Categorie

Aflevering 3

Zwolse Historisch Tijdschrift 2003, Aflevering 3

Door | 2003, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

20ejflBIng 2003
82
C.C. was O.K.!!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
CC her MS OX/
DANK VOOR. HETpRACJHWE FEEST
De voltallige CC, na de uitgebreide jubileumfeestelijkheden in 1948 getekend door Teun van der Veen en afgedrukt in de ‘Zwolse
Courant’ van 9 september dat jaar. Boven in het midden voorzitter J.M. Wansink. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
De Centrale Commissie Oranje (CCO) bestaat dit
jaar een eeuw. In het leven geroepen om de viering
van nationale feestdagen in Zwolle op een ordentelijke
en verantwoorde manier te laten verlopen,
ontpopte de CCO zich al snel als toch vooral de
club die verantwoordelijk was voor de organisatie
van feestelijkheden op Koninginnedag. De viering
van de verjaardag van de vorstin was lange tijd één
van de hoogtepunten op de jaarlijkse evenementenkalender.
In een periode dat vrije tijd en recreatie nog
schaarse goederen vormden werd Koninginnedag
door jong en oud enthousiast gevierd. Naar de
mening van de redactie reden genoeg om eens
terug te kijken op honderd jaar geschiedenis van
de CCO, een door en door Zwolse instelling.
Voorwoord H.W.F. Scholte 84
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje
te Zwolle (1903-2003)
Harry Stalknecht
Het begin
Oorlog en bevrijding
Naoorlogse heroriëntatie
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Vijftig jaren
85
86
94
100
108
114
Een kroonprins geboren
Activiteiten onder druk
Eeuwfeest
Auteur
119
122
126
130
Omslag: In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig
jaar vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter Juliana.
Omslag van het programmaboekje dat de CC naar
aanleidingvan dejubileumfeestelijkheden uitbracht.
(Collectie HCO)
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voorwoord
Voor de Centrale Commissie Oranje te
Zwolle is het jaar 2003 het jaar van het
eeuwfeest. Dankzij belangrijke bijdragen
van het Zwolse bedrijfsleven en het gemeentebestuur
van Zwolle konden de gebruikelijke door de
CCO jaarlijks te organiseren evenementen versierd
worden met een aantal extra strikken. Deze
‘jubileumevenementen’, die inmiddels achter ons
liggen, hebben veel waardering gekregen.
Als apotheose van de viering van het 100-jarig
bestaan is er voor de CCO nog de organisatie van
het jaarlijkse congres van de Bond van Oranjeverenigingen
in Nederland. Dit congres zal op vrijdag
3 en zaterdag 4 oktober 2003 plaatsvinden.
Het aanbod van de Zwolse Historische Vereniging
om in de jaarreeks van het Zwols Historisch Tijdschrift
een themanummer gewijd aan ‘100 jaar
Centrale Commissie Oranje te Zwolle’ uit te
geven, is door het bestuur van de CCO volgaarne
aanvaard. Omdat dit themanummer in het derde
kwartaal van dit jaar verschijnt, kan aan de congresgangers
ook een exemplaar worden uitgereikt.
Met dit themanummer, dat een uitstekend
overzicht geeft over een periode van honderd jaar
CCO, wordt – naar mijn weten – voor het eerst
CCO-geschiedenis vastgelegd. De geschiedenis
van de vormgeving van onze nationale gedenkdagen
tot een algemeen meegevierde traditie.
Interessant in het verhaal is de vermelding dat
in 1903 de heer K. Admiraal, de eerste socialist in
de gemeenteraad van Zwolle, ‘mordicus’ tegen
toekenning van 300 gulden subsidie voor de CCO
was. De geschiedenis leek zich dit jaar te herhalen,
want bij de behandeling van de begroting 2003
werd uit dezelfde hoek bezwaar gemaakt tegen het
collegevoorstel om aan de CCO, in verband met
de viering van het 100-jarig bestaan, incidenteel
een bedrag van ruim 15.000 euro beschikbaar te
stellen. De overweging was dat ‘de CCO appelleert
aan gevoelens ten aanzien van het koningshuis die
niet algemeen zijn’.
Dit bezwaar werd terecht verworpen. Want
weliswaar bestaat bij het bestuur van de CCO de
diepe overtuiging van het belang voor ons land
van de constitutionele monarchie in het algemeen
en van het Huis van Oranje in het bijzonder, maar
juist daarom geven deze vrijwilligers, en met hen
tientallen anderen, hun vrije tijd aan het organiseren
van jaarlijkse evenementen voor de gehele
Zwolse bevolking.
Deze uitgave van het Zwols Historisch Tijdschrift
is alleszins het lezen waard, niet alleen voor Zwollenaren
maar ook voor leden van zuster-Oranjeverenigingen.
Het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging,
de redactie van het Zwols Historisch Tijdschrift
en de schrijver van dit themanummer, de
heer Harry Stalknecht, zijn wij zeer erkentelijk
voor de realisatie.
O R A N J E
1903 – 2003
Henk W.F. Scholte
voorzitter Stichting Centrale Commissie Oranje
te Zwolle, augustus 2003
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit liefde voor Oranje en Zwolle
100 jaar Centrale Commissie Oranje te Zwolle (1903-2003)
w=”-anneer ik terugdenk aan de jaren
voor de Eerste Wereldoorlog, dan is
Koninginnedag voor mij een glorieuze
herinnering in de eerste plaats aan stralend
zonnig weer. Ik geloof zeker, dat velen er toen heilig
van overtuigd waren, dat de Schepper zelf op
die dag speciaal zorgde voor dat veelbezongen en
stichtelijk ompreekte Oranjezonnetje. Verder zie
ik in mijn gedachten de enorme grote vlaggen, die
men bijna huis aan huis, ook in de winkelstraten,
placht uit te hangen. Bij ons thuis moest er elke
keer een timmerman aan te pas komen. En dan
hoor ik weer de muziek van de Reveille, die op de
Grote Markt begon, en van daaruit Zwolle feestelijk
deed ontwaken. Ik woonde toen in mijn
geboortehuis aan de Melkmarkt, en ook klinkt me
nog de roep in de oren van de verkopers van oranje
strikjes, sjerpen en wat dies meer zij, en het
gezang door oudere kinderen, die achter de
muziek aan mochten: “levende Willemien, weg
met de sosejalen”, wat ik helemaal niet begreep.’
Zo zette boekhandelaar B. Kok (destijds gevestigd
op de Melkmarkt 22) in 1978 zijn herinneringen
aan het jaarlijkse koninginnefeest op papier.
Koninginnedag, wie heeft er eigenlijk niet iets
mee? Of je nu een Oranjeklant of een ‘rooie rakker’
bent, de jaarlijkse feestelijkheden rond de verjaardag
van de majesteit laten niemand onberoerd.
Ze vormen al zo lang een vertrouwd onderdeel
van de jaarkalender, dat het haast ondenkbaar
is ze weg te denken. Voorloper van de
Koninginnedag was de zogenoemde Prinsessedag
die in 1889 op de verjaardag van het toen negenjarige
prinsesje Wilhelmina werd gehouden. Het
was een initiatief van de liberalen die er de nationale
eenheid mee wilden benadrukken. Pas een
jaar later, na het overlijden van koning Willem III,
werd de eerste echte Koninginnedag gehouden.
De viering van Koninginnedag kreeg een grote
impuls nadat Wilhelmina in 1902 ernstig ziek was
geweest. Het bericht van haar herstel zorgde overal
voor een uitbundige viering. Natuurlijk is er in
de meer dan honderd jaar dat Koninginnedag
gevierd wordt veel veranderd. De maatschappij
veranderde, opvattingen veranderden, de positie
van de monarchie veranderde. En ook Koninginnedag
zelf veranderde. Maar veel van die veranderingen
zijn vooral in vorm geweest. Wat bleef was
een dag van vrolijkheid en vertier, en niet te vergeten
muziek, veel muziek.
Harry Stalknecht
Al in 1895 bracht koningin Wilhelmina, nog maar
15 jaar oud, met haar moeder de koningin-regentes
Emma een bezoek aan Zwolle. Voor die gelegenheid
lagen er in de stadsgrachten tal van prachtig versierde
schepen. (Foto Deutmann, collectie HCO)
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het begin
In september 1895
bracht het jonge
koninginnetje Wilhelmina
met haar moeder
de koningin-regentes
Emma een bezoek aan
Zwolle. Hier rijdt de
koninklijke stoet door
de versierde Luttekestraat.
(Foto Deutmann,
collectie HCO)
De viering van de verjaardag van de koningin
kreeg in het eerste kwart van de vorige
eeuw steeds meer vorm. In de Zwolse Courant
van 22 juni 1903 riep H. van Gorkum, als
voorzitter van de Zwolse Commissie van Vreemdelingenverkeer,
belangstellenden op tot de ‘bijwoning
eener vergadering op Dinsdag 23 juni, des
avonds om 81 ‘2 uur, in de Buitensociëteit, ten einde
een commissie te benoemen welke de leiding
van feesten op nationale feestdagen op zich kan
nemen’. Deze oproep bleek niet aan dovemansoren
gericht, niet minder dan 65 man kwam opdagen.
Een belangrijk deel van hen vertegenwoordigde
verschillende Zwolse verenigingen die via
een brief persoonlijk gevraagd waren te komen.
De aanwezigen werden het al snel eens. Zwolle
had behoefte aan een club mensen die de organisatie
van nationale feestdagen op zich zou nemen.
De CC wordt geboren
En zo werd de CC, voluit de Centrale Commissie
voor Nationale Feesten, een feit. De eerste leden
van de CC waren voor het merendeel afkomstig
uit de gegoede middenstand. Zo was voorzitter H.
van Gorkum een handelaar in wijnen, H.W.
Heekman firmant van een laken- en confectiemagazijn,
C.H. von Stein gymnastiekleraar, J.S.
van Deventer firmant van de stoom-likeurstokerij
en wijn- en cognachandel Doijer en Van Deventer,
C. Kossen secretaris-boekhouder van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noordooster Locaal Spoorweg, L.H.J. Poortier
directeur van de eerste onderlinge aannemersverzekeringsmaatschappij
en leraar boekhouden
en was M. Meijerink architect. Later werden daar
nog aan toegevoegd drogist C.J.H. Haeck en meubelfabrikant
L.M.H. Schoemaker.
‘Zwolle zal voortaan geregeld en op waardige wijze
de nationale feestdagen meevieren’, met deze
woorden gaf de Zwolse Courant op 24 juni 1903
officieel kennis van de oprichting van de Centrale
Commissie. De instelling van de commissie werd
algemeen met instemming ontvangen. Al langer
werd er in Zwolle geklaagd dat de viering van de
verjaardag van H.M. de koningin beter kon en
moest. ‘Het ontbreekt aan leiding’, was de veel
gehoorde klacht. Met de oprichting van de Centrale
Commissie leek in dit hiaat te worden voorzien.
Het was nu zaak de burger bij dit initiatief te
betrekken en om financiële steun te vragen: ‘thans
moeten de dubbeltjes komen en de medewerking
van allen.’
Discussie
Maar die dubbeltjes bleken toch moeilijker te vinden
dan gedacht. De door particulieren en het
bedrijfsleven toegezegde gelden waren bij lange na
niet voldoende om een gedegen feestprogramma
op poten te zetten. Besloten werd bij de gemeente
een subsidie los te peuteren. Zegge 300 gulden
werd gevraagd als bijdrage voor de feestelijkheden
ter gelegenheid van de verjaardag van de nog jonge
koningin Wilhelmina. B en W adviseerden
positief. Meer moeite leverde de gemeenteraad op.
Daar was niet iedereen enthousiast. Vooral de
heer K. Admiraal, sinds 1902 de eerste socialist in
de raad, was mordicus tegen. Het debat in de raad
was fel. ‘Van de zeer uitvoerige gedachtewisseling
die omtrent dit punt plaats heeft, kunnen wij met
het oog op de beperkte ruimte slechts een beperkt
overzicht geven’, zo verontschuldigde de plaatselijke
krant zich bij zijn lezers. De socialisten zagen
in die tijd de monarchie vooral als een institutie
uit de koker van het kapitalisme, bedoeld om de
bevolking klein te houden. Van een koninginnefeest
moesten zij dan ook niets weten, nee, een
socialist vierde 1 mei, als dag van de arbeid.
De eerste optocht Een beeld van een van
Hoewel een definitieve beslissing over de subsidie de eerste optochten,
nog even op zich liet wachten, ging de commissie begin twintigste eeuw.
met fris elan verder met de voorbereidingen van (Collectie HCO)
het programma voor 31 augustus, de verjaardag
van koningin Wilhelmina. Een belangrijk onderdeel
moest een grote fakkeloptocht worden. Deze
optocht kende vier afdelingen: verenigingen,
groepen van twee of meer personen, ‘enkele’ personen
en reclame en vakorganisaties (uiteraard
tegen betaling). Aan de tocht was een wedstrijd
Valse noot
Ondanks alle lovende woorden over het eerste door de CC georganiseerde
koninginnefeest, was er toch ook een wanklank te horen, letterlijk zelfs. In de
‘Zwolse Courant’ van 3 september meldde zich ‘een liefhebber van schoon
klokgelui’. Deze liefhebber had zich nogal geërgerd aan het ochtendlijk klok-
: gelui van de Grote Toren op de dag van de feestelijkheden. Iedereen die een
‘ beetje muzikaal was moest volgens de briefschrijver toch toegeven dat ‘de
samenklank dezer […] klokken horrible is en tegen alle schoonheidsgevoel
indruischt’. Boosdoener was volgens de ‘liefhebber’ het kleinste klokje D dat
volgens hem maar zo snel mogelijk omgegoten moest worden tot een kleine
F. Pas dan zou niemand zich meer hoeven te ergeren aan wat hij smalend
‘die Armsünderglocke’ noemde.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koninginnedag 1905.
De wagen van vereniging
Wilhelmina
poseert voor bakkerij
van H.A. de Vries destijds
Beestenmarkt 4, nu
Harm Smeengekade.
Op de voorgrond staan
de hekken van de beestenmarkt
die hier toen
nog iedere vrijdag werd
gehouden. (Collectie
HCO)
verbonden. Zo was er een prijs voor de mooiste
wagen wat betreft versiering en verlichting, en een
prijs voor de ‘eigenaardigste voorstelling’. De origineelste
zouden we nu zeggen. Voor de kinderen
was er ’s middags een eigen optocht, waarbij bijvoorbeeld
ezel- en bokkenwagens, karren en rijwielen
versierd konden worden. Blijkbaar wilden
de Zwollenaren de kat eerst nog wat uit de boom
kijken, want met de aanmeldingen liep het nog
niet meteen storm. Het noopte de Zwolse Courant
tot het plaatsen van een oproep: ‘De versiering van
ezel- of bokkewagen, sportkar of fiets is zoo
gemakkelijk in dezen tijd. De heide bloeit prachtig,
en al is er geen zon, de mooie zonnebloem
schittert in al haar pracht. Keur van zaaibloemen,
die zich zoo uitermate goed leenen voor een losse
effectvolle versiering, zijn voor weinig geld te krijgen
en wie niets wil geven dan zijn goeden smaak,
ga naar de heide of Jan Koetsier in de Watersteeg
en plukke Erica’.
En zo begon langzamerhand de optocht dan
toch te leven en meldden zich steeds meer kinderen
aan, daarbij vaak geholpen door de aansporing
van hun onderwijzer, zoals de ongeveer 200
kinderen van de bewaarschool op het Assiesplein
met als hoofdonderwijzeres mej. J.C. Hoogedoorn.
Zij waren van plan H.M. de koningin en
Z.K.H, de prins-gemaal met gevolg uit te beelden.
Vrij of niet?
Ondertussen kwam Koninginnedag snel dichterbij.
Een vrije dag was dat toen nog niet. Een anonieme
‘medelezer’ van de Zwolse Courant deed
daarom via een ingezonden brief de volgende
oproep: ‘Mijnheer de redacteur! Verzoeke beleefd
plaatsing in uw veelgelezen blad. Ter volmaking
der feestvreugde op a.s. Maandag zou het dan niet
wenschelijk wezen, dat alle patroons en werkgevers
zooveel mogelijk aan hun ondergeschikten
een vrijen middag gaven? Mij dunkt, daardoor
zou het meer een feest voor iedereen zijn’.
Wenselijk misschien wel, maar het zou toch
nog heel lang duren voordat Koninginnedag ook
werkelijk een verplichte vrije dag werd. Toch werd
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Zwolsch Dilettantenorkest
Kort voor de oprichting van de CC werd op 22 juni
1903 ook het Zwolsch Dilettantenorkest in het leven
geroepen. Dit orkest was vooral een initiatief van
de heer C. Kossen, die we ook al zagen als een van
de oprichters en eerste secretaris van de CC. Een
gebrek aan goede muziekkorpsen, dat was er volgens
Kossen in Zwolle. Daardoor hadden de nationale
feesten onvoldoende luister en schwung.
De zaterdag voor Koninginnedag 1903 was het voor
het prille orkest een belangrijke dag. Die avond zou
het door vele dameshanden met zorg en liefde
genaaide korpsvaandel met het nodige ceremonieel
worden ingewijd. De nog omhulde banier werd
’s avonds door de leden, ‘met insigne op de borst en
opgetoomde hoed met kokarde’ afgehaald van de
woning van de heer Kossen. Van daar ging het met
fakkels en acetyleenlantaarns in optocht naar
Odeon, volgens de krant gadegeslagen door een
‘dichte volksmenigte’. Daar werd de banier onder
luid applaus onthuld.
Het orkest was klaar voor zijn eerste koninginnefeest.
Het Zwolsch Dilettantenorkest, in 1903 opgericht door C. Kossen, poserend voor de Buitensociëteit.
Kossen was in datzelfde jaar ook een van de ‘founding fathers’ van de CC. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een aanbieding in de
‘Zwolse Courant’ van
31 augustus 1903 voor
‘Oranje-Stokj es’ en
Wilhelmina Keekjes’.
KONINGINNEDAG
Wilhelmina Keel
BIJ
G B, AGKERMANS
door veel bedrijven in ieder geval de middag
meestal wel vrij gegeven. Sommige deden daarvan
in de krant melding, zoals het magazijn en kantoor
van ijzerwarenhandel O. de Leeuw aan de
Diezerstraat en de nering in suikerwaren van de
gebroeders Meulink aan de Thorbeckegracht.
Jacob Albrecht uit de Sassenstraat bood in dezelfde
krant ‘vlaggen te huur voor den verjaardag van
H.M. de Koningin’ en tuinman en bloemist
H. Rigter uit de Zeven Alleetjes ‘feest oranjebloemen
en rozen’. Ook bakker G.B. Ackermans aan
de Diezerstraat wilde zich de oranjeclientèle niet
aan zijn neus voorbij laten gaan en adverteerde
met ‘Oranje-stokjes’ en ‘Wilhelmina-keekjes’.
De vuurdoop
Eindelijk werd het dan 31 augustus 1903. Voor de
CC naderde het uur van de waarheid. Zou zij in
staat blijken de festiviteiten rond de verjaardag
van Wilhemina in Zwolle in goede, en vooral feestelijke
banen te leiden?
Al om zeven uur ’s ochtends riep klokgelui de
Zwolse bevolking de verjaardag van koningin Wilhelmina
aandringend en brutaal in herinnering.
En wie dacht toch nog even op het andere oor te
gaan liggen werd door het kersverse Zwols(ch)e
Dilettantenorkest, dat al spelend met een reveille
Straatversiering in de
Bitterstraat ter gelegenheid
van het koninklijk
bezoek in mei 1921,
gezien vanaf de Roggenstraat.
(Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Koninginnedagoptocht
trekt door de
Thomas a Kempisstraat,
1927. (Collectie
HCO)
de stad door trok, muzikaal gemaand toch vooral
nu op te staan. Daarbij maakten de muzikanten
halt aan de voet van de Peperbus, om via de nauwe
trap naar boven te klimmen en vanaf deze torenhoge
positie hun muzikale opwekking verder over
de stad uit te storten. Dat was nog helemaal niet zo
eenvoudig, want zij die na de klim nog voldoende
lucht over hadden moesten alle moeite doen zich
op de krappe omloop staande te houden vanwege
de ferme wind die straf langs de toren woei.
Zwolle was wakker. Om half tien was het rond het
Stationsplein een drukte van belang. Vanaf hier
vertrokken het Stedelijk Muziekkorps en de
Utrechtse muziekkapel voor een rondgang door
de stad. ’s Middags was er in de Grote Kerk een
drukbezocht orgelconcert met zang.
Om half drie ’s middags was het de beurt aan
de kleintjes. Op de Wipstrikkerallee boden de versierde
ezel- en bokkenwagens, sportkarren en rijwielen
een bonte en vermakelijke aanblik. Nadat
de jury zijn werk had gedaan en de prijswinnaars
waren bepaald, ging de hele stoet in optocht de
stad door. Voorop vier marechaussees, gevolgd
door een rijtuig met de heer Van Gorkum en de
drie dames van de jury, daarna de Utrechtse
muziekkapel, de versierde fietsen en wagens en het
Zwols Dilettantenorkest.
Pijnlijke vergissing
Tijdens de optochten waren natuurlijk veel van de deelnemers geschminkt.
Pruiken, snorren en baarden sierden de anders zo kale gezichten. Al dat
kunsthaar moest er natuurlijk ook weer af. Ook voor dat klusje werden vrijwilligers
ingezet. Een voor een werden dan, niet altijd zachtzinnig, snorren en
baarden van de gezich ten afgetrokken. Dat ook deze klus met zorg moest
gebeuren spreekt voor zich. Toch kon het eens gebeuren dat één van de
omstanders bij dit vrolijke tafereel zonder pardon ook onbedoeld zelf aan de
ruwe behandeling werd onderworpen. Dat zou niet zo erg zijn geweest, maar
de beste man in kwestie had helemaal geen valse snor, maar een onvervalste
echte ‘Gerbrandy-snor’. De eigenaar kon het zich nog lang heugen.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lijst van voorzitters
H. van Gorkum
J.S. van Deventer
H.J. Jansen
A. Willinge Gratama
M. Meijerink
C.C. Hermsen
M. Meijerink
J.M. Wansink
J. Mühlenfeld
S. van der Wal
N.S.Arriens
Chr. van Ahee
H.W.F. Scholte
1903
1908
1912
1913A4
1919
1920
1921
1927
1964
1966
1971
1987
IQ8Q
-1908
-1912
-im
-1919
-1920
-1921
-1927
-1964
-1966
-1971
-1987
-1989
– heden
Tot in de kleine uurtjes
Ook tijdens de optocht ’s avonds was het kersverse
Zwolse Dilettantenorkest weer present, ditmaal
op een versierde wagen. Als verlichting had men
zo’n 600 verkadelichtjes aangebracht, gevat in een
gekleurd doorschijnend omhulsel. Dat het gehobbel
van de wagen wellicht voor problemen kon
zorgen, was blijkbaar vergeten. De krant wist in
ieder geval te melden dat door het schudden de
meeste lampjes waren uitgegaan en dat de muzikanten
een veilig heenkomen hadden moeten zoeken
vanwege het hete rondspattende vet!
Dat het nog lang onrustig bleef in de stad
spreekt haast vanzelf. Tot twee uur ’s nachts werd
er in de straten van Zwolle feestgevierd, terwijl de
lichtjes waarmee de hoofdwacht aan de Grote
Markt speciaal was opgesierd zelfs tot drie uur bleven
branden. Voor de politieagenten en veldwachten
was het dus een lange ruk. Maar echt
geleden hebben ze niet, ze werden Van gemeentewege’
op bier en sigaren onthaald.
En daarmee was de eerste Koninginnedag
onder auspiciën van de CC een feit. Er kon worden
teruggekeken op een geslaagde dag, waarbij
zelfs het ‘Oranjezonnetje’ in een voor de rest sombere
augustusmaand, zich niet onbetuigd had
gelaten.
Oranjebitter
Lovende woorden dan ook tijdens de eerstvolgende
bijeenkomst van de CC in de Piussociëteit aan
de Oude Vismarkt. Het leek vice-voorzitter Van
Deventer de ideale gelegenheid de woorden van
het socialistische raadslid Admiraal te pareren.
Die had gezegd dat bij de Oranjefeesten ‘geen
geestdrift heerscht, wanneer niet de Oranjebitter
krachtig meewerkt’ en dat hij verder niet wist wat
hij meer afkeurde, ‘Kermis of een Oranjefeest,
omdat bij beide gelegenheden schromelijk misbruik
werd gemaakt van sterken drank’. Van
Deventer meende dat deze woorden door de afgelopen
feestelijkheden meer dan gelogenstraft
waren en daarom de krachtigste afkeuring verdienden.
Een oproep die door de vergadering vanzelfsprekend
met ‘donderend applaus’ werd
begroet.
Een reactie kon natuurlijk niet uitblijven. En
die kwam van Admiraal zelf. In een ingezonden
brief in de Zwolse Courant hield hij zijn beweringen
staande en staafde ze met voorbeelden uit
eigen ondervinding. Zo vertelde hij dat hij al vroeg
op de middag iemand was tegengekomen die zo
dronken was dat zelfs de weg van het Groot
Wezenland hem nog te smal was geweest. ‘Dergelijke
tooneelen vervullen mij met medelijden en
weerzin. Het is meer dan treurig en bedroefd, en
vooral voor de arbeidende klasse, dat zij zichzelf
zozeer vergeten, zij hebben waarachtig wel iets
beters te doen en voor hun belangen op te komen,
dan zich te bedrinken’. En, zo ging Admiraal verder,
al die dronkenschap was nog enkel maar de
weergalm van het eigenlijke gebeuren geweest:
‘Wat moet dan het feest zelf geweest zijn? Jonge
meisjes, kinderen van 15,16 jaar midden in de herrie,
er werd gehost, geduwd, gegrepen op een
weerzinwekkende manier, het was in één woord
treurig’. Ja, zelfs de politie deed mee aan dit
drankgelag. Een gunstige uitzondering vormde
volgens Admiraal een jonge marechaussee die
keer op keer de drank weigerde die hem bij de fanfares
werd aangeboden: ‘Ik breng hem een eeresaluut.
Deze man kon tenminste nuchter zijn
plicht doen’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Een blijvertje
Maar afgezien van dit kritische geluid had het succesvolle
verloop van de Koninginnedag het
bestaansrecht van de CC meer dan bewezen. Ook
in de volgende jaren wisten de mannen van de
commissie de feestelijkheden in goede banen te
leiden. Aanvankelijk waren er nauwe banden tussen
de CC en VW in de persoon van H. van Gorkum,
die tot 1908 de voorzittershamer zwaaide.
Hij werd in dat jaar opgevolgd door de Zwolse
handelaar in en fabrikant van spiritualiën J.S. van
Deventer.
In 1914 braken er zware tijden aan. Met het uitbreken
van de Eerste Wereldoorlog ontstond in
ons land grote schaarste. Veel goederen gingen op
de bon. Onder die omstandigheden kon er van het
organiseren van festiviteiten geen sprake zijn. De
CC leidde gedurende die jaren dan ook een sluimerend
bestaan. Pas in 1919 kon er weer feest
gevierd worden. En dat gebeurde met groot
enthousiasme. Misschien ook wel omdat een klein
jaar eerder de socialistische voorman J.P. Troelstra
de socialistische republiek had uitgeroepen.
Een revolutiepoging die overigens jammerlijk was
mislukt en vurige Oranjesentimenten had opgeroepen.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw
zien we de klassieke Koninginnedag zich uitkristalliseren:
optochten, muziek en kinderzang
waren daarin belangrijke elementen. Aan de andere
kant werden ook de ï-meivieringen van de
socialisten verder gecultiveerd. Op het punt van
de monarchie bleven Oranjeklanten en ‘rooien’
nog tegenover elkaar staan, zij het dat de scherpste
kantjes er wel wat afgingen.
De jongens van de katholieke Sint-]ozef school trots paraderend in de optocht van
1936. (Collectie HCO)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Oorlog en bevrijding
In de loop van de jaren dertig pakten zwarte
wolken van een naderende oorlog zich samen.
Op 3 mei 1939 kwamen de leden van de CC bij
elkaar om zich op de toestand te beraden. Centraal
stond de vraag of, gezien de dreigende internationale
situatie, er dat jaar wel een Koninginnedag
moest worden gevierd. Gevreesd werd dat de jaarlijkse
collecte onder de gegeven omstandigheden
een minimale opbrengst zou opleveren. De leden
verkeerden in dubio maar besloten toch door te
gaan met de voorbereidingen. Op 23 augustus
werd definitief besloten de feestelijkheden het
groene licht te geven, behalve wanneer onverhoeds
een oorlog toch nog mocht uitbreken. Het
zou voor lange tijd de laatste Koninginnedag blijken
te zijn. Want dat die oorlog er kwam, weten
we ondertussen.
Barre tijden
Voor de CC waren de jaren van de bezetting barre
tijden. Iedere verwijzing naar het koningshuis
werd door de Duitsers verboden. Zwolse straten
die verwezen naar het koningshuis kregen een
andere naam. In het notulenboek van de CC staat
de periode van de bezetting kernachtig samengevat:
‘Uit den aard der zaak was de CC gedurende
deze jaren geheel non-actief en vertoont het notulenboek
hier wel de grootste gaping welke ooit in
het bestaan der CC is voorgekomen. De eenige
activiteit van de leden bestond uit het opbergen
van de bezittingen enz. en aan het eind van de
bezetting bleek alles nog in goede orde aanwezig,
de financiën incluis!’
Maar ook aan deze donkere periode kwam een
einde. Op maandag 16 april 1945 om 11 uur ’s ochtends,
twee dagen nadat Zwolle door de Canadezen
was bevrijd, kwamen de leden van de CC voor
het eerst na bijna vijf jaar weer bij elkaar. Zwolle
was vrij en dat moest gevierd worden. Niet dat de
Zwollenaren daar de aanmoediging van de CC
voor nodig hadden, maar de commissie zag het als
haar natuurlijke taak de organisatie van de officiële
evenementen op zich te nemen. De herdenkingsdiensten
die al op zondag 15 april zouden
plaatsvinden, waren afgelast vanwege Duits mortiervuur
waar Zwolle die dag onverwacht toch nog
op vergast werd. Ze werden een week later alsnog
gehouden. De CC wilde op 30 april, de verjaardag
van prinses Juliana, de bevrijding herdenken. Zo
had men, zo meende men, meer tijd een en ander
fatsoenlijk te organiseren en bovendien ving men
zo twee vliegen in één klap.
Zuivering
Hoewel er geen aanleiding was aan te nemen dat
leden van de CC tijdens de bezetting ‘fout’ waren
geweest, werd er in die hectische dagen direct na
de bevrijding toch heel kritisch gekeken. Zo waren
er bij de commissie bezwaren binnengekomen
over het lidmaatschap van de heer F. Leonards, in
het dagelijks leven handelsagent. Na een onderhoud
met hem was de commissie tot de overtuiging
gekomen dat de klacht tegen hem ongegrond
was en kon voorzitter J.M. Wansink de heer Leonards
‘tot zijn groot genoegen volledig in eer herstellen.
De vergadering onderstreepte deze woorden
met applaus’.
Ook Zwolle’s muzikale vedette de heer Cor
Ponten ontkwam niet aan de argwaan van de dag.
Naar aanleiding van een aanbod van hem om tijdens
de herdenking een samenzang met volksliederen
te organiseren werd gevraagd naar zijn verhouding
tot de gehate ‘cultuurkamer’, destijds
door de Duitsers ingesteld. De voorzitter verzekerde
iedereen dat de heer Ponten volstrekt smetvrij
was, waarop de commissie zijn aanbod in
dank aanvaarde. Maar de kwestie van de cultuurZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
kamer bleef wel de aandacht van het bestuur houden.
Er werd besloten ‘om te informeren naar de
houding van de korpsen tegenover de Cultuurcorpsen
en verdere eventuele zonden. Dat de
commissie ook zelf wel eens een onbedoeld slippertje
maakte, bewijst de zanghulde van Koninginnedag
1949. Zonder dat iemand van het bestuur
het blijkbaar was opgevallen prijkte daar het oude
Hollandse lied ‘Hou Zee’ op het programma. Na
protesten werd dit vers ijlings vervangen door het
evenzo mooie ‘Wie gaat mee over zee?’ Ter verduidelijking;
Hou Zee was jarenlang de groet van
de NSB, de Nederlandse nationaal-socialisten die
tijdens de bezetting vergaand met de Duitsers
hadden gecollaboreerd.
De eerste bevrijdingsfeesten
De dag van de Zwolse bevrijdingsfeestelijkheden
op 30 april 1945 zelfwas, in weerwil van het mythische
Oranjezonnetje, een sombere en natte. De
kinderen van Ponten’s koor en de muzikanten van
de verschillende orkesten werden drijfnat, ’s Middags
was er op het parkeerterrein van de Veemarkt
de officiële herdenkingsbijeenkomst. Hiervoor
had de CC een vijftal sprekers uitgenodigd: burgemeester
Van Karnebeek, kolonel Brown als Zwolse
commandant van het Amerikaanse leger,
majoor J.A. Baart als vertegenwoordiger van het
Militair Gezag, P.A. Jongsma als vertegenwoordiger
van de Ondergrondse en dr. J.C.P Eeftinck
Schattenkerk. Natuurlijk was ook voorzitter
Wansink van de partij. ‘De scepter van Oranje
blijft de speer, waarop Holland zijn vrijheidsmuts
zwaait’, zo hield deze de toehoorders beeldend
voor. Het waren woorden die na vijfjaar Duitse
bezetting maar al te graag werden gehoord. De dag
werd afgesloten met een kerkdienst ’s avonds in de
Grote Kerk. De dienst was opgedragen aan de
Zwolse gefusilleerden, waarvan de meesten op
5 mei gezamenlijk herbegraven zouden worden.
Ondertussen kwam juist op die dertigste april het
bericht dat de Duitse troepen in Nederland zich
hadden overgegeven en dat die capitulatie op
5 mei zou ingaan. Moest ook dat niet gevierd worden?
De CC twijfelde. Had men niet juist de
bevrijding uitbundig gevierd? Daar kwam nog
eens bij dat juist op 5 mei de Zwolse gefusilleerden
Direct na de bevrijding
in april 1945 waren er in
de straten van Zwolle
spontane volksfeesten.
De mannen op het midden
van de foto laten
zich met paard en
wagen met hun muziekinstrumenten
door de
stad rijden. (Collectie
HCO)
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Immorele omgang
De dankbaarheid van de Zwollenaren jegens hun bevrijders was groot. Vooral
de Zwolse meisjes staken hun enthousiasme voor de in uniform geklede
jongemannen niet onder stoelen of banken. Ook de Zwolse Trees was blij met
een Canadees. Dit tot verontrusting van sommigen. De predikanten Van
Noppen (Nederlands Hervormd) en Vreugdenhil (gereformeerd) schreven op
30 april 1945 aan de burgemeester: ‘Of hij wilde bevorderen dat zich na 10 uur
’s avonds géén minderjarige meisjes op straat bevinden ter voorkoming van
immorele omgang ook met den geallieerden soldaat’. Een voorstel dat de burgemeester
in antwoord praktisch niet haalbaar achtte.
aliseerd kunnen worden. Bij het defilé zou iedere
Zwollenaar zich mogen aansluiten, dus niet speciaal
in verenigingsverband, zoals gebruikelijk.
Deelnemers moesten zich verzamelen op de Veemarkt
en het Rodetorenplein. De route voerde
langs het gemeentehuis waar de Commissaris der
Koningin en de burgemeester het defilé zouden
afnemen, vervolgens naar hotel Wientjes aan de
Stationsweg, waar de geallieerde autoriteiten hun
hoofdkwartier hadden.

