Categorie

Aflevering 3

Zwolse Historisch Tijdschrift 1992, Aflevering 3

Door 1992, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
9E JAARGANG 1 9 9 2 NUMMER 3
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Op deze foto ziet u de Assendorperdijk, in
de tijd dat daar nog veel kleine boerderijen
stonden. De laatste boerderijtjes zijn
tegen het eind van de jaren vijftig – begin jaren
zestig verwijderd.
Boven is de muur te zien die de tuin van het
Dominicanenklooster aan de Assendorperstraat
begrenst. Op de achtergrond is een begin gemaakt
met de bouw van de MTS, later HTS, en tegenwoordig
HTO. Het boerderijtje stond op de hoek van de
Assendorperdijk en de huidige Luttenbergstraat.
De foto is omstreeks het jaar 1955 gemaakt.
De enige overeenkomst met de vorige foto is de
muur van het klooster die sedert 1903 alle veranderingen
heeft doorstaan. De Assendorperdijk is
veranderd in een gebied met scholen en woningen.
De tijd dat je hier – de vroeger nog niet beschermde
– witte en paarse kievitstulpen kon
plukken, is voorgoed voorbij.
Boven: De Assendorperdijk. Oude situatie.
Onder: De Assendorperdijk. Huidige situatie,
(foto’s: D. Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 59
Redactioneel Inhoud
Op 2 november wordt op het vernieuwde
stationsplein een beeld onthuld van Johan
Rudolph Thorbecke, de grondlegger
van de moderne staatsinrichting. Thorbecke is in
1798 in Zwolle geboren, maar verliet de stad al op
zestienjarige leeftijd. Op de vraag waarom er in
Zwolle een standbeeld wordt opgericht voor iemand,
die slechts een klein deel van zijn leven in
de stad heeft doorgebracht, geeft in dit nummer
H.J.H. Knoester antwoord. Uit het artikel over de
‘wieg’ van Thorbecke komt duidelijk naar voren,
dat de Zwolse lotgevallen van zijn familie op de
karaktervorming van de jonge Johan Rudolph een
duidelijk stempel hebben gedrukt. Dit stempel is
van grote invloed geweest op het latere leven van
de befaamde staatsman. Een standbeeld voor hem
is in Zwolle dan ook zeer op zijn plaats.
Dat een artikel soms een merkwaardige ontstaansgrond
kan hebben, blijkt uit het verhaal van
Henk ten Dam. Een door een erfenis verkregen
houtskooltekening bracht hem ertoe in de geschiedenis
te duiken van twee in 1896 en 1897 te
Zwolle gehouden tentoonstellingen van schilderijen
en tekeningen. De organisatie hiervan was in
handen van de net opgerichte Zwolsche Vereeniging
tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer
en tot Verfraaiing van Stad en Omstreken.
Jan van Rees, een grootvader van Ten Dam, speelde
daarbij een grote rol. Dankzij onder meer afschriften
van op de tweede expositie betrekking
hebbende brieven, die in de familie bewaard zijn
gebleven, schetst hij een interessant beeld van deze
vroege vorm van ‘stadspromotie’.
Tenslotte gaat Jan Willem van Beusekom in het
laatste artikel uit de reeks over de jongere bouwkunst
in Zwolle in op een aantal interessante objecten
in de voormalige gemeente Zwollerkerspel.
Wederom blijkt dat de periode 1850-1940 prachtige
staaltjes van bouwkunst heeft opgeleverd.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Zwolle, wieg van Thorbecke H.J.H. Knoester
Twee tentoonstellingen in Zwolle Henk ten Dam
Jongere bouwkunst in Zwolle Jan Willem van Beusekom
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Ikonen uit Noord-Rusland Lydie van Dijk
Literatuur
Agenda
Mededelingen
Personalia
58
60
65
75
81
82
84
Omslag: Kinderen van J.E.H. Thorbecke en
J. C. Rietberg (detail van de foto op pagina 63)
en de handtekening van J.R. Thorbecke.
6o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle, wieg van Thorbecke
H.J.H. Knoester
Johan Rudolph Thorbecke
(1798-1872)
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
Aan de wieg van Johan Rudolph Thorbecke
– en dan bedoel ik een figuurlijke wieg – is
in Zwolle gedurende een lange periode
stukje bij beetje gebouwd. Allerlei facetten die zijn
jonge leven hebben beïnvloed, zijn langzaam gegroeid
in de eeuw waarin hij het levenslicht aanschouwde.
In dat voorspel op zijn aardse bestaan
ligt de Zwolse invloed die Thorbecke voor zijn
hele leven een stempel heeft meegegeven.
Carrière
Johan Rudolph Thorbecke werd geboren in 1798
en volgde tot 1814 onderwijs aan de Zwolse Latijnse
School. Daarna bezocht hij tot 1817 het Athenaeum
Illustre in Amsterdam. Hij studeerde rechten
in Leiden en promoveerde in 1820.
Een reis naar Duitsland had veel invloed op
zijn denken. Hij nam het Duitse intellectuele leven
in zich op en was een tijd lang privaatdocent in
Göttingen. Daar ontmoette hij Adelheid Solger,
met wie hij in 1836 zou trouwen. In 1825 was hij
buitengewoon hoogleraar in de letteren in Gent.
Van zijn verdiensten steunde hij zijn broer Herman
in diens studie medicijnen. De Belgische opstand
in 1830 dwong hem naar Nederland terug te
keren.
Het jaar erop werd hij in Leiden tot buitengewoon
hoogleraar benoemd, nu in de rechtsgeleerdheid.
In 1834 volgde de benoeming tot gewoon
hoogleraar.
In 1844 werd hij gekozen als lid van de Tweede
Kamer. Van het begin af stond hij een wijziging
van de grondwet in meer democratische zin voor.
De invloed van de Ridderschappen in de Provinciale
Staten en ook in Den Haag zou moeten verdwijnen.
De resten van het ‘ancien régime’, de tijd
van de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden,
zouden moeten plaatsmaken voor een
constitutionele monarchie met kiesrecht voor een
groter deel van de bevolking. Zijn ideaal vond echter
niet meteen weerklank.
In 1848 echter verdreef een revolutie in Frankrijk
de ‘burgerkoning’ Louis Philip. Dit veroorzaakte
een schok die zijn weerslag had in heel Europa.
Ook de Nederlandse koning Willem II voelde
zijn positie zo zeer bedreigd dat hij medewerking
verleende aan staatkundige hervormingen.
Hiertoe werd een staatscommissie tot hervorming
van de grondwet benoemd onder voorzitterschap
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 6l
van Thorbecke. De nieuwe grondwet die de commissie
voorstelde, werd in hetzelfde jaar 1848 aanvaard
en vormt nog steeds het fundament van ons
staatsbestel.
Wacht op onze daden
In 1849 leidde Thorbecke voor het eerst een kabinet
als minister van Binnenlandse Zaken. In de jaren
dat de vooruitstrevende liberalen aan de
macht waren, zouden er drie kabinetten Thorbecke
volgen. Nadat Thorbecke de trotse woorden
‘Wacht op onze daden!’ had gesproken, volgde de
ene wet op de andere.
De volledige gelijkberechtiging van de roomskatholieken
en het herstel van hun bisschoppelijke
hiërarchie, een uitvloeisel van het principe van
scheiding van kerk en staat, betekenden een schok
voor vele protestanten. De voorkeurspositie van
de Hervormde Kerk was hiermee officieel ten einde.
Hervormd Nederland reageerde verontwaardigd
met de Aprilbeweging van 1853. Ook de Gemeentewet
en de Provinciewet zijn aan Thorbecke
te danken en werken door tot in deze dagen.
Tussen 1848 en 1872 was Johan Rudolph Thorbecke
een man met veel invloed. Ook als hij niet
zelf over regeringsbevoegdheid beschikte, hield
men als leider van de oppositie terdege rekening
met hem.
Het karakter en de daadkracht die Thorbecke
kenmerkten, zijn reeds vroeg bij hem te onderkennen.
Zijn moeilijke jeugd in Zwolle, zijn in een
isolement verkerend ouderlijk milieu en zijn opvoeding
in een stad die vlak daarvoor met het patriottisme
was doordrenkt, zullen zeker daarop
van invloed zijn geweest.
De Thorbeckes en Zwolle
Om diverse redenen waren de Thorbeckes niet zo
maar een doorsnee Zwolse familie. Er zijn vier,
soms wat tegenstrijdige, facetten van hun anders
zijn.
Om te beginnen behoorde de familie Thorbecke
tot een kleine, sterk op Duitsland gerichte
groep kooplieden, de zogenoemde factoors. Deze
mensen zaten in een netwerk van Duitse families,
waarvan de leden in Zwolle hun roomse of lutherse
godsdienst bleven belijden. In Duitsland lag
hun bakermat. Als zonen van Duitse kooplieden
waren ze uitgezonden naar Amsterdam of Zwolle
om daar de zaken van Duitse familiebedrijven te
gaan behartigen. Er ontstond zo een vaste handelslijn
tussen Amsterdam (koloniale waren) en
Westfalen (textiel), met als overslagpunt Zwolle.
Zwolle lag op de grens van goed, diep vaarwater en
ondiepe wateren en landwegen. Het huis van de
Thorbeckes stond aan de Dijk (nu Thorbeckegracht
11 en 12), het toenmalige centrum van de
transitohandel. Op de kaden van de huidige Thorbeckegracht
werden de goederen overgeslagen op
andere schepen of op wagens.
De familie Thorbecke handelde aanvankelijk
in allerhande waren, maar specialiseerde zich later
in koloniale waren en vooral tabak. Het bleef niet
alleen bij handel in tabak, want te beginnen bij
Thorbeckes grootouders waren zij ook fabrikant
van snuif en tabak.
De familie Thorbecke woonde meer dan een
eeuw in hetzelfde pand, maar niet van vader op
zoon. De Zwolse familielijn stierf enige malen uit.
Thorbeckes geboortehuis
aan de Thorbeckegracht
(foto: J.P. de
Koning, gemeente
Zwolle).
62 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het interieur van de
lutherse kerk aan de
Koestraat (foto: J.P. de
Koning, gemeente
Zwolle).
Dan kwamen er steeds weer ‘verse’ Thorbeckes uit
Duitsland om het ontstane gat op te vullen. Door
dat feit bleven de Thorbeckes steeds in hoge mate
Duits of Westfaals. Langs de huidige Thorbeckegracht
vonden zij nog meer van deze vermogende
lieden. De vader van Johan Rudolph, de geboren
en getogen Zwollenaar Frederik Wilhelm Thorbecke,
keerde terug naar Duitsland om in Göttingen
te studeren en vond ook in Duitsland zijn
bruid. Hij trouwde in 1794 met zijn nicht Christine
Regina Thorbecke uit Osnabrück. Christine
heeft nooit goed Nederlands leren spreken en onderhield
een sterke band met haar Duitse familieleden.
In moeilijke tijden steunde de Duitse tak de
Nederlandse tak financieel. Dat zal niet alleen zijn
gebeurd omdat men familie was, maar ook omdat
men er zakelijk belang bij had. Voor de Duitse tabaksfabrikanten
Thorbecke was een betrouwbare
handelspost in Nederland erg belangrijk.
De Thorbeckes bleven ook steeds hun, in
Zwolle afwijkende, godsdienst trouw: zij waren
luthers. Slechts weinig Zwollenaren waren dat. In
hun lutherse kerk vonden zij standgenoten om
mee om te gaan en eenvoudiger lieden om voor
hen te werken. Een verandering van godsdienst
zou bij de familieleden en handelspartners in
Duitsland zeker verbazing hebben gewekt en afstand
hebben geschapen, ook op zakelijk gebied.
Daar stond tegenover dat de Thorbeckes door een
afwijkende godsdienst te belijden in Zwolle wat
aan de zijlijn stonden. Tijdens de Republiek kon er
geen sprake van zijn dat een lutheraan werd opgenomen
in het stadsbestuur. Daarvoor moest men
hervormd zijn.
Ondanks dat zullen de Thorbeckes zich toch
nauwelijks minder dan de Zwolse regenten hebben
gevoeld. Hun familie behoorde eertijds in
Borgholzhausen en later in de stad Osnabrück tot
de bestuurskringen. De Zwolse Thorbeckes moeten
in een merkwaardige tussenpositie hebben gezeten.
Enerzijds wisten ze dat ze ook leden waren
van een regentenfamilie. Een oom van Johan Rudolph,
de oudste broer van zijn moeder, was bijvoorbeeld
van 1813 tot 1830 burgemeester van Osnabrück.
Daarvoor was hij ook tabaksfabrikant
geweest. Anderzijds kwamen de Thorbeckes als
lutheranen in Zwolle zeker niet in aanmerking
voor een rol als bestuurder.
Toch had men goede relaties met de regentenkringen.
Zo trouwde Johan Caspar Thorbecke in
1744 te Zwolle met Gerredina Elsabee Eekhout. Zij
was de dochter van dr Roelof Eekhout en Elisabeth
Greven, die tot de hoogste kringen van de stad behoorden.
De weduwe Thorbecke-Eekhout hertrouwde
in 1754 met Jan Antony Scriverius, eveneens
een lid van een bekend regentengeslacht. De
klim op de maatschappelijke ladder kon niet worden
doorgezet, want de Thorbeckes bleven zoals
gezegd hun lutherse geloof trouw. De relatie met
de Eekhouts zullen zij echter niet zijn vergeten.
Het is dan ook niet vreemd dat de Thorbeckes
zich omstreeks 1780 aansloten bij de patriotten.
Patriotten behoorden tot de ontwikkelde en welgestelde
burgerij die geen politieke invloed had
maar daar wel aan toe was. Ook de Thorbeckes
wilden niet berusten in hun ondergeschikte lot
vanwege hun geloof, want in het gebied rond Osnabrück,
waar het lutheranisme de heersende
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 63
godsdienst was, hadden familieleden wel wat in de
melk te brokkelen. In Zwolle was een grote groep
burgers patriottisch en een van de Nederlandse
leiders, Joan Derk baron van der Capellen tot de
Poll, had zich juist hier gevestigd. In Zwolle kwamen
veel draden van het patriottisme bijeen. Tijdens
de jeugd van Johan Rudolph was dit weliswaar
reeds verleden tijd, maar de geest van de
stroming was nog sterk aanwezig in het denken
van de Zwollenaar.
Op de grens van twee werelden
Het beeld dat zo ontstaat, is er één van vele tegenstellingen.
De Thorbeckes waren, ruwweg in de
periode van 1790 tot 1820, zowel Duits als Nederlands.
In Duitsland regent, in Zwolle onmondig
burger. In Duitsland beleden zij de heersende
godsdienst, in Zwolle waren zij dissenter. Door de
maatschappelijke positie van hun Duitse familie
waren zij behoudend, door hun positie in Zwolle
waren zij patriot. In de ogen van de Zwolse doorsnee
burger waren zij rijk, in de ogen van de adel
en de rijkste regenten waren zij ‘bescheiden af. De
vader van Johan Rudolph was rond 1815 als ‘een
gezeten heer’ lid van de Groote Sociëteit, maar
wist wel dat hij financieel aan de rand van de afgrond
stond.
Kortom, ze waren enerzijds goed af, anderzijds
hingen zij tussen wal en schip. Maar uiteindelijk
waren zij op grond van de positie van familieleden
in Duitsland en hun eigen voorspoedige jaren tussen
1680 en 1780 zeer standsbewust.
De ondergang van de familiefirma
De onzekerheden in het gezin Thorbecke stapelden
zich na 1806 op. De Franse overheersing
bracht een teruggang van de handel teweeg, terwijl
er wel zware belastingen moesten worden opgebracht.
Een jarenlange recessie volgde, die een
groot deel van de Zwolse burgerij bedreigde. Vader
Thorbecke hield naar buiten toe zijn stand op,
maar teerde langzaam in op zijn vermogen. De fa-
De kinderen van
J.E.H. Thorbecke en
J.C. Rietberg aan de
Dijk (nu Thorbeckegrachtu)
omstreeks
1810. Van links naar
rechts Sophia, Lubbertus,
Friedrich Wilhelm,
Franz Heinrich en
Katharine. Aan de
muur hangen portretten
van de ouders
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
64 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Silhouetportretten uit
ijS>4 van Frederik
Wilhelm Thorbecke
(1760-1832) en Christina
Regina Thorbecke
(1769-1835), de ouders
van Johan Rudolph
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
milie, die altijd al in een zeker isolement had geleefd,
vereenzaamde sterk. Vooral toen rond 1818
een conflict uitbrak binnen de lutherse gemeente
in Zwolle. Vader Thorbecke koos voor de kleine,
meer vrijzinnige groep. Zijn broer en buurman
aan de huidige Thorbeckegracht koos voor de orthodoxe
richting. Deze meerderheid, die in het
In zijn jeugd moet Johan Rudolph in en rond
zijn ouderlijk huis een zee van indrukken hebben
opgedaan. Zijn ouders en de meeste mensen in
zijn omgeving vochten hard voor hun bestaan in
moeizame tijden waaraan geen einde leek te komen.
Vader Thorbecke was geen toonbeeld van
doorzettingsvermogen, maar heeft de carrière van
conflict juridisch zwak leek te staan, won uiteindelijk
en kreeg het kerkgebouw toegewezen.
De verhouding tussen Frederik Wilhelm en
zijn broer J.E.H. Thorbecke was om zakelijke redenen
trouwens al jaren eerder bekoeld. Als compagnons
in de familiefirma konden zij maar moeilijk
met elkaar samenwerken. Vader Thorbecke
besloot na jaren van recessie in 1805 zijn geld uit de
familiezaak terug te trekken. Dat was geen onverstandig
besluit. Zijn broer ging alleen verder, worstelend
om in steeds moeilijker omstandigheden
zijn hoofd boven water te houden. Hij ging in 1820
failliet, «en onbeschrijfelijke schande voor de hele
familie.
Omstreeks 1825 was voor de Thorbeckes de situatie
verre van rooskleurig. Er was slechts één
lichtpunt. Vader Thorbecke had jarenlang alles
geïnvesteerd in de opvoeding en studie van zijn
zonen Johan Rudolph en Herman.
zijn zoon met volharding en ook inzicht een aanzet
gegeven die verbazing wekt. Hij overtroefde
alle tegenslag door het welslagen van zijn zoon,
een succes dat hij bijna zelf had afgedwongen.
Toen het schip van vader Thorbecke zonk,
konden de beide zoons in de reddingsboot van
hun afgesloten studie ontkomen. Johan Rudolph
stond toen aan het begin van een lange carrière –
eerst als professor, later als staatsman – die zijn
weerga niet had in ons land.
Dat speelde zich buiten Zwolle af, maar de
kiem van alles, de karaktervorming van de staatsman,
lag in Zwolle. Al sedert de zeventiende eeuw
was aan de ‘wieg’ van Johan Rudolph Thorbecke
gebouwd. Daarom is een standbeeld voor hem in
Zwolle ook zo op zijn plaats.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee tentoonstellingen in Zwolle
In de jaren vijftig kwam een houtskooltekening
van Théophile de Bock door vererving in
mijn bezit. Samen met afschriften van brieven
uit één van de drie bewaard gebleven kopieboeken
van mijn grootvader van moederskant, Jan van
Rees, die op die tekening betrekking hadden,
vormde dat het begin van een speurtocht. En dit
alles tezamen leverde de stof voor dit verhaal.
De tekening bleek samen met 42 andere tekeningen
en met meer dan 80 schilderijen in juni
1897 op een tentoonstelling in de Harmonie aan de
Grote Markt gehangen te hebben. Jan van Rees
had, als invaller, de leiding gekregen van deze expositie.
Al ras bleek mij echter, dat dit niet de eerste
tentoonstelling was die de Zwolsche Vereeniging
tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer en
tot Verfraaiing van Stad en Omstreken had georganiseerd.
De eerste tentoonstelling was een halfjaar
tevoren gehouden: en dat met veel succes. Met die
tentoonstelling wil ik dit verhaal beginnen.
De tentoonstelling van 1896
Op 5 oktober 1896 stond in de Zwolsche Courant
te lezen dat onlangs bij de heer Waanders op de
Grote Markt stukken (d.w.z. schilderijen) van Co
Breman geëxposeerd waren geweest. Nu waren er
vier stukken te zien van Jan Harm Weijns.
Beide schilders waren te Zwolle geboren, respectievelijk
in 1865 en 1864, en beiden waren leerling
van Jan Derk Huibers. Deze was van 1872 tot
en met oktober 1881 tekenleraar aan de Zwolse Tekenschool.
Een paar weken later, op 21 oktober, stond in
de krant weer een mini-expositie aangekondigd.
Ditmaal waren er in het vergrote magazijn van de
heer Uiterwijk in de Diezerstraat vijf schilderijen
te zien van de Zwollenaar J.W. Meijer.
Terwijl deze kennelijk in de mode zijnde winkel-
exposities elkaar opvolgden, bereidde de Tentoonstellingscommissie
van de Zwolsche Vereeniging
tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer
en tot Verfraaiing van Stad en Omstreken (de
voorloper van de huidige vvv), haar eerste ‘grote’
schilderijententoonstelling voor. Van een leien
dakje ging het niet, want de opening moest veertien
dagen worden uitgesteld.1 De oorzaak van
deze vertraging was het feit dat het Nova Zemblapanorama
van Apol – het ‘pièce de resistance’ –
niet op tijd in Zwolle kon zijn door verlenging van
een tentoonstelling elders.
De tentoonstelling werd gehouden van zondag
1 november tot en met zondag 8 november op de
bovenzaal van de Harmonie aan de Grote Markt.
Een advertentie van het bestuur van de Vereeniging
in de Zwolsche Courant van 2 november
maakt duidelijk dat het twaalf meter lange, uit zes
tableaux bestaande stuk ‘Nova Zembla’ de trekpleister
van de tentoonstelling vormde. Dit was het
Henk ten Dam
Advertentie in de
Zwolsche Courant van
2 november 1896.
OP DE BOVENZAAL VAST X>E HARMONIE TE ZWOLLE
Van vZondag 1 tot (Zo.ndag 8 November 1896 . .-
‘. van .de beroemde 12, meter lange Schilderij van Apol
S’;: S “v en van!verschillende andere fraaie
Toegangskaalten a 25 Cent in1 verschillende Magazijnen verkrijgbaar.
Donderdag 5 ïfovember entree “tegen afgifte van twee kaarten.
HET BESTUUR VAN, 3E VEREENIGING
TOT BEVORDERING VAN HM’ VREEMDELINGENVERKEER
66 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werk van L.F.H. (Louis) Apol. Apol had in 1880 een
reis naar Nova Zembla gemaakt met het schip
‘Willem Barentsz’. Hij voelde zich zeer aangetrokken
tot winterse landschappen en besneeuwde
bossen waren favoriet bij hem. Het eigenlijke
panorama Nova Zembla bevond zich in die tijd in
Amsterdam. Het was op veel grotere schaal, en onder
leiding van Apol, grotendeels door anderen gemaakt.
Vereeniging tot bevordering vau ?t Vreemdelingenw;
^iyèrkecr ;fenz. te Zwolle.
. ..-. . • .’ ‘••-: . v ” – .,•.!-,•’ w e r k e n . v a u d e H e e r e n ••”•’
:• ‘:”,•• Th;,DE..B0CK SIÉBE T E N CATE;.FRITS-MONOMAAN, o n a n d e r e n •••:•;•••
L ‘.’ ‘ . ••’• , . ‘ . ‘ op d e •
‘ ; . BOVENZAAL DER HARMONIE .
Zaterdag 5 Juni tot en met Maandag 14 Juni.
Dagelijks van 10 tot 5 uur. Entree 2 5 cents.
. ••’• Leden en- Donateurs hebben voor de hun toegezonden Mart’eenmaal persoonlijk toegang tot de
.Tentoonstelling. .; . ‘ •••-‘•. ‘ ‘ ‘ •••”‘” –
• ‘ Kaarten, verkrijgbaar bij’.de bekende’ adressen en in de Harmonie. .
Advertentie in de
Zwolsche Courant van
5 juni 1897.
Behalve het werk van Apol, waren er zo’n twintig
andere stukken te zien. Hier waren enkele zeer
kostbare werken bij. De recensent van de Zwolsche
Courant noemde op 2 november werken van Willem
Maris, Van de Sande Bakhuijzen, Van Borselen,
Leickert, Hooper, Oppenoorth, Eerelman,
Andreotti, Jan van Beers en Von Kemendy.
Enigszins afgescheiden van de schilderijen waren
ook nog foto’s te zien, die ’ter opluistering’ ingezonden
waren door de Zwolsche Amateur Photografen
Vereeniging.
De behanger en stoffeerder Kolkman zorgde
voor de aankleding van de expositieruimte. De
tentoonstellingscommissie zelf verbeterde de verlichting
van de schilderijen door op donderdag
drie acetyleen-standaards te plaatsen. Tijdens de
avonduren konden de schilderijen hiermee verlicht
worden. Twee van deze standaards kwamen
tegenover Nova Zembla te staan en de derde tegenover
de zuidelijke wand.
Reacties en belangstelling
De Zwolsche Courant was blij met deze tentoonstelling:
op 2 november staat in de krant te lezen
dat zij zich verheugde dat het bestuur van de Vereeniging
‘ook in deze richting werkzaam is, daar
onze plaats tot dusver al zeer weinig te zien kreeg
op dit gebied’.
De belangstelling voor de tentoonstelling was
tijdens de openingsdag vrij groot: er kwamen 86
personen kijken. De woensdag daarop brachten
194 personen een bezoek aan de tentoonstelling.
Daaronder waren 25 leerlingen van de school van
de heer Wuite, die voor een geringe vergoeding in
de gelegenheid werden gesteld om te komen. Dit
voorbeeld van schoolhoofd Wuite werd op zaterdag
door twee andere schoolhoofden gevolgd: in
totaal leverde dat 88 leerlingen als bezoekers op.
De toegangsprijs, die op 25 cent was vastgesteld,
werd voor schoolkinderen op zaterdag gehalveerd.
Ook op zondag gold een gereduceerd tarief:
tot 14.00 uur betaalde men 10 cent. Na die tijd
was het weer 25 cent.
In totaal bezochten 1188 betalende bezoekers
de tentoonstelling, waarvan alleen al op zondag
vóór 14.00 uur 348. De Zwolsche Courant was zeer
tevreden over het verloop van de tentoonstelling.
Zij schreef op 10 november dat de organisatoren
‘die deze zaak hebben op touw gezet, hebben alle
voldoening voor de vele moeite en zorgen die zij
zich in dezen hebben getroost. Aan velen, die anders
minder in de gelegenheid zijn, hebben zij uitnemend
kunstgenot bezorgd’.
Overigens is het nog interessant te vermelden
dat de Vereeniging aanvankelijk van plan was geweest
schilderijen en tekeningen van Jan Toorop
tentoon te stellen. Het plan sprong volgens de recensent
af op de hoge kosten. Bovendien zou het
ook wat te gewaagd zijn om in Zwolle, waar zo
hoogst, hoogst zelden schilderijen, aquarellen of
tekeningen te zien waren, te beginnen met produkten
van zo’n nieuwe en excentrieke kunstuiting.
Werden er nu ook schilderijen verkocht? Jazeker.
Direct al tijdens de opening ging het eerste
schilderij van de hand. Het was een groot winterlandschap,
‘De Ijsbaan’ van Charles Leickert.
Daarna werd nog een schilderij verkocht, maar het
is niet bekend van wie dat was. Tenslotte werden
:WOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Théophile de Bock,
Keienberg. Houtskooltekening
(foto: H. ten
Dam).
Onder: Het uiterwaarden-
kleigaten-landschap
ter hoogte van de
Renkumse Molenbeek
en de Strang, voorjaar
1987 (foto: H. ten Dam).
op donderdag nog twee schilderijen verkocht:
‘Het Landschap’ van Van Borselen en ‘Landschap
met Schapen en Geiten’ van Rosa Bonheur. Deze
laatste schilderes was overigens niet door de recensent
genoemd.
Bestuur
Ongeveer gelijktijdig met de kunsttentoonstelling,
namelijk van 6 tot en met 8 november, had de
Vereeniging een driedaags bloemenfeest georganiseerd
in de grote zaal van de Buitensociëteit. De
zaal was door chrysanten en andere sierplanten
herschapen in een soort wintertuin, met als middelpunt
een fontein.
De verenigde Zwolse bloemisten hadden het
grootste deel van de organisatie op zich genomen,
maar de financiële aspecten werden door de Vereeniging
behartigd. Jan van Rees zette zich daar als
‘president’ of ‘voorzitter’ van de afdeling Vreemdelingenverkeer
voor in.
Wie de overige leden van het bestuur en de
commissie waren, weet ik niet. Nergens ben ik na-
Links: Signering door
Théophile de Bock.
Detail van de tekening
‘Keienberg’ (foto: H. ten
Dam).
68 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
men tegengekomen. Mij is alleen bekend dat Jan
van Rees, firmant in Jan van Rees & Zoon in
theeën en verzekeringsagent, op 8 mei 1896 aan het
bestuur van de Vereeniging liet weten dat hij zijn
verkiezing als bestuurslid aanvaarddde.2 Kort
daarop of misschien zelfs al direct, moet hij als
voorzitter zijn benoemd. In oktober en november
1896 noemde hij zich tenminste ‘president’ of
‘voorzitter’ van de afdeling Vreemdelingenverkeer.
In deze functie had hij met de bloemententoonstelling
te maken.
De organisatie van de kunsttentoonstelling zal
vermoedelijk voor rekening zijn gekomen van de
afdeling Verfraaiing van Stad en Omstreken. Als
dat zo is, dan weten we in elk geval zeker dat in
juni 1897 Hermannus van Gorkum voorzitter van
die afdeling was.
De tentoonstelling van 1897
In dit tweede deel van mijn verhaal kan ik wat
meer persoonlijke en zakelijke details vertellen
dan in het eerste deel het geval was. Dit is mogelijk
dankzij het brievenboek van mijn grootvader Jan
van Rees, die als invaller de leiding van de tentoonstelling
van Hermannus van Gorkum overnam.
Het gebruik van deze bron geeft onvermijdelijk
een enigszins eenzijdig beeld, want over de
activiteiten van de vele andere enthousiaste betrokkenen
vernemen we niets. Ten opzichte van
die onbekende anderen krijgt Jan van Rees hier
dus teveel aandacht.
Op 30 april 1897 hield de Vereeniging haar
tweede algemene ledenvergadering in de bovenzaal
van café Frans Vulker, gelegen in de Luttekestraat.
Van de 216 gewone leden waren er – behalve
het bestuur – slechts twee aanwezig! Aan het eind
van de vergadering deelde de voorzitter mee dat er
van zondag 30 mei tot maandag 7 juni in de bovenzaal
van de Harmonie aan de Grote Markt een tentoonstelling
zou worden gehouden van schilderijen
van Théophile de Bock en Siebe ten Cate.3
Op 28 mei meldde de krant inderdaad dat deze
tentoonstelling de daaropvolgende zondag zou
beginnen. Drie dagen later, dus op 31 mei, moest
de krant echter berichten dat er een kink in de kabel
was gekomen, doordat de schilderijen van
Théophile de Bock niet verzonden konden worden,
‘daar de expositie te Dordrecht, waar ze zijn
tentoongesteld, een week is verlengd’.
Zaterdag 5 juni stond in de krant te lezen dat
de schilderijen van Théophile de Bock zeer spoedig
verwacht werden. De heren van de Vereeniging
hadden intussen besloten door te zetten en de
bovenzaal van de Harmonie in te richten met
schilderijen, aquarellen en pasteltekeningen van
Siebe ten Cate uit Parijs, van Frits Mondriaan en
van nog enkele anderen.
Pas in de namiddag van tweede pinksterdag (7
juni) kwamen de 30 schilderijen en 43 tekeningen
samen met De Bock zelf aan in Zwolle. Direct
daarop begon het comité met de plaatsing van de
werken. Volgens de Zwolsche Courant van 9 juni
mocht het zich daarbij ‘verheugen in de wenken
en de persoonlijke medewerking van den heer De
Bock, zoodat zooveel dit mogelijk was, aan ieder
genre de juiste plaats is toegekend en zeer goed
voor de lichtverdeling is gezorgd. De stukken komen
mooi uit op den eenvoudigen maar smaakvollen
achtergrond. Wij vertrouwen dat het niet
aan bezoekers zal ontbreken. Van ’s morgens 10
tot des namiddags 5 is de toegang open’.
Jan van Rees
Jan van Rees was met zijn broer Hein en zijn vader
Jan Wijnand, compagnon in de firma Jan van Rees
& Zoon. Het kantoor en magazijn van deze theehandelaren
lag aan de Thorbeckegracht en de
Spinhuisbreehoek.
In het begin van het jaar 1897 had Jan van Rees
het extra druk wegens ziekte van zijn broer Hein.
Zo schreef hij op 11 februari aan zijn zwager Chris
van Enter: ‘Hein is nog lang niet goed, hij logeert
nu met Truus (Makking, zijn vrouw-HtD) op de
Thorbeckegracht. Zijn voorjaarsreizen doe ik denkelijk
allen voor hem. Maandag (15-2) ga ik op reis
en bljf minstens 2 maand uit’.4
Heins ziekte leidde eind april tot zijn dood.
Kort daarop zal Jan enige tijd thuis zijn geweest
voor de begrafenis en voor het regelen van de nalatenschap.
Direct daarna zette hij echter zijn reizen
voort. Pas begin juni kwam hij in Zwolle terug.
Drie maanden achter elkaar had hij rondgereisd
per koets: op zaterdagavond kwam hij thuis
en op maandagmorgen vertrok hij weer vroeg.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 69
Omstreeks die tijd, dus begin juni, moest de
voorzitter en tweede secretaris van de Vereeniging,
Hermannus van Gorkum, steeds vaker verstek
laten gaan. De reden hiervan was, zo meen ik
te mogen stellen, de ziekte van zijn oudste dochter
Louise Alexandra.5 Van Gorkum vroeg daarom
aan zijn medebestuurslid Jan van Rees of hij zo
Verkoop
Aan het eind van de eerste tentoonstellingsweek
was het nog droevig gesteld met de verkoop van de
geëxposeerde werken. Er was slechts één bod uitgebracht
op een schilderij van Mondriaan. Om de
verkoopmogelijkheden te vergroten wilde Jan van
Rees de tentoonstelling verlengen. Op 11 juni
nodig voor hem wilde inspringen. Toen de situatie
bij Van Gorkum thuis verslechterde, ging hij buiten
de stad medische hulp voor zijn dochter zoeken.
Jan van Rees nam daarop op woensdag 9 juni
definitief de leiding van de tentoonstelling op
zich.
Al eerder, na de inrichting van de tentoonstelling
op tweede pinksterdag, had Jan van Rees
Théophile de Bock meegenomen naar zijn huis op
‘Het Hardenberg’, Groot Wezenland 31, om daar
samen met zijn vrouw Jenny van Rees-van Enter
de avondmaaltijd te gebruiken. Een briefje van Jan
van Rees aan De Bock getuigt daarvan: ‘Wanneer
zien wij U weer, ons huis staat steeds graag voor U
open’.6
schreef hij daarom naar Siebe ten Cate, Théophile
de Bock en Frits Mondriaan, en hij stelde hen voor
om de tentoonstelling een week langer open te
houden. Per brief of telegram lieten alle drie heren
weten akkoord te gaan.
Van Rees zorgde vervolgens voor het aanplakken
van de door De Bock veranderde ‘reclamekaarten’
(een soort affiche?-HtD). Ook liet hij catalogus-
nummers drukken op grijsgeel karton om
de wat slordig, met de hand geschreven nummers
bij de schilderijen te vervangen. Tevens vroeg hij
De Bock naar de mogelijkheden om de verkoop
verder te stimuleren.
Dat verkoop van geëxposeerde werken noodzakelijk
was, was voor de recensent van de Zwolsche
Courant duidelijk. Hij schreef op 11 juni: ‘Zal
Thorbeckegracht, gezien
naar de Diezerpoortenbrug,
1902. Op Thorbeckegracht
.19 was de theehandel
van Jan van
Rees gevestigd (foto: Gemeentearchief
Zwolle;
reprografie f.P. de Koning).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groot Wezenland, circa
1900. Deze woningen
stonden bekand onder
de naam ‘den Hardenberg’.
Op Groot Wezenland
31 woonde Jan van
Rees (foto: Gemeentearchief
Zwolle; reprografie
J.P. de Koning).
’t mogelijk wezen en blijven, wat wij zoo van harte
hopen, dat wij geregeld zulke exposities in Zwolle
krijgen, dan is het hoogst wenschelijk dat er
kunstwerken worden aangekocht, omdat dit een
van de bestwerkende middelen is tot het geëxposeerd
