Categorie

Aflevering 3

Zwolse Historisch Tijdschrift 2001, Aflevering 3

Door 2001, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
Een sportmail
^•met karakter*
1 8 E JA P R I J S. F 12 , 5 O
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
GEMEENTE
ZWOLLH
ARCHIEF 1%5 . JOlï
eoiosi
(Collectie HCO).
Ansichtkaart Diezerstraat
Poststempel 1956
In de jaren vijftig vormde de Diezerstraat niet
alleen het winkelhart van Zwolle, maar was het
ook nog een drukke verkeersroute. Hoewel de rustieke
aanblik van wat fietsen, een bakfiets en een
enkele auto dat niet doet vermoeden, passeerden
er dagelijks heel wat auto’s. Om de straat te ontlasten
was het al in 1925 eenrichtingsverkeer geworden.
In die tijd was de Diezerstraat al dè winkelstraat
van Zwolle. Tot ver in de negentiende eeuw
was het voornamelijk een woonstraat geweest. De
meeste huizen hadden toen fraaie eigen stoepen,
afgezet met paaltjes of hekwerkjes; deze moesten
in 1907 het veld ruimen voor een algemeen trottoir.
Zestig jaar later, in 1970, werd de hele Diezerstraat
het exclusieve domein van de winkelende
voetganger; de straat werd toen omgevormd tot
winkelpromenade.
Op de ansicht vallen de nodige bekende winkels
te ontwaren. Links, op Diezerstraat 47, heeft
tot 1992 de banketbakkerij van Chris Lindeboom
gezeten. Twee huizen verder, op nr. 51, zat ’t Hoedenhuis
J.M. Haasdijk, v/h B. Dechesne. Daarnaast
was de kruidenierszaak van De Gruyter. In
de verte, op de nrs. 73-77, valt C & A nog te herkennen.
Aan de rechterkant, Diezerstraat 50-52, zat de
firma Oldenhof, met een divers assortiment:
‘haarden en kachels voor kolen, gas en olie; butagas
depot, kinderwagens, complete keukenuitrustingen,
glas en porselein en luxe -en huishoudelijke
artikelen’. Daarnaast, op nr. 54, was Palthe’s
‘Textielveredelingsbedrijf gevestigd. Op nr. 58, in
het pand De Witte Leeuw, zat de deftige Hoedenen
Pelterijenhandel van Hendriksen. Op de naastgelegen
zijgevel is duidelijk de naam Covers te
zien, een manufacturenzaak. En tenslotte bioscoop
De Kroon op Diezerstraat 64-66.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Redactioneel Inhoud
De meest recente honderdvijftig jaar Zwolse
geschiedenis komt in deze aflevering van het
Zwols Historisch Tijdschrift aan bod. Sport, mesthopen,
veilingen, industrie en cultuur.
Ank Meliesie – Appelhof schreef een korte
biografie over de Zwolse atleet Wim Peters, die op
hoge leeftijd het Zwolse establishment in beroering
bracht door de hem aangeboden koninklijke
onderscheiding te weigeren.
Jan van de Wetering beschrijft een kwalijk riekende
kwestie: de vuile sloten en de vele mesthopen
in Dieze in het midden van de negentiende
eeuw. Kan dat wel gezond zijn, zo vroeg men zich
af.
Voor het Zwols Historisch Tijdschrift klom
mevrouw M.H. Richter – de Groot in haar balpuntpen
om herinneringen aan haar man en zijn
Zwolse Venduhuis vast te leggen.
Maarten de Graad heeft in de Tuinstraat een
industrieel-archeologisch monument ontdekt en
de geschiedenis daarvan gereconstrueerd.
De cultuur komt in twee stukjes aan bod.
H.J.C. Wullink beschrijft het leven van de te Zwolle
geboren violist en vioolpedagoog Felice Togni,
en tenslotte noteerde Jeanine Otten enkele
opmerkingen naar aanleiding van een tekening
van Adriaan Eversen uit ongeveer 1850. Op de
tekening staat het oude Zwolse Binnengasthuis
afgebeeld.
Al deze artikelen worden omlijst door de
bekende vaste rubrieken. Veel plezier.
Groeten uit Zwolle AnnètBootsma-vanHultenenWimHuijsmans 94
Wim Peters; een sportman met karakter Ank Meliesie – Appelhof 96
Gezond weer op in Dieze Jan van de Wetering 102
Eenmaal, andermaal, niemand meer? Verkocht!
M.H. Richter – de Groot 106
Een woonhuis met een industriële geschiedenis: Tuinstraat 10 -12
Maarten de Graad 111
Felice Togni (1871-1929), portret van een vioolpedagoog
H.C.J. Wullink 112
Het oude Binnengasthuis aan de Oude Vismarkt
door Adriaan Eversen Jeanine Otten 118
Boekbesprekingen 122
Mededelingen 125
Auteurs 126
Omslag: Wim Peters in aktie tijdens de Olympische Spelen te Amsterdam in
1928. (Collectie Jan Peters).
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wim Peters; een sportman met karakter
Ank Meliesie –
Appelhof Een profeet wordt in eigen land niet geëerd.
Dit geldt zeker voor de Zwolse atleet Wim
Peters. Deze moest wachten tot zijn negentigste
verjaardag voordat hem een koninklijke
onderscheiding werd aangeboden. Peters was specialist
op de hink-stap-sprong, hij heeft dit onderdeel
van de atletiek in ons land bekendgemaakt.
Tussen 1924 en 1942 was hij zestien keer Nederlands
kampioen hierin. Zesmaal won hij de open
Engelse kampioenschappen. Zijn record van 15.48
meter uit 1927 hield in Europa twintig jaar lang
stand en sneuvelde in Nederland zelfs pas na 36
jaar. In 1934 werd hij in Turijn Europees kampioen.
Wim Peters nam driemaal deel aan de
Olympische Spelen: in Parijs in 1924, Amsterdam
in 1928 en Los Angeles in 1932.
Peters werkte 48 jaar bij de gemeente. Bij zijn
pensionering had hij de rang van referendaris bij
de afdeling belastingen. Deze man die zoveel heeft
betekend voor de atletiek, wilde men in 1993
onderscheiden met de eremedaille in goud verbonden
aan de Orde van Oranje-Nassau. Hij weigerde!
Een echte Zwolse jongen
Hoewel Willem Peters in Meppel werd geboren,
op 5 juli 1903, heeft hij vrijwel zijn gehele leven in
Zwolle gewoond. Zijn vader was vele jaren hofmeester
op de nachtboot die van Zwolle naar
Kampen en vandaar over de Zuiderzee naar
Amsterdam voer. Wims moeder hielp mee in de
kombuis, waar zij maaltijden voor de passagiers
bereidde. De boot vertrok ’s avonds om negen uur
vanaf de Thorbeckegracht. Op zaterdag en zondag
lag de boot aan de wal, in Zwolle of aan de De
Ruijterkade in Amsterdam. Als de boot aan de
Thorbeckegracht lag, woonde het gezin aan
boord. De kleine Wim beleefde dan veel plezier
aan het kijken naar de schepen die voorbij voeren.
Omdat hun ouders op de boot moesten zijn, werden
Wim en zijn broertjes en zusjes voor een deel
opgevoed door tantes en hulpen in de huishouding.
In zijn kinderjaren woonde hij onder meer
in de Vechtstraat, de Westerveldstraat en in Palvu
op de Eekwal, het verenigingsgebouw van de
Zwolse SDAP, waar zijn vader na diens periode als
hofmeester enige tijd de scepter zwaaide. De prettigste
herinneringen bewaarde Wim aan de tijd
dat hij in Assendorp woonde, in de Groenestraat.
Wim was het derde kind in het gezin, maar omdat
hij astma had en daarom vaak in bed moest blijven,
was hij het ‘verwende jochie’ zoals hij in zijn
(ongepubliceerde) memoires schreef.
Wim Peters kwam als zeventienjarige jongen
in dienst bij de gemeente als ‘schrijver eerste klas’.
In 1931 trouwde hij met Gé (Geesje) van der Vegt
(geb.1906). Met haar deelde hij meer dan 62 jaar
lief en leed. Wim en Gé kregen drie kinderen, twee
dochters en een zoon.
Sportman in hart en nieren
Als jonge jongen was Wim al gek op sport. Hij was
graag in beweging en speelde veel buiten met zijn
vriendjes. Zoals veel jongens wilde hij graag voetballen.
Omdat hij hard kon lopen speelde hij als
rechtsbuiten. Dat hij bij de atletiek terechtkwam
was min of meer toeval. De Noord Centrale Voetbalbond,
een onderdeel van de KNVB, organiseerde
elk jaar atletiekwedstrijden. De twintigjarige
Peters deed op 29 juli 1923 mee aan deze wedstrijden
die werden gehouden op ’t Bleekien bij theetuin
Thijssen. Op het programma stond voor de
eerste keer het nummer hink-stap-sprong. Wim
wilde dat wel eens proberen, al had hij er nog
nooit van gehoord. Ongetraind sprong hij meteen
een Nederlands record! Dat was het begin van zijn
glorieuze atletiekcarrière. Vanwege die prestatie
mocht hij deelnemen aan de landelijke selectieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
wedstrijden voor de Olympische Spelen van 1924
in Parijs. Bijna moest hij daarbij verstek laten
gaan, want tijdens atletiekwedstrijden in Hattem
liep hij bij de 100 meter een peesblessure aan de
lies op. Gelukkig kon hij na drie weken rust weer
met trainen beginnen. Bij de selectiewedstrijden
sprong hij bij de hink-stap-sprong rond de veertien
meter en met dit resultaat kon hij worden
opgenomen in de olympische ploeg. Een reis naar
Parijs was in 1924 een bijzondere gebeurtenis voor
een 21-jarige jongeman uit Zwolle. De gemeenteraad
besloot hem als gemeenteambtenaar voor
deze gelegenheid dan ook extra verlof te geven,
want lange vakanties waren er in die tijd nog niet
bij. In Parijs werd de Zwollenaar achtste met een
sprong van 13.90 meter. De winnaar sprong iets
verder dan 14 meter.
Wim Peters blonk ook in andere atletiekonderdelen
uit. De 100 meter liep hij in 10.8 seconden,
bij het verspringen haalde hij 7.33 meter en bij
het hoogspringen 1.81 meter. Maar de hink-stapsprong
was zijn sterkste onderdeel. Hij sprong
soms zo ver, dat sommige springbakken te kort
voor hem waren. Daardoor raakte hij wel eens
geblesseerd, omdat hij niet in het zand maar op
het harde gras terecht kwam.
Deze getalenteerde atleet kende ook de nodige
tegenslagen. Tijdens de Olympische Spelen van
1928 in Amsterdam was hij de grote favoriet. Bij de
eerste ronde maakte hij de verste sprong van alle
deelnemers. Maar deze sprong werd door een
Engels jurylid afgekeurd omdat hij bij de afzet de
balk zou hebben overschreden. Dit was onterecht,
volgens hemzelf en ooggetuigen. Door dit voorval
raakte Peters helemaal uit zijn concentratie. Toen
hij opnieuw moest springen verlegde hij zijn aanloop
met het gevolg dat hij niet meer goed uitkwam.
Peters werd zevende. De beste zes gingen
naar de finale. Het goud ging zo aan zijn neus
voorbij.
In het olympische jaar 1932 was de 29-jarige
Zwollenaar op z’n top. Maar bij de selectiewedstrijden
raakte hij geblesseerd. Eigenlijk nog niet
voldoende hersteld had hij bij de Spelen in Los
Angeles ook weer pech. Zijn sprong van ruim
15.40 meter werd afgekeurd omdat hij door de
springbak terugliep! D.oor zijn blessure had hij
niet genoeg kracht om deze prestatie nog eens te
evenaren. De winnaar behaalde uiteindelijk het
olympisch goud met een sprong van 15.20 m en
Peters werd vijfde. Aan deze Spelen hield hij wel
goede Amerikaanse vrienden over. Als voorbereiding
op al deze (internationale) wedstrijden trainde
Peters twee keer per week bij de Vrolijkheid,
ging hij op eigen initiatief nog wel eens wat touwtjespringen
en zwom hij, als het zo uitkwam, de
‘A.A.A. Championships,
at Stamfordbridge
London, Last
day. Hop, Step &
Jump’, 1927. Winnaar
Wim Peters vestigde
hier zijn roemruchte
record van 15.48 meter
dat jaren zou stand
houden. (Collectie Jan
Peters).
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wim Peters in aktie tijdens
de Olympische
Spelen te Amsterdam in
1928. (Collectie Jan
Peters).
dag voor de wedstrijd een stuk. Naar wedstrijden
in de buurt van Zwolle ging de atletiekploeg van
PEC gewoon op de fiets. Van haltertraining en
dergelijke had men in die tijd nog niet gehoord.
Karakter
Het bleef voor Wim Peters bij drie Olympische
Spelen. In 1936 weigerde hij deel te nemen aan de
Spelen in Berlijn. Hij bevroedde dat deze Spelen
één grote propaganda van nazi-Duitsland zouden
worden en als socialist in hart en nieren moest hij
niets van Hitler en zijn trawanten hebben. Het was
een besluit dat van veel karakter getuigde. Wim
was in 1934 in Turijn Europees kampioen geworden
met een sprong van 14.59 meter. De Europese
titel was toen na de olympische het hoogst bereikbare
voor een Nederlandse atleet, want wereldkampioenschappen
atletiek werden toen nog niet
gehouden. De Europese titelstrijd vond maar eens
in de vier jaar plaats. Peters mocht zijn titel echter
niet verdedigen bij de Europese kampioenschappen
in Parijs in 1938, want de KNAU, waar NSBers
in de top zaten, ‘strafte’ hem voor zijn weigering
naar Berlijn te gaan met uitsluiting.
Tijdens de bezetting stak Peters zijn afkeer van het
nazidom niet onder stoelen of banken. Zijn
‘Deutschfeindlichkeit’ zou hem twee maal in
gevangenschap brengen en leidde er ook toe dat
de atletiekafdeling van PEC door de Duitsers werd
verboden. Bij wedstrijden in Arnhem verscheen
een atleet uit Den Haag aan de start in een shirt
waarop SS-tekens waren aangebracht. Toen Peters
dit zag, stapte hij onmiddellijk uit de baan. Zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
clubgenoten volgden zijn voorbeeld. Bijna werd
de gehele Zwolse atletiekploeg gearresteerd. Vervolgens
vestigde de club de aandacht op zich
doordat er V-tekens (het overwinningssymbool
van de Engelse premier Churchill) waren aangebracht
op een trein waarin de PEC-ers zaten. In
1943 tenslotte weigerde Peters in zijn hoedanigheid
als secretaris van de club twee meisjes als lid
in te schrijven die voor een Duitser werkten. Door
al deze incidenten werd de atletiekafdeling van
PEC, als enige sportclub in Nederland, door de
bezetters ontbonden. Enige atleten beoefenden
hun sport gedurende de resterende oorlogsjaren
bij de atletiekafdeling van ZAC. Peters werd gearresteerd
en zes maanden gevangen gezet in Vught.
Enkele weken voor de bevrijding werd Peters nogmaals
opgepakt. Elke morgen voor kantoortijd
ging hij, zoals zoveel Zwollenaren, melk halen in
Wijthmen. Op een ochtend kwam zijn zoon Jan
hem tegemoet om hem te waarschuwen niet naar
huis terug te gaan omdat de Duitsers er waren om
hem mee te nemen. Wim vertrok daarop naar een
onderduikadres waar hij na een paar dagen al
werd opgepakt. Hij werd naar de Sicherheitsdienst
gebracht, waar ook zijn broer Jan was. Ze waren
verraden. De broers werden overgebracht naar de
gevangenis aan de Menno van Coehoornsingel.
Na enige dagen werden ze ’s morgens om vier uur
Een karikatuur van
Wim Peters, vermoedelijk
gemaakt in Duitsland
door ene Hoffmeister.
(Collectie Jan
Peters).
De viering van het
twintigjarig bestaan
van de dames trimgroep
van PEC te Hattem.
Wim Peters staat tussen
de dames op de achtersterij.
(Collectie Jan
Peters).
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wim Peters op oudere
leeftijd. (Collectie Jan
Peters, foto Fa. Folkers).
gewekt. Ze dachten, dat hun laatste uurtje had
geslagen, maar ze werden overgebracht naar
Almelo. Daar troffen ze een Zwolse bekende: burgemeester
Van Karnebeek.
Vreugde en verdriet
Wim Peters noemde zich in een interview in 1993
‘een bevoorrecht mens’. Hij had een heerlijke,
onbezorgde jeugd en heeft veel plezier beleefd aan
zijn sportcarrière, niet in het minst door de daaraan
verbonden reizen. Peters had een erg gelukkig
huwelijk. Hij woonde met vrouw en kinderen vele
jaren in de P.C. Hooftstraat. Later, toen de
gezondheid van zijn echtgenote achteruit ging,
verhuisde het echtpaar naar de Zalnéflat aan het
Weteringpark. Tot zijn vijfenveertigste was hij
actief in de atletiek, onder meer als trainer. Op
woensdagmorgen ging hij met een groep vrouwen
hardlopen in de bossen bij Hattem. Hij heeft dat
vijfentwintig jaar volgehouden. Na de oorlog was
Peters jarenlang actief op het sportbestuurlijke
vlak. Hij was voorzitter van de technische commissie
van de KNAU, voorzitter van het district
Overijssel en voorzitter van de atletiekclub van
PEC, sinds 1974 de zelfstandige vereniging AV
PEC ‘io. Meer dan zeventig jaar was hij lid van
deze vereniging. Hij werd als blijk van waardering
voor zijn verdiensten door het district en de vereniging
benoemd tot erevoorzitter. De vriendenclub
van oud-PEC-ers ‘De Oude Band’ heeft hem
altijd na aan het hart gelegen. Jaarlijks was hij de
grote animator achter de reünies die werden
gehouden. Vele jaren zat hij in de Sportraad. Tot
zijn tachtigste bleef Peters tennissen. Ook zijn
vrouw Gé was jarenlang actief op de tennisbaan.
Na zijn negentigste verjaardag heeft de oudatleet
nog een bizarre periode meegemaakt. De
AV PEC wilde hem ter gelegenheid van zijn verjaardag
in juli 1993 nog eens extra in het zonnetje
zetten. Men besloot hem voor te dragen voor een
koninklijke onderscheiding. Zijn zoon Jan werd
daarover gepolst, maar deze leek het geen goed
idee. Jan wist dat zijn vader het niet eens was met
de procedure. Wim Peters was van mening dat een
koninklijke onderscheiding niet wordt toegekend
vanwege iemands verdienste maar op grond van
status. Was je een knap vakman geweest dan werd
je geen ridder of officier, maar kreeg je een
medaille in goud, zilver of brons. Had je een hogere
rang in de maatschappij bekleed, dan kon je ridder
of officier worden. De onderscheiding had
volgens hem dan niets meer te maken met hetgeen
iemand had gepresteerd. Zijn atletiekvrienden
verwachtten echter dat hij een onderscheiding wel
op prijs zou stellen. Er werd een receptie voor hem
georganiseerd op het atletiekterrein de Peterskamp.
Wethouder Margriet Meindertsma kwam
en hij mocht daar zijn naam in het in 1988 in het
leven geroepen Gouden Sportboek van de
gemeente schrijven. Toen Meindertsma hem de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
ATLETIEK
koninklijke onderscheiding wilde uitreiken, nam
Peters echter ter plekke geen genoegen met de
hem toebedachte eremedaille in goud. Die weigerde
hij resoluut. Deze man, die 48 jaar lang bij de
gemeente had gewerkt, die heel veel had gedaan
voor de atletiek in zijn land en zijn stad en veel had
gepresteerd op sportgebied, vond dat hij het tenminste
had verdiend om ridder te worden. Dat gaf
een hele consternatie tijdens de receptie. Deze
gebeurtenis had voor Peters een onaangenaam
staartje. Hij ontving anonieme brieven, waarin hij
onder meer werd uitgemaakt voor ‘proleet’. Hij
heeft het daar heel moeilijk mee gehad.
Op 8 december 1994 overleed Gé Peters – van
der Vegt. Ook met Wims gezondheid ging het
minder goed. Hij kreeg last van evenwichtsstoornissen,
zijn benen wilden niet meer en hij ging
slechter zien. Op 30 maart 1995 stierf Wim Peters,
de grootste atleet die Zwolle heeft gekend. Als eresaluut
draagt sinds 1996 de atletiekbaan van PEC
aan de Peterskamp officieel zijn naam: Atletiekbaan
Wim Peters.
Naschrift redactie
Over enige tijd zal ook een straat naar Wim Peters
vernoemd worden. Bij het voormalige sportterrein
van ZAC aan de Oude Veerweg zijn acht straten
gepland die alle de naam van een Zwolse sporter
of sportbestuurder zullen krijgen, onder de
sporters is ook Wim Peters.
Wim Peters weigert de
hem door wethouder
Margriet Meindertsma
aangeboden koninklijke
onderscheiding, 5 juli
1993. Meindertsma
toont begrip. (Foto
Frans Paalman).
Op de receptie ter gelegenheid
van zijn negentigste
verjaardag, 5 juli
1993, mocht Wim Peters
zijn naam bijschrijven
in het Gouden Sportboek
van de stad Zwolle.
(Afdeling Sport van
de gemeente Zwolle).
102 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gezond weer op in Dieze’
Jan van de Wetering Wie vanaf het station in Zwolle stadsbus 5
naar de Aa-landen neemt, rijdt na een
korte rit door het centrum algauw de
wijk Dieze binnen. Het tegenwoordige Dieze doet
in geen enkel opzicht meer denken aan het landbouwgebied
dat hier tot in het begin van de twintigste
eeuw lag. Kantoorgebouwen, een winkelcentrum,
oude arbeiderswoningen en hier en daar
wat nieuwbouw beheersen nu het beeld. Gras is
alles wat er langs de straten groeit. Alleen de
namen van sommige straten herinneren nog aan
oude tijden, zoals de Bothofstraat, de Duistere
Steeg, en de Warmoesstraat. Warmoes was de
oude benaming voor groente. Andere straatnamen
verwijzen naar de doorgaande wegen en stegen
die van Dieze naar de nabijgelegen buurschappen
voerden: de Langenholterweg, de Holtenbroekerweg,
de Westerveldstraat en de Berkumstraat.
In de negentiende eeuw was Dieze vooral een
veeteeltgebied. Nu bijna vergeten veldnamen wijzen
op die oude agrarische bestemming van het
gebied; mooie, eerlijke namen, afkomstig van de
boeren die er woonden. De Koemelkershoek lag er
en de Strontsteeg. De Dodenweg en de Stropsteeg
herinnerden aan een realiteit in een wat verder
verleden. Middenin Dieze, in de Duistere Steeg,
woonde in de negentiende eeuw het gezin van
koemelker Willem Sluiter. Zijn dood in 1865 vertelt
iets over de leefomstandigheden van de boeren
uit dit oude stukje Zwolle.
Rond de dood van Willem Sluiter
Op zaterdagavond 9 december 1865 was het in de
boerderij aan de Duistere Steeg een komen en
gaan van in het zwart geklede boeren en boerinnen.
In een achterkamer lag het lichaam van Willem
Sluiter, dat de buurvrouwen die middag hadden
opgebaard. Naast weduwe Johanna de Wilde
waren zijn vijf zonen rondom de kist verzameld;
drie andere kinderen leefden al niet meer. Een
paar dagen later volgde de begrafenis, waarbij de
hele buurt aanwezig was. Na afloop at iedereen
mee van de vers gebakken tarwebollen en werd er
een stevig glas gedronken.
De achtergronden van de dood van Willem
Sluiter zijn minder fictief dan bovenstaande
beschrijving. Volgens een geneesheer uit Zwolle
was de 66-jarige boer uit Dieze overleden aan
waterzucht en ascites, een ziekelijke ophoping van
vocht in de buikholte, wat misschien weer een
gevolg was van de ’typheuse koortsen’ die volgens
de ‘Geneeskundige policie’ in 1865 in Zwolle
heersten. Behalve in de Mussenhage, de Gribus en
de Kwade Negen (Van Nahuysplein) heersten
deze koortsen eind november 1865 ook in ‘de
Duistere Steeg met hare stinksloot’.
In die tijd eisten besmettelijke ziekten als tyfus
en cholera honderden slachtoffers. Al in 1849 hadden
Zwolse artsen gewezen op de zeer onhygiënische
toestanden in de stad en op het omringende
platteland: ‘Daarom wenst de Geneeskundige
Commissie van de burgemeester dat overal op
wegen en straten de meest grote zindelijkheid
heerscht, mesthopen worden weggeruimd, de
goten behoorlijk gezuiverd [en] dat daar waar
Cholera reeds heerscht, niet aan te raden is moeraschen
te zuiveren, wijl door deze zuivering gasontwikkelingen
plaatshebben die zich met de lucht
vermengen en daardoor nadelige invloed kunnen
uitoefenen.’
De Duistere Steeg en de stinksloot
Het is niet ondenkbaar dat de dood van Willem
Sluiter direct of indirect het gevolg was van de
door de Geneeskundige Commissie genoemde
onhygiënische toestanden. De Duistere Steeg was
berucht om de ‘stinksloot’ die daar liep. Het was
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
een sloot met een onvoorstelbaar stinkend mengsel
van vuilnis en mest. Er waren meer van dat
soort sloten in Dieze. Zo deelde in 1875 de Geneeskundige
Policie mee dat ‘eene sloot langs den Langenholterweg,
die door hare stinkende uitdampingen
den omtrek verpestte, is gedempt.’
De Diezerboeren zagen de gevaren voor hun
gezondheid van al die sloten niet in en lieten er
onbekommerd dierlijke en menselijke uitwerpselen
in verdwijnen. Het vervuilde water in de sloten
verontreinigde het drinkwater van de pompen en
putten ter plekke. Ook haalden de boeren water
uit de sloten om er melkbussen en botervaten mee
om te spoelen. Vijf jaar na de dood van Willem
Sluiter kwam de stinksloot in de Duistere Steeg op
de agenda van de Zwolse gemeenteraad te staan.
Het raadslid Roosenburg was voor verbetering
van de sloot door een goede afwatering: ‘Hij heeft
die sloot in oogenschouw genomen en bevonden,
dat zij niet goedschiks kan blijven bestaan. Zij is
een broeinest van epidemieën en een ergerlijk
beletsel voor den welstand.’ Maar niet iedereen
was het met hem eens. Raadslid Schaepman bagatelliseerde
de gevaren van de stinksloot: ‘Als de
heer Roosenburg tijdens zijn bezoek te dier plaatse
de moeite had genomen, eens achter de zich daar
bevindende boerenwoningen te kijken, dan zou
hij er vele particuliere slooten en greppels, alsmede
mestverzamelingen hebben aangetroffen, die
in vrij wat deerlijker toestand verkeeren dan de
openbare sloot in de Duistere Steeg. Hierin is
evenwel geene verandering te brengen. Het blijft
buitendien de vraag, of deze ook zo hoogst noodig
is. Inderdaad gelooft spreker dat men zich van
dergelijke toestanden te groote schrikbeelden
voorstelt. Zij worden toch aangetroffen in de vrije
lucht nabij het open veld en kunnen alzoo niet die
nadelige gevolgen hebben, als in de kom eener
stad, alwaar de bevolking digter opeen leeft. De
boeren leggen toch mesthoopen achter hunne
huizen aan, die in slooten afwateren, waarop zij
privaten hebben staan. Deze toestanden zijn evenwel
in eene landbouwende streek, zoo als in Dieze
niet te keeren, en door de open ligging der boerenwoningen
heeft men tot dusver niet gehoord van
daaruit voortvloeijende ziekten.’
Schaepman kreeg steun van de burgemeester
van Zwolle: ‘Bovendien, al waren buiten de Die-
Kaart van Zwolle met
Dieze uit 1846. Aan de
rechterkant zijn deKoemelkershoek,
de Bothof
en de Duistere Steeg te
zien. (Collectie HCO).
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerderij met hooiberg
en sloot in Dieze. Tekening
van J. W. Meijer,
tweede helft negentiende
eeuw. (Collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
zerpoort alle stinkende slooten weggenoomen,
dan nog zou daar altijd de algemeene mestplaats
overblijven, die hare uitdampingen in de rondte
verspreid en dus volgens het stelsel der gezondheidscommissie
voor de openbare gezondheid
nadeelig is. [… ] Thans echter bij de open ligging
der daar staande huizen kunnen die slooten weinig
of geen nadeel opleveren. De gezondheid der
landbouwers lijdt immers niet door de mesthoopen,
die vlak bij hunnen woningen worden aangelegd;
terwijl het eene bekende zaak is, dat een flinke
mesthoop voor een boer een schilderij is.’
Flinke mesthoop is voor boer een schilderij
Maar al mochten die mesthopen er als een schilderij
bijliggen, zo onschuldig waren ze niet. Dat
realiseerde men zich in die tijd ook wel. Een raadsbesluit
uit 1825 verbood het houden van mesthopen
in de stad en in de voorsteden. In dat besluit
werd echter voor Dieze een uitzondering gemaakt:
‘Wordende alleen aan de koemelkers gepermitteerd
om van 1 november tot 1 mei mesthoopen
voor hunne huizen op de voorsteden te hebben,
mits daarmee den afstand van zes palmen van de
boomen verwijderd blijvende.’ In 1843 werd die
uitzondering beperkt tot ‘die gedeelten der buurschappen
Dieze en Assendorp die niet aan straten
of bepuinde stegen gelegen zijn.’ Nadat de Duistere
steeg in 1861 met keien was bestraat, hadden de
mesthopen dus eigenlijk verdwenen moeten zijn.
Maar waarschijnlijk werd toen het raadsbesluit
niet zo streng meer toegepast.
In 1866, een jaar na het overlijden van Willem
Sluiter, vaardigde de raad weer een besluit over de
reinheid der straten uit, waarschijnlijk als gevolg
van de cholera-epidemie die dat jaar in Zwolle
heerste. Het besluit luidde als volgt: ‘Het is mede
verboden drek, vuilnis of eenig ander afval en
bloed op bijzondere erven te storten, neder te werpen,
te plaatsen ofte houden.’ Maar ook toen was
er een uitzondering: ‘In de wijken Kamperpoort,
Sassenpoort, Diezerpoort, Hasselterdijk, Assendorp
en Dieze kan mest van paarden, runderen,
varkens, schapen en ander vee op bijzondere
erven aan hoopen worden verzameld. De uitzondering
is gemaakt ter gunste van de landbouwers,
warmoezeniers en tuiniers, welke voor de uitoefening
van hun bedrijf mestverzamelingen behoeven.’
7
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
De Duistere Steeg in
Dieze bestaat nog
steeds, al is het tegenwoordig
niet meer dan
een doorgang tussen
twee straten. (FotoM.
de Fluiter).
De mesthopen in Dieze en Assendorp bleven
onderwerp van discussie. In 1871 wilde de Zwolse
Reinigingscommissie het toezicht op de mesthopen
verscherpen. Hun argumenten waren sterk:
‘Vele bewoners dier wijken drijven handel in mest
en trachten daarom de grootste mogelijke hoopen
bijeen te brengen. Om die reden bepalen ze zich
niet tot het verzamelen van veemest maar brengen
op hunne hoopen alle meststoffen die onder hun
bereik vallen (i.e. menselijke fecaliën). Nu leert de
ondervinding hoe moeijelijk het voor de politie is
te onderkennen of de opgehoopte mest verboden
meststoffen bevat. Indien de verzamelaar slechts
eenig stroo tusschen den mest mengt, ontgaat het
aan het oog waaruit de mesthoop bestaat.’ Als
bewijs noemde de reinigingscommissie een mesthoop
buiten de Diezerpoort waarvan de eigenaar
had bekend dat er ook menselijke uitwerpselen in
zaten. Eén van de raadsleden voerde verder nog
aan dat ‘alle verzamelingen van meststoffen in een
staat van gisting verkeeren, welke gevaarlijk
wordt, zoodra daarop uitwerpselen van choleralijders
worden gebragt. Ook deze geraken in gisting
en verspreiden zodoende de besmetting.’ Uiteindelijk
werd besloten dat de mesthopen mochten
blijven bestaan, maar dan alleen voor dierlijke
mest.
De discussie over de ‘Duistere Steeg en hare
stinksloot’ eindigde op 5 oktober 1870 met een
anti-climax: met negen stemmen voor en twee
tegen werd besloten niets aan de stinksloot te
doen. Pas in 1873 verbeterde de situatie toen in
Zwolle, mede naar aanleiding van de aanhoudende
gevallen van cholera, het tonnenstelsel werd
ingevoerd.
* Dit artikel is een (licht bewerkt) fragment uit het in
november 2001 te verschijnen boek Vergeten levens,
geschiedenissen van het Sallandse platteland van de
hand van de Zwollenaar Jan van de Wetering. In dit
boek wordt het leven op het platteland langs IJssel
en Vecht beschreven. Drie kleine boerengemeenschappen
staan daarbij centraal: Wilsum, Zalk en
Dieze. Met zijn eigen familiegeschiedenis als uitgangspunt
belicht Van de Wetering de levens van
eenvoudige plattelanders in de achttiende, negentiende
en twintigste eeuw. Vergeten levens is een uitgave
van de IJsselacademie.
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eenmaal, andermaal, niemand meer?
Verkocht!
M.H. Richter –
de Groot
De Praub straat gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
het huis naast
het hoge huis was het
Venduhuis (Collectie
HCO).
De ouderen onder ons zullen zich nog wel
herinneren dat er vroeger veilingen van
meubilair en huishoudelijk goed werden
gehouden in het Venduhuis in de Praubstraat. Al
in de negentiende eeuw was op deze locatie sprake
van een venduhuis of verkooplokaal. De verkopingen
geschiedden toen door de deurwaarders
Van Oorschot en Dunnenberg. Zij werden rond
1910 opgevolgd door hun collega F.J. Boom, die
het Venduhuis exploiteerde tot na de Tweede
Wereldoorlog. Het was G.W. Richter (1904-1984)
die het Venduhuis van Boom overnam. Zijn
weduwe bracht de verkoopboeken van het Venduhuis
in 1992 naar het Gemeentearchief. De boeken
geven over de periode 1942-1969 een prachtig
overzicht van welke goederen ingebracht en verkocht
werden. Hoe het toeging, is het onderwerp
van dit artikel van de hand van Richters weduwe.
Voorbereiding
In de Zwolse Courant werd een ‘blauwvinger’
geplaatst met de aankondiging dat er binnenkort
een veiling van meubilair en huishoudelijk goed
werd gehouden, zodat er weer goederen konden
worden ingebracht. Vlak na de oorlog werden de
spullen nog met een bakfiets opgehaald. Vaak was
deze zo hoog opgeladen dat de bestuurder er
amper over heen kon kijken. Een van de jongens
liep dan met een touw over de schouder te trekken
en aanwijzingen te geven aan de bakfietsbestuurder,
zodat deze niet van het rechte pad afraakte.
Bij binnenkomst werden de goederen genummerd
met een label, etiketje of doodgewoon met
een krijtje. Al naar gelang het uitkwam. De naam
van de eigenaar en al zijn genummerde artikelen
werden in een groot boek, het zogenaamde veilingboek,
genoteerd. Waren er naar de mening
van de veilinghouder voldoende spullen aanwezig,
dan werd de notaris gebeld om te vragen of de
geplande datum ook hem schikte. Bij elke publieke
veiling moest een notaris of deurwaarder aanwezig
zijn om eventuele geschillen op te lossen.
Ging de notaris akkoord, dan werden er advertenties
geplaatst in de Zwolse Courant, Trouw,
Overijssels Dagblad en de Meppeler Courant. In die
advertentie werd een gespecificeerde opsomming
gegeven van de te veilen artikelen. Als er een veiling
werd gehouden met antiek of spullen uit
grootmoederstijd, dan werden de antiquairs uit de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
wijde omgeving per briefkaart op de hoogte
gesteld. De kijkdag was altijd op een vrijdag in verband
met de markt.
De kijkdag
Voor de kijkdag werd er in de zaal met man en
macht gewerkt om de goederen zo goed mogelijk
uit te stallen. Tapijten, schilderijen, spiegels en
alles wat maar hangen kon werd aan ijzeren haken
aan de wanden gehangen. Kasten, kabinetten,
bonheurs, buffetten en dressoirs werden langs de
wanden geplaatst. Daarop werden de kleine spullen
gezet. In het midden van de zaal kwamen de
bankstellen, eethoeken, crapauds, tafels, en wat er
verder mocht zijn. Voor de ramen werden bladen
met schragen geplaatst met daarop het keukengerei.
Onder die bladen werd alle rommel neergezet.
Achterin de zaal was de plaats voor de ledikanten
en bedden. Haarden en kachels werden in de brede
gang uitgestald.
Sieraden en gouden en zilveren voorwerpen
werden vanwege mogelijke lange vingers in een
afgesloten vitrine geplaatst. Die voorwerpen
mochten niet zo maar verkocht worden maar
moesten eerst naar het kantoor van de Waarborg
in Arnhem, om van het juiste keurmerk te worden
voorzien. Daartoe werden de vrij kostbare sieraden
in een doosje verpakt, van een lakstempel
voorzien en aangetekend opgezonden. De notaris
kreeg na goedkeuring bericht dat de spullen op de
veiling verkocht mochten worden.
Als dit alles in orde was kon op vrijdag de kijkdag
voor het publiek plaatsvinden. In de winter
werd ’s morgens eerst de zeer grote kolenkachel
aangemaakt. Deze werd met hout, eierkolen en
cokes gestookt. Tegen het kozijn werd een zwarte
plank met de tekst ‘Heden Kijkdag’ gespijkerd.
Tegen negen uur werd de deur open gezet en konden
de kijkers binnenkomen. Dit deden ze dan
ook in zeer grote getale. Als er in de winter bij de
boeren pers- of kuilvoer aan de koeien werd
gevoerd, was dit goed te merken. Het hele veilinglokaal
vulde zich dan met de geur van een boerendeel.
Mensen die op de veiling iets van hun gading
zagen maar niet zelf op de veiling konden komen,
gaven aan de veilingmeester de opdracht om het
gewenste artikel tot een bepaald bedrag te kopen.
Voor deze commissie werd vijf procent in rekening
gebracht.
Als de kijkdag om vier uur was afgelopen
moest er hard gewerkt worden om de zaal vrij te
maken, zodat de kopers op maandag konden zitten.
De spullen werden achter in de zaal opgestapeld.
In het midden van de zaal werd een lange rij
bladen op schragen geplaatst met daarop allerlei
kleingoed dat op maandag het eerst zou worden
verkocht. Aan weerszijden van de schragen werden
stoelen en banken geplaatst zodat de ongeveer
driehonderd kopers goed zicht hadden op de te
Het voormalige Venduhuis,
Praubstraat 19
(Collectie HCO).
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Venduhuis tijdens
een verkoop ofkijkdag
(HCO, collectie Richter).
veilen goederen. In een inspringende hoek van de
zaal werd een podium gemaakt met een oud vloerkleed
en een lange smalle tafel met daaroverheen
een groen vergaderkleed. Aan deze tafel namen op
de veilingdag de notaris, de schrijver, de kassier en
de man met de lepel plaats. De lepel was een ongeveer
twee meter lange stok met daaraan een koperen
bakje, bestemd om het geld op te halen.
De veiling
Om ongeveer negen uur werd de veiling geopend
met het voorlezen van de veilingvoorwaarden: de
veiling geschiedde tegen contante betaling met
vijftien procent opgeld; de goederen werden Voetstoots’
verkocht, dus zoals ze op de veiling aanwezig
waren zonder vrijwaring voor zichtbare of verborgen
gebreken; de goederen waren dadelijk na
de toewijzing voor rekening en risico van de
koper. Dan werd begonnen met de verkoop. De
man op de bank hield een portie te verkopen spullen
omhoog en dan begon het bieden. Werd er
niet meer geboden dan klonk het ‘Eenmaal,
andermaal, niemand meer, verkocht!’. En met een
tik van de hamer werd de koop door de veilingmeester
toegewezen. De naam van de koper werd
achter de betreffende koop in het veilingboek
genoteerd. De man met de lepel haalde het geld
op, de kassier controleerde het geld en gaf eventueel
wisselgeld terug dat weer met de lepel naar de
koper werd gebracht.
Zo werden er tot ongeveer tien uur diverse
goederen aan de man gebracht. Dan trad er even
stagnatie op omdat de bus uit Staphorst was gearriveerd.
Hoewel de zaal vol was en er geen zitplaatsen
meer vrij waren, werden de Staphorster vrouwen
met hun wijde rokken door behulpzame handen
door het raam over de bladen met spullen
naar binnen gehesen. Ze lieten zich dan zo tussen
het publiek op de houten banken neervallen, wat
altijd grote hilariteit tot gevolg had.
Inmiddels had ik boven grote kannen met koffie
gezet. Daarvan werd eerst een blad naar de veilingmedewerkers
gebracht, daarna kon ook het
publiek voor een kwartje per kop koffie kopen. Als
het erg druk was en er geen koffiekopjes genoeg
waren gebruikte ik mijn eigen mooie kopjes. Deze
kopjes raakten wel eens zoek zodat we met veel
mooie schoteltjes zonder kopje bleven zitten.
De veiling ging met veel animo door en het
trottoir begon op een rommelmarkt te lijken. De
verkochte goederen werden namelijk door de
oppasser op de stoep gezet en bewaard tot de eigenaar
zijn spullen kwam afhalen, of deze door een
handkar of bakfiets thuis liet brengen.
Op zekere dag werd er een bidet geveild. De
veilinghouder vroeg: ‘Wat zal er veur disse mooie
bidet?’. ‘Richter, wat is det veur ’n ding?’, klonk
het uit de zaal. ‘Oh weet ie det niet, det is ’n ‘azenpanne,
duer kökt de deftige luu de ‘azen in’. Grote
hilariteit. Even later klonk het: ‘Wat zal er veur
disse mooie tasse met inhold?’. De veilingmedewerker
had namelijk de tas gepakt van een van de
druk kwebbelende boerinnen die de tas voor zich
op de bank had neergezet. ‘Eén gulden, niemand
meer, eenmaal, andermaal…’, ‘hé, hé, Richter, gèf
‘ier, det is mien tasse’, klonk het verontwaardigd.
‘Dan meuj um ók niet op de banke zett’n, alles wat
‘ier op stiet wordt verkocht’. Onder veel gelach
werd de tas aan de eigenares teruggegeven.
Zo werd de veiling voortgezet tot twaalf uur.
Hierna was er een pauze tot half twee. Velen hadden
brood en koffie meegenomen en hielden
gewoon hun lunchpauze in de zaal. Ze maakten
van zo’n veilingdag een dagje uit. Een kleine moeilijkheid
was het gebruik van het toilet. Vlak na de
oorlog was er nog een tonnetje en nog geen watercloset.
Die plee was boven aan een overloopje en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
dat stond dan in de pauze vol met boerinnen in
hun pompeuze klederdracht. De tonnenman
mopperde altijd vreselijk als hij die zware ton naar
beneden moest zeulen. ‘Eb jullie weer veiling
‘èhad, laot ze toch de rokk’n opbeuren en op de
stroat gaan zitt’n, zie ‘ebt ummers toch gien broek
‘an’. En vervolgde: ‘Gait, als è de volgende keer
weer zo vol is mu’jem zelf maar noar beneden slippen’.
Om half twee begon het loven en bieden
opnieuw, dan kwamen de betere stukken onder de
hamer, meestal eerst de gouden en zilveren sieraden.
De antiquairs en kooplui lieten zich dan
vaker horen. Öp zeker moment kwam er een
mooie bonheur aan de beurt. Van alle kanten
werd druk geboden. Toen de veilinghouder geen
bod meer hoorde hamerde hij af. Achter uit de
zaal klonk een woedende stem: ‘He, Richter ik was
nog ‘an ’t bieden’. ‘Nou ik ‘eb oe echt niet
‘e’heurd’, zei Richter. ‘Ik ebbe ók niet ‘eskreeuwd’,
zei de pechvogel, ‘ik ebbe ‘e knikt’. ‘Dan mük oe in
’t vervolg wel ‘euren knikken’, zei de veilinghouder.
De notaris was het hiermee eens en zo was dit
incidentje opgelost.
Zo ging de veiling met een kleine onderbreking
voor een kopje thee tot ongeveer vijf uur
door. Er waren dan wel vier- tot vijfhonderd nummers
onder de hamer doorgegaan. De stembanden
van de veilinghouder waren zwaar op de proef
gesteld. Zo af en toe nam hij een dropje om de keel
te smeren. De meeste kopers gingen met hun spullen
naar huis, de spullen die op de stoep bleven
staan werden binnen gezet. Dan werden de helpers
uitbetaald. De mannen op de bank en de
oppasser kregen ieder zes gulden, van de klanten
ontvingen ze dan nog wat kleingeld, zodat ze voor
die tijd toch een behoorlijk dagloon hadden. De
mannen aan de groene tafel kregen tien tot vijftien
gulden per dag.
De rekening
Na de veiling werden het veilingboek en de geldbak
naar boven gebracht en dan kon het rekenwerk
beginnen. Eerst werd de kas geteld en een
lijstje van de kopers opgesteld die niet op de veiling
hadden betaald. Alle bedragen van de verkochte
goederen werden opgeteld en het opgeld
berekend. Een heel werk. Klopte de kas dan werd
De heer G. Richter als
afslager bij de verkoop
van de boedel van J.F.
Schreuder in de Hyacinthstraat,
eind mei
1961 ( HCO Collectie
Richter, foto Pieter Gerritse).
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afslager G. Richter op
een ‘boeldag’ in de
omgeving van Zwolle,
vermoedelijk begin
jaren zestig (HCO, collectie
Richter).
de geldbak in de kluis opgeborgen en was er een
eind gekomen aan een vermoeiende en drukke
veilingdag.
In de loop van de week werd uitgerekend wat
de inbrengers moesten ontvangen. Alle bedragen
werden opgeteld en de veilingkosten en andere
kosten afgetrokken. Van het eindbedrag werd een
kwitantie gemaakt, vaak waren dat er zo’n zeventig
per veiling. Was dat allemaal gedaan dan werd
de kwitantie met het geld in een enveloppe met de
naam erop gedaan om op de betaaldag, de vrijdag
na de veiling, aan de inbrengers te overhandigen.
De kooplieden betaalden voor hun ingebrachte
goederen vijf procent minder veilingkosten dan
particulieren. Hadden ze mazzel gehad, dan werd
de spaarpot van onze kinderen niet vergeten.