De Canadese bevrijders, hier in de binnenstad, lustten graag een borrel; niet
zelden leidde overmatig drankgebruik tot ruzie en andere overlast. [Collectie
HCO)
ter aarde zouden worden besteld. En eigenlijk
begonnen de werkzaamheden van de leden van de
CC zo wel erg op te lopen. De heer Leonards
meende dat de capitulatie wel degelijk gevierd
moest worden. Ook al, omdat volgens hem de
feestvieringen de laatste tijd nogal eens letterlijk in
het water waren gevallen. ‘Het publiek heeft nog
weinig gehad’, was zijn oordeel. Veel woorden
werden er verder niet meer aan vuil gemaakt. Het
was toch roeien tegen de stroom in. Besloten werd
om voor 5 mei een defilé te organiseren. Zo’n
optocht zou in de korte tijd die restte nog net gere-
Alweer een herdenking
En daarmee hoopte de CC het voorlopig gehad te
hebben. Maar het liep anders, rust was de leden
nog niet gegund. De Amerikaanse en Engelse
radiozenders hadden namelijk het bericht de
wereld in gestuurd dat 8 mei was uitgeroepen tot
‘V-E day’; ‘Victory in Europe day’. De meeste
commissieleden meenden dat het nu wel even
mooi was geweest en dat V-E day niet speciaal
voor Zwolle gold. Maar, zo lezen we haast met een
verzuchting in de notulen, ‘het publiek dacht er
anders over. Er kwam deining in de stad en de
vraag rees; wat wij deden’. Na overleg met de burgemeester
kwam de CC in de vroege ochtend van
8 mei in spoedvergadering bijeen. Daar kon
Wansink vertellen dat de burgemeester van de CC
voor twee uur ’s middag voorstellen verwachtte.
Nu bleek dat improviseren een sterk punt was van
de CC. Men wist nog voor diezelfde avond een
compleet programma voor elkaar te krijgen. Om
acht uur zou de rede van de Engelse premier
Winston Churchill via luidsprekers op de Grote
Markt worden uitgezonden, gevolgd door een
concert van het Stedelijk Orkest. Ondertussen
zouden vanuit de buitenwijken muziekkorpsen
naar het stadscentrum trekken, begeleid door de
verschillende buurtcommissies van de CC. Om
negen uur was er dan op het Grote Kerkplein de
radiorede van de Engelse koning te horen en was
er aansluitend gelegenheid tot dansen, ‘speciaal
wordt dit programmaonderdeel voorgesteld met
het oog op de Engelse militairen’. Het Stedelijk
Orkest zou voor Hotel Wientjes een serenade
brengen aan de geallieerde militairen. De poging
om ook nog een militaire parade van de grond te
krijgen mislukte, te meer omdat de troepen vanZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
wege V-E day natuurlijk ook een vrije dag hadden.
De Zwolse Radiodistributiedienst verzorgde een
rechtstreeks verslag van de gebeurtenissen op de
Grote Markt. Voorzitter Wansink sprak vanaf
Hotel Peters aan de Grote Markt de menigte toe
waarbij hij eindigde met de woorden ‘leve de
Geallieerden, leve het Vaderland, leve de Koningin’,
woorden die met luid gejuich werden ontvangen.
Uitbreiding van de taken
Het was even zweten geweest, maar de CC had het
hem dan toch maar gefikst en een hele rits van
feestelijkheden succesvol weten af te ronden. Op
15 mei werd een vertegenwoordiging van de commissie
bij de burgemeester geroepen. Die toonde
zich vol lof over de manier waarop de CC de festiviteiten
en herdenkingen had weten te leiden,
‘geen excessen kwamen voor dankzij de Commissie,
de geheele burgerij vertegenwoordigend’.
Maar wie hoopte dat de burgemeester alleen daarom
de leden bijeen had geroepen, kwam bedrogen
uit. Er zouden volgens Van Karnebeek in de toekomst
nog veel meer festiviteiten op de stad af
komen; een nationale bevrijdingsdag, een feestdag
voor de bevrijding van ‘het gehele rijk’ en natuurlijk
de verjaardagen van de leden van het konink-
Hotel Peters aan de
Grote Markt na de
bevrijding in 1945. Voor
het hotel staan geallieerdepantservoertuigen.
Op ‘V-E day’
(8 mei 1945) sprak CC
voorzitter J.M. Wansink
vanaf het balkon
van het hotel de menigte
toe. (Collectie HCO)
Genodigden bij de door
de CC georganiseerde
bevrijdingsherdenking
op de Veemarkt op
30 april 1945. (Collectie
HCO)
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijk huis. De burgemeester draaide er verder niet
omheen en stelde de aanwezigen de volgende
vraag: ‘Is u bereid in deze samenstelling, vertegenwoordigend
de bevolking van Zwolle, leiding te
geven aan de feestelijkheden welke nog zullen volgen?’
Nu was het de beurt aan Wansink het woord te
nemen. Hij dankte de burgemeester voor zijn
vriendelijke woorden. Hij schetste een beeld van
de CC die tijdens de bezetting was geslonken tot
zo’n tien man. Na de bevrijding was dit aantal
aangevuld met verschillende personen, onder
meer uit de voormalige verzetsbeweging. Hij kon
zich voorstellen dat voor sommige van de huidige
leden het lidmaatschap van de CC niet te combineren
was met hun drukke werkzaamheden. Maar
verder was hij ervan overtuigd dat de commissie
met plezier en elan de door de burgemeester
gevraagde taak op zich zou willen nemen. Hij
werd daarin niet tegengesproken. Wel bracht de
heer Rigter slim de vraag aan de orde of de commissie
in het vervolg dan ook zou kunnen
beschikken over gemeenschapsgelden. De oorspronkelijke
subsidie van 1000 gulden was immers
door de jaren heen via 400 en 200 gulden geslonken
tot nul. De burgemeester beloofde daar wel
aan mee te willen werken.
Bevrijdingsfeesten en dodenherdenking
Behalve het organiseren van de feestelijkheden op
hoogtijdagen van het koninklijk huis had de CC er
nu een nieuwe taak bij gekregen: de viering van de
bevrijding van Zwolle. Op 14 april 1946 was het
Bevrijdingsfestival
Vanaf 1991 kent Zwolle een nieuw nationaal feest, het provinciale bevrijdingsfestival
op 5 mei, een initiatief van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
De doelstelling hiervan is ‘niet alleen het herdenken van de bevrijding maar
ook het onder de aandacht brengen van de begrippen vrijheid, gelijkheid en
democratie van de jongere generatie en wel op een manier die hen aanspreekt’.
De organisatoren van het eerste Overijsselse bevrijdingsfestival wilden
de bevrijding actualiseren met popmuziek en theater als uitingen van
hedendaagse gevoelens over vrijheid. Optredens van popgroepen, straattheater
en een drcusinstuif zorgden voor een verlevendiging.
precies een jaar geleden dat de stad werd bevrijd.
Maar omdat die dag op een zondag viel werd de
herdenking een dag eerder gehouden. Plaats van
samenkomst was het Ter Pelkwijkpark, waar sinds
kort een (voorlopig) monument voor de Zwolse
oorlogsslachtoffers was geplaatst. In de toespraken
die die dag werden gehouden, lag de nadruk
op het belang van eenheid als voorwaarde voor de
nieuwverworven vrijheid. Begin mei werd landelijk
de bevrijding herdacht. Oud-verzetsmensen
en ex-politieke gevangenen hielden op vrijdag
3 mei een stille omgang naar het Ter Pelkwijkpark.
Om acht uur namen duizenden aanwezigen twee
minuten stilte in acht, waarna kransen werden
gelegd bij het voorlopig monument. Daarna volgde
onder grote belangstelling een dankdienst in de
Grote Kerk. Op zaterdag 4 mei werden de gevallenen
herdacht met één minuut stilte om 11 uur
’s ochtends.
Het voorlopige oorlogsmonument werd in
1950 vervangen door het huidige, door de kunstenaar
Titus Leeser ontworpen beeld. Het patroon
voor de herdenking van de doden en de bevrijding
lag toen inmiddels in grote lijnen vast. Op 4 mei
was er een stille omgang vanaf het Huis van Bewaring
naar het monument in het Ter Pelkwijkpark.
Op 5 mei volgden festiviteiten als volksdansdemonstraties,
een wielerwedstrijd, een optocht
en muziekuitvoeringen. Aan de herdenking van
de bevrijding op 14 april werd meestal maar
beperkt vorm gegeven met bijvoorbeeld klokkengebeier
of enige aandacht in de pers.
Pas in de laatste decennia van de vorige eeuw
veranderde de inhoud en vorm van het herdenken.
Meer en meer werd toen geprobeerd een relatie
te leggen met hedendaags onrecht en onvrijheid.
Deze koerswijziging sloeg aan: de laatste
jaren is de aandacht voor de herdenkingen rond
oorlog en bevrijding fors gegroeid, vooral ook
onder jongeren.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
Na de bevrijding in 1945
nam de CCO ook de
organisatie van de
dodenherdenking op
zich. Hier de stille
omgang op 4 mei 1956.
Op de achtergrond de
Menno van Coehoornsingel,
via de Stenen
Pijpbrug draait de stoet
de Diezerkade op.
(Collectie HCO)
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Naoorlogse heroriëntatie
Nu de oorlog voorbij was kon het normale
leven weer op gang komen. Maar zoals bij
zoveel mensen destijds heerste er ook
onder de leden van de CC het gevoel dat het allemaal
anders moest. Dat de vooroorlogse hokjesgeest
moest worden doorbroken, dat iedere burger
toch in de eerste plaats Nederlander was en dat
dat hen allen bond, ook waar het ging om feesten
en herdenkingen. Was het voor de oorlog zo dat
vooral ter linker zijde weinig enthousiasme voor
het Oranjehuis was, de rol van Wilhelmina tijdens
de jaren van bezetting hadden in die houding verandering
gebracht. Dat maakte dat de eensgezindheid
onder de Nederlandse bevolking groter was
dan ooit. Van dit gegeven moest de CC gebruik
maken. De naoorlogse CC wilde bezield met een
nieuw nationaal elan een bindende factor voor de
gehele Zwolse bevolking worden.
Allen voor allen
Al op de vergadering van 16 mei 1945 was deze
nieuwe houding te zien. De heer Peters benaderde
aan het begin van de vergadering de zaak principieel.
‘We staan’, zo betoogde hij met vuur, ‘voor
een nieuwe periode in het bestaan van ons volk.
Een vrede moet worden georganiseerd die inhoud
heeft. Het besteden van de vrije tijd zal zinvol
moeten zijn en de feestcultuur is ondeelbaar daarvan’.
Er zouden volgens Peters meer feestdagen
dan vroeger komen. Als mogelijkheden noemde
hij de stichting van de stad Zwolle en, hier kwam
de aap uit de mouw, een feest van de arbeid. Daarmee
maakte Peters natuurlijk een politiek ‘statement’.
Als het aan Peters lag zou de naoorlogse CC
inderdaad een heel andere worden!
Voorzitter Wansink wist dat omzichtigheid nu
geboden was. Hij dankte Peters voor zijn woorden
maar voegde daar direct aan toe dat hij als voorzitter
altijd al zijn best had gedaan ook leden uit de
arbeidersbeweging bij het werk van de CC te
betrekken. Maar het idee om als CC ook de socialistische
i-meiviering onder de hoede te nemen ging
hem toch echt te ver, ‘niet te hoog’, voegde hij daar
fijntjes aan toe. Een feest als de dag van de arbeid
moest volgens Wansink aan de zorgen van andere,
zelfstandige commissies worden overgelaten.
Waar het hier natuurlijk om draaide was om de
kloof die voor de oorlog bestond tussen links en
rechts te overbruggen en dit ook in de CC een
vorm te geven. Dat was de doorbraakgedachte, die
in brede lagen van de samenleving leefde. Peters
liet zich niet zo makkelijk van zijn standpunt
afbrengen. Hij riep om eendracht, maak van: ’31
augustus niet alleen een oranje-dag maar [een]
uiting van een grootsche gedachte die ons bij
elkaar heeft gebracht’. De tijd was er volgens hem
rijp voor: ‘bezwaren tegen Oranje worden dan van
linksche groepen weggenomen en overbrugt’.
Peters kreeg voor zijn betoog steun van het prominente
lid Eeftinck Schattenkerk. Ook hij vond dat
de naoorlogse CC een andere rol had te spelen.
Maar zijn standpunt was dat de bestaande organisaties
daarbij zoveel mogelijk in tact moesten blijven
en dat het zaak was hun werkzaamheden te
coördineren. Niet nivelleren maar bundelen, was
zijn motto.
Besloten werd de hete aardappel nog even te
laten liggen en een en ander in studie te nemen
door een toekomstcommissie bestaande uit drie
leden van de CC, drie leden van de ‘Zwolsche
Gemeenschap’ en de heer Haan, lid van beide.
Ondertussen zou de Zwolse bevolking in een vergadering
worden geraadpleegd.
Zwolse Gemeenschap
Parallel aan de ideeën van Peters liep de verhouding
tussen de CC en de Zwolse Gemeenschap
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
Een man met stijl
Bijna veertig jaar was hij lid van de CC waarvan
het overgrote deel als voorzitter: Jacob Marinus
Wansink. In 1964 gaf de 73-jarige oudgediende de
voorzittershamer over aan de heer]. Mühlenfeld.
Op donderdag 28 mei werd Wansink in de foyer
van de Buitensociëteit als dank voor zijn trouwe
dienst uitvoerig in het zonnetje gezet. ‘Een man
met stijl’zo karakteriseerde burgemeester]. Roeien
de scheidende voorzitter, ‘een onbetwist leider’ ook.
Flexibel en bereid tot veranderen: ‘Voortdurend
heeft de heer Wansink de veranderende opvattingen
moeten volgen’. Hij werd geëerd met het erevoorzitterschap
en talloze cadeaus, waaronder een
schilderij van Teun van der Veen met daarop feestelijkheden
op de Grote Markt.
Wansink werd op 2 mei 1890 geboren te Voorst.
In 1922 kwam hij naar Zwolle waar hij zich ontpopte
als een actieve burger. In 1926 werd Wansink
gekozen tot lid van de CC om eenjaar later het
voorzitterschap op zich te nemen. In het dagelijks
leven was hij hoofd van de Oranjeschool aan de
Jufferenwal. Ook speelde hij een belangrijke rol in
de Christelijke Gezondheids- en Vacantiekolonies
afdeling Zwolle, was hij lid van vele besturen en
auteur van tal van schooluitgaven. Hij overleed op
6 december 1981 te Zwolle.
J.M. Wansink was jarenlang het gezicht van de
CCO. Hij was van 192J tot 1964 voorzitter.
(Collectie HCO)
(ZG). De ZG was direct na de oorlog ontstaan met
daarin nadruk op burgerschap, gemeenschapszin
en cultuur. Er waren in de CC personen die vonden
dat de CC nauw moest gaan samenwerken
met deze ZG. Binnen de CC bestond daarover
echter beslist geen overeenstemming. Het was
Eeftinck Schattenkerk die in de vergadering van
12 juli 1945 de knuppel in het hoenderhok gooide.
Hij noemde de toetreding van de CC tot de ZG
‘noodzakelijk’. Helemaal onbevooroordeeld zal
hij daarbij niet zijn geweest; Eeftinck Schattenkerk
was zelf nauw bij de Zwolse Gemeenschap betrokken
en zou later ook als voorzitter optreden. Zijn
roep om vergaande samenwerking viel niet bij alle
leden in goede aarde, zo bespeurde de heer Haan
in de woorden van Eeftinck Schattenkerk ‘een
zekere dwang’. Was dit niet iets wat de ingestelde
toekomstcommissie juist zou onderzoeken? A.J.J.
Craghs stelde voor in ieder geval alvast een adhesiebetuiging
aan de ZG te sturen. Maar voorzitter
Wansink had zo zijn twijfels over het democratische
gehalte van de ZG: ‘hij [Wansink] is demo102
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Kapper Drent was in de
jaren vijftig langere tijd
voorzitter van de buurtvereniging
Assendorp.
Tevens had hij zitting in
de CC. Hier zien we zijn
praalwagen, destijds
goed voor een derde
prijs. (Collectie HCO)
craat en kan de leiding van bovenaf niet appreciëren’,
zo staat genotuleerd. Wansink vond dat de
studiecommissie de zaak eerst eens nader moest
onderzoeken. Eeftinck Schattenkerk op zijn beurt
betoogde dat iedereen die niet principieel tegen de
ZG was ‘er bij behoord’. En sussend: ‘Het lidmaatschap
van de ZG brengt niet met zich mee dat zij
de CC gaat decreteren’. Uit de hele discussie kwam
naar voren dat sommige CC-leden vreesden dat
toetreding tot de ZG het einde van de CC in zou
luiden. Schattenkerk wierp daar tegen in dat zoiets
alleen zou gebeuren wanneer de CC zou worden
‘opgelost’ in de afdeling ‘Feestcultuur’ van de ZG
en deze afdeling moest zelfs nog worden opgestart.
Waar waren de leden bang voor? Hij eiste een
adhesiebetuiging, zo niet dan stapte hij op. Wansink
op zijn beurt hield de leden voor dat het bij
een adhesiebetuiging niet zou blijven. Later zou
volgens hem ongetwijfeld geprobeerd worden de
CC in commissies in te schakelen. Duidelijk is dat
de kwestie de CC ernstig verdeelde en dat het laatste
woord er nog niet over was gezegd. Uiteindelijk
was het resultaat dat de CC zich wel bij de ZG
aansloot, maar ijverig bleef toezien op de eigen
onafhankelijkheid.
Emancipatie der wijken
Een andere kwestie die vlak na de oorlog boven
kwam drijven was de positie van de wijken. Direct
na de bevrijding rezen de buurt- en straatverenigingen
als paddestoelen uit de grond. Iedereen
wilde immers feesten. Alleen al in Assendorp konden
er twintig worden geteld. Al deze clubjes werden
in Assendorp in de loop van 1945 samengesmolten
tot een grote wijkvereniging onder het
voorzitterschap van de heer H. Krisman, in het
dagelijks leven hoofdgeleider bij de Nederlandse
Spoorwegen. Dat de vereniging over een groot
draagvlak beschikte bewijzen de cijfers. Ten tijde
van het tienjarig bestaan in 1955 telde de wijkvereniging
Assendorp niet minder dan 2000 leden!
De nieuwe wijkverenigingen hadden een groot
zelfbewustzijn en wilden binnen de CC een grote
rol spelen. Steeds vaker gebeurde het dat de wijken
eigenstandig de lokale feestelijkheden organiseerden,
zonder al te veel rekening te houden met de
centrale leiding van de CC. Die werd vanuit arbeiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
derswijken als Assendorp toch vooral gezien als
een elitair clubje van gegoede burgers. Assendorp
wierp zich ook op als de stem van de buurten. Dat
bleek al tijdens een bijeenkomst in de zomer van
1945, toen een voorstel om de helft van de geïnde
gelden die Assendorp aan de CC overdroeg naar
de buurt terug te laten vloeien, door de wijkvereniging
werd afgewezen. Assendorp wilde driekwart
van het geld terug zien. Ook de Kamperpoort
leek dat wel wat. Wansink probeerde de
buurtcommissies met alle macht op andere
gedachten te brengen. Het voorstel van de buurten,
zo waarschuwde hij, zou de optochten en
muziekuitvoeringen in gevaar brengen, die kostten
immers veel geld en werden door de CC georganiseerd.
Pas na een oproep toch vooral de
gemeenschappelijkheid in het oog te houden gingen
de buurtcommissies – waarvan Assendorp
licht mokkend – akkoord.
Ook toen de vertegenwoordiging van de nieuwe
buurtcommissies in de CC aan de orde kwam
lag de ‘spoorhazenwijk’ dwars. Was het voorstel
per wijk één afgevaardigde in de CC op te nemen,
Assendorp zette in op niet minder dan drie.
Veemarkt te ver
Begin juli 1945 was er weer een aanvaring. Het
kwam naar buiten dat de wijkvereniging Assendorp
van plan was op 31 augustus, Koninginnedag,
een eigen avondfeest te organiseren. De festiviteiten
die op dat tijdstip door de CC waren gepland,
zouden plaatsvinden op de Veemarkt, ‘veel te ver
van Assendorp’. Het Assendorper voornemen viel
bij de leden van de CC bepaald verkeerd. Er werd
om wat meer respect voor de CC gevraagd. De
verjaardag van de koningin was per slot juist de
dag dat Zwolle in eenheid feest behoorde te vieren.
Het avondfeest op de Veemarkt moest daarvan
de climax zijn. Voor de wijkfeesten was in de visie
van de CC 1 september een goed alternatief.
Allengs liepen de gemoederen op. Krisman wees
nog eens fijntjes op het geld dat Assendorp
inbracht en hij betichtte de CC van dictatoriale
neigingen. De CC beschuldigde Assendorp op
haar beurt van schotjesgeest en egoïsme. Maar
Assendorp hield het been stijf. Voorzitter Krisman
stelde het klip en klaar: Assendorp wil geen eigen
feest op 30 augustus, ook niet op 1 september, nee,
het Assendorper feest zal op 31 augustus plaats
vinden. Krisman bespeurde een ‘vijandige houding’
tegenover de buurtcommissie en daar moest
het maar eens mee uit zijn. Droogjes werd genotuleerd
‘dat de stemming in de vergadering er niet
beter op wordt’. Het lijkt een understatement. De
beide groepen stonden frontaal tegenover elkaar.
Op verzoek van de CC wilde Krisman de mening
van de CC nog wel weer in de wijkcommissie
bespreken en hij nodigde de CC uit daarbij aanwezig
te zijn. Nadat Krisman de vergadering had verlaten
besloot de CC ondertussen de eigen plannen
gewoon door te zetten en deze ook al in de pers te
laten publiceren.
Een akkoord
De verhouding tussen de wijken en de CC was
duidelijk een andere dan voor de oorlog. Ook het
bestuur van de CC besefte dat de naoorlogse organisatie
van de commissie een andere moest zijn.
Het was weer Assendorp die in 1946 een voorstel
indiende voor een CC ‘uit en door de wijken’. Op
10 juni 1946 vond in hotel Van Gijtenbeek aan het
Stationsplein de vergadering plaats waarin het
voorstel zou worden besproken. Een belangrijke
gebeurtenis, zo vond de notulist, om vervolgens
wat teleurgesteld neer te schrijven: ‘hoewel uitgenodigd
blijkt de pers door afwezigheid te schitteren’.
Voorzitter Wansink opende de vergadering
en nam als eerste het woord: ‘Versterking en verdieping
van de liefde voor ons Volk tot Land en
Vorst is een der schoonste taken van de CC’. Wat
De juffrouw van de aubade
Mies Brinkman was sinds 1918 lerares aan de Stedelijke Muziekschool in de
Bloemendalstraat. Haar grote liefde was de opera. Tijdens haar zilveren jubileum
in 1943 nam deze kunsttak dan ook een belangrijke plaats in. Zelfs
onderduikers (het was midden in de oorlog) speelden daarbij mee. De meeste
oudere Zwollenaren zullen zich mevrouw Brink herinneren als de juffrouw
die op het Grote Kerkplein de jaarlijkse kinderaubade ter gelegenheid van
Koninginnedag leidde. Na de oorlog was zij een tijdlang ook directrice van de
muziekschool.
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eerbetoon aan Wilhelmina
Koninginnedag 1948 was een heel speciale Koninginnedag.
Koningin Wilhelmina vierde haar gouden
regeringsjubileum. Maar tegelijkertijd was het
een feest met een dubbel gevoel, want Wilhelmina
had aangekondigd af te zullen treden en de troon
over te dragen aan haar dochter Juliana. De Turfmarkt
was de centrale plaats waar uitbundig het
50-jarig koninklijk bewind van Wilhelmina werd
gevierd. Op het groteplein aan de voetvan de
watertoren was een enorm podium opgericht. Daar
werd ’s avonds het openluchtspel ‘Je Maintiendrai’
opgevoerd.
Die avond was de stad getooid in een fonkelend
kleed van lichtjes. ‘Zwolle is’, aldus een verslaggever,
‘een lichtpunt in het Oosten’. De middag daaraan
voorafgaand was er een grote optocht. Al ruim
van tevoren hadden de eerste toeschouwers zich
langs de weg opgesteld. Het was bloedheet. Eén persoon
werd bevangen door de hitte en viel flauw.
Een oud moedertje pakte het slimmer aan en nestelde
zich langs de weg in een gemakkelijke stoel.
Maar ze dommelde langzaam in slaap. Pas toen de
koninklijke harmonie Thomas a Kempis luid toeterend
voorbijtrok, schrok ze weer wakker. Tot diep
in de nacht vierde Zwolle feest.
DE FEESTEUIKHTOEN TE ZW01J.K VAN 30 Al.’G.-* SEPT.
In 1948 was koningin Wilhelmina vijftig jaar
vorstin. In datzelfde jaar deed zij afstand van de
troon om plaats te maken voor haar dochter
Juliana. Omslag van het programmaboekje dat
de CC naar aanleiding van de jubileumfeestelijkheden
uitbracht. (Collectie HCO)
zou het nageslacht over deze vergadering zeggen?
Als een vergadering waarbij de deelnemers elkaar
het licht niet in de ogen gunden en de nieuwe tijd
niet begrepen? Waar het volgens Wansink om
moest gaan was de eendracht van Zwolle. En die
eenheid was door de CC het beste te waarborgen:
‘We doen hier geen slooperswerk, maar gaan bouwen.
We zullen daarbij gebruik maken van het
goede van het oude en het nieuwe’. Grote woorden
over de rol van de CC. Nu was het de beurt
aan Krisman. Ook hij riep op tot eenheid. Maar
hoe die het beste te bewaren was, dat was natuurlijk
de vraag. Volgens Krisman had Zwolle in de
jaren voor de oorlog een zeer eenzijdige, van
boven af geredigeerde feestviering gekend. Direct
na de bevrijding kwamen veel wijkcommissies
weer spontaan tot leven, diep wortelend in straat,
buurt en wijk. En het waren deze wijkverenigingen
die de basis moesten vormen van een nieuwe
CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
mm
De drie afgevaardigden
in de CC van de buurtvereniging
Assendorp
staan op de Oosterlaan
gereed voor de optocht,
jaren vijftig. In het midden
H. Drent. Links
vooraan is nog een stuk
van de Renaultgarage
van Simonse en Bokkers
te zien, die gevestigd
was op de hoek van de
Terborchstraat en de
Oosterlaan. (Collectie
HCO)
WSMH ‘ ” ..,.••” f TBmi TÜniii» ^’ita Ai b. i^MBi , J I
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Logo van de CC, jaren
veertig. (Collectie
HCO)
cenTRALe commissie
I/OOR HeT uiepen URH
GeoenKDRGen
Te zu/one
Er ontspon zich, zoals dat heet, een levendige
discussie. Daarin kwam naar voren, zij het niet
met zoveel woorden gezegd, dat Assendorp vond
dat de oude CC vooral een organisatie was van de
gegoede burgerij met daarin maar weinig ruimte
voor de ‘gewone’ man. En dat was niet goed. Niet
het kapitaal, maar het volk diende te tellen. De discussie
ging dan ook onder andere over de weging
van de gelden die de verschillende wijken ieder
jaar weer opbrachten in verband met hun vertegenwoordiging.
De heer Markus van Assendorp
bracht dit punt het meest duidelijk onder woorden.
Hij wenste een ‘behoorlijk onderscheid tusschen
den gulden van den werkman en het tientje
van den groote zakenman’. De vergadering sloot
zonder een definitieve beslissing te nemen. Uiteindelijk
kwam het volgende uit de bus. Het
bestuur van de CC zou voortaan bestaan uit
22 leden. Daarvan waren er tien ‘uit de burgerij’.
De wijken leverden de overige leden. De Kamperpoort,
Stationswijk, Veerallee en het Wipstrikkwartier
kregen ieder één afgevaardigde. De Binnenstad
werd vertegenwoordigd met twee leden.
Assendorp en de Diezerpoort leverden ieder drie
leden aan de CC.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
Hoge hoeden
De leden van de CC waren bij de feestelijkheden altijd prominent
aanwezig. Ze droegen een insigne; een zilveren monogram aan
een strik van oranje, blauw en wit lint. Maar bovenal waren zij al
van verre herkenbaar door de hoge hoeden die lange tijd traditioneel
werden gedragen.
Wat zou de CC zijn zonder die hoge hoeden? zo werd in het
jubileumjaar1953 in een krantenartikel gevraagd. ‘Een trotse oceaanstomer
zonder schoorsteen’ was het antwoord. In hetzelfde
artikel werd gezegd dat de vooroorlogse CC een ‘knus clubje’ was:
‘als er een uit de gelederen trad, zei men tegen elkaar: “zullen we
die of die erin halen, hij lijkt ons wel geschikt”, en zo gebeurde het
dan’.
Die informele werkwijze veranderde na de oorlog toen de wijken
hun afvaardiging in de CC kregen.
De jubilerende CC in 1953. Van links naar rechts staande: E. Kamphuis, J. T. Teunis, H.A.J. Verhagen, H. Drent, P.H. Reinbergen,
E.H. Veenstra, J. Oostindiënjr., Th. Thalen, E. Conradie, J.A. Pot, L. ter Heide, B. v.d. Vegte. Zittend van links naar rechts het
bestuur: J. Poulussen (2de secretaris), P.J. Bennekers (secretaris), J.M. Wansink (voorzitter), J.G. Akkerman (penningmeester),
H. Hollander en J. Haan (commissarissen). De leden J. Doedens en C.H. Koop ontbreken op deze foto. (Collectie HCO)
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle bejubelt vorstenpaar
Gedenkpenning geslagen
ter gelegenheid van
het bezoek van het
koninklijk paar aan
Zwolle in oktober 1949,
met de beeltenis van
Juliana en aan de andere
kant de tekst: ‘Lichtstoet
Industrie, Koninklijk
bezoek n-io-’49.
C.C. Zwolle’. (Collectie
O. de Leeuw)
Hoewel de jaarlijkse oranjevieringen vanzelfsprekend
tot de hoofdtaken van de
CC behoren, waren er in het lange leven
van de commissie ook andere gebeurtenissen die
de aandacht vroegen. Het waren vooral de bezoeken
van leden van het koninklijk huis aan Zwolle
die steeds weer een hoogtepunt vormden. Want
zo heel vaak gebeurde het natuurlijk niet dat de
Oranjefamilie de Blauwvingerstad aandeed.
De koningin komt
Het jaar 1949 was wat dat betreft voor de CC
gedenkwaardig. Na meer dan een kwart eeuw zou
de koningin weer een officieel bezoek aan Zwolle
brengen. De laatste keer dat Zwolle die eer te beurt
was gevallen was in 1923. Toen betrof het Wilhelmina,
nu was het Juliana die inmiddels de scepter
zwaaide.
De periode van onthouding had de dorst naar
de vorstin alleen maar versterkt. En zeker na de
moeilijke jaren van de Duitse bezetting was de
populariteit van het huis van Oranje gestegen tot
ongekende hoogte.
Onnodige spanning
De Centrale Commissie had het er druk mee.
Gehoopt werd dat de meeste Zwollenaren de dag
van het bezoek vrij zouden krijgen. Misschien, zo
suggereerde men, konden de werknemers alvast
dagelijks een halfuurtje extra werken om de snipperdag
mogelijk te maken. In ieder geval riep de
Centrale Commissie de werkgevers op de dag van
het koninklijk bezoek vrijaf te geven. Dit tot groot
verdriet van de Nijverheidsraad. Volgens de leden
van die raad leidde de oproep bij sommige bedrijven
tot onnodige spanning. Er werden verwachtingen
gewekt die niet altijd beantwoord konden
worden. Beter was het als de CC zich voortaan niet
meer over dergelijke zaken zou uitspreken voordat
er met het bedrijfsleven overleg was geweest.
Ondertussen maakte de stad zich op voor de
komst van het koninklijk paar. En niet alleen
Zwolle. Vanuit de wijde omgeving zouden groepen
en mensen naar de Overijsselse hoofdstad
komen om een glimp van Hare Majesteit op te
vangen. Zo hadden delegaties uit Urk, Staphorst
en Haerst hun komst al aangemeld.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Feestverlichting
De organisatie wilde niets aan het toeval overlaten.
Zo werd op de avond voor het bezoek de door particulieren
aangebrachte feestverlichting gecontroleerd.
Daarbij werd vooral gelet of er geen lampen
waren die de verschillende optochten zouden hinderen.
Ook moesten verkeersmaatregelen worden
genomen. De gehele binnenstad zou worden afgesloten
voor gemotoriseerd verkeer en bespannen
wagens. Ook de stadsdienst ontkwam niet aan dit
gebod. De Veerallee was tijdens de doorkomst van
de koningin voor fietsers taboe. Rond de Roopoort,
waar de majesteit en haar gemaal in de ambtswoning
van de commissaris van de koningin zouden
overnachten, was geen publiek toegestaan. Aan de
oproep om de stad uitbundig te versieren werd
massaal gehoor gegeven, ’s Avonds brandden overal
duizenden lichtjes. Vooral Hotel Wientjes had er
veel werk van gemaakt. De Westerstraat, om de
hoek van de Roopoort, zag er ook prachtig uit, net
als vele andere straten. Overal waar men keek zag
men bloemen, slingers, vlaggen en erepoorten. In
het hartje van de stad stond een fraaie muziektent,
ontworpen door de Zwolse kunstenaar Teun van
der Veen. In het licht van de vele speciaal voor het
bezoek opgestelde schijnwerpers bood de stad een
betoverende aanblik. Het was de avond voor het
bezoek van het koninklijk paar dan ook enorm
druk in de stad. Duizenden waren gekomen om
van de sprookjesachtige verlichting te genieten.
Koningin Juliana en
prins Bernhard inspecteren
op 11 oktober 1949
de erewacht voor het
huis van de commissaris
van de koningin aan de
Roopoort, waar zij ook
de nacht zullen doorbrengen.
(Foto ANP,
collectie HCO)
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Sssst!
In de nacht van u op 12 oktober 1949 wapperde de koninklijke standaard van
huize Roopoort 1. Koningin enprins logeerden, naar oud gebruik, in de
woning van de commissaris van de koningin. Op dat moment was dat
ir. B. J.G.M, ridder de van der Schueren. Voorde oorlog was het gouverneurshuis
in het Ter Pelkwijkpark de ambtswoning. Het werd ook wel ‘het hotel
van de Commissaris der Koningin’ genoemd. In 1895 had de toen vijftienjarige
Wilhelmina er overnacht. Omdat het Gouverneurshuis midden in de stad
lag, werd aan de posterende agenten gevraagd er voor te zorgen dat er
’s avonds niet te veel lawaai op straat zou worden gemaakt. Dat hoefde men
de Zwollenaren niet twee keer te zeggen. ‘Ssst… het koninginnetje slaapt’,
werden gevleugelde woorden.
Massaal onthaal
De ochtend van de elfde oktober brak aan. In alle
vroegte klonken de klanken van de reveille door de
stad. Op de Turfmarkt: werd die ochtend door
leden van rijvereniging ‘Rijden is Kunst’ uit Ittersum
een ruiterdemonstratie gegeven. Op het Grote
Kerkplein verzamelde zich de jeugd uit de verschillende
wijken voor de grote kinderoptocht. Ondertussen
voerden bussen voortdurend bezoekers van
buiten aan. Vooral uit de kop van Overijssel waren
velen gekomen. Het was iets over half drie ’s middags
toen de koninklijke stoet van over de IJsselbrug
arriveerde, een juichkreet ontlokkend aan de
duizenden die daar, op het grondgebied van de
toenmalige rondom Zwolle gelegen gemeente
Zwollerkerspel, het paar opwachtten. Onder de
tonen van het Wilhelmus stapten Juliana en Bernhard
over in een gereedstaande landauer. Aan de
wachtende burgemeester van Zwollerkerspel, C.
Slager, vroeg de koningin nog vlug: ‘Burgemeester,
zien wij u vandaag nog?’ waarop Slager antwoordde,
‘ik hoop vanavond, mevrouw’, waarna Juliana
met een ‘dan, tot ziens’ eindelijk richting Zwols
grondgebied vertrok. De koninklijke stoet reed
over de Veerallee de stad binnen, toegejuicht door
het enthousiaste publiek. Kinderen zwaaiden fanatiek
met oranje en rood-wit-blauwe vlaggetjes.
