Categorie

Aflevering 4

Zwolse Historisch Tijdschrift 1991, Aflevering 4

Door 1991, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Lol
Historisch
fc«:W^^Jt
1
Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
8011 VN ZWOLLE
038-421 43 14
8E JAARGANG 1991 NUMMER 4
-*11 ‘” “Mff * •
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Op deze foto kijken we heel onbescheiden
even in de parochietuin van de RK St. Jozefkerk
aan de Assendorperstraat.
Deze kerk werd in 1933 in gebruik genomen. De
noodzaak voor een tweede katholieke kerk, naast
de al bestaande Dominicanenkerk, ontstond
door de sterke groei van de wijk Assendorp. Die
groei werd veroorzaakt door de komst van de
Centrale Werkplaats van de Spoorwegen naar
Zwolle.
In de tuin zien we een processie. De tijd waarin
processies door de wijk werden gehouden was
toen reeds voorbij. Gelet op het model van de
tuin is het aannemelijk, dat er reeds rekening was
gehouden met besloten processies.
Van oorsprong was Assendorp een wijk met
veel boerderijen, waarbij de tuinders de overhand
hadden. Op de achtergrond van de foto is dit landelijke
karakter nog goed te herkennen.
Op de nieuwe foto is de tijd van de processies
voorbij.
U ziet, naast uiteraard dezelfde parochietuin,
dat Assendorp is vol gebouwd. Het hoge gebouw
op de achtergrond staat op de hoek van de Wethouder
Alferinkweg en de Hortensiastraat.
Boven: Parochietuin van de St. Jozefkerk; oude
situatie. (Foto Hogenkamp)
Onder: Parochietuin van de St. Jozefkerk; nieuwe
situatie. (Foto Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
Redactioneel Inhoud
Het verleden kan soms meer tot onze verbeelding
spreken dan het heden. Zo kunt
u door dit nummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift te lezen al ijspret hebben, terwijl
anderen alleen maar nat worden van de regen.
Ook kunt u nog naar de authentieke stationskap
kijken, terwijl die inmiddels afgebroken is. Veel
moois wordt snel geschiedenis. Gelukkig zijn er
dan vaak foto’s gemaakt en bewaard. Met veel
plezier laten wij u die in ons tijdschrift zien.
Zo’n tijdschrift als het onze is bijna voor honderd
procent afhankelijk van de inspanningen
van onderzoekers die de moeite nemen hun bevindingen
op papier te zetten. Dit zijn lang niet
altijd professionele geschiedkundigen. Telkens
weer blijkt hoezeer mensen met zeer verschillende
achtergronden geboeid raken door elementen uit
het verleden en daar onderzoek naar gaan doen.
De drukte tijdens de Open Archieven Dag van 12
oktober 1991 toonde dat nog eens aan. Ter gelegenheid
daarvan wijdde de Zwolse Historische
Vereniging een tijdschriftnummer aan het Zwolse
gemeentearchief. Omdat de kas leeg was, konden
vier bijdragen niet meer geplaatst worden. Deze
willen wij u toch niet onthouden, omdat ze u wellicht
op ideeën brengen of moed geven om een eigen
onderzoek te beginnen. Alle geschiedschrijving
blijft uiteindelijk op het speurwerk in de archieven
gebaseerd. De betekenis van het Griekse
werkwoord historeo, te weten trachten te komen,
drukt dit goed uit. Zo opgevat zijn er gelukkig veel
historici in Zwolle. Wat zij over onze stad te weten
komen, laten wij graag in drukvorm zien.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp 122
Negentiende-eeuws ijsvermaak
Herman Aarts en Aranka Meyerink-Wijnbeek 124
De stationskap in Zwolle P.C. Wieringa, ir. C. Douma, J.J.deJong 133
De kunst van het zoeken J.C. Streng 137
Op zoek naar onze voorouders P. Jonkers-Stroink 140
Minnaars der deugdbevordering J.H. Drentje 143
Het verleden van een huis W.A. Huijsmans 147
Recensies 151
Mededelingen 152
Omslag: J. W. Meyere, Kortebaanwedstrijd op de
stadsgracht in Zwolle, 1886. (foto: POM)
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negentiende-eeuws ijsvermaak
‘Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan! Geen volk ter wereld
is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van het schoeisel op den
geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den Nederlander dansschoenen
aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem uit metjagtstevels;
schoei hem met de treurspellaars of den blijspelmuil; gij verandert daarmede
den man niet. Hij wordt daarom nog geen ware danser, ruiter,
jager ofkomediant. Hij blijft een Nederlander die danst, rijdt, jaagt of
komedie speelt. Maar geef den Nederlander een paar schaatsen onder de
voeten, en hij is geen Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel
schaatsenrijder, als ooit een Spanjaard danser, een Engelsman ruiter, of
een Franschman komediant was. Hij is een man-schaats geworden.
Herman Aarts
Aranka Meyerink-
Wijnbeek Deze beschrijving in het aardige boekje van
J.W. Kirchner geeft op een illustratieve
manier aan hoezeer het vermaak op het
ijs in onze cultuur is ingebed. Het schaatsenrijden
op stadsgrachten, vaarten, plassen en rivieren gaf
de gelegenheid om vrienden of familie te bezoeken
en nieuwe vriendschappen te sluiten. Het ijs
nodigde de mensen als het ware uit tot het vieren
van een winters feest. Het schaatsenrijden is een
echt volksvermaak waaraan door alle sociale lagen
en door alle leeftijden kan worden deelgenomen.
Tot en met de achttiende eeuw was er in strenge
winters sprake van een echte kermis op het ijs,
compleet met muzikanten, wafelkramen en mallemolens.
Hoe het in de vorige eeuw toeging blijkt
uit de volgende schets in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant over de winter van 1895:
‘Een gedeelte van de baan was smaakvol met Nederlandse
vlaggen getooid en door duizenden
lampions in een soort verlichte straat herschapen
langs welke een bonte menigte, van allerlei stand
en leeftijd, zich vrolijk bewoog, onder de opwekkende
tonen van het muziekcorps. Er waren ruime,
goed verlichte en verwarmde tenten geplaatst,
waar men zich van allerlei goede verversingen
bedienen kon, terwijl een onafzienbare menigte
deelnam aan het feest’.
Het ijsvermaak bestaat niet meer in die vorm,
hoewel de grote schaatswedstrijden van nu de
sfeer van de oude kermis op het ijs benaderen zo
niet overtreffen. Men hoeft alleen maar te denken
aan de uitbundige wijze waarop de recente elfstedentochten
zijn verlopen.
Hardrijden op de schaats
Zolang er geschaatst wordt, worden er wedstrijden
gehouden. Op het moment dat de ene
schaatser de andere uitdaagt met de vraag; ‘Wie
van ons is het eerst bij die hoek?’ is er een wedstrijd.
Aan het begin van de negentiende eeuw
werden er, het eerst in Friesland, wedstrijden georganiseerd
waarbij prijzen te verdienen vielen.
Zonder twijfel waren de kasteleins de eerste organisatoren
van de wedstrijden; zij benutten elke
gelegenheid om de gelagkamer vol te krijgen.
Veel binnenschippers, die in de winter met hun
schip vastvroren, waren geduchte wedstrijdrijders.
Rond 1850 werden de eerste ijsclubs in ons
land opgericht, onder meer in Zwolle. Ze hadden
gewoonlijk als doelstelling het organiseren van
schaatswedstrijden. De prijsuitreiking vond als
regel in het café plaats en niet zelden werd de
hoofdprijs door de kastelein beschikbaar gesteld.
Aanvankelijk bestond deze uit een gouden of zilveren
voorwerp, zoals het felbegeerde gouden
horloge of een zilveren tabaksdoos. Al spoedig
daarna werden geldprijzen in het vooruitzicht gesteld.
In 1838 werd in Harlingen al om prijzen van
ƒ 125,- en meer gereden, voor die tijd waren dat
aanzienlijke bedragen. Teneinde concurrentie
tussen de ijsclubs tegen te gaan, kwam men overeen
de hoogte van de prijzen onderling vast te
stellen. Heel lang heeft een maximum van ƒ 100,—
gegolden voor een eerste prijs bij een hardrijderij
voor mannen. Met de geldprijzen kwamen ook
de uitwassen. De deelnemers gingen vooraf afspraken
maken wie zou winnen en wie de geldprijs
zou krijgen; een kwalijke praktijk, maar niet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
onbegrijpelijk. Over het algemeen zullen de deelnemers
aan de wedstrijden het niet breed hebben
gehad. In een jaargetijde waarin de inkomsten
van schippers en boeren minimaal waren ontstond
voor sommige van hen plotseling de mogelijkheid
om forse geldbedragen binnen te halen.
De bekende rijders regelden bovendien onderling
naar welke wedstrijden ze gingen.
Beroepsrijders
Het geld dat de schaatsers wisten te verdienen
maakte hen tot ‘beroepsrijders’, een benaming die
in de vorige eeuw steeds gebruikelijker werd. Op
31 januari 1895 organiseerde de Zwolse Ijsclub een
hardrijderij voor beroepsrijders op de korte baan.
Het woei die dag hard, zeer hard; baanvegers waren
op de ijsclub zo goed als overbodig, de wind
joeg de sneeuw van de baan. Maar het weer bleef
goed en de banen waren in orde en als men eenmaal
op de vlakte was viel het nog mee. Er kwam
dan ook allengs vrij wat publiek op de banen om
getuige te zijn van de hardrijderij voor beroepsrijders.
Tegen 11 uur trokken de deelnemers met
enige leden van het bestuur van de ijsclub door de
stad naar de baan. In de aankondiging van de
wedstrijd werd vermeld dat men naar de baan zou
gaan na aankomst van de trein uit Friesland en
Groningen. Gezien het grote aantal deelnemers
uit die provincies was dat een begrijpelijke opmerking.
Er kwamen 56 deelnemers uit verschillende
provincies aan de start. De directie van de
ijsclub had alles uitstekend georganiseerd. De
baan van 180 meter was flink breed en aan weerszijden
waren kleedkamertjes ingericht. De muziek
had een plaats gekregen rond het midden van
de baan, in een tent die voldoende beschutting tegen
de wind bood. Het publiek stond aan één zijde
vlak langs de hardrijdersbaan. Het was gebruikelijk
dat het publiek aan beide zijden van de baan
stond, maar in verband met kolfwedstrijden die
later op de middag zouden plaatsvinden was dat
niet mogelijk. De uitslag was: ie prijs ƒ 75,- S.Bleeker
te Heeg, 2e prijs ƒ 40,- H.Wester te Eernewoude,
3e prijs ƒ 20,- Joh. Grafhorst te Kampen,
4e prijs ƒ 10,- B.Kruithof te Deventer en 5e prijs
ƒ 5,- E.Blankvoort te Oldebroek.
Voorwaarden
Niet iedere ijsvereniging was even blij met deelname
door rijders uit andere delen van het land.
Vooral de Friese rijders waren zo sterk dat ze nogal
eens met de geldprijzen naar huis gingen. Sommige
ijsclubs bouwden om die reden voorwaarden
voor deelname in, waardoor de Friezen in feite
werden uitgesloten. Een van de mogelijkheden
om dat te doen was door uitsluitend amateurs of
leden, buitenleden en donateurs van de organiserende
vereniging toe te laten, of de wedstrijd alleen
open te stellen voor ingezetenen van de provincie
Overijssel, of van een bepaalde gemeente,
zoals bijvoorbeeld in Wijhe en Genemuiden gebeurde.
De gezamenlijke schipperij van Zwolle organiseerde
op de stadsgracht bij de Sassenpoort een
gekostumeerde hardrijderij op schaatsen waaraan
alleen schippersgezellen wonende of liggend met
het schip in Zwolle mochten deelnemen. Andere
criteria die voor deelname werden aangelegd betroffen
geslacht en leeftijd. De meeste ijsclubs organiseerden
hardrijderijen voor mannen boven
de 18 jaar. Soms vonden afzonderlijke wedstrijden
plaats voor gehuwden en ongehuwden. Bijzonder
was ook de bepaling dat alleen dié leden van een
ijsclub mochten deelnemen die nog nimmer een
prijs gewonnen hadden.
Kortebaanwedstrijd op
de stadsgracht, 18/6
Mogelijk heeft de schilder].
W. Meyere deze
foto voor zijn schilderij
gebruikt, (foto: POM)
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schaatsen op de stadsgracht
bij de Emmawijk
tijdens de strenge
winter van 1961. (foto:
Henneke)
Bijzondere wedstrijden
Op gezette tijden werden schaatswedstrijden georganiseerd
ter gelegenheid van een bijzondere
gebeurtenis. Ook onderlinge wedstrijden werden
geregeld gehouden.
De bakkers van Zwolle hielden op 10 februari
1895 een vergadering in het café van Runhaar aan
de Nieuwe Markt, in verband met een te houden
gekostumeerde hardrijderij op de schaats. De vergadering
werd, behoudens het bestuur, bezocht
door 52 bakkers. De Zwolse ijsclub was bereid de
banen ter beschikking te stellen en voor de te houden
optocht was vergunning verleend. De volgende
dag kwamen de bakkers in de Nieuwe Stadsherberg
bijeen. Vandaar vertrok de stoet, door
een grote menigte vergezeld, met muziek en enige
vlaggen en vaandels, in bakkerskostuum, bestaande
uit witte kleding en witte mutsen, naar de ijsbanen.
Hier en daar hadden de bakkers, ter ere
van het feest, de vlaggen uitgestoken. Het weer
was in zover gunstig te noemen dat er een vrolijk
zonnetje scheen, maar de wind was vrij koud. Al
zullen de meeste deelnemers onder hun linnen
pakjes wel iets extra’s hebben aangedaan, het zag
er koud uit. Maar dat was een aansporing te meer
om zich warm te rijden in de wedstrijd. Er waren
35 deelnemers. Na afloop ging men met de muziek
voorop en omstuwd door een grote menigte
naar de Nieuwe Stadsherberg. De prijzen, een
gouden remontoir (horloge) en vijf paar schaatsen,
werden door de heer Emich, president van de
bakkersvereniging, uitgereikt. De bakkers bleven,
onder voordracht en zang, nog enige tijd bijeen.
De slagers van Zwolle wilden blijkbaar niet
achterblijven bij hun collega’s van het brood. Op
14 februari 1895 organiseerden zij eveneens een
gekostumeerde hardrijderij. De ijsbanen in de
Weezenlanden waren opnieuw ter beschikking
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
gesteld en gekleed in witte jas en dito schort, plus
een rode muts snelden de slagers over het ijs. Of er
wellicht toepasselijke prijzen uitgereikt werden,
vermeldt de historie niet.
Op tal van plaatsen werden wedstrijden voor
kinderen in diverse leeftijdsgroepen georganiseerd.
Op 15 februari 1895 bijvoorbeeld werd op de
Thorbeckegracht in Zwolle een wedstrijd gehouden
voor jongens van 10-14 jaar. Er had zich daarvoor
een commissie gevormd, terwijl enige bewoners
van de gracht en van de Posthoornbreehoek
geld hadden gegeven om prijzen te kopen. Toen
men bij de heer Borgman in de Steenstraat kwam
om een pet te kopen, gaf deze nog een mooie wintermuts
op de koop toe, de firma Boerboom gaf
nog enige snuisterijen en de heer De Graaf nog
een mandje appels, zodat iedere deelnemer een
prijsje kon krijgen. Na afloop werden de jeugdige
hardrijders getrakteerd op chocolade, krentebroodjes
en koek en ‘met een sigaar in den mond
trokken allen huiswaarts’.
Gekostumeerde hardrijderijen waren heel
populair. De op 28 januari 1879 door de schippersvereniging
‘Eendracht maakt macht’ georganiseerde
wedstrijd trok 42 deelnemers die waren
uitgedost als ridders uit de middeleeuwen, anderen
als edellieden uit later tijd, daartussen bewogen
zich Zouaven, Russen, Polen, Turken, zigeuners,
Tyrolers en Hongaren, terwijl Pierrot en
Harlekijn net zo min ontbraken als de beer en de
aap. De Ijsclub in Zwolle had toestemming verleend
om van de door haar ingerichte baan gebruik
te maken.
Ijskolven
Aan het eind van de vorige eeuw is een poging gedaan
het ijskolven, of het bandyspel zoals het hier
genoemd werd, in ons land populair te maken.
Het spel is afkomstig uit Engeland. Het doel van
het spel was om met behulp van een houten kolf
of bandystick, een kleine bal door het doel van de
tegenstander te slaan. Omdat het kolven een vlug
en pittig spel is, was de verwachting dat het ook in
ons land zou aanslaan. Om het spel meer bekendheid
te geven vond in 1895 een demonstratiewedstrijd
plaats tussen een team uit Haarlem en het
Zwolse Z.A.C. De Zwollenaren verloren kansloos
met 17-0. Behalve een wedstrijd tegen een Amsterdamse
formatie, die overigens ook ruim verloren
werd, heeft het spel geen blijvende plaats
tussen de andere sporten ingenomen.
Vrouwen in de hardrijdersbaan
De schaatswedstrijden werden overheerst door
mannen, maar dat wil niet zeggen dat er helemaal
geen vrouwen in de hardrijdersbaan kwamen. Uit
een advertentie in de Leeuwarder Courant van 7
januari 1871 blijkt dat vijf dames, die zich waarschijnlijk
ergerden aan de dominante positie van
de mannen bij het schaatsen, een voorrijder vragen,
voorzien van korte broek en ruige muts. Ze
werden afgetroefd door een tegen-advertentie
waarin 7 heren elk een achterrijdster voorzien van
korte broek en ruige muts vroegen. Het is opvallend
dat het wel algemeen aanvaard was dat vrouwen
deelnamen aan gekostumeerde schaatspartijen
en aan het ‘schoonrijden’, maar dat ze alleen
bij wijze van uitzondering werden toegelaten tot
de hardrijderijen. Uitzonderingen waren ook
wedstrijden waarbij paren tegen elkaar in het
strijdperk traden, zoals die op 19 januari 1876 te
Genemuiden waar ‘gepaarde mannelijke en vrouwelijke
personen’ aan de wedstrijd konden deelnemen.
Met de opkomst van de ijsclubs nam het
wedstrijdaanbod voor paren langzaam toe.
Schoorvoetend klonk de roep om wedstrijden
voor vrouwen te houden, maar de zedenmeesters
uit de vorige eeuw waren streng en invloedrijk. De
tijden veranderden maar langzaam. Uit ‘kieschheid’
bleef men zich lang verzetten tegen wedstrijden
voor vrouwen. In 1890 werd in Kampen zelfs
nog zo’n rijderij verboden en vijfjaar later vroeg
een correspondent van de NRC zich af of het nu
werkelijk raadzaam was de ‘dikwijls werkelijk
manachtige naturen, die elkander de zege betwisten
door een dergelijke wedstrijd in die richting
verder te emanciperen?’ Pas na de eeuwwisseling
werd de deelname van vrouwen algemeen geaccepteerd.
Protest tegen de hardrijderij
Nederland zou Nederland niet zijn als er niet iemand
was die een belerend vingertje opstak. In de
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courantvan
31 januari 1895 stond te lezen: ‘Het schaatsenrijden
is nu eenmaal niet weg te redeneren of weg te
zuchten. Zo vaak de winterkoning de wateren bevloert,
zal land- en stadsvolk de ijzeren vleugels
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schaatsen op de uiterwaarden
van de IJssel
ter hoogte van de boerderij
van Dubbeldam,
27 december 1961. (foto:
Henneke)
aan de voeten leggen om paard en wagen voorbij,
met de locomotief een wedren aan te vangen en ’t
genot te hebben van een geheel het lichaam verfrissende
en sterkende beweging, en om verre
vrienden en bloedverwanten, wier bezoek in den
zomer te veel tijd en geld zou kosten, op de goedkoopste
en aangenaamste wijze te gaan begroeten.
Blijft dus het schaatsenrijden als volksvermaak
vaststaan en heeft het zoveel goede zijden, dan
schiet er niets anders over, dan alle kracht in te
spannen, om het goede ervan te behouden en het
verkeerde weg te doen, zodat het als volksvermaak
wordt geacht en veredeld. Jammer is het dat
de gewoonte, tot in het begin der vorige eeuw bij
ons algemeen, om van het ijsvermaak te genieten,
bij de aanzienlijke vrouwen zo sterk is afgenomen.
Zij missen daardoor een goed en opwekkend
genot, en het schaatsenrijden zelf wordt
daardoor lichter min edel. Het is niet goed, ook
dit vermaak en de regeling ervan aan het volk alleen
over te laten en aan de winzucht der koffiehuishouders,
die wedstrijden in het hardrijden
uitschrijven. Op enkele plaatsen als Deventer en
Groningen, zijn er ijsverenigingen van meer beschaafden,
die, behalve hun eigen genot ook de
veredeling van dit volksvermaak voor de geringeren
op het oog hebben. Zij kunnen veel goeds
doen. Eén groot bezwaar, bij de andere volksfeesten
een bederf, kan hier niet veel onheil stichten,
de sterke drank, dewijl deze, meer dan uiterst matig
gebruikt de benen verlamt en dus het rijden
onmogelijk maakt. Vandaar dat koffie, melk en
heet bier, nauwelijks hete wijn, de gewone verkwikkingen
der schaatsenrijders zijn. Het hardlopen
moest echter door die ijsverenigingen niet zozeer
worden aangemoedigd als wel het sierlijk lopen’.
Kritiek uit een heel andere hoek blijkt uit een
ingezonden brief in de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courantvan 14 januari 1879. Door het
invallen van de dooi was er van een hardrijderij in
Kampen niets terecht gekomen en daar was de
briefschrijver blij mee, want hij meende zeer ongunstig
te moeten oordelen over de hardrijderij
op schaatsen: ‘En waarom? Omdat hierbij een bovenmatige
krachtsinspanning van de dingers naar
de prijzen wordt gevorderd tot welk geen mensch
zijn evenmensch mag in verzoeking brengen; een
bovenmatige krachtsinspanning die den hardrijder
zeer licht onherstelbare schade aan zijn gezondheid
berokkent zo niet iets ergers. Het is
daarom te hopen dat de hardrijderijen op schaatsen
voor goed mogen worden gebannen uit de rij
der volksvermaken. Wil men nog iets van dien
aard houden, dat men dan liever prijzen uitloven
aan hem die ’t sierlijkst schaatsen rijdt’. De briefschrijver
concludeerde dat de hardrijderijen zouden
moeten worden afgeschaft, omdat ze in een
beschaafde maatschappij niet thuishoren.
Beide scribenten braken een lans voor het
schoonrijden. Ze waren niet de enigen. Ook in
andere ingezonden kranteberichten werd de
hoop uitgesproken dat er meer schoonrijderijen
zouden worden gehouden, omdat het in de eerste
plaats goed zou zijn voor de afwisseling en in de
tweede plaats omdat het schoonrijden uitstekend
geschikt zou zijn om ‘al de voordelen van het zo
te waarderen schaatsenrijden te doen uitkomen’.
Er zijn veel schoonrijderijen geweest, maar ze zijn
altijd in de schaduw blijven staan van de hardrijderij,
die meer tot de verbeelding van de mensen
sprak. Er werd ook wel naar een combinatie van
beide gezocht. Menig schoonrijderij vond plaats
in de pauze van een hardrijderij.
Schaatstochten
In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courarctverschenen
in strenge winters berichten over
de toestand van het ijs in en rond Zwolle:
Kampen, 13 januari 1895: ‘Het ijs is zo sterk dat
men dagelijks van het eiland Urk op schaatsen
hier aankomt; terwijl men thans met paarden en
volgeladen wagens met hooi, zaad en andere zware
vrachten bij het pontveer over de IJssel rijdt’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
Deze en andere berichten van vergelijkbare
strekking komen geregeld voor wanneer de Zuiderzee,
de IJssel en de meren in Noord-West
Overijssel bevroren waren. Dan was het tijd voor
lange schaatstochten. De correspondenten van de
regionale nieuwsbladen deden opgave van de
conditie van het ijs in hun omgeving, zoals de ijsmeesters
in Friesland nu nog doen voor een elfstedentocht.
Overijssel bezit weliswaar niet zoveel
open water als Friesland maar er zijn bijzonder
aardige tochten te maken. In de strenge winter
van 1895 informeerden de correspondenten het
publiek nogal verschillend over de ijstoestand. In
de kranten verschenen berichten met de volgende
inhoud:
– Raalte: het ijs op het kanaal van hier naar
Deventer biedt de schaatsenrijders een goede
gelegenheid aan, de Ijsclub Voorwaarts zorgt
zoveel mogelijk dat de banen goed in orde
worden gehouden, door goed vegen en het des
avonds ingieten van de ontstane barsten. Met
succes kan men van hier naar de Snippeling
rijden; vandaar naar Deventer doet men het
best te wandelen daar het ijs op de Schipbeek
wel vertrouwd maar zeer ongelijk is.
Dedemsvaart: Het ijs is op de Dedemsvaart,
voor zover die in de gem. Avereest loopt, zeer
goed; ook de banen zijn goed in orde. ’t is,
naar ik geloof, overal sterk genoeg.
Vollenhove: Het ijs in zee om Vollenhove zover
het oog reikt is overal sterk en vertrouwd,
bv. naar Schokland, Blokzijl, Genemuiden en
Kampen, doch overal vol sneeuwhoopjes.
Vanwege de ijsclub Vooruitgang zullen heden
banen geveegd worden op de Zuiderzee van
Vollenhove naar Kampen, Genemuiden en
Zwartsluis in verbinding met de daar bestaande
banen. Reeds ’s morgens om half zeven
worden ongeveer 30 personen aan het werk
gezet, zodat wanneer het blijft doorvriezen,
morgen de gelegenheid op die banen zal zijn
opengesteld. Van de Moespot over Ronduite,
de Belt, Aardenburgergracht naar Zwartsluis
is het ijs volkomen vertrouwd en de banen geveegd.
Het ijs is echter niet mooi maar toch
berijdbaar.
Kortebaanwedstrijd op
de Zalnese Wetering ter
hoogte van de spoorlijn
Meppel, ongeveer 1960.
(foto: Henneke)
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De ijsbaan aan deAssendorperdijk
ter hoogte
van het huidige politiebureau,
(foto: POM)
Voor de armen
In een tijd zonder sociale voorzieningen was de
zorg voor de armen toevertrouwd aan de kerken
en aan goedwillende particulieren. In de vorige
eeuw zaten veel arbeiders en boerenknechten in
de winter zonder werk en daarmee vrijwel zonder
inkomsten. De manier waarop de armen deelnamen
aan de ijsfeesten doet nu nog al discriminerend
aan. Na een wedstrijd in Zwartsluis, in 1855,
werd gesteld dat de hardrijderij goed verlopen
was, dat de organisatoren op een geslaagde dag
konden terugzien en dat ook de algemene armen,
waarvoor het overschot van de inleg- en entreegelden
bestemd was, een niet onbeduidend voordeel
hadden gehad. In diezelfde tijd werd in Kampen
een hardrijderij gehouden waarbij het doel
was geld in te zamelen voor de algemene armen.
Na aftrek van de kosten bleef een bedrag van
ƒ 338,79 over. Een dag later organiseerde de Kamper
vereniging ‘Weldadigheid’ eveneens een ijsfeest.
Het slechte weer was er echter oorzaak van
dat maar weinig deelnemers aan deze gekostumeerde
rijderij op kwamen dagen. De opbrengst
van de entreegelden, bestemd voor de algemene
armen, viel daardoor tegen.
Op 6 februari 1895 werd in Vollenhove een rijderij
om levensmiddelen gehouden. De wedstrijdcommissie,
door weldadige ingezetenen van
Ambt en Stad Vollenhove daartoe in staat gesteld,
kon iedere rijder 16 pond brood, 75 turven en een
kop erwten toebedelen. Na elke rit kreeg de winnaar
bovendien een bonus bestaande uit een kop
erwten. Ijsclub ‘Vooruitgang’ in Vollenhove
hield een hardrijderij om levensmiddelen voor
behoeftigen. Een behoeftig gezin dat niet in staat
was daaraan persoonlijk deel te nemen kon een
plaatsvervanger sturen; 77 huisgezinnen meldden
zich aan. Er waren geldprijzen voor de winnaars,
maar iedere deelnemer ontving een bon voor
kwart kilo spek. In dezelfde week werden in Olst
hardrijderijen voor behoeftigen gehouden waarbij
voor spek en bonen werd gereden. In Kampen
werd op de stadsgracht, door enige werklieden,
een ijsvermaak georganiseerd voor de kinderen
van de beide kosteloze stadsscholen en van de
rooms-katholieke jongensschool. Na een optocht
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
door de stad begaf men zich naar de met vlaggen
versierde ijsbaan. Ongeveer 100 jongens hadden
zich aangemeld. Elk van de deelnemers ontving
een kledingstuk. In de week daarvoor was een collecte
tot dit doel gehouden. Vergelijkbaar ging het
in de strenge winter van 1895 toe in Wijhe. Ook
hier werden hardrijderijen en volksspelen op het
ijs gehouden. Voor een som van ongeveer ƒ 300,-
waren brandstoffen en levensmiddelen gekocht,
die onder de mededingende behoeftigen, alsmede
aan hen die niet aanwezig waren, doch als behoeftig
bekend waren, uitgedeeld. Nog pijnlijker werd
het toen schaats- en hardloopwedstrijden op
klompen op het ijs werden georganiseerd voor
minvermogenden. Sommige organisatoren deden
het voorkomen alsof de wedstrijd in tweeën
was gesplitst. ‘Ook degenen die niet zo gelukkig
zijn om schaatsen te bezitten waren dus in de gelegenheid
gesteld naar een prijs te dingen’, aldus
de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
in 1895. Bij een wedstrijd in dat zelfde jaar in
Zwolle waren levensmiddelen uitgeloofd. Men
had door de giften van vele ingezetenen van de
stad een ruime voorraad kunnen inslaan en bovendien
hadden sommige winkeliers verschillende
levensmiddelen gratis verstrekt, zodat aan elke
deelnemer een prijs kon worden uitgereikt. Dat
was niet het geval na een hardrijdwedstrijd waarbij
25 kaartjes voor de gaarkeuken van mejuffrow
de weduwe Van der Bend beschikbaar waren, die
zoveel mogelijk aan de gehuwden gegeven werden.
De organisatoren van de wedstrijden om levensmiddelen
bedoelden het ongetwijfeld goed.
In de praktijk pakte het evenwel anders uit. Door
in de baan te verschijnen waren er levensmiddelen
of goederen te verdienen. Geen wonder dat iedereen
die daartoe maar enigszins in staat was
zich aanmeldde voor zo’n ‘spekrijderij’. Niet alleen
jonge mannen schreven in, maar ook mannen
op leeftijd en gehandicapten. Door het houden
van hardloopwedstrijden op klompen waren
er nog meer deelnemers. Het publiek vermaakte
zich kostelijk met hen; burgerlijk vermaak om de
capriolen van oude en arme mensen, die ook nog
dankbaar moesten zijn voor de prijzen die ze aan
het eind van de dag ontvingen.
In de zelfde sfeer moeten de baanvegers bekeken
worden. In romantische ijsverhalen komt de
baanveger nogal eens naar voren als iemand die
zo aardig is het ijs sneeuwvrij te houden. De werkelijkheid
was wel even anders. Baanvegers waren
werklozen die praktisch geronseld werden om het
koude werk te verrichten; weigeren was er, behoudens
bijzondere omstandigheden, niet bij.
Een aantal Zwolse baanvegers was in r895 zelfs
van ’s middags vier a vijf uur tot ’s nachts twee uur
op het ijs werkzaam om met warm water de
scheuren zoveel mogelijk dicht en het ijs weer
glad te maken. De verdiensten waren treurig. Begin
februari van dat jaar bevatten de bussen van
de baanvegers op de Zwolse stadsgrachten en het
Zwarte Water ƒ 35,58, zodat aan elk van de 64
baanvegers op die dag 55 cent kon worden uitbetaald.
De dagen erna waren de verdiensten weinig
beter. Het hoogste bedrag dat op een dag werd
verdiend was ƒ 1,50. Er waren ook mensen die zich
het lot van de baanvegers aantrokken. Op een
ochtend stopte iemand een envelop in de bus met
de mededeling dat zich daarin een gift bevond. Bij
opening bleek er een gouden tienguldenstuk in te
zitten en een briefje met de volgende inhoud: ‘Er
zijn op de stadsgrachten en Zwartewater tot aan
de Rademakerszijl 64 baanvegers; die menschen
die voor hun onderhoud willen werken verdienen
dooreen tot nu toe 55 cent per dag. Zijn er nu geen
gegoede ingezetenen die ook eens een wandeling
of een rit op die ijsbanen gaan maken om die bussen
ook eens een beetje te begunstigen’.
De ijsbaan van de
Zwolse Ijsclub, circa
1900. (foto: POM)
132 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zomerfeesten
In 1850 werd in Zwolle een vereniging opgericht
die zich volgens haar statuten ten doel stelde: ‘Het
laten verrijden op schaatsen van prijzen en premiën’.
Met veel succes organiseerde de vereniging
schaatspartijen. Een aantal jaren na de oprichting
werd de doelstelling van de vereniging verruimd.
Er werd nu gesproken over de Ijsclub, Vereniging
ter bevordering van Volksvermaken. Het rechtstreekse
gevolg daarvan was dat in het vervolg
’s winters hardrijderijen en ’s zomers volksfeesten
werden georganiseerd. De zomerfeesten werden
als regel vlak voor de jaarlijkse kermis gehouden.
De bijbedoeling daarvan was dat het zomerfeest
klandizie wegtrok van de kermis. In 1857 werd een
roeiwedstrijd op de Wetering boven de Schoenkuipersbrug
gehouden. Na afloop werden er verschillende
volksvermaken gehouden, zoals boegsprietlopen,
tobbespel en zaklopen. In andere jaren
bestonden de volksvermaken ook wel uit
wedstrijden op waterschoenen of het vlaggespel te
water. Het muziekkorps van de stedelijke schutterij
liet zich op gezette tijden horen en de feesten
werden besloten met een prachtig vuurwerk en
een bal champêtre. Toen in 1860 de grote tentoonstelling
van Provinciale Nijverheid werd geopend
werden de openbare festiviteiten op een
aangename wijze besloten door wedstrijden en
volksvermaken vanwege de vereniging de Ijsclub.
De activiteiten van de Ijsclub breidden zich steeds
meer uit. Er waren diverse andere ijsclubs in
Overijssel die dit patroon van hardrijderijen in de
winter en volksfeesten in de zomer overnamen. In
1871 vond het zomerfeest plaats op de Turfmarkt
in Zwolle. De volksspelen werden geopend met
ringrijden waarbij prijzen van ƒ 20,- en ƒ 10,- te
verdienen waren. Daarop volgde het mastklimmen,
eveneens om geldprijzen. Daarna had het
hoepellopen plaats, dat op geheel nieuwe wijze ingericht,
de toeschouwers zeer vermaakte. De
reeks van volksspelen werd besloten met het
klimmen langs gespannen koord, hoepellopen en
het tobbespel. Het feest, opgeluisterd door het
stedelijk corps eindigde met een fraai vuurwerk.
De Zwolse Ijsclub vierde in 1875 haar 25-jarig bestaan
met een uitnemend gelukt feest. De Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant schreef:
‘Men hoorde niet de minste aanmerking. Zelfs
restauratie en bediening, en dat bij zulk een toeloop,
werden geroemd’. Echter, het werd allemaal
te kostbaar en te veel omvattend voor de enthousiaste
Ijsclub. Tijdens de algemene ledenvergadering
van 1878 stelde het bestuur voor de zomerfeesten
te beperken of zelfs helemaal af te schaffen.
De vereniging keerde terug tot haar premiers
amours. Het organiseren van een ijsfeest werd opnieuw
hoofdzaak, terwijl het zomerfeest afhankelijk
