, komt duidelijk naar voren dat
hij de reserves die zijn grootmoeder jegens Ter
Pelkwijk koesterde, niet deelde. Het slot van zijn
brief spreekt duidelijke taal: ‘Telkens en telkens
weer wisten mijn ouders wat te vertellen van den
zoo geachten Ter Pelkwijk en zoo werd deze paedagoog, dien ik nooit had gezien, voor mij als kind
een soort heilige en daardoor ook is het mij nu
nog zoo aangenaam eenige regelen aan zijne nagedachtenis te kunnen wijden.’39
‘Een afgetrokkene levenswijze’
Afgaande op de beschrijving van Luttenberg
kunnen we stellen dat Ter Pelkwijk een complexe
persoonlijkheid was. Hij was perfectionistisch. De
manier bijvoorbeeld waarop hij de wetenschappelijke cursus voor het bestuur van de Stadsarmeninrichting voorbereidde, maakt dit duidelijk.
Zonder nu direct zijn persoonlijkheid in een
pathologisch keurslijf te plaatsen, kunnen begrippen als obsessief en compulsief enig licht werpen
op zijn gedrag. Obsessieve mensen zijn heel sterk
op één onderwerp gericht en streven naar het in
detail perfectionistisch zijn. Dat hij zijn hele ziel
en zaligheid in de welingerigte bewaarschool legde, heeft iets dwangmatigs. Toch heeft dit obsessieve wel degelijk een enorme hoeveelheid energie
weten vrij te maken om dit project tot een groot
succes te maken.
Hoewel het Levensberigt veel weg heeft van
een hagiografie, heeft Luttenberg wel degelijk oog
voor enkele zwakke plekken van zijn held. Het
volgende fragment biedt een curieus kijkje achter
de schermen.
‘Het mag noodeloos geacht worden op te
merken, dat Ter Pelkwijk, niettegenstaande zijn
voortreffelijke hoedanigheden, even als alle
menschen, gebreken aankleeft; doch wij blijven
de waarheid getrouw, wanneer wij betuigen, dat
die onvolkomenheden niet zoo zeer uit het hart
voorkomen, maar hebbelijkheden waren, die
voornamelijk hare oorsprong ontleend uit de
De Diezerstraat
omstreeks 1910. Ter
Pelkwijk bleef altijd
wonen in een bovenwoning op nr. 31, het
pand rechts met de gele
luiken en de uitstaande
zonnewering. (Collectie
HCO)
ZHT4 2016.indd 13 11-1-2017 13:39:58
198 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
eenzelvige, afgetrokkene levenswijze, die hij in
vroegere tijd had aangenomen toen hij, zich nog
niet rechtstreeks met het Schoolwezen ingelaten
hebbende, de meeste tijd, buiten het gezellige
verkeer, op zijn kamer doorbragt. De goedaardige man konde echter niet lange uit zijn gewoon
zachte humeur blijven en zijn vrienden, die hem
nauwkeurig kenden, wisten zijn opwellingen
van drift en onvergenoegdheid altijd spoedig
te doen wijken, door zijne denkbeelden af te
leiden, tot het een of ander onderwerp, met het
Schoolwezen in verband staande, te trekken. En,
wanneer de rimpels niet spoedig genoeg van het
voorhoofd weken, dan nam men een ander en
altijd onfeilbaar middel te baat: men zorgde dat
er eenige kleine kinderen, uit zijne lievelingen,
met hem in betrekking kwamen, en, op het aanschouwen deze onnozele kinderen, geraakte zijn
Een jaar na het overlijden en de begrafenis van Jan ter Pelkwijk werd door de stad Zwolle te zijner nagedachtenis op zijn graf een aanzienlijk maar sober vormgegeven monument geplaatst. Het is tegenwoordig een rijksmonument, het is namelijk een van de oudste nog
bestaande gietijzeren grafmonumenten van ons land. (Foto Jan van de Wetering)
ZHT4 2016.indd 14 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 199
ziel terstond in haar gewone zachte stemming en
de armen werden tot de kinderen uitgestrekt en
bij de omhelzingen en liefkozingen der kleinen
verdwenen de sporen van onvergenoegdheid en
geheel het gelaat was opgehelderd.’40
Waar Luttenberg precies op doelt als hij het
over ‘hebbelijkheden’ heeft, is niet geheel duidelijk. Die hebbelijkheden zouden te maken hebben
met het gegeven dat Jan ter Pelkwijk lange tijd
nauwelijks deel had aan het sociale verkeer. Of
dat iets te maken had met zijn status als vrijgezel,
is moeilijk te zeggen. Hij moet in zijn gehuurde
bovenwoning aan de Diezerstraat 31 een tamelijk
geïsoleerd en eenzaam leven hebben geleid. Vanaf
het moment dat hij zich meer met het onderwijs
ging bemoeien, zou er verandering in die toestand
zijn gekomen. Toch scheen hij ook toen nog met
regelmaat geplaagd te worden door opwellingen
van drift en ‘onvergenoegdheid’. In voorkomende
gevallen bleken kinderen op wonderbaarlijke wijze zijn stemming positief te kunnen beïnvloeden.
