Categorie

Aflevering 3

Zwolse Historisch Tijdschrift 1985, Aflevering 3

Door 1985, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ZWOL&
HIÓTOQI&CH
TIJDcSCHDIFT
Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
8011 VN ZWOLLE
038-421 43 14
2/ 6 f
ZWOL&E H16TODI&CHE VEDENIGING
ZWOL& H16TOR1SCH TIJD6CHD1 FT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER DRIE / JAARGANG TWEE / 1985
(nummer twee was de bundel “Als een strootje. ….*)
pgn
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 Een vroege poging tot handel- en industriebevordering:
de eerste Overijsselse tentoonstelling van
nijverheid en kunst GREGOR RENSEN
20 Een tweede interessante kinderschoen te Zwolle
O. GOUBITZ
21 “Vader, van droefheid kan mijn moeder niet meer
schrijven”. Sodomietenvervoiging te Zwolle in 1730.
H. REENDERS
BOEKBESPREKING
31 De Jodenvervolging in Zwolle. Geschiedenis van de
Joden te Zwolle tussen 1933 en 1946 (Iet Vierstraete
– Erdtsieck) JAAP HAGEDOORN
VAN DE INSTELLINGEN
19 Tentoonstellingsagenda P.O.M.
34 Mededelingen Culturele Raad Overijssel
35 IJsselakademie: verzoek om hulp
35 /ERENIGINGSMEDEDËLINGEN, w.o. uitslag enquête 1984
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W. Huijsmans, P. Lindhoud, R.T. Oost (eindredacteur),
mevr. I. Wormgoor, mevr. A. van der Wurff.
Redactie Zwols Historisch Jaarboek:
J.F. Borst (eindredacteur), P.J. Lettinga.
O . «ptSf H.Mvjr IbCl.f Vfcrt.,)ij|Mj.
N i e t s u i t d e / f N H I J A V V mq . H O » ! . v » – r v f e l v o u ü i g d i n /
HU” f f,f i im ot i>g . e i k f « l i / t c-ti* , iGfnlef v 01 >« n I {jdiinitv
IVOLAt BUTODI4CBK VtQtMCIIIC
VAN DE REDACTIE
Na het doen verschijnen van de bundel Als een strootje in de
maalstroom, die voor leden van de vereniging in de plaats kwam
van het tweede nummer van het Tijdschrift, is de redactie erin
geslaagd op tijd het derde tijdschriftnummer samen te stellen.
Gewoontegetrouw bevat het zowel artikelen en een boekbespreking,
als informatie vanuit de culturele instellingen en vanuit
de vereniging zelf.
Uit het jaarverslag van de vereniging blijkt, dat het aantal
leden nog steeds groeit. Naar de redactie hoopt, zal dit stijgend
ledental ook resulteren in een toename van het kopij-aanbod.
Schroomt U niet Uw produkten op het terrein van historisch
onderzoek eens voor te leggen aan de redactie.
EEN VROEGE POGING TOT HANDEL- EN INDUSTRIEBEVORDERING:
DE EERSTE OVERIJSSELSE TENTOONSTELLING VAN NIJVERHEID
EN KUNST TE ZWOLLE (1840)
Gregor Rensen
Inleiding
In juli en augustus 1840 werd in het pas enkele maanden daarvoor
geopende Odéon te Zwolle, de eerste Overijsselse tentoonstelling
van voorwerpen van nijverheid en kunst gehouden. De
bedoeling van deze tentoonstelling was de Overijsselse producten
binnen en buiten de provincie meer bekendheid te geven en op
die manier de provinciale economie te stimuleren. Hoewel dit
vroege voorbeeld van promoten van handel en industrie een groot
succes werd, is deze gebeurtenis in de Zwolse geschiedschrijving
– voor zover ik heb kunnen nagaan – niet gememoreerd, in tegenstelling
tot de nijverheidstentoonstelling die 20 jaar later in
Zwolle plaatsvond 1).
Op deze plaats wil ik proberen iets van die onbekendheid weg te
nemen, door middel van een korte beschrijving van het verloop
van de tentoonstelling en enkele indrukken van de tentoongestelde
voorwerpen. Daarbij wil ik tevens aandacht schenken aan
de achtergrond waartegen de tentoonstelling plaatsvond, zoals
het economische klimaat en de heersende mentaliteit. De vraag
zal gesteld worden of en in hoeverre het initiatief tot deze
tentoonstelling beschouwd kan worden als een bewijs van het
doorbreken van een moderne ondernemingsgeest bij de Overijsselse
industriëlen en politici.
Economie en mentaliteit in Nederland
In economisch opzicht was de eerste helft van de negentiende
eeuw voor Nederland over het algemeen niet gunstig. De koopvaart,
vanouds één van de belangrijkste pijlers onder ’s lands
economie, bleek na de Franse periode met sterke mededinging te
kampen te hebben, vooral van de zijde van Groot-Brittannië.
De nijverheidssector was in deze periode eveneens van geringe
betekenis voor de groei van de welvaart, althans voor zover
het de noordelijke provincies van het Verenigd Koninkrijk betreft.
Van een sterke industriële ontwikkeling was hier – in
tegenstelling tot de zuidelijke provincies die vanaf 1830
België vormden – op enkele uitzonderingen na, geen sprake.
3
Het kleine, ambachtelijke bedrijf bleef het beeld overheersen;
grootbedrij ven die met behulp van stoomkracht produceerden,
konden op de vingers van twee handen geteld worden.
De agrarische sector, waarin tot het midden van de negentiende
eeuw nog zeker 40% van de bevolking het brood verdiende, stond
er relatief nog het beste voor. De groeiende exportmogelijkheden
van boter en varkensvlees hadden een stimulerende werking
op landbouw en veeteelt. Niettemin gold ook voor deze sector
dat slechts in gunstige jaren iedereen voldoende werk en inkomen
had. De verborgen werkloosheid was groot en misoogsten
leidden al snel tot honger en ondervoeding.
Hoewel de meest sombere voorstellingen van zaken met betrekking
tot de toestand van de nationale economie de laatste jaren door
historici enigszins genuanceerd zijn 2), staat het vast dat
van economische struktuurveranderingen in de eerste helft van
de negentiende eeuw geen sprake was. Nederland was en bleef een
vpornamelijk agrarisch-commerciele natie, met een te smalle basis
voor een krachtige welvaartsverbetering. 3)
Het gevolg was een groot armoedeprobleem, dat zich met name in
de steden, maar ook op het platteland, voordeed. Tijdelijke en
permanente werkloosheid kwam onder brede lagen van de bevolking
voor, waardoor een groot aantal personen was aangewezen op onderstand.
De armoede onder de arbeidende klasse leidde tot felle
polemieken over de middelen ter bestrijding van de werkloosheid,
waaraan ook de Zwolse stadssecretaris Gerrit Luttenberg
zijn bijdrage leverde. 4)
Waar de tijdgenoten het echter over eens waren, was de achterstand
die Nederland op industrieel gebied had opgelopen ten opzichte
van de omringende landen. In Engeland en België had de
industriële revolutie zijn beslag gekregen, terwijl ook Duitsland
en Frankrijk tegen het midden van de eeuw flinke vorderingen
maakten bij de toepassing van moderne productietechnie –
ken, zoals de stoomkracht en het fabrieksstelsel 5).
Die industriële achterlijkheid van Nederland trad pijnlijk aan
het licht bij de wereldtentoonstelling die in 1851 in het
Crystal Palace te Londen plaatsvond. Bij gelegenheid van deze
eerste internationale wapenschouw van de industriële bedrijvigheid,
bleek van industriële vernieuwing of hoogwaardige fabrikaten
van Nederlandse origine, geen sprake. De weinige bekroningen
die Nederland in de wacht sleepte, waren voor enkele
hoogstandjes van ambachtelijk vakmanschap, maar niet voor producten
waarmee de internationale markt veroverd zou kunnen
worden. 6)
Over de oorzaak van het achterlopen van Nederland op industrieel
terrein, hebben historici een lang debat gevoerd. Enerzijds
werd de psychische gesteldheid als voornaamste reden aangevoerd;
anderzijds werd de oorzaak vooral gezocht in meer objektief
vast te stellen struktureel-economische belemmeringen.
7) In navolging van de tijdgenoten-schrijvers E.J. Potgieter
met zijn romanfiguur Jan Salie en Nic. Beets met zijn Oom Stastok,
werd Nederland door de eerste groep historici gehekeld
als “een vermoeide natie van conservatieve kooplieden, bezadigde
renteniers en een grote massa paupers”. 8)
Volgens Brugmans bijvoorbeeld, ontbrak het de fabrikanten in
de eerste helft van de negentiende eeuw aan industrieel élan.
Volgens hem hadden ze meer tijd voor de dichtkunst en waren ze
afkerig van nieuwigheid. De traditie werd als richtsnoer voor
het handelen genomen en het liefst werkten ze op bestelling in
plaats van voor een onbekende markt. 9) De historicus Klein
deed er nog een schepje bovenop en schreef: “De leiders van de
industriële bedrijven uit deze periode treden ons tegemoet als
tot de fatsoenlijke stand behorende, slome dikbuikige ambachtsbazen,
wier aan geestelijke vervetting lijdend brein hen verhinderde
de sprong uit de traditionalistische bedrijfsvoering
te wagen”. 10)
De tot de tweede groep behorende historici voerden meest factoren
aan als de gebrekkige infrastructuur, het gebrek aan goede
kapitaalvoorzieningen, de hoge lonen en het gemis aan een noodzakelijke
brandstof als steenkool. Bovendien wezen zij erop dat
het ook met traditionele productiemiddelen niet altijd onmogelijk
was op de internationale markt te concurreren, zoals de
Twentse katoenindustrie na 1830 liet zien.
Of de mentaliteit van de negentiende-eeuwse ondernemers en politici
inderdaad een belangrijke oorzaak was van Nederlands
achterstand, of dat juist de economische structuur alle initiatieven
van energieke figuren al bij voorbaat smoorde, is een
kwestie die ik hier wat het nationale niveau betreft, wil laten
liggen. Ik zal me dan ook verder richten op de situatie in
Overijssel, waarbij de tentoonstelling van voorwerpen van nijverheid
en kunst te Zwolle mogelijk antwoord kan geven op de
vraag of in Overijssel sprake was van een afwijkend beeld van
bovenstaande schets.
Economie en mentaliteit in Overijssel
Met de economische gesteldheid van Overijssel, vanouds al niet
behorende tot de rijkste provincies van het land, was het in de
periode na de beëindiging van de Franse overheersing tot zeker
1830, zo mogelijk nog slechter gesteld dan in de rest van het
5
land. De jaren van rust betekenden hier geen jaren van voorspoed.
De handel en scheepvaart stagneerden, de nijverheid kwijnde, de
landman verarmde en de straatwegen en andere communicatiemiddelen
ter bevordering van handel, scheepvaart, landbouw en fabriekswezen
ontbraken, aldus het Jaarboekje Overijssel van 184O
in een terugblik. 11)
Ook Overijssel kende een grote armoede, die vooral voelbaar was
in de steden waar de stagnatie van handel en nijverheid de arbeidende
bevolking direct in het bestaan trof. Op het platteland
was ook armoede, maar daar beschikten de meeste mensen nog
over mogelijkheden tenminste een deel van hun primaire levensbehoeften
zelf te verbouwen. In duurtejaren werd het Overijsselse
platteland overstroomd door groepen bedelaars uit onder
andere Zwolle, die fysieke bedreigingen niet schuwden om aan
eten te komen. 12)
Na 1830 echter lijkt het economisch tij voor Overijssel ten
goede te zijn gekeerd. De Belgische Afscheiding had voor Twente
indirect tot gevolg dat de landelijke overheid pogingen ondernam
de traditionele textielindustrie aldaar te moderniseren en
om te vormen tot een nationale exportindustrie. Dat lukte wonderwel,
met als resultaat dat ook de handel in de provincie
weer opbloeide.
In de landbouwsector van Overijssel werden de toenemende exportmogelijkheden
van agrarische producten na 1830 eveneens
opgemerkt, hetgeen een omschakeling van akkerbouw op veeteelt
in gang zette. Met name Engeland bleek een goede markt voor boter
en varkensvlees uit Overijssel.
Voor Zwolle betekende de vooruitgang van de Twentse textielnijverheid
en de agrarische sector in de provincie een flinke economische
impuls. De stad had haar positie als invoerhaven
voor buitenlandse zeeschepen enigszins verloren en had grote
behoefte aan alternatieve werkgelegenheidsbronnen. Als uitvoeren
doorvoerhaven van textielproducten en agrarische waren, kon
Zwolle wederom een nuttige handelsfunctie vervullen.
De economische opleving van Overijssel na 1830 was mede te
danken aan de stimulerende activiteiten van de provinciale gouverneur,
de eind 1830 benoemde J.H. graaf van Rechteren Appeltern.
Wellicht geïnspireerd door koning Willem I, die zelf ook
een nijver ijveraar was voor het op hoger peil brengen van de
nationale welvaart, toonde hij zich vanaf het begin van zijn
ambtsperiode een vurig inspirator van economische verandering
en vernieuwing. Hij gaf blijk van een goed inzicht in de vele
knelpunten die daartoe in Overijssel nog opgeruimd dienden te
worden.
6
Gouverneur Van Rechteren spande zich in voor tal van verbeteringen
die in zijn tienjarige ambtsvervulling in Overijssel tot
stand kwamen. Zo moedigde hij de Belgische textielfabrikant Ch.
de Maere en de Engelse industrieel Th. Ainsworth aan in hun pogingen
de Twentse textielindustrie te moderniseren. Vele plannen
tot verbetering van wegen en waterwegen werden gemaakt,
hetgeen onder andere leidde tot de totstandkoming van de belangrijke
verharde weg van Zwolle via Almelo naar Hengelo (de
tweede harde provinciale weg in Overijssel!).
Ook werd tijdens zijn functioneren als gouverneur de dijkverbetering
in het Land van Vollenhove en Salland aangepakt en werd
een start gemaakt met de verbetering van de afwatering. Ter bestrijding
van bedelarij en landloperij maakte hij zich sterk
voor werkplaatsen van liefdadigheid, die in Zwolle en Oldenzaal
werden opgericht. De scheepvaart werd gediend met de oprichting
van een stoombootverbinding op de IJssel tussen Deventer en
Kampen in 1837 13).
Eén van de meest structurele verbeteringen die gouverneur Van
Rechteren inleidde, was wel de opheffing van de markegenootschappen
en de verdeling en privatisering van de gemeenschappelijke
woeste markegronden. In het Franse tijdperk waren hier
reeds enkele wetten over uitgevaardigd, maar zonder groot succes.
Van Rechteren komt de eer toe in 1837 deze wetten opnieuw
onder ieders aandacht te hebben gebracht en erop toe te hebben
gezien dat ze dit maal wel uitgevoerd werden. De opheffing van
de gemeenschappelijke woeste gronden opende de mogelijkheid
voor ontginning en verloste de landbouw uit één van de meest
knellende tradities. 14)
De figuur Van Rechteren heeft ongetwijfeld veel bijgedragen tot
de indruk dat bij leidinggevende personen in Overijssel in de
jaren 30 van de vorige eeuw sprake was van een vernieuwingsgezinde
geest. Wie bijvoorbeeld kennis neemt van de jaarlijkse
verslagen van de toestand van de provincie Overijssel die Gedeputeerde
Staten uitbrachten, ontdekt dat in toenemende mate
het besef aanwezig was, dat het provinciale bestuur niet langs
de zijlijn moest blijven toekijken, maar een belangrijke taak
had op economisch gebied.
Wel moet daarbij onmiddellijk opgemerkt worden dat die taak nog
vooral bestond uit het signaleren van problemen en het voortdurend
aanmoedigen om die op te pakken. Van steun van financiële ».
aard was in veel mindere mate sprake. Traditioneel beschikte de
provincie niet of nauwelijks over een instrumentarium om de
mondelinge adhesie aan de welvaartsverbetering om te zetten in
subsidies, werkverschaffingsprojecten, weg- en waterbouwkundige
de aanleg van spoorwegen, enz. Dat werd in de geest van
J.H. Graaf Van Rechter-en Appeltern, voorzitter van de tentoon
stellingscorrmissie.
8
de tijd toch nog vooral overgelaten aan het particulier initiatief.
Een onderzoek naar de precieze ~ol die de provinciale overheid
heeft vervuld bij de verbetering van de economische structuur
van Overijssel in de eerste helft van de negentiende eeuw, zou
overigens nog zeer zinvol zijn en tot verrassende resultaten
kunnen leiden. Datzelfde geldt voor een onderzoek naar de totstandkoming
en het functioneren van de Overijsselse Vereeniging
tot Bevordering van Provinciale Welvaart, die in 1838 werd
opgericht, en waarin tal van vernieuwingsgezinde notabelen participeerden.
Vooralsnog lijkt de conclusie gewettigd dat in leidinggevende
kringen in Overijssel de “geestelijke vervetting” wel meeviel.
Van starre vasthoudendheid aan oude dogma’s en tradities op
economisch gebied lijkt minder sprake dan sommige historici op
nationaal niveau meenden vast te moeten stellen. De Overijsselse
gezagsdragers gaven blijk van een goed besef van de economische
problemen en van mogelijke oplossingen daarvoor, zonder dat dat
meteen ook leidde tot opheffing van alle structurele knelpunten.
Tegen deze achtergrond zullen we ook moeten kijken naar het initiatief
van de eerste Overijsselse tentoonstelling van nijverheid
en kunst in 1840.
Initiatief en opzet van de tentoonstelling
De abonnees van de Overijsselsche Courant konden op 3 maart
1840 in hun krant lezen, dat besloten was “eene tentoonstelling
van alzoodanige voorwerpen van Nijverheid en Kunstvlijt, als
in de provincie Overijssel worden vervaardigd of door aldaar
wonende personen zijn uitgevonden” te organiseren. Volgens het
bericht maakte de uitbreiding van het fabriekswezen en andere
takken van nijverheid en kunst deze tentoonstelling “allezins
wenschelijk en doelmatig”. Het besluit, dat volledig door
de krant werd afgedrukt, was ondertekend door de al genoemde
gouverneur van Overijssel, J.H. graaf Van Rechteren. Alle beoefenaars
van kunsten, fabrikanten, werkbazen en anderen, werden
opgeroepen “van de voortbrengselen hunner kennis, uitvinding,
verbetering, fabrijken enz., een of meer voorwerpen
naar die tentoonstelling te zenden”. 15)
Het idee van een tentoonstelling van voorwerpen van nijverheid
en kunst, werd met groot enthousiasme ontvangen. De Overijsselsche
Courant publiceerde dezelfde dag nog een lovend commentaar
op het initiatief. De krant zag diverse voordelen van een tentoonstelling:
de volksvlijt werd bevorderd, er werd bekendheid
gegeven aan de fabrikaten van eigen bodem en op de eergevoelens
van de fabrikant werd een beroep gedaan. “Een loffelijke na9
ijver wordt bij hem gaande”, schreef de krant enthousiast.
Slechts één kanttekening wilde zij echter nog maken: “niet al
wat kunstig bewerkt, of vernunftig bedacht is, behoort alleen
op eene tentoonstelling van Nijverheid voor te komen”, maar
ook “die artikelen, welke van algemeen gebruik en bekendheid
zijn, en wier waarde dikwijls alleen in de geringheid van den
prijs gelegen is…” 16)
De Overijsselsche Courant gaf daarmee aan heel goed te beseffen
dat economische vooruitgang vooral tot stand zou moeten komen
door middel van het op de markt brengen van goedkope massaproducten,
en niet te verwachten viel op basis van allerlei fraaie
staaltjes van ambachtelijk vakmanschap. De krant was er ook
vast van overtuigd dat economische voorspoed wel weer te bereiken
was. “Wat wij eenmaal geweest zijn, kunnen wij weder worden,
want er zijn geene redenen, om te veronderstellen, dat ons vernunft
verstompt of onze armen verslapt zijn”, aldus een optimistische
Overijsselsche Courant.
De nijverheids- en kunsttentoonstelling betekende voor Overijssel
een primeur, maar ook landelijk sloeg het initiatief geen
gek figuur. Op zichzelf was het idee van een dergelijke tentoonstelling
niet nieuw. In 1808 reeds, had koning Lodewijk Napoleon
in Utrecht en in 1809 in Amsterdam nijverheidstentoonstellingen
geïnitieerd. 17) In 1819 wilde de Utrechtse afdeling
van de Hollandsche Huishoudelijke Maatschappij een tentoonstelling
van “voortbrengselen van Nederlandse fabrijken,
trafijken en volksvlijt” organiseren, maar liet dat idee varen
toen bleek dat koning Willem I reeds een tentoonstelling van
Nederlandse volksvlijt voor 1820 in Gent had gepland. 18) Ook
in Haarlem (1825) en Brussel (1830) vonden nationale nijverheidstentoonstellingen
plaats. 19)
Van de provincies echter was Overijssel (met Groningen) waarschijnlijk
de eerste die dit promotiemiddel op regionaal niveau
uitprobeerde. Pas tegen het midden van de negentiende eeuw
werden de nijverheidstentoonstellingen schering en inslag in
Nederland. 20) Als zodanig toonde Overijssel zich dus van haar
beste zijde.
Die verdienste was eigenlijk vooral te danken aan gouverneur
Van Rechteren, want hij was het die het initiatief tot de tentoonstelling
genomen had en in februari 184O in de vergadering
van Gedeputeerde Staten met het plan op de proppen was gekomen.
Het was ook de gouverneur die de taak op zich nam het besluit
tot het houden van een tentoonstelling verder gestalte te geven.
21)
10
De eerste stap die hij zette was het formeren van een commissie
die de organisatie van het gebeuren op zich zou kunnen nemen.
Begin maart deed de gouverneur daartoe aan een vijftiental personen
uit vooraanstaande kring – zowel ambtsdragers als fabrikanten
– in de provincie het verzoek in die commissie zitting
te nemen (zie bijlage 1). De meeste aangeschrevenen toonden
zich zeer vereend en namen de uitnodiging meteen aan. De al genoemde
textielindustrieel Thomas Ainsworth uit Nijverdal, verzocht
echter in eerste instantie hem te excuseren en was pas
na enig aandringen van de gouverneur bereid in ieder geval de
eerste bijeenkomst bij te wonen.
Wie wel definitief afzegde voor de commissie, was de andere
textielpionier uit Twente, de Lonneker fabrikant Charles de
Maere. “Ma position tout exceptionelle parmi les industriels
de cette Province, ne saurait être convenablement tenue, que
par une complete neutralité”, schreef hij op 7 maart aan de
gouverneur. De achtergrond van deze wat cryptische weigering,
was waarschijnlijk de moeilijke verhouding die De Maere had met
de andere textielfabrikeurs in zijn woonplaats. Vanaf het moment
namelijk dat hij zich vanuit het Belgische St. Niklaas naar
Twente had.begeven en daar zijn bontweverij met moderne weeftechnieken
voortzette, werd hij door de Twentse fabrikeurs beschouwd
als een onwelkome concurrent, die zij zoveel mogelijk
dwarsboomden 22). Het spreekt vanzelf dat De Maere in die situatie
geen zitting wilde nemen in de commissie.
Op 24 maart 1840 kon gouverneur Van Rechteren de “Commissie
tot beoordeling en regeling eener tentoonstelling van Vooi—
werpen van Nijverheid en Kunst uit Overijssel” installeren. Op
die eerste bijeenkomst zette de gouverneur, die tot voorzitter
werd benoemd, het doel van de tentoonstelling nog eens uiteen.
Hij sprak daarbij de wens uit dat “datzelve iets tot vermeerdering
van welvaart en volksgeluk moge bijdragen”. De Commissie
besloot de tentoonstelling te houden in het Odéon en in de daar
tegenovergelegen Kolfbaan van de Groote Sociëteit. Ook werd het
besluit genomen een verloting te organiseren tijdens de tentoonstelling,
waarvoor 250 loten a. f 2,— per stuk in omloop
zouden worden gebracht. Te winnen waren 50 prijzen met een gemiddelde
waarde van ƒ 10,—.
De voorbereiding van de tentoonstelling verliep voorspoedig, zij
het dat de directie van de Groote Sociëteit nog even moeilijk
deed over het verzoek de Kolfbaan voor dat doel af te staan.
Voor een huurprijs van ƒ 50,— a f 75,— ging de Groote Sociëteit
alsnog accoord. Via een publicatie in de Overijsselse
kranten, maakte de Commissie in april nog eens aan alle potentiële
inzenders bekend, dat het niet in de bedoeling lag alleen
pronkstukken op de tentoonstelling te laten zien, maar vooral
ook “de meest in de zamenleving benoodigde voorwerpen” 23).
11
Stadsschouwburg Odéon omstreeks 1900. Foto: collectie Gemeentelijke
Archiefdienst Zwolle. Repro: J.P. de Koning.
12
Op 24 juli maakte de Commissie het programma van de tentoonstelling
bekend. De tentoonstelling zou op maandag 27 juli 1840
worden geopend en tot 22 augustjs daaropvolgende voortduren.
Alle dagen – behalve op zondag – zou zij zijn te bezichtigen
tegen een toegangsprijs van 25 cent. Een kaart die alle vier
weken geldig zou zijn, kostte een gulden. Aan de zaal was bovendien
een catalogus te koop a 25 cent, waarin alle tentoongestelde
voorwerpen met indiener stonden beschreven. De Commissie
voegde aan die mededeling nog toe, dat “de ingezonden
voorwerpen, hare verwachting buitengewoon overtroffen hebben,
en eene schat aan voortbrengselen van nijverheid te bezigtigen
zal zijn” 24).
Verloop van de tentoonstelling
Op 27 juli was de grote dag van de opening van de tentoonstelling.
Voor de gelegenheid was het Odéon met vlaggen versierd en
met een “plegtige aanspraak” door gouverneur Van Rechteren,
werd de tentoonstelling voor geopend verklaard. In het Odéon
en in de Kolfbaan waren in totaal 624 voorwerpen te bezichtigen.
In het eerstgenoemde gebouw de schilderijen en de geweven
stoffen, en aan de overkant van de straat de overige voorwerpen.
De Overijsselsche Courant toonde zich verrukt over wat er allemaal
te zien viel op de tentoonstelling. Het eerst roemde de
krant de uitgestalde textielproducten waarvan de “ongelooflijk
fijn geweven linnens en calicots, de andere catoenen stoffen
alsmede de pellen en damasten bijzonder de aandacht der toegevloeide
touschouwers tot zich trekken”. Menig schilderij leverde
volgens dezelfde krant het bewijs “met welk een gelukkig
gevolg de edele schilderkunst hier wordt beoefend” en over de
tapijten die te zien waren, merkte zij op dat deze “de voornaamste
Tentoonstelling in Europa zouden opluisteren” 25).
Niet alleen de Overijsselsche Courant was enthousiast over hetgeen
aan Overijsselse producten te aanschouwen viel. Ook de bezoekers
kwamen in grote getale op de tentoonstelling af, zodat
alle verwachtingen overtroffen werden. De eerste week werd de
tentoonstelling reeds door 1281 betalende bezoekers bezocht, en
in de eerste vier dagen van de tweede week door 743 personen.
De eerste oplage van de catalogus was al na enkele dagen uitverkocht,
zodat in allerijl exemplaren moesten worden bijgedrukt.
Op 18 augustus, dus drie weken na de opening, had de manifestatie
al meer dan 3.000 bezoekers getrokken en drie dagen later
waren er dat al 3.900, waaronder veel vreemdelingen. Eén van de
meest prominente bezoekers was de heer Kooy, één van de direc13
teuren van de gerenommeerde Nederlandsche Handel-Maatschappij.
Op 18 augustus werden ook de kinderen van de school van de
Stadsarmeninrigting en de Stadsarmenschool en de kinderen uit
het Rooms Catholijk Weeshuis en het Hervormd Weeshuis “onder
behoorlijke geleide” in staat gesteld de tentoonstelling te bezoeken,
vanzelfsprekend kosteloos.
Jammer genoeg valt niet meer vast te stellen hoeveel het totaal
aan bezoekers over de hele periode van vier weken is geweest.
Uitgaande van het feit dat de beide laatste dagen nog door velen
werden bezocht, mag verondersteld worden, dat dat aantal
niet veel minder is geweest dan bij de nijverheidstentoonstelling
in 1860, die door 5.000 personen werd bezocht.
Ook de loterij werd een groot succes. In plaats van de verwachte
250 loten, werden er bijna 2.900 verkocht. Zelfs de koning
verwaardigde zich met 100 loten deel te nemen in het
Zwolse gebeuren, terwijl de Nederlandsche Handel-Maatschappij
goed was voor 50 loten. De tentoonstelling overtrof dus alle
verwachtingen! Zelfs de prijzen voor de loterij, die nog een
week extra tentoongesteld bleven, trokken nog dagelijks vele
bezoekers. Bovendien meldde de Overijsselsche Courant op 18
augustus 1840, dat de tentoongestelde producten de fabrikanten
en andere indieners, reeds vele bestellingen hadden opgeleverd.
Behalve een geslaagd evenement voor het publiek, was de tentoonstelling
dus ook in commercieel opzicht van betekenis 26).
Het succes van deze eerste nijverheids- en kunsttentoonstelling
in Overijssel, toonde aan dat het initiatief daartoe een zeer
gelukkig initiatief was geweest. Niet alleen bleek een aantal
gezagsdragers en fabrikanten – de gouverneur voorop – bereid
financieel risico te nemen door het organiseren van een groots
opgezet, en voor Overijsselse begrippen nog onbekend, gebeuren,
maar ook bleek de bevolking voor dit initiatief open te staan
en volop belangstelling te tonen voor de producten die de Overijsselse
nijverheids- en kunstproducenten wisten voort te
brengen. Het was dus niet enkel lethargie wat de klok sloeg in
de eerste helft van de negentiende eeuw, althans voor zover we
dat voor Overijssel kunnen vaststellen.
Nieuw industrieel élan?
In hoeverre is de tentoonstelling nu te beschouwen als een doorbraak
van nieuw industrieel élan in Overijssel? Voor zover die
vraag betrekking heeft op het initiatief en de initiatiefnemers,
valt moeilijk een negatief antwoord te geven. Tenminste een aantal
leidinggevende persoonlijkheden in Overijssel, getuigde van
een vooruitstrevende visie op de verbetering van de provinciale
14
economie en van een vaste wil de problemen die er nog waren,
aan te pakken.
Geldt de positieve indruk echter ook voor de stand van de industriële
productie in Overijssel? Per slot van rekening zijn
het de producten die het moeten maken op de markt! Met enkel
een goed oog voor de vele problemen, die nog moesten worden opgelost
– op zichzelf een noodzakelijke voorwaarde – was de economie
vanzelfsprekend nog niet volmaakt in orde! Via de catalogus
van de tentoonstelling kunnen we ons een beeld vormen van
de producten die rond 1840 tot de topproducten uit Overijssel
behoorden 27).
Wanneer we naar de tentoongestelde voorwerpen kijken, valt
allereerst de combinatie van kunstwerken en industriële producten
op. Waarom de Commissie tot deze op het eerste gezicht
wat vreemde combinatie is gekomen, laat zich enkel raden. Wellicht
hoopte zij door het nuttige met het aangename te verenigen,
meer bezoekers te trekken. Meer voor de hand liggend is het
echter om ervan uit te gaan, dat zonder kunstvoorwerpen de tentoonstelling
een wat sober karakter had gekregen en er te weinig
voorwerpen over zouden blijven. Bovendien: in de opvatting
van de eerste helft van de negentiende eeuw, waren kunst en nijverheid
nog veel meer synoniem van elkaar, in tegenstelling
tot tegenwoordig. De waardering van kunstbeoefening als ambacht
en de waardering van unieke staaltjes van ambachtelijk vakmanschap
als ware kunststukken, lag niet ver uit elkaar.
De nijverheid in Overijssel rond 1840, stond op de drempel-van
een nieuwe tijd, waarin het ambachtelijke kunststuk en het
kunstige ambachtelijke product, terrein verloren ten gunste
van het industriële massaproduct, dat – hoewel slechter van
kwaliteit – zoveel goedkoper aan de anonieme klant kon worden
gebracht. Dat wordt duidelijk als we de catalogus van de tentoonstelling
bekijken. Naast een 81-tal schilderijen, waaronder
werken van de Zwolse schilders Corn. Felix, A. Serné,
D.J. Pruim en stadstekenaar J. Plugger, waren er vele voorwerpen
te zien die ergens tussen gebruiksvoorwerp en ambachtelijk
curiosum inzaten.
De hoofdmoot (meer dan een derde) van de tentoonstelling werd
echter gevormd door de producten van de Twentse textielindustrie,
die de weg naar de industriële massaproductie – zij het
met gebruikmaking van traditionele productiemiddelen – al was
ingeslagen. Duidelijk bleek daaruit nog eens de belangrijke
bijdrage van de Twentse textielindustrie na 1830 aan de Overijsselse
welvaart. Vrijwel iedere bekende Twentse fabrikeur
had een aantal producten ingeleverd voor de tentoonstelling.
Producten die – zoals opgemerkt – door de Overijsselsche Courant
en door de binnen- en buitenlandse markt, hoog werden gewaardeerd.
15
De andere nijverheidssectoren die voorwerpen voor de tentoonstelling
bijeen hadden gebracht, waren duidelijk nog ver verwijderd
van enige vorm van massaproductie. Slechts een enkel
voorwerp getuigde van toepassing van moderne technieken en
uitvinden. Een voorbeeld van één van de weinige innovatieve
voorwerpen, was een product van de metaalbewerkende firma
Nering Bö’gel & Comp. te Deventer: “een kleine dubbelwerkende
stoommachine, volgens systema van Watt, welke stoomcylinder
een diameter van 8 Ned. Duimen heeft”. Dit product lijkt echter
toch meer op een curieus staaltje van vakmanschap, in combinatie
met nieuwe toepassingstechnieken, dan getuigend van een op
de markt gerichte productieve vertaling daarvan.
Datzelfde geldt voor vele andere voorwerpen op de tentoonstelling.
Wat te denken bijvoorbeeld van “een wagentje, dat door de
kracht van den wind tegen denzelven inloopt”. Of van “een
pistoor met 4 loopen, welke alle door één haan gelost worden”.
Stuk voor stuk waren dit ongetwijfeld producten van hoogwaardig
vakmanschap, maar dat de provinciale economie ooit op deze
kurken zou kunnen drijven, waag ik te betwijfelen. Het waren
typerende producten, die doen vermoeden dat de “kunstige” en
het kunstenaarschap toch nog hoger stond aangeslagen, dan de
verkoopkwaliteiten die zij bezaten.
Een laatste fraai voorbeeld om dat vermoeden te bevestigen,
kunnen we ontlenen aan de bijdrage, die de twaalfjarige (!)
Jan van Hees, leerling bij J. Kamphuis te Zwolle, aan de tentoonstelling
leverde, namelijk “een biljard-queu van palissander-
hout, bestaande in een vogel boven, eenen bloem in het
midden en eene visch beneden”. De jongen was onbetwist een
groot talent op houtbewerkingsgebied, maar of je met de door
hem gedraaide keu ook werkelijk kon biljarten, mag de lezer
