Categorie

Aflevering 3

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 3

Door 1996, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
P R I J S F 9 , 5 O
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Waislraal en Vijfhoek
Gemeente
Zwolle
archief
IFIDFKI = z ^
; Ansichtkaart Walstraat en Vijfhoek,
poststempel 16-91910
” Beste Mevrouw,
Na een voorspoedige tocht kwam ik hier aan. De
wind had ik meest schuin op zij. Enkele keer bij de
kromming van den dijk of weg van voren, dus nogal
goed gegaan. Van Windesheim tot Zwolle kreeg ik
gezelschap van A. Wil U Mijnheer van mij groeten
en vooral door UW U toegenegen Tanna [?]”.
Een ansichtkaart uit 1910, met de beschrijving
van een (sportieve?) fietstocht over de IJsseldijk
van Deventer naar Zwolle, ongeveer
30 km.
De daarbij (willekeurig) gekozen kaart betreft
een afbeelding van de hoek Walstraat / Vijfhoek,
een nog herkenbaar punt in Zwolle. Weliswaar
werd het witte huis midden op de voorgrond,
Walstraat 45, in 1932 ingrijpend verbouwd. Er
werd een etage aan toegevoegd en het geheel werd
in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken,
zoals heden ten dage nog duidelijk te zien is.
In dit pand was van 1935 tot 1972 sigarenmagazijn
“De Vijfhoek” gevestigd, 34 jaar lang gedreven
door de heer T. Otterman.
Daarna huisvestte het drie jaar lang een antiquariaat;
vervolgens, meegesleept in de algehele
achteruitgang van dit stukje binnenstad in de
jaren ’70, vormde het van 1975 tot 1990 een onderkomen
voor een sexshop.
Inmiddels is het aanzien van dit stadsbeeld,
ook na de renovatie van het aangrenzende Gasthuisplein,
weer aanmerkelijk hersteld. Ook Walstraat
45 ging daarin mee, het huisvestte de laatste
jaren een uitzendbureau.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
In het merendeel van de artikelen in deze aflevering
komt het ingrijpen van het stadsbestuur,
of juist het achterwege blijven daarvan,
aan de orde. De katholieken mochten na de
opstand die in 1580 tegen de Spanjaarden uitbrak,
hun religie niet meer openlijk belijden en kloostergemeenschappen
werden verboden. Enkele
katholieken richtten ruimten in hun huizen in
voor het gebruik als kerk. Vrouwen die niet meer
in het klooster konden treden vormden kloppengemeenschappen.
M.L. Hansen beschrijft wie in
Zwolle tot deze groep behoorden, waar zij diensten
hielden en hoe de stedelijke overheid met
deze ‘papen’ omging.
De stad Zwolle komt er minder goed afin het
artikel van Jeanine Otten. Uit een reisverslag van
de Duitse broers Von Uffenbach blijkt dat zij zeer
teleurgesteld waren over de toestand die zij aantroffen:
de straten waren vies, smal en slecht, en
ook de huizen waren vies. Wel waren zij opgetogen
over de twee bijzondere kunstcollecties die zij
aantroffen. Jan Louwen beschrijft hoe direct na de
bevrijding van zijn Zwolle zijn leerschool als journalist
van start ging, een moeilijke maar leerzame
periode.
Het Stedelijk Museum Zwolle bergt talrijke
kleine schatten. Een hiervan, een theebusje, wordt
door Lydie van Dijk beschreven.
Het heffen van belasting is altijd een manier
geweest om de stedelijke inkomsten te vergroten.
Dat in de achttiende eeuw dit zelfs op pruiken en
kapsels werd toegepast, is te lezen in het artikel
van J.C. Streng.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
De klopjes Van fatsoen’ in Zwolle M.L. Hansen
Schone kunst in vieze huizen :
het bezoek van de gebroeders Von Uffenbach
aan Zwolle gedurende 2 tot 5 mei 1710 Jeanine Otten
Leerling-journalist in 1945 Jan Louwen
Bijzonder theebusje van Zwolse zilversmid Lydie van Dijk
Belastingperikelen over pruiken en kapsels J.C. Streng
Literatuur Marieke Schaap-Steegmans
Mededelingen
Agenda
Auteurs
74
76
86
94
97
99
102
103
105
107
Omslag: Schilderij door Hendrick ten Oever (1639-1716), 1691, in de Grote of
Michaëlskerk.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De klopjes Van fatsoen5 in Zwolle
M.L. Hansen Het katholicisme na de opstand
De opstand van de aanhangers van de nieuwe
religie, de gereformeerden genoemd,
tegen de katholieken brak in Zwolle op
15 juni 1580 uit. Nadat de strijd gestreden was werd
de gereformeerde godsdienst de enig toegestane
religie. De ommezwaai van katholiek naar gereformeerd
mag vrij plotseling lijken, van de bevolking
bleef een groot deel nog geruime tijd katholiek.
Allengs werd voor hen het leven zwaarder. Zij
zagen zich gedwongen in hun huizen ruimten in
te richten die als kerk konden dienen en onderling
waren de huizen rondom een kerk in het geheim
met elkaar verbonden. Al die katholieke slimmigheid
werd door de gereformeerden met lede ogen
aangezien. Een predikant luchtte zijn hart aldus:
‘Dat vuyle Papen-nest, daer huys aen huys
geknoopt
‘Dat Roomsch-Maraensch krioel door holen
t’samen loopt.1
De klopjes
Met het verbod op de uitoefening van de katholieke
religie waren ook de kloostergemeenschappen
verboden. Vrouwen die eigenlijk tot een klooster
hadden willen toetreden maar dit door de
omstandigheden niet konden, vormden een kloppengemeenschap.
Er waren ook mannelijke kloppen,
zij waren echter ver in de minderheid. De
naam ‘clop’ was niet nieuw. In het begin van de
zestiende eeuw komt de naam al voor in een verhaal
en in een rechtszaak.2 De herkomst van de
naam ‘clop’ is onbekend, al zijn er diverse suggesties
gedaan. Het woord zou afkomstig zijn van
[aan-]kloppend bedelen, maar klopjes bedelden
niet. Een andere suggestie was dat het woord afgeleid
was van het kloppend rondgaan langs de huizen
om te laten weten dat er een Heilige Mis opgedragen
zou worden. In het begin van de zestiende
eeuw was daarvoor echter geen enkele noodzaak,
omdat het katholicisme toen de normaalste zaak
van de wereld was. Een derde wel zeer onwaarschijnlijke
verklaring is het aankloppen van de
klopjes aan de hemelpoort. Het woord zou ook als
scheldnaam beschouwd zijn, maar de pastoor van
Zwolle sprak vol waardering van ‘mijn kloppen’,
zodat de naam op zijn minst een dubbele betekenis
gehad moet hebben. De klopjes werden met
diverse namen aangeduid: kloppen, klopsusteren,
kwezels, huysbagijnen, klopbagijnen en geestelijke
dochters. George Rataller Doubleth noemde hen
Jesuitessen en Jacob Cats sprak van Heremytersen.
Er bestond geen vaste, uniforme leefregel die
voor alle kloppen geldig was, zoals dat bij kloosterlingen
het geval was.
Een klop stelde zich onder de leiding van een
overste of biechtvader en hem had het klopje te
gehoorzamen. Een oudere klop kon tot geestelijk
moeder aangesteld worden over een jong klopje
en een grotere groep kloppen kon een ‘moeder’
tot leidster hebben. Maar ook zij had uiteindelijk
te gehoorzamen aan haar overste.3 De klopjes
waren de priesters behulpzaam bij hun taken, zij
verzorgden de kerkruimte, bezochten zieken en
stervenden, legden doden af en waakten bij hen.
Bij de bouw van een kerkelijk onderkomen in
Zwolle werd het klopje Catharina van Voorst door
de priesterlijke bouwheer tot opzichter over de
arbeiders aangesteld en zij betaalde hen ook uit.
De pastoor van Zwolle vond dit waarachtig geen
kloppenwerk.4
Het algemeen streven van kloppen is op schrift
gesteld in ‘De onderwijzingen voor de Geestelijke
Dochters’:
Weest Magdalena in de Kerk,
’t Huys Martha, neirstig in het werk,
Leeft eeniglijk met Barbara,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
in suyverheyt met Agatha,
Vermaeckt u met Cecilia,
In liefde met Theresia,
Met Clara gij de weirelt haet,
Met Agnes gij de zonden laet,
Met lijden van den Heer beschreydt,
Met Catharin’ in bitterheyt.
Met Thecla staeg Gods woordt aenhoort,
Dus gaet gij vlugs in deugden voort.
Den achterklap met Paula vliet,
Zoo heeft de weirelt in u niet.5
De dreigende pogingen tot opheffing van de kloppengemeenschappen
waren uiteraard te verwachten
van de kant van de gereformeerden en de regeringen,
maar ook van katholieke zijde kwam verzet.
De kerk van Rome had het niet begrepen op
organisaties die zich onttrokken aan het algemene
kerkelijk gezag. De paus verbood de vorming van
een leken-gemeenschap – in 1631 verbood paus
Urbanus vm de stichting van de Jezuitessen van
Engelse Mary Ward – maar het geven van onderwijs
was niet bij het verbod inbegrepen. Het
onderwijs dat de kloppen gaven wist Rome wel te
waarderen. De Staten-Generaal deelden die
mening. In het plakaat van 1641 werd het aan kloppen
verboden godsdienstonderricht te geven,
maar het geven van ander onderwijs werd niet
verboden. In Culemborg was een kostschool
gevestigd, waar twee of drie kloppen les gaven aan
meisjes, uit het hele land afkomstig. De leerlingen
kwamen onder andere uit Amsterdam, Zwolle,
Nijmegen, Friesland en Brussel. Zij betaalden
kostgeld dat verhoogd werd als er sprake was van
‘een camerken’ en van ‘besonder licht’, en dat verlaagd
werd als de leerlinge haar eigen servetten
meebracht. Twee zusjes brachten hun eigen verzorgster
mee. Clavecimbel-lessen werden apart in
rekening gebracht en werden gegeven door de
muziekmeester die aan de school verbonden was.
Hij leerde hen ook Gregoriaans. Het leren van de
Franse taal bij mademoiselle Amande in de buitenschool
was het doel van de wat oudere leerlingen.
6 Maar de meeste kloppenscholen waren
kleinschaliger. De kloppen leerden de meisjes
behalve handwerken ook lezen en schrijven en zij
deden hun best de meisjes geestelijk te vormen
met catechismuslessen. Ondanks het feit dat in
1649 geklaagd werd dat ‘onder pretext van nayen
en hantwercken, de jonghe kinderen de gronden
des Pausdoms te leeren en haer vergift die teere
gemoederen in te scherpen’ gingen ook kinderen
van gereformeerde ouders naar de kloppenscholen.
7 Dat pleit voor de kwaliteit van het gegeven
onderwijs maar voor de magistraat was het een
reden te meer zich tegen de scholen te verzetten.
Circa 1671 brachten Zwolse magistraten en predikanten
een bezoek aan de katholieke naaisters, en
zeiden haar ‘dat se voortaen geen kinderen sullen
leeren naeijen ofte speltwercken’ op straffe van
een boete van 10 goudgulden.8
De kloppen hadden geen uniforme kleding. In het
algemeen gold dat zij zeer eenvoudig gekleed
waren in zwart laken of linnen, zonder versierselen.
Geen dure stoffen zoals fluweel en zijde. Tijdens
het gebed droeg de klop een hoofddoek. De
dagelijkse hoofdbedekking bestond meestal uit
een zwarte kap met twee slippen of uit een ongesteven
doekje, niet te ‘besteecken met veel spelde –
kens’ noch zo op te zetten alsof ‘daer de vogelen in
nestelen souden’. Om minder op te vallen en om
veiliger te kunnen reizen wilde men ook in ‘waereldlijke
kleederen’ gaan, waar de gereformeerden
tegen protesteerden omdat zij het kwaad wilden
herkennen. Maar ‘heur bysonder kleed’ beviel hen
net zo min.9
Is ’t niet een arme saek en jammerlijke schand,
Dat wij se hier noch sien in onse steen en land?
Ja, dat ze ons alhier gestadig en met hoopen
Met heur bysonder kleed op straet op ’t lijf
noch loopen,
Tot smaed van onse leer; tot schand van onsen
Staet;
Tot smert van Godes Kerk en spijt van onsen
Raed?
En sal ’t noch langer sijn, dat dese snoode sielen
In onse Stad wel meest van alle plaetzen krielen?
10
Hoezeer de kloppengemeenschappen hun best
deden om eenvoudig en nederig te zijn, het
wereldse standsverschil was niet volledig verdweZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nen. De klopjes ‘van fatsoen’ waren dochters van
rijkere families, zij waren beter geschoold en hadden
meer invloed via hun familieleden die hoge
maatschappelijke posities bekleedden. Zij kleedden
zich beter dan de kloppen van mindere komaf
en als het klopje van fatsoen ook de kerkruimte ter
beschikking stelde had zij inspraak bij belangrijke
beslissingen zoals de benoeming van een nieuwe
priester. Waar minder rijke kloppen in haar eigen
onderhoud voorzagen door een handwerk of door
uit werken te gaan, leefde een rijke klop van haar
bezit. Een welgestelde vrouw bleef nadat zij een
klopje geworden was, de beschikking houden over
haar eigendommen. Tot in de kerkruimte drong
het standsverschil door. De rijke klop had meer
tijd om te bidden. Een oud geworden klopje dat
niet meer kon werken, was ‘van de eerste en leste
op de kercke, alsof sij een rijke maecht geweest
had’. Een ander wist zo goed haar gebed met het
werk te verenigen, dat zij was ‘als doende bijnae als
de rijkste maechden’. Het standsverschil was ook
zichtbaar in de zitplaatsen in de kerk, de ‘ghemene
Het wapen van de belangrijke roomskatholieke
familie Van Twenhuyzen
(foto: Stedelijk Museum Zwolle).
maechd’ had er een ‘ghemeene plaets’. Zelfs na het
leven was er verschil. Een klop kreeg van een van
haar rijkere medezusters een begrafenis ‘alsof ’t
een rijcke maecht’ was geweest.”
De Zwolse klopjes van fatsoen en hun familie
Invloedrijke katholieke families in Zwolle
bekleedden na de opstand steeds minder belangrijke
openbare ambten. Maar daarmee was het
met hun invloed niet geheel en al gedaan. Zij konden
nog steeds bogen op aanzien en respect. In de
Michalskerk, de begraafplaats van de betere standen,
konden zij onveranderd hun grafplaats
kopen. Belangrijke Zwolse katholieke families
waren Waeijer, Knoppert en Van Doetinchem. De
katholieke en zeer rijke familie Van Twenhuysen
trad nogal eens op als beschermers van hun
geloofsgenoten en waren als het nodig was gul van
geven. De families waren onderling door huwelijken
verbonden.
Johanna van Oostendorp ( ? -1636), weduwe
van jonker Lubbert van Vilsteren, was gedurende
vele jaren een grote hulp voor de katholieke kerk,
hoewel zij nergens een klopje genoemd wordt.
Haar huisgenoot Volquerus Herckinge (1586-
1662), vicaris van Overijssel, Groningen en Friesland,
had 25.000 gulden bij de weduwe Van Vilsteren
gedeponeerd, waarvoor zij haar huis op de
hoek van de Koestraat en de Praubstraat, aan zijn
statie zou nalaten, hetgeen zij deed. Er rees verzet
tegen het testament. Het waren de Jezuieten en
mogelijk ook haar zoon Gerard die zich niet met
de laatste wilsbeschikking konden verenigen. Het
werd een langdurig proces. Uiteindelijk mochten
de Jezuieten in het huis wonen,l2 dat op naam van
Gerard van Vilsteren stond. Herckinge moest
door het conflict het huis waar hij veertien jaren
gewoond had verlaten en hij vond onderdak in de
Bitterstraat, bij Sophia van Sweersen ( ? -1670),
weduwe van jonker Van Sweersen. Zij was tot de
dood van Herckinge zijn klop.
Als iemand nergens expliciet als klop vermeld
wordt, is het moeilijk uit te maken of zij een klop
was of niet. Dit probleem speelt bij de weduwe
Van Vilsteren die, gezien haar steun aan de katholieke
kerk, een klop genoemd zou kunnen worden.
Datzelfde geldt voor Anna van Haerst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
(ca.1555-1639). Zij was een dochter van Johan van
Haerst, gedurende vele jaren een belangrijk magistraatvan
Zwolle. Zij trouwde met Emmanuel van
Twenhuysen en zij liet per testament huizen na,
niet te gebruiken als statie maar als tehuis voor
alleenstaande vrouwen: de Emmanuelshuizen.
Een jaar voor haar dood had zij twee huizen in de
Praubstraat gekocht,13 waarschijnlijk met dit liefdadige
doel voor ogen. Haar kleding is voor een
adellijke vrouw eenvoudig.
Een zeer belangrijke Zwolse klop van fatsoen
was Johanna van Haersolte (ca.1590-1670). Zij was
een dochter van Johan van Haersolte tot de Leemcule
en van Geertruit Knoppert. Haar beide zusters
Margaretha ( ? – na 1633) en Alegonda
(? – ?) waren ook geestelijke dochters, klopjes dus.
Jonkvrouwe van Haersolte woonde omstreeks
1629 in de Koestraat. Samen met haar zus Margaretha
kocht zij vier jaar later nog twee woningen in
de Koestraat, waarvan er één ten dienste stond van
de Jezuieten.14 De Haersoltes waren een familie
met veel invloed en macht. Onder hen waren de
drost en de rentmeester van Salland en de schout
te vinden en zij waren goed vertegenwoordigd in
de ridderschap van Overijssel en in de magistraat
van Zwolle. Johanna’s neef, de Zwolse magistraat
Jan van Haersolte was een fanatiek vervolger van
katholieken. Hij liet – rond 1600 – priester Johannes
Waeijer oppakken, gevangen nemen en vervolgens
verbannen. De voorspraak van enige
mede raadsvrienden mocht niet baten. Een van
hen was nota bene zijn oom Thomas Knoppert ‘de
Jonge’, die een invloedrijk katholiek in de raad
genoemd wordt.
De familie Knoppert is nagenoeg geheel
katholiek gebleven en kent enige kloppen. Johanna
Knoppert (ca.1605- ? ), dochter van Thomas
Knoppert ‘de Oude’ en van Elisabeth van Ulenbroeck
was een nicht van Johanna van Haersolte.
De drie zusters Anna ( ? -1676), Sophia Gertrudis
( ? – waarschijnlijk 1701) en Maria Magdalena
Knoppert (? – waarschijnlijk 1703) waren dochters
van Wolfgang Knoppert en van Christina van Lievendael
en alle drie geestelijk dochter. Net zoals
hun nichtje Maria Christina Knoppert ( ? -1723),
een dochter van Reinier Knoppert – tijdens de
Munsterse bezetting magistraat van Zwolle – en
van Maria Gerardina Bruins. Een dochter uit het
tweede huwelijk van Maria Gerardina Bruins met
Hendrik Alexander Bruins was het klopje Gertrudis
Maria (1676-1713). Waarschijnlijk is zij de
Geertruyt Bruins uit Zwolle die van 10 juni 1691 tot
10 december 1692 de Culemborgse kloppenschool
bezocht, ‘Sij is dan met haer papa na huijs
gegaen’.15 Twee dochters van jonker Lucas Aiolij –
sius Bruins die tijdens de Munsterse bezetting ook
magistraat van Zwolle was, waren eveneens klopjes;
Joanna Arnolda (na 1663-1726) en Christina
Geertruijt (na 1663-1702), en Johanna Bruins was
de moeder van het klopje Anna Margaretha Voet
(1647-1682).
De familie Van Doetinchem onderhield nauwe
banden met de Jezuieten. Nadat Maria van
Doetinchem (1598-1673), dochter van Willem van
Doetinchem en van Janne Weeze van Gijsbeck,
een huis in de Diezerstraat had geërfd, stelde zij
het beschikbaar aan de Jezuieten. Op het goed De
Boskamp bij Olst, een bezit van de Doetinchems,
werden omwonenden in de gelegenheid gesteld de
katholieke erediensten te volgen. In 1638 werd een
Jezuietenstatie gevestigd op het huis Randen in
Colmenschate bij Deventer, waar een broer van
Maria woonde. De heer van Randen was in 1671 de
eerste die een bedrag beschikbaar stelde voor de
nieuw ingestelde beurs, waaruit minder draagkrachtige
katholieken financieel geholpen konden
Portret van Anna van
Haerst, de weduwe van
Emanuel van Twenhuyzen.
Waarschijnlijk
is zij niet gekleed in
typische kloppenkleding;
haar kleding is wel
sober wat kleur betreft,
maar zij draagt een rijk
bewerktjak
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit alle kerken gebannen
moesten de roomskatholieken
zich tweehonderd
jaar behelpen
met schuilkerken in
afgelegen plaatsen. Wie
vanaf de Melkmarkt
tussen de nummers 6 en
8 het Hoornsteegje
inliep, kwam bij zo’n
schuilkerkje.
worden, als zij omwille van hun geloof beboet
werden. De beurs is of niet goed tot stand gekomen
of bleek onvoldoende te zijn, want vier jaar
later besloot een aantal edelen in te staan voor de
schade die de overheid de katholieken bezorgde.
Een van die edelen was Engelbert van Doetinchem.
Zijn zus Golda Geertruit van Doetinchem
(1631-1671), dochter van Jan Arend van Doetinchem
en van Anna Krijt, was een klopje van fatsoen
van de Jezuietenstatie in de Koestraat. Haar
ouders kerkten daar en hebben er al hun kinderen
laten dopen. Rond 1700 woonde in de Koestraat
de klop Geertruid Cecilie van Doetinchem (1679-
1746), dochter van Jan Lodewijk van Doetinchem
en van Arnolda Geertruid Glauwe. Zij schonk aan
de statie een reliek van het Heilig Kruis, gevat in
een kristallen met zilver filigraanwerk omgeven
kruisje.16
De klop Sibylla van Bolten (ca. 1605- na 1652)
woonde met haar vader Roelof van Bolten en haar
moeder Mechtelt Wijchers naast het O.L. Vrouwekerkhof.
Het waren in totaal vier huizen die
door Sibylla in 1628 verkocht werden. Zij woonde
zo’n vijftien jaar later in de buurt van de kerk in de
Spiegelstraat. Mogelijk was haar buurman Willem
van Twenhuijsen – zijn broer Hendrik was
getrouwd met Elisabeth van Bolten – haar zwager.
De katholieke families Van Voorst en Waeijer
waren aan elkaar verwant en hebben beide priesters
voortgebracht. Conradus en zijn broers
Theodorus en Wilhelmus van Voorst zijn alle drie
pastoor in Kampen geweest. Catharina van
Voorst, mogelijk een dochter van jonker Van
Voorst uit de Kamperstraat, werd in 1666 door
pastoor Arnold Waeijer zijn nicht genoemd en
was toen al veertien jaar zijn klop.17
De klopjes van fatsoen, de priesters en de staties
De priesters in Zwolle hadden vóór 1622 geen vaste
woningen. Zij waren voor huisvesting afhankelijk
van de gastvrijheid van hun geloofsgenoten.
Zij woonden voor een paar dagen nu eens hier,
dan weer voor een paar weken daar. Pater Courten,
het zwerven moe, liet een huis huren door zijn
klopje juffer Maria van Doetinchem.18 De woning
van een klop vormde vaak de kern van een statie,
zoals die na 1600 in veel steden van de Verenigde
Republiek tot stand kwamen. Vicaris Herckinge
ging bij de weduwe Van Vilsteren in huis wonen.
Hij stichtte in haar huis de eerste statie van Zwolle,
het mooie en grote pand bood alle ruimte. Aangezien
het de katholieke kerk als instituut verboden
was enig gebouw te bezitten of te huren, hadden
de priesters de leken-katholieken nodig om het
onroerend goed op hun naam te laten inschrijven.
Dat de klopjes van fatsoen hier een belangrijke rol
in speelden mag duidelijk zijn en klopjes met een
eigen huis waren voor de onderdrukte katholieke
gemeenschap een geschenk uit de hemel.
Na de dood van de weduwe Van Vilsteren verhuisde
Herckinge naar Onder de Bogen in de Bitterstraat,
in het huis van Sophia van Sweersen en
stichtte er zijn nieuwe statie. De kerk ‘Onder de
Bogen’ was op meerdere manieren bereikbaar. Er
was een luikje waardoor men in het huis van Anna
Jans kon komen en er was een geheime doorgang
naar het huis ‘den Antwerpen’ en vandaar liep de
gang door naar het huis van Vermeer. Marcellus
Vermeer, de rentmeester van jonkvrouwe Van
Sweersen, van de katholieke Emmanuelshuizen en
van de Zwolse pastoor,19 was waarschijnlijk de
vader van het klopje Catharina Vermeer. Sophia
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
van Sweersens beide buurvrouwen waren klopjes,
Catharina van Voorst en Grietien Lamberts, zodat
ook tussen deze panden een geheime verbinding
zal hebben bestaan.
In 1627 kwam de Jezuiet Nicolaus Barluijt naar
Zwolle ‘voor verandering van lucht’. Hij woonde
heel even bij pater Courten maar nog in het jaar
van zijn aankomst in Zwolle vestigde hij in de Diezerstraat
een Jezuietenstatie, in het huis van jonkvrouwe
Maria van Doetinchem, voormalig klopje
van pater Courten. Zij stelde het huis ter beschikking
tot het vieren van katholieke erediensten. Het
huis lag tegenover de Spiegelsteeg en had een achteruitgang
op de Vismarkt. De statie in de Diezerstraat
hield stand tot de dood van juffrouw van
Doetinchem en verhuisde toen naar het Hoornsteegje,
vlakbij de Nieuwstraat.20
In 1629 kwam de Jezuiet Reijnerus Houtman
naar Zwolle en vestigde in de Koestraat een Jezuietenstatie
in het huis van jonkvrouwe Johanna van
Haersolte. Na zijn dood in 1667 nam pater Ridder21
de statie over ‘seijnde hier de voornaemste
van de Societeijt’. Vanuit het huis van juffrouw
van Haersolte was er een geheime doorgang naar
het huis van juffrouw Weijninckmans en waarschijnlijk
ook naar het buurhuis waar een Knoppert
woonde, haar moeders familie. De huizen
lagen aan de zuidzijde van de Koestraat tegen de
stadswal aan. De statie hield stand tot het overlijden
van juffrouw van Haersolte en verhuisde toen
naar het huis van Van Vilsteren.22
In 1637 stichtte pastoor Arnold Waeijer de
vierde statie van Zwolle: het kerkhuis Sint-Joseph,
gelegen in de Spiegelsteeg op de hoek van de
Nieuwstraat. Ook hier was een aantal huizen door
een gangenstelsel met elkaar verbonden. Het
waren de woningen van pastoor Waeijer, van
Neeltien Egberts, van meester Berents en van Willem
van Twenhuysen en Sibylla van Bolten. In de
Spiegelsteeg woonde ook de ‘Eerbare en deuchtsame’
Ida Gosens, een klopje van de pastoor.23
Het inkomen van de priesters was afhankelijk
van giften, van erfenissen en van het geen de klopjes
hen gaven of voor hen ophaalden. In geval van
nood moesten de priesters wel eens geld lenen van
hun kloppen. In de nalatenschap van Maria van
Doetinchem vond haar erfgenaam onbetaalde
rekeningen van ‘verschoten penningen’ aan pater
Adrianus Courten, een bedrag van 1.500 gulden
had Zijn Eerwaarde gebruikt voor de aankoop van
huizen. De huishuur voor het pand in de Diezerstraat
was na 46 jaar opgelopen tot 4.600 gulden
en was net zo min voldaan.24
Priesters en kloppen konden niet altijd even
goed met elkaar overweg. Sophia van Sweersen
ageerde tegen haar huisgenoot de priester Sommer
over het slopen van het keukentje van haar
buurvrouw, de klop Grietien. Overigens zonder
resultaat. Sommer liet de keuken afbreken en
bouwde er zijn nieuwe kerk. Sophia weigerde het
verzoek van Sommer het ‘getimmer’ op haar
naam te laten schrijven. Tussen Sophia en Sommer
boterde het steeds minder goed. Ze kregen
ook nog ruzie over de opslag van turf en over de
huur van het huis ‘den Antwerpen’ en hij verliet
haar huis. Maria van Doetinchem kon ‘niet wel
overeen comen’ met de bij haar inwonende pater
Van den Dam. Het struikelblok was de erfenis van
een klopje en ook Van den Dam ging een deur verder
wonen.25
De vervolgingen
De Zwolse magistraat gaf in 1604 een resolutie uit
waarin zij het houden van katholieke vergaderin-
Algemeen wordt aangenomen
dat dit een portret
is van pastoor
Waeijer. Het is een
detail van het schilderij
van Thomas a Kempis
op de Agnietenberg in
de Onze Lieve Vrouwekerk
(foto: Stedelijk
Museum Zwolle).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen verbood. Zo’n vergadering was een overtreding
die elders in de Verenigde Republiek in een
adem genoemd werd met andere vormen van
afwijkend, niet getolereerd gedrag zoals vloeken
en de buitenechtelijke bijslaap.26 Of de magistraat
van Zwolle zo ver ging is onbekend. Een enkele
keer was het haar ernst met de vervolging. Dat
blijkt uit een overval in 1617 op het huis ‘De Drie
Cranen’ in de Diezerstraat27 waar de apotheker
Jan Brouwer woonde.
Het groeiende verzet van de gereformeerden
tegen alles wat katholiek was richtte zich ook tegen
de klopjes. De weerzin tegen de ‘overal insluypende
kloppen’ was niet meer af te doen met ‘het
maer vrouwluyden en zijn’28 en hun bewegingsvrijheid
werd steeds meer beperkt. In 1639 werd in
Zwolle een meldingsplicht voor klopjes ingesteld.
Twee jaar later volgde een plakaat van de Staten-
Generaal. In 1650 deed de kerkeraad van Zwolle
hernieuwde pogingen de klopjes uit de stad te
weren, in datzelfde jaar werd ook de meldingsplicht
herhaald.29
Hulp aan personen die omwille van hun geloof
door de magistraat gezocht werden was verboden.
Ook bekeringspogingen waren strafbaar gesteld.
Dat ondervond Johanna van Haersolte. Twee
dochters van de weduwe Heerma neigden naar het
katholieke geloof en zouden daarom aan een
betrekking in katholieke kring geholpen worden.
Het voornemen lekte uit en de magistraat zette
manschappen in om de meisjes op te sporen. Zij
zaten inmiddels verstopt in het ‘hoenderhuijsken’
van juffrouw Van Haersolte. De mannen vonden
de meisjes niet, zij troffen evenwel een onverwachte
buit aan. Een jaar – in 1659 – tevoren was
Johanna van Haersolte als eerste aan de beurt
geweest toen katholieke huizen doorzocht werden,
de hele actie leverde toen niets strafbaars op.
Wat eerder niet gevonden werd, trof men nu aan.
Zij vonden een kerkruimte met altaar en alle voorwerpen
die nodig waren voor een katholieke eredienst,
zij vonden ook een doorgang naar het huis
ernaast. Juffrouw Van Haersolte en haar twee
meiden moesten naar aanleiding van dit voorval
voor de magistraat verschijnen. Van Lingen, oom
van de zusjes Heerma en contactpersoon tussen
zijn nichtjes en hun aanstaande werkgever, kreeg
ook een oproep. De eisen waren zeer hoog. Van
Lingen zou als belangrijkste hulpverlener zijn hals
verbeuren of verbannen worden. Bovendien
moest hij een borg van 2.000 goudgulden neertellen
om te voorkomen dat een van zijn nichtjes
zonder kennis van de magistraat de stad zou verlaten.
Voor zijn meid die de meisjes naar juffrouw
Van Haersolte gebracht had, moest hij met 200
gulden borg staan. Juffrouw Van Haersolte moest
een borg van 1.000 goudgulden betalen. De uitspraak
liet zes weken op zich wachten, het was niet
gemakkelijk recht te doen waar de predikanten
genoegdoening eisten. Van Lingen werd veroordeeld
tot een boete van 200 goudgulden, wat wel
een heel groot verschil was met de eerder geëiste
hals, zijn nicht moest ook 200 goudgulden betalen
en juffrouw Van Haersolte werd tot een boete van
100 goudgulden veroordeeld. Samen draaiden zij
ook op voor de kosten van de rechtszaak.30
Naar aanleiding van het voorval van de meisjes
Heerma besloot de magistraat op verzoek van de
gereformeerden ‘dat sij alle die papisten-huijsen
sullen visiteren van boven, van de hoogste solders
tot in de kelders incluijs, soeckende alle de gemacken
door, removerende alle schilderijen, kasten
ende alderhande huijsraet, daer eenige doorgangen
achter souden kunnen wesen en daer eenige
soodane doorgangen bevonden moghten worden,
daervan pertinente notitie te houden, selfs oock
van dachvensters, die grooter souden mogen
wesen als ordinaris’. Voor juffrouw Van Doetinchem
was het niet de eerste keer dat haar huis
overhoop gehaald werd. Waarschijnlijk was de
magistraat dit keer getipt. Dicke Trijne, een afvallig
klopje van de Jezuieten, was de vermoedelijke
tipgeefster. De magistraat had nota bene op schrift
staan hoe en waar de schuilplaatsen zouden zijn.
Maar juffrouw Van Doetinchem had of alles heel
goed weten te verbergen of de informatie van Trijne
was niet deugdelijk want er werd niets gevonden.
Bij juffrouw Van Sweersen had het onderzoek
meer resultaat, men vond vier ‘aenstootelijcke
plaetsen’. De vondst werd genoteerd, de
mokerhamer kwam er nog niet aan te pas. Bij de
pastoor in huis werd wel een muur gesloopt. Er
werd evenwel niets gevonden en hij bleef met de
ravage zitten. Bij een volgend huis vond men een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
altaar, een schuilplaats en ook nog een doorgang.
Vol goede moed trokken de onderzoekers naar
juffrouw Van Haersolte. Daar bleek de eerder
gevonden doorgang dichtgemetseld maar dat was
ook niet naar de zin van de stadsdienaars, zij sloegen
de nieuwe muur kapot. Ondanks verder
onderzoek werd in haar huis niets verdachts meer
gevonden. De dag werd besloten met een opwekkende
dronk voor de noeste zoekers ten huize van
en op kosten van de pastoor.31
Na de verstoringen in de jaren vijftig werd het
rustiger voor de Zwolse katholieken. De inval van
de Munsterse troepen in 1665 in Overijssel scherpten
de tegenstelling tussen de gereformeerden en
de katholieken echter weer aan. Men deed wederom
een inval bij Johanna van Haersolte, de deur
was notabene open, en men vond priester Houtman
met enige biechtelingen. De priester werd
meegenomen en gevangen gezet. Voor hem, de
huiseigenaresse en de personen die daar gevonden
waren volgde een boete van 1.200 gulden. Op diezelfde
dag wist pater Van den Dam bij een inval in
het huis van Maria van Doetinchem te
ontkomen.32
In 1669 ontdekte de gereformeerde kerkeraad
tot haar grote misnoegen dat de onlangs overleden
jonker Hendrik Knoppert een legaat van 5.000
gulden beschikbaar gesteld had voor een student
die op een katholieke academie ging studeren.33
De stadsdienaars wekken de indruk dat zij zeer
fanatiek naar verboden ruimtes zochten. Dat zij
desondanks hele gangenstelsels misten is verbazingwekkend,
te meer daar zij door verklikking
geholpen werden. En zó goed waren de gangen
niet verstopt. Dat vonden de katholieken ook,
want helemaal gerust na de recente onderzoekingen
waren ze niet. Bij Willem van Twenhuysen
werd de gang die achter langs meester Berent naar
de kapel van de pastoor liep ‘scherpsinnich toegemaeckt’.
Vanuit meester Berents huis was deze
gang ook bereikbaar, ‘de spijcekamer staende op
rolleties’ werd voor de ingang gezet. Bij Neeltien
Egberts bevond zich de doorgang achter de trappen.
Er werden een aantal spijkers door het hout
geslagen zodat het schot niet meer verschoven kon
worden. Echt degelijk klinkt het allemaal niet. De
deur tussen de kapel van de pastoor en de biechtkamer