Het zou interessant zijn om die kinderliefde
van Jan ter Pelkwijk eens nader onder de loep
te nemen. Helaas ontbreekt het ons verder aan
betrouwbare gegevens. Wat echter wel aannemelijk is, is dat zijn preoccupatie met kinderen hem
snel en voortvarend heeft doen reageren op het
verzoek van de koning. Het voorstel viel, zoals we
inmiddels weten, in vruchtbare aarde.
Epiloog
Het is ruim 180 jaar geleden dat Jan ter Pelkwijk
overleed. Zoals in het begin van dit artikel opgemerkt, was zijn begrafenis een spektakelstuk. Het
waren ook ronkende woorden die bij de groeve
gesproken werden. Dominee Van Senden zag
de zon daar onder gaan: ‘Hij was geene star, hij
was eene zon en die zon is ondergegaan voor
Nederland.’ Voor Gerrit Luttenberg was hij ‘een
licht onder zijne tijdgenoten’ en ‘een zeldzame en
gelukkige verschijning aan de zedelijke horizont.’
Lijnrecht tegenover deze loftuitingen staat het
enigszins misprijzende oordeel van Jean Streng
die in zijn boek over het Zwolse culturele leven
in de vroege negentiende eeuw tot de slotsom
komt dat Jan ter Pelkwijk de meest overschatte
Zwollenaar uit de eerste helft van de negentiende
eeuw is.41 Zelf geef ik er de voorkeur aan een
middenpositie in te nemen. Ter Pelkwijk is niet
een groot genie geweest die onsterfelijke meesterwerken heeft gewrocht of grootse ontdekkingen
heeft gedaan. Maar hij is wel een veelzijdig en in
alle opzichten merkwaardig mens geweest. Nu
wil ik meteen toegeven dat Ter Pelkwijk geen
wereldschokkende ontdekkingen heeft gedaan
of grote kunstwerken heeft gewrocht. Maar hoe
bescheiden dat ook geweest mag zijn; hij heeft wel
degelijk een pioniersrol gespeeld op het terrein
van het onderwijs. Met zijn verlichte opvattingen
over opvoeding en onderwijs en met zijn organisatievermogen en zijn enthousiasme heeft hij een
wezenlijke rol gespeeld in de eerste fase van het
ontstaan van het moderne kleuteronderwijs.
Maar zoals gezegd – Jan ter Pelkwijk was een
veelzijdig mens en dan in het bijzonder op het
intellectuele vlak. We mogen ons dan ook gelukkig prijzen dat de Stichting IJsselacademie Kampen in 2002 met een heruitgave van Ter Pelkwijks
verslag van de watersnoodramp van 1825 is gekomen. Volgens Gerrit Luttenberg was het verslag
‘door deskundigen als een meesterstuk in haren
soort beoordeeld geworden.’ Het is inderdaad een
goed leesbaar meesterstuk dat Ter Pelkwijks streven naar perfectie in positieve zin uit laat komen.
Als de tekst een indicatie is van de wijze waarop
Ter Pelkwijk les gaf dan valt het te begrijpen dat
zijn toehoorders daar met groot genoegen naar
geluisterd moeten hebben en dat de wetenschappelijke cursussen waar we dit verhaal mee begonnen zo memorabel waren.
