Zwols Historisch Tijdschrift
Themanummer
De Zwolse Ziekenhuizen
30e jaargang 2013 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2013.indd 1 10-12-13 13:33
Suikerhistorie
R.K. Ziekenhuis te Zwolle
Het Rooms-Katholieke Ziekenhuis, gelegen op de
hoek van het Groot Wezenland en de Blekerstraat,
kreeg in 1967 de toevoeging De Weezenlanden.
Voor die tijd had men het in Zwolle eenvoudigweg
over het Sophia of het katholieke ziekenhuis. Iedereen wist dan welk ziekenhuis bedoeld werd. Anno
1998 zijn beide ziekenhuizen gefuseerd. Ze gingen
verder onder de naam Isala klinieken.
De katholieke ziekenzorg in Zwolle gaat terug
tot circa 1825, toen het Rooms-Katholiek Armbestuur het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat
(nu Morphique Architecten) als zieken- en passantenhuis in gebruik had. Het bestuur droeg de
zorg voor de (arme) zieke medemens rond 1845
over aan de Zusters van Liefde (Sorores Caritatis),
die zich aan het Gasthuisplein vestigden. Voor de
verdere geschiedenis van de katholieke ziekenzorg verwijs ik naar het artikel op pagina 170.
Op het suikerzakje zien we een schild met
daarop de woorden Lampas Charitatis, de toorts
der liefde, verwijzend naar de liefdevolle en
belangeloze inzet en toewijding van de zusters en
andere verplegenden. De vis op het schild is een
bij uitstek Christelijk symbool; op de vis zien we
de Griekse letters X (chi) en P (rho), de eerste twee
letters van het woord Christus. Het geheel werd in
1947 als beeldmerk van het katholieke ziekenhuis
ingevoerd. Het kwam in dat jaar voor het eerst als
embleem voor op de huisspeld van de leerlingverpleegsters. Daarna dook het logo overal op in
het ziekenhuis, zo ook op het suikerzakje.
De geraffineerde kristalsuiker in het zakje
kwam volgens informatie op de achterzijde uit
de fabriek van W. van Oordt & Co te Rotterdam.
Afgaande op kenmerkende elementen (kaderlijnen, fabriekslogo en dergelijke) moet het suikerzakje uit de jaren 1954-1958 dateren.
Omslag: De nieuwe Isala klinieken, of kortweg
de Isala, aan de Dokter van Heesweg 2.
Het ziekenhuiscomplex werd op 17 oktober 2013
officieel geopend door koningin Maxima.
(Foto Elske Bootsma)
166 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Ziekenhuis De Weezenlanden omstreeks 1970. Linksvoor staat nog een laatste
restant van het oude ziekenhuis. (Particuliere collectie)
(Collectie ZHT)
ZHT4 2013.indd 2 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 167
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 166
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog
nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Frank Inklaar 168
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Steven ten Veen 170
Gemeenteraad debatteerde jarenlang
over bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed
ingerigt ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Steven ten Veen 179
De cardiologie te Zwolle Rob Enthoven 190
Van taakgericht naar modelmatig methodisch
handelen
De verpleging van de jaren tachtig tot heden
Frank Inklaar 198
De eerste kaakchirurg in Zwolle
Annèt Bootsma – van Hulten 206
Nucleaire Geneeskunde Anneke Engelage 212
‘Het is nu veel fijnzinniger allemaal’
Uroloog Tjard de Haan over het moderne
opereren Annèt Bootsma – van Hulten 217
Open, professioneel, met hart en ziel
Ethiek in het ziekenhuis Frank Inklaar 222
Mededelingen 228
Auteurs 230
Herinneringen …
Ouders achter glas
Het was in de eerste helft van 1954 dat ik in het Sophia Ziekenhuis
terecht kwam. Dat moet wel toen geweest zijn, want mijn grootouders
waren veertig jaar getrouwd en mijn oom was onder meer ter gelegenheid daarvan uit Australië gekomen. Dat was nogal wat dunkt me, als
echte katholiek met een huisarts als dokter Van Wiechen naar het Sophia Ziekenhuis.
Ik werd opgenomen vanwege aanhoudende middenoorontstekingen. Wat ik me er van herinner is dat ik heb getracht te ontsnappen. Ik
zie me nog zo het bed uitklimmen, ik dacht midden in de nacht. Ik vond
het eng, al die snoeren en dergelijke. Maar ik ben natuurlijk weer naar
bed gebracht. Mijn ouders mochten mij wel bezoeken maar alleen kijken
achter glas, vertelde mijn moeder mij later. Op een gegeven ogenblik
ontdekte ik mijn moeder en heb het op een enorm brullen gezet. Zo erg,
dat er toestemming werd gegeven aan mijn ouders om toch bij mijn
bed te komen. Mijn oom uit Australië wilde mij ook wel graag bezoeken, maar dat mocht niet omdat hij een oom was. Daarom gaf hij zich
uit voor mijn vader en toen mocht hij komen. Ik kan me nog vaag iets
herinneren van de ruimte waarin ik lag. Ik was toen drie en een half (ik
ben in 1950 geboren). Deze opname heeft overigens niets aan het licht
gebracht. Ik heb nog vaak problemen met mijn oren gehad. Maar het
geheel vond ik wel griezelig als kind.
Els Rademaker – Vos
Els Vos als driejarige
in 1954. De foto is
genomen op de veertigjarige bruiloft van
haar grootouders
Heins, die woonden
op Blijmarkt 12.
(Particuliere collectie)
ZHT4 2013.indd 3 10-12-13 13:33
168 zwols historisch tijdschrift
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog nooit
in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Deze vraag kwam in mij op toen ik stond te
wachten voor een stoplicht met uitzicht
op het nieuwe kleurrijke Isala ziekenhuis.
De redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift had
besloten een themanummer over de geschiedenis
van de Zwolse ziekenhuizen te maken en aan mij
de eer om een inleiding te schrijven. Met de vraag
bij het stoplicht kwam eigenlijk meteen de verantwoording voor de onderwerpskeus: ziekenhuizen
staan zo centraal in de samenleving dat vrijwel
iedereen er ooit wel eens mee te maken krijgt.
Alleen dat al rechtvaardigt dat je er aandacht aan
schenkt. En natuurlijk was er de actualiteit: op 17
oktober 2013 opende koningin Maxima het nieuwe
onderkomen van het Isala ziekenhuis aan de Dokter van Heesweg. Al eerder zorgden zulke mijlpalen
voor publicaties over de Zwolse ziekenhuizen. In
1984 verscheen het boek Wil ’t bezoek nu afscheid
nemen naar aanleiding van het 100-jarig bestaan
van het Sophia Ziekenhuis. In 1988 was de opening
van nieuwbouw aanleiding tot het maken van Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden.
Er is gigantisch veel veranderd in de wereld van
de ziekenhuizen. Om een idee te geven een kleine
vergelijking met de situatie rond 1900. Toen
waren er net twee echte ziekenhuizen in Zwolle
gekomen. Op de Bagijneweide stond sinds 1884
het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis. Gemiddeld
werden daar in 1900 32 mensen per dag verzorgd.
Het personeel bestond uit een arts, een directrice,
twee hoofdzusters en dertien verpleegsters. Begin
1902 betrok de katholieke ziekenhuiszorg twee
De helikopterlandplaats bij het Sophia Ziekenhuis, midden jaren tachtig. Het Sophia ontwikkelde zich in die jaren tot vooraanstaand
centrum op het gebied van neurochirurgie en neonatale zorg. De snelle aanvoer van patiënten op deze gebieden kan letterlijk van levensbelang zijn. Maar ook andere patiënten en organen voor transplantatie moeten regelmatig heel snel vervoerd worden. (Collectie HCO)
Frank Inklaar
ZHT4 2013.indd 4 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 169
aangepaste herenhuizen met nieuwbouw erachter
aan het Groot Wezenland. Er werden maximaal
45 patiënten verpleegd door een staf van veertien
nonnen.1 Ruim honderd jaar en een fusie later
zijn de Isala klinieken een topklinisch ziekenhuis.
Eind 2012 werkten er 5.577 personeelsleden
exclusief 341 medisch specialisten.2
Maar niet alleen de grootte of het aantal
medewerkers zijn veranderd. Rond 1900 was een
ziekenhuis er vooral om mensen te verplegen.