was moeilijker te verstoppen. Een grote
kast moest uitkomst brengen. De deuren konden
op slot, de achterwand bestond uit een grote
vurenhouten plaat die het luik moest verbergen en
de achterkant van het geheel was met ‘leijstucken
benagelt ende met kalck bepleijstert’. Net een echte
muur. Het luikje tussen de pastoor en meester
Berent werd met een kistje aan het oog ontrokken.
Hoewel het bestaan van het luikje was verklikt
werd het niet gevonden maar omdat er volgens de
papieren toch een gang moest zijn, zijn de onderzoekers
met grof geweld de muur te lijf gegaan en
hebben er een gat ingeslagen. Aan de andere kant
leek echter alles bemuurd te zijn en ze kropen
weer terug. Bij juffrouw Van Doetinchem liepen
Het huisaltaar van de
Emmanuehhuizen.
Soortgelijke altaren
werden gebruikt in de
rooms-katholieke staties
die tevens als schuilkerken
fungeerden (foto:
Stedelijk Museum
Zwolle).
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ze regelrecht op de gezochte deur af, intussen
dicht gespijkerd en bedekt. De juffrouw was niet
thuis maar de aanwezige jonkers Arent van Oldeneel
en Hendrik Knoppert hebben de honneurs
op galante wijze waargenomen. Het gehele gezelschap
is door hen naar de herberg geleid ‘daer sij
wel getracteert sijn’.34
Boete, afkoping en intimidatie
Het bijwonen van een katholieke kerkdienst werd
beboet met minstens 25 gulden per persoon en de
eigenaar van het huis moest een boete van 200 gulden
betalen. Vaak kwam het niet zover. In de hoop
op een kleine vergoeding wilden de stadsdienaren
de katholieken wel waarschuwen als er een overval
in voorbereiding was,35 maar daar viel niet altijd
op te rekenen.
Vicaris Herckinge werd in 1646 in het huis van
juffrouw Van Sweersen opgepakt en in hechtenis
gezet. De reden was dat hij geen burger van Zwolle
was en zich daarom niet zonder toestemming van
de raad in de stad mocht ophouden. Na betaling
van 600 gulden mocht hij pas vertrekken.36
Gezien de financiële omstandigheden van de clerus
is het niet onwaarschijnlijk dat de katholieken
de fikse boete voor hem betaald hebben.
In 1652 werden Willem van Twenhuysen en
Sibylla van Bolten betrapt. Zij hadden toegang tot
eikaars huis via een deurtje op zolder en zij hadden
een verboden toegang naar de kerk van de
pastoor. Zij kregen voor deze overtreding een boete
opgelegd. De raad had op het hebben van zo’n
doorgang een boete van 100 goudgulden gesteld.
Van Twenhuysen en juffrouw Van Bolten vroegen
kwijtschelding van de boete.37 Dat lukte niet helemaal
maar de boete werd toch verlaagd tot 25
goudgulden. Om te voorkomen dat het verlagen
van de opgelegde boete valse verwachtingen voor
de toekomst zou kunnen wekken, dreigde de
magistraat iedereen die voor nieuwjaarsdag zijn of
haar verboden toegangen niet dicht gemaakt had,
met het opleggen van de volle boete van 100 goudgulden.
In opdracht van de magistraat moesten
metselaar en timmerman alle gevonden doorgangen
dichten, de kosten waren voor rekening van
de huiseigenaars. Juffrouw Van Haersolte kreeg de
werklui over de vloer en na afloop moest zij voor
de verrichte diensten zes gulden betalen.38
Dat de ijver om te zoeken met drank getemperd
kon worden was de katholieken wel bekend. Na
een inval bij juffrouw Van Sweersen, waarbij de
toegang tot het huis zo driftig geëist werd dat het
touwtje van de bel brak, gaf de juffrouw vier ducatons
aan Papen-Berent en zijn drie maten. Het
zoeken werd gestaakt en het geld werd omgezet in
brandewijn en koeken. Bij de magistraat gekomen
met de bedoeling om verslag uit te brengen waren
ze zo ‘bestoven ende besteken, datter twee van
desen qualijck costen sprecken, de andere twee
seijden dat se niemant gevonden hadden’.39
Stadsdienaars wisten echter ook de weg te vinden
als zij krap bij kas waren en een lening moesten
afsluiten. Waar konden ze beter terecht dan bij
een katholiek met geld? In de nalatenschap van
Maria van Doetinchem werd een schuldbekentenis
gevonden van Berent de dynder van 250 gulden.
Op een aanmaning reageerde Berent geprikkeld
en ‘dreighden aenstonds storing te willen
doen op het huis, – die schade wiert haer belooft te
sullen worden vergoedet, maer dat se wat patientie
moest hebben, dat anders oirsake soude sijn, de
gemeente eenigen tijdt van de godsdynst te frustreren’.
40
Ook de stadswacht wist bij de katholieken een
extraatje binnen te halen. Bij juffrouw Van Sweersen
stond de trommelslager op de stoep om de
halfjaarlijkse bijdrage voor de wacht op te halen.
Juffrouw Van Sweersen was gewoon om vier gulden
te geven en was zeer verwonderd dat de trommelslager
zes gulden vroeg. De twee gulden waren
zei hij ‘voor de nieuwe timmeragie’. Het was hem
niet ontgaan dat er onlangs achter het huis
gebouwd was, het was de nieuwe kerk van Sommer.
Hij voegde er aan toe ‘sijt gij onwillich, den
hopman sal ’t wel crijgen’. Om verdere moeilijkheden
te voorkomen heeft juffrouw Van Sweersen
hem het gevraagde bedrag gegeven. Zelfs de magistraten
vroegen onheuse boetes, vijftig goudgulden
omdat ze te lang hadden moeten wachten
voordat de deur voor hen geopend werd. Juffrouw
Van Doetinchem kwam er bij zo’n gelegenheid af
met een boete van 25 goudgulden. Juffrouw Van
Haersolte moest het volle pond betalen. De magiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
straten hadden te lang moeten wachten totdat
pater Ridder veilig in zijn schuilplaats geholpen
was.41
De laatste klopjes van fatsoen
27 februari 1670 was een sombere dag voor de
Zwolse katholieken. De magistraat liet afkondigen
dat voortaan geen twee katholieken meer naast
elkaar mochten wonen. Met de slinkse doorgangen
was het afgelopen. Twee maanden later overleed
Johanna van Haersolte. Pater Ridder moest
noodgedwongen verhuizen, ten gevolge van de
jongste maatregel mocht hij niet in het huis van
juffrouw Van Haersolte blijven wonen omdat er
aan weerszijde ook katholieken woonden.
Ook Sophia van Sweersen overleed in 1670.
Twee belangrijke kloppen in zo’n korte tijd was
een ernstig gemis voor de katholieken, hun dood
gaf grote verslagenheid. Het bleef niet bij deze
twee sterfgevallen. In 1670 overleden een juffrouw
Van Voorst en een juffrouw Bruins. In 1671 overleed
de klop Golda Geertruit van Doetinchem,
twee jaar later overleed Maria van Doetinchem.
De belangrijkste klopjes van fatsoen waren de
katholieke gemeenschap van Zwolle ontvallen.
De meest invloedrijke katholieke families
stierven uit zoals de Waeijers of trokken weg. De
Van Doetinchems gingen vooral naar België,
Zuid-Duitsland en Oostenrijk.
De Knopperts bleven nog lang in Zwolle
wonen, de latere klopjes uit deze familie zijn vooral
in de Koestraat te vinden. Ernstige verstoringen
hebben zij niet meer hoeven meemaken, dat was
voorbij.
Zwolle bleef achter met de tastbare bewijzen
van katholieke weldadigheid: de Vilsterenshuizen,
de Doetinchemshuizen, de Emmanuelshuizen,
door een kleinzoon van de stichtster aangevuld
met een huis in de Diezerstraat, en het armenhuis
van juffrouw Knoppert bij de Steenpoort.
Noten
1. E. Theissing, Over Klopjes en Kwezels, Utrecht/Nijmegen
1935,185.
2. Theissing, 35-36.
3. Theissing, 12, 69; J. Spaans, Haarlem na de reformatie.
Stedelijke cultuur en kerkelijk leven, 1577-1620,
Leiden 1989,77-79.
4. G.A. Meijer O.P., Nopende het aerts-priesterschap
van Swolle […], Utrecht 1921,161.
5. Theissing, 12.
6. J.C. Alberdingk Thijm, ‘Uit het “Cost Boeck” der
zoogenaamde Kloppenschool te Culemborg’, in:
Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom
Utrecht (ACAU), Utrecht 1879,37 (i9ii’, 326-343.
7. Theissing, 30,199.
8. Meijer, 188.
9. Theissing, 114-120,189.
10. Theissing, 185,189.
11. Theissing, 78-79, 83,96,114,120,160.
12. Th.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, Zwolle, 1961,
32-33-
13. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), inv. nr. AAZOI-I6.
14. A. van Dedem, Register van charters en bescheiden,
Kampen 1913, 638.
15. ACAU, 37 (1911), 339-
16. AG AU, 37 (l91l), 112, 118-120, 132.
17. Meijer, 359 e.v.
18. De Vries, 32-33.
19. VMORG 35 (1918), 28; W.J. Meeuwissen, Inventaris
van het familiearchief Heerkens (1371) 1614-1908,
Zwolle 1982, i452.
20. Th.J. de Vries ‘Neercassel’s dood [..]’, VMORG, 59
(i943). 56; AGAU, 37 (1911), 109-110.
21. Pater Ridder heette eigenlijk Theodorus, ridder van
Groenesteyn. Hij had zich schuldig gemaakt aan bigamie
en was na vergeving van zijn zonde toegetreden
tot de Sociëteit (VMORG, 59 (1943), 69).
22. Meijer, 179.
23. VMOKG 1943,52.
24. AGAU,37(1911), 109.
25. Meijer, 133.
26. A.Th. van Deursen, Mensen van klein vermogen. Het
‘kopergeld’ van de Gouden Eeuw, Amsterdam 1991,
324.
27. De Vries, 28.
28. Theissing, 190.
29. GAZ, AAZOI 65, 207; B.J. van Hattum, Geschiedenissen
der stad Zwolle, Zwolle 1773 (1975), dl. 3,327.
30. Meijer, 62-77.
31. Meijer, 65-75.
32. Meijer, 112-113; Van Hattum, dl. 3,400.
33. GAZ, KA017 004.
34. Meijer, 67-73.
35. De Vries, 40,48.
36. Van Hattum, dl. 3,320.
37. Van Deursen, 324.
38. Meijer, 73.
39. Meijer, 180-181.
40. AGAU,37(1911), 109-110.
41. Van Hattum, dl. 3,327.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schone kunst in vieze huizen:
het bezoek van de gebroeders Von Uffenbach aan Zwolle
gedurende 2 tot 5 mei 1710
Jeanine Otten Inleiding
In de zeventiende en vroege achttiende eeuw
bouwden honderden verzamelaars in Nederland
een collectie op. De verzamelaars waren
ontwikkelde burgers, de een rijker dan de ander,
met grote belangstelling voor de wereld om hen
heen. Ze hoorden tot de stedelijke elite, waren
regent, koopman, arts, apotheker of predikant.
Sommige collectioneurs waren gespecialiseerd,
anderen probeerden de wereld in al zijn verscheidenheid
te vatten en hun verzamelingen waren
meer universeel en encyclopedisch van karakter.
Er werd niet alleen verzameld uit curiositeit, maar
ook uit een behoefte aan kennis. De woon- en
werkvertrekken en studeerkamers van de verzamelaars
konden een mengeling van voorwerpen
herbergen: boeken, globes, koppen van Romeinse
keizers, voortbrengselen van natuur (naturalia) en
mensenhand (artefacta), kunstnijverheidsvoorwerpen
en etnografica.
Geen enkele verzameling is in zijn geheel
bewaard gebleven. In de meeste gevallen werden
de verzamelingen in Nederland na het overlijden
van de collectioneur geveild. De inhoud van veel
verzamelingen is bekend uit veilingcatalogi,
bezitscatalogi, boedelinventarissen, verslagen van
bezoekers, stadsbeschrijvingen of briefwisselingen.
1 De Hollandse verzamelingen waren wereldberoemd
in hun dagen en trokken bezoekers uit
alle delen van Europa. Zeer informatief zijn de
reisverslagen van de Duitser Zacharias Conrad
von Uffenbach (1683-1734), die tijdens drie reizen,
1705,17104711 en 1718 verzamelingen in Nederland
bezocht. Tijdens zijn ‘Merkwürdige Reisen durch
Niedersachsen, Holland und Engelland’, die anderhalf
jaar zou duren, bezocht Von Uffenbach in
1710 ook Zwolle alwaar hij onvermoed twee grote
kunstcollecties aantrof.
In dit artikel zijn de achttiende-eeuwse merkwaardigheden
van Zwolle overgenomen uit de
posthume uitgave van zijn aantekeningen, bijgehouden
op de reis die hij samen met zijn broer
ondernam van november 1709 tot april 1711.2
Gebroeders Von Uffenbach
In het voorjaar van 1710 reisden de broers vanuit
Duitsland naar Holland. Komend van Genemuiden
vertrokken ze op 2 mei 1710 met een bolderwagen
uit Kampen en arriveerden ze na vier uur in
Zwolle. Ze namen hun intrek in het logement ‘op
den Dyck in het gekroonte Munster’ (thans Thorbeckegracht
64). Tijdens hun verblijf bekeken de
broers de stadswallen en vestingwerken, gingen
ter kerke in de Bethlehemkerk waar het achtste
gebod uitgelegd werd, kregen van de koster een
rondleiding in de Grote of Michaëlskerk, bezichtigden
de Onze Lieve Vrouwekerk, bekeken de
verzameling boeken, schilderijen, prenten, instrumenten
en naturalia van uitgever Gerrit Tydeman
(ca. 1640-1714). Daarna bezagen ze de instrumenten
en uurwerken van uurwerkrnaker Willem Bramer
de Oude (overl. 1734) en tot slot de verzameling
schilderijen en prenten van predikant Frederik
van Leenhof (1647-1712)3. Tydeman bezat een
collectie anamorfosen. Een anamorfose is een vertekende,
onsamenhangende of zelfs onherkenbare
figuur, die vanuit een bepaald punt of met behulp
van bijvoorbeeld een cilindervormige spiegel
bekeken een coherent beeld oplevert. Anamorfosen
in encyclopedische verzamelingen golden van
de zestiende tot de achttiende eeuw als een bewijs
van ‘curiositas’, d.w.z. universele belangstelling.
Wie een encyclopedische verzameling bezat, kon
beschouwd worden als iemand van stand. Anamorfosen
hoorden naast allerlei optische instrumenten
thuis bij de ‘rariteiten’ (zeldzaamheden)
in de categorie artefacta.4
De eerste indrukken die de broers in de stad
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 87
opdeden, waren bepaald niet positief. De straten
waren hobbelig, smal en slecht en helemaal niet
goed aangelegd zoals in de door hen gebruikte
reisgids Europaischen Reisen van Paul Jacob Marperger
(1656-1730) vermeld stond. Zowel de straten
als de huizen waren niet schoon maar smerig
en vies. De broers hadden zich van te voren een
heel andere voorstelling van de stad gemaakt
doordat Marperger en Zeiller5 zich zo lovend over
Zwolle hadden uitgelaten: in bijna heel Duitsland
is geen stad te vinden die zo ‘luchtig’ ligt als Zwolle;
er is een overvloed van alle noodzakelijke zaken
te vinden; het stadsbestuur zelf is zó goed
benoemd dat de raad van deze stad in twijfelachtige
zaken ook door andere steden geraadpleegd
wordt, een gelukzaligheid die noch Aristoteles
noch Plato beschreven hebben.
Aantekeningen van Zacharias Conrad
Laten we nu Zacharias Conrad von Uffenbach aan
het woord:6
Ten bewijze [van de verkeerde voorstelling van
zaken in de reisgidsen] merkten we meteen twee
dingen op. Men zegt wel dat zoals het uurwerk
functioneert, ook het bestuur in een stad functioneert.
Hoewel dit gezegde vooral duidt op de
noodzaak van een goed toezicht op het uurwerk,
merkten we dat de stad slecht van klokken was
voorzien: men hoorde heel weinig klokken die
bovendien niet goed sloegen. Men hoorde in het
geheel geen klokkenspel zoals in bijna alle steden
der Zeven Provinciën7. Het tweede dat we
opmerkten waren de smerige straten, hetgeen
waarlijk geen klein gebrek is in de verordeningen,
waarbij ten derde ook de bedelaars te rekenen zijn,
die elders in Holland niet geduld worden.
De derde mei moesten we ’s morgen veel brieven
schrijven en ’s middags regende het de hele tijd
zodat we de hele dag niet buiten kwamen.
De vierde mei, zondagmiddag, wandelden we
over de stadswallen om de vesting te bekijken.
Marperger in Europaischen Reisen, p. 114 e.v. vermeldt
dat de stad is voorzien van elf bolwerken en
met brede en diepe grachten omgeven is. Alleen de
grachten leken ons niet zo breed, ze zijn van een
middelmatige breedte, de wallen en bolwerken
zijn van behoorlijke omvang maar op sommige
plaatsen zeer smal en tussen de Diezer- en de
Kamperpoort zelfs zeer vervallen. Daarna gingen
Schilderij met anamorfose
aan Matthias
Somer toegeschreven
(Utrecht Centraal
Museum; afgebeeld in
tent.cat. Stilleben in
Europa, Munster 1979,
103, afb. 63).
In een cilindervormige
spiegel wordt de voorstelling
herkenbaar als
een bij lamplicht lezende
oude man (afgebeeld
in tent.cat. Stilleben in
Europa, Munster 1979,
103, afb. 63).
De Pelsertoren met vervallen
stadsmuur, tekening
door Gerrit Grasdorp
(1659-1716) (coll.
Stedelijk Museum
Zwolle).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
• Interieur van de Grote
ofMichaëlskerk met de
kansel en het orgel
omstreeks 1880.
Prentbriefkaart van de
Bethlehemkerk
omstreeks 1900.
we in een kerk, de zogeheten ‘Blimische kerk’, ook
wel (zoals ze eigenlijk heet) de Bethlehemkerk
genoemd. Er werd catechisatie gegeven en het
achtste gebod over het kwaadspreken werd uitgelegd.
We verwonderden ons over het feit dat er
geen kinderen aanwezig waren, voor wie toch
eigenlijk het catechiseren bedoeld is, er waren louter
oude mensen van wie de oude mannen de één
na de ander de vragen van de predikant beantwoordden.
8 De kerk is niet groot en het is ook
helemaal geen bijzonder gebouw.
De vijfde mei bekeken we ’s morgens eerst de
zogenaamde Grote ofMichaëlskerk. Deze staat op
de Markt. Het is een mooi, groot, hoog, licht en
prachtig gebouw. De mooie kansel in de kerk is
zeer beroemd. Ze is met zeer veel houtsnijwerk
versierd maar haalt het naar onze mening niet bij
de kansel die we in Bolsward gezien hebben. Ze is
ook van eikehout, de versieringen zijn echter
gewoontjes en niet zo natuurlijk en kunstig
bewerkt. Op of onder de zes treden stonden de
jaren waarin de kansel vervaardigd werd, namelijk
van 1617 tot 1622. Op de bovenste twee treden
stond echter dit: ‘So.la.un.ha.gew.’ Wat dit betekende
en wat de naam van de meester was kon de
koster mij niet zeggen. Het eerste wil echter zoveel
Ceililehcmsche Kerk
zeggen als ‘So lang hat gewerkt’, oftewel ‘So lang
onder handen geweest’. De naam van de meester
vond ik linksvoor onder de kansel:
‘Al quam Godt van boven / Meester van alle
Man / noch sal ’t elck nit loven / ’t welk men
niet laken [moet zijn ‘laten’: aantekening Von
Uffenbach] kan. / Adam Straes van Weilborg
uyt dat Duyts / Landt Nassauwe / heft dit
gemaeckt sonder arch / en dat al door Gods
betruwe.’
Op de andere zijde stonden nog veel meer spreuken,
echter niet de moeite waard om te noteren.
Evenals het bovenstaande is het niet goed Nederlands
en ook niet goed Duits. Het andere, zeer
merkwaardige in deze kerk is de hoge stenen trap
die tot het gewelf van de kerk reikt. Deze staat,
hoewel ze 87 treden heeft, geheel vrij en heeft in
het midden geen post of zuil waarin gewoonlijk de
treden liggen. Ze lijkt daardoor op een slakkenhuis
en men kan heel aardig in het midden van
boven naar beneden en van beneden naar boven
kijken.9
De consistoriekamer is niet groot maar wel
mooi. In het midden, boven de schouw, hangt een
schilderij waarop de nu levende vijf predikanten
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
en drukker naar prenten en kopergravures vroegen,
troffen we daarvan onverwachts een grote
voorraad aan, alsook schilderijen en mathematische
zaken die hij verzameld had. Hij heet Gerrit
Tydeman en is ‘ordinar Drukker van de Staaten
van Overyssel’.” Hij is, zoals hij ons verzekerde, 73
jaar oud en heeft nog helemaal geen bril nodig.
Vroeger was hij schilder van beroep en daarom
heeft hij nu nog plezier in het verzamelen van
schilderijen en dergelijke.
Schilderij door Hendrick
ten Oever (1639-
1716), 1691, in de Grote
ofMichaëlskerk.
Gezicht vanuit de stadhuiskantine
op de Onze
Lieve Vrouwekerk en
Peperbus, pentekening
door Kitty Disch 1989
(coll. Gemeentearchief
Zwolle).
naast de koster om een tafel zitten en consistorie
houden, zeer goed geschilderd door Hendrick ten
Oever, 1691. Het schilderij is zó goed dat, wanneer
men het in de kerk van onder af bekijkt, men
denkt dat de mensen levensecht zijn. We troffen
onder die predikanten o.a. Van Leenhof aan,
beroemd vanwege zijn boekje ‘de Hemel op aarden’.
Op het schilderij is hij afgebeeld met een veer
in de hand. De toren aan de kerk is niet echt hoog.
Tijdens een onweer is de toren namelijk afgebrand.
10 Aan een zijde van de Markt bevindt zich
tegen de kerk de hoofdwacht: een sierlijk stenen
gebouw of huisje, waarboven staat: ‘VIGILATE
ET ORATE. / Anno 1614 / R. (reparatum) 1689.’.
Daarna wilden we de Onze Lieve Vrouwekerk
zien die door Marperger tot de bezienswaardige
gebouwen wordt gerekend. Alleen is er niets aan te
zien omdat ze al een tijdje leeg staat en tamelijk
vervallen is. Het is wel een groot gebouw, jammer
dat het zo verloedert. Op de tamelijk hoge toren
bevindt zich het uurwerk, dat echter zeer slecht is
zoals boven vermeld werd. Omdat het nog vroeg
was gingen we gewoontegetrouw naar een boekhandel
op de Markt. We vonden weinig goede
boeken maar toen we bij de oude boekhandelaar
Vervolgens toonde hij ons in een kamer veel
mooie schilderijen. Waaronder enkele heel bijzondere:
een perspectivisch stuk van de Oude
Kerk in Amsterdam, waarop het door de vensters
vallend zonlicht en schaduwen op de pijlers te
bewonderen waren. Verder een buitengewoon
mooi stilleven met spijzen [banketje] en ettelijke
zeestukken. Daarna leidde hij ons naar zijn druk-
De Hoofdwacht voor de
restauratie van 1883
(foto: F.W.H.Deutmann
omstreeks 1870,
coll. Waanders, coll.
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Emanuelde Witte
(1616/18-1692), interieur
van een protestantse
gotische kerk met
motieven van de Oude
Kerk te Amsterdam
(coll. Rijksmuseum
Amsterdam, inv.nr.
SK-A-4055. Copyright
Rijksmuseum-Stichting
Amsterdam).
Pieter Janssens Elinga
(1623-voor of in 1682),
perspectiefkast (coll.
Museum Bredius Den
Haag).
gelijmd en zeer fraai vervaardigd.
Daarna toonde de heer Tydeman ons zijn
bibliotheek die louter uit mathematische en perspectiefboeken
bestond. Hoewel het meeste in het
Nederlands en Frans was zaten er zeer veel goede
boeken tussen. Zijn bibliotheek bestond uit ongeveer
400 banden.12 Heer Tydeman is een verwoed
verzamelaar en, zoals hij inderdaad door voorwerpen
die door hem zelf vervaardigd waren bewees,
een groot kenner van het Perspectief en de Gnomonica
[kennis omtrent zonnewijzers]. Ten eerste
liet hij ons ettelijke kleine kastjes zien die de
beginselen van het Perspectief tonen. Een van deze
kastjes was van binnen aan alle vier zijden met een
verwrongen figuur beschilderd en men kon, wanneer
men er van bovenaf in keek, er niets uit
opmaken of herkennen. Als men echter door een
klein gaatje keek, dat naar het oogpunt gemaakt of
gericht was, zag men een kamer vol met stoelen.
Een stoel stond in het midden, terwijl er toch in
het midden geen [penseel]streek te zien was .’3
kerij en zijn woonvertrekken die ook vol mooie
schilderijen hingen. Het belangrijkste daaronder
was een klein schilderij met een heel bijzondere
voorstelling van een plundering en brandstichting
van ettelijke huizen bij nacht.
Daarna toonde hij ons zijn prenten. Daarvan
bezat hij een geweldig groot aantal zowel in portefeuilles
als ook van hele collecties en tezamen uitgegeven
werken van de beste meesters.
Hij verzekerde ons, zoals ook wel aannemelijk
was, dat hij meer dan 14.000 stuks bezat. Van bijna
alle bekende meesters, behalve van de oude meesters,
was wel iets aanwezig, van de meesten echter
zeer veel. De prenten waren echter niet zo goed
geordend. En hoewel hij met veel moeite een catalogus
van zijn verzameling heeft gemaakt, is deze
geordend volgens de volgorde van de prenten in
de boeken en op volgorde van aankoopdatum.
Echter er bestaan ook – naar onze mening – verscheidene
verzamelingen die zowel tezamen
gevoegd alsook uitgegeven of in der tijd tezamen
gebracht zijn. In een klein langwerpig boekje (het
leek wel op een stamboek) stonden meer dan dertig
op kaarten met olieverf geschilderde kleine
zeestukjes afgebeeld, op zwartgeverfd karton
Een ander kastje bevatte ongeveer 30 van papier
gescheurde figuren, die men na elkaar in het kastje
kon leggen en bekijken, het kastje was voor het
gemak zo gemaakt dat men niet voor elke figuur
een apart kastje hoefde te hebben. Daarna zagen
we andere verwrongen figuren, waaronder een
buitengewoon mooie kegel waarop een oude
lezende man met bril was voorgesteld.14 De meetZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
kundige instrumenten die hij had, waren ook zeer
mooi. Ik kan ze niet goed beschrijven omdat mij
de tijd ontbrak daarvan een schets te maken. Twee
heel bijzondere universeel zonne-uurwerken
waren buitengewoon mooi, gemakkelijk en zeer
deugdelijk en nauwkeurig voor allerlei observaties.
Ik vermeld niets van de veelhoek met allerlei
klokken en andere bekende voorwerpen. Tenslotte
wees hij ons op ongeveer 30 dozen vol zelfverzamelde
insecten en enige in glazen potten en spiritus
bewaarde zaken. Omdat de heer Tydeman
vol lof sprak over een mecanicien alhier, Bramer
genaamd, gingen wij nog voor etenstijd naar deze
persoon toe, in de veronderstelling enige instrumenten
bij hem aan te treffen.15 Hij verontschuldigde
zich echter dat hij helemaal niets klaar had
staan. Omdat de instrumenten in Zwolle geen
aftrek vonden legde hij zich alleen toe op het
maken van uurwerken. Hij toonde ons enige grote
en kleine zeer zuivere uurwerken die hij goed verkocht.
’s Middags bezochten we dominee Leenhof
[Frederik van Leenhof, 1647-1712]. We gingen
alleen naar hem toe omdat hij beroemd was
geworden door zijn boek, waarover een heftige
strijd ontstaan was. We verwachtten niet iets bij
hem te zien. We troffen echter een mooie voorraad
schilderijen en prenten aan.16 Hieronder
bevond zich een heel bijzonder stuk op doek, zo
geschilderd dat het eruit zag als een plank waarop
een prent was gelijmd. Het zag er zó natuurlijk uit
dat, als men het van heel dichtbij naderde, men
het bedrog niet eerder in de gaten had, dan totdat
men het aanraakte en voelde dat het maar doek
was.17 Verder zagen we bij hem een paneelschildering,
de geschiedenis van Maria Magdalena voorstellend.
Hij had er een houten geschilderde kast
om laten maken en hij beschouwde het als zeer
belangrijk omdat het al aan het begin van de zestiende
eeuw door een tijdgenoot van Lucas van
Leyden [1494-1533] gemaakt was. De schildering
en tekening is naar onze mening echter niet zo bijzonder.
Wat de prenten betreft, die lagen in zulke verschrikkelijk
grote en dikke portefeuilles zoals ik
van mijn levensdagen nog niet heb gezien. Het
papier was met het grote grijze olifant papier
e, die fji in Kertk_geft,ea ,
GehewfiemA God en qujt hier innl « w j n ete
Portret Frederik van
Leenhof met hekeldicht
(coll. Stedelijk Museum
Zwolle).
ongebroken of tezamen gelegd, aan het einde aangehecht
en daarover was in de lengte een stuk van
twee handen breed aangelijmd. Het was bedekt
met onovertrokken vingerdik eikenhout. Deze
uitvinding, zoals men ze vindt bij veel boeken in
oude bibliotheken, vooral in kloosters, is voor zulke
grote portefeuilles zeer geschikt en ik wenste
dat mij dat ingevallen was toen ik mijn portefeuil-
Trompe l’oeil of’bedriegertje’:
schilderij, olieverf
op doek, van plank
waarop een prent is
gelijmd (voorbeeld:
Sebastian Stofikopf toegeschreven,
trompe l’
oeil met gravure,
Wenen Kunsthistorisches
Museum (afgebeeld
in tent.cat. Stilleben
in Europa, Munster
1979, 499)-
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Titelblad Den Hemel op
Aarde opgeheldert van
de Nevelen van Misverstand,
en Vooroordelen,
Eerste Deel door Frederik
van Leenhof, uitgegeven
te Zwolle door
B. Hakvoord 1704 (coll.
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
les voor portretten liet maken. Men zou ze van
sierlijk hout kunnen nemen en laten inleggen met
wortelnotenhout zodat het dan veel op een Franse
band lijkt. Wat de prenten zelf betreft, daarvan
was er een zeer grote hoeveelheid, maar voor
zover wij ze gezien hebben, in hoofdzaak van louter
nieuwe meesters zoals Nicolas Ie Brun, Callot,
Ie Fage, enzovoorts. Op een schoorsteenmantel
stonden zeer veel keizerskoppen die in Leiden zeer
fraai gemaakt worden van gips en daarna
gebronsd.
Om terug te komen op de heer Van Leenhof en
zijn strijd: het is een man van ruim 40 jaar, zeer
begaafd in het preken, en hij staat daarom, en vanwege
zijn humaniteit, bij hoog en bij laag in hoog
aanzien, zowel in de stad als bij de Staten van de
Provincie. Maar door zijn boek, de Hemel op
aarde, heeft hij zich door enige qui Classicum cecinere,
is de woede van de hele geestelijkheid van alle
provincies op de hals gehaald. Op zijn minst zijn
zij er op uit dat hij uit het predikambt stapt, maar
de zogeheten Magistraat [= Zwols stadsbestuur]
en de Staten van de Provincie daarentegen proberen
hem te behouden; men weet nog niet hoe het
eigenlijk zal aflopen.
Enigen verzekerden mij dat hij deze week voor
de laatste keer preekt, maar dat de uitdeling van
het Avondmaal, het dopen van kinderen, het
troosten der zieken en dat soort zaken, met uitzondering
van het verkondigen van de leer, voor
hem behouden blijven.
Wat de bezoldiging betreft krijgt hij van de
Magistraat, in plaats van de 1000 gulden die hij
kreeg, 800 gulden; de Staten van Overijssel geven
hem echter uit bijzondere vrijgevigheid 400 gulden
jaarlijks. Daar hij voorheen van de Staten
niets ontving, wordt hij er niet slechter van. Hij
kan er van rondkomen omdat hij nog ongetrouwd
is. Men verwondert zich erover hoe heftig de theologen
over deze kwestie de degens gekruist hebben.
Velen zijn van mening dat als hij zijn traktaatje
niet zo’n bijzondere titel had gegeven, men
zich er niet aan gestoord zou hebben. Maar omdat
de theologen zich tegen alle vernieuwingen verzetten,
zo wilden ze in het bijzonder van geen nieuwe
Hemel op aarde weten. Of de beschuldigingen en
verdachtmakingen tegen de heer Van Leenhof
H E E L
© e j *
M
A A R D E N
OPGEHELDERT
V A N DE
Nevelen vanMisvcrftandjCnVooroprdeclcn.”
EERS.TE.DEEL.
JÜaat (n tw <0;tmtUH rn ctrwtnt %»imf rftlnnrn ut Drtürüiflidae tioiyTiormii/ tmtnatmtRfiijrtrii ilfW!icii&rfj;ffifiiöa4crc 1 WB.HAKVOORD. SSortfccftopreoan onterecht zijn laat ik in het midden. Uiterlijk ziet hij er slim genoeg uit, hoewel in het overige zijn eruditie, voor zover ik dat in het discours kon bespeuren, helemaal zo groot niet is. '9 De zesde mei, dinsdagmorgen om vier uur, vertrokken we uit Zwolle. We kwamen steeds bij de kleine rivier de Aa, die door Zwolle tot in de zee bij Genemuiden gaat. De weg was niet zo goed als in de overige provincies der Nederlanden, maar zeer slecht. Hieruit blijkt dat de voorschriften en de verordeningen van de stad Zwolle toch niet zo goed zijn. Hierbij moet ik dan nog aantekenen dat ik in Zwolle overal naar de wetten en constituties van de stad gevraagd heb, om te zien of ze dan zo voortreffelijk zijn. Ik vernam echter dat die nooit gedrukt zijn en dat men van stadswege alleen maar enkele speciale verordeningen bijvoorbeeld op het gebied van het vuur heeft. Wel heeft men het landrecht van de provincie in druk maar dat geldt niet voor de stad. Nadat we in drie uren anderhalve mijl20 gereden hadden kwamen we bij een dorp, Wijhe genaamd, dat halverwege Deventer ligt en waar de gewone postwagen, die elke dag uit beide plaatsen vertrekt, wisselt. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93 Noten 1. Op de tentoonstelling De wereld binnen handbereik, 26 juni - ïi oktober 1992 in het Amsterdamse Historisch Museum, werd een representatief overzicht gegeven van wat er in de zeventiende en vroege achttiende eeuw verzameld werd. Zie: De wereld binnen handbereik: Nederlandse kunst- en rariteitenverzamelingen, 1585-1735. Catalogus en esaybundel, Amsterdam (Amsterdams Historisch Museum), 1992. 2. Z.C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engeland, Ulm & Memmingen: Joh. Fr. Gaum 1753-54,3 dln., dl. 2 (1753), p. 361-371. (Rijksmuseum Amsterdam, coll. Bibliotheek, 319-E15A7). 3. Sloet tot Oldhuis publiceerde in 1854 de voornaamste indrukken van VonUffenbach tijdens het verblijf in Overijssel in 1710. Datgene dat Sloet tot Oldhuis met betrekking tot Von Uffenbachs verblijf in Zwolle uit diens geschriften overnam is minder uitgebreid. Zo ontbreken bij Sloet tot Oldhuis de uitvoerige beschrijvingen van de kunstverzamelingen van Gerrit Tydeman en Frederik van Leenhof en het bezoek aan de uurwerkmaker Willem Bramer. Zie: B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, 'Zacharias Conrad von Uffenbach in Overijssel. 1710.', in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren, 19 (1854), 257 e.v., voor Zwolle: 258-264. 4. J. de Meyere, H. Weyma, Anamorfosen: kunst met een omweg, Bloemendaal 1989,7,74. 5. 'Zeiller in itin.Germ. p. 453 aus Braunio en Casp. Ens.'. Von Uffenbach, op cit. (zie noot 2), 361. Schrijver en titel konden niet achterhaald worden. 6. De tekst van Von Uffenbach met betrekking tot het verblijf in Zwolle is in dit gedeelte van het artikel zo volledig mogelijk geparafraseerd. 7. Zie over de uur- en slagwerken van de Zwolse kerken: TJ. de Vries, Hora ruit, tempus fluit, Zwolle 1963,8,28,39. 8. In de kerk werd zondags slechts een dienst gehouden, 's middags vond er een 'publieke catechisatie' plaats. Zie: W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle, Zwolle 1890,177. 9. In de hoek tussen de oostgevel v

