Categorie

Aflevering 4

Zwolse Historisch Tijdschrift 2013, Aflevering 4

Door 2013, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Themanummer
De Zwolse Ziekenhuizen
30e jaargang 2013 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2013.indd 1 10-12-13 13:33
Suikerhistorie
R.K. Ziekenhuis te Zwolle
Het Rooms-Katholieke Ziekenhuis, gelegen op de
hoek van het Groot Wezenland en de Blekerstraat,
kreeg in 1967 de toevoeging De Weezenlanden.
Voor die tijd had men het in Zwolle eenvoudigweg
over het Sophia of het katholieke ziekenhuis. Iedereen wist dan welk ziekenhuis bedoeld werd. Anno
1998 zijn beide ziekenhuizen gefuseerd. Ze gingen
verder onder de naam Isala klinieken.
De katholieke ziekenzorg in Zwolle gaat terug
tot circa 1825, toen het Rooms-Katholiek Armbestuur het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat
(nu Morphique Architecten) als zieken- en passantenhuis in gebruik had. Het bestuur droeg de
zorg voor de (arme) zieke medemens rond 1845
over aan de Zusters van Liefde (Sorores Caritatis),
die zich aan het Gasthuisplein vestigden. Voor de
verdere geschiedenis van de katholieke ziekenzorg verwijs ik naar het artikel op pagina 170.
Op het suikerzakje zien we een schild met
daarop de woorden Lampas Charitatis, de toorts
der liefde, verwijzend naar de liefdevolle en
belangeloze inzet en toewijding van de zusters en
andere verplegenden. De vis op het schild is een
bij uitstek Christelijk symbool; op de vis zien we
de Griekse letters X (chi) en P (rho), de eerste twee
letters van het woord Christus. Het geheel werd in
1947 als beeldmerk van het katholieke ziekenhuis
ingevoerd. Het kwam in dat jaar voor het eerst als
embleem voor op de huisspeld van de leerlingverpleegsters. Daarna dook het logo overal op in
het ziekenhuis, zo ook op het suikerzakje.
De geraffineerde kristalsuiker in het zakje
kwam volgens informatie op de achterzijde uit
de fabriek van W. van Oordt & Co te Rotterdam.
Afgaande op kenmerkende elementen (kaderlijnen, fabriekslogo en dergelijke) moet het suikerzakje uit de jaren 1954-1958 dateren.
Omslag: De nieuwe Isala klinieken, of kortweg
de Isala, aan de Dokter van Heesweg 2.
Het ziekenhuiscomplex werd op 17 oktober 2013
officieel geopend door koningin Maxima.
(Foto Elske Bootsma)
166 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Ziekenhuis De Weezenlanden omstreeks 1970. Linksvoor staat nog een laatste
restant van het oude ziekenhuis. (Particuliere collectie)
(Collectie ZHT)
ZHT4 2013.indd 2 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 167
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 166
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog
nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Frank Inklaar 168
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Steven ten Veen 170
Gemeenteraad debatteerde jarenlang
over bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed
ingerigt ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Steven ten Veen 179
De cardiologie te Zwolle Rob Enthoven 190
Van taakgericht naar modelmatig methodisch
handelen
De verpleging van de jaren tachtig tot heden
Frank Inklaar 198
De eerste kaakchirurg in Zwolle
Annèt Bootsma – van Hulten 206
Nucleaire Geneeskunde Anneke Engelage 212
‘Het is nu veel fijnzinniger allemaal’
Uroloog Tjard de Haan over het moderne
opereren Annèt Bootsma – van Hulten 217
Open, professioneel, met hart en ziel
Ethiek in het ziekenhuis Frank Inklaar 222
Mededelingen 228
Auteurs 230
Herinneringen …
Ouders achter glas
Het was in de eerste helft van 1954 dat ik in het Sophia Ziekenhuis
terecht kwam. Dat moet wel toen geweest zijn, want mijn grootouders
waren veertig jaar getrouwd en mijn oom was onder meer ter gelegenheid daarvan uit Australië gekomen. Dat was nogal wat dunkt me, als
echte katholiek met een huisarts als dokter Van Wiechen naar het Sophia Ziekenhuis.
Ik werd opgenomen vanwege aanhoudende middenoorontstekingen. Wat ik me er van herinner is dat ik heb getracht te ontsnappen. Ik
zie me nog zo het bed uitklimmen, ik dacht midden in de nacht. Ik vond
het eng, al die snoeren en dergelijke. Maar ik ben natuurlijk weer naar
bed gebracht. Mijn ouders mochten mij wel bezoeken maar alleen kijken
achter glas, vertelde mijn moeder mij later. Op een gegeven ogenblik
ontdekte ik mijn moeder en heb het op een enorm brullen gezet. Zo erg,
dat er toestemming werd gegeven aan mijn ouders om toch bij mijn
bed te komen. Mijn oom uit Australië wilde mij ook wel graag bezoeken, maar dat mocht niet omdat hij een oom was. Daarom gaf hij zich
uit voor mijn vader en toen mocht hij komen. Ik kan me nog vaag iets
herinneren van de ruimte waarin ik lag. Ik was toen drie en een half (ik
ben in 1950 geboren). Deze opname heeft overigens niets aan het licht
gebracht. Ik heb nog vaak problemen met mijn oren gehad. Maar het
geheel vond ik wel griezelig als kind.
Els Rademaker – Vos
Els Vos als driejarige
in 1954. De foto is
genomen op de veertigjarige bruiloft van
haar grootouders
Heins, die woonden
op Blijmarkt 12.
(Particuliere collectie)
ZHT4 2013.indd 3 10-12-13 13:33
168 zwols historisch tijdschrift
‘Zou er een Zwollenaar zijn die nog nooit
in een Zwols ziekenhuis is geweest?’
Deze vraag kwam in mij op toen ik stond te
wachten voor een stoplicht met uitzicht
op het nieuwe kleurrijke Isala ziekenhuis.
De redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift had
besloten een themanummer over de geschiedenis
van de Zwolse ziekenhuizen te maken en aan mij
de eer om een inleiding te schrijven. Met de vraag
bij het stoplicht kwam eigenlijk meteen de verantwoording voor de onderwerpskeus: ziekenhuizen
staan zo centraal in de samenleving dat vrijwel
iedereen er ooit wel eens mee te maken krijgt.
Alleen dat al rechtvaardigt dat je er aandacht aan
schenkt. En natuurlijk was er de actualiteit: op 17
oktober 2013 opende koningin Maxima het nieuwe
onderkomen van het Isala ziekenhuis aan de Dokter van Heesweg. Al eerder zorgden zulke mijlpalen
voor publicaties over de Zwolse ziekenhuizen. In
1984 verscheen het boek Wil ’t bezoek nu afscheid
nemen naar aanleiding van het 100-jarig bestaan
van het Sophia Ziekenhuis. In 1988 was de opening
van nieuwbouw aanleiding tot het maken van Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden.
Er is gigantisch veel veranderd in de wereld van
de ziekenhuizen. Om een idee te geven een kleine
vergelijking met de situatie rond 1900. Toen
waren er net twee echte ziekenhuizen in Zwolle
gekomen. Op de Bagijneweide stond sinds 1884
het gemeentelijk Sophia Ziekenhuis. Gemiddeld
werden daar in 1900 32 mensen per dag verzorgd.
Het personeel bestond uit een arts, een directrice,
twee hoofdzusters en dertien verpleegsters. Begin
1902 betrok de katholieke ziekenhuiszorg twee
De helikopterlandplaats bij het Sophia Ziekenhuis, midden jaren tachtig. Het Sophia ontwikkelde zich in die jaren tot vooraanstaand
centrum op het gebied van neurochirurgie en neonatale zorg. De snelle aanvoer van patiënten op deze gebieden kan letterlijk van levensbelang zijn. Maar ook andere patiënten en organen voor transplantatie moeten regelmatig heel snel vervoerd worden. (Collectie HCO)
Frank Inklaar
ZHT4 2013.indd 4 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 169
aangepaste herenhuizen met nieuwbouw erachter
aan het Groot Wezenland. Er werden maximaal
45 patiënten verpleegd door een staf van veertien
nonnen.1 Ruim honderd jaar en een fusie later
zijn de Isala klinieken een topklinisch ziekenhuis.
Eind 2012 werkten er 5.577 personeelsleden
exclusief 341 medisch specialisten.2
Maar niet alleen de grootte of het aantal
medewerkers zijn veranderd. Rond 1900 was een
ziekenhuis er vooral om mensen te verplegen.
Mondjesmaat werden er operaties uitgevoerd
door de enkele arts die aan het ziekenhuis verbonden was. De eerste professionele chirurg
in Zwolle verscheen pas in 1890 ten tonele. In
1919 werden in het Sophia bijna 600 operaties
uitgevoerd waarvan driekwart door één arts,
dokter E.T. Spanjaard. Er waren nauwelijks
technische hulpmiddelen, de wetenschappelijke
kennis stond op een zeer laag pitje, specialisaties
bestonden niet of nauwelijks. Zet dat tegenover
het huidige ziekenhuis. Het jaarverslag over
2012 geeft een opsomming van de kernactiviteiten: algemene ziekenhuiszorg; toonaangevende
topklinische zorg; activiteiten op het gebied van
onderwijs, opleiding, innovatie en wetenschappelijk onderzoek; verpleegkundige opleidingen
en medische opleidingen (ondermeer 21 vervolgopleidingen tot medisch specialist). Ook uit
het lijstje met specialismen die per 2012 in het
ziekenhuis zijn gevestigd blijkt de enorme verandering: Anesthesiologie, Algemene heelkunde,
Cardiochirurgie, Cardiologie, Dermatologie,
Gynaecologie, Hematologie, Interne geneeskunde, Kaakchirurgie, Keel-, neus- en oorheelkunde, Kindergeneeskunde, Klinische chemie,
Klinische oncologie, Klinische pathologie,
Maag-, darm- en leverziekten, Medische microbiologie, Mondziekten, Neurologie, Neurochirurgie, Nierziekten, Nucleaire geneeskunde,
Oogheelkunde, Orthopedie, Plastische chirurgie, Pulmonologie, Psychiatrie, Radiodiagnostiek, Radiotherapie, Reumatologie, Revalidatie,
Thoraxchirurgie, Urologie, Vaatchirurgie, Verloskunde. En er is ook nog een categorie ‘overig’!
Bovendien is er binnen elk specialisme ook weer
sprake van vele subspecialismes. Verplegen is
nog altijd belangrijk getuige het aantal klinische
verpleegdagen van 208.157. Maar patiënten blijven niet meer zo lang in het ziekenhuis (gemiddeld ruim vier dagen) en het enorme aantal
polikliniekbezoeken spreekt boekdelen: 210.310
eerste bezoeken en 346.092 overig.3
Meer dan genoeg dus om er een heel dik boek
over te schrijven. Recentelijk is er wel een dunner boek geschreven, Wat is er gebeurd? Kroniek
van de Zwolse ziekenhuizen. Direct vroegen de
samenstellers van dit themanummer zich af of er
nog iets geschreven kon worden dat niet in dat
boek stond. Gelukkig waren er nog onderwerpen genoeg die niet uitvoerig in het boek waren
behandeld. Een paar van die onderwerpen staan
in dit tijdschrift, zoals de verpleging, ethische
dilemma’s in het ziekenhuis en de nieuwste operatietechnieken. Ook geven we aandacht aan
enige specialismen: de cardiologie, de nucleaire
geneeskunde en de kaakchirurgie. De artikelen
zijn grotendeels gemaakt op basis van interviews
met betrokkenen, of door ervaringsdeskundigen zelf geschreven. Deze allesbehalve complete
dwarsdoorsnede van de ziekenhuiswereld wordt
voorafgegaan door twee artikelen over de beginperiode van het Sophia Ziekenhuis en van De
Weezenlanden. En wat is een ziekenhuis zonder
patiënten en verpleegsters? Zij komen aan bod via
de inzendingen voor de schrijfwedstrijd waarin
we naar herinneringen aan de Zwolse ziekenhuizen hebben gevraagd. De oogst was zeer boeiend,
we zijn de dames Carla Johnson-Cairo, Ria Knolle
en Els Rademaker-Vos en de heren J.M.J. Alferink, Bert J. Davidson, Johan Rijfkogel en H. Timmerman zeer erkentelijk voor hun inzendingen.
Ze zijn in dit nummer steeds opgenomen onder
de kop: Herinneringen. En zo is er een palet ontstaan waarop alle geledingen van het ziekenhuis
een plaats hebben gekregen en waarin de lezer van
alles zal herkennen. Want zeg nu zelf, zou er een
Zwollenaar zijn die nog nooit in een Zwols ziekenhuis is geweest?
Noten
1. Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 494-495
2. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 23
3. www.isala.nl Jaarverslag 2012, 20, 22-23
ZHT4 2013.indd 5 10-12-13 13:33
170 zwols historisch tijdschrift
Het bestuur van de Rooms Katholieke
Stichting Ziekenverpleging Zwolle
besloot in de jaren zestig om de naam
van het ziekenhuis te veranderen in De Weezenlanden. Voor veel Zwollenaren bleef het daarna
echter nog jarenlang het katholieke ziekenhuis,
ondanks alle inspanningen om het religieuze imago naar de achtergrond te dringen. Als in die tijd
in de Zwolse Courant over een verkeersongeval
werd gemeld dat het slachtoffer naar het katholieke ziekenhuis was gebracht, kon op de redactie
steevast op een telefoontje van de secretaresse
van de directie worden gerekend: ‘Het is niet het
katholieke ziekenhuis, het is het ziekenhuis De
Weezenlanden…’, werd er dan gezegd.
De keuze om de katholieke identiteit althans
voor de buitenwereld kwijt te raken, had niets
te maken met afstand nemen van het verleden,
waarin de zusters ‘Onder de Bogen’ vanaf de
stichting van het ziekenhuis in 1896 zieken uit
Zwolle en omgeving liefdevol verpleegden. De
ontzuiling in ons land en het beleid van bestuur
en directie om een ziekenhuis voor mensen van
alle gezindten te zijn, had van het katholieke
ziekenhuis in feite een algemeen ziekenhuis
gemaakt. Nonnen waren er nog altijd te vinden,
maar hun aantal daalde gestaag. In 1961 waren
het er 58, tien jaar later nog slechts 27. Bovendien waren de religieuzen steeds minder zichtbaar aanwezig, omdat de kledingvoorschriften
van de congregatie soepeler werden. In 1939
was de oude, ronde en gesloten kap al vervangen
door een open model, in 1953 werd het habijt
gemoderniseerd, in 1959 werd het stijve bavet
vervangen door een wit boordje en het zwarte
lint, dat het kruisje droeg, door een zilveren
kettinkje. Eind 1965 maakte de kap plaats voor
een sluier en vanaf 1967 was het de zusters toegestaan zelf hun kleding te kiezen. De meeste
nonnen die nog in het ziekenhuis werkten, lieten
toen sluier en uniform achterwege. Op 5 oktober 1990, op de dag af 94 jaar nadat ze naar de
Overijsselse hoofdstad waren gekomen, werd de
Zwolse gemeenschap van de Zusters van Onder
de Bogen officieel opgeheven. Bij die gelegenheid
reikte burgemeester Loek Hermans de erepenning van de stad Zwolle uit aan de tien overgebleven religieuzen, waarvan er twee, zr. Anacleta
en zr. Gerda Bosch, nog in actieve dienst waren.
Bosch, die in 1994 afscheid nam, was de allerlaatste Bogenzuster die in het ziekenhuis De
Weezenlanden heeft gewerkt.
Twee bogen
De congregatie werd in 1837 in Maastricht opgericht door Maria Elisabeth Gruyters, een zeer
gelovige en vrome vrouw. Paus Pius IX wees de
heilige Carolus Borromeus, die leefde van 1538
‘Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?’
Zusters van Liefde en zusters Onder de Bogen
verpleegden de zieken in Zwolle
Afscheid van zuster
Gerda Bosch in 1994.
Links patiënt-assistent
Hans Mulder, rechts
cardioloog Bloemers.
(Foto Frans Paalman)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 6 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 171
tot 1584 en aartsbisschop van Milaan was, aan als
patroon van de congregatie. Acht jaar na de stichting nam de nieuwe kloostergemeenschap haar
intrek in de Proosdij van de Sint-Servaas Kerk,
die met twee bogen met de kerk was verbonden.
Het klooster kreeg daardoor de naam ‘Onder
de Bogen’. Aanvankelijk hielden de zusters zich
bezig met het geven van les aan arme kinderen en
het verzorgen van weeskinderen, maar vanaf 1843
kwam het accent te liggen op het verplegen van
behoeftige zieken.
Dat de Bogenzusters in 1896 naar Zwolle
kwamen, was te danken aan Judith Helmich,
dochter van een van de eigenaren van de ijzergieterij Schaepman en Helmich. In het begin
van de jaren negentig van de negentiende eeuw
was zij ingetreden in de congregatie, waar zij de
naam Margaretha had aangenomen. Toen haar
ouders stierven, erfde zij hun huis aan de Melkmarkt, het zogeheten Drostenhuis op nummer
41 waarin tegenwoordig het Stedelijk Museum
Zwolle is gevestigd. Zr. Margaretha schonk het
kapitale pand aan de congregatie met het verzoek
om er een inrichting voor ziekenverpleging van
te maken. Resultaat daarvan was, dat op 2 oktober 1896 moeder Lamberta en zuster Theresia,
gewapend met Gods vertrouwen, naar Zwolle
kwamen om vanuit huize Helmich zieken te gaan
verplegen.
Twee weken later, op 15 oktober, kwam de
generale overste van het klooster, moeder Maria,
hoogst persoonlijk nog vier zusters brengen. Zij
had ook een beurs met 130 gulden meegenomen, waarmee de volgende dag inkopen werden
gedaan: een fornuis, katoen voor gordijnen,
emmers, stokken, dweilen en niet te vergeten een
beeld van Sint Jozef, dat een ereplaats kreeg in het
pand en voor bescherming moest zorgen. Voor
het noodzakelijke opknappen van het huis, dat
een paar jaar niet bewoond was geweest, bleef er
toen nog tachtig gulden over. Een beurtschipper bracht enkele weken later vanuit Den Haag,
waar de Bogenzusters al in 1890 met hun werk
waren begonnen, huisraad mee dat daar overtollig
was. Plus een rekening van zestien gulden voor
de vrachtkosten, waardoor de beurs steeds leger
werd.
Kerk was vol
Op veel medewerking konden de Bogenzusters
aanvankelijk niet rekenen. De pastoor van de
Onze Lieve Vrouwekerk stelde zich zelfs vijandig
op toen hem gevraagd werd een paar plaatsen in
de kerk voor de zusters te reserveren. ‘Mijn kerk
is vol. Wat komt ge hier eigenlijk doen in de stad?
Wie heeft u hier geroepen?’ Slechts af en toe werd
de hulp van de zusters ingeroepen en ontvingen
ze een kleine vergoeding. Niemand was echter
bereid om voor een dag en nacht verpleging 1,50
gulden te betalen. Een mandje eieren, daar moesten ze het mee doen. Dat de Bogenzusters min of
meer werden genegeerd, had niets te maken met
de godsdienstige identiteit van Zwolle. De hervormden waren weliswaar ver in de meerderheid,
maar zo’n kwart van de bevolking was katholiek.
Voor katholiek Zwolle en dan in het bijzonder de
zogenaamde behoeftigen bestond er sinds 1844
echter al een mogelijkheid om bij ziekte verpleegd
te worden. Daarvoor zorgden de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid uit Tilburg.
Gasthuisplein
De ziekenverpleging van deze Zusters van Liefde
ging in 1844 van start. Het Rooms-Katholiek
Armbestuur, dat sinds ongeveer 1825 al een zieken- en passantenhuis in gebruik had in het hoekpand Hagelstraat/Kerkstraat, droeg toen de zorg
voor de (arme) zieke medemens aan de zusters
over. Hun eerste behuizing aan de Rozemarijnstraat werd al snel te klein. In 1846 kon dankzij
een schenking de branderij-brouwerij van de
gebroeders Visscher op het adres Gasthuisplein
10 worden gekocht. Vanaf deze plek breidde het
‘gesticht’ zich steeds verder uit door aankoop van
panden, die vaak werden gesloopt om ruimte
voor nieuwbouw te maken. Financieel werd dit
de zusters mogelijk gemaakt door schenkingen
van particulieren, zoals bijvoorbeeld een bedrag
van liefst 20.000 gulden van de weduwe K.L.A.
van der Horst. Zij voegde daar wel de voorwaarde
aan toe, dat in het Liefdegesticht steeds één kamer
disponibel gesteld moest worden voor de vergadering van de damesvereniging ten behoeve der
arme kerken. Bijna anderhalve eeuw lang zouden
ZHT4 2013.indd 7 10-12-13 13:33
172 zwols historisch tijdschrift
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein hun
domicilie hebben. In 1987 werd het klooster afgebroken om plaats te maken voor onder andere een
bioscoop.
Het Liefdegesticht, zoals het ziekenhuis op het
Gasthuisplein werd genoemd, had een bijzonder
goede naam in Zwolle. In feite was het de enige
ziekeninrichting in de stad die goed functioneerde. Daar kwam het stadsbestuur in 1866 ook achter, toen ons land en ook Zwolle werd getroffen
door een cholera-epidemie. Over de behandeling
en verzorging in het zogenoemde Passantenhuis
van de gemeente kwamen zoveel klachten binnen,
dat burgemeester mr. J.A.G. baron de Vos van
Steenwijk aan moeder-overste Stanislaus vroeg
of haar zusters ook de verpleging van de zieken in
het Passantenhuis van de gemeente zouden willen
doen. Anderhalve maand lang hebben de Liefdezusters zich met hart en ziel van deze taak gekweten. ‘De lijders waren zeer voldaan en het publiek
was hiermede zeer ingenomen’. Als dank kreeg
Moeder Stanislaus van het stadsbestuur een zwart
kruis met zilveren corpus. Ook koning Willem III
toonde zijn waardering. Hij stuurde een medaille
met inscriptie naar de zusters begeleid door een
brief van de minister van Binnenlandse Zaken.
‘Die medaille strekt ten blijke van ’s Konings
goedkeuring voor daden van onverpligte menschlievendheid en zelfopoffering.’
Operatie
In 1888, vier jaar na de opening van het
gemeentelijk Sophia Ziekenhuis, werd het
ziekenhuis op het Gasthuisplein uitgebreid
met nieuwe ziekenzalen en een operatiekamer,
waar dr. N.H. Frank in 1891 voor het eerst
een geslaagde blindedarmoperatie deed op
een vrouw. Deze ingreep maakte diepe indruk
op de Zwollenaren en zorgde er voor dat het
ziekenhuis van de zusters van Liefde steeds
populairder werd. De roem strekte zich tot ver
buiten Zwolle uit. De eerste patiënt die na de
nieuwbouw in 1888 werd opgenomen, was bijvoorbeeld de burgemeester van Borne, de heer
Van Bönninghausen. In 1895 brachten de jonge
koningin Wilhelmina en koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle, waarbij ook het
gesticht op het Gasthuisplein op het programma stond. Voor de ingang was een prachtige
baldakijn aangebracht met gordijnen van rood
fluweel en de hele vestibule was gedrapeerd en
met bloemen versierd. Bij het vertrek van de
twee vorstinnen wachtte Moeder Stanislaus een
grote verrassing. Zij kreeg te horen dat zij Ridder in de Orde van Oranje Nassau was geworMoeder Stanislaus
Wilhelmina Agnes Gerardina Henrica van Sonsbeeck werd op 25 juni
1818 op Huize de Gunne bij Heino geboren en trad op 22-jarige leeftijd
in bij de congregatie van Tilburg, waar zij de naam Stanislaus aannam.
In 1844 werd zij samen met zr. Guillianie Aukens naar Zwolle gestuurd
om er voor zieken te zorgen en de kinderen uit arme katholieke gezinnen
onderwijs te geven. Moeder Stanislaus, zij werd al snel moeder-overste van
het gesticht in Zwolle, zou 46 jaar lang in de Overijsselse hoofdstad blijven.
In 1895 werd Moeder Stanislaus koninklijk onderscheiden. Zij was de eerste vrouw in Nederland die Ridder in de Orde van Oranje-Nassau werd.
In 1900 vertrok zij vanwege haar gevorderde leeftijd naar het Moederhuis
in Tilburg, waar zij op 2 maart 1904 overleed. Volgens de overlevering viel
op die dag in de sacristie van het klooster in Zwolle het kruisbeeld uit de
nis, terwijl de rector zijn dankzegging deed na de Heilige Mis. En ’s avonds
om zes uur, het moment waarop Moeder Stanislaus haar laatste adem
uitblies, stond de klok in de gang stil. Dat was te meer opvallend, omdat
moeder overste de klokken van het huis altijd naar die klok geregeld wilde
hebben. Toen de klok werd
aangestoten, liep ze weer
gewoon door…
Rond 1990 werd deze
Zuster van Liefde geëerd met
een straatnaam in de Zwolse
wijk Schellerhoek: Moeder
Stanislausstraat. En in oktober
2013 is een nieuw geopend
zorghuis voor dementerende
ouderen aan de Bagijneweide
naar haar vernoemd: Wilhelmina van Sonsbeeckhuis.
Moeder Stanislaus met
koninklijke onderscheiding.
Foto van haar bidprentje.
(Archief Zusters van Liefde)
ZHT4 2013.indd 8 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 173
den, waarmee zij de eerste vrouw in ons land
was die deze hoge onderscheiding ontving.
De patiëntendruk op het ziekenhuis van de
zusters van Liefde was inmiddels zo groot, dat
besloten werd om voortaan alleen nog maar
katholieken van Zwolle op te nemen. Dit beleid
leverde echter oplopende tekorten op, omdat het
Armbestuur van de parochies voor de verpleging
van arme zieken slechts 35 cent per dag betaalde.
Bij de zusters groeide de vrees dat uiteindelijk
alle zieken naar het in 1884 geopende Sophia Ziekenhuis zouden worden verwezen, maar door de
komst in 1896 van de zusters van Onder de Bogen
zou het heel anders gaan lopen. Terwijl steeds
meer Liefdezusters voor de missie naar de Oost
vertrokken, verplaatste de zorg voor de zieken
zich meer naar huize Helmich op de Melkmarkt.
En toen in 1902 een geheel nieuw rooms-katholiek ziekenhuis van de Bogenzusters in gebruik
werd genomen, hield het ziekenhuis van de LiefAankondiging van
de verhuizing van de
katholieke ziekenverpleging in de Zwolse
Courant van 18 februari 1902.
Het bestuur van het katholieke ziekenhuis bereidde zich al
in een vroegtijdig stadium voor op de gevolgen die een oorlog
voor de instelling zou kunnen hebben. Op 3 april 1939 werd
besloten om op de zolder zandzakken te plaatsen, om in geval
van luchtaanvallen met brandbommen snel in actie te kunnen
komen. Ook werden in het gebouw zwarte verduisteringslampen aangebracht en kregen de zusters ‘draagbare zaklantaarns
met blauw licht’.
Gelukkig is er tijdens de Tweede Wereldoorlog geen bom
op het ziekenhuiscomplex terecht gekomen, maar ongemerkt
gingen de bezettingsjaren allerminst voorbij. Omdat ‘horen,
zien en zwijgen’ voor de zusters het parool was en de medische
dienst van de Wehrmacht in het Sophia Ziekenhuis geconcentreerd was, werd het katholieke ziekenhuis een goede plek om
onderduikers onder te brengen en voor het verzet om er een
geheime zender te installeren. Ongelukkigerwijs werd deze
zender, die verbonden was met het geallieerde hoofdkwartier
in Eindhoven, op 8 februari 1945 door de Duitsers gelokaliseerd. Om half elf die ochtend werd het ziekenhuis omsingeld
en gingen enkele officieren met getrokken pistool naar binnen.
Jan van Tongeren, die toen portier was, vertelde er later het
volgende over. ‘De Duitsers sloegen met de kolf van het geweer
de deur in en liepen rechtstreeks door naar de Josephzolder,
waar de kamertjes van de verpleegsters waren. Daar zat de
Zwolse verzetsgroep met de geheime zender. Doordat ze eerst
de verkeerde deur namen, kon de man die er zat ontsnappen
en in het klooster verdwijnen. Maar Beernink, die naar buiten
liep, werd op het voorterrein neergeschoten. Intussen hadden
de zusters alle mannen op zaal 5 die onderduikers waren bliksemsnel in bed gestopt en van spalken en verband voorzien,
zodat het leek of ze flink ziek waren. De kok, ook een onderduiker, was op de vlucht geslagen en aangeschoten. De Duitsers
volgden zijn bloedspoor en vonden hem in de aardappelschuur
onder het hooi. Hij werd in de polikliniek gebracht en toen hij
stierf lagen de Duitsers met het oor aan zijn lippen in de hoop
dat hij ijlend namen zou loslaten.’
De dood van Henk Beernink, voorman van de verzetsgroep
De Groene, was een zware klap voor de Zwolse illegaliteit.
Moeder-overste Praxedis, die in 1952 het Kruis van Verdienste
kreeg voor haar verdiensten voor de illegaliteit, werd samen
met haar medezusters door de Duitsers verhoord. Zij wisten
aannemelijk te maken dat zij niet op de hoogte waren geweest
van de verzetsactiviteiten in het huis. ‘Horen, zien en zwijgen…’
‘Horen, zien en zwijgen’ in het katholieke ziekenhuis
ZHT4 2013.indd 9 10-12-13 13:33
174 zwols historisch tijdschrift
dezusters definitief op te bestaan. Hun activiteiten
in Zwolle zouden voortaan geheel bestaan uit het
aanbieden van onderwijs.
Kruisbeeld
De echte verpleging van zieken in huize Helmich
was in september 1897 van start gegaan, maar
het pand aan de Melkmarkt was in feite voor dit
doel totaal ongeschikt. Zo waren er bijvoorbeeld
slechts twee waterkraantjes aanwezig. De Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging, die
inmiddels de zakelijke bedrijfsvoering van de
zusters had overgenomen en dankzij een aantal
forse schenkingen waaronder een bedrag van
30.000 gulden over de nodige financiële middelen beschikte, maakte daarom al snel plannen
voor de oprichting van een nieuw ziekenhuis.
Aan het Groot Wezenland hoek Blekerstraat
werden twee panden aangekocht, voor 21.000
gulden het herenhuis van de heer Godschalk en
voor 19.000 gulden de houtwerf van de firma
Eindhoven en Zn. Het pand aan de Melkmarkt
werd voor 15.000 gulden verkocht aan de posterijen. Met het kruisbeeld in haar armen en
zestien zusters in haar kielzog betrad Moeder
Lamberta op 22 april 1902 het nieuwe ziekenhuis
aan het Groot Wezenland, dat 45 bedden telde
en 135.000 gulden had gekost. Het herenhuis
van Godschalk werd gebruikt voor de eerste
en tweede klasse patiënten, de nieuwbouw was
bestemd voor de derde klasse patiënten.
Het katholieke ziekenhuis mocht zich in
Zwolle en omgeving in een uitstekende naam
verheugen. De goede huisvesting en de prettige
inrichting hadden daar zeker mee te maken,
maar bepalend daarvoor was de liefdevolle
manier waarop de zieken door de zusters werden verpleegd. Bij ernstig zieken waakten en
baden ze. Weinig mensen gingen in de tijd dat
de Bogenzusters het beeld van het ziekenhuis
bepaalden in eenzaamheid dood, er zat bijna
altijd een non aan het bed van de stervende. Een
arts omschreef het werk van de zusters eens op
de volgende manier: ‘Hun roeping tilde hun toewijding boven het gewone menselijke uit. Hun
medemenselijkheid met de patiënt was vaak om
jaloers op te worden.’
Remonstrant Jan Dhont was eerste medisch-directeur
van het katholieke ziekenhuis
Het personeel van het katholieke ziekenhuis was lange tijd in overgrote
meerderheid katholiek. Daarom werden rond twaalf uur op de administratie de luikjes gesloten om de medewerkers de gelegenheid te bieden op
de knieën te gaan omdat vanuit de Paterskerk het ‘Engel des Heren’ werd
geluid. Met Goede Vrijdag ging het voltallig personeel naar de Kruiswegviering. De meeste leden van de medische staf waren echter niet katholiek.
Dat gold ook voor de eerste medisch directeur die het katholieke ziekenhuis kende, dokter Jan Dhont. De in 1909 geboren zoon van een huisarts
uit Meppel was remonstrant. Toen hij in 1957 tot medisch directeur werd
benoemd, waren vijftien van de zeventien leden van de medische staf niet
katholiek. Dhont was een bescheiden en bijzonder innemend persoon, die
binnen de gemeenschap van het ziekenhuis op grote sympathie kon rekenen. Begaafd en belezen als hij was, ging zijn belangstelling uit naar de letteren. Dichters als Victor van Vriesland en J.C. Bloem behoorden tot zijn
vriendenkring. Zelf maakte Dhont ook gedichten, waarvan een selectie in
1988 door Waanders in boekvorm is uitgegeven:
‘Ik ben tot aan de grens gegaan
Van wat de woorden dragen en ben niet verstaan
Het ging ermee als met mijn hele leven;
Men heeft het vreemd gevonden en is doorgegaan.’
Dhont, die ongehuwd bleef, leed aan de slopende oogziekte glaucoom, die
hem uiteindelijk blind maakte. Nadat hij in 1973 met vervroegd pensioen
was gegaan, werd hij nog jarenlang verzorgd door zusters van ‘Onder de
Bogen’. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in verzorgingshuis
De Nieuwe Haven, waar hij op 1 februari 1984 overleed.
Jan Dhont, in het midden met donker pak, tijdens de bevrijding in april
1945. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 10 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 175
Dagorde
Gemakkelijk was het leven van de religieuzen
bepaald niet. De dagorde zag er bijvoorbeeld als
volgt uit: 5.30 uur opstaan; 5.50 uur lauden in
koor; 6.00 uur meditatie; 6.30 uur Heilige Mis;
6.55 uur reflectie Prime-Terts; 7.05 uur ontbijt;
12.50 uur gewetensonderzoek; 14.30 uur rozenhoedje; 14.45 uur vespers in koor; 19.00 uur
completen in koor; 21.30 uur lichten uit… Op de
afdelingen werd door de zusters met patiënten het
avondgebed gebeden en met veel ceremonie werd
de communie door het ziekenhuis rondgebracht.
De zusters, het zijn ook maar mensen, konden
soms ook wel nukkig, chagrijnig of soms zelfs
bijna onbetamelijk uit de hoek komen. Daarbij
waren sommigen heel erg streng.*
Met de groei van de patiëntenstroom als gevolg
van de toenemende mogelijkheden om mensen
beter te maken en de dalende instroom van novicen in de kloosters deden steeds meer lekenzusters
hun intrede in het katholieke ziekenhuis. De eerste
twee kwamen in 1928, toen hard gewerkt werd
aan uitbreiding van het ziekenhuis. Om leerlingverpleegster te worden, hadden ze een inleggeld
De rooms-katholieke
ziekenverpleging
omstreeks 1920. (Particuliere collectie)
De hal van het oude
katholieke ziekenhuis.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 11 10-12-13 13:33
176 zwols historisch tijdschrift
van 150 gulden moeten betalen. Salaris kregen ze
niet, het verplegen werd als liefdewerk, als roeping
beschouwd. Pas in 1931 kregen de lekenzusters
loon: 50 gulden per jaar voor de eerstejaars, 100
gulden per jaar voor de tweedejaars en 200 gulden
per jaar voor de derdejaars. Plus vrije kost, inwoning en bewassing. Uiteraard moesten de meisjes
uit katholieke gezinnen afkomstig zijn.
Nieuwbouw
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond al snel
behoefte aan uitbreiding. Panden en terreinen
in de omgeving van het ziekenhuis werden aangekocht, waaronder in 1954 het complex van de
azijnfabriek van Heerkens, Schaepman en Co’s.
Het leverde uiteindelijk een compleet nieuw
ziekenhuis op, waardoor de Blekerstraat uit het
stratenregister van Zwolle kon worden geschrapt.
Precies vijftig jaar geleden, op 5 december 1963,
sloeg J.H.J.M. ten Doeschate, die van 1946 tot
1978 voorzitter van de Stichting Rooms Katholieke Ziekenverpleging Zwolle was, de eerste paal
en op 1 oktober 1967 werd het nieuwe ziekenhuis
in gebruik genomen. Dat betrof fase I, want in de
Mooie overzichtsfoto uit 1933 van alle gebouwen waaruit het katholieke ziekenhuis bestond, gelegen tussen het Groot Wezenland en
de Blekerstraat. (Uit: Oud Zwolle vanuit de lucht)
ZHT4 2013.indd 12 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 177
jaren daarna zouden er nog vier volgen voor het
nieuwe ziekenhuis De Weezenlanden, inclusief
verpleeghuis, compleet was.
Toen begin jaren zestig het oude ziekenhuis
met z’n lange donkere gangen en granieten
vloeren werd afgebroken, raakten de lekenzusters langzaam maar zeker in de meerderheid.
De functie van verplegingsdirectrice bleef tot
1973 in handen van een religieuze. De laatste
was zr. Berthilie, die bij haar afscheid zei: ‘Door
gelovig te zijn vind je steeds weer kracht, die je
bij dit belangrijke werk nodig hebt. Omdat je
leven bepaald is door God hoef je geen zwevend
of onzeker gevoel te hebben.’ Op verschillende
plekken in het ziekenhuis bleven daarna nog
Bogenzusters aan het werk. Zoals bijvoorbeeld
zr. Renée, die van de couveusekamer naar het
mortuarium was verhuisd. ‘De overleden mensen die hier worden gebracht, blijven voor mij
patiënten. Iemand die van buiten het ziekenhuis
wordt gebracht, noem ik een logé’, vertelde ze
aan de redacteur van het personeelsblad.
In een tijd waarin de meeste ziekenhuizen een
medicus als directeur hadden, durfde het bestuur
van het rooms-katholieke ziekenhuis in Zwolle
het aan om een man die afkomstig was uit de
horeca en het hotelwezen met de leiding van het
ziekenhuis te belasten. Directeur mocht A.J.J.
Craghs zich in 1947 nog niet noemen, administrateur-econoom stond achter zijn naam. Maar
feitelijk was hij direct al de hoogste man in de
organisatie en in 1951 werd dat bekrachtigd door
zijn benoeming tot algemeen directeur. Spijt van
die beslissing hebben ze bij het rooms-katholieke
ziekenhuis nooit gehad. Toen Craghs in 1976 met
pensioen ging, werd hij niet ten onrechte de ‘pater
familias’ van De Weezenlanden genoemd.
Craghs werd op 5 september 1911 in Roermond geboren als zoon van een bakker. Na drie
jaar HBS ging hij als leerling-kelner werken in
hotel De Keizerskroon in Apeldoorn, tegen een
vergoeding van vier gulden per week plus kost en
inwoning. Vervolgens werd hij commis de rang in
Hotel De Wittebrug in Den Haag, waar hij cocktails voor prins Hendrik heeft gemixt. In 1932
keerde hij terug naar De Keizerskroon, maar nu
als chef van het hotel. Omdat hij meer van de
wereld wilde zien, trok Craghs naar Londen en
Parijs en, leergierig als hij was, ging hij in Leuven
stiekem colleges sociale economie en psychologie
lopen. Na dit korte avontuurlijke bestaan werkte
hij in verschillende rangen in de hotels Terminus
in Utrecht, de l’Europe in Amsterdam en Huis
ter Duin in Noordwijk, om in 1939 in Zwolle aan
de slag te gaan als de baas van de stationsrestauratie.
De overstap van Craghs van de stationsrestauratie naar het rooms-katholieke ziekenhuis
was zoals gezegd tegen de trend in en veel medici
in het ziekenhuis hadden er aanvankelijk dan
ook moeite mee. Maar de scepsis maakte al snel
plaats voor waardering, niet alleen dankzij het
respect dat Craghs voor het werk van de heren
doktoren toonde, maar ook door de manier
waarop hij opkwam voor hun belangen. Bovendien stond hij open voor alle nieuwe ontwikkelingen in de medische sector en was hij bereid om
innovatieve initiatieven te ondersteunen.
Het hart van Craghs, die een diepe religieuze
inslag had en soms urenlang met moeder-overste
Elisabetha over allerlei zaken sprak, lag echter bij
de patiëntenzorg. Zelf zei hij daar later over: ‘De
mensen moeten zich in het ziekenhuis thuis voelen. Daarom moet een sfeer worden geschapen,
waarin goede verpleging en een voorspoedige
genezing mogelijk zijn. Dat moet al beginnen bij
de portier. Daar moet de menselijke benadering
al heel duidelijk aanwezig zijn. Hoe snel voel je je
niet verlaten als je een groot bedrijf binnen komt.
Je krijgt dan het idee een nummer te zijn. Dat heb
ik altijd vreselijk gevonden.’
Craghs overleed op 7 augustus 1977, nog geen
jaar nadat hij afscheid van ‘zijn’ Weezenlanden
had genomen.
Craghs, de ‘pater familias’ van De Weezenlanden
ZHT4 2013.indd 13 10-12-13 13:33
178 zwols historisch tijdschrift
Beeld
De Zwolse gemeenschap van de Liefdezusters van
de Heilige Carolus Borromeus werd in 1993, toen
ze nog tien leden telde waarvan de meesten al ver
over de zeventig en de oudste zelfs negentig jaar
waren, officieel opgeheven. Op 29 april 1994 onthulde zr. Ignace van Heyningen, provinciaal overste van de congregatie, een beeld gemaakt door
Pépé Grégoire, dat de herinnering aan de Bogenzusters levend moest houden. Medisch-directeur
dr. A.G.P. Cremers zei bij die gelegenheid: ‘Wij
hebben als Weezenlanden iemand die niet alleen
de moeite waard is, maar iemand die beslist niet
vergeten mag worden, omdat haar naam in het
steen van dit ziekenhuis is gegrift, omdat de organisatie die de patiëntenzorg hier behartigt naar
mijn overtuiging nog steeds haar geest ademt: de
religieuzen van Onder de Bogen’. Het beeld is dit
jaar met alle artsen, verpleegkundigen en andere
medewerkers van De Weezenlanden verhuisd
naar het nieuwe Isala ziekenhuis. Het zou een
goede gedachte zijn om straks wanneer het ziekenhuis van de Rooms Katholieke Stichting Ziekenverpleging Zwolle is afgebroken en er woningen voor in de plaats zijn gekomen, het beeld
weer terug te halen naar de plaats waar de zusters
Onder de Bogen meer dan negentig jaar lang hun
liefdevolle werk hebben verricht.
* Niet zozeer de patiënten van het ziekenhuis, maar
de leerlingen van de scholen die onder het bewind
van het klooster op het Gasthuisplein vielen, kregen
daar mee te maken. ‘Zusters van Liefde, krengen
van Barmhartigheid’ is een gezegde dat velen van
hen bekend in de oren zal klinken.
Literatuur en bronnen
– F. van Reijendam-van Barneveld en M.P. Pul, Van
bogen tot rechte hoeken. Kroniek van het ziekenhuis
De Weezenlanden. Zwolle, 1988
– Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, deel II,
Tijl Zwolle, 1961
– Personeelsbladen ziekenhuis De Weezenlanden.
De onthulling van het
monument voor de
Zusters onder de Bogen
in 1994, gemaakt door
de kunstenaar Pépé
Grégoire. Zittend op
de voorste rij de laatste
zusters van de congregatie. Het beeld stond
jarenlang bij de hoofdingang van het ziekenhuis aan het Groot
Wezenland. Het staat
nu een beetje verloren
aan de Ceintuurbaankant van het nieuwe
ziekenhuis. (Foto Frans
Paalman)
ZHT4 2013.indd 14 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 179
Gemeenteraad debatteerde jarenlang over
bouw van Sophia Ziekenhuis
‘Aan een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt
ziekenhuis bestaat werkelijk behoefte’
Toen de gemeenteraad van Zwolle op
5 juli 1880 met elf stemmen voor en zes
tegen besloot tot de oprichting van een
ziekenhuis, stelde de medische zorg in de ruim
23.000 zielen tellende hoofdstad van Overijssel
weinig voor. Er was een zogeheten Passantenhuis
in de oude militaire ruiterstallen op het Noordereiland, dat werd gebruikt voor mensen die een
besmettelijke ziekte hadden opgelopen.*
Het armbestuur van de Nederlands Hervormde
Gemeente beschikte over een verpleeginrichting
in de Nieuwstraat, in de volksmond bekend als
‘De Infirmerie’, die in alle opzichten ernstig tekort
schoot. Alleen het gesticht van de Zusters van
Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid op het Gasthuisplein was de naam van
ziekenhuis waardig, maar deze inrichting was in
de eerste plaats voor katholieken bestemd. ‘Aan
een nieuw, eenvoudig, maar goed ingerigt ziekenhuis te Zwolle bestaat werkelijk behoefte. Om er
niet van te spreken hoezeer het te bejammeren is,
dat de gelegenheid tot ziekenverpleging te Zwolle
zoo treurig afsteekt bij de gelegenheden, die daarvoor worden gevonden te Deventer en te Kampen, welke toch nog niet eens als modellen van
ziekenhuizen mogen worden beschouwd’, had
Lubach, de geneeskundig inspecteur voor Overijssel en Drenthe, voorafgaande aan de vergadering van 5 juli aan de gemeenteraad geschreven.