zich met mij afvragen. Een bewijs eens te meer, dat de aard en
de kwaliteit van de Overijsselse nijverheidsproductie nog ver
verwijderd was, van wat benodigd was om de Overijsselse economie
uit het slop te helpen en de welvaart op een wat hoger peil
te brengen.
Conclusie
De conclusie die ik met dit artikel over de Eerste Overijsselse
Tentoonstelling van Voorwerpen van Nijverheid en Kunst, gehouden
te Zwolle in 1840, wil trekken, is de volgende.
In Overijssel ontbrak het rond 1840 zeker niet aan ondernemende
lieden in de hoogste kringen, voor de vele economische
problemen en met de ambities er iets aan te doen. Het initiatief
tot de tentoonstelling is niet op zichzelfstaand, maar één
uit een hele reeks van initiatieven die vanaf 1830 ongeveer in
16
Overijssel onder aanvoering van gouverneur Van Rechteren tot
stand kwamen en waarmee de slechte economie uit het moeras
moest worden getrokken.
Aan de andere kant liet dezelfde tentoonstelling zien, hoe
achterlijk de aard en het niveau van de Overijsselse nijverheidsproductie
nog was in vergelijking met de industriële voortbrengselen
uit het buitenland. Veel viel er nog aan te verbeteren.
Van markt- of toepassingsgerichtheid was nog veel te weinig
sprake bij de Overijsselse Nijverheidsproducenten, met uitzondering
wellicht van de Twentse textielfabrikeurs.
Ik wil daarom eindigen met een citaat uit wat de nieuwe gouverneur
en ambtopvolger van J.D. graaf Van Rechteren Appeltern,
bijna een jaar na dato nog eens over de tentoonstelling opmerkte,
en waarin hij de wens uitsprak “dat hare gevolgen even weldadig
zullen zijn, als het denkbeeld, dat deze tentoonstelling
deed ontstaan, en voorbereid, gelukkig was ” 28).
Noten
1. Zie: Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, dl. 2
(Zwolle 1961) 253; F.C. Berkenvelder, 750 Jaar Zwolsen,
Zwollenaren en hun nijverheid en industrie. Ach lieve tijd
19 (Zwolle 1981) 456.•
2. Zie bijvoorbeeld: J.M.M, de Meere, Economische ontwikkeling
en levensstandaard in Nederland gedurende de eerste helft
van de negentiende eeuw (’s Gravenhage 1982) 32 – 33.
3. Th. van Tijn en W.M. Zappey, De negentiende eeuw 1813-1914,
in: J.H. van Stuijvenberg (red.), De economische geschiedenis
van Nederland (Groningen 1977) 201-218; J.A. de Jonge,
. De industrialisatie in Nederland tussen 1840 en 1914 (
Nijmegen 1976) hoofdstuk 3.
4. G. Luttenberg, Proeve van onderzoek omtrent het armwezen
in ons vaderland, 2 dln. (Zwolle 1841-1845).
5. De Jonge, De industrialisatie, 24-25.
6. J.A. de Jonge, Het economische leven in Nederland 1844-1873,
in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 12 (Haarlem 1977)
66-67.
7. Zie voor een samenvatting van dit debat: E.J. Fischer, De
geschiedschrijving over de 19e eeuwse industrialisatie, in:
W.W. Mijnhardt (red.), Kantelend geschiedbeeld. Nederlandse
historiografie sinds 1945 (Utrecht/Antwerpen 1983) 228-255.
8. Van Tijn en Zappey, De negentiende eeuw, 202.
9. I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e
eeuw 1813-1870 (Utrecht/Antwerpen 1975) 67-69.
CATAL00IS
VOORTBRENG** E
«ML» 1,
V)*
MVtan *v ‘i i.
‘A ’tt
en
u m i n Kii ,1. .1 Tfjt. •>». «»«i.i»
Titelblad van de catalogus van de in dit artikel besproken
tentoonstelling.
18
10. P.W. Klein, Traditionele ondernemers en economische groei
in Nederland 1850-1914 (Haarlem 1966) 3.
11. Jaarboekje Overijssel 1840, bijlagen, 42.
12. J. Zeehuisen, Verhandelingen over de dagloners en bedeelden
ten plattelande in hek kwartier Salland, provincie Overijssel,
in: Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek,
8 (1853) 177.
13. É.D. Eijken e.a., In alle Staten. Vierhonderd jaar provinciaal
bestuur van Overijssel (Zwolle 1978).
14. Jaarboekje Overijssel 1840, bijlagen, 50.
15. överijsselsche Courant, 3 maart 1840 (o.a. aanwezig in het
Rijksarchief in Overijssel te Zwolle).
16. Idem.
17. I.J. Brugmans, Paardenkracht en mensenmacht (’s Gravenhage
1961) 15.
18. J. Bierens de Haan, Van oeconomische tak tot Nederlandsche
Maatschappij voor nijverheid en handel, 1777-1952 (Haarlem
1952) 87.
19. R.T. Griffiths, Ambacht en nijverheid in de Noordelijke Nederlanden,
in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 10
(Haarlem 1981) 2″37″!
20. Bierens de Haan, Van oeconomische tak, 95-96.
21. De informatie over de opzet en het verloop van de tentoonstelling
is – tenzij anders aangegeven – gebaseerd op de
archivalia die de organiserende Commissie heeft nagelaten
en die zich bevinden in het Rijksarchief in Overijssel:
Archief Provinciaal Bestuur na 1813, Varia nr. 279.
22. Zie: J.A.P.G. Boot en A. Blonk, Van smiet- tot snelspoel
(Hengelo 1957) 89-93; 97; 106-108.
23. Overijsselsche Courant, 3 en 7 april 1840.
24. Overijsselsche Courant, 24 juli 1840.
25. Overijsselsche Courant, 28 juli 1840.
26. Zie: Overijsselsche Courant van 4,7,11,18 en 21 augustus
1840.
27. Catalogus van voortbrengselen van Overijsselsche Nijverheid
op de Tentoonstelling gehouden te Zwolle, in de maanden Julij
en Augustus 1840 (Zwolle 1840). Een exemplaar hiervan
is aanwezig in het Rijksarchief in Overijssel te Zwolle.
28. Verslag van de Gouverneur en G.S. aan de Staten der provincie
Overijssel over 1840, gedaan in de vergadering op 6
juni 1841: Rijksarchief in Overijssel, Archief Provinciale
Staten van Overijssel, nr. 293.
19
BIJLAGE I
LEDEN VAN DE “COMMISSIE TOT BEOORDELING EN REGELING EENER TENTOONSTELLING
VAN VOORWERPEN VAN NIJVERHEID EN KUNST UIT OVER –
IJSSEL.
01. J.H. Graaf van Rechteren Appeltern,
gouverneur van Overijssel, voorzitter
02. Mr. J.A. Sandberg, lid Gedeputeerde Staten van Overijssel
03. Mr. A.J. Vos de Wael, burgemeester van Zwolle
04. Mr. B.W.A. Baron Sloet tot Oldhuys,
lid arrondissementsrechtbank Zwolle
05. D. van Schreven, kabinetssecretaris van de gouverneur
06. Mr. W.H. Cost Jordens, kantonrechter te Deventer
07. R. Campbell,
agent van de Nederlandsche Handel-Maatschappij te Nijverdal
08. Th. Ainsworth, fabrikant te Nijverdal
09. G.C. Arntzenius, fabrikant te Goor
10. H.E. Hofkes, fabrikant te Almelo
11. C. ter Kuile, fabrikant te Enschede
12. G.C. Cromhoff, fabrikant te Enschede
13. E.A. Tegel, fabrikant te Oldenzaal
14. P.H. Gallé, fabrikant te Kampen
15. J.C. Nering Bögel, fabrikant te Deventer
TENTOONSTELLINGSAGENDA P.O.M.
09.08 – 17.08 Muziek op de kermis
15.09 – Jongere bouwkunst in Overijssel, 1840 – 1940
De exacte data worden te zijner tijd in de pers bekend gemaakt.
Leden van de Zwolse Historische Vereniging hebben op vertoon
van hun ledenkaart gratis toegang tot het POM. Deze gratis toegang
geldt ook voor huisleden.
Nadere informatie over de tentoonstelling: POM 038 – 214.650.
20 ___^_
EEN TWEEDE INTERESSANTE KINDERSCHOEN UIT ZWOLLE
O. Goubitz
Zwolle 1984, stadsgracht
1 16,5 cm h 5,5 cm Collectie E. Dikken
Restaurateur O. Goubitz
Werd in 1983 in een beerput aan de Pletterstraat te Zwolle een
bijzonder 16e eeuws kinderschoëntje gevonden 1), ook in 1984
heeft Zwolle een bijzondere kinderschoen opgeleverd 2). Ditmaal
was het de stadsgracht die een kleine schat prijsgaf.
Dit schoentje is uit de 17e eeuw en is van een type dat in die
tijd over geheel Europa populair was. Zowel mannen als vrouwen
droegen dit model/ Gewoonlijk wordt dit type schoen gesloten met
twee even lange banden die aan de hielpanden vastzitten. Beide
banden reiken tot het midden van de wreef en liggen op het voorblad
of op de tongvormige verlenging van het voorblad. De banden
worden middels een veter, strik of roset op de wreef gesloten 3).
Het bijzondere aan dit schoentje is de afwijkende wijze van sluiten
en wel door middel van een gespje. Het gespje is een eenvoudig
rond ijzeren ringetje met een angel. Het bevindt zich aan de
linkerzijde van de schoen, hetgeen het tot een linkerschoen
maakt, omdat zijdelings geplaatste gespen e.d. steeds op de bui21
tenzijde van de schoen zitten. Het bandje dat als sluitriempje
fungeert is zo lang, dat het over de wreef – via een geleidelusje
in de tong – reikt en aansluit op het gespje.
Vermoedelijk is dit schoentje per ongeluk in de gracht beland.
De slijtage is betrekkelijk gering en ook het gespje is nog
aanwezig. Doorgaans worden de gespen afgesneden om ze opnieuw te
gebruiken. Door het vinden van het schoentje is tevens een andere
vondst van betekenis geworden. Dat is een vondst uit Oudeschans.
Ook in dat geval is er sprake van een kinderschoen
met een lange sluitband en een tong met een geleidelus. Omdat
van dat schoentje het hielpand met de gesp ontbrak, bleef het
onduidelijk hoe het gesloten werd. Overigens blijft het bij deze
twee schoentjes. Het vinden van archeologisch schoeisel
is een bijzonderheid.
Noten:
1.0. Goubitz, “Kinderschoen uit beerput Pletterstraat” in:
Overijsselse Historische Bijdragen 98 (1983) 126-127.
2. Beide schoentjes zijn gevonden door de heer E. Dikken.
3. 0. Goubitz, “Twee schoenen….” in Observantenklooster Amersfoort
(Amersfoort 1982) 161-162.
“VADERv VAN DROEFHEID KAN MIJN MOEDER NIET MEER SCHRIJVEN”
SODOMIETENVERVOLGING TE ZWOLLE IN 1730
H. Reenders
Inleiding
De jaren 1730 en 1731 staan in de geschiedenis van ons land bekend
als de jaren van de sodomietenvervolging 1). Nooit is er
op zo uitgebreide schaal tegen homosexuele handelingen opgetreden.
Het begon in mei 1730. Vrij plotseling kwam vanuit de stad
Utrecht overal in den lande een intensieve gerechtelijke vervolging
op gang. Het hoogtepunt werd bereikt in de maanden juni
en juli van 1730. Daarna luwde de storm.
In totaal werden in deze jaren 289 mannen gerechtelijk vervolgd.
Aan vrouwelijke homosexuelen schijnt toen geen aandacht te zijn
besteed. Zeventig mannen vonden de dood. Honderddertien werden
verbannen, voornamelijk voortvluchtigen, die bij verstek veroordeeld
waren. De gruwelijkste executie vond op 27 september 1731
22
te Zuidhorn in Groningen plaats. Daar werden 22 mannen gewurgd
als gevolg van de twijfelachtige rechtspraak van grietman Rudolf
de Mepsche.
Wat is sodomie? Vanwaar deze plotselinge vervolging? En in hoeverre
is er ook in het Zwolle van die jaren iets van te merken
geweest?
“Sodomie” en “Crimen Nefandum”
In 1730 gebruikte men niet de termen homofilie of homosexualiteit,
maar men sprak over “sodomie” en “crimen nefandum”. Dat
is een aanduiding van de andere manier, waarop de mensen van
toen tegen het verschijnsel aankeken. “Crimen nefandum” (letterlijk:
het kwaad, dat niet genoemd mag worden) wil zeggen,
dat men sodomie zo gruwelijk vond, dat “het penne noch pampier
meriteert”. Zelfs de bestraffing ervan geschiedde zoveel mogelijk
in het geheim. Door het woord “sodomie” te gebruiken wilde
men zeggen, dat het om hetzelfde kwaad ging, dat de mannen
van Sodom bedreven zouden hebben. Het was zo erg, dat het Gods
toorn opwekte en tot verwoesting en ondergang moest leiden, zoals
indertijd in Sodom en Gomorra (Genesis 19).
Bij sodomie dachten de mensen niet aan een bepaalde sexuele geaardheid.
Waarschijnlijk wist men niet, dat er zoiets bestaat.
Maar men dacht aan sexuele handelingen tussen mannen, die konden
variëren van “verfoeilijke vuiligheden” (mutuele masturbatie)
tot “de wesentlijke sonde” (anaal contact). Zulke handelingen
werden beschouwd als de ergste vorm van decadentie, als
symptoom van verval, waar vooral welgestelden gevoelig voor
zouden zijn. Vanuit “de roomse landen” (Spanje, Portugal,
Frankrijk) en de hoogste standen in eigen land zou het kwaad
zich uitbreiden, doordat steeds meer mensen ertoe werden verleid.
2)
Vanwaar de plotselinge vervolging?
De aanleiding tot de uitgebreide vervolgingsactie was de bekentenis
van Zacharias Wilsma. Deze in het begin van 1730 te Utrecht
gearresteerde Friese herenknecht verschafte aan de justitie
zoveel gegevens over sodomieten elders in den lande, dat
men ervan schrok. Er bleek een heel circuit van sodomieten te
bestaan, dat overal en tot in alle rangen en standen zijn vertakkingen
had. De magistraat van Utrecht voelde zich daarom
verplicht om andere stedelijke besturen op de hoogte te stellen.
Op 5 mei 1730 werden afschriften van de bekentenissen van Wilsma
en zijn vrienden verstuurd naar Amsterdam, Den Haag, Kampen,
Leiden en verschillende andere plaatsen. Talloze arrestaties
volgden. Gegevens werden uitgewisseld en verdachten met elkaar
23
geconfronteerd. Niet lang daarna vonden overal executies plaats.
Er werden allerlei gedichten en pamfletten uitgegeven, waarin
men uitdrukking gaf aan zijn angst en verontwaardiging. Er werd
zelfs over gepreekt.
Hoewel er geen sprake was van zwaardere straffen of van ernstiger
martelingen dan men gewoon was, springt de intensieve en
gecoördineerde actie en de betrokkenheid van het volk in het
oog. Historici zoeken nog steeds naar een verklaring. Gedacht
wordt aan de economische en politieke malaise van die tijd, die
beschouwd werd als een straf van God voor allerlei zonden, in
het bijzonder voor het tolereren van sodomie. Volgens sommigen
brak omstreeks 1730 bij de mensen het vermoeden door, dat die
homosexuele handelingen niet spontaan en incidenteel opkwamen,
maar deel uitmaakten van de levensstijl van een bepaalde groep
in de maatschappij. Dit zou als zeer bedreigend zijn ervaren.
Anderen wijzen op de gevoelens van onvrede bij de middenklasse
in de achttiende eeuw over de maatschappelijke verhoudingen en
de heersende moraal. Deze onvrede openbaarde zich in het begin
in de roep tot een strenger optreden ten aanzien van afwijkingen
van de zedelijke normen. Hoewel er nog geen eenstemmigheid
onder de historici bestaat, wordt de oplossing steeds
meer gezocht in een complex geheel van bovengenoemde en andere
factoren 3).
Het Zwolse dossier
De sodomietenvervolging is aan de poorten van Zwolle niet voorbij
gegaan. Op dinsdag 11 juli werden de 38-jarige Gerrit Banders
en de 42-jarige Andries Bilevelt op de Grote Markt opgehangen.
Enkele maanden later (9 oktober) besloot de magistraat
vier andere burgers te verbannen en van diverse ambten en
rechten te ontheffen. Dit betrof de oud-capitein Jan Willem van
Rijswijk, de hopman Jannes Nauta, de meester-chirurgijn Berend
Smeeks en de bolkhouwer (=visverkoper) Frederik Rouwkamp.
In de literatuur over de geschiedenis van Zwolle is tot nog toe
geen aandacht aan deze gebeurtenis besteed. Dit is nogal merkwaardig,
omdat zich in het rechterlijk archief een vrij uitgebreid
dossier bevindt over deze sodomieten. Het bevat verhoren,
getuigenverklaringen, bekentenissen van verdachten en correspondentie
met autoriteiten in Amsterdam en Kampen. Het geheel
verschaft belangrijke informatie over de subcultuur van de Zwolse
homosexuelen aan het begin van de achttiende eeuw. In dit
verhaal zal ik me moeten beperken tot enkele hoofdzaken.
Gerrit Banders, de grand seigneur
Zwolle behoorde niet tot de steden, die begin mei een brief uit
Utrecht ontvingen. Maar de zaak kwam aan het rollen op 16 mei,
toen de Kamper stadssecretaris A.S. Greven de magistraat op de
24
hoogte stelde van bekentenissen, die door enkele van de zeven
op 8 mei in die stad gearresteerde verdachten waren afgelegd.
Het meest belastend was de verklaring van de 19-jarige soldaat
Steven Schuirings, die bekend had sodomie te hebben gepleegd
met de Zwolse thee- en koffieverkoper Gerrit Banders uit de
Korte Wolleweversstraat.
NAAMEN
DER
G E Ë X E C U T E E R D E
PERSOONEN
Binnen Zwol op dings-dag den n . July
1730. over het verfoeyelyk Crimen van
Sodomie, te weten
^ERRIT BANTERS, Koffie en Thee-verkoper.
BYLEVELD, Knoopemaakcr,
Na dat zy op het Schavot gebragt, en aldaar aan de Galgh waren ge^
hangen, zyn zy eenige tyt daar na af-genomen, en vervolgens op een
horde na buyten geflcept,cn aldaar onder de Calgh vyf voet diep in de
aerde begraven.
Uit: Schouwtooneel soo der Geëxecuteerde als Ingedaagde over
de verfoeilijke misdaad der Sodomie, anno 1730. Z.p./z.j
(1732 ?)
25!-.
Vrijwel onmiddellijk na ontvangst van de brief probeerde men
verdachte in zijn huis te arresteren, maar de vogel was gevlogen.
Zijn vrouw, Hermina van Weersel, vertelde, dat Banders
naar Hattem en Elburg was om koffie en thee te verkopen.
Maar zoals later bleek was de man al een dag na de arrestatie
van Schuirings door diens bewaker gewaarschuwd. Hij was naar
Harderwijk gevlucht, waar schout bij nacht De Moor hem op 17
mei arresteerde na hem in herberg “De Hollandsche tuin” gevonden
te hebben.
Banders moet een kleurrijke figuur geweest zijn, een fantast,
die zich gedroeg als een grand seigneur. Hij hield ervan op te
scheppen over de erfenis, die hij van een rijke oom – een kolonel
– ontvangen zou hebben. Met kwistige hand tracteerde hij
zijn vrienden in de vele kroegen en tapperijen, die hij bezocht.
Steven Schuirings, die hij graag aan anderen voorstelde als
“mijn neef” om eventuele verdenking te voorkomen, had een
prachtige rode broek van hem gekregen. Banders zou hem loskopen
van de militaire dienst en hem daarna in zijn zaak te werk
stellen….
Banders was niet in Zwolle geboren maar in Makkum. Omstreeks
1713, het jaar waarin hij met Hermina van Weersel in het huwelijk
trad, was hij in de stad komen wonen. Hij was schoenmaker
van zijn vak, en had als zodanig bij diverse bazen gewerkt.
Daarna was hij een tapperij begonnen bij de Kamperpoort. Sedert
kort had hij een koffie- en theewinkel aan de Korte Wolleweversstraat.
Uit de verhoren blijkt, dat zijn huwelijk niet in
een bloeiende staat verkeerde. Hermina klaagde tegenover de buren
vaak over het feit, dat hij ’s nachts zo laat thuis kwam 4).
Ondanks de belastende verklaring van Schuirings en ondanks zijn
verdachte vlucht naar Harderwijk hield Banders zijn onschuld
staande tot 20 juni (!). Dat is opvallend lang. Te meer, omdat
men in die tijd geen zachtzinnige middelen toepaste om iemand
tot bekentenis te brengen. Daardoor heeft hij andere sodomieten
ruimschoots de gelegenheid gegeven om tijdig de stad te verlaten.
Maar ook het omgekeerde is waar. Doordat die andere sodomieten
uit handen van de justitie bleven waren er in Zwolle
geen getuigen, die de bekentenissen uit Kampen konden bevestigen.
Steven Schuirings moest uit Kampen naar Zwolle worden overgebracht
en met Banders worden geconfronteerd. Iets wat in het
geheim moest gebeuren en wat vanwege onrust onder de bevolking
blijkbaar niet zonder risico’s was (9-12 juni). Op 20 juni kwam
Banders met zijn eerste bekentenis, die in de volgende dagen
werd bevestigd en aangevuld. Veertien jaar geleden was hij door
hopman Nauta op een zomerse avond buiten de poort “bij de belten”
verleid. Later ontmoetten ze elkaar op een bovenkamertje
bij de tapper Staats. Toen Andries Bilevelt omstreeks 1725 een
26
tapperij bij de Broerenbrug begon, hadden ze hun rendez-vous
naar diens huis verplaatst. Vanaf die tijd dateerde ook de sexuele
relatie met Bilevelt. Tenslotte had een zekere Maas, een
comediant, die “het vuile werk” in Portugal “bij de heren” had
geleerd, hem te Kampen in kennis gebracht met Steven.
Andries Bilevelt, de geliefde man en vader
Door deze bekentenis stond het doodvonnis van Banders eigenlijk
al vast, hoewel het pas op 9 juli werd uitgesproken. Maar ook
voor Bilevelt en Nauta zou de toekomst er erg somber uitzien
als de schout hen te pakken kreeg. Beiden waren gevlucht.
Bilevelt al op de dag na de arrestatie van Banders. Het was bekend,
dat hij in Amsterdam zat. Zwollenaars hadden hem daar gezien.
Op 23 juni kregen ze hem in Amsterdam te pakken. Daarna
werd hij aan schout bij nacht De Moor overgedragen en naar
Kampen overgebracht. Hij bekende vrijwel onmiddellijk sodomie
te hebben gepleegd met Banders, Nauta en de bolkhouwer Frederik
Rouwkamp. Daarbij maakte hij wel duidelijk, dat Banders hem
vijf jaar geleden had verleid en enige tijd later Nauta en
Rouwkamp naar hem had toegestuurd.
Bilevelt, een Zwollenaar van geboorte, was knopenmaker. Hij had
eerst in de Spoelstraat gewoond. Sedert 1725 hield hij kostgangers
in zijn tapperij bij de Broerenbrug onder andere de reeds
genoemde comediant Maas. Daarna was hij naar “het Claverblad”
op de Grote Markt verhuisd. Bilevelt was getrouwd met Klasien
Hendriks (1713) en had vier kinderen. Het moet een hecht gezin
geweest zijn, zoals blijkt uit de twee brieven van vrouw en
kinderen, die justitie in handen vielen bij zijn arrestatie.
Hij werd daarin dringend gewaarschuwd van de straat te blijven.
Desnoods moest hij naar Engeland of Kortrijk vluchten. “Houd U
dog stil en houd U aan God, als wij allemaal doen”, staat in de
brief van 28 mei. Zijn vrouw was aan de brief begonnen, maar
één van de kinderen had hem afgemaakt, want: “Vader, van droefheyd
kan mijn moeder niet meer schrijven”. De brief van 17 juni
was nog dringender. “Het is hier altemaal zoo scherp” en ze
zeggen, dat “ze jou zullen straffen, dat daar de dood na volgt,
zoo zij jou krijgen”. “Sito! Sito!” stond op de envelop.
Het heeft niet mogen baten. Op 9 juli werd over Bilevelt en
Banders eenzelfde doodvonnis uitgesproken, wegens “de verfoeijelijke
misdaat van sodomie”, die ze niet alleen “onder malkander
over en weer, maar ook nog bovendien beide afsonderlijk met
andere meermalen” hadden bedreven. God heeft bevolen te doden,
wie er zich aan schuldig maken. Daarom kan sodomie niet getolereerd,
“sonder Gods rechtvierdige toorn ts doen ontsteken”. 5)
27
Tot in de hoogste kringen
De andere vier gevluchte sodomieten hadden meer geluk. Rouwkamp
en Smeeks waren ‘m al in mei gesmeerd. De eerste naar Duitsland,
de tweede naar Amsterdam. Bilevelt had toegegeven met de bolkhouwer
sodomie gepleegd te hebben. Bovendien had Rouwkamp zelf
op de vraag van een kennis “Ben jij ook één van die?” gezwegen
en dus toegestemd. Berend Smeeks had een soortgelijke bekentenis
afgelegd tegenover schipper Wolters op wiens boot hij op
hemelvaartsdag naar Amsterdam was gevlucht. Hij was van plan
naar Oost-Indië te gaan. Of hem dat gelukt is of niet, in ieder
geval slaagden ze er niet in hem in Amsterdam te arresteren.
Smeeks was niet alleen de chirurgijn, maar ook de intieme
vriend van de oude kapitein Van Rijswijk.
Met hopman Nauta en de oude kapitein Van Rijswijk komen we terecht
bij de hoogste kringen in de stad. Johannes Nauta, die
uit een bekende factoorsfamilie kwam, had in 1725 een prachtig
huis laten bouwen aan het Rodetorenplein. Het huis (“Hopmanshuis”/
zie illustratie ) staat er nog altijd en is in 1970 gerestaureerd
6). Nauta was lid van de meente en gekozen tot burgerhopman.
Dus een man van gezag. Hij was getrouwd met de hopmansdochter
Swana Geertruit Kuinder (1709) bij wie hij vier
kinderen had.
. h(. Haai, >«g,a
Gezicht op het Roodetorenplein te Zwolle omstreeks 1900. Het
linker huis is het in dit artikel genoemde “Hopmanshuis”.
Foto: Collectie Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle.
28
Zoals gezegd beschuldigde Banders hem ervan DE grote verleider
te zijn. Ook later zou het initiatief steeds van hem zijn uitgegaan.
Als Banders de hopman op straat tegenkwam, gaf deze een
speciaal teken wanneer hij contact wilde. Bijvoorbeeld door zijn
hoed in de hand te nemen of door zijn zakdoek uit de zak te
trekken. Dus ook binnen de subcultuur bleven de standsverschillen
bestaan.
Uit alles blijkt, dat dit standsverschil ook de rechtspraak beheerste.
We zijn tenslotte in de regententijd. Enkele families
maakten de wacht uit. Bovendien waren stadsbestuur en rechtspraak
in één hand. Nauta en Van Rijswijk hadden familie en
vrienden onder burgemeesters, schepenen en raden. Schout bij
nacht De Moor was zelfs zo zeer met Nauta bevriend, dat de magistraat
het nodig v/ond hem over die vriendschapsrelatie te ondervragen
na een verdachtmaking van Banders. Nauta en Van Rijswijk
wisten waarschijnlijk precies hoe het met de verhoren
stond en wat de verdachten en getuigen loslieten. Nauta vertrok
op de vroege morgen van 10 juni met het rijtuig van Jan
Slijkenberg. Uitgerekend de dag na de eerste verhoren van
Schuirings te Zwolle, toen Banders het vuur zo na aan de schenen
werd gelegd!
Hetzelfde geldt voor Jan van Rijswijk. Deze militair, die bekend
stond om zijn schunnige taal, was een zwager van burgemeester
Robert van de Merwede. Zijn moeder was een Zwolse burgemeestersdochter,
een Van Lawick 7). De man had niet veel zin om de stad
te verlaten. Niet alleen vanwege zijn hoge leeftijd, maar ook
omdat hij zelf twijfelde aan zijn schuld.
Vooral sedert het vertrek van Smeeks deden allerlei praatjes
over hem de ronde. Maar niemand zou, meende hij, kunnen bewijzen,
dat hij “de wesendijke sonde” gepleegd had. Om daar helemaal
zeker van te zijn had hij bij allerlei mensen gecheckt
wat ze van hem wisten en in hoeverre zij zich zijn vroegere avances
nog herinnerden. Zijn conclusie was, dat alleen het getuigenis
van Smeeks gevaarlijk voor hem zou kunnen worden.
Maar Smeeks was nog niet gevangen. Waarom zou hij Zwolle dan
verlaten en zichzelf nog meer verdacht maken? Het was echter
op aandrang van zijn zuster mevrouw Van de Merwede en zijn advocaat
dr. Balthasar Muntz, dat hij op de vroege morgen van
26 juni vertrok naar Unna. De advocaat maakte hem duidelijk,
dat “men zich meer als op eene wijze aan genoemde zonde
schuldig kan maken”, onder andere door mutuele masturbatie. Het
was inmiddels voor Van Rijswijk ook te gevaarlijk geworden in
Zwolle te blijven! Want Bilevelt was op 23 juni in Amsterdam
gepakt en reeds op weg naar Zwolle. En naar Smeeks werd gezocht,
zoals hij ongetwijfeld wist!
29_
N A DE
C O P Y E
V A N Z W O L .
Dereerfte A&evan Indaging, van wegen
de Ed. Agtb. Geregte der Stad ZWOL
~Y77″Y Burgermecfteren j Schepenen ende Raden oer Sradt Zwol doen
W hier mede te weten, hoedanig ons uyt genomen Iriformatien is
voorgekomen, dat de Oud Capitcin Jan Willem van Ryswyk, Hopman
Jannes Nautaj Berent Smecks, en Frederik Rou’wkamp; Bolkhouwer
, met zeer praegnante prarfumtien zyn gegraveert, van zig mede
fchuldig te hebben gemaakt aan de grouwelyke Misdaat van Sodomie,
en die pracfumtien zeer hebben geconfirmeerd en beveftigt door zig in
alle haaft en praccipitantie van hier weg te begeven en te aufugeren;
zonder dat me;i tot nog toe, onaangefien alle daar toe aangewende moeiten
en devoiren, met eenige zekerheid heeft kunnen ontwaar worden ,
waar dezelve mogen ryn gebleven, of zig tegenwoordig onthouden,
en dewyl wy ons mitsdien amptshalven Verplicht hebben gevonden, op
gemelde Per.onen in te dagen; Zo is ‘ t , dat wy Burgermcefteren, Schepenen
ende Raden voornoemt.
Uw JAN WILLEM VAN RYSWYK , Oud Capitein.
J A N N E S N A U T A , Gemeensman en Burger Hopman defesSradr.
of anders, Raad en Capitein van de Burgery.
BERENTSMEEKS, Meeiter Chirurgyn.
FREDER1K ROUWKAMP, Bolkhouwer, dat isYis-kooper.
By defen te zamen, en ieder in ’t byzonder citeren, laden, en dagvaarden
, om op morgen en vier weeken , zullende zyn Maandag den
zevende der toekomende Maand Auguftus dezes Jaars, des voormnidaags
ten elf uure, Uw in Peribon voor Ons te fifteren, om ter zake
voorfchreven faicten te worden gehoord.
Met inthimatie , dat wy by non Comparitie zodanig nader zullen
difponeren, als wy zullen bevinden te bchooren. Oirconde onfes Stadts-
Zegel, en Subfcriptie van een Onzer Stadts Secretarien.-
Actum Zwol den 9 Joly 1730.
U i t : Schouwtooneel ,,.,., „ . . . C T ~ C
JOAN ROUSE Secret.-
30
Op dezelfde dag, waarop over Banders en Bilevelt het doodvonnis
werd uitgesproken, werden deze vier voortvluchtige mannen door
de magistraat ingedaagd tegen 2 augustus. Deze indaging werd
herhaald op 7 augustus en 4 september, zonder resultaat. Dat
leidde tot het vonnis van 9 oktober, dat wij reeds vermeldden.
Het valt op, dat de heren niet veroordeeld werden tot verbeurdverklaring
van hun bezittingen. De magistraat zou zich lelijk
in de vingers gesneden hebben. Mevrouw Van de Merwede was bijvoorbeeld
de belangrijkste erfgenaam van haar broer. Zo groot
was de angst voor Gods toorn over een tolerante houding ten opzichte
van sodomieten dus ook weer niet! 8).
Noten
Dit artikel berust voornamelijk op dossier RA 001,00601
(“stukken, die gediend hebben in strafrechtelijke/criminele
zaken”). De vonnissen zijn te vinden in RA 001,00466
(“register van gerechtelijke vonnissen in strafrechtelijke/
criminele zaken”). Beide te Zwolle (G.A.).
Voor de literatuur verwijs ik naar:
Theo van der Meer, De wesentlijke sonde van sodomie en andere
vu.yligheden. Sodomietenvervolging in Amsterdam 1730 – 1811.
Amsterdam 1984.
H. Reenders, Ter afwending van Gods toorn. De sodomietenvervolging
in Kampen in 1730, in: Kamper Almanak 1980/81, 233 –
2. Van der Meer, 27 e.v.
3. Idem, 177 e.v.
4. Weduwe Banders hertrouwde op 14 mei 1731 met Nanne Jansen
van Horen. Ze werd in 1763 “van de arme begraven” op het
Broerenkerkhof.
5. Weduwe Bilevelt overleed in 1747.
6. Zie: F.C. Berkenvelder, Zo was Zwolle rond 1900. Zwolle
1970, 40. Mevrouw Nauta werd in 1734 weduwe genoemd.
7. J.van Doorninck, Geslachtk. Aanteekeninqen. Deventer 1871,
476, 622. Van Rijswijk zou in 1736 overleden zijn.
8. Zie over Jan van Brunnepe, alias Jan Lap, die op 7 december
1732 te Zwolle gegeseld en verbannen werd: Reenders, 245 e.v.
31.
BOEKBESPREKING
DE JODENVERVOLGING IN ZWOLLE. GESCHIEDENIS VAN DE JODEN
TE ZWOLLE TUSSEN 1933 EN 1946 .
Iet Vierstraete – Erdtsieck
Eigen uitgave, Wezep 1985
59 pagina’s. Prijs ƒ 15,—, niet in de handel. Verkrijgbaar
bij de schrijfster, Hortensiastraat 14 te Wezep.
Jaap Hagedoorn
Na Het Joodse onderwijs in Zwolle 1941 – 1943 schreef mevrouw
Vierstraete in het kader van haar M.O.-opleiding een tweede
scriptie over de geschiedenis van de Zwolse joden tijdens de
tweede wereldoorlog. Zij probeert in de scriptie een antwoord
te geven op de vragen hoe de jodenvervolging in Zwolle plaatsvond
en hoe daar door verschillende groepen in de Zwolse samenleving
op gereageerd werd. Bovendien wil de schrijfster door
dit onderzoek licht werpen op het gedrag van de grote groep
tussen helden en verraders (p.1). Voor haar onderzoek maakte de
schrijfster naast geschreven en gedrukte bronnen gebruik van
mondelinge informatie van betrokkenen.
In de verschillende hoofdstukken komen verscheidene groepen aan
de orde dié met de jodenvervolging te maken kregen. Het onderzoek
naar het lot van de joodse Duitse vluchtelingen (hoofdstuk
2) verscheen eerder in onze bundel Als een strootje in de maalstroom.
Zwolle tijdens de tweede wereldoorlog (Zwolle 1985).
Schrijfster toont aan dat de jodenvervolging in Duitsland weliswaar
protesten opriep in Nederland, maar dat de joodse
vluchtelingen – als ze al toegelaten werden in Nederland – voor
hulp voornamelijk afhankelijk waren van geloofsgenoten. In een
volgend hoofdstuk beschrijft ze de wijze waarop antijoodse
maatregelen werden uitgevoerd in Zwolle. Het blijkt dat deze
maatregelen over het algemeen gewoon werden uitgevoerd. In een
volgend hoofdstuk komen de reacties daarop van verschillende
groepen aan de orde, terwijl in de laatste twee delen van het
onderzoek verslag gedaan wordt van onderduik en deportatie enerzijds
en de terugkeer uit de kampen en de wederopbouw van de
joodse gemeente anderzijds. Als bijlagen zijn opgenomen lijsten
van Duitse en Zwolse joden, met vermelding van datum en plaats
van geboorte en van overlijden (of de vermelding “overleefd”),
en enkele documenten van joodse en antijoodse zijde. Verschillende
foto’s completeren het geheel.
32
Hoewel de schrijfster in haar verslag en in de bovengenoemde
lijsten onderscheid maakt tussen Duitse vluchtelingen en joodse
Zwollenaren, doet ze dit janmergenoeg niet om te onderzoeken
in hoeverre het lot van de eerste groep afweek van dat van
de tweede. De uitspraak van Max Hony, over het verschil in behandeling
door de Joodse Raad in Zwolle van Nederlandse en
Duitse joden – “(…) ik kan mij niet herinneren dat een Duitse
jood voorkwam op lijsten waarop mensen afstel tot deportatie
kregen ” (p.9) – is al lijnrecht in tegenspraak met schrijfsters
constatering dat de vluchtelingen net als Nederlandse
joden onderdoken, gepakt, gedeporteerd en vermoord werden of
overleefden (p.9), kortom dat hun lot gelijk was. Het tegendeel
van die laatste constatering is echter ook met cijfermateriaal
te onderbouwen. Aan de hand van de door mevrouw
Vierstraete opgestelde lijsten heb ik de volgende tabel kunnen
opstellen.
Duitse joden 1)
Ned. joden 2)
T O T A A L
VERVOLGINGSSLACHTOFFERS
absoluut
77
355
432
%
74,0
62,0
63,8
OVERLEDEN
IN ZWOLLE
absoluut
3
5
8
%
2,9
0,9
1,2
VERMIST/ONZEKER/
ONBEKEND
absoluut
9
19
28
%
8,7
3,3
4,1′
OVERLEEFD
absoluut
15
194
209
%
14,4
33,9
30,9
TOTAAL
absoluut
104
573
677
%
100,0
100,0
100,0
1) hierbij drie Zwols-Duitse gezinnen, waarvan er twee overleefden
2) hierbij 24 gemengd gehuwden, waarvan er 23 overleefden
Hieruit blijkt d