Literatuur
Coronel, S., ‘De bewaarschool: Een schets van een matressenschooltje te Amsterdam in 1827 in 1827’. In:
Kruithof, B., J. Noordman, P. de Rooy (red.). (1982).
Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding,
bronnen, onderzoek. Nijmegen, SUN
Bakker, N., J. Noordman, M. Rietveld-van Wingerden
(2006). Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee &
Praktijk 1500-2000. Assen, Van Gorcum
Bloemhoff-de Bruijn, Ph. (2014). ‘Willem Kloeke’. In:
www.wieiswieinoverijssel.nl
Derde verslag van den staat der Stadsarmeninrigting te
Zwolle op den 1sten Januarij 1841. Zwolle, Tijl
Bootsma-van Hulten, A., ‘Herinneringen van Willem
ZHT4 2016.indd 15 11-1-2017 13:39:59
200 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Kloeke aan Jan ter Pelkwijk’. In: Zwols Historisch
Tijdschrift 26 (2009) nr. 3, 133-137
Hagedoorn, J. en W. van der Most, ‘De welingerigte
kleine-kinderschool van de Stadsarmeninrichting
te Zwolle (1827 tot ca. 1841)’. In: Zwols Historisch
Tijdschrift 3 (1986) nr. 4, 85-96 en 4 (1987) nr. 1,
1-12
Kloek, J. en W. Mijnhardt. (2001). 1800 Blauwdrukken
voor een samenleving. Den Haag, Sdu Uitgevers
Kloeke, W. ((1931) 1986). Zwolsche Sketsies, Kampen
Koenders, P. ‘Het Zwolse Nut’. In: Zwols Historisch Tijdschrift 18 (2001) nr. 4
Kruithof, B, ‘De deugdzame natie. Het burgerlijk beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen tussen 1784 en 1860’. In: Kruithof, B., J.
Noordman en P. de Rooy (red.) (1982). Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding, bronnen,
onderzoek. Nijmegen; SUN
Loo, L. Frank van (1981). ‘Den arme gegeven…’ Een beschrijving van armoede, armenzorg en sociale zekerheid in Nederland, 1784-1965. Meppel Amsterdam,
Boom
Luttenberg, J. (1835). Levensberigt van J. ter Pelkwijk.
Zwolle, Tijl
Pelkwijk, J. ter (2002). Overijssels Watersnood. Een
heruitgave van het verslag van de ramp van 1825.
Kampen, Stichting IJsselacademie
Streng, J.C. (1999). ‘Het is thans zeer briljant’ Aspecten
van het Zwolse culturele leven tijdens de overgang
van ancien regime naar moderne tijd. Hilversum,
Verloren
Streng, J.C. (2004). Zwols Biografisch Woordenboek. Een
draagbaar mausoleum. Hilversum, Verloren
Tweede verslag van den staat der Stadsarmeninrigting te
Zwolle op den 1sten Augustus 1834. Zwolle, Tijl
Voorhorst, M. ‘De deugd der Weldadigheid’ De maatschappij tot Nut van het Algemeen in Zwolle van
1815-1830. In: Zwols Historisch Jaarboek 1989,
25-57
Vries, Th.J. de (1961). Geschiedenis van Zwolle, dl. II,
Zwolle, Tijl
Wolf, H.C. de (1983). ‘Onderwijs en opvoeding in de
Noordelijke Nederlanden 1795-1813’. In: Algemene
Geschiedenis der Nederlanden, deel 11. Weesp, Fibula Van Dishoeck
www.wieiswieinoverijssel.nl (2014). J. ter Pelkwijk, bestuurder en bevorderaar onderwijs
Noten
1. Luttenberg 58
2. Luttenberg 59
3. Streng (1999) 205
4. wieiswieinoverijssel
5. De Vries 178
6. Bootsma 133-134
7. Luttenberg 73
8. Kloek en Mijnhardt 267
9. Kloek en Mijnhardt 261
10. De Wolf 38
11. Kloek en Mijnhardt 283
12. Kloek en Mijnhardt 285
13. Ten Hove 422
14. Voorhorst 33
15. Luttenberg 44
16. Voorhorst 46
17. Luttenberg 66
18. Hagedoorn en Van der Most (1986) 84
19. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 482
20. Hagedoorn en Van der Most (1986) 86
21. Verslag 1830, pag. xvi
22. Hagedoorn en Van der Most (1987) 3
23. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 486
24. Verslag 1834, pag. 29-30
25. Kruithof 366
26. Bloemhoff
27. Bootsma 134
28. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden
468, 469
29. Verslag 1830, pag. xxxvi
30. Verslag 1841, pag.12
31. Hagedoorn en Van der Most(1987) 8
32. Hagedoorn en Van der Most (1986) 88-91
33. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 487
34. www. kunst-en-cultuur.infonu.nl/biografie
35. Luttenberg 7 en 8
36. Luttenberg 73
37. Luttenberg 70
38. Bootsma 136
39. Bootsma 137
40. Luttenberg 72
41. Streng (1999) 23
ZHT4 2016.indd 16 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 201
Een jeugd in de Vlasakkers, 1942 – 1955
Annèt Bootsma – D van Hulten
e Vlasakkers is een klein straatje in de
Indische Buurt, gelegen tussen de Madurastraat en de hoek Javastraat / Riouwstraat. Oorspronkelijk was het een zijstraat van
de Thomas a Kempisstraat, vanuit de stad gezien
helemaal aan het eind gelegen, schuin tegenover
de ingang van de algemene begraafplaats aan de
Meppelerstraatweg. De aansluiting van de buurt
op de Meppelerstraatweg is eind jaren zestig verlegd, waardoor de Vlasakkers feitelijk een zijstraat
van de Madurastraat werd. Voor het gebied tussen de Meppelerstraatweg en de Nieuwe Vecht,
waarin de Vlasakkers gesitueerd is, werd in 1908
door woningbouwvereniging Openbaar Belang
een vergunning aangevraagd voor de aanleg
van straten, ten behoeve van 79 daar te bouwen
arbeiderswoningen.1 Het vormde het begin van
de Indische buurt, zo genoemd omdat de straten
namen kregen uit Nederlands Oost-Indië. Alleen
het stukje Vlasakkers draagt een afwijkende
naam, het is het laatste restant van de weg die in
de negentiende eeuw van de Meppelerstraatweg
schuin naar de oliemolens aan de Nieuwe Vecht
liep. De benaming ‘Vlasakkers’ is een verwijzing
naar de aanduiding en functie van het gebied voor
er huizen kwamen. De bouw van de volgende
tachtig woningen ging van start in 1921, groepsgewijs per twintig.2
De emerituspredikant Hans Pieter van der Horst
(geb. 1942) bracht zijn jeugd door in de Vlasakkers, waar zijn vader een kleine kruidenierszaak
had. Van der Horst studeerde eerst een aantal
jaren geschiedenis in Utrecht, maar zwaaide toen
om naar theologie, uiteraard uit overtuiging, maar
ook omdat hij meer direct contact met mensen
wilde. Hij was predikant in Friesland en NoordBrabant. Via de recentelijk overleden (december
2016) theologe Hebe Kohlbrugge kwam hij al als
student in contact met de destijds onderdrukte
kerkgemeenschap in Tsjecho-Slowakije. Dit resulteerde in een studietijd theologie in Praag en in
vruchtbare, intensieve en langdurige contacten
met christenen daar, die tot op de dag van vandaag
voortbestaan.
Van der Horst stamt uit een eigenzinnige
Zwolse familie, een volle neef van hem was bijvoorbeeld de (kunst)schilder Jan van der Horst
(1924-2014), die de replica van de Nachtwacht
schilderde die zich in Expo Madrid in Dalfsen
bevindt. In 2012 bracht Hans van der Horst
zijn familiearchief, bestaande uit fotoalbums en
documenten, onder bij het HCO. Naar aanleiding
daarvan sprak ik een aantal keren met hem. Zo
ontvouwde zich het verhaal van een gelukkige
jeugd in een buurt waaraan nog nooit aandacht in
dit tijdschrift is besteed, eenvoudig maar liefdevol, een herkenbaar tijdsdocument uit het sobere
en verzuilde Nederland van vlak na de oorlog.