werd gesteld van de toestand van de kas. De
eerste zomer na dit besluit was er alleen een vuurwerk
en muziek van de schutterij. In een nabespreking
van het feest in de Provinciaal Overijsselsche
Courant suggereerde een journalist voorzichtig
of het niet mogelijk was ‘enige der vroegere
amusementen’ in het vervolg toch weer te laten
plaatsvinden ‘met het oog op de sympathie die de
groote massa er altijd voor toonde te bezitten, ziet
men ze noode verdwijnen’. De directie van de Ijsclub
liet zich echter niet vermurwen en hield het
bij activiteiten op de schaats.
Geraadpleegde literatuur
Hedman Bijlsma, Ien, Twa, Trije: Fuort. Het kortebaanschaatsen
in Friesland. (Heerenveen 1985).
Hedman Bijlsma en Karel Verbeek, Niet over een nacht
ijs. (Jubileumboek 100 jaar KNSB, Den Haag 1982).
J.W. Kirchner, Nederlanders door Nederlanders geschetst.
(Amsterdam 1842).
H.J.Looman, Het boek van de schaats. (Amsterdam
1944)-
S.H.Hijlkema, Nederlandsch handboek voor de IJs-sport.
(Amsterdam 1887).
W.Mulier, Wintersport. (Haarlem 1893).
D.M. van der Woude, Vrouwen in de hardrijdersbaan.
(Heerenveen 1948).
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. (Zwolle
1850-1900).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 133
De stationskap in Zwolle
Restauratie niet mogelijk
P.C. Wieringa
Het stationscomplex van Zwolle uit 1868
met zijn bijzondere perron-overkapping
en de hoge spoorbrug gelden, zoals blijkt
uit de vele geschriften die over dit complex de
laatste jaren zijn verschenen, onomstotelijk als
één van de hoogwaardige monumenten in Nederland.
De vraag van de Nederlandse Spoorwegen
in 1989 om de perron-overkapping te mogen slopen,
sloeg dan ook in als een bom.
De Rijksdienst vond de argumenten van de
NS onvoldoende onderbouwd en twijfelde aan de
uitspraak, dat een restauratie niet verantwoord
zou zijn in verband met de slechte bouwtechnische
staat van de constructie en de toegepaste belastingsberekeningen.
De Rijksdienst voor de Monumentenzorg
meende dan ook, dat een nader onderzoek voor
een restauratie gerechtvaardigd zou zijn, waarbij
de volgende aandachtspunten verwerkt zouden
worden:
– een goede inventarisatie van de technische gebreken
van de constructie en het toegepaste
materiaal;
– de toepassing van de juiste normen en veiligheidsfactoren
voor de belastingsberekeningen
van de constructie van deze bijzondere ‘open/
dichte’ perronkap;
– de uitvoeringsmogelijkheden van materiaalherstel
en eventuele toelaatbare aanpassingen
aan de constructie waarbij de monumentale
waarden herkenbaar blijven.
Een werkgroep bestaande uit technisch-specialisten
van de NS, Technische Universiteit Delft
en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg hebben
dit onderzoek uitgevoerd en externe deskundigen
begeleid.
Dankzij de enorme inzet van ir. Douma van
de Nederlandse Spoorwegen, die op een bewonderenswaardige
wijze aan het onderzoek heeft
meegewerkt, is het volgende gebeurd.
Ten eerste zijn bij het demonteren van de kapconstructie
de gebreken en de vervormingen alsmede
de scheurvorming in een fotoreportage en
inventarisatie vastgelegd. Verder zijn in een windtunnelproef
de juiste uitgangspunten en waarden
vastgesteld voor de berekening van de windbelasting
op de constructie. Tenslotte is in het rapport
van prof. ir. A.L. Bouma (TU-Delft) en van ir.
G.G. Nieuwmeyer de constructie van het spant
berekend. Daarna moest worden geconstateerd
dat de aanwezige constructie niet geëigend is voor
deze situatie.
De gegevens uit het onderzoek met het doel
om de bijzondere perron-overkapping te behouden
en te restaureren of aan te passen, zullen nog
in rapporten moeten worden verwerkt. Wel kon
toen reeds gezegd worden dat – helaas – de restauratie
van de kap uitgesloten werd geacht en dat
eventuele aanpassingen aan de constructie van
een dusdanige orde zouden zijn dat er dan geen
De afbraak van de sationskap.
(Foto: Frans
Paalman)
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voorlopige schets van
de voorgenomen
nieuwbouw
sprake meer zou zijn van behoud van de cultuurhistorische
waarden van het monument.
De Nederlandse Spoorwegen zullen naar aanleiding
van de resultaten van het onderzoek opnieuw
een vergunningaanvraag via de gemeente
Zwolle bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
indienen zoals wettelijk voorgeschreven is in
de Monumentenwet 1988 (art. 11 t/m 21).
Het uitgangspunt van het plan zal een nieuwe
overkapping inhouden, waarbij de karakteristieke
constructiedelen van de monumentale kap zichtbaar
worden verwerkt.
The proof is the existence?
ir. C. Douma
Diep in mijn hart heb ik de afgelopen twee
jaar gehoopt, dat onze knappe staalconstructeurs
– met hun onheilsprofetie over
een levensgevaarlijke toestand die niet langer
mocht worden gecontinueerd – dit keer enigszins
ongelijk zouden krijgen. Onder het motto the
proof is its existence, koesterde ik de hoop dat het,
in opdracht van NS uitgevoerde windtunnelonderzoek
zodanige belastings-coëfficiënten zou genereren
dat nog altijd sprake zou kunnen zijn van
een aanvaardbaar identieke en authentieke renovatie.
Weliswaar niet zodanig dat de uitzonderlijk
slanke profilering van deze sikkelspanten in alle
details zou kunnen worden gehandhaafd en hersteld,
maar dat door middel van drastische verzwaring
van de bovenrand en andere versterkingen
nog sprake zou kunnen zijn van een redelijk
vormgelijke restauratie, die nog voldoende blijk
zou geven van ‘herkenning en erkenning’ van
deze unieke constructie.
‘De stationskap wacht op een wonder’,
schreef de Zwolse Courant in mei jongstleden.
Welnu, dat wonder is niet gekomen. Windtunnelonderzoek
naar het gedrag van de (overigens
reeds drastisch vervormde!) spanten bij hoge
windbelastingen en daarbij gevolgde berekeningen
hebben zodanige resultaten opgeleverd dat
bovengenoemde NS-ingenieurs méér dan gelijk
gekregen hebben. De in opdracht van de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg uitgevoerde
tweevoudige contra-expertise door de TU Delft
kon deze desastreuze conclusies alleen maar bevestigen.
Ik citeer prof. ir. A.L. Bouma, die reeds eerder
te kennen had gegeven, dat met de huidige kennis
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 135
van aard en grootte van windbelastingen men een
dergelijk spant thans nooit meer zou ontwerpen:
‘Bij het beoordelen van de veiligheid van deze
perronkap is de toestand waarin deze thans verkeert
van primordiaal belang. De kap verkeert in
een slechte staat en bevindt zich bij grote belasting
in de gevarenzone. Het dit voorjaar genomen besluit
tot demontage was terecht. De conclusie
moet luiden dat de perronkap aan het einde van
zijn leven is gekomen. Sic transit.
Eenduidig is nu dan ook de recente conclusie
van de gemeente Zwolle, de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg en de NS dat sloop en vervangende
nieuwbouw onvermijdelijk zijn. Hoe die
nieuwe overkapping er precies uit zal zien, is de
komende maanden onderwerp van overleg tussen
de drie genoemde partijen.
Bijgaande schets toont een eerste impressie
van deze nieuwe, eveneens ‘monumentale’ overkapping.
Het moge duidelijk zijn dat hiermee het
laatste woord nog niet is gezegd. Zo hebben wij
bijvoorbeeld voorgesteld om karakteristieke constructiedelen
van de oude spanten als goed zichtbare
rudimenten in de nieuwe overkapping onder
te brengen.
Vast staat wél dat – ondanks diverse opvattingen
dat nu net zo goed gekozen kan worden voor
een platte overdekking of een zadeldak – NS de
handhaving van een gebogen overkapping prefereert,
omdat deze gebogen vormen zo karakteristiek
zijn voor de oude(re) stationskappen in ons
land. Die keuze garandeert tevens een onveranderd
uiterlijk van het totale stationsaanzicht vanaf
het voorplein. Zoals ook onze eigentijdse interieuraanpassing
van het voorliggende stationsgebouw
laat zien, dat wij het exterieur van ons culturele
erfgoed zorgvuldig intact laten.
Gevoel tegen verstand
J.J.delong
De sloop van de stationskap in Zwolle
wordt door iedere monumentenzorger als
een nederlaag ervaren. Een strijd is na
ruim twee jaar beëindigd. Er resten slechts foto’s
en in de toekomst delen van de kap in een museale
opstelling.
Hoe komt zoiets nu tot stand? Ik kan alleen
het proces beschrijven zoals dat bij de sectie Monumentenzorg
is ervaren. Het begon in 1989 met
de droge mededeling dat de kap ‘op’ was en moest
worden vervangen. Je reageert dan heftig in de
sfeer van ‘dat kan niet’ en ‘hij moet gerestaureerd
worden’. Doordat bestuur en burgers van de
waarde van de kap overtuigd bleken te zijn, werd
de NS gedwongen de zaak van een andere invalshoek
te bekijken. Dus niet slopen, maar restaureren
indien… Dat de NS deze optie wilde uitvoeren
wanneer technische studies de haalbaarheid
konden aantonen, was voor Monumentenzorg
een positieve wending, die enige hoop deed ontstaan.
De daarop volgende proeven bij het Nationaal
Laboratorium voor Lucht- en Ruimtevaart
leverden een aantal kentallen die een indicatie gaven
van de druk die de wind op de kap uitoefende.
In dit stadium werd echter op een dusdanig specialistisch
niveau gesproken, dat voor niet-specialisten
– en dat is bijna iedereen – de discussie
nauwelijks te volgen was. Op basis van de windtunnelproeven
concludeerden de betrokken medewerkers
van de NS, dat de kap niet voldeed aan
de normen en dat restauratie onmogelijk was. In
een poging om te kijken of de kap met aanpassingen
kon worden gered, schakelde Monumentenzorg
experts van de Technische Universiteit (TU)
Delft in. Allerlei formules, variabelen en constan-
Zichtop de kap vanaf
perron 3. (Foto gemeente
Zwolle.)
136 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Detailopname. Versterking
van de constructie
is nauwelijks
mogelijk zonder het
ontwerp geweld aan te
doen. (Foto gemeente
Zwolle.)
Foto: Bouw nieuwe
kap.
ten zijn op de constructie losgelaten met als conclusie:
de kap kan niet worden gerestaureerd en
zou in onze tijd nooit gebouwd mogen worden.
Iedere keer dat een technisch-specialist je vertelt
dat het een mooie maar constructief geheel
ontoereikende kap is, groeit je bewondering voor
de ontwerpers van destijds en begin je je sterker
aan de kap te hechten. Immers, logenstraft de kap
al niet 125 jaar lang iedere theorie door ‘gewoon’
in weer en wind te blijven staan? Is dit praktijk tegen
theorie en gevoel tegen verstand? Hadden er
geen onderzoekingen gedaan moeten worden?
Dan zouden we de kop in het zand gestoken hebben
en dan zou nooit een redelijke besluitvorming
tot stand zijn gebracht, omdat er te weinig
bekend is van dergelijke constructies en hun gedrag
tijdens stormen. Natuurlijk kun je ervan uitgaan,
dat de TU Delft eerlijk en objectief de constructie
heeft bestudeerd in opdracht van en betaald
door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
De TU Delft heeft een mogelijke verklaring
voor het niet instorten van de kap, die neigt in de
richting van een dosis geluk waarbij het er soms
om gespannen heeft, getuige de vervormingen
van de spanten. Ook de later aangebrachte glaswanden
en het ophangen van de bedrading aan de
kap hebben mogelijk geholpen de kap overeind te
houden.
Is het dan verantwoord risico’s te nemen? Gebouwen
en constructies hebben de neiging onverwacht
in te storten. Zie de veertiende-eeuwse toren
in Italië, die zonder een zuchtje wind instortte.
Een ander voorbeeld is de A-kerk in Groningen,
waar bij toeval is ontdekt dat de pijlers gevaarlijk
aan het scheuren waren en waar stalen
kolommen in aangebracht moesten worden. Zo
zijn er voorbeelden te over, ook van gebouwen
waarin enorme veranderingen zijn aangebracht
om ze te conserveren, zoals de torens van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda en van de Martinikerk
in Groningen, waar betonskeletten de toren
dragen en het originele materiaal een beschermlaagje
is geworden.
Ingrijpende veranderingen kunnen niet toegepast
worden bij een fragiele kap, waar de constructie
tevens het visuele effect veroorzaakt. Versterking
van de constructie door het plaatsen van
een meter hoge spanten over de kap, zoals de TU
Delft adviseerde, zou een directe aantasting betekend
hebben van het monumentale aanzien. Dergelijke
ingrepen worden door weinigen nagestreefd.
Al deze ontwikkelingen hebben er bij de gemeentelijke
sectie Monumentenzorg toe geleid,
dat er gevoelsmatig steeds meer tegenstand tegen
sloop ontstond, een tegenstand die tenslotte alleen
nog op de architectonische waarde gebaseerd
was. De rapporten van de NS en de Rijksdienst
voor de Mounumentenzorg kunnen niet worden
genegeerd. We zullen ons erbij moeten neerleggen
dat restauratie onmogelijk is. Wat nu rest is samen
met de NS en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
een goede, nieuwe kap te realiseren.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 137
De kunst van het zoeken
Bij oppervlakkige beschouwing heeft Zwolle
cultureel niet veel te bieden. Bij het horen
van de naam Zwolle met betrekking tot
kunst zal niemand op het puntje van zijn stoel
gaan zitten. Toch heeft het Zwolse archief voor
kunst- en cultuurhistorici legio mogelijkheden te
bieden. Vanwege de beperkte ruimte van het artikel
geldt als periodebegrenzing de zeventiende tot
het begin van de negentiende eeuw. Als kunstenaars
worden hier niet alleen de kunstschilders,
maar ook de ambachtslieden van de toegepaste
kunsten – de zilversmeden, tinnegieters en anderen
– en de literatoren beschouwd.
Zwolle en de kunsten
Zwolle was nooit de verblijfplaats van een groot
kunstenaar van nationale betekenis. De beroemde
Gerard ter Borch was weliswaar in Zwolle geboren,
maar hij vestigde zich te Deventer. Ook een
specifieke Zwolse schildersschool is nooit ontstaan
en een belangrijke plateelbakkerij van huishoudelijke
artikelen zoals in Delft was er evenmin.
De kunsthistorische onderzoekers kunnen
zich met een Zwols onderwerp dus niet koesteren
in de magische uitstraling die van een groot kunstenaar
uitgaat.
Een positieve factor is dat het aantal mogelijkheden
om kunst te benaderen zich de laatste decennia
enorm heeft verbreed. Naast de traditionele
manier van het bedrijven van kunstgeschiedenis,
het schrijven over een iconografisch onderwerp
of het leven van een kunstenaar, worden
studies geschreven waarin kunst onder nieuwe en
niet specifiek kunsthistorische invalshoeken
wordt bekeken. Om slechts enkele mogelijkheden
te noemen: de sociale en economische betekenis
van kunst, onderzoek naar kunstverzamelaars en
kunst als propaganda. Het is duidelijk dat al deze
mogelijkheden ook op de situatie in Zwolle toepasbaar
zijn.
Mogelijk onderzoek
Een niet onbelangrijke bijdrage aan onderzoek leveren
de archiefambtenaren, want zij ontsluiten
in de loop der jaren de archieven. In Zwolle bestaat
nu als gevolg van al dat werk een omvangrijke
collectie kaartjes, die zijn geordend op persoonsnaam
en hoedanigheid en zo een prima ingang
op de archieven bieden. Dankzij de grotere
toegankelijkheid zijn de mogelijkheden tot breder,
dieper en – niet onbelangrijk – sneller onderzoek
in het archief sterk verbeterd, vooral op de al
genoemde nieuwe gebieden.
Onderzoek naar de Zwolse ambachtsgilden,
het sociaal-economische kader voor de werkzaamheden
van de kunstenaars tijdens het ancien
regime, biedt nog talrijke mogelijkheden. Het
enige dat over de Zwolse ambachtsgilden bekend
is, is al weer ruim vijftig jaar geleden gepubliceerd
en lang niet volledig.’ Het onderzoek wordt bemoeilijkt
omdat in Zwolle geen archieven van gilden
bewaard zijn gebleven. Daarentegen bieden
de ordonnanties en de resoluties van schepenen
en raden nog tal van mogelijkheden voor onderzoek.
Het betreft dan aanvullende ordonnanties
over zowel de reglementering van de gilden als
beschermende maatregelen tegen concurrentie
van buiten de stad. Het onderzoek wordt vergemakkelijkt
omdat er één alfabetische en twee systematische
indexen op de resoluties zijn.
Zwolse kunstenaars zijn als groep nog niet onderzocht.
De omvang en daarmee het economisch
belang van de diverse gilden is thans duidelijker
vast te stellen, omdat er dankzij de kaartjes
een adequate ingang is op beroepen. Zo maakt alleen
al het simpelweg doornemen van de kaartjes
en de genoemde indexen duidelijk dat de glasschilders
in de zeventiende eeuw een belangrijke
plaats innamen. B. Dubbe heeft in zijn diverse
werken over zilversmeden en tinnegieters zeker
ook voor Zwolle pioniersarbeid verricht. Dankzij
zijn werk zijn van deze ambachtslieden al veel na-
J.C. Streng
138 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zogenaamde gildetafel
met de merken van enige
zilversmeden. (Foto
Provinciaal Overijssels
Museum, Zwolle.)
men bekend. Met aanvullend onderzoek moet het
mogelijk zijn enig zicht te krijgen op de sociaaleconomische
positie die ze in de stad innamen.
Daarbij is het goed zijpaden niet te vermijden. Als
voorbeeld kan het rekest van 1785 gelden waarin
onder andere de ambachtsgilden op meer invloed
in het stadsbestuur aandrongen. Welhaast alle gildeleden
zijn in dit rekest genoemd.2
Interessante mogelijkheden biedt het onderzoek
naar de sociale positie van de kunstenaars
binnen Zwolle. Per beroepsgroep lijken er bij nadere
beschouwing grote sociale verschillen te hebben
bestaan. De zilversmeden bijvoorbeeld schijnen
onder de ambachtsgilden de hoogste sociale
plaats ingenomen te hebben. Ze waren belangrijk
genoeg om tot de Zwolse elite door te dringen.
Sommige zilversmeden waren verwant aan schepenen
of raden of zaten zelf in het stedelijke bestuur,
hetzij als magistraat hetzij als lid van de gezworen
gemeente.
De spreiding van kunst onder de stedelijke elite
is tegenwoordig een geliefd object van onderzoek.
Aan de hand van testamenten en boedelinventarissen
wordt getracht een beeld te krijgen
van de materiële cultuur waarmee men zich omringde.
Onderzocht worden de aanwezige portretten,
schilderijen, het zilverwerk, de inhoud
van de porseleinkast, de omvang van de bibliotheek
en andere luxeartikelen. Onderzocht zou
kunnen worden in welke mate de elite van Zwolle
zich met zulke objecten omgaf en de mogelijke
toename daarvan in de loop van 200 jaar.
Als collectief wensten de regenten door het geven
van opdrachten hun maatschappelijke positie
duidelijk te maken. De omvang en de veranderende
vormen waarop dat in de loop van de tijd
plaatsvond, zijn nog niet onderzocht. De herenbanken
in de kerken en het stadszilverwerk zijn
bekende voorbeelden, waarschijnlijk omdat ze
(gedeeltelijk) de tijd hebben overleefd. Objecten
die van minder duurzaam materiaal zijn gemaakt,
zoals glas, zijn alleen maar uit schriftelijke bronnen
bekend. De Zwolse magistraat verstrekte tot
ver in de zeventiende eeuw regelmatig opdrachten
tot het maken van beschilderde ramen in de
kerken. De ramen waren – ter meerdere eer en
glorie van de opdrachtgevers – voorzien van de
namen en de wapens van de heren regenten en/of
secretarissen. Dit stedelijk patronaat van de kunsten,
hoe kleinschalig het ook is, verdient zeker
nader onderzoek. In de loop van het ancien regime
lijkt collectieve patronage af te nemen – het
politieke debacle van 1672 is waarschijnlijk het
keerpunt – om plaats te maken voor persoonlijke
opdrachten. In dit verband is er nog vruchtbaar
onderzoek mogelijk naar de maatschappelijke
functie van gelegenheidsgedichten.
De bron bij uitstek om de stedelijke opdrachten
te onderzoeken zijn uiteraard de stadsrekeningen.
Zij zijn over de onderhavige periode
compleet bewaard gebleven. Het nut van deze
bron wordt duidelijk bij hét lezen van de artikelen
die Dubbe en anderen over Zwolse zilversmeden
hebben geschreven. Er is echter van deze
bron nog geen gebruik gemaakt om het stedelijk
patronaat te onderzoeken. Nadeel bij de stadsrekeningen
is dat er geen index op is vervaardigd,
zodat het doornemen van de rekeningen geen sinecure
is. Het zou ideaal zijn als het onderzoek
systematisch gebeurde en vastgelegd werd op
fiches of op een andere wijze.
Resultaten
Het verrichten van een studie naar een individueel
kunstenaar of een onderzoek ter verbreding of
verdieping van de kennis over zijn werk, blijft altijd
aantrekkelijk en op dit gebied worden dan
ook de meeste resultaten behaald. In Zwolle waren
tijdens het ancien regime vaardige schilders,
glasschilders, zilversmeden en houtsnijders werkzaam.
Aan diverse kunstenaars is al aandacht geschonken
in verscheidene artikelen en boekjes,
die hier niet allemaal genoemd kunnen worden.
Uitgangspunt voor het onderzoek was in de
meeste gevallen een bestaand kunstwerk of een
oeuvre. Voor de kunstgeschiedenis van Zwolle
zijn in de laatste decennia vooral J. Verbeek en de
al genoemde Dubbe vruchtbare schrijvers geweest.
Een enkele vondst kan vaak leiden tot een
boeiend artikel met een wijdere strekking. Zo
schreef Verbeek naar aanleiding van de aankoop
van een zilveren theebusje door het Rijksmuseum
twee artikelen over de zilversmid Eusebius Willem
Voet, waarin talrijke details over het culturele
leven in Zwolle zijn opgenomen.3
Op literair gebied zijn er ook nog wel ontdekkingen
te doen over onderbelichte dichters en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 139
dichteressen. Recent werd, helaas wat verscholen
gepubliceerd, de vrijwel onbekende zeventiendeeeuwse
Anna Morian onder de aandacht gebracht.
4 De aanwezigheid van een kopie van het
Album amicorum van Lubbertus Rietberg in het
archief was de aanleiding een onderzoek naar
deze dichter in te stellen. Het resultaat is een poging
het werk van deze Zwolse dichter te plaatsen
in de literaire wereld aan het begin van de negentiende
eeuw. Er bleek meer over hem te vertellen
dan aanvankelijk werd verwacht.5
Besluit
Het beeld over het culturele leven in Zwolle zou al
danig in positieve zin gewijzigd worden, indien
iemand eens aan de hand van de bestaande studies
een samenvattend onderzoek zou verrichten
en de stand van zaken opmaakte. Het boek van
Hoefer, dat onbedoeld deze taak vervulde door de
erin opgenomen grote hoeveelheid informatie
over beeldhouwers, schilders en zilversmeden, is
verouderd.6
Wat de schilderkunst betreft is er een samenvatting
van de hand van Verbeek.7 Een nieuwe
studie zou echter ook de andere ambachten moeten
beschrijven en zijn voorzien van een alfabetische
naamlijst van alle Zwolse kunstenaars met
bij iedere kunstenaar de biografische gegevens,
bestaande literatuur en verblijfplaats van werk.
Uiteraard dient een geschiedenis van de gilden
aan de naamlijst vooraf te gaan. Een dergelijk
boek zou de lacunes aantonen en systematischer
onderzoek mogelijk maken. De studie zou als referentiepunt
kunnen dienen voor nieuwe onderzoeken
op diverse terreinen.
Onderzoek naar al die kleine meesters en hun
opdrachtgevers zou nog onvermoede inzichten
kunnen opleveren over het culturele leven te
Zwolle tijdens het ancien regime. Iedere bijdrage
die het beeld vollediger maakt, is welkom.
Noten
1. G.J. Hoogewerff, De geschiedenis van de St. Lucasgilden
in Nederland (Amsterdam 1947) 67-73.
2. M. van Heuven-Bruggeman, ‘Een rekest in Zwolle
in de nazomer van 1785’, in: Verslagen en mededelingen
van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsen
regt en geschiedenis 91 (1976) 70-95.
3. J. Verbeek, ‘Rond een zeshoekig theebusje’, in: Bulletin
van het Rijksmuseum 11 (1963) 94-99. Idem,
‘Een vierde theebusje van Eusebius Willem Voet’,
in: Bulletin van het Rijksmuseum 16 (1968) 13-16.
4. G.T. Hartong, ‘Anna Morian, Zwols dichteres’, in:
Overijssel in proza en poëzie (Borne 1983).
5. J.C. Streng, ‘De Zwolse dichter Lubbertus Rietberg
(1783-1826)’, in: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1991)
40-52.
6. F.A. Hoefer, Wandelingen door oud-Zwolle (Zwolle
1912).
7. ]. Verbeek, ‘De beeldende kunst in Overijssel’, in:
B.H. Slicher van Bath e.a. (red.), Geschiedenis van
Overijssel (Zwolle 1970) 333-341.
Een houten theebusje
met zilver versierd
(rond 1700). In de dop
is de naam van de ook
op degildetafel voorkomende
smid E.W. Voet
gegraveerd. (Foto Provinciaal
Overijssels
Museum, Zwolle.)
140 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op zoek naar onze voorouders
P. Jonkers-Stroink
David Schuschan Stibbe,
89 jaar oud, overleden
in 1806. (Foto Provinciaal
Overijssels
Museum, Zwolle.)
Genealogie of stamboomonderzoek is een
hobby die door steeds meer mensen wordt
ontdekt. Dat is niet zo verwonderlijk,
want van het achterhalen van de identiteit van
onze voorouders en het invullen van hun levenswandel
gaat een grote fascinatie uit. Het gemeentearchief
beschikt over een rijk scala aan bronnen,
waarmee het leven van vele generaties Zwollenaren
kan worden ingekleurd. Hieronder volgen enkele
voorbeelden van de soms lastige, maar altijd
interessante problemen die bij een genealogisch
onderzoek om de hoek komen kijken.
In de negentiende eeuw komen we bij het genealogisch
onderzoek over het algemeen geen al
te grote hindernissen tegen. De in 1811 ingevoerde
burgerlijke stand en het in 1850 tot stand gekomen
bevolkingsregister maken het mogelijk een stamboom
gemakkelijk tot het begin van de negentiende
eeuw terug te voeren. Vóór 1811 moeten we
gebruik maken van grotendeels door de kerkelijke
instanties bijgehouden doop-, trouw- en begraafboeken,
ook wel DTB-boeken genoemd. Deze
primaire bronnen bevatten de gegevens die de basis
van elk genealogisch onderzoek vormen, te
weten namen, verwantschappen, data en plaatsen.
Het overgrote deel van de primaire bronnen
is alfabetisch toegankelijk gemaakt, wat het onderzoek
natuurlijk aanmerkelijk vergemakkelijkt.
Dat wil uiteraard niet zeggen dat er bij een onderzoek
geen problemen naar voren kunnen komen.
Zo blijken er op de lijst van zerken op de
joodse begraafplaats van Zwolle leden van de familie
Stibbe voor te komen met de vermelding: de
leviet. De vraag is nu of deze Stibbes afstammelingen
zijn van stamvader David Stibbe, die zelf geen
leviet was. Uit de bronnen kwamen de namen van
Leonardus, Lucas, Isidoor, Betje, Duifje en Eduard
Levie Stibbe naar voren. Uit verder onderzoek
bleek dat zij afstamden van de ongehuwde Duifje
Elias Stibbe, die op 25 december 1803 was geboren
en op 14 september 1879 overleed. In haar overlijdensakte
stond dat haar ouders Elias Moses Stibbe
en Beeletje Salomons Cohen waren. In een geboorteregister
van niet-gereformeerde kinderen
was in het gedeelte dat op joodse kinderen betrekking
had, te lezen dat op 10 maart 1776 Elias
was geboren, de zoon van Moses Davids Stibbe en
Marjanne Elias. Deze Moses bleek een zoon te
zijn van de stamvader David Stibbe en Duifje
Hartogs.
Zo waren de familieverhoudingen blootgelegd,
maar hoe zat het nu met die vermelding van
de leviet? Om dat te ontdekken werd verder onderzoek
gedaan naar de ongehuwde Duifje. Het
bleek dat zij samenwoonde met Hartog Cosman
Troostwijk. Deze Hartog overleed op 4 augustus
1850 als echtgenoot van de ongeneeslijk krankzinnige
Klara Davids Cohen. Verder kwam naar voren
dat de eerste kinderen van Duifje in het geZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 141
boorteregister als Troostwijk waren ingeschreven,
een inschrijving die later werd doorgehaald en
veranderd in Stibbe. De oplossing voor het raadsel
lag in het feit, dat Hartog en Duifje voor de
joodse wet wel degelijk gehuwd waren. Die wet
biedt namelijk onder speciale condities een man
de mogelijkheid om, als zijn vrouw krankzinnig
is, een tweede vrouw te huwen. De Troostwijks
waren levieten en vandaar dus de vermelding op
de grafstenen!
Een ander voorbeeld van onderzoek in de registers
van de burgerlijke stand en de DTB-boeken
betreft de herkomst van Cornelis Rijfkogel,
die te Zwolle op 23 oktober 1834 trouwde met Clara
Edelenbos. Uit de bijlagen bij dit huwelijk bleek
dat hij op 21 november 1802 te Heemstede geboren
was als zoon van Cornelis Rijfkogel en Maria
Royer. Meer informatie over de ouders ontbrak,
omdat ze al vele jaren ‘absent’ waren, de vader al
24 jaar. Uit de bijlagen bleek tevens dat zijn grootvader
van moederszijde in Zwolle overleden was.
Het onderzoek spitste zich dus toe op Maria Royer.
Zij werd op 24 maart 1780 geboren en op 26
maart gedoopt als dochter van Johannes Royer en
Aleida Brink. Uit het rechterlijk archief van Zwolle,
dat ook gedeeltelijk alfabetisch toegankelijk is,
bleek dat de ouders van Maria op 13 sprokkelmaand
(februari) 1811 voor de schepenen van de
stad waren verschenen om te melden dat hun
dochter al geruime tijd slecht door haar man behandeld
werd. Aleida verklaarde dat ze, toen ze
zich in het begin van 1805 op verzoek van haar
dochter Maria naar Lisse had begeven, waar het
echtpaar woonde, daar meermalen getuige van
was geweest. Vervolgens had Cornelis Rijfkogel in
lentemaand (maart) 1805 zijn vrouw en kinderen
verlaten. Daarop hadden Johannes en Aleida zich
over de kinderen ontfermd.
Vóór 181a was men niet verplicht een vaste familienaam
te voeren. Dat kan bij genealogisch
onderzoek nog wel eens tot verwarring en problemen
leiden. Zo kwamen in Zwolle een Catrina,
Adam en Bartholomeus Luikerhof voor, die respectievelijk
in 1716, 1728 en 1719 trouwden. De
dopen van deze drie Luikerhofs waren in de alfabetische
toegang echter niet terug te vinden. Maar
omdat zij of hun wederhelften onderling getuige
bij eikaars huwelijken waren, mogen we aannemen
dat we hier met leden van één gezin te maken
hebben. Een belangrijke aanwijzing was dat Catrina
bij haar begrafenis in 1740 Van Ooij werd genoemd.
De naam Van Oijen duikt namelijk wel
vaker op in verband met de naam Luikerhof. Zo
was de vrouw van Adam in 1729 getuige bij de ondertrouw
van Hendrine Esting, de weduwe van
Jan van Oijen. Jan van Oijen was zelf getuige bij
het huwelijk van Bartholomeus.
Omdat het onderzoek in de DTB-boeken geen
uitkomst bood, moesten andere bronnen opgezocht
worden. Zo werd het wijkboek van de Sassenstraat
geraadpleegd, omdat bekend was dat
Bartholomeus in de Walstraat had gewoond en
deze straat destijds in de wijk Sassenstraat was ge-
Huwelijksbokaal, gewaakt
voor het huwelijk
van Egbertus Vos
de Wael en Johanna
Maria van Sonsbeeck
op 16 augustus 1746.
Het dopen, trouwen en
begraven laat niet alleen
in het archief sporen
na. (Foto Provinciaal
Overijssels Museum,
Zwolle.)
142
J_
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op de bokaal werden
naast liefdessymbolen
en een gedicht ook de
familiewapens gegraveerd.
Het linker wapen
is van de familie
Vos de Wael. Dat bij
dit huwelijk niet alleen
het familievermogen
een rol speelde, blijkt
onder andere uit de
hartvorm van de wapens.
(Foto Provinciaal
Overijssels Museum)
legen. Wellicht dat hierin viel te achterhalen waar
de familie vandaan kwam. Bartholomeus werd
vermeld als metselaar, ‘van alhier’. Dat betekende
dat hij dus toch uit Zwolle afkomstig was. Vervolgens
zat er niets anders op dan het doopboek over
een bepaalde periode door te nemen en de doop
van elke Bartholomeus op te schrijven. Belangwekkend
was de doop van een Bartholomeus op 3
maart 1697. Zijn ouders, Peter Hofkerus en Annetje
Bartholomeus, lieten namelijk op 27 mei 1694
een dochter Catrina en op 15 februari 1699 een
zoon Adam dopen. Met deze gegevens in het achterhoofd
kon verder worden gezocht. In het
trouwboek was te vinden dat Anna Bartolomeus
op 12 februari 1682 trouwde met Hendrik van
Ooijen, soldaat onder het regiment van kapitein
Torck. Een huwelijk van Anna met Peter Hofkerus
was echter niet te vinden. Uiteindelijk bleek
dat ze onder andere namen in het huwelijk waren
getreden, want op 25 januari 1691 trouwde Anna
Karnaeij, weduwe van Hendrik van Ooij, met Peter
Haafkens, een soldaat. Deze familie is dus wel
zeer los met achternamen omgesprongen!
Uit het bovenstaande is al gebleken dat secundaire
bronnen kunnen helpen om een vastgelopen
onderzoek weer op gang te brengen. Ook
kunnen ze informatie geven over de levensomstandigheden
van onze voorouders. Zo was bekend
dat ene Gerrit Helleman circa 1755 in Zwolle
geboren was. Onderzoek bracht aan het licht dat
hij op 4 december 1755 luthers werd gedoopt als
zoon van Gerrit Helleman en Catharina Margrite
Vreese. De doop, het huwelijk of de begrafenis
van de ouders konden echter niet in Zwolle worden
gevonden, zodat het onderzoek moest worden
voortgezet in secundaire bronnen. In het
rechterlijk archief werd in een inventaris van goederen
in de wijk Diezerstraat gevonden dat de ouders
vóór half juli 1766 waren overleden. Vanaf
dat moment werd door twee lutherse ouderlingen
een lijst van alle inkomsten en uitgaven van
de wezen bijgehouden. Volgens een resolutie van
schepenen en raden van 15 juni 1791 werd de
voogdij toen beëindigd omdat alle kinderen volwassen
waren. In de boekhouding was sprake van
een stalhouderij. In de transportregisters, waarin
de aan- en verkoop van onro