Schaepman
Bezien door de ogen van iemand die anno 2013
een bezoek heeft gebracht aan de gloednieuwe
Isala klinieken, schept de naam ziekenhuis overigens grote verwarring. De stand van de medische
wetenschap was in 1880 nog zo beperkt, dat tegen
de meeste kwalen geen kruid gewassen was. In
1846 was in Massachusetts weliswaar voor de
eerste keer een operatie uitgevoerd waarbij een
patiënt met behulp van ether onder verdoving
was gebracht, maar in Zwolle deed de chirurgijn
nog altijd zijn werk zoals dat in de eeuwen daarvoor ook gedaan was. J.J. Kisch heette de brave
man, wiens patiënten helse pijnen moeten hebben
geleden want narcose of verdovende middelen
waren volgens hem uit den boze. Zijn rol zou overigens spoedig tot het verleden behoren want er
waren grote veranderingen op komst. De bekende
Zwolse genees- en heelkundige dr. Th.A. Schaepman (1834-1908) gaf er in 1880 een ongewilde
demonstratie van, die in de stad wekenlang hét
onderwerp van gesprek was. Zijn dochter werd
ernstig ziek en Schaepman besefte dat alleen een
chirurgische ingreep haar leven kon redden. Dus
legde hij haar in zijn huis annex praktijk aan de
Badhuiswal op een tafel, zette haar een kap op,
bracht haar onder narcose en zette het lancet er in.
Thom. de Vries, die van 1964 tot zijn dood in 1975
gemeentearchivaris van Zwolle was, noemde het
in zijn Geschiedenis van Zwolle een weergaloos
huzarenstukje, want in Zwolle was de narcose nog
Het Sophia Ziekenhuis
kort na de bouw.
(Collectie HCO)
Steven ten Veen
ZHT4 2013.indd 15 10-12-13 13:33
met een krachtig nee beantwoord. ‘Zwolle munt
uit door prachtige scholen, halve paleizen, eene
ruime nieuw gebouwde manege, alles zonder twijfel onbegrijpelijk nuttig, maar… een behoorlijk
ziekenhuis, waar is dat te vinden? Voor ziekte en
ellende van den vreemdeling zorgt in Nederland
het Roode Kruis, voor ondersteuning van den
vreemdeling als gevangene zorgt het Blaauwe
Kruis. Is er dan iets billijks in, dat de gemeente
zorge voor een goed ingerigt ziekenhuis ten
behoeve van den zieken, hulpbehoevende stadgenoot van allerlei klassen, zoowel voor den gegoeden burger als voor den arme?’
Over het Passantenhuis hadden de stedelijke
genees- en heelkundigen weinig goeds te melden. ‘De handwerksman die grof geld verdient,
de fatsoenlijke burger die op eigen kosten ligt en
behandeld wordt, heeft een afkeer van die inrigting, die men hem al spoedig vertelde vroeger een
stal te zijn geweest, waarin ook de syphilitische
vrouwen werden verpleegd. Ook de reiziger die
door eene epidemische ziekte wordt aangetast,
hij moet zijn hotel verlaten, is nu dat ziekenhuis
behoorlijk voor hem ingerigt? Neen. Hij behoort
in een behoorlijk ingerigt ziekenhuis opgenomen
te worden, in een stedelijk gasthuis op eenvoudige
min kostbare wijze daargesteld, zonder Jonisch
of Romeinse kolommen en kapiteelen van arduin
of Bentheimersteen, alleen volledig beantwoordende aan de eischen van de ziekenhuizen van
den laatsten tijd.’
Einde discussie
Zwolle had in 1871 bijna 22.000 inwoners en verwachtte een opbloei mede dankzij de komst van
de Centrale Werkplaats der Staatsspoorwegen,
die in de volksmond de constructiewinkel werd
genoemd. Het bedrijf was in 1870 geopend en
het aantal werknemers zou in de richting van de
duizend gaan, waarvan velen met hun gezinnen
in de nieuwe stadswijk Assendorp gingen wonen.
Alle redenen dus, zo zou men denken, om positief
te reageren op de oproep van de stedelijke medici.
De politiek reageerde echter helemaal niet zo
enthousiast, zoals bleek tijdens de raadsvergadering van 18 augustus 1871. De heer Van Kerckhoff deed een poging om naar aanleiding van de
nooit toegepast: ‘Dr. Schaepman redde zijn dochter en als een lopend vuurtje ging het nieuws door
de stad: narcose is mogelijk, men kan gered worden! Tot dan toe waren de ziekenhuizen sterfhuizen geweest, waarin de arme patiënten gebracht
werden wanneer ze onmogelijk meer thuis konden worden verpleegd. Nu zou de gemeenteraad
wat beters maken.’
Brief
De opzienbarende actie van Schaepman vond
waarschijnlijk plaats nadat de raad al een besluit
over de oprichting van een gemeentelijk ziekenhuis had genomen. In de vele debatten die aan
deze zaak werden gewijd, is er namelijk nooit over
gesproken. Schaepman was wel een van degenen
die het ziekenhuis op de agenda van de stedelijke
politiek had geplaatst. Samen met zijn collega’s
dr. J. Moll jr., dr. S.P. Kros, dr. J.T. Meinesz, J.J.
Kisch en S.S. van Raalte stuurde hij op 28 januari
1871 een brief naar de gemeenteraad, waarin de
oprichting van een ziekenhuis werd bepleit. Niet
voor de eerste keer overigens, want al vaker hadden de stedelijke genees- en heelkundigen gewezen op het ontbreken van een ‘goed ingerigte,
doelmatige en regt eenvoudige ziekenverpleging
of gasthuis.’
De directe noodzaak daartoe vormden de
uitbraken van besmettelijke ziekten als pokken en
tyfus, waardoor ons land geregeld geteisterd werd
en die veel dodelijke slachtoffers eisten. Ook in
1871 waarde het spook van de tyfus weer rond en
de gevolgen die dat zou kunnen hebben, werden
in de brief van de heren medici beschreven al was
’t het scenario van een horrorfilm: ‘Geeft niet het
onmerkbaar langzaam naderende voorjaar de
zekerheid, dat die heuvelen en bergen van rottende en grootendeels onbegraven lijken, wier stank
en pestlucht nu reeds ondragelijk is, smetstoffen
zullen ontwikkelen, die de moorddadigste ziekten
zullen doen ontstaan en sommige jaren welligt
zullen blijven heerschen?’
Allerlei klassen
De vraag of Zwolle bij de verschijning van epidemieën een behoorlijk ingericht ziekenhuis
had om de lijders te verplegen, werd in de brief
180 zwols historisch tijdschrift
ZHT4 2013.indd 16 10-12-13 13:33
van Overijssel en Drenthe. ‘Ik heb vernomen dat
in uwe vergadering een voorstel is gedaan tot het
stichten van een stedelijk ziekenhuis. Ik kan dit
voorstel niet anders dan toejuichen.’
Bouwplan
Tijdens de begrotingsvergadering van 29 oktober 1877 maakte burgemeester Van Nahuys
bekend, dat de gemeentearchitect een bouwplan
had gemaakt, dat ‘eerstdaags’ zal worden ingediend. Waarop raadslid mr. S.J. van Roijen zich
geschrokken afvroeg of Zwolle dat wel zou kunnen betalen. ‘Blijkt het dat de uitgaven de financiële draagkracht der gemeente niet te boven gaan,
dan worde tot de uitvoering besloten. Blijkt echter
brief van de Zwolse genees- en heelkundigen
een discussie op gang te brengen, maar toen hij
uitgesproken was diende zijn collega Scriverius
een motie van orde in, waarin werd bepaald dat de
raad verder zou gaan met de behandeling van de
aan de orde zijnde zaken en zich niet verder zou
verdiepen in beschouwingen over de bouw van
een algemeen ziekenhuis. Einde discussie, want
bij een groot deel van de raad, die bijna volledig
uit liberalen bestond, was het ziekenhuis geen
onderwerp waar veel gewicht aan werd toegekend. Daar heerste de opvatting dat de overheid
zich niet te veel moest bemoeien met de leefomstandigheden van haar burgers. En de praktijk
van die tijd was, dat zieken die tot de klasse van
de gegoede stand behoorden, thuis werden verpleegd. Alleen de allerarmsten die in bekrompen
huizen in achterbuurten zoals de Kwade Negen
(nu Van Nahuysplein) of de Mussenhage woonden, zouden op een ziekenhuis zijn aangewezen.
Meer dan vijf jaar bleef het stil. Pas op 18
december 1876 kwam het ziekenhuis in de Zwolse
politiek weer ter sprake. Aanstichter was het
raadslid mr. P.J.G. van Diggelen, die de wens
uitsprak dat in Zwolle een algemeen ziekenhuis
zou worden opgericht en onmiddellijk steun
kreeg van de heer Van der Voort, die zelf geneesheer was geweest. Maar in de wandelgangen en
wellicht ook in de Groote Sociëteit die door veel
raadsleden frequent werd bezocht (het verhaal
ging dat burgemeester jhr. W.C.T. van Nahuys de
stad vanuit de Groote Sociëteit bestuurde), was
het onderwerp ongetwijfeld al veelvuldig besproken. Bovendien stuurde het gemengd armbestuur
van de Nederlands Hervormde Gemeente op 29
januari 1877 een brief naar de raad, waarin steun
aan zo’n initiatief werd betuigd. Het opknappen
van het eigen ziekenhuis in de Nieuwstraat (‘Ook
met den besten wil kan daarin geene verpleging
overeenkomstig de eischen van den tegenwoordigen tijd worden gedacht’) was geen optie en
nieuwbouw veel te duur. Een ziekenhuis voor
verschillende klassen van de maatschappij had
daarom de voorkeur van het armbestuur en men
was ook bereid daarvoor een financiële bijdrage te
verlenen. Voor extra druk op de ketel zorgde vervolgens de arts Lubach, geneeskundig inspecteur
zwols historisch tijdschrift 181
Boven: De nieuwe
mannenzaal (zaal 25)
na de uitbreiding in
1915. (Collectie HCO)
Onder: De nieuwbouw
uit 1915, met de mannenzaal (zaal 25) links
en de vrouwenzaal
(zaal 20) rechts. Daarboven was de klasse
verpleging. (Collectie
HCO)
ZHT4 2013.indd 17 10-12-13 13:33
In de vergadering van 17 juni 1878 presenteerde het college twee plannen. De bouwkosten
van het eerste, opgesteld door de gemeentearchitect, werden geraamd op ƒ 120.000 en de
inrichting zou ƒ 24.889 gaan kosten. Voor het
salaris van een geneesheer-directeur was 2.000
en voor dat van verder dienstdoend personeel
1.800 gulden begroot. Het tweede plan was ontworpen door G.J. Collard, 1e luitenant ingenieur
en W. Kam, architect en leraar aan de Hogere
Burgerschool in Amersfoort. Zij kwamen op een
bedrag van ƒ119.000 aan bouwkosten en ƒ 9.000
voor het meubilair. ‘De raad heeft, met het oog
op de genoemde kolossale cijfers, alzo te dezer
zake geen voorstellen van Burgemeester en Wethouders te verwachten’, aldus burgemeester Van
Nahuys!
Kolossale cijfers
Die mededeling lokte uiteraard de nodige reacties
uit. Bijvoorbeeld van de heer Van Diggelen die
anderhalf jaar daarvoor de wens voor de bouw
van een ziekenhuis had uitgesproken. ‘De voorstelling van Burgemeester en Wethouders, het op
de voorgrond plaatsen van de kolossale cijfers, is
dodend voor de zaak en leidt tot de conclusie, dat
het tegendeel, dan moet men de zaak laten rusten
en zich behelpen met de inrichtingen die er zijn.
In elk geval zijn er drie in de gemeente, die der
katholieken, die van het Hervormd Armbestuur
en het Passantenhuis en voor mingegoeden is er
dus in elk geval gelegenheid om hulp te vinden als
dit nodig blijkt.’
182 zwols historisch tijdschrift
Verpleegsters die net
hun diploma hebben
gehaald in 1915. (Collectie HCO)
Het Sophia beschikte
na de uitbreiding van
1915 ook over een
prachtige tuin langs
de Rhijnvis Feithlaan.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 18 10-12-13 13:33
Koppen geteld
Op 5 juli 1880 werd het laatste hoofdstuk van
de jarenlange discussie over het gemeentelijk
ziekenhuis geschreven. Dat het voorstel om tot
de bouw daarvan over te gaan zou worden aangenomen, stond vast. De koppen waren geteld.
De meerderheid van het college was echter tegen.
‘Als men een volksstemming hield, dan zou de
meerderheid zich tegen de oprichting verklaren’,
aldus wethouder Roijer, die als bewijs voor die
stelling kwam aanzetten met de verklaring van
een geneesheer die dagelijks met de mindere
klasse in aanraking kwam. ‘Wat was zijn advies?
Een ziekenhuis is heel mooi, mits gij mij daarbij
de macht verleent de zieken te noodzaken er heen
te gaan, want dat wil men niet omdat men de
familieleden van de patiënten niet kan toelaten
de zieken te verplegen en op te passen. Men acht
het een schande de patiënten niet zelf op te passen
en ze aan de zorgen van vreemden over te laten:
men wil ze in huis houden om ze zelf bewijzen
van gehechtheid en trouwe oppassing te geven.’
En dat Zwolle ongezond zou zijn en de toestand
buitengewone zorg vroeg, wilde er bij de wethouder niet in. ‘Een blik op de sterftetafels bewijst dat
Zwolle bij andere plaatsen, bij Kampen en Deventer bijvoorbeeld, niet ten achter staat.’
het maar beter is in het geheel niets te doen en er
niet aan te beginnen.’ Maar daar wilde Van Diggelen zich niet bij neerleggen en daarom stelde hij
voor een speciale commissie te benoemen om de
zaak verder voor te bereiden. Met slechts één stem
tegen werd dit voorstel aangenomen, waarmee
een nieuw hoofdstuk in de ziekenhuiskwestie
werd geschreven. De commissie ging voortvarend
aan het werk, maar toch duurde het nog ruim
anderhalf jaar voor zij haar verslag presenteerde.
Uitgerekend was, dat de exploitatiekosten van een
ziekenhuis hoogstens één gulden per dag en per
zieke zouden belopen. De verpleegkosten van de
armen konden volgens de commissie echter niet
hoger dan op zestig cent per dag worden bepaald
en derhalve zou de gemeente voor iedere arme
ongeveer veertig cent dagelijks moeten bijdragen. ‘Uwe commissie gelooft niet, dat dit offer te
zwaar mag worden genoemd, waar het geldt aan
de behoeftigen bij ziekte, ook in het algemeen
belang, een goede verzorging te verschaffen.’
Nu de raadscommissie een rapport had ingediend, konden de plannen tot oprichting van een
gemeentelijk ziekenhuis niet meer op de lange
baan worden geschoven. Toch werd daar op
5 april 1880, toen het rapport door de raad zou
worden besproken, nog een poging toe gedaan.
Op voorstel van het raadslid L. Roosenburg werd
namelijk besloten om het rapport eerst voor
nader onderzoek naar een zogenaamde tweede
commissie te sturen. Nog geen twee maanden
later, op 1 juni, had die haar verslag al gereed.
‘De vraag is: is de oprichting van een ziekenhuis
zoo noodzakelijk, dat een jaarlijksche uitgave
van ƒ 8000,- uit de gemeentekas daarvoor gewettigd is?’ Ja, vond de meerderheid van de commissie. ‘Goede ziekenverpleging, vooral der mingegoede klasse, is een zorg die op de gemeentebesturen rust, want zij staat in ’t nauwste verband
met de algemeene gezondheid: verpleging van
zieken is geen weelde, niet enkel philanthropie.’
Nee, luidde het standpunt van de minderheid.
‘De oprichting van een ziekenhuis is wenschelijk, maar de noodzakelijkheid daarvoor bestaat
niet in die mate, dat de gemeenteuitgaven jaarlijks met zulk een aanzienlijk bedrag moeten
worden verhoogd.’
zwols historisch tijdschrift 183
De kinderafdeling met
daar boven de reuma
afdeling. Bij mooi weer
werden de patiënten zo
veel mogelijk naar buiten gedirigeerd. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 19 10-12-13 13:33
Wethouder D. Wicherlinck verwoordde
het standpunt van de minderheid van het college. ‘Rust op de gemeente de verplichting zorg
voor zieken te dragen, vooral met het oog op de
behoeftige klasse die daarin niet kan voorzien?
Het antwoord is ja, zonder enige twijfel. Even
goed als de gemeente dit doet door gemeentegeneesheren, heelmeesters en vroedvrouwen voor
de armenpraktijk te benoemen. Dit wordt niet
aan de armbesturen overgelaten en waarom dan
’t andere wel? Het beginsel is hetzelfde.’
Urenlang duurden de debatten, waarin de
heer Van der Voort wethouder Roijer voor de
voeten wierp dat hij een goed ingericht ziekenhuis waarschijnlijk nooit had gezien. En met zijn
opmerking dat de Zwollenaren geen gebruik van
het ziekenhuis zouden maken, was hij als oudgeneesheer het absoluut niet eens. ‘Dikwijls is er
als ik op een betere verpleging aandrong en op de
bekrompen woning of de kinderen wees gezegd:
“Och dokter als ik maar in een ziekenhuis konde
gaan.” En ook voor zieke dienstboden heb ik dikwijls van de meer gegoede klassen de verzuchting
vernomen om een ziekenhuis, waar men hen kon
brengen, overtuigd dat zij het goed zouden hebben, want naar de bestaande gelegenheden hier
ter stede willen zij niet.’
Bagijneweide
Tenslotte werd tegen het advies van de meerderheid van het college van burgemeester en wethouders in met elf stemmen voor en zes tegen
besloten tot de oprichting van een gemeentelijk
ziekenhuis. Een plek daarvoor was al gevonden,
namelijk de Bagijneweide die in 1841 voor een
bedrag van ƒ 6.250 door de gemeente was aangekocht om er een marktterrein van te maken. Dat
het ziekenhuis werd vernoemd naar de in 1877
overleden koningin Sophia, de eerste echtgenote
van koning Willem III, was te danken aan het
comité onder voorzitterschap van de Commissaris des Konings, mr. P.C. baron Nahuijs.
Al in 1878 had zij geld ingezameld voor de
oprichting van een ziekenhuis, dat tegelijkertijd
zou kunnen dienen als hulde aan de nagedachtenis van een geliefd vorstin. De actie leverde
ƒ2.665,60 op. In de raadsvergadering van 21 juli
1884 werd dr. C.L. Vitringa tot geneesheer-directeur benoemd op een jaarwedde van 700 gulden
en op 1 oktober van datzelfde jaar werd het
Sophia Ziekenhuis in gebruik genomen.
Kort daarvoor had een redacteur van de Zwolse
Courant een rondgang door het gebouw gemaakt.
Uit zijn verslag in de krant bleek dat er in Zwolle
nog altijd veel weerzin bestond om in een ziekenhuis te worden verpleegd. ‘Die tegenzin zal, evenals
elders, echter gaandeweg wijken, want mag men er
in slagen geschikt personeel te vinden, dan zal de
overtuiging veld winnen, dat het nieuwe ziekenhuis voor de meesten onzer stadgenoten een beter
herstellingsoord kan aanbieden, dan zij in eigen
woning vinden kunnen. De grootste zegen zal het
ziekenhuis aanvankelijk bieden voor hen, die op dit
punt geen keus hebben. De laatste tegenstanders
zullen misschien eerst met de zaak verzoend worden als de stad onzer inwoning door een of andere
epidemie mocht worden bezocht. In die onderstelling besluiten wij met de wensch, dat de oppositie
nog lang moge blijven bestaan.’
Lange werktijden
De wens van de redacteur van het plaatselijk dagblad ging niet in vervulling, want in 1888 werd
Zwolle getroffen door een epidemie van mazelen
en later het jaar ook nog roodvonk. In het Sophia
184 zwols historisch tijdschrift
De keuken van het
ziekenhuis in 1915.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 20 10-12-13 13:33
Ziekenhuis werden 713 mazelenpatiënten opgenomen, waarvan er 43 stierven. De 22 kinderen
die met roodvonk in het ziekenhuis belandden,
werden tijdelijk geïsoleerd. Veel opnames dus
dat jaar, maar toch ging het niet zo goed met het
gemeentelijk ziekenhuis. Wel zeventig bedden,
maar soms slechts zeven patiënten in huis. Uit
een oogpunt van public relations was het ook niet
gunstig dat verpleegsters in 1901 in de krant hun
beklag deden over de lange werktijden. Zes dagen
in de week moest er van half zeven ’s morgens
tot acht uur ’s avonds keihard worden gewerkt.
Waarbij ook nog eens sprake was van strenge
huisregels. Als voorbeeld artikel 11: ‘De zusters
moeten ’s avonds op den door de Directrice te
bepalen tijd te bed zijn en mogen nimmer, te bed
gaande, het licht op harer kamers laten branden.’
In 1908 kreeg het ziekenhuis een draaibare
lighal, waardoor tbc-patiënten maximaal van
zonlicht konden profiteren. Tuberculose was in
die tijd een gevreesde volksziekte, die heel veel
slachtoffers eiste. De lighal deed tot 1923 dienst
en kreeg daarna de bestemming van fietsenstalling. Het ziekenhuis beschikte inmiddels ook over
barakken, die in 1918 waren geplaatst om mensen
op te vangen die vanwege het oorlogsgeweld vanuit België en Frankrijk naar het neutrale Nederland waren gevlucht. Na het einde van de Eerste
Wereldoorlog bleven de barakken in gebruik voor
patiënten die besmettelijke ziekten als roodvonk
en difterie hadden opgelopen. Pas in 1953 werden
de barakken afgebroken.
In 1915 was al een nieuwe vleugel van het
ziekenhuis in gebruik genomen. Nieuw ruimtegebrek leidde in het begin van de jaren dertig tot een
volgende uitbreiding van het ziekenhuis. Architect J.G. Wiebenga, aanhanger van het zogenaamde Nieuwe Wonen, maakte een gedurfd plan met
een gevel van louter glas en staal. Dat ging de
meeste Zwollenaren echter veel te ver, zodat het
plan tot teleurstelling en frustratie van Wiebenga
aangepast moest worden. In 1935 werd de nieuwe
vleugel in gebruik genomen.
Protestants ziekenhuis
Na de moeilijke bezettingsjaren, de Duitsers eisten de hele tussenverdieping van de nieuwe vleuzwols historisch tijdschrift 185
Blindedarmoperatie van dr. Frank zorgde voor opwinding
Dr. Naphtali Herman Frank, geboren in 1860 in Veendam, zorgde in
1891 in Zwolle voor opwinding door een (geslaagde) blindedarmoperatie
te verrichten. Die historische gebeurtenis vond niet plaats in het zeven
jaar daarvoor geopende Sophia Ziekenhuis, maar in het ziekenhuis van
de Zusters van Liefde op het Gasthuisplein. Frank, die zijn kennis van de
chirurgie in Duitsland had opgedaan, lag niet zo goed bij dr. Vitringa, de
directeur van het gemeentelijk ziekenhuis. Maar bij de zusters van Liefde
werd de joodse arts met open armen ontvangen. De populariteit van
Frank werd nog groter toen hij met een injectie het leven redde van een
tuinman, die tetanus had opgelopen. Iedere Zwollenaar die ziek, zwak of
misselijk was klopte bij Frank aan de deur om door middel van een injectie genezen te worden. Zijn echtgenote ‘profiteerde’ ervan door gepeperde
rekeningen uit te schrijven, die door de meeste patiënten niet op prijs werden gesteld. Een gemakkelijk man was dr. Frank kennelijk niet. Toen hij
een eigen operatiekamer in het Sophia Ziekenhuis had gekregen, klaagden
de verpleegsters over de lange werktijden, vaak veertien uur per dag, die zij
op gezag van de chirurg moesten maken. Ook in het ziekenhuis van de zusters Onder de Bogen aan het Groot Wezenland kreeg de arts problemen,
die er in 1913 toe leidden dat het bestuur hem een lange brief op poten
stuurde, waarin zijn
‘brutale, onbeschaafde
optreden tegenover
de zusters’ met feiten
en namen werden
gemeld. ‘Wij dulden
eene onbeschaafde
behandeling niet langer. Wij eischen eene
geheele ommekeer’.
Dr. Frank bond in,
maar hij bleef een
moeilijk persoon om
mee te werken. In 1932
vertrok hij uit Zwolle
om in het Zwitserse
Montreux te gaan
wonen, waar hij in
februari van dat jaar
overleed.
Dr. Naphtali Herman
Frank,1860-1932.
(Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 21 10-12-13 13:33
186 zwols historisch tijdschrift
gel op, leek het er even op dat Zwolle een derde
ziekenhuis zou krijgen. In 1948 was de stichting
Het Protestants Ziekenhuis opgericht, die er op
rekende dat het ministerie in Den Haag toestemming zou verlenen voor de bouw van een ziekenhuis met een capaciteit van zo’n vierhonderd
bedden. Bij zowel het rooms-katholieke ziekenhuis als het Sophia Ziekenhuis werd geschrokken
gereageerd. Drie ziekenhuizen in Zwolle, dat zou
toch te veel van het goede zijn. Dat vond ook het
gemeentebestuur, dat veel liever zag dat de twee
bestaande ziekenhuizen konden worden uitgebreid. Na tal van besprekingen werd uiteindelijk
in 1955 een compromis bereikt, waarbij de stichting Het Protestants Ziekenhuis zich in feite aansloot bij het gemeentelijke Sophia Ziekenhuis. Het
akkoord behelsde onder meer, dat in het nieuw
te vormen stichtingsbestuur drie van de negen
leden door Het Protestants Ziekenhuis zouden
worden benoemd en dat er een kapel zou worden
gebouwd. Wellicht als onderdeel van de nieuwbouw, waarover al voorzichtig werd gesproken.
Plannen hebben vaak een lange tijd van voorbereiding en de realisering daarvan loopt dikwijls
ook vertraging op. Een prachtig voorbeeld daarvan waren de nieuwbouwplannen van het Sophia
Ziekenhuis. In 1956 gingen de voorbereidingen
van start, in 1960 gaf de minister van Volksgezondheid het groene licht en in 1965 volgde de
aanbesteding. Bouwbedrijf Moes moest echter
geduld hebben, want de financiering van het miljoenenproject was nog niet rond. Op 1 november
1967 kon op de Oosterenk dan eindelijk de bouw
van het nieuwe Sophia Ziekenhuis van start gaan.
De officiële opening werd op 17 oktober 1972 verricht door prinses Margriet.
Tenslotte nog even terug naar de redacteur
van de Zwolse Courant, die na zijn rondleiding in
1884 door het nieuwe Sophia Ziekenhuis op de
Bagijneweide de hoop uitsprak dat Zwolle nooit
meer door epidemieën getroffen zou worden. Dat
hij geen gelijk kreeg schreven we al, maar uitbraPrachtige luchtfoto
van vlak na de oorlog,
waarop het hele ziekenhuiscomplex mooi te
zien is. (Collectie HCO)
ZHT4 2013.indd 22 10-12-13 13:33
zwols historisch tijdschrift 187
ken van gevaarlijke ziekten als tyfus en pokken

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2014, Aflevering 4

Door 2014, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

31e jaargang 2014 nummer 4 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift
Odeon
175 jaar
‘De tempel staat gereed waarin
en smaak en kiesche lust zal wonen’
ZHT4 2014 .indd 1 09-12-14 15:56
Suikerhistorie
Suikerzakjes Odeon
Op deze pagina leest u doorgaans een korte geschiedenis van
het pand of bedrijf dat op het suikerzakje staat afgebeeld.
Omdat de historie van Odeon in dit nummer uitgebreid aan
bod komt, is de rubriek deze keer anders van opzet.
In de afgelopen vijftig jaar lagen er verschillende
suikerzakjes bij het kopje koffie of thee dat men in Odeon
nuttigde. De afbeeldingen op de zakjes zijn een aardig
tijdsdocument. Vier exemplaren passeren hier de revue.
Het exemplaar waarop het in 1959 vernieuwde Odeon
staat afgebeeld, stamt uit de periode 1959-1961. Het (blauwe)
exemplaar met een deel van de gemoderniseerde gevel en
rechtsboven sterretjes lag bij het kopje koffie of thee in de
periode 1961-1963. Het exemplaar met de zwarte en witte
vlakken en in hoogte verspringende letters is typisch een
product uit de tweede helft van de jaren zestig, de tijd van
de pop-art en flowerpowerbeweging waarin de jeugd zich
verzette tegen een overmaat aan regels. Ook de letters van de
woorden Odeon en Zwolle staan in het trendy ontwerp van het
suikerzakje niet op één regel.
Meestal is de ontwerper van de afbeelding op het suikerzakje
niet bekend. Een uitzondering daarop vormt het vierde
suikerzakje. Het dateert uit circa 1970 en is van de hand van de
grafisch ontwerper Henk Hoekman, die meer werk voor Odeon
verrichtte. De nar is vanouds de grappenmaker die bewust of
onbewust spotlust opwekte. Hij staat symbool voor vermaak. En
daarvoor bezoekt men al 175 jaar lang de Zwolse schouwburg.
142 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
ZHT4 2014 .indd 2 09-12-14 15:56
zwols historisch tijdschrift 143
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 142
‘De tempel staat gereed waarin en smaak en kiesche lust zal wonen’
175 jaar schouwburg Odeon
Frank Inklaar en Tine de Waal 144
‘Dat dit gesticht voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad strekt’
De eerste vijf jaar activiteiten in Odéon, 1840-1845 Frank Inklaar 157
Een mensenleven met Odeon
Als journalist, theatercriticus, jurylid, toneelamateur, schrijver-speler
van musicals of gewoon toeschouwer Willem van der Veen 161
Jan H. Bakker, de eerste directeur van de stadsschouwburg
aan de Blijmarkt
‘Eigenlijk hebben we Odeon altijd veel te goed onderhouden’
Steven ten Veen 176
Een zeer bewogen avond in Odeon Jan Uitzetter 183
Hein Spanjaard nam nooit een blad voor de mond
‘Wethouder Margriet Meindertsma was zeer nadrukkelijk
een remmende factor’ Steven ten Veen 185
Herinneringen aanSteevast op Zondag
‘In mijn slaap had ik de show al wel tien keer gedaan’ Steven ten Veen 191
Van treinstations en tuinen tot Islam en Praag
Twintig jaar thematische lezingenseries in Odeon Henk Egberts 198
Recent verschenen 202
In memoriam Nico Habermehl (1946-2014) Jaap Hagedoorn 203
Mededelingen 204
Auteurs 205
Redactioneel
‘Schouwburgzaal van het Odeon te Zwolle
Vrijdag 18 november 1864
Op algemeen vereerend verlangen, zal ik alhier
heden nog een buitengewone Toover- en Mimische Voorstelling geven. In deze representatie
zal ik de GEESTACHTIGE VERSCHIJNINGEN
ten uitvoer brengen; namelijk: ik zal zonder
met mijne handen mijn gezigt aan te raken, alle
mogelijke baarden, zooals dezelve door de mannen gedragen worden, op mijn aangezigt doen
groeijen en verdwijnen. Een kunststuk, voor een
ieder hoogst interessant en nog nooit in Europa
gezien. Daar ik de kunst versta, om van één Rijksdaalder meerdere te maken, zoo is het onnoodig
den Entréeprijs hoog te stellen; alzoo kan ik ieder
de gelegenheid verschaffen deze voorstelling bij te
wonen. Zoo heb ik heden den prijs bepaald: Eerste
rang 75 Ct. Tweede rang 50 Ct. Derde rang 30 Ct.
Kinderen eerste rang 50 Ct.’
Een advertentie voor het optreden van ‘Zauberer Roman’ uit de Zwolse Courant van 150 jaar
geleden. Vergeleken met de advertentie is er nu
een andere programmering en de entreeprijzen
worden anders berekend. Onveranderd is dat er
175 jaar lang in Odeon voorstellingen worden
gegeven. Aanleiding voor een themanummer
over deze schouwburg. Op ons programma teksten in vele bedrijven met: een overzicht van 175
jaar Odeon, een blik op de eerste vijf jaar van het
bestaan, veel aandacht voor de verbouwingen,
twee directeuren uitgelicht, een dramatisch optreden van Wim Kan, herinneringen van diverse
direct betrokkenen zoals Willem van der Veen,
Steven ten Veen en Henk Egberts en dat alles
hoogst vermakelijk onderbroken door visuele en
tekstuele entr’actes. Geacht lezend publiek: veel
plezier bij 175 jaar Odeon!
ZHT4 2014 .indd 3 09-12-14 15:56
144 zwols historisch tijdschrift
Het georganiseerde culturele leven in Zwolle in de
eerste helft van de negentiende eeuw was een zaak
van de elite en de gegoede burgerij. Vanuit deze
notabele kringen kwam een stroom van genootschappen en verenigingen om het culturele leven in
de provinciehoofdstad op poten te zetten. De leden
van deze gezelschappen waren vaak dezelfde personen. Of het nu om het plaatselijke departement van
de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, de vrijmetselaarsloge Fides Mutua, of de Groote Sociëteit
in de Koestraat ging, dezelfde namen staan op de
ledenlijsten. Uit deze kringen kwam ook het initiatief om een schouwburg op te richten.
‘Een gebouw voor vereenigingen en
vermakelijkheden’
Vanaf 1814 was er wel een schouwburg in Zwolle,
maar de exploitatie van dit pand in de Praubstraat,
dat sinds 1820 de naam Hof van Holland had, was
moeilijk rond te krijgen. Om de zaak draaiende
te houden werd de functie van logement steeds
belangrijker. Dit tot grote onvrede van kunstminnend Zwolle. De klachten over de gebrekkige
culturele accommodatie leidden waarschijnlijk
in 1838 tot de geboorte van een particuliere
maatschappij met als doel de realisatie van: ‘een
gebouw voor vereenigingen en vermakelijkheden.’
Deze vereniging komt voor het eerst in 1839 in de
archieven voor gekoppeld met de naam Odéon.
Het startkapitaal van ƒ 65.000,- werd bijeengebracht door de uitgifte van 325 aandelen van elk
ƒ 200,-. Om lid van de vereniging te zijn moest je
minstens één aandeel bezitten. Zo kreeg je ook
stemrecht in de vereniging. Op de lijst van aandeelhouders uit 1840 zien we weer dezelfde groep
hoog gekwalificeerde en rijke burgers terug die het
culturele leven in Zwolle stimuleerde. Een groot
deel van hen was werkzaam in het overheidsapparaat: juristen, leden van de gemeenteraad en
van provinciale en gedeputeerde staten. Verder
waren er rijke kooplieden. Hoge militairen, artsen, ingenieurs en renteniers completeerden de
lijst. Opmerkelijk was het aandeelhouderschap
van koning Willem 1 met maar liefst vijftien aandelen. Een zelfde aantal had de gouverneur van
de koning in Overijssel, J.H. graaf van Rechteren,
die de eerste president van de vereniging werd.
En ook is het opvallend dat er sprake was van een
vroege vorm van gemeentelijke subsidiëring, want
de gemeente Zwolle had ingetekend voor maar
liefst veertig aandelen.
De belangrijkste doelstelling van de vereniging
was het aankopen, verbouwen en inrichten van
een geschikt lokaal. Hiervoor had men allereerst
het Hof van Holland op het oog. In juli 1838 lukte
het de vereniging om dit lokaal over te nemen. Het
kreeg de naam ‘Odéon’ en er vonden regelmatig
voorstellingen plaats. Toch was men niet echt
tevreden; het lokaal werd als gebrekkig en te klein
‘De tempel staat gereed waarin en smaak
en kiesche lust zal wonen’1
175 jaar schouwburg Odeon
Odeon omstreeks 1910.
(Collectie HCO)
Frank Inklaar en
Tine de Waal
ZHT4 2014 .indd 4 09-12-14 15:56
zwols historisch tijdschrift 145
ervaren. Dus ging men op zoek naar een mogelijkheid om het gebouw uit te breiden. Die mogelijkheid deed zich voor in het najaar van 1838. Na veel
gedoe kon de vereniging uiteindelijk de Infirmerie,
het militaire hospitaal aan de Blijmarkt, aankopen. Dit pand grensde aan het Hof van Holland,
waardoor beide panden tot één complex verenigd
konden worden. De benodigde verbouwing ging
in het voorjaar van 1839 van start. Voor 1 december moest er volgens het bestek nogal wat gedaan
worden: het bouwen van een nieuwe schouwburgzaal met zitplaatsen en negentien loges,
het verbouwen van de voormalige schouwburg
tot concertzaal, het bouwen van een benedenwoning, bovenzalen, twee kleedkamers, sekreten
(toiletten), gangen, een vestibule, een nieuwe
waterput, een verwarmingsinstallatie in een van
de kelders en een wijziging van de koffiekamer.
De hoofdingang van het complex verhuisde naar
de Blijmarkt. De verbouwing werd gegund aan de
Zwolse meestermetselaar Jan Willem Koer voor
een bedrag van ƒ 30.100,-. Koer heeft zich keurig
aan de opleverdatum van 1 december gehouden,
want op 9 december 1839 werd het hele complex
in aanwezigheid van genodigden geopend.
Feestelijke opening
In de Zwolse Courant verscheen op 10 december
een uitgebreid verslag van de feestelijke opening
van Odéon. De nieuwe concertzaal was prachtig
verlicht. Rond half zeven kwamen de maar liefst
260 genodigden. Zij werden getrakteerd op een
concert. Het instrumentale deel stond onder leiding van de heer Hempenius en het vocale deel
van de heer Crönert. Beide heren waren in dienst
van de stad en bestierden het muzikale leven
in Zwolle. De krant was zeer te spreken over de
voortreffelijke uitvoering van alle stukken door
de muzikanten en leden van de zangvereniging
Euterpe. Om een uur of negen was het concert
afgelopen en konden zij die dat wensten het
gebouw verder bezichtigen, terwijl de zaal werd
klaargemaakt voor een souper met 140 couverts.
Om tien uur werd de zaal weer geopend. Die was
intussen versierd met door de portretschilder
Heijmans geschilderde en fraai verlichte afbeeldingen van Apollo en Pallas. Tussen deze twee
Griekse goden was smaakvol uit bloemen en groene takjes het woord ‘Odéon’ gemaakt. Het was nu
tijd voor een ‘vriendschappelijk te zamen zijn, dat
gulle vrolijkheid en kiesche smaak ademde.’ En
natuurlijk moesten er diverse toosten uitgebracht
worden. Onvermijdelijk waren ook de gezangen
en gedichten, speciaal voor deze gelegenheid
gemaakt. De heren P.R. Feith, J.M. van Rhijn en
P. Bicker Caarten bezongen Odéon. Hun dichtsels
werden in de krant opgenomen en later gedrukt
en gebundeld onder de titel Tafel-gezangen. Om
de sfeer op te snuiven de eerste strofe van Pieter
Rutger Feith, aandeelhouder met vijf aandelen,
lid van het provinciaal gerechtshof, vrijmetselaar,
dichter, zoon van de grote Rhijnvis Feith, en dus
typisch lid van de culturele elite van Zwolle:
‘Breekt zangkoor! Uit de luide vreugdetoonen,
De tempel staat gereed,
Waarin en smaak en kiesche lust zal wonen,
Vooral wat kunstrijk heet.’ 2
Concertprogramma
van Odéon uit 1891.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 5 09-12-14 15:56
146 zwols historisch tijdschrift
Na de feestelijke opening, die tot diep in de nacht
voortduurde, werd Odéon echt in gebruik genomen voor de twee hoofdactiviteiten: muziek en
toneel. De muzikale start was een pianoconcert
van mevrouw Dulcken, terwijl op 30 december
de nieuwe schouwburgzaal werd ingewijd door
het Théatre Français van mr. Alexandre met de
dramatische eenakter Le diable couleur de Rose
van Alexandre Dumas. Zoals beschreven in een
ander artikel in dit tijdschrift bleven toneel en
muziek de core business van Odéon. Maar er was
ook gelegenheid voor het houden van drukbezochte tentoonstellingen, zoals de Overijsselse
tentoonstelling van nijverheid en kunst in 1840 en
iets soortgelijks in 1860. Er werd vergaderd door
de vrijmetselaarsloge en vanaf 1848 vonden er
politieke bijeenkomsten voor deftige heren plaats.
Die konden wel eens uit de hand lopen, zoals in
1853 toen de politie moest ingrijpen omdat vooruitstrevende liberale kiezers een bijeenkomst van
hun tegenstanders verstoorden.
Exploitatie en aanpassingen
De exploitatie van het complex liep zelden van
een leien dakje. In 1844 werd een openbare aanbesteding gedaan om het complex te verhuren. De
vereniging liet de exploitatie over aan een pachter.
Een succesvolle manier om meer inkomsten te
genereren was sinds 1865 de verhuur van zitplaatsen voor een heel jaar. Dat gaf wel weer problemen met de Rederijkerskamer Rhijnvis Feith.
Zij accepteerden het niet dat de plaatshuurders
zo gratis hun voorstellingen konden bezoeken.
Uiteindelijk schikte de directie van Odéon zich
hierin.
Een ander regelmatig weerkerend fenomeen
was de aanpassing van het gebouw aan de eisen
van de tijd. In 1868 vond een verbouwing plaats
waarbij waarschijnlijk de bonbonnière werd
gebouwd. Het toneelgezelschap van de Rotterdamse schouwburg verzorgde de voorstelling bij
heropening. Het stuk Onze lieve bloedverwanten
vond weinig genade bij de recensent. Wel was hij
te spreken over de verbeterde zaal, de akoestiek,
het fraaie stucwerk en het nieuwe toneelgordijn.
Ideaal was het nog niet: kleedkamers en toneeldecors moesten verbeterd worden en de tocht in de
zaal bij het openen van de deuren was bepaald
hinderlijk. De volgende verbouwing was in 1875
en weer mocht het Rotterdams gezelschap onder
leiding van Albregt en Van Ollefen de nieuwe zaal
inwijden. In 1883 moest een deel van de tuin naast
Odéon wijken voor uitbreiding van de concertzaal.
In de negentiende eeuw ging het Zwolse
publiek het liefst kijken naar zang en vaudeville,
komische toneel- of operastukken. Af en toe was
er iets serieuzers, zoals Multatuli’s Vorstenschool.
Binnen- en buitenlandse gezelschappen deden
Zwolle aan. Zo passeerden aan het eind van de
eeuw legendarische acteurs en actrices als Willem
Royaards, Esther de Boer – van Rijk, de familie
Bouwmeester en Mina Krüsemann het theater.
Vanaf 1893 gaven de toenmalige pachter van
Odéon, P. van Deinum en uitgever H. ten Heuvel
een Officiële Schouwburggids uit met het programma van de voorstelling en veel reclame. De prijs
van de kaartjes was sinds de opening in 1839 niet
veel veranderd: rond de ƒ 2,- voor een eersterangs
plaats.
Dé plaats voor culturele activiteiten
De twintigste eeuw begon maar weer eens met
een verbouwing. Het toneelhuis werd vernieuwd
en er werden een beweegbaar brandscherm en
Rederijkersvoorstelling
omstreeks 1920.
(Collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 6 09-12-14 15:56
zwols historisch tijdschrift 147
brandluiken geplaatst. De entree aan de Blijmarkt
werd grondig aangepakt door een grote vestibule
aan de voorkant van het gebouw te maken met
ruime trappen naar de balkons. In de zaal werd
middenachter een doorgang gemaakt om de tweederangs plaatsen te kunnen bereiken. De losse
banken die daar stonden werden vervangen door
vaste stoelen. De heropening van Odeon vond
plaats op 30 december 1909 met Shakespeare’s De
vrolijke vrouwtjes van Windsor, gespeeld door het
gezelschap van Willem Royaards.
Odéon bleef dé verzamelplaats voor culturele activiteiten in Zwolle, ondanks concurrentie van de
Buitensociëteit, de Harmonie en in toenemende
mate, de bioscoop. De familie Nekkers was als
pachter lange tijd verbonden aan Odéon. Rond
1925 werd er elke zondag een Thé en Soirée Dansante georganiseerd tegen een aangename prijs
van ƒ 0,50 voor de middag en ƒ 1,- voor de avond.
De Zwolse variant van de ‘roaring twenties’. De
wens naar amusement was voor de toneelprogrammering wel wat veranderd. Een overvloed
van al te luchtige stukken in de abonnementen
ondervond kritiek; het Zwolse publiek was toe aan
de betere stukken.
Dat lag weer heel anders tijdens de bezettingsjaren. De behoefte om onbezorgd te lachen was
groot en de ene Lachparade na de andere passeerde de revue. Wat bedenkelijker waren de
amusementsvoorstellingen van de NederlandschDuitsche Kultuurgemeenschap. Ook werd Odéon
regelmatig gebruikt voor propagandabijeenkomsten van de bezetter. Wat wel gelijk bleef: ook in
de bezettingsjaren werd er verbouwd. Vanaf juni
1944 gebeurde er weinig meer. Energieschaarste
en andere oorlogsproblematiek veroorzaakten
deze stilte. Na de bevrijding kwam het culturele
leven in Odéon weer snel op gang. Er waren
bijeenkomsten van Canadese en Amerikaanse
militairen, herdenkingsbijeenkomsten en -voorstellingen en op 19 mei 1945 werd het 50-jarig
bestaan van de Rederijkerskamer gevierd.