Voor de stoet uit reden drie vrachtwagens van de
gemeentereiniging. Ze waren gevuld met zand. Dit
zand werd op de weg gestrooid om te voorkomen
dat de paarden zouden uitglijden op de toch wat
gladde stenen van het wegdek. Duizenden mensen
waren op de been om een glimp van het koninklijk
paar op te vangen. Aangekomen op het Stationsplein
werd de koningin een vaandelgroet

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2002, Aflevering 3

Door | 2002, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

N
mmer
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
> f e s . Ktiss, Amstaröarri. Ho. BOS!
/ – * . – Drukwerk
BRIEFKAART
(CA.HTE POSTALE)
Algemeene Postve
jjde. voor het adrc ‘
-• Universelle)
Oude ViFtcbimirkt. ZWOLLE.!
j B
,.ilrul«iit’,’divr>Drdio
trlt (taart IA
CIMI poauli doorichfsppift
ID allim
naam in datun ir
ip schiijm.
AAN..
(Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
Prentbriefkaart Oude Vis(ch)markt
De prentbriefkaart toont een prachtig tafereel van
een rustige Oude Vismarkt met op de achtergrond
de Grote Markt en de sociëteit De Harmonie. De
Oude Vismarkt dankt zijn naam aan het feit dat
hier tot 1792 de verkoop van vis plaats vond. Daarna
werd de vis op het Rodetorenplein verkocht.
Onder de Oude Vismarkt stroomde de Grote Aa,
die rond 1860 gedempt werd.
De foto is gemaakt op Koninginnedag. Dat
feest werd vanaf 1898 gevierd op 31 augustus. Vele
vlaggen met wimpels sieren de huizen. Het is hoog
zomer; de man met de mand loopt in hemdsmouwen
over straat en de bomen zitten volop in het
blad.
Het straatbeeld werd nog niet verstoord door
schreeuwende reclames en flikkerende neonverlichting.
De enige reclameuiting bestond uit het
aanbrengen van een uithangbord, zoals links op
de voorgrond: Paul van Hulzen, beddenfabriek.
Rechts zien we op het uitspringende pand Oude
Vismarkt 7 tussen de eerste en tweede verdieping
de naam F.J. Schoemaker. Dit was een stoommeubelfabriek.
We zien de in 1901 gemoderniseerde
gevel. Na een brand in 1907 werd het pand nogmaals
verbouwd en door architect M. Meijerink in
Jugendstil opgetrokken. Meer over de geschiedenis
van de firma Schoemaker kunt u lezen vanaf
pagina 103 in dit themanummer.
Uit het pand van Schoemaker en de adreszijde
van de kaart valt op te maken dat de opname tussen
1901 en 1905 gemaakt is. Vanaf 1905 is de adreszijde
van prentbriefkaarten in tweeën gesplitst: het
rechterdeel voor adresgegevens, het linkerdeel om
te beschrijven. Voor 1905 was de adreszijde uitsluitend
bestemd voor het adres; vandaar dat op
die prentbriefkaarten teksten op de voorzijde
voorkomen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Inhoud
111
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 86
Zwolse koopmansgeest Redactioneel 88
De Oude Gaper en de firma J. ten Doesschate
Annèt Bootsma-van Hulten 89
Tabaksfabriek Van den Helm Lydie van Dijk 93
Doijer en Van Deventer, likeurstokerij en bitterfabriek
Annèt Bootsma-van Hulten 98
‘Richt u in naar uw zin’de firma F.J. Schoemaker & Zn. (1843-1958)
Miriam Schneiders 103
Tingieterij Kamphof (1864-1938) Annèt Bootsma-van Hulten 108
Biljartfabriek Princesse J.A. Hoffscholze Wim Huijsmans en
Menno van der Laan 111
Geweermakers aan de Luttekestraat, de firma H.J. Bremer
Annèt Bootsma-van Hulten 115
Gevavi Wim Huijsmans en Menno van der Laan 117
Walter Stern Wil Cornelissen 119
IJsmakers Talamini op de Grote Markt Jeanine Otten 122
Smederij en rijwielhandel Tensen in Berkum Theo de Kogel 127
Runhaar; specialist in zonweringen en rolluiken Wim Huijsmans 130
Auteurs 134
Omslag: De Oude Gaper, Diezerstraat 14, in volle bedrijvigheid in 1903. Duidelijk
zijn de in de gevel ingehouwen woorden ‘Drogerijen’ en ‘Verfwaren’ te zien.
(Particuliere collectie)
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse koopmansgeest
Redactioneel Zwolle heeft bij sommigen altijd de naam
gehad een beetje saaie ambtenarenstad te
zijn. Dat beeld is zeker niet juist. Zwolle was
van oudsher een Hanzestad maar vooral ook een
regionaal centrum waar de handel floreerde. De
industrie nam een bescheidener plaats in maar
was wel degelijk aanwezig. Tegenwoordig zijn er
in de industrie zelfs zo’n 9.000 arbeidsplaatsen
voor handen en daarmee neemt deze bedrijfstak
een volwaardige plaats in het arbeidsbestel in.
Kenmerkend voor een middelgrote stad als
Zwolle waren de vele bedrijven die ter plekke productie
en handel combineerden. Sommige daarvan
bestaan nog steeds. Het zijn de bedrijven die
Zwolle in de vorige eeuw kleur hebben gegeven.
De meeste waren gevestigd in de binnenstad en
konden dan ook niet over het hoofd worden
gezien. Vele Zwollenaren hebben herinneringen
aan zo’n bedrijf.
In het kader van het thema van Open Monumentendag
2002 (‘Koopmansgeest’) besteedt het
Zwols Historisch Tijdschrift in een extra dik nummer
aandacht aan Zwolse ondernemingen waarbij
ambachtelijk vakmanschap en handel hand in
hand gingen: ze combineerden in oorsprong een
werkplaats met een winkel waar de producten ter
plekke verkocht konden worden.
De keuze van de beschreven bedrijven is verder
tamelijk willekeurig en voor een deel bepaald
door de beschikbaarheid van literatuur of archiefmateriaal.
Sommige bedrijven bestaan nog, zoals
Talamini, andere zijn reeds lange tijd opgeheven,
zoals tingieter Kamphof. Sommige zijn eeuwenoud
geworden, zoals drogisterij de Oude Gaper
(vanaf 1782), andere zijn pas in 1937 gesticht (Walter
Stern). Bijna allen waren in hartje binnenstad
gevestigd, twee in Zwollerkerspel (smederij Tensen
in Berkum en Gevavi in Westenholte).
Eén ding hebben ze gemeenschappelijk: na de
start was het jarenlang hard werken, waarna
meestal een succesvolle uitbreiding volgde.
Een niet onaanzienlijk deel van de starters
kwam overigens van buiten Zwolle. Meubelmaker
Schoemaker kwam uit Twello, Jurriaan ten Doesschate
kwam uit Goor. Johannes Hoffschulte
kwam in 1840 uit het Duitse Neuenhaus naar
Zwolle, Heinrich Joseph Bremer kwam in 1865
eveneens uit Duitsland en Walter Stern vluchtte in
1936 voor de nazi’s naar Nederland. Pietro Talamini
vertrok in 1932 naar Nederland. En daarmee
is het verhaal van de typisch Zwolse ondernemingen
ook een beetje een verhaal van Zwolse nieuwkomers.
Ondernemende types en harde werkers,
die met hun specifieke kennis, zoals het maken
van geweren maar ook ijs, iets wisten toe te voegen
aan de plaatselijke cultuur.
Tot de sanering in de jaren zestig waren vele
bedrijven en bedrijfjes nog in de binnenstad
gevestigd. De meesten kampten met ruimtegebrek,
versnipperde huisvesting en werden geconfronteerd
met verkeerstechnische problemen. De
biljartfabriek Hoffscholze zat aan Achter de Broe-
“ren. Likeurstokerij Doijer en Van Deventer (wie
herinnert zich niet de penetrante zoete geur) had
de hele hoek Gasthuisplein en Wolweverstraat in
gebruik. En de ‘markies van de Voorstraat’, Runhaar,
maakte, repareerde en verhandelde zijn zonweringen
in de twee panden aan de Voorstraat en
de Ossenmarkt. Vanaf de jaren zestig vestigden
met name de bedrijven waarbij de winkelfunctie
ondergeschikt was of was geworden, zich op nieuwe
industrieterreinen en zijn daarmee een beetje
uit het blikveld van de Zwollenaar verdwenen.
Andere zijn er nog steeds. Samen hebben ze de
geur en kleur van Zwolle bepaald en laten ze zien
dat Zwollenaren een nijver en ondernemend volkje
vormen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
De Oude Gaper en de firma J. ten Doesschate
De bekendmaking in 1990 dat drogisterij de
Oude Gaper haar deuren ging sluiten veroorzaakte
veel beroering in Zwolle. De
drogisterij was al ruim 200 jaar, sinds 1782, in hetzelfde
pand aan de Diezerstraat (nr. 14) gevestigd
en was in de loop der jaren uiterlijk nauwelijks van
karakter veranderd. De winkel was daarmee meer
dan alleen een locale bijzonderheid geworden; het
was ook de oudste drogisterij in Nederland. In de
Oude Gaper was het tot 1990 nog mogelijk allerlei
bijzondere producten te verkrijgen die ter plekke
werden afgevuld in stopflesjes of afgewogen in
papieren zakjes met opdruk. Het oorspronkelijke
karakter van de winkel en de traditionele wijze
waarop het drogisterijvak uitgevoerd werd, spraken
velen aan maar was aan het eind van de twintigste
eeuw niet meer rendabel.
De firma J. ten Doesschate
Dat was in de twee eeuwen daarvoor wel anders.
In 1782 werd er in het pand Diezerstraat 14 een
kaarsenmakerij annex grutterszaak gevestigd.
Wanneer de verkoop van drogerijen daarbij kwam
is niet helemaal zeker, maar dat was in ieder geval
zeker vanaf 1785 het geval. De bedrijfsvoering in
drogerijen bleef vervolgens aan het pand gekoppeld.
Vanaf 1785 waren de achtereenvolgende eigenaren
ook regelmatig aan elkaar verwant.
Rond 1900 bestond de Oude Gaper niet alleen
uit een drogisterij maar ook uit een grossierderij
in drogerijen en verfwaren. Het bedrijf was in die
tijd eigendom van de heer J. ten Doesschate en
zijn echtgenote J. ten Doesschate – Nellensteijn.
De winkel droeg de naam In d’Oude Gaper maar
de grossierderij werd gevoerd onder de naam de
firma J. ten Doesschate. De zaak telde in 1903 elf
personeelsleden.
Jurriaan ten Doesschate (1842-1916) was
afkomstig uit Goor en stamde uit een textielfamilie.
Hij trouwde in 1878 de Zwolse apothekersdochter
Jansje Nellensteijn (1846-1924). Volgens
de familieoverlevering was Jans (zoals zij
genoemd werd) Nellensteijn een flinke en intelligente
vrouw. Jurriaan en zij moeten hun kennis
van zaken in de praktijk opgedaan hebben, waarbij
(schoon)vader Nellensteijn ongetwijfeld ook
een rol gespeeld heeft.
De grossierderij omvatte de handel in drogerijen,
specerijen, chemicaliën, de fabricage en
handel in verf en de import en handel in levertraan.
In het pand aan de Diezerstraat was behalve
de winkel een kantoor gevestigd, een kruidenzolder
en een verfwarenzolder, een verfkamer en een
chloorafweging, een taplokaal voor olijf- en slaolie,
een taplokaal voor de levertraan, een kistenmakerij
en een schaftlokaal. De firma bezat daarnaast
ook nog een pakhuis aan de Bitterstraat,
gelegen recht tegenover de Nutsschool. De knechten
die in het pakhuis aan de Bitterstraat werkten,
Annèt Bootsma –
van Hulten
De verfkamer in de
Oude Gaper in 1903.
(Particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1888 liet Jurriaan ten Doesschate een nieuw huis aan de Oude Vismarkt 7
bouwen, waar hij met zijn gezin ging wonen. De familie Ten Doesschate woonde
naast de meubelfabriek Schoemaker. Dit bedrijf half zichtbaar op de foto, wordt
elders in dit tijdschrift beschreven. (Particuliere collectie)
moesten zich ’s morgens eerst in de winkel aan de
Diezerstraat melden.
In 1888 liet Ten Doesschate aan de Oude Vismarkt
7, in het verlengde van Diezerstraat 14, een
nieuw huis bouwen waar hij zelf met zijn gezin
ging wonen. Beide panden stonden met elkaar in
verbinding, een situatie die tegenwoordig nog
steeds zo is. De werktijden waren lang, in de jaren
tachtig van de negentiende eeuw begon men om
zes uur ’s morgens en werd er tot ongeveer acht
uur ’s avonds doorgewerkt. Wel hield men zeker
twee pauzes, om tien uur en om vier uur, waarbij
het personeel koffie en thee kreeg, iets wat toen
nog lang niet algemeen gebruikelijk was. Het echtpaar
Ten Doesschate – Nellensteijn stond in aanzien
bij hun medewerkers. Ter gelegenheid van
hun 25-jarig huwelijk in 1903 kregen ze van het
gezamenlijke personeel een prachtig fotoalbum
cadeau waarin onder meer het hele bedrijf op de
gevoelige plaat werd vastgelegd. Dit album
bevindt zich nog in familiebezit, de bij dit artikel
afgedrukte foto’s zijn hieruit afkomstig.
Levertraan en verf
Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw
moesten alle Nederlandse kindertjes in de wintermaanden
levertraan slikken. De levertraan van
Ten Doesschate was wijd en zijd vermaard. Ten
Doesschate importeerde de levertraan zelf rechtstreeks
uit Noorwegen. Hij ging ook zelf op zakenreis
naar Noorwegen. De levertraan werd aangevoerd
in vaten en in de Diezerstraat overgetapt in
flessen die vervolgens hun weg door heel Nederland
vonden. Deze zogeheten ‘Lotodinsche’ levertraan
werd verkocht onder de naam ‘In de
Gekroonde Oude Gaper’. Opmerkelijk was dat de
levertraan in vierkante flessen zat, een idee van
Ten Doesschate omdat vierkante flessen beter in
kisten verpakt konden worden. Op de flessen zat
statiegeld, zij werden, na in sodawater te zijn uitgekookt,
eindeloos hergebruikt.
Een ander vermaard product van de firma Ten
Doesschate betrof verf. Niet toevallig staat nog
altijd op de gevel van Diezerstraat 14 met grote
ingehouwen letters de woorden ‘drogerijen’ en
‘verfwaren’ te lezen. De verkoop hiervan beleefde
altijd een hausse in het vroege voorjaar wanneer
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
GAPER DiezeRSTRAAT.
de grote schoonmaak werd gehouden. Het was
met name onder de boeren een goed gebruik met
de schoonmaak ook een en ander van een fris
laagje verf te voorzien. De grondleggers van de
huidige verffabriek Van Wijhe leerden het vak bij
Ten Doesschate; D.H. van Wijhe en D. Vermeulen
werkten eerst in de Oude Gaper voor zij in 1916 in
de Goudsteeg voor zichzelf begonnen met een
groothandel in drogerijen en verfwaren. Ten
Doesschate bleek overigens ook een leerschool
voor Zwolse drogisten, de heren Westenberg en
Kinket werkten in de Oude Gaper voordat zij
eigen zaken begonnen.
A.J. ten Doesschate
Rond 1885 nam het echtpaar Ten Doesschate –
Nellensteijn een verweesde neef uit Goor op in
huis. Deze neef, genaamd Anthonij Judany ten
Doesschate (geb. 1862), stak veel kennis op bij zijn
oom en tante; hij bracht dit in praktijk door in
1899 in dezelfde branche voor zichzelf te beginnen.
Er ontstond toen een verwarrende situatie,
twee firma’s die zich in dezelfde stad onder bijna
dezelfde naam, firma J. en firma A.J., met dezelfde
handel bezighielden. Ter illustratie, de firma J. ten
Doesschate verkocht zijn levertraan onder de
naam ‘In de Gekroonde Oude Gaper’; de firma
A.J. ten Doesschate, in dezelfde vierkante flessen,
onder de naam ‘De 3 Gapers’. A.J. was overigens
Het fotoalbum dat het
echtpaar Ten Doesschate
– Nellensteijn ter
gelegenheid van hun 25-
jarig huwelijk in 1903
van het personeel aangeboden
kreeg, was versierd
met originele pentekeningen.
Deze fraaie
Jugendstilafbeelding is
daaruit afkomstig.
(Particuliere collectie)
Etiket van de ‘Lotodinsche’
levertraan van de
firma J. ten Doesschate,
in de vierkante flessen
verkocht onder de naam
‘De Gekroonde Oude
Gaper’. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Oude Gaper, Diezerstraat
14, in volle
bedrijvigheid in 1903.
Duidelijk zijn de in de
gevel ingehouwen woorden
‘Drogerijen’ en
‘Verfwaren’ te zien.
(Particuliere collectie)
zeer succesvol, uit zijn bedrijf ontstond de bekende
in Wapenveld gevestigde onderneming Euroma,
producent van kruiden, specerijen, mengsels,
sauzen etc. Beide firma’s Ten Doesschate bestonden
lang naast elkaar, maar uiteindelijk ging dit
ten koste van de firma J. ten Doesschate. Het
duurde overigens nog tot eind jaren zestig voordat
de firma J. ten Doesschate officieel overgenomen
werd door de toenmalige Handelsvereniging A.J.
ten Doesschate.
Drie generaties Piquet
Drogisterij de Oude Gaper en de fima J. ten Doesschate
waren toen al lang verschillende wegen
ingeslagen. Jurriaan ten Doesschate was in 1916
overleden. Zijn twee zoons Anton en Gezienus
traden niet in de voetsporen van hun vader maar
begaven zich wel op een aanverwant terrein, zij
werden allebei arts. De dochter van Jurriaan en
Jans ten Doesschate – Nellensteijn, Wilhelmina
Johanna (geb. 1881), trouwde met Jacques Sully
Piquet (1879-1928). Dit echtpaar Piquet – ten
Doesschate zette de Oude Gaper en aanvankelijk
ook de firma J. ten Doesschate voort. De in 1928
weduwe geworden mevrouw Piquet – ten Doesschate
verkocht de firma J. ten Doesschate in 1936
aan de heer B. Deuzeman; haar zoon Jurriaan
Piquet (geb. 1909) zette toen de drogisterij voort.
De Oude Gaper bleef in de twintigste eeuw een
familiebedrijf. Jurriaan Piquet bepaalde tientallen
jaren lang het gezicht van de Oude Gaper; menig
Zwollenaar zal zich hem nog voor de geest kunnen
halen, een kleine levendige man die in witte jas
achter de antieke toonbank van de drogisterij
stond. Vanaf 1957 mocht Piquet zich hofleverancier
noemen, dat predikaat werd aan de Oude
Gaper verleend in 1957 bij het 175-jarig bestaan.
Jurriaan Piquet overleed in 1987. Het was zijn
zoon Eelco Piquet die zich in 1990 gedwongen zag
de deur van de drogisterij te sluiten, waarmee een
eind kwam aan een 218 jaar oud Zwols bedrijf.
Epiloog
Toen de oorspronkelijke drogisterij in 1990 sloot
ontstond er spontaan een actiecomité ter behoud
van pand en interieur. Onder voorwaarde dat het
vertrouwde uiterlijk gehandhaafd werd, was er
van 1992 tot 1996 een Trekpleister-filiaal gevestigd.
Daarna werd het in 1997 een Benetton-winkel. De
Oude Gaper verloor daarmee waarschijnlijk
definitief zijn drogisterijbestemming, maar het
oorspronkelijke karakter is nog herkenbaar.
* Bij deze wil ik graag postuum dank zeggen aan de
heer Mr. J. ten Doesschate, die mij waardevolle informatie
verschafte over zijn grootouders Ten
Doesschate – Nellensteijn. Helaas heeft de heer Ten
Doesschate de verschijning van dit artikel niet meer
mogen meemaken, hij overleed in juni 2002.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Tabaksfabriek Van den Helm
Het Historisch Centrum Overijssel bewaart
in haar collectie drie plakboeken waarin
de laatste eigenaar van de tabaksfabriek
Van den Helm, de heer BJ. Roelfsema, de geschiedenis
van het bedrijf reconstrueert.
In deze plakboeken zijn ook enkele archiefstukken,
brieven en verpakkingsmateriaal opgenomen.
Het onderstaande is op de beschrijving van
Roelfsema gebaseerd en op gegevens uit het
archief van de Kamer van Koophandel te Zwolle.
Kruidenier en tabakshandel
Celius Dirk van den Helm (1749-1833) begon in
1805 met een tabakskerverij. Deze kerverij groeide
in korte tijd uit tot een tabaksbedrijfje in combinatie
met een kruidenierswinkel. Winkel en
bedrijf waren gevestigd in de Diezerstraat op het
huidige nummer 56. Dit pand, ‘Het groene Rad’
genaamd, was in 1747 gekocht van de med. dr. Van
Sonsbeek door de vader van Celius Dirk, Jacobus
Casparus van den Helm. Jacobus Casparus woonde
zelf niet in het pand, maar in een erachter gele-
Lydie van Dijk
%*•••?%
Reclameplaat met doorsnede
van de fabriek
aan het Gasthuisplein
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle)
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ansichtkaart van de
winkel in de Diezerstraat
met de twee
gevelbeelden (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
gen huis aan het huidige Gasthuisplein. Hij was
lakenhandelaar en gemeensman en overleed in
1795. Zijn kleinzoon Coenraad Derk (1787-1849),
zoon van Celius Dirk, wordt in het patentregister
in 1810 vermeld als winkelier in tabak, snuif, koffie
en thee. Deze Coenraad Derk zette dus het bedrijf
van zijn vader voort. Na zijn dood werd de firmanaam
gewijzigd in Wed. CD. van den Helm.
Overname
De weduwe was Anna Gesina Wispelweij, de tweede
vrouw van Coenraad Derk. Zij leidde het
bedrijf tot haar overlijden in 1856. Daarna heeft
Jacobus Casparus van den Helm, een zoon uit het
eerste huwelijk van Coenraad Derk met Magdalena
van Rees, het bedrijf enige tijd beheerd. In 1872
verkochten de drie kinderen uit het eerste huwelijk
de panden aan de Diezerstraat en het Gasthuisplein
aan Anthonij Dengerink. Bij de koopsom
van f 12.000 waren voorraden ruwe tabak,
MM
Receptuur
Johannes van den Helm heeft in november1872
zijn inkoopkennis en receptuur van snuif via een
receptenbrief overgedragen aan Anthonij Dengerink.
Volgens de aantekeningen van de heer
Roelfsema is dit document van een ontwapenende
eenvoud.
Voorbeelden hiervan zijn:
• Oud Snuif 20 et verkoop: fabriek stelen
• Roode Snuif 50 et verkoop: gekleurde stelen,
fijn gezeefd, goed vochtig en reuk olie naar
verkiezing (Nagelolie en Bergamot)
• Zwarte reuk Snuif 80 et verkoop: Brokling en
fabriek stelen, fijn ziften, alleen Bergamotolie
Memorandum
• De snuif moet gezeefd worden naar verkiezing
(grof of fijn)
• De reuk olie bij droppels door de aangemaakte
snuif doen, en laten doortrekken I niet door
de pekel doen, dan blijft er te veel aan de rand
van depot waar de pekel in is, hangen. Zoo
kan men alle soort van reuksnuif maken.
(Archief Van den Helm, HCO)
apparatuur en inventaris niet inbegrepen, deze
worden althans niet in de akte van verkoop
genoemd. Ook het kruideniersbedrijf is onvermeld.
Blijkbaar hield men zich vóór 1872 uitsluitend
bezig met de tabaksproductie, met de verkoop
daarvan en met sigarenhandel. De nieuwe
eigenaar Dengerink beschikte kennelijk in ruime
mate over middelen, want in korte tijd waren alle
kosten van koop en overname betaald.
De firma Van den Helm was in die tijd lang
niet de enige tabakskerverij in Zwolle. Rond 1880
waren er dertien tabaksfabrieken in de stad. Landelijk
gezien was het onrustig in deze bedrijftak.
In sigarenfabrieken kwamen stakingen veelvuldig
voor. Dit zal een van de aanleidingen zijn geweest
voor de oprichting van de Vereeniging van
Tabaksfabrikanten in Nederland op 14 februari
1906. De overige tabaksindustrie heeft echter nauwelijks
last gehad van stakingen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
fOA
Gevelbeelden en tabakspotten
Anthonij Dengerink handhaafde aanvankelijk de
naam firma Wed. CD. van den Helm, later gewijzigd
in firma A. Dengerink v/h Wed. CD. van den
Helm. Na zijn dood in 1906 zetten zijn twee zonen
het bedrijf voort. Eigenaar was Hendrik Sybrand
Dengerink. Deze woonde aan het Gasthuisplein
nr. 5. In 1924 verhuisde hij naar Van Nahuysplein
8, in 1937 naar nr. 12. Briefpapier vari 1907 laat de
volgende bedrijfsnaam zien: Stoom-tabaksfabriek
Eén van de twee gevelbeelden
die de winkel
aan de Diezerstraat
flankeerden. Het gevelbeeld
is gemaakt van
beschilderd gietijzer en
stelt een man voor steunend
op een zogeheten
karot. De hoogte van
het beeld is 66 cm. (Collectie
Stedelijk Museum
Zwolle)
Het Wapen van Amsterdam, opgericht 1805. De
brief is ondertekend met A. Dengerink, voorheen
Wed. CD. van den Helm. Deze naam en het
beeldmerk Het Wapen van Amsterdam werd in
1909 als merk gedeponeerd.
In een van de plakboeken in het HCO zit een
(niet erg scherpe) ansichtkaart van het interieur
van de winkel in de Diezerstraat. Hierop zijn twee
snuiftabakspotten te zien zijn die de heer Roelfsema
enkele jaren geleden heeft overgedragen aan
het Stedelijk Museum Zwolle. Behalve deze
tabakspotten kwamen toen ook de beide beelden
die de ingang van de winkel flankeerden, evenals
een reclameplaat die een doorsnede van de fabriek
laat zien, in bezit van het museum. De gevelbeelden
zijn van beschilderd gietijzer en stellen twee
mannen voor steunend op een karot. Een karot
zijn tabaksbladeren, ontdaan van de hoofdnerf,
om elkaar gewikkeld, gedroogd en vermalen tot
snuif. Op het voetstuk van het ene beeld staat
‘sigaren’, op dat van het andere ‘tabak’.
Volautomatisch
Tot ver in de jaren dertig vervaardigden de meeste
tabaksfabrieken uitsluitend pruim- en pijptabak.
Slechts enkele grote bedrijven fabriceerden daarnaast
ook shagtabak, hoofdzakelijk bestemd voor
de export. In Nederland werd shag vooral verkocht
aan zeelui en verlofgangers en gepensioneerden
uit Nederlands-Indië. De firma Wed.
CD. van den Helm was een van de eerste ondernemingen
die dit betrekkelijk nieuwe artikel met
veel succes op de markt bracht. Een volautomati-
Sigarenautomaat trekt aandacht
De winkel van weduwe Van der Helm in de Diezerstraat mag zich verheugen
in ruime belangstelling. Reden is het nieuwtje dat Van der Helm voor haar
zaak heeft geplaatst: een sigarenautomaat. Na inworp va een dubbeltje krijgt
men naar keuze 3,4,5 of 6 sigaren. Een pakje sigaretten kan ook. Sommigen
zien het als een stap in de richtingvan eerbiediging van de zondagsrust. Nu
kunnen de mensen immers op zondag een rokertje kopen zonder dat een
ander er voor hoeft te werken. Critici van de automaat wijzen er echter op dat
de keuze die de machine biedt wel erg beperkt is.
(Zwolsche Courant, 25 oktober 1904, bewerkt)
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door de firma Van den
Helm gebruikte verpakking
(collectie HCO).
Ansichtkaart Thorbeckegracht;
situatie vlak
voor de tabaksfabriek
zich er vestigde (collectie
Stedelijk Museum
Zwolle).
sche pakmachine, een Quester uit Keulen, werd
daarvoor aangekocht. Het was de laatste gewone
machine die dit Duitse bedrijf nog leverde, daarna
werd volledig omgeschakeld op oorlogstuig.
In 1936 kocht H.S. Dengerink het pand Thorbeckegracht
nr. 8 en verhuisde het bedrijf. Later
wordt ook het aangrenzende pand gekocht. Deze
verhuizing was ongetwijfeld een belangrijke verbetering,
maar een groot bezwaar was dat de
betrekkelijk zware machines op de eerste verdie-
Thorbeckegracht.
ping moesten worden geplaatst, omdat kantoren,
magazijn en expeditie te veel van de ruimten op de
begane grond in beslag namen.
Een tweede overname
Uit een rapport van de gemeente Zwolle naar de
welvaartsbronnen van de stad blijkt dat er in 1937
nog maar één bedrijf over is van de vele tabaksfabriekjes
die er zestig jaar daarvoor waren. De afzet
is, volgens dit rapport, geheel regionaal georiënteerd,
hetgeen de transportkosten drukt. Voor de
werkgelegenheid was de betekenis gering, er
waren maar elf arbeiders in dienst. In 1876 had de
tabaksindustrie nog 28 werknemers.
Op 1 januari 1938 trad H.S. Dengerink uit de
firma. De handelsnaam werd weer gewijzigd in
Firma Wed. CD. van den Helm. Blijkbaar was de
negentiende-eeuwse naam nog steeds een begrip.
Het bedrijf werd eind 1938 overgenomen door
Johannes Lubbert Roelfsema uit Winschoten, die
in Zwolle aan de Stationsweg 7 ging wonen. Roelfsema
was afkomstig uit de tabaksindustrie. Zijn
familie had in Winschoten ook een fabriek.
Het Zwolse bedrijf had een goede naam. Dit
kwam tot uiting in de koopsom. In totaal moest
Roelfsema f52.000 betalen, waarvan f 10.000 voor
goodwill, f 7.000 voor de machines en f 35.000
voor de voorraad tabak. Het machinepark
bestond uit een grote kerfbank, een kleine kerfbank,
een droogtrommel, een koel- en zeefmachine,
een messenslijpmachine, twee pakmachines,
een banderolleerapparaat en een goederenlift.
De overdracht vond plaats op 1 januari 1939.
De huurprijs voor de panden Thorbeckegracht 7
en 8 bedroeg f 1.500.
Moeilijke oorlogsjaren
Het eerste jaar onder J.L. Roelfsema was succesvol.
Er werd een winst gemaakt van ca. f 7.000. Kort
daarop brak de Tweede Wereldoorlog uit. Zoals
voor vele bedrijven, was dit ook voor de tabaksindustrie
een rampzalige tijd. De bezetter richtte het
Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten op.
Dit bureau saneerde de bedrijfstak, waardoor er in
het hele land nog maar twaalf tabaksbedrijven
over bleven. Hieronder waren de Wed. CD. van
den Helm en de firma Roelfsema in Winschoten.
Zicolle,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Bij de volgende sanering vielen de beide bedrijven
echter uit de boot. Om het bedrijf draaiende te
houden en om aan de vraag tegemoet te komen,
werd toestemming gevraagd zogenaamde amateur-
tabak te mogen verwerken. Deze ‘amateurtabak’
is tabak die verkregen wordt uit door particulieren
gekweekte tabaksplanten. Deze ‘amateurs’
wisten natuurlijk niet hoe zij van de bladeren
goede tabak moesten maken.
De toestemming van het Rijksbureau werd pas
verkregen na herhaalde verzoeken en het toestoppen
van steekpenningen in de vorm van cosmetica.
De firma had te horen gekregen dat men voor
de tabak zelf geen belangstelling had (daar kon
men genoeg van krijgen), en dus werd tabak eerst
geruild tegen cosmetica en dit werd meegenomen
naar het bureau. Voor het verkrijgen van deze toestemming
moest wel een volledige lijst van alle
werknemers worden ingeleverd. Dit kon als
gevolg hebben dat werknemers werden opgeroepen
om in Duitsland te gaan werken. Geen van
hen is echter daar te werk gesteld.
Het einde
Na de Tweede Wereldoorlog werd de firma in
Winschoten opgeheven. Berend Jan Roelfsema, de
zoon van J.L. Roelfsema, werkte aanvankelijk in
Winschoten, maar werdvervolgens mede-eigenaar
van de Vereenigde Tabaksfabrieken Roelfsema
van den Helm in Zwolle. De vennootschap
legde zich toe op de vervaardiging van en handel
in tabaksproducten en aanverwante artikelen, dit
alles in de ruimste zin. Wat onder dit laatste verstaan
werd, blijkt uit een vermelding bij de Kamer
van Koophandel: vanaf 1 april 1953 was de NV Verenigde
Tabaksfabrieken Roelfsema van den Helm
tevens groothandel in rokersartikelen, metaalwaren,
huishoudelijke artikelen, galanteriën, zoetwaren,
luchtbuksen en luchtbukskogels, mondharmonica’s.
De groothandel werd gevoerd onder de
naam ‘Pyro’.
In 1956 verkocht Roelfsema de Verenigde
Tabaksfabrieken aan collega-tabakshandelaar de
Gebroeders Jakobs uit Meppel. Kort hierop kwam
het in handen van Theodorus Niemeijer uit Groningen.
Toen was het snel afgelopen met de
tabaksindustrie in Zwolle.
Roelfsema ging door met de bovengenoemde
groothandel onder de naam handelsonderneming
Roelfsema – van den Helm, gevestigd aan de
Thorbeckegracht 7. In 1960 waren hier nog negen
personen werkzaam, vier jaar later nog zes.
Het definitieve einde kwam op 1 oktober 1965,
toen de groothandel werd overgenomen door BV
Vipero te Meppel. B.J. Roelfsema aanvaardde een
functie als bedrijfsleider bij de sigarenfabriek Smit
en Ten Hove in Kampen.
Het pand Thorbeckegracht 8 werd al in 1957
verkocht aan Handelsvereniging AJ. ten Doesschate,
die in 1965 ook nummer 7 kocht. Rond
1980 zijn deze panden afgebroken en zijn op deze
plaats nieuwe woningen gebouwd.
Pakmachine aan de
Thorbeckegracht (collectie
HCO).
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Doijer en Van Deventer, likeurstokerij en
bitterfabriek
Annèt Bootsma –
van Hulten De firma Doijer en Van Deventer was jarenlang
een klassiek Zwols familiebedrijf. De
familie Van Deventer bleef met drie generaties
tot 1935 bij het bedrijf betrokken, de familie
Doijer met zes generaties zelfs tot 1989. Hoe de
families Van Deventer en Doijer tot het maken van
alcoholhoudende dranken zijn gekomen, is onbekend.
Wat wel vast staat is de exacte oprichtingsdatum
van het bedrijf en waar het van start ging.
Roode Bessenwijn
’19 Juli 1894. Roode Bessenwijn gemaakt van de
Roode Bessen van Cnopius (208 K°) en van
Wagenberg Festen te Vlijmen (1456 K°). Verhouding
45 K° Bessen & 30 K° Melis op 100 Liter.
Dit jaar besloten de Bessenwijnen te liggen in
het Strooppakhuis, zijnde deze plaats veel warmer
als het Vruchtenpakhuis. De ondervinding
heeft geleerd dat sinds de Bessenwijn gelegen heeft
in het Vruchtenpakhuis, wij ook last hebben
gehad van gistige Bessenwijn, wat wij toeschrijven
aan de vochtigheid van dat lokaal, daarom
dit jaar een proef genomen met het strooppakhuis.