Mondjesmaat werden er operaties uitgevoerd
door de enkele arts die aan het ziekenhuis verbonden was. De eerste professionele chirurg
in Zwolle verscheen pas in 1890 ten tonele. In
1919 werden in het Sophia bijna 600 operaties
uitgevoerd waarvan driekwart door één arts,
dokter E.T. Spanjaard. Er waren nauwelijks
technische hulpmiddelen, de wetenschappelijke
kennis stond op een zeer laag pitje, specialisaties
bestonden niet of nauwelijks. Zet dat tegenover
het huidige ziekenhuis. Het jaarverslag over
2012 geeft een opsomming van de kernactiviteiten: algemene ziekenhuiszorg; toonaangevende
topklinische zorg; activiteiten op het gebied van
onderwijs, opleiding, innovatie en wetenschappelijk onderzoek; verpleegkundige opleidingen
en medische opleidingen (ondermeer 21 vervolgopleidingen tot medisch specialist). Ook uit
het lijstje met specialismen die per 2012 in het
ziekenhuis zijn gevestigd blijkt de enorme verandering: Anesthesiologie, Algemene heelkunde,
Cardiochirurgie, Cardiologie, Dermatologie,
Gynaecologie, Hematologie, Interne geneeskunde, Kaakchirurgie, Keel-, neus- en oorheelkunde, Kindergeneeskunde, Klinische chemie,
Klinische oncologie, Klinische pathologie,
Maag-, darm- en leverziekten, Medische microbiologie, Mondziekten, Neurologie, Neurochirurgie, Nierziekten, Nucleaire geneeskunde,
Oogheelkunde, Orthopedie, Plastische chirurgie, Pulmonologie, Psychiatrie, Radiodiagnostiek, Radiotherapie, Reumatologie, Revalidatie,
Thoraxchirurgie, Urologie, Vaatchirurgie, Verloskunde. En er is ook nog een categorie ‘overig’!
Bovendien is er binnen elk specialisme ook weer
sprake van vele subspecialismes. Verplegen is
nog altijd belangrijk getuige het aantal klinische
verpleegdagen van 208.157. Maar patiënten blijven niet meer zo lang in het ziekenhuis (gemiddeld ruim vier dagen) en het enorme aantal
polikliniekbezoeken spreekt boekdelen: 210.310
eerste bezoeken en 346.092 overig.3
Meer dan genoeg dus om er een heel dik boek
over te schrijven. Recentelijk is er wel een dunner boek geschreven, Wat is er gebeurd? Kroniek
van de Zwolse ziekenhuizen. Direct vroegen de
samenstellers van dit themanummer zich af of er
nog iets geschreven kon worden dat niet in dat
boek stond. Gelukkig waren er nog onderwerpen genoeg die niet uitvoerig in het boek waren
behandeld. Een paar van die onderwerpen staan
in dit tijdschrift, zoals de verpleging, ethische
dilemma’s in het ziekenhuis en de nieuwste operatietechnieken. Ook geven we aandacht aan
enige specialismen: de cardiologie, de nucleaire
geneeskunde en de kaakchirurgie. De artikelen
zijn grotendeels gemaakt op basis van interviews
met betrokkenen, of door ervaringsdeskundigen zelf geschreven. Deze allesbehalve complete
dwarsdoorsnede van de ziekenhuiswereld wordt
voorafgegaan door twee artikelen over de beginperiode van het Sophia Ziekenhuis en van De
Weezenlanden. En wat is een ziekenhuis zonder
patiënten en verpleegsters? Zij komen aan bod via
de inzendingen voor de schrijfwedstrijd waarin
we naar herinneringen aan de Zwolse ziekenhuizen hebben gevraagd. De oogst was zeer boeiend,
we zijn de dames Carla Johnson-Cairo, Ria Knolle
en Els Rademaker-Vos en de heren J.M.J. Alferink, Bert J. Davidson, Johan Rijfkogel en H. Timmerman zeer erkentelijk voor hun inzendingen.
Ze zijn in dit nummer steeds opgenomen onder
de kop: Herinneringen. En zo is er een palet ontstaan waarop alle geledingen van het ziekenhuis
een plaats hebben gekregen en waarin de lezer van
alles zal herkennen. Want zeg nu zelf, zou er een
Zwollenaar zijn die nog nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?
Noten
1. Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 494-495
2. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 23
3. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 20, 22-23
ZHT4 2013.indd 5 10-12-13 13:33
170 zwols historisch tijdschrift
Het bestuur van de Rooms Katholieke
Stichting Ziekenverpleging Zwolle
besloot in de jaren zestig om de naam
van het ziekenhuis te veranderen in De Weezenlanden. Voor veel Zwollenaren bleef het daarna
echter nog jarenlang het katholieke ziekenhuis,
ondanks alle inspanningen om het religieuze imago naar de achtergrond te dringen. Als in die tijd
in de Zwolse Courant over een verkeersongeval
werd gemeld dat het slachtoffer naar het katholieke ziekenhuis was gebracht, kon op de redactie
steevast op een telefoontje van de secretaresse
van de directie worden gerekend: ‘Het is niet het
katholieke ziekenhuis, het is het ziekenhuis De
Weezenlanden…’, werd er dan gezegd.
De keuze om de katholieke identiteit althans
voor de buitenwereld kwijt te raken, had niets
te maken met afstand nemen van het verleden,
waarin de zusters ‘Onder de Bogen’ vanaf de
stichting van het ziekenhuis in 1896 zieken uit
Zwolle en omgeving liefdevol verpleegden. De
ontzuiling in ons land en het beleid van bestuur
en directie om een ziekenhuis voor mensen van
alle gezindten te zijn, had van het katholieke
ziekenhuis in feite een algemeen ziekenhuis
gemaakt. Nonnen waren er nog altijd te vinden,
maar hun aantal daalde gestaag. In 1961 waren
het er 58, tien jaar later nog slechts 27. Bovendien waren de religieuzen steeds minder zichtbaar aanwezig, omdat de kledingvoorschriften
van de congregatie soepeler werden. In 1939
was de oude, ronde en gesloten kap al vervangen
door een open model, in 1953 werd het habijt
gemoderniseerd, in 1959 werd het stijve bavet
vervangen door een wit boordje en het zwarte
lint, dat het kruisje droeg, door een zilveren
kettinkje. Eind 1965 maakte de kap plaats voor
een sluier en vanaf 1967 was het de zusters toegestaan zelf hun kleding te kiezen. De meeste
nonnen die nog in het ziekenhuis werkten, lieten
toen sluier en uniform achterwege. Op 5 oktober 1990, op de dag af 94 jaar nadat ze naar de
Overijsselse hoofdstad waren gekomen, werd de
Zwolse gemeenschap van de Zusters van Onder
de Bogen officieel opgeheven. Bij die gelegenheid
reikte burgemeester Loek Hermans de erepenning van de stad Zwolle uit aan de tien overgebleven religieuzen, waarvan er twee, zr. Anacleta
en zr. Gerda Bosch, nog in actieve dienst waren.
Bosch, die in 1994 afscheid nam, was de allerlaatste Bogenzuster die in het ziekenhuis De
Weezenlanden heeft gewerkt.
Twee bogen
De congregatie werd in 1837 in Maastricht opgericht door Maria Elisabeth Gruyters, een zeer
gelovige en vrome vrouw. Paus Pius IX wees de
heilige Carolus Borromeus, die leefde van 1538
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Afscheid van zuster
Gerda Bosch in 1994.
Links patiënt-assistent
Hans Mulder, rechts
cardioloog Bloemers.
(Foto Frans Paalman)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 6 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 171
tot 1584 en aartsbisschop van Milaan was, aan als
patroon van de congregatie. Acht jaar na de stichting nam de nieuwe kloostergemeenschap haar
intrek in de Proosdij van de Sint-Servaas Kerk,
die met twee bogen met de kerk was verbonden.
Het klooster kreeg daardoor de naam ‘Onder
de Bogen’. Aanvankelijk hielden de zusters zich
bezig met het geven van les aan arme kinderen en
het verzorgen van weeskinderen, maar vanaf 1843
kwam het accent te liggen op het verplegen van
behoeftige zieken.
Dat de Bogenzusters in 1896 naar Zwolle
kwamen, was te danken aan Judith Helmich,
dochter van een van de eigenaren van de ijzergieterij Schaepman en Helmich. In het begin
van de jaren negentig van de negentiende eeuw
was zij ingetreden in de congregatie, waar zij de
naam Margaretha had aangenomen. Toen haar
ouders stierven, erfde zij hun huis aan de Melkmarkt, het zogeheten Drostenhuis op nummer
41 waarin tegenwoordig het Stedelijk Museum
Zwolle is gevestigd. Zr. Margaretha schonk het
kapitale pand aan de congregatie met het verzoek
om er een inrichting voor ziekenverpleging van
te maken. Resultaat daarvan was, dat op 2 oktober 1896 moeder Lamberta en zuster Theresia,
gewapend met Gods vertrouwen, naar Zwolle
kwamen om vanuit huize Helmich zieken te gaan
verplegen.
Twee weken later, op 15 oktober, kwam de
generale overste van het klooster, moeder Maria,
hoogst persoonlijk nog vier zusters brengen. Zij
had ook een beurs met 130 gulden meegenomen, waarmee de volgende dag inkopen werden
gedaan: een fornuis, katoen voor gordijnen,
emmers, stokken, dweilen en niet te vergeten een
beeld van Sint Jozef, dat een ereplaats kreeg in het
pand en voor bescherming moest zorgen. Voor
het noodzakelijke opknappen van het huis, dat
een paar jaar niet bewoond was geweest, bleef er
toen nog tachtig gulden over. Een beurtschipper bracht enkele weken later vanuit Den Haag,
waar de Bogenzusters al in 1890 met hun werk
waren begonnen, huisraad mee dat daar overtollig
was. Plus een rekening van zestien gulden voor
de vrachtkosten, waardoor de beurs steeds leger
werd.