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1990, Aflevering 4

Door 1990, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Zwols
Historisch
Tijdschrift
7e jaargang
1990, nr.
/9,5|0
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
ARCHITECTENBUR. G. RIETVELD OUDEGRACHT 55 UTRECHT
WERK: ARCH. MEDEW. SCHAAL DATUM BLAD NO:
Jongere bouwkunst
Colofon Redactioneel
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
en verschijnt vier maal per jaar.
Leden van de vereniging krijgen het
tijdschrift gratis toegezonden.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
Redactie-leden: J.H. Drentje, J. Gelderman,
H. Halbertsma, J. ten Hove,
W.A. Huijsmans, I. Wormgoor, A. van
der Wurff.
Adviseurs: N. Lettinck, H.CJ. Wullink.
Redactie-adres:
Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle.
Tekstverwerking en vormgeving:
Marinus Prins (bNO).
druk: drukkerij Werktuig.
Fotografie:
Tenzij anders is vermeld zijn de foto’s
afkomstig van de
Gemeentelijke Fotodienst Zwolle
(J.P. de Koning).
Bestuur Zwolse Historische Vereniging:
voorzitter:
J. Hagedoorn,
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle.
secretaris:
E. Tijssen,
Tichelmeesterlaan 37, 8014 LA Zwolle.
penningmeester:
H. Brassien,
Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle.
leden:
A. Bootsma-van Hulten,
R.T. Oost, I. Wormgoor.
BJ. Kam,
Secretariaat/ledenadministratie:
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle,
(telefoon: 038 – 539 625)
Financiën:
girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging.
Tarieven lidmaatschap:
jeugdleden, studenten, 65+
(wonend binnen Zwolle)…. ƒ 25,00/jaar
overige leden ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Lange tijd heeft de bouwkunst uit de periode
1850-1940, de zogenaamde jongere
bouwkunst, in de schaduw gestaan van
bouwwerken uit een verder verleden. De
laatste jaren lijkt daar echter verandering
in te komen. In het hele land wordt nauwkeurig
geïnventariseerd welke gebouwen
er uit die periode bewaard zijn gebleven.
In Zwolle is die inventarisatie al afgerond:
het blijkt om ongeveer 1000 objecten te
gaan. Dit grote aantal duidt erop dat de
stad toen een belangrijke ontwikkeling
doormaakte. J.W. van Beusekom gaat, in
het eerste artikel van een serie over jongere
bouwkunst, in op de stedebouwkundige
ontwikkelingen.
Om de jongere bouwkunst meer onder de
aandacht te brengen, is onlangs een wandel-
en fietsroute langs interessante gebouwen
gemaakt.
C. Hamming gaat veel verder terug in de
tijd. Hij gaat in op de vraag of Zwolle nu
wel of niet aan de IJssel of aan de Vecht
heeft gelegen.
In het laatste artikel geeft J.C. Streng achtergrondinformatie
bij de tentoonstelling
over de schilder Derk Jan van der Laan,
die momenteel in het POM te zien is. Hij
schetst het beeld van een culturele bloeiperiode
in Zwolle tussen 1795 en 1830; dit
in tegenstelling tot de gangbare opvatting
dat de eerste helft van de negentiende
eeuw vooral een tijd van kommer en kwel
was.
Tenslotte wensen wij u prettige feestdagen
en een heel goed 1991.
Foto omslag: J. Lensink, Het Oversticht.
Bouwtekening op omslag: Dienst Openbare Werken,
gemeente Zwolle.
Op de foto op pagina 111: het pand Burgemeester
van Royensingel 17-18.
©Zwolse Historische Vereniging 1990
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd
en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie,
microfilm of op welke wijze dan ook, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitge-
1990 110
Inhoudsopgave
112 Jongere bouwkunst in Zwolle
1 8 5 0 – 1 9 4 0 ( d e e l 1) Jan Willem van Beusekom
121 Wandel-Fietstocht jonge bouwkunst
in Zwolle J.T. Teunis
124 Zwolle aan de Vecht? Een stad aan
S de Ijssel?
een recensie-artikel c. Hamming
132 Twee opmerkingen naar aanleiding
van de tentoonstelling met werken
van Derk Jan van der Laan j.c. streng
139 Mededelingen
141 literatuur
142 Agenda
142 Personalia
1990 111
Jongere bouwkunst in
Zwolle, 1850-1940 (deel 1)
Jan Willem van Beusekom
In de periode 1850-1940 vindt een
snelle ontwikkeling plaats die
verstrekkende gevolgen heeft voor het
aanzien van stad en land. Ook Zwolle
ondergaat in die periode grote veranderingen.
Eén van de oorzaken is de
aanwijzing tot provinciehoofdstad.
De groei die daar het gevolg van is uit
zich in nieuwe gebouwen en nieuwe
wijken. Behalve bestuurlijke, vinden
ook economische veranderingen
plaats die leiden tot schaalvergroting
en noodzakelijke verbeteringen van
de infrastructuur. Deze beide factoren,
en daarmee samenhangende nevenontwikkelingen,
hebben geleid tot de
stad (of beter: gemeente) zoals we die
nu kennen.
In het kader van de monumentenzorg
is tot voor kort nooit veel aandacht
besteed aan deze betrekkelijk recente
periode. Slechts de oude binnenstad
en enkele objecten in het buitengebied
waren interessant Een selectie
van gebouwen, merendeels van vóór
1850, is ter bescherming op de
rijksmonumentenlijst geplaatst De
laatste jaren is er sprake van een toenemende
belangstelling voor de jongere
bouwkunst, waarbij behalve aan
de gebouwen zelf, ook waarde wordt
toegekend aan de omgeving.
In dit eerste artikel in een serie over
de ontwikkeling van de gebouwde omgeving
in de gemeente Zwolle komen
de stedebouwkundige ontwikkelingen
van de stad en het buitengebied aan
de orde. In de volgende drie artikelen
zal ingegaan worden op de objecten
in de stad en het buitengebied.
Het Monumenten Inventarisatie Project
(M.I.P.)
In 1986 is in de provincie Overijssel een
begin gemaakt met het zogenaamde Monumenten
Inventarisatie Project (M.I.P.),
dat op initiatief van het Ministerie van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
wordt uitgevoerd in de twaalf provincies
(en de vier grote steden). De coördinatie
berust bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
te Zeist.
De doelstelling is om in korte tijd (circa
vijf jaar) een landelijk, eenduidig overzicht
te krijgen van de stedebouw en bouwkunst
in Nederland in de periode 1850-
1940. Het M.I.P. kan dienen als bouwsteen
voor toekomstig beleid van zowel Rijk,
provincie als gemeente ten aanzien van
ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en
monumentenzorg. Daarnaast kan het
M.I.P. dienen ten behoeve van selectie- en
registratie-activiteiten ten aanzien van objecten,
ensembles, structuren en gezichten.
Bovendien bevordert het M.I.P. de kennis
en waardering voor de tot voor kort ondergewaardeerde
periode 1850-1940 door
aanzetten te geven tot publicaties en wetenschappelijk
onderzoek.
In Overijssel wordt het Monumenten Inventarisatie
Project voor de provincie uitgevoerd
door Het Oversticht (Genootschap
tot bevordering en instandhouding
van het landelijk en stedelijk schoon in de
provincie Overijssel). Deze particuliere organisatie
bestaat sinds 1925, is gevestigd
in Zwolle en is werkzaam op het gebied
van welstandstoezicht, landschapsbeheer
en monumentenzorg.
De bedoeling van het project in deze pro-
1990 112
foto 1: Voorbeeld bebouwing
van de Stationswijk
(Van Royensingel)
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
vincie is dat tussen begin 1987 en medio
1990 naar schatting 12.000 objecten in
kaart worden gebracht. Daarnaast worden
van alle gemeenten historische beschrijvingen
gemaakt die zich toespitsen op de
periode 1850-1940. Ook wordt een beschrijving
van de stedebouwkundige ontwikkeling
in die periode, veelal aan de
hand van historisch kaartmateriaal, opgesteld.
Overijssel is daartoe in drie gebieden verdeeld:
Salland, het Land van Vollenhove
en Twente. Van deze drie gebieden wordt
een afzonderlijke en uitgebreide gebiedsbeschrijving
gemaakt. In januari 1989 werden
de rapporten van de tweeëntwintig
Sallandse gemeenten aan de toenmalige
minister van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur, mr. drs. L.C. Brinkman, aangeboden.
In het najaar volgden de vier gemeenten
in het land van Vollenhove. Medio
1990 zullen de negentien Twentse gemeenten
afgerond zijn.
In de volgende fase van het M.I.P. zal uit
de geïnventariseerde objecten een selectie
gemaakt worden, in eerste instantie door
het Rijk voor plaatsing op de Rijksmonumentenlijst.
Naar verwachting zal slechts
een zeer klein gedeelte van de objecten
daarvoor in aanmerking komen. Daarnaast
kunnen ook de gemeenten zelf en/of de
provincie hun eigen monumentenlijst hiermee
aanvullen of beginnen.
In de tweeëntwintig Sallandse gemeenten
zijn ongeveer 4.200 objecten geïnventariseerd,
waarvan in Zwolle alleen al ongeveer
1.000. Dit aantal geeft al aan dat
Zwolle in de periode 1850-1940 een belangrijke
ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Stedebouwkundige ontwikkelingen
In de Franse tijd, aan het eind van de
achttiende eeuw, vinden grote bestuurlijke
veranderingen plaats. Nieuwe bestuurlijke
eenheden ontstaan en nieuwe hoofdsteden
worden aangewezen. Het in 1798 ontstane
Departement van de Oude IJssel beslaat,
behalve de huidige provincie Overijssel,
ook Drenthe, een deel van Friesland
en het noorden van de Veluwe. Zwolle
wordt als meest centraal gelegen plaats de
hoofdstad van dit Departement. In 1801
vindt een herindeling plaats waarbij Drenthe
en Overijssel één provincie vormen die
in 1807 weer gesplitst wordt. Van de huidige
provincie Overijssel is Zwolle nog
steeds de hoofdstad, hoewel het inmiddels
niet meer zo centraal gelegen is.
Het aanwijzen van een stad tot provinciehoofdstad
heeft tot gevolg dat er tal van
voorzieningen getroffen moeten worden
voor nieuwe functies en voor huisvesting
van personeel.
Na een grote bloeiperiode in de veertiende
en vijftiende eeuw gaat door de opkomst
van de steden in Holland en Zeeland
de handelsfunctie van Zwolle achteruit
en komt er aan de groei van de stad
een einde. Tot circa 1800 blijft de stadsontwikkeling
van geringe betekenis en
dus voornamelijk binnen de omwalling uit
het begin van de zeventiende eeuw.
In 1790 wordt de vestingfunctie van Zwolle
opgeheven, waarna de verdedigingswerken
afgebroken worden. Hierdoor ontstaat
de mogelijkheid voor stadsuitbreiding
op en buiten de stadswallen. Langs de
uitvalswegen van de stad zien we voorsteden
ontstaan. In zuidoostelijke richting
(langs de weg naar Deventer) ontwikkelt
1990 113
foto 2: Het Assendorperplein
in de wijk Assendorp
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
kaart 1: Zwolle, 1850
(rechterpagina)
zich Assendorp. In mindere mate zien we
een dergelijke ontwikkeling in noordoostelijke
richting (langs de weg naar
Meppel), de Nieuwstad en in westelijke
richting (langs de weg naar Kampen), de
Hoogstraat en langs de Willemsvaart
(kaart 1).
De uitbreiding van de stad is vooral het
gevolg van de bevolkingstoename: in 1850
tellen de gemeenten Zwolle en Zwollerkerspel
samen 22.322 inwoners, in 1895 is
dit aantal toegenomen tot 35.545 en in
1940 tot 51.901. (zie tabel). In 1850 woont
85% van de bevolking in de stad. De rest
woont verspreid in het buitengebied; de
gemeente Zwollerkerspel met kleine con-
Bevolkingsontwikkeling van Zwolle en Zwollerkerspel
jaar
1850
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
bron-.
gemeente
Zwolle
17.930
19.315
20.699
23.060
26.726
30.848
33928
35.743
40.496
43.301
gemeente
Zwollerkerspel
4.226
4.775
5.250
5.638
5.856
5.871
6.652
7.231
8.156
8.600
Databank Universiteit van Amsterdam,
vakgroep sociale geografie, 1988
totaal
22.156
24.090
25.949
28.698
32.582
36.719
40.580
42.974
48.652
51.901
centraties in Windesheim, Ittersum, Berkum
en Westenholte.
Industrie kent Zwolle nauwelijks. Van een
echt industrieterrein is vóór 1940 dan ook
geen sprake. Alleen op het Noordereiland
en het Rode Torenplein is sprake van enige
industriële bebouwing,
Vóór 1850 bestaat de industrie voornamelijk
uit huisnijverheid. In 1853 zijn er
slechts twee fabrieken met meer dan twintig
werknemers. Eén van de belangrijkste
industrieën wordt de Centrale Werkplaats
van de spoorwegen (1870). Verder bestaat
de industrie voornamelijk uit: twee ijzergieterijen;
grafische industrieën, een gasfabriek
en zeep- en zoutziederijen.
In het midden van de negentiende eeuw
komt, vooral onder de vele hoge
ambtenaren, de behoefte op in de buurt
van de stad, maar toch in het groen, te
kunnen wonen. Dit leidt-tot de singelbebouwing,
zowel aan de zijde van de binnenstad
als aan de overzijde waar tot dan
toe de onbebouwde Weezenlanden liggen.
Nadat in 1864 het station in dit gebied
gebouwd is, verrijst hier de deftige
Stationswijk (foto 1).
De arbeiderswijk Assendorp breidt zich uit
tussen de Assendorperstraat en de
Stationswijk, vooral ten behoeve van de
werknemers van de Centrale Werkplaats
van de spoorwegen (foto 2). De uitbreiding
van Assendorp is de belangrijkste
stadsontwikkeling in de periode 1850-1900
(kaart 2).
In de eerste decennia van deze eeuw zien
we een geringe uitbreiding langs de
1990 114

foto 3: Gevelwand langs de
gedempte Willemsvaart
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
kaart 2: Zwolle, 1900
(rechterpagina)
• V