Zodra het eindbedrag van de veiling bekend
was, werd dit doorgegeven aan de notaris, voor
het registratiekantoor. De registratiekosten en de
kosten van de notaris, plus de advertentiekosten
en de lonen van de helpers vormden de kosten van
een veiling. Om een voorbeeld te geven, volgt hier
de berekening van een veiling uit 1952.
De opbrengst van deze veiling was
Provisie kopers 12% van f. 3264.—
Provisie verkopers 10% van f. 1149.30
Provisie verkopers 15% van f. 2114.70
Totaal bruto provisie
Waarvan onkosten
Winst Venduhuis
Onkosten veiling:
6 man binnen en buiten
1 man aan lepel
1 man aan kassa
1 man schrijver
V2 dag afslager
Diverse hulpen voorbereiding veiling
Notaris 3 %
Registratie veiling
Advertenties
Totaal onkosten
f. 3264.-
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
391.68
114.93
317.21
823.82
335-52
488.30
36.–
10.–
10.—
10.—
10.–
45-50
97.92
36.10
8 0 . –
335-52
Dit was een goede veiling, alle veilingen die meer
dan drieduizend gulden opbrachten loonden de
moeite. Dat kwam omdat de vaste kosten van elke
veiling meestal hetzelfde waren. De veilingen werden
ongeveer om de zes weken gehouden, al naar
gelang er voldoende goederen aanwezig waren.
Op een veiling mochten geen alcoholhoudende
dranken en bruikbare wapens verkocht worden.
Erkend veilinghouder
Om erkend veilinghouder-taxateur te worden,
moest je van onbesproken gedrag zijn en een
proeve van bekwaamheid afleggen voor een commissie
uit de ‘Vakorganisatie van makelaars en
veilinghouders in roerende goederen en machinerieën
in Nederland’ en een ambtenaar van het
Ministerie van Economische Zaken. Veel moeilijkheden
leverde dit examen niet op. Mijn man
had namelijk op de vroegere ambachtsschool de
meubelmakersopleiding gevolgd, zodat de diverse
houtsoorten en stofferingsstoffen hem welbekend
waren. Bovendien had hij veel ervaring opgedaan
bij de vroegere eigenaar van het Venduhuis, de
heer F.J. Boom. Tóen mijn man in 1969 AOW
gerechtigd werd, zijn de verkopingen in de Praubstraat
beëindigd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Een woonhuis met een industriële
geschiedenis: Tuinstraat 10-12
Achter de Van Roijensingel, ruwweg tussen
de Zeven Alleetjes en de Van Karnebeekstraat,
loopt de Tuinstraat. In deze tamelijk
smalle straat staat een opvallend gebouw, Tuinstraat
10-12. Dit pand heeft tegenwoordig een
woonfunctie maar de industriële bestemming,
waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was, valt
nog duidelijk te herkennen. In de loop der jaren
zijn hier heel wat bedrijven gevestigd geweest.
Tuinstraat 10-12 werd in 1919 gebouwd als fietsenen
onderdelenfabriek voor de firma J. Uitdenboogaard
en Zn. Dit fabriekje besloeg de voorste
helft van het perceel, de achterste helft bleef onbebouwd.
De hoofdingang was in het middengedeelte
van het pand. Oorspronkelijk bevond zich
onder de verhoging bij de gevel de vermelding
‘Metaalindustrie’. De oprichter van de firma, Jan
Uitdenboogaard, woonde van 1928-1933 in het
woonhuis (nr. 8) naast de fabriek.
In de jaren dertig verdween deze firma en werd
het pand in gebruik genomen door de firma
Troostwijk, een textielgroothandel. Het joodse
bedrijf Troostwijk gebruikte het gebouw waarschijnlijk
tot begin jaren veertig, toen alle joodse
bedrijven werden opgeheven. De volgende
gebruiker was de firma Hoogstraat, een groothandelaar
in specerijen. Het gebouw werd door deze
firma uitgebreid met werkplaatsen, waardoor er
van het plein achter het pand weinig overbleef.
Aan het eind van de jaren vijftig diende Tuinstraat
10-12 als onderkomen van het magazijn van de
Coöp. Inkoop Vereniging ‘Enkabé’ Zwolle en
Omstreken. Enkabé vertrok in december 1959
naar de Marslanden.
In 1960 werd het gebouw in gebruik genomen
door de firma Gebr. Ferwerda, een automaterialengroothandel.
Zij pasten het pand aan hun
bedrijfsvoering aan. Wegens de slechte bereikbaarheid
(vooral voor grote vrachtwagens) verliet
Ferwerda het pand medio jaren tachtig. Daarna
volgde enige jaren leegstand, waarna in 1989 Tuinstraat
10-12 werd verbouwd tot appartementencomplex(
je). Hiertoe werden de later aangebouwde
werkplaatsen aan de achterkant gesloopt. Dit is
zichtbaar door de nieuwe achtergevel op de begane
grond. Door deze ingreep werd de oorspronkelijke
toestand, met plein, hersteld. Deze dient nu
als parkeergelegenheid voor de bewoners van het
pand.
Maarten de Graad
Tuinstraat 10-12
omstreeks 1980, met
twee bedrijfsauto’s van
de Gebr. Ferwerda. er
voor geparkeerd.
(Collectie HCO).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Felice Togni (1871-1929), portret van een vioolpedagoog
H.C.J. Wullink
Felice Togni, 1871 –
1929, vioolpedagoog.
(Collectie auteur).
Toen de concertmeester van het Concertgebouworkest
te Amsterdam, de Zwollenaar
Isaak Troostwijk, al een paar jaar het orkest
had verlaten om in Amerika zijn loopbaan te vervolgen,
kwam er versterking van een jonge violist
uit Zwolle. Zijn naam luidde: Felice Togni. De
familienaam roept geen associaties op met de
Overijsselse hoofdstad. Wie was deze violist en
waar had hij zijn opleiding genoten? Een onlangs
gevonden portret van Togni vormde de aanleiding
tot het schrijven van deze regels.
Geboren en getogen in Zwolle
Filitz Charles Antonius Togni werd geboren op 3
oktober 1871 te Zwolle als oudste zoon van Anton
Albertus Felix Simonius Togni en Anna Maria
Hubertina de France. Mogelijk heeft de ambtenaar
van de burgerlijke stand de eerste doopnaam
niet correct geschreven. Een enkele maal wordt in
de vakliteratuur abusievelijk Felix genoteerd,
maar steeds – zelfs in de overlijdensadvertentie –
heet hij Felice. Zijn ouders behoorden tot de
gegoede middenstand. Aldus was het mogelijk de
muzikale studie van hun zoon te bekostigen. In
het geval van Troostwijk, die bijna tien jaar ouder
was, lag dat duidelijk anders.1
Met vioolstudie dient men op jeugdige leeftijd
aan te vangen en veelal zal in de eigen omgeving
een goede pedagoog worden gezocht. Togni’s eerste
vioolleraar was Andries van Riemsdijk (1848-
1904). Deze pedagoog had viool gestudeerd aan
het conservatorium te Luik en was leerling
geweest van de vioolvirtuoos Hubert Léonard
(1819-1890). Per 1 januari 1873 volgde zijn benoeming
aan de Stedelijke Muziekschool te Zwolle,
die aanvankelijk aan de Praubstraat was gevestigd,
maar na 1881 in het pand Bloemendalstraat 14.2
Men ontkomt niet aan de indruk dat Van
Riemsdijk een belangrijke bijdrage aan het Zwolse
muziekleven moet hebben geleverd. Ook de getalenteerde
Troostwijk was een pupil van hem. De
vioolklas en het door Van Riemsdijk samengestelde
strijkorkest hebben zeker bijgedragen aan een
inspirerende omgeving voor de leerlingen. In 1878
ontstond de Zwolsche Orkestvereeniging, een
orkest dat in zekere zin voortkwam uit de leerlingenuitvoeringen.
De jeugdige Togni genoot plaatselijke bekendheid,
zelfs zodanig dat de nieuwe organist van de
Grote Kerk, Jacobus Cornelis van Apeldoorn
(1856-1932), die zijn eerste concert op het SchnitZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
ger-orgel voorbereidde, hem uitnodigde daarbij
een muzikale bijdrage te leveren. Dit concert vond
plaats op woensdag 1 oktober 1890.3
Violist en pedagoog
In het Zwolse bevolkingsregister werd Togni op 11
september 1891 uitgeschreven naar Amsterdam,
waar hij zijn studie bij Richter, Kramer, Timmner
en Kes vervolgde.4 Gedurende vijfentwintig jaar –
van 1892 tot 1917 – was hij verbonden aan het Concertgebouworkest
te Amsterdam, aanvankelijk als
eerste violist, maar twee jaar later in de functie van
aanvoerder van de tweede violen. Zelf noemde hij
zich concertmeester van de tweede violen, hoewel
strikt genomen deze functie betrekking heeft op
de eerste violen, namelijk aanvoerder en eerste
soloviolist. Als leraar was hij verbonden aan de
Orkestschool van Willem Kes.
De buitenlandse invloed op de Nederlandse
vioolkunst was toentertijd aanzienlijk. Gedurende
STRIJKINSTRUMENTEN, VIOLEN, JSTRIJKSTOKKEN,
SNAREN IN ALLE SOORTEN
EN.VERDER ALLE FOURNITUREN, J-ÏARMONICA’S
volgens de nieuwste vinding.
Reparatiün van bovenvermelde ARTIKELEN worden
SPOEDIG in order gemaakt.
A. TOGNI, Dlezerstraat E SI.
A, TOGNI, üiezerstraat E dl,
dia. door! bnnno nitmnntoudo STERKTE on BOLIDITEIT
Bjjzraiaêr aanbèvolon’ worden, Btoeds^voorradig eono rnimo
colloctie WANDELSTOKKEN, SPOORMANDJES, KINDEtt-
MANDJES una, van de fijnste tot.de. ordinairsto soorten.
Reparatibïi van bovonstaando artikelen worden SPOEDIG
in orde gobracht.
Twee advertenties van
Anton Togni, de vader
van Felice, in het adresboek
der stad Zwolle
1877/78. (HCO).
Bloemendalstraat 14,
hier was vanaf 1881 de
Stedelijke Muziekschool
gevestigd. (Collectie
HCO).
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
L)e Ontwikkelingsgang der
Vioolspel-‘ en Viooloouwkunst
door
xelice logni
Hoofdlceraar aan het Conservatorium en de Muziekschool der
-Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst te Amsterdam
EMIL WEGELIN — 1924 — BUSSÜM
Titelpagina van ‘De
ontwikkelingsgang der
vioolspel- en vioolbouwkunst’
(Collectie
auteur).
lange tijd hebben Italiaanse, Franse en Duitse
musici hier een dominante rol gespeeld. Het ontstaan
van een nationale vioolschool werd daardoor
ernstig belemmerd. In de tweede helft van de
negentiende eeuw kwam hierin gestadig verandering.
Nederlandse violisten ontvingen weliswaar
hun opleiding nog wel in het buitenland, met
name Duitsland, maar weldra zouden zij in eigen
land de violisten en pedagogen van elders vervangen.
Het Concertgebouworkest, dat zich ontwikkelde
tot een der beroemdste orkesten van Europa,
heeft vanzelfsprekend in de eerste plaats op het
Nederlandse muziekleven grote invloed gehad.5
Tot 1895 dirigeerde Kes, daarna nam de jonge
Mengelberg het stokje over. In februari 1896 dirigeerde
Edvard Grieg twee concerten. Ook Richard
Strauss (eerste uitvoering Ein Heldenleben) en
Gustav Mahler kwamen in Amsterdam dirigeren.
In die tijdsspanne waarin de nationale orkestmuziek
tot bloei kwam, heeft Felice Togni als
bekwaam pedagoog een rol gespeeld. Hij was
reeds leraar aan de Amsterdamse Muziekschool
van Toonkunst, toen in 1914 zijn benoeming volgde
tot hoofdleraar voor viool, kwartetspel en
vioolpedagogie aan het Amsterdams Conservatorium
(Toonkunst).
Van zijn didactische werken noem ik Die Ausbildung
der linken Hand. Systematische Ubungen
für Violine, verschenen te Leipzig bij Breitkopf &
Hartel. Max Grünberg, een Berlijnse violist en
schrijver over muziek, merkte in 1913 over dit werk
op: ‘Ein die Ausbildung der linken Hand sehr eingehend
behandelndes Werk, dessen Studium den
Fingern in den einzelnen Lagen sowohl, wie im
Lagenwechsel, sichere Arbeit gewahrleistet.’ Een
Nederlandse vertaling verscheen onder de titel De
ontwikkeling der linkerhand (5 delen). Een ander
didactisch werk draagt de titel Le mecanisme de la
doublé corde. In een omstreeks 1983 verschenen
muziekencyclopedie staat vermeld dat deze werken
nu nog veel worden geraadpleegd.6
In 1924 verscheen De ontwikkelingsgang der
vioolspel- en vioolbouwkunst. Het is opgedragen
aan de muziekgeleerde Simon van Milligen. Kort
voor zijn overlijden werkteTogni aan een nieuwe
vioolmethode. Van zijn vele leerlingen noem ik
slechts Boedijn, Dresden, De Jong (Cincinnati),
Kint, Lussenburg, mej. L. Langerveld (Djakarta),
Rodrigues, Röntgen, Sametini en Schoenmaker.7
Togni die gehuwd was met Maria Kretzschmar,
overleed geheel onverwachts op donderdag
31 oktober 1929 te Overveen. Op maandag 4
november vond daar de begrafenis plaats. De
familie in Zwolle plaatste op zaterdag 2 november
in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Couranteen
overlijdensadvertentie.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
Heden overleed, geheel onverwachts,
In den ouderdom
van 58 jaar, onze Innig geliefde
Broeder, Zwager en
Oom,
FELICE MARIA CHARLES
TOGNI,
Echtgenoot van
Maria Kretzschmar.
Hoofdleeraar Amsterdamsen
Conservatorium.
Familie TOONT.
Uitvaart en begrafenis:
Maandag te Ovérveen, Haarlem.
Zwolle, 31 Oct. 1838.
De familie in Zwolle
De Togni’s waren roomskatholiek. De grootvader,
eveneens Felice Togni geheten, geboren 3 november
1805 in het Zwitserse Bignaschi, vestigde zich
als schoorsteenveger in Zwolle. Later noemde hij
zich ‘stadsschoorsteenveger’. Op 28 januari 1830
huwde hij Antonia van der Maten (1800-1879). Zij
kregen drie kinderen, een zoon en twee dochters.
Het gezin woonde aan het Koningsplein. Grootvader
Togni overleed op 10 februari 1886.8
De zoon, Anton Albertus Felix Simonius Togni,
de vader van de violist, huwde op 25 augustus
1870 te Zwolle met Anna Maria Hubertina de
France. Anton dreef op nummer 34 aan de Diezerstraat
een handel in ‘fijn mandwerk’, maar noemde
zich ook instrumentmaker. Rond 1880 gaf hij
zich uit voor ‘parapluie fabrikant’. De familie was
tot een zekere welstand gekomen. Ondanks deze
Rechts: Diezerstraat36 en helemaal rechts Diezerstraat34,
met de winkel en het woonhuis van de
familie Togni. De foto dateert uit het eind van de
jaren twintig, kort voordat het pand Diezerstraat 34
overgenomen werd door V&D. Diezerstraat36 werd
enkele jaren later ook door V&D aangekocht, waarna
dit warenhuis depanden Diezerstraat 26 – 36
omvatte. (Collectie HCO).
gunstige omstandigheid werd het gezin nogal eens
in diepe rouw gedompeld, want vier van de zeven
kinderen overleden binnen een jaar na de geboorte.
Naast Felice bleven twee broers in leven.9
Na het overlijden van Felice’s vader werd de
zaak aanvankelijk voortgezet door de weduwe. Zij
overleed op 9 december 1905. Nadien ging de zaak
over op zoon Charles Joseph Antonius, die op 17
oktober 1911 huwde met Elisabeth Maria Lutgerink.
Zij was op 17 mei 1889 in Zwolle geboren. 10
Links: Overlijdensadvertentie
van Felice
Togni, door de familie
geplaatst in de ‘Provinciale
Overijsselsche en
Zwolsche Courant’ van
2 november1929.
116 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1912 staat in het adresboek: ‘magazijn van parapluies,
parasols, overtrekken, repareeren’. De
winkel van Togni bleef tot omstreeks 1930 gevestigd
op Diezerstraat 34, daarna werd dit pand
overgenomen door en aangetrokken bij de naburige
V&D-vestiging. Charles Togni verhuisde
daarna naar de Westerstraat 5-4. In 1952 werd hij
in Zwolle uitgeschreven, hij vertok toen naar
Vleuten. In het adresboek 1953 wordt de familienaam
Togni voor de laatste maal genoemd: Antonius
L. M. Togni, wonende Harm Smeengekade
20 (bejaardenhuis De Nieuwe Haven). Deze broer
van Felice, die onderwijzer was, overleed in 1957.
Met zijn overlijden verdween de familienaam uit
Zwolle.
Noten
1. Isaak Troostwijk, geboren 3 juli 1862 te Zwolle, trad
in 1878 bij het Nut van ’t Algemeen met veel succes
op. Voor verdere studie vertrok hij naar Berlijn om
zich te bekwamen bij de grote vioolvirtuoos en pedagoog
loachim, die verbonden was aan de Königliche
Hochschule. In 1881 verliet Troostwijk dit instituut
met het einddiploma en een fraai getuigschrift
van Joachim. Na zijn achtereenvolgende benoemingen
als solo-violist te Bad-Kissingen en concertmeester
aan het Stadttheater te Wurzburg aanvaardde
hij de betrekking van solo-violist aan de
Amsterdamsche Orkestvereeniging. In 1888 volgde
zijn benoeming tot concertmeester van het Concertgebouworkest.
Na 1890 verbleef hij in Amerika.
2. Niet te verwarren met jhr. mr. Johan Cornelis Marius
van Riemsdijk te Utrecht (1841-1895). Muziekschool:
Jan ten Bokum, Muziek in de IJssehteden
(Utrecht/Antwerpen 1988) 112.
3. H.C.J. Wullink, Inleiding, in: J.C. van Apeldoorn,
Het orgel in de Groote- ofSt. Michielskerk te Zwolle
(herdruk Zwolle 1996) X-XI.
4. Deze leraren noemt Togni zelf in zijn werkje De ontwikkelingsgang
der vioolspel- en vioolbouwkunst
(Bussum 1924) 61. Een muziekencyclopedie noemt
nog ene Heynsberg, van wie geen antecedenten bekend
zijn. Genoemde Richter was een leerling van
de vioolvirtuoos J.Joachim. L.Kramer, leerling van
Bennewitz, was concertmeester van het Concertgebouworkest
gedurende de jaren 1892-1894. Christiaan
Timmner (1859-1932), concertmeester van het
Concertgebouw van 1904-1910, vertrok naar Los
Angeles. Willem Kes (1856-1934), violist en eerste
dirigent van het Concertgebouworkest, werd in
1895-1898 dirigent van het Scottish Orchestra te
Glasgow, en was nadien nog werkzaam te Moskou
en Koblenz.
5. Voor de geschiedenis van het Concertgebouworkest
kan men verschillende uitgaven raadplegen, o.a.:
Historie en kroniek van het Concertgebouworkest
1888-1988 (Zutphen 1988).
6. Max Grünberg, Literatur der Streichinstrumente
(Leipzig 1913), 14. J. Robijns en Miep Zijlstra (red.),
Algemene, muziekencyclopedie deel 9, (Weesp z.j.),
394. Uit onderzoek bleek mij dat genoemde publicaties
niet (meer) voorkomen in de bibliotheek van
de Hogeschool Constantijn Huygens, faculteit muziek.
7. Gerard Boedijn (1893-1972), componist, in het bijzonder
voor harmonie- en fanfareorkest, dirigent
en violist. Sem Dresden (1881-1957), componist en
pedagoog, werd in 1924 directeur van het Amsterdams
Conservatorium, in 1937 directeur van het
Kon. Conservatorium te Den Haag. Kor Kint (1890-
1944), componist, altist en leraar viool aan het Conservatorium
te Amsterdam. Jos Lussenburg (1889-
1975) violist, gaat wegens een handicap aan zijn linkerhand
na zijn vijfendertigste schilderen. Woonde
later in Nunspeet. Joachim Röntgen (1906), violist
en concertmeester, vioolleraar aan het Kon. Conservatorium
te Den Haag. Leon Sametini (1886- ?),
violist, vertrok naar Praag en verbleef sinds 1904 in
Londen. Werd in 1912 directeur van het Chicago
Musical College.
8. Bignaschi is vermoedelijk identiek aan Bignasco,
een plaats in het zuiden van Zwitserland, even ten
noorden van Ascona en Locarno. Antonia van der
Maten werd geboren in Olst op 15 oktober 1800 en
overleed te Zwolle op 19 juni 1879. Haar man overleed
te Zwolle op 10 februari 1886. Kinderen, allen
geboren te Zwolle: Anton Albertus Felix Simonius
(28.10.1830); Helena Gerardina (6.1.1834 -19.1.1922),
wonende aan de Spiegelsteeg 6 en Louisa Frederika
(19.12.1837), vertrokken naar Opsterland in Friesland.
9. Behalve de oudste zoon Felice telde het gezin de volgende
kinderen:
Charles Lambertus Aloijsius (1.12.1872 – 24.5.1873);
Helena Maria Hubertina (13.3.1874 – 7.4.1874);
Charles Antonius Aloijsius (28.5.1875 -18.9.1875);
Antonius Lambertus Maria (2.6.1877- 4-4-1957);
Charles Joseph Antonius (19.3.1881- na aug. 1952);
Willem Antonius Joseph (5.11.1883 – 9.8.1884).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
10. Uit het huwelijk werden in Zwolle geboren: Hubertina
Maria Margaretha (18.7.1912), verpleegster, Johan
Anton Felix Joseph (19.3.1915 – 22.5.1915), Maria
Francisca Theresia (6.6.1916), onderwijzeres, en Johannes
Lambertus Charles (22.3.1920), die op 30 juli
1936 naar Oss vertrok.
Geraadpleegd werd het HCO (voorheen Gemeentearchief),
met name de adresboeken en het bevolkingsregister
(blz. 179e en T80).
ADVERTENTIE
Verschenen:
Deel twee van de
Zwolse Historische Reeks
De Zwolse Historische
Reeks is een gezamenlijk
initiatief van de Stichting
IJsselacademie en de
Zwolse Historische Vereniging.
In deze reeks
worden met enige regelmaat
historische
beschouwingen gepubliceerd
die door hun
omvang de maat van een
artikel in het Zwols Historisch
Tijdschriftteboven
gaan. Inhoudelijk, maar
ook wat betreft de
opmaak, sluiten beide periodieken nauw bij elkaar aan.
In dit tweede nummer van de reeks passeren bekende en
onbekende, bestaande en verdwenen voorbeelden van het
Zwolse industrieel erfgoed de revue. Negen artikelen zijn
hier gebundeld. Na een rondgang door de stad en door de
tijd komen scheepvaart en bruggen in beeld, trekken rijtuigbouwers,
wagenmakers, rijwielfabrikanten en -handelaren
aan de lezer voorbij, worden lingerie en textiel in de
etalage gezet en krijgen Schaepman’s Lakfabrieken BV historische
kleur.
De artikelen zijn rijk geïllustreerd en leveren met elkaar
een inspirerende bijdrage aan de Zwolse geschiedschrijving.
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het oude Binnengasthuis aan
de Oude Vismarkt door Adriaan Eversen
Jeanine Otten
Het oude Binnengasthuis
aan de Oude Vismarkt,
ca. 1848. Tekening
door Adriaan
Eversen (1818-1897),
zwart krijt, penseel in
bruin en rood, afm.
blad 197×271 mm, r.o.
monogram AE en verso
in potlood gemerkt:
Gasthuis te I Zwolle I
A.E. (CollectieHCO).
Op 21 januari 1998 kocht het Gemeentearchief
Zwolle (sinds maart 2001 Historisch
Centrum Overijssel) op een veiling bij
Christie’s Amsterdam een tekening van het oude
Binnengasthuis of Heilige Geestgasthuis te Zwolle,
die omstreeks 1848 gemaakt is door Adriaan
Eversen (1818-1897). De tekening is een voorstudie
voor een schilderij van Eversen dat in 1970 voor
ongeveer tienduizend gulden werd geveild bij
Mak van Waay te Amsterdam. Op de tekening en
het schilderij zien we het Gasthuisplein met de
gevel van de voormalige grote zaal van het middeleeuwse
Heilige Geestgasthuis, gelegen aan een
binnengracht (de Grote Aa). De brug over de Grote
Aa is de Gasthuisbrug. De bomen staan aan het
Gasthuisplein.
Het oude Binnengasthuis
Het Heilige Geestgasthuis was een groot gebouwencomplex,
gelegen tussen de Diezerstraat,
Koningsplein, Oude Vismarkt en Gasthuisstraat.
Het gasthuis, gesticht aan het begin van de veertiende
eeuw, was gewijd aan de Heilige Geest der
Vertroosting en was oorspronkelijk een plaats
waar arme vreemdelingen gratis een of meer
dagen voedsel en een bed konden vinden. VanZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
daar de latere naam gasthuis (= vreemdelingenhuis).
De kapel verrees in 1308 met de voorgevel
aan de Diezerstraat, langs de Gasthuisstraat. In
1448 werd het gasthuis vernieuwd door mr. Berent
van Covelens, die toen ook het gotische oude stadhuis
van Zwolle bouwde. Door aankopen en bijbouwen
van huizen en huisjes breidde het Binnengasthuis
zich uit. Het bestond in de zestiende
eeuw uit een kapel en de ‘hotelruimte’, gelegen
langs de Gasthuisstraat. Deze ruimte, nu nog
gedeeltelijk aanwezig, was zo groot dat er gemakkelijk
honderd personen konden overnachten. Na
de Hervorming werd de kapel verbouwd en kwamen
er woningen in. Opmerkelijk is dat op de
stadsplattegrond van Zwolle uit 1649 door Joan
Blaeu alleen de kapel van het Heilige Geest Gasthuis
aan de Diezerstraat is afgebeeld. De langgerekte
zaal, die zich uitstrekte van de kapel tot aan
de Grote Aa, heeft Blaeu niet afgebeeld. Bij besluit
van 30 januari 1660 kreeg het Heilige Geestgasthuis
de naam van Binnengasthuis. Het werd toen
uitsluitend gebruikt als verpleeghuis voor ouden
van dagen.
In de nacht van 3 op 4 januari 1851 brandde het
voorste gedeelte van het Gasthuis, de in de Diezerstraat
verhuurde woningen, geheel af. De toren
die op het Gasthuis stond, stortte hierbij in en
werd niet hersteld. Het afgebrande gedeelte werd
bewoond door kastenmaker Worst en de paraplukoopman
Ottigno. De belendende en tegenoverliggende
gebouwen in het achterste gedeelte van
het Gasthuis bleven gespaard. Vijftien jaar later, in
1866, werd de kapel geheel vernieuwd. Hierbij verdween
ook de deur in de Gasthuisstraat die sinds
de demping van de Grote Aa (1857 en 1861) overbodig
geworden was. Omstreeks 1866 werd de
voormalige zaal verbouwd om er negentien
kamers met stookplaatsen ten behoeve van bejaarden
in onder te brengen. Aan het begin van de
twintigste eeuw voldeden de woninkjes van de
Het oude Binnengasthuis
aan de Oude Vismarkt,
ca. 1848 of later.
Schilderij door Adriaan
Eversen (1818-1897),
olieverf op doek (Particuliere
collectie, Detroit,
USA. Afbeelding gepubliceerd
in Tableau 6,
afb. 2).
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
A -; .. ^ : J
Ingang Diezerstraat
vanaf de Grote Markt,
ca

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 3

Door 2000, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

f
WÉ WOIS
istorisc
iidschri
1
* * ‘. i
*»•»
r
V*^BÉ
P R I J S F 12-, 5 O
“Slfeéfc-^wM-*
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
V
Ansichtkaart Eekwal
Poststempel 21 januari 1901
‘Lieve Betsy.
Ik stuur je ter eere nog van je verjaardag een heel
klein pakje [omcirkeld:] dat net zo groot is als deze
cirkel Ra ra wat zou dat zijn. Ik denk-—permiteer
mij […?] Misschien wel een klein stukje chocola van
een ]h et of zoo iets. Je moet me ook nog maar eens
schrijven hoor
Ontvang de groeten van je zooliefh. Broer EJC Greven.
[Met pijl:] hier leef ik
Deze kaart werd in 1901 geschreven door de toen
15-jarige Jan Greven aan zijn net 9 jaar geworden
zusje Betsy of Bep Greven. De familie Greven
woonde in Utrecht maar Jan zat in Zwolle op het
instituut Loman, een kostschool voor jongens van
gegoede huize die daar tegen een betaling van 800
gulden per jaar aan kost- en leergeld een gedegen
schoolopleiding kregen. Voor veel van deze jongens
volgde daarna een militaire loopbaan, zo ook
voor Jan Greven
Jan woonde weliswaar niet thuis, maar zat
zeker niet alleen in Zwolle: zowel de ouders van
zijn vader als van zijn moeder, Hélène Thiebout,
alsmede vele andere familieleden woonden hier.
Zie voor de familie Thiebout het artikel elders in
dit tijdschrift.
Het instituut Loman was gevestigd op de hoek
van de Veerallee en de Emmawijk, de ansicht geeft
ongeveer het uitzicht van daaruit weer. Jan geeft
dat zelf ook aan met de pijl en het tekstje ‘hier leef
ik’.
Verder zijn op de ansicht nog goed de Jufferenwalmolen
en de Eekwalmolen te zien.
Foto: Particuliere collectie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
Deze aflevering gaat over families en panden.
Thera Tromp Meesters haalt verhalen op over
twee eeuwen geschiedenis van de bekende Zwolse
familie Thiebout. Bijzonder was het bij hen soms
wel, want niet bij elke Zwolse burger trad de clown
van het Amsterdamse circustheater Carré op.
De talrijke activiteiten van de negentiendeeeuwse
architect en aannemer Bernardus Hermannus
Trooster worden door diens nazaat
Ph. Trooster belicht. Door heel de stad bouwde
Trooster zijn kleine en grote panden, waarvan er
tegenwoordig nog heel wat staan.
Jeannine Otten bericht over een dienstwoning
van de voormalige Reinders’ Oliefabrieken. Dit
pand uit het begin van deze eeuw is aangemerkt
tot industrieel erfgoed.
Kortom: families en panden vormen deze keer
de beste toegang tot de geschiedenis van de Zwolse
burgers.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 74
De Zwolse familie Thiebout Thera Tromp Meesters 76
Aannemer Bernardus Hermannus Trooster (1814-1898)
Ph. H. Trooster 82
Boerendanserdijk 1: dienstwoning van de voormalige
Reinders’ Oliefabriekenals industrieel erfgoed aangemerkt
Jeanine Otten 90
Boekbesprekingen 97
Mededelingen 101
Auteurs 106
Omslag: De familie Thiebout in 1894 achter Klein Weezenland 14. (Particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolse familie Thiebout
Thera Tromp
Meesters*
Dr. Carel Hendrik
Thiebout sr., rector van
de Latijnse school,
omstreeks 1850. (Particuliere
collectie)
De Thiebouten, een Zwolse familie? Nee,
eigenlijk niet. De oorsprong van de familie
ligt niet in deze contreien maar in
Frankrijk. Het waren Hugenoten die in 1685, na de
opheffing van het Edict van Nantes, voor de
katholieke overheersing naar de Republiek
vluchtten. Via Walcheren en Gorcum kwamen zij
in Arnhem terecht. In 1795 was Johannes Thiebout
sr. (1770-1844) een gewaardeerd lid van de ‘Vaderlandsche
Sociëteit voor Vryheit, Gelykheit en
Broederschap’ in Arnhem. Onder de familiedocumenten
bevindt zich nog een knipsel waarin
Johannes in dat ‘Eerste Jaar van de Bataafse Vryheit’
een oproep deed aan andere Sociëteiten om
met Arnhem te corresponderen.
Dertig jaar later, in 1825, verhuisde Johannes’
zoon Carel (1802-1872) naar Zwolle, omdat hij
daar een aanstelling had gekregen als leraar aan de
Latijnse School. En ja, vanaf die tijd kunnen we
echt spreken van een Zwolse familie, want de
Thiebouten zouden tot 1946 in Zwolle blijven
wonen, zich ondertussen actief bewegend in de
Zwolse samenleving. Ook nu nog wonen er nazaten
van deze familie in Zwolle.
Dr. Carel Hendrik Thiebout sr. (1802 -1872)
Carel Thiebout, voluit Dr. Carel Hendrik Thiebout
sr., maakte in Zwolle deel uit van een vriendengroepje
waartoe ook Jan ter Pelkwijk behoorde.
Het onderwijs zal daarbij vast de samenbindende
factor zijn geweest. Carel was een zeer erudiet
mens, tijdens zijn studietijd in Utrecht gold
hij al als een briljant student. Behalve een grondig
kenner van de oude talen was hij echter ook een
uitstekend docent en pedagoog, geen vanzelfsprekende
eigenschappen in het onderwijs. In 1834
werd hij op 32-jarige leeftijd aangesteld tot rector
van de Latijnse School, hij zou dat 35 jaar blijven.
Hiervoor werd hij benoemd tot Ridder in de
Orde van de Nederlandse Leeuw. In zijn Historische
Wandelingen beschrijft W.A. Elberts Carel
Thiebout als ‘een man uit één stuk, eerlijk, rond
en wars van vleierij, geliefd bij zijn leerlingen,
gezien bij zijn stadgenoten en ver buiten zijn
woonplaats’. Niet de minste bewoordingen! Maar
ook al kun je deze lofprijzingen rustig relativeren,
hij moet wel een bijzondere persoonlijkheid zijn
geweest. Naast zijn werkzaamheden in het onderwijs
was Carel jarenlang voorzitter van het Zwolsche
Departement der Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen. In 1834, bij de Zwolse plechtige viering
van het landelijke vijftigjarige bestaan van de
Maatschappij, was Thiebout in de Broerenkerk
de feestredenaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Carel trouwde twee keer, zijn eerste echtgenote
overleed al in 1831 op 25-jarige leeftijd aan een
‘borstkwaal’, doorgaans een indicatie voor tuberculose.
Carel huwde beide keren met een dame uit
de familie Post. Deze familie was verwant aan
Neeltje Pater, een rijke zeventiende-eeuwse rederes
uit Broek in Waterland. Neeltje bezat een zeevloot
en diverse huizen en pakhuizen in Amsterdam.
Ze was op enig moment de stuwende kracht
van de Verenigde Oostindische Compagnie en
daardoor zelfs de rijkste vrouw van Nederland.
Carel Thiebout woonde tot zijn dood in 187″1
in de Walstraat op nummer 40. Ongetwijfeld wa
dit huis toen nog niet gepleisterd. Door de gladd
pleisterlaag en de lichtgroene kleur waarin het
tegenwoordig geschilderd is, heeft het pand wat
van zijn charme verloren. Als bakstenen huis, en
wellicht met zonneblinden, zal het in de eerste
helft van de negentiende eeuw een veel vriendelijker
uitstraling hebben gehad.
Carel Thiebout sr. ligt op Bergklooster begraven.
In 1952, naar aanleiding van zijn zeventigste
sterfdag, werd in de Zwolsche Courant een artikel
aan hem gewijd.
Mr. Johannes Thiebout jr. (1828 -1903)
Mr. Johannes Thiebout jr. (1828 – 1903) was de
oudste zoon van Carel sr. Hij studeerde net als zijn
vader in Utrecht en huwde bovendien in 1857
eveneens een lid van de familie Post, Diderica Elisabeth.
Het echtpaar woonde in de Bloemendalstraat
op nummer 10. Diderica stierf echter ook
jong aan een ‘borstkwaal’, op 32-jarige leeftijd na
slechts vijfjaar huwelijk. Zij liet twee dochtertjes
na: Betsy (Diderica Elisabeth Willemina, geb.
1860) en Hélène (Anna Helena, geb. 1861). Enkele
jaren later trad Johannes opnieuw in het huwelijk,
met Johanna Wenckebach (geb. 1839). Uit deze
echtverbintenis kwamen vier kinderen voort: Eva
(1867), Carel jr. (1868), Willem (1870) en jan
(1873)-
In diverse publicaties is vermeld dat Johannes
Thiebout advocaat was. De eerste zes jaar na zijn
afstuderen stond hij inderdaad als advocaat ingeschreven.
Maar al in 1859 werd hij secretaris en
ontvanger van het polderbestuur van Mastenbroek,
deze ambten bleef hij de rest van zijn werkzame
leven uitoefenen. Daarnaast vervulde hij
vele functies in het openbaar bestuur. Bijna dertig
jaar lang maakte hij deel uit van de Zwolse
gemeenteraad, enkele jaren was hij wethouder en
vijftien jaar lid van de Provinciale Staten van
Overijssel, waarvan vijf als Gedeputeerde. Hij was
ook bestuurslid van vele instellingen, zoals kerkvoogd
van de Nederlands Hervormde Kerk,
regent van het weeshuis, regent van het huis van
bewaring en lid van de commissies voor lager en
middelbaar onderwijs.
Of het nu door de erfenis van Johannes’ moeder
kwam of door de nalatenschap van zijn eerste
vrouw, een gegeven is dat hij het zich omstreeks
1865 kon permitteren een nieuw huis te laten bouwen
aan het Klein Weezenland. Hij was een van de
eersten, alleen Evert Jan Eekhout was hem voorgegaan,
die de oversteek over de stadsgracht
maakte. Toentertijd behoorde het gebied buiten
de grachten nog zo ongeveer tot het platteland.
Het was niet ‘comme il faut'”om daar te wonen.
Mr. Johannes Thiebout
jr. 1828-1903, in de bloei
van zijn leven. (Particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Achterkant van Klein
Weezenland (Van Roijensingel)
14, woonhuis
van Johannes Thiebout.
(Particuliere collectie)
Maar degenen die aan het Weezenland bouwden
hadden een fantastisch uitzicht op de stad en de
begroeide wallen. Ze hadden bovendien de ruimte.
Johannes liet achter zijn huis een grote tuin
aanleggen, ‘De Lindenhof geheten, die doorliep
tot aan de huidige Tuinstraat. Het huis zelf, Weezenland
14, stond op de hoek bij de Zeven Alleetjes.
Stond, want het is er helaas niet meer. In 1972
werd het afgebroken ten behoeve van de bouw van
een kantoorpand voor de IJsselmaatschappij. Het
was een immens groot huis, de schilder Joan Willem
Meijer heeft het in 1886 als achtergrond gekozen
voor zijn schilderij ‘Schaatsenrijden op de
Stadsgracht’ dat in bezit is van het Stedelijk Museum
Zwolle. Op dat schilderij en op foto’s is te zien
dat het een kloek pand was, zonder enige opsmuk.
Een huis zoals je ook nu nog veel ziet in Franse steden.
Zou Johannes zich toch nog een halve Fransman
gevoeld hebben? De contacten had hij er
zeker, want rond 1867 reisde hij per trein naar
Frankrijk om een compleet koper-instrumentarium
voor zijn amateur-blaasorkest op te halen. Hij
had dit bij een instrumentenmaker in Parijs
besteld om zodoende de kwaliteit van het orkest te
verhogen. Op zijn initiatief ontstond de muziekschool
waaruit later ook het conservatorium
voortkwam.
Uit bovenstaande mag al blijken dat Mr.
Johannes Thiebout een enthousiast bevorderaar
van de schone kunsten was. Een van Johannes’
kleindochters, Bep Tromp Meesters – Greven
(Diderica Elisabeth, 1892 -1984), wist nog uit eigen
herinnering te vertellen over de inspirerende sfeer
die er in Huize Thiebout heerste. Er werd dikwijls
gemusiceerd en geschilderd. Johanna Wenckebach
was bovendien ook iemand die het gezellig
maakte voor haar gezinsleden en gastvrijheid
bood aan vele vrienden, waaronder circusdirecteur
Oscar Carré en de toentertijd in Dalfsen
wonende kunstschilder Jacob van Heemskerck
van Beest. De familieoverlevering verhaalt eveneens
van het bezoek van een clown van Carré, die
langs kwam om dochter Hélène te leren ’toveren’ –
het woord jongleren kende men toen nog niet –
met zes ballen en een beker! Deze exercitie was in
eerste plaats bedoeld als remedie tegen Hélène’s
‘kromme lopen’, maar wat zullen ze een plezier
gehad hebben!
Hélène, Betsy, Eva, Willem en Jan Thiebout
Hélène trouwde in 1884 met Corné Greven
(Jonkheer Cornelis Johannes, 1854 – 1928), een
legerofficier, die het tot garnizoenscommandant
van Den Haag zou brengen. Het paar Greven –
Thiebout vestigde zich echter aanvankelijk in
Utrecht. Het werd een goede gewoonte dat hun
kinderen Jan (Ernestus Johannes Christiaan, geb.
1885) en bovengenoemde Bep Greven ’s zomers
enkele weken bij hun grootouders Thiebout in
Zwolle kwamen logeren. Jan Greven bezocht later
het instituut Loman; eind negentiende eeuw een
bekende kostschool in Zwolle.
Hélène’s één jaar oudere zuster Betsy trouwde
in 1881 met Jo van Reede (Johan F.G., 1857 -1911),
wijnkoper en lid van de firma Ten Bruggencate en
Van Reede. Het echtpaar Van Reede -Thiebout
liet eveneens aan het Klein Weezenland een huis
bouwen, het huidige pand Van Roijensingel 18.
Deze imposante villa, opgetrokken in neorenaissancestijl,
werd ontworpen door de Zwolse architect
SJ.H. Trooster. In 1891 moest Jo van Reede
zijn majestueuze woning echter van de hand doen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
De nieuwe eigenaar werd Mr. B.P.G. van Diggelen
die tot 1941 de villa bleef bewonen. Jo en Betsy verhuisden
na de verkoop van Van Roijensingel 18
naar de Diezerkade.
Van de kinderen uit Johannes’ tweede huwelijk
was Eva de oudste en tevens de eerste die in het
grote huis aan het Weezenland werd geboren. Zij
trouwde in 1900 met Hendrik W.J. Roijaards (geb.
1862), op dat moment burgemeester van IJsselstein.
Opmerkelijk is dat Roijaards in 1906 dit
ambt neerlegde en zich met vrouw en kinderen in
Zwolle vestigde, waar hij zich evenals zijn zwager
Van Reede in de wijnhandel begaf.
Johannes’ tweede zoon Willem studeerde
medicijnen in Utrecht en werd huisarts in Maassluis.
Hij had veel patiënten die schipper waren.
Hij was getrouwd met een meisje Greve.
Willems jongere broer Jan (Johannes P.G.)
ging scheepsbouw te Delft studeren. Hij werd
scheepsbouwer en had met een compagnon een
scheepswerf in Amsterdam, onder de naam Van
‘Schaatsenrijden op de
stadsgracht’ door }. W.
Meijer, 1886. Met vol
zicht op het woonhuis
van Johannes Thiebout,
Klein Weezenland 14.
(Stedelijk Museum
Zwolle)
De eetkamer van Klein
Weezenland 14 in 1903.
(Particuliere collectie)
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De familie Thiebout in
1894 achter Klein Weezenland
14. De volwassenen
zijn vlnr. staand:
Jan Thiebout, Johannes
Thiebout, Helene Thiebout,
Carel Thiebout
jr., Jo van Reede, Willem
Thiebout. Zittend:
Corné Greven, Johanna
Wenckebach, Eva Thiebout,
Betsy Thiebout.
(Particuliere collectie)
Baay en Thiebout. Jan Thiebout trouwde laat: op
zestig-jarige leeftijd liep hij op een goede dag over
het Weezenland en kwam daar Frieda Wispelweij
tegen…
Mr. Carel Hendrik Thiebout jr. (1868 -1958)
De oudste zoon van Mr. Johannes Thiebout was
Mr. Carel Hendrik Thiebout jr. (1868-1958). Carel
was sportief van aard. Hij kon goed zeilen en
schaatsen, maar vooral de fietssport had zijn warme
belangstelling. De fiets was toen nog niet zo
lang uitgevonden en Carel jr. heeft de eer de eerste
fietser in Zwolle te zijn geweest! Zijn nog in leven
zijnde dochter Cateau Kloos-Thiebout (1903) kan
zich nog goed herinneren dat er in de gang van
hun huis een geel loopfietsje stond. Het was voor
haar en haar broertje streng verboden er op te
loopfietsen. Voor hun vader was het fietsje bijna
een heilig relikwie! Behalve de loopfiets bezat
Carel ook een vélocipède waarmee hij Zwolle
doorkruiste. Er werden geregeld fietswedstrijden
georganiseerd tegen andere steden. Groot was de
voldoening wanneer Zwolle won van Amsterdam!
De vélocipède behoort op dit moment tot de collectie
van het Stedelijk Museum Zwolle. Carel
Thiebout was verder een fervent vogelliefhebber.
Dikwijls fietste hij via het Kleine Veer of het Katerveer
naar Hattem om daar samen met zijn vriend
Piet van Tienhoven bijzondere vogels te bestuderen.
Samen richtten zij de Vogelbescherming
Nederland op, waarbij Van Tienhoven de grote
initiator was. Carel Thiebout jr. trouwde in 1902
met Cateau (Johanna Catharina) Loopuijt (geb.
1876). Zij woonden eerst in de Emmawijk, vervolgens
in de Terborchstraat en tenslotte van 1912 tot
1946 aan de Potgietersingel nr. 2. Carel Thiebout
koos na zijn rechtenstudie in Utrecht voor een
loopbaan als bankier, op Luttekestraat 19 was de
bank Frowein & Thiebout gevestigd. Daarnaast
was hij jarenlang gemeenteraadslid.
