Categorie

Aflevering 4

Zwolse Historisch Tijdschrift 1999, Aflevering 4

Door 1999, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

•V r
IWOIS
istorisc
De rijke geschiedenis van
de Onze-Lieve-Vrouwekerk
• »:•»:»:•:•:*;•*•:•
,’• t-
*•
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
ZWOLLE. KAMPERPOORTEr
MET GEZICHT NAAR Dl
KAMPERSTRAAT.
Groeten uit Zwolle
Ansichtkaart Kamperpoortenbrug met Peperbus
Poststempel: 11 september 1907
L.0. Gisteravond half zeven ben ik hier aangekomen.
Van de Groninger reis is niets meer gekomen.
Ge hebt zeker den geheelen dag uit staan kijken?
Waart ge hier nu ook maar, het is zulk prachtig
weer. Krijg ik spoedig eenig nieuws terug? Vele groeten
van ons allen.
J.W. Haven, Molenweg 43, Zwolle.
Volgens het adresboek woonde in 1907 op het
adres Molenweg 43 het gezin van Barend Louis Ie
Mahieu en zijn vrouw Joukje Haven. Barend was
als machinist werkzaam bij het spoor, zoals zo
velen in Assendorp. Niet voor niets werd Assendorp
ook wel de spoorhazenbuurt genoemd. De
afzender van de kaart zal wel tijdelijk te gast zijn
bij verwanten omdat zijn achternaam hetzelfde is
als die van de vrouw van Le Mahieu. Het schrift
verraadt de hand van iemand die mooi en deftig
kan schrijven, de kennis van het Latijn is echter
minder groot. In het adres is sprake van Mutua
Fides (= wederzijdse trouw). Dat was de naam van
de Groninger studentensociëteit aan de noordzijde
van de Grote Markt.
De kaart toont ons de Kamperpoortenbrug als
draaibrug, waarboven de Peperbus hoog uittorent.
Deze brug werd in 1951 vervangen door een
ophaalbrug, die intussen ook al weer vervangen is
door een brede, vaste brug, bedoeld om grotere
verkeersstromen vanuit en naar het centrum te
leiden dan heden ten dage het geval is.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
De Peperbus is de bekendste toren van Zwolle en
hoort als toren bij de Onze Lieve Vrouwekerk. Dit
jaar is het 600 jaar geleden dat op de plek waar nu
de kerk staat, een kapel werd ingewijd. De
parochie van de Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming
besteedt hier op bijzondere wijze aandacht
aan en ook het Zwols Historisch Tijdschrift
wil niet aan dit historische feit voorbijgaan. Na
overleg met een klein comité van de parochie is
besloten een themanummer uit te brengen, waarin
enkele bijzondere facetten uit de rijke geschiedenis
van de Onze-Lieve-Vrouwekerk voor het
voetlicht gebracht worden.
Dirk Jan de Vries, die in het verleden al over de
middeleeuwse bouwgeschiedenis van de kerk
publiceerde, richt zijn aandacht nu op de koorgewelven
en de onderbouw van de Peperbus. Ook
aan het beeld van de aartsengel Michaël, dat na
veel omzwervingen ‘rust’ vond en een plaats kreeg
in de kerk aan de Ossenmarkt, besteedt hij aandacht.
Diepgravend is de verhandeling van A.J. Looyenga
over het kerkgebouw, dat in de tweede helft
van de negentiende euw in een neogotisch gewaad
werd gestoken. Vooral op initiatief van pastoor
Spitzen werd de neogotische restauratie en inrichting
gerealiseerd. Veel uitbreidingen uit die tijd
zijn overigens bij de laatste grote restauratie in de
jaren 1975-1981 weer gesloopt.
Jean Streng schrijft tenslotte over twee zilveren
beelden die voor de kerk gemaakt werden toen het
klimaat voor de katholieke gemeenschap iets milder
werd. Ook verhaalt hij over het wel en wee van
de kerkelijke gemeenschap zoals dat door de achtereenvolgende
pastoors genoteerd werd in het
zogeheten Registrum Memoriale. Jubilea van kerkelijke
ambtsdragers, processies naar Kevelaar en
veranderingen in de jaren zestig van deze eeuw
passeren de revue.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 110
Enkele bijzonderheden van de kerk DJ. de Vries 112
De Onze-Lieve-Vrouwekerk in de negentiende eeuw
A.J. Looyenga 120
Twee zilveren heiligen J. Streng 144
Het rijke roomse leven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk J. Streng 146
Auteurs 154
Omslag: Beelden van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (foto’s: M.I. Meijerink).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Enkele bijzonderheden van de kerk
DirkJ.de Vries Twee vrij recente artikelen in het Jaarboek
Monumentenzorg gaan over de middeleeuwse
bouwgeschiedenis van respectievelijk
de toren en de kerk.1 Enkele versierende
onderdelen die hier nadere uitwerking verdienen,
bleven daarin onderbelicht; zonder overigens
recht te doen aan de veel omvangrijker, rijke verzameling
oudere interieurstukken.
Uit de combinatie van het voorgaande bouwhistorische
en archivalische onderzoek kwam naar
voren dat aan de ogenschijnlijke architectonische
eenheid van de kerk toch een meer complex en
gefaseerd ontstaan ten grondslag ligt. Heel bijzonder,
niet alleen voor Zwolle maar ook landelijk
gezien, is dat een groot deel van de middeleeuwse
boekhouding bewaard bleef; thans veiliggesteld in
het Zwolse Gemeentearchief. De vooraanstaande
katholiek Emanuel van Twenhuizen onttrok dit
materiaal aan de stedelijk vordering (en vernietiging)
waaraan de andere kerk- en kloosterarchieven
ten prooi vielen. Opmerkelijk is eveneens, dat
de kerk tegenwoordig een waardevol beeld bezit
dat in de vorige eeuw nog aan de stad toebehoorde.
Het gaat om het beeld de aartsengel Michaël
dat in deze bijdrage beschreven wordt.
Koorgewelven
Het koor kwam samen met de transeptarmen en
de eerste, oostelijke travee van het schip omstreeks
het jaar 1417 onder dak. Dit blijkt uit de doorgaande
nummering (telmerken) op de kapconstructies
boven deze bouwdelen en uit de dendrochronologische
datering van het toegepaste eikenhout dat
in de winter van 1416 op 1417 gekapt werd. In het
kasboek is bovendien sprake van de aanschaf van
‘bakken, stilen ende plancken tut deser kercken’,
hetgeen wijst op bouwactiviteiten. Omdat er in
1399 reeds een kapel gewijd werd, nemen we aan
dat een (lager) deel van het koor, waar een Antoniusaltaar
opgesteld stond, toen reeds in gebruik
werd genomen. Door het aanmoedigen van het
kerkbezoek, waaraan in 1399 een pauselijke aflaat
verbonden werd, door het stichten van broederschappen
en door schenkingen van burgers
ondervond ook de bouw financiële steun. In 1417
sloot men de grote bouwcampagne voorlopig en
provisorisch af door tegen het meest westelijke
spant, doorgaand tot beneden toe, een tijdelijke
houten wand aan te brengen. Het plaatsen van de
kappen en de daarbij horende dwarsverbanden in
de vorm van trekbalken, maakte het mogelijk
gewelven aan te brengen. Het was echter gebruikelijk
daarmee enkele jaren te wachten om. het metselwerk
een goede uitharding te gunnen en de fundamenten
te laten ‘zetten’. Met andere woorden:
de koorgewelven zullen niet veel ouder zijn dan
1420. Mogelijk dateren ze zelfs van na 1451, toen
het schip toegevoegd werd.
Het koor telt twee vakken met kruisgewelven op
rechthoekige grondslag in het westen en een polygonaal,
zogenoemd 5/8 sluitingsvak in het oosten.
De gewelfribben ontspringen tegen de zijmuren
op consoles met plantaardige vormen. In de top
van het gewelf komen zij samen tegen een sluitsteen.
Het is heel gebruikelijk dat daarop, vooral
in de koorsluiting een voorstelling van Christus
werd aangebracht, immers: ‘Jezus Christus is
de uiterste hoeksteen op welken het geheel
gebouw bekwamelijk te zamen gevoegd zijnde,
opwast tot eenen heiligen tempel in den
Heere'(Ef. 2:19-22).
De koorsluitingssteen van de O.L.V.-kerk is
echter vlak. In de negentiende eeuw werd er een
geschilderde, gouden zon op aangebracht. De zon,
symbool van het Licht, misstaat op deze plek overigens
niet en past bij de middeleeuwse, christelijke
iconografie.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT “3
Het koor en transept
van de O.L. V. -kerk te
Zwolle vanuit het zuidoosten
(foto A.J. van der
Wal, RDMZ1971).
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koorgewelf van de
O.LV.-kerk Zwolle.
Sluitsteen met Maria
en Jezus in reliëf
(foto RDMZ1981).
Koorgewelf van de
O.LV.-kerk. Voorstellingvan
St.-Antonius
op sluitsteen in het
middelste gewelf
(foto RDMZ1981).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
De twee westelijke vakken van het koor bevatten
daarentegen wèl sluitstenen met middeleeuws
beeldhouwwerk. Tegenwoordig zijn ze voorzien
van een i9de-eeuwse polychromie. De meest westelijke
steen toont in reliëf een voorstelling van
Maria met het kind Jezus. Zij is gehuld in een ruime,
geplooide mantel die ook haar hoofd en rechter
arm afdekt waarop zij het naakte kindje draagt.
Haar linker hand omvat de voeten van het kind.
De gelaatstrekken van beide figuren zijn met meer
recente verf nogal aangezet waardoor de mimiek
waarschijnlijk afwijkt van de middeleeuwse
gelaatstrekken.
De middelste sluitsteen van het koorgewelf
toont een baarddragende man met lang haar. Hij
draagt een mantel met kraag of kap en houdt met
zijn rechter hand een bel en met zijn linker hand
een krukvormig attribuut vast. In dit reliëf kan
bezwaarlijk een voorstelling van de God-Vader
gezien worden, zoals Ter Kuile aanneemt.2 Bruikbaarder
is de suggestie van Gerard Keilholtz, organist
van de kerk, dat het hier om een voorstelling
van Antonius Abt gaat. Het voornaamste attribuut
van Antonius is de T- (Tau) staf met een
horizontale kruk waarvan ook een enkelzijdige
variant, functionerend als een wandelstok bekend
is. Dit type kortere stok lijkt op deze sluitsteen te
zijn afgebeeld. Een ander attribuut van Antonius
is de bel, ook gedragen door het zogenoemde St-
Antoniusvarken, op zich weer een symbool van de
heilige Antonius. Antonius werd vereerd als
patroon tegen besmettelijke ziekten, zoals de pest
en het St.-Antoniusvuur.3 Er zijn diverse redenen
die de aanwezigheid van het reliëf met de voorstelling
van Antonius rechtvaardigen en verklaren.
De eerste reden is dat in de aflaat van 1399
sprake is van een Antoniusaltaar. Ook in latere
beschrijvingen van de kerk wordt dit altaar als het
op een na belangrijkste genoemd (na het aan
Maria en Maria Magdalena gewijde hoofdaltaar).4
Opmerkelijk is, dat één jaar voor de wijding van
de kapel en het verlenen van de aflaat een ernstige
pestepidemie woedde in Zwolle: ‘De gehele
somertyd door stierven er dagelyks twintig, ook
wel dertig menschen binnen dese Stad. Selfs zyn er
die verhalen, dat er alle dagen meer dan vyftig
alhier, en in ons Carspel uit dit leven weggerukt,
en na het graf gesleept zyn’.5
De hele periode waarin het oostelijk deel van
de Q.L.V.-kerk tot stand kwam, werd geplaagd
door golven van pest: iri de zomer van 1421 heerste
er opnieuw een epidemie, evenals in de jaren 1423
en 1440.6 Deze gebeurtenissen zullen er mede toe
bijgedragen hebben dat er in 1445 een tweede
broederschap in de O.L.V.-kerk gesticht werd,
namelijk de ‘broederscap des heiligen vaders sancti
Anthonii’.7 Zo’n zelfde broederschap was in 1412
gesticht ter ere van ‘onser lieuer vrouwen’.8
De bepalingen inzake de bezigheden en verplichtingen
jegens de broederschap zijn beknopter
geformuleerd dan bij de O.L.V. broederschap
(zie noot 8). De procuratoren die bij de stichting
genoemd worden, zijn behalve Henrick Schonekamp
als priester van het Antoniusaltaar, Lubbert
Tymanssoen en Johan van Millingen. Zij staan
met hun vrouwen (respectievelijk Hase en Jutte)
ook vermeld ‘in der yrsten sexteernen ofte capitell’
als degenen ‘die oir renten geloest hebn’. Betaling
van een jaarlijks bedrag of een ‘rente’, een inkomen
uit een onderpand, financierde het lidmaatschap
van de broederschap.
Onderbouwvan de toren
Dankzij de bewaard gebleven kasboeken en
bestekken is over de bouw van de toren, en vooral
over de lantaarn, veel bekend. De bouw van de
toren moet omstreeks 1463 begonnen zijn; tien
jaar nadat het schip was voltooid met het plaatsen
van een westgevel, voorzien van overhoekse
steunberen. Het lijkt erop dat men in die gevel
reeds een grote opening met staande tanden
spaarde, om de toekomstige aansluiting met de
nieuwe toren mogelijk te maken.9 Onder de kerkmeesters
Gerbert van den Busch en Jacob van
Twenhuesen kreeg Berend van Covelens in het
voornoemde jaar opdracht de toren te ‘doen tymmeren
ende mueren’ waarvoor ze hem nog vijftig
gulden moesten betalen.10 Hieruit blijkt de
betrokkenheid van stadsbouwmeester Berend of
Bernt van Covelens die tussen 1445 en 1474 tal van
stedelijke opdrachten uitvoerde. In 1447 kreeg hij
het burgerrecht van Zwolle maar het is bekend dat
hij ook in andere steden werkzaamheden verrichtte.
11 De torenromp is sober uitgevoerd met drie
n6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plint van de Peperbus
ca. 1463 (foto auteur
1996).
Blokje van Munstersteen
voorzien van
inscriptie aan de zuidzijde
van de doorgang
van het torenportaal
(foto auteur).
geledingen, grotendeels in baksteen opgetrokken
en telt telkens drie nissen per gevel/geleding.
Een niet eerder gesignaleerde bijzonderheid is
de natuurstenen plint van de toren, thans alleen
aan de westzijde zichtbaar.12 Men ziet nu twee
lagen (oorspronkelijk meer want de straat kwam
omhoog) van op hun kant gestelde blokken Bentheimer
zandsteen. Natuurstenen plinten komen
wel vaker voor, maar ze zijn doorgaans in glad
afgewerkte blokken uitgevoerd. Hier zien we echter
een ruwe afwerking met diagonale slagen in
één richting, Waarschijnlijk werden deze slagen
aangebracht met een puntbeitel of spitsvlecht als
grove afwerking van een gekloofd of gebouchardeerd
oppendak. Een randslag ontbreekt.
Een dergelijke plint geeft een rustiek effect. Ze
zijn van antieke, Romeinse architectuur bekend,
evenals van weerbare bouwwerken uit de tijd van
de Staufïsche keizers. Het dichtstbijzijnde en
tevens voor Nederland unieke voorbeeld is de
hoge plint van de massief natuurstenen Proosdij
te Deventer, Sandrasteeg 8 (1130 d). Jongere voorbeelden
dateren doorgaans uit de tijd van de
Renaissance. In Italië is dat de vijftiende eeuw, in
Nederland voor het eerst vanaf de zestiende eeuw.
Een toepassing rond 1463 is dus uitzonderlijk.
Wellicht heeft het met de afkomst/opleiding van
Berend te maken, ergens uit het Duitse Rijngebied,
Wesel of Koblenz? In ieder geval zijn in
Duitsland uit de vijftiende eeuw meer voorbeelden
bekend van rustica metselwerk in plinten of
zelfs over de volle hoogte van gevels.13
De doorgang van de toren naar de kerk is 4,83
meter breed, heeft afgeschuinde, geprofileerde
hoeken en bevat aan weerszijden een steens diepe
nis van 0,54 x 0,72 meter op 1,21 meter boven de
vloer. Een opvallend onderdeel bevindt zich op
circa 1,9 meter hoogte in de zuidmuur ter hoogte
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
van de licht gebogen bovenzijde van de nis. Het
gaat om een beschadigd blokje van zogenoemde
Baumberger of Munstersteen dat voorzien is van
een inscriptie en oorspronkelijk een lengte van 44
centimeter had. Sinds de ingrijpende ontpleistering
in 1978 is de lengte gereduceerd tot 30 centimeter
(bij een hoogte van 13 centimeter en een
dikte van 6 cm) en gaapt er rechts van het steentje
een gat. De beschadiging komt de leesbaarheid
van de inscriptie in gotische letters niet ten goede.
Bovendien werd de bovenste regel rechts eerder en
met opzet afgevlakt. De bovenste regel lijkt met
een kapitale D te beginnen, maar daarna is de
interpretatie moeilijk, omdat de dun ingehakte
hulplijntjes van de letters ontbreken of met kalk
gevuld zijn. Er zou bijvoorbeeld kunnen staan:
Die genede… De tweede regel begint met een
wapenschildje waarin een T (Tau) opgenomen is.
De daarop volgende reeksen inscripties worden
duidelijk van elkaar gescheiden: twee keer door
een drietal diep ingehakte ruiten boven elkaar en
door een diep gestoken ‘klavertje’ waarvan het
subtiel dun gesneden steekje wèl bewaard bleef.
Alleen de eerste reeks lijkt leesbaar: CCCC, mogelijk
deel van een jaartal (1)4.., maar het vervolg
lijkt daar niet op aan te sluiten. Kortom: een puzzel
die nog niet opgelost is.
Met het oog op een mogelijke betekenis van de
inscriptie ging een eerste gedachte uit naar een
gedenksteen c.q. herinnering aan de eerste steenlegging,
zoals bijvoorbeeld in het zuidkoor (1464)
en de toren (1515) van de N.H. kerk te Delden.14 In
dat geval zou de steen primair in het baksteen
metselwerk van de Peperbus opgenomen moeten
zijn, maar daar wijst het breukvlak rechts in het
gat naast het steentje niet op. Omdat alle natuursteen
aan de buitenzijde van de toren Bentheimer
is en Munstersteen doorgaans wat later toepassing
vindt in Zwolle, lijkt een datering later dan 1463
meer voor de hand te liggen.
Hebben we hier te maken met een memoriesteentje
in verband met een begraving op deze
plaats? Het steentje zit nogal hoog en soortgelijke
stenen ontbreken elders in de kerk. Een bijzonder
aanknopingspunt lijkt ook het wapenschildje met
de T te zijn. Is het ‘een steenhouwersmerk, een
teken van een onbekende meester? Alleen die rang
lijkt zich van wapenschildjes rond het merk te
hebben bediend.15 Een laatste suggestie voor dit
teken gaat in de richting van een (overleden) individueel
lid of van de collectieve betrokkenheid van
de St.-Antoniusbroederschap. Antonieten droegen
immers de tau of het crux commissa als
embleem.
Aartsengel Michaël
Op een nieuw plateau met randschrift, gedragen
door een zandstenen leeuwenkop, bevindt zich
sinds 1993 boven de noorddeur in het schip een
beeld van Michaël. Volgens een koperen plaquette
stond het beeld voordien (vanaf 1951) in de hal van
Beeld van Michaël
boven de noorddeur in
het schip van de O.L. V. –
kerk in 1615 vervaardigd
door Frerick Reynerse
(foto auteur 1997).
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de St. Michaëlsschool aan het A-plein. Voor die
tijd stond het in de negentiende-eeuwse
St.-Josephkerk aan de Nieuwstraat en daarvoor in
de Diezer (buiten) poort. Zoals bekend was
Michaël niet alleen de patroon van de stedelijke
hoofdkerk maar ook van de stad. Van de oudere
Vispoort is eveneens bekend dat die onder
bescherming van de stadspatroon was gesteld en
‘Sencte Mychiels poerte’ genoemd werd.16
Het 1,5 meter hoge beeld van fijnkorrelige
zandsteen is opvallend goed bewaard gebleven,
wellicht dankzij de oudste opstelling in een nis en
door de gele verf die er op aangebracht is. De steen
zelf is grijzer; in enkele diepere holten werden
geen oudere kleursporen aangetroffen. De
gehelmde Michaël is gekleed als een Romeinse soldaat
met een metalen borststuk over een geplooide
mantel die tot op de knieën valt en in stroken
uit de schouderstukken (dierenkoppen) van het
harnas komt. De armen van Michaël zijn verder
onbedekt, maar over de onderbenen zijn scheenstukken
geschoven. Een zekere onbalans in de
houding ontstaat omdat het linker been daaronder
op een dwarsgeplaatste, plat liggende draak
rust. Het beest hapt in de onderrand van een
staand ovaal, het wapen van Zwolle dat door
Michaël met zijn linker arm wordt gedragen. In
zijn rechter hand draagt hij een houten speer.
Michaëls hoofd staat onder een vrij schuine hoek,
in de richting van de draak gewend. Michaël heeft
verder twee niet al te ver uitstekende vleugels. Het
beeld heeft een ruwe achterzijde – stond dus met
de rug tegen een muur – en bevat daar een smeedijzeren
oog ter bevestiging aan een haak. De dynamische,
strijdende drakendoder ontleent zijn stabiliteit
verder aan een rechthoekig voetstuk (36 x
30 centimeter) dat ruim tien centimeter hoog is.
De Buiten-Diezerpoort werd in het jaar 1828
gesloopt, zoals Heerkens noteerde: ‘Met de geheel
en alle slechting van Stads hooge wallen, muren en
poorten, mei: uitzondering der reeds afgebroken
Kamper en Luttekepoort, is in het jaar 1828 aan de
noordzijde een aanvang gemaakt. De Buitendieserpoort
in welkers fraaije met platte pilasters
opgehaalde buitengevel, zich in het midden een
nis met het beeld van Stadsbewaarengel Michaël
op iedere zijde een vengster zich vertoonde, was
tevens in hare tweede verdieping van eene opene
poort, doch in eene overdwarsche rigting voorzien,
dewelke tot doorgang der beide naast gelegene
wallen diende. Deze buitenpoort is in gezegd
jaar 1828 verkocht voor ƒ 605,- en afgebroken…’.17
Op bevel van prins Maurits werd Zwolle begin
zeventiende eeuw van nieuwe aarden bolwerken
voorzien. Tot deze werkzaamheden behoorde ook
het bouwen van een nieuwe buitenste Diezerpoort
in het jaar 1615, ruim nadat de vroegere buitenpoort
omstreeks 1594 was afgebroken. Van Hattum
schreef daarover in 1755: ‘Na het voleinden
van Stads Vesten, aan dese syde, wierdt de twede
of Buiten Dieserpoort, thans nog in wesen, opgebouwd,
en in den jare 1615, voltooyd, gelyk voor
die poorte gesteld is met vergulde letteren op een
blaauwe grond; zynde ook het beeld van Stads
Schuts Heylige, den Aarts Engel Michiel» met een
Draak onder syn voeten, aan de buiten syde voor
de poort geplaatst’.’8
Dankzij speurwerk van oud-gemeentearchivaris
F.C. Berkenvelder valt er thans meer over de
maker van het beeld te vertellen. Uit de Maandrekeningen
blijkt dat men in 1614 metselde aan een
nieuwe poort voor de Diezerpoort en dat een
beeldhouwer uit Amsterdam daar twee dagen
werkte.19 De rekeningen van het jaar 1615 melden
dat aan Frerick Reynerse, beeldhouwer, is aanbesteed
twee hoofden voor 3 daler te houwen. Daarnaast
krijgt hij 20 Car. gulden voor het houwen
van de engel Michiel. Er komen twee leeuwen op
de nieuwe Diezerpoort die in hetzelfde jaar nog
met leien wordt gedekt.20
De twee (lopende) leeuwen schijnen bewaard
te zijn gebleven als tuinornamenten van het Huis
Boschwijkbij Zwolle.21
Op grond van de vermelding in het jaar 1614
kan wellicht afgeleid worden dat met een beeldhouwer
uit Amsterdam de in 1615 genoemde Frerick
Reynerse bedoeld wordt. Over Fre(de)rick
Reyn(i)erse is in de algemene index van het Zwolse
Gemeentearchief niets te vinden. In algemene
publicaties over beeldhouwers in de vroege zeventiende
eeuw ontbreekt deze Frerick, evenals in de
notariële akten, beroepslijsten, poort-, ondertrouw-
en begrafenisboeken uit die tijd in het
Amsterdamse archief.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
Met de ondubbelzinnige toeschrijving van het
Michaëlsbeeld (en de leeuwen) aan Frerick Reynerse
kan wellicht elders toch een aanknopingspunt
in de geschreven bronnen gevonden worden.
Duidelijk is dat het om een tot nog toe onbekende
beeldhouwer gaat die een trefzekere stijlopvatting
en een goede materiaalbeheersing combineerde.
Dit Michaëlsbeeld uit voormalig stedelijk
bezit, is dankzij de opleving van het R.K. geloof in
de negentiende eeuw behouden gebleven in een
kerk die ooit voor andere heiligen werd op- en
ingericht.
Noten
1. Dirk J. de Vries, “Soe dattet een Ewych Werck mach
bliven’; de bouw van de Onze Lieve Vrouwetoren of
Peperbus te Zwolle’, Jaarboek Monumentenzorg
1992, Zwolle/Zeist 1992, 71-96 en Dirk J. de Vries,
‘De middeleeuwse bouwgeschiedenis van de Onze
Lieve Vrouwekerk te Zwolle’, Jaarboek Monumentenzorg
1996,194-202.
2. E.H. ter Kuile, Noord- en Oost-Salland. De Nederlandse
Monumenten van Geschiedenis en Kunst.
‘s-Gravenhage 1974,122.
3. J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie.
Haarlem 1978, nr. 668.
4. De Vries 1996, noot 21.
5. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle I,
Zwolle 1767,257-258.
6. Van Hattum 11767,332,341,376.
7. Gemeentearchief Zwolle, Archief O.L.V. parochie,
voorlopig inv.nr.707; het origineel is gevat in een
omslag van leer en eikenhout.
8. idem, voorlopig inv.nr.708. ‘JhesuS. Int Jaer ons heren
dusent CCCC unde twalfe Doe auerdroeghen
onser lieuer vrowen broeders dat men alle jaer enen
nijen gildemeister kiesen sal. Ende die twe jaer lanc
toekomende sal hijt wesen ende die twe gildemeisterfi
moghen voert kiesen vi broeders daer die twe
hen mede. moghen beraden. Ende wes die achtte
dan averdraghen, dat sullen die ander gildebrueders
ende Susters volghen. Ende weert sake dat yemant
were die des niet volghen en wolde, die moechte uut
der bruderscap gaen.
9. Zieafb. 2, De Vries 1996,196.
10. De Vries 1996,72-73.
11. DJ. de Vries, Bouwen in de late middeleeuwen. Stedelijke
architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht,
Utrecht 1994,64-66.
12. Het metselwerk aan de noord- en zuidzijde is vernieuwd
na het wegbreken van de negentiendeeeuwse
aanbouwen. Alleen bij de zuidwestelijke
hoek kan men thans misschien opmaken dat de
plint om de hoek aan de zuidzijde van de toren
doorliep.
13. Bijvoorbeeld het omstreeks 1462 daterende Reichlin-
Meldegg-Haus, thans museum aan de Krummer
Bergstrafie en het Raadhuis uit ca. 1490 te
Überlingen alsook Haus zur Katz uit 1424 in Konstanz;
beide Duitse steden liggen aan de Bodensee.
Zie: Peter Findeisen, Stadt Überlingen. Bodenseekreis.
Ortsatlas Baden-Württemberg, Stuttgart 1994,
36.
14. De Vries 1994,111-114.
15. H. Janse en DJ. de Vries, Werk en merk van steenhouwer.
Het steenhouwersambacht in de Nederlanden
voor 1800, Zwolle/Zeist 1991,61-62.
16. De Vries 1994,234.
17. Rijksarchief Overijssel, Hs. uit verzameling Heerkens,
nr. 1, in Archief VORG, 24-25.
18. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle V,
Zwolle 1775,33.
19. GAZ, AAZ01-1941,21,49 en 68. Deze en de volgende
noot met vriendelijke dank aan F.C. Berkenvelder.
20. GAZ, AAZ01-1942,33,61, 63,74,75,86,89,99,101.
21. Heymerick Tromp, ‘Tuin- en parkaanleg’, in:
E. Gelderman en J. Hagedoorn [eds.], Een aardsch
paradijs. De buitenplaatsen Boschwijk, Landwijk en
Veldwijk nabij Zwolle, Zwolle 1994,169.
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Onze-Lieve-Vrouwekerk
in de negentiende eeuw
A.J. Looyenga
De orgelkast van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk,
vervaardigd in
1697 door Nicolaus
Brunswick en in 1813 te
Zwolle geplaatst. Het
huidige instrument
dateert uit 1896 en is
gemaakt door de orgelmaker
Maarschalkerweerd.
De neogotische
borstwering is ontworpen
door F. W. Mengelberg
(fotoM.I.
Meijerink).
Op 4 maart 1809 werd de O.L.V.-kerk of
Kruiskerk, die sinds mensenheugenis niet
meer voor de eredienst was gebruikt, op
bevel van Lodewijk Napoleon overgedragen aan
de katholieken, ter vervanging van de schuilkerken
aan de Koestraat en de Spiegelsteeg.1 Zoals
bijna overal, bleef de toren eigendom van de stad.
De schuilkerken aan de Hoornsteeg en die ‘Onder
de Bogen’ bleven bestaan. Voor het herstel van de
kerk schonk koning Lodewijk Napoleon ƒ 9.100.
Zijn gift was uiterst welkom want het kerkgebouw
verkeerde in een abominabele toestand. De daken
waren slecht, de muren ingewaterd enz. Er werd
hard gewerkt aan het herstel en op 25 augustus 1811
werd de kerk in gebruik genomen.2 In 1815 werd de
laat zeventiende-eeuwse torenspits door blikseminslag
verwoest. Pas in 1828 kwam een nieuwe koepelvormige
bekroning tot stand naar ontwerp van
de stadsarchitect H. Klinkert. Sindsdien draagt de
toren de naam Peperbus.
De vroeg negentiende-eeuwse inrichting
De inrichting was aanvankelijk nog provisorisch:
een altaar, een preekstoel en een kabinetorgeltje.
Spoedig werden stappen ondernomen om tot een
waardiger inrichting van het godshuis te komen.
Het was voor heel wat katholieke gemeenten in die
tijd moeilijk om aan passende inventarisstukken
te komen voor de kerken die zij hadden teruggekregen.
Een van de mogelijkheden, die vooral in
het Brabantse veelvuldig werd benut, was het
overnemen van stukken uit opgeheven Idoosters
uit de Zuidelijke Nederlanden. Op die manier zijn
tal van belangwekkende stukken kerkelijke kunst
in Noord-Brabantse kerken beland. Voor kerken
in Overijssel bood het katholieke Munsterland een
vergelijkbare mogelijkheid. Zo kwam het kerkbestuur
van de O.L.V.-kerk terecht bij de voormalige
Observantenkirche in Munster. Voor het daar
aanwezige hoogaltaar waren zij net te laat; het was
al verkocht.3 Wel wisten zij het orgel te verwerven.
Het instrument was in 1697 gebouwd door Nicolaus
Brunswick. Door bemiddeling van een zekere
prof. J.E. Kistemaker te Munster werd dit instrument
aangekocht en in 1813 werd het in Zwolle
opgesteld.4
Nu het niet gelukt was om een hoogaltaar over
te nemen, besloot men een nieuw altaar te laten
maken. Op 16 oktober 1817 nam de meestertimmerman
Johannes C. Polier dit werk aan. In 1819
was het altaar klaar. Het is helaas niet bekend wie
de ontwerper ervan was. Over de maker van het
beeldhouwwerk is wel een aanwijzing te vinden.
Er bestaat namelijk een overeenkomst uit 1818 tussen
het kerkbestuur en de beeldhouwer Antonius
Wallenhorst, voor het maken van een beeld van
Willibrordus.5 Verder staan in het rekeningenboek
betalingen aan een beeldhouwer Wallenbeek
(ongetwijfeld een verschrijving) voor een aantal
beelden, niet alleen van Willibrord, maar ook van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
Bonifatius en Michaël. Omdat al deze figuren op
het hoogaltaar voorkwamen, zullen de beelden
van Wallenhorst daarvoor bestemd zijn geweest.
Het is zeker niet ondenkbaar dat deze beeldhouwer
ook het altaar heeft ontworpen. Hij tekende
het eerder genoemde contract in Duits schrijfschrift,
dus waarschijnlijk was hij een Duitser.
Gezien de zojuist vermelde Zwolse connecties met
Munster, is het goed mogelijk dat hij uit deze stad
afkomstig was.
In een advies van 3 februari 1819, over de
afwerking van het altaar, dat vermoedelijk afkomstig
is van de bovengenoemde professor Kistemaker
staat: ‘Ik heb mijne gedachten er over laten
gaan, en ook andere kundige mannen bevraagd.
Ons oordeel is, dat de kleur zoude wesen wit,
namelijk bleek wit, of als men hier ’t noemd melkwit.
Dit staat deftig, en de nieuwste autaren hier
hebben ook deze kleur. De verziersels aan de pylaren,
boven en beneden, als ook die elders, worden
dan verguld, eenigen meer helder en andere bleeker
na welbevinden; edoch moet niet te veel goud
aangebragt worden of doorschitteren. Zulk is
tegen de eenvoudige majesteit, die voor ’s Heeren
tempel past.’6 De keuze voor wit met goud is
typisch voor het neoclassicisme, de overheersende
stijlrichting van die dagen. In zijn vormgeving
droeg het altaar daarentegen nog een sterk barok
karakter. De opbouw herinnert aan de Romeinse
kerkgevels, zoals die in de late Renaissance werden
ontwikkeld en vooral in de barok een grote bloei
beleefden. Het retabel had een flauw gebogen
benedengedeelte dat door zuilen werd geleed. Het
middendeel daarvan, waar zich het altaarstuk
bevond, werd geflankeerd door twee pilasters en
gekoppelde zuilen. Daarvoor stond het eigenlijke
altaar met zijn tombevormige onderbouw (stipes).
Zoals nog zal blijken, dateren het tabernakel
en de forse door engelen geflankeerde expositietroon
van later tijd. In de zijgedeelten waren doorgangen
aangebracht, waarboven nissen met beelden.
Het bovengedeelte bestond uit een schelpnis
met beeld, geflankeerd door pilasters en even achteruit
geplaatste zuilen, die een gebogen fronton
met het Alziend Oog droegen, een voorstelling die
vanaf de late achttiende eeuw tot ongeveer 1850
veelvuldig in kerken werd aangebracht.
Het altaarstuk was een schilderij in de trant
van Pieter de Grebber, dat wordt gedateerd op het
tweede kwart van de zeventiende eeuw. Het kwam
vrijwel zeker uit één der schuilkerken en heeft
daar wellicht ook als altaarstuk dienst gedaan. Het
bevindt zich thans in de torenhal. Op het altaarretabel
waren verscheidene beelden aangebracht,
waarvan de meeste wel te identificeren zijn. Het
beeld links beneden draagt een kroon en staat op
een maansikkel; dit is dus Maria. Het rechter beeld
is vermoedelijk Jozef, omdat in zijn rechter hand
iets te zien is dat op zijn attribuut de leliestaf lijkt.
Bovendien werd het in deze tijd gebruikelijk Jozef
als pendant van Maria een plaats te geven. In de
loop van de negentiende eeuw zou dit leiden tot de
vaste aan weerszijden van het hoogaltaar geplaatste
Maria-en Jozef-altaren. Door wie en wanneer
deze beelden zijn vervaardigd is niet bekend. In de
nis in de bovenbouw is een staande figuur van
Christus te zien met de zegevaan. Dit beeld werd
pas in 1856 geplaatst, vermoedelijk door de verder
Het voormalige hoogaltaar
uit 1819. De communiebank
is afkomstig
van de Gebrs. Goossens
uit ‘s-Hertogenbosch;
circa ISJO (foto
Gemeentearchief Zwolle,
KA074).
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
onbekende beeldsnijder P.J. Dalmeijer.7 De twee
rijk bewerkte figuren aan weerszijden van de
bovenbouw, die ook de visuele verbinding tussen
onder- en bovenbouw tot stand brengen, zijn
moeilijker te identificeren. Het linker beeld lijkt
een Romeinse wapenrok te dragen en voorzien te
zijn van vleugels. Het zou dan de stadspatroon
Michaël kunnen voorstellen, wat overeenkomt
met de eerder geciteerde betaling aan de beeldhouwer
Wallenhorst. De identiteit van een druk
met de rechterarm gebarende figuur ter rechter