Hoogstraat, voornamelijk bestaande uit arbeiderswoningen.
Langs de Willemsvaart
ontstaat bebouwing voor de middenklasse
(foto 3). Omstreeks deze tijd ontstaat
eveneens de Emmawijk. Ten oosten van
de binnenstad komt,. ten zuiden van de
Wipstrikkerallee, de zeeheldenbuurt tot
stand en ten noorden van de binnenstad
de Indische buurt.
Vervolgens komt de wijk Dieze ten noorden
van de stad tot gereed, evenals het
ten oosten van Assendorp gelegen Pierik.
Tussen de beide wereldoorlogen wordt de
wijk Wipstrik ten noorden van de Wipstrikkerallee
aangelegd en tenslotte in de
jaren dertig de wijk Veerallee ten behoeve
van meer welgestelden (foto 4).
In het buitengebied is vóór 1940 nauwelijks
van een stedebouwkundige
ontwikkeling sprake. De vier genoemde
concentraties kennen slechts een geringe
uitbreiding langs het bestaande wegenpatroon
(kaart 3).
Infrastructuur
De grote kracht van Zwolle is nog steeds
het relatief grote achterland zonder concurrerende
grote steden en de ligging van
de stad die bepaald wordt door de verbindingen
met dat achterland, kortweg de infrastructuur
genoemd.
De infrastructuur kunnen we in drie groepen
verdelen: de waterwegen, de landwegen,
en de spoor- en tramwegen (kaart
4).
De waterwegen
Alhoewel Zwolle niet echt aan de IJssel
ligt wordt het vaak met Kampen, Deventer,
Zutphen en Doesburg tot de IJsselsteden
gerekend. De stad heeft in het verleden
toch haar bloei aan deze rivier te danken.
Met name het dicht bij elkaar liggen
van deze rivier en de Nieuwe Wetering,
de Vecht en het Zwarte Water is voor de
stad van belang.
Al sinds de bedijking van de IJssel heeft
foto 4: De Prins Hendrikstraat
nabij de Veerallee
Foto: Het Oversticht, Zwolle.
1990 116

kaart 3: Zwolle, 1940
(rechterpagina)
kaart 4: Infrastructuur
O I 2 3 k m
Rijksweg A28
Hoofdweg of autoweg zonder gescheiden rijbanen naar:
Kampen (1) Hasselt (2), Ommen (3), Deventer (4) en Hattem
(5).
Spoorlijn naar: Kampen (a), Leeuwarden-Groningen (b),
Emmen (c), Wierden-Almelo (d), Deventer (e)
en Amersfoort-Utrecht (f).
Waterweg: IJssel (I), Zwarte Water (II), Overijsselse Vecht
(III), Nieuwe Vecht (IV), Nieuwe wetering (V),
Almelose Kanaal (VI) en Zwolle-IJsselkanaal (VII).
bron: Grote Topografische Atlas van Nederland, 1987.
Zwolle gepleit voor een scheepvaartverbinding
met deze rivier. In 1819
wordt deze wens eindelijk vervuld door
de aanleg van de Willemsvaart, die later
verbreed, verlegd en verdiept wordt. Op
de vrijgekomen grond van de oorspronkelijke
vaart ontstaat de Emmawijk.
In 1832 komt het Lichtmiskanaal gereed
dat voornamelijk van belang wordt voor
de afvoer van turf uit de verveningsgebieden
langs de Dedemsvaart.
Het Overijssels Kanalenplan uit 1847 heeft
tot doel door middel van een uitgebreid
stelsel van waterwegen te zorgen voor
verbindingen met het oosten van de provincie,
waar de Twentse textielindustrie in
opkomst is en goede aan- en afvoerwegen
nog ontbreken. Het eerste deel van dit kanaal
van Zwolle tot de Regge komt in
1853 gereed. Later volgt doortrekking tot
Almelo en de verbinding met Deventer.
Aan de functie van de meeste waterwegen
komt in de loop van deze eeuw een einde
door concurrentie van spoorwegen en
wegverkeer.
Landwegen
De ligging van Zwolle in een moerassig
gebied is een belemmering geweest voor
de aanleg van wegen. Gezien de aanwezige
waterwegen in die tijd is de behoefte
aan landwegen gering. Van oudsher loopt
ten noorden van de Vecht de Hessenweg
via Berkum over Ommen en Hardenberg
naar Noord-Duitsland. De brug over de
Vecht bij Berkum dateert in eerste aanleg
uit 1450. In de achttiende en negentiende
eeuw is deze weg van groot belang voor
de handel. In 1836 wordt de weg naar
Ommen ten zuiden van de Vecht aangelegd
(de Poppenallee), waardoor de Hessenweg
aan belang inboet. De oudste verbinding
met Twente (de Twentse weg) via
Wythmen, ten noorden van Heino, Raalte
en Hellendoorn naar Almelo wordt in
1830 vervangen door de verharde en rechte
weg Zwolle-Heino-Raalte-Wierden-Almelo.
De weg naar het noorden over Meppel
naar Leeuwarden wordt in dezelfde tijd
verhard. De grond voor de aanleg is afkomstig
uit het Lichtmiskanaal. De weg
naar Kampen wordt in 1924 verhard met
restanten van het kasteel van Zweder van
Voorst te Westenholte.
De verbinding over de IJssel wordt tot in
deze eeuw verzorgd door het Katerveer.
1990 118

‘Hoge Spoorbrug’ nabij de
Van Kamebeekstraat; goed
voorbeeld van een negentiende
eeuwse ijzeren brugconstructie.
Nadat eerdere pogingen om tot een verkeersbrug
over de IJssel te komen mislukt
zijn, ontstaan er in 1862 plannen voor een
gecombineerde spoor- en verkeersbrug,
doch Zwolle ziet van deelname af. Pas in
1927 wordt begonnen met de bouw van
een verkeersbrug, die in 1930 in gebruik
genomen kan worden als onderdeel van
de Zuiderzeestraatweg naar Amersfoort.
Spoor- en tramwegen
Vanaf het midden van de negentiende
eeuw worden spoorwegen aan de
vervoersmogelijkheden toegevoegd. Zwolle
krijgt pas na het gereedkomen van de
IJsselbrug in 1864 een rechtstreekse verbinding
met Amersfoort en Utrecht. Enkele
jaren later wordt deze lijn doorgetrokken
naar Meppel. Nadat aanvankelijk een
noodstation aan de Willemsvaart gebruikt
is, komt in 1868 het huidige. station gereed.
In 1865 komt de spoorlijn naar Kampen
tot stand. In 1866 wordt de verbinding
met Deventer, Zutphen en Arnhem
geopend. In 1880 komt de verbinding met
Almelo gereed, waarmee tevens aansluiting
wordt verkregen op het Duitse spoorwegnet.
Zo wordt Zwolle steeds meer een
knooppunt van spoorlijnen in vele richtingen.
In 1888 wordt daar de lijn naar Apeldoorn
via Hattemerbroek aan toegevoegd.
In 1903 tenslotte wordt op particulier initiatief
de spoorlijn naar Ommen aangelegd
die vier jaar later wordt doorgetrokken
over Coevorden en Emmen naar Oost-
Groningen.
Behalve aan spoorwegen ontstaat tegen
het eind van de vorige eeuw ook de behoefte
aan betere verbindingen met de regio,
hetgeen leidt tot de aanleg van tramwegen.
Nadat de stad in 1885 een paardentramverbinding
krijgt met het Katerveer
komen vervolgens drie stoomtramverbindingen
tot stand. In 1895 wordt de
tramlijn langs het Lichtmiskanaal over Dedemsvaart
naar Hardenberg aangelegd. In
1908 komt de Zuiderzeetramweg over
Elburg naar Nunspeet gereed. In 1914
wordt de tramverbinding over Hasselt,
Zwartsluis en Vollenhove naar Blokzijl in
gebruik genomen. Al deze tramlijnen zijn
nog vóór de Tweede Wereldoorlog opgeheven
als gevolg van toenemende concurrentie
van het wegverkeer.
Literatuur:
Het Oversticht, Inventarisatie jongere bouwkunst 1850-1940. Beschrijving Gemeente Zwolle (Zwolle
1988).
Het Oversticht, Inventarisatie jongere bouwkunst 1850-1940. Objecten gemeente Zwolle, deel 1-5
(Zwolle 1988).
Het Oversticht, Inventarisatie jongere bouwkunst 1850-1940. Gebiedsbeschrijving Salland (Zwolle
1988).
1990 120
Wandel-Fietstocht jonge
bouwkunst in Zwolle
J.T. Teunis
In 1979 werd er voor het eerst vanuit het
ministerie van CRM aangedrongen op een
onderzoek naar waardevolle architectuur
uit de periode 1850-1940. De reden hiervoor
was dat steeds meer panden uit die
periode werden gesloopt, hetgeen toch tot
onrust leidde in de kring van monumentenzorgers
en historische verenigingen.
Tijdens een inventarisatie bleek dat Zwolle
een rijk bestand aan jonge bouwkunst bezat
met fraaie woonhuizen en bijzondere
kerken en bruggen. Een aantal van deze
objecten is in de daarop volgende jaren
middels de gemeentelijke monumentenverordeningen
beschermd. Ook probeert
de gemeente door een informerend en stimulerend
beleid de betrokkenheid van
burgers en eigenaren bij de monumenten
te versterken. Eén van de middelen daarbij
is het maken van informatiebrochures
over verschillende onderwerpen.
Uit persoonlijke contacten met eigenaren
van monumenten en andere geïnteresseerden,
was men op de afdeling Monumentenzorg
van de sector stadsontwikkeling
op de hoogte van de belangstelling naar
de jonge bouwkunst in Zwolle en speelde
men reeds geruime tijd met de gedachte
een wandel-fietsroute als informatieblad
uit te geven. Tot nu toe werd door de
actualiteit of om andere redenen de voorkeur
aan andere onderwerpen gegeven.
Toen het comité Open Monumentendagen
de jonge bouwkunst als hoofd-item voor
Zeven alleetjes 1, kantoorgebouw
IJsselcentrale;
goed voorbeeld van de
Delftse School.
1990 121
Meppelerstraatweg 19, Marechausseekazerne
uit 1929
ontworpen door het bouwkundig
bureau der Genie te
Groningen met invloeden
van de Amstrdamse school,
art deco en architect
W. Dudok.
de vijfde open monumentendag van
8 september 1990 koos, leek dit het geschikte
moment een wandel-fïetsroute
voor te bereiden en deze op de open monumentendag
aan het comité en daarmee
aan de Zwolse bevolking aan te bieden.
Met de layout werd enigszins afgeweken
van de reguliere informatiebladen over
monumentenzorg en archeologie in
Zwolle.
Het maken van een keuze is bij zo’n groot
aanbod erg moeilijk. Hoofdzakelijk is gekozen
uit panden en objecten die voorkomen
op de gemeentelijke monumentenlijst,
geregistreerd staan als rijksmonument
of naar inzicht van de afdeling monumentenzorg
borg staan voor voldoende bouwkundige
of historische kwaliteit. Voor een
keuze uit de ongeveer 385 rijksmonumenten,
280 gemeentelijke monumenten en
toegevoegde panden zijn een aantal criteria
vastgesteld. De historische-architectonische
kwaliteit, de naamsbekendheid van
de ontwerper, datering van hét object en
de relatie tot de route speelden een rol bij
de selectie. Uit een eerste sortering bleek
al snel dat met alleen een wandelroute het
niet mogelijk zou zijn alle bouwwerken te
bekijken. De uitbreiding van Zwolle na
1850 met wijken als Veerallee, Assendorp
en Dieze heeft als gevolg dat gekozen
voorbeelden ver weg kunnen liggen en
voor ons doel niet beloopbaar zijn. Het
splitsen in een wandelroute in de omgeving
van de binnenstad en een fietstocht
in de buitengebieden is dan onvermijdelijk.
Terwille van een aantrekkelijke tocht
of uit praktische overwegingen is bij de
keuze van uiteindelijk 44 objecten soms
afgeweken van bovengenoemde maatstaven.
Het zal bijvoorbeeld duidelijk zijn dat
de panden aan de Burgermeester van
Royensingel stuk voor stuk interessant
zijn, maar dat zij alleen al een halve
brochure vullen.
Andere redenen voor het niet opnemen in
het infoblad kunnen zijn dat al genoeg
voorbeelden uit een bepaalde stijlperiode
zijn opgenomen of dat een object moeilijk
in de route was op te nemen. Soms is
daarentegen een object juist opgenomen
om een gat in de route te vullen. Bij een
aantal bouwwerken speelt het probleem
om de tekst kort te houden. Persoonlijke
voorkeur voor een bouwstijl of architect
gaan al gauw een rol spelen. Zonder de
andere te kort te doen behoren de volgende
panden tot de pronkstukjes van het infoblad:
– Burgemeester van Royensingel 17 en
18, villa in neo-renaissancestijl ontworpen
door S.J.H. Trooster
– Diezerstraat 80, voormalig Provinciehuis
met Statenzaal; een ontwerp van
rijksbouwmester J. van Lokhorst in
neo-gotische stijl
– Diezerstraat 64, bioscoop De Kroon;
interbellum architectuur naar een ontwerp
van H.J. Voogden
– Samuel Hirschstraat 8, synagoge opgetrokken
in eclectische bouwstijl en ontworpen
door F.C. Koch
– Willemsvaart 21, kantoorgebouw ontworpen
in 1957 door G. Rietveld, een
voorbeeld van de international
style/Het Nieuwe Bouwen
– Van Karnebeekstraat ong., de zogenaamde
‘Hoge Spoorbrug’ uit 1883;
een goed voorbeeld van een negentiende-
eeuwse ijzeren brugconstructie
– Stationsplein, Hoofdgebouw uit 1886 in
waterstaatsstijl waartegen een gebogen
ijzeren kap met sikkelspanten de oudst
• bewaard gebleven in ons land
– Assendorperstraat 205-207, Dominicanenklooster
en kerk; een neo-gotische
kruisbasiliek met klooster naar een
ontwerp van J. Kayser uit 1902
1990 122
Rhijnvis Feithlaan 80-84,
voormalig Sophia Ziekenhuis;
goed voorbeeld van
Het Nieuwe Bouwen. (Foto:
M. Malherbe)
Rhijnvis Feithlaan 80-84, voormalig
Sophia Ziekenhuis; goed voorbeeld
van Het Nieuwe Bouwen opgeleverd
in 1935 naar een ontwerp van J.G.
Wiebenga
Meppelerstraatweg 19, Marechausseekazerne
uit 1929 ontworpen door het
bouwkundig bureau der Genie te
Groningen met invloeden van de
Amstrdamse school, art deco en architect
W. Dudok
Zeven alleetjes 1, kantoorgebouw
IJsselcentrale; werd in 1939 ontworpen
door A. van der Steur in samenwerking
met M. Meijerink; een goed voorbeeld
van de Delftse School.
Op vrijdag 7 september 1990 kon mevrouw
M.C. Meindertsma als wethouder
van monumentenzorg het eerste exemplaar
van de wandel-fietstocht aan de heer
Dikkers, voorzitter van het plaatselijk
comité Open Monumentendagen en de
VW Zwolle aanbieden.
Op de open monumentendag van 8 september
1990 maakten velen gebruik van
de gelegenheid kennis te maken met de
jonge monumenten door een infoblad bij
de VW te halen.
Het infoblad is nog steeds gratis te verkrijgen
bij de VW, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de
Menno van Coehoornsingel.
1990 123
Zwolle aan de Vecht?
Een stad aan de IJssel?
een recensie-artikel
C. Hamming
In de Zwolse Courant van 11 november
1989 werd de uitgave aangekondigd
van het Zwols Archeologisch
Dagboek, geschreven door E. Dikken,
deels met medewerking van anderen.
1) Vermeld werd dat het boek veel
nieuwe archeologische gegevens zou
bevatten en tevens dat Dikken zou ingaan
op de vraag of Zwolle ooit aan
de Hssel gelegen zou hebben. Dikken
– zo meldde het bericht verder – was
ervan overtuigd dat Zwolle vóór de
twaalfde eeuw aan de Vecht zou hebben
gelegen en na de twaalfde of dertiende
eeuw aan de HsseL De bewijzen
daarvoor stonden in het aangekondigde
boek, in het hoofdstuk ‘Waternood-
Watersnood’, geschreven samen met
H. Kamphuis. 2)
Hieronder wordt nader ingegaan op
de vraag of Zwolle aan de Vecht en later
aan de Hssel kan hebben gelegen;
dus niet op de vraag of ver vóór de
tijd dat de stad bestond, ooit rivieren
op die plaats hebben gelopen. Dat
laatste is namelijk zeker, omdat er rivierafzettingen
voorkomen in de ondergrond.
Het gaat er in dit artikel
ook niet over of overstromingswater
van de Vecht of van de Hssel Zwolle
bereikt kan hebben. Ook dat lijkt me
een onbetwist gegeven.
Sinds wanneer bestaat Zwolle?
Zwolle heeft in 1230 stadsrechten gekregen,
inmiddels ruim 700 jaar geleden.
Voordat de bisschop van Utrecht Zwolle
stadsrechten verleende, was er uiteraard
sprake van een duidelijke bewoning, misschien
reeds gedurende een lange periode.
Er waren enige buurschappen, waarvan
bekend is dat de bewoners verenigd
waren in markeverband, onder andere
Middelwijk, Dieze en Assendorp.
Dieze en Assendorp lagen buiten de huidige
stadsgrachten. In het boek staat dat
de buurschap Middelwijk grotendeels binnen
de huidige stadsgrachten lag. Genoemd
wordt het gebied De Weezenlanden,
Van Nahuysplein, Nieuwe Markt. Bij
de vondsten van De Weezenlanden wordt
als vroegste datering van het schervenmateriaal
de achtste en negende eeuw opgegeven,
terwijl er van de elfde tot de vijftiende
eeuw intensieve bewoning was.
Verder lag de buurschap Zwolle tevens
binnen de huidige stadsgrachten. Waar die
buurschap precies lag wordt niet duidelijk
aangegeven. Mogelijk denken de auteurs
aan de vindplaats HEMA, waar door hen
materiaal uit de negende tot de twaalfde
eeuw is gevonden. In ieder geval lag de
buurschap Zwolle lager dan het op een
zandrug gelegen Middelwijk, dat in 1230
tevens dichter bevolkt en welvarender
was.
Een continue bewoning vanaf de achtste
of negende eeuw lijkt me denkbaar: eerst
de buurschappen Zwolle en Middelwijk
en later de stad Zwolle. Die buurschappen
zouden best iets meer geweest kunnen
zijn dan zuiver agrarische nederzettingen.
Mogelijk was er sprake van enige handel,
inclusief schipperij.
Door de auteurs zijn echter nog veel oudere
vondsten gedaan: bij de vindplaats
Weezenlanden en bij de vindplaats Biblio-
1990 124
theek zijn stukjes bewerkt vuursteen gevonden
van ongeveer 8000 jaar oud.
Dat er 8000 jaar geleden wel eens mensen
woonden of rondzwierven op de plaats
waar nu Zwolle ligt is mijns inziens zeer
aannemelijk. We mogen dat echter niet
zien als het begin van de latere buurschappen
Zwolle en Middelwijk. Op basis
van de in het boek aangereikte gegevens
mogen we dat begin verwachten in de
achtste of negende eeuw of in de direct
daaraan voorafgaande eeuwen.
De nieuwe gegevens
De gedachte over de aanwezigheid van
vele rivierbeddingen blijkt voornamelijk
afkomstig te zijn uit verwerking van sondeergegevens.
De auteurs hebben namelijk
gegevens verwerkt van een paar duizend
sonderingen in en rond Zwolle. Het
voorkomen van onder zand gelegen kleien/
of veenlagen viel daarbij op. Deze lagen
veelal op diepten van 2 a 4 meter,
maar ook wel op 7 i 10 meter of dieper.
Het op die diepte voorkomen van klei en
veen is volgens de schrijvers het bewijs
voor de aanwezigheid van oude stroombeddingen.
3) De diepteligging van die
klei- en veenlagen zien zij als de diepte
van de geul die open moet zijn geweest in
historische tijd. 4)
Door de punten waar klei en/of veen
werd aangetroffen met elkaar te verbinden
– soms over grote afstanden — werd vervolgens
de richting van die beddingen
verkregen. Voor de keuze van die richtingen
sluiten de auteurs aan bij wat er over
West-Salland bekend is, namelijk dat de
stroombeddingen eerst in oost-westelijke
richting liepen en in latere tijd in zuidnoordelijke
richting. Tot in de eerste
eeuwen na het begin van de jaartelling
loosden de oost-west gerichte beekdalen
van het Sallandse zandgebied hun water
namelijk rechtstreeks in de IJssel. Door de
toenemende waterafvoer van de IJssel en
de opbouw van een oeverwal daarlangs,
werd de lozing op die rivier geleidelijk
aan belemmerd. Het water vloeide sindsdien
af in noordelijke richting door het
kommengebied evenwijdig aan de IJssel.
De Vecht langs Zwolle
Voor oude stroombeddingen in de omgeving
van Zwolle die de auteurs vóór de
negende eeuw aanwezig achten, nemen
zij op basis van bovengenoemde vergelijking
een oost-west richting aan. Daaruit
leiden ze af dat de Vecht toendertijd door
of langs Zwolle moet hebben gelopen, uitmondend
in de IJssel. Ze wijzen een viertal
mogelijkheden voor stroombeddingen
aan. Eén van die beddingen zou daarbij
door oud-Zwolle gelopen hebben. Op basis
daarvan beweren zij dat Zwolle vóór
de negende eeuw aan de Vecht lag. Als
mogelijk tracé komt naar voren: Nieuwe
Vecht, door de binnenstad (daarbij wordt
onder andere gedacht aan de Luttekestraat,
doch uit die omgeving ontbraken
sondeergegevens), Willemsvaart.
Indien de Vecht vóór de negende eeuw
inderdaad zo door Zwolle gestroomd zou
hebben, dan was dat voor de ontwikkeling
van de buurschappen Zwolle en
Middelwijk tot iets meer dan een agrarische
nederzetting een ideale situatie! Aan
de Vecht gelegen met een zeer korte verbinding
naar de IJssel.
Een moeilijkheid voor zo’n tracé is echter
dat tussen Vecht en IJssel een aantal zandruggen
liggen, haaks op de veronderstelde
richting van de beddingen (afb. 1). Ook
aan die moeilijkheid hebben de auteurs
gedacht. Ze veronderstellen dat de te passeren
dekzandruggen onderbroken waren
door diepe laagten met daarin diepe geulen.
In de tiende tot de twaalfde eeuw
zouden die laagten door verstuivingen
dichtgestoven kunnen zijn. In dat verband
wijzen ze erop dat in diezelfde periode op
de Veluwe bij Kootwijk stuifzanden zijn
ontstaan. Toen zou het hier ook wel gestoven
kunnen hebben. Wat de schrijvers
zich daarbij voorstellen staat kernachtig
verwoord in de aankondiging in de Zwolse
Courant: “…voor het eerst wordt melding
gemaakt van een ongekende droogte
waarmee Zwolle in de 10e-12e eeuw te
maken heeft gehad. Zandverstuivingen
zorgden voor natuurlijke dijken en het afsluiten
van beken en dalen. Mede hierdoor
is de waterstroomrichting veranderd.”
Als gevolg van het dichtstuiven van de
geulen dwars door de dekzandruggen
zouden de waterlopen vanaf de twaalfde
of dertiende eeuw een andere richting
hebben genomen, meer zuid-noord. Ze
zouden daarbij de laagten gevolgd hebben
die gelegen waren tussen de dekzandruggen.
De schrijvers maken echter niet duidelijk
waarom die wateren vóór de tiende
1990 125
afb. 1. Zandgronden, grotendeels zandruggen, in de omgeving van
Zwolle. (Voor de begrenzing der zandgronden is gebruik gemaakt van diverse
kaarten van de Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, uit de jaren 1950-
1965.)
Zandgronden
• Geen gegevens
1990 126
eeuw geen gebruik maakten van die, ook
toen al aanwezige laagten.
De Ussel langs Zwolle
In de bovengenoemde aankondiging van
het boek in de Zwolse Courant, staat dat
in het boek wordt aangetoond dat Berkenvelder
gelijk had met zijn bewering dat
Zwolle aan de IJssel heeft gelegen. In het
boek laten de auteurs zich echter minder
positief uit: “Toen het water Zwolle vanuit
het zuiden bereikte, moet er in het begin
van de wateroverlast, ca. 13e eeuw, een
IJsselloopCje) dichter bij Zwolle hebben
gestroomd dan een ieder tot nu toe heeft
aangenomen.” 5) Als bewijs noemen ze de
volgende punten:
de weinige (en slechte) dijken
– het lage gebied ‘de Lure’
– de gevonden kleilagen in Assendorp
– het watertje de Riete (Rijt)
– het restant van een oude bedding op
de plaats waar later de spoorhaven
werd aangelegd
– de vele in eikaars verlengde liggende
zuid-noord gerichte verstoringen (=
klei- en veenlagen afgeleid uit sonderingen).
Ze stellen dat deze bewijzen aansluiten bij
de vermoedens van andere auteurs over
een IJsselloopQe) dichter bij Zwolle. In die
vroege periode zou het daarom geen probleem
geweest zijn om een gracht te graven
vanuit Zwolle naar de IJssel.
Deze laatste opmerking is daarbij een anticlimax.
Als er op zo korte afstand van
Zwolle een IJsselarm lag, waarom zou
men dan nog vanaf Zwolle en dwars door
die aanwezige IJsselloop een soort voorloper
van de Willemsvaart gaan graven naar
de hudige IJsselloop?
Waar lag dat IJsselloop(je) precies? Langs
Zwolle is dat duidelijk genoeg aangegeven:
onder het spoorwegemplacement
zuidelijk van Assendorp, oude spoorhaven,
langs de Kamperspoorlijn, via de
Riete uitmondend in het Zwarte Water.
Bovenstrooms van Zwolle wordt geen duidelijk
tracé aangegeven. Het water kwam
wel uit het zuiden; mogelijk denken de
schrijvers daarbij aan de Soestwetering.
Waar het water uit de IJssel kwam blijft
echter onduidelijk: niet uit de doorbraken
bij Harculo, want die dateren uit de zestiende
eeuw.
Hoe het verder zou zijn gegaan met het
IJsselloopQe) wordt ook nog aangeduid.
Nadat Mastenbroek was ingepolderd, zou
het meeste water via de westelijk gelegen
IJsselloop (de huidige IJssel) zijn afgevoerd.
Slechts weinig water zou nog via
het Zwarte Water wegstromen. (Het is niet
duidelijk waarom; de Riete bleef toch buiten
de Mastenbroekerpolder?) Verder stellen
de auteurs dat de gehele loop zuidelijk
langs Assendorp buiten gebruik raakte
door een betere beheersing van het water.
Daarvoor in de plaats kwam de Steen-
Zandwetering en later alleen de huidige
IJsselloop.
Kijken we nu eerst even naar de zes
‘bewijzen’ voor het IJsselloopQe). Als eerste
noemen de auteurs de weinige en
slechte dijken. Daaruit is mijns inziens
niets anders te lezen dan dat in die tijden
meermalen overstromingswater uit de
IJssel langs Zwolle zal zijn afgevloeid.
Overstromingswater is echter geen IJsselloop!
Lage gebieden rond Zwolle zullen
vaak door inundaties hebben blank gestaan,
zo ook de Lure (2e punt). Als bezinking
uit het overstromingswater is een
kalkloze, zware klei afgezet (3e punt). Dat
dit water onder andere via de Riete naar
het Zwarte Water zal zijn afgevoerd, is
ook aannemelijk (4e punt).
De andere twee bewijzen, namelijk een
oude bedding ter plaatse van de latere
spoorhaven en het vaak in een rechte lijn
voorkomen van punten met klei- en veenlagen,
doen hier vreemd aan. Eerder in dit
hoofdstuk worden dit soort bewijzen na
melijk gebruikt als argument voor oostwest
gerichte beddingen van de Vecht
vóór de negende eeuw en nu moeten ze
wijzen op een noord-zuid gerichte IJsselgeul
na de dertiende eeuw. Dit wordt nog
gekker omdat nu het aantreffen van een
oude bedding in de vroegere spoorhaven
als bewijs wordt aangevoerd voor een
IJsselloop aldaar, terwijl eerder aanwijzingen
voor een oude bedding bij het stationspostkantoor
als bewijs werd genoemd
voor een Vechtbedding daar. Het stationspostkantoor
is namelijk gebouwd op de
plaats waar vroeger de spoorhaven lag.
Klei en veen als indicatoren voor
stroomgeulen
Hierboven zijn de bewijsvoeringen nagegaan
voor een Vechtloop door Zwolle en
een IJsselloop langs Zwolle. In beide gevallen
blijkt dat de daarvoor aangevoerde
argumenten, op zijn zachtst gezegd, on-
1990 127
toereikend zijn. Zou het daarbij ook zo
kunnen zijn dat de basis voor die argumenten
niet juist is?
Die basis is op pagina 139 als volgt omschreven:
“Omdat al jaren discussies in
publicaties plaatsvinden over ‘Heeft
Zwolle wel of niet aan de IJssel of Vecht
gelegen’, zochten we naar bewijzen om
die vraag te kunnen beantwoorden. De in
de (sondeer)rapporten gevonden klei- en
veenlagen ontstaan namelijk daar waar
water heeft gestroomd.” Kort daarna is
echter te lezen dat in het begin van het
Holoceen het veen in kommen is gegroeid
en dat veengroei tot stilstand kwam in gebieden
die weer stromend water kregen.
Dit laatste is juister. In stromend water
ontstaat namelijk geen veen; wel in ondiep,
stilstaand water en in drassige gebieden.
Klei wordt slechts sporadisch in nog
functionerende geulen afgezet. Wel is het
zo dat vervallen geulen vaak drassige, of
met water gevulde laagten zijn. Daarin
kunnen dus klei- en veenlagen zijn gevormd.
Bij Zwolle is een heel apart en fraai voorbeeld
aangetroffen van klei- en veenlagen
die ontstaan zijn in stilstaand water. Na de
val van kasteel de Voorst in 1363 is de
slotgracht gedeeltelijk gedempt. In het resterende
ondiepe, stilstaande water is veen
ontstaan en bij inundaties vanuit de IJssel
zijn daarin dunne kleilaagjes afgezet.
Een ander voorbeeld heb ik aangetroffen
naast de Willemsvaart bij de aanleg van
het fietstunneltje onder de IJsselallee. Over
een lengte van ongeveer zes meter was
daar een verticale, rechte wand zichtbaar;
duidelijk de wand van een gegraven
gracht, kanaal of lange put. Deze wand
was gaaf. Dat duidt er op dat er na het
graven weinig mee is gebeurd. De gegraven
diepte was opgevuld met daarin gevormd
veen.
In noot 18 op pagina 149 wordt gerept
van een ‘grave’, voorkomend in een archiefstuk
uit het jaar 1363. Verder is er
ook in 1480 sprake van het graven van
een kanaal. Of die graafwerkzaamheden
ooit voltooid zijn, of onafgewerkt zijn blijven
liggen is niet bekend. Het is aannemelijk
dat ik bij de Willemsvaart een restant
van één van die graafwerken heb aangetroffen.
Gezien het daarin gevormde veen
was het een stilstaand water dat langzaam
is dichtgegroeid. Deze vondst is overigens
destijds door Ir. D.M. van der Schrier
schriftelijk gemeld bij de ROB te
Amersfoort.
In vervallen geulen kunnen dus klei- en
veenlagen zijn gevormd. Daarnaast kunnen
zij ook in andere terreindepressies
ontstaan. In het zandgebied komt op
meerdere plaatsen veen voor in kuilvormige,
niet doorlopende laagten (dus geen
geulen). Soms zijn deze bedekt met een
zandlaag. Dat veen is vaak van pleistocene
ouderdom. In Zwolle-Zuid zijn door
mij zulke kuilvormige en met zand bedekte
venen aangetroffen bij de aanleg van de
IJsselallee-tunnel onder de spoorlijn naar
Deventer en op een paar plaatsen in de
omgeving van de spoorwegovergang
Oude Deventerstraatweg – Nfeuwe
Deventerweg.
Ouderdom van klei- en veenlagen
De auteurs laten zich niet rechtstreeks uit
over de ouderdom van de klei- en veenlagen,
maar uit het geschrevene valt wel het
nodige af te leiden. Ze veronderstellen dat
die lagen gevormd zijn in open geulen en
tevens dat die geulen open waren tijdens
de oudste Zwolse geschiedenis. Wat de
zandopvulling van de geulen betreft, verwijzen
ze naar de zandverstuivingen in
Kootwijk van de tiende tot de twaalfde
eeuw. De veronderstelde IJsselgeulen zijn
jonger, en het veen of de klei daarin dus
ook. Ze gaan niet in óp de zandopvulling
ervan. Wel vermelden ze dat in het zandgebied
verstuivingen voorkwamen tot in
de zestiende eeuw.
Voor de ouderdom van de diverse klei- en
veenlagen is door mij geraadpleegd Geologische
geschiedenis van Nederland en Toelichting
bij Geologische overzichtskaarten
van Nederland; 6) dit is aangevuld met eigen
regionale en locale kennis over bodemlagen.
De geologische perioden zijn
weergegeven in afbeelding 2. De in die tabel
gegeven dateringen moeten niet als
absoluut gezien worden. Ze geven een
orde van grootte waarin men kan denken;
hoe verder terug in de tijd hoe globaler de
datering. In de laatste kolom van de tabel
zijn een aantal voorbeelden genoemd van
afzettingen in de betreffende geologische
perioden. De tabel begint met de derde
ijstijd, het Saalien, die ook in het hoofdstuk
‘Waternood-Watersnood’ genoemd
wordt.
In het Saalien bedekte landijs ons land
voor een deel; onder andere Zwolle en
1990 128
omgeving. In deze periode werden de
Veluwse en Overijsselse heuvelruggen gevormd.
In de vierde ijstijd, het Weichselien,
ontstond het dekzandlandschap. Tijdens
deze ijstijden was het niveau van het
zeewater erg laag omdat een grote massa
water vastgevroren lag in dikke pakketten
landijs.
Tussen de derde en vierde ijstijd lag het
Eemien, een periode waarin het ongeveer
even warm was als nu. Een groot deel van
de ijskap uit de derde ijstijd was gesmolten
en daardoor was het zeeniveau gestegen.
Ten noorden van Amersfoort is in het dal
van de Eem op ongeveer 15 & 20 meter
diepte zeeklei uit die periode aangetroffen
en in het IJsseldal is op 12 a 18 meter
diepte veen en (rivier)klei gevonden. Het
veen dat op 12 meter diepte bij de Hoge
Spoorbrug is gevonden en het veen op 16
meter diepte bij de Veerallee, zullen we
dan ook mogen zien als bodemlagen uit
het Eemien.
Na het warmere Eemien volgde het koudere
Weichselien, de vierde ijstijd. Het
vroor toen niet constant, maar warmere en
koudere perioden wisselden elkaar af. In
de warmere perioden lag de gemiddelde
zomertemperatuur iets boven de 10 C; in
de koelere lag de temperatuur iets lager.
Een voorloper van de Rijn stroomde geduafb.
2. Overzicht van de geologische perioden met
gevormde afzettingen.
Geologische perioden
c
8
J2
o
X
c
8o
.!2
OH
c
X!
u1
Laat Weichselien
Midden Weichselien
Vroeg Weichselien
Eemien
Saalien
de vermelding van enige in die periode
Globale data
in
Subatlanticum
Subboreaal
Atlanticum
Boreaal
Preboreaal
Late Dryas Stadiaal
Aller0d Interstadiaal
aren v.Chr
900
3.000
6.000 *
7.000
8.000 J
9.000
9.800
Vroege Dryas Stadiaal
B0lling Interstadiaal
10.000
11.000
55.000
130.000
Afzettingen