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1984, Aflevering 3

Door 1984, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

ZWOL&E HISTOQI6CHE V

Dr B.J. Kam
Thorbeckegracht 38 C
8011 VN ZWOLLE
038-421 4314
EEN ZUIVERE,
EENVOUDIGE,
STANDVASTIGE
GEEST…
De Moderne Devotie
te Zwolle
Een uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
Zwolle 1984
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG
Zuivere
Een zuivere, eenvoudige, standvastige geest… : de
Moderne Devotie te Zwolle / (red. N.D.B. Habermehl
… et al. ; M l . J. Hagedoorn … et al.). –
Zwolle : Zwolse Historische Vereniging. – 111.
Met lit. opg.
ISBN 90-71099-01-6
SISO 248.2 UDC 271(492*8000)”14″
Trefw.: Moderne Devotie ; Zwolle.
De tekening op de omslag is vervaardigd door B. Oost, naar een
foto van het verloren gegane portret van Thomas a Kempis, dat
toegeschreven wordt aan Johan van den Mynnesten.
Copyright © 1984, Zwolse Historische Vereniging
Omslagontwerp: B. Oost
Typewerk: H. Brassien en J. Hagedoorn
IBM/artIsan 72, verkleind tot 80%
Offset: Administratie- en dienstencentrum “De Sassenpoort”
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar
gemaakt worden door middel van druk, fotocopie, microfilm of op
welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgever.
TEN GELEIDE
Het uitgeven van een bundel met artikelen over de Moderne Devotie te
Zwolle was één van de mogelijkheden ook in deze stad aandacht te besteden
aan de sterfdag van Geert Grote (1340-138’»). Meester Geert zoals
hij ook wel genoemd werd, stierf te Deventer op 20 augustus 1384,
gelijk zovelen van zijn tijdgenoten, aan de gevreesde pest. Van groot
belang waren de laatste tien jaren van zijn leven, toen hij de grondlegger
werd van een religieuze beweging die al spoedig bekendheid
kreeg onder de naam Devotio Moderna (eigentijdse vroomheid). Een omschrijving
van dit begrip laat zich niet gemakkelijk geven. In dit kader
kan slechts een enkel kenmerk worden genoemd zoals de nadruk op
het lijden van Jezus, waarbij diens menszijn centraal staat. Typerend
voor de moderne devoten is ook hun praktische instelling, zoals blijkt
uit de efficiënte wijze waarop zij fraterhuizen en kloosters inrichtten
en, gebruik makend van de economische groei in de 15de eeuw, tot
grote bloei brachten.
Voor ons als redactie van de Nieuwsbrief, de driemaandelijkse periodiek
van de Zwolse Historische Vereniging, vormde de hernieuwde belangstelling
voor de Moderne Devotie een niet geringe uitdaging, waarop
deze artikelenreeks een antwoord is. Gezien de korte periode van
voorbereiding lag het niet in onze-bedoeling met artikelen te komen
die aan de reeds bestaande kennis van de geschiedenis van de Moderne
Devotie iets nieuws zouden toevoegen. Voor het hiertoe benodigde onderzoek
– zo meenden wij – was de tijd te kort. Dat de aangezochte
auteurs desondanks met artikelen kwamen die naast hun uitstekende
leesbaarheid soms nog nieuwe zaken aan het licht brachten, was voor
ons – en naar wij hopen eveneens voor U als lezer – dan ook een aangename
verrassing.
Wij hopen dat deze bundel zijn weg naar veel lezers mag vinden, zodat
de moeite die de auteurs zich getroost hebben hun artikelen tot
stand te brengen, beloond wordt.
N.D.B. Habermehl
J. Hagedoorn
R.T. Oost
A. van der Wurff
Plattegrond van Zwolle _+ 1560, naar J. van Deventer.
ZWOLLE TEN TIJDE VAN DE MODERNE DEVOTIE
Drs. F.C. Berkenvelder
Inleiding
De worsteling naar onafhankelijkheid kenmerkt de Zwolse stadsgeschiedenis
tot het midden van de 1*tde eeuw. Tot die’tijd was Zwolle politiek,
economisch, juridisch en kerkelijk min of meer afhankelijk van
zijn moederstad Deventer. Die stad probeerde zich namelijk in het begin
van de 14de eeuw niet alleen als zetbaas van de bisschoppen van
Utrecht voor geheel het Oversticht op te werpen, maar poogde zelfs van
Overijssel een stadstaat onder zijn leiding te maken. Van deze aspiraties
moest Deventer echter afzien toen rond het midden van de 14de
eeuw in de persoon van Jan van Arkel een krachtiger bisschop zijn intrede
deed.
Deze bisschop wist zich weer financieel onafhankelijk te maken en bevoorrechtte
de andere steden, onder andere Zwolle. Zo verleende hij in
1346 de zogenaamde hoge jurisdictie aan het Zwolse stadsbestuur. Dit
betekende dat voortaan de rechtspraak in zijn totaliteit berustte bij
het stadsbestuur, dat sindsdien ook doodstraffen kon uitspreken zonder
dat de veroordeelde hiertegen in hoger beroep ‘k”on gaan.
Tevens werd de schout, tot dan de vertegenwoordiger van de landsheer
in de rechtspraak, pas door de bisschop benoemd, wanneer het stadsbestuur
van Zwolle daarvoor toestemming gaf. De macht van het college
van twaalf schepenen, dat Zwolle bestuurde, werd zodoende aanzienlijk
uitgebreid. De schepenen hadden uiteraard reeds het bestuur van de
stad in handen en kregen dus nu ook de rechtspraak in volle omvang,
terwijl zij tevens alle handelingen verrichtten, die nu door notarissen
worden gedaan: zij hadden “politie(k) ende justitie”. De Zwolse
regering streefde er ook naar zelf de stadspastoor te mogen benoemen,
ten einde ook in kerkelijk opzicht onafhankelijk te worden van de moederstad
Deventer. Dit lukte in het midden van de 14de eeuw echter nog
niet.
Naast de bisschop – als landsheer als het ware de souvereine vorst –
en Deventer had Zwolle ook nog rekening te houden met de adel als
machtsfactor. De macht van de adel werd door de opkomst van de ste- .
den steeds geringer. Aangezien de macht van de Overijsselse steden
berustte op de handel, in het bijzonder op de doorvoerhandel van de
Noordzee naar Westfalen via de IJssel en de Vecht, probeerden de edelen
zich schadeloos te stellen door vanuit hun burchten de handelaren
lastig te vallen. Zodoende vonden de drie steden en de landsheer
elkaar ter wille van de handhaving van de orde.
Tegen deze achtergrond ontwikkelde zich aan het eind van de 14de eeuw
de zogenaamde Moderne Devotie. Al is deze geestelijke stroming in de
eerste plaats een reactie op het verval van de Kerk, toch kan haar
opkomst en bloei niet los worden gezien van de steden waar zij ontstond
en wortel schoot. Dit geldt in het bijzonder voor Deventer en
Zwolle. In onderstaande schets zal worden ingegaan op de ontwikkeling
van Zwolle ten tijde van de late middeleeuwen, de periode waarin
de Moderne Devotie haar bloei doormaakte.
Gouden Tijd (1375-1^50)
In 1375 kwam een verbond tussen Deventer, Kampen en Zwolle met de
landsheer tot stand, dat inhield dat zij gezamenlijk de burchten van
de adel zouden belegeren en slechten. In de jaren rond 1380 is dit
inderdaad gebeurd. Het verbond betekende echter ook een versterking
van de onderlinge positie van de steden tegenover de landsheer. Dit
werd nog eens bevestigd in 1399 door een 20-jarig verbond tussen de
drie IJsselsteden en de bisschop.
In hetzelfde jaar slaagde het stadsbestuur van Zwolle er in het kerkgebouw
in handen te krijgen, zodat enkele jaren later – in 1406 – onder
leiding van de door de stad aangestelde kerkmeesters met de bouw
van de huidige Grote Kerk begonnen kon worden. Het recht de stadspastoor
te benoemen bleef echter – ook na een hierover gevoerd proces –
berusten bij het kapittel van Deventer.
Het laatste kwart van de 14de eeuw vormde voor Zwolle de aanzet tot
zijn Gouden Tijd:’ vrij van obstakels van politieke (de overheersing
door Deventer) en economische aard (het slechten van de burchten) kon
Zwolle op het laatst van de 14de eeuw meer nieuwe burgers begroeten
dan enige andere stad in de Nederlanden. Daarbij kreeg Zwolle in 1384
door de inlijving van de marke Dieze haar tegenwoordige gemeentegrenzen.
De stad zelf breidde zich uit over de Grote A en trok het gebied
tot aan de Kleine A binnen de ommuring. Bewoning van dit oorspronkelijk
veenachtige gebied werd mogelijk gemaakt door de aanleg van een
paalweg naar de buurschap Dieze, de Diezerstraat. Volkrijk was het
stadje evenwel niet: betrouwbare schattingen wijzen uit, dat rond 1400
ongeveer 3200 mensen binnen de muren woonden.
Zwolle was geen agrarisch centrum en had ook vrijwel geen eigen nijverheid.
Het leefde van de doorvoerhandel. Om die reden werd er gestreefd
naar verbetering van de verbindingen, vooral over water, wat toen het
meest gebruikte middel van vervoer voor handelsgoederen was. Daarom
poogde Zwolle de overgang over de IJssel, het zogenaamde Katerveer, in
handen te krijgen, wat in de loop van de 15de eeuw is gelukt. De voornaamste
route voor Zwolle bleef echter die over de Vechf naar het Zwartewater,
zodat het tegenwoordige Rode-Torenplein in die tijd hét handelscentrum
van Zwolle was.
Bij gebrek aan een krachtige landsheer moest Zwolle in allerlei zaken
voor zichzelf opkomen. Vandaar dat het zich aangetrokken voelde tot de
Duitse steden, die in een soortgelijke positie kwamen te verkeren toen
Het Rode-Torenplein, het handelscentrum van Zwolle.
een krachtig iandsheerlijk gezag ook in het Duitse Rijk ontbrak. Door
tegenwerking van Deventer was het Zwolle echter in de l’tde eeuw niet
gelukt lid te worden van de Hanze. Door de gewijzigde machtsverhoudingen
in Overijssel kon^Zwolle in 1407 toegelaten worden tot dit verbond van
handelssteden. Ter bevordering van diezelfde handel werden in die jaren
in Zwolle een Waag, een Wanthuis, waar textiel verkocht werd, en
een Vleeshuis gebouwd.
Hoewel de relatief grote welvaart van Zwolle veel vreemdelingen aantrok,
nam hét totale inwonertal niet toe. De vele epidemieën, vooral
de pest, zorgden daarvoor. Het stadsbestuur vaardigde wel bfj herhaling
maatregelen uit ter bevordering van de hygiëne, zoals het verbod
het water te verontreinigen door vuilnis te storten in de A, maar in
de praktijk kwam het toch neer op het bestrijden van de symptomen. Zo
werd voor de melaatsen in 1377 buiten de stad een gasthuis gesticht.
Voor de pestlijders werd in 1450 eerst nog voorlopig en in 1458 definitief
een gasthuis ingericht. De armen- en ziekenzorg, vanouds toever8
trouwd aan het Hei 1ige-Geestgasthuis, werd belangrijk verbeterd. Bovendien
nam het aantal instellingen van weldadigheid in de loop van de
15de eeuw toe. Naast het in bkk gestichte St.-Laurensgasthuis voor dertien
of meer arme zieke mensen, waren dit veelal zogenaamde vrijwoningen.
Vermogende lieden lieten bij hun overlijden soms hun woning na aan de
armen van de stad, die er dan een onderkomen vonden. De economische
groei kwam dus tot op zekere hoogte ook aan de zwaksten in de samenleving
ten goede.
De Diezerpoort In de Zwolse stadsmuur. Afgebroken in de 19de eeuw.
Niet toevallig valt in diezelfde tijd ook een culturele bloei waar te
nemen. Zo werd er in Zwolle nooit zoveel gebouwd als in de eerste helft
van de 15de eeuw. Gelukkig is van dit alles het één en ander overgebleven,
al is het bijzonder weinig vergeleken met hetgeen er ooit geweest
is. Behouden zijn gebleven de verschillende kerken, de schepenzaal in
het stadhuis, de Sassenpoort, de stadsmuren en verschillende middeleeuwse
woonhuizen.
Op onderwijskundig gebied trok de stad Joan Cele aan, die als rector
van de Latijnse school op pedagogisch en didactisch gebied baanbrekend
werk verzette. Cele voerde een nieuw type onderwijs in, dat gezien moet
worden als een schakel tussen het basisonderwijs en de universiteit.
Uit heel de Nederlanden, maar ook uit de Duitse gebieden kwamen honderden
leerlingen zijn lessen volgen. Voor hen werd rond het midden van
de 15de eeuw een enorm schoolgebouw met een capaciteit van 800 leerlingen
naast het stadshuis gebouwd. In Cele’s ‘aanwezigheid kocht Geert
Grote in 1384 een huis in de huidige Praubstraat, waarin hij het Fraterhuis
stichtte, dat onder leiding kwam te staan van Florens Radewijns
en Johan van den Gronde. Dit was de eerste vestiging van de Moderne Devotie
buiten Deventer.
In het begin van de 15de eeuw ontstonden in Zwolle twee aan elkaar tegengestelde
stromingen. Aan de ene kant waren dit door de handel steeds
machtiger wordende handwerkslieden, die verenigd waren in de gilden en
die streefden naar welvaart. Anderzijds ontstond als reactie op de
groeiende rijkdom en verwereldlijking een beweging die juist de eenvoud
en de soberheid voorstond en die het we 1zi jn van de mensen op het oog
had. De inspirator van deze zogenaamde Moderne Devotie was de uit Deventer
afkomstige Geert Grote. Hij stichtte, zoals vermeld, het eerste
Fraterhuis in Zwolle. De Moderne Devotie kreeg een^grote omvang en aanhang,
met name door het organisatie- en propagandatalent van Dirk van
Herxen, die bijna 50 jaar lang rector van het Zwolse Fraterhuis was.
Onder zijn bezielende leiding verspreidden de moderne devoten zich vanuit
Zwolle over praktisch het gehele toenmalige Duitse rijk. Echt wereldwijd
bekend werden hun idealen door Thomas a Kempis, die 70 jaar
lang in Zwolle woonde en werkte. Hij is immers de schrijver van Over
de navolging van Christus. Er is vrijwel geen taal in de wereld, waarin
dit na de bijbel meest gelezen boek niet is vertaald.
De belangen van de twee Zwolse groeperingen, de gilden enerzijds en de
moderne devoten anderzijds, kwamen zo zeer met elkaar in botsing, dat
er een omwenteling plaatsvond. Volgens het destijds geldende stadsrecht
moest men over grondbezit beschikken om zitting te kunnen krijgen in
het stadsbestuur. De oldermannen (bestuurders) van de gilden moesten
dus onroerend goed in handen zien te krijgen, maar om over een gezonde
financiële basis te kunnen beschikken, moesten ook de fraters grondbezit
zien te verwerven. Vandaar dat in 1407 het stadsrecht in die zin
gewijzigd werd, dat de kloosterlingen die in Zwolle onroerend goed erfden,
dit moesten verkopen aan niet-geestelijken. De gilden slaagden er
in 1413 in het stadsbestuur in handen te krijgen en trachtten vanuit
die positie de moderne devoten het leven onmogelijk te maken. Toen de
laatsten daarop gingen klagen bij de bisschop, die landsheer en kerkelijk
leidsman in het bisdom was, zette deze een “contra-revolutie” op
touw, die in de nacht van 12 op 13 december 1416 het oude stadspatriciaat
weer aan de macht bracht. Verschillende gildeleiders werden midden
in die nacht van hun bed gelicht en bij het licht van flambouwen
10
op de Grote Markt onthoofd. Tientallen anderen werden levenslang vei—
bannen.
De macht van de steden tegenover de bisschop werd duidelijk versterkt
tijdens het Utrechtse schisma (1423-1432), toen de door de Overijsselse
steden gesteunde kandidaat voor de vacante bisschopszetel, Rudolf van
Diepholt, het moest opnemen tegen de domproost Zweder van Kuilenburg,
en de eerste deze strijd won. Als dank voor de geboden hulp schonk Van
Diepholt – eenmaal bisschop geworden – in 1433 de woeste veengronden’
in de Rute en de Hermeiijn, bij het tegenwoordige Nieuwleusen, aan de
stad Zwol Ie.
Op kerkelijk terrein boekte de stad eveneens winst. De bisschop bepaalde
namelijk in 1438 dat van de inkomsten van de Zwolse kerk het grootste
deel (7/12) naar de stadspastoor zou gaan, terwijl het kapittel
van Deventer zich voortaan tevreden moest stellen met 5/12 van de opbrengsten.
Belangrijker nog was het stapel recht dat hij in hetzelfde
jaar aan Zwolle schonk en dat bepaalde dat alle goederen die bij Venebrugge
(op de grens van Overijssel en Bentheim) over de Vecht binnenkwamen,
naar Zwolle ter markt moesten worden gebracht om daar verkocht
te worden.
Na de Wendisch-Hollandse oorlog (1438-1441) valt er op economisch gebied
een kentering waar te nemen. Als gevolg van deze door de Wendische,
of Hanzesteden van de Hollandse steden verloren oorlog verplaatste
de handel naar en uit de Oostzee zich meer naar Holland. Bovendien
verminderde de economische betekenis van de Hanzesteden langs
de IJssel door de slechter wordende bevaarbaarheid van die rivier,
terwijl de koggen juist een grotere diepgang kregen.
Bovendien verslechterde de verstandhouding tussen bisschop Rudolf van
Diepholt en de Overijsselse steden rond het midden van de 15de eeuw.
Vandaar dat Kampen, Deventer en Zwolle zich in 1450 verbonden om elkaars
vrijheden en rechten te beschermen. Zelfs bepaalden’zij in 1452
dat zij – zo nodig met geweld – inbreuken op hun rechten door de landsheer
zouden verhinderen en de bisschop niet zouden steunen in de strijd
die hij toen voerde om een neef bisschop van Munster te maken.
In 1456 kwamen de anti-Hollandse gevoelens tot uiting in het verzet van
de Overijsselse steden tegen de nieuw opgedrongen bisschop David van
Bourgondië”. Zij liepen echter tevergeefs storm tegen zijn machtige beschermheer
en natuurlijke vader Philips van Bourgondië. Na een kortstondig
beleg ging Deventer overstag, gevolgd door Kampen.en Zwolle.
Hiermee werd Overijssel politiek en cultureel in de Bourgondische
invloedssfeer opgenomen.
Nabloei (1450-1500)
Politiek gesproken werd Overijssel na het midden van de 15e eeuw steeds
meer betrokken bij de Gelders-Bourgondische tegenstellingen. Deze landstreek
was duidelijk een object van de Bourgondische expansiepolitiek,
11
wat Gelderse reacties opwekte. Bisschop David van Bourgondië deed ook
duidelijke pogingen om zijn landsheerlijke positie te versterken en
door middel van hoger beroep inzake rechtspraak centralisatie van macht
te bereiken. Door het sneuvelen van Karel de Stoute in 1477 moesten de
Bourgondiërs tijdelijk afzien van hun aspiraties ten opzichte van Overijssel.
Bisschop David zag zich in 1478 genoodzaakt af te zien van het
Hooggerechtshof, de Schive, en moest ook een landrecht voor Overijssel
toestaan, dat – kenmerkend voor de nieuwe situatie – in Zwolle werd gedrukt.
Doordat Zwolle betrokken raakte bij de Bourgondische wereld, beleefde
het in de tweede helft van de 15de eeuw als het ware een “herfsttij der
middeleeuwen”. Op allerlei terreinen werd een hoog cultureel niveau
bereikt. In dit verband moeten wij volstaan met een opsomming van beroemde
kunstenaars, zoals Berend van Koblenz, Hendrik Verdriet, Willem
Backerweert, Arend van Kalkar en de beroemde drukker Peter van Os. Helaas
zijn maar weinig kunstuitingen van die tijd bewaard gebleven. Wel
is in tal van Europese musea en verzamelingen nog het werk aanwezig
van degene die tot voor kort moest worden aangeduid met de noodnaam
de “Meester van Zwolle”. Ongeveer 35 jaar geleden is het gejukt zijn
identiteit vast te stellen. Deze leermeester van Jeróen Bosch, maar
ook van een man als Lucas van Leyden en vooral van Albrecht Dtirer
blijkt Johan van den Mynnesten te hebben geheten.
Broeders van het Broerenklooster
te Zwolle.
12
De Zwolse bloeitijd duurde tot ongeveer 1500. Rond 1480 eindigde zij
eigenlijk met een stadsuitbreiding tot aan de huidige Thorbeckegracht.
Toen kreeg Zwolle ook de stadsmuur die nu gerestaureerd wordt. Binnen
deze nieuwe ommuring werd door de Dominicanen het Broerenklooster met
de librije gebouwd. Ook diende juist dit terrein – het huidige nieuwe
winkelcentrum – als industrieterrein, wat nog doorklinkt in de straatnamen
zoals de Smeden, Pletterstraat en de Pijpenbakkerssteeg. Tezelfdertijd
werden de zusterhuizen van de moderne devoten omgezet in
kloosters: in 1484 gingen de Zwolse vrouwenconventen over in kloosters
van reguliere kanonikessen van de Augustijner orde. Het is als het
ware het einde van de Moderne Devotie als actieve, vernieuwende geestelijke
beweging. Precies een eeuw na de vestiging van het eerste
Fraterhuis in Zwolle stokte en verstolde deze beweging om weer precies
100 jaar later zelfs geheel te verdwijnen. De Moderne Devotie, als beweging
sterk naar voren komend bij het opkomende getij van Zwol Ie’s
Gouden Tijd, ebt als het ware weg als Zwolle’s bloei verbleekt. Aldus
beschouwd, blijkt dat de Moderne Devotie een tijdsverschijnsel is,
nauw samenhangend met de economische ontwikkeling van haar omgeving.
Geraadpleegde literatuur:
F.C. Berkenvelder, “Zwolle ten tijde van Thomas a Kempis” in;Bi idraqen
over Thomas a Kempis en de Moderne Devotie (Brussel/Zwolle 1971) 38-53.
F.C. Berkenvelder, “De groei van middeleeuws Zwolle naar zelfstandigheid”
in: Overijsselse Historische Bijdragen 95 (1980) 167-186.
F.C. Berkenvelder, Zwolse Regesten I en II (Zwolle 1980/1983)
B. Dubbe, “Is Johan van den Mynnesten de ‘Meester van Zwolle1?’1 in:
Bulletin van het Rijksmuseum 18 (1970) 55-65.
J. Frederiks, Ontstaan en ontwikkeling van het Zwolse schoolwezen tot
omstreeks 1700 (Zwolle 1960).
N.D.B. Habermehl, “Het Heilige Geestgasthuis te Zwolle in de late middeleeuwen:
stichting en ontwikkeling” in: Overijsselse Historische Bijdragen
95 (1980) 139-165.
B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle (5 delen; Zwolle 1767-
1775).
F.K. van Ommen Kloeke, “Het ‘Hospitael der maellateschen geheten Ten
Hiligen Cruce buten Voersterpoerten’ te Zwolle (1377- +_ 165Ó)” in: Verslagen
en mededelingen van de Vereeniqinq tot beoefening van Overiisselsch
regt en geschiedenis 26 (1910) 203-304.
B.H. Slicher van Bath e.a., Geschiedenis van Overijssel (Deventer 1970).
A. Telting, Stadboeken van Zwolle (Zwolle 1897).
Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle I (Zwolle 1954).
Thom. J. de Vries, “Meester van Zwolle, Johan van den Mynnesten’s levensgeschiedenis”
in: Overijsselse portretten (Zwolle 1958) 7-12.
13
J A N C E L E EN D E P R E K E N D I E H I J N I E T S C H R E E F
D r s . R . T h . M . van D i j k
De Gemeentelijke Archiefdienst te Zwolle bewaart een handschrift met
preken, die tot voor kort vrij algemeen aan Joannes Cele, de rector
van de Zwolse stadsschool, werden toegeschreven. Het handschrift omvat
96 papieren bladzijden (285 x 205 mm) in katernen van wisselende
omvang. De bladspiegel meet 220 x 1^5/150 mm. De tekst vult in één
kolom de gehele bladspiegel, waarbij het aantal regels varieert van
30 tot 57. Er zijn geen signaturen en slechts enkele reclamen (bladwachters).
Naast de moderne potloodfoliëring is er een oude foliëring
(ff. 3r-83v), waarvan een deel (ff. 30r-83v) dubbel is gefolieerd.
Het gebruikte schrift is overwegend een cursieve boekletter,
terwijl voor de opschriften een boekletter werd gebruikt. Er zijn
vier handen te onderscheiden: ff. 3r-28v, ff. 30r-83v, ff 83v-86v en
ff. 87r-96v en de toegevoegde exempelen (stichtelijke verhalen) in
de marges van ff. 3r-83v. Het handschrift bevat slechts één rode
initiaal zonder versiering. De overige ruimtes voor initialen, meestal
door representanten of initiaalwachters aangeduid, zijn niet ingevuld.
De huidige band en twee (voorin) en zes (achterin) papieren
schutbladen dateren uit het midden der 19de eeuw. Het boekblok is
gebonden in kartonnen platten, met bruin gedrukt papier overtrokken
en voorzien van een schapeieren rug en hoeken, 295 x 215 x 40 mm. 1)
atteft^^ec^^J-^hJH^^rtuSSMuS^ a*.(a«8t®t8tv-aJ*aN§ i
Deel van een pagina uit het prekenhandschrift, met toegevoegd exempel.
11»
De tekst omvat een cyclus van 59 preken voor de zondagen en de voornaamste
feestdagen van het kerkelijk jaar, op een enkele uitzondering
na gebaseerd op het evangelie van de betreffende dag. De preken zijn
in het Middelnederlands geschreven en voorzien van Latijnse opschriften.
Een aantal correcties in de tekst laat zien dat het om een afschrift
van een ander handschrift gaat.
Over de herkomst valt niets met zekerheid te zeggen. C. Borchling,
die het als eerste beschreef, localiseert het ten onrechte in Windesheim.
2) Daarna heeft W. de Vreese het voor zijn Bibliotheca Neerlandica
Manuscripta beschreven. 3) Hij identificeert de preken met
sermoenen van de Rijnlandse mysticus Joannes Tauler (eind 13de eeuw –
1361). k) Meer bekendheid kreeg het Zwolse handschrift door B. Delfgaauw,
die veronderstelt met een prekenbundel voor zusters van het
gemene leven of regularissen van Windesheimse signatuur te maken te
hebben en de taal Oostmidde1nederlands noemt. 5) Mede hierdoor kwam
Thom. J. de Vries ertoe de prekencyclus toe te schrijven aan magister
Joannes Cele. 6) Sindsdien is zijn mening vrij algemeen gevolgd. 7)
Na een zeer uitvoerig vergelijkend onderzoek van een aantal bundels
met epistel- en evangeliepreken in het Middelnederlands is G.C. Zieleman
tot de conclusie gekomen, dat de Zwolse prekenbundel een bewerking
is van een oorspronkelijk wel 1icht Vlaamse prekencyclus, die tussen
1323 en 13*»7 in Brugge of omgeving tot stand is gekomen. 8) De taal
van ons handschrift is niet Oostmidde1nederlands, maar Hollands. De
eerste kS preken dateren van ca. 14Q0, de overige 13 van ca. 1A15.
De oorspronkelijke auteur moet een geschoolde theoloog geweest zijn,
die vertrouwd was met de scholastieke theologie, met de Latijnse
traditie der Franse mystici (Bernardus van Clairvaux, Richard van
Sint-Victor, Thomas van Aquino) en met de nieuwe mystieke stromingen
van de Brabantse school (Jan van Ruusbroec) en de Rijnlandse school
(Meester Eckhart, Henricus Suso, Joannes Tauler). Hij blijkt geen
slaafse navolger van een’of andere school te zijn, maar legt eigen
accenten, met name in zijn vriendschapsmystiek 9), die tot nu toe in
de Nederlandse geestelijke literatuur nog onbekend waren.
Het onderzoek van Zieleman is zo grondig en de resultaten ervan zijn
zo overtuigend, dat Zwolle voorlopig een illusie armer is. Wij dienen
weer terug te keren tot de vaststelling van E. Zuidema, dat van
Joannes Cele geen werken bewaard zijn gebleven. 10) En zeker ontvalt
alle kracht aan het voorstel van S. Axters om, naar aanleiding van het
betoog van Thom. J. de Vries, alle teksten waarin ‘die minnende sele’
(Cele !) opduikt bij de geschriften van de Zwolse school rector onder
te brengen. 11) Gezien de unieke plaats die het Zwolse handschrift
in de Middelnederlandse preekliteratuur en de mystieke traditie van
de Nederlanden inneemt, lijkt het mij echter meer dan wenselijk, dat
tot een volledige tekstuitgave besloten wordt. Het preekboek gaat
verre de betekenis te boven die zelfs een beroemdheid als Jan Cele
eraan had kunnen geven.
De toeschrijving, sinds Thom. J. de Vries, van de Zwolse prekenbundel
aan magister Joannes Cele mist helaas elke wetenschappelijke onderbouwing.
Maar op zich is het niet ondenkbaar dat de befaamde schoolrector
preken heeft nagelaten. Johannes Busch heeft in zijn Chronicon
Windeshemense het leven van Cele beschreven. 12) Daarin vermeldt hij
15
uitdrukkelijk dat de rector naar de wijze van de broeders collaties
óf preken (oorspronkelijk: broederlijke gesprekken) hield voor zijn
leerlingen. De ‘broeders’ (van het gemene leven) zijn de volgelingen
van Geert Grote (13^0-138^t), die in 1379, na een langdurige retraite
bij de kartuizers van Monnikhuizen bij Arnhem, een leven als boeteprediker
begon en aan de oorsprong staat van de revei1 beweging van de
Moderne Devotie. 13)
Binnen deze beweging van ‘vernieuwde innerlijkheid’ nam Joannes CeIe
een geheel eigen plaats in. Hij was in het midden van de 14de eeuw te
Zwolle geboren uit de patriciërsfamilies Sobbe en Ten Weerde. Na aan
een buitenlandse universiteit, mogelijk Praag, de titel van magister
artium te hebben behaald, werd hij in 137*1 door de Zwolse stadsmagistraat
tot rector van de stadsschool benoemd. Hij raakte bevriend met
Geert Grote, met wie hij in 1379 naar Parijs trok om boeken te kopen.
Beiden waren van mening dat herstel van de verziekte Kerk in hun dagen
pas kon beginnen met ernstige studie van goede en betrouwbare
teksten. Onderweg bezochten zij Jan van Ruusbroec, de beroemde Brabantse
mysticus, die als prior van Groenendaal bij Brussel zijn laatste
jaren sleet. 1*0 Dit bezoek duurde enkele dagen en in die tijd
waagde Geert Grote het op de grootmeester van de Nederlandse mystiek
enige aanmerkingen te maken. Waarop deze antwoordde: “Hooit heb ik
iets in mijn boeken geschreven tenzij in tegenwoordigheid van de Heilige
Drievuldigheid… En u, magister Geert, u zult de waarheid
hiervan die nu nog voor u verborgen is, binnenkort verstaan, maar uw
gezel, magister Jan, zal het in dit leven nooit verstaan”. 15) Ruusbroec
miste kennelijk bij Cele, althans volgens zijn biograaf Hendrik
Utenbogaerde (Pomerius), iedere mystieke aanleg. Een gemis dat zich
dus thans goed laat rijmen met het feit dat de Zwolse prekenbundel
met zijn opvallend mystieke spiritualiteit niet van Cele kan zijn.
De kwalificatie die Ruusbroec aan Cele toekende, doet geen afbreuk aan
het feit dat wij te doen hebben met een man die een vroom en toegewijd
leven wilde leiden. Het schijnt dat hij een ogenblik aan zijn roeping
als school rector getwijfeld heeft. Ook hij trok zich enige tijd in
Monnikhuizen terug (1381-1382), maar liet zich er tenslotte door Geert
Grote van overtuigen, dat hij het geestelijk reveil van de Moderne
Devotie niet beter kon dienen dan als rector van de Zwolse stadsschool.
Hij was getuige bij de stichting van de eerste twee huizen van broeders
van het gemene leven in Zwolle (1384 en 1396). Onder zijn rectoraat
breidde de Zwolse stadsschool zich aanzienlijk uit én werd één
van de bekendste van heel West-Europa. Niet alleen kinderen van Zwolse
burgers bevolkten de school, maar vooral ook niet-Zwollenaren. Zij
werden bij particulieren ondergebracht of in de convicten die de
broeders van het gemene leven spoedig oprichtten. Cele stuurde zijn
leerlingen vaak naar de broeders, waar zij studieuze en religieuze begeleiding
kregen. De broeders ontwikkelden een methode van bijbelgesprek,
collatie geheten, die zij in de vorm van preekgesprekken ook
aanwendden in bijeenkomsten met parochianen en schooljeugd. Deze methode
paste-Cele zelf in zijn zondagse samenkomsten met de leerlingen
van zijn school toe.
Joannes Cele is van groot belang geweest voor de hervorming van het
laatmiddeleeuws onderwijs in Nederland. 16) Geleid door de beginselen
van de Moderne Devotie, stelde hij tot doel van het onderwijs: de mo16
rele en religieuze vorming van de jeugd. Wetenschap die een mens niet
echt beter maakt achtte hij met Geert Grote waardeloos. Om het gestelde
doel te bereiken, herordende hij alle schoolvakken op de Heilige
Schrift en de kerkelijke praxis. Hij deelde de school in acht klassen
in, elk met een eigen leerprogram. Voor het onderwijs in de hoogste
klassen trok hij enkele magistri artium als lectoren aan, terwijl hij
hét onderwijs in de lagere klassen toevertrouwde aan leerlingen van
de hoogste klassen. Zijn schoolsysteem beviel zo goed, dat het na de
middeleeuwen door de nieuwe religieuze orden, zoals de Jezuïeten en
de Ursulinen, met enkele wijzigingen kon worden voortgezet.
Meester Jan Cele is tot aan zijn dood in 1^17 rector van de Zwolse
stadsschool gebleven. Zonder ooit zelf broeder van het gemene leven
of reguliere kanunnik van Windesheim te zijn geweest, heeft hij duizenden
jongens in de geest van de Moderne Devotie gevormd. Velen van
hen hebben belangrijke plaatsen in Kerk en samenleving bekleed en op
hun beurt het zaad van de vernieuwde innerlijkheid gezaaid. Terecht
beschouwden de Windesheimers Jan Cele als één der hunnen. Na zijn
dood op 9 mei 1417 werd zijn lichaam te Windesheim ter aarde besteld.
Ook al zijn de aan hem toegeschreven preken niet van zijn hand,
magister Joannes Cele van Zwolle blijft een moderne devoot waarop
zijn geboortestad in het 600ste sterfjaar van Geert Grote terecht
trots mag zijn.
Onderwijs in de late middeleeuwen.
17
Noten:
1 Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle, Handschriften Zwolle, serie II,
nr. 1; Thomas a Kemp is en de Moderne Devotie. Tentoonstellingscatalogus
(Brussel 1971) 6-7 (nr. 7). G.C. Zieleman. Middelnederlandse’
epistel- en evangeliepreken. Kerkhistorische bijdragen 8(Leiden
1978) 89-97. Zie aldaar verdere literatuur.
2 C. Borchling, Mittelniederdeutsche Handschriften in Norddeutschland
und den Niederlanden. Erster Reisebericht. Nachrichten der Kgl. Ge1
sellschaft der Wissenschaften zu Göttingen, phil.-hist. Klasse
(Göttingen 1898) 240.
3 Bibliotheek der Rijksuniversiteit Leiden, collectie Bibliotheca
Neerlandica Manuscripta, map aantekeningen over handschriften berustende
bij de Gemeentelijke Archiefdienst Zwolle.
4 Voor in het handschrift bevindt zich een ingeplakt blaadje waarop
W. de Vreese schrijft dat dit wellicht het oudste Middelnederlandse
handschrift met sermoenen van Tauler is.
5 B. Delfgaauw, ‘Een preeken-cyclus der moderne devoten’ .in: Ons Geestelijk
Erf XIV (1940) 173-186.
6 Thom. J. de Vries, Duutsche sermoenen door magister Joan Cele. rector
der Zwolse school, gehouden tot zijn clercken. 1380-1415. Bloemlezing
met inleiding (Zwolle 1949).
7 Zie bijvoorbeeld S. Axters, Geschiedenis van de vroomheid in de
Nederlanden, III, De Moderne~Devotie, 1380-1415 (Antwerpen 1956)
8 Zieleman, 283-309.
9 In deze mystiek wordt de vereniging met God beschreven met beelden
die ontleend zijn aan de beschrijving van vriendschap, broederschap