zijde is niet vast te stellen. Op de uiterste hoeken
van de onderbouw zijn nog twee beelden
geplaatst; het linker draagt een kerkmodel met
twee torens in de hand en stelt dus Willibrordus
voor en het rechter zal waarschijnlijk Bonifatius
zijn. Sinds de zeventiende eeuw was het namelijk
zeer gebruikelijk beide geloofsverkondigers als
eikaars pendant in een kerk te plaatsen. Ook deze
beelden moeten zijn geleverd door Wallenhorst.
In 1856-1857, toen ook het al vermelde Christusbeeld
werd geplaatst, is het altaar verfraaid met
enig snijwerk (waarschijnlijk boven het tympaan)
en met een nieuw tabernakel. Ook werd het bij die
gelegenheid ‘kunstig geschilderd’. De witte tint
viel blijkbaar niet meer zo in de smaak.
Wat later met dit altaar is gebeurd, is niet duidelijk.
Toen in 1872 de opdracht voor het huidige
hoogaltaar was verleend, wilde het kerkbestuur
het oude altaar verkopen, maar men raakte het
niet kwijt. Toen kwam pastoor Spitzen echter in
contact met de Praefectus Apostolicus van
Lapland. Volgens hem zou het oude altaar ‘zeer te
stade komen in de nieuw kerk te Drontheim, welke
ZD staat te bouwen’.8 Uit diverse bronnen valt
af te leiden dat het inderdaad naar Noorwegen is
verscheept.9 Men moet in Trondheim wel ambitieuze
plannen hebben gehad, wilde men het kolossale
Zwolse altaar kunnen onderbrengen. Te
ambitieus klaarblijkelijk, want tot 1902 moest de
katholieke gemeenschap in die stad het met een
zeer bescheiden kapel doen. Wat intussen met het
altaar is gebeurd, is niet bekend.10
Behalve het zojuist beschreven altaar werden
ook andere stukken voor de kerk aangeschaft. In
1812 kreeg de kerk een preekstoel en in 1825 een
communiebank. Daarna gebeurde er geruime tijd
niets. In 1842 werden twee balkons in ‘de zijpanden’
aangebracht voor extra plaatsen. In 1850
kreeg de kerk een geschilderde kruisweg, waarvoor
ƒ 1021,- werd betaald aan O. de Boer.” Dit zal
de schilder Otto de Boer senior (1797-1856) zijn,
die werkzaam was in Amsterdam, Den Haag,
Leeuwarden en Groningen. Hij schilderde onder
meer bijbelse voorstellingen en altaarstukken. De
St. Michaëlskerk in zijn geboorteplaats Woudsend
bewaart een altaarstuk met de Opwekking van
Lazarus en een kruisweg van zijn hand. Ook de
St. Simon en Judas te Ootmarsum bezit een door
hem vervaardigde kruisweg.12 De Zwolse kruisweg
werd in 1873 geschonken aan de katholieke
parochie te Fredrikshald (Halden) in Noorwegen.
13 In 1852 kreeg de kerk via pastoor Van
Kessel dertien terracotta beelden van de Goede
Herder en de Twaalf Apostelen. Deze zijn in het
seminarie Rijsenburg terecht gekomen.14 In 1857
werd ‘de gevel van de kerk verfraaid en met de
beeltenis van de Hemelvaart van Maria voorzien.’
15 Deze beeltenis werd in 1871 aan de
parochie te Heino geschonken en is daar nog
steeds in de kerk aanwezig.16
De in 1826 aangeschafte communiebank werd
in 1862 verfraaid met drie gebeeldhouwde panelen,
vervaardigd in het atelier van de Gebrs. Goossens
te ‘s-Hertogenbosch, dat in dezelfde tijd ook
drie biechtstoelen leverde. Al deze stukken zijn
inmiddels verdwenen. De ontwerptekening van
de vernieuwde communiebank heeft schrijver
dezes eertijds gefotografeerd. Zij toont voorstellingen
van de bruiloft te Kana, de wonderbaarlijke
spijziging en het laatste avondmaal. Zijaltaren zijn
er ook geweest, want in de kerkbestuursnotulen
van 26 november 1873 staat dat het oude St. Jozefaltaar
aan de kerk van Winschoten is geschonken.
Daar is het overigens niet meer aanwezig.
Nieuwe opvattingen
Zo bood de kerk omstreeks 1860 het beeld van een
sobere blanke gotische ruimte, met een grotendeels
neoclassicistische inrichting, die nog een
sterke barokke inslag had. Aan de oostzijde werd
de ruimte gedomineerd door het enorme hoogaltaar,
aan de westzijde door het grote barokke
orgel. De grote, lichte ruimte zelf, moet echter
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
overheersend zijn geweest. Het ideaalbeeld van
een licht kerkinterieur met hier en daar wat kleuraccenten,
maakte na 1860 snel plaats voor een
andere visie. De romantiek had de Middeleeuwen
herontdekt en dat liet de denkbeelden over kerken
en kerkinrichting niet onberoerd. Men wilde de
gotiek laten herleven en men droomde van halfduistere,
mysterieuze, kleurrijke ruimten. Middeleeuwse
kerken werden soms op krachtdadige wijze
in overeenstemming gebracht met het ideaalbeeld
dat men zich van een middeleeuwse kerk
had gevormd. Een goed voorbeeld was de St. Catharinakerk
te Utrecht. Deze tamelijk sobere laatgotische
kloosterkerk werd tussen 1860 en 1865
verbouwd tot datgene wat men zich bij een gotische
kathedraal voorstelde. De middeleeuwse
werkelijkheid werd daarbij ondergeschikt gemaakt
aan de negentiende-eeuwse droom van de
Middeleeuwen.17
De neogotische restauratie: achtergronden
Dat ook in de Zwolse O.L.V.-kerk een rijke gotische
droom werd gerealiseerd, is het werk van pastoor
Otto Anthonius Spitzen (1823-1889).IS Deze
werd geboren te Steenwijkerwold en kreeg zijn
priesteropleiding aan de seminaries te ‘s-Heerenberg
en Warmond. Daarna studeerde hij enige tijd
te München, onder andere bij de beroemde kerkhistoricus
Ignaz Döllinger. In 1846 werd hij tot
priester gewijd en daarna werkte hij als kapelaan te
Heino, Steenwijkerwold en Zwolle. Van 1851 tot
1857 was hij professor aan het Groot-Seminarie te
Warmond. Van 1858 tot 1866 was hij pastoor te
Heino en daarna werd hij in Zwolle benoemd. Hij
was zeker één van de meest erudiete priesters van
zijn tijd. Hij was lid van verschillende geleerde
genootschappen en kreeg vooral bekendheid door
zijn studies over Thomas a Kempis. Deze droegen
er wezenlijk toe bij dat diens auteurschap van De
imitatione Christi definitief kwam vast te staan.
Verder verscheen van zijn hand een uitvoerige
studie over de middeleeuwse Biblia Pauperum.19
Spitzen had dus een grote belangstelling voor
de Middeleeuwen. Het lag voor de hand dat hij de
middeleeuwse kerk waaraan hij verbonden werd,
ook nieuwe middeleeuwse luister wilde geven. In
Wr j^.Jy3?ari)r|)ttbrk
JËÏrowbplan
Plattegrond van de kerk
door S. Trooster, gedateerd
april 1887. De
reeds uitgevoerde en nog
uit te voeren vergrotingswerken
zijn aangegeven
(Gemeentearchief
Zwolle, KA074).
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het Registrum Memoriale schreef hij daarover:
‘Vanaf het oogenblik dat hij benoemd werd, had
de pastoor de restauratie en verfraaiing van het
heerlijk kerkgebouw als de voornaamste groote
zaak beschouwd.- Eerst 28 Mei 1868 bracht hij dit
ter sprake. Aanvankelijk niet met algemeenen bijval.’
20
Op 29 november 1869 stelde hij het onderwerp
opnieuw aan de orde: ‘na ingewonnen advies van
Monseigneur den aartsbisschop stelde hij (de pastoor)
voor den gerenommeerden architect den
Heer Schneider te laten overkomen, ten einde
dezen te belasten met het ontwerpen der teekeningen
van de bereids gewijzigde en uitgebreide,
maar nog altijd bekrompen plannen. Den pastoor
was ingevallen of de biecht- en catechismuszalen
aan wederzijde van het langschip der kerk niet zoo
konden worden aangelegd, dat ze later konden
worden doorgetrokken en op deze wijze twee lage
zijschepen als het ware vormen. De Heer Schneider
alsmede de Weieerwaarde Heer Van Heukelum,
“Baurath” des aartsbisschops keurden het
voorstel goed. De Heeren kerkmeesters vereenigden
zich eenparig er mede. De Heer Schneider
beloofde voor eene som van ƒ 560 een algemeen
plan van restauratie, vergroting en versiering der
kerk te ontwerpen, dat voor Juni 1870 gereed zou
zijn.’21 Uit de notulen van het kerkbestuur van 29
november 1869 blijkt ook dat er was gesproken
over een nieuw hoogaltaar en twee nieuwe altaren
in het transept.
De plannen werden nader uitgewerkt door de
architect H.J. Wennekers. Het volledige ontwerp
kon niet terstond worden uitgevoerd, omdat het
kerkbestuur nog niet alle tegen de kerk gebouwde
huizen had verworven. De bouwactiviteiten die
tussen 1870 en 1873 onder leiding van Wennekers
hun beslag kregen, omvatten achtereenvolgens
het transept met de twee daarbij aansluitende traveeën
van het schip, een sacristie aan de noordzijde
van het koor en het koor zelf. Tussen 1887 en
1889 volgde de rest van het schip en de sacristie aan
de zuidzijde van het koor. Deze werkzaamheden,
waarbij het oorspronkelijke plan in hoofdzaak
moet zijn aangehouden, stonden onder leiding
van de Zwolse bouwkundige S.J.H. Trooster.22
De Utrechtse School in de neogotiek
In het voorgaande stuk zijn verschillende personen
genoemd die een nadere introductie behoeven.
In de eerste plaats de ‘Baurath’ van de aartsbisschop,
Gerardus Wilhelmus van Heukelum
(1834-1910). Deze telg uit een familie van baksteenfabrikanten
koos voor het priesterschap. Hij
werd in 1859 gewijd en meteen daarna benoemd
tot kapelaan aan de St. Catharinakerk te Utrecht,
de kathedraal van het aartsbisdom. In 1873 werd
hij pastoor te Jutphaas, waar hij tot zijn dood
bleef. Hij had reeds vroeg belangstelling voor kerkelijke
kunst en architectuur en ontwikkelde
geleidelijk vrij uitgesproken denkbeelden daarover.
Hij vond dat de kerkelijke kunst, die natuurlijk
gotisch moest zijn, haar inspiratiebron moest
vinden in het eigen land. Voor de architectuur
betekende dit dat de veertiende en vijftiendeeeuwse
baksteenbouw van midden en oostelijk
Nederland het uitgangspunt voor nieuwe gebouwen
moest zijn.
Van Heukelum kreeg kans om zijn ideeën in
de praktijk te brengen toen in 1868 de pastoor/plebaan
van de Utrechtse kathedraal, Andreas Ignatius
Schaepman tot aartsbisschop werd benoemd.
Van Heukelum werd nu diens informele adviseur
in zake kerkelijke kunst, of zoals Spitzen het
noemde, diens ‘Baurath’.23 Om de geestelijkheid
voor zijn ideeën te winnen richtte hij in 1869 een
vereniging voor kerkelijke kunst op, het Sint Bernulphusgilde,
aanvankelijk alleen voor geestelijken,
later ook voor leken. Verder was hij ook de
oprichter van het Aartsbisschoppelijk Museum,
waarin kerkelijke kunst werd geëxposeerd die als
een voorbeeld voor nieuwe creaties kon dienen.
Zijn belangrijkste taak was het echter om kunstenaars
te vinden die zijn programma zouden kunnen
uitvoeren. Hij had vooral behoefte aan een
architect.
De beroemdste kerkenbouwer van die tijd was
P.J.H. Cuypers (1827-1921), maar tegen de2.e figuur
had Van Heukelum de nodige bezwaren. Hij zou
later zeggen dat hij Cuypers geen architect achtte
in ‘volle Nederlandse zin’, maar de ware reden was
eerder dat hij Cuypers niet plooibaar genoeg
vond. Hij zocht naar andere architecten en kwam
zodoende in contact met Hugo Schneider (1841-
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
1925).24 Deze was afkomstig uit Duitsland en had
zijn opleiding gehad bij verschillende coryfeeën
van de neogotiek, zoals Carl Gottlob Ungewitter
in Kassei, Richard Voigtel te Keulen, Friedrich
(von) Schmidt te Wenen en George Gilbert Scott
te Londen. Sinds 1865 was hij te Aken gevestigd.
Van Heukelum was goed bekend met de kunstkenner
en priester Franz Bock uit Aken en is waarschijnlijk
via hem met Schneider in contact gekomen.
Van Heukelum wilde Schneider ontwerpen
laten maken voor kerken en semikerkelijke
gebouwen en deze door Nederlandse architecten
laten uitvoeren. Zo konden die leren hoe het
moest. Twee architecten had Van Heukelum aanvankelijk
‘op zicht’: Herman Wennekers, die
onder andere de restauratieplannen voor Zwolle
kreeg uit te voeren en verder onder toeziend oog
van Van Heukelum de fraaie kerk van Vierakker
bij Zutphen (1869) tot stand bracht, alsmede Gerard
te Riele, die naar ontwerp van Schneider een
katholieke kerk bouwde in Wijhe (1869-1871).25
Uiteindelijk doorstond geen van beiden de proef,
want Van Heukelum kwam in contact met de
architect Alfred Tepe (1840-1920) en concludeerde
spoedig dat deze zijn man was. Tepe heeft talrijke
kerken gebouwd: wij noemen hier slechts die te
Raalte en Heeten en verder de kapel op de RK
begraafplaats te Zwolle.26 Van Heukelum wist ook
nog andere kunstenaars voor zijn denkbeelden te
winnen: de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg
(1837-1919), de glazenier Heinrich Geuer
(1841-1904) en de edelsmid Gerard Brom (1831-
1882). Samen met Tepe vormden zij het zogeheten
Utrechts Kwartet. De door Van Heukelum geïnitieerde
richting staat bekend als de Utrechtse
School. Vooral Mengelberg zou voor de Zwolse
O.L.V.-kerk van groot belang blijken te zijn.
Het restauratieplan van Hugo Schneider
Laten wij het plan dat Schneider voor de O.L.V.-
kerk maakte eens nader bezien. In de eerste plaats
werd het gebouw hersteld, waarbij de gotische
stijlkenmerken weer sterker tot spreken werden
gebracht. Verscheidene ramen, die in de loop der
eeuwen waren dichtgemetseld, bijvoorbeeld in de
litr f^.J^.Birotljutek O.I/.)O.Jj«m«t»a«l. Tekening van de zuidzijde
van de kerk gedateerd
april 188/, door
S. Trooster, met het
reeds gebouwde en nog
te bouwen gedeelte van
de zijbeuk (Gemeentearchief
Zwolle, KA074).
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
koorsluiting, werden geopend en evenals de overige
vensters voorzien van natuurstenen raamstijlen
met traceerwerk in laatgotische vormen. Het
meest spectaculaire aspect van de werkzaamheden
was de toevoeging van een reeks kapellen, of beter
gezegd van zijbeuken, aan het schip. Verschillende
overwegingen zullen hierbij van invloed zijn
geweest. In de eerste plaats van praktische aard: er
kwam meer ruimte in de kerk, de zijbeuken konden
worden gebruikt voor processies, die immers
niet buitenshuis mochten worden gehouden, en
verder waren zij zeer geschikt om de biechtstoelen
te plaatsen. Bij Spitzen en zijn architect kan echter
nog iets anders hebben meegespeeld. Een eenbeukige
kerk was niet in overeenstemming met het
door een kathedraalachtig ideaaltype bepaalde
gotiekbeeld van de neogotici. Door toevoeging
van zijbeuken zou de Zwolse kerk iets meer een
‘kathedraal’ karakter krijgen.
De nieuwe zijbeuken onderscheidden zich
door materiaalgebruik en vormgeving duidelijk
van het oude werk. Zij hadden bij elke travee een
steekkap eindigend in een topgevel. Deze topgevels
hadden niet de volle breedte van de kapeltravee,
maar waren eerder een soort zeer groot uitgevallen
dakkapellen. Om toch de indruk van een
volledige topgevel te verkrijgen had de ontwerper
een kunstgreep toegepast, waarbij de hoekkepers
van deze dakkapellen in de gevels van elke travee
naar beneden doorliepen tot aan de steunberen.
Hieruit blijkt duidelijk dat de ontwerper streefde
naar een afwisselende bedaking die echter het
oude werk niet al te zeer mocht domineren.
Vreemd was wel dat het achterste gedeelte van het
dak dat direct bij het oude werk aansloot oorspronkelijk
plat was afgedekt.27 In 1884 kregen
deze daken een schuine helling en werden de
ramen van het schip iets naar beneden doorgetrokken,
alles volgens plan van Alfred Tepe.28 De
verdere afwerking van de zijbeuken was vrij eenvoudig.
Aan beide zijden van de toren bevonden
zich eenvoudige aanbouwen. Aan de zuidzijde was
echter tussen deze aanbouw en de zijbeuk een
portaal aangebracht dat door een extra hoog tentdak
en een ingang met wimberg een speciaal
accent kreeg. Of dit portaal ook nog op het ontwerp
van Schneider teruggaat staat niet vast.
Inwendig waren de zijbeuken laag en donker.
Om ze bij de kerkruimte te laten aansluiten waren
tussen de muurpijlers in het schip bogen uitgebroken.
Daarbij sloot zich het kruisgewelf der zijbeuktraveeën
niet direct aan, aangezien rnen tussen
de buitensteunberen van het schip een brede
boog had aangebracht. Het nieuwe werk was dus
ook inwendig nadrukkelijk gescheiden van het
oude. Bij de restauratie van 1975-1981 werden de
negentiende-eeuwse uitbreidingen, afgezien van
de aanbouwen aan het koor, gesloopt. In het schip
werden de neogotische raamstijlen en traceringen
door nieuwe vervangen. Bijna was toen ook de
neogotische inrichting van de kerk aan de vernietiging
prijs gegeven. Gelukkig is men te elfder ure
nog tot beter inzicht gekomen.
Friedrich Wilhelm Mengelberg
De sobere blanke kerk die Spitzen bij zijn komst in
Zwolle aantrof, was voor hem niet aanvaardbaar.
Een kleurige en tegelijk mystieke kerk wenste hij,
een ruimte die door haar atmosfeer en door haar
voorstellingen tot devotie opriep. Spitzen en zijn
medestanders hebben wellicht gedacht de O.L.V.-
kerk in haar middeleeuwse gedaante terug te
brengen. Maar het waren hun eigen Middeleeuwen,
het was in zekere zin een droom. Het was de
veelzijdige beeldhouwer Mengelberg die deze
droom werkelijkheid maakte.
Friedrich Wilhelm Mengelberg (1837-1919), de
vader van de beroemde dirigent Willem Mengelberg,
was geboortig uit Keulen.29 Na zijn leertijd
in Keulen opende hij een beeldhouwersatelier in
zijn geboortestad, dat hij in 1865 naar Aken verplaatste.
In 1868 vervaardigde hij een bisschopszetel
voor de St. Catharinakathedraal te Utrecht.
Hiermee had hij zo’n succes dat hij besloot om
naar Utrecht te verhuizen. Zijn atelier kwam daar
tot grote bloei en had een enorme productie. In
1892 telde het 32 medewerkers. Voor tal van kerken
in Nederland en het Rijnland produceerden
zij altaren, preekstoelen, biechtstoelen, orgelfronten,
beelden, kruiswegstaties en wat dies meer zij.
Thans zijn ongeveer 500 werken geïdentificeerd.
Bekend zijn de bronzen deuren van het noordportaal
van de Keulse Dom uit 1887-1891, resultaat van
een prijsvraag.30
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
Toen Van Heukelum kort na zijn benoeming
tot pastoor van Jutphaas in 1873 in dat dorp een
nieuwe kerk liet bouwen door Alfred Tepe, werd
aan Mengelberg de inrichting toevertrouwd.
Andere door hem ontworpen ensembles zijn de
interieurs van de St. Michaël te Schalkwijk en de
St. Willibrordus te Utrecht; beide kerken zijn
eveneens ontworpen door Tepe. Fraaie stukken
uit zijn atelier zijn ook te vinden in de Krijtberg te
Amsterdam en in de RK kerken te Heeten en Raalte.
Een belangrijk werkstuk tenslotte was het
monument voor Thomas a Kempis in de voormalige
St. Michaëlkerk te Zwolle, dat bij de betreurenswaardige
afbraak van deze kerk op zo smadelijke
wijze te gronde is gegaan.
Uitgangspunten van de neogotische inrichting
De neogotische inrichting van de Zwolse O.L.V.-
kerk behoort tot de belangrijke Mengelbergensembles.
Alvorens daarover in bijzonderheden
te treden, willen wij ingaan op de beginselen die
eraan ten grondslag liggen. Deze waren gedeeltelijk
ontleend aan de toenmalige opvattingen over
middeleeuwse kerksymboliek en gedeeltelijk aan
eigentijdse pastorale en liturgische overwegingen.
De negentiende-eeuwse Rooms-Katholieke Kerk
droeg in vele opzichten nog het stempel van het
Concilie van Trente, dat veel hebbelijkheden van
de middeleeuwse kerk had opgeruimd. De liturgie
werd bij die gelegenheid geüniformeerd, de iconografie
gestandaardiseerd en de hoeveelheid devoties
gereduceerd. Het kerkbegrip van na Trente
vond zijn artistieke uitdrukking in de barok. Deze
‘barokke’ religieuze mentaliteit werkte in de
negentiende eeuw door. Dat betekende dat een
terugkeer naar de Middeleeuwen, zo men die al
zou willen, onmogelijk was. Ook de neogotici
konden en wilden dat niet en zo zou men kunnen
spreken, met een zekere overdrijving weliswaar,
van een barokke religiositeit in middeleeuws
gewaad.
Het ideale neogotische kerkgebouw moest
worden geconcipieerd volgens één alles omvattend
concept, dat een iconografische en stilistische
eenheid vormde. Binnen de Utrechtse School was
het vaak Mengelberg die voor kerken een algemeen
inrichtingsplan ontwierp.
Het neogotische kerkconcept ging uit van een
tamelijk strikte scheiding van koor- of altaargedeelte
en kerkschip. Verder had een neogotische
kerk van enige betekenis vrijwel altijd twee zijkoren,
wat bij middeleeuwse kerken eerder uitzondering
dan regel is. De Zwolse kerk had ze ook niet
en men heeft ze hier niet toegevoegd. Men heeft
zich ermee tevreden gesteld de oostelijke wanden
van de transeptarmen als zodanig te behandelen.
Deze maken dus in zekere zin deel uit van de koorpartij.
Het hoogkoor is het belangrijkste gedeelte
van het kerkgebouw. Het is gewijd aan het Sacrament
van de eucharistie en daarmee aan het heilswerk
van Christus. In de iconografie komt dat dan
ook tot uitdrukking. In het gewelf van de kruising
ziet men acht engelen met de arma Christi, de lijdenswerktuigen
van Christus. In de triomfboog
tussen kruising en koor verbeeldt een groot crucifix,
het triomfkruis, de dood van Christus, tezamen
met het getuigenis der apostelen dat gestalte
krijgt in de apostelbalk, waar elke apostel een artikel
van de geloofsbelijdenis bij zich heeft. In de
overhuiving van het hoogaltaar, waar het offer van
Christus op onbloedige wijze opnieuw tegenwoordig
wordt gesteld, ziet men Christus als goddelijke
rechter bij het Laatste Oordeel; hij houdt
een boek in de hand met de Alpha en de Omega,
Het kruisingsgewelf met
engelen met de lijdenswerktuigen
van Christus,
geschilderd in 1881-
1882 door Johann Lange
(foto: auteur).
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Apostelbalk met triomfkruis,
vervaardigd in
1878 door F. W. Mengelherg
(foto: auteur).
het begin en het einde. Hij wordt geflankeerd door
Maria en Johannes de Doper als voorsprekers
voor de mensheid.
Het zou bij de thematiek van het priesterkoor
gepast hebben, wanneer de gebrandschilderde
ramen de hoofdmomenten van Christus’ heilswerk
hadden verbeeld. Het is mogelijk dat de oorspronkelijk
aanwezige vensters inderdaad dergelijke
voorstellingen hebben bevat, maar daarover
is weinig bekend. De huidige vensters uit 1905-
1910 hebben grotendeels betrekking op Maria, de
patroonheilige van de kerk. Dat het heilswerk van
Christus de gehele kosmos omvat, wordt waarschijnlijk
aangeduid door de tekenen van de dierenriem
in het sluitingsgewelf. De hemelse machten
die Christus in het Sanctus verheerlijken zijn
weergegeven door de engelen in de koorgewelven.
De lerende kerk wordt aangeduid door de vier
beelden van de westerse kerkleraren Hieronymus,
Gregorius, Augustinus en Ambrosius. Vreemd is
het dat de vier evangelisten slechts een bescheiden
plaats is vergund, namelijk aan de achterzijde van
het triomfkruis en wel door middel van hun symbolen.
De transeptarmen hebben als thematiek de
menswording van Christus. Op de noordelijke
Het noorder transept
met de profetenschilderingen
van Johann Lange
uit 1883 en een
gedeelte van de door
dezelfde schilder vervaardigde
kruisweg;
1883-1888 (foto:
auteur).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
hoek ziet men een beeld van Maria, Onbevlekt
Ontvangen; doordat zij vrij was van de erfzonde
was zij waardig om Gods zoon te ontvangen en
mens te doen worden. Aan de zuidzijde ziet men
Christus in een menselijk aspect, namelijk dat van
het Heilig Hart. Hier hebben wij een duidelijk
voorbeeld van een niet middeleeuwse devotie in
middeleeuws gewaad. De H. Hart-verering dateert
uit de zeventiende eeuw, maar werd pas in het
laatste kwart van de negentiende eeuw vanuit de
kerk sterk gestimuleerd. Op de oostelijke wanden
van de transeptarmen vindt men schilderingen
van de profeten die Christus’ komst en menswording
hebben voorzegd. In de noordelijke transeptarm
bevindt zich het altaar gewijd aan Maria. De
noordzijde was in de Middeleeuwen een zeer
gebruikelijke plaats voor een Mariakapel of –
altaar. Ook bij de St. Michaëlkerk in Zwolle was
het noordelijke koor aan Maria gewijd.
Het zuidelijke zijaltaar is aan Jozef gewijd. Dat
is in het geheel niet middeleeuws. In de Middeleeuwen
was Jozef een tamelijk onbelangrijke heilige.
In de baroktijd nam zijn verering toe om in de
negentiende eeuw een hoogtepunt te bereiken. In
1870 werd hij zelfs uitgeroepen tot patroon van de
gehele kerk. Het werd dan ook pas in de loop van
de negentiende eeuw gebruikelijk dat het Mariaaltaar
een Jozef-altaar als tegenhanger kreeg.
Het schip is de ruimte voor het kerkvolk. De
daar aangebrachte voorstellingen hebben in de
negentiende-eeuwse iconografie dan ook meestal
betrekking op deze wereld. Men ziet daar dikwijls
afbeeldingen van heiligen. Het schip van de
O.L.V.-kerk bevatte echter geen voorstellingen.
De neogotische polychromie
Tot zover de inhoudelijke uitgangspunten voor de
inrichting van de kerk; nu de uitwerking. Beslissend
voor de indruk die de kerk nu maakt, is de
polychromie; ook al is die alleen in koor en transept
behouden gebleven. De witte kerk, die pastoor
Spitzen bij zijn komst te Zwolle aantrof, paste
goed bij de esthetische standaard van de vroege
negentiende eeuw. De ontdekking dat de oude
Grieken hun gebouwen vaak zeer bont beschilderden
heeft aan een verandering in het denken over
architectuur en kleur in aanzienlijke mate bijgedragen.
Men kan in hoofdzaak twee soorten polychromie
onderscheiden: de constructieve polychromie,
waarbij de kleur door het gebruik van
verschillend getinte bouwmaterialen wordt verkregen,
en de geschilderde polychromie.31
De constructieve polychromie is in Nederland
geïntroduceerd door Pierre Cuypers; de geschilderde
wellicht ook, maar deze vond vooral aanhang
binnen de Utrechtse School. Men dient te
bedenken dat authentieke voorbeelden van middeleeuwse
polychromie zeer schaars waren, zodat
men vaak eigen inventies volgde. Veel invloed
hadden de opvattingen van de Franse architect
Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879), terwijl er vanaf
omstreeks 1870 tal van voorbeeldboeken van de
drukpers rolden.
Ofschoon Mengelberg van beroep beeldhouwer
was, heeft hij verscheidene ontwerpen voor
kerkbeschildering gemaakt. Dat voor de Zwolse
kerk is één van de vroegste. Het dateert uit 1881. Er
is nog een schets bewaard die vermoedelijk van
Mengelberg afkomstig is waarop de hoofdlijnen
van de wanddecoratie zijn aangegeven).32
De kerkschilder Gerard F.X. Jansen (1835-
1896) bracht in 1881-1882 de beschildering van
koor en transept aan. De engelen met de arma
Christi in het kruisingsgewelf en de in 1883 aangebrachte
profeten in de transeptarmen zijn het
Zuider transept met de
profetenschilderingen
van Johann Lange uit
1883 en een gedeelte van
de door dezelfde schilder
vervaardigde kruisweg
(1883-1888). Uiterst
links een der twee grote
kandelabers met lezenaar
naar ontwerp van
F. W. Mengelberg vervaardigd
door Gerard
Brom; 1877 (foto:
auteur).
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schetsontwerp voor de
wandbehandeling van
het koor. Potloodtekening
waarschijnlijk van
F. W. Mengeïberg
(Gemeentearchief
Zwolle, KA074).
werk van de schilder Johann Lange (1823-1908) uit
Aken, die daarbij naar de ontwerptekeningen van
Mengeïberg werkte.33 Opvallend is de als tegeltableau
uitgevoerde textiel-imitatie in de onderste
wandgedeelten van het koor. De tegels zijn naar
ontwerp van Mengeïberg uitgevoerd door J. Schillemans
te Utrecht. Tussen de koorramen is telkens
een architectuurschildering aangebracht, die een
gotische aedicula (klein gebouwtje) voorstelt,
waarin gordijnen zijn opgehangen. De kleurstelling
van deze schilderingen is duidelijk verwant
aan de schilderingen die Viollet-le-Duc liet aanbrengen
in de kapellen van de Notre-Dame in
Parijs en waarover hij een platenalbum uitgaf.
Het wandgedeelte boven die schilderingen
heeft een wat groenige tint, wat in de polychromie
van die tijd vrij gebruikelijk was. Het is gedecoreerd
met groene vierpasjes en in bruin en goud
uitgevoerde Franse lelies. Ter hoogte van de
kraagstenen van de gewelven is een brede band
aangebracht, geheel in overeenstemming met de
aanbevelingen van Viollet-le-Duc; daarboven is
de wand crèmekleurig met een enkel plantaardig
motief.
In het transept was de beschildering iets
anders opgezet: het onderste gedeelte van de wand
is in brokaatimitatie beschilderd; daarboven
bevindt zich een fries met symbolische voorstellingen
die betrekking hebben op Maria en Jozef en
aansluiten bij de aan hen gewijde altaren. Dan
volgt de al genoemde reeks profeten; zij zijn
geschilderd tegen een achtergrond in paars en
steenrood en geplaatst onder goudkleurige gotische
baldakijns met wimbergen. Daarboven volgt
een hoog gedeelte met schijnvoegen. Tenslotte ziet
men dezelfde brede band als in het koor met daarboven
een blank gedeelte met enig plantaardig
ornament. Het benedengedeelte van de noord- en
zuidwanden van het transept, waar de kruisweg is
aangebracht, is voorzien van tegeltableaux met
afwisselend cirkels en ruitvormig geplaatste vierkanten,
afgebiesd met meanderranden. In de plint
zijn kwasten te zien.
Aan de noordzijde ziet men in de meanderrand
twee tegels met daarop J. Schillemans/
Utrecht 1886. Op zich is dit niets bijzonders, maar
het is vreemd dat deze tegels op hun kop zijn aangebracht.
Het verhaal gaat dat Mengeïberg, de
ontwerper, erop tegen was dat de tegelfabrikant
zijn werk zou signeren. Alleen de naam van de
ontwerper mocht erop staan. De tegelfabrikant
vond dit de omgekeerde wereld en signeerde toch:
omgekeerd.34
Het schip werd pas in 1893 beschilderd naar
het oorspronkelijke plan van Mengeïberg. Gerard
Jansen en verder J.A. Waterkamp uit Zwolle
deden dat elk voor een deel. In 1906 moest de
beschildering worden vernieuwd. Toen werden
ook de zijbeuken gepolychromeerd. De wandgedeelten
die naast de nieuw aangebrachte scheidbogen
naar de zijbeuken waren overgebleven,
werden voorzien van schijnvoegen, boven de
bogen bevond zich een geschilderd fries met gotische
arcaden, waartussen gordijnen. De muurgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
deelten daarboven waren op dezelfde manier
behandeld als het transept. Bij de restauratie van
1975-1981, waarbij de neogotische zijbeuken werden
verwijderd, verdween ook de polychromie
van het schip. Om toch een goed geheel te verkrijgen
met de gehandhaafde beschildering in het
oostelijke gedeelte van de kerk werd in het schip
een bescheiden nieuwe beschildering aangebracht.
Dit was ontworpen door Han Prins uit
Zwolle en uitgevoerd door D. Schoonekamp uit
Amsterdam. De brede biezen die op de transeptgewelven
zijn te zien, werden in het schip op een
iets verstrakte wijze nagevolgd. De wandpijlers
kregen een steenroze kleur en werden voorzien
van witte schijnvoegen. Het resultaat is zeker
overtuigend. Ontwerper en uitvoerder hebben op
bekwame wijze de beide delen van het gebouw
visueel tot elkaar weten te brengen.
De neogotici wensten niet alleen de wanden van
een kleurrijk gewaad te voorzien, maar ook de
vloeren moesten zo worden behandeld. Men kon
daarbij kiezen voor een mozaïekvloer, zoals bijvoorbeeld
in de Keulse Dom, maar dat was voor
de gemiddelde kerk te kostbaar. Een nieuwe techniek
bood uitkomst, een tegelsoort die dikwijls
wordt aangeduid met de Engelse term encaustic
tile. Zij werd in Engeland het eerst ontwikkeld en
later op het Europese continent verbreid door de
firma Villeroy & Boch uit Mettlach. De door hen
geleverde tegels worden vaak als Mettlacher tegels
aangeduid. In Zwolle kreeg het priesterkoor in
1875 e e n dergelijke vloer. Het ontwerp stamt van
Jean Bethune (1821-1894) uit Gent, één der
invloedrijkste neogotici uit België.35 De connectie
met Bethune is waarschijnlijk via Schneider tot
stand gekomen. Deze was namelijk in die tijd
betrokken bij de restauratie van de Dom in Aken,
waar toen een koepelmozaïek werd aangebracht,
naar ontwerp van genoemde Bethune. De kleuren
van de vloer zijn geel en bruinrood met hier en
daar zwart. Hij is in enige grote velden ingedeeld,
Zuidwand van het koor
met beschildering en
tegeltableau ontworpen
door F. W. Mengelberg
en het in diens atelier
vervaardigde beeld van
Augustinus (foto
auteur).
Schip naar het westen
voor de restauratie van
1975-1981, met de
neogotische beschildering
en de preekstoel
van Mengelberg; 1878
(Gemeentearchief
Zwolle, KA074- 504).
132 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een van de twee werktekeningen
voor de tegelvloer
in het koor. Pentekening
gedeeltelijk met
waterverf ingekleurd,
gesigneerd J. Wennekers,
Zwolle (Gemeentearchief
Zwolle,
KA074-117).
Het voormalig hoogaltaar
in de St. Catharina-
kathedraal te
Utrecht, ontworpen in
1868 doorHugo Schneider,
uitgevoerd door
F. W. Mengelberg (foto:
E.F Georges, naar tekening.
Utrecht, Museum
Catharijneconvent).
waarbinnen een patroon van cirkels en vierkanten,
met geometrische motieven. Op een enkele
plaats is een adelaar afgebeeld.
De neogotische altaren
In 1872 kreeg Mengelberg de opdracht om een
hoogaltaar te leveren. Het moest aldus het Registrum
Memoriale ‘niet alleen deftig en sierlijk zijn,
maar ook aan alle liturgische eischen beantwoorden,
zoodat de vorm van een ciboriealtaar werd
gekozen.’ Het eerste ontwerp dat Mengelberg vervaardigde
voldeed niet, maar het tweede kwam