De concertzaal van
Odeon in de jaren twintig en in de jaren veertig
en vijftig. (Collectie
HCO)
Programmablad uit
het seizoen 1947/48.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 7 09-12-14 15:57
148 zwols historisch tijdschrift
Verbouwing jaren vijftig
Na de oorlog was het engageren van professionele
toneel- en muziekgezelschappen aanvankelijk een
zaak van de Zwolsche (verder: Zwolse) Kunstkring en met name van Jacques Afman. Deze situatie duurde voort tot 1969. Ergens in de jaren vijftig verloor Odeon zijn accent aigu. Maar deze verandering viel in het niet bij de veranderingen die
zich aan het eind van de jaren vijftig afspeelden.
Want weer moest Odeon zich beraden op de toekomst, financieel en voor wat betreft het gebouw.
In de vergaderingen van de Vereniging Odéon was
al begin jaren vijftig geconcludeerd dat het ledental sterk terugliep en dat dit grotendeels te wijten
was aan de slechte conditie van de zaal. Odeon
was bij lange na niet rendabel. In 1954 stelde de
gemeente een commissie in om het schouwburgvraagstuk te onderzoeken. Het resultaat was dat
de vereniging werd geliquideerd en de gemeente
in 1957 alle roerende en onroerende eigendommen, maar ook de uitstaande schulden, overnam.
De gemeente speelde een tijdje met het idee om
een nieuw schouwburgcomplex te bouwen, maar
besloot hiervan af te zien. Pas voor een stad met
70.000 inwoners zou dat verantwoord zijn. Wel
werd besloten Odeon grondig op te knappen. Dus
weer een verbouwing: de schouwburgzaal werd
gerestaureerd, de zijloges in de zaal en de orkestbak verdwenen. Maar ook kwam er een nieuwe,
moderne concertzaal voor driehonderd toehoorders met een akoestisch plafond – een golvend
geheel van hardhouten latten met ingebouwde
spots – en wanden met plastic bobbels wat volgens
TNO de akoestiek bevorderde. Plastic schuifdeuren zorgden ervoor dat de foyer, de koffiekamer
en de concertzaal konden worden omgetoverd tot
een grote feestruimte voor achthonderd mensen.
Zes ‘spoetniklichtornamenten’ kwamen aan het
plafond van de concertzaal. In het moderne uitgiftebuffet konden 1500 flessen gekoeld worden,
terwijl een elektrische koffiemachine 225 koppen
koffie tegelijk kon zetten. De kleedkamers hadden
spiegelverlichting, een douchecel en luidsprekers
voor contact met de zaal. Er waren nieuwe, ondergrondse, toiletten. Gefinancierd door bioscoop
De Kroon verscheen een filmcabine in de schouwburgzaal voor de films die De Kroon vanaf januari
1960 in Odeon vertoonde. Ter bekroning van
al deze modernisering werden alle uitstekende
delen – bordes, balkon, pilaren, sierlijsten – van
de neo-classicistische gevel verwijderd, waarvóór
een strakke, moderne gevel van gele baksteen en
groene natuursteen werd opgetrokken. De gevel
heeft jarenlang voor discussie gezorgd. De eerste
directeur Jan H. Bakker verzuchtte nogal eens dat
je aan de gevel kon zien dat de architect (ir. Siem
van der Wal) later in de wegenbouw zou gaan. Op
10 december 1959 werd het vernieuwde complex
geopend.
Odeon vlak voor de verbouwing in 1959. Het gedeelte achter het eerste raam
links op de eerste verdieping werd bewoond. Dit is zo gebleven tot eind jaren
negentig. Onder meer directeur Bakker en toneelmeester Johan Wevers woonden daar met hun gezinnen. (Foto Henneke, Redactiearchief ZC, collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 8 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 149
De verbouwing in 1959, waarbij onder meer het laatste restant van de Odeontuin plaatsmaakte voor de nieuwe ingang en de classicistische gevel werd vervangen door een bakstenen muur. (Foto’s Libbe Leffering en foto kleedkamer Henneke, collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 9 09-12-14 15:57
150 zwols historisch tijdschrift
De vernieuwde concertzaal met akoestisch
plafond en de ‘spoetnik’
lampen. (Foto’s Libbe
Leffering, collectie
Odeon)
Sfeervolle weergave
van de nieuwe ingang
vlak na de opening in
december 1959.
(Foto Pieter Gerritse,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 10 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 151
Schouwburg Odeon
In 1957 was de gemeente Zwolle dus eigenaar
geworden van wat statutair genoemd werd
‘Schouwburg Odeon’. De gemeente had de
exploitatie overgedragen aan een stichting. Het
bestuur van de stichting werd voorgezeten door
de wethouder van cultuur. De helft van de leden
was gemeenteraadslid en de andere helft bestond
uit ‘burgerleden’. De grootte van het bestuur wisselde tussen een minimum van zeven en een
maximum van negen. De personeelsleden van
Odeon waren gemeenteambtenaar. In 1959 waren
er zes mensen in vaste dienst. In 1960 trad Jan H.
Bakker in dienst als gérant-bedrijfsleider, een jaar
later werd hij directeur. Aangezien Bakker uit een
‘hotelfamilie’ kwam, werd in eerste instantie de
culturele gang van zaken bepaald door de Zwolse
Kunstkring. Pas na 1969 werd de toneelexploitatie
geheel door Odeon verzorgd. Het aantal personeelsleden nam gestaag toe: in 1970 waren er dertien medewerkers in vaste dienst van de stichting,
waarvan zes toneelmeester of -assistent. Eén van
deze toneelmeesters was Johan Wevers sr., die al
vanaf 1937 in Odeon werkte.
Periode Bakker
In de ‘periode Bakker’, die van 1960 tot 1983 duurde, is Odeon vrijwel voortdurend uitgebreid en/of
verbouwd. In 1960 werd de manege naast Odeon
tot zaal omgebouwd en bij het complex gevoegd.
In 1963 volgde de Aloysiusschool, waardoor er
ruimte kwam voor een zijtoneel, een werkplaats
en een kantine. In 1977 werd de schouwburg op
de aanvullende ontwerplijst van beschermde
monumenten geplaatst. De reden was volgens de
Zwolse Courant: ‘Die bescherming vindt in hoofdzaak plaats vanwege het interieur, zoals de in neoLodewijk XV-trant uitgevoerde schouwburgzaal,
gebouwd in 1868 met zijn van stucversieringen
voorziene balkons en ovaal koofplafond. De tot
het schouwburgcomplex behorende Manegezaal
kwam eveneens op de lijst, dit om het uit 1867
daterende poortgebouw.’ De grootste klacht bleef
echter de geringe toneelopening. Of in de woorden van Bakker: ‘de toneelopening van Odeon is
smaller dan een voetbaldoel en daar staat maar
één man in.’ Met een opening van maar 6,60
meter was er geen ruimte voor musicals, revues,
balletten en opera’s. Uitzondering vormden de
Hoofdstad Operette en de musicals van Jos Brink.
Deze laatste liet het decor zo bouwen dat het er
ook goed uitzag als je de helft van de stukken in de
vrachtwagen liet. Dat alle artiesten halve stapjes
moesten nemen merkte het publiek niet op.
Net als in de negentiende eeuw gebeurde er van
alles in Odeon. In de eerste jaren na de gemeentelijke overname waren er zo’n driehonderd filmvoorstellingen van De Kroon. (Delen van) Odeon
werd(en) verhuurd voor feest- en toneelavonden,
voor examens en veilingen, voor tentoonstellingen, biljartkampioenschappen en modeshows.
Vaak was het gebouw gevuld door amateurs: de
toneelspelers van de Sinterklaasvoorstellingen
De bakstenen gevel
van Odeon uit 1959,
hier gefotografeerd
omstreeks 1965.
(Foto Pieter Gerritse,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 11 09-12-14 15:57
152 zwols historisch tijdschrift
van de Openbare Lagere Scholen, of die van de
Drentse Vereniging, Frysk Selskip Swol en de
Groninger Molleboon. De neutrale Zwolse Operettevereniging hield er zijn uitvoeringen, evenals
diverse koren, Zwolse scholierenverenigingen,
ballet- en muziekscholen en toneelverenigingen
als La Troupe. Het Zwols Symfonie Orkest was
vaste klant, evenals de Nieuwe Zwolse Balletschool, de Huisvrouwengymnastiek, toneelgroep
Transparant, de zanger Michael Minsky en zijn
Slavisch Koor, kunstenaarsvereniging Artibron en
vele anderen. In de jaren zestig stond Odeon culinair bekend om de rustieke buffetten.
Wat betreft de programmering bleef Bakker aan
de veilige kant. Gezelschappen die eenmaal succes hadden bleven jaarlijks terugkeren, zoals de
Toneelgroep Theater, de Haagse Comedie, De
Appel, het Theater van de Lach, de Hoofdstad Operette, Nooy’s Volkstheater, Studio L.P. (de voorloper
van Introdans), Fons Jansen, Paul van Vliet, Seth
Gaaikema, Marijke en Sito Hoving, de Dutch Swing
College Band. Veel ‘risicovolle’ voorstellingen kwamen er niet in. Evenmin de wat groter gemonteerde
voorstellingen. Door abonnementen, couponsystemen, keuzeabonnementen en dergelijke werd
geprobeerd publiek te trekken en te binden. Nieuw
De schouwburgzaal
na de verbouwing van
1959. (Foto Henneke,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
Rechts: Het toneel van
Odeon bleef ook na de
verbouwing van 1985
klein, slechts negen
meter. (Redactiearchief
ZC, collectie HCO)
De huisstijl met de
‘snorren’ van Odeon
in de jaren zeventig
en tachtig, ontworpen
door grafisch ontwerper
Henk Hoekman.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 12 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 153
in de jaren zeventig waren de koffieconcerten op
zondag. Vermeldenswaardig is ook de serie Beste
Wensen, gestart in 1981, een amateur-programma
dat de eerste jaren tegelijk de nieuwjaarsreceptie
van de gemeente was. Tenslotte mag een hoogtepunt uit 1980 niet onvermeld blijven: de musical
Een Kwartje is geen Kwertien van Willem van der
Veen, die ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan
van de stad Zwolle vele malen werd opgevoerd
door toneelvereniging La Troupe.
Hein Spanjaard
Op 13 mei 1983 nam Bakker afscheid als directeur van Odeon. Hij werd opgevolgd door Hein
Spanjaard. Begin jaren tachtig vergaderde de
gemeente druk over een nieuw te bouwen theater,
maar ondanks dat het inwonertal ruimschoots de
70.000 was gepasseerd, kwam het er weer niet van.
En dus werd Odeon in de periode 1984-1986 weer
verbouwd. Onder leiding van de Haagse architect
Sjoerd Schamhart werd het hele complex aangepakt. Er kwam een verdieping op de foyer, de
concertzaal werd Tuinzaal – een ‘zwarte doos’ met
verrijdbare tribunes en met toneeltechniek zodat
er ook andere voorstellingen dan concerten konden plaatsvinden. De door velen verfoeide gevel
uit 1959 werd weer afgebroken, de trappen naar
het tweede balkon vervangen, het gebouw werd
lichter en ruimer. In de schouwburgzaal vond
misschien wel de belangrijkste verandering plaats:
de toneelopening werd vergroot tot negen meter,
door het verwijderen van de loges op de balkons.
De lijsten van deze loges werden tegen de muur
gemonteerd, om tegemoet te komen aan de eisen
van Monumentenzorg. En de orkestbak werd in
ere hersteld. Tijdens de verbouwing gingen de
voorstellingen in de Schouwburgzaal in het eerste
seizoen gewoon door. Er was zelfs een wereldpremière: Acis en Galatea, een barokopera van G.F.
Händel uitgevoerd door Camerata Amsterdam.
Het seizoen daarna was Odeon bijna helemaal
gesloten. Wel werd een zestiental voorstellingen
op andere locaties georganiseerd, zoals concerten
in de Broerenkerk, talkshows – Steevast op Zondag
– in de zaal van hotel Wientjes, een paar toneelvoorstellingen in een wijkcentrum en kamermuziekavonden in de Reulandzaal van het Conservatorium. In 1986 werd het complex officieel
heropend door minister Brinkman van WVC. De
avond werd opgeluisterd door optredens van het
Rijnmond Saxofoonkwartet, het Vlaamse toneelgezelschap Yvonne Lex, dansgroep Introdans en
cabaretière Brigitte Kaandorp. Voorafgaand aan
De voorkant van
het jaarprogramma
1983/84. (Collectie
Odeon)
Optreden van
Brigitte Kaandorp in de
schouwburgzaal op het
Midzomerfestival 1984.
(Collectie Odeon)
ZHT4 2014 .indd 13 09-12-14 15:57
154 zwols historisch tijdschrift
de officiële opening waren er vijf voorstellingen
van de door Willem van der Veen speciaal voor de
heropening geschreven musical Bonje op de bühne
opgevoerd door 38 amateur-acteurs.
Hein Spanjaard legde anders dan zijn voorganger meer de nadruk op de culturele functie
van Odeon. Onder zijn directie steeg het aantal
voorstellingen tot 346 in het laatste seizoen van
de gemeentelijke stichting, met een bezoekersaantal van 73.121. De door Jan Bakker voorzichtig
geprogrammeerde zondagochtend (koffie)concerten werden een vast onderdeel van het programma. De liefhebbers van klassieke muziek werden
bovendien vanaf seizoen 1984-1985 behaagd
met een kamermuziekserie die jarenlang stand
hield. Een traditie die vanaf 1998 tot 2006 vorm
kreeg in de Zwolse nazomer kamermuziekweek.
In 1989 werd het 150-jarig bestaan van Odeon in
aanwezigheid van koningin Beatrix en prins Claus
gevierd met een galavoorstelling van Introdans. In
1994 werd het failliete Papenstraattheater toegevoegd aan Odeon.
Publiek in de zaal
bij een optreden van
Introdans, de laatste
voorstelling voor de
verbouwing van 1985.
(Collectie Odeon)
Vast en ambulant
personeel van Odeon
met directeur Hein
Spanjaard (staand
links naast de trap).
December 1989.
(Foto Frans Paalman,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 14 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 155
Geprivatiseerd
In juli 1998 werd Odeon geprivatiseerd. Hein
Spanjaard verhuisde mee naar de private stichting, die als doel had een zo breed mogelijk
cultureel aanbod te brengen. De op dat moment
zeventien actieve personeelsleden met in totaal
vierhonderd werkuren per week verloren hun
ambtenarenstatus. De wethouder van cultuur
en de gemeenteraadsleden vertrokken uit het
bestuur. Odeon kreeg nu gemeentelijke subsidie:
in het seizoen 1997-1998 een kleine 2,5 miljoen
gulden, waarvan ruim 1,6 miljoen direct voor
Odeon was bestemd. Het overige bedrag was
voor het Papenstraattheater, de instandhouding
van de Nieuwe Buitensociëteit, voor festivals en
het onderhoudsfonds. Wat in de nieuwe situatie
niet veranderde was de verbouwingswoede. In
de Aloysiusschool kwam de Faculteit Drama
van de Hogeschool voor de Kunsten Constantijn
Huygens (tegenwoordig ArtEZ) die van Kampen
naar Zwolle verhuisde. De oude huurders moesten wijken, evenals de kantoren van Odeon. Die
gingen naar de voormalige dienstwoning. Met de
nieuwe buren werden diverse producties georganiseerd. Vanwege de Arbowet kwam er een
inpandige laad- en losruimte, te bereiken via een
nieuwe poort in het direct naast Odeon gelegen
deel van de Aloysiusschool. De automatische
trekkenwand uit 2005 was ook een gevolg van de
Arbowet.
Koningin Beatrix en
prins Claus met burgemeester Loopstra en
Odeondirecteur Hein
Spanjaard (rechts)
bij de viering van het
150-jarig bestaan
van de schouwburg in
december 1989.
(Foto Frans Paalman,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
Links: De omslag van
de theaterjaarkrant
1989/90 stond in het
teken van het 150-jarig
bestaan van Odeon.
(Collectie Odeon)
Een rij wachtenden
op de Blijmarkt voor
kaartjes voor een voorstelling van Herman
Finkers, april 1990.
(Foto Frans Paalman,
Redactiearchief ZC,
collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 15 09-12-14 15:57
156 zwols historisch tijdschrift
Odeon De Spiegel theaters
Na de eeuwwisseling besloot de gemeenteraad tot
de bouw van de ‘Grote Podium Accommodatie’
(GPA). Ook werd besloten dat de exploitatie van
het gebouw in handen van Stichting Odeon zou
komen. Eerst kreeg een architect uit België de
opdracht, maar toen er – onder meer van de zijde
van binnenstadbewoners – veel kritiek kwam
voor diens plannen om het Noordereiland te
herinrichten, ging de opdracht voor het nieuwe
theater naar Greiner en Van Goor uit Amsterdam.
In 2005, net voor de oplevering van het nieuwe
theater, nam Hein Spanjaard afscheid van Odeon.
De GPA – inmiddels De Spiegel genoemd – werd
officieel geopend op 30 september 2006. De openingshandeling werd verricht door burgemeester
Henk Jan Meijer en de nieuwe directeur Gijsje van
Honk, in aanwezigheid van onder meer koningin
Beatrix. De Nationale Reisopera, begeleid door
het Orkest van het Oosten, speelde die avond de
opera Manon van Jules Massenet.
De komst van De Spiegel betekende ongeveer een
verdubbeling van het aantal personeelsleden van
Odeon De Spiegel theaters (ODSt). Het Stichtingsbestuur werd in 2007 Raad van Toezicht.
In datzelfde jaar is Odeon weer… verbouwd. De
gemeenteraad had besloten dat de Manegezaal in
handen kwam van Filmtheater Fraterhuis en het
hele gebouw was wel aan een opknapbeurt toe.
Van de Manegezaal werd een filmzaal gemaakt, de
foyer werd opgeknapt en in de Schouwburgzaal
kwamen de kleuren uit 1868 weer terug in het
schilderwerk. Bovendien werd het stoelenplan
aangepast aan de lengte van de gemiddelde bezoeker, waardoor er een paar rijen verdwenen. Eind
2013 nam Gijsje van Honk afscheid van ODSt.
Haar plaats werd in maart 2014 ingenomen door
Margreet Wieringa. In de zomer van 2014 is de
foyer van Odeon in een modern jasje gestoken.
Odeon neemt de horeca weer in eigen hand en
sinds oktober dit jaar is ‘Café Foyé’ dagelijks
geopend van 10.00 uur tot 22.00 uur.
Noten
1. Fragment uit het gezang Odéon van mr. P.R. Feith,
Provinciaal Overijsselsche en Zwolsche Courant
(kortweg: Zwolse Courant), 13 december 1839
2. Eerste strofe uit het gezang Odéon van mr. P.R.
Feith, Zwolse Courant, 13-12 1839
Literatuur (onder meer)
H. Ley, Voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad. De totstandkoming van de schouwburg Odeon te Zwolle 1838-1840
(Zwolle 1986)
J. Hagedoorn, Odeon in het nieuws. 150 jaar Odeon
(Zwolle 1989)
T. de Waal, Historie Odeon. Ongepubliceerd stuk ten
behoeve van de overdracht van het Odeon archief
over de periode 1957 tot en met juni 1998 aan het
Historisch Centrum Overijssel
Het vaste personeel van Odeon in de foyer voor het beeld van Peter van de
Locht, september 1991. Vlnr. zittend: Hein Spanjaard, Coby Gerrits, Karen
White, Jannie Bijker, Walter Bronkhorst. Tweede rij: Adri van Wijhe, Heleen
Gansekoele, Annet Wijnia, Ineke van Unen, Henk Wijnhoff, Jan Klink. Derde
rij: Cees Grafhorst, Dick aan ’t Rot, Hans Lip, Johan Wevers jr., stagiair, Tine de
Waal, Ronald van Kampen en Willem Potjes. (Foto Jan Drost, Redactiearchief
ZC, collectie HCO)
ZHT4 2014 .indd 16 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 157
‘Dat dit gesticht voor Zwoll’ tot Nut
en Sieraad strekt’
De eerste vijf jaar activiteiten in Odéon, 1840-1845 1
In de archieven valt weinig te vinden over wat er zich
zoal in het Odéon-complex afspeelde in de eerste
jaren van bestaan. Maar bij het doornemen van de
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
kom je wel het een en ander te weten. Vooral advertenties voor concerten en toneelvoorstellingen geven
informatie, maar er zijn sporadisch ook vooraankondigingen en verslagen van optredens. Wel geven de
berichten in de krant een beetje een vertekend beeld.
De aandacht gaat vooral uit naar de hoogtepunten
en bijzonderheden. Het ‘gewone’ gebruik, bijvoorbeeld als vergaderruimte voor de vrijmetselaarsloge
Fides Mutua of als plek waar lezingen werden gehouden, komt veel minder vaak naar voren. Toch is het
mogelijk een aardig beeld te schetsen van Odéon in
de eerste vijf jaar van zijn bestaan.
Reizende gezelschappen
Een voor een schouwburg voor de hand liggende
belangrijke activiteit vormen de toneelvoorstellingen. Zij trekken via advertenties in de krant
ook de meeste aandacht. Odéon moest het hebben van de reizende gezelschappen. Dat begon
al direct bij de opening: op 30 december 1839
werd de nieuwe schouwburgzaal ingewijd door
het Théatre Français van mr. Alexandre. Het
gezelschap speelde een ‘expresselijk daartoe vervaardigd stuk’, de dramatische eenakter Le diable
couleur de Rose, gevolgd door de comedie Le mari
de la veuve van Alexandre Dumas. Het gezelschap
van mr. Alexandre, die zelf als ‘premier comique’
verbonden was aan het Théatre Français van de
Koninklijke Schouwburg in Den Haag, speelde al
een paar jaar in Zwolle.2 Het had enige pretentie:
alle advertenties van het gezelschap waren in het
Frans en vol trots meldde men dat er acteurs meespeelden die verbonden waren geweest aan het
Théatre Français in Parijs. Toch bood het Théatre
Français vooral luchtig en afwisselend vermaak.3
En dat was precies wat het Zwolse publiek wenste.
In 1841 kwam mr. Alexandre nog een keer naar
Zwolle, maar daarna verdween hij uit het zicht. De
programmering van het Théatre Français kwam
wel overeen met voorstellingen van andere gezelschappen. Een toneelavond was niet als tegenwoordig gevuld met één stuk. Drie, soms meer
stukken stonden op het programma. Een iets
serieuzer stuk van drie tot vijf bedrijven, voorafgegaan en vaak gevolgd door een blijspel van één
bedrijf met zang, een vaudeville (te vergelijken
met het hedendaagse variété) of iets dergelijks.
En dat dan ook nog afgewisseld met ballet-pantomime, zang, voordracht, etc. Een compleet luchtig
en afwisselend avondvullend programma. Opvallend waren de aanvangstijden: men begon al om 6
uur, of op zijn laatst 6.30 uur.
Er waren twee perioden in het jaar waarin de
toneelvoorstellingen hoogtij vierden. Dat was in
de zomer met de kermisperiode begin augustus
en dat was het winterseizoen: de maanden december tot en met februari. In beide gevallen deden
reizende gezelschappen Zwolle aan. In de eerste
jaren, tot 1843, werd in de kermisperiode genoten
van een gezelschap van acteurs verbonden aan de
Amsterdamse Stads-Schouwburg, een gezelschap
van enige importantie, waarmee ook uitdrukkelijk werd geadverteerd. Hierna kwam een gezelschap dat al bekend was van het winterseizoen:
De Nederlandsche Toneelisten van de heer De
Koning. Klaarblijkelijk mikte men in deze periode
op het wat betere publiek, want er werden geen
kaartjes van de vierde rang verkocht. Aangezien er
op en rond de kermis allerlei ander (toneel)vertier
werd geboden is dit wel voorstelbaar. Odéon bood
dan ook meer dan alleen toneelvoorstellingen.
Op twee avonden was er bal, of zoals dat in 1842
genoemd werd: Vauxhall. De winterperiode was
Frank Inklaar
ZHT4 2014 .indd 17 09-12-14 15:57
158 zwols historisch tijdschrift
vergeven aan verschillende gezelschappen, zoals
voornoemde Nederlandsche Toneelisten, eerst
van de heer Van Velzen, of Het Théatre des Variétés van de heer Hempel. Zij boden een abonnement van 6-15 voorstellingen aan. En nu waren er
wel vier rangen te koop, terwijl speciaal vermeld
werd dat militairen (mits in uniform) voor half
geld toegang hadden. Zowel in de zomer- als in de
winterperiode was het opvallend hoeveel stukken
als nieuw werden aangeprezen. Het waren vrijwel allemaal bewerkingen van Duitse en Franse
stukken, vaak door iemand van het gezelschap
bewerkt. En ook dan was er een avondvullend
programma van meerdere toneelstukken, soms
ernstig, maar vooral blijspelen, afgewisseld met
zang, dans en spektakel.
Muziek
Af en toe was er sprake van een eenmalige
toneelvoorstelling. Het betrof dan vaak een soort
benefietvoorstelling, ten behoeve van arme en/of
behoeftige Zwollenaren. Iets soortgelijks was er
ook in de vorm van concerten. En dat brengt ons
bij de tweede hoofdactiviteit in Odeon: muziek.
Concerten waren er in verschillende soorten.
Anders dan bij de toneelvoorstellingen begonnen
de concerten om 7 uur of later, terwijl de kaartjes
meestal niet per rang werden verkocht. Vaak was
de toegangsprijs voor ‘Heeren’ ƒ 1,50 en voor
‘Dames’ ƒ 1,-. Musici in dienst van de stad, zoals
Friedrich Carl Crönert, of in Zwolle gevestigd,
zoals Jacob Izaak de Jong organiseerden series
soirées musicale op vaste avonden.4 Op deze avonden werden zowel zangstukken als instrumentale
werken uitgevoerd. Soms kwamen solisten de
avond meer glans geven. Tot de lokale muziektraditie hoorden ook de in ieder geval jaarlijkse
uitvoeringen van de plaatselijke zangvereniging
Euterpe. Tevens trad het muziekkorps van de
plaatselijke Schutterij meerdermalen op.
Net als bij de toneelvoorstellingen waren er
veel concerten die werden uitgevoerd door muzikanten op tournee. Van allerlei passeerde Zwolle:
de concertmeester van de koninklijke Hofkapel
in Den Haag, de eerste fluitist van het Hoftheater
in Wenen, een soloviolist en kamermuzikant van
de keizer van Rusland, de eerste hoboïst van de
Hamburger Opera of de harpist van de koning
van België. Ook echte beroemdheden, zoals
zangeres Elisa Meerti (in 1841) of de enige leerling van Paganini, viool-virtuoos Camillo Sivori
(in 1844) bezochten Zwolle als onderdeel van
tournees langs Nederlandse steden. Het eenmalig
optreden werd vanwege het succes gevolgd door
een extra optreden. Speciaal was het optreden in
1840 van veertig ‘chanteurs montagnards’ van het
‘Conservatoire de Musique de Chant, de Bagnères
de Bigorre (Hautes-Pyrenées)’. Een ander hoogtepunt was het groot Wener concert ‘a la Strauss’
met een Weense kapelmeester in 1841.
Feesten en tentoonstellingen
Toneel en muziek vormden ontegenzeggelijk de
‘core business’ van Odéon. Maar er gebeurde nog
veel meer. Met enige regelmaat waren er feesten
en partijen. Bijvoorbeeld een jubileumfeest van
de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in 1840,
of de viering van de verjaardagen van de koning
(Willem II in december en Willem I in augustus).
Bij de viering in augustus werd de tuin van Odéon
gebruikt en waren er fraaie illuminaties. In de tuin
werden wel vaker ’s zomers concerten gegeven
door met name militaire muziekkorpsen. Het
gebouw was ook in trek bij de liefhebbers van de
beeldende kunst. Het genootschap Kunstbeoefening hield jaarlijks in het winterseizoen een aantal
‘kunstbeschouwingen’, lezingen over met name
Nederlandse kunst. Maar daar bleef het niet bij.
Men organiseerde in 1842 en 1844 in de zomermaanden een tentoonstelling in de bovenzaal,
die veel bezoekers trok. Nog veel meer bezoekers
kwamen er in 1840 bij een andere tentoonstelling.5 Odéon en de tegenovergelegen kolfbaan
van de Groote Sociëteit waren van 27 juli tot 22
augustus het toneel van de eerste Overijsselse
tentoonstelling van nijverheid en kunst. Deze
tentoonstelling was een van de eerste in zijn soort
in Nederland. Meer dan 3.000 bezoekers kregen
een waaier aan producten van de Overijsselse nijverheid te zien, vooral van de Twentse textiel. De
Zwolse inzendingen bestonden overwegend uit
luxeproducten. Overigens werden de tentoongestelde piano’s gebruikt voor een concert in de tuin
van Odéon.
ZHT4 2014 .indd 18 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 159
De Zwolse Courant
vormt door de jaren
heen een rijke bron
voor de geschiedenis
van Odeon. Het begon
meteen al bij de opening van de schouwburg in december 1839,
waar de krant uitvoerig
verslag van deed.
(Facsimile-uitgave van
de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche
Courant van 13 december 1839, uitgegeven bij
het 150-jarig bestaan
van Odeon. Particuliere
collectie)
ZHT4 2014 .indd 19 09-12-14 15:57
160 zwols historisch tijdschrift
De combinatie van Odéon en het stimuleren van
economische bedrijvigheid was niet zo vreemd.
Een groot percentage van aandeelhouders in de
vereniging Odéon, was actief in allerlei genootschappen ter bevordering van de economie.6 Die
gezelschappen vergaderden met enige regelmaat
in Odéon, zoals de Overijsselsche Vereeniging
ter Ontwikkeling van Provinciale Welvaart en
de deelnemers in De naamloze maatschappij tot
verbetering van den handelsweg over het Zwolsche Diep, mede door landaanwinning. Zelfs was
Odéon in 1842 en 1843 locatie voor een commerciële onderneming, weliswaar met een kunstzinnige zweem. November bleek de ideale maand
voor het maken van daguerréotype-portretten.
In 1842 nam de heer Meijlink ruim een week van
’s ochtend 10 tot ’s middags 4 uur zitting in een
zaal in Odéon. Hij werd aangeprezen als een goed
daguerréotypeur, die in één minuut portretten
kon maken die in scherpte en gelijkenis niet onder
deden voor de foto’s uit Parijs. En dat ‘slechts’ voor
vier, vijf of zes gulden. Het jaar erop kwam een
echte Fransman, mr. Perin. Ook hij maakte zijn
foto’s in één minuut en ook zijn producten waren
van eminente kwaliteit. In een advertentie meldde
hij nog wel enigszins vilein dat mensen die in
een vorig jaar foto’s van slechte kwaliteit hadden
gekregen, nu bij hem nieuwe konden laten maken
voor de halve prijs… Dat Odéon gelegenheid gaf
om de nieuwste ontwikkelingen in de wetenschap
te zien bleek ook nog uit de gelegenheid die in
1843 aan de heer Coulembier werd gegeven om
zijn ‘achromatische zonnemicroscoop’7 aan het
publiek te tonen.
Zo blijkt dat Odéon zeker de eerste vijf jaren van
bestaan de wens van mr. J.M. van Rhijn, uitgesproken bij de feestelijke opening van het gebouw
op 9 december 1839, heeft waargemaakt:
‘Zoo moge men ook hier, Odéon hooren noemen:
De plaats die steeds de Vreugd, en ’t Schoon’
en ’t Goede trekt
Zoo gaat ’t Odéon wel! – en jaren blijv’ men roemen:
Dat dit gesticht voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad strekt.’
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op de jaargangen 1840 t/m
1844 van de Provinciaal Overijsselsche en Zwolsche
Courant. De titel is een regel uit het gedicht van mr.
J.M. van Rhijn, uitgesproken bij de feestelijke opening van Odeon op 9 december 1839.
2. Zie voor mr. Alexandre ook: Jaap Hagedoorn,
Odeon in het nieuws (Zwolle 1989).
3. Zie bijvoorbeeld: J.H. Furnée, Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijke cultuur in
Den Haag 1850-1890 (Amsterdam 2012) 414.
4. Voor biografische gegevens zie: J.C. Streng, Zwols
biografisch woordenboek. Een draagbaar mausoleum
(Hilversum 2004).
5. Zie Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle (Zwolle
2005) en Gregor Rensen, ‘Een vroege poging tot
handel- en industriebevordering: de eerste Overijsselse tentoonstelling van nijverheid en kunst te
Zwolle (1840), Zwols Historisch Tijdschrift 2 (1985)
nr. 3, 2-19.
6. Zie ook Henry Ley, Voor Zwoll’ tot Nut en Sieraad.
De totstandkoming van de schouwburg ODEON te
Zwolle 1838-1840 (Zwolle 1986)
7. Met een zonnemicroscoop konden sinds het midden van de achttiende eeuw microscopische preparaten op de muur geprojecteerd worden, terwijl
achromatisch slaat op een vinding uit het begin
van de negentiende eeuw om door middel van
het gebruik van meerdere lenzen kleurschifting te
voorkomen. Zie http://www.museumboerhaave.nl/
media/uploads/medialibrary/2011/05/kleinkijkerij.
pdf
ZHT4 2014 .indd 20 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 161
Willem van der Veen
Een mensenleven met Odeon
Als journalist, theatercriticus, jurylid, toneelamateur,
schrijver-speler van musicals of gewoon toeschouwer
Nadat de ZHT-redactie mij halverwege 2014 had
gevraagd mijn herinneringen aan het 175-jarige
Odeon op te schrijven, realiseerde ik mij dat het uitgerekend 75 jaar geleden is dat ik voor het eerst het
aloude schouwburgje betrad. Ik besefte ook dat ik
er al die tijd ben blijven komen, 75 jaren achtereen.
Duizenden keren, een mensenleven!
Eerste liefde
In 1939 – zeven jaar jong – stapte ik Odeon voor
het eerst binnen aan de hand van mijn grootvader die me meenam naar een opvoering van een
toneelstuk over Dik Trom. Ik zat toen in de tweede
klas van de lagere school en het moet op een
zaterdag vlak na mijn zevende geboortedag zijn
geweest, want het was ter ere daarvan dat opa mij
op een kindervoorstelling trakteerde. In die tijd
speelden kleine gezelschapjes op zaterdagmiddagen af en toe hun jeugdrepertoire in Odeon.
Nu, na driekwart eeuw, kom ik af en toe nog
als toeschouwer in Odeon, maar het aantal bezoeken staat in geen verhouding meer tot de keren
dat ik er in een tijdsbestek van royaal veertig
jaar wekelijks, soms zelfs dagelijks, de drempel
passeerde. Ik zat dan in de zaal voorstellingen te
bekijken als recensent voor de krant, kwam er
op andere tijden als verslaggever voor interviewtjes, stond er op de planken in amateurtoneel of
revues, besprak met de directeur plannen voor
musicals of andere programma’s die ik zou schrijven en waarin ik ook mee zou spelen, stond daarvoor vele avonden te repeteren in allerlei Odeonruimten, maakte afspraken met de technische staf
achter het toneel, fungeerde bij gelegenheden als
jurylid bij toneel-, cabaret- of jazzconcoursen, en
stond tenslotte ook nog vele tientallen malen op
de planken voor uitverkochte zalen in mijn eigen
musicals. De controleurs bij de ingang van de zaal
(vaak ras-Zwollenaren) zeiden weleens tegen me:
‘Ie kunt oew bedde ier wel neerzett‘n.’
Mijn hechte band met Odeon leidde er zelfs
toe dat ik vele jaren een vaste plaats in de stalles
bezette – op het hoekje rechts van rij 10 – en dat
ik ook nog opzij van de garderobe een vaste haak
voor mijn overjas tot mijn beschikking had om na
afloop van de voorstellingen zo snel mogelijk zaal
en theater te kunnen verlaten. Mijn stukje moest
immers de volgende dag al in de krant staan.
Enfin, het begon dus allemaal op een zaterdagmiddag in 1939 in diezelfde zaal die toen honderd
jaar bestond. Opa en ik zaten in het grote, hellende
middenstuk dat de stalles wordt genoemd. Eerlijk
gezegd beviel Troms toneelstuk mij minder dan de
boeken over Dik die ik, de leeskunst net machtig,
had verslonden. Het dikke, soms ondeugende,
soms brave kereltje, waarmee schrijver-onderwijzer C. Joh. Kievit in 1891 begonnen was de
Nederlandse jeugd te amuseren, kon ik toen maar
De aloude bonbonnièrezaal van Odeon
na de verbouwing van
1986. (Collectie auteur)
ZHT4 2014 .indd 21 09-12-14 15:57
162 zwols historisch tijdschrift
moeilijk herkennen in het bonkige, in mijn ogen
veel te oude, personage dat het toneel betrad. Eerlijk gezegd maakte de entourage van die eerbiedwaardige zaal op mij heel wat méér indruk dan het
toneelspel. Aan weerszijden van de stalles, waar
wij zaten, bevonden zich afgeschutte ruimten die
een beetje leken op de bedstees die ik weleens in
ouderwetse huizen had gezien. Mijn opa zei dat ze
‘zijbaignoires’ heetten, maar zo’n moeilijk woord
kende ik toen nog niet. Volgens hem waren ze
bestemd voor paren of kleine gezelschapjes die
zich een beetje van het overige publiek wilden
afzonderen. Bij Odeons verbouwing aan het einde
van de jaren vijftig van de twintigste eeuw zijn die
zijbaignoires afgebroken, evenals de loges achter
in de zaal. De stoelen daarin dienden als een extra
(dure) rang, waar de ‘Zwolse chic’ gescheiden kon
zitten van de gewonere burger. Ja, het was toen
een maatschappij van rangen en standen. De verwijdering van al die aparte zitjes leek een terechte
ingreep, al ging deze wel een beetje ten koste van
Odeons aloude bonbonnièresfeer.
Tijdens die middag met opa was ik, rondkijkend in de zaal, ook vol ontzag voor de balkons
die boven mij uittorenden. Daar had ik eigenlijk
liever willen zitten dan in die stalles. En dan nog
het liefst op het hoogste balkon, al wist ik toen nog
niet dat het daar in de volksmond ‘het schellinkje’
of ‘de engelenbak’ werd genoemd en dat zich daar
juist de goedkoopste en ongemakkelijkste plaatsen bevonden.
Die oude knusse zaal met zijn vloeiende lijnen, het toneel in stijlvolle omlijsting, de smalle
orkestbak en het mooie plafond heeft toen een
onuitwisbare indruk op mij achtergelaten. Ze is in
de 75 jaren die volgden vele malen verbouwd, veranderd, aangepast aan andere tijden en behoeften.
Niet altijd ten goede. Maar de voorname Victoriaanse sfeer heeft haar nooit helemaal verlaten. In
later jaren bezocht ik heel wat indrukwekkender
theaters, maar Odeon behield voor mij altijd de
glans van een eerste liefde.
Donkere tijd
Vier jaar later – ’t was inmiddels al diep in de oorlog – kwam ik opnieuw in Odeon en zelfs op het
toneel van de schouwburgzaal. Dat had te maken
met het feit dat ik inmiddels bij juffrouw Brinkman in de solfègeklas zat. Mijn ouders vonden dat
ik muzieknoten moest leren. Mies Brinkman, een
moederlijk ogende vrouw die ook zangles gaf en
koren leidde, vierde toen haar 25-jarig jubileum
als lerares aan de Stedelijke Zwolse Muziekschool
in de Bloemendalstraat, vlakbij Odeon. Zij wilde
bij die gelegenheid iets bijzonders aanpakken en
kreeg het voor elkaar om de donkere oorlogswinter van 1943-1944 in Zwolle op te fleuren met een
complete uitvoering van de door haar geleide opera Martha van Friedrich von Flotow. Amateurs
konden zich muzikaal geen buil vallen aan dit niet
al te moeilijke, melodieuze werk. Maar toch, de
onderneming van Mies Brinkman was een verbazend waagstuk. Vooral door de bedroevende
omstandigheden tegen het einde van de oorlog, in
een tijd waarin het eigenlijk aan alles ontbrak.
Solisten, koorzangers en muzikanten moesten van overal opgetrommeld worden. Er werd
gefluisterd dat er in het orkest onderduikers
meespeelden die gevaar liepen door de Duitsers
gevangen genomen te worden. De aankleding
(zetstukken, kostuums en dergelijke) werd in
elkaar geknutseld met middelen die zo diep in de
oorlog slechts zeer bescheiden konden zijn. Het
zag er nog aardig professioneel uit, wat te danken
was aan enkele muziekminnende Zwollenaren
die een vrachtauto wisten te charteren en daarDe solfègeklas van
juffrouw Brinkman
omstreeks 1938.
(Collectie Gerrit Banck)
ZHT4 2014 .indd 22 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 163
mee vanuit een Amsterdams magazijn een lading
decorstukken naar Zwolle transporteerden. Was
er dan nog begin 1944 benzine te krijgen? Welnee,
het vehikel reed op houtstook door middel van
een generator, een hoge, smalle kachel die opzij
van de cabine was bevestigd. Een ritje van een uur
of vier onder dreigende omstandigheden – Duitse
controles, gevaar voor vliegtuiggeschut – over
slechte wegen met inbegrip van de oude Zuiderzeestraatweg. Een tocht door al die dorpen heen.
Van een A28 was nog geen sprake. Maar het lukte
de vracht veilig in Odeon te krijgen.
Mijn aandeel aan de voorstelling was zeer
bescheiden, maar, dacht ik bij mezelf: ‘Ik sta hier
toch maar mooi op het toneel.’ Dat gebeurde op
mijn twaalfde, als lid van een kinderkoortje dat
Mies Brinkman uit haar solfège-leerlingen had
samengesteld.
Jacques Afman
Drie jaar later was ik als een net vijftien jaar
geworden gymnasiastje alweer op het podium
van Odeon te vinden. In de strenge winter van
1947 – na de oorlog, maar nog steeds in een tijd
van gebrek aan alles, vooral brandstof – speelde
ik tijdens de zogeheten ‘grote avond’ van de
Zwolse Gymnasiastenbond mee in het meer dan
tweeduizend jaar oude stuk Miles Gloriosus (de
snoevende krijgsman) van de Romeinse blijspelschrijver Plautus. Ik vond het een leuk rolletje, een
ondeugend slaafje met een kort rokje en windsels
om de benen, maar de opdracht in de tekst om op
een gegeven moment in een lachbui los te barsten,
bezorgde me ernstige hoofdbrekens. Tijdens de
repetities slaagde ik er namelijk niet in het gelach
ook maar een beetje geloofwaardig en ontspannen uit mijn keel te laten zwellen. Ik liet meer een
krampachtig gehinnik horen. Toen bedacht de
fantasierijke regisseur er voor die scène maar iets
op dat mij beter lag. Die regisseur heette Jacques
Afman en had in dat jaar voor het eerst de spelleiding van de acterende gymnasiasten in handen.
Een karwei dat hij daarna twintig jaren achtereen
tot een geslaagd einde bracht.
Met hem ben ik nu meteen beland bij de man
die jarenlang ook een belangrijke hand in de culturele programma’s van Odeon had. Afman werd
kort na de oorlog secretaris-penningmeester van
de Zwolse Kunstkring en nam de taak op zich om
voor de vele honderden leden een toneelrepertoire in Odeon samen te stellen. Hij had de kennis,
de smaak en de contacten in de toneelwereld om
daarvoor te kunnen zorgen en bedacht abonneMies Brinkman (midden) was de initiatiefneemster en dirigente
van de operavoorstelling die in het diepst
van de oorlog in
Odeon onder moeilijke
omstandigheden werd
opgevoerd. (Collectie
auteur)
Jacques Afman bepaalde in de jaren vijftig
het toneelrepertoire in
Odeon. Tekening door
Teun van der Veen
(Particuliere collectie)
ZHT4 2014 .indd 23 09-12-14 15:57
164 zwols historisch tijdschrift
mentsseries, waarin de beste gezelschappen van
destijds in Zwolle konden optreden. De toneelstukken werden vrijwel altijd in een reeks van drie
dagen achter elkaar in Odeon gespeeld, wat met
zich meebracht dat een deel van de cast regelmatig
in hotel Wientjes bleef overnachten. De afstand
tussen Zwolle en de meeste thuishavens van de
gezelschappen, Amsterdam, Den Haag of Rotterdam, kostte toen immers heel wat meer reistijd
dan tegenwoordig. Het gevolg was dat er in de
tussenliggende dagen vaak bekende acteurs in de
Zwolse binnenstad werden gesignaleerd.
Jacques Afman was dan in zijn element. Hij
kende heel wat befaamde toneelspelers persoonlijk en ging vriendschappelijk met ze om. Daarbij
was hij gaarne bereid die innige connecties met
de sterren van toen ook aan zijn Zwolse stadgenoten uit te dragen. Als hij in de pauzes van de
voorstellingen in de Odeon-foyer, zo luid dat alle
omstanders ervan mee konden genieten, verhaalde van zijn intieme relaties met de beroemdheden, hoorde je bijvoorbeeld: ‘Ko kwam laatst
nog even bij me langs’ of ‘Toen ik Mary belde, zei
ze: Jacques, ik heb er zin in naar Zwolle te komen.’