IJsselkleien
Rivierduinen
Stuifzanden
Veen
Vechtafzettingen
Veen
• Rivierduinen
Jonger Dekzand II
Veenlaagje
Jonger Dekzand I
Veen- of leemlaagje
Ouder dekzand
Veenlagen
Smeltwaterafzettingen
Dekzanden met veenlagen
Zeeklei in het Eemdal
Rivierklei in het IJsseldal
Veen
•o
c ^
S c/3
— -C
!> f-.
E >
Vorming van stuwwallen
1990 129
rende het Weichselien door het IJsseldal
naar het noorden en zette daar een flink
pakket sedimenten, zoals kleien en zanden,
af. Ook in het Vechtdal vonden in
die tijd afzettingen plaats, doch daar met
materiaal van oostelijke herkomst. Door
herhaald verstuiven van die zanden, voornamelijk
in de koudere perioden, is een
deel van het dekzand gevormd. In de warmere
perioden kon in de vochtige laagten
veen ontstaan.
De warmere perioden kwamen het meest
voor in het Vroeg en het Laat Weichselien,
minder in het koudere en drogere Midden
Weichselien. Het lijkt daarom logisch voor
de ouderdom van veenlagen op een diepte
van 7 a 10 meter in hoofdzaak te denken
aan de warmere perioden van het
Vroeg Weichselien en voor veenlagen op
2 a 4 meter diepte aan warmere perioden
uit het Laat Weichselien. Iedere warme periode
werd gevolgd door een koudere.
Alle toen gevormde veenlagen kunnen
dus bedekt zijn geraakt met een laag dekzand,
eventueel met veenlagen daarin. Het
is daarom helemaal niet vreemd kleien/
of veenlagen aan te treffen onder
zandlagen van uiteenlopende dikte.
In het IJsseldal ging tijdens het Weichselien
de afzetting van rivierzanden door,
gelijktijdig met de vorming van dekzanden.
Dit is ook te zien in de tabel. Het
was uniek ooit deze afzettingen naast elkaar
in één ontsluiting te kunnen zien bij
de aanleg van de sluisput te Spoolde.
Na de laatste koudere periode eindigde
het Weichselien – en daarme tevens het
Pleistoceen – en begon het warmere Holoceen.
Dit is de geologische periode waarin
we nu nog leven en die ongeveer 10.000
jaar geleden begon.
Om weer aan te sluiten bij het artikel van
Dikken en Kamphuis, gaan we even terug
naar de vindplaatsen Bibliotheek en Wezenlanden.
Daar hebben zij stukjes bewerkt
vuursteen gevonden van ongeveer
8.000 jaar oud. Toen die mensen hier leefden
was, geologisch gezien, het Holoceen
dus nog maar net begonnen.
In hét warmere Holoceen is veel veen gevormd,
bijvoorbeeld het veen in de
Mastenbroekerpolder. De Rijn verliet het
IJsseldal en ging door de Betuwe stromen.
Alleen de Oude IJssel met daarin opgenomen
de Berkel, bleef haar water door het
IJsseldal afvoeren. Later Heeft de Rijn opnieuw
toegang gekregen tot het IJsseldal
via een zijtak in de omgeving van
Arnhem. Daarna zijn langs de IJssel de bekende
IJsselkleien afgezet: kalkrijke klei in
de nabijheid van de beddingen en kalkloze
klei op grotere afstand daarvan. Uit
eigen bodemwaarnemingen weet ik dat de
afzetting van IJsselklei hier reeds begonnen
is tijdens het Subboreaal, in een smal- •
Ie geul tussen nog groeiend veen.
Gedurende het Holoceen zijn op sommige
plaatsen langs rivieren rivierduinen ontstaan,
onder andere langs de IJssel en
langs de Vecht. In het late Holoceen zijn
op meerdere plaatsen in het zandgebied
stuifzanden ontstaan, als regel het gevolg
van beschadigingen van het ijlere vegetatiedek
op de drogere zandgronden. Zo
zijn onder andere stuifzanden ontstaan
langs druk bereden wegen. Fraaie voorbeelden
daarvan liggen langs de Hessenweg
onder Ommen-Hardenberg en langs
de Oude Twentseweg onder Heino. Beschadiging
kon ook ontstaan door overbegrazing
door schapen, onder meer bekend
van de Veluwe. In de directe omgeving
van Zwolle zijn geen grote oppervlakten
met stuifzanden ontstaan, al kan locaal
wel enige verstuiving hebben plaatsgevonden.
Conclusies
De aankondiging in de Zwolse Courant
over het verschijnen van het Zwols
Archeologisch Dagboek bevat de uitspraak
van Dikken: “Dit boek beschouw
ik dan ook als een herschrijving van een
deel van de Zwolse geschiedenis; de ware
feiten zullen als een bom inslaan.” In het
Voorwoord van het boek zelf staat iets
dergelijks, namelijk dat hij historische ‘vaste’
feiten heeft kunnen veranderen dan
wel verbeteren.
In verband met de aangekondigde gewijzigde
opvatting over de vroegere loop van
de Vecht en van de IJssel, heb ik het boek
op die punten kritisch doorgelezen. Mijn
kritiek richt zich dus niet op de archeologische
inhoud van het boek. Integendeel
zelfs, voor de bewoningsgeschiedenis ben
ik uitgegaan van de in het boek aangedragen
gegevens.
Mijn kritiek richt zich alleen op de geologische
en hydrografische zaken, dus op de
bodemlagen en waterlopen; en dan nog
alleen voor zover van betekenis voor de
geschiedenis van oud Zwolle. Omdat de
1990 130
auteurs bovendien nogal wat uitspraken
doen over de diverse bodemlagen (klei,
veen, dekzand, stuifzand), ben ik ook ingegaan
op het ontstaan en de ouderdom
van die bodemlagen.
Dikken en Kamphuis hebben uit sondeergegevens
het voorkomen van klei- en
veenlagen op veel plaatsen in en rond
Zwolle afgeleid. Ze zien dit als bewijs dat
daar geulen gelopen moeten hebben.
Door die punten, soms over grote afstand,
met elkaar te verbinden, komen ze tot een
reconstructie van waterlopen. Die waterlopen
moeten daarbij gefunctioneerd hebben
tijdens het bestaan van Zwolle.
In de door mij gegeven kritiek is enerzijds
aangetoond dat het voorkomen van klei
en veen geen bewijs is voor het bestaan
van een geul. (In sommige gevallen kan
het daarvoor wel een aanwijzing zijn.) Anderzijds
is erop gewezen dat klei- en
veenlagen, die in deze omgeving onder
zand voorkomen, veelal van veel grotere
ouderdom zullen zijn dan de eerste
eeuwen na het begin der jaartelling.
Een Vechtloop door Zwolle zoals de auteurs
voorstellen (Nieuwe Vecht, Binnenstad,
Willemsvaart) is niet mogelijk vanwege
de op dat traject aanwezige doorlopende
dekzandruggen. Dat diepe onderbrekingen
in dekzandruggen door stuifzand
mooi gaaf toegesloten zouden kunnen
zijn, zoals door de auteurs wordt verondersteld,
is nog nergens aangetroffen, net
zomin als het over grote lengte dichtstuiven
van soms zeer diepe geulen. Er is
trouwens helemaal geen reden genoemd
waarom het (Vecht)water, ook in de
vroegste eeuwen, niet gewoon de laagten
tussen de dekzandruggen gevolgd zou
hebben.
Een IJsselloop langs Zwolle is er evenmin
geweest. Dikken en Kamphuis voeren een
zestal punten als ‘bewijs’ aan voor zo’n
loop, maar in deze kritiek worden die zes
punten alle ontzenuwd. Daarnaast is er
nog een duidelijk tegenargument. Hierboven
is in de paragraaf over de ouderdom
van klei- en veenlagen vermeld, dat vanaf
het Subboreaal de afzettingen in en langs
de geulen van de IJssel kalkrijk zijn. Langs
het door Dikken en Kamphuis aangegeven
traject voor een IJsselloopQe) ligt geen
baan met kalkrijke kleien. Daar heeft dus
ook geen IJsselloop gelegen.
Noten:
1. Egben Dikken, Zwols Archeologisch Dagboek
(Zwolle 1989).
2. idem, 141-168. Tenzij anders vermeld, zijn de gegevens
in dit artikel aan dit hoofdstuk ontleend.
3. idem, 139.
4. idem, 170.
5. idem, 157.
6. uilgegeven in respectievelijk 1956 en 1975.
1990 131
Twee opmerkingen
naar aanleiding van de
tentoonstelling met werken
van Derk Jan van der Laan
J.C. Streng
In het Provinciaal Overijssels Museum
is van 10 november tot en met 13 januari
1991 een tentoonstelling te zien
met werken van de Zwolse kunstschilder
Derk Jan van der Laan (1759-
1829). Voor de tentoonstelling is een
catalogus gemaakt met een levensbeschrijving
van Van der Laan, gebaseerd
op nieuw archivaUsch onderzoek,
en een oevrecatalogus van zijn
tot nu toe achterhaalde werken. Het is
daarom dat hier aandacht wordt geschonken
aan twee, met de tentoonstelling
verband houdende, maar
onderling onderscheiden zaken. Ten
eerste komt het culturele klimaat in
Zwolle – vooral in de jaren rond 1800
– aan de orde. Vervolgens wordt de
tentoonstelling in een bredere Nederlandse
context geplaatst.
1. Het culturele leven te Zwolle rond
1800.
Inleiding
De eerste helft van de negentiende eeuw
staat vooral bekend als een tijd van kommer
en kwel, van Franse overheersing en
economische malaise. Toch lijkt het alsof
er juist tussen 1795 en 1830 ten opzichte
van de voorgaande en volgende periode,
sprake is van culturele bloei in Zwolle.
Deze culturele bloei was het resultaat van
particuliere initiatieven. De Zwolse overheid
hield zich – niet door een diepgaande
zienswijze over de verhouding tussen
cultuur en overheid maar door geldgebrek
– volledig afzijdig. Dat was in heel
Nederland zo. Dat een Zwollenaar, J.R.
Thorbecke, deze culturele onthouding na
het midden van de negentiende eeuw tot
een staatkundig axioma verhief, is dan
ook niet meer dan een toevalligheid.
Voorzover het een openbare uitvoering
betrof, was het voor de organiserende instantie
dan ook zaak in ieder geval quite
te spelen en voor commerciële voorstellingen
winst te behalen. Lukte dat niet, dan
hield elke culturele activiteit op. Onder
deze omstandigheden is het opmerkelijk
dat er überhaupt in die moeilijke tijden
iets ondernomen werd.
De belangrijkste gebeurtenis in 1795 was
het einde van het Ancien Régime. Voor
Zwolle was in 1798 de aanwijzing tot
hoofdstad van Overijssel van grote betekenis.
Het einde van het Ancien Régime had
grote gevolgen. In 1796 werd de gepriviligeerde
positie van de gereformeerde kerk
opgeheven. Voor de kerk betekende dit
een groot prestige verlies. Katholieken,
protestantse dissenters en joden, die twee
eeuwen lang als tweederangs burgers waren
beschouwd, waren nu juridisch gelijkwaardige
staatsburgers. De directe lijn tussen
de kerkeraden en de stedelijk besturen
werd verbroken. Het gevolg lijkt een
afnemende invloed van het kerkbestuur
1990 132
op de dagelijkse gang van zaken binnen
de stad. Het zou een nader onderzoek
waard zijn deze veronderstelde ontwikkelingsgang
ook voor Zwolle te onderzoeken.
De gewijzigde positie van de adel na 1795
had grote gevolgen. Voor de Overijsselse
adel verviel de verplichting een havezate
te bezitten. Successievelijk werden de havezaten
die hun functie – een jonker
moest vóór 1795 in het bezit zijn van een
havezate om in de Staten verschreven te
worden – hadden verloren in rap tempo te
koop aan geboden. Vele jonkers verlieten
het platteland en vestigden zich in de steden.
Onderzocht zou moeten worden in
welke mate deze edelen aan Zwolle, sinds
1802 de permanente hoofdstad van de
provincie, de voorkeur gaven boven andere
plaatsen. In 1815 werden door koning
Willem I vele burgerlijke families geadeld
om ingelijfd te worden in zijn ‘menagerie
du roi’.
Sociabiliteit
Een belangrijk cultureel fenomeen in de
samenleving sinds de achttiende eeuw
was de groeiende behoefte aan sociabiliteit
(de omgang met mensen in groepsverband).
In Zwolle waren een aantal verenigingen
die aan deze behoefte tegemoet
kwamen. Nadat tussen 1787 en 1795 het
verenigingsleven goeddeels verboden was
geweest, werden na 1795 aarzelend verenigingen
opgericht of heropgericht. Er
waren organisaties met een los verband
zoals leesgezelschappen en vriendenkringen
waarbij verhandelingen werden gehouden
door en voor de leden. Een voorbeeld
was de kring rond Jan ter Pelkwijk.
Hij hield in zijn vriendenkring, waaronder
Rhijnvis Feith en A. den Goudoever, de
rector van de Latijnse school, verhandelingen
over geografisch-natuurkundige verschijnselen.
1) Een cultureel marginaal en
zelfgekozen geisoleerd bestaan, leidde de
in 1802 opgerichtte vrijmetselaars-loge
‘Fides Mutua’; circa 1825 waren er 44
broeders aangesloten. 2) De twee belangrijkste
organisaties, in omvang en invloed,
waren wel de Maatschappij tot Nut van ’t
Algemeen – eerst als zelfstandige Zwolse
maatschappij, daarna aangesloten bij de
landelijke organisatie – en de Groote
Sociëteit. Over Het Nut, de organisatie met
de grootste maatschappelijke en culturele
invloed, is al gepubliceerd. 3) Vooral in
ri E E
het eerste decennium van de negentiende
eeuw organiseerde ‘Het Nut’ regelmatig,
nadat het zich aan de armoedebestrijding
vertild had, concerten en declamatie-avonden.
Na de aansluiting bij de landelijke organisatie
waren de culturele activiteiten
beperkt tot het in stand houden van een
bibliotheek en bemoeienis met het lager
onderwijs.
De Groote Sociëteit, opgericht in 1802,
werd in Zwolle de plaats waar de stedelijke
elite elkaar, na ballotage en het belalen
van een jaarlijks bedrag, ontmoette. In de
goed bijgehouden ledenlijst staan in de
periode van 1802 tot 1829 niet minder dan
435 namen genoteerd. 4) Die Zwolse elite
bestond uit diverse historisch gegroeide
groepen: leden van de oude Overijsselse
adel, de nieuwe door koning Willem I geadelde
personen én leden uit de patriottische
en de Orangistische burgerlijke regentenfamilies
uit het Ancien Régime. Ook
katholieken, al waren het er niet veel, sloten
zich bij deze elite aan. Binnen deze
kring werd enige mate van religieuze tolerantie
betracht. In 1819 werd de katholieke
T.E.F. Heerkens tot voorzitter van de
Groote Sociëteit gekozen. Overigens is de
associatie met oude heren niet terecht.
Een steekproef leert dat de leden zich op
zeer jonge leeftijd, meestal al tijdens hun
studie of direct na hun promotie, als lid
lieten inschrijven. De sociale samenstelling
S E.
Heemse. Titelvignet door
J. de Wit Janszoon naar DJ.
van der Laan uit: Heemse.
Hof-, bosch-, en veldzang
(1783). Foto: UB Utrecht.
1990 133
van de Groote Sociëteit wacht nog op een
serieuze historische analyse.
Het Nut en de Groote Sociëteit waren de
verenigingen waarvan de leden in aanmerking
komen om als klankbord te dienen
voor de culturele gebeurtenissen in
Zwolle. Of ze deze taak ook in voldoende
mate hebben waar genomen is de vraag.
Rhijnvis Feith heeft zich in het algemeen
niet positief over Zwollenaren – en hij kon
nauwelijks iets anders dan de stedelijke
elite op het oog gehad hebben – uitgelaten.
Het waren in zijn ogen prozamensen,
met meer verstand van ‘een fijne flesch en
eene lekkere pastij’ dan van literatuur. 5)
Kunstenaars
Belangrijker dan de instellingen voor de
beoordeling van een cultureel klimaat zijn
de kunstenaars. De beroemdste Zwollenaar
was ongetwijfeld Rhijnvis Feith. Zijn
domicilie in Zwolle veroorzaakte een constante
stroom van bezoekers naar de
Bloemendalstraat en naar Boschwijk. De
bezoekers werden gastvrij – Feith was niet
armlastig – onthaald. Mocht Feith van het
algmene culturele klimaat in Zwolle geen
hoge dunk hebben, sommige individuele
personen kon hij waarderen. Feith had
vrienschappelijke betrekkingen met diverse
Zwolse kunstenaars waaronder de
schilder Derk Jan van der Laan en de
dichter Lubbertus Rietberg. Over de muzikale
kwaliteiten van Johan Gotlieb Nicolai,
organist in de Michaëlskerk en componist
liet hij zich positief uit. Feith heeft een
grote invloed op het Zwolse culturele leven
uitgeoefend. Zijn toneelwerken en
cantates werden regelmatig uitgevoerd.
Dat hij in Zwolle op een breed publiek
kon rekenen blijkt in 1824 als er niet minder
dan 96 Zwolse inschrijvers zijn op de
uitgave van zijn verzamelde werken. 6)
In de schaduw van Feith beoefenden nog
heel wat personen de dichtkunst. Slechts
twee zijn van enig belang. De al genoemde
dichter en notaris Lubbertus Rietberg,
bereikte landelijke bekendheid met vier
dichtbundels. 7) Zijn eerste uitgave is een
gedicht dat hij eerder voorgedragen had
Glooiend landschap (circa
1800). Foto: Provinciaal
Overijssels Museum.
1990 134
op een Zwolse Nutsavond. Van Jan Coenraad
Pruimers werd één bundel gedichten
uitgegeven. Hij stierf ‘veelbelovend’ – hét
epitheton voor jonggestorven dichters – al
op tweeëntwintig-jarige leeftijd.
Als kunstschilders werkten in Zwolle de
generatie-genoten Antoine Daniël Prudhomme,
geboren te Zwolle in 1745, en
Derk Jan van der Laan. Beide kunstenaars
zonden werk in naar de tentoonstellingen
van ‘kunstwerken van nog in leven zijnde
Nederlandsche meesters’ te Amsterdam,
Haarlem of Den Haag. Van een latere generatie
was Willem Gerrit van Ulsen. Van
Ulsen was leraar aan de openbare tekenschool.
Deze tekenschool was op initiatief
van koning Willem I tot stand gebracht. In
1819 werd te Zwolle met tekenles gestart.
Tentoonstellingen werden in die tijd te
Zwolle niet gehouden.
Uitvoeringen
Aan de hand van de culturele uitvoeringen
die aangekondigd werden in De Zwolsche
Courant is een beeld te vormen van het
culturele leven in Zwolle. Het openbare
culturele leven werd gedomineerd door
muziekuitvoeringen en toneelvoorstellingen.
Naar het muziekleven werd al een onderzoek
verricht door Ten Bokum. 8) Wat opvalt
bij de serieuze muziek is de hegemonie
van de religieuze over de profane muziek.
Religieuze muziek betekende in die
tijd in de eerste plaats muziek in en rondom
de gereformeerde eredienst. Nu was
de zangkunst van de gemeenteleden notoir
slecht, klachten daarover kwamen
vooral uit eigen kring. De gereformeerden
hadden echter een troetelkind waar alle
muzikale aandacht op geconcentreerd
werd: het orgel. Uitvoeringen van religieuze
muziek waren in Zwolle dan ook in de
regel orgelconcerten of concerten waarin
het orgel een belangrijke plaats innam. De
kerkvoogd Pieter Queisen zorgde nog
eens voor een verruiming van de mogelijkheden
door in het tweede decennium
van de negentiende eeuw twee orgels te
schenken, één aan de Broerenkerk en één
aan de Bethlehemkerk.
Werken van contemporaine buitenlandse
componisten werden zelden uitgevoerd.
Van Joseph Haydn werden in 1803 de
‘Schepping der Waereld’ en in 1804 de
‘Jahreszeiten’uitgevoerd. Voor de Zwolse
cultuur waren de composities van de
plaatselijke organisten en muziekmeesters
johan Gotlieb Nicolai en Johan Carl
Röhmer belangrijker. Nicolai componeerde
de opera De geboortdag. Voor Feith
schreef hij muziek bij diens geestelijke
cantate Het onweder. Ook Röhmer schreef
muziek voor Feith’s Het onweder,9) waarbij
niet duidelijk is of dit een bewerking
van Nicolai is of een eigen compositie.
Eveneens op een tekst van Feith componeerde
hij de muziek bij De verlossing van
Nederland. Bovendien schreef hij twee
opera’s: één op tekst van (alweer) Feith,
Meifort en Clare en: De storm of het
betoverde eiland. Daar hield het niet mee
op. Voor Hendrik Kraijenstein schreef hij
in 1814 de muziek voor diens ’tooverzangspel’
Klein Duimpje en de reus Fayel.
10) -Al deze werken zijn in Zwolle uitgevoerd.
Omdat De Zwolsche Courant geen
commentaar levert op de uitvoering, is het
niet mogelijk enig inzicht te krijgen in de
kwaliteit van de uitvoering of de ontvangst
door het publiek.
Profane muziek werd verzorgd door de in
Zwolle ingekwartierde militairen. Zij verzorgden
regelmatig muzikale optredens.
Jacob van Lennep en Dirk Hogendorp
brachten in 1823 een bezoek aan Zwolle.
Op een zondag konden ze direct na de
hervormde dienst in de Michaëlskerk, op
de Markt luisteren naar muziek die door
dragonders uitgevoerd werd. n) Het lijkt
de normaalste zaak van de wereld maar
vóór 1795 was dit op een zondag ondenkbaar
geweest.
Over het toneel in Zwolle bestaat geen literatuur.
Wat hier volgt is niet meer dan
een globaal overzicht, voornamelijk gebaseerd
op aankondigingen in De Zwolsche
Courant.
De opvoeringen werden verzorgd door
rondtrekkende gezelschappen. In de jaren
1790 tot 1792 speelde een troep onder de
naam van ‘Nederduitsche Schouwburg’ in
Zwolle. De troep stond onder leiding van
mevrouw CE. van Dinsen, geboren
Kraijenstein. In 1790 traden ze op tijdens
de kermis; in de volgende jaren in de
herfst en winter. De invloed die de kerk
toen nog had, wordt zichtbaar in het verzoek
van mevrouw Dinsen om, zolang er
op de vrijdagavond niet gepreekt werd,
een toneelstuk te mogen opvoeren. 12)
Het was dus kennelijk vóór 1795 nog verboden
om tijdens de uitvoering van kerkdiensten
te spelen.
1990 135
Vooral tijdens de kermis in de laatste
week van juli was er een hele week lang
een vol programma. Toneel tijdens de kermis
was meer dan volksvermaak. In 1815
bezocht tijdens de jaarmarkt de beroemde
acteur Ward Bingley met zijn troep
Zwolle. 13) De notaris-dichter Lubbertus
Rietberg raakte zeer onder de indruk van
de manier waarop Bingley diverse emoties
uitbeeldde.
Het repertoire van de toneelvoorstellingen
werd gedomineerd door de toneelstukken
van de immens populaire Duitser August
van Kotzebu. De tweede plaats werd ingenomen
door Rhijnvis Feith. Zijn Tbirsa of
de Zege van den Godsdienst, Ines de
Castro en Lady Johanna Gray werden regelmatig
opgevoerd. In Zwolle was men
blijkbaar over de revolutionaire stemming
heen, het revolutiestuk van Feith, Mucius
Cordes, komt niet in de aankondigingen
voor.
Op 24 februari 1814 werd de Nieuwe
Zwolse schouwburg geopend met een zinnebeeldige
voorstelling. 14) De schouwburg,
met nog diverse zalen, werd geëxploiteerd
door ‘meester timmerman’ en
kastelein D.W. Diepenheim. Het complex
was verlicht met Engels lamplicht en voorzien
van een buffet. De opening stond onder
leiding van de al genoemde Hendrik
Kraijenstein die vermoedelijk voor de gelegenheid
uit Middelburg was gehaald.
Het einde van een periode
Door een