Verder is genomen voor de fabricatie
eenigszins verwarmd water. Het leidingwater
toch is zeer koud & daardoor niet bevorderlijk
voor de gisting. Er is daarom gebruikt 5 liter
kokend water op 40 liter, om de koude weg te
nemen. De te maken fusten zijn op circa 5 liter na
vol gemaakt & iedere avond en morgen na gisting
weer aangevuld met lauw water. Het overloopend
drafis opgevangen voorloopig in een vat
gebracht om later opgestookt te worden’.
(Verslag van de rode bessenwijnproductie uit
1894, archief Doijer en Van Deventer).
‘Stookerij van fijne likeuren’
Op 2 mei 1814 werd een likeurstokerij opgericht
door Hendrik Arnoldus van Deventer (1788-1839),
echtgenoot van Sara Catharina Doijer (1788-1871),
met zijn oom Thomas Doijer (1754-1833) als commanditaire
vennoot. Het bedrijf werd gevestigd in
het pand Diezerstraat 58, waar daarvoor bierbrouwerij
‘De Witte Leeuw’ gevestigd was. Afbeeldingen
van biervaten en een leeuw in de fraaie gevel
herinneren daar heden ten dage nog aan. Dat juist
deze locatie eerst een bierbrouwerij en vervolgens
een likeurstokerij huisvestte, kwam doordat zich
in de tuin een wel bevond, een natuurlijke waterbron,
die zowel voor de brouwerij als de likeurstokerij
een belangrijke grondstof vormde.
Het bedrijf ging van start als een ‘Stookerij van
fijne Likeuren, Aromatiek Zwolsch Bitter, Ordinaire
Likeuren’ enz. De eerste jaren opereerde de
firma onder de naam H.A. van Deventer en Co. In
1826 werd Van Deventers neef Jan Jacob Doijer
(1801-1875, zoon van Thomas Doijer) mede-firmant;
vanaf dat moment was er ook officieel sprake
van de firma Doijer en Van Deventer.
In het pand aan de Diezerstraat waren aan de
straatkant de winkel en het kantoor gevestigd; aan
de tuinkant, bij de wel, lag de stokerij. De kelder
en zolder dienden voor opslag. De firma maakte
likeuren, bitters, jenever, limonadesiropen en na
enige tijd ook vruchtenwijnen. De opslag van met
name bessenwijn vereiste al spoedig extra pakhuis
en kelderruimte die her en der gehuurd werden.
Oude Vismarkt
Vanwege ruimtegebrek verhuisde het bedrijf in
1866 naar een pand op de Oude Vismarkt, hoek
Wolweverstraat. Dit pand zou goed honderd jaar
de hoofdvestiging van de firma blijven; de gevel
vermeldt nog altijd de naam Doijer en Van
Deventer, Likeurstokerij en de jaartallen 1814 en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
Intercommunaal
telefoonnummer
FoL
1866. De voorgevel lag weliswaar aan de Oude Vismarkt,
maar het officiële adres was Wolweverstraat.
In dit pand was daarvoor een jeneverstokerij
gevestigd, genaamd ‘De Eendracht’. Tegelijkertijd
werd ook de mouterij waar het graan voor de
jeneverstokerij te kiemen werd gelegd aangekocht,
Wolweverstraat 7. Vanwege die graanopslag huisden
hier veel ratten, maar volgens overlevering
werden die door de toenmalige firmant J.J. Doijer
effectief uitgeroeid. De nieuwe behuizing was weliswaar
ruimer, maar had het bezwaar dat men niet
meer kon beschikken over een eigen waterbron.
Zwolle beschikte pas in 1892 over een eigen waterleiding.
Voor de vervaardiging van de vele producten
was veel water nodig dat moest worden
aangedragen vanaf de stadspomp in de Sassenstraat,
hoek Koestraat.
Het ging het bedrijf voor de wind, in de jaren
tachtig werden nog meer panden in de Wolweverstraat
en aan het aangrenzende Gasthuisplein aangekocht
voor de opslag en productie. De dranken
werden onder de eigen naam in het hele land, weliswaar
in die tijd nog met de nadruk op het oosten
en noorden, verkocht. Er werd ook geëxporteerd
naar het buitenland.
Rond 1900 waren firmant de heren Jan Jacob
Doijer Jzn. (1859-1920, kleinzoon van de eerste Jan
Jacob) en Jan Salomon van Deventer (geb. 1858,
kleinzoon van Hendrik Arnoldus). Volgens een
beschrijving uit 1947 van ‘baas’ M. Hendriks,
meesterknecht van 1895 tot 1935, werkten er in die
tijd twee personen op het kantoor, was er een
parttime boekhouder en waren er twee reizigers.
In de fabriek werkten negen vaste krachten: een
meesterknecht, een machinist, een kuiper, twee
kruikenvullers, twee tappers, een knecht en een
jongmaatje voor boodschappen en dergelijke.
Afhankelijk van het seizoen maakte men veelvuldig
gebruik van tijdelijke krachten en werd er,
indien nodig, gewoon langer gewerkt (zie ook
Briefhoofd van de firma
Doijer en Van Deventer
uit 1918, met daarop
afgebeeld het hoofdpand
aan de Oude Vismarkt/
Wolweverstraat.
(Briefhoofdencollectie,
HCO)
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door Teun van der
Veen gemaakte schets
van het hoofdgebouw
van Doijer en Van
Deventer aan de Oude
Vismarkt en de door het
bedrijf gebruikte panden
aan de Wolweverstraatuit
1968, vlak
voor de verhuizing naar
de Marslanden. Op de
schets is de neonreclame
in de vorm van een
schenkende fles en een
glas zichtbaar die in die
tijd aan de gevel van het
hoofdgebouw bevestigd
was. (Particuliere collectie)
kader). Omstreeks 1875 werd ook de fabricage van
parfumerieën onder het merk Idoze, afgeleid van
J(an) Do(ijer) Z(woll)e, ter hand genomen. In
1903 werd het merk officieel ingeschreven. Oorspronkelijk
legde men zich hoofdzakelijk toe op
Eau de Cologne die in mandflessen en in fusten
aan de groothandel werd geleverd. Later specialiseerde
men zich ook op flaconverpakkingen en
werd de sortering belangrijk uitgebreid. Idoze
bleef in productie tot 1963, toen het merk werd
verkocht aan een collega in Zutphen.
Vooruitgang
Goed twintig jaar na de aanleg van de waterleiding
deed elektriciteit in Zwolle zijn intrede, in 1915.
Daarvoor werd de verlichting geregeld met gaslampen
en als het nodig was werd er bijgelicht met
kaarsen. In de donkere dagen voor de decemberfeestdagen,
wanneer er erg lange werkdagen werden
gemaakt (zie kader) was dit moeizaam werken.
Elektrische verlichting betekende daarom
een enorme vooruitgang. Van elektrische apparatuur
werd verder overigens nog nauwelijks
gebruikt gemaakt, dat begon pas na de Tweede
Wereldoorlog een grote vlucht te nemen. Omdat
gedistilleerd de hoofdmoot van de bedrijvigheid
uitmaakte, vormden de distilleerketels het belangrijkste
bezit van de firma. Tijdens de oorlog wist
men ze met moeite uit handen van de Duitsers te
houden, onder het mom dat ze gebruikt moesten
worden in de Zwolse gaarkeuken. Zover is het niet
gekomen. Er was een prachtige collectie, een grote
stoomketel voor de distilleerketels, suikersmelters,
een advocaatmachine en alles in rood koper
uitgevoerd. De productie kon in de oorlog maar
zeer beperkt doorgaan, vanwege de rantsoenering
van belangrijke grondstoffen als alcohol en suiker.
Ook na de oorlog duurde het geruime tijd voordat
deze artikelen weer normaal te verkrijgen waren.
Naoorlogse expansie
Na de oorlog veranderde de drankenmarkt snel.
De belangrijkste verandering betrof de massale
overstap op glas (in plaats van aardewerk). Doijer
en Van Deventer was een van de eerste distillateurs
die daarop over ging. Het bedrijf introduceerde
in die tijd ook ‘Red Berry’, een goede en
lekkere vruchtenwijn. Dit product sloeg aan, er
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
Uit vroeger tijden; een impressie van de dagelijkse
gang van zaken bij Doijer en Van Deventer
rond 1900.
‘Flesschen kregen we per wagon uit Duitschland en
we waren een heelen dag bezig met lossen en opbergen.
Hierbij hielpen de Wijndragers en de welbekende
Gait Mulder (toen nog een jong mensch van
± 18 jaar) met de verhuiswagen om flesschen te
brengen en lege manden terug te nemen.
Glas van kapotte flesschen ging in de glaskelder,
die meteen luik gesloten was en zich ook nog onder
de straat bevond. Ééns in ’t jaar moest die leeg. Het
gruisglas ging per schipper naar Loenen a/d Vecht,
vanwaar we ook nieuwe flesschen kregen. Kruiken
kwamen uit Duitschland (Girmscheidt). Stroop
(10 a 20 vaten), suiker (20 zakken a 100 kilo) en
citroenen (80 groote kisten) werden gebracht.
Brandewijn, jenever, cognac, rum, arac, spriritus
96% werden bezorgd door de Wijndragers.
Voor de spiritus waren twee reservoirs, één van
11.000 L inhoud, en één van 13.000 liter. Hieruit
ziet ge dat er veel werk gebeurde buiten het personeel
zelf en kunt ge begrijpen dat er zoo groote
kwantums dagelijks de fabriek konden verlaten.
Iedere dag was de groote wagen vol geladen met
manden, kisten en vaten voor het spoor.
Voorjaars en in ’t najaar ging de heer Van
Deventer de groote Twentsche reis maken. Hij was
daar drie weken voor noodig. Daarna ging de heer
Doijer op reis naar Amsterdam en verder geheel N.
Holland, tot Den Helder. Deze reizen gaven veel
commissies en was er volop werk.
De maanden Nov. en Dec. waren drukke
maanden, niet alleen met de verzending, maar dan
kwam er het citroenenpersen ook bij. Twee vrouwen
schilden per dag drie kisten citroenen en twee
mannen waren voor het uitpersen. Twee noodhulpen
vulden het personeel aan om zoo alles op tijd
voor elkaar te krijgen. De feestdagen als St. Nicolaas,
Kerstmis en Nieuwjaar gaven extra werk, en
dan ging het doorgaans tot negen uur ’s avonds
door. Tegen dien tijd werden een groot aantal kisten
met likeur in ’t voren klaar gemaakt, er stonden
dan welyo stuks om vlotte aflevering te bewerken.
Dan waren er ook vaak orders voor het buitenland.
De commiezen moesten de kisten verzegelen.
Om iets te noemen: 6 kisten met halve flesschen
“Zwolsch Bitter” [maag elixer] naar Egypte, kisten
met likeur naar Batavia, Buitenzorg, Semarang,
Soerabaja. Kisten met Elixer Longue Vita, ook voor
Indië. Kisten met likeur op kruikjes van ïdl. naar
Zweden. Verder ook nog verzending naar Amerika
(Argentinië). Ten tijde van de Transvaalsche Oorlog
naar de Delagoabaai, 48 kisten diverse wijnen, enz.
In het begin van het jaar ging alles gewoon van
7 tot 7. Overwerk werd betaald met 10 cent per uur.
In Juni begon het voorbereidende werk voor de bessencampagne.
Voor de kuiper was er dan veel werk.
De stukvaten AA, BB, enz, 26 in getal, moesten
klaar voor de bessenwijn plus nog een 30tal oxhoofden,
dan 12 stukvaten voor zwarte bessen en 2 voor
boschbessen en 15 halve booten voorframboozen.
Het persen van de roode bessen gebeurde in de
stokerij, maar daar was maar ruimte voor één pers,
waardoor slechts 4 vaten per dag gemaakt konden
worden, en ’s middags het werk doorging. De heer
Doijer bleef dan aan de fabriek. Van ’s morgens 6
uur tot ’s avonds 8 uur was men daarmee bezig.
Later ging dit werk naar de overkant [Wolweversstraat],
waar met 2 persen gewerkt kon worden en
dus per dag meer gemaakt. Daarna kwam de
motor om te draaien, zoodat het toen nog vlugger
ging.
Als de bessen genoeg getrokken waren, kwam
tegen de Zwolsche kermis de verzending. Wij werkten
dan van ’s morgens 6 tot ’s avonds 9 uur en
zagen anderen kermis vieren, ’s Middags in schofttijd
van 5 tot half 6 kwam een kermisman met zijn
orgel een poosje muziek maken. Hij kreeg wat centen
in zijn pet, een bittertje en zijn vrouw een glaasje
limonade. Ze gingen dan weer verder en we gingen
weer aan ’t werk met bessen afwegen en in de
vaten brengen voor den volgende dag’.
(Fragment uit een toespraak van de oud-meesterknecht
M. Hendriks – werkzaam bij de firma
van 1895 tot 1935 – ter gelegenheid van de opening
van een nieuwe fabrieksafdeling in juni 1947.
Archief Doijer en Van Deventer).
102 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
werden jaarlijks zo’n honderdduizend flessen van
verkocht. Een ander succesvol product was het
merk ‘1814’, onder welke naam binnenlands gedistilleerd
verkocht werd.
Er kwam ook steeds meer systematiek in de
manier van werken; voorheen verpakte men op
order maar geleidelijk ging men steeds meer vooruit
verpakken en op voorraad in het magazijn zetten.
Marslanden
Het bedrijf expandeerde, maar liep daarbij tegen
een oud probleem aan: ruimtegebrek. In de loop
der jaren had het bedrijf een complex panden aan
de Wolweverstraat en het Gasthuisplein aangekocht,
waar eindeloos in was verbouwd en verplaatst.
De verzameling oude panden vereiste echter
veel onderhoud, was bovendien structureel te
klein en totaal ongeschikt om efficiënt naar de
eisen des tijds te kunnen werken. Bovendien
beschikte men midden in de stad niet over een
open opslagterrein en werd de bereikbaarheid
door het toenemende verkeer ook steeds problematischer.
Er bestonden daarom al lang plannen
om de binnenstad te verlaten en tot algehele
nieuwbouw over te gaan. In 1966 kon eindelijk
met verwezenlijking daarvan begonnen worden,
als eerste fase werd toen een nieuwe vruchtenwijnfabriek
geopend op het nieuwe bedrijventerrein
van de Marslanden. Medio 1968 kon het hele
bedrijf daar een gloednieuwe behuizing betrekken
en werd de periode in de binnenstad afgesloten.
Omstreeks dezelfde tijd werden de Zwolse
drankengroothandel Koekkoek en de Delftse distilleerderij
Hellebrekers overgenomen.
Intercaves
In de jaren zeventig schakelde het bedrijf steeds
meer over op wijn. Begin jaren tachtig besloot
toenmalig directeur H.H. Doijer, geboren in 1926
en laatste telg uit de familie die bij het bedrijf
betrokken was, om samenwerking te zoeken met
een vooraanstaande branchegenoot. Er was geen
opvolging uit de familie en Doijer wilde op deze
manier de voortzetting van het bedrijf zo goed
mogelijk waarborgen. Zo kwam in 1982 de fusie
met distilleerderij M. Dirkzwager, onder meer
producent van Florijn, tot stand. De productie
van het gedistilleerd verhuisde naar Schiedam en
de wijnbelangen werden in Zwolle geconcentreerd.
Doijer en Van Deventer heette voortaan
Intercaves. De heer Doijer combineerde zijn
afscheid van het bedrijf met het 175-jarig bestaan
in 1989. De heer A.J. Brouwer, al mededirecteur
sinds 1968, zette de directie voort met de heer
R.J.A. Würzer.
De heer Brouwer was in 1989 al jaren bij het
bedrijf werkzaam en maakte de periode in de binnenstad
nog uitgebreid mee. Hij was tot 1999 bij
het bedrijf betrokken.
De periode aan de Marsweg behoort inmiddels
ook definitief tot het verleden; Intercaves verhuisde
in juli 2001 naar Nijkerk vanwege een in de
bedrijfsgeschiedenis van Doijer en Van Deventer
– Intercaves bekende reden: ruimtegebrek en
logistieke overwegingen. In tegenstelling tot het
voormalige hoofdpand aan de Oude Vismarkt,
dat er nog steeds staat, zijn de panden aan de
Marsweg gesloopt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
‘Richt u in naar uw zin’
de firma FJ. Schoemaker & Zn. (1843-1958)
De Zwolse firma F.J. Schoemaker & Zn.,
opgericht in 1843 en opgeheven in 1958,
dreef jarenlang handel onder het motto:
‘Richt u in naar uw zin’. De ‘Stoommeubelfabriek
& Behangerij F.J. Schoemaker en Zonen’ was
gedurende haar 115-jarig bestaan voor lange tijd
gevestigd aan de Oude Vismarkt 9.
Wat weten we van deze meubelfabrikant en
wat is er bewaard gebleven van de producten die
dit bedrijf leverde, dat ook hofleverancier was van
onze toenmalige koningin Wilhelmina, de koningin-
moeder Emma en de sultan van Koetei.
Economische situatie in Zwolle
Rond 1900 was Zwolle, naast hoofdstad van de
provincie en zetel van het gewestelijk bestuur, een
industriestad in ontwikkeling. Op het gebied van
handel, scheepvaart en het marktwezen beleefde
de stad in korte tijd een snelle groei door de sterk
verbeterde infrastructuur. Zwolle was door de
opening van de Willemsvaart toegankelijker
geworden voor de scheepvaart en de aanleg van
het spoorwegnet zorgde voor een snellere verbinding
over land. Voor de nijverheid van destijds,
die nauw verbonden was met handel, scheepvaart
en het marktwezen betekenden deze structurele
verbeteringen een stimulerende factor. Dit leidde
in 1902 tot de oprichting van ‘De Maatschappij
van Nijverheid te Zwolle’.1 Weliswaar bestond het
Departement Zwolle van Nijverheid al een tiental
jaren, terwijl de Maatschappij van Nijverheid,
voortgekomen uit de opheffing van de gilden, al in
1777 opgericht was. Door behartiging van belangen
fuseerden de twee landelijke verenigingen, de
‘Groote’ en de ‘Kleine’ Nijverheid tot de Maatschappij
van Nijverheid. Aanleiding tot deelname
van Zwolle aan de nieuwe vereniging was een door
Kampen georganiseerde wedstrijd voor werklieden
met een daaraan verbonden vaktentoonstelling.
Eén van de Zwolse industriëlen die deel uitmaakten
van de jury was Lodevicus M.H. Schoemaker,
zoon van de oprichter van de firma Frederikus
Johannes Schoemaker.2
Meubelindustrie
In de loop van de negentiende eeuw ontstonden in
Nederland twee soorten meubelindustrie: de luxemeubel-
en de massa-meubelindustrie. De eerste
groep was het oudst en nog rechtstreeks voortgekomen
uit de gilden. Het ging daarbij meestal om
kleine werkplaatsen. Meubelen of complete
inrichtingen die aan de hand van voorbeelden in
modelkamers of -boeken werden besteld, werden
vervaardigd door vakkundige en gespecialiseerde
meubelmakers. Goede kwaliteit kon worden gegarandeerd
door de zorgvuldige afwerking en het
gebruik van dure houtsoorten. De prijs van de
producten lag hoog, wat echter voor de opdrachtgever
geen bezwaar was, omdat hij voor zichzelf
iets exclusiefs wilde.3
Miriam Schneiders
Het vignet met het motto
‘Richt u in naar uw
zin’. (Uit: ‘Zwolle als
industriestad’, 1914,
HCO)
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het pand van Schoemaker
op de Oude Vismarkt
omstreeks 1900,
voor de verbouwingen
van 1901 en 1907 (collectie
HCO).
De firma Schoemaker
De meubelfabriek Schoemaker werd in januari
1843 op zeer bescheiden schaal opgericht. Frederikus
Johannes Schoemaker (1821-1880), afkomstig
uit Twello en gehuwd met de Zwolse Catharina
Hermanna van der Kolk (1818-1902), vestigde zich
in Zwolle als timmerman. Uit dit huwelijk werden
vijf kinderen geboren, onder wie twee zonen die
hun vader later in het bedrijf zouden opvolgen. Al
spoedig gingen de zaken zo goed dat men op zoek
moest naar een grotere ruimte. In 1851 werd in de
Diezerstraat een pand gekocht, dat zowel aan de
zijde van de Diezerstraat als aan de zijde van de
Oude Vismarkt voor meubelinrichting en fabricage
werd ingericht. Stelselmatig vond uitbreiding
plaats, zodat in 1872 nog een tweede magazijn in
de Diezerstraat aangekocht werd, waar de meer
courante meubelen verkocht zouden worden.
De firma Schoemaker nam geregeld deel aan
vaktentoonstellingen en zelfs wereldtentoonstellingen.
Zo behaalde de firma Schoemaker op de
tentoonstelling te Zwolle in 1862 voor zijn inzending
een bronzen medaille. En over de tentoonstelling
van 1879 wordt geschreven dat er een toenemende
aandacht is besteed aan een correcte
navolging van stijlen zoals het genre renaissance,
Louis XIV en Louis XVI. Verschillende malen
wordt in de Officieele Gids vermeld dat meubels
‘streng’ of ‘keurig in stijl’ waren uitgevoerd. De
firma F.J. Schoemaker en Zonen uit Zwolle wordt
speciaal genoemd omdat zij exposeerde met
‘… meubelen, die ieder afzonderlijk beschouwd,
streng het karakter toonen van het tijdvak, waarnaar
ze zijn vervaardigd. Het schijnt dat genoemde
firma hier een proef wil leveren, een ieder naar
zijn keuze, hetzij uit het tijdvak van Henri II, Louis
XIV, XV, XVI of uit den Griekschen stijl een greep
te doen, waarnaar gemakkelijk een geheele salon,
boudoir of eetzaal is in te richten.’4 Met deze
beschrijving krijgen we een aardige indruk van
wat de meubelfabrikant leverde. Deze firma
behoorde inderdaad tot de ‘luxe’-meubelindustrie
van die tijd.
In 1876, toen de firma F.J. Schoemaker het
grootste meubelbedrijf in Zwolle was, werkten er
zestien volwassen knechts en vier jongens. Schoemaker
had in dat jaar een inkomen tussen ƒ 2.400
en ƒ 3.000. Nadat de beide zonen Lodevikus Maria
Hermanus (1848-1917) en Hermanus Johannes
(1852-1913) in de zaak waren gekomen, werd de
naam van het bedrijf veranderd in: F.J. Schoemaker
en Zonen, Stoommeubelfabriek, Behangerij,
Zwolle. (Onder deze naam werd overigens in 1880
een tweede werkplaats opgericht voor de productie
van biljarttafels, die echter na 1901 door uittreding
van een der firmanten niet meer onder deze
naam werd gevoerd). Ook de zoon van Lodevikus,
Frederikus J.G.M. Schoemaker (geb. 1876), werd
lid van de firma.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
Landelijke afzet
De verkochte goederen werden geproduceerd in
de eigen werkplaats. Een advertentie van 1878 vermeldt
dat men meubelen, stoelen, spiegels, lijsten
en complete ameublementen maakte in alle stijlen.
Landelijk stond het bedrijf goed bekend. Van
de productie werd bijna alles landelijk afgezet,
slechts ‘/8 deel vond in Zwolle aftrek. Onder de
clientèle in Zwolle bevond zich in ieder geval de
gemeente. Op een betalingsbewijs van 24 december
1904 staat een bedrag van ƒ 28,78 voor de levering
van meubelen voor het bureau van de afdeling
Gemeentewerken, getekend door de gemeentearchitect
Lourens Krook. De meubelen werden
hoofdzakelijk met handmatig vervaardigd, maar
de firma liet het grovere werk machinaal verrichten.
Iets waar men trots op was, aangezien de
arbeidsomstandigheden ook in de luxe-meubelfabriekën
over het algemeen slecht waren. Toch
bleef het werk in de ambachtelijke werkplaatsen
zwaar en ook in de gemechaniseerde bedrijven
zorgden stof, lawaai en lijmdampen voor problemen.
Bovendien waren de machines niet altijd
even veilig. De waarborg voor een uitstekende
kwaliteit van de meubelen lag volgens de firma
Schoemaker aan het gebruik van prima grondstoffen
en de grote voorraden droog hout, opgestapeld
in houtstekken aan de Wolweverstraat en het
Eiland.
Vaktentoonstellingen
Op de vele vaktentoonstellingen mocht de firma
zich intussen blijven verheugen in de hoogste
onderscheidingen. Op de tentoonstelling te
Amsterdam in 1877 kreeg Schoemaker een eervolle
vermelding omdat hij ijverig scheen te zoeken ‘om
op den goeden weg te geraken: de uitvoering der
ornamentatie is niet slecht, doch alle samenhang
ontbreekt.’5 Het neigt haast naar een vernietigende
kritiek, omdat het er op lijkt dat Schoemaker de
neostijlen met elkaar vermengde, maar het bleek
toch voldoende te zijn voor een eervolle vermelding.
Twee jaar later in 1879 exposeerde de firma
in Arnhem met een ‘cabinet style Henri II, ƒ 650,-,
een ingelegde salonkast, fantasie, ƒ 340,-, een
damessecretaire genre neogrec, ƒ 225,- en ander
meubilair’. Maar dan wordt al weer geschreven
• * J
K « -X- Z W O L L E * -X- «
STOQM-MEUBEIFABRIEK
GORDIJNEN ï: TAPIJTEN, enz.
_ , , , , Nu. 2H Kunloor -:- -:- -:-
T…IOO» l « — » l . N)|_ 2„ Hu|s … … … …
HOFuratncieis
. . . VAK – – –
B. M. dl Koilnjln. – – –
‘f –
Z. H. ds Sollin 1. Kotld.
Jj
OIEZERSTRAAT l(i (Hooldraüuiln)
OUUE VISCIIMARKT 69 -:- -:-
Fabriek -:- -:- -:- -:-
OUDE VISCIIMARKT.
Briefhoofd van de firma F.J. Schoemaker uit 1908 met links een afbeelding van
het pand aan de Diezerstraat en rechts het hofleverancierwapen (collectie briefhoofden,
HCO).
dat er een toenemende aandacht is besteed aan
een correcte navolging van stijlen. Blijkbaar heeft
Schoemaker de eerdere kritiek positief opgevat.
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het ‘hoofdmagazijn’ van Schoemaker aan de Diezerstraat 16. (Uit: ‘Zwolle als
industriestad’, 1914, HCO).
De meubelmakerij, afdeling handwerk, van Schoemaker aan de Oude Vismarkt
9. (Uit: ‘Zwolle als industriestad’, 1914, HCO).
Predikaat
Volgens een verschenen uitgave van vóór 1914
over de Nederlandse meubelindustrie behoorde
de firma Schoemaker & Zonen tot de zeer weinige
meubelfabrikanten die aan haar producten de
‘hoogsten eischen’ stelden, iets wat slechts bij 15 %
van de fabrikanten het geval scheen te zijn. In 1905
mocht Schoemaker leveren aan het hof, zodat het
nu gerechtigd was tot het voeren van het koninklijke
wapen van koningin-moeder Emma. In 1906
viel hem nog eens deze eer ten deel voor koningin
Wilhelmina. In datzelfde jaar was de firma Schoemaker
ook nog eens gerechtigd het wapen te voeren
van de Sultan van Koetei. Maar waar ligt Koetei?
Op Borneo? En wat deed de sultan van Koetei
in 1906 met een biljartzaal van Schoemaker als
blijkt dat er na 1901 geen biljarttafels meer geleverd
werden onder naam van Schoemaker?
Oude Vismarkt 9
Ter ere van het 50-jarig bestaan in 1893 werd het
pand Diezerstraat nr. 16 voorzien van een nieuwe
gevel. In 1901 liet men ook de gevel aan de Oude
Vismarkt ‘moderniseren’, maar deze brandde in
1907 af. De Zwolse architect M. Meijerink kreeg de
opdracht een nieuw pand te ontwerpen. Het
resultaat is het nu nog steeds bestaande gebouw.
Het pand is in Jugendstilarchitectuur opgetrokken
en staat tegenwoordig geregistreerd als
gemeentelijk monument. Volgens de mode van
die tijd is gebruik gemaakt van geglazuurde witte
verblendsteen, afgewisseld met een blauwe steen
in de horizontale gevelbanden. Het gebruik van
gekleurde materialen was kenmerkend voor de
Jugendstil. Opvallende elementen zijn de halfronde
bovenetalages en de gepleisterde nissenreeksen.
De meubelmakerij had oorspronkelijk een winkelruimte
op de begane grond, het magazijn en de
werkplaats bevonden zich op de twee bovenverdiepingen.
De dubbele pakhuisdeur met hijsbalk
in de kap herinnert nog aan deze functie. De ruime
vensters zorgden voor een goede verlichting
van de werkplaatsen.
Overname en opheffing
In het Handelsregister van de Kamer van Koophandel
en Fabrieken wordt de firma voor het eerst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
genoemd in 1918 als het zich als Stoommeubelfabriek
& Behangerij laat inschrijven als vennootschap
onder de naam van de toenmalige eigenaar
Frederikus J.G.M. Schoemaker (kleinzoon van de
oprichter) wonende Emmawijk 19. De zaak werd
gedreven met hulp van geleende gelden, schuldbrieven,
één van ƒ 15.000 zonder onderpand tegen
5 %. De aangever was enig firmant .6
In 1949 verkocht F.J.G.M. Schoemaker de firma
en verhuisde naar Den Haag.7 De ooit zo
beroemde firma werd overgenomen door
G.J.Th.J. Leering, afkomstig uit Enschede. Leering
handhaafde de bedrijfsnaam F.J. Schoemaker, nu
met de omschrijving ‘Kleinhandel in meubelen en
woningtextielgoederen’. De productie van de
exclusieve meubelen waar Schoemaker nationaal
zoveel furore mee maakte bleek niet langer haalbaar.
De heer Leering stuurde op 30 december
1957 zijn clientèle een brief, waarin hij aankondigde
zijn zaak per 1 januari 1958 verkocht te hebben
aan de NV Batjes, Interieurinrichtingsbedrijven.
Leering vertrok naar Den Haag om firmant te
worden van een Perzische tapijtenhandel.8 Dit
betekende het definitieve einde van de firma F.J.
Schoemaker & Zonen, 1843-1958.
Het Stedelijk Museum Zwolle heeft enkele meubelen
van de firma Schoemaker in de collectie.
Wellicht heeft uzelf nog een origineel exemplaar
van Schoemaker in uw bezit. Schoemaker signeerde
haar meubelen (voor het eerst in 1929?) met het
brandmerk: F.J. Schoemaker
Hofleveranciers
Zwolle
De gunst dit predikaat te mogen gebruiken is
zeker benut.
Noten
1 Zwolle als industriestad in 1914, Uitgegeven ter gelegenheid
van de Algemeene Vergadering van de
Maatschappij van Nijverheid te Zwolle, op 25,26 en
27 juni 1914, p.III-IV.
2 Idem, p.V.
3 E. Bergvelt et all, Industrie & Vormgeving in Nederland
1850-1950, Amsterdam 1985,
4 J.M.W. van Voorst tot Voorst, Tussen Biedermeier
en Berlage. Meubel en Interieur in Nederland 1835-
1895, Amsterdam 1992, p226 en 234.
Idem, p.283.
HCO Zwolle, Handelsregister van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken te Zwolle, Jaarletter A,
no.6, dossiernr. 6.
Idem, Jaarletter AL, no.2226, dossiernr. 6.
HCO Zwolle, Briefhoofdencollectie.
Het in 1907 voor de firma Schoemaker gebouwde Jugendstilpand Vismarkt 9. De
foto dateert uit 1972, het pand was toen nog in gebruik door Batjes. (collectie
HCO) •••^^^^^«B
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tingieterij Kamphof (1864-1938)
Annèt Bootsma –
van Hulten Van 1864 tot 1938 was in Zwolle de tingieterij
Kamphof gevestigd. Het grootste deel van
deze periode, van 1875 tot 1938, was dit
bedrijfin het geboortehuis van Potgieter, Luttekestraat
14, gehuisvest. In het algemeen was de twee-
De tinnegieterij Kamphofaan de Luttekestraat 14 omstreeks 1895. Voor de
ramen staan de tinnen voorwerpen geëtaleerd. (Foto Deutmann, collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
de helft van de negentiende eeuw een slechte tijd
voor de tinnegieterij; het ambacht bevond zich in
een crisis waar slechts weinig gieterijen aan wisten
te ontkomen. Kamphof was zo’n gieterij. Het was
een gerenommeerd en landelijk bekend bedrijf.
Afnemende vraag
Eeuwenlang hadden tinnen voorwerpen een substantieel
deel uitgemaakt van het huisraad maar in
de loop van de negentiende eeuw nam de vraag
naar tinnen gebruiksvoorwerpen sterk af. De productie
beperkte zich toen voornamelijk tot het
gieten van lepels, bordjes, bedkruiken, thee- en
koffiepotten en vloeistofmaten. Er bestond nog
wel wat behoefte aan siertin, in het laatste kwart
van de eeuw beleefde de vraag daarnaar zelfs weer
een lichte opleving, maar daaraan kon echter
gemakkelijk door een klein aantal gieters voldaan
worden. Deze ontwikkelingen werden in 1953 zeer
beeldend door J.A. Kamphof zelf beschreven:
‘Men wilde geen tin meer. Steeds meer ging men
over tot het gebruik van aardewerk en porcelein,
dat wel brak maar geen onderhoud vroeg. De
geheele inventaris van de eens zoo schitterende
“tinkast” werd soms ineens opgeruimd. Prachtige
verzamelingen met gegraveerde familie-wapens,
collecties die nu in ieder museum een eereplaats
zouden vinden, werden bij zakken vol verkocht en
gesmolten voor het maken van soldeer en door de
enkele gieters vergoten tot boerenlepels, ruwe
theepotten, bedkruiken etc. Maakten de gieters
voorheen kandelaars, tafelcomforen, sauskommen,
schalen, kannen en borden, thans maakten
deze in overeenstemming met de smadelijke
ondergang van het vak meest nog een onmisbaar
gebruiksartikel dat men, als niet brekend, toch
nog van tin prefereerde.’
Vele nog bestaande bedrijven werden in die
jaren dan ook opgeheven. Hun voornaamste
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
Dit tinnen inktstel werd
omstreeks 1925 door de
firma Kamphof vervaardigd.
Het bevindt
zich tegenwoordig in de
collectie van het Stedelijk
Museum Zwolle.
(Collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
gereedschap, de bronzen gietvormen die de kern
van het bedrijf uitmaakten, verdwenen of in de
smeltkroes of werden door de overblijvende
bedrijven opgekocht. In Zwolle nam zo tingieter
Arend ten Klooster (geb. 1783) de gietvorm collecties
van twee Zwolse gieters en één Kampenaar
over. Ten Klooster overleed in 1860. Zijn weduwe
verkocht de gieterij per 1 januari 1864 aan de toen
31-jarige tingieter en geboren Zwollenaar Hendrik
Kamphof.
Hendrik Kamphof
Ten Klooster had zijn bedrijf uitgeoefend aan de
Melkmarkt. Van Kamphof is bekend dat hij aan de
Nieuwstraat woonde, het valt aan te nemen dat hij
daar ook zijn werkplaats had. Hij zette de gieterij
in ieder geval onder zijn eigen naam voort. In 1875
kocht hij Luttekestraat 14. Hierin werd aan de
voorkant een winkel gevestigd, aan de achterkant
aan de Ossenmarkt was de werkplaats en boven
woonde de tingieter met zijn gezin.
Aanvankelijk vervaardigde Kamphof de boven
beschreven gewone gebruiksvoorwerpen, zoals
lepels en vloeistofmaten, voor de stad en naaste
omgeving. De eerste grote uitbreiding van de zaak
vond plaats met de overname van een gieterij uit
Deventer met een collectie van onder meer originele
zeventiende-eeuwse gietvormen. Daarna
begon Kamphof meer gieterijen over te nemen:
een bedrijfin Leeuwarden, in Alkmaar, Hoorn en
drie in Amsterdam. Sommige van deze gieters verkochten
hun bedrijf onder voorwaarde dat in hun
oorspronkelijke vormen gegoten artikelen nog
voorzien moesten worden van hun eigen meestermerk.