Kerk was vol
Op veel medewerking konden de Bogenzusters
aanvankelijk niet rekenen. De pastoor van de
Onze Lieve Vrouwekerk stelde zich zelfs vijandig
op toen hem gevraagd werd een paar plaatsen in
de kerk voor de zusters te reserveren. ‘Mijn kerk
is vol. Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?
Wie heeft u hier geroepen?’ Slechts af en toe werd
de hulp van de zusters ingeroepen en ontvingen
ze een kleine vergoeding. Niemand was echter
bereid om voor een dag en nacht verpleging 1,50
gulden te betalen. Een mandje eieren, daar moesten ze het mee doen. Dat de Bogenzusters min of
meer werden genegeerd, had niets te maken met
de godsdienstige identiteit van Zwolle. De hervormden waren weliswaar ver in de meerderheid,
maar zo’n kwart van de bevolking was katholiek.
Voor katholiek Zwolle en dan in het bijzonder de
zogenaamde behoeftigen bestond er sinds 1844
echter al een mogelijkheid om bij ziekte verpleegd
te worden. Daarvoor zorgden de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid uit Tilburg.
Gasthuisplein
De ziekenverpleging van deze Zusters van Liefde
ging in 1844 van start. Het Rooms-Katholiek
Armbestuur, dat sinds ongeveer 1825 al een zieken- en passantenhuis in gebruik had in het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat, droeg toen de zorg
voor de (arme) zieke medemens aan de zusters
over. Hun eerste behuizing aan de Rozemarijnstraat werd al snel te klein. In 1846 kon dankzij
een schenking de branderij-brouwerij van de
gebroeders Visscher op het adres Gasthuisplein
10 worden gekocht. Vanaf deze plek breidde het
‘gesticht’ zich steeds verder uit door aankoop van
panden, die vaak werden gesloopt om ruimte
voor nieuwbouw te maken. Financieel werd dit
de zusters mogelijk gemaakt door schenkingen
van particulieren, zoals bijvoorbeeld een bedrag
van liefst 20.000 gulden van de weduwe K.L.A.
van der Horst. Zij voegde daar wel de voorwaarde
aan toe, dat in het Liefdegesticht steeds één kamer
disponibel gesteld moest worden voor de vergadering van de damesvereniging ten behoeve der
arme kerken. Bijna anderhalve eeuw lang zouden
ZHT4 2013.indd 7 10-12-13 13:33
172 zwols historisch tijdschrift
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein hun
domicilie hebben. In 1987 werd het klooster afgebroken om plaats te maken voor onder andere een
bioscoop.
Het Liefdegesticht, zoals het ziekenhuis op het
Gasthuisplein werd genoemd, had een bijzonder
goede naam in Zwolle. In feite was het de enige
ziekeninrichting in de stad die goed functioneerde. Daar kwam het stadsbestuur in 1866 ook achter, toen ons land en ook Zwolle werd getroffen
door een cholera-epidemie. Over de behandeling
en verzorging in het zogenoemde Passantenhuis
van de gemeente kwamen zoveel klachten binnen,
dat burgemeester mr. J.A.G. baron de Vos van
Steenwijk aan moeder-overste Stanislaus vroeg
of haar zusters ook de verpleging van de zieken in
het Passantenhuis van de gemeente zouden willen
doen. Anderhalve maand lang hebben de Liefdezusters zich met hart en ziel van deze taak gekweten. ‘De lijders waren zeer voldaan en het publiek
was hiermede zeer ingenomen’. Als dank kreeg
Moeder Stanislaus van het stadsbestuur een zwart
kruis met zilveren corpus. Ook koning Willem III
toonde zijn waardering. Hij stuurde een medaille
met inscriptie naar de zusters begeleid door een
brief van de minister van Binnenlandse Zaken.
‘Die medaille strekt ten blijke van ’s Konings
goedkeuring voor daden van onverpligte menschlievendheid en zelfopoffering.’
Operatie
In 1888, vier jaar na de opening van het
gemeentelijk Sophia Ziekenhuis, werd het
ziekenhuis op het Gasthuisplein uitgebreid
met nieuwe ziekenzalen en een operatiekamer,
waar dr. N.H. Frank in 1891 voor het eerst
een geslaagde blindedarmoperatie deed op
een vrouw. Deze ingreep maakte diepe indruk
op de Zwollenaren en zorgde er voor dat het
ziekenhuis van de zusters van Liefde steeds
populairder werd. De roem strekte zich tot ver
buiten Zwolle uit. De eerste patiënt die na de
nieuwbouw in 1888 werd opgenomen, was bijvoorbeeld de burgemeester van Borne, de heer
Van Bönninghausen. In 1895 brachten de jonge
koningin Wilhelmina en koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle, waarbij ook het
gesticht op het Gasthuisplein op het programma stond. Voor de ingang was een prachtige
baldakijn aangebracht met gordijnen van rood
fluweel en de hele vestibule was gedrapeerd en
met bloemen versierd. Bij het vertrek van de
twee vorstinnen wachtte Moeder Stanislaus een
grote verrassing. Zij kreeg te horen dat zij Ridder in de Orde van Oranje Nassau was geworMoeder Stanislaus
Wilhelmina Agnes Gerardina Henrica van Sonsbeeck werd op 25 juni
1818 op Huize de Gunne bij Heino geboren en trad op 22-jarige leeftijd
in bij de congregatie van Tilburg, waar zij de naam Stanislaus aannam.
In 1844 werd zij samen met zr. Guillianie Aukens naar Zwolle gestuurd
om er voor zieken te zorgen en de kinderen uit arme katholieke gezinnen
onderwijs te geven. Moeder Stanislaus, zij werd al snel moeder-overste van
het gesticht in Zwolle, zou 46 jaar lang in de Overijsselse hoofdstad blijven.
In 1895 werd Moeder Stanislaus koninklijk onderscheiden. Zij was de eerste vrouw in Nederland die Ridder in de Orde van Oranje-Nassau werd.
In 1900 vertrok zij vanwege haar gevorderde leeftijd naar het Moederhuis
in Tilburg, waar zij op 2 maart 1904 overleed. Volgens de overlevering viel
op die dag in de sacristie van het klooster in Zwolle het kruisbeeld uit de
nis, terwijl de rector zijn dankzegging deed na de Heilige Mis. En ’s avonds
om zes uur, het moment waarop Moeder Stanislaus haar laatste adem
uitblies, stond de klok in de gang stil. Dat was te meer opvallend, omdat
moeder overste de klokken van het huis altijd naar die klok geregeld wilde
hebben. Toen de klok werd
aangestoten, liep ze weer
gewoon door…
Rond 1990 werd deze
Zuster van Liefde geëerd met
een straatnaam in de Zwolse
wijk Schellerhoek: Moeder
Stanislausstraat. En in oktober
2013 is een nieuw geopend
zorghuis voor dementerende
ouderen aan de Bagijneweide
naar haar vernoemd: Wilhelmina van Sonsbeeckhuis.
Moeder Stanislaus met
koninklijke onderscheiding.
Foto van haar bidprentje.
(Archief Zusters van Liefde)
ZHT4 2013.indd 8 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 173
den, waarmee zij de eerste vrouw in ons land
was die deze hoge onderscheiding ontving.
De patiëntendruk op het ziekenhuis van de
zusters van Liefde was inmiddels zo groot, dat
besloten werd om voortaan alleen nog maar
katholieken van Zwolle op te nemen. Dit beleid
leverde echter oplopende tekorten op, omdat het
Armbestuur van de parochies voor de verpleging
van arme zieken slechts 35 cent per dag betaalde.
Bij de zusters groeide de vrees dat uiteindelijk
alle zieken naar het in 1884 geopende Sophia Ziekenhuis zouden worden verwezen, maar door de
komst in 1896 van de zusters van Onder de Bogen
zou het heel anders gaan lopen. Terwijl steeds
meer Liefdezusters voor de missie naar de Oost
vertrokken, verplaatste de zorg voor de zieken
zich meer naar huize Helmich op de Melkmarkt.
En toen in 1902 een geheel nieuw rooms-katholiek ziekenhuis van de Bogenzusters in gebruik
werd genomen, hield het ziekenhuis van de LiefAankondiging van
de verhuizing van de
katholieke ziekenverpleging in de Zwolse
Courant van 18 februari 1902.
Het bestuur van het katholieke ziekenhuis bereidde zich al
in een vroegtijdig stadium voor op de gevolgen die een oorlog
voor de instelling zou kunnen hebben. Op 3 april 1939 werd
besloten om op de zolder zandzakken te plaatsen, om in geval
van luchtaanvallen met brandbommen snel in actie te kunnen
komen. Ook werden in het gebouw zwarte verduisteringslampen aangebracht en kregen de zusters ‘draagbare zaklantaarns
met blauw licht’.