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1986, Aflevering 4

Door 1986, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1986
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
ZWOLSE Hl&TODI&CHE VERENIGING
ZWOL& HISTOQI&CH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER VIER / JAARGANG DRIE 1986
77 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
78 Schilderingen in de Broerenkerk A.J. Mensema
85 De “welingerigte” kleine-kinderschool van de stadsarmeninrichting
te Zwolle (1827-ca.1841) – deel 1
Jaap Hagedoorn & Willy van der Most
BOEKBESPREKING
97 “Inventaris van de archieven van Jacob Frankel, opperrabbijn
van Zwolle en de joodse gemeenschap van
Oldenzaal” Besproken door Jaap Hagedoorn
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W.A. Huijsmans, P. Lindhoud, R.T. Oost, mevr. I. Wormgoor
& mevr. A. van der Wurff.
Zwolse Historische Verenging
Niels uil (Uil* uttyave may iwoiden veiveelvuudtyd en I
ot openbaar yeniiidkt rjuor midüul van druk. tulocupy.
miLiufilm of op welke wi(/u ook. /onder vuoratyaande
schntteliike luesleriinuny van de uilyever
77
VAN DE REDACTIE
Het viende en laatste nummer van de derde jaargang biedt een
bijdrage van de hand van J. Hagedoorn en W. van der Most over
de kleine-kinderschool van de Stadsarmeninrichting te Zwolle.
Het onderhoudende artikel bleek dusdanig uitgebreid, dat de
redactie, die het stuk graag wilde opnemen in het Tijdschrift,
besloot het in twee delen te knippen. Het tweede gedeelte zal
te lezen zijn in de eerste uitgave van het nieuwe jaar.
De redactie heeft de heer A.J. Mensema bereid gevonden om met
een zekere regelmaat in het Tijdschrift aandacht te besteden
aan de gewelfschilderingen die bij de restauratie van de
Broerenkerk tevoorschijn zijn gekomen. In deze uitgave zal de
heraldieke pronk van de stad Zwolle centraal staan.
Verder wordt in dit nummer de “Inventaris van de archieven van
Jacob Frankel, opperrabbijn te Zwolle en de joodse gemeenschap
van Oldenzaal” besproken.
Wij wensen U veel plezier bij het lezen van dit blad.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift.
78
SCHILDERINGEN IN DE BROERENKERK
A.J. MENSEMA
Bij de restauratie van de Broerenkerk te Zwolle zijn enige gewelfschilderingen
tevoorschijn gekomen die voor Zwolle uniek
genoemd mogen worden.
De restauratie-architect Th.G. Verlaan noemde ze “zó overweldigend”,
dat ze zeker aandacht verdienen. In de Nieuwsbrief van
onze vereniging van oktober 1984 wijdde hij er dan ook een
artikel aan.
De Broerenkerk ontleent zijn naam aan de broeders van de Dominikaner
Orde die er tot 1580 gebruik van maakten. In dat jaar
gelastte de stedelijke regering van Zwolle de broeders om hun
werkzaamheden te staken en de stad te verlaten. De goederen die
zij bezaten werden door het stadsbestuur overgenomen en samen
met die van andere geestelijke instellingen in Zwolle ondergebracht
in het kantoor van Geestelijke Goederen. Het beheer
hierover werd gevoerd door de stadsmagistraat. Uit de inkomsten
van deze goederen werden later onder andere predikanten, schoolmeesters,
kosters en organisten betaald. Het archief van de Dominikanen
is echter of meegenomen door de broeders of verloren
gegaan. Waarschijnlijk is dit laatste gebeurd, zodat het nu
moeilijk is om vooral dé geschiedenis van kerk en klooster voor
1580 te reconstrueren.
De Orde der Dominikanen ontleent zijn naam aan de stichter,
Dominicus. Deze was een telg uit het Spaanse adellijke geslacht
der Guzmans. In 1206 stichtte hij de Orde die zijn naam zou
gaan dragen. De rondom Dominicus verzamelde broeders zouden
zich voornamelijk bezig gaan houden met prediking en zielzorg.
Zij zouden geen vast inkomen genieten, maar moesten rondkomen
van hetgeen de gelovigen hen gaven. Aan de basis van dit alles
stond een sterk beschouwend leven met koorgebed en studie. Als
leidsman bij die studie trad later vooral Thomas van Aquino
(1225 – 1274) als belangrijkste theoloog in de middeleeuwen op
de voorgrond.
Op een kapittel van de broeders van de Orde te Rijssel in
Noord-Frankrijk werd in 1464 besloten tot het stichten van een
kerk en klooster in het bisdom Utrecht – waaronder destijds
Zwolle ressorteerde – ter ere van Thomas van Aquino, die in
1323 heilig was verklaard met de eretitel “Doctor Angelicus”,
de Engelachtige Leraar. In 1465 werd van paus Paulus II tce79
stemming verkregen tot het stichten daarvan. Een jaar later
werd onder pater Engelbertus Messemaker, die de eerste prior
van de kloostergemeenschap werd, met de bouw begonnen.
Het gehele complex, dat we nu kennen als het Broerenklooster
is in fasen gebouwd. De huidige kerk, die een oudere vervangt,
werd in 1512 ingewijd.
Verwarrend is het opschrift dat bij de restauratie weer tevoorschijn
is gekomen: “So men scref MCCCCC drye ende acht
wort den erst(…) des(…)”. Of hiermee 1511 dan wel 153b
bedoeld wordt is onduidelijk. ]n 1717 zag pater Bernarduf. de
Jonghe het opschrift eveneens bij een bezoek aan Zwolle en h.i j
deelde het als volgt mede: “Als men schreef duisent vyfhondert
drie en acht werd den ersten steen aan dese kerck ghebracht”.
In ieder geval is bekend, dat in 1538, onder pater Berbardus
Gruwel, een stuk aan de kerk gebouwd werd.
De kerk werd in 1610 voor de hervormde eredienst in gebruik genomen.
In de Franse Tijd diende het als stalling voor paarden
van de Franse troepen. In het midden van de vorige eeuw werden
pas de gewelfschilderingen overgekalkt met witkalk. In de
Dietsche Warande werd er nog wel tegen geprotesteerd, maar dat
mocht niet baten. In 1901 werd de kerk opnieuw gerestaureerd
en geschikt gemaakt voor de hervormden. Tot 1976 werd de kerk
gebruikt door die leden van de hervormde gemeente, die men we]
pleegt aan te duiden als Gereformeerde Bonders. In het laatstgenoemde
jaar werd met de laatste restauratie begonnen, waarna
ook de schilderingen weer tevoorschijn kwamen.
De gewelfschilderingen zijn te vinden in het middenschip en in
de zijbeuk. Ongetwijfeld waren ook in de gewelven van het koor
eens schilderingen aangebracht, maar die zijn verloren gegaan.
Zoals Verlaan reeds eerder in zijn artikel opmerkte, zijn verschillende
heiligen en een groot aantal familiewapens afgebeeld,
alsmede op bijna ieder gewelf een aantal vogels, die men
wel identificeert als boerenzwaluwen.
De overweldigende pracht van de wapens is ongekend. Nergens in
de gehele streek langs de IJssel is zo’n groot aantal bewaard
gebleven. De wapens zijn ongetwijfeld afkomstig van weldoeners
van de kerk. Aan een aantal van deze wapens zal hierna aandacht
besteed worden.
De eerste drie gewelven – vanaf net westen – worden gedomineerd
door de heraldieke pronk van de stad Zwolle. Een twaalftal keren
komt het stadswapen op de gewelven voor. In het meest
westelijke gewelf vier maal het bekende wapen: een blauw schild
met een zilveren kruis. Datzelfde wapen wordt vier maal herhaald
op het derde gewelf. Het tweede gewelf toont vier maal
80
een wapenschild beladen met het beeld van St. Michael. Ook komen
we in de genoemde gewelven tweemaal schilderingen van de
aartsengel Michael tegen.
WAPEN VAN ZWOLLE: Sint Michael
Voor Zwolle is die heilige geen onbekende. De hoofdkerk van de
stad – de tegenwoordige Grote Kerk aan de Markt – was aan hem
gewijd. De rechten over die kerk waren in 1040 door bisschop
81
Bernoldus van Utrecht aan het kapittel van St. Lebuinus te Deventer
geschonken. In de loop der tijden is Michael geworden
tot de schutspatroon van de stad. Toen de stad Zwolle in 1230
stadsrechten kreeg en daarmee het recht om te zegelen als gemeenschap,
werd het beeld van de stadspatroon ook in het zegel
opgenomen. Een afbeelding van het oudste zegel komt voor op de
omslag van het Jaarboek van onze Vereniging met het trotse omschrift:
SIGILLUM BURGENSIUM SWOLLIS ( dat wil zeggen: Zegel
van de burgers van Zwolle).
In het Oude Testament wordt Michael aangeduid als de grote
vorst en als beschermer van het uitverkoren volk der gelovigen.
En in het Nieuwe Testament, in het boek der Openbaringen, wordt
hij beschreven als de overwinnaar over de duivel. In de
christelijke traditie wordt hij ook gezien als dé beschermer
van de Kerk en als dé bestrijder van de kwade machten. Bovendien
verschijnt hij als het zinnebeeld van genade en barmhartigheid.
Hij is het die de zielen van de gestovenen verdedigt
tegen de Boze, en volgens het Offertorium uit de Dodenmis geleidt
hij de zielen naar het Paradijs (signifer S. Michael repraesentet
eas in lucem sanctam). Zoals in de Broerenkerk
wordt hij meestal afgebeeld aan de westzijde van de kerk. Het
westen is dan het symbool voor de wereld met al zijn goede en
vooral kwade eigenschappen. Dit in tegenstelling tot de oostzijde
– het koor – als zinnebeeld van het heilige, van de hemel.
De naamdag van Michael – wiens naam betekent “Wie is als
God ?” – valt op 22 september.
Een nadere omschrijving van het Zwolse stadswapen werd gegeven
in de akte, waarbij keizer Frederik III van het heilige Roomse
Rijk te Mechelen op 4 oktober 1488 aan de stad het muntrecht
verleent. De vaststelling luidde: “ein plauer oder lasurter
schilde, dar inn ein weisses oder silberfarbes creutz; auch die
figur des ertz-engels Sannt Michael in gelb oder goldfarb
scheinende, mit einen rotten mantel oder denselven iren schilt
allein”. Het eerst genoemde wapen (in blauw een zilveren
kruis) heeft het uiteindelijk gewonnen van dat met Sint Michael.
Op 24 november 1819 werd het wapen van de stad Zwolle bevestigd.
Bij Koninklijk Besluit van 18 april 1974 nr.11 werd het
op enkele kleine onderdelen gewijzigd.
Na de reformatie, waarna voor heiligen en afbeeldingen daarvan
geen plaats meer was, verdween ook het gebruik van Sint Michael
als symbool van de stad. Een enkele keer werd hij nog wel gebruikt,
zoals op de deuren van de stadszilverkast in de burgerzaal
van het oude raadhuis.
82
De gewelven met de wapens van de stad worden afgesloten door
schilderingen van Sint Joris (of George) en Sint Sebastiaan.
Samen met Michael vormen zij de drie strijders van de
christenheid. Ter weerszijden van de gewelven zijn wereldlijke
vorsten afgebeeld, die uitblonken in de verbreiding en de
grondvesting van het christelijk geloof, zoals Karel de Grote,
maar ook enige ketterbestrijders zoals Simon de Montfort en
Wenceslaus van Bohemen. De eerste bestreed de Katharen in
Zuid-Frankrijk, tegen wie Dominicus predikte, en de laatste vervolgde
de Hussieten in Bohemen. Ook zijn in deze gewelven afgebeeld
de grote leraars van de kerk, Thomas van Aquino en
Albertus Magnus. De reeks wordt afgesloten door de schutspatroon
van het bisdom Utrecht, Sint Maarten.
]n deze drie gewelven is als het ware samengebald een afbeelding
van “de” wereld, waarin men de goede vorsten moet
volgen en ongehoorzaam moet zijn aan de ketterse. De leraars
zijn er om de onwetende tot inzicht te brengen. Pas daarna
kan men geraken tot wijsheid. Maar dan zijn we al aangeland
in de volgende reeks gewelfschilderingen.
Geen wonder dus, dat in de meest westelijke gewelven de wapens
•van de stad zijn aangebracht. Een stad vormde in de middeleeuwen
een wereld op zich.
Schilderingen westelijk gewelf:
1. Aartsengel Michael
2. Justinianus
3. Hendrik II
4. Paulus
5. Theodosius
6. Ka,-el de Grote
7. Thomas van Aquino
8. Edward de Belijder
9. Wenceslaus van Bohemen
10. Aartsengel Michael
11. Simon de Montfort
12. Lodewijk van Frankrijk
13. Albertus Magnus
14. Boëtius
15. Sint Sebastiaan
16. Sint Maarten
17. Sint Joris
18. Appolonius van Tyana