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1995, Aflevering 3

Door 1995, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

– A >5
1
Historische
IETIJD
F
1 2 E J A A R G A N G 1 9 9 5 N U M M E R 3
./ i
t
ï/ó
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voor en na de revolutie
.DocoetW •-•«”*<«« »anhoud«adiold. er io.ooo ' " *" *iu do Zie gotc$tn, wordou mei ÏÖtcbtea hul» io oiKtc'zoükcn of cl ooit VP>QJ vcippiscQ vucn^^
. Op Keiioj^t EulIcD.t.ll» treitcdebetalxiqEeB vmqdta, en :’r^tv
De veranderingen in het revolutiejaar 1795
kunnen treffend geïllustreerd worden door
een vergelijking van twee exemplaren van de
Zwolsche Courant; een van voor en een van na de
Bataafse revolutie. Er vallen dan drie zaken op: de
naamsverandering, het verschijnen van een uitgesproken
politiek motto en een nieuwe jaartelling.
Voor 1795 heette het blad de Overysselsche Courant.
Op last van het Zwolse revolutionaire stadsbestuur
werden de uitgevers in mei 1795 gedwongen de naam te
veranderen in Zwolsche Courant. Dit was zeer tegen de
uitdrukkelijke wens van de uitgevers, vader en zoon
Tijl, die vreesden daardoor lezers in andere plaatsen te
verliezen.
Deze dwang van het stadsbestuur, die niet toegelicht
werd, is opvallend in strijd met een van de nieuwe
politieke patriottische uitgangspunten die de uitgevers
in de kop van de Zwolsche courant plaatsten. Het waren
de kernbegrippen van de nieuwe maatschappelijke
orde, de bekende trits: vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Tegelijkertijd werd het begin van de aangevangen
revolutionaire tijd aangeduid door een aangepaste jaartelling.
Het revolutionaire bestuur startte met een nieuwe
jaartelling: ‘Het eerste jaar der Bataafsche vryheid’.
Omdat niet alle kranten uit 1795 bewaard zijn is
niet duidelijk wanneer vader en zoon Tijl voor het eerst
revolutionaire kleur bekenden. Het is duidelijk dat zij
zich om commerciële redenen verbonden met de nieuwe
tijdgeest want zo goed als iedereen in Zwolle was patriottisch,
dus Bataafs gezind.
Zo werd de lezer er om de paar dagen (de krant verscheen
nog niet iedere dag) aan herinnerd – zo hij dat al
vergeten kon zijn en misschien wel tot zijn chagrijn – dat
de oude tijd voorbij was en hij in een nieuwe era leefde.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Redactioneel Inhoud
Tot de bekende, op de lagere school en later
geleerde mooie ronde jaartallen behoort naast
uiteraard 1600 ook 1795, het jaar van de Bataafse
revolutie.
Tweehonderd jaar geleden trokken de Fransen over
de bevroren rivieren de Verenigde Republiek binnen.
Men werd verlost van de ’tiran’ Willem V, die trouwens
al naar Engeland gevlucht was, en het bewind van de
aristocratie. Ook te Zwolle vond een omwenteling
plaats waarbij de patriotten die in 1787 verdreven waren
weer in het stadsbestuur kwamen. De revolutie zorgde
het hele jaar voor de nodige commotie. Aan een aantal
aspecten wordt in dit nummer aandacht geschonken.
J.J. Seekles beschrijft de activiteiten van het Comité
Revolutionair dat in januari 1795 de omwenteling tot
stand bracht. Hij onderzocht ook welke sociale positie
de leden van het Comité onder de Zwolse burgers innamen.
In maart raakte Zwolle verwikkeld in een regeringscrisis
doordat het zittende stedelijk bestuur het bijltje
erbij neerlegde. Wat de heren bezielde wordt verteld
door H.A. Stalknecht.
Het vervolg van de gebeurtenissen haalt J.C. Streng
op. Daarbij wordt zowel aandacht besteed aan de hoge
idealen van de patriotten en de bestuurlijke democratisering,
als ook aan de dagelijkse beperkingen.
De muziekcultuur werd verrijkt met Frans revolutionair
repertoir. F.D. Zeiler is de aangewezen figuur die
daar meer over kan vertellen.
Nog in 1955 was de Zwolse revolutie voor Hans van
Assen de aanleiding om er een spannend jongensboek
over te schrijven. Aan dit vrijwel vergeten boek, wordt
hier nog eens herinnerd.
Aan het slot een huishoudelijke mededeling. In het vervolg
zal de bibliothecaresse van het Zwolse archief, Marieke
Schaap, de lezers van dit tijdschrift op de hoogte
houden van de belangrijkste nieuw verschenen boeken
en artikelen over de geschiedenis van Zwolle.
Voor en na de revolutie 76
Het Comité Revolutionair te Zwolle J.J. Seekles 78
In memoriam Rob van den Elzen 78
Gantsch wederregtelyk in de wereld gebragt’.
Waarom de municipaliteit bedankte H.A. Stalknecht 85
Het eerste jaar der Bataafse vrijheid J.C. Streng 89
‘Welaan! rechtschapen Vaderlanders!’ Muziek rond het revolutiejaar
1795 F.D. Zeiler 98
Drie jongens in revolutietijd, een jongensboek van Hans van Assen
J.C. Streng 104
Literatuur 106
Agenda 107
Mededelingen 108
Auteurs 109
Omslag: De Bataafse revolutie te Zwolle is door de tijdgenoten niet in beeld
gebracht. Deze afbeelding van het binnenrukken van de Fransen door de Sassenpoortwerdin
1955 door R. van Looy gemaakt voor het boek ‘Drie jongens in
revolu tietijd’. ^^^^HBBB^^^^^H
78 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
J.J.Seekles
Het verslag van de laatste
bijeenkomst van de
meente. Hiermee kwam
een einde aan dit eeuwenoude
instituut.
Het Comité
revolutionair
te Zwolle in 1795
Naar de organisatie, samenstelling, sociale structuur
en activiteiten van burgers die betrokken
zijn geweest bij de staatkundige ontwikkelingen
op landelijk en lokaal niveau tussen 1780 -1812 zijn
diverse onderzoekingen verricht. Vooral de hedendaagse
belangstelling voor deze nieuwelingen of Homines
Novi heeft tot een groot aantal publicaties geleid. Wie
waren zij; hoe kwamen zij aan de macht; wat valt er te
vertellen over hun opleiding, beroep en welstand? In dit
artikel staan vooral de leden van het Comité Revolutionair
te Zwolle centraal.
Door genealogisch en biografisch onderzoek zijn
over de leden van het Zwolse Comité Revolutionair zoveel
mogelijk gegevens verzameld. Hierbij is gebruik gemaakt
van de door Elias en Scholvinck gehanteerde methode
in hun boek Volksepresentanten en Wetgevers, de
politiek elite in de Bataafs-Fanse tijd, 1796-1810. Maar
vooraf aan het onderzoek gaat een paragraaf met een
beknopte beschrijving van de historische gebeurtenisü
/
-&~*-~ (Lus ^ x 1 “>
.’/-tl
sen die hebben geleid tot de fluwelen revolutie te Zwolle
in januari 1795. Besloten wordt met enige conclusies.
De machtswisseling in januari 1795
Eind juni 1787 hield het Goudse vrijcorps prinses Wilhelmina
aan bij Goejanverwellesluis. De Oranjepartij
gebruikte dit als voorwendsel om haar broer koning
Frederik Willem II van Pruisen tot een interventie te
bewegen. De Pruisische commandant Van Goltz trok
op 23 september 1787 Zwolle binnen. Op de interventie
volgde niet meteen een restauratie. Deze kwam pas in
oktober tot de magistraat in orangistische geest werd
hervormd. Slechts drie patriotse burgemeester bleven
gehandhaafd.
Deze zogenoemde restauratieperiode (1787-1795)
verliep betrekkelijk rustig in Zwolle. Oranjeterreur van
betekenis vond niet plaats. Van vervolging van patriotten
was geen sprake. Hoewel openlijke patriotse genootschappen
verboden waren, bleven vergaande
maatregelen tegen patriottischgezinde organisaties, zo-
In memoriam
Rob van den Elzen
Begin juli kreeg de redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift bericht dat Rob van den Elzen zijn activiteiten
als grafisch vormgever voor de vereniging
moest stopzetten. Hij was getroffen door een ernstige
ziekte.
Een maand later – op 3 augustus – is Rob overleden.
Sinds 1991 was hij actief voor het Zwols Historisch
Tijdschrift. Dankzij zijn kwaliteiten kreeg het
blad van de ZHV de uitstraling van een professioneel
tijdschrift. De complimenten die werden ontvangen
voor de nieuwe lay-out hoorden hem toe.
In de afgelopen periode is er sprake geweest van
een zeer plezierige samenwerking; op Rob kon je rekenen.
Rob voelde de aard van de ZHV perfect aan. Hij
moet een zwak gehad hebben voor de vereniging.
Het is triest dat zo’n goede samenwerking zo
bruut afgebroken wordt. Het verlies van de ZHV valt
echter in het niet als dat afgezet wordt tegen dat van
zijn naaste familie. Wij hopen dat zij de sterkte kunnen
opbrengen in deze zo moeilijke periode.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
als het Zwolse Departement van de Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen en het Commercie College, achterwege.
In de loop van 1794 begonnen de Franse militaire
successen de orangisten steeds meer zorgen te baren. Er
vonden bidstonden plaats om Gods bescherming af te
smeken tegen de oprukkende revolutionairen. In januari
1795 naderden de Fransen Zwolle. De stad lag op de
route van terugtrekkende Engelse troepen naar Hannover.
Tegen het eind van de maand maakten de Engelsen
zich op om de stad te verlaten.
In het machtsvacuüm tussen het vertrek van de Engelsen
en de komst van de Fransen grepen de patriotten
hun kans. Zij kwamen samen in de Nieuwe Concertzaal,
gelegen op de hoek van de Bloemendalstraat en de
Koestraat.
Er werd een Comité Revolutionair gevormd. Op 30
januari 1795, de Fransen waren toen al in Kampen, eiste
het comité revolutionair een samenkomst van Raad en
Meente. Het stadsbestuur stemde daarin toe. Intussen
bezetten gewapende burgers de Sassenstraat, de Grote
Markt en het Grote Kerkplein.
De wapens hadden zij kort tevoren van het stadsbestuur
gevraagd en gekregen, zogenaamd om zich te beschermen
tegen losgeslagen Engelse soldaten. ‘
Op deze historische bijeenkomst, het zou de laatste
gezamentlijke vergadering van raad en meente worden,
werden de heren door Pyman – in een door Nolst geschreven
rede – verzocht om af te treden. Er zat met de
Franse troepen voor de poorten en een gewapende burgerij
op de markt voor het stedelijk bestuur niets anders
op dan te vertrekken. Door het Comité Revolutionair
werden vervolgens zestien Volksrepresentanten en een
secretaris gekozen, die de stad twee maanden zouden
gaan besturen. Dit college bestond voornamelijk uit de
patriotse regenten van 1787, aangevuld met andere patriotten.
De grote klok werd geluid om de burgers te
verzamelen en het nieuwe bewind voor te stellen. Door
herhaalde toejuichingen gaf “het Volk” zijn toestemming
aan de keuze. De Volksrepresentanten werden
door het Comité Revolutionair geïnstalleerd en legden
op het balkon van het stadhuis” de Eed af aan het Volk”.
De vaandels van het patriottische burgerexercitiegenootschap,
dat in september 1787 was opgeheven, werden
door Pyman onder toejuichingen aan het volk getoond.
Kanongeschal vanaf de wallen maakte de Zwolse
fluwelen revolutie – en daarmee het einde van het ancien
régime – aan de omliggende plaatsen bekend.2
Een sociale stratificatie van het Comité
Revolutionair
In 1976 publiceerde M. van Heuven-Bruggeman de
resultaten van een onderzoek naar de leeftijd, het
geloof, de woonwijk, het beroep en de gegoedheid van
de ondertekenaars vaneen rekest uit 1785.3 Het bij
Raad en Meente ingediende rekest bevatte bezwaren en
grieven tegen het Regeringsreglement van 1748. Het
rekest werd ondertekend door ongeveer de helft van de
toenmalige Zwolse bevolking. De werkwijze van Van
Heuven-Bruggeman vond navolging in 1988 toen H.
Schrijver de sociale structuur van de Zwolse patriotten-
Gerritjan Pyman
(1750-1839), in 1787
vluchtte hij naarFankrijk,
in 1795 was hij tijdens
de Zwolse revolutie
de leidende figuur.
beweging tussen 1780 – 1787 onderzocht.4 In zijn scriptie
probeerde Schrijver het door Van Heuven-Bruggeman
geanalyseerde rekest uit 1785 te vergelijken met
tien andere namen- en ledenlijsten van Patriotse orga8o
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nisaties in de periode 1783-1802, teneinde vast te stellen
“welke mannetjes het beeld bepaalden”.
De door Van Heuven-Bruggeman en Schrijver gehanteerde
werkwijze vormde ook de basis voor een nadere
analyse van de leden van het Comité Revolutionair,
met dien verstande dat aan “wijken en welstand”
slechts summiere aandacht is geschonken. Afsluitend
zal worden ingegaan op de rol en positie van leden van
De leden behoorden praktisch allemaal tot de Nederduits
Gereformeerde Kerk. Ook dit is niet zo verwonderlijk.
Ruim 3/4 van de Zwolse bevolking maakte
immers deel uit van dit kerkgenootschap. Wat meer
verbazing wekt is de deelname van twee leden (Van
Cleeff en De Roos) van de Doopsgezinde gemeente, terwijl
drie leden (Lans, Nilant en Pyman) aangesloten waren
bij de Vrijmetselarij. Het was vooral Pyman, die als
Op de pui van de raadstoren
op het Kerkplein
maakte Gerritjan
Pyman de revolutie
bekend.
het Comité Revolutionair na 1795 en zullen conclusies
worden getrokken.
Leeftijden en religie
De leden van het Comité waren tussen de 30 en 56 jaar
oud. De gemiddelde leeftijd bedroeg 41 jaar. Een weinig
opzienbarende conclusie. Dat waren de mensen, die in
het volle leven stonden, als potentiële kiezers.
Pompe van Meerdervoort was met zijn 30 jaar de
jongste, de oudste was de 56-jarige Hendrik van der
Veen. De groep bestond uit negen dertigers, drie veertigers
en vier leden waren ouder dan vijftig.
voorzittend meester van de vrijmetselaarsloge “L’inébranlable”
te Zwolle gedurende de jaren 1786-1788 voldoende
mogelijkheden had om het patriottische gedachtengoed
onder de gegoede burgerij te verspreiden.
Dat geen enkele Jood lid was van het Comité heeft
voornamelijk te maken met verminderende verdraagzaamheid
van regenten en bevolking. De vrijheid van
Joden bleef ook na 1785 aanzienlijk beperkt; de Joden
werden uit de meeste gilden geweerd en waren uitgesloten
van deelname aan verkiezingen.
Het volledige ontbreken van rooms-katholieken,
hoewel 22% van de bevolking uitmakend, werd veroorZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
zaakt door de angst voor represailles door de Magistraat.
De rooms-katholieken durfden het niet aan de
patriottische beweging al te openlijk te steunen.
Beroepen
Delen we de leden van het Comité in naar beroepsgroep,
dan moeten we constateren dat het merendeel
(tien leden) afkomstig is uit de lagere middenstand. Zo
treffen we een bakker, een schoenmaker, een bleker,
een timmerman, een graankoopman, een houtkoopman,
twee branders en twee leerbereiders aan. De
schoenmaker C. Jansen was in 1783 president van het
Schoenmakers-en looiersgilde. De brander Van Cleeff
zat in het bestuur van het St. Nicolaas-of kramersgilde.
Geconcludeerd mag worden, dat de Zwolse ambachtsgilden
in het Comité goed vertegenwoordigd waren en
ongetwijfeld de nodige invloed zullen hebben uitgeoefend.
Nolst en Nilant hadden een academische opleiding
genoten. Nolst was medicinae doctor en had zich na zijn
studie als arts in Rotterdam gevestigd. Vanwege zijn patriottische
gezindheid moest hij in 1788 Rotterdam verlaten.
Nolst trok daarop naar Zwolle. Deze keuze zal
dan ook niet zo toevallige zijn geweest, want Nolst kende
als lid van het dichtgenootschap “Studium Scientiarum
Genitrix” de bekende Zwolse dichter Rhijnvis
Feith.
Nilant behoorde tot het bekende Zwolse gelijknamige
magistraatsgeslacht, dat decennia lang als burgemeester,
schepen en raad in het stadsbestuur vertegenwoordigd
was. Nilant was verwant aan andere invloedrijke
regentengeslachten, zoals Greven, Scriverius en
Gelderman, die zeker sympathieën hadden voor de patriottische
beweging.
In 1778 vertrok Nilant naar Leiden om rechten te
studeren. Hij werd in 1779 aangenomen in de Leidse
vrijmetselaarsloge “La Vertu”, een kweekplaats van patriotse
denkbeelden. Hij trad in 1786 toe tot de Zwolse
vrijmetselaarsloge “L’inébranlable”, die onder leiding
stond van Pyman. Zijn politieke carrière begon in 1782
toen hij namens de wijk Voorstraat tot gemeensman
werd gekozen. Bij de verkiezingen van nieuwe schepenen
op 25 januari 1787 werd hij als patriot tot schepen
van de stad gekozen. Na de Pruisische interventie in
september 1787 verdween Nilant van het politieke toneel.
Zijn terugkeer in 1795 luidde een nieuwe periode
van politieke macht in. Eerst als verwalter-schout van
Zwollerkerspel, later als burgemeester en secretaris van
de gemeente Zwollerkerspel bleef Nilant tot aan zijn
overlijden in 1837 een belangrijke stempel drukken op
het politieke, maatschappelijke en economische leven.
De lagere adel werd vertegenwoordigd door een lid
van het geslacht Pompe van Meerdervoort uit Dordrecht.
Waarom Pompe van Meerdervoort in 1794 naar
Zwolle kwam is niet duidelijk. Na de Bataafse omwenteling
nam hij als commandant van de gewapende burgerwacht
en directeur van het Commercie College belangrijke
sleutelposities in. In de loop van 1796 keerde
hij plotseling terug naar het westen en startte een carrière
in de landelijke politiek. Hij werd lid van de Raad van
Oorlog, daarna van de Raad van Amerikaanse Koloniën
en Bezittingen en uiteindelijk Raad van de Minister van
Koophandel en Koloniën. In 1806 trad hij toe tot het
Wetgevend Lichaam.
Een van de prominentste en toonaangevende leden
van het Comité was de beroepsmilitair Pyman. Over de
betrokkenheid van deze uit Deventer afkomstige Pyman
bij de patriotse beweging in Zwolle is in de literatuur
mondjesmaat geschreven. De Vries noemt hem
“een singulier personage” en beschouwt hem als een
omhoog geklommen opportunist.5 In navolging van de
Vries noemt ook Lettinga Pyman een charlatan en gaat
verder niet specifiek in op zijn rol in de Zwolse patriottenbeweging
tussen 1787 en 1795.
Zeker is dat Pyman tot de leidende figuren van het
Zwolse Comité moet worden gerekend. Pyman begon
zijn loopbaan als stadscommandant van Zwolle. Door
zijn militaire vaardigheden, organisatievermogen en
contacten met hooggeplaatste personen in de landelijke
patriottenbeweging rees de politieke ster van Pyman razendsnel.
Kort na de fluwelen revolutie vertrok Pyman
naar Den Haag om in maart 1795 lid te worden van het
Bondgenootschap te Lande. Tot februari 1807 vervulde
Pyman verschillende belangrijke posten, waaronder die
van Agent (=Minister) van Oorlog, lid en directeur van
het Uitvoerend Bewind, lid van het Staatsbewind en Minister-
plenipotentiaris aan het Hof van Portugal. Hij
verdween in november 1807 geruisloos van het landelijke
politieke toneel.
Tot het Comité behoorden ook de landbouwer
Sluiter en de hovenier De Roos. Sluiter genoot als Gezworene
van de buurschap Dieze zeker aanzien. Hij ondertekende
al in 1785 het rekest aan de Raad en Meente
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Grote kerk in de
achttiende eeuw. Dit
was tijdens de tijd van
de patriotten en de
periode van de Bataafse
revolutie de plaats waar
de Zwolse bevolking bijeenkwam
om te stemmen.
Detail van een
schilderij van DJ. van
Elten (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
tegen het regeringsreglement van 1675 en bleef ook in
de jaren 1796-1798 politiek betrokken. De deelname
van De Roos aan het Comité heeft hem geen windeieren
gelegd. Als voorlezer en voorzanger van de Doopsgezinde
gemeente kende De Roos zeker de leden van de
Doopsgezinde familie Van Cleeff. Mogelijk mede door
hun invloed werd De Roos in januari 1796 tot stadsambtenaar
– aansteker der lantaarnen – benoemd. Tijdens
de eedaflegging verklaarde De Roos voorstander te
zijn van de afschaffing van het erfelijk stadhouderschap,
alsmede van een vrijheid gebaseerd op gelijkheid en respect
voor mensen – en burgerrechten. De rol van De
Roos in het Comité was duidelijk ondergeschikt.
Wijken en welstand
Zwolle kende aan het eind van de achttiende eeuw een
achttal wijken, de Voorstraat, Waterstraat, Diezerstraat,
Sassenstraat, Dijk, Dieze, Voor de Sassenpoort en Voor
de andere Poorten. Geen van deze wijken had de naam
deftig te zijn; delen van straten, gelegen in het oude centrum,
waren dat wel. Gedacht moet worden aan de Lutteke,-
Diezer,- en Sassenstraat, alsmede de Koestraat, de
Bloemendalstraat (alwaar de Patriotse voorman J.D.
Baron van der Capellen tot den Pol woonde) de Grote
Markt en de Melkmarkt. De leden van het comité
woonden hoofdzakelijk in de stad. Slechts een drietal, te
weten De Roos, Sluiter en Westerhof woonden buiten
de stadspoorten. Daar hadden zij immers hun bedrijven.
Over de welstand en vermogenspositie van de leden
is weinig bekend. Er is geen uitputtend onderzoek verricht.
Enkel van Nilant weten we dat hij een vermogend
man was. Hij behoorde in 1812 tot de hoogst aangeslagenen
in de directe belastingen. Als eigenaar van landerijen
nam hij een vooraanstaande positie in. Hij bezat
de buitenplaats IJsselvliet, diverse huizen en een suikerraffinaderij.
Rol en positie van leden van het Comité tussen
1780 en 1803
Verondersteld wordt dat bij de samenstelling van het
Comité Revolutionair geen “democratische spelregels”
zijn gevolgd. Twijfels daarover werden al geuit door de
achttiende eeuwse advocaat en procureur mr. Salomon
van Deventer: “Dog vrijdag den 30 januarij 1795, drie
dagen voor de aankomst van de Fransche Troupen
alhier, zijn alhier 15 Ingezetenen, zeggende uit naam
van het volk te komen (schoon er geen algemeene
oproeping van het volk geweest was, maar wat vergadering
van clubs aan bijzondere huizen, waarbij een
menigte van het volk niet verzogt nog tegenwoordig
geweest waren) en zig noemende het committe revolutionair…”.
Anders dan Van Deventer vermoedt Streng
dat het Comité Revolutionair voornamelijk bestond uit
leden van het door Pyman opgerichte Knuppelgenootschap,
een burgermilitie bewapend met knuppels. De
leden lijken zo van de straat geplukt; niet alleen vanwege
hun sociale status, maar ook omdat geen van hen
voor die tijd een belangrijke rol onder de patriotten
speelde.
Dat laatste is echter niet geheel juist. Hoewel onduidelijk
blijft hoe de samenstelling van het Comité Revolutionair
in zijn werk is gegaan, kan niet worden beweerd
dat individuele leden geen rol speelden in de
Zwolse patriottenbeweging.
C. Jansen en Van Cleeff waren al in 1783 actief. Beiden
ondertekenden in dat jaar een tweetal rekesten aan
burgemeesters, schepenen en raad, die betrekking hadden
enerzijds op het afschaffen van de drostendiensten
en anderszijds op het aangaan van een verbond met
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Frankrijk tegen Engeland.
Van der Veen (juni 1784-aug.l787) en Van Cleeff
(dec. 1786-aug. 1787) maakten deel uit van het vijftien
man tellende College van Burgergecommitteerden, die
in een brief aan het stadsbestuur hun grieven uiten tegen
de Gezworen Gemeente. Het eerdergenoemde rekest
uit 1785 werd gesteund door Van Cleeff, C. Jansen,
Koek, Van der Kolk, Lans, Sluiter, Van der Veen en
Westerhof.
Als kapitein en afgevaardigde namens het Zwolse
Exercitie Genootschap is Van Cleeff in mei en juni 1787
aanwezig op een provinciale vergadering van gecommitteerden
uit de gewapende schutterijen, vrijkorpsen
en genootschappen in Overijssel. Het in 1788 opgerichte
Commercie College kende als leden ondermeer Den
Bouwmeester, Nilant, Pompe van Meerdervoort, Van
der Veen, Van Wijhe en Westerhof.
Ook na de fluwelen revolutie van eind januari 1795
is de rol van de meeste leden van het Comité Revolutionair
niet uitgespeeld. Van Cleeff, Westerhof en Koek
overlijden in respectievelijk 1795, 1796 en 1797. Nolst,
Pompe van Meerdervoort en Pyman zijn vanaf 1795 en
1796 actief in de landelijke politiek. Daarmee is eind
1797 het aantal leden teruggebracht van zestien naar
tien. Tussen 1795 en 1803 zijn in totaal negen leden het
meest actief in de lokale politiek. Zij hadden respectievelijk
zitting in het College van Provisionele Representanten
(Van Cleeff, 1795), het Comité van Waakzaamheid
en Toezicht (C. Jansen, Van der Kolk, Lans, Nolst
en Van der Veen, 1795), het College van Wijkgecommitteerden
(Van der Veen en Van Wijhe, 1797), de Burgerkrijgsraad
(C. Jansen, 1796-1798), een commissie
belast met de herziening van het regeringsreglement
van 1797 (Lans, Van Wijhe en Sluiter, 1797), een commissie
belast met de samenstelling van een plan tot aanstelling
van een nieuwe municipaliteit (Van Wijhe,
1795) en tot slot in het bestuur van Zwollerkerspel (Nilant,
1795-1837).
Daarnaast traden zij geregeld op als afgevaardigden
of kiesgerechtigden namens wijk- en grondvergaderingen.
De overige leden, te weten Den Bouwmeester (vertrekt
in 1819 naar Kampen), R.C. Janssen en de Roos
manifesteerden zich minder nadrukkelijk.
De in 1803 uitgebrachte Verklaring tot onderwerping
aan de Wet en trouw aan de Constitutie wordt
door zes van de tien in Zwolle verblijvende leden
(R. C. Janssen, de Roos, Sluiter, Van der Veen, Van
Wijhe en C. Jans(s)en) ondertekend. Na 1803 is, met
uitzondering van Nilant, geen van de in Zwolle verblijvende
oud-leden van het Comité Revolutionair nog politiek
actief.
Conclusies
Samenvattend mogen we concluderen, dat het Comité
Revolutionair bestond uit mannen tussen de 30 en 56
jaar, dus de potentiële kiezers. Praktisch alle leden
maakten deel uit van de Nederduits-Gereformeerde
Kerk, met uitzondering van de doopsgezinde brander
Van Cleeff en mogelijk de hovenier De Roos. Joden en
rooms-katholieken ontbraken geheel. Gelet op de
afwijzende houding van de magistraat en de Zwolse
bevolking tegen deze bevolkingsgroepen was dat niet zo
verwonderlijk. Opvallend was de betrokkenheid van de
Vrijmetselarij. Zeker drie leden onderhielden banden
met Loges van de Vrijmetselarij. Voorts kenden leden
elkaar van bijeenkomsten in de koopliedensocieteit (het
Commercie College) of ontmoetingen op avonden van
het Zwolsche Departement van de Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen en het Dichtgenootschap “Studium
Scientiarum Genitrix”. Het merendeel van de leden
woonde in de stad, een enkeling in Dieze en buiten de
stadspoorten. Een meerderheid (10) in het Comité
werd gevormd door leden afkomstig uit de lagere middenstand.
Daarnaast waren bij het comité betrokken
leden uit de kringen van de academisch gevormden (2),
de lagere adel (1), het leger (1), alsmede een landbouwer
en een hovenier.
Opgemerkt moet worden, dat de meeste leden zowel
voor als na 1795 in de landelijke en lokale politiek
een rol bleven spelen. Zij waren overtuigde patriotten.
Dat gold in het bijzonder voor Pyman, Van der Veen,
Van Cleeff, Nilant en Nolst. Zij kunnen als leidende figuren
in het Comité worden beschouwd. Anderen, zoals
Lans, Van Wijhe, C. Jansen, Sluiter en Pompe van
Meerdervoort, traden minder nadrukkelijk op de voorgrond.
Terwijl we Den Bouwmeester, Koek, de Roos,
R.C. Janssen, Westerhof en Van der Kolk meer als meelopers
willen bestempelen. Wat in het bijzonder opvalt
is dat sommige Zwolse leden uit patriottenfamilies
stammen. Met name leden van de families Lans en Van
Cleeff worden veelvuldig op de talloze naam – en ledenlijsten
bij patriottische rekwesten of van patriottisch georiënteerde
organisaties aangetroffen. Jan van Zwolle,
schoonvader van Sluiter, was in 1787 lid van het Exerci84
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tiegenootschap te Windesheim. De schoonvader van
Van Wijhe, Jan Brouwer, alsmede de moeder van R.C.
Janssen ondertekenden eveneens de al eerdergenoemde
rekesten in 1783 en 1785. Het bevestigt dat met name in
de periode 1783 – 1803 geen enkele familie verschoond
bleef van het maken van keuzes tussen patriotten en
orangisten.
De totstandkoming van het Comité Revolutionair
blijft in nevelen gehuld. Van Deventer spreekt over “wat
vergadering van clubs aan bijzondere huizen, waarbij
een menigte volk niet verzogt nog tegenwoordig geweest
waren”. 7 Doelt Van Deventer hierbij op bijeenkomsten
van de Vrijmetselaarsloge, het Commercie
College en het Nut, alwaar het een en ander zou zijn
voorbereid?.
Streng vermoedt, dat de leden gerecruteerd waren
uit Pyman*s knuppelgenootschap. Bewijzen hiervoor
ontbreken. H. Schrijver heeft aangetoond, dat de Zwolse
patriotten zeker in de periode 1780 – 1787 over voldoende
organisatorisch kader en aanhang beschikten.
Zwolle was dus patriots genoeg; in die zin is de revolutie
zeker niet “geimporteerd”. In hoeverre is hier sprake geweest
van een door leidinggevende Zwolse patriotten
geregisseerde machtsovername? Was het vertrek van
Pyman, Nolst en Pompe van Meerdervoort – kort na de
bloedeloze fluwelen revolutie – naar belangrijke baantjes
in de landelijk politiek toeval of een beloning voor
hun optreden in Zwolle? Wellicht dat nader onderzoek
meer duidelijkheid kan scheppen.
* Dit artikel, maar dan aangevuld met de biografische
en genealogische gegevens van de leden van het
Comité Revolutionair, is ook gepubliceerd in de Nederlandse
Leeuw 1995.
1. P.J. Lettinga: “Onder Vrijheidskrijgsbanier leeft en
sterft de Batavier”. De patriottenbeweging in Zwolle
1780-1798, (typoscript) Zwolle 1987,45-46.
2. Vriendelijke mededeling van J.C. Streng, uit publicatie
in voorbereiding.
3. M. van Heuven – Bruggenman, “Een rekest in
Zwolle in de nazomer van 1785”, in: Verslagen en
Medeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsen Regten Geschiedenis, 91 (1976), 70-95.
4. H. Schrijver, De sciale structuur van de patriottenbeweging,
(typoscript) Zwolle, 1988.
5. Th. J. de Vries, G.J. Pyman, de geschiedenis van een
singulier personage, Zwolle, 1967.
6. Vriendelijke mededeling van J.C. Streng, uit publicatie
in voorbereiding.
7. “Zwolle’s Regering van 1787-1812, dagverhaal van
mr. Salomon van Deventer”, in: Bijdragen tot de geschiedenis
van Overijssel, 1875,1-29.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
f Gantsch weder regtelyk
in de Wereld gebragt’.
Waarom de municipaliteit bedankte
Op 30 maart 1795 heerste er grote verwarring op
het stadhuis van Zwolle. De op die dag gehouden
verkiezing van een nieuw stadsbestuur had
namelijk een onverwachte wending gekregen. Van de
zestien gekozen representanten lieten er maar liefst
veertien weten onder de heersende omstandigheden
voor de eer te moeten bedanken. Zo zat Zwolle plots in
een heuse regeringscrisis.
Het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
Bijna een maand eerder hadden de Provisionele Representanten
van Zwolle besloten tot het opstellen van een
regelement volgens welke de verkiezing van een definitief
stadsbestuur op 30 maart aanstaande zou moeten
geschieden. Hiertoe werd een speciale commissie ingesteld.
Het plan dat deze commissie op 28 maart in de
Overijsselse Cowrantpubliceerde stuitte echter op de
nodige weerstand van met name de Provisionele Representanten.
Desondanks werd besloten de verkiezingen
op 30 maart gewoon door te laten gaan, maar wel onder
de uitdrukkelijke vermelding, dat dit niet betekende dat
de Provisionele Representanten het met het opgestelde
regelement eens waren. Gezien de bezwaren die er ook
vanuit de burgerij tegen het plan naar voren werden
gebracht besloot de commissie naast het nieuw te
benoemen stadsbestuur ook een zogenoemd Comité
van Waakzaamheid en Toezicht te laten kiezen. Dit
Comité moest de spreekbuis worden via welke de burgerij
haar wensen aan de stadsregering kenbaar kon
maken. Representanten en het Comité van Waakzaamheid
zouden ook samen het omstreden reglement nader
bepalen.
En zo werd het 30 maart. In de Grote kerk verzamelde
zich de stemgerechtigde burgerij van Zwolle om daar
uit hun midden 32 kiesmannen aan te stellen. Aansluitend
kozen de kiesmannen de volgende zestien personen
tot representant: L. Rietberg, A. Gelderman, G.A.
Bezier, C.J. Zebinden, P. van Hoboken, J.A. Ledeboer,
R. Feith, G. Bodde, G.W. van Marie, L. Linthorst, H. Tegelaar,
H. Potgieter, G. van Grol, M. Helmig, P.H. Queisen
en HJ. van Cleef.
De eerste elf genoemden hadden ook al zitting gehad
in het college van Provisionele Representanten.
Als leden van het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
werden gekozen: H. van der Veen, N. Kantelaar,
H. Damman, B. ter Horst, J.W. van Rhijn, L. Nolst, A.
Doyer , S. van der Vegte, H. Lans, J. Klinkert, J. van der
Kolk en P. van Meerdervoord.
De volgende ochtend kwamen de kiesmannen op het
stadhuis bijeen waar zij de aftredende municipaliteit
van hun eed ontsloegen en bedankten voor het verrichtte
werk. Daarna werden onder het luiden van de klok
vanaf het balkon de namen van de leden van de nieuwe
H.A. Stalknecht
VRYHEID. GELYKHEID. BROEDERSCHAP.
VERSLAG
y»M I ! HANDELINGEN
OER
OP DEN soÖE MAA&T TE ZWOL BENOEMDE
KIEZERS
AAN HUNNE
COMMITTENTEN.
T i Z W O L L E ,
CoJrotabyFR.ANCOtS CLEMENT, Boekverkoper
ia de OicfaOnu.
!
Het pamflet waarin de
Voorlopige Representanten
hun besluit om
af te treden toelichten.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnoldus Gelderman
(1743-1796), lid van de
Provisionele Representanten
en een van de
bedanken, (foto: Iconografisch
Bureau).
municipaliteit voorgelezen en werd de nieuwe stadsregering
werd opgeroepen om op het stadhuis te komen
om daar de eed af te leggen. Maar zoals we al zagen liep
het net even anders. Van de zestien nieuwgekozen representanten
lieten er veertien weten de post van Representant
niet te kunnen aannemen. Alleen de heren Potgieter
en Van Grol toonden zich bereid hun benoeming
aan te nemen.
Ook het voltallige Comité van Waakzaamheid en
Toezicht, bijeen in de raadstoren, zag geen bezwaar in
het afleggen van de eed.
Om de nu ontstane crisis te bezweren werd besloten een
commissie samen te stellen. Deze commissie kwam met
het voorstel de oude municipaliteit te vragen zolang aan
te blijven totdat alle problemen waren opgelost. En zo
gebeurde het ook, de Provisionele Representanten (van
wie maar liefst elf ook in het nieuwe stadsbestuur waren
gekozen!) beloofden voorlopig aan te blijven, op voorwaarde
dat de zaak snel geregeld zou worden.
Verantwoording
Waarom nu zagen de gekozen representanten er geen
been in plaats te nemen in het nieuwe college? Destijds
is aan ieder persoonlijk gevraagd hun beweegredenen
schriftelijk over te leggen. Uit deze stukken, gepubliceerd
in een gezamenlijk Verslag’, blijkt dat vooral de
rol van het Comité van Waakzaamheid en Toezicht,
zoals omschreven in het omstreden concept-plan, de
verkozenen zorg baarde.
Zo schreef Van Marie: “Dog het geheel wat anders een
tweede lighaam van regeringe zonder enige nauwkeurige
bepalinge van deszelvs magt (waar voor geen oordeelkundig
mensch de 9 artikelen van het 3de hoofdstuk
van het Plan houden zal) in te voeren, waar van de
gehele inrigtinge ene natuirlyke strekking heeft, om het
zelve als het enigst bolwerk van ’s volks vrijheid te doen
beschouwen, en wel als een bolwerk, hetgeen men opzettelyk
heeft moeten opwerpen, tegen de te vrezene
overheerschinge der Municipaliteit”.
Men voelde zich blijkbaar niet gelukkig met de positie
van het Comité van Waakzaamheid en diens verhouding
tot het stadsbestuur. Het optreden van het Comité
lid Nolst heeft blijkens de stukken deze gevoelens alleen
maar versterkt. Rietberg schreef tenminste dat zijn twijfels
over het Comité van Waakzaamheid werden bevestigd
door: “… de Redevoering van Burger Nolst […] op
zulk een gezagvoerenden toon, dat de ondergetekende,
rondborstig moet bekennen, dat hy in geene der Regeeringsvergaderingen,
die hy immer de eer heeft gehad by
te wonen, een taal heeft hooren voeren, meerder geschikt,
om de zo hoognodige eendragt tusschen onderscheiden
Regerings Collegien te verdeelen en twist te
verwekken, en waar door hy ten vollen overtuigd is geworden,
van de gevaren, die er te wagten zyn, van een
Collegie, wat naam dat ook draagt, dat zonder instructie
is aangesteld, en van de schadelykheid van een Regeringsform,
in der haast en zonder qualificatie ontworpen,
en zonder genoegzaam beraad voor de burgery ingevoerd”.
Ook Gelderman wist zich het optreden van Nolst nog
maar wat goed te herinneren:
“Daarenboven moet de Ondergetekende by dezen
verldaaren, dat hy nog zeer gevoelig blijft over ’t gedrag
op den 31. Maart op de Raadkamer in U lieder presentie
door de Burger Nolst […] en over de dreygende aanspraak
aan hun gedaan”.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ook uit de reacties van de overige representanten blijkt
dat men vooral gekant was tegen de onduidelijke plaats
van het Comité van Waakzaamheid. De heer Zebinden
schreef:” Hoe kan ik zweeren van met eene Commissie
van Waakzaamheid te zullen medewerken, dat in zeker
opzigt myne manier van handelen schynd te wantrouwen?”.
Maar hij bracht ook een ander bezwaar naar voren:
“Hoe kan ik zweeren een vry man te zyn, daar men my
zoo wel als myne medeburgers de Soldaaten en Jooden,
myne vryheid om als burger voorlede maandag te mogen
stemmen ontnoomen heeft”. Reden te over dus om
de post te weigeren. Erg veel zin in het lidmaatschap van
de nieuwe municipaliteit had hij overigens toch al niet
gehad, gezien de slotwoorden van zijn schrijven: “van
niet te kunnen gelooven, dat men in een vry Land iemand
een post kan of mag opdringen, welke hy kan
bewysen dat allernadeligst voor zyn lighaams gestel en
ruineus voor zyn huysgezin is”.
Nogal dramatisch formuleerde R. Feith zijn meer persoonlijke
beweegredenen om af te willen zien van zijn
aanstelling:
“Indien ik myn levensdraad niet ontydig wil afgesneden
zien , moet ik, na twee maanden van den vroegen
morgen tot den laaten avond op het Stadhuis, onder
de onaangenaamste en dikwyls de gevaarlykste bezigheden
doorgebragt te hebben, en myne gezondheid hier
door ten eenenmaal bedorven te hebben, voor eerst rust
genieten […] Men dulde, dat thans voor eerst een ander
burger draage, wat ik gedraagen hebbe, en dat ik tot sedert
twee maanden geheel verzuimde plighten, die ik
aan myne huishouding en negen kinderen schuldig ben,
wederkeere”.
En ronduit heftig was de reaktie van Queisen. Hij
waarschuwde in zijn verklaring tegen het woelen van fanatieke
Robespierres, die maar al te gemakkelijk voor
eigen gewin het etiket aristocraat op eerzame medeburgers
plakten. Ook zijn voornaamste reden om te weigeren
de eed af te leggen lag in het reglement zoals dat
door de commissie was opgesteld. Hij vond het zijn
plicht, om “als eerlyk man te moeten verklaren, dat hy
dat reglement als geheel onwettig en onverbindend beschouwd,
vermits de opstellers van het zelve geen last of
volmagt hoe ook genaamd daar toe ontvangen hadden,
maar zy in tegendeel het zelve, geheel tegen den wil des
Volks, en dus gantsch wederregtelyk in de Wereld gebragt
hebben”. De tegenwerpingen van Queisen spitsten
zich eveneens vooral toe op de positie van het Comité
van Waakzaamheid. Daarnaast betoogde hij dat de
kosten van het Comité wel buitengewoon zwaar op de
begroting van de stad zouden drukken. Om ten slotte te
besluiten met de woorden:”[…] dat geene vreemde bedoelingen,
geene slinksche oogmerken, maar dat zyn
pligt, de waare belangens en het welzyn des Volks, dat
de hoogste wet moet zyn, hem heeft doen spreken, zo
als een eerlyk patriot, die niets ontziet, als het op het be-
De boekhandel van
Simon Clement op de
hoek van de Grote
Markt. Detail van een
schilderij van DJ. van
Elten (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
houd van waare vrijheid aankomt, maar alles by zynen
regten naam noemt, spreken moet”.
Samengevat kan worden vastgesteld dat de voornaamste
reden waarom de nieuw gekozen leden van de municipaliteit
hun aanstelling weigerden gelegen lag in de
naar in hun ogen onduidelijke positie van het Comité
van Waakzaamheid en Toezicht. Men vreesde dat het
Comité van Waakzaamheid door de ondeugdelijke instructie
teveel macht naar zich toe zou kunnen trekken
en zo zelfs in plaats van de municipaliteit de regering
van de stad naar zijn hand zou kunnen zetten. Men was
niet de mening toegedaan van de gekozene Potgieter die
vond dat in het reglement voldoende was vastgelegd dat
het Comité slechts onverbindende adressen aan de representanten
kon voorleggen “en geen verdere magt
kunnen uytoeffenen als door de oproeping van het
Volk, by wien de hoogste magt berust”. Een meerderheid
van de gekozenen vreesde voor een dominant en
ongecontroleerd Comité van Waakzaamheid en wilde
onder die omstandigheden niet aantreden.
De nieuwe municipaliteit
Met het voorlopig aanblijven van de Provisionele
Representanten was de regeringscrisis voorlopig van
zijn scherpe kantjes ontdaan. Maar de ongewilde stadsbestuurders
wilden zo snel mogelijk een definitieve
oplossing van de regeringscrisis. Moeilijkheden met de
te Zwolle gelegerde Franse troepen en daarmee samenhangende
grote financiële problemen maakten het
regeren beslist niet tot een pretje. Toch zou het nog tot
begin mei 1795 duren voordat de zaak was opgelost en
de kiezers opnieuw, op basis van een herzien reglement,
een stadsregering mochten kiezen. Op 4 mei werden de
volgende personen gekozen als lid van het stadsbestuur:
G. Bodde, C.W. Rensing., L. Linthorst, J. Doyer, H.
Tegelaar, A. Polier, H. Potgieter, G. van Groll, H.J. van
Cleeff, J. van LUI, D.O. van Riel, J. W. van Rhyn, C.G.
Ramaker, J. van Ulsen, L. Nolst en DJ. van der Laan.
Van de aanvankelijk gekozen zestien bestuursleden
waren er slechts zes herkozen. Twee leden van het
gewraakte Comité van Waakzaamheid namen zitting in
de nieuwe municipaliteit. Op 6 mei moesten de leden
van het nieuwe stadsbestuur de eed afleggen. En ditmaal
was er niemand die weigerde. En daarmee was een
einde gekomen aan een regeringscrisis die een maand
daarvoor zo onverwacht was ontstaan.
Noten
1. Verslag van de handelingen der op den 30ste Maart te
Zwol benoemde kiezers aan hunne committenten, Zwolle
[1795].
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Het eerste jaar der Bataafse vrijheid
Met recht kan 1795 gezien worden als een revolutionair
jaar. Eeuwenlang was de inrichting
van het stadsbestuur vrijwel ongewijzigd
gebleven. Zelfs de Zwolse patriotten van 1787 wensten
bij hun aanpassingen binnen de bestaande constitutie te
blijven. Nu echter begon een gedurig aftasten en invoeren
van andere, meer democratische bestuurlijke vormen.
In dit artikel wordt veel aandacht besteed aan de
veranderingen in 1795. Maar tevens zullen met enige
voorbeelden de beperkingen van de revolutionaire mogelijkheden
worden geduid.
• • • * .
Het jaar van de commitees
De omwenteling in januari 1795 was door een Comité
Revolutionair (zie het hiervoor geplaatste artikel van
Seekles) tot stand gebracht. Het Comité Revolutionair
stelde een voorlopig bewind aan van zestien personen
onder de naam van Provisionele Representanten.’
Het was de bedoeling dat deze Provisionele Representanten
twee maanden aan het bewind zouden blijven,
tot de invoering van een definitieve nieuwe democratische
bestuursregeling. Daartoe werd er naast de
Provisionele Representanten een Comité gevormd dat
een nieuw ontwerpreglement moest opstellen voor de
wijze waarop in het vervolg een nieuw stadsbestuur van
volksrepresentanten gekozen zou worden. Dit Comité
was echter na twee maanden nog niet klaar zodat de
Provisionele Representanten hun ambtstermijn nog
eens met twee maanden verlengden. Op zes mei werd
uiteindelijk het nieuwe bestuur, luisterend naar de
naam Municipaliteit, benoemd. Het bestond opnieuw
uit zestien leden.
Als toezichthouder, eerst op de Provisionele Representanten
en later op de Municipaliteit, was het Comité
van Waakzaamheid en Toezicht in het leven geroepen.
Dit comité bleef tot september in functie. De opheffing
was een gevolg van een burgerbeweging. In de nacht van
11 op 12 september om circa twee uur trommelden Gecommitteerden
van een niet nader aangeduide Volks
Sociëteit en gewapende kapiteins van de burgerwacht,
enige leden van de Municipaliteit uit bed om hun bezwaren
tegen het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
kenbaar te maken. 2 Omdat niet duidelijk was of
de meerderheid van de Zwolse burgers hier achter
stond, besloot de Municipaliteit de volgende dag tot een
volksraadpleging. Men handelde zeer snel. Democratisch
werd op 14 september door een volksstemming
met 2417 stemmen voor en slechts 35 stemmen tegen en
43 onduidelijke stemmen een einde gemaakt aan het
Comité van Waakzaamheid en Toezicht. Het Commité
protesteerde uiteraard tegen de gang van zaken maar
wenste ‘de Stem des Zwolschen Volks’ te eerbiedigen.3
In de plaats van het Comité van Waakzaamheid en
Toezicht werd de controlerende bevoegdheid op de
Municipaliteit in handen gelegd van nieuw op te richten
wijkvergaderingen. In grote haast werd daarvoor op 17
september een krakkemikkig reglement opgesteld. Er
werden twaalf wijken gevormd, acht in de oude binnenstad,
de Dijk en de wijken voor de drie poorten. De keus
J.C. Streng
Een pagina met handtekeningen
van mokkende
patriotten op Orangistische
ambtenaren. In
totaal protesteerde ruim
zeshonderd burgers.
90 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Enkele briefes waarmee
burgers assignaten inleverden.
om de wijken te kiezen lag voor de hand omdat de indeling
ook in gebruik was voor de wijkmeesters, de toezichthouders
op rust en orde in de wijk. De wijkvergaderingen
waren uiters democratisch. In tegenstelling tot
de vroegere meente kon elke Zwolse burger ouder dan
achttien jaar in zijn wijk aan de vergaderingen deelnemen
en stemmen. Ieder wijk stuurde twee afgevaardigden
naar de vergadering van de Gecommitteerden uit
de wijkvergadering waar gezamelijke besluiten werden
genomen. Tijdens de eerste vergadering op 6 oktober
werd er een overkoepelend bestuur van vier personen
gevormd. 4 Het reglement was zeer vaag over de bevoegdheden
van de wijkvergaderingen en de relatie tot
de Municipaliteit. Maar het democratisch gehalte van
het stedelijk bestuur was nog nooit zo groot geweest (en
na afschaffing enige jaren later, werd het ook nooit meer
geëvenaard).
Oud pattriottisch zeer
De Bataafse revolutie betekende de terugkeer van de
patriotten die in 1787 voor de komst van de Pruisen
waren gevlucht. Enkele waren toen naar Munster, en de
radicaalste naar Frankrijk uitgeweken. De Munsterse
vluchtelingen waren al eerder teruggekeerd, maar met
de komst van de Franse legers keerden ook de radicalen
weerom. Daartoe behoorden jonker Adolph Warner
van Pallandt tot Zuthem, die nog met Joan Derk van
der Capellen had samengewerkt en later met diens neef
en navolger, Robert Jasper van der Capellen. Anderen
waren Herman Willem Daendels en Gerrit Jan Pyman.
De drie heren hadden elkaar in Parijs ontmoet. En
vooral Daendels en Pyman hadden geleerd hoe men een
revolutie moest uitvoeren. Waren de patriotten in 1787
nog keurig binnen de stedelijke constitutie gebleven, in
1795 was daar geen sprake van. Al voor de komst van
het Franse leger, was Pyman te Zwolle en omgeving de
revolutie aan het organiseren. Hij en Daendels zouden
na de Zwolse revolutie snel naar Den Haag vertrekken.
Dat was voor ambitieuze mannen de plaats om in deze
tijden snel carrière te maken.
1795 was het jaar van het eerherstel van de patriotten
uit 1787. Bijna iedereen die in dat jaar in de patriottische
magistraat had gezeten, werd gekozen in de Provisionele
Representanten. Een van de eerste bestuursdaden
van de Provisionele Representanten was de verwijdering
van de stadhouderlijke portretten uit het
stadhuis.5 Het besluit van het orangistisch bewind
waarbij de predikant Piere Chevallier uit zijn ambt werd
gezet, omdat hij geweigerd had het herstelde stadhouderlijke
bewind te erkennen, werd ingetrokken.
Nu was het de beurt aan de patriotten om de orangisten
kwijt te raken. Aanvankelijk werden alle aanweziZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ge ambtenaren uit de orangistische periode geschorst
met de verplichting om hun werk gewoon voort te zetten.
Ze zouden op hun loyaliteit aan het nieuwe bewind
gewogen worden en als dat positief uitviel, mochten ze
aanblijven. Enige rancune bestond er wel onder de patriottische
Zwolse burgers. In juni en augustus dienden
ze een rekest in om in het nieuwe provinciale bestuur
geen personen op te nemen die vóór 1795 in het orangistische
bestuur hadden deelgenomen. Pas aan het
eind van het jaar werd definitief vastgesteld welke ambtenaren
in dienst van de stad mochten blijven. De burgers
werden opgeroepen bezwaren tegen ambtenaren in
te dienen. Er kwam een hoop oud zeer boven water.
Adolf Glaser schreef (in keurig handschrift al had hij
moeite met de schrijfwijze en spelde hij in plaats van patriot
‘paterjort’) dat het hoog tijd werd ‘dat die oranje
vrinden eens uyt haar plaats gezet worden en een braaf
en eerlyk paterjort weer aangestelt word’. Door het lange
uitstel waren de burgers aan het morren gegaan. De
reden was dat ‘die klanten nog zulke vette amten hebben
als dat zy nog de wyn drinken uyt schalen en zyn
nog weeldrig op haare koetsen daar menig eerlyk paterjort
met zyn vrou en kinders haast broots gebrek hebben’.
Het sprak vanzelf dat Glaser zich als zo’n eerlijk
‘paterjort’ aandiende.
Glaser stond met zijn standpunt niet alleen. In een
rekest in december verzochten liefst zeshonderddertien
burgers een aantal met naam en functie omschreven
ambtenaren definitief te ontslaan. In hun plaats dienden
‘braave, eerlyke en bekwaame burgers en welke
voor goede patriotten bekend staan wederom aan te
stellen op dat het beste gedeelte des Zwolschen Volks, in
dit geval eens eindelyk haare billijke wenschen worden
vervult’. 6 Het ontbrak ook de patriotten niet aan
ambtsbejag, en ze gebruikten ook ambtsbegeving om
personen te binden. Het waren bekende methoden uit
de tijd vóór 1795. Het kan dan ook nauwelijks toeval
zijn, dat de klagende ‘paterjort’ Glazer een jaar later
werd benoemd tot bezorger van de stadslantaarnen.
Een nieuw begin, een nieuw jargon
In de jaren tachtig werd door de patriotten vooral een
beroep op het verleden gedaan. Ze hadden herstel van
de middeleeuwse democratische invloed op het stedelijk
bestuur geëist. Maar na de Franse revolutie was daar
geen sprake meer van; aan het verleden was hun nog
maar weinig gelegen. De patriotten van 1795 hadden de
overtuiging in een nieuwe politieke tijd te leven. Die
nieuwe werkelijkheid werd in de eerste plaats vorm
gegeven door een op Franse leest geschoeid taalgebruik.
H et gebruik van de term Muncipaliteit in de plaats van
stadbestuur of de oudere magistraat, werd al genoemd.
Michiël Helmich
(1753-1835), secretaris
van de Representanten,
(foto: Provinciaal Overijssels
Museum).
•^e^g
t>«6w-»-^ë
Al spoedig ontwikkelde zich een patriottisch, revolutio- Een aantal valse Franse
nair jargon. assignaten die ongeldig
Als blijk van de breuk met het verleden, introdu- zijn gemaakt door op de
ceerde men binnen de bestaande jaartelling een nieuwe. achterkant een stempel
Bij het aantreden van de Municipaliteit op 6 mei zette van de stad te drukken.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een afrekening voor de
kosten van het onderhoud
van de Fransen,
inclusief tweehonderd
flessen wijn.
. . . . • . . y 7,1 o •• i – z ‘ —
men voorafgaand aan de nieuwe resoluties de aankondiging:
‘Eerste jaar der Bataafsche vrijheid’. Ook bij de
ondertekening van stukken maakte men gebruik van dit
nieuwe type datering. Deze marginale aanpassing van
de kalender was overigens nog maar bescheiden vergeleken
met Frankrijk waar een radicaal nieuwe tijdrekening
tot stand kwam.
Rechtstreeks uit Frankrijk overgenomen was de uitdrukking:
‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’. Voor
het eerst werd dit ideologisch trio in maart gebruikt,
toen het boven een stedelijke keur geplaatst werd. Daarna
was het uit de officiële stukken niet meer weg te
branden.
Een ander uit Frankrijk geïmporteerd begrip was de
‘Regten van den Mensch en Burger’. In het conceptplan
voor de Municipaliteit en het Comité van Waakzaamheid
en Toezicht van april7 werd van beide Franse
begrippen overvloedig gebruik gemaakt. Alle nieuwe
bestuurders moesten een eed doen op het trio vrijheid,
gelijkheid, broederschap en op de rechten van de mens.
Een eed die bovendien afgelegd moest worden, niet in
de tegenwoordigheid van God, maar in die van het
‘HOOGSTE WEZEN’.
Dat al die nieuwe comitées de burgers vertegenwoordigden
werd steeds opnieuw benadrukt. Dit
bracht ook mee dat al die comitées gelijkwaardig waren.
‘Wij’ zo schreef het Comité van Waakzaamheid aan de
Municipaliteit ‘erkennen de hoogste magt in het volk,
wij zijn zowel vertegenwoordigers als gijl[ieden] en zullen
toezien of gijl[ieden] van de uw toevertrouwde magt
een goed gebruik maakt. Ja of neen’.
In de titulatuur van brieven tussen de comitées zijn
talloze voorbeelden te vinden waarin hun wederzijdse
gelijkwaardigheid en burgervertegenwoordiging, vaak
in combinatie met de uit Frankrijk geïmporteerde leuzen,
benadrukt worden. Zo adresseerde het Comité van
Waakzaamheid de Municipaliteit met ‘Aan de provisioneele
Burger Representanten der stad Zwolle en desselfs
vrijheid, uitmakende de Municipaliteit. Burger Vertegenwoordigers!’.
De veronderstelde eensgezindheid
werd uitgedrukt in termen als ‘Heil en Broederschap’.
In ondertekeningen als: ‘Representanten, Medeburgers
en Vrienden’ werden vertegenwoordiging en broederschap
verenigd. Deze benadrukking van gelijkheid staat
in sterk contrast met de situatie in de tijd vóór 1795
toen vooral de hiërarchische ordening werd uitgedrukt.
Het stadsbestuur diende in die tijd aangesproken te
worden met ‘WelEdele Hoog Agtbare Heren’.
De onderlinge gelijkheid van de inwoners kwam
(alweer) in Franse navolging het meest tot uitdrukking
door het gebruik van de term ‘burger’, een vertaling van
het Franse ‘citoyen’. Ongeacht de nog steeds bestaande
sociale verschillen werd iedereen geacht gelijkwaardig
staatsburger te zijn. Al enkele dagen na de omkering
werd mede Representant jonker A.C.W. van Haersolte
aangeduid met ‘Burger Haersolte’.
Dit gelijkheidsidioom nam niet weg dat enkele patriotten
toch enige zorg hadden over de geringe steun
onder de ‘verstandigste mede-Burgers’. Zo betreurde
‘Burger Kantelaar’ in een toespraak voor de wijkvergaderingen
de uittocht van de Voorlopige Representanten
uit het stedelijk bestuur naar aanleiding van het radicale
nieuwe regeringsreglement. De reden van Kantelaars
treurnis was dat zij ‘voor die posten juister berekend
waren’, dan blijkbaar aanwezige leden van de Municipaliteit.
Om de ‘verstandige mede-Burgers’ weer bij het
bestuur te betrekken, hield hij vervolgens een pleidooi
voor een minder radicaal regeringsreglement. De Zwolse
revolutie was nog geen negen maanden oud of er
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
kwam al binnen de patriotten zelf een tegenbeweging
opgang.8
Ook op ander terrein viel het met de praktische verwezenlijking
van de idealen niet mee. Als voorbeeld kan
de gang van zaken rond het verhuren van de kerkbanken
gelden. Aan het eind van de achttiende eeuw beschouwden
velen de zitplaatsen in de kerk naar sociaal
onderscheid niet langer wenselijk. Iedereen, zo was de
gedachtengang, was gelijk voor God en alle burgers
dienden in staat te worden gesteld de prediking te volgen.
9 De Zwolse Municipaliteit benoemde dan ook een
commissie om na te gaan of het mogelijk was alle plaatsen
in de kerken vrij te maken, en dus het sociale onderscheid
in de kerk op te heffen. De idealen liepen stuk op
de barre realiteit. Een lang theologisch betoog over de
wenselijkheid ging aan de uiteindelijke conclusie vooraf.
En die luidde dat – helaas, helaas – de stadskas het
niet kon dulden en de zitplaatsen dus verhuurd dienden
te blijven. De enige veranderingen waren dat de ongesloten
banken door iedereen mochten ‘worden bezeten’
en dat niet bezette plaatsen tijdens een kerkdienst vlak
voor het begin van de preek door iedereen in gebruik
mochten worden genomen.
Speciale aandacht besteedde de commissie aan de
magistraatsbanken. Om deze te handhaven had men
het volgende uitgedacht. Deze banken waren geen bezit
van de magistraten, maar door de burgerij als beloning
voor de diensten afgestaan. Ook in het tijdperk van de
gelijkheid diende dat zo gehandhaafd te blijven.
Religie
Uit het voorgaande bleek al dat de patriotten niet tot de
atheïsten gerekend kunnen worden. De Bataafse revolutie
te Zwolle werd in de eerste plaats gedragen door
leden van de gereformeerde kerk (tegenwoordig de hervormde
kerk). Het Comité Revolutionair (zie het artikel
van Seekles) en de daarop volgende commissies
werden ruim met deze geloofsgenoten bevolkt. In het
verleden had dit revolutionaire gedrag gerformeerde
historici nogal in verlegenheid gebracht. Zij waren
tegen de revolutie, die zij als een goddeloos produkt van
de Franse verlichting zagen.10
De Volksrepresentant Rhijnvis Feith, een gelovig
man en lid van de gereformeerde kerk, was aanvankelijk
heel gelukkig met de revolutie. Hij schreef aan een
vriend, Paulus Chevallier, een patriots geestverwant en
predikant bij dezelfde kerk, dat hij hoopte dat God
‘onze omwenteling’ mocht vestigen. ” Dat was ook de
strekking van het vernieuwde – niet afgeschafte – gebed
dat uitgesproken werd aan het begin van de vergaderingen
om de al genoemde rechten van de mens en burger
te handhaven.
Het was al heel bijzonder dat naast de gereformeerden
ook burgers van de andere religies, behalve de joden,
aan het bestuur deelnamen. Dat burgers van de andere
religies in bestuurlijke functies werden geaccepteerd,
was al twee eeuwen niet voorgekomen. Vóór 1795
waren deze uitsluitend voor lidmaten van gereformeerde
kerk toegankelijk.
De deelname van de gereformeerden in 1795 was
niet verschillend van die in de jaren tachtig. Ook toen
waren ze ruim in de patriottenbeweging vertegenwoordigd.
Vier predikanten hadden er niets on-christelijks
in gezien en schroomden niet om met de burgers rekesten
ter verbetering van het stadsbestuur te ondertekenen.
12
De dominerende positie van de gereformeerden
drong de mogelijkheden van andere religies terug. In
Rhijnvis Feith (1753-
1824), lid van de Provisionele
Representanten,
tussen hoop en vrees zag
hij de voortgang van de
revolutie (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het hele jaar waren vier mennisten actief: twee mannen
uit de familie Cleef en twee uit de familie Doijer, een familie
van predikanten en trijpfabrikanten.
De lutheranen waren vertegenwoordigd door de
zilversmid Cornelis Willem Rensink en Warner Dionisius.
Rensink was al bekend onder de patriotten omdat
hij zilveren keeshondjes vervaardigde.13
De rooms-katholieken waren de grootste groep dissenters
in de stad. In de literatuur wordt herhaaldelijk
vermeld dat zij vooraan stonden te trappelen om de
nieuwe idealen van de patriotten mee tot stand te brengen.
Maar te Zwolle hielden zij zich in 1795 vrijwel volledig
op de achtergrond. Slechts de metselaarsbaas Arnoldus
Forier en de rentenier Michaël Helmich lieten
van zich horen. De laatste vond echter het beheer van
zijn vermogen belangrijker dan het bestuur en hield er
al spoedig mee op. De rooms-katholieken toonden in
1795 dezelfde voorzichtigheid die ze ook in de patriottentijd
in de jaren tachtig aan de dag hadden gelegd. De
uitkomst van de Bataafse revolutie was allerminst zeker
en bij eventueel herstel van het oude bewind zouden ze
ongewijfeld de rekening gepresenteerd krijgen.
In 1795 werd het eerste voorzichtige stapje gezet op
de weg naar de juridische gelijkberechtiging van de religies.
Op ‘de onveranderlyke Rechten van den mensch
en Burger gegronde, Vryheid, Gelykheid en Broederschap,
ten aanzien van alle Burgeren’ werden de juridische
belemmeringen voor huwelijken van de rooms-katholieken
ingetrokken. Voor het aangaan van huwelijken
golden voor alle religies voor de overheid dezelfde
procedure. H Dit liet onverlet dat de gepriviligeerde positie
van de gereformeerde kerk bleef bestaan.
Nieuwe mannen
1795 betekende in de eerste plaats een sociale aardverschuiving
in de rekrutering van bestuurders. Er kwamen
heel wat nieuwe mannen (meestal met het Latijnse
begrip homines novi aangeduid) op de regeringszetels in
het oude stadhuis.
Het grootste deel van de nieuwe bestuurders kwam
uit delen van de burgerij die het Zwolse stadhuis veelal
alleen van de buitenkant zagen en nooit eerder in de
meente of magistraat gekozen waren. Van alle magistraten
uit de periode voor 1795 waren slechts vijf regenten
opgenomen onder de Provisionele Representanten. Het
waren vijf van de patriottische magistraten die in januari
1787 met veel gejuich van de verzamelde burgerij op
het kussen waren gekozen om de stedelijke constitutie
in patriottische zin te wijzigen. In oktober van datzelfde
jaar waren ze na de Pruissische inval door stadhouder
Willem V aan de kant geschoven. Nu vierden ze hun
triomfantelijk herstel.
Slechts drie leden van de in 1795 afgeschafte meente
werden in een van de nieuwe besturen opgenomen. Dit
duidt op een groot wantrouwen tegen alle voormalige
meenteleden. Begrijpelijk, want de meente in de patriottentijd
was niet altijd – of bijna nooit – genegen geweest
aan de patriotse eisen tot democratisering van het
college tegemoet te komen.
Voor het eerst sinds het begin van de achttiende
eeuw werden er weer jonkers in het Zwolse bestuur opgenomen:
de uit ballingschap teruggekeerde A.W. van
Pallandt van Zuthem en Antony van Haersolte. Geen
van de twee bleef overigens lang.
Een kenmerk van het stedelijk bestuur vóór 1795
was de aanwezigheid van veel juristen, voornamelijk
voormalige advocaten. In het eerste jaar van de Bataafse
revolutie waren er slechts acht.
Daartegenover waren personen uit de handel en
ambacht ruim vertegenwoordigd, hetgeen voor 1795
juist niet het geval was. Het was een gemêleerd gezelschap
met onder andere de houthandelaar Lubbertus
Rietberg en de wijnkoper Christiaan Jan Zebinden ‘bedaard
en zeer geschikt, en in goeden doen’. Lambert
Linthorst was een ‘winkelier en gezeten man van kennis’.
Een andere winkelier, Hendrik Tegelaar, was daartegenover
‘niet gezeten, veel aan den mond, goed eeter
en drinker’.
In de loop van de Bataafse tijd konden veel van de
nieuwe bestuurders hun verworven positie niet ophouden.
Zoals de metselaarsbaas Arnoldus Polier die de bestuurlijke
roem naar het hoofd gestegen lijkt te zijn. Hij
was ‘goedhartig, maar niet slim’. Door zijn ‘avancement’
in de politiek had hij veel behoeften gekregen en
was ‘daarna verlopen’. Arnoldus Polier en veel collegae
verwierven dan ook geen toegang tot het bolwerk van
het Zwolse establishment, de Groote Sociëteit. Niet
meer dan tien van de nieuwe regenten uit 1795 komen
in de ledenlijst van 1803 voor.15
Van bevrijders tot lastpakken
De Fransen waren met veel enthousiasme binnen
gehaald. Het Nederlandse volk was dankzij ‘de dapperheid
der vrije Franschen van hare boeijen ontslagen’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Op verzoek van een aantal burgers was voor de komst
van het Franse leger op stadskosten een Franse vlag
genaaid en op de toren van de Kruiskerk gestoken ten
teken dat de Zwolse burgerij zich had vrij gemaakt en
dat zij niet anders wensten ‘dan hare edelmoedige verlossers
ten spoedigste in haar midden te zien, ten einde
aan dezelve haare dankbaarheid te betuigen en de hand
van vriend- en Broederschap toe te reiken’.
De Franse commandant legde na de intocht dezelfde
verklaring af die ook elders was afgekondigd, namelijk
dat de Fransen gekomen waren als bevrijders van
het Bataafse volk uit de dwingelandij van het stadhouderlijk
bewind en dat ze de onafhankelijkheid zouden
eerbiedigen. Tegelijkertijd werd voor het gedrag van de
Franse militairen een ordonnantie uitgegeven.
Het heeft niet mogen baten. De last van inkwartiering
bij particulieren en instellingen werd nog verhoogd
doordat het geen Voltaire lezende Fransen waren die
men over de vloer kreeg, maar nogal ruig soldatenvolk.
En lezen was het laatste waar ze aan dachten; de Franse
soldaten sloegen aan het drinken. Bij de wijnhandelaar
Zebinden meende men dat gratis te kunnen doen. Met
twintig flessen wijn waren de soldaten genegen te vertrekken.
Bij ene Van Leeuwen werden de ruiten ingegooid
omdat hij de soldaten niet binnen wilde laten.
Het bleef niet alleen bij drank. Drie Franse huzaren verkrachtten
de weduwe Wieriks en haar twee inwonende
meisjes. Ook de eigen commandanten waren niet veilig.
Het stadsbestuur was genoodzaakt een heel regiment jagers
uit de stad te laten verwijderen wegens nachtelijk
wangedrag. 16
In augustus was er onrust in de stad die veroorzaakt
werd door tegenstanders van het nieuwe bewind. Toen
er voor de Fransen feestelijkheden waren omdat het
drie jaar geleden was dat de ‘volkomen needervelling
van den koninglyken Troon’ plaats had gevonden en de
vrede tussen Frankrijk en Spanje was getekend, werden
bij diverse patriotten de ruiten ingegooid en waren er
andere baldadigheden.
De relatie met de Fransen werd verder vertroebeld
door de hoge kosten van onderhoud waar de stadskas,
ondanks subsidies van de provincie, niet op berekend
was. Het Franse papiergeld, de assignaten, maakte de situatie
er niet beter op. De burgers waren verplicht betalingen
in assignaten aan te nemen, maar het gebruik
ervan tussen de burgers onderling was verboden. De assignaten
kon men op het stadhuis omwisselen tegen
schuldbewijzen. Omdat de assignaten een onbetrouwbare
munteenheid waren, liep iedereen ook voor de
kleine bedragen zo snel mogelijk naar het stadhuis om
ze om te wisselen, vooral toen bleek dat er ook nog hele
pakken valse assignaten in omloop waren.
Omzien
Aan het eind van het jaar 1795 viel er voor de Zwolse
burgers veel te overpeinzen, want het was me wel het
jaartje geweest. Het laat zich denken dat niet iedereen
tevreden was. De hoge idealen van vrijheid, gelijkheid
en broederschap en de rechten van de mens waren minder
snel te realiseren dan ee