Zo verscheen hier en daar ‘oud tin’ met de
merken van vroegere gieters maar uit Kamphof s
bedrijf afkomstig.
In 1902 wist Kamphof bij een publieke veiling het
belendende perceel, Luttekestraat 16 – een pas
gebouwd fraai Jugendstil-neorenaissance pand –
te verwerven voor f 9.650. Vanaf dat moment
werd in de beide panden een winkel gevestigd niet
alleen voor tin, maar ook voor galanterieën,
goud-, zilver-, nikkelwerken, etc. Toen Kamphof
overging tot deze uitbreiding van de winkel was
hij al 69 jaar. Waarschijnlijk deed hij dit ten
behoeve van drie ongetrouwde dochters, die met
z’n drieën de winkel runden en vanaf 1913 ook officieel
firmant werden in hun eigen firma H. Kamphof,
handel in huishoudelijke en luxe artikelen,
galanterieën etc. Hendrik Kamphof had in totaal
zes kinderen, vier dochters en twee zonen. Zijn
oudste zoon, Jacobus Arnoldus (geb. 1871), trad in
de voetsporen van zijn vader en werd ook tinnegieter.
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Door de firma Kamphof
in de loop der jaren
gebruikte merken. (Uit:
Dubbe, ‘Tin en tinnegieters
in Nederland’).
Jacobus Arnoldus Kamphof
Toen J.A. Kamphof het bedrijf van zijn vader
overnam, gaf hij al vrij spoedig de productie van
gewone artikelen op. Hij nam nog enkele gieterijen
over, uit Delft en Breda, en diepte toen uit de
inmiddels aanwezige kapitale collectie alles op wat
uit een historisch of artistiek oogpunt waardering
verdiende. Hij voerde ook veel nieuwe ontwerpen
uit en speelde daarmee in op de aan het eind van
de negentiende eeuw ontstane opleving in de
belangstelling voor siertin. Men begon, zoals
Kamphof in het boven al eerder geciteerde artikel
beschrijft, die oude schotels en kannen ‘toch wel
aardig’ te vinden. Vooral in een oud interieur, op
een oude kast ‘deed’ tin het. J.A. Kamphof: ‘Zooals
reeds is gezegd is het reveil van het oude vak voor
de nog bestaande gieters een aangename tijd
geweest: te beleven, dat na zooveel onrecht en
minachting het tin weer recht gedaan en in eere
hersteld werd; te zien dat voor een goed stuk weer
een goede plaats was; te weten dat het vak weer een
naam had onder de kunstambachten. Die eeuwige
boerenlepels in een hoek te kunnen gooien en in
die oude vormen te gaan zoeken naar mooie dingen;
die weer te kunnen maken en daarvoor koopers
en waardeering te vinden; zelfs voortwerkende
in de oude stijl; met nieuwe stukken de oude collecties
te kunnen uitbreiden, dat alles was als de
herstelling na een zware ziekte: een tijd om nooit
te vergeten.’
Direct achter het pand aan de Luttekestraat,
aan de Ossenmarkt, werd een nieuwe ruime gieterij
ingericht. Men had een uitgebreide clientèle
onder de detailhandel en er werd geëxporteerd
naar Engeland, Amerika en Nederlands-Indië.
Dit alles duurde tot 1937. J.A was inmiddels
66 jaar. Zijn huwelijk met Gesiena W. de Vries
(geb. 1882) was kinderloos gebleven. Bij gebrek
aan een opvolger, uit de familie of daarbuiten,
werd het bedrijf per 1 januari 1938 opgeheven.
Hendrik Kamphof was in 1923 op negentigjarige
leeftijd overleden; net als zijn vader bereikte ook
Jacobus Arnoldus een achtenswaardige leeftijd, hij
overleed i

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2001, Aflevering 3

Door | 2001, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
Een sportmail
^•met karakter*
1 8 E JA P R I J S. F 12 , 5 O
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
H uiten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
GEMEENTE
ZWOLLH
ARCHIEF 1%5 . JOlï
eoiosi
(Collectie HCO).
Ansichtkaart Diezerstraat
Poststempel 1956
In de jaren vijftig vormde de Diezerstraat niet
alleen het winkelhart van Zwolle, maar was het
ook nog een drukke verkeersroute. Hoewel de rustieke
aanblik van wat fietsen, een bakfiets en een
enkele auto dat niet doet vermoeden, passeerden
er dagelijks heel wat auto’s. Om de straat te ontlasten
was het al in 1925 eenrichtingsverkeer geworden.
In die tijd was de Diezerstraat al dè winkelstraat
van Zwolle. Tot ver in de negentiende eeuw
was het voornamelijk een woonstraat geweest. De
meeste huizen hadden toen fraaie eigen stoepen,
afgezet met paaltjes of hekwerkjes; deze moesten
in 1907 het veld ruimen voor een algemeen trottoir.
Zestig jaar later, in 1970, werd de hele Diezerstraat
het exclusieve domein van de winkelende
voetganger; de straat werd toen omgevormd tot
winkelpromenade.
Op de ansicht vallen de nodige bekende winkels
te ontwaren. Links, op Diezerstraat 47, heeft
tot 1992 de banketbakkerij van Chris Lindeboom
gezeten. Twee huizen verder, op nr. 51, zat ’t Hoedenhuis
J.M. Haasdijk, v/h B. Dechesne. Daarnaast
was de kruidenierszaak van De Gruyter. In
de verte, op de nrs. 73-77, valt C & A nog te herkennen.
Aan de rechterkant, Diezerstraat 50-52, zat de
firma Oldenhof, met een divers assortiment:
‘haarden en kachels voor kolen, gas en olie; butagas
depot, kinderwagens, complete keukenuitrustingen,
glas en porselein en luxe -en huishoudelijke
artikelen’. Daarnaast, op nr. 54, was Palthe’s
‘Textielveredelingsbedrijf gevestigd. Op nr. 58, in
het pand De Witte Leeuw, zat de deftige Hoedenen
Pelterijenhandel van Hendriksen. Op de naastgelegen
zijgevel is duidelijk de naam Covers te
zien, een manufacturenzaak. En tenslotte bioscoop
De Kroon op Diezerstraat 64-66.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Redactioneel Inhoud
De meest recente honderdvijftig jaar Zwolse
geschiedenis komt in deze aflevering van het
Zwols Historisch Tijdschrift aan bod. Sport, mesthopen,
veilingen, industrie en cultuur.
Ank Meliesie – Appelhof schreef een korte
biografie over de Zwolse atleet Wim Peters, die op
hoge leeftijd het Zwolse establishment in beroering
bracht door de hem aangeboden koninklijke
onderscheiding te weigeren.
Jan van de Wetering beschrijft een kwalijk riekende
kwestie: de vuile sloten en de vele mesthopen
in Dieze in het midden van de negentiende
eeuw. Kan dat wel gezond zijn, zo vroeg men zich
af.
Voor het Zwols Historisch Tijdschrift klom
mevrouw M.H. Richter – de Groot in haar balpuntpen
om herinneringen aan haar man en zijn
Zwolse Venduhuis vast te leggen.
Maarten de Graad heeft in de Tuinstraat een
industrieel-archeologisch monument ontdekt en
de geschiedenis daarvan gereconstrueerd.
De cultuur komt in twee stukjes aan bod.
H.J.C. Wullink beschrijft het leven van de te Zwolle
geboren violist en vioolpedagoog Felice Togni,
en tenslotte noteerde Jeanine Otten enkele
opmerkingen naar aanleiding van een tekening
van Adriaan Eversen uit ongeveer 1850. Op de
tekening staat het oude Zwolse Binnengasthuis
afgebeeld.
Al deze artikelen worden omlijst door de
bekende vaste rubrieken. Veel plezier.
Groeten uit Zwolle AnnètBootsma-vanHultenenWimHuijsmans 94
Wim Peters; een sportman met karakter Ank Meliesie – Appelhof 96
Gezond weer op in Dieze Jan van de Wetering 102
Eenmaal, andermaal, niemand meer? Verkocht!
M.H. Richter – de Groot 106
Een woonhuis met een industriële geschiedenis: Tuinstraat 10 -12
Maarten de Graad 111
Felice Togni (1871-1929), portret van een vioolpedagoog
H.C.J. Wullink 112
Het oude Binnengasthuis aan de Oude Vismarkt
door Adriaan Eversen Jeanine Otten 118
Boekbesprekingen 122
Mededelingen 125
Auteurs 126
Omslag: Wim Peters in aktie tijdens de Olympische Spelen te Amsterdam in
1928. (Collectie Jan Peters).
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wim Peters; een sportman met karakter
Ank Meliesie –
Appelhof Een profeet wordt in eigen land niet geëerd.
Dit geldt zeker voor de Zwolse atleet Wim
Peters. Deze moest wachten tot zijn negentigste
verjaardag voordat hem een koninklijke
onderscheiding werd aangeboden. Peters was specialist
op de hink-stap-sprong, hij heeft dit onderdeel
van de atletiek in ons land bekendgemaakt.
Tussen 1924 en 1942 was hij zestien keer Nederlands
kampioen hierin. Zesmaal won hij de open
Engelse kampioenschappen. Zijn record van 15.48
meter uit 1927 hield in Europa twintig jaar lang
stand en sneuvelde in Nederland zelfs pas na 36
jaar. In 1934 werd hij in Turijn Europees kampioen.
Wim Peters nam driemaal deel aan de
Olympische Spelen: in Parijs in 1924, Amsterdam
in 1928 en Los Angeles in 1932.
Peters werkte 48 jaar bij de gemeente. Bij zijn
pensionering had hij de rang van referendaris bij
de afdeling belastingen. Deze man die zoveel heeft
betekend voor de atletiek, wilde men in 1993
onderscheiden met de eremedaille in goud verbonden
aan de Orde van Oranje-Nassau. Hij weigerde!
Een echte Zwolse jongen
Hoewel Willem Peters in Meppel werd geboren,
op 5 juli 1903, heeft hij vrijwel zijn gehele leven in
Zwolle gewoond. Zijn vader was vele jaren hofmeester
op de nachtboot die van Zwolle naar
Kampen en vandaar over de Zuiderzee naar
Amsterdam voer. Wims moeder hielp mee in de
kombuis, waar zij maaltijden voor de passagiers
bereidde. De boot vertrok ’s avonds om negen uur
vanaf de Thorbeckegracht. Op zaterdag en zondag
lag de boot aan de wal, in Zwolle of aan de De
Ruijterkade in Amsterdam. Als de boot aan de
Thorbeckegracht lag, woonde het gezin aan
boord. De kleine Wim beleefde dan veel plezier
aan het kijken naar de schepen die voorbij voeren.
Omdat hun ouders op de boot moesten zijn, werden
Wim en zijn broertjes en zusjes voor een deel
opgevoed door tantes en hulpen in de huishouding.
In zijn kinderjaren woonde hij onder meer
in de Vechtstraat, de Westerveldstraat en in Palvu
op de Eekwal, het verenigingsgebouw van de
Zwolse SDAP, waar zijn vader na diens periode als
hofmeester enige tijd de scepter zwaaide. De prettigste
herinneringen bewaarde Wim aan de tijd
dat hij in Assendorp woonde, in de Groenestraat.
Wim was het derde kind in het gezin, maar omdat
hij astma had en daarom vaak in bed moest blijven,
was hij het ‘verwende jochie’ zoals hij in zijn
(ongepubliceerde) memoires schreef.
Wim Peters kwam als zeventienjarige jongen
in dienst bij de gemeente als ‘schrijver eerste klas’.
In 1931 trouwde hij met Gé (Geesje) van der Vegt
(geb.1906). Met haar deelde hij meer dan 62 jaar
lief en leed. Wim en Gé kregen drie kinderen, twee
dochters en een zoon.
Sportman in hart en nieren
Als jonge jongen was Wim al gek op sport. Hij was
graag in beweging en speelde veel buiten met zijn
vriendjes. Zoals veel jongens wilde hij graag voetballen.
Omdat hij hard kon lopen speelde hij als
rechtsbuiten. Dat hij bij de atletiek terechtkwam
was min of meer toeval. De Noord Centrale Voetbalbond,
een onderdeel van de KNVB, organiseerde
elk jaar atletiekwedstrijden. De twintigjarige
Peters deed op 29 juli 1923 mee aan deze wedstrijden
die werden gehouden op ’t Bleekien bij theetuin
Thijssen. Op het programma stond voor de
eerste keer het nummer hink-stap-sprong. Wim
wilde dat wel eens proberen, al had hij er nog
nooit van gehoord. Ongetraind sprong hij meteen
een Nederlands record! Dat was het begin van zijn
glorieuze atletiekcarrière. Vanwege die prestatie
mocht hij deelnemen aan de landelijke selectieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
wedstrijden voor de Olympische Spelen van 1924
in Parijs. Bijna moest hij daarbij verstek laten
gaan, want tijdens atletiekwedstrijden in Hattem
liep hij bij de 100 meter een peesblessure aan de
lies op. Gelukkig kon hij na drie weken rust weer
met trainen beginnen. Bij de selectiewedstrijden
sprong hij bij de hink-stap-sprong rond de veertien
meter en met dit resultaat kon hij worden
opgenomen in de olympische ploeg. Een reis naar
Parijs was in 1924 een bijzondere gebeurtenis voor
een 21-jarige jongeman uit Zwolle. De gemeenteraad
besloot hem als gemeenteambtenaar voor
deze gelegenheid dan ook extra verlof te geven,
want lange vakanties waren er in die tijd nog niet
bij. In Parijs werd de Zwollenaar achtste met een
sprong van 13.90 meter. De winnaar sprong iets
verder dan 14 meter.
Wim Peters blonk ook in andere atletiekonderdelen
uit. De 100 meter liep hij in 10.8 seconden,
bij het verspringen haalde hij 7.33 meter en bij
het hoogspringen 1.81 meter. Maar de hink-stapsprong
was zijn sterkste onderdeel. Hij sprong
soms zo ver, dat sommige springbakken te kort
voor hem waren. Daardoor raakte hij wel eens
geblesseerd, omdat hij niet in het zand maar op
het harde gras terecht kwam.
Deze getalenteerde atleet kende ook de nodige
tegenslagen. Tijdens de Olympische Spelen van
1928 in Amsterdam was hij de grote favoriet. Bij de
eerste ronde maakte hij de verste sprong van alle
deelnemers. Maar deze sprong werd door een
Engels jurylid afgekeurd omdat hij bij de afzet de
balk zou hebben overschreden. Dit was onterecht,
volgens hemzelf en ooggetuigen. Door dit voorval
raakte Peters helemaal uit zijn concentratie. Toen
hij opnieuw moest springen verlegde hij zijn aanloop
met het gevolg dat hij niet meer goed uitkwam.
Peters werd zevende. De beste zes gingen
naar de finale. Het goud ging zo aan zijn neus
voorbij.
In het olympische jaar 1932 was de 29-jarige
Zwollenaar op z’n top. Maar bij de selectiewedstrijden
raakte hij geblesseerd. Eigenlijk nog niet
voldoende hersteld had hij bij de Spelen in Los
Angeles ook weer pech. Zijn sprong van ruim
15.40 meter werd afgekeurd omdat hij door de
springbak terugliep! D.oor zijn blessure had hij
niet genoeg kracht om deze prestatie nog eens te
evenaren. De winnaar behaalde uiteindelijk het
olympisch goud met een sprong van 15.20 m en
Peters werd vijfde. Aan deze Spelen hield hij wel
goede Amerikaanse vrienden over. Als voorbereiding
op al deze (internationale) wedstrijden trainde
Peters twee keer per week bij de Vrolijkheid,
ging hij op eigen initiatief nog wel eens wat touwtjespringen
en zwom hij, als het zo uitkwam, de
‘A.A.A. Championships,
at Stamfordbridge
London, Last
day. Hop, Step &
Jump’, 1927. Winnaar
Wim Peters vestigde
hier zijn roemruchte
record van 15.48 meter
dat jaren zou stand
houden. (Collectie Jan
Peters).
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wim Peters in aktie tijdens
de Olympische
Spelen te Amsterdam in
1928. (Collectie Jan
Peters).
dag voor de wedstrijd een stuk. Naar wedstrijden
in de buurt van Zwolle ging de atletiekploeg van
PEC gewoon op de fiets. Van haltertraining en
dergelijke had men in die tijd nog niet gehoord.
Karakter
Het bleef voor Wim Peters bij drie Olympische
Spelen. In 1936 weigerde hij deel te nemen aan de
Spelen in Berlijn. Hij bevroedde dat deze Spelen
één grote propaganda van nazi-Duitsland zouden
worden en als socialist in hart en nieren moest hij
niets van Hitler en zijn trawanten hebben. Het was
een besluit dat van veel karakter getuigde. Wim
was in 1934 in Turijn Europees kampioen geworden
met een sprong van 14.59 meter. De Europese
titel was toen na de olympische het hoogst bereikbare
voor een Nederlandse atleet, want wereldkampioenschappen
atletiek werden toen nog niet
gehouden. De Europese titelstrijd vond maar eens
in de vier jaar plaats. Peters mocht zijn titel echter
niet verdedigen bij de Europese kampioenschappen
in Parijs in 1938, want de KNAU, waar NSBers
in de top zaten, ‘strafte’ hem voor zijn weigering
naar Berlijn te gaan met uitsluiting.
Tijdens de bezetting stak Peters zijn afkeer van het
nazidom niet onder stoelen of banken. Zijn
‘Deutschfeindlichkeit’ zou hem twee maal in
gevangenschap brengen en leidde er ook toe dat
de atletiekafdeling van PEC door de Duitsers werd
verboden. Bij wedstrijden in Arnhem verscheen
een atleet uit Den Haag aan de start in een shirt
waarop SS-tekens waren aangebracht. Toen Peters
dit zag, stapte hij onmiddellijk uit de baan. Zijn
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
clubgenoten volgden zijn voorbeeld. Bijna werd
de gehele Zwolse atletiekploeg gearresteerd. Vervolgens
vestigde de club de aandacht op zich
doordat er V-tekens (het overwinningssymbool
van de Engelse premier Churchill) waren aangebracht
op een trein waarin de PEC-ers zaten. In
1943 tenslotte weigerde Peters in zijn hoedanigheid
als secretaris van de club twee meisjes als lid
in te schrijven die voor een Duitser werkten. Door
al deze incidenten werd de atletiekafdeling van
PEC, als enige sportclub in Nederland, door de
bezetters ontbonden. Enige atleten beoefenden
hun sport gedurende de resterende oorlogsjaren
bij de atletiekafdeling van ZAC. Peters werd gearresteerd
en zes maanden gevangen gezet in Vught.
Enkele weken voor de bevrijding werd Peters nogmaals
opgepakt. Elke morgen voor kantoortijd
ging hij, zoals zoveel Zwollenaren, melk halen in
Wijthmen. Op een ochtend kwam zijn zoon Jan
hem tegemoet om hem te waarschuwen niet naar
huis terug te gaan omdat de Duitsers er waren om
hem mee te nemen. Wim vertrok daarop naar een
onderduikadres waar hij na een paar dagen al
werd opgepakt. Hij werd naar de Sicherheitsdienst
gebracht, waar ook zijn broer Jan was. Ze waren
verraden. De broers werden overgebracht naar de
gevangenis aan de Menno van Coehoornsingel.
Na enige dagen werden ze ’s morgens om vier uur
Een karikatuur van
Wim Peters, vermoedelijk
gemaakt in Duitsland
door ene Hoffmeister.
(Collectie Jan
Peters).
De viering van het
twintigjarig bestaan
van de dames trimgroep
van PEC te Hattem.
Wim Peters staat tussen
de dames op de achtersterij.
(Collectie Jan
Peters).
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Wim Peters op oudere
leeftijd. (Collectie Jan
Peters, foto Fa. Folkers).
gewekt. Ze dachten, dat hun laatste uurtje had
geslagen, maar ze werden overgebracht naar
Almelo. Daar troffen ze een Zwolse bekende: burgemeester
Van Karnebeek.
Vreugde en verdriet
Wim Peters noemde zich in een interview in 1993
‘een bevoorrecht mens’. Hij had een heerlijke,
onbezorgde jeugd en heeft veel plezier beleefd aan
zijn sportcarrière, niet in het minst door de daaraan
verbonden reizen. Peters had een erg gelukkig
huwelijk. Hij woonde met vrouw en kinderen vele
jaren in de P.C. Hooftstraat. Later, toen de
gezondheid van zijn echtgenote achteruit ging,
verhuisde het echtpaar naar de Zalnéflat aan het
Weteringpark. Tot zijn vijfenveertigste was hij
actief in de atletiek, onder meer als trainer. Op
woensdagmorgen ging hij met een groep vrouwen
hardlopen in de bossen bij Hattem. Hij heeft dat
vijfentwintig jaar volgehouden. Na de oorlog was
Peters jarenlang actief op het sportbestuurlijke
vlak. Hij was voorzitter van de technische commissie
van de KNAU, voorzitter van het district
Overijssel en voorzitter van de atletiekclub van
PEC, sinds 1974 de zelfstandige vereniging AV
PEC ‘io. Meer dan zeventig jaar was hij lid van
deze vereniging. Hij werd als blijk van waardering
voor zijn verdiensten door het district en de vereniging
benoemd tot erevoorzitter. De vriendenclub
van oud-PEC-ers ‘De Oude Band’ heeft hem
altijd na aan het hart gelegen. Jaarlijks was hij de
grote animator achter de reünies die werden
gehouden. Vele jaren zat hij in de Sportraad. Tot
zijn tachtigste bleef Peters tennissen. Ook zijn
vrouw Gé was jarenlang actief op de tennisbaan.
Na zijn negentigste verjaardag heeft de oudatleet
nog een bizarre periode meegemaakt. De
AV PEC wilde hem ter gelegenheid van zijn verjaardag
in juli 1993 nog eens extra in het zonnetje
zetten. Men besloot hem voor te dragen voor een
koninklijke onderscheiding. Zijn zoon Jan werd
daarover gepolst, maar deze leek het geen goed
idee. Jan wist dat zijn vader het niet eens was met
de procedure. Wim Peters was van mening dat een
koninklijke onderscheiding niet wordt toegekend
vanwege iemands verdienste maar op grond van
status. Was je een knap vakman geweest dan werd
je geen ridder of officier, maar kreeg je een
medaille in goud, zilver of brons. Had je een hogere
rang in de maatschappij bekleed, dan kon je ridder
of officier worden. De onderscheiding had
volgens hem dan niets meer te maken met hetgeen
iemand had gepresteerd. Zijn atletiekvrienden
verwachtten echter dat hij een onderscheiding wel
op prijs zou stellen. Er werd een receptie voor hem
georganiseerd op het atletiekterrein de Peterskamp.
Wethouder Margriet Meindertsma kwam
en hij mocht daar zijn naam in het in 1988 in het
leven geroepen Gouden Sportboek van de
gemeente schrijven. Toen Meindertsma hem de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 101
ATLETIEK
koninklijke onderscheiding wilde uitreiken, nam
Peters echter ter plekke geen genoegen met de
hem toebedachte eremedaille in goud. Die weigerde
hij resoluut. Deze man, die 48 jaar lang bij de
gemeente had gewerkt, die heel veel had gedaan
voor de atletiek in zijn land en zijn stad en veel had
gepresteerd op sportgebied, vond dat hij het tenminste
had verdiend om ridder te worden. Dat gaf
een hele consternatie tijdens de receptie. Deze
gebeurtenis had voor Peters een onaangenaam
staartje. Hij ontving anonieme brieven, waarin hij
onder meer werd uitgemaakt voor ‘proleet’. Hij
heeft het daar heel moeilijk mee gehad.
Op 8 december 1994 overleed Gé Peters – van
der Vegt. Ook met Wims gezondheid ging het
minder goed. Hij kreeg last van evenwichtsstoornissen,
zijn benen wilden niet meer en hij ging
slechter zien. Op 30 maart 1995 stierf Wim Peters,
de grootste atleet die Zwolle heeft gekend. Als eresaluut
draagt sinds 1996 de atletiekbaan van PEC
aan de Peterskamp officieel zijn naam: Atletiekbaan
Wim Peters.
Naschrift redactie
Over enige tijd zal ook een straat naar Wim Peters
vernoemd worden. Bij het voormalige sportterrein
van ZAC aan de Oude Veerweg zijn acht straten
gepland die alle de naam van een Zwolse sporter
of sportbestuurder zullen krijgen, onder de
sporters is ook Wim Peters.
Wim Peters weigert de
hem door wethouder
Margriet Meindertsma
aangeboden koninklijke
onderscheiding, 5 juli
1993. Meindertsma
toont begrip. (Foto
Frans Paalman).
Op de receptie ter gelegenheid
van zijn negentigste
verjaardag, 5 juli
1993, mocht Wim Peters
zijn naam bijschrijven
in het Gouden Sportboek
van de stad Zwolle.
(Afdeling Sport van
de gemeente Zwolle).
102 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gezond weer op in Dieze’
Jan van de Wetering Wie vanaf het station in Zwolle stadsbus 5
naar de Aa-landen neemt, rijdt na een
korte rit door het centrum algauw de
wijk Dieze binnen. Het tegenwoordige Dieze doet
in geen enkel opzicht meer denken aan het landbouwgebied
dat hier tot in het begin van de twintigste
eeuw lag. Kantoorgebouwen, een winkelcentrum,
oude arbeiderswoningen en hier en daar
wat nieuwbouw beheersen nu het beeld. Gras is
alles wat er langs de straten groeit. Alleen de
namen van sommige straten herinneren nog aan
oude tijden, zoals de Bothofstraat, de Duistere
Steeg, en de Warmoesstraat. Warmoes was de
oude benaming voor groente. Andere straatnamen
verwijzen naar de doorgaande wegen en stegen
die van Dieze naar de nabijgelegen buurschappen
voerden: de Langenholterweg, de Holtenbroekerweg,
de Westerveldstraat en de Berkumstraat.
In de negentiende eeuw was Dieze vooral een
veeteeltgebied. Nu bijna vergeten veldnamen wijzen
op die oude agrarische bestemming van het
gebied; mooie, eerlijke namen, afkomstig van de
boeren die er woonden. De Koemelkershoek lag er
en de Strontsteeg. De Dodenweg en de Stropsteeg
herinnerden aan een realiteit in een wat verder
verleden. Middenin Dieze, in de Duistere Steeg,
woonde in de negentiende eeuw het gezin van
koemelker Willem Sluiter. Zijn dood in 1865 vertelt
iets over de leefomstandigheden van de boeren
uit dit oude stukje Zwolle.
Rond de dood van Willem Sluiter
Op zaterdagavond 9 december 1865 was het in de
boerderij aan de Duistere Steeg een komen en
gaan van in het zwart geklede boeren en boerinnen.
In een achterkamer lag het lichaam van Willem
Sluiter, dat de buurvrouwen die middag hadden
opgebaard. Naast weduwe Johanna de Wilde
waren zijn vijf zonen rondom de kist verzameld;
drie andere kinderen leefden al niet meer. Een
paar dagen later volgde de begrafenis, waarbij de
hele buurt aanwezig was. Na afloop at iedereen
mee van de vers gebakken tarwebollen en werd er
een stevig glas gedronken.
De achtergronden van de dood van Willem
Sluiter zijn minder fictief dan bovenstaande
beschrijving. Volgens een geneesheer uit Zwolle
was de 66-jarige boer uit Dieze overleden aan
waterzucht en ascites, een ziekelijke ophoping van
vocht in de buikholte, wat misschien weer een
gevolg was van de ‘typheuse koortsen’ die volgens
de ‘Geneeskundige policie’ in 1865 in Zwolle
heersten. Behalve in de Mussenhage, de Gribus en
de Kwade Negen (Van Nahuysplein) heersten
deze koortsen eind november 1865 ook in ‘de
Duistere Steeg met hare stinksloot’.
In die tijd eisten besmettelijke ziekten als tyfus
en cholera honderden slachtoffers. Al in 1849 hadden
Zwolse artsen gewezen op de zeer onhygiënische
toestanden in de stad en op het omringende
platteland: ‘Daarom wenst de Geneeskundige
Commissie van de burgemeester dat overal op
wegen en straten de meest grote zindelijkheid
heerscht, mesthopen worden weggeruimd, de
goten behoorlijk gezuiverd [en] dat daar waar
Cholera reeds heerscht, niet aan te raden is moeraschen
te zuiveren, wijl door deze zuivering gasontwikkelingen
plaatshebben die zich met de lucht
vermengen en daardoor nadelige invloed kunnen
uitoefenen.’
De Duistere Steeg en de stinksloot
Het is niet ondenkbaar dat de dood van Willem
Sluiter direct of indirect het gevolg was van de
door de Geneeskundige Commissie genoemde
onhygiënische toestanden. De Duistere Steeg was
berucht om de ‘stinksloot’ die daar liep. Het was
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
een sloot met een onvoorstelbaar stinkend mengsel
van vuilnis en mest. Er waren meer van dat
soort sloten in Dieze. Zo deelde in 1875 de Geneeskundige
Policie mee dat ‘eene sloot langs den Langenholterweg,
die door hare stinkende uitdampingen
den omtrek verpestte, is gedempt.’
De Diezerboeren zagen de gevaren voor hun
gezondheid van al die sloten niet in en lieten er
onbekommerd dierlijke en menselijke uitwerpselen
in verdwijnen. Het vervuilde water in de sloten
verontreinigde het drinkwater van de pompen en
putten ter plekke. Ook haalden de boeren water
uit de sloten om er melkbussen en botervaten mee
om te spoelen. Vijf jaar na de dood van Willem
Sluiter kwam de stinksloot in de Duistere Steeg op
de agenda van de Zwolse gemeenteraad te staan.
Het raadslid Roosenburg was voor verbetering
van de sloot door een goede afwatering: ‘Hij heeft
die sloot in oogenschouw genomen en bevonden,
dat zij niet goedschiks kan blijven bestaan. Zij is
een broeinest van epidemieën en een ergerlijk
beletsel voor den welstand.’ Maar niet iedereen
was het met hem eens. Raadslid Schaepman bagatelliseerde
de gevaren van de stinksloot: ‘Als de
heer Roosenburg tijdens zijn bezoek te dier plaatse
de moeite had genomen, eens achter de zich daar
bevindende boerenwoningen te kijken, dan zou
hij er vele particuliere slooten en greppels, alsmede
mestverzamelingen hebben aangetroffen, die
in vrij wat deerlijker toestand verkeeren dan de
openbare sloot in de Duistere Steeg. Hierin is
evenwel geene verandering te brengen. Het blijft
buitendien de vraag, of deze ook zo hoogst noodig
is. Inderdaad gelooft spreker dat men zich van
dergelijke toestanden te groote schrikbeelden
voorstelt. Zij worden toch aangetroffen in de vrije
lucht nabij het open veld en kunnen alzoo niet die
nadelige gevolgen hebben, als in de kom eener
stad, alwaar de bevolking digter opeen leeft. De
boeren leggen toch mesthoopen achter hunne
huizen aan, die in slooten afwateren, waarop zij
privaten hebben staan. Deze toestanden zijn evenwel
in eene landbouwende streek, zoo als in Dieze
niet te keeren, en door de open ligging der boerenwoningen
heeft men tot dusver niet gehoord van
daaruit voortvloeijende ziekten.’
Schaepman kreeg steun van de burgemeester
van Zwolle: ‘Bovendien, al waren buiten de Die-
Kaart van Zwolle met
Dieze uit 1846. Aan de
rechterkant zijn deKoemelkershoek,
de Bothof
en de Duistere Steeg te
zien. (Collectie HCO).
104 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerderij met hooiberg
en sloot in Dieze. Tekening
van J. W. Meijer,
tweede helft negentiende
eeuw. (Collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
zerpoort alle stinkende slooten weggenoomen,
dan nog zou daar altijd de algemeene mestplaats
overblijven, die hare uitdampingen in de rondte
verspreid en dus volgens het stelsel der gezondheidscommissie
voor de openbare gezondheid
nadeelig is. [… ] Thans echter bij de open ligging
der daar staande huizen kunnen die slooten weinig
of geen nadeel opleveren. De gezondheid der
landbouwers lijdt immers niet door de mesthoopen,
die vlak bij hunnen woningen worden aangelegd;
terwijl het eene bekende zaak is, dat een flinke
mesthoop voor een boer een schilderij is.’
Flinke mesthoop is voor boer een schilderij
Maar al mochten die mesthopen er als een schilderij
bijliggen, zo onschuldig waren ze niet. Dat
realiseerde men zich in die tijd ook wel. Een raadsbesluit
uit 1825 verbood het houden van mesthopen
in de stad en in de voorsteden. In dat besluit
werd echter voor Dieze een uitzondering gemaakt:
‘Wordende alleen aan de koemelkers gepermitteerd
om van 1 november tot 1 mei mesthoopen
voor hunne huizen op de voorsteden te hebben,
mits daarmee den afstand van zes palmen van de
boomen verwijderd blijvende.’ In 1843 werd die
uitzondering beperkt tot ‘die gedeelten der buurschappen
Dieze en Assendorp die niet aan straten
of bepuinde stegen gelegen zijn.’ Nadat de Duistere
steeg in 1861 met keien was bestraat, hadden de
mesthopen dus eigenlijk verdwenen moeten zijn.
Maar waarschijnlijk werd toen het raadsbesluit
niet zo streng meer toegepast.
In 1866, een jaar na het overlijden van Willem
Sluiter, vaardigde de raad weer een besluit over de
reinheid der straten uit, waarschijnlijk als gevolg
van de cholera-epidemie die dat jaar in Zwolle
heerste. Het besluit luidde als volgt: ‘Het is mede
verboden drek, vuilnis of eenig ander afval en
bloed op bijzondere erven te storten, neder te werpen,
te plaatsen ofte houden.’ Maar ook toen was
er een uitzondering: ‘In de wijken Kamperpoort,
Sassenpoort, Diezerpoort, Hasselterdijk, Assendorp
en Dieze kan mest van paarden, runderen,
varkens, schapen en ander vee op bijzondere
erven aan hoopen worden verzameld. De uitzondering
is gemaakt ter gunste van de landbouwers,
warmoezeniers en tuiniers, welke voor de uitoefening
van hun bedrijf mestverzamelingen behoeven.’
7
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 105
De Duistere Steeg in
Dieze bestaat nog
steeds, al is het tegenwoordig
niet meer dan
een doorgang tussen
twee straten. (FotoM.
de Fluiter).
De mesthopen in Dieze en Assendorp bleven
onderwerp van discussie. In 1871 wilde de Zwolse
Reinigingscommissie het toezicht op de mesthopen
verscherpen. Hun argumenten waren sterk:
‘Vele bewoners dier wijken drijven handel in mest
en trachten daarom de grootste mogelijke hoopen
bijeen te brengen. Om die reden bepalen ze zich
niet tot het verzamelen van veemest maar brengen
op hunne hoopen alle meststoffen die onder hun
bereik vallen (i.e. menselijke fecaliën). Nu leert de
ondervinding hoe moeijelijk het voor de politie is
te onderkennen of de opgehoopte mest verboden
meststoffen bevat. Indien de verzamelaar slechts
eenig stroo tusschen den mest mengt, ontgaat het
aan het oog waaruit de mesthoop bestaat.’ Als
bewijs noemde de reinigingscommissie een mesthoop
buiten de Diezerpoort waarvan de eigenaar
had bekend dat er ook menselijke uitwerpselen in
zaten. Eén van de raadsleden voerde verder nog
aan dat ‘alle verzamelingen van meststoffen in een
staat van gisting verkeeren, welke gevaarlijk
wordt, zoodra daarop uitwerpselen van choleralijders
worden gebragt. Ook deze geraken in gisting
en verspreiden zodoende de besmetting.’ Uiteindelijk
werd besloten dat de mesthopen mochten
blijven bestaan, maar dan alleen voor dierlijke
mest.