en genegenheid.
10 E. Zuidema, ‘Cele (Johannes)’ in: Nieuw Nederlandsch Biografisch
Woordenboek IV (Leiden 1918) 407-408.
11 Axters, 94.
12 lohannes Busch, Chronicon Windeshemense und Liber de reformatione
monasteriorum, K. Grube ed. Geschichtsquellen der Provinz Sachsen
und angrenzender Gebieten (Hal Ie 1886) 204-222.
13 G. Epiney-Burgard, Gérard Grote (1340-1384) et les débuts de la
Dévotion moderne. Veröffentlichungen des Instituts für europaische
Geschichte Mainz 54 (Wiesbaden 1970). Onlangs verscheen C. Los,
Van Geert Groote tot Erasmus. De Broeders des gemenen levens en
de navolging van Christus (Zeist 1984). De lezer bedenke echter
wel dat in deze uitgave de literatuur van de laatste 30 jaar niet
is verwerkt (!).
14 De beste bibliografische oriëntatie op leven en werken van Jan van
Ruusbroec biedt Jan van Ruusbroec 1293-1381. Tentoonstellingscatalogus.
Met als bijlage een chronologische tabel en drie kaarten.
(Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I, 1981).
15 Geraert van Saintes; Hendrik Utenbogaerde. De twee oudste bronnen
van het leven van Jan van Ruusbroec door zijn getuigenissen bevestigd.
Uit het Middelnederlands en uit het Latijn vertaald door
de Benedietinessen van Bonheiden. Ingeleid door P. Verdeyen.
Mystieke teksten met commentaar 4 (Bonheiden 1981) 103.
16 M. Schoengen, Die Schule von Zwolle von ihren Anfangen bis zu dem
Auftreten des Humanismus (Freiburg i.B. 1898).
J. Frederiks, Ontstaan en ontwikkeling van het Zwolse schoolwezen
tot omstreeks 1700. Een historische studie (Zwolle 1960) 29-88.
18
THOMAS A KEMP IS, MONNIK VAN HET KLOOSTER OP DE AGNIETENBERG
Korte levensschets van een moderne devoot
H.P. Duynstee
Op 3 november 129*t kreeg het Rijnlandse Kempen in de huidige Bondsrepubliek
stadsrechten. Aartsbisschop Siegfried von Westenburg kan toen
niet hebben vermoed, dat dit stadje nog eens over de wereld bekend
zou worden. Dat dit het geval is, heeft het te danken aan Thomas, die
genoemd werd naar zijn geboortestad. Thomas werd in 1379/80 geboren
als tweede zoon van Johannes Hemerken en Gertrude Kuijt. De familienaam
betekent hamertje. Het kan zijn dat Thomas’ vader een beroep had waarbij
een kleine hamer werd gebruikt. Zijn moeder zou een soort schrijfschooltje
hebben geleid. Thomas zelf heeft zich daar nooit over uitgelaten.
Van zijn jeugd is dan ook maar weinig bekend.
Een speurtocht door de vriendelijke stad Kempen bracht ons in de mooie
St.-Mariënkirche, waar een oud doopvont te zien is, waarin Thomas gedoopt
zou zijn. Natuurlijk heeft Kempen een gymnasium dat naar Thomas
is genoemd, evenals een straat, een apotheek, een boekwinkel, een uitgeverij
en een restaurant. Maar er is ook een “Thomasverein”, een vereniging
met een sociaal-cultureel doel, die in 1838 werd opgericht.
Door toedoen van deze vereniging werd in 1901 een groot standbeeld
achter de St.-Mariënkirche geplaatst. Het gezin Hemerken woonde namelijk
bij het kerkhof, achter de kerk waar nu het grote standbeeld van
Thomas staat. Een oorkonde van 19 september 1402 bevestigt dat het ouderlijk
huis van Thomas dSar moet hebben gestaan. Dit charter handelt
over de verkoop van een huis aan het kerkhof te Kempen, waarvoor Johan
Hemerken en zijn broer Thomas toestemming hadden gegeven. Dit stuk bevindt
zich in het stadsarchief van Kempen.
Toen Thomas ongeveer dertien jaar oud was, ging hij samen met zijn
vriend Gobelinus van Kempen naar Deventer om aan de stadsschooi daar
te gaan studeren. Dat was niet uitzonderlijk in die tijd. Het milieu
in Overijssel verschilde niet veel met dat van Westfalen en het Duitse
Rijnland. Men trof er dezelfde leefgewoonten, dezelfde taal en dezelfde
godsdienst aan. Deventer was niet alleen beroemd om zijn school,
maar ook als bakermat van de Moderne Devotie. Deze religieuze beweging
had zich van hieruit verspreid tot ver in Westfalen en het Rijnland.
De ouders wisten dus waar zij Thomas naar toe stuurden. Blijkbaar
studeerden veel jongens uit Kempen en omgeving in Deventer, want
hun namen komen wij telkens weer tegen in de kronieken. Ook Johannes,
de oudste zoon uit het gezin Hemerken, had in Deventer gestudeerd. Hij
was inmiddels al vijf jaar kloosterling te Windesheim. Toen Thomas naar
Overijssel kwam, zocht hij eerst zijn broer op. Deze gaf hem een aanbeveling
mee voor Florens Radewijns en zo kwam Thomas in de stad waar
19
nog alles getuigde van de geest van Geert Grote, de vader van de Moderne
Devotie.
Na de dood van Geert Grote in 1384 werd zijn werk voortgezet door zijn
beste en trouwste leerling, Florens Radewijns. Aan Thomas a Kempis danken
wij een vrij uitvoerige levensbeschrijving van hem. En juist uit
deze biografie leren wij Thomas ook een beetje kennen. Florens was als
een vader voor Thomas. Toen Thomas in Deventer kwam, zorgde Florens
voor een goed onderdak voor de jongen. Hij kwam bij een devote vrouw
in huis en kreeg er gratis kost en inwoning, net als verschillende andere
studenten die daar woonden. Bovendien zorgde Florens voor boeken,
kleding en schrijfmateriaal.
De goedheid van Florens heeft veel voor Thomas betekend. Hij was vaak
te gast in het Heer Florenshuis. Op zon- en feestdagen hield Florens
voor de studenten een preek. Na afloop spraken zij er dan nog gezamenlijk
over. Voor Thomas waren dit hoogtepunten in zijn schoolleven. Alles
wat hij in het Fraterhuis zag, het leven van de broeders en het
voorbeeld van Florens heeft grote indruk op hem gemaakt. Het is bepalend
geweest voor zijn verdere ontwikkeling. In zijn latere leven zal
Thomas dan ook steeds weer omzien naar deze periode.
Y
Thomas a Kempis
Inmiddels verhuisden de broeders naar een groter pand. Het oude Heer
Florenshuis werd ingericht voor scholieren. Thomas kwam in het oude
vicariehuis te wonen. Hij deelde er zijn kamer en bed met zijn vriend
Arnold Schoonhoven. Hier leerde Thomas boeken en handschriften kopie20
ren, zodat hij zelf ten dele in zijn levensonderhoud kon voorzien. Deze
vaardigheid kwam hem later goed van pas. Door het kopiëren kwam hij tevens
tot het lezen van de„ bijbel en van de geschriften der kerkvaders
en andere verwante schrijvers.
Thomas’ vriend Arnold Schoonhoven had reeds te kennen gegeven dat hij
tot de broederschap wilde toetreden, maar Florens Radewijns wilde hem
pas opnemen als hij goed kon “afschrijven”. Arnold oefende zoveel hij
kon, waarbij naar het schijnt Thomas als zijn leermeester optrad. Na
een jaar werd Arnold in de broederschap opgenomen. Toen stond ook
Thomas voor een beslissing. Hij zou echter niet toetreden tot de broeders
van het gemene leven, aan wie hij zoveel te danken had en door
wie hij gevormd was in de geest van de Moderne Devotie. Op een dag
liet Florens Thomas bij zich komen om met hem over zijn toekomst te
spreken. Florens achtte Thomas het best op zijn plaats in een klooster
en Thomas antwoordde dat dit eigenlijk het diepst verlangen van zijn
hart was. En zo ging Thomas in de zomer van 1399 met een aanbeveling
van Florens Radewijns op weg naar het klooster op de Agnietenberg bij
Zwolle, waarheen zijn broer, Johannes vanuit Windesheim was overgeplaatst
en inmiddels tot prior was benoemd.
De Agnietenbergers ontvingen hem hartelijk en ofschoon het klooster erg
arm was, mocht hij er blijven. Dit werd het begin van 72 jaren “in dienst
van de Heer”. Aanvankelijk-trad hij in als “donatus”. Hij bleef dus leek
en werd om één of andere onbekende reden niet dadelijk in het noviciaat
opgenomen. Intussen maakte hij zich verdienstelijk voor de gemeenschap
door het kopiëren van boeken voor het klooster. Ook werkte hij op bestelling
zodat hij net als in Deventer wat kon bijdragen voor de kost
en de inwoning. Hij was een knap kopiist en bleef dit “monni-kenwerk”
zijn hele leven doen. Er zijn enkele handschriften van Thomas bewaard
gebleven, onder andere een vijfdelige bijbel, die zich in de Hessische
Landes- und Hochschulbibliothek te Darmstadt bevindt.
Thomas heeft het in het begin van zijn kloosterjaren erg moeilijk gehad,
omdat hij gekweld werd door gewetensangsten. De onbekende frater
die na de dood van Thomas nog enige tijd de kroniek van het klooster
heeft bijgehouden vermeldt dit. Mogelijk vond de prior een langere
proeftijd nodig omdat Thomas scrupuleus was. Toch bleek Thomas op zijn
plaats in het klooster. Op Sacramentsdag van het jaar 1406 werd hij
ingekleed en een jaar later legde Thomas de kloostergeloften af. In
zijn kroniek vermeldt Thomas slechts terloops dat hij het ordekleed
ontving en de geloften aflegde. In 1413 ontving hij de priesterwijding.
Thomas was toen 33 jaar oud. Bidden, studeren, schrijven en kopiëren
zouden voortaan zijn leven vullen. Al lijkt dit een zorgeloos
bestaan en is Thomas er heel oud bij geworden, hij heeft het verre
van gemakkelijk gehad.
In 1425 werd Thomas tot subprior en novieenmeester gekozen. Het zou een
moeilijke tijd voor hem worden. Het waren de jaren van het Utrechts
schisma. In 1423 was bisschop Frederik van Blankenheim gestorven. Bij
de benoeming van zijn opvolger onstonden er grote moeilijkheden in het
bisdom. De door Rome benoemde kandidaat, Zweder van Kuilenburg, werd
door velen niet geaccepteerd. Maar de kandidaat die Utrecht voorstelde,
21
Rudolf van Diepholt, werd door Rome afgewezen. Zo ontstond er een breuk
in het Utrechtse bisdom. Voor de Windesheimers en de aangesloten kloosters
was de keuze vóór Zweder van Kuilenburg een vanzelfsprekende zaak,
als gevolg van hun volstrekte gehoorzaamheid aan de paus van Rome. De
wereldlijke overheid dacht er echter anders over. De kloosters gaven
geen gehoor aan de eisen door die overheid gesteld, wat tot vervolgingen
leidde. De broeders uit Deventer vertrokken naar Doesburg, de Windesheimers
gingen naar Frenswegen bij Nordhorn en de Agnietenbergers namen
de wijk naar Friesland. Thomas beschrijft in zijn kroniek de reis naar
Friesland, die via Hasselt per schip werd gemaakt. De reis was niet zonder
gevaar want er stond een straffe wind en het schip was maar klein.
In Friesland, waar zij drie jaar zouden blijven, troffen zij medebroeders
aan die juist bezig waren met de hervorming van het klooster te
Lundingakerke bij Harlingen, dat in verval was geraakt. Daar de Agnietenbergers
hun werk steunden, waren zij er zeer welkom.
Desondanks waren er problemen, want ook onder de broeders heerste verdeeldheid.
Een klein aantal van hen had gekozen voor Rudolf van Diepholt
en had dan ook met tegenzin de Agnietenberg verlaten. Het was voor
Thomas niet gemakkelijk zijn taak naar behoren uit te voeren. In 1432
keerde Thomas weer naar de Agnietenberg terug. Later, in 1448, zou hij
voor de tweede maal het ambt van subprior bekleden. Wij weten niet voor
hoelang aangezien zo’n benoeming telkens voor één jaar geschiedde.
Thomas mislukte in het-ambt van procurator. Een procurator had de zorg
voor alle materiële zaken van het klooster en dat was beslist geen erebaantje.
Na een korte tijd werd Thomas tot opluchting van hemzelf en
van de kloostergemeenschap wegens ongeschiktheid crtt zijn ambt ontslagen.
Hij had er verdriet over en hij ervoer het als een vernedering.
Twee merkwaardige brieven die hij schreef, lichten ons daarover in. Het
lijkt erop dat Thomas hierin de problemen van zich af heeft willen
schrijven.
Was zijn werkterrein zeer beperkt, zijn invloed daarentegen is nog in
onze dagen merkbaar. Tot kort voor zijn dood heeft hij kunnen schrijven.
Zijn ogen bleven namelijk tot op hoge leeftijd goed. Thomas stierf tenslotte
op 25 juli 1471, in de ouderdom van 92 jaar.Tegen de muur boven
zijn graf hing men zijn portret met daaronder de bekende spreuk: “In
omnibus requiem quaesivi, sed non inveni, nisi angello cum libel lol”
(In alles heb ik rust gezocht en niet gevonden dan in een hoekje met
een boekje). De onbekende frater die de kroniek van het klooster verder
verzorgde, voegde er nog aan toe dat Thomas werd begraven naast
broeder Herbert in de oostelijke trans van de kerk. Daarmee zou het
verhaal dan geëindigd zijn, ware het niet dat de werken van Thomas bewaard
zijn gebleven.
De geschriften van Thomas zijn meerdere keren in hun geheel uitgegeven.
Reeds twee jaar na zijn dood verschenen zij voor het eerst in druk onder
de titel: Thomas a Kempis Opera Varia. Er volgden steeds vollediger
uitgaven. Tot in onze tijd komen er nieuwe verzamelwerken uit. Grote
bekendheid geniet de in 1910 door M.J. Pohl uitgegeven Opera Omnia.
Een verzamelwerk van de geschriften van Thomas in het Nederlands be22
staat er tot nu toe niiet. Wel zijn er verschillende kleine werkjes in
het Nederlands uitgegeven, vooral in het begin van deze eeuw. Helaas
hebben wij geen geduld en tijd meer om deze verouderde en breedsprakige
vertalingen zó te lezen dat wij zien, wat Thomas ons werkelijk te
zeggen heeft.Een uitzondering hierop vormen de vertalingen van het boekje
De imitatione Christi (Over de navolging van Christus). Deze verschijnen
regelmatig in eigentijdse taal. De meest recente vertaling is van B.
Naaykens uit 1973, waarvan inmiddels al de vijfde druk is verschenen.
Niet alleen in Nederland, maar overal ter wereld wordt dit werk herdrukt
en blijft de belangstelling ervoor groot.
Maar ook zijn andere werken zijn zeker de moeite waard. Zij geven een
ontroerende getuigenis van de vroomheid van Thomas a Kempis. Hij schreef
zijn werken vooral voor zijn medebroeders en de novicen van de Agnietenberg
en met deze gedachte in het achterhoofd moeten wij ze ook lezen.
Wanneer echter het boek over de navolging van Christus niet zo bekend
was geworden, zouden de andere kO werken van Thomas zeker in de vergetelheid
zijn geraakt.
Waarschijnlijk oudste Nederlandse
vertaling van
een deel van Pe Imitatione
Chri st i. In de onderstreepte
zin het bekende:
Wie mij volgt…
23
Al is een chronologie van Thomas’ werk niet te geven, wel is er een zekere
indeling te maken. Naast de preken en onderrichtingen, meditaties
en gebeden, die voor “huiselijk” gebruik waren bestemd, zijn er ook werken
van meer historische aard. Zij waren weliswaar bedoeld tot stichting
van de novicen, maar zeer zeker ook om de herinnering te bewaren
aan de grote mannen van de Moderne Devotie. Het zijn stuk voor stuk
boeiende levensbeschrijvingen. Mede dankzij Thomas kennen wij het leven
van Geert Grote, de geschiedenis van het Heer Florenshuis en de eerste
bewoners zoals Florens Radewijns, Johan van den Gronde, Gerard Zerbolt
van Zutphen, Johan Brinckerinek, Lubertus Berne, Hendrik Bruyne, Emilius
van Buren, Jacobus van Vianen, Arnoldus Schoonhoven en Johannes Kessel.
Behalve Geert Grote heeft Thomas ze allemaal persoonlijk gekend.
Dan is er nog de Chronica Montis S. Aanetis. de kroniek van het klooster
op de Agnietenberg. Zonder deze kroniek zouden wij weinig of niets
van dit klooster geweten hebben. Verder schreef hij een werk over Liduina
van Schiedam en enkele meer ascetische werkjes.
Thomas was muzikaal en heeft zelf ook liederen gecomponeerd. Pohl verzamelde
er 110, die hij in deel IV van de Opera Omnia als “Cantica” opnam.
Alleen het “In Dulci Jubilo” wordt nog wel eens uitgevoerd in de
oud-nederduitse vertaling.
Een logisch-systematische opbouw zal men vergeefs zoeken in de meeste
werken van Thomas, zelfs niet in zijn meest beroemde boek. Wat wij wel
in de Navolging kunnen ontdekken, is Thomas’ geweldige mensenkennis,
zijn groot psychologisch inzicht, zijn levenservaring en zijn bekwaamheid
geestelijke leiding en vorming te geven aan de novicen van zijn
orde. Zijn groot geloof en oprecht vertrouwen hebben zijn scrupuleuze
aanleg overwonnen. Uit zijn werk spreekt een diepe nederigheid en grote
trouw aan zijn roeping. De Navolging begint met de woorden: “Wie Mij
volgt, wandelt niet in duisternis, zegt de Heer” (Johannes 8:12).
Dit was de leidraad voor heel zijn leven.
Het valt buiten het bestek van dit artikel in te gaan op de inhoud en
de vorm van het boek, evenals op de auteurskwestie die merkwaardig genoeg
pas twee eeuwen na de dood van Thomas ontstond. Er zijn bibliotheken
volgeschreven over deze strijd. Inmiddels wordt algemeen wel aangenomen
dat Thomas a Kempis werkelijk de auteur is van de Navolging.
Een drietal vragen blijft ons sterk bezig houden: Waarom werd juist
dit boek zo bekend? Waar ligt de kracht van dit werk? Hoe kan het dat
dit boek in alle werelddelen mensen heeft bemoedigd en getroost? Wij
weten het niet, nergens worden deze vragen beantwoord. Mogelijk vindt
iedere lezer zijn eigen antwoord en is dit misschien juist de charme
van het werk van Thomas?
Wanneer wij nog eenmaal omzien naar de historische Thomas, dan lijkt
ons de eenvoudige gedenksteen bij het theehuis op de Agnietenberg beter
gekozen dan het ietwat pompeuze standbeeld in Kempen. Maar elk gedenkteken
staat in de schaduw van het monumentale werk dat Thomas ons
heeft nagelaten: Over de navolging van Christus.
Dit artikel is een voorpublicatie uit: H.P. Duynstee, Leven en werk van
Thomas a Kempis 1380 – 1^71. monnik van het klooster op de Aqnietenberq
te Zwolle, een moderne devoot (verschijnt eind 1984 bij ui tgever Tabor
in Brugge).
Geraadpleegde literatuur:
Thomae Hemerken a Kempis Opera Omnia M.J. Pohl ed. (Friburgi 1922)
VII, 116-210, 331-^78.
J. Mooren, Nachrichten Ober Thomas a Kempis (Arnhem I855)
W.G.A.J. Röring, Thomas a Kempis, zijne voorgangers en zijne tijdgenooten
(Utrecht 1902)
Nederlands-Hervormde kerk van Windesheim, eertijds brouwerij van
het Windesheimer klooster.
25
HET KLOOSTER TE WINDESHEIM
H.P. Duynstee
Wanneer wij van Zwolle langs de IJssel naar Deventer rijden, zien wij
aan onze rechterhand Windesheim liggen, een plaatsje met nog een eigen
karakter, dat sinds enkele jaren tot de gemeente Zwolle behoort.
Toch zou je er voorbij rijden als niet een kerkje, dat gebruikt wordt
door de Hervormde Gemeente, de aandacht trok..Dit gebouw, dat vroeger
een brouwer!j was, is bijna het enige dat ons bewaard is gebleven van
het destijds bloeiende klooster te Windesheim. Daarnaast zijn er nog
enkele restanten te vinden van de oude infirmerie (ziekenzaal) en enige
oude gewelven. Hoewel er in de loop der jaren veel misvormd is
aan het kerkje, is het toch alsof je nog iets van de sfeer van vroeger
proeft als je er op een stille namiddag omheen loopt. Hier heeft
heel die boeiende geschiedenis van de kloostergemeenschap van Windesheim
zich afgespeeld, een historie van een niet te onderschatten betekenis
en invloed tot wellicht in onze dagen.
Over het ontstaan van het klooster bestaan verschillende bronnen van
zeer uiteenlopende aard. Er is veel geschreven over Windesheim en het
is vooral de grote verdienste geweest van J.G.R. Acquoy dat in dé jaren
1875 – 1880 alle hem bekende bronnen met betrekking tot het
klooster zijn uitgegeven als bijlagen van zijn belangrijke werk: Het
klooster te Windesheim en zijn invloed. Acquoy heeft alles nauwkeurig
en tot in de kleinste bijzonderheden beschreven.
Al spoedig na de dood van Geert Grote in 1384 maakten Florens Radewijns
en de broeders van het gemene leven plannen voor het stichten
van een klooster. Geert Grote had tijdens zijn leven al voorzien dat
de kerkelijke overheid het bestaan van de broederschap wel eens onmogelijk
zou kunnen maken als hij er niet meer was. Om zijn werk in
stand te kunnen houden, wilde hij een klooster stichten dat een toevluchtsoord
zou moeten zijn voor alle moderne devoten. Zij zouden er
leiding, hulp en raad moeten krijgen en vooral ook bescherming moeten
kunnen vinden in tijden van nood. Door de enorme toeloop van leerlingen
die in de Deventer broederschap wensten te worden opgenomen en omdat
er velen waren die in een klooster wilden intreden, werd er haast
gemaakt met de plannen. De tijd was er rijp voor. Het zou een klooster
worden van reguliere kanunniken met de regel van Sint Augustinus. Zo
had Geert Grote het gewild. Toen bleek dat het de wens was van bisschop
Florens van Wevelinkhoven dat het klooster in Saliand zou worden
gebouwd en niet op het gebied van hertog Willem van Gel re, zoals aanvankelijk
de bedoeling was, werd besloten het erfgoed van Berthold ten
Hove, dat in Windesheim lag, daarvoor te bestemmen. Berthold ten Hove
was een leerling van Geert Grote en hoewel hij tot de broeders van het
gemene leven behoorde, wilde hij liever in een klooster intreden. ;
Daarom zond Florens Radewijns hem met vijf broeders naar Windesheim om
daar het klooster te bouwen. Alles werd vanuit de broederschap in De26
venter geregeld. Florens ging zelf vaak kijken, “als de grote huisvader”,
zoals Johannes Busch hem in de kroniek van Windesheim noemt. Hij
zond zonodig enkele broeders om te helpen.
Van alle kanten kwamen schenkingen binnen om de stichting mogelijk te
maken. Men zocht een plaats uit die bij een eventuele hoge waterstand
van de IJssel niet zou overstromen. Het was een open plek met enige
wilgen. De zes mannen bouwden een paar hutten van ruwe planken, die
zij met takken en klei samenvoegden en die met stro werden afgedekt,
zodat zij een eerste onderkomen hadden. Enkele devote vrouwen, onder
wie Gertrude Kadeneters van Zwol en zuster Bertrude uit ’t Maagdenhuis
van Zwolle, deden de huishouding omdat er nog geen lekebroeders waren,
zo staat in de kroniek van Windesheim te lezen. Zij kookten en deden
de was, streng afgescheiden van de broeders.
In maart 1387 begon men met de bouw. Volgens de kroniekschrijver zou
de plek van te voren door engelen zijn aangewezen. Ook boeren uit de
omgeving getuigden van engelen en engelengezang. Dit merkwaardige feit
treffen wij later bij andere kloosterstichtingen ook aan. De fraters
hadden al naar de betekenis gezocht van het woord “Windesem” en al spelende
met het woord kwamen zij met de zin, die nu nog te vinden is in
het zegel van de Hervormde Gemeente: “0, Windesem, vinea Dei sempiterna”
(O, Windesheim,* eeuwige wijngaard Gods).
De bouw verliep vlot en alles ging zo voorspoedig dat reeds in oktober
van dat jaar de inwijding van de kerk plaats kon hebben. Ook de westelijke
trans, drie huizen, de refter (eetzaal), de brouwerij en de bakkerij,
die voorlopig ook als keuken dienst deed, waren klaar. Alles
was opgetrokken uit steen en met pannen gedekt, met uitzondering van
de bakkerij en de huizen, die rieten daken hadden.
Op 17 oktober 1387 was het dan zover. De suffragaan bisschop (hulpbisschop)
van Utrecht, Hubertus Schenk, consacreerde de kerk. Florens Radewijns
assisteerde hierbij. Het klooster werd toegewijd aan de Heilige
Maagd Maria. Na de plechtigheid kregen de mannen het ordekleed en legden
zij de geloften af van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. Hendrik
Klingebijl werd benoemd tot rector en zolang er nog geen prior was,
stond hij aan het hoofd van dit nieuwe klooster. Voortaan zou deze
kerkwijding feestelijk herdacht worden op de eerste zondag na 16 oktober.
Dan was het niet alleen feest voor de kloostergemeenschap, maar
ook voor alle omwonenden.
De kloostergemeenschap bestond uit verschillende groeperingen. Allereerst
uit koorheren, ook wel fratres chorales genoemd. Deze leefden
volgens de regel van Sint Augustinus. Vandaar de naam reguliere kanunniken,
dit in tegenstelling tot de seculiere kanunniken, die geen
kloosterregel aannamen en geen geloften aflegden. De belangrijkste
taak van deze fratres was het bidden van het koorgebed. Op de kanonieke
uren kwamen zij in de kapel bijeen om gezamenlijk te bidden of te
zingen. De meesten hadden de hogere wijding ontvangen, slechts enkelen
de lagere. Zij waren herkenbaar aan hun kleding: een wit habijt en een
koorhemd, een zwarte mantel met kap, een vierhoekig hoofddeksel en een
platte witte boord. Wij krijgen hiervan een duidelijk beeld, wanneer
27
wij het portret van Thomas a Kempis bezien, dat gemaakt is door Mr.
Johan van den Mynnesten.
Een tweede groep vormden de reddieten. Zij waren in alles gelijk aan
de koorheren, werden ingekleed en legden geloften af, maar konden om
de één of andere reden niet tot priester worden gewijd. Soms was dat
om gezondheidsredenen, soms ook vanwege bepalingen in het kerkelijk
recht. Zo kon een buitenechtelijk kind geen priester worden, leder
klooster liet maar één of twee reddieten toe.” Zij bleven in rang altijd
minder dan de jongste koorheer die priester was.
Dan waren er de conversen. Dat waren de werkbroeders die alle practische
werkzaamheden in het klooster vervulden. Zij waren echte
kloosterlingen en legden geloften af. Hun kleding bestond uit een grijs
habijt. Zij werkten in de keuken, in de brouwerij, in de bakkerij of
zorgden voor de zieken. Sommigen waren boekbinder, schoenmaker of timmerman.
Hun aantal werd beperkt tot acht. Zij waren ongeletterd en baden
tijdens het koorgebed een aantal “Onze Vaders” en “Weesgegroeten”.
Zij werden in hun werkzaamheden bijgestaan door de lekebroeders, die
met elkaar in een apart gedeelte van het klooster woonden en niet tot
de groep kloosterlingen behoorden in ‘de zin van het kerkelijk r.echt.
Zolang zij aan het klooster verbonden waren, stonden zij onder gezag
van de prior. Zij hadden geen privé-eigendommen, waren vrij om te gaan
en waren niet gebonden door geloften. Wegens ouderdom of ziekte konden
zij echter niet worden weggezonden.
Tenslotte waren er nog de donaten, nooit meer dan vijf tegelijk. Deze
stonden hun bezit af aan het klooster, werkten mee waar zij konden en
kregen daarvoor in ruil kost en inwoning. Over hun eigen kleding droegen
zij een grijs habijt, zoals de conversen en de lekebroeders. Hoewel
zij tot gehoorzaamheid aan de prior gebonden waren, konden zij het
klooster weer verlaten. In dat geval ontvingen zij hun goederen terug
en kregen een kleine beloning voor het werk dat zij in het klooster
hadden verricht. Voor het binnenhalen van de oogst of wanneer er dringend
hulp nodig was, werden er tijdelijke werkkrachten aangenomen die
loon ontvingen: de mercenarii (dagloners); Deze behoorden niet tot de
kloostergemeenschap en woonden ergens in de buurt. In het dagelijks
leven werd er binnen de kloostermuren niet veel onderscheid gemaakt.
De onderlinge verhoudingen waren goed. Het leven was sober maar werd
gedragen door de onderlinge liefde.
De toeloop tot het klooster was groot, hoewel op enkele uitzonderingen
na, alleen diegenen werden toegelaten die eerst in het Heer Florenshuis
te Deventer waren opgeleid en de ware geest van de Moderne Devotie
bezaten. Desondanks bleken de gebouwen en ook de kerk al spoedig te
klein. In overleg met Florens Radewijns en enkele bekwame raadgevers
werd besloten tot uitbreiding en nieuwbouw. Zo hadden de kloosterlingen
dringend een molen nodig om zelf hun graan te verwerken. Dit probleem
was minder eenvoudig op te lossen dan het leek. De heer Van Voorst,
een edelman uit de buurt, maakte bezwaar. Hij beweerde dat de wind van
Sa 1 land alleen hem toekwam. Hierop werd de zaak voorgelegd aan de bisschop.
Deze maakte in een open brief bekend dat niemand op de wind binnen
zijn gebied het minste recht had, dan hij en de Utrechtse kerk.
Daarna gaf hij toestemming de molen te bouwen.
28
Onder prior Johannes Vos van Keusden beleefde het klooster een bloeiperiode.
Vos van Heusden was pas 28 jaar toen hij tot prior werd gekozen
en bekleedde dit ambt gedurende 33 jaar tot zijn dood in 1424. Met
recht wordt hij de grootste prior van Windesheim genoemd. Hij braqht
grote dingen tot stand, want in hem waren alle eigenschappen van een
goede prior aanwezig. Wanneer er moeilijke beslissingen genomen moesten
worden, was hij steeds bereid naar anderen te luisteren en zijn
mening zo nodig te herzien, ook al kwam het plan van een eenvoudige
broeder. In de kroniek van Windesheim lezen wij hoe de prior uit
fijngevoeligheid en tact er een gewoonte van maakte door hoesten,
kuchen of een ander geluid de broeders erop te attenderen dat hij
eraan kwam. Daardoor konden zij zich, indien er iets minder goeds werd
gedaan of besproken, herstellen, zodat hij niet genoodzaakt zou zijn
hen te straffen. Vos’ wijsheid blijkt ook uit zijn verbod aan de broeders
om medebroeders van andere huizen die door de pest waren getroffen,
te gaan bezoeken. Hierdoor voorkwam hij dat, in tegenstelling tot
andere kloosters, er in jaren niemand meer onnodige risico’s nam en
ten gevolge van de pest stierf.
Een frater tijdens het
copiëren van een boek.
Zijn naastenliefde en goedheid voor zijn medebroeders blijkt ook uit
de geschiedenis van Gerlach Peters. Deze kon vanwege zijn slechte ogen
de gewone koorboeken niet lezen, waardoor hij niet zou kunnen worden
aangenomen als koorheer. Daarom schreef Johannes Vos van Heusden samen
met Johan Scutken twee kleine antifonaria en een graduale op perkament,
zo klein van formaat dat Gerlach deze boeken gemakkelijk in de hand
kon houden en zo mee kon zingen in de koordienst. Vos en Scutken schreven
dit in hun spaarzame vrije tijd, het enige waarover kloosterlingen
zelf kunnen beschikken.
29
Veel zorg besteedde prior Vos aan de uitbreiding van de bibliotheek
van het klooster. Hij zette daarmee de traditie van Deventer voort en
met vereende krachten werden veel boeken afgeschreven. Verder zorgde
hij voor bouwmaterialen om het klooster te kunnen uitbouwen. Hout,
350.000 gebakken stenen en 350 ton kalksteen lagen te wachten tot de
bouw kon beginnen. De plannen werden evenwel niet gerealiseerd, want
Vos’ opvolger Willem Vornken was een geheel andere man. Hij vond de
bouwplannen in strijd met de gelofte van armoede van de kloosterlingen.
Alleen het hoogst noodzakelijke liet hij bouwen, terwijl hij de planken
verkocht en de stenen “uitleende” aan andere kloosters.
Maar keren wij nog even terug naar Johannes Vos van Heusden. Zijn bekwaamheid
was al spoedig’ook in andere kloosters bekend en toen paus
Bonifacius IX in 1395 de Windesheimer congregatie goedkeurde, werd Johannes
Vos van Heusden de eerste prior-superior. Aanvankelijk bestond
de congregatie uit het klooster te Windesheim en de kloosters Eemstein
bij Dordrecht, Mariëndaal bij Arnhem en Nieuwlicht bij Hoorn. Het aantal
breidde zich echter al spoedig uit en nog voordat Johannes Vos van
Heusden in 1424 op 6i-jarige leeftijd stierf, hadden zich al 24 mannenkloosters
en vier vrouwenkloosters aangesloten bij het Generaal Kapittel
van Windesheim. Dit kapittel, dat gezien moet worden als een soort overkoepelend
orgaan, vergaderde ieder jaar na Pasen om de gemeenschappelijke
belangen van de aangesloten kloosters te bespreken. Zaken als
kloosterregels, observantie (tucht) en kloosterhervormingen kwamen
dan aan de orde en er werden besluiten genomen over het toetreden van
andere kloosters tot de congregatie. Tevens benoemde het kapittel dan
visitatoren om kloosters te inspecteren op het naleven van de kloosterregels
en de genomen besluiten. Wat verbetering behoefde, moest
veranderd worden. Over deze kloosterhervormingen zou een geschiedenis
apart te schrijven zijn. Dat heeft Johannes Busch, de grote kloosterhervormer
uit Windesheim dan ook gedaan in zijn boek Liber de reformatione
monasteriorum (Het boek over de kloosterhervormingen).
In 1511 sloot het klooster Mariënberg bij Stettin zich als laatste
van de 97 kloosters bij de Congregatie van Windesheim aan. Toen was de
bloeitijd reeds voorbij. Enkele jaren daarna brak de tijd van de Hervorming
aan. Door de Windesheimers werd aanvankelijk veel verzet geleverd
tegen het protestantisme. De Hervorming ging echter niet aan de
kloosters voorbij. In de Noordelijke Nederlanden en in hét Duitse Rijk
werden de kloosters vernield en geplunderd, sommige werden opgeheven.
Vervolgingen braken uit, waarbij elf Windesheimers om hun geloof werden
gedood. Johan van Oosterwijk kennen wij hiervan met name als één van
de martelaren van Gorkum. Ook werden er kloosterlingen verbannen, terwijl
anderen naar de Zuidelijke Nederlanden of naar Noord-Frankrijk
uitweken. Alleen de kloosters Grauhof bij Goslar en Frenswegen bij
Nordhorn in het Duitse Rijk hielden nog stand tot 1809.
Toch behield Windesheim nog lang een sociale functie. Het klooster beschikte
namelijk in het speciale gastenhuis over een goede vergaderen
logeeraccomodatie, zodat tijdens de vergaderingen de gewone gang
van zaken zo min mogelijk werd verstoord. Ook de Hanze maakte van deze
gelegenheid meerdere malen gebruik. Zelfs bijeenkomsten van politieke
aard werden wel eens in het gastenhuis belegd.
30
In 1580 werd het klooster te Windesheim afgebroken. Net als het klooster
op de Agnietenberg lag Windesheim buiten de stadsmuren. De kloosters
waren daardoor zeer kwetsbaar, maar het stadsbestuur van Zwolle
zag er ook een gevaar in en zij was, niet ten onrechte, bang dat de
vijand zich erin zou verschansen. Van Wi