krijgen van mooie werken. Een groote keus
van mooie werken heeft men hier zeer zeker’.
Ook de kunstenaars hadden uiteraard belang
bij verkoop van hun werken, maar dat gold eveneens
voor de organiserende vereniging. In dit geval
kreeg de Vereeniging 10% van de bedongen
verkoopprijs voor het vinden van aspirantkopers
en voor het bemiddelen tussen deze aspirantkopers
en de kunstenaars. Leden van de commissie
klampten daartoe bezoekers aan, die ze qua financiële
draagkracht in staat achtten een schilderij te
kopen. Jan van Rees schreef zelfs enkele bekende
schilderijenbezitters aan. Eén zo’n brief, aan mr
C.F. Kaempff, is bewaard gebleven:
‘Naar ik van terzijde hoorde was U voornemens
op onze schilderijententoonstelling iets aan
te kopen, daarom ben ik zo vrij U ingesloten de
catalogus te zenden en U eventueel de bemiddeling
van de Commissie aan te bieden. Vooral De
Bock en ook ten Cate zijn vertegenwoordigd door
prachtige stukken, de recensie in de Zwolsche
heeft U zeker geheel op de hoogte gesteld. (…)
Aangenaam zal het ons zijn zoo U mocht overkomen,
daarvan even bericht te ontvangen, daar wij
dan zullen zorgen dat een paar commissieleden tegenwoordig
zijn. Zullen wij in ’t vervolg deze tentoonstellingen
kunnen houden, dat toch zeker
zeer gewenscht is, dan is verkoop no. 1 op ’t programma
en tot dusver werd nog slechts 1 schilderij
verkocht’.7
Op 18 juni bracht mr Kaempff, advocaat, notaris
en lid van de Zwolse gemeenteraad, inderdaad
een bezoek aan de tentoonstelling. De volgende
dag schreef Jan van Rees hem:
‘Naar aanleiding van uw bezoek aan de schilderijententoonstelling
kom ik U namens het Bestuur
er even op attent maken, dat Zondagavond 7
uur de sluiting plaats heeft. Mocht U eens ongestoord
de schilderijen willen bezien, dan zijn wij
graag bereid, b.v. van avond tusschen 7 en 8 de
zaal voor U open te houden en zoo u dan een deskundige
over een en ander zoudt willen raadplegen
dan zijn wij overtuigd, dat de Heer de Jong,
teekenleeraar der R.H.B.school, die de recensie in
de Zwolsche schreef, graag bereid is U van dienst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
te zijn. Tusschen 1 en 2 van middag zal ik mij de
eer geven, ten Uwent, Uw antwoord hierop te komen
vragen’.s
Mogelijk heeft deze persoonlijke benadering
het gewenste effect gehad. Bij de sluiting van de
tentoonstelling waren er althans nog maar vier
schilderijen verkocht, zoals de Zwolsche Courant
op 22 juni wist te melden. Een week later schreef
diezelfde krant dat er nog twee stukken verkocht
waren, namelijk twee schilderijen van Siebe ten
Cate, ‘De Maas bij Rotterdam’ (catalogusnummer
2; zie bijlage) en ‘Dordrecht’ (catalogusnummer
onbekend). Het is heel goed mogelijk dat mr
Kaempff de koper van deze twee schilderijen is geweest.
In totaal werden er dus zes schilderijen verkocht.
Behalve de twee stukken van Siebe ten Cate
waren dat ‘Op Katwijk’ van Frits Mondriaan (catalogusnummer
49), ‘Maanlicht’ van De Bock (catalogusnummer
74?) en ‘Houtpioenen’ en “t Musschennest’
van Jacoba L. van Essen.
Al met al zal de Vereen iging met de verkoop
van deze zes schilderijen toch nog aardig wat
courtage opgestreken hebben. Toch moet toen al
duidelijk geworden zijn dat de markt voor schilderijen
in Zwolle beperkt was en snel verzadigd.
Overigens was ook het aantal bezoekers lager
dan bij de eerste tentoonstelling. In twee weken
Boven: Grote Markt te
Zwolle met ‘de Harmonie’
waarde tentoonstellingen
gehouden
werden
(foto: Gemeentearchief
Zwolle; reprografie J.P.
de Koning).
Grote Markt te Zwolle,
anno 1910
(foto: Gemeentearchief
Zwolle; reprografie J.P.
de Koning).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tijd kwamen er slechts een kleine 700 betalende
bezoekers. Aan de entreeprijs kan het niet gelegen
hebben. Die was nog steeds 25 cent, terwijl op zondag
slechts 10 cent betaald hoefde te worden.
Niet onvermeld mag blijven dat Van Rees ook
mr A. van Naamen van Eemnes probeerde te interesseren
in de aankoop van een of meerdere schilderijen.
Hij moet beide heren ongeveer gelijktijdig
benaderd hebben. In elk geval meldt Van Rees op
15 juni aan Théophile de Bock: ‘Verschillende
kunstliefhebbers en koopers animeerde ik tot aankoop,
zoowel mondeling als schriftelijk. – De Heer
van Naamen van Eemnes schreef mij terug, dat hij
geen ruimte meer beschikbaar had en dus niet
meer kocht, wij willen hopen dat de anderen er
beter over denken’.9
De tekening van Théophile de Bock
Vermoedelijk aan het eind van de eerste tentoonstellingsweek
kreeg Jan van Rees een brief van
Théophile de Bock, waarin hij hem als herinnering
aan hun aangename kennismaking aanbood
een tekening uit te kiezen uit de 43 tekeningen en
schetsen die van hem op de tentoonstelling hingen.
Het zal een gebaar geweest zijn om zijn tot
twee keer toe vertraagde inzending op de tentoonstelling
goed te maken, alsook om dank te brengen
aan Jan van Rees en zijn vrouw voor de ontvangst
op 7 juni. Bovendien was hij Jan van Rees speciale
dank verplicht voor zijn inzet om de verkoop van
de schilderijen te stimuleren. Jan van Rees spreekt
in een zakelijke brief aan De Bock van 15 juni pas
aan het slot in heel korte bewoordingen zijn dank
uit: ‘Uit Uw teekeningen koos ik voorloopig die
getiteld ‘Keienberg’ en plaatste er ter animeering
‘verkocht’ onder. Vriendelijk dank voor deze royale
herinnering aan onze aangename kennismaking.
Hopende dat spoedig onderhandelingen
over aankoop Uwer schilderijen U nopen zullen
over te komen, teeken ik (…)’.10
Direct volgend op het dankwoord werd Van
Rees dus weer zakelijk. Zou hij zich niet lekker gevoeld
hebben, dat hij als voorzitter van de commissie
een dergelijk geschenk kreeg en bleef hij
daarom zo ingetogen? Sprak hij er daarom pas
over aan het eind van zijn brief? Intussen vermoed
ik toch dat Jan en Jenny van Rees-van Enter door
dit aanbod van De Bock zeer gevleid waren.
Zij lieten hun keus dus vallen op de houtskooltekening
getiteld ‘Keienberg’. Het heeft me heel
wat speurwerk gekost om met vrij grote zekerheid
te kunnen zeggen dat de tekening geïnspireerd is
op het uiterwaarden- en kleigatenlandschap langs
de noordelijke oever van de Rijn ter hoogte van
Renkum. De Bock woonde in die jaren in Renkum,
aan de Nieuwe Weg. Ten noorden van zijn
woning lag het landhuis Keienberg en daaromheen
het landgoed met dezelfde naam. Tegen het
einde van de negentiende eeuw behoorde daar
ook een deel van de uiterwaarden toe. En daarvan
maakte De Bock deze tekening, precies op de
plaats waar de Renkumse Molenbeek uitmondt in
de Strang.
De tekening kan vrij nauwkeurig gedateerd
worden, namelijk tussen 1895, het tijdstip waarop
De Bock zich in Renkum vestigde en juni 1897,
toen de tekening in Zwolle geëxposeerd werd.
Op de achterzijde van de tekening staat een
houtskoolschets van een soortgelijk rivierenlandschap.
Er zijn ook enkele bouwsels en een boot
met mast op te zien. Deze schets kwam te voorschijn,
toen de tekening in juli 1991 uit de lijst werd
gehaald om schoongemaakt te worden.
De tekening werd eerst zonder passepartout
ingelijst in een smal wortelnotenhouten lijstje. De
prent bleef in het huis van mijn grootouders totdat
mijn grootmoeder in 1941 stierf. Na haar dood
kwam de prent in bezit van haar dochter – mijn
tante – Lu Hingst-van Rees. Toen zij in 1955 stierf,
kreeg ik de prent als herinnering aan haar, zonder
ook maar ooit iets gehoord te hebben over de herkomst
ervan.
Na de tentoonstelling
Direct na de sluiting van de schilderijententoonstelling
begon men de bovenzaal van de Harmonie
in orde te maken voor een expositie gravures, etsen,
autotypen, aquarellen en fotografieën, ingezonden
door de firma Jacob Tamse & Postel aan
de Sassenstraat. Al op woensdag 23 juni werd deze
tentoonstelling, die wederom onder het patronaat
van de Vereeniging stond, geopend.
Jan van Rees trok zich echter al spoedig terug
uit het bestuur van de Vereeniging. Op 2 augustus
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 73
1897 schreef hij aan president S.J.H. Trooster:
‘Door het overlijden van mijn broeder zijn mijn
werkzaamheden, in ’t bizonder het reizen, zoodanig
toegenomen, dat ik mij tot mijn spijt genoodzaakt
zie U mede te deelen, dat ik voor het bestuurslidmaatschap
der Vereeniging Vreemdelingenverkeer
enz. bedank’.”
Het bestuur vergaderde over de brief en besloot
dat de tweede secretaris Hermannus van
Gorkum schriftelijk aan Van Rees zou vragen zijn
voornemen ongedaan te maken. Het antwoord
van Van Rees is duidelijk:
‘Zeer gevoelig voor den vriendelijken aandrang,
waarmede Uw bestuur mij tracht terug te
doen komen op mijn besluit, moet ik U tot mijn
spijt mededeelen, dat ik ’t juist in ’t belang der
Vereeniging acht, daarbij te volharden. – Alleen
mannen die behalve lust en ijver ook tijd hebben
flink voor de belangen aan onze Vereeniging toevertrouwd
te werken, moeten in mijn ogen zitting
nemen in haar bestuur en daar mij geheel den tijd
ontbreekt en in de eerste jaren ontbreken zal om
metterdaad zoo voor haar werkzaam te zijn, als ik
dat wel zou willen, verzoek ik U aan Uw bestuur
mede te deelen, dat ik tot mijn grooten spijt mijn
besluit tot aftreden moet handhaven’.’2
Dit komt mij voor als een respectabel en verstandig
besluit, temeer als we weten dat Van Rees
in 1896 boekhouder/penningmeester van de
doopsgezinde gemeente was. In 1897 werd hij president
van het doopsgezinde kerkbestuur, dat in
die tijd verwikkeld was in noodzakelijke, maar
stroef verlopende fusiebesprekingen met de andere
doopsgezinde gemeenten in de regio. Bovendien
had hij verschillende hobby’s. Hij verzamelde
postzegels, had duiven, kippen en konijnen en een
tuin met rozen, lathyrus en oost-indische kers.
Tenslotte was hij een enthousiast fietser.
Tenslotte
Ik wil dit verhaal van de twee schilderijententoonstellingen
besluiten met de opmerking die ik al
eerder maakte: er waren natuurlijk meer enthousiaste
leden van de tentoonstellingscommissie,
maar ik ken hun namen niet, laat staan de bijzondere
aard van hun inzet.
Ik ben benieuwd of er in Zwolle nog mensen
zijn die over de beide tentoonstellingen in 1896 en
1897 meer weten en/of in het bezit zijn van toen
gekochte schilderijen.
Bijlage
Catalogus van de tentoonstelling van 1897
Deze catalogus heb ik gedeeltelijk kunnen reconstrueren
uit de recensie in de Zwolsche Courant
van 11 juni 1897 en uit gegevens in het kopieboek
3 van Jan van Rees.
Waar mogelijk, heb ik achter de titels de reactie
van de recensent opgenomen.
nr. titel/onderwerp
Siebejoh. ten Cate (1858-1908)
2 De Maas bij Rotterdam (olieverf)
onbekend Gezicht op Dordrecht
6 Omstreken van Brugge
7 Omstreken van Brugge
13 La Rue de la Chapelle de Paris (pastei)
‘Wat een waarheid in die besneeuwde, triestige,
natkoude straten met de wegnevelende huurrijtuigen
en de enkele voetgangers’.
14 LePontNeufa Paris
17 Parijse straatscene: een werkende straatatleet
‘.. .die moet vooral gezien worden’.
18 Parijse straatscene
25 Waterloo Station Londen
‘Kranig! Frappant in zijn soberheid …avond …
een trein rechts, komend in den nevel om den
hoek van een weg … een paar lantaarns links’.
28a Gezicht op Thorbeckegracht Zwolle (aquarel)
onbekend nog vier aquarellen
‘Ook bij de schilderijen en pastels vinden we kijkjes
op onze stad, waarvan een enkele wel een
beetje ‘gestyleerd’ is’.
Jacoba L.van Essen (1870-1936)
35 Houtpioenen!
‘Als bloemschilderes genoeg bij ons bekend’.
(36) ’t Musschennest
37 Strand bij Scheveningen
‘Heeft vele goede eigenschappen in kleur en teekening’.
zonder nr. Lichte papavers
‘Het beste van Mej. van Essen’.
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Hendrik Savrij (1823-1907)
zonder nr. landschap
‘Hoort hier tussen al die voortbrengselen van
mooie kunst niet thuis, ’t Hoort hier thuis als een
boer in de Eerste Kamer, als een modderschuit
tusschen een oorlogsvloot. Het is slecht, niet in
het minst van teekening. Zulke mismaakte koeien
als we hier vinden hooren op de kermis thuis
in een tentje’.
Louis Apol (1850-1936)
39 :’een schilderij’
Frits Mondriaan (1853-1932)
40 Duinkant
‘Een kapitaal stuk, dat het heel goed doet zolang
men nog niet verwend is door de hooge kunst
van De Bock. Ondanks het “doorvoed” zijn, zou
men de “Duinkant” breeder van opvatting wenschen,
zooals zijn “Dennenbosch”, nr. 50, met de
groote paddestoelen, en de kleurstudie “Toren
van Rijnsburg”, nr. 46’.
46 Toren van Rijnsburg
47 Bennekomseweg
‘.. .met berken, dat wel iets lager mocht hangen,
evenals z’n buurman’.
49 Op Katwijk
50 Dennenbosch met groote paddestoelen
Théophile de Bock (1851-1904)
52 Zandgraverij (olieverf)
‘Lest best. Bij de Bock vol, groot licht, geen nevel.
Hoe breed is dit geschilderd en hoe mooi is ’t van
kleur’.
54 De twee Lindebomen
‘…met het hooge groen en de ijle, lichtende
lucht’.
56 ?
61 ?
67 In de bosschen van Doorwerth
71-74 Vier schilderijen
‘…waarvan niet ’t minst mooie is “Renkum langs
de rivier”, vooral als men de vergulden lijst wegmaakt
en even op ’n afstand gaat. Het is alles zoo
frisch, zoo in-gezond het werk van De Bock’.
74 Na zonsondergang (wellicht hetzelfde als Maanlicht)
80 Op Oranje Nassau (een landgoed-HtD)
zonder nr. 43 tekeningen en schetsen waaronder
‘Zandgraverij’ en ‘Keienberg, Renkum’
‘Wie van de schilderijen van de Bock komt, verwacht
niet anders dan kranige, meesterlijke,
breed-gedane studies en in die verwachting
wordt men waarlijk niet teleurgesteld’.
In de tweede week, dus na de verlenging, is de tentoonstelling
nog aangevuld met werken van:
Jozef Israëls (1824-1911)
zonder nr. Verkleumd (vraagprijs ƒ 2500,-)
zonder nr. Als men oud wordt (vraagprijs ƒ 2500,-)
zonder nr. Klein Jantje (vraagprijs ƒ 2500,-)
zonder nr. Korenveld (aquarel; vraagprijs ƒ 900,-)
Anton Mauve (1838-18
zonder nr. Boer achter ploeg (aquarel; vraagprijs
ƒ3500,-)
zonder nr. Een binnenhuis, stal (olieverf; vraagprijs
ƒ800,-)
Noten
1. Zwolsche Courant 13 oktober 1896.
2. Kopieboek3/36.
3. Zwolsche Courant 3 mei 1896.
4. Kopieboek 3/126.
5. Zij overleed op 1 juli 1897 op 11-jarige leeftijd.
(Zwolsche Courant 5 juli 1897).
6. Kopieboek 3/143.
7. Ibidem 3/147.
8. Ibidem 3/152. Zowel in november 1896 als in juni
1897 werden de recensies in de Zwolsche Courant
ondertekent met de initialen A.L.V.B. Uit deze brief
van Van Rees wordt duidelijk dat de tekenleraar De
Jong optrad als recensent.
9. Ibidem 3/148.
10. Ibidem.
11. Ibidem 3/156.
12. Ibidem 3/163.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Jongere bouwkunst in Zwolle
In een drietal eerder in het Zwols Historisch
Tijdschrift gepubliceerde artikelen is aandacht
besteed aan de bouwkunst uit de periode
1850-1940, de zogenaamde jongere bouwkunst.
In het eerste artikel van deze serie (1990, nr. 4)
is aandacht besteed aan de stedebouwkundige
ontwikkelingen in de periode 1850-1940. Het tweede
artikel (1991, nr. 2) ging over de jongere bouwkunst
in de binnenstad en het derde artikel (1992,
nr.i) behandelde gebouwen buiten de singels,
maar binnen de bebouwde kom. In dit laatste artikel
worden ter afsluiting nog enkele objecten in
het buitengebied beschreven. Merendeels zijn
deze gelegen in de voormalige gemeente Zwollerkerspel.
De interessante objecten worden hieronder
per categorie behandeld. De geografische spreiding
van de objecten maakt verschillende routes
mogelijk. Een boeiend gebied sluit direct aan de
zuidkant aan op de bebouwde kom en vormt de
verbinding tussen de stad en de rivier de IJssel.
Hier heeft een aantal belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen
plaatsgevonden.
Het Engelse Werk
Op de door Menno van Coehoorn aan het eind
van de zeventiende eeuw ontworpen verdedigingslinie,
is in 1809 een landschapspark aangelegd in
Engelse stijl door de Utrechtse tuinarchitect Hendrikvan
Lunteren. De gebogen lijnen van de paden
en de verspreide boomgroepen geven een sterk
ruimtelijke werking.
Veerhuis aan hetKaterveer
Op een karakteristiek punt, namelijk tussen de
nieuwe en de oude verkeersbrug over de IJssel,
staat op de rivierdijk het voormalige veerhuis. Het
Katerveer was tot 1930 één van de belangrijkste
veerverbindingen in ons land.
Katerveer sluizen aan Oude Veerweg
In 1819 werd de lang verbeide scheepvaartverbinding
met de IJssel gegraven. Dit kanaal doorsneed
een vestingwerk aan de rivier. Hierin werd een
dubbel sluizencomplex aangelegd, dat met name
opvalt door z’n begroeide taluds en de dubbele
ophaalbruggen. Het complex staat op de rijksmonumentenlijst.
Bruggen over de IJssel
De eerste vaste oeververbinding over de IJssel
kwam in 1864 tot stand. De spoorbrug was een belangrijke
schakel in het spoorwegnet, vooral in de
Jan Willem
van Beusekom
Katerveersluizen;
de kleine sluis
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Katen’eer•sluizen;
de grote sluis
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
Schutsluis aan de
Hasselterdijk
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
verbinding tussen het westen en noorden van het
land. De spoorbrug heeft aan weerszijden een lange
vaste aanloopbrug. In het midden een boogbrug
en een hefbruggedeelte, waardoor het scheepvaartverkeer
ook bij een hoge waterstand doorgang
kan vinden. Aan de Zwolse zijde bevindt zich
voor de aanloopbrug een spoorviaduct over de
Schellerdijk. In de gemetselde opleggingen bevindt
zich een steen met inscriptie ‘N.C.S.M. 1.905’.
De afkorting staat voor Nederlandse Centraal
Spoorweg Maatschappij.
Hoewel het aanvankelijk de bedoeling was om
de spoorbrug te combineren met een verkeersbrug,
heeft het nog tot 1927 geduurd voordat enkele
honderden meters stroomafwaarts aan een
tweede boogbrug werd begonnen. Deze werd in
1930 in gebruik genomen als onderdeel van de
Zuiderzeestraatweg.
Sluizen
Behalve het sluizencomplex aan het Katerveer bevinden
zich rond Zwolle meer sluisjes. Aan de
Maatgravenweg bevindt zich ‘het Nieuwe Verlaat’
in de Nieuwe Vecht die als verbinding werd gegraven
tussen Vecht en het kanaal naar Almelo.
Het sluisje heeft een kenmerkende ovale sluiskolk,
nog in vrijwel oorspronkelijke staat. Aan de HasZWOLS
H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 77
selterdijk bevindt zich een klein schutsluisje tussen
het Zwarte Water en de Oude Wetering, genaamd
Rademakerszijl.
Boerderijen
Het agrarische gebied rond de stad strekte zich tot
ver in de negentiende eeuw uit tot vrijwel aan de
rand van de historische binnenstad. Slechts enkele
stadsuitbreidingen hadden hier plaatsgevonden.
(Zie ook het eerste artikel).
Tal van boerderijen bevonden zich in dit gebied
dat inmiddels veel verder bebouwd is. Binnen
de bebouwde kom vinden we nog enkele karakteristieke
boerderijen. Aan de Klooienberglaan ligt
de gelijknamige dwarshuisboerderij uit 1848. Het
voorhuis valt op door zijn bei-étage met hoge achtruitsschuifvensters.
Aan de Helderlichtsteeg ligt de grote dwarshuisboerderij
‘het Helderlicht’, waarvan het voorhuis
twee bouwlagen telt.
Aan de zuidrand van de bebouwde kom bevindt
zich een aantal karakteristieke boerderijen
uit deze eeuw. Deze behoorden oorspronkelijk tot
het landgoed Zandhove, dat thans in sterk verbouwde
staat als verpleeghuis in gebruik is.
Aan de Hollewandsweg 38 ligt de in 1937 door
de architect P.A. Lankhorst gebouwde boerderij
‘de Hollewand’ met het uiterlijk van een landelijke
villa. Overeenkomstig van architectuur is de boerderij
‘de Oude Mars’ aan de Mars 2, ontworpen
door dezelfde architect in 1938 en opgezet rond
een rechthoekige binnenplaats. Aan de Hollewandsweg
23 staat een bijbehorende dienstwoning
die in dezelfde stijl gebouwd is en dus waarschijnlijk
van dezelfde architect is.
Afwijkend van architectuur is de boerderij
‘Bikkenrade’ aan de Hollewandsweg 40. Het heeft
een monumentaal toegangshek.
In de buurschap Oldeneel liggen aan de Oldenneelseweg
1 en 4 dwarshuisboerderijen met
een opvallend breed voorhuis, beide met een halve
verdieping. Op de IJsseldijk ligt aan de Kleine
Veerweg het eenvoudig classicistische huis ‘IJsselzicht’.
Dwarsh u isboerderij,
gelegen aan de Helderlichtsteeg
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Huis ‘de Schellerberg’
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
‘Frisia-state’, gelegen
aan de Ruiterlaan
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
Buitens
Rond Zwolle liggen tal van buitenplaatsen. Een
aantal daarvan dateert uit de periode van de jongere
bouwkunst.
Ten zuiden van de stad ligt in de buurschap
Schelle het huis ‘de Schellerberg’ uit 1876, met
landschappelijke tuinaanleg waarin enkele borstbeelden,
en een aardig dierenverblijf.
Aan de Ruiterlaan, oorspronkelijk buiten de
stad, ligt het buiten ‘Frisia-state’, dat in 1873/74 is
gebouwd naar een ontwerp van de architect L.H.
Eberson voor baron De Vos van Steenwijk.
Aan de Frankhuisweg ligt aan het water ‘het
Bildt’, gebouwd in 1848 met aangebouwd koetshuis.
Jarenlang heeft dit complex leeggestaan.
Op het landgoed Windesheim bevindt zich
een aantal aardige dienstwoningen aan de Windesheimerweg.
Aan de Heinoseweg staat het buiten ‘Boschwijk’,
een eenvoudig symmetrisch huis met een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
aardig torentje. Het was de laatste ambtswoning
van de burgemeester van Zwollerkerspel.
Villa’s
Een goed bewaard gebleven landelijke villa bevindt
zich aan de Haersterveerweg 27. Deze werd
in 1934 gebouwd naar een ontwerp van R.G. Rodenburg.
Het heeft een rieten schilddak. De stalen
kozijnen hebben een overheersend horizontale
roedeverdeling.
Een merkwaardig, geheel houten huis ligt aan
de Herfterlaan, direct aan de spoorlijn naar Dalfsen.
Het huis werd in de jaren twintig gebouwd in
opdracht van jonkheer van Nispen.
Tot voor kort stond aan de andere zijde van de
spoorlijn nog een geheel houten huis ‘Sorghvliet’.
Helaas is dit gebouw inmiddels vervangen door
nieuwbouw.
Aan de Beukenallee 1 werd in 1875 de villa ‘Vijverberg’
gebouwd naar een ontwerp van de architecten
W. en F.C. Koch. In 1909 werd het verhoogd
door de architect G.G. Post. In 1907-08 werd aan
de inrit een tuinmanswoning gebouwd. De tuinaanleg
is nog deels in oorspronkelijke staat.
Woonhuizen
In het oorspronkelijke buitengebied van Zwolle
liggen enkele concentraties van woningen, zoals
bijvoorbeeld langs de Oude Deventerweg. Hier
staat een aantal opvallende woningen. Het rijtje
met de nummers 46-48, 50-52, 54-56 en 58-60
heeft bijvoorbeeld een aan de art-nouveau verwante
architectuur.
Scholen
Een aardig voorbeeld van een plattelandschooltje
met aangebouwde woning staat tussen de buurschappen
Schelle en Oldeneel aan de Bosweg.
Begraafplaatsen
Nadat aanvankelijk in en om de kerk begraven
werd, kwam in de Franse tijd een wet tot stand die
Haersterveerweg 27
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Israëlitische begraafplaats
aan de Kuyerhuislaan
(foto: Gemeentelijke
fotodienst, Zwolle).
verplichte tot het aanleggen van begraafplaatsen
buiten de toenmalige stad. De twee vervolgens
aangelegde begraafplaatsen aan de Meppelerstraatweg
zijn reeds in het vorige artikel genoemd.
Nog verder buiten de stad vinden we met
name rond de Agnietenberg een concentratie van
begraafplaatsen.
Op het terrein van de voormalige buitenplaats
‘Kranenburg’ ligt thans de Algemene Begraafplaats
Kranenburg. Het landgoed is nog herkenbaar
in het toegangshek en het lanenstelsel op het
terrein. Eén van de oorspronkelijke bijgebouwen
is thans in gebruik als dienstgebouw. In de jaren
dertig zijn een aula en dienstwoning gebouwd met
karakteristieke rieten kappen.
De begraafplaats Bergklooster behoorde oorspronkelijk
bij het klooster op de Agnietenberg.
Het bijzondere van deze privé begraafplaats is het
feit dat alleen aangesloten families hier begraven
kunnen worden. Hier liggen dan ook bekende
Zwolse families als Van Haersholte, Van Haerst,
De Vos van Steenwijk en tal van anderen.
De kleine R.K. begraafplaats aan de Gasthuisdijk,
hoek Blaloweg, behoorde oorspronkelijk bij
het nabijgelegen Buitengasthuis.
In tegenstelling tot andere, merendeels ingetogen
joodse begraafplaatsen valt de Israëlitische begraafplaats
aan de Kuyerhuislaan op door het imposante
hek, waarvan de pijlers bekroond zijn met
grote vazen met gedrapeerde doeken en door de
grote aula met monumentale ingangspartij. Het
complex staat op de rijksmonumentenlijst.
Diversen
Aan de Hasselterdijk 43 staat een klein tolhuis met
een rieten dak en met een opvallende colonnade
aan de voorzijde. Recentelijk is aan de achterzijde
een nieuw bouwdeel toegevoegd.
Aan de Haersterveerweg lag tot voor kort op
een verhoging het eenvoudige classicistische gebouwtje
van theeschenkerij ‘de Agnietenberg’ uit
circa 1875.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
Tenslotte
Het veldwerk voor dit artikel is inmiddels ruim
drie jaar geleden uitgevoerd. Derhalve kan niet gegarandeerd
worden dat alles nog aanwezig is in de
staat waarin het beschreven is. Een aantal van de
beschreven objecten is inmiddels op de rijks of gemeentelijke
monumentenlijst geplaatst. Binnen
afzienbare tijd zal het Monumenten Selectie Project
van start gaan. Uit de in het kader van het Monumenten
Inventarisatie Project geïnventariseerde
objecten zal dan een keuze gemaakt worden
van objecten die in aanmerking komen voor
plaatsing op de rijksmonumentenlijst.
De in 1990 ter gelegenheid van de Open Monumentendag
uitgegeven ‘Wandel- en fietstocht
jonge bouwkunst in Zwolle’ bestrijkt een klein gedeelte
van het buitengebied. De brochure is verkrijgbaar
bij de vvv, de gemeentewinkel in de
Diezerstraat en bij het bureau Monumentenzorg
in het Flevogebouw aan de Menno van Coehoornsingel.
Straatnamen, niet zo eenvoudig…
In 1942 vaardigde de Duitse bezetter de verordening
uit dat straten, die genoemd waren
naar levende leden van het koninklijk huis,
moesten worden omgedoopt.
Voor Zwolle had dat betrekking op de Wilhelminasingel,
de Wilhelminastraat en de Julianastraat.
Andere leden van het koninklijk huis, die
tegenwoordig in aanmerking zouden kunnen komen,
waren toen nog niet in een straat vernoemd.
Omdat de gemeenteraad in die periode buiten
spel was gezet, besloot burgemeester jhr mr
M.P.M, van Karnebeek op 28 maart van dat oorlogsjaar
om de drie genoemde straten respectievelijk
de volgende namen te geven: Bolwerksingel,
Willem de Zwijgerstraat en Louise de Colignystraat.
Toen Zwolle op 14 april 1945 werd bevrijd en
Van Karnebeek na een onderduikperiode weer op
de burgemeestersstoel plaatsnam, was zijn eerste
officiële daad: de ’terugdoping’ van de drie betreffende
straten.
Wil Cornelissen
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ikonen uit Noord-Rusland
Lydie van Dijk Van 22 november 1992 tot 31 januari 1993 is
in het Provinciaal Overijssels Museum een
zeer bijzondere tentoonstelling te zien. Dit
keer geen onderwerp uit de regionale of lokale historie
en geen kunstenaar uit de streek, maar een
tentoonstelling met een internationaal karakter
met voorwerpen uit de Russische stad Vologda.
Vologda, een partnerstad van Zwolle, ligt zo’n 500
km ten noorden van Moskou.
Resultaten van deze internationale contacten
waren al eerder in het POM te zien in de vorm van
de kanttentoonstelling van de onderneming ‘Snezjinka’.
Voor bovengenoemde tentoonstelling heeft
het Staatshistorisch-en kunstmuseum in Vologda
een representatieve selectie gemaakt uit haar ikonencollectie.
Deze collectie bevat ongeveer 4000
ikonen, waarvan er 50 in het POM geëxposeerd
worden, zowel in de Gouden Kroon als in het
Drostenhuis. Enkele vertrekken van de vaste opstelling
zullen hiervoor ontruimd worden. Er zijn
zowel kerkikonen als ikonen voor privé-gebruik te
zien.
Het opzetten van een dergelijke tentoonstelling
is niet alleen organisatorisch een hele klus
(hoewel de ikonen uit één museum komen), maar
ook financieel. Het gaat de draagkracht van het
POM verre te boven. Gelukkig bleek een aantal bedrijven
en instellingen en het ministerie van wvc
bereid een financiële bijdrage te leveren om deze
tentoonstelling mogelijk te maken.
Ikoon komt van het Griekse woord eikoon, dat
portret of gelijkenis betekent. Het is een meestal
op hout geschilderde voorstelling van Christus, de
Moeder Gods (zo wordt Maria in de orthodoxe
kerk genoemd) en de heiligen. Zij maken in de
oosters-orthodoxe kerk, evenals het woord en het
sacrament, deel uit van de eredienst.
In het Westen had de religieuze kunst vooral
een educatieve en decoratieve functie. Hier ontwikkelden
individuele kunstenaars zich vooral sedert
de renaissance. De ikonenschilderkunst échter,
bleef door haar binding met de liturgie en de
daaruit voortvloeiende trouw aan vastgelegde
beelden ‘gevangen’ in een soort verstarring. Ikonenschilders
waren vertolkers van de onzichtbare
werkelijkheid. Zij werkten in anonimiteit en volgens
strikte regels. Ikonen werden niet als kunst
beschouwd en ikonenschilders golden dan ook
niet als kunstenaars.
Een ikoon bestaat uit planken van zo mogelijk
harsvrij hout. Op de uitgediepte ondergrond werd
lijm gestreken en linnen aangebracht. Daarna
bracht men in verschillende lagen krijt aan. Dit
was de ondergrond voor de schildering. De ikonenschilder
bracht de contouren van de voorstelling
aan, bedekte vervolgens de achtergrondvlakken
met bladgoud en bracht daarna de kleuren
aan. Soms werden ikonen gedeeltelijk bekleed met
een metalen versiering.
De geëxposeerde ikonen stammen uit de zestiende
tot en met de achtiende eeuw en geven een
goede indruk van de rijke traditie, die men op het
gebied van religieuze kunst in Noord-Rusland
kende. Zij weerspiegelen de politieke invloed in
het noorden van machtige steden als Novgorod,
Moskou en Rostov. Ook zijn er stukken die laten
zien dat de traditionele volkskunst een bron van
inspiratie was.
Een van de grote kerkikonen is een staande Nikolaas,
frontaal afgebeeld. Deze ikoon, Nikolaas
Zarajskij, 16,5 x 79,5 cm, is afkomstig uit de Leontij
van de Rostov-kerk te Vologda en dateert uit de
tweede helft van de zestiende eeuw.
Nikolaas is de meest vereerde heilige in Rusland.
Zoals bekend was hij bisschop van Mira in
Klein-Azië in de vierde eeuw. Hij nam deel aan het
concilie van Nicea in 325. In de orthodoxe kerk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
wordt zijn feest gevierd op 6 december en op 9
mei, de dag van de overbrenging van zijn gebeente
naar de stad Bari in Zuid-Italië. Nikolaas is de beschermheilige
van de handel en de scheepvaart.
De voorstelling van Nikolaas Zarajskij is het
oudste type Nikolaas-uitbeelding. Hierbij is Nikolaas
frontaal en ten voeten uit afgebeeld. Met zijn
rechterhand maakt hij een zegenend gebaar en in
zijn andere hand houdt hij een rijk versierd evangelieboek
vast. Het oorspronkelijke voorbeeld
voor deze ikoon is waarschijnlijk van Byzantijnse
herkomst, en zou volgens de legende in het jaar
1225 van Korsum naar het stadje Zarajsk zijn overgebracht.
Onderweg verbleef de ikoon lange tijd in
Novgorod, waar zij grote wonderen verrichtte.
Karakteristiek voor Nikolaas is zijn hoge voorhoofd,
als teken van zijn goedheid, en zijn korte
wit-grijze haar en volle ronde baard. Hij draagt
een liturgisch bisschopsgewaad van de orthodoxe
kerk, een kazuifel en een met grote kruisen bestikte
stola (omophorion).
3BE
Links- en rechtsboven verschijnen in een medaillon
Christus en de Moeder Gods. Zij reiken
Nikolaas de tekenen van het bisschopsambt aan,
het evangelieboek en het omophorion. De voorstelling
verwijst naar de legende dat in de nacht
voor de wijding tot bisschop Christus en Maria
aan de weifelende Nikolaas verschenen om hem te
overtuigen zijn nieuwe ambt te aanvaarden.
Deze en andere ikonen worden uitgebreid beschreven
in het boek over ikonen dat door uitgeverij
Waanders wordt uitgegeven.
Tegelijkertijd met de expositie in het POM
wordt in het Rijksmuseum Het Catharijneconvent
in Utrecht een tentoonstelling georganiseerd met
circa honderd ikonen uit Nederlands bezit. Het
boek getiteld Ikonen, dient tevens als catalogus
voor beide exposities. Een aantal auteurs behandelt
de verschillende aspecten van historie en ikonenschilderkunst.
Zo beschrijft mevrouw Adeline
M. Janssens, oud-directrice van het Centraal Museum
in Utrecht, de werkwijze en techniek van
ikonenschilders, de voorstellingswereld van de
ikonen en de geschiedenis van de eerste 1000 jaar
ikonenschilderkunst. Het vervolg hierop, ikonen
na de val van Constantinopel, wordt behandeld
door kunsthistoricus Simon Morsink, die ook de
beide catalogus-delen voor zijn rekening neemt
evenals een artikel over de ikonen uit Vologda.
Slavist en historicus Wim Coster beschrijft de geschiedenis
van het Russische Noorden.
Het is lang geleden dat