Je moest dan moeite doen om Afman serieus te
nemen. Dan klonk zijn karakteristieke toneelstem
– als een grote bronzen klok met haarscheurtjes
– luid door de Odeon-foyer. ‘Wat een kapsones’,
dacht je dan. Maar als je hem beter leerde kennen,
merkte je al gauw dat dit gedrag een gemakkelijk
te verpulveren façade was. Dan brak zijn hartelijkheid door en kreeg je steeds meer respect voor zijn
toneelkennis en artistieke opvattingen.
Sterren naar Zwolle
In de eerste helft van de twintigste eeuw had men
in Zwolle niet of nauwelijks kunnen genieten van
het beste Nederlandse beroepstoneel. Het Odeontheatertje lag toen ver buiten het gezichtsveld van
de grote gezelschappen in het westen des lands.
Maar na de Tweede Wereldoorlog keurden zij
de Overijsselse hoofdstad ineens wel een bezoek
waardig. Ze moesten wel. Er kwam immers een
landelijke toneelspreiding die de vooraanstaande
artiesten van destijds verplichtte in de autobus te
stappen om hun kunst op vele plaatsen te laten
zien. Maar Afman zorgde er voor dat het neusje
van de zalm – Ko van Dijk, Mary Dresselhuys,
Paul Steenbergen, Ank van der Moer, Han Bentz
van den Berg, Guus Hermus, Caro van Eyk,
Andrea Domburg, Ellen Vogel – regelmatig op het
nauwelijks zeven meter brede podium van Odeon
te zien was.
‘Mijn toneel is niet breder dan een voetbaldoel’, zei de latere directeur Jan Bakker rond 1970
in een kranteninterview. En hij toonde dat op de
bijgaande foto met zijn hele gestalte aan. Het zou
nog tot halverwege de jaren tachtig duren, voordat er een meter aan elke kant van het podium
bijkwam. Vaak was het immers passen en meten
om de decors in de enge ruimte te persen en even
vaak moesten er decorstukken in de vrachtwagens
van de gezelschappen achterblijven. Deze waren
immers berekend op de veel royalere bühnes
van de theaters in de Randstad. Maar het Zwolse
publiek kreeg toen wél de gelegenheid om vele
hoogtepunten van het nationale toneelrepertoire
uit die na-oorlogse tijd in zijn eigen bonbonnière
mee te beleven.
Hausse in amateurtoneel
Als ik het over Jacques Afman heb, denk ik ook
aan de hausse van amateurtoneel die na de bevrijding in Zwolle losbrak. Nadat ze zich in de oorlogsjaren koest hadden moeten houden, kregen
vele Zwollenaren plotseling een onweerstaanbare
drang om zich op een podium te uiten en met
elkaar – niet minder voor de gezelligheid dan uit
liefde voor de dramatische kunst – voorstellingen
in elkaar te timmeren. In het eerste decennium na
de oorlog gaven jaarlijks wel zeven of acht nieuwe
toneelverenigingen en daarnaast nog ettelijke personeelsclubs van bedrijven hun voorstellingen in
de oude zaal.
Bekende artiesten
Aan de kassa van Odeon verscheen een man die geïnteresseerd was in de
voorstelling ‘Spelenderwijs’. ‘Wie spelen daar in mee?’, vroeg hij aan de cassière. Zij antwoordde dat Mary Dresselhuys, Guus Hermus en Henk van
Ulsen de hoofdrollen vertolkten. Waarop de man antwoordde: ‘Oh, doen er
geen bekende artiesten mee?’
ZHT4 2014 .indd 24 09-12-14 15:57
zwols historisch tijdschrift 165
Aan de plaatselijke top van het amateurtoneel
stond destijds de Zwolse Rederijkerskamer die
zich al sinds de jaren twintig met het predicaat
‘Koninklijk’ mocht tooien. Deze groep toneelminnaars dreef voor een niet gering deel op het talent
van – jawel, daar is hij alweer – Jacques Afman.
Hij ontplooide zich daar als karakterspeler, maar
bovendien als bezielend regisseur.
Vlak na de oorlog stond ik vier jaar achtereen
onder zijn leiding op het podium van Odeon
tijdens de toneelavonden van de Zwolse Gymnasiastenbond. Is het een wonder dat ik het als een
grote eer beschouwde toen hij mij niet lang daarna vroeg om bij de grote Rederijkers te komen
spelen? Zo bleef mijn band met Odeon ook in de
jaren vijftig hecht met deelname aan toneelstukken en tussendoortjes in jaarlijkse revue’s van de
personeelsvereniging van mijn werkgever Tijl,
uitgever van de Zwolse Courant. Ik denk nog vaak
aan die oude, allang verdwenen kleedkamers
onder het toneel, waar je gespannen zat te wachten
op je beurt om je in het toneelspel te mengen en
waar je de spelers, die ‘op’ waren, boven je hoofd
letterlijk ‘op de planken’ kon horen klossen.
Die legendarische Rederijkers, met hun ijzeren
traditie van de jaarlijkse Nieuwjaarsvoorstelling
(met bal na in de concertzaal) zijn ruim een halve
eeuw vergroeid geweest met Odeon, totdat zij eind
jaren zestig letterlijk van het toneel werden geblazen door de moloch van het nieuwe vermaak, de
televisie, waardoor de Zwollenaren ’s avonds niet
meer uit hun huizen waren te branden.
Na hun oprichting in 1894 hadden de Rederijkers in Zwolle zoveel animo en talent los gewoeld
dat er in de eerste dertig jaar van hun bestaan
maar liefst negentig stukken werden opgevoerd.
Drie per jaar..! Voor amateurs ongekend. In de
toen gebruikelijke toneelwedstrijden overal in het
land – tot in Mechelen en Antwerpen toe – sleepten ze vijftig prijzen in de wacht. Wanneer het
gezelschap na zo’n succesvolle reis terugkeerde,
werd het op het Stationsplein door honderden
enthousiaste Zwollenaren opgewacht en in triomftocht per rijtuigen of een versierde landauer
door de stad geleid, waarna ze vervolgens in Odeon of in hotel De Doelen op de Melkmarkt werden
gefêteerd.
De Koninklijke Rederijkerskamer Zwolle (kortweg de Rederijkers) heeft vele
jaren een belangrijke rol gespeeld in het toneelrepertoire van Odeon. Hier de
toneelvereniging in 1938 met het toen gevierde echtpaar Jacques en Bep Afman,
zittend eerste en derde van rechts. (Collectie auteur)
De Rederijkers in 1952, met staand vlnr. Karel Nijland, Jenny Diersmann, Jan
de Leeuw en Jo Jansen. Zittend vlnr. Anna van Geuns, Arend Heuvink, onbekend, onbekend, Frits Beunk. (Collectie auteur)
ZHT4 2014 .indd 25 09-12-14 15:57
166 zwols historisch tijdschrift
In de Odeonkleedkamers werden goede zeden
streng bewaakt
Tegenwoordig zou men het zich nauwelijks nog voor kunnen
stellen dat er ’s avonds rond zeven uur een politierechercheur
de schouwburg betreedt, vervolgens zonder te vragen doorloopt
naar de kleedkamers achter het toneel en alle deuren opent om
te kijken of zich vóór aanvang van de voorstelling ook artiesten
van beiderlei kunne (!) in één en dezelfde ruimte bevinden.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw was dat in Odeon nog
de gewoonste zaak van de wereld. Het is voorgekomen dat een
alom bekende actrice uit die dagen, die even een praatje in de
kleedkamer van twee mannelijke collega’s kwam maken, op
strenge toon werd bevolen zich ogenblikkelijk te verwijderen.
De toneeldiva reageerde furieus op dit vertoon van de sterke
arm, maar de dienaar der wet vertrok geen spier van zijn
gelaat, pakte de briesende dame bij de arm, zette haar de deur
uit en vervolgde zijn ronde langs andere mogelijke haarden van
‘zedenbederf’. Men zou zich warempel kunnen voorstellen dat
hij zijn spiedende blik op kleerhaken richtte, teneinde herenpantalons of misschien zelfs wel onderbroeken (!) in de nabijheid van jurken of négligé’s te kunnen betrappen.
Misschien was het hem wel verteld dat er eens een babytruitje
uit zo’n verbintenis was geboren. Een herhaling daarvan moest
in het preutse Zwolle van die tijd kost wat kost worden voorkomen.
Ook de brandweer hield streng in de gaten wat er zich allemaal
in Odeon afspeelde. In de jaren zeventig waren bij elke voorstelling nog één of twee brandweermannen aanwezig. Het lag
aan de populariteit van de artiesten hoeveel vuurbestrijders er
kwamen… Toeschouwers op de zijbalkons konden ze daar tussen de coulissen zien zitten met een emmer vol water tussen de
knieën. Vooral acteurs die ter realistische verlevendiging van de
scène een sigaretje opstaken, werden nauwlettend in d

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2015, Aflevering 4

Door 2015, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwolle in de
jaren zestig
‘Beeldenstorm’
32e jaargang 2015 nummer 4 – 8,50 euro
Zwols Historisch Tijdschrift ZHT4 2015 .indd 1 15-12-15 12:29
Suikerhistorie
De Buitensociëteit
In 1802 werd in Zwolle de Groote Sociëteit opgericht als een deftige gezelligheidsvereniging voor
de elite van Zwolle. Zij bestaat nog steeds – zij
het minder elitair – en zetelt in de Koestraat.
Omdat middenstanders van deze sociëteit geen
lid konden worden, richtten zij rond 1875 een
eigen vereniging op. Zij lieten een pand bouwen
op de hoek van de Westerlaan en de Stationsweg
en gaven daaraan de naam De Buitensociëteit,
omdat het ver (!) buiten het stadscentrum lag. Op
24 juni 1877 werd het gebouw officieel in gebruik
genomen.
Naast het sociëteitsgebouw verrees in 1890 een
grote zaal waar concerten werden gegeven. In die
zaal kon ruim 1200 man terecht. Later diende het
ook als bioscoop en evenementenzaal. Het was
de Vereniging De Buitensociëteit die het beheer
van de Buitensociëteit voerde. Dit duurde tot het
midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw.
Toen werd het complex verkocht aan een projectontwikkelaar, met uitzondering van het oorspronkelijke sociëteitsgebouw, inmiddels omgedoopt
tot witte villa, waar leden van de sociëteit elkaar al
140 jaar treffen en waarvan de ingang verscholen
ligt aan de Stationsweg.
De rest van het complex werd ingrijpend verbouwd. Er verrees een groots, imposant en multifunctioneel gebouw, geschikt voor congressen en
feesten. Bij de opening op 6 september 1991 kreeg
het de naam De Nieuwe Buitensociëteit, tegenwoordig het Regardz Event Center De Nieuwe
Buitensociëteit genaamd. Wavin kreeg er zijn
hoofdkantoor. De bioscoop in het complex legde
het loodje. Op 30 augustus 2009 werd er de laatste
film gedraaid.
138 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Het complex van de Nieuwe Buitensociëteit, anno 2015. Geheel links het restant
van de oude gevel. (Foto Elske Bootsma)
ZHT4 2015 .indd 2 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 139
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 138
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 13: Een strange effect
(juli-december 1965) Jan van de Wetering 140
Archiveren in de digitale tijd
Een interview met Bert de Vries,
de vertrekkende directeur van het HCO
Annèt Bootsma – van Hulten en
Jan van de Wetering 153
Een oude ‘eerste steen’ uit Assendorp
in Gorssel Kees Canters 160
Gerrit Hendrik Johannes Tervoert (1877-1967)
Een leven lang veearts in Zwolle
Siem van der Weerd 166
Leven in twee werelden: van de Egeïsche Zee
naar de Noordzee Wim Coster 177
Twee eeuwen de krant van Tijl
Aflevering 9: ‘De Zwolse’ sloeg in de jaren
vijftig haar vleugels uit Willem van der Veen 184
Recent verschenen 189
In memoriam Ben Kam, 1924-2015
Annèt Bootsma – van Hulten 191
Mededelingen / Auteurs 192
Redactioneel
Kortgeleden vond in het Historisch Centrum Overijssel de Zwolle Quiz plaats. De
Zwolse Historische Vereniging was een van
de medeorganisatoren. Dit heeft de redactie geïnspireerd tot de volgende quizvraag: wat hebben
een Turks-Zwolse kapper, een Zwolse veearts, een
Zwolse journalist in Kampen, een directeur die uit
Zwolle vertrekt, een popster die Zwolle bezoekt en
een eerste steen uit Zwolle met elkaar te maken?
Het antwoord is makkelijk: ze staan allemaal in dit
nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift.
De vertrekkende directeur is natuurlijk Bert
de Vries van het HCO. In een interview kijkt hij
terug op zijn acht ‘Zwolse’ jaren. De bezoekende
popster is Dave Berry die in 1965 de platenwinkel
‘de Artist’ in de Luttekestraat kwam openen tot
groot enthousiasme van de Zwolse jeugd. Dave
Berry speelt een belangrijke rol in het verhaal van
Jan van de Wetering over Zwolle in de tweede helft
van 1965. Hij heeft hiervoor geput uit de Zwolse
Courant. Daar werkte de Zwolse journalist die in
de jaren vijftig in Kampen werd gestationeerd,
Willem van der Veen. Hij schreef aflevering negen
van de geschiedenis van deze krant.
Hebben we nog een Turks-Zwolse kapper en
een Zwolse veearts. De kapper is Erdinç Kurnaz
van Merci Haarmode aan de Schuttevaerkade.
Wim Coster heeft zijn levensverhaal opgetekend.
De veearts, maar ook oprichter van de Zwollmij,
betrokkene bij de Grontmij en nog veel meer is
Gerrit Tervoert. Hij is geportretteerd door Siem
van der Weerd. Als laatste is er nog de eerste steen.
Deze werd gevonden door Kees Canters. De steen
bleek afkomstig uit een schuurtje bij de lijnbaan
van de touwslagerij die tot in de jaren zestig van de
vorige eeuw langs de Van Karnebeekstraat lag. Coverfoto: ‘Beeldenstorm’ in Zwolle, augustus 1965.
De sloop van de Michaëlskerk in beeld.
(Foto Henneke, collectie HCO)
ZHT4 2015 .indd 3 15-12-15 12:29
140 zwols historisch tijdschrift
Jan van de Wetering (68) verplaatst zich vijftig jaar
terug in de tijd. Hij laat zich verrassen door wat hij
in de kolommen van de Zwolse Courant tegenkomt
over de stad van zijn jeugd. In 1965 was hij – op
gepaste afstand – getuige van de in deze aflevering
beschreven gebeurtenissen. Juist dat jaar werd het
onrustig in het land, maar dan vooral in Amsterdam. Provo’s begonnen met hun protesten tegen de
gevestigde de orde, tegen machthebbers en vastgeroeste instituties.
In de haarvaten van de samenleving, vooral
onder jongeren, sluimerde de wens zich te roeren,
deel te nemen, en dat kon alle vormen aannemen,
van enthousiasme tot destructie. Dat gebeurde het
eerst in de grote steden. Maar hoe reageerden de
Zwollenaren op vier in het oog springende gebeurtenissen in het najaar van 1965: het bezoek van prinses Beatrix en haar verloofde Claus von Amsberg ,
de opening van een grammofoonplatenwinkel, de
sloop van een aloude kerk en de plannen om een
deel van de stadsgracht te dempen?
Ach Zwolle. Het lijkt wel of de stad er eer
in stelt onzichtbaar te zijn. Vroeger meer
dan tegenwoordig. Het leven mocht er
dan niet opwindend zijn, het had menselijke maat
en dat moest altijd maar zo blijven. Het woord
‘provinciaal’ valt al snel als over Zwolle gesproken
wordt, maar die kwalificatie kan zowel negatief als
positief worden uitgelegd. Zwolle was in de jaren
zestig niet de enige stad waar het provincialisme
hoogtij vierde. Er gebeurde wel eens wat, zoals in
Leeuwarden, waar de politie in 1965 stevig inhakte op een bende nozems, maar overwegend ging
het leven in de kleinere steden en op het platteland
zijn gang van alle dag.
Heel anders ging het eraan toe in Amsterdam,
waar sinds 1964 Robert Jasper Grootveld op het
Spui bij het beeld het Lieverdje iedere zaterdag
happenings hield. Die bijeenkomsten waren
provocerend bedoeld en de deelnemers werden
al gauw provo’s genoemd, naar een term van de
Groningse criminoloog Wouter Buikhuizen. Hij
betoogde dat nozems alleen provoceerden om de
verveling te bedrijven, terwijl provo’s puur om het
provoceren provoceerden.1
In mei 1965 werd in Amsterdam het maandblad Provo opgericht door onder andere Roel van
Duijn, Rob Stolk en Luud Schimmelpennink. De
doelstellingen waren kras: ‘Provo heeft iets tegen
kapitalisme, kommunisme, fascisme, burokratie,
militairisme, snobisme, professionalisme, dogmatisme en autoritairisme. Provo voelt zich voor de
keus gesteld: desperaat verzet of lijdzame ondergang. Provo roept op tot verzet waar het kan.’
Vanaf dat moment waren de happenings minder
onschuldig: de provo’s ageerden met ludieke acties
en demonstraties tegen de gevestigde orde.
Het woord ‘ludiek’ werd in 1938 door historicus Johan Huizinga geïntroduceerd in zijn boek
Homo Ludens (de spelende mens). De provo’s
namen het over voor hun acties en in korte tijd
werd het woord te pas en te onpas gebruikt voor
alles wat bewust afweek van ‘het normale’.2
Misschien was de geest wel in de fles gebleven
als er niet een gebeurtenis was geweest die niet
alleen de aandacht trok van de Amsterdamse
provo’s, maar ook van het grote publiek overal in
het land. Op 28 juni 1965 stelde prinses Beatrix
op de televisie haar verloofde Claus von Amsberg
voor. Ondanks de verklaring van dr. Loe de Jong
van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie
dat Claus weinig of niets te verwijten viel, wonden
velen zich erover op dat hij in de laatste maanden
van de oorlog toegetreden was tot de Wehrmacht.
De Tweede Wereldoorlog was nog maar twintig
jaar geleden. De provo’s grepen het voorgenomen
huwelijk aan tot het mobiliseren van (relatief
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 13: Een strange effect (juli-december 1965)
Jan van de Wetering
ZHT4 2015 .indd 4 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 141
vreedzaam) verzet. In plaats van ‘Oranje boven’,
zongen ze ‘Worteltje boven’ en ‘Leve de Republiek’.
Het leidde tot stevige botsingen tussen politie
en provo’s. Buiten Amsterdam bleef het redelijk
rustig.
Hoog bezoek
In de maanden na de bekendmaking van de verloving stelde prinses Beatrix haar verloofde voor
aan de bestuurders en inwoners van de grote
steden en de provincies. Zoals verwacht leverde
dat vooral in Amsterdam problemen op. Provo
verspreidde pamfletten met de oproep ‘Amsterdammers blijf vandaag thuis’ en op de dag van
het bezoek (3 juli) waren spandoeken met beledigende teksten te zien. Ook enkele dagen later in
Rotterdam waren protesten te horen, maar de ontvangst was er vriendelijker dan in de hoofdstad.
In september bezocht het paar de noordelijke
provincies. Tijdens de ontvangsten in Groningen,
Leeuwarden en Assen gedroeg het publiek zich
allerhartelijkst.
Wat gebeurde er nog meer in de tweede helft van 1965?
– In juli en augustus deed de NAM proefboringen bij Wijthmen
om te kijken of er ook gas of olie in de bodem zat. Het liep op
niets uit.24
– In augustus kregen vele winkeliers in de binnenstad een aanzegging van het gemeentebestuur om ontsierende reclames aan
de gevels weg te laten halen. De reclame van de Artist kon wél
door de beugel.25
– Op 9 augustus ging op het Rode Torenplein de achtste ‘Ronde
van Zwolle’ van start. Er deden dit keer honderddertig rennertjes in de leeftijd van elf tot veertien jaar mee.26
– Voor 1.500 gulden per jaar konden jonge kunstenaars een vrijgekomen ruimte in de Emmanuëlshuizen aan de Praubstraat
huren. B en W was van mening dat de pas opgerichte stichting
met bescheiden financiële middelen het artistieke en culturele
klimaat in Zwolle aanmerkelijk kon verbeteren.27
– De opnames voor de allerlaatste uitzending van het populaire
tienerprogramma Top of Flop van de Vara vonden op 10 augustus in de Zwolse Buitensociëteit plaats. In samenwerking met de
Amsterdamse krant Het Parool had de NS een Duitse trein met
twee ‘rijdende dansvloeren’ vanuit de hoofdstad naar Zwolle
laten rijden. Slechts tweehonderd liefhebbers maakten van dit
aanbod gebruik. Volgens de verslaggever overtroffen de Zwolse
jongeren de Amsterdammers verre, zowel in aantal als in het
produceren van lawaai.28
– Op 10 augustus werd na anderhalf jaar bouwen het bereiken
van de hoogste punt van ziekenhuis de Weezenlanden gevierd.29
– Het beeld Adam van Rodin werd in november van de hal
van het stadhuis verplaatst naar de rotonde midden op de
Grote Markt. Officieel gezien was dit pleintje voor het publiek
onbereikbaar omdat er geen oversteekplaatsen waren, aldus de
Zwolse Courant.30
Adam wordt verplaatst, november 1965. (Collectie HCO)
Adam op de rotonde op de Grote Markt, omstreeks 1970.
(Foto Ben Kam)
ZHT4 2015 .indd 5 15-12-15 12:29
142 zwols historisch tijdschrift
Op 9 september was Zwolle aan de beurt. De
verwachtingen waren niet hoog gespannen. Voor
alle zekerheid waren de leerlingen van 56 Zwolse
scholen opgetrommeld om het paar toe te juichen.
De gemeente leverde 13.000 vlaggetjes. Hoe zou
de ontvangst zijn, na de landelijke commotie over
het voorgenomen huwelijk? Zwolle was geen
Amsterdam, maar toch… Enige voorzichtigheid
was geboden, naar het oordeel van het college van
B en W: ‘De afzetting van de politie zal soepel zijn,
in de verwachting dat het publiek de juiste houding zal weten.’
’s Morgens vroeg om kwart over negen werd het
paar bij de IJsselbrug opgewacht en in een zwarte
Rolls Royce naar het Provinciehuis in de Diezerstraat gereden. Omdat de rondrit door de stad
pas ’s middags zou plaatsvinden, werd er weinig
publiek langs de route verwacht. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde. ‘Beatrix en Claus
met chaotische geestdrift begroet’, kopte de Zwolse
Courant. Dat was nog voorzichtig uitgedrukt:
vanaf de Veerallee stond het publiek rijen dik.
De auto kwam al snel vast te zitten tussen het
publiek, zodat de rit tussen IJsselbrug en Provinciehuis meer dan een uur in beslag nam. De mensen stoven op de auto af en wierpen met bloemen,
confetti en serpentines. Het regende zelfs dozen
bonbons, zakjes Zwolse balletjes en cosmetische
artikelen. Bij het Provinciehuis was de massa
niet meer te houden door de politie; er ontstond
gedrang, mensen kwamen te vallen, kinderen
begonnen te huilen. ‘Vreselijk’, liet Beatrix zich
ontvallen.
Nadat het paar had kennisgemaakt met de
bestuurders van stad en provincie, en als aandenken een zilveren Peperbus had ontvangen, kon
veel later dan gepland de rondrit door de stad
beginnen. Ook hier weer een combinatie van
uitzinnig enthousiasme en gedrang. In de Diezerstraat stond het winkelpersoneel tot op de daken.
Inmiddels had de politie vijf potige agenten ingezet om het publiek in bedwang te houden. Beatrix
was er na afloop beduusd van: ‘We dachten naar
een rustige provincie te gaan, maar het is wel heel
anders gelopen.’
Prins Claus zwaait
naar het personeel van
winkels in de Diezerstraat, die uit de ramen
hingen en op de daken
stonden. Foto in de
Zwolse Courant van
9 september 1965.
Voorpaginanieuws op
9 september 1965.
ZHT4 2015 .indd 6 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 143
Afgezien van de chaotische taferelen, was
duidelijk dat de Zwolle het jonge paar massaal
een warm hart toedroeg. Gold dat voor alle Zwollenaren? In de krant was één stevig tegengeluid te
lezen. W.H.P. Meijer schreef diezelfde dag nog een
brief aan de redactie waarin hij zijn afkeur kenbaar maakte over de ‘gedwongen’ deelname van
de Zwolse schoolkinderen aan de intocht: ‘Ik wil
niemand het recht ontzeggen om twintig jaar na
de ergste misdaad uit de geschiedenis der mensheid een lid van de voormalige nazi-weermacht,
die op het punt staat tot Prins der Nederlanden te
worden verheven, toe te juichen. Maar ik ontzeg
de plaatselijke overheid wel het recht ook de kinderen van de “bezwaarden” te betrekken in een
“spontane” huldiging, zonder dat de ouders eerst
om toestemming wordt gevraagd.’ Bij dit kritische
tegengeluid zou het blijven (althans in de krant).3
Een veldslag in de Luttekestraat
You’ve got this strange effect on me,
And I like it.
You’ve got this strange effect on me,
And I like it.
You make this world seem right,
You make my darkness bright, yes,
You’ve got this strange effect on me,
And I like it, and I like it.
Deze, door het Britse popidool Dave Berry lijzig
gezongen tekst, was in de herfst van 1965 een
onvervalste hit. This strange effect verdrong in
oktober en november drie weken lang I can’t get
no satisfaction van de Rolling Stones en Yesterday
van de Beatles van de eerste plaats op de Nederlandse hitparade. Het was een ware stunt van
grammofoonplatenwinkel de Artist om deze sympathiek ogende jongeman, met Beatlekapsel, naar
Zwolle te halen om donderdag 25 november de
opening van de nieuwe winkel in de Luttekestraat
(nr. 5) te verrichten. Of, zoals de krant het verwoordde, daar zou Dave Berry ‘ter bezichtiging
worden opgesteld’. De winkel was tot dan toe in de
Voorstraat gevestigd.
Jazeker, ook in Zwolle was de jeugd gevallen
voor de als totaal nieuw ervaren muziek.4
De leeftijd van de kopers van grammofoonplaten
werd met het jaar jonger; een nieuwe doelgroep
was ontdekt. Met optredens van hun idolen waren
de tieners in Zwolle niet erg verwend. Zwolse en
regionale bandjes, met artiesten die nog zo groen
als gras waren, traden op in de rafelranden van
de Zwolse muziekcultuur. De bandjes smeekten
meestal vergeefs om aandacht van de Zwolse
Courant. Als een optreden al vermeld werd in
de kolommen dan was het vaak achteraf met de
vermelding dat het weer een hoop herrie was. Pas
in 1966 zou Herman Brood zich in Zwolle laten
horen. Maar toch, de jongerencultuur zoals wij
die tegenwoordig kennen, begon in steeds sneller
tempo tot wasdom te komen.
De stad was redelijk goed voorbereid op de
komst van Dave Berry. De opkomst zou volgens
de politie wel eens onstuimiger kunnen zijn dan
tijdens het bezoek van Beatrix en Claus. Dat
beloofde wat. Voorzichtigheidshalve was het tijdstip van de opening daarom zodanig gekozen dat
een groot deel van de schooljeugd zich nog in de
schoolbanken zou bevinden, dat wil zeggen tussen
half drie en vier uur.5
Dave Berry werd bij
de Buitensociëteit
verwelkomd door de
Eileuvers. Foto in de
Zwolse Courant van
26 november 1965.
ZHT4 2015 .indd 7 15-12-15 12:29
144 zwols historisch tijdschrift
De opzet van de opening van de nieuwe winkel had een wat provinciaal karakter. Dave Berry
zou in de Buitensociëteit worden ontvangen. Van
daaruit zou hij in een door twee paarden getrokken open calèche, in gezelschap van de dochter
van de eigenaar van de Artist, een korte rondrit
door de stad maken, voorafgegaan door boerenkapel d’ Heigenheimers van carnavalsvereniging
d’Eileuvers. Daarna zou Dave Berry met een bakfiets de laatste bak met platen van de oude winkel
in de Voorstraat naar Luttekestraat 5 rijden, om
vervolgens voor de liefhebbers grammofoonplaten te signeren. Tijdens de rondrit waren de
Zwolse straten tot ieders verbazing bijna uitgestorven. Maar dat veranderde op slag toen het
rijtuig de Grote Markt opdraaide. De jongeren,
die eerst nog rustig op het trottoir stonden, liepen
de politieafzetting voorbij en dreigden, zo schreef
de verslaggever van de krant, ‘een begin te maken
met de sanering van de binnenstad.’
In de Luttekestraat was de situatie niet meer onder
controle. De verslaggever: ‘Vóór hem steigerden
paarden, naast hem radeloos terugduwende
politieagenten en lichtelijk uit de maat gebrachte
Wie is dat jonk?
De jongeman naast Dave Berry is Herman Tichelaar (neef van
de auteur). Hij herinnert zich het volgende:
‘Het was inderdaad een chaos. Ik werkte op dat moment
bij Bramer aan de Oude Vismarkt. Ik was toen zeventien jaar.
Met een smoes ben ik die middag naar de Luttekestraat gegaan.
Daar wilde ik natuurlijk de winkel van de Artist binnen. De
organisatie bij de Boerenkapel, waarin mijn vader speelde, was
ook zoek. Ik klampte een speler aan (mijn vader kon ik in de
chaos niet vinden) en vroeg of ik zijn trompet mocht vasthouden. Zo kwam ik door het politiekordon en was binnen. Boven
de winkel was een kleine vide, waar Dave Berry een fotosessie
deed. Ik stond per ongeluk pontificaal vooraan, kon geen kant
op. Je ziet het petje van mijn vader achter mij. Protesten van de
fotografen: “Wie is dat jonk?” “Kan dat jonk niet weg?” Van de
chaos buiten heb ik niets mee gekregen, behalve het oorverdovende gillen. Later zag ik de ruit van de winkel aan de overkant
aan diggelen.’ Zwolse Courant 26 november 1965.
De menigte in de Luttekestraat. Zwolse Courant van 26 november 1965.
ZHT4 2015 .indd 8 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 145
leden van de boerenkapel d’Heigenheimers,
boven hem vliegende schoenen en handtassen.
Meisjes vielen Dave Berry om de hals kusten hem,
vielen in zwijm en beleefden de gelukkigste ogenblikken van hun leven.’
Minder geestig was dat verdwaalde voorbijgangers onder de voet werden gelopen en dat een
dame haar pols brak. Tegenover de Artist werden
een paar tieners door de ruiten van de bloemenzaak van V&D gedrukt. Bloedend belandden
ze tussen de uitgestalde boeketten. Met grote
moeite wist de politie Berry via de achteringang
de nieuwe winkel binnen te loodsen. Aan de
voorkant vocht de politie met hysterisch gillende
tieners. Zevenhonderd handtekeningen later kon
‘de langharige crooner’, zoals de journalist van de
krant hem noemde Zwolle bijna ongeschonden
verlaten, op enkele haren na die door meisjes uit
zijn haardos waren gerukt.
De directies van de Zwolse scholen waren niet
blij met de komst van Dave Berry. Zeker niet aan
het eind van de bewogen dag. Tientallen scholieren hadden gespijbeld en werden de volgende
dag voor een tijdje van school gestuurd. Achteraf
gezien is de opening van de Artist te zien als een
keerpunt voor de jongerencultuur in Zwolle. Een
nieuwe generatie eiste een plek en stond die niet
meer af.6
Een beeldenstorm van de nieuwe tijd
Eind 1965 was een markant bouwwerk uit het
Zwolse stadsbeeld verdwenen: de neo-gothische
St. Michaëlkerk in de Roggenstraat. Vijf jaar later
schreef gemeentearchivaris F.C. Berkenvelder
hierover:
‘We zijn zo langzamerhand midden in Zwolle’s
saneringsgebied gekomen: veel van het noordelijk
stadsdeel is al gesloopt, de rest zal spoedig volgen.
Als de vogel Phoenix, die in dit gedeelte van de
stad als gevelsteen te vinden is, zal Zwolle hier
hopelijk mooier dan tevoren uit zijn as herrijzen.
Er valt over de afbraak niet veel te treuren, want
op enkele uitzonderingen na viel er niet veel architectonisch stedenschoon te genieten. (…) De R.K.
St. Michaëlkerk, de in 1892-1893 gebouwde kerk
op de hoek van de Nieuwstraat en Roggenstraat
met zijn 78 meter hoge toren (…) is nu verdwenen.’7
Achterafgezien wekken deze wat badinerende
woorden verbazing. Tot op de dag van vandaag
spreekt menige Zwollenaar schande over de
sanering en in het bijzonder over de sloop van de
gezichtsbepalende kerk, die plaats moest maken
voor de betonnen kolos van V&D. ‘Een beeldenstorm van de moderne tijd’ wordt de sloop in De
Zwolse canon genoemd.8
Hoe beleefden de Zwollenaren de ondergang
van de kerk in 1965? Afgaande op de berichtgeving in de Zwolse Courant was er meer sprake
van nieuwsgierigheid dan van afkeuring. De zorg
voor cultuur-historisch erfgoed stond om het
voorzichtig te zeggen laag op de prioriteitenlijst
van de gemeentelijke bestuurders en van het overgrote deel van de Zwolse bevolking, ondanks alle
inspanningen van de Vrienden van de Stadskern
Zwolle. Veel ging verloren in deze jaren. Op 3 juli
begon bijvoorbeeld de sloop van het fraaie negentiende-eeuwse koetshuis aan de Voorstraat van de
bekende Zwolse familie Helmich, dat jarenlang
deel uitmaakte van het Provinciaal Overijssels
Museum aan de Melkmarkt. Er was geen haan die
er naar kraaide.9
De sloop van de St. Michaëlkerk, die 35 weken
in beslag zou nemen, kon niemand ontgaan.
Rondom de kolossale kerk werden delen van de
De Luttekestraat met
de Artist medio jaren
zeventig. (Collectie
HCO)
ZHT4 2015 .indd 9 15-12-15 12:29
146 zwols historisch tijdschrift
Roggenstraat, Nieuwstraat en Bitterstraat wegens
gevaar van vallend gesteente afgeschermd. De
belangstelling van het publiek was vooral gericht
op het omverhalen van de hoge toren, met op de
top het torenhaantje. Ook waren er twee kleinere
torens die gesloopt moesten worden. Maar zover
was het nog niet. Begin juli was een groot deel van
het dak van de kerk al wel afgebroken. De muren
zouden vervolgens tot ongeveer drie meter hoogte
worden afgebroken, zodat een grote ‘kuip’ zou
ontstaan, waarin dan als apotheose de spits met
de haan en daarna de rest van de toren te pletter moesten vallen. De sloop van de kerk zou de
komende weken voor velen ‘een aardig kijkspel
opleveren’, schreef de Zwolse Courant.
10
Op 29 juli viel de eerste kleine toren volgens
plan precies in ‘de kuip’, al leek het er even op dat
hij tegen de grote toren zou vallen. Een paar dagen
later kwam de tweede kleine toren naar beneden.
Een deel van het puin viel in het kerkgebouw,
dat er nu uitzag alsof er een bombardement had
plaatsgevonden. In deze dagen waren er al Zwollenaren die de kerk binnenslopen en delen van het
interieur meenamen.11
De beslissing om de kerk te slopen was eind
jaren vijftig al door de kerkelijke gezagsdragers
genomen, tot ontsteltenis van de parochianen.12
Hun bezwaren werden echter vooral binnen de
eigen geloofsgemeenschap geuit. Begin jaren
zestig werd er door betrokken burgers via de
ingezonden brieven rubriek van de Zwolse Courant gepleit voor het behoud van de kerk, onder
meer door Han Prins namens de toen nog prille
Vereniging Vrienden van de Stadskern.13 In 1965
bleven protesten tegen de sloop verder uit en
daar was het toen ook veel te laat voor. Wel was
er nog een anonieme briefschrijver (G.G.) die
onder de kop ‘Gratie voor de Michaeltoren’ een
inzamelingsactie onder de Zwollenaren wilde
houden om het carillon van de Peperbus te verplaatsen naar een daartoe te verlagen grote toren
van de St. Michaëlskerk. Zo’n toren met carillon
was beter dan een parkeerplaats met ‘roestende
status emblemen op wielen’, die de gemeente daar
had gepland, aldus de briefschrijver. Er kwamen
weinig reacties.14
Op 19 augustus sloeg een 1.500 kilo zware
stalen bol met grote kracht tegen drie van de
twintig meter hoge pilaren van het middenschip:
‘Met donderend geraas stortten de stenen reuzen
in brokken op de grond.’15 Een week later, in de
vroege ochtend van 26 augustus, ging de spits van
de hoge toren tegen de grond. Het was voorpaginanieuws: ‘Michaelkerk is hoofd kwijt’, schreef de
Zwolse Courant.
16
In de dagen daarvoor had de met bladgoud
beklede koperen torenhaan de begeerte opgewekt
van een aantal Zwollenaren. De Zwolse smid Th.
Jansen had het plan opgevat de haan met een helikopter van de spits te halen. Te gevaarlijk vond de
Rijksluchtvaartdienst.17 In de nacht vóór het omlaag
halen van de torenspits werden er pogingen onderDe sloop van het negentiende-eeuwse koetshuis in de Voorstraat.
Foto in de Zwolse Courant van 7 juli 1965.
Onder: Bescherming
voor de voetgangers
tegen vallend puin van
de Michaëlkerk. Foto in
de Zwolse Courant van
24 juli 1965.
ZHT4 2015 .indd 10 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 147
De ‘Beeldenstorm’ in
Zwolle in beeld gebracht
over de volgende vier
pagina’s, augustus
1965. (Foto’s Dolf
Henneke, collectie
HCO)
De Michaëlskerk vlak
voor de sloop in 1965.
(Collectie HCO)
ZHT4 2015 .indd 11 15-12-15 12:29
148 zwols historisch tijdschrift
ZHT4 2015 .indd 12 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 149
ZHT4 2015 .indd 13 15-12-15 12:29
nomen om de haan te roven. De politie kwam er
tijdig achter en liet de haan door agenten bewaken
tot bovenin de toren. Bij het neerhalen van de spits
raakte de haan los en viel gedeukt in handen van de
slopers. Als een ware trofee werd de haan aan het
toegestroomde volk getoond. Hij werd overgedragen
aan de gemeente, die er na restauratie een goede
bestemming voor zou proberen te vinden.18
En zo kwam er een einde aan de sloop van
de kerk, waarvan het vallende puin meer tumult
op de grond veroorzaakte dan in de geest van de
Zwollenaren. Van enige opwinding was alleen
sprake bij die ene Zwollenaar, die een paar dagen
na de val van de spits een paar foto’s wilde maken
op het bouwterrein. Hij werd opgepakt door een
kapitein van de Landmacht, die hem vertelde
dat het streng verboden was foto’s van kerken te
150 zwols historisch tijdschrift
maken. Die werden namelijk beschouwd als militaire objecten.19
Blijf van onze singels af
De sloop van de St. Michaëlskerk en andere delen
van de oude binnenstad, deed de Zwollenaren
weinig, althans afgaande op de berichtgeving in
de Zwolsche Courant. We stonden erbij en keken
ernaar. Maar toen, in de laatste maand van het
jaar, maakte een ingezonden brief de tongen los
over een vergelijkbaar probleem. Ir. E. Kordens
luidde de noodklok tegen de plannen van de
gemeente om de stadsgracht te dempen over een
breedte van 10 tot 15 meter en daarbij het kappen
van bomen, ter verbreding van de rijbaan op de
Burgemeester van Roijensingel, volgens de briefschrijver de mooiste plek van Zwolle.
ZHT4 2015 .indd 14 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 151
En nog meer uit de tweede helft van 1965
– In september werd het graafwerk in het toekomstige Park de
Wezenlanden stilgelegd bij gebrek aan werkloze arbeiders in
Zwolle. Het grootste deel van de tachtig man sterke ploeg grondwerkers kreeg het afgelopen jaar werk.31
– In de herfst van 1965 was een nieuwe tienerrage vanuit het
westen naar Zwolle overgewaaid. De jeugd maakte jacht op de
oude regencapes van postbestellers. Die hadden dat jaar nieuwe
regenkleding gekregen. De Zwolse Courant: ‘Postbestellers
worden op straat aangeklampt, de koers stijgt tot ongekende
hoogte.’32
– Zwolle naderde de grens van zestigduizend inwoners.33
– Er was al snel een lange wachtlijst voor het pas geopende
doopsgezinde bejaardencentrum De Venus. Alleenstaande
bewoners kregen per tien kamers een badkamer.34
– Jeugdige bromfietsberijders konden in Zwolle plaatjes kopen
met de tekst: ‘Bier is onze vijand; wij hebben onze vijanden
lief’.35
– Er werd driekwart miljoen kubieke meter zand opgespoten
voor het bouwrijp maken van de toekomstige wijk de Aalanden.36
– De gemeente vroeg de burgerij via een inzamelingsactie honderdduizend gulden bijeen te brengen voor de bouw van de Stilo
sporthal. Dat lukte met groot gemak.37
– Minister Vrolijk van CRM opende op 8 november 1965 clubhuis De Klooienberg in de wijk Holtenbroek. Een noodzakelijke
initiatief van de gemeente Zwolle, want zei de minister: ‘Kerkelijke en geestelijke stromingen hebben helaas hun greep op de
mens verloren.’38
De in 1965 afgedankte en door de tieners begeerde regencape
van de postbestellers. (Internet)
De Klooienberg in 1965. (Collectie HCO)
ZHT4 2015 .indd 15 15-12-15 12:29
152 zwols historisch tijdschrift
Die ruimte was volgens de stadsbestuurders
nodig om de explosief toenemende verkeersproblemen in de binnenstad op te lossen. Kordens
betoogde dat het autoverkeer in de toekomst niet
te beteugelen zou zijn en dat door de plannen van
de gemeente onherstelbare schade zou worden
aangericht aan de binnenstad en de singels. Hij
wees onder andere op de kap van acht mooie kastanjes op het Gasthuisplein, die plaats moesten
maken voor bushaltes. De kale plek die zo ontstond, had velen geschokt.20
Burgemeester Roelen was op zijn teentjes
getrapt. ‘Er moet geen paniek ontstaan over de
Burg. Van Roijensingel’, zei hij in de raad. Hij
vroeg het verkeer niet alleen negatief te zien:
‘Het is een leven brengend element. Zonder verkeer zou de city een museum worden, waarin
men alleen op kousevoeten zou mogen rondgaan.’21 Een paar dagen later ging J.W. Schotman,
oud-directeur van het Provinciaal Overijssels
Museum, in de aanval: ‘Moet de mooiste kant
van Zwolle, een van de fraaiste singels van ons
land, geschonden worden omdat de mens al te
veel haast heeft? De nu gezochte oplossing is over
enkele jaren volkomen onvoldoende. Dan moeten
natuurlijk ook de overige bomen eraan en wordt
er gedempt.’22 Ook de Vereniging Vrienden van
de Stadskern gooide zich die maand vol verve in
de strijd: ‘Een zeven eeuwen oude stad kan niet
eindeloos aan het verkeer worden aangepast ter
wille van een winst van tien of twintig jaren (…).
Als het verkeer een leven brengend element in de
binnenstad moet zijn dan zal het zich moeten aanpassen bij de stedebouwkundige structuur van de
binnenstad en niet omgekeerd.’23
De aanval van de singel- en binnenstadbeschermers was wat laat ingezet, maar het punt was
gemaakt. De singels zouden de Zwolse beeldenstorm overleven, veel moois in de binnenstad niet.
Epiloog
Tegen het einde van 1965 was de kleine wereld van
Zwolle veranderd, al was dat misschien nog niet
voor iedereen duidelijk. Achteraf gezien weten
we dat het tijdperk van de befaamde ‘jaren zestig’
dat jaar pas écht begon, al waren er in de jaren
daarvoor al wel voortekenen. In grote steden als
Amsterdam was dat veel duidelijker, met de komst
van provo’s en happenings. Was daar de toon heftig
en soms agressief, in Zwolle uitte die zich vooralsnog in ongebreideld enthousiasme, zoals te zien
was bij de komst van Dave Berry en Beatrix en
Claus. De mantra ‘Zwollenaren doen niet graag zo
raar in ’t volle openbaar’, verloor in de herfst van
1965 toch een beetje zijn geldigheid.