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1989, Aflevering 3

Door 1989, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

1989 3
ZWOL 6
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
ZWOLSt HIfiTODIéCBt VIDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER DRIE / JAARGANG ZES / 1989
69 VAN DE REDACTIE
70 Het Engelse Werk in Zwolle
Niek van Es, Gilbert de Jong
83 De geschiedenis van de Nieuwe Schans
Jaap Hagedoorn
90 BOEKAANK0NDIGING:
J. ten Hove, Meer dan stenen muren. 250 iaar opsluiting
in Zwolle. 1739-1989.
91 BOEKBESPREKING:
J.L. Schotman, Zij vielen rondom Zwolle; geallieerde
piloten en hun vliegtuigen. 1940-1945.
J.W.Wensink
93 c.A. de Smet, Ganzeveren. griffels en vulpennen. De
geschiedenis van een plattelandsschcol 1764-1989.
A. van der Wurff
95 VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
98 VAN DE INSTELLINGEN
100 PERSONALIA
VAN DE REDACTIE
Dit derde en laatste tijdschriftnummer van 1989 is voor
een groot deel gewijd aan het Engelse Werk. Ten eerste
schrijven de heren De Jong en Van Es over het karakter
en de historie van het landschap. Daarnaast is de toespraak
opgenomen die J. Hagedoorn hield bij de opening
van het bezoekerscentrum in het Engelse Werk.
Twee boekbesprekingen, de ene over geallieerde vliegers
die rond Zwolle zijn neergestort tijdens de Tweede Wereldoorlog
en de andere over het 250-jarig bestaan van
de school in Genne en een lijst met nieuw verschenen
boeken en artikelen, leveren u mogelijk suggesties op
voor verder lezen.
Het tijdschrift wordt afgesloten met de tentoonstellingsagenda
van het Provinciaal Overijssels Museum en
met informatie over de stichting De Emmanuelshuizen. Deze
stichting is onder andere betrokken bij de tentoonstellingen
die van 9 september t/m 22 oktober in het
PCM gehouden worden.
70
HET ENGELSE KERK *)
NIEK VAN ES, GHBERT DE JONG
Inleiding
Zoals Amsterdam het Vondelpark heeft, Den Haag het Zuiderpark
en Haarlem De Hout; zo heeft Zwolle Het Nieuwe
Werk, in de volksmond ‘Het Engelse Werk’.
Het Engelse Werk ligt, in tegenstelling tot de andere
genoemde parken, niet ingeklemd tussen centrum en woonbuurten,
naar buiten de bebouwde kom aan de Ussel in
een rustige omgeving. De opmerkelijke ligging is te verklaren
uit haar geschiedenis, vroeger lag hier een verdedigingswerk,
de Nieuwe Schans, waarvan de eerste aanleg
dateert uit 1598.
De vesting werd na honderd jaar gemoderniseerd en toen
Het Nieuwe Werk genoemd. Na 1828 is hier een mooi park
in de Engelse landschapsstijl aangelegd. Nu is de beplanting
volgroeid en heeft het park een grote ecologische
waarde. Het is zaak de kwaliteiten te behouden en
het park in de toekomst aan de hand van een duidelijk
omschreven beheersvisie te begeleiden.
Geschiedenis
Het Engelse Werk ligt aan een in 1308 aangelegde dijk
langs de Ussel. Deze dijk scheidt de uiterwaarden van
het binnendijkse. De twee gebieden maakten elk hun eigen
ontwikkeling door. De uiterwaarden zijn open, rustig en
veranderen minder sterk dan het binnendijkse gebied.
Kennis van de opbouw van deze verdedigingswerken is van
belang om de opbouw van het park van nu te begrijpen.
In 1581 werd buiten Zwolle de Koterschans aangelegd ter
bescherming van de veerplaats aan de Ussel. Vanaf 1598
kwamen er in de onmiddellijke omgeving daarvan nog enkele
schansen, waaronder de Berghschans en Nieuwe Schans.
In deze periode werden alle belangrijke steden en schansen
in het noordelijke deel van het land door Maurits op
de Spanjaarden heroverd. Geprobeerd werd de steden zo
snel mogelijk een afdoende bescherming te geven.
De Koter-, Bergh- en Nieuwe Schans kregen ieder een eiVijver
Engelse Werk
Copyright foto A.H. Henneke, aanwezig bij Gemeentearchief
Zwolle (nr.A89-065-1). Reprografie: J.P. de Koning
72
gen functie; de Katerschans bewaakte dus de veerplaats.
De Nieuwe Schans lag net als de Koterschans aan de IJsseldijk
en was meer gericht cp het verkeer over en
langs de Ussel. Vanaf deze schans had men een goed overzicht
op de dijk naar Deventer, de uiterwaarden en
het scheepvaartverkeer. De Berghschans is evenals de
Nieuwe Schans gebouwd op een natuurlijke hoogte en gaf
een goed zicht cp het gebied tussen de stad Zwolle en
het Katerveer. Simon Stevin is de ontwerper, ingenieur
Adriaen Anthonisz de uitvoerder van deze schansen in
het Oud Nederlandse Stelsel (1). De schansen waren via
een dijk verbonden met de stad. Bij een vijandelijke
aanval kon de omgeving geïnundeerd worden, waarbij de
verbinding met de stad bleef bestaan. Aan het einde van
de 17e eeuw is, onder leiding van de bekende vestingbouwkundige
Menno van Ooehoorn (2), het toen verouderde
verdedigingswerk aangepast, vooral de Nieuwe Schans werd
grondig gewijzigd. De manier waarop Van Ooehoorn de topografische
situatie gebruikte is opvallend. Hij betrok
ook de sortie (3) van de oude schans in zijn ontwerp. Na
enige tijd kreeg deze de functie van kruitmagazijn. Het
ontwerp van Van Ooehoorn behoort tot het Nieuw Nederlandse
Stelsel.
Het belang van de geschiedenis van deze verdedigingswerken
is, dat ze door hun reliëf en waterpartijen aan de
basis liggen van de inrichting van het latere park, al
is het voor de gewone wandelaar moeilijk hier iets van
te herkennen.
De betekenis van Zwolle als vestingstad was vanaf het
tweede deel van de 18e eeuw tanende. In 1790 werd Zwolle
tot open stad verklaard en verloor ze haar militaire
functie.
De Koterschans en het Nieuwe Werk werden in 1809 door
koning Lodewijk Napoleon (4) aan de stad Zwolle geschonken
om te gebruiken in verband met de aanleg van een
kanaal van de stad naar de Ussel. Het kanaal werd in
1819 door koning Willem I geopend en heet dan ook Willemsvaart.
De aanleg van het kanaal en, vanaf 1828, het park vonden
plaats in tijden van grote armoede. De werken werden
uitgevoerd door hulpbehoevenden; voor het zware graafwerk
kregen ze een geringe vergoeding. Tussen 1809 en
1828 was het terrein sterk verwilderd; de sloop van een
aantal schansdelen (1818-1819) had dit nog verergerd. De
verwilderde aanblik en de behoefte aan stenen was in
73
1828 voor de gemeenteraad aanleiding over te gaan tot
volledige afbraak van de vestingsmuren. De stenen werden
gebruikt om de weg van het Katerveer naar de stad Zwolle
te verharden. Deze ingreep betekende een betere en schonere
verbinding van de stad met de Ussel. Vanaf het Katerveer
is het tien minuten lopen naar het Engelse Vferk.
Het Nieuwe Werk werd in 1829 op aanwijzing van een deskundige
geaplaneerd en bepoot (5). Uit latere geschriften
is af te leiden dat dit waarschijnlijk al is gebeurd
op advies van (tuin) architect Hendrik van Lunteren (6).
De bebouwing die niet gesloopt is, het munitiedepot en
de sortie, werden in zijn plan opgenomen. De aanleg naar
H. van Iunteren houdt in dat de wallen en grachten van
het Engelse Werk werden vergraven, gedeeltelijk opgeruimd,
en tot park ingericht. De grenzen van het park
werden bepaald door de omvang van het voormalige verdedigingswerk,
de hoofdzaken van de inrichting ook. Het
park is ingericht met de vormen en ideëen van de Engelse
landschapsstijl. Dat gebeurde in die tijd in heel Nederland
zo.
Het Fort vormt nu een gesloten kern met een beplantingsmassa,
omgeven door een reeks groene, vaag begrensde en
in elkaar overlopende ruimten. Het vergraven Hoornwark
wordt ook door een ruimtenreeks omgeven; deze is niet
groen, maar door water bepaald. De vestingsgracht is er
omgevormd tot ‘bosbeek’. De beide bolwerken van het
Hoornwerk zijn hooggelegen groenmassa’s geworden; het
voormalige Achterwerk is nu het niet toegankelijke Vogeleiland.
De ruimtenreeks van de bosbeek kunnen we beschouwen
als een van de mooiste resultaten die de Engelse
landschapsstijl in ons land heeft opgeleverd. Daarnaast
heeft de ver uitgegroeide beplanting grote kwaliteit.
De beplanting is niet alleen visueel-ruiratelijk,
maar ook ecologisch belangrijk. Deze waarden geven Het
Engelse Werk een sterke indruk van natuurlijkheid.
Het parkontwerp van H. van Lunteren kenmerkt zich dus
door een ruimtenreeks, gedeeltelijk groen, gedeeltelijk
als bosbeek, die zich door de besloten parkaanleg slingert.
De begrenzing van het plannen kunnen we nog aflezen
aan de IJsseldijk en de resten van een dijkje met
laanbeplanting dat dwars door Het Engelse Werk van nu
loopt.
74
De betere bereikbaarheid van het Katerveer, de expansie
van Zwolle buiten haar stadsmuren en de leefsituatie
binnen de muren is er waarschijnlijk de oorzaak van dat
het park al vijftien jaar na de aanleg door de inwoners
van Zwolle werd ontdekt. Geen wonder wanneer men bedenkt
dat dit park de enige grote Zwolse openbare groenvoorziening
was. Het Engelse Werk werd voornamelijk gebruikt
als wandel- en picknickplaats door Zwollenaren die de
buitenlucht verkozen boven de vervuilde binnenstad. Op
zondagen speelde de Harmonie in het park.
In 1852 werd een plan aangenomen dat beoogde het park
beter vanaf de stad toegankelijk te maken. Gevolg was
dat er een nieuwe brug moest komen over de Willemsvaart.
Via deze weg, tegenwoordig de Ruiterlaan, werd het Engelse
Werk beter ontsloten.
Na de dood van zijn vader in 1848, nam de zoon Samuél
Adriaanszoon van Lunteren (7), de taak tot verfraaiing
van het park over. Op zijn advies werden bomen en bosjes
gekapt en het assortiment parkbomen uitgebreid. Waarschijnlijk
heeft Samuel in de geest van zijn vader gewerkt
(meester-leerlingrelatie) en de parkaanleg gedetailleerd.
In 1874 werd in de raad voorgesteld om het deel van het
park, dat door de lage ligging moeilijk begaanbaar was
en niet bij de rest van het park hoorde, te veranderen.
Sinds de vestingsperiode was dit een moerassig gebied
dat waarschijnlijk een functie had voor de waterberging.
In geval van nood konden in de zomer de droge vestingsloot
en de sortie onder water gezet worden.
Tuinarchitect Dirk Wattez (8) maakte voor dit noordoostelijke
parkdeel verschillende ontwerpen. Kenmerkend
voor zijn werk zijn de kleine boseilandjes. De parkuitbreiding
heeft nu nog een ander karakter dan de rest:
het is opener, heeft grotere maten, andere en veelsoortiger
beplanting, is overzichtelijker en minder verrassend.
Hoewel het niet zo bijzonder is als het oudste
parkdeel heeft ook deze ruimte kwaliteit. De aanleg
heeft een opvallende, maar aangetaste heesteraanleg
(rhododendrons). De bomen vormen geen dak, maar staan
her en der verspreid, als solitairen en in kleine
groepen.
75
mm
Plan van aanleg van een gedeelte van het Nieuwe Werk,
gemeente Zwolle. Ontwerp van Dirk Wattez, ca.1887
Kaartencollectie Gemeentearchief Zwolle. Reprografie:
J.P. de Koning
76
Het ontwerp van Wattez is pas na vele jaren uitgevoerd.
In een uitloper van zijn vijver is rond 1970 slib gestort;
het heeft nu een moerassig karakter.
Met de aankoop van het zogenaamde Kieftegat, een stuk
land tussen park en spoorlijn, heeft het park in 1908
haar grootste oppervlakte bereikt. Het Kieftegat lag aan
de voet van de vestingswal en bestaat nu uit een ruimte
met een natuurlijke plas, omzoomd door een opgaande beplanting
van overwegend inheemse soorten. Het vormt dus
een zelfstandige en in zichzelf gekeerde eenheid in Het
Engelse Werk.
Het vanaf 1980 aangelegde Spoolderbos, met een verscheidenheid
aan Hollandse landschapstaferelen, heeft de wandel-
en andere gebruiksmogelijkheden voor de Zwolse bevolking
belangrijk vergroot.
Het Engelse Werk bestaat dus uit drie verschillend te
dateren delen, waarvan de karakterverschillen tot op de
dag van vandaag te onderscheiden zijn. Het grootste en
oudste deel volgt nauwkeurig de structuur van de vestingaanleg.
De aanleg van Wattez is meer open, heeft
meer exoten en valt op door haar heesters. Het Kieftegat
vormt een ruimte met een meer natuurlijk karakter.
Het park en de Engelse landschapsstijl
Het Engelse Werk heeft haar naam te danken aan de Engelse
landschapsstijl; deze naam duidt op de manier
waarop het park is ingericht. Met kennis van de Engelse
landschapsstijl kunnen een beheersvisie en ontwerpideëen
worden gemaakt.
In de Engelse landschapsstijl en dus ook in de Zwolse
situatie is de ter plekke aanwezige topografie een belangrijk
aanknopingspunt voor de vormgeving van het
park. De kwaliteiten van de plek bij de aanleg van het
park waren:
– de ligging op een natuurlijke, zandige hoogte;
– de aanwezigheid van bodemreliëf als gevolg van vestingbouw;
– de milieuverschillen als gevolg van verschillende bodemsoorten,
klei en veen, en het reliëf;
77
– de aanwezigheid van water (vestinggrachten en mogelijk
kwelwater);
– de ligging aan een dijk en bij de IJssel.
In vergelijking met veel andere Nederlandse stadsparken
gaven de lcikale anstandigheden Het Engelse Werk bij haar
aanleg een sterke uitgangssituatie. Deze heeft het park
beschermd tegen sluipende veranderingen in de opbouw en
kan dat blijven doen. De aanleg van de spoorlijn (rond
1870), de Usselbrug voor wegverkeer (rond 1930) en de
Zuiderzeestraatweg, versterkten haar weerstand. De verkeersvoorzieningen
zijn barrières gebleken bij het plannen
van nieuwbouwwijken, zodat Het Engelse Werk nu niet
ingeklemd ligt tussen grote stadsuitbreidingen.
Wij beschouwen de kern van Het Engelse Werk als een mooi
voorbeeld van de Engelse landschapsstijl van de vroege
19e eeuw.
Deze stroming wordt in Nederland op de eerste plaats
vertegenwoordigd door J.D. Zocher jr., maar ook de
aanleg van H. van Lunteren heeft veel kwaliteiten (9).
Deze kwaliteiten zijn haar groen en natuurlijk karakter,
haar (bij de aanleg bewust nagestreefde) onoverzichtelijkheid
en verrassingseffecten, de sobere aanleg, het
ruimtelijke contrast met de open uiterwaarden en het gebruik
van gebogen lijnen. De nadruk ligt er op de ruimtelijke
ordening van het geheel, niet op details.
Door de afzijdige ligging is er ook na de eerste aanleg
van 1829 het aantal exoten, variëteiten en bloemen klein
gebleven. Gebouwde tuinsieraden als tempeltjes en beelden,
ontbreken helemaal. In het licht van de vroeg 19e
eeuwse parkaanleg zijn de soberheid en kleine hoeveelheid
details positief op te vatten; dit zou zo moeten
blijven.
Ruimtelijk is de aanleg van H. van Lunteren opgebouwd
uit een verzameling gelijkwaardige, los vormgegeven
ruimten die zonder scherpe grenzen in elkaar overgaan;
een ruimtenreeks. Met de voormalige vestinggracht heeft
H. van Lunteren de belangrijkste ruimtenreeks van het
park gevormd: een meanderende bosbeek. De bosbeek en
groene ruimtenreeks vormen de kern van het park van H.
78
van Iunteren en voldoen in hoge mate aan het natuurbeeld
van de vroege 19e eeuw. De ruimtenreeksen maken lange
zichtlijnen mogelijk, maar laten geen taferelen met grotere
gezichtshoeken (vista’s) of zelfs weidse panorama’s
(zoals over de uiterwaarden) toe.
In het noordoostelijk parkdeel is de beplanting veelsoortiger.
Men treft hier soorten als treurwilg, treurbeuk
en vleugelnoot aan. Dit parkdeel is recenter.
Tussen 1829 en 1874 zijn de opvattingen binnen de Engelse
landschapsstijl veranderd: het natuurbegrip veranderde
en werd minder belangrijk, de nadruk kwam meer op de
details te liggen. Die ontwikkeling is aan het noordoostelijke
parkdeel af te lezen. Door haar mooie herfstkleuren,
treurvormen en texturen is ook dit een romantische
aanleg. Hoewel gebouwde tuinsieraden in het noordoostelijk
parkdeel ontbreken, leent het zich er goed
voor. De 20e eeuwse verrijkingen, zoals een knuppelpad
in een ‘moeras’ en een mijnwiel, zijn hier dus te verantwoorden.
De aanleg van D. Wattez bestaat uit een
grote ruimte met een vijver en boseilanden, die omgeven
is door nevenruimten. Deze opbouw ordent de verzameling
vista’s die kenmerkend voor dit parkdeel zijn.
Nog meer 20e eeuwse veranderingen zijn de aanleg van
karper- en vogelvoederplek, de parkeerplaatsen aan de
ontsluitingsweg en een onderkomen van de plantsoenendienst.
Verder zijn de aanwezige waterwinputten belangrijk;
Het Engelse Werk is bestemd tot waterwingebied.
Het Vogeleiland was toegankelijk door een rustieke brug,
maar is nu voor de parkbezoeker gesloten.
Het openluchttheater verloor aan het eind van de jaren
’60 haar functie. Deze ruimte werd later even gebruikt
voor een roofvogelvolière, maar nu staat er het bezoekerscentrum.
In de Engelse landschapsstijl staat het oproepen van de
illusie van natuur centraal; een grote ecologische waarde
versterkt uiteraard de illusie van Het Engelse Werk
als natuurgebied. Behalve natuursymboliek vinden we in
een stadspark bijvoorbeeld verwijzingen naar elders.
Deze verwijzingen zijn hier duidelijk ondergeschikt aan
de opgeroepen illusie van natuur. De symbolen, in het
park vaak op onbereikbare plaatsen, roepen stemmingen of
geheimzinnigheid op. Voorbeelden van deze symbolen in
het Engelse Werk zijn de coniferengroep, het groepje
Servische sparren, de treurvormen, het tunneltje en de
Kruitpoort, de boseilanden, enzovoorts.
79
Het Engelse Werk in 1904
Foto Gemeentearchief Zwolle (nr.83-021-24). Reprografie:
J.P. de Koning
Brug tussen parkgedeelten in het Engelse Werk
Foto Gemeentearchief Zwolle (nr.A83-021-9). Reprografie:
J.P. de Koning
80
De verscheidenheid aan ruimtetypen, als natuurlijk bedoelde
taferelen en verrassingen is groot. De onoverzichtelijkheid
die hiermee samenhangt, mag niet leiden
tot desoriëntatie van de bezoeker. Om dit te voorkomen
moet de rol van het padennet als draaiboek voor de
rondgang door het park aandacht krijgen. Bij het beheer
van Het Engelse Werk speelt de aangeduide ruimtelijke
opbouw een belangrijke rol. Door verschillende maatregelen
– verjonging, aanplant, rooien – kan de opbouw
versterkt worden. De ecologische waarden van Het Engelse
Werk moeten hierbij in acht genomen worden.
Hoewel de ruimtelijke opbouw van Het Engelse Werk ingewikkeld
is, vormt het toch een sterkere eenheid dan
soortgelijke oude parkoomplexen. Dit komt door haar goed
bewaarde inrichting in respectievelijk de vroeg – en
laat – 19e eeuwse Engelse landschapsstijl.
De uitbreiding met het Spoolderbos, met haar eigen inrichtingsprincipes,
heeft het hele recreatiegebied onoverzichtelijker
gemaakt. Wel zijn daarbij de verscheidenheid
aan ecologische waarden en visueel-ruimtelijke
ervaringen vergroot.
In bijgaand schema zijn de parkdelen aangeduid.
Gebied Recreatief Inrichting Ecologie
gebruik
IJsseldijk
Uiterwaarden
Het Engelse
Werk
Wandelen,
fietsen
Kijken, niet
toegankelijk
Wandelen,
Actief
gebruik
Lijnvormig,
open
element
Open
weidegebied
Fasen Engelse
landschapsstijl
Overeenkomstige
ontwikkeling
in
flora en
fauna
Het Spoolderbos Actief Verschillende
gebruik, Nederlandse
Manifestaties landschapstypen
81
Beleid van de gemeente Zwolle
Het beleid dat de gemeente Zwolle officieel voert is in
structuur- en bestemmingsplannen vastgelegd. Hierin
wordt gesteld dat de bestaande inrichting van Het Engelse
Werk bewaard moet blijven.
Het Zwolse groen is geregeld in het groenstructuurplan.
Dit geeft een leidraad voor de wijze waarop de Afdeling
Plantsoenen de verschillende wijken en parken inricht en
met welk plantenassortiment. Het Engelse Werk valt in de
buitenste schil van Zwolle, dus op de rand van stad en
agrarisch gebied en behoort overwegend inheemse soorten
te herbergen. Het park heeft nu al een natuurlijk voorkomen,
ondanks het feit dat er veel exotên en variëteiten
groeien en bloeien. Er bestaat voor het Engelse Werk
nog geen goedgekeurd beheersplan, maar er worden wel
richtlijnen voor het beheer gemaakt. Deze richtlijnen
stellen haar ecologische kwaliteiten centraal en betreffen
behoud van haar flora door gericht maaibeheer en onderhoud.
Noten:
* Dit artikel werd eerder in een iets uitgebreidere versie
gepubliceerd in het blad Groen (nr. 4, 1988), uitgegeven
door de Stichting vakblad voor de Boomkwekerij,
Leiden.
1. Het Oud Nederlandse Stelsel werd in de 16e eeuw ontwikkeld
en aangepast aan de situatie in Holland. Het
kenmerkt zich door de aarden bolwerken en brede, natte
grachten. De grote namen van het Oud Nederlandse stelsel
zijn Simon Stevin (1548-1620) en Adriaen Anthonisz
(1529-1609).
2. In de late 17e eeuw werd het Oude door het Nieuwe Nederlandse
stelsel gevolgd. De verdedigingsgordel werd
breder. Maar belangrijker was het grotere geheel waarin
de werken werden opgenomen. In Zwolle was dat een linie
tussen stad en IJssel. Menno van Ooehoorn is onze beroemde
vestingbouwer van het Nieuw Nederlandse Stelsel
(1641-1704): zijn belangrijkste werk is de aanleg van de
amwalling van Naarden (1677).
82
3. De sortie was een gemetselde of met hout beklede
kleine, overdekte doorgang in de hoofdwal van het Fort
naar de gracht; aan de binnen- en buitenzijde met sterke
deuren afgesloten.
4. Lodewijk Napoleon (1778-1846) was koning van Nederland
van 1806 tot 1810. In deze korte periode drukte hij
een stempel op de groenaanleg in ons land.
5. Aplaneren is afgeleid uit het Frans: gladschaven. Het
Nieuwe Werk heeft na 1818 als Plantage een ‘bepoting’
van grove den, populier en eik gekend.
6. Hendrik van Lunteren: tuinarchitect (1780-1848), belangrijke
werken zijn de plantsoenering van de onwalling
van Amersfoort (1809- ), de plantsoenering van get
Engelse Werk en de omwalling (1830) van Zwolle, het park
Randen-broek Amersfoort (1824), de herinrichting van het
Valkhof Nijmegen (183?), ’t Hooge land Utrecht (bij het
huidige Wilhelminapark). Zie voor zijn werk drs. U.M.
Mehrtens in ‘De woonstede door de eeuwen heen’, 3e
kwartaal 1983.
7. Samuel van Lunteren (1813- ): tuinarchitect, belangrijke
werken zijn de herinrichting van Artis Amsterdam
(1843), van Het Engelse Werk, de plantsoenering van de
omwalling van Elburg en van het bolwerk Lepelenburg in
Utrecht (1859).
8. Dirk Wattez: kweker, tuin- en landschapsarchitect
(1833-1906), zie voor zijn werk het blad ‘Groen1, nr. 6,
1985.
9. Jan David Zocher junior (1791-1870): (tuin-) architect
en kweker, zijn eerste uitgevoerde ontwerp was dat voor
de plantsoenering van de Prinsen- en Statenbolwerken
Haarlem (1821). Mehrtens (noot 6) bestrijdt dat de
kwaliteit van het werk van Van Lunteren minder is dan
dat van Zocher; de laatste zou op het gebied van zaken
doen slimmer zijn.
83
DE GESCHIEDENIS VAN DE NIEUWE SCHANS
JAAP HAGEDOQRN
Op donderdag 19 mei 1988 werd het bezoekerscentrum in
Het Engelse Werk geepend.
Ter gelegenheid van deze opening hield Jaap Hagedoorn,
voorzitter van de Zwolse Historische Vereniging, de
volgende toespraak:
In 1581 werden de voorbereidingen gemaakt voor het aanleggen
van een verdedigijngslinie tussen Zwolle en de
IJssel. In dat jaar verkeerde de Opstand van de Nederlandse
gewesten tegen hun landheer Philips II in een
kritieke fase. Hadden alle Nederlandse gewesten zich in
1576 bij de Pacificatie van Gent verenigd in hun verzet,
in 1579 splitsten ze zich in twee blokken. De ene groep,
verenigd in de unie van Atrecht, zou zich later verzoenen
met Philips II. De andere, de meest noordelijke gewesten
en enkele zuidelijke steden en gewesten, sloten
een nauwer samenwerkingsverdrag: de Unie van Utrecht.
Het gewest Overijssel had zich tot dan toe zoveel mogelijk
onthouden van partijkeuze. Op die manier meende
men de eigen privileges en voorrechten van Overijssel
het best te bevorderen.
In 1580 kwam daarin al verandering, toen de graaf van
Pennenberg, stadhouder van Groningen, Friesland en Overijssel
zich verzoende met koning Philips II. Dit
staat bekend als het zogenaamde verraad van Pennenberg.
Hij dreigde bovendien zijn gewesten weer terug te voeren
onder hun rechtmatige heer. De keuze tussen opstand of
verzoening werd voor Overijssel essentieel en in de komende
jaren zou deze provincie zich steeds nauwer met
de opstandigen verbinden. Deze kregen het in de jaren 80
van de zestiende eeuw zwaar te verduren door de succesvolle
veroveringen van de Spaanse legerleider, de prins
van Parma. Een belangrijk deel van de strijd werd op
Overijssels grondgebied uitgevoerd, tot groot ongenoegen
van de Overijsselse boeren. De legerverplaatsingen en
het roven en brandschatten maakte het hun bijna onmogelijk
te leven van hun arbeid. Nog in 1580 verenigden zij
zich in rondtrekkende troepjes die de reguliere legers
aanvielen, van welke strijdende partij dan ook. De wanhoop
van de boeren werd het best tot uitdrukking gebracht
in hun vlag, die een lege eierdop en een zwaard
vertoonde.
“Retrenchement du MastenBroeck, depuis la ville de
Zwoll, jusques è la Rivlère d’IJssel”. De vesting Zwolle
en de versterkingen tot aan de IJssel. V.l.n.r.: de stad
Zwolle, het Zwanewater, de Luere, de verdedigingslinie
langs de Kleine Schans of Luurderschans, de Bergschans
de Katerschans en de Nieuwe Schans aan de IJssel. De
perceelsverdeling van de landerijen in de Lure en in
Schelle zijn duidelijk aangegeven.
Algemeen Rijksarchief te s-Gravenhage, Archief van de
Genie, Plans van Vestingen Z.66; periode 1675-1725.
Reproductie: Gemeentearchief Zwolle
86
Overijssel was dus slagveld en verdedigingswerken waren
daarctn een noodzaak. Cm het Katerveer over de IJssel te
beschermen, maar ook om een van de twee wegen naar
Friesland te beschermen – de andere liep over Coevorden
– werd besloten tot het leggen van een linie naar het
Katerveer. Deze linie bestond uit een wal en een sloot
naar de Spoolderberg, waar de Bergschans werd opgeworpen,
en vandaar naar het Katerveer, dat werd versterkt
met een wal, bastions en een gracht.
In de laatste tien jaar van de zestiende eeuw keerden de
kansen in de Opstand ten gunste van de opstandige gewesten.
Hun legeraanvoerder, prins Maurits veroverde de ene
stad na de andere, zoals Breda (met het bekende Turfschip),
in 1591 Zutphen en Deventer, in 1593 Steenwijk
en Coevorden en in 1594 Groningen. Zoals bekend zou de
tachtigjarige oorlog nog enige decennia duren, zodat het
aanleggen van betere verdedigingswerken dan ook geen overbodige
luxe was. Zwolle was tussen 1586 en 1590 al
voorzien van de cmwallingen en grachten die de stad zijn
bekende stervorm gaven. Het werd ook noodzakelijk gevonden
om de IJsselvaart en – op aandringen van de Friezen
– de weg naar het noorden beter te beschermen. De
vestingbouwer Mriaan Anthonisze kreeg van de Raad van
State opdracht tot de uitbreiding van de linie tussen
Zwolle en de IJssel. In 1581 werd zo het retranchement
of Het Nieuwe Werk aangelegd. De wal en sloot tussen
stad en IJssel, ongeveer ter hoogte van de huidigeWillemsvaart,
bleven bestaan. In tijden van nood kon de
omgeving onder water worden gezet. Over de wal kon men
dan toch de schansen langs de IJssel bereiken en van
soldaten en voedsel voorzien.
De achttiende eeuwse stadshistoricus Van Hattum bericht
dat de schansen tegen hoge kosten in goede staat gehouden
werden. Zo werden in 1629 op het bericht daat de
Spaanse troepen in aantocht waren, de bolwerken van de
stad en de schansen aan de linie weer in orde gebracht.
En in 1638 werd de Nieuwe Schans bijvoorbeeld voor 225
gulden weer opgemetseld op kosten van de provincie. De
provincie was niet kinderachtig en gaf ook twee gulden
uit om bij de aanbesteding van het werk een borrel te
kunnen schenken.
Na het sluiten van de vrede met de Spaanse koning in
1648 was de noodzaak van het onderhouden van de Nieuwe
Schans en de andere forten kennelijk niet zo urgent
87
meer. We lezen, dat de burgers van Zwolle zand en stenen
van de verdedigingslinie halen om ze een andere bestemming
te geven. Toen de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in 1672 dan ook in oorlog raakte met Frankrijk,
Engeland, Munster en Keulen, bleek de toestand van
de IJsselschansen zo slecht te zijn, dat in allerijl
boeren uit Dalfsen geprest werden om de gebreken te herstellen.
Dit zou overigens weinig helpen, want Zwolle
gaf zich bij de komst van de beruchte bisschop van Munster,
Bommen Berend, zonder slag of stoot over, ondanks
de legermacht van 1200 man in de stad en op de schansen
aan de linie.
Eind zeventiende eeuw bleek, dat de Nieuwe Schans en de
andere IJsselforten dringend aan herstel toe waren. De
opvattingen over de fortenbouw waren in de 100 jaar
sinds 1581 ook danig veranderd. Daarom kreeg Menno baron
van Coehoorn, een militair en vestingbouwer, van de
Staten-Generaal de opdracht alle verdedingswerken in de
Republiek te moderniseren. Ook de Zwolse verdedigingswerken
werden aan de eisen des tijds aangepast. Vooral
de Nieuwe Schans werd ingrijpend gewijzigd. Dat eenvoudige
bolwerk werd uitgebreid met een hoornwerk, dat is
een bastion buiten de eigenlijke vesting, en verschillende
redouten, vierkant-omwalde veldwerken. Zwolle zou
tot 1790 vestingstad blijven en tot die tijd bleef ook
de Nieuwe Schans onderdeel van die verdedigingswerken.
De Spooldebergschans en de Koterschans waren na de ingreep
van Van Ooehoorn minder belangrijk geworden.
Hoe doelmatig de verdedigingslinie naar de Ussel en de
Nieuwe Schans ook was, ze heeft nooit gefunctioneerd
voor het doel waarvoor ze was opgeworpen. In 1629 rukten
de Spanjaarden weliswaar in de richting van deze streek
op maar ze bereikten bij lange na Zwolle niet. In 1672
bij de komst van Bommen Berend werd geen slag geleverd
en daarna is de stad nooit meer bedreigd geweest. Toch
zal de fortificatie een functie hebben gehad. De verdedigingswerken
zullen de Zwolse burgers een gevoel van
veiligheid en geborgenheid hebben gegeven. Achter de
bolwerken van de stad kon men zich verschansen mocht de
vijand komen.
Tenslotte wil ik hier de hoop uitspreken, dat dit bezoekerscentrum
een – om in stijl te blijven – bolwerk
mag worden van voorlichting over geschiedenis, flora en
fauna van het Engelse Werk in het bijzonder en van n a —
tuureducatie in het algemeen. Aandacht en respect voor
88
89
Het gebied tussen de Wipstrikkerallee en de IJssel ten
zuiden van de vesting en de stad Zwolle. Met v.l.n.r.:
de Wipstrikkerallee, het Almelose Kanaal, de Wezenlanden,
het gebied tussen de verdedigingslinie van de stad
naar de Luurderschans. Bergschans, Raterveerschans en
het Nieuwe Werk aan de IJssel, de Schellerallee en de
Schellerbergweg, de Schellerenkweg en de Schellerwade
(deels) tot aan de Schellerdjjk langs de IJssel.
Algemeen Rijksarchief te ‘s-Gravenhage, Archief van de
Genie, Plans van Vestingen Z.7; 18e eeuw (ca. 1780?).
Reproductie: Gemeentearchief Zwolle
de natuur zijn onlosmakelijk verbonden met de instandhouding
van de natuur. Dit bezoekerscentrum kan daarin
ongetwijfeld een bijdrage leveren. Maar het bestaan van
dit ene bolwerk i s niet genoeg cm ons daarachter zo veil
ig te voelen als onze voorouders zich voelden achter
hun vestingwerken. Voor een dergelijk gevoel is nog geen
plaats, gezien de wijze waarop de mens nog in veel gevallen
met zijn omgeving omgaat. De hoop dat veel bezoekers
hier hun kennis over Het Bxjelse Werk en hun betrokkenheid
bij hun natuurlijke omgeving zullen aanvullen.
90
BOEKAANK0NDIGING
j. ten Hove, Meer dan stenen miren. 250 iaar opsluiting
in Zwolle. 1739-1989.
In het voorjaar van 1739 werd een aanvang gemaakt met de
bouw van een Provinciaal Tuchthuis te Zwolle. Tweehonderdvijftig
jaar later staat dit vierkante gebouw er
nog, aan wat nu de Menno van Ooehoornsingel heet. Het
herbergt nog steeds criminelen. Daarmee is het Zwolse
Huis van Bewaring het gevangenisgebouw in Nederland dat
het langst gevangenen huisvest. Deze feiten zullen in
oktober worden herdacht met een week vol manifestaties,
een tentoonstelling en een jubileumboek.
Drs. J. ten Hove schreef onder de titel Meer dan stenen
muren een geschiedenis van het Huis van Bewaring vanaf
de eerste plannen tot de bouw in de zeventiende eeuw tot
en met de nieuwste beleidsvoornemens van het Ministerie
van Justitie met betrekking tot een eventuele sluiting.
De auteur behandelt in zijn boek de veranderende structuur
van de gevangenis, maar vooral ook de behandeling
en de levensomstandigheden van de gedetineerden door de
eeuwen. Zo waren in de achttiende eeuw in het Provinciaal
Tuchthuis op de begane grond zeven hokken van 3.7
bij 4.7 meter, die ieder vier mannen konden bevatten.
Daarnaast bestond er nog een apart hok voor “vagabonden
en bedelaars”! Een strikte scheiding der seksen werd
toendertijd nog niet nageleefd in het gevangeniswezen,
want de eerste etage was voor de vrouwen bestemd. Hun
huisvesting was overigens wel veel rianter dan die van
hun mannelijke collega’s: de dames beschikten over twee
slaapzalen met (tweepersoons)bedden en twee dagverblijven.
Het voltallige personeel bestond voornamelijk uit een
tuchthuismeester met meewerkende echtgenote, een knecht
en een in deeltijd werkende chirurgijn en dito bijbelvoorlezer.
Heden ten dage zijn voor de maximaal te
huisvesten 37 gedetineerden 44.5 arbeidsplaatsen nodig.
Door de jaren heen huisvestte het Huis van Bewaring een
bonte verzameling misdadigers en misdadigsters.
Ten Hove haalde uit de archiefstukken leiders van jeugdbendes,
helers, moordenaars, maar ook lieden die in onze
ogen geen criminelen zijn, als suïcidalen en homosexuelen
te voorschijn. Lange tijd kon men zelfs zijn minder
geliefde familileden in het gevang kwijt. Tegen de betaling
van de pensionkosten zorgden de tuchthuismeester en
zijn eega wel voor het zwarte schaap.
91
stenen muren. 250 iaar opsluiting in Zwolle.
1739-1989 is een gezamenlijke uitgave van het Huis van
Bewaring Zwolle en de Stichting Usselakademie.
Het boek zal circa 120 pagina’s omvatten en verschijnt
op 2 oktober. In de winkel gaat Meer dan stenen muren
ƒ17,50 kosten. Donateurs van de Usselakademie en leden
van de Zwolse Historische Vereniging kunnen het boek
tegen donateursprijs kopen.
A raison van ƒ 14,95 kan men het boek afhalen bij de
Culturele Raad Overijssel, Jacob Catsstraat 25, 8023 AE
te Zwolle, of bij de Stichting Usselakademie, Molenstraat
28a, 8261 OW Kampen. (Gepast geld meenemen
s.v.p.)
Schriftelijke en telefonische bestellingen bij de U s –
selakademie (tel. 05202 – 15235); bij toezending zullen
de portokosten in rekening worden gebracht.
BOEKBESPREKING
J.L. Schotman, Zii vielen rondom Zwolle; geallieerde piloten
en hun vliegtuigen. 1940-1945. (Utrecht, Matrijs,
1989) 112 pag. ƒ21,90
J.W. Wensink
In dit boek beschrijft de Zwollenaar J.L.Schotman de
lotgevallen van een veertiental vliegtuigbemanningen
dat in de tweede wereldoorlog werd neergeschoten en
daarbij op meestal minder fortuinlijke wijze aan de
grond kwam in de omgeving van Zwolle.
Men mag gerust zeggen bij toeval, want met uitzondering
van het summier beschreven bombardement van 15 december
1944, geeft Schotman aan, dat de betreffende vliegtuigen
“en route” waren. Het boek is daarom van beperkt belang
voor de lokale geschiedschrijving en moet veelmeer beschouwd
worden in de stroom van publicaties over de duizenden
crashes op Nederlands grondgebied.
92
Om de achtergronden van deze gebeurtenissen te achterhalen
is veel, vaak minutieus, speurwerk nodig en Schotman
laat blijken daar verstand van te hebben, maar de weerslag
van zijn activiteiten blijft teveel steken in een
uitgesponnen beschrijving van de fatale vluchten, de optekening
van de belevenissen van getuigen aan de grond
en in twee gevallen een na-oorlogse epiloog. Voor een
veel aangrijpender beschrijving van de luchtoorlog boven
Nederland kan men onder andere terecht bij A. Korthals
Altes’ Luchtaevaar (Den Haag 1984). Daaruit blijkt ook
dat “de oorlog Zwolle al veel eerder bereikte” (Schotman,
Hfdst.11) dan december 1944 want reeds in oktober en
november waren de IJsselbruggen doelwit van de Engelse
en Amerikaanse luchtmachten.
Dit is ook mijn grootste punt van kritiek; Schotman
blijft in gebreke zodra de werkelijk lokale aspecten
ter sprake komen. Als illustratie mogen twee zinnen dienen:
“De enige vluchtorganisatie die er is, dreigt namelijk
geïnfiltreerd te worden, “(p. 28) en “De Zwolse ondergrondse
ging blijkbaar snel te werk, want Beernink
had valse papieren voor Bauer bij zich. “(p.73). Daar wil
Ik meer van weten, maar Schotman laat me in het ongewisse.
Hij blijft te geconcentreerd op de luchtvaartkant
van het verhaal en ondanks het feit dat dit veelal spannend
en met verstand van zaken beschreven is, zal het de
Zwolse lezer die niet thuis is in de luchtvaarthistorische
wereld toch onvoldoende aanspreken.
93
CA. de Smet, Ganzeveren. griffels en vulpennen. De geschiedenis
van een plattelandsschool 1764-1989. Z.pl.,
1989, 54 p. ƒ7,50
A. van der Wurff
Ter gelegenheid van het 225-jarig bestaan van de openbare
lagere school in Genne, verscheen een boekje waarin
op heldere wijze een globaal overzicht wordt gegeven van
de geschiedenis van die school, de leerkrachten en de
leerlingen. Er is gebruik gemaakt van archiefmateriaal,
literatuur en mondelinge bronnen.
Genne hoorde van 1818 tot 1967 bij de gemeente Zwollerkerspel;
toen deze gemeente in 1967 bij Zwolle werd gevoegd,
kwam Genne onder Hasselt te vallen.
Genne was een buurtschap van boeren en tot de jaren zestig
van deze eeuw waren het vrijwel uitsluitend hoerenkinderen
die de school bezochten. Veel waren dat er
niet: in het begin van de negentiende eeuw telde de
school rond de 60 leerlingen en na 1937 werd dat aantal
niet meer gehaald. Alle leerlingen zaten bij elkaar in
één lokaal en er was slechts één onderwijzer.
Zoals bekend van agrarische streken, was er in de oogsttijd
geen school cndat het noodzakelijk was voor het gezinsinkomen
dat de kinderen dan op het land meewerkten.
Helaas wordt niet verteld of de komst van de Leerplichtwet
(1901) problemen veroorzaakte of dat het tegen de
eeuwwisseling in Genne, net als in de meeste gebieden,
toch al gewoonte was de kinderen zoveel en zo lang mogelijk
naar school te sturen.
Dit soort kritiek heb ik op meerdere plaatsen in het
boek: de plaatselijke ontwikkelingen en de landelijke
onderwijsontwikkelingen worden niet zo vaak met elkaar
in verband gebracht, terwijl er af en toe wel aanzetten
worden gegeven. Ik begrijp echter, dat het niet de bedoeling
was een historisch-wetenschappelijk betoog te
houden, maar dat de schrijver (schrijfster?) in de eerste
plaats voor (oud-)leerlingen en bewoners van de
buurtschap een beeld heeft willen schetsen van de geschiedenis
van ‘hun’ school. In dat opzicht mag het
boekje zeker geslaagd heten.
94
Voor een ‘buitenstaander1 is het echter eveneens de
moeite waard. Wie had bijvoorbeeld gedacht dat zo’n
‘boerensdhooltje1 in de jaren zestig door professor Wilhelmina
Bladergroen – de beroemde orthopedagoge – zou
worden aanbevolen voor het onderwijs aan kinderen net
een speciale leerstoornis? Ik vond dat heel verrassend.
Evenals de informatie over de bevlogen onderwijzer uit
de jaren zestig, die het onderwijs een vorm gaf die mij
deed denken aan de onderwijsvernieuwingen van Kees Boeke.
Zulke kindgerichte experimenten en de persoonlijke
aandacht die moeilijk lerende kinderen konden krijgen,
waren waarschijnlijk alleen mogelijk bij de gratie van
het kleine leerlingenaantal. Die kleine bezetting was
wel de Achilleshiel: meerdere malen is de school met opheffing
bedreigd. Het speciale karakter, de steun van de
inspectie en vooral de acties van de bevolking hebben
dat tot op heden verhoed.
Het was een goed idee om het schaarse geschreven bronnenmateriaal
aan te vullen met de verhalen van enkele
oudleerlingen; het boekje wint daardoor aan levendigheid.
Een andere frapperende bron vond ik het Schriifboek
van aantekeningen van verleden dat dé boer Remmelt
Boers van 1892 tot 1923 bijhield en waarin hij en passant
informatie geeft over de school – een unieke bron!
Het boekje laat weliswaar vele vragen onbeantwoord – de
auteur stelt er ook te weinig! -, maar het is een heel
aardige kennismaking met de lokale onderwijsgeschiedenis.
Als lezer merk je dat het boekje met enthousiaste
is samengesteld; dat zal de doelgroep zeker plezieren en
wellicht stimuleren tot verder onderzoek.
Het boekje is te bestellen door overmaken van ƒ7,50 +
ƒ2,50 verzendkosten op gironummer 4273126 t.n.v. C A . de
Smet, Gennerdijk 4> Hasselt.
95
VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
J.S. Bakker, ‘De Juffermolen in Zwolle, het eind in
zicht?’, De Molenaer 91, 23 november 1988 (nr. 47) 1392-
1393.
J.S. Bakker, ‘Naschrift1, de Molenaer 92, 1 maart 1989
(nr. 9) 263-265-266.
P. Bange et al. (red.), De doorwerking van de Moderne
Devotie; Windesheim 1387-1987; voordrachten gehouden
tijdens het Windesheim Symposium Zwolle/Windesheim, 15-
17 oktober 1987. Hilversum, Verloren, 1988. 320 pag.
ISBN 90.6556.318.8.
A.J. Borgman, Gezegd’n en riero’n in het Zwols. Zwolle,
1988.
A.J. Borgman, Toen roien iongestied veurbiei was. Zwolle
1988, deel3, 20 pag.
•Bouwfragmenten terug in stadsbeeld’, Informatieblad
monumentenzorg en archeologie in Zwolle. Zwolle, juni
1989. Een uitgave van de gemeente Zwolle, sector Stadsontwikkeling.
H.A. Diederiks, ‘Strafrecht en criminaliteit’, Cahiers
voor Lokale en Regionale Geschiedenis. Zutphen, de
Walburg Pers, 1988, 62 pag. ISBN 90.6011.605.4.
Directeur Stadsontwikkeling gemeente Zwolle, ‘Jufferenwalmolen
te Zwolle’, de Molenaer 92, 1 maart 1989.
Harro de Does, De spoorwegstakingen van 1903 in Neder*”
land en Zwolle. Zwolle, 1988, 90 pag.
J. Erdtsieck en W. Faber, Een aanzienlijke gemeente met
een eerlijke verdraagzaamheid. Verkenning in de Zwolse
Hervormde Gemeente gedurende de jaren 183Ó-1940. Zwolle,
1989. 147 pag.
N.N. Goudsmit, Handleiding tot de kennis der voorschriften
omtrent de Besniidenis. Bew. onder toezicht van T.
Tal. Met besnijdenisregister van joodse jongetjes uit
Zwolle en omstreken over de periode 1896-1937. Amsterdam,
J.J. Joachimsthal, 1887. 145 pag.
96
laatste gang: gebruiken rond de dood; Oost-Nederland.
Vertaling uit het Duits. H. Hagens. Barken (etc.), Kreis
Barken (etc.) 1988. 352 pag.
T. Marseille, Verkeer en vervoer op de Gelderse Ussel
rond 1570. Leeuwarden, 1988. 40 pag.
A.C.W. ter Meulen, De nieuwe Michaël. Zwolle, 1989.
A.J. Msnsema, Repertoria op de regist

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2012, Aflevering 3

Door 2012, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Zwols Historisch Tijdschrift

In het spoor van
Eli Heimans

29e jaargang 2012 nummer 3 – 8,50 euro

90 zwols historisch tijdschrift

Wim Huijsmans

Suikerhistorie

B.V.A.B / Zwolle
Omdat op het suikerzakje onder meer een boer­derij, een fabriek, een tractor, een koe en een korenschoof staan afgebeeld, moet de B.V.A.B. wel iets met de landbouw te maken gehad heb­ben, zo was mijn veronderstelling. Met behulp van Google probeerde ik te achterhalen wat de afkorting B.V.A.B. betekende. Het leverde een verwijzing op naar de Badminton Vereniging Almere-Buiten, niet naar iets dat op Zwolle en/of de landbouw betrekking had. De herkomst
van het suikerzakje hield mij bezig. Via de Zwolse Courant kwam ik achter de betekenis van de afkorting B.V.A.B. Het staat voor Bedrijfs Ver­eniging voor het Agrarisch Bedrijf. Deze organi­satie van werkgevers en werknemers in de agra­rische sector voerde sinds 1953 de sociale verze­kering uit zoals de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering en de kinderbijslag. Het hoofd­kantoor stond in Den Haag. Na een reorganisatie kreeg Zwolle met ingang van 1 januari 1958 de hoofdzetel van de B.V.A.B. in Overijssel. Er kwam een bijkantoor in Emmeloord. Het Zwolse kantoor werd gevestigd in de – voormalige – her­vormde kweekschool aan het Assendorperplein 9. Sake Santema was de directeur van het Zwolse kantoor waar ongeveer twintig mensen werkten. In 1965 kwam er een eind aan het korte bestaan van de vestigingen in Zwolle en Emmeloord. De administratie van de B.V.A.B. werd vanaf dat jaar gecentraliseerd in Arnhem. Het suikerzakje dateert dus uit de periode 1958-1965.

(Collectie ZHT)

De voormalige hervormde kweekschool (rechts) aan het Assendorperplein 9. (Foto Jan van de Wetering)

zwols historisch tijdschrift 91

Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans90
In het spoor van Eli Heimans
Natuurbescherming en -educatie
in Zwolle Jan van de Wetering92
FC Zwolle heeft als PEC Zwolle banden
met het verleden hersteld Steven ten Veen120
Van houten keet naar hockeypaleisje
Opvallend historisch contrast
Willem van der Veen124
‘Even ambitieus als het Amsterdamse Bosplan’
Het recreatieplan Vecht-Zwartewater (1962)
Frank Inklaar126
Mededelingen135
Recent verschenen Steven ten Veen136
Auteurs138

Redactioneel
Een groen blaadje, zo zou je ons toch al op jaren zijnde de tijdschrift dit keer kunnen noemen. De hoofdmoot van de bijdragen is gewijd aan de geschiedenis van het Zwolse groen. Dit keer geen verhaal over blauwvingers, maar over groene vingers in het Zwolse landschap. Zwolse ‘wilde tulpen’ en anjers en een montere oude stadshaas passeren de revue. Verteld wordt over de soms gespannen wisselwerking tussen stad, natuur en mens. Jan van de Wetering belicht in het hoofd­artikel het boeiende leven van Eli Heimans, een geboren Zwollenaar die samen met mannen als Jac. P. Thijsse een niet te onderschatten stem­pel drukte op wat het ‘biologisch reveil’ wordt genoemd. In Van de Weterings artikel neemt het Engelse Werk een centrale plaats in. ‘Ik voelde mij er altijd zoo veilig en gerust als op mijn kamertje; alle boomen en struiken waren goede bekenden van mij’, zo schreef Heimans over dit park nabij de IJssel.
Frank Inklaar herinnert aan het recreatieplan Vecht-Zwartewater (1962) van Jan Bijhouwer en wat er van is geworden. Steven ten Veen en
Willem van der Veen schrijven tot slot over voet­bal en hockey, misschien wat minder natuur, maar ook het wedstrijdgras is meestal nog groen. Hoewel het nieuwe hockeyveld van de fusieclub HC Zwolle toch weer de blauwvinger in het land­schap terug brengt. Het bloed kruipt…

Omslag: Litho naar een aquarel van Jan van Oort, uit In het bosch, door Heimans en Thijsse, 1901.
(Collectie auteur)