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1998, Aflevering 4

Door 1998, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

l l ^ l
W01S
Historisch
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Ansichtkaart Sassenpoortenbrug 1913
Donderdag, 6 Nov. ’13
Lieve Gerardl
Zoo juist ontvingen we het mandje met waschgoed.
Wat is dat lang onderweg. Ik zal je morgen Vrijdag
dadelijk het gevraagde toezenden per postpakket,
waarin ook een sportblouse.
Denk vooral op je neus, datje daar niet aan peutert.
Jo heeft het ook gehad, doch het was na gebruik der
zalf gauw genezen. Heb je Mevrouw Hostenbach het
pakketje al bezorgd of laten bezorgen? Je hebt me veel
pleisier gedaan met je brief, wel, wel vent, ga maar
zoo door. Met Kersttijd zullen we pret maken. Ik ben
zeer over je tevreden. Cor is weer beter, doch is zoo
speelsch, dat er van leeren zoo weinig komt.
Morgen schrijf ik een brief in ’t pakje. Alles is hier
wel. Hans ook.
(Manchetknoopen ook morgen)
Hartelijk gegroet van je liefh. Papa.
Lieve Gerardl
Morgen zal ik je ook een paar lettertjes schrijven
hoor! en het gevraagde zal ik in het waschmandje
zenden. Je hebt je goed gehouden hoor met je besluiten,
nu lieve jongen, hartelijk gegroet, je liefhebbende
mama.
Gerard Morsink ging in september 1913 op veertienjarige
leeftijd naar het klein-seminarie in Rolduc.
Seminaristen kwamen alleen met kerst, pasen
en de zomervakantie naar huis. De ouders van
Gerard woonden in Zwolle aan de Veerallee nr. 22.
Jo (11) en Cor (8) waren zijn broertjes. Na twee
jaar brak Gerard zijn studie in Rolduc af en kwam
hij weer in Zwolle wonen.
Voor de geschiedenis van de Sassenpoortenbrug
wordt verwezen naar Groeten uit Zwolle in
het eerste nummer van de lopende jaargang.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
Herhaalt de geschiedenis zich? In deze aflevering
van het Zwols Historisch Tijdschrift komt in twee
bijdragen een thema aan de orde dat vandaag de
dag weer actueel is. Deze herfst lagen er zandzakken
op de Thorbeckegracht als bescherming tegen
het hoge water. De wateroverlast in vroeger tijden
langs deze gracht wordt zeer beeldend beschreven
in het bijzondere gedicht ‘De Diek’ van wijlen
mevrouw Annie Scheffer. Het dateert uit 1945 en is
gesteld in onvervalst Zwols, een unicum voor ons
tijdschrift.
Dat Zwolle vanouds voortdurend geteisterd
werd door overstromingen komt ook ter sprake in
het artikel over de eerste Zwolse stadsarchitect,
Derk Zwens, van Miriam Schneiders.
Familiedrama’s blijken eveneens een verschijnsel
van alle tijden te zijn. In de bijdrage van
Ben Kam over Jacomina, vormt dit gegeven een
leidmotief met alle gruwelijke en tragische consequenties
van dien.
Wil Cornelissen haalt weer prachtige herinneringen
op; ditmaal aan zijn catechisatie bij de vermaarde
‘rode’ dominee Horreüs de Haas. Tenslotte
de briefkaart; de kerstsfeer indachtig gaat die dit
keer over een Zwols seminaristje uit 1913.
Wij wensen u veel leesgenoegen en uiteraard
een gezond en voorspoedig 1999.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 110
Jacomina: een gerechtelijke dwaling in 1728? Ben Kam 112
Derk Zwens, Bouwmeester en Inspecteur van Stadsgebouwen
te Zwolle, 1777-1820 Miriam Schneiders 122
De Diek Annie Scheffer 135
Catechisatie Wil Cornelissen 139
Literatuur 140
Mededelingen 141
Omslag: Eekwal te Zwolle. Detail van een schilderij door G. Felix
(Stedelijk Museum Zwolle).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Jacomina: een gerechtelijke dwaling in 1728?
Ben Kam
Pentekening van Jan
Grasdorp van de Zwolse
vestingwerken (Stedelijk
Museum Zwolle).
Over de lijfstraffen in Zwolle zijn al eerder
I publicaties verschenen. Tot nu toe is echter
niet diep ingegaan op de procesvoering
en de strafmaat. Het ‘geval Jacomina’ was
aanleiding om nader literatuur- en archiefonderzoek
hiernaar te doen. De bedoeling van het
onderzoek was om na te gaan of er motieven zijn
te vinden die de zwaarste straf uit het rechtboek,
‘levendig radbraken van onder op’ kunnen rechtvaardigen
bij een kennelijk psychisch gestoorde
vrouw van nog geen dertig jaar oud. Dit onderzoek
heeft zich niet beperkt tot de procesvoering
en de uitvoering van de straf: de leefomstandigheden
van Jacomina, de omgeving waar ze woont en
het beeld van het dagelijks leven in de stad geven
zulke interessante feiten over Zwolle in het begin
van de achttiende eeuw, dat een beschrijving daarvan
de moeite waard lijkt.
De feiten, die opgespoord zijn door de uitgaven
van de stad voor het straffen van misdadigers
na te gaan, spreken voor zich. De maandrekening
van 1728 vermeldt een aantal posten voor apprehensie,
detentie en executie van Jacomina Jannes,
‘geëxecuteerd den 24 maij 1728.” Jacomina Jannes
is een 26-jarige vrouw, die in de nacht van 2 op 3
mei 1728 in haar woning man en twee kindertjes
heeft vermoord. Zij gebruikt hiervoor het mes van
haar man, die mandenmaker is en dit mes altijd
bij zich draagt. Als hij naar bed gaat, legt hij het
neer op de stoel naast de bedstee, waarin het hele
gezin gezamenlijk pleegt te slapen.
Soldatendochter huwt soldaat
Jacomina is op 4 november 1701 in Leeuwarden
gedoopt als dochter van de beroepssoldaat (hij is
in 1727 nog steeds in dienst) Johannes Harmens en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT «3
van Teupke Jans. Hij is soldaat in de compagnie
van Capitein Merwede en doet in Leeuwarden
belijdenis op 13 maart 1700.2 Jacomina komt op de
een of andere manier in Zwolle terecht. Er is geen
attestatie te vinden van haar overschrijving. Zij
gaat op 26 juli 1721 in ondertrouw met Jan Alberts,
een jonge man uit Assendorp. Zij trouwen op 17
augustus te Zwolle met als getuigen Hendrik Jansz
en haar moeder, Cathryne Johannes. Op 6 september
1722 wordt een zoon Albertus gedoopt.
Deze moet jong zijn overleden, want na zoon
Johannes op 14 januari 1724, komt er een tweede
Albertus ter wereld op 28 juli 1726.
De echtgenoot van Jacomina, de mandenmaker
Jan Alberts, staat ook bekend als Jan van den
Doevelaar. Hij werkt sinds zijn ontslag uit militaire
dienst, zo’n jaar of acht geleden, bij Willem
Franke. Franke woont in de Hagensteeg. Of zijn
mandenmakerij daar ook is gevestigd is nergens
uit de verhoren op te maken. De naam van de even
verderop gelegen Mandjessteeg zou kunnen wijzen
op het bestaan van mandenmakerijen in het
stadsgedeelte tussen de tegenwoordige Spoelstraat
en Kerkstraat. Alberts heeft kennelijk enige zelfstandigheid
in zijn werk: hij heeft een mandje
‘aangenomen’ in Assendorp.
Het gezin heeft een aantal jaren buiten de Sassenpoort
in Assendorp gewoond, in de buurt van
de Russeveltsteeg naast de Rijckeboer. De laatste is
een veehouder die in het begin van wat nu de
Assendorperstraat is zijn bedrijf heeft. De Russeveltsteeg
is tot nu toe niet exact geplaatst maar
komt voor in een aantal transportacten.3 Begin
mei 1728 verhuist het echtpaar naar een huisje aan
de rand van de Binnenbleek naast de Bastkuil.
Topografie van de stad
De binnenbleek is een stuk onbebouwd land,
waarschijnlijk grasland, tussen de tegenwoordige
Spoelstraat en de bocht van de Ter Pelkwijkstraat,
waar nu een aantal herenhuizen en de Plantagekerk
zijn gebouwd. De Ter Pelkwijkstraat is in 1728
de Grote Aa, het riviertje dat midden door de stad
loopt en via Gasthuisplein en Grote Markt bij de
Rode Toren de stad weer verlaat. Het is voor de
aanleg van de huidige buitengracht de voortzetting
van de Stuyversgracht, een waterloop door de
Weezenlanden parallel aan de Nieuwe Wetering.
De Kleine Aa kruist de Diezerstraat, stroomt door
de Smeden en zet zich voort als een smalle sloot
tussen Nieuwstraat en Waterstraat tot ze bij het
Hopmanshuis weer in de gracht uitmondt. In de
omarming van deze riviertjes ligt de binnenbleek,
waarvan de functie op de kaarten van Blaeu duidelijk
is aangegeven met drogend linnen.
Op twee van de kaarten van Blaeu (ed. 1649 en
1657 Janssonius) is aan de overzijde van de Grote
Aa, gezien vanaf de binnenbleek, een klein huisje
getekend dat onder aan de wal moet hebben
gestaan. Het ligt precies in het midden van de
basis van het bastion ‘Aan de Ziel’, nu Ter Pelkwijkpark,
maar wel onder tegen de wal aan. Wij
realiseren ons vandaag de dag nauwelijks dat de
gehele Wilhelminasingel (toen ‘Aan de Wal’ geheten)
een totale hoogte had van bijna zes meter!4
Wij genieten nu van een ruim uitzicht over de
stadsgracht, maar in 1728 is daar geen sprake van:
de stad is eng omsloten door een hoog verdedigingswerk,
dat in zijn geheel als militair gebied
wordt beschouwd. Het kent een arsenaal en militaire
galg in het Genverbergbolwerk, een aantal
kazematten in het Bolwerk ‘Aan de Ziel’ en een
bunker in het Sassenpoortenbolwerk. ’s Nachts
worden deze verdedigingswerken door schildwachten
bewaakt en er gaat regelmatig een
patrouille over de wallen de stad rond. De schildwachten
en de patrouilles kijken dus neer op wat
er zich binnen de wal afspeelt.
De situatie uit 1649 is op de kadasterkaart van
1820 nauwelijks veranderd. Het huisje heeft het
kadastrale nummer F 2113 en is in 1820 volgens de
Eerst Aanwijzende Tafel van Grondeigenaren
eigendom van de mandenmaker Albert Gerrits.
Het grondoppervlak is op de kadasterkaart 6 x 10
meter. Wanneer men de situatie nameet op de
huidige kadasterkaart ligt het huisje tussen de percelen
Wilhelminasingel 20 en de huizen aan de
Ter Pelkwijkstraat 2-8. Wie naast het huis no. 20
het gangetje inloopt, komt ook nu nog in een dieper
gelegen tuin uit: het hoogteverschil is ongeveer
2 tot 2,5 meter ten opzichte van de huidige
Wilhelminasingel.
Eind april 1728 verhuist Jacomina met man en
kindertjes naar dit kleine huisje, dat waarschijnlijk
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gedeelte van de kadasterkaart
uit 1832, waarop
de plaats van het
huisje van Jacomina is
aangegeven.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1997, Aflevering 4

Door 1997, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisc
Themanummer
Zwolle en de laifü- en tuinüouw
P R I J S F 1 2 , § O
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma-van Hulten
bif ZIVyLJJL
BRIEFKAART
Drinkt
,Spoolde”-Melk
1 L. flesch 17 ets.
7 i L
Telefoon 485.
C ÏT£ 1*. S— ~ f’ ‘jT
‘ i l f” •”’ ••> ‘•£,
‘ZWOLLE
ABCH.1EF.
001573
Ansichtkaart ‘Hygiënische Modelboerderij’ aan
de Beukenallee te Spoolde bij Zwolle.
De ansichtkaart is nooit verzonden, maar waarschijnlijk
aan belangstellenden uitgereikt ten tijde,
van de opening op 10 mei 1909 of in de periode van 3
totj mei, toen de modelboerderij gratis kon worden
bezichtigd.
In 1908 hadden de heren J.W.J. baron de Vos van
Steenwijk, bewoner van Frisia State in de Ruiterlaan,
en C.J.A. Greven, wonende op huize Schellerberg,
aan architect M. Meijerink de opdracht
gegeven een modelhoeve te bouwen Voor het
leveren van op hygiënische wijze gewonnen melk
van gezond vee.’ Het geheel bestond uit een riante
woning met daarvan gescheiden een groot, koepelvormig
bijgebouw waarin de hygiënische stal
was gevestigd. Bovendien was er een ondergronds
lokaal waar de melk werd verzameld, gezeefd en
afgetapt in flessen. In deze ruimte werden de flessen
melk bewaard in koelbakken met stromend
water tot ze de deur uitgingen. Voordat het melkvee
een plaatsje kreeg in de betegelde stal (voor 27
koeien) stond het enige tijd in de quarantaine-stal.
Die werd geventileerd met behulp van roosters en
een luchtkoker. Ten behoeve van een snelle en
grondige schoonmaak waren de vloeren van terrazzo
en de muren betegeld. Overal was warm en
koud water beschikbaar. Alles werd er dus aan
gedaan om de melk zo hygiënisch mogelijk te
kunnen winnen. De melk werd regelmatig chemisch
en bacteriologisch onderzocht en in hoofdzaak
afgeleverd aan de beide ziekenhuizen en
gerenommeerde horeca-bedrijven in de stad.
Na de Tweede Wereldoorlog werd de modelboerderij
verbouwd tot K.I. Station voor de K.I.
Vereniging ‘Zwollerkerspel.’ In verband met de
aanleg van het verkeersplein Spoolde is deze markante
boerderij in 1966 afgebroken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
Het overgrote deel van de artikelen in het Zwols
Historisch Tijdschrift gaat over de stad Zwolle.
Het platteland en de land- en tuinbouw zijn er tot
nu toe bekaaid afgekomen. Met dit themanummer
willen we ook die kant van de gemeente eens
voor het voetlicht brengen. We hopen dat er mensen
zijn die zich hierdoor laten inspireren om ook
eens onderzoek te doen naar deze kant van de
gemeente. Hopelijk volgen er binnen afzienbare
tijd meerdere artikelen over de voormalige gemeente
Zwollerkerspel.
In een inleidend artikel geeft Wim Coster
enkele ontwikkelingen weer over de standsorganisaties
van de landbouwers, over de beschikbare
hoeveelheid landbouwgrond en over de productie
van melk, boter en kaas. Vervolgens geeft Martien
Knigge de veranderingen aan die in het landschap
hebben plaatsgevonden. W. Koersen graaft in zijn
herinneringen en Jolande Haverkort gaat in op de
rol van boerinnen en plattelandsvrouwen. Vervolgens
komen de productie van landbouwwerktuigen
door de firma O. de Leeuw en de tuinbouw en
veilingen aan de orde.
Tenslotte besteedt Jaap Hagedoorn aandacht
aan een geheel ander aspect van de Zwolse
geschiedenis, namelijk aan een bundel die verschenen
is ter gelegenheid van de opening van de
nieuwbouw van het Stedelijk Museum Zwolle.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma-van Hulten 110
Zwolle en de land- en tuinbouw Wim Coster 112
Het landschap van Zwolle; een boerenerfenis Martien Knigge 122
Herinneringen uit een boerenleven W. Koersen 126
Boerinnen en plattelandsvrouwen Jolande Haverkort 130
De landbouwwerktuigen van de firma O. de Leeuw
Annèt Bootsma-van Hulten 138
Tuinbouw en veiling J.A. Iemenschot en Menno van der Laan 144
Literatuur 149
Auteurs 150
Dank 151
Omslag: Op de veemarkt in Zwolle in 1971, met linksonder het logo van de zuivelfabriek
‘Hoop op Zegen’. (Foto: Gemeentearchief Zwolle).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle en de land- en tuinbouw
Wim Coster
Het Landbouwhuis van
de OLM was van 1920
tot 1968 te vinden aan
de Burgemeester van
Roijensingel 22. Tegenwoordig
is hier Dansen
Balletschool
Tijdeman gevestigd
(ArchiefOLM).
Om verschillende redenen is er aanleiding
voor een themanummer over Zwolle en
de land- en tuinbouw.’ Allereerst, omdat
dit onderwerp in de geschiedschrijving – ook bij
de Zwolse Historische Vereniging – nog relatief
weinig aan de orde is gekomen.2 Voorts hebben de
laatste decennia laten zien, dat de land- en tuinbouw
in deze gemeente, zoals ook elders, sterk van
omvang en karakter is veranderd en dat er veel is
verdwenen. Op zichzelf is dat een conclusie die
met hetzelfde recht kan worden getrokken voor de
laatste eeuwen, zeker de twintigste. Maar het verschil
is, dat anno 1997 nog de mogelijkheid bestaat
dit proces van veranderingen op de voet te volgen.
Daarbij is echter haast geboden, want het tempo
van die veranderingen neemt – kenmerkend voor
een moderne maatschappij – voortdurend toe.
Zeker in de agrarische sector is de versnelling
duidelijk aanwezig. Niet alleen in de bedrijfsvoering
en het sociale leven, maar ook met betrekking
tot het landschap.3 Ontwikkelingen buiten de
eigen sector spelen hierbij een belangrijke rol. Niet:
in de laatste plaats werken die door in het aanzien
van het boerenland en de ‘aankleding’ daarvan.
De beschikbare hoeveelheid landbouwgrond, om
slechts één van die externe factoren te noemen,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
neemt voortdurend af. De grond wordt daardoor
steeds duurder. De aanleg van woonwijken,
industriegebieden, sport- en recreatieterreinen,
wegen en waterwegen en ‘het teruggeven aan de
natuur’ stellen nu eenmaal hun eisen.4
In de stad, ook in de delen die vroeger behoorden
tot Zwollerkerspel, is reeds veel van de landen
tuinbouw verdwenen: zuivelfabrieken ‘Hoop
op Zegen’ aan de Philosofenallee en ‘De Eendracht’
aan de Berkumstraat, tal van boerderijen,
de veiling ‘Zwolle en Omstreken’, de vele kassen
die met elkaar een glazen stad vormden en meer.
Ook de samenstelling van de beroepsbevolking
veranderde. Volgens de Landbouwtelling 1995
waren in de voorafgaande periode in Zwolle nog
213 mannen en 19 vrouwen 38 uur of meer per
week werkzaam in de land- en tuinbouw.5 Van de
Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen afdeling
Zwollerkerspel is nog slechts een klein gedeelte
boerin. Het Tuinbouwonderwijs daarentegen,
in 1946 met zeer bescheiden middelen van start
gegaan, maakte opgang. Het Agrarisch opleidingscentrum
De Groene Welle, nu nog gevestigd aan
de Prinses Margrietlaan en de Ruiterlaan, bloeit
en nieuwbouw op Hanzeland is aanstaande.6
De Zwolse veemarkt is tegenwoordig geconcentreerd
in de IJsselhallen, terwijl vroeger, verspreid
over de stad vee- of beestenmarkten, paardenmarkten,
varkensmarkten en ook pluimveemarkten
plaatsvonden. De drie standsorganisaties
ABTB, CBTB en OLM zijn verplaatst naar Deventer,
om daar samen verder te gaan onder één dak.
Zo zou er veel meer zijn op te noemen. In dit
themanummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
kunnen echter slechts enkele facetten van
de geschiedenis van de Zwolse land- en tuinbouw
worden behandeld. Het nummer is dan óók en
vooral bedoeld als een signaal, als een aanzet voor
verdere onderzoekingen en publikaties. Tevens is
het bedoeld als een suggestie om archief- en ander
historisch waardevol materiaal te deponeren op
het Gemeentearchief en het Rijksarchief hier ter
stede.7
In het navolgende worden enkele aspecten van
drie onderwerpen behandeld: de standsorganisaties,
het areaal en de produktie van melk, boter en
kaas.
Tot slot: er is nóg een aanleiding, om de aandacht
te vestigen op de geschiedenis van de land- en
tuinbouw in Zwolle en omstreken. Toekomstige
herindelingen in de provincie zullen namelijk tot
gevolg hebben, dat deze gemeente (weer) nieuwe
landbouwgronden binnen haar grenzen krijgt.
Die zullen, voor een deel althans, deze status niet
behouden. Evenmin als dat het geval was met het
grondgebied van Zwollerkerspel. Wellicht ontstaat
er daardoor in de toekomst, naast de ‘Vrienden
van de Stadskern’, behoefte aan een verenigingvan
‘Vrienden óm de Stadskern’!
Standsorganisaties
Sinds het eind van de negentiende eeuw hebben
standsorganisaties een belangrijke rol gespeeld in
de Overijsselse land- en tuinbouw. Zij hielden zich
bezig met een uitgebreid scala aan activiteiten, te
vatten onder noemers als onderzoek, onderwijs,
voorlichting, vorming en niet te vergeten belangenbehartiging.
Omstreeks 1920 waren er in Overijssel
drie standsorganisaties. Daarnaast waren er
talloze ‘verlengstukken van het boerenbedrijf,8
zoals de coöperaties, die niet zelden uit de standsorganisaties
waren voortgekomen. Ook ontstonden
er enkele bonden van boerenarbeiders.
Het typisch Nederlandse verschijnsel van de
Op woensdag 11 mei
1983 opende Prins Bernhard
het nieuwe OLMkantoor
aan de Dokter
Stolteweg tegenover het
Sophia-ziekenhuis.
Anno 1997 is hier Groene
Land Verzekeringen
te vinden (Archief
OLM).
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
‘Peperbus’ en melkfles
in het logo van de zuivelfabriek
‘Hoop op
Zegen’ (Archief OLM).
verzuiling, de opdeling van de maatschappij in
scherp gescheiden kerkelijk-politieke belangengroepen,
trad ook op in de agrarische wereld. Dat
leidde tot een grote versnippering van de activiteiten,
maar hield samenwerking aan de top niet
tegen.
De verzuiling van de standsorganisaties leidde
in deze provincie tot de ‘Kring Overijssel van de
Aartsdiocesane Rooms-Katholieke Boeren- en
Tuindersbond’ (ABTB), de ‘Overijsselsche Christelijke
Boeren- en Tuindersbond (CBTB), en de
algemene ‘Overijsselsche Landbouw Maatschappij.’
9 De ABTB kwam voort uit de in 1896 opgerichte
Nederlandsche Boeren Bond, die het christendom
erkende als de grondslag van de maatschappij
en in 1897 een Overijsselse afdeling kreeg.
In 1918 ontstond de Nederlandsche Christelijke
Boeren- en Tuindersbond (NCBTB). De Boerenbond
ging toen Katholieke Nederlandsche Boeren-
en Tuindersbond (KNBTB) heten. De ABTB
maakte deel uit van deze federatie en Overijssel
kreeg hierbinnen dus weer een eigen ‘Kring’. Veel
coöperaties waren hierbij met al hun leden aangesloten.
Een Overijsselse tak van de NCBTB ontstond
in 1919. Op 12 november van dat jaar kwam aan de
Grote Markt in ‘De Harmonie’ te Zwolle een veertigtal
Overijsselse boeren bijeen, om te luisteren
naar de voorzitter van de NCBTB, prof. P.A. Diepenhorst.
Velen van de toehoorders hadden reeds
onderdak gevonden bij de ‘algemene’ OLM. Toch
had het pleidooi van Diepenhorst succes, niet in
de laatste plaats door het argument, dat in het
bestaande landbouwonderwijs de evolutie-leer
van Darwin werd verkondigd. Dat onderwijs nu,
werd door de OLM bevorderd. Volgens de professor
was de leer van Darwin echter strijdig met het
bijbelse scheppingsverhaal. ‘En zo gelukte het Diepenhorst
de zaal te overtuigen en werd de Overijsselsche
Christelijke Boeren- en Tuindersbond
opgericht.’10 Op de eerste algemene ledenvergadering,
die plaatsvond op 11 februari 1920, hadden
zich 225 leden aangemeld. Maar echt crescendo
ging het nog niet. Het ledental van de bond liep
zelfs weer terug. Ook bleven veel boeren tegelijkertijd
lid van de CBTB en (via de coöperaties)
van de OLM. Voorzitter J. Haverkamp van de
CBTB was opvallend genoeg zelfs adjunct-secretaris
van de OLM! Deze organisatie wilde zich dan
ook nadrukkelijk ‘algemeen’ noemen en onderdak
bieden aan alle politieke en godsdienstige
richtingen.
In dezelfde maand november 1919 waarin de
afdeling Overijssel van de CBTB werd opgericht,
viel in de Algemene Vergadering van de OLM het
besluit om het secretariaat vanuit Hengelo te verplaatsen
naar Zwolle.” Een eigen afdeling in die
stad had de OLM toen overigens niet meer. ‘Zwolle
en Omstreken’ was namelijk in het voorjaar van
1919 opgegaan in de ‘Coöperatieve Landbouwbank
en Handelsvereniging Zwollerkerspel’ te
Zwolle en deze had zich weer met alle leden aangesloten
bij de OLM.12 Zo hoefden die boeren dus
niet zelf hun lidmaatschap te betalen en kregen zij
bovendien het Overijsselsch Landbouwblad toegestuurd.
Die mogelijkheid was in 1918 ontstaan na
een statutenwijziging. Het was een meesterzet van
de eerste betaalde algemeen secretaris van de
OLM ir. S.L. Louwes, die daarmee voor zijn organisatie,
ook in financieel opzicht, een breed draagvlak
had gecreëerd.
De standsorganisaties werkten, zoals gezegd,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
niet alleen naast, maar ook mét elkaar. In 1929 bijvoorbeeld,
werd in Heino de Proefboerderij Aver
Heino opgericht. Het doel was ‘door onderzoek
en aanschouwelijke voorlichting te trachten de
bedrijfsvoering van de Overijsselse boer te verbeteren.’
13
Na de oorlog leek het erop, alsof binnen de agrarische
sector de ‘doorbraak’ van de verzuilde
samenleving zou gelukken. Al op 2 juli 1945 werd
de Stichting van de Landbouw opgericht, bedoeld
als een gezamenlijk platform van en voor werkgevers
en werknemers. Uiteindelijk zou dit moeten
resulteren in de oprichting van het Landbouwschap.
Dit was een voorbeeld van de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie (pbo), waarin sectoren
van beroep en bedrijf zelf, onder toezicht van de
overheid, regels konden stellen en uitvoeren. Het
duurde tot 1954 voor het zover was, maar de
beoogde ‘doorbraak’ leek toen verder weg dan
ooit.
Ruim veertig jaar later waren er vergevorderde
plannen om het Landbouwschap weer op te heffen
en hadden de standsorganisaties elkaar dan
toch, niet in de laatste plaats vanwege het afnemend
aantal agrariërs, gevonden. Per 1 januari
1995 ging de Land- en Tuinbouworganisatie Mid-
Oost (LTO MidOost) van start. Hierin waren
behalve de ABTB, de CBTB en de OLM in Overijssel
ook de ABTB en de CBTB in Gelderland en
Utrecht vertegenwoordigd. Later traden nog
(andere) organisaties uit Gelderland, Zeeland en
Utrecht toe, waarmee de G(ewestelijke)LTO
ZuidMiddenOost ontstond.
Voor Zwolle betekende dit alles, dat de drie
hoofdzetels van de voormalige organisaties hier
verdwenen om in Deventer ‘samen onder één dak’
te worden gevestigd.’4
Areaal
Toen Zwolle en Zwollerkerspel in 1967 werden
samengevoegd, ontstond daarmee een echte landen
tuinbouwgemeente. Al was de samenvoeging
nu juist niet bedoeld om dat karakter te handhaven.
De stad had ruimte nodig en daarom werden
de dorpen Berkum (met de buurtschappen Brinkhoek,
Bruggenhoek, Poepershoek en Veldhoek),
Frankhuis, Ittersum, Schelle, Spoolde, Westenholte,
Wijthmen, Windesheim en Westenholte en
de buurtschappen Haerst, Harculo, Herfte, Hoog-
Zuthem, Langenholte, Nieuwe Wetering, Oldeneel,
Oude Wetering, Streukel, Voorst en Zalné,
op last van het provinciebestuur, opgenomen in
de stedelijke sfeer. Zo kreeg de stad Zwolle, zelf net
2000 hectare groot, er ruim 8000 hectare bij.’5
Het areaal aan cultuurgrond (weideland en bouwgrond)
is sinds 1967 voortdurend afgenomen. De
nieuwe woonwijken Holtenbroek, Aa-landen en
Zwolle-Zuid en Stadshagen en die in de bestaande
dorpen slokten een groot gedeelte van de landbouw-
en tuinbouwgrond op. Ook de bedrijfsterreinen
De Marslanden A-F, Oosterenk, Voorst AC
en Vrolijkheid consumeerden hiervan het nodige,
terwijl achter het station het nieuwe Hanzeland
volop in ontwikkeling is.
Anno 1995 was in de gemeente Zwolle nog 4835
hectare grond, dat wil zeggen bijna de helft van de
totale oppervlakte van de gemeente, in gebruik als
cultuurgrond.16 Het overgrote deel, 4324 hectare,
van deze voor land- en tuinbouw bestemde grond
bestond uit grasland. Voor de akkerbouw resteer-
Fragment van een
wandbord, dat in september
1954 door de
Coöp. Landbouwbank
en Handelsvereening
Zwollerkerspel te Zwolle
werd aangeboden aan
F. Middag voor zijn
‘jarenlange dienst als
voorzitter’. (Particulierecollectie.)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op dé Zwolse veemarkt
in 1965. Toen onder de
bomen, nu onder dak.
(Foto: Gemeentearchief
Zwolle.)
de 477 hectare en de tuinbouw ten slotte moest het
stellen met 22 hectare. Met andere woorden: het
actuele beeld wordt bepaald door de veeteelt.17
Omstreeks 2000 zal er, in het kader van de
gemeentelijke herindelingen, net als in 1967 weer
het een en ander aan dit areaal worden toegevoegd,
maar de afname van de oppervlakte cultuurgrond
zal ook daarna doorgaan.
Een vergelijking van deze cijfers met het jaar
1900 laat zien, dat ruim 12.000 van de meer dan
14.000 hectare van het toenmalige ZwoUerkerspel
en iets meer dan 1300 hectare van de bijna 2000
hectare van de stad Zwolle toen bestond uit ‘weide-
en hooiland’. Het totaal aan ‘bouwland’
(akkerbouwgronden) in stad en kerspel bedroeg
rond de eeuwwisseling zo’n 1000 hectare en de
verschillende vormen van tuinbouw hadden hier
bijna 150 hectare ter beschikking.18 (Zie voor een
gedetailleerde opgave de staat op pagina 117.)
Samengevat: omstreeks 1900 bestond bijna
85% van Zwolle en ZwoUerkerspel uit cultuurgrond.
Anno 1995 was dit nog 50% (waarbij wel
moet worden bedacht, dat het gedeelte van de
grond van ZwoUerkerspel dat in 1967 naar andere
gemeentes ging, vooral een agrarische bestemminghad).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
Staat met gedetailleerde
strektheid der gronden’ in
gegevens over de ‘uitge-
Zwolle en Zwollerkerspel,
naar de algemene omschrijving uit het Verslag van
Gedeputeerden aan de Staten over 1900. :>’
Soort
-Heide, veengronden,
duin en zand
-Vergraven grond,
moeras, strand
en water
-Rietland, kwelders,
gorzen, schorren,
aanwassen, slikken
-Dijken en bermen
-Veld- en spoorwegen
-Onbelastbare eigendommen
De (te) hoge totalen kunnen
Zwolle

17.15
18.13
38
46
127
Zwollerkerspel
10.76
214.65
44.69
109.97
186.80
62.19
1 worden toegeschreven aan
-Erven van gebouwen en
lustplaatsen
-Bouwland . •;
“!v ‘-Weide en Hooiland
-Tuinen, inclusief boomgaarden
-Moestuinen, warmoezerijen
enz.
(voor den handel)
-Bloemisterijen
-Boomkweekerijen
-Boomgaarden
(voor den handel)
-Hakhout en bosch
-Dennenbosschen
-Griend- twijg- of
rijswaardenhout
Totaal
128
,. 165
1316.77
8
48
0.80
3