De discussie over de ‘Duistere Steeg en hare
stinksloot’ eindigde op 5 oktober 1870 met een
anti-climax: met negen stemmen voor en twee
tegen werd besloten niets aan de stinksloot te
doen. Pas in 1873 verbeterde de situatie toen in
Zwolle, mede naar aanleiding van de aanhoudende
gevallen van cholera, het tonnenstelsel werd
ingevoerd.
* Dit artikel is een (licht bewerkt) fragment uit het in
november 2001 te verschijnen boek Vergeten levens,
geschiedenissen van het Sallandse platteland van de
hand van de Zwollenaar Jan van de Wetering. In dit
boek wordt het leven op het platteland langs IJssel
en Vecht beschreven. Drie kleine boerengemeenschappen
staan daarbij centraal: Wilsum, Zalk en
Dieze. Met zijn eigen familiegeschiedenis als uitgangspunt
belicht Van de Wetering de levens van
eenvoudige plattelanders in de achttiende, negentiende
en twintigste eeuw. Vergeten levens is een uitgave
van de IJsselacademie.
io6 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Eenmaal, andermaal, niemand meer?
Verkocht!
M.H. Richter –
de Groot
De Praub straat gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
het huis naast
het hoge huis was het
Venduhuis (Collectie
HCO).
De ouderen onder ons zullen zich nog wel
herinneren dat er vroeger veilingen van
meubilair en huishoudelijk goed werden
gehouden in het Venduhuis in de Praubstraat. Al
in de negentiende eeuw was op deze locatie sprake
van een venduhuis of verkooplokaal. De verkopingen
geschiedden toen door de deurwaarders
Van Oorschot en Dunnenberg. Zij werden rond
1910 opgevolgd door hun collega F.J. Boom, die
het Venduhuis exploiteerde tot na de Tweede
Wereldoorlog. Het was G.W. Richter (1904-1984)
die het Venduhuis van Boom overnam. Zijn
weduwe bracht de verkoopboeken van het Venduhuis
in 1992 naar het Gemeentearchief. De boeken
geven over de periode 1942-1969 een prachtig
overzicht van welke goederen ingebracht en verkocht
werden. Hoe het toeging, is het onderwerp
van dit artikel van de hand van Richters weduwe.
Voorbereiding
In de Zwolse Courant werd een ‘blauwvinger’
geplaatst met de aankondiging dat er binnenkort
een veiling van meubilair en huishoudelijk goed
werd gehouden, zodat er weer goederen konden
worden ingebracht. Vlak na de oorlog werden de
spullen nog met een bakfiets opgehaald. Vaak was
deze zo hoog opgeladen dat de bestuurder er
amper over heen kon kijken. Een van de jongens
liep dan met een touw over de schouder te trekken
en aanwijzingen te geven aan de bakfietsbestuurder,
zodat deze niet van het rechte pad afraakte.
Bij binnenkomst werden de goederen genummerd
met een label, etiketje of doodgewoon met
een krijtje. Al naar gelang het uitkwam. De naam
van de eigenaar en al zijn genummerde artikelen
werden in een groot boek, het zogenaamde veilingboek,
genoteerd. Waren er naar de mening
van de veilinghouder voldoende spullen aanwezig,
dan werd de notaris gebeld om te vragen of de
geplande datum ook hem schikte. Bij elke publieke
veiling moest een notaris of deurwaarder aanwezig
zijn om eventuele geschillen op te lossen.
Ging de notaris akkoord, dan werden er advertenties
geplaatst in de Zwolse Courant, Trouw,
Overijssels Dagblad en de Meppeler Courant. In die
advertentie werd een gespecificeerde opsomming
gegeven van de te veilen artikelen. Als er een veiling
werd gehouden met antiek of spullen uit
grootmoederstijd, dan werden de antiquairs uit de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 107
wijde omgeving per briefkaart op de hoogte
gesteld. De kijkdag was altijd op een vrijdag in verband
met de markt.
De kijkdag
Voor de kijkdag werd er in de zaal met man en
macht gewerkt om de goederen zo goed mogelijk
uit te stallen. Tapijten, schilderijen, spiegels en
alles wat maar hangen kon werd aan ijzeren haken
aan de wanden gehangen. Kasten, kabinetten,
bonheurs, buffetten en dressoirs werden langs de
wanden geplaatst. Daarop werden de kleine spullen
gezet. In het midden van de zaal kwamen de
bankstellen, eethoeken, crapauds, tafels, en wat er
verder mocht zijn. Voor de ramen werden bladen
met schragen geplaatst met daarop het keukengerei.
Onder die bladen werd alle rommel neergezet.
Achterin de zaal was de plaats voor de ledikanten
en bedden. Haarden en kachels werden in de brede
gang uitgestald.
Sieraden en gouden en zilveren voorwerpen
werden vanwege mogelijke lange vingers in een
afgesloten vitrine geplaatst. Die voorwerpen
mochten niet zo maar verkocht worden maar
moesten eerst naar het kantoor van de Waarborg
in Arnhem, om van het juiste keurmerk te worden
voorzien. Daartoe werden de vrij kostbare sieraden
in een doosje verpakt, van een lakstempel
voorzien en aangetekend opgezonden. De notaris
kreeg na goedkeuring bericht dat de spullen op de
veiling verkocht mochten worden.
Als dit alles in orde was kon op vrijdag de kijkdag
voor het publiek plaatsvinden. In de winter
werd ’s morgens eerst de zeer grote kolenkachel
aangemaakt. Deze werd met hout, eierkolen en
cokes gestookt. Tegen het kozijn werd een zwarte
plank met de tekst ‘Heden Kijkdag’ gespijkerd.
Tegen negen uur werd de deur open gezet en konden
de kijkers binnenkomen. Dit deden ze dan
ook in zeer grote getale. Als er in de winter bij de
boeren pers- of kuilvoer aan de koeien werd
gevoerd, was dit goed te merken. Het hele veilinglokaal
vulde zich dan met de geur van een boerendeel.
Mensen die op de veiling iets van hun gading
zagen maar niet zelf op de veiling konden komen,
gaven aan de veilingmeester de opdracht om het
gewenste artikel tot een bepaald bedrag te kopen.
Voor deze commissie werd vijf procent in rekening
gebracht.
Als de kijkdag om vier uur was afgelopen
moest er hard gewerkt worden om de zaal vrij te
maken, zodat de kopers op maandag konden zitten.
De spullen werden achter in de zaal opgestapeld.
In het midden van de zaal werd een lange rij
bladen op schragen geplaatst met daarop allerlei
kleingoed dat op maandag het eerst zou worden
verkocht. Aan weerszijden van de schragen werden
stoelen en banken geplaatst zodat de ongeveer
driehonderd kopers goed zicht hadden op de te
Het voormalige Venduhuis,
Praubstraat 19
(Collectie HCO).
io8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Venduhuis tijdens
een verkoop ofkijkdag
(HCO, collectie Richter).
veilen goederen. In een inspringende hoek van de
zaal werd een podium gemaakt met een oud vloerkleed
en een lange smalle tafel met daaroverheen
een groen vergaderkleed. Aan deze tafel namen op
de veilingdag de notaris, de schrijver, de kassier en
de man met de lepel plaats. De lepel was een ongeveer
twee meter lange stok met daaraan een koperen
bakje, bestemd om het geld op te halen.
De veiling
Om ongeveer negen uur werd de veiling geopend
met het voorlezen van de veilingvoorwaarden: de
veiling geschiedde tegen contante betaling met
vijftien procent opgeld; de goederen werden Voetstoots’
verkocht, dus zoals ze op de veiling aanwezig
waren zonder vrijwaring voor zichtbare of verborgen
gebreken; de goederen waren dadelijk na
de toewijzing voor rekening en risico van de
koper. Dan werd begonnen met de verkoop. De
man op de bank hield een portie te verkopen spullen
omhoog en dan begon het bieden. Werd er
niet meer geboden dan klonk het ‘Eenmaal,
andermaal, niemand meer, verkocht!’. En met een
tik van de hamer werd de koop door de veilingmeester
toegewezen. De naam van de koper werd
achter de betreffende koop in het veilingboek
genoteerd. De man met de lepel haalde het geld
op, de kassier controleerde het geld en gaf eventueel
wisselgeld terug dat weer met de lepel naar de
koper werd gebracht.
Zo werden er tot ongeveer tien uur diverse
goederen aan de man gebracht. Dan trad er even
stagnatie op omdat de bus uit Staphorst was gearriveerd.
Hoewel de zaal vol was en er geen zitplaatsen
meer vrij waren, werden de Staphorster vrouwen
met hun wijde rokken door behulpzame handen
door het raam over de bladen met spullen
naar binnen gehesen. Ze lieten zich dan zo tussen
het publiek op de houten banken neervallen, wat
altijd grote hilariteit tot gevolg had.
Inmiddels had ik boven grote kannen met koffie
gezet. Daarvan werd eerst een blad naar de veilingmedewerkers
gebracht, daarna kon ook het
publiek voor een kwartje per kop koffie kopen. Als
het erg druk was en er geen koffiekopjes genoeg
waren gebruikte ik mijn eigen mooie kopjes. Deze
kopjes raakten wel eens zoek zodat we met veel
mooie schoteltjes zonder kopje bleven zitten.
De veiling ging met veel animo door en het
trottoir begon op een rommelmarkt te lijken. De
verkochte goederen werden namelijk door de
oppasser op de stoep gezet en bewaard tot de eigenaar
zijn spullen kwam afhalen, of deze door een
handkar of bakfiets thuis liet brengen.
Op zekere dag werd er een bidet geveild. De
veilinghouder vroeg: ‘Wat zal er veur disse mooie
bidet?’. ‘Richter, wat is det veur ’n ding?’, klonk
het uit de zaal. ‘Oh weet ie det niet, det is ’n ‘azenpanne,
duer kökt de deftige luu de ‘azen in’. Grote
hilariteit. Even later klonk het: ‘Wat zal er veur
disse mooie tasse met inhold?’. De veilingmedewerker
had namelijk de tas gepakt van een van de
druk kwebbelende boerinnen die de tas voor zich
op de bank had neergezet. ‘Eén gulden, niemand
meer, eenmaal, andermaal…’, ‘hé, hé, Richter, gèf
‘ier, det is mien tasse’, klonk het verontwaardigd.
‘Dan meuj um ók niet op de banke zett’n, alles wat
‘ier op stiet wordt verkocht’. Onder veel gelach
werd de tas aan de eigenares teruggegeven.
Zo werd de veiling voortgezet tot twaalf uur.
Hierna was er een pauze tot half twee. Velen hadden
brood en koffie meegenomen en hielden
gewoon hun lunchpauze in de zaal. Ze maakten
van zo’n veilingdag een dagje uit. Een kleine moeilijkheid
was het gebruik van het toilet. Vlak na de
oorlog was er nog een tonnetje en nog geen watercloset.
Die plee was boven aan een overloopje en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 109
dat stond dan in de pauze vol met boerinnen in
hun pompeuze klederdracht. De tonnenman
mopperde altijd vreselijk als hij die zware ton naar
beneden moest zeulen. ‘Eb jullie weer veiling
‘èhad, laot ze toch de rokk’n opbeuren en op de
stroat gaan zitt’n, zie ‘ebt ummers toch gien broek
‘an’. En vervolgde: ‘Gait, als è de volgende keer
weer zo vol is mu’jem zelf maar noar beneden slippen’.
Om half twee begon het loven en bieden
opnieuw, dan kwamen de betere stukken onder de
hamer, meestal eerst de gouden en zilveren sieraden.
De antiquairs en kooplui lieten zich dan
vaker horen. Öp zeker moment kwam er een
mooie bonheur aan de beurt. Van alle kanten
werd druk geboden. Toen de veilinghouder geen
bod meer hoorde hamerde hij af. Achter uit de
zaal klonk een woedende stem: ‘He, Richter ik was
nog ‘an ’t bieden’. ‘Nou ik ‘eb oe echt niet
‘e’heurd’, zei Richter. ‘Ik ebbe ók niet ‘eskreeuwd’,
zei de pechvogel, ‘ik ebbe ‘e knikt’. ‘Dan mük oe in
’t vervolg wel ‘euren knikken’, zei de veilinghouder.
De notaris was het hiermee eens en zo was dit
incidentje opgelost.
Zo ging de veiling met een kleine onderbreking
voor een kopje thee tot ongeveer vijf uur
door. Er waren dan wel vier- tot vijfhonderd nummers
onder de hamer doorgegaan. De stembanden
van de veilinghouder waren zwaar op de proef
gesteld. Zo af en toe nam hij een dropje om de keel
te smeren. De meeste kopers gingen met hun spullen
naar huis, de spullen die op de stoep bleven
staan werden binnen gezet. Dan werden de helpers
uitbetaald. De mannen op de bank en de
oppasser kregen ieder zes gulden, van de klanten
ontvingen ze dan nog wat kleingeld, zodat ze voor
die tijd toch een behoorlijk dagloon hadden. De
mannen aan de groene tafel kregen tien tot vijftien
gulden per dag.
De rekening
Na de veiling werden het veilingboek en de geldbak
naar boven gebracht en dan kon het rekenwerk
beginnen. Eerst werd de kas geteld en een
lijstje van de kopers opgesteld die niet op de veiling
hadden betaald. Alle bedragen van de verkochte
goederen werden opgeteld en het opgeld
berekend. Een heel werk. Klopte de kas dan werd
De heer G. Richter als
afslager bij de verkoop
van de boedel van J.F.
Schreuder in de Hyacinthstraat,
eind mei
1961 ( HCO Collectie
Richter, foto Pieter Gerritse).
110 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afslager G. Richter op
een ‘boeldag’ in de
omgeving van Zwolle,
vermoedelijk begin
jaren zestig (HCO, collectie
Richter).
de geldbak in de kluis opgeborgen en was er een
eind gekomen aan een vermoeiende en drukke
veilingdag.
In de loop van de week werd uitgerekend wat
de inbrengers moesten ontvangen. Alle bedragen
werden opgeteld en de veilingkosten en andere
kosten afgetrokken. Van het eindbedrag werd een
kwitantie gemaakt, vaak waren dat er zo’n zeventig
per veiling. Was dat allemaal gedaan dan werd
de kwitantie met het geld in een enveloppe met de
naam erop gedaan om op de betaaldag, de vrijdag
na de veiling, aan de inbrengers te overhandigen.
De kooplieden betaalden voor hun ingebrachte
goederen vijf procent minder veilingkosten dan
particulieren. Hadden ze mazzel gehad, dan werd
de spaarpot van onze kinderen niet vergeten.
Zodra het eindbedrag van de veiling bekend
was, werd dit doorgegeven aan de notaris, voor
het registratiekantoor. De registratiekosten en de
kosten van de notaris, plus de advertentiekosten
en de lonen van de helpers vormden de kosten van
een veiling. Om een voorbeeld te geven, volgt hier
de berekening van een veiling uit 1952.
De opbrengst van deze veiling was
Provisie kopers 12% van f. 3264.—
Provisie verkopers 10% van f. 1149.30
Provisie verkopers 15% van f. 2114.70
Totaal bruto provisie
Waarvan onkosten
Winst Venduhuis
Onkosten veiling:
6 man binnen en buiten
1 man aan lepel
1 man aan kassa
1 man schrijver
V2 dag afslager
Diverse hulpen voorbereiding veiling
Notaris 3 %
Registratie veiling
Advertenties
Totaal onkosten
f. 3264.-
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
f.
391.68
114.93
317.21
823.82
335-52
488.30
36.–
10.–
10.—
10.—
10.–
45-50
97.92
36.10
8 0 . –
335-52
Dit was een goede veiling, alle veilingen die meer
dan drieduizend gulden opbrachten loonden de
moeite. Dat kwam omdat de vaste kosten van elke
veiling meestal hetzelfde waren. De veilingen werden
ongeveer om de zes weken gehouden, al naar
gelang er voldoende goederen aanwezig waren.
Op een veiling mochten geen alcoholhoudende
dranken en bruikbare wapens verkocht worden.
Erkend veilinghouder
Om erkend veilinghouder-taxateur te worden,
moest je van onbesproken gedrag zijn en een
proeve van bekwaamheid afleggen voor een commissie
uit de ‘Vakorganisatie van makelaars en
veilinghouders in roerende goederen en machinerieën
in Nederland’ en een ambtenaar van het
Ministerie van Economische Zaken. Veel moeilijkheden
leverde dit examen niet op. Mijn man
had namelijk op de vroegere ambachtsschool de
meubelmakersopleiding gevolgd, zodat de diverse
houtsoorten en stofferingsstoffen hem welbekend
waren. Bovendien had hij veel ervaring opgedaan
bij de vroegere eigenaar van het Venduhuis, de
heer F.J. Boom. Tóen mijn man in 1969 AOW
gerechtigd werd, zijn de verkopingen in de Praubstraat
beëindigd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 111
Een woonhuis met een industriële
geschiedenis: Tuinstraat 10-12
Achter de Van Roijensingel, ruwweg tussen
de Zeven Alleetjes en de Van Karnebeekstraat,
loopt de Tuinstraat. In deze tamelijk
smalle straat staat een opvallend gebouw, Tuinstraat
10-12. Dit pand heeft tegenwoordig een
woonfunctie maar de industriële bestemming,
waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was, valt
nog duidelijk te herkennen. In de loop der jaren
zijn hier heel wat bedrijven gevestigd geweest.
Tuinstraat 10-12 werd in 1919 gebouwd als fietsenen
onderdelenfabriek voor de firma J. Uitdenboogaard
en Zn. Dit fabriekje besloeg de voorste
helft van het perceel, de achterste helft bleef onbebouwd.
De hoofdingang was in het middengedeelte
van het pand. Oorspronkelijk bevond zich
onder de verhoging bij de gevel de vermelding
‘Metaalindustrie’. De oprichter van de firma, Jan
Uitdenboogaard, woonde van 1928-1933 in het
woonhuis (nr. 8) naast de fabriek.
In de jaren dertig verdween deze firma en werd
het pand in gebruik genomen door de firma
Troostwijk, een textielgroothandel. Het joodse
bedrijf Troostwijk gebruikte het gebouw waarschijnlijk
tot begin jaren veertig, toen alle joodse
bedrijven werden opgeheven. De volgende
gebruiker was de firma Hoogstraat, een groothandelaar
in specerijen. Het gebouw werd door deze
firma uitgebreid met werkplaatsen, waardoor er
van het plein achter het pand weinig overbleef.
Aan het eind van de jaren vijftig diende Tuinstraat
10-12 als onderkomen van het magazijn van de
Coöp. Inkoop Vereniging ‘Enkabé’ Zwolle en
Omstreken. Enkabé vertrok in december 1959
naar de Marslanden.
In 1960 werd het gebouw in gebruik genomen
door de firma Gebr. Ferwerda, een automaterialengroothandel.
Zij pasten het pand aan hun
bedrijfsvoering aan. Wegens de slechte bereikbaarheid
(vooral voor grote vrachtwagens) verliet
Ferwerda het pand medio jaren tachtig. Daarna
volgde enige jaren leegstand, waarna in 1989 Tuinstraat
10-12 werd verbouwd tot appartementencomplex(
je). Hiertoe werden de later aangebouwde
werkplaatsen aan de achterkant gesloopt. Dit is
zichtbaar door de nieuwe achtergevel op de begane
grond. Door deze ingreep werd de oorspronkelijke
toestand, met plein, hersteld. Deze dient nu
als parkeergelegenheid voor de bewoners van het
pand.
Maarten de Graad
Tuinstraat 10-12
omstreeks 1980, met
twee bedrijfsauto’s van
de Gebr. Ferwerda. er
voor geparkeerd.
(Collectie HCO).
112 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Felice Togni (1871-1929), portret van een vioolpedagoog
H.C.J. Wullink
Felice Togni, 1871 –
1929, vioolpedagoog.
(Collectie auteur).
Toen de concertmeester van het Concertgebouworkest
te Amsterdam, de Zwollenaar
Isaak Troostwijk, al een paar jaar het orkest
had verlaten om in Amerika zijn loopbaan te vervolgen,
kwam er versterking van een jonge violist
uit Zwolle. Zijn naam luidde: Felice Togni. De
familienaam roept geen associaties op met de
Overijsselse hoofdstad. Wie was deze violist en
waar had hij zijn opleiding genoten? Een onlangs
gevonden portret van Togni vormde de aanleiding
tot het schrijven van deze regels.
Geboren en getogen in Zwolle
Filitz Charles Antonius Togni werd geboren op 3
oktober 1871 te Zwolle als oudste zoon van Anton
Albertus Felix Simonius Togni en Anna Maria
Hubertina de France. Mogelijk heeft de ambtenaar
van de burgerlijke stand de eerste doopnaam
niet correct geschreven. Een enkele maal wordt in
de vakliteratuur abusievelijk Felix genoteerd,
maar steeds – zelfs in de overlijdensadvertentie –
heet hij Felice. Zijn ouders behoorden tot de
gegoede middenstand. Aldus was het mogelijk de
muzikale studie van hun zoon te bekostigen. In
het geval van Troostwijk, die bijna tien jaar ouder
was, lag dat duidelijk anders.1
Met vioolstudie dient men op jeugdige leeftijd
aan te vangen en veelal zal in de eigen omgeving
een goede pedagoog worden gezocht. Togni’s eerste
vioolleraar was Andries van Riemsdijk (1848-
1904). Deze pedagoog had viool gestudeerd aan
het conservatorium te Luik en was leerling
geweest van de vioolvirtuoos Hubert Léonard
(1819-1890). Per 1 januari 1873 volgde zijn benoeming
aan de Stedelijke Muziekschool te Zwolle,
die aanvankelijk aan de Praubstraat was gevestigd,
maar na 1881 in het pand Bloemendalstraat 14.2
Men ontkomt niet aan de indruk dat Van
Riemsdijk een belangrijke bijdrage aan het Zwolse
muziekleven moet hebben geleverd. Ook de getalenteerde
Troostwijk was een pupil van hem. De
vioolklas en het door Van Riemsdijk samengestelde
strijkorkest hebben zeker bijgedragen aan een
inspirerende omgeving voor de leerlingen. In 1878
ontstond de Zwolsche Orkestvereeniging, een
orkest dat in zekere zin voortkwam uit de leerlingenuitvoeringen.
De jeugdige Togni genoot plaatselijke bekendheid,
zelfs zodanig dat de nieuwe organist van de
Grote Kerk, Jacobus Cornelis van Apeldoorn
(1856-1932), die zijn eerste concert op het SchnitZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 113
ger-orgel voorbereidde, hem uitnodigde daarbij
een muzikale bijdrage te leveren. Dit concert vond
plaats op woensdag 1 oktober 1890.3
Violist en pedagoog
In het Zwolse bevolkingsregister werd Togni op 11
september 1891 uitgeschreven naar Amsterdam,
waar hij zijn studie bij Richter, Kramer, Timmner
en Kes vervolgde.4 Gedurende vijfentwintig jaar –
van 1892 tot 1917 – was hij verbonden aan het Concertgebouworkest
te Amsterdam, aanvankelijk als
eerste violist, maar twee jaar later in de functie van
aanvoerder van de tweede violen. Zelf noemde hij
zich concertmeester van de tweede violen, hoewel
strikt genomen deze functie betrekking heeft op
de eerste violen, namelijk aanvoerder en eerste
soloviolist. Als leraar was hij verbonden aan de
Orkestschool van Willem Kes.
De buitenlandse invloed op de Nederlandse
vioolkunst was toentertijd aanzienlijk. Gedurende
STRIJKINSTRUMENTEN, VIOLEN, JSTRIJKSTOKKEN,
SNAREN IN ALLE SOORTEN
EN.VERDER ALLE FOURNITUREN, J-ÏARMONICA’S
volgens de nieuwste vinding.
Reparatiün van bovenvermelde ARTIKELEN worden
SPOEDIG in order gemaakt.
A. TOGNI, Dlezerstraat E SI.
A, TOGNI, üiezerstraat E dl,
dia. door! bnnno nitmnntoudo STERKTE on BOLIDITEIT
Bjjzraiaêr aanbèvolon’ worden, Btoeds^voorradig eono rnimo
colloctie WANDELSTOKKEN, SPOORMANDJES, KINDEtt-
MANDJES una, van de fijnste tot.de. ordinairsto soorten.
Reparatibïi van bovonstaando artikelen worden SPOEDIG
in orde gobracht.
Twee advertenties van
Anton Togni, de vader
van Felice, in het adresboek
der stad Zwolle
1877/78. (HCO).
Bloemendalstraat 14,
hier was vanaf 1881 de
Stedelijke Muziekschool
gevestigd. (Collectie
HCO).
114 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
L)e Ontwikkelingsgang der
Vioolspel-‘ en Viooloouwkunst
door
xelice logni
Hoofdlceraar aan het Conservatorium en de Muziekschool der
-Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst te Amsterdam
EMIL WEGELIN — 1924 — BUSSÜM
Titelpagina van ‘De
ontwikkelingsgang der
vioolspel- en vioolbouwkunst’
(Collectie
auteur).
lange tijd hebben Italiaanse, Franse en Duitse
musici hier een dominante rol gespeeld. Het ontstaan
van een nationale vioolschool werd daardoor
ernstig belemmerd. In de tweede helft van de
negentiende eeuw kwam hierin gestadig verandering.
Nederlandse violisten ontvingen weliswaar
hun opleiding nog wel in het buitenland, met
name Duitsland, maar weldra zouden zij in eigen
land de violisten en pedagogen van elders vervangen.
Het Concertgebouworkest, dat zich ontwikkelde
tot een der beroemdste orkesten van Europa,
heeft vanzelfsprekend in de eerste plaats op het
Nederlandse muziekleven grote invloed gehad.5
Tot 1895 dirigeerde Kes, daarna nam de jonge
Mengelberg het stokje over. In februari 1896 dirigeerde
Edvard Grieg twee concerten. Ook Richard
Strauss (eerste uitvoering Ein Heldenleben) en
Gustav Mahler kwamen in Amsterdam dirigeren.
In die tijdsspanne waarin de nationale orkestmuziek
tot bloei kwam, heeft Felice Togni als
bekwaam pedagoog een rol gespeeld. Hij was
reeds leraar aan de Amsterdamse Muziekschool
van Toonkunst, toen in 1914 zijn benoeming volgde
tot hoofdleraar voor viool, kwartetspel en
vioolpedagogie aan het Amsterdams Conservatorium
(Toonkunst).
Van zijn didactische werken noem ik Die Ausbildung
der linken Hand. Systematische Ubungen
für Violine, verschenen te Leipzig bij Breitkopf &
Hartel. Max Grünberg, een Berlijnse violist en
schrijver over muziek, merkte in 1913 over dit werk
op: ‘Ein die Ausbildung der linken Hand sehr eingehend
behandelndes Werk, dessen Studium den
Fingern in den einzelnen Lagen sowohl, wie im
Lagenwechsel, sichere Arbeit gewahrleistet.’ Een
Nederlandse vertaling verscheen onder de titel De
ontwikkeling der linkerhand (5 delen). Een ander
didactisch werk draagt de titel Le mecanisme de la
doublé corde. In een omstreeks 1983 verschenen
muziekencyclopedie staat vermeld dat deze werken
nu nog veel worden geraadpleegd.6
In 1924 verscheen De ontwikkelingsgang der
vioolspel- en vioolbouwkunst. Het is opgedragen
aan de muziekgeleerde Simon van Milligen. Kort
voor zijn overlijden werkteTogni aan een nieuwe
vioolmethode. Van zijn vele leerlingen noem ik
slechts Boedijn, Dresden, De Jong (Cincinnati),
Kint, Lussenburg, mej. L. Langerveld (Djakarta),
Rodrigues, Röntgen, Sametini en Schoenmaker.7
Togni die gehuwd was met Maria Kretzschmar,
overleed geheel onverwachts op donderdag
31 oktober 1929 te Overveen. Op maandag 4
november vond daar de begrafenis plaats. De
familie in Zwolle plaatste op zaterdag 2 november
in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Couranteen
overlijdensadvertentie.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 115
Heden overleed, geheel onverwachts,
In den ouderdom
van 58 jaar, onze Innig geliefde
Broeder, Zwager en
Oom,
FELICE MARIA CHARLES
TOGNI,
Echtgenoot van
Maria Kretzschmar.
Hoofdleeraar Amsterdamsen
Conservatorium.
Familie TOONT.
Uitvaart en begrafenis:
Maandag te Ovérveen, Haarlem.
Zwolle, 31 Oct. 1838.
De familie in Zwolle
De Togni’s waren roomskatholiek. De grootvader,
eveneens Felice Togni geheten, geboren 3 november
1805 in het Zwitserse Bignaschi, vestigde zich
als schoorsteenveger in Zwolle. Later noemde hij
zich ‘stadsschoorsteenveger’. Op 28 januari 1830
huwde hij Antonia van der Maten (1800-1879). Zij
kregen drie kinderen, een zoon en twee dochters.
Het gezin woonde aan het Koningsplein. Grootvader
Togni overleed op 10 februari 1886.8
De zoon, Anton Albertus Felix Simonius Togni,
de vader van de violist, huwde op 25 augustus
1870 te Zwolle met Anna Maria Hubertina de
France. Anton dreef op nummer 34 aan de Diezerstraat
een handel in ‘fijn mandwerk’, maar noemde
zich ook instrumentmaker. Rond 1880 gaf hij
zich uit voor ‘parapluie fabrikant’. De familie was
tot een zekere welstand gekomen. Ondanks deze
Rechts: Diezerstraat36 en helemaal rechts Diezerstraat34,
met de winkel en het woonhuis van de
familie Togni. De foto dateert uit het eind van de
jaren twintig, kort voordat het pand Diezerstraat 34
overgenomen werd door V&D. Diezerstraat36 werd
enkele jaren later ook door V&D aangekocht, waarna
dit warenhuis depanden Diezerstraat 26 – 36
omvatte. (Collectie HCO).
gunstige omstandigheid werd het gezin nogal eens
in diepe rouw gedompeld, want vier van de zeven
kinderen overleden binnen een jaar na de geboorte.
Naast Felice bleven twee broers in leven.9
Na het overlijden van Felice’s vader werd de
zaak aanvankelijk voortgezet door de weduwe. Zij
overleed op 9 december 1905. Nadien ging de zaak
over op zoon Charles Joseph Antonius, die op 17
oktober 1911 huwde met Elisabeth Maria Lutgerink.
Zij was op 17 mei 1889 in Zwolle geboren. 10
Links: Overlijdensadvertentie
van Felice
Togni, door de familie
geplaatst in de ‘Provinciale
Overijsselsche en
Zwolsche Courant’ van
2 november1929.
116 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1912 staat in het adresboek: ‘magazijn van parapluies,
parasols, overtrekken, repareeren’. De
winkel van Togni bleef tot omstreeks 1930 gevestigd
op Diezerstraat 34, daarna werd dit pand
overgenomen door en aangetrokken bij de naburige
V&D-vestiging. Charles Togni verhuisde
daarna naar de Westerstraat 5-4. In 1952 werd hij
in Zwolle uitgeschreven, hij vertok toen naar
Vleuten. In het adresboek 1953 wordt de familienaam
Togni voor de laatste maal genoemd: Antonius
L. M. Togni, wonende Harm Smeengekade
20 (bejaardenhuis De Nieuwe Haven). Deze broer
van Felice, die onderwijzer was, overleed in 1957.
Met zijn overlijden verdween de familienaam uit
Zwolle.
Noten
1. Isaak Troostwijk, geboren 3 juli 1862 te Zwolle, trad
in 1878 bij het Nut van ’t Algemeen met veel succes
op. Voor verdere studie vertrok hij naar Berlijn om
zich te bekwamen bij de grote vioolvirtuoos en pedagoog
loachim, die verbonden was aan de Königliche
Hochschule. In 1881 verliet Troostwijk dit instituut
met het einddiploma en een fraai getuigschrift
van Joachim. Na zijn achtereenvolgende benoemingen
als solo-violist te Bad-Kissingen en concertmeester
aan het Stadttheater te Wurzburg aanvaardde
hij de betrekking van solo-violist aan de
Amsterdamsche Orkestvereeniging. In 1888 volgde
zijn benoeming tot concertmeester van het Concertgebouworkest.
Na 1890 verbleef hij in Amerika.
2. Niet te verwarren met jhr. mr. Johan Cornelis Marius
van Riemsdijk te Utrecht (1841-1895). Muziekschool:
Jan ten Bokum, Muziek in de IJssehteden
(Utrecht/Antwerpen 1988) 112.
3. H.C.J. Wullink, Inleiding, in: J.C. van Apeldoorn,
Het orgel in de Groote- ofSt. Michielskerk te Zwolle
(herdruk Zwolle 1996) X-XI.
4. Deze leraren noemt Togni zelf in zijn werkje De ontwikkelingsgang
der vioolspel- en vioolbouwkunst
(Bussum 1924) 61. Een muziekencyclopedie noemt
nog ene Heynsberg, van wie geen antecedenten bekend
zijn. Genoemde Richter was een leerling van
de vioolvirtuoos J.Joachim. L.Kramer, leerling van
Bennewitz, was concertmeester van het Concertgebouworkest
gedurende de jaren 1892-1894. Christiaan
Timmner (1859-1932), concertmeester van het
Concertgebouw van 1904-1910, vertrok naar Los
Angeles. Willem Kes (1856-1934), violist en eerste
dirigent van het Concertgebouworkest, werd in
1895-1898 dirigent van het Scottish Orchestra te
Glasgow, en was nadien nog werkzaam te Moskou
en Koblenz.
5. Voor de geschiedenis van het Concertgebouworkest
kan men verschillende uitgaven raadplegen, o.a.:
Historie en kroniek van het Concertgebouworkest
1888-1988 (Zutphen 1988).
6. Max Grünberg, Literatur der Streichinstrumente
(Leipzig 1913), 14. J. Robijns en Miep Zijlstra (red.),
Algemene, muziekencyclopedie deel 9, (Weesp z.j.),
394. Uit onderzoek bleek mij dat genoemde publicaties
niet (meer) voorkomen in de bibliotheek van
de Hogeschool Constantijn Huygens, faculteit muziek.
7. Gerard Boedijn (1893-1972), componist, in het bijzonder
voor harmonie- en fanfareorkest, dirigent
en violist. Sem Dresden (1881-1957), componist en
pedagoog, werd in 1924 directeur van het Amsterdams
Conservatorium, in 1937 directeur van het
Kon. Conservatorium te Den Haag. Kor Kint (1890-
1944), componist, altist en leraar viool aan het Conservatorium
te Amsterdam. Jos Lussenburg (1889-
1975) violist, gaat wegens een handicap aan zijn linkerhand
na zijn vijfendertigste schilderen. Woonde
later in Nunspeet. Joachim Röntgen (1906), violist
en concertmeester, vioolleraar aan het Kon. Conservatorium
te Den Haag. Leon Sametini (1886- ?),
violist, vertrok naar Praag en verbleef sinds 1904 in
Londen. Werd in 1912 directeur van het Chicago
Musical College.
8. Bignaschi is vermoedelijk identiek aan Bignasco,
een plaats in het zuiden van Zwitserland, even ten
noorden van Ascona en Locarno. Antonia van der
Maten werd geboren in Olst op 15 oktober 1800 en
overleed te Zwolle op 19 juni 1879. Haar man overleed
te Zwolle op 10 februari 1886. Kinderen, allen
geboren te Zwolle: Anton Albertus Felix Simonius
(28.10.1830); Helena Gerardina (6.1.1834 -19.1.1922),
wonende aan de Spiegelsteeg 6 en Louisa Frederika
(19.12.1837), vertrokken naar Opsterland in Friesland.
9. Behalve de oudste zoon Felice telde het gezin de volgende
kinderen:
Charles Lambertus Aloijsius (1.12.1872 – 24.5.1873);
Helena Maria Hubertina (13.3.1874 – 7.4.1874);
Charles Antonius Aloijsius (28.5.1875 -18.9.1875);
Antonius Lambertus Maria (2.6.1877- 4-4-1957);
Charles Joseph Antonius (19.3.1881- na aug. 1952);
Willem Antonius Joseph (5.11.1883 – 9.8.1884).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 117
10. Uit het huwelijk werden in Zwolle geboren: Hubertina
Maria Margaretha (18.7.1912), verpleegster, Johan
Anton Felix Joseph (19.3.1915 – 22.5.1915), Maria
Francisca Theresia (6.6.1916), onderwijzeres, en Johannes
Lambertus Charles (22.3.1920), die op 30 juli
1936 naar Oss vertrok.