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1994, Aflevering 3

Door 1994, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

J
P R I J S F 9 , 5 O
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boven: Veemarktterrein
in 1931.
Onder: Veemarkthal,
huidige situatie
(foto: D. Hogenkamp).
Door de eeuwen heen is Zwolle een centrum
geweest voor de veehandel. Dat kwam
vooral omdat verordonneerd was, dat alle
dieren binnen de stad verkocht moesten worden.
De handel in vee vond plaats op verschillende
locaties in de stad. De meest bekende zijn de beestenmarkt
aan de Harm Smeengekade, waar het
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
rundvee werd verhandeld, de varkensmarkt op de
Pannenkoekendijk en de paardemarkt op de
Brink. Pluimvee en konijnen werden verhandeld
aan de Vijfhoek bij het Gasthuisplein.
Omdat de handel in rundvee en varkens zich
strek uitbreidde, werd de in 1852 in gebruik genomen
beestenmarkt op 1 mei 1931 verplaatst naar
het huidige veemarktterrein, gelegen achter de
Emmastraat in het gebied dat Blalo heette.
Door de steeds groeiende markt werd in 1964
het veemarktterrein vergroot. Helaas verzuimde
de gemeente goede laad- en losplaatsen aan te leggen,
zodat de uitbreiding pas in 1965 gebruikt kon
worden.
Om de concurrentie van andere markten voor
te blijven, werd in 1972 een veemarkthal gebouwd:
de IJsselhal. In deze hal verkochten de handelaren
vooral varkens, schapen en jongvee.
In 1984 werd de hal vergroot. In 1990 werd de
hal opnieuw vergroot, hetgeen op de nieuwe foto
goed te zien is. Al het vee wordt nu binnen verhandeld.
Wonderbaarlijk genoeg was aanvankelijk
opnieuw verzuimd om goede laad- en losperrons
aan te leggen. Ook was het terrein onvoldoende
beveiligd om te voorkomen dat losgebroken vee
de stad in kon gaan.
Behalve voor de veehandel, werd de hal ook
gebruikt voor vele sporten zoals zaalkorfbal, zaalvoetbal
en handbal. Tegenwoordig sport men er
niet meer. Wel vinden er allerlei manifestaties,
tentoonstellingen en optredens plaats. Zo traden
hier onder meer het orkest van James Last en Fats
Domino op.
Op de oude foto, als prentbriefkaart uitgegeven
ter ere van de opening van de ‘nieuwe’ Veemarkt
staan de gebouwtjes van de keuringsdienst,
de administratie en de controleurs. Helemaal links
is de weegbrug te zien.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Hoewel het begrip milieuvervuiling in de
negentiende eeuw nog onbekend was,
wist de overheid ook in die tijd heel goed
dat sommige bedrijven een bedreiging vormden
voor de volksgezondheid. Ook werd toezicht gehouden
op de bereiding van voedsel en genotmiddelen.
De Commissie van Geneeskundig Onderzoek
en Toevoorzigt adviseerde het Zwolse gemeentebestuur
over dit soort zaken in de periode
van 1805 tot 1865. F. Jansen onderzocht wat voor
adviezen deze commissie gaf en of het gemeentebestuur
de adviezen opvolgde. Zijn conclusie is
dat de commissie zeker nuttig werk verrichtte.
Enkele jaren later, in 1894, werd in gebouw De
Atlas, gelegen aan de Ossenmarkt, de SDAP opgericht.
Wat was dit voor gebouw? De een spreekt
van een ‘hyperproletarisch lokaal’ terwijl een ander
het een ‘danshuis met niet zo’n beste reputatie’
noemt. F. Zeiler heeft geprobeerd na te gaan welke
rol dit gebouw in Zwolle speelde, voordat het landelijke
bekendheid verkreeg doordat hier een landelijke
politieke partij zijn oorsprong vond.
Naast archiefonderzoek spelen ook herinneringen
een belangrijke rol in het beeld dat iemand
van het verleden krijgt. Willem Boxma kwam als
kleine jongen uit het verre Friesland naar Zwolle.
In dit tijdschriftnummer vertelt hij over zijn jeugd
tijdens de crisis van de jaren dertig.
Tenslotte neemt Lydie van Dijk weer een voorwerp
van het Provinciaal Overijssels Museum onder
de loep: dit keer de fraaie zilveren gildebeker
van het Zwolse hoedenmakers- en bontwerkersgilde.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp 82
Toezicht op de gezondheidszorg, 1805-1865 F.Th.J. Jansen 84
‘De Atlas’ omstreeks 1894: danshuis of socialistenhol? 92
Frits David Zeiler
Een gewone jongen in Zwolle Willem Boxma 100
Een gildebeker van het Zwolse hoedenmakers- en bontwerkersgilde 111
Lydie van Dijk
Literatuur 113
Boekbespreking 114
Auteurs 115
Omslag: Midden vorige eeuw was de aanwezigheid van koper (en van andere
metalen) in wijnazijn een groot probleem. De fabrikant van deze vloeistof, Heerkens
en Schaepman aan het Groot Weezenland, kreeg daarom het advies voorzichtig
te zijn met koperen voorwerpen tijdens de bereiding. De foto met de
bewaarkuipen van de azijn werd gemaakt in 1914.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Toezicht op de gezondheidszorg, 1805-1865
F.Th.J. Jansen
Koekvergulden. Tekening
van Jo Spier. Illustratie
bij het verhaal
‘De familie Kegge’ uit
de Camera obscura van
Hildebrand.
Verontreiniging van bodem, water, lucht en
voedsel vormt vandaag de dag een ernstige
bedreiging voor mens, dier en plant. Maar
hoewel het woord milieuvervuiling in de eerste
helft van de negentiende eeuw onbekend was, stelde
de overheid ook toen – weliswaar bescheiden –
eisen aan bedrijven die de leefomgeving dreigden
aan te tasten. Ook oefende men wel degelijk toezicht
uit op de bereiding van voedsel en genotmiddelen.
Evenzeer wist de bevolking zuiver water
en schone lucht te waarderen. Over vervuiling
van de bodem maakte men zich echter nog geen
zorgen!
In het archief van de Commissie van Geneeskundig
Onderzoek en Toevoorzigt van de stad
Zwolle, een commissie die van 1805 tot 1865 werkzaam
was, zijn de adviezen te vinden die zij aan het
gemeentebestuur gaf om de stad leefbaar te houden.
1
Het ontstaan
In de Bataafs-Franse tijd kwam in Nederland verandering
in de structuur van de gezondheidszorg.
Aan de eeuwenoude supervisie van de chirurgijnsgilden
op dit gebied kwam een einde. In 1804
bepaalde de landelijke overheid dat provinciale en
plaatselijke Commissies van Geneeskundig Onderzoek
en Toevoorzigt die taak moesten overnemen.
2 Onder koning Willem I werd de door de
Fransen ingestelde structuur bevestigd en konden
de commissies hun werk voortzetten.3 Plaatselijke
commissies waren er in Overijssel in Deventer,
Kampen en Zwolle. In de provinciehoofdstad
zetelde aanvankelijk ook de Provinciale Commissie
van Overijssel en Drenthe, totdat deze in 1824
naar Assen verhuisde.
De plaatselijke gezondheidscommissie was
samengesteld uit de beide stadsmedici, de stadschirurgijn
en een apotheker. In de Zwolse commissie,
die op 11 december 1805 voor het eerst bijeenkwam,
waren de stadsmedici G.A. Ramaer en
F.A. Nilant respectievelijk voorzitter en secretaris,
terwijl de stadschirurgijn J. Veldkamp en de apotheker
V.G.C. Metelerkamp het college completeerden.
4 De heren vergaderden een keer per
maand in de zogenoemde Geestelijke Kamer in
het stadhuis. Deze ruimte was eerder gebruikt
voor ‘Artzenijmengkunde’. De leden van de commissie
deden hun werk pro deo, maar kregen wel
75 gulden per jaar om een bode, papier en inkt en
brandstof voor licht en vuur en te betalen.
Zij moesten toezicht houden op alle takken
van de geneeskunde en eventuele misbruiken signaleren
aan het stadsbestuur. Ook controleerden
ze de geneesmiddelen en moesten ze kwakzalverij
bestrijden. Daarnaast werd van hen verwacht dat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ze middelen aangaven om epidemieën te stuiten.
Jaarlijks brachten ze een verslag uit aan de Provinciale
Commissie van Geneeskundig Onderzoek en
Toevoorzigt.
Voedsel en genotmiddelen
De commissie gaf adviezen over de meest uiteenlopende
voedings- en genotmiddelen als vis,
brood, tabak, aardappelen en vlees. Zelfs het St.
Nicolaassnoep werd onderzocht; niets lieten de
Zwolse bewakers van de gezondheid aan het toeval
over. Zo stelde de commissie tijdens de ‘geweldige
hitte’ in de zomer van 1819 de burgemeester
voor de verkoop van rotte vis tegen te gaan.5 Ook
werd het brood van de plaatselijke bakkers in 1829
onderzocht op de aanwezigheid van blauwe vitriool.
6
De kwaliteit van de tabak bij sigarenfabrikant
Steven de Goey en zijn sigarenmakers leverde
eveneens problemen op.7 De rookwaar op zolder
van de fabriek was oud, nat en hevig rottend. De
tabak verspreidde een ondraaglijke stank, zodat
een jongen bijna flauwviel. Vooral lieden die ‘vatbaar
zijn of voorbeschikt tot zenuwkoortsen’ hadden
er volgens de commissie last van. Maar ook
het werkvolk en de baas zelf kwamen op 16 juni
1832 met hevige hoofdpijn thuis en bleven vervolgens
ziek. Na twaalf dagen vroeg het gemeentebestuur
of de gezondheidscommissie eens bij de heer
De Goey wilde gaan kijken. Men was bang dat de
ziekte iets te maken had met de cholera die de
stadsgrenzen naderde. Dat bleek echter niet het
geval te zijn. Wel liet de commissie de rottende
tabak verwijderen; wat droog was werd verbrand,
De Thorbeckegracht
was vanouds een straat
waar veel kleine bedrijfjes
waren gevestigd. De
commissie hield nauwlettend
in de gaten of
daarbij de volksgezondheid
niet werd bedreigd.
Deze foto is omstreeks
1880 gemaakt.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Midden vorige eeuw
was de aanwezigheid
van koper (en van
andere metalen) in
wijnazijn een groot probleem.
De fabrikant van
deze vloeistof, Heerkens
en Schaepman aan het
Groot Weezenland,
kreeg daarom het advies
voorzichtig te zijn met
koperen voorwerpen tijdens
de bereiding. De
foto met de bewaarkuipen
van de azijn werd
gemaakt in 1914.
de natte tabak werd in de grond begraven. De zolder
werd met chloorkalk gereinigd.
In 1845 werd Nederland geteisterd door een
ziekte onder de aardappelen, die tot misoogsten
en voedselgebrek leidde. Vooral voor de armen
leverde dit een gevaar voor de gezondheid op,
omdat zij afhankelijk waren van de bedorven
aardappelen.8 Toen dan ook in november van dat
jaar bij de ruiterstal van de heer Wijgmans aan de
tegenwoordige Thorbeckegracht bij de Diezerpoortenplas
een partij stinkende aardappelen
werd aangetroffen, trad de commissie direct op.9
De politie kwam er aan te pas om de voor menselijke
consumptie ongeschikte en goedkope aardappelen
te scheiden van de betere exemplaren. De
laatste mochten alleen als veevoer worden verkocht
en de verrotte exemplaren moesten van het
erf worden verwijderd.
Een net geslachte koe van slager Levy Salomon
Cohen uit de Diezerstraat leverde in dezelfde
maand problemen op.10 Mogelijk was het beest
besmet met longziekte. Hoewel de koe door een
veearts en twee keurmeesters was goedgekeurd,
vertrouwde het gemeentebestuur de zaak niet en
liet de commissie nog dezelfde dag het vlees keuren.
Het wantrouwen was onterecht, want het
vlees bleek goed te zijn.
Het keuren van het tijdens Sinterklaas gegeten
snoepgoed hield de commissieleden in 1851 heel
wat langer bezig. Het stadsbestuur was gealarmeerd
door een krantebericht uit Arnhem. Volgens
de courant zou het goud, dat gebruikt werd
om het St. Nicolaasgoed te versieren, voor het
grootste gedeelte uit koper bestaan en dus schadelijk
zijn voor de gezondheid van de consument.11
Na een gedegen scheikundig onderzoek kwam de
commissie in september 1853 tot dezelfde conclusie:
het bladgoud op het snoepgoed bestond bijna
geheel uit koper.12 Vooral het chromaatgeel dat
voor de kleur werd gebruikt was erg ongezond.
De commissie adviseerde het gemeentebestuur
de verkoop van St. Nicolaasgoed maar helemaal
te verbieden om het gebruik van schadelijke
verfstoffen te vermijden. Of de Zwolse kindertjes
in het vervolg met Sinterklaas niet meer mochten
snoepen, vermeldt de historie niet.
Het gebruik van koper in voedingsmiddelen
had in 1817 ook al schadelijke gevolgen gehad. Uit
Amsterdam werd gemeld dat het metaal aangetroffen
was in wijnazijn. Een inwoner van de stad
had na gebruik ervan hevige krampen in zijn buik
gekregen13 De gezondheidscommissie in Zwolle
drukte de plaatselijke azijnfabrieken op het hart
vooral voorzichtig te zijn met koperen voorwerpen.
Eigenlijk was de waarschuwing voornamelijk
bedoeld voor azijnfabriek De Ster van Heerkens
en Schaepman die in 1805 was opgericht.
Met nimmer aflatende ijver bemoeide de commissie
zich ook met kruiden en in het wild groeiende
heesters, die de gezondheid van de Zwollenaren
bedreigden. Zo wilde ze in 1853 een giftige
jeneverbes, de sabina juniperus, laten uitroeien.14
De bes groeide in het Engelse Werk en in de
standswandelingen bij de Diezerpoort. Vermoedelijk
was men bang dat deze giftige jeneverbesstruik
gebruikt zou worden als vruchtafdrijvend
middel. In grote hoeveelheid ingenomen kan het
dodelijk werken op nieren en hersenen.
Vier jaar later wees de commissie op de schadelijkheid
van moederkoren. Dit kwam als vervuiling
voor in granen. Het toezicht op de graanmarkt
moest dan ook verscherpt worden. Moederkoren
wordt als secabe cornutum in de verlosZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
kunde gebruikt als bloedstelpend middel.15 Een
overdosering geeft echter vaatkrampen en kan
zelfs afsterving van lichaamsdelen veroorzaken.
De demping van de Aa’s
1849 w a s e e n rampjaar voor Zwolle, waarin onder
meer de cholera in alle hevigheid toesloeg.16 In
1832 was de stad ook al geteisterd door een cholera-
epidemie, die 45 slachtoffers eiste. Zeventien
jaar later waren er 562 lijders (op een bevolking
van 18.168 inwoners), waarvan 284 overleden.17
Op economisch gebied ging het slecht, waarbij
met name de armste bevolkingsgroep getroffen
werd. Vooral de na 1844 voorkomende aardappeloogsten
leidden tot veel gebrek. Het was dan ook
geen wonder dat juist de armen getroffen werden
door de epidemie.
In de voormalige infirmerie aan de Praubstraat
richtte men een cholera-hospitaal in. De
plaatselijke geneesheren namen met veel inzet de
verzorging op zich. Veel hielp het niet: van de 115
opgenomen personen overleden er 66. In 1854
vond het hospitaal onderdak in het stadstimmerhuis
aan de Friese Wal. Daar bestond de inventaris
onder andere uit: 30 strozakken, 12 slaapmutsen, 2
badkuipen, 2 stilletjes met potten en 1 bedpan, 4
kachels met toebehoren en 1 pond zeep van 20
cent.
Waar de cholera door ontstond of werd overgebracht,
wisten de heren doktoren in die tijd nog
niet. De cholera-bacterie, de vibrio comma, werd
pas later ontdekt. Men dacht dat schadelijke dampen
een belangrijke rol bij de overbrenging speelden.
Vaak werden dan ook teerbossen verbrand
om de lucht te zuiveren.
Wel zagen medici het belang in van een goede
hygiëne en een goede voeding om ziektes te voorkomen.
In mei 1850 adviseerde de commissie de
gemeenteraad, de politie en de armbesturen dan
ook om vooral in de zomer toe te zien op de zindelijkheid
van straten, goten, riolen en het interieur
van de kleine huisjes van de armen. De gezagsdragers
moesten de ‘mindere klasse’ zien te overtuigen
van de noodzakelijkheid van lichamelijke zindelijkheid,
‘zonder evenwel bij hen de vrees voor
aanstekelijke ziektes op te wekken’.
De meeste slachtoffers van de cholera vielen in
De cholera-epidemieën in de vorige eeuw hielden vooral huis in het gebied rond
de Kleine Aa. De cholerabacil tierde welig in het veelal stilstaande water. De
omstandigheden verslechterden nog wanneer het watertje overstroomde; en dat
gebeurde nogal eens. Deze foto van de onder water staande Waterstraat werd
omstreeks 1940 gemaakt.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De cholera-epidemie
van 1886 was een van de
zwaarste in Zwolle. Een
van de mensen die zich
zeer had ingezet voor de
lijders was dr. S.P. Kros.
De gemeente was hem
zo dankbaar dat ze hem
een zilveren beker aanbood
die ze had laten
maken bij de firma Van
Kempen en Zoon in
Voorschoten. De Griekse
god van de geneeskunde
Asclepios, siert
het deksel. Op de beker
staat te lezen: ‘Erkenning
voor bewezen
diensten gedurende de
Cholera-epidemie in
1866’ (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
de buurt het Slurink in de binnenstad. Hierlangs
liep een smal, stinkend riviertje, de Kleine Aa. Het
stroomde vanuit de stadsgracht bij het Kerkbrugje
langs het Eiland, het Broerenkerkplein en de
Waterstraat en kwam tussen Rodetorenplein en
Buitenkant weer de stadsgracht in.18
De commissie was dit ook opgevallen en weet
het verschijnsel aan de Kleine Aa, ‘wier verpestende
luchtsoorten, welke zich uit dezelve (vooral des
zomers bij een aanhoudende hitte en een lage
waterstand) ontwikkelen, niet anders dan een
uiterst nadelige invloed op de gezondheid aan de
in deszelfs omtrek wonende bevolking moet uitoefenen’.
19 Door de lage waterstand in de stadsgrachten
konden de riolen, die allemaal loosden
op de Aa, hun afval niet kwijt. In mei 1850 wezen
de geneeskundigen van de commissie de gemeenteraad
erop, dat het geen zin had de Kleine Aa in
de zomermaanden te laten uitbaggeren, maar dat
het grachtje geheel moest worden gedempt en vervangen
door een riool. B&W lieten direct weten
dat ze deze suggestie ter harte namen en de straten
in het buurtje zo schoon mogelijk zouden houden.
Het dempen van de Aa vond men echter nog
te ingrijpend.
Het duurde vijfjaar voordat er schot in de zaak
kwam. Ondertussen was in oktober 1854 in Blokzijl,
Vollenhove en Zwartsluis opnieuw cholera
uitgebroken en vielen ook in Zwolle zes slachtoffers.
20 Het jaar erop was in Zwolle weer sprake
van een zware epidemie. Eenderde van de choleragevallen
deed zich voor in de omgeving van de
Kleine Aa. Er waren in totaal 116 zieken, waarvan
61 overleden. De commissie deed alles om de Kleine
Aa gedempt te krijgen.
Waarom talmde Zwolle zo lang? Had de stad
geen geld? Waarschijnlijk vond het stadsbestuur
dat de kosten niet opwogen tegen het te verwachten
resultaat. Hoe krenterig de raad in het algemeen
was wanneer het de gezondheidszorg betrof,
werd duidelijk toen in 1855 de beheerder van het
cholerahospitaal aan de Friese Wal, de chirurgijn
J. Metelerkamp, uit eigen zak de betaling van het
personeel moest voorschieten. Ook moest hij een
nadelig saldo van ƒ 51,60 aanvullen.21
Maar nu was eindelijk dan de kogel door de
kerk. Eind 1855 stelde de raad op de begroting voor
het volgende jaar geld beschikbaar voor het dempen
van de Kleine Aa.22 De Commissie van
Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt reageerde
juichend. ‘Alzoo is eene belangrijke schrede
gedaan tot bevordering van het wezenlijk welzijn
van Zwolle’s inwoners’, schreef ze aan de net
opgerichte Afdeling van de Koninklijke Nederlandsche
Maatschappij tot Bevordering der
Geneeskunst.23 Toch zou het nog drie jaar duren
voordat de gemeente aan dat karwei begon. Tijdens
warme zomers stonk de Kleine Aa nog even
erg als altijd.
Intussen was men in 1857 wel begonnen met de
demping van de Grote Aa en de aanleg van een
gemetseld riool ter vervanging. De Grote Aa kwam
de stad binnen ongeveer op de plek waar nu het
verzetsmonument in het Ter Pelkwijkpark staat,
liep naar het Gasthuisplein en langs de noordzijde
van de Oude Vismarkt, waar het aan de huizen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
grensde, ging ondergronds over de Grote Markt,
liep midden over de Melkmarkt en mondde op het
Rodetorenplein weer in de stadsgracht uit. Natuurlijk
werd het gebruikt als open riool, maar ook
werd er in platte schuiten turf aangevoerd voor de
aanwonenden. Het eerste stuk dat werd gedempt
lag tussen de Blauwhandse brug, ongeveer aan de
oostkant van het Gasthuisplein en de Gasthuisbrug
die de Wolverstraat verbond met de Gasthuissteeg.
Het duurde tot 1861 voordat de gemeentewerkers
tot aan het Rodetorenplein gevorderd waren. In
1859 werd de Kleine Aa gedempt en voor die ‘sloot’
had men maar een jaar nodig. Op de gemeentebegroting
stond voor demping een bedrag van
ƒ 45.000,-. Voor het dempen van de beide Aa’s
moest in totaal ƒ 62.000,- geleend worden.24
Of de vervanging van de Aa’s door een riool
nieuwe cholera-gevallen heeft voorkomen, is niet
helemaal zeker. Vaak doen epidemieën zich voor
in golven en komt de genezing op natuurlijke wijze
tot stand. In 1866 brak in Zwolle een van de
zwaarste cholera-epidemieè’n van de eeuw uit,
waarbij 204 doden vielen. Of er in de buurt van de
gedempte Aa geen slachtoffers waren, is onbekend.
Maar in ieder geval was het leefklimaat van
de omwonenden sterk verbeterd. Ze waren eindelijk
verlost van de smerige stank tijdens warme
zomerdagen. Alhoewel … Op 25 februari 1864
kreeg de commissie een brief van de stadsarchitect,
waarin hij klaagde over de stank die door de
nieuw aangelegde riolen zou worden verspreid.25
Industrie en milieu
De medische commissie werd pas in de laatste vijf-
Gerritjan Krol kreeg in
1856, na advies van de
commissie, toestemmingvan
de gemeente
om aan de Holterbroekerdijk
een fabriek ‘voor
beenzwart en chemicaliën’op
te richten. In
1914 liet deze fabriek
trots een aantal foto’s
afdrukken in het boekje
‘Zwolle industriestad’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tien jaar van haar bestaan geconfronteerd met
gezondheid bedreigende zaken ten gevolge van de
industrialisatie. Het waren toen vooral de ‘kwalijke
dampen’ en de verontreiniging van het water,
die de aandacht vroegen. In de eerste helft van de
negentiende eeuw was er nauwelijks sprake van
industriële ontwikkeling in Zwolle. Daardoor ontstond
er ook geen verontreiniging van water en
lucht. Toen de industrialisatie na 1850 ook in
Zwolle op gang kwam, kreeg de commissie voor
het eerst te maken met de verontreiniging van de
leefomgeving.
In 1851 kaartte het college van B&W de watervervuiling
aan, echter om te betogen dat er van
gevaar voor de volksgezondheid geen sprake was.
Sinds jaar en dag was het verboden dat de ververijen
hun spullen spoelden in de stadsgracht aan
steigers waar ook drinkwater werd geschept.26
B&W vroegen zich af of deze voorzichtigheid niet
al te overdreven was. Er waren immers nooit
klachten binnengekomen. Vuil en mest kwamen
toch ook via de riolen en secreten in de grachten
terecht? En de gemeente wilde vooral ‘de nijverheid
niet nodeloos belemmeren’. De commissie
hielp het bestuur vlot uit de droom. Door het
spoelen werden allerhande zware vergiften, zoals
kopergroen en argurum, met het water vermengd.
Het moest toch wel duidelijk zijn dat zulk water
sterk verontreinigd was en niet als drinkwater
gebruikt kon worden. De commissie stelde voor
slechts bepaalde steigers aan de stadsgracht aan te
wijzen voor het spoelen van geverfde goederen.
Het jaar erop was het gemeentebestuur toch
voorzichtiger. Fabrikant H. Baarslag was van plan
een oliekokerij en lakstokerij op te richten op een
stuk land bij de brug aan de Deventerstraatweg.
Een aantal inwoners van het prille Assendorp,
onder wie J.W. Maarssen, tekende protest aan. Ze
hadden geen zin ’tussen twee zodanige fabrieken’
in te wonen. Het gemeentebestuur vroeg nu de
commissie te onderzoeken of een dergelijke onderneming
schadelijk voor de gezondheid zou
zijn. De commissie kon het eens zijn met de indieners
van het bezwaarschrift. De ontledingsprodukten
van olie ontwikkelden door bijvoeging van
verschillende loodoxyden een zeer onaangename
lucht, die voor ‘borstorganen’ hinderlijk was.27
In 1852 mocht de commissie eveneens advies
geven over de vraag of E. en M.A. Jacobs een bergblauwfabriek
mochten stichten.28 Volgens haar
konden ze hun gang gaan: er was geen brandgevaar,
er kwamen geen nadelige dampen vrij en
bovendien was er geen risico dat regenwater vuil
werd. Het laatste was beweerd in advertenties
tegen de oprichting van de fabriek.
Voor J.A. Godschalk waren de leden van de
commissie strenger. Sinds 1852 had hij een beenderkokerij
in zijn pakhuis aan de Friese Wal. Twee
jaar later vond de commissie toch dat zo’n fabriek
binnen de stadsgracht niet hoorde.29 De reden was
waarschijnlijk water- en luchtverontreiniging in
de binnenstad. Op een halfuur afstand van de stad
was zo’n fabriek wel toegestaan. B&W namen in
ieder geval het advies ter harte. Twee dagen later
trokken ze de vergunning van Godschalk in.
In het voorjaar van 1856 wilde de firma Kroll
en Co. ‘eener fabriek van beenzwart en chemicaliën’
oprichten aan de Holtenbroekerdijk30 De
commissie boog zich over het vestigingsverzoek
en trad hierover ook in overleg met de rijksveearts.
De vraag was om wat voor soort chemicaliën
het ging en welke bijprodukten er vrijkwamen. De
uitwatering van de fabriek op de stilstaande sloten
van de polder van Holtenbroek zou gevaarlijk
kunnen zijn voor mens en dier. De commissie
beval de gemeente daarom aan slechts uitwatering
‘in het stroomende Zwarte Water’ toe te staan.
Verder bestond geen bezwaar tegen de oprichting
van de fabriek, omdat er geen sprake was van
schadelijk afval. De door Gerrit Jan Kroll opgerichte
fabriek produceerde beenzwart voor het
ontkleuren van suikersappen bij de raffinage van
suiker. In de volksmond werd het bedrijf de ‘bottenfabriek’
genoemd. Ze bestaat nog steeds.
Ook coulant was de commissie in het geval van
dr. S.J. van Roijen. Hij wilde een fabriek van Berlijnsch
blauw en sol ammoniae stichten.31 Bij de
bereiding van de preparaten kwamen voor de
gezondheid gevaarlijke stoffen vrij. De commissie
vond dat deze dienden ’ter verkrijging van het
fabrikaat, zodat het in het belang van den fabrikant
zelven is, daarmee hoogst omzichtig en alles
ter nutte aan te wenden’. Van Roijen kon zijn gang
gaan. Er kwamen echter allerlei bezwaarschriften
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
binnen en ook het gemeentebestuur was niet zo’n
voorstander van de fabriek. Uiteindelijk kwam de
onderneming er niet. De gemeenteraad gaf geen
toestemming voor vestiging, omdat de produktie
teveel stankoverlast zou geven. Schone lucht was
voor haar dus belangrijker dan economisch gewin!
Voor zover na te gaan is dit een van de weinige
keren dat de raad het advies van de medische
commissie niet heeft opgevolgd.
Epiloog
Had het nut om de commissie in te schakelen?
Was de gezondheid in Zwolle echt bedreigd?
Gaven de commissieleden verstandige adviezen?
En werden die door het gemeentebestuur opgevolgd?
Aan de hand van 22 onderzochte adviezen
tussen 1805 en 1865 kunnen bij deze vragen enige
opmerkingen worden geplaatst. In bijna tweederde
van de gevallen bleek dat men terecht bang was
geweest voor nadelige gevolgen voor de volksgezondheid.
Conclusie: het inschakelen van de commissie
was juist en bewees haar nut! Minstens
zeven keer werd het advies van de commissie door
de raad opgevolgd; in veertien gevallen is dat
onbekend. Slechts eenmaal legde de raad een
(positief) advies naast zich neer en mocht een
industrie niet opgestart worden.
De commissie werkte tot volle tevredenheid
van de gemeenteraad. In 1856 stelde het ministerie
van Binnenlandse Zaken voor een tweede gezondheidscommissie
op te richten.32 Een raadscommissie
vond dat niet nodig: de plaatselijke Commissie
van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt
functioneerde prima en en had ’te allen tijde
getoond [… ] hare roeping te begrijpen’.
Op 1 november 1865 trad een nieuwe wet in
werking: ‘Staatstoezicht op de Volksgezondheid’.
Deze is heden nog van kracht. De plaatselijke
Commissie van Geneeskundig Onderzoek en
Toevoorzigt had geen bestaansrecht meer. Ze had
gedurende zestig jaar de vinger aan de pols van het
stadsbestuur gehouden. Nadien zou dat gebeuren
door andere instellingen.
Met veel dank aan de medewerkers van het gemeentearchief,
de heren Admiraal, Huijsmans en
Knoester.
Noten
1. Gemeente-archief Zwolle (GAZ), CA004, 1805-1865
(4 delen).
2. GAZ, AAZ01-06027,1804.
3. Staatsblad nr. 16,12 maart 1818, art. i, pag. 2.
4. GAZ, CA004, pakket 1, nr. 1 en 2.
5. Ibidem, 1805-1820, pakket 13, nr. 3.
6. Ibidem, 1821-1832, pakket 22, nr. 5.
7. Ibidem, 1832, pakket 25, nrs. 3 en 5.
8. Ibidem, 1843-1854, pakket 38, nr. 7.
9. Ibidem, 1845, pakket 38, nrs. 11,12 en 14.
10. Ibidem, pakket 38, nr. 18.
11. Ibidem, 1851, pakket 44, nr. 20.
12. Ibidem, 1852, pakket 45, nr. 27.
13. Ibidem, 1805-1820,1817, pakket 10, nr. 2.
14. Ibidem, 1843-1854,1852, pakket 45, nr. 31.
15. Ibidem, register 1857, nrs. 98-102.
16. P.J. Lettinga, ‘Cholera in Zwolle in de 19e eeuw’, in:
Zwols Historisch Jaarboek 1984,42-69.
17. GAZ, CA004,1843-1854,1850, pakket 43, nr. 4.
18. Ibidem, 1851, pakket 44, nr. 5.
19. Ibidem, 1850, pakket 43, nr. 11.
20. Ibidem, 1855-1859,1855, pakket 48, nr. 41.
21. Ibidem, nr. 59.
22. Ibidem, nr. 64.
23. Ibidem, nr. 66.
24. GAZ, AAZ02-02290, begroting 1859; AAZ02-00995a,
raadsvergadering 8 februari 1859. In één van de volgende
nummers van het Zwols Historisch Tijdschrift
zal ik nader ingaan op het dempen van de
Aa’s.
25. GAZ, CA004, register 1864, nr. 13.
26. Ibidem, 1843-1854,1851, pakket 44, nrs. 15 en 16.
27. Ibidem, 1852, pakket 45, nrs. 12 en 13.
28. Ibidem, nr. 14.
29. Ibidem, pakket 47, nrs. 3 en 5.
30. Ibidem, 1855-1859,1856, pakket 49, nrs. 82, 87 en 88.
31. Ibidem, nrs. nr90,91,9iAen9iB.
32. GAZ, AAZ02-01051, bijlagen notulen raad, nr. 375.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
cDe Atlas’ omstreeks 1894: danshuis of
socialistenhol?
Frits David Zeiler
Aankondiging van de
opening van het ‘lokaal
Atlas’ in de Zwolsche
Courant van 31 december
1883.
D eze zomer is het honderd jaar geleden, dat
in gebouw De Atlas, Ossenmarkt 9 te
Zwolle, de Sociaal Demokratische Arbeiderspartij
in Nederland (SDAP) werd opgericht.
Geschiedschrijvers van de sociaaldemocratie in
Nederland geven het historische gebouw zeer uiteenlopende
kwalificaties mee. W.H. Vliegen, een
der zogenoemde Twaalf Apostelen van 1894,
noemt het in zijn overzicht van de eerste tien jaren
der partij een ‘hyperproletarisch lokaal’. J. Perry,
co-auteur van het meest recente gedenkboek,
spreekt van een ‘danshuis met niet zo’n beste
reputatie’.1 Wie heeft er gelijk?
De herkomst van Perry’s kwalificatie is snel
gevonden. Ze is, al dan niet indirect, ontleend aan
het tweede deel van Thom. de Vries’ Geschiedenis
van Zwolle.2 De stadshistoricus lijkt haar bijna terloops
te geven, wanneer hij het (ook in de negentiende
eeuw al heersende) zalentekort onder de
loep neemt. Het is evenwel een zeer persoonlijke
noot. In een andere passage ontpopt De Vries zich
namelijk als een regelrechte socialistenvreter, die
ieder lokaal waar Troelstra ooit een voet heeft
gezet, tot verdoemde plaats bestempelt.3 Bovendien
goochelt hij behoorlijk met de chronologie:
niet alleen waar het de stichting van de verschillende
zalen betreft, maar ook waar het gaat om
alles wat zich voor 1894 in de socialistische beweging
heeft afgespeeld. Al met al moet de historische
betrouwbaarheid van zijn werk op dit punt
dus gering worden geacht. Natuurlijk, De Atlas
was (zoals De Vries schrijft) ‘een soort danshuis’,
maar dat waren alle zalen. Dansen was een geliefd
tijdverdrijf voor jong en oud van alle gezindten,
net als kermis, variété en later film. Pas het
‘beschavingsoffensief der rechtzinnigen zette de
danslustigen letterlijk in het verdomhoekje.
Omstreeks 1890 brak die nieuwe fatsoensnorm in
veel provinciesteden door. In Zwolle bijvoorbeeld,
kan men het in 1889 gedane verzoek tot
afschaffing van de zomerkermis, afkomstig van de
Christelijke Jongelingsvereeniging De Heer is
onze Banier, als een teken des tijds beschouwen –
ook al werd dat (nog) niet gehonoreerd.4
Geen slechte reputatie dus, maar wat dan wel?
Ook Vliegens karakteristiek klinkt wel erg eenzijdig.
We zullen proberen na te gaan welke rol De
Atlas in de Zwolse samenleving speelde, voordat
het gebouw zich door die simpele gebeurtenis in
1894 landelijke bekendheid zou verwerven.
‘Eene groote verbetering’ aan de Ossenmarkt
Anders dan De Vries suggereert, stamt het huidige
gebouw De Atlas pas uit 1883. Zowel de aanvraag
als de vergunning en de bouwtekening zijn
bewaard gebleven.5 Het ontwerp, een dubbel pand
in eclectische stijl, was van de Zwolse timmermanaannemer
T. Disselhof, die ook als aanvrager optrad.
Zijn opdrachtgever was procureur M.
Oppenheimer, aan wie Disselhof het perceel kort
tevoren had verkocht. Het vormde nu weer één
eigendom met het pand Voorstraat 17, zoals ook
tussen 1853 en 1861 het geval was geweest.6 Het
plan voorzag in het afbreken van een drietal
bestaande percelen aan de Ossenmarkt, waarvan
het meest westelijke blijkens de kadastrale kaart
een soort achter- of koetshuis van het pand in de
Voorstraat moet zijn geweest. Gemeente-architect
J.L. van Essen achtte Disselhof s ontwerp ‘eene
groote verbetering’ van de situatie ter plekke en
adviseerde B&W derhalve positief. De sloop moet
Opening Atlas.
Het nieuwe lokaal aan de Ossenmarkt wordt
voor hét publiek geopend Zondag 30 December.
Het lokaal wordt afgestaan voor partyen en
bijeenkomsten.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Ontwerptekening voor
nieuwbouw op de
Ossenmarkt door