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1990, Aflevering 3

Door 1990, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

L J>
Zwols;;
Historisch
^Tijdschrift
7e jaargang
1990, nr. 3
ƒ9,50
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
fcS*~-
, , V k-

-NONfo.’
Het Zwols Celehuisje,c^-
de bewoners en hun afval
1550-1650… ••Si.
Colofon Redactioneel
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
en verschijnt vier maal per jaar.
Leden van de vereniging krijgen het tijdschrift
gratis toegezonden.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
Redactie-leden: J.H. Drentje, J. Gelderman,
H. Halbertsma, J. ten Hove, W.A.
Huijsmans, I. Wormgoor, A. van der
Wurff.
Adviseurs: N. Lettinck, H.CJ. Wullink.
Redactie-adres:
Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle.
Typewerk en vormgeving:
Marinus Prins (bNO).
druk: drukkerij Werktuig.
Bestuur Zwolse Historische Vereniging:
voorzitter:
J. Hagedoorn,
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle.
secretaris:
E. Tijssen,
Tichelmeesterlaan 37, 8014 LA Zwolle.
penningmeester:
Henk Brassien,
Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle.
leden:
P.J. Berends, I. Wormgoor, R. Salet,
R.T. Oost.
Secretariaat/ledenadministratie:
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle,
(telefoon: 038 – 539 625)
Financiën:
girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging.
Tarieven lidmaatschap:
jeugdleden, studenten, 65+ •• ƒ 25,00/jaar
leden tussen 21 en 65 jaar…. ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Afval is in onze tijd een vaak giftig probleem.
Gelukkig is afval uit het verleden
soms bewaard gebleven, zodat de bestudering
ervan onze kennis van het dagelijks leven
kan verrijken. Dit blijkt uit het artikel
van H. Clevis en P. Kleij over het afval dat
in 1973 in de kelder van het Zwolse Celehuisje
gevonden is. Het aardewerk dat in
de kelder van het Celehuisje werd aangetroffen,
is gebruikt door de arme alleenstaande
vrouwen die daar tussen 1550 en
1Ö50 gewoond hebben. Hun grapen, steelkommen,
kannen, vetvangers, bakpannen
en pispotten zijn in dit artikel nauwkeurig
beschreven, waardoor het in de toekomst
mogelijk is nieuwe vondsten met de Zwolse
gegevens te vergelijken. Zo wordt althans
in de archeologie het vergruisde geschiedbeeld
voorzichtig weer gelijmd.
In het tweede artikel geeft Peter van ’t Riet
een heldere uiteenzetting van historische
en bouwkundige aspecten van de Zwolse
synagoge, waarvan de restauratie in september
1989 voltooid is. Hierdoor kon gelukkig
iets van het in Zwolle vrijwel verdwenen
joodse leven voor iedere Zwollenaar
zichtbaar blijven. In de kleine synagoge
kunnen nog diensten worden gehouden.
De grote synagoge wordt voor culturele
en educatieve doeleinden gebruikt. De
inwoners van Zwolle kunnen niet alleen
met het gebouw kennis maken, maar ook
daadwerkelijk met de joodse godsdienst,
taal en cultuur in aanraking komen door
middel van de cursussen die de stichting
Judaïca in de synagoge organiseert.
1990 74
Inhoudsopgave
76 Het Zwols Celehuisje,
de bewoners en hun afval,
1550-1650
H. Clevis en P. Kleij
94 De synagoge van Zwolle,
een historisch monument met een
aangepast gebruik
Peter van ’t Riet
74 Colofon
74 Redaktioneel
75 Inhoudsopgave
103 Literatuur
105 Mededelingen
106 Agenda
106 Personalia
1990 75
Het Zwols Celehuisje,
de bewoners en hun afval,
1550-1650
H. Clevis
P. Kleij
Het materiaal uit de In 1973 leeggehaalde
afvalkelder in het zogenaamde
Celehulsje, is in 1989 onderzocht en
beschreven. Het bleek grotendeels te
bestaan uit aardewerk dat was weggegooid
door arme vrouwen in de periode
1550-1650. Het meeste aardewerk
was van een soort dat we “roodbakkend”
noemen; dit is een goedkoop en
locaal of regionaal vervaardigd product
Met de vondst uit deze kelder is
één van de ‘armste’ vondstcomplexen
van Nederland beschreven.
Op donderdag 18 januari 1973 werd tijdens
restauratiewerkzaamheden in het pand
Papenstraat 3 te Zwolle – beter bekend als
‘het Celehuisje’ (1) – een afgesloten kelder
ontdekt. Na opening bleek dat deze kelder
gevuld was met vele honderden scherven,
wat muntjes, spelden, vingerhoeden en allerlei
andere kleine voorwerpen uit de periode
1550-1650. Door tussenkomst van
een werkgroep van de Vereniging Vrienden
van de Stadskern kon alles op zaterdag
20 januari worden opgegraven. Dit gebeurde
door enige leden van de werkgroep;
een stadsarcheoloog had Zwolle in die dagen
nog niet. In de daarop volgende maanden
werd uit de schervenberg een groot
aantal complete of bijna complete voorwerpen
gereconstrueerd. De mooiste voorwerpen
kwamen in een vitrine bij de
trouwzaal van het stadhuis te staan; de rest
1990 76
werd opgeslagen in het bodemdepot van
het Provinciaal Overijssels Museum aan de
Melkmarkt. Dit bleef zo tot in 1989, toen de
inmiddels aangestelde stadsarcheoloog opdracht
gaf tot het uitwerken, tekenen, inventariseren
en publiceren van dit aardewerkcomplex.
(2)
De bewoners van het Celehuisje
In 1416 werd het Celehuisje gekocht door
de Lieve Vrouwenbroederschap. Zij gebruikten
het als huisvesting voor hun priester
Hendrick ter Lynde. Het was in 1518
nog steeds in handen van de Vrouwenbroederschap
en werd bewoond door ene
Nicolaes van Geve, misschien ook een
priester. Na deze datum veranderde de bestemming
en ging het huisje dienen als
huisvesting voor arme alleenstaande vrouwen.
Wanneer het Celehuisje precies deze
functie kreeg is niet bekend, in ieder geval
werd het voor het eerst in 1568 als zodanig
vermeld. Een jaar later, in 1569, werd zelfs
het precieze aantal arme vrouwen genoemd,
namelijk vijf. Tegen het einde van
de zestiende eeuw nam de Gereformeerde
Kerk het huisje over. De bestemming bleef
hetzelfde: in 1600 woonden er nog steeds
vijf arme vrouwen. 6) Tot in onze eeuw
bleef het Celehuisje als arme-vrouwenhuisje
in gebruik. Tot 1955 woonden er gratis
drie vrouwen van de — inmiddels Nederlands
Hervormde genoemde – kerk. (4)
De kelder
De kelder, gelegen in de zuidwesthoek van
het huis tegen de achtermuur aan, heeft
een lengte van 3,66 m, een breedte van
3,11 m en een grootste hoogte (holte) van
1,90 m. Het plafond wordt gevormd door
een gotisch kruisribgewelf. In de muren
zitten nissen van verschillende grootte. Een
klein nisje naast de ingang kan hebben gediend
om een kaars of olielamp in te zetten
wanneer een van de bewoners van het
huis in de kelder bezig was. Dit zou dan
betekenen dat de kelder in het begin als
bergruimte heeft gefunctioneerd. Later veranderde
de functie in die van afvalkelder.
Aangezien in de buitenmuur ter plekke van
de kelder geen openingen zitten, kan de
kelder alleen vanuit het huis zelf bereikt
worden. De voorwerpen kunnen dus alleen
door de bewoners van het huis erin
zijn gegooid.
De scherven kwamen waarschijnlijk tussen
1550 en 1650 in de kelder van het Celehuisje
terecht. Er woonden toen ongeveer
vijf arme alleenstaande vrouwen in dit
huisje. Van buitenaf was de kelder niet bereikbaar.
De in 1973 gevonden scherven
vormen derhalve een deel van het huisraad
van die alleenstaande vrouwen. Vrouwen
die in de zestiende en zeventiende eeuw
gratis huisjes van de kerk bewoonden, behoorden
over het algemeen tot de armste
lagen van de stedelijke bevolking. Alleen
daklozen en zwervers stonden nog lager
op de maatschappelijke ladder. De Celevondst
kan hierdoor een unieke verzameling
huisraad genoemd worden. Het geeft
immers een beeld van een groep waar verhoudingsgewijs
weinig over bekend is.
Het aardewerk
In eerdere publicaties is een groot aantal
voorwerpen van aardewerk beschreven en
naar typen ingedeeld. (5) Bij de behande-
Vooraanzichl (links) en platlegrond
(onder) van het
Zwols Celehu isje en het
poortje van Cele aan de
Papenstraat.
1990 77
ling van het materiaal uit de Celekelder
passen wij dezelfde manier van beschrijven
en indelen naar typen toe.
De naam van een type, bijvoorbeeld r-bak-
5b, is opgebouwd uit drie gedeelten. Het
eerste deel wijst op de materiaalsoort. In
dit geval staat de ‘r’ voor ‘roodbakkend’,
eventueel aangevuld met een tweede letter
die op het productiecentrum wijst. Zo zitten
er in het Celecomplex bijvoorbeeld importen
van witbakkend aardewerk uit
Keulen (wk) of uit het Wezergebied (we).
Het tweede gedeelte bestaat uit de eerste
drie letters van de naam (functie) van het
voorwerp. Bak wijst op bakpan. Het derde
gedeelte tenslotte, geeft het typenummer
aan, soms aangevuld met een letter die nadere
informatie verstrekt over bodem (bij
bakpannen bijvoorbeeld met of zonder
pootjes), oren (bij grapen bijvoorbeeld
één- of twee-orige grapen, of grapen met
een kromme steel) of de mate van versiering
(bij faïence of majolicaborden). Bij de
toelichting op de catalogus kunt U dit terugvinden.
Het roodbakkend aardewerk
Wanneer we het aardewerk uit de Celekelder
vergelijken met dat van Deventer en
Kessel blijkt een aantal voorwerpen niet te
passen in de typologie van deze publicaties.
(6) Bij het roodbakkend aardewerk zijn
enkele nieuwe typen te zien. Voor bakken
en braden heeft men voorwerpen gebruikt
die we nu omschrijven als bakpannen,
steelpannen en steelkommen. In de familie
der bakpannen zijn twee verschillende typen
te onderscheiden, r-bak-2 (nr. 1) en rbak-
5b (nrs. 2 en 3). Kenmerkend is de
rand die geprofileerd is en een kleine dekselgeul
heeft. Van de ene pan te de steel
De kelder met kruisribgewelf.
massief rond (nr. 2), van de andere hol (nr.
3). Van de steelpannnen is er één type, (Rste-
4) met een hoge rechtopstaande wand
en een naar buitenstekende dekselgeulrand
(nrs. 26 en 27). De bodem is bol.
Deze steelpannen worden ook wel kromsteerten
genoemd, naar hun kromme steel.
Het verschil tussen bakpan en steelpan is
dat in de eerste waarschijnlijk vlees werd
gebraden of pannekoeken werden gebakken,
terwijl de steelpan geschikt was voor
het maken van ragouts. Dat laatste kan
men ook zeggen van de steelkommen,
maar misschien werden daar ook wel papjes
in verwarmd. De steelkom wordt getypeerd
door zijn komvorm. Er zijn in het
Celecomplex twee verschillende typen aan
te wijzen: R-stk-5 (nr. 29) en R-stk-6 (nr.
30). Het eerste type heeft een lichte dekselgeulachtige
rand en op de overgang van
bodem naar opstaande wand een scherp
uitstekende ribbel. Bij R-stk-6 is die overgang
ook aanwezig, maar minder geprononceerd.
De rand is rond.
In de keuken gebruikte men verder verschillende
soorten grapen, de naam voor
kookpotten op drie poten. Er zijn verscheidene
typen teruggevonden, maar het voornaamste
is toch wel R-gra-8 (nr. 8), een l6e
eeuwse grape. In het Celecomplex zit een
variant. Deze heeft op de grootste diameter
een duidelijk geprononceerde ribbel en
tussen dit punt en de rand een tweede (Rgra-
8b var 4) (nrs. 9 en 10). Enkele grapen
hebben in plaats van een oor een kromme
steel, R-gra-15c en R-gra-18c (nrs. 11 en
12). De laatste heeft een duidelijke knik op
de grootste buikomvang, maar is geheel
zonder draairibbels uitgevoerd.
Tot het keukengoed behoren ook drie verschillende
nieuwe typen kannen. Als eerste
r-kan-6 (nr. 13), gekenmerkt door de zogenaamde
‘hoog opgehaalde broek’. Dat wil
zeggen dat de grootste bolling van de kan
vrij hoog zit en dat net boven de bolling
een duidelijke sierlijn is aangebracht, wat
het effect geeft van een hoog opgehaalde
broek met de riem vlak boven de dikke
buik. De rand heeft een dekselgeul. R-kan-
7 (nr. 14) heeft ook een dekselgeul en
wordt verder gekenmerkt door een hoekig
profiel.De sierlijke vorm van r-kan-8a (nr.
15) wijkt sterk af van de vorige twee. Ook
heeft deze kan geen dekselgeul; de rand
staat onverdikt iets naar buiten.
Voor het afdekken van bijvoorbeeld grapen,
heeft men eenvoudige knopdeksels
1990 78
gebruikt van het reeds bekende type Rdek-
l.CO
Borden, kopjes en papkommen of kleine
kommen worden voornamelijk tot het tafelgerei
gerekend. De borden r-bor-1 (nr.
4) en r-bor-6 (nr. 5) komen ook in dit complex
voor samen met een nieuw type
‘bord’. Dit is een zogenaamde voetschaal
(R-bor-7) (nr. 6).(8) Normale borden hebben
standlobben, een standring of standvlak
als bodem maar dit type staat op een
hoge voet. De voetschaal is gedompeld in
een witte engobe (dunne kleipap) van
slechte kwaliteit en vervolgens met behulp
van koperkorrels groen geglazuurd. De
buitenzijde heeft geen glazuur, waardoor
de restanten van de witte engobe het voorwerp
een lelijk uiterlijk geven.
Eén bord verdient extra aandacht (nr. 4).
Het betreft een exemplaar van het bekende
type r-bor-1, dat met slibkrastechniek is
versierd. In het midden is een cirkel aangebracht
waarin met geel slib een bloemmotief
is uitgespaard. Bij nadere beschouwing
blijkt dat de cirkel niet met de hand op de
pottenbakkersdraai- schijf is gemaakt, zoals
gewoonlijk, maar met behulp van een passer.
Ook het bloemmotief is met behulp
van dit apparaat tot stand gekomen. De
overige versieringen van dit bord, waaronder
enige halve circels, zijn gewoon uit de
losse hand getrokken. Het gebruik van een
passer bij de versiering van aardewerk borden
komt vrij zelden voor en er wordt nog
minder melding van gemaakt. Dit maakt dit
bord tot een interresant exemplaar.
De kopjes behoren alle tot de typen R-kop-
1 of R-kop-2 (nr. 18). Eén uitzonderlijk
exemplaar van het type R-kop-2 heeft drie
verticale oren (nr. 17). Handig om door te
geven?
Alle papkommen zijn onder te brengen in
twee nieuwe typen. R-pap-2 (nr. 20) heeft
een horizontaal worstoor. Daar tegenover
bevindt zich een kleine min of meer platte
drielobbige greep, het zogenaamde
‘loboor’. Tot nu toe is dit type alleen in
Zwolle gevonden. Mogelijk hebben we
hier te maken met een lokaal product. De
drielobbige greep is waarschijnlijk afgekeken
van de majolica of faïence papkommen.
Afwijkend is alleen de kleine vorm.
Wellicht ten overvloede zij gemeld dat het
horizontale worstoor niet gediend heeft om
een vinger door te steken (dat is nauwlijks
mogelijk) maar om meer greep op het
voorwerp te krijgen bij het uitlepelen van
de inhoud. Ook kan het gediend hebben
om de kom in de keuken op te hangen.
R-pap-3 (nr. 21) lijkt op het vorige type
maar heeft een min of meer platte rand met
dekselgeul. Ook zit aan dil type geen
loboor.
Aan de kommen kan een nieuw, zeer eenvoudig
gevormd, type worden toegevoegd
en wel r- kom-9 (nr. 16). Half bolvormig
op een gladde standring. Tot nu toe is dit
type alleen in Zwolle en Kampen aangetroffen.
Twee categorieën voorwerpen resten nog:
verlichting en sanitair. Voor verlichting gebruikten
zij olielampen van het type r-oli-2
(nr. 19), waarvan enkele vrijwel gave
exemplaren zijn teruggevonden.
Opvallend is het grote aantal pispotten. Er
zijn vier verschillende typen aangetroffen.
Van het uit Deventer bekende type R-pis-5
hebben we enkele exemplaren, maar ook
een variant met een dekselgeulrand (r-pis-
5 var 1) (nr. 22) en een afwijkend exemplaar
met dekselgeul en een opgestoken
bodem of ziel (r-pis-5 var 2) (nr. 23). Verder
valt dit voorwerp op door zijn geringe
grootte. Het is drie keer zo klein als een
normale pispot. De inhoud komt overeen
met die van een flinke theekop, maar gebruikssporen
sluiten een functie als kinderspeelgoed
echter uit.
Eén pispot is vrij uitzonderlijk en vormt
een type op zich (r-pis-7) (nr. 24); het is
een lomp model met opgestoken bodem of
ziel en dekselgeul. Een compleet nieuw
type wordt gevormd door een pispot (Rpis-
8) (nr. 25) met opgestoken bodem en
dekselgeul die niet alleen op de grootste
doorsnede een duidelijk geprononceerde
ribbel heeft, maar ook op de plek tussen
grootste omvang en de onderzijde van de
rand. In feite zijn het dezelfde sierlijnen als
op grape type R-gra-8b var 4. Hebben we
hier weer te maken met een lokaal of
regionaal kenmerk ?
Witbakkend aardewerk
Tot de groep van het inheemse witbakkend
aardewerk rekenen we de typen wkan-
10 (nr. 32) (gelijk aan R-kan-7), wkop-
2 (gelijk aan R-kop-2) met veelal inwendig
een groene kleur door toevoeging
van koperoxide aan het loodglazuur en wpis-
5 var 2 die van een gelijke vorm is als
zijn roodbakken soortgenoten. Nieuw is wgra-
15c (nr. 31), een bolvormig graapje met
dekselgeul. In feite is het een witte uitvoe-
1990 79
ring van zijn gelijknamige roodbakken
soortgenoot. (9) Tot de witbakken import
rekenen we wk-kan-7, wk-ste-3 (nr. 34) en
wk-ste-4 (nr. 33). Deze drie voorwerpen
zijn van Keulse herkomst en behoren tot
de zogenaamde Hafnerware (pottenbakkersgoed).
(10)
Majolica
Het majolica bestaat uit slechts twee exemplaren,
allebei borden behorende tot het
nieuwe type m-bor-5 (nrs. 35 en 36), gekenmerkt
door het strakke profiel dat zonder
hoeken vanaf de standring naar de
rand toeloopt in een flauwe, liggende
s-vorm. Deze twee borden, die binnen het
gehele complex als luxe stukken gezien
kunnen worden, zijn misschien relicten uit
betere tijden. Om een aantal redenen kan
hun datering vóór 1620 geplaatst worden.
Vanaf de introductie van porselein in het
eerste decennium van de zeventiende
eeuw door de openbare verkoop van de
inhoud van twee Portugese ‘kraken’ (bepaald
type schepen) begonnen de
Hollandse majolica bakkers de Chinese afbeeldingen
te imiteren op het majolicagoed.
Bovendien gingen ze experimenteren
met klei en tinglazuur om het concurrerende
porselein zoveel mogelijk na te
bootsen. Deze ontwikkeling vindt plaats
vanafongeveer 1620.
De gevonden majolicaborden hebben nog
een typisch Hollands polychroom decor en
dateren daarom zeer waarschijnlijk van
vóór 1620.
Steengoed
Er zijn minstens vier verschillende steengoed
voorwerpen in de kelder gevonden,
waarvan slechts twee tot een bepaald type
te herleiden zijn.
Eén voorwerp behoort tot de familie der
trechterbekers, maar welk lid het is kan
niet gezegd worden (sl-tre-?). Het andere,
een kan van het type (s2-kan-10) wordt besproken.
(11)
Importen
Een vijftal voorwerpen is afkomstig uit het
Wesergebied. Volgens Hurst en van
Beuningen is Weser aardewerk voornamelijk
geëxporteerd tussen 1580 en 1630 met
een piek tussen 1590 en 1620. 02) Waarschijnlijk
is het aardewerk vanuit in het
binnenland gelegen pottenbakkerijen over
de Weser vervoerd naar Bremen, van waaruit
het verder verhandeld werd. In tegenstelling
tot de grote hoeveelheden via de
Rijn geimporteerd steengoed hebben we
hier dus zeer waarschijnlijk te maken met
over zee aangevoerd aardewerk uit het
Duitse gebied. .
Het baksel varieert van wit tot zachtrood
en is voorzien van een dunne sliblaag als
basis voor de versiering. Deze bestaat bij
de platte voorwerpen veelal uit concentrische
circels in roodbruin of geel, afgewisseld
met vlakken die gevuld zijn met slingerlijntjes
of stippen in de kleuren geel,
groen en roodbruin op een ondergrond
van gele of roodbruine slib.
Er zijn vijf voorwerpen gevonden: twee
borden, een klein kannetje, een drinkbekertje
en een kop. De twee borden behoren
tot het type We-bor-1 (nrs. 38 en 39).
Dit type heeft een standvlak bodem en een
hamer-vormige rand. We-kop-1 (nr. 41)
heeft dezelfde bodem, de wand vertoont
een knik en de rand is eveneens hamervormig.
Beker we-bek-1 (nr. 37) lijkt veel op
een klein aardewerk vaatje met standvlak
en verticaal oor. Op de buik is een radstempelmotief
(een radstempel is een cylindervormig
voorwerp met in negatief
daarop uitgesneden versieringen). Verder
is dit bekertje niet versierd. Van gelijke
grootte als het vaatje is kannetje we-kan-1
(nr. 40) dat een standvoet heeft, een bol
buikje en een hals met drie duidelijke
draairibbels. Er heeft een verticaal oortje
aan gezeten.
Eveneens uit het Duitse gebied komt de
zogenaamde Wanfried of Werra kom. Ook
bij dit soort aardewerk heeft Bremen als
exporthaven gediend. Via de rivier de
Werra werden de voorwerpen voor de export
naar Bremen vervoerd van waaruit het
over zee verder ging. De export van deze
voorwerpen vond volgens Hurst en van
Beuningen voornamelijk plaats tussen 1590
en 1630. (13) Er zijn nogal wat verschillen
met het Weser aardewerk. Het baksel is
roodbruin en rijk versierd in de zogenaamde
slibkrastechniek. De meest voorkomende
vormen zijn borden en (pap)kommen.
De voorwerpen zijn zeer vaak gedateerd.
Net zoals bij het Wesergoed hebben
de borden en (pap)kommen een hamervormige
rand. Het Wanfried of Werra
aardewerk is luxueuzer dan het Wesergoed.
In Nederland is door Bruyn in 1979 in
Enkhuizen een oven met vele misbaksels
1990 80
van Wanfriedaardewerk opgegraven. De
productie vond plaats tussen 1602 en 1610.
Dit vondstcomplex wordt binnenkort gepubliceerd
in de Rotterdam Papers. De in
de Celekelder gevonden kom draagt het
jaartal 1593 en kan dus niet uit Enkhuizen
komen.
Onze kom (Wa-kom-1) (nr. 42) heeft een
standvlak, loopt bol en breed omhoog met
aan de buitenzijde veel draairibbels en eindigt
in een hamervormige rand. Op de
spiegel (het platte deel van het bord) is in
ringeloor in geel en groen een vogel aangebracht,
extra versierd met slibkras techniek.
Boven deze vogel zweeft het getal 93
wat het jaar aangeeft waarin deze kom gemaakt
is: 1593. De binnenwand van de
kom is versierd met cirkels en primitieve
bloemen in geel en groen.
Pijpen
In dit vondstcomplex ontbreken, in tegenstelling
tot andere complexen die tot na
1600 doorlopen of beginnen, de pijpen en
aanverwante rookartikelen. (14) Een verklaring
is heel simpel: vrouwen in de zeventiende
eeuw werden geacht niet te roken
en de vrouwen die het Celehuisje bewoonden
deden dit dan ook niet.
De analyse van de vondsten
Wanneer we het totale aardewerkcomplex
overzien, valt onmiddellijk de grote hoeveelheid
roodbakkend aardewerk op. Van
de 348 voorwerpen behoren er 328 tot de
categorie roodbakkend, ofwel 94,25% van
het totaal. Van de overige categorieën is
het witbakkend aardewerk met zeven en
het Weser met zes exemplaren vertegenwoordigd;
respectievelijk 2,01% en 1,72%.
Het steengoed vormt met vier exemplaren
1,15%, het majolica met twee 0,58%, terwijl
het Wanfried met één exemplaar slechts
0,29% van het totaal uit maakt.
Dat het aandeel van het roodbakkend
aardewerk in dit vondstcomplex buiten
verhouding groot is, blijkt wanneer we kijken
naar andere vondstcomplexen. In een
eerdere publicatie zijn complexen uit
Groningen, Amsterdam, Nijmegen en
Deventer naast elkaar gezet. (15) Het vroegste
begint in de veertiende eeuw en het
laatste eindigt aan het einde van de achttiende
eeuw. In geen van deze in plaats en
tijd gevarieerde complexen is het aandeel
rood aardewerk hoger dan 66%.
Wanneer de Celevondst vergeleken wordt
met het enige complex uit dezelfde periode
— dit is de Groningse beerput uit de periode
1550-1665 – blijkt het volgende: in de
Groningse beerput heeft het roodbakkend
aardewerk een aandeel van 65,9% tegenover
Zwolle met 94%.
De eigenaars van de putten uit Groningen,
overig 7,0%
wit 2,5%
majolica 0,5%
steengoed 1,0%
Import 2,0%
diversen 7,0%
majolica 4,5%
tafclgoed 20,0% kcukengoed 39,0%
Groningen Aardewerk naar soort Zwolle Aardewerk naar functie Zwolle
1990 81
Deventer en Nijmegen behoorden niet tot
de armste lagen van de bevolking zoals in
Zwolle, maar tot de betere. Alleen de allerarmsten
kochten vrijwel uitsluitend roodbakkend
aardewerk. Was men iets beter
gesitueerd dan schafte men steengoed,
majolica, faïence of witbakkend aardewerk
aan. Dit was duurder en stond in hoger
aanzien.
Er zijn in de Celekelder vijf Weser voorwerpen
gevonden, één Wanfried kom, twee
majolica borden en één fraai versierd roodbakkend
bord. Dit zijn duurdere voorwerpen.
Zijn dit stukken die de vrouwen uit
hun jongere jaren hebben overgehouden?
Of hebben zij deze voorwerpen via liefdadigheid
gekregen?
Locale of regionale producten
Binnen de categorie roodbakkend aardewerk
valt het volgende op. Er zitten enkele
typen tussen die buiten Zwolle tot nu toe
niet zijn aangetroffen. De pispotten van het
type r-pis-7, gekenmerkt door de sierlijn
halverwege de knik in de wand en de onderzijde
van de rand, zijn waarschijnlijk locale
Zwolse producten evenals de papkommen
r-pap-2 en r-pap-3. R-kom-9 en rgra-
8b var4, de laatste ook met een sierlijn
op dezelfde plaats als bij r-pis-7, komen
buiten Zwolle alleen in Kampen voor. In
totaal gaat het om 25 exemplaren (7,18%)
die waarschijnlijk tot de locale producten
gerekend kunnen worden.
Verder bevinden zich tussen de voorwerpen
uit de kelder enkele roodbakken koppen
en een roodbakken bord, waar het
uiterlijk van het betere of duurdere witbakkend
aardewerk aan gegeven is door het
voorwerp eerst te dompelen in een dunne
witte kleipap en — na droging – te voorzien
van een^loodglazuur vermengd met gemalen
koperkorrels (koperoxide). Witbakkend
aardewerk leent zich namelijk uitstekend
om te behandelen met loodglazuur
en koperoxide. Het resultaat is een mooi
fel groen uiterlijk. De klei om witbakkend
aardewerk te maken is echter niet inheems.
De locale pottenbakkers hebben dit witbakkend
aardewerk geïmiteerd op de hierboven
beschreven wijze. Het resultaat is
bevredigend, hoewel deze producten beschouwd
moeten worden als tweede keus
ten opzichte van het echte witbakkend
aardewerk.
Het is mogelijk dat deze voorwerpen in
Zwolle gemaakt zijn, hoewel ze ook in
Kampen zijn gevonden. Het totale aantal
locale producten zou hierdoor op 29
(8,33%) komen. Dit wil niet zeggen dat er
niet méér lokaal vervaardigde voorwerpen
kunnen zijn. De plaatselijke pottenbakkers
kunnen vormen gemaakt hebben die in die
periode overal voorkwamen. Bij het toewijzen
van een voorwerp aan een bepaald
pottenbakkerscentrum spelen twee zaken
een rol. In de eerste plaats dient het aardewerk
van dat centrum bekend te zijn. De
vormen en het baksel uit dit centrum kunnen
dan worden vergeleken met het ‘los’
gevonden voorwerp. In de tweede plaats
dient er, vooral wanneer een vorm of baksel
algemeen voorkomt, een kleianalyse
gemaakt te worden van het onbekende
product. Het resultaat van zo’n analyse kan
dan vergeleken worden met de klei-analyse
van een bekend voorwerp uit het pottenbakkerscentrum.
In Zwolle is echter
nog geen pottenbakkersoven opgegraven,
zodat dit onderzoek niet uitgevoerd kon
worden. Uit historische gegevens is overigens
vrijwel zeker bekend dat er één of
meerdere pottenbakkerijen in de stad zijn
geweest.
Pispotten
Een ander opvallend element in de Celevondst
is het grote aantal pispotten. Van de
290 herkenbare vormen aardewerk behoren
er 95 tot de categorie pispotten, een
derde deel van het totaal (32,75%). In andere
vondstcomplexen is dit over het algemeen
minder. Waarschijnlijk begonnen de
pispotten na verloop van tijd te stinken zodat
ze weggegooid moesten worden voordat
ze stuk waren. (16) Hun omloopsnelheid
was daardoor groter dan bij andere
keramische voorwerpen.
Minstens twee grapen zijn secundair gebruikt
als pispot. Dit is te zien aan de kalkachtige
aanslag aan de binnenkant, veroorzaakt
door urinezuren. Dit brengt het totale
aantal pispotten op 97 stuks.
Wordt al het keukengoed, dus grapen,
steelkommen, steelpannen, kannen, vergieten,
deksels, vetvangers, bakpannen enzovoort,
bij elkaar opgeteld, dan blijken er
111 van dit soort voorwerpen te zijn
(38,28%). Daarmee zijn er bijna evenveel
pispotten als er keukengerei is.
Een verklaring voor de in verhouding geringe
hoeveelheid keukengoed kan liggen
in het feit dat de vrouwen niet apart kookten.
Het huisje meet ll,40m bij 6,20m en
1990 82
heeft geen verdiepingen; alleen een zolder.
Het is dus onmogelijk dat elk van de vijf
vrouwen een eigen keuken had. Uit tekeningen
van de afdeling monumentenzorg
van de gemeente Zwolle, blijkt bovendien
dat er slechts drie haardvuren in het huisje
zijn geweest. Twee paar vrouwen hebben
dus een keuken gedeeld, wat de noodzaak
voor elke vrouw om een complete keukenuitrusting
te hebben danig inperkte. Ook
zal de keukenuitrusting van deze arme
vrouwen niet al te uitgebreid geweest zijn.
De dames hebben waarschijnlijk wel apart
geslapen en ze zullen ook allemaal een
eigen pispot hebben gehad. Voor leden
van het vrouwelijke geslacht was de behoefte
aan dit materiaal nu eenmaal groter
dan voor leden van het mannelijke geslacht.
Misschien zijn er vrouwen bij
geweest die last hadden van incontinentie.
Dat zou de toch al hoge omloopsnelheid
van de pispotten extra verhoogd kunnen
hebben.
De datering van de vondsten
De vondsten kunnen op twee manieren
gedateerd worden. Enerzijds door gebruik
te maken van historische gegevens en de
jaartallen op de munten en het aardewerk,
anderzijds door te kijken naar de typologische
en stijlkritische kenmerken van de
voorwerpen.
Nauwkeurige dateringen worden geleverd
door jaartallen op de tussen het afval gevonden
munten en door een jaartal op het
aardewerk. De oudste munt dateert uit
1425, de op één na oudste uit 1534, de
jongste uit 1677. 07) De Wanfried kom
draagt het jaartal (15)93.
Op typologische gronden kan het aardewerk
gedateerd worden als afkomstig zijnde
uit de periode 1550-1650. Voorbeelden
van zestiende eeuws aardewerk zijn r-gra-
8b, r-pis-7 en r-bak-2. Er zitten geen voorwerpen
tussen die typisch zijn voor de eerste
helft van de zestiende eeuw, wel enige
die typerend zijn voor de periode na 1570;
bijvoorbeeld het Weser aardewerk en de
grape met de tekst ‘ANNO 15?9’. In de
overgangsperiode van de zestiende naar de
zeventiende eeuw vallen de twee majolica
borden van het type m-bor-5 en de
Wanfried kom met het jaartal (15)93. Uit de
eerste helft van de zeventiende eeuw dateren
r-gra-lOb en r-pis-5. Aardewerk dat
typerend is voor de tweede helft van de
zeventiende eeuw komt niet voor.
Wel afwijkend wat datering betreft zijn
twee steengoed kannen, die beiden uit de
vijftiende eeuw dateren. Zij zijn echter een
uitzondering. Er zijn geen andere voorwerpen
(op een munt na) gevonden uit de vijftiende
eeuw. Het is mogelijk dat de scherven
van deze kannen in de kelder terecht
gekomen zijn toen deze nog in gebruik
was als opslagruimte.
Wat de overige voorwerpen betreft geeft
een knoop een datering uit het einde van
.de zestiende of het begin van de zeventiende
eeuw aan. Een gelijksoortig exemplaar
is onder andere gevonden in het
‘Behouden Huys’ op Nova Zembla. 08)
Samenvattend kan gezegd worden dat het
aardewerk, op een enkele uitzondering na,
op typologische gronden gedateerd kan
worden als afkomstig zijnde uit de periode
1550-1650.
Samenvatting
Het aardewerk dat uit de Celekelder
afkomstig is, dateert voor het merendeel uit
de tweede helft van de zestiende en de
eerste helft van de zeventiende eeuw. De
bewoners van het Celehuisje waren in
deze periode vier of vijf arme, alleenstaande
vrouwen. Zij behoorden tot de armste
groepen in de maatschappij.
Het teruggevonden aardewerk dat in het
bezit van deze vrouwen was, vertoont in
vergelijking met ander teruggevonden
aardewerk afkomstig van personen uit
‘hogere’ klassen één opvallend kenmerk:
het bevat een enorm aandeel (94%) roodbakkend
aardewerk. Deze oververtegenwoordiging
gaat ten koste van witbakkend
aardewerk, steengoed, majolica en
faïence/delfts. In andere, rijkere huishoudens
is het aandeel roodbakkend aardewerk
veel kleiner. Deze zeer grote hoeveelheid
kan volgens ons beschouwd worden
als een kenmerk van een arm huishouden.
1990 83
Het zeven van de vondsten
uit de Celekelder, (foto: Han
Prins)
Noten:
1. Later bleek dat het ernaast gelegen pand van Mr. Johan Cele was
geweest. Het vondstcomplex werd echter ‘Cele 73′ genoemd. Zo
ging dit vondstcomplex het depot in en onder die naam werd het
16 jaar later weer te voorschijn gehaald.
2. De restauratie van de voorwerpen werd verricht door Y. Angioni,
R. van Beek, K. v .d. Berghe, H. Duiker, H. Hasselt, M. Klomp,
R. Masotto, A. Oechies, I. Sjaarda, T. Visser, A. Vulpen en H. Weevers
e.a. De tekeningen werden grotendeels gemaakt door P. Kleij.
De foto’s zijn vervaardigd door J. de Koning (gemeente-fotograaf
Zwolle).
3. Ch. Hofstee, De fraterhulzen te Zwolle scriptie. Gemeente Archief
Zwolle. Z Kw 57 57. (1976) 75 e.v.
4. G. Berends ‘De gebouwen van het fraterhuis te Zwolle’, in: Bulletin
K.N.O.B. 73 0974) 96.
5. ‘I. ClevisenJ. Kottman, Weggegooid en teruggevonden. Aardewerk
en glas uit Deventer vondstcomplexcn 1375-1750
(Kampen 1989).
6. De vondsten uit Deventer zijn beschreven in: Clevis en Kottman;
de vondsten uit Kessel zijn beschreven in: H. Clevis en J. Thijssen,
‘Kessel, huisvuil uit een kasteel’, in: Mededelingenblad Nederlandse
Vereniging van Vrienden van de Ceramiek nr. 136.
0989).
7. Clevis en Kottman, 94.
8. J.G.N. Renaud, ‘Vijftig jaar slib-kras aardewerk’, in: Mededelingenblad
Nederlandse Vereniging van Vrienden van de Ceramiek
nr. 134 (1989) 8.
9- Clevis en Kottman, zie r-gra-15c.