De Vlasakkers, gesitueerd tussen de Thomas a Kempisstraat
/ Meppelerstraatweg
en de Riouwstraat /
Javastraat. Kaart uit de
jaren vijftig. (Particuliere collectie)
ZHT4 2016.indd 17 11-1-2017 13:39:59
202 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Hieronder volgt zijn relaas, over de laatste molenaar van Zwolle, over zijn Joodse ‘nichtje’, over het
verplichte meewerken als middenstandstelg.
Tuberculose
‘Ik ben geboren op 25 juni 1942, in het Sophia
Ziekenhuis. Mijn ouders waren in november 1940
getrouwd, laat voor hun leeftijd, vader was toen
al 41, moeder 30. Mijn vader was Klaas van der
Horst, geboren op 28 april 1899. Hij kwam uit een
gezin van dertien kinderen, waarvan de helft jong
overleed. Mijn moeder was Hendrikje Schurink,
geboren op 22 juni 1910. Haar roepnaam was
Hennie. Zij kwam ook uit een groot gezin, ze had
zeven broers en zusters. Ik was hun eerste kind.
Mijn broer Jaap werd in oktober 1943 geboren en
mijn zus Anneke in 1946. De P in mijn naam staat
voor Pieter. Mijn volle neef Pieter Reijenga, zoon
van vaders zuster Dina, stierf in 1934 op 17-jarige
leeftijd aan tuberculose. Naar hem ben ik vernoemd. Tbc zat in de familie. Mijn vader had
het ook gehad, hij had daarom in eerste instantie
geaarzeld om kinderen te krijgen.
Mijn grootvader Hendrik van der Horst (geb.
1860) was stoker. Volgens zijn zoon Frits werkte
hij bij de zoutfabriek “In Sale Salus” (in het zout zit
het heil) in de Waterstraat. Zijn oude zakhorloge,
dat hij na twaalf en half jaar dienstverband ontving, is in mijn bezit. Daarin staat gegraveerd
“H. v.d. Horst 1 Nov. 1893 – 1 Mei 1906”.
Mijn vader Klaas had alleen lagere school.
Hij heeft nog gevent met zakjes blauw Reckitt,
daarmee moest hij door heel Overijssel trekken.
Hij werkte eerst bij een sigarenbedrijf aan de Luttekestraat. Daar moest hij sigaren wegbrengen en
dan liep hij achter de tram aan in plaats van mee
te rijden, om een dubbeltje uit te sparen. In 1924
kon hij geld lenen bij de Nederlandse Kruideniers
Bond en begon toen een kruidenierszaakje aan de
Vlasakkers. Aanvankelijk bezorgde hij zelf op de
bakfiets, met een mand er op, de boodschappen.
Dat ging door de hele stad, wel tot Langenholte en
Schelle aan toe.
Mijn vader begon zijn winkeltje op de Vlasakkers nr. 6. Het pand was in bezit van Klaas van
Berkum, de schoonvader van zijn oudste broer Jan
van der Horst. Van Berkum woonde er zelf ook,
op 6a. In 1925 verhuisde hij. Daarop betrokken
mijn vader en grootvader Vlasakkers nr. 6a. Mijn
grootmoeder was al overleden. Grootvader is daar
tot zijn dood, op 23 juni 1940, blijven wonen.
Na een paar jaar kreeg Klaas tbc. Zijn zuster
Martha nam de zaak in die periode voor hem
waar. Hij lag in een sanatorium in Apeldoorn.
Toen hij terug kwam en de draad weer wilde
oppakken, bleken er alleen maar schulden te zijn.
Hij kon weer helemaal van voren af aan beginnen. Toen hij de zaak weer op de rit had, kwam de
oorlog. Ik weet niet hoe mijn ouders het in die tijd
gehad hebben. Ze zijn er met de winkel en twee
baby’s doorgekomen. Klaas had nog wel wat en
alles ging ten slotte door, het hele leven. Dit was
niet het westen van het land, dat scheelde ook.