6

35
1921.85
156.76
792.44
12281.73
86.10


3
25
285.36
0.49
84.25
14.259.45
dubbeltellingen binnen verschillende categorieën.
Op zaterdag 18 mei 1968
kwamen vele duizenden
boeren uit Overijssel
bijeen in de veilinghal
van de Coöp. Groentenen
Fruitveiling aan de
Kranenburgweg om
hun ongenoegen te laten
blijken over de verlaging
van de melkprijs in het
kader van hetEEG-zuivelbeleid.
ABTB, CBTB
en OLM trokken daarbij
gezamenlijk op
(ArchiefOLM).
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Verloren verleden. ‘De
Roode Molen’ aan de
Nieuwe Vecht in 1928.
(foto: Van Eigen Erf)
Melk, boter en kaas
Rond de eeuwwisseling werd het door nieuwe
technieken mogelijk om machinaal boter te produceren.
Via particuliere ondernemers en coöperaties
begon de fabriekmatige verwerking van
melk opgang te maken. De kwaliteit van de aangeleverde
melk was echter allesbehalve uniform.
Niet alleen tussen de bedrijven onderling bestonden
er grote verschillen, maar ook binnen de veestapel
van één boer. Onderzoek, voorlichting en
onderwijs moesten daarin verandering brengen.
Landbouworganisaties en -coöperaties namen
daarbij het voortouw, gesteund door gemeenten
en provincies (Overijssel werkte veelal samen met
Gelderland).
Ook op modelboerderijen als die in Spoolde
(zie pagina 110) konden de boeren de kunst afkijken.
Daar werden de koeien eerst door een veearts
onderzocht en pas als ze gezond bleken te zijn, en
dus ook vrij van t.b.c, konden ze een plekje krijgen
in de stal. Hier deed men er alles aan om de
Coba’s en Frieda’s in optimale conditie en schoon
te houden. De koeien kregen het beste voer en zuiver
drinkwater en de staarten zaten vast aan een
staartlijn. Werden de koeien gemolken, dan wasten
de in het wit geklede boer en zijn melkknecbten
(die bij hun indiensttreding eveneens geneeskundig
waren gekeurd) eerst de handen. Vervolgens
maakten zij de uier van de koe schoon en pas
dan begonnen ze te melken. Was de uier leeg, dan
werd de emmer met melk naar het ondergrondse
lokaal gebracht. Voordat aan de volgende koe
werd begonnen, moesten eerst weer de handen
worden gewassen en de uier schoongemaakt.
Maar ook op de gewone boerderij, in de dagelijkse
praktijk, kon het goede voorbeeld worden
gegeven. Zo oefende in 1903 de Zuivelconsulent
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
voor Overijssel, V.R.IJ. Croesen, over een negental
veestapels binnen zijn werkgebied een controle
uit.19 De bedoeling was, om per koe de produktie
van melk en de daarvan te produceren kaas vast te
stellen. Het was namelijk duidelijk geworden, dat
die produktie niet alleen afhing van de grondsoort
en het voedsel, maar vooral van de ‘aanleg van
ieder dier’. En ook, dat die aanleg erfelijk was. Als
bijvoorbeeld een stier afkomstig was van een koe
met een hoog vetgehalte in de melk, dan zouden
ook de nakomelingen van die stier weer goede
resultaten leveren. Stierhouderijen, fok- en controleverenigingen
gingen dus een belangrijke rol
spelen bij de verbetering van de veestapel. Lang
niet iedereen was echter genegen of in staat aan de
experimenten en controles mee te werken. Toch
moest de kennis over het ‘voortbrengend vermogen’
van een koe in de praktijk worden verkregen:
door te meten en te wegen. Boeren die aan een
dergelijk onderzoek wilden meewerken konden
rekenen op een vergoeding van de ‘Veeverbeeteringscommissie
voor de provincie Overijssel’ en
‘De Afdeeling Overijssel van het Nederlandsche
Rundveestamboek’ (al moesten ze de meetapparatuur
wel voor eigen rekening aanschaffen).
In het genoemde jaar 1903 was boer L.A. Reuvekamp20
uit Zwolle, wonend aan de Oude Wetering
2, één van de deelnemers aan een onderzoek.
Naast drie boeren uit Holten en Markelo behoorden
hiertoe ook M. Holtland en W.H. van der
Kolk, beiden te ‘s-Heerenbroek, P. van der Pol te
Mastenbroek, B. van Dalfsen te Genemuiden en
A. van Veen Mzn. te Blankenham. De grootte van
de negen veestapels varieerde van zes tot twintig
koeien. De veestapel van Reuvekamp was gedurende
‘een geheel lactatie-tijdperk’, dat wil zeggen
de periode van melkgift ‘van af het afkalven tot het
opnieuw droog staan’, gecontroleerd.
De naam van de beesten in de hiernavolgende
staat zegt soms iets over hun uiterlijk, maar ook
wel over de plaats of boer van herkomst. Het ging
uiteraard meer om de cijfers. Het aantal kilo’s
melk (A) en het gemiddelde vetgehalte (B) bepaalden
de boterproduktie (C). Ook het aantal dagen
waarop werd gemolken (D) en de leeftijd van de
koeien (E) telden mee. Daarnaast konden diverse
andere factoren (F), in het schema in verkorte
vorm weergegeven, van belang zijn voor de resultaten.
Staat met de veestapel van L.A. Reuvekamp te Zwol-
Ie in 1903.
Nr
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
Naam
Roode Mina
Poppe
De Kramkop
De Mastebr.
De Dunne
Snel
R. Schutte
Zw. Schutte
De Scheele
Zwarte Mina
De Hammer
De Genneger
Bakkertje
Bella
Donna
R. Mastebr.
A
4129
5328
6873
5299
4409
5146
3716
2776
4332
4084
3777
4263
2319
3888
2764
2425
B
3.21
2-93
3-13
2.72
3-30
3-38
3-45
3-71
2.78
3-89
3-50
3.12
3-34
3-59
3-90
3.20
C
M3-5
168
233
154
158
189
139-5
112.5
138.5
174
144
144
84
142
124.5
84
D
227
280
370
275
294
319
254
241
284
296
290
288
144
351
322
240
E
8
6
6
6
3
4
3
3
5
4
4
3
3
2
2
2
F
Over twee
jaar.
Kalfde
te vroeg.
Zeer ziek
geweest
Drooggezet.
Ziek,
melk stop
17 De Blauwe 3976 3.32 143 288 3
De uitkomsten bij Reuvekamp (en ook die bij de
andere deelnemers) lagen zeer waarschijnlijk
boven de gemiddelde provinciale cijfers, want het
waren meestal de meer vooruitstrevende boeren
met de al betere bedrijfsresulaten, die aan dergelijke
experimenten deelnamen.21 De inspanningen
leverden echter over een breed front succes op;
mede dankzij het landbouwonderwijs, stalverbeteringswedstrijden,
melkerscursussen en -wedstrijden
en dergelijke.
Na de Tweede Wereldoorlog werd ook de K.I.,
de kunstmatige inseminatie die gericht was op het
fokken van de economisch meest verantwoorde
koe, algemeen. De aankoop van eerste klas Fries
fokmateriaal was hierbij van groot belang. De
bestrijding van twee gevaarlijke veeziekten, de
runder t.b.c. en de abortus-Bang, was eveneens
een niet te onderschatten factor.
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In de jaren vijftig ging bij de metingen, naast
het vetgehalte, nog een ander element meetellen:
het eiwitgehalte in de melk. Men ontdekte toen,
dat dit bepalend was voor de mogelijkheden tot
kaasproduktie, zoals het vetgehalte dat was voor
de boterproduktie. (Ook bij de vervaardiging van
kunstmelk werd eiwitrijke, magere melk gebruikt).
Zodoende werd er sindsdien, alhoewel
niet overal, uitbetaald ‘naar het vet’ en ‘naar het
eiwit’. De uitbetalingen werden weer gerelateerd
aan de marktprijzen voor boter en kaas. Gestreefd
werd dus, zowel in de zwart- als roodbontfokkerij,
naar een koe met erfelijke aanleg voor een hoge
melk-, eiwit- en vetproduktie (bij voorkeur gecombineerd
met de geschiktheid voor vleesproduktie).
Anno 1997 gelden een vetgehalte van 4.30 –
4.40% en een eiwitgehalte van 3.30-3.40% als normaal,
evenals een jaarlijkse (dat wil zeggen, in een
periode van zo’n 300 dagen) melkproduktie per
koe van negen a tienduizend kilo. Ruimschoots
een verdubbeling van het, gezien de mogelijkheden
en moeilijkheden van die tijd, prachtige
gemiddelde (4088 kilo) van boer Reuvekamp in
1903.
Noten
1. De auteur dankt ir. E. Bouma te Zwolle, voormalig
algemeen secretaris van de OLM, en ing. M. Buiten
te Oosterwolde (Fr.), voor hun opmerkingen en
suggesties bij de navolgende tekst en W.A. Huijsmans
voor enkele aanvullende gegevens.
2. In het meest recente databestand van april 1997 van
de ZHV zijn, afgezien van een boekbespreking van
J. Drentje in jaargang 6, aflevering 2, welgeteld vier
publikaties te vinden die hierop rechtstreeks betrekking
hebben. B. Hijma. ‘Zwolle en de Overijsselsche
Landbouw Maatschappij’ in: Zwols Historisch Tijdschrift,
(1985), 4-15; J.J. Seekles. ‘Markt op het Gasthuisplein’
in: Zwols Historisch Tijdschrift, (1993),
117-118; Wim Huijsmans, ‘Veemarktimpressie’ in:
Idem, 119-120; Ton de Graaf, ‘De Rabobank Zwolle:
van bank voor boeren en tuinders tot algemene
bank’ in: Zwols Historisch Tijdschrift, (1997), 86-95.
3. Zie voor een Overijssels overzicht in vogelvlucht: H.
Siemes, 1960-1985. Een groene revolutie in land- en
tuinbouw. Zwolle 1985. Verder o.a. de bundel van:
H. Diederiks, J.Thomas Lindblad en Boudien de
Vries (red.), Het platteland in een veranderende wereld.
Boeren en het proces van modernisering. Hilversum
1994 en: Geert Mak, Hoe God verdween uitjorwerd,
Amsterdam 1997 (10e dr.)
4. In een artikel van P.H. Steinmetz, ‘Last hogere
grondkosten steeds moeilijker te dragen’ in: GLTO
Nieuws, 5 september 1997,10-11, worden deze factoren
beschreven en becommentarieerd. Eén conclusie:
‘In Nederland is er geen enkele relatie meer tussen
het producerend vermogen van de grond en de
kosten (rente/pacht) van deze grond.’
5. CBS. Landbouwtelling 1995. Tabel 47. Het ging hier
om de periode april 1993 tot en met maart 1994. De
totaalcijfers, dus met inbegrip van de part-timers
voor Zwolle, waren 339 mannen en 127 vrouwen.
Ter vergelijking: de totaalcijfers voor Overijssel:
17294 en 8535. De samenstelling en opbouw van de
agrarische beroepsbevolking in Zwolle(rkerspel) is
een onderwerp dat nadere bestudering verdient!
6. Nevenvestigingen bevinden zich in Kampen en
Hardenberg.
7. Bij de bestudering van de landbouwgeschiedenis
zijn als recente standaardwerken aan te bevelen: J.L.
van Zanden, De economische ontwikkeling van de
Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw 1800-
1914. Utrecht 1985; Jan Bieleman, Geschiedenis van
de landbouw in Nederland 1500-1950. Amsterdam
1992; H.W. Lintsen (red.), Geschiedenis van de Techniek
in Nederland. Zutphen 1992. (Deel 1, het onderdeel
landbouw en voeding.)
Voor de Overijsselse en ook de specifiek Zwolse geschiedenis
van de land- en tuinbouw zijn vele artikelen
te vinden in: De Mars. Maandblad van en voor
de provincie Overijssel. 1953-1982. De gecombineerde
nummers 1 en 2 van 1959 waren geheel gewijd aan
de agrarische sector.
Ook zijn tal van aanknopingspunten te vinden in:
H. Siemes, De boer op in Overijssel. Jaarboek Overijssel
1988. Zwolle 1988; W. Coster, Erfgoed van Overijssel.
Deel 1. Sporen van jacht, visserij en landbouw.
Jaarboek Overijssel 1995. Zwolle 1995; W. Coster,
Overijssel op het land. Een geschiedenis van de Overijsselsche
Landbouw Maatschappij 18/1-1996. Zwolle
1996.
Voorts zij met nadruk verwezen naar de archiefoverzichten
van het Gemeentearchief Zwolle en het
Rijksarchief Overijssel, waar archieven van vak- en
standsorganisaties (ook met betrekking tot het werk
van vrouwen en jongeren) coöperatieve aan- en
verkoopverenigingen, zuivelfabrieken, tuinbouw,
onderwijs- en onderzoekinstellingen en andere zijn
te vinden.
8. De omschrijving is ontleend aan het (anonieme) arZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
tikel, ‘Saamhorige boeren bouwden de “verlengstukken
van het boerenbedrijf’ ‘ in: De Mars, janfeb,
1959,19-23. Hierin wordt ook een overzicht gegeven
van coöperaties, aan- en verkoopverenigingen
enz.
9. Zie a) voor de Rooms-katholieke organisaties: M.
Smits, Boeren met Beleid. Honderd jaar Katholieke
Nederlandse Boeren- en Tuïndersbond. 1896-1996.
Nijmegen 1996. (diss.). Hierin is een schema opgenomen
met de ontwikkelingsgang van regionale
landbouworganisaties in de periode 1837-1995 en
komen ook specifiek Overijsselse zaken aan de orde,
b) CBÏB: G.J. Iemhoff, 75 Jaar Christelijke Boerenen
Tuindershond in Overijssel. Kampen 1994,
c) OLM: W. Coster, Overijssel op het land. Een geschiedenis
van de Overijsselsche Landbouw Maatschappij,
18/1-1996. Zwolle 1996.
10. G.J. Iemhoff, 75 jaar Christelijke Boeren- en Tuindersbond
in Overijssel, 10.
11. Zie Coster, ‘Overijssel op het land’, 80.
12. Hijma. ‘Zwolle en de Overijsselsche Landbouw
Maatschappij’, 3-4.
13. K.A. Klarenberg. ‘Laboratorium der boeren’ in: De
Mars. Maandblad van en voor de provincie Overijssel.
Juli 1953,160-162. Het archief van de Proefboerderij
is gedeponeerd op het Rijksarchief Overijssel.
14. Het ‘samen onder één dak’ is hier bedoeld als een
variant op het motto bij het vignet van de OLM ‘samen
onder één kap’, waarmee echter werd geduid
op de verschillende takken van deze organisatie. Zo
ontstond uit de boezem van deze organisatie een,
inmiddels in het Groene Land opgegane, verzekeringsmaatschappij
en een (zelfstandig gebleven)
boekhoudbureau, thans OLM Accountants & Belastingadviseurs.
15. De rest van Zwollerkerspel, in totaal zo’n 6000 hectare,
bestaande uit Cellemuiden, Genne, Laag-Zuthem,
Mastenbroek en Streukel, ging naar Genemuiden,
Hasselt, Heino en IJsselmuiden. Zie voor
Zwollerkerspel: A. Melisie – Appelhof, ‘Honderd
jaar Zwolle, de Zwollenaren en hun Zwollerkerspel’
in: Huijsmans e.a. (red.) Als de Dag van Gisteren.
Deel 11. Zwolle 1992.
16. Hier wordt het begrip landbouw opgevat in de zin
van akkerbouw én veeteelt.
17. Deze gegevens zijn ontleend aan het boekwerkje, De
Overijsselse landbouw in cijfers. 1990-1995, dat in oktober
1996 werd uitgebracht door de provincie
Overijssel en grotendeels is gebaseerd op informatie
van het CBS. (Het verschil van 1 hectare kan worden
toegeschreven aan afrondingsverschillen.)
18. De gegevens met betrekking tot de oppervlaktes van
de gemeenten omstreeks 1900 zijn ontleend aan
Winkler Prins Geïllustreerde Encyclopaedie. Amsterdam
1912, 3e druk. Die voor de landbouw zijn ontleend
aan het Verslag van de Gedeputeerde Staten
aan de Staten der Provincie Overijssel, omtrent de toestand
der provincie in 1900 Zwolle 1901. De cijfers
voor deze, ook in andere opzichten voor historisch
onderzoek zeer geschikte en toegankelijke, Verslagen
zijn voor de landbouw op hun beurt weer grotendeels
samengesteld op basis van de Verslagen
over de Landbouw voor 1900.
Zie voor de tuinbouw ook het artikel van Iemenschot
en Van der Laan.
19. Het hiernavolgende is, voor zover betrekking hebbend
op het jaar 1903, vooral ontleend aan: B.Hijma
en M. Vink-Bos, Inventaris Twentsche/Overijsselsche
Landbouw Maatschappij (1871) 1879-1995 Zwolle
1996. Inv.nr. 609, pp. 33-48.
20. Lucas (‘Luuks’) Antonius Reuvekamp (1854-1946),
veehouder, lid van de Gemeenteraad van Zwollerkerspel,
gehuwd met Gijsbertha W.A. Zwartjes
(1855-1929). Hun zoon Wilhelmus Theodorus Reuvekamp
(geb. 1888) nam later het bedrijf over.
21. Typerend genoeg zaten Holtland als voorzitter en
Reuvekamp als secretaris in het bestuur van de
Landbouwvereniging in Zwolle. Zie het verslag van
Gedeputeerden aan de Staten over 1909, p 217. Anno
1997 is de naam Reuvekamp nog steeds, in de praktijk
en in de organisatie, te vinden binnen de landbouw
in Zwolle!
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het landschap van Zwolle;
een boerenerfenis
Martien Knigge
De geologische structuur
waarop de ontwikkelingvan
het Zwolse
landschap is gebaseerd:
dekzandruggen in een
rivierengebied.
(Foto: collectie Knigge)
Het begrip landschap wordt doorgaans verbonden
met de landbouw. Zeer sterk
komt dat tot uiting in de bewering dat
boeren het landschap hebben gemaakt. Vaak
wordt hiermee impliciet bedoeld dat ‘daarom’ de
boeren het landschap ook kunnen – of zelfs moeten
– verzorgen en dat anderen zich hiermee niet
al te veel moeten bemoeien.
Hoewel deze gedachtengang de charme van de
eenvoud heeft, klopt hij niet. Het landschap werd
en wordt namelijk niet alleen door de boeren
gebruikt, maar ook door vele anderen. Uiteraard
kan dit alles niet los worden gezien van de tijdsomstandigheden.
Zo zijn er landschappen geweest
die in de loop der tijd natuurlandschap, natuurlandschap
met agrarisch gebruik, agrarisch cultuurlandschap
of cultuurlandschap met stedelijk
recreatief (mede)gebruik waren. Deze opsomming
kan naar believen worden verfijnd en uitgebreid.
Voortdurend wordt het beeld van de omgeving
bepaald door de wisselwerking tussen natuur
en cultuur en daardoor verandert het landschap
door de tijd heen. Opvattingen dat het landschap
er op een bepaalde manier uitziet, dat het altijd zo
geweest is en dat het altijd zo moet blijven zijn acultureel
en getuigen van een deerlijk gemis aan
historisch besef.
Hoe het kwam
Het oerlandschap van Zwolle bestond uit een
reeks zandruggen in een zeer natte omgeving.
Deze zandruggen lagen evenwijdig aan elkaar in
noordwest-zuidoostelijke richting. Ze waren in de
laatste ijstijd, 10 tot 80 duizend jaar geleden, door
de wind gevormd. Tussen die zandruggen lagen
laagtes die in oppervlakte groter waren dan de
ruggen en die zeer nat waren door de talrijke rivieren
en beken die er doorheen stroomden. Het was
land dat velen nauwelijks zouden beschouwen als
land. Het was een stroomgebied, een benedenloop,
een delta.
Het aardige is dat de ‘ribbels’ van dit gebied
nog altijd herkenbaar en vertrouwd zijn. Achtereenvolgens
van zuidwest naar noordoost waren
het de hoogtes van Oldeneel en Schelle; van Ittersum,
Assendorperlure en Spoolde; van AssenZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
dorp, Zwolle ten zuiden van de Melkmarkt en
Westenholte; van Zalné en Dieze; van Herfte, Berkum
en Langenholte.
Een vergelijkbaar landschapsbeeld kunnen we
nu nog aanschouwen in Noordoost-Polen en in
de Donaudelta in Roemenië. Wat we daar aantreffen
zijn waterrijke gebieden met veel bos, zowel
lage vloedbossen als hoogopgaande bossen met
oude, dikke bomen, afgewisseld met moerassige
en grazige open vegetaties waar wilde of halftamme
runderen en paarden zorgen voor een afwisselend
landschapsbeeld.
Het cultuurlandschap van Zwolle, dat in dit
natuurlijke landschap ontstond, ontwikkelde zich
op dezelfde wijze als alle cultuurlandschappen in
Oost en Zuid-Nederland. Ongeveer 5000 jaar
geleden vestigden de bewoners – tot dat moment
levend als jager en visser – zich als landbouwer in
dit gebied. Als woonplaats kozen ze de randen van
de hoogtes. In de richting van de waterloop ontgonnen
ze de grond als weiland en hooiland en op
de hoge plekken legden ze akkers aan. De allerlaagste
delen bleven vooralsnog moeras, de hoogste
delen bos. . > •
Hoe we het weten
De voornaamste bron van kennis over de landschapsontwikkeling,
behalve geologische, bodemkundige
en ecologische informatie, bestaat uit
landkaarten. Vooral de topografische kaarten, die
vanaf 1850 verschenen en regelmatig werden geactualiseerd,
geven een goede indruk van de veranderingen
in het landschap. Oudere kaarten zijn
daar minder geschikt voor, omdat die voor een
bepaald doel werden gemaakt, bijvoorbeeld om
een stad weer te geven, de ligging van verdedigingswerken
of de omgeving van een bepaald
landgoed. Een allesomvattend beeld van het
bewuste gebied bieden die oude kaarten dus niet.
Hoe het cultuurlandschap, het platteland, eruitzag
valt er niet uit op te maken.
Behalve kaarten geven pok schilderijen ons
een beeld van het vroegere landschap. Het blijft
echter vaak giswerk, of deze afbeeldingen topografisch
correct zijn, of dat de fantasie van de schilder
en de karaktertrekken van de stijlperiode bepalend
zijn geweest.
-f V. I
•/;y
Tenslotte is uit de recente historie fotografisch
materiaal beschikbaar. Het probleem daarbij is
echter dat de foto’s dikwijls moeilijk exact zijn te
situeren, zodat ook hierbij de informatie vooral
exemplarisch is. Een uitzondering hierop is de
documentaire fotografie; bijvoorbeeld wanneer
een gemeente foto’s laat maken voor onteigenings-
of verwervingsprocedures in verband met
de aanleg van woonwijken of wegen.
Hoe het was
De topografische kaart van circa 1900 van Zwolle,
toont een stad die wordt gedomineerd door de
voormalige vesting. Op dat moment hoorden
slechts de oude voorsteden buiten de drie stadspoorten
en het westelijk deel van Assendorp bij de
stadsbebouwing. Voor de rest bestonden Zwolle
en Zwollerkerspel uit buitengebied. De ontsluiting
door doorgaande wegen was beperkt en ongetwijfeld
was het leven er rustig …. en agrarisch.
Bebouwing was nog steeds voornamelijk te vinden
op de zandruggen. Daartussen lagen brede laagtes
of dalen, elk met zijn eigen riviertje of wetering.
Complexen bouwland waren te vinden in Langenholte,
tussen de verschillende delen van Berkum,
in Dieze richting de Kloosterberg (waar boe-
Dieze omstreeks 1900.
Buiten de oude voorstad
is er nauwelijks bebouwing.
Nu liggen hier
Holtenbroek en Aa-landen.
De Kloosterberg is
de Klooienberg.
(Foto: collectie Knigge)
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Han Prins schilderde in
1951 dè stadsrand nog
aan dé Assendorperdijk.
derderijnamen als De Hel, De Hemel, Het Slot,
’t Holt en ’t Blik haast dwingen tot nostalgie), op
de Oosterenk en langs de Lure. Voor de rest
bestond het landschap uit grasland met plaatselijk
een enorme dichtheid aan beplante kavelgrenzen,
vermoedelijk rijen knotwilgen en knotpopulieren.
Deze kleinschalige weidegebieden lagen vooral
tussen Schelle, Oldeneel en Ittersum en verder ten
zuiden van Westenholte langs de IJssel en in Langenholte.
Wijdse open landschappen lagen ten
zuidoosten van de stad: in het weteringengebied
van Mars en Geeren, in de Polder Sekdoorn en
verder richting Windesheim.
Tuinbouw kwam voor in de oude voorsteden:
ten zuiden van de Hoogstraat, langs de Middelweg
en de Langenholterweg en langs de Assendorperdijk.
Bij Oldeneel waren talrijke boomgaarden.
Bos van enige oppervlakte tenslotte, was te
vinden op de Agnietenberg, op Zandhove en tegenover
Zuthem.
Van de nieuwe tijd was toen nog weinig te
zien. Alleen het spoorlijnennet was compleet en
telde zelfs nog een lijn meer dan tegenwoordig: de
stoomtram naar Dedemsvaart.
Hoe het werd
Wanneer we de situatie van rond 1900 vergelijken
met de huidige, dan valt direct op dat er zo weinig
buitengebied in Zwolle is overgebleven. In krap
honderd jaar is de stad de gemeentegrenzen dicht
genaderd. Landschap is er echter nog steeds en het
oude landschap is in grote trekken nog herkenbaar.
Wel moet je constateren dat het buitengebied
niet alleen kleiner is dan vroeger, maar ook minder
geleed. Er is minder verschil, de nivellering
heeft huisgehouden. De kleinschalige graslandcomplexen
met veel knotbomen zijn nog slechts
fragmentarisch aanwezig tussen Schelle en Oldeneel
en bij de Spoolderenk. Boerderijen liggen nu
niet meer alleen op de dekzandruggen maar ook
in de laagtes. Slechts enkele delen van de gemeente
zijn nog weids en open: het gebied van Sekdoorn
heeft nog veel van zijn oude allure en verlatenheid
en ook tussen Wijthmen en de Marshoek bepaalt
vooral de ruimte het landschap.
Maar de ruimte is al snel eindig. Zo doorsnijden
niet meer alleen spoorlijnen, maar ook hoogspanningsleidingen
en autowegen het landschap.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
Nieuwbouwwijken en industrieterreinen, recreatiepiassen
en wandelparken beslaan het overgrote
deel van het gemeentelijk grondgebied. De goede
waarnemer vindt er nog veel overblijfselen van
het oude boerenlandschap, zeker na het raadplegen
van ‘oude kaarten en foto’s. Soms zijn dat
wegen – Assendorperdijk, Diezerenk, Helderlichtsteeg,
Bloksteeg. Soms zijn het restanten van de
rijen knotbomen – vooral in Zwolle-Zuid. Soms
zijn het erfbeplantingen of leilindes die zijn opgenomen
in het stedelijk groen. Maar soms is er
niets meer wat nog herinnert aan het groene verleden.
Holtenbroek en grote delen van de Aalanden
bijvoorbeeld zijn gebouwd op een tabula rasa:
eerst werd rigoureus het oude landschap opzijgeschoven
en bedolven, pas daarna werd er
gebouwd. Helaas gebeurde dit nogmaals in Hanzeland.
Bij deze ‘gouden locatie’ paste kennelijk
geen restant van het verleden, zodat Assendorperlure
met Luurderschans van de kaart geveegd werden.
Hoe het verder gaat
Is er nog landschap na 2000? Ja, natuurlijk. De
vraag is alleen, wat voor landschap. De landbouw
zal niet meer centraal staan en in tegenstelling tot
vroeger zal deze niet meer de motor zijn van het
platteland; wel de verzorger. Nog meer dan nu, zal
het Zwolse platteland stadsrand zijn, hoofdzakelijk
bedoeld voor het welzijn van de Zwollenaren,
dus vooral stedelingen. Die zullen ook moeten
betalen voor het behoud en onderhoud van het
landschap. Behalve voor het menselijk welzijn is
het landschap er voor de natuur. Wat vroeger normaal
en zonder veel inmenging van buitenaf functioneerde,
moet nu met ambtelijke en bestuurlijke
nota’s geregeld worden. Gelukkig echter laat de
natuurfunctie zich dikwijls goed combineren met
de stedelijke functie. De toekomst van het Zwolse
landschap is hiermee duidelijk. Uitloopgebied
voor stedelingen en ruimte voor de natuur. En
uiteraard ook inspiratiebron voor liefhebbers,
kunstenaars, fotografen en mensen die op zoek
zijn naar hun wortels.
En de boeren? Zij kunnen niet gemist worden.
Het is in het belang van het landschap dat er vitale
en grondgebonden landbouw blijft bestaan. Zonder
de geur van mest, het geronk van trekkers en Zwolle op de drempel
het loeien van koeien kan het landschap gewoon van de2i-eeuw. Het
niet. Ook niet na 2000! platteland is vooral
stadsrand geworden.
(Foto: collectie Knigge)
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen uit een boerenleven
W. Koersen
‘Mastenbroek’, ‘Santemafabriek’of’Blokmelk’
aan de Gasthuisdijk
in Frankhuis. Later
werd d^ze fabriek opgenomen
binnen de
Coberco (foto: W. Koersen).
Melkveehouder W. Koersen (1933) uit
‘s-Heerenbroek stamt uit een geslacht,
dat al generaties lang behoort tot de
boeren rondom Zwolle. Als het gaat om de handel,
stelt hij diplomatiek, is er sprake van een
‘directe en innige verbinding met de stad.’ In een
aantal schetsen geeft hij weer, hoe het boerenleven
van vóór en kort na de oorlog er in zijn herinnering
uitziet.
Van heinde en verre
Als de boerenbevolking op vrijdag naar de markt
trok, dan was dat één grote mode-show, waarbij
de donkere kleuren overheersten. Vooral degenen
die uit Mastenbroek, uit ‘s-Heerenbroek en uit het
achterland van Kampen en het Kampereiland
kwamen, hadden niet veel kleur in hun garderobe.
De vrouwen droegen vaak zwarte rokgewaden en
witte mutsen in allerlei vormen (waarbij er
natuurlijk een verschil bestond tussen de door-deweekse
dracht en die voor de zondag). De Genemuidenaren
waren te herkennen aan hun zwarte
klompen.
De Staphorster en Rouvéense vrouwen droegen,
zoals nog steeds, bontgekleurde en van stipwerk
voorziene kraplappen. Ook de vrouwen van
de Veluwe waren meestal, als het om de kleur
ging, wat luchtiger gekleed.
Over de ouderwetse boerenbroek met de klap
vanuit het kruis, in plaats van een gulp, deed mijn
vader eens het volgende (volgens hem authentieke)
verhaal. Op zekere dag kreeg hij van een jongeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
i De Stoomzuivelfabriek
! in ‘s-Heerenbroek
(foto: W. Koersen).
dame, die op de fiets voorbij kwam en afstapte, de
vraag hoe laat het was. Om die vraag te kunnen
beantwoorden moest mijn vader zijn horloge te
voorschijn halen, maar dat bevond zich achter de
klap. Hij begon de knopen aan weerszijden bij de
heup los te maken, maar voor hij zijn horloge te
pakken had, was de jongedame er al lang vandoor.
Voor de handel gingen niet alleen de boeren
naar de stad, maar omgekeerd waren er ook tal
van neringdoenden die van heinde en verre langs
de boerderijen trokken. Eén van hen was de zadelmaker
Veluwenkamp, met zijn klemstok op de
rug waaraan zijn gereedschapszak bungelde. Paardetuigen
werden ter plaatse gerepareerd. In mijn
gedachten kan ik nog de lucht opsnuiven uit die
zak met ledervet en in traan gedompeld touw.
Ook ‘Tinus de stoelenmatter’ uit de Hoogstraat
en Henk Wieringa (wiens vader een kledingzaak
had aan de Oude Vismarkt) waren graag
geziene gasten. Met een grote koffer verscheen
Wieringa in de woningen, waarna een keuze kon
worden gemaakt uit de voorraad kleding.
Zeer bekend was, al in de jaren twintig, de
juwelier Aron Krukziener die tot 1934 woonde op
nummer 27 in de Kamperstraat en daarna op Diezerstraat
56. Hij trok ook rond met een vaste kruier.
Eerst was hij dan met een wagen vol spullen
naar een boer in ‘s-Heerenbroek getrokken. Daar
stond de grote kruiwagen gereed. De kruier had
het niet gemakkelijk, want behalve de last op de
wagen had hij ook nog een zeel op zijn rug. Vele
zilveren brandewijnkommetjes, lepeldoosjes,
gebakvorkjes en gouden zakhorloges (voor de
zoons die 21 jaar werden) geraakten zo in de boerenkabinetten.
Tijdens één van zijn expedities
naar Mastenbroek stierf Krukziener aan een hartaanval.
Bij de veeboeren waren de gebroeders Leo en
David van Tijn belangrijke figuren. Hun ouders,
die rond de eeuwwisseling een groot huis bewoonden
aan de tegenwoordige Harm Smeengekade
tegenover de Keersluisbrug, zaten ook in de handel.
Dit huis stond dus precies op het einde van de
vee- of beestenmarkt die op de kade langs de
gracht werd gehouden. De varkensmarkt vond
plaats op de Pannekoekendijk, in het verlengde
van de Harm Smeengekade.
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRFFT
De ‘Hoop op Zegen’ aan
de Philosofennallee
(foto: W. Koersen).
Als kleine jongen kreeg ik chocolade of snoepjes
van Leo en David en later, als jonge boer, verkocht
ik hun weer koeien. Ze overleefden, met
hun zuster Lea, de oorlog door onder te duiken in
de Mastenbroeker polder. Nadien, toen ze inmiddels
op hoge leeftijd waren, gingen ze nog steeds
bij de boeren langs om vee te kopen. Een taxi van
de firma Tadema, met als chauffeur Eef van de
Gronden, reed hen rond. Bij hun begrafenis op de
joodse begraafplaats aan de Kuyerhuislaan heb ik,
volgens de joodse traditie, een schep zand op hun
graf mogen gooien.
Zuivelfabrieken
De eerste Zwolse zuivelfabriek, genaamd ‘Mastenbroek’,
stond aan de Gasthuisdijk in Frankhuis.
Het was een particuliere fabriek, onderdeel van de
Zwitserse onderneming ‘Gruyère.’ Deze fabriek
werd onder de boeren lange tijd de ‘Santemafabriek’
genoemd, naar de vooroorlogse direkteur
F.J. Santema. Een andere naam was de ‘blokmelkfabriek.’
Er werd namelijk ‘blokmelk’ geproduceerd,
ingedampte melk met suiker erbij die in
afgekoelde vorm in blokken werd verhandeld.
Na 1900 werden er in Zwolle twee coöperatieve
zuivelfabrieken gebouwd. De ‘Hoop op Zegen’,
van 1903, stond aan de Philosofenallee en kreeg de
melk voornamelijk van de zuivere veeboeren ten
oosten van Zwolle, dus uit Berkum en Langenholte,
en zelfs uit Dalfsen. De ‘Eendracht’, gebouwd
in de jaren 19164917, stond aan de Berkumstraat en
kreeg de melk vooral van tuinders rondom Zwolle,
die ook vee hielden. Een paar veeboeren uit
Spoolde en Westenholte leverden hier eveneens.
De grote veeboeren uit Mastenbroek peinsden er
echter niet over hun melk naar Zwolle te brengen.
Zij richtten daarom in 1915 de coöperatieve
‘Stoomzuivelfabriek ‘s-Heerenbroek’ op. Het
bewind van de eerste direkteur was geen succes.
Wellicht omdat de man ook nog een boerderij in
Twente kocht en in Zwolle een slijterij dreef aan
de Grote Markt, genaamd ‘De drie flesjes.’ Dan
was er ook nog de modelboerderij – zeer hygiënisch
met onder andere betegelde muren – van
Tromp in Spoolde. Daar betrok het Sophiaziekenhuis
de melk. Na de oorlog werd die leverantie
overgenomen door boer Dubbeldam uit het
Engelse werk. Ik zie hem nog zo op een zondagZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
morgen, toen wij ter kerke gingen, in zijn jeep met
kratten melk over de Veerallee rijden.
Met de jeep
De jeep van boer Dubbeldam was waarschijnlijk
gekocht via de Marshall-hulp. Veel boeren schaften
zich toen zo’n vierwiel aangedreven trekkracht
aan, ter vervanging van de paarden waaraan toen
een groot gebrek bestond. De leverancier in deze
streek was de firma B.J. Schurink, die was gevestigd
op de hoek van de Veerallee en de Nieuwe
Weg, die nu Kamperweg heet.
De jeeps werden geleverd in twee kleuren, grijs
en heel donkerblauw. Berend Jan Schurink, die
zelf rondreed in een oude vooroorlogse vierkante
Citroen, gaf ook les. Meestal gebeurde dat, tot
groot vermaak van de buren, ergens achter op het
land. Lang duurde die vreugde niet. De trekkers
verschenen, maar ook de echte paardenkrachten
kwamen weer tot leven.
Op de Biggenmarkt aan
de Pannekoekendijk in
Zwolle, vermoedelijk
omstreeks 1930. (foto:
W. Koersen).
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerinnen en Plattelandsvrouwen
Jolande Haverkort
Op de landbouwtentoonstelling
Zwolland
in 1928 was ook de
Landbpuwhuishoudschool
‘DeRollecate’
met een stand present
(foto: Archief’De Rollecate’).
In 1982 ging de eerste cursus Landbouwschool
voor (jonge) boerinnen van start aan de Rijksmiddelbare
Landbouwschool te Zwolle. De
cursus was een groot succes. Er waren 24 deelnemeemsters.
Bovendien stonden nog eens 40 vrouwen
op de wachtlijst. De cursus voorzag duidelijk
in de behoefte aan een vakspecifieke opleiding.
Die behoefte was ontstaan doordat het aandeel
van vrouwen in de landbouw groter was geworden
en doordat hun taken op het boerenbedrijf waren
toegenomen en veranderd. Betaalde krachten
waren voor velen onbetaalbaar geworden en in
gezinsbedrijven was de arbeid van man en vrouw
samen hard nodig. De tijdsgeest zorgde ervoor dat
vooral de jongere en beter opgeleide vrouwen niet
alleen wilden mee-werken; ze wilden ook meeondernemen.
De boerinnen van vandaag zijn
medeverantwoordelijk voor het bedrijf, ze lopen
risico’s en brengen zelf ook kapitaal in.
Toch worden ze nog steeds in de eerste plaats
gezien als huisvrouw en moeder en pas in de tweede
plaats als boerin met deeltaken in het bedrijf, en
dan zowel Voor’ als ‘achter’. Maar ‘achter’ gaat in
veel gevallen nog altijd voor. Een terugblik…
‘Voor’ en ‘achter’
De boerin heeft altijd een belangrijke rol gespeeld
in de bedrijfsvoering, ook al was haar taak niet op
elk bedrijf dezelfde. De bedrijfsgrootte en de aanwezigheid
van meerdere generaties op één bedrijf,
waren bijvoorbeeld factoren die meespeelden bij
de bepaling van de werkzaamheden van de boerin.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
CORSETTEN
Alleen verkoop van deberoemde
Engelsche
„Langley ‘Corsetten
„Langley” brengt een Cörset voor
ieder figuur.
„Langley” verwerkt uitsluitend de
beste stoffen.
„Langley” verkoopt ieder Corset
met volle garantie.
B O N D VA N B O E RIN N E N E N
Donderdag 23 April ’s nam. half drie
zal in de vergaderzaal der Cööpera-
; tieve Landbouwersbank te Zwolle
Mevrouw WÏERSMA – RISSELADA van
Leeuwarden, uiteenzetten het doel, van
-de Bond van Boerinnen en andere platte-
. ; .;• Tahdsvrouwen. Getracht zal worden!in Zwolle
/-.en, omgeving ;een’afdeeling van]bovengenoemde
Bond op te richten. Dus Boerinnen en
andere plattelandsvrouwen kom t allen
Het Bestuur der Vereeniging vari oud-leerlingen
van Landbouwhuislioudcursussen te .Zwolle
De advertentie in de
POZC van 16 april 1931
die het officiële begin
van de Bond van Boerinnen
en andere Plattelandsvrouwen
inluidde.
Ook werd de arbeid van vrouwen op agrarische
bedrijven niet altijd zichtbaar in cijfers.’
Een indeling in ‘voor’ en ‘achter’ was echter
van oudsher wel op elk bedrijf te vinden. De boer
had zijn werkzaamheden in het achterhuis en de
boerin de hare in het voorhuis, inclusief moestuin
en boomgaard. Daarnaast had ze vaak nog de zorg
voor het kleinvee, de schapen, de kippen en eventuele
zuivelbereiding. Door de zorg voor de kippen
(de eieren mocht ze verkopen en het geld zelf
houden) en de zuivelbereiding (boter, kaas en
melk) was de boerin bij specifieke onderdelen van
het bedrijf betrokken.
In de loop van onze twintigste eeuw veranderde
haar rol. Al heeft de boerin in de meeste gevallen
nog steeds de zorg voor het voorhuis, tegenwoordig
is ze zeker ook bij het gehele bedrijf
betrokken. De boerin werd uit het isolement van
het voorhuis gehaald en er werd haar een venster
op de wereld geboden.
Tal van instanties hadden een rol bij de totstandkoming
van deze verandering en ze speelden
erop in door bijvoorbeeld het geven van onderwijs
en voorlichting. Een aantal van deze instanties
wordt hierna belicht.
Het landbouwhuishoudonderwijs
In Nederland was voor de boerenzonen vanaf 1890
landbouwonderwijs in de vorm van bijvoorbeeld
landbouwwintercursussen beschikbaar. Zij werden
zo van tal van nieuwe ontwikkelingen binnen
de landbouw op de hoogte gebracht. Voor de boerendochters
waren er echter nog geen cursussen.
De scheiding tussen achterhuis (de boer) en voorhuis
(de boerin) werd op die manier eerder groter
dan kleiner. Langzaamaan groeide het besef dat
ook boerendochters landbouwonderwijs zouden
moeten krijgen. Het duurde echter nog tot 1909
voordat er een begin gemaakt werd met landbouwonderwijs
voor meisjes. In de praktijk werd
dit landbouw/iuis/ioudonderwijs voor boerendochters
en plattelandsvrouwen, omdat de boerin
in de eerste plaats als huisvrouw, vervolgens als
moeder en dan pas als boerin gezien werd. Het
landbouwhuishoudonderwijs diende ’ter verheffing
van het platteland.’ De boerendochters
moesten immers, net als de boerenzonen, voorbereid
worden op hun taak op de boerderij. Via het
onderwijs wilde men de vrouwen duidelijk maken
wat het belang en de betekenis van de landbouw
waren. Men hoopte zo de vrouwen te motiveren,
zodat ze hun echtgenoot zouden aanmoedigen tot
modernisering van het bedrijf. De middelen die
voor modernisering nodig waren zouden dan
mede-betaald kunnen worden uit de moderne
huishouding die de boerin via het onderwijs had
leren voeren, zo zuinig en efficiënt mogelijk. Het
motto in die tijd was dan ook: ‘Een gezond en zuinig
huishouden in een landelijke huishouding.’
Hygiëne en zowel de geestelijke als de lichame132
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op de fiets om nieuwe
leden te winnen. De
dames G. Schutte-van
Dijk (links) en E. Hildebrand-
Hulsebosch in
1935 (foto: particuliere
collectie).
lijke gezondheid werden steeds belangrijker. Zo
werd bijvoorbeeld het gebruik van de hooikist
aanbevolen. In deze kist met hooi kon het eten
gaar worden en warm worden gehouden. Dit was
heel wat hygiënischer dan de oude gewoonte om
een pan met eten in bed te zetten. Ook de bedstee
voldeed niet meer. Het ijzeren ledikant was in
opkomst, omdat het zindelijker en hygiënischer
was.
In Overijssel werd in 1912 te Enschede gestart
met landbouwhuishoudonderwijs. De eerste
(rijks)-opleiding voor landbouwhuishoudlerares
was ‘De Rollecate’ in Den Hulst, en huishoudlerares
Theda Mansholt had hier de leiding. Zij propageerde
het ‘goed doordacht huishouden’, waarbij
‘elke verrichting plaats diende te hebben met de
kleinst denkbare aanwending van tijd, weg en
kracht, bij tegelijkertijd het meest gunstige
gebruik van het materiaal.’
In 1915 gingen de eerste gediplomeerden van
‘De Rollecate’ aan het werk. In de beginperiode
werd meestal niet lesgegeven in een echt schoolgebouw.
De eerste cursussen werden gegeven op
allerlei locaties, bijvoorbeeld in café’s of om de
beurt bij de leerlingen thuis. De leraressen moesten
door weer en wind, meestal per fiets, heel wat
kilometers afleggen om hun diverse cursussen te
kunnen geven. Er was zeer veel vraag naar de cursussen.
Later werden daarom echte scholen opgericht,
op een vaste plaats. In het landbouwhuishoudonderwijs
werden lessen gegeven in koken,
voedingsleer, wasbehandeling en huishoudkunde.
Het kwam ook wel voor dat er lesgegeven werd.
door een onderwijzer met landbouwakte in de
vakken natuur-, schei- en plantkunde, in bemesting,
in groente-, fruit- en bloementeelt, en veevoeding
en -verzorging.
Ook in Zwollerkerspel was er in ieder geval
vanaf 1914 sprake van landbouwhuishoudonderwijs.
Het ging hierbij om ambulante cursussen,
die, zoals ook elders, plaatsvonden op allerlei locaties.
Een echte landbouwhuishoudschool heeft
Zwollerkerspel nooit gehad.
Op voorspraak van de Overijsselsche Landbouw
Maatschappij (OLM) werd in het voorjaar
van 1914 begonnen met een cursus voor boerendochters.
Er waren twaalf deelneemsters, die
gedurende negen maanden 2,5 uur per week les
volgden in huishoudelijke en landbouwkundige
onderwerpen. Mej. J. Huizinga, lerares aan de
Rijkslandbouwhuishoudschool De Rollecate, had
de leiding over de cursus.
In 1916 werd er van januari tot november een
cursus gegeven aan meisjes en volwassen vrouwen.
De gebruikelijke methode was het lesgeven
door middel van voorwerklessen. De lerares heette
Neeltje de Zeeuw. Zij was 21 jaar en kwam oorspronkelijk
uit Vlaardingen. Zij had in Schiedam
aan de huishoudschool het diploma huishoudkunde
behaald en had een LO-akte handwerken.
In april 1915 volbracht zij haar opleiding aan De
Rollecate. Met ingang van 1 juni 1915 werd zij door
de OLM benoemd tot onderwijzeres bij het landbouwhuishoudonderwijs
te Zwolle.
Voorlichting buiten scholen
In het Overijsselsen Landbouwblad, het officiële
orgaan van de Overijsselsche Landbouw Maatschappij,
werd in een speciale rubriek aandacht
besteed aan de boerin. Deze rubriek verscheen
overigens pas voor het eerst in 1919, drie jaar na de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 133
eerste uitgave van het blad in 1916. De titel van de
rubriek was: ‘Voor de huisvrouw’. De nadruk lag
op ‘rentabiliteit in de huishouding’ en ‘zindelijkheid
in de woning.’ Vóór alles werd de boerin dus
gezien als huisvrouw. Haar werd voorgehouden
dat zindelijkheid voor de gezondheid voorrang
moest krijgen op de zindelijkheid voor het oog.
Met andere woorden: men kon beter de voeten
eens wassen in plaats van slechts de klompen mooi
wit te schuren.
Vanaf 1920 verscheen er een nieuwe rubriek in
het Landbouwblad, ditmaal onder de naam ‘Voor
de boerin.’ In de begintijd van het bestaan van de
rubriek werd relatief veel aandacht besteed aan de
boerinnentaken, te weten de slacht, melkbehandeling,
melkwinning en teelt van groenten. In de
loop van de tijd kwam er meer nadruk te liggen op
huishoudelijke taken, van kledingverzorging tot
het wassen en strijken van boorden en manchetten
en schoonmaken van strohoeden. Ook aan
kinderverzorging werd ruim aandacht besteed.
Stichting voor Huishoudelijke voorlichting
De Stichting voor Huishoudelijke Voorlichting
ten Plattelande (HVP) werd opgericht in 1935. Initiatiefneemster
tot oprichting van de HVP was
Greta Smit, een bekende naam binnen het landbouwhuishoudonderwijs.
In de crisistijd van de
jaren dertig wilde de HVP de vrouwen leren met
de weinige middelen die zij nog hadden zoveel
mogelijk te doen. De HVP werd wel het zusje van
het landbouwhuishoudonderwijs genoemd. Er
werden cursussen gegeven in bijvoorbeeld koken,
tuinbouw, matrassen maken en naaien. Met name
de cursussen matras maken waren zeer populair.
Jaren later, toen de tijden weer wat gunstiger werden,
volgden ook cursussen beter bewegen en
woninginrichting.
Uit verslagen van de Commissievergadering
van de HVP blijkt dat ook Theda Mansholt en
Greta Smit van de partij waren. In de Commissievergadering
van 12 juni 1937 werd hulde gebracht
aan mevrouw Smit, initiatiefneemster van de
HVP. Er was echter nog veel werk te doen, want de
armsten werden nog onvoldoende bereikt. Wel
was men van mening dat de HVP een gunstige
invloed op het landbouwhuishoudonderwijs had.
De HVP-cursussen kenden vanaf het begin
een grote belangstelling. In de gehele provincie
Overijssel werden in 1936, dus vlak na de start van
de HVP in 1935, 102 cursussen gegeven bij een
totaal leerlingenaantal van 2234. In 1937 was het
aantal cursussen gestegen tot 132 en bedroeg het
aantal leerlingen 2664.
Ook in Zwollerkerspel was de HVP actief. Tussen
november 1947 en oktober 1951 was het de
In 1947 ging de afdeling
Zwollerkerspel met
veertien leden in klederdracht
naar het congres
van hetACWW, de
Wereldbond van Plattelandsvrouwen,
in
Amsterdam. Pas sinds
1978 overigens, is de
afdeling lid van het
ACWW. In dat kader
bestaat er een uitwisselingsprogramma
met
Culmstock in Engeland
(foto: particuliere collectie).
134 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Böndslied van de
NBvP. ‘Opgewekt in
marstempo te zingen’
(particuliere collectie).
huishoudlerares D.J.H. Heukers die het rayon
Westen (van Overijssel) en IJsselstreek namens de
HVP onder haar hoede had. In 1947 gaf ze aan
achttien deelneemsters een cursus huishoudelijke
voorlichting in Berkum. Te Berkum, te Windeshei
m en in Schelle gaf zij in 1948 verscheidene
kookcursussen aan gemiddeld achttien leerlingen.
De algemene opvatting was dat de HVP niet
gezien moest worden als concurrentie voor het
landbouwhuishoudonderwijs voor meisjes. De
voorlichting van de HVP was bestemd voor
getrouwde en ongetrouwde vrouwen die een huishouden
voerden. Men meende echter dat de
ideale situatie zou moeten zijn dat het niet een
kwestie was van of onderwijs of voorlichting,
Voor piano en orgel
(kan ook dienen voor
vierstemmig koor)
Woorden en muziek
van ) . P. Wiersma
Opgewekt in marstempo te zingen
Sopr.
r p r p T ^ T T f T ‘ r r r
pi.Wii vrou-wen van hot (and. Zijn1 hecht aan-een ver – bon-den. Wij
2. Ons drijft één-iclf-de drang. Ons bindt één-zelf de stre-ven. Om
m
3. Kom, plat – te-lam ; naar uw ver
1. stre – ven hand aan hand, En ma – Eten sterk—
2. hoog voert on • ze gang. Naar scho • • ner vorm_
b J L
Uw wil. Uw trouw, Zal kracht var – ho – gen.
p r^ r r r r ” r r
I lic • d’en roept ons op. Om on – ie kracht te wjj – den,
2. jiloe – gen on • ze grond En zoo – ken goe • de we gen,
I K J. J> J. J i i J J II
3. wil – ten voot
3. heil van i Vi
maar dat beide elkaar zouden moeten aanvullen.
Naast het geven van cursussen en voorlichting,
legde de HVP ook huisbezoeken af, waarbij men
huishoudelijke voorlichting gaf en ook adviezen
met betrekking tot inrichting van de woning,
’s Zomers werden er geen cursussen gegeven; dan
waren alle handen nodig bij de werkzaamheden,
op het land.
In 1950 werden in Zwollerkerspel nog twee
kookcursussen aan 34 leerlingen gegeven. Vanaf
1951 werd de subsidie voor de HVP verminderd,
maar toch was ze tot 1979 actief. Een actie in
1956-1957 om via het landbouwhuishoudonderwijs
tot betere voedingsgewoonten te komen was
bijvoorbeeld een groot succes.
Het winterprogramma 1957-1958 vermeldde
kookcursussen, een wascursus, een tuinbouwcursus,
naaicursussen en diverse lezingen. Onderwerpen
van die lezingen waren onder andere ‘Van
tuin naar tafel’ over gezonde voeding, ‘Inmaak’,
‘De slacht’, en ‘Inrichting van de keuken.’ Voor
deze laatste cursus was een demonstratiekoffer
beschikbaar, met allerlei huishoudelijke materialen,
die in het Landbouwhuis te Zwolle bewaard
werd. Opnieuw bleek hieruit de samenwerking
tussen de OLM en bijvoorbeeld HVP en landbouwhuishoudonderwijs.
Aan cursussen als
“s Avonds nog fit’, over werkhouding en indeling
van de werkzaamheden, en ‘Inkomstenbesteding’
valt af te lezen dat de accenten enigszins gingen
verschuiven. D