WAPEN VAN ZWOLLE: in blauw een zilveren kruis
85
DE “WELINGERIGTE” KLEINE-KINDERSCHOOL VAN DE STADSARMENINRICHTING
TE ZWOLLE (1827 – ca. 1841) (deel 1)
JAAP HAGEDOORN & WILLY VAN DER MOST
” VERARMDE MOEDER ! NEEM UW KIND
EN LEG HET IN HAAR ARMEN NEDER;
GIJ VINDT DAT PAND, DOOR U BEMIND,
VOLWASSEN IN HET GOEDE, WEDER; ” 1)
INLEIDING
Sinds het begin van de negentiende eeuw bemoeit de rijksoverheid
zich in toenemende mate met het onderwijs. Vanaf 1806 werd gratis
(lager) onderwijs voor alle kinderen toegankelijk, doordat openbare
scholen in het leven werden geroepen. Daarnaast bleef het
zogenaamde particulier of bijzonder onderwijs bestaan. Dit werd
niet of slechts gedeeltelijk door de overheid gefinancierd: er
moest schoolgeld betaald worden. Het aantal scholen, het toezicht
daarop, de inhoud van het onderwijs en ook de vereisten
voor het onderwijzerschap waren vanaf 1806 aan overheidsbepalingen
gebonden. 2)
Aan één vorm van onderwijs stelde de overheid aanvankelijk geen
inhoudelijke en kwalitatieve eisen: de matressenschool.
Kinderen van twee tot zes jaar werden, in daarvoor vaak ongeschikte
ruimtes, zoals kelders, zolders of één-kamer-woningen,
door veelal oudere vrouwen verzorgd en zoetgehouden met snoepgoed
en het zingen van (godsdienstige) liederen. Het ging hier
om bewaarscholen, waar ouders hun kinderen heenbrachten om
zelf te kunnen gaan werken. Aangezien de ouders schoolgeld aan
de matres moesten betalen, gingen de kinderen uit de arme gezinnen
niet naar de bewaarschool: zij werden aan hun lot overgelaten.
Opvoeding en onderwijs, zo daar op de matressenscholen
al aandacht aan besteed werd, waren niet aan normen gebonden en
de pedagogische en didactische kwaliteiten van de matres (bewaarschoolhoudster)
werden niet getoetst.
In Zwolle waren in 1827 39 van deze bewaarscholen, waar in totaal
zo’n 44O kinderen heen gingen. Het schoolgeld bedroeg vijf
tot tien cent per week. De lokalen en speel- en leervoorwerpen
lieten veel te wensen over. 3) Hoe weinig eisen er aanvankelijk
gesteld werden, blijkt uit het verzoek in 1836 van de we86
duwe Aleida Meijer-ten Heuvel. Zij was 61 jaar, had geen opleiding
genoten en haar ‘klaslokaal’ bestond uit een kamertje,
dat ook nog door een andere vrouw werd bewoond. Het verzoek
werd afgewezen. 4) Uit het feit dat dit verzoek werd gedaan
en de weduwe dus een kans tot toelating meende te hebben,
mag blijken dat dergelijke minimale kwaliteiten eerder geen
belemmering waren voor het uitoefenen van de functie van matres.
Al eind achttiende eeuw gingen er in kringen van de Maatschappij
tot Nut van het Algemeen stemmen op om jonge kinderen op
bewaarscholen goed en gestructureerd onderwijs te geven. Men
dacht hierbij vooral aan arme kinderen, die door dit onderwijs
tot nette en oppassende burgers opgevoed konden worden. De
aandacht voor dit nieuwsoortige kleuteronderwijs was in de jaren
twintig van de vorige eeuw het grootst en leidde toen tot
resultaten. In het zuidelijke deel van de Nederlanden, in
Brussel, werd in 1827 de eerste zogenaamde “welingerigte”
kleine-kinderschool geopend voor kinderen uit de arme stand.
De regering wees in een circulaire aan de gouverneurs van de
provincies op het belang van deze zaak. In Zwolle werd de aansporing
ook gehoord en al in september 1828 werd begonnen met
het onderwijs aan behoeftige kinderen tussen twee en zes jaar.
In dit artikel zal onderzocht worden, hoe in Zwolle vorm gegeven
werd aan dit onderwijs en of men zich daarbij liet leiden
door nieuwe ideeën over het onderwijs aan kleine kinderen.
Daartoe wordt aandacht besteed aan de totstandkoming van de
eerste Zwolse school, aan het onderwijzend personeel en de
kinderen. In het tweede deel van het artikel, dat in de eerstvolgende
editie van het Zwols Historisch Tijdschrift zal verschijnen,
komen het onderwijs en de resultaten daarvan aan de
orde.
Hoewel de kleine-kinderschool langer bestond, zijn hier slechts
de eerste jaren van haar bestaan tot onderwerp van onderzoek
gemaakt. In de bronnen zullen oprichting, functioneren en resultaten
immers met name in de eerste tien tot vijftien jaar beschreven
zijn.
DE VERWEZENLIJKING VAN EEN “WELINGERIGTE” KLEINE-KINDERSCHOOL
De regeringscirculaire aan de gouverneurs van maart 1827 kwam
via de Overijsselse gouverneur bij verschillende instanties
binnen, onder andere bij de raad van de stad Zwolle en het Zwolse
departement van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. De
raad schoof de zaak door naar de stedelijke schoolcommissie en
het Nut naar haar geesteskind: de Stadsarmeninrichting.
87
Deze Stadsarmeninrichting was in 1821 door het Nut gesticht, onder
goedkeuring van de Zwolse raad, met als doel de stand der
armen en behoeftigen door arbeid en onderwijs te verheffen. In
de jaren na de verdrijving van de Fransen was er namelijk sprake
van een stijging van het aantal behoeftigen en werklozen, zowel
onder volwassenen als onder de oudere jeugd. Deze stijging
leidde tot een forse toename van het aantal bedeelden, waardoor
er teveel druk op de armenkassen werd uitgeoefend. Deze druk
werd zowel verklaard uit het heersende gebrek aan werk, als uit
de bedelarij.
De oprichters van de Stadsarmeninrichting hadden vooral kritiek
op het feit dat er door de armenkassen ook mensen ondersteund
werden, die tot werken in staat waren. Ook wees men op de nadelige
gevolgen van de bedelarij: zedeloosheid, landloperij en’
andere (niet nader omschreven) ondeugden. Liefdadigheid hield
deze situatie bovendien in stand. Men concludeerde, dat in Zwolle
de werklozen, naar voorbeeld van Nijmegen, van arbeid voorzien
moesten worden. 5) Hierbij moest aan de ouderen werk en
aan de jeugd werk en onderwijs gegeven worden.
In een voormalige kazerne aan de Blijmarkt, ook wel Renovatum
geheten, werd begonnen met een fabriek van sajet en kousen.
Hieraan werden spin-, brei- en naaischolen gekoppeld om de
jeugd te onderwijzen. Het werk werd niet alleen in de fabrieken
verricht, maar kon ook thuis gebeuren. De algehele onderneming
kwam voor rekening van de “aannemer”, die tegen een vergoeding
alle behoeftigen van Zwolle van werk moest voorzien.
In 1838 moest Renovatum plaatsmaken voor het Paleis van Justitie.
Een nieuw gebouw van de Stadsarmeninrichting verrees op de
Genverberg, op de plek waar later het Gouverneurshuis zou worden
gebouwd. 6)
Het was dus niet meer dan logisch, dat het initiatief voor de
oprichting van een kleine-kinderschool voor de behoeftige stand
bij het bestuur van de armeninrichting werd neergelegd. Het bestuur
stond aanvankelijk met gemengde gevoelens tegenover dit
initiatief. De nog jonge inrichting zou zo nog meer werkzaamheden
te dragen krijgen en de raad om extra subsidie moeten vragen.
Anderzijds wenste de landsregering de oprichting van deze
scholen en zag het bestuur het nut ervan in, ook voor de armeninrichting.
De kleine kinderen konden immers voorbereid worden
op het onderwijs op de leer- en werkscholen en men kon iets bijdragen
aan hun zedelijke vorming, door af te weren “alles wat de
zoo tedere en buigzame jeugd eenen verkeerden indruk of plooi
kan geven”. 7)
In overleg met de stedelijke schoolcommissie stelde het bestuur
aan de Zwolse raad voor bij de Zwolse armeninrichting een kleine88
kinderschool in te richten, die tot voorbeeld moest worden van
toekomstige bewaarscholen in de stad. Later zouden dan alleen
bewaarscholen opgericht mogen worden, die voldeden aan de normen
die aan de eerste school gesteld waren. De matressen van die
nieuwe bewaarscholen zouden dan lessen moeten volgen aan de
kleine-kinderschool van de armeninrichting. Op deze wijze zou
de verbetering van het bewaarschoolonderwijs gestimuleerd worden.
8) De raad keurde dit voorstel op 26 augustus 1827 goed.
De stedelijke schoolcommissie en het bestuur van de armeninrichting
stelden samen een reglement voor de kleine-kinderschool
op, dat op 22 september 1827 door de raad van Zwolle
werd goedgekeurd. 9) Uit de memorie van toelichting bij het
reglement, blijkt de nieuwheid van de Zwolse school. Hierin
werd namelijk opgemerkt, dat “geregelde en welingerigte kleine-
kinderscholen nog eene behoefte en op weinig plaatsen, mogelijk
nergens, aanwezig zijn.” 10) Het reglement had daarom een
voorlopig karakter gekregen zodat het aangepast kon worden aan
de praktijk.
In artikel 3 werd het doel van de bewaarschool omschreven:
“de bestemming dezer kinderscholen is niet alleen, om de ouders
voor deze kinderen( …)te ontlasten, maar ook om de verstandelijke
en ligchamelijke vermogens der kinderen aanvankelijk te
ontwikkelenden hun beginselen van zedelijkheid en beschaving
in te prenten.” 11) Met betrekking tot de ontwikkeling van de
verstandelijke en zedelijke vermogens van de kinderen werd opgemerkt,
dat deze ontwikkeling in de vroegste kinderjaren het
grootst was. Een verstandige leiding werd daarom noodzakelijk
geacht.
Op 20 oktober 1827 stelde het bestuur van de armeninrichting
de instructie voor de toekomstige matres vast. Al op 9 oktober
was er in de Overijsselsche Courant een advertentie verschenen,
waarin het bestuur sollicitantes naar de betrekking
van matres aan de kleine-kinderschool opriep om voor de twintigste
van de maand te reageren. 12) Van de zeven sollicitantes
werden er drie bekwaam gevonden om tot matres te worden opgeleid:
Derkje Erdtsieck, de vrouw van Gerrit Eede (Antje de
Vries) en de vrouw van S.C. Spijker. Ook zouden er drie meisjes
van de naaischool van de armeninrichting tot helpster
worden opgeleid: Tonia Bouwmeester, Dieke of Hendrika Torn en
Hendrika ter Bruggen. Uiteraard zou hun ouders om toestemming
worden gevraagd. 13)
Aangezien het onderwijs aan de op te richten school geheel
nieuw zou zijn en de kandidaten dus niet ergens ervaring in de
praktijk konden opdoen, zou dr. Jan ter Pelkwijk (1769 – 1834)
de kandidaat-matressen en -helpsters lesgeven. Hij was lid
van de stedelijke schoolcommissie. Al in 1790 was hij gepromo”
De armeninrigting te Zwolle ” getekend door F.A.C. Hoffmann
onder directie van J. Plugger;
Collectie: Prov.Overijssels Museum. Repro : J.P. de Koning
90
HET BESTUUR. DF.R STADS ARMENINRIGTINÖ TE Ztf’OLLE,
noodigi bij deze uit de Perfouen welke de vereischte gefchiktheid
fcebben, en mogcen willen folliciteeren naar den Post van MAITUES bij
de Kleine Kivderfchool, die van «vege de E. A. Regering, tij die inrigtinR
ztl werden gevoegd, om zich Vóór den , VAN HOBO KEN,
Vaorxitter.
C. LUTTENBBRG,
Overijsselsche Courant dd. 9 oktober 1827
veerd tot doctor in de rechten. Sinds 1813 was hij lid van Gedeputeerde
Staten van Overijssel. Ter Pelkwijk had grote invloed
op het onderwijs in Zwolle en op dat aan de armeninrichting
in het bijzonder. Daarnaast schreef hij schoolboeken en
ontwikkelde onderwijsmethoden. Het onderwijs vatte hij op als
een systeem, waarvan de bewaarschool de eerste fase vormde.
De hoofdpunten van de beide genoemde reglementen waren door hem
opgesteld. 14)
Ruim een half jaar lang gaf Ter Pelkwijk twee keer per week
aan de vrouwen les. Op 31 mei 1828 meldde hij het bestuur van
de armeninrichting, dat Antje de Vries de meeste geschiktheid
had om tot matres te worden benoemd en Antonia Bouwmeester en
Hendrika ter Bruggen tot helpsters. 15) Hij had hierbij niet
alleen gelet op hun vaardigheden, maar ook op “de opslag van
het oog, een helder hoofd, braaf gedrag, goedaardigheid en kinderliefde”.
16) Hoewel Derkje Erdtsieck niet voorgedragen werd,
was haar opleiding blijkbaar succesvol, want zij werd in 1829
tot matres van de naaischool van de armeninrichting benoemd. 17)
De matres en helpsters werden benoemd. De laatsten zouden één
gulden per week verdienen. Antje de Vries wilde haar benoeming
alleen aannemen als zij vier in plaats van de door Ter Pelkwijk
voorgestelde twee a. drie gulden per week kreeg. Haar eis
werd gehonoreerd, want het bestuur vond het belangrijk dat de
school goed zou functioneren. Antje de Vries was de meest geschikte
kandidate en haar salarisvoorstel werd redelijk gevonden,
omdat zij voordien een redelijk goed draaiend bewaarschooltje
had gehouden. 18) Op 19 augustus 1828 werden de kinderen
uitgekozen die toegelaten zouden worden op de kleine91
kinderschool 19) en op 29 september ging de school tenslotte
van start met 35 leerlingen 20), in het gebouw van de stadsarmeninrichting.
Dat was daarvoor met twee lokalen uitgebreid,
waarvoor twee huisjes tegen de Luthense kerk onder de slopershamer
waren gesneuveld.
HET ONDERWIJZEND PERSONEEL
Het onderwijzend personeel bestond aanvankelijk, zoals vermeld,
uit één matres en enkele helpsters. De matres was er voornamelijk
voor het onderwijs, de helpsters meer voor de verzorging
van de kinderen. In 1841 waren er naast de matres al één ondermatres
en vier helpsters. De helpsters waren gerecruteerd uit
de meisjes die zelf aan de armeninrichting werkten en leerden
en zij waren in de regel tussen de veertien en twintig jaar
oud. 21) Het bleek mogelijk, dat helpsters opklommen tot de positie
van matres. Toen Antje de Vries in 1832 overleed, werd
zij opgevolgd door Hendrika ter Bruggen, één van haar helpsters.
22)
Daarmee komen we op de vereisten en bekwaamheden voor het uitoefenen
van de functie van matres en helpster. De laatste moest
aan dezelfde voorwaarden voldoen als de eerste, zo blijkt uit
de eerder genoemde instructie. 23) Dat het onderwijs aan kleine
kinderen het best door vrouwen kon worden gegeven, stond buiten
kijf. In een verslag over het eerste examen van de leerlingen
van de school werd opgemerkt, “dat van kinderen beneden de zes
jaar de opleiding en vorming meest doelmatig aan de vrouwelijke
kunne is opgedragen.” 24)
Ervaring in het onderwijs werd blijkbaar een belangrijke vereiste
voor het uitoefenen van de functie van matres geacht, zoals
blijkt uit de benoeming van Antje de Vries. Ook de benoeming
in 1832 van de toen pas 19-jarige Hendrika ter Bruggen,
die op vier jaar ervaring met de nieuwe vorm van onderwijs kon
bogen, wijst in die richting. Bovendien valt op, dat de vrouwen
die tot matres werden benoemd, niet te oud waren. Antje de
Vries was in 1827 35 jaar oud. Blijkbaar gaf men ook de voorkeur
aan vrouwen die de leeftijd hadden om zelf kleine kinderen
te hebben. Verdere vereiste eigenschappen waren een beschaafd,
zedelijk en ijverig gedrag, onbevooroordeeldheid,
zachtheid ten opzichte van en liefde voor de kinderen. Deze
vereisten sloten nauw aan bij de selectiecriteria die Ter Pelkwijk
eerder had gehanteerd.
Daarnaast waren er bepaalde richtlijnen voor de werkzaamheden
van de matres en haar helpsters. Zij mochten geen ander werk
doen naast of tijdens schooltijd, ze moesten op tijd op school
zijn, er moest een leerlingenlijst worden aangelegd, er
92
mochten geen “toover-, spook- en andere verschrikkelijke leugenachtige
geschiedenissen” verteld worden, de kinderen moest
eerbied voor God worden bijgebracht, maar er mocht geen leerstellig
onderwijs worden gegeven, want de school moest door
kinderen van alle gezindten bezocht kunnen worden. Bovendien
moest de matres volgens de instructie toezicht houden op de
helpsters, moest zij de school schoon houden en was zij verantwoording
schuldig aan het bestuur van de armeninrichting.
Opvallend is het ontbreken van de vereisten van een goede algemene
ontwikkeling en kennis van opvoeding en onderwijs. Weliswaar
was een onderwijsacte officieel vereist en werd in de
instructie geëist dat de matressen “alle vlijt moeten aanwenden,
om zich tot het geven van dit onderwijs te bekwamen”
en van de hulpmiddelen en het hun gegeven onderwijs “nuttig
gebruik” moesten maken, maar een graad van bekwaamheid, laat
staan een toetsing van vaardigheden en kennis, werden niet genoemd
in de instructie. Pas zo’n tien jaar later, onder andere
te Groningen, werden pedagogische en didactische vaardigheden
en algemene ontwikkeling onderdeel van de vereisten voor het
functioneren als matres. 25)
De opleiding die Ter Pelkwijk de matres, de helpsters en later
de kwekelingen gaf, was dan ook voornamelijk gericht op het
opdoen van ervaring, zoals ook elders gebruikelijk was in die
tijd. Kweekscholen voor matressen bestonden er voor de oprichting
van een dergelijke school in Rotterdam in 1836 niet.
Bij het onderwijs aan de vrouwen liet Ter Pelkwijk zich leiden
door de handleidingen voor bewaarschoolhouderessen van
H.W.A.C. Visser en Alberdina Woldendorp, die hij zeer aanprees.
25a) De handleidingen leggen bij het opsommen van vereisten
voor de functie van matres de nadruk op de bovenvermelde,
typisch vrouwelijk genoemde, eigenschappen. Ook stellen
zij voor, dat, zoals ook in Zwolle gebeurde, de vrouwen tot matres
gevormd zouden worden onder leiding van een bekwaam onderwijzer.
Deze kwalificatie is zeker van toepassing op Ter Pelkwijk
.
Ook na de start van de Zwolse kinderschool bleven deze handleidingen,
bijgesteld door de in de praktijk opgedane ervaringen,
het richtsnoer voor het onderwijs aan de kleine kinderen. 26)
Ter Pelkwijk bleef daarnaast de matres begeleiden en verzorgde
ook de lessen die aan kwekelingen aan de Zwolse schooi werden
gegeven. Of men later op andere, meer op het aanleren van pedagogische
en didactische vaardigheden gerichte methodes voor
het onderwijs aan toekomstige matressen is overgestapt, is
niet bpkend.
93
Rest ons nog iets te zeggen over de salariëring van de matres
en haar medewerksters. Antje de Vries bedong, zoals vermeld,
een weekloon van vier gulden, wat een jaarsalaris van ongeveer
ƒ 200,— betekende. Dit bleef in ieder geval het matressalaris
tot 1841. Daarnaast kon het gebeuren dat zij ter gelegenheid
van bijvoorbeeld de jaarlijkse examens een geschenk kreeg. Mogelijk
had zij vrij wonen. In de eerder genoemde instructie
wordt geopperd, dat er bij de lokalen van de school zo mogelijk
een woning voor de matres moest komen. Of dit werkelijk gebeurd
is, is niet bekend.
Het was de matres bij de instructie verboden enig ander beroep
naast haar schoolwerk uit te oefenen. Dat zal ook niet nodig
zijn geweest. Zowel Antje de Vries als Hendrika ter Bruggen
waren gehuwd. Hun echtgenoten hadden een eigen inkomen. Bovendien
blijkt uit het onderzoek van Van Essen, dat de Groningse
matressen met een inkomen van f 250,— geen armoede hoefden te
lijden. 27) De hoofdonderwijzeres van de in 1829 opgerichte
kleine-kinderschool voor de gegoede klasse, zal met haar inkomen
van ƒ 400,— dan ook niet te klagen hebben gehad. 28)
De helpsters hadden een veel lager inkomen. Het onderlinge verschil
in inkomens van de helpsters zal afhankelijk zijn geweest
van hun leeftijd en ervaring. Van dit inkomen konden zij uiteraard
niet rondkomen. Gezien hun leeftijd – ze waren altijd
jonger dan twintig jaar – zal dit salaris dan ook meer gediend
hebben om het gezinsbudget van hun ouderlijk huis aan te vullen.
Het inkomen van de Zwolse helpsters was echter hoger dan
dat van hun Groningse collega’s; wellicht hield hun functie
meer in dan alleen het verzorgen van de kinderen.
functie
matres/hoofdonderwijzeres
ondermatres
helpsters
ZWOLLE
armeninrichting
208
182
40- 78
57-137
(1841)
(1830)
(1841)
ZWOLLE
gegoede
400 (

75-130 (
stand
1841)
1841)
GRONINGEN
250
45-85
15-55
tabel I: Jaarinkomen van personeel aan Zwolse en Groningse bewaarscholen
in guldens. 29)
DE KINDEREN
Hoewel we, bij gebrek aan naamlijsten, niet exact weten welke
kinderen de school bezochten, kunnen we in het algemeen wel
iets over ze zeggen. De school was, zoals vermeld, bedoeld voor
kinderen tussen twee en zes jaar oud van armen en onvermogen94
den. Het onderwijs was dan ook geheel gratis. De toelating van
de kinderen werd bepaald door het bestuur van de armeninrichting.
Vereist was wel, dat de kinderen hetzij ingeënt waren, hetzij de
kinderziekten al gehad hadden. De matres moest er bovendien op
toezien, dat de kinderen schoon waren en geen “gebreken” hadden
die schadelijk konden zijn voor de andere kinderen. 30)
Wanneer het kind toegelaten werd tot de school, dienden de ouders
erop toe te zien dat het kind steeds naar school ging en
gebracht en gehaald werd. De matres hield een absentielijst bij
en alleen bij ziekte en slechte weersgesteldheid was er een
geldig excuus voor afwezigheid. De aanwezigheidsplicht werd
echter goed nagekomen, zo wordt gemeld, ondanks de grote afstand
die sommige kinderen naar school moesten afleggen. Niet alleen
uit de binnenstad, maar ook uit de voorsteden kwamen kinderen
naar de Blijmarkt, later naar de Genverberg. 31) De kinderen
gingen blijkbaar graag naar school, want de grootste straf die
men hen kon opleggen “is het ontzeggen der school voor eene
korte poos tijds.” 32)
Het aantal kinderen dat de school bezocht groeide in enkele
jaren drastisch. Zo drastisch, dat het bestuur zich in 1829 genoodzaakt
zag de aanneming van nieuwe kinderen op te schorten
tot een deel van de kinderen de school op zesjarige leeftijd
zou verlaten en een ander deel van de onderwijzer van de armeninrichting
les zou krijgen. 33) Het aantal kinderen groeide
door tot zo’n 250 per jaar tussen 1833 en 1839. Waarschijnlijk
was de capaciteit van de beide schoollokalen aan de Blijmarkt
niet groter. Als we ervan uitgaan, zoals het reglement voorschrijft,
dat telkens de helft van de leerlingen op de speelplaats
was (of in het speellokaal) en de andere helft onderwijs
kreeg, betekent dit, dat de lokalen elk ongeveer 125 kinderen,
bevatten. De capaciteit van de lokalen in het nieuwe gebouw op
de Genverberg was blijkbaar groter, want vanaf 1839 steeg het,
aantal leerlingen tot ongeveer 300, en in 1847 kregen er zelfs
340 les.
Jaar
1828
1829
1830
1831
1832
aantal
40
119
180
230
?
jaar
1833
1834
1835
1836
1837
aantal
260
254
263
260
jaar
1838
1839
1840
1841
1847
aantal
246
250
300
290
340
tabel II: Aantallen leerlingen van de kleine-kinderschool voor
minvermogenden te Zwolle 1828/1841 en 1847. 34)
95
Deze stijging geeft aan, dat er blijkbaar behoefte was aan bewaarscholen.
De kwaliteit van de kleine-kinderschool had bovendien
tot gevolg, dat men zijn of haar kinderen graag daar
heen bracht. Het moeten opschorten van het aannemen van nieuwe
kinderen wijst er op, dat de school zich in korte tijd een
grote populariteit had verworven. Dit zal niet in de laatste
plaats zijn veroorzaakt doordat deze vorm van onderwijs, in tegenstelling
tot de particuliere bewaarschooltjes, gratis was.
In de tijd dat ouders het gezinsinkomen bijelkaar verdienden,
kregen hun kinderen verzorging en onderwijs, zonder dat dit het
gezinsbudget aantastte.
Wordt vervolgd in het eerstvolgende Tijdschrift.
Noten (bij deel 1)
1. Gedicht van H.Ass.zn. Doyer ter gelegenheid van de opening
van het nieuwe gebouw van de Stadsarmeninrichting, in Overijsselsche
Courant 1839 no. 49 (18-6) 1.
2. Algemene informatie uit de inleiding uit: H.W. van Essen,
Onderwijzeressen in niemandsland. Beroepsontwikkeling in
Nederland (Paterswolde 1985) 4-8 en 15-17; en uit Willy
van der Most, Van matressenschool naar armenbewaarschool
(Nijmegen 1986) .
3. Rijksarchief in Overijssel (RAO), archief van de provinciale
commissie van onderwijs in Overijssel(PCOO), no. 385,
10-10-1827.
4. Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle (GAZ), Commissie archief
013 (CA013), Notulen stedelijke schoolcommissie (Notulen),
3-11-1836.
5. GAZ, Administratieve archieven Zwolle 02 (AAZ02)-04044.
Stukken betreffende de stadsarmeninrichting 1820-1821, 9.
6. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle (heruitgave
1973 van; Zwolle z.j.) 130-133.
7. GAZ, Instellingsarchieven 024 (IA024), notulen stadsarmeninrichting
(notulen), 13-7-1827.
8. Ibidem, brief aan de Zwolse raad, 11-8-1827.
9. Reglement in Derde verslag van den staat der armeninrichting
te Zwolle (Zwolle 1841) 14-27.
96
10. Ibidem, 21.
11. Ibidem, 14.
12. Overijsselsche Courant 1827 no. 81 (9-10) 2.
13. GAZ, IA024, Notulen, 27-10-1827.
14. G. Luttenberg, Levensbericht van J. ter Pelkwijk (Zwolle
1835).
15. GAZ, IA024, Notulen, 31-5-1828.
16. Luttenberg, 49.
17. GAZ, IA024, Notulen, 17-1-1829.
18. Ibidem, 7-6-1828.
19. Ibidem, 16-8-1828.
20. GAZ, Verenigingsarchieven 005 (VA005), archief van het departement
Zwolle van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen,
notulen, 2-10-1828.
21. Zie: Verslag van den staat der stadsarmeninrichting te
Zwolle (Zwolle 1830) xviii; Tweede verslag van den staat
der stadsarmeninrichting te Zwolle (Zwolle 1834) 41; Derde
verslag, 11.
22. ‘Het onderwijs in Overijssel tussen 1830 en 1850 volgens de
rapporten van de inspecteur Wijnbeek’, R. Reinsma ed. in
Verslagen en mededelingen van de Vereeniging tot beoefening
van Overijsselsen Regt en Geschiedenis 79 (1964) (Wijnbeek
1833) 57.
23. Het navolgende is voornamelijk gebaseerd op de. instructie,
zie Derde verslag, 28-35.
24. Overijsselsche Courant 1829 no. 63 (7-8) 1.
25. Van Essen, 50 en bijlage 3.
25a Zie over Woldendorp: Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1986)
34-46.
26. GAZ, Schoolarchieven 003 (SA003), Verslag van den toestand
der kleine kinderschool te Zwolle in July 1830. Dit geschrift
is van de hand van Ter Pelkwijk en staat vrijwel
letterlijk in Tweede verslag. De hier bedoelde informatie
komt van p. 4.
27. Van Essen, 64.
28. Derde verslag, 56-63. Het salarisverschil wordt niet alleen
door het standsverschil verklaard. In haar instructie wordt
namelijk niet gesproken over een vrije woning, zoals bij de
matres. Bovendien doet de benaming ‘hoofdonderwijzeres’ vermoeden,
dat het hier om een onderwijskracht met akte ging.
29. Verslag, xviii; Derde verslag, 11; Van Essen, 62-65.
30. Derde verslag, 28-35.
31. Ibidem, 14.
32. Ibidem, 12.
33. GAZ, SA003, 5.
34. Zie voor 1829 tot 1834 en 1847 de verslagen van de examens
van de leerlingen van de kleine-kinderschool, zie noot
42a (deel 2). 1835-1841 uit Derde verslag, 14.
97
BOEKBESPREKING
INVENTARIS VAN DE ARCHIEVEN VAN JACOB FRANKEL, OPPERRABBIJN
VAN ZWOLLE EN DE JOODSE GEMEENSCHAP VAN OLDENZAAL
LUDY GIEBELS
Uitgave van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam
(speciale catalogi. Nieuwe serie, no.15), Amsterdam 1986.
136 pagina’s. Prijs f 12,50 (bij toezending f 17,50). Te
bestellen bij de Administratie van de Universiteitsbibliotheek
tav de heer P. Anthonio, Singel 425, 1012 WP Amsterdam,
of door overmaking van ƒ 17,50 op girorekening
5032014 tnv Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, met
verzoek om toezending.
JAAP HAGEDOORN
Sinds de verschijning in 1926 van de zogenaamde nagelaten dissertatie
van Helena Poppers over de geschiedenis van de joden
in Overijssel tot 1814 1), is er op provinciaal en locaal gebied
geen alomvattende en gedegen studie meer verricht naar de
geschiedenis van deze bevolkingsgroep in deze provincie. Wel
verschenen er na 1945 enkele kleinere, gedetailleerde of’zeer
algemene publicaties over de joden in één stad of streek 2 ) .
De aandacht richt zich daarbij dan voornamelijk op de gebeurtenissen
die samenhangen met de poging tot vernietiging
van het joodse volk in de tweede wereldoorlog. Van een
grootschaliger aanpak in tijd en ruimte is, ook op locaal
niveau, helaas geen sprake.
Dat een dergelijk onderzoek echter op specifieke problemen kan
stuiten, mag het Zwolse voorbeeld duidelijk maken. Poppers besteedt
in haar studie vrij veel aandacht aan de geschiedenis
van de Zwolse joden. Hoewel zij gebruik had kunnen maken van
de archieven van de joodse gemeente te Zwolle, heeft zij dit
jammergenoeg niet gedaan 3). Jammergenoeg, want deze bronnen
zijn in de tweede wereldoorlog zoekgeraakt. Of liever, de toenmalige
secretaris van de joodse gemeente, Nico van Zwaanenburgh,
heeft de bescheiden van de joodse gemeente op een “goede”
plaats verborgen 4 ) . Zijn geheim nam hij mee naar het vernietigingskamp
Sobibor 5). De archieven van de joodse gemeente
Zwolle, waarin onder andere notulenboeken vanaf 1750, zijn tot
op heden onvindbaar. Gedegen onderzoek en ook een herwaardering
var, Poppers’ bevindingen zijn practisch onmogelijk.
98
Voor de, met name 19de-eeuwse, geschiedenis van de joden in
Zwolle en Overijssel is het daarom van groot belang, dat twee
op deze provincie betrekking hebbende archieven thans geselecteerd
en toegankelijk gemaakt zijn via de Inventaris van de
archieven van Jacob Frankel, opperrabijn van Zwolle en de
joodse gemeenschap van Oldenzaal, samengesteld door Ludy Giebels.
Deze archieven berusten grotendeels bij de Bibliotheca
Rosenthaliana te Amsterdam. In deze bespreking wil ik mij bepalen
tot het archief van Frankel. De Oldenzaalse archieven,
op zich een goed inzicht gevend in het joods leven in die
plaats, zijn voor de bestudering van de geschiedenis van de
Zwolse joden minder relevant.
Jacob Frankel (1814 – 1882) was van 1853 tot zijn dood opperrabijn
van Overijssel (de dn de titel genoemde functie-omschrijving
is dan ook onjuist; een extra komna. had bovendien
het vermoeden weg kunnen nemen, dat Frankel opperrabijn van
twee gemeenten was). Na een opleiding aan verschillende instituten
in Duitsland en een rabbinaat in Pommern, kwam hij op
een rondtocht in 1849 in Zwolle, de hoofdplaats van het ressort
Overijssel, waar de functie van opperrabijn vacant was.
Pogingen om hem in Overijssel tot opperrabijn te benoemen
slaagden pas eind 1852. Oppositie van het onder het Overijsselse
opperrabinaat vallende Drente (dat een eigen opperrabijn
wilde) en van de overige opperrabijnen (die hem te modern,
te veel afwijkend van de joodse orthodoxie vonden) zorgden
voor dit uitstel, dat tot een onverkwikkelijke affaire
werd. Vanaf 1853 kon Frankel zijn functie zonder verdere grote
conflicten uitoefenen. Hij woonde in de Zwolse Nieuwstraat,
niet ver van de synagoge die toen gevestigd was in de Librije
bij de Broerenkerk. Naast het opperrabbinaat bekleedde Frankel
nog verscheidene andere functies, zoals godsdienstleraar in de
Zwolse gevangenis en mohel (besnijder).
Een ruime hoeveelheid inventarisnummers is gereserveerd voor
“de kwestie Frankel”, zo’n 75 van de 240. Daarnaast zijn brievenboeken,
stukken betreffende zijn opleiding en studie, veel
preken, gebeden en voordrachten te vinden in het archief.
Frankel ontwikkelde zich ook als schrijver van wetenschappelijke
en luchtiger artikelen op het gebied van taal- en schriftkuncie
en de joodse geschiedenis en religie. Daarnaast schreef
hij pudichten, aforismen en zelfs een roman. Zeer interessant
lijki.n mij de verslagen van dromen, die Frankel blijkens de
inventaris opmaakte. Stukken met betrekking tot zijn verschillende
functies zijn uiteraard ook aanwezig in het archief. Wie
het ‘. il raadplegen dient echter wel vaardigheid te hebben in
99
het ;ezen van Hebreeuws en gotisch schrift. Enige kennis van de
Duit’e taal is ook geen luxe. Frainkel heeft de Nederlandse taal
nauwelijks geleerd 6 ) .
Ondeizoek in het archief-Frankel kan ons meer informatie verschaifen
over de persoon van deze opperrabbijn, die blijkens de
aan oe inventaris voorafgaande korte levensbeschrijving meermalen
het middelpunt van conflicten was. Daarnaast valt te onderzoeken
welke bijdrage Frankel leverde, via artikelen en lezinqen,
aan de verspreiding en het doordringen van nieuwe ideeën
in Overijssel. Terecht concludeert Giebels, dat deze bijdrage
niet gering geacht moet worden “in een tijd waarin het
doordringen van nieuwe ideeën, zeker in de provincie, afhing
van de eruditie van haar geestelijke leiders 7 ) .
Ook valt er uit het archief veel te halen over het functioneren
van de joodse gemeenschap in Zwolle (en Overijssel) in het tweede
kwart van de negentiende eeuw. Daarnaast is ook onderzoek
mogelijk naar de verhouding tussen joden en niet-joden, dus de
mate van integratie en tolerantie. Met twee voorbeelden van het
laatste wil ik deze bespreking besluiten. In zijn brieven
schrijft Frainkel enkele malen over scheldpartijen tegen hem en
andere joden. De opperrabbijn verzoekt de Zwolse politiecommissaris
deze zaak te onderzoeken, zodat “ook Jooden op straat
met rust kunnen gaan.” 8) Anderzijds schrijft hij, dat gevangenzittende
joden volgens de spijswetten konden eten in de
Zwolse gevangenis: “De Directeur … veroorlooft vleesch voor
Joden binnen te brengen wanneer het hem getoond wordt, dat.
niets verbodenes daarbij ligt.” 9)
Het materiaal in het archief-Frankel, nu zo veel beter toegankelijk,
noodt dus uit om het gat in de geschiedenis van de
Zwols-joodse gemeenschap te dichten. Groot struikelblok hierbij
is dat, zoals geconstateerd, veel van de stukken in het Hebreeuws
of gotisch geschreven zijn. Ook het feit dat de stukken zich in
Amsterdam bevinden zal het onderzoek niet vergemakkelijken. Ik
hoop echter, dat de nu verschenen inventaris het onderzoek in dit
archief zal stimuleren.
Noten:
Helena Poppers, De joden in Overijssel van hunne vestiging
tot 1814 (dissertatie; Ut recht/Amsterdam 1926).
Bijvoorbeeld: Iet Vierstraete-Erdtsieck, De Jodenvervolging
in Zwolle. Geschiedenis van de Joden te Zwolle tussen 1933
en 1946 (Wezep 1985); S. Laansma, De joodse gemeenten in de
kop van Overijssel (Zutphen 1981).
100
6.
7.
8.
S.J.S. Hirsch, ‘De Joden in Overijssel’ in Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant 12 en 14 mei 1926; recensie
van Poppers’ dissertatie.
Volgens brief van F.J. Hirsch aan mij, dd. 14-2-1984. F.J.
Hirsch is een zoon van opperrabbijn Hirsch en een zwager van
Van Zwaanenburgh.
Van Zwaanenburgh werd met zijn gezin op 23 juli 1943 te Sobibor
vergast (zie Vierstraete, De Jodenvervolging, 49).
Inventaris, 13.
Ibidem, 5.
L. Fuks en R. Fuks-Mansfeld, Hebrew and Judaic manuscripts
in Amsterdam. Public collections I Catalogue of the manuscripts
of the Bibliotheca Rosenthaliana (Leiden 1973), Hs
Ros 359, B U I 382, dd. 22-2-1855 en BVI 36, dd. 1-12-1858.
Ibidem, Hs Ros 359, BV 698, dd. 18/25-2-1857.
Zwolse Historische Vereniging
begroet 400-ste lid Zwolse Courant
30 sept. 1986
ZWOLLE -De Zwolse Historische
Vereniging kon vrijdag
haar 400-s.te lid begroeten.
Voorzitter J. Hagedoorn
heette het nieuwe lid, mevr.
E. A. van Dijk, namens het
bestuur van harte welkom.
Zij kreeg tevens enkele van
de publicaties van de Vereniging
ten geschenke.
Hagedoorn herinnerde eraan,
dat de Zwolse Historische
Vereniging drie jaar geleden
door enkele historischgeïnteresseerden
werd opgericht.
Zij konden toen niet
vermoeden, dat de Vereniging
zo snel zou groeien en in
korte tijd zo veel activiteiten
zou ontplooien. Hij noemde
naast de regelmatige publikatie
van een Jaarboek en
Tijdschrift, onder andere het
project Tweede Wereldoorlog
(boek en tentoonstelling)
en het boekje over de Moderne
Devotie te Zwolle. Ook de
door de Vereniging georganiseerde
lezingen worden goed
bezocht.
Volgens de voorzitter betekent
de snelle groei van het
ledental niet alleen dat de
Zwolse Historische Vereniging
in een behoefte voorziet
maar ook dat de wijze waarop
zij haar doel na streeft bij
een groot publiek aanslaat.
Hij wenste mevr. Van Dijk,
die bij het Provinciaal Overijssels
Museum werkzaam is,
veel plezier van haar lidmaatschap
en hoopte dat nu
snel het 500-ste lid begroet
mag worden.
IWOlêt IHéTOOIêCMC VtDttllCINC
BESTUUR:
voorzitter:
J . Hagedoorn
secretaris:
R. Salet
penningmeester:
H. Brassien
lid:
R.T. Oost
lid:
B.H. Edel
SECRETARIMTSADRES:
Sellekamp 32
LEDENADMINISTRATIE:
Brederostraat 76
Tyassenbelt 28, Zwolle
Sellekamp 32, Zwolle
Brederostraat 76, Zwolle
Jellissenkamp 2, Zwolle
8014 DR Zwolle
8023 AV Zwolle
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH JAARBOEK:
Westerstraat 34 8011 CG Zwolle
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT:
Jellissenkamp 2
GIROREKENING:
8014 EW Zwolle
5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging Zwolle
type&layout: henk brassien(OLIVETTI-LIVIUS a 90%)
druk: adm.centrum “De Sassenpoort” – Zwolle
omslag: “SWOLLA”, kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1985, Aflevering 4