Gelukkig is er tijdens de Tweede Wereldoorlog geen bom
op het ziekenhuiscomplex terecht gekomen, maar ongemerkt
gingen de bezettingsjaren allerminst voorbij. Omdat ‘horen,
zien en zwijgen’ voor de zusters het parool was en de medische
dienst van de Wehrmacht in het Sophia Ziekenhuis geconcentreerd was, werd het katholieke ziekenhuis een goede plek om
onderduikers onder te brengen en voor het verzet om er een
geheime zender te installeren. Ongelukkigerwijs werd deze
zender, die verbonden was met het geallieerde hoofdkwartier
in Eindhoven, op 8 februari 1945 door de Duitsers gelokaliseerd. Om half elf die ochtend werd het ziekenhuis omsingeld
en gingen enkele officieren met getrokken pistool naar binnen.
Jan van Tongeren, die toen portier was, vertelde er later het
volgende over. ‘De Duitsers sloegen met de kolf van het geweer
de deur in en liepen rechtstreeks door naar de Josephzolder,
waar de kamertjes van de verpleegsters waren. Daar zat de
Zwolse verzetsgroep met de geheime zender. Doordat ze eerst
de verkeerde deur namen, kon de man die er zat ontsnappen
en in het klooster verdwijnen. Maar Beernink, die naar buiten
liep, werd op het voorterrein neergeschoten. Intussen hadden
de zusters alle mannen op zaal 5 die onderduikers waren bliksemsnel in bed gestopt en van spalken en verband voorzien,
zodat het leek of ze flink ziek waren. De kok, ook een onderduiker, was op de vlucht geslagen en aangeschoten. De Duitsers
volgden zijn bloedspoor en vonden hem in de aardappelschuur
onder het hooi. Hij werd in de polikliniek gebracht en toen hij
stierf lagen de Duitsers met het oor aan zijn lippen in de hoop
dat hij ijlend namen zou loslaten.’
De dood van Henk Beernink, voorman van de verzetsgroep
De Groene, was een zware klap voor de Zwolse illegaliteit.
Moeder-overste Praxedis, die in 1952 het Kruis van Verdienste
kreeg voor haar verdiensten voor de illegaliteit, werd samen
met haar medezusters door de Duitsers verhoord. Zij wisten
aannemelijk te maken dat zij niet op de hoogte waren geweest
van de verzetsactiviteiten in het huis. ‘Horen, zien en zwijgen…’
‘Horen, zien en zwijgen’ in het katholieke ziekenhuis
ZHT4 2013.indd 9 10-12-13 13:33
174 zwols historisch tijdschrift
dezusters definitief op te bestaan. Hun activiteiten
in Zwolle zouden voortaan geheel bestaan uit het
aanbieden van onderwijs.
Kruisbeeld
De echte verpleging van zieken in huize Helmich
was in september 1897 van start gegaan, maar
het pand aan de Melkmarkt was in feite voor dit
doel totaal ongeschikt. Zo waren er bijvoorbeeld
slechts twee waterkraantjes aanwezig. De Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging, die
inmiddels de zakelijke bedrijfsvoering van de
zusters had overgenomen en dankzij een aantal
forse schenkingen waaronder een bedrag van
30.000 gulden over de nodige financiële middelen beschikte, maakte daarom al snel plannen
voor de oprichting van een nieuw ziekenhuis.
Aan het Groot Wezenland hoek Blekerstraat
werden twee panden aangekocht, voor 21.000
gulden het herenhuis van de heer Godschalk en
voor 19.000 gulden de houtwerf van de firma
Eindhoven en Zn. Het pand aan de Melkmarkt
werd voor 15.000 gulden verkocht aan de posterijen. Met het kruisbeeld in haar armen en
zestien zusters in haar kielzog betrad Moeder
Lamberta op 22 april 1902 het nieuwe ziekenhuis
aan het Groot Wezenland, dat 45 bedden telde
en 135.000 gulden had gekost. Het herenhuis
van Godschalk werd gebruikt voor de eerste
en tweede klasse patiënten, de nieuwbouw was
bestemd voor de derde klasse patiënten.
Het katholieke ziekenhuis mocht zich in
Zwolle en omgeving in een uitstekende naam
verheugen. De goede huisvesting en de prettige
inrichting hadden daar zeker mee te maken,
maar bepalend daarvoor was de liefdevolle
manier waarop de zieken door de zusters werden verpleegd. Bij ernstig zieken waakten en
baden ze. Weinig mensen gingen in de tijd dat
de Bogenzusters het beeld van het ziekenhuis
bepaalden in eenzaamheid dood, er zat bijna
altijd een non aan het bed van de stervende. Een
arts omschreef het werk van de zusters eens op
de volgende manier: ‘Hun roeping tilde hun toewijding boven het gewone menselijke uit. Hun
medemenselijkheid met de patiënt was vaak om
jaloers op te worden.’
Remonstrant Jan Dhont was eerste medisch-directeur
van het katholieke ziekenhuis
Het personeel van het katholieke ziekenhuis was lange tijd in overgrote
meerderheid katholiek. Daarom werden rond twaalf uur op de administratie de luikjes gesloten om de medewerkers de gelegenheid te bieden op
de knieën te gaan omdat vanuit de Paterskerk het ‘Engel des Heren’ werd
geluid. Met Goede Vrijdag ging het voltallig personeel naar de Kruiswegviering. De meeste leden van de medische staf waren echter niet katholiek.
Dat gold ook voor de eerste medisch directeur die het katholieke ziekenhuis kende, dokter Jan Dhont. De in 1909 geboren zoon van een huisarts
uit Meppel was remonstrant. Toen hij in 1957 tot medisch directeur werd
benoemd, waren vijftien van de zeventien leden van de medische staf niet
katholiek. Dhont was een bescheiden en bijzonder innemend persoon, die
binnen de gemeenschap van het ziekenhuis op grote sympathie kon rekenen. Begaafd en belezen als hij was, ging zijn belangstelling uit naar de letteren. Dichters als Victor van Vriesland en J.C. Bloem behoorden tot zijn
vriendenkring. Zelf maakte Dhont ook gedichten, waarvan een selectie in
1988 door Waanders in boekvorm is uitgegeven:
‘Ik ben tot aan de grens gegaan
Van wat de woorden dragen en ben niet verstaan
Het ging ermee als met mijn hele leven;
Men heeft het vreemd gevonden en is doorgegaan.’
Dhont, die ongehuwd bleef, leed aan de slopende oogziekte glaucoom, die
hem uiteindelijk blind maakte. Nadat hij in 1973 met vervroegd pensioen
was gegaan, werd hij nog jarenlang verzorgd door zusters van ‘Onder de
Bogen’. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in verzorgingshuis
De Nieuwe Haven, waar hij op 1 februari 1984 overleed.
Jan Dhont, in het midden met donker pak, tijdens de bevrijding in april
1945. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 10 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 175
Dagorde
Gemakkelijk was het leven van de religieuzen
bepaald niet. De dagorde zag er bijvoorbeeld als
volgt uit: 5.30 uur opstaan; 5.50 uur lauden in
koor; 6.00 uur meditatie; 6.30 uur Heilige Mis;
6.55 uur reflectie Prime-Terts; 7.05 uur ontbijt;
12.50 uur gewetensonderzoek; 14.30 uur rozenhoedje; 14.45 uur vespers in koor; 19.00 uur
completen in koor; 21.30 uur lichten uit… Op de
afdelingen werd door de zusters met patiënten het
avondgebed gebeden en met veel ceremonie werd
de communie door het ziekenhuis rondgebracht.
De zusters, het zijn ook maar mensen, konden
soms ook wel nukkig, chagrijnig of soms zelfs
bijna onbetamelijk uit de hoek komen. Daarbij
waren sommigen heel erg streng.*
Met de groei van de patiëntenstroom als gevolg
van de toenemende mogelijkheden om mensen
beter te maken en de dalende instroom van novicen in de kloosters deden steeds meer lekenzusters
hun intrede in het katholieke ziekenhuis. De eerste
twee kwamen in 1928, toen hard gewerkt werd
aan uitbreiding van het ziekenhuis. Om leerlingverpleegster te worden, hadden ze een inleggeld
De rooms-katholieke
ziekenverpleging
omstreeks 1920. (Particuliere collectie)
De hal van het oude
katholieke ziekenhuis.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 11 10-12-13 13:33
176 zwols historisch tijdschrift
van 150 gulden moeten betalen. Salaris kregen ze
niet, het verplegen werd als liefdewerk, als roeping
beschouwd. Pas in 1931 kregen de lekenzusters
loon: 50 gulden per jaar voor de eerstejaars, 100
gulden per jaar voor de tweedejaars en 200 gulden
per jaar voor de derdejaars. Plus vrije kost, inwoning en bewassing. Uiteraard moesten de meisjes
uit katholieke gezinnen afkomstig zijn.
Nieuwbouw
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond al snel
behoefte aan uitbreiding. Panden en terreinen
in de omgeving van het ziekenhuis werden aangekocht, waaronder in 1954 het complex van de
azijnfabriek van Heerkens, Schaepman en Co’s.
Het leverde uiteindelijk een compleet nieuw
ziekenhuis op, waardoor de Blekerstraat uit het
stratenregister van Zwolle kon worden geschrapt.