Examenvrees
Tot slot van dit beknopte overzicht van een Zwolse
familie een anekdote die bij tijd en wijle bij de
nazaten van de familie opduikt en waarin de eerste
Zwolse Thiebout, rector Carel, een rol speelt. De
pedagogische kwaliteiten van de laatste mogen
hieruit tevens blijken:
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
Carel Thiebout was lid van de commissie voor
het afnemen van het staatsexamen tot toelating
aan de universiteit. Zo moest hi) in 1848 de zestienjarige
Pieter de Génestet, die later bekend
werd als dichter, examineren. Het examen vond
plaats in de concertzaal van ’t Odéon. De Génestet
zag vreselijk tegen het examen op en had daardoor
last van een black out. Thiebout merkte dit en zei:
‘Kom, we gaan even buiten een luchtje scheppen,
daar zult u van opknappen.’ Beide heren gingen
een tijdje rondlopen in de tuin die ’t Odéon toen
nog rijk was. Onderwijl spraken zij over van alles
en nog wat het vak betreffende. Uiteindelijk ging
het weer richting examenzaal. ‘Oh nee’, verzuchtte
De Génestet, ‘opnieuw dat vreselijke examen!’
Waarop de rector uitriep: ‘Nee, dat hoeft niet
meer, u bent al geslaagd.’ Thiebout had hem, wel
bemerkend dat de jonge De Génestet overmand
was door zenuwen, ongemerkt in de tuin het examen
afgenomen.
De dichter heeft hem er later in stijl voor
bedankt. In het lange dichtwerk ‘Aan een lid der
commissie voor het staatsexamen’ spreekt hij
Thiebout onder meer met de volgende regels aan:
‘O wist gij, wel een heldre taal
Daar uit uw blikken sprak
Toen in diegroote, holle zaal
Mijn hart van weedom brak;
Toen ‘k riep: Odéons zaalgewelf,
Zink op den stommeling neer! –
Toen ‘k twijfelde aan mijn ikheid zelf,
Als aan de fabelleer.’ Etcetera.
Helaas staat de naam Thiebout op uitsterven.
Bovengenoemde Cateau Kloos – Thiebout is de
enige in de familie die deze naam nog draagt. Was
de wetgeving betreffende de naamgeving eerder
gewijzigd, dan waren er vast en zeker vrouwelijke
familieleden geweest die hun kinderen deze mooie
naam hadden meegegeven!
* Met dank aan Annèt Bootsma – van Hulten voor haar
inbreng bij de totstandkoming van dit artikel.
Bronnen
Mondeling:
Schriftelijk:
W.F.C. Tromp Meesters.
De dichtwerken van P.A. de Génestet,
1888, p. VI en p. 13-17
W.A. Elberts, Historische wandelingen in
en om Zwolle, Zwolle 1973, p. 100 en
p. 204. Zwolsche Courant 1 juli 1907 en
5 januari 1952 en het Huisarchief Schellerberg
Helene Greven – Thiebout,
met haar kinderen
Jan en Bep. (Particuliere
collectie)
Ansichtkaart van Circustheater
Carré, verstuurd
in 1901 door
Carel Thiebout jr. aan
zijn nichtje Bep Greven
in Utrecht. De tekst
luidt: ‘Zwolle 17.3. 01.
Beste Betsyl In dit
gebouw zaten wij (Pa
en ik) zaterdagavond;
en daar is Mama nog
nooit geweest. Zeg toch
datje eens spoedig met
M[ama] daar heen
gaat. Hoeveel is^x 17?
Heden eet Jan hier met
Betsy van Reede en Blijenburg.
Vele groeten
aan Pa Ma en Nero,
Oom Carel.’ (Particuliere
collectie)
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aannemer Bernardus Hermannus Trooster
(1814-1898)
Ph. H. Trooster * Op 16 Maart 1727 werd in het huwelijksregister
van Bredevoort in de Gelderse Achterhoek
geschreven: ‘Stephan Trooster
j.m., geboortigt van Evenkhausen gelegen in
Ceulsland, soldaat in de Comp.van de H-Lieutenant
Colonel Keppel, in ’t Reg. van wijlen de Hr.
Baron Haarsholt; met Gesina Willems j.d. van wijlen
Willem Willemsen, geboortigt van Groot-
Reken, gelegen in ’t sti v Munster.’ Dit echtpaar
Stephan en Gesina Trooster vertrok na de geboorte
van een zoon, Arend, naar Zwolle. Het beroep
van soldaat stond niet in hoog aanzien en de beloning
was schamel. Geboortig uit ‘Ceulsland’ (het
bisdom Keulen) betekende rooms-katholiek en
dat bracht maatschappelijke achterstelling met
zich mee. Stephan werd in Zwolle dan ook in 1739
van de armen begraven, met de aanduiding
‘wonende bij de Saagmeulen’.
Arend Trooster gaf aan zijn eerste zoon (1752)
weer de naam Stephan. Deze Stephan trouwde in
1776 met Hillegonda van der Kolk en was eerst
knecht bij een speldenmaker en later hout- en
turfkoper. Zijn zoon Johannes (1782), van beroep
sjouwer en arbeider, was de vader van de Bernardus
Johannes Trooster aan wie dit artikel gewijd
is. Bernardus zag het levenslicht in 1814.
Nieuwe kansen
De negentiende eeuw bracht een ommekeer ten
goede voor de katholieken. De leuze ‘Vrijheid,
Gelijkheid en Broederschap’, met de Fransen in
1795 naar Zwolle gekomen, miste haar uitwerking
op de verhouding tussen burgers onderling en
tussen burgers en overheid niet. Een groeiend
zelfbewustzijn bij katholieken bracht velen hunner
ertoe zich toe te leggen op de mogelijkheden
die het bedrijfsleven hen bood, vooral in de kleinhandel
met turf en talhout. Ook na de Franse
overheersing waren openbare ambten eerst nog
voor hen gesloten maar de gildedwang was definitief
opgeheven en men kon zich vrij als ambachtsman
vestigen.
Zo deed ook Bernardus Hermannus Trooster.
Hij begon als timmerman, maar ontwikkelde zich
gaandeweg steeds meer als aannemer. Hij was in
1836 te Haarlem getrouwd, nadat hij, waarschijnlijk
in de Spaarnestad, zijn militaire dienstplicht
had vervuld. Zijn vrouw overleed reeds twee jaar
later, zonder hem kinderen te hebben geschonken.
Bernard keerde terug naar zijn geboortestad
en trouwde daar in 1841 met Ursula Maria Bosch,
dochter van een wasbleker. In 1847 kochten zij een
huis vlakbij de hoek van de huidige Thorbeckegracht
en de Posthoornbredehoek (Thorbeckegracht
46). Het kostte Bernard 2500 gulden, waarvan
hij er 1900 onder hypotheek moest lenen.
Zijn eerste grote opdracht kreeg hij van de
‘Commissie tot opbouw van de R.K. kerk “Onder
de bogen'”. Hij mocht voor 36.000 gulden een
nieuwe kerk in de Nieuwstraat bouwen. Dat was
veel geld in een tijd dat een stadhuisklerk 300 gulden
per jaar verdiende. De commissie van aanbesteding
bestond uit vooraanstaande en gefortuneerde
katholieke burgers, onder wie Antony
Johan Helmich en Gerardus Antonius Vos de
Wael. Zij moeten overtuigd zijn geweest van de
betrouwbaarheid van de 34-jarige Trooster, want
diens financiële armslag kan nog niet groot zijn
geweest. De kerk, het Sint-Jozefgebouw, staat er
nog steeds, op Nieuwstraat 41, hoek Rozemarijnstraat.
Een aantal jaren geleden werd het verbouwd
tot appartementen.
Wonen op de wallen
Welk perspectief bood Zwolle in 1850 een aannemer?
Zwolle groeide in die jaren. De stadswallen
werden geslecht, de poorten gesloopt. Op de plek
van de oude vestingwallen liet de stad ‘wandelinZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen’ (parken) aanleggen en rond de oude binnenstad
werden steeds meer nieuwe huizen gebouwd.
Het stadsbestuur gaf ook geld uit aan de verbetering
van wegen en kanalen. Zo zou Trooster
betrokken worden bij de bouw van de Sassenpoortenbrug,
Vispoortenbrug en Nieuwe Havenbrug.
Toen de Grote Aa door de binnenstad werd
overkluisd en vervangen door een groot gemetseld
riool mocht Trooster het gedeelte over het Gasthuisplein
voor zijn rekening nemen. De werkzaamheden
vingen aan in 1857 en zouden in totaal
zo’n 13.000 gulden kosten.
De nieuw te bouwen huizen op de geslechte
stadswallen boden Trooster echter de meeste
vooruitzichten. De verdedigingswerken waren
aangelegd tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-
1621) en besloegen een oppervlakte die gelijk was
aan een vijfde van de binnenstad. Er lag een hoge
wal om de stad en verscheidene bastions zoals het
Maagjesbolwerk, de Eekwal, de Suikerberg, het
Van Nahuysplein, het Ter Pelkwijkpark en de
Badhuiswal.
Sommige aanzienlijke burgers uit de Koestraat
en de Walstraat hadden op de buitenglooiingen
van de wal tuinen aangelegd, vaak met een tuinkoepel.
Soms konden ze hun tuin aan de stadsgracht
via een poterne, een onderdoorgang, bereiken.
Het was mogelijk ook de bedoeling van notaris
mr. LA.van Roijen een tuin aan te laten leggen op
de wallen toen hij in 1848 de leerlooierij van de
Gebroeders Damman kocht. De leerlooierij lag
naast zijn huis aan de Sassenpoortenwal (nu Van
Nahuysplein 4) en besloeg een groot gedeelte van
het huidige Van Nahuysplein. Een leerlooierij had
nu eenmaal veel spoelwater nodig. De leerlooierij
bestond uit drie percelen, waarop in ieder geval
twee pakhuizen, zeven kalkkuipen, 50 andere kuipen,
een droogloods en een tuinkoepel stonden.
Ook was er een tunnel onder de wal naar het water
van de stadsgracht. Van Roijen kwam er nog toe
om rond de koepel een tuin te laten aanleggen,
maar werd vervolgens in 1850 benoemd tot commissaris
des konings in Groningen. Zijn zoon
moest de boel maar weer verkopen. Trooster
kocht de tuin met tuinkoepel in 1854 en drie jaar
later ook nog een tweede perceel. De opzet van de
Bernardus Trooster aan
het eind van zijn carrière,
omstreeks 1880.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle)
aannemer: koop een perceel grond op een geliefde
plek, bouw er voor eigen risico een mooi huis op
en verkoop het geheel met winst. Trooster werd
een soort projectontwikkelaar. De kant en klare
ontwerpen voor zijn stadsvilla’s vond hij in boeken
die bijvoorbeeld in Parijs te krijgen waren bij
de École d’architecture Francais.
Dat dit een profijtelijke gang van zaken was,
blijkt uit Troosters activiteiten op het Jufferenwalbolwerk,
ook wel Maagjesbolwerk genoemd. In
1850 en 1852 kocht hij daar enkele percelen met een
tuin, koepel en drie huisjes voor 4.325 gulden. Een
deel ervan verkocht hij voor 3.500 gulden weer aan
de heren Hens en Schaepman. Voor beide ondernemers
bouwde Trooster op het stuk grond een
bierbrouwerij, die ‘Het Schaap’ aan het Rodetorenplein
zou worden en waarvan het restant pas
kort geleden is afgebroken ten behoeve van een
moderne projectontwikkelaar. De overgebleven
grond met huis, tuin en koepel verkocht hij voor
8.500 gulden aan A.K.Kersjes. Alleen de handel in
onroerend goed had hem dus al meer dan 7.000
gulden winst opgeleverd en dan kwam de bouwopdracht
voor de bierbrouwerij er nog bij.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De hoek van het Van
Nahuysplein omstreeks
1866-1867. Trooster
heeft de lage aanbouw
naast nummer 12 nog in
gebruik voor zijn bouwmaterialen
en werktuigen.
De molen die
boven de daken uitsteekt,
zou pas in 1870
worden afgebroken.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle)
Het Van Nahuysplein
In 1857 was Trooster in het bezit van nagenoeg het
hele Van Nahuysplein, om precies te zijn de percelen
van de huidige huisnummers 5 tot en met 17.
Om hier huizen te kunnen bouwen, kocht Trooster
van de gemeente ook nog voor 480 gulden een
perceel achter de huidige huisnummers 13 tot en
met 17. Tweederde daarvan was water en werd als
spoelkom van de leerlooierij gebruikt. Trooster
moest het eerst dempen en ophogen. Alles bij
elkaar kostte dit project 8.580 gulden, van welk
bedrag hij 8.000 gulden moest lenen. Tot 1870 zou
Trooster aan het plein negen riante herenhuizen
bouwen, waarvan er nu nog zes staan. In 1866 had
de ondernemer vijf van de huizen verkocht, voor
de totale som van 66.750 gulden.
De voorloper van de huidige nummers 16 en
17, een ‘kapitaal nieuwgebouwd herenhuis’, werd
in 1859 op een veiling voor 14.000 gulden gekocht
door de rechter Van Nes van Meerkerk. Het huidige
nummer 8, dat lange tijd bekend stond als het
verzorgingshuis van Zuster Scheffer, ging naar
barones C.M.C. Bentinck, de echtgenote van mr.
W.F.E. baron van Aerssen Beijeren van Voshol. Ze
moest er 11.000 gulden voor neertellen.
De voorloper van het huidige nummer 13 wisselde
al van eigenaar toen het nog niet afwas. De
marineman (kapitein ter zee) B.H. Staring kocht
het in 1860 voor 8.000 gulden.
Van Nahuysplein 14 was in 1864 afgebouwd en
werd voor 11.250 gulden de woonstee van jhr.mr.
P.Z.J. van Hemert, lid van Gedeputeerde Staten,
burgemeester van Hasselt en burgemeester van
Kamperveen, een echte bestuurlijke bobo.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Van Nahuysplein
aan het eind van de
jaren tachtig van de
negentiende eeuw. Het
was een keurig plein,
waar vooral veel adel
woonde. (Collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
De statige villa in het midden (nummer 12) die
nog steeds het plein domineert, werd door Trooster
zelf bewoond (onder) en door de burgemeester
van Zwolle, mr. J.A.G. de Vos van Steenwijk. In
1866 kocht mr. A.M. van Roijen de villa voor
16.500 gulden. Trooster zat toen zo goed in de
slappe was dat hij hem daarvoor 9.000 gulden kon
lenen. Hij bedong wel dat hij nog een jaar lang de
naast de woning gelegen werkplaats mocht huren.
De twee kavels die overbleven (nu staan er de
huizen 7 tot en met 9) verkocht Trooster in 1870
voor 6.000 gulden aan de heer Schlingeman. Later
bouwde hij er in diens opdracht drie herenhuizen
op.
Eveneens in 1870 kocht de gemeente met steun
van de bewoners van het Van Nahuysplein de
molen aan, die op een hoek van het bolwerk het
uitzicht ‘verpestte’. De molen werd schielijk afgebroken.
De aristocratie voelde zich zeer thuis op
het, zoals het toen nog heette, Potgietersplein.
Zeker toen later in het midden een fraai plantsoen
werd aangelegd. In 1893 werd het plein ter ere van
burgemeester jhr. W.C.Th, van Nahuys omgedoopt
in Van Nahuysplein. De fontein was het
jaar ervoor bij diens 25-jarig ambtsjubileum in
gebruik genomen.
Wan Nahuysplein 12, op
een zeer oude foto van
waarschijnlijk 1867. De
lage aanbouw aan de
villa is nog in gebruik
bij aannemer Trooster.
Zijn bouwmaterialen
liggen op de wal. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle)
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het succes
Trooster was succesvol toen hij met het Van
Nahuysplein bezig was. In 1864 was hij vijftig jaar
geworden. Het gezin telde, na het vroege overlijden
van twee meisjes, vijf kinderen. De oudste
zoon, Steven, bezocht de stedelijke tekenschool en
zou later als architect in Zwolle naam maken. Een
dochter, Regina, zat op de kweekschool. Zij zou
tot 1910 onderwijzeres in Dalmsholte zijn.
Bernard Trooster was lid van de Vereniging tot
Bevordering van de Bouwkunst, waarbij ook de
heren Dooijer, Breukel en Bosboom betrokken
waren. Tussen 1876 tot 1882 was hij er zelfs president
van. De voormalige timmerman bewoog zich
blijkbaar gemakkelijk in de kringen van zijn
opdrachtgevers.
De Stationsbuurt
In 1864 stoomde de eerste trein het station van
Zwolle, dat toen overigens nog gesitueerd was aan
de Willemsvaart, binnen. Vanaf 1866 werd het
huidige emplacement gebruikt en in juni 1868
kwam het stationsgebouw gereed. Tussen de stad
en het station lagen toen voornamelijk nog laaggelegen
weilanden, die voor de bouw van het station
waren opgehoogd. Langs de huidige Van Roijensingel
stonden nog niet de fraaie villa’s van tegenwoordig,
maar lagen wat tuinen met hier en daar
een tuinkoepeltje. Het gebied heette de Hertenkamp
(vandaar ook bijvoorbeeld de Hertenstraat)
en was in eigendom van de gemeente. Het stadsbestuur
wilde dat de nieuwe toegangsweg tot de
stad er fraai uit ging zien. In juni 1868 besloot het
vier grote percelen aan de oostkant van de Stationsweg
te verkopen, met de bedoeling ‘daarop
een villa, heerenhuis, groot koffijhuis of logement
van den eersten rang te [laten] bouwen. Op elk
perceel zal niet meer dan één gebouw mogen worden
opgerigt.’
Bernard Trooster kocht het derde perceel
waarop nu Stationsweg 9 staat. Het tweede perceel
(nu Hotel Wientjes) werd gekocht door een stroman
voor de kersverse burgemeester van Zwolle,
jhr. W.C.T. van Nahuys. Trooster kreeg van Van
Nahuys de opdracht er een mooi huis op te bouwen
en al in augustus van hetzelfde jaar werd met
de bouw een aanvang gemaakt. Van Nahuys zou
er 34 jaar wonen. In 1928 kocht hotelhouder F.Th.
Wientjes de villa, verdubbelde het gebouw door er
een identiek stuk tegenaan te laten zetten en
begon er een hotel.
Het perceel Stationsweg 9 verkocht Trooster
na de zomer met enige winst aan de belastinginspecteur
L.Wentholt. Vervolgens kreeg hij van
hem de opdracht daar een villa te doen verrijzen.
Momenteel is dit pand nog het onderkomen van
de Regiopolitie IJsselland.
De andere villa’s aan de Stationsweg verrezen
in dezelfde periode.
Vanaf de Sassenpoort liep de snelste weg naar
het station via de Zeven Alleetjes, een soort wandelgebied
waar zeven laantj es die met bomen
waren beplant samen kwamen. De gemeente
maakte zich zorgen over de waterhuishouding in
dit gebied en probeerde ook hier het aanzicht van
Zwolle te verfraaien. Pas in 1882 zou de Terborchstraat
worden aangelegd, maar al tien jaar ervoor
kocht Trooster het perceel op de hoek van de Van
Roijensingel en de Zeven Alleetjes (Van Roijensingel
13). Hij deed dat voor mr. E.J.I. van Sonsbeeck,
een Zwolse advocaat die ook in Provinciale
Staten zat. Trooster bouwde voor hem een riante
villa in voornamelijk neorenaissancestijl die in
1874 betrokken kon worden. Het huis kreeg later
bekendheid omdat vanaf 1899 burgemeester LA.
van Roijen er lange tijd woonde. Deze mr. LA. van
Roijen was de kleinzoon van de commissaris des
konings in Groningen A.M. van Roijen, met wie
Trooster aan het Van Nahuysplein te maken had
gehad.
De Eekwal
In de geschiedenis van de huidige panden 16,18 en
20 aan de Eekwal speelde Trooster ook een
belangrijke rol. Aan de Eekwal lagen vroeger, net
als aan het Van Nahuysplein, leerlooierijen. Eek is
eikeschors dat bij het looiproces werd ingezet. De
leerlooierijen verdwenen toen de wallen werden
geslecht en er statige herenhuizen verrezen.
Trooster kocht in de zomer van 1870 voor 6.000
gulden een stuk grond tussen de Eekwal en de Kalverstraat,
dus aan de stadszijde schuin tegenover
het bolwerk. Dat was erg veel geld voor een niet al
te groot stuk grond. Voor alle zekerheid bouwde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Trooster er dan ook niet voor eigen risico een huis
op, maar verkocht de grond en bouwde het huis in
opdracht van de koper. Waarschijnlijk was dat
ook voordeliger: er hoefde dan slechts overdrachtsbelasting
over de grond te worden betaald.
In februari 1871 ging het perceel van het huidige
nummer 20 over in handen van de heer A.P.G.
Hens en mocht Trooster er een huis op bouwen.
Met de familie Hens had hij twintig jaar eerder al
zaken gedaan, toen hij brouwerij ‘Het Schaap’ aan
het Rodetorenplein bouwde. Het tweede stuk, het
huidige nummer 16, ging in de herfst van dat jaar
naar de familie Vos de Wael. Het derde pand dat
er tussenin kwam te liggen, nummer 18, werd
gebouwd voor de heer P. van Regteren Altena, een
grondeigenaar uit Heerde. Om de huizen te kunnen
bouwen moest Trooster met de gemeente nog
een paar stukjes grond ruilen. Het stadsbestuur
stond daar welwillend tegenover, omdat ‘een
thans leelijke en misvormde hoek eene belangrijke
verbetering zal ondergaan’, zoals in de raadsvergadering
van 16 december 1871 werd gemeld.
In 1872 was Trooster klaar aan de Eekwal.
Tussen 1874 en 1883
In 1874 werd Trooster 60 jaar, maar dat betekende
niet dat hij van een rustige oude dag ging
genieten. Zijn activiteiten namen wel af; bovendien
valt deze periode moeilijk uit de oude stukken
te reconstrueren. Uit de familieoverlevering is
bijvoorbeeld bekend dat Bernard Trooster betrokken
is geweest bij de bouw van Frisia State aan de
Ruiterlaan, maar het is niet te bewijzen aan de
hand van archiefstukken. Frisia State werd in 1874
gebouwd voor baroness A.A.A. de Vos van Steenwijk-
van Eijsinga, naar een ontwerp van de architect
L.H. Eberson. Volgens een ander verhaal dat
in de familie rondgaat, zou Trooster in 1882 voor
de schatrijke joodse boterhandelaar Samuel
Cohen Van Roijensingel 6 hebben gebouwd. Het
ontwerp was van de bekende Amsterdamse architect
I. Gosschalk, die ook het Groninger station
had ontworpen. Ook hij was een jood. Nu zou er
onder de erker aan de linkerzijde van de villa een
kruis als ornament zijn aangebracht. Toen de
opdrachtgever daar achter kwam, ontstond er een
hoog oplopende ruzie met de bouwer. Cohen
Eekwal 16 (rechts) en 18
omstreeks 1890. Het
rechter pand was
gebouwd voor de familie
Vos de Wael, het linker
voor P. van Regteren
Altena. (Collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De zuidzijde van de
Celestraat met de door
Trooster gebouwde huizen.
In de deuropening
van nummer 10 staat
Bauwina Horreüs de
Haas, de zuster van de
‘rode dominee’, die na
het overlijden van haar
moeder in de ouderlijke
woning bleef wonen. De
foto werd omstreeks
1930 gemaakt.
stond erop dat dit symbool van het christelijk
geloof weer verwijderd zou worden, Trooster zei
dat het zo op de bouwtekening stond en dat het
moest blijven zitten. Het einde van het verhaal was
dat Trooster voet bij stuk hield en zich niet meer
op het bouwterrein liet zien. Zonder behoorlijk
toezicht moeten toen de bouwkosten de begroting
ruim hebben overschreden, wil het verhaal.
Trooster was in die jaren nog wel betrokken bij
de bouw van de Nieuwe Havenbrug (de Polkabrug),
die in 1875 tot stand kwam, maar erg actief
was hij verder niet.
In het najaar van 1878 kocht hij van Engelien
Middag (van boerderij de Klooienberg in Holtenbroek)
een huis, erf en weiland in Assendorp, toen
nog een landelijk gebied met enkele tuinderijen.
Op dit forse perceel bouwde hij haaks op de
Assendorperstraat twaalf arbeiderswoningen. Het
blok woningen was symmetrisch opgezet; het
middelste huis (nummer 16) was het grootst. Aan
de voordeur van deze woning is ook meer aandacht
dan aan die van de anderen besteed. Naar de
kanten toe worden de woningen kleiner. In de
zomer van 1880 overlegde hij met de gemeente om
een stuk grond voor de gevels van deze huizen te
kopen, zodat daarop een straat kon worden aangelegd.
Dat werd de latere Celestraat. In een van
de huisjes, die aan de zuidzijde van de straat lagen,
heeft (op nummer 10) tot 1928 de moeder van G.
Horreüs de Haas, de ‘rode dominee’, gewoond.
Het einde
Op 18 mei 1880 overleed Ursula Bosch, Troosters
echtgenote. Ze werd 62 jaar oud. Toen de erfenis
in 1881 verdeeld werd, bleek hoe Trooster er voor
stond. En dat hield niet over. Er viel zo’n 74.000
gulden te verdelen, waarvan echter 55.000 gulden
in onroerend goed zat. Troosters deel bedroeg
37.000 gulden, maar 35.000 gulden daarvan zat in
de twaalf huisjes aan de Celestraat. Inmiddels had
hij de bouw aangenomen van het station te Sneek.
Om die bouw voor te financieren moest hij een
hypotheek afsluiten van 25.000 gulden. Op de een
of andere manier kon Trooster de eindjes niet
meer aan elkaar knopen en op 23 september 1883
werd het faillissement uitgesproken. Hij bezat
precies 36.715,32 gulden, waaronder de twaalf
huisjes. Daartegenover stond een schuld die meer
dan 73.000 gulden bedroeg.
Daarmee was er voor Trooster op 69-jarige
leeftijd een niet al te glorieus einde gekomen aan
een lange loopbaan als aannemer. De oorzaak van
de financiële ondergang is moeilijk te achterhalen.
Misschien heeft zijn koppig karakter hem parten
gespeeld. Misschien hebben zijn beide jongste
zonen, Bernard jr. en Martinus – die beiden in zijn
voetsporen wilden treden – te vaak een beroep op
zijn portemonnee gedaan. Het is gissen.
De oudste zoon, Stephanus J.H., werd een succesvol
architect, die veel in Zwolle heeft gebouwd.
Het hielp daarbij dat hij trouwde met Cornelia
Kamphuis, dochter van een schatrijke Zaanse
houtkoper. Steven zal zijn vader een rustige oude
dag hebben bezorgd.
Bernardus Hermannus Trooster overleed in
Zwolle in 1898, op 84-jarige leeftijd.
* Bij het onderzoek heb ik veel medewerking ondervonden
van Jan Wigger van het Rijksarchief Overijssel,
Wim Huijsmans van het Gemeentearchief Zwolle en
Klaas Por van het Kadaster. Daarvoor mijn hartelijke
dank.
Rechts: Staat van
bouwwerken van B.H.
Trooster(i8i4~i896)
met bronvermelding.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
DATUM
20.06.1847
06.07.1852
23.02.1 S48
1850
11.02.1852
14.10.1SS2
1 850/”53
07.02.1854
21.06.1854
22.11.1S54
28.O2.18S6
16.4.1857
29.12.1857
30.03.1858
I2.04.18S9
20.O6.1860
25.1O.1X6O
1 1.06.1860
6. 6 1861
1864
28.4.1866
1867
2.6.1868
13.6.1868
22,8.1868
18.8.1869
7.9.1 860
15.3.1870
21.4.1870
19.5.1870
5.6.1870
16.12.1 87O
17.12.1870
21.11.1870
29.12.1 87O
23.2.1871
1871
20.Jip.1871
1X71
16.12.1871
25.3.1872
19.6.1872
29.1.1873
1873
1874
12.4.1875
22.10.1878
aard van
gebeurtenis
koop
verkoop
bouw
koop
koop
koop
bouw
verkoop
koop
errpacjit
verkoop
demping
koop
koop
pi.ibl.verk.
verkoop
verkoop
koop
bouw
verkoop
verkoop
bouw
publ.koop
bouw
bouw
verkoop
bouw
verkoop
koop
verkoop
koop
verkoop
bouw
bouw
bouw
verkoop
koop
verkoop
koop
ruit
verkoop
koop
koop
bouw
verkoop
bouw
koop
kad no
F 181
F 181
not.vd.Biesen
8255
F 1605
F 1598
F 1595
F-1596
OAZ 77/H56
F2924/2925
F 2099
dlv F3044
F 2984
F 2806
F3124/3109
T3123
naar 3404
F3O46(2O99)
F 3471
F 3705
notul.gem-
F 3403
F3 400/72
not.gem.r.
O 1499
not.gem.r.
GAZ.AA201
G 1499
O 1499
F 3397
B980
B980
F 1641
F 3705
Not.ftem.r.
Not.gem.r.
Not.gem.r.
F 3723
P 3698
F 3768/69
F 1641
not gem.r.
F3 767/68
O 3703/4
G.1726
(Q67)
M 1889
G67 deel van
G.1726
not.gem.r.
Q442-3 en
163
kada regjstr •+-
not akte
dl.88-39
dl. 140-5
dl.129-80
dl. 133-47
dl. 134-72
dl. 156-42
dl.101-55
dl.232.26
dl. 178-70
not.gem.rd
no.179
dl.201-9
dl.203-40
dl.216-8S
dl.231-63
dl.236-6
dl.232.26
no.209/259
dl.289.30
dl.303.62
dl.332.114
25.5.68
31.80
345.76
OAZ AA 201
351.3
353.8
353.8
354.22
359.56
14.12.70
367.31
369.83
369.84
374.16
nol.gem.r.
383.24
overlevering
386.70
393.71
oppervl.
r ‘ roe
3 r90
5 r 90
39 el
31 el
3 r 90
11 r 10
1 r 60
6r 60
16 r 40
7r90
5 r40
8 r.94
7r .60
1 r 19
4 r
7r 88
27. 5r
27.5 r
27.5 r
2.5 r
7.64 r
7.64
Sr 8
1.81 r
1.8r
0.49 r
2.9 r
0.13 r
2.10r
11.83 r
19 r
1.7 r
30.88 r
bedrag in
guldens
2500
2500
36.000
325
3000
1000
3500
2100
220
8500
13015
6000
480
14000
1 1000
8000
2 2 0
9875
1 1 250
16250
2200
1100
19.500
100 +5%
1500
5900
6000
6000
4500
16.900
2 5 0
1 100
2 4 5
1100
300
3500
5 per
el
2500
200
17.875
4000
vorige eigenaar
mej.de Haan
stueadoor Arens
“onder de bogen”
kerk R.K.
W.Sterk banketbakker
P.J. de Vos
v.d. Waay
Wed. Souman
Hens &;
Schaepman
Hens &
Sdiaepman
I.A.v.Royen
Stad Zwolle
AKersjes
Stad Zwolle
I. A.v.Royen
SUid Zwolle
v.Nes van Meerkerk
Mw. Bentinek
B.H. Staring
Stad Zwolle
Stad Zwolle
P.J.van Hemort
AM.van Royen
Stad Zwolle
Stad Zwolle
Stad Zwolle
W.v.Nuhuys
L.Wentholt
L.Wentholt
Schlingeman
H.R-Overbeek
I… Scheurleer
Ballot
Schlirj goeman
Stad Zwolle
Stad Zwolle
Schlingeman
AP.O.Hens
Stad Zwolle
Vos de Waal
Stad Zwolle
Stad Zwolle
v.Regteren-
Altena
voor en namais
v.Sonsbeek.
Sohellcwald
Vos. v. Steenwijk
SJH Trooster
Stad Zwolle
E.Middag van
Klooien berg
bijzonderheden
hoek Dijk (nu: Thorbeckegracht)
Poslhoombr.hoek
als hierboven
comm.tot oprichting rk kerk
A.J.Helmich.G. AVos de Waal
tuin/koepel in bast.Jutf.wal
huis/erf binnensingel Juü’.w
2 huisjes/erven a.d.Jufif.wal
brouwerij a.d. Jufterenwal
1 923 kerkgeb.EI JM
tbv.bouw brouwerij,
kopers nemen f. 1000. hypotheek
tuin/koepel Sassenpoortenwal
a.d. Sassenpoortenwal
huis/tuin/koepel Juflèrenwal
Grote Aa tusen Blauwe Hand en Gasthuis
brug
huis en erf a.d. Sassenpoortewal
kolk v.voormalige leerlooierij
dempen.voor 1.1.’60 bouwen
Sassenpoortenwal : “kapitaal
nieuw gebouwd herenhuis”
a.d. Sassenpoortenwal
in aanbouw x.ijnd huis a.d.
Sassenpoortenwjil
a.d. Sassenpoortenwal (15.3..70)
on derbouw. Sassenpoorten brug.
burgern.Kamperveen .huis a.d. Sassenpoortenwal.
huis a.d. Sass.p.wal bewoond door BH Tr
en Burgemeester.De Vos v.Steenwijk
muur aan het Gr.Kerkplein
Stationsweg no.9
onderbouw VispooitenbruR
burgem.Zwolle Stationsw.7
(hotel Wienties)
Stationsweg 9
Stationsweg bij Hertenkamp
Sassenpoortenwal
huis/erf Diezerpoort
voor de Diezerpoort
Grond aan de Eekwal
aan de Sassenpoortenwal
school aan de Praubstraat
5 heipalen 1’annekoekendijk
koopt 2 ca. van stad tlnv bouw door
B.H.Trooster
ter bebouwing door B.H.Trooster
grenzend eigendom koper
ter bebouwing door B.H.Trooster
tbv bouw hoek Zuid van Hens
tbv bouw aanzienl.woning Eekwal
in aanbouw zijnd huis tussen Hens
en Vos de Waal.
nabij 7 Alledjes (v.Royensingel 1 3)
tuin-Hcoepel Assendorpersteeg
Frisia State-Ruiterlaan
zoon van B.H.Tr.j architect
bouw Nieuwe Havenbrug(PolkabruR>
huis. erf en weiland Assendorp. –
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerendanserdijk 1: dienstwoning van
de voormalige Reinders’ Oliefabrieken als
industrieel erfgoed aangemerkt
Jeanine Otten*
Boerendansedijk 1 aan
de ingang van het zogenaamde
DSM-terrein,
februari 2000. Foto:
Marcel Overbeek. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
Tegenover het einde van de Vondelkade ligt
het begin van de Boerendanserdijk. Daar,
op het zogenaamde DSM-terrein, staat tussen
hoog struikgewas aan de Nieuwe Vecht een
vrijstaande, dichtgetimmerde woning. Door de
vervallen toestand waarin het pand verkeert is er
op het eerste gezicht niet veel bijzonders aan te
beleven, maar degene die nog eens beter kijkt ziet
dat het huis allerlei aardige details bevat. Het
grondplan is vierkant. De voorgevel heeft op een
van de hoeken twee vierkante gemetselde zuiltjes,
gedekt met een Dorisch aandoend kapiteel, die de
overhangende daklijst ondersteunen. De zuiltjes
zijn onderdeel van de veranda die toegang geeft
tot de voordeur. De woning op het perceel Boerendanserdijk
1 is de voormalige dienstwoning
horend bij Reinders’ Oliefabrieken NV, in 1970
door Golden Wonder Holland BV overgenomen.
In 1989 werd de raffinaderij gesloten en kwam
er een einde aan de soms niet al te fris ruikende
geuren die in de omgeving van de fabriek hingen.
In de jaren daarna werden de fabrieksgebouwen
gesloopt. Momenteel is het terrein in het bezit van
projectontwikkelaar Nijhuis Rijssen BV te Rijssen.
In 1998 verleende de gemeente Zwolle een sloopvergunning
voor het pand Boerendanserdijk 1.
Diverse instanties, waaronder de adviescommissie
van Het Oversticht en FIEN (Federatie Industrieel
Erfgoed Nederland), hebben bij de gemeente
Zwolle gepleit voor het behoud van dit unieke
stukje industrieel erfgoed. Er is immers in Nederland
maar weinig bewaard van dit soort gebouwen.
Dergelijke gebouwen maakten deel uit van
een complex van aangrenzende gebouwen bij het
eigenlijke fabriekspand, zoals bijvoorbeeld de
directeurswoning, de woning voor de bedrijfsleider
en arbeiderswoningen. Deze behoorden alle
tot het industriële terrein en waren vaak in een bijzondere
bouwstijl uitgevoerd. Samen met molen
De Passiebloem en het nog naast Boerendanserdijk
1 aanwezige transformatorhuisje, waarin een
gevelsteen met de initialen van directeur Reinders,
herinnert de dienstwoning Boerendanserdijk 1
nog als enige aan het voor Zwolle zo belangrijke
en karakteristieke complex van Reinders’ Oliefabrieken.
Het pand kan daarom als industrieel erfgoed
worden aangemerkt.
Zwolle heeft meer complexen gekend die als
industrieel erfgoed beschouwd kunnen worden,
bijvoorbeeld het kleinschalige industriële gebied
op het Maagjesbolwerk dat in de tweede helft van
de jaren negentig van de juist afgelopen eeuw
voorgoed met de grond gelijk is gemaakt om
plaats te maken voor het prestigieuze project van
architect H.J.M. Ruijssenaars. Alleen op oude
foto’s van het Maagjesbolwerk is nog te zien dat de
molen van Kok, de bierbrouwerij Het Schaap en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de ijsfabriek, beide van Schaepman, de steenhouwerij
en het landbouwwerktuigenmagazijn van O.
de Leeuw in het begin van de twintigste eeuw nog
volop in bedrijf waren. Het is daarom zeer verheugend
dat dit bijzondere gebouwtje aan de Boerendanserdijk
voor Zwolle en Nederland behouden
blijft. Ondanks de al afgegeven sloopvergunning
heeft projectontwikkelaar Nijhuis Rijssen als
teken van goede wil namelijk beloofd het gebouw
te laten staan. Tot teleurstelling van vele kooplustigen
moet er bij gezegd worden dat Nijhuis Rijssen
geen woonbestemming aan het pand geeft.
In mei en juni 2000 kreeg het Gemeentearchief
Zwolle een bijzondere schenking van zeventien
foto’s uit de begintijd van Reinders’ Oliefabrieken
in Zwolle. Behalve informatie over de foto’s kon
de schenker (een kleinzoon van de eerste bewoner
van Boerendanserdijk 1) ook achtergronden over
het werken bij Reinders’ Oliefabrieken geven.
Deze verhalen uit overlevering vormen samen met
de geschonken foto’s een waardevolle aanvulling
op de reeds in het Gemeentearchief aanwezige
bouwtekeningen, foto’s en geschreven bronnen
over Reinders’ Oliefabrieken. Van belangvoor dit
artikel is dat er onder de schenking met name veel
foto’s van de eerste bewoners van Boerendanserdijk
1 zijn. Voordat we daar nader op in gaan, volgt
eerst wat algemene informatie over de firma Reinders.
Reinders & Co, 1893-1928
De oprichter van Reinders Oliefabrieken was
Koert Reinders (1845-1917). Deze Koert Reinders
werd geboren in de gemeente Hoogezand. Rond
1869 begon hij met een oliemolen in Martenshoek,
een buurtschap tussen Foxhol en Hoogezand.
Later had hij in deze omgeving een stoommeelfabriek.
In 1893 vertrok hij naar Zwolle waar hij de
stoomoliefabriek De Aloë, gelegen aan de Nieuwe
Het huis Boerendanserdijk
1 met op de achtergrond
de molen De Passiebloem
metknechtswoning
en pakhuizen
aan de andere kant van
de Nieuwe Vecht, ca.
1930. (Collectie
Gem een tea rch iefZwol-
Ie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Heiwerkzaamheden
voor de grote verbouwing
van De Aloë omstreeks
1915. Op de achtergrond
de dienstwoning van
Willem Reinders. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
Vecht, van de firma Van Engelen en Van Laer
overnam. Daartoe werd op 1 mei 1893 de firma
Reinders & Co, firmanten Koert Reinders en zijn
zoons Reinder Uneko (geb. 1869) en Douwe Jan
(1871-1940), opgericht. Koert Reinders had vier
zonen en één dochter, die allen kortere of langere
tijd bij het bedrijf betrokken zijn geweest.
Het in 1877 gebouwde fabriekje De Aloë was gunstig
gelegen aan diep vaarwater, op vijf minuten
afstand van de Dedemsvaartse Stoomtram. Het
complex bestond uit een fabrieksgebouw, loodsen,
baaswoning en stallen. De capaciteit van de
oliefabriek bedroeg in het eerste jaar van de
oprichting 70 ton per week, terwijl aan voederartikelen
en gruttenmeel ongeveer 50 ton per week
verwerkt werd. Het vervoer naar de markt, schepen,
het spoor en de omliggende plaatsen
geschiedde met behulp van wagens en vier paarden.
Er werkten in die tijd ongeveer 30 mensen.
De winsten waren zodanig dat al snel tot uitbreiding
kon worden overgegaan. De eerste hydraulische
napersen werden in bedrijf gesteld, terwijl in
1896 de oliemolens De Passiebloem en de Roode
Molen aan de Nieuwe Vecht door huurovereenkomst
aan het bedrijf verbonden werden. De beide
molens, met de daarbij horende knechtswoningen,
pakhuizen, schuren, enzovoorts en de gehele
inventaris, werden door Willem Hendrik Visscher
voor 460 gulden per jaar verhuurd aan Reinder
Uneko Reinders, firmant van Reinders & Co.
Opmerkelijk is dat 30 jaar later de huurprijs niet
hoger maar lager was: in 1926 werd een nieuw
huurcontract opgemaakt. De beide molens werden
verhuurd voor 400 gulden per jaar. De één na
laatste zin in dit huurcontract doet ons de wenkbrauwen
fronsen: ‘Op gevoelens der Schoonheidscommissie
zal door ondergeteekenden geen
acht worden gegeven’. De Roode Molen werd in
1934 gesloopt om ruimte te maken voor de Ceintuurbaan.
Maar oliemolen De Passiebloem staat
nog steeds in al haar schoonheid aan de Nieuwe
Vecht en is zelfs weer met behulp van een zeer
enthousiast molenaarsechtpaar volop in bedrijf.
In 1902 trad zoon Reinder Reinders uit de zaak.
Reinder was scheikundige en begon op hetzelfde
terrein een zeepfabriekje. Reinders jongere broer
Jan (Jan Douwes, 1876-1927) trad toen in als vennoot
van Reinders & Co.
Door het overlijden van één van de Zwolse
concurrenten, Jochem van Assen, in 1904 kon ook
diens fabriek Excelsior aan het Almelose Kanaal
aan het geheel worden toegevoegd. Deze fabriek
werkte met 40 man personeel en had een producZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
tie van 80 ton per week. In die jaren lag het accent
bij Reinders nog niet eens zozeer op olie, maar was
het ook een belangrijk gruttersbedrijf. Men verwerkte
tarwe, roggemeel en dergelijke met name
voor veevoer. In het voorjaar van 1914 begon men
met een grote verbouwing van De Aloë, de machines
en de capaciteit werden vermeerderd. Het
werk was half klaar toen de oorlog uitbrak. Desondanks
werd de verbouwing voortgezet. In 1915
werd besloten, na aankoop van diverse landerijen
om de fabriek De Aloë gelegen en na ruiling van
grond met de gemeente Zwolle, een olieraffinaderij
annex extraheerinrichting op circa 30 meter
afstand van de oliefabriek te bouwen. De vraag
naar spijsoliën nam dermate toe dat na al twee jaar
de installatie verdubbeld moest worden.
Het bedrijf was zeer succesvol. Tot de meest
vermogende Zwollenaren in 1916 behoorden dan
ook alle drie de toenmalige firmanten .
In 1928 werd de firma Reinders & Co omgezet
in Reinders’ Olie- en Veevoederfabrieken NV.
Willem Reinders, meesterknecht
Toen Koert Reinders van Groningen naar Zwolle
verhuisde, ging zijn meesterknecht met hem mee.
Dit betrof Willem Reinders (1852-1938). Hoewel
zijn achternaam anders doet vermoeden was Willem
Reinders geen familie van directeur Koert
Reinders. Ze waren wel allebei geboortig uit de
gemeente Hoogezand. In het najaar van 1869
begon Willem Reinders als zeventienjarige in de
oliemolen van Koert Reinders te werken. Vervolgens
werkte hij ook in de stoommeelfabriek van
Koert Reinders en bracht het daar tot meesterknecht.
Willem was getrouwd met Lammechien
Meijer (1848-1928), het gezin telde vijf kinderen.
Toen ze naar Zwolle kwamen woonden ze aanvankelijk
aan de Nieuwe Vecht P147, in het woonhuis
van molen De Passiebloem. Rond 1905 betrok
het gezin Reinders de gloednieuwe dienstwoning
aan de Boerendanserdijk, zij waren daarmee de
eerste bewoners. Het adres luidde destijds Boerendanserdijk
16, pas in juni 1974 is het vernummerd
IP
jjrg
Rij
gaf/-
De familie van Willem
Reinders omstreeks
1900. Zittend: Lammechien
Reinders-Meijer,
Aleida Reinders, Willem
Reinders. Staand:
Hendrik Reinders, Imko
Reinders, Jacob Reinders,
Siepko Reinders.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het personeel van De
Aloë omstreeks 1900.
Op de tweede rij in het
midden ‘baas’ Willem
Reinders, ‘meester’
Hendrik Reinders en
boekhouder Siepko
Reinders met hoed en
das. (Collectie Gemeentea
rch iefZwo lle).
tot Boerendanserdijk 1. Willem werd door de
werknemers van Reinders’ Oliefabrieken ‘baas’
genoemd. Hij was populair bij zijn ondergeschikten.
Zijn tongval bleef onmiskenbaar Gronings,
dat maakte hem vaak moeilijk te verstaan. Van
hem gaat het verhaal dat hij eens op een zaterdag
aan één van de arbeiders vroeg: ‘Hoeveel overuren
heb je gemaakt’. De man, die aan het lijnmeel
malen was, verstond hem niet goed en antwoordde:
’22’. Met de nodige krachtige bewoordingen
werd dit in twijfel getrokken, waarop de man zei,
tel zelf maar na. De arme man meende namelijk
dat gevraagd was hoeveel zakken meel gemalen
waren. Op 1 november 1924 werd Willem Reinders
gehuldigd voor zijn 55-jarig dienstverband, inclusief
Groningse jaren, bij de firma Reinders. Hij
was toen ruim 31 jaar baas op de fabriek De Aloë.
Bij die gelegenheid werd het bedrijf versierd en
het werd een gezellige dag.
Door zijn positie tussen arbeiders en directie
kon Willem Reinders zich wat meer permitteren
dan in die tijd van werknemers verwacht werd.