10. Gezien het feit dat in Clevis/Thijssen de vormen wk-ste-3 en wkste^
i zijn geïntroduceerd onder de benaming steelpan, geven we
de Zwolse voorwerpen dezelfde type aanduiding. Eigenlijk zijn zowel
de Kesselse als de Zwolse voorwerpen grape-vormen. Bij de
Zwolse exemplaren is dit duidelijker te zien. Wk-ste-3 heeft een
lintoor en duidelijk de vorm van een eenoorige grape. De Zwolse
wk-ste-4 is gewoon een grape met een massief ronde steel. In de
catalogus houden we het type nummer aan naar de Kesselse
exemplaren, maar noemen we ze onder functie/naam respectievelijk
grape, eenoor en steelgrape.
11. Clevis en Kottman.
12. J.G. Hurst, D.S. Neal en H.J.E. van Beuningen, Pottery produced
and traded in north-west Europe 1350-1625. in: Rotterdam
Papers 6 (Rotterdam 1987) 250 e.v.
13. Ibidem, 242 e.v.
14. Zie R. de Haan, ‘Roken aan de Oosterburgermiddenstraat’, in: J.B.
Kist e.a., Van V.O.C, tot Werkspoor. Het Amsterdamse Industrieterrein
Oosterburg (Utrecht 1986) 126.
15- Clevis en Kottman, 56.
1990 84
16. Ibidem, 55.
17. De munten zijn gedetermineerd door Drs. A. Pol van het Koninklijk
Penningenkabinet. Het betreft:
– Bourg. Nederlanden, Philips de Schone – Karel V, groot 1505-
1520 (GH 121/173).
– Holland, oord 1573-1579 (GH 263).
– Holland, duit ca 1594 (Verkade 57.3).
– HoUand, duit 1604-1605 (Verkade 57.4).
– Westfriesland, duit 1604 (Verkade 75.7).
– Utrecht, stuiver 1597 (Verkade 114,2).
– Gelderland, stuiver 1641 (Verkade 17.3).
2x- Overijssel, duit ca 1607 (Verkade 144.5).
– Deventer, duit 1594 (Verkade 157.2).
– Zwolle, duit 1596 (Verkade 178.4).
– Kampen, kwart plak ca 1425 (vgl CJ 8).
– Driesteden, dubbele gosseler 1534 Deventer (FD 19).
– Driesteden, driebutken 1560 Zwolle (FD 48).
36x – Driesteden, drieplak 1556 (FD 42), waarvan: 16 zonder klop,
5 met klop ca 1582 Deventer, 1 met klop 1582 Kampen en 14
met klop 1582 Zwolle.
2x- Driesteden, plak 1559 (FD 45).
– Driesteden, halve plak 1561 (FD 54).
– Hasselt, drieplak ca 1583 (vdChijs XVII.2).
– Friesland, oord 1608-1648 (Verkade 131 3).
2x- Friesland, duit 1605 (Verkade 131.4).
– Friesland, duit 1653 (Verkade 131.5).
– Groningen, plak 1677 (Puister 1.629).
– Groningen, dubbele plak 1594 (Puister 1.623).
– rekenpenning, Neurenberg 16e eeuw (Barnard XXIX.18/19)-
Afkortingen:
Barnard: F.P. Barnard, The castlng-hounter and the countingboard
(Oxford 1916).
vdChijs: P.O. van der Chijs, De munten der voormalige heeren
en steden van Overijssel (Haarlem 1854).
CJ: H.W. Oost Jordens, Kamper stempels. Bijdragen tot de
Kamper munt (Deventer 1857).
FD: J. Fortuyn Droogleever, De Driesteden-muntslag 1479-1588
van Deventer, Kampen en Zwolle (‘s-Gravenhage 1986).
GH: H.E. van Gelder en M. Hoc, Les monnales des Pays-Bas
bourguignons et espagnols, 1434-1713 (Amsterdam 1960).
Puister: A.T. Puister, Groningse stedelijke munsten. In: Jaarboek
voor Munt- en Pennlngkunde 73 (1986) 5-72.
Verkade: P. Verkade, Muntboek, bevattende namen en afbeeldingen
van munten geslagen in de zeven voormalig Vereen
igdc Ncderlandsche Provinciën (Schiedam 1848).
18. Mededeling van de stadsarcheologische dienst Amsterdam.
Toelichting op de catalogus:
Het vondstnummer is opgebouwd uit zw(olle)-c(ele)73-volgnummer.
Het typenummer is meestal opgebouwd uit de eerste letter van het
baksel (soms vergezeld door een tweede letter die dan op het productiecentrum
betrekking heeft), de eerste drie letters van de functie/naam
en een volgnummer. Achter het volgnummer kan een kleine letter
staan die op een nadere onderverdeling slaat. Zo staat bij de grapen de
kleine a voor een één-oorige grape, de b voor een twee-oorige en de c
voor een steelgrape. Bij de kannen staat de a voor een standring. Bij de
bakpannen betekent de a een standvlakbodem en de b drie pootjes.
Voor Wezergoed is zowel een geel als een rood baksel mogelijk. Voor
de typen wordt echter gebruik gemaakt van de code We.
Bij de datering staan de kleine letters voor kwart eeuwen en de hoofdletters
voor halve eeuwen (a-eerste kwart; A-eerste helft).
Wat het baksel betreft is er bij het steengoed een onderverdeling gemaakt
in steengoed 1 en steengoed 2. Onder steengoed 1 verstaan we
alle steengoed zonder oppervlakte behandeling (Siegburg). Onder
steengoed 2 verstaan we alle steengoed met oppervlakte behandeling,
een engobe of glazuur, wat in de praktijk neerkomt op al het andere
steengoed.
Bij de maten wordt eerst de maximale diameter genoemd, gevolgd
door de hoogte. Beide cijfers zijn afgerond op halve centimeters. Indien
de functie/naam voorzien is van een ‘ betekent dit dat hel voorwerp
archeologisch niet compleet is. Onder ‘archeologisch compleet’
verstaan we de aanwezigheid van een compleet profiel.
afkortingen voor de soort: Kroodbakkend), s(teengoed)l, s(teengoed)
2, w(itbakkend), w(itbakkend)k(euls), we(zer), wa(nfried),
gl(as).
afkortingen voor de naam/functie: bak(pan), blo(empot), bor(d),
dek(sel), gra(pe), kan, kom, kop, olieQamp), pap(kom), pis(pot), pot,
slu(itpan), ste(elpan), st(eel)k(om), veKgiet), vet(vanger), vuu(rklok),
zal(fpot) en fle(s).
1. vondstnummer 5b. glazuur
2. typenummer 5c. versiering
3. datering 6a. bodem
4. maten 6b. oor
5a. baksel – 6c. diversen
7. functie/naam
8. productiecentrum
9. literatuur
1990 85
nr.2
nr.1
nr.5
nr.3
nr.4 nr.6
nr.1
1. zw-c73-74 2. r-bak-2b 3. 1ÓB-17A4. 21.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. platte steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7. bakpan 9- Clevis/
Kottman 1989 p. 91.
nr.2
1. zw-c73-80 2. r-bak-5b 3. 16B-17A 4. 5a. rood 5b. loodglazuur 6a. driepoot
6b. ronde steel 7. bakpan *
nr.3
1. 2w-c73-355 2. r-bak-5b 3. 16B-17A 4. 23.0-6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. ronde, holle steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7.
bakpan
nr.4
1. zw-c73-359 2. r-bor-1 3- 17A 4. 28.5/7.0 5a. rood 5b. loodglazuur 5c.
gedompeld in een witte engobe met in slibkras geometrische figuren in
geel en rood 6a. standlob 6c. gebruik gemaakt van een passer 7. bord
nr.5
1. zw-c73-352 2. r-bor-6 3. l6d-17a 4. 24.5/5.5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. spiegel: wentelend rad in cirkel van dubbele boogjes 6a. standlob 7.
bord
nr.6
1. Ew-c73-202 2. r-bor-7 3. 17A 4. 18.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur, koperoxide
5c. groene slib op spiegel 6a. voet 6b. het voorwerp is geheel
in slib gedompeld geweest 6c. voetschaal 9- Renaud 1989, pp. 4-12 afb.
9 en afb. 15.
1990 86
nr.7
nr.8
nr.9
nr.10
nr.11
nr.7
1. zw-c73-201 2. r-dek-1 3- 16B-17A 4. 16.0/5-0 5a. rood 5b. geen 6b.
knop 7. deksel 9. Clevis/Kottman 1989, p. 94.
nr.8
1. zw-c73-184 2. r-gra-8a 3. 1599 ? 4. 11.0/11.5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. ANNO 159 in gele slib 6a. driepoot 6b. worstoor, geknepen 7. grape,
eenoor
nr.9
1. zw-c73-154 2. r-gra-8b var 4 3. l6B 4. 16.0/14.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. worstoor 7. grape, tweeoor
nr.10
1. zw-c73-157 2. r-gra-8b var 4 3. 16B 4. 16.0/13.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. worstoor 7. grape, tweeoor
nr.11
1. zw-c73-6l 2. r-gra-18c 3. l6B-17a 4. 13.0/11.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelgrape
1990 87
nr.12
nr.13
nr.14
nr.15
nr.12
1. zw-c73-62 2. r-gra-18c 3. l6B-17a 4. 10.5/8.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelgrape
nr.13
1. zw-c73-l67 2. r-kan-6 3. 17A 4. 16.0/16.0 5a. rood 5b. loodglazuur 6a.
driepoot 6b. worstoor, geknepen 6c. schenklip tegenover oor 7. kan
nr.14
1. zw-c73-l68 2. r-kan-7 3. l6d-17a 4.17.7/17.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. worstoor, geknepen 7. kan
nr.15
1. zw-c73-357 2. r-kan-8a 3. 17A 4. 135/15.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 6b. worstoor 6c. schenklip tegenover oor 7. kan
1990 88
nr.16 nr.X7 nr.18
nr.21
nr.19
nr.16
1. zw-c73-28 2. r-kom-9 3- 16B-17A4. 15.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 7. kom
nr.17
1. zw-c73-7 2. r-kop-2 3. l6d-17A 4. 12.0/7.0 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groene slib 6a. standring, glad 6b. drie worstoren,
geknepen 7. kop
nr.18
1. zw-c73-l 2. r-kop-2 3. l6d-17A 4. 13.5/7.5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. gedompeld in witte engobe, inwendig gele slib 6a. standring, glad
6b. worstoor, geknepen 7. kop 9- Clevis/Kottman 1989, p. 104.
nr.19
1. zw-c73-351 2. r-oli-2 3. 17A 4. 14.0/10.0 5a. rood 5b. loodglazuur 6a.
standvlak 6b. ophangoor 6c. een platte zijde 7. olielamp 9- Clevis/Kottman
1989, p. 105.
nr.20
1. zw-c73-5 2. r-pap-2 3. 16B-17A 4. 14.5/6.5 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groene slib 6a. standring, glad 6b. worstoor,
horizontaal, nokoor 7. papkom
nr.21
1. zw-c73-8 2. r-pap-3 3. 16B-17A 4. 16.0/6.5 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groene slib 6a. standring, glad 6b. worstoor,
horizontaal 7. papkom
> f
nr.20
1990 89
nr.22 nr.23 nr.24
nr.25
nr.27
nr.26
O
nr.22
1. zw-c73-105 2. r-pis-5 var 1 3. 17A 4. 18.5/13.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 6b. worstoor 7. pispot
nr.23
1. zw-c73-145 2. r-pis-5 var 2 3. 17A 4. 11.0/7.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. ziel 6c. gebruikt; kinderspeelgoed ? 7. pispot *
nr.24
1. zw-c73-83 2. r-pis-7 3. l6B 4. 15.0/11.5 5a. rood 5b. loodglazuur 5c.
twee sierlijnen op bovenste helft 6a. ziel 6b. worstoor 7. pispot
nr.25
1. zw-c73-103 2. r-pis-8 3. 16B-17A 4. 18.0/14.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 6b. worstoor 7. pispot
nr.26
1. zw-c73-56 2. r-ste-3 3. 16B-17A 5a. rood 5b. loodglazuur 6a. driepoot
6b. kromme steel 7. steelpan
nr.27
1. zw-c73-58 2. r-ste-3 3. 16B-17A 4. 17.5/9-0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelpan
1990 90
o
nr.28
nr.29
nr.30 nr.31 nr.32
nr.28
1. zw-c73-30 2. r-stk-5 3. 16B-17A 4. 150/7.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. platte steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7. steelkom
nr.29
1. zw-c73-32 2. r-stk-5 3. 16B-17A 4. 15.5/8.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 6c. schenklip 90248 t.o.v. steel 7. steelkom
nr.30
1. zw-c73-35 2. r-stk-6 3. 1ÖB-17A 4. 14.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7. steelkom
nr.31
1. zw-c73-360 2. w-gra-15c 3. l6B 4. 12.0/9-5 5a. wit 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. groen 6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelgrape
nr.32
1. zw-c73-36l 2. w-kan-10 3. 17A 4. 11.0/14.0 5a. wit 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. groen 6a. standvlak 6b. lintoor 6c. 7. kan
nr.33
1. zw-c73-213 2. w-ste-3 3. l6B-17a 4. 11.5/14.0 5a. wit 5b. loodglazuur,
mangaanoxide 5c. inwendig paars 6a. bol, driepoot 6b. holle steel 7.
steelgrape 8. Keulen 9. Clevis/Thijssen 1989, p 39.
nr.33
1990 91
nr.34
nr.35
nr.37
nr.38
nr.36
nr.34
1. zw-c73-183 2. wk-ste-4 3. l6B-17a 4. 10.5/10.0 5a. wit 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groen, uitwendig witte engobe 6a. bol,
driepoot 6b. lintoor 7. grape, eenoor 8. Keulen 9. Clevis/Thijssen 1989,
p. 39-
nr.35
1. zw-c73-209 2. m-bor-5 3. l6d-17a 4. 24.0/4.5 5a. majolica 5b. tinglazuur,
loodglazuur, polychroom 5c. spiegel: gestyleerd bladmotief 6a.
standring, glad 6c. ophanggat door standring 7. bord
nr.36
1. zw-c73-362 2. m-bor-5 3. l6d-17a 4. 21.0/3-5 5a. majolica 5b. tinglazuur,
loodglazuur, polychroom 5c. spiegel: gestyleerd bladmotief, sgrafitto
6a. standring, glad 6c. ophanggat door standring 7. bord
nr.37
1. zw-c73-364 2. we-bek-1 3- 1580-1630 4. 6,0/8.0 5a. geel 5b. loodglazuur
5c. rode sliblaag; radstempelversiering 6a. standvlak 7. beker 8.
Wezer 9- Hurst 1986, pp. 250-259-
nr.38
1. zw-c73-207 2. we-bor-1 3. 1580-1630 4. 20.0/4.5 5a. geel 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. ringeloorversiering en cirkels in geel en groen 6a.
standvlak 7. bord 8. Wezer 9. Hurst 1986, pp. 250-259.
1990 92
nr.41
nr.39
nr.40
nr.39
1. zw-c73-208 2. we-bor-1 3. 1580-1630 4. 30.0/6.5 5a. geel 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. ringeloorversiering en cirkels in geel en groen 6a.
standvlak 7. bord 8. Wezer 9. Hurst 1986, pp. 250-259.
nr.40
1. zw-c73-20O 2. we-kan-1 3. 1580-1630 4. 7.0/9-5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. ringeloorversiering in geel 6a. standvoet, met draad afgesneden
7. kan 8. Wezer 9. Hurst 1986, pp. 250-259.
nr.41
1. zw-c73-206 2. we-kop-1 3. 1580-1630 4. 13.5/50 5a. geel 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. ringeloorversiering en cirkels in geel, groen en
rood 6a. standvlak 6b. worstoor, horizontaal 6c. 7. kop 8. Wezer 9-
Hurst 1986, pp. 250-259.
nr.42
1. zw-c73-363 2. wa-kom-1 3. 1593 4. 23.0/8.5 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. spiegel: vogel met 93 in geel en groen; sübkrastechniek
6a. standvlak 6b. worstoor, horizontaal, geleed 7. kom 8. Wanfried 9-
Hurst 1986, pp. 242-250.
1990 93
De synagoge van Zwolle,
een historisch monument
met een aangepast gebruik
Peter van ’t Riet
In Zwolle staat aan de tegenwoordige
Samuel Hirschstraat (voorheen Schoutenstraat)
tegenover de Nieuwe Markt
een bijzonder kerkgebouw: de synagoge.
Het gebouw is aan het eind van de
vorige eeuw gebouwd door en voor de
Joodse Gemeente die toen ca. 600 leden
telde. Nu, veertig jaar na de Tweede
Wereldoorlog, zijn er van die gemeente
zo weinigen overgebleven dat
zij niet langer in staat zijn het gebouw
te behouden en te beheren. In 1983
verkeerde de synagoge in zeer slechte
staat, maar inmiddels is zij geheel gerestaureerd
en weer in gebruik genomen.
In dit artikel zal ik een korte uiteenzetting
geven over een aantal historische
en bouwkundige aspecten van
de Zwolse synagoge alsmede een
schets van het verloop van de restauratie
die in september 1989 tot voltooiing
kwam, en van de wijze waarop het
gebouw in de toekomst gebruikt zal
gaan worden.
1990 94
Zwolle en haar joodse gemeenschap
De eerste berichten over de aanwezigheid
van Joden in de stad Zwolle stammen uit
het begin van de veertiende eeuw. Waarschijnlijk
uit Duitsland afkomstig vestigden
zij zich in deze contreien als geldschieters
en handelaren in allerlei goederen. Maar
de niet-joodse bevolking heeft hun in die
tijd lang niet altijd een goed hart toegedragen.
Een van de oudste berichten over jodenvervolging
in ons land is uit Zwolle
afkomstig. Op lyrische wijze vertelt de
Zwolse burgemeester en kroniekschrijver
Albert Snavel, dat in 1349 de Joden in zijn
stad zijn vermoord ‘uit liefde voor God’.
De geschiedenis van de Joden in Zwolle
heeft echter ook heel andere episoden gekend.
Vierhonderd jaar later ontmoet de
joodse gemeenschap in Zwolle een veel
positievere benadering. De stad voerde in
de achttiende eeuw een voor die tijd zeer
liberale politiek ten opzichte van haar
joodse inwoners. Vanaf 1721 werden de
Joden in Zwolle in de gelegenheid gesteld
het zogenaamde kleine burgerrecht te verwerven.
Daardoor konden zij ook worden
toegelaten tot het koopmansgilde, waarvan
zij druk gebruik hebben gemaakt. Tussen
1724 en 1742 behoorde 32% van de nieuwe
leden van dit gilde tot de joodse bevolkingsgroep.
Vele Joden uit het Duitse achterland
maar ook uit Amsterdam vestigden
zich in die periode in de stad. Aan het einde
van de achttiende eeuw was de joodse
gemeenschap daardoor toegenomen tot
ongeveer 350 zielen.
Reeds in 1722 stond het stadsbestuur toe
dat de Joden hun eigen begraafplaats buiten
de stad op de Luurderschans in gebruik
namen. Hun religieuze bijeenkomstenmoeten
zij aanvankelijk in particuliere woningen
hebben gehouden, want eerst in
1746 huurden zij daarvoor het huis van de
heer Markloff in de Bitterstraat tegenover
de Rozemarijnstraat. Na onenigheid over
de huurprijs kregen de Joden in 1757 toestemming
een synagoge te stichten in de
zogenaamde ‘Juffrou Schilders Huysen
staande in den Broeren’. Zij werden daarbij
welwillend geholpen door de burgemeesters
Voet, Sprakel en Waerman. In dit gebouw,
nu de Librije, werd van 1758 tot aan
het einde van de negentiende eeuw dienst
gehouden. Het gebouw is echter steeds
eigendom van de burgelijke gemeente gebleven.
De bouw van de huidige synagoge
Deze oude synagoge begon aan het einde
van de negentiende eeuw sporen van verval
te vertonen. Zij werd bovendien te
klein om de groeiende joodse gemeente te
kunnen bevatten. En door het Zwolse
‘hoge water’ kwam het gebouw van tijd tot
tijd geïsoleerd te liggen. Toen werd besloten
een nieuwe synagoge te bouwen. In
1892 werden vijf percelen aangekocht, gelegen
aan de toenmalige Schoutensteeg
(tot voor kort Schoutenstraat) tegenover de
Nieuwe Markt. De voorbereidingen namen
echter nog enkele jaren in beslag. Op 4 november
1897 deed de Zwolse architect F.C.
Koch bij B. en W. van Zwolle de aanvraag
voor de bouwvergunning van de te bouwen
synagoge aan de toenmalige Schoutensteeg.
Bij de brief had hij een schetsontwerp
gevoegd voor een synagoge met kostershuis.
Dit schetsontwerp bevindt zich
nog in het stadsarchief van Zwolle en bestaat
uit een plattegrond van de begane
grond en de eerste verdieping en uit een
tekening van de voorgevel en de achterkant
van het gebouw. De stadsarchitect
werd door B. en W. verzocht dit plan te bestuderen
en in zijn antwoord, gedateerd 12
november 1897, bericht deze aan B. en W.:
“Naar mijn mening kan het ingezonden
bouwplan worden goedgekeurd en de vergunning
tot deze bouw (…) worden verleend”.
Vijf dagen later werd de vergunning
afgegeven. Daarna volgde op 25 januari
1898 de aanbesteding. De gunning
viel ten deel aan de aannemer L. Meyer jr.,
waarna met de bouw kon worden begonnen.
Anderhalf jaar later was het gebouw
gereed. Op 21 juli 1899 kon het plechtig
worden ingewijd in aanwezigheid van
Gedeputeerde Staten van Overijssel en
Burgemeester en Wethouders van Zwolle, i
Door de hele synagoge waren extra stoelen
aangebracht, omdat vele niet-joodse Zwollenaren
de dienst bijwoonden.
Het ontwerp van de Zwolse synagoge
Het schetsplan van architect F.C. Koch uit
1897 is vrijwel ongewijzigd gehanteerd bij
de uiteindelijke totstandkoming van het gebouw.
Zoals gebruikelijk bij synagogebouw
in onze streken is het gebouw oostwest
georiënteerd. De ‘aron ha-kodesj’, de
heilige ark, dit is de kast met de Tora-rollen,
bevindt zich aan de oostkant van het
gebouw. Dit is ook de zijde waarnaar
Joden zich richten bij het gebed, zowel
foto linkerpagina:
De synagoge van Zwolle
tijdens de restauratie.
1990 95
Interieur van de grote synagogezaal
voor de restauratie
met bima in het midden en
heilige ark in de absidiale
Grote synagogezaal na de
restauratie.
thuis als in de synagoge. Het is de richting
van Jeruzalem. De ingang van de synagoge
bevindt zich aan de tegenoverliggende
westzijde. Als we het interieur van het gebouw
beschouwen dan zien we dat dit bestaat
uit een eenbeukig schip, afgesloten
aan de oostzijde door een absidiale ruimte
waarin vijf vensters zijn uitgespaard. In
deze absidiale ruimte bevindt zich de heilige
ark, welke de bijzonderheid heeft dat hij
van boven open is, waardoor het daglicht
er via de vensters vrij invalt. Voor de ark
hangt het voorhangsel, herinnering aan het
voorhangsel in de tempel in Jeruzalem.
Vanuit de zaal leidt een statige trap naar
het platform voor de ark. Beneden voor
deze trap bevindt zich een lessenaar,
‘amoed’ genaamd, waaraan tijdens de
dienst de chazzan, dit is de voorzanger,
staat. Midden in het schip geplaatst bespeurt
men vervolgens de fraaie eikenhouten
bima, de verhoging waarop tijdens de
diensten de lezing uit de Tora-rol plaatsvindt.
Tegen de noord- en zuidwanden zijn
de banken geplaatst, oorspronkelijk ook
langs de westwand. Daarmee heeft de
Zwolse synagoge de voor de traditionele
synagoge zo karakteristieke indeling gehandhaafd
met de banken in een halve cirkel
om de bima.
Tegen de westwand bevindt zich verder
een balkon. Vanaf dit balkon, de zogenaamde
vrouwengalerij, hadden vrouwen
de mogelijkheid de diensten bij te wonen.
Op die manier konden de mannen zich bij
de uitoefening van hun gebedsplicht niet
laten afleiden. Het huidige hogere hekwerk
langs de gaanderijen werd eerst in
1920 aangebracht overeenkomstig de wens
van de toenmalige opperrabbijn, de heer
S.J.S. Hirsch. Kennelijk was hij van mening
dat ook oogcontact tussen de mannen beneden
en de vrouwen boven de mannen
nog te veel gelegenheid gaf zich van hun
dienst der gebeden te laten afleiden.
De synagoge is ca. 25 meter lang en 14 meter
breed. De zijmuren zijn ca. 10 meter
hoog en het dak stijgt tot 15 meter. De
voorgevel wordt, afgezien van de aanbouw
van de woning, gedomineerd door het grote
dubbele venster met roosvenster, gebouwd
in Gotische trant. Daaronder bevindt
zich de hoofdingang. Toegang tot de
vrouwengalerij verkreeg men tot voor de
restauratie slechts via het portiek aan de
noordzijde, gebouwd tegen de woning
aan, en via de ingang aan de zuidzijde. Ter
linkerzijde van de hoofdingang zien we
nog een raampartij, waarboven in Hebreeuwse
letters het laatste deel van Jes.
56:7 is aangebracht: “Want mijn huis, een
huis van gebed wordt het genoemd voor
alle volken”.
De plaats van de Zwolse synagoge in
de negentiende-eeuwse architectuur
Bij een nadere beschouwing van het interieur
en de voorgevel van het gebouw doet
zich al snel de gelijkenis voor met de christelijke
kerkelijke bouwkunst. Dit geldt
vooral voor de absidiale ruimte waarin de
heilige ark, de kast voor de Tora-rollen, is
1990 96
ondergebracht. In zekere zin geldt dit tevens
voor het grote venster boven de
hoofdingang, dat sterke reminiscenties vertoont
met het Gotische kerkraam. Duidelijk
is dat de architect sterk werd beïnvloed
door het in de negentiende eeuw gangbare
eclecticisme. Hierbij stond centraal de inspiratie
door de verschillende bouwstijlen
uit het verleden, welke men tot een nieuw
geheel combineerde. Kennis van het werk
van de Nederlandse architect PJ.H. Cuypers,
wiens werk als representatief voor
deze historiserende stijl kan worden beschouwd,
moet Koch zeker gehad hebben.
Dit wordt bevestigd door het feit dat hij samen
met Cuypers heeft gewerkt aan de
restauratie van de Consistoriekamer van de
Grote Kerk te Zwolle in de jaren 1896-
1899, precies de periode waarin ook de
synagoge door Koch werd ontworpen. Een
voorbeeld van deze eclectische stijl zijn de
witte banden, die op de voorgevel afwisseling
brengen in het baksteenmuurwerk. Zij
vormen een inheems motief dat gangbaar
was vanaf de vijftiende tot en met de zeventiende
eeuw. Daarna komt men dit motief
weer veel tegen in de negentiendeeeuwse
architectuur met burgelijke of sacrale
bestemming.
In de synagogebouwkunst van de negentiende
eeuw vindt men naast het gebruik
van klassicistische motieven veelal een
voorkeur voor oriëntaliserende bouwstijlen.
De synagoge in Groningen aan de Folkingestraat,
gebouwd in de jaren 1905-
1906 naar een ontwerp van de Amsterdamse
architect Tj. Kuiper en de Groningse architect
IJ. van der Veen, is daarvan nog een
fraai, zij het laat voorbeeld. In de loop van
de negentiende eeuw ging men namelijk
deze oosterse bouwstijlen als minder geschikt
ervaren voor een synagoge. Men
realiseerde zich dat de cultuur der oude
Arabieren en Moren eigenlijk in geen relatie
stond tot het ‘moderne Jodendom’. Het
idee kwam op dat men in navolging van
het verleden een bouwstijl moest ‘hanteren’,
die meer in overeenstemming zou zijn
met het regionaal gangbare. Volgens de
auteur Ludwig Klasen, in diens standaardwerk
voor architecten Grundriss-Vorbilder
von Gebauden Jur kirchlicbe Zwecke uit
1889, was het een eis voor synagogebouw
dat de voorgevel het kerkelijke karakter
aangaf. Zo is het niet verwonderlijk dat
men teruggreep op regionele sacrale
bouwstijlen. De synagoge van Koch is daar
Vrouwengalerij, gewelf en
tussenwand voor de restauratie.
een voorbeeld van.
Het zal na dit alles duidelijk zijn dat de
Zwolse synagoge ondanks haar bescheiden
karakter, als een historisch monument
kan worden beschouwd. En niet alleen
vanuit architectuur-historisch oogpunt.
Ook en vooral is de synagoge een monument
van het joodse leven zoals dat in de
eerste helft van de twintigste eeuw nog
volop in Zwolle aanwezig was.
Het verval na de grote vernietiging
De Tweede Wereldoorlog werpt tot de dag
van vandaag zijn schaduwen na. Zo ongeschonden
als de synagoge – wonderlijk ge-
Westzijde van de grote synagogezaal
met vrouwengalerij
na de restauratie.
1990 97
Interieur van de bij- of wintersynagoge
voor de restau-
Wintersynagoge of bijsjoel
na de restauratie met heilige
ark uit de oude synagoge in
de Librije en met banken afkomstig
uit de vrouwengalerij.
noeg – door de oorlog en de bezetting is
heengekomen, zo beschadigd en gedecimeerd
was de joodse gemeente van Zwolle
na afloop van de grote vernietiging. Een
monumentaal gebouw met een bijna onaangetast
interieur stond in 1945 klaar voor
een kleine gemeenschap van teruggekeerden.
Om het gebouw in de nieuwe omstandigheden
te kunnen blijven gebruiken
werd het schip van de synagoge verkleind.
Achterin werd een wand opgetrokken,
waardoor onder de vrouwengalerij een
ruimte voor gemeenschapsaktiviteiten ontstond.
Ook werd er om de stookkosten te
drukken een verlaagd plafond aangebracht
in de grote synagogezaal die overbleef.
Daardoor werden het gewelf en het balkon
definitief aan het oog onttrokken. Aldus
verbouwd heeft de joodse gemeente veertig
jaar lang gedaan wat zij kon om de
synagoge in stand te houden. Maar al deze
inspanningen konden niet verhelpen dat
het verval langzaam maar zeker voortschreed.
Aan het eind van de jaren 70 ging
de instandhouding van de synagoge de
draagkracht van de joodse gemeente te boven.
Er werd aan gedacht het gebouw te
verkopen. Besprekingen met kandidaat kopers
liepen echter op niets uit. In het begin
van de jaren ’80 ontstond het idee dat het
gebouw behouden zou moeten blijven en
op verzoek van het bestuur van de Joodse
Gemeente werd de synagoge voorlopig op
de monumentenlijst geplaatst. De gemeente
kende enige subsidie toe voor noodzakelijke
herstelwerkzaamheden aan het dak
en aan de ramen, maar het was duidelijk
dat er veel meer moest gebeuren wilde
men het gebouw van de definitieve onder-
1990 98
gang redden. In die toestand trof ik de
synagoge aan toen ik in september 1983 er
mijn eerste bezoek aan bracht.
Een begin van herstel
De sjabbatochtend in september 1983,
waarop ik voor het eerst een bezoek bracht
aan de Zwolse synagoge, herinner ik mij
als de dag van gisteren. Een paar minuten
voor negenen, het aanvangstijdstip van de
ochtenddienst, wandelde ik in de zonnige
binnenstad van Zwolle de Schoutenstraat
binnen. Op het bordes voor de synagoge
stond een in het zwart geklede heer mij
aandachtig op te nemen. Naderbij gekomen
stelde ik mij voor in de veronderstelling
onmiddellijk naar binnen te zullen
gaan teneinde de aanvang van de dienst
niet te hoeven missen. Dat pakte echter anders
uit.
De man in het zwarte pak en met de zwarte
hoed op zijn hoofd bleek de heer
J. Moed te zijn, de voorzitter van de Joodse
Gemeente Zwolle, en op dat moment was
hij de eerste en enige aanwezige. Dit onverwachte
begin van mijn kennismaking
met de Joodse Gemeente van Zwolle bleek
al snel een groot voordeel op te leveren.
Aangezien er nog negen volwassen joodse
mannen moesten komen voordat de dienst
kon beginnen, was er alle gelegenheid een
praatje te maken. Ik vernam over de problemen
waarmee de Joodse Gemeente te
kampen had: het geringe aantal leden, de
grote synagoge die in vervallen staat verkeerde,
de vergrijzing van het ledenbestand,
het gebrek aan financiële middelen.
Gaande weg kwamen er meer heren opdagen
en na ongeveer een kwartier kon de
dienst beginnen: een handjevol voor mij
vreemde mannen in een enorme synagoge…
en toch voelde ik mij er thuis!
In de dagen en weken daarna begon het
gepieker. Het was toch een bijzonder gebouw?
Was het niet het enige monument in
de Zwolse binnenstad, dat nog aan het
Jodendom herinnerde? Het Jodendom was
toch al eeuwenlang een wezenlijk bestanddeel
van onze cultuur en onze samenleving?
Waren er niet honderden joodse
Zwollenaren in de kampen omgekomen?
En niets zou aan hen herinneren als de
synagoge verviel en verdween? Werden er
niet overal in het land synagogen gerestaureerd?
Was Groningen in die dagen niet hèt
voorbeeld van hoe een synagoge bewaard
kon blijven door de inspanningen van een
aantal geestdriftige burgers? In Zwolle
moest toch iets dergelijks mogelijk zijn?
Een maand later was er weer een dienst.
Het was inmiddels herfst en in plaats van
de grote synagoge werd nu de bijsynagoge
of wintersynagoge gebruikt: een kleine,
knusse ruimte met houten stoelen en tafels
in plaats van statige banken. Na afloop van
de dienst sprak ik weer met de heer Moed.
Elk initiatief om tot restauratie van de synagoge
te komen zou hij toejuichen, maar de
Joodse Gemeente zelf kon het initiatief niet
nemen, was hij van mening. Te gedecimeerd
om zelf financieel te kunnen bijdragen
zouden de Zwolse Joden het gevoel
hebben te moeten bedelen om het voortbestaan
van hun synagoge. Ik sprak af me
te oriënteren in Groningen. Hij wees me
op een mogelijke medestander, die ook al
eens over restauratie gesproken had: de
heer ds. J.G.K. Littooij, gereformeerd predikant
voor Kerk en Israël in Zwolle.
Er volgden een paar verwarrende maanden.
De architect die de Groningse synagoge
gerestaureerd had, bracht op mijn verzoek
een bezoek aan de Zwolse synagoge.
Het kontakt met Littooij verliep gunstig.
Moed nodigde een joodse architekt uit
Amsterdam uit om de synagoge te bekijken.
De gesprekken met het bestuur van
de Joodse Gemeente breidden zich uit. Ik
maakte kennis met de heren H.I. Kan en
D. Stibbe, respectievelijk secretaris en penningmeester.
Er bleken inmiddels al vergaande
kontakten te bestaan met het Zwolse
architectenbureau Verlaan en Nijhof
vanwege de herstelwerkzaamheden aan de
ramen. Het gebouw was reeds in tekening
gebracht. We vonden dat de kring moest
worden uitgebreid. Notaris JJ. Sissing werd
door Littooij en mij benaderd om zich als
juridisch deskundige bij ons aan te sluiten.
Op initiatief van Stibbe werd ook de registeraccountant
de heer C. van Utteren als
financieel specialist bij het gezelschap betrokken.
Langzaam maar zeker begonnen
alle besprekingen in akties uit te lopen.
De restauratie gaat van start
In de loop van 1984 volgden de gebeurtenissen
elkaar regelmatig op. In februari van
dat jaar werd er op initiatief van de Joodse
Gemeente door het architectenbureau Verlaan
en Nijhof een restauratieplan opgesteld.
In de maanden daarna ging de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg gedeeltelijk
met dat plan akkoord en kon de restau-
1990 99
ratie van start gaan met werkzaamheden
aan het dak, de ramen, de muren en de
funderingen. Er volgden ingewikkelde
financiële verwikkelingen tussen de Joodse
Gemeente, het architektenbureau, de gemeente
Zwolle, de provincie en Monumentenzorg.
Met uitzondering van Van Utteren
kon niemand er al gauw meer een touw
aan vastknopen. In het najaar werden er
plannen gesmeed om tot de oprichting van
verschillende stichtingen te komen. Ook
werd er steeds vaker gesproken over een
tweede fase van de restauratie. In november
werd door het architektenbureau inderdaad
een raming van de kosten voor de
tweede fase voor de restauratie van de
synagoge opgesteld.
Op 23 januari 1985 werd de Stichting
Voortbestaan Synagoge Zwolle opgericht
met als doel: “het nemen van initiatieven,
alsmede het verlenen van financiële steun
ten behoeve van het behoud en het beheer,
van de synagoge te Zwolle en eventuele
andere joodse monumenten in Zwolle en
omgeving”. In de maanden en jaren die
volgden, werd er enorm veel werk verzet
door de leden van het bestuur. Met name
de heren Kan, Littooij, Stibbe en Van
Utteren verrichtten buitengewone inspanningen.
Er werd een Comité van Aanbeveling
gevormd, een brochure samengesteld,
een geldinzamelingsaktie gehouden, een
bouwcommissie in het leven geroepen. Er
werden kontakten onderhouden met gemeente,
provincie en Rijksmonumentenzorg.
Fondsen, bedrijven en kerken werden
benaderd voor bijdragen. Een veiling
van kunstwerken van Zwolse kunstenaars
in de raadzaal van het gemeentehuis van
Zwolle bracht ca. ƒ 13-000,- op voor de restauratie.
Een benefiet-avond in Schouwburg
Odeon gaf een opbrengst van ca.
ƒ 15.000,-. Op 18 april 1985 vond de onthulling
plaats door de Israëlische ambassadeur
de heer M. Ofer van het monument
op het bordes voor de synagoge ter nagedachtenis
aan de in de Tweede Wereldoorlog
omgekomen Zwolse Joden. In de loop
van 1986 ging inderdaad.de tweede fase
van de restauratie van start met werkzaamheden