T. Disselhof, 1883
(Gemeentearchief
Zwolle).
spoedig daarna ter hand zijn genomen en ook de
bouw is vlot geschied. Op zondag 30 december
1883 kon het nieuwe lokaal in gebruik worden
genomen en vanaf dat moment zou het zich een
plaats verwerven naast De Harmonie, Van Hille
(op de Beestenmarkt), lokaal Aa-plein, De Zangschool
(op het Eiland) en andere.7
Waaraan de nieuwe zaal zijn naam ontleende,
is niet duidelijk. Misschien stond er ergens in of
op het pand een beeld van Atlas. Dit zou dan vergelijkbaar
zijn met het beeld van Mercurius, dat
zijn naam verleent aan het pand de De Mercuur
op de hoek van de Luttekestraat en de Korte Luttekestraat.
8 In geen geval was de naam op de gevel
aangebracht; de bekende foto, die dit suggereert, is
met pen bijgewerkt. Overigens is de bewering, dat
het etablissement pas na de fameuze bijeenkomst
van 26 augustus 1894 zijn vaste benaming zou hebben
gekregen, al evenmin juist. De gangbare aanduiding
was vanaf het eerste begin ‘lokaal Atlas’,
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aankondiging van een
optreden van F. Domela
Nieuwenhuis in De
Atlas in de Zwolsche
Courant van 20 november
1884.
hoewel het ook als koffiehuis, logement en hotel
werd gepresenteerd.9
Uiterlijk komt het gebouw op de zojuist
genoemde foto vrijwel exact overeen met de ontwerptekening
van Disselhof; alleen de sierbogen
boven de ramen en vooral boven de beide ingangen
zijn wat ronder uitgevallen dan voorzien.
Deze ingangspartijen dienden volgens de bouwvergunning
binnen de rooilijn te worden uitgevoerd.
Ook de stoepen, die nodig waren vanwege
de enigszins verhoogde ligging van de benedenverdieping,
waren dus inpandig gehouden. De
aldus ontstane bei-etage werd vrijwel geheel in
beslag genomen door de zaal, waarin zich een
toneel bevond. Een latere (ver)bouwtekening
toont een toegangsdeur aan de rechterzijde.10 Het
feit dat de twee SDAP-ers van het eerste uur, Van
der Vegt en Os, zich op meergenoemde foto bij de
linkeringang (nu 9b) hebben geposteerd, doet
evenwel vermoeden dat de officiële ingang tot het
lokaal zich oorspronkelijk aan die zijde bevond.
Volgens de advertenties uit januari 1884 was het
overigens ook via de Voorstraat te bereiken. Achter
beide portalen lag de opgang naar de eerste
verdieping, waar de kamers van het logement
waren gesitueerd, en naar de zolder. De twee (of
drie?) personen die op de foto rechtsboven uit het
raam hangen om te zien waarvoor de fotograaf in
actie is gekomen, horen wellicht tot de kostgangers
uit die jaren. Vaste bewoners waren in de
jaren-1890 onder meer de handelsagent M. Hartog
op 9a en de weduwe Daams-de Rooy op 9b.n
Neringdoenden en heilsoldaten
Wie maakten er zoal gebruik van het nieuwe
lokaal? Het was volgens de eerste advertenties
geschikt voor ‘partijen en bijeenkomsten’ en werd
‘voor bijzondere gelegenheden … vrij afgestaan’.
Dat laatste betekende waarschijnlijk, dat de
exploitant van de consumpties hoopte rond te
komen en geen zaalhuur in rekening bracht. Dat
was natuurlijk anders, wanneer er voorstellingen
te zien waren, waarvoor entree moest worden
betaald. Deze lagen, net als die in andere kleine
zalen, vooral in de sfeer van het variété en het
volkse amusement. Als eerste vonden we op 23
januari 1884 ‘de wereldberoemde ZOELOES’ vermeld,
die later dat jaar onder meer gevolgd zouden
worden door ‘de man zonder armen’ en de
jongleurs van het Grand Matinee Gezelschap
Henry Roos. Dit Amsterdamse gezelschap had
blijkbaar zo’n succes, dat het verscheidene jaren
achtereen is teruggekomen.12 De eerste politieke
bijeenkomst was het optreden van niemand min-
Openbare voordracht
VAN
F. DOMELA NIEUWENHUIS,
uit ’s Oravenhage,
op Zaterdag 22 November, des avonds om 8 uur,
in het lokaal Atlas aan de Ossenmarkt.
Onderwerp: Werkeloosheid en •welvaart.
Vrije discussie.
Toegang 5 cent, tot dekking der kosten.
der dan de socialistische voorman F. Domela
Nieuwenhuis op 22 november 1884. Dat lijkt de
kwalificatie die Vliegen later aan het lokaal zou
meegeven al direct te rechtvaardigen. Dat wordt
nog versterkt door het feit dat behalve Domela
ook geestverwanten als J.A. Fortuyn, A.H. Gerhard
en W.P.G. Helsdingen een of meer keren in
De Atlas hebben gesproken.13 Toch was het lokaal
aan de Ossenmarkt geen stamkroeg van de socialisten;
enerzijds traden bijvoorbeeld P.J. Troelstra
en de voorvechtster voor vrouwenrechten W.
Drucker op in de Buitensocieteit, anderzijds was
de progressieve liberaal B.H. Heldt enkele malen
te gast aan de Ossenmarkt. Behoudender liberalen
en partijgangers van Christelijken huize, zoals L.
Schaepman, zochten bij voorkeur Schouwburg
Odeon op.14 Op 30 juli 1892 werd door de Sociaal
Democratische Bond trouwens een eigen gebouw
in gebruik genomen, De Dageraad aan de Molenweg.
Weer was Domela van de partij, vergezeld
door J.A. Fortuyn en L.M. Hermans. Als er een
lokaal ‘hyperproletarisch’ was in Zwolle, dan moet
het dat wel zijn geweest.15
Al betrekkelijk snel na de opening, werd De
Atlas de vaste vergaderplaats voor een aantal
Zwolse verenigingen. Daaronder waren de Coöperatieve
Zwolsche Winkelvereeniging, de VereeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
niging tot Bevordering der belangen van de Handel
en Neringdoenden Stand in Zwolle (opgericht
begin 1883), het Algemeen Zwolsch Werkliedenverbond
en de Werkliedenvereeniging Werkmans-
Eer. Het AZWV gold als de Zwolse afdeling
van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond,
een in 1871 gesticht vakverbond van liberale
snit. Het stamde zelf uit 1874 en telde op zijn hoogtepunt
zo’n vierhonderd leden, ongeveer 12,5%
van het landelijke ledental. Eveneens van 1874 was
Werkmans-Eer, dat blijkens de aankondigingen
van toneelavonden vooral het karakter had van
een gezelligheidsvereniging; het had zich afzonderlijk
bij het ANWV aangesloten.16 Bij deze politiek
gematigde clubs voegden zich al spoedig twee
stromingen van een meer uitgesproken karakter,
namelijk de drankbestrijding en de beweging voor
algemeen kiesrecht. De Nederlandse Bond voor
Algemeen Kies- en Stemrecht, afdeling Zwolle,
kwam op 25 februari 1885 voor het eerst in De Atlas
bijeen, waarbij ds. D. Pekelharing het woord voerde.
Het was niet de eerste kiesrechtmanifestatie en
het zou ook lang niet de laatste zijn.17 De Volksbond
tegen Drankmisbruik kreeg in het vroege
voorjaar van 1889 een Zwolse afdeling, terwijl op
hetzelfde moment pogingen werden gedaan de
Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van
Sterken Drank ter plaatse te reactiveren. De Volksbond
had als brede beweging het meeste succes en
wist binnen enkele jaren een volksleeszaal annex
koffiehuis te realiseren, gevestigd in De Atlas.18
Omstreeks 1890 ontstonden ook de Zwolse
afdeling van het Leger des Heils, een Comité voor
de Middernachtzending (een beweging die ageerde
tegen de prostitutie) en een radicale Arbeidersbond;
zij kozen alle het lokaal aan de Ossenmarkt
voor hun bijeenkomsten.19 Er bleef dus een breed
spectrum aan maatschappelijke groeperingen van
De Atlas gebruik maken, en het enige wat men kan
zeggen is, dat zij wel een zekere sociale inslag
gemeen hadden. De reden om juist hier in 1894 de
oprichtingsvergadering van een nieuwe sociaaldemocratische
partij te houden, lag echter, zoals
nu wel duidelijk is, niet in het door Vliegen veronderstelde
hyperproletarische karakter. Misschien
speelde wel de omstandigheid, dat zeker vijf van
de twaalf mannen van het eerste uur het gebouw
van binnen kenden, een zekere rol.20 Veel belangrijker
echter zal de symboliek geweest zijn van
deze plaats, waar in het afgelopen decennium in
een – zwaar bevochten – vrijheid en openheid
zoveel ideeën over een betere toekomst waren uitgewisseld.
De Dageraad daarentegen, kon uitsluitend
worden vereenzelvigd met de Sociaal-Demo-
Hotel „ATLAS.”
GROOTE ZAAL VOOR PARTIJEN
MET TOONEEL.
H. J. Levie, Voorstaat, Zwolle.
cratische Bond. Hoewel de meeste SDAp’ers van
het eerste uur als ‘Bonders’ waren begonnen, leidde
de principieel anti-parlementaire houding,
waartoe Domela en de zijnen in 1893 hadden
besloten, tot een scheiding der geesten. De initiatiefnemers
voor de ‘nieuwe bond’ wensten zich
juist nadrukkelijk te distantiëren van afglijden
naar het pure anarchisme. De ironie der geschiedenis
wil, dat nog geen drie maanden na de
oprichting van de SDAP het lokaal aan de Molenweg
door de Christelijken werd overgenomen.21
De klop op de Zwolsche deur
Zo troffen dus op zondagochtend 26 augustus
1894 de ‘Twaalf apostelen’ elkaar aan de Ossenmarkt.
Voor de loop van de gebeurtenissen volgen
we hier de beschrijving door een van hen, de
Zwolse onderwijzer H.J. van der Vegt.22
‘Voor deze bijeenkomst kon men toegang krijgen
door het teekenen van de volgende verklaring:
‘Vergadering tot regeling der organisatie van alle
democratische socialisten, d.w.z. van diegenen,
die zoowel op politiek als op economisch gebied
het gemeenschappelijk bezit der productiemiddelen
nastreven en die dus ook het kiesrecht willen
veroveren en gebruiken als wapen in den klassenstrijd.’
Deze formule werd door 54 personen, uit
Advertentie in het
Adresboek voor Zwolle
van 1891.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ontwerptekening voor
de verbouw tot garage
doorH. deNie, 1920.
(Gemeentearchief
Zwolle).
alle deelen van ons land afkomstig, geteekend en
met dit groepje personen zag de SDAP het licht.
Op deze vergadering presideerde Vliegen.
Twaalf jaren had hij in de oude SDB meegestreden:
‘Dan kost het moeite u los te scheuren. Maar nu
dat eenmaal is gebeurd, dienen de handen aan het
werk geslagen, om ons te redden uit het moeras
van begripsverwarring en onzekerheid, waarin we
zijn verzeild geraakt.’ Een bestuur werd gekozen
en een programcommissie benoemd. Toen Vliegen
de vergadering sloot gingen de aanwezige
mannen overeind en hieven het oude vrijheidslied
aan. Met nieuwe moed bezield verlieten de aanwezigen
lokaal Atlas.
De reacties op de geboorte van de nieuwe partij
waren zeer divers. De oude strijdmakkers van
de SDB spraken er smalend over – van hen is de
spotnaam ‘De Twaalf Apostelen’ afkomstig, die al
spoedig een geuzennaam werd -. Zij verspreidden
naderhand het gerucht dat een deel van de kersverse
SDAp’ers zich na afloop van de constituante
in hotel De Zon op de Grote Markt aan drank te
buiten was gegaan. En dat in kringen waarin de
onthouding een der meest heilige principes was en
waar men overigens – zoals Van der Vegt schrijft –
zich op bijeenkomsten slechts de goedkoopste
drank kon permitteren: melk. Voor een stuiver
het glas. Opmerkelijk veel aandacht besteedde de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
aan de zaak. Dat gold zowel de oprichting als de
daaropvolgende manifestatie voor afschaffing van
het privé-bezit, waarmee de Twaalf hun initiatief
hadden weten de combineren. Ook de plaatselijke
afdeling, die nog dezelfde dag tot stand kwam en
zijn eerste openbare vergadering op 3 september
d.a.v. hield, kon rekenen op een zekere welwillende
aandacht.23 Daarmee was men er uiteraard nog
lang niet. De Zwolse SDAp’ers van het eerste uur –
onder wie behalve Van der Vegt ook medeoprichter
Levie Cohen en de ‘dertiende apostel’
Izaak Os – zouden tot na de eeuwwisseling kampen
met organisatorische, financiële en politieke
problemen. Onder de laatste was zeker het lange
uitblijven van de kiesrechthervorming. Pas in 1903
werd de eerste SDAp’er in de gemeenteraad gekozen,
de spoorman Klaas Admiraal, die na de
rampzalig verlopen Spoorwegstaking zijn baan en
zijn zetel kwijtraakte. In 1907 kwam Henk Sneevliet
in de raad. Later zou deze als communist en
verzetsstrijder internationale bekendheid verwerven.
24
Hoe het De Atlas verder verging
Tijdens de staking van 1903 moet De Atlas als een
soort permanent vergadercentrum hebben gefungeerd.
25 Weinigen binnen de socialistische beweging
hadden toen kunnen bevroeden, wat voor
bestemming het twintig jaar later zou krijgen.26
Nadat het door de eerste eigenaar, M. Oppenheimer,
van de hand was gedaan, werd het verbouwd
tot garage. Daarbij werd de houten vloer weggebroken
en het niveau met een meter verlaagd, terwijl
de gietijzeren kolommen waarop de verdieping
rustte werden vervangen door stalen
dragers.27 De bovenwoningen werden gehandhaafd;
zij werden toen al geruime tijd bewoond
door de handelsbediende G. Meijer en de kunstschilder
J.W. Meijer.28 In 1934 vinden we het complex
in handen van de Onze-Lieve-Vrouweparochie,
die het als verenigingsgebouw in gebruik
heeft genomen. Het is de hoogtij van de verzuiling;
de dan veertigjarige SDAP-afdeling beschikt
eveneens over een eigen gebouw, Palvu, op de
Eekwal. Aan deze naam is geen hang naar de klassieke
oudheid of poëtische toekomstverwachting
meer af te lezen – ze is eenvoudig een afkorting
van de leuze ‘Proletariërs aller landen, verenigt u!’
Weer een halve eeuw later zijn de meeste zuilen
omgevallen of afgebrokkeld en heeft ook het
aloude lokaal op de Ossenmarkt een nieuwe,
bedrijfsmatige bestemming gekregen. De huidige
eigenaar, de markiezenfabrikant Runhaar, verleende
in 1984 echter gaarne zijn medewerking tot
plaatsing van een gedenksteen. Hopelijk brengt
deze de voorbijganger tot het besef, dat Zwolle
niet alleen de stad is van de patriotten en de liberalen,
maar ook van die andere belangrijke politieke
stroming in de geschiedenis van onze democratie.
De op 25 augustus 1984
geplaatste gedenksteen,
ontworpen door
de Zwolse beeldhouwer
Walraed Cremers (foto:
F.D. Zeiler).
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noten
1. 1894-1904, Gedenkboek bij het tien-jarig bestaan der
SDAP (Amsterdam 1904) 71.
Jos Perry, ‘De jaren 1894-1919’ in: M. Brinkman e.a.
(red.)> Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland
1894-1994 (Amsterdam 1994) 10.
2. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle 77 (Zwolle
1961) 265. Vgl. P. Sprenger, De SDAP in Zwolle, 1894-
1914; een onderzoek naar het socialisme in ‘de provincie
(Scriptie UvA, Amsterdam 1979) 4 en noot 17.
3. De Vries, 261-262.
4. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 18
juni 1889. Als voorbeeld van een recente studie over
deze omslag van liberaal naar verzuild-confessioneel
noemen we: DJ. Wolffram, Bezwaarden en verlichten.
Verzuiling in een Gelderse provinciestad.
Harderwijk 1850-1925 (Amsterdam 1993).
5. GAZ AAZ02-01555, Ingekomen stukken B&W, nos.
1788 en 1821,1 en 8 sept. 1883.
6. Een en ander blijkt uit de kadastrale gegevens, in
afschrift aanwezig op het Gemeentearchief Zwolle;
[sectie F no. 1513] was in 1832 eigendom van J.M. van
Rhijn, griffier der Staten, op wiens naam vanaf 1854
ook Ossenmarkt 9 [sectie F no. 1514] stond. Marcus
Oppenheimer, die elders in de Voorstraat op no. 35
woonde, verwierf no. 17 in 1878 van de weduwe van
Van Rhijn, E. Nilant. De transactie tussen Disselhof
en Oppenheimer, die in 1883 moet hebben plaatsgevonden,
is voorzover we konden nagaan niet notarieel
vastgelegd (althans niet in Zwolle). Zoals
gebruikelijk vermelden de kadastrale leggers de sloping
pas in 1884 en de opbouw in 1885, d.w.z. naar
de (officiële) toestand van het voorafgaande jaar.
7. POZC, 31 dec. 1883; ibid. 5, 7-12 en 14 jan. 1884, alle
advertenties onder de kop ‘Opening Atlas’.
8. Het ook voor die tijd opmerkelijke pand wordt
genoemd in de Geïllustreerde Gids voor Zwolle en
omstreken (Zwolle 1895) 35.
9. Het met de pen bijwerken is vastgesteld door N.
Holzscherer aan de hand van het origineel van de
foto (IISG, Arch. Schaper 2). Uit de POZC (noot 7)
blijkt duidelijk, dat de naam van den beginne af is
gebezigd. Vanaf 15 jan. 1884 wordt het etablissement
in advertenties echter tevens aangeprezen als
‘Hotel-Café Atlas.’ Ook een advertentie in het
Adresboek Zwolle van 1891 (adv.pag. I) spreekt van
‘Hotel Atlas.’
10. GAZ, Bouwtekeningen uit het archief van Bouw- en
Woningtoezicht, Ossenmarkt 9, augustus 1920.
11. Adresboek 1891, Wijk A nos. 122 en 122a; Adresboek
1896, Wijk A 122a (hierin m.b.t. A 122 mogelijk een
verwisseling met een ander etablissement). In 1896
wordt het pand Voorstraat 17 geëxploiteerd door
A.M. Goene onder de naam ‘Hotel Café Centraal’
(adv. t.o. pag. 149).
12. POZC 23 jan., 20 mrt. en 4 aug. 1884; 15, 22 en 23 sep.
1886; 30 juli 1887.
13. We vonden de volgende vermeldingen in de index
op de POZC [BC = Buitensocieteit; DA = De Atlas;
DD = De Dageraad; NW = Nieuwe Werk; Od =
Odeon; po = plaats onbekend]:
Vitus Bruinsma: 7 mei 1889 [DA]; 20 mrt. 1893
[DD].
F. Domela Nieuwenhuis: 20/25 nov. 1884 [DA];
29/30 juni 1885 (‘Recht op arbeid of niet’) [DA]; 30
juli/2 aug. 1892 [DD].
W. Drucker: 3/6 oct. 1891 [BS].
J.A. Fortuyn: 20/26 aug. 1885 [DA]; 30 juli/2 aug.
1892 [DD].
J.A. Geel: 8 sept. 1892 (‘over zijn gevangenschap en
over socialisme’) [DD].
A.H. Gerhard: 8 jan. 1891 [DA]; 23 apr./2 juni 1891
[BS].
W.P.G. Helsdingen: 14 nov. 1891 [DA]; 13/16 feb.
1892 (‘over Christendom en Socialisme’) [DA]; 25
apr.i893[NW].
L.M. Hermans: 30 juli en 2 aug. 1892 [DD].
H.H. van Kol: 14 juni en 21/25 juli ^93 [DD].
P.J. Troelstra: 5 sept. 1891 [BS]; 25 apr. 1893 [NW].
S. van Veen, Christen-socialist: 16 jan. 1892 [DA].
14. Als noot 13:
F. van Gheel Gildemeester: 7 feb. 1890 (‘Het streven
der socialisten’) [Od].
H. Goeman Borgesius: 16 jan. 1888 (‘over socialisme’)
[Nut]; 16 feb. 1889 [Od].
B.H. Heldt: 11/19 nov. 1889 [DA]; 28 nov. 1892 [DA].
H. Schaepman: 12/16/17 jan. 1885 [Od]; 13 jan. 1886
(‘over Socialisme’) [po].
15. POZC 30 juli/2 aug. 1892. De Vries (als noot 2), 261-
262 geeft er echter een wel heel weinig vleiende
beschrijving van. Vgl. Sprenger par. 2 noot 10, waarin
hij suggereert, dat zaalhouders Domela na 1884
niet meer wilden toelaten. Deze bewering is vermoedelijk
ontleend aan de memoires van H.J. van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
der Vegt, De Klop op de Zwolsche deur, afl. 2 (zie verder
noot 22). Deze boycot zal – gezien de leemte in
de in noot 13 weergegeven sprekerslijst – vooral in
de jaren 1886 tot en met 1888 hebben gespeeld.
16. Sprenger par. 2 geeft een helder overzicht van de
voorlopers van de moderne vakbeweging en hun
Zwolse afdelingen.
Coöperatieve: POZC 19 apr. 1886 (eerst vermelde vergadering
in De Atlas.
Ver. tot Bevordering: POZC 6 jan. 1883 (oprichting),
10 mei 1886 (eerste vergadering in De Atlas).
AZWV vergadert aanvankelijk bij Van Hille (POZC 11
nov. 1886), besluit in 1887 voortaan in De Atlas bijeen
te komen (POZC 12 sept. 1887).
De eerste vermelding van een toneelavond onder
auspiciën van de AZWB vonden we in de POZC van
18 mrt. 1890, de eerste aankondiging van Werkmans-
Eer (met bal na!) op 29 jan. 1891. Over het 20-
jarig bestaan: POZC 27 aug. 1894. Ook de toneelvereniging
Onderling Genoegen had overigens zijn uitvoeringen
in De Atlas (bv. POZC 4 nov. 1890).
17. POZC 25 feb. 1885; vgl. ibid. 8 sept. 1884, verslag van
een ‘volksvergadering voor algemeen stemrecht’, de
dag daarvoor gehouden in de zomertent van café
Van Hille aan de Beestenmarkt. Voor deze vereniging
sprak W.P.G. Helsdingen op 13 februari 1892
(zie noot 13). De oprichtingsdatum stemt niet overeen
met de door Van der Vegt, ‘De klop…’ afl. 2
vermelde feiten (zomer 1889).
18. POZC 3 mei 1886; ibid. 16/18/22 feb., 9 mrt., 8 juni en
4 sept. 1889. De eerste vermelding van een bijeenkomst
in De Atlas is van 14 feb. 1890. De Vereniging
tot Afschaffing bleef overigens bestaan (POZC 22
aug. 1891), terwijl zich als derde drankbestrijder de
Nationale Christelijke Geheelonthoudersvereeniging
aandiende (POZC 6 nov. 1891). De vestiging van
de leeszaal en het bier- en koffiehuis (bier werd niet
als sterke drank beschouwd) wordt vermeld in de
POZC van 29 mrt. en 11 apr. 1892; vgl. 17 oct. 1892. Uit
een bericht van 9 jan. 1893 blijkt, dat men hier ook
‘volksvoordrachten’ hield.
19. Oprichting Leger des Heils: POZC 8 mrt. 1890; zondagavond-
bijeenkomsten in De Atlas: ibid. 19 apr.
1890.
Oprichting Middernachtzending: pozc 5 sept. 1891;
bijeenkomst in De Atlas: ibid. 23 juli 1892.
Oprichting Zwolsche Arbeidersbond: POZC 8 jan.
1891; voor deze bond sprak later dat jaar Wilhelmina
Drucker (zie noot 13).
20. Fortuyn, Gerhard en Helsdingen hadden er gesproken
(zie noot 13); Troelstra en Van Kol waren elders
in Zwolle opgetreden.
De Zwollenaren Cohen en Van der Vegt kenden het
lokaal uiteraard vanouds. De overige vijf oprichters
waren F. van der Goes, H. Polak, J.H. Schaper, H.
Spiekman en W.H. Vliegen.
21. POZC 13 oct. 1894.
22. H.J. van der Vegt, ‘De Klop op de Zwolsche Deur.
De Zwolsche arbeidersbeweging in het laatst der
19de en het begin der 20ste eeuw’, Zwolsch Nieuwsen
Advertentieblad 10 oct. 1931 – na 8 sept. 1932, 25
afl. Aanwezig op het IISG te Amsterdam, Kleine
Persoonlijke Archieven z.nr. Met dank aan B. Hijma
voor het terugvinden van dit voor Zwolle zeer
interessante ego-document.
23. POZC, 28 aug. en 6 sep. 1894.
24. Van de meeste pioniers in SDB en SDAP zijn levensbeschrijvingen
opgenomen in het Biografisch woordenboek
van het socialisme en de arbeidersbeweging
in Nederlandl-V (Amsterdam 1986-1992). Wij noemen:
Levie Cohen (1864-1933), I 28-30 [B. Reinalda];
Helmig Jan van der Vegt (1864-1944), II161-163
[C. van Dijk]; Hendricus Josephus Franciscus
Marie Sneevliet (1883-1942), I 111-119 [F. Tichelman].
Over Klaas Admiraal: Sprenger, 11-15. Over
Izak Os: W. Cornelissen, Izak Os (1870-1943). Zwols
Historisch Tijdschrift^ (1992) 47-50.
25. Van der Vegt, De Klop… afl. 15 [=16].
26. Kadastrale gegevens, als noot 6.
27. Als noot 10. Eigenaar was toen H.A.H. Derksen, die
het tesamen met de panden Voorstraat 13-15 had
verworven. In 1934 vinden we echter weer de combinatie
met Voorstraat 17.
28. Adresboek 1903 en 1919.
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een gewone jongen in Zwolle
Willem Boxma
Willem Boxma als back
(links van de keeper) in het
PEC-junioren elftal, dat in
1936 in een onderlinge
competitie kampioen werd
(foto: Willem Boxma).
Als ik na aankomst op station Zwolle via de
Groeneweg de Verenigingstraat ben ingewandeld,
schijnt mij niets veranderd sinds
de dag in 1928 toen ik als kleine jongen inwoner
van de stad werd. Het verrast me de straat geplaveid
te zien met hetzelfde onberispelijke mozaïek
van grijsblauwe waaltjes van toen; alleen was het
trottoir ook met die klinkertjes belegd. Staande
voor de woning met het rijtjesnummer 33 probeer
ik heimelijk een blik naar binnen te werpen. Aanbellen
durf ik niet. Moet ik tegen de bewoner zeggen:
‘Vijfenzestig jaar geleden heb ik hier gewoond,
mag ik nog eens binnen komen kijken?’.
Hij zal me zien aankomen! Ik neem daarom maar
aan, dat de alkoof tussen voor- en achterkamer,
die tegelijk diende als slaapkamer voor een logé
die komen mocht en als bergkamer voor alles-ennog-
wat, wel bij de aanliggende kamers getrokken
zal zijn. En de keuken heeft natuurlijk ook een
heel ander aanzien dan destijds. Toen we er kwamen
wonen deugde het granito aanrechtblad niet.
Vader vroeg een granietwerker om raad. Die verscheen
en bleek een Italiaan te zijn met een imposant
stuk gereedschap onder de arm. Met de
moker gaf hij een zodanig fikse dreun op het aanrecht,
dat er een boeiend lijnenspel aan scheuren
te bewonderen viel. ‘Elemale nikse waard’, was
zijn conclusie, ‘moete nuwe gemaak wor’. Een
oplossing die zelfs voor mij voor de hand lag.
Voor hij aan het karwei begon, bond hij bij wijze
van schort een cementzak om zijn middel en zijn
vriendelijke zuidelijke oogjes in mijn richting
wendend, zei hij: ‘Ikke net diensmeissie’.
Het primitieve ‘huuske’, zoals wij het bleven
noemen, is nu ongetwijfeld omgebouwd tot een
keurig betegelde ruimte waarin de bank met het
gatdeksel en het eronder geschoven tonnetje door
een modern watercloset zijn vervangen. Dat volle
tonnetje werd op gezette tijden door personeel
van de gemeentereiniging gehaald en tegen een
lege omgewisseld. De tonnetjesmannen kwamen
daartoe met paard en wagen voorrijden. Op een
van hun schouders rustte een leren zadel, dat met
een riem over borst en rug op z’n plaats werd
gehouden. Ze slingerden de ton met inhoud op
dat zadel, droegen die met één arm rechtop houdend,
via keuken, kamer, gang en voordeur
behoedzaam naar de wagen om vervolgens, met
eenzelfde manoeuvre een leeg exemplaar terug te
plaatsen. Een keer heb ik het mis zien gaan. Bij de
buren nog wel. De stakker – mijn god, je zult maar
gebukt onder tonnen met stront je schrale dagelijkse
boterham moeten verdienen! – de stakker
dus gleed uit over een gangmatje en de toninhoud
spatte uiteen op de vloer en tegen de wanden. Het
zou je maar gebeuren! Of je bewoner was of tonnetjesman,
’t was voor beiden even erg. Wie de
troep heeft opgeruimd, weet ik niet. ’t Lijkt me een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT l ö l
taak voor diezelfde gemeentereinigingsdienst te
zijn geweest.
Vader was bij de spoorwegen en – zoals bij dat
bedrijf niet ongebruikelijk – overgeplaatst van ons
vertrouwde Heerenveen naar Zwolle. Wij, en
vooral mijn moeder en ik, voelden ons vreemdelingen
toen we onze intrek namen in het rijtjespand
nummer 33 in de Verenigingstraat. Mijn
ouders hadden het huis gehuurd, nadat een
opdringerige ‘makelaar’ hen half Zwolle had
rondgeleid met als doel bezichtiging van woningen
met een aan de deurpost getimmerd bordje ’te
koop ofte huur’. Er moet weinig keus in de kleine
provinciestad zijn geweest en het moest natuurlijk
ook van een vast spoorsalaris betaalbaar zijn. En
zo was uiteindelijk genoegen genomen met Verenigingstraat
33.
Al op de dag van aankomst – de inboedel
kwam met een spoorwagon na – realiseerden we
ons dat wij ons als Friese plattelanders aan het
Zwolse stadsleven zouden moeten gewennen.
Vader sprak redelijk Hollands – ‘Hooghaarlemmerdijks’
werd in Friesland spottend gezegd –
moeder sprak gemengd, ofwel veel Fries en weinig
Hollands en ik had nooit anders dan Fries gesproken.
Tijdens het gedoe van het verhuizen vonden
we gelukkig aanspraak bij het gezin van een collega
van vader die verderop in de straat woonde.
Ook Friezen. Volgens moeder moet ik daar al zeer
vroegtijdig het verlangen naar het vertrouwde
Heerenveen terug te keren kenbaar hebben gemaakt.
Verscholen onder de eettafel zou ik hartstochtelijk
mijn en moeders wens hebben uitgesproken:
“k Wol wer nei myn ald hüs werom’.
Waarop zij mij troostte met het advies ‘myn
duumke’ maar in de mond te steken.
Later bleek er nog een baken in de Verenigingstraat
te bestaan. Op de hoek met de Groeneweg
dreef Brandsma een kruidenierswinkeltje. Brandsma,
de naam zegt het al, was ook een Friese immigrant,
nota bene afkomstig van Heerenveen. Of het
zo zijn moest! Brandsma’s winkel was voor ons wat
nu de winkel van een Turk voor Turkse landgenoten
betekent, ’t Was niet alleen voor boodschappen
dat moeder bij Brandsma binnenging.
Aan initiatieven om iets te
verdienen was in de crisisjaren
geen gebrek. Hier
heeft een fotograaf die met
een paardje rondtrok, een
foto gemaakt in de Papaverstraat,
op de hoek met
de Goudsbloemstraat
(foto: Willem Boxma).
102 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vader meende dat wij ons aan de gewijzigde
onmstandigheden moesten aanpassen. Hij vond
dat zulks gemakkelijker zou verlopen, als wij ons
best zouden doen ons, in elk geval buiten de deur,
zoveel mogelijk in het Hollands uit te drukken.
Integreren dus! Hij vond het, geloof ik, een beetje
gênant als wij hem op straat in ons ‘boerentaaltje’
aanspraken. Dat advies gold vanzelfsprekend niet
bij ontmoetingen met eigen landslui. In dat geval
kon hij geen Hollands woord over de lippen krijgen.
Toch moesten mijn broer en ik voortaan
‘vader’ tegen hem zeggen in plaats van het ingeroeste
‘heit’. Hij kreeg maar voor de helft zijn zin:
hij kon de aanspreektitel ‘Va’ krijgen en verder
gingen we niet. En wat onze moeder betreft, het
ons nietszeggende ‘moeder’ kregen we helemaal
niet door onze kelen. We weigerden ook concessies
tot aan de helft te doen. Dus ook geen ‘moe’.
Ze bleef voor ons haar leven lang ‘Mem’, jawel met
een hoofdletter.
Mem heeft zich in Zwolle nooit thuis gevoeld. De
Zwolse sfeer bleef haar vreemd en dat niet alleen
vanwege het dialect, dat toen nog algemeen in de
stad en daaromheen werd gehoord. We waren
gewend geweest, dat familie, buren, kennissen en
leveranciers en ander goed volk vrijelijk door de
achterdeur binnenkwam. Hier was het anders.
Hier was achterom gaan niet mogelijk. Moest je
bij iemand zijn, dan hoorde je aan de voordeurbel
te trekken of op een knopje te drukken en te wachten
tot er iemand in de deuropening verscheen.
Mem vond het echt erg, als op het bellen of schellen
niet eens de deur geopend werd en zij via een
piepklein luikje dat ook nog eens beveiligd was
met kruiselings traliewerk, waarachter het gelaat
van de bewoner of bewoonster ternauwernood
zichtbaar was, te woord werd gestaan. Ze voelde
zich dan zo ongeveer als een non die haar bezoek
niet verder mocht toelaten dan tot de kloosterpoort.
In zo’n situatie – zij soms bij regen en kou
op de stoep, vóór het luikje, en de ander beschut
achter het traliewerkje – kon de conversatie soms
lange tijd in beslag nemen.
Het lieve mens heeft naar ‘Fryske groun’
terugverlangd zolang ze in de hoofdstad van Overijssel
heeft gewoond, voortdurend levend in de
hoop dat ze eens naar het Heitelan kon terugkeren.
Het is er nooit van gekomen. In 1956 werd ze
zwaar ziek overgebracht naar een specialistisch
ziekenhuis in Amsterdam. Ze stierfin die veel grotere
stad. Een stad waarin ze tijdens haar leven
nooit een stap heeft gezet.
Wij kinderen, waren soepel genoeg om ons bij het
Zwolse leven en het daarbijbehorende ’taoltien’ en
bij de kinderen in de straat en op school aan te
passen. We speelden voetbal op straat. Ja, wat
speelden we op straat niet? We hoepelden, we hinkelden,
we tolden, we reden auto met het onderstel
van een afgedankte kinderwagen.
Voetballen op straat deden we als er geen ’tute’
in zicht was, want ’t was verboden. Je moest dus
wel op je qui-vive zijn. De bal was self-made, een
prop van samengeperste kranten, bijeengehouden
door een strakgespannen touwtje of rekbare ringetjes
geknipt uit een afgedane binnenband van
een fiets. Het nadeel was dat de nepbal niet stuiten
kon, niet weerbestendig was en maar een beperkte
gebruiksduur had. Waarom geen echte bal? Die
waren toen misschien nog niet te koop en als dat
wel het geval was, waren ze hoogstwaarschijnlijk
te duur voor ons gewone jongens.
Voetballen met een ‘echte’ bal, dat wil zeggen
een die van leer was, kon je alleen doen door je bij
een voetbalclub aan te sluiten. Je kon kiezen tussen
PEC, ZAC en Zwolsche Boys, tussen welke aanhangers
een danige rivaliteit heerste. Mijn broer
en ik waren voor PEC, dat in de eerste klasse van de
competitie speelde. Was het lot een seizoen lang
PEC onwelgevallig geweest en was de club veroordeeld
tot degradatie naar de tweede klas, dan kon
je er op rekenen dat de jeugdige fans van ZAC en
Zwolse Boys je de dag na de rampzalige zondag,
niet zonder leedvermaak, nazongen:
P.E.C., daar ga je
Naar de tweede klas,
Omdat er in de e-e-e-r-s-t-e
Geen plaats meer voor je was!
Voetballen was niet onze enige favoriete sport. Zo
nu en dan gingen we naar de wielerbaan achter
café-uitspanning Urbana aan de Almelose straatweg.
Ik heb er het succesvolle koppel Pijnenburg-
Wals, winnaars van de Zesdaagse, nog rondjes
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
zien trappen. De exploitatie kon waarschijnlijk op
den duur niet uit. Na een niet al te lang bestaan
werd de kostbare velodroom dan ook afgebroken.
Met het begin van de jaren dertig was de alom
gevreesde crisis doorgebroken en menigeen ging
de gevolgen aan den lijve ondervinden. Het aantal
stempelaars groeide. Veel werklozen probeerden
een centje extra te verdienen. Dat diende met
voorzichtigheid te gebeuren, want het moest
natuurlijk meestal buiten ‘de steun’ en de werkverschaffing
om. De controle op het onwettig bijverdienen
was streng en onberekenbaar. Velen
werden gedwongen tot arbeid waarvoor ze helemaal
de opleiding niet hadden of waarvoor ze
altijd de neus hadden opgehaald.
En wie bijvoorbeeld muziek in het openbaar
ten gehore wilde brengen, had daarvoor bovendien
een gemeentevergunning nodig. Nog zie ik
die stumperd van de Assendorperstraat de Verenigingstraat
binnenkomen. Hij was als keurig burgerman
gekleed en moet, neem ik nu aan, kantoorbediende
zijn geweest. Maar hij kan even goed
een werkloos musicus geweest zijn. Dat was zelfs
waarschijnlijker, ook al bespeelde hij een simpele
blikken fluit en beperkte hij zich tot de populaire
melodietjes van die dagen. Onrustig hield hij,
onderwijl schelle tonen uit zijn inst