Precies vijftig jaar geleden, op 5 december 1963,
sloeg J.H.J.M. ten Doeschate, die van 1946 tot
1978 voorzitter van de Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging Zwolle was, de eerste paal
en op 1 oktober 1967 werd het nieuwe ziekenhuis
in gebruik genomen. Dat betrof fase I, want in de
Mooie overzichtsfoto uit 1933 van alle gebouwen waaruit het katholieke ziekenhuis bestond, gelegen tussen het Groot Wezenland en
de Blekerstraat. (Uit: Oud Zwolle vanuit de lucht)
ZHT4 2013.indd 12 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 177
jaren daarna zouden er nog vier volgen voor het
nieuwe ziekenhuis De Weezenlanden, inclusief
verpleeghuis, compleet was.
Toen begin jaren zestig het oude ziekenhuis
met z’n lange donkere gangen en granieten
vloeren werd afgebroken, raakten de lekenzusters langzaam maar zeker in de meerderheid.
De functie van verplegingsdirectrice bleef tot
1973 in handen van een religieuze. De laatste
was zr. Berthilie, die bij haar afscheid zei: ‘Door
gelovig te zijn vind je steeds weer kracht, die je
bij dit belangrijke werk nodig hebt. Omdat je
leven bepaald is door God hoef je geen zwevend
of onzeker gevoel te hebben.’ Op verschillende
plekken in het ziekenhuis bleven daarna nog
Bogenzusters aan het werk. Zoals bijvoorbeeld
zr. Renée, die van de couveusekamer naar het
mortuarium was verhuisd. ‘De overleden mensen die hier worden gebracht, blijven voor mij
patiënten. Iemand die van buiten het ziekenhuis
wordt gebracht, noem ik een logé’, vertelde ze
aan de redacteur van het personeelsblad.
In een tijd waarin de meeste ziekenhuizen een
medicus als directeur hadden, durfde het bestuur
van het rooms-katholieke ziekenhuis in Zwolle
het aan om een man die afkomstig was uit de
horeca en het hotelwezen met de leiding van het
ziekenhuis te belasten. Directeur mocht A.J.J.
Craghs zich in 1947 nog niet noemen, administrateur-econoom stond achter zijn naam. Maar
feitelijk was hij direct al de hoogste man in de
organisatie en in 1951 werd dat bekrachtigd door
zijn benoeming tot algemeen directeur. Spijt van
die beslissing hebben ze bij het rooms-katholieke
ziekenhuis nooit gehad. Toen Craghs in 1976 met
pensioen ging, werd hij niet ten onrechte de ‘pater
familias’ van De Weezenlanden genoemd.
Craghs werd op 5 september 1911 in Roermond geboren als zoon van een bakker. Na drie
jaar HBS ging hij als leerling-kelner werken in
hotel De Keizerskroon in Apeldoorn, tegen een
vergoeding van vier gulden per week plus kost en
inwoning. Vervolgens werd hij commis de rang in
Hotel De Wittebrug in Den Haag, waar hij cocktails voor prins Hendrik heeft gemixt. In 1932
keerde hij terug naar De Keizerskroon, maar nu
als chef van het hotel. Omdat hij meer van de
wereld wilde zien, trok Craghs naar Londen en
Parijs en, leergierig als hij was, ging hij in Leuven
stiekem colleges sociale economie en psychologie
lopen. Na dit korte avontuurlijke bestaan werkte
hij in verschillende rangen in de hotels Terminus
in Utrecht, de l’Europe in Amsterdam en Huis
ter Duin in Noordwijk, om in 1939 in Zwolle aan
de slag te gaan als de baas van de stationsrestauratie.
De overstap van Craghs van de stationsrestauratie naar het rooms-katholieke ziekenhuis
was zoals gezegd tegen de trend in en veel medici
in het ziekenhuis hadden er aanvankelijk dan
ook moeite mee. Maar de scepsis maakte al snel
plaats voor waardering, niet alleen dankzij het
respect dat Craghs voor het werk van de heren
doktoren toonde, maar ook door de manier
waarop hij opkwam voor hun belangen. Bovendien stond hij open voor alle nieuwe ontwikkelingen in de medische sector en was hij bereid om
innovatieve initiatieven te ondersteunen.
Het hart van Craghs, die een diepe religieuze
inslag had en soms urenlang met moeder-overste
Elisabetha over allerlei zaken sprak, lag echter bij
de patiëntenzorg. Zelf zei hij daar later over: ‘De
mensen moeten zich in het ziekenhuis thuis voelen. Daarom moet een sfeer worden geschapen,
waarin goede verpleging en een voorspoedige
genezing mogelijk zijn. Dat moet al beginnen bij
de portier. Daar moet de menselijke benadering
al heel duidelijk aanwezig zijn. Hoe snel voel je je
niet verlaten als je een groot bedrijf binnen komt.
Je krijgt dan het idee een nummer te zijn. Dat heb
ik altijd vreselijk gevonden.’
Craghs overleed op 7 augustus 1977, nog geen
jaar nadat hij afscheid van ‘zijn’ Weezenlanden
had genomen.
Craghs, de ‘pater familias’ van De Weezenlanden
ZHT4 2013.indd 13 10-12-13 13:33
178 zwols historisch tijdschrift
Beeld
De Zwolse gemeenschap van de Liefdezusters van
de Heilige Carolus Borromeus werd in 1993, toen
ze nog tien leden telde waarvan de meesten al ver
over de zeventig en de oudste zelfs negentig jaar
waren, officieel opgeheven. Op 29 april 1994 onthulde zr. Ignace van Heyningen, provinciaal overste van de congregatie, een beeld gemaakt door
Pépé Grégoire, dat de herinnering aan de Bogenzusters levend moest houden. Medisch-directeur
dr. A.G.P. Cremers zei bij die gelegenheid: ‘Wij
hebben als Weezenlanden iemand die niet alleen
de moeite waard is, maar iemand die beslist niet
vergeten mag worden, omdat haar naam in het
steen van dit ziekenhuis is gegrift, omdat de organisatie die de patiëntenzorg hier behartigt naar
mijn overtuiging nog steeds haar geest ademt: de
religieuzen van Onder de Bogen’. Het beeld is dit
jaar met alle artsen, verpleegkundigen en andere
medewerkers van De Weezenlanden verhuisd
naar het nieuwe Isala ziekenhuis. Het zou een
goede gedachte zijn om straks wanneer het ziekenhuis van de Rooms Katholieke Stichting Ziekenverpleging Zwolle is afgebroken en er woningen voor in de plaats zijn gekomen, het beeld
weer terug te halen naar de plaats waar de zusters
Onder de Bogen meer dan negentig jaar lang hun
liefdevolle werk hebben verricht.
* Niet zozeer de patiënten van het ziekenhuis, maar
de leerlingen van de scholen die onder het bewind
van het klooster op het Gasthuisplein vielen, kregen
daar mee te maken. ‘Zusters van Liefde, krengen
van Barmhartigheid’ is een gezegde dat velen van
hen bekend in de oren zal klinken.
Literatuur en bronnen
– F. van Reijendam-van Barneveld en M.P. Pul, Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden. Zwolle, 1988
– Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, deel II,
Tijl Zwolle, 1961
– Personeelsbladen ziekenhuis De Weezenlanden.
De onthulling van het
monument voor de
Zusters onder de Bogen
in 1994, gemaakt door
de kunstenaar Pépé
Grégoire. Zittend op
de voorste rij de laatste
zusters van de congregatie. Het beeld stond
jarenlang bij de hoofdingang van het ziekenhuis aan het Groot
Wezenland. Het staat
nu een beetje verloren
aan de Ceintuurbaankant van het nieuwe
ziekenhuis. (Foto Frans
Paalman)
ZHT4 2013.indd 14 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 179
Gemeenteraad debatteerde jarenlang over
bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt
ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Toen de gemeenteraad van Zwolle op
5 juli 1880 met elf stemmen voor en zes
tegen besloot tot de oprichting van een
ziekenhuis, stelde de medische zorg in de ruim
23.000 zielen tellende hoofdstad van Overijssel
weinig voor. Er was een zogeheten Passantenhuis
in de oude militaire ruiterstallen op het Noordereiland, dat werd gebruikt voor mensen die een
besmettelijke ziekte hadden opgelopen.*
Het armbestuur van de Nederlands Hervormde
Gemeente beschikte over een verpleeginrichting
in de Nieuwstraat, in de volksmond bekend als
‘De Infirmerie’, die in alle opzichten ernstig tekort
schoot. Alleen het gesticht van de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid op het Gasthuisplein was de naam van
ziekenhuis waardig, maar deze inrichting was in
de eerste plaats voor katholieken bestemd. ‘Aan
een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt ziekenhuis te Zwolle bestaat werkelijk behoefte. Om er
niet van te spreken hoezeer het te bejammeren is,
dat de gelegenheid tot ziekenverpleging te Zwolle
zoo treurig afsteekt bij de gelegenheden, die daarvoor worden gevonden te Deventer en te Kampen, welke toch nog niet eens als modellen van
ziekenhuizen mogen worden beschouwd’, had
Lubach, de geneeskundig inspecteur voor Overijssel en Drenthe, voorafgaande aan de vergadering van 5 juli aan de gemeenteraad geschreven.