Geraadpleegd werd het HCO (voorheen Gemeentearchief),
met name de adresboeken en het bevolkingsregister
(blz. 179e en T80).
ADVERTENTIE
Verschenen:
Deel twee van de
Zwolse Historische Reeks
De Zwolse Historische
Reeks is een gezamenlijk
initiatief van de Stichting
IJsselacademie en de
Zwolse Historische Vereniging.
In deze reeks
worden met enige regelmaat
historische
beschouwingen gepubliceerd
die door hun
omvang de maat van een
artikel in het Zwols Historisch
Tijdschriftteboven
gaan. Inhoudelijk, maar
ook wat betreft de
opmaak, sluiten beide periodieken nauw bij elkaar aan.
In dit tweede nummer van de reeks passeren bekende en
onbekende, bestaande en verdwenen voorbeelden van het
Zwolse industrieel erfgoed de revue. Negen artikelen zijn
hier gebundeld. Na een rondgang door de stad en door de
tijd komen scheepvaart en bruggen in beeld, trekken rijtuigbouwers,
wagenmakers, rijwielfabrikanten en -handelaren
aan de lezer voorbij, worden lingerie en textiel in de
etalage gezet en krijgen Schaepman’s Lakfabrieken BV historische
kleur.
De artikelen zijn rijk geïllustreerd en leveren met elkaar
een inspirerende bijdrage aan de Zwolse geschiedschrijving.
n8 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het oude Binnengasthuis aan
de Oude Vismarkt door Adriaan Eversen
Jeanine Otten
Het oude Binnengasthuis
aan de Oude Vismarkt,
ca. 1848. Tekening
door Adriaan
Eversen (1818-1897),
zwart krijt, penseel in
bruin en rood, afm.
blad 197×271 mm, r.o.
monogram AE en verso
in potlood gemerkt:
Gasthuis te I Zwolle I
A.E. (CollectieHCO).
Op 21 januari 1998 kocht het Gemeentearchief
Zwolle (sinds maart 2001 Historisch
Centrum Overijssel) op een veiling bij
Christie’s Amsterdam een tekening van het oude
Binnengasthuis of Heilige Geestgasthuis te Zwolle,
die omstreeks 1848 gemaakt is door Adriaan
Eversen (1818-1897). De tekening is een voorstudie
voor een schilderij van Eversen dat in 1970 voor
ongeveer tienduizend gulden werd geveild bij
Mak van Waay te Amsterdam. Op de tekening en
het schilderij zien we het Gasthuisplein met de
gevel van de voormalige grote zaal van het middeleeuwse
Heilige Geestgasthuis, gelegen aan een
binnengracht (de Grote Aa). De brug over de Grote
Aa is de Gasthuisbrug. De bomen staan aan het
Gasthuisplein.
Het oude Binnengasthuis
Het Heilige Geestgasthuis was een groot gebouwencomplex,
gelegen tussen de Diezerstraat,
Koningsplein, Oude Vismarkt en Gasthuisstraat.
Het gasthuis, gesticht aan het begin van de veertiende
eeuw, was gewijd aan de Heilige Geest der
Vertroosting en was oorspronkelijk een plaats
waar arme vreemdelingen gratis een of meer
dagen voedsel en een bed konden vinden. VanZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 119
daar de latere naam gasthuis (= vreemdelingenhuis).
De kapel verrees in 1308 met de voorgevel
aan de Diezerstraat, langs de Gasthuisstraat. In
1448 werd het gasthuis vernieuwd door mr. Berent
van Covelens, die toen ook het gotische oude stadhuis
van Zwolle bouwde. Door aankopen en bijbouwen
van huizen en huisjes breidde het Binnengasthuis
zich uit. Het bestond in de zestiende
eeuw uit een kapel en de ‘hotelruimte’, gelegen
langs de Gasthuisstraat. Deze ruimte, nu nog
gedeeltelijk aanwezig, was zo groot dat er gemakkelijk
honderd personen konden overnachten. Na
de Hervorming werd de kapel verbouwd en kwamen
er woningen in. Opmerkelijk is dat op de
stadsplattegrond van Zwolle uit 1649 door Joan
Blaeu alleen de kapel van het Heilige Geest Gasthuis
aan de Diezerstraat is afgebeeld. De langgerekte
zaal, die zich uitstrekte van de kapel tot aan
de Grote Aa, heeft Blaeu niet afgebeeld. Bij besluit
van 30 januari 1660 kreeg het Heilige Geestgasthuis
de naam van Binnengasthuis. Het werd toen
uitsluitend gebruikt als verpleeghuis voor ouden
van dagen.
In de nacht van 3 op 4 januari 1851 brandde het
voorste gedeelte van het Gasthuis, de in de Diezerstraat
verhuurde woningen, geheel af. De toren
die op het Gasthuis stond, stortte hierbij in en
werd niet hersteld. Het afgebrande gedeelte werd
bewoond door kastenmaker Worst en de paraplukoopman
Ottigno. De belendende en tegenoverliggende
gebouwen in het achterste gedeelte van
het Gasthuis bleven gespaard. Vijftien jaar later, in
1866, werd de kapel geheel vernieuwd. Hierbij verdween
ook de deur in de Gasthuisstraat die sinds
de demping van de Grote Aa (1857 en 1861) overbodig
geworden was. Omstreeks 1866 werd de
voormalige zaal verbouwd om er negentien
kamers met stookplaatsen ten behoeve van bejaarden
in onder te brengen. Aan het begin van de
twintigste eeuw voldeden de woninkjes van de
Het oude Binnengasthuis
aan de Oude Vismarkt,
ca. 1848 of later.
Schilderij door Adriaan
Eversen (1818-1897),
olieverf op doek (Particuliere
collectie, Detroit,
USA. Afbeelding gepubliceerd
in Tableau 6,
afb. 2).
120 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
A -; .. ^ : J
Ingang Diezerstraat
vanaf de Grote Markt,
ca

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 2000, Aflevering 3

Door | 2000, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

f
WÉ WOIS
istorisc
iidschri
1
* * ‘. i
*»•»
r
V*^BÉ
P R I J S F 12-, 5 O
“Slfeéfc-^wM-*
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
V
Ansichtkaart Eekwal
Poststempel 21 januari 1901
‘Lieve Betsy.
Ik stuur je ter eere nog van je verjaardag een heel
klein pakje [omcirkeld:] dat net zo groot is als deze
cirkel Ra ra wat zou dat zijn. Ik denk-—permiteer
mij […?] Misschien wel een klein stukje chocola van
een ]h et of zoo iets. Je moet me ook nog maar eens
schrijven hoor
Ontvang de groeten van je zooliefh. Broer EJC Greven.
[Met pijl:] hier leef ik
Deze kaart werd in 1901 geschreven door de toen
15-jarige Jan Greven aan zijn net 9 jaar geworden
zusje Betsy of Bep Greven. De familie Greven
woonde in Utrecht maar Jan zat in Zwolle op het
instituut Loman, een kostschool voor jongens van
gegoede huize die daar tegen een betaling van 800
gulden per jaar aan kost- en leergeld een gedegen
schoolopleiding kregen. Voor veel van deze jongens
volgde daarna een militaire loopbaan, zo ook
voor Jan Greven
Jan woonde weliswaar niet thuis, maar zat
zeker niet alleen in Zwolle: zowel de ouders van
zijn vader als van zijn moeder, Hélène Thiebout,
alsmede vele andere familieleden woonden hier.
Zie voor de familie Thiebout het artikel elders in
dit tijdschrift.
Het instituut Loman was gevestigd op de hoek
van de Veerallee en de Emmawijk, de ansicht geeft
ongeveer het uitzicht van daaruit weer. Jan geeft
dat zelf ook aan met de pijl en het tekstje ‘hier leef
ik’.
Verder zijn op de ansicht nog goed de Jufferenwalmolen
en de Eekwalmolen te zien.
Foto: Particuliere collectie
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
Deze aflevering gaat over families en panden.
Thera Tromp Meesters haalt verhalen op over
twee eeuwen geschiedenis van de bekende Zwolse
familie Thiebout. Bijzonder was het bij hen soms
wel, want niet bij elke Zwolse burger trad de clown
van het Amsterdamse circustheater Carré op.
De talrijke activiteiten van de negentiendeeeuwse
architect en aannemer Bernardus Hermannus
Trooster worden door diens nazaat
Ph. Trooster belicht. Door heel de stad bouwde
Trooster zijn kleine en grote panden, waarvan er
tegenwoordig nog heel wat staan.
Jeannine Otten bericht over een dienstwoning
van de voormalige Reinders’ Oliefabrieken. Dit
pand uit het begin van deze eeuw is aangemerkt
tot industrieel erfgoed.
Kortom: families en panden vormen deze keer
de beste toegang tot de geschiedenis van de Zwolse
burgers.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 74
De Zwolse familie Thiebout Thera Tromp Meesters 76
Aannemer Bernardus Hermannus Trooster (1814-1898)
Ph. H. Trooster 82
Boerendanserdijk 1: dienstwoning van de voormalige
Reinders’ Oliefabriekenals industrieel erfgoed aangemerkt
Jeanine Otten 90
Boekbesprekingen 97
Mededelingen 101
Auteurs 106
Omslag: De familie Thiebout in 1894 achter Klein Weezenland 14. (Particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Zwolse familie Thiebout
Thera Tromp
Meesters*
Dr. Carel Hendrik
Thiebout sr., rector van
de Latijnse school,
omstreeks 1850. (Particuliere
collectie)
De Thiebouten, een Zwolse familie? Nee,
eigenlijk niet. De oorsprong van de familie
ligt niet in deze contreien maar in
Frankrijk. Het waren Hugenoten die in 1685, na de
opheffing van het Edict van Nantes, voor de
katholieke overheersing naar de Republiek
vluchtten. Via Walcheren en Gorcum kwamen zij
in Arnhem terecht. In 1795 was Johannes Thiebout
sr. (1770-1844) een gewaardeerd lid van de ‘Vaderlandsche
Sociëteit voor Vryheit, Gelykheit en
Broederschap’ in Arnhem. Onder de familiedocumenten
bevindt zich nog een knipsel waarin
Johannes in dat ‘Eerste Jaar van de Bataafse Vryheit’
een oproep deed aan andere Sociëteiten om
met Arnhem te corresponderen.
Dertig jaar later, in 1825, verhuisde Johannes’
zoon Carel (1802-1872) naar Zwolle, omdat hij
daar een aanstelling had gekregen als leraar aan de
Latijnse School. En ja, vanaf die tijd kunnen we
echt spreken van een Zwolse familie, want de
Thiebouten zouden tot 1946 in Zwolle blijven
wonen, zich ondertussen actief bewegend in de
Zwolse samenleving. Ook nu nog wonen er nazaten
van deze familie in Zwolle.
Dr. Carel Hendrik Thiebout sr. (1802 -1872)
Carel Thiebout, voluit Dr. Carel Hendrik Thiebout
sr., maakte in Zwolle deel uit van een vriendengroepje
waartoe ook Jan ter Pelkwijk behoorde.
Het onderwijs zal daarbij vast de samenbindende
factor zijn geweest. Carel was een zeer erudiet
mens, tijdens zijn studietijd in Utrecht gold
hij al als een briljant student. Behalve een grondig
kenner van de oude talen was hij echter ook een
uitstekend docent en pedagoog, geen vanzelfsprekende
eigenschappen in het onderwijs. In 1834
werd hij op 32-jarige leeftijd aangesteld tot rector
van de Latijnse School, hij zou dat 35 jaar blijven.
Hiervoor werd hij benoemd tot Ridder in de
Orde van de Nederlandse Leeuw. In zijn Historische
Wandelingen beschrijft W.A. Elberts Carel
Thiebout als ‘een man uit één stuk, eerlijk, rond
en wars van vleierij, geliefd bij zijn leerlingen,
gezien bij zijn stadgenoten en ver buiten zijn
woonplaats’. Niet de minste bewoordingen! Maar
ook al kun je deze lofprijzingen rustig relativeren,
hij moet wel een bijzondere persoonlijkheid zijn
geweest. Naast zijn werkzaamheden in het onderwijs
was Carel jarenlang voorzitter van het Zwolsche
Departement der Maatschappij tot Nut van
’t Algemeen. In 1834, bij de Zwolse plechtige viering
van het landelijke vijftigjarige bestaan van de
Maatschappij, was Thiebout in de Broerenkerk
de feestredenaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Carel trouwde twee keer, zijn eerste echtgenote
overleed al in 1831 op 25-jarige leeftijd aan een
‘borstkwaal’, doorgaans een indicatie voor tuberculose.
Carel huwde beide keren met een dame uit
de familie Post. Deze familie was verwant aan
Neeltje Pater, een rijke zeventiende-eeuwse rederes
uit Broek in Waterland. Neeltje bezat een zeevloot
en diverse huizen en pakhuizen in Amsterdam.
Ze was op enig moment de stuwende kracht
van de Verenigde Oostindische Compagnie en
daardoor zelfs de rijkste vrouw van Nederland.
Carel Thiebout woonde tot zijn dood in 187″1
in de Walstraat op nummer 40. Ongetwijfeld wa
dit huis toen nog niet gepleisterd. Door de gladd
pleisterlaag en de lichtgroene kleur waarin het
tegenwoordig geschilderd is, heeft het pand wat
van zijn charme verloren. Als bakstenen huis, en
wellicht met zonneblinden, zal het in de eerste
helft van de negentiende eeuw een veel vriendelijker
uitstraling hebben gehad.
Carel Thiebout sr. ligt op Bergklooster begraven.
In 1952, naar aanleiding van zijn zeventigste
sterfdag, werd in de Zwolsche Courant een artikel
aan hem gewijd.
Mr. Johannes Thiebout jr. (1828 -1903)
Mr. Johannes Thiebout jr. (1828 – 1903) was de
oudste zoon van Carel sr. Hij studeerde net als zijn
vader in Utrecht en huwde bovendien in 1857
eveneens een lid van de familie Post, Diderica Elisabeth.
Het echtpaar woonde in de Bloemendalstraat
op nummer 10. Diderica stierf echter ook
jong aan een ‘borstkwaal’, op 32-jarige leeftijd na
slechts vijfjaar huwelijk. Zij liet twee dochtertjes
na: Betsy (Diderica Elisabeth Willemina, geb.
1860) en Hélène (Anna Helena, geb. 1861). Enkele
jaren later trad Johannes opnieuw in het huwelijk,
met Johanna Wenckebach (geb. 1839). Uit deze
echtverbintenis kwamen vier kinderen voort: Eva
(1867), Carel jr. (1868), Willem (1870) en jan
(1873)-
In diverse publicaties is vermeld dat Johannes
Thiebout advocaat was. De eerste zes jaar na zijn
afstuderen stond hij inderdaad als advocaat ingeschreven.
Maar al in 1859 werd hij secretaris en
ontvanger van het polderbestuur van Mastenbroek,
deze ambten bleef hij de rest van zijn werkzame
leven uitoefenen. Daarnaast vervulde hij
vele functies in het openbaar bestuur. Bijna dertig
jaar lang maakte hij deel uit van de Zwolse
gemeenteraad, enkele jaren was hij wethouder en
vijftien jaar lid van de Provinciale Staten van
Overijssel, waarvan vijf als Gedeputeerde. Hij was
ook bestuurslid van vele instellingen, zoals kerkvoogd
van de Nederlands Hervormde Kerk,
regent van het weeshuis, regent van het huis van
bewaring en lid van de commissies voor lager en
middelbaar onderwijs.
Of het nu door de erfenis van Johannes’ moeder
kwam of door de nalatenschap van zijn eerste
vrouw, een gegeven is dat hij het zich omstreeks
1865 kon permitteren een nieuw huis te laten bouwen
aan het Klein Weezenland. Hij was een van de
eersten, alleen Evert Jan Eekhout was hem voorgegaan,
die de oversteek over de stadsgracht
maakte. Toentertijd behoorde het gebied buiten
de grachten nog zo ongeveer tot het platteland.
Het was niet ‘comme il faut'”om daar te wonen.
Mr. Johannes Thiebout
jr. 1828-1903, in de bloei
van zijn leven. (Particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Achterkant van Klein
Weezenland (Van Roijensingel)
14, woonhuis
van Johannes Thiebout.
(Particuliere collectie)
Maar degenen die aan het Weezenland bouwden
hadden een fantastisch uitzicht op de stad en de
begroeide wallen. Ze hadden bovendien de ruimte.
Johannes liet achter zijn huis een grote tuin
aanleggen, ‘De Lindenhof geheten, die doorliep
tot aan de huidige Tuinstraat. Het huis zelf, Weezenland
14, stond op de hoek bij de Zeven Alleetjes.
Stond, want het is er helaas niet meer. In 1972
werd het afgebroken ten behoeve van de bouw van
een kantoorpand voor de IJsselmaatschappij. Het
was een immens groot huis, de schilder Joan Willem
Meijer heeft het in 1886 als achtergrond gekozen
voor zijn schilderij ‘Schaatsenrijden op de
Stadsgracht’ dat in bezit is van het Stedelijk Museum
Zwolle. Op dat schilderij en op foto’s is te zien
dat het een kloek pand was, zonder enige opsmuk.
Een huis zoals je ook nu nog veel ziet in Franse steden.
Zou Johannes zich toch nog een halve Fransman
gevoeld hebben? De contacten had hij er
zeker, want rond 1867 reisde hij per trein naar
Frankrijk om een compleet koper-instrumentarium
voor zijn amateur-blaasorkest op te halen. Hij
had dit bij een instrumentenmaker in Parijs
besteld om zodoende de kwaliteit van het orkest te
verhogen. Op zijn initiatief ontstond de muziekschool
waaruit later ook het conservatorium
voortkwam.
Uit bovenstaande mag al blijken dat Mr.
Johannes Thiebout een enthousiast bevorderaar
van de schone kunsten was. Een van Johannes’
kleindochters, Bep Tromp Meesters – Greven
(Diderica Elisabeth, 1892 -1984), wist nog uit eigen
herinnering te vertellen over de inspirerende sfeer
die er in Huize Thiebout heerste. Er werd dikwijls
gemusiceerd en geschilderd. Johanna Wenckebach
was bovendien ook iemand die het gezellig
maakte voor haar gezinsleden en gastvrijheid
bood aan vele vrienden, waaronder circusdirecteur
Oscar Carré en de toentertijd in Dalfsen
wonende kunstschilder Jacob van Heemskerck
van Beest. De familieoverlevering verhaalt eveneens
van het bezoek van een clown van Carré, die
langs kwam om dochter Hélène te leren ‘toveren’ –
het woord jongleren kende men toen nog niet –
met zes ballen en een beker! Deze exercitie was in
eerste plaats bedoeld als remedie tegen Hélène’s
‘kromme lopen’, maar wat zullen ze een plezier
gehad hebben!
Hélène, Betsy, Eva, Willem en Jan Thiebout
Hélène trouwde in 1884 met Corné Greven
(Jonkheer Cornelis Johannes, 1854 – 1928), een
legerofficier, die het tot garnizoenscommandant
van Den Haag zou brengen. Het paar Greven –
Thiebout vestigde zich echter aanvankelijk in
Utrecht. Het werd een goede gewoonte dat hun
kinderen Jan (Ernestus Johannes Christiaan, geb.
1885) en bovengenoemde Bep Greven ’s zomers
enkele weken bij hun grootouders Thiebout in
Zwolle kwamen logeren. Jan Greven bezocht later
het instituut Loman; eind negentiende eeuw een
bekende kostschool in Zwolle.
Hélène’s één jaar oudere zuster Betsy trouwde
in 1881 met Jo van Reede (Johan F.G., 1857 -1911),
wijnkoper en lid van de firma Ten Bruggencate en
Van Reede. Het echtpaar Van Reede -Thiebout
liet eveneens aan het Klein Weezenland een huis
bouwen, het huidige pand Van Roijensingel 18.
Deze imposante villa, opgetrokken in neorenaissancestijl,
werd ontworpen door de Zwolse architect
SJ.H. Trooster. In 1891 moest Jo van Reede
zijn majestueuze woning echter van de hand doen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
De nieuwe eigenaar werd Mr. B.P.G. van Diggelen
die tot 1941 de villa bleef bewonen. Jo en Betsy verhuisden
na de verkoop van Van Roijensingel 18
naar de Diezerkade.
Van de kinderen uit Johannes’ tweede huwelijk
was Eva de oudste en tevens de eerste die in het
grote huis aan het Weezenland werd geboren. Zij
trouwde in 1900 met Hendrik W.J. Roijaards (geb.
1862), op dat moment burgemeester van IJsselstein.
Opmerkelijk is dat Roijaards in 1906 dit
ambt neerlegde en zich met vrouw en kinderen in
Zwolle vestigde, waar hij zich evenals zijn zwager
Van Reede in de wijnhandel begaf.
Johannes’ tweede zoon Willem studeerde
medicijnen in Utrecht en werd huisarts in Maassluis.
Hij had veel patiënten die schipper waren.
Hij was getrouwd met een meisje Greve.
Willems jongere broer Jan (Johannes P.G.)
ging scheepsbouw te Delft studeren. Hij werd
scheepsbouwer en had met een compagnon een
scheepswerf in Amsterdam, onder de naam Van
‘Schaatsenrijden op de
stadsgracht’ door }. W.
Meijer, 1886. Met vol
zicht op het woonhuis
van Johannes Thiebout,
Klein Weezenland 14.
(Stedelijk Museum
Zwolle)
De eetkamer van Klein
Weezenland 14 in 1903.
(Particuliere collectie)
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De familie Thiebout in
1894 achter Klein Weezenland
14. De volwassenen
zijn vlnr. staand:
Jan Thiebout, Johannes
Thiebout, Helene Thiebout,
Carel Thiebout
jr., Jo van Reede, Willem
Thiebout. Zittend:
Corné Greven, Johanna
Wenckebach, Eva Thiebout,
Betsy Thiebout.
(Particuliere collectie)
Baay en Thiebout. Jan Thiebout trouwde laat: op
zestig-jarige leeftijd liep hij op een goede dag over
het Weezenland en kwam daar Frieda Wispelweij
tegen…
Mr. Carel Hendrik Thiebout jr. (1868 -1958)
De oudste zoon van Mr. Johannes Thiebout was
Mr. Carel Hendrik Thiebout jr. (1868-1958). Carel
was sportief van aard. Hij kon goed zeilen en
schaatsen, maar vooral de fietssport had zijn warme
belangstelling. De fiets was toen nog niet zo
lang uitgevonden en Carel jr. heeft de eer de eerste
fietser in Zwolle te zijn geweest! Zijn nog in leven
zijnde dochter Cateau Kloos-Thiebout (1903) kan
zich nog goed herinneren dat er in de gang van
hun huis een geel loopfietsje stond. Het was voor
haar en haar broertje streng verboden er op te
loopfietsen. Voor hun vader was het fietsje bijna
een heilig relikwie! Behalve de loopfiets bezat
Carel ook een vélocipède waarmee hij Zwolle
doorkruiste. Er werden geregeld fietswedstrijden
georganiseerd tegen andere steden. Groot was de
voldoening wanneer Zwolle won van Amsterdam!
De vélocipède behoort op dit moment tot de collectie
van het Stedelijk Museum Zwolle. Carel
Thiebout was verder een fervent vogelliefhebber.
Dikwijls fietste hij via het Kleine Veer of het Katerveer
naar Hattem om daar samen met zijn vriend
Piet van Tienhoven bijzondere vogels te bestuderen.
Samen richtten zij de Vogelbescherming
Nederland op, waarbij Van Tienhoven de grote
initiator was. Carel Thiebout jr. trouwde in 1902
met Cateau (Johanna Catharina) Loopuijt (geb.
1876). Zij woonden eerst in de Emmawijk, vervolgens
in de Terborchstraat en tenslotte van 1912 tot
1946 aan de Potgietersingel nr. 2. Carel Thiebout
koos na zijn rechtenstudie in Utrecht voor een
loopbaan als bankier, op Luttekestraat 19 was de
bank Frowein & Thiebout gevestigd. Daarnaast
was hij jarenlang gemeenteraadslid.
Examenvrees
Tot slot van dit beknopte overzicht van een Zwolse
familie een anekdote die bij tijd en wijle bij de
nazaten van de familie opduikt en waarin de eerste
Zwolse Thiebout, rector Carel, een rol speelt. De
pedagogische kwaliteiten van de laatste mogen
hieruit tevens blijken:
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
Carel Thiebout was lid van de commissie voor
het afnemen van het staatsexamen tot toelating
aan de universiteit. Zo moest hi) in 1848 de zestienjarige
Pieter de Génestet, die later bekend
werd als dichter, examineren. Het examen vond
plaats in de concertzaal van ’t Odéon. De Génestet
zag vreselijk tegen het examen op en had daardoor
last van een black out. Thiebout merkte dit en zei:
‘Kom, we gaan even buiten een luchtje scheppen,
daar zult u van opknappen.’ Beide heren gingen
een tijdje rondlopen in de tuin die ’t Odéon toen
nog rijk was. Onderwijl spraken zij over van alles
en nog wat het vak betreffende. Uiteindelijk ging
het weer richting examenzaal. ‘Oh nee’, verzuchtte
De Génestet, ‘opnieuw dat vreselijke examen!’
Waarop de rector uitriep: ‘Nee, dat hoeft niet
meer, u bent al geslaagd.’ Thiebout had hem, wel
bemerkend dat de jonge De Génestet overmand
was door zenuwen, ongemerkt in de tuin het examen
afgenomen.
De dichter heeft hem er later in stijl voor
bedankt. In het lange dichtwerk ‘Aan een lid der
commissie voor het staatsexamen’ spreekt hij
Thiebout onder meer met de volgende regels aan:
‘O wist gij, wel een heldre taal
Daar uit uw blikken sprak
Toen in diegroote, holle zaal
Mijn hart van weedom brak;
Toen ‘k riep: Odéons zaalgewelf,
Zink op den stommeling neer! –
Toen ‘k twijfelde aan mijn ikheid zelf,
Als aan de fabelleer.’ Etcetera.
Helaas staat de naam Thiebout op uitsterven.
Bovengenoemde Cateau Kloos – Thiebout is de
enige in de familie die deze naam nog draagt. Was
de wetgeving betreffende de naamgeving eerder
gewijzigd, dan waren er vast en zeker vrouwelijke
familieleden geweest die hun kinderen deze mooie
naam hadden meegegeven!
* Met dank aan Annèt Bootsma – van Hulten voor haar
inbreng bij de totstandkoming van dit artikel.
Bronnen
Mondeling:
Schriftelijk:
W.F.C. Tromp Meesters.
De dichtwerken van P.A. de Génestet,
1888, p. VI en p. 13-17
W.A. Elberts, Historische wandelingen in
en om Zwolle, Zwolle 1973, p. 100 en
p. 204. Zwolsche Courant 1 juli 1907 en
5 januari 1952 en het Huisarchief Schellerberg
Helene Greven – Thiebout,
met haar kinderen
Jan en Bep. (Particuliere
collectie)
Ansichtkaart van Circustheater
Carré, verstuurd
in 1901 door
Carel Thiebout jr. aan
zijn nichtje Bep Greven
in Utrecht. De tekst
luidt: ‘Zwolle 17.3. 01.
Beste Betsyl In dit
gebouw zaten wij (Pa
en ik) zaterdagavond;
en daar is Mama nog
nooit geweest. Zeg toch
datje eens spoedig met
M[ama] daar heen
gaat. Hoeveel is^x 17?
Heden eet Jan hier met
Betsy van Reede en Blijenburg.
Vele groeten
aan Pa Ma en Nero,
Oom Carel.’ (Particuliere
collectie)
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aannemer Bernardus Hermannus Trooster
(1814-1898)
Ph. H. Trooster * Op 16 Maart 1727 werd in het huwelijksregister
van Bredevoort in de Gelderse Achterhoek
geschreven: ‘Stephan Trooster
j.m., geboortigt van Evenkhausen gelegen in
Ceulsland, soldaat in de Comp.van de H-Lieutenant
Colonel Keppel, in ’t Reg. van wijlen de Hr.
Baron Haarsholt; met Gesina Willems j.d. van wijlen
Willem Willemsen, geboortigt van Groot-
Reken, gelegen in ’t sti v Munster.’ Dit echtpaar
Stephan en Gesina Trooster vertrok na de geboorte
van een zoon, Arend, naar Zwolle. Het beroep
van soldaat stond niet in hoog aanzien en de beloning
was schamel. Geboortig uit ‘Ceulsland’ (het
bisdom Keulen) betekende rooms-katholiek en
dat bracht maatschappelijke achterstelling met
zich mee. Stephan werd in Zwolle dan ook in 1739
van de armen begraven, met de aanduiding
‘wonende bij de Saagmeulen’.
Arend Trooster gaf aan zijn eerste zoon (1752)
weer de naam Stephan. Deze Stephan trouwde in
1776 met Hillegonda van der Kolk en was eerst
knecht bij een speldenmaker en later hout- en
turfkoper. Zijn zoon Johannes (1782), van beroep
sjouwer en arbeider, was de vader van de Bernardus
Johannes Trooster aan wie dit artikel gewijd
is. Bernardus zag het levenslicht in 1814.
Nieuwe kansen
De negentiende eeuw bracht een ommekeer ten
goede voor de katholieken. De leuze ‘Vrijheid,
Gelijkheid en Broederschap’, met de Fransen in
1795 naar Zwolle gekomen, miste haar uitwerking
op de verhouding tussen burgers onderling en
tussen burgers en overheid niet. Een groeiend
zelfbewustzijn bij katholieken bracht velen hunner
ertoe zich toe te leggen op de mogelijkheden
die het bedrijfsleven hen bood, vooral in de kleinhandel
met turf en talhout. Ook na de Franse
overheersing waren openbare ambten eerst nog
voor hen gesloten maar de gildedwang was definitief
opgeheven en men kon zich vrij als ambachtsman
vestigen.
Zo deed ook Bernardus Hermannus Trooster.
Hij begon als timmerman, maar ontwikkelde zich
gaandeweg steeds meer als aannemer. Hij was in
1836 te Haarlem getrouwd, nadat hij, waarschijnlijk
in de Spaarnestad, zijn militaire dienstplicht
had vervuld. Zijn vrouw overleed reeds twee jaar
later, zonder hem kinderen te hebben geschonken.
Bernard keerde terug naar zijn geboortestad
en trouwde daar in 1841 met Ursula Maria Bosch,
dochter van een wasbleker. In 1847 kochten zij een
huis vlakbij de hoek van de huidige Thorbeckegracht
en de Posthoornbredehoek (Thorbeckegracht
46). Het kostte Bernard 2500 gulden, waarvan
hij er 1900 onder hypotheek moest lenen.
Zijn eerste grote opdracht kreeg hij van de
‘Commissie tot opbouw van de R.K. kerk “Onder
de bogen'”. Hij mocht voor 36.000 gulden een
nieuwe kerk in de Nieuwstraat bouwen. Dat was
veel geld in een tijd dat een stadhuisklerk 300 gulden
per jaar verdiende. De commissie van aanbesteding
bestond uit vooraanstaande en gefortuneerde
katholieke burgers, onder wie Antony
Johan Helmich en Gerardus Antonius Vos de
Wael. Zij moeten overtuigd zijn geweest van de
betrouwbaarheid van de 34-jarige Trooster, want
diens financiële armslag kan nog niet groot zijn
geweest. De kerk, het Sint-Jozefgebouw, staat er
nog steeds, op Nieuwstraat 41, hoek Rozemarijnstraat.
Een aantal jaren geleden werd het verbouwd
tot appartementen.
Wonen op de wallen
Welk perspectief bood Zwolle in 1850 een aannemer?
Zwolle groeide in die jaren. De stadswallen
werden geslecht, de poorten gesloopt. Op de plek
van de oude vestingwallen liet de stad ‘wandelinZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen’ (parken) aanleggen en rond de oude binnenstad
werden steeds meer nieuwe huizen gebouwd.
Het stadsbestuur gaf ook geld uit aan de verbetering
van wegen en kanalen. Zo zou Trooster
betrokken worden bij de bouw van de Sassenpoortenbrug,
Vispoortenbrug en Nieuwe Havenbrug.
Toen de Grote Aa door de binnenstad werd
overkluisd en vervangen door een groot gemetseld
riool mocht Trooster het gedeelte over het Gasthuisplein
voor zijn rekening nemen. De werkzaamheden
vingen aan in 1857 en zouden in totaal
zo’n 13.000 gulden kosten.
De nieuw te bouwen huizen op de geslechte
stadswallen boden Trooster echter de meeste
vooruitzichten. De verdedigingswerken waren
aangelegd tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-
1621) en besloegen een oppervlakte die gelijk was
aan een vijfde van de binnenstad. Er lag een hoge
wal om de stad en verscheidene bastions zoals het
Maagjesbolwerk, de Eekwal, de Suikerberg, het
Van Nahuysplein, het Ter Pelkwijkpark en de
Badhuiswal.
Sommige aanzienlijke burgers uit de Koestraat
en de Walstraat hadden op de buitenglooiingen
van de wal tuinen aangelegd, vaak met een tuinkoepel.
Soms konden ze hun tuin aan de stadsgracht
via een poterne, een onderdoorgang, bereiken.
Het was mogelijk ook de bedoeling van notaris
mr. LA.van Roijen een tuin aan te laten leggen op
de wallen toen hij in 1848 de leerlooierij van de
Gebroeders Damman kocht. De leerlooierij lag
naast zijn huis aan de Sassenpoortenwal (nu Van
Nahuysplein 4) en besloeg een groot gedeelte van
het huidige Van Nahuysplein. Een leerlooierij had
nu eenmaal veel spoelwater nodig. De leerlooierij
bestond uit drie percelen, waarop in ieder geval
twee pakhuizen, zeven kalkkuipen, 50 andere kuipen,
een droogloods en een tuinkoepel stonden.
Ook was er een tunnel onder de wal naar het water
van de stadsgracht. Van Roijen kwam er nog toe
om rond de koepel een tuin te laten aanleggen,
maar werd vervolgens in 1850 benoemd tot commissaris
des konings in Groningen. Zijn zoon
moest de boel maar weer verkopen. Trooster
kocht de tuin met tuinkoepel in 1854 en drie jaar
later ook nog een tweede perceel. De opzet van de
Bernardus Trooster aan
het eind van zijn carrière,
omstreeks 1880.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle)
aannemer: koop een perceel grond op een geliefde
plek, bouw er voor eigen risico een mooi huis op
en verkoop het geheel met winst. Trooster werd
een soort projectontwikkelaar. De kant en klare
ontwerpen voor zijn stadsvilla’s vond hij in boeken
die bijvoorbeeld in Parijs te krijgen waren bij
de École d’architecture Francais.
Dat dit een profijtelijke gang van zaken was,
blijkt uit Troosters activiteiten op het Jufferenwalbolwerk,
ook wel Maagjesbolwerk genoemd. In
1850 en 1852 kocht hij daar enkele percelen met een
tuin, koepel en drie huisjes voor 4.325 gulden. Een
deel ervan verkocht hij voor 3.500 gulden weer aan
de heren Hens en Schaepman. Voor beide ondernemers
bouwde Trooster op het stuk grond een
bierbrouwerij, die ‘Het Schaap’ aan het Rodetorenplein
zou worden en waarvan het restant pas
kort geleden is afgebroken ten behoeve van een
moderne projectontwikkelaar. De overgebleven
grond met huis, tuin en koepel verkocht hij voor
8.500 gulden aan A.K.Kersjes. Alleen de handel in
onroerend goed had hem dus al meer dan 7.000
gulden winst opgeleverd en dan kwam de bouwopdracht
voor de bierbrouwerij er nog bij.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De hoek van het Van
Nahuysplein omstreeks
1866-1867. Trooster
heeft de lage aanbouw
naast nummer 12 nog in
gebruik voor zijn bouwmaterialen
en werktuigen.