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1993, Aflevering 3

Door 1993, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

.’ ••f S
SA’
X..
W01S
Historisch
,y. ‘y.
1
G 1 9 9 3 NUMMER 3 P R I J S
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Staande achter de Noorderkerk kijken we op
deze omstreeks 1965 vervaardigde foto naar
de Assiesstraat. Helemaal rechts is de gevangenis
te zien. Het grote gebouw in het midden van
het beeld is de voormalige gemeentelijke bewaar-,
brei- en naaischool. Deze in 1886 geopende instelling
was een opvolger van de school van de stadsarmeninrichting.
De school werd bezocht door
kinderen ‘van den stand der armen’ en was
bedoeld om hen door arbeid en onderwijs ‘op te
beuren’. Soms diende het door stadsarchitect J.L.
van Essen ontworpen pand voor andere doeleinden.
Zo waren er in de Eerste Wereldoorlog vluchtelingen
uit Noord-Frankrijk gehuisvest.
De bewaarschool verdween per 1 januari 1935.
Vanwege de slechte financiële situatie van de
gemeente werd het openbaar kleuteronderwijs op
die dag opgeheven. Acht leerkrachten van de
school aan het Assiesplein kregen ontslag. De
naaischool bleef echter bestaan, zodat dochters uit
arbeidersgezinnen de gelegenheid kregen ‘om zich
te bekwamen voor de taak waarvoor het meisje
zich later in het huishouden gesteld ziet’. Jarenlang
was mej. M. Smit er hoofd. Onder haar leiding
hebben duizenden Zwolse meisjes hun kennis
van ‘naald en draad’ verkregen. Door veranderingen
op onderwijsgebied verliep de naaischool,
die op 1 augustus 1954 ophield te bestaan. Het
gebouw bood daarna nog onderdak aan andere
vormen van onderwijs, maar voldeed al snel niet
meer. In verband met sanering en de aanleg van
het Noorder-eiland werd het pand in 1974 afgebroken.
Vandaar de open plek. Op de achtergrond
is de aanbouw te zien aan de vroegere Ambachtsschool,
nu gebouw Flevo.
Boven: De gemeentelijke bewaar-, brei- en naaischool
omstreeks 1965.
Onder: De huidige situatie op dezelfde plaats,
(foto’s: D. Hogenkamp).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
gaat veel aandacht uit naar prominente
personen. J.C. Streng behandelt de Vrolijke
Zangnijmf, een gelegenheidsgedicht van de amateur-
poëet Gerrit van der Horst. Hij schreef dit
werk ter gelegenheid van de verkiezing van Bernard
Huete tot Zwols magistraat in het begin van
de achttiende eeuw. Deze medicus had zich in het
stadsbestuur ingekocht, maar dat weerhield Van
der Horst er niet van zijn uitverkiezing in bloemrijke
taal te verheerlijken. De daarbij zonder enige
schroom gebruikte verwijzingen naar de klassieke
oudheid zijn typerend voor deze tijd.
Ook in de negentiende eeuw was ronkende taal
een geliefd medium om het doen en laten van
hoogwaardigheidsbekleders te beschrijven. De
plaatselijke krant besteedde uiteraard veel aandacht
aan het bezoek dat koning Willem III in
1862 aan de stad bracht. Het artikel van G. van der
Horst – geen familie van de dichter – maakt duidelijk
dat daarbij hoogdravende taal allerminst
werd geschuwd.
In twee artikelen over de bewoningsgeschiedenis
van luisterrijke panden komen andere vooraanstaande
lieden aan bod. J. Erdtsieck beschrijft
de historie van Kamperstraat 10, dat aanvankelijk
dienst deed als statig woonhuis. Tegenwoordig is
het kerkelijk bureau van de Hervormde Gemeente
erin gevestigd. Dit pand is gelukkig nog altijd te
bewonderen. Dat is niet het geval bij de buitenplaats
IJsselvliet, die aan de IJsseldijk in de buurt
van de Katerveersluizen lag. W.A. Huijsmans gaat
in op de geschedenis van dit pand, dat om onduidelijke
redenen in 1869 werd gesloopt.
H. Verwey-Jonker haalt herinneringen op aan
haar jeugd in Zwolle. Sfeervol weet zij de stad van
haar kinderjaren te beschrijven.En dat er in de
loop der tijd veel verandert, laat D. Hogenkamp
wederom zien.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Gerrit van der Horsts ‘Vrolijke zangnijmf J.C. Streng
Koninklijk bezoek: Willem III in Zwolle Gert van der Horst
De bewoningsgeschiedenis van Kamperstraat 10 J. Erdtsieck
IJsselvliet, een verdwenen buitenplaats Wim Huijsmans
Een jeugd in Zwolle Hilda Verwey-Jonker
Schilderijen van het POM gaan naar Japan, de dichter-predikant
Johannes Vollenhove Lydie van Dijk
Literatuur
Agenda
Auteurs
70
72
76
81
99
101
102
103
Omslag: Het Katerveer naar een tekening van Co Bremer, 1923 (fragment).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gerrit van der Horsts ‘Vrolijke zangnijmf’
J.C. Streng
Titelpagina van het
enige gepubliceerde
werk van Van der
Horst: Overijssels oog,
of Zwol verheerlijckt.
Gelegenheidsgedichten zijn geen geliefd
leesvoer. Ze irriteren de tegenwoordige
lezer door de vaak onbeschaamde hielenlikkerij,
de talloze clichés en de matige poëtische
kwaliteiten. Voor een historicus valt er echter veel
interessants uit te halen. Vooral in de voor bruiloften
en begrafenissen geschreven poëzie komt
immers duidelijk tot uitdrukking wat mensen in
het verleden van belang achtten en wat ze de
moeite waard vonden eindeloos te herhalen. Het
is dan ook waardevol zo’n ontboezeming nader te
bekijken, zeker als de moed niet bij voorbaat ontnomen
wordt door de lengte van het werk en het
een niet al te alledaags onderwerp behandelt. De
Vrolijke Zangnijmf, dat de Zwolse poëet Gerrit van
der Horst schreef naar aanleiding van de verkiezing
van Bernard Huete tot Zwols magistraat, voldoet
aan beide uitgangspunten. Het gaat hierbij
om een tot nog toe onbekend en wel haast zeker
alleen in handschrift bewaard gebleven gedicht.1
De dichter
Gerrit van der Horst was het vijfde kind uit een
gezin van zes kinderen. Hij werd op 14 februari
1693 te Zwolle gedoopt. Zijn vader, Peter van der
Horst, was afkomstig uit Elburg en had in 1684 het
Zwolse burgerrecht verkregen. In hetzelfde jaar
huwde hij Aleida van Lettelen. Peter onderhield
zijn gezin als chirurgijn. Tussen 1702 en 1706
bezocht Gerrit de Latijnse school in Zwolle, waar
hij een niet onverdienstelijk leerling was. Als beloning
voor zijn resultaten ontving hij driemaal een
boek. Gerrit deed belijdenis in september 1712 en
woonde toen aan de Korenmarkt.2 In 1716 werd hij
leraar aan de Zwolse Latijnse school.
Omstreeks deze tijd begon hij met zijn bescheiden
poëtische activiteiten. Vier jaar later
debuteerde hij met zijn zwanezang, want zijn lange
gedicht op Zwolle, Overijssels oog, of Zwol verheerlijkt,
en schetswijze beschout, in zijn aiouden en
tegenwoordigen stand: beschreven in Nederduits
heldendigt, was tevens zijn laatste. Dit ene gedicht,
leverde hem toch een plaats op in het Nieuw
Nederlands Biografisch Woordenboek (deel 8, 850),
waar overigens de lange titel van het gedicht de
helft van de tekst inneemt. Op 26 september 1723
vertrok hij naar Den Haag, waarmee hij uit de
Zwolse geschiedenis verdween.3
Van der Horst was geen groot poëet, en zijn
ongelukkige manier van uitdrukken is soms onbedoeld
humoristisch. Want wat te denken van in de
Vrolijke Zangnijmf Voorkomende termen als een
ZWOL YËï(HEERLYKT
En Schets-wyze befcKout, in zyn Al-
.,,;•/&’•.•• ouden en tegenwoordigen fta.nd:
‘”• •”: Befchreveii in Nederduits Heldendigt.
D O O R :
G E R R I T V A N P E R ; H . Ö R S T . ; l
ByB, HAK VOORD, Boekverkoper, aan de Koorn-Markr,
Anno 1710. • .’ .
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 73
‘wapperende zee’, ’tuimelende baren’ en ‘waglend
leven’? Heeft hij ingezien dat het hem aan dichterlijk
talent ontbrak en is het daarom bij het ene
gedrukte werk gebleven? Onmogelijk is het niet,
want in het voorwoord van het Overijssels oog
klaagde hij dat het hem in Zwolle aan deskundige
leiding ontbrak en bood hij de lezer bij voorbaat
zijn excuses aan voor eventuele fouten. Blijkbaar
heeft hij die leiding elders evenmin gevonden.
De gebroeders Huete
De in de Vrolijke Zangnijmf genoemde broers Bernard
en Theodorus Huete behoorden tot de Zwolse
regenten. Theodorus was doctor in de rechten,
advocaat, advocaat-fiscaal van de provincie en
tussen 1675-1677 en 1705-1712 magistraat van Zwolle.
Bernard was doctor in de medicijnen, fungeerde
tussen 1690 en 1712 als stadsmedicus, was
meensman en werd in 1718 tot magistraat gekozen.
Drie jaar na deze verkiezing overleed hij. Bernard
maakte door het verstrekken van een kapitaal op
gunstige voorwaarden, de bouw van het grote
Schnitger-orgel in de Michaëlskerk mogelijk,
Theodorus mocht in de eer delen.4 Kam twijfelde
nog of Bernard Huete zich met dit royale gebaar in
de magistraat inkocht, voor tijdgenoten was dat
duidelijk. De regent Arnoldus Gelderman noteerde
dat de toegang van Bernard tot de magistraat
één van de voorwaarden van de financiering was.5
Dat er in die tijd enige penningen werden neergeteld
om een ambt te verwerven was vrij normaal,
maar dat dat geld zo goed werd besteed als in dit
geval is zéér zeldzaam.
Christelijk en klassiek
Tot de standaardopleiding van achttiende-eeuwse
regenten behoorde het doorlopen van de Latijnse
school. Zij waren behalve vertrouwd met de Bijbel
dan ook goed thuis in de klassieke oudheid en het
humanisme. Het was daarom heel gangbaar dat in
de literatuur christelijke en klassieke elementen
naast elkaar werden gebruikt. Pas op het eind van
de achttiende eeuw ontstond tegen dit gebruik
Links: Het Schnitgerorgel
in de Grote Kerk.
Onder: Met de Korenmarkt
werd – gezien
vanaf de Grote Markt –
het eerste gedeelte van
de Melkmarkt aangeduid.
Gerrit van der
Horst woonde in het
huis dat stond op de
plek waar nu de zijingang
van De Harmonie
is.
verzet; onder andere door Rhijnvis Feith die alle
heidense elementen uit de poëzie wenste te bannen.
Gerrit van der Horst combineerde in de Vrolijke
zangnijmf nog onbekommerd christelijke en
klassieke elementen. Voor de gefêteerden en de
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negentiende-eeuwse
tekening van de schepenzaal
in het stadhuis
van Kampen met de
door Colijn de Nole vervaardigde
schouw
(foto: Rijksarchief in
Overijssel).
lezers van het gedicht waren deze geleerde referenties
een indirect compliment aan hun eruditie.
Het samengaan van beide componenten berustte
op een traditie, die teruggaat tot de zestiende
eeuw en die behalve in de literatuur ook toegepast
werd in de schilder- en beeldhouwkunst. Dat is
duidelijk te zien in de bekende schouw in de schepenzaal
te Kampen uit 1543-1545 en uit een ontwerp
uit 1560 voor de verfraaiing van de schouw in
de Zwolse schepenzaal. In het Zwolse ontwerp is
een schilderij met een afbeelding van het laatste
oordeel omringd door de heilige Michaël, knielende
putti, personificaties uit de humanistische traditie
en een Romeins veldteken.6
Afbeeldingen waarop attributen voorkomen
die betrekking hadden op het bestuur in de klassieke
oudheid, werden veelvuldig toegepast in het
iconografisch programma van schilderijen waarmee
stadsbesturen de raadzalen lieten versieren.
Regenten vergeleken zich graag met de Romeinse
senatoren en betitelden de gemeenschap die ze
bestuurden als een ‘res publica’. Gisbert Cuper,
een Deventer magistraat en geleerd liefhebber van
de oudheid, schroomde niet de terminologie om
te keren en de Romeinse senatoren als burgemeester
te betitelen. Hij zag wel in dat deze omkering in
titulatuur tussen de bestuurders van een wereldrijk
en een kleine stad eerder komisch dan realistisch
was.7
Vrolijke Zangnijmf
Na deze korte inleiding om de context van het
gedicht weer te geven, volgt op de volgende pagina
een complete weergave van de Vrolijke Zangnijmf
voorzien van enige voetnoten. En ook dit laatste
berust op traditie. De Zwolse predikant Johannes
Vollenhove, die een reeks gelegenheids-gedichten
op zijn naam heeft staan, voorzag ze bij heruitgave
in één bundel van uitgebreide verklarende noten,
waarmee nog eens duidelijk wordt dat eruditie
eerder verondersteld dan feitelijk aanwezig werd
geacht.8
Noten
1. Rijksarchief in Overijssel, Familie-archief Thomassen
a Thuessink, ongeïnventariseerd, doos XI.
2. Met de Korenmarkt werd – gezien vanaf de Grote
Markt – het eerste gedeelte van de Melkmarkt aangeduid.
Gerrit van der Horst woonde in het huis dat
stond op de plek waar nu de zij-ingang van De Harmonie
is, naast het pand van de ABN-AMRO. (Vriendelijke
mededeling van Wim Huijsmans, medewerker
gemeentearchief.)
3. Genealogische gegevens, belijdenis, burgerrecht:
Gemeentearchief Zwolle (GAZ), generale catalogus.
Latijnse school: GAZ, Album studiosae iuventutis.
4. B.J. Kam, ‘Aantekeningen over de familie Huete, en
over de stratenbroederschappen te Zwolle’, in:
VMORG 84 (1969) 8-29.
5. Kam, o.c, 19. GAZ, Familie-archief Gelderman, inv.
nr. 11, fol. 70.
6. Kunst voor de beeldenstorm. Noordnederlandse kunst
1525-1580. [Catalogus Tentoonstelling Rijksmuseum
Amsterdam 1986] (‘s-Gravenhage 1986) Zwolle:
385-386, Kampen: 301-302.
7. Het dagboek van Gisbert Cuper, gedeputeerde te velde,
gehouden in de Zuidelijke Nederlanden in iyo6.
Uitgegeven door A.J. Veenendaal, (‘s-Gravenhage
1950) 172, 252.
8. J. Vollenhove, Poëzy (Amsterdam 1686) passim.
9. C.H. Schoneveld, ‘”Iets des nazaats waardig”, De
vertaalarbeid van Pieter Ie Clerq’, in: Documentatieblad
werkgroep achttiende eeuwig (1992) 217-256; 221.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Vrolijke Zangnijmf op de verkiesing van de Heer Bernard
Huete M:D:a Tot Burgemeester van Zwol op den XXV van
Hardemaand desjaars MDCCXVIIIb.
O Huete, Appolloos soonc, en schoor van ’t waglend leven,
Gewoon voor kranken u in ’t strijdperk te begeven,
En onverschrokken in der Artzen heldenbaan
Op ’t spoor van Hippolcraatd de siektens te verslaan,
’t Was niet genoeg u in dien arbeid af te slaven,
O neen; gij kreeg ook lust om hoger op te draven,
Om met uw schrandre geest de triomfante troon
In ’t rijseshof van Astrée te schragen, met de kroon
Van’s volks beschermheer eens te prijken op uw hairen:
Dus tragt ge uw gangen aan uw Broeders stap te paaren,
Die als verdediger van ’t ongekreukte regt
Vol lofs op ’t kussen ’s volks geschillen heeft beslegt,
En van om laag eerlang tot starren ingevaren
Nu gaat ten reij, juicht bij Cherubijne scharenf.
Ziet daar het uur genaakt, ’t geen uwe wensch vervuld,
Streef thans als BrutusS rijk met lauweren gehuld
Ter raadzaal in, in ’t oog van Overijssels steden,
In ’t faamrijk Zwol, terwijl de boden voor u treden
Met bond’len ten vertoog van ’t Burgermeesterschaph;
Daar ik u met mijn zang; en ’t volk met handgeklap
Vervrolijkt volgen’. Hoed vrou Themis schaal, en degen,
Doed haar het regt steeds met gelijke waagschaal wegend
Bewaar de godsdienst: hoed de vrijheid: helpt het schip
Van Zwol als Palinuurk bevrijd van bank en klip
Gelukkig stieren door de tuimelende baren;
Dat u geen rampspoed op die watertogt ervare:
Zeil dus voorspoedig door de wapperende zee,
Tot dat ge namaals land aan ’s Hemels vaste rêe.
Terwijl sal ’t orgel in ’s Aartsengels tempelkoren1
U naam de nazaat met een hel geluid doen horen,
Een klank, waar door het doofd Arions citerswier111,
En toonen woekerd van de Rhodopeesche lier”.
Orgelschrift
Toen Huete op Pauli wierd Zwols Burgerheer gekoren,
Schonk hij dit orgel ’t geen voor eeuwig legt sijn naam,
So lang die rijksstad0 staat, op wieken van de Faam,
En aan de Naneef sal ’s mans grote daad doen horen?.
a. Afkorting voor Medicinae Doctor,
de titel voor een gepromoveerd
arts.
b. Te Zwolle kozen jaarlijks op 25
januari, Pauliconversi, keurnoten
uit de meente de magistraten.
c. Apollo was de zoon van Zeus en
Leto. Hij was onder andere de
god van de genezing omdat hij
beschikte over leven en dood.
Artsen • werden als zonen van
Apollo beschouwd.
d. Hippocrates van Kos was de
grootste arts van de oudheid. In
de tijd van Huete leerde men nog
steeds de geneeskunde mede aan
de hand van zijn Aphorismen.
e. Astraea was de dochter van Zeus
en Themis en de godin van de
rechtvaardigheid, die in de mytische
Gouden Eeuw nog op aarde
heerste. Dat Van der Horst de
Franse spelling gebruikt is onder
invloed van H. d’Urfé’s bekende
pastorale Astrée.
f. Met andere woorden, de gestorven
broer Theodoor kijkt vanuit
de hemel onder de reien van de
cherubijnen, de engelen van de
tweede rang na de serafijnen,
mee.
g. L. Iunius Brutus was de eerste
consul van Rome. Hij overleefde
de moordlust van Tarquinius Superbus.
In 509 moest hij zijn eigen
zoon wegens hoogverraad laten
doden. Deze ultieme vorm
van onpartijdige rechtspraak
werd vaak in raadhuizen als lichtend
voorbeeld voor de schepenen
afgebeeld.
h. Nieuw gekozen burgemeesters
werden te Zwolle door twee roedendragers
met de stadsroede in
de hand thuis opgehaald. Deze
situatie doet sterk denken aan
Romeinse toestanden. In Rome
liepen de lictoren met ieder een
fasces (roedenbundel), het symbool
van de rechtsmacht van de
magistraat binnen de stad Rome,
vóór de consul.
i. Na de verkiezing werd te Zwolle
de nieuwe magistraat op het balkon
van de raadstoren aan het
volk voorgesteld. Mogelijk werd
er door de verzamelde bevolking
op het kerkplein om de keur geapplaudiseerd.
j . Themis, dochter van Uranos en
Gaia, was de godin van het recht.
Weegschaal en degen zijn de gebruikelijke
attributen van Justitia.
k. Palinuur – eigenlijk Palinurus –
was de stuurman van Aeneas. 1.
De St. Michaëlkerk.
m. Arion was een dichter en zanger
op Lesbos. Op een tournee werd
hij overvallen door zeerovers en
in zee gegooid, maar door een
dolfijn van de verdrinking gered.
Op veel prentjes uit de achttiende
eeuw wordt hij dan ook zittend
met zijn citer op een dolfijn afgebeeld.
n. Orpheus, ook bekend als de
‘Zanger van Rhodope’. Zo genoemd
naar een gebergte in het
zuiden van de Balkan waar hij
was geboren. Dankzij zijn behendigheid
op de snaren van de lier
ging de onderwereld voor hem
open en mocht hij zijn gestorven
ega Euridice mee terug naar de
aarde nemen.
o. Tijdens het ancien régime koesterden
het bestuur en de inwoners
van Zwolle het illusoire
denkbeeld dat de stad tot de vrije
rijkssteden van het Duitse Rijk
zou behoren.
p. Op het orgel in de St. Michaëlkerk
staat een iets minder werelds
vers in het Latijn, dat geschreven
was door Pieter Ie
Clercq9:
Theodorus Hueten et Bernardus
Hueten
ad organi hujus structuram
quatuor
decem milia aureorum donaverunt
ut Deus in coelo laudetur maximus
alto
et finis Musae principiumque
Deus
Anno 1721
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koninklijk bezoek: Willem III in Zwolle
Gert van der Horst
Commissaris van de
koning in Overijssel jhr.
mr. C. Backer
(foto: Rijksarchief in
Overijssel).
Koning Willem III staat in de geschiedschrijving
te boek als een. uitzonderlijke
persoonlijkheid. In de jaren veertig van de
negentiende eeuw maakte men zich dan ook zorgen
over zijn toekomstig koningschap, vooral
vanwege zijn gebrek aan tact, zijn hevig temperament,
allerlei erotische escapades en niet in de
laatste plaats vanwege zijn uitgesproken reactionair-
conservatieve opvattingen. In 1848 wilde hij
dan ook afstand doen van zijn positie als kroonprins,
aangezien de liberale grondwet een doorn
in zijn oog was. Nadat hij een jaar later na veel aarzelingen
besloot zijn vader op te volgen, dreigde
hij in de jaren vijftig menigmaal afstand te doen
van de troon. Vaak kwam het voor dat hij een tijdlang
de brui gaf aan het regeren en voor lange tijd
naar het buitenland vertrok.
Begin jaren zestig wist hij echter zijn populariteit
bij het volk te vergroten door zijn optreden bij
de watersnoodramp van 1861.’ Een jaar na dit
optreden bracht Willem een bezoek aan Overijssel.
Van woensdag 23 april tot maandag 28 april
1862 vertoefde de vorst in Zwolle. Dat bezoek staat
in dit artikel centraal.
De voorbereidingen
Op 11 april 1862 had de commissaris van de koning
in Overijssel, jhr. mr. C. Backer, een onderhoud
met F.L.W. de Koek, de directeur van het Kabinet
des Konings.2 In dit gesprek werd de commissaris
op de hoogte gesteld van het voorgenomen bezoek
van Willem III aan Zwolle en Overijssel. Op 14
april werd het bezoek definitief vastgesteld. De
koning zou negen dagen later om zes uur ’s middags
te Zwolle zijn. Reizend vanaf Het Loo zou hij
aankomen bij het Katerveer aan de Hattemse kant
van de IJssel.3
Na 11 april begon de commissaris onmiddellijk
met het treffen van voorbereidingen. Diverse
voorstellen voor het af te werken programma werden
aan de directeur van het Kabinet des Konings
voorgelegd. Op 16 april keurde de koning het
voorgestelde programma goed, maar via De Koek
gaf hij nog wel een aantal richtlijnen, ‘waaraan
men zich zo veel mogelijk moest houden’.4
Ook op gemeentelijk niveau toog men aan het
werk. Nadat burgemeester J.A.G. baron De Vos
van Steenwijk in een besloten raadszitting het
nieuws had medegedeeld, besloot de raad een
onbepaald krediet te verlenen voor het bestrijden
van de kosten.
De burgers werden op 16 april officieel op de
hoogte gebracht van het koninklijke bezoek. De
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
(POZC) bracht verslag uit van de activiteiten in de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
stad: ‘Allerwegen ziet men toebereidselen maken
om de stad een regt feestelijk aanzien te geven’.5
Op de Grote Markt was een ereboog opgericht van
‘monumentale constructie’. De verslaggever
meldde verder dat men aan veel openbare gebouwen
en in de hoofdstraten al aanstalten tot illuminatie
zag. Daarnaast had een twintigtal ingezetenen
onder leiding van de gepensioneerde kolonel
Mollinger zich verenigd met als doel een erewacht
te paard te vormen.
Het bezoek
Op vrijdag 26 april deed de POZC voor het eerst
verslag van het drie dagen daarvoor begonnen
koninklijke bezoek.6 Om vijf uur kondigde klokgelui
de komst van Willem III aan. Volgens de verslaggever
rustte niemand toen ‘de blijde mare’ van
mond tot mond ging dat de koning zou komen.
Men wilde de geliefde vorst een waardige ontvangst
bereiden. In een ronkende stijl berichtte de
krant dat de gehele stad in een feesttooi gehuld
was. Van alle openbare gebouwen en particuliere
woningen wapperde de vlag. Overal bevonden
zich erebogen en illuminaties. De veelheid van
huldeblijken was vooral gestimuleerd door de persoon
van de koning en niet alleen door de band
met Oranje, vond de POZC: ‘Het is de Vader des
Vaderlands dien men eert en dien men zich gelukkig
rekent zijne hulden te mogen brengen’.7
Iets na vijven arriveerde de koning. Hij werd
begeleid door de commissaris, de leden van gedeputeerde
staten en de generaal-majoor, bevelhebber
der tweede militaire afdeling. Burgemeester
baron De Vos van Steenwijk ontving de koning
namens de raad op Zwols grondgebied. Willem III
beantwoordde de toespraak van de burgemeester
‘minzaam’, waarna de stoet zich onder klokgelui
stapvoets in beweging stelde. Men deed ongeveer
een uur over de tocht van het Katerveer naar het
gouvernementshotel, omdat de rit volgens de
gouverneur langs ‘de meer geschikte passages’
moest voeren.8 Na aankomst en ontvangst bij het
gouvernementshotel defileerden de schutterij en
de infanterie langs de koning. ‘Aan de toejuichingen
der menigte scheen geen einde te komen’,
berichtte de POZC.
Woensdagavond vond een serenade bij fakkellicht
plaats van fabrikanten met hun werknemers.
De stoet werd geopend door de dragonders, waarna
het stedelijk muziekkorps volgde met daarachter
het bestuur en de leden van de afdeling Zwolle
van de Vereeniging ter bevordering van fabrieksen
handwerknijverheid in Nederland met in hun
kielzog de werklieden. Nadat het bestuur voorgesteld
was, bracht de voorzitter, W.EJ. Tjeenk Willink,
hulde aan de koning. Willem III verzekerde
daarop dat de belangen van de nijverheid steeds
door hem zouden worden behartigd.
De donderdagmorgen was gereserveerd voor
een audiëntie. Op deze bijeenkomst sprak de
voorzitter van de gemeenteraad namens de ingezetenen
zijn blijdschap uit over het bezoek. Deze
vreugde werd volgens de spreker niet alleen veroorzaakt
door het vorstelijk bezoek, maar vooral
door de sympathie voor de koning, die als een
waardige telg uit het Huis van Oranje de band tussen
volk en vorst zo veel mogelijk had versterkt.
Hij voegde daar nog wel aan toe dat de gemeenteraad
nog heel wat wensen zou kunnen uiten, maar
hij achtte het ogenblik daartoe minder geschikt.
De koning scheen nogal onder de indruk te zijn
geweest van deze woorden, want volgens de verslaggever
verklaarde hij dat de hartelijke ontvangst
hem zeer aangenaam was. Willem III zou zich
zelfs hebben laten ontvallen eraan terug te zullen
Het Katerveer naar een
tekening van Co Bremer,
1925.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
denken als één van de aangenaamste dagen uit zijn
leven. Ook deed hij nog de toezegging altijd bereid
te zijn voor Zwolle datgene te doen waardoor de
welvaart kon bloeien en groeien.
Donderdagmiddag 24 april bezocht de koning
een tweetal fabrieken met de stoomboot van de
heer W. Meeter.9 Als eerste werd de fabriek van
MACHINEFABRIEK.
KETELMAKERIJ,
en GROFSME0ERU.
Hersïslplaais van
LAND-en
Briefhoofd van G.J.
Wispelwey en Co., circa
1900.
G.J. Wispelwey en Co. aan het Assiesplein bezocht.
Ter gelegenheid van het bezoek was de
fabriek verfraaid met allerlei versieringen. Ook
had men een borstbeeld van Willem III, omgeven
door diverse trofeeën, in een lokaal geplaatst. Tijdens
de rondgang door de fabriek werden de
woorden ‘Hulde aan Willem III’ gegoten. De
koning onderhield zich drie kwartier wederom
‘minzaam’ met de fabrikant. Gedurende het
bezoek aan de ijzer- en emaillefabriek van Schaepman
en Helmich aan de Holtenbroekerdijk werd
ongeveer hetzelfde programma afgewerkt. Ook
daar werden enige woorden gegoten. De ijzerfabrieken
vielen blijkbaar goed in de smaak bij de
koning; de arbeiders van beide fabrieken werden
bedeeld met een ‘vorstelijke’ gift.
Dezelfde middag bracht Willem III een bezoek
aan de armeninrichting.10 De kinderen aldaar
zongen een lied voor de koning en lieten hun
werkzaamheden zien. De meest gevorderde leerlingen
van de zangschool zongen enige speciaal
voor dit bezoek vervaardigde liederen. De POZC
berichtte dat de koning het met veel belangstelling
aanhoorde. Tot besluit schreef hij zijn naam in het
gastenalbum.
Op het goed gevulde programma stond als
afsluiting van het middaggedeelte een bezoek aan
het museum van de Overijsselsche Vereeniging
voor Provinciale Welvaart aan het Aaplein. In de
oudhedenzaal bekeek de koning een aantal zilveren
voorwerpen, waaronder de drinkbekers der
gilden. Over de werking van een Chinees waterrad
kreeg hij uitleg van een aantal leden van de afdeling
fysica van de vereniging.
’s Avonds vond er een concert in Odeon plaats
ter gelegenheid van het koninklijk bezoek. Op het
programma stond het oratorium De Schepping
van J. Haydn.11 Om dit concert tot een goed einde
te brengen, moesten de Zwolse organisatoren heel
wat hulptroepen laten aanrukken. De professionele
soliste was mevrouw Offermans van Hove.
Zij werd terzijde gestaan door ‘voortreffelijke
dilettanten’ uit Alkmaar, Deventer en Kampen.
De POZC maakte ook gewag van diverse, niet met
name genoemde moeilijkheden waarmee men in
de voorbereiding te kampen had. Toch ontbrak
geen enkel onontbeerlijk persoon. Vanuit zijn met
het koninklijk wapen opgesierde loge zag Willem
III een rijk versierde en geheel gevulde zaal. De
koning werd welkom geheten met een drietal fanfares
en het Wilhelmus. De koning zou bij herhaling
blijk van zijn hoge tevredenheid met dit concert
gegeven hebben.
Na een audiëntie op de vrijdagmorgen ging de
koning uit rijden, begeleid door de erewacht.12
Men bracht een bezoek aan een nieuwe school
buiten de Kamperpoort. Op verzoek van de plaatselijke
schoolcommissie toonde Willem zich
bereid zijn naam te verlenen aan deze nieuwe
school. Aansluitend wenste de koning naar de
buitenplaats van de commissaris te gaan, die gelegen
was aan de Veerallee, waar nu Villa Flora staat.
Voor deze bijeenkomst waren veel aanzienlijke
families uitgenodigd. Volgens de POZC bekeek
Willem de fraaie gewassen en bloemen aldaar met
veel aandacht. Het stedelijk muziekkorps was ter
plekke aanwezig. Van hieruit maakte de koning
een wandelrit langs het Katerveer, het Engelse
Werk en de singels langs de stadsgracht.
Aan het einde van de middag bood de gemeente
Zwolle de koning een diner aan. Hier voerde
onder andere de commissaris van de koning het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
woord. Backer haalde de Zwolse dichter Rhijnvis
Feith aan: ‘Het geluk van Nederland is onafscheidbaar
verenigd met het: Huis van Oranje Nassau’.
Volgens de POZC werd het diner algemeen als zeer
uitmuntend geroemd. Dezelfde dag bood de
Zwolse bakker GJ. van Brummen een enorm
krentenbrood aan. Willem III stelde dit geschenk
ter beschikking van de stadsarmeninrichting met
daarbij een som geld, om de kinderen op chocolade
te trakteren.
Op het bal van die avond onderhield de
koning zich wederom ‘minzaam’ met de aanwezigen.
De verslaggever van de POZC vergat niet te
melden dat de koning ‘eerst te middernacht het
bal heeft verlaten’.
Zaterdagmorgen om tien uur vertrok het
koninklijk gezelschap naar Kampen. Om kwart
voor zeven was men weer terug in Zwolle.13 Daar
stond een rondrit door de stad op het programma,
zodat de koning de geïllumineerde stad met eigen
ogen kon aanschouwen. Om negen uur vertrok
het gezelschap voor de een uur durende tocht. Op
de markt stapte Willem III uit, om enige ogenblikken
later op het balkon van de sociëteit De Harmonie
te verschijnen. Uit de menigte klonken
daverende hoera’s en de muziekvereniging van de
schutterij speelde het Wilhelmus. De koning aanschouwde
het geheel enige ogenblikken en onderhield
zich met de president-directeur van De Harmonie,
waarna hij zijn rijtuig weer opzocht en zijn
tocht vervolgde onder wederom luide bijval van
de menigte.
Zondagmorgen 27 april begaf het koninklijk
gezelschap zich naar de godsdienstoefening in de
Grote Kerk.14 Ds. J.G. van Rijn hield een leerrede
over Openbaringen 22:17b voor een geheel gevulde
kerk, nadat hij een toespraak tot de koning had
gehouden, die volgens de krant ‘hartelijk en
gepast’ was. De aansluitende zegenbede over de
vorst werd gevolgd door het zingen van een enigszins
gewijzigd vers vier van psalm 121. De gemeente
zong dit vers staande, naar de koning toegekeerd.
Om twee uur ging de koning een wandelrit
maken naar Dalfsen, die al vóór vieren geëindigd
was. Op het diner van die avond mocht ds. Van
De singels langs de
stadsgracht.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Engelse Werk. Rijn op uitnodiging van de koning aanwezig zijn.
De kerkdienst was blijkbaar in goede aarde gevallen.
Maandagmorgen 28 april verliet het koninklijk
gezelschap de stad Zwolle om negen uur. Er stond
hen nog een uitgebreide tournee door Overijssel te
wachten. Het bezoek aan Zwolle was in ieder geval
een succes, volgens de POZC. Men besloot de verslaggeving
over het bezoek met de constatering
dat de banden tussen vorst en volk nauwer aangehaald
waren en dat het bezoek een hoogst aangenaam
aandenken vormde. Kritische journalistiek
was aan de POZC niet besteed. Mogen we de krant
geloven dan was er gedurende het bezoek niets
misgegaan en was het een aaneenschakeling van
gelukkige momenten…
Slot
In de vorm van geschenken leefde het koninklijk
bezoek nog even voort. Willem bedeelde de armen
van de stad met ƒ 1000,-.15 De bedienden tijdens
het diner en bal van de stad kregen van de koning
ƒ 100,-.16 De werklieden van het Katerveer die de
koning hadden overgezet, ontvingen ƒ 40,-.17
Bakker J. van Brammen, die de koning een krentenbrood
schonk, kreeg als blijk van erkentelijkheid
ƒ 50,- toegestopt.18 De hoogwaardigheidsbekleders
die de koning ontvangen hadden, konden
rekenen op de onvermijdelijke orden.19 Commissaris
van de koning Backer werd benoemd tot
Groot Officier in de Orde der Eikenkroon en burgemeester
baron De Vos van Steenwijk werd