Hij durfde op een bepaalde manier het beleid van
de directie te bekritiseren. Zoals de meeste bedrijven
in die tijd blonk de firma Reinders niet uit in
royale beloningen. Op een gegeven moment had
de firma een uitzonderlijk goed jaar gehad. Na het
uitbreken van een mond-en-klauwzeer epidemie
onder het vee werden er uitzonderlijk veel veekoeken
van Reinders verkocht. De directie van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Reinders gunde daarom de werknemers in de
fabriek met kerstmis een kerstgratificatie: gehuwden
ontvingen ƒ 2,50, ongehuwden ƒ 1,50. Dat
hield zelfs in die tijd niet over. Op initiatief van
‘baas’ Reinders mocht het personeel toen eigen
flessen met lijnolie vullen.
Willem Reinders kreeg voor zijn werkzaamheden
bij de firma een koninklijke onderscheiding
Kort daarop kende de directie hem, weliswaar
schoorvoetend, nog een bescheiden oudedagsuitkering
toe, aanvankelijk 20 gulden per week, later
10 gulden. In de jaren dertig verhuisde Willem
Reinders als weduwnaar naar Diezerpoortenplas
30, waar hij in 1938 overleed.
De kinderen van Willem Reinders
Willem Reinders had vier zonen en één dochter.
Twee daarvan waren ook werkzaam bij de firma
Reinders. Willems zonen tekenden ter onderscheid
met de directie altijd met ‘Reinders Wzn.’
(Willemzoon). De oudste zoon Hendrik Reinders
Wzn. was machinist, door het personeel ‘meester’
genoemd. Zoon Siepko was boekhouder. Op een
foto rond 1900 zien we het voltallige personeel van
De Aloë met in het midden meesterknecht Willem
Reinders en zijn zoons Hendrik en Siepko. Nadat
zijn vader naar de Diezerpoortenplas was verhuisd
betrok Hendrik het huis Boerendanserdijk 1. In
april 1938 ging Hendrik in Spoolde wonen. Boerendanserdijk
1 werd toen de woning van een
andere werknemer van Reinders, de heer Koedijk.
Willem Reinders tweede zoon Siepko was aanvankelijk
kantoorbediende en boekhouder bij Reinders’
Oliefabrieken. Siepko Reinders Wzn. heeft
niet lang bij de firma Reinders & Co gewerkt. In
1901 ontstond onenigheid tussen Siepko en de
directie. Siepko was het niet eens met gevoerde
administratie en gooide met een kasboek naar de
directeur. Het gevolg was dat hij de laan uitvloog.
Later vinden we Siepko Reinders terug als winkelier
in tabak en sigaren aan de Diezerpoortenplas.
Van de derde zoon, Jacob Reinders Wzn., is
bekend dat hij bij de gemeente schrijver en bouwkundig
opzichter was bij de bouwpolitie (onze
huidige afdeling Bouw- en Woningtoezicht).
Begin 1904 vertrok hij naar Den Haag. De vierde
zoon Imko Reinders was eveneens bouwkundig
opzichter van beroep. Dochter Aleida Reinders
(1894-1978) trouwde met Albertus Jacobus Polder,
bouwkundige van beroep. In 1926 kregen ze te
Stompwijk hun zoon J.W. Polder. Deze laatste is
de schenker van de bovengenoemde foto’s.
De dienstwoning
Het huis Boerendanserdijk 1 werd omstreeks 1905
als dienstwoning gebouwd naar een ontwerp van
Imko Reinders. Op de begane grond bevindt zich
achter de voordeur een gang met aan de ene kant
een slaapkamer met het venster aan de veranda en
aan de andere kant van de gang een woonkamer.
Verder tekende Imko op de begane grond nog een
keuken met aangebouwde w.c, een kamer en een
trap naar de eerste verdieping waar onder de kap
nog drie slaapkamers gerealiseerd werden. Ruimte
genoeg voor het gezin van Willem Reinders waarvan
de vier zoons op dat moment het huis al uit
waren. Kort na de bouw kreeg het huis elektriciteit
vanuit de fabriek. Zeer modern! Om 22.00 uur
ging dan het licht even aan en uit als waarschuwing
dat kort daarop in de fabriek de stroom werd
uitgezet en men daarmee de dienstwoning in het
donker zou zetten. Zwolle werd na 1914 aangesloten
op het elektriciteitsnet. Imko Reinders is verantwoordelijk
voor meer ontwerpen voor Reinders’
Oliefabrieken in Zwolle. Op ettelijke bouwtekeningen
voor de firma Reinders & Co is zijn
handtekening te herkennen. Imko Reinders is ook
bekend als architect van de glasfabriek in Leerdam.
Ook de man van zijn zus Aleida, Polder, was
als bouwkundige werkzaam voor Reinders’ Oliefabrieken.
Hij ontwierp in 1934 het gebouwvan de
raffinaderij Nievecht. Op een luchtfoto (zie volgende
pagina) zien we het hele terrein van de NV
Reinders aan de Nieuwe Vecht, met linksonder
oliefabriek De Fortuin, de raffinaderij Nievecht
uit 1934, het gedeelte van De Aloë dat in 1877 werd
gebouwd, de uitbreiding van De Aloë omstreeks
1915 en tenslotte rechtsboven de dienstwoning
Boerendanserdijk 1.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De N. V. Reinders’ Olieen
Veevoederfabrieken
aan de Nieuwe Vecht.
Foto KLM Schiphol, ca.
1950. (Particuliere collectie).
Tentoonstelling Reinders en Reinders & Co
Omdat er veel meer foto’s van de firma Reinders &
Co en de familie Willem Reinders zijn dan hier bij
dit artikel kunnen worden afgedrukt, is vanaf september
2000 in het Gemeentearchief Zwolle een
kleine fototentoonstelling gewijd aan Reinders &
Co en Reinders.
* met dank aan Marcel Overbeek (Federatie Industrieel
Erfgoed Nederland), Dirk-Jan Baaiman (Het Oversticht),
Johan Teunis (Monumentenzorg en Archeologie,
Gemeente Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Boekbesprekingen
Aaldert Pol en Gerrit van Hezel. Kraggenburg en de
vaarweg van Zwolle naar zee. Publicaties van de
IJsselacademie nr. 126. Kampen 2000. (Prijs
ƒ29,95. 216 pp.)
Ruim anderhalve eeuw geleden ontstond in de
Zuiderzee een kunstmatig opgeworpen eiland:
Kraggenburg. Hier werd een haven aangelegd,
met daarbij een lichtwachterswoning. Het geheel
lag aan het eind ‘van de vaarweg van Zwolle naar
zee’, het Zwarte Water, dat door twee leidammen
van vijf en zes kilometer lang was verlengd. De
bedoeling was om op die manier het Zwolsche
Diep (gelegen aan de monding van de rivier) beter
bevaarbaar te maken. Deze geul was weliswaar
noch Zwols, noch diep, maar had zijn naam te
danken aan het feit, dat de stad er bakens stak en
tonnen legde. Zwolle had er dan ook alle belang
bij de vaarweg bevaarbaar te houden, omdat die
de toegang vormde tot de wereldzeeën. Dit belang
nam toe mét de concurrentie, vooral die uit Kampen
en Embden.
Een groep Zwolse notabelen stichtte daarom
in 1844 -vanuit de Overijsselsche Vereeniging tot
Ontwikkeling van Provinciale Welvaart, kortweg
‘Welvaart’- de ‘N.V. Maatschappij tot verbetering
van den handelsweg over het Zwolsche Diep,
mede door landaanwinning’. Het was deze ‘Zwolse-
Diepmaatschappij’ die de genoemde leidammen
en Kraggenburg tot stand bracht. De naam
van deze plaats was ontleend aan de kraggen die
werden gebruikt als onderlaag voor de dammen;
een noviteit die werd geïntroduceerd door ir.
B.P.G. van Diggelen. Zijn inzending voor een
prijsvraag waarbij werd gevraagd om plannen ter
verbetering van de vaarweg door het Zwolse Diep
werd beloond met de eerste prijs. (Al was hij de
enige inzender, de waardering voor zijn bijdrage
was er niet minder om.)
Het ontstaan van Kraggenbrug is slechts één
van de onderwerpen, de opmaat, in het boek
Kraggenburg en de vaarweg van Zwolle naar zee. De
beide auteurs, Aaldert Pol en Gerrit van Hezel,
belichten niet alleen de technische aspecten van
dit waterstaatkundig meesterwerk, maar gaan ook
uitgebreid in op de politieke perikelen vóór en na
de totstandkoming ervan. De tegenstand kwam
van verschillende kanten. Aanvankelijk vooral van
Gouverneur Jan Derk van Rechteren, die vond dat
een dergelijk project een taak was van het openbaar
bestuur. Geheel onverdacht was zijn kritiek
niet, want de Gouverneur leek meer op te hebben
met Kampen, waar zijn pleegzoons, de Van Hasselts,
een belangrijke rol speelden in de zeerederij.
Ondanks alles stelde hij zich echter wel coöperatief
op. Op 26 juni 1844 kreeg ‘Welvaart’ de concessie
voor de oprichting van de Zwolse-Diepmaatschappij
en in april 1945 waren de aandelen,
voor een bedrag van 350.000 gulden in totaal, voltekend.
Zelfs koning Willem II nam twintig aandelen
van 500 gulden per stuk. Aan het eind van
1848 kon op Kraggenburg de vlag in top. Maar
daarna begonnen de moeilijkheden pas goed. Er
kwam felle tegenstand van de kant van de kleine
schippers in Zwolle en de regio, die weigerden de
tol die met ingang van het nieuwe jaar zou worden
geheven, te gaan betalen. Ook beriepen zij zich op
het vrije gebruiksrecht van het Zwolse Diep als
openbaar vaarwater. Onder aanvoering van Willem
Jan Schuttevaêr – voorheen schipper en daarna
koopman te Zwolle – voerden ze felle acties. De
1.5 cent per ton laadvermogen en het jaagpadgeld
zouden hen ruïneren, zo betoogden zij. Bovendien
hadden zij voor hun kleine schepen helemaal
geen verdieping van de vaarweg nodig. Daarom
moest de tol niet worden geheven naar de tonnenmaat,
maar naar de diepgang van de schepen. Het
regionaal conflict werd een nationale zaak. Schuttevaêr
en de zijnen kregen belangrijke steun in de
persoon van minister Thorbecke van Binnenlandse
Zaken, die doordrukte dat de tarieven werden
verlaagd. De tegenstand bleef echter toenemen en
dit leidde er zelfs toe, dat in 1856 een parlementaire
enquête werd gehouden. (De tweede in de
geschiedenis, nadat hiertoe in de Grondwet van
1848 de mogelijkheid was geopend.) Tot resultaat
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
voor de schippers leidde dit vooralsnog niet, mede
omdat Thorbecke geen minister meer was. Toen
dat in 1862 echter wel weer het geval was, zorgde
hij er binnen enkele maanden voor, dat een tolheffing
naar diepgang (1.30 m) werd ingevoerd.
Voor de meeste schippers betekende dit dat zij
weer tolvrij konden varen. Voor de Zwolse Diepmaatschappij,
toch al geplaagd door gebrek aan
inkomsten en hoge onkosten, was dit het begin
van het einde. In 1875

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1999, Aflevering 3

Door 1999, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsma-van Hulten en
Wim Huijsmans
ZWOLLE
A R C HIE F
ot™J
001161
Ansichtkaart Grote Markt met Peperbus
Poststempel augustus 1961
‘Beste & Lieve Corrie
Opa is met vacantie in Zwolle en maakt het gelukkig
goed. Ik heb al veel gewandeld en mooie tochten
medegemaakt met Oom Jan. Het weer is best wel
watfrisch maar veel droog. Van Tante Adri heb ik
vanmorgen uit Italië de 2e brief gehad, ze heeft
prachtig weer en geen pijn dus ook zij geniet van
alles. Voor we van huis gingen hebben we je briefin
orde ontvangen. En nu Corrie, ik weet niet of je al
terug bent van vacantie maar in gedachten een flinke
kus van Opa en ook de hartelijke groeten van
Tante Nel, oom Jan en Neven en Litia(l).’
De Grote Markt was in het begin van de jaren
zestig nog een verkeersknooppunt. Op de ansicht
is een deel van de rotonde zichtbaar, die daar in
1929 werd aangelegd. Dat was noodzaak geworden
omdat het verkeer zich voor die tijd willekeurig
over het plein bewoog, hetgeen de nodige hachelijke
situaties opleverde.
Aan de op kaart zichtbare kabels hingen, bij
wijze van straatverlichting, lichtbakken.
Ongeveer midden op de kaart is goed het pand
Grote Markt 15 te zien, het huis met de gevelsteen
van ‘het Hondje’. Het huis was van 1922-1968
eigendom van H.J.G. Paanakker, winkelier in
schoenen. Dit pand was aan het eind van het vorige
jaar een prooi der vlammen, hierover elders in
dit tijdschrift meer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
In het vorige nummer heeft u de jeugdherinneringen
van Ank Meliesie-Appelhof over de Tweede
Wereldoorlog kunnen lezen, deze keer vertelt zij
vooral over haar lagere school tijd: de onderwijzers,
de bijnamen die deze en andere Zwollenaren
kregen, de zondagsschool en hoe vakanties toen
doorgebracht werden.
Een ‘hot item’ is de brand in december 1998 in
Het Hondje op de hoek van de Grote Markt en de
afbraak van het pand. Op dit moment is het een
open plek tegenover de Grote Kerk. Wim Huijsmans
en Johan Teunis onderzochten de geschiedenis
en de bouwkundige aspecten van het pand
aan de hand van archiefstukken, afbeeldingen en
de restanten van het pand zelf. Het wachten is nu
op de (her)bouw van dit beeld bepalende pand.
Tegenover Het Hondje ligt de Grote Kerk.
Hier speelde een eeuw geleden Baron van Aerssen
Beijeren van Voshol een belangrijke rol als president
kerkvoogd. J. Erdtsieck en B. Veltman
beschrijven het leven van deze standsbewuste persoon.
Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in het
bijeenbrengen van gelden voor de restauratie van
de Grote Kerk. Op de ansichtkaart uit 1961 onder
de kop ‘Groeten uit Zwolle’ is deze bekende plek
in de stad ook te zien.
Zeker de moeite waard zijn twee interessante
boeken die onlangs verschenen en die worden
besproken in het literatuuroverzicht: het ene over
Zwolse zilversmeden en het andere over een aantal
karakteristieke huizen uit het eind van de 19de
eeuw. Aan beide boeken is veel onderzoek voorafgegaan.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en wim Huijsmans 74
Herinneringen (2) J.A.M. Meliesie-Appelhof 76
Grote Markt 15, ‘Het Hondje’ Wim Huijsmans en Johan Teunis 81
Baron van Aerssen Beijeren van Voshol (1828-1914),
redder van de Grote Kerk J. Erdtsieck en B. Veltman 91
Boekbesprekingen 102
Mededelingen 104
Agenda 105
Auteurs 106
Omslag: Schoolfoto van Ank Meliesie-Appelhof. Kinderen, keurig met de armen
over elkaar, zitten in ouderwetse schoolbanken (foto: particuliere collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen (2)
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
De school aan de Turfmarkt,
met meneer
Kronenberg (particuliere
collectie).
School
Enige tijd geleden vond ik een oude schoolfoto
van de eerste klas van de lagere school.
Kinderen van zes of zeven jaar, keurig met
de armen over elkaar, zitten in ouderwetse schoolbanken.
Het zijn van die banken met een vak en
een inktpotje in het midden. Op school schreven
we met een kroontjespen: dunne lijntjes op en
dikke neer.
Ik zat op school II. Vroeger hadden de openbare
scholen een nummer in plaats van een naam.
Het hoofd van de school was meneer Jonkers. Wij
zeiden ‘meneer’ en niet ‘meester’, want dat zeiden
alleen de kinderen op de dorpsscholen het platteland.
Behalve meneer Jonkers waren er meneer
Jansen (een erg aardige onderwijzer) en meneer
De Mik, maar die heb ik nooit gehad. Van juffrouw
Weggemans en juffrouw Jagersma heb ik
wel les gehad.
Ik had geen hekel aan school. Rekenen vond ik
niet prettig. Cijferen ging wel, maar die vreselijke
sommen over een vat dat leegliep en over A en B,
die elkaar ontmoetten, hadden niet bepaald mijn
voorkeur. Taal vond ik fijn. Ik had veel fantasie en
ik vond het heerlijk om opstellen te maken.
Meneer Jonkers bij wie ik in de hoogste Mas zat –
er waren zeven klassen – was niet bepaald een
pedagoog. Hij heeft mijn tere kinderziel zeer
gekwetst met opmerkingen als: ‘Ga jij maar naar je
kaboutertjes en elfjes.’
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Zingen was ook één van mijn favoriete vakken.
We zongen tweestemmig versjes die de jeugd van
tegenwoordig waarschijnlijk niet meer kent: ‘Op
de grote stille heide’, ‘Hela, gij bloempje, slaapt gij
nu nog’ en de vaderlandse liedjes, zoals ‘Waar de
blanke top der duinen’ en ‘O schitterende kleuren
van Nederlands’ vlag.’
Ook de tekenuurtjes waren gezellig, al was ik
beslist geen tekentalent. Uit het hoofd tekenen –
vooral poppetjes – was leuk, maar om een rechte
lijn langs een lineaal te trekken vond ik al moeilijk!
En dan moest je ook nog handwerken. Het
enige prettige eraan vond ik dat juffrouw Jagersma,
die ons handwerkles gaf, altijd voorlas. De
meeste tijd bracht ik door achter de stoel van de
juf om op mijn beurt te wachten om te worden
geholpen. Er was altijd wat. Steken vielen in het
breiwerk, een draad raakte in de war, enzovoort.
Door mijn ongeduldige karakter was ik overal
meestal erg vlug mee, maar met handwerken
kwam ik altijd achteraan. Aan de meeste werkstukken,
waar veel handige klasgenootjes al mee
klaar waren, kwam ik nooit toe. Toch kreeg ik
altijd een voldoende, al had ik die beslist niet verdiend.
Het is op dit gebied nooit goed gekomen
met mij!
Stadhuis
Hoewel ik alleen de eerste zeven jaren van mijn
leven in de binnenstad heb gewoond, heb ik daar
toch prettige herinneringen aan. Zwolle was toen
een gezapige ambtenarenstad en er was nog weinig
verkeer. Vanuit ons huis aan de Oude Vismarkt
keek je uit op de Pius-sociëteit, op de hoek
van de Rode Haansteeg. De groenteboer en de
melkboer kwamen aan huis met paard en wagen.
Het was groot feest als je even op de bok mocht
zitten. Soms speelden we op het Gasthuisplein,
onder de prachtige oude kastanjebomen die in het
voorjaar pronkten met hun ‘kaarsen’ en waar in
het najaar glanzende bruine kastanjes uit vielen.
Wij verzamelden ze en maakten er poppetjes en
paardentomen van. Even verderop was de botermarkt
– de Nieuwe Markt- naast het postkantoor.
Daar verkochten de boerinnen uit de omgeving,
getooid met witte ‘knippiesmutsen’, boter en
eieren. Ze hadden grote klepmanden bij zich.
Mijn moeder ging vaak met mij wandelen in
de Tuin van Eekhout. Het park bestaat nog altijd,
maar het heeft veel van zijn glorie verloren. Ik
vond het altijd erg leuk in het park. Er was een
grote volière met interessante vogeltjes. Ook was
er een grote zandbak. Terwijl de kinderen zich
daarin vermaakten zaten de moeders op een bankje
toe te kijken. Maar ik mocht er nooit in. Dat was
vies!
Het stadhuis heeft altijd een grote rol gespeeld
in mijn leven. Ik kwam daar al als kind omdat
mijn vader er werkte. Hij was verifkateur der
gemeentefinanciën. Ik vond dat een erg moeilijk
woord en het duurde lang voordat ik het zonder
haperen kon zeggen. Later kreeg mijn vaders
functie een andere naam: hoofd van de accountantsdienst.
Mijn vader moest van alle gemeentelijke
bedrijyen en instellingen de boeken controleren.
Een van de bedrijven waar hij kwam was de
gasfabriek – met de grote gashouders – die achter
de gevangenis stond. Die gevangenis sprak hevig
tot onze verbeelding. Soms zag je de ‘boevenwa-
Fietsen leren langs de
Oude Vismarkt; circa
1934 (particuliere collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De collega’s van G.B.
Appelhof van de afdeling
Financiën. Staand:
H. Santing, H. Hellendoorn,
F. Wienbelt, R.
Hogewind, R. Schriemer
en J. Scheper. Zittend:
Z.G. de Ruiter,
G.B. Appelhof W.
Peters (de atleet) en G.
Hoetink; 1948 (particuliere
collectie).
gen’ voorbijkomen. Wij, mijn vriendinnetjes en
ik, waren altijd benieuwd hoe die ‘boeven’ er zouden
uitzien.
Als ik mijn rapport had gekregen ging ik naar
het stadhuis om het aan mijn vader te laten zien.
Aan de Sassenstraat, links van de hoofdingang,
was een deur. Daarachter voerde een steile houten
trap naar de afdeling financiën, waar mijn vader
zat met zijn collega’s: meneer Peters – de bekende
atleet-, meneer de Ruiter, meneer Van de Wal en
meneer Schriemer. Al die ‘meneren’ bewonderden
het rapport, waarop steevast achten voor vlijt
en gedrag prijkten.
Die deur en die trap zijn er allang niet meer.
Mijn vader heeft het nieuwe stadhuis nooit
gekend.
Kerken
Mijn ouders kwamen allebei uit een hervormde
familie. Als dit niet het geval was geweest, dan
hadden hun ouders zeker grote bezwaren tegen
hun verkering hebben gehad. In het algemeen huldigde
men het standpunt: Twee geloven op één
kussen, daar slaapt de duivel tussen.
De familie van mijn vader ‘kerkte’ in de Grote
Kerk. Dit gebouw was vanuit hun woning, Voorstraat
5, in een minuut te bereiken. Mijn vader
vertelde dat hij nog wel eens spijbelde. Na de
dienst stelde hij zich ergens verdekt op om aan zijn
vrienden te vragen waar de dominee over had
gepreekt. Want dat werd door zijn vader altijd
nagevraagd.
Ik’ben gedoopt en heb belijdenis gedaan in de
Grote Kerk, bij dominee Van Noppen. De catechisaties
bij deze predikant, in het catechisatiegebouw
aan de Kamperstraat, waren erg prettig. Hij
had zelf geen kinderen, maar hij hield er erg veel
van. Als de ijsclub aan het Groot Weezenland geopend
was schaatste hij ondanks zijn hoge leeftijd
(als kind vond je iedereen boven de twintig al
oud!) met een hele sliert catechisanten achter zich
aan.
Toch had ik iets met de rooms-katholieke
kerk. De kerkgebouwen vond ik altijd heel interessant.
Ze hadden iets mysterieus, met al die beelden
en wierookgeur. In de vakanties logeerden mijn
nichtje uit Enschede, dat even oud is als ik, en ik
altijd bij elkaar. In de kerstvakantie liepen wij de
katholieke kerken af om kribjes te kijken. We liepen
van de kerk aan de Ossenmarkt naar de
St. Michaëlskerk aan de Roggenstraat.
In onze lagere schooltijd moesten we iedere
zondagochtend naar zondagsschool. Die werd
voor de kinderen uit de Wipstrikbuurt gehouden
in de Koningin Emmaschool aan de Jacob Catsstraat.
Broeder van de Grijp, die met een zuster
van mijn vader was getrouwd, en de heer Bieringa,
de deurwaarder, hadden de leiding. We hadden in
de eerste jaren les van een juffrouw. Die vertelde
verhalen die ik niet altijd begreep. In één verhaal
kwam de zin voor: ‘En Siepie was sociaal, weten
jullie wat dat is?’ Ik wist helemaal niet wat dat voor
vreselijks was. Later leerde ik dat dat ‘rood’ was.
Die ‘rooien’ hielden niet van de koningin. Dat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
vond ik heel erg, want heel jong was ik al koningsgezind.
Logeren
Het was vroeger niet vanzelfsprekend, dat je de
vakantie buiten de stad doorbracht. En een reis
naar het buitenland was slechts voor enkele
bevoorrechten weggelegd. Veel vakantie had men
trouwens niet. De meeste mensen waren hoogstens
twee weken per jaar vrij. Bovendien werkte
men ook op zaterdagmorgen, zodat een lang
weekeinde er niet bij was. De lagere schoolkinderen
hadden ongeveer tien dagen paas- en kerstvakantie
en vier weken grote vakantie. De herfstvakantie
duurde drie dagen en daar was dankdag bij
inbegrepen.
Wij zijn wel enkele malen in Katwijk en Doetinchem
met vakantie geweest. We logeerden in
een pension. Eenmaal gingen we naar het buitenland
en daar was ik hevig trots op. Vanuit Doetinchem
zijn we een dagje in Kleef geweest, net over
de Duitse grens.
Meestal gingen we in de vakantie ergens logeren
of we hadden logees. Als mijn ouders een
avond uitgingen, mocht ik bij oma aan de Voorstraat
logeren. Ik sliep in de alkoof, grenzend aan
de woonkamer. Dat was heel interessant want
door de kier van de deur zag ik licht schijnen en
kon ik alles horen wat er in de kamer gebeurde.
Oma was heel zorgzaam. Het was erg warm in de
alkoof, maar ik moest en zou een wollen omslagdoek
van haar om mijn geringe schoudertjes
slaan: ‘anders krijg je kolde arms.’ Ik vond dat
‘arms’ erg stom klinken.
Meestal logeerden mijn nichtje en ik bij elkaar.
We schuimden de hele stad af. We gingen naar de
Voorstraat, het ouderlijk huis van haar moeder en
mijn vader, en naar de Ruysdaelstraat, waar haar
oma van vaderszijde woonde. Om één of andere
‘duustere’ reden vonden we het hevig interessant
om achterbuurten te bekijken. We hadden een
voorkeur voor hele smalle straatjes. In één van die
steegjes kwam ons eens een vrouw tegemoet, die
tegen ons zei: ‘Kinderen, jullie moeten teruggaan.
Dit is niets voor jullie.’ We deden dat braaf, maar
we waren ontzettend nieuwsgierig, wat voor vreselijks
daar zou zijn gebeurd als wij verder waren
gelopen. We vertelden thuis natuurlijk niets over
onze escapades! Ik herinner mij de vakanties als
een heerlijke tijd.
Tijdens een vakantie
aan zee, kon je ezeltje
rijden langs het strand;
I930 (particuliere collectie).
Broeder A. van de Grijp
(links in zwart pak) gaf
leiding aan de zondagschool.
Hij was wijkverpleger
en hij was een
oom van J.A.M. Meliesie.
Rechts zitten twee
andere ooms allebei Jan
geheten; ervoor Dicky
Appelhof; 1930 (particuliere
collectie).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bij familie in Deventer
stond een schommel in
de tuin; circa 1934 (particuliere
collectie).
Bijnamen
In veel plaatsen en gezinnen kent men het gebruik
van bijnamen. Die worden zo hardnekkig
gebruikt, dat men de werkelijke naam van de persoon
nauwelijks kent of zelfs nooit heeft gekend.
Vroeger kende elke autochtone Zwollenaar ‘de
kalken neüze’, ‘de golden poot’ en ‘Billy-zoek-defout’,
zoals burgemeester Mooiweer ook wel werd
genoemd. In de vorige eeuw waren er nog veel
meer bijzondere namen, zoals in het oude liedje
van ‘Diene met de musse en de waterbusse’ is te
horen.
Thuis hadden we ook voor diverse mensen bijnamen.
Een kennis, van wie de vooruitstekende
kin duidelijk zichtbaar was, noemden we ‘het laatste
kwartier.’ Het had natuurlijk ook het eerste
kwartier kunnen zijn als hij de andere kant op
keek! Dan was er een juffrouw, die werd aangeduid
als ‘het eeuwige leven’, omdat ze een vooruitstekende
onderlip had. Mijn moeder zei namelijk:
‘Als ze de laatste adem uitblaast komt die er bij
haar neus weer in.’ Toen ze werkelijk haar laatste
adem uitblies heeft ze waarschijnlijk een verstopte
neus gehad! Dan hadden we ’tuutien-kus-mieeens.’
Waar dat op sloeg weet ik niet meer. Verder
kenden we Zebedeüs en zijn zonen Habakuk en
Mordegai. Bijbels klopt dit helemaal niet.
Later op de HBS hadden we voor bijna iedere
leraar een bijnaam. Maar die hadden ze al jaren.
Natte his – zoals biologie werd genoemd – werd
gegeven door ‘de Bezem.’ Het verhaal ging dat
toen ze voor de eerste keer les gaf, leerlingen
klaagden dat ze heel anders les gaf dan haar voorganger.
Daarop werd hen meegedeeld: ‘Nieuwe
bezems vegen schoon.’ Haar opvolger werd ‘de
stofzuiger’ genoemd! De leraar Frans, die Zijlstra
heette, werd omgedoopt tot Sijmen. Dan was er “t
Heufd’ voor wiskunde (wiskunde is predeskunde,
als je niet oplet leer je het nooit, zei hij altijd). Verder
waren er de ‘Ober’, voor Duits, ‘Sam’ voor
geschiedenis, ‘de Paf voor aardrijkskunde en
‘Ghandi’ voor een magere wiskundeleraar. Tenslotte
waren er ‘ome Jan’ en ‘de Sik’, maar die
waren vóór mijn tijd. Het geven van bijnamen is
een beetje in onbruik geraakt al zullen er zeker nog
gezinnen zijn, die onderling iemand bij een zelfbedachte
naam noemen. En in dorpen zal het ongetwijfeld
nog wel voorkomen. Zwolle is ei: echter te
groot voor geworden!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
Grote Markt 15, ‘Het Hoïïdje’
Vlak bij de Grote Kerk, op de plaats waar de
Grote Markt overgaat in Voorstraat en
Luttekestraat, staat op de hoek het pand
Grote Markt 15, beter bekend als Het Hondje. Dit
gedeelte van de Grote Markt, met de Peperbus op
de achtergrond, is één van de meest afgebeelde
plekjes van de stad Zwolle.
Het hondje of’t untien
Omdat huisnummering in vroegere tijden ontbrak,
hadden veel panden vanaf circa 1600 een
naam. Een groot aantal mensen kon niet lezen of
schrijven, daarom werd zo’n huisnaam met
behulp van een afbeelding duidelijk gemaakt. Uithangborden,
windvanen, muurschilderingen en
gevelstenen werden hiervoor gebruikt. Zo wisten
vreemdelingen bij welk huis ze moesten zijn.
Anderzijds was het ook een vorm van reclame
voor het bedrijf dat in het betreffende pand werd
uitgeoefend.
Het hondje met het jaartal ‘1669’ zou herinneren
aan de laatste torenbrand van de Grote- of
St. Michaëlskerk, toen de bliksem in de spits was
geslagen. Volgens sommigen was het hondje het
enige slachtoffer. Een andere lezing meldt daarentegen
dat het hondje ongedeerd onder het puin
vandaan kwam. Het is niet meer te achterhalen
welke versie juist is.
Op een schilderij van de Zwolse schilder Jan
Grasdorp waar de torenbrand van 1669 staat afgebeeld,
is in de voorgevel (trapgevel met midden
pinakel) de gevelsteen met het hondje te zien.
Vanaf 1665 stond dit pand al bekend als Het
Hondje of op zijn Zwols Et Untien. In dat jaar
kwam deze huisnaam voor het eerst in een
archiefstuk voor. Het jaartal 1669 is misschien aan
de gevelsteen toegevoegd omdat er in dat jaar bij
de val van de toren van de Grote Kerk daadwerkelijk
een hond betrokken was, die daarbij of het
leven liet of wonderwel levend onder het puin
vandaan kwam. Het blijft gissen.
In de zestiende eeuw was in het pand een kuiperij
gevestigd. Vanaf 1557 stond het pand dan ook
bekend als De Kuip. Het is een logische plaats voor
een kuiperij, omdat tegen de Grote Kerk, op de
plaats van de huidige consistoriekamer, het Stadsvleeshuis
was aangebouwd. Bovendien was op de
hoek van de Voorstraat en de Luttekestraat sinds
1600 de Stadswaag gevestigd. De gewogen boter
werd in tonnetjes of kuipen verpakt en in het
nabijgelegen Vleeshuis wilde men weten wat voor
vlees men in de kuip had. In het vleeshuis werd het
vlees o.a. op kwaliteit en versheid gecontroleerd.
De aanwezigheid van een kuiperij in de nabijheid
van beide stedelijke instellingen bood de kuiper
een goed bestaan.
Wim Huijsmans en
Johan Teunis
Gevelsteen met het jaartal
1669 en het hondje
waaraan het pand zijn
naam ontleend (foto
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Grote Markt,
DJ. van Elten, 1782
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
De Grote Markt,
A. Serné, 1834
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Midden in de stad was door overkluizing van
de Grote Aa een marktplaats ontstaan. Op de
kaart van Joan Blaeu (1640) zijn de overkluizingen
te zien. De westgevel van de Grote Markt bestond
toen nog uit vijf panden. Op een schilderij van
Derk Jan van Elten (1782) zien we de vijf gevels
gedetailleerd weergegeven. Een schilderij van A.
Serné uit 1834 laat nog steeds de gevelsteen met het
hondje in de voorgevel zien. In 1851 kwam daar
verandering in, toen JJ. Cavaljè in het pand een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tabakszaak opende. Precies boven de ingang liet
de tabakshandelaar een houten bord met de tekst
‘Tabak’ aanbrengen. De gevelsteen met hondje
werd verwijderd en verhuisde naar de zijgevel.
Tientallen jaren werden in het pand rookwaren
verkocht. In 1915 verdween het sigarenmagazijn en
kreeg het pand de bestemming van schoenmakerij
met als specialiteit het maken van maatschoeisel.
Tot 1968 bleef het een schoenenzaak. In hetzelfde
jaar openden de huidige eigenaren, de gebroeders
Van Beek, er een lederwarenzaak. Daarna verhuurden
de Van Beeks het pand aan een traiteur
met veel Italiaanse specialiteiten. Tot aan de brand
van 1998 was het pand in gebruik bij de Febo.
De brand
De landelijke keten van Febo snacks vestigde zich
in het begin van de jaren negentig in het pand.
Vooral in de kleine uurtjes van het weekeinde trok
de automatiek veel publiek uit omliggende straten
waar het Zwolse uitgaansleven zich afspeelt. Het is
dan in de Voorstraat en bij de Febo drukker dan
op een doordeweekse dag. Er zijn al heel wat
meningsverschillen, vaak als gevolg van overmatig
De Grote Markt,
J. Poppel naar L. Rohbock,
derde kwart 19de
eeuw (collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Zwart geblakerd zijn de
muren van de belendende
percelen nadat
‘het Hondje’ tot de
grond toe afgebroken is,
11 februari J999
(Monumentenzorg,
Zwolle).
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zelfs de brandweerman
kijkt bedrukt wanneer
hij de uitgebrande resten
van ‘het Hondje’
ziet, 3 februari 1999
(Monumentenzorg,
Zwolle).
drankgebruik, voor of na een patatje-oorlog van
de Febo, op de Grote Markt uitgevochten.
Ondanks deze incidenten trok de snacksgigant
veel publiek.
Op de avond van tweede kerstdag 1998 was het
niet anders. Toch is dit voorlopig de laatste dag
dat er een hartige hap aan het adres Grote Markt 15
was te krijgen. Op de vroege ochtend van zondag
27 december werd er brand gemeld. Een steekvlam
in een frituurpan sloeg via de afzuiginstallatie over
naar de hogere verdiepingen. Gadegeslagen door
het uitgaanspubliek bestreed de brandweer het
vuur met groot materieel. Van een afstand keken
vier personeelsleden toe. Amper bekomen van de
schrik vertelde Zik Ria Soltan Ali aan de Zwolse
Courant hoe hij aan het werk was toen de zaak
opeens vol met rook stond. ‘Ik was bezig bij de
snackbar toen opeens een klant “brand” riep. Ik
keek om en zag vuur in de frituurpan. Het was een
kleine vlam, maar in bijna een minuut was het
vuur al boven. Ik heb meteen 1-1-2 gebeld. Toen ik
naar boven wilde gaan om mijn jas te pakken was
daar ook allemaal rook. Ik heb mijn jas laten liggen
en de klanten naar buiten gestuurd. Er was
geen tijd meer om het vuur te blussen. Het ging te
snel.’ De Febo-werknemer stond later klappertandend
te kijken hoe de brandweer het vuur bluste.
Het naast liggende pand Grote Markt 14, waar al
enkele jaren de cd / platenzaak Samsam is gevestigd,
liep enige brandschade op, maar vooral
waterschade. Van discotheek Roots, gevestigd
onder grand café De Harmonie, werd uit voorzorg
de inventaris uit het pand gehaald. Rond half vijf
’s morgens was de brand onder controle. Wel
duurde het nablussen nog lang. Op 28 december
kwamen nog steeds rookpluimen uit het pand.
Met behulp van een hoogwerker werden de smeulende
resten uit het pand geschept. Asbest dat in
het pand zat, werd door de brandweer verwijderd.
De naaste buren prezen het werk van de brandweer.
Als de brandweer niet zo snel was gekomen
dan waren er volgens hen nog meer panden in
brand gevlogen. Wel werden er vraagtekens gezet
bij de brandveiligheid van ondernemingen als de
Febo.
Op straat sprak men vlak na de brand niet
meer over het Hondje maar over ‘Hot Dog’ en
‘Fikkie.’
Bouwhistorische waarnemingen
In samenwerking met het Gemeentearchief Zwolle
en het Instituut voor Bouwhistorische Inventarisatie
en Documentatie (IBID) uit ‘s-Hertogenbosch
heeft de afdeling Monumentenzorg van de
gemeente Zwolle onderzoek verricht naar de
geschiedenis en bouwhistorie. Onderzoek in het
Gemeentearchief, het Stedelijk Museum Zwolle
en bij Monumentenzorg heeft gezorgd voor aanvullende
informatie. Tijdens en na de sloop hebben
de heren Van Beek, eigenaren van het pand,
gelegenheid geboden tot het verrichten van bouwhistorische
waarnemingen aan het pand. Behalve
de beide auteurs heeft Wijnand Bloernink van
het IBID een belangrijke bijdrage geleverd bij het
onderzoek van de geschiedenis van Het Hondje.
Hij heeft in opdracht van Monumentenzorg
Zwolle bouwhistorische waarnemingen gedaant
die grotendeels in dit artikel verwerkt zijn.
In januari, februari en mei van dit jaar is het
pand vijf maal bezocht. Het eerste bezoek was
oriënterend; tijdens het tweede en derde bezoek
kon via een hoogwerker de bovenzijde en buitenzijde
van het pand worden bekeken. Bij het vierde
bezoek was het pand gesloopt, op de kelder en de
rechter zijmuur en achtermuur, de gemene muren
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
met de buurpanden na. Tenslotte werd de kelder
tijdens het vijfde en laatste bezoek onderzocht.
Wegens de gevaarlijke toestand waarin het
huis zich bevond, was het moeilijk het huis binnen
te gaan; de muren waren ontzet, de vloeren onbetrouwbaar
en door de hitte waren de asbest dakplaten
verbrokkeld en in het pand zelf terechtgekomen.
Toch bleek het mogelijk om aan de hand
van hetgeen nog te zien was, enige voorzichtige
conclusies te trekken. Eerlijkheidshalve moet
opgemerkt worden dat ook gegevens zijn gemist.
Dat kan ook niet anders. De sloop heeft anderhalve
week geduurd en het was ondoenlijk daar
voortdurend bij te zijn.
Bouwhistorische constateringen
Het huis was gelegen op de hoek van een huizenblok
aan de Grote Markt tegenover de Grote Kerk
en grensde alleen rechts en achter aan zijn buurpanden.
Het was gebouwd op een L-vormige plattegrond;
een deel achter Grote Markt 14, het rechter
buurpand, behoorde ook tot het onderzochte
huis.
Voor de brand bestond het pand uit een kelder,
drie bouwlagen en een kap. Het gedeelte achter
het buurpand had waarschijnlijk een plat dak.
Merkwaardig is de knik naar buiten in de linker
zijgevel, ongeveer in het midden, die niet uit de
aard van de percelering valt te verklaren. De knik
correspondeerde bijvoorbeeld niet met de diepte
van het buurpand. Mogelijk speelde de omvang
van het tegenover het huis gelegen en nu verdwenen
stadsvleeshuis hier een rol. De kap was uitgevoerd
als een zadeldak met een dakschild aan de
voorzijde.
De kelder bestond, en bestaat, uit twee delen.
De voorkelder grenst aan de voorgevel en de rechter
zijgevel en is even diep als het buurpand, Grote
Markt 14. De achterkelder sluit daarop aan en
omvat een oppervlak die vrijwel het hele westelijk
deel van het huis omvatte; dus ook het deel achter
het buurpand. Links naast de voorkelder was een
strook van ruim 1.50 meter niet onderkelderd. De
voorkelder is oud en overdekt met ribloze kruisgewelven;
de recente achterkelder had een vlakke
zoldering van gewapend beton. Beide kelders zijn
geheel gepleisterd.
Alle balklagen waren enkelvoudig en van grenenhout.
Versierende elementen waren niet aanwezig.
De simpele sporenkap die niet door gebinten
werd ondersteund, was zonder borstwering
uitgevoerd. De binnenmuurtjes waren halfsteens
en fungeerden niet als bouwmuren.
De voorgevel die boven de pui nog gaaf aanwezig
was zal uit ongeveer het midden van de negentiende
eeuw dateren. Hij was uitgevoerd in schoon
metselwerk, drie vensterassen breed en aan de
bovenzijde beëindigd door een simpele kroonlijst.
De vensters waren afgesloten door middel van
strekken, die aan de onderzijde uitgevoerd waren
met een lichte porring. De ramen van de verdieping
waren zesruits schuiframen, die van de tweede
verdieping dubbele naar binnen draaiende
ramen, die ieder uit een paneeltje onder en twee
glasvlakken daarboven bestonden.
De linker zijgevel was boven de pui zowel van
binnen als van buiten geheel gepleisterd. Aan de
achterzijde zaten drie vensters: twee op de verdieping
en één op de tweede verdieping. De twee vensters
van de verdieping zaten op ongelijke hoogte.
Mogelijk lagen de hier aanwezige vloerniveaus ten
tijde van het aanbrengen van de vensters op verschillende
hoogte. Uit de gesloopte balklagen
bleek dit overigens niet. Bij de hoek met de voorgevel
zat de gevelsteen uit 1669 met het hondje.
Zicht op de uitgebrande
tweede verdieping van
‘het Hondje’, 3 februari
1999 (Monumentenzorg,
Zwolle).
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De pui van beide gevels bestond uit grote glasvlakken
en was modern. Tijdens de sloop bleek de
zijgevel te zijn opgebouwd uit IJsselsteenjes van
een oranje-gele tot lichtrode kleur (18 x 8 x 3,6 cm)
die sterk aan de zeventiende eeuw doen denken.
Ongeveer in het midden van de zijgevel, op de
tweede verdieping, bevond zich een dichtgemetseld
rond venstertje, een zogeheten oeil-de-boeuf,
dat eveneens op de zeventiende of vroege achttiende
eeuw wijst.
Na de sloop bleken de scheidingsmuren met
de buurpanden vol bouwsporen te zitten die deels
achter pleisterwerk waren verborgen. Frappant
was de aanwezigheid van dichtgezette balkgaten in
de achtergevel, de scheidingsmuur met Voorstraat
2. Dat wijst erop dat er, gezien de overspanning,
ook een bouwmuur moet zijn geweest evenwijdig
aan, en niet te ver van, deze achtergevel. Gezien de
omvang van de oude voorkelder kan deze eigenlijk
alleen maar op de scheidingsmuur tussen beide
kelders hebben gestaan, ter hoogte van de achtergevel
van het rechter buurpand zoals uit de
reconstructie van de bouwgeschiedenis zal blijken.
Een voorzichtige reconstructie
van de bouwgeschiedenis
Het huis dat in de nacht van 26 op 27 december
1998 afbrandde zal voor een belangrijk deel rond
het midden van de vorige eeuw, de geschatte
ouderdom van de voorgevel, zijn gebouwd. De
vloerhoogten en de verschijningsvorm van de balklagen,
evenals de plaatsing van de kap sluiten
zodanig op deze voorgevel aan, dat deze waarschijnlijk
in één bouwcampagne tot stand zijn
gekomen. De constructie van de sporenkap, zonder
gebinten of borstwering is ook karakteristiek
voor deze periode. Mogelijk vond deze ingrijpende
verbouwing plaats in 1851, toen er een tabakszaak
in het pand kwam en de gevelsteen met het
hondje naar de zijgevel werd verplaatst.
De halfsteens binnenmuren, aansluitend op de
negentiende-eeuwse vloerniveaus, kunnen nooit
ouder zijn. De kelders, achtergevel en linker zijgevel
zijn ongetwijfeld wel ouder. Op de datering
van de rechter zijgevel komen we terug.
De kelder lijkt het oudst. Een opmeting van
architect Karssing maakt duidelijk dat de situatie
hier oorspronkelijk heel anders was. De voorkelder
van Grote Markt 15 vormde een eenheid met
de kelder van Grote Markt 14, het rechter buurpand.
Deze oorspronkelijke kelder was tweebeukig;
in het midden stonden twee kolommen waarop
de kruisgewelven rustten, zes gewelfvakken in
totaal: twee breed, drie diep. De breedte van deze
kelder was binnenwerks 6.55 meter, een normale
maat voor een stadswoonhuis. Als de omvang van
het huis overeen kwam met het oppervlak: van de
kelder was het niet erg diep, de kelder mat binnenwerks
6.80 meter. Dat het huis aan de oost- of
westzijde verder doorliep dan de kelder is niet
helemaal uit te sluiten, maar voor de hand liggend
lijkt dit niet. In ieder geval was het huidige achterdeel
van het huis oorspronkelijk niet onderkelderd,
en waarschijnlijk ook niet bebouwd, waarover
verderop meer.
DJ. de Vries dateerde dit keldertype in de
tweede helft van de vijftiende of eerste helft van de
zestiende eeuw.1 Het ligt voor de hand om dit huis
te identificeren met het huis dat in 1557 bekend
stond als De Kuip. Als de latere huizen Grote
Markt 14 en 15 toen nog een eenheid vormden,
betekent dit dat hier aan de Grote Markt in de zestiende
eeuw vier huizen stonden, terwijl er volgens
afbeeldingen uit de zeventiende eeuw vijfstonden.