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 4

Door 1996, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
• ft • « . ‘
n i k . . * « • . . ‘ •
m
1 3 E J A A R G A N G I 9 9 6 N U M M E R 4 P R I J S F 9 . 5 0
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Gemeente
“Zwëïïe
archief
Ansichtkaart Voorstraat,
poststempel 4 januari 1904
“L.E.!
Heb vanmiddag heerlijk met Antoon op de ijsbaan
gereden. Jammer datje er niet bij waart.
Vele groten van thuis en ook van Juffr. v/d Ven (die
morgenvroeg omgu. naar Breda gaat terugstoomen)
en v. Holterman, maar vooral van je liefh. G.
De dienstmaagd in no. 60 is weer beter. Groet svp
Allen bij je van mij. Adieu!
U’en allen van mij gegroet, Antoon.”
(Verticaal:) “Kantoor der firma G.J. Schuttelaar &
Co woning van G.J. Sch”
Ee
I en ansichtkaart uit het begin van deze eeuw,
verstuurd tijdens een periode van strenge
/vorst die eind 1903 was ingevallen en zo’n
drie weken zou aanhouden. De Zwolse krant
maakte begin januari 1904 herhaaldelijk melding
van druk ijsvermaak op de grachten en ijsbaan; ijspret
waaraan de afzender van de kaart ook refereert.
Het op de kaart met een pijltje aangegeven
pand, nu Voorstraat 32, der Fa. Schuttelaar, Handelsagent,
is een der weinige gebouwen aan die
kant van de straat dat er tegenwoordig nog staat.
Dit is eveneens het geval met het hoekhuis op de
Luttekestraat, de de rest van de daartussenliggende
gevelwand heeft de laatste veertig jaar plaats
gemaakt voor nieuwbouw. Onder meer Voorstraat
26, dat eind jaren ’50 werd gebouwd als
nieuw onderkomen voor drukkerij Tijl, maar
waar sinds 1969 het Gemeente Archief gehuisvest
is. Op dit toenmalige adres in de Voorstraat, nu
nr. 43, was in 1904 het kantoor en vergaderlokaal
van het Christelijk Werkliedenverbond Patrimonium
gevestigd. Daar was in ieder geval geen sprake
van een inwonende dienstbode. Misschien
werd er een ander adres bedoeld of was het
gewoon een verschrijving.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Redactioneel Inhoud
Twee uitersten in tijd komen in deze aflevering
samen. Allereerst de Middeleeuwen. I. Wormgoor
beschijft de oudste geschiedenis van het vrouwenklooster
het Oldeconvent dat in de huidige Praubstraat
stond. Opmerkelijk is de toenemende
invloed, niet alleen van de kerk, maar ook van het
stadsbestuur.
De middeleeuwer stelde zich het kwaad voor
in de vorm van geesten en spoken die de mensen
op het verkerde pad wensten te brengen. Ook het
klooster van Windesheim met de vrome moderne
devoten plachten ze te bezoeken. Hoe Thomas a
Kempis met hen afrekenden wordt duidelijk uit
het artikel van F. D. Zeiler.
De gang van de Middeleeuwen naar de moderne
tijd kost in deze aflevering niet meer dan het
omslaan van een pagina. In de negentiende eeuw
hielden andere zaken de mensen bezig dan spoken
en geesten. Waarover Elsje Feith zich zorgen
maakte en waaraan ze plezier beleefde is te lezen in
de bijdrage van J.C. Streng.
Op een wandeling naar de Burgemeester van
Roijensingel leidt DJ. Rouwenhorst de lezer naar
nummer 13. Het is een markante villa waarvan hij
de bijzondere geschiedenis tot het recente verleden
uit de doeken doet.
Waar haalden de Zwolse rechters, notarissen,
advocaten en procureurs in de negentiende eeuw
hun juridische kennis vandaan? Zij waren lid van
de vereniging Themis die tot dat doel een grote
boekencollectie in stand hield. Het trieste lot van
particuliere bibliotheken is dat ze veelal weer uiteenvallen
na het overlijden van de eigenaar. Voor
instellingen geldt dat ook, zoals uit het artikel van
JJ.Heijs blijkt.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
De eerste jaren van het Oldeconvent Ingrid Wormgoor
110
112
Thomas a Kempis verjaagt een spook.
Drie Zwolse wonderverhalen uit de vijftiende eeuw Frits David Zeiler 118
‘Lieve Naatje’ J.C. Streng
In de wandelingen van een villa. De geschiedenis van de villa
aan de Van Roijensingel 13 Derk Jan Rouwenhorst
De ‘boekverzameling’ Themis J.J. Heijs
Literatuur
Mededelingen
Agenda
Auteurs
123
129
135
138
141
142
143
Omslag: Boschwijk geschilderd door de broer van Elsje Feith, de amateurschilder
Louis Rutger. (foto: Stedelijk Museum Zwolle)
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De eerste jaren van het Oldeconvent
Ingrid Wormgoor In de eerste jaren van haar bestaan als stad,
waren er in Zwolle geen kloosters binnen de
stadsmuren gevestigd. Pas in 1309 stichtte Bernardus
van Vollenhove het eerste klooster in de
stad: het Bethlehemklooster. Dit klooster was
bestemd voor mannen.
Het Oldeconvent in de Begijnenstraat – de huidige
Praubstraat – was het eerste Zwolse vrouwenklooster.
Het ontstond in de loop van de veertiende
eeuw. Dit artikel handelt over de eerste jaren
van dit klooster, vanaf het ontstaan tot de hervorming
van de leefregels, die aan het eind van de
veertiende eeuw plaatsvond.
Ontstaan
Over de periode van ontstaan, de organisatie en
oudste geschiedenis van het Oldeconvent is vrijwel
niets bekend. Het eerste bericht dat wijst op
een vorm van religieus leven voor vrouwen, is een
oorkonde uit 1361. Hierin schenken Rolof die
Baerscheerre en zijn vrouw Jutte, geld aan een
aantal kerkelijke instellingen, voor het geval zij
zouden overlijden tijdens hun pelgrimstocht naar
Santiago de Compostella. Onder de begunstigden
zijn de begijnen, die voor het beloofde bedrag
dagelijks moeten bidden voor Rolof.1
Op basis van deze oorkonde kunnen we twee
dingen concluderen. Ten eerste was er slechts één
groep vrouwen in de stad die bekend stond als
begijnen. Ten tweede hadden deze begijnen een
zodanige organisatie dat hun gevraagd kon worden
voor iemand te bidden. Al het overige is
uiterst speculatief.
Wel kunnen we aan de hand van gebeurtenissen
elders, een mogelijkheid opperen over het
ontstaan van het Oldeconvent. Het is bijvoorbeeld
heel goed mogelijk dat deze groep begijnen al lange
tijd bestond. Vanaf het eind van de twaalfde
eeuw waren er namelijk op verschillende plaatsen
in West-Europa vrouwen die een vroom en kuis
leven leidden zonder in een klooster in te treden.
Zij werden aanvankelijk mulieres religiosae ofwel
religieuze vrouwen genoemd; ongeveer vanaf het
jaar 1200 worden deze vrouwen meestal begijnen
genoemd. Omdat zij zich niet hadden aangesloten
bij een van de kerkelijk erkende kloosterorden, en
niet de drie bekende kloostergeloften van armoede,
gehoorzaamheid en zuiverheid aflegden,
waren het geen kloosterlingen.
Sommige van deze vrouwen woonden bij hun
familie. Anderen leefden in hun eigen huis of
samen met enkele geestverwanten in een huis of
hof. Later werd deze begijnenbeweging strakker
georganiseerd: de vrouwen namen regels aan en er
ontstonden gereguleerde instellingen, de begijnhuizen
en begijnhoven. In Zwolle is het nooit tot
de stichting van een begijnhof gekomen.2
Het Oldeconvent is waarschijnlijk ontstaan
doordat op een gegeven moment een aantal vrouwen
ging samenwonen. Zo’n losse en informele
beginperiode kan het gebrek aan informatiebronnen
verklaren.
Minderbroeders
Aan het eind van de veertiende eeuw waren de
bewoonsters van het Oldeconvent aangesloten bij
de derde orde van Franciscus.3 Ze stonden onder
leiding van de Minderbroeders van Kampen, die
een termijnhuis4 bezaten in de Begijnenstraat,
naast het Oldeconvent. Het is echter niet zeker of
de begijnen van het Oldeconvent vanaf het begin
af aan onder leiding van de Minderbroeders stonden.
Wanneer het Oldeconvent inderdaad uit een
losse organisatie van vrome vrouwen is voortgekomen,
is het zelfs waarschijnlijker dat de Franciscanen
pas later invloed kregen. Het was namelijk
vrij gebruikelijk dat begijnen na verloop van tijd
de derde regel van Franciscus aannamen. Zij werZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
Het Oldeconvent in
1627; tekening van
Jacobus Stellingwerf
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
den daardoor nog geen kloosterlingen. Ze legden
wel een belofte af, maar niet de drie plechtige
kloostergeloften. Wel ontvingen zij enige voorrechten
van kloosterlingen. Zo mochten ze bijvoorbeeld
een draagbaar altaar hebben en waren
ze vrij in de keuze van een visitator. Persoonlijk
mochten zij gelofte van zuiverheid afleggen.
Over de kwaliteit van de leiding die de Minderbroeders
gaven is weinig bekend. Alleen indirect
is er iets van te zeggen. Gedurende de eerste
helft van de veertiende eeuw kregen de broeders
regelmatig schenkingen van de inwoners van
Kampen. Blijkbaar droegen zij ‘hun’ broeders in
die tijd een warm hart toe.5 Later ging het stadsbestuur
van Kampen zich meer met de Franciscanen
bemoeien. Zo kwamen schepenen en raad in 1371
met hen overeen dat vrouwen het klooster niet
meer zouden bezoeken (behalve de kerk) en dat de
broeders geen begijnen meer zouden bezoeken op
hun kamer. Weer later, in de vijftiende eeuw,
bevorderde het stadsbestuur een strengere observantie.
6 Een en ander kan erop wijzen dat het
Franciscanenklooster aanvankelijk goed functioneerde
en de discipline niets te wensen overliet.
Na verloop van tijd verminderde de kloosterdiscipline
mogelijk, waardoor het stadsbestuur van
Kampen een nadere overeenkomst nodig achtte.
De kwaliteit van de leiding die de Franciscanen
aan vrouwenkloosters in en buiten Kampen
gaven, ging ongetwijfeld op en neer met hun
interne kloosterdisipline. In elk geval waren Henricus
van Gouda en Geert Grote van mening dat
de leiding van de Minderbroeders en de discipline
onder de bewoonsters van het Oldeconvent te
wensen overliet.
Hervorming
Henricus van Gouda was één van de volgelingen
van Geert Grote. Hij was afkomstig uit Gouda en
hij werd door Geert Grote naar Zwolle gezonden
als steun voor de moderne devoten. Hij woonde in
een huis naast het terrein van het Oldeconvent,
waar hij scholieren van Johannes Cele onderdak
verleende.
Wanneer de onbekende biograaf van Henricus
van Gouda (die geciteerd wordt door Johannes
Lindeborn) gelijk had, was het Oldeconvent hard
aan hervorming toe. Deze biograaf schrijft namelijk
dat het convent, toen het enige in de stad, een
bordeel was voor de terminaris, de biechtvader en
hun medestanders. De vrouwen die er woonden
waren onverzorgd en verbitterd.7
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op 26 juli 1397 stelden
schepenen en raden,
samen met stadspastoor
Reynald van Drynen,
en met advies van goede
geleerde lieden een oorkonde
op om een eind te
maken aan de onenigheden
tussen de begij-
Of de vrouwen van het Oldeconvent inderdaad
zo verdorven waren als deze schrijver voorstelt,
mag betwijfeld worden. Ook de achttiende
eeuwse historicus Van Hattum plaatst vraagtekens
bij de betrouwbaarheid van deze auteur, omdat hij
hem op enkele andere onnauwkeurigheden
betrapte. Verder wijst Van Hattum op de slechte
verhoudingen tussen Moderne Devoten en monniken,
die elkaar bij voorkomende gelegenheden
wederzijds zwart maakten. We kunnen bovendien
nog wijzen op de algemene neiging van biografen
om de daden van hun ‘helden’ mooier voor te stellen
dan ze in werkelijkheid waren. Tenslotte zijn
beschuldigingen van sexuele uitspattingen tamelijk
gebruikelijk bij beschuldigingen van misstanden.
De eerder genoemde biograaf vervolgt zijn
verhaal met de mededeling dat Henricus met hulp
van de pastoor en het stadsbestuur wist te bewerkstelligen
dat er geen vrouwen meer onder de derde
orde werden aangenomen en dat de terminarissen
de toegang tot het huis ontzegd werd. ‘Verdorven
vrouwen walgden’ van deze maatregel en verlieten
het huis. Aldus gezuiverd kon met nieuwe statuten
een nieuw begin gemaakt worden.
Jacobus Traiecti alias de Voecht, die in de zestiende
eeuw in het Zwolse fraterhuis woonde en
een kroniek schreef over dit huis, noemt deze
gebeurtenissen ook in zijn kroniek. Hij gebruikt
iets andere bewoordingen, waardoor alles in een
ander daglicht komt te staan.
Volgens Jacobus de Voecht was Henricus van
Gouda biechtvader van de zusters in het Oldeconvent,
dat aanvankelijk geleid werd door de Franciscanen
uit Kampen. Omdat zij slechte leiding
gaven (sommige zusters zondigden met hun
biechtvaders en de monniken), kwam op advies
van Geert Grote en Henricus van Gouda een nieuwe
regeling tot stand. Er zouden geen nieuwe
vrouwen aangenomen worden, totdat het grootste
deel van de oude zusters was gestorven. Toen
Henricus van Gouda sommige zusters tot een
striktere levenswijze had gebracht, zorgde hij
ervoor dat zij de leiding van het convent te Kampen
verlieten. Vanaf die tijd leefden de vrouwen
zonder gelofte, maar volgden zij de regels die schepenen
en raden in een brief hadden vastgesteld. In
die situatie werd Henricus van Gouda de eerste
biechtvader van de zusters.8
Regels van 1396 en 1397
In een oorkonde van 12 juni 1396 verklaren schepenen
en raden van Zwolle dat zij met advies van
de pastoor regels hadden opgesteld voor de begijnen
van het Oldeconvent. Opvallend is dat Henricus
van Gouda niet vermeld wordt. De Minderbroeders
worden evenmin genoemd en ook wordt
nergens duidelijk of er nog vrouwen aangesloten
waren bij de derde orde; zij worden eenvoudig
begijnen genoemd. Wel komen de pastoor en twee
raden ter sprake. Zij kregen de taak om jaarlijks in
overleg met de begijnen een bewaarster voor het
komende jaar aan te stellen. De bewaarster mocht
de andere begijnen berispen, hen toestemming
geven het huis te verlaten, de werkzaamheden in
het huis verdelen, geschillen tussen begijnen
onderling aanhoren en eventueel daarover de pastoor
of de schepenen raadplegen, beslissen over
het aantrekken van personen van buiten het huis
en bepalen of iemand van buiten het begijnhuis
daar mocht overnachten. Tevens werd vastgelegd
dat de begijnen onder elkaar zachtmoedig moesZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ten zijn, eenvoudige kleding moesten dragen, geen
wereldse dingen zoals stikwerk of borduurwerk
met parels, goud of zilver mochten maken, gezamenlijk
naar de kerk moesten gaan en dat zij
direct na de dienst naar het begijnhuis moesten
terugkeren. Ze mochten niet met buitenstaanders
praten en ’s avonds na de klok van 9 uur moesten
ze gaan rusten. Verder zou bij de toelating van
toekomstige begijnen niet gelet worden op rijkdom
of familie, maar op goede zeden en een goed
geestelijk leven. Wanneer twee begijnen in één
kamer niet met elkaar overweg konden, mocht de
bewaarster hen scheiden en op een andere plaats
onderbrengen. Maar indien één van de betrokken
vrouwen zich had ingekocht in de kamer waar ze
uitgezet werd, werd dat vergoed. Wanneer iemand
deze regels herhaaldelijk overtrad, deelde zij niet
mee in de inkomsten van het begijnhuis. Na overleg
met de pastoor en schepenen kon zo’n begijn
uit het huis verwijderd worden. Alle geschilpunten
zouden door de pastoor, de schepenen en de
bewaarster beoordeeld worden. Schepenen en
raad grepen in omdat “neghene dynge staende en
mogen bliven ten sy dat se guede ordinancie ende
regiment hebben. Ende op dat de baghinen des
beghinen huys ende wonynghe in Zwolle in der
Baghynen strate gelegen die nu sijn off hier naemaels
daer in ontfanghen zulle werden myt rusten
ende vrede zunder verkierde menschen bespreek
in mynnen oetmoedicheden in kuysheden ende
voirt in allen anderen dogeden (= deugden) to
goder ommegaen ende male anderen in mynnen
denen mogen in gehoersamicheit des pawes (=
paus) hore prelaten ende hoeres kerekheren. Ende
sonder alle dwelynghe (= dwalingen) gode dyenen
inden gheeste der oetmoedicheit”.9
De tweede oorkonde is opgesteld op 26 juli
1397, nadat schepenen en raden met de pastoor en
met advies van goede geleerde lieden een eind
hadden gemaakt aan onenigheden tussen de begijnen.
De bepalingen hielden onder andere in dat de
begijnen een meesterse zouden kiezen. Deze
meesterse moest een begijn aanwijzen om samen
met haar het huis te leiden. Zij bewaarden gezamenlijk
de sleutel van de schatkist en konden
alleen gezamenlijk de kist openen. Daarnaast kwamen
er regels ten aanzien van het vasten en bidden.
Op hoogtijdagen moesten de vrouwen een
falie en een mantel met lange mouwen dragen. Bij
de intrede van een nieuwe begijn moesten alle
regels voorgelezen worden en de nieuwe begijn
moest beloven deze na te leven op straffe van verlies
van haar uitkering of verwijdering uit het
begijnhuis. Overigens moesten alle begijnen
instemmen met de komst van een nieuwe begijn.
In geval van onenigheid beslisten pastoor en schepenen
en raad over toelating. In geval van herhaalde
overtreding kon iemand na overleg met de pastoor
en twee daartoe aangewezen schepenen uit
het huis verwijderd worden.10
Uit de beide oorkonden blijkt dat er voor de
hervormingen van 1396 en 1397 geen sprake was
van een gemeenschappelijk leven. Dat werd ook
niet ingevoerd bij de hervormingen. De vrouwen
kochten zich in, kregen de beschikking over een
eigen kamer en hadden recht op een uitkering.
Daarnaast hadden zij de vrije beschikking over
hun eigen vermogen. De invloed van de pastoor
en magistraat werd vrij groot. Zij bepaalden mede
wie de bewaarster of meesterse van het convent
was en zij moesten bij alle problemen geraadpleegd
worden. Twee schepenen werden speciaal
daarvoor aangewezen. In 1400 blijkt het convent
bovendien nog over een zaakwaarnemer te
beschikken die aangesteld werd door de stad.1′
Tijdsverloop
Wanneer de hervorming precies doorgevoerd is, is
uit de verhalen van de twee bovengenoemde
auteurs niet helemaal te achterhalen. Omdat Jacobus
de Voecht de naam van Geert Grote noemt,
lijkt het alsof de hervorming plaatsvond voor
diens overlijden in 1384. Ook de mededeling van
de Anonymus dat het Oldeconvent tijdens de hervorming
het enige in de stad was, wijst in die richting.
Niet lang daarna werd immers een ander
vrouwenhuis, het Ter Kinderhuis, gesticht.
Het jaar 1384 is echter niet in overeenstemming
met de oorkonden uit 1396 en 1397. De hervorming
kan dus pas definitief zijn ingevoerd in
die jaren.
Wanneer we de verhalen van de anonieme
biograaf en Jacobus de Voecht goed lezen, dan
blijkt dat er verschillende veranderingen plaatsn6
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zowel de stad Zwolle als
de stadspastoor Reynald
van Drynen hingen hun
zegels aan de oorkonden
uit 1396 en 1397.
vonden. Allereerst vermeldden beide auteurs dat
er geen nieuwe vrouwen aangenomen werden;
vervolgens dat de Minderbroeders van Kampen
geen leiding meer gaven. Tenslotte meldden ze dat
een nieuwe regeling tot stand kwam.
De auteurs verschillen van mening over de
reactie van de bewoonsters van het Oldeconvent
en over het tijdstip waarop het stadsbestuur en de
pastoor ingrepen. Volgens de anonymus vertrokken
verdorven vrouwen uit het huis, terwijl Jacobus
de Voecht daar geen melding van maakt. Volgens
hem was het de bedoeling van Henricus van
Gouda en Geert Grote dat iedereen in het convent
bleef wonen, maar dat nieuwe bewoonsters zich
niet meer onder de derde orde plaatsten. De zusters
van de derde orde zouden op die manier na
verloop van tijd vanzelf verdwijnen.
Verder schrijft de Anonymus dat pastoor en
stadsbestuur samen met Henricus van Gouda
ervoor zorgden dat er geen vrouwen meer onder
de derde regel werden aangenomen. Jacobus de
Voecht noemt alleen dat schepenen en raden een
definitieve regeling opstelden.
Het is heel goed denkbaar dat er tussen deze
veranderingen de nodige jaren verstreken. Mogelijk
probeerden Henricus van Gouda en Geert
Grote eerst, mogelijk met steun van de stadspastoor
en het stadsbestuur, om de vrouwen tot een
striktere levenswijze te brengen. Zij kunnen daarmee
begonnen zijn zodra Henricus naast het
Oldeconvent kwam te wonen; dus voor het overlijden
van Geert Grote in 1384. In de daaropvolgende
jaren moeten de teugels strakker zijn aangehaald:
de Minderbroeders verloren hun leidinggevende
positie. Mogelijk verlieten enkele ‘verdorven’
vrouwen in die tijd het convent. Na een
periode van zo’n twaalf jaar kwam een definitieve
regeling tot stand waarbij het stadsbestuur een
grote rol speelde.
Was de invloed van Henricus van Gouda inderdaad
van doorslaggevend belang bij de hervorming,
zoals de beide auteurs ons willen doen geloven?
We kunnen hier vraagtekens bij zetten,
omdat zijn naam niet voorkomt in de oorkonden
uit 1396 en 1397. Bovendien is onze kennis over de
rol van Henricus alleen gebaseerd op de twee biografen.
Over de Anonymus weten we niets meer
dan het ene citaat, maar over Jacobus de Voecht
weten we iets meer. Hij was een van de broeders
van het Zwolse fraterhuis. Zijn Narratio is niet
alleen een geschiedschrijving van het Zwolse fraterhuis,
maar de levensbeschrijvingen in de Narratio
waren ook bedoeld als voorbeeld voor de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT “7
broeders zelf. Het is daarom heel goed denkbaar
dat de rol van Henricus is benadrukt en dat de rol
die anderen speelden is verwaarloosd. Een hervorming
van het Oldeconvent was immers evengoed
in het belang van stadspastoor en stadsbestuur. In
elk geval wisten zij door de hervormingen die in
1396 en 1397 doorgevoerd werden, hun invloed op
het convent uit te breiden.
Tenslotte
Door gebrek aan bronnenmateriaal blijft de ontstaansgeschiedenis
van het Oldeconvent onduidelijk.
Het enige dat vaststaat is dat het convent in
1361 bestond en dat het het oudste vrouwenconvent
in de stad is. Ook over de verdere geschiedenis
van het klooster zijn de bronnen uiterst zwijgzaam.
Afgezien van een enkele schenking in de
jaren zestig van de veertiende eeuw, wordt het
klooster nauwelijks genoemd.
Aan het eind van de veertiende eeuw blijkt de
toestand in het klooster zodanig dat een aantal
mensen ingrijpen noodzakelijk achtte. Daarbij
worden de namen van Geert Grote en Henricus
van Gouda genoemd. Verder speelden de pastoor
en het stadsbestuur een rol. Op basis van twee biografieën
en twee oorkonden kunnen we geen volledige
zekerheid geven over het verloop van de
gebeurtenissen. Wel is het mogelijk de verschillende
gegevens met elkaar te combineren en op basis
daarvan tot een reconstructie te komen.
Voor 1384 vestigde Henricus van Gouda zich
naast het Oldeconvent. Samen met Geert Grote
zorgde hij ervoor dat (een deel van) de vrouwen
zich aan striktere regels ging houden. Er kwam een
eind aan de leidinggevende positie van de Minderbroeders
uit Kampen. Ongetwijfeld was dit een
warrige periode voor de vrouwen. Waarschijnlijk
steunden sommigen de hervormingen, terwijl
anderen liever de bestaande situatie wilden handhaven.
Mogelijk verlieten enkele vrouwen het
convent.
In 1396 stelden schepenen en raden nieuwe
regels op voor de begijnen. Deze regels voldeden
niet en er ontstonden opnieuw onenigheden.
Schepenen, raden, pastoor en goede lieden maakten
een eind aan die onenigheden en stelden een
aanvullende overeenkomst vast.
Met het ingrijpen van het stadsbestuur en de
pastoor in het Oldeconvent, wijkt de ontwikkeling
van het Oldeconvent af van de gang van zaken bij
veel begijnhuizen. Elders ontwikkelden begijnhuizen
zich vaak in de richting van een klooster. Veelvuldig
namen begijnhuizen eerst de derde regel
van Franciscus aan, gevolgd door de overgang tot
de regel van Augustinus; dus altijd in de richting
van een striktere levensregel. Het Oldeconvent
zette wel de eerste stap, maar door het ingrijpen
van het stadsbestuur ontstond een nieuwe verhouding.
Niet een klooster, maar schepenen,
raden en pastoor kregen het laatste woord bij problemen
in het Oldeconvent. De stad had door
deze regeling meer invloed op de gang van zaken
in het Oldeconvent, dan bij een eventuele aansluiting
van het Oldeconvent bij een kloosterorde
mogelijk was geweest.
Noten
1. F.C. Berkenvelder, Zwolse regesten, 5dln. Zwolle
1980-1994.1, nr. 35.
2. Mogelijk hangt dat samen met het ontbreken van
een sterk wereldlijk gezag. In Holland en Zeeland
stichtten leden van de grafelijke familie verschillende
begijnhuizen. Zie: F.W.J. Koorn, Begijnhoven in
Holland en Zeeland gedurende de Middeleeuwen Assen
1981,13.
3. De eerste orde bestond uit mannelijke kloosterlingen,
de tweede uit vrouwelijke kloosterlingen en de
derde orde bestond uit leken.
4. Elk Minderbroederklooster had een bepaald gebied
waar de monniken rondtrokken om te bedelen. De
stad Zwolle lag in het gebied van het klooster van
Kampen. Een termijnhuis is te vergelijken met een
dependance.
5. CL. Verkerk, Kampen en de Franciscanen. (Een
voorlopig verslag), s.1., s.a. (Aanwezig in het gemeentearchief
Kampen), 31.
6. idem, 34.
7. Volgens een onbekend biograaf. Geciteerd in: J.
Lindeborn, Historica sive notitia episcopatus Daventriensis.
Keulen 1670,369.
8. M. Schoengen, Jacobus Traiecti alias de Voecht. Narratio
de inchoatione domus clericorum in Zwollis.
Amsterdam 1908,16.
9. Berkenvelder, Regesten, nr. 452.
10. Berkenvelder, Regesten, nr. 493.
11. Berkenvelder, Regesten, nr. 580.
118 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis verjaagt een spook
Drie Zwolse wonderverhalen uit de vijftiende eeuw
Frits David Zeiler
De begraafplaats op de
Agnietenberg.
Het klooster op de Berg
Aan de noordoostkant van Zwolle ligt sinds
eeuwen de Agnietenberg. Het is tegenwoordig
een lommerrijke plek met een
romantisch theehuis en een kampeerterrein vanwaar
men uitkijkt over de Vecht en een mooie,
oude begraafplaats. Tussen 1398 en 1581′ stond
hier het Bergklooster, waar de gebroeders Van
Hemerken leefden, of ‘a Kempis’ zoals ze meestal
naar hun plaats van herkomst werden genoemd.
Joannes was er decennialang prior, maar Thomas
bracht de tijd het liefst door ‘met een boekske in
een hoekske’. Zijn lange leven (hij werd over de
negentig) besteedde hij onder meer aan het schrijven
van een vierdelig tractaat, dat onder de titel
‘Over de navolging van Christus’ het beroemdse
boek zou worden dat ooit in de Nederlanden verscheen.
De broeders, die de regel van Augustinus
volgden, werden tot de reguliere kanunniken
gerekend en vielen onder de congregatie van Windesheim.
Het waren dus ‘moderne devoten’, aanhangers
van de geloofsvernieuwing waarbij de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
persoonlijke verhouding tot God en de verantwoording
tegenover Hem op de allereerste plaats
kwam. Daarmee wees de beweging vooruit naar
de verdere ontwikkelingen binnen de Christelijke
kerk, die in de eeuwen daarna de wereld van aanzien
zouden doen veranderen.
Maar de ‘devoten’ waren ook kinderen van
hun tijd. Zij leefden dicht bij de natuur vol gevaren,
dicht bij de dood (het was de tijd van de grote
pestepidemieën) en dicht bij wat wij nu op zijn
minst lichtgelovigheid zouden noemen. Zij
geloofden in toverkunsten, wonderen en spoken.
Toen bijvoorbeeld in de Onze Lieve Vrouwekapel
(de huidige Peperbuskerk) in 1398 een Antoniusaltaar
was gewijd, stroomden de gelovigen van
heinde en verre toe, in de hoop door bemiddeling
van deze heilige van de pest gevrijwaard te blijven.
Of er daadwerkelijk wonderbare genezingen zijn
voorgevallen, vermeldt de historie verder niet.2
Maar ook op de Agnietenberg wist men met buitengewone
zaken wel raad. Prior Joannes had al
eens een spookverschijning uit een huis in Brunnepe
bij Kampen verdreven, terwijl Thomas door
het laten slaan van een kruisteken voor een wonderbare
vermenigvuldiging van de etenspotten in
de refter had gezorgd. “Na dit verhaal zal het niet
vreemd klinken, dat het klooster op den S. Agnietenberg
het ‘Bergklooster van mirakelen’ heette,”
merkt Acquoy terecht op.3 Hij baseert zich daarbij
onder meer op de kloosterkroniek4 en op de vita
(levensbeschrijving) van Thomas. Een andere
bron, waarin de roep van de plaats wordt bevestigd,
noemt hij niet. Deze is te vinden in een
Deventer wiegedruk en in een Egmonds handschrift.
Een Egmondse bloemlezing
De abdij van Egmond, bevolkt door Benedictijner
monniken, was aanzienlijk ouder dan de Zwolse
kloosters en gaat terug op een grafelijke stichting
in de tiende eeuw.5 Het scriptorium kende een lange
traditie en werkte evenals elders het geval was
niet alleen ten behoeve van de eigen bibliotheek,
maar nam ook bestellingen van derden aan. Zo
werd er tussen 1514 en 1518, hoogstwaarschijnlijk
op verzoek van de Latijnse School in Alkmaar, een
copie vervaardigd van een Hollandse gravenkro-
A er’ tl” •••/» ‘X *(M»hltf W&mgi* M 4 ^
^«.™« rW,JWi^t /J,«„ JÏIw ^^A, – e
niek. Daaraan voegde men een groot aantal teksten
toe van merendeels religieuze signatuur.6
Onder deze teksten bevinden zich allerlei vijftiende-
eeuwse wonderverhalen – het was de hoogtij
der mirakelen! -, historische aantekeningen en
korte biografieën van een aantal beroemde mannen
zoals Geert Grote, Wessel Gansfort en Thomas
a Kempis. Thomas treedt ook op in twee van
de kleinere verhalen, die in deze bloemlezing zijn
opgenomen. Anders dan bijvoorbeeld de uitvoerig
beschreven Heilig Bloedwonderen van Alkmaar
en Bergen of het Mirakel van Amsterdam
hebben deze episoden nooit een grote bekendheid
gekregen, zelfs niet in Zwolle. Reden temeer om er
opnieuw aandacht aan te besteden.
Het eerste verhaal waarin Thomas figureert,
speelt in zijn tijd als leerling van de Deventer
school van meester Florens, anders genoemd Florens
Radewijns. Tot de vaste regels behoorde het
uitspreken van gebeden ter ere van Maria. Thomas
oefende zich daar aanvankelijk vlijtig in, maar
na enige tijd begon zijn aandacht te verflauwen en
liet hij deze gebeden zelfs geheel na. In een droom
verscheen hem de H. Maagd, die zijn medebroeders
één voor één omhelsde, maar hem
bestraffend toesprak en beval van haar weg te
gaan. Nadat Thomas ontwaakt was, biechtte hij
vol berouw zijn zonde en eerde Maria zijn gehele
verdere leven lang.
Het tweede verhaal gaat over een nachtelijke
Begin van de Hollandse
Gravenkroniek in het
Egmondse handschrift
(foto: F.D. Zeiler).
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Thomas a Kempis
wordt vermaand door
Maria en (rechtsonder)
verschrikt door een
spook
(foto: F.D. Zeiler).
spookverschijning in Thomas’ cel op de Agnietenberg;
daarvan geven we straks de volledige inhoud
weer. Het derde verhaal tenslotte speelt zich af in
de stad Zwolle. Ook hier is het weer Maria die een
scholier op het rechte pad terugbrengt, maar op
een minder milde manier dan zij met Thomas had
gedaan: de arme scholier krijgt een oorvijg. Wat
was er gebeurd? De niet met name genoemde leerling
van de stadsschool was met zijn vrienden aan
het spelen en drinken geraakt, en na een weddenschap
mocht de winnaar zeggen hoe zij hun avond
zouden bekronen. Dit bleek tot schrik van de jongeman
een bezoek aan een publiek huis te zijn en
ook al hield hij zich daar verder afzijdig, bij het
verlaten van het etablissement keerde hij toch vol
schuldgevoelens huiswaarts. In een zijstraat dook
plotseling een verschijning op, die hem zo’n watjekouw
verkocht, dat hij met zijn gezwollen wang
dagenlang niet meer naar buiten dorst. Zo boette
hij voor zijn onstandvastigheid.
In het Egmondse handschrift wordt deze correctie
aan Maria toegeschreven, maar in de tekst
zelf komt zij niet voor; daar is slechts sprake van
een engel. De Deventer versie van de drie wonderverhalen,
die inhoudelijk verder niet afwijkt,
spreekt in het opschrift dan ook van een Angelus
Domini, een engel Gods.
Een duivelse verschijning
De ontmoeting van Thomas a Kempis met een
duivelse verschijning heeft in de beide, tekstueel
identieke versies eveneens een afwijkend
opschrift. De Deventer versie vermeldt: ‘Hoe
dezelfde Broeder Thomas door de gezegende
naam Jezus Christus en het Weesgegroet een duivel
die hem schrik aanjoeg op de vlucht deed
slaan.’ De Egmondse tekst heeft als kop: ‘Hoe
Thomas van Kempen, Zwols monnik, door de
gezegende naam Jezus Christus een duivel die
hem schrik aanjoeg op de vlucht deed slaan.’ En
dan volgt het verhaal over een duivelse verschijning,
waarvan we hier een vertaling geven.
‘Toen eens op een keer de duivel bovengenoemde
Broeder Thomas schrik wilde aanjagen, vertoonde
hij zich ’s nachts aan hem in een allerafschuwelijkste
en huiveringwekkende vorm. Toen Broeder
Thomas deze verschijning zijn bed zag naderen,
keek hij er sidderend naar en wist niet, wat hij
tegen een valstrik van zo’n afschuwelijke vijand
moest doen. Eindelijk begon hij, door een goddelijke
ingeving, een “weesgegroet” te bidden – met
trillende stem en zo goed als hij kon, want hij was
verschrikkelijk bang. Maar de duivel werd nauwelijks
door deze salutatio geraakt en kwam met veel
gerucht steeds dichter en dichterbij, totdat de
monnik in zijn gebed zover was gekomen, dat hij
het “onze heer Jezus Christus, amen” uitsprak.
Toen de duivel deze vervaarlijke naam hoorde,
keerde hij om als door een vreselijk onweer verschrikt
en maakte zich zo snel als hij kon onder