Schaepman
Bezien door de ogen van iemand die anno 2013
een bezoek heeft gebracht aan de gloednieuwe
Isala klinieken, schept de naam ziekenhuis overigens grote verwarring. De stand van de medische
wetenschap was in 1880 nog zo beperkt, dat tegen
de meeste kwalen geen kruid gewassen was. In
1846 was in Massachusetts weliswaar voor de
eerste keer een operatie uitgevoerd waarbij een
patiënt met behulp van ether onder verdoving
was gebracht, maar in Zwolle deed de chirurgijn
nog altijd zijn werk zoals dat in de eeuwen daarvoor ook gedaan was. J.J. Kisch heette de brave
man, wiens patiënten helse pijnen moeten hebben
geleden want narcose of verdovende middelen
waren volgens hem uit den boze. Zijn rol zou overigens spoedig tot het verleden behoren want er
waren grote veranderingen op komst. De bekende
Zwolse genees- en heelkundige dr. Th.A. Schaepman (1834-1908) gaf er in 1880 een ongewilde
demonstratie van, die in de stad wekenlang hét
onderwerp van gesprek was. Zijn dochter werd
ernstig ziek en Schaepman besefte dat alleen een
chirurgische ingreep haar leven kon redden. Dus
legde hij haar in zijn huis annex praktijk aan de
Badhuiswal op een tafel, zette haar een kap op,
bracht haar onder narcose en zette het lancet er in.
Thom. de Vries, die van 1964 tot zijn dood in 1975
gemeentearchivaris van Zwolle was, noemde het
in zijn Geschiedenis van Zwolle een weergaloos
huzarenstukje, want in Zwolle was de narcose nog
Het Sophia Ziekenhuis
kort na de bouw.
(Collectie HCO)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 15 10-12-13 13:33
met een krachtig nee beantwoord. ‘Zwolle munt
uit door prachtige scholen, halve paleizen, eene
ruime nieuw gebouwde manege, alles zonder twijfel onbegrijpelijk nuttig, maar… een behoorlijk
ziekenhuis, waar is dat te vinden? Voor ziekte en
ellende van den vreemdeling zorgt in Nederland
het Roode Kruis, voor ondersteuning van den
vreemdeling als gevangene zorgt het Blaauwe
Kruis. Is er dan iets billijks in, dat de gemeente
zorge voor een goed ingerigt ziekenhuis ten
behoeve van den zieken, hulpbehoevende stadgenoot van allerlei klassen, zoowel voor den gegoeden burger als voor den arme?’
Over het Passantenhuis hadden de stedelijke
genees- en heelkundigen weinig goeds te melden. ‘De handwerksman die grof geld verdient,
de fatsoenlijke burger die op eigen kosten ligt en
behandeld wordt, heeft een afkeer van die inrigting, die men hem al spoedig vertelde vroeger een
stal te zijn geweest, waarin ook de syphilitische
vrouwen werden verpleegd. Ook de reiziger die
door eene epidemische ziekte wordt aangetast,
hij moet zijn hotel verlaten, is nu dat ziekenhuis
behoorlijk voor hem ingerigt? Neen. Hij behoort
in een behoorlijk ingerigt ziekenhuis opgenomen
te worden, in een stedelijk gasthuis op eenvoudige
min kostbare wijze daargesteld, zonder Jonisch
of Romeinse kolommen en kapiteelen van arduin
of Bentheimersteen, alleen volledig beantwoordende aan de eischen van de ziekenhuizen van
den laatsten tijd.’
Einde discussie
Zwolle had in 1871 bijna 22.000 inwoners en verwachtte een opbloei mede dankzij de komst van
de Centrale Werkplaats der Staatsspoorwegen,
die in de volksmond de constructiewinkel werd
genoemd. Het bedrijf was in 1870 geopend en
het aantal werknemers zou in de richting van de
duizend gaan, waarvan velen met hun gezinnen
in de nieuwe stadswijk Assendorp gingen wonen.
Alle redenen dus, zo zou men denken, om positief
te reageren op de oproep van de stedelijke medici.
De politiek reageerde echter helemaal niet zo
enthousiast, zoals bleek tijdens de raadsvergadering van 18 augustus 1871. De heer Van Kerckhoff deed een poging om naar aanleiding van de
nooit toegepast: ‘Dr. Schaepman redde zijn dochter en als een lopend vuurtje ging het nieuws door
de stad: narcose is mogelijk, men kan gered worden! Tot dan toe waren de ziekenhuizen sterfhuizen geweest, waarin de arme patiënten gebracht
werden wanneer ze onmogelijk meer thuis konden worden verpleegd. Nu zou de gemeenteraad
wat beters maken.’
Brief
De opzienbarende actie van Schaepman vond
waarschijnlijk plaats nadat de raad al een besluit
over de oprichting van een gemeentelijk ziekenhuis had genomen. In de vele debatten die aan
deze zaak werden gewijd, is er namelijk nooit over
gesproken. Schaepman was wel een van degenen
die het ziekenhuis op de agenda van de stedelijke
politiek had geplaatst. Samen met zijn collega’s
dr. J. Moll jr., dr. S.P. Kros, dr. J.T. Meinesz, J.J.
Kisch en S.S. van Raalte stuurde hij op 28 januari
1871 een brief naar de gemeenteraad, waarin de
oprichting van een ziekenhuis werd bepleit. Niet
voor de eerste keer overigens, want al vaker hadden de stedelijke genees- en heelkundigen gewezen op het ontbreken van een ‘goed ingerigte,
doelmatige en regt eenvoudige ziekenverpleging
of gasthuis.’
De directe noodzaak daartoe vormden de
uitbraken van besmettelijke ziekten als pokken en
tyfus, waardoor ons land geregeld geteisterd werd
en die veel dodelijke slachtoffers eisten. Ook in
1871 waarde het spook van de tyfus weer rond en
de gevolgen die dat zou kunnen hebben, werden
in de brief van de heren medici beschreven al was
’t het scenario van een horrorfilm: ‘Geeft niet het
onmerkbaar langzaam naderende voorjaar de
zekerheid, dat die heuvelen en bergen van rottende en grootendeels onbegraven lijken, wier stank
en pestlucht nu reeds ondragelijk is, smetstoffen
zullen ontwikkelen, die de moorddadigste ziekten
zullen doen ontstaan en sommige jaren welligt
zullen blijven heerschen?’
Allerlei klassen
De vraag of Zwolle bij de verschijning van epidemieën een behoorlijk ingericht ziekenhuis
had om de lijders te verplegen, werd in de brief
180 zwols historisch tijdschrift
ZHT4 2013.indd 16 10-12-13 13:33
van Overijssel en Drenthe. ‘Ik heb vernomen dat
in uwe vergadering een voorstel is gedaan tot het
stichten van een stedelijk ziekenhuis. Ik kan dit
voorstel niet anders dan toejuichen.’
Bouwplan
Tijdens de begrotingsvergadering van 29 oktober 1877 maakte burgemeester Van Nahuys
bekend, dat de gemeentearchitect een bouwplan
had gemaakt, dat ‘eerstdaags’ zal worden ingediend. Waarop raadslid mr. S.J. van Roijen zich
geschrokken afvroeg of Zwolle dat wel zou kunnen betalen. ‘Blijkt het dat de uitgaven de financiële draagkracht der gemeente niet te boven gaan,
dan worde tot de uitvoering besloten. Blijkt echter
brief van de Zwolse genees- en heelkundigen
een discussie op gang te brengen, maar toen hij
uitgesproken was diende zijn collega Scriverius
een motie van orde in, waarin werd bepaald dat de
raad verder zou gaan met de behandeling van de
aan de orde zijnde zaken en zich niet verder zou
verdiepen in beschouwingen over de bouw van
een algemeen ziekenhuis. Einde discussie, want
bij een groot deel van de raad, die bijna volledig
uit liberalen bestond, was het ziekenhuis geen
onderwerp waar veel gewicht aan werd toegekend. Daar heerste de opvatting dat de overheid
zich niet te veel moest bemoeien met de leefomstandigheden van haar burgers. En de praktijk
van die tijd was, dat zieken die tot de klasse van
de gegoede stand behoorden, thuis werden verpleegd. Alleen de allerarmsten die in bekrompen
huizen in achterbuurten zoals de Kwade Negen
(nu Van Nahuysplein) of de Mussenhage woonden, zouden op een ziekenhuis zijn aangewezen.