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1988, Aflevering 3

Door 1988, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1988
ZWOL&
HISTORISCH
TIJD6CHDIFT
ZWOLSE HISTOD16CHI VtDINIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER DRIE / JAARGANG VIJF / 1988
61 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
62 Johan Andréas Dèr Mouw, 24 juli 1863 – 8 juli 1919.
A.M. Cram-Magré
76 Windesheim, klooster in discussie.
R. van Beek
84 De abtsbeker
L. van Dijk
89 Een Zwols besnijdenisregister.
J. Hagedoorn
REACTIES
95 Reacties op het artikel van D. Wemes en antwoord van
de auteur
97 VERSCHENEN BOEKEN EN INFORMATIEBLADEN
VAN DE INSTELLINGEN
100 Tentoonstellingsagenda
100 PERSONALIA
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek
E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck
(eindredacteur Jaarboek), I. Wormgoor, H.C.J. Wullink,
A. van der Wurff.
Zwolse Historische Vereniging
Niets uu deze uitgave mag worden verveelvoudigd en /
o) openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopy.
microfilm of op welke wijze ook. zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever
VAN DE REDACTIE
Dit derde en laatste nummer van de vijfde jaargang van
het Zwols Historisch Tijdschrift heeft een gevarieerde
inhoud. Mevrouw A.M. Cram-Magré schetst een sfeervol
beeld van de Zwolse jeugdjaren van de dichter Dèr Mouw,
waarin de persoon van en de relatie met zijn moeder een
voorname plaats inneemt.
De discussie over de ligging van het klooster te Windesheim
blijkt nog niet te zijn afgerond. De heer R. van
Beek plaatst nog enige kanttekeningen naar aanleiding
van de presentatie van verschillende onderzoeksresultaten.
In dit tijdschriftnummer hebben we plaats ingeruimd voor
de beschrijving van twee historische objecten uit de geschiedenis
van Zwolle. Mevrouw L. van Dijk beschrijft de
abtsbeker die aanwezig is in het Provinciaal Overijssels
Museum en de heer J. Hagedoorn gaat in op een onlangs
boven water gekomen besnijdenisregister van een Zwolse
besnijder.
Met een beknopte weergave van twee reacties en het antwoord
van de auteur komen we nog eenmaal terug op het
artikel van D. Wemes over de rivierovergangen over de
Vecht.
Tot slot treft U informatie aan over tentoonstellingen
in ’t POM en over verschenen boeken.
Veel leesplezier toegewenst met dit Tijdschriftnummer.
62
JOHAN ANDREAS DER MOUW, 24 JULI 1863 – 8 JULI 1919
A.M. CRAM-MAGRE
Inleiding
Soms heeft in een stad een gebeurtenis plaats die door
tijdgenoten nauwelijks wordt opgemerkt, maar veel jaren
later duiken hun kinderen in de archieven en zeggen
trots: hij heeft hier gewoond en hier heeft hij de lagere
school bezocht en op ons gymnasium heeft hij nog les
gegeven. Zo is het gegaan met het leven van de dichter
Johan Andreas dèr Mouw, die zijn jeugd in Zwolle en in
Deventer (1873-1883) heeft doorgebracht. Over de Deventer
jaren heeft G.J. Lugard een en ander meegedeeld,
maar de Zwolse jaren waren tot nu toe een blanco bladzijde
in Dèr Mouws biografie. 1)
Het volgend artikel wil, voorzover de documentatie dit
toelaat, deze lacune opvullen. De jeugdjaren en de jaren
van het dichten (1912-1919) vormen voor Dèr Mouw een
eenheid, daartussen lagen jaren vol strijd en verdriet.
Dèr Mouws dichterschap, onlosmakelijk verbonden met de
door hem beleden levensvisie, heeft het hem mogelijk gemaakt
de drie perioden van zijn leven en al wat hij
daarin doorleefd en verworven had, in één dichtwerk vorm
te geven; om wille van dit dichtwerk gedenken wij hem
heden 125 jaar na zijn geboorte.
Familie Der Mouw in Zwolle
Op 22 februari 1864 liet zich een jong echtpaar met twee
kinderen inschrijven in het register van de burgerlijke
stand te Zwolle. 2) Het waren Anna Elisabetha Zillinger,
geboren 1831, in 1858 getrouwd met Jacobus Cornelis der
Mouw, geboren 1833, met hun dochtertje Elisabeth, 29 januari
1861 te Nijmegen geboren, en de zeven maanden oude
Johan Andréas, geboren 24 juli 1863 te Westervoort. De
snel opeenvolgende verhuizingen Nijmegen-Westervoort-
Zwolle hielden verband met de werkmogelijkneden van beide
ouders.
De vader, verzekeringsagent en colporteur van tijdschriften,
kon maar een karig en wisselvallig inkomen
bijeenbrengen. Te oordelen naar enkele kleine bijzonderheden
was hij een goedwillende, vriendelijke man, maar
geen sterke persoonlijkheid, die wel wat in de schaduw
leefde van zijn flinke intelligente jonge vrouw.
63
afb. 1 Nieuwe Markt 24 te Zwolle, woonhuis familie Der
Mouw (1864)
64
Elisabetha had in haar geboorteplaats Doesburg al enkele
jaren les gegeven op een “instituut voor jonge jufvrouwen”,
bovendien staat zij daar van 1854-1856 geregistreerd
als “muziekonderwijzeresse”. Door haar huwelijk
in 1858 was zij, ambteloos, met haar man meegegaan naar
zijn woonplaats Nijmegen. Na de geboorte van hun dochtertje
waren zij gedrieën in 1862 verhuisd naar Westervoort
waar op 24 juli 1863 Johan Andréas werd geboren.
Het ligt voor de hand dat de jonge vrouw na de geboorte
van het tweede kind graag weer een werkkring wilde hebben,
enerzijds omdat haar actieve aard daar behoefte
aan had, anderzijds omdat zij zo de gezinsinkomsten zou
kunnen vermeerderen. Zij besloten dus van het kleine
Westervoort te verhuizen naar Zwolle, een stadje dat
toen ruim 21000 inwoners telde.
Eerst werd in februari 1864 een woning betrokken aan de
Nieuwe Markt G 44 (thans nr. 24), maar voor de toekomstplannen
van de ondernemende Anna Elisabetha bleek dit
huis op den duur toch minder geschikt. Na gemeenschappelijk
overleg trok voorjaar 1865 grootmoeder Zillinger
met haar twee dochters Berendina, geboren 1836 en Andrea,
geboren 1840, bij het gezin Der Mouw in. Grootvader
Zillinger, van 1882 af klokkenist en “muziekmeester”
te Doesburg, was in 1859 overleden; naar hem
was de in 1863 geboren kleinzoon genoemd.
Of die uitbreiding met drie personen nog op de Nieuwe
Markt plaats had, is niet met zekerheid te zeggen. In
ieder geval treffen we in 1866 de zeven leden tellende
familie aan in de Diezerstraat F 44 (thans nr. 85). Dit
pand, smal, maar heel diep, bood ruimte om te wonen èn
om er school te houden. In de doctoraal scriptie van
Anneke van der Wurff lezen we op bladzijde 50: “In 1866
springt mevrouw Der Mouw-Zillinger in op de behoefte
aan een school voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
voor meisjes uit de gegoede stand, door in de
Diezerstraat een dergelijke school op te richten. Het
schooltoezicht prijst haar school als voortreffelijk.”
3)
Mevrouw Der Mouw, het schoolhoofd, doceerde ook Frans,
Engels en Hoogduits. Berendina wordt in 1867 genoemd als
hulponderwijzeres, maar in 1868 heeft ook zij de hoofdakte
en in 1869 heeft zij lesbevoegdheid voor nieuwe talen
en handwerken. In 1869 staat ook Andrea als hulponderwijzeres
voor de klas met huisonderwijsakte voor
nieuwe talen. Voor wis- en natuurkunde werden in dit
familiebedrijf ieder cursusjaar een paar onderwijzers
aangetrokken.
65
afb. 2 Diezerstraat 85 te Zwolle, woonhuis familie Der
Mouw (na 1865)
66 :
Om enigszins een indruk te geven van de schoolomvang: de
leerlingen werden door de onderwijsinspectie naar leeftijd
ingedeeld in drie groepen: 6-8 jaar; 9-11 jaar; 12
jaar en ouder; de laatste groep was verreweg het grootst
van het totale aantal dat schommelde tussen de 25 a 28
leerlingen per jaar. Het schoolgeld bedroeg f. 100,- per
jaar per leerling.
Hoewel het onderwijs door de inspectie als uitstekend
werd beoordeeld, lezen wij toch in het jaarverslag van
de gemeente in 1871: “De schoollokalen van Mevrouw Der
Mouw-Zillinger zouden wij wel wat ruimer wenschen, want
met het oog op het getal leerlingen, komt het ons vrij
bekrompen voor.” 4)
Voor mevrouw Der Mouw behoefte dit geen probleem meer te
zijn, want zij werd met ingang van 1 mei 1872 benoemd
tot directrice van de pas opgerichte driejarige H.B.S.
voor meisjes te Deventer.
Jeugdjaren van Johan Andréas
Intussen hebben wij door al die onderwijsactiviteiten de
kleine Johan even uit het oog verloren. Johan was inmiddels
opgegroeid van kleuter tot schooljongen, want juli
1869 was hij zes jaar geworden. Misschien nebben zijn
ouders hem laten inschrijven bij de school van ’t Nut,
waar ook zus Elisabeth in 1866 en 1867 geregistreerd
staat. 5) Het kan ook zijn dat Johan werd opgegeven voor
de Lagere Burgerschool waarvan het nieuwe schoolgebouw
aan het Grote Kerkplein in 1868 was geopend. Exacte gegevens
ontbreken. Hoe het zij, voor beide scholen zou
Johan de lange Diezerstraat helemaal moeten uitlopen en
wellicht lag daar voor de ramen van een “dure speelgoedwinkel”
het konijntje “grijs en wit” dat Johan zo heel
graag wilde hebben. 6)
Juist de eerste tien levensjaren zijn voor een kind heel
belangrijk. Het ontdekt de wereld van de mensen en moet
zich aanpassen aan de wereld van de schoolkinderen. De
manier waarop de volwassenen met elkaar omgaan, hun oprechte
of geveinsde aandacht, hun ernstig of oppervlakkig
luisteren naar de vragen die het kind stelt, hun begrip
voor zijn problemen en belevenissen, dat alles
wordt in het geheugen van het kind vastgelegd en later
kan op soms heel onverwachte ogenblikken door woord, gebaar,
lied, klank of geur het verleden onweerstaanbaar
worden opgeroepen.
Johan Andréas, begaafd, kwetsbaar, met rijke verbeeldingswereld
en scherpe opmerkingsgave, leefde met heel
gevoelige antenne temidden van de hem omringende wereld.
In later werk van Dèr Mouw komt het begrip “herinneren”,
in de letterlijke betekenis van: weer te binnen brengen,
67
afb. 3 Anna Elisabetha der Mouw-Zillinger, moeder van
de dichter
68
herhaaldelijk voor. Hoewel de gedichten zeker niet als
autobiografische notities mogen en kunnen gelezen worden,
want herinneringen schuiven over elkaar heen en
kunnen door wens en fantasie tot de verbeeldingswereld
gaan behoren, zijn er toch verzen die aanduidingen geven
van de situatie zoals die eens beleefd is. Zo blijkt de
herinnering aan het ouderlijk huis, waarvan de moeder
het middelpunt vormde, altijd een gevoel van blijheid en
veiligheid op te roepen, onder andere de regels:
“Zo vind je soms als je oud wordt, plotseling
diep in je ziel een kleine herinnering
van toen je een kind was, alles warmte en zon;” 7)
en ook deze beleving met kinderlijk humoristisch slot:
“En vlak na ’t bidden praatte je niet hard:
’t was of een heel fijn, een heel prachtig ding
rondom het eten over tafel hing;
en dankbaar was ik dan met heel mijn hart,
dat we zo prettig bij elkander zaten;
behalve ’s maandags, als we zuurkool aten.” 8)
Een herinnering aan de huiselijke feestdagen roept dezelfde
sfeer op. In het wijsgerig werk, Het absoluut
idealisme (1905), lezen wij:
“Of je was naar de kerk geweest op oudejaarsavond,de
kerk, vol licht en wit en deining van orgelmuziek,
die
klaterend afdroop langs trillende wanden. En straks
poffertjes! En één diep gevoel van stille veiligheid,
van zalige dankbaarheid. En je ging dien avond naar
bed, vol God en poffertjes.” 9)
Deze passage is te vergelijken met de verzen op bladzijde
403 en 404 van het Volledig dichtwerk.
De muziek is altijd heel belangrijk gebleven in het
leven van Dèr Mouw. Over het orgel vinden we ook nog een
herinnering in een aantekenboekje:
“Soms mocht, (ging) ik zondagsmorgens naar de kerk.
Om ’t orgel, ‘K voel nu nog de huivering, Die langs
de rug me koud en heerlijk ging.” 10)
Deze orgelmuziek zou voortgebracht kunnen zijn door het
beroemde Schnitgerorgel (1719-1721), indrukwekkend door
klank en door het barokke beeldhouwwerk, in de Grote of
St. Michaëlskerk te Zwolle.
69
Een heel belangrijk persoon, naast de werkende moeder,
was voor Johan de grootmoeder. In zijn eerste schooljaar,
zo vol nieuwe indrukken, kon hij bij haar steeds
een luisterend oor vinden. Zij las hem voor uit de kinderbijbel
en stelde hem gerust toen hij wat angstig
keek naar een plaat waarop een pikzwarte neger door een
engel naar de hemel werd gedragen:
“Grootmoeder zei – ‘k hoor nog haar lieve stem – :
Het vel was niets; God zag alleen de harten;” 11)
Hoe diep het vertrouwen in de grootmoeder verankerd was,
blijkt ook uit het sonnet vol wanhoop en vertwijfeling,
waarin hij als getuige voor vroegere zekerheid als bezwerend
de grootmoeder oproept. 12)
Maar de spil waarom alles draaide in deze grote drukke
familie was de moeder. Zij was voor de kleine, lichamelijk
niet sterke, en enigszins bijziende jongen de
steun en toeverlaat. Versregels als : “En dikwijls
schoot de angst door hem heen: eenmaal gaat moeder
dood,/ hoe moet het dan?” 13) spreken zowel over de
veiligheid die hij in haar tegenwoordigheid voelde, als
over de ontreddering die in hem opkwam bij de gedachte j
dat moeder er niet meer zou zijn.
Wij kunnen ons dus voorstellen dat het voor Johan, die
in juli 1870 al het verdriet over het overlijden van de
grootmoeder moest verwerken, een ingrijpende gebeurtenis
was dat de moeder, benoemd tot directrice van de H.B.S.
voor meisjes te Deventer, met haar twee zusters naar
haar nieuwe woonplaats verhuisde om zich een jaar lang
in haar nieuwe baan te kunnen inwerken.
Johan bleef met vader en zusje in Zwolle achter, verlangend
uitkijkend naar de week-einden als moeder weer
thuis zou zijn. De vader ging soms met zijn kleine zoon
wandelen, zoals we in een opgetekende herinnering kunnen
lezen: “Ik zit in ’t dorp voor ’t oue logement, Waar ik
als jongen vaak met Vader zat (Waar ‘k lang geleden) Dan
rustten we daar uit en dronken wat.” 14) Wellicht was
dit de wandeling naar Berkum waar de herberg “de Boerendans”
een bekende aanlegplaats was voor wandelaars;
langs een andere weg, de Boerendanserdijk, kon men dan
naar Zwolle terugkeren.
Eind mei 1873 werd het gezin herenigd in Deventer waar
de moeder naast haar jaarsalaris van f. 2000,- een
ambtswoning kreeg toegewezen waarvan de ommuurde tuin
aan het schoolgebouw grensde.
Tot aller tevredenheid kon de vader aan de andere kant
van het huis een kleine boekhandel met uitleenbibliotheek
beginnen. De twee tantes vertrokken naar elders.
70
Hoewel dus over de jeugd van de dichter geen overvloed
van exacte gegevens bekend is, kan de lezer toch door
aanduidingen in het dichtwerk, niet aan de indruk ontkomen
dat Dèr Mouw een gelukkige jeugd gekend heeft en
dat hiertoe de tien Zwolse jaren een belangrijke bijdrage
hebben geleverd.
Tijdelijke aanstelling in Zwolle
Johan bezocht te Deventer nog twee jaar de lagere
school, één jaar de H.B.S. en zes jaar het gymnasium
(1877-1883). Na zijn eindexamen liet hij zich aan de
Leidse universiteit inschrijven voor de klassieke talen,
uit eigen voorkeur ging hij ook de colleges volgen in
het sanskriet van prof. J.H.C. Kern en die in de wijsbegeerte
van prof. J.P.N. Land. Na het kandidaatsexamen op
12 juni 1885 legde hij op 27 mei 1887 het doctoraal
examen af. Nu stonden hem twee dingen te doen: een baan
zoeken èn promoveren. Een tijdelijke baan vond hij in
zijn oude woonplaats Zwolle.
Aannemelijk is dat de naam Dèr Mouw een goede klank had
bij de Zwolse burgervaderen. In ieder geval kwam de jonge
doctorandus in aanmerking voor het vervullen van de
vacature ontstaan door het voor drie maanden aangevraagde
ziekteverlof door dr. K.B. van Wulfften Palthe. De
tijdelijke aanstelling luidde:
“B. en W. van Zwolle, hebben goedgevonden aan adres
sant het gevraagde verlof in te gaan op 13 Oktober
e.k., te verleenen en gedurende dien tijd aan den
heer J.A. Dermouw, doctorandus in de klassieke let
terkunde te Deventer, op te dragen het waarnemen van
zijn lesuren onder genot van het door hem afgestane
gedeelte zijner jaarwedde, bedragende f. 550.” 15)
Het gymnasium telde in 1887 46 leerlingen. Dèr Mouw
kreeg de opdracht twaalf uur Latijn en acht uur Grieks
te geven.
Latere levensjaren
Na deze korte waarneming werd hij ingaande 1 oktober
1888 aangesteld als leraar in de klassieke talen aan het
Stedelijk Gymnasium te Doetinchem. In datzelfde jaar
werd daar de conrector dr. K.G.Th. Schwartz tot rector
benoemd. Deze zou de grote tegenspeler van Dèr Mouw worden
in de verwikkelingen die in 1904 tot een abrupt einde
leidden. 16)
In deze Doetinchemse jaren promoveerde Dèr Mouw in 1890
bij prof. dr. J. van Leeuwen op de vraagstelling: Quo^
• • • / v | l | i | |
••• ••’.. – 1 1 1 1 1 1
•:• • • • ‘-.:-.y—••’:•:•;•.•’::•’••>•-•’•.•.•
•’• • • . . ” • • ; • ; • • • • ‘ • ; • • ; • • > . • : . • . – . . •
,. • •-::,’.m^’:
• ‘• – y :. ;:’W; : ; : :
• i’Siii
• ‘ ,• ‘ ‘ •’ ? & y . • § ! :
. ..;:,.. :.: :g:g
Illll
• .-..’ : s l l l l
‘: -^«’–.:
– – *
:•:•••’:•<':•:.ïï• -.'.'.:l-X;»:--K:^•:•:•::• -.-<-..-:,- ::•:•-:.-::• . • ••.:•;::&•,•*$:;'}.•[•'•} • . ' ::-'-''-'- •: •. ::;..;':':;:'.;i!i::iii^;?:--::;:i; •' -^ •:•;.;;.•;;.;.•: - l i S ^ . ; i-i; IH^^- •" 8aü ... ''";:x:'[:- •{ :> %
•.:’.-‘v:
i:
:v
L
.!
:n
:
:
!
:
i
:
:’:
n