Het oude huis is blijkbaar gesplitst in twee huizen.
Hoe dit precies in zijn werk is gegaan is niet
eenvoudig te achterhalen. Beperken we ons eerst
tot de feiten.
De recent gesloopte linker zijgevel, opgebouwd
uit IJsselsteentjes, stond ruim 1.50 meter
links van de linker keldermuur. Het huis is aan
deze kant dus blijkbaar verbreed en het ligt voor
de hand dit met de splitsing in verband te brengen.
Het opgaande werk van de rechter zijmuur,
de scheidingsmuur met Grote Markt 14 is echter
met geheel andere stenen opgebouwd, groter en
roodbakkend. Het is dus onwaarschijnlijk dat de
beide muren in één bouwcampagne tot stand zijn
gekomen. Daar komt bij dat de scheidingsmuur
tussen beide huizen in de kelder, met zijn bochten
en slingers en op meerdere plaatsen ook nog eens
halfsteens, moeilijk gezien kan worden als deugdelijk
fundament voor de opgaande scheidingsZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
üïltekestraat en Grèote Markt
muur. Steenformaten waren in de kelder niet
zichtbaar maar de opmetingstekening geeft voor
de halfsteens muurtjes een maat van 10 centimeter
en voor de steens delen een maat van 20 centimeter.
Dit vormt een aanwijzing dat deze ook uit IJsselsteentjes
is opgebouwd, die in de linker zijgevel
immers respectievelijk 8 en 18 centimeter breed en
lang waren. Maten die met voegen en pleisterlagen
aardig in de buurt van de genoemde muurdiktes
uitkomen.
Alles wijst er dus op dat de huidige, nog
bestaande scheidingsmuur een vervanging is van
een oudere muur van circa 1640, zoals verderop
wordt betoogd. Dit kan ook een verklaring vormen
voor het feit dat in de scheidingsmuur geen
oudere balkgaten zichtbaar waren, hoewel niet is
uit te sluiten dat die nog achter het pleisterwerk
verborgen zaten. Voorlopig is de conclusie dat de
scheidingsmuur rond het midden van de vorige
eeuw is gebouwd als onderdeel van de verbouwing
van Grote Markt 15 of die van het rechter buurpand,
iets later in de tijd.2
Een tweede probleem wordt gevormd doordat
het niet onderkelderde achterdeel bij het huis is
aangetrokken. De zwaarte van de scheidingsmuur
tussen beide kelders maakt duidelijk dat hier oorspronkelijk
een zware bouwmuur stond, waarschijnlijk
een buitenmuur. De recent gesloopte
zijgevel uit de zeventiende eeuw leek tijdens de
sloop echter over de volle diepte van het huis, tot
Voorstraat 2 door te lopen. Toen was het achterdeel
dus al bebouwd. Het achterhuis had echter en
andere ruimtelijke opbouw dan het voorhuis. Dat
blijkt uit de aanwezigheid van de dichtgezette
Doorkijkje vanuit de
Luttekestraat naar de
Grote Markt, ca. 1925.
Op de zijgevel zijn een
aantal reclameborden
te zien: het Hotel-restaurant
Meiberg zat in
de Voorstraat op nummer
11 (thans firma
Runhaar). Het grote
bord van deAmsterdamsche
Spaarkas,
Damrak 48, wekt op om
een prospectus op te
vragen voor een storting
van f 2.50 per maand.
De verdeling van de
ramen in deze gevelwand,
het dak en de
twee deuren laat duidelijk
zien dat het linker
deel een apart pand was
met een deur en een
smal venster op de begane
grond en hierboven
een raam per verdieping
(Gemeentearchief
Zwolle).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schoenmagazijn ‘het
Hondje’ van H. Paanakker,
Grote Markt 15.
De etalage van de winkel
beslaat de hele voorgevel.
Op de hoek van de
Voorstraat en de Luttekestraat
is de winkel in
galanterieën van H. van
Oers (foto A. Meulenbelt,
ca. 1955; Gemeentearchief
Zwolle).
balkgaten in de huidige achtergevel, die aantoont
dat de balklaag hier een andere richting had dan
het voorste deel en uit het feit dat de vensters in de
zijgevel op de verdieping in hoogte verschillen en
tenslotte ook uit de sprong in de kroonlijst op die
plaats. Dit alles maakt een latere bebouwing van
dit deel waarschijnlijk.
De meest voor de hand liggende conclusie is
dat men in de zeventiende eeuw Grote Markt 14
afsplitste van het hoofdhuis en dit laatste tevens
naar links en naar achteren vergrootte, ten koste
van de open ruimte die hier voordien nog aanwezig
was.
Mogelijk had deze open ruimte de vorm van
een straatje dat de Voorstraat met de Melkmarkt
verbond. Op het schilderij uit 1782 van Derk J. van
Elten zien we aan de Melkmarkt ter hoogte van dit
straatje een heel smal huisje staan, mogelijk een
zijkamer van het grote middeleeuwse huis dat
daarnaast staat. In de loop van de tijd zal het
straatje zijn verkaveld en bij de huizen zijn aangetrokken.
Het fenomeen van losse bouwblolJcen op
de markt die in de loop van de tijd vastgroeien aan
oudere bebouwing, kennen we ook uit andere steden
zoals in Deventer rond de bebouwing aan de
Brink.
Wanneer vond deze ingrijpende verbouwing en
splitsing plaats? De schilderijen van Dirk J. van
Elten uit 1782 en Adrianus Serné uit 1834 laten beiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
de een huis met een trapgevel zien, die zoveel
overeenkomsten vertonen dat het beeld zeker
geloofwaardig is. Merkwaardig is de datering van
de bewaard gebleven gevelsteen: 1669. De afgebeelde
trapgevel is voor dat jaar wel erg ouderwets
uitgevoerd en lijkt eerder uit 1630 of 1640 te stammen.
In 1669 zou men eerder een gevel in Hollands-
classicistische trant verwachten, zoals de
halsgevel van het rechter buurpand, die ook op
beide genoemde schilderijen is te zien. Mogelijk
heeft de verandering van naam, in 1641 nog De
Kuip en in 1665 voor het eerst Het Hondje iets met
de bouw te maken. We houden het hier maar op
een datering van rond 1640 met als logische consequentie
dat de gevelsteen later is aangebracht. De
schilderijen laten zien dat het huis nog geen tweede
verdieping had en de kap wel een borstwering.
Op de zolderverdieping zaten in 1782 nog drie bolkozijnen,
ongetwijfeld uit de bouwtijd, en op de
vlieringzolder één. De recent gesloopte zijgevel
stamt met zekerheid ook uit deze tijd, evenals het
ossenoog dat na de brand zichtbaar werd. Op het
schilderij uit 1834, waarop de proporties wat zuiverder
lijken te zijn weergegeven dan op dat uit
1782, zien we dat het huis een hoge begane grond
heeft en een relatief lage verdieping. Deze ruimtelijke
structuur wijkt sterk af van het recent afgebrande
pand. De voor de sloop nog aanwezige
vensters in de gepleisterde zijgevel wijzen waarschijnlijk
op een achttiende-eeuwse verbouwing
van het huis, waarschijnlijk nog binnen de voor
ons onbekende zeventiende-eeuwse structuur.
Ook de schilderijen wijzen op moderniseringen
van het huis uit de achttiende eeuw: de pui- en
verdiepingsvensters, en tussen 1782 en 1834: de
vensters op zolderniveau.
Tijdens de herbouw van het pand in het midden
van de vorige eeuw werden de zeventiendeeeuwse
voorgevel, de vloeren en de kap gesloopt,
en waarschijnlijk ook het opgaande muurwerk
van de rechter zijgevel. Behalve de kelder, de achtergevel
en waarschijnlijk de achtergevel van Grote
Markt 14, bleef alleen de linker zijgevel van het
huis bewaard.3 Men zal toen de vensters achter in
de zijgevel hebben gehandhaafd en de rest van de
gevel hebben gepleisterd om ontsierende bouwsporen
aan het zicht te onttrekken.
Conclusie
Grote Markt 15 bestond voor de brand met enige
zekerheid uit een kelder uit de periode 1450-1550,
die is behouden, een linker zijgevel uit de periode
rond 1640, een voorgevel, balklagen en kap van
circa 1850. Van de bewaard gebleven scheidingsmuren
met de buurpanden is de ouderdom van de
achtergevel, tevens scheidingsmuur met Voorstraat
2 onbekend; waarschijnlijk zijn ze laat vijftiende-
of zestiende-eeuws. Hetzelfde geldt voor
de achtergevel van Grote Markt 14. De rechter zijmuur
dateert uit het midden van de negentiende
eeuw, behoudens het deel in de kelder dat uit rond
1640 zal dateren. Over de rechter zijmuur van het
achterdeel, met Grote Markt 13 valt niets zinnigs te
zeggen.
Sloop en herbouw
Door het lange doorsmeulen van de brand heeft
de constructie van het pand erg te leiden gehad.
Direct na de brand heeft Monumentenzorg Zwolle
het initiatief genomen om zoveel mogelijk van
het pand te behouden, of ten minste datgene wat
verloren dreigde te gaan te documenteren en te
fotograferen. Uit overleg tussen de eigenaar,
architect, de verzekeraar en de Gemeente Zwolle
bleek dat het pand niet te handhaven was. Toen
dit duidelijk werd, liet Monumentenzorg Zwolle
een bouwhistorische waarneming uitvoeren. Het
pand is geen geregistreerd gemeentelijk of rijksmonument.
Wel ligt het pand in het beschermd
stadsgezicht van de gemeente Zwolle en in een historische
omgeving.
De stedenbouwkundigen en monumentenzorgers
van de gemeente Zwolle adviseerden aan
de eigenaar om als uitgangspunt voor een nieuw
ontwerp voor een bouwstijl te kiezen die aansluit
bij de sfeer van de naburige bebouwing. Deze aanbeveling
voor een ontwerp in traditionele stijl
betekent niet dat eigentijdse materialen en vormgeving
taboe zijn, al wordt het toepassen van vlakken
met veel staal, beton en glas in deze historische
omgeving een bijna onmogelijke opdracht.
Of de langsgevel weer als zijgevel moet worden
opgetrokken is ook de vraag. Op deze commercieel
aantrekkelijke plek moet het bij een goed
ontwerp mogelijk zijn dat deze gevel zo wordt
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ingevuld dat deze ook vanaf de Luttekestraat zijde
voor een ondernemer interessant is. Deze overweging
zal bij het ontwerp zeker een rol spelen.
Indien de voorgevel nauwkeurig wordt gedocumenteerd
is een reconstructie van de voorgevel
ook bespreekbaar. Door de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg (RDMZ) en de medewerkers
van Monumentenzorg Zwolle zijn vijf architecten
aan de eigenaar voorgedragen. Van deze architecten
kon verwacht worden dat zij een opdracht met
succes konden afronden. Er werd door de heren
Van Beek geen gebruik gemaakt van het voorstel.
De opdracht werd verleend aan een architect die
niet op het lijstje voorkwam. Een opdrachtgever
weet over het algemeen wie hij als architect uitzoekt.
Dat is ook bij Het Hondje het geval. Van
Beek heeft voor herbouw van het afgebrande pand
gekozen. Hij zit hiermee op dezelfde lijn als de
Vrienden van de Stadskern. In de Zwolse Courant
van 6 januari 1999 gaf voorzitter dr. A.G.P. Cremers
te kennen dat de Vrienden het zouden
betreuren als het pand aan de Grote Markt helemaal
afgebroken zou moeten worden. Als het
inderdaad zover komt, hoopt hij dat er een pand
in de oude trant voor terugkomt. Op zo’n gevoelige
plek in de historische binnenstad moet je dat
gewoon durven, aldus Cremers.
Architectenbureau Karssing uit Hattem kreeg
van de Van Beeks de opdracht voor de herbouw
van het pand Het Hondje. In Zwolle heeft Karssing
restauraties uitgevoerd aan Sassenstraat 3
(restaurant Neeltje) en aan de panden boven de
porterne aan de Eekwal. Een plan voor de restauratie
van Praubstraat 19 is in voorbereiding. In
Hattem heeft de architect een aantal panden waaronder
Het Wheeme gerestaureerd. Volgens het
plan van Karssing wordt het pand opgetrokken in
de stijl van het afgebrande en gesloopte pand. De
voorgevel is een exacte kopie, in de zijgevel vindt
een aantal wijzigingen plaats. Met een knipoog
naar het verleden wil de architect ook een andere
onderpui aanbrengen. Voor en tijdens de sloop is
het pand door de architect nauwkeurig opgemeten
en gedocumenteerd. De gevelsteen, een aantal
kozijnen en een gedeelte van de lijstgoot werden
tijdens de sloop zorgvuldig verwijderd en opgeslagen.
Over historiserend bouwen wordt heel verschillend
gedacht. In 1964 vond in Venetië een Internationaal
Congres plaats van architecten, werkzaam
op het gebied van monumentenzorg. Op dit congres
werd een aantal richtlijnen vastgesteld,
sedertdien bekend geworden als het Charter van
Venetië. Het afgebrande pand mag dan geen
monument zijn, het stond in een historische
omgeving en kon zich op het eerste gezicht meten
met tal van Zwolse monumenten.
Verschillende disciplines die bij de (her)bouw
van Het Hondje zijn betrokken zoals de opdrachtgever,
de architect, de gemeente en de Welstands-
/monumentencommissie, hebben elk hun eigen
inbreng bij de totstandkoming van het nieuwe
hondje. Het is een hele toer om hier een pand neer
te zetten waar een ieder zich in kan vinden en dat
in de toekomst niet als brutaal of wellicht nog
erger, als suf wordt ervaren.
Noten
1. DJ. de Vries, De konstruktieve ontwikkeling van het
stadswoonhuis te Zwolle van 1300 – IJOO. Afstudeerscriptie
HTS, 1979.
2. De gravure van J. Poppel uit het derde kwart van de
negentiende eeuw laat Grote Markt 15 al wel zien
met een moderne gevel, terwijl nr. 14 nog zijn oude,
Hollands-classicistische gevel uit de zeventiende
eeuw heeft. Collectie Stedelijk Museum Zwolle.
3. De scheidingsmuur van het achterdeel met Grote
Markt 13 laat ik hier buiten beschouwing.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Baron van Aerssen Beijeren van Voshol
(1828-1914), redder van de Grote Kerk1
Onze oude kerken zijn vaak rijk aan
gedenkstenen. Ze roepen herinneringen
op aan het verleden en vormen ook een
bron van kennis van dat verleden. Ook in de Grote
of St. Michaëlskerk bevinden zich veel gedenkstenen.
Als u daar rondgewandeld heeft, is u ongetwijfeld
in de noordmuur aan de westelijke kant
een marmeren plaat opgevallen met goudkleurige
letters:
D(eo) O(ptimo) M(aximo) S(acra)
Ter Gedachtenis
aan de Herstelling van dit Kerkgebouw
door de Zorg van Kerkvoogden en Notabelen
onder het Praesidium van
Mr. W.F.E. Baron van Aerssen Beijeren van
Voshol
in de jaren
1882 tot 30 augustus 1896
is deze Gedenksteen alhier
door den Algemeenen Kerkeraad geplaatst
30 augustus 1897
De onthulling van deze gedenksteen geschiedde
op 30 augustus 1897 door de uiterst rechtzinnige
predikant ds. J. Vermeer, die met kwartjes en dubbeltjes
de benodigde kosten van ƒ 600,- had bijeengebracht.
Het was een dankbetoon aan de vrijzinnige
president-kerkvoogd Mr. W.F.E. baron
van Aerssen Beijeren van Voshol.2 Zonder de inzet
van deze laatste zou het hoognodige herstel van
het monumentale kerkgebouw niet tot stand zijn
gebracht. Wie was deze baron van Aerssen en wat
bezielde hem?
Afkomst
De familie Van Aerssen stamt af van een oud
geslacht uit de Zuidelijke Nederlanden. In de zestiende
en zeventiende eeuw kwam de familie door
banden met de Oranje-familie in hoog aanzien. In
1619 werd Francois van Aerssen door prins Maurits
in de ridderschap van Holland opgenomen; de
familie woonde toen in Sommelsdijk. Vanaf 1822
mocht de familie van Aerssen zich officieel tooien
met de titel ‘baron’.
Willem Frederik Ernst van Aerssen werd op 24
januari 1828 geboren in Deventer als zevende kind
van baron Albert Nicolaas van Aerssen en diens
tweede vrouw Antoinette Petronella Jacqueline
Rigano. Albert van Aerssen was officier en zou
zich tijdens de Belgische opstand van 1830-1839
onderscheiden, waarvoor hij het ridderkruis van
de Militaire Willemsorde ontving. Toen Willem
geboren werd, was Albert majoor. Toen het gezin
in 1834 naar Zwolle verhuisde, stond hij te boek als
Lieutenant Kolonel. Albert van Aerssen overleed
in datzelfde jaar. Zijn jongste zoon was toen zes
jaar.
J. Erdtsieck en
B. Veltman
v / D.O.M.
Gedenksteen in de Grote
ofSt. Michaëlskerk
(foto B. Veltman).
T E R G E D A C H T E N I S
– AAN DE HERSTELLING VAN DIT KERKGEBOUW,;,
ÏDOOR DEZORCVAN KERKVOO£DE.N EN .NOTABELE*!*-1
ONDER HET PRAESIBIUM VAN
iR.W.EËJARé’N VAN AERSSEN BfcUEREN V.ANVOSHOL
‘, ï ‘ INDE j;ATï EINf’
! • 1 8 8 2 TOT 30AUGUSTUS 1896,
as DEZE GEDENKSTEEN ALHIER . /:”’;’•.
DOOR DEN ALGEMEENEN KERKEIAAD GEPLAATST’
30 AUGUSTUS ia,8 7. ,
„.„„^ ,.._„ .>*.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. W.F.E. Baron van
Aerssen van Beijeren
van Voshol
(Iconografisch Bureau,
Den Haag).
In de tijd dat Willem van Aerssen opgroeide,
waren hiërarchische structuren van groot belang.
Iedereen behoorde op grond van zijn geboorte tot
een bepaalde stand: de geboorte bepaalde de
plaats in de samenleving. Het was de ‘dubbeltjes
en kwartjes’ maatschappij: geboren als het één
werd je nooit het ander. De verschillen kwamen
tot in de kleding toe tot uiting; zo waren er pettenen
hoedendragers.
De adel stond aan de top van de maatschappelijke
ladder. Tot 1848 speelde de adel zelfs staatsrechterlijk
een rol: de adelijke stand mocht de
leden van de Eerste Kamer kiezen. In 1848 werd dit
voorrecht officieel afgeschaft, maar een standenmaatschappij
bleef Nederland zeker nog tot na de
Eerste Wereldoorlog.
Rechterlijke macht
Willem van Aerssen was dus krachtens geboorte
voorbestemd om een aanzienlijke positie in de
maatschappij in te nemen. Hij doorliep het gymnasium
in Zwolle, waar hij prijzen kreeg voor zijn
goede prestaties. Daarna studeerde hij rechten in
Utrecht. Na zijn promotie op 11 mei 1855 koos Van
Aerssen voor een rechterlijke loopbaan. Hij begon
zijn 52-jarige carrière in 1856 met een aanstelling
als griffier bij het kantongerecht in Zwolle. In
1908, op 80-jarige leeftijd, nam hij afscheid als president
van de rechtbank alhier.
Als beginnend jurist vestigde Van Aerssen zich
in een huis aan de Sassenpoortenwal (nu Van
Nahuysplein). Zijn moeder, douairière Van Aerssen-
Rigano, woonde tot haar overlijden in 1875 in
het huis naast hem. Van Aerssen was inmiddels
gehuwd met Claudina Maria Caroline barones
Bentinck van Nijenhuis. Mr. Jan A.G. baron de
Vos van Steenwijk, burgemeester van Zwolle en
lid van de Eerste Kamer, was één van zijn zwagers.
In 1883, 27 jaar nadat hij als griffier begonnen
was, werd Van Aerssen geïnstalleerd als president
van de Zwolse Rechtbank. Zoals we nog zullen
zien, kende ook zijn nevenfuncties in de kerkvoogdij
en gemeenteraad zo’n lange aanlooptijd.
En dat terwijl hij toch het nodige aanzien genoot.
Vermoedelijk heeft dit te maken met het negentiende-
eeuwse idee dat men een zekere leeftijd
bereikt moest hebben om voor ‘vol’ aangezien te
worden. Het is echter ook mogelijk dat een gevoel
van plichtsbetrachting hem ervan weerhouden
heeft om zich op relatief jonge leeftijd uitbundig
bezig te houden met maatschappelijke activiteiten;
dit in tegenstelling tot de huidige tijd waarin
indrukwekkende lijsten met nevenfuncties vaak
een statussymbool geworden zijn. Van Aerssen
zag in ieder geval gaarne, dat een rechterlijk ambtenaar
zich geheel wijdde aan zijn ambt. Nevenfuncties
mochten niet meer tijd in beslag nemen
dan het eigenlijke ambt, zoals hij onder meer bij
zijn afscheid in 1908 benadrukte.
Van Aerssen behoorde tot de conservatieve
vleugel van het toen heersende liberalisme. Toen
het verwijt opkwam, vooral onder invloed van het
opkomende socialisme, dat de heersende rechtsgang
een klassejustitie was, pareerde hij dit fel. Het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
is echter geen boude bewering te stellen dat in de
toenmalige rechtsspraak met twee maten gemeten
werd. Het gewone volk werd ongetwijfeld harder
aangepakt dan de mensen uit de hogere standen.
Voor leden uit de eigen groep hadden rechters
meer begrip dan voor mensen van wie de levensomstandigheden
mijlenver van hen afstonden.
Vooral misdrijven tegen het eigendom werden
streng gestraft.
Toch bleef Van Aerssen een onkreukbare
jurist. Hij wilde op een gegeven moment graag de
Sociaal Democratische Bond veroordelen, omdat
deze een geweldadige omverwerping van de
bestaande orde propageerde. Toch zag hij ervan af
het aangeklaagde bestuur van de Bond te veroordelen
omdat het Wetboek van Strafrecht niet
voorzag in het probleem. Hij gaf in zijn vonnis wel
de hint om op dit punt het strafrecht aan te scherpen.
Overigens werd de Bond in hoger beroep te
Arnhem wel veroordeeld.
De politicus van Aerssen
Van Aerssen deed op 15 juni 1880 als lid van de
liberale fractie zijn intrede in de gemeenteraad.
Hij stelde zich daar behoudend op. Hij zette zich
onder andere in voor de verfraaiing van de oude
/stadswallen; zo ontstonden het Van Nahuysplein
en het Terpelkwijkpark. De belangen van zijn
stand indachtig, probeerde hij het ontwerp voor
de spoorbrug zo te maken dat ‘de heren er met
hunne rijtuigen zouden kunnen passeren.’
Minder voortvarend was hij toen er maatregelen
nodig waren op het gebied van de volksgezondheid.
In 1866 had zich een ernstige choleraepidemie
voorgedaan. Omdat de afvoer van fecaliën
te wensen overliet en het drinkwater van de
stadspompen gevaar liep besmet te worden, vonden
langdurige beraadslagingen plaats over een
verplichte invoering van het tonnenstelsel en over
de financiering hiervan. Van Aerssen en de zijnen
konden niet erg warmlopen voor deze plannen.
J. W. Meyer. ‘Thans
huis Baron van Aerssen’
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zij stelden zich integendeel zeer terughoudend
op. Zij beschikten immers over eigen waterputten
en konden het zonder de openbare watervoorziening
stellen.
Op 28 november 1892, na twaalf jaar, eindigde
Van Aerssens loopbaan als raadslid. Hij kreeg
meer en meer moeite met allerlei besluiten waar
hij niet achterstond maar die wel door zijn eigen
fractiegenoten ondersteund werden. Maar ook
zijn toenemende werkzaamheden voor de Grote
Kerk, waaraan hij meer genoegen beleefde, zullen
een punt van overweging geweest zijn.
Kerkvoogdij
Het instituut kerkvoogdij was in 1829 ingesteld om
te zorgen voor de financiële zaken van de kerk.
Voor 1795 had de overheid die taak uitgevoerd. De
kerkvoogdij beheerde als onafhankelijk lichaam
de financiën van de kerk en bemoeide zich alleen
met materiële aangelegenheden. De leden van de
kerkvoogdij werden benoemd door een college
van notabelen, die op hun beurt gekozen werden
door de lidmaten die bijdroegen aan de inkomsten
van de kerk. Dit was een beperkt gezelschap
omdat de meeste mensen weinig financiële middelen
hadden. Bovendien hadden de meeste mensen
weinig interesse om iets voor de kerk apart te
leggen. In 1908 bijvoorbeeld, vermeldde een
maandtelling als opbrengst van de collecten 66
halve centen en was de gemiddelde gift van de
kerkganger voor de kerkvoogdij 2 cent!
De kerk was overigens niet geheel zonder
bezittingen en vaste inkomsten. In Zwolle ontving
men een ‘rijkstraktement’ voor zes predikanten,
gebaseerd op het prijsniveau van 1810 (ƒ 600,- per
jaar). De kerk bezat bovendien verschillende landerijen
en fondsen. Daartegenover stond het
onderhoud van drie grote en oude gebouwen: de
Grote Kerk, de Broerenkerk en de Bethlehemse
kerk.
Van Aerssen werd in 1876 lid van de kerkvoogdij
van de hervormde gemeente in Zwolle. Twee
jaar later werd hij president van dit college, een
functie die hij tot 1914 – dus 36 jaar lang – bekleedde.
Het presidentschap van de kerkvoogdij was
altijd in handen van aanzienlijke mannen die grote
invloed hadden op de gang van zaken. In de
notulen die we over de periode Van Aerssen hebben
nagelezen komt dit ook duidelijk tot uiting.
Steeds weer klinkt het als een refrein: ‘de president
zegt’ … ‘hij is van mening’… ‘op voorstel van de
voorzitter’ enzovoorts. Van enig tegenwicht was
pas in zijn laatste jaren sprake. Uit de notulen krijgen
we een goed inzicht in de opvattingen van de
baron. We zouden hem een klassieke negentiende-
eeuwer kunnen noemen. Ter illustratie nemen
we enkele zaken onder de loep die regelmatig in de
notulen terugkeren.
Personeel
In de vorige eeuw had de hervormde gemeente
nogal wat personeel in dienst. Van vrijwilligerswerk
zoals we dat nu kennen was geen sprake.
Weliswaar vervulden kerkvoogden en kerkenraadsleden
hun functie op vrijwillige basis, maar
zij deelden alleen orders uit. Alleen de diakenen
hadden een rol bij de bijstanduitdelingen, maar
verder waren er voor elk karwei betaalde krachten.
Allereerst waren er de kosters, die kerkenknechten
onder zich hadden voor het zware werk.
De kerkenknechten waren op hun beurt weer
onderverdeeld in de eerste, tweede en derde
knecht. De kosters vormden de spil van het
bedrijf. In de notulen komen we de koster van de
Bethlehemse kerk tegen die in de kelder van deze
kerk woonde. Hij klaagde over de vochtigheid van
zijn woning met als gevolg dat een klein huisje
voor hem werd gehuurd in de Sassenstraat. Maar
men vond het jammer om de kelder onbewoond
te laten en daarom werd deze weer verhuurd aan
een ander. Niet zo vreemd, want er waren in die
tijd veel meer kelderwoningen.
Een koster van de Broerenkerk was diep in de
tachtig toen hij zijn werk niet meer aankon. De
kerkvoogden zagen dit wel in en gaven hem een
pensioen van ƒ 450,- per jaar. Om de schade te
beperken stelden ze een opvolger aan voor de helft
van het loon met als toezegging dat hij meer zou
krijgen als zijn voorganger was overleden; dat
gebeurde twee jaar later.
Onmisbaar waren ook de stovenzetsters. De
kerken werden pas aan het einde van de negentiende
eeuw verwarmd. Het zetten van stoven
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
werd verpacht aan iemand die vrouwen in dienst
had. Zij zorgden voor het warm maken en plaatsen
van de stoven. In elke kerk was een zogeheten
stovenhok. Het stoken van de turf, de walm en het
heen en weer lopen van de stovenzetsters, was
nogal eens een bron van irritatie. De gelden voor
de stoven werden wekelijks door de exploitant
geïnd.
Vervolgens was er een organist. Uiteraard was
dat een functie van een ander kaliber, maar ook hij
had helpers: de orgeltrappers. In de Grote Kerk
moesten er minstens zes zijn.
Verder was er een college van collectanten.3
Dit was een gezelschap uit de lagere burgerstand
voor wie dit een erefunctie was. Er stond geen
beloning tegenover, maar wel enkele faciliteiten
zoals een zitplaats tegen gereduceerd tarief of gratis
entree bij concerten in de kerk. Men werd
benoemd, maar men kon ook ontslagen worden
als er dingen gebeurden die niet goed waren in de
ogen van de kerkvoogden.
Ook was er een ziekentrooster. In 1896 functioneerde
deze man vanwege zijn leeftijd nauwelijks
meer, maar ontving nog wel zijn volle salaris
van ƒ 245,-. De kerkenraad had hierbij een oogje
toegedaan. De baron drong aan op ontslag maar
gunde hem nog wel een pensioen van ƒ 50,- per
jaar…
Een gewichtige kerkfunctionaris was de ontvanger.
Deze vergaderde altijd met de kerkvoogden.
Hij behoorde zelf ook tot de gegoede burgerij
en genoot een daarbij passend traktement. Deze
functie kon overigens ook alleen door kapitaalkrachtige
mensen vervuld worden, omdat er een
borgsom gestort moest worden van enkele duizenden
guldens.
De predikanten
De verhouding tussen predikanten en kerkvoogdij
was van geheel andere aard. De predikanten
waren veelal ook ‘heren van stand.’ Met hen
bestond geen arbeidsrechtelijke verhouding, maar
wel kon de kerkvoogdij de hoogte van het traktement,
pensioen of andere uitkering bepalen.
In de notulen komen herhaaldelijk te krappe
traktementen (ongeveer ƒ 2000,-) en uitkeringen
bij ouderdom aan de orde. Dergelijke geluiden
kwamen ook van orgeltrappers en kerkenknechten,
maar dan ging het om een paar gulden. Bij de
predikanten speelden veel hogere bedragen. Zonder
veel krimp werden soms kosten van enkele
honderden guldens vergoed.
In 1881 trachtte Van Aerssen de predikanten
tegemoet te komen op een wijze die de kerkenkas
niet zou bezwaren. Hij stelde voor om bij een
vacature deze plaats niet meer te vervullen en het
zo vrijgekomen bedrag te verdelen over de overige
vijf. De baron vond zes predikanten een weelde
met drie kerken. Bovendien vond hij dat voor het
godsdienstonderwijs best een godsdienstonderwijzer
aangetrokken kon worden. Dat was veel
goedkoper. Ook kon op deze manier wat aan de
pensioenen gedaan worden die veel te laag waren,
reden waarom de dominees zo lang bleven doorgaan.
De kerkenraad stond op zijn achterste benen
en wees Van Aerssen op nieuwe impulsen die van
een nieuwkomer zouden uitgaan. De baron vond
echter dat het nieuwtje er meestal snel afwas. Van
de predikanten had hij geen hoge dunk. Van Aerssen
hield lang aan zijn voorstel vast, maar uiteindelijk
wilde hij geen echt conflict en ging overstag.
Van Aerssen nam wel het initiatief om een
pensioenfonds voor predikanten te vormen. Daar
bestond destijds geen voorziening voor; een ieder
werd geacht voor zijn eigen oude dag maatregelen
te treffen. Maar als de nood aan de man kwam
betaalde de kerkvoogdij toch een redelijk bedrag
voor een emeritus of een weduwe.
Standen in de kerk
Binnen de kerk werkte het idee van de standenmaatschappij
net zo hard door als in de rest van de
samenleving. Dat kwam bijvoorbeeld tot uiting in
de positie van de drie Zwolse hervormde kerken.
De ene kerk was deftiger – en duurder – dan de
andere. Dat bleek uit de prijzen van de banken in
de kerken.
Na 1814 was het noodzakelijk de banken te verhuren
om inkomsten te verkrijgen. Op zichzelf
was het geen vreemde gedachte om voor de plaatsen
in de kerk geld te vragen, maar de uitvoering
was zeer tijdsgebonden. De plaats en de prijs in de
kerk reflecteerde namelijk de plaats in de maatschappij.
Zo vonden we een brief van iemand die
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
een duurdere plaats verlangde omdat hij in een
betere stand terecht was gekomen.
Vóór de Franse Tijd kenden de magistratuur,
de officieren en de adel overigens ook hun eigen
plaatsen, maar ze betaalden er niet voor. De meeste
mensen stonden of namen een krukje mee,
omdat de kerk niet vol geplaatst kon worden met
banken, omdat er in die tijd (tot 1829) nog mensen
in de kerk begraven werden.
Na de Franse Tijd werd er bij de zitplaatsen
onderscheid gemaakt in klassen en ook onderscheid
in mannen- en vrouwenplaatsen. Aanvankelijk
werden de plaatsen eenmaal per jaar verhuurd
aan de hoogstbiedende. Later werden vaste
prijzen berekend. Het meest geliefd waren de
zogeheten regeringsbanken. Oorspronkelijk
waren deze bestemd voor de stadsbestuurders,
maar later konden ze ook gehuurd worden.
De huurprijs hing mede af van de kerk. Zo
kostte in 1882 een zitplaats in de Grote Kerk achter
de meensliedenbank – recht voor de preekstoel –
ƒ 5,40 per jaar. De meensliedenbank zelf was met
ƒ 8,- per jaar geprijsd. Dezelfde plaats kostte in de
Broerenkerk ƒ 5,- en in de Bethlehemse kerk ƒ 3,-.
In 1909 waren er vier klassen en de prijs varieerde
toen van ƒ 6,- tot ƒ 1,25 per jaar. De armen werden
verwezen naar de Bethlehemse kerk, maar ook in
de Grote Kerk stonden banken ver achter de
preekstoel voor onvermogenden.
Bij herhaling werd de koster gemaand vooral
geen ‘onbevoegden’ op onbezette verhuurde
plaatsen toe te laten, ook al was de kerk stampvol.
Pas na 1900 werd toegestaan dat vrouwen die bij
een volle dienst geen zitplaats konden krijgen een
lege plaats mochten gebruiken.
Naarmate de tijd vorderde werd het gemor van
de vaste kerkgangers tegen de bankverhuur luider.
Vooral in het orthodoxe deel van de gemeente,
waar men herhaaldelijk geconfronteerd werd met
volle kerken terwijl men niet bij machte was een
vaste plaats te bekostigen, was de weerstand groot.
Maar baron van Aerssen piekerde er niet over om
verandering in het systeem te brengen. In vrijwillige
bijdragen zag hij niets. Wel kwam hij op de
lumineuze gedachte om plaatskaartjes van 25 en 10
cent uit te geven voor niet-verhuurde plaatsen.
Aardige bijkomstigheid is dat we hierdoor de toeloop
bij bepaalde predikanten kunnen nagaan.
Hoe meer kaartjes, hoe voller de dienst! Ook toen
bleek het meteen een middel om de rentabiliteit
van een dominee na te gaan.
Er waren ook plaatsen die weggegeven werden
aan bepaalde groepen. Oud-collectanten kregen
een bescheiden plaats, die ze alleen voor zichzelf
mochten gebruiken. De regeringsbank werd gereserveerd
voor aanzienlijker lieden, oud-kerkvoogden
en notabelen. Hun minderjarige zonen
mochten bij pa zitten; als die er niet was mochten
zij niet van de plaats gebruik maken. De koster
moest dus overal zijn ogen hebben en ook nog
beleefd blijven.
Vanzelfsprekend waren er ook plaatsen gereserveerd
voor familie en gasten van de predikanten.
Ook konden de onderofficieren en ‘minderen’
op (eigen) plaatsen rekenen tegen een gereduceerd
tarief.
Met de verhuur van kerkelijke ruimte was Van
Aerssen ook erg selectief. Een verzoek van het
Leger des Heils in 1896 om de Bethlehemse kerk te
mogen gebruiken werd afgewezen. Het ‘Leger’
had destijds nogal een ‘wild’ imago dat niet paste
bij het beeld dat Van Aerssen had van een godsdienstige
bijeenkomst en bovendien zinde de
sociale laag hem niet. Maar ook de Christelijke
Nationale Werkmansbond viste achter het net
toen zij om de consistoriekamer van de Grote
Kerk vroegen. Ze waren wel christelijk en netjes,
maar dat deze ‘arbeiders’ op de stoelen van de deftige
vergaderruimte zouden zitten, ging de baron
toch te ver.
Redder van de Grote Kerk
Tot dusver hebben we Willem baron van Aerssen
nogal kritisch bekeken en hem ervaren als een
echte regent, die zich veel moeite getroostte de
bestaande orde te handhaven. Zijn grote verdienste
is echter gelegen in zijn rol als redder van de
Grote Kerk.
De negentiende eeuw staat niet bepaald
bekend om z’n monumentvriendelijkheid, omdat
er toen heel wat waardevolle gebouwen zijn gesloopt
in naam van de vooruitgang.
De Grote Kerk leek dat lot ook beschoren. Het
gebouw stond er in de tweede helft van de eeuw
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
treurig bij en het leek of niemand zich om het
gebouw bekommerde. Hierin was baron van
Aerssen een van de weinige uitzonderingen.
Direct na zijn benoeming als kerkvoogd stelde hij
het herstel van de ramen aan de orde. Toen hij nog
maar net president was geworden, startte hij het
herstel van het oude doophek uit 15

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1998, Aflevering 3

Door 1998, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
N.V. HOTEL V. GUTENBEEK • ZWOLLE TEL 314] (3 LIJNEN)
Ansichtkaart Hotel Van Gijtenbeek
Poststempel 1950
Lieve allemaal.
Ben hier zojuist uit Hardenberggearriveerd en zit op
F. en E. te wachten. Hardenberg is prachtig, echt
voor jullie om eens heen te gaan. Gisteren was
prachtig weer, we zijn veel met de auto uitgeweest,
hebben zelfs op Duitsch grondgebied gestaan. Hartelijke
groeten aan alle huisgenoten en tot maandag
jullie Heleen.
Vijftig jaar lang, van 1929 tot 1979, was Hotel Van
Gijtenbeek gezichtsbepalend voor het Stationsplein.
Van Gijtenbeek was het – bijna klassieke –
tegenover een station gelegen hotel; soortgelijke
gelegenheden vond men in veel steden op eenzelfde
locatie. Vanwege de veranderde mobiliteit is de
functie van deze hotels de laatste decennia vaak
overgenomen door dicht bij de snelweg gelegen
motels. Daar overnachten nu vertegenwoordigers
en passanten, vinden vergaderingen en cursussen,
recepties en feesten plaats, zoals dat vroeger allemaal
bij Van Gijtenbeek gebeurde. Hotel Van Gijtenbeek
was minder chique dan het nabij gelegen
Hotel Wientjes, maar het was degelijk en goed in
zijn soort.
Vóór 1929 stond op dezelfde plek een kleiner
hotel, Beenen genaamd. Dit hotel was in het begin
van de jaren twintig door de heer G. van Gijtenbeek
overgenomen. Na een uitvoerige verbouwing
kreeg het hotel in 1929 het vertrouwde uiterlijk,
zoals dat op de ansichtkaart staat afgebeeld. In
1979 werd Hotel Van Gijtenbeek gesloopt om
plaats te maken voor het Zwolse hoofdkantoor
van de AMRO-bank. In dit huidige ABN-AMRO
kantoor zijn de oorspronkelijke contouren var
het oude hotel nog terug te vinden; bij de bouw is
hier bewust naar gestreefd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
Deze aflevering opent met het tweede deel van de
geschiedenis van het Vliegerhuys in de Nieuwstraat.
De historie wordt nu verteld vanaf 1784 tot
aan de meest recente tijd.
Wil Cornelissen laat ons nog eens proeven hoe
zoet de dikke melk van zijn moeder en van Theetuin
Thijssen smaakte.
R.Th.M. van Dijk beschrijft in zijn artikel over
de ligging van het klooster Windesheim dat hij in
de kroniek van het Agnietenbergklooster
(geschreven door Thomas van Kempen) argumenten
ziet voor een vindplaats ten zuiden van de
Windesheimse Dorpsstraat.
Dokter (en doctor) Ben Kam blijft dicht bij
zijn stiel en beschrijft de interessante en veelal
onbekende geschiedenis van het geneeskundig
badhuis aan de Badhuiswal en de levensloop van
diens stichter dr. E.T. Schaepman.
Mevrouw Leussink en mevrouw Pruim transcriberen
de handelingen en resoluties van de hervormde
gemeenteraad en vertellen daaruit het
hilarische verhaal van de halsstarrige Joris Meesters
die rond 1658 weigert zijn schoonzuster Lysbet
de Swaan voor de kerken raad te laten komen. Leiden
is in last!
En, als altijd staat hiernaast de ‘petite histoire’
die de voor- en achterkant van een ansichtkaart
kunnen opleveren in de rubriek Groeten uit Zwolle.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 74
Vierhonderd jaar Nieuwstraat 55(2) A.M. W. Wiegerinck-van Wiechen
en G.F.A.M. Wiegerinck ‘ 76
Dikke melk Wil Cornelissen 81
Thomas van Kempen over Windesheim R.Th.M. van Dijk 82
Het Badhuis van Schaepman: een dokter die zijn tijd ver vooruit was
Ben Kam 89
De perikelen van procureur Joris Meesters Riet Leussink en
Jennie Pruim 96
Literatuur 100
Mededelingen 102
Agenda 103
Omslag: Schilderij van Thomas van Kempen met op de achtergrond het klooster
waar Thomas leefde en werkte, het Agnietenbergklooster (Stedelijk Museum
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vierhonderd jaar Nieuwstraat 55 (2)
A.M.W. Wiegerinckvan
Wiechen en
G.F.A.M. Wiegerinck
De familie Vos de Wael
De jongste dochter van Arnoldus Helmich,
Arnoldina Antonia, huwde in 1784 op 24-
jarige leeftijd met Gerardus Everhardus
Vos de Wael. Zij werden de nieuwe bewoners van
het huis. Gerardus was in 1749 in Den Haag geboren,
maar doordat in 1750 zijn familie naar Zwolle
verhuisde, werd hij in Zwolle gedoopt.
De familie Vos de Wael was zeer vermogend.
Gerardus was bijvoorbeeld in het bezit van een
huis in Venlo, de stad waar alle negen kinderen
van Arnoldina en hem werden gedoopt. In 1802
kocht hij ook nog een huis in de Schoutenstraat in
Zwolle. Door de scheiding van kerk en staat was
het na 1798 mogelijk dat ook rooms-katholieken
openbare ambten bekleedden. Zo werd Gerardus
tussen 1803 en 1810 burgemeester en wethouder te
Zwolle. Vos de Wael kwam uit een muzikale familie;
zijn vader speelde de gamba en zijn moeder
klavecimbel. Zijn kinderen kregen een muzikale
opvoeding met zang- en pianolessen aan huis. Met
hun vader bezochten zij bovendien regelmatig
concerten.
Gerardus Vos de Wael zette de traditie van
verbouwingen voort. In 1807 liet hij 25 nieuwe
ramen in de voor- en achtergevel zetten, met daarin
84 ruiten van ‘best Boheemsch glas zonder boggels
of drayingen’. Deze ruiten zaten in 1943 nog
steeds op hun plaats. Een jaar later leverde de
Erven Quillot Smit twee marmeren schoorsteenmantels.
In 1826 werd er een muur tussen het huis
van Vos de Wael en dat van Van der Wijk
geplaatst.
Nadat in 1807 het secreet opnieuw was geleegd
en de ongetwijfeld geurige inhoud ‘in den hol
agter ’t ijseren hekje in de grond gesmeeten’ was,
waren de bewoners het gebruik van een secreet
achter in de tuin zat. In 1829 werd het secreet ge-
‘ruyineerd’, ofwel gesloopt.
In 1830 overleed Gerardus Everhardus Vos de
Wael, een jaar voor zijn echtgenote Arnoldina
Antonia Helmich. Hun zesde kind, dochter Anna
Cornelia, was in 1824 gehuwd met mr. Franciscu;
Wilhelmus Johannes Arnoldinus baron var.
Lamsweerde. Het echtpaar werd de volgende eigenaar
en bewoner van Nieuwstraat 55. Baron van
Lamsweerde was een zeer vermogend en hoog in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Gedurende de sanering
van de binnenstad
(1965-1973) bleef het
huis eenzaam achter.
aanzien staand, vrome rooms-katholiek. Hij was
advocaat en kamerheer in bijzondere dienst van
de koningen Willem II en Willem III. Lang
woonde hij niet in het huis want na zes jaar, op 8
september 1843, verkocht hij samen met zijn echtgenote
het huis aan haar oudste broer voor
10.000 gulden.
Deze oudste broer was de advocaat en hypotheekbewaarder
mr. Egbertus Ludovicus Antonius
Vos de Wael. Hij was getrouwd met jonkvrouwe
Anna Maria van Middagten. Toen hij het huis
betrok, had hij vijf kinderen in de leeftijd van 10
tot 22 jaar. Mr. Egbertus overleed in 1859.
Na zijn dood ging het huis over op zijn tweede
zoon, de 36-jarige Alexander Philippus. Over hem
is niet veel bekend, waarschijnlijk was hij vrijgezel.
Alexander deed het huis in 1902 van de hand en
verkocht het aan zijn neef, Ludovicus Joannes
(Louis); zoon van zijn oudste broer, burgemeester
Vos de Wael.
Deze Louis Vos de Wael was 37 jaar oud toen
hij in 1902 Nieuwstraat 55 ging bewonen. Hij was
getrouwd met Maria Margaretha Henrica Alexandria
van Sonsbeeck en zij hadden op dat moment
al zes kinderen. Hun zevende kind werd in 1903 in
het huis geboren. Louis was kassier en lid van de
bankiersfirma ‘Van Esch en Co:, een bank die in
het begin van de jaren twintig op treurige wijze
aan haar eind kwam. De kassier hield kantoor ‘aan
huis’, in de rechter voorkamer.
In 1904 verhuurde Louis het koetshuis in de
Bitterstraat voor een jaarhuur van 75 gulden aan
J. ten Doesschate, die het gebruikte als pakhuis.
Louis woonde slechts vier jaar op Nieuwstraat
55. Hij verkocht het huis in december 1904 aan de
uit Hilversum afkomstige huisarts Jorritsma. Met
de verkoop verhuisde de bank Van Esch en Co
naar Melkmarkt 43.