veel gejammer uit de voeten. Toen nu Broeder
Thomas zag dat de duivel tegenover de kracht van
zulk een naam niet kon blijven staan, richtte hij
het bange hoofd des te vermeteler op en riep hij
nog verschillende malen de vluchtende vijand de
gezegende naam “Jezus Christus” na. En hoe
krachtiger hij riep, des te heftiger week de afschuwelijke
geest terug. Zodat de vrome man erkennen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
moest, dank brengend aan God de Heer, en bij
zichzelf zei: “Wanneer ik met de allerheiligste
naam zo gemakkelijk de krachten van een tegenmacht
kan breken, wil ik verder nooit meer, zoals
ik tot nu toe heb gedaan, de machinaties van duivels
vrezen, noch, zwak van vertrouwen, bang
worden voor wat voor verschrikkelijke bedreigingen
dan ook.'”
Herkomst en achtergrond
Thomas’ duivelsuitdrijving is een mengeling van
een klassiek spookverhaal en een Marialegende.
Want ook al wordt Maria evenmin als in het derde
verhaal met name genoemd, het ‘weesgegroet’ dat
de bevende kloosterling bidt is natuurlijk gericht
tot de in zijn tijd zo geliefde middelaarster. Daarmee
passen alle drie verhalen in de laatmiddeleeuwse
Mariadevotie, waarvan de Spaanse Canticas
di Santa Maria of het Nederlandse Manken
van Nieumegen slechts enkele beroemde exponenten
zijn. Maar als gezegd, het is ook een klassiek
spookverhaal, zoals dat in de volkverbeelding in
duizenden varianten bestaat. Opvallend is wel, dat
de heilige naam meerdere keren wordt uitgesproken,
maar niet de later zo gebruikelijke en voor de
werking van de formule noodzakelijke drie maal.
In naderhand door folkloristen opgetekende
volksverhalen wordt de duivel trouwens ook
regelmatig met het aanroepen van ‘God en Marieje’
verjaagd.7
Bron is vermoedelijk Thomas zelf.8 In een van
zijn eigen exempla (voorbeelden) maakt hij
immers gewag van een ‘broeder’ die door de duivel
wordt bedreigd, zonder deze met name te noemen.
Schaamde hij zich misschien voor zijn toch
zo menselijke angst voor die spookverschijning?
In ieder geval is de geschiedenis vervolgens op
hem persoonlijk betrokken en opgenomen in de
Speculum Exemplorum, een verzameling moralistische
teksten die in 1481 in Deventer in druk verscheen.
9 Als auteur daarvan wordt meestal Johan
Busch genoemd, de Zwolse devoot die de geschiedenis
van het klooster Windesheim vastlegde in
het Chronicon Windeshemense. Noch de ‘spiegel’,
noch de kroniek zal aan de Oostnederlandse
stadsscholen onbekend zijn geweest; tenslotte
loopt er met name via het onderwijs een rechtstreekse
lijn van de moderne devotie naar het
vroeg zestiende-eeuwse humanisme. Een van de
leerlingen van de Deventer stadsschool, dezelfde
die een eeuw tevoren door Thomas was bezocht,
was Johannes Murmellius (1480-1517). Deze werd
later rector van de Latijnse School te Alkmaar en
moet als zodanig de opdrachtgever tot de
Egmondse ‘bloemlezing’ zijn geweest. Als copiïst
van het betreffende handschrift is onlangs met vrij
grote zekerheid Willem Zuermondt aangewezen,
die nog een tweede, vergelijkbare codex op zijn
naam heeft staan.10
Intussen was de tijd van de geschreven boeken al
vrijwel voorbij – net als die van de scriptoria en
uiteindelijk ook van de kloosters zelf. Het
Egmondse handschrift belandde in de stedelijke
librije van Alkmaar en de inhoud werd zelden
meer geraadpleegd. Ook de Deventer wiegedruk
raakte in vergetelheid, ondanks het feit dat daarvan
al in 1905 een nieuwe teksteditie verscheen.
Nu in het laatste decennium de lotgevallen van de
kloosterlingen weer zo in de belangstelling van
historici èn publiek zijn komen te staan, behoren
ook de Zwolse wonderverhalen weer gekend te
worden. Moge deze korte bijdrage als geheugensteuntje
dienen.
Gedeelte van het spookverhaal
en het begin
van het verhaal over de
oorvijg
(foto: F.D. Zeiler).
aT “J
«crf™.»^^^* «iUvi r’^f ‘f»>«>’» -K’I(
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noten
1. De stichting van het klooster heeft nogal wat voeten
in de aarde gehad; een begin is al in 1384 gemaakt,
maar de definitieve toestemming werd pas in 1398
verkregen. Het einde viel formeel al in 1561 door de
incorporatie bij het bisdom Deventer, materieel in
1581 door het statenbesluit tot ontruiming van de
buitenkloosters.
2. Over deze toevloed wordt gesproken in een pauselijke
aflaatbrief van 1399 (F.C. Berkenvelder, Zwolse
regesten I nr. 551’. Over de stichting van de O.L.V.-
kerk in het algemeen: I. Wormgoor, Onze Lieve
Vrouwe Kapel, de tweede kerk van Zwolle. In:
P.H.A.M. Abels e.a. (red.), De kerk in de kop. Bouwstenen
tot de kerkgeschiedenis van Noord-West Overijssel,
Delft 1995,47-68.
3. J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn
invloed 2, Utrecht 1876,264-267.
4. W.M. Peijnenburg pr., De kroniek van het klooster
St. Agnietenberg 1398-1477. Overijsselse Historische
Bijdragen, 94 (1979), 11-20. Momenteel wordt onder
auspiciën van de Stichting IJsselakademie de uitgave
voorbereid van een vertaling van deze kroniek,
waarvan Thomas a Kempis de voornaamste auteur
is.
5. J. Hof, De abdij van Egmond van de aanvang tot 3573,
‘s-Gravenhage/Haarlem 1973.
6. Regionaal Archief Alkmaar, Librije hs. ]A28 A 1
(oude aanduiding: Handschriftenverzameling 1).
M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische
bronnen uit de Middeleeuwen. Heiligenlevens,
annalen, kronieken en andere in Nederland geschreven
verhalende bronnen, ‘s-Gravenhage 1981, no. 203
(27, 28, 29). Vgl. C.P.H.M. Tilmans, De Hollandse
kroniek van Willem Hermans ontdekt. Een Egmondse
codex uit ca. 1514. In: G.N.M. Vis e.a. (red.),
Heiligenlevens, Annalen en Kronieken. Geschiedschrijving
in middeleeuws Egmond, Hilversum 1990,
169-191.
7. A. Buter, Volksverhalen uit Overijssel, Utrecht/Antwerpen
1981,67-68 (nrs. 9.1 en 9.3).
8. Kruitwagen, (zie noot 9), 390 voetnoot 1.
9. Carasso-Kok, Repertorium no. 203 (27,28 en 29). De
tekst van de Deventer druk is opnieuw uitgegeven
en van commentaar voorzien door B. Kruitwagen,
Het ‘Speculum Exemplorum’, Bijdragen tot de geschiedenis
van het Bisdom Haarlem 29 (1905), 329-
435. De drie wonderverhalen zijn opgenomen als
nrs. 7,8 en 9 op de pp. 388-397.
10. G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, De Librije
van Alkmaar. In: J. Drewes e.a., Glans en glorie van
de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse
St. Laurens, Hilversum 1996, 263-274.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
cLieve Naatje’
Ego- of particuliere documenten, in dit geval
brieven, zijn de mooiste bronnen om de
leefwereld van het verleden te ervaren.
Vooral als zeker is dat ze niet geschreven zijn om
te publiceren, en dus een hoge mate van spontaniteit
bezitten. Dat is het geval bij de briefwisseling
tussen Naatje Siertsema en Elsje Feith.’
Naatje en Elsje
Voluit heette ze Anna Margaretha Sparringa Siertsema.
Op 2 juli 1813 trouwde zij in het Groningse
Eexta met Berend Hendrik Feith, een zoon van de
dichter Rhijnvis Feith. Al in de eerste brief die
vader Rhijnvis aan zijn aanstaande nieuwe
schoondochter schreef, werd haar voornaam verhaspeld
van Anna via Annaatje tot Naatje. En zo
bleef het in de verdere correspondentie die tussen
vader en zoon plaats vond. Nadat Rhijnvis Feith
niet meer in staat was om te schrijven en op 8
februari 1824 was gestorven, ontstond er een regelmatige
correspondentie tussen Elsabe Feith en
haar broer Berend Hendrik. En nadat deze al jong
stierf, op 28 augustus in 1825, met Naatje.
Elsabe Machteld Catharina Feith – voor familie
en vrienden Elsje – was het derde kind en de tweede
dochter van Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld.
Zij was te Zwolle geboren op 8 november
1775.2 Elsje bleef ongetrouwd. Een huwelijk met de
conrector van de Latijnse school, Sicco van
Ommeren, was door haar vader ‘om meer dan een
gewichtige reden’ afgewezen.3 Ze woonde in huis
bij haar ouders. Na de dood van haar moeder in
1813 zorgde ze voor haar met een zwakke gezondheid
sukkelende vader. Na diens overlijden in 1824
leefde ze van het geërfde vermogen waarvan de
waardepapieren in een effectentrommel bewaard
werden. Ieder jaar knipte ze couponnetjes. Na 1832
woonde ze met een meid in dienst zelfstandig op
enige kamers in een gehuurde woning aan de
Oude Vismarkt.
De briefwisseling
De correspondentie tussen Naatje in Groningen
en Elsje te Zwolle kreeg al spoedig een ‘natuurlijk’
ritme. Want de schoonzusters schreven elkaar
rond feestdagen zoals verjaardagen, St. Nicolaas
en de jaarwisseling. Na de dood van Elsje werden
er nog enige brieven met de twee broers Pieter
Rutger en Everard Eiso uitgewisseld, maar dan
droogt de correspondentie al snel op.
Van de correspondentie zijn geen brieven van
Naatje bewaard. Naast enkele brieven van Pieter
Rutger en Everard Eiso zijn de meeste van Elsje
afkomstig, zodat vooral haar wereld enigzins te
omschrijven is. Behalve over het wel en wee van de
J.C. Streng
Naatje Sparringa Siertsema
zoals ze in 1828
geschilderd werd door
W. Lubbers (foto: Iconografisch
Bureau).
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
familie en de religie kabbelt de correspondentie
voort over koetjes en kalfjes. Wat men bij het lezen
van de brieven aan originaliteit en diepgang mist,
wordt goed gemaakt door de hartelijke toon.
Familie
‘Onuitspreeklyk gelukkig ben ik met mijne kinderen,
en 31 kindskinderen’ bekende Rhijnvis Feith
in zijn levensavond.4 En ook voor Elsje bestond er
niets mooiers dan haar familie. Al deze broers en
zusters en de daaruit voortgesproten neven en
nichten hadden onophoudelijk haar belangstelling.
De hele familie bestond in haar ogen uit lieve
mensen, ook net aangetrouwden werden meteen
als zodanig beschouwd. De eerste brief aan Naatje
zette de toon voor alle volgende. De relatie werd
bepaald door zusterlijke liefde, vriendschap en de
‘aangenaamste gewaarwording aan mijn hart’, zo
schreef ze in de geest en met woorden van haar
vader.
De contacten tussen de onderlinge familieleden
lagen Elsje na aan het hart. Dat ze de verzorging
van haar ‘lieven vader’ en het helpen dragen
van diens laatste lijden voor haar rekening mocht
nemen, zag ze als een grote gunst.
Met de huishoudingen van broer Piet en Henriette
was de relatie zeer goed en ‘dood familiair’.
De aangetrouwden werden evenzeer tot de familie
gerekend. Naatje wordt dan ook regelmatig met
‘lief zusje’ aangesproken. Elsje kon zich plaatsvervangend
verheugen over de contacten van andere
familieleden, ook als zij daar zelf niet bij was. De
kinderen en 31 kindskinderen van haar vader
bepaalden de grens van haar familiale betrokkenheid.
Want over andere, genealogisch verder afgelegen
takken van de familie Feith, wordt helemaal
niet gerept.
Omdat ze zo van haar familie hield, kon Elsje
de tijd nauwelijks afwachten tot al haar nichten en
neven van vrijers waren voorzien. Het liefst wilde
ze Amor ‘op de been krijgen’ om ‘onder zooveel
lieve neven en nichten’ zijn werk te doen. Dat lukte
ook wel zonder Elsjes hulp aardig. En als, als
gevolg van de gesloten huwelijken haar zusters
grootmoeder worden, acht ze dat geen geringe eer.
Een huwelijk lijkt overigens geen gebeurtenis,
hoe belangrijk op zichzelf, waar massaal alle familieleden
naar toe trokken om het mee te maken.
Zo wist Rhijnvis Feith niet precies meer de dag en
de datum waarop Berend Hendrik en Naatje zouden
trouwen. Maar ter verontschuldiging kan gelden
dat hij in die tijd door de dood van zijn echtgenote
Ockje erg in de war was.;’
Toen soldaten zich in 1830 te Zwolle verzamelden
om tegen de naar zelfstandigheid strevende
Belgen te strijden ging Elsjes gevoel vooral naar de
moeders, echtgenoten en geliefden. Want ‘hoe loffelijk
en betamelijk die uitttrekking ook is, het
moeder- en vader hart wordt hier onder gebroken’.
Neef Onno van Sandick diende ook te gaan,
wat voor Elsje’s zus Henriette een vreselijke ramp
was. Maar Elsje had zich volledig geconformeerd
aan het regeringsstandpunt: het vaderland eiste
die opoffering.
Ziekte
Gezondheid en herstel van een ziekte, het waren
geschenken van God. De vroege dood van haar
kerngezonde broer Berend Hendrik, gold voor
Elsje, die zelf (net als haar vader) met haar
gezondheid sukkelde, als onomstotelijk bewijs.
De gezondheid van haar vader werd met een
glaasje madera opgepept in de hoop dat ‘God eene
versterkende en genezende krachten in dat middel
wil leggen’. Dat was toen het enige wat haar nog
hoop gaf. Want het eind van zijn leven had Feith
besloten om ‘na lang vergeefsche contributie aan
Dr. en Apotheker betaald te hebben’ beide aan de
kant te schuiven om verder maar alles aan de
natuur over te laten.6
Ofschoon Elsje veel familie op prijs stelde, was
ze niet blind voor de gevaren die de moeder bij een
bevalling bedreigden. Het was iedere keer weer
een opluchting als de nichten zonder moeilijkheden
‘hun pakje hadden uitgeschud’. Alle baby’s
die in de brieven ter sprake komen, werden
gevoed door een min. Soms gekenschetst als een
‘lastig meubel’ als het niet naar de zin ging.
Dat ziekte vaak psychische oorzaken had ontging
Elsje niet. Het gedrag van neef Van Sandick
was de oorzaak dat zijn moeder sterk vermagerde.
Daa, een dochter van haar broer Pieter Rutger,
was hypochondrisch, en Manne de echtgenote van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
broer Hendrikus Octavius, leed aan melancholische
buien. Ockje Meder leed daar ook aan, het
was een familiekwaal van de Meders en kwam
voort uit hun gestel. De zwaartillendheid van Pieter
Rutger was een nare ongesteldheid, waar weinig
aan gedaan kon worden en waar de hele familie
onder leed. Gezelschap, en dan vooral familie,
was in zo’n geval de beste remedie.
Ook onder de kleinere neven en nichten was
het nodige fysieke leed. Anna, een nichtje had
‘absenties’ en Anna’s broertje Rhijnvis was aan
handen, voeten en gezicht een stumpert. Tegenover
al deze misère bleef Elsje, ondanks ook haar
matige gezondheid, toch optimistisch.
Opvoeding
De zorg voor de familie ging zover dat Elsje
gevraagd en ongevraagd pedagogische adviezen
gaf. Mogelijk ontleende ze enig gezag aan haar
betrokkenheid bij de opvoeding van nichtje Ockje
Meder. Elsje had nadat Ockje’s moeder was overleden
de zorg voor dit twaalfjarig meisje op zich
genomen. Overigens werd Ockje vrij snel naar een
kostschool te Zeist gestuurd.7
Dat gebeurde niet zonder reden, want voor de
opvoeding was het gewenst dat kinderen enige tijd
‘onder vreemde oogen en handen’ kwamen, zo
zette Elsje voor Naatje uiteen. Het zou haar spijten
als dat bij Naatje’s kinderen niet het geval zou zijn.
Dat er voor de dochter van Naatje, Jans, naar een
pensionaat gezocht werd, was dan ook normaal.
Elsje gaf uitgebreide informatie over een nieuwe
kostschool te Zwolle, onder leiding van de dames
Büchner.8 De kritiek was niet mals. De schooljuf
geografie en geschiedenis gaf geen les in het Frans
maar in het Nederlands. Maar het belangrijkste
bezwaar was dat de dames niet in staat waren hun
leerlingen tot hogere beschaving op te leiden. En
daar ging het bij een opleiding voor meisjes in de
eerste plaats om. Ze dienden de vaardigheid te
hebben om in de wereld te ‘Parousseren’. Dit in
geen woordenboek te vinden woord, moet zoiets
betekenen als goed voor de dag kunnen komen.
En de dames Büchner waren niet in staat daartoe
op te leiden. Waar hadden ze dat trouwens moeten
leren? In Enschede soms, waarvandaan het
Zwolse stadsbestuur de dames beroepen had? De
plompe Enschedese meisjes die met de dames
meegekomen waren en nu de Zwolse kostschool
bevolkten, zagen er zeer onbehouden uit. Kortom,
de conclusie van Elsje was dat Jans op deze school
meer lompe dan fijne manieren zou leren. Uiteindelijk
ging Jans naar een kostschool in … Hattem.9
Haar schoonzus Lea verweet ze te teerhartig met
de kinderen te zijn omgegaan, zeer tot nadeel van
hun opvoeding. Tegen de kinderen, zo raadde ze
Naatje, niet te toegevend te zijn en vooral op te
voeden in de beginselen van de christelijke religie.
De nichten werd op het hart gedrukt niet teveel
naar concerten, diners en bals te gaan, die tegenwoordig
‘vreesselijk’ veel gegeven worden. Elsje is
blij dat de nichtjes Feith van Boschwijk in ieder
geval niet naar bals gaan, wat heel goed is want dit
strekt tot behoud van lichaam en ziel. Veel verstandiger
was het om met de kinderen de tijd in
huiselijke kring door te brengen. Want ‘per slot
van de rekening vind men daar het waare geluk’
zoals ook haar vader propageerde.10 De neven en
nichten moeten met vertier het gouden midden
houden.
Niet aan het gouden midden hield neef Van
Sandick zich, die al evenmin zijn genoegen in
huiselijke kring zocht. Het ging dan ook niet goed
met die jongen. ‘Hoe laag kan de mensch zinken’,
vroeg Elsje zich af. Deze jonge officier gaf in
afwachting van zijn vertrek geld uit ‘als drek’
waardoor zijn moeder werd overladen met wissels.
In de brieven werd aan deze neef dan ook als
enige uitzondering het kenmerk lief onthouden.
Ontspanning
Ook zelf hield Elsje zich niet altijd aan de gouden
regel van het juiste midden. Toen Berend Hendrik
een ‘vlugt’ duiven zond, liet ze er dezelfde middag
twee van braden en, zo verzekerde ze haar broer
‘behoef ik u niet te zeggen dat vader en dochter
zich toen eens heerlijk vergaste’. De twee volgende
dagen werd dit nog eens herhaald. En de derde dag
werd ze ziek, ze had zich ‘vervreten’. Met breed
aangezette casuïstiek over de magere porties voedsel
die ze normaal at, verontschuldigde ze zich.
Behalve duiven, ondergingen korhoenders hetzelfde
trieste lot. Ze hadden de eer door ‘vrouw
Brand’ gebraden te worden, ‘om ze eens regt lek126
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Oude Vismarkt
waar Elsje Feith na de
dood van haar vader
ging wonen. Waar precies
is niet duidelijk.
ker te hebben’. En dat viel goed uit ‘want ze waren
overheerlijk’.
Over en weer worden in de loop van de tijd
geschenken uitgewisseld. Een gevulde trommel
gaat gedurig heen en weer tussen Zwolle en Groningen.
Zeker met St. Nicolaas. Elsje wachtte dan
met kopen op een speciale koopman uit Amsterdam,
ene Bingel. Na diens bezoek werd de trommel
gevuld en noordwaarts gestuurd.
Elsje stond buiten het maatschappelijke leven.
Buiten haar familie had ze geen kennissen, ze
komen althans in de brieven niet voor. Tot de
dood van haar vader had ze daar geen tijd voor.
Daarna ontbrak het haar aan belangstelling, ook
door haar leeftijd.
Toen haar vader nog leefde maakten ze samen
een ’tourtje in de koets’. Na diens dood bezocht ze
regelmatig in de zomer enige weken een van haar
broers. Bij Everard Eisso Christoffel op Boschwijk
of bij Louis op de Aalshorst bij Dalfsen. Ze werden
dan ook wel ‘de Boschwijker en Aalhorster vrienden’
genoemd. Maar ook bracht ze een bezoek aan
de familie Van Fridagh op de Mataram tussen
Dalfsen en Zwolle of ondernam een tocht naar ene
mevrouw Nagell, in de buurt van Arnhem.
In 1834 is ze denkelijk op bezoek bij haar broer
Pieter Rutger te Almelo, naar Duitsland gereisd.
Ze bezochten daar de streken ‘waar de natuur het
prachtigste was, daar niemand zich een denkbeeld
van kan maken, die in die streeken nooit geweest
is’. Denkelijk is hier Bentheim mee bedoeld. Het
slot en de omgeving waren toen zeer populair
voor uitstapjes. Ze raadde Naatje aan ook een keer
te gaan en ze garandeerde succes met het ultieme
argument dat ze geen berouw van de reiskosten
zou krijgen. Erg romantisch klinkt het in iedere
geval niet, deze natuurbeleving met het huishoudboekje
in de hand waarbij de schoonheid van het
landschap weggestreept wordt tegen de kosten.
Een voorgenomen reis van Elsje naar Naatje
wordt jaren uitgesteld. Voor de eerste keer kwam
het in 1830 ter sprake met de vermelding dat ze het
al twee jaar van plan was. In 1832 memoreerde ze
aan een vorig verblijf in het noorden, daarna
duurde het weer tot 1835 voordat Elsje opnieuw
naar Groningen ging.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
Naatje was trouwens met de mooiste vooruitzichten
niet naar Boschwijk te lokken. Haar
gevoelig hart zou niet tegen de herinnering aan de
gelukkige jaren met Berend Hendrik opgewassen
zijn. De familie te Zwolle vond dat ‘niets hupsch’
en ze raakten geïrriteerd omdat Naatje de Overijsselse
familie ‘in hun eigen sop liet gaar koken’ zonder
te komen. Maar ook deze rimpeling in de relatie
bracht Naatje niet tot andere gedachten. Alleen
toen ze Jans naar Hattem bracht, bezocht Naatje
Zwolle. Maar Elsje heeft dat niet meer meegemaakt.
Voor de dochter van een dichter wordt er
opvallend weinig gelezen. Er komt althans in de
brieven van Elsje geen enkele opmerking voor
over een enkel boek, zelfs niet over een stichtelijk
werk. Toen haar vader leefde brachten ze ‘bij een
lekker vuurtje’ menig avondje met ‘aangenaame
lectuur’ door.” Dat zal ze toch niet opgegeven
hebben?
Naatje onderhield een ‘vrolijke’ tuin, die door alle
kennissen als ‘magnifkq’ werd geroemd. Daar
moet ook een kas in gestaan hebben, want soms
voor St. Nicolaas ontving Elsje een trommel met
druiven.
Religie
Religie was een groot goed voor Elsje. De mens,
meende ze, heeft de beginselen van deugd en
godsdienst nodig om staande te blijven onder
zovele verzoekingen en verleidingen. Van enige
leerstelligheid is in haar brieven geen sprake, wel
nemen ze vaak een stichtelijke wending. Ze volgde
de voetsporen van haar vader in de veronderstelling
dat men in de best mogelijke wereld leefde en
dat er niets gebeurde buiten toedoen van God, die
het beste met zijn schepping voorhad (al lag dat
voor duiven en korhoenders toch anders als voor
mensen). Als het goed gaat, is het Gods genade, als
het slecht gaat moet de mens er zich maar bij neerleggen,
berusten en vertrouwen op Zijn plan dat
voor de mens bij voorbaat ondoorgrondelijk is.12
De troost die ze Naatje na de dood van Berend
Hendrik biedt is typerend. Naatje moest zich er
vooral bij neerleggen. Als ‘onze Hemelsche Vader
die enkel uit liefde en wijsheid handelt’ niet
gevonden had dat Berend Hendrik zijn taak hier
op aarde had volbracht, had hij hem niet opgeroepen.
De gedachte dat God zich met elk fragment
van het leven bezig hield, nam soms weliswaar
Boschwijk geschilderd
door de broer van Elsje,
de amateur-schilder
Louis Rutger Feith. Met
haar vader bracht ze
daar de zomers door, en
na diens dood bij haar
broer Everard Eisso
Feith (foto: Stedelijk
Museum Zwolle).
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vrome maar ook naïeve vormen aan. Zoals de
gehoopte genezende kracht in een glaasje madera.
Met het fatalisme van optimisten schreef ze herhaaldelijk
de wens neer dat God ‘het ten besten
schikken’ zal. Een genezing na een ziekte is in de
eerste plaats te danken aan de weldaden en zegeningen
van de hemelsche Vader.
De volmaakte bestendigheid wordt echter pas
gevonden in het hiernamaals in het gezelschap van
geliefden, familie-leden en kennissen. Een
gedachte die vanaf het midden van de achttiende
eeuw grote opgang maakte.13 Opmerkelijk is het
ontbreken van een plaats voor verdoemden. Met
enige lichtzinnigheid lijkt iedereen, ook in de
familie Feith, ervan uit te gaan dat men wel in het
hiernamaals op de goede plaats terecht zou
komen. Niet geheel overeenkomstig de leer van de
uitverkiezing was ook Elsjes hoop in het hiernamaals
de beloning te ontvangen voor het op aarde
doorgemaakte lijden.
Hoe nauw haar levensvervulling in familie en religie
lag, wordt nog het best samengevat door de
broer van Elsje, Louis Rhijnvis, waaruit ook duidelijk
wordt dat hij de opvattingen van zijn vader
deelde.14 In een brief aan Naatje naar aanleiding
van het overlijden van zijn zus schreef hij: ‘Intusschen
is het eene aangenaame gedachte dat wij
hun, na dit leven, daar eens weder zullen vinden
waar geen scheiding meer zijn zal, hoe zeer verbindt
ons dit niet aan den Hemel; werwaards ons
reeds zoo velen vooruitgegaan zijn, en onze komst
verbeiden; de kring onzer betrekkingen, moge dan
hier op aarde vernaauwen, iedere gaping op dit
beneden rond, is eene schaakel te meer in de
gewesten der zaligheid, zoo wordt de band, die
ons aan deze aarde verhegt, langzamerhand
gestaakt, om de band, die ons na den Hemel trekt
te versterken’.
Niet alleen tevreden met het vooruitzicht op
een geestelijk samenzijn in het hiernamaals,
streefde Elsje ook naar een aardse pendant. Dat
werd de nieuwe Zwolse begraafplaats aan de Meppelerstraatweg.
Het verheugde haar bijzonder
toen het mogelijk was ruimte voor de gestorven
familieleden te verwerven vlak naast ‘onze dierbare
ouders’, zodat ook op aarde de familie bijeen
was. Elsje werd daar, aan de voet van het monument
van haar vader, na haar overlijden op 10
maart 1837 begraven.
Noten
1. Aan deze brieven werd al eerder aandacht geschonken:
H.J.H. Knoester, ‘Nog enige onbekende brieven
van Mr. Rhijnvis Feith’, in: Documentatieblad
Werkgroep Achttiende Eeuw, 1979,3-9.
2. Voor de familierelaties: R. Feith, Genealogie van de
familie Feith, ‘s-Gravenhage 1924. Samengevat:
1. Pieter Rutger Feith x A. M. ten Dall: kinderen.
2. Octavia Bellinda Feith x H. Meder: één dochter.
3. Elsabé Machteld Catharina Feith.
4. Henriette Engelina Feith x O.Z. van Sandick: kinderen.
5. Hendrikus Octavius Feith x H.M. Meurs: kinderen.
6. Marius Gerardus Johan Feith x A.M.G. Colonius:
kinderen.
7. Louis Rhijnvis Feith x J.Th. van Dedem: géén kinderen.
8. Everard Eisso Feith lx Th.A.M. Hesse 2x E.M.
Rietberg: kinderen.
9. Berend Hendrik Feith x A.M. Sparringa Siertsema:
kinderen.
3. J.C. Streng (ed.), ‘Zo als men aan gemeenzaame
vrienden gewoon is te schrijven’. De correspondentie
van Rhijnvis Feith 1/53-1824, Epe 1994, brief 121 en
bijlage III.
4. Idem, brief 164.
5. Idem, brief 137.
6. Idem, brief 195.
7. Idem, brief 184.
8. H. Brouwer, Lezen en schrijven in de provincie. De
boeken van de Zwolse boekverkopers 1/77-1849, Leiden
1995,246.
9. M. van Essen, ‘Zwijgen, zorgen, liefhebben. Meisjesopvoeding
en -onderwijs in Nederland in de eerste
helft van de negentiende eeuw’, in: B. Kruithof,
J. Noordam en P. de Rooy, Geschiedenis van opvoedingen
onderwijs, Nijmegen 1985,386-393.
10. W.H. Warnsinck, ‘Mr. Rhijnvis Feith , geschetst uit
zijne gemeenzame brieven’, in: Gedenkzuil voor Mr.
Rhijnvis Feith, Leeuwarden 1825,104,105.
11. Idem, 103-104.
12. De gedachte was gebaseerd op de filosofie van Leibnitz.
P.J. Buijnsters, Tussen twee werelden. Rhijnvis
Feith als dichter van ‘Het Graf, Assen 1963, passim.
13. C. McDanell en B. Lang, Heaven. A history, New
Haven/London 1988,181-275.
14. Streng, ‘Zo als men’, brieven 137,168,172.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
In de wandelgangen van een villa
De geschiedenis van de villa aan de Van Roijensingel 13
De fraaie pompeuze villa’s aan de Van Roijensingel
weerspiegelen in het water van de
Zwolse grachten. Decoratieve neo-stijlen
geven de villa’s een extra glans. Halverwege de
negentiende eeuw waren deze huizen de residenties
van verschillende hooggeplaatste notabelen.
Zij hadden uitzicht op de door Hendrik van Lunteren
ontworpen stadsgrachten in Engelse stijl. De
singel bevond zich net buiten de stadsgrachten, in
een sjieke groene omgeving.
Verschillende welgestelde lieden bewoonden
deze paleizen. Een van de welgestelde lieden die er
nog niet woonde was, de heer E.J.I. van Sonsbeeck,
advocaat van beroep en tevens lid van de
Provinciale Staten. Hij gaf in het jaar 1872 de heer
B.H. Trooster, een aannemer, de opdracht een villa
aan het Klein Wezenland te bouwen (de huidige
Van Roijensingel).1 Net als vele (rijke) medeburgers,
wilde Van Sonsbeeck de benauwde binnenstad
uit en zich vestigen in een open groene omgeving
met uitzicht op de stad.
De eerste bewoners
De realisatie van Van Sonsbeecks droom nam
twee jaar in beslag. In 1874 werd zijn villa uiteindelijk
opgeleverd. Het pand was opgetrokken uit
neo-stijlen, voornamelijk in de neo-rennaisance
stijl. De heer Van Sonsbeeck kon met zijn familie
Derk Jan
Rouwenhorst
Het kleine Wezenland,
tegenwoordig Burgemeester
van Roijensingel
geheten, bij de Zeven
Alletjes rond 1885
(Gemeentearchief
Zwolle; collectie Waanders).
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Burgemeester LA. van
Roijen 1897-1933.
intrek nemen in de villa. Zestien jaar heeft de
familie er gewoond, totdat Van Sonsbeeck op 28
december 1890 (op zijn verjaardag) overleed. Na
zijn dood ging de villa over in de handen van W.C.
Bijl de Vroe, directeur van het Spoorweg Postkantoor.
2 Hij heeft maar enkele jaren aan het Klein
Wezenland gewoond.
Burgemeester mr. I.A. van Roijen.
Nadat de heer Bijl de Vroe uit Zwolle was vertrokken,
betrok mr. LA. van Roijen met zijn gezin en
personeel de villa. De heer van Roijen was net drie
jaar burgemeester van Zwolle. Voor die tijd had
hij een advocatenkantoor. Na een korte periode
als wethouder opgetreden te hebben, werd Van
Roijen in 1897 burgemeester van Zwolle. De
opvolging verliep niet geheel soepel. In die tijd
werd de burgemeester door de gemeenteraad
gekozen. Er waren drie kandidaten; de heer Van
Diggelen, schoolopziener van het district Steenwijk,
de heer Van der Vegte, die later minister van
Waterstaat zou worden, en de heer Van Setten,
deken der advocaten. Alle kandidaten waren zeer
gebrand op het burgemeesterschap, vooral de heer
Van Diggelen. Maar hij was in de gemeenteraad
niet erg geliefd. Hij was altijd haantje de voorste.
Mede om die reden benaderden de raadsleden
Van Roijen om te vragen of hij geen burgemeester
wilde worden. Van Roijen hield eerst de boot af.
Hij ambieerde een ambt in de diplomatieke dienst
en wilde via de Provinciale Staten en de Eerste
Kamer die functie bereiken.
Verder bezat hij een bloeiend advocatenbureau,
dat hij niet zomaar wilde opgeven. Maar er
werd op zijn gemoed gewerkt zodat hij uiteindelijk
beloofde zich toch kandidaat te stellen. Hij
verwierf de nodige stemmen en werd burgemeester
van Zwolle.
Met zijn verworven burgemeesterschap in 1897
brak er een nieuwe periode aan voor I.A. van Roijen,
maar vooral ook voor Zwolle. Hij gaf zijn
advocatenbureau op en verhuisde met zijn gezin
naar Klein Wezenland.3 Als burgemeester stond
hij aan het begin van een nieuw tijdperk. De ‘kleine
luyden’ leken steeds meer de macht naar zich
toe te trekken; ook de arbeiders lieten zich niet
onberoerd. Zelf was Van Roijen een man van de
burgerij, een liberaal politicus met grote bestuurlijke
capaciteiten. Zijn eerste jaren als burgemeester
werden gekenmerkt door provinciale eentonigheid.
Dit duurde tot 1903. Toen deed er zich
plotseling een spoorwegstaking voor. Aangezien
er veel arbeiders in Zwolle bij de spoorwegen
werkten, leek de ‘opstand’ in Zwolle een reëel
gevaar voor de openbare orde. Van Roijen greep
daadkrachtig in. Hij dreigde de staking te laten
neerslaan door Wijneandts in te schakelen, een
oud-indiëstrijder, die al eerder de Palingopstand
in 1886 hard had neergeslagen. Het bleef echter bij
een dreigement. Door de slechte organisatie bij de
stakende arbeiders zakte de ‘revolutie’ snel ineen.
In de loop der jaren was Van Roijen een echt politiek
dier geworden, sluw en geslepen als een vos.
Hij speelde zaken tegen elkaar uit en kwam vaak
als politiek winnaar uit de strijd. Maar hij kende
ook tegenslagen. In 1904 incasseerde hij zijn eerste
nederlaag. Deze werd ingeleid door problemen
rond zijn herverkiezing in de Eerste Kamer. Van
Roijen was vanaf 1902 lid van de Eerste Kamer en
moest in 1904 herkozen worden. Afgesproken
werd dat alle Zwolse raadsleden die zitting hadden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
in de Eerste Kamer, op de burgemeester zouden
stemmen. Hiertoe behoorde ook de heer Van Diggelen.
De eerste stemming werd gehouden, maar
mislukte omdat sommige leden van de Kamer nog
niet begrepen hoe het systeem werkte. De tweede
stemming werd gehouden, maar de burgemeester
kwam nèt één stem te kort. In de raad vermoedde
men dat Van Diggelen op de directe concurrent,
de heer Heerkens, had gestemd. Toen de leden van
de liberale fractie dan ook de prullenbak afzochten
(daarin bevonden zich de stembriefjes) naar
bewijs, bleken hun vermoedens waar te zijn. Van
Diggelen werd uit de liberale club gezet en mocht
de vergaderingen niet meer bijwonen. Vanaf die
tijd kent men het Zwolse gezegde; ‘ik laat me niet
bediggelen’.4
In het jaar 1912 ging het burgemeesterschap
van Van Roijen een nieuwe fase in. Er werd een
nieuwe jurist, de heer Van Leyden, benoemd tot
secretaris der gemeente. Samen met de burgemeester
vormden zij ‘het tweemanschap van de
gladde advocaat en de grote jurist’.5 Samen namen
zij veel besluiten buiten de gemeenteraad om,
waardoor zij dit orgaan vrijwel geheel vleugellam
maakt