92 zwols historisch tijdschrift

In het spoor van Eli Heimans
Natuurbescherming en -educatie in Zwolle

Soms schieten mij onderwerpen te binnen die een ‘venster’ in de Zwolse canon hadden verdiend.
Het Engelse Werk miste ik al heel snel na het voltooien van dat boek. Pas een paar jaar geleden kwam ik er tot mijn schande achter dat Eli Heimans een geboren Zwollenaar was en hier zijn opleiding als onder­wijzer heeft gevolgd. Samen met Jac. P. Thijsse is hij in belangrijke mate verantwoordelijk geweest voor de doorbraak van de populariteit van ‘de wilde natuur’ bij brede lagen van de bevolking aan het begin van de twintigste eeuw. Al even belangrijk waren zij als pioniers van de natuurbescherming in ons land. Met dit artikel hoop ik zowel het Engelse Werk als Heimans alsnog recht te doen, temeer daar het park met zijn overvloed aan planten en dieren een belangrijke inspiratiebron voor Heimans was. En dat geldt ook voor mij, want in het Engelse Werk leerde ik als cursist onder de bezielende leiding van gidsen van het IVN meer planten en vogels kennen dan ik onthouden kon. Uit dank daarvoor draag ik dit artikel graag aan hen op en bovendien aan Marijke Donath van de Vereniging voor Heemkunde ‘Omheining’, de auteur van het venster ‘Kruiden-Marie’ in de canon van Heino.
Het is de zomer van 1877. Jacob Heimans, eigenaar van een zijdeververij in Zwolle stuurt zijn zestienjarige zoon Eli naar Raalte om stoffen op te halen. Te voet wel te ver­staan. Dat wil zeggen een wandeling van twintig kilometer heen en twintig kilometer terug en dat op één dag. Het zou een tocht worden die hij zich zijn leven lang zou herinneren. Eli Heimans heeft zijn belevenissen van die dag jaren later nauw­keurig opgeschreven in het boekje Hei en Dennen (1897), dat hij samen met Jac. P. Thijsse schreef. In zijn verslag zijn drie facetten van de veelzijdige persoonlijkheid van Heimans goed herkenbaar: zijn liefde voor de natuur, zijn natuurkennis en zijn tot de verbeelding sprekende schrijfvaardig­heid. Plaats van handeling is een verlaten heide­veld bij Heino, in de buurt van het tegenwoordige station:
‘Om de twee of drie weken liep ik indertijd
’s morgens vroeg langs dien heiweg naar Raalte, en tegen den nacht keerde ik meest langs denzelfden weg terug. Als ik ’s zomers tijd over had, ging ik geregeld mijn broodje zitten eten aan den rand van een meertje op de heide, waar ik mooie bloemen wist te groeien. Ik had op school Suringar’s Zak­flora (…) als prijs gekregen, en ik beproefde met behulp van mijn boekje de namen van de planten te leeren kennen. Heel zelden kwam ik menschen tegen en als ik ze zag aankomen, ging ik ze liever uit den weg; want het waren meest vreemde oerdel­vers, Westfalers, een raar slag volk.
Zoo zat of lag ik eens op een keer tegen de schemering bij mijn meertje, en wist niet beter of ik was heel alleen op de hei. Ik was verdiept in mijn flora, en plukte een paars bloempje uit elkaar, dat ik al een poos te vergeefs probeerde te bepalen; ’t wilde weer niet lukken. Waarschijnlijk praatte of las ik hardop, zooals menschen, die bui­ten vaak alleen zijn, wel meer doen.
Eensklaps hoor ik vlak bij mij een hoge, schel­le stem: “Neen, hoor, je bent glad mis, die is het niet, dat is vetkruid! Zoek maar op, Pinguicula!” Als ik niet op den grond gelegen had, was ik zeker omgevallen van schrik. Voor mij stond een hooge, zwarte gedaante, geleund op een boomtak, nog langer dan zij zelf. Uit het droge, rimpelige gelaat keken een paar scherpe, grijze ogen mij half spot­tend, half nieuwsgierig aan.
Het schepsel leek op ’t eerste gezicht zoo spre­kend op de heks in Grimm’s sprookjesboek van mijn broer, dat ik werkelijk een oogenblik rilde van angst; maar dat was gauw over. Toen ik haar even bedaard aankeek, zag ik de kruidenmand op haar rug en ik begreep dat ik te doen had met Kruiden-Marie, van wie ik al een paar keer in de dorpsherberg had hooren spreken als van een heel knappe en goede kruidenvrouw; zij wist nog beter raad voor ziek vee en vooral voor geiten en kinderen dan de veearts en de dokter met hun beiden. En als de arbeiders geen geld hadden om dadelijk de kruiden te betalen, dan vroeg ze maar een kop koffie en een snee stoete voor betaling; en ’t zieke kind van Harm Krol, die zelf ziek was en niet meer werken kon, had ze genezen voor niets, en nog eieren op den koop toe gegeven.’
Daar op de hei raakte het tweetal in gesprek over de weelde aan planten en dieren om hen heen. Liefhebbers waren ze, allebei. De bejaarde Kruiden-Marie nodigde de jonge Eli Heimans uit in haar huisje, waar hij van de ene verbazing in de andere viel. Hij herinnerde zich:
‘ ’t Was of ik opeens in een museum voor Natuurlijke Historie stond. Op de tafel, op de kast, voor het venster, langs de wand, overal fles­schen met dieren op sterk water, en doozen met glazen deksels, vol met vlinders en torren. Hier en daar hing aan een touwtje een gedroogde vleer­muis te bengelen; op plankjes zag ik hazelwormen en slangen bevestigd; overal in het rond dieren, en daartusschen in bloempotten, maar ook op glazen, in schotels, in kopjes en op drankfleschjes levende, bloeiende planten. (…) “Elken Zondag-Morgen krijgt alles een flinke stofbeurt”, begon Kruiden-Marie; “daarbij lees ik voor tijdverdrijf de namen, en zo zoetjes aan leer ik mijn beestjes kennen.”’1
De twee sloten al gauw vriendschap. Heimans was verbaasd te horen dat Kruiden-Marie niet alleen de verschillende soorten planten, vogels en insecten in haar omgeving kende, maar ook hun Latijnse namen, zoals die vermeld stonden in een groot aantal dikke boeken met platen in haar huisje. Ze leken veel op de eerste delen van de Flora Batava die hij later leerde kennen.
Jaren later bezocht Eli weer eens de plek waar hij de kruidenvrouw voor het eerst ontmoette. Maar ze was dood: ‘waar eens haar eenzaam huisje stond, zag ik den spoortrein voorbij stui­ven’.2 Voorbij was de tijd van zijn bezoeken aan het dieren- en plantenrijk van Kruiden-Marie. Zijn opleiding tot schoolmeester nam al zijn tijd in beslag: ‘een jaar of tien mocht, of liever, wilde ik niet denken aan mijn lievelingsstudie in de vrije natuur, waar zooals de oude Swammerdam3 al zei, “geen duit winst van kwam.”’
Een gelukkige jeugd
Eli Heimans (1861-1914) was een Zwollenaar. De band van zijn familie met Zwolle begint in 1841; dat jaar kwam zijn grootmoeder, de weduwe Valk, met haar zes kinderen naar deze stad. Ze voor­zag als zijdeverfster haar gezin van inkomsten. Het gezin ging wonen in een huis aan de Dijk, tegenwoordig Thorbeckegracht 73. Eén van haar kinderen, Elisabeth Valk, trouwde daar in 1860 met Jacob Israel Heimans, een koopman uit een joodse familie. Na zijn huwelijk werd Jacob Israël opgenomen in de zijdeververij van zijn schoon­moeder. Op 28 februari 1861 werd Eli als eerste kind van het echtpaar geboren. Hij zou nog acht broertjes en zusjes krijgen, waarvan er twee op jonge leeftijd overleden.
Toen Eli twee jaar was, verhuisde hij met zijn grootmoeder en ouders naar een klein huis aan de Papenstraat, op nummer 5. De ververij lag er waarschijnlijk naast, in het zogeheten ‘Hekje of Poortje van Cele’, op nr. 3, waar in de Middel­eeuwen het Fraterhuis stond. Toen de jonge Eli hoorde dat er op de binnenplaats een goudschat begraven zou zijn, ging hij daar graven. Maar het enige wat hij vond waren de resten van skeletten van de bewoners uit de zestiende eeuw.
Eli had al vroeg belangstelling voor de natuur rondom Zwolle. Dat kwam, herinnerde hij zich, door een beklimming van de Peperbus. Het verge­zicht op de wijde omgeving maakte diepe indruk op hem. Hij trok er als jongen vele malen op uit naar de natte velden aan de Weezenlanden en naar de dijken van de Vecht. Daar stonden tegen Pinksteren de kievitsbloemen bij duizenden en duizenden te bloeien: ‘Wij jongens gingen ze elk jaar plukken en de meisjes, die bang waren voor natte voeten, haalden ze bij boezelaars vol onder langs de dijk.’4
In zijn jeugd ging Eli zeer regelmatig naar het Engelse Werk, dat was en is tot op de dag van van­daag een waar paradijs voor wilde planten. Van het groot springzaad dat hij daar in grote hoeveel­heden vond, nam hij jaren later een tekening op in één van zijn boeken.
Het Engelse Werk was aan het eind van de negentiende eeuw zo eenzaam als een kerkhof. Vaak trok Eli er in z’n eentje naartoe; vanuit zijn huis toch al gauw een wandeling van drie kwar­tier. Toen hij acht jaar was kwam hij op zekere dag niet terug van zo’n tocht, zodat ’s avonds de gehele Papenstraat in rep en roer was en de stads­omroeper er aan te pas kwam om een zoektocht te organiseren. Later herinnerde Heimans zich deze gebeurtenis nog heel goed:
‘Ik was na het liggen turen in de zon, die kalm­pjes onderging in de golven van de Veluwe, inge­dut. Gelukkig vond een boer, die over het Kleine Veer van Hattem kwam, mij daar slapen. Hij bracht mij in het donker terug naar de stad. Van de angst van mijn ouders en de boosheid van de buren begreep ik toen niet veel. (…) Ik voelde mij er altijd zoo veilig en gerust als op mijn kamertje; alle boomen en struiken waren goede bekenden van mij; ook de vogels met wie ik heel vriend­schappelijk omging en aan wie ik namen gaf van eigen vinding of die ik had horen noemen; glad verkeerde meestal, maar voor mij de rechte.
Roodborstjes en gietelingen kwamen menig­maal gluren naar wat ik daar in de bosjes lag te doen met [mijn natuurboek] onder de ellebogen. Een oude haas leefde er; die kwam geregeld bij mij langs als hij van de uiterwaard was overgehuppeld en terwijl hij mijn mossig leesplekje passeerde, maakte hij een paar malle sprongen als een uit­nodiging om met hem te spelen; maar als ik mij bewoog, liet hij zijn wit pluimpje zien.’
Ondertussen bracht Eli naar zijn zeggen heer­lijke jaren door op de lagere school in Zwolle. Ook thuis was het plezierig: de ververij leverde zijn ouders een behoorlijk bestaan op. Zijn schoolprestaties waren goed; Eli leerde vlot en makkelijk. Bovendien was er in en om de school van alles te beleven dat voedsel gaf aan zijn rijke fantasie. Grote indruk maakte bijvoorbeeld de intocht van Franse krijgsgevangenen die tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) in Zwolle aankwamen. Ze hadden alle tijd en kenden allerlei leuke spelletjes voor kinderen. Eén van hen kwam eens op de school van Eli en vroeg verlof om de leerlingen zo’n kunstje te mogen leren, of zoals hij zei: ‘quelques divertissements instructifs pour les soirées d’hiver’ (wat leerzaam vermaak voor de winteravonden). Zo leerde de Fransman de schoolkinderen spatwerk maken met behulp van gedroogde bladeren. Deze demonstratie was wel­licht de eerste kennismaking van Heimans met vormen van aanschouwelijk onderwijs. Hij zou het niet vergeten.
School voor armen en minvermogenden
Na de lagere school ging Eli in 1873 naar de Rijks Hogere Burger School (de HBS), die enkele jaren daarvoor in Zwolle was opgericht. Hij wilde later chemie gaan studeren om die kennis te gebruiken voor de zijdeververij die zijn vader inmiddels van zijn schoonmoeder had overgenomen. Maar het zou anders lopen. De textielindustrie in Neder­land had een grote vlucht genomen en vader Heimans kon steeds minder goed concurreren met de grote ververijen in Twente. Er was geen geld meer voor de studie van Eli en hij werd, toen hij in de vierde klas zat, van school gehaald om als een soort ‘reiziger’ voor zijn vader te gaan werken. Tijdens één van die tochten zou hij
Kruiden-Marie ontmoeten. Ondanks de tegenslag zat vader Heimans niet bij de pakken neer. Hij stopte met de ververij en werd handelaar in hui­den en oude metalen.
Met hulp van familieleden kon Eli een paar jaar later weer gaan studeren, maar niet op de HBS. Hij werd in 1878 kwekeling aan de tweede openbare kosteloze school voor armen en min­vermogenden aan de Hoogstraat. Hij was toen nog maar zeventien jaar. Twee jaar later al werd hij benoemd tot hulponderwijzer aan die school, waarvan de leerlingen merendeels afkomstig waren uit sociaal zwakke gezinnen. De school was berucht om de baldadigheid van de leerlin­gen. Maar Eli hield zich staande en haalde er niet alleen de akte van bekwaamheid voor hulponder­wijzer, maar onder andere ook de aktes wiskunde, tekenen en Frans.
Ook in deze tijd hield hij zich bezig met zijn jeugdliefde: de natuur. Achter de school lag biolo­gisch gezien een soort aards paradijs. Op de grote bloemisterij van Wind bestudeerde Heimans de kweek van exotische planten en vissen. En ach­ter de bloemisterij lag de blekerij van de familie Wentholt. Daar trof hij alles aan waarover hij later met zoveel kennis en liefde zou schrijven: vogels, insecten en in de sloten een overvloed aan kik­kers, salamanders, stekelbaarsjes en waterplanten.
Na vier jaar onderwijzerschap vertrok Hei­mans op 21-jarige leeftijd uit Zwolle. In 1882 kreeg hij namelijk een aanstelling op een school in de Zwanenburgstraat in Amsterdam. Maar nog lang na zijn vertrek zou hij zich zijn in alle opzich­ten vormende jaren in Zwolle herinneren. In een artikel in De Groene Amsterdammer schreef hij:
‘De kleine stad, waar ik geboren ben en stu­deerde voor mijn tegenwoordig ambt, is één van de mooist gelegen plaatsen van ons land. Alles, wat iemand, wiens lievelingsstudie de natuur is, maar wensen kan, was daar te vinden. Tien minuten van huis was ik helemaal buiten, waar ik naar hartelust kon wandelen en studeren. Daar waren bossen en parken; prachtige heuvelachtige heidevelden aan de overzijde van een grote rivier met veelbelovende uiterwaarden; uitgestrekte lage venen, moerassige weiden vol orchideeën en kievitsbloemen, zandgronden en kleibodems met heel wat onbebouwde hoekjes; overal tot uren in ’t rond het rijkste natuurleven, dat we in ons land boven de Maas verwachten kunnen.’
De overgang van een slaperig provinciestadje naar de grote stad was niet eenvoudig voor de jon­ge onderwijzer. De Amsterdamse school stond in een achterstandwijk. Nog steeds geëmotioneerd beschreef Heimans later zijn gevoelens na zijn eerste dag als onderwijzer daar.
‘Zaterdagmiddags zo gauw als de schoolbel luidde, holde ik tegelijk met de kinderen weg; ik vloog de vunze woelige steeg uit, de gloeiend warme en droogstoffige straten door, waarin een rossig grijze stofmist hing, tot ik de buurten door was, waar men mij onthaalde op alles wat een vloerkleed of mat maar voor liefelijks bevatten kan, als die eens in de week wordt geklopt. (…)
Ik voelde mij diep ongelukkig, ellendig, ik had heimwee, ik was ziek; maar te versuft door de drukte van de stad en de woelige, mij onver­staanbaar zangerig sprekende schoolkinderen, en wellicht ook door ’t ongewone gemis van frissche lucht, om te beseffen wat ik scheelde. Tegen een hoge polderdijk lag ik in ’t jonge gras, niet ver van de overweg van den trein; langzamerhand ont­waakte ik uit een soort van verdoving en begon de omtrek te overzien. (…) Ik was in gedachten weer bij huis. Onderaan de dijk stond in de diepen polder een boerenhuis waar melk te krijgen was; ik dronk er enige glazen, vroeg wat brood te koop, en toen eerst kwam ik tot bezinning.’
Wat Heimans toen niet kon vermoeden, was dat hij daar in Amsterdam aan het begin stond van een glanzende loopbaan als onderwijzer, wetenschapper en schrijver. De tijd was er rijp voor.
Het biologisch reveil
Om de latere activiteiten van Eli Heimans goed te kunnen begrijpen, is het nodig iets te vertellen over wat aangeduid wordt als het biologisch reveil. Daaronder wordt verstaan de opleving van de belangstelling voor natuur in Nederland aan het einde van de negentiende eeuw. Niet dat er in de tijden daarvoor geen belangstelling voor natuur was, maar deze was anders gericht. Daarvoor gaan we even terug in de tijd.
Al ten tijde van keizer Augustus werd de natuur bestudeerd. In 29 voor Christus schreef de grote Romeinse dichter Vergilius zijn Georgica, een leerdicht gewijd aan landbouw, boomkwe­ken, vee- en bijenteelt. In de eeuwen die volgden werden nog veel meer gespecialiseerde boeken over de natuur gepubliceerd. Die hadden, soms verborgen, soms openlijk, een religieuze onder­toon. In de Middeleeuwen en nog lang daarna werd natuur gezien als schepping van God en een bewijs van diens almacht. Diep geworteld was de gedachte dat wie God wil leren kennen de natuur moest bestuderen.
In 1554 verscheen het Cruydt-boeck van Dodoens, ook wel bekend onder zijn Latijnse naam Dodonaeus. Het is de eerste Nederlandsta­lige plantengids, maar dan op heel groot formaat. Wetenschappelijk gezien toonaangevend was de in 1735 verschenen Systema Naturae van de Zweedse arts en plantkundige Linnaeus (hij stu­deerde aan de universiteit van Harderwijk). In zijn boek verdeelde hij de natuur in een stenen-, planten- en dierenrijk. Zijn methode voor de classificatie van planten vormde de basis voor de flora’s van Heimans, Heinsius, Thijsse, Heukels en vele anderen.
Maar naast kennis speelde ook al vroeg bewondering voor natuurschoon een belangrijke rol. Dat blijkt onder andere uit de schilderijen van de grote Nederlandse landschapsschilders uit de zeventiende eeuw, zoals Esaias van der Velde, Hercules Seghers, Salomon van Ruysdael, Jacob van Ruisdael en Jan van Goyen. Toch was het pas aan het begin van die eeuw dat schilders het realistische Hollandse landschap als onderwerp kozen. In de eeuwen daarvoor fungeerde het landschap meestal slechts als achtergrond voor bijvoorbeeld een portret of een bijbels tafereel.
Die grotere waardering voor de natuur blijkt ook uit een ontwikkeling in de zeventiende en achttiende eeuw. Welgestelde burgers trokken in het voorjaar en de zomer van hun huizen in de stad naar een buitenplaats, omringd door vaak schitterend aangelegde parken en tuinen. De namen van veel van die buitens getuigen nog van deze trek van de stad naar het platteland, zoals Hofwijk, Zorgvliet en Boschwijk.
De bewondering van natuurschoon had in die tijd een speciaal karakter: de opdrachtgevers en hun landschaparchitecten streefden naar een geïdealiseerd beeld van de natuur. Ze kozen voor de Franse stijl, met een strakke geometrische inrichting van hun parken, òf voor de romanti­sche Engelse stijl, met kronkelpaden, kunstmatig aangelegde verhogingen in het landschap en op de tekentafel bedachte waterpartijen. Het Zwolse Engelse Werk is daar een goed voorbeeld van.
Onze voorouders hadden tot ver in de negen­tiende eeuw weinig op met de door mensen onbe­werkte natuur, zoals de moerassen, de zandver­stuivingen en de heidevelden waarmee een groot deel van Nederland was bedekt. Ze noemden het ‘woeste grond’ of nog sprekender ‘onland’. Wilde planten werden doorgaans als ‘onkruid’ aange­duid en waren veel minder in tel dan de gecul­tiveerde planten. Die negatieve waardering had grote gevolgen voor het natuurlijke landschap van ons land. Het vermaarde Beekbergerwoud, het laatste oerbos van Nederland, werd omstreeks 1870 zonder enig maatschappelijk protest met de grond gelijkgemaakt. In onze tijd zouden we er veel voor over hebben om dat ‘onland’ terug te krijgen.
Uit het voorafgaande kan ten onrechte de sug­gestie worden gewekt dat de bewondering voor de natuur voorbehouden was aan de beter gesi­tueerden. Dat is niet het geval. Ook voor mensen die niet rijk waren, en dat gold voor het overgrote deel van de bevolking, was de natuur van waarde. Maar ze gingen er anders mee om. Voor boeren en herders bijvoorbeeld was de natuur geen plaats om zich terug te trekken, ze waren er al: de natuur was hun woon- en werkplaats. Hun natuurbele­ving was daardoor meer functioneel, hoe kan ik gebruik maken van de natuur? In zekere zin was hun afstand tot de natuur kleiner dan die van de welgestelden. Ze waren er één mee.
Dat ook ‘eenvoudige lieden’ uit vroegere tijden oog hadden voor de schoonheid van de natuur, blijkt uit een verslag van Zwollenaar
J. Zeehuisen (uitgever en Statenlid) in het midden van de negentiende eeuw:
‘In het algemeen kan men den landman geen schoonheidsgevoel ontzeggen, wat een gunstig teken voor verdere ontwikkeling is en waarvan men overal, tot in de kleinste hut, nog sporen vindt. (…) De kruidhof voor de huizen laat zien dat de vrouw die deze alleen bewerken moet, eene goeden smaak bezit. En ofschoon er wel gene uitheemsche planten in gevonden worden, is de kruidhof toch meestal versierd met hetgeen ook ons oog kan ver­rukken. Bijvoorbeeld met de prachtige stokroos, de dahlia in alle verscheidenheid, de welriekende damastbloem, de nederige duizendschoon, de gloedvolle muurbloem, de bescheiden violet, de statige lelie. Komt men des vrijdags op onze markt, dan ziet men in vele groentemanden ruikers van deze bloemen te koop liggen.’5
In dit historisch overzicht in vogelvlucht zijn we inmiddels beland in het midden van de negen­tiende eeuw, de periode van het biologisch reveil. In die tijd, even voor de geboorte van Eli Hei­mans, groeide met name onder door de Verlich­ting geïnspireerde wetenschappers de belangstel­ling voor wat werd genoemd ‘de natuurlijke histo­rie’. De natuur werd voortaan bestudeerd om haar eigen kwaliteiten, zonder godsdienstige lading en niet meer noodzakelijkerwijs verbonden met een aantoonbaar nut voor de mens. In 1852 verscheen het blad Album der Natuur, met op het voorblad de mededeling dat het was bestemd ‘ter versprei­ding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand.’ Uit die verduidelijking blijkt al dat de schrijvers toen nog hoofdzakelijk kamer- of laboratoriumgeleerden waren. Dat paste in het tijdsbeeld: Heinsius, de latere mede-auteur van de flora van Heimans en Thijsse, vertelde jaren later dat wie zich in de eerste helft van de negentiende eeuw bezig hield met de studie van plantjes en beestjes voor een zonderling werd gehouden. De kennis van de levende natuur was voor het grote publiek nog een gesloten boek.
In de tweede helft van die eeuw groeide het aantal publicaties over biologische onderwer­pen razendsnel. De volgende stap was het grote publiek enthousiast te maken voor al wat leeft en bloeit. Dat vroeg om popularisering van weten­schappelijke natuurstudies. Het was een grote stap voorwaarts toen in 1857 het vak ‘Natuurlijke Historie’ (net als aardrijkskunde en geschiedenis) in het Nederlandse onderwijs werd opgenomen. Het was de voorloper van het tegenwoordige vak biologie. Onderwijzers kregen als taak hun leer­lingen belangstelling en eerbied voor de natuur om hen heen aan te leren.
Eli Heimans heeft ongetwijfeld een groot aantal van de toen gepubliceerde verhandelingen over natuur gelezen. Al aan het begin van zijn Amster­damse tijd verwierf hij als autodidact een impone­rende hoeveelheid kennis op biologisch gebied, een zeer uitgebreid onderzoeksterrein. Hij gebruikte zijn nieuwe kennis inventief voor zijn tweede pas­sie: het onderwijs. Hij was zeer goed geïnformeerd over de nieuwste ontwikkelingen binnen het toen­malige onderwijs. Wat hem vooral aansprak was de toen baanbrekende gedachte dat onderwijs ook aanschouwelijk moest zijn. Misschien herinnerde hij zich nog het spatwerk met plantenbladeren op zijn Zwolse lagere school. Kinderen moesten voor hun kennis van de natuur de schoolbanken uit, of, zoals een tijdgenoot het uitdrukte: ‘Als we de koe niet naar de school kunnen brengen, dan brengen we de leerlingen maar naar de koe.’
Heimans voegde de daad bij het woord. Al snel na zijn komst in Amsterdam nam hij zijn leerlin­gen mee naar het nabijgelegen Sarphatipark. Zijn doel was, schreef hij later, ‘den kinderen belangstel­ling en eerbied in te boezemen voor al wat de plan­ten- en dierenwereld op te merken geeft. (…) zóó dat na het verlaten der school de verworven kennis hen steeds genoegen doet vinden in het opsporen en nagaan der natuurvoorwerpen en de natuur hun een bron van goedkoop genot wordt.’
Zijn ervaringen tijdens zijn excursies met zijn leerlingen in het park legde Heimans in 1893 vast in een Handleiding voor bij het onderwijs in de natuurlijke historie, in eigen kring meestal het Sarphatiboekje genoemd. De vier delen zouden in Nederland een groot succes worden en werden nog tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw gebruikt.
Een ontmoeting met grote gevolgen
In dezelfde tijd dat Heimans het Sarphatiboekje schreef, leerde hij Jac. P. Thijsse (Jacobus Pieter, 1865-1945) kennen. Thijsse was vier jaar jonger en had net als Heimans de kweekschool bezocht. Een jaar na de komst van Heimans in Amsterdam kreeg ook Thijsse daar een aanstelling als onder­wijzer. En ze hadden meer met elkaar gemeen: beiden waren bezeten van alles wat met natuur te maken had en beiden waren een warm voor­stander van aanschouwelijk onderwijs. De twee mannen ontmoetten elkaar in 1893 tijdens een lezing van Heimans over zijn handleiding voor het natuuronderwijs. Thijsse was enthousiast en stelde Heimans in de pauze de vraag ‘Waarom laat je op dat Sarphatiboekje geen boekjes van buiten volgen?’ En, vertelt Fop I. Brouwer, de biograaf van Heimans, ‘toen gaf Heimans het ant­woord dat beslissend zou worden voor het leven van beide mannen: “Laat ons dat samen doen!”’
Hun jarenlange samenwerking was ondanks hun gedeelde interesses bijzonder omdat het mannen waren met een totaal verschillende aard. Thijsse had volgens zijn biograaf ‘een impulsieve natuur; hij flapte er gemakkelijk wat uit, vertoon­de een beminnelijke onbescheidenheid, timmerde meer aan de weg dan Heimans en zocht graag contact met hoger geplaatste vakbiologen en autoriteiten. Heimans daarentegen was meer een stille werker, de stuwende kracht, die zich altijd bescheiden achteraf hield, die lang kon aarzelen voordat hij iets neerschreef wat hij niet zelf had opgemerkt of ondervonden.’
Vanaf het begin van hun ontmoeting maakten de jongemannen (Heimans was toen 32, Thijsse 28) vele gezamenlijke wandelingen door de natuur om planten, vogels en insecten te bestu­deren. Zonder een gerichte wetenschappelijke opleiding hadden de twee door zelfstudie in wei­nig jaren een grote en brede kennis van de natuur opgebouwd. Maar dat alleen maakt hen niet uniek. Beiden beschikten ook over grote didacti­sche vaardigheden, en, heel belangrijk, ze waren zeer getalenteerde schrijvers. Samen schreven Heimans en Thijsse tussen 1894 en 1904 een groot aantal boeken, die zeer populair zouden worden. Naast het al genoemde Hei en Dennen (1897) zijn dat onder (vele) andere Van vlinders, bloemen en vogels (1894), In sloot en plas (1895), Door het rietland (1896), In de duinen (1899), In het bosch (1901) en niet te vergeten de Geïllustreerde flora van Nederland (1899), die Heimans en Thijsse samen met de vakbioloog H.W. Heinsius schreven. Dat laatste boek wordt nog steeds in gemoderniseerde vorm herdrukt.6 Voor het eerst waren er nu natuurboeken voor een breed publiek beschikbaar die én degelijke, verantwoorde infor­matie gaven, én zeer toegankelijk geschreven waren.
En het bleef niet bij schrijven. Als voorstan­ders van aanschouwelijk onderwijs hechtten Hei­mans en Thijsse grote waarde aan verduidelijken­de tekeningen. Samen maakten ze ter illustratie van hun boeken en artikelen in tijdschriften hon­derden tekeningen van planten, vogels, insecten en andere dieren. Soms maakten ze gebruik van de diensten van ‘echte’ tekenaars. Befaamd wer­den de door Thijsse uitgegeven Verkade-albums met tekeningen van onder andere Jan Voerman jr.,7 L.W.R Wenckebach en Edzard Koning.
Volgens zijn biograaf was tekenen voor Hei­mans zijn lust en zijn leven, ook al was hij ook daarin volledig autodidact. Thijsse vond de smaak van Heimans soms al te verfijnd. Zo bekritiseerde Heimans eens de tekeningen die Thijsse van graafwespen maakte, omdat ze ‘met hun groote ogen, felle kaken en stekelige, doornige graafpo­ten’ op monsters leken. Volgens Heimans had­den de mensen geen lust om naar zulk gedierte te kijken. Thijsse gaf toe en maakte een aanzienlijk kleinere tekening.
De boekjes sloegen tot hun eigen verbazing enorm aan bij het grote publiek, zoals bleek uit de vele enthousiaste brieven van lezers die ze ontvin­gen. Gedreven door dit succes besloten ze in 1896 een tijdschrift uit te geven. Het blad De Levende Natuur, onder redactie van Heimans, Thijsse en
J. Jaspers jr. zou maandelijks verschijnen bij uit­geverij Versluys. Dat het blad nadrukkelijk voor een zo breed mogelijk publiek was bestemd, blijkt uit de redactionele inleiding bij het eerste num­mer:
‘Wij zullen beproeven iets te zijn voor de huis­moeders die haar vogeltjes en hare kamerplanten willen verzorgen en voor de knapen, die voor hun zakgeld wat natuurgenot willen koopen; voor den houder van een tuintje en voor den wandelaar door bosch en veld; voor den vriend der natuur, die hoofdzakelijk voor zijn eigen pleizier er fles­schen en bakken op nahoudt, en voor den vader of onderwijzer, die wil weten hoe hij zijn jongens genoegen kan doen.
Onze stof is rijk! Wij willen de gestes van de spin in haar web gadeslaan, en de levenswijze – ja, lezer, de levenswijze! – der veldbloemen nagaan. Wij willen de vogels bespieden in het kreupelhout en de najaarskleuren van het bosch op het paneel trachten te brengen. Wij willen het hebben over de manier om de natuur waar te nemen, de voor­werpen uit te teekenen en te bewaren. Kortom, de huiskamer en de school, zoo goed als beemd, bosch, zeestrand en heide, het is alles ons arbeids­veld.’
Het is niet moeilijk in deze tekst de ervaringen van Heimans zelf te herkennen: zijn jeugdherin­neringen aan Kruiden-Marie, zijn wandelingen door de natuur, zijn drang om kennis over de natuur op de scholen en in de huiskamers van gewone mensen uit te dragen en – heel belang­rijk – de nadrukkelijk verheffing van de tot dan toe ondergewaardeerde onbewerkte natuur tot een serieus onderwerp van studie. Mede om deze redenen zien velen de oprichting van De Levende Natuur als één van de hoogtepunten van het bio­logisch reveil in Nederland. Al binnen drie maan­den waren er meer dan duizend abonnees, een voor die tijd ongekend hoog aantal. De Levende Natuur, met als ondertitel tijdschrift voor natuur­behoud en natuurbeheer bestaat tot op de dag van vandaag.
Een geheel onverwacht effect van het werk van Heimans en Thijsse (en anderen die dezelfde idealen nastreefden) was dat het aantal studenten in de biologie aan de universiteiten sterk toenam. In de jaren vóór 1890 moesten de universiteiten het soms stellen met één student, in 1900 waren dat er al 44.
Een vuilnisbelt of een natuurgebied
De tijd was rijp voor een vereniging waarin natuurliefhebbers, biologen en andere onder­zoekers hun krachten konden bundelen. In enkele grote steden ontstonden bijna gelijktijdig natuurhistorische verenigingen. Het spreekt bijna vanzelf dat ook Heimans en Thijsse (maar bijvoorbeeld ook Heinsius en Heukels) betrokken waren bij de oprichting in 1901 van de Amster­damsche Natuurhistorische Vereeniging. Nog dat­zelfde jaar nam deze vereniging het initiatief tot het oprichten van een landelijke vereniging met plaatselijke onderafdelingen. Tijdens een bijeen­komst in Artis op 27 december 1901 werd daarop de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging (NNV) opgericht. Thijsse gaf de inmiddels alom bekende drie H’s (Heimans, Heinsius en Heukels) de eer van de oprichting en de latere bloei. Hei­mans speelde zijn leven lang een belangrijke rol in de vereniging en was een graag gehoorde spreker bij de vele onderafdelingen in het land. Vele jaren later kreeg de vereniging het predicaat ‘konink­lijk’, zodat we nu spreken over de KNNV.
Eén van de doelstellingen van de NNV was ‘Het aanwenden van pogingen om terreinen die uit een natuurhistorisch oogpunt belangrijk zijn, te beschermen.’ Dat waren geen loze woorden. Dat bleek toen in 1904 burgemeester en wethou­ders van Amsterdam een plan indienden om wat ze noemden ‘een waardelooze waterplas’, het Naardermeer, aan te kopen om het vol te storten met stadsvuil. Heimans en Thijsse kenden de waarde van het Naardermeer uit eigen waarne­ming: ze maakten er zwerftochten met de bekende schrijver, psychiater en zelfverklaard wereldver­beteraar Frederik van Eeden. Heimans plaatste direct een vlammend protest in De Groene, Thijs­se deed hetzelfde in het Algemeen Handelsblad. Dankzij hun protesten stemde de Amsterdamse gemeenteraad uiteindelijk tegen het voorstel. Om soortgelijke bedreigingen voor de natuur in de toekomst tegen te gaan werd mede dankzij de inspanningen van Heimans en Thijsse op 22 april 1905 in Artis de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten opgericht. Door de uitgifte van obligaties slaagde Natuurmonumenten erin het Naardermeer te kopen. Het is het eerste Nederlandse natuurreservaat uit de geschiede­nis. Als gevolg van het biologisch reveil was een nieuwe tijd aangebroken.
Tussen zijn start als onderwijzer in Amsterdam en zijn plotseling overlijden in 1914 heeft Eli Heimans zich onafgebroken beziggehouden met natuurstudie, publicaties in boeken en tijdschrif­ten en zich ingespannen de natuur in Nederland te beschermen. Het is bijna niet voor te stellen dat hij naast deze tijdrovende activiteiten een gezinsleven had en een al even tijdrovende baan in het onderwijs. In 1888, zes jaar na zijn vertrek uit Zwolle, kwam hij er even terug om te trouwen met de eveneens in Zwolle geboren Betje Stibbe (1860-1960). Ze kregen twee kinderen, een jongen en een meisje. Het gezin woonde in Amsterdam, vanaf 1903 aan de Plantage Muidergracht (nr. 123).
Heimans begon in 1882 als derde onderwijzer aan de lagere school in de Zwanenburgstraat; nog datzelfde jaar kreeg hij een aanstelling als tweede onderwijzer bij de Hendrik Westerschool aan het Weesperplein; in 1886 werd hij bij die school eerste onderwijzer; in 1893 werd hij ‘hoofd der school’ aan de Planciusschool aan de tegenwoor­dige Tweede Breeuwersstraat; dezelfde functie had hij in de periode 1904-1911 bij de Van Swin­denschool aan de Pieter Nieuwlandstraat en met ingang van 1 januari 1912 bij de Hendrik Wester­school.
Hij zal het niet altijd even eenvoudig hebben gehad. Zijn biograaf vermeldt bijvoorbeeld dat de wat ‘betere’ Van Swindenschool in een typische Amsterdamse volksbuurt lag: de buurt noemde de school van Heimans een ‘kale-netenschool’. Er waren relletjes met straatbewoonsters, die ramen ingooiden en modder tegen de muren en in het portaal smeten. Maar binnen de school was Hei­mans populair, zoals blijkt uit getuigenissen van oud-leerlingen. Volgens hun verslagen was hij een goed docent en ‘anders dan anderen’. Met zijn viool liep hij door de school om zangles te geven. Een oud-leerling schreef: ‘Hij was nooit kwaad, vol grappen, erg “onschoolmeesterachtig” (…) en hield niet van ordelijke klassen en zoete kinderen. (…) Hij had altijd dropjes en pepermunt in zijn zak. Dropjes kreeg je maar zelden, pepermunt vaker. Dat waren dikke ronde pepermunten, zo groot als een cent, die kon je alleen in Zwolle krij­gen, zei hij.’
Na 1905 werd Heimans steeds enthousiaster voor de studie van de geologie. Ook die belang­stelling komt voort uit zijn Zwolse periode; als aankomend onderwijzer maakte hij wandelingen via ‘Het kleine Veer’ aan de IJssel naar de Trijzen­berg bij Hattem. Daar bezocht hij in de buurt van ‘De Belten’ eens een kleine boerderij op slechte, stenige grond. Van de boer kreeg hij een verzame­ling stenen, die gezien de ‘groeiringen’ volgens de boer in de grond gegroeid waren. Op die manier kwam Heimans aan zijn eerste bescheiden geolo­gische collectie. In zekere zin werd zijn geologi­sche belangstelling ook zijn einde. Hij overleed in de zomer van 1914 plotseling ten gevolge van een hartstilstand tijdens een geologische excursie in het Duitse Gerolstein.
Heimans en het Engelse Werk8
Heimans bezocht ook na zijn vertrek naar Amsterdam nog regelmatig zijn geboortestad; om er zijn familie en die van zijn vrouw te bezoeken, maar ook om er als vanouds in de omgeving te wandelen. Hij keerde niet alleen terug naar de plek waar hij ooit Kruiden-Marie had ontmoet, maar ook naar het park waar hij zoveel jeugdher­inneringen had liggen: het Engelse Werk. Dat was bijvoorbeeld het geval in de zomer van 1897. Over dat bezoek, met vrouw en kinderen, scheef hij een artikel in zijn ‘eigen’ blad De Levende Natuur onder de tot de verbeelding sprekende titel ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’. Het verhaal laat Heimans weer ten voeten uit zien:
‘De laatste week van de vorige zomervacantie heb ik te Zwolle doorgebracht. ’t Was de heele Maandag drukkend warm geweest, zoo warm, dat ik geen lust had, in ’t open veld of langs de dijken te gaan botaniseeren (…) Thuis blijven dus? Neen, daarvoor is men immers in de vacantie niet bui­ten. Dan maar in de late namiddag naar ’t Nieuwe Werk, zoo als de officiëele naam luidt, of naar
’t Engelsche Werk, zoo als de Zwollenaars het noemen.
Dat Engelsche Werk nu is een park, zoo mooi als er weinig in ons land zijn. Misschien ben ik in dit opzicht niet onbevooroordeeld, maar mij dunkt, het Haagsche bosch en de Haarlemmer­hout zijn niet mooier. Al ontbreken, behalve op Zondag, in ’t Zwolsche bosch de menschen… de vogels, en de eekhoorns, de vlinders en de mooie wilde planten, maar het is er voor een natuurlief­hebber gezellig genoeg.
’t Engelsche Werk ligt vlak aan de IJssel, tus­schen de spoorbrug en het Katerveer, op een driekwartier gaans van Zwolle. Het eerste deel van de weg er heen is een mooie laan: de Veeral­lee; die voert u eerst langs de Willemsvaart; dan gaat ge over een heuvel met sparren begroeid, de oude Spoolderberg; daarna kruist de weg de Wil­lemsvaart en slingert zich langs de keurige buiten­plaats Frisia State tot aan de vrije, ruime ingang van ’t Engelsche werk.
Ik kan de lust haast niet weerstaan, een beschrijving te geven van dit mooie park, waarin ik van kindsaf heb rondgedwaald, waarin ik tot nog toe nog elk jaar een paar dagen heb doorge­bracht met mijn goede kennissen uit de planten- en dierenwereld. Maar dat beschrijven hoop ik later eens te doen, als er eens veel plaats beschik­baar is. Op die warme Maandagmiddag ging ik er dan ook niet heen, om nieuwe planten te zoeken, wel met de hoop, een paar oude bekenden weer te vinden, die ik er het vorige jaar tot mijn spijt gemist had. (…).’
Al snel na aankomst barstte er een onweer los en Heimans en zijn gezin schuilden in de uitspan­ning van het park, op de plaats waar tegenwoor­dig de zaak van Krisman te vinden is. Na de bui ging hij toch weer op zoek naar alles wat groeit en bloeit. Hij zag padden, kikvorsen, slakken, vogels en orchideeën:
‘Vlak bij het holle wegje, waarvan oude elzen en gele kornoeljes een berceau hebben gemaakt, staat aan de voet van een hooge spar een orchi­dee te bloeien. Groote wespen smullen van zijn honing en transporteeren op hun kop de gele stuifmeelklompen naar andere planten. (…) Maar ’t is ook waar; ik moet, om zekerheid voor mezelf te hebben, wat die orchidee betreft, het Engelsche Werk nog even door. In de “Moordpoort”9 is ’t al vrij donker; aan ’t eind van ’t lange gewelf glim­mert het natte groen weer helder op; maar ook in ’t holle wegje en in ‘t berceau heerscht schemer­duister; daar ginds bij die dikke beukenstam moet ik wezen (…).’
Wat is toch die magie van het Engelse Werk, die niet alleen Heimans, maar ook al meer dan honderd jaar de Zwolse natuurliefhebbers in de ban heeft? Een klein beetje kennis over de geschiedenis ervan leert ons niet alleen veel over dat schitterende park, maar ook over hoe de stad Zwolle er in de loop der tijden mee is omgegaan. Een (natuur)geschiedenis in vogelvlucht.
‘Een schoone gelegenheid voor een rijtoer’
Het Engelse Werk is in de negentiende eeuw aan­gelegd op de restanten van een verdedigingswerk uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog. Die verde­diging bestond onder andere uit een brede aarden wal van Zwolle naar de IJssel, die een aantal schan­sen met elkaar verbond. Aan de IJssel lag op een natuurlijke verhoging de Nieuwe Schans, later het Nieuwe Werk geheten. Na de Franse Tijd (1795-1813) hadden de verdedigingswerken hun functie verloren. Tijd dus voor de gemeente om een nieu­we bestemming voor het terrein te zoeken.
Om te beginnen werden omstreeks 1827 de oude schansen en de aarden wal gesloopt. Een jaar later, in 1828, nam het stadsbestuur een historisch besluit: het Nieuwe Werk zou als openbare wan­delplaats worden ingericht. Hetzelfde gebeurde met de bastions in de stad. Ook die hadden hun waarde verloren, ook die werden gesloopt en ook die werden met bomen beplant. Daaraan danken we nu onder andere de schitterende Potgietersin­gel en het Ter Pelkwijkpark. Het besluit om ook van het Nieuwe Werk een wandelplaats te maken was in meerdere opzichten opmerkelijk. De schatkist van het stadsbestuur was niet al te goed gevuld en bovendien, wat moest je met een wan­delplaats zo ver van de stad in een tijd dat mensen geen auto’s en zelfs geen fietsen hadden. Je moest er vanuit de stad lopend naartoe, of veel later, met de paardentram naar het Katerveer.
Het stadsbestuur gaf de toen bekende Utrecht­se landschapsarchitect Hendrik van Lunteren (1780-1848) opdracht het park te ontwerpen en aan te leggen. Zijn opleiding kreeg hij voor een deel in Engeland ‘ter vermeerdering zijner wetenschappelijke kennis der horticultuur en ter vorming van zijner smaak in het aanleggen van buitengoederen.’ In 1810 had hij een kwekerij op de voormalige bisschopshof te Utrecht.
Van Lunteren was een aanhanger van de Engelse landschapsstijl. Dat wil zeggen dat hij inspeelde op een geleidelijk veranderde visie op de natuur en de rol van de mens daarin. Het natuurlijke werd verkozen boven het kunstmatige zoals dat in de achttiende eeuw opgeld deed, met als gevolg dat de rechte lijnen van de Frans geori­ënteerde tuinen werden vervangen door meer romantische slingerlijnen.
Van Lunteren ging voortvarend tewerk. In vijf jaar tijd liet hij honderden bomen planten, waaronder elzen, esdoorns, platanen, abelen, kas­tanjes, maar ook dennen, acacia’s en lariksen. Ze werden geleverd door bezitters van buitenplaat­sen in Zwolle. Net als voor de aanleg van de nabij­gelegen Willemsvaart zorgde de gemeente voor de aanvoer van hulpbehoevenden en werklozen, die voor het zware graafwerk een kleine vergoeding ontvingen. Zelf kreeg Van Lunteren voor ‘het aanleggen van stadsplantagien en wandelingen’ de somma van ƒ 732,80. Daarbij ging het vermoe­delijk alleen om het ontwerp voor het park.
Zo ontstond in het Nieuwe Werk een beslo­ten park, sierlijk doorsneden door paden en waterpartijen in de vorm van een aangelegde bosbeek, met af en toe een heuveltje. Wie in het park wandelde, had geen zicht op de wereld daarbuiten, de wandelaar kon zich voor even wanen in een rustgevend, onafzienbaar woud. Al snel na de aanleg werd het park in de volksmond ‘Het Engelse Werk’ genoemd, een teken dat men ook in Zwolle bekend was met de nieuwste ont­wikkelingen.
Toen het park klaar was, stelde de gemeente in 1833 Albert Krajenbelt als terreinbeheerder aan, die kwam te wonen in een huis dat ook als drinklokaal voor de bezoekers diende, een voorlo­per van de latere uitspanning Het Engelse Werk. De gemeente Zwolle gaf strikte richtlijnen voor wat er daar geschonken mocht worden. In de pachtovereenkomst staat dat de bezoekers van het drinklokaal dezelfde verversingen moesten kun­nen bestellen als in het Veerhuis bij het Katerveer. Met één uitzondering: de verkoop van jenever of sterke drank was verboden.
De gemeenteraad werd door de jaren heen voortdurend op de hoogte gesteld hoe het met het park was gesteld. De raad was verantwoordelijk voor elk besluit over de inrichting van het park; een plantsoenendienst was er toen nog niet. In de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw was de gemeenteraad ontevreden over het onderhoud. Er stonden bomen die zoveel schaduw gaven dat ze de groei van het andere houtgewas belemmerden en de vijvers moesten hoognodig worden uitge­baggerd. Teleurstellend was ook dat de spoorlijn Zwolle-Utrecht sinds 1864 dwars door een deel van het park heenliep. Mismoedig stelde de raad vast dat het afgesneden stuk ‘niet meer als wandelplaats werd gebruikt en langzamerhand een dichtbegroei­de wildernis was geworden die tot niets dient.’
De gemeente nam maatregelen, maar er bleef veel te wensen over. Bij het naderen van de lente merkte een raadslid in 1874 op: ‘Het jaar tevoren moest men met lede ogen aanzien hoe bloemen met handenvol geplukt werden op het Nieuwe Werk. Ieder scheen te menen dat wat tot het genot van allen moest strekken zijn particulier eigen­dom is.’ Ook waren er volgens het raadslid maat­regelen nodig tegen het uithalen van vogelnesten en het wegvangen van vogels. Deze opmerking leidde in 1875 tot een verbod op het uithalen van vogelnesten. Een vroege vorm van natuurbe­scherming in Zwolle.
Maar de ontevredenheid over het gebrek aan onderhoud van het Engelse Werk duurde voort. Toen wandelaars zich meer en meer beklaagden dat delen van het park door water en modder onbegaanbaar waren geworden, was de maat vol. Het gemeentebestuur liet in 1878 een plan maken voor een algehele renovatie van het Engelse Werk. Een landschapsarchitect uit Bussum, Dirk Wattez (1833-1906), kreeg de opdracht. Hij presenteerde een ontwerp met onder andere een vergroting van de bestaande vijver met drie boseilanden daarin en de aanplant van vele bomen en bloeiende heesters. Dit alles nog steeds overeenkomstig de landschapsstijl zoals die door Van Lunteren was bedacht. De bedoeling was dat het park beter geschikt moest worden gemaakt als wandel- en rijweg. Het park moest zo worden ingericht dat er ‘een schoone gelegenheid voor een rijtoer te ver­krijgen zou zijn.’
Deze gedachte is tekenend voor die tijd. Een groot deel van de bezoekers van het Engelse Werk behoorde tot de betere standen. Die hadden de tijd om het park te bezoeken, de opkomende arbeidersklasse had die tijd niet of hooguit op de vrije zondag. Toch werden minder vermogende Zwollenaren, althans in woorden, niet buitenge­sloten. Toen sommige raadsleden de uitvoering van de renovatie te duur vonden, merkte raadslid Thiebout op:
‘Het Nieuwe Werk is de buitenplaats van de Zwolsche burgerij en wel in de allereerste plaats voor hen, die het voorrecht van een eigen tuin missen.’
De raad ging met het plan voor renovatie akkoord, zodat in 1879 de werkzaamheden kon­den beginnen. Het werkvolk moest wel een beetje netjes zijn, vond de raad: ‘Men dient fatsoenlijke menschen te hebben. Eertijd heeft men er soms gehad die dronken in de boschjes werden gevon­den.’ Na de renovatie volgens het ontwerp van Wattez zag het park er wat de inrichting betreft ongeveer uit zoals in onze tijd. Tijdgenoten als W.A. Elberts waren tevreden over het resultaat. Hij schreef:
‘’t Is ontegenzeggelijk een der fraaiste plekjes om Zwolle, vooral sinds de verbeteringen daarin, een tiental jaren geleden aangebracht. De vijver in het noordoostelijk gedeelte is vergroot; het ter­rein opgehoogd; de wegen zijn gehard en ‘t geheel maakt door zijn wisseling van hoog en laag, land en water, bosch en bloem, een hoogst aangenamen indruk. Lag het zoogenaamde Engelsche Werk wat dichter bij de stad, het zou meer wandelaars trek­ken en de uitspanning er beter bij varen.’10
De Zwolse vogels krijgen een eiland
Aan het eind van de negentiende eeuw kreeg het Engelse Werk er een geheel andere bestemming bij. Het was de tijd van grote manifestaties op reli­gieus en politiek gebied. In 1883 kreeg de Hulp­zendingsvereniging als eerste toestemming om er een grote landelijke bijeenkomst te houden. Enige voorwaarde van de gemeente: de schade aan het gras moest worden vergoed aan de beheerders. Die huurden namelijk het recht om het gras te maaien en als hooi te verkopen. In de jaren die volgden vonden iedere tweede pinksterdag grote manifestaties plaats van kerken en christelijke verenigingen. Ook de Zwolse socialisten maakten gebruik van het Engelse Werk, bijvoorbeeld om er te demonstreren voor de achturige werkdag. Die bijeenkomsten vonden plaats op een restant van één van de oude bastions, de ‘Schelredoute’, het tegenwoordige Vogeleiland, dat toen via een brug bereikbaar was.
Omstreeks 1900 valt in de gemeenteraad een nieuwe visie op natuur te bespeuren. Sommige raadsleden vroegen zich af wat het Engelse Werk nu eigenlijk was. De gangbare mening was dat het een bos was, met daartussen gelegen plantsoenen. Aan dat bos was weinig onderhoud nodig, want zei een raadslid: aan een bos is niets te bederven, er bloeien alleen wat wilde planten in het voor­jaar. Maar er waren ook raadsleden die vonden dat het Engelse Werk geen bos was, maar een tuin, met mooie perken en gazons. Dat vroeg om meer onderhoud en dus meer geld. De raad kwam er voorlopig niet uit. In de jaren die volgden werd het park steeds beter verzorgd en, in het spoor van Heimans, beschouwden de beheerders wilde planten niet meer als onkruid. Het biologisch reveil was niet aan Zwolle voorbij gegaan.
De andere visie op natuur zorgde er ook voor dat de grootschalige manifestaties in het Engelse Werk werden geweerd. De gemeenteraad toonde zich in 1915 gevoelig voor een klacht van de afdeling Zwolle van de door Heimans, Thijsse en Heukels opgerichte Nederlandsche Natuurhis­torische Vereeniging (NNV). In het zogenoemde ‘Vogeltjesrapport’ maakte de vereniging duide­lijk dat de vogels die zich op het manifestatie-eilandje hadden genesteld, te veel in hun rust werden gestoord. De brug naar het eilandje werd verwijderd, de manifestaties waren voorbij en sindsdien heet de plek het Vogeleiland.11 Een jaar eerder had de Zwolse NNV toestemming aan de gemeente gevraagd om nestkastjes op te mogen hangen in het Engelse Werk. Een vroeg voor­beeld van natuurbescherming in Zwolle. En een paar jaar later zorgde de vereniging ervoor dat de bomen in het Engelse Werk naambordjes kregen, want natuureducatie stond eveneens hoog in haar vaandel.
Heimans heeft zich voor zover bekend niet met de discussie over de inrichting en het beheer van het Engelse Werk bemoeid. Maar we mogen aannemen dat hij niet al te veel wilde ingrijpen. De natuur, juist ook de wilde natuur, vond hij mooi genoeg. In de jaren die volgden werd een bezoek aan het Engelse Werk een vast onderdeel van excursies van Zwolse natuurverenigingen.
Gedroogde planten
Tot ver in de negentiende eeuw was natuurstu­die of een verblijf in de natuur nog steeds een enigszins elitaire bezigheid. Je had er geld en vrije tijd voor nodig en daarover beschikten de meeste mensen niet. Grote delen van de bevol­king leefden in grote armoede in krotten onder barre hygiënische omstandigheden; besmet­telijke ziekten kostten vele mensenlevens. Dat bleef niet onopgemerkt. Stap voor stap werden pogingen ondernomen de armoede te bestrijden; daarbij kreeg de stad meer en meer een negatieve klank, waartegenover ‘het gezonde buitenleven’ werd gesteld. Natuur kreeg een positieve morele waarde.
Omdat al die arbeiders en hun gezinnen vooralsnog met geen mogelijkheid de natuur in te krijgen waren, moest die natuur maar naar de mensen komen, vonden sommigen. Een aan­doenlijk initiatief is dat van de Amsterdamse dominee M.A. Perk, de vader van de bekende dichter Jacques Perk. Hij was de bedenker van de ‘Floralia-beweging’. Het doel was ‘liefde voor planten en bloemen bij het volk op te wekken, om daardoor de kweekster of kweeker, groot of klein, voor hooge, voor de meest reine denkbeelden vat­baar te maken.’ Ook in Zwolle werd zijn initiatief nagevolgd. Een tuinman van een villa in Zwolle12 deelde in 1871 gratis bloemzaadjes uit. De der­tienhonderd uitgedeelde zakjes waren zo’n succes dat de actie het jaar daarop werd herhaald.13
Vanaf het begin van de twintigste eeuw steeg de levensstandaard gestaag met als neveneffect een grotere belangstelling onder ‘het volk’ voor de vrije natuur en voor wat daar groeide en bloeide. Soms, op een onverwacht moment, sta je er oog in oog mee. Bij het openslaan van antiquarische boeken die tussen 1880 en (pakweg) 1940 zijn verschenen, liggen tussen de bladzijden vaak plantjes die daar door de vroegere eigenaar te drogen zijn gelegd. Aangespoord door de boeken en artikelen van Hei­mans en Thijsse legden steeds meer mensen een herbarium aan. In de antiquariaten zijn de oude Flora’s van zowel Heimans, Heinsius en Thijsse en die van Heukels nog volop te vinden. Een teken dat ze destijds massaal werden aangeschaft.
Uit alles blijkt dat Zwolle niet achteraan stond in de nieuwe belangstelling voor natuur. Zwolle had al vroeg (1920) een plaatselijke afdeling van de socialistische Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) uit 1918. Natuurstudie was weliswaar niet de voornaamste doelstelling van de vereniging, maar de belangstelling van de jongeren voor wandelen en kamperen (onder andere op kampeerterrein ‘Eerde’ bij Ommen) was daar wel een belang­rijke stimulans voor. In 1920 werd in Zwolle de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) opgericht tijdens een landelijk congres voor jeugdige natuurliefhebbers. Oud-leden getuigen dat ook die jongerenvereniging vooral populair was in socialistische kring. Maar eerst en vooral bestudeerden de leden de natuur. Eén van de eer­ste leden, de Zwolse Hilda Verwey-Jonker, heeft er jaren later over verteld. Volgens haar is het idee voor de oprichting van de vereniging zelfs bij haar thuis ontstaan:
‘De NJN organiseerde van het begin af aan zomerkampen (…) en veel excursies te voet en per fiets. Zwolle was een heel gunstige plek om die natuurliefde uit te leven, want er was niet alleen die prachtige omgeving, maar er waren ook enkele heel bijzondere planten en vogels: in het voorjaar stonden de velden achter de ijsbaan – ongeveer daar waar nu het ziekenhuis ligt, vol met kievitsbloemen: wilde tulpen, in twee soorten, wit en paars gestippeld. Het was de enige plaats in Nederland waar ze zo algemeen waren. (…) Ook het felrode steenanjertje, dat je in het wild op de Agnietenberg vond, kwam volgens mijn vader alleen bij Zwolle voor. (Deze wordt ook wel de Zwolse anjer genoemd). De vogels zaten voorna­melijk in het Engelse Werk. Winterkoninkjes en allerlei soorten mezen, nachtegalen, wielewalen en tuinfluiters.’14
In het voetspoor van Heimans
Wat is het belang geweest van mensen als Hei­mans en Thijsse? Dat valt moeilijk te overschat­ten. Ze zorgden door hun boeken en artikelen voor de verdieping van de kennis over de natuur en voor de popularisering van die kennis, onder andere door het propageren van natuuronderwijs op de scholen. Door hun daden droegen ze in belangrijke mate bij tot de natuurbescherming in ons land. Dank zij hun activiteiten kreeg ook de wilde natuur – de woeste grond, het onland – de aandacht die het verdiende.
In de doelstellingen van de huidige KNNV klinken nog steeds de idealen van Heimans door: natuurstudie, natuurbeleving en natuurbescher­ming. De Zwolse afdeling is van vele markten thuis. Er zijn werkgroepen voor vogels, planten, insecten, mossen, hydrobiologie en paddenstoelen.
In de twintigste eeuw groeide in de maat­schappij het besef van de nauwe relatie tussen natuurbescherming en natuureducatie. Precies de twee invalshoeken die Heimans en Thijsse al vanaf het einde van de negentiende eeuw propageerden. Op 21 mei 1960 werd het Insti­tuut Voor Natuurbeschermingseducatie (IVN) opgericht, oorspronkelijk een vereniging van natuurwachten en natuurgidsen. Deze vereniging propageert zichzelf tegenwoordig als ‘instituut voor natuureducatie en duurzaamheid’. Net als het KNNV is het IVN tot op de dag van vandaag zeer actief. Jaarlijks organiseren ze vele excursies in de omgeving van Zwolle. Zeer populair zijn de wilde-plantencursussen en de vogelzangcursus­sen. Ook organiseert afdeling Zwolle van het IVN een natuurgidscursus. Veel van deze excursies en cursussen vinden als vanouds plaats in het Engelse Werk.
De vereniging Zwolle Groenstad , opgericht in 1976, houdt zich vooral bezig met natuurbescher­ming. In de naoorlogse periode was het beleid van het gemeentebestuur vooral gericht op woning­bouw en stimulering van de werkgelegenheid door ruimte te geven aan de industrie. Dat ging niet alleen ten kosten van historische gebouwen, maar ook van natuurgebieden. Zwolle Groenstad wilde deze ontwikkelingen een halt toe roepen. Om de waarde van het Zwolse groen onder de aandacht van het gemeentebestuur te brengen, kon Zwolle Groenstad zich gelukkig prijzen met de medewerking van de Zwolse tekenaar en illustrator Han Prins. In een serie artikelen onder de naam Zwolle’s ontgroening maakte hij week na week duidelijk dat het groene aanzien van de stad ernstig werd bedreigd. Het was vijf voor twaalf. Zwolle Groenstad richt zich tegen­woordig vooral op het behoud en de uitbreiding van het bomenbestand op particulier terrein. De vereniging adviseert burgers en bedrijven, brengt weer bomen terug op de schoolpleinen en plant tegen een kleine vergoeding herinneringsbomen voor iedereen die een geboorte, jubileum of over­lijden wil herdenken. Tot zover enkele belang­rijke Zwolse verenigingen die zich inzetten voor natuurbescherming en natuureducatie.15
Ook de bestuurders en uitvoerders die zich in dienst van de gemeente inspannen voor de groenvoorzieningen in Zwolle timmeren aan de weg. Landelijk gezien speelt onze stad daarbij let­terlijk een voorbeeldige rol. Mede dankzij hun werk staan er in Zwolle ongeveer tachtigduizend bomen en beschikken we naast het Engelse Werk over nog veel meer prachtige parken.16 Ook de Zwolse bermen met wilde planten zijn tot over de gemeentegrenzen befaamd.
Tot slot
Eli Heimans bleef tot zijn dood in 1914 met grote regelmaat publiceren over de natuur in al zijn facetten. Ter afsluiting laat ik deze grote Zwol­lenaar nog één keer zelf aan het woord. Als geen ander wist hij zijn liefde voor de natuur onder woorden te brengen. Het is een fragment uit Hei en Dennen, waarin Heimans zich buigt over een wel zeer nederig dier: de mestkever. Hij schrijft dan:
‘Wij laten onze kevers nu ook maar rustig voortwerken; eenigszins vies moge ons de taak toeschijnen, die de natuur hun heeft aangewezen. Voor de heide zijn ze ongetwijfeld nuttig, althans waar ze in groot aantal voorkomen. (…) Daar loopt er weer een, en nog een; overal zien wij de reinigingsdienst in volle werking. (…) Eens heb ik er in een bladkuil op de heide aan de rand van eikenhakhout een verbazende menigte bijeen gevonden. Een wervelwind had ze tegelijk met de bladeren waarschijnlijk in de kuil gevoerd. Het bleken uitsluitend mannetjes, die op de heide hun natuurlijke dood gestorven waren. Uitgedroogd, zoo licht als een dor blad, had de wind makkelijk spel met hen.
De wijfjes schijnen in de grond te blijven, nadat ze hun eieren in de opgezamelde mest heb­ben bezorgd. Aan de mannetjes is veel meer het bovengrondsche werk opgedragen; de vrouwtjes doen het huiswerk, maar de heeren ‘moeten er uit, het vijandige leven in,’ zooals een dichter heeft gezegd, al had hij toen niet het oog op mestke­vers.’
* Dit artikel is een bewerking van de gelijknamige lezing die de auteur op 24 maart 2011 hield in de cyclus Historische Avonden 2010/2011.
Literatuur
– Berkenvelder, F.C., Zo was Zwolle rond 1900, Zwol­le 1970
– Blok, Olde Meierink en partners, Historisch overzicht van het Engelse Werk/Spoolderbos, Zwolle 2001
– Brouwer, F.I., Leven en werken van E. Heimans en de opbloei der natuurstudie in Nederland in het be­gin van de twintigste eeuw, Groningen 1958
– De canon van Heino; De geschiedenis van Heino in vijftig vensters, Werkgroep canon ‘Omheining’, eindred. Jan van de Wetering, Heino 2011
– Elberts, W.A., Historische wandelingen in en om Zwolle, Schiedam z.j.
– Heimans, E., Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant, in: De Levende Natuur 3 (1898) 5, pag. 81-86
– Heimans, E., Uit de natuur; Bloemlezing uit zijn wer­ken, verzameld door H.E. Heimans, Amsterdam 1917
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., In sloot en plas, Am­sterdam 1907
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., Van vlinders vogels en bloemen, Amsterdam 1907
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., Hei en Dennen, Am­sterdam 1903
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., Door het rietland, Am­sterdam 1896
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., In het bosch, Amster­dam 1901
– Heimans, E., Thijsse, Jac. P., In de duinen, Amster­dam 1907
– Hove, Jan ter, Geschiedenis van Zwolle, Kampen/Zwolle 2005
– Historisch Nieuwsblad, site www.histo­rischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5891/kamerplantjes.html
– Meilof, Jan, Een wereld licht en vrij; Het culturele werk van de AJC 1918-1959, Amsterdam 2000
– Meulen, Dik van der, Het bedwongen bos; Neder­landers & hun natuur, Amsterdam 2009
– Montijn, Ileen, Naar buiten!; Het verlangen naar landelijkheid in de negentiende en twintigste eeuw, Amsterdam 2002
– Nederlands Architectuurinstituur, site www.nai.nl
– Pot, C.W. van der, Zwolle’s omgeving omstreeks 1900, Zwolle z.j.
– Verwey-Jonker, Hilda, Een jeugd in Zwolle, Zwols Historisch Tijdschrift, 10e jaargang1993, nr. 1
– Wetering, Jan van de, De Zwolse canon; De geschie­denis van Zwolle in 50 vensters, Zwolle 2008
– Zeehuisen, J. Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek, zesde deel, vierde stuk, 1851, Statis­tieke bijdrage tot de kennis van den stoffelijken en zedelijken toestand van de Landbouwende klasse in het kwartier Salland, Provincie