Meer dan vijf jaar bleef het stil. Pas op 18
december 1876 kwam het ziekenhuis in de Zwolse
politiek weer ter sprake. Aanstichter was het
raadslid mr. P.J.G. van Diggelen, die de wens
uitsprak dat in Zwolle een algemeen ziekenhuis
zou worden opgericht en onmiddellijk steun
kreeg van de heer Van der Voort, die zelf geneesheer was geweest. Maar in de wandelgangen en
wellicht ook in de Groote Sociëteit die door veel
raadsleden frequent werd bezocht (het verhaal
ging dat burgemeester jhr. W.C.T. van Nahuys de
stad vanuit de Groote Sociëteit bestuurde), was
het onderwerp ongetwijfeld al veelvuldig besproken. Bovendien stuurde het gemengd armbestuur
van de Nederlands Hervormde Gemeente op 29
januari 1877 een brief naar de raad, waarin steun
aan zo’n initiatief werd betuigd. Het opknappen
van het eigen ziekenhuis in de Nieuwstraat (‘Ook
met den besten wil kan daarin geene verpleging
overeenkomstig de eischen van den tegenwoordigen tijd worden gedacht’) was geen optie en
nieuwbouw veel te duur. Een ziekenhuis voor
verschillende klassen van de maatschappij had
daarom de voorkeur van het armbestuur en men
was ook bereid daarvoor een financiële bijdrage te
verlenen. Voor extra druk op de ketel zorgde vervolgens de arts Lubach, geneeskundig inspecteur
zwols historisch tijdschrift 181
Boven: De nieuwe
mannenzaal (zaal 25)
na de uitbreiding in
1915. (Collectie HCO)
Onder: De nieuwbouw
uit 1915, met de mannenzaal (zaal 25) links
en de vrouwenzaal
(zaal 20) rechts. Daarboven was de klasse
verpleging. (Collectie
HCO)
ZHT4 2013.indd 17 10-12-13 13:33
In de vergadering van 17 juni 1878 presenteerde het college twee plannen. De bouwkosten
van het eerste, opgesteld door de gemeentearchitect, werden geraamd op ƒ 120.000 en de
inrichting zou ƒ 24.889 gaan kosten. Voor het
salaris van een geneesheer-directeur was 2.000
en voor dat van verder dienstdoend personeel
1.800 gulden begroot. Het tweede plan was ontworpen door G.J. Collard, 1e luitenant ingenieur
en W. Kam, architect en leraar aan de Hogere
Burgerschool in Amersfoort. Zij kwamen op een
bedrag van ƒ119.000 aan bouwkosten en ƒ 9.000
voor het meubilair. ‘De raad heeft, met het oog
op de genoemde kolossale cijfers, alzo te dezer
zake geen voorstellen van Burgemeester en Wethouders te verwachten’, aldus burgemeester Van
Nahuys!
Kolossale cijfers
Die mededeling lokte uiteraard de nodige reacties
uit. Bijvoorbeeld van de heer Van Diggelen die
anderhalf jaar daarvoor de wens voor de bouw
van een ziekenhuis had uitgesproken. ‘De voorstelling van Burgemeester en Wethouders, het op
de voorgrond plaatsen van de kolossale cijfers, is
dodend voor de zaak en leidt tot de conclusie, dat
het tegendeel, dan moet men de zaak laten rusten
en zich behelpen met de inrichtingen die er zijn.
In elk geval zijn er drie in de gemeente, die der
katholieken, die van het Hervormd Armbestuur
en het Passantenhuis en voor mingegoeden is er
dus in elk geval gelegenheid om hulp te vinden als
dit nodig blijkt.’
182 zwols historisch tijdschrift
Verpleegsters die net
hun diploma hebben
gehaald in 1915. (Collectie HCO)
Het Sophia beschikte
na de uitbreiding van
1915 ook over een
prachtige tuin langs
de Rhijnvis Feithlaan.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 18 10-12-13 13:33
Koppen geteld
Op 5 juli 1880 werd het laatste hoofdstuk van
de jarenlange discussie over het gemeentelijk
ziekenhuis geschreven. Dat het voorstel om tot
de bouw daarvan over te gaan zou worden aangenomen, stond vast. De koppen waren geteld.
De meerderheid van het college was echter tegen.
‘Als men een volksstemming hield, dan zou de
meerderheid zich tegen de oprichting verklaren’,
aldus wethouder Roijer, die als bewijs voor die
stelling kwam aanzetten met de verklaring van
een geneesheer die dagelijks met de mindere
klasse in aanraking kwam. ‘Wat was zijn advies?
Een ziekenhuis is heel mooi, mits gij mij daarbij
de macht verleent de zieken te noodzaken er heen
te gaan, want dat wil men niet omdat men de
familieleden van de patiënten niet kan toelaten
de zieken te verplegen en op te passen. Men acht
het een schande de patiënten niet zelf op te passen
en ze aan de zorgen van vreemden over te laten:
men wil ze in huis houden om ze zelf bewijzen
van gehechtheid en trouwe oppassing te geven.’
En dat Zwolle ongezond zou zijn en de toestand
buitengewone zorg vroeg, wilde er bij de wethouder niet in. ‘Een blik op de sterftetafels bewijst dat
Zwolle bij andere plaatsen, bij Kampen en Deventer bijvoorbeeld, niet ten achter staat.’
het maar beter is in het geheel niets te doen en er
niet aan te beginnen.’ Maar daar wilde Van Diggelen zich niet bij neerleggen en daarom stelde hij
voor een speciale commissie te benoemen om de
zaak verder voor te bereiden. Met slechts één stem
tegen werd dit voorstel aangenomen, waarmee
een nieuw hoofdstuk in de ziekenhuiskwestie
werd geschreven. De commissie ging voortvarend
aan het werk, maar toch duurde het nog ruim
anderhalf jaar voor zij haar verslag presenteerde.
Uitgerekend was, dat de exploitatiekosten van een
ziekenhuis hoogstens één gulden per dag en per
zieke zouden belopen. De verpleegkosten van de
armen konden volgens de commissie echter niet
hoger dan op zestig cent per dag worden bepaald
en derhalve zou de gemeente voor iedere arme
ongeveer veertig cent dagelijks moeten bijdragen. ‘Uwe commissie gelooft niet, dat dit offer te
zwaar mag worden genoemd, waar het geldt aan
de behoeftigen bij ziekte, ook in het algemeen
belang, een goede verzorging te verschaffen.’
Nu de raadscommissie een rapport had ingediend, konden de plannen tot oprichting van een
gemeentelijk ziekenhuis niet meer op de lange
baan worden geschoven. Toch werd daar op
5 april 1880, toen het rapport door de raad zou
worden besproken, nog een poging toe gedaan.
Op voorstel van het raadslid L. Roosenburg werd
namelijk besloten om het rapport eerst voor
nader onderzoek naar een zogenaamde tweede
commissie te sturen. Nog geen twee maanden
later, op 1 juni, had die haar verslag al gereed.
‘De vraag is: is de oprichting van een ziekenhuis
zoo noodzakelijk, dat een jaarlijksche uitgave
van ƒ 8000,- uit de gemeentekas daarvoor gewettigd is?’ Ja, vond de meerderheid van de commissie. ‘Goede ziekenverpleging, vooral der mingegoede klasse, is een zorg die op de gemeentebesturen rust, want zij staat in ’t nauwste verband
met de algemeene gezondheid: verpleging van
zieken is geen weelde, niet enkel philanthropie.’
Nee, luidde het standpunt van de minderheid.
‘De oprichting van een ziekenhuis is wenschelijk, maar de noodzakelijkheid daarvoor bestaat
niet in die mate, dat de gemeenteuitgaven jaarlijks met zulk een aanzienlijk bedrag moeten
worden verhoogd.’
zwols historisch tijdschrift 183
De kinderafdeling met
daar boven de reuma
afdeling. Bij mooi weer
werden de patiënten zo
veel mogelijk naar buiten gedirigeerd. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 19 10-12-13 13:33
Wethouder D. Wicherlinck verwoordde
het standpunt van de minderheid van het college. ‘Rust op de gemeente de verplichting zorg
voor zieken te dragen, vooral met het oog op de
behoeftige klasse die daarin niet kan voorzien?
Het antwoord is ja, zonder enige twijfel. Even
goed als de gemeente dit doet door gemeentegeneesheren, heelmeesters en vroedvrouwen voor
de armenpraktijk te benoemen. Dit wordt niet
aan de armbesturen overgelaten en waarom dan
’t andere wel? Het beginsel is hetzelfde.’
Urenlang duurden de debatten, waarin de
heer Van der Voort wethouder Roijer voor de
voeten wierp dat hij een goed ingericht ziekenhuis waarschijnlijk nooit had gezien. En met zijn
opmerking dat de Zwollenaren geen gebruik van
het ziekenhuis zouden maken, was hij als oudgeneesheer het absoluut niet eens. ‘Dikwijls is er
als ik op een betere verpleging aandrong en op de
bekrompen woning of de kinderen wees gezegd:
“Och dokter als ik maar in een ziekenhuis konde
gaan.” En ook voor zieke dienstboden heb ik dikwijls van de meer gegoede klassen de verzuchting
vernomen om een ziekenhuis, waar men hen kon
brengen, overtuigd dat zij het goed zouden hebben, want naar de bestaande gelegenheden hier
ter stede willen zij niet.’
Bagijneweide
Tenslotte werd tegen het advies van de meerderheid van het college van burgemeester en wethouders in met elf stemmen voor en zes tegen
besloten tot de oprichting van een gemeentelijk
ziekenhuis. Een plek daarvoor was al gevonden,
namelijk de Bagijneweide die in 1841 voor een
bedrag van ƒ 6.250 door de gemeente was aangekocht om er een marktterrein van te maken. Dat
het ziekenhuis werd vernoemd naar de in 1877
overleden koningin Sophia, de eerste echtgenote
van koning Willem III, was te danken aan het
comité onder voorzitterschap van de Commissaris des Konings, mr. P.C. baron Nahuijs.