Krediet
De verkoop in de winkel ging in mijn jeugd allemaal op krediet, er werd met boekjes gewerkt. Er
werd vaak pas betaald als de volgende boodschappen gebracht werden. Sommige mensen betaalden
zelfs pas als het boekje vol was. Mijn vader moest
Klaas van der Horst
(1899-1980) als jonge
man.
ZHT4 2016.indd 18 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 203
dat wel toestaan, bang als hij was om klanten te
verliezen. Hij hielp altijd veel mensen, met levensmiddelen en kredietverlening. Want veel van die
mensen hadden hem geholpen bij de opbouw van
de zaak en die wilde hij niet in de steek laten. Maar
het geld viel soms moeilijk binnen te krijgen. Ik
weet nog dat mijn ouders wel eens zeiden, als die
en die betaalden, dan zouden we lang op vakantie
kunnen. Een keer, ik was een jaar of twaalf, zei
mijn vader voordat ik naar de catechisatie in het
kerkelijk bureau in de Kamperstraat ging, als je
naar dit adres gaat en je krijgt het geld, dan mag je
het houden. Het betrof een gezin in de Javastraat
en het ging om een gulden of zestig, een behoorlijk bedrag in die tijd. Maar ik kreeg de deur voor
mijn neus dichtgesmeten. Dat kon dus flink oplopen met dat kredietsysteem.
Het pand Vlasakkers 6-6a zag er wat vreemd uit.
De voorkant bestond uit een vierkant blok van
twee verdiepingen met een plat dak, daarachter
lag een gedeelte in boerderijvorm. Het zat van
binnen ook ingewikkeld in elkaar. De achterkant
Wat hebben wij vandaag nodig? In het
boodschappenboekje
schreef je niet alleen op
wat je nodig had, maar
er was ook een ideeënlijstje, wat meteen ook
reclame maakte voor
de diverse leveranciers.
Deze mooie kleurenuitvoering dateert uit eind
jaren vijftig.
Vlasakkers 6-6a. Op de
zonnewering staat K vd
Horst, Levensmiddelen.
ZHT4 2016.indd 19 11-1-2017 13:40:00
204 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
van het huis was gewoon een boerderij, inclusief
een hooiberg. Vroeger woonde daar de voerman
D.J. Rietberg. Dat was in mijn kleutertijd nog het
geval. Ik herinner me zijn vrouw nog, die had als
stopwoord “Val d’ömme”. Daarna trok de melkboer, -venter en -rijder Hendrik van den Berg daar
in. Ons gezin woonde naast en boven de winkel en
ook nog gedeeltelijk boven het boerderijgedeelte.
Het was klein. Mijn broertje, zusje en ik sliepen
boven in een kamer met opklapbedden, anders
was er geen ruimte. Daarachter lag de keuken.
De slaapkamer van mijn ouders bevond zich aan
de achterkant, onder het schuine dak. Daar liep
ook nog een trap naar het magazijn beneden, een
houten trap die altijd netjes geboend was, maar
daardoor zo glad dat ik er wel eens naar beneden
gevallen ben. Op een winkeltje op de hoek van
de Sumatrastraat (van ene Banning) en de melkhandel van Van den Berg na, waren wij de enige
winkel in de buurt.
De molen van Marsman
Tegenover ons huis lag korenmolen de Vlijt,
niet te verwarren met die andere korenmolen,
de Beltmolen aan de Thomas a Kempisstraat,
vlak achter de Balistraat. Die was overigens al
afgebroken toen ik geboren werd. Verderop,
langs de Nieuwe Vecht, lagen natuurlijk de
oliemolens van de oliefabriek van Reinders. Wij
hadden het altijd over de molen van Marsman.
Molenaar J. Marsman (geb. 1876) was toen al
op leeftijd en kon het werk nauwelijks meer
aan.3 Als kinderen mochten wij hem op zondag
regelmatig een pannetje soep of vla brengen.
Mijn ouders hebben nog meegeholpen om hem
in 1954 een plaats in het Gereformeerde Rusthuis (tussen het Koewegje en het Blekerswegje)
te verschaffen. Daarmee ging de laatste echte
molenaar in Zwolle met pensioen. De molen
werd verkocht en de nieuwe eigenaar liet hem
in 1955 slopen.
Links: Het echtpaar
Klaas en Hennie van
der Horst-Schurink
(links) voor de winkel
met twee onbekenden.