Dr. Andreas J. Jorritsma
Voor het eerst in drie eeuwen werd gebroken met
de traditie om het huis binnen de familiekring te
houden. Vanaf burgemeester Werner Hoefslag
was het huis onafgebroken binnen de familiekring
doorverkocht of overgeërfd. De rooms-katholieke
dokter Jorritsma was net afgestudeerd in Amsterdam
toen hij te Zwolle de huisartsenpraktijk van
dokter Theodore Schaepman overnam. In 1906
Links: De achterzijde
van het pand in de jaren
zestig.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1971 was de opgang
naar de voordeur nog
voorzien van een
smeedijzeren hekwerk.
nam Jorritsma zijn intrek in het pand, waar hij tot
in de Tweede Wereldoorlog zijn huisartsenpraktijk
uitoefende.
Jorritsma maakte een duidelijk onderscheid
tussen fondspatiënten en particulier verzekerden.
Het spreekuur voor de eersten werkte hij af in de
bijgebouwen in de tuin, die via de achteringang
aan de Bitterstraat te bereiken waren. Voor particuliere
patiënten daarentegen was het spreekuur
in huis, vermoedelijk in de rechter voorkamer.
Dokter Jorritsma was gehuwd met Anna
Maria Roes. Het huwelijk bleef kinderloos. Alhoewel
dokter Jorritsma tot 1942 in het huis woonde,
is er weinig over hem bekend. Hij en zijn vrouw
waren nauw betrokken bij de vlakbij gelegen Sint-
Michaëlskerk, waarvan zij parochianen waren. In
1942 wenste Jorritsma zijn praktijk neer te leggen
en zocht hij via een advertentie naar een opvolger.
Dr. Hans Jozef van Wiechen
Dokter Jorritsma aarzelde over de wijze waarop de
overname moest gebeuren. Maar toen hij in juli
1942 overleed, moest er gehandeld worden: dokter
Van Wiechen, toen nog wonend in Den Haag,
nam zijn praktijk en het huis over.
Dr. Hans Jozef van Wiechen werd geboren in
1912. Hij studeerde medicijnen te Leiden. In 1941
trouwde hij met A.H. Beek. Zij kregen samen vijf
kinderen die allen in de Nieuwstraat werden
geboren.
De bijgebouwen stonden na het overlijden van
dokter Jorritsma aanvankelijk leeg, maar werden
daarna verhuurd. Van februari 1949 tot in 1954
woonde mevrouw A. Mensink-Oosterwijk daar
met haar gezin. Haar twee kinderen werden er
geboren. Mevrouw A. Mensink was hulp in de
huishouding in het doktersgezin. Zij had de
beschikking over een eigen stuk tuin en ook een
eigen ingang: Bitterstraat 62.
Na 1954 werden de bijgebouwen een paar
maanden bewoond door de heer en mevrouw
Paalman. Vanaf ongeveer 1955 tot aan de verhuizing
van dokter Van Wiechen in 1971 verbleef
mevrouw A.H.J. te Riele, een nicht van mevrouw
Van Wiechen-Beek, er.
Het jonge doktersgezin had tijdens de oorlog
een aantal onderduikers in huis. Ook boden ze in
die tijd onderdak aan familie uit het westen van
het land, toen daar in sommige stadsdelen niet
meer mocht worden gewoond. De Duitsers hebben
nog even overwogen of ze het grote huis voor
inkwartiering van soldaten zouden gebruiken.
Maar bij nader inzien vonden zij het niet geschikt
vanwege de nabijheid van de toren van de
Michaëlskerk, op de hoek van de Roggenstraat en
de Nieuwstraat. De geallieerden zouden vanaf
Hattem op de toren kunnen schieten. Aan het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRI 79
eind van de oorlog gebeurde dit inderdaad. Daarbij
sloeg een granaatscherf in de muur, pal boven
een bed waar het toen jongste dochtertje net even
tevoren uitgehaald was door haar grootmoeder…
Tussen eind 1946 en eind 1947 was dokter Van
Wiechen, behalve huisarts, ook medisch adviseur
en medisch directeur van ziekenhuis De Weezenlanden.
Daar legde hij de grondslag voor wat later
de medische staf zou worden. In 1947 was hij
bovendien enige tijd lid van het bestuur van het
ziekenhuis. Aan deze activiteiten in het ziekenhuis
kwam een eind toen Van Wiechen tijdelijk als
legerarts naar Indonesië vertrok. Verschillende
waarnemers hielden in die tijd de huisartspraktijk
draaiende.
Na zijn terugkeer werd Van Wiechen de
grondlegger van het Spastisch Centrum, later
Centrum Vogelweyde geheten. In het verlengde
daarvan promoveerde hij in 1966 op een proefschrift
over het belang van vroegtijdig onderzoek
naar spastische afwijkingen bij kinderen. Van
Wiechen overleed in 1978. Het pand in de Nieuwstraat
had hij toen al verlaten.
De tijd van de binnenstadssanering
In de jaren 1965-1973 ontwikkelde de gemeente
vergaande sloopplannen voor het gebied rond de
Nieuwstraat, in verband met de sanering van de
binnenstad en de bouw van een nieuw winkelcentrum.
Nieuwstraat 55 stond in de visie van het
stadsbestuur lelijk in de weg. De gemeente probeerde
daarom het huis aan te kopen en ondernam
pogingen om een sloopvergunning te krijgen.
Dit laatste strandde omdat de gemeente geen
eigenaar van het pand was en de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg zich tegen de sloopplannen
verzette. Het huis stond namelijk al sinds de
inwerkingtreding van de Monumentenwet van
1963 op de lijst van rijksmonumenten. Uiteindelijk
bereikten de gemeente en dokter Van Wiechen
overeenstemming over de verkoop. De familie
Van Wiechen verhuisde, waarmee er een voorlopig
eind kwam aan de woonfunctie van Nieuwstraat
55.
Toen de gemeente het huis eenmaal in handen
had, kwam de vraag op wat er mee te doen. In 1972
was er een plan om het huis te verplaatsen naar de
Melkmarkt, naast het Provinciaal Overijssels
Museum. Op deze wijze zou de medewerking van
Monumentenzorg mogelijk zijn terwijl er op de
plaats van het huis plaats kwam voor het nieuwe
stadshart. Maar de uitvoering van dit idee, dat de
landelijke pers haalde, ging vanwege de hoge kosten
van vier a zes ton niet door.
Om het pand tegen vandalisme te beschermen
– het zou immers niet de eerste keer zijn dat een
leegstaand pand in het saneringsgebied ‘ineens’ in
Na het vertrek van de
Culturele Raad Overijssel
in 1989 stond het
pand te koop.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vlammen opging – nam de chirurg R.J. Ponsen er
zijn tijdelijke intrek.
Ondertussen stond vast dat het huis behouden
zou blijven en begon de restauratie, nadat op 3
augustus 1973 een bouwvergunning verleend was.
De bijgebouwen waren toen al afgebroken en de
tuin bestond inmiddels ook niet meer. Deze was,
danig ingekort, een bestraat pleintje geworden. De
achter in de tuin staande notenboom verplaatste
men met veel moeite en groot materieel naar de
Eekwal, waar hij echter spoedig bezweek. Het
koetshuis aan de Bitterstraat verdween in 1971,
evenals trouwens de Bitterstraat zelf. Tijdens de
restauratie stortte de kapel van het huis in, maar
deze werd weer opgebouwd. Verder is interessant
dat men bij de restauratie de resten van een groot
bakstenen kruiskozijn terugvond in de achterwand
van de rechter voorkamer en daarnaast de
resten van een al eerder genoemde deuropening.
Voorts trof men in de kelder een haardsteen aan
uit 1552 met het wapen van keizer Karel V.
Na de restauratie stond het huis enige tijd leeg
en werd er naarstig naar een gebruiker omgezien.
Een probleem voor de gemeente was dat met het
Projekt Ontwikkelings Bureau AMRO en Westland-
Utrecht was afgesproken dat zij het pand na
de restauratie voor twee ton zouden overnemen.
De overdracht vond eind 1977 plaats. Volgens een
krantenbericht becijferde de gemeente het eigen
verlies op 375.000 gulden.
Na berichten dat er mogelijk een kunst- en
antiekcentrum in het huis zou komen, ontstond er
duidelijkheid over de volgende gebruiker. Dat
werd de Culturele Raad Overijssel. De officiële
opening had plaats op 1 juni 1979. Daarbij werd
het huis op verzoek van de gemeente het ‘Dr H.J.
van Wiechenhuis’ genoemd.
Brasserie ‘Het Vliegerhuys’
Na tien jaar, in 1989, vertrok de Culturele Raad uit
het pand. Het huis werd verkocht aan R. Vlieger,
die er een brasserie begon. De familie Vlieger had
al een restaurant in de Nieuwstraat, in het verderop
gelegen Pestengasthuis, een gerestaureerd middeleeuws
‘ziekenhuis’ voor pestlijders. Burgemeester
G. Loopstra verrichtte op 1 juni 1989 de
officiële opening van de brasserie. Aanvankelijk
heette het etablissement ‘Brasserie Van Wiechenhuis’
maar dat werd later veranderd in ‘Brasserie
het Vliegerhuys’. En zo heet het nu nog.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
Dikke melk
Het hoort – of liever gezegd: hoorde – bij
een warme Zwolse zomer: dikke melk
met bruine suiker en wat kaneel; de dikke
melk die niemand zo lekker kon maken als mijn
moeder, al had zij ’t natuurlijk ook van haar moeder
geleerd. En misschien hadden zij ’t recept weer
van Thijssen gekregen. De beroemde dikke melk
met suiker uit de Theetuin van Thijssen. Beroemd
en befaamd in oude Zwolse verhalen.
Mevrouw Van Hille-Gaerthé schrijft er ook
over in haar boekje Zwolse mijmeringen. Ze
schrijft daarin: ‘De achteruitgang van dat vreemd
verbouwde huis leidde naar een stenen tuintrap
tussen twee muurtjes. Op een van die muurtjes
stond in de zomer dikwijls een grote bruine pot
vol melk in de warme zon dik te worden. De
roomlaag was er afgeschept en werd zuur. Als de
melk in de pot klonterde, leegde Caroline, negenendertig
jaar lang onze keukenprinses en voor ons
kinderen de toevlucht van ons leven, de inhoud in
een metalen ster met gaatjes, liet dat uitdruipen
tot de massa stijf was en als een pudding uit de
vorm kon worden geschud. Dikke melk, je at het,
overgoten met zure room, beschuit, basterdsuiker
en kaneel. Was het speciaal Overijssels? De Agnietenberg
is er lang beroemd om geweest en vroeger
werd het ’s avonds ook wel gegeten bij Thijssen
aan de Willemsvaart. Maar zoals het thuis was
bereid! Een godenspijs! Of het nog bestaat? De
melk is zo duur geworden en de roomlaag zo dun.’
Tot zover mevrouw Van Hille-Gaerthé. Ze schreef
het in de jaren vijftig: de melk is zo duur en de
roomlaag zo dun. Wellicht mogen we het van de
dokter nu niet eens meer eten vanwege het vetgehalte,
de hoge bloeddruk, het cholestorolgehalte
en ik weet niet wat allemaal.
Dikke melk met suiker en kaneel. Ik zou er wat
voor over hebben om ’t nog even een keer te
genieten. Maar dan moet je het wel eten in de warme
zomerzon in de schaduw van de pereboom
achter in de tuin, witte pet op het hoofd en buiten
het zicht van de dokter!
Wil Cornelissen
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
R.Th.M. van Dijk
Thomas van Kempen over Windesheim
Over de ruimtelijke structuur van het laatmiddeleeuwse
Windesheimse kloosterleven
zijn wij in het algemeen redelijk goed
ingelicht. Archeologisch en bouwhistorisch
onderzoek heeft reeds in veel gevallen, vooral voor
de Zuid-Nederlandse kloosters, tot heldere
inzichten geleid. Ook ten aanzien van Windesheimse
kloosters in het overige expansiegebied
van de Moderne Devotie, zoals Mariënwald te
Frenswegen bij Nordhorn, Sint-Petrus te Dalheim
en Sint-Anthonius te Albergen, is onze kennis
omtrent hun ruimtelijke inrichting intussen aanzienlijk
verrijkt.1 Thans verricht de Historische
Werkgroep Kloosters IJssel-Vechtstreek onderzoek
naar het klooster Sint-Agnietenberg dat ten
noordoosten van Zwolle lag. Aanleiding voor dit
onderzoek is het zesde eeuwfeest van de stichting
van dit klooster (1398-1998), waarvoor de Werkgroep
in samenwerking met de IJsselakademie te
Kampen een herdenkingsbundel voorbereidt.2
-vï,7f;-;;^*:v’V>:*v^§?vZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het hart van deze bundel wordt gevormd door de
Chronica Montis Sanctae Agnetis, de kroniek die
Thomas Hemerken van Kempen (1379^0-1471)
aan zijn klooster heeft gewijd en die door U.K.J. de
Kruijf integraal vertaald is.
De Agnietenbergkroniek is vervaardigd in de
jaren 1464-1471 en omspant de periode vanaf de
stichting in 1386 tot de dood van de auteur in 1471.
Na Thomas’ dood heeft een onbekende, waarschijnlijk
een medebroeder, de kloosterkroniek
voortgezet tot 1477. De tekst is naar de eerste editie
van H. Rosweyde uitgegeven door M.I. Pohl.3
Aan de eigenlijke kloosterkroniek is een aantal
hoofdstukken, inclusief drie aflaatbrieven voor
Windesheimse kloosters, toegevoegd. Deze teksten,
die een bewerking vormen van enkele hoofdstukken
uit het Chronicon Windeshemense van
Johannes Busch, hebben niet op de Agnietenberg
maar op sleutelfiguren in de Moderne Devotie
betrekking.4 Ze verlenen daarmee aan de socioculturele
context van de Chronica een extra
dimensie.
Minder dan menige andere kroniekschrijver
heeft Thomas aandacht gehad voor de bouwkundige
en artistieke inrichting van zijn klooster. Zijn
belangstelling ging vooral uit naar de spirituele
waarden die de kroniek moest overdragen. Thomas
schreef ’tot bemoediging van de huidige en
tot toe-eigening van de komende generaties’.5 De
ruimtelijke structuur van het Agnietenbergcomplex
is uit de kroniek van Thomas dan ook niet te
achterhalen. Verder dan een onsamenhangende
lijst van ruimten en opstallen die wij ook van
andere kloosters kennen, komt men niet. Ook
hetgeen aartspriester Arnold Waeijer omtrent de
opgravingen in 1672 bericht, is te gering om een
volledig beeld van het kloostercomplex te krijgen.6
Wij komen niet verder dan dat het claustrum, net
als in Windesheim, aan de zuidzijde van de georiënteerde
kloosterkerk aangebouwd was. Wel
bevat de kroniek door zijn uitvoerige vermelding
van de talrijke begravingen der kloosterbewoners
voldoende gegevens voor een ver reikende reconstructie
van de begraafplaatsen in de kloostertijd.
En passant levert Thomas bovendien, zij het terloops,
een onverdachte bijdrage aan de discussie
over de ligging van het klooster te Windesheim.
Hieraan is het vervolg van deze bijdrage gewijd.
Discussie
Het zesde eeuwfeest van de stichting van dit stamklooster
van de Moderne Devotie vormde in 1987
de achtergrond voor een polemiek over inrichting
en vooral ligging van het verdwenen kloostercomplex.
Nadat archeologisch proefonderzoek in de
bodem van het gebied ten noorden van de Dorpsstraat
te Windesheim niets had opgeleverd, toonde
een door mij op verzoek van de toenmalige
Stichting Windesheim 600 vervaardigd rapport
aan dat het klooster ten zuiden van de Dorpsstraat
gelegen moest hebben.7 Plaatselijke archeologen
handhaafden evenwel de noordelijke locatie.8
Deze visie werd ten grondslag gelegd aan de bijdrage
van R. van Beek en H. Clevis. De wetenschappelijke
onderbouwing van de zuidelijke
locatie werd geleverd door de Historische Werkgroep
Klooster Windesheim. Beide bijdragen vonden
een plaats in de fraaie herdenkingsbundel, die
door de Stichting IJsselakademie te Kampen in
1987 aan het zesde eeuwfeest van de stichting van
het eerste eigen klooster van de Moderne Devotie
gewijd was.9
Een volgende confrontatie over de plaats van
het klooster vond in 1989 plaats in dit tijdschrift,
naar aanleiding van een nieuwe bijdrage van
R. van Beek. Opnieuw lokte het pleidooi voor de
noordelijke locatie gedocumenteerde kritiek uit.
Aanvullend onderzoek van F.D. Zeiler in
opdracht van de IJsselakademie te Kampen bracht
in 1992 aan het licht dat de ligging van het klooster
ongeveer 60 meter naar het noorden tot ongeveer
20 meter onder de Dorpsstraat moest worden
opgeschoven.10 Hiermee blijft ten aanzien van de
oorspronkelijke ligging van het klooster de zuidelijke
locatie, zoals de historiografische bronnen
die reeds aangetoond hadden, uiteraard gehandhaafd.
Van groter belang voor het wetenschappelijk
onderzoek is echter dat deze verschuiving
vooral tegemoet komt aan de dendrochronologisch
gedocumenteerde bezwaren die DJ. de Vries
en G. Berends al eerder hadden geuit tegen de
door mij aanvankelijk veronderstelde bouwhistorische
samenhang van het klooster met de boerderij
aan de Veldweg 15.”
Links: Van het klooster
Korsendonk (bij Turnhout)
is, in tegenstelling
tot het klooster Windesheim,
weleen afbeelding
bewaard gebleven.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Rechts: Contouren van
het klooster te Windesheim,
geprojecteerd op
de zandige hoogte ten
zuiden van de Dorpsstraat
In: Rudolfvan
Dijk en Ton Hendrikman,
Moderne Devotie
in Zwolle en omgeving.
Stadswandeling en
fietsroutes. (Zwolle
1995) 45-
Links: Overzicht van de opgravingssleuven in Windesheim
uit 1986 en 1987 met de plattegrond van het
klooster geprojecteerd ten zuiden van de Dorpsstraat.
In: Rudolfvan Dijk en Ton Hendrikman,
Moderne Devotie in Zwolle en omgeving. Stadswandeling
en fietsroutes. (Zwolle 1995) 44.
Merkwaardig genoeg blijkt De Vries in zijn
overigens voortreffelijke dissertatie uit 1994 de
bewijzen uit historiografische bronnen voor de
ligging van kerk en klooster ten zuiden van de
Dorpsstraat nog steeds te negeren. Hij merkt
slechts zijdelings en enigszins cryptisch op: ‘Over
de plaats van deze, met de reformatie gesloopte
kerk is reeds veel gediscussieerd en gespeculeerd.
Bij gebrek aan “harde” aanknopingspunten hield
de RDMZ zich daarbij relatief afzijdig.’12 Historiografische
bewijzen zijn blijkbaar in de ogen van De
Vries geen ‘harde aanknopingspunten’; een standpunt
dat voor interdisciplinair onderzoek dodelijk
is. De Vries wijst slechts op ‘enkele positieve aanknopingspunten’
die hij in de vorm van zerkresten
en dakleifragnienten voor locatie van het klooster
ten noorden van de Dorpsstraat gevonden heeft.
De verhelderende publicatie van F.D. Zeiler uit
1992 is hem, ook getuige zijn uitvoerige literatuurei
H
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijst, blijkbaar ontgaan. De Vries herinnert – overigens
met voorbijgaan aan gedocumenteerde
begraafplaatsen buiten de kerk – weliswaar terecht
aan de vrij algemene gewoonte om ook na
opheffing van een klooster begravingen in de
voormalige kloosterkerk te continueren, zoals ook
voor de Agnietenberg vaststaat. Ten aanzien van
Windesheim veronderstelt hij echter ten onrechte
dat er in 1467 een nieuwe kerk zou zijn gebouwd
(lees: ten noorden van de Dorpsstraat). Daarvoor
baseert hij zich op de Kronijk van Arent toe Boecop:
‘Anno 1467 worde dye kerricke toe Wynssen,
dye daer nu teghenwordich ys, op sonte Gregorius
auent begonnen te tymmeren und dye ersten sten
daervan ghelecht, und vordt soe veer ghetymmert,
dat men int iaer 1469, op dat spart dye planken van
dat dack worden gheslaghen, ende worde int iaer
1480, op dye octaue van sont Jan, gheweyt, und int
iaer 1485, des daghes nae sonte Bonnefacius daghe,
begostemen dye toe wolliffuen, ende dat ghewulliffte
was op sonte Migchell rede, und coste 376 g. 8
st.’13 Hieruit zou men kunnen afleiden dat het om
een andere, nieuwe kerk (vanaf 1480) gaat, in
tegenstelling tot een oudere (tot 1467). Maar wij
zullen zien dat in feite in 1467-1485 sprake is van
een ingrijpende vernieuwing van de bestaande
kerk.
Het beginjaar van de bouwperiode die tot 1485
zou duren, is voor De Vries van belang, want deze
jaren vallen na afronding van de tweede redactie
van het Chronicon Windeshemense van Johannes
Busch. De bouwjaren 1467-1485 blijven dus buiten
het tijdsbestek (1386-1464) dat door deze redactie
van het Chronicon Windeshemense gedekt wordt.14
Het jaar 1464 beschouwen De Vries en Berends
immers als een chronologische grens waarachter
zij ‘een relatie tussen deze schriftelijke bron en de
gereleveerde bouwkundige restanten’ geheel ontkennen.
Deze negatie van iedere historische continuïteit
tussen de door Busch vóór 1464 voltooide
beschrijving van het klooster en de latere bouwactiviteiten
heb ik elders aan de kaak gesteld als een
standpunt dat in wetenschappelijk opzicht absurd
is.15
Visie van Thomas van Kempen
De Chronica Montis Sanctae Agnetis werpt helder
licht op deze zaak. In zijn kroniek wijdt Thomas
van Kempen hier en daar aandacht aan het stamklooster
van het Windesheims Kapittel. Zo bericht
hij uitvoerig over de consecratie van de eerste
kloosterkerk en de inkleding van de eerste broeders
in Windesheim op 17 oktober 1387. De dood
in 1424 van Johannes Vos van Heusden, de belangrijke
tweede prior superior van het Kapittel, is
voor hem aanleiding om dieper in te gaan op de
geschiedenis van Windesheim. In 1399 vermeldt
hij dat de wijbisschop (Hubertus Schenck) na de
wijding van het kloosterkerkhof op de Agnietenberg
de volgende dag naar Windesheim vertrok,
om daar het nieuwe koor en vier altaren te consa-
Schilderij van Thomas
van Kempen met op de
achtergrond het klooster
waar Thomas leefde en
werkte, het Agnietenbergklooster
(Stedelijk
Museum Zwolle).
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
C/td ï’ i/e fa Co/urrtt/iWon Je Vitid&xein en fftin •
Afbeelding van een
regulier kanunnik van
de congregatie van
Windesheim. In: P.C.
Du Molinet, Figures des
differents habits des
chanoines reguliers en
ce siècle (Parijs 1666)
77-
creren. Voor het jaar 1467 meldt hij: ‘Eodem anno
fratres et conventus in Windesem construxerunt
et ampliaverunt antiquam ecclesiam suam ad
honorem Dei.’ In de onlangs vervaardigde vertaling
van U.K.J. de Kruijf is dat vertaald als: ‘Eveneens
in dat jaar verbouwden en vergrootten de
broeders en het convent in Windesheim ter ere
Gods hun owdekerk.’16
In feite ging het vanaf 1467 te Windesheim dus
niet om een nieuwe kerk (lees: ten noorden van de
Dorpsstraat), zoals De Vries veronderstelt, maar
om verbouwing en vergroting van de bestaande
oude kloosterkerk (lees: ten zuiden van de Dorpsstraat).
De Vries spreekt dus ten onrechte tweemaal
van ‘de(ze) nieuwe kerk’, die hij ten noorden
yan de Dorpsstraat situeert.17 Daarbij negeert hij
het feit dat in de context van reguliere kanunniken
kerk en klooster (claustrum) een onlosmakelijk
geheel vormen. Een afstand van enkele honderden
meters tussen het oude klooster en de veronderstelde
nieuwe kerk is vanuit ordeshistorisch oogpunt
volstrekt onaanvaardbaar en wordt dan ook
op geen enkele wijze gedocumenteerd. M. Smeyers
concludeert ten aanzien van de Zuid-Nederlandse
Windesheimse kloosters: ‘Overal sloot bij
de kerk het eigenlijke kloostercomplex (clausura)
aan, waarvan de kern gevormd werd door een binnentuin
omgeven door de vier armen van het
kloosterpand die als verbindingsgangen fungeerden.’
18 Er is geen enkele reden om voor verdwenen
Noord-Nederlandse en Duitse Windesheimse
kloosters een afwijkend patroon te veronderstellen;
bewaard gebleven kloostercomplexen als
Frenswegen, Dalheim en Gaesdonk laten wat dit
betreft aan duidelijkheid niets te wensen over.
Thomas gebruikt voor de bouwactiviteiten vanaf
1467 te Windesheim in plaats van het werkwoord
aedificare (bouwen, nieuw bouwen) terecht het
werkwoord construere (bouwen, verbouwen,
samenvoegen), omdat hier geen sprake van
nieuwbouw was, maar van een vergroting {ampliaverunt)
die samengevoegd {construxerunt)
werd met het bestaande complex van kerk en
klooster. In de door De Vries aangehaalde rekening
voor het glasvenster van de stad Zwolle voor
‘den cloester van wyndessim In oerre nye kerke’
moet nye dan ook niet geïnterpreteerd worden als
nieuw, zoals De Vries doet, maar als vernieuwd.19
Ofschoon Arent toe Boecop zelf – zoals wij reeds
vaststelden – niet van een ‘nieuwe’ kerk spreekt,
blijken de verbouwingen in en aan de oude kerk
(1467-1485) dermate ingrijpend te zijn geweest, dat
de indruk van een ‘nieuwe’ kerk gemakkelijk
gewekt kon worden. Ook in het moderne spraakgebruik
is deze betekenis van ‘nieuw’ volop in
zwang. In feite is er geen sprake van een nieuwe
kerk ten noorden van de Dorpsstraat, maar van de
vernieuwde oude kerk ten zuiden van de Dorpsstraat.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ons rest het probleem van de zerk- en leiresten
die De Vries in de bodem ten noorden van de
Dorpsstraat heeft aangetroffen en door hem als
vindplaatsen worden beschouwd. Men behoeft
nauwelijks een professioneel archeoloog te zijn
om te weten dat bij bodemvondsten altijd de primaire
vraag rijst of deze al dan niet in situ zijn.
Met andere woorden: wanneer men stuit op zerkresten,
kan men onmogelijk met alleen een beroep
op de praktijk van de kerkbegravingen beweren
dat ter plaatse de kerk gestaan heeft. Is het immers
niet aannemelijk dat de restanten van grafstenen
wijzen hetzij op verplaatsing of hergebruik, hetzij
op een van de begraafplaatsen buiten de (vernieuwde
oude) kloosterkerk? En kunnen ook de
dakleifragmenten in dit noordelijke gebied niet
wijzen op hergebruik van onbeschadigde leien die
tijdens de verbouwing van de kloosterkerk na 1467
of bij de totale afbraak van het kloostercomplex in
de jaren vanaf 1583 weggenomen werden? Overigens
zijn ook ten zuiden van de Dorpsstraat zerkresten
aangetroffen, en niet in situ!
De vraag rijst of de maandrekeningen voor de
laatste decennia van de zestiende eeuw ons verder
kunnen helpen.20 Deze blijken echter opvallend
veel meer gegevens over de afbraak van het Agnietenbergklooster
dan van het klooster te Windesheim
op te leveren. Slechts voor de jaren 1583-1584
wordt her en der gewag gemaakt van het uitbreken,
schoonmaken en verschepen van stenen en
leien van Windesheim naar de stad Zwolle, die in
die jaren haar ommuring vernieuwde en uitbreidde.
Op de vraag of een gedeelte van dit Windesheimse
bouwmateriaal voor hergebruik ten noorden
of ten zuiden van de Dorpsstraat kan zijn aangewend,
geven de maandrekeningen geen antwoord.
Het probleem van DJ. de Vries over oude en
nieuwe kloosterkerken ten zuiden en ten noorden
van de Dorpsstraat te Windesheim laat zich uiteindelijk
allereenvoudigst oplossen met een
beroep op Thomas van Kempen. Hij noteerde in
1467 met de zakelijkheid van de objectieve toeschouwer:
‘Eveneens in dat jaar verbouwden en
vergrootten de broeders en het convent in Windesheim
ter ere Gods hun oude kerk.’
Noten
1. M. Smeyers e.a., ‘Windesheimse kloosters in Brabant.
Bijdrage tot de bouwgeschiedenis’, in: Arca lovaniensis,
dites atque historiae reserans documenta
(1976) V, 113-219; H. Voort, ‘Die Bauten des Klosters
Frenswegen im Rahmen seiner Wirtschaftsgeschichte,
in: A.J. Hendrikman e.a. (red.), Windesheim
1395-1995. Kloosters, teksten, invloeden. Middeleeuwse
Studies XII (Nijmegen 1996) 29-48; M. Balzer,
‘Kloster Dalheim. Bauten und Baugeschichte” ,
in: Windesheim 1395-1995, 62-82; P.C.M. Rademaker,
‘Bouwgeschiedenis van het Albergse klooster’,
in: 1520-1525. De kroniek van Johannes van Lochein,
prior te Albergen (Albergen; Enschede 1995) 137-154;
T. Hesselink-van der Riet, ‘De overige kloostergebouwen
in hun omgeving’, in: Johannes van
Lochem, 167-185. In al deze publicaties wordt verwezen
naar verdere literatuur.
2. De Historische Werkgroep Kloosters IJssel-Vechtstreek,
bestaande uit A.J. Hendrikman (voorzitter),
dr. R.Th.M. van Dijk en P.C.M. Rademaker, heeft
voor dit project de medewerking ingeroepen van
drs. U.K.J. de Kruijf, B. Pierik en drs. B.J. Thüss.
3. H. Rosweyde, Chronicon Canonicorum Regularium
ordinis S. Augustini Capituli Windesemensis auctore
Ioannes Buschio Can. Reg. Accedit Chronicon Montis
S. Agnetis auctore Thoma B Kempis Can. Reg. (Antwerpen,
1621) 2-136 en 137-146; M.I. Pohl, Thomae
Hemerken a Kempis Opera omnia (Freiburg im
Breisgau, 1902-1922) VII (1922) 331-466 en 466-478.
Over de kroniek zie: Petri Trudonensis Catalogus
Scriptorum Windeshernensium, W. Lourdaux en E.
Persoons (uitg.), Publicaties op het gebied van de
geschiedenis en de filologie, 5e reeks, deel 3 (Leuven,
1968) 202-211 (nr. 33) en M. Carasso-Kok, Repertorium
van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen
(Den Haag 1981), nrs. 210 en 372.
4. Pohl, Opera, 1902-22, VII, 479-525.
5. ‘ad solacium praesentium et memoriam futurorum’
(Pohl, Opera, 1902-22, VII, 333). Meer hierover
in R.Th.M. van Dijk, ‘De spiritualiteit van de devote
regulier. Beschouwingen over de Agnietenbergkroniek
van Thomas van Kempen’, Ons Geestelijk Erf
LXXII (1998) (ter perse).
6. G.A. Meijer (uitg.), ‘Arnold Waeijer, Nopende het
Aerts-priesterschap van Swolle naer de beroerten
deser Nederlanden mitsgaders van eenige gedenckweerdige
voorvallen’, Archief voor de Geschiedenis
van het Aartsbisdom Utrecht, XLV (1920) 1-193; XVI
(1921)193-361.
7. Rapport ‘Het klooster te Windesheim gelocaliseerd’
ten behoeve van de Stichting Windesheim 600 (26
januari 1987).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vgl. R.Th.M. van Dijk, ‘De ligging van het klooster
te Windesheim’, in: F.C. Berkenvelder e.a. (red.),
Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij de IJssel(
Kampen, 1987) 121-122 (noot 12).
F.C. Berkenvelder e.a. (red.), Windesheim. Studies
over een Sallands dorp bij de IJssel (Kampen, 1987).
R. van Beek, ‘Windesheim, klooster in discussie’,
Zwols Historisch Tijdschrift, V (1988) 76-83; R.Th.M.
van Dijk, ‘Windesheim en de nood der archeologie’,
Zwols Historisch Tijdschrift, VI (1989) 11-25 e n
R.Th.M. van Dijk, ‘Grenzen van de archeologie. Geschiedkundige
aanwijzingen voor de locatie van het
klooster te Windesheim’, in: Die Fonteyn der ewiger
wijsheit. Opstellen aangeboden aan prof. dr. A.G.
Weiier ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als
hoogleraar in de Algemene en Vaderlandse Geschiedenis
van de Middeleeuwen aan de Katholieke Universiteit.
Middeleeuwse Studies V (Nijmegen 1989)
125-135. Evenals in 1987 speelde het onvermogen tot
interpretatie van de Latijnse brontekst de voorstanders
van de noordelijke locatie ernstig parten.
F.D Zeiler, Windesheim. Rentambt en dorp. IJsselakademiebrochurereeks
1 (Kampen 1992) 53-57. De
kerk stond als het ware in de achtertuinen van de
huidige bebouwing ten zuiden van de Dorpsstraat.
DJ. de Vries en G. Berends, ‘De bouwkundige restanten
van het klooster te Windesheim’, in: Windesheim,
129-149. Vgl. Van Dijk, ‘Ligging’, in Windesheim,
116. DJ. de Vries, ‘Monumenten dendrochronologisch
gedateerd (2)’, Bulletin KNOB, LXXXVII
(1988) 71-73 vat zijn dendrochronologisch onderzoek
nog eens samen.
12. DJ. de Vries, Bouwen in de late Middeleeuwen. Stedelijke
architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht
(Utrecht 1994) 444 (noot 778).
13. Kronijk van Arent toe Boecop, in: Codex diplomaticus
neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk
de vaderlandsche geschiedenis, uitgegeven door
het Historisch Genootschap, tweede serie, vijfde
deel (Utrecht 1860) 706-707.
14. K. Grube (uitg.), Des Augustinerpropstes Iohannes
Busch Chronicon Windeshemense und Liber de reformatione
monasteriorum. Geschichtsquellen der
Provinz Sachsen und angrenzender Gebiete XIX
(Halle, 1886). Zie over de beide redacties Van Dijk,
‘Ligging’, in Windesheim, 101-102.
15. Zie de bijdragen in: Windesheim, 19,132 en 148.
16. Pohl, Opera, 1902-22, VII, 460. Al eerder citeerde ik
deze passage in Van Dijk, ‘Ligging’, in Windesheim,
109 en 124 (noot 64). Zie ook W. Kohl e.a., Monasticon
Windeshemense. Archief- en Bibliotheekwezen
in België, extra-nummer 16 (4 dln; Brussel 1976-
1984).
17. De Vries, Bouwen, 145.
18. Smeyers, ‘Kloosters’, 217.
19. Gemeente-Archief Zwolle, AAZ01-1432, 41 (jaarrekening
1469); vgl. De Vries, Bouwen, 1994, 145 en
noot 781.
20. Ik dank Drs. F.C. Berkenvelder, die mij toestond
zijn reeds verzamelde gegevens te raadplegen, en
AJ. Hendrikman, die mij op deze nog onuitgegeven
bron attent maakte en voor mij de relevante passages
natrok.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Badhuis van Schaepman:
een dokter die zijn tijd ver vooruit was
Ziek worden in Nederland is in de negentiende
eeuw naar de huidige maatstaven geen
pretje en bovendien gevaarlijk. Operaties
worden slechts in noodgevallen uitgevoerd en
beperken zich tot het afzetten van ledematen en zo
nu en dan een steensnede, waarbij de lijder van
een blaas- of urinewegsteen wordt verlost. Er is
nog geen sprake van narcose, anders dan het drinken
van veel alcohol. Als de dokter komt, heeft hij
nauwelijks onderzoeksmiddelen tot zijn beschikking.
Het beluisteren van borst of buik is in 1818
ontdekt, maar wordt pas veel later in Nederland
toegepast. De dokter kijkt gewichtig naar urine,
ruikt er aan, proeft er soms van om vast te stellen
of er sprake is van suikerziekte en schrijft geneesmiddelen
voor die meestal van plantaardige oorsprong
zijn en door de apotheker worden toebereid.
Aderlaten, waarbij een hoeveelheid bloed
wordt afgetapt, wordt veel toegepast. De meestal
toch al verzwakte zieke zal daar zelden baat bij
hebben gehad.
De geneeskundige verzorging in het begin van
de vorige eeuw is in Zwolle in handen van enkele
medici, een niet exact te bepalen aantal chirurgijns
en vroedmeesters en twee stadsvroedvrouwen.
Everhardus Theodorus Schaepman begint zijn
praktijk op 18 januari 1827. Hij is op 20 september
1800 aan de Thorbeckegracht ter wereld gekomen
als tweede zoon van Joannes Everardus en Theodora
Maria Brandts. Na hem volgen nog zeven
kinderen.1 De familie is katholiek en komt oorspronkelijk
rond 1725 uit Munster in Westfalen
naar Zwolle. Everhardus’ grootmoeder is afkomstig
uit Koerland. Zijn vader is cargadoor en factoor
en gaat in de Russische veldtocht als officier
met Napoleons leger mee naar Rusland.2 Everhard
studeert vanaf 1818 in Groningen en promoveert
er op 29 mei 1824 op een aantal waarnemingen aan
geelzucht-patiënten.
Twaalf soorten dokters, één soort vrouwen
De medische verzorging is tot 1865, wanneer de
wet op de uitoefening der geneeskunst wordt aangenomen,
in handen van liefst twaalf verschillende
soorten medici. Eén soort bestaat uit vrouwen:
de vroedvrouwen. Alle andere, gediplomeerde
uitoefenaren in de genees-, heel- of verloskunde
zijn mannen. Zij zijn naar rang en stand streng
van elkaar gescheiden. Van hen heeft de medicinae
doctorhet hoogste aanzien. Hij heeft aan een universiteit
gestudeerd, is filosofisch geschoold en
houdt zich verre van de buitenkant van zieke
mensen. Die buitenkant is voorbehouden aan de
chirurgijn. Die neemt alles wat daar te repareren is
onder handen, zoals aderlaten, abscessen openen,
Ben Kam
Portret van dr. E. T.
Schaepman; in 1865 uitgegeven
door fotograaf
Deutmann (part. collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Badhuiswal; fragment
van een gemeentekaart
uit 1848. Het badhuis
is gearceerd aangegeven
(part. collectie).
wonden verzorgen, amputaties verrichten; kortom
alles wat buiten buik- en borstholte aan een
mens te opereren valt. Verder wordt de chirurgijn
op bevel van de overheid ingeschakeld bij lijkschouwingen
indien een niet-natuurlijke doodsoorzaak
wordt vermoed. Hij doet het vuile werk
van de sectie maar de toeziend medicinae doctor
tekent als eerste de verklaring.3
Ziekten in soorten
De ziekten die de medici behandelen, worden
nader omschreven in de verslagen van de gezondheidstoestand
der gemeente, zoals die verplicht
zijn na het invoeren van de Gemeentewet van 1852.
Zij zullen niet veel verschillen van de ziekten die in
de eerste helft van de eeuw voorkomen, behalve de
cholera (ook genoemd de Aziatische braakloop)
die zich te Zwolle pas in 1832 openbaart.
In de verslagen onderscheidt men haastige en
chronische ziekten. Onder de eerste groep rekent
men de koortsen, waaronder ook tyfus valt,4 de
angina’s, waaronder de difterie en allerlei vormen
van hoesten door bronchitis en pleuritis. Blaas- en
darmontstekingen worden ook onder de haastige
ziekten gerekend evenals geelzucht en belroos. Bij
de chronische ziekten vindt men tuberculose:
‘velen bezweken daaraan.’ Een beroerte wordt
herkend, evenals het verschijnen van bloed waar
het niet hoort. Evenzo toevallen, epilepsie, chronische
oogontstekingen en bloedarmoede als oorzaak
van het flauwvallen van jonge vrouwen. Kinderpokken5
moeten bij het gemeentebestuur worden
aangegeven (met pokken wordt doorgaans
syfilis bedoeld, naar de (vermeende) oorsprong
ook wel Spaanse pokken genoemd). De lijst kan
met allerlei geleerde namen nog worden uitgebreid,
maar wat opvalt, is dat het steeds symptoomdiagnoses
zijn. Dat leidt ertoe dat alleen de
symptomen worden behandeld. En dat gebeurt
met goede woorden, troost en hoestdrank voor
wie het kan betalen. Aan de oorzaak van de ziekte
komt men nauwelijks toe. De uitzonderingen zijn
het inenten van kinderen tegen kinderpokken en
het isoleren van choleralijders in een cholerahospitaal.
De behandeling met medicijnen is zeer
beperkt. De doktoren beschikken over geneesmiddelen
die vrijwel steeds uit plantaardige
grondstoffen zijn bereid. Vandaar dat het vak
botanie bij de medische studie aan de universiteit
een belangrijke rol speelt. Opium is bekend, evenals
de werking van zuidvruchten bij de bestrijding
van scheurbuik. Kininebast wordt als koortswerend
middel in het eerste kwart van de negentiende
eeuw ook gebruikt. Het bereiden van medicijnen
is een ingewikkeld proces. Op ruim 16.000
inwoners van Zwolle zijn er in 1828 dan ook elf
apothekers, die hun gifmengerij vol ernst bedrijven.
Hulpverlening bij rampen.
In het begin van de vorige eeuw treffen twee ernstige
rampen ons gebied. Ten eerste de watersnood
van februari 1825 waarbij grote delen van
Overijssel onder water komen te staan. Ruim een
jaar later grijpt een geheimzinnige ziekte vanaf
juli-september snel om zich heen en maakt veel
slachtoffers. Behalve Groningen en Friesland teistert
de ziekte de kop van Overijssel zodanig dat het
hele economische leven tot stilstand komt.6 Hele
gezinnen kunnen hun werk niet meer doen en er
ontstaat een groot tekort aan eten en onderdak. Er
komt snel hulp in de vorm van landelijke inzamelingen,
het inrichten van opvangcentra en het stuZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ren van geneesheren. Zij worden op verzoek van
de Gouverneur der Provincie in het rampgebied
gedetacheerd. Het zijn de chirurgijn-major J.C.
Croissant die het Zwolse garnizoen van geneeskundige
hulp voorziet en de medicinae doctores
P.G. Ramaer en E.T. Schaepman uit Zwolle. De
laatste vertrekt in de morgen van 23 oktober 1826.
Vooral Croissant zet zich met volle kracht in bij
het organiseren van de hulpverlening. Hij regelt
een noodhospitaal in Blokzijl waar hij op 27
november is aangekomen en zorgt voor het uitdelen
van ‘soupe en bouillon.’
Zieke dokters
Maar de geneesheren ontkomen zelf evenmin aan
besmetting en moeten één voor één ziek naar hun
woonplaats terugkeren. Schaepman komt naar
Zwolle terug, evenals Ramaer, Nourij en Van
Riemsdijk, die als medisch kandidaten vanuit
Groningen in de Noordwesthoek zijn gedetacheerd.
Het lijkt mogelijk om in hedendaagse termen
een diagnose te stellen aan de hand van de rekeningen
die bij de provinciale Commissie door de
apothekers zijn ingediend. Hieruit moet men,
gezien het relatief grote aandeel van hoestdranken,
opmaken dat het een soort virale luchtweginfectie
is geweest. De ziekte had een lange nasleep
en ondermijnde de natuurlijke weerstand, die
toch al niet zo groot zal zijn geweest. ‘De ziekte
tast vooral de geringere klasse aan,’ zoals een particuliere
brief vermeldt.
Schaepman herstelt van zijn ziekte en houdt
zich vervolgens bezig met het opstellen van de
‘Instructie voor het Ziekenhuis van de Roomsch
Catholijke Armenkamer’, gevestigd in de Hagelsteeg
waar zich tot voor kort drukkerij Upmeyer
bevond.7 Daarna zijn de gegevens over zijn doen
en laten schaars totdat hij zich eind 1840 tot het
stadsbestuur wendt om zijn plannen tot het stichten
van een badhuis voor te leggen, waarbij hij
toestemming vraagt om op stadsgrond te bouwen.
Een badhuis te Zwolle? Zwolle als kuurplaats,
net als Spa in België of Bad Ems in Duitsland?
siiiiiïi
Lithografie van het badhuis,
gezien vanaf de
Turfmarkt. Op het bijgebouw
rechts is vaag
het opsch rijt A rtis
Salutiferae (aan de
heilbrengende geneeskunst)
te zien (part. collectie).
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lithografie van het badhuis
met de Diezerpoort
en de molen op het Genverberg
bastion (part.
collectie).
Het badhuis gewijd ‘aan de zegen brengende
wetenschap’
Het zijn niet alleen de Romeinen geweest die het
kuren in badplaatsen in West-Europa hebben
geïntroduceerd: het ontstaan van de Engelse badplaats
Bath gaat terug op het jaartal 863 vóór het
begin van onze jaartelling.8 In de loop van de eeuwen
krijgt men veel ervaring met het behandelen
van reumatische en neuralgische pijnklachten. De
ervaring is de belangrijkste leermeester voor de
artsen, die ook nu nog in de ons omringende landen
de kuurbehandeling voor alle mogelijke kwalen
toepassen: afwijkingen van de luchtwegen
zoals astma, gewrichtsklachten als reuma, overspanning
en overwerktheid, klachten van het
darmstelsel. Men kan eigenlijk geen ziekte bedenken
waar niet een of andere badplaats voor wordt
aanbevolen.
Een wetenschappelijke verklaring voor de
genezende werking van de badkuren is echter nog
steeds niet te geven. Men moet echter niet denken
dat een badkuur kort duurt: drie tot zes weken zijn
de gemiddelden. De badgast wordt onder een
streng medisch regime geplaatst, de dagelijkse
bezigheden worden tot op de minuut voorgeschreven,
evenals het te volgen dieet. Wie zich niet
aan de voorschriften wil houden, kan direct ver-
OTTTY1
trekken. Ook heden ten dage moet men in de
Duitse en Franse badplaatsen de gastronomische
restaurants met een lantarentje zoeken: een kok
zou daar geen bestaan kunnen opbouwen. De
badgast moet op vaste tijden wandelen in het
kuurpark, op vaste tijden zijn glas bronwater drinken
(en dat smaakt meestal allerafschuwelijkst),
hij moet middagrust nemen en wordt natuurlijk
op vaste tijden gebaad. Deze baden worden op
verschillende manieren ondergaan, van koude en
warme douches en dampbaden tot insmeren met
dikke vette modder die (zoals de familie nu nog
weet) in Zwolle per schuit uit Tsjechië wordt aangevoerd.