Al in 1878 had zij geld ingezameld voor de
oprichting van een ziekenhuis, dat tegelijkertijd
zou kunnen dienen als hulde aan de nagedachtenis van een geliefd vorstin. De actie leverde
ƒ2.665,60 op. In de raadsvergadering van 21 juli
1884 werd dr. C.L. Vitringa tot geneesheer-directeur benoemd op een jaarwedde van 700 gulden
en op 1 oktober van datzelfde jaar werd het
Sophia Ziekenhuis in gebruik genomen.
Kort daarvoor had een redacteur van de Zwolse
Courant een rondgang door het gebouw gemaakt.
Uit zijn verslag in de krant bleek dat er in Zwolle
nog altijd veel weerzin bestond om in een ziekenhuis te worden verpleegd. ‘Die tegenzin zal, evenals
elders, echter gaandeweg wijken, want mag men er
in slagen geschikt personeel te vinden, dan zal de
overtuiging veld winnen, dat het nieuwe ziekenhuis voor de meesten onzer stadgenoten een beter
herstellingsoord kan aanbieden, dan zij in eigen
woning vinden kunnen. De grootste zegen zal het
ziekenhuis aanvankelijk bieden voor hen, die op dit
punt geen keus hebben. De laatste tegenstanders
zullen misschien eerst met de zaak verzoend worden als de stad onzer inwoning door een of andere
epidemie mocht worden bezocht. In die onderstelling besluiten wij met de wensch, dat de oppositie
nog lang moge blijven bestaan.’
Lange werktijden
De wens van de redacteur van het plaatselijk dagblad ging niet in vervulling, want in 1888 werd
Zwolle getroffen door een epidemie van mazelen
en later het jaar ook nog roodvonk. In het Sophia
184 zwols historisch tijdschrift
De keuken van het
ziekenhuis in 1915.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 20 10-12-13 13:33
Ziekenhuis werden 713 mazelenpatiënten opgenomen, waarvan er 43 stierven. De 22 kinderen
die met roodvonk in het ziekenhuis belandden,
werden tijdelijk geïsoleerd. Veel opnames dus
dat jaar, maar toch ging het niet zo goed met het
gemeentelijk ziekenhuis. Wel zeventig bedden,
maar soms slechts zeven patiënten in huis. Uit
een oogpunt van public relations was het ook niet
gunstig dat verpleegsters in 1901 in de krant hun
beklag deden over de lange werktijden. Zes dagen
in de week moest er van half zeven ’s morgens
tot acht uur ’s avonds keihard worden gewerkt.
Waarbij ook nog eens sprake was van strenge
huisregels. Als voorbeeld artikel 11: ‘De zusters
moeten ’s avonds op den door de Directrice te
bepalen tijd te bed zijn en mogen nimmer, te bed
gaande, het licht op harer kamers laten branden.’
In 1908 kreeg het ziekenhuis een draaibare
lighal, waardoor tbc-patiënten maximaal van
zonlicht konden profiteren. Tuberculose was in
die tijd een gevreesde volksziekte, die heel veel
slachtoffers eiste. De lighal deed tot 1923 dienst
en kreeg daarna de bestemming van fietsenstalling. Het ziekenhuis beschikte inmiddels ook over
barakken, die in 1918 waren geplaatst om mensen
op te vangen die vanwege het oorlogsgeweld vanuit België en Frankrijk naar het neutrale Nederland waren gevlucht. Na het einde van de Eerste
Wereldoorlog bleven de barakken in gebruik voor
patiënten die besmettelijke ziekten als roodvonk
en difterie hadden opgelopen. Pas in 1953 werden
de barakken afgebroken.
In 1915 was al een nieuwe vleugel van het
ziekenhuis in gebruik genomen. Nieuw ruimtegebrek leidde in het begin van de jaren dertig tot een
volgende uitbreiding van het ziekenhuis. Architect J.G. Wiebenga, aanhanger van het zogenaamde Nieuwe Wonen, maakte een gedurfd plan met
een gevel van louter glas en staal. Dat ging de
meeste Zwollenaren echter veel te ver, zodat het
plan tot teleurstelling en frustratie van Wiebenga
aangepast moest worden. In 1935 werd de nieuwe
vleugel in gebruik genomen.
Protestants ziekenhuis
Na de moeilijke bezettingsjaren, de Duitsers eisten de hele tussenverdieping van de nieuwe vleuzwols historisch tijdschrift 185
Blindedarmoperatie van dr. Frank zorgde voor opwinding
Dr. Naphtali Herman Frank, geboren in 1860 in Veendam, zorgde in
1891 in Zwolle voor opwinding door een (geslaagde) blindedarmoperatie
te verrichten. Die historische gebeurtenis vond niet plaats in het zeven
jaar daarvoor geopende Sophia Ziekenhuis, maar in het ziekenhuis van
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein. Frank, die zijn kennis van de
chirurgie in Duitsland had opgedaan, lag niet zo goed bij dr. Vitringa, de
directeur van het gemeentelijk ziekenhuis. Maar bij de zusters van Liefde
werd de joodse arts met open armen ontvangen. De populariteit van
Frank werd nog groter toen hij met een injectie het leven redde van een
tuinman, die tetanus had opgelopen. Iedere Zwollenaar die ziek, zwak of
misselijk was klopte bij Frank aan de deur om door middel van een injectie genezen te worden. Zijn echtgenote ‘profiteerde’ ervan door gepeperde
rekeningen uit te schrijven, die door de meeste patiënten niet op prijs werden gesteld. Een gemakkelijk man was dr. Frank kennelijk niet. Toen hij
een eigen operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis had gekregen, klaagden
de verpleegsters over de lange werktijden, vaak veertien uur per dag, die zij
op gezag van de chirurg moesten maken. Ook in het ziekenhuis van de zusters Onder de Bogen aan het Groot Wezenland kreeg de arts problemen,
die er in 1913 toe leidden dat het bestuur hem een lange brief op poten
stuurde, waarin zijn
‘brutale, onbeschaafde
optreden tegenover
de zusters’ met feiten
en namen werden
gemeld. ‘Wij dulden
eene onbeschaafde
behandeling niet langer. Wij eischen eene
geheele ommekeer’.
Dr. Frank bond in,
maar hij bleef een
moeilijk persoon om
mee te werken. In 1932
vertrok hij uit Zwolle
om in het Zwitserse
Montreux te gaan
wonen, waar hij in
februari van dat jaar
overleed.
Dr. Naphtali Herman
Frank,1860-1932.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 21 10-12-13 13:33
186 zwols historisch tijdschrift
gel op, leek het er even op dat Zwolle een derde
ziekenhuis zou krijgen. In 1948 was de stichting
Het Protestants Ziekenhuis opgericht, die er op
rekende dat het ministerie in Den Haag toestemming zou verlenen voor de bouw van een ziekenhuis met een capaciteit van zo’n vierhonderd
bedden. Bij zowel het rooms-katholieke ziekenhuis als het Sophia Ziekenhuis werd geschrokken
gereageerd. Drie ziekenhuizen in Zwolle, dat zou
toch te veel van het goede zijn. Dat vond ook het
gemeentebestuur, dat veel liever zag dat de twee
bestaande ziekenhuizen konden worden uitgebreid. Na tal van besprekingen werd uiteindelijk
in 1955 een compromis bereikt, waarbij de stichting Het Protestants Ziekenhuis zich in feite aansloot bij het gemeentelijke Sophia Ziekenhuis. Het
akkoord behelsde onder meer, dat in het nieuw
te vormen stichtingsbestuur drie van de negen
leden door Het Protestants Ziekenhuis zouden
worden benoemd en dat er een kapel zou worden
gebouwd. Wellicht als onderdeel van de nieuwbouw, waarover al voorzichtig werd gesproken.
Plannen hebben vaak een lange tijd van voorbereiding en de realisering daarvan loopt dikwijls
ook vertraging op. Een prachtig voorbeeld daarvan waren de nieuwbouwplannen van het Sophia
Ziekenhuis. In 1956 gingen de voorbereidingen
van start, in 1960 gaf de minister van Volksgezondheid het groene licht en in 1965 volgde de
aanbesteding. Bouwbedrijf Moes moest echter
geduld hebben, want de financiering van het miljoenenproject was nog niet rond. Op 1 november
1967 kon op de Oosterenk dan eindelijk de bouw
van het nieuwe Sophia Ziekenhuis van start gaan.
De officiële opening werd op 17 oktober 1972 verricht door prinses Margriet.
Tenslotte nog even terug naar de redacteur
van de Zwolse Courant, die na zijn rondleiding in
1884 door het nieuwe Sophia Ziekenhuis op de
Bagijneweide de hoop uitsprak dat Zwolle nooit
meer door epidemieën getroffen zou worden. Dat
hij geen gelijk kreeg schreven we al, maar uitbraPrachtige luchtfoto
van vlak na de oorlog,
waarop het hele ziekenhuiscomplex mooi te
zien is. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 22 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 187
ken van gevaarlijke ziekten als tyfus en pokken




Like ons!