Rechts: Hans van der
Horst als peuter met
zijn vader en een kennis uit Heino voor de
ingang van de winkel.
Het schuine dak van de
achterkant van het huis
is duidelijk te zien.
ZHT4 2016.indd 20 11-1-2017 13:40:00
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 205
Volksbuurt
Wij speelden met kinderen uit de buurt, zoals de
Java-, Riouw- en Sumatrastraat. Het was een echte
volksbuurt, er woonden arbeiders, lager administratief personeel en kleine handelaartjes. In de
Javastraat woonde een “communist”, die eens het
hele meubilair van een inwonende vrouw uit het
bovenraam op straat kieperde nadat hij haar het
huis uit had gezet. Dat gaf een geweldige oploop in
de straat, het was een echte rel.
Een prachtige plek om te spelen was voor
ons het oude tramstation van de DSM (Dedemsvaartse stoomtramwegmaatschappij), vlak om de
hoek van de Vlasakkers aan de Meppelerstraatweg, recht tegenover de ingang van de algemene
begraafplaats. Na het opheffen kort na de oorlog
van de tramlijn was er een machinefabriekje in het
voormalige stationnetje gevestigd. Ik heb daar nog
eens vastgezeten. Er waren onrechtmatigheden
geconstateerd op het terrein van de voormalige
remise, waar wij graag verstoppertje speelden. In
de veronderstelling dat wij de kwajongens waren
die dat op hun geweten hadden, werd ik in m’n
kraag gevat en naar binnen gesleept. Mijn broertje
Links: Korenmolen de
Vlijt aan de Vlasakkers, beter bekend als
de molen van Marsman. Op de achtergrond zijn de huizen
van de Madurastraat
zichtbaar. (Collectie
HCO)
Rechts: Hans van der
Horst met een onbekende jonge man op
de bok van een van de
wagens van molenaar
Marsman.
Onder: Hans (links) en
Jaap van der Horst met
sjerpen en een vlaggetje op Koninginnedag
1948. De foto is genomen op de Vlasakkers
voor hun huis, richting
Thomas a Kempisstraat
/ Meppelerstraatweg.
Het meisje is Willy van
der Vegte, een vriendinnetje uit de buurt.
ZHT4 2016.indd 21 11-1-2017 13:40:00
206 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
waarschuwde moeder: “Ze hebben Hans meegenomen!” Moeder kwam verhaal halen en kreeg
mij al gauw mee. Bij het weggaan braken mijn
zenuwen en schold ik de man achter het bureau
uit, waarvoor ik van moeder een flinke uitbrander
kreeg. Er waren trouwens wel meer mogelijkheden om te spelen, we woonden in feite aan de rand
van de stad, achter de Bankastraat lag toen nog
niks, alleen weiland tot aan de fabriek van Reinders.
Mijn vader kwam uit een arbeidersfamilie, mijn
moeder uit een middenstandsmilieu. Haar familie kwam oorspronkelijk uit Steenwijk. Mijn opa
Hendrik Schurink (1869-1940) ging als bakkersknecht in Zwolle werken. In 1927 liet hij een
bakkerszaak op de Thomas a Kempisstraat 103
bouwen. Maar omdat hij zwaar diabetes had, deed
hij die in 1933 over aan zijn zoon en diens vrouw.
Dat waren mijn oom Gé en tante Rinie Schurinkde Lange. Zij woonden boven de winkel. Opa
Schurink (1869-1940) en zijn jongste dochter,
mijn moeder, bewoonden de bovenste verdieping.
Schuin daartegenover was het schildersbedrijf
van mijn oom Jan van der Horst (de vader van
de kunstschilder Jan van der Horst) gevestigd, zo
hadden mijn ouders elkaar leren kennen. Mijn
moeder zou de verpleging ingaan, maar kreeg
toen kennis aan mijn vader.
Een veel oudere neef van mij, de zoon van de
oudste zus van mijn moeder, was dominee. Dat
was de eerste die studeerde in de familie, ik was
de derde. Mijn neef Jaap Schurink, ook een stuk
ouder, was de tweede. Hij is dierenarts geworden.