:
i-.
:
:
:
:
:
:
:
!
r
::::-l
:
:
:
.’: ” ^ > ^4
r
•”•: ‘•• •’• •*•:!: •/^SÉÉï:vy ^ H ^ ^ l l
:•:•.:.•:,..;:• • .• : • ••:v:-™:>”:”.-..’>-i W & g ^ ^ H l
i-ï’.ïïss-S-Ssii:*.’.. JÊÊBB^È
^ fe>
MMtii
^&
UB
m
Ü s l S s i ï •••••..
71
™^9BSSUI8BL W^
mHmi
HHK
Kil
•^«^
1
– — .:*/. • • ‘ ‘ • • & • .
_ : . •>• – . * . >,’% >
i-4v:-‘ ‘XfVX’:e» . ‘/£ ateit :
1/ J* /t U f, 1(4

Sb -fa
£ tUt fciut 4é%,
tt iei 4e*tii*
e* Ut» :
! **> i» feitt* ~
»*/<* , fctet* / afb. 5 Gedicht in handschrift (verkleind). Collectie Ned. Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, 's-Gravenhage. 76 WINDESHEIM, KLOOSTER IN DISCUSSIE. R. VAN BEEK In oktober 1987 verscheen de bundel "Windesheim" ter gelegenheid van het feit dat 600 jaar tevoren de kloosterkerk van het nieuw-gebouwde klooster in Windesheim werd gewijd.1) Zoals te verwachten was, gaat een groot deel van deze bundel, namelijk zes van de tweeëntwintig artikelen, over dit klooster. Twee daarvan handelen over de mogelijke ligging van het kloostercomplex, namelijk 'Een ;klooster gezocht. Een archeologisch onderzoek naar restanten van het moederklooster van de Moderne Devotie te Windesheim' geschreven door R. van Beek en H. Clevis en 'De ligging van het klooster te Windesheim1 geschreven door R.Th.M. van Dijk. In een ander artikel heb ik de oudst bekende gegevens over Windesheim bijeengebracht.2) Het feit dat de beide eerstgenoemde artikelen twee diametraal tegenover elkaar staande meningen weergeven en het feit dat Van Dijk in zijn artikel, op niet altijd even zakelijke wijze, ingaat op de argumenten van de beide andere artikelen, was voor mij aanleiding om nog enkele kanttekeningen te maken. In het artikel over de oudste geschiedenis van Windesheim heb ik aangetoond dat in de middeleeuwen vijf hoeven (d.w.z. boerderijem met hun landerijen enz.) in Windesheim bestaan hebben. Tegelijk is getracht de ligging van de oorspronkelijke boerderijen op de twee rivierduinen in Windesheim zo goed mogelijk aan te geven. Het belangrijkste doel daarbij was om de ligging van de hof van Bertold ten Have op het rivierduin vast te stellen. Op deze hof is immers in 1387 het klooster van de Moderne Devoten gebouwd, zoals blijkt uit een schenkingsakte van 23 november 1386.3) Uit deze akte blijkt dat de hof van Bertold ten Have gelegen was tussen land van Johan Ludikenssoon en land van Johan de Swarte. In het Heberegister (= goederenregister) van de abdij Essen, die ook grond in Windesheim bezat, is opgetekend dat Johan de Swarte de helft van de hoeve Odink in Windesheim van deze abdij in erfpacht had. Uit andere gegevens was al bekend dat de hoeve Odink op het zuidelijkste deel van het langgerekte rivierduin was gelegen. Het land en de boerderij van Johan Ludikenssoon, die toen een deel van de hoeve van Wolbertus van Windesheim in eigendom had, moesten dus aan de noordkant van de hof van Windesheim op het rivierduin gelegen hebben. t • 77 N 1 DE HOEVE ODING 2 DE HOF VAN WINDESHEIM 3 DE HOEVE VAN WOLBERTUS -i 4 DE HOEVE VAN LUBERTUS WAN WINDESHEIM 5 DE HOEVE VAN ENGELBERTUSJ figuur 1: ligging van de hoeven 78 Nadat zo de onderlinge ligging van deze drie hoeven op het rivierduin was vastgesteld, heb ik geprobeerd om de plaats van de bij deze hoeven behorende oorspronkelijke boerderijen op het rivierduin te traceren en om de begrenzing tussen de erven zo goed mogelijk vast te stellen. Alvorens dat te kunnen doen, moest ik iets uitvoeriger ingaan op de agrarische toestand in Salland gedurende de middeleeuwen en op de vraag hoe die situatie is ontstaan. De oudst bekende gegevens over Salland laten een vaste structuur zien. Zo hebben de middeleeuwse boerderijen in Salland een oppervlakte aan grond die gelijk is aan, of afgeleid is van een oppervlakte per hoeve van 16 morgen (= ca. 20 ha.). Alleen in Windesheim is de grootte van de boerderijen tweemaal de oppervlakte van een Sallandse hoeve.4) Een dergelijke structuur moet van bovenaf zijn opgelegd bij het ontstaan van de buurschappen. Zoiets kan alleen in een periode met een sterk centraal gezag, bijvoorbeeld ten tijde van een sterk koningshuis. In Salland komt daarvoor alleen de Karolingische tijd in aanmerking en dat wordt ook door de tot nu toe bekende archeologische gegevens bevestigd. Er zijn maar twee Merovingische vindplaatsen bekend ( Varsen en Wythmen) en een vele malen groter aantal Karolingische vindplaatsen. Na deze uitweiding kom ik terug op de standplaats van de oorspronkelijke boerderijen in Windesheim. Wanneer men let op de tegenover elkaar uitkomende wegen die vanuit het rivierduin naar de es en naar de broeklanden gaan, kan men veilig aannemen dat deze wegen samenhangen met de oorspronkelijke plaats van de boerderijen. Op het kaartje (fig. 1) is de plaats van de oorspronkelijke boerderijen, behorend bij de hoeve Odink en bij de hof van Windesheim aangegeven met een kruisje bij de cijfers 1 en 2. De boerderij van de hoeve van Wolbert van Windesheim is met het cijfer 3 aangegeven; bij die van Lubbertus van Windesheim is een vraagteken geplaatst, omdat er eigenlijk geen ruimte meer was op het langgerekte rivierduin voor een vierde boerderij. Volgens de gegevens van anderen moet deze boerderij in de buurt van het hoefijzervormige rivierduin hebben gelegen. Gezien de strakke agrarische structuur bij de stichting van de buurschap en op grond van gegevens uit andere buurschappen, ga ik ervan uit dat men de beschikbare gronden zo gelijk mogelijk over de vijf boerderijen, die immers even groot waren, zal hebben verdeeld. Daarbij zal ook de hoeveelheid grond rondom het huis een rol hebben gespeeld. Op basis van deze gegevens heb ik de 79 grens tussen de hoeve Odink en de hof van Windesheim op het rivierduin tussen de huidige boerderijen van van den Oort en van Wytenhorst gelegd. De stelling van Van Dijk dat deze grens veel zuidelijker lag, namelijk even ten noorden van het erf met de naam Odinkhof, en gevormd werd door de van oost naar west lopende weg, houd ik voor zeer onwaarschijnlijk. Immers in dat geval zou de hoeveelheid grond op het rivierduin behorend bij de hoeve Odink en bij de hof van Windesheim volstrekt onevenredig zijn geweest. Daarbij komt dat de hoeve Oding al heel vroeg verdeeld is in een half erf en twee kwarterven. Waarschijnlijk zijn op de afgesplitste delen op het rivierduin nieuwe boerderijen gebouwd. In elk geval heeft er enige tijd een spieker van de adelijke familie van Keppel gestaan op de plaats van het latere toponiem "'t oude klooster", dat ook wel Odinkhof wordt genoemd. Zeer waarschijnlijk was dat gebouwd op het kwart-erf van de hoeve Odink dat in handen is geweest van de familie Van Voorst. Ook met de opvatting van Van Dijk over de ligging van de noordgrens van de hof van Bertold ten Have kan ik het niet eens zijn. Hij legt die noordgrens bij de van oost naar west lopende weg vanaf de havezate naar de huidige Zandwetering, dus bij de Dorpsstraat, waarvan hij ten onrechte veronderstelt dat deze vroeger rechtdoor heeft gelopen.5) Tussen deze twee genoemde verbindingswegen zou de hof van Bertold ten Have gelegen hebben en zou het klooster gebouwd zijn. Echter Van Dijk spreekt zichzelf tegen wanneer hij even later schrijft dat het vuurstedenregistcr duidelijke aanwijzingen levert voor de historische samenhang van de beide gebieden aan weerszijden van de Dorpsstraat, en dat de verspreid staande dienstgebouwen en het claustrum samen het totale kloostercomplex vormden dat na de liquidatie aan de Staten van Overijssel toeviel.6) In dat geval moet de hof van Bertold ten Have zich dus ook ten noorden van de Dorpsstraat hebben uitgestrekt. En dat is dan ook de reden dat ik er van uit ben gegaan dat de noordgrens van de hof van Bertold ten Have zich iets ten noorden van het huidige kerkhof heeft bevonden. Op basis van de resultaten van dit historisch onderzoek is in 1986 begonnen met de archeologische opgravingen. Er zijn sleuven gegraven ten noorden van de Dorpsstraat en ook ten zuiden van de Dorpsstraat bij de boerderij van de familie Van den Oort. Alles natuurlijk in overleg met, en voor zover de eigenaar, de heer Van den Oort dat goed vond. Bij geen van deze opgravingen werd het eigenlijke klooster gevonden. Wel werd aardewerk en afval aangetroffen. Hierbij moet nog opgemerkt worden dat in 80 ; sleuf 7 (zie fig. 2) bij de boerderij van Van den Oort aardewerk van ca. 1200 werd gevonden evenals kogelpotfragmenten en 15e eeuws en recenter aardewerk. Dit wijst op bewoning voor de bouw van het klooster en is dus een argument meer om het eigenlijke klooster niet op deze plaats te zoeken. De plaats waar het klooster gebouwd werd, was immers onbewoond. Het onderzoek heeft zich dus geenszins beperkt tot de noordelijke helft van Windesheim zoals Van Dijk ten onrechte stelt 7), maar het heeft zich geconcentreerd op het middengedeelte van het langgerekte rivierduin, waar de hof van Bertold ten Have lag. Het punt waar alles om draait is een zinsnede in de kroniek van Johannes Busch, waarvan de tekst luidt: "...quod situs loei istius omnino bonus et satis aptus videbatur fundusque montis in Windesem in australi eius plaga cum plurimus agris et pratis fructiferis per liberam possessorum suorum resignacionem monasterio iam esset appropriatus".8) De vertaling van Van Dijk van deze passage luidt: "...omdat de ligging van die plaats alleszins goed en voldoende geschikt leek en de grond van de hoogte te Windesheim op de zuidzijde daarvan met zijn talrijke vruchtbare akkers en weiden door de vrijgevigheid van zijn eigenaars reeds ten goede aan het klooster was gekomen".9) Dezelfde tekst heb ik in mijn artikel "Een klooster gezocht" gebruikt en als volgt vertaald: "...omdat de ligging van die plaats in alle opzichten goed en voldoende geschikt leek en er reeds een boerderij (d.w.z. land met alle daarop geplaatste bouwwerken) aan de zuidzijde van een/de berg in Windesem met zeer veel vruchtbare akkers en weiden, vrijwillig afgestaan door de bezitters ervan, eigendom van het klooster was geworden".10) Nu heb ik al eerder gemerkt dat latijnse teksten op verschillende manieren kunnen worden vertaald en daarom laat ik het aan de deskundigen over om uit te maken welke van de twee vertalingen het beste is. Voor mij is echter een vertaling die het heeft over "grond van de hoogte te Windesheim op de zuidzijde daarvan met zijn talrijke vruchtbare akkers en weiden" niet in overeenstemming te brengen met de situatie op het rivierduin. De tekst "een boerderij aan de zuidzijde van een/de berg in Windesheim met zeer veel vruchtbare akkers en weilanden" is daarentegen wel in overeenstemming met de hierboven geschetste agrarische structuur in de middeleeuwen. Tot de boerderij op de hof van Bertold ten Have behoorden vruchtbare akkers op de es en weidegronden voor het vee in de lager gelegen gedeelten van Windesheim. De tofiguur 2. De ligging van de opgravingsputten (P. Boer) 82 tale oppervlakte van de hof van Windesheim was bijna 40 ha. Van deze oppervlakte lag maar een klein gedeelte op het rivierduin. Van dit laatste gedeelte was kennelijk de hoogte (de berg) ten noorden van de Dorpsstraat (vaar het klooster zou worden gesticht) onbebouwd en werd alleen het deel ten zuiden van de Dorpsstraat in beslag genomen door de boerderij en eventuele andere bouwwerken, het zogenaamde agrarische gedeelte. Dit agrarische gedeelte, dus de boerderij met schuren en alles wat daar zo bij hoort, zal men aanvankelijk in takt hebben gelaten. Het is immers niet aannemelijk dat de kloosterbroeders de boerderij zouden hebben afgebroken om juist op die plaats hun klooster te bouwen, terwijl ten noorden van de Dorpsstraat een onbebouwde hoogte lag die volgens de broeders uitnemend geschikt was voor de bouw van het klooster. Wel is de boerderij later vergroot en iets meer naar het zuiden toe verplaatst. Het grote probleem blijkt dus de zinsnede "de zuidzijde van de hoogte van Windesheim". Hierbij gaat het mijns inziens natuurlijk om de zuidzijde van de hoogte van Windesheim voor zover die op de hof van Bertold ten Have betrekking had; niet om de zuidzijde van het langgerekte rivierduin. In het zuiden van dat rivierduin lag immers de hoeve Odink. De belangrijkste vraag in deze hele kwestie is de vraag naar de preciese ligging van de hof van Bertold ten Have en hoe die hof op het rivierduin naar het noorden en het zuiden toe was begrensd. Het belangrijkste doel van mijn historisch onderzoek naar de oudste geschiedenis van Windesheim was nu juist een antwoord te vinden op die vraag om zodoende op basis van degelijke historische gegevens de plaats te kunnen bepalen om archeologisch onderzoek te verrichten. Het feit dat er geen fundamenten van het klooster zijn gevonden betekent geenszins dat op de verkeerde plaats is gezocht. De conclusie dat het klooster grondig is afgebroken is vrij logisch en wordt bovendien bevestigd door berichten over de afbraakactiviteiten in de periode 1594-1598. In 1596 werden drie dagen lang stenen op wagens geladen; in 1597 ging het vervoer van duizenden stenen vanuit Windesheim voort, terwijl in april 1598 de laatste zes schepen volgeladen met puin uit Windesheim naar Zwolle voeren.11) 83 Noten, 1. Berkenvelder, F.C., H. Bloemhoff, R.Th.M. van Dijk e.a.(red.), Windésheim. Studies over een Sallands dorp bij de IJssel, Kampen 1987. 2. Beek, R. van en H. Clevis, 'Een klooster gezocht. Een archeologisch onderzoek naar de restanten van het moederklooster van de Moderne Devotie te Windésheim1 (p.77-91) ; Dijk, R.Th.M. van, 'De ligging van het klooster te Windésheim' (p.93-128) en Beek, R. van, 'Tussen keizer en klooster. Een stukje oudste geschiedenis van Windésheim1 (p.17-24) in bovengenoemde bundel. 3. Berkenvelder, F.C., Zwolse regesten deel I, Zwolle 1980, nr.265. 4. In dit artikel 'Tussen keizer en klooster' van de bovengenoemde bundel is overigens ten onrechte opgegeven dat Lubbertus de Wyndesim 1 hovas 4 lib. bezat. Dit moet zijn 2 hovas 4 lib. 5. Windésheim, 98. 6. Windésheim, 117. 7. Windésheim, 96. 8. Grube, K. (red.), Das Augustinerpropstes Iohannes Busch Chronicon Windeshemense und Liber de reformatione monasteriorum, Halle 1886, 268. 9. Windésheim, 96. 10.Windésheim, 81. Vertaling van H.J. Bruins. 11.Windésheim, 113. 84 DE ABTSBEKER LYDIE VAN DIJK Een van de topstukken in de collectie van het Provinciaal Overijssels Museum is een verguld zilveren beker, de zogenaamde dubbele abtsbeker. Deze beker is het eigendom van de gemeente Zwolle en bevindt zich sinds 1884 in het museum. Herkomst De stad kreeg de beker in 1508 in haar bezit als legaat van Wilhelm van Hecke, abt van het Mariaklooster en de Petrus en Pauluskerk in Luxemburg en proost van de Pauluskerk in Utrecht. Van Hecke was tevens raadsman van de Duitse keizer Maximiliaan van Habsburg (1493-1519). In 1486 had Wilhelm van Hecke met de stad Zwolle onderhandeld over het recht gouden en zilveren munten te mo- ! gen slaan als privilege van de voorganger van Maximiliaan, keizer Frederik III. Volgens overlevering schonk Maximiliaan de dubbelbeker aan zijn raadsman. Waarom Maximiliaan de beker aan Van Hecke schonk en deze hem op zijn beurt aan de stad Zwolle legateerde, is niet bekend. Vorm Dat de beker van Maximiliaan afkomstig moet zijn, wordt duidelijk wanneer we hem nauwkeurig bekijken. Hij is van verguld zilver gemaakt en bestaat uit twee bijna gelijke delen die ieder 20 cm. hoog zijn. De totale hoogte van de beker is 38 cm. De beide delen worden op elkaar gezet door de gedecoreerde mondrand over de iets kleinere ongedecoreerde mondrand heen te zetten. De achtlobbige voet heeft een band met een rechte verticale versiering om acht halfbolvormige verhogingen. Hiertussen begint de aanzet van de getordeerde stam, waaroverheen vanaf de onderzijde van de kelk een krans van bladranken valt. De kelk is versierd met vier rijen knorren (blaasvormig siermotief), die twee aan twee met elkaar zijn verbonden. Net als de stam draait deze versiering naar links. Onder de voet van de bekers zijn geëmailleerde wapens aangebracht in een rond medaillon. Het ene wapen is van Maximiliaan, een zwarte eenkoppige adelaar onder een keizerskroon, het andere van Bianca Maria Sforza, een draak en een adelaar in een door midden ge85 afb. 1. Dubbele abtsbeker uit de collectie van het Provinciaal Overijssels Museum (foto P. Gerritse Zwolle) 86 deelde ruit onder een kroon. Maximiliaan trouwde in 1494 met Bianca Maria Sforza. Dit huwelijk was politiek gezien van grote betekenis. Maximiliaan wilde hertog Ludovico Sforza, il Moro genaamd, gunstig stemmen en hoopte dat de hertog deel zou nemen aan een geplande veldtocht tegen de Turken, die toen Karinthië en Stiermarken verwoestten. De dubbelbeker moet dus gemaakt zijn tussen 1494, het huwelijk van Maximiliaan met Bianca Maria Sforza, en 1508, de schenking aan de stad Zwolle. Versiering Op de opstaande rand van één kelk is een gegraveerde versiering aangebracht. Tussen gotische ranken met bladeren en bloemen zijn een aantal scènes afgebeeld die zich op een stukje gras afspelen: een hond, die een hert bijt, een hond achter een haas rennend, een vogel die een slang bijt, en een hert, waarop een schutter tussen ranken zijn boog gericht houdt. Bovendien zijn tussen de bladranken nog een vogel en een eekhoorn gegraveerd. Deze voorstellingen hebben een symbolische betekenis. Zowel in de profane als in de christelijke iconografie komen ze voor. Zo kan de hond achter de haas uitgelegd worden als de trouw, die de onkuisheid verjaagt. De vogel, misschien een adelaar, die een slang bijt, symboliseert de zege van Christus over de dood. De hertejacht stelt de vervolging van Christus door de onwetende voor. Het symbolische karakter van de dubbelbeker is niet beperkt tot de gegraveerde voorstelling op de rand van de kelk. De bladranken onder de kelk zijn bij de aanzet in elkaar verstrengeld, hetgeen als liefdessymbool opgevat kan worden. De vorm van de bekers doet denken aan een bloeiende akelei. De akelei was het symbool van Christus. Ook bij de geestelijke en wereldlijke minnedrank genoot de akeleibeker veel waardering. Tot in de tweede helft van de 16e eeuw wordt de akeleivormige dubbelbeker als bruidsgift gegeven. De bekers zijn niet compleet. Aan de uiteinden van de bladranken onder de kelk ontbreekt de cirkelvormige versteviging zoals deze bij andere bekers voorkomt. Op de zwikken tussen de kronen, die grenzen aan de mondrand, zijn resten te zien van versieringen die hier waren aangebracht. Hoogst waarschijnlijk waren deze verafb. 2. Voet van de abtsbeker. 88 sieringen verschillend van vorm, want ernaast zijn verschillende romeinse cijfers ingeslagen, op de ene beker I tot en met VIII, op de andere I tot en met VII en X. Dit zou erop kunnen wijzen dat elke beker zeven versieringen had die ook op de andere voorkwam en dat elk één andere versiering had. Oorsprong Bekers met dergelijke bolle versieringen werden in Zuid- Duitsland, in Neurenberg en omgeving, gemaakt. Van omstreeks 1470 tot 1530 werd deze stijl in allerlei variaties toegepast. Ook een kunstenaar als Albrecht DÜrer heeft rond 1507 ontwerpen gemaakt voor zulke bekers. De rijkdom van de adel en de burgers in het Duitse Rijk zorgde voor een steeds groter wordende vraag naar zilveren voorwerpen en als gevolg daarvan groeide de p r o - ductie snel en werd de stijl van deze zilveren bekers verspreid over alle centra van goud- en zilversmeden. Neurenberg was op grond van zijn politieke en economische betekenis het belangrijkste centrum. Vergelijkbare objecten Er zijn twee typen akeleivormige dubbelbekers te onderscheiden. Een type met een draaiing in de bolvormige versiering en een type waar de bolvormige uitstulpingen verticaal boven elkaar zijn aangebracht. De dubbelbeker in 't POM behoort tot het eerste type. Vergelijkbare bekers bevinden zich in de schatkamer van het Kremlin in Moskou, in het Badisches Landesmuseum in Karlsruhe, in het Germanisches National Museum in Neurenberg en in de Wernher collectie in Luton Hoo. In Hall in Tirol bevond zich één van de twee bekers van een dubbelbeker. Deze is echter rond 1890 verkocht en de huidige verblijfplaats is onbekend. Literatuur: B. Dubbe, Monumenten in zilver, Zwolle 1976 H. Kohlhausen, NÜrnberger Goldschmiedekunst des Mittelalters und der DÜrerzeit 1250 bis 1540, Berlijn 1986 C. Hernmarck, The Art of the European Silversmith 1430- 1830, Amsterdam 1977 Kunst der Reformationszeit, catalogus Staatsliche Museen zu Berlin, DDR, 1983 89 EEN ZWOLS BESNIJDENISREGISTER JAAP HAGEDOORN Inleiding Onlangs kocht de Nederlands-Israelietische Gemeente Zwolle een benijdenisregister aan van een particulier. Dit was voor deze gemeente een bijzondere aangelegenheid. Allereerst omdat tijdens de tweede wereldoorlog het meeste archiefmateriaal van de Gemeente verloren is gegaan. 1) Daarnaast zijn besnijdenisregisters voor vele joodse mannen van belang. In deze registers kan namelijk het bewijs gevonden worden, dat deze mannen volgens de joodse riten opgenomen zijn in de joodse religieuze gemeenschap. In dit artikel zal de besnijdenis met haar religieuze achtergronden beschreven worden, waarna de geschiedenis van de Zwolse mohel (= besnijder) en het register aan de orde komen. 'De bsnijdenis of Berieth Hamilah i 1 De besnijdenis van joodse jongetjes betekent voor hen de jopname in het verbond dat God met Abrahan sloot. Wie uit 'een joodse moeder wordt geboren is joods, maar van de joodse mannen behoren alleen de besnedenen tot de religieuze gemeenschap. Of, zoals het staat in Genesis 17:10: "Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde." Het thora-woord volgend, worden daarom joodse jongetjes op de achtste dag na hun geboorte besneden. Dit betekent dat het losse gedeelte van de penishuid, dat over de eikel ligt, afgesneden wordt. Tevens krijgt het jongetje bij die gelegenheid zijn joodse naam. Daarmee zal hij later in de synagoge worden opgeroepen om uit de thora voor te lezen. Deze naam bestaat uit de eigennaam en de toevoeging: zoon van (naam van de vader). De besnijdenis en de naamgeving worden verricht door de mohel of besnijder. De bijbehorende handelingen staan onder andere beschreven in de Handleiding tot de kennis der voorschriften omtrent de Besnijdenis (Amsterdam 1887) van N.N. Goudsmit, die in het Zwolse register is ingebonden. De meeste regels daaruit gelden nu nog. Ze zullen hier kort worden weergegeven. 90 Nadat de mohel geconstateerd heeft dat het jongetje gezond genoeg is om de operatie te ondergaan, bereidt hij zich, meestal ten huize van de ouders, voor op de besnijdenis. Zijn instrumenten, bestaande uit een mesje, een tang, een stilet en een schaartje, worden ontsmet en afgedroogd. Schone luiers en verband worden klaargelegd. In de kamer waar de besnijdenis zal plaatsvinden, worden bij het raam twee stoelen klaargezet. De rechter is voor de profeet Elia, om hem getuige te laten zijn van de gebeurtenis. Op de linkerstoel zit de sandèk of gevatter, de man die het kind tijdens de besnijdenis vasthoudt. Het kind wordt nu binnen gebracht. Tijdens de verschillende rituele handelingen die hierop volgen, worden gebeden uitgesproken. Nadat de mohel zijn handen heeft gewassen, trekt hij de voorhuid van het jongetje iets naar voren. De zogenaamde tang wordt over de huid geschoven en beschermt zo gelijk de eikel. Hierna wordt de huid voor dit klemmetje met het mesje afgesneden. Het onderliggende vlies wordt daarop opengeknipt, omgeslagen, en achter de rand van de eikel gelegd. Het ontstane: wondje wordt uitgezogen, zodat de bloeding stelpt. Daarna wordt het wondje verbonden. Bij een beker wijn worden; de slotlofzeggingen uitgesproken en hierna krijgt het! jongetje zijn joodse naam. Nadat het een drupje wijni heeft gekregen, wordt het kind nog gezegend, waarmee dei plechtigheid is beëindigd. 2) i De besnijder De besnijder moet een joodse man zijn, die de religieuze voorschriften kent en voldoende theoretische en praktische kennis bezit om de besnijdenis te kunnen verrichten. In vooroorlogs joods Nederland bestond er zelfs een Commissie voor de mohelim. Kandidaten voor de als ereambt geldende functie moesten voor deze commissie een'. examen afleggen voor zij zich mohel mochten noemen. Aangezien het werk als een eer geldt, mag de mohel er zich niet voor laten betalen. Hij mag alleen zijn onkosten vergoed krijgen. Hij is overigens wel verplicht een register bij te houden van alle besnijdenissen die hij verricht. Het Zwolse register was van de godsdienstonderwijzer Rubertus van Zuiden. Hij was te Hoogeveen geboren op 12 juni 1871 en vestigde zich te Zwolle op 14 september 1895, komende van Hengelo. Van Zuiden had toen al de bevoegdheid om godsdienstonderwijs te geven. Hij zal dus kort voor 14 september 1895 door de joodse gemeente van Zwolle tot godsdienstonderwijzer zijn benoemd. Tot zijn huwelijk woonde Van Zuiden in bij het gezin van de winkelbediende Abraham Gazan. Dit gezin woonde tussen 1892 91 en 1897 in ieder geval aan de Nieuwe Markt en in de Diezerstraat. De jongste zoon uit dit gezin, Philip, werd op 1 oktober 1897 door Van Zuiden besneden. Zijn bevoegdheid om besnijdenissen te mogen verrichten had Van Zuiden kennelijk in mei 1896 verkregen. Op het voorplat van zijn register staat namelijk ingestanst: R. van Zuiden MOHEL SIWAN 5656 MEI 1896 Op 18 augustus 1897 huwde Rubertus van Zuiden in zijn geboorteplaats Hoogeveen met Heintje Lea de Jongh, die op 20 april 1872 te Denekamp was geboren. Uit dit huwelijk werden te Zwolle vijf kinderen geboren: Bertha Henriëtte (21 maart 1899 - 21 augustus 1899), Betsie (23 september 1900), Bertha Henriëtte (8 maart 1902), Menno Jacob (23 november 1905) en Clara (26 november 1911). Het gezin woonde onder andere in de Bitterstraat, de Korte Kamperstraat en vanaf 1918 in het huis Nieuwstraat 69. 3) Gezien het besnijdenisregister heeft Van Zuiden tot juni 1937 besnijdenissen verricht. Of hij toen ook nog godsdienstonderwijzer was is niet bekend, maar niet onwaarschijnlijk. De beide oudste dochters hadden inmiddels het gezin verlaten. Van Zuiden woonde met zijn vrouw, zoon en jongste dochter in het huis aan de Nieuwstraat. Op 29 oktober 1941 overleed Heintje Lea de Jongh en twee dagen later werd zij op de joodse begraafplaats aan de Kuyerhuislaan begraven. 4) Anderhalve maand later, op 9 decmeber 1941, vertrok Rubertus van Zuiden naar Almelo, waarheen zijn dochter Betsie al in 1925 was verhuisd. 5) Inmiddels was Nederland al betrokken geraakt bij de tweede wereldoorlog na de Duitse inval op 10 mei 1940. Het joodse bevolkingsdeel werd na die datum langzaam maar zeker gestigmatiseerd, gediscrimineerd en geïsoleerd. Voor ruim 100.000 joodse Nederlanders zou hierop de dood in een concentratie- of vernietigingskamp volgen; ook voor Menno van Zuiden. Hij werd in augustus 1942 met enkele vrienden gearresteerd tijdens hun vaste kaartavond. Door deze bijeenkomst overtraden zij het gebod, dat joden om 20.00 uur thuis moesten zijn. 6) Menno werd met zijn vrienden doorgezonden naar Mauthausen, waar hij op 9 november 1942 omkwam. 92 Onder welke omstandigheden Rubertus van Zuiden omkwam, is niet geheel duidelijk. Hij overleed namelijk te Deventer op 13 mei 1944 en werd daar ook begraven. 7) Mogelijk was hij in die plaats ondergedoken, want op die datum waren de meeste joodse Nederlanders al gedeporteerd; mogelijk lag hij te Deventer in een ziekenhuis of inrichting. Zijn overlijden werd namelijk aangegeven door een hoofdverpleger. Zijn stoffelijke resten werden op 30 mei 1946 op de joodse begraafplaats in Zwolle herbegraven. 8) Wellicht heeft Van Zuiden zijn besnijdenisregister meegenomen van Almelo naar Deventer. Het werd in de zomer van 1987 in de buurt van de laatste plaats te koop aangeboden, tegelijk met een partij munten. De koper, de heer A. Goed, weet zich alleen nog te herinneren, dat de verkoper op een camping in de omgeving van Deventer woonde. 9) Waar het register voor die tijd berustte, is dus niet meer te achterhalen. De heer Goed verkocht het register op zijn beurt aan de Nederlands- Israëlietische Gemeente Zwolle. Het register. 10) In het Zwolse register zijn 580 besnijdenissen opgetekend tussen 26 mei 1896 en 20 juni 1937. In hebreeuws schrift staan vermeld de datum naar de Joodse tijdrekening (en soms de plaats) van de besnijdenis en de joodse naam van het kind. In het Nederlands zijn de Nederlandse namen van het kind en zijn vader genoteerd, evenals de plaats en de datum van de besnijdenis (ook die volgens de joodse tijdrekening) en soms de geboortedatum. In veel gevallen is geen plaatsnaam vermeld. Dit betekent dat de besnijdenis in Zwolle plaatsvond. plaats/streek Zwolle Overijssel Drente Gelderland elders totaal aantal 233 217 104 17 9 580 % 40 37 18 32 100 Besnijdenissen naar plaats of streek: absoluut en procentueel 93 Bijna de helft van de vermelde besnijdenissen vond te Zwolle plaats. De besnijdenissen elders in de provincie werden op een tiental na in Salland en de Noordwesthoek verricht, met als uitschieters Steenwijk (39) en Deventer (48). Van de Drentse besnijdenissen geschiedden er bijna 80% in het nabij Zwolle gelegen Meppel (51) en in Van Zuidens geboorteplaats Hoogeveen (29). De besnijdenissen in Gelderland werden bijna allemaal verricht in aan Overijssel grenzende streken als het noorden van de Veluwe en de Achterhoek. De overige vonden plaats in Harlingen (3), Heerenveen (2), Amsterdam (3) en Amersfoort (1). Ten aanzien van het jaarlijkse aantal besnijdenissen kan nog gezegd worden, dat deze tussen 1915 en 1923 het hoogst was: gemiddeld ruim 19, tegen een gemiddelde van bijna 14 over de gehele periode. In hoeverre hier verband bestaat met de ontwikkelingen in het geboortecijfer zou nader onderzocht moeten worden. Soms zijn de inschrijvingen wat uitgebreider dan de hierboven genoemde gegevens. Zo schreef Van Zuiden op 1 december 1905: "Mijn zoon Menno Jacob. Besneden door zijn vader op Vrijdag 3 Kislew 5666". In het hebreeuws is daaraan toegevoegd een parafrase op het laatste deel van de slotlofzegging van de besnijdenisceremonie: "Dat hij moge opgroeien tot beoefening van de leer, tot het huwelijk en tot goede daden, Amen!" Geheel volgens de joodse religieuze wetten zijn de weinige vermeldingen van zonen van een joodse moeder en een niet-joodse vader. Van Zuiden noteerde dit dan expliciet in hebreeuws en/of Nederlands. Kinderen uit een dergelijke verbintenis zijn joods, omdat volgens de religieuze wetten alleen van belang is tot welk volk de moeder behoort. Wanneer de vader niet joods is, wordt zijn naam ook niet opgenomen in de joodse naam van zijn zoon. Aan de eigen naam van het kind wordt dan toegevoegd: "zoon van Abraham, onze vader (ben Avraham abinoe)". Ook de namen van de jongens die uit een buitenechtelijke relatie worden geboren, krijgen deze toevoeging. In het hebreeuws vermeldde Van Zuiden dan overigens, dat het om een 'bastaard' ging. Vermeldenswaard zijn tenslotte nog de besnijdenissen van Henri de Metz en Meijer Polak. De eerste werd op 8 oktober 1918 in het kamp voor Belgische vluchtelingen te Nunspeet door Van Zuiden besneden. De ouders van de op 5 augustus 1925 besneden Meijer Polak, Hartog Polak en Elisabeth de Lieme, woonden in New York, maar verbleven tijdelijk te Hattem. 94 Noten; 1. Jaap Hagedoorn, recensie van Ludy Giebels, Inventaris van de archieven van Jacob Frankel, Opperrabijn van Zwolle en de joodse gemeenschap van Oldenzaal, in: Zwols Historisch Tijdschrift 3 (1986) 97-100. 2. Zie ook S.Ph. de Vries Mzn., Joodse riten en symbolen (Amsterdam 1986, 6e druk) 179-197. 3. Gegevens uit: Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle, Bevolkingsregister 1860-1940. 4. Nederlands-Israelietische Gemeente Zwolle, begraafregister . 5. Vriendelijke mededeling van de heer J. de Jong, werkzaam b.ii dn afdelinq Burqoliiko stand, bevolkinq, iiiiliLaliu zaken en verkiezingen van de gemeentesecretarie. 6. Iet Vierstraete-Erdtsieck, De Jodenvervolging in Zwolle. Geschiedenis van de Joden te Zwolle tussen 1933 en 1946 (eigen uitgave; Wezep 1985) 22 en 26. 7. Vriendelijke mededeling van de afdeling bevolking van de gemeentesecretarie Deventer. 8. zie noot 4. 9. Mededeling van de heer A. Goed te Amsterdam. 10.Het originele register berust bij de Nederlands-Israelietische Gemeente Zwolle. Kopieën zijn ter inzage bij de Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle en het Rijksarchief in Overijssel. 95 REACTIES EN WEERWOORD NAAR AANLEIDING VAN D. WEMES, "DE DRIE RIVIEROVERGANGEN OVER DE VECHT BIJ ZWOLLE" (zie Zwols Historisch Tijdschrift 1988, nrs. 1 en 2). In verband met de beschikbare ruimte geven we de kern weer van twee reacties die de heer Wemes heeft ontvangen en van zijn antwoord. Ir. J.P. van den Berg te Zwolle merkt in zijn reactie op dat Wemes ten onrechte stelt dat de huidige A28 het tracé volgt van de vroegere Meppelerweg en dat de trambaan heeft gelegen waar nu de weg voor lokaal verkeer ligt. Een artikel in de Zwolsche Courant van 9 juni 1962 meldt dat het weglichaam voor "de weg van de toekomst" naast de bestaande Rijksweg "in het land wordt opgeworpen". Van den Berg schrijft: "De fietsers rijden dus over de voormalige trambaan en het lokale verkeer volgt de aloude Meppelerweg. Dat laatste geldt tot de Vechtdijk. De Rijksweg volgde die dijk en de in de 60-er jaren afgebroken Berkumerbrug. Ook de trambaan ging daarlangs. Beide lagen vervolgens binnen de laanbeplanting voorlangs Huize Dijkzicht en passeerden vervolgens de schutsluis in het Lichtmiskanaal." De heer Wilhelm J. Fleitmann te Warendorf (Duitsland) gaat in op de theorie van Wemes over het toponiem 'brugge'. Hij schrijft: "Dass in 1450 die hölzerne 'Berkumerbrug1 gebaut wurde, liegt vielleicht auch darin begründet, dass gegenüber den im Mittelalter vielfach verwendeten leichteren zweiradrigen Karren Ende des Mittelalter s die schweren 'Blockwagen' aufkamen, bei denen man für das Passieren von Flüssen eine Brücke wie die 'Berkumerbrug' benötigte. Zum Beispiel bittct im Jahrc 1595 die Stadt Dorsten, die an einer schon früh vorhandenen Fernstrasse von Holland nach Deutschland lag, urn 'Approbation' des Brückengeldes (über den Fluss Lippe) von 1 Schilling für jeden schwer beladenen Blockwagen. Ich habe dies im meinem Tëxt "Eine alte Extrapost- und Fernstrasse durch das Vest Recklinghausen" angeführt, veröffentlicht in Postgeschichtsblatter Munster, Neue Folge nr. 24 (1984)". Op het door Fleitmann gesuggereerde verband tussen de bouw van de Berkumerbrug en de hessewagens komt de heer Wemes graag in een apart artikel terug. Uitvoeriger gaat hij in op de kritiek van ir. D.M. van der Schrier in ZHT 1988, nr.2, p.53-54. Hij schrijft het volgende: 96 In mijn antwoord wil ik'benadrukken dat op grond van de technische analyse van een bruggè vast staat dat dezein feite niets anders dan een houten wegdek-, ongeschikt is om door een-rivier gelegd te worden. In deze opvatting voel ik me gesterkt door de kennis en ervaring welke de heer H.C. Tesink, kolonel der genie b.d. bezit van de diverse soorten paalwegen die het Nederlandse leger voor 1940 gebruikte. Het waren wegen gemaakt van eigentijds materiaal zoals spoorwegdwarsliggers en baddings (soort balk - red.), maar men kende ook knuppel- en fascinewegen, bestaande uit takkebossen. Ze werden gebruikt in de uiterwaarden voor aansluitingen op pontonbruggen, hadden radkeerders om de wagens op de weg te houden en waren voorzien van bermsloten! Maar hoe geavanceerd ze ook waren, ze bleven bij hoogwater en ijsgang erg kwetsbaar en worden nu niet meer gebruikt. Nu zijn het de bekende stalen rijplaten die èn niet kunnen wegdrijven èn met pennen aan de bodem geprikt worden en daarom eenvoudiger en sneller te leggen zijn. Ik denk dat men in de middeleeuwen ook geen combinatie van 'brugge-boot-brugge' gebruikt zal hebben, omdat twee insteekhaventjes makkelijker waren aan te leggen en te onderhouden dan de kwetsbare bruggen. Het is bekend dat bij Zwolle ook een brugge gelegen heeft in het tracé van de Diezerstraat. Oudtijds passeerde men hier.een loopveld, dat wil zeggen dat het overstromingswater hier in een dunne laag van misschien één decimeter over het land vloeide; er kwam water langs vloeien, maar niet in de vorm van een rivier! Zo blijft voor de afvoer van continu stromend Vechtwater in de twaalfde eeuw eigenlijk alleen maar de Westerveldse A over. Voor het eind van de veertiende eeuw moet er echter een afvoerverlegging geweest zijn naar de situatie zoals die nu bestaat tussen Berkum en Genne. Iets van zo'n overgang vinden we ook terug in de Zwolse Regesten (Z.R.). Uit Z.R. 390 en 855 kan men afleiden dat er ooit een voorde door de Westerveldse A gelopen heeft, waarover men gelopen en gereden heeft met karren en paarden. Maar in 1394 treft men er veerschepen aan en in 1410 wordt het Westerveldersyl onderhouden, wat alleen zinvol kan zijn als er dijken liggen. In 1396 is er sprake van een weiland tegenover Haarst aan de Zwolse kant van de dan voor het eerst genoemde Vecht en in 1404 blijken de Zwollenaren er met hun koopwaar langs te varen (Z.R. 685). Kennelijk ligt er dan al een veerstal en deze wordt in 1450 vervangen door een echte houten brug. 97 In onze tijd herkent men de Vecht aan de brugleuningen langs de weg en is de A te vergelijken met een sloot. Wat de naam Vecht betreft: deze kan verleend zijn aan een stroompje dat de allures van een rivier kreeg door ' s zomers meer water af te gaan voeren en ' s winters ongekende overstromingen te veroorzaken. Dit als gevolgen van ontbossingen in zijn stroomgebied. De mens was genoodzaakt langs de benedenloop in te grijpen, waardoor weer waternamen gewijzigd werden of mogelijk zelfs verdwenen. De overgang van de A en de Vecht naar het Zwartewater is typisch kunstmatig: de waterloop maakt een vreemde knik en de naam Vecht is verdwenen. Discussie gesloten door de redactie. VERSCHENEN BOEKEN EN INFORMATIEBLADEN J. ten Bokum, Muziek in de IJsselsteden. Utrecht/Antwerpen, Bohn, Scheltema & Holkema 1988. ISBN 90 3130 841 2. 145 p. f. 49,50. Beschrijving van het muziekleven in Deventer, Zutphen, Zwolle en Kampen in de 19e en het begin van de 20ste eeuw met bijzondere aandacht voor de familie Brandts Buys. A.J. Borgman, Toen ik nog een jongen was. Tweede deel. Zwolle april 1988. Uitgegeven in eigen beheer, f. 7,50. Verkrijgbaar bij de boekhandels Jakma en Waanders. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os, predikant te Zwolle, 1748-1755. Kampen, IJsselakademie 1988. ISBN 90 6697 037 5. 254 p. f. 19,95 (donateursprijs f. 16,95). Dissertatie Theologische Universiteit Kampen. J. Hagedoorn, Met het oog op gisteren. 25 jaar monumentenzorg in Zwolle. Waanders 1988. ISBN 90 6630 145 7. 80 p. f. 5,95. 'Munten' in: Archeologisch Onderzoek Broerenkerk. Editie 4. Kampen 1988. Een uitgave van de Stichting Archeologie IJssel/Vechtstreek. 'Paleopathologie' in: Archeologisch Onderzoek Broerenkerk. Editie 5. Kampen 1988. Een uitgave van de Stichting Archeologie IJssel/Vechtstreek. 98 Wat zijn monumenten? Informatieblad van de Dienst Openbare Werken, afd. Bestuurszaken. Zwolle 1988. 'Windesheim: op zoek naar een klooster' in: Informatieblad Monumentenzorg en Archeologie in Zwolle. Zwolle juli 1988. Een uitgave van de Dienst Openbare Werken, afd. Bouwkunde/Monumentenzorg. P. Witteveen (red.), Het vermogen tot ... 40 jaar Centrale Bibliotheekdienst voor West-Overijssel. Zwolle, C.B.D. 1988. 144 p. Verkrijgbaar bij de C.B.D., Boerendanserdijk 40, Zwolle P. Ratsma en C C S . Wilmer (red.), Handleiding voor het beheer van een topografisch-historische atlas (Uitgeverij Verloren te Hilversum). 215 blz. ISBN 90-71251-08-X. Prijs ƒ 35,-. Een topografisch-historische atlas was in de 18e eeuw een verzameling prenten, tekeningen en kaarten die de eigenaar af en toe aan geïnteresseerden liet zien. Een moderne atlas omvat veel meer soorten afbeeldingen, zoals affiches, foto's, prentbriefkaarten, technische tekeningen, dia's en zelfs (video)films. De materiële verzorging, de beschrijving en ordening, alsmede het gebruik in het historisch onderzoek van materiaal uit een j topografisch-historische atlas vereist specialistische kennis. Dit geldt zowel voor de professionele beheerder van een prentenkabinet, museum of archief als voor de particuliere verzamelaar of onderzoeker. Deze Handleiding, geschreven door conservatoren van een drietal grote atlassen in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, vormt een prak-j tische, zeer rijk geïllustreerde gids waarin alle aspecten van beheer en raadpleging aan de orde komen. P. Ratsma bespreekt de bestanddelen van een atlas. Alle afbeeldingen die laten zien hoe de regio waarop de atlas betrekking heeft, er uitzag of nog steeds ziet en hoe de mensen daarin leefden en leven, komen voor opname in de verzameling in aanmerking. De afbeeldingen kunnen op verschillende materialen (papier, glas, metaal, perkament, celluloid enz.) en met behulp van verschillende technieken tot stand zijn gekomen. A.W. Gerlagh gaat uitvoerig in op tekentechnieken met vaste tekenmaterialen (metaalstift, grafiet, krijt, houtskool) of met vloeibare materialen (inkt, verf etc); op prenttechnieken als hoogdruk, diepdruk en vlakdruk; op fototechnieken, zowel positief als negatief en tenslotte op de diverse reproductietechnieken. 99 P. Vlasveld