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2009, Aflevering 3

Door 2009, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Zoek in ons tijdschrift

Wim Huijsmans
(Collectie Wiegerinck-van Wiechen)

De poort van het voormalige Hervormd Weeshuis aan de Broerenstraat is in 1991 herplaatst als ingang van Praubstraat 23. Op de poort staan twee wezen afgebeeld in zandsteen: een meisje met griffeldoos en belletje en een jongen met hoed en col­lectebus. Daartussen de letter W van weeshuis en erboven het stadswapen. (Foto Jan van de Wetering)
Suikerhistorie

Stichting ‘de Werkplaats’ in Zwolle
Onze suikerzakjesrubriek levert respons op. De redactie kreeg een leuke vraag van Gerard en Anne-Margreet Wiegerinck-van Wiechen die afgebeeld suikerzakje bezitten en zich afvroegen hoe het onderschrift ‘Stichting de Werkplaats in Zwolle’ te rijmen valt met de afbeelding van het poortje van het Hervormd Weeshuis.
De ‘Stichting de Werkplaats Zwolle’ (SWZ) is op 20 maart 1955 in het leven geroepen, bedoeld om werk te verschaffen aan mindervalide arbeids­krachten. Het werk vond plaats in het Nederlands Hervormd Weeshuis in de Broerenstraat, dat leeg was komen te staan. In het begin van de jaren vijf­tig werden wezen niet langer meer geplaatst in het weeshuis maar bij particulieren ondergebracht, die daarvoor een vergoeding kregen.
In de nacht van 30 juni op 1 juli 1960 brandde het weeshuis gedeeltelijk af. Het werk van de SWZ kon daarna slechts voor een deel daar worden voortgezet, de overige werkzaamheden vonden op andere locaties plaats. Deze dislocatie leidde er toe dat er versneld behoefte ontstond aan nieuwe huisvesting. Nieuwbouw vond plaats aan de Ceintuurbaan, waar de SWZ in 1963 haar poorten opende. De naam SWZ is omstreeks die tijd gewij­zigd in WEZO (Werkvoorzieningschap Zwolle en Omgeving). Tegenwoordig is het een bedrijf voor sociale werkgelegenheid en is het gevestigd op industrieterrein De Hessenpoort.
Dit suikerzakje is dus circa vijftig jaar oud.

Redactioneel Inhoud

In dit nummer komt het verleden van Zwolle weer in een grote verscheidenheid aan bod.
Pater Kees Brakkee gaat in op de veelbewogen geschiedenis van de dominicanen in Zwolle. Het eerste Zwolse klooster van de ‘predikbroeders’ werd omstreeks 1465 gesticht. In 1580 werd de orde uit de stad verdreven. Rond 1900 keerden de dominicanen terug in de stad en betrokken zij het nieuwe klooster met de majestueuze kerk aan de Assendorperstraat.
Marten Sikkema is lid van de ‘Werkgroep Geschiedenis’ van de Stichting Welzijn Ouderen in Zwolle. Hij beschrijft de geschiedenis van ‘De Sprankel’, een school voor middelbaar sociaal en pedagogisch onderwijs. Er was in de jaren zestig van de twintigste eeuw een groeiende behoefte aan goed geschoolde inrichtingsopvoeders. De eerste oplei­ding daarvoor ging in Zwolle van start, destijds een unicum in Nederland.
Michael Klomp behandelt het ontstaan van twee ‘steenhuysen’; Werkeren dat eind veertiende eeuw werd gesticht en Kranenburg dat waarschijnlijk in de veertiende eeuw ontstond. Beide steenhuysen groei­den later uit tot buitenplaatsen.
Willem van der Veen haalt naar aanleiding van de plannen tot fusie van de Zwolse hockeyverenigin­gen ZMHC en Tempo ’41 herinneringen op aan de jaren veertig, toen door de verzuiling de kloof tussen beide clubs erg breed was.
Hans Werkman gaat naar aanleiding van de ten­toonstelling‘Diezerpoortbenik’ inhetHCOinopde roman‘Strooschippers’ vandeZwolseauteur J.K.van Eerbeek. De auteur kwam veel bij schippers aan de Die­zerkade en kende hun leefwereld van zeer nabij.
Annèt Bootsma-van Hulten herdenkt de 165e sterfdag van Jan ter Pelkwijk aan de hand van een niet eerder gepubliceerde brief uit 1927 van Willem Kloeke over deze pedagoog en voorvech­ter van onderwijs en armenzorg.
Suikerhistorie Wim Huijsmans 98
Zwolle en de dominicanen Kees Brakkee o.p. 100
De Sprankel (1967-1990) Marten Sikkema 112
‘Steenhuysen’ rond Zwolle: Werkeren en Kranenburg Michael Klomp 117
Hockeyfusie Hoe twee hockeyclubs van elkaar kunnen verschillen Willem van der Veen 123

‘Er waren eens twee schippers, die liepen ál de wereld af om een vrachtje’
J.K. van Eerbeek en zijn Zwolse roman
Strooschippers Hans Werkman 125

Herinneringen van Willem Kloeke aan Jan ter Pelkwijk
Annèt Bootsma – van Hulten 133
Auteurs 138
Omslag: Het Dominicusraam in de Dominicanen-kerk, Dominicus predikend voor een groepje men­sen. (Uit: Met het oog op de ramen van de Domini­canenkerk te Zwolle)

Zwolle en de dominicanen

Kees Brakkee o.p.
Predikbroeder, afge­beeld op de tweede koorbank aan de zuid-wand van het koor van de Dominicanenkerk aan de Assendor­perstraat. (Foto J.P. de Koning, collectie HCO)

I
n zijn Kroniek van Sint-Agnietenberg (Chroni­con Montis Sanctae Agnetis) schreef Thomas a Kempis bij het jaar 1465 de volgende zin: ‘Eodem anno inceptum est Novum Monasterium Ordinis Praedicatorum ex observantibus in Zwol-lis.’ (In hetzelfde jaar werd begonnen met het nieuwe klooster van de orde der predikers uit de observanten in Zwolle).1 Thomas was toen sup­prior en de kroniekschrijver van het klooster op de Agnietenberg. Wat was die orde van de predi­kers waar Thomas op doelde?

De orde van de predikers
In middeleeuwse geschriften zal men het woord ‘dominicaan’ niet gauw tegenkomen. Dat is niet vreemd. Dominicanen zijn in strikte zin geen vol­gelingen van de grondlegger Dominicus, die nooit de bedoeling heeft gehad om van zijn medewer­kers navolgers te maken. Kort en krachtig gezegd: Dominicus had een groep mannen om zich heen verzameld in een soort vereniging, een orde, met het doel om verantwoord te preken.2 Daarom is er sprake van ‘predikbroeders’, ‘predicaren’ en het daaruit verbasterde woord ‘predikheren’. Verder horen en lezen we over ‘Bonte Papen’, een verwij­zing naar de officiële kledij, die bestaat uit een wit habijt met zwarte mantel. In het Engels heten zij ‘Blackfriars’ en in het Frans ‘Les Jacobins’, naar hun klooster in Parijs dat was toegewijd aan de heilige Jacobus de Meerdere. In Leeuwarden vindt men zo nog een Jacobijnerkerkhof.3
De orde van de predikbroeders werd gesticht door de blonde Spanjaard Dominicus de Guz­man.4 Hij was de zoon van een kleine landedel­man en hij werd omstreeks 1170 geboren in Cale­ruega, een plaatsje ten noorden van het huidige Madrid in het toenmalige koninkrijk Castilië. Dominicus werd priester en belandde als regulier kanunnik bij Diego, toentertijd bisschop van Osma. Hij werd de supprior van diens kathedraal-kapittel.
Koning Alfons VIII van Castilië droeg Diego op in het noorden (Denemarken?) een toekom­stige bruid voor de kroonprins te zoeken. Diego nam zijn supprior mee en op de tocht naar het noorden stuitte het gezelschap in Zuid-Frankrijk op twee ketterse bewegingen: die van de Walden-zen en die van de Katharen of Albigenzen. Jorda­nus van Saksen, de eerste opvolger van Dominicus als hoofd van de orde, beschreef in fraai Latijn het volgende voorval. Diego, Dominicus en hun gevolg overnachtten eens in een herberg te Tou­louse. De waard was een Kathaar. Dominicus ging in gesprek met de man; zij discussieerden de hele nacht met elkaar en tenslotte kon de ketter geen weerstand meer bieden aan de wijsheid en de geestkracht van Dominicus. Een andere biograaf schreef over die gebeurtenis: ‘Toen het morgen­licht aanbrak, daagde ook het licht van het ware geloof in de ketterse waard.’5

Deze ervaring heeft wellicht bij Dominicus de idee wakker gemaakt om door verantwoorde prediking het zielenheil van zijn medemensen veilig te stellen. Hij verzamelde een groep man­nen en vrouwen om zich heen die dit ideaal deel­den. Paus Honorius III vaardigde in 1216 een bul uit waarbij de nieuwe orde werd goedgekeurd. Het eerste klooster voor zestien medebroeders, ondergebracht in een woonhuis, stond in Tou­louse.
De orde breidde zich zeer snel uit. In 1256 gaf Humbertus van Romans, de magister-generaal van de orde, koning Lodewijk IX van Frankrijk de verzekering dat deze kon rekenen op 30.000 missen van de zijde van de orde, drie van elke priester tijdens Lodewijks leven en drie na diens dood. Hetgeen er op neer kwam dat de orde toen al 5.000 priesters telde, nog afgezien van de leken­broeders en de fraters in opleiding. Men schat het totaal aantal ordeleden op 9800.6 Een groei van 16 naar bijna 10.000 in veertig jaar.
In 1232 verschenen de eerste predikbroeders in Utrecht.7 Die kloosterstichting gebeurde vanuit Keulen. De orde voegde al heel vroeg groepen van haar kloosters bijeen in zogenoemde ‘provincies’. Aan het hoofd daarvan stond, en staat nog steeds, een ‘provinciaal’, allesbehalve een wereldvreemde plattelander, want predikbroeders horen thuis in een stad.
Kaart van Zwolle door Jacob van Deventer, ca. 1565. Duidelijk valt hierop het klooster van de dominicanen of predikheren te zien. (Uit: De Broerenkerk te Zwolle) Eind zeventiende-eeuwse impressie van het dominicanenkloos­tercomplex, zoals dat er rond 1550 uitgezien moet hebben. Waar­schijnlijk gebaseerd op oude stadsplattegron­den. Toegeschreven aan Jacobus Stellingwerf. (Stedelijk Museum Zwolle)

De meeste kloosters binnen het huidige Nederlandse grondgebied behoorden aanvanke­lijk tot de provincie Teutonia. Vanaf 1303 hoor­den zij bij een nieuwe provincie, die van Saksen (Saxonia).8
De vraag doet zich voor, waarom Thomas van Kempen in zijn aan het begin van dit artikel aan­gehaalde kroniek, die gaat over het wel en wee van het klooster op de Sint-Agnietenberg, bij het jaar 1465 ineens de stichting van een predikbroeder­klooster vermeldde. Die hoorde toch in die kro­niek niet thuis? De oplossing ligt in twee woorden die Thomas heeft toegevoegd: ‘ex observantibus’ (uit de observanten). Deze doorgewinterde Moderne Devoot was waarschijnlijk bijzonder geïnteresseerd in de komst van observanten, aan­hangers van het herstel van de oorspronkelijke kloostertucht, en was daar ook zeer blij mee.
Binnen de orde van de predikers was namelijk een beweging op gang gekomen om tot een stren­gere levenswijze te geraken.9 De pestepidemieën van rond het jaar 1350 hadden ook de kloosters gedecimeerd. Men had de ascetische gestrengheid terecht verzacht, maar men beging tevens de fout om veel te jonge kandidaten op te nemen om zo de kloosters weer te kunnen bevolken. Het gees­telijk peil daalde dientengevolge aanzienlijk. In oktober 1464 werden de kloosters die de strengere levenswijze waren toegedaan, verenigd in de zoge­noemde ‘Congregatio Hollandiae’, de Hollandse Congregatie. Die kloosters werden daardoor ont­trokken aan het gezag van de provincie waartoe zij behoorden. De naam duidt er al op dat de meeste van die kloosters in de Nederlanden lagen, maar zij telde conventen van Finland tot in Bretagne. In 1515 werd de Congregatie opgeheven en keerden de kloosters terug in de schoot van de eigen pro­vincie.

De stichting van het Broerenklooster in Zwolle
De predikbroeders kwamen dus nog geen jaar na de oprichting van die Hollandse Congregatie naar Zwolle.10 De stichting van het klooster was in feite een gevolg van een verzoek van die Congre­gatie aan paus Paulus II. Het verzoekschrift werd op 8 juni 1465 ingewilligd, maar Zwolle werd er niet met name in genoemd. Er is slechts sprake van ‘een plaats in het bisdom Utrecht’.
Hier doemt de vraag op, waarom de predik-broeders nu juist naar Zwolle kwamen. Afgezien van het feit dat de toenmalige Zwolse stadsbe­stuurders zeer gesteld waren op de komst van de broeders, speelt hier vermoedelijk nog iets anders mee. De bekende Franse historicus Jacques le Goff heeft via een uitgekiende rekenmethode kunnen aantonen dat de dominicanen in zijn land destijds vooral de grotere steden, met name de haven- en handelssteden, opzochten voor hun vestigingen. Aldus konden zij met hun preken een groter en meer ontwikkeld publiek bereiken.11 Wellicht werd deze zielzorgtactiek ook in de Nederlanden toegepast. Onder de vijftien middeleeuwse vesti­gingen die mijn medebroeder Pierre Wolfs in zijn boek over de middeleeuwse dominicanenkloos­ters in Nederland vermeldt, tel ik slechts twee klei­ne: het klooster te Winsum en dat van de Nieuwe Erve op Walcheren. Alle dertien andere kloosters zijn te vinden in steden als Utrecht, Rotterdam, Den Haag, Haarlem, Den Bosch, Nijmegen, enzovoort. In die reeks hoorde ook de Hanzestad Zwolle.12
Men begon hier nog in 1465 met de voorberei­dingen tot de bouw van een klooster. Daarmee werd de Zutphense dominicaan Engelbertus Messemaker belast. Hij werd de grondlegger en de eerste prior.13

De predikbroeders kochten grond aan buiten de toenmalige noordelijke stadsmuur. Eerst bij de voltooiing van de derde stadsuitleg omstreeks 1500 kwam het complex binnen de omwalling te liggen. Men schijnt niet eerder dan in de tweede helft van 1466 met de eigenlijke bouwactiviteiten te zijn begonnen. Er is enige gelijkenis met het Zutphense klooster, maar de kerken verschillen. Die van Zutphen heeft een basilicale vorm; dat wil dus zeggen langgerekt met een hoog middenschip, terwijl de Zwolse kloosterkerk een bakstenen hal­lenbouw is. Zij heeft een lange noordbeuk met koor en een kortere, smallere zijbeuk. Men begon met de bouw van het koor, maar pas in 1493 of daaromtrent was het werk aan de kerk voltooid. Zij bezat oorspronkelijk een dakruiter met één of meer klokken. Het gewelf werd omstreeks 1520 beschilderd, maar door de protestanten later wit overgekalkt. In 1557 leverden de Zwolse orgel­bouwer Jorgen Slegel en zijn twee zonen Kornelis en Michiel op bestelling een orgel af voor de kerk.
Tegelijk met het koor werd ook begonnen met de kloostergebouwen, op klassieke wijze gesitu­eerd rond een rechthoekig pandhof. Zij omvat­ten een librije (bibliotheek), een kapittelhuis, een slaapzaal (dormter), een keuken, een refter (eetzaal), een gastenkamer, een huisje apart voor zieken, een proveniershuis en een bij het klooster gelegen brouwerij. Voor zover men heeft kun­nen nagaan, hadden de gebouwen een kelder, een begane grond, een verdieping en een zolder.
Ik voer hier opnieuw Le Goff ten tonele, omdat hij heeft opgemerkt dat stadsgrond in de Middeleeuwen duur was; dat de bedelorden zoals de dominicanen wegens hun grote aantal veel grond nodig hadden; dat zij daarom aan hoog­bouw moesten doen en in stenen huizen moesten wonen wegens het brandgevaar, maar, dat zij daarmee ook, ondanks hun armoedestreven, als vanzelf terechtkwamen aan de kant van de gegoe­de burgers, de enigen die zich de zeer dure stenen huizen konden veroorloven.14
Het staat niet vast wanneer de eerste dominicanen zich metterwoon in Zwolle vestigden. Dat moet eind 1467 of begin 1468 zijn geweest. Over het aantal bewoners van het klooster tussen 1468 en 1580 zijn wij slecht ingelicht. Ingrid Wormgoor schat in haar dissertatie over de kerkelijke instel­lingen in Zwolle het aantal paters tussen 1468 en 1480 op ongeveer dertig. Daar moet men dan een onbekend aantal lekenbroeders en proveniers bij­tellen. In 1569 waren er nog slechts elf bewoners.15

Een belangrijke taak van de kloosterlingen vormde uiteraard het bedienen van hun kerk. Naast het dagelijks koorgebed werden er missen gelezen, vaak voor overledenen. Er werden biech­ten afgenomen en vooral gepreekt: elke zondag en op feestdagen in de eigen kerk, maar ook in de omgeving. Bovendien was het klooster een huis waar werd gestudeerd en les werd gegeven. Niet voor niets waren klooster en kerk gesteld onder het patronage van Thomas van Aquino (ong. 1225–1274), de grote middeleeuwse theoloog, de roem van de orde. Thomas heeft het devies van de orde geijkt: ‘Contemplari et contemplata aliis tra­dere’ (Overdenken, beschouwen en hetgeen men heeft overwogen, aan anderen doorgeven).16
Het Zwolse klooster werd herhaaldelijk aange­wezen als opleidingshuis. De vraag is alleen of een dergelijke beslissing ook steeds werd verwezen­lijkt. Vermeld worden een studium in de filosofie en de logica. Ook horen we van een meester in de
H. Schrift, van lectoren, zeg docenten, van paters
‘Das Predigers Cloes­ter’, detail uit de kaart van Zwolle door Georg Braun en Frans Hogen-berg, 1581. Het klooster lag oorspronkelijk bui­ten de noordelijke stads­muur, op het Eiland. Eerst bij de voltooiing van de derde stadsuitleg omstreeks 1500 kwam het complex binnen de omwalling te liggen. (Collectie HCO) Thomas van Aquino, de patroonheilige van de kloostergemeenschap van de dominicanen of predikheren te Zwolle. Gewelfschildering in de Broerenkerk. (Uit: De Broerenkerk te Zwolle)

met een academische titel, van inquisiteurs, van geschriften die hier geschreven zijn.17
De befaamdste onder de bewoners van het Zwols convent was een Breton: Alain de la Roche, alias Alanus de Rupe, Alanus van der Clip of Ala­nus de Rutze. Hij kwam waarschijnlijk in 1473 naar Zwolle, waar hij op 8 september 1475 over­leed en in het koor van de kerk werd begraven. Zijn gebeente is overigens nooit teruggevonden. Hij verwierf internationale faam, doordat hij de uitvinder van de rozenkrans mag heten en haar grote promotor.18

De inbreng van de stad Zwolle
Het heeft er veel van weg, dat de Zwolse stads­bestuurders zeer gesteld waren op de komst van de observanten.19 Zij wensten hen ook voor de stad te behouden. Dat blijkt zonneklaar uit een overeenkomst die op 3 december 1468 tussen klooster en stedelijke overheid werd gesloten. Dat was zowat drie jaar na het begin van de bouw. Het schijnt, dat de observantie tot twee maal toe van buiten af bedreigd is geweest. In die overeenkomst verplichtten de predikbroeders zich de observan­tie te blijven aanhangen, terwijl de stad het recht kreeg die te beschermen en desnoods te herstellen door ondermeer het klooster te doen bevolken met aanhangers van de observantie. Een soort­gelijke overeenkomst werd nog eens elf jaar later met het stadsbestuur gesloten.
Zulke overeenkomsten tussen stadsbestuur en klooster zijn heden ten dage ondenkbaar. De Franse Revolutie bracht ons gelukkigerwijze de scheiding van kerk en staat. Maar deze voorvallen verschaffen ons wél duidelijk inzicht in de men­taliteit, met name in de godsdienstige gevoelens van de laatmiddeleeuwse mensen. Het toont bovendien dat Zwolle het goed voorhad met de dominicanen.
De stedelijke regering heeft blijkbaar zo krach­tig haar medewerking verleend, dat in de overeen­komst van 3 december 1468 deze als ‘rechte stich­ters’ wordt genoemd, van welke de dominicanen dan zeggen ‘een clooster ontfangen te hebben’. Waarschijnlijk betekende dat niet meer dan dat de stad verlof voor de vestiging heeft gegeven en moet niet worden gedacht aan schenking van de grond. De dominicanen hebben de grond gewoon gekocht. De stad werkte wel mee toen ten behoeve van het klooster een weg werd aangelegd in 1468 en in 1472 een poort werd gebouwd: de ‘brueder­poirte’.20
De genegenheid van het stadsbestuur voor de predikbroeders blijkt ook uit zijn vrijgevigheid. Het schonk nog vóór de voltooiing van de kerk omstreeks 1493 50.000 stenen. In 1481 had de stad al een raam geschonken voor het toen voltooide koor. Later bezat de stedelijke regering in de kerk een eigen gestoelte. In 1567 droeg zij bij in de her­stelkosten van het torentje.
Ook later liet het stadsbestuur zich bij herhaling niet onbetuigd door het geven van geschenken en subsidies bij grote samenkomsten van dominica­nen in het klooster, zoals bij zogenoemde provin­ciale kapittels. Dat kapittel toonde dan weer zijn dankbaarheid door iedere priester in de provincie de mis te laten opdragen voor de leden van het stadsbestuur en hun de confraterniteit met de provincie te verlenen.
Op feestdagen als die van Dominicus en Thomas van Aquino onthaalde het stadsbestuur de broeders vaak op een traktatie. Leonardus van Daelen, voordien prior van het Zwolse klooster, ontving bij zijn gouden professiefeest in 1576 van stadswege een som gelds en werd op stadskosten verpleegd toen hij het jaar daarop ziek werd.21

Volgens dr. Wormgoor zijn er verschillende redenen te bedenken, waarom het stadsbestuur zo graag een bedelordeklooster in zijn stad wilde. Bedelorden vielen niet onder de bisschoppelijke jurisdictie en hoefden zich niet aan de gevolgen van excommunicatie en interdict te houden. De bedelorden gaven de stad zo als het ware wat meer speelruimte tegenover de bisschop. Bovendien stelde men het op prijs dat een aantal kloosterlin­gen relatief hoog was opgeleid en de stichting van een klooster kwam tevens kennelijk tegemoet aan de wens van de bevolking.22

Geschillen en einde

Ofschoon conflicten tussen rivaliserende kloosterge­meenschappen in de Middeleeuwen niet ongewoon waren, is mij wat Zwolle aangaat daaromtrent niets bekend. Wel worden geschillen gemeld tussen de predikbroeders en de wereldheren. Dat lag meer voor de hand, want zij visten in dezelfde vijver.
Zo ontstond al kort na de stichting van het klooster een geschil met de vice-cureit (onderpas­toor) van de St. Michaëlkerk, Henrick Remondis, over de tijd van het celebreren van de missen in de kloosterkerk, het biechthoren, het preken door de kloosterlingen en het begraven van leken. Men besloot een regeling in handen te leggen van de bisschop van Utrecht, die op 16 juni 1469 uitspraak deed. De partijen legden zich bij die uit­spraak neer.23
De verhouding met de stad verslechterde met de opkomst van de Reformatie.24 Een eerste maal hebben de dominicanen, vrijwillig dan wel gedwongen, de stad verlaten op 19 juli 1572, nog voordat in augustus het leger van de graaf Van Bergh voor de stad stond om deze in naam van Oranje op te eisen. Het klooster werd tijdens hun afwezigheid zwaar geplunderd. De broeders keerden in december van dat jaar terug, toen bin­nen de stad ernstig rekening werd gehouden met de komst van Alva. Het stadsbestuur beval op 7 december alle goederen die ontvreemd waren bij de eigenaars terug te brengen.
Tegen de zin van de bewoners liet het stadsbe­stuur in 1576 een gedeelte van het klooster tijde­lijk door soldaten bezetten, zodat de eersten in het Buschklooster moesten worden ondergebracht.
Er was in de jaren daarna geen sterke stadsrege­ring en de protestanten kregen steeds meer macht. Het schepencollege, op 25 januari 1579 aangetre­den, wilde geen strijd tussen de beide religies, maar een gewapend conflict dat medio 1580 tussen deze twee ontstond, eindigde met een overwinning voor de protestanten. Een resolutie van schepenen en raden, dd. 13 mei 1580, luidde, dat men was over­eengekomen om de conventualen aan te zeggen de stad te verlaten. Hun goederen moesten in de stad blijven. Het stadsbestuur gaf de broeders vijftig goudgulden mee om in hun eerste onderhoud te voorzien. Alleen de dominicanen werden door een dergelijke, harde maatregel getroffen.
De reden voor deze hardheid moet men waarschijnlijk zoeken in de houding van de Zwolse predikbroeders tegenover de opkomende Reformatie. Verschillende leden van het convent bestreden de nieuwe tendensen en haar voorvech­ters met kracht, zo niet met felheid. Met name het heftige conflict tussen de rector van de stads­school, de humanist Gerhardus Listrius, en de prior van het klooster, Theodericus van Woudri­chem, in de jaren 1515 tot 1522 zal blijvend kwaad bloed hebben gezet.25

De Broerenkerk, het Conservatorium en het Oversticht; het Broeren­kloostercomplex na de restauratie in de jaren zeventig, gezien vanaf de Thorbeckegracht naar het Pelserbrugje, 1981. (Foto Han Prins, collectie HCO)

Intermezzo

Na het vertrek van de dominicanen werd het klooster ten dele verwoest. De zusters van het Maatklooster kregen huisvesting in een deel van het gebouw (1581-1593) en het overige deel werd door de stad verhuurd. Het stond ten dienste van komedianten, koorddansers en andere spelers. In 1610 namen de protestanten de kerk in gebruik voor hun diensten. Op 29 januari 1640 besloten schepenen en raden tot restauratie. Tijdens de bezetting van de stad door de Munsterse troepen (1672-1674) was het koor sedert 4 augustus 1673 enkele maanden bij de tijdelijk teruggekeerde dominicanen in gebruik voor de eredienst. Sedert 1795 diende de kerk als paardenstal en voor mili­taire oefeningen. In 1809 ging zij weer als kerk dienen. In 1830 was het klooster onderdeel van de kazerne en in 1909 kwam de kerk na belangrijke herstelwerkzaamheden opnieuw ten dienste van de protestanten. De Librije deed van 1757 tot 1899 dienst als synagoge.
In het laatste kwart van de twintigste eeuw, in 1976, startte men met de restauratie en de nieuw-
De gloednieuwe Domi­nicanenkerk en het klooster aan de Assen­dorperstraat. Omstreeks 1902 gefotografeerd vanaf het nog onvol­tooide Assendorper­plein. (Collectie HCO)
bouw van kerk en klooster ten dienste van het Ste­delijk Conservatorium. Die bouwwerkzaamheden werden in 1988 met succes afgerond.26

Terugkeer
Het lijdt geen twijfel, dat de predikbroeders begin 1900 hun komst naar Zwolle hebben beleefd als een terugkeer, als een herleving.27 Alleen al het feit, dat zowel de nieuwe kerk als het nieuwe klooster onder patronage van Sint Thomas van Aquino werden gesteld, zoals ook bij het oude klooster het geval was geweest, duiden daarop. In publicaties toen en later, zoals nog bij de viering van het 25-jarig bestaan, werd het thema van de terugkeer bij herhaling en met enige emotie aan­gesneden.
Bij deze tweede komst van de predikbroeders had de stad Zwolle geen inbreng. Die komst was een gevolg van niet zo fraai, binnenkerkelijk geharrewar. Om kort te gaan: het was een bijna middeleeuws conflict tussen paters en wereldhe­ren. De predikbroeders kregen tenslotte als com­pensatie voor het verlies van hun statie, zeg maar parochie, in Groningen van de aartsbisschop van Utrecht toestemming tot de stichting van een klooster in Zwolle. Voorwaarde was, dat dit kloos­ter niet vóór juli 1901 zou worden bevolkt.