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1995, Aflevering 4

Door 1995, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
I
| ,
“T «ï.
P R I J S F 9 , 5 O
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
Dick Hogenkamp Beide dia’s zijn genomen vanaf het dak van
het kantoorgebouw van de Waterleiding
Maatschappij Overijssel (WMO).Dit gebouw
staat op de plek waar vroeger een schitterende
villa stond met de naam ‘Spoolderenk’. In 1907
had Pieter van Deventer, bankier, deze villa laten
bouwen. Na een brand in 1913 verrees op deze
plaats een veel kleiner huis; ook al omdat de bank
van Van Deventer failliet ging. In 1935 werd de
WMO eigenaar van het huis. Ter plekke verrees
een kantoorgebouw dat daarna vele malen verbouwd
is. Sinds kort is de WMO in een totaal
nieuw kantoorgebouw gehuisvest.
Aan het eind van de Veerallee werd in 1936
een rotonde aangelegd, ook wel bekend als het
Spoolderbergcircuit. De rotonde sloot aan op de
nieuwe rondweg.
In 1975 kwam – iets meer naar achteren – een
nieuw verkeersplein tot stand. Een kleine tien
jaar later was de aanleg van het laatste gedeelte
van de IJsselallee tot aan het verkeersplein
voltooid. Daarmee was Zwolle-Zuid voor het
snelverkeer optimaal ontsloten. Om het nieuwe
verkeersplein vanuit de stad bereikbaar te maken,
was o.a. café-restaurant De Jonge Jan, gelegen
aan het eind van de Veerallee, afgebroken.
De Veerallee dankt zijn naam aan het feit dat
de weg vroeger doorliep tot aan het Katerveer.
Na de aanleg van het Spoolderbergcircuit kreeg
het laatste stuk weg de toepasselijke naam Oude
Veerweg.
Het drukke verkeer op de Veerallee, de
IJsselallee en de A28 staat in schril contrast met
de rust op de Oude Veerweg waar nog steeds van
de landelijke omgeving valt te genieten, die
vroeger zo gewoon was op de Spoolderberg.
Rotonde bij de Spoolderberg
(foto’s: Dick Hogenkamp).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
Redactioneel Inhoud
Het jaar 1995 stond in het teken van twee
herdenkingen: de herdenking van 1795
en van 1940-1945. Het Zwols Historisch
Tijdschrift heeft aan beide onderwerpen een themanummer
gewijd. De Tweede Wereldoorlog laat
ons echter ook in deze aflevering nog niet los.
Kees Ribbens schetst in zijn artikel hoe de
drukpersvrijheid in de oorlog aan banden werd
gelegd en hoe de Zwolse Courant daarop reageerde.
Ook de jeugdherinneringen van Willem Boxma
hebben gedeeltelijk op de oorlogsperiode
betrekking. Hij zag in 1940 de Duitsers over de
Hortensiastraat marcheren en vijf jaar later zag
hij de Canedezen door dezelfde straat komen.
Lydia Wierda voert de lezer ruim vijf eeuwen
in de tijd terug, toen Zwolle een belangrijk
economisch, cultureel en godsdienstig centrum
was, waar vele mooie handschriften werden
vervaardigd. Bij de productie daarvan speelde het
Fraterhuis een grotere rol dan tot nu toe bekend
was.
Gert-Jan van der Horst zet in zijn bijdrage
uiteen welke betekenis de liberale baron Sloet
gehad heeft, niet alleen voor Zwolle maar ook
provinciaal en nationaal.
In verband met de open dag toog Dick
Hogenkamp naar de WMO aan de Oude
Veerweg. In zijn rubriek Zwolle vroeger en nu,
werpt hij een blik op de rotonde bij de
Spoolderberg.
De redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift
wenst U tot slot een gelukkig 1996 en veel
plezier bij het lezen van deze aflevering.
Zwolle vroeger en nu Dick Hogenkamp
Drukpersvrijheid aan banden.
De Zwolse pers in oorlogstijd Kees Ribbens
Een gewone jongen in Zwolle/4 Willem Boxma
Zwolle als centrum voor boekproduktie Lydia Wierda
B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1808-1884)
Gert-Jan van der Horst
Literatuur
Agenda
Mededelingen
Auteurs
112
114
123
131
139
142
143
144
145
Omslag: Krantenzetterij bij de Erven J.J. Tijl, circa 1955. De foto laat één en al
bedrijvigheid zien. In de Tweede Wereldoorlog was er een groot gebrek aan
papier en de berichtgeving was schaars (foto: collectie Tijl, Gemeentearchief
Zwolle). ^^^^^^^^^^^^^^
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Drukpersvrijheid aan banden
De Zwolse pers in oorlogstijd, 1940-1945
Kees Ribbens
Ir. P. van Gelder. Tekeningdoor
Teun van der
Veen (in: Tijls Curiosa
Zwolle 1952).
Sinds de opkomst van de moderne massame
dia zijn velen overtuigd geraakt van de
macht van deze communicatiemiddelen.
Ook de Duitsers die in 1940 Nederland binnenvielen,
hadden aanzienlijk vertrouwen in de macht
van de media om lezers, luisteraars en kijkers te
beïnvloeden en manipuleren. De bezetter streefde
er daarom naar, om alle vormen van publiciteit
zoveel mogelijk naar zijn hand te zetten. Getracht
werd de publiciteit te zuiveren van informatie die
vanuit militair of ideologisch oogpunt onwelkom
was, en de media ten dienste te stellen van de nazipropaganda.
Zo hoopte men de Nederlanders
ontvankelijk te maken voor het nationaal-socialisme.
Het Duitse toezicht strekte zich uit over
boeken, brochures, tijdschriften en kranten. Zo
werden bijvoorbeeld twee vooroorlogse publicaties
van de Zwolse predikant ds. G. Horreüs de
Haas door een verbod getroffen vanwege de
hierin verwoordde afwijzing van het nationaalsocialisme.
1 In geval van een dergelijk verbod
nam de politie alle aanwezige exemplaren in de
plaatselijke boekhandels en bibliotheken in
beslag. Op deze wijze verdwenen de romans van
Jef Last en A.M. de Jong uit de boekenkasten. Bij
Burghart’s Leesbibliotheek aan het Gasthuisplein
werden ook meer politiek getinte werken
verwijderd als Den Doolaards Het hakenkruis
over Europa.2
Behalve boekhandelaren moesten ook uitgevers
en journalisten zich naar de nieuwe
machthebbers richten. Dat gold evenzeer voor
allen die betrokken waren bij de totstandkoming
van in Zwolle verschijnende periodieken. De
wijze waarop zij geconfronteerd werden met het
optreden van de bezetter en hun reacties daarop
staan in dit artikel centraal.
De plaatselijke pers
De plaatselijke Zwolse pers bood aan de
vooravond van de Tweede Wereldoorlog een
gevarieerd beeld. Naast enkele kerkbladen, het
geïllustreerde weekblad Timotheüs en het
Zwolsch Nieuws- en Advertentieblad (alias Ten
Heuvel’s krant) verschenen er twee dagbladen in
de Overijsselse hoofdstad, de Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant en het
Overijsselsch Dagblad. Laatstgenoemd dagblad
telde circa 4400 abonnees en behoorde tot het
Haarlemse mediaconglomeraat De Vereenigde
Katholieke Pers, uitgeefster van De Tijd. De door
Erven J.J. Tijl uitgegeven Provinciale Overijsselsche
en Zwolsche Courant – met ruim 15.000
abonnementen aanmerkelijk groter – was daarentegen
een vrij neutraal, enigszins liberaal-gezind
dagblad. De krant was voor de oorlog
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
terughoudend met commentaar, al had de
redactie zich bij tijd en wijle afkeurend uitgelaten
over de Duitse politiek. Plaatselijke politieke
bijeenkomsten werden op neutrale wijze
verslagen, ook wanneer het de NSB betrof.
Advertenties van deze beweging werden zonder
problemen aanvaard.
Beide kranten werden op 10 mei 1940 verrast
door de Duitse inval. Over de lotgevallen van het
Overijsselsen Dagblad is bij gebrek aan gegevens
weinig bekend.3 De Zwolsche Courant verscheen
die middag niet. De telexverbindingen van de
redactie waren verbroken, terwijl de verspreiding
van de krant werd belemmerd door oorlogsomstandigheden.
Pas op dinsdag 14 mei, na twee
nooduitgaven met officiële mede-delingen,
verscheen de krant weer in een herkenbare, maar
sterk afgeslankte uitvoering. In de eerste
maanden na de Duitse inval zou de gemiddelde
omvang van de krant acht pagina’s bedragen,
terwijl dat voorheen ruim twaalf pagina’s was.
De redactie verklaarde op de voorpagina van
14 mei dat zij zich nu moest gedragen “naar den
wensch der Duitsche militaire overheid”. Buitenlandse
berichtgeving, zo werd duidelijk gemaakt,
mocht niet in strijd zijn met de belangen van de
bezetter en zou uitsluitend gebaseerd worden op
Duitse bronnen. Daarnaast zou er voldoende
ruimte voor onder meer stadsnieuws en
ontspanningslectuur blijven. Onder deze omstandigheden
beloofde de redac-tie onder leiding
van de 55-jarige Martinus Hendrikus Werkman
haar taak als “verbindende geleding” tussen de
lezers zo goed mogelijk te vervullen.4
De berusting in de nieuwe situatie bleek de
volgende dag, toen het besluit van generaal
Winkelman om de vijandelijkheden te staken als
noodzakelijk en verstandig werd onthaald. Een
geprononceerde stelling nam de redactie echter
niet in. Dat bleek ook uit het redactioneel van 16
mei waarin de lezers in algemene bewoordingen
werden opgeroepen de toekomst moedig en
daadkrachtig tegemoet te treden.5
Diezelfde dag maakte de Militarbefehlshaber
in den Niederlanden bekend dat tijdens de
bezetting geen preventieve censuur zou worden
uitgeoefend. De Duitsers verbonden hieraan de
eis van een absoluut loyale houding van uitgevers
en redacteuren. Dit bracht met zich mee dat het
gezicht van de Zwolsche Courant veranderde
door het grote aantal verplichte berichten van
Duitse zijde. Noodgedwongen plaatste de
redactie de via het ANP-telexnet verspreide
Duitse legerberichten plus overig nieuws van het
Deutsches Nachrichtenbüro (DNB) vaak op
prominente plaatsen. Zwolse lezers van landelijke
bladen – inclusief het handvol Zwolse abonnees
van het NSB-orgaan Het Nationale Dagblad –
werden in hun kranten overigens met hetzelfde
verschijnsel geconfronteerd.
Erg veel indruk leken de veranderingen niet
te maken in Zwolle. In juni 1940 liet ir. P. van
Gelder, die samen met mr. H. Dikkers de directie
vormde van uitgeverij Tijl, zich ontvallen dat de
bezetting in het niet viel vergeleken met de
Franse tijd toen de krant gedeeltelijk in het Frans
verscheen.6 Toch moest Van Gelder zich
realiseren dat de persvrijheid fors beperkt was.
Hoewel preventieve censuur ontbrak, moesten
dagelijks enkele exemplaren van de krant vers
van de pers bij de Ortskommandantur bezorgd
worden. Terdege werd beseft dat opname van
ongewenste berichten kon leiden tot opheffen
Mr. H. Dikkers. Tekening
door Teun van der
Veen (in: Tijls Curiosa
Zwolle 1952).
116 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
DeVoorstraatca. 1950.
Op de plek van het
gemeentearchief en de
Rabobank was voorheen
de stoom-, boeken
steendrukkerij van
de Erven ].]. Tijl gevestigd.
Uiterst rechts was
vanaf de straat via een
glazen pui te zien hoe
“de Zwolsche” van de
persen rolde (foto: collectie
Tijl, Gemeentearchief
Zwolle)
van de krant.
Hoewel de Nederlandse kranteredacties via de
telex tal van aanwijzingen over hun taak
ontvingen, was het niet altijd even duidelijk wat
wel en niet was toegestaan. Ook de sedert
september 1940 aanwezige provinciale Pressereferent
schiep weinig duidelijkheid.7 Dit leidde tot
voorzichtigheid in de vorm van zelfcensuur. Zo
krant zich achter de idealen van de Nederlandsche
Unie, een nieuwe politieke beweging die
reeds twee weken prominent aanwezig was in het
nieuws. De redactie stemde in met het
gedachtengoed dat de Nederlanders zich los
moesten maken van het vastgelopen parlementaire
stelsel met de oude partijpolitiek. Ze
hoopte dat de lezers zich niet langer afwachtend
werd het bekladden van een viertal etalages van
joodse winkeliers in Zwolle, eind augustus 1940,
in de Zwolsche Courant verzwegen. Toen er
begin oktober opnieuw ruiten besmeurd en zelfs
vernield werden, wilde de redactie niet langer
zwijgen. De krant eiste een “krachtig ingrijpen
tegen deze wandade”, maar repte in haar
berichtgeving met geen woord over het antijoodse
karakter van de vernielingen.8
Deze terughoudendheid betekende overigens
niet dat de krant geen enkele stelling durfde te
nemen. In de zomer van 1940 had de Zwolsche
Courant zich voor het eerst tijdens de bezetting
politiek uitgesproken. In een redactioneel
commentaar op 6 augustus 1940 schaarde de
zouden opstellen.9 De Nederlandsche Unie kon
vervolgens op ruime aandacht rekenen in de
kolommen van de krant.
De steun aan deze in brede kring
gewaardeerde beweging, werd begin oktober
1940 opnieuw manifest in een redactionele
bijdrage over de politieke toekomst van
Nederland.10 Daarin werd melding gemaakt van
Musserts bezoek aan Hitler kort daarvoor. De
redactie sprak de hoop uit dat nu ook de leiders
van de Nederlandsche Unie – die immers “het
vertrouwen van een veel groter deel van ons volk
[genoten]” – gelegenheid zouden krijgen hun
opvattingen over samenwerking met het Duitse
rijk uiteen te zetten in Berlijn. Om de NSB niet
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT “7
voor het hoofd te stoten, werd tevens het belang
van samenwerking tussen de NSB en de Unie
benadrukt.
Niet alleen was de speelruimte voor de krant
om een eigen mening ten toon te spreiden
beperkt, maar de redactie zag zich ook af en toe
genoodzaakt zich ronduit achter het beleid van
de Duitsers op te stellen. Zo werd in juli 1940
gerept van de wijsheid en edelmoedigheid van de
Führer, toen deze tot een overeenkomst met
Engeland wilde komen. Een jaar later werd de
oproep van rijkscommissaris Seyss-Inquart om
deel te nemen aan de strijd van de nazi’s tegen de
Sovjet-Unie met nog grotere instemming
begroet. De Duitse druk op de Nederlandse pers
was aanzienlijk toegenomen na de Duitse inval in
de Sovjet-Unie in juni 1941. De pers was
verplicht de strijd in de Sovjet-Unie op de
voorpagina te behandelen, liefst voorzien van
eigen beschouwingen van de krant. De Zwolsche
Courant voldeed daaraan met meer overtuiging
dan strikt noodzakelijk was: de mogelijkheid om
mee op te marcheren tegen het communistische
bolwerk werd als “eervolle plicht” voorgesteld.11
Dergelijke uitlatingen gaven blijk van meer
loyaliteit aan de Duitse doelstellingen dan
noodzakelijk leek. Wilde de krant echter blijven
verschijnen, dan was zij min of meer verplicht
om naast de weergave van de door de Duitsers
gecontroleerde nieuwsvoorziening, bij tijd en
wijle lippendienst aan de bezetter te bewijzen. Dit
kon bijvoorbeeld bestaan uit het plaatsen van
foto’s van de Zwolse fotograaf Herman Heukels,
een fanatiek nationaal-socialist. Voorts werd
aanhankelijkheid betoond in redactionele commentaren
die vooral betrekking hadden op de
buitenlandse politiek van de nazi’s.
Daarnaast probeerde de krant zo veel
mogelijk ‘gewoon’ door te gaan met de neutrale
weergave van de eigen nieuwsgaring. Zo werden
de plaatselijke bijeenkomsten van de NSB en
verwante organisaties objectief verslagen zonder
een spoor van enthousiasme. Dat de krant slechts
lippendienst aan de bezetter wilde bewijzen,
bleek in januari en februari 1942 toen twee grote
artikelen werden geplaatst over een bezoek van
koning Willem II aan Zwolle in 1841.12 De goede
Alblno vraagt flinke Winkel-
Juffrouw. Aanbieding vosmaeratraat
S. njn.6—6 uur.
Gevr. een hink Datrmelsle.
teeen goed loon. K. Visscher.
Coetsstraat 65.
Mevr. Vonk—rHeeaer. Diererstraat
3. vraaetnet Melsio
dag of d.e.n. Goede kost.
B.z.3. hulp Ia de huishouding voor
dag en nacht. Br. onder no. 1203.
B.2.a. net meisje voor dae of
d.ejt Brieven a. Met. A. M.
Jansen. Goudsbloemstraat 28.
Zwolle. –
long echtpaar uit Den Haag met
tind uekt gem. huisje balten
Zwolle of gedeelte van huls. Br.
onder oo. 1I9B.
Qemeub. Zlt-«Iaapkamer te huur
gevraagd.’Br. onder No. 1199.
Qez. 2-pers. gein. Slaapkamer z
pene., omgeving St. Josepbkerk
AssendJtr. Br. onder no. 1202.
Pension gezocht voor echto.
en 2 groote kinderen in de
omgeving van Zwolle, liefst
in de bossehen. Ultv. brieven
onder No. 1101.
JSevraaed. 3 heeren zoeken
een slaaokamer. Brieven W.
F. de Ridder. Btanenvaartschool.
Praubatr. 17. Zwolle.
Wie wil aan een zieke een bedje
thee afstaan ? Dleierstraat 108.
Nieuwe lichte heeren rceenias
en 3 m wollen taoonstof
v. g.o. kinderwagen. Br. ond.
No. 1189 Blik. Zw. Crt_
_ J Kamnen
Wie ruilt miln trekzaaa of
fornuisbinnenDot 100 1. fle1
ffalv. voor kruiwagen.’
Van Keulen. Molendw.str. 28
Wie rallt miin ..Pelikan”
vuloen voor mei3iesfcleeren
leeftijd 11 i. Gladlolenstr. 19
Wie ruilt mijn bl. earb. re.
Eenjas 15 i. voor een lichte
regenjas leeftijd 20 iaar.
Hortensiastraat 39.
Wie ruilt mijn trouwiaDon
voor wollen oeiimoir.
. Enkstraat 50.
Wie ruilt mlln e.o. vulnen v
rolschaatsen (kogellagers).
~ ” Diezerstraat 125
Wie ruilt mijn’nieuwe v.o.
Dumos 37 voor nw. heerenpantalon;
Middelweg 27.
Wie ruilt miln mooie donkerblauwe
gekleede lanon. in. 40
voor driekwart tasje.’ m. 42.
Hofhuls.’ Klaasboerstraat 35.
Wie ruilt mlln boekenkast of
theewagen voor goed duiveltje.
Brieven onder No. 11S0
31tvoor leeren Aschoenen
mT38. Leeren d.oantoffels
m. 36 voor m. 38. Ter Wee.
Nieuwewejf 226. IJsselmuiden..
Mün
, :
Münj.eompl. voorwiel voor
z.R.a
Wie milt mith z.E.a.n. waschstel
voor 2 nieuwe of z-e.a.n.
heerenhemden (liefst inter-
Iock>. Enaelsche Werk A 174.
Zwolle.
Wie ruilt miin 3 katoenen
manshemden -voor klnderkoustes.
3 1.. en (dnderdlrectolrtle.
1 laar. Rlentles.
WilthmenD 66/2
Voor plaatselijk nieuws,
mededelingen van de
lokale overheid en de
rubriek ‘Wie ruilt’,
zoals in de krant van 27
maart 1945, waren de
lezers aangewezen op de
Zwolsche Courant.
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
DeMelkmarktinl957.
De zuidzijde van de
Melkmarkt werd
beheerst door het pand
van de Erven J.J. Tijl.
Omdat uitbreidingniet
mogelijk was, vertrok
Tijl in 1968 naar de
Blaloweg. Een kleine
verkoop- en informatieruimte
is het enige dat
van Tijl in de binnenstad
achterbleef (foto:
collectie Tijl, Gemeentearchief
Zwolle).
verstaander begreep dat de affiniteit van zijn
krant uitging naar het Huis van Oranje, ook al
maakte deze bijdrage het blad nog niet tot een
strijdbaar orgaan.
Plaatselijk persmonopolie
Inmiddels was de Zwolse pers aanzienlijk
ingekrompen waardoor de Zwolsche Courant
omvangrijk perswezen te creëren dat eenvoudiger
te controleren was. Uiteindelijk
verdwenen bij deze persreorganisatie 28 dagbladen
waaronder acht kopbladen van het
katholieke dagblad De Tijd, inclusief het Overijsselsch
Dagblad.14
Ook werd een groot aantal nieuwsbladen en
kerkbladen opgeheven. In Zwolle kregen zowel
nagenoeg een plaatselijke monopoliepositie
verwierf. Allereerst was uitgeverij La Rivière en
Voorhoeve in juni 1941 getroffen door een
verbod op de uitgave van het protestantschristelijke
geïllustreerde weekblad Timotheüs.
Het blad stond bij de bezetter in een kwade
reuk vanwege enkele Duits-onvriendelijke
artikelen in de vooroorlogse jaargangen.13 Eind
september 1941 deelden de bezettingsautoriteiten
vervolgens mee, dat vanaf 1 oktober een groot
aantal bladen niet meer kon verschijnen als
gevolg van papierschaarste. Hoewel de papiervoorraad
door verminderde binnenlandse productie
en import beperkt was, werd deze reorganisatie
vooral doorgevoerd om een minder
de Zwolsche Kerkbode van de Hervormde
gemeente als de Gereformeerde Kerkbode met de
nieuwe maatregel te maken. Een slechts enkele
maanden daarvoor opgericht katholiek kerkblad
legde meteen het loodje. De protestanten zochten
daarentegen naar andere mogelijkheden. Hun
kerkbodes werden in oktober-november 1941
afgeslankt tot mededelingenbladen die verschenen
onder de titel Mededeelingen der
predikanten Van Noppen, Groenewegen en
Stevens en Mededeelingen van de gereformeerde
kerken in de classis Zwolle. Ze zouden tijdens de
bezetting nog’ een enkele keer van naam
veranderen, terwijl de uitvoering steeds eenvoudiger
werd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
Nadat begin oktober 1942 ook het Zwolsch
Nieuws- en Advertentieblad bij een nieuwe
persreorganisatie werd opgeheven, verwierf de
Zwolsche Courant als enig plaatselijk dagblad
een monopoliepositie. Mede als gevolg van de
grote behoefte aan nieuws, steeg de belangstelling
voor de krant. Het aantal abonnementen dat
eind 1940 17.456 bedroeg, was een jaar later
Aangezien het streng gecensureerde buitenlandse
nieuws een zeer selectief en vertekend beeld van
de werkelijkheid gaf, was de krant voor veel
lezers voornamelijk nog interessant vanwege de
officiële bekendmakingen over voedseldistributie
en dergelijke.
Ondanks het feit dat de Zwolsche Courant
steeds de verplichte Duitse berichten publiceerde,
toegenomen tot ruim 20.000. In de zomer van
1942 waren er meer dan 24.000 lezers, een aantal
dat de verdere duur van de bezetting min of meer
stabiel zou blijven.15 Dat betekende overigens
niet dat uitgeverij Tijl haar winst evenredig zag
toenemen; de bedrijfskosten – vooral de papierprijzen
– namen aanzienlijk toe terwijl de abonnementsprijzen
nagenoeg gelijk bleven.
Vanaf 23 november 1942 verscheen de
Zwolsche Courant wegens een nieuwe papierbeperking
in gehalveerd formaat. Naarmate de
omvang van de krant kleiner werd tijdens de
bezetting, nam het aandeel van het buitenlandse
oorlogsnieuws toe. Dit ging vooral ten koste van
het binnenlandse en plaatselijke nieuws.
was de bezetter niet tevreden met de inschikkelijkheid
van de krant. Dit had er in
augustus 1941 toe geleid dat de krant afscheid
moest nemen van de joodse redacteur W. van der
Hoeden uit Kampen, die op last van de Duitsers
werd ontslagen.16 De overige betrokkenen bij de
krant moesten zich na de oprichting van het
Persgilde in januari 1942 aansluiten bij dit
onderdeel van de Nederlandsche Kultuurkamer.
Hoewel dit lidmaatschap blijk moest geven van
trouw aan het nationaal-socialisme, voldeed de
krant daarna blijkbaar nog steeds niet aan de
eisen van de nieuwe orde. Dit droeg er toe bij dat
de 38-jarige Henricus Dikkers, uitgever van de
krant, op 4 mei 1942 door de Duitsers werd
Leerling in de zetten] bij
de Erven J.J. Tijl, circa
1955. Hoewel de foto
niet uit de oorlog
dateert, onderging het
arbeidsproces tot circa
1960 weinig verandering
(foto: collectie Tijl,
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gearresteerd. Met nog drie directeuren, een
hoofdredacteur en een journalist die werkzaam
waren bij kranten uit het hele land, werd hij als
gijzelaar vastgezet in Sint Michielsgestel. Reden
hiervoor vormde de verdenking onvoldoende
mee te werken aan de totstandkoming van het
nieuwe Europa. Samen met enkele honderden
medegijzelaars, allen vooraanstaande mannen uit
de Nederlandse samenleving, moesten zij een
waarborg vormen tegen eventuele verzetsdaden
in het land. Dikkers werd op 17 december 1942
weer vrijgelaten en nam toen zijn functie als
directeur weer op.
Inmiddels begon de krant, onder druk van de
bezetter, steeds meer op een Duits propagandaorgaan
te lijken. Daartoe werd vooral
bijgedragen door de artikelen van de Haagse
redacteur, drs. G.F.B. Damen. In februari 1943
schreef Damen een bijdrage over de strijd tegen
de Sovjet-Unie. Hij waarschuwde voor een
onderschatting van “het roode gevaar” en gaf af
op landgenoten die zich afzijdig probeerden te
houden. Engeland zou het Europese vasteland,
Nederland incluis, aan de Russen verkwanseld
hebben zodat de enige mogelijkheid voor de
toekomst bestond uit een totale oorlog tegen
Stalins troepen aan de zijde van de nazi’s. Ook bij
andere gelegenheden herhaalde de Haagse
redacteur dat de Engelse politiek zat vastgeketend
aan het communisme.17
De artikelen van Damen waren de teruggekeerde
directeur een doorn in het oog. Dikkers,
die zich verschillende malen in redactionele
aangelegenheden mengde, wenste duidelijkerstelling
tegen de Duitsers te nemen. Met een
artikel over de behandeling van de joden wilde
hij de bezetter provoceren. Plaatsing hiervan
werd echter met het oog op mogelijke represailles
voorkomen door ingrijpen van zowel zijn
echtgenote B. Dikkers-Tijl, commissaris van de
drukkerij, als zijn mededirecteur Van Gelder.18
De argumenten die bij het overtuigen van
Dikkers zeer waarschijnlijk een rol hebben
gespeeld, zijn als volgt te omschrijven. Zo
bestond de kans dat de bezetter een hem
welgezinde journalist als hoofdredacteur zou
benoemen om de krant in een NSB-orgaan te
veranderen. De Zwolsche Courant wilde de van
haar afhankelijke lezers – het blad had immers
een monopoliepositie – daarentegen juist zo
onafhankelijk mogelijk voorlichten. Een verschijningsverbod,
een andere mogelijke straf,
betekende vermoedelijk tevens tewerkstelling van
het personeel in Duitsland, iets dat de directie
juist zoveel mogelijk wenste te voorkomen.19 In
een dergelijk geval was het bovendien niet
uitgesloten dat de drukpersen, al dan niet in ruil
voor een vergoeding, weggevoerd zouden worden
wat nadelig zou zijn voor de naoorlogse
positie van het bedrijf.
Dergelijke bezwaren leken voor Dikkers
zwaarder te wegen dan eventuele persoonlijke
risico’s. Zijn gijzeling weerhield hem niet van
illegale activiteiten. Hij zamelde onder meer geld
in voor de groep De Groene, verzorgde
koeriersdiensten voor een spionagegroep en
schakelde drukkerij Tijl in bij de vervaardiging
van valse Ausweisen. Daarnaast was hij
betrokken bij het illegale Nationaal Comité van
Verzet.20 In april 1943 speelde hij een belangrijke
rol bij het uitwaaieren van de April-Meistaking in
het Zwolse bedrijfsleven. Door de staking bij Tijl
verscheen de Zwolsche Courant niet op 30 april,
maar onder druk van de felle Duitse reacties was
het snel gedaan met de publieke afwijzing van de
bezetter. In het hoofdartikel van 4 mei 1943
benadrukte de redactie dat iedereen het hoofd
koel moest houden.21 Opnieuw conformeerde de
krant zich aan de machthebbers.
Om meer invloed te krijgen op de koers van
de krant, ondernam het NSB-gezinde departement
van Volksvoorlichting en Kunsten
pogingen om hoofdredacteur Werkman te
vervangen door een NSB’er. Om aan die druk te
ontkomen werd de Haagse redacteur Damen in
november 1943 opgevolgd door de nog sterker
pro-Duitse B. Uiterwijk Winkel, voormalig
redacteur van de Provinciale Drentsche en Asser
Courant. De nieuwe redacteur schaarde zich
vanaf zijn eerste artikel volledig achter de
uitgangspunten van de bezetter. Hij beklemtoonde
dat Europa zou sterven wanneer de
Sovjet-Unie, die “cultuurlooze steppe” vol
barbaren, de overwinning zou behalen op de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 121
nazi’s. Die schrijfstijl paste in de toon van de
Nederlandse pers die vanaf de tweede helft van
1943 werd ingezet. Naarmate er steeds minder
positief nieuws was te melden, werd de nadruk
gelegd op de veronderstelde kwalijke gevolgen
van een bevrijding door de westerse geallieerden
en hun communistische bondgenoot.22
Terwijl de frontposities van de nazi’s zienderogen
verslechterden, hield de Haagse redacteur
zich verkrampt vast aan het nationaal-socialisme.
Nog in mei 1944 stak hij de loftrompet over
Mussert bij gelegenheid van diens vijftigste
verjaardag. Op 28 augustus 1944 verscheen de
laatste bijdrage van Uiterwijk Winkel in de
Zwolsche Courant. Hij speculeerde hierin op een
toekomstige communistische revolutie in Nederland,
een schrikbeeld waarmee de nazi’s steun
probeerden te verwerven bij godvrezende Nederlanders.
23 Na Dolle Dinsdag verdween de Haagse
redacteur met stille trom.
Daarmee belandde de krant in de laatste fase
van de bezetting, waarin de ontwikkelingen
vooral gedicteerd werden door economische
schaarste. Een uitzondering daarop vormde het
vrijwillige ontslag van hoofdredacteur Werkman,
die onder de druk leek te bezwijken. Al in juni
1944 had de Sicherheitsdienst laten weten hem
persoonlijk verantwoordelijk te houden voor de
opstelling van de krant. Toen de zetterij in
september 1944 bezwaar maakte tegen plaatsing
van een NSB-advertentie bood Werkman zijn
ontslag aan. Hij werd opgevolgd door waarnemend
hoofdredacteur F.J.A. Berding.24
Het nieuwe hoofd van de vijfkoppige redactie
werd medio oktober 1944 geconfronteerd met
het nieuws dat de autoriteiten de papiertoewijzing
aan de krant voortaan halveerden. In
een poging de gehalveerde oplage zo goed
mogelijk te verspreiden, werd besloten om de ene
dag de ene helft van de abonnees van een krant te
voorzien, en de andere dag de andere helft. De
bezorgers moesten ervoor zorgen dat er in iedere
wijk dagelijks voldoende kranten werden afgeleverd.
De uitgeverij riep de abonnees op om de
krant telkens met hun buren uit te wisselen.25
Op 20 maart 1945 besloot de directie dat er
tot nader order dagelijks nog maar één editie zou
verschijnen.26 Dat waren er voorheen drie
geweest. Nog geen twee weken later, op 31 maart
1945, verscheen de krant alleen nog maar als
“noodeditie voor zakelijke mededeelingen”. Deze
krant, die uitsluitend aankondigingen bevatte van
overheidswege, familieberichten en adver-tenties –
zoals de rubriek Wie ruilt – verscheen in totaal vijf
keer tot aan de bevrijding. De noodeditie werd
opgehangen bij winkels in Zwolle en Kampen,
maar werd naar alle waarschijnlijkheid niet meer
onder de abonnees verspreid. Dit papier deed
nauwelijks nog denken aan de vooroorlogse
Zwolsche Courant.
Terugblik
Hoewel het leeuwedeel van de hoofdredacteuren
van de Nederlandse dagbladen tijdens de
bezetting werd vervangen door NSB’ers of geestverwanten,
wist de Zwolsche Courant hieraan te
ontkomen. Desondanks was de Duitse gelijkschakeling
ook bij deze krant succesvol: de
inhoud werd voor een belangrijk deel door de
nieuwe machthebbers bepaald, terwijl duidelijk
afwijzende geluiden geheel ontbraken in de
gereorganiseerde lokale pers. Hoewel de krant
onder invloed van deze reorganisatie bepaald niet
te kampen had met een daling van het aantal
abonnees, was het als propagandamedium voor
het nationaal-socialisme uiteindelijk niet succesvol.
Dat had echter meer van doen met de
afwijzende houding van de meeste lezers – zij
trokken zich van de ideologische lading van hun
dagblad weinig aan – dan met de opstelling van
redactie en directie. Zij zwichtten, weliswaar
zonder hun instemming, voor de druk van de
bezetter.
Door de propagandistische voorstelling van de
activiteiten van de nazi’s, boette de krant aan
geloofwaardigheid in. Ondanks het feit dat de
krant steeds minder datgene vertolkte wat onder
de bevolking leefde, bleven de lezers voor
plaatselijk nieuws en mededelingen van de lokale
overheid aangewezen op de Zwolsche Courant.
Na het verplicht inleveren van radiotoestellen in
het voorjaar van 1943 was het tevens het meest
aangewezen medium voor nieuws over het front.
Het was bovendien frequent en gemakkelijk
122 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
verkrijgbaar voor geïnteresseerde lezers, in
tegenstelling tot de inmiddels verschenen illegale
bladen.27
De duidelijke behoefte aan nieuws droeg bij
aan het voortbestaan van de krant die zich
gedwongen zag te voldoen aan de eisen van de
bezetter. Stopzetting van de krant werd vermoedelijk
te riskant geacht voor eigenaars en
personeel, terwijl mogelijk ook nadelige gevolgen
op zakelijk gebied meespeelden. Dit alles leidde
tot de accommodatie met de bezetter die
kenmerkend was voor een groot deel van de
bevolking. Aangezien de krant – met uitzondering
van de beide Haagse redacteuren – geen
blijk had gegeven van een uitzonderlijke pro-
Duitse opstelling, waren de consequenties voor
de Zwolsche Courant beperkt. De Commissie
voor de Perszuivering ontzette de twee directeuren
ieder drie weken, de twee hoofdredacteuren
ieder twee weken.28 Na een
verschijningsverbod van enkele maanden, rolde
de krant op 16 februari 1946 opnieuw van de
persen, ditmaal in een pluriform perslandschap.
Noten
1. Het betrof Mussen en het nationaal-socialisme in