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1987, Aflevering 3

Door 1987, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Gemeente
Zwolle
Coordmalen
202 88 i 502.Öl PARVA ad ‘Obiect nr > Volg m
Isl Periode
/S eeuw
Noordpiil
Welensch Lerd
ff P S/e^-linde. Rijksdienst voor het Oudheidkundig BodemondAoek Amersfoort
1
• •
a
a
i Bn i’DB
B’fflB

I
I
Het eerste huis van de Moderne Devoten in Zwolle.
2/
DOMUS PARVA
J. Kam
ZWOLLE
038-42143 14

DOMUS
PARVA
Het eerste huis
van de Moderne Devoten
te Zwolle
Onder redactie van
J. Hagedoorn
I. Wormgoor
Zwolle 1987
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG
Domus
Domus Parva: het eerste huis van de Moderne Devoten te Zwolle/ onder red. van J. Hagedoorn
en I. Wormgoor. –
Zwolle: Zwolse Historische Vereniging. -111.
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-07-5
SISO 245.4 UDC 271(492*8000)(091)
Trefw.: Moderne Devotie; Zwolle; geschiedenis.
COLOFON:
Deze publikatie is een uitgave van de Zwolse Historische Vereniging. Het is tevens nummer
drie van de vierde jaargang(1987) van het Zwols Historisch Tijdschrift.
– Omslag: J. van Pelt. In het ontwerp zijn een tekening van Praubstraat 14 en een tekening van
een in de kelder van dat gebouw gevonden kan verwerkt.
Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door financiële steun van de Archeologische Werkgemeenschap
voor Nederland afd. IJsseldelta-Vechtstreek en van de Provincie Overijssel.
Druk: Offsetdrukkerij Hoekman bv, Genemuiden
Copyright © 1987 Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door
middel van druk, fotocopie, microfilm of op ander wijze, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgevers.
Inhoudsopgave
Woord vooraf 7
Bouwgeschiedenis en restauratie van Praubstraat 14 en omgeving
door J.T. Teunis 9
Materiële nalatenschap van Zwolse fraters en scholieren. Een archeologisch
onderzoek in één van hun huizen.
doorj. Assink, R. van Beek en H. Hasselt, m.m.v. O. Goubitz, J.P. Pais,
S.Y. Vons-Comis en G.F.IJzereef 19
Materiële cultuur van het Fraterhuis te Zwolle (1400-1500)
door Marlies Caron 57
De auteurs 72

Woord vooraf
In de winter van 1986 vond, tijdens de laatste restauratiefase van het Cele-complex
te Zwolle, een archeologische opgraving plaats in de kelder van Praubstraat 8-III
(thans 14) door leden van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland
(AWN), afdeling IJsseldelta-Vechtstreek. De opgraving geschiedde onder toezicht
van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort.
Daar werden ook de vondsten gedetermineerd, getekend en gerestaureerd. De
resultaten van deze opgraving geven inzicht in de vroege geschiedenis van de
Moderne Devotie te Zwolle. De Deventenaar Geert Grote (1340-1384) was de
vormgever van deze religieuze beweging. Hij streefde naar een eenvoudige levenswijze,
in navolging van het leven van Christus. Het meest bekend werden deze
idealen door het werk van de Zwolse kloosterbroeder Thomas a Kempis (1379-
1471), Over de navolging van Christus.
Behalve in kloostergemeenschappen organiseerden de Moderne Devoten zich ook
in broederschappen. De Zwolse broeders of fraters vestigden zich voornamelijk in
het gebied tussen de huidige Praubstraat en de Papenstraat. De fundamenten van
hun eerst vestiging, het Domus Parva, werden bij de bovengenoemde opgraving
teruggevonden, evenals talloze gebruiksvoorwerpen. De interessante onderzoeksresultaten
en de hernieuwde belangstelling voor de Moderne Devotie waren voor
de Zwolse Historische Vereniging aanleiding om dit boekje uit te geven.
Deze uitgave kwam tot stand in nauwe samenwerking met het bestuur van de
AWN-afdeling IJsseldelta-Vechtstreek. Ook de heer R. van Beek speelde bij de totstandkoming
van deze bundel een belangrijke rol, niet alleen als opgravingscoördinator,
maar ook als auteur. Bovendien trok hij het merendeel van de auteurs aan.
Bij de voorbereidingen was ook de heer H.J. Aarts, directeur van het Provinciaal
Overijssels Museum, betrokken. Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door
financiële steun van de bovengenoemde afdeling van de AWN en de provincie
Overijssel. Het omslagontwerp is van Jeroen van Pelt. Ten slotte gaat onze dank uit
naar de auteurs die aan deze uitgave meewerkten.
De redactie
Praubstraat 14, de in 1497 gebouwde refter van het Fraterhuis
(foto:].P. de Koning, gem. fotodienst)
Bouwgeschiedenis en restauratie van
Praubstraat 14 en omgeving
door J.T. Teunis
Inleiding1
Toen in het najaar van 1986 op een plek met tal van historische gebouwen in één
van de oudste gedeelten van Zwolle de restauratie van de kelder onder Praubstraat
14 gereed kwam, was een eertijds verpauperd stadsdeel weer hersteld. De restauratie
van dit stadsdeel duurde met onderbrekingen een groot aantal jaren. In de
Zwolse Courant van 28 mei 1963 werd reeds gemeld, dat de gemeenteraad in principe
besloten had het zogenaamde Cele-complex te restaureren. Het duurde echter
nog vijf jaar voordat het eerste gedeelte van het complex, het zogenaamde Celepoortje,
gereed was. De kosten hiervan bedroegen ƒ 3913,-. Met de laatste fase van
1986 was een bedrag van ƒ 2.600.000,- gemoeid. De totale restauratie van het Celecomplex
kostte bijna vijf miljoen gulden. Aan het voltooien van deze restauratie
hebben in opdracht van het gemeentebestuur verschillende aannemers meegewerkt.
Het architectenbureau Roebbers en Klein Douwel uit Deventer voerde
samen met de afdeling bouwkunde en monumentenzorg van de dienst Openbare
Werken de directie uit.
Over de benaming van het tussen de Papenstraat, Blijmarkt, Praubstraat en
Papendwarsstraat gelegen complex mogen sommigen hun twijfels hebben en Joan
Cele mag hier dan gewoond hebben, anderen benamingen zoals Frater- of Klerkenhuizen
zijn hier meer op hun plaats. De gebouwen van dit complex boden in de late
middeleeuwen namelijk onderdak aan een Broederschap des Gemenen Levens, met
als belangrijkste inspirator en stichter Geert Grote uit Deventer. Het pand
Praubstraat 14 (voorheen 8 III) maakte ook deel uit van de huizen van deze broederschap.
In het onderstaande zal de aandacht besteed worden aan dit gebouw en de
omringende huizen, die tijdens de laatste fase gerestaureerd werden. De nadruk zal
liggen op de bouwhistorische aspecten van deze huizen2.
Restauratie van de panden in de Praubstraat
De laatste restauratiefase gold de panden Praubstraat 4, 6, 8, 8-III, 10 en 12. Na het
herstel zijn ze vernummerd als Praubstraat 4 tot en met 18. In deze beschrijving zullen
we de nieuwe nummers aanhouden. De eerst drie nummers zijn in de huidige
vorm een negentiende-eeuws bouwwerk. Tijdens de restauratie is weinig oorspronkelijks
teruggevonden. In vroeger tijden stond er onder andere het onderkomen
van het Nicolaas- of Kremersgilde. Het pand is op eenvoudige wijze gerestaureerd.
Op de verdieping zijn twee wooneenheden gemaakt en de begane grond kan voor
een café of restaurant worden gebruikt. Ook in de panden Praubstraat 10 en 12 treffen
we weinig originele restanten aan. In de voorgevel bevinden zich achter het
stucwerk ontlastingsboogjes met zandstenen aanzet en sluitblokjes. De plaats van
de huidige panden kwam tussen 1501 en 1553 in bezit van de broedergemeenschap.
Van 1722 waren deze in gebruik bij diverse bewoners en eigenaren.
Praubstraat 16 is volgens DJ. de Vries gebouwd als toegangsgebouw tot het binnenterrein
van de Fratérhuizen3. Het werd gebouwd tijdens het rectoraat van
Albert van Kalkar (1457-1482). Praubstraat 18 is grotendeels in 1496 en 1497 opgetrokken.
Op deze plaats moet het Terminariusgebouw van de Minderbroeders van
Kampen gestaan hebben. Het werd in de laatstgenoemde jaren op enkele stukken
muur en mogelijk de kelder na afgebroken om plaats te maken voor de huidige
bouwmassa. Hier blijkt van 1628 tot 1635 Willem Bartjens gewoond te hebben en
in 1650 de maker van de eerste kaart van Overijssel, Ten Have4. Van 1628 tot 1679
zijn gedeelten van beide gebouwen bewoond geweest door predikanten en later
door diverse burgers.
De kap van de Praubstraat 16 is opgebouwd uit enkelvoudige spantjukken met sporen
en hanebalken. Waarschijnlijk is deze kap secundair, want er is sprake van
onregelmatige telmerken en de kap kan eventueel plaatselijke gesteld zijn op ouder
Kapconstructie zoals die in de Praubstraat werd aangetroffen (tekening auteur)
10
metselwerk. Opvallend is nog dat de spanten nogal ver uiteen staan (hart op hart ca.
275 cm.), wat op een zuinige bouw kan duiden. Hoewel de kap van nummer 18 op
dezelfde wijze is gebouwd, lijkt ze origineler. De telmerken op de spanten lopen
regelmatig op en de constructie is logischer. Het is overigens niet onmogelijk dat
Praubstraat 16 en 18 in 1497 zijn samengevoegd.
De Praubstraat tijdens de restauratie ffbto:J.P. de Koning, gem. fotodienst)
De vloer van Praubstraat 16 werd weer op de oorspronkelijke hoogte aangebracht,
20 centimeter lager dan vóór de restauratie. De borstweringshoogte correspondeert
nu •weer met de gerestaureerde kloostervensters in de achtergevel en de verdiepingshoogte
is weer aanvaardbaar voor gebruik. Op de tweede verdieping tegen de
achtergevel van Praubstraat 16 bevindt zich een compleet korbeelstel met
muurstijl. Bij bikwerkzaamheden op de eerste verdieping zijn sporen van een
soortgelijk stel met muurstijl gevonden. Opvallend is dat de balklagen van beide
panden verschillende hoogtematen hebben, terwijl de nok op dezelfde hoogte ligt.
Onder Praubstraat 18 bevindt zich een kelder bestaande uit twee segmentbooggewelven,
gescheiden door een gordelboog. Onder 16 bevindt zich een keldertje
van 1,5 x 1,6 m. met een segmentboogvormig gewelf op muraalboog)es. De kelders,
11
die conserverend behandeld zijn, staan in open verbinding met elkaar.
In de voorgevel werden de negentiende-eeuwse vensters gehandhaafd. In de achtergevel
kwam bij werkzaamheden naast de bestaande doorgang een boogstelling van
drie bogen te voorschijn. De bogen, die op zandstenen pijlers rusten, zijn in oude
staat teruggebracht. Deze bogen kunnen gediend hebben als poort naar het binnen
terrein, maar ook als een open variant op de kloostergang. In de achtergevel waren
vijf types vensters te herkennen, die alle teruggerestaureerd konden worden,
behalve op de tweede verdieping, waar alleen de luikopemngen hersteld werden.
Voor de bovenste openingen werden niet genoeg aanwijzigingen gevonden om het
venster met een bovenlicht uit te voeren. Dit was ook niet mogelijk, omdat zich
vlak boven de gevonden sporen van de bovenlichten de overkragende steen van de
dakgootconstructie bevindt. Als de oorspronkelijke vensters inderdaad bovenlichten
hadden, dan betekent dit dat de overkragende steen en de kap bij een verbouwing
aangebracht zijn en dus jonger zijn dan het onderliggende metselwerk.
Er waren voldoende restanten in de gevels van Praubstraat 16 en 18 aanwezig om de
gootoverkraging in voor- en achtergevel weer aan te brengen. Het is mogelijk dat
deze overkraging oorspronkelijk later is aangebracht. In de zuidelijke topgevel
werden oude luikopeningen hersteld, evenals de zandstenen kraagconstructie op
de hoek van deze gevel. Op deze kraagstenen bevinden zich overigens niet te lezen
ingekraste tekens, die mogelijk jaartallen zijn. Waarom de gevel onder een hoek is
afgeschuind is tijdens de restauratie niet duidelijk geworden. De bouwnaad in de
achtergevel geeft duidelijk de scheiding tussen beide panden aan.
Praubstraat 14
De constructie van kap en verdieping
Achter de panden Praubstraat 16 en 18 ligt Praubstraat 14, de zogenaaamde refter
en aula (sinds 1497) van het Fraterhuis. De architect koos bij dit nog vrij gave
gebouw voor een sobere restauratie. Het oude trappenhuis aan de binnenzijde van
de noordoostelijke topgevel en het schoorsteenkanaal aan dezelfde gevel werden
gesloopt. De zolder heeft geen borstwering. De gehele kapconstructie is opgebouwd
uit eikehout. De acht spanten zijn recht van vorm en genummerd met
gesneden telmerken. De sporen zijn halfhouts overkeept door middel van haanhouten.
Alle verbindingen in de kap zijn opgesloten met eiken toognagels. Restanten
in de spanten wijzen erop dat er vroeger een vheringvloer is geweest. Tijdens de
restauratie is de kap conserverend behandeld.
De moerbalken liggen vrij ver uit elkaar. Sommige van de zeven balkvelden hebben
namelijk een overspanning van bijna 250 cm. De kinderbalkjes liggen op ongeveer
50 cm. van elkaar en zijn 8 of 9 x 10 cm. Het geheel is afgedekt met brede eikedelen
van 35 en 60 cm met een dikte van 35 mm. Enkele onderdelen zijn tijdens de restauratie
vervangen. Opvallend is dat de moer- en kinderbalken met sleutelstukken met
12
geschilderd zijn geweest. In de directe omgeving van het gebouw komt dit ook nog
voor in het Huis met de Hoofden (Goudsteeg 17) uit ca. 1500 en Goudsteeg 12,
onderdeel van het hof van Zuthem, uit 1535. Opmerkelijk is nog de overeenkomst
tussen de consoles onder de moerbalken van Praubstraat 14 en 18. Dit kan duiden
op dezelfde bouwmeester en bouwperiode.
Gevelwerk
Bij onderzoek heeft DJ. de Vries op de oostelijke hoek in de gevel een baksteen
gevonden met daarin in arabische cijfers gekerfd het jaartal 1497. Uit nader onderzoek
is gebleken dat dit jaartal ingekrast is voordat de steen werd gebakken. Dit
jaartal komt overeen met de datering aan de hand van de lagenmaat van de
gebruikte stenen. De stenen hebben het formaat 22/23,5 x 11,5/12 x 4,5/5 cm. Tien
lagen hebben een afmeting van 63,5 cm, wat een datering van rond 1500 geeft.
De later ingebrachte kozijnen zijn uit het muurwerk verwijderd en vervangen door
de oudere vorm, de kruisramen. Afmetingen en vlakverdeling waren vrij eenvoudig
te achterhalen, maar de oorspronkelijke profilering van het natuursteen was
moeilijk te onderscheiden. Daarom is bij de restauratie geen profiel aangebracht in
de gekozen natuursteen, de basaltlava. Budgettaire redenen speelden hierbij overigens
ook een rol. Opvallend is dat de vorm van de vensternissen vrijwel gelijk is aan
die van Praubstraat 18. De vroeg-achttiende-eeuwse schuiframen zijn gehandhaafd.
Steen met het jaartal 1497 in de gevel van Praubstraat 14 (foto:].P. de Koning, gem. fotodienst)
Noemenswaard is nog het zandstenen restant in de hoek aan de noordzijde van de
gevel. Mogelijk is het een restant van een devotielicht of een dichtgezette lantaarn.
Hoeken van gevels werden vroeger wel gebruikt als verhchtingspunten, zoals te
zien is aan de Grote Kerk (de Korte Ademhalingssteeg) en de hoek van het
renaissance-stadhuis van Hattem.
13
De kelder
Hoewel restauratie van de kelder van Praubstraat 14 aanvankelijk om budgettaire
redenen niet was opgenomen in het plan, werd hiertoe tijdens de laatste restauratiefase
alsnog besloten. De afdeling bouwkunde en monumentenzorg van de dienst
Openbare Werken van de gemeente Zwolle maakte hiervoor na onderzoek een
plan. De kelder zou 25 cm. worden uitgediept en van een betonvloer worden voorzien,
zodat de ruimte geschikt zou zijn voor exposities en vergaderingen.
De kelder is te beschrijven als een tweebeukig, ribloos kruisgewelf op zandstenen
pijlers, dat zich over vijf traveeën uitstrekt. Tijdens de restauratie werd een secundaire
muur afgebroken die de noordoostelijke travee scheidde van de overige.
Naast het nieuwe trappenhuis vindt men op kelderniveau een dichtgezette doorgang
naar een kelder die in verbinding stond met Praubstraat 16 en 18. Deze kelder
moest echter wijken voor het nieuwe uitwendige trappenhuis van Praubstraat 14.
Deze kleine kelder had een tongewelf met insteken en lag onder een gebouwtje dat
aan de aula was vastgebouwd en door Hofstee als keuken is gedefinieerd5. De
gedeeltelijk nog aanwezige schoorsteen in de zuidoostelijke gevel kan hier een
onderdeel van zijn geweest. Op basis van bouwkundige gegevens kan vastgesteld
worden dat dit gebouwtje al vóór 1497 bestond en dat men tijdens de bouw van het
huidige pand met het bestaan ervan rekening gehouden heeft. In het eerder
genoemde plan van Openbare Werken heeft men in overleg met de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg gekozen voor sloop van deze kleine kelder om ruimte te
geven aan het uitwendige trappenhuis. Hierdoor zou de gaafheid van Praubstraat
14 zo goed mogelijk bewaard blijven, kwam men tegemoet aan de esthetische waarden
die de architect aan gebouw, trappenhuis en omgeving stelde en werden problemen
rond planvorming en functioneren van de andere gebouwen omzeild. Achteraf
was het misschien beter geweest als men deze argumenten naast zich neer had
gelegd en het huidige trappenhuis elders had gebouwd.
Aan de andere zijde van de kelder onder Praubstraat 14 bevindt zich nog een doorgang,
naar de met puin volgestorte kelder onder de huidige manege van Odeon, de
vroegere kelder onder het St. Gregonushuis. Door een luikje dat tijdens de restauratie
werd aangebracht kan men een kijkje in deze gang nemen. In deze kelderhoek
bevinden zich twee in vorm afwijkende gewelfjes, waarnaast zich nog een kelder
bevindt. Restauratie van deze kelders zou echt de laatste fase van de restauratie van
het Cele-complex betekenen. Misschien dat dit ooit nog eens gebeurt.
Tot slot van de beschrijving van de kelder onder Praubstraat 14 kan nog meegedeeld
worden, dat zich in de langsgevel aan de binnenplaats drie oorspronkelijke
vensteropeningen bevinden, waarvan één in een eerder periode tot keldertoegang
met luik en traptreden is verbouwd. Deze situatie is gehandhaafd. Opvallend is dat
deze openingen niet corresponderen met de traveematen van de ramen en de spanten
in de bovenliggende gevels en verdiepingen. Een verklaring hiervoor kan zijn
14
dat de kelderramen georiënteerd zijn op de kelder, die in verband met overspanningen
onafhankelijk staat van de overige indeling van het gebouw. Restanten van
kaarsnissen, venster- en luikopeningen zijn nu goed zichtbaar. Opmerkelijk is nog
dat het tweede gewelfveld vanaf de zuidelijke gevel aan de langsmuur vrijwel vlak
is. Dat heeft waarschijnlijk te maken met een nabijgelegen muuropening die als glijgoot
gediend kan hebben.
Tijdens de restauratie van de kelder was er gelegenheid tot het doen van archeologisch
onderzoek. Naast de vondst van voorwerpen kon men tijdens het graven ook
andere waarnemingen doen. Allereerst is onder de langsgevel waartegen het
nieuwe trappenhuis zich bevindt een grondverbetering aangetroffen onder de fundering
van het huidige gebouw. Deze bestaat afwisselend uit lagen zand en klei, elk
in dikte variërend van 5 tot 7 cm. Het totale pakket is zo’n 40 cm. dik. De bouwers
wilden hiermee de zetting van het gebouw opvangen, wat hen in dit geval goed is
gelukt.
ril ii II—r
» ” J n il
II » II l> I kettingverband
II IL Jl »
UUL—II
II If II II”
II II II II vlaams verband
i ii i
ir~JLZ]ClJLl3II
staand verband
Verder stuitten de amateur-archeologen op funderingsresten in de eerste twee
noordoostelijke traveeën. Het zou hier gaan om restanten van een huis dat eens aan
Geert Grote had toebehoord. De bovenzijde van deze resten ligt op 0,56+ NAP.
Dit is op sommige plaatsten gelijk aan de onderzijde van de huidige fundering. De
stenen van dit restant hebben een formaat van 27 x 14, 5 x 6,4 cm. Wanneer we de
hoogte van de acht teruggevonden lagen omrekenen naar tien lagen stenen, dan
komen we tot een lagenmaat van 73,8 cm. Het metselverband bestaat afwisselend
uit een kop- en een strekkenlaag. De koppenlagen liggen recht boven elkaar en vormen
een zogenaamd staand verband.
Dit metselwerk is als laat-veertiende-eeuw te dateren. Dat het metselwerk van na
1325 is, wordt ook bewezen doordat in fundatiewerk van voor 1325 strekken en
koppen veelal in dezelfde laag voorkomen en dat rond 1325 ketting- of vlaams ver-
15
band gebruikelijk was. Het staand verband is van later datum. Een datering van de
gevonden fundatieresten vóór 1360 is dus niet aannemelijk. Met behulp van de
methode tot systematisering en datering van D.J. de Vries komt men tot een vergelijkbare
datering. Deze methode geeft zowel voor de lagenmaat als voor het steenformaat
de periode 1375 tot 1500 aan6. In dit verband is het aardig te vermelden dat
op de zolder van het stadhuis een soortgelijke lagenmaat is gevonden, die uit 1448
dateert. Aan de noordwest kant van de fundatieresten werd een halfronde uitbouw
aangetroffen die jonger is dan deze resten, maar ouder dan het huidige gebouw uit
1497. De funktie van deze uitbouw is niet duidelijk. Voor een haardplaats lijkt de
constructie te licht. Mogelijk moet gedacht worden aan een waterput die op een
hoger niveau inpandig werd.
In de kelder bevinden zich vier eenvoudige zandstenen pijlers waar de gewelven op
steunen. De pijler in het verdiepte gedeelte is gefundeerd op metselwerk, dat rust op
een grondverbeteringslaag van 55 cm. puin en zand en 22 cm. beer. Soortgelijke
zandstenen pijlers komen in de directe omgeving voor in de kelder van het voormalige
Domus Pauperum (Praubstraat 17) en de Weme aan de Lombardstraat. De
Weme is gedateerd op 1497 en de kelder van Praubstraat 17 op 1516. Dit duidt dus
op een zelfde bouwperiode als Praubstraat 14 in de huidige toestand. De overeenkomst
tussen de pijlers in Praubstraat 14 en 17 is niet zo verwonderlijk. Beide
gebouwen behoorden immers tot het Fraterhuis-complex. De vergelijking met de
zuiltjes uit de Weme, de vroegere pastorie van de St. Michaelskerk, is interessanter.
De gelijkvormigheid onderbouwt de stelling dat aan de Fraterhuizen geen speciale
bouwmeesters verbonden waren, maar dat de bouw door plaatselijke ambachtslieden
werd uitgevoerd.
Het Zwolse gemeentebestuur deelde het enthousiasme van de archeologen en
monumentenzorg na de ontdekking van de fundamenten en verleende een aanvullend
krediet voor de aanpassing van dit gedeelte van de kelder. De restauratie van de
gevonden fundamenten kon op verschillende wijzen worden uitgevoerd. Eén van
de gedachten was om de betonvloer over de restanten door te trekken en de fundering
door middel van bijvoorbeeld kloostermoppen of tegels in de vloer weer te
geven. Ook was een constructie met glas mogelijk, een soort vitrine.
Om de fundatie in al z’n dimensies te laten zien is voor een fraaie en tevens praktische
uitvoering gekozen, namelijk de funderingsresten uitgraven. Tussen de restanten
en het opgaande metselwerk van het huidige gebouw werd een betonvloer met
randconstructie gestort. Wegens gebrek aan kloostermoppen van gelijk formaat als
die van het funderingsrestant zijn de bovenste lagen van het restant van een licht
afwijkend formaat, afkomstig van de werf van Openbare Werken. Ter afwerking
werd over de betonvloer in het verdiepte gedeelte een bestrating aangebracht. Het
overige, hoger gelegen gedeelte van de keldervloer werd alsnog in gewapend beton
uitgevoerd, afgewerkt met nieuwe plavuizen. De oorspronkelijke diepte van de
kelder wordt weergegeven als bovenkant van de betegelde betonbalkconstructie.
16
Een muurrestant aan zuidoostelijke zijde, verdween na opmeting onder deze
betonvloer.
De gerestaureerde kelder onder Praubstraat 14 met de gevonden bouwfragmenten
(schets: Openbare Werken Zwolle)
Samenvatting
De oorspronkelijke bebouwing rond het Domus Parva in de Praubstraat stamt grotendeels
uit de tweede helft van de vijftiende eeuw, waarbij opgemerkt moet worden
dat nummer 18 nog muurwerk uit de veertiende eeuw bevat. Gelijk met de
bouw van het Domus Parva werden de panden Praubstraat 16 en 18 verbouwd: er
kwamen nieuwe gevels, waarbij die van nummer 16 zal zijn verlaagd. Mogelijk
werd ook de kap van nummer 18 aangepast, waarbij de kaponderdelen werden hergebruikt.
Hierop lijken althans de telmerken te wijzen. Waarschijnlijk zijn de drie
zuidelijke bogen van het poortgebouw (Praubstraat 16) dichtgezet in 1497, toen
Praubstraat 14 werd gebouwd. Deze bouw zal praktisch gebruik van de bogen minder
eenvoudig hebben gemaakt. Het huidige pand Praubstraat 14, de aula of refter
van het Fraterhuis, werd over de resten van een ouder huis gebouwd. De funderingsresten
wijzen op een bouwsel uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. Met
17
het gereedkomen van deze kelder werd de restauratie van het Cele-complex afgesloten.
Noten
1. Voor deze bijdrage is vooral gebruik gemaakt van de volgende literatuur: G. Berends, ‘De
gebouwen van het Fraterhuis in Zwolle’ in: Bulletin KNOB 73 (1974), 88-98
G. Berends, ‘Zwolle Praubstraat 8-III’ in: Bulletin KNOB 78 (1979) 38-39
C.R.G. Hofstee, De fraterhuizen te Zwolle (eigen uitgave; doctoraalscriptie; Amsterdam
1975)
DJ. de Vries, De constructieve ontwikkeling van het stadswoonhuis te Zwolle van 1300-1700
vergeleken met voorbeelden uit de IJsselstreek en de stad Utrecht. Een methode tot systematisering
en datering (3dln.; scriptie; Zwolle 1979)
DJ. de Vries, Onderzoek Praubstraat 10-12 door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te
Zeist (Zeist 1978).
De auteur dankt de volgende personen voor hun informatie en bijdrage: H.P. Boer en
A.H. Kroes (BK/MZ openbare Werken Zwolle), jhr. AJ. Gevers en AJ. Mensema (Rijksarchief
in Overijssel) en J.P. de Koning (Gemeentelijke fotodienst)
2. Achtereenvolgens werkten de aannemers Van der Horst, Bouma, bouwbedrijf Moes en
aannemersbedrijf Schakel-Schrale aan de restauratie.
Voor een uitvoerige historische en bouwhistorische beschrijving van Celecomplex wordt
verwezen naar het eerste onder noot 1 vermelde artikel.
3. Zie DJ. de Vries, Onderzoek Praubstraat 10-12
4. Gemeentelijke archiefdienst Zwolle, AAZ01-04071 t/m 04084, registers van vuurstedenof
schoorsteengeld, 1628-1803
5. C.R.G. Hofstee, ‘De gebouwen van het Fraterhuis te Zwolle’ in: Een zuivere, eenvoudige,
standvastige geest…De Moderne Devotie te Zwolle (Zwolle 1984), 46.
6. Zie noot 1, DJ. de Vries, De constructieve ontwikkeling….
18
Materiële nalatenschap
van Zwolse fraters en scholieren
Een archeologisch onderzoek in één van hun huizen
door J. Assink, R. van Beek en H. Hasselt
m.m.v. O. Goubitz, J.P. Pais, S.Y. Vons-Comis en G.F. IJzereef
‘zie, spijs, drank, kleeren en al het andre
noodige wat tot de onderhouding van het
lichaam behoort, dat is allemaal iets
bezwaarlijks voor een vurige geest.’
Inleiding
Aldus Thomas a Kempis in zijn boek De Imitatione Christi^. Maar omdat hij weet
dat niemand zonder deze dagelijkse benodigdheden kan leven bidt hij: ‘Heer, dat ik
die nooddruft matig moge gebruiken, en niet in de war raken door het verlangen er
naar’. Kostbare schotels of ander fraai uitgevoerd dagelijks gerei zijn in huishoudens
van Moderne Devoten in het algemeen dus niet te verwachten. Pater Joannes
Vos van Heusden, van 1391 tot 1424 prior van het klooster in Windesheim,
bezwoer zijn medebroeders dan ook dat ze de oude eenvoud moesten bewaren en
niet anders dan uit houten nappen moesten eten2. Als ze al behoefte hadden aan
verfraaiïng concentreerde zich dat vooral op religieuze voorwerpen.
Het archeologisch onderzoek in de kelder van het Fraterhuis in de Praubstraat
(vroeger Begijnenstraat) 14 (voorheen 8-III), leverde, zoals dus kon worden verwacht,
geen luxe voorwerpen op, maar wel naast het gebruikelijke eenvoudige
gerei zoals drinkbekers, kannen en potten, houten bakjes etc, enkele zeldzame en
tot nu toe onbekende gebruiksvoorwerpen.
Het archeologisch onderzoek
Dit onderzoek door enkele leden van de Archeologische Werkgemeenschap voor
Nederland (A.W.N.), afdeling IJsseldelta-Vechtstreek, begon op 31 januari 19863.
Aanleiding daartoe was een mededeling van de afdeling Bouwkunde/Monumentenzorg
van de dienst Openbare Werken van de gemeente Zwolle, dat deze kelder
in het kader van een renovatie en restauratie van het Fraterhuis zou worden verdiept.
Het onderzoek vond met diverse onderbrekingen plaats tot 22 maart 19864.
19
Plattegrond van de kelder van Praubstraat 14 met de gevonden funderingsresten
(schets: Openbare Werken Zwolle)
Begonnen werd in het zuidwestelijke deel, waar de grond onder de keldervloer
reeds was verlaagd. Nadat met de schop een leesbaar vlak was gemaakt, werd een
nog vrijwel ongeschonden gepodzoleerde zandondergrond zichtbaar, doorsneden
van een met klei en zand opgevulde, noordwest-zuidoost lopende slenk (afb. 1
respectievelijke bij A en B). Hier en daar bevond zich nog een restant loodzand, de
B-laag, boven de inspoelingslaag A van het humuspodzol. Dit oude niveau van
Zwolle lag ter plaatse op circa 10 a 15 cm plus N.A.P. De slenk stelt waarschijnlijk
een oude erfafscheiding voor. Aanwijzingen, in de vorm van muurresten of uitbraaksleuven,
die het vermoeden van C.R.G. Hofstee zou kunnen waarmaken, dat
daar de eerste vestiging van de fraters, vóór of in 1384 zou hebben plaats gehad, of
dat daar later de keuken van de klerken heeft gestaan, werden niet gevonden5. In de
zuidelijke wand van de kelder was ter plaatse van de slenk een grondverbeteringsstruktuur
te zien van zes lagen, afwisselend zand en klei, met een dikte per laag
van ongeveer 6 cm 6. Het zand was soms gemengd met puin.
Nadat deze waarnemingen waren gedaan, kon op een later tijdstip, nadat ook aan
de noordoostkant van de kelder de grond was verdiept, het onderzoek worden
voortgezet. Daarbij kwamen bij het vlakken tot onze verbazing muurresten van
kloostermoppen te voorschin (afb. 1 bij C). De muren ter breedte van circa 60 cm
omsloten een ongeveer rechthoekige ruimte van 4,2 bij 4,7 meter. Deze was gevuld
met een circa 55 cm dikke laag zand en puin, met daaronder een beerlaag van iets
meer dan 20 cm. Aan de zuidoostkant liepen de muurresten onder de bestaande
20
muur door. De meest oostelijke muur vertoonde een kleine verspringing. Het
steenformaat van de kloostermoppen bedraagt 28 x 14 x 7 cm. Dit duidt op een
gebouw uit omstreeks 1400, zoals ook in de bijdrage van J.T.Teunis geconcludeerd
wordt. Aan de noordwestzijde kwam een halfronde aanbouw van een kleiner formaat
baksteen bloot die met de opening koud tegen de oude muur was gemetseld
(Afb. 1 bij D). Aan de andere kant bevond hij zich onder de muur van het huidge
gebouw en moet dus ouder zijn dan deze en wel van vóór 14977.
Opgravingsvondsten ffbto:J.P. de Koning, gem. fotodienst)
Het volgende werk was nu het puin tussen de oude muurresten te verwijderen.
Gedeelte voor gedeelte werd aldus vrijgemaakt en kon de zich daaronder bevindende
beer, voorzichtig op vondstmateriaal worden onderzocht8. Nadat het
onderzoek aan de noordoostkant van de kelder was beëindigd kon ook het vrijgekomen
middengedeelte aan een inspectie worden onderworpen. Ook hier kwamen
muurresten te voorschijn die, gezien het steenformaat 26 x 13 x 5 cm van iets jongere
datum zijn dan die van de eerste stichting (zie afb. 1 bij E). Mogelijk betreft het
een verbouwing uit circa 14219. De ruimte binnenin was ook hier opgevuld met
zand en puin. Merkwaardig was het voorkomen bij F van het restant van een soort
21
bestrating met gebroken kloostermoppen.
Het Domus Parva
De vraag die gesteld moest worden luidde: tot welk gebouw hebben de muurresten
van omstreeks 1400 behoord? Het kon voorzover te zien was geen groot gebouw
zijn geweest. Raadpleging van de daarvoor in aanmerking komende literatuur10
leidde tot de conclusie, dat het hier het Domus Parva, het kleine huis van de eerste
stichting van de beweging van de Moderne Devotie in Zwolle moest betreffen.
Deze eerst stichting vond in 1384 plaats toen drie mannen, Johan Essekenssoon,
Witte Coep Maeszoen en Wijchman Ruering, hun pas gebouwde huis in de Begijnenstraat
aan Geert Grote te Deventer verkochten”. Dat was met de duidelijke
bedoeling het aan de door Geert Grote begonnen en door Florens Radewijns overgenomen
beweging dienstbaar te maken. Als voorbeeld diende het Heer Florenshuis
in Deventer. Dat blijkt duidelijk uit de transacties die vlak daarop plaats vonden.
Eerst betrok Geert Grote Florens Radewijns en Johan van de Gronde door
middel van schenking bij het huis in Zwolle12, waarna dit weer aan de drie oorspronkelijke
eigenaren en bewoners, Johan Essekenssoon, Witte Coep Maeszoen
en Wijchman Ruering in gebruik werd gegeven13.
Volgens deze transacties was het huis in de Begijnenstraat gelegen, tussen het huis
van de Minderbroeders van Kampen en het huis van Claes de Messemaker. Helemaal
duidelijk is deze plaatsbepaling niet. Volgens de Narratio van Jacobus Traiecti
alias de Voecht lag het stuk grond waar het huis van de drie mannen op gebouwd
was naast het Begijnhof en grensde het aan het huis van de priester Hendrik van der
Golde14. Volgens De Voecht is het huis later de kamer van de kok en de keuken van
de klerken geworden. Dat het huis niet direct aan de Begijnenstraat zelf lag maar
iets meer naar achteren menen wij te kunnen opmaken uit een akte van 14 maart
1385 waarin staat dat het huis gelegen was in de Begijnenstraat tussen het huis van
de Minderbroeders van Kampen en de tuin van de begijnen aan de ene kant en het
huis van Claes de Messemaker aan de andere kant15. Van het huis van Hendrik van
der Golde, waar het huis van de drie devoten volgens Jacobus de Voecht toch aan
grensde, wordt niet gerept. Ook in de transacties van 1384 wordt het huis van Hendrik
van der Golde niet genoemd, wel het huis van de Minderbroeders. Volgens ons
duidt dit er op dat Hendrik van der Golde een gedeelte van het huis van de Minderbroeders
bewoonde. Hij had ook de zielzorg over de begijnen van de Minderbroeders
van Kampen overgenomen16.
Meer duidelijkheid krijgen we met een akte van 22 september 1394, waarbij de
pastoor van Zwolle aan de geestelijken Gherardus Kalker, Henric Zeflic en Ghijsbertus
van Vlimen, een hofstede in erfpacht geeft die aan de Blijmarkt te Zwolle is
gelegen en met zijn noordzijde aan het Begijnhof grenst17. De hofstede grenst dus
niet aan de Begijnenstraat. Wel wordt gezegd dat de hofstede met het oosteinde aan
22
het huis grenst waar heer Hendrik van der Golde thans in woont. Dit wordt door
ons zo uitgelegd dat Hendrik van der Golde inmiddels is verhuisd van het huis van
de Minderbroeders aan de Begijnenstraat, naar het meer naar achteren gelegen huis
van de eerste stichting, het Domus Parva. Dit was vrijgekomen door het vertrek
van Johan Essekenssoon (ook wel Johan Regelandezone of Johan van Ommen
geheten), Witte Coep Maeszoen en Wijchman Ruering naar het klooster op de
Nemelerberg.
Het Fraterbuiscomplex ca. 1410
(tekening: C.R.G. Hofstee)
23
De aankoop van de hofstede door Gherardus Kalker en consorten moet gezien
worden in het licht van een voorafgaande transactie van 23 januari 139318. Hierbij
geven Claes de Messemaker en Alijt zijn vrouw een deel van de tuin achter hun
huis, over een breedte van 13 meter aan de tuin van de pastoor grenzend, aan
Gheerde ten Bome van Ulsen in erfpacht. Benevens een strook ter breedte van 1,13
meter die aan de kant van het huis van Johan Regelandezone van de tuin naar de
(Begijnen)straat loopt. Op 16 februari februari 1404 verklaart namelijk de priester
Hendricus ten Boem van Hulsen, de zoon van bovengenoemde Gheerde Bome van
Ulsen, dat zijn vader de in de akte van 23 januari 1393 genoemde grond gepacht en
gekocht had ten behoeve en met geld van Gheerde van Kalker en Hendrik van der
Golde19. Door deze aankoop verkrijgen de fraters, vooruitlopende op de aankoop
van de hofstede van de pastoor, een uitgang naar de Begijnenstraat en mogelijkheden
tot vergroting van het Domus Parva. De transactie is een voorbeeld van de
manier waarop de devoten de stadsbepalingen omtrent goederen in de dode hand
meenden te moeten omzeilen.
Op de hofstede die met zijn oosteinde aan het huis van de eerste stichting grensde
werd het Sint Gregoriushuis gebouwd. St. Gregorius was de patroonheilige van de
studenten. Het huis kwam in 1396 gereed. Sinds die tijd werd het St. Gregoriushuis
het Domus Major (het grote of voornaamste huis) en het nabijgelegen huis van de
eerste stichting, het Domus Parva (het kleinste of minste huis) genoemd. Andere
namen voor dit laatste huis zijn het Domus Parva Fratrum, het Parva Domus Clericorum
en het Parva Domus Scolarium. Dit laatste omdat de priester Hendrik van
der Golde (zijn naam leeft nog voort in de Goudsteeg) er leerlingen van de school
van Johannes Cele huisvestte. Gezien de ligging vlakbij het St. Gregoriushuis, waar
de rectoren van de fraters in woonden, werd het ook wel het Proxima Domus of
Domus Vicina, het buurhuis genoemd. Van het St. Gregorius huis is alleen de kelder
nog over. Deze ligt, volgestort met zand en puin, onder de huidige manegezaal
van schouwburg Odeon.
In het Domus Parva, in 1497 verbouwd tot aula en eetzaal, konden op een gegeven
ogenblik wel 50 leerlingen van de stadsschool worden gehuisvest. Ook de later als
grondlegger van het bijbels humanisme zo beroemd geworden Wessel Gansfort
had tussen 1432 en 1449 een eigen kamertje in het Domus Parva20. Hij volgde de
lessen in de hoogste twee klassen en gaf zelf les in de lagere klassen. Wessel was een
groot bewonderaar van Thomas a Kempis, die hij meermalen tijdens een verblijf in
Zwolle, in zijn cel in het klooster van St. Agnes op de Nemelerberg heeft opgezocht.
Wessel Gansfort was namelijk lijfarts van de illustere bisschop van Utrecht.
David van Bourgondië. Wanneer deze op zijn kasteel in Vollenhove vertoefde,
wenste hij Gansfort in zijn nabijheid te hebben om hem, wanneer het nodig was,
direct te kunnen raadplegen. Het verhaal gaat dat de bisschop door Wessel Gansfort
genezen is van jicht. Hij was zo op zijn beroemde lijfarts gesteld dat hij hem per
24
brief verzekerde van zijn steun tegen aanvallen van de inquisitie.
Tot degenen die een poosje in het Domus Parva hebben gewoond schijnt ook de
edelman Meinoldus van Windesheim, die moreel en financieel zoveel aan de
stichting van het St. Gregoriushuis heeft bijgedragen behoord te hebben2Oa.
Wessel Gansfort, naar een kopergravure
in bezit van de Universiteitsbibliotheek
te Groningen (tekening: R. van Beek)
Aardewerk
Het aardewerk dat in de Praubstraat is gevonden is te verdelen in twee hoofdgroepen,
namelijk:
import aardewerk; steengoed en afkomstig uit Siegburg en Langerwehe.
inheems aardewerk; de blauwgrijs- en roodbakken produkten die mogelijk in
Zwolle of in het omliggende gebied vervaardigd zijn.
Import aardewerk
In het Rijnland, aan de voet van de Eifel, werden produkten vervaardigd die we aanduiden
als steengoed. Met de daar gebruikte klei kon een volledige sintering verkregen
worden, zodat het aardwerk hard en waterdicht werd. Dit maakte de produkten
uitermate geschikt voor drink- en schenkgerei. Een van de uiterlijke kenmerken
van dit drink- en schenkgerei is de uitgeknepen voet als standring.
Er zijn onder andere verschillende trechterbekers gevonden. Deze trechterbekers
zijn naar hun vorm weer onder te verdelen in drie verschillende typen. Het eerste
type heeft een klokvormige trechter en al dan niet een oor (afb. la), het tweede type
heeft een stijle trechter en al dan niet een oor (afb. lb) en het laatste type heeft een
25
Import aardewerk (tekeningen: H. de Kort (R OB, Amersfoort) en J. Assink; schaal 1:4)
26
brede hals en een oor (afb. lc). Van dit laatste type is alleen een fragment gevonden.
Het merendeel van de bekers heeft een leemglazuur en de zogenaamde oranjerode
wangetjes. Op twee voorwerpen zijn versieringen gevonden die met apphque’s zijn
aangebracht. Al deze bekers zijn in Siegburg vervaardigd. In Utrecht is een klokvormige
trechterbeker gevonden met dezelfde afmetingen als de bekers die in de
Praubstraat zijn gevonden 21. Aan de hand van de vondsten zijn de gemiddelde
afmetingen van de klokvormige trechterbekers bepaald (fig. 1).
Behalve deze trechterbekers zijn een aantal kannen en fragmenten van kannen
gevonden van een ander type. Een deel hiervan is afkomstig uit Langerwehe en een
ander deel uit Siegburg (onder andere afb. 2) De Langerwehe-kannen zijn voorzien
van een bruine leem-engobe en hebben een hoge, nagenoeg cyhndrische hals. De
scherf is grauw-grijs tot iets paarsachtig van kleur. De kannen hebben een gemiddelde
hoogte van 26,3 cm. en een gemiddelde inhoud van 950 cc. Het materiaal uit
Siegburg heeft ongeveer dezelfde afmetingen. De halzen van de Siegburg-kannen
zijn echter meer cylindrisch van vorm. Deze kannen zijn dus gemiddeld iets groter
dan de bovengenoemde trechterbekers. Mogelijk hebben ze als schenk- of voorraadkannen
gediend.
De grootste gevonden kan, waarvan de hals met oor ontbreekt, is afkomstig uit
Langerwehe (afb. 3). De inhoud zal ongeveer drie liter zijn geweest. De kan is voo^
zien van een bruine leem-engobe, evenals de Langerwehe-kan van afb. 4. Deze heeft
een korte hals met een dakgeulrand.
& -A+- H (hoogte)
H’ (scbouderhoogte)
S (bodem)
Bfbuik)
A'(kelk)
A (kelk)
inhoud
gewicht
19,6 cm
14,0 cm
8,0 cm
10,0 cm
5,0 cm
8,5 cm
0,61
0,6 kg
figuur 1. Gemiddelde afmetingen van klokvormige trechterbekers
Verder zijn er enkele scherven van grijs-wit steengoed gevonden. Een van de scherven
is afkomstig van een Jacoba-kan (afb. 5), de overige zijn afkomstig van twee
drinkkannen. Dit steengoed is vervaardigd in Siegburg. Soortgelijk materiaal is
27
gevonden bij de opgraving van het kasteel De Voorst22.
Tenslotte zijn er twee flesjes gevonden. Het ene is afkomstig uit Siegburg (afb. 6).
Het is geglazuurd en is roodbruin tot olijfgroen van kleur. Klinge heeft een vergelijkbaar
exemplaar beschreven23, maar jammergenoeg vermeldt hij niets over het
gebruik. Mogelijk is het, gevuld met spijsolie, gebruikt aan tafel of in de keuken.
Het tweede flesje komt uit Langerwehe (afb. 7). Het heeft twee doorboorde oortjes
en is bedekt met een donkerbruine leem-engobe. Het is 8,5 cm. hoog en heeft een
inhoud van 80 cc. Dergelijke flesjes zijn onder andere ook in Amsterdam en bij het
klooster Mariendael gevonden24. Volgens Bruijn zijn deze flesjes gebruikt bij het
spinnen25. Ze werden met een koordje om de hals gedragen en waren gevuld met
olie of ander vet. Hiermee werden de vingers vet gemaakt, zodat het spinnen
gemakkelijker ging.
Aan de hand van al het gevonden steengoed is het Minimum Aantal Exemplaren
(MAE) gesteld op 49. Hiervan komen acht exemplaren uit Langerwehe en 41 uit
Siegburg. (Zie tabel 1 en grafiek 1).
Tabel 1 Minimum aantal exemplaren import
type
klokvormige trechterbeker met oor
klokvormige trechter beker zonder oor
stijle trechterbeker met oor
stijle trechterbeker zonder oor
breedhals trechterbeker met oor
trechterbeker met oor (niet compleet)
trechterbeker zonder oor (niet compleet)
schenkkannen (afb. 2)
schenkkannen (afb. 2)
kan (afb. 3)
kan (afb. 4)
grijs-witte Jacoba-kan (afb.5)
grijs-witte drinkkan
onbekend type kan
flesje (afb. 6)
flesje (afb. 7)
De grijs-witte drinkkannen en de schenkkannen zijn het oudst. Ze zijn in het midden
van de veertiende eeuw gemaakt. Baart beschrijft een vergelijkbare kan als de
Langerwehe-schenkkan van afb. 2 en dateert deze tussen 1377 en 142526. Ook bij
opgravingen van het St.Agnes- en St.Michielklooster zijn deze kannen aangetroffen.
Deze exemplaren zijn gedateerd tussen 1375 en 145027. De trechterbekers verschillen
ook onderling. Het type met de stijle trechter is van ca. 1400, terwijl het
aantal
4
1
4
1
1
10
5
2
5
1
1
1
2
9
1
1
herkomst
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Langerwehe
Langerwehe
Langerwehe
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Siegburg
Langerwehe
28
type met de klokvormige trechter in het midden van de vijftiende eeuw gedateerd
moet worden.
Aantallen aan de hand van komplete/inkomplete exemplaren
Aantallen aan de hand van de scherven
Aantallen
schenkkannen f H
grijs/wit f~~
tvpe onbekend 1
type afb. 3 ^|
type afb. 4 •
f,esjes am.b €
verhouding:
Siegburg
Langerwehe
ro
• i
P
•=
ON
p
CD
1
o a> ro
O
ro
ro
ro
O
ro
03 o Xi. ON CD
£^
O
-fc»
ro
Inheems aardewerk
Zeker hebben ook in Zwolle, net zoals in enkele andere middeleeuwse steden, pottenbakkers
gewoond. Volgens het Registrum Civium, het register van nieuw ingeschreven
burgers van Zwolle, zijn er verschillende pottenbakkers ingeschreven. In
1343 waren dat Wicboldus die Potmaker en Wilhelmus Potter; in 1350 Johannes
Potmaker en in 1373 Otto Potman en zijn broer28. In de maandrekeningen wordt
in 1399 een Wolters die potghyeter genoemd en in 1403 een Ludeken den
potman29. Deze Ludeken woonde in een huis in de ‘Duusterstege (de huidige
Schoolstraat) in der Nyerstad’30. Verder bezat een Godeken Pottman voor 1415
een hofstede naast het Wytenhuis buiten de Voorsterpoort31. Waarschijnlijk
waren deze pottenbakkers in verband met brandgevaar buiten de stadspoorten
gevestigd. Of het gevonden inheems aardewerk door Zwolse pottenbakkers is
gemaakt, is echter geenszins zeker. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Het inheems aardewerk is onder te verdelen in blauwgrijs, witbakken en roodbakken
aardewerk. Van het blauwgrijze aardewerk zijn drie fragmenten gevonden,
namelijk van een vuurklok, een grape en een onbekend type pot. De fragmenten
moeten op omstreeks 1300 gedateerd worden. Van het witbakken aardewerk is
slechts een oorfragment gevonden. Van het roodbakken aardewerk, is daarentegen
weer veel meer gevonden. Het MAE is op 40 gesteld. (Zie tabel 2 en grafiek 2). Hieronder
zijn zes complete of bijna-complete kamerpotten (afb. 8) en fragmenten van
nog zeven andere kamerpotten. Deze potten zijn gemiddeld 16 cm. hoog. Ze heb-
29
ben een bolle bodem, waardoor ze gemakkelijker over de vloer schuiven, en een
hoge cylindervormige hals. Twee potten zijn ongeglazuurd. De overige hebben
meestal een geglazuurde bodem en rand. Ook is meestal het gedeelte van de schouder
tegenover het oor geglazuurd. Waarschijnlijk houdt dit verband met het uitschenken;
door het glazuur is de pot gemakkelijker schoon te maken.
Kromsteertpan, zieafb. 10 (foto: J. Assink)
Verder zijn er verschillende grapen gevonden, waaronder vier complete exemplaren
met een oor (afb. 11 en 12). Twee hiervan hebben fijne ribbels op de schouder.
Een grape heeft een verbrede klauwvoet, waarvan het middelste knijpspoor het
eerst is aangebracht. Een andere grape, een exemplaar met twee oren, is compleet
op de poten na. Aan de breukvlakken is te zien dat een poot per ongeluk is afgebroken
en dat daarna de fwee andere zijn verwijderd, zodat de pot nog gebruikt kon
worden. Deze grape heeft een eenvoudige slibversiering van witte klei. Van een
ander type, de stijlwandige grape met een oor, is ook een compleet exemplaar
gevonden. Deze is versierd met fijne ribbels van de schouder tot de bodem (vergelijk
afb. 13). De grapen zijn, evenals de bovengenoemde kamerpotten, te dateren in
het eerste kwart van de vijftiende eeuw.
Daarnaast zijn twee kromsteertpannen gevonden. Deze pannen worden zo
30
Inheems aardewerk (tekeningen: H. de Kort, R OB A mersfoort; schaal 1:4)
31
genoemd om hun hoge kromme steel. Het kleine exemplaar (afb. 9) heeft een diameter
van 14,5 cm. en een hoogte van 5,5 cm. De pan staat wat scheef, omdat één
van de poten tijdens het bakken tegen een ander voorwerp heeft gestaan. Het raakvlak
hiervan is nog te zien. De andere kromsteertpan is groter en hoger (afb. 10).
Door zijn hoogte van 16,5 cm. is het zelfs een uniek exemplaar. De pan is, als enige
van de gevonden exemplaren, aan de onderzijde geblakerd. Beide pannen zijn
alleen aan de binnenzijde geglazuurd. Tenslotte zijn er nog fragmenten gevonden
van een drinkuyt, een kaarsenmakersbak, twee grote (water)kannen en een grape
met twee grote ribbels32
Tabel 2 Minimum aantal exemplaren inheems
type
vuurklok (fragment)
grape (rand en oor)
kan (fragment)
oorfragment
kamerpot
kamerpot (incompleet)
kromsteert
grape met oor
grape met een oor (incompleet)
grape met twee oren
grape met twee oren (incompleet)
stijlwandige grape
stijlwandige grape (incompleet)
grape met twee ribbels (incompleet)
drinkuyt (fragment)
kaarsenmakersbak (fragment)
grote (water)kan (fragment)
aantal
1
1
1
1
6
7
2
4
10
1
3
1
1
1
1
1
2
kleur
blauwgrijs
blauwgrijs
blauwgrijs
witbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
roodbakken
De opgraving in de Praubstraat heeft een unieke collectie aardewerk opgeleverd.
Voor de totale collectie mag een datering van 1375-1450 aangenomen worden,
waarbij enkele oudere fragmenten, gezien hun geringe aantal, buiten beschouwing
worden gelaten. De trechterbekers die zowel in het tweede als in het derde kwart
van de vijftiende eeuw voorkomen, moeten op grond van de overige vondsten tot
de vroegste bekers behoren. Opvallend is ook dat er zoveel gave en bijna gave exemplaren
zijn gevonden. Naar een verklaring daarvoor kunnen we slechts gissen.
(Angst voor een besmettelijke ziekte?). Verder is ook de verhouding tussen de aantallen
van het inheemse en import aardewerk verrassend: iets meer import dan
inheems. In Amsterdam is veel meer inheems dan import aardewerk gevonden
32
(verhouding l:5)32a. En hoewel er te weinig vergelijkingsmateriaal uit ander steden
bekend is, lijkt het logisch te veronderstellen dat het gebruik van veel import aardewerk
wijst op meer handel.
Aantallen aan de hand van komplete/inkomplete exemplaren
Aantallen aan de hand van de scherven
Aantallen 1
Kamerpotten •••
Grape, éénoor pH^HI
Grape, tweeoor ^B^_^^
LJ
Grape, éénoor stijl ^^Pl
Grape, twee ribbels n
1 1
Kromsteert 1^ H |
Grote kannen ^^J
Drinkuyt, kaarsenbak
Blauwgrijs, vuurklok
Blauwgrijs, onbekend
Witbakken
• M M
3
O) O
r—
O)
Aan de hand van de vondsten kunnen twee verschillende plaatsen in de beerkelder
onderscheiden worden. In het noordoostelijke deel is veel drink- en schenkgerei
gevonden samen met voorraadpotten, terwijl in het zuidwestelijke deel veel botten
zijn gevonden met de geblakerde kromsteert en de twee-orige grape met slibversiering.
Mogelijk kan dit een aanwijzing zijn voor de plaats van een eetzaal en voor een
keuken.
Metaalvondsten
Door het gebruik van metaaldetectors kon een aantal interessante metalen voorwerpen
worden geborgen:
Sleutelhanger (aïb. 1.)
Een bronzen voorwerp, voorzien van vier ronde gaten, zal gediend hebben als sleutelhanger.
Aan de onderste drie gaten, elk met een diameter van 8,75 mm hebben
33
sleutels gehangen. Waarschijnlijk werden deze met een ketting (‘sleutelraecx’) of
een ring daaraan vastgemaakt. Het bovenste gat, met een diameter van 10 mm.,
diende voor bevestiging aan de gordel door middel van een riemhanger. Een dergelijk
riemhanger werd overigens op het stort aangetroffen, en wordt hieronder
besproken. De sleutelhanger is gegoten en de weinige versiering, tussen bovenste
en onderste gaten, is later met een vijl aangebracht of geaccentueerd. In verhouding
tot de ons bekende exemplaren uit Neurenberg33 is het exemplaar uit de
Praubstraat erg eenvoudig uitgevoerd. De datering van dit exemplaar, vijftiende
eeuw, komt overeen met de sleutelhanger uit de beerkelder.
Riemhanger (afb. 2)
Op het stort (de uitgegraven grond) werd een bronzen riemhanger aangetroffen.
Dit exemplaar is gegoten en daarna gebogen. De bovenzijde laat ons nog duidelijk
zien op welke plaats een stiftje is aangebracht. Dit werd door de gordel gestoken en
vastgeklonken. Op deze wijze bleef de hanger op z’n plaats. Behalve sleutelhangers
konden er allerlei ander voorwerpen aan worden gehangen, bijvoorbeeld een beurs
of naaigerei34. Gezien de slechte conservering van deze riemhanger in tegenstelling
tot de sleutelhanger, lijkt het ons onwaarschijnlijk dat beide voorwerpen tegelijkertijd
in de beerput zijn beland. Het is dus niet aannemelijk dat deze riemhanger bij de
eerder genoemde sleutelhanger hoort.
S/e«re/s(afb.3t/m5)
Er werden drie ijzeren sleutels gevonden, helaas allen in een zeer slechte staat. We
kunnen nog slechts de contouren onderscheiden. De kern is, waarschijnlijk door
het lange verblijf in de beer, volledig opgelost. Er zijn tenminste twee types sleutels,
want de contouren van de handgrepen verschillen duidelijk. Alle sleutels zijn van
het korte type en meten ca. 8,0 cm. Van één sleutel (afb.4) is nog een gedeelte van de
baard waarneembaar, die te dateren is in de veertiende of vijftiende eeuw35. De
sleutel van afbeelding 5 treft men in het begin van de vijftiende eeuw aan36, hoewel
het gebruik ervan tenminste tot in de eerste helft van de zestiende eeuw mogelijk
is.37. De vorm van de baard zou in dit geval uitsluitsel kunnen bieden, maar is bij
dit exemplaar uit de Praubstraat niet te reconstrueren.
Nestel (zfb. 6)
Tijdens het zeven van enkele beermonsters ontdekten we een klein, geel koperen
nesteltje. Een nestel bestaat uit een metalen kokertje dat wordt bevestigd aan de uiteinden
van rijgveters of strikken. Het heeft twee functies: bescherming van het
veteruiteinde en hulpmiddel bij het rijgen. Er zijn in Nederland nestels van verschillende
afmetingen gevonden. Dit maakt duidelijk dat ze hun toepassing vonden
op verscheidene soorten kledingstukken38
34
Sleutelhanger, nestel, riemhanger en sleutels (tekeningen: H. Hasselt)
35
Heft van scheermes of lancet (afb. 7)
Tussen het vele botmateriaal dat werd gevonden39 troffen we tijdens het reinigen
een benen heft aan van een scheermes of lancet. Helaas bleek het ijzeren lemmet
niet meer aanwezig. Dit zal evenals de eerdergenoemde sleutels zijn vergaan. De
benen heftplaten worden samengehouden door twee metalen stiften, waarvan die
aan het brede uiteinde tevens als scharnierstift diende voor het lemmet.
Een compleet scheermes, met soortgelijk heft, kennen we uit Deventer40. Dit
wordt in de tweede helft van de vijftiende eeuw gedateerd. Als het lemmet bij ons
exemplaar lancetvormig was uitgevoerd dan zal het gebruikt zijn voor de aderlating.
Beide toepassingen liggen minder ver uiteen dan men misschien zou vermoeden,
beide werden gebruikt door de barbier41. Een gravure uit 1524 laat ons een
wapen zien van de ‘baardemakers’. Op een schild staan twee scharnierscharen afgebeeld
met daaronder een scheermes of lancet, waarvan het heft grote gelijkenis vertoont
met het door ons gevonden exemplaar42.
Of de buurman van de fraters, Claes de Messemaker, voor de vervaardiging van dit
mes in aanmerking komt is geen vanzelfsprekendheid. De beste kwaliteit haalde
men, tenminste in 1525, uit Duitsland, getuige het volgende handschrift; ‘Die sceersen
(scheermessen) om te barbieren wt Almaengien getekend metter sterren en
metter ekelen zyn de beste’43.
Heften van tafelmessen (afb. 8/9)
Er werden twee heften aangetroffen van tafelmessen. Beide exemplaren hebben
benen beslagplaten, die met bronzen stiftjes aan de plaatangel zijn bevestigd. Het
ijzeren lemmet is bij beide exemplaren vrijwel geheel verdwenen. Gezien de grote
overeenkomst tussen beide heften is het niet ondenkbaar dat ze in dezelfde werkplaats
vervaardigd zijn. Hoewel, zoals gezegd, het lemmet niet aanwezig is, mogen
we ervan uitgaan dat beide heften van tafelmessen waren. Vlees werd veelal in stukken
gesneden en geserveerd in een centrale schotel. In het ander geval lag daarvoor
een speciaal voorsnijmes op tafel. Gegeten werd hoofdzakelijk met de handen; de
geestelijkheid verzette zich sterk tegen het gebruik van vorken. Het was een belediging
voor God, als men het voedsel waarom men in het Onze Vader bad, onwaardig
vond om met de vingers aan te raken44. Men at voornamelijk van (houten) teiloren,
die rond of rechthoekig van vorm waren. Een compleet tafelmes met enigszins
soortgelijk uitgevoerd (ebbehouten) heft is gevonden in Amsterdam. De datering
hiervan wordt gesteld op het eerste kwart van de vijftiende eeuw tot en met de
eerste helft van de zestiende eeuw45.
Chrismatorium
Het fraaie, cihndervormige bronzen busje, voorzien van een schroefdekseltje is een
chrismatorium, ook wel bedieningsvaatje genoemd. Het bevatte gewijde olie voor
het toedienen van de sacramenten. Door het ontbreken van een tekst of afkorting
36
1 2 3
i i afb. 11
afb. 7 afb. 8 afb. 9
Mesheften en schrijfstift (tekeningen: H. de Kort, ROB Amersfoort)
is het niet mogelijk te bepalen welk een soort olie in dit bedieningsvaatje heeft gezeten.
Er zijn drie soorten olie, en wel Oleum Cathechumenorum (voor de doop en de
priesterwijding), het Oleum lnfirmorum (voor het Heilig Oliesel), en het Chrisma
(voor de doop, het vormsel en de bisschopswijding). Deze drie oliën zijn wat de
substantie betreft identiek. Voor alle drie wordt olijfolie gebruikt, dat afhankelijk
van de bestemming werd gewijd. Bedieningsvaatjes komen zowel afzonderlijk
voor als in setjes van twee of drie exemplaren46.
Of het exemplaar uit de Praubstraat deel heeft uitgemaakt van zo’n setje is niet duidelijk.
Bedieningsvaatjes blijken vooral uit tin vervaardigd te zijn. Dit werd door de
Trierse synode van 1227 speciaal aanbevolen. Doch ook brons, zilver en het kost
37
bare bergkristal werden in de middeleeuwen voor deze doeleinden gebruikt.
Gelet op de overige vondsten zal het bedieningsvaatje uit de Praubstraat in de late
veertiende tot de late vijftiende eeuw geplaatst mogen worden, waarmee we een
voor Nederland zeldzaam vroeg exemplaar bezitten. Over de vraag hoe zo’n kostbaar
bedieningsvaatje in de beerkelder is terecht gekomen, kunnen we slechts gissen.
Ongetwijfeld zal het hebben toebehoord aan een priester, die mogelijk zelfs in
het Fraterhuis leefde.
Chrismatorium (foto:]. Hagedoorn; tekeningH. de Kort, ROB Amersfoort)
Bol (afb. 10)
Ons onbekend is de gebruiksfunctie van een koperen bol. Deze bestaat uit twee
‘fietsbel-achtige’ delen, die door een stift (voorzien van schroefdraad) aan elkaar
kunnen worden geschroefd. Om deze stift zit een ijzeren, ruw afgewerkte kogel.
Ten tijde van de vondst bevond zich op de naad van beide helften, een fragment
gestikt leer. Het is ons niet duidelijk of dit leer ook werkelijk bij de bol heeft
behoord, óf dat dit door het verblijf in de beerkelder daaraan is vastgekoekt. In het
laatste geval zal het mogelijk afkomstig kunnen zijn van een schoen. Opvallend is
dat beide delen van de koperen bol hermetisch op elkaar sluiten, zonder ook maar
iets zichtbaar naar binnen of buiten af te wijken. We mogen veronderstellen dat
deze intensieve bewerking een speciale reden heeft, want waarvoor heeft men een
zuiver ronde en holle bol nodig? De ijzeren kogel, die zich in de bol, rond de stift
bevindt, veroorzaakt bij het bewegen van de bol, een dof klikkend geluid. Suggesties,
ook na een oproep in het verenigingsblad van de A.W.N.47, bleken te speculatief
om een gebruiksfunctie toe te kennen. We sluiten echter niet uit dat het
hier een spel-, of religieus attribuut betreft. Gehoopt werd, na reiniging, een kartografische
gravering op de bol aan te treffen, waarmee we dan een uitzonderlijk
vroege zakglobe – die ongeveer een eeuw later erg in zwang zou raken – zouden hebben
ontdekt.48 Dit bleek echter niet het geval te zijn.
38
0 1 2 3 4 5
cm
A/b. 10, koperen bol (tekening: H. de Kort, ROB Amersfoort)
Inktpotje
Bijzonder interessant is de vondst van een klein, taps toelopend inktpotje. Het is
vervaardigd uit een legering van tin in lood. Het inktpotje heeft een plat dekseltje
dat door middel van een scharmerstiftje bewogen kon worden. Inkt was zeker tot
het midden van de vijftiende eeuw een schaars produkt, waar behoedzaam mee
werd omgesprongen. De vorm van dit inktpotje, dat aan de binnenzijde zeer spits
toeloopt, garandeert het gebruik tot vrijwel de laatste druppel.
Het is aannemelijk dat het exemplaar uit de Praubstraat zijn oorsprong vindt in
afgezaagde hoorns van runderen of andere dieren. Op een drieluik uit ca. 1400 treffen
we een schrijvende geestelijke aan, die een hoornvormig inktpotje aan z’n
schrijftafel heeft bevestigd49. De vorm van ons functionele inktpotje heeft als
nadeel dat het niet zonder enig hulpmiddel kan staan, het zal dus in een houder
gezeten hebben. Een bevestiging van dit idee treffen we aan op een laatmiddeleeuwse
prent waarop ‘Marie de France’ staat afgebeeld. Aan de zijkant van
de stoel van deze 12e-eeuwse schrijfster van aristocratische verzen, treffen we tenminste
twee inktpotjes aan, die door een beugeltje worden vastgehouden50. Belangrijke
mededelingen werden in de middeleeuwen op perkament geschreven; persoonlijke
aantekeningen, rekeningen en schooloefeningen zonder blijvend belang
werden in was gekrast. Hiervoor gebruikte men speciale wasplankjes51. Daarnaast
werden ook schrijfleitjes gebruikt. De inkt bracht men op het perkament aan met
39
een aangepunte ganzeveer. Een ganzeveer leent zich uitstekend om mee te schrijven.
Ze is eenvoudig aan te punten (met het zogenaamde pennemes), en bijzonder
veerkrachtig en sterk. Hierdoor konden de vaak sierlijke Jetters, zonder (onnodige)
onderbreking worden neergezet.
Langzamerhand veranderde de vorm van het inktpotje. Behalve dat het dan zonder
extra hulpmiddel kon staan, nam de inhoudscapaciteit toe. Uit Egmond is een
inktpotje bekend uit de eerste helft van de zestiende eeuw. Dit wijkt – wat de vorm
betreft – al geheel af van het exemplaar uit de Praubstraat52.
Inktpotje (tekening H. de Kort, R OB A mersfoort) en een afbeelding van de apostel Lucas uit:
Evangelarium (ca. 1480). Aan de schrijfbank hangt een inktpotje
Schnjfstift (?) (afb. 11)
Een klein bronzen voorwerp, waarvan één zijde spatelvormig uitloopt en de
andere zijde een afgeknotte punt bezit is waarschijnlijk een schrijfstift. Met de punt
kon in was worden geschreven, terwijl de spatel diende om de was naderhand weer
glad te strijken, of om correcties aan te brengen.
In de Koninklijke bibliotheek Alben I te Brussel bevindt zich een miniatuur
waarop de veertiende-eeuwse mysticus Ruusbroec met wastafel en schrijfstift staat
afgebeeld. Opvallend hierbij is dat er van een wasplankje op perkament wordt
overgeschreven53. Een beeld dat goed past in het Fraterhuis, met z’n scholieren.
40
Indien ons voorwerp een schrijfstift is dan hebben we te maken met een uitzonderlijk
klein exemplaar (3,5 cm). Uit Amsterdam zijn een aantal schrijfstiften bekend
uit de tweede helft van de vijftiende eeuw, de afmetingen variëren van 7,5 tot 9,5
cm54. Suggesties als zou ons voorwerp als scalpeltje voor de (gebruikelijke) aderlating
hebben gediend, menen we van de hand te moeten wijzen. Ons exemplaar
bezit namelijk geen snede. Bovendien lijkt het voor de hand te liggen dat men hiervoor
ijzer zou gebruiken, wat zich immers veel beter leent voor aanscherping, en is
daar de afgeknotte punt niet mee verklaard!
Leest, tripzool en leerresten
door O. Goubitz
De leest
De vondst van een schoenmakersleest mag nog steeds zeldzaam genoemd worden.
De meeste leesten zijn namelijk als brandstof in het vuur beland. Maar overigens
pas dan, als ze volstrekt onbruikbaar geworden waren, door splijting, breuk of,
zoals meestal, doordat het zoolvlak door het veelvuldig oppennen van het zoolleder
volledig murw was geworden. Hoewel een leest niet zo moeilijk te maken is, is
het maken van een tweede, in spiegelbeeld en geheel passend bij de ander, veel moeilijker.
Dat vereist vakmanschap. Vandaar dat schoenmakers zeer zuinig op hun
leest waren.
De vorm van de in de Praubstraat gevonden leest, qua grootte ongeveer overeenkomend
met schoenmaat 40, wijst op gebruik in de zestiende eeuw. Het zoolvlak laat
namelijk een vrij slappe vorm zien, die vooral in de zestiende eeuw gebruikelijk
was. Zo geeft de hierna beschreven tripzool weer een typisch vijftiende-eeuwse
zoolvorm te zien.
De leest, gemaakt van elzehout (determinatie dr. L. Kooistra, ROB), is beschadigd.
Met een spade of iets dergelijks heeft men haar tweemaal op de zijkant geraakt en bij
de neus mist een stuk. Door een slecht gelukte conservering mijnerzijds is er een
knmpscheur over bijna de gehele lengte op de zijkant ontstaan. Opvallend is, dat de
leest heel weinig gebruikt is. Het is zelfs niet aan te tonen dat ze ooit gebruikt is. De
plaatsen waar doorgaans de sporen van het oppennen te zien zijn, zijn recentelijk
beschadigd.
Interessant is het merkteken op de bovenzijde van de leest. Het is een haak of een
wolfsangel, een vrij algemeen voorkomend teken, zij het dan meestal met toevoegingen
als dwarsstreepjes of initialen. De meeste van dergelijke merktekens zijn
afgeleid van runetekens en dienden als eigendomsmerk of, zoals mogelijk in dit
geval, om bijeenhorende leesten te kunnen herkennen.
De tripzool
Een andere vondst betrof een zogenaamde tripzool. Een trip is een houten muil
41
met een wreefband. De houten zool van de gevonden trip heeft een beschadigde
neuspunt en mist een gedeelte van de rand langs het hielvlak. De beschadiging van
de neuspunt lijkt recent, die van de hiel is vermoedelijk ontstaan voor de tripzool in
de grond raakte. Dat het leder van de wreefband toen nog aan de zool vastzat, lijkt
niet waarschijnlijk, omdat dit meestal ook wel behouden blijft in de bodem. De trip
is gemaakt van wilgehout (de terminatie dr. L. Kooistra, ROB).
Leest en tripzool (tekening auteur)
De voetmaat van deze trip is ongeveer 32 geweest. Omdat de nokken nauwelijks
gesleten zijn, kan aangenomen worden dat de trip niet veel gebruikt is. Mogelijk
heeft dat te maken met een voortijdig afsplijten van een stuk van het hielvlak. Hierdoor
werd de trip dan ondraagbaar. In de zijkant zijn, vlak onder de bovenkant,
twee nagelgaten te zien. Daaruit blijkt’dat de wreefban