Massages en afbeulende spieroefeningen
staan ook te pas en te onpas op het programma.
Een vooruitstrevend geneesheer
Schaepman en ook andere Nederlandse artsen
zien in de vorige eeuw het succes van deze badkuren
in de om ons heen liggende landen. Schaepman
is een medicus die zich op de hoogte houdt
van de ontwikkelingen in de geneeskunde. Hij is
een van de eersten die de percussie en de auscultatie
gaat gebruiken. Ook zorgt hij ervoor dat alle
rooms-katholieke schoolkinderen een medische
‘keuring’ ondergaan in een eerste poging om de
tuberculose te bestrijden.9 Hij is een groot voorstander
van het systematisch inenten tegen kinderpokken,
waarvoor hij in maart 1842 een
Koninklijke medaille krijgt uitgereikt.
Het zal dus geen verwondering wekken dat
juist Schaepman probeert tot rationeler behandelwijzen
te komen. In 1842 doet hij een geslaagde
poging om een badhuis te stichten dat specifiek is
afgeleid van het instituut Eppendorf bij Hamburg.
Hij biedt op 19 december 1840 het gemeentebestuur
een plan aan ‘van eene door hem daar te
stellen Bad-Inrigting volgens bijgaande teekening,
ten doel hebbende het geven van koude, geneeskundig
gewijzigde, warme, douche of stort en zeebaden.’
Hij vraagt om te mogen bouwen op stadsgrond
’tegen over de Suikerraffinaderij aan de
Diezerpoort, zijnde de plek waar het zuiverste
rivierwater alhier bestendig aanwezig is.’10 Al op 2
januari 1841 krijgt hij toestemming om het
gebouw op eigen kosten (ongeveer 16.000 gulden)
te laten bouwen. Het gebouw, 22 meter lang en 12
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
breed, gelegen aan de Badhuiswal is nu nog vrijwel
in de oorspronkelijke vorm bewaard.
De gemeente is eveneens zeer voortvarend en
maakt plannen om in de directe omgeving van het
badhuis een ‘publieke wandeling’ aan te leggen.
Schaepman protesteert hier in felle bewoordingen
tegen, omdat hij aan het badhuis verdere ‘nuttige
inrigtingen’ wil verbinden zoals een gymnastiekinrichting,
die evenals het badhuis rondom vrij
moet liggen.” Verontwaardigd schrijft hij dat hij
geen met Café Bellevue of Beurs vergelijkbare
inrichting bezit en zeker niet van plan is om als
kastelein zijn bestaan te verbeteren. Om het stadsbestuur
van de wandelplannen te weerhouden,
biedt hij aan de grond om het badhuis te kopen,
waartoe de stad na enkele jaren hem de gelegenheid
geeft.
Stoom en wetenschappelijk onderzoek
In juni 1842 wordt het badhuis geopend. Het heeft
in de onderste verdieping een achttal badkamertjes
met badkuipen, op een afzonderlijke plaats
een stoomketel tot voeding der badkuipen met
warm water en een perspomp om het zuivere
rivierwater ‘in dezelve aan te brengen.’ Schaepman
gebruikt koolzure wateren volgens de badinrichting
Eppendorf, terwijl de zwavelbaden
wegens de hinderlijke en onaangename reuk in
een apart vertrek zijn ondergebracht.12 Uit een
advertentie op 24 mei 1842 blijkt dat de zieken
gelegenheid krijgen om in logeerkamertjes met
toebehoren te verblijven. Voor ‘exquise ververschingen’
en een nette, beleefde en goede bediening
zal zo veel mogelijk worden gezorgd. Men
kan zich ook abonneren op het gebruik van de
‘reinigings-baden’.
In juni 1843 blijken er aanmerkelijke verbeteringen
te zijn aangebracht die door het gemeentebestuur
bezichtigd worden. Schaepman legt daarbij
de werking van de onderscheidene machines
uit en hij toont aan dat de gedane investeringen
werkelijk ten nutte der Zwolse ingezetenen
besteed zijn.
De badgasten
Het badhuis krijgt een goede naam. Vanuit
Leeuwarden vragen burgemeester en wethouders
in juni 1844 naar de mogelijkheid om ‘door Armbesturen
verpleegd wordende lijders op min kostbare
wijze van de baden gebruik te doen maken.’
Schaepman antwoordt dat die lijders dan maar in
de ziekenhuizen van de respectieve gezindte waartoe
zij behoren moeten worden opgenomen. Zo
nodig is in de buurt van het etablissement gelegenheid
voor logies, verzorging en voeding tegen
ƒ 4,- per week. Voor de geneeskundige behandeling
wordt niets gerekend, maar een gewoon bad
kost ƒ 0,60 en een geneeskundig bad ƒ 0,80.’3 De
lijder moet behoorlijk voorzien zijn van verschoningsmiddelen
en moet ‘gezuiverd’ (schoongewassen!)
worden overgezonden. Hij tekent als
eigenaar van het Geneeskundig Badhuis ‘Arti
Salutiferae’.14
In het gastenboek wordt dit bevestigd. Hierin
staat in een zeer ongeschoolde hand:
‘Ik ben in dit badhuis gekomen door tusschenkomst
van den Heer Burgemeester van
Leeuwarden dat ik zelfs met een stok bijna niet
kon gaan en mijn eenen arm geheel niet kon
gebruiken. En nu ik dit Huis verlaat kan ik zonder
stok zeer goed en vlug gaan en mijn arm kan
ik ook weer zeer goed gebruiken. Gelukkig dat ik
hier ben geweest. Ik dank daar voor den goeden
God en den geneesheer die mij hier geholpen
heeft.’]5
Er is helaas slechts één jaarverslag bewaard gebleven.
16 Hierin wordt vermeld, dat sinds 1842 2790
baden zijn gegeven, waarvan 738 zuiveringsbaden,
1881 geneeskundige baden, 171 gezoute en regenbaden
terwijl 208 douches zijn toegediend. De
geneeskundige baden, waaronder staal, zwavel,
pottasch, zeesaline-aromatique en moutsbaden,
zijn toegediend aan 78 lijders, waarvan 36 stadgenoten
en 42 vreemdelingen. Daarnaast gebruikt
men galvanische en elektrische hulpmiddelen,
‘zoo in als buiten het Etablissement.’ Als Maison
de Santé biedt men tijdelijk passerende en ziek
geworden heren verzorging, evenzo aan celibatairen
die in tijd van ziekte geen ‘liefderijke verzorging
te huis hadden.’ Schaepman vermeldt dat er
driemaal daags weerkundige waarnemingen worden
genoteerd: de stand der thermometer, de
windstreken en de weersgesteldheid. De heer mr.
D. Lichtenberg houdt aantekening van de stand
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
der barometer. Daartoe wordt hetzelfde instrument
aangeschaft als in Groningen en Leeuwarden
in gebruik is. Een regen en windmeter zijn
besteld en er wordt een peilschaal aangebracht.
‘Als de gezondheid van de arts zijne middelen niet
te zeer beperkt zal hij trachten in praktisch opzicht
van den geheelen omvang der geneeskunde middelen
aan te schaffen, die dienstbaar kunnen zijn
aan den lijdenden, schijndooden, gewonden en
verdrinkenden mensch, enz.’17
In december 1848 vraagt en krijgt Schaepman toestemming
nog een stukje stadsgrond aan te kopen
en mag hij een gesloten veranda aanbouwen.
Wanneer men afbeeldingen uit die tijd vergelijkt
met de huidige situatie valt op, dat er nauwelijks
ruimte kan zijn geweest om in die tuin wandelpaden
aan te leggen. Om te wandelen stuurt Schaepman
zijn badgasten dan ook naar het bastion vóór
de Diezerbuitenpoort, het dan nog onbebouwde
terrein waar nu een winkelcentrum met parkeergarage
staat.
De zwemschool mislukt
In 1852 heeft Schaepman plannen om bij het badhuis
een drijvende zwemschool op te richten en
doet daartoe een voorstel aan de gemeente. Uit dit
plan blijkt dat hij het nut inzag van beweging en
oefening voor kinderen die door slechte voeding
(rachitis, Engelse ziekte) misvormd waren. Het
zwembad is echter pas in 1860 gerealiseerd. Het
wordt in de Nieuwe .Wetering gelegd, stroomopwaarts
van de Schoenkuipenbrug.
Schaepman heeft het badhuis niet zelf in stand
kunnen houden. In 1858 besluit de gemeenteraad
tot deelneming voor tien aandelen off 2.000.- in
een op te richten maatschappij tot aankoop van
het geneeskundig badhuis en oprichting van een
zwemschool. Wat hiervan terecht is gekomen, is
onduidelijk: de zwemschool is door A.J. Doyer
overgenomen.
Schaepman is op 23 januari 1865 in zijn 64e
levensjaar aan een beroerte overleden. Kort tevoren
was zijn 40-jarig jubileum als medicmae doctor
gevierd met een groot aantal genodigden ‘aan een
rijk voorziene disch, waar gulle vroolijkheid voorzat.’
Op 27 februari van dat jaar adverteert de
boekhandelaar Ezerman met een ‘photographisch
portret’ voor een gulden. In maart krijgt Ezerman
concurrentie van boekhandel Waanders, die hetzelfde
portret (van Deutmann, Photographe)
voor de helft van de prijs aanbiedt.
Tenslotte enkele vermeldingen uit het gastenboek,
dat in 1986 door een kleindochter van Schaepman
aan de gemeente werd geschonken en dat een aantal
namen bevat van belangstellenden, maar ook
warme loftuitingen aan het adres van ‘den bekwamen
en kundigen arts aan het hoofd dezer inrigting.’
Ook komen er onverwacht de namen van de
predikanten N. Beets van Groningen en V. van
Gogh uit Breda in voor.18
‘De eigenaar van het geneeskundig Badhuis
“Arti Salutiferae” te Zwolle verzoekt beleefdelijk
dat zij die het établissement met een bezoek vereeren
of gebruik maken van geneeskundige of
zuiveringsbaden, hunne tevredenheid ofklagten
mogen bekend maken in dit boek. Zwolle, 11 may
1844, E. T. Schaepman Med. dr.’
De eerste ondertekenaars zijn And. van de Vondervoort,
pastoor te Kolmschate en D. Sassen,
pastoor in Zwolle. Daarna staat ook J. Philipson,
griffier bij de Rechtbank te Zwolle, vermeld.
‘…en eenige weken met veel genoegen doorgebracht,
verscheidene baden tegen krampen en
Rhumatische pijnen met succes gebruikt en legt
daarbij gaarne het getuigenis nimmer meerdere
dienstvaardige hulp met beleefde welwillendheid
gepaard ondervonden te hebben.
.. Eene goede welingerichte nette tafel met goede
smaakvolle spijzen toebereid, betuigd daarbij
zijnen opregten dank aan den bekwamen kundigen
Arts aan het hoofd dezer inrigting geplaatst
voor zijn deelnemende oplettendheid om alle
soulaas de lijders aan te brengen welke in zijne
macht staat. Hij neemt dan afscheid met gevoelvolle
dankbaarheid, van Hoëvell Nijenhuis.
Zwolle julij 1844.’
Ds. N. Beets van Groningen schrijft een bloemrijk
gedicht op 31 juli 1844, evenals prof. J. Baart de la
Faille uit Groningen op 25 juli van dat jaar.
Dat kuurgasten soms geruime tijd in het badZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
huis worden opgenomen, blijkt uit een aantal
dankbetuigingen:
‘Na eene zware zenuwen ziekte, en zukkelingen
van bijna^jaar bén ik hier in het geneeskundig
badhuis door het gebruiken der baden en
onder Z. Edele behandelingen in den tijd van 4
maanden geheel hersteld.’
Grietje Wiegmink schrijft op 13 juni 1844 dat zij na
ruim negen weken de baden gebruikt te hebben
volkomen is genezen van een pijnlijke en aller verschrikkelijke
kramphoest ‘welke mijne zenuwen
zoodanig in werking brachten, dat ik een onzinnig
mensch geleek en ik van alle hulp middelen geen
beterschap verkreeg heb ik mij begeven in dit badhuis.’
Maar ook lezen we: ‘Tot mijn leedwezen
moet ik betuigen dat ik niet gebeterd ben. M. van
Ingen geboren Cannenburg.’
Uit het buitenland betuigt Eugenia Tebaldi uit
Casalmaggiore in Italië op 30 oktober 1848 haar
dank, die zij ‘eterna memoria in mio cuore’ zal
bewaren.
Het badhuis is waarschijnlijk na de dood van
Everhardus een tijd lang als woonhuis bij de familie
Schaepman in gebruik geweest. Zijn kleinzoon,
notaris mr. A.P. van der Biesen, heeft er vanaf 1903
tot aan zijn overlijden in 1936 kantoor gehouden.
Er is nog een manshoge, midden in het gebouw
opgetrokken safe met zware metalen deur aanwezig.
Na Van der Biesen was zijn opvolger notaris
Willemse er te vinden. Na 1952 vond het Algemeen
Ziekenfonds Zwolle er een aantal jaren onderdak.
Het pand wordt thans verbouwd tot een aantal
appartementen.
Noten
1. Voor de genealogie zie Nederlands Patriciaat 26, p.
273-298.
2. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), Historische atlas;
mededeling op achterzijde van een portret van J.E.
Schaepman, afkomstig uit familiebezit.
3. Kam, B.J. ‘Pathologische anatomie in de zeventiende
eeuw’ in Zwols Historisch Tijdschriftw (1993), 13.
4. Vreemd genoeg is het niet na te gaan of het hier om
vlektyfus (typhus exanthematicus, door luizen
overgebracht) of om buiktyfus (typhoid fever, buiktyfus,
door water overgebracht) gaat.
5. Variola major.
6. Alle hier vermelde feiten over de ziekte in de kop
van Overijssel komen uit de Provinciale Overijsselsche
Courant, periode september 1826-februari 1827.
7. GAZ, IA026 Rooms Katholieke Armenkamer, ingekomen
stukken doos 19; stuk 41 dd. 16 maart 1827.
Voor de lokalisatie: Oorspronkelijk aanwijzende tabel
der Grondeigenaren gemeente Zwolle, sectie
F 951.
8. Encyclopedia Brittanica 1995, ‘Spa’.
9. Vries, ThJ. de, Geschiedenis van Zwolle, II198, 253.
10. GAZ, AAZo2/oO34-2O29/57.
11. GAZ, AAZo2/bo252l-972en 1846.
12. Provinciale Zwolsche Courant dd. 18 maart 1842.
13. Met een laag geschatte omrekeningsfactor van 50
komt dit dus op ƒ 40,- per bad!
14. (opgedragen) ‘Aan de gezondheid brengende Wetenschap’.
15. GAZ, PA 1259, Gastenboek.
16. GAZ, AAZ02-301-1270.
17. GAZ, AAZ02-301-1270,3 juni 1846.
18. Ds. Vincent van Gogh (1789-1874), de grootvader
van de schilder. De handtekening is niet gedateerd.
Fragment van het gastenboek
(Gemeentearchief
Zwolle).
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De perikelen van procureur Joris Meesters
Riet Leussink en
Jennie Pruim Al enige tijd zijn wij, Riet Leussink en Jennie
Pruim, als vrijwilligers bezig met het transcriberen
van de handelingen en resoluties
van de kerkenraad van de Hervormde Gemeente
in Zwolle in de zeventiende eeuw (aanwezig in het
Gemeentearchief Zwolle, inv.nr. KA017, 001 t/m
006). Deze resoluties zijn voor een leek moeilijk te
lezen omdat ze opgetekend zijn in verschillende
handschriften; door de transcriptie worden ze
bereikbaar voor iedereen die ze wil raadplegen. De
notulen geven duidelijk weer wat de invloed en de
macht van de kerkenraad was en hoe nauw de
relaties met het stadsbestuur waren in die tijd. Wij
stellen ons voor u de komende tijd in de vorm van
korte bijdragen mee te laten genieten van aardige
en interessante voorvallen die we tegen komen.
Joris Meesters
In september 1658 komen Joris Meesters, zijn
vrouw Eva de Swaan en zijn schoonzuster Elisabeth
de Swaan met attestatie van de gereformeerde
kerk van Den Haag naar Zwolle. Uit dit huwelijk
worden te Zwolle twee kinderen geboren,
Ananias en Theodoor, respectievelijk gedoopt op
24 april 1659 en 26 februari 1661. In dit laatste jaar
komen Joris en zijn vrouw te overlijden. Op 20
december 1661 worden beide echtelieden in de
Grote Kerk begraven.
Op 13 december van het jaar 1660 laat Lysbet
de Swaan, ‘jonge dochter, met dewelcke Jan Stil
seyt wettelijck ondertrout te sijn’, de kerkenraad
van de Gereformeerde Kerk in Zwolle weten, dat
ze een tijdje in Zwolle denkt te blijven en dat ze
graag aan het avondmaal in deze kerk wil deelnemen.
De kerkenraad gaat niet over één nacht ijs,
en ontbiedt haar in de kerkenraadsvergadering
van 15 december om haar aan de tand te voelen
over de echtheid van haar geloof en haar onbesproken
levenswandel. Maar, wie er ook verschijnt
op die dag, geen Lysbet. In haar plaats komt Joris
Meesters, procureur, zwager en voogd van Lysbet.
Hij zegt dat zijn schoonzuster hem heeft gevraagd
om haar te vertegenwoordigen.
De kerkenraad vraagt voor alle zekerheid even
aan de koster, wat Lysbet zei, toen hij haar de
oproep van de raad bracht (het rondbrengen van
brieven was één van de taken van de koster). Volgens
de koster zou ze komen.
De kerkenraad wordt argwanend en zegt tegen
Meesters, dat zijn schoonzus morgen tegen één
uur weer opgeroepen wordt ‘ende indien sij dan
weigert te coomen, sal de kerckenraet verdacht
sijn op middelen waerdoor sij haer autoriteit kan
behouden tegen sijn vrouwen suster ende diegeene
dewelcke haer mochten afraeden de eerwaarde
kerckenraet, gelijk het een litmaet betaemt, te
gehoorsaemen.’
Deze dreigende taal maakt weinig indruk,
want de volgende dag komt alleen Meesters. Hij
vertelt uitvoerig dat zijn schoonzuster eigenlijk
lidmaat wil worden van de kerk in Rotterdam en
dat ze de laatste tijd in Winshem (Windesheim)
had ‘gecommuniceerd’.
Groeiend wantrouwen
Maar dominee J. Heesselius (predikant in Zwolle
van 1652 tot 1677) is er van overtuigd dat Lysbet
hem gezegd heeft, dat ze in Zwolle het avondmaal
wil ontvangen en Meesters wordt niet geloofd. De
kerkenraad voelt hem hierover uitgebreid aan de
tand en de gemoederen beginnen aardig op te
lopen. Het enige antwoord dat ze krijgen van
Meesters is: ‘Een mensche kan van sinnen veranderen.’
De heren worden steed

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1997, Aflevering 3

Door 1997, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
/ * 1 ‘ ». • • ‘ ‘ t ‘ – – ‘ ‘ –
Ansichtkaart Grand Hotel Wientjes
Poststempel november 1936
Zwolle 1 Nov ’36
Lieve Nelly
Wij, Willy en ik, zitten hier op een gepaste wijze
haar verjaardag te vieren met een fijn dinertje!
Wij vonden de photo’s die je gezonden hebt buitengewoon
geslaagd en zullen je daarover en over andere
dingen binnenkort een reuzen-brief schrijven.
Hartelijkste groeten van ons beiden ook aan je
ouders
tt Oom Karel, Willy
Een ansichtkaart uit de jaren dertig van het toen
nieuwe Grand Hotel Wientjes. Hotel Wientjes
werd in 1929 geopend na een zeer grondige verbouwing
en uitbreiding van de villa die voorheen
hier aan de Stationsweg stond. Dit pand was in
1928 door de heer F. Th. Wientjes, sinds 1923 hotelier
in de Voorstraat, aangekocht van Mr. W.H.
Roijer, president van de rechtbank. De oorspronkelijke
villa beslaat het rechter gedeelte van het
hotel, de vier ramen naast de ingang. De rest werd
nieuw aangebouwd. Voor het geheel werd dezelfde
bouwtrant als die van het origineel gehandhaafd.
Hotel Wientjes kende in de loop der jaren
heel wat verbouwingen en uitbreidingen, maar het
front bleef altijd in tact. De grootste uitbreiding
vond plaats in 1979. Achter het hotelgebouw werden
toen 30 kamers en diverse zalen aangebouwd;
qua volume ongeveer net zoveel als het hele voorstuk
besloeg. Drie generaties Wientjes stonden
aan de leiding van het hotel. In februari 1992 verkocht
de laatste van hen, Frans Wientjes junior,
het aan de Bilderberg Groep. Wientjes verliet het:
hotel een paar jaar later waarmee een einde kwam
aan de bemoeienis van de familie met het hotel.
De naam Hotel Wientjes is echter gehandhaafd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
De inhoud van deze aflevering van het Zwols Historisch
Tijdschrift is voor een groot deel geïnspireerd
door de onlangs voltooide bouw van het
nieuwe hoofdkantoor van de Rabobank aan de
Willemskade. Ingrid Wormgoor beschrijft de historie
van deze locatie in Zwolle, Wil Cornelissen
haalt jeugdherinneringen op aan de hier vroeger
gevestigde Raad van Arbeid en de bankhistoricus
Ton de Graaf gaat specifiek in op de geschiedenis
van de Boerenleen- en Raiffeisenbanken, waaruit
de Rabobank ontstond. Zoals u in zijn artikel kunt
lezen, was Zwolle één van de laatste plaatsen waar
deze fusie op lokaal niveau tot stand kwam.
Dit derde nummer van de veertiende aflevering
van het Zwols Historisch Tijdschrift biedt u
echter nog meer: een artikel over meten en wegen
hier te stede in de Middeleeuwen door G.P.M.
Schunselaar en een monografie over de zestiende
eeuwse Zwolse kunstenaar Arent van Bolten. Wim
Huijsmans en Lydie van Dijk schrijven over deze
onbekende tekenaar/ontwerper, zilversmid en
maker van bronzen beeldjes.
Verder de vaste rubriek ‘Groeten uit Zwolle’
met ditmaal een voor Zwollenaren zeer herkenbaar
onderwerp, Grand Hotel Wientjes, de agenda
met daarin opgenomen de nieuwe cyclus van historische
avonden en de tentoonstellingen in het
heropende Stedelijk Museum Zwolle en de mededelingen.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Van rechterswoning tot Rabobank Ingrid Wormgoor
Overpeinzingen bij een bouwput Wil Cornelissen
De Rabobank Zwolle: van bank voor boeren en tuinders
tot algemene bank Ton de Graaf
Meten en wegen in de Middeleeuwen G.P.M. Schunselaar
Arent van Bolten, een maker van monsters
Wim Huijsmans en Lydie van Dijk
Mededelingen
Agenda
Auteurs
74
76
84
86
96
100
103
104
106
Omslag: Het gebouw van de Raad van Arbeid tijdens de veemarkt, ca. 1925. Op
deze plaats staat nu het nieuwe hoofdkantoor van de RA BO bank.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Van rechterswoning tot Rabo-bank
Ingrid Wormgoor
Plattegrond van Zwolle
uit 1846. De Willemsvaart
mondde vlak bij
de Luttekebrug uit in de
stadsgracht (collectie
gemeentarchief Zwolle).
Inleiding
De plaats waar de Rabo-bank haar nieuwe
hoofdkantoor heeft gebouwd, lag lange
tijd buiten de stad en het drukke stadsleven
van Zwolle. Tot ver in de negentiende eeuw
woonde het overgrote deel van de Zwollenaren
namelijk binnen de stadsgrachten. Op een kaart
uit 1846 is dat duidelijk te zien. De bebouwing buiten
de grachten bleef beperkt tot het gebied vlak
buiten de drie stadspoorten.
Wat betreft het gebied buiten de Kamperpoort,
één van die drie stadspoorten, zien we dat
langs de Beestenmarkt (de huidige Harm Smeengekade)
huizen stonden. Datzelfde gold voor de
Hoogstraat. Verder was er enige bebouwing langs
de Pannekoekendijk. Uit een beschrijving die in
het midden van de vorige eeuw gemaakt is, blijkt
dat het er rustig wonen was. Harm Boom, redacteur
van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche
Courant gaf een idyllische beschrijving van
‘de met heerlijke linden beplantte Beestenmarkt,
waarover des namiddags de wandellustige Zwollenaren
zich in bonte groepen naar hun geliefkoosd
Groote Veer (= Katerveer) begeven (…) weldra
stonden wij op den hoek der Beestenmarkt, waar
de buitencingel een aanvang neemt eenige oogenblikken
stil ten einde het heerlijk gezicht daar
volop te genieten.’
In de halve eeuw die volgde op deze beschrijving,
veranderde dit stukje Zwolle grondig. De
Willemsvaart werd verlegd en kwam langs de Willemskade
te liggen. Verder werd de veemarkt vanuit
de binnenstad verplaatst naar de Beestenmarkt.
Tenslotte groeide de bevolking van Zwolle
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
sterk en gingen steeds meer mensen buiten de
stadsgrachten wonen. De meer welgestelde Zwollenaren
lieten herenhuizen bouwen langs de
belangrijke invalswegen van de stad. Zo dateren
de huizen aan het Groot Wezenland en bij het
kerkbrugje uit de periode rond 1880. Aan de andere
kant van de stad liet de rechter mr. P.J.G. van
Diggelen in 1880 een huis bouwen aan de Willemskade
1. Dit pand bleef bestaan totdat het in
1995 werd afgebroken om plaats te maken voor het
hoofdkantoor van de Rabo-bank.
Voordat de lotgevallen van dit pand aan de
orde komen, wordt hier eerst iets verteld over de
veranderingen in de omgeving van het huis.
Willemsvaart
Toen in 1819 de Willemsvaart officieel in gebruik
genomen werd, was dat voor Zwolle een heuglijk
moment. Na eeuwenlang plannenmaken, kreeg de
stad eindelijk haar langgewenste verbinding met
de IJssel. De Willemsvaart liep in die tijd vanaf de
Veerallee langs het tegenwoordige park Eekhout.
Vlakbij het Luttekeveer, waar nu de Nieuwe
Havenbrug ligt, mondde hij schuin uit in de stadsgracht.
Omdat de scheepvaart door deze nieuwe
verbinding sterk toenam, werd in 1836 de Nieuwe
Haven ingericht.
Het kanaal bleek al snel te klein voor de steeds
groter wordende schepen. In 1872 werd daarom
besloten de Willemsvaart te verdiepen en op sommige
plaatsen te verbreden om het geschikt te
maken voor die grotere schepen. De bocht die de
schepen moesten maken om vanuit de Willemsvaart
in de stadsgracht te komen, bleek echter een
onoverkomelijke hinderpaal; de grote schepen
konden de draai niet maken. Verlegging van de
Willemsvaart was onvermijdelijk.
Het gedeelte van de vaart dat langs park Eekhout
liep, werd gedempt. Langs de huidige Willemskade
werd een nieuw stuk gegraven, dat via
een flauwe bocht uitmondde in de stadsgracht.
(Tegenwoordig is hier het parkeerdek Emmawijk
te vinden.) Het hele karwei, inclusief de bouwvan
een nieuwe keersluis en de demping van de oude
arm was gereed in 1878. Op 18 november van dat
jaar vond de officiële opening van het nieuwe
gedeelte plaats.
Veemarkt
Een tweede grote verandering die halverwege de
negentiende eeuw plaatsvond was de verplaatsing
van de veemarkt vanuit de binnenstad naar de
Beestenmarkt. Verplaatsing was noodzakelijk
omdat de groeiende aanvoer van vee te veel problemen
opleverde in het centrum.
Omdat de aanvoer van vee gedurende de hele
negentiende eeuw bleef toenemen, ontstonden
ook op de nieuwe lokatie moeilijkheden. De
Kamer van Koophandel en Fabrieken klaagde in
1872 over de geringe omvang en ongunstige
inrichting van de veemarkt. De gemeenteraad zag
het probleem, maar wilde geen definitief besluit
nemen, voordat de nieuwe verbinding tussen de
Willemsvaart en de stadsgracht gerealiseerd was.
De raad vond dat het voor die tijd niet goed mogelijk
was te beoordelen of de veemarkt op de Beestenmarkt
kon blijven en welke veranderingen
nodig waren.
Inderdaad diende de gemeentearchitect in
1878 een plan in om de veemarkt te verbeteren.
Dat plan werd in de loop van 1880 – nadat de
Bouwtekening uit 1966.
De gevel van het pand
Willemskade 1 werd
vernieuwd en het naastgelegen
pand werd vervangen
door nieuwbouw
(collectie gemeente
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plattegrond van Zwolle.
De Willemsvaart is verlegd
en loopt langs de
Willemskade (gemeentea
rch ief Zwolle).
Vanuit het huis van
Van Diggelen had men
een fraai uitzicht op de
stadsgracht.
gemeenteraad de nodige wijzigingen had aangebracht
– uitgevoerd. Het terrein van de veemarkt
werd opnieuw ingericht en voorzien van oplopende
staanplaatsen voor het vee met brede gangpaden
tussen de staanplaatsen. De kosten van de verbetering
bedroegen met inbegrip van het ophogen
en bestraten van het plein ƒ 8612,925.
Voor de omwonenden, waaronder veel veehandelaren
en logement-, bierhuis- en koffiehuishouders,
was dit een gunstige ontwikkeling. Er
,
was namelijk ook sprake geweest van verplaatsing
van de veemarkt. Dat plan kreeg geen steun van de
omwonenden en ook niet van de gemeenteraad.
Volgens het raadslid Van Rees zou een nieuwe
veemarkt alleen mogelijk zijn buiten de stad en
‘dit zal onze ingezetenen zeker niet ten voordeel
zijn, wijl de marktbezoekers dan buiten de stad
blijven.’ Bovendien waren de kosten voor verbetering
van de bestaande markt lager dan voor verplaatsing.

Niet lang nadat de verbeteringen waren aangebracht,
was de markt al weer te klein. Geen wonder,
wanneer bedacht wordt dat in 1882 ruim
35.000 runderen werden aangevoerd en in 1888
bijna 50.000. Toen zich in 1903 de mogelijkheid
aandiende een stuk grond met bebouwing te
kopen vlak naast de bestaande veemarkt, aarzelde
de gemeenteraad dan ook niet lang. Zonder veel
discussie besloot de raad de percelen van wijlen
hotelhouder B. Vierdag, gelegen aan de Beestenmarkt,
aan te kopen. Het was de bedoeling de
gebouwen af te breken en de open ruimte te
gebruiken voor uitbreiding van de veemarkt.2
Het college van Burgemeester en Wethouders
was een groot voorstander van uitbreiding,
omdat, zoals het college stelde: ‘Nu het eindelijk
tot de zoolang gewenschte vergrooting der veemarkt
komen zal, meent zij dat nu ook zooveel
mogelijk in eens een zoodanige verandering tot
stand moet komen, dat niet alleen voor de thans
bestaande behoeften de nieuwe ruimte voldoende
mag heeten, maar dat ook door de nieuwe inrichting
der markt een zoodanige attractie op den
handel uitgeoefend wordt, dat een drukker bezoek
van de Zwolsche markt het gevolg is.’3 Het college
wilde dus niet alleen de bestaande problemen
oplossen, maar ook de mogelijkheid voor uitbreiding
van de veemarkt openhouden.
De meeste gemeenteraadsleden vonden dat
niet nodig. Zij vonden een geringe uitbreiding van
de veemarkt voldoende. Bovendien wilden zij het
hotel niet afbreken, omdat: dat gebouw een flinke
huur kon opbrengen. Uiteindelijk werd besloten
een klein deel van de bebouwing af te breken en de
veemarkt in beperkte mate uit te breiden.
Hierdoor bleef het behelpen totdat in 1928
besloten werd de veemarkt, en tegelijk de varkensZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
markt, schapenmarkt en de paardenmarkt (die
plaatsvonden op de Pannekoekendijk, de Thomas
a Kempisstraat en de Brink) te verplaatsen naar
een terrein tussen de Emmastraat en de Hoogstraat.
Ondanks een groot aantal protesten van de
middenstandsvereniging, de bakkers- en slagersvereniging
en de diverse koffiehuis- en logementhouders
– die vreesden voor hun broodwinning –
ging de verplaatsing door. Op 1 mei 1931 werd het
nieuwe terrein in gebruik genomen.
De naam Beestenmarkt was vanaf die tijd niet
langer toepasselijk. De gemeenteraad besloot
daarom in 1938 de naam te veranderen in Harm
Smeengekade.
Bewoners
In hetzelfde jaar waarin de veemarkt voor het eerst
aanzienlijk verbeterd werd, 1880, kocht mr. P.J.G.
van Diggelen grond met de bebouwing aan de
IJselstraat van de fabrikant Joost Pieter Tobias.
Tobias, die in een gedeelte van de toen bestaande
bebouwing woonde, vertrok in juni 1880 naar
Zwollerkerspel.
Kort daarop verzocht Van Diggelen aan het
college van B&W of hij het door hem gekochte
perceel mocht verbouwen. Hij wilde een gedeelte
van de bestaande gebouwen – namelijk drie kleine
woningen – afbreken en deze vervangen door een
herenhuis van twee verdiepingen. De benedenverdieping
van het nieuw te bouwen herenhuis
zou ‘in verband met de bestaanblijvende lokaliteiten’
(het huis waar Tobias had gewoond) worden
gebracht.
Na verkregen toestemming en de benodigde
bouwwerkzaamheden, verhuisde Van Diggelen
met zijn gezin vanuit de Schoutenstraat naar de
Willemskadei.
Pieter Johannes Gesienus van Diggelen was op
24 oktober 1837 in Zwolle geboren. Hij studeerde
rechtsgeleerdheid in Utrecht en promoveerde in
1861. In 1869 kwam hij vanuit Winschoten naar
Zwolle waar hij als substituut-officier ging werken.
In 1876 werd hij tot rechter aan de arrondissementsrechtbank
benoemd en in 1894 kreeg hij een
aanstelling als vice-president. In 1906 vroeg hij
eervol ontslag aan ‘wegens herhaaldelijk voorkomende
ongesteldheid, die hem belette zijn werk
verder naar eisch te vervullen.’4 Hij overleed in
mei 1907.
Zijn eerste vrouw, Catharina Alexandrina Verloren,
was op 21 juli 1881 overleden. Zijn (enige)
zoon Bernard Pieter Gesienus werd in 1866 geboren.
Zijn tweede vrouw, Petronella Henriette
Conradina Engelenberg, overleed op 7 mei 1906.
De liberale Van Diggelen bekleedde diverse
politieke functies. Zo was hij van 1879 tot aan zijn
dood lid van de Staten van Overijssel. Verder was
hij van 1886 tot 1888 lid van de Tweede Kamer.
Tenslotte was hij van 1876 tot 1897 raadslid van de
gemeente Zwolle. Verder was Van Diggelen tussen
Harm Smeengekade/
Beestenmarkt gezien
vanuit het zuidoosten
circa 1900 (foto:
Gemeen tea rch ief Zwolle,
collectie Waanders).
Harm Smeengekade tijdens
hoog water in
januari 1916. Het huis
van Van Diggelen is
uiterst links nog net te
zien.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Willemsvaart circa
1900.
1879 en 1893 schoolopziener en was hij bestuurslid
van verschillende verenigingen in de stad.
Na het overlijden van Van Diggelen stond het huis
aan de Willemskade leeg totdat de familie Peereboom
er in 1912 kwam wonen. Mr. Pieter Peereboom,
rechter bij de arrondissementsrechtbank,
zijn vrouw Theodora Kutsch Lojenga en hun kinderen
Cornelia Elizabeth en Pieter, verhuisden in
dat jaar vanuit Bolsward naar Zwolle. Nadat het
Rijk hun woning had gekocht als huisvesting voor
de Raad van Arbeid, verhuisden ze naar het Klein
Weezenland(nu Burgemeester Van Roijensingel).
Korte tijd later vertrokken zij naar het buitenland.
Het pand waar de familie Tobias tot 1880 had
gewoond, had als adres Beestenmarkt 24. In 1898
woonde hier de familie Kanstein. Nathan Kanstein,
een onderwijzer, kwam in 1884 vanuit Groningen
naar Zwolle, waar hij opklom tot “hoofd
eener school”. Zijn vrouw, Bertha Cohen, was
evenals Nathan geboren in Groningen. Zij kwam
in 1890 naar Zwolle. In 1897 of 1898 verhuisde de
familie – er waren inmiddels twee kinderen geboren
– vanuit de Voorstraat naar de Beestenmarkt.
Nadat de Raad van Arbeid zich in 1919 in het
naastgelegen pand Willemskade 1 had gevestigd,
woonde Th.H. Boelkens, in het huis aan de Beestenmarkt.
Thijs Hendrik Boelkens, die in 1869 in
Bierum geboren was, kwam in juni 1919 naar
Zwolle, waar hij de functie van voorzitter van de
Raad van Arbeid had gekregen. Nadat hij korte
tijd in de Kamperstraat had gewoond, verhuisde
hij met zijn vrouw en vijf kinderen naar de Beestenmarkt.
De familie woonde er tot 1940, toen het
pand als kantoorruimte in gebruik genomen werd
door de Raad van Arbeid.
Raad van Arbeid
De Raden van Arbeid zijn in 1919 ingesteld tijdens
het kabinet Ruys de Beerenbrouck. Het waren
regionaal georganiseerde instellingen, die moesten
zorgen voor de uitvoering van de arbeidswetgeving.
Het bestuur ervan werd gevormd door
vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers,
onder voorzitterschap van een ambtelijk
voorzitter.
Eerder, vanaf het eind van de negentiende
eeuw, waren langzaam verschillende sociale voorzieningen
ontstaan. De meeste daarvan hadden
een vrijwillig karakter: er bestonden bijvoorbeeld
vrijwillige pensioenverzekeringen, vrijwillige
ongevallenverzekeringen en vrijwillige werkloosheidsverzekeringen.
Minister A.S. Talma vond dat
de diverse sociale verzekeringen een verplicht
karakter dienden te krijgen en dat de belanghebbende
werkgevers en werknemers voor de uitvoering
moesten zorgen. Om verplichte verzekeringen
tot stand te brengen, ontwierp hij een Invaliditeitswet,
een Ziektewet en een Radenwet. Die
Radenwet voorzag in de oprichting van Raden van
Arbeid. In mei 1913 werden deze wetten door de
Staten-Generaal aanvaard.
Het kabinet Cort van der Linden (1913-1918)
schortte de invoering van deze verzekeringswetten
op, omdat de nieuwe regering ze grondig wilde
herzien. Pas na de komst van het kabinet Ruys de
Beerenbrouck (1918-1922) kwam er schot in. Met
uitzondering van de Ziektewet werden Talma’s
wetten met spoed ingevoerd, waardoor de Raden
van Arbeid vanaf 1919 functioneren.
De Zwolse Raad vond eerst korte tijd onderdak in
het Odeon, maar verhuisde al snel naar de Willemskade,
waar het Rijk het huis van mr. PeereZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
boom had aangekocht. Behalve voorzitter Th. H.
Boelkens waren er in het begin zes beambten
werkzaam. Zij hielden zich vooral bezig met de
uitvoering van de Invaliditeitswet. Daarvoor
moest vrijwel de gehele in loondienst werkende
bevolking worden geregistreerd.
Met het in werking treden van de Ongevallenwet
1921, Ziektewet (1930), Kinderbijslagwet en
Ziekenfondsenbesluit (1941), Noodwet Ouderdomsvoorziening
(1947), Algemene Ouderdomswet
(1957) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(1959) breidden de werkzaamheden van de
Raad zich gestaag uit. Het aantal personeelsleden
liep eveneens op. Zo werkten er in 1949, dertig jaar
na de oprichting 132 mensen bij de Raad.
Voor dat groeiend aantal werknemers werd
omstreeks 1940 de personeelsvereniging ERVEA
opgericht. Leden moesten in de beginperiode een
kwartje per maand betalen. Eén van de eerste activiteiten
was het opvoeren van een toneelstuk,
waarvoor de deelnemers in het kantoorgebouw
repeteerden. Het optreden was zo succesvol dat
toneelspel jarenlang op het programma bleef
staan.
Verder werd jaarlijks een uitstapje georganiseerd,
de zogenaamde ‘Vrolijke Dag.’ Aanvankelijk
ging men met de fiets op pad en namen de
deelnemers hun eigen boterhammen mee.
’s Avonds at men gewoon thuis. Later werden ook
uitstapjes georganiseerd met een bus, en ging men
zelfs naar het buitenland.
Het blad van de personeelsvereniging, ‘In en
om de Raad’ geheten, besteedde uiteraard aandacht
aan de verschillende jubilea. Zo verschenen
bij het veertig- en het vijftigjarig bestaan van de
Raad speciale nummers. In 1969 mijmerde de
toenmalige voorzitter, R. Gosker, over de veranderingen
in de tien voorafgaande jaren. Volgens
hem zou het vijftig-jarig jubileum eigenlijk met
veel tamtam gevierd moeten worden. Immers
vroeger lag het zwaartepunt van de Raad bij de
premieïnning, terwijl het nu vooral ging om de
uitkeringen. ‘Is er wel een instituut in Nederland
te noemen dat zoveel miljoenen om zich strooit?’,
zo vroeg hij zich af. Verder was de sfeer van het
werk veranderd: ‘De gezapigheid van vroeger
maakte plaats voor de nerveusiteit van vandaag.
Wat dat aangaat is er sprake van een wezenlijke
verandering. Ik onderschat daarmede niet de
stress, die er vroeger ook was op de Ongevallenwet,
toen op een bepaalde datum het totaal van de
premieontvangst moest en zou kloppen met het
totaal van de kaarten. En als het klopte werd door
de chef op croquetten getracteerd.’
Met het groeiende aantal personeelsleden kon
ruimtegebrek niet uitblijven. In 1940 werd het
woonhuis van de voorzitter, Beestenmarkt 24, als
kantoorruimte ingericht. In de jaren 1948-1950
werd het pand uitgebreid met twee lokaliteiten en
een archiefkelder. Tevens werd het oude gedeelte
gerestaureerd. Kort daarna kwam een garageruimte
met een bovenwoning voor de conciërge in
de tuin.
Halverwege de jaren zestig, toen er zo’n 150
mensen bij de Raad werkten, werden nieuwe verbouwingsplannen
opgesteld. Onder leiding van de
architect P.A. Lankhorst werd het oude in vervallen
staat verkerende gedeelte (het woonhuis van
Boelkens) afgebroken en geheel opnieuw opgetrokken,
waarbij ruimte voor een kantine werd
geschapen. De gevel van het hoofdgebouw werd
praktisch geheel vernieuwd. Tegelijk kwam er parkeerruimte
en een nieuwe rijwielstalling. In mei
1968 nam burgemeester J.A.F. Roeien de vernieuwde
huisvesting officieel in gebruik.
De ambtenaren van de
Raad van Arbeid gingen
vaak naar de uitspanning
Madrid bij Vilsteren
voor de jaarlijkse
‘Vrolijke dag’ (foto; H.
Wubbolts-Poppe).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Harm Smeengekade tijdens
de veemarkt ca.
1910. Rondom de veemarkt
lagen veel cafés
o.a. het Bierhuis Welgelegen
dat hier te zien is
(foto: gemeentearchief
Zwolle collectie Schaepman).
Drie kamers in het nieuwe gedeelte waren
bestemd voor verhuur. De Nationale Woningraad
nam deze ruimte in gebruik. Toen deze in 1972
vertrok, vond N.O.B. Wegtransport hier onderdak.
Minder dan tien jaar na de verbouwing was er
weer sprake van ruimtegebrek. In 1976 werd een
bouwcommissie geïnstalleerd om het nijpende
tekort aan kantoorruimte in kaart te brengen. Uit
min of meer toevallige contacten bleek toen dat
het G.A.K. voor het districtskantoor te Zwolle aan
uitbreiding dacht. De gemeente had een perceel
grond aan de Zamenhofsingel aangeboden voor
nieuwbouw, maar dat stuk grond was groter dan
het G.A.K. nodig had. Het perceel was zelfs zo
groot dat de Raad van Arbeid zich eveneens aan de
Zamenhofsingel kon vestigen.
De uitwerking van deze plannen nam zoveel
tijd in beslag dat het nodig was de onderverhuur
aan N.O.B. Wegtransport op te zeggen en tijdelijk
een kontainerkantoor in de tuin te plaatsen. Uiteindelijk
was de nieuwe kantoorruimte in januari
1984 gereed en verhuisde de Raad van Arbeid naar
de Zamenhofsingel.
Vormingscentrum De Vijfhoek
Nadat de Raad van Arbeid uit het gebouw vertrokken
was, vond het vormingscentrum De Vijfhoek
er een nieuw onderkomen.5 Zodra de verbouwing
gereed was – er kwamen leslokalen, een kantine,
een grote keuken, een directiekamer en een doka –
en nadat de medewerkers het interieur eigenhandig
geverfd hadden, kon De Vijfhoek in augustus
1984 zijn werkzaamheden voortzetten in de nieuwe
behuizing.
Het nieuwe gebouw betekende een forse ruimtewinst
voor het vormingscentrum, dat zijn naam
ontleende aan zijn oude adres. Het was namelijk
in de binnenstad van Zwolle gevestigd op het
adres Vijfhoek 3. Dit oude gebouw was te klein
geworden. Bovendien moest het pand ontruimd
worden omdat er plannen waren het Gasthuisplein
opnieuw in te richten.
Het vormingswerk is kort na de Tweede
Wereldoorlog ontstaan. Als eerste werd in 1947 in
Maastricht een (rooms katholieke) Mater Amabilisschool
geopend voor werkende meisjes. Het
doel van deze school was om fabrieksmeisjes beter
voor te bereiden op huishouden en moederschap.
Eenjaar later werd een soortgelijke cursus op algemene
grondslag (De Zonnebloem) ingesteld.
Spoedig kwamen er meisjesscholen in meerdere
plaatsen. Het vormingswerk voor jongens begon
in 1954.