Nederland (Zwolle 1933) en De mythe van deXXe
eeuw (Assen 1937)
2. G[emeente] A[rchief] Z[wolle],
D[ienst]A[rchief]003, doss[ier] 60, Commissaris
van Politie Zwolle, 18 september 1940 aan
S[ecretaris]-G[eneraal dept] Justitie, Den Haag
3. De jaargangen 1940 en 1941 van het Overijsselsch
Dagblad konden niet worden achterhaald
4. P[rovinciale] O[verijsselsche en] Z[wolsche]
C[ourant] 14 mei 1940, 1, Aan onze lezers
5 POZC 14 mei 1940, 1, Het verzet beëindigd; 16
mei 1940, 1, Weest sterk voor de toekomst
6. POZC 5 juni 1940, 2, Het feest der krant
7. R. Vos, Niet voor publicatie. De legale Nederlandse
pers tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam 1988)
112-113,510
8. POZC 4 oktober 1940, 2, Wederom winkelruiten
vernield
9. POZC 6 augustus 1940, 1, Niet afwachten
10. POZC 2 oktober 1940, 3, Samenwerking in de
nieuwe orde
11. POZC 20 juli 1940, 1, Indruk der rede; 11 juli
1941, 1, Nederland present; Vos, a.w., 198-202
12. POZC 17 januari 1942, 5, Bezoek van den Koning
aan Zwolle; 7 februari 1942, 3, idem
13. GAZ, DA003, doss. 62, S-G Justitie, Den Haag 6
januari 1941 aan Autoriteiten; Procureur-
Generaal, Arnhem 6 juni 1941 aan Hoofden
plaatselijke politie
14. Vos, a.w., 307-310
15. Rijksinstituut] v[oor] Oorlogsdocumentatie],
Archief Departement voor Volksvoorlichting en
Kunsten, afdeling Perswezen, doss. 73 a-x,
gegevens POZC 24 februari 1942; Statistisch
overzicht oplage POZC [1944]; Vos, a.w., 325
16. RvO, Comm[issie] Perszuivering, doss. 119
POZC, Rapport POZC [z.j.]
17. POZC 24 februari 1943, 1, Totale concentratie der
krachten in Nederland; 30 maart 1943, 1,
Churchill’s onzekerheid
18. RvO, Comm. Perszuivering, doss. 119 POZC,
Commissie-rapport [z.j.]
19. RvO, Comm. Perszuivering, doss. 119 POZC,
Rapport M.H. Werkman, 29 augustus 1945;
Verslag H. Dikkers [augustus 1945]; Commissierapport
20. RvO, Comm. Perszuivering, doss. 119 POZC,
Verslag Dikkers
21. POZC4 mei 1943, 1, Rust en orde
22. RvO, Comm. Perszuivering, doss. 119 POZC,
Rapport Werkman; POZC 23 november 1943, 1,
Drang naar het westen; Vos, a.w., 366
23. POZC 11 mei 1944, 1, De Leider vijftig jaar; 28
augustus 1944, 1, Eerbied voor den oogst
24. RvO, Comm. Perszuivering, doss. 119 POZC,
Rapport Werkman; Commissie-rapport
25. POZC 21 oktober 1944, 1, Bericht aan onze
abonné’s
26. POZC 20 maart 1945, 1, Mededeeling
27. Zie i.v.m. illegale pers en naoorlogse
persontwikkelingen mijn werk Bewogen jaren.
Zwolle in de Tweede Wereldoorlog (Zwolle-
Kampen 1995), 284-294 resp. 344-346
28. Vos, a.w., 428-429
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 123
Een gewone jongen in Zwolle/4
Plattelanders op de markt
De Zwolse markt op vrijdagochtend bracht
vertier in de stad. Van ver uit de omtrek
kwamen marktgangers aangelopen en
aangereden, belust op koopjes in de kramen op
het Grote Kerkplein, Oude Vismarkt, Melkmarkt
of in de Luttekestraat. Uit Ittersum, Schelle en
Wezep en zelfs uit Kampen en Staphorst kwamen
de plattelanders. De boeren en boerinnen zaten in
hun hoog op de wielen rustende, en glanzend
gepoetste rijtuigen, en werden voortgetrokken
door blinkend geroskamde paarden. Achter de
portiervensters pronkten de boerenvrouwen in
diepzwarte jurken, het hoofd getooid naar streek,
afkomst en status.
Ze reden ook door de Assendorperstraat waar
ik toevallig getuige was van een op hol geslagen
paard. Het beest schrok waarschijnlijk ergens
van, kreeg de kolder en rende met verduisterde
blik voort, zich niet storend aan de boer die met
al zijn kracht aan het leidsel trok. Het gebeurde
vlak voorbij het Dominikanerklooster, waar de
straat smal toeliep. Het portier sloeg open en de
boerin – werd zij uit het voertuig geslingerd of
had zij een sprong gemaakt uit zelfbehoud? –
belandde op de kinderhoofdjes. Luid kermend
bleef ze in haar kraakheldere japon in het
straatvuil zitten tot iemand zich om haar
bekommerde en haar op de been hielp. Het
paard liep zich, over het hele lijf hevig zwetend,
klem in een steeg naast een ijzerwinkel. De boer
kwam met de schrik vrij en ook de koets
overleefde de ramp. Nadat het dier tot bedaren
was gebracht, kon de reis naar de binnenstad
worden voortgezet.
De Staphorsters hadden, zeker wat de dracht
van de vrouwen betreft, geen enkele overeenkomst
met boerinnen van elders. Ik bleef ze vol
bewondering aanstaren als ze rondgraaiden in de
“lappies” op de kraamtafels en – boerenmensen
eigen veronderstel ik – probeerden van de prijs af
te dingen. Waarom de Staphorster jongens
tijdens de markt de Staphorster deernen achternazaten
om er een te pakken te krijgen, heb ik
W. Boxma
veel later vernomen. De traditie wil dat een
Staphorster jongen een geliefde alleen kon
winnen door haar op de Zwolse markt (ook de
markt in Meppel zou zich uitstekend voor de
amoureuze achtervolging lenen) haar zwarte
stoffen boodschappenzak afhandig te maken.
Lukte het hem om na een moeizame achtervolging
op klompen, tussen de kramen door, het
meisje van zijn verlangen te grijpen en de zak
zonder al te veel tegenstribbelen in zijn bezit te
krijgen, dan zat het goed. Maar niet zelden zag je
een getrek van jewelste omdat de uitverkoren
dame hardnekkig weigerde de zak los te laten.
Het Gasthuisplein bood
tijdens marktdagen een
levendige aanblik (foto:
Gemeentearchief Zwolle,
collectie C.J.J. Schaepman).
124 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Op de Melkmarkt bij
het Rodetorenplein
werd veel vis verkocht
(foto: Gemeentearchief
Zwolle, collectie A.
Meulenbelt).
Eiermarkt
De overdekte eiermarkt naast het postkantoor
aan de Nieuwe Markt is inmiddels gesloopt.
Voor die tijd waren de lage banken door de week
(en uiteraard op zondag) opgeklapt en met een
hangslot vergrendeld, ’t Waren voor het
merendeel boerinnen die gemoedelijk naast
elkaar in de rij achter hun rieten manden
stonden. Daarin lagen, geborgen in een laagje
stro, de bruine en witte eieren. Ik ging soms met
mijn vader mee naar de eiermarkt, wanneer hij
vrij had omdat hij een week late dienst had. We
liepen dan langs alle banken en hoorden de
prijzen aan die ons werden toegeroepen. Ze
varieerden van twee-en-halve tot vier cent. Voor
een ei met dubbele dooier steeg de prijs soms tot
vijf cent. De concurrentie kon echter zo hoog
oplopen dat je er soms in slaagde vijf eieren voor
een dubbeltje te krijgen.
Als de handel was afgelopen en de laatste
eierboerin was opgestapt, klapte de marktmeester
de banken op en deed ze voor de duur van een
week weer keurig op slot. Alleen op zondagochtend
leefde de “commercie” onder de overkapping
even op. Postzegelverzamelaars groepten
er samen om hun kleine waar in alle rust te
ruilen ofte verkopen.
Journalistieke aspiraties
Kuierend over de Melkmarkt zag ik onlangs dat
het statige pand van Tijl, de uitgever van de
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant,
kortweg de Zwolse, niets van zijn pronk heeft
verloren. Als middelbare scholier met journalistieke
ambities placht ik af en toe binnen aan
het loket een stukje vrije nieuwsgaring af te
leveren. Die stukjes gingen over een schoolfeest
of over een vergadering van de speeltuinvereniging
en meer van dergelijk klein stadsgebeuren.
De beloning bedroeg een cent per
regel. Hoeveel regels je bijdrage telde en hoe
hoog de dienovereenkomstige vordering op Tijl
was, zag je pas als de betrokken krant door de
bus was gevallen. Niet zelden had een redacteur
of zetterij-chef een stuk van je bijdrage afgeknipt,
omdat het te lang was voor de beschikbare
ruimte.
Thuis lazen we de Zwolse en Het Volk. Ik gaf
de voorkeur aan Het Volk, vooral vanwege de
avonturen van Bulletje en Bonestaak en later
vanwege de onverschrokken stripfiguur inspecteur
Ward van Scotland Yard. Zogezegd kapot
gelezen werd het gratis verspreide Zwolsch
Nieuws en Advertentie Blad, dat als ondertitel Ten
Heuvel ’s Courant droeg. In de wandeling ging het
krantje door voor De Bult. Of De Bult als
synoniem gold voor Ten Heuvel weet ik niet. ’t
Lijkt me niet dat een fysieke afwijking van
iemand, die nauw bij de krant betrokken was,
aanleiding heeft gegeven tot de typische bijnaam
onder het Zwolse publiek. Gelezen werd De Bult
zeer zeker; het blad stond vol advertenties en
plaatselijke nieuwtjes.
Zaterdagavondmarkt
De Melkmarkt maakt mij droef te moede. Waar
zijn de toen zo opmerkelijke marktkooplieden
gebleven die ’s zaterdagsavonds, kou en regen
trotserend, hun waren aanprezen? Van
sommigen laat zich de reden van hun
afwezigheid niet moeilijk raden. Zoals van het
joodje, met zijn schamele vrouw en kindertjes,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 125
die achter een handkar barstens vol met
speelgoedjes, huishoudelijke spulletjes, flesjes
met geurtjes en god-weet-wat-meer, alles door
elkaar opgehoopt, onophoudelijk riep: “Alles
voor een dubbeltje, zoek maar uit, alles voor één
dubbeltje, mensen!” Ertussendoor maakte hij
grapjes in een taaltje dat Italiaans moest
voorstellen: “Bij Hitlerio en Mussolinio is alles
veel duurderio, bij mij kost alles een dubbeltio!”.
Zijn standwerk onderbrak hij met een solo op
een blikken fluit die hij ergens uit de stapel op
zijn handkar vandaan grabbelde. Na enkele
onbetekenende tonen wierp hij het instrument
terug op de kar. Daar bleef het liggen tot een
kind het oppakte en er, na pa’s gulle offer van
een dubbeltje, gelukkig blazend mee naar huis
ging. Helaas, na de oorlog heb ik ze niet
weergezien. Een karakteristiek stukje Zwolse
zaterdagavondmarktsfeer is met hen heengegaan.
In mijn gedachten zijn ze altijd gebleven.
Datzelfde geldt voor de twee joodse broers die
elke zaterdagavond wat nieuws wisten te bieden.
De ene keer een poetsmiddel tegen roest, een
andere keer levende mannetjeskuikens of spul
om fietsbanden te repareren. En dan de
marktkoopman die, beschermd door een wijdse
parasol, onder een onstuitbare woordenvloed
scheermesjes aan de man trachtte te brengen.
Omdat hij de passanten rechtstreeks toesprak
werden boeren, burgers en buitenlui gedwongen
te blijven staan en hem aan te horen. Om
daadwerkelijk te tonen hoe vlot en veilig het
moderne gilette-apparaat iemand van zijn baard
kon verlossen, pakte hij mij, die argeloos toekeek
en nog lang niet aan scheren toe was, tot mijn
schrik bij mijn schouder. Voor ik het besefte had
hij het wonderapparaat over een van mijn
wangen gestreken. Tot plezier van de omstanders
natuurlijk. De oogst schijnt heel mannelijk te zijn
uitgevallen. “D’r kwamp ’n eleboel euf aof’, zei
vriend Maarten die naast me stond.
Met potlood, gum en liniaal
Herinneringen liggen er te over op de Bagijnesingel,
die vroeger gedomineerd werd door de
Rijks Hogere Burgerschool. Het perk met
rododendrons en ander struikgewas is er niet
meer. Een kil pleintje van witte steentjes laat de
gevel nu in zijn volle omvang zien. Het piepende
zwart-ijzeren hek, dat toegang bood tot de
naastgelegen fietsenstalling, schijnt de tijd te
hebben overleefd.
Gewapend met potlood, gum en liniaal, zoals
was voorgeschreven, begaf ik mij – was het in
1937? – hiernaar toe om toelatingsexamen te
doen. Het resultaat stond mij toe mijn “studie”
op de HBS – de R werd gewoonlijk weggelaten –
te beginnen. Ik realiseer mij dat ik een bevoorrecht
kind was.
Met een meisje uit de zevende klas van de
Willingschool waren we de enige leerlingen die
naar de HBS mochten. De meeste jongens waren
voorbestemd voor de ambachtschool, enkelen
gingen naar de MULO. Voor veel meisjes was de
huishoudschool weggelegd. Als de armoede thuis
ze tenminste niet dwong om na de zesde klas een
“dienstje” als daghitje of werkster aan te nemen.
Op hun twaalfde of dertiende jaar waren ze soms
zo klein dat ze in de keuken een stoof onder de
voeten nodig hadden om behoorlijk aardappelen
te schillen. Ze sloofden zich voor hooguit een
rijksdaalder een weeklang uit; en daarvoor
moesten ze ook zaterdags, en niet zelden op
zondag, op komen draven.
En toch lagen deze baantjes niet voor het
oprapen. Op een advertentie in de Zwolse of in
Het gebouw van de
Rijks Hogere Burger
School aan de Bagijnesingel.
126 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Bult reageerden wel tien meisjes en soms zelfs
meer. Geduldig wachtten ze op de stoep tot hun
naam voor een “sollicitatiegesprek” werd afgeroepen.
Ze gingen eerst uiteen als mevrouw
bekend had gemaakt op wie de keus was gevallen.
Jammer voor de gezinnen waartoe de meisjes
behoorden die niet voor de betrekking in
aanmerking waren gekomen. De riks was juist zo
bitterhard nodig om de hoofden boven water te
houden. Gelukkig was het kind pas als het tegen
Kinderen die in deze
statige huizen aan de
Veerallee woonden, gingen
samen met kinderen
uit Assendorp naar
de HBS.
een redelijk verdienende vrijer was opgelopen.
Dat kleingrut haar placht na te roepen: “Mientje
(of hoe ze anders heten mocht) ef verkering met
’n solte ering” nam ze graag voor lief.
Met een HBS-diploma kon je wat worden!
Een functie op kantoor, een opleiding volgen bij
een grote onderneming of studeren aan een
universiteit of hogeschool of – wat mijn droom
was – journalist worden.
Bij een bezoek aan mijn oude school enkele
jaren geleden, duwde ik niet zonder sentimentaliteit
de stabiele deur open. Vijftig jaren nadat
ik voor het laatst door die deur ging, mag het mij
toch niet verbazen dat het binnen onherkenbaar
is. Waar zijn de amfitheaters van het natuurkunde-,
scheikunde- en natuurlijke historielokaal?
Waar is de lerarenkamer, waar je met
knikkende knieën binnentrad om het overgangsrapport
en later het eindrapport met diploma in
ontvangst te nemen? En waar is de deur van de
directeurskamer, waar elke ochtend de Baas
stond om je tot kalmte te manen of briefjes van
ouders in ontvangst te nemen?
De HBS bezoeken betekende wennen aan een
heel andere sfeer dan die je op de lagere school
gewend was. Het onderwijzend personeel sprak
je niet aan met “meester” maar met “meneer”.
Omgekeerd werd je zelf met je achternaam
aangesproken. Voor elk vak verscheen een andere
leraar of lerares. Je leerde niet meer, je
“studeerde”. De toeloop was groot. Vanwege het
aantal leerlingen – ik spreek van 1937 – was het
noodzakelijk gebleken drie eerste klassen in te
stellen, klas la, lb en lc genoemd.
Er waren natuurlijk meer kinderen uit
Assendorp, maar de meesten kwamen uit andere,
voor ons gevoel betere, wijken van de stad en dus
uit andere milieus. Uit de Veerallee-buurt
bijvoorbeeld. Dat zei overigens niets over onze
onderlinge verhouding. We gingen tijdens de
schooluren heel amicaal met elkaar om. Na
schooltijd ging iedereen naar de wijk waar hij of
zij woonde. Achteraf bezien is het eigenlijk
onbegrijpelijk dat je, een uitzondering daargelaten,
in de vrije tijd niet met “die van de
Veerallee” omging. Wat scheidde ons van elkaar?
Was het vanwege de straten die koninklijke
namen droegen? Was het omdat de huizen met
hun bordessen en portieken iets uitstraalden wat
wij in Assendorp niet hadden? Pas veel later
kwam ik er achter, dat in de Veeralleebuurt ook
huizen voor “de gewone stand” stonden en dat
het “ik woon in de Veerallee” meestal pronken
met andermans woningen was geweest. In elk
geval dacht ik toen nog dat de scholieren van
“het andere milieu” anders leefden dan wij. Ik
kon me niet voorstellen dat ze voet-, hand- of
korfbalden. Ze tennisten natuurlijk of hockeyden
en het lag voor de hand dat ze bij de padvinderij
waren, ’s Winters reden ze schaats op de dure
baan van de Ijsclub. Wij deden dat op de
Volksijsbaan.
Opvallend was dat ze in ondeugendheid niet
voor de Assendorpers onderdeden. Ze overtroffen
ons daarin zelfs. Ik herinner mij de
advokatenzoon, die het lef had de geschiedenisZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 127
leraar op diens vraag naar de bestuursindeling
van Friesland – elf steden en dertig grietenijen – te
antwoorden met “elf steden en dertig nijende
grieten”. Nu verbaast bijna niemand zich daar
meer over, maar in de jaren dertig was zo’n
uitlating hoogst ongepast. Het jong slikte zijn
vrijpostige zienswijze zo gauw weer in, dat alleen
de docent en de leerlingen in de voorste banken
de verbale brutaliteit konden horen. Zij zwegen
van verrassing, ontsteltenis en onbegrip tegelijk.
In die kring kwam je ook de meesters in de
spiekkunst tegen. De zoon van een ingenieur
verscheen bijvoorbeeld voor een repetitie met
een vernuftig spieksysteem. Ik denk dat hij meer
tijd heeft besteed aan het verzinnen en uitvoeren
van de methode, dan voor het instampen van de
gevraagde leerstof nodig was geweest. De
constructie, die hij voor de aanvang van de lessen
zelfvoldaan demonstreerde, was gesitueerd onder
het boord van zijn shirt, ter hoogte van de
adamsappel. De tekst was aangebracht op een
strook papier die van onder het boord uitgerold
kon worden. Had hij van het gegeven kennis
genomen (hetgeen wel enige inspanning vergde)
dan zorgde een elastiekje ervoor dat de strook
vliegensvlug onder het boord terugrolde. Het
systeem functioneerde prima, totdat de leraar op
de zegevierend rondblikkende uitvinder toestapte.
Deze zag zich genoodzaakt de strook al te
haastig in de uitgangspositie terug te brengen.
Helaas, juist op dat beslissende moment liet het
elastiekje het afweten! Een droevig verfrommeld
vodje papier, met daarop kostbare kennis, bleef
vanaf de adamsappel languit over de knoopjes
van het shirt hangen. Het toegekende cijfer laat
zich raden. Het zal wel een “paal”, een één
geworden zijn.
De Sik, Sam, Sijmen en ’t Heufd
Traditioneel duidden leerlingen op middelbare
scholen elkaar en docenten aan met een bijnaam.
Of moet ik van een spotnaam spreken. Ook op
de Zwolse HBS was dat vanzelfsprekend het
geval. Daar had je de kleine driftige, tot orde
onmachtige joodse leraar die wiskunde gaf en als
de Sik bekend stond. Geen originele benaming
overigens, want de man had een sikje. Jarenlang
leraarschap op een en dezelfde school betekende
dat hij onder de pupillen voor de. Sik doorging.
Hij had zich daar spontaan bij neergelegd.
Sterker nog, hij liet niet na zo nu en dan zelfspot
te bedrijven door grijnzend, demonstratief aan
zijn sikje te trekken, in de stille hoop daarmee bij
het leergierig gespuis in een goed blaadje te
raken.
Een andere manier van de Sik om in de klas
sympathie te verwerven was het vertellen van een
mop tijdens stress-situaties. Een typisch joodse
mop natuurlijk. Eén weet ik nog na te vertellen.
Moos vroeg aan zijn oom Sam: “Oom Sam, waar
hangt uw geweer?” Waarop oom Sam verbaasd
vroeg: “Geweer? Ik heb geen geweer. Waarom
vraag je dat?” Waarop Moos in alle onschuld
antwoordde: “Nou, papa zei laatst dat u zo’n
geweldige bok hebt geschoten.”
De Sik’s glinsteroogjes dwaalden over de
koppen van de hope des vaderlands in de
schoolbanken, wachtend op een reactie die een
moppenverteller doorgaans te beurt valt. Maar
zie, de hele klas zweeg en deed alsof ze de clou
niet had begrepen. Vertelde hij bij een volgende
gelegenheid weer een van zijn witzen, dan kon
het gebeuren dat een langdurig, overdreven en
honend gelach zijn beloning was. Dat bracht de
Sik van zijn stuk. Hij verloor zijn zelfbeheersing,
vatte zijn zakhorloge, dat hij voor het begin van
de les op de lessenaar placht te leggen, bij het
uiteinde van de ketting en reageerde zijn
ongenoegen onbesuisd af op het uurwerk door
het na een zwaai in de ruimte met een klap op
het tafeltje neer te laten komen. Nauwelijks was
de dreun op het houtwerk verstild of hij nam
vliegensvlug het horloge weer op en drukte het
aan een van zijn oren om te luisteren of het nog
liep.
Was bij de Sik de bijnaam overduidelijk verklaarbaar,
bij andere leraren konden er
eigenaardigheden, spraak, houding of afkomst
aan ten grondslag liggen. Zo had je een Sam, een
Sijmen en ’t Heufd. Mij is nooit duidelijk
geworden hoe de lerares in natuurlijke historie –
wij spraken gemakshalve van “natte his”, tegenwoordig
moet het biologie heten – aan het
kenmerk De Bezem kwam. De Bezem was een
128 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee van de leraren
van de HBS; links de
heer Krijgsman en
rechts de heer Dallinga
(foto’s: W. Boxma).
grijsharig, tenger vrouwtje op jaren dat ons,
terwijl achter haar rug een aan ijzerdraadjes
opgebouwd skelet bungelde, inwijdde in de flora
en andere boeiende biologische wetenswaardigheden.
Ze bracht wel de bevruchting van
planten en bomen ter sprake en wees op de bijen
die daarin hun nuttige bijdrage leverden. Maar
hoe dat bij mensen in het werk ging, legde ze niet
uit. Ook vragen daarover ontweek ze. De Bezem
was van een generatie die dat mysterie te moeilijk
voor jongeren vond.
Eens liet ze mij voor de klas komen, duwde
me een schedel met klappende onderkaak in de
hand en vroeg me de verschillende zorgvuldig
aan elkaar gelijmde delen aan te wijzen en te
benoemen. Wandbeen, rotsbeen en zo meer,
men kent dat wel. Even was ik beduusd zo
plotseling een toch beduidend lichaamsdeel van
een gestorven mens tussen mijn twee handen
geklemd te zien. ’t Was puur menselijk materiaal
en niet vervaardigd van kunststof. De Bezem
bespeurde klaarblijkelijk de spanning die leven
en dood in mijn handen had opgeroepen en
stelde me ogenblikkelijk gerust. “Je bent er toch
niet bang voor, hoop ik”, zei ze. “’t Leeft niet
meer, hoor!”
Oorlog in de Hortensiastraat
Mijn wandelingen door Zwolle zijn ondenkbaar
zonder de Hortensiastraat aan te doen en voor
het pand op nummer 56 de jeugdjaren terug te
roepen. Toen we er eind jaren dertig naar toe
verhuisden, kon ik niet vermoeden dat er vanuit
dit huis een deel van mijn leven ingrijpend zou
worden bepaald. Door het venster aan de
straatzijde heb ik in mei 1940 een peloton Duitse
militairen de straat zingend zien inkomen. In
april 1945 zag ik door datzelfde raam twee
Canadese soldaten, één met een stengun
behoedzaam langs de tuinhekjes lopend, en de
ander op een motorfiets, de bezetting beëindigen.
Aan de ouderlijke woning, die ik in 1946
voorgoed verliet, is uiterlijk niets veranderd. De
hele oorlog prijkte op het groene klapdeurtje in
het tuinhek een door mij met geduld en
toewijding geschilderd getal: 56. Dit was in groot
formaat aangebracht, omdat het huis in het
pikkedonker ook zonder het zwakke licht van de
knijpkat gemakkelijk terug te vinden moest zijn.
De cijfers zijn overgeschilderd, want de lichtjes
branden weer in de Hortensiastraat.
Vrees dat we bij de in 1939 uitgebroken
Tweede Wereldoorlog betrokken zouden raken
heerste alom, maar werd ook steeds weer
weggedrongen. Op een zondagochtend – ’t zal
eind 1939 of begin 1940 zijn geweest – nam vader
mij mee naar de film Op Hoop Van Zegen. De
film, met de bejaarde actrice Esther de Boert-Van
Rijk als Kniertje ging uit van het Instituut voor
Arbeidersontwikkeling en werd in bioscoop De
Kroon in de Diezerstraat vertoond. Terwijl op
het witte doek de vissersboot in de woeste baren
onder het gefluit van de ontembare storm ten
onder ging, gonsde een gerucht door de zaal. Het
ontstond in de achterste rij en plantte zich
fluisterend voort tot het nieuws ook vader en mij
bereikte. De Duitsers, zo luidde het, trokken aan
de grens bij Glanerbrug of daaromtrent troepen
samen. Het kon niet anders of een aanval op ons
neutraal gehouden landje zou in de komende
uren losbarsten. Van Polygoonbeelden uit Spanje
en Mantsjoerije wisten we wat ons te wachten
stond. Enkele bezoekers verlieten nog tijdens de
filmvoorstelling onopvallend de zaal. De
zittenblijvers volgden met gemengde gevoelens
de afloop van het vissersdrama en gingen
zwijgend naar buiten.
Op de zonovergoten tiende mei van 1940
volgde de bevestiging van de onheilstijdingen
zoals er zoveel in omloop waren geweest. Heel
vroeg in de ochtend stond moeder aan mijn bed.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 129
“De Duitsers zijn binnengevallen”, zei ze gehaast,
“sta maar gauw op”. Ik kleedde mij snel aan en
voegde me bij de in de straat bijeengegroepte
nerveuze buurtbewoners. Vijftien was ik, maar ik
kon hun ongerustheid en speculaties delen.
Vader vertrok naar het station om alles wat de
vijand maar enigszins zou kunnen gebruiken
volgens opdracht onbruikbaar te maken. Hij had
er zijn keurige uniform voor aangetrokken en de
tevoren uitgereikte bus met gasmasker voor om
de nek gehangen.
Ikzelf waagde mij naar de spoorwegovergang
nabij de ambachtschool aan het eind van onze
straat, om te zien hoe seinhuiswachters en
wegwerkers, ongetwijfeld met pijn in het hart,
spoorstaven en bielzen van elkander schroefden
en met een moker het blokstelsel in de post aan
diggelen poogden te slaan. Toen dat niet naar
voldoening lukken wilde, legden ze de sleutels op
de rails en ramden er net zo lang op tot ze,
verworden tot een onherkenbaar hoopje schroot,
in de naastgelegen berm werden gegooid.
Voorin de straat begon iemand de ruiten van
zijn woning met repen papier te beplakken. Deze
uit nood geboren activiteit werd onverwijld door
alle bewoners nagevolgd. Mocht het tot schieten
komen, dan zouden onze dure vensterruiten in
elk geval niet door trillingen en lucht-verplaatsingen
kapot gaan. En was dat onverhoopt
toch het geval, wel dan zouden de scherven mooi
aan elkaar geplakt blijven. De Hortensiastraat, en
ook andere straten, kregen door al die door
papierstroken in ruitjes verdeelde vensters, een
typisch Hollandse aanblik, ’t Was overigens
zinloos, want er werden geen granaten afgevuurd
en geen bommen op de stad geworpen.
Eerst in de namiddag drong het ratelen van
een machinegeweer of soortgelijk wapentuig tot
ons door. ’t Kwam waarschijnlijk uit het
mitrailleursnest aan de dijk langs het Almeloos
kanaal. Meermalen was ik daar langs gekomen en
had met de soldaten een praatje gemaakt. Het
bedreigende geluid duurde kort. Een uur of wat
later fietste een jongen van mijn lagere school
voorbij. Hij droeg aan zijn schouder een
vervaarlijke karabijn waarvan de kolf over de
straatstenen sleepte. Gevonden en geen militair
erbij aangetroffen, denk ik. Niet lang daarna
fietsten twee Nederlandse militairen amechtig
langs ons heen, ongewapend.
Het werd stil in de Hortensiastraat. Allengs
ging iedereen naar binnen om de toestand en de
gevolgen te bespreken of om naar de radio te
luisteren die tussen populaire grammofoonmuziek
door legerberichten doorgaf.
Het leek vader verstandig het voorbeeld van
onze rode buurman te volgen en in de achtertuin
zijn socialistische lectuur te verbranden. Het rode
zangbundeltje en een boekje over concentratiekamp
Oranienburg gingen met nog wat van
die zaakjes in vlammen op. De rook van ons
vuurtje was niet de enige die uit de achtertuintjes
van onze rij woningen omhoog steeg.
Laat in de middag – of was het pas de
volgende dag? – hoorden we de Duitsers, de
nazi’s, de vijanden onze straat in komen. Dicht
tegen elkaar marcheerden ze. Als een van de
voorsten uit de pas zou gaan lopen, zou de hele
troep languit over de straat vallen, dacht ik. Ze
leken haast onwezenlijk in hun van ons leger
afwijkende uniformen, de benen in zware
laarzen, de helm tot over de oren. Heel anders
dan onze jongens in hun puttees en kissies en
hoge boorden, marcheerden ze in snelle pas door
onze straat onder het zingen van liederen die we
nog lang zouden moeten blijven aanhoren: “Wir
fahren gegen England” en “Erica.” Het gelijktijdig
dreunen van de ijzers onder hun laarzen op
het asfalt was voorbij voor we er erg in hadden.
Zij gingen waarschijnlijk meteen door naar
Engeland en hadden dus haast. Ik vroeg me af
wat ze van onze afgeplakte ruiten hebben
gedacht.
Terug naar school
Vijf dagen van spanning en onzekerheid vulden
de tijd tussen de tiende en vijftiende mei. In de
straatlantaarns werden de gaskousjes gedoofd en
niet meer tot ontbranding gebracht. De radio
drong aan op het weren van lichtschijnsel naar
buiten. Gedwee begonnen de bewoners hun
ramen te verduisteren. Sommigen hadden het
zwarte verduisteringspapier er al voor in huis
gehaald. Een buurtbewoner passeerde ons en
130 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De goederenloods van
het Zwolse station werd
ernstig beschadigd op 13
mei 1940.
vertelde dat hij na veel hindernissen en met
levensgevaar er in was geslaagd van Groningen
naar Zwolle terug te keren. Tot zijn verbazing
had hij gezien dat Zwolle niet in brand stond.
Dat praatje had in het noorden de ronde gedaan.
De twee dochters van onze roder-dan-rode
buurman waagden zich naar de binnenstad. Daar
waren meer Duitse militairen aangekomen en de
meisjes hadden niet nagelaten om hen heen te
tot onze grote opluchting uiteraard. Deels te
voet, deels liftend, maar ongedeerd, had hij
Zwolle weten te bereiken. Op zijn vlucht uit
Rotterdam had hij meermalen voor neerkomend
onheil in portieken moeten schuilen. Wel was hij
zijn eigendommen kwijt, wie zou daarover
malen?
Vader hervatte zijn arbeid op het gehavende
stationsemplacement. Naast de spoorbrug over
fladderen, zo werd door getuigen verteld. Er
waren zulke knappe jongens bij, vertelden ze…
Rustig slapen deden we nog niet. Mijn ouders
maakten zich zorgen om mijn broer die in
Rotterdam woonde en werkte. Was via de radio
niet gezegd dat die stad gebombardeerd was en in
lichterlaaie stond? Als de jongen het maar
overleefd had!
Na de overgave aan de Duitsers hernam zich
langzamerhand het leven van alledag. Onze
soldaten, voor zover ze niet krijgsgevangen
gemaakt waren, keerden terug naar huis. Als
helden. In groepen kwamen ze over de IJssel, met
de veerpont die in de rivier was teruggebracht
omdat de verkeersbrug was opgeblazen en op de
bodem rustte. Aan deze kant van het water
vingen hulpvaardige padvinders de vermoeide
jongens op en ontlastten ze van hun ransels en
koffertjes. Mijn broer stond opeens voor de deur,
het Almeloos Kanaal ontdekte hij ons
motorjachtje dat hij een dag voor het uitbreken
van de oorlag had verkocht. Het bootje had alle
trots verloren. Het was al op de eerste oorlogsdag
door onze soldaten kapot geschoten, omdat ze
vreesden dat de vijand er gebruik van zou maken
om over te varen.
Ik ging terug naar de HBS omdat de lessen
werden hervat. In de klas verscheen een meisje in
een Jeugdstormpakje, een teken aan de wand.
Een uit Duitsland gevlucht bejaard joods echtpaar,
dat schuin tegenover ons een gehuurde
kamer bewoonde, durfde tegen het schemeren,
weer gearmd een wandelingetje te maken.
Als jongen van vijftien kon ik onmogelijk
vermoeden wat ons de daaropvolgende vijfjaren
zou overkomen.
(EINDE).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 131
Zwolle als centrum voor boekproduktie’
Inleiding
De stad Zwolle was in de tweede helft van
de vijftiende eeuw een belangrijk economisch,
godsdienstig en cultureel centrum.
Haar centrale ligging ten opzichte van zowel de
noordelijke gebieden (Groningen, Friesland en
Drenthe) als het oostelijke achterland hebben
de loop van de vijftiende eeuw tot de belangrijkste
stad van de IJsselvallei, met een uitstraling tot ver
daarbuiten. Was oorspronkelijk Deventer, als ontstaansplaats,
het centrum van de laatmiddeleeuwse
hervormingsbeweging de Moderne Devotie, al
gauw nam Zwolle deze positie over. Ook de bloei
van de befaamde stadsschool van Johannes Cele,
Lydia Wierda
hierin zeker een rol gespeeld. Ook de afnemende
betekenis van de andere IJsselsteden, Deventer en
Zutphen, had een gunstige invloed op de ontwikkeling
van

Lees verder