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1986, Aflevering 3

Door 1986, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1986
ZWOLS
HISTORIÓCH
TIJDSCHRIFT
ZWOL&E H16TODI6CNE VEDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER DRIE / JAARGANG DRIE / 1986
53 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
54 Zwolle: “Van stuwwal tot stad” of “Van duin tot
dorp” ? A.J. Hendrikman
62 De Zwolse “Fabriek- en Handwerk-Nijverheidtentoonstelling”
van 1860 Dr. P.J.C, de Boer
67 Omslag Zwols Historisch Tijdschrift R. Salet
BOEKBESPREKING
73 “Herstel, Hervorming of Behoud? Tien Overijsselse
steden in de patriottentijd, 1780-1787″
Besproken door N.C.F, van Sas
72 BOEKAANKONDIGINGEN
VAN DE INSTELLINGEN
76 Bericht van de Culturele Raad Overijssel
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W.A. Huijsmans, P. Lindhoud, R.T. Oost (eindredacteur),
mevr. I. Wormgoor & mevr. A. van der Wurff.
• Zwolse Historische Vereniging
Niets uu deze uitgave mag worden verveelvoudigd en /
of openbaar gemaakt door middel van druk. lotocopy.
microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
VAN DE REDACTIE
In dit nurrmer van het Tijdschrift zijn twee artikelen opgenomen.
In het eerste draagt A.J. Hendrikman een aantal argumenten aan
waarom het ontstaan van Zwolle minder verbonden lijkt met de
aanwezigheid van een stuwwal, zoals verondersteld wordt in het
in 1976 verschenen boek Zwolle van stuwwal tot stad, maar is
ontstaan uit een boerennederzetting gevestigd op een rivierduin.
In het tweede artikel staat de Fabriek- en Handwerk-Nijverheidtentoonstelling
van 1860 te Zwolle centraal. Hoewel het initiatief
van de afdeling Zwolle van de Vereeniging ter bevordering
van de Fabriek- en Handwerk-Nijverheid op zich succesvol is geweest,
is er geen industrie van enige omvang uit voortgekomen.
R. Salet geeft een aanvullende toelichting bij de omslag van
het Zwols Historisch Tijdschrift (zie ook het tweede nummer van
deze jaargang) en heft enkele onvolkomenheden in de beschrijving
op.
Verder bevat deze uitgave een boekbespreking, boekaankondigingen
en een bericht van dé Culturele Raad Overijssel.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift.
54
ZWOLLE: ‘VAN STUWWAL TOT STAD” OF “VAN DUIN TOT DORP” ?
A.J. HENDRIKMAN
INLEIDING
In 1976 verscheen er bij uitgeverij Waanders een boek onder de
titel Zwolle van stuwwal tot stad 1). Hoewel de titel op zich
leuk allitereert is het de” vraag of de vlag de lading geheel
dekt. In dit boek wordt het ontstaan van Zwolle verbonden met
de aanwezigheid van een drempel, die ontstaan zou zijn doordat
de IJssel de heuvelrug van de Noordoost-Veluwe zou hebben afgesneden.
De stuwwal zelf bestaat uit door het landijs opgestuwd
materiaal gedurende de voor-laatste ijstijd. Tijdens de Saaieijstijd
drong een gletsjer het IJsseldal binnen en vormde aan de
westzijde de Veluwse heuvelrug.
In de afgelopen jaren is er nogal wat -archeologisch/bodemkundig
en geologisch onderzoek gedaan in Zwolle tijdens diverse bouwactiviteiten,
waardoor de bestaande bodemkundige kennis is aangevuld.
In dit artikel wil ik, al inventariserend, enkele vragen
stellen bij de relatie stuwwal-Zwolle en pogen argumenten
aan te dragen voor de stelling dat het ontstaan van Zwolle als
nederzetting eerder aan een duin gebonden is, dan aan een stuwwal.
Ik heb mij daarbij in hoofdzaak gebaseerd op de bronnen,
die aan het eind van dit artikel zijn vermeld. Een definitief
antwoord op de vraag of de aanwezigheid van een stuwwal direct
verband houdt met het ontstaan van Zwolle zal alleen door
verdergaand bodemkundig/geologisch onderzoek kunnen worden
verkregen.
BESCHRIJVING VAN BESTAAND BRONNENMATERIAAL
Op bijgaand kaartje is de (natuurlijke) landschapsstructuur van
Zwolle en omgeving aangegeven (fig.1). Gestippeld is de omtrek
van de stuwwal van de noordelijke Veluwe, zoals deze zich
voortzet in de ondergrond tot aan of mogelijk voorbij de Zwolse
binnenstad 2). De hoofdstructuur van de terreinvormen in
dit gebied, de morfologie, is z.o.V n.w. Dit geldt zowel voor
de hoger gelegen zandgronden als voor. het afwateringspatroon,
dat overigens ten dele kunstmatig is. De structuur van de
stuwwal echter staat hier haaks op, namelijk z.w. – n.o. De
strekkingslijnen van de geschubde stuwwallagen worden in défig.
1
zandrug
afgegraven zandrug
contouren begraven stuw al’
1 km.
56
tail aangegeven op de geologische kaart van Nederland (fig.2)
3). Indien nu, zoals in het eerder aangehaalde boek Van stuwwal
tot stad, sprake was van een drempel dan zou die drempel
op de volgende manieren kunnen zijn ontstaan (fig.3):
1. Door een radiaal afwateringspatroon van het regenwater.
2. Door verlegging van de IJsselloop, waardoor het noordoostelijke
stukje van de stuwwal werd afgesneden.
Echter in geen van beide gevallen ontstaat het patroon van
langgerekte (zand)ruggen die z.o. – n.w. georiënteerd zijn.
Vervolgens is het bekend dat na de vorming van de Gelderse
en Sallandse stuwwallen de glaciale bekkens geleidelijk zijn
opgevuld met riviersedimenten. Wat nu nog als heuvelruggen in
het landschap zichtbaar is, zijn in feite de toppen van thans
grotendeels begraven stuwwallen.
Uit een geologisch onderzoek bij het pompstation van het Engelse
Werk blijkt dat er sprake is van zo’n begraven stuwwal die
daar dicht onder het oppervlak ligt 4 ) . Op ongeveer 13 a 15 meter
diepte begint de stuwwal, die veel hoger moet zijn geweest.
Na zijn ontstaan is de heuvel ten dele geërodeerd en later weer
bedekt met dekzand uit de laatste ijstijd en met klei en veen
uit het Holoceen. In het park Eekhout wordt de bovenkant aangetroffen
op -12 m. N.A.P., daarboven bevindt zich (dek)zand met
een dikte van 11 meter. In de inleidende beschrijving geeft het
geologisch rapport bij het structuurplan van Zwolle een variabele
diepte aan van -5 tot -10. meter N.A.P. van de bovenkant
van de stuwwal 5). Aangezien de huidige maaiveldhoogte in dit
gebied ligt tussen de 0,2 en 4,0 m. N.A.P., moet het afdekkende
pakket op de stuwwal een dikte hebben die varieert van 5 tot 14
meter. Er moet direct aan worden toegevoegd dat het tegenwoordige
terreinniveau het resultaat is van zowel afgraving van hogere
zandgronden, ophoging door de mens als bodemdaling door inklinkinc
6). Bij de bouw van het stadhuis is een vloer aangetroffen
op 1,78 m. N.A.P., circa 2,5 meter beneden het niveau
van de Sassenstraat 7). De oorspronkelijke, natuurlijke en ongeroerde
bodemlaag bevindt zich op ongeveer 1,40 m. N.A.P.
Stel dat dat het oorspronkelijke landoppervlak is geweest in
de dertiende en veertiende eeuw bij een toenmalige zeespiegel
van -O,30 m. N.A.P. en derhalve een iets hogere waterstand in
IJssel en Vecht, dan is het toch onwaarschijnlijk dat het hier
om de drempel van een stuwwal gaat 8 ) .
In de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden zijn zandige opduikingen
gevonden, zogenaamde donken in hoogte variërend van
6 tot 12 meter 9). Al deze rivierduinen zijn ingepakt in veenlagen,
afgedekt met een kleilaag en rusten op een rivierleemlaag,
die gevormd is aan het eind van het Pleistoceen, de
57
fig.2 Schematische voorstelling van strekkingslijnen
in een stuwwal met een geschubde structuur van
zand- en grindlagen gescheiden door leemlagen.
fig.3 A = radiaal afwateringspatroon
B = strekkingslijnen van de stuwwal
58
“Hochflutlehm”. De donken steken met hun koppen boven het omringende
maaiveld uit en liggen zo’n 1 a 2 meter boven N.A.P.
Op andere plaatsen zijn hele complexen begraven rivierduinen
aangetroffen (fig.4). De donken zijn veelal de vestigingsplaats
van mensen geweest. Men treft er de dorpen Hoornaar,
Minkeloos en Hoogblokland aan. De zandige ruggen in Zwolle en
omgeving doen zeer sterk denken aan het patroon in de Alblasserwaard.
– HA*
.lom.
fig.4 Begraven rivierduinen in de Alblasserwaard.
Rivierduinen op een leemlaag en tussen veen met
ingeschakelde kleilagen.
Ook in Noord-Limburg werden rivierduincomplexen aangetroffen.
Tussen Venlo en Mook zijn zij sterk ontwikkeld en bereiken
plaatselijk een hoogte van meer dan tien meter 10). En ook
hier is het opvallend dat zij gevormd zijn op een leemlaag uit
de laatste periode van de laatste ijstijd, het Laat-Glaciaal.
Door hun hoge ligging ten opzichte van de Maas zijn de duinen
hier niet bedekt door veen en klei (fig.5). Het zou interessant
zijn om na te gaan of er hetzelfde patroon van zandruggen
zou ontstaan, wanneer die Noord-Limburgse rivierduinen
ten dele zouden worden begraven. Met behulp van een gedetailleerde
roogtelijnenkaart is dat mogelijk. Overigens zijn de
rivierduinen overal in ons land gevormd als grote zandmassa’s
bij een veel lagere zeestand dan nu. Ik spreek dan over de periode
7.000 – 6.000 v.Chr. toen bij een zeespiegelstand van
twintig meter boven het huidige niveau, uit de periodiek
droogliggende rivierbeddingen zand opstoof. De overheersende
westenwind legde dit zand oostelijk van de IJssel en de Maas
als duintjes neer. In het ruilverkavelingsgebied Salland-West
is zelfs bij Herxen een complex rivierduintjes aangetroffen
59
in twee etages. De duinvorming is hier doorgegaan tot in het
Holoceen en het zand is ingepakt in afwisselend klei- en veenlagen
(fig.6) 11).
L lom.
fig.5 Rivierduinen in Noord-Limburg op een leemlaag,
waaronder rivierafzettingen uit de Eemtijd en
Weichsel.
-3m .
fig.6 Rivierduinen bij Herxen ingepakt in afwisselend
klei en veenlagen uit het Holoceen.
Poider Sekdoorn met begraven dekzand.
60
Direct oostelijk van de Zwolse binnenstad liggen nog meer zandruggen.
Het betreft onder andere de hoogte van Langenholte,
Berkum .;n Herfte. De eerder besproken duinen grenzen daar direct
aan. Zij hebben dezelfde strekkingsrichting z.o. – n.w.
De ruggen van Herfte, Berkum en Langenholte bestaan uit dekzanden
gevormd tijdens het Laat-Glaciaal, 11.000 – 8.000 v.Chr. Onder
zeer koude en droge omstandigheden en bij een zeespiegelstand
van -90 m. N.A.P. werden door de zuidwestelijke/noordwestelijke
wind dikke pakketten zand afgezet. Hoewel dekzanden grote
oppervlakten van oost en zuid Nederland bedekken, moet niet
gedacht worden aan een egaal tapijt van zand. Het terrein vertoont
het beeld van ruggen en laagten.
BESLUIT
De vraag die nu opkomt is, of de zandrug, waarop Zwolle is ontstaan,
vermoedelijk als boerennederzetting in de achtste of negende
eeuw, een rivierduin is of een dekzandrug 12).
Om dit te weten te komen moet er een antwoord worden gegeven op
de volgende vragen:
1. Bevindt zich onder de zandrug van de Zwolse binnenstad een”
leemlaag ?
2. Wat is de korrelgrootteverdeling van die zandrug ? (Dekzand
bestaat in het algemeen uit fijner zand dan de rivierduinen)
13).
3. Bevat het zand rijkere mineraaldeeltjes, zoals dit bij rivierzand
het geval is of is het net als het dekzand arm
van samenstelling ? ;
Wat vraag 2 betreft: bekend is dat de vorming van de oudste rivierduinen
ten dele samenviel met de vorming van de jongste dekzanden.
Stuifmeelkorrelonderzoek kan dus geen volledig uitsluitsel
geven als het gaat om de ouderdom. Bij graafwerk aan de
Spooldersluis is vastgesteld dat de aanwezige zandrug bestaat
uit dekzand en onmiddellijk grenst aan de afzettingen van het
IJssellandschap 14).
Wat vraag 3 betreft: in de bouwput van het oude stadhuis is destijds
een podsolprofiel aangetroffen Dit wijst op een bodemvorming
in mineralogisch arm zand bij – toenmalig – lage grondwaterstanden
15). Echter in Noord-Limburg zijn ook in de rivierduinen
podsolen aangetroffen die later weer zijn overstoven.
61
CONCLUSIES
Afhankelijk van nader onderzoek dat verder bewijsmateriaal moet
leveren en op grond van de beschikbare literatuur kom ik tot de
volgende voorzichtige conclusie: Op een zandige hoopte, vermoedelijk
een rivierduin of mi»schien een dekzandrug is een boerennederzetting
ontstaan in de achtste/negende eeuw na Christus.
Uit deze nederzetting ontwikkelt zich later de stad Zwolle.
Beide zandige hoogten zijn door de wind gevormd, zodat de titel
in de aanvang van dit artikel gebruikt “Zwolle: van duin tot
dorp”, gewettigd is.
NOTEN
1. R. van Beek e.a., Zwolle van stuwwal tot stad, Zwolle op de
drempel (Zwolle 1976) 5.
2. Zwolle van stuwwal tot stad laat op blz. 5 de stuwwal doorlopen
tot oostelijk van de Vecht. Het rapport van de Rijks
Geologische Dienst uit het Structuurplan van Zwolle (1971)
blz. 4 geeft de begraven stuwwal aan tot aan de Vecht.
3. Dr.Ir. P. Ente, De bodem van Overijssel (Wageningen 1965)
4. Rijks Geologische Dienst, Geologisch onderzoek Engelse
Werk (rapport 10.269, 28-7-1978).
5. Rijks Geologische Dienst, Geologisch rapport bij het
Structuurplan Zwolle (1971)
6. J.P. van den Berg, “Het water als vriend in het historisch
landschap van Salland” in Van Beek en land en mensenhand
(Utrecht 1985) 76.
7. R. van Beek e.a. 11.
8. Ir.D.M. van der Schrier, “Zwolle Zwartewaterstad” in Zwols
Historisch Jaarboek 1985 (Zwolle 1985) 56.
9. Rijks Geologische Dienst, Geologische kaart van Nederland,
Gorinchem Oost (Haarlem 1970).
10. Stichting voor Bodemkartering, Bodemkaart van Nederland,
Oost-Venlo (Wageningen 1975) 40.
11. W.B. Kleinsman e.a., Geomorfologie van het ruilverkavelingsgebied
Salland-West (Wageningen 1980) rapport 1476 afb. 2.
12. R. van Beek e.a. 7.
13. Toelichting bij de bodemkaart van Nederland (Wageningen
1965) 190.
14. C. Hamming e.a., “Afzettingen van de IJssel nabij Zwolle”
in Boor en Spade (1965-14) 89 – 96.
15. R. van Beek e.a., 7.
62
DE ZWOLSE “FABRIEK- EN HANDWERK-NIJVERHEIDTENTOOSBTELLING”
VAN 1860
DR. P.J.C. DE BOER
In de eerste decennia van de negentiende eeuw was er in Nederland
nog niets te bespeuren van een economische ontwikkeling
die gelijkenis vertoonde met de industriële revolutie, zoals
die zich in ole ons omringende landen aan het voltrekken was.
Dit gebrek aaLn ondernemingsgeest werd door de Zwollenaar Potgieter
gekarakteriseerd in de figuur ‘Jan Salie’ uit de, uit
1839 daterende, allegorische novelle ‘Jan, Jannetje en hun
jongste kind’. Ook Hildebrand verwees in de ‘Camera Obscura’
naar deze slappe mentaliteit toen hij over de oude heer Stastok
opmerkte dat deze ‘een vrij bloeiende lintweverij gehad had;
om de strikte waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij die
nog had, maar er werd volstrekt niet meer gewerkt en op de zolders
lag nog een aanzienlijke partij oortjesband, die hij liever
zag verrotten dan haar onder de markt te verkopen. Hij behoorde
alzoo tot die mensen die hun zaken aan de kant gedaan hebben
en, het uitzicht op verdere winsten opgevende, zich met een vrij
aardig inkomen, een onverzettelijke afkeer van stoommachines en
de Haarlemse Courant tevreden stellen 1)’.
De verandering die zich na 1850, zij het schoorvoetend, begon
af te tekenen heeft ook het Zwolse economische leven niet geheel
onberoerd gelaten. De eerste stoommachine werd daar in
1853 in de ijzergieterij van G.J. Wispelweij & Co, een ‘grootbedrijf’
met tweeënveertig arbeiders, in bedrijf genomen. De
beenzwartfabriek van Krol, de Machinefabriek aan de Veerallee,
de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen en de Gemeentelijke
Gasfabriek volgden, zodat omstreeks 1875 er al zo’n achtentwintig
stoommachines in bedrijf waren 2).
Bij deze industriële ontwikkeling heeft de afdeling Zwolle van
de ‘Vereeniging ter bevordering van de Fabrieks- en Handwerk-
Nijverheid’ een niet onbelangrijke rol gespeeld. Dit was
overigens niet het enige terrein waarop zij zich begaf, al passen
de door haar ondernomen activiteiten wel in het kader van
stimulering en vernieuwing van de industriële bedrijvigheid in
Zwolle. Dat zij daarbij het belang van technisch onderwijs niet
onderschatte blijkt wel uit het initiatief in 1853 om te komen
tot een industrieschool. Op 21 januari van dat jaar werd daarvan
in een advertentie in de Zwolsche Courant melding gemaakt.
63
Als initiatiefnemer hiervan werd de heer W.E.J. Tjeenk Willink
genoemd, terwijl de heren L. Vroom, K.T.W. Eymaal en A.J.
Doyer Hzn daarbij als commissarissen van de school werden genoemd.
Deze industrieschool was een van de weinige, die het
landelijk gezien, goed zou doen. Voorts was er een Commissie
van Werkverschaffing waarin zitting hadden de heren B. Reinders
(voorzitter), G.W. Robow, J. Kamphuis en de al eerder genoemde
A.J. Doyer Hzn 3). In mei 1859 werd door de Commissie in Comitium
(een vergaderlokaal, thans het pand Papenstraat 7) een
‘Vereerend Getuigschrift’ ingevoerd, dat uitgereikt zou gaan
worden aan hen die meer dan twintig jaar in hetzelfde bedrijf
werkzaam waren geweest 4). Daarnaast werden er door de ‘Vereeniging’
herhaaldelijk prijsvragen uitgeschreven waarbij, zoals
uit de in de advertentie gegeven opdrachten blijkt, een beroep
werd gedaan op de vindingrijkheid en beheersing van velerlei
technieken 5).
PROGRAMMA fan PRIJSVRAGEN
LITOESClïKEVEN EOOB DE
AFDEELIWG ZWOLLE,
PEn
YETÏEENir.ING TOT BFVOKDETtïNG VAN FABRIEKEN
HANDUEKK-NIJ VERHEID IN NEDERLAND.
X». 1. Een t.ifiUje op éeüc »olo;n — het blad iagerigt tot ichaalcen
dambord Prijl f 10.00
N». 2. Een siei’.ijk bewirkt Bloemc-jtafeltjc vao gev!
ot!iteu ijzerdraad, waarop geplaatst eeae
rogclkooi van di’.o werk . „ 10.00
N», 3. Eene plank half met link-, half met loodwit
gercrird, waarop iii tehrGetter» het pswooe
alphslieth is geselingen, e:i een zelfje alpbjbct
ia k.ip.’laie of trck!i.tt;rs; de «..LirijQtltcr» ioof
3 ueder!. i!»i:acn ue kap.tale lettrrs uiar
evcoiv:ii:liüid „ » 5.00
X°. 4. Een ijzt’ren E-spasnnlct dienvnile tot slal’in!;
van een gewoon Jraairaam , de stnaf !;tr,i ^.60
El , de bcwegic; of sluiting ter keuze vau
den vcrTaardiypr ,. 10.00
N». 5. 2 Cunsoles, gebeiteld uit wit maruier , ia Hen
vorm van Corinthische tEodilloot, volgoiu Vig.
no.la — de Coiiioïes lang 0.23 breed nanr eisrh » » 10.00
afb.1 PROGRAMMA van PRIJSVRAGEN
(uit: Zwolsche Courant 3 februari 1857)
Hoewel deze activiteiten van de ‘Vereeniging1 zeker niet onbelangrijk
te noemen zijn, behoorden toch tot de meest in het oog
lopende activiteiten vooral de door haar georganiseerde tentoonstellingen.
De betekenis hiervan werd steeds groter en kan
wellicht een indicatie vormen voor de toename van de industriële
ontwikkeling in Zwolle. Waren er op de eerste tentoonstelling
in 184O slechts 31 inzendingen, twintig jaar later waren dat er
bijna duizend en wist deze een kleine vijfduizend bezoekers aan
64
te trekken 6). Hiervoor was dan ook door de plaatselijke courant
al weken lang het publiek in stad en provincie warm gemaakt. Zo
schreef zij op 25 juni 1860: “Het zal niet noodig zijn onze staden
gewestgenooten tot verdere belangstelling in de zaak op te
wekken. Ieder, die weet in welk verband de bloei van de nijverheid
met de welvaart des volks staat, verheugt zich voorzeker
in het uitzigt op eene vrij volledige voorstelling van datgene
wat Overijssels industrie op het uitgebreide gebied der nijverheid
levert. De dagen dezer tentoonstelling te Zwolle zullen
zeer veraangenaamd worden door andere exposities, volksspelen en
vrijwillige medewerking van onderscheidene colleges en particuliere
personen”.
De tentoonstelling, die duurde van 13 tot 26 augustus, werd gehouden
in de zalen van Odeon. De organisatoren hiervan waren
J. Thiebout (voorzitter), A. van Naamen van Eemnes (onder-voorzitter),
J.S. van Deventer (penningmeester), W. Koch (secretaris)
en verder de heren S.A. Jacobs, J. Cnopius, R. Reinders,
G. Schaepman en G.D. Swannenburg de Veye. De heren wisten zich
in elk geval verzekerd van de steun van de Zwolsche Courant,
die op 6 augustus bovendien de verwachting uitte dat velen
‘door het uitsteken van vlaggen een bewijs hunner belangstelling
zullen geven in de Vereeniging van wie deze tentoonstelling
uitgaat’. Dat deze loftuiting gegrond was, blijkt wel uit
het feit dat er bijna duizend voorwerpen werden ingezonden.
Op maandag 13 augustus werd door de voorzitter van de ‘Vereeniging’
Mr. J. Thiebout de opening verricht. Na deze plechtigheid
‘vereenigden zich de vele aanwezigen in de tuin van Odeon, die
nooit sierlijker aanzien had dan nu, niet alleen door de ten
toon gestelde bloemen en vruchten, maar ook door de keurige decoratiën
en schoone verlichting. Het muziek der Stedelijke
Schutterij verhoogde daar het feestelijk genot. De groote zaal
van het Odeon zelve is smaakvol gedrapeerd met de oranje en
nationale kleuren, waartusschen de busten van Z.M. de Koning
en Z.K.H. Prins Frederik, benevens de wapenschilden van onderscheidene
van Overijssels Gemeenten een fraai effect maakten 7)1.
De zorg dat ook het ‘gewone volk’ kon delen in deze festiviteiten
werd toevertrouwd aan de ‘Vereeniging tot het houden van
Volksvermaken te Zwolle’. De door haar georganiseerde roeiwedstrijd
en vermakelijkheden als een wedstrijd op waterschoenen,
vlaggespel te water, boegsprietlopen, tobbespel enzovoorts waren
toch van een andere orde dan de geïmproviseerde buitenpartij
die de heren die de algemene vergadering van de ‘Vereeniging’
bezochten voor zichzelf in petto hadden. Zij lieten
zich, zoals de Zwolsche Courant op 17 augustus 1860 wist te
melden, in de geïllumineerde tuin bij Thijssen, onder de muzi65
Vereenlglog tot bet boaden van
Volksvermaben te Zwolle.
Ter peiegenheid v»n de TentoonsleüH.g T»O l’ro»inci«’f
Nijverheid ui het gewone Zomerfeeat plaats heülieu op /-o.-
drrdag den 16 /tiigmtm aorntaande, op de Tuifm.nia en dr
IVelen’m, heginntride om 3 uren cn ruiildag! mei ttn ROEIWEDSTRIJD
met Booten der Vcr«*n:Ling, Prijs f 1.3. P r e m i e tj.
Verdfr zuilen onderscliriJeu Wedstrijd u CD Veim.iLciijko?-
dm plaats debbeu , »!a: Wedttriji op Watersclineneii, YLugtspel
te Water, Boegspiic;!oopeo , Zaklocpen, Tuhbespel nu
AM’t zul wordeu «f^euisitl^ door de Mjütk vau lul
SteJrüjk Muziekcorps eu worden besla:ea met tta Prachtig: Vuurwerk.
afb.2 Aankondiging van diverse wedstrijden
kale omlijsting van de Schutterij, door bekroonde soorten begonia’s,
fuchsia’s, chrysanten, dahlia’s, verbena’s, rozen enzovoorts,
letterlijk in de bloemetjes zetten.
De ingezonden stukken op de tentoonstelling werden voorgelegd
aan een jury bestaande uit acht personen. Om een neutrale beoordeling
te garanderen, waren hiervan slechts drie Zwollenaren
lid, namelijk Mr. J. Thiebout en de heren J. van Wijngaarden en
B. Reinders. De jury was zeer te spreken over de inzendingen en
meende zelfs dat ‘meerdere van de tentoongestelde voorwerpen
aanspraak zouden hebben op eene Wereldtentoonstelling bekroond
te worden 8)1. Naast het grote aantal voorwerpen, valt ook de
diversiteit ervan op. Voor de jury dus bepaald geen gemakkelijke
opdracht om het zestigtal zilveren en bronzen medailles en de
‘Vereerende Getuigschriften’ toe te kennen. Onder de prijswinnaars
bevond zich een tweeëndertigtal Zwollenaren. Zo werd een
zilveren medaille toegekend aan G.J. Wispelweij voor een door
hem ontwikkelde hydraulische hooipers, waarmee hooi in vervoerbare
pakken kon worden geperst. Door de sterke uitbreiding van
het Pruisische leger was hooi namelijk een belangrijk exportartikel
aan het worden. Voorts waren er bronzen medailles voor
A.J. Kamphuis (meubelen), Schaepman en Helmich (geëmailleerd
ijzeren potwerk) H. van Tongeren (kookmachine), G. en W. Eleveld
(badkuip met verwarmingstoestel. Het betrof hier een
stort-, douche- en regenbad, dat de onverplaatsbare gemetselde
baden kon vervangen). Brons werd ook toegekend aan W.E.J.
Tjeenk Willink voor drukwerk. ‘Vereerende Getuigschriften’
werden behaald door onder meer E.D. Schaepman (kunst-, mineraalen
geneeskundige wateren), de Wed. A. Schuttelaar (brandwaarborgkast),
J.M.W. Waanders (bindwerk), terwijl W.O. Sterk voor geconfijte
oranjes en verduurzaamde groenten deze erkenning wist
te behalen.
66
Een aanzienlijk aantal voorwerpen, namelijk 176, werd vervolgens
aangekocht om samen met tweehonderd zogenaamde Rozen of Gezigten
van Zwolle, als prijzen te dienen voor een loterij. Hiervoor
werden 2.442 loten a f 1,— verkocht. Voor dit, voor die tijd
toch aanzienlijke bedrag, kon naast de Gezigten van Zwolle, ook
meegedongen worden naar – onder andere – een ovalen vleesstulp,
open haard, dertig el geweven cocosgaren, dolkmes, damesschrijftafel,
reiskoffer, wastafel, hondehuisje, springveren matras,
buffetétagère, zitbank, aquarium, paraplubak, guéridon (siertafeitje
op een poot), turfbak en een buste van Koning willem III.
De prijzen moesten acht dagen na de trekking zijn opgehaald.
Wat achterbleef zou verkocht worden ten bate van de algemene
armen van Zwolle 9).
Hoe succesvol de tentoonstelling ook geweest is, industrie van
enige omvang is daaruit niet voortgekomen. Zwolle had dan wel
een gunstige geografische ligging, maar kapitaal en grondstoffen
ontbraken. Ook de Zwolse arbeiders, als deze al over de
benodigde technische vaardigheden beschikten, verkozen het
werken in de buitenlucht boven dat in de fabriek. Dit overigens
wel in tegenstelling tot de Twentse boerenfamilies die door de
huistextielnijverheid wel over de technische vaardigheden beschikten
en voor wie de overstap naar een fabrieksmatige productie
makkelijker te maken was. De ontwikkeling van Zwolle
van een rustige, wat stijve en deftige provinciehoofdstad met
veel ambtenaren naar een stad waarin de industrie economisch
van belang werd, vergt een nader onderzoek en valt dan ook
buiten het bestek van dit artikel.
Noten.
1. Hildebrand (ps. N. Beets), ‘De familie Stastok’ in Camera
Obscura (Haarlem 1970, 1e druk Haarlem 1839), 23 e.v..
2. F.C. Berkenvelder, Ach lieve tijd; 750 jaar Zwolsen,
Zwollenaren en hun nijverheid en industrie (Zwolle 1980),
455.
3. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 29 december
1854.
4. Idem, 13 mei 1859.
5. Idem, 13 mei 1854 en 3 februari 1857.
6. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle II (Zwolle 1961),
253.
7. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 15 augustus
1860.
8. Idem, 20 augustus 1860.
9. Idem, 15,17,20,22,23,27,29 augustus en 3 september 1860.
67
OMSLAG ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT (2)
R. SALET
Aanvullende opmerkingen bij de toelichting bij de omslag van
het Zwols Historisch Tijdschrift.
In het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 2 1986 wordt een toelichting
bij de omslag van het tijdschrift gegeven. In de toelichting
zitten naar mijn mening een paar onvolkomenheden die
ik wil opheffen. Daarnaast wil ik nog wat aanvullingen geven.
De anonieme kopergravure “Swolla” uit de achttiende eeuw is
een kopie van een eveneens anonieme gravure uit de zestiende
eeuw getiteld “Swolla”. De prent toont een stadsgezicht vanuit
het zuiden. De graveur moet ongeveer ter hoogte van het huidige
stationspostkantoor gestaan hebben om zijn schetsen te maken.
Hij is daar in ieder geval voor 1580 aan het werk geweest.
Dit weten we omdat de Zwolse raad in 1577 besluit, op aandrang
van de landsregering, om de zwakste plekken van nieuwe vestingwerken
te voorzien. Deze lagen kennelijk in het zuiden, want in
1579 besluit de raad tot de aanleg van een bolwerk tussen de
Kamperpoort en de oude Kruittoren. Tien jaar later wordt er ook
één aangelegd tussen de Gelderse Toren en de Sassenpoort.
In 1593 is de noordzijde van de stad aan de beurt. Cornelis
Bloemaert krijgt de opdracht om een reeks van bolwerken voor de
,,-<*• Cornelis Bloemaert; Ontwerptekening voor nieuwe vestingwerken te Zwolle, 1593 (copie) (Collectie P.O.M.) 68 Diezerpoort te ontwerpen. Op zijn ontwerptekening gedateerd 1593 zijn de zuidelijke bolwerken, het zogenaamde Eekmolenbolwerk en Suikerbergbolwerk te zien. Op de anonieme prent ontbreken ze echter. Het stadsgezicht kan dus met zekerheid voor 1580 gedateerd worden. Wat heeft de graveur nu allemaal precies afgebeeld? Uiterst links zijn schepen (2) op het Zwarte Water te zien. De molen (I) staat niet op het Maagdenbastion maar op het Rode Torenplein. Als men de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg erbij neemt, die in dezelfde tijd is gemaakt als de prent, wordt het duidelijk. Wat men voor het Maagjesbolwerk heeft aangezien is namelijk de halfronde kade (?) bij de monding van de Grote Aa. Het bolwerk zou pas veel later worden aangelegd. De Rode Toren is niet afgebeeld. De graveur kon vanaf de plek waar hij stond de toren niet zien. Evenals de waterpoort over de Grote Aa (zie Braun en Hogenberg). Afgebeeld is de in 1502 gebouwde Organisttoren (3), zo genoemd omdat de toren aan de stadsorganist werd verhuurd, die aan het eind van de huidige Voorstraat stond. Vervolgens de Drake(n)toren (4), 36 meter hoog en bekroond met een windvaan in de vorm van een draak (niet zichtbaar afgebeeld), Dan volgt de grootste verdedigingstoren die de Zwolse vesting gekend heeft en die lange tijd als gevangenis heeft dienst gedaan, de uit de eerste helft van de veertiende eeuw stammende Jan Baghstoren(.5). De toren stond vlakbij het Hopmanshuis. De fraaie Kamperpoort is de volgende. Bestaande uit de in 1488 gebouwde Kamperbuitenpoort (6) en de veel oudere, waarschijnlijk vroeg dertiende eeuws, voormalige Voorsterpoort (6b), nu Kamperbinnenpoort genoemd. Tussen de Kamperpoort en de Sassenpoort bevindt zich een dubbele stadsmuur van elkaar gescheiden door de oude, vroeg middeleeuwse stadsgracht (zie Braun en Hogenberg). De binnenmuur (h) stamt uit de dertiende eeuw, de buitenmuur (i) is laat veertiende vroeg vijftiende eeuws. Voor de Peperbus en de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) is in de binnenmuur de Oude Kruittoren (8) zichtbaar. Hij wordt gebruikt als kruitmagazijn en daarom zijn de gewelven met klei afgedekt. Op de voorgrond een watertje dat via een sluisje (c) in de stadsgracht uitmondt. Verder de binnenmuur volgend komen we bij het Veldhuisrondeel (d), een grote halfronde verdedigingstoren. Schuin achter deze toren zien we in de verte een torentje van een huis (9) in de Nieuwstraat. Hoog boven alles uit steekt de toren van de Groteof St. Michaelskerk (10). Op de voorgrond is de Gelderse Toren (II) en de Nieuwe Kruittoren (12) te zien. De beide torens vormen één complex verbonden door muren (zie Braun. en Hogenberg). o I I2 i 1 1 1 I i4 b '1 I I i ZWO 15 E H I6TO R 16C H VER EN 1 C i 1; C Anoniem; Gezicht op Zwolle, gravure plm. 1580 (Collectie P.O.M.) ier bevond zich namelijk tot 1531 de Luttekepoort, een landpoort (de toegangsweg is op de kaart van Braun en Hogenberg nog te zien). Deze al in 1393 vermelde poort wordt bij de aanleg van de buitenmuur gesloten en in 1531 gesloopt en vervangen door een nieuwe die dienst doet als kruitmagazijn. Rechts van de Kruittoren is een dakruiter (een klein puntvormig torentje op de nok van een dak geplaatst) van het Fraterhuiscomplex (13) zichtbaar. Nog iets verder naar rechts een dakruiter van de Broerenkerk (14). Vervolgens in de Binnenmuur ter hoogte van de Blijmarkt de Gerrit Lesckertoren (151, een uit de veertiende eeuw stanmende ronde, spitse toren. De Raadhuistoren (16) en een dakruiter van de Latijnse School (e) volgen, dan een toren van een huis (17) in de Praubstraat. Een dakruiter van het Heilige Geestgasthuis (18) is eveneens zichtbaar. Dan gebeurt er iets merkwaardigs: in plaats van de Bethlehemskerk beeldt de graveur een toren van een huis (19) in de Bloemendalstraat af, om vervolgens alsnog de Bethlehemskerk (2û) aan de horizon te laten verschijnen, op een plaats waar de dakruiter van de kapel van het St. Geertruidenconvent, de huidige Waalse Kerk, had moeten verschijnen. Heeft hij zich hier vergist of is het bewust om der wille van de compositie zo gedaan? Een raadsel dat waarschijnlijk nooit opgelost zal worden. Voor de Bethlehemskerk wordt het in de buitenmuur gebouwde wachthuis (21) met bijbehorende toren afgebeeld. 71 c I I Braun en Hogenberg; Stadsplat tegrond van Zwol le, plm. 1581 ( C o l l e c t i e P.O.M. I 1 72 Tot s l o t volgen de Sassenpoort (22) en een halfronde muur die het p l e i n voor de poort beveiligde en waar de buitenmuur op aansluit. Aan de landzijde staat een u i t k i j k t o r e n (i)). Vanaf deze toren hield men het vee dat op de stadsweiden graasde i n de gaten en kon men naderend onheil signaleren. Tussen de u i t k i j k t o r e n i S nog de Diezerpoort (23) afgebeeld. Naast de a l genoemde torens en poorten bevonden zich i n de buitenmuren ook nog zes zogenaamde Halve Manen, kleine halfronde verdedigingswerken (9). OP de Prent z i j n er twee afgebeeld die tussen de Kamperpoort en de Gelderse Toren waren gelegen en vier tussen de Gelderse Toren en de Sassenpoort. Op de plattegrond van Braun en Hogenberg staat er één minder afgebeeld, terw i j l er ook een aantal voor de binnenmuur i s getekend. Deze laatste kon de graveur vanaf z i j n p o s i t i e n i e t waarnemen. Afgezien van het ontbreken van de kapel van het St. Geertruidenconvent heeft de maker van het stadsgezicht "Swolla" een zeer nauwkeurige afbeelding van de stad gemaakt zoals deze er na 1531 (de sloop van de Luttekepoort) en voor 1580 (aanleg Eekmolen- en Suikerbergbolwerk) vanuit het zuiden moet hebben uitgezien. Bron: Salet, R.; Opkomst en ondergang van de Zwolse vesting, i n P m f l e t V I I (1985) nr. 1. BOE KAAN KONDIGINGEN Van provinciehuis t o t bibliotheek; onder eindredactie van L. Lapoutre. Zwolle, Waanders - Bibliotheek Zwolle, 1986. 24 cm., 32 blz., afb. 1961 - 1986 ; Kroniek van 25 jaar wijkorganisatie Holtenbroek. Meppel, 1986. 21 cm., 24 b l z . , afb. Ley, Henri Voor Zwoll' t o t nut en sieraad; de totstandkoming van de schouwburg Odeon t e Zwolle 1838 - 1840. Zwolle, 1986. 21 cm., 34 b l t . , afb. 73 BOEKBESPREKING HERSTEL, HERVORMING OF BEHOUD? TIEN OVERIJSSELSE STEDEN IN DE PATRIOTTENTIJD, 1780-1787. M.A.M. FRANKEN EN R.M. KEMPERINK (ea) Overijsselse Historische Bijdragen, 99 (1984) N.C.F. VAN SAS Het langdurige verblijf van onze achttiende-eeuwse patriotten in het verdoemhoekje lijkt nu wel definitief tot het verleden te behoren. Het oude verwijt dat hun optreden "onnederlands" zou zijn geweest, is door Geyl en De Wit met klem van redenen weerlegd, en dat de patriotten anti-orangistisch waren vormt al lang geen belemmering meer voor een serieuze bestudering. Voor het jaar 1987 staan de nodige tentoonstellingen en bijeenkomsten op stapel en Overijssel heeft op die festiviteiten al een voorschot genomen met de herdenking van Joan Derk van der Capellen, de burgerbaron en symboolfiguur van het patriotse protest, die echter al in 1784 kwam te overlijden. Cap^llens herdenking was de aanleiding voor de verschijning van het hier besproken boek over de patriottenbeweging in tien Overijsselse steden. Het komt voort uit scripties geschreven door M.O.-studenten aan de Noordelijke Leergangen en vormt een geslaagd voorbeeld van projectmatig onderzoek, in de historische wereld nog altijd een vrij ongebruikelijke figuur. De tien auteurs hebben allen gewerkt volgens hetzelfde stramien, zonder evenwel de individualiteit van de afzonderlijke steden geweld aan te doen. Het boek vormt tevens een sprekend pleidooi voor de waarde van locale en regionale geschiedenis. Naast de drie hoofdsteden Zwolle, Deventer en Kampen, komen zeven -dus niet alle- kleinere steden aan de orde. De auteurs geven steeds een korte schets van de demografische, economische en religieuze structuur van hun stad en proberen de politieke ontwikkeling doorzichtig te maken door die te faseren. Ze kijken naar de dragers van de patriottenbeweging, naar hun tegenstanders, naar de gestelde eisen, de rol van magistraat en gezworen gemeente, burgercommissies, gilden, vrijkorpsen en petitionnementen. Gelukkig houdt hun verhaal niet op bij het binnentrekken van de Pruisische troepen in de nazomer van 1787, maar kijken ze nog even verder, om te zien hoe de contrarevolutie zich heeft voltrokken. In deze bespreking zal het accent liggen op de gebeurtenissen in Zwolle. Er was daar zonder twijfel sprake van een patriottenbeweging met een breed draagvlak, maar de reactie van de autoriteiten -steeds van groot belang voor het 74 al dan niet op gang komen van een revolutionaire beweging- was van dien aard dat het patriottisme in rustiger banen werd geleid dan bijvoorbeeld in Deventer. De man die hiervoor vooral verantwoordelijk was, was burgemeester L.G. Rouse, de vertrouwensman van de stadhouder in 'Zwolle en behorend tot het informele netwerk van correspondenten waarmee Willem V zijn invloed in de Republiek probeerde geldend te maken. De persoonlijke standing en de wijze van optreden van zo'n plaatselijke contactman konden van groot belang zijn. Aanstootgevend en willekeurig handelen kon het patriottisme stimuleren; beheerst en redelijk gedrag (zoals in het geval van Rouse) had soms het omgekeerde effect. Evenals in Deventer speelden de gilden in Zwolle bij het op gang brengen van het patriottisme een belangrijke rol. In september 1782 zetten zij een petitiebeweging op touw -één van de geijkte actiemiddelen uit die tijd- die meer dan 2.000 handtekeningen opleverde. Op een bevolking van ongeveer 12.000 is dat een verbluffend resultaat dat heel duidelijk de intrinsieke kracht van het Zwolse patriottisme aangeeft. De gilden speelden in Zwolle ook een centrale rol bij de oprichting van het burgercorité, eind 1782. Met de creatie van een vrijkorps, een jaar later, was in Zwolle het vertrouwde rijtje van patriotse actiemiddelen compleet. Op een kritiek moment etaleerde ook de grote massa van de bevolking haar betrokkenheid bij het plaatselijke hervormingsproces door met duizenden in de Onze-Lieve-Vrouwekerk samen te komen om politieke eisen kracht bij te zetten. Het Zwolse patriottisme ontwikkelde zich overigens volgens een niet ongebruikelijk patroon. Evenals elders in Overijssel was het eerst de meente die haar positie trachtte te versterken ten opzichte van de magistraat om vervolgens in de radicale jaren 1785-1787 links te worden ingehaald door de burgercommissie die een verdergaand program van democratisering voorstond. Het Twolse patriottisme is door P.J. Lettinga in het algemeen helder en competent in kaart gebracht. Maar natuurlijk blijft er nog wel wat te wensen over. Soms worden de ontwikkelingen wel erg beknopt beschreven en wordt een nadere detaillering node gemist, een bezwaar dat trouwens ook geldt voor diverse andere bijdragen uit de bundel. Zo ergens, dan moeten toch bij de beschrijving van politieke verhoudingen op locaal niveau, de mannetjes die het beeld hebben bepaald het volle licht krijgen. Door de ondertekenaren van petities te vergelijken met gildeboeken en, voorzover aanwezig, ledenlijsten van het vrijkorps, sociëteiten, vrijmetselaarsloges, leesgezelschappen, en wat er verder ook aan verenigingen geweest mag zijn, moet het mogelijk zijn nog dieper door te dringen in de sociale structuur van het Zwolse patriottisme. Door die "sociabiliteit" in al haar facetten bij het onderzoek te betrekken, kan het proces van politi75 sering beter zichtbaar gemaakt worden en kunnen bijvoorbeeld crypto-politieke leesgezelschappen worden ontmaskerd. De auteur maakt melding van het bestaan van een burgersociëteit in Zwolle, maar daarover zijn helaas weinig gegevens bewaard gebleven. Intrigerend, en zeker niet onaannemelijk, is zijn veronderstelling dat deze sociëteit ook na de Restauratie van '87 als patriotse mantelorganisatie is blijven voortbestaan. Dit vragen-naar-meer wil overigens niets afdoen aan de waardering voor het werk dat nu al verricht is. Een vraagteken plaats ik wel bij de summiere mededeling dat de Zwolse katholieken (22% van de bevolking) "dezelfde politieke rechten (kregen) als de gereformeerde ingezetenen", en bij de apodictische slotopmerking dat het religieuze profiel van Zwolle "geen invloed" heeft gehad op de patriottenbeweging. Op zijn minst vereist een dergelijke bewering enige toelichting. Hoe stond het bijvoorbeeld met het percentage katholieke ondertekenaren van de diverse petities, welke rol speelden de katholieken in het vrijkorps, hoe gedroegen de (geestelijke) leiders van de katholieke bevolkingsgroep zich? Van de overige hoofdstukken heeft elk wel zijn eigen aantrekkelijkheden. Eén van de meest interessante bijdragen is die over Kampen, waarin een op zichze'.f vrij gematigde patriotse ontwikkeling wordt geanalyseerd met veel gevoel voor plaatselijke en persoonlijke bijzonderheden. Paradoxen levert de bundel ook op: in Oldenzaal zien we de bekende patriot Racer actief op zijn thuisbasis, maar in Almelo treedt dezelfde Racer op als verdediger van de rechten van het Huis en de familie Van Rechteren tegen de locale patriotten. Waar elders de "teergeliefde" Willem V als vijandbeeld fungeert, is dat in Almelo de gravin Van Rechteren, hetgeen nog eens het sterk anti-aristocratische karakter van het Overijssels patriottisme onderstreept. In Almelo vielen bij het contact tussen het patriotse vrijkorps en het legertje grafelijke pachters soms rake klappen. Ook in verschillende andere plaatsen werd het gebruik van geweld niet geschuwd en het lijkt niet onaannemelijk dat de patriottentijd per saldo toch wat gewelddadiger is geweest dan vaak wordt aangenomen. In zijn slotbeschouwing constateert Franken terecht dat de roep om Grondwettige Herstelling meer inhield dan alleen herstel van oude rechten en wel degelijk ook eigentijdse politieke vei— langens omvatte. Verder wijst hij onder meer op de wijde verspreiding, zowel geografisch als sociaal, van het patriottisme in Overijssel en op de toenemende religieuze tolerantie. Ook brengt hij de ontwikkelingen in Overijssel in verband met Palmers conceptie van een democratische revolutie in de hele westerse wereld, en met de door C.H.E. de Wit gehanteerde 76 aristocratisch-democratische antithese. Het vele goede van deze bundel doet hopen dat de editors hun voorzichtige aankondiging van een vervolgdeel over het Overijsselse platteland gestand zullen kunnen doen. Misschien zou daarin de ideologische dimensie van het patriottisme, het bewerken van de publieke opinie in pamfletten en periodieken, en de wijze waarop over politiek werd gediscussieerd, nog wat meer aandacht kunnen krijgen dan in deze bundel. Hoe lonend die aandacht kan zijn bewijst het verhaal over het kleine Hardenberg (nog geen 700 inwoners), waar een geschil over enkele weggelopen koeien leidde tot een principiële discussie over de aard van de plaatselijke democratie en de rechten van burgers in een vrije republiek. BERICHT VAN DE CULTURELE RAAD OVERIJSSEL Nieuwe consulent voor de afdeling musea, oudheidkunde, monumenten. De heer G. Buist uit Deventer wordt de opvolger van Frits Zeiler, die met ingang van 1 maart jongstleden werd benoemd tot hoofd bureau culturele zaken van de gemeente Kampen. De heer Buist is 30 jaar. Hij studeerde aan de Rijksuniversiteit van Groningen geschiedenis met als hoofdvak: sociale en economische geschiedenis, en als bijvakken: culturele antropologie, historische geografie en nieuwste geschiedenis. Regionaal en historisch onderzoek heeft altijd de voorkeur van de heer Buist gehad. Na zijn studie heeft hij in samenwerking met het Nedersaksisch Instituut te Groningen een portret gemaakt van het dagelijks leven in de gemeente Oosterhesselen gedurende de periode 1900- 1940. Van 1982 - 1984 was hij coördinator volwasseneneducatie bij de gemeenten Hoogeveen en Zuidwolde. Daarna was hij studieconsulent bij het studiecentrum Deventer van de Open Universiteit. De heer Buist begon zijn werkzaamheden bij de Culturele Raad Overijssel op 1 juli 1986. ZWOLét HI«TODIêCIU VtDtNICINC BESTUUR: voorzitter: J. Hagedoorn secretaris: R. Salet penningmeester: H. Brassien lid: R.T. Oost lid: B.H. Edel SECRETARIAATSADRES: Sellekamp 32 LEDENADMINISTRATIE: Brederostraat 76 Tyassenbelt 28, Zwolle Sellekamp 32, Zwolle Brederostraat 76, Zwolle Jeilissenkamp 2, Zwolle 8014 DR 8023 AV REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH JAARBOEK: Westerstraat 34 8011 CG REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT: Jeilissenkamp 2 8014 EW GIROREKENING: 5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle type/layout: henk brassien/OLIVETTI-livius (90%) druk: adm.centrum "DE SASSENPOORT" - Zwolle omslag: "SWOLLA", kopergravure, anoniem, 18e eeuw Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden

Lees verder