Tijdens de oorlog heeft hij zich als student nog
een keer in de hooiberg van Rietberg, onze achterburen, moeten verstoppen omdat er opeens
Duitsers in de winkel stonden, ze bleken uit te
zijn op flessen slaolie die in de etalage stonden.
Jaap was toen toevallig bij ons. Hij heeft aan
het eind van de oorlog nog voor de Canadezen
gewerkt.
“Ie wörren zeker ok dominee”
Voor de buurt waar we woonden was het wel
bijzonder dat ik na de lagere school naar de middelbare school ging, het christelijk lyceum aan de
Veerallee. “Ie wörren zeker ok dominee, ie gaon
naor ’t Lyceum.” Dat was ik helemaal niet van
plan, ik wou geschiedenisleraar worden. Want
een meneer Vijfhuizen op mijn lagere school,
de christelijke Koningin Emmaschool aan de
Jacob Catsstraat in de Wipstrik, kon schitterende
geschiedenisverhalen vertellen, over bijvoorbeeld
Napoleon en de slag aan de Berezina, ik krijg het
er nog koud van als ik er aan denk. Later op het
lyceum trof ik Jan van Dijl als geschiedenisleraar.
Hij wist alles over de Oranjes en andere vorstenhuizen en kende daar mooie anekdotes over. Hij
heeft zelfs een keer voor groothertogin Charlotte
van Luxemburg
mogen vertellen over voor haar onbekende
familieleden. Van Dijl bracht mij de eerste beginselen van de genealogie bij en leerde mij toneel
spelen. Ik heb veel aan zijn lessen gehad.
Wij liepen met de kinderen uit de buurt via de
Riouwstraat, de Borneostraat, de Vechtbrug en
de Vondelkade naar de lagere school. Ik kan me
nog herinneren dat tijdens de watersnoodramp in
1953 het water bij de Vechtbrug heel hoog stond.
Van de ramp zelf kreeg je eigenlijk nauwelijks
iets mee, maar dat hoge water, dat beeld blijft dan
hangen. Je liep heel wat af in die tijd, mijn beste
vriendjes op school woonden bijvoorbeeld op de
Philosofenallee en de Badhuiswal en daar ging je
lopend heen.
Hans van der Horst
met een parasolletje en
daarachter zijn neef
Jaap Schurink. De foto
is genomen voor het
huis op de Vlasakkers,
richting de Riouwstraat. Links begint de
Javastraat.
ZHT4 2016.indd 22 11-1-2017 13:40:00
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 207
Mijn Joodse “nichtje”
Zo’n zes maanden na mijn geboorte lag er opeens
een baby’tje bij ons op de stoep, een klein meisje
met heel donker haar. Mijn ouders hebben haar
naar het Sophia gebracht en de volgende dag
stond in de krant dat er een blond vondelingetje
gevonden was. Dat klopte niet, maar men vermoedde dat ze Joods was en dat wilden ze niet te
veel benadrukken. Er werden in de tweede helft
van 1942 in Nederland regelmatig Joodse kinderen te vondeling gelegd in de hoop ze zo van vervolging te redden. De Duitsers verordonneerden
begin 1943 dan ook dat iedere vondeling voortaan
als Joods zou worden aangemerkt tot het tegendeel was bewezen.
Mijn oom Frits, die het verhaal van de vondelinge hoorde, is meteen naar het ziekenhuis
gegaan en heeft haar mee kunnen krijgen. Hij en
zijn vrouw Roelie van der Hulst hadden geen kinderen, ze hebben het meisje opgenomen en uiteindelijk opgevoed. Zo werd Hetty, zoals ze genoemd
werd, mijn “nichtje”. Later bleek dat ze inderdaad
Joods was en uit Hengelo kwam en dat de verzetsmensen die haar hadden gebracht eigenlijk
eerst mijn oom en tante Schurink op de Thomas
a Kempisstraat in gedachten hadden gehad om
het kindje neer te leggen. Want ze wisten dat mijn
tante Rinie ook uit Hengelo afkomstig was. Maar
men had de situatie daar niet veilig gevonden en
zo waren ze bij een zus van de bakker, mijn moeder dus, uitgekomen. De ouders en

Lees verder