Men ging op zoek naar een geschikt terrein en men kwam erachter dat het boerenechtpaar Van de Vegte-Beumer zijn erf aan de dominicanen wilde afstaan. Er moest wel grond voor goed geld worden bijgekocht. Zo geschiedde.
Architect J. Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt, werd aangetrok­ken. Hij ontwierp, hoe kan het anders in die dagen, een neogotisch gebouw naar de oude trant: een doorlopende claustrumgang rond een binnentuin en de gebruiksruimten aan de buiten­kant. Voorts een oprijzende kruiskerk van 21,50 meter hoog met drie beuken en een ruim koorge­deelte.
De aanbesteding werd gegund aan de Nij­meegse aannemer W. van der Waarden voor de som van 339.180 gulden. Op 3 mei 1900 legde de toenmalige provinciaal, Ludovicus Theissling, de eerste steen. Op 12 december 1901 trokken de eerste bewoners binnen, maar voordien hadden rooms en niet-rooms op twee achtereenvolgende zondagen, 24 november en 1 december, de heilige hallen mogen betreden van zolder tot kelder. Van die mogelijkheid werd druk gebruik gemaakt.
De aanpalende kerk kwam eerst in februari 1902 klaar en werd op 19 augustus van dat jaar geconsacreerd. Alles was in die eerste tijd nog woest en ledig, maar dominicanen minnen niet alleen de plastische schoonheid in hun liturgie, maar ook in hun gebouwen. Zij zorgden in de loop der jaren ervoor de openbare ruimten aan te kleden. Er kwam een Adama-orgel; er kwamen gebrandschilderde ramen, voor een deel ontwor­pen door pater Raymundus van Bergen die tot op hoge ouderdom in het Zwolse klooster woonde en er in zijn atelier op zolder werkte.
Er kwam een mozaïekvloer in het koor, een orgelfront en bewerkte koorbanken, beide ont­worpen door de befaamde architect Jan Stuyt. De Zwolse timmerman Anton Bolmers vervaardigde de koorbanken.
Daar bleef het niet bij, want er kwamen ver­bouwingen. Op 3 januari 1933 brak een felle brand uit die de hele bovenverdieping van het klooster met zolder en dak verwoestte. Het is nooit opgeklaard, hoe het vuur kon ontstaan. De felheid van de brand had alle sporen uitgewist.

In Nijmegen was intussen een nieuw klooster gebouwd. De architecten en de aannemer van dat gebouw klaarden de Zwolse reparatieklus in zeven maanden. Er kwam een verdieping bij. Het leien dak, zoals dat nu nog op de kerk ligt, werd vervangen door dakpannen en de zolder werd een kopie van de Nijmeegse nieuwbouw. Zo konden de communiteitsleden op 8 september 1933 hun klooster weer betrekken. De brand en de terug­keer werden in een kerkraam en in een raam van het claustrum vereeuwigd, maar wellicht wegens de symmetrie werd 8 september vervroegd naar 3 september en door deze geschiedvervalsing rijmde 3 januari op 3 september.

Na 1945

De grote aanwas van kandidaten na de Tweede Wereldoorlog maakte opnieuw een verbouwing noodzakelijk. In het najaar van 1948 werden op de zolder zeventien cellen voor de fraters gebouwd. Het klooster had toen zo’n tachtig bewoners. In de volgende jaren steeg dat aantal nog iets, om daarna fors te dalen. In 1966 vertrokken de filosofiestu­denten en een aantal docenten naar Nijmegen.
Om het klooster in stand te kunnen houden, werden de nieuw gebouwde cellen verhuurd aan
Een stukje van het claus­trum of de kloostergang, omstreeks 1925. Archi­tect van het neogotische gebouw was Johannes Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt. (Collectie HCO)

Pater Raymundus van Bergen (1883-1978), begaafd glazenier, woonde en werkte tot op hoge leeftijd in het klooster. Hij ontwierp een deel van de gebrand­schilderde ramen. (Uit: Terugblik en uitzicht. 75 jaar Dominicanen in Zwolle) Luchtfoto van het Dominicanenklooster uit 1933. (Uit: Oud Zwolle uit de lucht)

Het fraterskoor, jaren vijftig. (Uit: Terugblik en uitzicht)

HTS-studenten. Kort daarop gebeurde dat met de hele tweede verdieping en wel aan Staatsbos­beheer, later aan de Algemene Inspectie Dienst en op het ogenblik huist er de Rechtbank Zwolle-Lelystad, Sector Civiel Recht.
Sinds 1995 is het onderhoud van de gebouwen in handen gelegd van een stichting. Een manager-coördinator heeft de dagelijkse leiding en wordt bijgestaan door vele betaalde, maar vooral onbe­taalde medewerkers (m/v), rooms en onrooms broederlijk en zusterlijk door elkaar.

Tussen 1982 en 1994 had een restauratie plaats van de kerk, mede mogelijk gemaakt door subsidie van de stad en het rijk. Margriet Mein­dertsma, de wethouder voor bouwzaken, was de predikbroeders gunstig gezind. Bij haar afscheid schonk het klooster haar een ouderwetse juskom met het wapen van de orde en fraai met bloemen opgemaakt.
De torenspits kreeg van de stad een blijvend spotlight, zodat het gebouw ook in de avondlijke en nachtelijke uren mede beeldbepalend voor de stad bleef.

Opleidingshuis
Vanaf het begin was het Zwolse klooster een opleidingshuis voor jonge dominicanen en wel voor de driejarige studie van de filosofie. Het program omvatte onder andere natuurfilosofie, logica, metafysiek, criteriologie oftewel weten­schapsfilosofie, geschiedenis van de filosofie en apologetiek of christelijke verdedigingsleer. Maar er waren ook vakken als Bijbelgrieks, Hebreeuws, inleiding in de bijbel, preekles, zangles en stemoe­fening. Daarnaast was er het koorgebed dat voor een groot deel door de fraters werd verzorgd en toch wel een uur of twee per dag in beslag nam. Het studium had een behoorlijk peil, al ging een deel van de leerstof boven de pet van een aantal studenten. De fraters hadden op dinsdag en don­derdag ’s middags vrij, een nog uit de Middeleeu­wen stammende regeling. Dan was het verplicht wandelen: twee aan twee, waarbij de binnenstad verboden gebied was. Oudere Zwollenaren weten nog hoe die zwart-witte koppels door hun stra­ten liepen. Als ze langs het ziekenhuis kwamen, zwaaiden zij steevast naar de langdurig zieken die daar lagen.
Ofschoon de fraters gedurende hun hele opleidingstijd tijdens de vakanties niet naar hun ouderlijk huis mochten terugkeren, hadden zij een paradijselijke vervanging in het buitenhuis Arni­chem bij het Haersterveer. Zij gingen daar twee maal veertien dagen naar toe. Er viel te zwemmen, te roeien, te zeilen, te wandelen en veel te lezen.
De bijdrage van de predikbroeders aan het stedelijk welzijn in de afgelopen honderd jaar lag voornamelijk op godsdienstig gebied en dan nog beperkt tot het rooms-katholieke deel van de bevolking. De rijke liturgie met verzorgde zang trok mensen van veel kanten.

Toch was dit niet het enige. Het klooster lag in de druk bevolkte wijk Assendorp waar sinds 1866 met de komst van de spoorwegen naar Zwolle in snel tempo huisjes voor arbeiders werden gebouwd. Een groot deel van die arbeiders stond onder invloed van de SDAP, de Socialistische Arbeiders Partij. Assendorp was rood. In dat klimaat waren de conferenties over sociale recht­vaardigheid die de paters op zondagen in hun kerk verzorgden, niet zonder gevolg, al viel en valt dat niet te meten. De zielzorgers stonden in ieder geval niet met hun rug naar de samenleving.
Dat bleek ook uit de conferenties voor niet-katholieken. Die begonnen in november 1919 in een van de zalen van het klooster voor een uiterst select gezelschap: de commissaris van de konin­gin, de burgemeester, leden van het gerechtshof, dominees. De bedoeling was een objectieve uit­eenzetting te geven van de rooms-katholieke leer. Eind 1920 wilde men een groter publiek laten kennismaken met, zoals werd aangekondigd, ‘Roomsche leer en Roomsch leven’. De conferen­ties waren bedoeld voor niet-katholieken. Het eigen kerkvolk werd daarom nadrukkelijk ver­zocht weg te blijven. Het idee kreeg zeer spoedig navolging in veel andere plaatsen.
Dat dergelijke activiteiten vanuit het klooster mogelijk waren, was te danken aan het feit dat er in het klooster werd gestudeerd en dat men voor predikanten en mensen die lezingen konden ver­zorgen uit zeker arsenaal kon putten.

Oecumenische gesprekken
Ofschoon de conferenties het hele land bestre­ken en duizenden toehoorders trokken, hebben ze slechts enkele jaren stand gehouden. Wat wél doorging, was een geleidelijke toenadering tussen protestanten en katholieken. De Tweede Wereld­oorlog bevorderde die toenadering, doordat men­sen van allerlei geestelijke pluimage in die jaren leerden met elkaar samen te werken.
Vanaf 1952 tot zeker 1955 vonden er oecume­nische gesprekken plaats tussen de professoren van de Gereformeerde Theologische Hogeschool van Kampen en de patersdocenten van het Zwolse klooster: twee maal per jaar, afwisselend in Kam­pen en in Zwolle. Tot begin jaren zestig van de vorige eeuw kwamen studenten van het Kamper dispuut ‘Heros’ en de Zwolse derdejaarsstudenten in de filosofie beurtelings bij elkaar op bezoek.

Het klooster heeft in combinatie met het nabijgelegen katholieke ziekenhuis een niet geheel onbelangrijke rol gespeeld bij de opvang van vluchtelingen, onderduikers en mensen uit de ille­galiteit. Veel daarover is, ook in eigen kring, niet bekend. Degenen die in zulk werk actief waren zwegen als het graf, ook tegenover hun medebroe­ders en zelfs na de oorlog bleven zij uiterst karig met mededelingen over de rol die zij toen hadden gespeeld.
Evenals in de Middeleeuwen was de kerk een openbare kerk. Ze was niet ingevoegd in het stede­lijk patroon van parochies. En evenals in de Mid­deleeuwen leverde dat irritaties op tussen paters en wereldheren. Zelfs onder het roomse kerkvolk waren er vurige patersklanten en lieden die van de paterskerk niet wilden weten.
Daar werd het volgende op gevonden: men bombardeerde de paterskerk tot ‘Rectoraat’ onder de paraplu van de Jozefparochie. Dat gebeurde op 22 september 1965. Pater Alfons Voss werd de eerste rector. Hij werd een bekend gezicht in katholiek Zwolle, doordat hij gedurende lange jaren ook buiten het eigen rectoraat werkzaam
Huize Arnichem aan de Vecht, gelegen aan de Doornweg, Haerst, begin jaren zeventig. Tussen 1925 en 1965 was dit het buitenver­blijf van de dominica­nen. De jonge fraters konden zich hier verpo­zen. (Collectie HCO)

Pater Alfons J. Voss was jarenlang de eerste rector van het rectoraat Thomas van Aquino. (Collectie auteur) Het Dominicusraam in de kerk, Dominicus pre­dikend voor een groepje mensen. Dit venster is ontworpen door pater Raymundus van Ber­gen. De grondgedachte erachter is tevens het ordedevies: ‘Contem­plari et contemplata aliis tradere’ – overwe­gen en het overwogene aan anderen doorgeven. (Uit: Met het oog op de ramen van de Domini­canenkerk te Zwolle)

bleef in het pastoraat. Zo deden overigens ook andere paters.
In 1979 werd de serie ‘Leerwegen’ opgezet als voortzetting van de gesprekken destijds met geïn­teresseerde stad- en streekgenoten over geloofs­beleving en actualiteit. Het zogenoemde Thomas-huis nam in 1998 deze fakkel over tot op de dag van vandaag.
Zusters dominicanessen verhuisden van het A-plein naar het klooster. Dat gebeurde op don­derdag 2 januari 1997 in ijzige kou: om 9.00 uur in de morgen vroor het nog vijftien graden!
De zusters brachten het jongerenwerk mee. Dat werd gehuisvest in de oude wasserij die vanaf ongeveer september van datzelfde jaar een gron­dige verbouwing onderging. De ruimte op de begane grond werd bestemd voor de nachtopvang van daklozen, het Nel Banninkhuis. Op de boven­verdieping kwam, hoe toepasselijk, ‘ ’t WasdoM’, waar sindsdien allerlei activiteiten voor jongeren worden uitgedacht en uitgevoerd.
Op dit ogenblik is het grote kloostergebouw nog steeds bewoond door acht broeders. Er woont een groep van drie dominicanessen onder de Hebreeuwse naam ‘Kohèlet’, hetgeen predikante of predikster betekent. Twee vrouwen die geen kloosterling zijn maar zich sterk met de orde ver­bonden voelen, hebben zich metterwoon in het huis gevestigd.
Hoe het met ons allen verder zal gaan, nu de aan­was al jaren stil ligt, weet niemand. Het klassieke kloosterleven heeft, lijkt het, zijn aantrekkings­kracht althans in onze West-Europese landen ver­loren. Het vinden van nieuwe wegen in deze spiri­tuele sector behoort, om met Fernand Braudel te spreken, tot de geschiedenis van de middellange duur.28 Hooggeplaatste rooms-katholieke gees­telijken willen daarover nog wel eens luchtigjes heen stappen met de opmerking, dat de Kerk wel vaker dieptepunten heeft gekend en er toch weer bovenop is gekomen.
Schrijver dezes echter denkt maar zo: resulta­ten, behaald in het verleden, geven geen garantie voor de toekomst. Zwolle en de dominicanen mogen overigens met enige trots terugzien op een samengaan waarvoor geen van beiden zich behoeft te schamen, integendeel.
* Dit artikel is een bewerking van een lezing uit de reeks Historische Avonden 2007-2008, geor­ganiseerd door de Vereniging Vrienden van de Stadskern Zwolle en gehouden in het Historisch Centrum Overijssel op donderdag 17 april 2008.

Noten
1.
Opera Omnia, ed. M.J. Pohl, 7dln., Freiburg i.Br 1902-1922, VII, 458

2.
Zie voor een zeer korte beschrijving: Terugblik en uitzicht. 75 jaar Dominicanen in Zwolle, 1901-1976, Zwolle, zj. (1976); 19-21 Voor een kort historisch overzicht: Kees Brakkee, ‘Historie’, in: Zoeken naar echtheid. Dominicanen in Nederland, Amstelveen, 1986; 15-33

3.
Zie: S.P. Wolfs O.P., Middeleeuwse dominicanen­kloosters in Nederland. Bijdrage tot een monasticon, Assen, 1984; 1-2, sub II; 136, sub VI

4. M.-H. Vicaire, O.P., Histoire de Saint Dominique, 2. tom., 2de éd., Paris, 1982
C.H. Lambermond, Sint Dominicus, de stichter van de orde der predikbroeders, Haarlem/Antwerpen, z.j. [1949]; 231 p.
5.
‘Cuius terre incolas cum deprehendisset iam fuisse dudum hereticos, cepit super illusis tam innumeris miserabiliter animabus multa cordis compassione turbari. Ipsa nocte vero, qua in prefata civitate [Tholosa] hospitati sunt, supprior ille cum hospite domu heretico multa disputatione et persuasione fortiter et ferventer agens, dum // non posset here­ticus resistere sapientie et spiritui qui loquebatur ad fidem ipsum spiritu dei mediante reduxit.’ Jordanus de Saxonia, Libellus de principiis ordinis praedicatorum, in: Monumenta Historica sancti pa­tris nostri Dominici, fasc.II, no.15; 33-34. Romae: Institutum Historicum FF. Praedicatorum, 1935 Petitot en Vicaire geven de zin over het morgenlicht zonder te vermelden wie de auteur van deze vondst is. Het is net alsof Jordanus dat heeft neergeschre­ven. Wat niet zo is. Lambermond (Sint Dominicus,1948) vermeldt met citaat (p. 34 bovenaan) dat een van Dominicus’ biografen deze fijnzinnige opmerking maakte, maar hij vertelt niet wie dat was. Het citaat luidt: ‘Toen de nachtelijke duisternis verdreven was, was ook door het bovennatuurlijke licht van het geloof de duisternis van de dwaling in deze misleide ziel over­wonnen.’ Tot nu toe heb ik deze auteur niet kunnen ontdekken.

6.
M.-H. Vicaire O.P., Éléments de démographie do­minicaine au XIIIe et au début du XIVe siècle dans la France du nord et du midi, in: Dominique et ses prêcheurs, Fribourg/Paris 1977; 370-371

7.
Wolfs, 244, sub III; G.A. Meijer O.P., Historisch overzicht van de Nederduitsche Provincie, in: Domi­nicaansche Studiën, Tiel 1920; Aanhangsel II, 25

8.
Wolfs, p. 2, sub III

9.
Alb. de Meyer O.P., La Congrégation de Hollande ou La Réforme dominicaine en territoire Bourgignon 1465–1515, Liège 1947; CXXII- 474 p. Ook: Wolfs, 2, sub III

10.
Wolfs, 335, sub III

11.
J. le Goff, Ordres mendiants et urbanisation dans la France médiévale. État de l’ enquête, in: E.S.C. 25 (1970), 932

12.
Wolfs, Inhoud, p. V

13.
Voor deze en de volgende alinea’s: Wolfs, 335-339, sub III-VI en De Broerenkerk te Zwolle, red. A.J. Ge­vers en A.J. Mensema, Zwolle, 1989; 12 v.v.

14.
J. le Goff, 941-943

15.
I. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil. Kerkelijke instellingen in Zwolle en hun functioneren binnen de stedelijke samenleving tot 1580, Zwolle, 2007; 212 en 331

16.
Thomae Aquinatis, Summa theologiae, II-II, q.188, art. 6c

17.
Wolfs, 348, sub XIV; Wormgoor (Zie noot 14), 211

18.
Wolfs, 339, sub VII en 349-351, sub XV en XVI

19.
Zie voor het vervolg: Wolfs, 340-342, sub X en XII; Wormgoor, 204-206, 215, 218-221

20.
Wolfs, 342, sub XII; De Broerenkerk te Zwolle, 15-16

21.
Wolfs, 341-342, sub XII

22.
Wormgoor, 215

23.
Wolfs, 341, sub XI

24.
Wolfs, 354, sub XVIII; Wormgoor, 341-342

25.
M. Schoengen, ‘Grepen uit het kerkelijk en burger­lijk leven in verband met het oude Broerenklooster te Zwolle’, in: De Dominikanen te Zwolle, Zwolle, 1926; 73-98

26.
Zie voor de tijd na de Reformatie: De Broerenkerk te Zwolle (Zie noot 13), blz. 37-78; voor de restauratie: ibidem, 79-99. Voorts: Wolfs, 337, sub V

27.
Voor het hele verdere vervolg putte ik uit: Terugblik en uitzicht. 75 jaar Dominicanen in Zwolle, 1901­1976; uit: R.W. Thuijs, Beschrijving van de Domi­nicanen-kerk en klooster van de H. Thomas van Aquino te Zwolle, Zwolle, 1985 (pro manuscripto) en uit eigen herinnering

28.
Fernand Braudel, La Méditerranée et le monde mé­diterranéen à l’époque de Philippe II, Paris, 1949; 2e éd., 1966

De Sprankel (1967-1990)

Marten Sikkema
Op deze pagina van de eerste folder van de opleiding, eind jaren zestig, werd ondermeer gewezen op de goede en bovendien goedbetaalde carrièreperspectieven die de opleiding bood. (Particuliere collectie)

H
et onderstaande is een historische schets van een instelling die in 1967 in Zwolle startte met een unieke middelbare dag­opleiding voor inrichtingsopvoeders. Deze oplei­ding groeide uit tot een school voor middelbaar sociaal en pedagogisch onderwijs en werd tenslot­te een belangrijke bouwsteen voor de Landstede Beroepsopleidingen.

Inleiding

Sinds 2006 houdt een ‘Werkgroep Geschiedenis’ van de Stichting Welzijn Ouderen in Zwolle zich bezig met het vastleggen van de geschiedenis van de Aa-landen, één van de wijken van Zwolle. Dit in nauwe samenwerking met het Historisch Centrum Overijs­sel. Heel wat van de bewoners van het eerste uur van deze wijk zijn reeds op leeftijd. Deze groep bewoners kan nu nog worden benaderd om het een en ander te vertellen over hun vroegere ervaringen in de wijk. Het blijkt dat ze daartoe veelal graag bereid zijn.

In september 2007 was het veertig jaar geleden dat de Stichting ‘de Sprankel’ in Zwolle startte met een middelbare dagopleiding voor inrichtings­opvoeders. In het kader van dit jubileum werd een reünie met oud-medewerkers georganiseerd. Door de bovengenoemde Werkgroep Geschiede­nis is toen aan de oud-directeur van de Sprankel, de heer J.H. Elbrecht, gevraagd het een en ander te vertellen over ‘zijn’ school, die jarenlang aan de Zoom in de Aa-landen gevestigd is geweest. Dit gesprek vond plaats op 23 januari 2008. Behalve de heer Elbrecht waren ook aanwezig de heren Ten Cate en Sikkema van de Werkgroep Geschie­denis en de vroegere conciërge van de Sprankel, de heer Groothuis. Het onderstaande artikel is op dit gesprek gebaseerd.

Het initiatief voor de start kwam van de Vereniging Kinderzorg Zwolle
In 1967 bestond de Vereniging Kinderzorg in Zwolle zestig jaar. Deze voogdijvereniging ging uit van de diaconieën van de hervormde kerk. De toenmalige directeur, de heer G.C. van Mourik, kreeg de opdracht van zijn bestuur om te onder­zoeken of er mogelijkheden waren een middelba­re dagopleiding te starten voor inrichtingsopvoe­ders. In kindertehuizen en justitiële inrichtingen was er dringend behoefte aan goed geschoolde medewerkers van middelbaar niveau. In die tijd werden er medewerkers aangenomen zonder een specifieke scholing. Wel moest in diensttijd een opleiding kinderbescherming gevolgd worden.
Op grond van het door de heer Van Mourik opgestelde rapport werd vervolgens besloten dat zo’n opleiding er moest komen. In september 1967 werd hiermee gestart. Subsidie van rijkswege was er niet. Men was aangewezen op giften. De Vereniging Kinderzorg Zwolle en ook de Stichting ‘Het Kind’, van de kinderpostzegels, waren bereid financieel bij te dragen. De heer Elbrecht werd met ingang van 1 oktober 1967 aangesteld als directeur van de nieuwe instelling. Gezien de smalle financiële basis bracht deze baan voor hem ook risico’s mee. Alles moest van de grond af worden opgebouwd. Al vóór de aanstelling van de heer Elbrecht was besloten dat de nieuwe school de naam ‘de Sprankel’ zou krijgen. Waarschijnlijk is gekozen voor deze naam omdat het woord sprankel of sprank associaties heeft met woorden zoals hoop en licht. En daar­aan is in kindertehuizen wel behoefte. De heer Van Mourik werd de eerste secretaris van het bestuur van de Stichting de Sprankel.

Pionierswerk

Op 5 september 1967 was de officiële oprichtings­datum van de school met als naam: Stichting de Sprankel, instituut voor vorming en opleiding van inrichtingsopvoeders. De opleiding was in eerste instantie gericht op medewerkers van kindertehuizen en justitiële inrichtingen. Later kwamen daar ook schippersinternaten en gezins­vervangende tehuizen bij. Het was destijds de enige school in Nederland met deze opleiding. Er was geen geld voor een nieuw schoolgebouw, dus moest er gebruik worden gemaakt van bestaande locaties. Men begon in het wijkcentrum van de Jeruzalemkerk.
De docenten werkten op uurbasis voor de school. Ze deden dit naast hun baan elders. De heer Elbrecht weet zich nog te herinneren dat de gymnastiekleraar destijds twintig gulden per uur verdiende. Alleen de directeur had een volledig betaalde aanstelling. Er was landelijk buitenge-
In het voorjaar van 1976 werd de eerste paal voor het nieuwe schoolgebouw gesla­gen door de heer Van Mourik (met helm), de initiatiefnemer tot het oprichten van de school. Naast de heer Elbrecht (met baard) de inspec­teur van het onderwijs. (Foto Henneke, parti­culiere collectie)

woon veel belangstelling voor de opleiding: er waren in latere jaren soms honderden aanmeldin­gen, veel meer dan er geplaatst konden worden. Niet alleen de vooropleiding, Mulo-niveau, speel­de een rol bij de toelating. Veel waarde werd ook gehecht aan de motivatie van de leerlingen. Mid­dels een testgesprek rolden de gelukkigen eruit. Er werd gestart met in totaal achttien leerlin­gen. De volgende jaren was dit aantal niet veel hoger. Er werd onder meer les gegeven in: kinder­recht en -bescherming, pedagogiek, psychologie, opvoeding buiten het gezin, maatschappelijk inzicht, Engels en Nederlands. Omdat de school een landelijke functie had en de leerlingen daarom ook uit het hele land afkom­stig waren, moesten ze in Zwolle worden gehuis­vest. De school heeft nooit als internaat gefunctio­neerd. Wel werden de leerlingen geholpen om een kamer te vinden. De activiteiten in dit verband
Directeur Jan Elbrecht in zijn werkkamer, 1978. (Foto Prijt, particuliere collectie) hebben na verloop van tijd geleid tot de start van de Stichting Studentenhuisvesting in Zwolle. Deze Stichting bestaat nog steeds. Alles bij elkaar genomen was de beginperiode met name voor de directeur een slopende tijd. Er moest veel worden geregeld, terwijl de omstandig­heden niet optimaal waren. Het was pionierswerk. Soms hadden de leerlingen ook persoonlijke problemen. Gelukkig was de echtgenote van de

heer Elbrecht maatschappelijk werkster. Ze wist er wel raad mee. Het is zelfs meermalen gebeurd dat leerlingen voor korte tijd in het gezin van de directeur werden opgenomen. Het tekent de instelling, waarmee op de school werd gewerkt. Het was in de beginperiode één grote familie. Dat werd, volgens Elbrecht, niet door iedereen in dank afgenomen.

De opleiding officieel erkend
In de beginperiode zijn alle toenmalige staatsse­cretarissen van het ministerie van onderwijs wel eens op bezoek geweest. Men probeerde zo een officiële erkenning van de opleiding te verkrijgen. Om dit voor elkaar te krijgen werd er verder ook flink aan de weg getimmerd: elke mogelijkheid werd aangegrepen om de opleiding publiciteit te bezorgen. In 1971 werd de Middelbare Beroeps­opleiding Inrichtingswerk officieel erkend.
Daarop volgde in januari 1972 de toezeg­ging voor subsidiering. Toen dat eenmaal voor elkaar was, bood dat ook meer mogelijkheden. Zo konden er meer docenten worden aangesteld. In augustus 1972 kreeg de Sprankel de beschikking over de Marnixschool aan de Westerlaan. Deze school werd vóór die tijd gebruikt voor het onder­wijs aan kinderen van schippers. In 1972 werd ook al snel een aanvraag ingediend om met de opleidingen cultureel werk en sociale dienstver­lening te mogen starten. Enkele jaren later werd daarvoor toestemming verleend. Beide opleidin­gen begonnen in 1975 met elk twee groepen. Deze groepen werden gehuisvest in de consistorie van de Scheppingskerk in Holtenbroek en in een loca­tie aan de Klooienberglaan.
Al met al nam het leerlingenaantal snel toe. In 1975 was het reeds gestegen tot zo’n 280. Het jaar daarop waren het er circa 400.

Nieuwbouw in beeld
De spreiding van de leerlingen over diverse loca­ties was uiteraard geen ideale situatie. Het gebouw aan de Westerlaan werd te klein, er moest zelfs in de gang les worden gegeven. Toen staatssecreta­ris Veerman in mei 1975 de school bezocht, was net de toestemming afgekomen om met de beide bovengenoemde nieuwe opleidingen te mogen beginnen. Er werd tijdens het bezoek uitvoerig gepraat over nieuwbouw. De school verklaarde zich bereid zich voorlopig te willen behelpen met de diverse locaties, als er op korte termijn een nieuwe school gebouwd zou mogen worden. Als dat er niet inzat, zouden er noodvoorzienin­gen moeten komen die ook veel geld kosten. De staatssecretaris heeft de ‘boodschap’ toen goed begrepen, aldus de heer Elbrecht. Drie weken na het bezoek was de toestemming voor nieuwbouw een feit.

De ontmoetingsruimte en de bibliotheek vormden het hart van de school
Alvorens met de bouw een begin werd gemaakt, is er intensief over de inrichting en de indeling van de nieuw te bouwen school nagedacht. Samen met de architect Erik Huigen van het architec­tenbureau Gruyters in Berkum heeft Elbrecht verschillende scholen in den lande bezocht, om zo tot een goed doordacht ontwerp te kunnen komen. Het ontwerp zag er in grote lijnen als volgt uit: een gebouw van drie verdiepingen met vier vleugels met daarin 28 lokalen (4 keer 7) voor theorielessen. Daarbij ook nog vier praktijkloka­len en een gymnastieklokaal. Centraal werd een gemeenschapsruimte voor ontmoeting gepland. Daarboven bevond zich de bibliotheek: samen met de gemeenschapsruimte vormde deze biblio­theek het ‘hart’ van de school. De andere ruimtes werden daar omheen gebouwd. Bijzonder was dat er was voorzien in kamers voor de stafdocenten. Andere scholen hadden die niet, maar ze hoorden bij dit type onderwijs waarbij er veel aandacht aan begeleiding van de leerlingen werd besteed, met name in het stagejaar.
Begin 1976 werd er een begin gemaakt met het bouwen van de nieuwe school volgens het genoemde ontwerp. Een school voor 620 leerlin­gen en wel aan de Zoom in de Aa-landen. Op deze plaats kon een stuk braakliggende grond van de Gemeente Zwolle worden aangekocht. In de loop van het jaar 1977 kwam de school gereed. Het was een verademing voor alle betrokkenen nu vanuit één centraal punt te kunnen werken.
De officiële opening vond plaats 14 november 1977 door staatssecretaris De Jong. Tegelijkertijd

werd er toen een begin gemaakt met een vierde School ‘de Sprankel’
studierichting: Arbeidszaken en Personeelswerk. aan de Zoom in de
Het aantal leerlingen nam toe tot circa 600 in Aa-landen. (Foto Prijt,
de tachtiger jaren. Jaarlijks moesten er ongeveer particuliere collectie)
twintig nieuwe docenten worden aangetrokken.
Ondertussen was de Sprankel landelijk niet
meer de enige middelbare dagopleiding op dit
terrein. In Berg en Dal en in Leiden waren soort­
gelijke opleidingen gestart. De opleiding aan de
Sprankel had een protestants-christelijke signa­
tuur. Die van Berg en Dal was katholiek, terwijl de
opleiding in Leiden neutraal was.
Begeleiding van leerlingen centraal
De schoolopleiding had een duur van drie jaar.
Het tweede jaar was een stagejaar. In dat jaar kwa­
men de leerlingen wel geregeld naar school om de
stage-ervaringen te bespreken met de betreffende
docent. De docenten hadden daarvoor ‘uren’
beschikbaar. Zelfs voor de lunch van deze leer­
lingen werd gezorgd: ze kregen een zogenaamde
‘terugkommaaltijd’.
In de tachtiger jaren kon een docent met een
vaste baan met 29 lesuren zo´n 14 uur besteden aan
de begeleiding van de leerlingen. De docent bezocht
af en toe ook zelf de stageplaats om kennis te nemen
van de situatie. De docenten kregen alle ruimte om
hun lessen naar eigen inzicht in te vullen.

Docenten en leerlingen waren maatschap­pelijk betrokken. Aan demonstraties, zowel plaat­selijk als landelijk, werd enthousiast meegedaan. Een alternatieve levenswijze stond hoog in het vaandel, wat zich bijvoorbeeld uitte in de kleding. Het was niet voor niets dat de Sprankel ‘de rooie school’ werd genoemd. De Sprankel had duidelijk een ‘links’ imago.
De opleiding stond goed aangeschreven. Gedi­plomeerden konden over het algemeen makkelijk werk vinden. Ongeveer een derde deel daarvan stroomde door naar een HBO-opleiding. Vaak konden zij beginnen in het tweede, soms in het derde jaar van de HBO-opleiding.

Fusiegolf

Tegen het eind van de tachtiger jaren vond een herstructurering van het middelbaar beroeps­onderwijs plaats. Dit in het kader van de zoge­naamde SVM-operatie. SVM stond voor Schaal­vergroting en Vernieuwing van het Middelbaar Beroepsonderwijs. In 1990 fuseerde de Sprankel met vier andere middelbare beroepsopleidingen tot het Regionaal Opleidings Centrum (ROC) de Landstede. Eerder waren fusiepogingen tussen Dabar (Middelbaar Dienstverlenings- en Gezond­heidszorg Onderwijs) en de Sprankel op bezwaren gestuit van de kant van het bestuur van Dabar. Dit opleidingsinstituut was weliswaar ook van pro­testants-christelijke signatuur, maar meer ‘rechts’ georiënteerd. Op 5 juli 1990 ging de Sprankel op in de ROC de Landstede. Bij de voorbereidingen tot de fusie functioneerde de Sprankel als zoge­naamde projectschool. Want op deze school was veel deskundigheid aanwezig om het fusieproces tot een goed einde te brengen.
De samenvoeging van middelbare opleidin­gen bij de ROC de Landstede is na 1990 doorge­gaan. Uiteindelijk zijn landelijk alle middelbare beroepsopleidingen ondergebracht bij Regionale Opleidings Centra (ROC’s).
Hoewel het niet gemakkelijk was, waren de docenten en de directeur toch van mening dat deze ontwikkelingen op een positieve manier moesten worden benaderd. Grotere eenheden hebben voordelen. Zo zijn er meer faciliteiten. Er zijn ruimere mogelijkheden om van allerlei moderne technieken gebruik te kunnen maken. Wel is een herkenbare begeleiding nodig. De bestuurbaarheid van een dergelijke grote school-eenheid is moeilijker. Ook de communicatie laat nogal eens te wensen over. Het vraagt een zeer professionele aanpak. Van veel belang is dat de leerlingen zich thuis voelen in dit grotere geheel. Een gevoel van veiligheid is ook daar nodig.

Besluit
Zoals vermeld gingen de opleidingen van de Sprankel in 1990 over naar de Landstede Beroeps­opleidingen. Na 1990 is het schoolgebouw aan de Zoom nog enkele jaren in gebruik geweest bij de Landstede. Daarna heeft het Gymnasium Celea­num de school, na een grondige verbouwing, in 2002 in gebruik genomen.
Als zelfstandige onderwijsinstelling heeft de Sprankel in de zeventiger en tachtiger jaren zeer goed gefunctioneerd. Er was een goede onder­linge band tussen docenten en leerlingen. Behalve voor de beroepsopleiding is er op deze school ook altijd veel aandacht geweest voor de begeleiding en persoonlijke vorming van de leerlingen. Ook aan maatschappelijke betrokkenheid schortte het niet. Verschillende betrokkenen hebben deze feiten met voldoening gememoreerd op de reünie in 2007, toen het veertig jaar geleden was dat de opleiding aan de Sprankel startte.

‘Steenhuysen’ rond Zwolle:
Werkeren en Kranenburg

I
n de omgeving van Zwolle komen verschillen­de gebouwen voor die in historische bronnen worden aangeduid als goed, steenhuys, huys, hofstede en havezate. Een aantal van deze huizen is in de achttiende eeuw verbouwd tot buiten­plaats. Vaak werden ze dan omgeven door tuinen en parken en het kwam ook regelmatig voor dat er industriële, landbouw- en bosbouwbedrijven aan gekoppeld werden. Nog steeds zijn veel buiten­plaatsen in Zwolle intact. Het hoofdgebouw van de buitenplaats is zelden ouder dan het jaar 1600, maar de buitenplaatsen hebben vaak een oudere fase gekend. Dit artikel beschrijft de zoektocht naar de middeleeuwse kernen van twee Zwolse buitenplaatsen, Werkeren en Kranenburg.

Werkeren

In 2001 en 2002 vonden opgravingen plaats in de wijk Stadshagen te Zwolle die meer licht zouden moeten werpen op de geschiedenis van de have­zate Werkeren. Van de zaalbouw van Werkeren is de fundering teruggevonden. De buitenomtrek van de fundering bedroeg 10,20 x 25,80 m, de bin­nenomtrek 7 x 23 m. De onderste twee lagen van de fundering bestonden uit kistwerk met een vul­ling van tufsteen, veldkeien en baksteen. De lagen kistwerk daarboven waren gevuld met baksteen-brokken en waren soms anders georiënteerd dan de onderste lagen. Ook was de baksteen hier van een kleiner formaat. Dat zou er op kunnen wijzen dat het gebouw verschillende fasen heeft gekend.
Michael Klomp

Luchtfoto van de opgra­ving van de hoofdburcht van de havezate Werke­ren, 2001. (Aerophoto Eelde)

De zaal heeft een kelder gehad die, gezien de poe­
ren, opgedeeld was in vijf gewelfvakken.
De zaal was ingedeeld in twee vertrekken: een
oostelijk vertrek van drie gewelfvakken en een
kleiner vertrek van twee vakken diep aan de west­
zijde. De indeling tekende zich op het niveau van
de kelder duidelijk af, waardoor het aannemelijk
lijkt te veronderstellen dat ook de kelder inge­
deeld moet zijn geweest in twee ruimten. Van de
vertrekken van de begane grond boven de kelder
diende de grootste ruimte als zaal of ontvangst­
ruimte, het kleinere vertrek was het privévertrek
van de heer. Bij dit vertrek hoorde naast een
schouw ook een latrine.
Voor de datering van de zaalburcht zijn we
naast de archeologische gegevens afhankelijk van informatie uit historische bronnen.1 De weinige
beschikbare archeologische gegevens wijzen op
een datering na 1366. Deze datering is gebaseerd
op houtmonsters van de brug die de verbinding
vormde tussen de Werkerallee en de voorburcht,
Onder het vondstma­ het oudste vondstmateriaal uit de beerkelder en
teriaal van Werkeren de samenstelling van de onderste funderingslagen
bevinden zich drie com­ van het zaalgebouw.
plete steengoed trechter- In historische bronnen komt de naam Wer­
bekers. keren voor het eerst in 1405 voor. In een grond­
(Foto H. Heimkamp, transactie uit dat jaar door ridder Otto van Pola-
Archeologie Zwolle) nen, heer van Voorst en Keppel, en zijn vrouw

Johanna, is sprake van een stuk land in Masten-broek, waaraan het onderhoud van het deel van de ‘Vekoter Weteringe achter Werkeren’ gekop­peld was.2 Ook in een andere bron uit 1405 wordt melding gemaakt van een gedeelte van de ‘wete­ring bij Wirckeren’.3 Uit deze twee vermeldingen en een vermelding in de Zwolse stadsrekening van 1407, waarbij vier mannen gestationeerd werden op ‘Werkerbrugge’, komt duidelijk naar voren dat Werkeren in die tijd al bestond. Werkeren ligt in de polder Mastenbroek en was in die tijd eigen­dom van de heer van Voorst.
Die familie zal dus de bouwer van het kasteel hebben geleverd. De Van Voorsten bezaten in Westenholte een kasteel dat in 1362 werd belegerd en met de grond gelijk gemaakt werd. Dat bete­kende echter niet het einde van de familie. In een verzoeningsverdrag uit 1363 beloofden de zonen van Zweder van Voorst, Roderik en Wolter, zich voortaan als trouwe onderdanen van de bisschop van Utrecht te zullen gedragen. In dit verdrag werden ook bepalingen over de toekomstige ver­deling van de polder Mastenbroeker opgesteld. De Van Voorsten kregen hierbij naast hun normale aandeel nog eens 200 hectare extra toebedeeld. Op basis van deze bronnen kan de opmerking in de literatuur dat meester Johan van Ittersum de stichter van Werkeren is geweest definitief ont­kracht worden.4 Uit de bronnen blijkt dat Johan van Ittersum wel op het huis heeft gewoond. Onder zijn bewind zijn veel aanpassingen aan het huis uitgevoerd.

Latere uitbreidingen
De oude zaalburcht is namelijk vele malen uitge­breid en gemoderniseerd. Aan de zuidzijde van de langsgevel is de fundering van een bakstenen aanbouw aangetroffen. Tussen deze aanbouw en de gracht is een beerkelder opgegraven met vondstmateriaal uit de periode 1525-1625. Toch geeft dat geen indicatie wanneer precies deze aan­bouw is neergezet en wat de functie was. Het zou een toegangsgebouw kunnen zijn. De zaalburcht kreeg in deze tijd bovendien nog een extra vleugel. Tussen beide vleugels is vermoedelijk in dezelfde periode een traptoren gebouwd. In deze trapto­ren was een latrine aanwezig die via een aan de buitenzijde geplaatste stortkoker uitkwam in de gracht. Aan de noordzijde van de nieuwe vleugel is een beerkelder aangetroffen, die materiaal bevatte uit de periode 1475-1550. Onder het vondstma­teriaal bevond zich naast het algemeen voorko­mende roodbakkend aardewerk een fraai bord van Spaanse goudlustermajolica en een kannetje van Italiaanse of Franse faience. Het baksteenformaat van de beerkelder komt overeen met het formaat van de stenen in een nieuw opgetrokken keermuur, die waarschijnlijk dus uit dezelfde periode stamt. Houtmonsters uit palen onder de muur geven een datum rond het midden van de zestiende eeuw. De keermuur is de oudste aanwijzing van bebouwing op de voorburcht. Later werd een ringmuur ook aan de westzijde van het complex opgetrokken en verrezen er een koepel en een stenen brug.

Kranenburg

Kranenburg lag in de huidige wijk Berkum te Zwolle. Tegenwoordig bevinden zich op de locatie van de havezate een begraafplaats en crematori­um. De oudste fase van Kranenburg heeft bestaan uit een houten gebouw met een buitenomtrek van 20 x 11 m. Het gebouw telt drie beuken en is aan de zuidzijde voorzien van een aanbouw van 9 x 8 m. Opmerkelijk is dat de buitenste zijbeuken (4 m) aanmerkelijk breder zijn dan het middenge­deelte (3 m).
Het gebouw ligt precies in het midden van een eiland dat wordt omgeven door twee ronde grachten. Waarschijnlijk is het materiaal uit de grachten gebruikt om het eiland te verhogen en is vervolgens daar de Kranenburg op gebouwd. Aan de zuidzijde van het gebouw heeft een aanbouw gezeten, die waarschijnlijk uit de beginfase stamt, omdat hier ook de oorspronkelijke ingang wordt vermoed. De functie van het gebouw lijkt een spijker of tiendschuur te zijn geweest. Mogelijk heeft de tiendschuur deel uitgemaakt van een hof
Aquarel door Andries Schoemaker van het ‘oud-adelyk huys Werkeren, gelegen in Mastenbroek, 1730’. (Collectie HCO)

die in bezit was van de familie Campherbeek, een familie die in de veertiende eeuw grote delen van Berkum in bezit had. In een dergelijke schuur werd de belasting van de omwonende boeren

Lees verder