Geraadpleegde bronnen
– POZC: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, in
de tekst kortweg aangeduid als Zwolse Courant
Noten
1. Horst, Han van der, 1950-2000; De mooiste jaren van Nederland. 2013, p. 73-75
2. Idem, p.125-126
3. POZC, 9 september 1965
4. Zie vorige afleveringen van ‘Zwolle in de jaren zestig’ in
het ZHT
5. POZC, 20 november 1965
6. POZC, 19, 20, 24, 25 en 26 november 1965
7. Berkenvelder, F.C., Zo was Zwolle rond 1900. 1970, p.128
8. Wetering, Jan van de, De Zwolse canon. 2008, p. 94-95
9. POZC, 3 juli 1965
10. POZC, 7 juli 1965
11. POZC, 29 juli 1965
12. Stalknecht, H.A., Mensen van mondig geloof, 2007, p. 127-
133
13. Verlaan, Th.G., Gert Oostingh en Pieter Lettinga, Op de
bres voor Zwolle, 1992, p. 30-31
14. POZC, 3 augustus 1965
15. POZC, 19 augustus 1965
16. POZC, 26 augustus 1965
17. POZC, 20 augustus 1965
18. POZC, 26 augustus 1965
19. POZC, 31 augustus 1965
20. POZC, 11 december 1965
21. POZC, 15 december 1965
22. POZC, 16 december 1965
23. POZC, 28 december 1965
24. POZC, 21 juli 1965
25. POZC, 5 augustus 1965
26. POZC, 9 augustus 1965
27. POZC, 10 augustus 1965
28. POZC, 11 augustus 1965
29. POZC, 11 augustus 1965
30. POZC, 14 augustus 1965
31. POZC, 6 september 1965
32. POZC, 11 september 1965
33. POZC, 18 september 1965
34. POZC, 24 september 1965
35. POZC, 25 september 1965
36. POZC, 21 oktober 1965
37. POZC, 21 oktober 1965
38. POZC, 9 november 1965
ZHT4 2015 .indd 16 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 153
Archiveren in de digitale tijd
Een interview met Bert de Vries, de vertrekkende
directeur van het HCO
Bijna negen jaar lang was Bert de Vries
(1961) directeur van het Historisch Centrum Overijssel (HCO) aan de Van Wevelinkhovenstraat te Zwolle. Per 1 november 2015
verlaat hij het HCO voor een nieuwe prestigieuze
baan: hij is aangesteld als directeur van het Stadsarchief Amsterdam. Een mooi moment voor een kleine terugblik op zijn Zwolse jaren. Hij ontvangt ons
op zijn werkkamer, die vlak voor zijn afscheid met
de dag leger wordt. Zijn vertrek kan niemand ontgaan: overal in het gebouw hebben de medewerkers
mini-posters opgehangen met typerende uitspraken
van hun directeur.
Hoe is het je te moede, twee dagen voor je vertrek?
Weemoedig. Afscheid nemen is nooit leuk, maar
het is echt moeilijk hoor. Ik heb hier een hele fijne
tijd gehad. Er heeft in de Stentor een berichtje
gestaan waarin mijn vertrek aan de bezuinigingen
werd gekoppeld. Toen ben ik echt boos geworden.
Want ik had tegen de journaliste gezegd dat er
geen door de gemeente of de provincie opgelegde
reden was om te vertrekken. Maar dat geloven ze
dan niet, dan halen ze er iets bij.
De reden voor mijn vertrek is eenvoudigweg
de unieke kans om archivaris in Amsterdam te
worden. Het is moeilijk om hier weg te gaan, maar
je moet het ook weer relativeren, na ruim acht
jaar hier. Ik heb al veel felicitaties gehad, er is heel
veel waardering uitgesproken en ik krijg nog een
geweldig afscheid. Als ik was gebleven zouden ze
over vijf jaar misschien gezegd hebben, goh, De
Vries zit er nog steeds, dus wat dat betreft is het
misschien ook wel een goed moment, de juiste tijd
voor een opvolger.
Waar werkte je voor je naar Zwolle kwam?
Bij het Nationaal Archief in Den Haag. Ik heb daar
zestien jaar gezeten, in vier verschillende functies, het laatst als adjunct-directeur. Toen kwam
deze functie in Zwolle vrij en dat was een mooi
moment om ergens zelf directeur te worden.
Toen zat je opeens in de provincie. Was dat geen
cultuurshock?
Nee hoor. Ik ben een Westfries, ik kom uit Blokker, een plaatsje bij Hoorn. Dat is wel een beetje
vergelijkbaar, doe maar niet zo gek, doe maar
gewoon, sta met twee benen op de grond. Dus de
overgang was voor mij helemaal niet zo groot, ik
heb me hier altijd heel erg thuis gevoeld. Dat idee
van ‘kiek’n wat het wordt’, niet meteen het achterste van je tong laten zien, ach, dat ken ik wel. Wat
ze hier in Overijssel wel heel erg hebben, is dat ze
moeilijk uit zichzelf kunnen zeggen dat ze ergens
tevreden over zijn. We hebben in Zwolle nu die
schitterende kerk van Waanders in de Broeren
en de Fundatie, het gaat eigenlijk hartstikke goed
hier, maar dat durven uitspreken is nooit zo heel
erg makkelijk. Maar die trots daarop is er wel en
terecht.
Je liefde voor geschiedenis, waar komt die vandaan?
Die interesse is ontstaan dankzij mijn geschiedenisleraar op het atheneum. Zo gaat dat vaak hè.
Dat was een Surinamer die heel boeiend kon vertellen over bijvoorbeeld de Koude Oorlog en de
dekolonisatie, toen een eindexamenonderwerp.
Op een gegeven moment informeerde een andere
leraar bij alle klasgenoten naar wat ze gingen
studeren. Ik ben de zoon van een fruitteler en bij
ons had nog niemand gestudeerd, dus ik dacht,
jee, ga ik studeren? Ik heb toen maar ‘geschiedenis’ geroepen, omdat dat vak op dat moment m’n
hoogste cijfer was. En dat ben ik toen ook gaan
doen.
Maar echt een aangeboren liefde voor het vak,
in de zin dat je er van jongs af aan al mee bezig
Annèt Bootsma –
van Hulten en
Jan van de Wetering
ZHT4 2015 .indd 17 15-12-15 12:29
154 zwols historisch tijdschrift
was, heb ik nooit gehad. We praatten thuis wel
over politiek. Het praatje van G.B.J. Hilterman,
van wie mijn vader een grote fan was, leidde bijvoorbeeld altijd tot heftige debatten. Want ik was
links en dat was volgens mijn vader natuurlijk de
schuld van de school. Maar zo ben ik geschiedenis
gaan studeren, aan de UvA. En dat was aanvankelijk best nog wel een opgaaf vond ik. Ik was een
reisstudent. Maar op een gegeven moment kwam
Reina Fuchs op m’n pad, een docente Joodse
geschiedenis, die wist studenten heel goed te
motiveren. Uiteindelijk ben ik afgestudeerd op
een stukje Joodse geschiedenis uit de negentiende
eeuw. Dat ging over een eerste Nederlandstalig
Joods weekblad, een liberaal blad en daar kwam
natuurlijk reactie op vanuit de orthodoxie. Dat
stukje Joodse emancipatie heb ik als studieobject
opgepakt. Erg interessant. Geschiedenis is natuurlijk een prachtig vak. Reina Fuchs heeft Hans
Goedkoop, de presentator van Andere Tijden,
ook weer enthousiast gemaakt voor de studie. Hij
had het aanvankelijk ook niet zo naar z’n zin in de
studentenwereld. Dankzij Reina is hij doorgegaan
met geschiedenis. Dat dat bij ons allebei ongeveer
zo gegaan is, ontdekten we een paar jaar geleden
toen Hans Goedkoop hier op het HCO een lezing
hield.
Is je belangstelling tijdens je Zwolse jaren veranderd?
Hier ben ik enthousiast geworden over de veertiende en vijftiende eeuw. Het is een stokpaardje
van me dat onze vaderlandse geschiedenis zo’n
enorm negentiende-eeuws stempel heeft gekregen. Want in die conceptie wordt altijd begonnen
met de Opstand en Willem van Oranje. En dan
komt de Gouden Eeuw, terwijl de Hanzetijd en de
bloei hier in het oosten al eeuwen eerder waren.
Dat is toch een glorieuze tijd geweest voor dit deel
van het land. Het staat weliswaar in de historische
canon, maar het heeft toch nooit zoveel aandacht
in onze nationale geschiedenis gehad en dat is
jammer.
Toen de Geschiedenis van Zwolle van Jan ten
Hove in 2005 verscheen was je voorganger Bert
Looper het al oneens met de bescheiden rol die
Ten Hove de Hanze toedichtte, hij wilde toen een
symposium daarover organiseren, maar dat is
nooit gebeurd.
Dat klopt, maar dat zou alsnog moeten. Ik heb
met Margreet Vink, de gemeentearchivaris van
Kampen, afgesproken dat we in 2017 bij de Internationale Hanzedagen een symposium gaan houden. Ik zit wat de Hanze betreft op dezelfde lijn
als Bert Looper. De benadering van de Hanze hier
is een voorbeeld van overdreven Zwolse bescheidenheid, maar dat is niet terecht, de IJssel was een
ongelofelijk belangrijke rivier in die tijd. Kampen
had het Amsterdam van Nederland kunnen zijn
als de IJssel niet was verzand.
Dat is interessant wat je zegt, maar Jan ten Hove zegt
dan, ho, ho, ik heb het onderzocht en ik ben eigenlijk
weinig van belang tegengekomen, zelfs nauwelijks
bewijzen dat Zwolle lid was van de Hanze.
Dat lidmaatschap, dat is hetzelfde verhaal als dat
over de onvindbaarheid van de oorspronkelijke
oorkonde van de Zwolse stadsrechten. Die documenten, dat zijn maar symbolische dingetjes. Lid
of niet, Zwolle heeft enorm geprofiteerd van de
economische bloei die er toen was, zeker in de
tweede helft van de vijftiende eeuw. De Sarijshandschriften bijvoorbeeld, zijn ook uitingen
van een enorme groei en bloei. De lonen stegen
hier heel snel vanwege die grote welvaart. De Sassenpoort werd gebouwd, de Grote Kerk, de OnzeLieve-Vrouwekerk. Zwolle stond in de steigers,
er was een gigantische bouwactiviteit. Het is een
fascinerende periode. De Hanze was een internationaal netwerk van handel en daar maakten
de drie steden, Kampen, Zwolle en Deventer, wel
degelijk deel van uit. Die vermeende tegenstelling
tussen die steden, met name Kampen en Zwolle,
dat viel ook wel mee. Er was regelmatig gezamenlijk overleg, de schepenen troffen elkaar in het
klooster Windesheim, omdat er natuurlijk veel
meer gemeenschappelijk dan tegengesteld belang
was. Pas aan het eind van de vijftiende eeuw, als de
IJssel gaat verzanden, begint het te knellen tussen
Kampen en Zwolle. Er ontstond een economische recessie die spanningen veroorzaakte, maar
daarvoor hadden ze heel veel gemeenschappelijke
belangen.
ZHT4 2015 .indd 18 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 155
Hoe ben je van de geschiedenis in de archiefwereld belandt?
Dat kwam door m’n vervangende dienstplicht.
Na m’n studie moest ik nog in dienst, maar dat
zag ik helemaal niet zitten en toen heb ik gewetensbezwaar aangetekend. Vervolgens heb ik alle
culturele instellingen in Noord-Holland een brief
gestuurd om ergens een plek te krijgen, want dat
moest je zelf regelen. Ik kon toen op het Rijksarchief Noord-Holland in Haarlem aan de slag.
Daar heb ik het hele archiefwerk geleerd. Alles
heb ik daar gedaan, van het lopen met stukken
tot het verpakken, het inventariseren, de dienstverlening en ook nog onderzoek. Ik heb daar een
artikel geschreven over Joodse Provinciale Statenleden in Noord-Holland tussen 1850 en 1940.
Heel interessant, dat waren er ongelofelijk veel.
Maar het leukste in die tijd was dat ik alles mocht
doen. Ik heb niet die primaire drive van veel historici dat ze altijd aan het onderzoeken en schrijven
zijn. Ik heb wel altijd geroepen dat inventariseren
het mooiste vak van de wereld is. Met zo’n archief
bezig te zijn in een depot, daar de orde in aanbrengen terwijl je toch midden in de organisatie zit.
Heb je tegenwoordig nog tijd om te lezen en
te schrijven?
Lezen over geschiedenis doe ik in m’n vrije tijd
Het kon deze herfst
geen enkele bezoeker of
passant van het Historisch Centrum Overijssel aan de Wevelinkhovenstraat ontgaan: het
naderende afscheid van
Bert de Vries. (Foto Jan
van de Wetering)
ZHT4 2015 .indd 19 15-12-15 12:29
156 zwols historisch tijdschrift
wel, maar ik lees niet alles wat voorbijkomt. Ik
ben meer iemand van de hoofdlijnen dan van de
details. Naarmate je ouder wordt weet je meer en
leg je ook makkelijker verbanden. Als historicus
groei je altijd door. Ik filosofeer wel graag over de
hoofdlijn, zoals over de vraag waarom onze nationale geschiedenis zo vanuit negentiende-eeuws
perspectief geschreven is, en waarom ik het niet
eens ben met de mensen die zeggen dat de Hanze
niet zo veel voorstelde. Wat schrijven betreft: ik
heb hier in Zwolle nooit de drang gevoeld tot het
ontwikkelen van grote publicaties en ik had er
trouwens ook de tijd niet voor. Ik ben toch meer
een organisatiemens.
Wat voor opdracht kreeg je mee toen je hier werd
aangesteld?
Het ontwikkelen van zeg maar cultureel ondernemerschap. De mooie hal van het HCO, die net was
neergezet, daar moest wat mee gebeuren. Wat Bert
Looper al in gang had gezet, moest verder uitgebouwd worden. Ik ben denk ik bedrijfskundig
sterker, ik heb in 2005 m’n MBA gehaald. Looper
liet bij zijn vertrek een financieel gat achter, vooral
tengevolge van de nieuwbouw. Daar kon hij ook
niet zo veel aan doen, maar dat moest wel opgelost
worden. Verder moest er een marketing ontwikkeld worden om het HCO verder op de kaart te
zetten. Toen ik hier net was in 2007 had ik al ideeën over iets als Mijn Stad Mijn Dorp (informatieve
site over de geschiedenis van de dorpen en steden
van Overijssel). Er is nog nooit een rijksarchivaris
zoveel de provincie in geweest als ik. Ik ken nu al
die historische verenigingen in Overijssel en dat
is gewoon geweldig. Je kunt heel veel met elkaar
doen, nog veel meer dan nu het geval is, daar heb
ik het met de voorzitter van jullie Zwolse Historische Vereniging ook wel eens over gehad.
Ben je daar optimistisch over, die historische verenigingen? Is dat bestendig denk je? De leden zijn
toch vooral 60-plussers
Tsja, voor de komende tien, vijftien jaar is de
markt nog goed zullen we maar zeggen. Er gaan
per jaar 150.000 mensen met pensioen, en die
zoeken dan al gauw hobby’s. Maar misschien zitten we nu wel op het hoogste punt qua ledenaantallen. Er zijn zo’n honderd historische kringen en
verenigingen in Overijssel, wat ongelofelijk veel
is. Ik heb het wel eens uitgerekend, er zijn tussen
de 80.000 en 100.000 mensen in Overijssel lid van
zo’n vereniging, Als je er vanuit gaat dat het bijna
allemaal 50-plussers zijn, dan is een kwart van de
Overijsselse bevolking in die leeftijdscategorie lid
van zo’n vereniging. Ze hebben lokaal echt heel
veel draagvlak. Het floreert momenteel enorm.
Maar dat geldt voor de hele cultuursector. In
musea zie je ook vooral blanke, hoger opgeleide
50-plussers. Over tien jaar daalt dat misschien,
maar er blijven ook weer nieuwe ouderen komen.
Het kerndoel van het HCO is het beheer van
archief, de wettelijke opdracht. Daarnaast heb
je de publieksfunctie. Wij hebben een beetje het
gevoel dat de publieksfunctie de laatste zeg maar
vijftien jaar een enorme opkomst heeft gekend
terwijl er een neergang van dat kerndoel is. Er
zijn steeds meer ervaren medewerkers vertrokken, waardoor het totaal aan expertise minder is
geworden.
Dat is wel een beetje zo, we zijn op dat vlak
momenteel flinterdun. Maar door onze aanpak
kan het HCO tegenwoordig met veel minder
mensen efficiënter en effectiever opereren dan
vroeger het geval was. Ons depot staat er nu goed
bij. We hebben de laatste jaren keihard gewerkt
aan het opruimen en op orde brengen van dingen
die her en der nog lagen. Dat moest ook, want als
je digitaal gaat, steekt het allemaal veel nauwer,
alles moet dan echt op de goede plek staan. Maar
formatief zijn we er zeker op achteruitgegaan.
Daarom ben ik ook zo blij met de fusie die er aan
zit te komen met het Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek (SAB) in Deventer.
Jullie leveren op archivistisch gebied zeker nog
steeds hoge kwaliteit, maar hoe zit het met de
geschiedkundige expertise? Zijn er straks nog
medewerkers die middeleeuws Nederlands en
Latijn kunnen ontcijferen, of die een zestiende of
zeventiende-eeuws document kunnen lezen?
Dat is een maatschappelijk probleem. Dat ligt breder, dat speelt niet alleen hier, dat hoor ik ook van
m’n collega’s. Ik zie het verschijnsel, maar ik heb
ZHT4 2015 .indd 20 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 157
het nooit als een zorg gezien. Als je er niet zoveel
aan kunt doen, dan heeft het ook niet zoveel zin
om je er druk om te maken. Ik relativeer het altijd
enigszins met de constatering dat de vraag van het
publiek in de studiezaal ook steeds oppervlakkiger
wordt. De jeugd zoekt snel even iets op internet
op en klaar. Ik ben zeker nieuwsgierig hoe dat zich
verder zal gaan ontwikkelen. Maar er komt wel
een tijd dat de noodklok wordt gehesen en die is
niet zo ver meer weg. Het aantal klassiek opgeleide archivarissen loopt overal terug. De oude
archiefschool bestaat ook niet meer, toekomstige
archivarissen worden nu opgeleid in media en
dergelijke vakken, klassiek inventariseren doen
ze al niet meer. Er komt ongetwijfeld een moment
dat iemand roept dat het een politiek probleem is
en dan zal er wel een plan komen. Maar het is een
punt. Daar zou het KNHG (Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap) zich ook eens
over moeten uitlaten en de minister over moeten
aanspreken.
Wordt er momenteel nog promotieonderzoek bij
het HCO gedaan?
Dat weet ik niet precies, maar hoeveel promovendi hebben we er hier ooit gehad? Er zitten natuurlijk veel meer studenten die willen promoveren in
het Nationaal Archief in Den Haag of in de stadsarchieven in de universiteitssteden. Er verschijnen
in Overijssel wel zo’n honderd titels per jaar over
locale geschiedenis. De amateurhistorici zijn veel
talrijker dan vroeger. Als promovendi hier komen
is het vaak voor het raadplegen van deelarchieven ten behoeve van hun hoofdonderzoek. Maar
ja, we hebben ook geen hoogleraar Overijsselse
geschiedenis, zoals in Gelderland het geval is.
Promoveren in Overijssel op een Overijssels
onderwerp, dat zie je niet zo veel. We zijn bezig
geweest om te kijken of er een breed opgezet boek
over de Overijsselse geschiedenis gemaakt kan
worden, maar dat had geen schijn van kans bij de
provincie, er is geen geld. Kun je niet iets digitaals
doen, zeggen ze dan, maar het onderzoek moet
toch gebeuren, daar zitten de meeste kosten in.
Dat betreur ik wel.
Is er in jouw tijd vooruitgang gemaakt met
de digitalisering van het archief?
Echt veel gedigitaliseerd hebben we nog niet eens
zo. We hebben wat er al was op internet gebracht.
Maar we hebben wel een enorme slag gemaakt in
de digitale infrastructuur. Het digitale platform
van Mijn Stad Mijn Dorp is er gekomen en we
hebben ervoor gezorgd dat iedereen via de website gebruik kan maken van de daar opgeslagen
informatie. Daar zie je ook de kosten enorm stijgen. In 2007 gaven we zo’n 30.000 euro aan ICT
uit, nu bijna het tienvoudige.
Denk je dat alles wat jullie hebben ooit op
internet komt te staan?
Uiteindelijk wel, maar dat is een kwestie van
tijd. Er komt op het internet steeds meer ruimte
ter beschikking. De opslag is al helemaal geen
probleem meer. We kunnen pentabytes aan informatie verwerken. Het doorzoeken is ook geen
punt meer, de zoekmachines zijn enorm krachtig.
Het is puur een kwestie van capaciteit, geld en
mankracht, om die zeventien km archief door de
scanner te gooien. Dus het is nu een kwestie van
prioriteren. Wij zijn al blij dat het Rijk geld heeft
vrijgemaakt om het notarieel archief uit de negentiende eeuw te laten scannen.
Alle archiefstukken zitten tegenwoordig in een
zuurvrije verpakking. De romantiek van een mooi
oud depot met portefeuilles is helemaal weg. Alles
zit in dozen. Dat is passieve conservering, maar
het werkt wel. Wat dat betreft zijn er in de jaren
negentig met de microfichering al enorme slagen
gemaakt in het behoud van de papieren archieven. Maar die microfiches zijn inmiddels zwaar
verouderd, zoals dat nu functioneert is het wel
een treurige toestand. Dat moet nodig aangepakt
worden. Geen enkel archief in Nederland heeft
z’n archieven overigens al volledig gedigitaliseerd.
Want als je dat productiematig wilt doen dan
moet je daar door de menskracht die dat vraagt
geld op toeleggen.
We staan eigenlijk nog in de kinderschoenen
met het informatietijdperk. We weten ook niet
hoe het zal gaan met de houdbaarheid van de digitale opslag. We denderen maar door, maar heel
veel weten we er eigenlijk nog niet van.
ZHT4 2015 .indd 21 15-12-15 12:29
158 zwols historisch tijdschrift
De stukken die het meest geraadpleegd worden, moeten het eerst gedigitaliseerd worden, de
burgerlijke stand en dergelijke. Genealogen zijn
een hele grote gebruikersgroep, dus dat gaat allemaal voor. Het Nationaal Archief is nu bezig met
de VOC en de Staten-Generaal. Dat zijn schitterende archieven en dat komt allemaal online voor
een wereldpubliek. Dat is prachtig, maar zover
zijn we hier in Zwolle nog lang niet.
Wat zou jouw prioriteit hebben?
Het kadaster, de bouwvergunningen. We hebben
al een paar keer geprobeerd om dat als een samenwerkingsproject met de gemeente te doen, maar
daar was steeds geen geld voor. Er is veel vraag
naar. De vraag is voor mij het belangrijkste criterium, meer dan de inhoud.
Auteursrechten zijn trouwens een geweldige
belemmering bij de digitalisering van het culturele erfgoed. Neem de Zwolse Courant vanaf 1940,
die kan hier in huis wel digitaal geraadpleegd worden, maar die mag niet op internet gezet worden.
Dat heeft te maken met de auteursrechten van
de fotografen. Tegenwoordig koopt een krant als
opdrachtgever gewoon de rechten, maar destijds
was dat nog niet goed geregeld. Er is geprobeerd
daar jurisprudentie over uit te lokken, maar de
rechtszaken daarover zijn allemaal verloren.
Bert de Vries in een van
de depots van het HCO,
de portefeuilles met uitpuilende papieren van
weleer zijn allemaal
vervangen door zakelijke maar verantwoorde
opbergdozen. (Foto Jan
van de Wetering)
ZHT4 2015 .indd 22 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 159
Waar ben je, terugkijkend op die acht jaren,
trots op en waarvan zeg je, dat is minder gelukt?
Het meest trots ben ik op Mijn Stad Mijn Dorp,
het digitale platform. Niet alleen vanwege de website, maar ook op de hele rol die het HCO daar in
gespeeld heeft en onze daardoor verworven positie in de provincie. De samenwerking met de IJsselacademie, die nu hier in het gebouw zit, is ook
heel goed. Ik ben er ook trots op, dat is heel recent,
dat we samen gaan met het archief in Deventer.
Hopelijk volgt Kampen volgend jaar ook. Dan heb
je ook die veertiende- en vijftiende-eeuwse collecties mooi in hun samenhang. De Moderne Devotie zou je vanuit die invalshoek prachtig kunnen
onderzoeken. We hebben een geschiedenis van
Deventer, van Zwolle, Kampen, maar een geïntegreerde geschiedenis van de IJsselstreek in die tijd
hebben we nog niet.
Ik ben ook trots op alle exposities die we hier de
laatste acht jaar hebben gehad, met name ook de
educatieve over de Tweede Wereldoorlog. Toen
ik hier kwam lagen er nog plannen voor een soort
NIOD in het oosten, een apart instituut rondom
de collectie van Paul Harmens (specialist Tweede
Wereldoorlog en medewerker HCO). Daarvan
heb ik al vrij snel gezegd dat we dat niet gingen
doen, maar dat het wel een blijvende plek in de
programmering moest krijgen. Dat is goed gelukt
en het werkt ook elke keer nog. We krijgen elk jaar
daarvoor zo’n zevenhonderd scholieren hier over
de vloer.
Zwolle is geen universiteitsstad, dus we krijgen niet zoveel jongeren hier op de studiezaal. Ze
komen van Hogeschool Windesheim nog wel eens
met een groep in educatief verband, maar nauwelijks individueel. Het Cibap (Vakschool voor verbeelding) komt hier elk jaar met studenten en de
Pedagogische Academies ook wel, maar dat zijn
dan toch meer tijdelijke projecten.
Hoe gaat dat de komende jaren? De educatieve
taak is hier net wegbezuinigd…
Ja, helaas. Kijk, je moet bezuinigen, je hebt je
archief-wettelijke taken, die moeten gewaarborgd
zijn; daar valt educatie niet onder. Dat is jammer,
want het is ontzettend belangrijk en het was iets
waar we goed in waren. De hal leent zich daar ook
goed voor. Maar die gaan we nu ook anders benutten. We gaan meer met groepsarrangementen
doen, bijvoorbeeld voor historische verenigingen
die hier een ochtend willen komen. We hebben
ook nog wel schoolklassen gepland, waar we dan
wat meer standaardmateriaal voor hebben. Zoals
een les over de Tweede Wereldoorlog die we elk
jaar gaan doen, en een over cultureel erfgoed. We
hebben ook nog de beschikking over een mooie
educatieve website, maar die moet nog verder
worden doorontwikkeld. We gaan er dus nog wel
wat aan doen, maar dan met freelancers en meer
standaard materiaal.
Maar ik hou er niet van om te klagen, dingen
gebeuren, klaar. Dat geldt ook voor alle bezuinigingen die we de afgelopen jaren over ons heen
gekregen hebben. Aan de ene kant zijn dat uiteraard teleurstellingen geweest, maar aan de andere
kant hebben we daardoor organisatorisch ook
juist weer slagen kunnen maken, mensen die zich
op een andere positie opeens heel goed ontwikkelden. Maar het is hier nu wel op wat bezuinigingen
betreft, dat wil ik wel benadrukken.
Wil je verder nog iets kwijt?
Ik ben gewoon trots op het HCO in het algemeen,
we hebben heel veel leuke dingen gedaan, die ook
goed in de krant zijn gekomen. Het publieksbereik is enorm vergroot. Ik kan met een gerust hart
weggaan, er zitten geen lijken in de kast, we staan
er wat dat betreft gewoon goed voor. Alles is op
orde, Deventer treedt toe, het is aan m’n opvolger
om dat verder op te pakken en uit te bouwen.
* Het interview met Bert de Vries vond plaats op
28 oktober 2015. De benoeming van de nieuwe
directeur van het HCO, Arie Slob, was toen nog niet
bekend.
ZHT4 2015 .indd 23 15-12-15 12:29
160 zwols historisch tijdschrift
J
uist op het moment dat ik afgelopen zomer een
artikel over gevelstenen in Assendorp voor
De Assendorper had afgerond, meer in
het bijzonder over zogenoemde eerste stenen,
kwam ik bij toeval er nog een op het spoor. Wat
gebeurde er?
Eerste stenen in Assendorp
De oudste, eerste steen die ik tot nu toe in Assendorp ben tegengekomen zit in de gevel van Assendorperdijk 14. Dit waren oorspronkelijk twee
arbeiderswoningen. Nu is het één woning die wat
afgelegen en verstild ligt te dromen in de schaduw
van het hoge, oude hout van het Dominicanenklooster aan de Assendorperstraat. Op de bewuste
steen is alleen het jaartal nog zichtbaar, ‘1877’, de
overige gegevens lijken weggebikt te zijn. Naar de
redenen hiervan kan ik alleen maar raden: zijn de
direct betrokkenen later gebrouilleerd geraakt of
misschien gescheiden of was er onenigheid over
wie nu precies die eerste steen legde? Intrigerend!
In Assendorp heb ik tot nu toe nog vijf andere
eerste stenen ontdekt, te weten in de gevels van:
Van der Laenstraat 123, Molenweg 99, Van Roijensingel 17 en Tuinstraat 34 en één in de voet van
de toren van de Zuiderkerk. Ze hebben allemaal
ongeveer hetzelfde format: 1. de naam van de legger (met alleen initialen of met de achternaam
De woning Assendorperdijk 14, ooit
twee woningen, maar
ondanks de samenvoeging nog steeds niet
ècht groot. Links van
de rechter voordeur zit
op kniehoogte de eerste
steen; kan het zijn dat
de nieuwste Assendorper al wat langer in de
brievenbus ‘kleeft’..?
Kees Canters
Een oude ‘eerste steen’ uit Assendorp in Gorssel
ZHT4 2015 .indd 24 15-12-15 12:29
zwols historisch tijdschrift 161
voluit, nooit met een volledige voornaam),
2. een datum of alleen een jaartal, 3. aangebracht
op knie- of heuphoogte in de voorgevel van het
betreffende pand, 4. gemaakt van natuursteen,
5. altijd ingemetseld, dus niet òp de gevel bevestigd maar helemaal in de muur verwerkt en
6. met bescheiden afmetingen, vrijwel nooit groter
dan 30×40 cm. Soms staat er ook nog een (verwijzing naar een) tekst op, zoals in het geval van de
Zuiderkerk: Matth: 21vs13a – over het schoonvegen van het tempelplein.
Touwslagerij in Gorssel
Kort nadat ik mijn verhaal voor De Assendorper,
de wijkkrant van de ‘leukste wijk van Zwolle’,
gereed had kwam ik bij toeval terecht in Touwslagerij Steenbergen in Gorssel – langs de IJssel
tussen Deventer en Zutphen, dus een flink eind
van huis. Het is de enige nog in bedrijf zijnde
touwslagerij in Nederland die alleen nog op
ambachtelijke wijze touw maakt. Er wordt daarbij
gebruik gemaakt van natuurlijke vezels, waarvan
eerst garens worden gesponnen (dit gebeurt niet
in Gorssel). Van deze garens worden strengen
gedraaid en tenslotte wordt van twee tot zes strengen een touw geslagen, in elke gewenste dikte en
lengte. Het garen, de grondstof, wordt in grote,
zware en compacte klossen aangeleverd.
Tegenwoordig is dat garen uit Rusland afkomstig en gemaakt van hennepvezels – het garen
is daarmee helaas niet meer van ‘vooroorlogse’
kwaliteit… Ook garen gesponnen van vlasvezels
wordt nog wel gebruikt. Achter de touwslagerij in
Gorssel ligt de bijhorende lijnbaan, zo’n honderdvijftig meter lang. Op deze lijnbaan zijn betrekkelijk recent de opnamen gemaakt voor de film
over het leven en de tijd van Michiel de Ruyter:
‘In een blauwgeruite kiel draaide hij aan het grote
wiel, de gah-ah-ah-an-se dag…’. Dat wiel was, zoals
bekend, het wiel op de lijnbaan van een touwslagerij in Vlissingen.
Bezoek aan Zwolle
De heer Gerrit Steenbergen (1937), die de touwslagerij in Gorssel bij zijn pensionering overdroeg
aan zijn zoon, was toen ik daar langskwam aanwezig op het bedrijf. Hij vertelde op boeiende en
gedetailleerde wijze over verschillende aspecten
van het touwslagersvak, zoals het gebruik van
de juiste vezel, de voor een buitenstaander soms
raadselachtige machines, het zorgvuldig afhechten van het uit meerdere strengen geslagen touw
(met behulp van een slagtand van een walrus!)
en de verschillende typen touw en hun specifieke
gebruik en natuurlijk over de lijnbaan. Allemaal
wonderbaarlijke zaken uit een vrijwel verdwenen
wereld. Voor nadere details over het interessante
en gecompliceerde ambacht van touwslaan, met
name over de in dit vak gebruikte terminologie,
verwijs ik graag naar het lemma ‘touwslager’ op
Wikipedia.
Aan het eind van de rondleiding vroeg Steenbergen mij waar ik vandaan kwam. Toen ik antwoordde in Zwolle te wonen, werd hij helemaal
enthousiast. Dáár had hij namelijk spullen overgenomen van de touwslagerij aan de Van Karnebeekstraat toen die in het begin van de jaren 1960
werd opgeheven, enkele machines, wat gereedschap en wat materiaal. Min of meer terloops
vertelde hij dat hij destijds ook een eerste steen
meegenomen had, als aandenken en als curiosum.
Toen werd ìk enthousiast! Op mijn verzoek om
die steen te mogen zien verdween hij in een donkere hoek van de werkplaats en kwam even later
De eerste steen in de
gevel van Assendorperdijk 14; alleen het jaartal, ‘1877’, resteert.
ZHT4 2015 .indd 25 15-12-15 12:29
162 zwols historisch tijdschrift
weer tevoorschijn met een steen met de vorm en
de grootte van een Vlaamse kassei, zo’n ‘kinderhoofdje’. Hoewel de steen duidelijke slijtsporen
vertoont valt nog steeds goed af te lezen wat er op
staat: ‘F.V.D.B. // 19 APRIL // 1813’ met, als een
soort bekrachtiging, ook nog een dikke streep
eronder bestaande uit twee vleugels met een dikke
punt in het midden. De hoeken zijn subtiel afgesloten met een kwart cirkeltje, een ornament dat je
wel vaker ziet op eerste stenen, soms verder uitgewerkt tot een kwart stralenkransje.
1832
Op de Kadastrale Atlas 1832 (opgemeten tussen
1811 en 1832!) staat op het betreffende minuutblad langs de toenmalige Deventerstraat een langgerekt perceel aangegeven dat omschreven wordt
als ‘lijnbaan met huisje’. De eigenaar van dit perceel was toen Frans van den Bos, ‘wagenmaker’.
Deze Van den Bos woonde in Zwolle, zijn woonen/of werkadres staat niet aangegeven. Aan de
overkant bewoonde Derk van den Bos (‘eigenaar’)
een pand (‘huis en erf ’), later bekend als Deventerstraat 7 – tegenwoordig Van Karnebeekstraat 7.
Aangenomen mag worden dat Frans van den Bos
zich van wagenmaker ontwikkelde tot touwslager
en in de loop van de tijd in het pand van familieDe eerste steen van
touwslagerij Van den
Bos, die oorspronkelijk
ingemetseld zat in het
huisje dat van 1813 tot
in de jaren 1960 stond
op de lijnbaan aan de
Van Karnebeekstraat.
lid Derk van den Bos zijn werkplaats met winkel
kreeg.
Het langgerekte perceel ligt precies op de
plaats waar oorspronkelijk de gracht rond het
Hoornwerk lag, onderdeel van de vesting Zwolle.
Dit verdedigingswerk moest de Sassenpoortenbrug beschermen tegen onverhoopt vijandelijk
vuur in perioden van krijgsgewoel en oorlog. In
de loop van de achttiende eeuw verloor Zwolle
echter haar functie als vestingplaats. Daarmee
kwam onder andere dit verdedigingswerk te vervallen, inclusief de gracht er rondom heen. Vóór
en mogelijk zelfs ten behoeve van de aanleg van
de lijnbaan werd een gedeelte van deze gracht
gedempt, terwijl andere delen nog lang in tact
bleven (zie de ingetekende bruggetjes bij de verschillende percelen ter hoogte van de tegenwoordige Zeven Alleetjes), sommige stukken zelfs tot
in de twintigste eeuw. De bovengenoemde heer
Steenbergen kan zich herinneren dat toen hij hier
in de jaren zestig was, er parallel aan de lijnbaan
een sloot liep. Waarschijnlijk was het voor de
aanleg van zo’n betrekkelijk smalle lijnbaan niet
nodig geweest om de hele gracht te dempen. Hoe
dit ook zij, aangenomen mag worden dat het lijnbaanhuisje, niet meer dan een bescheiden schuur,
door

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2016, Aflevering 4

Door 2016, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
Jan ter Pelkwijk
een ‘merkwaardige’
kindervriend
33e jaargang 2016 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2016.indd 1 11-1-2017 13:39:53
Suikerhistorie
Lunchroom restaurant Backers
Luttekestraat 48
In december 1930 kreeg L. Backers van B en W van Zwolle
vergunning voor de verkoop van zwak alcoholische dranken voor de ‘benedenvoorlocaliteit’ van Luttekestraat 48.
Leendert (roepnaam Leen) Backers (geb. 1903) stamde uit
een zeer muzikale Zwolse familie. Zijn vader Petrus Backers
had een sigarenfabriekje op het Eiland. Daarnaast was hij
dansmeester. De vijf zonen van Petrus Backers – onder wie
Chris Backers, allround musicus met een sigarenzaak in de
Roggenstraat – vormden samen een bandje waarin Leen
drumde.
Het pand Luttekestraat 48 was lang en smal. Het kwam
uit in de Van Hattumstraat waar de keuken was en de vrouw
van Leen de scepter zwaaide. Leen stond achter de toog en
zorgde voor de gezellige praat. Het echtpaar woonde boven
de zaak.
Op het suikerzakje ontbreekt het huisnummer in de
Luttekestraat. De vermelding ‘bij de stoplichten’ was voor
elke Zwollenaar destijds voldoende, want de eerste – en
lange tijd de enige – verkeerslichten in de stad werden eind
1938 op het drukke kruispunt Kamperstraat-LuttekestraatBlijmarkt geïnstalleerd. Al het doorgaande verkeer ging
toen nog door de stad.
Het was een gezellige gelegenheid. Er werd gekletst,
geouwehoerd, een kaartje gelegd en biljart gespeeld.
En ’s avonds schonk Leen ook wel eens een neutje onder de
toonbank. De stemming kwam er dan pas goed in.
Leen hing zijn horeca-jas in 1973 aan de wilgen. Het
pand werd aangetrokken bij de geweermakers- en jachtartikelenzaak van de fa. H.J. Bremer, die al eigenaar was. Voortaan kon je op nr. 48 geen pilsje meer drinken maar waren
er spullen te koop die met de ruitersport te maken hadden.
Sinds 2011 laten dames zich er exclusief aankleden bij Lady
Star Fashion.
186 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie Hogenkamp)
Tegenwoordig is in het pand Luttekestraat 48 een modewinkel gevestigd. (Foto: Annèt Bootsma)
ZHT4 2016.indd 2 11-1-2017 13:39:54
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 187
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 186
Jan ter Pelkwijk (1769-1834)
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
Jan Bijlsma 188
Een jeugd in de Vlasakkers, 1942 – 1955
Annèt Bootsma – van Hulten 201
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 14: Het pakhuis van
Herman Brood Jan van de Wetering 210
‘Veel heil en zegen in het Nieuwe Jaar!!!’
Een nieuwjaarsbrief in oorlogstijd
Geert Banck 220
Boeken en Recent verschenen 223
Mededelingen /Auteurs 225
Redactioneel
Er zijn weinig Zwollenaren die vernoemd
zijn op de kaart van Zwolle. Er zijn maar
heel weinig Zwollenaren die twee keer vernoemd zijn. Dan moet je wel een heel belangrijke
Zwollenaar zijn geweest, iemand van het kaliber
Thorbecke, Thomas a Kempis of Johan Derk van
der Capellen, van wie overigens alleen de eerste
inderdaad twee keer is vernoemd. Maar het is ook
een tegenwoordig wat onbekendere grootheid
gelukt: Jan ter Pelkwijk. Hij heeft het tot een park
en een straat gebracht. Deze Ter Pelkwijk, notabele, provinciaal bestuurder, publicist, geleerde,
actief lid van de Maatschappij tot Nut van het
Algemeen, begaan met de Stadsarmeninrichting
en bovenal geïnteresseerd in onderwijs en een
groot kindervriend staat centraal in het artikel van
Jan Bijlsma.
Hoe relatief roem is blijkt uit de volgende
episode van het vervolgverhaal van Jan van de
Wetering over Zwolle in de jaren zestig. Enigszins
buitensporige ambities tot cityvorming hadden Ter
Pelkwijk – straat, zowel als park – samen met de
Wilhelminasingel bijna van de kaart geveegd. Met
de cityvorming volgde Zwolle de landelijke trend.
En, zo valt uit de Zwolse Courant op te maken,
dat gebeurde ook, zij het op een afstandje, met de
nieuwe muziekvoorkeuren van de jeugd en het
fenomeen van de politieke actie.
Het derde grotere artikel gaat over de herinneringen van emerituspredikant Hans van der
Horst aan zijn jeugd in de Vlasakkers, waar zijn
vader een kruidenierswinkel had. Een relaas over
de Indische Buurt en ruime omgeving in de jaren
veertig en vijftig van de vorige eeuw. Het nummer
wordt gecompleteerd met een suikerzakje van
Backers in de Luttekestraat en een nieuwjaarsgroet van honderd jaar geleden. De redactie sluit
zich natuurlijk volledig bij de goede wensen aan.
Coverfoto: Portret van Jan ter Pelkwijk, omstreeks
1830 geschilderd door Jacobus Schoemaker Doyer.
(Collectie SMZ)
ZHT4 2016.indd 3 11-1-2017 13:39:55
188 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Jan ter Pelkwijk (1769-1834)
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
In het Stedelijk Museum Zwolle hangt een door
Jacob Schoemaker Doyer geschilderd portret van
Jan ter Pelkwijk. Volgens zijn biograaf Gerrit Luttenberg is Ter Pelkwijk daarop afgebeeld zoals hij
op woensdagavonden de wetenschappelijke cursus
voor een select clubje belangstellenden placht te
houden. In zijn linkerhand houdt hij een Goudse
pijp vast, die ook als aanwijsstok dienst doet.1 Jan
ter Pelkwijk zal zo rond de zestig jaar oud zijn
geweest toen dit schilderij gemaakt is. Hij stond
op het toppunt van zijn roem. In 1825 had hij
op verzoek van de gouverneur van de provincie
Overijssel een boek geschreven over de vreselijke
watersnoodramp die het gebied rond de Zuiderzee
had getroffen. Het boek werd een bestseller avant
la lettre en de opbrengst kwam ten goede aan de
slachtoffers van de ramp. En vervolgens was 1828
het jaar waarin een ‘welingerigte’ kleine kinderschool tot stand was gekomen. Ter Pelkwijk had met
hart en ziel aan de totstandkoming ervan gewerkt.
Voor hem was het een blijk van erkenning dat in
1830 koning Willem I de school bezocht. Het was
zijn levenswerk, zijn troetelkind. De school was een
groot succes en had een landelijke uitstraling.
‘Een licht onder zijn tijdgenoten’
Gerrit Luttenberg was niet zuinig met zijn loftuitingen op Ter Pelkwijk. ‘Een licht onder zijn tijdgenoten’ werd hij genoemd en de intellectuele elite
van Zwolle was het daar roerend mee eens. Ter
Pelkwijk was inderdaad een buitengewoon geleerd
mens. Hij had onder meer aan de universiteit van
Harderwijk gestudeerd en mocht de kennis die
hij had opgedaan graag etaleren. Toen het bestuur
van de Zwolse Stadsarmeninrichting hem dan ook
benaderde met het verzoek om voor een select
gezelschap een wetenschappelijke cursus op te
zetten, was hij na wat ritueel tegenstribbelen daar
graag toe bereid. Het moeten memorabele bijeenkomsten zijn geweest. Ter Pelkwijk maakte zich
er niet met een Jantje van Leiden af. Hij bereidde
zich altijd grondig voor, wat vaak op nachtwerk
neerkwam. In het vertrek waar de cursus gehouden werd, was voor niet meer dan dertig belangstellenden plaats. Ter Pelkwijk zat op een stoel
en links van hem was een bord opgesteld waarop
allerlei figuren waren getekend en aan de wand
hingen tal van platen en plattegronden. En, zoals
al gezegd, de pijp diende als aanwijsstok. Dat hij
anderhalf uur achtereen uit z’n hoofd sprak, vond
men heel bijzonder.
Ter Pelkwijk sprak bij voorkeur over Bijbelse
geschiedenis. Maar als hij het over Salomo had
Rechts:Het titelblad van
‘Overijssels Watersnood’ door Jan ter
Pelkwijk. (Heruitgave
2002)
Jan Bijlsma
ZHT4 2016.indd 4 11-1-2017 13:39:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 189
dan schakelde hij net zo makkelijk over op het
thema scheepvaart en de onderlinge handel tussen de volkeren. Toen enkele aanwezigen met
het voorstel kwamen om de geschiedenis van
Overijssel te behandelen, wilde Ter Pelkwijk dat
verzoek graag honoreren mits hij voldoende tijd
zou hebben om eerst alles grondig te bestuderen.
Het was inderdaad geen half werk dat hij leverde.
De geschiedenis werd in ‘eene aaneengeschakelde
orde afgehandeld, en het laat zich vanzelve denken dat ook bij de behandeling van dit onderwerp
alles aangevoerd en te berde gebragt werd, wat uit
de algemeene Geschiedenis en die des Vaderlands,
uit de Aardrijks- en Natuurkunde en uit de zeden
en gewoonten der Volkeren licht en belangrijkheid kon aanbrengen.’2 Ter Pelkwijk leverde duidelijk geen half werk. Je zou kunnen zeggen dat hij
naar perfectionisme neigde.