Commandeur in die orde. De onder-commandanten
van de erewacht, EJ. Eekhout en S.W. Parker,
kregen een benoeming als ridder in de Orde
der Eikenkroon. De commandant van de erewacht,
de gepensioneerde kolonel Mollinger,
moest het doen met een gesigneerd portret van de
koning…
Noten
1. ƒ. Doorn, Willem III, Emma en Sophie: geluk en
ongeluk in het Huis van Oranje (Zaltbommel 1986)
172-173-
2. Rijksarchief in Overijssel (RAO), Archief van de
commissaris van de koning, nr. 135, schrijven van
Backer aan De Koek van 14 april 1862.
3. Ibidem, telegram van De Koek aan Backer, 14 april
1862.
4. Ibidem, 16 april 1862.
5. POZC, nr. 46, woensdag 16 april 1862.
6. POZC, nr. 50, vrijdag 26 april 1862.
7. Ibidem.
8. RAO, Archief van de commissaris van de koning, nr.
135, minuut van een brief van Backer aan De Koek,
14 april 1862.
9. POZC, nr. 51, maandag 28 april 1862.
10. Ibidem.
11. POZC, nr. 52, woensdag 30 april 1862.
12. POZC, nr. 51, maandag 28 april 1862.
13. POZC, nr. 52, woensdag 30 april 1862.
14. Ibidem.
15. Ibidem.
16. RAO, Archief van de commissaris van de koning, nr.
135, schrijven van commissaris aan burgemeester.
17. Ibidem.
18. Ibidem.
19. POZC, nr. 52, woensdag 30 april 1862.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
De bewoningsgeschiedenis van
Kamperstraat 10
De Kamperstraat is een zeer oude straat.
Omstreeks 1400 was de straat al bekend
onder de naam Voorsterstraat, als uitvalsstraat
naar Voorst in de richting Kampen. De
plaats van het huis dat nu onder nummer 10
bekend staat, zal ongetwijfeld na juli 1324 bebouwd
zijn, want een grote brand in die tijd
maakte dat er nauwelijks huizen gespaard werden.
Daarna verrezen er heel wat stenen huizen. Hoewel
het huis op nummer 10 een gevel heeft uit het
midden van de achttiende eeuw, draagt het
inwendige nog duidelijk sporen van het oorspronkelijke
veertiende-eeuwse pand. De balkenconstructie
dateert namelijk al uit de vroege vijftiende
eeuw.1 Het huis komt sedert 1672 voor onder de
naam De Todast. Die benaming duidt op een
bestemming als herberg. Toelast is een oude naam
voor wijnvat.
E.H. ter Kuile beschreef het pand als volgt:
‘Een voornaam woonhuis met lijstgevel
ter breedte van vijf vensters. De voorgevel
bevat in het midden een rijke zandstenen
ingangspartij met balkon en decoratieve
omvatting van de balkondeur. Boven de
houten kroonlijst, die blijkens de magere
detaillering eind achttiende eeuw moet
zijn vernieuwd, gaat een barokke zandstenen
attiek op met in het midden de alliantiewapens
van Wolter Johan van Haersolte
tot Oldenhof en Geertruit van Haersolte.
Vanouds heeft het huis een smalle gang
gehad achter het linkergedeelte van de
monumentale voordeur. Deze gang en de
brede kamers en-suite links daarvan hebben
stucplafonds die min of meer in de
trant van Daniël Marot zijn ontworpen.3
De familie Van Haersolte
Op 21 januari 1735 ging het huis over van de erven
Mensinck op Wolter Johan van Haersolte tot
Oldenhof, Bijssel en Wolfshagen, drost van Vollenhove
en van Salland (1691-1746). Deze liet het
huis geheel (ver)bouwen en bevestigde zijn wapen
en dat van zijn vrouw Geertruit van Haersolte
(1692-1764) boven in de gevel. De achterzijde (de
huidige Ossenmarkt) was reeds in 1687 voorzien
van een stal, zoals meestal bij een herberg aan een
uitvalsweg het geval was. De Kamperstraat was inmiddels
een deftige straat geworden. Want de
buurman, de eveneens adellijke Christiaan Albrecht
graaf van Rechteren, liet er in 1747 een nog
imposanter huis (ver)bouwen.2
Dit soort huizen dienden vaak als onderkomen
voor de winter. De zomer brachten deze
families meestal op hun landgoederen door. In dit
geval was het waarschijnlijk het kasteel Haerst, dat
verdwenen is.4
Wolter Johan was een zoon van Volkier van
Haersolte tot Oldenhove en Ida Elisabeth van
Drienen. Zijn vader heeft hij nooit gekend, want
die sneuvelde in dienst van Willem III tijdens de
negenjarige oorlog tegen Frankrijk in 1691. In 1721
huwde Wolter Johan met Geertruit van Haersolte,
dochter van Antony van Haersolte tot Eisen en
Johanna van Haersolte tot Zwaluwenberg, Staverden
en Bredenhorst.5
Het was geen erg florissante tijd. De bloeiperiode
had de Republiek van de de Zeven Provinciën
inmiddels achter de rug. In Overijssel was 25
procent van de inwoners verarmd. De kloof tussen
zeer rijk (3 procent van de bevolking) en arm was
erg groot, maar door malaises in de landbouw en
de runderpest brachten de bezittingen van de adel
ook minder op en men teerde duidelijk in. Van
1675 tot 1758 liep haar aandeel in het gezamenlijk
vermogen van 41 procent tot 19 procent terug. Het
J. Erdtsieck
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Kamperstraat in het
begin van de twintigste
eeuw.
bevolkingsoverschot zorgde echter voor goedkope
werkkrachten, zodat men op ruime voet kon
leven. En de belastingen verschoven van het vermogen
naar de accijnzen.6 Een voordeel voor de
adel, maar een nadeel voor de gewone man.
Wolter Johan en Geertruit bleven dus in goede
doen en werden respectievelijk in 1746 en 1764 in het
koor van de Grote Kerk begraven, zoals het in die
dagen voor rijke en aanzienlijke lieden passend was.
De familie Van Haersolte heeft het huis tot het
begin van de negentiende eeuw bewoond. Dit wil
echter niet zeggen, dat de bewoners steeds die
naam droegen. Wolter Johan liet namelijk slechts
drie dochters na.7 Het waren vaak aanverwanten
en verre nazaten van deze zeer uitgebreide familie,
die afwisselend het huis bewoonden. In 1766 en
1781 veranderde het huis van eigenaar.
H. van Sonsbeek
Op 2 oktober 1823 ging het van Coenraad Willem
van Dedem tot Rollecate, de voormalige drost van
Vollenhove, die het huis in 1791 had gekocht, over
op mr. H. van Sonsbeek. Hij was geboren in 1796
en gehuwd met Margaretha E. Heerkens, afkomstig
uit een aanzienlijk rooms-katholiek geslacht.
Hij was een telg uit een Zwolse adellijke familie,
die veel voor de wederopbouw van de katholieke
kerk in de stad heeft gedaan. Van Sonsbeek studeerde
rechten in Groningen en vestigde zich als
advocaat in Zwolle. Hij werd in 1830 rechter en
acht jaar later raadsheer bij het gerechtshof in de
stad. In 1827 behoorde hij tot de oprichters van de
Zwolse algemene bibliotheek.9
Via de Raad van State werd hij in 1849 minister
van Buitenlandse Zaken en van de Rooms-katholieke
Eredienst onder de oud-Zwollenaar Thorbecke.
Erg succesvol was hij niet. Zijn voorstellen
sloegen niet aan en uit eigen beweging gaf hij het
ministerschap op 16 oktober 1852 op. Hij bekleedde
vervolgens geen openbare ambten meer en trok
zich terug op zijn landgoed De Alerdinck in Heino,
waar hij op 29 november 1865 overleed.9
J.A.G. baron de Vos van Steenwijk
Het huis in de Kamperstraat had hij al in 1854 verkocht
aan Jan Arend Godert baron de Vos van
Steenwijk. De in 1818 geboren Jan Arend had in
Utrecht rechten gestudeerd en werd in 1853 via de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Provinciale Staten lid van de Eerste Kamer. Drie
jaar later benoemde de koning hem tot burgemeester
van Zwolle. Gezien de eerdere aankoop
van het pand wist hij vermoedelijk al van de
komende benoeming af. Als buitenplaats bezat hij
het landgoed Mataram aan de Poppenallee. De
winter bracht hij in de Kamperstraat door. Hij
hoefde dan niet met zijn vierspan naar Zwolle te
komen om de stukken te tekenen.
De Vos was een echte regent, gewend om mensen
te regeren maar met weinig contact met de
burgerij.10 Zijn gezin telde zeven kinderen. Het
burgemeesterschap bekleedde hij tot 1867, maar
hij bleef wel lid van de Eerste Kamer. Uiteindelijk
bracht hij het in 1880 tot commissaris van de
koning in Utrecht. Hij was twee jaar eerder naar
deze provincie verhuisd. Na zijn pensioen keerde
De Vos van Steenwijk niet naar Overijssel terug.
Hij overleed op 17 oktober 1906 op zijn buitengoed
Voorstonden te Brummen (Gld.).
Het huis in de Kamperstraat was in 1878
gekocht door zijn buurman, de hotelhouder J.
Hoven, eigenaar van hotel De Kroon. Bij die gelegenheid
werd het pand ook gesplitst. De neergang
van de Kamperstraat was ingezet, want in het vorstelijke
huis van de graaf Van Rechteren op nummer
12 was nu Hotel de Kroon gevestigd, wel in
een gebouw met allure.
Heilgymnastiek
Een deel van Kamperstraat 10 werd in 1898 verhuurd
aan mejuffrouw Milatz, die er tien jaar lang
heilgymnastiek en massage gaf.11 De in 1872 geboren
Maria W.J. Milatz was een dochter van een
gymnastiekleraar, die zich in 1894 in Zwolle gevestigd
had.12 In het huis aan de Kamperstraat 10 en
later aan de Zeven Alleetjes had zij een praktijk
voor heilgymnastiek en massage. Ze hield ook
lezingen over reformkleding voor dames. Oorspronkelijk
was ze van evangelisch-lutherse huize,
maar later werd ze doopsgezind. Ongetwijfeld
behoorde ze tot de eerste feministische golf. Zelf is
ze nooit in de doopsgezinde kerkeraad gekozen.
Ze bedankte als lid van deze gezindte in februari
1924. Op 15 augustus van het volgende jaar werd zij
rooms-katholiek gedoopt. Ze overleed op 2 juni
1935 in het Onze Lieve Vrouwe-pension.
De alliantiewapens van
Wolter Johan van
Haersolte tot Oldenhof
en Geertruit van Haersolte
boven de kroonlijst.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gevel van Kamperstraat
12.
Diverse bestemmingen
In 1907 werd J.H. Jacobs, van de firma N.I. Jacobs,
een fabrikant van borstels, eigenaar van het pand.
Hij oefende er zijn bedrijf uit.13
Acht jaar later ging het huis naar de vereniging
Kinderzorg in Overijssel, die er maar kort gevestigd
was en het huis ook nooit gebruikt heeft. Het
was een vereniging van hervormde diaconieën in
Overijssel, opgericht op 24 januari 1907. Op grond
van de kinderwetten van 1905 was het mogelijk
kinderen uit huis te plaatsen bij particulieren of ze
in een tehuis onder te brengen. 57 van de 75 diaconieën
waren hierbij aangesloten. De vereniging
streefde naar een doorgangshuis voor de eerste
opvang. De bedoeling van het pand in de Kamperstraat,
dat door een anonieme schenking aangekocht
kon worden, was er kinderen te plaatsen
waar men niet direct weg mee wist.
Hoewel men dringend behoefte aan een dergelijk
huis had, is het niet in gebruik genomen. De
voorgenomen opening op 2 maart 1916 ging niet
door, omdat het een militair gebouw was geworden.
De territoriaal bevelhebber van Overijssel
had er beslag op laten leggen – het was mobilisatietijd!
– om er zijn bureau te vestigen. Inmiddels
was er echter ook twijfel bij het bestuur gerezen of
het gebouw wel zo geschikt was: midden in de
stad, groot en vrij somber. Bovendien was het tijdstip
erg ongeschikt: stijgende prijzen en voedselschaarste.
Toen de oorlog voorbij was, bleek er
zoveel aan verbouwd te moeten worden, dat het
bestuur het beter achtte het huis met voordeel te
verkopen en een nieuw huis te bouwen. Op het
laatste moest wel even worden gewacht. Pas in
1927 kon de vereniging het Julianahuis in de Terborgstraat
openen.14
Schoolgebouw
In 1919 werd de Christelijke HBS de eigenares.15 De
twee jaar eerder doorgevoerde financiële gelijkstelling
van het bijzonder en het openbaar onderwijs
had het mogelijk gemaakt een middelbare
school te stichten. Dat geschiedde in september
1919 te Zwolle en de 28 leerlingen (21 jongens en 7
meisjes) begonnen in twee klassen in het pand
Kamperstraat 10. Het bestuur bestond uit mensen
van orthodox christelijke huize uit Zwolle en
omgeving (onder anderen dr. J. Ridderbos van de
Theologische Hogeschool in Kampen, ds. JJ.
Valeton, predikant kinderzorg te Zwolle, dr. C.
Bouma, gereformeerd predikant te Zwolle, ds.
CD. van Noppen, hervormd predikant te Zwolle,
ds. J.E. Klomp, hervormd predikant te Oldebroek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
en ds. A.J.W. van Ingen, hervormd predikant te
Hattem).
Er waren acht leraren aan verbonden. De
school was klein vergeleken met de Rijks HBS, die
300 leerlingen telde, maar het aantal scholieren
groeide toch gestaag. In 1920 waren er drie klassen
en tien leraren met 47 leerlingen en een jaar later
zestien leraren en 88 leerlingen. In 1922 werd voor
het eerst eindexamen gedaan. Alle negen leerlingen
slaagden.
De school telde toen bijna 100 leerlingen en we
kunnen ons indenken, dat het wat de huisvesting
betreft een ware noodtoestand was in het betrekkelijk
kleine pand. In de tuin waren een paar
barakken geplaatst en gymnastiek werd op de zolder
gegeven. Maar men week ook uit naar het
lokaal van mejuffrouw Milatz, de vroegere
bewoonster van het huis, die nu een heilgymnastiekpraktijk
had in de Zeven Alleetjes.
Grond voor een nieuw gebouw was al in 1920
aan de Veerallee gekocht, maar de bouw vlotte
niet zo erg. Eerst in juni 1925 kon de school met 86
jongens en 24 meisjes naar het nieuwe onderkomen
verhuizen. Men was in de Kamperstraat letterlijk
uit z’n jasje gegroeid.
Eigendom van de Hervormde Gemeente
Op 9 juni 1925 kon daarom het eigendom voor
ƒ 20.000,- overgaan op de Hervormde Gemeente.
Het gebouw werd in de koopakte als volgt
beschreven: ‘een herenhuis met tuin en erf aan de
Kamperstraat 10 en twee huisjes met erven aan de
Ossenmarkt nr. 37 en 38 te Zwolle. Kad. F nrs.
5316-4214 en 4452, samen groot 6 are en 54 ca.’
Het was ds. A. de Haan, die in de vergadering
van de kerkvoogdij op 14 maart 1925 de aandacht
op dit pand vestigde.16 Hij was in 1912 secretaris
van de kerkvoogdij geworden en wist dat er voor
de ruim 2000 catechisanten, die de Hervormde
Gemeente toen nog telde, maar zeer weinig ruimte
was. De lessen werden op onmogelijke uren gegeven
op verschillende plaatsen in de stad: in de kerken,
de evangelisatiegebouwen en bij de predikanten
thuis. Nu zou alles geconcentreerd kunnen
worden in één ‘schoolgebouw’, waar alle hulpmiddelen
konden blijven. Kamperstraat 10 leek
De Haan een geschikt huis. Alleen de vraagprijs
van ƒ 26.000,- vond hij wat te hoog, maar daarover
zou te praten zijn. Hij wees erop dat de kerkvoogdij
nog de beschikking had over een legaat
van wijlen mr. Kaempf.17
De in 1843 in Giethoorn geboren mr. C.F.
Kaempf was in 1865 in Zwolle komen wonen. Hij
vestigde zich er als notaris en advocaat. Kaempf
bewoonde een huis aan de Grote Markt (nummer
10, de huidige ijssalon Talamini) en was één van de
hoogst aangeslagenen in de gemeentelijke belasting.
Hij woonde tot 1916 in de stad, waarna hij
zijn laatste jaren in Den Haag doorbracht.
Kaempf, die vrijgezel was, had zijn oude woonplaats
niet vergeten en liet aan de Hervormde
Gemeente ƒ 10.000,- na, dat in 1924 al een aardige
rente had opgebracht. Aan de diaconie vermaakte
hij ƒ 25.000,-.
De aankoop van Kamperstraat 10 zou een goede
bestemming zijn voor het legaat en De Haan
wilde een bod doen van ruim ƒ 18.000,-. Voorzitter
Jordens kon zich hierin vinden. Alleen één lid
Jan Arend Godert
baron de Vos van Steenwijk.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stemde tegen. Er werd geheimhouding gevraagd.
Op 9 mei 1925 werd het perceel bekeken en goed
bevonden. De houten barakken in de tuin kon
men niet gebruiken.
Men deed nu snel zaken, hetgeen bespoedigd
werd omdat de verkoop onder ‘vrienden’ plaatsvond.
Het bestuur van de Christelijke HBS bestond
Op zaterdag 19 september 1925 om 3 uur ‘s
middags werd het gebouw plechtig geopend in
aanwezigheid van de notabelen, de kerkvoogdij en
de kerkeraad. President-kerkvoogd DJ.R. Jordens
hield daarbij een toespraak. In de gevel werden
steentjes aangebracht met het opschrift: Catechisatie
Gebouw der Nederd: Hervormde Gemeente.
De net gebouwde christelijke
HBS aan de Veeralle
in 1925.
namelijk uit gereformeerden en rechtzinnig hervormden.
Men werd het eens over een bedrag van
ƒ 20.000,- en op 9 juni 1925 werd de akte ondertekend.
Er moest uiteraard wel wat opgeknapt worden.
Hiervoor werd een commissie ingesteld, die ook
een conciërge benoemde. Het echtpaar L. Akkers
kreeg een ‘beloning’ van ƒ 3,- per week met vrij
wonen en vrij licht en per jaar ƒ 25,- voor de grote
schoonmaak. Een jaar later werd het ƒ 5,- per
week. De man was pakhuisknecht en hij zal die
baan zeker nodig gehad hebben om rond te kunnen
komen.
Nederduits was een oude benaming om onderscheid
te maken met de Waals Hervormde
Gemeente.
Er was voorlopig ruimte genoeg. Beneden
waren vier ruime kamers en boven vier wat kleinere
kamers. Daarom kreeg ook de koster van de
Grote Kerk, die hand en spandiensten verrichtte
voor de kerkelijke administratie, een ruimte toegewezen.
De diaconie mocht er zijn bureau vestigen
tegen een huur van ƒ 150,- per jaar. Tevens
werden drie kamers op zondag voor clubbijeenkomsten
verhuurd aan de Christelijke Jongemannenvereniging.
Weer was het ds. De Haan die voor
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dit laatste een krachtig pleidooi had gevoerd. Elke
predikant had hier tussen 1925 en 1950 een vaste
kamer.
Na de Tweede Wereldoorlog
De ontwikkelingen in de Hervormde Gemeente
maakten het gebouw na de oorlog minder functioneel.
Reeds in 1945 werd de stad verdeeld in drie
wijken, maar wel onder één kerkeraad. Kamperstraat
10 bleef voorlopig het centrale gebouw voor
de catechisaties. In 1949 kreeg het zelfs nog een
grondige opknapbeurt. Maar er werd gezocht naar
een andere vorm, die in 1957 gestalte kreeg: tien
zelfstandige wijkgemeenten met een gezamenlijk
kerkelijk apparaat. Het accent kwam toen te liggen
op de wijk waar een kerk, een pastorie en wijkgebouw
waren. Vanzelfsprekend werden daar de
catechisaties gehouden.
Dat is niet in één klap gegaan. Langzamerhand
werd de verschuiving duidelijk. In 1960 wilde ds.
Korevaar nog de beschikking hebben over een
lokaal waar 80 (!) catechisanten ontvangen konden
worden, die allen van het toen nog landelijke
Berkum naar het centrum van Zwolle togen. Maar
langzamerhand gingen alle predikanten ertoe over
om hun lessen in de wijkgemeenten zelf te geven.
In 1959 besloot de kerkvoogdij een algemeen
secretariaat voor het kerkelijk werk in te stellen,
waar ook de diaconie ondergebracht zou worden.
De diaconie stemde daarmee in. De kerkvoogdij
had sedert 1930 een bureau aan de Grote Markt
met vijf medewerkers en de diaconie had haar
bureau aan de Kamperstraat met drie medewerkers
en de koster van de Grote Kerk. De laatste
koster, die ook het achtergelegen woonhuis
betrok, was de heer A. Jolink. Na zijn vertrek werd
het huis verhuurd aan studenten. Drie lokalen
konden aan de Nederlandse Spoorwegen verhuurd
worden en de gehele administratie werd
beneden gehuisvest.
Het nieuwe kerkelijke bureau kwam na een
verbouwing op 1 december 1960 in het pand. Twee
predikanten kregen ruimte toegewezen in het
voormalige kerkelijk bureau aan de Grote Markt.
Hoofd werd de heer Millekamp, die tot dusver
het diaconaal bureau had geleid. De heer J.J. van
der Waarde, die vanaf 1947 hoofd van het kerkelijk
bureau was, werkte z’n opvolger in en ging op 1
januari 1961 met pensioen. Op 12 september 1972
werd hij opgevolgd door de heer H. Meliesie, die
op zijn beurt het bureau leidde tot 1 maart 1992.
Thans is de leiding in handen van de heren E.
Roosink en W. van Rhee. Veel werkzaamheden
zijn volledig geautomatiseerd, zodat zij daarnaast
nog slechts enkele part-timers nodig hebben en –
dat is het voordeel van een kerkelijke administratie
– de hulp van veel vrijwilligers die op gezette
tijden het ‘buik-werk’ doen.
In 1965 kwam de Christelijke huishoudschool
Dabar in het pand, die er drie jaar doorbracht.
Daarna waren er steeds andere huurders. Momenteel
is dat advocaat J. Floor. Tot 1970 konden in
het pand ook nog catechisaties geven worden. Het
langste heeft wijk II dat gedaan. De leerlingen
kwamen uit heel Zwolle en de wijde omtrek.
Slot
Het huis Kamperstraat 10 heeft een bonte historie
achter de rug, die zeker nog niet afgesloten is.
Vooral de binnenkant van het pand heeft een ‘facelift’
nodig. De brede monumentale stoep zal wel
niet meer in ere hersteld kunnen worden. Daarvoor
is de Kamperstraat te smal geworden. De brede
voordeuren hebben iets bedriegelijks. Slechts de
helft geeft toegang tot een vrij smalle gang. De plafonds
in de kamers roepen nog beelden op van het
oude patriciërshuis, evenals de monumentale trap
naar boven, die toegang geeft tot vier grotere en
kleinere kamers, die door de houten schotten weinig
meer laten zien van wat het eenmaal was. Maar
de zolder met de oude balkenconstructie en de
kleine dienstbodekamer, alleen met een klein dakvenster,
roept weer ruimschoots herinneringen op
aan het verleden. En de donkere en vrij vochtige
woning achter het huis geeft ook iets weer van de
omstandigheden, waaronder vroeger het personeel
moest werken en wonen.
Noten
1. DJ. de Vries, ‘De veertiende-eeuwse woonhuizen
van Zwolle’, in: Overijsselse Historische bijdragen 95
(1980) 129.
2. F.C. Berkenvelder, Zo was Zwolle rond 1900 (Zwolle
1970) 68.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
3. E.H. ter Kuile, Noord- en oost-Salland (Den Haag
1974) 131- Daniël Marot was een Frans architect
(1663-1752), die als verdreven Hugenoot in ons land
werkte voor stadhouder Willem III. Hij bracht de
Franse barokstijl mee en deze voorname en decoratieve
stijl kreeg gestalte in de paleizen Het Loo en
Huis Ten Bosch.
4. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), Familiearchief van
Haersolte.
5. Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, dl. VI
(Leiden 1924) 675.
6. Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. 8 (Leiden
1937) 222 e.v.
7. Zie noot 5.
8. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle (herdruk Zwolle 1973) 35.
9. C.W. van der Pot, Zwolle’s omgeving omstreeks 1900
(Zwolle, s.a.) 90.
10. Th.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, dl. II (Zwolle
1961) 239,259.
11. Zie noot 2.
12. J. Erdtsieck, Geloven zonder confessie (Zwolle 1991)
en W.A. Huijsmans, ‘Maria W.J. Milatz (1872-
i935)’> in: Overijsselse biografieën^ (1993) 63-66.
13. Zie de adresboekjes uit deze jaren.
14. GAZ, Archieven van de Hervormde Gemeente te
Zwolle (KA017), Notulen diaconie, inv.nr. 238-239;
en Jaarverslagen van Kinderzorg over 1915, 1916 en
1917.
15. Gegevens uit Toestand der Gemeente 1919-1925.
16. GAZ, KAO17 inv.nr. 456.
17. Zie: Berkenvelder, 118, en de adresboekjes van die
jaren.
Kamperstraat 10.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
IJsselvliet, een verdwenen buitenplaats
Niet ver van de Katerveersluizen in Spoolde,
tegen de voet van de IJsseldijk, stond
al in het begin van de achttiende eeuw
een spijker of buitenplaats, IJsselvliet genaamd.
Het was één van de vele buitenplaatsen en havezaten
die gelegen waren in het gebied rond Zwolle.
Zij dienden als zomerverblijf voor personen die in
de stad een belangrijke functie vervulden. Het was
er heerlijk toeven. De rust en de landelijke omgeving
droegen ertoe bij dat de bewoners zich ongestoord
konden bezighouden met kunst en wetenschap.
Het waren ideale plaatsen om gedachten in
poëzie- of prozavorm aan het papier toe te vertrouwen,
zoals Rhijnvis Feith deed op Boswijk en
Jacob Serrurier op het: Rodehuis. Met familie en
gasten kon worden gediscussieerd over allerlei
politieke en wetenschappelijke onderwerpen. Ook
musiceren was een geliefd tijdverdrijf.
De buitenplaats IJsselvliet was tot 1840 in het
bezit van de families Greven en Nilant. In dat jaar
werd Jacob H. graaf van Rechter en eigenaar, die
het huis liet herbouwen. Dit nieuwe huis werd al
in 1869 door de latere eigenaar om onduidelijke
redenen voor afbraak verkocht. Het koetshuis en
de stalling bleven staan. Beide bouwsels stonden
aan de Nilantsweg. Later hoorden ze bij het boerenerf
van Egbert Westerhof. Bij de bouw van huizen
aan de Nilantsweg, genummerd 41-47, zijn ze
afgebroken.
In het koetshuis was een steen aangebracht,
waarop stond te lezen dat J.H.A.E. van Rechteren
– een dochtertje van de graaf- op 16 juli 1842 de
eerste steen had gelegd.’ Met de afbraak in
1958/1959 is deze laatste herinnering aan IJsselvliet
verdwenen.
De ligging
Op de dijk in Spoolde, onder de nieuwe IJsselbrug
waarover het verkeer in een continue stroom
raast, ziet men de pijlers van de brug bij Kampen
hoog uit het IJsselwater oprijzen. Ook de contouren
van enkele hoge gebouwen zijn nog vaag
zichtbaar. Geheel anders was, zo dicht bij het
Katerveer, het vroegere uitzicht vanuit IJsselvliet.
Het stomme vee graast zomers nog even vredig
als eeuwen gelegen op de verhoogde IJsseldijken
en in de groene weilanden achter de huizen aan de
Nilantsweg. Koeien doen zich tegoed aan het malse
gras, dat groeit waar eens de riante buitenplaats
IJsselvliet gestaan heeft. Van die plek is echter zelfs
geen kleine oneffenheid meer in het weiland te
zien. Alles is ‘keurig’ geëgaliseerd.
De buitenplaats heeft tegen de voet van de IJsseldijk
gestaan. De toegang naar de buitenplaats
vanaf de Nilantsweg lag tussen Nilantsweg 41 en
41-1, tegenover een boerderij. Een lichte krom-
Wim Huijsmans
De Katerveersluizen
omstreeks 1935.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ming in de Nilantsweg, die ook nu nog valt waar te
nemen, is het enige wat nog herinnert aan de plek
waar de oprijlaan naar IJsselvliet begon. Ook van
het koetshuis en de stalling ligt geen steen meer op
de ander. Een toevallige ontmoeting met een
geboren en getogen Spoolderse leerde mij dat de
grond er vol met puin zit…
Vroegste bewoning
Als eerste eigenaar van de buitenplaats IJsselvliet
wordt genoemd Arnoldus Greven, cameraar van
Zwolle. Als zodanig was hij belast met het financieel
beheer van de stad. In het markeboek van
Spoolde werd hij op 3/4 juli 1743 als eigenaar van
IJsselvliet aangeslagen voor het onderhoud van
één roede en zes voeten van de Spoolderdijken
langs de IJssel.2
Op 25 september 1740 legde Greven zijn laatste
wil vast in een testament, ten overstaan van de
schout van Zwollerkerspel.3 Het is jammer dat de
inhoud van zijn ‘gesloten’ testament niet bekend
geworden is. Gebruikelijk was dat na het overlijden
zo’n wilsbeschikking op het stadhuis werd
afgeschreven in het testamenten-register. Dit is
helaas bij de laatste wil van Arnoldus Greven niet
gebeurd. De inhoud ervan is daarom niet bekend.
Het is echter waarschijnlijk dat hij IJsselvliet nagelaten
heeft aan zijn dochter Agnes Greven, die op
20 september 1723 te Zwolle getrouwd was met mr.
Lucas Nilant, gemeensman der stad Zwolle. Uit
dit huwelijk werden zes kinderen geboren, van wie
één jong overleed.4 Lucas Nilant werd in hetzelfde
markeboek in 1757 genoemd als markerichter van
Spoolde.
Strijd op het Fricadelleneiland
Lucas Nilant kreeg het in 1757 aan de stok met de
heer van Yrst, bewoner van de buitenplaats aan de
overzijde van de IJssel. Hij had ‘een troup volk’
naar het Fricadelleneiland of de Twijgwelle in de
IJssel gestuurd om twijg te snijden. Dit gebeurde
blijkbaar tegen alle regels in, want ook Nilant gaf
opdracht aan dertien Spoolder boeren om twijg te
snijden en daarbij gebruik te maken van de schuit
van de Katerveerman. Zij mochten niet gewelddadig
worden of de Yrsters ‘onjurieus’ bejegenen.
Zwijgzaam sneed elk van beide groepen zijn twijg.
Na verloop van tijd ging de Yrster ploeg terug met
slechts een halve vracht. Eén persoon” rende na
terugkeer aan de Gelderse zijde in allerijl naar huize
Yrst, zoals markerichter Nilant, die ‘alles door
de verrekijker distinctelijk observeerde’, in zijn
verslag van 10 oktober 1757 vermeldde. Er werd
vervolgens met geladen snaphanen in de lucht
geschoten om de Spoolders te intimideren. De
‘strijd’ duurde enige dagen voort, maar toen de
Yrster groep niet meer kwam opdagen om twijg te
snijden, was het probleem uit de wereld. Nilant
verhaalde er uitgebreid over in het markeboek. Hij
borg de twijg op in de ‘bourenhof bij IJsselvliet.5
Het leven op IJsselvliet
De familie Nilant bracht de zomers door op IJsselvliet
en woonde ’s winters in de stad. Op 26 augustus
1762 schreef Lucas Nilant een brief aan zijn
dochter Willemina Agnes. Zij verbleef in Beverwijk
bij de doopsgezinde (!) predikant Antonius
van der Os, die in Zwolle als hervormd predikant
was afgezet.6
De ‘laatste nieuwtjes’ in de brief geven een aardige
kijk op het landleven. Zo schreef Nilant dat er
een grote sterfte onder het vee was. Op het bouwhuis
bij IJsselvliet woonde een nieuwe boer,
Berend van Dam, die al zeven stuks vee verloren
had. Op religieus gebied kon hij melden dat binnenkort
de benoeming van ds. Adama door de
classis zou worden goedgekeurd. In verband met
zijn komst verzochten de Zwolse predikanten aan
het stadsbestuur vrijdom van wagenvrachten voor
de predikanten uit de regio, maar dat werd niet
verleend. Ander nieuws was dat de heer Scriverius
hals over kop naar Den Haag was vertrokken,
alwaar zijn dienstbode plotseling bevallen was. En
toen afgelopen zondag de familie Nilant aan tafel
zat, daverden de glazen in de kast. Dochter Hillegonda
dacht aan een aardbeving, omdat er geen
vleugje wind was ‘waardoor de glasen souden
kunnen rammelen’.
Mocht mevrouw Van der Os nog fruit willen,
dan zou Nilant dat wel toezenden. Ook kon ze
grote noten krijgen, als die al niet door de vele
regen bedorven waren. De neerslag was zeer
schadelijk voor de vruchten, want de pruimen
barstten en de grote noten werden zwart. Het zaad
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
en de erwten begonnen al uit te lopen. De slakken
vraten de kroppen uit het veld.
Ook met de dienstboden waren er problemen.
Nilant zag de ene vanwege haar ‘lichaems gesteldheijd’
liever niet terugkomen, een andere kon niet
komen omdat zij ‘haar belijdenis gaet leeren tegen
St. Michiel’ (29 september). Vrouw Giele, die
dienstboden verhuurde, had ook niet veel capabele
krachten, of zoals Nilant schreef, ‘sij heeft
tegenwoordig niet dan uitschot op haer lijst’. Ze
had nog wel een ‘schepsel’ met de naam Margrietjen
op het oog, die moeilijk met haar moeder
overweg kon. Maar het zag er naar uit dat de familie
zich met één keukenmeid ‘also sukkelende’
moest behelpen en mevrouw ‘mede voor kokkinne
sal moeten spelen’. De brief geeft op een unieke
wijze aan wat bewoners van een buitenplaats in de
achttiende eeuw zoal bezig hield.7
De familie Nilant
Het gezin van mr. Lucas Nilant (1691-1767) en
Agnes Greven (1698-1731) bestond uit vier dochters
en een zoon Lambertus (1728-1778). Drie
dochters van de markerichter overleden ongehuwd,
de vierde trouwde in 1767 met de medicinae
doctor Rudolf van Sonsbeek. In hetzelfde jaar
stierf Lucas Nilant. IJsselvliet bleef onverdeeld in
het bezit van zijn kinderen, die tussen 1778 en 1803
overleden.
Omvang van de buitenplaats
In het register van de 50e penning, een belasting
die men bij verandering in het bezit van onroerend
goed moest betalen, werd het goed in 1783 als
volgt omschreven: ‘Het erve en goed Isselvliet of
de Colk te Spoolde, bestaande in ’t Spijker en boerenhuis
met de hoven en plantagien, de sogenaemde
Pol aan de weg en aangelegen landen, twee
koeweiden en één pinkeweijde op de Spoolderweideweert,
het Dijkcampje en voorenste akker bouwland
op Spoolderbroek, de lange Marsch tegenover
IJsselvliet tot aan de Spoolderberg, de gehele
Brinkmersch, de hoge of Kruiscamp en ’t Clavercampje
bij ’t Rode Enk tegenover ’t goed van de
Heer Dr. van Toor de Kortenberg .. .’.8
Omdat het van belang was het ene stuk land
van het andere te onderscheiden — het kadaster
G K UJN U £ N , op liet Matfs ‘Wijnhuis te Zwolle, op Miiigsda%
den. asten ‘Jvgnsiv* J8S7 , ‘ Ües morgens Ie elf men , te doen
Inzéileh ,”eu drie nekeu daarna op tijd en plaats Toorschievcn te Terk
o o p e l i : ‘ ‘ ‘ : ‘ ” “” • • • • • • ‘ • • • • • “: – • • .
S’H. Een zeer aangename B ü I T E .NP LA A T S , IJ S S E L FL IE T
”•”’• gifiaiama , gelegen”iu; de; Buurschap Spoolde ^ geineenle Zwollerkcrspel,
aan de straatweg’bij het Katerrecr,’: een lialf • riur a n d o
Slad Zwolle, bestaaude ïli zeer logeabel H E E R E N I I U I S , waarjil
To’ndcrsclieideiie-te