Door 1985, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHQ1FT
^^
ZWOL&E HI – als man te kenmerken, terwijl de meervoudige inschrijvingen
van een ander teken – X – worden voorzien. Het is dan
simpel om deze categorieën apart te houden, of juist voor onderzoek
te selecteren. Enkele resultaten uit dit onderzoek maken
iets meer inzicht in deze werkwijze mogelijk. :
23
Uit het gehele te onderzoeken bestand kan door een enkele
handeling een groep worden geselecteerd die aan exact omschreven
kenmerken voldoet. Om dit te demonstreren volgt hieronder
een tabel, die uit drie kolommen bestaat:
1. de gemiddelde verblijfsduur in weken;
2. de gemiddelde leeftijd;
3. het aantal in het betrokken deelbestand verwerkte inschrijvingen
.
Er is geen statistische analyse op dit materiaal verricht. Het
gaat er in dit artikel alleen maar om, de mogelijkheden van de
computer enigermate te demonstreren.
In de gehele groep bevinden zich
443 inschrijvingen:
waarvan 151 buitenlandse meisjes:
en 291 in Nederland geborenen.
Nu verwijderen we eerst de mede
ingeschreven mannen (bordeelhouders)
:
die door hun lange verblijfsduur
een aanzienlijke invloed hebben
op de gemiddelden van de groep,
want deze veranderen nu duidelijk:
Een aantal meisjes wordt meer dan
eenmaal aangetroffen (102) maar
deze groep blijkt niet veel anders
te zijn samengesteld:
en zonder meervoudige inschrijvingen
komen we op de volgende
waarden:
verblijfsduur
in
weken
1.
49,73
39,45
55,—
324,62
44,66
48,15
43,59
leeftijd
in jaren
2.
27,41
27,17
27,54
32,62
27,32
28,58
26,93
N
3.
443
151
291
8
435
102
332
De grote verschillen gaan pas optreden als de meisjes, die langer
dan een jaar achtereen ingeschreven blijven, uit de groep worden
verwijderd: J 124,83 J26.95 j 106 j
(dit getal komt uit de groep met meervoudige inschrijvingen; deze
worden nu weer meegerekend). De verblijfsduur verandert nu drastisch,
terwijl de leeftijd vrijwel gelijk blijft:
18,75 |27,44 328
24
en indien we de groep terugbrengen haar alleen diegenen, die
korter dan 26 weken achtereen ingeschreven zijn, worden de parameters:
11,25 27,49 233
We kunnen nu ook gemakkelijk nagaan, wat de invloed is van de
leeftijd bij inschrijven. Zij die ouder zijn dan 30 jaar bij inschrijving
(106) zijn gemiddeld 34,22 jaar oud en blijven vrij
48,90 134,22 | 106
De jongere vrouwen tonen merkwaardigerwijs nauwelijks verschil
met de oudere voor wat de verblijfsduur aangaat:
| 43,17 J25.O1 | 329
Ook de groep die alleen bestaat uit meisjes die jonger zijn dan
30 jaar, en korter dan een jaar blijft, wijkt wat leeftijd betreft
weinig af van de gehele groep, maar heeft wel een duidelijk
kortere verblijfsduur:
Nu een overzicht van inschrijvingen
in Amsterdam. De hele groep:
– allen onder de 30:
– allen korter dan 1 jaar aanwezig
– alle meisjes jonger dan 30 èn
korter dan 1 jaar ingeschreven:
18,86
46,34
45,51
19,31
19,66
25,10
27,20
24,62
27,39
24,49
255
186
145
138
105
43,94
| 41,32
: 18,35
18,29
27,75
25,32
27,47
25,24
245
184
190
150
Hetzelfde, en dat zijn dan de laatste cijfers uit deze tabel, is
uitgerekend voor de groep vrouwen die buiten Amsterdam worden
geregistreerd (245)
– gehele groep:
– allen onder de 30
– allen korter dan 1 jaar aanwezig:
– allen jonger dan 30 èn korter
dan 1 jaar ingeschreven:
Het zal duidelijk zijn, dat nog veel meer groepsvergelijkingen
gemaakt kunnen worden, waarbij men alle variabele en vaste
factoren kan gebruiken. Het is vaak noodzakelijk om zichzelf
beperkingen op te leggen, omdat het eigenlijk veel te gemakkelijk
gaat.
Het materiaal uit het rapportenboek van de Zwolse politiecommissaris,
dat deze in de jaren 1846 en 1847 heeft bijgehouden
is veel moeilijker te bewerken. Deze rapportenboeken zijn
eigenlijk ingebonden kladschriften, waarin alle zaken en zaakjes
vermeld worden waarmee de “policiedienaar” in de stad geconfronteerd
werd. Ook in dit voorbeeld gaat het alleen om de
vraag: wat kan een computer daar nu aan vergemakkelijken?
25
Als ingang is primair de naam van de betrokkene genomen; voor
de verdere gegevens is men geheel afhankelijk van wat de commissaris
belangrijk vindt. Zo noteert hij slechts in enkele gevallen
de leeftijd, nooit exacte geboortedata. Vaststellen van
het geslacht is meestal aan de naam wel mogelijk. De datum is
wel eens onduidelijk; vooral in het begin van het register vergeet
hij dit gegeven vaak te vermelden. Soms staan er persoonlijke
aantekeningen in zoals een vermelding van de liedjes die
Buziau op de Groote Sociëteit heeft gezongen. Het beroep
wordt, indien relevant, vermeld, evenals de reden van het contact,
maar vaak moet men er naar gissen en betreft het notities
van namen diergenen, die getuigen waren van een vaak niet
meer vermeld feit.
Ter illustratie enkele getallen uit het jaar 1846. Er zijn 964
namen vermeld, waarbij 739 mannen en 214 vrouwen. Dat de optelling
niet klopt, is ontstaan door het invoeren van enkele
(belangrijke) neutra zoals de diligence op Groningen die op de
Nieuwstad (nu Thomas a Kempisstraat) een boerenkar met twee
Nieuwleusense boerinnetjes ondersteboven rijdt, en van enkele
namen waarvan het geslacht niet valt te achterhalen. Er worden
zeven smeden, zeven metselaars en drie horlogiemakers vermeld;
27 publieke vrouwen en tien bordeelhoud(st)ers; 64 namen van
getuigen zijn vastgelegd; van 130 mensen is de leeftijd vermeld.
Het beroep is in 477 vermeldingen, het “adres” (vaak in
de trant van “bij zijn vader”) is bij 410 namen min of meer bekend.
Al met al is dit materiaal moeilijk te rubriceren. Toch heeft
de computer grote voordelen. Men kan het apparaat laten zoeken
naar bepaalde woorden: vier letters zijn bijna altijd voldoende
om een begrip te definiëren. Wanneer men zoekt naar “wagt”,
komen alle namen van diegenen die op het bureau hun roes hebben
uitgeslapen, naast die van een enkele deserteur die gevangen
wordt, naar boven. De scherpregter van Zwolle komt enige
malen (echter zonder naamsvermelding) voor. Zoeken naar
“scheld” of “schold” levert 79 namen op, met epitheta als
stinkert en vuile lel.
De computer maakt zonder enig probleem een index op alfabetische
(namen) of numerieke (leeftijd) volgorde, en kan alle variabele
gegevens direct met elkaar combineren: hoeveel vrouwen
zijn er in het najaar van 1845 genoteerd; zijn er tijdens de
kermisweek meer dronkelappen dan anders?
Het werken met moderne apparatuur als deze staat momenteel nog
in de kinderschoenen, en er zal veel geëxperimenteerd moeten
worden om, bijvoorbeeld, een genealogie in een computergeheugen
26
op te slaan 2). In principe is de veelheid van gegevens een reden
om eerder een computer te gaan gebruiken: koopactes met
veel namen, getuigenissen, rechtszaken, verkopingen van onroerend
goed enzovoorts.
De prijs zal geen belemmering meer hoeven te zijn; men kan voor
minder dan ƒ 1.000,— een begin maken. Wellicht komen er, behalve
de microfilmreaders, binnenkort ook huiscomputers op de
leestafel in het archief te staan.
DIENENDE TOT
BEWIJS YAN INSCHRIJVING
PUBLIEKE VROUW.
(Deel van het) titelblad van het registratieboekje voor
publieke vrouwen. De hierin geregistreerde gegevens
zijn gebruikt voor het beschreven onderzoek.
Ware grootte: 15,7 x 10 cm. Collectie GAZ
Noten
Men heeft voor dit alles op het moment van schrijven van dit
artikel (april 1984) niet meer dan f 950,— nodig, de zwartwit-
televisie zonder geluid inbegrepen. Een bedrag dat zelfs
door een gepensioneerde archiefmaniak nog wel op te brengen
moet zijn, en anders lukt het wel om een partner te vinden
wanneer U dit artikel uitgelezen hebt.
Noot van de redactie: Er is een tijdschrift dat zich speciaal
richt op het gebruik van computers bij het beoefenen van
genealogie. Het blad heet Gens data, verschijnt eenmaal per
kwartaal en is momenteel in zijn tweede jaargang.
27
BOEKBESPREKING
HERINNERINGEN VAN EEN ZWOLSE JONGEN
door H.J. Verkouw
met vijfennegentig merendeels nog niet eerder gepubliceerde
foto’s en prenten uit de periode tussen 1900 en
1930, verzameld en van toelichting voorzien door Han
Prins.
Uitgeverij Waanders b.v., Zwolle 1985
112 pagina’s, prijs f 29,50
Henk Brassien
H.J. Verkouw werd in 1904 in Zwolle geboren en verliet de stad
in 1930. Zijn jonge jaren bracht hij door in het Zwolle, dat
slechts weinig Zwollenaren nog uit eigen ervaring bekend is.
Op 21 maart 1985 zat Verkouw achter een tafeltje in de winkel
van Waanders. Hij signeerde daar zijn boek “Herinneringen van
een Zwolse jongen”. Veel oudere Zwollenaren ontmoette Verkouw
op die dag. Herinneringen werden opgehaald, waarbij bleek, dat
de 80-jarige nog over een scherp geheugen beschikte.
Wat begon als “Opa, vertel nog eens van vroeger”, mondde uit in
een vlot leesbaar boek. De schrijver zegt in de inleiding dat
hij zeker niet pretendeert geschiedenis te schrijven; hij roept
vanuit zijn herinnering het leven van alle dag in het begin van
deze eeuw op. Veel komt ter sprake: (zijn) Assendorp, de schooljaren,
de uren op straat, waar verkeer nog nauwelijks voorkwam,
de zondagse wandelingen naar de uitspanningen rondom de stad,
de Antwerpse duivel Jan Olieslagers (1910: half Zwolle staat aan
de Hanekamp met open mond naar het eerste vliegtuig in Zwolle
te kijken), ds eerste baan, waar hij maar liefst vijftig cent
per week verdient, de eerste wereldoorlog, ambtenaren in het
stadhuis, ijspret, feestdagen, teveel om op te noemen.
De meeste herinneringen worden kort beschreven, hier en daar
voorzien van teksten in het Zwols. Langer, te lang, worden ze
als hij terug denkt aan zijn tijd als gemeente-ambtenaar in
Zwolle (Verkouw blijft tot 1969 ambtenaar, vanaf 1930 in de
provincie Noord-Holland).
Zoals gezegd, het boek leest vlot weg. De titel dekt evenwel
slechts ten dele de inhoud. Grote stukken zijn niet typisch
Zwols, maar gaan over (overigens leuke) jeugdgebeurtenissen,
28
die onverschillig waar hadden kunnen plaatsvinden. Ter compensatie
is er her en der gestrooid met Zwolse namen om het geheel
een ‘couleur locale’ te geven.
Wat het boek echter zeker de aanschaf waard maakt, zijn de vele
– vaak nog niet eerder gepubliceerde – foto’s, die door Han
Prins treffend van onderschriften zijn voorzien. Zij vormen eigenlijk
een boek in een boek en tonen Zwolle in het begin van
onze eeuw. Veel is niet meer terug te vinden: het oude Kerkbrugje,
het Gouverneurshuis, de Michaëlkerk, maar anderzijds
laten vele foto’s zien, dat beplanting ertoe kan bijdragen oude
glorie te herstellen (Melkmarkt, Thorbeckegracht, Gasthuisplein,
Diezerkade enz).
BERICHT VAN DE GEMEENTELIJKE ARCHIEFDIENST
VOETBAL- EN ATLETIEKVERENIGING P.E.C.
Wim Huijsmans
In november 1984 werd door de Gemeentelijke Archiefdienst van
twee oud-bestuursleden het archief van de voetbal- en atletiekvereniging
P.E.C, in ontvangst genomen.
Het archief is inmiddels beschreven en heeft een plaats gekregen
tussen andere, overgebrachte archieven van Zwolse sportverenigingen
.
De voetbal- en atletiekvereniging P.E.C, is in 1910 opgericht.
Zij is ontstaan uit een fusie van twee verenigingen, namelijk
P.H. (Prins Hendrik) en E.D.N. (Ende Desespereert Nimmer).
De naam P.E.C, is ontleend aan de eerste letter van beide verenigingen
plus de C. van Combinatie en betekent dus voluit:
“£rins Hendrik Ende Desespereert Nimmer Combinatie”.
De voetbalvereniging van de groen-witten verwierf in de twintiger
jaren al de titel van “eeuwige tweede-klasser”.
In 1955 werd de overstap gemaakt naar het semi-betaald voetbal.
Naast de vereniging werd in 1969 de stichting betaald voetbal
P.E.C. Zwolle opgericht om tot beter betaald voetbal in Zwolle
te komen. Door met 3-1 van FC Vlaardingen te winnen op 15 mei
1978 promoveerde P.E.C, naar de ere-divisie.
In 1982 is de heer Eibrink eigenaar van P.E.C, geworden en
werd de naam gewijzigd in PEC-Zwolle ’82.
1984 is -voorlopig- het laatste jaar geweest dat op ere-divisie
niveau werd gespeeld.
29
De atletiekvereniging heeft zich in 1974 van de voetbalvereniging
afgescheiden en vormt sindsdien een zelfstandige vereniging
onder de naam: Atletiekvereniging P.E.C. 1910.
De meest bekende atleet die de vereniging onder haar leden geteld
heeft, is zonder enige twijfel Wim Peters, een allround
sportman, die vanwege zijn prestaties in de periode 1930-1940
Zwolle atletiek-minded maakte. Het is overigens een toevalligheid
dat de nieuwe atletiek-accomodatie in Holtenbroek getooid
is met de naam “de Peterskamp”.
Het archief
Het bewaarde materiaal is tot circa 1940 in hoofdzaak van documentaire
aard. Per jaar wordt een impressie gegeven van de ontplooide
aktiviteiten, voornamelijk aan de hand van kranteknipsels.
De notulen van de bestuursvergaderingen zijn bewaard gebleven
vanaf 1937, die van de ledenvergaderingen vanaf 1944. In de
oorlog moest het archief bij de bezetter worden ingeleverd.
Dit verklaart dat er bijna geen archiefbescheiden van voor 1940
meer zijn.
Over de periode 1950-1970 is het archief vrij compleet. Van het
archief van na die tijd ontbreekt nogal wat, maar misschien dat
het lezen van dit stukje andere (oud-)bestuursleden aanzet om
hun restant P.E.C.-archief aan het Gemeente Archief over te
dragen.
De toezegging dat te zijner tijd ook alle afleveringen van het
clubblad “de PEC-er” bij het Gemeente Archief zullen worden gedeponeerd,
maakt het mogelijk dat de geschiedenis van P.E.C,
vrij goed gereconstrueerd kan worden.
Van Huystee heeft hier blijk van gegeven met zijn boek P.E,C.
in poëzie, 1920 – 1970 bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan
van P.E.C, in 1985.
Het archief- en documentatiemateriaal van P.E.C, omvat nu
anderhalve strekkende meter. Het is openbaar en voor belangstellenden
gratis te raadplegen bij het Gemeente Archief in
de Voorstraat.
PEC Zwolle ’82
30
BERICHT VAN HET RIJKSARCHIEF IN OVERIJSSEL
Het Rijksarchief in Overijssel meldt ons, dat de akten der burgerlijke
stand en de huwelijksbijlagen – uitgezonderd de huwelijksaan-
en afkondigingen – in het vervolg alleen nog worden
verstrekt in de vorm van microfilm.
Er is een tweede studiezaal geopend, waar bezoekers de microfilmcassettes
kunnen raadplegen via een zelf te bedienen leesapparaat.
Slechts onder bepaalde omstandigheden worden de originele
stukken van de burgerlijke stand ter inzage verstrekt, zulks om
schade aan de onvervangbare archiefstukken zoveel mogelijk te
beperken.
BERICHT VAN DE CULTURELE RAAD OVERIJSSEL
HERZIENE DRUK ADRESBOEKJE
De afdeling Musea, Oudheidkunde, Monumenten van de Culturele
Raad Overijssel heeft een vierde, geheel herziene druk uitgebracht
van zijn Adresboekje.
Hierin vindt men een overzicht van musea en oudheidkamers, historische
en heemkundige verenigingen, archieven en bibliotheken,
organisaties op het gebied van archeologie en monumentenzorg en
natuur- en milieu-organisaties in (en voor zover van belang ook
buiten) Overijssel.
Het Adresboekje werd samengesteld door A.W. Stapel en F.D. Zeiler
en het is te bestellen bij de Culturele Raad Overijssel,
Postbus 1347, 8001 BH Zwolle, telefoonnummer 038 – 212.863.
Prijs: ƒ 2 , — (afgehaald) of ƒ 3,50 (inclusief porto).
BERICHT VAN DE CULTURELE RAAD OVERIJSSEL
HANDLEIDING VOOR LOCALE EN REGIONALE GESCHIEDBEOEFENING
IN OVERIJSSEL
31
Als uitvloeisel van de in 1984 – 1985 gehouden Basiscursus voor
Amateurhistorici verschijnt in de loop van oktober een Handleiding
voor locale en regionale geschiedbeoefening in Overijssel.
Deze handleiding zal een groot aantal praktische aanwijzingen
bevatten met betrekking tot het opzetten van een onderzoek, het
opsporen en interpreteren van bronnen en literatuur en het verwerken
van de onderzoeksresultaten. Adreslijsten en tijdschriftoverzichten
zullen als bijlage worden opgenomen. De omvang van
de handleiding (geschreven door G.G.J. Rensen – bijgestaan door
een redactieteam), zal ongeveer 125 pagina’s zijn en de prijs
zal komen te liggen rond de f 15,—.
Nadere inlichtingen bij de secretaris van het Beraad, de heer
F.D. Zeiler, adres als boven.
TENTOONSTELLINGSAGENDA PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
02.11.85 – begin 01.86 Jonge bouwkunst in Overijssel
Op vertoon van hun ledenkaart hebben leden van de vereniging
gratis toegang tot de tentoonstellingen in het museum (dit
geldt ook voor huisleden).
MEDEDELINGEN VAN DE VERENIGING
CONTRIBUTIE 1985
Tegelijk met de uitnodiging voor de lezing van 8 oktober 1985
is aan degenen die hun contributie nog niet betaald hadden, het
verzoek gedaan dit per omgaande te doen. Mocht U nog niet betaald
hebben, wilt U dat dan alsnog doen?
32
OVERZICHT LEDENBESTAND
De vereniging heeft per 26 september 19ö5 328 leden,
verdeeld als volgt:
jeugdleden 1
leden tussen 21 en 65 jaar 264
65-plus leden 57
huisleden 6
264 leden wonen in Zwolle, 64 leden buiten Zwolle (waarvan een
in de Verenigde Staten en een in Canada).
Huisleden (eigenlijk een soort donateurs) betalen een contributie
van f 7,50 per jaar. Net als gewone leden hebben zij op
vertoon van hun ledenkaart gratis toegang tot het Provinciaal
Overijssels Museum te Zwolle.
Aanmelding als huislid: bij de ledenadministratie.
NOG VERKRIJGBARE PUBLICATIES
Onderstaande publicaties van de vereniging zijn nog los verkrijgbaar.
Nieuwe leden kunnen hiermee hun verzameling completeren.
Ook geschikt om met de feestdagen cadeau te doen!
normale ledenprijs
prijs
– De Moderne Devotie te Zwolle 5,95 4,25
(ook verschenen als Nieuwsbrief)
– Zwols Historisch Jaarboek 1984 27,50 20,—
– Zwolle in de tweede wereldoorlog 8,95 7,45
– Alle publicaties uit 1984 prijs=contributiebedrag 1984
Verzendkosten: resp. 1,60, 2,30, 2,30 en 4,25.
Wijze van bestelling:
– afhalen bij de ledenadministratie, Brederostraat 76 te Zwolle
(contante betaling); x
– door storting van het verschuldigde bedrag op giro 5570775
t.n.v. ZHV te Zwolle, onder vermelding van gewenste titel(s).
Denkt U aan de verzendkosten? Toezending volgt dan na ontvangst
van Uw overmaking.
ZWOLSE HléTOQIACIU VfDEMCINC
BESTUUR:
VOORZITTER:
J. Hagedoorn
SECRETARIS
B.H. Edel
PENNINGMEESTER
H. Brassien
LID, EINDREDACTEUR JAARBOEK
J.F. Borst
LID/EINDREDACTEUR TIJDSCHRIFT
R.T. Oost
Tyassenbelt 28, Zwolle
Diezerplem 37, Zwolle
Brederostraat 76, Zwolle
Meenteweg 7, Zwolle
Jellissenkamp 2, Zwolle
SECRETARIAAT
Diezerplein 37
LEDENADMINISTRATIE
Brederostraat 76
8021 CT Zwolle
8023 AV Zwolle
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH JAARBOEK
Meenteweg 7 8041 AT Zwolle
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Jellissenkamp 2 8014 EW Zwollf
GIROREKENING
5570775 t.n.v. Zwolse Histonische Vereniging Zwolle
type/layout: henk brassien ooOLIVETTl-livius (90%)00
druk: adm.centrum “De Sassenpoort” – Zwolle
orrslag: “Swolla”, kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden
(Ware grootte 196 x 315 mm)

Lees verder