Toen de cursus in november 1834 weer een
aanvang had genomen, gaf hij aan dat het hem allemaal wat te veel dreigde te worden. Hij zou daarom
in plaats van iets nieuws graag nog eens zijn eerste
les willen herhalen. Aldus geschiedde. Helaas bleek
deze les ook de laatste te zijn. Op weg naar huis
voelde hij zich niet goed. Zijn vrienden moesten tot
hun leedwezen vaststellen dat de toestand van hun
zo gerespecteerde vriend zienderogen verslechterde. Na een ziekbed van vijf dagen kwam Jan ter
Pelkwijk te overlijden, op 18 november. Een van de
aanwezige bestuursleden verkeerde in de stellige
overtuiging dat Ter Pelkwijks laatste woorden ‘de
armeninrichting’ waren geweest. Echt onwaarschijnlijk is dat ook niet omdat hij onnoemlijk veel
tijd en energie in de in 1820 door de Maatschappij
tot Nut van het Algemeen opgerichte Stadsarmeninrichting had gestoken.
Spektakel
De begrafenis vond plaats op 22 november 1834
op de recent (1824) aangelegde algemene begraafplaats aan de Meppelerstraatweg en was een
spektakel zonder weerga. Vrijwel de hele burgerij
was aanwezig. De lijkkoets die geëscorteerd werd
door twaalf hoofdonderwijzers, werd voorafgegaan door kinderen van de Stadsarmeninrichting.
Samen met de kinderen die de lijkkoets volgden
waren dat er vierhonderd in totaal. In de stoet
bevonden zich verder onderwijzers, bestuurders
van de gemeente en de provincie, de curatoren
van de Latijnse school, de Schoolcommissie en het
Nut. Naast de gebruikelijke toespraken zongen de
kinderen een treurzang.3
Dat Jan ter Pelkwijk op zo’n indrukwekkende
wijze begraven werd, was niet zo verwonderlijk.
Hij was een van de meest gerespecteerde notabelen van Zwolle. De in 1769 in Heino geboren
domineeszoon ging al op zijn zevende jaar naar
de Franse school te Barneveld, waar hij de vakken
geschiedenis, natuurkunde, wiskunde en aardrijkskunde volgde. Vier jaar later bezocht hij de
Latijnse school te Zwolle. Als zestienjarige vertrok
hij naar het Athenaeum Illustre te Deventer, waar
hij vooral wiskunde studeerde. In 1790 promoveerde hij als jurist en filosoof te Harderwijk.4
Portret van Jan ter
Pelkwijk, omstreeks
1830 geschilderd door
Jacobus Schoemaker
Doyer. (Collectie SMZ)
ZHT4 2016.indd 5 11-1-2017 13:39:56
190 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Daarna leefde hij vijf jaar ambteloos thuis in de
vaderlijke pastorie, alleen verdiept in de wetenschap en gratis les gevend aan boerenjongens
die lezen noch schrijven konden.5 Vanwege zijn
kennis van de Franse taal vervulde Ter Pelkwijk
tijdens de Franse tijd (1795-1813) tal van functies
binnen het provinciaal bestuur. In 1798 werd hij
griffier van de Provinciale Staten en verhuisde
hij naar Zwolle. Na 1814 werd hij Zwols lid van
de Provinciale Staten en was hij regelmatig lid
van het College van Gedeputeerde Staten. Deze
bestuursfuncties verschaften hem financiële
onafhankelijkheid. Maar waar hij echt warm voor
liep dat was het onderwijs. Al in 1800 was hij
medeoprichter van de Zwolse Nutsschool geweest.
Toen deze instelling rond 1806 (voorlopig) alweer
werd opgeheven, begon Ter Pelkwijk aan jongens
met uitzonderlijk talent huisonderwijs te geven.
Tot aan zijn dood had hij altijd wel enkele van
deze ‘kwekelingen’ onder zijn hoede, onder wie
Johan Rudolf Thorbecke. Bij het herstel van het
hoger onderwijs in 1815 na de Franse tijd had
Ter Pelkwijk met onder meer Rhijnvis Feith zitting in het College van Curatoren van de Latijnse
School.6 Voor zijn biograaf Gerrit Luttenberg
stond het vast dat van alles wat voortreffelijk was
in het karakter van Ter Pelkwijk de kinderliefde de
grootste en meest sprekende trek was.7 Zijn grote
‘passie’ was de in 1828 opgerichte ‘welingerigte
kleine kinderschool’.
Om deze prestatie naar waarde te schatten
doen we er goed aan deze tegen de achtergrond
van de hervorming van het onderwijs aan het eind
van de achttiende en het begin van de negentiende
eeuw te plaatsen.
Onderwijshervorming
Aan het eind van de achttiende eeuw was onderwijshervorming een onderwerp dat hoog op de
maatschappelijke agenda stond. Dit had te maken
met de toen heersende overtuiging dat ‘het geluk
eens volks, eener borgerlyke maatschappy juist
zo groot [is] als het geluk van alle de byzondere
menschen, van alle borgers t’zamen genomen.’8
Dit citaat komt uit het tijdschrift De Borger en
de gedachte dat persoonlijk en maatschappelijk
geluk vervlochten waren, vond veel weerklank in
kringen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Het Nut was in 1784 opgericht en beoogde
de positie van ‘het volk’ te verbeteren. Langs deze
weg zou het verval waar de Republiek mee te kampen had een halt toegeroepen kunnen worden. In
Nutskringen ging men er van uit dat het herstel
pas mogelijk was als de gehele bevolking een
bepaald cognitief beschavingsniveau had bereikt
en daarmee burger van de natie was geworden.9
Herstel werd mogelijk geacht door verbetering
van het onderwijs. Zo rond 1790 was de toestand
van het onderwijs inderdaad ronduit zorgwekkend. Volgens hedendaagse maatstaven moet
het onderwijs echt een rommeltje zijn geweest:
leerlingen zaten door elkaar, met leeftijd en niveau
werd geen rekening gehouden. Er werd hoofdelijk
les gegeven, wat wil zeggen dat elk kind individueel bij de lessenaar van de schoolmeester werd
geroepen om te worden overhoord, het werk te
laten nakijken en een nieuwe opdracht te krijgen.
Om het rumoer een beetje binnen de perken te
houden werd er zo nu en dan een fikse tik uitgedeeld. Een punt van kritiek was ook dat leren
beperkt bleef tot het instampen en dat inzicht
nauwelijks werd gestimuleerd. Verder werd kinderen ingeprent om uit angst voor straf, door God
of mens toegediend, braaf te zijn en trouw aan de
kerk.10
De wens om tot een onderwijshervorming te
komen werd gevoed door tal van nieuwe opvattingen over opvoeding en onderwijs. Volgens
filosofen als John Locke en Jean-Jacques Rousseau
was het jonge kind te ‘vormen’. Opvoeden werd
zodoende meer een creatieve in plaats van een
voornamelijk corrigerende activiteit. Belangrijk
was ook dat de redelijke vermogens van het kind
werden aangesproken.
Binnen het Nut bleek men zeer ontvankelijk
te zijn voor dergelijke nieuwe, verlichte ideeën
over opvoeding. Zo had je in Duitsland de filantropijnen die vonden dat kinderen als kinderen
behandeld moesten worden en niet als volwassenen, dat kinderen veel lichamelijke oefeningen
moesten doen, dat onderwijs in aardrijkskunde
en geschiedenis belangrijk was en dat er aandacht
aan muziek en tekenen besteed moest worden.
Jan Hendrik Swildens (1745-1809), die zich tot de
ZHT4 2016.indd 6 11-1-2017 13:39:56
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 191
onderwijsideoloog van het Nut zou ontwikkelen,
was een half jaar in het Filantropinum in Dessau
geweest en liet zich door die opvattingen sterk
inspireren.11
Nederland was niet het enige land dat zich
druk maakte om de verbetering van het onderwijs, maar wat Nederland onderscheidt van de
omringende landen was dat het zwaartepunt van
de discussie eigenlijk voortdurend bij het elementaire onderwijs heeft gelegen. Hier ging de discussie van meet af aan over wat later de ‘volksschool’
zou gaan heten. Deze discussie vond plaats binnen
het grote kader van het debat over het nationale
verval en het daarin vervatte nieuwe burgerbegrip.
Voor het programma van nationaal herstel werd
opvoeding van het lagere volk een hoofdpunt.
En zo richtte zich de aandacht automatisch op
de school als bij uitstek de instantie waarvan het
bereik zich ook tot armen uitstrekte en bovendien
op een leeftijd dat hun karakter nog niet definitief
was gevormd.12
Vader van de behoeftige volksklasse
Het is aannemelijk dat Jan ter Pelkwijk als lid van
het Zwolse departement van het Nut vanuit een
dergelijk perspectief naar de wereld om zich heen
heeft gekeken. Voor hem sprak het vanzelf dat
onderwijs een belangrijk middel was om armoede
te bestrijden. Ook in Zwolle was armoede een
immens probleem. Rond 1820 waren ruim 1400
Zwollenaren – 10 procent van de bevolking –
afhankelijk van de een of andere vorm van bedeling. Blijkens een rapport waren er in Zwolle veel
arme kinderen die ondervoed waren en nauwelijks kleren hadden ‘om hunnen naaktheid’ te
bedekken.13 Vanuit het Nut werden acties ondernomen om direct de nood te lenigen. Zo werd
in 1815 een commissie ter uitdeling van onder
andere spijzen ingesteld. Deze zorgde er van 1817
tot 1820 voor dat de arme inwoners van Zwolle
‘niet door honger verteerd, noch door koude verkleumd’ werden.’14 De door het Nut geboden hulp
bleef niet beperkt tot deze voedseluitdelingen. In
1820 werd door het Zwolse Nut de armeninrichting opgericht. De doelstelling was ‘verbetering
van het lot der Armen en behoeftigen, door middel van arbeid en onderwijs.’ Ter Pelkwijk kwam
in het bestuur daarvan, en ‘van nu aan’, aldus zijn
biograaf, ‘werd de Stads Armeninrigting het middelpunt van zijn werkzaamheden, de verspreiding en verlichting en beschaving en van zijne
pogingen ter uitbreiding en verbetering van het
De naam van Jan ter Pelkwijk prijkt prominent op het eerste blad van de ledenlijst van de Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen uit 1809, evenals die
van Rhijnvis Feith. Het Nut telde toen negentig leden. (Collectie HCO, archief
Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen)
ZHT4 2016.indd 7 11-1-2017 13:39:57
192 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
lager onderwijs, inzonderheid aan de behoeftige
volksklasse.’15 Ter Pelkwijk was onvermoeibaar in
zijn streven om van die armenschool een succes
te maken. Zijn motivatie moet hij ongetwijfeld
geput hebben uit het optimistisch besef dat kennis mensen op een hoger plan kan brengen. Hij
bemoeide zich met alle facetten die dit werk met
zich meebracht. Hij bedacht leermiddelen, gaf
adviezen over de lesinhoud, gaf les aan toekomstige leerkrachten en als het zo uitkwam, gaf hij
ook nog eens les aan de kinderen. Die waren erg
op hem gesteld. ‘Ome Jan’ werd hij door hen wel
genoemd.16
Jan ter Pelkwijk kan volgens Luttenberg met
recht als ‘den vader van geheel de behoeftige
Volksklasse’ worden beschouwd ‘die alles aanwendt, wat tot hun geluk en tevens tot hun genoegen kan strekken.’ Wat hem uiteindelijk nog de
meeste voldoening zou geven, was de opzet en de
uitbouw van de ‘welingerigte’ kleine kinderschool.
Het zou zijn troetelkind worden.17
Ter Pelkwijks troetelkind, de ‘welingerigte’
kleine kinderschool
Het onderwijs, of beter gezegd de opvang, aan
kinderen van 2 tot 6 jaar werd door zogenaamde
matressenschooltjes verzorgd. Het was waarschijnlijk de meest abominabele vorm van onderwijs. In Zwolle waren er in 1827 39 van dergelijke
bewaarschooltjes. Aan schoolgeld waren de
ouders 5 tot 10 cent per week kwijt.18 De kwaliteit van deze schooltjes liet vaak danig te wensen
over. In 1821 gaf een Haagse hoofdonderwijzer
een weinig lovende beschrijving van een dergelijk
schooltje: ‘In vele dier schooltjes was ik niet bij
magte, wegens stiklucht of onreinheid binnen
te gaan; er werd niets degelijks geleerd, noch bij
het kind ontwikkeld; slechts razen, vechten en
twisten hoorde men er, totdat de maters tusschen
beiden kwam, om de kleinen tot bedaren te brengen, doch sommige vrouwen waren te oud en te
gebrekkig, om eenige orde te kunnen handhaven,
al hadden zij er behoefte aan gevoeld.’19
In Nederland komt er voor dit onderwijs
aan jonge kinderen echt beweging in de zaak als
koning Willem I in 1827 de gouverneurs van de
provincies oproept om ‘welingerigte’ bewaarscholen tot stand te brengen naar het voorbeeld
van de in dat jaar in Brussel opgerichte modelbewaarschool van de Maatschappij tot Nut van ’t
Algemeen.
De raad van de stad Zwolle schoof het verzoek
van de gouverneur van Overijssel door naar de
schoolcommissie en het Zwolse departement van
de Maatschappij tot Nut van het Algemeen die het
naar de in 1820 opgerichte Stadsarmeninrichting
doorschoof.20 En daar hoorde dit verzoek ook
helemaal thuis. De Zwolse raad zag er wel wat in
dat deze nieuwe welingerigte kleine kinderenschool zich zou kunnen ontwikkelen tot een lichtend voorbeeld voor toekomstige bewaarscholen.
Omdat het in deze school meer dan alleen maar
om oppassen of bewaren zou gaan, werden er
extra eisen aan de toekomstige matressen gesteld.
Het nieuwe was dat er ruimschoots aandacht aan
de ontwikkeling van de verstandelijke en zedelijke vermogens besteed moest worden. Dit was
belangrijk omdat: ‘de kinderen in die jaren aan
zichzelve overgelaten wordende, zoo neemt derzelve ontwikkeling veelal eene verkeerde rigting
aan: zij vestigen op niets hunne aandacht, gewennen zich tot altoosdurend speelen, verkrijgen van
geenerhande zaken naauwkeurige denkbeelden
en hunne zielsvermogens geraken, als het ware
aan het sluimeren.’21
Anders dan in de matressenschooltjes was
over dit nieuwe onderwijs aan jonge kinderen
echt nagedacht. De lessen waren zeer aanschouwelijk en ze sloten aan bij de belevingswereld
van de kinderen. In Duitsland was deze aanpak
geïntroduceerd door de filantropijnen en de
pedagoog Johann Heinrich Pestalozzi (1746-
1827), waar Ter Pelkwijk een groot aanhanger
van was.22 Verder liet Ter Pelkwijk zich inspireren door de Groningse onderwijzeres Alberdina
Woldendorp die de Praktische handleiding voor
onderwijzeressen der aanvangs- of kinderscholen
en die der vrouwelijke handwerken voor jeugdige
meisjes (1827) had geschreven. Haar verdienste
was dat ze goed toepasbare aanwijzingen gaf
voor de dagelijkse praktijk van het trainen van
waarneming, gehoor en gevoel van kinderen,
waarmee ze in de lijn stond van de onderwijsopvattingen van het Nut.23
ZHT4 2016.indd 8 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 193
De lessen op de Zwolse kleine kinderschool
bestonden uit duidelijk leren spreken, opmerken
en onderscheiden van voorwerpen, eenvoudige
meetkunde en lezen (alleen voor de oudste kinderen). Geheel in de lijn van de filantropijnen werden er spelletjes en lichaamsoefeningen gedaan.
Het speelmateriaal bestond uit een hobbelpaard,
hoepels, tollen en knikkers.
Het Nut en de welingerigte kleine kinderschool
Dat de welingerigte kleine kinderschool sterk op
het gedachtegoed van het Nut leunt is zonneklaar.
Het was een Nutslid als Ter Pelkwijk te doen om
het brengen van beschaving, om ‘opbeuring’ en
verheffing van de lagere stand. De beschavingsarbeid kon beginnen bij het taalgebruik van de
kinderen. Ook in Zwolle werd daar blijkens het
verslag uit 1834 aan gewerkt:
‘In de eerste plaats oefent men hen in het
opnoemen en aanwijzen der deelen van het eigen
ligchaam, en daarbij gezamenlijk spreken, b.v.
Dit zijn mijn ooren, wat doet gij met de ooren?
hooren met de ooren kan ik hooren enz. De uitspraak der hier op gegeven woorden is hier vooral
noodig, daar men in het Zwolsche dialect de letter
h gewoonlijk laat hooren wanneer zij niet noodig
is en integendeel verzwijgt waar zij vereischt is.’24
Het volk is ‘verbasterd’, het spreekt onverstaanbare
dialecten en daar moet iets aan gedaan worden.25
Ter Pelkwijk moet deze opvatting gedeeld hebben.
Pas in de twintigste eeuw zouden pedagogen een
ander geluid laten horen. Zo was de uit Zwolle
afkomstige veelzijdige onderwijsman Willem
Kloeke (1852-1934) van oordeel dat Zwolse kinderen die voor het eerst naar school gingen niet
goed werden opgevangen omdat ze direct met het
‘deftige’ Hollands werden geconfronteerd. Het
zou veel beter zijn de kinderen in het Zwols op
te vangen. Van leerkrachten in het Zwolse lager
onderwijs mocht je verwachten dat ze het Zwols
beheersten. Willem Kloeke heeft veel verhalen in
het Zwolse dialect geschreven, die in 1931 werden
uitgegeven onder de titel Zwolsche Sketsies.26
En laat nu een van die sketsies uitgerekend over
Jan ter Pelkwijk gaan, door hem de ‘Zwolsche
Pestalozzi’ genoemd. Ter Pelkwijk wordt door
hem als een voorbeeldig pedagoog getekend:
‘D’er was in diie tied ’n skooelopziiender, diie biej
zien skooelbezuken niks anders deed dan onderzuken, wat de kinders van ’t iiene en ’t ander wisten; an
d’uutblinkers gaff-e dan ’n klein papiertien doeur
met zien naeme d’er onder op e-drukt ston:
“Ik ben over U te vrede.
De Schoolopziener.”
‘k Wete niiet of diie skooelopziiender ook nô
de kennisse van Nederlandsche tael informeeren
en of t’er nog meer schooelopziienderas zokke
mooie papierties zonder adres uut-deelen, maer
‘k wete wel, dät Ter Pelkwijk dat veurbeeld niiet
volgen; iie ield niiet van zo’n iiewigdurend papieren bewies van tevrèdeneid; iie ad wat anders. Iie
droegh in de regel ’n eele lange jässe met ’n kneep
in de rugge en lange slippen met groote zakken
en in diie zakken att-e ôste altied appels, paeren,
nötten of ander läkkers veur de kinders, diie goed
adden op e-past.’27
In dit sketsie wijst Kloeke ook op het belang
dat Ter Pelkwijk aan goed zangonderwijs hechtte.
Willem Kloeke (1852-
1934) in 1925. (Uit:
Zwolsche Sketsies, foto
H. Deutman)
ZHT4 2016.indd 9 11-1-2017 13:39:57
194 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Naast populaire liedjes van Hieronymus van
Alphen zoals Jantje zag eens pruimen hangen werd
in het door het Nut geïnspireerd onderwijs veel
waarde gehecht aan het zingen van volksliederen
waardoor liefde tot het vaderland bevorderd zou
worden.
Met de invoering van het klassikale onderwijs
binnen het lager onderwijs was ook het schoolklimaat veranderd. Om te bepalen of een kind naar
een volgende klas kon gaan, moesten kinderen
onderling vergeleken kunnen worden. Schoolrapporten deden hun intrede en vlijt en gedrag
werden beoordeeld. Er kwamen halfjaarlijkse examens en prijsuitreikingen. De prijzen bestonden
uit prenten of boekjes, zodat kinderen, geheel in
de geest van het Nut, een eigen boekenbezit konden opbouwen.28 Deze praktijk werd nu getuige
het Verslag uit 1830 ook naar de kleine kinderschool overgeheveld:
‘Dat bij iedere school en telken schooltijd,
behoorlijke aantekening wordende gehouden
van het gedrag der kinderen, er jaarlijks afzonderlijke openbare examens en prijsuitdeelingen
worden gehouden van de kleine kinderschool (…)
weze examens steeds opgeluisterd werden door
tegenwoordigheid van Zijne Excellentie de Heer
Gouverneur dezer provincie, (…) van Commissie
uit de onderscheidene nuttige inrigtingen in deze
stad, en vooral van de ouders der kinderen. Bij die
examens worden de meest verdienstelijke leerlingen, van Stadswege, met premien, bestaande
deels in boekengeschenkjes en deels van kledingstukken begiftigd. (…) Ter gelegenheid van het
examen der kleine kinderschool en de leerscholen
worden kinderen des avonds van die dag, in het
locaal der inrigting, op bier en brood onthaald.’29
In 1841 kon het bestuur van de Armeninrichting in zijn verslag er vol trots melding van
Fragment uit het verslag in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (23 juli 1830) van het bezoek van koning Willem I aan
Zwolle in juli 1830: ‘Zijne Majesteit bezigtigde, met blijkbare tevredenheid, de onderscheidene scholen enz., zag en hoorde met welgevallen eenige proeven van de wijze waarop de kinderen, ook zelfs die der school van de zoodanige beneden de zes jaren, werden onderwezen, en onderhield zich daarover in het bijzonder met den heer Burgemeester en den heer Mr. J. ter Pelkwijk, welke laatste mede zoo
bijzonder veel aan den bloei der inrigting toebrengt’. (www.delpher.nl)
ZHT4 2016.indd 10 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 195
maken dat het onderwijs van de kinderschool duidelijk vruchten had afgeworpen. Een onderzoek
had aangetoond ‘dat de personen, die bij hunne
opneming tot de kring der bedeelden behooren,
grootendeels daaruit opgebeurd en tot de bijdragende leden van de burgerlijke maatschappij
opgeleid worden.’30 Van 600 oud-leerlingen waren
er 449 uit de behoeftige stand geweest; slechts één
verkeerde in 1841 nog in die staat. Van de 118
kinderen uit de bedeelde stand werden er op dat
moment nog drie bedeeld.31
Zwolle als trendsetter
Wat opvallend is in dit verhaal over het ontstaan
van de de welingerigte kleine kinderschool is dat
in de stad Zwolle zo snel gereageerd werd toen
koning Willem I in 1827 aan de gouverneurs van
de provincies de oproep deed om de bestaande
praktijk van bewaarschoolonderwijs te hervormen. De zaken werden voortvarend aangepakt.
Zo was op 20 oktober 1827 al vastgesteld aan
welke eisen de matressen nieuwe stijl moesten
voldoen. Ter Pelkwijk kreeg de taak toebedeeld
deze vrouwen op hun nieuwe taken voor te bereiden. Bij de beoordeling van hun geschiktheid lette
hij niet alleen op braaf gedrag, goedaardigheid en
kinderliefde maar ook op ‘de opslag van het oog’.
Op 14 augustus 1828 werden kinderen uitgekozen
om tot de school toegelaten te worden en op 29
september 1828, een jaar na de oproep, ging de
school van start met 35 leerlingen.32 De lessen
vonden plaats in het Renovatum, het gebouw van
de Stadsarmeninrichting aan de Blijmarkt dat
later werd afgebroken om plaats te maken voor
het Paleis van Justitie. Zwolle liep echt voorop. In
andere steden met toch ook een burgerlijke elite
die de beschavingsidealen van het Nut waren
toegedaan, werd in het geheel niet of soms veel
later op de oproep gereageerd. Zo kwam er in
Dordrecht in 1844 een stadsbewaarschool en in
Leeuwarden pas in 1850 een Armenbewaarschool.
Ook de aandacht die in Zwolle aan de scholing
van bewaarschoolhouderessen werd besteed, was
nieuw. Lange tijd was deze opleiding, ook wel
‘vormschool’ genoemd, uniek in Nederland. Ze
heeft ertoe bijgedragen dat het bewaarschoolonderwijs een schoolser karakter kreeg; lezen, schrijven en rekenen vormden de belangrijkste bezigheden. In 1836 kwam een soortgelijke opleiding
in Rotterdam tot stand, enkele jaren later gevolgd
door opleidingen in Den Haag en Groningen.33
Dat het in Zwolle zo snel is gegaan mag op het
conto van Jan ter Pelkwijk worden geschreven.
Met tomeloze energie heeft hij zich voor deze
school ingespannen. Is daar een verklaring voor te
geven? Waarom was hij eigenlijk zo gemotiveerd
om met deze onderneming van start te gaan? Om
een – voorlopig – antwoord op die vraag te vinden, loont het de moeite om datgeen wat Gerrit
Luttenberg in zijn Levensberigt over de persoon
Ter Pelkwijk te berde brengt eens nader te bekijken.
Een ‘merkwaardige’ kindervriend
In dit artikel is al meerdere malen naar het Levensberigt van de Zwolse stadssecretaris Gerrit Luttenberg (1793-1847) verwezen. Het is aan hem
te danken dat de mens Jan ter Pelkwijk wat meer
reliëf heeft gekregen. Luttenberg was ook één van
de prominente leden van het Nut en volgens het
Biografisch Woordenboek van Van der Aa was hij
‘in nederige stand’ te Zwolle geboren, maar ‘beurde zich door eigen geestkracht en eigen verdienste
uit die laagte op, en steeg van trap tot trap tot de
waardigheid van secretaris van zijn geboortestad.’
Vrij snel na het overlijden van Ter Pelkwijk werd
het Levensberigt gepubliceerd. Het is een biografie
zoals die vaker in de negentiende eeuw werden
geschreven, namelijk van het type waarin de dode
een overdreven lofrede kreeg en die deed denken
aan de middeleeuwse hagiografie.34 Luttenberg is
inderdaad niet zuinig met zijn loftuitingen, maar
biedt daarnaast veel interessante informatie over
het leven van zijn held.
Het is voor Luttenberg boven alle twijfel verheven dat Ter Pelkwijk een ‘hoogst merkwaardig’,
in de zin van opmerkelijk, man is geweest. Wat
geleerdheid aanging stak hij met kop en schouders boven de gemiddelde Zwolse notabele uit.
De onderwerpen waar hij zich mee bezig hield,
waren, getuige de opsomming van Luttenberg,
zeer divers: Bijbelse geschiedenis, Griekse
beschaving, scheepvaart, tijdrekening, maten en
gewichten, wiskundige aardrijkskunde, natuurZHT4 2016.indd 11 11-1-2017 13:39:57
196 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
kundige aardrijkskunde, de sterrenhemel en de
wind.
Hij was niet alleen ‘merkwaardig’ omdat hij
een aantal opvallende prestaties had geleverd op
het gebied van het onderwijs, maar hij moet door
veel Zwollenaren door zijn doen en laten ook
wel merkwaardig in de betekenis van een beetje
vreemd zijn ervaren. Hij moet een enigszins zonderlinge man zijn geweest.
Luttenberg schrijft: ‘Waar men hem ook aantrof was hij steeds voorzien met onderscheidene
zakboekjes en losse papieren, op welke hij aantekeningen maakte, en met deze boekjes en papieren en onderscheidene kleine gereedschappen van
verschillende aard was hij steeds zoo zeer beladen,
dat de gewone zakken in zijne kleederen niet toereikende waren, om de geheele toestel te bergen;
zoo dat de panden van zijne jas, daarmede geheel
gevuld waren. (…) Die gewoonte, om aantekeningen te houden en steeds met onderscheidene zakboekjes en gereedschappen, als passerdoos, kompas enz. voorzien te zijn heeft hij tot aan zijnen
dood gehouden hetgeen hem in zijne dagelijkse
werkzaamheden van groot gerief was.’35
Voor Luttenberg is het boven alle twijfel verheven dat kinderliefde Ter Pelkwijks allergrootste
deugd is: ‘Nooit was hij gelukkiger dan wanneer
hij zich omringd vond door een groote schare kinderen, hoe jonger hoe liever, en onverschillig uit
welken stand der maatschappij; schoon men altijd
eene zekere voorkeur voor de behoeftige volksklasse, duidelijk bij hem heeft kunnen bespeuren.
Al die leerlingen op de Stads Armeninrigting, ten
getale van meer dan 800, kende hij meest alle bij
hunne namen, bij hun karakter, aanleg en gedrag,
en bij den graad der vorderingen die zij maakten.
In elke school en in elke klasse had hij zijne lievelingen, die met eenen kus of handdruk of ander
teeken van goedkeuring begunstigd werden. En
het kon niet anders, of de man, die met zoo vele
neergebogenheid en teedere liefde voor het welzijn en het genoegen der kinderen zorgde, moest
als een vader geëerd en bemind, en als de algemeene kindervriend beschouwd worden.’36
Jan ter Pelkwijk hield zielsveel van kinderen en liet
dat blijken ook. Het was zijn lust en zijn leven om
‘met arme kinderen dagelijks te verkeeren en aan
hunne onschuldigen spel en vermakelijkheden
deel te nemen.’37 Die hoogst geleerde man, met
zijn opschrijfboekjes, passer en kompas vond het
heerlijk om met de kinderen te tollen en te hoepelen. Dan was hij ‘Ome Jan’. Kunnen we zeggen dat
Jan ter Pelkwijk een pedofiel was? Ik denk het wel,
waarbij we ons goed moeten realiseren dat in die
tijd dat etiket nog niet de negatieve connotatie had
die het tegenwoordig heeft. Pedofilie is wat anders
dan pedoseksualiteit. Iets wat tegenwoordig nog
wel eens vergeten wordt. Het was overigens wel
kinderliefde in extremis en kon wel degelijk argwaan wekken. Zo bestaat er een brief uit 1927
waar de al eerder genoemde Willem Kloeke de
herinneringen van zijn ouders aan Jan ter Pelkwijk opschrijft. Hij deed dat op verzoek van de
heer G.A.W. ter Pelkwijk (1882-1964), die een
verre achterneef van Jan ter Pelkwijk was. Kloeke
schrijft in zijn brief hoe zijn grootmoeder, een
‘godsdienstige maar zeer bijgeloovige vrouw’, door
het doen en laten van de ‘zoo beminden kindervriend’ onaangenaam verrast werd:
‘Mijn moeder kwam als klein kind reeds vaak
met anderen in de stad en… leerde door andere
kinderen den zoo beminden kindervriend Ter
Pelkwijk kennen. Toen ze als tienjarig meisje eens
met haar moeder in de stad kwam, zag ze den
zoo gevierden man en liep, eer haar moeder ’t
kon verhinderen, naar hem toe. Ter Pelkwijk, die
voor dien tijd zeer ouderwets gekleed was, droeg,
zooals mijn moeder vaak vertelde, een lange donkergrijze jas. In die jas waren groote zakken, die
in den regel goed voorzien waren van kleine versnaperingen, prentjes of eenvoudige stukjes speelgoed voor kinderen. Ter Pelkwijk sprak moeder
en kind vriendelijk toe en gaf de kleine een lekkere
peer, maar mijn grootmoeder (de dochter van ’n
catechiseermeester), een godsdienstige maar zeer
bijgeloovige vrouw, die Ter Pelkwijk niet kende
en ontdekte, welk een betooverenden invloed die
zonderlinge mijnheer met zijn schrandere oogen
en toch zoo vriendelijken blik op de kleinen had,
en wel wetende, dat Satan zich soms vertoont in
de gedaante van een engel des lichts, wist haar
dochtertje met een enkel gebaar te beduiden, de
peer niet op te eten. Na van Ter Pelkwijk afscheid
ZHT4 2016.indd 12 11-1-2017 13:39:57
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 197
genomen te hebben, nam ze de peer en gaf haar
kind een betere! Eerst heel veel later begreep mijn
moeder, wat haar moeder had gevreesd.’38
Uit het al eerder aangehaalde sketsie dat
Kloeke schreef, komt duidelijk naar voren dat
hij de reserves die zijn grootmoeder jegens Ter
Pelkwijk koesterde, niet deelde. Het slot van zijn
brief spreekt duidelijke taal: ‘Telkens en telkens
weer wisten mijn ouders wat te vertellen van den
zoo geachten Ter Pelkwijk en zoo werd deze paedagoog, dien ik nooit had gezien, voor mij als kind
een soort heilige en daardoor ook is het mij nu
nog zoo aangenaam eenige regelen aan zijne nagedachtenis te kunnen wijden.’39
‘Een afgetrokkene levenswijze’
Afgaande op de beschrijving van Luttenberg
kunnen we stellen dat Ter Pelkwijk een complexe
persoonlijkheid was. Hij was perfectionistisch. De
manier bijvoorbeeld waarop hij de wetenschappelijke cursus voor het bestuur van de Stadsarmeninrichting voorbereidde, maakt dit duidelijk.
Zonder nu direct zijn persoonlijkheid in een
pathologisch keurslijf te plaatsen, kunnen begrippen als obsessief en compulsief enig licht werpen
op zijn gedrag. Obsessieve mensen zijn heel sterk
op één onderwerp gericht en streven naar het in
detail perfectionistisch zijn. Dat hij zijn hele ziel
en zaligheid in de welingerigte bewaarschool legde, heeft iets dwangmatigs. Toch heeft dit obsessieve wel degelijk een enorme hoeveelheid energie
weten vrij te maken om dit project tot een groot
succes te maken.
Hoewel het Levensberigt veel weg heeft van
een hagiografie, heeft Luttenberg wel degelijk oog
voor enkele zwakke plekken van zijn held. Het
volgende fragment biedt een curieus kijkje achter
de schermen.
‘Het mag noodeloos geacht worden op te
merken, dat Ter Pelkwijk, niettegenstaande zijn
voortreffelijke hoedanigheden, even als alle
menschen, gebreken aankleeft; doch wij blijven
de waarheid getrouw, wanneer wij betuigen, dat
die onvolkomenheden niet zoo zeer uit het hart
voorkomen, maar hebbelijkheden waren, die
voornamelijk hare oorsprong ontleend uit de
De Diezerstraat
omstreeks 1910. Ter
Pelkwijk bleef altijd
wonen in een bovenwoning op nr. 31, het
pand rechts met de gele
luiken en de uitstaande
zonnewering. (Collectie
HCO)
ZHT4 2016.indd 13 11-1-2017 13:39:58
198 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
eenzelvige, afgetrokkene levenswijze, die hij in
vroegere tijd had aangenomen toen hij, zich nog
niet rechtstreeks met het Schoolwezen ingelaten
hebbende, de meeste tijd, buiten het gezellige
verkeer, op zijn kamer doorbragt. De goedaardige man konde echter niet lange uit zijn gewoon
zachte humeur blijven en zijn vrienden, die hem
nauwkeurig kenden, wisten zijn opwellingen
van drift en onvergenoegdheid altijd spoedig
te doen wijken, door zijne denkbeelden af te
leiden, tot het een of ander onderwerp, met het
Schoolwezen in verband staande, te trekken. En,
wanneer de rimpels niet spoedig genoeg van het
voorhoofd weken, dan nam men een ander en
altijd onfeilbaar middel te baat: men zorgde dat
er eenige kleine kinderen, uit zijne lievelingen,
met hem in betrekking kwamen, en, op het aanschouwen deze onnozele kinderen, geraakte zijn
Een jaar na het overlijden en de begrafenis van Jan ter Pelkwijk werd door de stad Zwolle te zijner nagedachtenis op zijn graf een aanzienlijk maar sober vormgegeven monument geplaatst. Het is tegenwoordig een rijksmonument, het is namelijk een van de oudste nog
bestaande gietijzeren grafmonumenten van ons land. (Foto Jan van de Wetering)
ZHT4 2016.indd 14 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 199
ziel terstond in haar gewone zachte stemming en
de armen werden tot de kinderen uitgestrekt en
bij de omhelzingen en liefkozingen der kleinen
verdwenen de sporen van onvergenoegdheid en
geheel het gelaat was opgehelderd.’40
Waar Luttenberg precies op doelt als hij het
over ‘hebbelijkheden’ heeft, is niet geheel duidelijk. Die hebbelijkheden zouden te maken hebben
met het gegeven dat Jan ter Pelkwijk lange tijd
nauwelijks deel had aan het sociale verkeer. Of
dat iets te maken had met zijn status als vrijgezel,
is moeilijk te zeggen. Hij moet in zijn gehuurde
bovenwoning aan de Diezerstraat 31 een tamelijk
geïsoleerd en eenzaam leven hebben geleid. Vanaf
het moment dat hij zich meer met het onderwijs
ging bemoeien, zou er verandering in die toestand
zijn gekomen. Toch scheen hij ook toen nog met
regelmaat geplaagd te worden door opwellingen
van drift en ‘onvergenoegdheid’. In voorkomende
gevallen bleken kinderen op wonderbaarlijke wijze zijn stemming positief te kunnen beïnvloeden.
Het zou interessant zijn om die kinderliefde
van Jan ter Pelkwijk eens nader onder de loep
te nemen. Helaas ontbreekt het ons verder aan
betrouwbare gegevens. Wat echter wel aannemelijk is, is dat zijn preoccupatie met kinderen hem
snel en voortvarend heeft doen reageren op het
verzoek van de koning. Het voorstel viel, zoals we
inmiddels weten, in vruchtbare aarde.
Epiloog
Het is ruim 180 jaar geleden dat Jan ter Pelkwijk
overleed. Zoals in het begin van dit artikel opgemerkt, was zijn begrafenis een spektakelstuk. Het
waren ook ronkende woorden die bij de groeve
gesproken werden. Dominee Van Senden zag
de zon daar onder gaan: ‘Hij was geene star, hij
was eene zon en die zon is ondergegaan voor
Nederland.’ Voor Gerrit Luttenberg was hij ‘een
licht onder zijne tijdgenoten’ en ‘een zeldzame en
gelukkige verschijning aan de zedelijke horizont.’
Lijnrecht tegenover deze loftuitingen staat het
enigszins misprijzende oordeel van Jean Streng
die in zijn boek over het Zwolse culturele leven
in de vroege negentiende eeuw tot de slotsom
komt dat Jan ter Pelkwijk de meest overschatte
Zwollenaar uit de eerste helft van de negentiende
eeuw is.41 Zelf geef ik er de voorkeur aan een
middenpositie in te nemen. Ter Pelkwijk is niet
een groot genie geweest die onsterfelijke meesterwerken heeft gewrocht of grootse ontdekkingen
heeft gedaan. Maar hij is wel een veelzijdig en in
alle opzichten merkwaardig mens geweest. Nu
wil ik meteen toegeven dat Ter Pelkwijk geen
wereldschokkende ontdekkingen heeft gedaan
of grote kunstwerken heeft gewrocht. Maar hoe
bescheiden dat ook geweest mag zijn; hij heeft wel
degelijk een pioniersrol gespeeld op het terrein
van het onderwijs. Met zijn verlichte opvattingen
over opvoeding en onderwijs en met zijn organisatievermogen en zijn enthousiasme heeft hij een
wezenlijke rol gespeeld in de eerste fase van het
ontstaan van het moderne kleuteronderwijs.
Maar zoals gezegd – Jan ter Pelkwijk was een
veelzijdig mens en dan in het bijzonder op het
intellectuele vlak. We mogen ons dan ook gelukkig prijzen dat de Stichting IJsselacademie Kampen in 2002 met een heruitgave van Ter Pelkwijks
verslag van de watersnoodramp van 1825 is gekomen. Volgens Gerrit Luttenberg was het verslag
‘door deskundigen als een meesterstuk in haren
soort beoordeeld geworden.’ Het is inderdaad een
goed leesbaar meesterstuk dat Ter Pelkwijks streven naar perfectie in positieve zin uit laat komen.
Als de tekst een indicatie is van de wijze waarop
Ter Pelkwijk les gaf dan valt het te begrijpen dat
zijn toehoorders daar met groot genoegen naar
geluisterd moeten hebben en dat de wetenschappelijke cursussen waar we dit verhaal mee begonnen zo memorabel waren.
Literatuur
Coronel, S., ‘De bewaarschool: Een schets van een matressenschooltje te Amsterdam in 1827 in 1827’. In:
Kruithof, B., J. Noordman, P. de Rooy (red.). (1982).
Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding,
bronnen, onderzoek. Nijmegen, SUN
Bakker, N., J. Noordman, M. Rietveld-van Wingerden
(2006). Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee &
Praktijk 1500-2000. Assen, Van Gorcum
Bloemhoff-de Bruijn, Ph. (2014). ‘Willem Kloeke’. In:
www.wieiswieinoverijssel.nl
Derde verslag van den staat der Stadsarmeninrigting te
Zwolle op den 1sten Januarij 1841. Zwolle, Tijl
Bootsma-van Hulten, A., ‘Herinneringen van Willem
ZHT4 2016.indd 15 11-1-2017 13:39:59
200 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Kloeke aan Jan ter Pelkwijk’. In: Zwols Historisch
Tijdschrift 26 (2009) nr. 3, 133-137
Hagedoorn, J. en W. van der Most, ‘De welingerigte
kleine-kinderschool van de Stadsarmeninrichting
te Zwolle (1827 tot ca. 1841)’. In: Zwols Historisch
Tijdschrift 3 (1986) nr. 4, 85-96 en 4 (1987) nr. 1,
1-12
Kloek, J. en W. Mijnhardt. (2001). 1800 Blauwdrukken
voor een samenleving. Den Haag, Sdu Uitgevers
Kloeke, W. ((1931) 1986). Zwolsche Sketsies, Kampen
Koenders, P. ‘Het Zwolse Nut’. In: Zwols Historisch Tijdschrift 18 (2001) nr. 4
Kruithof, B, ‘De deugdzame natie. Het burgerlijk beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen tussen 1784 en 1860’. In: Kruithof, B., J.
Noordman en P. de Rooy (red.) (1982). Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding, bronnen,
onderzoek. Nijmegen; SUN
Loo, L. Frank van (1981). ‘Den arme gegeven…’ Een beschrijving van armoede, armenzorg en sociale zekerheid in Nederland, 1784-1965. Meppel Amsterdam,
Boom
Luttenberg, J. (1835). Levensberigt van J. ter Pelkwijk.
Zwolle, Tijl
Pelkwijk, J. ter (2002). Overijssels Watersnood. Een
heruitgave van het verslag van de ramp van 1825.
Kampen, Stichting IJsselacademie
Streng, J.C. (1999). ‘Het is thans zeer briljant’ Aspecten
van het Zwolse culturele leven tijdens de overgang
van ancien regime naar moderne tijd. Hilversum,
Verloren
Streng, J.C. (2004). Zwols Biografisch Woordenboek. Een
draagbaar mausoleum. Hilversum, Verloren
Tweede verslag van den staat der Stadsarmeninrigting te
Zwolle op den 1sten Augustus 1834. Zwolle, Tijl
Voorhorst, M. ‘De deugd der Weldadigheid’ De maatschappij tot Nut van het Algemeen in Zwolle van
1815-1830. In: Zwols Historisch Jaarboek 1989,
25-57
Vries, Th.J. de (1961). Geschiedenis van Zwolle, dl. II,
Zwolle, Tijl
Wolf, H.C. de (1983). ‘Onderwijs en opvoeding in de
Noordelijke Nederlanden 1795-1813’. In: Algemene
Geschiedenis der Nederlanden, deel 11. Weesp, Fibula Van Dishoeck
www.wieiswieinoverijssel.nl (2014). J. ter Pelkwijk, bestuurder en bevorderaar onderwijs
Noten
1. Luttenberg 58
2. Luttenberg 59
3. Streng (1999) 205
4. wieiswieinoverijssel
5. De Vries 178
6. Bootsma 133-134
7. Luttenberg 73
8. Kloek en Mijnhardt 267
9. Kloek en Mijnhardt 261
10. De Wolf 38
11. Kloek en Mijnhardt 283
12. Kloek en Mijnhardt 285
13. Ten Hove 422
14. Voorhorst 33
15. Luttenberg 44
16. Voorhorst 46
17. Luttenberg 66
18. Hagedoorn en Van der Most (1986) 84
19. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 482
20. Hagedoorn en Van der Most (1986) 86
21. Verslag 1830, pag. xvi
22. Hagedoorn en Van der Most (1987) 3
23. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 486
24. Verslag 1834, pag. 29-30
25. Kruithof 366
26. Bloemhoff
27. Bootsma 134
28. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden
468, 469
29. Verslag 1830, pag. xxxvi
30. Verslag 1841, pag.12
31. Hagedoorn en Van der Most(1987) 8
32. Hagedoorn en Van der Most (1986) 88-91
33. Bakker, Noordman en Rietveld-van Wingerden 487
34. www. kunst-en-cultuur.infonu.nl/biografie
35. Luttenberg 7 en 8
36. Luttenberg 73
37. Luttenberg 70
38. Bootsma 136
39. Bootsma 137
40. Luttenberg 72
41. Streng (1999) 23
ZHT4 2016.indd 16 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 201
Een jeugd in de Vlasakkers, 1942 – 1955
Annèt Bootsma – D van Hulten
e Vlasakkers is een klein straatje in de
Indische Buurt, gelegen tussen de Madurastraat en de hoek Javastraat / Riouwstraat. Oorspronkelijk was het een zijstraat van
de Thomas a Kempisstraat, vanuit de stad gezien
helemaal aan het eind gelegen, schuin tegenover
de ingang van de algemene begraafplaats aan de
Meppelerstraatweg. De aansluiting van de buurt
op de Meppelerstraatweg is eind jaren zestig verlegd, waardoor de Vlasakkers feitelijk een zijstraat
van de Madurastraat werd. Voor het gebied tussen de Meppelerstraatweg en de Nieuwe Vecht,
waarin de Vlasakkers gesitueerd is, werd in 1908
door woningbouwvereniging Openbaar Belang
een vergunning aangevraagd voor de aanleg
van straten, ten behoeve van 79 daar te bouwen
arbeiderswoningen.1 Het vormde het begin van
de Indische buurt, zo genoemd omdat de straten
namen kregen uit Nederlands Oost-Indië. Alleen
het stukje Vlasakkers draagt een afwijkende
naam, het is het laatste restant van de weg die in
de negentiende eeuw van de Meppelerstraatweg
schuin naar de oliemolens aan de Nieuwe Vecht
liep. De benaming ‘Vlasakkers’ is een verwijzing
naar de aanduiding en functie van het gebied voor
er huizen kwamen. De bouw van de volgende
tachtig woningen ging van start in 1921, groepsgewijs per twintig.2
De emerituspredikant Hans Pieter van der Horst
(geb. 1942) bracht zijn jeugd door in de Vlasakkers, waar zijn vader een kleine kruidenierszaak
had. Van der Horst studeerde eerst een aantal
jaren geschiedenis in Utrecht, maar zwaaide toen
om naar theologie, uiteraard uit overtuiging, maar
ook omdat hij meer direct contact met mensen
wilde. Hij was predikant in Friesland en NoordBrabant. Via de recentelijk overleden (december
2016) theologe Hebe Kohlbrugge kwam hij al als
student in contact met de destijds onderdrukte
kerkgemeenschap in Tsjecho-Slowakije. Dit resulteerde in een studietijd theologie in Praag en in
vruchtbare, intensieve en langdurige contacten
met christenen daar, die tot op de dag van vandaag
voortbestaan.