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1991, Aflevering 3

Door 1991, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

• s’i
Het gemeenteandip
8E JAARGANG 1991 NUMMER 3
Redactioneel
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Broerenkerkplein op
wasdag; ca 1930. Foto
A. Meulenbelt. Wat is uw voorstelling van een archief?
Een verzameling door de tand des tijds
aangevreten papier? Een donker gebouw
met mannen in stofjassen die zich buigen
over mysterieuze handschriften? Of denkt u bij het
woord ‘archief aan een modern toegerust historisch
beheers- en informatiecentrum?
Dit themanummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift geeft u een beeld van het gemeentearchief
van Zwolle dat èn op eigentijdse wijze wettelijk
vastgestelde taken uitvoert èn als schatkamer
fungeert voor avontuurlijke gravers naar uiteenlopende
aspecten van het stedelijk verleden.
In het openingsartikel legt J. Hagedoorn een
relatie tussen de aard en omvang van de bewaard
gebleven archiefbescheiden en de historische ontwikkeling
van de stad Zwolle. Gemeentearchivaris
F.C. Berkenvelder schetst een geschiedenis van
het Zwolse archief, waarbij markante figuren de
revue passeren en de verandering van een soms
wat verwaarloosd werkterrein naar een moderne
dienstverlenende instelling zichtbaar wordt.
Vervolgens nemen we u mee op een rondgang
door het gemeentearchief. Diverse medewerkers
van het archief informeren u over de activiteiten
die in en buiten het gebouw plaatsvinden
om historisch bronnenmateriaal te verwerven,
te beheren en te ontsluiten. Het meest
bekend is waarschijnlijk de studiezaal, waarvan
J.L. Admiraal een beeld geeft. C.J.G.M. Sonneville
schrijft over het bijzondere bibliotheekbezit
van het archief. De beelddocumentatie valt onder
de verantwoordelijkheid van H.J.H. Knoester.
Hij leverde niet alleen een bijdrage over ‘zijn’ atlas,
maar tevens het fotomateriaal voor dit themanummer.
De afbeeldingen zijn niet bedoeld
als illustratie bij de inhoud van de artikelen, maar
als een afspiegeling van de diversiteit van de collectie
van het gemeentearchief. Op deze wijze
‘vertelt’ de fotoserie een eigen verhaal.
Dat de ontwikkeling van de audio-visuele
media nog in de kinderschoenen staat, wordt
door J.J. Seekles beschreven. Acquisitie (het verwerven)
van archiefmateriaal en de inspectie van
materiaal en beheer zijn gewoonlijk aan het oog
van de studiezaalbezoeker onttrokken; W.A.
Huijsmans en J.J. Seekles werpen licht op deze
werkzaamheden. De meeste bezoekers kennen
wel het resultaat van de micro-verfilming van archiefbescheiden,
namelijk de microfiches in de
studiezaal. J.J. Seekles gaat nader in op de achtergronden
van de micro-verfilming. Wellicht hebben
sommigen wel eens een boekband of historische
kaart in handen gehad, die de restauratie-afdeling
had verlaten. A.G.M. Heijmerikx laat zien
dat de werkzaamheden van de restaurator naast
vakkennis veel inventiviteit en speurzin vereisen.
Tot slot is een bijdrage opgenomen van H.A.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 73
Inhoudsopgave
Stalknecht. Hij heeft een historische studie verricht
naar de plaatselijke krant, een veel geraadpleegde
bron in het gemeentearchief. Hij beschrijft
hoe een dergelijk onderzoek in z’n werk
kan gaan.
Financiële beperkingen belemmerden ons om
nog meer voorbeelden op te nemen van onderzoek
dat gebaseerd is op Zwolse archieven. In
volgende nummers van dit tijdschrift zullen dergelijke
artikelen te lezen zijn, zodat u kunt zien
dat de vragen van de onderzoekers net zo gevarieerd
en verrassend kunnen zijn als het bronnenmateriaal
en de persoonlijke aanpak van de
onderzoeker.
Aanleiding voor het samenstellen van dit themanummer
is het feit dat dit jaar de Vereniging
van Archivarissen in Nederland (VAN) honderd
jaar bestaat. Ter gelegenheid hiervan wordt op 12
oktober 1991 de Open Archieven Dag gehouden,
een manifestatie waaraan ook het Zwolse gemeentearchief
medewerking verleent.
Dit themanummer is tot stand gekomen door
goede samenwerking tussen de themaredactie en
de medewerkers van het gemeentearchief. De samenwerking
bij gelegenheid van de VAN-festiviteiten
maakte het mogelijk om voor de produktie
van dit nummer dankbaar gebruik te maken van
een financiële tegemoetkoming van de gemeente
Zwolle.
Wij wensen u veel leesplezier. Wellicht mag
het gemeentearchief u binnenkort verwelkomen
als geïnspireerd en actief historisch onderzoeker
of als geïnteresseerde bezoeker.
De themaredactie: Jan ten Hove,
Wim Huijsmans, Anneke van der Wurff
Papier en werkelijkheid; archief en geschiedenis J. Hagedoorn 74
Geschiedenis van het gemeentearchief van Zwolle F.C. Berkenvelder 87
Studiezaal J.L. Admiraal
Bibliotheekcollectie C.J.G.M. Sonneville
Beelddocumentatie H.J.H. Knoester
Audio-visuele media JJ. Seekles
Micro-verfilming J.J. Seekles
Acquisitie en inventarisatie W.A. Huijsmans
Gemeentelijke archiefinspectie J.J. Seekles
Restauratie A.G.M. Heijmerikx
De krant van gisteren H.A. Stalknecht
Personalia
101
103
105
108
110
111
113
115
118
120
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Papier en werkelijkheid; archief en
geschiedenis
J. Hagedoorn
Markt op het Gasthuisplein;
ca 1900.
Foto C.J.J. Schaepman.
De geschiedenis van een stad, streek of
land hangt ten nauwste samen met het
overgeleverde bronnenmateriaal. Met
geschiedenis wordt hier dan bedoeld de kennis
van het verleden, of de reconstructie die wij op
basis van de ons overgeleverde bronnen van dat
verleden kunnen maken. Daarin is onmiddellijk
de beperking van de geschiedbeoefening besloten:
wij kunnen slechts streven naar een zo nauwkeurig
mogelijke benadering van de historische
werkelijkheid, van dat wat geschied is. Niet alleen
speelt onze interpretatie daarbij een belangrijke
rol, maar ook de beschikbaarheid van bronnenmateriaal
bepaalt het beeld. En waar niets is overgeleverd,
vervaagt ons beeld van het verleden.
Anderzijds heeft het verloop van de geschiedenis
ook het bronnenmateriaal gevormd. Immers,
om welke reden dan ook is dit materiaal
eens gecreëerd en is het in de loop der eeuwen
overgeleverd. Ook hier geldt: waar bepaalde gebeurtenissen
hebben plaatsgevonden, kunnen zij
hun sporen in de bronnen hebben nagelaten. De
historische realiteit heeft dus bepaald welke
bronnen werden vervaardigd en hoe zij werden
gevormd.
In deze bijdrage zullen wij onderzoeken hoe
de geschiedenis van de stad Zwolle en een bepaalde
soort van bronnen, namelijk het archiefmateriaal,
samenhangen. Na een korte definiëring van
het begrip ‘archief, wordt een schets van de
Zwolse geschiedenis gegeven, waarbij de nadruk
ligt op het archiefmateriaal. We zullen ons hierbij
beperken tot archivalia in het Zwolse gemeentearchief
en tot de geschiedenis van voor 1940.
Het archief
Het historisch bronnenmateriaal is zeer divers
samengesteld. Gedacht kan worden aan stoffelijke
bronnen, al dan niet aan ons overgeleverd via
de archeologie, en meestal te zien in musea. Het
gaat hier om bijvoorbeeld kunst- of gebruiksvoorwerpen,
gebouwen en kledingstukken. In
deze bijdrage wordt echter gesproken van de geschreven
bronnen, en dan nog alleen van de nietverhalende;
dus niet gedichten, boeken, pamfletten
of andere documenten die geschreven zijn
om te vermaken, voor te lichten ofte overtuigen.
Het zal hier alleen gaan om archivalia, ook wel
archieven genoemd, niet te verwarren met de instanties
die het materiaal beheren, dan wel de gebouwen
waar ze bewaard worden. Een archief is
volgens de archiefwetenschap het geheel van bescheiden,
die ontvangen of opgemaakt zijn door
een instelling, een persoon of een groep personen,
als gevolg van de taken en werkzaamheden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
die zij verrichten, en die bestemd zijn een kortere
of langere tijd te worden bewaard.’
Hiermee wordt onmiddellijk de bovengenoemde
beperking duidelijk. Archief werd alleen
gevormd als men daarbij belang had. Zo zal men
het belangrijker hebben gevonden stukken te bewaren
die iets konden bewijzen, dan stukken die
puur van informatieve aard waren. Een jaarrekening
of een gerechtelijke uitspraak zal dus eerder
bewaard zijn dan een verjaardagsbrief of een aantekening
over het klimaat. Een archief krijgt dus
min of meer toevallig de vorm waarin het wordt
overgeleverd. Het is dan ook niet een complete
overlevering van het eens beschikbare materiaal.
Bovendien ging men lang niet altijd zo zorgvuldig
met het archiefmateriaal om als tegenwoordig
wordt gedaan. Zo is bij een grote opruiming van
het archief van Zwolle (toen nog in het stadhuis
gevestigd) in 1859 vermoedelijk ook archiefmateriaal
verdwenen.2 Voor alle duidelijkheid zij hier
nog opgemerkt dat in deze bijdrage niet alleen de
archieven van de gemeente Zwolle centraal zullen
staan, maar ook de archieven van andere instellingen
of personen die in de depots van het gemeentearchief
worden bewaard.
De middeleeuwen: Zwolle tot 1528
De oudste stukken waarin van Zwolle melding
wordt gemaakt bevinden zich niet in het archief
van Zwolle, maar in archieven van de overheid
waarvan Zwolle voor 1230 afhankelijk was, namelijk
de kerk van Deventer. Deze akten, vijf in getal,
stammen alle uit de jaren voor 1230. De oudste
vermelding van de naam Zwolle vinden we in
een akte, gedateerd 1040, waarin de bisschop van
Utrecht, die landsheer van Overijssel was, de
Zwolse Michaélskerk schenkt aan het kapittel van
Deventer.3 Hiermee zijn ook de verhoudingen
geschetst waarmee de inwoners van dit middeleeuwse
Zwolle te maken hadden. De handelsnederzetting
Zwolle, gunstig gesitueerd tussen IJssel
en Vecht en aan de handelswegen tussen west en
oost en noord en zuid, lag in het gebied van de
bisschop van Utrecht, die er de kerkelijke en wereldlijke
autoriteit had. De schenking in 1040 had
tot gevolg, dat de Deventer kerk en haar geestelijkheid
een stevige vinger in de Zwolse pap kregen.
Het duurde tot het eind van de zestiende
eeuw voordat Zwolle zich geheel aan die bevoogding
kon onttrekken.4
Het was dan ook in Deventer dat de Zwollenaren
in 1230 het stadsrecht verkregen uit handen
van! bisschop Willebrand, als dank voor hun
steun in de strijd tegen de Drenten in 1227. Deze
verzelfstandiging betekende dat de stad zich met
eenimuur mocht omringen, dat de inwoners van
de nederzetting aan de Grote A het burgerrecht
konden verkrijgen en dat zij eigen bestuur en
rechtspraak verkregen binnen de stadsvrijheid.
De verlening van dit stadsrecht betekende ook
het begin van het stadsarchief. De bestuurders
van de stad Zwolle hadden er immers alle belang
bij de hun verleende rechten te kunnen bewijzen,
zodat zij de tekst ervan goed bewaarden. Toch is
deze oorspronkelijke oorkonde niet bewaard gebleven.
Een brand in 1324, waarbij nog geen tien
huizen in de stad gespaard bleven, heeft mogelijk
ook het oudste archief van Zwolle verbrand.
Het zijn dan ook latere afschriften van de pri-
Grote Markt en Melkmarkt.
Links de Harmonie,
rechts op nr.ii
hotel het ‘Heerenlogement’
(later hotel
Dijkstra en thans restaurant
La Meridiana);
aug.1893. Coll.
Wispelweij.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vileges van de stad die ons overgeleverd zijn. Het
privilegeboek bevat afschriften van akten uit de
jaren tussen 924 en 1570 en begint met een oorkonde
uit 1490, waarin wordt bepaald dat burgers
in wereldlijke zaken niet voor de geestelijk rechter
kunnen worden gedaagd. Maar ook regelingen
omtrent tolheffingen, de jaarmarkten, het
dijkrecht, overeenkomsten tussen Zwolle, Deventer
en Kampen, Hanzeprivileges en de muntslag
zijn erin opgenomen.5
Een gevolg van de verlening van het stadsrecht
was, zoals vermeld, het verkrijgen van het
recht op eigen bestuur en rechtspraak (tot op zekere
hoogte). Van belang was dus dat de heren
magistraten, verzameld in de colleges van raad en
meente en van schepenen en raden, hun eigen
besluiten bij gingen houden.6 In deze resoluties
zijn eigenlijk alleen maar besluiten te vinden, zoals
de naam al zegt. Wie zoekt naar de motieven
achter de besluiten, zoekt vaak tevergeefs, of
moet ze tussen de regels kunnen lezen. Veel van
het politieke spel van die tijd blijft dus voor ons
verborgen. Hoewel de functionele organisatie
van het stadsbestuur in de loop der eeuwen kleine
wijzigingen onderging, heeft deze wijze van besturen
feitelijk bestaan tot de stichting van het
Koninkrijk der Nederlanden in 1813 en tot dat
moment hebben de bestuurders op vrij uniforme
wijze hun besluiten opgetekend. De taken van de
magistraten waren legio en daartoe hadden zij de
werkzaamheden verdeeld. Zo waren er bijvoorbeeld
schepenen die zich bij toerbeurt met de
bouwwerkzaamheden bezighielden en anderen
met het keuren van goederen, graan of wijn. Verreweg
de belangrijkste taken waren echter die van
de financiën en rechtspraak.
Vele stukken in het archief van de stad Zwolle
hebben betrekking op financiën, van de overheid
of particulieren. Het aantal van de ongeveer 7000
nummers in de inventaris van het oude stadsarchief
(dat tot 1813 loopt) dat betrekking heeft op
belastingen of stadsfinanciën, bedraagt meer dan
4000. Met name de jaarrekeningen en maandrekeningen
van de stad, waarin keurig de uitgaven
en inkomsten opgetekend staan, vormen een
vrijwel ononderbroken reeks van het eind van de
veertiende tot het eind van de achttiende eeuw.
Zo werd bijvoorbeeld nauwkeurig opgetekend
welke reizen de leden van de magistraat maakten
ten behoeve van de stad, hoeveel men tijdens de
vergaderingen verteerde, welke boetes men oplegde,
welk bezit de stad had aan roerende goederen,
hoeveel bouwstenen men aanschafte en wat
de opbrengsten waren van de tollen.7 Daarnaast
zijn er onder andere balanzen, kwitanties, overzichten
van de kosten van oorlog en van de inkomsten
uit accijnzen.
Maar niet alleen deze boekhouding van de
stad verschaft belangrijke informatie over Zwolle
en zijn inwoners. Uit stukken in de familiearchieven
krijgen we op een meer persoonlijk niveau
inzicht in de wijze waarop onze voorouders
leefden in het laat-middeleeuwse Zwolle, alhoewel
er maar weinig stukken zijn die de periode
voor 1528 bestrijken.
Meer van dit soort gegevens zijn te vinden in
de rechterlijke archieven van de stad en de archieven
van kerkelijke instellingen, van armenen
gasthuizen, marke-archieven en waterschapsarchieven.
De rechterlijke archieven, waarvan de
oudste stukken uit het eind van de vijftiende eeuw
stammen, bestaan uit registers van de zogenoemde
vrijwillige en van de contentieuze rechtspraak.
In de eerste vinden we zaken als schuldbekentenissen,
volmachten, borgstellingen, testamenten,
overdrachten van bezit, huwelijksvoorwaarden en
voogdijregelingen. Bij de contentieuze rechtspraak
ging het om gedingen en criminele rechtspraak.
Eerder werden deze rechtshandelingen
opgetekend in de resolutieboeken. Zo bevat “Dat
boeck mit de starre” naast resoluties van schepenen
en raden ook optekening van vrijwillige en
contentieuze zaken uit de jaren na 1383.8 En in de
maandrekeningen vinden we (achterstallige)
boetes, bijvoorbeeld van “Hessel de drager van
Averlippe die Haghedoren bij nachte wonde” in
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 77
!399-9 Verwonderlijk is deze ‘vermenging’ van
uitvoerende en rechtsprekende macht niet: de
schepenen waren niet alleen bestuurders, maar
spraken ook recht en fungeerden als notaris.10
Ook in de niet-overheidsarchieven vinden we
stukken van gerechtelijke aard. Het gaat hierbij
dan meestal om charters, waarin de overdracht
van goederen is geregeld. Zo is de kopie-akte van
de verkoop op 5 juli 1384 van het eerste huis van
de broeders des gemenen levens in Zwolle te vinden
in het archief van het Rijke Fraterhuis, dat
tussen de Praubstraat en de Papenstraat stond.
Uiteraard hadden deze instellingen belang bij het
bewaren van deze akten: ze dienden als bewijs.
Het is dan ook niet verwonderlijk, dat ons in dergelijke
archieven veel van deze charters zijn overgeleverd.
Het gaat hier immers steeds om instellingen
die nog bestaan, of die opgegaan zijn in
nog bestaande instellingen. Ook voor privé-personen
werden dergelijke overdrachten vastgelegd
in charters, maar het is niet duidelijk of het bewaarde
een groot of een klein deel van de oorspronkelijke
hoeveelheid uitmaakte.11
Opvallend is dat de oudste stukken uit deze
niet-overheidsarchieven meest uit de veertiende
eeuw stammen. Het laatste kwart van de veertiende
en de eerste helft van de vijftiende eeuw
vormen een periode in de Zwolse geschiedenis
die wel de Gouden Tijd is genoemd.12 De stad
ontworstelde zich aan de afhankelijkheid van de
moederstad Deventer. De drie grote Overijsselse
steden versterkten hun positie ten opzichte van
de landsheer door onderlinge verdragen, die we
weer in de privilegeboeken terugvinden. De vergaderingen
van de steden, de Overijsselse edellieden
en de bisschop zouden in de zestiende eeuw
uitgroeien tot de Overijsselse Staten, die na 1580
het bestuur van het gewest op zich namen.
Zwolle profiteerde van de toenemende zelfstandigheid,
met name op economisch gebied.
Daardoor groeide de stad snel qua inwonertal tot
zo’n 3200 in 1400 en qua oppervlakte tot de omvang
van het huidige stadshart. De Zwolse economie
was gefundeerd op de doorvoerhandel en het
huidige Rodetorenplein was eeuwenlang het handelscentrum
van de stad aan het Zwartewater.
Zwolle meldde zich in 1294 aan als lid, maar werd
pas in 1407 toegelaten tot de Hanze, het verbond
van Noordeuropese handelssteden.13 Aparte registers
in de Zwolse archieven bevatten dan ook
de besluiten van de Hanzerecessen vanaf 1416.’4
De nauwe contacten met in het bijzonder het
Duitse achterland worden ook duidelijk uit de
hoeveelheid brieven afkomstig van Duitse steden.
Al van het eind van de veertiende en het begin
van de vijftiende eeuw dateren brieven uit Breinen,
Emmerich, Hamburg, Keulen en andere
steden.15
Door deze contacten werd Zwolle een schakel
in de laatmiddeleeuwse economische orde van
Noordwest-Europa en de stad profiteerde er
ruimschoots van. De oudste gebouwen in de stad
– zoals het stadhuis, de Bethlehemkerk, de Broerenkerk
en de Grote Kerk – dateren alle uit deze
jaren van bloei. Die welvaart had ook tot gevolg,
dat er meer aandacht kwam voor het welzijn van
de Zwollenaar. Al sinds de veertiende eeuw bestonden
het Binnen- en het Buitengasthuis, instellingen
gesticht door het stadsbestuur, die zich
Gasfabriek aan het Assiesplein;
ca 1955. Foto
A. Meulenbelt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Turfschepen, gelegen
aan de Pannekoekendijk;
ca 1925. Coll.
Steenbergen.
het lot van reizigers, armen en bejaarden aantrokken
door ze onderdak te bieden.16 Deze instellingen
hadden inkomsten uit bezittingen in de
vorm van huizen of landerijen. De gasthuizen bestaan
nog steeds en hun archieven geven ons informatie
over (bijna) zeven eeuwen zorg voor de
zwakkeren in de samenleving.17
In de loop van de vijftiende eeuw zouden nog
meer instellingen van weldadigheid worden gesticht,
meestal (bij testament) door rijkere inwoners
van de stad die op deze wijze aan de christelijke
plicht tot naastenliefde wilden voldoen. Ze
boden veelal onderdak aan enkele armen, zieken
of ouderen, zoals het Pestengasthuis (1458), het
St.-Laurensgasthuis (1444) en de Witvoetshuizen
(1477). Ook kerkelijke broederschappen van geestelijken
of leken legden zich toe op verzorging
van de armen. Hiervan waren er in Zwolle zo’n
twintig. Uit deze broederschappen zouden ook
de gilden ontstaan, verenigingen van ambachtslieden,
waarvan er in Zwolle zo’n tien hebben bestaan.
Slechts enkele van deze organisaties hebben
eigen archieven nagelaten, meest vanaf het
midden van de zeventiende eeuw.18
In deze tijd van grote economische bloei werd
de behoefte gevoeld aan een nieuwe religieuze inspiratie.
De Deventenaar Geert Grote (1340-1384)
werd de inspirator van deze beweging, de Moderne
Devotie. Zwolle werd er één van de centra
van. De Moderne Devotie streefde naar een eenvoudig,
praktisch leven in navolging van Christus.
Het best zijn deze idealen verwoord door
Thomas a Kempis (1379-1471), die in het klooster
op de Agnietenberg bij Zwolle leefde. Ook in de
stad had de beweging haar vestiging, onder andere
in het Arme en Rijke Fraterhuis. De fraters, of
broeders des gemenen levens, voorzagen in hun
onderhoud door het afschrijven van boeken. Bovendien
boden zij onderdak aan leerlingen van
de destijds wereldberoemde Zwolse stadsschool.
Te Windesheim werd in 1387 het eerste klooster
van de Moderne Devotie gesticht. Afgezien van
de kloosters buiten de stad zijn van de vestigingen
van de Moderne Devoten in en om Zwolle
archieven bewaard gebleven, waaruit wij kunnen
leren hoe het dagelijks leven er verliep, wat men
at, waaraan men zijn tijd besteedde en welke bezittingen
de kloosters of huizen hadden. Juist uit
deze bronnen valt af te leiden hoe de middeleeuwse
Zwollenaren leefden en dachten.19
De nieuwe tijd: 1528-1795
Tegelijk met het verbleken van Zwolle’s bloei aan
het eind van de vijftiende eeuw — de stad profiteerde
steeds minder van haar positie als Hanzestad
– taande ook de macht van de Overijsselse
landsheer, de bisschop van Utrecht. De drie IJsselsteden
hadden hun macht weten te vergroten,
doordat zij toestemming moesten geven voor belastinginning
door de bisschop. De onderlinge
contacten tussen de drie steden kunnen onder
andere worden afgelezen uit de zes pakken brieven
van Kampen en Deventer uit de periode
1476-1807.20 De macht van de bisschop werd ook
beknot door de oorlogen die de Gelderse hertog
Karel voerde om zijn territorium uit te breiden.
Hij slaagde er tussen 1521 en 1527 in Groningen en
Drenthe te onderwerpen en grote delen van het
Sticht onder zijn gezag te stellen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
Om uit de klauwen te blijven van de hertog en
zijn plunderende troepen onderwierpen de staten
en de steden van Overijssel zich aan de machtige
Karel V. In “Dat boeck geteikent met een sterre”
vinden we dan ook de overeenkomst waarbij
Overijssel Karel als landsheer erkent en die waarbij
de provincie en de stad Zwolle Georg Schenck
als diens stadhouder erkennen.21 Niet alleen werden
Zwolle en Overijssel nu deel van een veel grotere
staat, zodat hun invloed op de landsheer veel
kleiner werd. Zij werden ook betrokken bij de
machtspolitiek van Karel V, die Duits keizer,
Spaans koning, Habsburgs aartshertog en heer
van de Nederlanden was.
De zestiende eeuw was er voor Zwolle één van
vele crises. De economische positie van de stad
verzwakte. De handel over zee ging de handel
over land vervangen. Daarnaast was er in Europa
toenemende onvrede over kerkelijke misstanden.
In vroeger eeuwen bleef de onvrede altijd beperkt
tot binnen-kerkelijke bewegingen, zoals de Moderne
Devotie. Nadat Luther zijn 95 stellingen
had aangeslagen werd hij in 1521 uit de kerk gestoten
en na hem traden ook anderen uit de kerk.
Ook te Zwolle kregen zij later hun aanhangers,
getuige de archieven van de doopsgezinde, hervormde
en lutherse gemeenten.22
Niet alleen deze groeiende religieuze tegenstelling,
maar vooral ook de politieke ontwikkelingen
vanaf het midden van de zestiende eeuw –
de landsheren drongen de Nederlandse gewesten
wetten en verordeningen op die tornden aan de
onafhankelijkheid die zij voordien hadden bezeten
— zorgden ervoor dat Overijssel en dus ook
Zwolle betrokken raakten bij de Nederlandse Opstand
tegen de landsheer, i.c. Philips II, de zoon
van Karel V. In Overijssel waren tot 1566 niet die
spanningen aanwezig geweest die elders tot de
Beeldenstorm of opstand leidden. De Overijsselse
Staten namen een afwachtende houding aan,
maar het gewest werd door de door Philips gestuurde
landvoogd Alva beloond met dezelfde
harde maatregelen die hij elders toepaste. Zo
kreeg Zwolle een garnizoen ingekwartierd. Onderhandelingen
met Alva in 1573 liepen op niets
uit.23 Overijssel gleed door de inkwartiering van
soldaten en de hoge kosten daarvan steeds meer
af in de richting van de opstandige gewesten. In
1578 ging Zwolle ‘om’ en koos de kant van de opstandigen.
Dit had onder andere tot gevolg dat de
aanhangers van de hervormde, of zoals dat toen
heette gereformeerde, religie langzamerhand de
politieke overhand kregen. Niet alleen beginnen
de archieven van de hervormde gemeente in 1581,
de meeste van de katholieke kloosters, broederschappen
en kerken eindigen aan het eind van de
zestiende eeuw.24
Het archiefmateriaal vanaf 1600 wijkt naar soort
en inhoud niet belangrijk af van het materiaal ervoor.
Derhalve wordt in het onderstaande de
Zwolse geschiedenis kort geschetst, waarbij het archiefmateriaal
summier ter sprake komt. Zwolle
had in de zeventiende en achttiende eeuw, zeker
na de Vrede van Munster in 1648, een belangrijke
centrumfunctie voor het omliggende platteland.
De stad was enerzijds marktplaats voor agrarische
produkten, anderzijds konden de bewoners van
Winkelinterieur van de
NV v/h H.}. Baarslag,
winkel in koloniale
waren aan de Melkmarkt
29-31; 1914.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het platteland in de stad de nodige nijverheidsprodukten
kopen. Industrieel vervaardigde produkten
waren er nog nauwelijks, afgezien van
textiel. Belangrijk bleef de transito- of overslaghandel
tussen het westen van de Nederlanden en
Twente en Westfalen. De handel was met name
geconcentreerd rond de huidige Thorbeckegracht,
waar de meeste factoors woonden. Door
deze activiteiten kende Zwolle eind zeventiende
eeuw een zekere mate van welvaart. Ondanks de
grote pestepidemieën van 1636 en 1656 – waaraan
binnen enkele maanden soms duizenden Zwollenaren
ten offer vielen – had de stad rond 1670
zo’n 12.000 inwoners.
In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland,
Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster.
De oostelijke provincies werden zonder al te
veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse,
Munsterse en Keulse troepen. Ook Zwolle gaf
zich over en werd door deze troepen bezet. De
stad bleef na het vertrek van de vreemde troepen
in 1674 met forse schadeclaims en schulden zitten,
als gevolg van inkwartiering, knevelarij, vernielingen
en extra belastingen, zo valt onder andere
uit de zogenaamde Staten van Oorlog en de
maand- en jaarrekeningen af te lezen. Als straf
voor de snelle overgave trok de nieuwe stadhouder
Willem III bij regeringsreglement van 1675 de
benoeming van burgemeesters, schepenen en
provinciale staten aan zich.
Na zijn dood in 1702 werd het regeringsreglement
afgeschaft, zodat raad en gezworen gemeente
zelf de keuze van de stadsbestuurders bepaalden.
In sommige steden kwam het tot onenigheden
rond de benoeming van burgemeesters
en schepenen. In Zwolle gebeurde dat niet, maar
de gezworen gemeente eiste tussen 1703 en 1709
meer invloed. Opvallend was dat in het eerste
kwart van de eeuw vele nieuwe families vertegenwoordigd
raakten in de Zwolse magistraat.25
Hiervan getuigen ook stukken in de verschillende
familiearchieven. Deze archieven geven overigens
ook inzicht in allerlei andere aspecten van het leven
van de Zwolse elite, zoals haar rijkdom, belezenheid,
familiebanden en bezit.26
Hoewel in het westen van de Nederlanden het
economisch verval al eind zeventiende eeuw had
ingezet, was Zwolle nog redelijk welvarend. Door
de centrumfunctie van de stad was de lokale economie
minder gevoelig voor economische depressies.
De textielindustrie bloeide weliswaar
begin achttiende eeuw, maar zou in de loop van
de eeuw tanen. Daarnaast telde Zwolle een grote
variatie aan bedrijven, zoals een azijnmakerij,
een zijdefabriek, een lijmkokerij, zeepziederijen,
kousen-, knopen-, zout-, spelden- en papierfabrieken.
Van geen van deze fabrieken is specifiek
archiefmateriaal bewaard gebleven. Die nijverheid
zou in de loop van de eeuw de achteruitgang
van de textielindustrie delen. De Zwolse bevolking
groeide nauwelijks tussen 1680 en 1750,
doordat velen hun geluk elders gingen beproeven.
Er woonden zo’n 12.000 mensen in de stad,
waarvan 70% hervormden en 20% katholieken.
27
Deze informatie en getallen zijn vaak alleen
door moeizaam speurwerk of geduldig telwerk
uit de bronnen af te lezen. De vraag naar ambachtelijke
variatie of de hoeveelheid inwoners
interesseerde de burgerlijke overheid nauwelijks,
tenzij belasting geheven kon worden, zoals het
hoofdgeld, accijnzen of vuurstedengeld. In een
enkel geval hebben wij door omstandigheden wat
meer zicht op lonen en prijzen, zoals uit de jaren
1670 tot 1688, toen de magistraat een register betreffende
de aard en prijs van bouwmateriaal en
arbeidsloon bijhield. En in 1722 werden straatgedeelten
opgemeten in verband met de heffing
van reinigingsgelden.28
Wanneer er zich rampen voordeden zoals de
veepest (1714), strenge winters (1740-1741), of een
epidemie van de zogenaamde rode en grauwe
loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart in
de stad zeer. De neergang in de economie in de
jaren veertig, gekoppeld aan deze rampen en het
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 8l
voor de Republiek slechte verloop van de Oostenrijkse
Successieoorlog leidden ertoe dat Willem
IV in 1747 tot erfstadhouder werd uitgeroepen
en de regeringsreglementen weer van kracht
werden. Alle verkiezingen moesten aan de prins
worden voorgelegd. De invloed van de stadhouder
werd hierdoor zeer groot, zoals bleek uit de
kwestie rond de Zwolse predikant Antonius van
der Os. Door raadsleden af te zetten kreeg regentes
Anna van Hannover, de weduwe van Willem
IV, het gedaan dat Van der Os – wiens denkbeelden
zij niet deelde – uit zijn ambt werd gezet.29
Eind achttiende eeuw, toen de Republiek
door economische en militaire dreigingen (van
Engelse zijde) ten onder leek te gaan, wist de laatste
Oranje-stadhouder, Willem V, geen leiding te
geven. Dit frustreerde hen die de economische
achteruitgang en het verval van de macht van de
Republiek wilden keren.30 Zij vonden in hun onvrede
aansluiting bij democratisch getinte stromingen
in het oosten van Nederland. Daartoe behoorden
mensen wier pogingen om tot de aristocratische
regentenelite door te dringen, stuitten
op het oligarchische karakter van die groep. Ook
zij zagen in Willem V een zondebok, omdat hij
door middel van de regeringsreglementen deze
oligarchie bevorderde. Dit conglomeraat van
groepen staat bekend als de patriotten en hun leider
bij uitstek werd de in Zwolle wonende Johan
Derk van der Capellen tot den Pol, beroemd geworden
door het pamflet Aan het volk van Nederland.
31
De tegenstellingen tussen de patriotten enerzijds
en de Oranjegezinden en regenten anderzijds
groeiden na 1780. Overal in den lande, ook
in Zwolle, werden vrijkorpsen en burgercommissies
in het leven geroepen om de gekoesterde
idealen met de wapens, respectievelijk het woord
te kunnen verdedigen. De roerigheid van deze
tijd vinden we uiteraard ook terug in de archiefstukken.
Zo is er onder andere een register van de
door de burgerij gewenste veranderingen van het
regeringsreglement uit de jaren 1785-1790 en een
verslag van een onderzoek naar een patriots blad
getiteld De Volksvriend.32 In januari 1787 hoorden
duizenden samengestroomde Zwollenaren op de
Grote Markt de afkondiging van de namen van
hun nieuwe burgemeesters en schepenen: het waren
alle zestien patriotten.33 Deze overwinning
was echter van korte duur: Willem V riep zijn
zwager, de Pruisische koning, te hulp om de oude
orde te herstellen. Op 23 september 1787 marcheerden
de Pruisen Zwolle binnen en vele patriotten
vluchtten naar Frankrijk. Willem V benoemde
hem welgezinde magistraten en de oude
Republiek zou nog tot 1795 bestaan.
De Franse tijd: 1795-1813
Na een mislukte inval in 1793, rukten Franse legers
in de zomer van 1794 de Nederlanden binnen
zonder noemenswaardige tegenstand. Op 29 januari
1795 bereikten zij Kampen. Toen dit bericht
Zwolle bereikte, richtten enkele voormalige patriotten
een Comité Revolutionaire op dat de
burgemeesters afzette en in hun plaats zestien
Provisionele Burgerrepresentanten benoemde.34
Deze lieten op hun beurt in mei 1795 verkiezingen
houden, zodat de Zwollenaren voor het eerst hun
Pannekoekendijk I
Beestenmarkt (huidige
Harm Smeengekade)
gezien vanaf de molen
op de Jufferen wal; ca
1885. Onder meer is de
nachtboot naar Amsterdam
te zien. Colt.
Waanders I.
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Harm Smeengekade
tijdens veemarkt met
de Eekwalmolen op de
achtergrond; juni 1895.
Coïl. Wispelweij.
eigen stadsbestuur direct verkozen. Op zich zou
het bestuur niet zo radicaal veranderen dat soort
en inhoud van het archiefmateriaal drastisch wijzigden.
Toch zijn er aan de hand van de archivalia
historische veranderingen of ontwikkelingen
te constateren.
Ook na 1795 bleven de Zwollenaren hun eigen
bestuurders kiezen. Verder moesten de ingezetenen
veelvuldig stemmen over in te voeren grondwetten
en andere zaken. Dit had tot gevolg dat de
animo om aan deze volksraadpleging deel te nemen
afnam, zo kunnen wij opmaken uit de bewaard
gebleven stemuitslagen.35 Zwolle ondervond
ook last van de Franse bevrijders: zij moesten
ondergebracht worden en van eten en kleding
voorzien worden. Het onderdak viel nog wel te
regelen, maar voedsel was een groter probleem.
De Fransen betaalden met zogenoemde assignaten:
papiergeld, dat niets waard bleek te zijn.36
Nog in 1830 was Zwolle niet af van de schulden
uit de Franse tijd.
Behalve de zojuist genoemde verkiezingen,
werd de gelijkheid van alle burgers tot principe
verheven. Dit betekende dat ook de joden – vanaf
1721 bestond er in Zwolle een snel groeiende
joodse gemeenschap – gelijkberechtigd werden.
Verder werden kerk en staat gescheiden en de gilden
afgeschaft. Een ander resultaat van de Franse
dominantie was de omvorming van de oude Republiek
– een federatie van zeven souvereine gewesten
– tot een nationale staat. Voor Zwolle waren
er nog meer veranderingen: in 1802 werd de
stad hoofdstad van het nieuw gevormde departement
van de Oude IJssel, waartoe naast Overijssel
ook Drenthe, Zuid-Friesland en de noord-Veluwe
behoorden. In hetzelfde jaar kreeg de stad een
nieuw bestuursreglement. De magistraat zou
voortaan uit twaalf burgemeesters bestaan.37 In
1809 telde de Zwolle 12.892 inwoners: circa 9300
hervormden, 2800 katholieken, 360 luthersen,
340 joden en 60 doopsgezinden.38
De oorlogstoestand en de invoering van het
continentaal stelsel in 1810 (bedoeld om de handel
met Engeland te beperken) hadden economische
achteruitgang tot gevolg. Zwolle had nog
wel handelscontacten met het Duitse achterland,
maar ook de stad deelde in de neergang, doordat
de nijverheid verder kwijnde. De bevolking verarmde
door de hoge accijnzen, dure levensmiddelen
en werkloosheid. Nadat in 1811 de dienstplicht
was ingesteld – om welke reden ook de
burgerlijke stand door de overheid ter hand werd
genomen – zag men de Franse overheersers liever
vertrekken. Hoewel de bevrijders van Zwolle
plunderende en zich bedrinkende Don-kozakken
waren, werden ze in 1813 na de val van Napoleon
met blijdschap ingehaald.
Zwolle na 1813
Na het vertrek van de Fransen in 1813 werd Nederland
een constitutionele monarchie. Aan de
gewestelijke en stedelijke autonomie was definitief
een eind gemaakt. Dat betekende dat allerlei,
eerder min of meer stedelijke taken door de provinciale
of nationale overheid werden overgenomen,
zoals de rechtspraak, de buitenlandse politiek,
defensie en de meeste belastingen. Anderzijds
verfijnden de taken van het lokale bestuur
zich en breidden zich in de loop van de laatste
Z W O L S H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
anderhalve eeuw uit. Te denken valt onder andere
aan de meer gestructureerde diensten van de
gemeente (zoals politie of openbare werken) of
de plaatselijke volksvertegenwoordiging, met alle
werkzaamheden van dien. Daarnaast kregen vele
initiatieven van de burgerij, overheid of andere
organisaties veelal een rechtspersoonlijkheid in
de vorm van een vereniging of stichting. Deze
verfijning van taken en toename van meer of
minder zelfstandige organisaties deed de behoefte
aan het vastleggen van gegevens dan ook toenemen,
al was het alleen maar om achteraf verantwoording
te kunnen afleggen. Het archief had
nu niet alleen meer de functie van bewijsmateriaal,
maar diende ook steeds meer om het gevoerde
beleid te kunnen toetsen aan de gegeven uitgangspunten.
Dit betekende dat de afgelopen 150
jaar veel meer archiefmateriaal gevormd werd
dan in de eeuwen ervoor en dat de omvang van
dit materiaal jaarlijks onevenredig toeneemt, zeker
nadat de typemachine, het kopieerapparaat
en de computer/tekstverwerker hun intrede deden.
De Nederlandse overheid zag zich na 1813 geconfronteerd
met een nieuwe staat, die nieuwe regels
behoefde. Dit betekende onder andere het vervaardigen
van een grondwet, maar ook van lokale
reglementen, zoals een reglement van bestuur
van de stad Zwolle, dat in 1824 tot stand kwam en
een zogenoemd Reglement van Policie uit 1825,
waarbij de verantwoordlijkheden van het bestuur
geregeld werden, zoals brandpreventie, verkeer,
reiniging, bouwtoezicht en voedselkeuring.39 De
archieven van het gemeentelijk bestuur bevatten
dan ook een uitgebreide hoeveelheid gegevens op
velerlei terrein. Tot de oudste dienstarchieven
van de gemeente Zwolle behoren dat van de Politie
(vanaf 1825) en dat van Openbare Werken
(vroeger ook stadsarchitect genoemd; vanaf
1842).40
Andere taken van de lokale overheid waren
onder andere het bijhouden van de registers van
de burgerlijke stand en het om de tien jaar laten
verrichten van een volkstelling. Per huis werd een
nauwkeurige opgave gedaan van de bewoners,
beroepen, geboorteplaats en -datum en familierelatie.
Deze registratie zou later de basis vormen
voor het bevolkingsregister. Nu maken genealogen
dankbaar gebruik van de bewaard gebleven
informatie over hun voorgeslacht. Op deze wijze
vergaren jaarlijks vele duizenden mensen kennis
van het verleden.41
Deze registers maken het ook mogelijk de bevolkingsontwikkeling
van Zwolle te volgen. Van
13.000 in 1813, 18.000 in 1850, 23.000 in 1879,
34.000 in 1909 tot 43.000 in 1940. Vele factoren
waren van invloed op deze ontwikkeling, zoals
epidemieën (met name de cholera), de vestiging
van een Werkplaats van de Spoorwegen in Zwolle
in 1870, de aanleg van de waterleiding (1892) en
toename van de hygiëne en de sluiting van de zojuist
genoemde Werkplaats in 1938. Het is hier
niet de plaats daarop uitvoerig in te gaan. Maar al
deze factoren hebben hun sporen in de archieven
nagelaten.42
In de wijze van verkiezen van het gemeentebestuur
en in de openbaarheid van bestuur kwamen
halverwege de vorige eeuw veranderingen
als gevolg van de grondwetswijziging van 1848.
De openbaarheid had tot gevolg, dat er vanaf 1867
gedrukte verslagen van de raadsvergaderingen
zijn en dat er vanaf 1852 een jaarlijks Verslag van
de toestand van de gemeente Zwolle werd uitgegeven.
De verandering in de wijze van verkiezen
legde de kiem voor het ontstaan van politieke
partijen. Hoewel er al eerder kiesverenigingen
waren (waarvan geen archieven zijn overgeleverd),
dateren de archieven van politieke partijen
— de ARP voorop — pas van het eind van de negentiende
eeuw.43 De bewustwording van de arbeider
en de groei van de arbeidersbeweging eind
negentiende eeuw leidden tot de stichting van
een Algemeen Zwolsch Werkliedenverbond in
1876. Van dit verbond is helaas geen archief bewaard
gebleven; wel van latere, meestal confes84
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
sionele vakbonden.44 Zwolle was geen industriestad
en kende dus geen groot arbeidersproletariaat.
De meeste arbeiders waren in dienst van de
beter betalende spoorwegen. Toch kende Zwolle
enkele industriële bedrijven waarvan archieven
bewaard zijn gebleven, zoals de NV Vloerzeilfabriek
fa. De Vogel van Calcar en Co, de NV Zwolsche
Biscuitfabriek, de azijnfabriek van de fa.
Heerkens en- Schaepman en de ijzergieterij van
Wispelweij, die alle uit de negentiende eeuw
stammen.45 Niet alleen is het aantal grote industriële
bedrijven gering, ook ontbreekt nagenoeg
de zware industrie zoals die eind negentiende
eeuw in het westen van Nederland opkwam.
Hoewel er geen groot proletariaat was, ontbrak
in Zwolle de armoede niet en dus waren er
instellingen van liefdadigheid om de nood te lenigen.
In de negentiende eeuw waren dit veelal particuliere
of kerkelijke instellingen, zoals de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen (vanaf 1799), de
vereniging Hulpbetoon (1888), Moederlijke weldadigheid
(1830), de Stadsarmeninrichting (1820)
en de kerkelijke armbesturen.46 Door wetgeving
gedwongen zou de Zwolse overheid eigenlijk pas
vanaf 1897 zelfde zorg voor de minder bedeelden
ter hand nemen. Zo was er vanaf 1898 een dienst
voor de gemeentelijke armenzorg en later, vanaf
1937 de sociale dienst. Ook min of meer particuliere
initiatieven ter verbetering van het lot van de
armen bleven bestaan, evenals de instellingen
voor ouderenzorg als de Gasthuizen of de Daniëlla’s
Stichting.47 Ook de huisvesting was een zaak
waarmee de overheid zich in toenemende mate
ging bemoeien, alhoewel daar in Zwolle wel de
Woningwet van 1901 voor nodig was. Voor die
tijd was met name de sociale woningbouw een
zaak van particulier initiatief, zoals de Vereniging
tot Verbetering der Arbeiderswoningen (1859).
Voor 1901 werden bouwplannen wel aan de goedkeuring
van de gemeentearchitect onderworpen,
maar eisen aan de bouw en met name aan de
woonruimte werden nauwelijks gesteld. Vanaf
1901 konden woningbouwverenigingen voorschotten
krijgen om bouwprojecten te realiseren.
In Zwolle werden verschillende verenigingen gesticht,
veelal op levensbeschouwelijke grondslag.
De gemeente stelde in 1907 een eigen inspectie in:
de bouwpolitie, later Bouw- en woningtoezicht
geheten.48
Naast aandacht voor het persoonlijk welzijn
nam de overheid ook maatregelen met betrekking
tot onderwijs. Sinds 1806 was er een nationale
onderwijswet, waarbij de overheid eisen
stelde aan de vorm en inhoud van het onderwijs.
Maar ook particuliere organisaties – vaak op kerkelijke
grondslag – namen initiatieven tot het oprichten
van scholen.49 Naast de in het begin van
de negentiende eeuw reeds bestaande kerkgenootschappen
der hervormden, luthersen, joden,
doopsgezinden en katholieken werden in de loop
der tijd nog andere kerken gesticht, met name
door groepen die zich afscheidden uit de Hervormde
Kerk of afsplitsingen daarvan. Te denken
valt aan de Gereformeerde Kerken in Nederland
(vanaf 1835), de Christelijk Gereformeerde Kerk
(1895) en de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden
(1926).50
Door deze uitgebreide hoeveelheid archieven
van allerlei herkomst is het steeds beter mogelijk
de grote en de fijne lijnen van de geschiedenis te
onderscheiden. De geschiedenis van het persoonlijk
leven kan er door geschetst worden. Niet
alleen de grote politiek, de stads- en bevolkingsontwikkeling,
maar ook de individuele ontwikkeling,
het dagelijks leven, hoe men woonde, de
wijze waarop de Zwollenaar zich ontspande door
lezen of sporten kunnen in archieven van desbetreffende
organisaties worden achterhaald.51
Mits de archieven bewaard zijn, is het mogelijk
deze verfijning tot een bijkans microscopisch niveau
uit te breiden door de bestudering van familie-
en persoonlijke archieven. Voorbeelden
daarvan zijn de archieven van de families Feith
(1654-1982) en Vos de Wael (1700-1930) en de
persoonlijke archieven van ds G. Horreüs de
Haas (1879-1943), de schrijver J.K. van Eerbeek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(1898-1937) of burgemeester mr I.A. van Royen
(1859-1938).52 Niet alleen krijgen de grote lijnen
van de geschiedenis een zo broodnodige nuancering
door bestudering van dit persoonlijk leven,
maar ook kan hierdoor de weg naar de geschiedenis
voor velen geopend worden.
Besluit
Het is natuurlijk onmogelijk om in een kort artikel
als het bovenstaande een op alle punten bevredigende
samenhang tussen de geschiedenis en
het bewaarde archiefmateriaal aan te geven. Duidelijk
mag wel zijn dat het archiefmateriaal tegelijk
de bron en de beperking van de geschiedbeoefening
is: wij zijn afhankelijk van het overgeleverde
materiaal om een beeld van het verleden te
kunnen schetsen. Het ontbreken van bronnen,
zoals het bovengenoemde nagenoeg ontbreken
van archieven van (zware) industrieën, kan echter
ook het gevolg zijn van een historische ontwikkeling.
Natuurlijk heeft de toegenomen zorg
voor archiefselectie en -beheer ervoor gezorgd,
dat we met name over de laatste 150 jaar uitvoeriger
geïnformeerd zijn dan over eerdere perioden,
ook al omdat we de gegevens uit de archieven beter
kunnen toetsen aan andere.
Anderzijds heeft men in vroeger jaren lang
niet altijd gegevens of bevindingen op schrift gesteld,
domweg omdat daaraan geen behoefte was.
Allereerst werd het materiaal niet vervaardigd
met het oog op de geschiedbeoefening. Daarnaast
heeft men nooit kunnen voorzien welke vragen
de geschiedbeoefenaar aan zijn materiaal zou
stellen; net zo min als wij kunnen voorzien welke
vragen toekomstige generaties zullen stellen.
Dat betekent dus dat wij uiterste zorg moeten
betrachten bij het selecteren van te bewaren archivalia,
maar nog meer bij het bewaren en toegankelijk
maken daarvan. Toekomstige geschiedvorsers
moeten immers in staat zijn om net als
wij hun wortels in de tijd te bestuderen.
Noten
1. Gregor Rensen en Piet den Otter, Historisch onderzoek
in Overijssel. Een handleiding (Utrecht 1987) 71.
2. Thom.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2dln.;
Zwolle 1954-1961) 11,182.
3. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle (4
dln.; Zwolle 1767-1775) I, 84 ev.
4. F.C. Berkenvelder, ‘De groei van middeleeuws
Zwolle naar zelfstandigheid’ in: Zwolle in de middeleeuwen.
Onderzoekingen naar een vroeg-stedelijke samenleving.
(Zwolle 1980) 167-186.
5. Alle hieronder genoemde archieven en archiefstukken
zijn te raadplegen in het gemeentearchief
Zwolle (GAZ); Administratieve archieven Zwolle
(AAZ) 01, 001: Privilegeboek 924-1570.
6. AAZoi-020, resoluties van raad en meente; en
AAZ01-063 en verder, resoluties van schepenen en raden.
7. Zie de serie Maandrekening van Zwolle (Zwolle
1970-.. die door het gemeentarchief Zwolle wordt uitgegeven.
8. AAZ01-005.
9. Maandrekening van Zwolle 1399 (Zwolle 1970) 3.
10. Overijssel kent pas sinds 1811 een apart notariaat.
11. Kerkelijke archieven (KA) 009, Cartularium van
het Domus Clericorum; afgedrukt in: Domus Parva.
Het eerste huis van de Moderne Devoten in Zwolle, |.
Hagedoorn en I. Wormgoor ed. (Zwolle 1987) 59; voor
particuliere charters, zie de Persoonlijke Archieven
(PA).
12. F.C. Berkenvelder, ‘Zwolle ten tijde van de Moder-
Een door mr Rhijnvis
Feith (1753-1824) beschilderde
waaier; ca
‘794-
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ne Devotie’, in: Een zuivere, eenvoudige, standvastige
geest… De Moderne Devotie te Zwolle (Zwolle 1984) 6
ev.
13. F.C. Berkenvelder, Zwolle als Hanzestad (Zwolle
1983).
14. AAZ01-004 en 6291 e.v.
15. AAZ01-705 t/m 762.
16. N.D.B. Habermehl, ‘Het Heilige-Geestgasthuis te
Zwolle in de late middeleeuwen: stichting en ontwikkeling’,
in: Zwolle in de middeleeuwen 139-165.
17. IA005, IA006 en IA0031.; zie ook: J. Buning,
Vreemdelingen, kostkopers en ouderen. Geschiedenis van
het Binnen- en Buitengasthuis te Zwolle (Utrecht 1990).
18. AAZ01-006 en 007; F.C. Berkenvelder, ‘De gilden
in Zwolle tot 1600’, in: Overijsselse Historische Bijdragen
104 (1989) 7-33; Gilde- en broederschapsarchieven
(GA) 001-004.
19. Zie bijvoorbeeld: Kerkelijke Archieven (KA)oo4:
het Armen Fraterhuis; KA009: het Rijken Fraterhuis;
Domus Parva; Een zuivere, eenvoudige, standvastige
geest…; Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij
de IJssel (Kampen 1987).
20. AAZ01-618-623.
21. AAZ01-006.
22. Resp. KA062; KA017 en KA022.
23. AAZ01-546.
24. KA001 t/m KA014 en KA023 t/m KA048.
25. Zie: C.M.C. Paulusma-du Pree, De Zwolse magistraat,
16/5-1747. Een onderzoek naar de oligarchisering
en naar een mogelijke democratische tegenbeweging (ongepubliceerde
scriptie; Zwolle 1981) en A.J.A. Bos, De
Zwolse magistraat 1747-1795. Een onderzoek naar een
mogelijk oligarchiseringsproces (ongepubliceerde scriptie;
Zwolle 1978).
26. Zie bijvoorbeeld: FA011, archief van de familie Gelderman,
waarvan bestaat de Inventaris van het familiearchief
Gelderman 1532-1988 JJ. Seekles ed. (Zwolle
1990).
27. N.D.B. Habermehl, ‘De bevolkingsontwikkeling
van Zwolle van 1628 tot 1748’, in: Zwols Historisch Jaarboek
I (1984) 84.
28. AAZ01-4036, resp. 4459.
29. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os,
predikant te Zwolle 1748-1755 (Kampen 1988) 161-168.
30. De economische neergang verkleinde overigens
ook de tolerantie, zoals blijkt uit een verzoek van de
Zwolse gilden om de joden uit de stad te weren; zie
AAZ01-040,13 mei 1785.
31. De wekker van de Nederlandse natie. Johan Derk
van der Capellen 1741-1784 (Zwolle 1984).
32. AAZ01-4036 en AAZ01-6051-6052.
33. Zie P.J. Lettinga, ‘Zwolle’, in: Overijsselse Historische
Bijdragen 99 (1984) 47-68.
34. AAZ01-102.6
35. AAZ01-360 ev.
36. AAZ01-3916-3920.
37. AAZ01-111.
38. AAZ01-419.
39. Zie: AAZoi-00222, blz. 378a en De Vries, II, 199-
210.
40. Dienstarchieven (DA) 003, resp. DA002.
41. Zie de registers van de burgerlijke stand vanaf 1811
en de volkstellingen, o.a. 1812,1830,1840 en 1849 en bevolkingsregisters
1850-1860 en 1860-1940.
42. Zie: J. Hagedoorn, “Verbroken stilte. Een schets
van Zwolle in de 19de eeuw’, in: Zwols Historisch Jaarboek
2 (1985), 14-28; CA (Commissie-archieven) 004,
Geneeskundig toevoorzicht 1805-1865; CA0015, Choleracommissie,
1866; DA006, gasfabriek, waterleiding
en gemeentelijk bosbedrijf (1890-1972); DA013, Sophia-
ziekenhuis (1884-1918). Het archief van het in 1848
gestichte RK-ziekenhuis berust niet bij het gemeentearchief.
43. Verenigingsarchieven (VA) 034 (ARP), VA035
(CHU), VA040 (PSP), VA054 (D66), VA059 (WD);
het archief van de SDAP-afdeling berust bij het IISG te
Amsterdam.
44. VA060 t/m VA067.
45. Bedrijfsarchieven (BA)oo2, BA003, BA011 resp.
BA018.
46. VA005, VAooó, VA015; zie bijvoorbeeld A.H. ten
Cate, Het Weeshuis der Hervormde gemeente te Zwolle,
1834-1854 (MO-scriptie; Staphorst 1979)
47. DA022 en DA019; andere instellingen: CA002,
Geestelijke en moreele herbewapening; CA005, Nationaal
crisiscomité; CA006, Werklozenfonds; IA036,
Daniëlla’s Stichting.
48. VA018; VA019, Bouwvereniging “Door Eendracht
Saamgebracht”; VA039, Bouwvereniging “St. Joseph”.
Andere bouwverenigingen: AZCW, Beter Wonen, Samenwerking
etc; DA021, Bouwpolitie.
49. Zie de Schoolarchieven (SA)-groep en diverse Verenigingsarchieven.
50. Resp. KA018, KA067 en KA071.
51. Bijvoorbeeld VA072, Athletiek- en voetbalvereniging
PEC; VA079, Fotoclub Zwolle; VA045 t/m 47, verschillende
bibliotheken.
52. FA015 en FA010; PA1189, PA1188 en PAU84.
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
Geschiedenis van het gemeentearchief
van Zwolle
Een moeizaam begin
R.C. Bakhuizen van den Brink, de bekende
Algemeen Rijksarchivaris, komt de eer toe
ervoor te hebben gezorgd, dat er in Zwolle
een begin van archiefbeheer gekomen is. Dankzij
zijn persoonlijk ingrijpen kwam het namelijk
tot de aanstelling van de eerste Zwolse gemeentearchivaris.
Naar aanleiding van een door G.H.M. Delprat
geschreven boek over Geert Grote en de Moderne
Devotie schreef Bakhuizen van den Brink op 20
augustus 1856 een brief aan B en W van Zwolle.
Delprat had namelijk pas na het verschijnen van
het boek vernomen, dat zich een aanzienlijk gedeelte
van het archief en de manuscripten van het
klooster Windesheim in het gemeentearchief van
Zwolle bevond. Uit de wel zeer summiere opgave
van de inhoud van het archief, die in 1827 was
vervaardigd, viel dit niet op te maken. Vandaar
dat Bakhuizen van den Brink het gemeentebestuur
verzocht een nadere opgave van de kloosterarchieven
te geven en Delprat in de gelegenheid
te stellen ze te onderzoeken. In de brief
schreef hij verder: “Misschien echter biedt de gedane
aanvrage eene ongezochte aanleiding om
deze en welligt andere archieven Uwer belangrijke
stad nader te doen onderzoeken en sorteren.
Nadere berigten omtrent de uitslag van zoodanigen
arbeid zouden met dankbaarheid worden
ontvangen”.
De gevraagde “nadere berigten” bleven echter
uit en dus zocht Bakhuizen van den Brink het hogerop.
Gedeputeerde Staten van Overijssel schreven
op 24 februari 1858 op last van de minister
van Binnenlandse Zaken aan het gemeentebestuur
dat het archief van Zwolle “vatbaar en rijp
is voor een betere ordening”. Het gemeentebestuur
kon daarbij gebruik maken van de hulp van
de provinciale archivaris. B en W zwichtten voor
zoveel druk en de gemeenteraad ging op 7 april
akkoord met het voorstel het archief te ordenen.
Op 25 augustus 1858 machtigden GS de provinciale
archivaris om van 1 september tot 1 november
’s middags van twee tot vier uur het stedelijk
archief van Zwolle te ‘regelen’. Zo begon mr J.J.
van Doorninck, sedert 1838 provinciaal archivaris,
op 1 september 1858 om 14 uur zijn werk als
eerste gemeentearchivaris van Zwolle. Voor de
door hem te maken kosten en de beloning van
degenen, die hem bij het werk zouden assisteren,
kreeg hij een ‘schadeloosstelling’.
Van Doorninck moest zijn werk onder uitermate
primitieve omstandigheden verrichten. Zo
schreef hij in zijn eerste jaarverslag: “Uit hoofde
het locaal voor geene verwarming geschikt is, zijn
de werkzaamheden gedurende den winter ge-
F.C. Berkenvelder
Papenstraat 3. Binnenplaats
met de bewoonster
en de bakker; ca
1950. Foto A. Meulenbelt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
der was er allerlei ongeordend materiaal aanwezig,
dat ten dele geen betrekking op Zwolle had.
Het andere vertrek was een kleine zolderkamer.
Marktkooplui bij de
Gasthuisstraat; ca
1900. Links het Binnengasthuis,
nu verbouwd
tot winkelpanden.
Foto C.J.J. Schaepman.
staakt”. Ook in latere jaren werd gemeld, dat “de
werkzaamheden niet dan zeer langzaam voortgaan,
waartoe dan ook, dewijl op het archief niet
gestookt wordt, slechts een gedeelte van de zomermaanden
en dan nog maar weinig uren van
de dag, besteed kunnen worden”. Over de aard
van zijn werkzaamheden is niet veel bekend, aangezien
Van Doorninck daarover geen uitvoerige
mededelingen deed. Wel weten we, dat hij het “in
het belang van de onderzoeker nodig vond de
stukken zoveel mogelijk naar chronologische
orde te rangschikken”.
Aangezien Van Doorninck dus niet veel tijd
aan het archief kon besteden, drong het gemeenteraadslid
mr H.E.C, van Kerckhoff op 27 april
1868 aan op ordening van het gemeentearchief.
Als gevolg daarvan werd de directeur van de juist
opgerichte Rijks-HBS, dr W.J.A. Huberts, gevraagd
een onderzoek in te stellen naar de toestand
van het archief. Volgens zijn op 10 februari
1869 ingediende rapport waren er twee archieflokalen
in het gemeentehuis. In de eerste zaal lagen
de door onder meer Van Doorninck gerangschikte
series. Er bevonden zich ook een aantal laden
met charters en een kast met boeken en incunabelen,
afkomstig van het klooster Windesheim. Ver-
• Een charter is een stuk perkament, waarop
een akte geschreven staat, en dat voorzien
is van één of meer zegels. Men spreekt
ook wel over oorkonde.
• De voor 1501 gedrukte boeken noemt men
incunabelen ofwiegedrukken.
Naar aanleiding van dit rapport vergaderde de
gemeenteraad op 11 augustus 1869 achter gesloten
deuren, waarbij besloten werd dat Huberts tot
tijdelijk archivaris werd benoemd met een salaris
van 400 gulden per jaar. Hij kreeg de opdracht
een beredeneerde inventaris van het archief te
maken met alfabetische en tijdrekenkundige inhoudsregisters.
Na enkele jaren bleek dat ook de
tweede gemeentearchivaris te weinig tijd had om
zijn taak naar behoren te vervullen, waarna hem
op 26 januari 1874 eervol ontslag werd verleend.
Het bleek echter onmogelijk te zijn om voor 400
gulden per jaar een geschikt persoon voor de
functie van archivaris te vinden. Op 29 oktober
1874 verklaarde Huberts dat hij wel door wilde
gaan met zijn werkzaamheden, maar dan met assistentie
van E. Zuidema, een leraar op zijn HBS.
Inmiddels was echter twijfel gerezen over de
door Huberts verrichte arbeid en daarom werd
eerst aan mr J. Nanninga Uitterdijk, de gemeentearchivaris
van Kampen, gevraagd zijn oordeel
hierover te geven. Het rapport van Nanninga
Uitterdijk, dat op 29 december 1874 in een besloten
raadsvergadering werd behandeld, was ronduit
vernietigend voor Huberts. Het door hem ingevoerde
rubriekensysteem noemde Nanninga
Uitterdijk “afkeuringswaardig”, omdat het nooit
exact kon zijn en op deze manier het overzicht
over het geheel werd verbroken. Bovendien lagen
nog honderden charters in de grootste wanorde
voor de ramen. Ook waren de delen en de registers
niet beschreven. Nanninga Uitterdijk besloot
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
zijn rapport met de constatering dat het Zwolse
archief een rijk archief was, “rijker dan ik mij had
durven voorstellen”. En hoewel inventarisatie
geen gemakkelijke taak zou zijn, hoopte hij toch
dat het college van B en W “niet langer zal dulden,
dat deze kostbare verzameling nog langer op
een dergelijke onordelijke wijze bewaard wordt”.
Hij stelde dan ook voor een deskundige aan te
stellen, “die daar al zijn tijd aan kan wijden en
niet voor een paar jaar, maar als vaste ambtenaar
op een behoorlijk salaris”.
• Een cartularium is een register, waarin
door de belanghebbende alle akten die op
de eigen stad of instelling betrekking hebben,
zijn overgeschreven.
De gemeenteraad sloot zich op 23 maart 1875 bij
de conclusies van Nanninga Uitterdijk aan en op
1 oktober daaropvolgend werd jhr mr Th.H.F.
van Riemsdijk uit Utrecht de derde gemeentearchivaris.
Met deze energieke man deed Zwolle
een schot in de roos. Hij verdiepte zich in de geschiedenis
van het archief en vroeg op grond
daarvan zulke belangrijke archivalia terug als een
doopboek en het cartularium van het Agnietenbergklooster,
die aan particulieren waren uitgeleend.
Verder begon hij met het weer op orde
brengen van de archiefruimten. Al op 10 januari
1876 leverde hij bij B en W een verslag in van
maar liefst dertien dichtbedrukte bladzijden.
Helder en overzichtelijk schetste hij daarin de lotgevallen
van het gemeentearchief en de pogingen
lot ordening ervan, voor zover hij die kon achterhalen.
Hij pleitte ervoor het oud-archief ook
ruimtelijk duidelijk te scheiden van het nieuw-archief,
waarbij hij de grens bij 1 januari 1814 wilde
leggen omdat toen een andere ‘rangschikking’ ter
secretarie een aanvang nam. Verder wilde de archivaris
dat het archieflokaal behoorlijk zou kunnen
worden afgesloten en dat anderen alleen met
zijn voorkennis daarin toegelaten zouden kunnen
worden.
Op 27 mei 1876 ging de gemeenteraad ermee
akkoord, dat het lokaal boven de schepenzaal tot
bewaarplaats van het nieuw-archief werd ingericht.
Alle bestanddelen van het oud-archief konden
zodoende in het grote archieflokaal worden
verenigd. De charters werden overeenkomstig
een ordening uit 1774 in een honderdtal laden gelegd.
De betere plaatsing van de archieven, die zo
werd verkregen, was er de reden van dat Van
Riemsdijk zijn eerste jaarverslag “niet zonder opgewektheid”
schreef. Vanwege de herplaatsing
van de tot dusver over drie vertrekken verspreide
archiefbescheiden moest hij nauwkeurig van de
inhoud kennis nemen. Daarna werd de oude
orde zoveel mogelijk hersteld. Ook de verspreide
losse stukken, waarvan de onderlinge betrekking
niet te bepalen was, kregen met behoud van het
verband, waarin zij waren aangetroffen, een
plaats. De ingebonden dagbladen, gemeenteverslagen
en andere administratieve drukwerken,
benevens de oude boeken en de gedrukte ordonnanties
en publicaties kwamen bij de verhuizing
op de kleine zolderkamer terecht.
“Aan de definitieve inventarisering zou echter
nog menige werkzaamheid van voorbereidende
aard vooraf dienen te gaan”, zo schreef Van
Vervoer in het laatste
oorlogsjaar: een tot
koets omgebouwde autobus.
Voor de twee
pk’s ligt de haver op
het dak; 12 maart 1945.
Foto dr ].]. Reinking.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Riemsdijk. “Ten gevolge van het vroegere gebrek
aan toezicht gedurende zoveel jaren is het archief
langzamerhand zodanig in wanorde geraakt, dat
daarin niet ineens door het nemen van enige
maatregelen van algemene aard, een einde kan
worden gemaakt”. Wat Van Riemsdijk hier
schreef, was een geheel nieuw geluid. Tot twee
keer toe vermeldde hij dat hij de orde zoveel mogelijk
had gehandhaafd, dan wel hersteld. Tot die
tijd waren archivarissen alleen maar bezig de archiefbescheiden
of chronologisch of onderwerpsgewijze
volgens door henzelf bedachte rubrieken
te ordenen.
• Tegenwoordig gaat men ervan uit dat een goede, wetenschappelijke
inventaris de structuur van het archief op een systematische wijze
laat zien. Daarvoor is het nodig dat elk stuk terugkeert naar het archief,
waaruit het afkomstig is (herkomstbeginsel) en binnen dat archief
naar zijn oorspronkelijke plaats. Het systeem van indeling
moet gegrond zijn op de oorspronkelijke organisatie en de inrichting
van het bestuur van de archiefvormende instantie (de oude orde)
om de samenhang van de bestanddelen van het betreffende archief
te kunnen laten zien. De oude orde is immers ontstaan overeenkomstig
de behoeften van de archiefvormende organisatie en hangt daar
ten nauwste mee samen (structuurbeginsel).
Van Riemsdijk kreeg niet de tijd de door hem
ontvouwde plannen zelf uit te werken, want al op
1 mei 1877 vertrok hij. Uiteindelijk zou deze zeer
kundige man in 1887 Algemeen Rijksarchivaris
worden. Een halfjaar voor zijn vertrek, op 2 oktober
1876, was de eerste “Instructie voor de gemeentearchivaris
van Zwolle” door de gemeenteraad
aangenomen. Deze instructie werd al op 26
februari 1877 door een andere vervangen. Wellicht
was dit een gevolg van de instelling op 4 december
1876 van een speciale commissie voor het
gemeentearchief, bestaande uit een lid van B en
W en twee raadsleden. Deze instructie bleef bijna
een eeuw gelden en werd pas in 1970 vervangen.
Op 1 april 1878 trad de vierde gemeentearchivaris
aan. Dat was mr A.G.A. baron Sloet tot Oldhuis,
die districtsschoolopziener was. Hij had
grote waardering voor het werk van zijn voorganger,
die de archiefbescheiden in vijf en de
charters in zeven rubrieken had ingedeeld: “Het
getuigt van grote werkkracht en heldere zaakkennis,
dat Van Riemsdijk in anderhalfjaar op deze
wijze orde wist te scheppen in de schromelijke
chaos van verwarring, waarin de oude en nieuwe
bescheiden ten gevolge van langdurig gemis van
het nodige toezicht waren geraakt”.
Ook bij Sloet rees echter twijfel of “een zuiver
doorgevoerde chronologische rangschikking en
catalogisering”, die hij zich tot die tijd steeds had
voorgesteld, wel de meest doelmatige wijze was
voor de beschrijving van het archief. In ieder geval
was de ordening van de charters uit 1774 te
verwerpen, omdat men toen alleen die charters
bij elkaar had gebracht, die op dat moment voor
het dagelijks administratieve gebruik enige waarde
hadden. Een grote menigte charters was als
van geen belang zijnde terzijde gelegd en bleef
ongesorteerd liggen. Sloet wilde de stukken van
het archief niet chronologisch, maar volgens hun
inhoud en “dus rubrieksgewijze” beschrijven.
Een indeling in rubrieken lukte desnoods nog
wel bij de losse stukken, maar natuurlijk niet bij
de registers, waarin stukken van zeer verschillende
aard afgeschreven waren.
Zodoende drong ook bij Sloet het besef door
dat de oude ordening, juist ook voor de uiteindelijke
inventarisatie, van het grootste belang was.
In het jaarverslag van 1878 schreef hij althans dat
het naar zijn mening de aangewezen weg was de
stukken door te lezen en het gelijksoortige zo veel
mogelijk te verenigen. Daarbij tekende hij wel
aan “dat dit werk met voorzichtigheid diende te
geschieden om de stukken van verschillende inhoud,
die echter kennelijk tot adstructie van een
zelfde zaak gediend hadden, niet te scheiden, of
juist weer te verenigen indien ze los verspreid
waren geraakt in verschillende portefeuilles, terwijl
het mij tevens dienstig leek de plaats van herkomst
kort aan te tekenen bij de beschrijving,
omdat ik vooralsnog geen zekerheid heb, dat alZWOLS
H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
leen willekeur de splitsing der stukken heeft veroorzaakt”.
Dat een rubrieksgewijze rangschikking
problemen met zich meebracht, omdat “vele
stukken toch […] gevoegelijk onder twee of drie
verschillende rubrieken gebracht kunnen worden,
terwijl andere daarentegen tot geene der
aangenomen rubrieken behoren”, had hij inmiddels
ook ontdekt.
Op 1 april 1883 liep de vijfjarige periode ten
einde, waarvoor Sloet tot gemeentearchivaris was
benoemd. De raad besloot hem echter nog tot het
einde van het jaar in dienst te houden. Inmiddels
werd beraadslaagd over de toekomst van het archief.
De meerderheid van de raad begreep, dat
daar een ontwikkeld man werkzaam zou moeten
zijn, die zijn tijd en kennis onverdeeld aan het archiefzou
kunnen wijden. Aan deze laat

Lees verder