Het vormingswerk voor meisjes speelde zich
vanaf de oprichting grotendeels af in huishoudscholen.
Zo ook in Zwolle, waar de Industrie- en
Huishoudschool Jeanne d’Arc, gelegen aan de
Vijfhoek, Mater Amabilis cursussen en bedrijfsjongerencursussen
ging verzorgen. Na verloop
van tijd ontstond hieruit het vormingscentrum De
Vijfhoek als een zelfstandige instelling.
Behalve De Vijfhoek bestonden in de jaren
tachtig in Zwolle ook het Algemeen Vormingscentrum
‘Kreavorm’, het Gereformeerd Vormingscentrum
voor werkende jongeren en het
Christelijk Vormingsinstituut De Ruimte. In die
tijd werd regelmatig overleg gevoerd over samenwerking
en zelfs over fusie. Dat laatste kwam niet
van de grond, mede doordat de instituten op verschillende
godsdienstige grondslag gebaseerd
waren.
Het vormingswerk veranderde in de loop der
tijd van karakter door de invoering van de partiële
leerplicht en door het idee dat de vormingscentra
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
minder geïsoleerd moesten optreden; enerzijds
zochten de vormingscentra toenadering tot het
club- en buurthuiswerk en anderzijds tot het
beroepsbegeleidend onderwijs. Kortom, toen De
Vijfhoek naar de Willemskade verhuisde, was het
vormingswerk volop in beweging.
Vrij snel na de verhuizing kreeg De Vijfhoek te
maken met een nieuw project, Project Randgroepen
genaamd. Later stond dit project bekend als
Sjorz, Stichting Jongeren onderste laag regio
Zwolle.
Het toenmalige ministerie van WVC had voor
verschillende gemeenten, waaronder Zwolle, subsidie
beschikbaar gesteld voor werk onder randgroepjongeren.
Met behulp van dat geld kon de
gemeente Zwolle vanaf mei 1986 een samenwerkingsproject
opzetten, waarbij De Vijfhoek, Stichting
Stad en Welzijn en verschillende hulpverleningsinstellingen
betrokken waren. Doel van dit
project was het verminderen van de achterstand
op allerlei gebieden in bepaalde wijken. In dat
kader werden activiteiten opgezet om scholing,
arbeid, gezondheid en recreatie te bevorderen en
om criminaliteit, alcoholproblemen en schulden
te verminderen. De gemeente zorgde voor de
coördinatie van alle activiteiten en De Vijfhoek
hield zich bezig met het scholingsgedeelte.
In de loop van 1988 vond een reorganisatie
plaats. Er kwam een aparte stichting, Sjorz
genaamd. Kort daarna vormden Sjorz en De Vijfhoek
één gezamenlijk bestuur. In 1988 verhuisde
het project vanuit het gemeentehuis naar de Willemskade,
waar een barak in de tuin geplaatst
werd om de extra werknemers te kunnen huisvesten.
1
Toen het project in 1991 beëindigd werd, en
toen bovendien de basiseducatie – een van de
werkvelden van het vormingscentrum – overging
naar het IJsselcollege, kwam er ruimte in het
gebouw vrij. Zoveel zelfs, dat een gedeelte verhuurd
werd.
In augustus 1994 fuseerde De Vijfhoek met De
Landstede uit Raalte, tot Onderwijsgroep De
Landstede. Het vormingswerk werd daardoor een
afdeling van De Landstede, naast het MDGO,
MEAO, MAO, BBO Kappersopleidingen en Haarstylistencollege.
In 1985, toen het gebouw verkocht
was aan de RABO, verhuisde het vormingswerk
naar de Assendorperdijk, waar ook andere onderdelen
van De Landstede zijn gevestigd.
In het jaar daarna werd het oude pand aan de
Willemskade afgebroken.
Harm Smeengekade
met de huizen van de
families Vos de Wael en
Van Diggelen circa
1885.
Noten
1.
2.
3-
4-
5-
GAZ. Notulen gemeenteraad 29 oktober 1877.
Notulen gemeenteraad d.d. 7 december 1903.
Brief van het college van B&W d.d. 3 juni 1904.
Zwolsche Courant d.d. 14 mei 1907.
Dit gedeelte is gedeeltelijk gebaseerd op een gesprek
met Aukje Thomas en Janny van de Weide op 20
mei 1996. Beide werkten bij De Vijfhoek toen het
vormingscentrum aan de Willemskade gevestigd
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Overpeinzingen bij een bouwput’
Wil Cornelissen
Vader Wouter Cornelissen.
Een grote bouwput… Eigenlijk zijn ze al veel
verder dan een put. Er komt een nieuw
gebouw. Een bank.
Ik heb het, luisteraars, over de Willemskade; daar,
waar tot voor kort het vormingscentrum De Vijfhoek
was gevestigd.
Ik denk bij die plaats echter altijd aan het kantoor
van de Raad van Arbeid, gevestigd op het
adres Willemskade 1. Dat adres heb ik nog even
gecontroleerd in het adresboek van Zwolle uit
1922. Mijn vader staat ook al in dat adresboek.
Achter zijn naam staat keurig zijn beroep: Ambtenaar
Raad van Arbeid. Hij woonde toen op de
Thorbeckegracht op nummer 61a. Daar was hij op
kamers.
1922. Dat was twee jaar voordat mijn ouders
gingen trouwen. Mijn moeder werkte op hetzelfde
kantoor als mijn vader en ze hebben elkaar daar
leren kennen.
Ontelbare malen ben ik – veel later – in dat
gebouw geweest. Als zoon van meneer Cornelissen
mocht ik zo maar naar binnen. De portier
kende me en ik liep door naar mijn vaders kamer.
Daar werkten ook de heren Rudelsheim en Mulder,
Keuter, Veldhuis, Noordhof en mejuffrouw
Zegeling. Haar broer, Asje Zegeling, werkte er
ook. Meneer Boelkens was de voorzitter en die zat
op zijn kamer; vèr verheven boven de rest van het
personeel. Ik geloof dat ik hem maar één keer heb
gezien.
Eén van de jongste ambtenaren was meneer
Poppe. Mijn moeder sprak altijd nog over Japie
Poppe. Dat kwam omdat deze goede man, die
eigenlijk lacob heette, er ooit als vijftienjarige
jongste bediende, gekleed in de korte broek, aan
het werk was gezet. In de familieslagerij in de Diezerstraat
was voor hem geen plaats meer. Mijn
vader en moeder bleven hem altijd, ook veel later
nog, zien als jongste bediende; ook toen Poppe de
vijftig al lang was gepasseerd en ook al lang was
opgeklommen tot een gewaardeerde kracht op dat
kantoor. Meer dan veertig jaar bracht hij door op
één en dezelfde werkplek. Denk daar maar eens
goed over na. Meneer Poppe is vorig jaar (1995) op
hoge leeftijd overleden. Hij was toen 92 jaar.
Met hem kon ik nog over mijn moeder, en
vooral ook over mijn vader praten. Hij was een
van de laatsten met wie dat kon.
Raad van Arbeid. Ach ja… Mijn vader heeft er bijna
dertig jaar gewerkt als hardwerkend, eerzaam
ambtenaar. Hij werkte zeer consciëntieus op de
afdeling rentezegels. Het had iets met de ziektewet
te maken. Ik herinner mij nog levendig de stapels
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
rentekaarten die hij meenam naar huis om er
’s avonds laat nog aan te werken. Overwerk meenemen
naar huis. Blij zijn dat je een baan had.
Overwerk voor kantoor. Onbetaald natuurlijk.
Bijna dertig jaar werkte mijn vader daar dus.
Soms kwam ik hem van kantoor ophalen. Het was
altijd leuk om samen met je vader naar huis te fietsen.
Maar één keer haalde Helen hem op.
Helen was een Amerikaans nichtje dat in Holland
logeerde. Het was in 1938 of 1939. Helen
logeerde een poosje bij ons aan de Vondelkade.
Bloedmooi was ze; uitdagend en een jaar of zeventien.
Ze had roodgeverfde lippen! En dat in Zwolle,
in die jaren! Ik heb nog een foto van haar uit die
tijd. Daarop draagt ze een leren jasje en ze heeft
een baret schuin op ’t hoofd.
Deze Helen haalde dus eens haar oom Wouter,
mijn vader, van kantoor. Ze stond met haar fiets
voor het gebouw op de Willemskade te wachten
tot de werktijd geëindigd was.
De ambtenaren keken door het raam en zagen
haar. Ze konden hun ogen niet van haar afhouden.
Zou ze op één van de collega’s wachten? De
fluistertoon werd sterker en sterker. Alle jonge
kantoorklerken werden er op aangekeken. Niemand
dacht aan de wat oudere, kale, bedachtzame
en zéér serieuze meneer Cornelissen…
Om half zes ging het kantoor uit. Iedereen
bleef dralen, benieuwd wie de uitverkorene zou
zijn. Niemand kon z’n ogen geloven toen Helen,
die mooie fantastische, schitterende Amerikaanse
Helen, mijn vader om de hals vloog, hem kuste en
toen met hem w£gfietste…
Nog dagen daarna gonsde het op de Raad van
Arbeid van de geruchten. Mijn vader bleef daar
stoïcijns onder. Die was druk aan het werk met
zijn rentekaarten en rentezegels van de ziektewet.
Vijftien jaar geleden heb ik Helen in Amerika
bezocht. Ze wist nog dat ze in Zwolle had gelogeerd,
maar van de opwinding die ze op de Zwolse
Willemskade, in het gebouw van de Raad van
Arbeid had veroorzaakt, kon ze zich begrijpelijkerwijs
niets herinneren. Maar ik zag wel dat ze
veertig jaar later nog steeds een mooie vrouw was
en ik kon me de opwinding van de collega’s van
mijn vader goed voorstellen.
De Amerikaanse Helen
Cornelissen.
De Raad van Arbeid op de Willemskade.
Alleen in mijn herinnering staat dat gebouw er
nog. Als ik mijn ogen open doe is het verdwenen.
Net zoals meneer Poppe, meneer Rudelsheim,
meneer Veldhuis, juffrouw Zegeling, voorzitter
Boelkens en de mooie wachtende Helen…
Deze column is op 7 september 1996 uitgesproken
voor radio Zwolle.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Rabobank Zwolle: van bank voor
boeren en tuinders tot algemene bank
Ton dé Graaf
Rabobank Zwolle, Willemskade;
1997 (foto
Rabobank Zwolle).
De verhuizing in augustus 1997 van het
hoofdkantoor van de Rabobank Zwolle is
de aanleiding voor deze bijdrage over de
geschiedenis van de Rabobank Zwolle. Het artikel
wil een eerste aanzet geven voor een geschiedenis
van deze instelling. Het pretendeert geen volledigheid.
De oudste Zwolse banken
Tegenwoordig is het bankenlandschap in Nederland
tamelijk uniform. De grote, landelijk opererende
banken – ABN AMRO, ING en Rabobank –
vind je tegenwoordig in iedere plaats van enige
omvang. Daarnaast zijn in veel plaatsen de opvolgers
van de vroegere Bondsspaarbanken actief; in
West- en Zuidwest-Nederland onder de naam
VSB-Bank en in Noord-, Oost-, Midden- en Zuidoost-
Nederland onder de naam SNS Bank. De
Generale Bank, F. van Lanschot Bankiers en de
regionaal werkende Friesland Bank besluiten deze
reeks. Alle andere in Nederland werkzame banken
zijn of op één bepaald bancair product gericht of
zijn alleen werkzaam voor één bepaalde doelgroep.
Aan het begin van deze eeuw was dit wel
anders. Landelijke banken bestonden niet en iedere
plaats had zijn eigen bankiers en kassiers waar je
voor financiële transacties terecht kon. Een ander
groot verschil met de huidige banken is dat de
instellingen veel hoogdrempeliger waren. BedrijZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ven en welgestelden vormden de exclusieve klantenkring
van de kassiers en bankiers.
In Zwolle was dit niet anders dan in de rest van
het land; toentertijd waren hier vijf grote kassiersbedrijven
actief. In volgorde van oprichting waren
dit de firma A. van Deventer & Zn. (1824) aan de
Sassenstraat 37, Doijer & Kalff (1825) aan de Kamperstraat
18, Van Esch & Co (1845) aan de Melkmarkt
43, Van der Vegte & Van Reede (1864) aan
het Rode Torenplein 11 en Buisman Gratama &
Co (1870) aan het Bethlehemse Kerkplein 48. Deze
vijf bedrijven – ‘de grote vijf – beheersten het
Zwolse bancaire leven. De in deze tijd ook actieve
Spaarbank van het Departement Zwolle der Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen (1818), later
onder de naam Nutsspaarbank werkzaam en
tegenwoordig actief als SNS-Bank, richtte zich
alleen op de kleine spaarders.
Daarnaast verschenen in het eerste kwart van
deze eeuw nog enige nieuwkomers op het toneel.
Zij waren werkzaam voor één specifieke doelgroep
of probeerden binnen te dringen in het bolwerk
van ‘de grote vijf. Tot deze nieuwkomers hoorden,
ook weer naar chronologie van oprichting:
Frowijn & Thiebout (1902), bankier en commissionair
in effecten aan de Luttekestraat 19, de
Spaar- en Voorschotbank ‘Boaz’ voor Zwolle en
Omstreken (1910) aan de Walstraat 6, G. Veenstra
(1911), commissionair in effecten aan de Walstraat
6 en de Zwolsche Middenstands-Credietbank
(1915) aan de Kamperstraat 14, later Melkmarkt
26-28. Van de landelijke banken die na 1911 bezig
waren zich in de provincie met bijkantoren te vestigen,
kunnen worden genoemd: de Bank-Associatie
Wertheim & Gompertz 1834-Credietvereeniging
1853 aan de Nieuwe Haven 7, de Geldersche
Credietvereeniging (1917) aan de Melkmarkt 1-5
en de Nationale Bankvereeniging (1924) aan de
Thorbeckegracht 59.’
De grote vijf kassiersbedrijven Van Deventer &
Zn., Doijer & Kalff, Van Esch & Co, Van der Vegte
& Van Reede en Buisman Gratama & Co verdwenen
alle in de jaren 1918-1925. Van Deventer & Zn.,
Van Esch & Co en Van der Vegte & Van Reede
gingen alle drie in de jaren 1923-1925 in liquidatie,
veroorzaakt door te grote kredietverlening. De firma
Doijer & Kalff was in 1918 met grote inbreng
van de Amsterdamsche Bank omgezet in een
naamloze vennootschap onder de naam Bank van
Doijer & Kalff. In 1950 verdween deze bank van
het toneel; in het bankgebouw aan de Burgemeester
Van Roijensingel opende de Amsterdamsche
Bank een bijkantoor. Het bedrijf van Buisman
Gratama & Co werd in deze crisisjaren gereorganiseerd,
maar kon het ondanks de steun van De
Twentsche Bank en De Nederlandsche Bank niet
bolwerken. De bank ging begin 1925 in liquidatie
waarbij het gezonde deel van het bedrijf werd
voortgezet als bijkantoor van De Twentsche
Bank.2
Een bijzondere positie werd in Zwolle ingenomen
door het agentschap van De Nederlandsche
Bank aan de Koestraat 24. Dit agentschap werd in
november 1864 geopend en speelde een essentiële
rol bij de kredietverlening, door de disconteringsmogelijkheid
die werd geboden voor de plaatselijke
kassiers. In januari 1986 werden de agentschappen
Zwolle en Meppel samengevoegd en verplaatst
naar Hoogeveen.
De banken die hier tot nu toe niet genoemdzijn,
vormen het eigenlijke onderwerp van dit artikel.
Dat zijn de twee voorgangers van de Rabobank,
de Coöperatieve Boerenleenbank ‘Zwolle’
uit 1908 en haar evenknie de Coöperatieve Boerenleenbank
Raiffeisenbank ‘Zwolle en Omstreken’,
opgericht in 1922.
Om duidelijk te maken wat bijzonder is aan de
structuur van de boerenleenbanken moet hier
eerst iets over de voorgeschiedenis en de oprichting
van dit type bank in Nederland worden verteld.
3
De Boerenleenbanken en Raiffeisenbanken
in Nederland
Vanaf het midden van de jaren zestig van de vorige
eeuw ontstonden op het platteland in Duitsland
de eerste landbouwkredietbanken op coöperatieve
basis.4 Zij waren opgericht om te kunnen
voorzien in de financieringsbehoefte van de aangesloten
participanten, in eerste instantie alleen
boeren en tuinders. Evenals de detailhandel
ondervond ook de boerenstand problemen bij het
verkrijgen van kredieten bij de plaatselijke kassiers.
Om dit probleem op te lossen en om in de
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Friedrich Wilhelm
Raiffeisen (1818-1888);
(foto: Jubileumboek
Boerenleenbank 1948).
eigen financieringsbehoefte te kunnen voorzien,
werd in 1864 in Heddesdorf, in de Duitse Rijnprovincie,
door F.W. Raiffeisen een eigen bank voor
de boeren opgericht. De belangrijkste Raiffeisenbeginselen,
en ook de grootste verschillen met de
andere banken waren:
de lokale banken strekken hun werkzaamheden
slechts over een beperkt (geografisch)
gebied uit;
de bestuurders, die uit de plaatselijke sfeer
komen, genieten in beginsel geen honorering;
de winst wordt niet uitgedeeld, doch aan de
reserve van de bank toegevoegd;
de leden van de plaatselijke kredietcoöperatie
zijn onbeperkt aansprakelijk voor een eventueel
liquidatietekort;
de plaatselijke bank is verantwoordelijk voor
het eigen beheer, doch tevens aangesloten bij
een centrale bank.5
Na korte tijd waren in Duitsland reeds verschillende
banken volgens het Raiffeisen-systeem
opgericht. Oorspronkelijk waren zij uitdrukkelijk
alleen voor boeren en tuinders bedoeld. Zij trokken
gelden aan in de vorm van spaargelden en
deposito’s, en verstrekten aan hun leden kredietmogelijkheden
in diverse vormen, afhankelijk van
de kredietbehoefte.
Voor het boerenbedrijf werden en worden
gewoonlijk drie kredietvormen onderscheiden.
Allereerst het vlottend bedrijfskrediet: dit was
bedoeld voor uitgaven tijdens de productiecyclus,
met een duur van 6 tot 12 maanden. Hiervoor kon
een rekening-courantkrediet worden geopend. De
tweede kredietvorm was vast bedrijfskrediet ten
behoeve van duurzame investeringen met een
duur van 1 tot 3 jaar; in deze kredietbehoefte kon
worden voorzien door voorschotten. De derde
vorm was het grondkrediet voor de aanschaf van
onroerend goed met een looptijd van 10 jaar en
langer; deze kredietbehoefte kon worden gedekt
door de hypothecaire lening.6
De behoefte aan landbouwkredietbanken was
in Nederland niet minder groot dan in Duitsland.
De noodzaak in Nederland werd nog extra
gevoeld door de crisis in de landbouw in de jaren
tachtig van de vorige eeuw. Pas in mei 1896 werd
door de burgemeester van Lonneker, E. Jacobs –
de broer van Aletta, voorvechtster van de vrouwenemancipatie
– de eerste onder deze naam
werkzame landbouwersbank opgericht.7 Spoedig
daarna werden her en der in Nederland soortgelijke
coöperatieve banken opgericht.
Ter versterking van hun structuur bundelden
de plaatselijke banken zich, evenals in Duitsland,
in coöperatieve centrales. Zo werd de Coöperatieve
Centrale Raiffeisenbank te Utrecht in juni 1898
opgericht. Deze omvatte voor het grootste deel de
boerenleenbanken in Nederland die op een algemene
leest waren geschoeid. De andere centrale,
de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank in
Eindhoven werd in december 1898 opgericht. Bij
deze centrale waren de meeste katholieke banken
uit het gehele land aangesloten.8 Beide centrales
namen de overtollige gelden van de aangesloten
banken over om deze rendabel te maken. Verder
voorzagen zij in de extra kredietbehoefte van de
banken. Tegenwoordig verrichten zij ook een
groot deel van het administratieve werk ten
behoeve van het betalingsverkeer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Een jeugdige Norbert
Schmelzer overhandigt
in Zwolle waarschijnlijk
het zoveelduizendste
spaarbankboekje van de
Boerenleenbank, circa
1960 (foto: W.J.G.
Koerhuis).
In de loop der tijd werd de beperking tot uitsluitend
kredietverlening aan boeren opgeheven,
terwijl de banken zich ook in stedelijke gebieden
gingen vestigen. Vanaf de jaren vijftig trad ook
hier de branchevervaging op en gingen de boerenleenbanken
zich bewegen op het terrein van de
financiering van niet agrarische instellingen.
Anderzijds gingen spaarbanken algemene bankdiensten
aanbieden en institutionele beleggers lieten
zich in met middellange kredietverlening aan
het bedrijfsleven. Ook de concentratie van zeer
veel bedrijven in de meest uiteenlopende bedrijfstakken,
zowel in binnen- als buitenland, dwong
het bankwezen tot een optimale bedrijfsomvang.
Dit resulteerde in de grote bankfusies van 1964: de
Amsterdamsche Bank en Rotterdamsche Bank
fuseerden tot Amsterdam-Rotterdam Bank en de
Nederlandsche Handel-Maatschappij en De
Twentsche Bank fuseerden tot Algemene Bank
Nederland. Deze branchevervaging en schaalvergroting
van de financiële operaties, beide bancaire
fusies en de toenemende ontzuiling van de maatschappij
maakten het noodzakelijk dat beide Centrale
Banken in december 1972 fuseerden. Dit
resulteerde tot de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-
Boerenleenbank G.A., later afgekort tot Rabobank
Nederland te Utrecht. Na deze bundeling
van beide centrales was meteen de grootste bank
van Nederland ontstaan.
De belangrijkste taak van Rabobank Nederland
is tegenwoordig, naast een uniforme reclame
en advisering aangaande de te hanteren tarieven,
de controle op de individuele banken in het kader
van de Wet Toezicht Kredietwezen. De plaatselijke
banken hebben echter nog steeds een zeer grote
mate van autonomie.9
De Boerenleenbank en Raiffeisenbank te Zwolle
Eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw
werden in Nederland aan de lopende band boerenleenbanken
volgens het Raiffeisenprincipe
opgericht. In de omgeving van Zwolle was in IJsselmuiden
in 1906 een eigen boerenleenbank
opgericht en het mogelijke succes van deze bank
zal de boeren en tuinders van Zwolle tot oprichting
van hun bank hebben aangezet.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een van de oprichters
van de Zwolse Boerenleenbank,
Hendrik
Zuidberg (1869-1941) en
Beredina Willemina
Jemenschot (met muts)
(1865-1952), te midden
van hun kinderen achter
hun boerderij Willemsvaart
19 in circa
1908 (foto H. Zuidberg).
De initiatiefnemers en oprichters van de Boerenleenbank
in Zwolle waren B. Zuidberg, G.H.
Alferink, H. Zuidberg, J. Dijsselhof, K. Bomhof en
D. Timmerman. Zij waren allen boer of tuinder en
in de gemeente Zwolle woonachtig.’° De bank was
actief in de gemeente Zwolle en in de gemeente
Zwollerkerspel gelegen buurtschappen Spoolde
en Frankhuis. De officiële oprichting van de ‘Boerenleenbank’
te Zwolle vond plaats op 16 februari
1908. Het bestuur maakte gebruik van de conceptstatuten
van de Centrale Bank te Eindhoven. Het
zal dus zeer waarschijnlijk een initiatief van
rooms-katholieke zijde zijn geweest.
De standaardstatuten van Eindhoven werden
echter wel op een aantal punten aan de plaatselijke
omstandigheden aangepast. Het sub-artikel dat
het lidmaatschap van de Boerenbond verplicht
stelde, werd in Zwolle gewijzigd in het lidmaatschap
van de coöperatieve vereniging ‘De Tuinbouw’
te Zwolle. Ook het sub-artikel dat in de
Raad van Toezicht zo mogelijk een geestelijke zou
worden benoemd, werd doorgestreept.
Blijkbaar had men hier geen behoefte aan of
wilde men de mogelijkheid openhouden ook
andersdenkenden als leden aan te kunnen trekken.
Het bestuur, het belangrijkste lichaam van de
bank, bestond uit vijf leden onder voorzitterschap
van een directeur. Het bestuur had, naast de kassier,
de feitelijke leiding over de bank; zij keurden
kredietaanvragen goed of af. De eerste directeur B.
Zuidberg bleef tot aan zijn overlijden in februari
1927 op zijn post. De eerste kassier G.H. Alferink
vervulde zijn functie tot 1912 en werd daarna
opgevolgd door H.J. Brinkhof die in 1921 werd
opgevolgd door G.J. Riesebeek; deze laatste was
nog actief in 1959. Daarnaast werd een uit vijf
leden bestaande Raad van Toezicht benoemd die
op afstand en achteraf het doen en laten van het
bestuur moest beoordelen.
Op de eerste vergadering, op 13 mei 1908, werden
63 leden ingeschreven. Een aantal hiervan vertrok
in 1911 als landverhuizer naar Amerika. Niet
alleen individuele boeren en tuinders konden lid
worden. De coöperatieve Tuinbouwers-vereeniging
‘De Tuinbouw’ trad reeds op de eerste ledenvergadering
toe als lid, in september 1916 gevolgd
door de coöperatieve melkinrichting ‘De Eendracht’
te Zwolle. Het volgende collectieve lid was
‘Het districtsdepot Zwolle en omstreken van de
Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond’ dat in
juli 1920 toetrad tot de Boerenleenbank. Aanvankelijk
had deze instelling zich willen aansluiten bij
de Boerenleenbank te Schelle maar hier werd op
teruggekomen omdat de kassier niet alle dagen de
gehele dag beschikbaar zou zijn. Er werd meteen
een aanvraag ingediend voor een rekening-courantkrediet
van ƒ 50.000,-. Kort daarna werd de
Boerenleenbank Schelle waarschijnlijk door de
Boerenleenbank Zwolle overgenomen.
Wat de oorzaak van de oprichting van de Coöperatieve
Boerenleenbank-Raiffeisenbank ‘Zwolle
en Omstreken’ op 20 februari 1922 is geweest, is
niet geheel duidelijk.” Deze bank sloot zich aan
bij de Centrale Bank in Utrecht. Een mogelijke
oorzaak van deze afsplitsing of scheuring in Zwolle
kan zijn dat de Centrale Bank te Eindhoven een
groot rekening-courant krediet voor een (nieuw)
lid niet wilde toestaan. De lokale banken waren
verplicht om voor kredieten boven een bepaalde
omvang toestemming van de Centrale Bank te
vragen. Toen bleek dat de Centrale Bank in
Utrecht geen probleem met dit krediet zou hebben,
werd besloten om een nieuwe bank in Zwolle
op te richten. Deze werd vervolgens lid van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Centrale Bank te Utrecht. Waarschijnlijk hebben
ook andere oorzaken bij deze scheuring een rol
gespeeld.
Of de oprichting van de Coöperatieve Landbouwbank
en Handelsvereeniging ‘Zwollerkerspel’
te Zwolle, opgericht vóór 1917, ook aan een
geweigerd krediet is toe te schrijven of de mogelijke
beperking van de Boerenleenbank tot het
gebied van de gemeente Zwolle en dus niet Zwollerkerspel,
is niet duidelijk. De naam van de bank
laat zien dat men zich niet beperkte tot financiële
activiteiten. Het was tevens een coöperatieve aanen
verkoopvereniging voor de aangesloten leden.
De Landbouwersbank was aanvankelijk gevestigd
aan de Holtenbroekerdijk 14 en later aan de Schuttevaerkade
1. Circa 1980 werd de bank overgenomen
door de Raiffeisenbank.
In de beginperiode van beide banken beschikte
men niet over een eigen bankgebouw. In de
woning van de kassier was een aparte ruimte
geschikt gemaakt; hier konden de spaarders en
kredietvragers een paar avonden in de week
terecht. Ook het bestuur van de bank vergaderde
bij de kassier thuis; hiervoor ontving hij een
bepaalde vergoeding in verband met stookkosten
en dergelijke. In de notulen uit de beginjaren van
de Boerenleenbank is te lezen dat de kassier verzocht
werd bij een volgende vergadering de kachel
hoger te stoken omdat de bestuursleden bij de
laatste vergadering ijselijke kou hadden geleden.
In deze vergaderingen werd breedvoerig over kredietaanvragen
gedelibereerd. De bestuursleden
woonden in Zwolle – één van de kenmerken van
de boerenleenbanken – en zij waren zodoende in
staat om iemands persoonlijke situatie goed te
toetsen. Dat de vergaderingen hierdoor soms uren
duurden, zal geen verbazing wekken. Om voldoende
bestuursleden voor de wekelijkse vergadering
te trekken, werd een presentiegeld van ƒ 1,-
per bestuurslid uitgekeerd. In deze jaren was iedere
kredietverkrijger verplicht om lid van de plaatselijke
bank te worden. De leden droegen namelijk
gezamenlijk het risico van verliezen. Hierdoor had
de Boerenleenbank Zwolle op een bepaald
moment ruim 3000 leden. De relatie tussen beide
banken in Zwolle, de Boerenleenbank en de
Raiffeisenbank, was in deze tijd noch goed, noch
slecht; want deze bestond in het geheel niet. Iedere
bank had zijn eigen doelgroep en daar was men
tevreden mee. De verzuilde maatschappij in deze
jaren van het Interbellum zal tot het totaal ontbreken
van contacten het nodige hebben bijgedragen.
Contacten waren er wel met banken van dezelfde
organisatie. Vanaf de oprichting bestond de jaarlijkse
algemene vergadering waar de leden zich
konden laten horen en met elkaar in contact konden
komen. In 1921 voerde de Centrale Raiffeisenbank
de ‘ringen’ in, een soort afdelingen waarin de
banken van een bepaalde streek waren verenigd.’2
De naoorlogse geldsanering bracht voor de
lokale banken een grote toename van de werkzaamheden
met zich mee. Een consequentie was
dat de kassiersfunctie die voorheen naast een
ander hoofdberoep werd uitgeoefend, in een fulltime
functie werd omgezet. Als de activiteiten
groot genoeg waren, dan werden de banken in
eigen bankgebouwen ondergebracht. De diverse
regelingen die via het Ministerie van Landbouw
werden uitgevaardigd of gegarandeerd – zoals bijvoorbeeld
het borgstellingskrediet voor de landbouw
– liepen bijna allemaal via de boerenleenbanken
en hebben zo ook tot de groei van de bank
bijgedragen. Door deze verbreding van het takenpakket
evolueerden de boerenleenbanken tot volwaardige
algemene banken. In 1959 werden de
landbouwkredietbanken voor het eerst opgenomen
in het jaarlijkse Financieel Adresboek; een
blijk dat de emancipatie was geslaagd.
De weg naar één Zwolse Rabobank
Vanaf het midden van de jaren zestig van deze
eeuw ontstond er, zoals reeds vermeld, in het
bankwezen een toenemende branchevervaging.
De Centrale Banken van het landbouwkredietwezen
moesten wel volgen. Inmiddels was men
nader tot elkaar gekomen, deels door de ontzuiling
in Nederland. Na de fusie van de Centrale
Banken Eindhoven en Utrecht in december 1972
tot de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank
te Utrecht, later afgekort tot Rabobank
Nederland, volgde ook op lokaal en regionaal
niveau een golf van fusies en samenbundelingen
van Boerenleen- en Raiffeisenbanken. Vanaf 1965
vond ook de uitbreiding van het kantorennet van
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerenleenbank,
Eekwal 16-1; circa 1970
(foto: W.J.G. Koerhuis).
de lokale banken plaats, door het openen van bijkantoren
in de buitenwijken. Dit werd noodzakelijk
geacht door de opkomst van het retailbanking;
allerlei bancaire diensten zoals lenen, sparen,
hypotheken en reizen werden aan een breed
publiek aangeboden. Ook de toenemende rol van
de bankrekening en het girale betalingsverkeer
dwongen de banken dichter bij de klanten te gaan
zitten. De Boerenleenbank had in deze tijd naast
haar hoofdvestiging aan de Eekwal – vanaf 1971 aan
de Melkmarkt – kantoren geopend aan de Assendorperstraat,
Campherbeeklaan, Gouwe, Nieuwe
Deventerwég, Petuniaplein en Thomas a Kempisstraat.
De Raiffeisenbank opende in deze jaren
naast haar hoofdvestiging aan de Emmawijk, kantoren
aan de Assendorperstraat, Brederodestraat,
Campherbeeklaan, Diezerpoortenplas, Nieuwe
Deventerwég, Obrechtstraat en het Petuniaplein.
Daarnaast hield men in bejaardenhuizen en wijkcentra
wekelijkse zitdagen. In deze tijd was het
nog mogelijk dat de kassier op zijn fiets en een
flinke tas geld de zitdagen langs ging.
De fusiegolf tussen plaatselijke banken die na
de fusie van de Centrale Banken op gang kwam,
bleef in Zwolle uit. In 1967 waren beide Raden van
Bestuur van de Zwolse banken het eens om te
fuseren en zich vervolgens bij de Centrale Bank te
Utrecht aan te sluiten, maar dit leverde een veto
van de Centrale Bank te Eindhoven op. Bij een
fusie zou deze bank onmiddellijk een nieuwe bank
in Zwolle oprichten. Dit zware geschut was voldoende
om de fusie af te blazen. Op dat moment
was de Zwolse Raiffeisenbank anderhalf keer zo
groot als de beoogde fusiepartner.
In de jaren na 1972 fuseerden in de omgeving
van Zwolle wel diverse andere plaatselijke Rabobanken;
de Boerenleenbank-Raiffeisenbank ‘De
Noord-Oostpolder’ en Boerenleenbank Emmeloord
gingen in 1974 samen op in de Rabobank ‘De
Noordoost-polder’. In 1975 fuseerden de banken
van Kampen en Wilsum tot Rabobank IJsselmond.
In Zwolle waren echter te hoge drempels om
snel tot een fusie te kunnen besluiten. Er vond wel
overleg plaats, maar bij de Raiffeisenbank bestonden
toch zwaarwegende motieven om niet tot een
fusie over te gaan. Ook bemoeienis van de Rabobank
Nederland te Utrecht kon hierin geen verandering
brengen. De Boerenleenbank had haar
naam in de jaren zeventig al gewijzigd in Rabobank.
De Raiffeisenbank bleef wel trouw aan haar
oude naam. Dat dit voor het publiek verwarrend
was, zal duidelijk zijn. Ook de vestigingen van beide
banken aan dezelfde straat maakten dit er niet
duidelijker op. Beide banken waren namelijk met
een kantoor gevestigd aan de Assendorperstraat,
de Campherbeeklaan (Berkum), de Nieuwe
Deventerwég (Ittersum), het Petuniaplein (Westenholte),
de Rijnlaan en het Sweelinckplein/
Obrechtstraat. Ook betekende deze vorm van
concurrentie een beduidende extra kostenpost
voor beide banken in de vorm van overlappingen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
in het kantorennet, kosten voor automatisering en
organisatie. Positief voor de organisatie was wel
dat de cliëntenmarkt door beide banken op een
concurrerende manier werd benaderd, waarbij de
banken probeerden met zo gunstig mogelijke condities
relaties binnen te halen. Dat dit mede in het
belang van de klant was, zal ook duidelijk zijn.
Tevens waren de banken door deze assertieve
benaderingswijze in staat om een groter deel van
de Zwolse bancaire markt te veroveren of te
behouden.
In 1991 was de tijd blijkbaar rijp voor een nieuwe
fusiepoging; dit resulteerde in een fusie van
beide banken tot de Coöperatieve Rabobank
‘Zwolle e.o.’ per 1 januari 1992. Op het moment
van de fusie was de Boerenleenbank iets groter
dan de Raiffeisenbank. De samenvoeging van beide
banken had zo lang geduurd dat het waarschijnlijk
een van de laatste fusies op lokaal niveau
is geweest. Na de fusie werd de noodzakelijke
reorganisatie voortvarend aangepakt: kantoren
die op geringe afstand van elkaar lagen, werden
gesloten en dubbelfuncties in de organisaties bij
de hoofdvestigingen konden verdwijnen. Vanaf
1972 hadden beide banken, naar richtlijnen van
Rabobank Nederland, reeds het grote aantal leden
teruggebracht. De grootte van de kredietportefeuille
werd bepalend voor het lidmaatschap, de
medezeggenschap en de medeaansprakelijkheid
voor mogelijke verliezen. Dit laatste was echter in
deze tijd alleen nog maar theorie; de winst die de
bank behaalde werd niet aan de leden uitgekeerd
maar in de reserve gestopt. Bij mogelijke verliezen
werd dus eerst de reserve aangesproken en pas dan
werd een beroep op de leden gedaan.
Op dit moment behoort de Rabobank Zwolle
bij de grootste tien stedelijke Rabobanken van
Nederland. Door de groei van de organisatie voldoet
de huidige hoofdvestiging aan de Melkmarkt
niet meer. Om de klant in Zwolle beter te kunnen
bedienen – één op de twee Zwollenaren is een relatie
van de bank – is in augustus 1997 een groter,
beter geoutilleerd en beter bereikbaar hoofdkantoor
aan de Willemskade betrokken.
Boerenleenbank, Melkmarkt
15;] 972.
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Raiffeisenbank, Emmawijk
11-12; 1974.
Noten
1. Het bedrijf van Frowijn & Thiebout werd in 1930
door de Bank van Doijer & Kalff overgenomen; de
Spaar- en Voorschotbank ‘Boaz’ ging in 1931 onder
de naam ‘Zwolsche en Overijsselsche Bank’, na malversaties
van de directeur, in liquidatie. Het bedrijf
van Veenstra was in 1971 nog actief; de Zwolsche
Middenstands-Credietbank werd via de Nederlandsche
Middenstandsbank de huidige ING Bank;
de Bank-Associatie Wertheim & Gompertz 1834-
Crediet-vereeniging 1853 was via de Incasso-Bank,
Amsterdamsche Bank en Amro Bank een voorganZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
ger van ABN AMRO. De Geldersche Crediet-vereeniging
ging via de Nederlandsche Handel-Maatschappij
en ABN Bank over in ABN AMRO en de
Nationale Bankvereeniging doorliep het pad van
overnames en naamswijzigingen via de Rotterdamsche
Bank-vereeniging, Amro Bank tot ABN
AMRO.
2. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de
ondergang van de Zwolse kassiers in de crisisjaren
1923-1925 zie: T. de Graaf, ‘Geldhandel en bankieren
in Noordwest-Overijssel in de negentiende en twintigste
eeuw’, in: Overijsselse Historische Bijdragen 110
(1995) 117-152; in het bijzonder 142-149.
3. Waar in dit artikel in algemene vorm over boerenleenbanken
wordt gesproken, wordt in alle gevallen
mede de raiffeisenbanken beoogd.
4. Deze inleiding is gebaseerd op De Graaf, ‘Geldhandel
en bankieren in Noordwest-Overijssel, 124-125.
5. F. de Roos en D.C. Renooij, De Algemene banken in
Nederland (Leiden/Antwerpen 1980; 8e, geheel herziene
druk), 20.
6. J.P.B. Jonker, “Welbegrepen eigenbelang; ontstaan
en werkwijze van boerenleenbanken in Noord-Brabant,
1900-1920”, in: Jaarboek voor de geschiedenis
van Bedrijf en Techniek $ (1988) 188-208; aldaar 188.
7. Vreemd genoeg was deze oudste boerenleenbank
van Nederland tot 1952 niet aangesloten bij een centrale
bank. Zie G. Dijkstra en G. Kuitert, De Nijvere
Stad 100 jaar bedrijvigheid in Enschede (Z.p.z.j.);
uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum
van de Coöperatieve Rabobank Enschede BA
op 21 mei 1996; n.
8. Voor het ontstaan van twee Centrale Banken, in
Utrecht en Eindhoven, zie: Joh. de Vries, De Coöperatieve
Raiffeisen- en Boerenleenbanken in Nederland
1948-1973 : van exponent naar component (z.p.1973),
12-13. I’1 de optiek van De Vries is in de herdenkingsboeken
uit 1948 van beide centrale banken teveel
de nadruk gelegd dat het verschil in organisatievorm
de oorzaak is voor het ontstaan van twee
centrale banken. Bij de Centrale Bank in Utrecht
waren lokale banken aangesloten die waren opgericht
overeenkomstig de wet van 1876 op de coöperatieve
verenigingen. De Centrale Bank in Eindhoven
verenigde plaatselijke banken die opgericht waren
als koninklijk goedgekeurde verenigingen overeenkomstig
de wet van 1855. Deze laatste vorm had
in Brabant en Limburg sterke voorkeur omdat deze
oprichting weinig formaliteiten en nauwelijks kosten
met zich meebracht. Een meer waarschijnlijke
verklaring is dat men in het zuiden van het land aan
de boerenleenbanken een rooms-katholiek karakter
wilde geven. Dus een ordening van de banken naar
voorbeeld van de naar confessies geordende landbouworganisaties.
Een derde verklaring die De
Vries geeft is dat eerstgenoemde twee redenen achteraf
zijn bedacht wat ten tijde van de oprichting
van de Centrales niets anders is geweest dan een banale
ruzie tussen de initiatiefnemers over de bezetting
van de functies in het bestuur. Voor de andere
verklaringen zie: Ph.C.M. van Campen, P. Hollenberg
en F. Kriellaars, Landbouw en landbouwcrediet
1898-1948 Vijftig jaar geschiedenis van de Coöperatieve
Centrale Boerenleenbank Eindhoven (z.p.z.j.)
en C. Weststrate e.a., Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid
van het vijftigjarig bestaan der Coöperatieve
Centrale Raiffeisen-bank te Utrecht 1898-1948
(Utrecht 1948).
9. De Roos en Renooij, De algemene banken in Nederland,
20-21.
10. Het navolgende is voor het grootste deel ontleend
aan het ledenregister van de ‘Boerenleenbank’ te
Zwolle, aanwezig in het archief van de Rabobank
Zwolle.
11. De informatie over de geschiedenis van de Boerenleenbank
en Raiffeisenbank te Zwolle is grotendeels
afkomstig van de heren M. Klein, oud-lid van het
Bestuur van de Coöperatieve Boerenleenbank-
Raiffeisenbank ‘Zwolle en Omstreken’, de heer
W.J.G. Koerhuis, oud-directeur van de Coöperatieve
Boerenleenbank Zwolle/Rabobank Zwolle en drs
G. de Blij, huidig directeur van de Coöperatieve Rabobank
‘Zwolle e.o.’ Mijn vriendelijke dank voor
hun bereidwillige medewerking. Deze dank is tevens
van toepassing voor mijn collega Jaap-Jan Mobron
voor het kritisch doornemen van deze tekst.
12. Weststrate, Gedenkboek Raiffeisen-bank Utrecht
1898-1948,161.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meten en wegen in de Middeleeuwen
G.P.M. Schunselaar
Zwols gewicht van oorspronkelijk
elf Zwolse
ponden (52/8,35 gram),
aangegeven met het
getal XI, driemaal voorzien
van het Zwolse
wapen. Geijkt vanaf
1675, in 1820 metriek
gemaakt op vijf Nederlandse
ponden en doorgeijkt
tot 1868; collectie
Oudheidkamer van het
IJkwezen, Delft (foto:
G.P.M. Schunselaar).
Meten en wegen heeft altijd en overal een
grote invloed gehad op het dagelijks
leven. Men wilde weten hoeveel men
kocht of verkocht, waardoor men de prijs van de
waren kon bepalen. De overheid, in de Middeleeuwen
de landsheer en het stadsbestuur, bepaalden
op deze manier ook de accijns. Dit had soms
tot gevolg dat door belastingmaatregelen de
maten en gewichten moesten worden aangepast.
Zoals in 1283 toen bisschop Jan van Nassau Zwolle
het recht schonk om op iedere aam wijn die in de
herbergen werd getapt een take of twee kannen
accijns te innen, omdat Zwolle de bisschop had
geholpen in de strijd tegen de graaf van Holland
bij Harderwijk. De bisschop beval dat een aam
wijn na 1283 in deze stad ten eeuwigen dage uit
eenenveertig taken in plaats van veertig, zoals vóór
dat jaar het geval was, zou bestaan.’
Een opvallend detail is, dat er tot in de vijftiende
eeuw nagenoeg alleen gebruik werd gemaakt
van inhoudsmaten en bijna niet van gewichten.
De verscheidenheid aan inhoudsmaten was groot:
kannen, mengelen, pinten en dergelijke voor de
natte waren; mudden, schepels en koppen voor de
droge waren. Dit waren nog bekende namen,
maar wat te denken van een tall, een getalsmaat
voor vis, en van een voeder, een getalsmaat voor
hout (in Deventer 104 bos of ion stuks) of een
vyme stroes, een maat voor 100 tot 104 bossen of
schoven riet of koren.2
Dat Zwolle toch al vroeg een behoorlijke invloed
had, mag wel blijken uit het gebruik van de Zwolse
maten die vaak bij het vaststellen van de pacht of
jaarrente werden genoemd. Zoals in 1304 in een
geschil over een pacht van acht vaten boter Zwolse
maat tussen Rudolfus, de abt van het klooster Ruinen,
en Utetus, de proost van het klooster Bordengo
in het Haskerland.3 Frappant is ook dat veel
van deze pachten of jaarrenten in de Vechtstreek
tot in het graafschap Bentheim in Zwolse maten
werden afgehandeld.4 Ten zuiden van de Vechtlijn
gebruikte men veelal Deventer maten en gewichten.
Kampen, toch ook een van de drie grote steden
in het Oversticht, maakte in de zestiende eeuw
gebruik van Amsterdamse maten. Deze situatie is
tot de invoering van het metrieke stelsel in 1820 zo
gebleven.
Keurmerken
Omdat de steden eigen maten en gewichten hadden,
moesten deze ook als zodanig herkenbaar
zijn. Zo verordonneerde de stad Zwolle in 1419:
‘Item soe en sal nyemant meten mit maten sij en
sijn gheteykent mitter statteyken van Zwolle, ende
gheyket dat sij recht sijn bij 5 pont [boete], alsoe
vake als sij dat deden.’5 En in 1422: ‘Dat men alle
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
tonnen dair men bier in vercopet yken sal ende die
marken mitter statmerck, ende die solen op dat
mynste groot wesen als hierna bescreven staet: In
’t sal een groter tonne holden ende groot wesen,
dat dair umme in gaan sollen 86 quarten ende 3
pynte vates.

Lees verder