Van der Horst stamt uit een eigenzinnige
Zwolse familie, een volle neef van hem was bijvoorbeeld de (kunst)schilder Jan van der Horst
(1924-2014), die de replica van de Nachtwacht
schilderde die zich in Expo Madrid in Dalfsen
bevindt. In 2012 bracht Hans van der Horst
zijn familiearchief, bestaande uit fotoalbums en
documenten, onder bij het HCO. Naar aanleiding
daarvan sprak ik een aantal keren met hem. Zo
ontvouwde zich het verhaal van een gelukkige
jeugd in een buurt waaraan nog nooit aandacht in
dit tijdschrift is besteed, eenvoudig maar liefdevol, een herkenbaar tijdsdocument uit het sobere
en verzuilde Nederland van vlak na de oorlog.
De Vlasakkers, gesitueerd tussen de Thomas a Kempisstraat
/ Meppelerstraatweg
en de Riouwstraat /
Javastraat. Kaart uit de
jaren vijftig. (Particuliere collectie)
ZHT4 2016.indd 17 11-1-2017 13:39:59
202 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Hieronder volgt zijn relaas, over de laatste molenaar van Zwolle, over zijn Joodse ‘nichtje’, over het
verplichte meewerken als middenstandstelg.
Tuberculose
‘Ik ben geboren op 25 juni 1942, in het Sophia
Ziekenhuis. Mijn ouders waren in november 1940
getrouwd, laat voor hun leeftijd, vader was toen
al 41, moeder 30. Mijn vader was Klaas van der
Horst, geboren op 28 april 1899. Hij kwam uit een
gezin van dertien kinderen, waarvan de helft jong
overleed. Mijn moeder was Hendrikje Schurink,
geboren op 22 juni 1910. Haar roepnaam was
Hennie. Zij kwam ook uit een groot gezin, ze had
zeven broers en zusters. Ik was hun eerste kind.
Mijn broer Jaap werd in oktober 1943 geboren en
mijn zus Anneke in 1946. De P in mijn naam staat
voor Pieter. Mijn volle neef Pieter Reijenga, zoon
van vaders zuster Dina, stierf in 1934 op 17-jarige
leeftijd aan tuberculose. Naar hem ben ik vernoemd. Tbc zat in de familie. Mijn vader had
het ook gehad, hij had daarom in eerste instantie
geaarzeld om kinderen te krijgen.
Mijn grootvader Hendrik van der Horst (geb.
1860) was stoker. Volgens zijn zoon Frits werkte
hij bij de zoutfabriek “In Sale Salus” (in het zout zit
het heil) in de Waterstraat. Zijn oude zakhorloge,
dat hij na twaalf en half jaar dienstverband ontving, is in mijn bezit. Daarin staat gegraveerd
“H. v.d. Horst 1 Nov. 1893 – 1 Mei 1906”.
Mijn vader Klaas had alleen lagere school.
Hij heeft nog gevent met zakjes blauw Reckitt,
daarmee moest hij door heel Overijssel trekken.
Hij werkte eerst bij een sigarenbedrijf aan de Luttekestraat. Daar moest hij sigaren wegbrengen en
dan liep hij achter de tram aan in plaats van mee
te rijden, om een dubbeltje uit te sparen. In 1924
kon hij geld lenen bij de Nederlandse Kruideniers
Bond en begon toen een kruidenierszaakje aan de
Vlasakkers. Aanvankelijk bezorgde hij zelf op de
bakfiets, met een mand er op, de boodschappen.
Dat ging door de hele stad, wel tot Langenholte en
Schelle aan toe.
Mijn vader begon zijn winkeltje op de Vlasakkers nr. 6. Het pand was in bezit van Klaas van
Berkum, de schoonvader van zijn oudste broer Jan
van der Horst. Van Berkum woonde er zelf ook,
op 6a. In 1925 verhuisde hij. Daarop betrokken
mijn vader en grootvader Vlasakkers nr. 6a. Mijn
grootmoeder was al overleden. Grootvader is daar
tot zijn dood, op 23 juni 1940, blijven wonen.
Na een paar jaar kreeg Klaas tbc. Zijn zuster
Martha nam de zaak in die periode voor hem
waar. Hij lag in een sanatorium in Apeldoorn.
Toen hij terug kwam en de draad weer wilde
oppakken, bleken er alleen maar schulden te zijn.
Hij kon weer helemaal van voren af aan beginnen. Toen hij de zaak weer op de rit had, kwam de
oorlog. Ik weet niet hoe mijn ouders het in die tijd
gehad hebben. Ze zijn er met de winkel en twee
baby’s doorgekomen. Klaas had nog wel wat en
alles ging ten slotte door, het hele leven. Dit was
niet het westen van het land, dat scheelde ook.
Krediet
De verkoop in de winkel ging in mijn jeugd allemaal op krediet, er werd met boekjes gewerkt. Er
werd vaak pas betaald als de volgende boodschappen gebracht werden. Sommige mensen betaalden
zelfs pas als het boekje vol was. Mijn vader moest
Klaas van der Horst
(1899-1980) als jonge
man.
ZHT4 2016.indd 18 11-1-2017 13:39:59
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 203
dat wel toestaan, bang als hij was om klanten te
verliezen. Hij hielp altijd veel mensen, met levensmiddelen en kredietverlening. Want veel van die
mensen hadden hem geholpen bij de opbouw van
de zaak en die wilde hij niet in de steek laten. Maar
het geld viel soms moeilijk binnen te krijgen. Ik
weet nog dat mijn ouders wel eens zeiden, als die
en die betaalden, dan zouden we lang op vakantie
kunnen. Een keer, ik was een jaar of twaalf, zei
mijn vader voordat ik naar de catechisatie in het
kerkelijk bureau in de Kamperstraat ging, als je
naar dit adres gaat en je krijgt het geld, dan mag je
het houden. Het betrof een gezin in de Javastraat
en het ging om een gulden of zestig, een behoorlijk bedrag in die tijd. Maar ik kreeg de deur voor
mijn neus dichtgesmeten. Dat kon dus flink oplopen met dat kredietsysteem.
Het pand Vlasakkers 6-6a zag er wat vreemd uit.
De voorkant bestond uit een vierkant blok van
twee verdiepingen met een plat dak, daarachter
lag een gedeelte in boerderijvorm. Het zat van
binnen ook ingewikkeld in elkaar. De achterkant
Wat hebben wij vandaag nodig? In het
boodschappenboekje
schreef je niet alleen op
wat je nodig had, maar
er was ook een ideeënlijstje, wat meteen ook
reclame maakte voor
de diverse leveranciers.
Deze mooie kleurenuitvoering dateert uit eind
jaren vijftig.
Vlasakkers 6-6a. Op de
zonnewering staat K vd
Horst, Levensmiddelen.
ZHT4 2016.indd 19 11-1-2017 13:40:00
204 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
van het huis was gewoon een boerderij, inclusief
een hooiberg. Vroeger woonde daar de voerman
D.J. Rietberg. Dat was in mijn kleutertijd nog het
geval. Ik herinner me zijn vrouw nog, die had als
stopwoord “Val d’ömme”. Daarna trok de melkboer, -venter en -rijder Hendrik van den Berg daar
in. Ons gezin woonde naast en boven de winkel en
ook nog gedeeltelijk boven het boerderijgedeelte.
Het was klein. Mijn broertje, zusje en ik sliepen
boven in een kamer met opklapbedden, anders
was er geen ruimte. Daarachter lag de keuken.
De slaapkamer van mijn ouders bevond zich aan
de achterkant, onder het schuine dak. Daar liep
ook nog een trap naar het magazijn beneden, een
houten trap die altijd netjes geboend was, maar
daardoor zo glad dat ik er wel eens naar beneden
gevallen ben. Op een winkeltje op de hoek van
de Sumatrastraat (van ene Banning) en de melkhandel van Van den Berg na, waren wij de enige
winkel in de buurt.
De molen van Marsman
Tegenover ons huis lag korenmolen de Vlijt,
niet te verwarren met die andere korenmolen,
de Beltmolen aan de Thomas a Kempisstraat,
vlak achter de Balistraat. Die was overigens al
afgebroken toen ik geboren werd. Verderop,
langs de Nieuwe Vecht, lagen natuurlijk de
oliemolens van de oliefabriek van Reinders. Wij
hadden het altijd over de molen van Marsman.
Molenaar J. Marsman (geb. 1876) was toen al
op leeftijd en kon het werk nauwelijks meer
aan.3 Als kinderen mochten wij hem op zondag
regelmatig een pannetje soep of vla brengen.
Mijn ouders hebben nog meegeholpen om hem
in 1954 een plaats in het Gereformeerde Rusthuis (tussen het Koewegje en het Blekerswegje)
te verschaffen. Daarmee ging de laatste echte
molenaar in Zwolle met pensioen. De molen
werd verkocht en de nieuwe eigenaar liet hem
in 1955 slopen.
Links: Het echtpaar
Klaas en Hennie van
der Horst-Schurink
(links) voor de winkel
met twee onbekenden.
Rechts: Hans van der
Horst als peuter met
zijn vader en een kennis uit Heino voor de
ingang van de winkel.
Het schuine dak van de
achterkant van het huis
is duidelijk te zien.
ZHT4 2016.indd 20 11-1-2017 13:40:00
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 205
Volksbuurt
Wij speelden met kinderen uit de buurt, zoals de
Java-, Riouw- en Sumatrastraat. Het was een echte
volksbuurt, er woonden arbeiders, lager administratief personeel en kleine handelaartjes. In de
Javastraat woonde een “communist”, die eens het
hele meubilair van een inwonende vrouw uit het
bovenraam op straat kieperde nadat hij haar het
huis uit had gezet. Dat gaf een geweldige oploop in
de straat, het was een echte rel.
Een prachtige plek om te spelen was voor
ons het oude tramstation van de DSM (Dedemsvaartse stoomtramwegmaatschappij), vlak om de
hoek van de Vlasakkers aan de Meppelerstraatweg, recht tegenover de ingang van de algemene
begraafplaats. Na het opheffen kort na de oorlog
van de tramlijn was er een machinefabriekje in het
voormalige stationnetje gevestigd. Ik heb daar nog
eens vastgezeten. Er waren onrechtmatigheden
geconstateerd op het terrein van de voormalige
remise, waar wij graag verstoppertje speelden. In
de veronderstelling dat wij de kwajongens waren
die dat op hun geweten hadden, werd ik in m’n
kraag gevat en naar binnen gesleept. Mijn broertje
Links: Korenmolen de
Vlijt aan de Vlasakkers, beter bekend als
de molen van Marsman. Op de achtergrond zijn de huizen
van de Madurastraat
zichtbaar. (Collectie
HCO)
Rechts: Hans van der
Horst met een onbekende jonge man op
de bok van een van de
wagens van molenaar
Marsman.
Onder: Hans (links) en
Jaap van der Horst met
sjerpen en een vlaggetje op Koninginnedag
1948. De foto is genomen op de Vlasakkers
voor hun huis, richting
Thomas a Kempisstraat
/ Meppelerstraatweg.
Het meisje is Willy van
der Vegte, een vriendinnetje uit de buurt.
ZHT4 2016.indd 21 11-1-2017 13:40:00
206 | jrg. 33 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
waarschuwde moeder: “Ze hebben Hans meegenomen!” Moeder kwam verhaal halen en kreeg
mij al gauw mee. Bij het weggaan braken mijn
zenuwen en schold ik de man achter het bureau
uit, waarvoor ik van moeder een flinke uitbrander
kreeg. Er waren trouwens wel meer mogelijkheden om te spelen, we woonden in feite aan de rand
van de stad, achter de Bankastraat lag toen nog
niks, alleen weiland tot aan de fabriek van Reinders.
Mijn vader kwam uit een arbeidersfamilie, mijn
moeder uit een middenstandsmilieu. Haar familie kwam oorspronkelijk uit Steenwijk. Mijn opa
Hendrik Schurink (1869-1940) ging als bakkersknecht in Zwolle werken. In 1927 liet hij een
bakkerszaak op de Thomas a Kempisstraat 103
bouwen. Maar omdat hij zwaar diabetes had, deed
hij die in 1933 over aan zijn zoon en diens vrouw.
Dat waren mijn oom Gé en tante Rinie Schurinkde Lange. Zij woonden boven de winkel. Opa
Schurink (1869-1940) en zijn jongste dochter,
mijn moeder, bewoonden de bovenste verdieping.
Schuin daartegenover was het schildersbedrijf
van mijn oom Jan van der Horst (de vader van
de kunstschilder Jan van der Horst) gevestigd, zo
hadden mijn ouders elkaar leren kennen. Mijn
moeder zou de verpleging ingaan, maar kreeg
toen kennis aan mijn vader.
Een veel oudere neef van mij, de zoon van de
oudste zus van mijn moeder, was dominee. Dat
was de eerste die studeerde in de familie, ik was
de derde. Mijn neef Jaap Schurink, ook een stuk
ouder, was de tweede. Hij is dierenarts geworden.
Tijdens de oorlog heeft hij zich als student nog
een keer in de hooiberg van Rietberg, onze achterburen, moeten verstoppen omdat er opeens
Duitsers in de winkel stonden, ze bleken uit te
zijn op flessen slaolie die in de etalage stonden.
Jaap was toen toevallig bij ons. Hij heeft aan
het eind van de oorlog nog voor de Canadezen
gewerkt.
“Ie wörren zeker ok dominee”
Voor de buurt waar we woonden was het wel
bijzonder dat ik na de lagere school naar de middelbare school ging, het christelijk lyceum aan de
Veerallee. “Ie wörren zeker ok dominee, ie gaon
naor ’t Lyceum.” Dat was ik helemaal niet van
plan, ik wou geschiedenisleraar worden. Want
een meneer Vijfhuizen op mijn lagere school,
de christelijke Koningin Emmaschool aan de
Jacob Catsstraat in de Wipstrik, kon schitterende
geschiedenisverhalen vertellen, over bijvoorbeeld
Napoleon en de slag aan de Berezina, ik krijg het
er nog koud van als ik er aan denk. Later op het
lyceum trof ik Jan van Dijl als geschiedenisleraar.
Hij wist alles over de Oranjes en andere vorstenhuizen en kende daar mooie anekdotes over. Hij
heeft zelfs een keer voor groothertogin Charlotte
van Luxemburg
mogen vertellen over voor haar onbekende
familieleden. Van Dijl bracht mij de eerste beginselen van de genealogie bij en leerde mij toneel
spelen. Ik heb veel aan zijn lessen gehad.
Wij liepen met de kinderen uit de buurt via de
Riouwstraat, de Borneostraat, de Vechtbrug en
de Vondelkade naar de lagere school. Ik kan me
nog herinneren dat tijdens de watersnoodramp in
1953 het water bij de Vechtbrug heel hoog stond.
Van de ramp zelf kreeg je eigenlijk nauwelijks
iets mee, maar dat hoge water, dat beeld blijft dan
hangen. Je liep heel wat af in die tijd, mijn beste
vriendjes op school woonden bijvoorbeeld op de
Philosofenallee en de Badhuiswal en daar ging je
lopend heen.
Hans van der Horst
met een parasolletje en
daarachter zijn neef
Jaap Schurink. De foto
is genomen voor het
huis op de Vlasakkers,
richting de Riouwstraat. Links begint de
Javastraat.
ZHT4 2016.indd 22 11-1-2017 13:40:00
zwols historisch tijdschrift jrg. 33 – nr. 4 | 207
Mijn Joodse “nichtje”
Zo’n zes maanden na mijn geboorte lag er opeens
een baby’tje bij ons op de stoep, een klein meisje
met heel donker haar. Mijn ouders hebben haar
naar het Sophia gebracht en de volgende dag
stond in de krant dat er een blond vondelingetje
gevonden was. Dat klopte niet, maar men vermoedde dat ze Joods was en dat wilden ze niet te
veel benadrukken. Er werden in de tweede helft
van 1942 in Nederland regelmatig Joodse kinderen te vondeling gelegd in de hoop ze zo van vervolging te redden. De Duitsers verordonneerden
begin 1943 dan ook dat iedere vondeling voortaan
als Joods zou worden aangemerkt tot het tegendeel was bewezen.
Mijn oom Frits, die het verhaal van de vondelinge hoorde, is meteen naar het ziekenhuis
gegaan en heeft haar mee kunnen krijgen. Hij en
zijn vrouw Roelie van der Hulst hadden geen kinderen, ze hebben het meisje opgenomen en uiteindelijk opgevoed. Zo werd Hetty, zoals ze genoemd
werd, mijn “nichtje”. Later bleek dat ze inderdaad
Joods was en uit Hengelo kwam en dat de verzetsmensen die haar hadden gebracht eigenlijk
eerst mijn oom en tante Schurink op de Thomas
a Kempisstraat in gedachten hadden gehad om
het kindje neer te leggen. Want ze wisten dat mijn
tante Rinie ook uit Hengelo afkomstig was. Maar
men had de situatie daar niet veilig gevonden en
zo waren ze bij een zus van de bakker, mijn moeder dus, uitgekomen. De ouders en

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2017, Aflevering 4

Door 2017, Aflevering 4, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift
De Reformatie in Zwolle
Werelden van verschil
34e jaargang 2017 nummer 4 – 8,50 euro
ZHT4 2017.indd 1 23-1-2018 16:24:10
Suikerhistorie
Café Van Limburg, Van Karnebeekstraat 125
Het pand is in 1909 gebouwd als café in opdracht
van G.W. van Dun, zoon van een horeca-ondernemer, en ontworpen door de bekende Zwolse
Jugendstilarchitect G.G. Post (1877-1928). Het is
het laatste huis in de (toen nog geheten) Deventerstraat vlak bij de Hoge Spoorbrug. Kort na de
oorlog werd de straat omgedoopt in Van Karnebeekstraat, naar jonkheer mr. M.P.M. van Karnebeek, burgemeester van Zwolle tijdens de Tweede
Wereldoorlog.
G.W. van Dun woonde zelf vanaf 1910 op villa
Vijverberg aan de Beukenallee en verhuurde het
café. De pachters, onder meer B. Hoff en S. Zwiers,
komen in de Zwolse adresboeken voor als zetkastelein, koffiehuishouder en verlofhouder. Het
pand stond bekend als het Stations-koffiehuis,
waar op zaterdagavond kon worden gedanst
Op zaterdag 5 december 1936 opende de
nieuwe eigenaar, Engelbertus van Limburg (1877-
1957), het ‘van ouds bekende, geheel naar de
eischen des tijds’ her-ingerichte café. Er waren
volgens de Zwolse Courant prima consumpties te
verkrijgen en het biljart was van een uitstekende
kwaliteit. Zijn zoon Bernardus (1911-1980) volgde hem als eigenaar op. De naam van het pand
was na de oorlog veranderd in café Van Limburg
of Limburgia. De periode Van Limburg werd afgesloten rond 1975. Daarna kon men er pannenkoeken eten. Bovendien bood het onderdak aan de
Chr. HEAO-studentenvereniging Oikos Nomos.
Al geruime tijd is nu in het pand restaurant
La Terra Italiana gevestigd met een uitgebreide
Italiaanse keuken, waar je niet alleen pizza’s en
pasta’s kunt eten maar ook allerlei andere gerechten. Buon appetito.
174 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
(Collectie ZHT)
Het pand van het voormalige café Van Limburg bij de Hoge Spoorbrug, tegenwoordig restaurant La Terra Italiana. (Foto Annèt Bootsma)
ZHT4 2017.indd 2 23-1-2018 16:24:15
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 175
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans 174
De Reformatie in Zwolle
Werelden van verschil Jan Bijlsma 176
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 15: Hi-Ha-Happening
Jan van de Wetering 195
Evert en Marie Hartman en hun speelen theetuin Harry Koopman 208
Recent verschenen 219
Auteurs 221
Redactioneel
Vijf eeuwen geleden spijkerde Maarten
Luther zijn 95 stellingen op de deur van
de kapel in Wittenberg. Reden voor het
uitroepen van een herdenkingsjaar: ‘500 jaar
Reformatie’. Het Zwols Historisch Tijdschrift
besteedt in dit laatste nummer van 2017 aandacht
aan de Reformatie in Zwolle. Auteur Jan Bijlsma
schetst een boeiend beeld van de vele vormen die
de Reformatie in vijf eeuwen (en zelfs een beetje
meer) in Zwolle heeft gekregen.
Jan van de Wetering is in zijn tocht door de
jaren zestig inmiddels aangekomen in het jaar
1967. Zwolle droomt van grootse uitbreidingen en
er wordt geducht gesloopt in de binnenstad. Park
de Wezenlanden wordt aangelegd met de hulp
van werklozen die het verboden wordt machines
te gebruiken. Men vreest de moderne jeugdcultuur die in de grote steden in het westen van het
land opkomt. Door het oprichten van clubhuizen
hoopt men alles in goede banen te leiden. Het
verhindert niet dat ook wat Zwolse jeugd zich
buiten de voor hen gebaande paden ging treden.
De eerste Zwolse hippies worden gesignaleerd op
een boot in Frankhuis en bij een happening in het
Engelse Werk.
Hoe anders was de Zwolse jeugd aan het begin
van de twintigste eeuw. Die speelde in speeltuin
Hartman aan de Wipstrikkerallee. Auteur Harry
Koopman, nakomeling van de naamgever van de
speeltuin, vertelt over zijn familiegeschiedenis en
de geschiedenis van speel- en theetuin Hartman.
Geïnspireerd op theetuin Thijssen aan de Willemsvaart begon het echtpaar Hartman in de jaren
tien van de vorige eeuw een soortgelijke uitspanning aan de andere kant van de stad. Diverse zelfgemaakte attracties, versnaperingen en prieeltjes
waren een succesvolle formule voor een goedlopend familiebedrijf .
De redactie wenst u weer veel leesplezier.
Cover: Zwolle begin zeventiende eeuw, gezien
vanaf het Zwartewater. Anoniem. (Collectie
Stedelijk Museum Zwolle)
ZHT4 2017.indd 3 23-1-2018 16:24:16
176 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
I
n 1924 beweerde Albert Hyma, een Amerikaanse protestant met Nederlandse roots,
dat de Moderne Devotie voor het keerpunt
in de Europese geschiedenis heeft gezorgd. Geert
Grote (1340-1384) komt volgens hem de eer toe
de grondlegger te zijn geweest van wat hij de
christelijke renaissance noemt. Hij mag als de
spirituele vader van grote geesten als Thomas a
Kempis, Wessel Gansfort, Erasmus, Hegius, Agricola, Luther, Zwingli, Calvijn en Loyola worden
beschouwd.1 Deventer en Zwolle zouden dus de
bakermat van de Reformatie zijn geweest. Voor de
citymarketing van deze steden zou dat natuurlijk
geweldig zijn geweest. Maar helaas, de vlag kan
binnen blijven. Door de kerkhistoricus R.R. Post
is dit boek eind jaren zestig van de vorige eeuw
grondig gefileerd.2
L.J. Rogier had er eind jaren veertig al op
gewezen dat er vaak op erg simplistische wijze een
relatie tussen de Moderne Devotie en de Reformatie wordt gelegd. Zo van: ‘Geert Grote werkte aan
een hervorming, Luther werkte aan een hervorming; dus werkten beiden aan de hervorming.’3
Er zitten zeker enkele aanrakingspunten tussen Moderne Devotie en Reformatie, maar in de
kern blijft de eerste een echt rooms-katholieke
beweging. De devoten waren trouw aan de paus,
ze waren hartstochtelijke Maria-vereerders, ze
verleenden aflaten, geloofden in de verdiensten
van heiligen en hun tussenkomst bij God en, zoals
de negentiende-eeuwse kerkhistoricus Acqouy
dat formuleert, heeft de beweging ‘nooit de minste
overhelling tot het protestantisme getoond.’4
De brief aan de Romeinen
Niet met de Moderne Devotie maar met Luther
begon de Reformatie. Vaak wordt het publiceren
in 1517 van de 95 stellingen over de aflaatpraktijk
als het begin gezien. Dat is niet helemaal juist.
Naar hij zich later herinnerde, heeft Luther in de
herfst van het jaar 1515 of 1516 zijn fundamenteel
inzicht na intensieve studie en ingespannen peinzen gekregen dat de verhouding tussen God en
mens niet in de sfeer van het straffen en belonen
ligt, maar bepaald wordt door genade. In de brief
van de apostel Paulus aan de Romeinen was hij
getroffen door de zin dat God vrijspraak schenkt
aan allen die in Jezus Christus geloven. God eist
geen goede werken, maar vraagt om persoonlijk
vertrouwen in de vergeving der zonden.
Maarten Luther (1483-1546) was professor
aan de pas opgerichte universiteit van Wittenberg.
Hij was een man die enorm geworsteld had met
zijn geloof. Hij werd een tijdlang volledig in beslag
genomen door de vraag of hij ooit wel gered zou
worden. Als monnik had hij zich met grote ijver
geworpen op alle mogelijke goede werken. Maar
al dat vasten, waken en bidden had voor zijn
De Reformatie in Zwolle
Werelden van verschil
Jan Bijlsma
Maarten Luther met
zijn echtgenote Katharina von Bora in 1529.
Olieverf op paneel
door Lucas Cranach de
Oude. (Internet)
ZHT4 2017.indd 4 23-1-2018 16:24:17
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 177
gevoel geen enkel effect. Hij kwam in een grote
crisis terecht. Hoe heiliger Luther probeerde te
worden, des te meer werd hij zich zijn verlorenheid bewust. Hij vreesde dat God hem voor eeuwig verworpen had. Al die inspanning was dus
zinloos geweest. Hij ging God haten.
Grondige bijbelstudie leidde, zoals gezegd, uiteindelijk tot een verlossend inzicht. Voor Luther
was de consequentie van dit nieuwe inzicht dat
alle kerkelijke praktijken opnieuw vanuit het licht
van het Woord van God in de Bijbel doordacht
moesten worden.
Als we de rooms-katholieke kerk van rond
1500 vergelijken met een imposant gebouw waar
in de loop der tijden van alles verbouwd is en bijgebouwd dan kan Geert Grote gezien worden als
iemand die bouwvallige onderdelen wil slopen en
andere delen restaureren. Luther daarentegen ziet
herbouw op basis van de oude fundamenten als
enige mogelijkheid.
Met Luther breekt een nieuwe fase aan in
het christelijk denken. Niet goede werken, maar
alleen het geloof (sola fide) kan de relatie met God
herstellen. De praktijk om het leven van heiligen
na te volgen, heeft dan ook geen enkele betekenis
meer. Het geloof is dan ook niet een persoonlijke
prestatie, maar de vrucht van genade (sola gratia)
en het enige geschrift dat echt telt is de bijbel (sola
scriptura).
Binnen deze visie is er in het geheel geen ruimte meer voor de aflaat.
Aflaat
Volgens een definitie op de site van de KRO is
een aflaat een kwijtschelding van straffen die de
gelovige in het hiernamaals moet uitboeten.5 Deze
praktijk is in de vroege Middeleeuwen ontstaan
en wordt nog steeds gepraktiseerd. Vergeving van
zonden is duidelijk niet alleen een kwestie van
geloof zoals Luther meende. In de Katholieke Kerk
worden zonden vergeven in het sacrament van de
biecht. Daarmee is de kous nog niet af. Om voor
kwijtschelding in aanmerking te komen, moet
er boete worden gedaan. Men zou bijvoorbeeld
kunnen denken aan deelname aan een bedevaart,
het doen van vrijwilligerswerk of het doneren aan
een goed doel. De aflaat wordt verkregen na de
boetedoening en deelname aan de Heilige Mis en
het ontvangen van de communie en wanneer het
Onzevader is opgezegd en er is gebeden voor de
‘intenties van de paus’. Pas dan krijgt de gelovige
kwijtschelding van de louteringen in het hiernamaals.
Voor Luther vormde de aflaatpraktijk een
bewijs dat er veel mis was in de katholieke kerk.
Om van zijn schulden bij de paus af te komen
kreeg aartsbisschop Albrecht van Mainz van de
paus toestemming om een grote aflaathandel te
organiseren. De helft van de opbrengst mocht hij
voor afbetaling aanwenden, de andere helft zou
voor de bouw van de Sint Pieterskerk bestemd
zijn. Het ergerlijke was dat Albrecht er veel reclame voor maakte. Het zou gaan om een echte ‘aanbieding’. Echt berouw was niet nodig en omdat
de aflaatbrief ook in het stervensuur kon worden
ingelost was hij in de ogen van het volk praktisch
een vrijbrief om te zondigen.6 Dit was niet anders
dan lichtvaardige koophandel met de hemel.
Luther besloot daarom van dit onderwerp een
theologisch dispuut te maken. De 95 stellingen
vormden hiertoe een aanzet.
Simon Corver en Gerardus Listrius
Volgens de negentiende-eeuwse Franse schrijver
Victor Hugo is de uitvinding van de boekdrukkunst de grootste gebeurtenis in de geschiedenis
geweest. Het is de moeder van alle revoluties. Dit
geldt zeker in het geval van de Reformatie. Binnen
enkele weken waren de 95 stellingen van Luther
door heel Duitsland verspreid. De boekdrukkers hebben de kwestie tot een zaak van het volk
gemaakt.
M.E. Kronenberg, die onderzoek heeft gedaan
naar opstandige drukkers in de hervormingstijd,
stelt dat Zwolle destijds een uitstralingscentrum
van grote betekenis is geweest.7 In 1519 vestigde
Simon Corver zich in de stad. Hij noemde zijn
bedrijf Officina Corveriana. Over zijn leven is
nauwelijks iets bekend. In het Latijnse gedicht
Elegia vertelt hij dat hij als kloosterling vanwege
zijn lutherse opvattingen uit Amsterdam verdreven was. Na omzwervingen tot in Rusland toe
komt hij uiteindelijk in bona Suolla (het goede
Zwolle) terecht. Hij is erg enthousiast over de stad.
ZHT4 2017.indd 5 23-1-2018 16:24:17
178 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Waarom hij kort na maart 1523 Zwolle verlaat en
zich in Hamburg vestigt, is niet bekend.8 Bij de
Officina verschenen boeken van Erasmus. Van
Luther verschenen onder andere diens geschrift
over de vrijheid van een christenmens.
Het is niet uitgesloten dat Simon Corver op
verzoek van Gerardus Listrius, de rector van de
Latijnse school, naar Zwolle is gekomen. Gerardus Listrius (Gerrit Lijster) werd in 1490 in Rhenen geboren en was van 1516 tot 1523 rector van
de Zwolse Latijnse school. Het was een man die
toen hij in Zwolle werd aangesteld al een behoorlijke staat van dienst had. Na in Deventer en Leuven te hebben gestudeerd, ging hij naar Bazel,
waar hij met de toen al overal bekende humanist
Desiderius Erasmus kennis maakte. Op diens
verzoek verrichtte Listrius allerlei correctiewerkzaamheden en schreef een commentaar op de
Lof der Zotheid. Eenmaal in Zwolle zag hij het als
zijn taak om de Zwolse jeugd voor de opvattingen van Erasmus enthousiast te maken. Hij stond
in een nauwe betrekking tot de Officina Corveriana. Voor Corver keurde en selecteerde hij de te
drukken boeken. In tegenstelling tot de stedelijke
overheid die er trots op was om een dergelijk
geleerd man in haar stad te hebben, waren de
broeders van het Dominicanenklooster buitengewoon argwanend. Dat Listrius zo enthousiast
het denken van Erasmus propageerde, was hen
een doorn in ’t oog en dat hij ook nog eens goede
contacten onderhield met die ketterse Luther
werd door de broeders als hoogst gevaarlijk
beoordeeld. Het duurde dan ook niet lang of
Listrius werd vanaf de kansel door de prior van
het klooster van ‘lutherije’ beticht. De dominicanen waren geharnaste tegenstanders, maar
Listrius liet zich niet onbetuigd en reageerde in
de tweede helft van 1520 met een opmerkelijke
theologische brief (Epistula theologica adversus
Dominicanos Suollenses) gericht aan de prior.
Afgaande op zijn toon, moet Listrius een strijdbare man zijn geweest:
‘Jij bent hier in Zwolle degene die het eerst de
strijdtrompet geblazen heeft. Jij hebt in je preekjes,
die overigens alleen door vrouwtjes bezocht worden die er toch niets van begrijpen, de zaak van
Luther ter sprake gebracht. Wanneer er iemand is
Een uitgave van een
werk van Listrius door
Corver. Tekst op het
titelblad: Gerardi Listrii
Rhenensis, De figuris
et tropis opusculum.
Onderaan het wapen
van Zwolle. (Internet)
Desiderius Erasmus
(1466/69-1536),
olieverf door Lucas
Cranach de Oude.
(Collectie Boijmans
Van Beuningen)
ZHT4 2017.indd 6 23-1-2018 16:24:18
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 179
die de werken van Luther leest, dan hebben we dat
alleen aan jou te danken, want jij hebt zijn naam
hier bekendgemaakt. Door voor diens geschriften
te waarschuwen en ze te verbieden, heb jij bij allen
de nieuwsgierigheid opgewekt om ze wel te lezen,
want de mens streeft altijd naar het verbodene.’9
In de brief wordt uitgebreid ingegaan op theologische kwesties als de rechtvaardiging door
het geloof, de biecht, de mis en de macht van de
paus. Voor Listrius is de bijbel de enige bron van
waarheid en kan de zondaar alleen gered worden
door het geloof. En het is dit geloof dat de kerk
zou moeten uitdragen. De dominicanen zullen
zich ongetwijfeld diep beledigd hebben gevoeld,
toen Listrius onomwonden stelde dat allen die dit
weigeren te belijden geëxcommuniceerd moeten
worden. Uiteraard bleven de dominicanen bij
hun gelijk en het was uiteindelijk Listrius die het
in Zwolle te heet onder de voeten werd en naar
Amersfoort vertrok. Over zijn verdere levensloop
is niets bekend.
Wat het optreden van Listrius zo interessant
maakt, is dat de gangbare opvatting als dat het
lutheranisme alleen in grote handelscentra als
Antwerpen, Brugge en Amsterdam voet aan de
grond had gekregen, aan herziening toe is. Er
moet in Zwolle een kring van mensen zijn geweest
die open stond voor de nieuwe radicale opvattingen van Luther. De drukkerij van Corver en een
publicatie als Listrius’ Epistola Theologica getuigen
hiervan. Het is de historicus Bart Jan Spruyt die
deze tekst na het nodige speurwerk op basis van
een achttiende-eeuwse editie heeft uitgegeven.
Het zou de moeite waard zijn dat deze tekst middels een vertaling voor een breder publiek toegankelijk wordt gemaakt.
Een schuilkerk aan de Blijmarkt
Het lutheranisme heeft vanaf het begin slechts
een marginale rol in de Nederlandse gewesten
gespeeld. In tegenstelling tot Duitsland en de
Scandinavische landen moest ze het zonder de
steun van de landsheer stellen. Het Habsburgse
gezag dat vanuit Brussel regeerde wist door drastische maatregelen de groei van de ‘secte luteriaen’
te frustreren.
Lutheranen hebben een zeer bescheiden rol
gespeeld in het reformatieproces in de Nederlandse gewesten. Het zijn uiteindelijk de calvinisten
die het karakter van de Reformatie in Nederland
zullen bepalen. Na 1580 deelden zij op kerkelijk
terrein de lakens uit. Het was de lutheranen niet
toegestaan om openlijk hun geloof te belijden. In
Zwolle werd het hun pas in 1649 toegestaan aan
de Blijmarkt een kerk te openen, maar deze werd
kort na de opening op last van de gereformeerde
kerkenraad alweer gesloten. In het jaar daarop
kregen ze zelfs een boete, omdat ze illegaal in het
nieuwe gebouw bijeenkomsten belegden. Pas
sinds 1661 mochten de lutheranen van de stedelijke overheid ‘met ogenluickinge hun religie in
vrijheid uitoefenen’.10
Deze kerk aan de Blijmarkt is aanmerkelijk
bescheidener van opzet dan de tussen 1406 en
1466 gebouwde Sint Michaëlskerk (Grote Kerk)
aan de Grote Markt, met een toren die met zijn
bijna 120 meter de hoogste van Nederland was.
De luthersen hadden zo’n ruimte niet nodig.
Luther had immers afstand genomen van de
rooms-katholieke opvatting dat de kerk het
Lichaam van Christus is. In de Michaëlskerk stond
het altaar centraal. Het altaar waar Christus zich
in de eucharistieviering door het geconsacreerde
brood, de hostie, aan de gelovigen geeft die daardoor met het Mystieke Lichaam van Christus, de
kerk, verenigd worden. Voor Luther stond niet het
De uit 1649 daterende
lutherse kerk, rechts,
aan de Blijmarkt
omstreeks 1910. Links
schouwburg Odeon.
(Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 7 23-1-2018 16:24:18
180 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
altaar centraal, maar de kansel. Vanaf de kansel
werd het Woord verkondigd.
Gemeente zonder vlek of rimpel
In de Zwolse Wolweverstraat staat de doopsgezinde kerk, een kerk die evenals de lutherse kerk
oogluikend werd toegestaan. Het huidige gebouw
stamt uit het midden van de negentiende eeuw.
Het oorspronkelijke, heel bescheiden gebouw was
onopvallend achter een rijtje bestaande huisjes
gebouwd. Net als de lutherse kerk was het een
schuilkerk, dat wil zeggen een kerk die van buiten
niet echt als kerk herkenbaar mocht zijn. In geen
geval mocht het gebouw bij de calvinisten (gereformeerden) ergernis opwekken. Klokgelui was
verboden en gezang mocht buiten niet hoorbaar
zijn.
De doopsgezinde gelovigen die in 1639
het pand betrokken, streefden er naar om een
‘gemeente zonder vlek of rimpel’ te zijn. Ze wilden
terug naar de praktijk van de eerste christengemeente. Ze wilden een heilige kerk zijn en die
intentie moest in daden tot uiting komen. Alles
wat niet in de bijbel stond, moest verwijderd worDe St. Michaëlskerk
(Grote Kerk) met de
destijds hoogste toren
van Nederland, midden
zeventiende eeuw. Tekening door Abraham
Beerstraaten. (Collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
ZHT4 2017.indd 8 23-1-2018 16:24:19
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 181
den. Ze verwierpen daarom de kinderdoop. De
doop was slechts voorbehouden aan mensen die
als volwassenen belijdenis hadden gedaan. Voor
de doopsgezinden vormde de Bergrede (Mattheüs
5-7) de kern van de Bijbel. Op basis van die tekst
weigerden ze een eed af te leggen, een zwaard
te dragen en een functie in het stadsbestuur te
bekleden. In Zwolle respecteerde de magistraat
de weigering van de doopsgezinden om wapens te
dragen. Als vervangende opdracht werd van hen
verwacht een eigen brandspuit te onderhouden
en te bedienen.11 ‘Stillen in den lande’; zo werden
ze vaak genoemd. De uitdrukking is ontleend aan
psalm 35, 20 en duidt op rustige, vreedzame burgers die graag een stil leven zouden leiden en niet
deelnemen aan daden van geweld.
Toch hadden hun doperse geestverwanten
honderd jaar eerder voor een geweldige onrust
weten te zorgen toen in 1533 het bericht de ronde
deed dat in Münster, in Westfalen, het Nieuwe
Jeruzalem uit de hemel zou nederdalen en aan
de wederdopers daar de heerschappij over alle
landen zou geven. De uit Holland afkomstige
Matthijs de Bakker en Jan van Leyden hadden
daar de macht gegrepen en oefenden een waar
schrikbewind uit. Toen een poging van de bisschop om de stad te heroveren op een fiasco
uitliep, werd dat als een groot wonder geduid. Er
werden zendboden naar de Nederlanden gestuurd
met een brief die repte van ‘een groot wonder dat
in Münster had plaatsgevonden’. In dezelfde brief
werden Nederlandse broeders en zusters opgeroepen zich in Genemuiden en bij het Bergklooster
nabij Zwolle te verzamelen om van daaruit naar
de beloofde stad op te trekken.12 Voor het stadsbestuur was het ronduit alarmerend wat er allemaal
gebeurde. Men bleek echter goed op de hoogte te
zijn. Toen er namelijk bij Genemuiden 27 schepen
met strijdlustige wederdopers die goed voorzien
waren van trommels, slagzwaarden, spietsen en
hellebaarden aanmeerden, werden ze opgewacht,
ontwapend en weer naar huis gestuurd. Het bleken vaak simpele zielen te zijn. De leiders werden
gearresteerd en berecht.13
Er was echter ook een grote groep – een
‘untellicke mennichvoldicheit van man, wijf ende
kinder’– die op 24 maart 1534 door stedelijke
troepen bij Bergklooster in de boeien werd geslagen. Uiteindelijk werden alleen de aanvoerders
duchtig aan de tand gevoeld en geëxecuteerd. Hun
lichamen werden in ongewijde grond bij de Sassenpoort begraven.14
De verdreven bisschop stelde ondertussen een
nieuw leger samen en belegerde Münster. In juni
1535 kwam een eind aan het beleg. Twee mannen
wisten op een nacht te ontsnappen en gaven informatie over zwakke plekken in de verdedigingswal.
In de nacht van 24 juni 1535 lanceerden de belegeraars een verrassingsaanval, drongen de stad binnen en wisten het verzet te breken.
Bij de overwinning van de bisschop heeft
Zwolle samen met Deventer en Kampen een,
weliswaar bescheiden, bijdrage geleverd. In de
geschiedenis van het beleg wordt dit namelijk speciaal vermeld. Het gaat dan om de Zwolse ‘slange’,
een soort kanon dat namens de drie steden door
de Zwolse schepen Geert van Yrthe naar het
De doopsgezinde kerk
in de Wolweverstraat 9,
1925. (Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 9 23-1-2018 16:24:19
182 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
strijdperk werd gebracht. Of men daar veel met
het wapen heeft gedaan is nog maar de vraag. Een
hele lading ongebruikte kanonskogels werd geretourneerd.15
Haat tegen het oude geloof
Voor Nederland is het hele proces van hervorming
onlosmakelijk verbonden met de Opstand, de strijd
tegen het Spaanse streven om de Nederlanden
in het Habsburgse Rijk te integreren. Vanaf het
moment in 1566 wanneer Alva door de Spaanse
koning Philips II naar Nederland wordt gestuurd
om orde op zaken te stellen, escaleerde het conflict.
De drijvende kracht achter de Opstand is Willem
van Oranje geweest. Hoewel zijn moeder luthers
was en hij aan het hof van Karel V een katholieke
opvoeding had genoten, was hij er snel achter gekomen dat zijn strijd alleen kans van slagen had als
hij hulp zou krijgen van de calvinisten. Deze calvinisten waren volgens Jan Romein ‘zózeer overtuigd
én van de rechtvaardigheid van hun haat tegen het
oude geloof én van de waarheid van het nieuwe
geloof waarvan hun lippen overliepen, dat alle
vervolging de voortgang daarvan niet alleen kon
stuiten, maar zelfs bevorderen moest.’ 16
Haat tegen het oude geloof. Inderdaad, en de
haat was groot. Het is Johannes Calvijn (1509-
1564) geweest die de basis heeft gelegd voor die
vorm van protestantisme, die het grootst mogelijke contrast met de rooms-katholieke kerk vormde. In het calvinisme vond een grote schoonmaak
plaats. Door het leerstuk van de predestinatie was
er geen enkele basis meer voor de leer der goede
werken. Je was gered of niet. De roomse mis werd
als afgodendienst aan de kant geschoven. De eredienst werd beperkt tot preek, gebed en het zingen
van oudtestamentische psalmen. Beelden, kruisen, kaarsen en altaren werden verwijderd en de
orgels verkocht.
De haat tegen het oude geloof kwam heel duidelijk tot uiting in de Beeldenstorm uit 1566. Een
preek van de predikant Sebastiaan Matte op 10
augustus in het West-Vlaamse Steenvoorde liep
uit op een orgie van vernielzucht. In Mattes preek
zal ongetwijfeld het oudtestamentisch gebod dat
de mens zich ‘geen gesneden beeld’ mag maken
een rol hebben gespeeld. Het waren de leiders van
de calvinisten die mensen uit de onderste bevolkingslagen betaalden om kerkinterieurs te vernielen. De Beeldenstorm was een samengaan van
weloverwogen handelen van overtuigd calvinistische leiders en tot nog toe onderdrukt gebleven
volkssentimenten.17
Voor deze leiders was dit ‘stormen’ van kerken
gelegitimeerd door een beroep op artikel 36 van
de in 1562 verschenen Nederlandse geloofsbelijdenis van Guido de Brès. Artikel 36 gaat over de
overheid. De overheid, zo gaat de tekst, staat niet
alleen voor de taak om acht te geven op de openbare orde maar ‘ook de hand te houden aan de heilige kerkdienst, alle afgoderij en valse godsdienst
te weren en uit te roeien, het rijk van de antichrist
te vernietigen.’ De paus was de antichrist en zijn
kerken bolwerken van afgoderij. Uitroeien daarvan was dus geboden.
De Beeldenstorm raasde als een wervelwind
in noordelijke richting, maar nam, hoe verder die
kwam, af in verwoestende kracht. In Zwolle bleef
het bij een aan diggelen geslagen beeld op een zuil
op het St. Michaëlskerkhof.18 Veertien jaar later
zou echter ook het interieur van die parochiekerk
aan de vernielwoede ten prooi vallen.
Johannes Calvijn
(1509-1564). (Internet)
ZHT4 2017.indd 10 23-1-2018 16:24:19
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 183
Voor Willem van Oranje betekende deze
‘storm’ een grote teleurstelling. Wat hem voor
ogen stond was een brede protestantse kerk naast
de katholieke. Hij beleed een algemeen christendom dat los stond van de verschillende kerken.19
Die gedroomde harmonie was nog ver te zoeken.
Veeleer kwamen door de Opstand protestanten
en katholieken onverzoenlijk tegenover elkaar te
staan. In 1580 liep het in Zwolle finaal uit de hand
en er dreigde even een regelrechte burgeroorlog.
Eenige twijspalt
Dat de harmonie in Zwolle in de zomermaanden
van 1580 verder weg was dan ooit komt duidelijk
aan het licht als een tamelijk onschuldig voorval
tot een enorm conflict met ettelijke doden blijkt te
kunnen escaleren.20
De aanleiding tot de ongeregeldheden was
tamelijk onschuldig. Op 15 juni maakte een
katholieke inwoner een ommetje. Op de markt
werd hem door een viertal gereformeerde stadgenoten de weg versperd. Omstanders gingen zich
er mee bemoeien en er ontstond een vechtpartij.
Om de orde te herstellen kwam de wacht in actie.
De kleine kanonnen die op de markt stonden werden door hen in stelling gebracht en de ruziemakers namen positie in. De gereformeerden bleven
bij de wacht en de katholieken verschansten zich
in de Diezerstraat. Het conflict ontwikkelde zich
tot een heuse strijd. De gereformeerden deden
een beroep op medestanders in Amsterdam om
hulp te bieden. De Amsterdammers riepen op hun
beurt ook Enkhuizen en Hoorn te hulp. Met succes. Op 19 juni staken twee compagnieën van in
totaal 225 man voetvolk uit die steden de IJssel bij
Oldeneel over. Bij de Sassenpoort kwamen ze stad
binnen. Het verzet van de katholieke Spaansgezinden werd nu gebroken. Ook steden als Kampen en
Hattem waren met soldaten en burgers de Zwolse
gereformeerden te hulp geschoten. Voor een
aantal burgers uit Kampen had de poging om de
Zwollenaren te helpen fatale gevolgen gehad. Ter
hoogte van ’s-Heerenbroek waren ze in de armen
van katholieke boeren gelopen. Twaalf Kampenaren werden vermoord. De schermutselingen
binnen de stadsmuren hadden aan gereformeerde
zijde een viertal doden en aan katholieke zijde
een zestal geëist. Er vielen niet alleen doden te
betreuren. Huizen van katholieke burgers werden
geplunderd en ook de St. Michaëlskerk moest het
ontgelden.
‘In de Michaelskerke wierden ook, hetzij in
het begin, hetzij in het einde deser oploop, alle de
beelden gestormd, de autaren ter aarde nedergeworpen en alle cieraden en frajigheden vernielt.
Het pragtige tabernakel van het hoge Autaar,
schoon eenige 1000 cronen waardig, wierdt mede
niet gespaard en geheellijk in stukken geslagen en
verbrijselt.’
Aldus Burchard Joan van Hattum in zijn
geschiedenis van Zwolle.21 Er kan nog aan worden
toegevoegd dat de geuzen op de Grote Markt drie
vuren aanstaken en het kerkelijk goed uit de kerk
verbrandden.
Later, in 1614, toen Zwolle al een protestantse
stad was geworden, moest de sacristie wijken
voor het nieuwe gebouw van de Hoofdwacht.
Met de op de gevel aangebrachte tekst Vigilate et
Orate (waakt en bidt) werd door de magistraat
aangegeven dat de burgerlijke overheid er voor de
publieke zaken van de burgers was en de kerk voor
geestelijke zaken.
De Hoofdwacht met het
voor de scheiding tussen
staat en kerk symbolische opschrift Vigilate
et Orate, waakt en bidt.
Foto uit 1948. (Collectie
HCO)
ZHT4 2017.indd 11 23-1-2018 16:24:20
184 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Gezicht op Zwolle van
over het Zwartewater.
Op de voorgrond twee
geknielde mannen die
tot God smeken: miserere mei Deus, Heer
ontferm U over mij.
1629. (Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 12 23-1-2018 16:24:20
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 185
ZHT4 2017.indd 13 23-1-2018 16:24:21
186 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Weerbarstige praktijk
Het calvinisme heeft de Nederlanden vanuit
Frankrijk veroverd. In Frankrijk waren veel
mensen in de ban geraakt van de opvattingen
van Johannes Calvijn die in 1559 in Genève een
academie had opgericht die tot een internationaal centrum was uitgegroeid. De vorming van
een vroom en strijdbaar geslacht was het doel
van deze instelling. Wat echter voor veel mensen
het meest tot de verbeelding sprak, was de wijze
waarop Calvijn de stad had gereorganiseerd. Hij
had er een theocratie van gemaakt, wat inhield
dat alle terreinen van het maatschappelijk leven
aan de Soevereiniteit Gods onderworpen moesten
worden. Ook de overheid was aan het Woord van
God onderworpen.
Calvijn had in Genève de strijd aangebonden tegen alles wat hij als zedeloosheid zag. Het
bezoek aan herbergen werd verboden. Er stonden
strenge straffen op dansen, kaartspelen, echtbreuk, ontucht, godslastering. Er werd op gelet of
kinderen wel hun ouders gehoorzaamden en of
kerkdiensten niet werden verzuimd. Ouderlingen
hadden elk een eigen wijk en hadden het recht om
elke woning binnen te gaan om te controleren of
de bewoners zich wel aan Gods geboden hielden.
Voor veel calvinistische predikanten was de
Geneefse praktijk een lichtend voorbeeld dat tot
navolging inspireerde. Ook in Zwolle was dat
het geval. Zo verwachtte de kerkenraad van de
burgerlijke overheid medewerking om het maatschappelijk leven te hervormen. Het bestuur ging
hierin ten dele mee. Het was bereid om toe te zien
op het naleven van de zondagsrust en het verbieden van herbergbezoek tijdens de preek.
De kerkenraad kon de magistraat er evenwel niet toe overhalen om een jaarlijks festijn
als de Johannes-bieren af te schaffen. Dit waren
buurtfeesten. De oproep tot matigheid en een
christelijke levenswandel vond weinig gehoor.
De praktijk bleek erg weerbarstig te zijn. Allerlei
gewoonten en gebruiken, vaak eeuwenoud, bleken
moeilijk uit te roeien. In februari 1666 achtte het
stadsbestuur het nog nodig om een plakkaat uit
te vaardigen ‘tegens de insolenties voor dese in de
vastelavontsdage (= Carnaval) met ganse-trecken,
hoender-smiten, mommeriën, sweertdansen en
anders gepleget.’22 Wel was het gelukt om in 1644
een eind te maken aan de St. Nicolaasmarkt op de
huidige Oude Vismarkt, waar men tot ’s avonds
laat koeken, zoetigheden en andere lekkernijen
kon kopen. Sinterklaas was een rooms feest en
daar moest een einde aan worden gemaakt.
Op het punt van de zondagsviering werden
veel overtredingen geconstateerd. De plaatselijke
herberg was een geduchte concurrent. Andere
vormen van vermaak waren: tonnensteken, ganstrekken, papegaaischieten, hanengevechten, danspartijen, kaatsen. Ook de elite werd berispt als er
bij festijnen gedanst werd.
Toch was er een duidelijke tegenstelling tussen predikanten en regenten. Predikanten vonden
conform artikel 36 dat alle andere religies uitgebannen moesten worden. Regenten moesten daar
niets van hebben. Zij neigden op praktische en
politieke gronden tot een beleid van leven en laten
leven. Zij wensten eenvoudig geen onrust.23
Alle arbeid is ter ere Gods
In zijn Geschiedenis van Zwolle geeft Jan ten Hove
een overzicht van het aantal lidmaten van de gereformeerde kerk in 1621.24 Het aantal mensen dat
lidmaat was, dat wil zeggen mensen die belijdenis
hadden gedaan, bedroeg 833. Interessant is de
informatie die Ten Hove over de achtergrond van
deze mensen geeft. Onder de lidmaten bevonden
zich mensen van alle rangen en standen, van welgestelde regenten tot onbemiddelde textielarbeiders. De middengroep van gevestigde ambachtslieden lijkt evenwel het best vertegenwoordigd te
zijn. Wat de beweegredenen van deze mensen is
geweest om zich bij de gereformeerde kerk aan
te sluiten, valt natuurlijk niet meer te achterhalen. Maar dat het calvinisme onder de gevestigde
ambachtslieden aantrekkingskracht heeft, is niet
toevallig. Het calvinisme heeft namelijk een specifieke kijk op beroep en arbeid geïntroduceerd
die bevorderlijk is geweest voor de economische
ontplooiing .
Met andere protestantse richtingen deelt het
calvinisme de opvatting dat de ware vroomheid
niet bestaat uit een vlucht uit de wereld, maar
gezocht moet worden in het alledaagse werk, in
gezin, in beroep, maatschappij, school en staat.
ZHT4 2017.indd 14 23-1-2018 16:24:21
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 187
Uiteindelijk dient alle arbeid verricht te worden
ad majorem dei gloriam, tot meerdere eer en glorie van God. Een mens moet woekeren met zijn
talenten en succes hebben is een teken van uitverkoren zijn. Deze kijk op arbeid met zijn nadruk
op het zakelijke, nuchtere en beheerste sloot naadloos aan bij het opkomend kapitalisme. Van de
ondernemer wordt verwacht dat hij de gemaakte
winst weer in het bedrijf investeert; er goede sier
mee maken is zonde. Verder is belangrijk geweest
dat Calvijn afstand heeft genomen van het in
het canonieke (kerkelijke) recht geformuleerde
verbod om rente te nemen. Volgens hem is er van
een algemeen renteverbod in de bijbel ook geen
sprake. Het rentepercentage mocht echter niet
boven de 5 procent uitkomen. Samenvattend kan
gezegd worden dat door Calvijn aan het menselijk
beroep in het algemeen en aan de handel in het
bijzonder adeldom is gegeven. Het calvinisme
heeft door deze andere visie op arbeid en geld verdienen een stimulerende invloed op de ondernemingszin kunnen uitoefenen. Het is ook zeker een
van de factoren geweest die het ontstaan van het
moderne kapitalisme hebben gestimuleerd.
Een kosmische rangorde
Het protestantisme is verre van een eenheid. Er
zijn lutheranen, doopsgezinden, calvinisten,
remonstranten, christelijk gereformeerden,
Nederlands gereformeerden, en ga zo maar door.
Ondanks alle onderlinge verschillen hebben ze
gemeen hun afstand tot het rooms-katholicisme.
Anders gezegd: het protestantisme heeft radicaal
gebroken met het wereldbeeld dat eeuwenlang,
tot aan de dag van vandaag, aan de basis van de
rooms-katholieke mens- en wereldbeschouwing
heeft gelegen. Anders dan protestantse stromingen gaat het rooms-katholicisme namelijk uit
van het bestaan van een kosmische hiërarchie of
rangorde.
Zwolle begin zeventiende eeuw, gezien vanaf
het Zwartewater. Anoniem. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
ZHT4 2017.indd 15 23-1-2018 16:24:22
188 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Er is een hemelse en er is een aardse hiërarchie. God staat aan de top en is de schepper van
het geheel. De katholieke leer gaat ervan uit dat
de hemelse hiërarchie uit negen engelenkoren
bestaat. Aan de top van de aardse rangorde staat
de paus, die de plaatsvervanger van Christus op
aarde is. Hij is het hoofd van de kerk, van het mystieke lichaam van Christus. De kerk is van bovennatuurlijke oorsprong en heeft bovennatuurlijke
verlossingsmacht.
Anders dan in het protestantisme is de individuele gelovige opgenomen in een bovennatuurlijk
netwerk. Zo heeft ieder mens een persoonlijke
engelbewaarder die volgens de katholieke traditie
door God is aangesteld om de mens te verlichten,
te beschermen, te geleiden en te besturen. Deze
engelbewaarders horen tot de laagste rang van
de hemelse hiërarchie.25 En dan zijn er ook nog
de heiligen die aangeroepen kunnen worden als
voorsprekers bij God. Zij kunnen proberen God
mild te stemmen als een gelovige iets verzoekt.
Ook de kloosters spelen een grote rol in deze
kosmische orde. De kerkhistoricus J.A. Mol
bestempelt de kloosters heel treffend als dienstverlenende instellingen, bij wie men zich kon
verzekeren tegen de risico’s van het hiernamaals.
De monniken en nonnen vormden het spiegelbeeld van de hemelse engelen door met een niet
aflatende cyclus van koordiensten aan God eer te
bewijzen. Zij smeekten voortdurend Gods zegen
af voor de christenheid, zichzelf en hun begunstigers. Door geld en goederen aan het klooster
te doneren konden gebeden worden gefinancierd
om het verblijf in het vagevuur te bekorten. De
gedachte was dat hoe strenger de monniken leefden, des te succesvoller de gebeden zouden zijn.26
Ook de heilige maagd Maria speelt een cruciale rol in dit bovennatuurlijke netwerk. Zij is middelares en mede-verlosseres.
Dat katholieken een andere visie op arbeid
hadden dan lutheranen, doopsgezinden en calvinisten heeft alles te maken met het achterliggende
mens- en wereldbeeld. Voor het rooms-katholieke
denken gold, en geldt, dat hoe hoger iets in de
rangorde stond, hoe dichter dat bij de zuiver geestelijke lichtwereld was. Hoe dichter bij het laagste,
hoe meer materie. Des te hoger in de rangorde,
des te dichter bij God. De hoogste maatschappelijke stand, de geestelijkheid, stond dichter bij
de wereld van de zuivere geest dan de adel, die
op zijn beurt weer in rangorde boven boeren en
ambachtslieden stond. Voor Calvijn gold daarentegen dat elke arbeid uiteindelijk dient tot meerdere eer en glorie van God.
In dit verband mag nog even worden opgemerkt dat de fraters van de Moderne Devotie nog
helemaal binnen de gangbare katholieke kaders
dachten. Elke keer namelijk als zij er in slaagden
een leerling van de Latijnse school af te houden
van een wereldlijke carrière dan waren ze zeer verheugd en dan was het of ze net op tijd een ziel uit
de klauwen van de duivel hadden gered.27
Algemeen priesterschap der gelovigen
In zijn in 1520 gepubliceerd geschrift Aan de
christelijke adel van de Duitse natie over de verbetering van de christelijke samenleving bepleit Luther
een einde te maken aan de tot dan toe geldende
heilshiërarchie. Volgens hem zijn ‘paus of bisschop niet meer dan de geringste priester en deze
is niet meer dan een gewoon christenmens, al
was het vrouw of kind, want ieder die uit de doop
gekropen is, is priester en kan de naaste, die hem
zijn schuld belijdt, in naam van God de zonde
vergeven.’28
Dat er tussen de gelovige en God geen priester
meer staat, heeft er toe geleid dat er binnen het protestantisme een grote nadruk op de persoonlijke
geloofsverantwoordelijkheid kwam te liggen. Het
leidde ook tot andere machtsverhoudingen. De
kerk is dan niet meer het Lichaam van Christus
waarin alle gezag van boven komt en waar Rome
altijd het laatste woord heeft. De kerkvader Augustinus kon in één van zijn preken nog zeggen: Roma
locuta, causa finita (Als Rome gesproken heeft, dan
is de zaak besloten). Voor een protestant is dat vloeken in de kerk. Het is niet het hoofd van de kerk
die beslist, maar de kerk die niets anders is dan ‘de
vergadering der gelovigen’ en binnen die vergadering is een predikant niets anders dan een ‘dienaar
des Woords’. Predikanten worden niet van boven af
aangewezen, maar door de gemeenteleden.
Het afscheid van de katholieke gezagsstructuur had ook een keerzijde: er ontstond een voeZHT4 2017.indd 16 23-1-2018 16:24:22
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 189
dingsbodem voor allerlei scheuringen en afscheidingen. Het begon al in het begin van de zeventiende eeuw met de strijd tussen de ‘rekkelijken’ en
‘preciezen’ over Calvijns leer van de predestinatie.
In de zogenaamde ‘nadere reformatie’ die zich
concentreerde op het innerlijk leven was er kritiek op de lakse praktijk van de publieke kerk. Er
was veel strijd en de door Willem van Oranje zo
gewenste harmonie was ver te zoeken.
Grote scheuringen vonden plaats in de negentiende eeuw. Zo was er de Afscheiding van 1834
en de Doleantie van 1886. In Zwolle getuigen de
Plantagekerk en de Oosterkerk daar nog van. Een
voor veel kerkmensen traumatische ervaring was
de kerkscheuring in 1944, die tot het ontstaan van
de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt zou leiden.
De erfenis van de Reformatie in Zwolle
Hemelsbreed liggen de Plantagekerk aan de Ter
Pelkwijkstraat en de Oosterkerk aan de Bagijnesingel een paar honderd meter van elkaar verwijderd. Het zijn fraaie gebouwen en ze staan op de
monumentenlijst. De Plantagekerk werd in 1875
in gebruik genomen en de Oosterkerk in 1888. De
Plantagekerk is aan de oostzijde op een houten
paalconstructie gefundeerd op de plek waar ooit
de Aa de stad binnen stroomde. Het is zonder
meer een markant gebouw.
De Oosterkerk wordt ook wel de kerk van
de Doleantie genoemd. De doleantie was de
kerkscheuring die in 1886 had plaats gevonden
onder leiding van dominee Abraham Kuyper.
De Plantagekerk was de kerk van de christelijk
gereformeerden, die een combinatie waren van
twee groeperingen die na de Afscheiding uit 1834
waren ontstaan. Nadat in 1892 de christelijk gereformeerden met de Nederduitsch gereformeerden
van Kuyper herenigd waren, werd de PlantageDe Plantagekerk aan
de Ter Pelwijkstraat,
1976. (Collectie HCO)
ZHT4 2017.indd 17 23-1-2018 16:24:23
190 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
kerk heel prozaïsch Gereformeerde Kerk A en
de Oosterkerk Gereformeerde Kerk B genoemd.
Niet iedereen was even content met dit huwelijk.
In 1895 blies een kleine groep nieuw leven in de
christelijk gereformeerde kerk. Ze vestigden zich
aan de Thorbeckegracht, in de Noorderkerk, ook
wel klumpieskerk genoemd.
Plantagekerk en Oosterkerk gingen weer uit
elkaar toen in 1944 de Kampense hoogleraar
Klaas Schilder met zijn ‘Vrijmaking’ de relatie met
de gereformeerde kerk verbrak. Het ging inhoudelijk om de visie op het leerstuk van de predestinatie, waarover in de zeventiende eeuw remonstranten en contraremonstranten ook al strijd hadden
geleverd. Onenigheid over de te volgen procedure
om tot een oplossing te komen heeft eveneens
bijgedragen tot een escalatie van het conflict. De
scheuring liep dwars door families heen. Van de
ene op de andere dag konden mensen diametraal
tegenover elkaar komen te staan.
De relatie tussen de nieuwe Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerk verhardde doordat de vrijgemaakten zich als de enige
legitieme voortzetting van de gereformeerde kerk
beschouwden.29 De vrijgemaakten wilden van
geen enkel compromis iets weten. Zij vormden de
ware kerk. Wie naar de Oosterkerk ging, ging naar
de valse kerk en betrad daar het voorportaal naar
de hel. Heil of hel, daar ging het om.30
In de Plantagekerk en al die andere vrijgemaakte kerken ontstond de roep om een zogenaamde ‘doorgaande reformatie’. De vrijgemaakten kregen een eigen krant, het Nederlands Dagblad, en een eigen politieke partij, het GPV, het
Gereformeerd Politiek Verbond. In het jaar 2000
besloot het GPV om samen met de Reformatorische Politieke Federatie (RPF) verder te gaan als
ChristenUnie. Verder werden er tal van gereformeerde scholen opgericht, zoals in 1959 in Zwolse
het Greijdanus College dat tegenwoordig ook
vestigingen in Hardenberg, Meppel en Enschede
heeft. Kars Veling en Arie Slob, oud-fractievoorzitters van de ChristenUnie, zijn beiden werkzaam
geweest op het Greijdanus College.
De Oosterkerk aan de
Bagijnesingel. (Collectie
HCO)
ZHT4 2017.indd 18 23-1-2018 16:24:25
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 191
Nederlands Gereformeerd en
Gereformeerde Kerk Hersteld
Het duurde niet lang of er kwam verzet tegen de
gedachte dat de vrijgemaakten de enige ware kerk
vormden en dat elke vorm van samenwerking met
leden van andere kerken in scholen en politieke
partijen werd uitgesloten. In een Open Brief van
25 kerkleden werd in het midden van de jaren zestig kritiek geleverd op het wantrouwen tegen alles
wat van buiten de eigen kring kwam. Wat volgde
was een grootscheepse zuivering, wat er toe leidde
dat tal van kerken buiten het kerkverband kwamen te staan (de Vrijgemaakten buiten Verband).
In 1979 ging deze groep verder onder de naam
Nederlands Gereformeerde Kerken. ‘Opnieuw
,’aldus Agnes Amelink in haar boek over de gereformeerden, ‘was door een kleine gemeenschap
een spoor van tranen getrokken, met verbroken
vriendschap, gescheurde familiebanden en psychisch gebroken mensen.’31
Kenmerkend voor de Nederlands gereformeerden was de ruimte die gegeven werd aan een
evangelische geloofsbeleving met groeiende aandacht voor het werk van de Heilige Geest. De bijeenkomsten werden gehouden in de Zuiderkerk.
Het wordt een beetje eentonig, maar in 1983
kwam het tot een breuk in de Nederlands Gereformeerde Kerk, en wel in Zwolle. Er zijn weliswaar
allerlei pogingen ondernomen om de breuk te
herstellen. Er zijn verzoeningsvergaderingen
geweest, men erkent dat de naam van Christus
geschaad is, maar toch zijn er in Zwolle nog
steeds twee Nederlands gereformeerde kerken. De
ene groep komt bijeen in de Zuiderkerk, Zwolle II
houdt tot op heden haar diensten in het Carolus
Clusius College in de Veeralleebuurt.
En dan heeft er in de gereformeerde kerk vrijgemaakt in 2003 nog een scheuring plaatsgevonden. Deze ‘malcontenten’ waren van mening dat
de vrijgemaakten ruimte boden aan een ‘onschriftuurlijke leer’. Gods woord zou daar niet veilig
zijn en bovendien zouden daar vrouwen worden
toegelaten tot het ambt.. Binnen dit nieuwe kerkverband ging het ook niet van een leien dakje. In
december 2009 wist het Reformatorisch Dagblad
te melden dat er grote onrust was binnen de
Gereformeerde Kerken Hersteld. Er waren weer
ambtsdragers geschorst. De groep gereformeerden hersteld houdt zijn diensten in kerkgebouw
De Hoeksteen in de Aa-landen.
Het algemeen priesterschap der gelovigen
heeft duidelijk een keerzijde.
God in Zwolle
Getuige het onderzoek God in Nederland uit 2016
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
gaat het proces van ontkerkelijking in Nederland
gestaag verder.32 Iets meer dan de helft van de Nederlanders is geen lid meer van een kerkelijke groepering. Het aantal mensen dat nooit de kerk bezoekt
is gestegen van 47 procent in 2006 tot 59 procent in
2016. Er is sprake van minder geloof, ook binnen de
kerk. Traditionele christelijke geloofsvoorstellingen
en uitingsvormen verliezen terrein. Ruim 45 procent
van de bevolking weet niet dat Pasen een christelijke
feestdag is. De meeste Nederlanders associëren
Pasen met eitjes en chocola.
Als we de cijfers van het CBS wat nader bekijken, dan blijkt dat het kerkbezoek in Zwolle nog
tamelijk hoog is. 22 procent van de bevolking hier
brengt ’s zondags een bezoek aan een kerk tegen
een landelijk percentage van 16,9.
De Zuiderkerk aan de
Zuiderkerkstraat. (Foto
De Koning, collectie
HCO)
ZHT4 2017.indd 19 23-1-2018 16:24:25
192 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Voor katholiek Nederland zijn de resultaten
opmerkelijk. Nog maar 13 procent gelooft in het
bestaan van een hemel en 17 procent in een persoonlijke God. Paus Franciscus wordt overigens
wel als iemand met een inspirerende boodschap
beschouwd. Dat veel katholieken hun eigen
kerk nog als het Mystieke Lichaam van Christus
beschouwen, lijkt dan ook hoogst onwaarschijnlijk.
Binnen protestantse kerken is de secularisatie
minder sterk. Voor Zwolle geldt dat bijna 25 procent van de bevolking tot een protestants kerkelijke
richting (Nederlands hervormd, gereformeerd,
PKN) behoort. Vooral het hoge percentage gereformeerden is opvallend; 8,9 procent tegen 3 procent
landelijk. Ook in de politieke verhoudingen zien
we dit terug. Met acht zetels is de ChristenUnie
de grootste fractie in de Zwolse raad. In enigszins
omfloerste bewoordingen heeft de ChristenUnie
afstand genomen tot het beruchte artikel 36 van de
Nederlandse Geloofsbelijdenis, om daarmee ook
voor katholieken aantrekkelijk te kunnen zijn.33
Dat aan de traditie van de zondagsheiliging
nog altijd veel waarde wordt gehecht, bleek toen
in 2002 Kars Veling dit onderwerp in een tv-programma aan de orde stelde. Volgens Veling, van
1988 tot 2002 verbonden aan het Greijdanus College in Zwolle en lijsttrekker voor de pas opgerichte ChristenUnie, moest je mensen die ’s zondags
een ijsje eten niet de maat nemen. Bij een groot
deel van de achterban viel dit verkeerd. Op zondag
hoort geen ijs te worden verkocht. Alle commotie
zou er uiteindelijk toe leiden dat Veling de politiek
vaarwel zei en in 2003 rector van het openbare
Johan de Wittcollege in Den Haag werd.
Veling is overigens ook jarenlang verbonden
geweest aan de Gereformeerde Sociale Academie
te Zwolle, de voorloper van de huidige Hogeschool Viaa aan de Grasdorpstraat die het altijd zo
goed doet in de landelijke rankings.
Ook genoemd mag worden de stichting Present dat als een initiatief van de Christelijk Gereformeerde Kerk in Zwolle is uitgegroeid tot een
indrukwekkende vrijwilligersorganisatie.
Hoewel protestantse groeperingen een belangrijk stempel op de Zwolse samenleving drukken,
is Zwolle niet te vergelijken met nabijgelegen
gemeenten op de Veluwe waar raadsvergaderingen nog met een ambtsgebed geopend worden en
strikt wordt vastgehouden aan de zondagsrust. In
Zwolle vormen de koopzondagen geen probleem
en verder wordt in het protestantse Zwolle uitbundig carnaval gevierd en wordt sinds 2007 op 15
augustus ter gelegenheid van Maria Hemelvaart
een processie rond de Onze Lieve Vrouwebasiliek
gehouden.
Van St. Michaëlskerk tot Academiehuis
Ook in Zwolle is het kerkbezoek de laatste
decennia drastisch terug gelopen wat kerkbesturen er toe dwong kerkgebouwen af te stoten.
Sinds enkele jaren wordt de Grote of St. Michaëlskerk niet meer voor zondagse vieringen
gebruikt en heeft nu een andere functie gekregen. De kerk is nu Academiehuis geworden. Het
is, aldus de fraai vormgegeven site, ‘een plek om
te leren en te innoveren. Om te luisteren en te
kijken. Om te ontdekken en te verwonderen
en jezelf te verrijken. Het Academiehuis biedt
plaats aan vernieuwing en verinnerlijking van
Kars Veling (Internet) jong en oud.’
ZHT4 2017.indd 20 23-1-2018 16:24:25
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 193
Afgaande op de programmering voor het najaar
van 2017 is er ruimte voor een breed scala aan activiteiten. Kunstenaars exposeren er hun werk, er
worden cantates van Bach uitgevoerd en een boeddhistische monnik denkt samen met de stadspastor
na over het thema geluk. Er valt dus veel te kijken, te
luisteren en te leren. De vraag dient zich echter aan
of je van een academiehuis ook niet mag verwachten
dat er ruimte zal zijn voor onderzoeken en discussiëren – toch de kernactiviteiten van een academie.
Grote Kerk: Academiehuis. (Foto Elske
Bootsma)
ZHT4 2017.indd 21 23-1-2018 16:24:29
194 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
Aan onderwerpen geen gebrek. Denk maar
aan het vraagstuk van de vrije wil. In tegenstelling
tot Luther dachten rooms-katholieke theologen
dat de mens een vrije wil heeft. Ze waren niet de
eersten die over deze kwestie de degens kruisten
en ook niet de laatsten. Het is ook niet louter een
theologisch en wijsgerig probleem. Denk maar
aan neurowetenschappers als Victor Lamme en
Dick Swaab die stellen dat ons brein bepaalt wat
we doen en de reacties die dat weer losmaakt. Het
zijn vragen die ertoe doen.
Literatuur
Ameling, A. (2002), De gereformeerden. Amsterdam:
Bert Bakker
Berkhof, H. en O.J. de Jong (1967), Geschiedenis der
kerk. Nijkerk: Callenbach
Elte, S. (1936), ‘Godsdienstige conflicten in Zwolle in
het tijdvak van 1530-1580’, in: VMORG 52, p.1-70
Engen, J. van (2008), Sisters and Brothers of the Common Life. The devotio Moderna and the World of
the Later Middle Ages. Pennsylvania: University of
Pennsylvania Press
Groenveld, S. en H.L.Ph. Leeuwenberg (2008), De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650). Zutphen: Walburg Pers
Groenveld, S., J.P. Jacobszn, S. L. Verheus (1993).
Wederdopers, menisten, doopsgezinden. Zutphen:
Walburg Pers
Hansen, M.L. ‘Het oproer te Zwolle in 1580’, in: Zwols
Historisch Tijdschrift 13 (1996) p.48-53
Heussi, K. (1971), Dreizehnte Auflage. Kompendium
der Kirchengeschichte. Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul
Siebeck)
Hove, J. ten (2005), Geschiedenis van Zwolle. Zwolle:
Waanders
Hyma, A. (1924), The Christian Renaissance. Grand Rapids: The Reformed Press
Kronenberg, M.E. (1948), Verboden boeken en opstandige drukkers in de Hervormingstijd. Amsterdam:
P.N. van Kampen en Zn
Mol, J.A., ‘Bemiddelaars voor het hiernamaals. Kloosterlingen in middeleeuws Frisia’, in: E. Knol, J.M.M.
Hermans e.a. (red.), Hel en hemel. De Middeleeuwen
in het Noorden. Catalogus van de tentoonstelling in
het Groninger Museum 13 april-2 september (Groningen, 2001), 152-164
Panhuysen, L. (2000), De beloofde stad. Opkomst en
ondergang van het koninkrijk der wederdopers. Amsterdam/ Antwerpen: Atlas
Post, R.R. (1968), The Modern Devotion. Leiden: E. J. Brill
Rogier, L.J. (1947), Geschiedenis van het katholicisme
in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw (2 dln).
Amsterdam Urbi et Orbi
Romein, J. en A. (1973, vijfde, geheel herziene druk), De
lage landen bij de zee. Amsterdam: Em. Querido’s
uitgeverij
Spruyt, B.J. (1998). Listrius (Lyster), Gerardus (Geryt)
1485-1522) In: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme. Deel 4, p.316
Noten
1. Hyma 5
2. Post 16-17
3. Rogier I, 105
4. Acquoy II, 268
5. https://www.kro.nl/katholiek/abc/aflaat
6. Berkhof 142
7. Kronenberg 70
8. Ten Hove 229
9. Spruyt 316
10. Ten Hove 279
11. Ten Hove 342
12. Panhuysen 169
13. Elte 19
14. Elte 21
15. Elte 26
16. Romein 310
17. Groenveld e.a. 82
18. Elte 47
19. Groenveld e.a. 93
20. Hansen 48-53
21. Elte 70
22. Ten Hove 274
23. Groenveld e.a. 185
24. Ten Hove 276
25. https//www.kro.nl/katholiek/abc/engelen
26. Mol 156
27. Van Engen 278
28. www. Digibron
29. Amelink 197
30. Amelink 199
31. Amelink 203
32. http://www.cbs.nl/nl.nl/publicatie/2016/51
33. Bespreking Notitie Uniefundering. https:/www.
christenunie.nl/library
ZHT4 2017.indd 22 23-1-2018 16:24:29
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 195
Zwolle in de jaren zestig
Aflevering 15: Hi-Ha-Happening
Jan van de Wetering (70) verplaatst zich vijftig jaar
terug in de tijd. Hij laat zich verrassen door wat hij
in de kolommen van de Zwolse Courant tegenkomt
over de stad van zijn jeugd. Het is het jaar 1967.
Met hun lied ‘All you need is love’ brandmerken
The Beatles met slechts één toverwoord – Love –
een geheel tijdperk, al wist niemand toen nog wat
daaronder verstaan moest worden. Er was maar
één ding zeker: er hing verandering in de lucht.
Een kleine groep Zwolse jongeren begon zich af
te zetten tegen de gezeten burgerij, waarbij ze het
gedrag imiteerden van hun leeftijdsgenoten uit het
Amsterdam dat al gauw het zelfbenoemde ‘magisch
centrum van de wereld’ zou worden.
Voetje voor voetje trad Zwolle in het spoor
van de nieuwe tijd die in Amsterdam en
de andere grote steden allang was begonnen – uitgebroken moeten we misschien zeggen.
Er ging geen week voorbij of de Zwollenaren
zagen met woede, verbazing en nieuwsgierigheid
naar wat de jongeren in de grote steden nu weer
hadden bedacht om zand in de machine van de
overheid te strooien. Het leek op een virus. Een
jaar eerder, in 1966, lieten de eerste Zwolse provo’s
van zich horen, maar die zongen wel een toontje
lager dan in de hoofdstad. Heel beschaafd namen
ze deel aan een discussie met de kloosterlingen
van het Dominicanenklooster. Datzelfde jaar
probeerden aanhangers van de PSP een optreden
van de Nederlandse Luchtmachtkapel te verstoren
omdat ze vonden dat ‘militaire muziekkorpsen
oneerlijke instellingen zijn, die ter opluistering
dienen van een in wezen ontluisterend apparaat.’
De woorden waren wat dreigender dan de middelen: een bootje met een protestspandoek in de
Zwolse grachten.1
De vraag is in hoeverre de berichten in de Zwolse
Courant uit die tijd een maatstaf zijn voor wat zich
werkelijk in de stad afspeelde. De Zwollenaren die
het beeld zouden bepalen van wat we tegenwoordig
‘de jaren zestig’ noemen, waren in 1967 twintigers.
Dat waren niet de journalisten die dag in dag uit de
kolommen van de krant vulden. De vooroorlogse
generatie had het roer nog stevig in handen. Hooguit
hadden de babyboomers het in die tijd geschopt tot
leerling-journalist. De oudere generaties bepaalden het beeld van een stad in verandering. Door
de gekleurde bril van de journalisten uit die tijd
én de hedendaagse gekleurde bril van mij, leest u
achtereenvolgens over twee verschillende soorten
veranderingen in 1967: een materiële, de stedenbouwkundige veranderingen; en een immateriële, de
verandering van de tijdgeest.
Dromen van Groot Zwolle
Zwolle maakte stedenbouwkundig gezien schoon
schip met het verleden. Verwaarloosde huizen uit
sloppenbuurten werden gesloopt, de binnenstad
verloor voor een groot deel zijn woonfunctie, de
oude infrastructuur uit de tijd dat auto’s nog van
marginaal belang waren, maakte plaats voor autovriendelijke aanpassingen. En niet te vergeten:
er moest ruimte gemaakt worden voor industrie,
want Zwolle moest groot worden, heel groot zelfs.
Zwolse nieuwigheden
– Twee Staphorster boerinnen kregen een parkeerbon op de Nieuwe Markt.
Ze hadden de daar pas geplaatste parkeermeter aangezien voor een weegschaal.
– ‘Computer is ongelooflijk stom apparaat’ zette de Zwolse Courant boven
het verslag van een lezing van een ingenieur van het Philips Rekencentrum
voor de afdeling Zwolle van de Volksuniversiteit. Daar dacht de krant een
paar maanden later anders over toen de uitslagen van de Zwolse gemeenteraadsverkiezingen razendsnel door een computer werden verwerkt.
Jan van de Wetering
ZHT4 2017.indd 23 23-1-2018 16:24:29
196 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
In zijn nieuwjaarstoespraak herhaalde burgemeester Roelen nog eens zijn plannen voor wat
de beleidsmakers ‘Groot Zwolle’ noemden. Door
de opheffing van Zwollerkerspel (per 1 augustus
1967) kon Zwolle naar alle kanten uitbreiden,
vooral met de vestiging van nieuwe industrieën.
Wel merkte Roelen wat beteuterd op dat de
gehoopte nieuwe vestigingen van buitenlandse
bedrijven (in navolging van Scania) waren uitgebleven.2 De Zwolse gemeenteambtenaren dachten
met hun burgemeester mee. Eén van hen had al
een slogan bedacht voor advertenties om industrieën over te halen zich in Zwolle te vestigen:
‘Ruimer dan de randstad is de Zwolse stadsrand’.3
Het idee van Groot Zwolle bleef in de kringen
van het gemeentebestuur rondzingen. Tijdens een
bijeenkomst voor het plaatselijke bedrijfsleven in
november benadrukte burgemeester Roelen dat
Zwolle alles in zich had om uit te groeien tot een
stad van een kwart miljoen inwoners. Tijdens de
bijeenkomst ging ir. Krijtenburg van Openbare
Werken in op de ruimtelijke aspecten van de
uitbreiding van Zwolle. Hij achtte een concentrische uitbouw mogelijk, die echter gevolgd moest
worden door lineaire uitbouw, ‘om de stad – wil
zij contact houden met de natuur – niet een steenmassa te laten worden.’ Zijn, in eigen woorden,
‘futuristische ideeën’ voorzagen in 26.000 woningen langs de Vecht en een groot aantal woningen
langs de bestaande spoorlijnen. Alleen al langs
de spoorlijn naar Almelo kon ruimte gemaakt
Burgemeester Roelen
presenteert op 11 oktober het Structuurplan
voor een groot Zwolle.
(Collectie HCO)
Het nieuwe Zwolle: de gemeentegrenzen na de opheffing van Zwollerkerspel.
Het besluit om de gemeente Zwollerkerspel op te heffen werd op 7 maart 1967
goedgekeurd door de Eerste Kamer. Op 8 maart kwam de Zwolse Courant met
een extra editie, waar onder meer de vergroting van het grondgebied van de
gemeente Zwolle uitvoerig belicht werd.
ZHT4 2017.indd 24 23-1-2018 16:24:31
zwols historisch tijdschrift jrg. 34 – nr. 4 | 197
worden voor 36.000 woningen volgens Krijtenburg.4 Ja, futuristisch waren deze ideeën zeker, of
moeten we eerder zeggen utopisch: Zwolle had in
1967 nog maar net de 60.000ste inwoner mogen
begroeten, al zou dat aantal door de opheffing van
Zwollerkerspel al gauw stijgen tot 73.000.5
Vijftig jaar terug in de tijd
De bespiegelingen over een Groot Zwolle strookten niet altijd met de aanpak van de gemeente in
het hier en nu. In de winter van 1965/1966 waren
werkloze arbeiders verplicht tewerkgesteld voor
de aanleg van park de Wezenlanden.6 Dat ging
maandenlang door tot er vileine artikelen over
dit door het ministerie van Volkshuisvesting
gesubsidieerde project in de landelijke dagbladen verschenen. De arbeidsomstandigheden in
Zwolle waren volgens het Nederlands Katholiek
Vakverbond onnodig zwaar. Een verslaggever
van de Zwolse Courant stapte er op af en wond er
geen doekjes om: ‘Wie het park De Wezenlanden in aanleg betreedt, stapt vijftig jaar in de tijd
terug.’ De ongeveer honderd arbeiders moesten
er werken met de schop, de kruiwagen en een met
handkracht voortgeduwde kiepkar. En dat, stelde
de verslaggever vast, ‘terwijl binnen een straal van
enkele kilometers vele draglines werkloos en renteloos staan te verroesten. (…) Niemand zal het in
zijn hoofd halen om een plafond te witten met een
tandenborstel als er een flinke kwast binnen zijn
bereik ligt.’ De arbeiders kwamen niet alleen uit
Zwolle en Zwollerkerspel, maar ook uit plaatsen
als Staphorst en Nieuwleusen. De meesten van
hen waren twaalf uur per dag van huis voor een
loon dat nauwelijks meer was dan hun uitkering
van de Werkloosheidswet.
Vooral het niet benutten van beschikbare
machines stak de verslaggever. ‘Als het Ministerie machines laat roesten, laat het ook daarin
gestolde arbeid roesten.’ Of deze verwijzing naar
het gedachtegoed van Karl Marx – dat in de jaren
zestig in linkse kringen weer grote populariteit
genoot – het Zwolse gemeentebestuur over de
streep heeft getrokken is niet bekend, maar zeker
is dat de met de hand voortgeduwde kiepkarretjes al enkele dagen later werden vervangen door
diesel-locomotiefjes. Dat was een waagstuk, want
De laatste stalhouder van Zwolle
Jaar na jaar verdween het Zwolle van weleer. Op 3 april 1967 maakte de
Zwolse Courant melding van het overlijden van een Zwols monument:
Gait Mulder. Wie kende hem niet? Gait Mulder werd in 1893 geboren in de
stalhouderij annex café ‘Het zwarte Paard’ aan de Thomas a Kempisstraat
van zijn ouders. In 1919 opende hij een eigen stalhouderij aan het Diezerplein nr. 4, die hij (vermoedelijk in 1922) kon uitbreiden door de aankoop
van een oude herenstal van baron Van Pallandt aan het Klein Grachtje.
‘Met de dood van “Gait” Mulder is een kleurrijke figuur heengegaan.
Sinds 1919 reed hij duizenden paartjes naar het stadhuis in zijn door
schimmels getrokken bruidskoets, de zweep met bloemen versierd, zelf
een grote bloem in het knoopsgat dragend. Hij was ongetwijfeld één van
de bekendste figuren, zeker tot in 1956 zijn stalhouderij werd opgeheven.
Dagelijks zag men zijn imposante gestalte – 265 pond – op de bok, niet zelden een vierspan of een zesspan mennend.’
Gait Mulder.
(Collectie HCO)
Artikel in de Zwolse Courant van 1 februari 1967.
ZHT4 2017.indd 25 23-1-2018 16:24:33
198 | jrg. 34 – nr. 4 zwols historisch tijdschrift
het ministerie had gedreigd de subsidie in te trekken: afspraak was dat het werk voor 80 procent
met de hand gedaan zou worden en 20 procent
machinaal. In oktober ging het ministerie na een
dringend verzoek van de gemeente Zwolle door de
bocht. De verdeling van menskracht en machines
voor de aanleg van park de Wezenlanden werd
omgekeerd: het werd nu 80 procent machines
en 20 procent mankracht (de tijd van het woord
‘menskracht’ was nog niet aangebroken).7
Zwollenaren tussen het puin
Zwolle hield de vaart erin met het opruimen van
oude gebouwen in de binnenstad en de oude wijken daarom

Lees verder