De molen die
boven de daken uitsteekt,
zou pas in 1870
worden afgebroken.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle)
Het Van Nahuysplein
In 1857 was Trooster in het bezit van nagenoeg het
hele Van Nahuysplein, om precies te zijn de percelen
van de huidige huisnummers 5 tot en met 17.
Om hier huizen te kunnen bouwen, kocht Trooster
van de gemeente ook nog voor 480 gulden een
perceel achter de huidige huisnummers 13 tot en
met 17. Tweederde daarvan was water en werd als
spoelkom van de leerlooierij gebruikt. Trooster
moest het eerst dempen en ophogen. Alles bij
elkaar kostte dit project 8.580 gulden, van welk
bedrag hij 8.000 gulden moest lenen. Tot 1870 zou
Trooster aan het plein negen riante herenhuizen
bouwen, waarvan er nu nog zes staan. In 1866 had
de ondernemer vijf van de huizen verkocht, voor
de totale som van 66.750 gulden.
De voorloper van de huidige nummers 16 en
17, een ‘kapitaal nieuwgebouwd herenhuis’, werd
in 1859 op een veiling voor 14.000 gulden gekocht
door de rechter Van Nes van Meerkerk. Het huidige
nummer 8, dat lange tijd bekend stond als het
verzorgingshuis van Zuster Scheffer, ging naar
barones C.M.C. Bentinck, de echtgenote van mr.
W.F.E. baron van Aerssen Beijeren van Voshol. Ze
moest er 11.000 gulden voor neertellen.
De voorloper van het huidige nummer 13 wisselde
al van eigenaar toen het nog niet afwas. De
marineman (kapitein ter zee) B.H. Staring kocht
het in 1860 voor 8.000 gulden.
Van Nahuysplein 14 was in 1864 afgebouwd en
werd voor 11.250 gulden de woonstee van jhr.mr.
P.Z.J. van Hemert, lid van Gedeputeerde Staten,
burgemeester van Hasselt en burgemeester van
Kamperveen, een echte bestuurlijke bobo.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Van Nahuysplein
aan het eind van de
jaren tachtig van de
negentiende eeuw. Het
was een keurig plein,
waar vooral veel adel
woonde. (Collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
De statige villa in het midden (nummer 12) die
nog steeds het plein domineert, werd door Trooster
zelf bewoond (onder) en door de burgemeester
van Zwolle, mr. J.A.G. de Vos van Steenwijk. In
1866 kocht mr. A.M. van Roijen de villa voor
16.500 gulden. Trooster zat toen zo goed in de
slappe was dat hij hem daarvoor 9.000 gulden kon
lenen. Hij bedong wel dat hij nog een jaar lang de
naast de woning gelegen werkplaats mocht huren.
De twee kavels die overbleven (nu staan er de
huizen 7 tot en met 9) verkocht Trooster in 1870
voor 6.000 gulden aan de heer Schlingeman. Later
bouwde hij er in diens opdracht drie herenhuizen
op.
Eveneens in 1870 kocht de gemeente met steun
van de bewoners van het Van Nahuysplein de
molen aan, die op een hoek van het bolwerk het
uitzicht ‘verpestte’. De molen werd schielijk afgebroken.
De aristocratie voelde zich zeer thuis op
het, zoals het toen nog heette, Potgietersplein.
Zeker toen later in het midden een fraai plantsoen
werd aangelegd. In 1893 werd het plein ter ere van
burgemeester jhr. W.C.Th, van Nahuys omgedoopt
in Van Nahuysplein. De fontein was het
jaar ervoor bij diens 25-jarig ambtsjubileum in
gebruik genomen.
Wan Nahuysplein 12, op
een zeer oude foto van
waarschijnlijk 1867. De
lage aanbouw aan de
villa is nog in gebruik
bij aannemer Trooster.
Zijn bouwmaterialen
liggen op de wal. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle)
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het succes
Trooster was succesvol toen hij met het Van
Nahuysplein bezig was. In 1864 was hij vijftig jaar
geworden. Het gezin telde, na het vroege overlijden
van twee meisjes, vijf kinderen. De oudste
zoon, Steven, bezocht de stedelijke tekenschool en
zou later als architect in Zwolle naam maken. Een
dochter, Regina, zat op de kweekschool. Zij zou
tot 1910 onderwijzeres in Dalmsholte zijn.
Bernard Trooster was lid van de Vereniging tot
Bevordering van de Bouwkunst, waarbij ook de
heren Dooijer, Breukel en Bosboom betrokken
waren. Tussen 1876 tot 1882 was hij er zelfs president
van. De voormalige timmerman bewoog zich
blijkbaar gemakkelijk in de kringen van zijn
opdrachtgevers.
De Stationsbuurt
In 1864 stoomde de eerste trein het station van
Zwolle, dat toen overigens nog gesitueerd was aan
de Willemsvaart, binnen. Vanaf 1866 werd het
huidige emplacement gebruikt en in juni 1868
kwam het stationsgebouw gereed. Tussen de stad
en het station lagen toen voornamelijk nog laaggelegen
weilanden, die voor de bouw van het station
waren opgehoogd. Langs de huidige Van Roijensingel
stonden nog niet de fraaie villa’s van tegenwoordig,
maar lagen wat tuinen met hier en daar
een tuinkoepeltje. Het gebied heette de Hertenkamp
(vandaar ook bijvoorbeeld de Hertenstraat)
en was in eigendom van de gemeente. Het stadsbestuur
wilde dat de nieuwe toegangsweg tot de
stad er fraai uit ging zien. In juni 1868 besloot het
vier grote percelen aan de oostkant van de Stationsweg
te verkopen, met de bedoeling ‘daarop
een villa, heerenhuis, groot koffijhuis of logement
van den eersten rang te [laten] bouwen. Op elk
perceel zal niet meer dan één gebouw mogen worden
opgerigt.’
Bernard Trooster kocht het derde perceel
waarop nu Stationsweg 9 staat. Het tweede perceel
(nu Hotel Wientjes) werd gekocht door een stroman
voor de kersverse burgemeester van Zwolle,
jhr. W.C.T. van Nahuys. Trooster kreeg van Van
Nahuys de opdracht er een mooi huis op te bouwen
en al in augustus van hetzelfde jaar werd met
de bouw een aanvang gemaakt. Van Nahuys zou
er 34 jaar wonen. In 1928 kocht hotelhouder F.Th.
Wientjes de villa, verdubbelde het gebouw door er
een identiek stuk tegenaan te laten zetten en
begon er een hotel.
Het perceel Stationsweg 9 verkocht Trooster
na de zomer met enige winst aan de belastinginspecteur
L.Wentholt. Vervolgens kreeg hij van
hem de opdracht daar een villa te doen verrijzen.
Momenteel is dit pand nog het onderkomen van
de Regiopolitie IJsselland.
De andere villa’s aan de Stationsweg verrezen
in dezelfde periode.
Vanaf de Sassenpoort liep de snelste weg naar
het station via de Zeven Alleetjes, een soort wandelgebied
waar zeven laantj es die met bomen
waren beplant samen kwamen. De gemeente
maakte zich zorgen over de waterhuishouding in
dit gebied en probeerde ook hier het aanzicht van
Zwolle te verfraaien. Pas in 1882 zou de Terborchstraat
worden aangelegd, maar al tien jaar ervoor
kocht Trooster het perceel op de hoek van de Van
Roijensingel en de Zeven Alleetjes (Van Roijensingel
13). Hij deed dat voor mr. E.J.I. van Sonsbeeck,
een Zwolse advocaat die ook in Provinciale
Staten zat. Trooster bouwde voor hem een riante
villa in voornamelijk neorenaissancestijl die in
1874 betrokken kon worden. Het huis kreeg later
bekendheid omdat vanaf 1899 burgemeester LA.
van Roijen er lange tijd woonde. Deze mr. LA. van
Roijen was de kleinzoon van de commissaris des
konings in Groningen A.M. van Roijen, met wie
Trooster aan het Van Nahuysplein te maken had
gehad.
De Eekwal
In de geschiedenis van de huidige panden 16,18 en
20 aan de Eekwal speelde Trooster ook een
belangrijke rol. Aan de Eekwal lagen vroeger, net
als aan het Van Nahuysplein, leerlooierijen. Eek is
eikeschors dat bij het looiproces werd ingezet. De
leerlooierijen verdwenen toen de wallen werden
geslecht en er statige herenhuizen verrezen.
Trooster kocht in de zomer van 1870 voor 6.000
gulden een stuk grond tussen de Eekwal en de Kalverstraat,
dus aan de stadszijde schuin tegenover
het bolwerk. Dat was erg veel geld voor een niet al
te groot stuk grond. Voor alle zekerheid bouwde
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Trooster er dan ook niet voor eigen risico een huis
op, maar verkocht de grond en bouwde het huis in
opdracht van de koper. Waarschijnlijk was dat
ook voordeliger: er hoefde dan slechts overdrachtsbelasting
over de grond te worden betaald.
In februari 1871 ging het perceel van het huidige
nummer 20 over in handen van de heer A.P.G.
Hens en mocht Trooster er een huis op bouwen.
Met de familie Hens had hij twintig jaar eerder al
zaken gedaan, toen hij brouwerij ‘Het Schaap’ aan
het Rodetorenplein bouwde. Het tweede stuk, het
huidige nummer 16, ging in de herfst van dat jaar
naar de familie Vos de Wael. Het derde pand dat
er tussenin kwam te liggen, nummer 18, werd
gebouwd voor de heer P. van Regteren Altena, een
grondeigenaar uit Heerde. Om de huizen te kunnen
bouwen moest Trooster met de gemeente nog
een paar stukjes grond ruilen. Het stadsbestuur
stond daar welwillend tegenover, omdat ‘een
thans leelijke en misvormde hoek eene belangrijke
verbetering zal ondergaan’, zoals in de raadsvergadering
van 16 december 1871 werd gemeld.
In 1872 was Trooster klaar aan de Eekwal.
Tussen 1874 en 1883
In 1874 werd Trooster 60 jaar, maar dat betekende
niet dat hij van een rustige oude dag ging
genieten. Zijn activiteiten namen wel af; bovendien
valt deze periode moeilijk uit de oude stukken
te reconstrueren. Uit de familieoverlevering is
bijvoorbeeld bekend dat Bernard Trooster betrokken
is geweest bij de bouw van Frisia State aan de
Ruiterlaan, maar het is niet te bewijzen aan de
hand van archiefstukken. Frisia State werd in 1874
gebouwd voor baroness A.A.A. de Vos van Steenwijk-
van Eijsinga, naar een ontwerp van de architect
L.H. Eberson. Volgens een ander verhaal dat
in de familie rondgaat, zou Trooster in 1882 voor
de schatrijke joodse boterhandelaar Samuel
Cohen Van Roijensingel 6 hebben gebouwd. Het
ontwerp was van de bekende Amsterdamse architect
I. Gosschalk, die ook het Groninger station
had ontworpen. Ook hij was een jood. Nu zou er
onder de erker aan de linkerzijde van de villa een
kruis als ornament zijn aangebracht. Toen de
opdrachtgever daar achter kwam, ontstond er een
hoog oplopende ruzie met de bouwer. Cohen
Eekwal 16 (rechts) en 18
omstreeks 1890. Het
rechter pand was
gebouwd voor de familie
Vos de Wael, het linker
voor P. van Regteren
Altena. (Collectie
Gemeentearchief Zwol-
Ie)
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De zuidzijde van de
Celestraat met de door
Trooster gebouwde huizen.
In de deuropening
van nummer 10 staat
Bauwina Horreüs de
Haas, de zuster van de
‘rode dominee’, die na
het overlijden van haar
moeder in de ouderlijke
woning bleef wonen. De
foto werd omstreeks
1930 gemaakt.
stond erop dat dit symbool van het christelijk
geloof weer verwijderd zou worden, Trooster zei
dat het zo op de bouwtekening stond en dat het
moest blijven zitten. Het einde van het verhaal was
dat Trooster voet bij stuk hield en zich niet meer
op het bouwterrein liet zien. Zonder behoorlijk
toezicht moeten toen de bouwkosten de begroting
ruim hebben overschreden, wil het verhaal.
Trooster was in die jaren nog wel betrokken bij
de bouw van de Nieuwe Havenbrug (de Polkabrug),
die in 1875 tot stand kwam, maar erg actief
was hij verder niet.
In het najaar van 1878 kocht hij van Engelien
Middag (van boerderij de Klooienberg in Holtenbroek)
een huis, erf en weiland in Assendorp, toen
nog een landelijk gebied met enkele tuinderijen.
Op dit forse perceel bouwde hij haaks op de
Assendorperstraat twaalf arbeiderswoningen. Het
blok woningen was symmetrisch opgezet; het
middelste huis (nummer 16) was het grootst. Aan
de voordeur van deze woning is ook meer aandacht
dan aan die van de anderen besteed. Naar de
kanten toe worden de woningen kleiner. In de
zomer van 1880 overlegde hij met de gemeente om
een stuk grond voor de gevels van deze huizen te
kopen, zodat daarop een straat kon worden aangelegd.
Dat werd de latere Celestraat. In een van
de huisjes, die aan de zuidzijde van de straat lagen,
heeft (op nummer 10) tot 1928 de moeder van G.
Horreüs de Haas, de ‘rode dominee’, gewoond.
Het einde
Op 18 mei 1880 overleed Ursula Bosch, Troosters
echtgenote. Ze werd 62 jaar oud. Toen de erfenis
in 1881 verdeeld werd, bleek hoe Trooster er voor
stond. En dat hield niet over. Er viel zo’n 74.000
gulden te verdelen, waarvan echter 55.000 gulden
in onroerend goed zat. Troosters deel bedroeg
37.000 gulden, maar 35.000 gulden daarvan zat in
de twaalf huisjes aan de Celestraat. Inmiddels had
hij de bouw aangenomen van het station te Sneek.
Om die bouw voor te financieren moest hij een
hypotheek afsluiten van 25.000 gulden. Op de een
of andere manier kon Trooster de eindjes niet
meer aan elkaar knopen en op 23 september 1883
werd het faillissement uitgesproken. Hij bezat
precies 36.715,32 gulden, waaronder de twaalf
huisjes. Daartegenover stond een schuld die meer
dan 73.000 gulden bedroeg.
Daarmee was er voor Trooster op 69-jarige
leeftijd een niet al te glorieus einde gekomen aan
een lange loopbaan als aannemer. De oorzaak van
de financiële ondergang is moeilijk te achterhalen.
Misschien heeft zijn koppig karakter hem parten
gespeeld. Misschien hebben zijn beide jongste
zonen, Bernard jr. en Martinus – die beiden in zijn
voetsporen wilden treden – te vaak een beroep op
zijn portemonnee gedaan. Het is gissen.
De oudste zoon, Stephanus J.H., werd een succesvol
architect, die veel in Zwolle heeft gebouwd.
Het hielp daarbij dat hij trouwde met Cornelia
Kamphuis, dochter van een schatrijke Zaanse
houtkoper. Steven zal zijn vader een rustige oude
dag hebben bezorgd.
Bernardus Hermannus Trooster overleed in
Zwolle in 1898, op 84-jarige leeftijd.
* Bij het onderzoek heb ik veel medewerking ondervonden
van Jan Wigger van het Rijksarchief Overijssel,
Wim Huijsmans van het Gemeentearchief Zwolle en
Klaas Por van het Kadaster. Daarvoor mijn hartelijke
dank.
Rechts: Staat van
bouwwerken van B.H.
Trooster(i8i4~i896)
met bronvermelding.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
DATUM
20.06.1847
06.07.1852
23.02.1 S48
1850
11.02.1852
14.10.1SS2
1 850/”53
07.02.1854
21.06.1854
22.11.1S54
28.O2.18S6
16.4.1857
29.12.1857
30.03.1858
I2.04.18S9
20.O6.1860
25.1O.1X6O
1 1.06.1860
6. 6 1861
1864
28.4.1866
1867
2.6.1868
13.6.1868
22,8.1868
18.8.1869
7.9.1 860
15.3.1870
21.4.1870
19.5.1870
5.6.1870
16.12.1 87O
17.12.1870
21.11.1870
29.12.1 87O
23.2.1871
1871
20.Jip.1871
1X71
16.12.1871
25.3.1872
19.6.1872
29.1.1873
1873
1874
12.4.1875
22.10.1878
aard van
gebeurtenis
koop
verkoop
bouw
koop
koop
koop
bouw
verkoop
koop
errpacjit
verkoop
demping
koop
koop
pi.ibl.verk.
verkoop
verkoop
koop
bouw
verkoop
verkoop
bouw
publ.koop
bouw
bouw
verkoop
bouw
verkoop
koop
verkoop
koop
verkoop
bouw
bouw
bouw
verkoop
koop
verkoop
koop
ruit
verkoop
koop
koop
bouw
verkoop
bouw
koop
kad no
F 181
F 181
not.vd.Biesen
8255
F 1605
F 1598
F 1595
F-1596
OAZ 77/H56
F2924/2925
F 2099
dlv F3044
F 2984
F 2806
F3124/3109
T3123
naar 3404
F3O46(2O99)
F 3471
F 3705
notul.gem-
F 3403
F3 400/72
not.gem.r.
O 1499
not.gem.r.
GAZ.AA201
G 1499
O 1499
F 3397
B980
B980
F 1641
F 3705
Not.ftem.r.
Not.gem.r.
Not.gem.r.
F 3723
P 3698
F 3768/69
F 1641
not gem.r.
F3 767/68
O 3703/4
G.1726
(Q67)
M 1889
G67 deel van
G.1726
not.gem.r.
Q442-3 en
163
kada regjstr •+-
not akte
dl.88-39
dl. 140-5
dl.129-80
dl. 133-47
dl. 134-72
dl. 156-42
dl.101-55
dl.232.26
dl. 178-70
not.gem.rd
no.179
dl.201-9
dl.203-40
dl.216-8S
dl.231-63
dl.236-6
dl.232.26
no.209/259
dl.289.30
dl.303.62
dl.332.114
25.5.68
31.80
345.76
OAZ AA 201
351.3
353.8
353.8
354.22
359.56
14.12.70
367.31
369.83
369.84
374.16
nol.gem.r.
383.24
overlevering
386.70
393.71
oppervl.
r ‘ roe
3 r90
5 r 90
39 el
31 el
3 r 90
11 r 10
1 r 60
6r 60
16 r 40
7r90
5 r40
8 r.94
7r .60
1 r 19
4 r
7r 88
27. 5r
27.5 r
27.5 r
2.5 r
7.64 r
7.64
Sr 8
1.81 r
1.8r
0.49 r
2.9 r
0.13 r
2.10r
11.83 r
19 r
1.7 r
30.88 r
bedrag in
guldens
2500
2500
36.000
325
3000
1000
3500
2100
220
8500
13015
6000
480
14000
1 1000
8000
2 2 0
9875
1 1 250
16250
2200
1100
19.500
100 +5%
1500
5900
6000
6000
4500
16.900
2 5 0
1 100
2 4 5
1100
300
3500
5 per
el
2500
200
17.875
4000
vorige eigenaar
mej.de Haan
stueadoor Arens
“onder de bogen”
kerk R.K.
W.Sterk banketbakker
P.J. de Vos
v.d. Waay
Wed. Souman
Hens &;
Schaepman
Hens &
Sdiaepman
I.A.v.Royen
Stad Zwolle
AKersjes
Stad Zwolle
I. A.v.Royen
SUid Zwolle
v.Nes van Meerkerk
Mw. Bentinek
B.H. Staring
Stad Zwolle
Stad Zwolle
P.J.van Hemort
AM.van Royen
Stad Zwolle
Stad Zwolle
Stad Zwolle
W.v.Nuhuys
L.Wentholt
L.Wentholt
Schlingeman
H.R-Overbeek
I… Scheurleer
Ballot
Schlirj goeman
Stad Zwolle
Stad Zwolle
Schlingeman
AP.O.Hens
Stad Zwolle
Vos de Waal
Stad Zwolle
Stad Zwolle
v.Regteren-
Altena
voor en namais
v.Sonsbeek.
Sohellcwald
Vos. v. Steenwijk
SJH Trooster
Stad Zwolle
E.Middag van
Klooien berg
bijzonderheden
hoek Dijk (nu: Thorbeckegracht)
Poslhoombr.hoek
als hierboven
comm.tot oprichting rk kerk
A.J.Helmich.G. AVos de Waal
tuin/koepel in bast.Jutf.wal
huis/erf binnensingel Juü’.w
2 huisjes/erven a.d.Jufif.wal
brouwerij a.d. Jufterenwal
1 923 kerkgeb.EI JM
tbv.bouw brouwerij,
kopers nemen f. 1000. hypotheek
tuin/koepel Sassenpoortenwal
a.d. Sassenpoortenwal
huis/tuin/koepel Juflèrenwal
Grote Aa tusen Blauwe Hand en Gasthuis
brug
huis en erf a.d. Sassenpoortewal
kolk v.voormalige leerlooierij
dempen.voor 1.1.’60 bouwen
Sassenpoortenwal : “kapitaal
nieuw gebouwd herenhuis”
a.d. Sassenpoortenwal
in aanbouw x.ijnd huis a.d.
Sassenpoortenwjil
a.d. Sassenpoortenwal (15.3..70)
on derbouw. Sassenpoorten brug.
burgern.Kamperveen .huis a.d. Sassenpoortenwal.
huis a.d. Sass.p.wal bewoond door BH Tr
en Burgemeester.De Vos v.Steenwijk
muur aan het Gr.Kerkplein
Stationsweg no.9
onderbouw VispooitenbruR
burgem.Zwolle Stationsw.7
(hotel Wienties)
Stationsweg 9
Stationsweg bij Hertenkamp
Sassenpoortenwal
huis/erf Diezerpoort
voor de Diezerpoort
Grond aan de Eekwal
aan de Sassenpoortenwal
school aan de Praubstraat
5 heipalen 1’annekoekendijk
koopt 2 ca. van stad tlnv bouw door
B.H.Trooster
ter bebouwing door B.H.Trooster
grenzend eigendom koper
ter bebouwing door B.H.Trooster
tbv bouw hoek Zuid van Hens
tbv bouw aanzienl.woning Eekwal
in aanbouw zijnd huis tussen Hens
en Vos de Waal.
nabij 7 Alledjes (v.Royensingel 1 3)
tuin-Hcoepel Assendorpersteeg
Frisia State-Ruiterlaan
zoon van B.H.Tr.j architect
bouw Nieuwe Havenbrug(PolkabruR>
huis. erf en weiland Assendorp. –
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerendanserdijk 1: dienstwoning van
de voormalige Reinders’ Oliefabrieken als
industrieel erfgoed aangemerkt
Jeanine Otten*
Boerendansedijk 1 aan
de ingang van het zogenaamde
DSM-terrein,
februari 2000. Foto:
Marcel Overbeek. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
Tegenover het einde van de Vondelkade ligt
het begin van de Boerendanserdijk. Daar,
op het zogenaamde DSM-terrein, staat tussen
hoog struikgewas aan de Nieuwe Vecht een
vrijstaande, dichtgetimmerde woning. Door de
vervallen toestand waarin het pand verkeert is er
op het eerste gezicht niet veel bijzonders aan te
beleven, maar degene die nog eens beter kijkt ziet
dat het huis allerlei aardige details bevat. Het
grondplan is vierkant. De voorgevel heeft op een
van de hoeken twee vierkante gemetselde zuiltjes,
gedekt met een Dorisch aandoend kapiteel, die de
overhangende daklijst ondersteunen. De zuiltjes
zijn onderdeel van de veranda die toegang geeft
tot de voordeur. De woning op het perceel Boerendanserdijk
1 is de voormalige dienstwoning
horend bij Reinders’ Oliefabrieken NV, in 1970
door Golden Wonder Holland BV overgenomen.
In 1989 werd de raffinaderij gesloten en kwam
er een einde aan de soms niet al te fris ruikende
geuren die in de omgeving van de fabriek hingen.
In de jaren daarna werden de fabrieksgebouwen
gesloopt. Momenteel is het terrein in het bezit van
projectontwikkelaar Nijhuis Rijssen BV te Rijssen.
In 1998 verleende de gemeente Zwolle een sloopvergunning
voor het pand Boerendanserdijk 1.
Diverse instanties, waaronder de adviescommissie
van Het Oversticht en FIEN (Federatie Industrieel
Erfgoed Nederland), hebben bij de gemeente
Zwolle gepleit voor het behoud van dit unieke
stukje industrieel erfgoed. Er is immers in Nederland
maar weinig bewaard van dit soort gebouwen.
Dergelijke gebouwen maakten deel uit van
een complex van aangrenzende gebouwen bij het
eigenlijke fabriekspand, zoals bijvoorbeeld de
directeurswoning, de woning voor de bedrijfsleider
en arbeiderswoningen. Deze behoorden alle
tot het industriële terrein en waren vaak in een bijzondere
bouwstijl uitgevoerd. Samen met molen
De Passiebloem en het nog naast Boerendanserdijk
1 aanwezige transformatorhuisje, waarin een
gevelsteen met de initialen van directeur Reinders,
herinnert de dienstwoning Boerendanserdijk 1
nog als enige aan het voor Zwolle zo belangrijke
en karakteristieke complex van Reinders’ Oliefabrieken.
Het pand kan daarom als industrieel erfgoed
worden aangemerkt.
Zwolle heeft meer complexen gekend die als
industrieel erfgoed beschouwd kunnen worden,
bijvoorbeeld het kleinschalige industriële gebied
op het Maagjesbolwerk dat in de tweede helft van
de jaren negentig van de juist afgelopen eeuw
voorgoed met de grond gelijk is gemaakt om
plaats te maken voor het prestigieuze project van
architect H.J.M. Ruijssenaars. Alleen op oude
foto’s van het Maagjesbolwerk is nog te zien dat de
molen van Kok, de bierbrouwerij Het Schaap en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
de ijsfabriek, beide van Schaepman, de steenhouwerij
en het landbouwwerktuigenmagazijn van O.
de Leeuw in het begin van de twintigste eeuw nog
volop in bedrijf waren. Het is daarom zeer verheugend
dat dit bijzondere gebouwtje aan de Boerendanserdijk
voor Zwolle en Nederland behouden
blijft. Ondanks de al afgegeven sloopvergunning
heeft projectontwikkelaar Nijhuis Rijssen als
teken van goede wil namelijk beloofd het gebouw
te laten staan. Tot teleurstelling van vele kooplustigen
moet er bij gezegd worden dat Nijhuis Rijssen
geen woonbestemming aan het pand geeft.
In mei en juni 2000 kreeg het Gemeentearchief
Zwolle een bijzondere schenking van zeventien
foto’s uit de begintijd van Reinders’ Oliefabrieken
in Zwolle. Behalve informatie over de foto’s kon
de schenker (een kleinzoon van de eerste bewoner
van Boerendanserdijk 1) ook achtergronden over
het werken bij Reinders’ Oliefabrieken geven.
Deze verhalen uit overlevering vormen samen met
de geschonken foto’s een waardevolle aanvulling
op de reeds in het Gemeentearchief aanwezige
bouwtekeningen, foto’s en geschreven bronnen
over Reinders’ Oliefabrieken. Van belangvoor dit
artikel is dat er onder de schenking met name veel
foto’s van de eerste bewoners van Boerendanserdijk
1 zijn. Voordat we daar nader op in gaan, volgt
eerst wat algemene informatie over de firma Reinders.
Reinders & Co, 1893-1928
De oprichter van Reinders Oliefabrieken was
Koert Reinders (1845-1917). Deze Koert Reinders
werd geboren in de gemeente Hoogezand. Rond
1869 begon hij met een oliemolen in Martenshoek,
een buurtschap tussen Foxhol en Hoogezand.
Later had hij in deze omgeving een stoommeelfabriek.
In 1893 vertrok hij naar Zwolle waar hij de
stoomoliefabriek De Aloë, gelegen aan de Nieuwe
Het huis Boerendanserdijk
1 met op de achtergrond
de molen De Passiebloem
metknechtswoning
en pakhuizen
aan de andere kant van
de Nieuwe Vecht, ca.
1930. (Collectie
Gem een tea rch iefZwol-
Ie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Heiwerkzaamheden
voor de grote verbouwing
van De Aloë omstreeks
1915. Op de achtergrond
de dienstwoning van
Willem Reinders. (Collectie
Gemeentearchief
Zwolle).
Vecht, van de firma Van Engelen en Van Laer
overnam. Daartoe werd op 1 mei 1893 de firma
Reinders & Co, firmanten Koert Reinders en zijn
zoons Reinder Uneko (geb. 1869) en Douwe Jan
(1871-1940), opgericht. Koert Reinders had vier
zonen en één dochter, die allen kortere of langere
tijd bij het bedrijf betrokken zijn geweest.
Het in 1877 gebouwde fabriekje De Aloë was gunstig
gelegen aan diep vaarwater, op vijf minuten
afstand van de Dedemsvaartse Stoomtram. Het
complex bestond uit een fabrieksgebouw, loodsen,
baaswoning en stallen. De capaciteit van de
oliefabriek bedroeg in het eerste jaar van de
oprichting 70 ton per week, terwijl aan voederartikelen
en gruttenmeel ongeveer 50 ton per week
verwerkt werd. Het vervoer naar de markt, schepen,
het spoor en de omliggende plaatsen
geschiedde met behulp van wagens en vier paarden.
Er werkten in die tijd ongeveer 30 mensen.
De winsten waren zodanig dat al snel tot uitbreiding
kon worden overgegaan. De eerste hydraulische
napersen werden in bedrijf gesteld, terwijl in
1896 de oliemolens De Passiebloem en de Roode
Molen aan de Nieuwe Vecht door huurovereenkomst
aan het bedrijf verbonden werden. De beide
molens, met de daarbij horende knechtswoningen,
pakhuizen, schuren, enzovoorts en de gehele
inventaris, werden door Willem Hendrik Visscher
voor 460 gulden per jaar verhuurd aan Reinder
Uneko Reinders, firmant van Reinders & Co.
Opmerkelijk is dat 30 jaar later de huurprijs niet
hoger maar lager was: in 1926 werd een nieuw
huurcontract opgemaakt. De beide molens werden
verhuurd voor 400 gulden per jaar. De één na
laatste zin in dit huurcontract doet ons de wenkbrauwen
fronsen: ‘Op gevoelens der Schoonheidscommissie
zal door ondergeteekenden geen
acht worden gegeven’. De Roode Molen werd in
1934 gesloopt om ruimte te maken voor de Ceintuurbaan.
Maar oliemolen De Passiebloem staat
nog steeds in al haar schoonheid aan de Nieuwe
Vecht en is zelfs weer met behulp van een zeer
enthousiast molenaarsechtpaar volop in bedrijf.
In 1902 trad zoon Reinder Reinders uit de zaak.
Reinder was scheikundige en begon op hetzelfde
terrein een zeepfabriekje. Reinders jongere broer
Jan (Jan Douwes, 1876-1927) trad toen in als vennoot
van Reinders & Co.
Door het overlijden van één van de Zwolse
concurrenten, Jochem van Assen, in 1904 kon ook
diens fabriek Excelsior aan het Almelose Kanaal
aan het geheel worden toegevoegd. Deze fabriek
werkte met 40 man personeel en had een producZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
tie van 80 ton per week. In die jaren lag het accent
bij Reinders nog niet eens zozeer op olie, maar was
het ook een belangrijk gruttersbedrijf. Men verwerkte
tarwe, roggemeel en dergelijke met name
voor veevoer. In het voorjaar van 1914 begon men
met een grote verbouwing van De Aloë, de machines
en de capaciteit werden vermeerderd. Het
werk was half klaar toen de oorlog uitbrak. Desondanks
werd de verbouwing voortgezet. In 1915
werd besloten, na aankoop van diverse landerijen
om de fabriek De Aloë gelegen en na ruiling van
grond met de gemeente Zwolle, een olieraffinaderij
annex extraheerinrichting op circa 30 meter
afstand van de oliefabriek te bouwen. De vraag
naar spijsoliën nam dermate toe dat na al twee jaar
de installatie verdubbeld moest worden.
Het bedrijf was zeer succesvol. Tot de meest
vermogende Zwollenaren in 1916 behoorden dan
ook alle drie de toenmalige firmanten .
In 1928 werd de firma Reinders & Co omgezet
in Reinders’ Olie- en Veevoederfabrieken NV.
Willem Reinders, meesterknecht
Toen Koert Reinders van Groningen naar Zwolle
verhuisde, ging zijn meesterknecht met hem mee.
Dit betrof Willem Reinders (1852-1938). Hoewel
zijn achternaam anders doet vermoeden was Willem
Reinders geen familie van directeur Koert
Reinders. Ze waren wel allebei geboortig uit de
gemeente Hoogezand. In het najaar van 1869
begon Willem Reinders als zeventienjarige in de
oliemolen van Koert Reinders te werken. Vervolgens
werkte hij ook in de stoommeelfabriek van
Koert Reinders en bracht het daar tot meesterknecht.
Willem was getrouwd met Lammechien
Meijer (1848-1928), het gezin telde vijf kinderen.
Toen ze naar Zwolle kwamen woonden ze aanvankelijk
aan de Nieuwe Vecht P147, in het woonhuis
van molen De Passiebloem. Rond 1905 betrok
het gezin Reinders de gloednieuwe dienstwoning
aan de Boerendanserdijk, zij waren daarmee de
eerste bewoners. Het adres luidde destijds Boerendanserdijk
16, pas in juni 1974 is het vernummerd
IP
jjrg
Rij
gaf/-
De familie van Willem
Reinders omstreeks
1900. Zittend: Lammechien
Reinders-Meijer,
Aleida Reinders, Willem
Reinders. Staand:
Hendrik Reinders, Imko
Reinders, Jacob Reinders,
Siepko Reinders.
(Collectie Gemeentearchief
Zwolle).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het personeel van De
Aloë omstreeks 1900.
Op de tweede rij in het
midden ‘baas’ Willem
Reinders, ‘meester’
Hendrik Reinders en
boekhouder Siepko
Reinders met hoed en
das. (Collectie Gemeentea
rch iefZwo lle).
tot Boerendanserdijk 1. Willem werd door de
werknemers van Reinders’ Oliefabrieken ‘baas’
genoemd. Hij was populair bij zijn ondergeschikten.
Zijn tongval bleef onmiskenbaar Gronings,
dat maakte hem vaak moeilijk te verstaan. Van
hem gaat het verhaal dat hij eens op een zaterdag
aan één van de arbeiders vroeg: ‘Hoeveel overuren
heb je gemaakt’. De man, die aan het lijnmeel
malen was, verstond hem niet goed en antwoordde:
’22’. Met de nodige krachtige bewoordingen
werd dit in twijfel getrokken, waarop de man zei,
tel zelf maar na. De arme man meende namelijk
dat gevraagd was hoeveel zakken meel gemalen
waren. Op 1 november 1924 werd Willem Reinders
gehuldigd voor zijn 55-jarig dienstverband, inclusief
Groningse jaren, bij de firma Reinders. Hij
was toen ruim 31 jaar baas op de fabriek De Aloë.
Bij die gelegenheid werd het bedrijf versierd en
het werd een gezellige dag.
Door zijn positie tussen arbeiders en directie
kon Willem Reinders zich wat meer permitteren
dan in die tijd van werknemers verwacht werd.
Hij durfde op een bepaalde manier het beleid van
de directie te bekritiseren. Zoals de meeste bedrijven
in die tijd blonk de firma Reinders niet uit in
royale beloningen. Op een gegeven moment had
de firma een uitzonderlijk goed jaar gehad. Na het
uitbreken van een mond-en-klauwzeer epidemie
onder het vee werden er uitzonderlijk veel veekoeken
van Reinders verkocht. De directie van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Reinders gunde daarom de werknemers in de
fabriek met kerstmis een kerstgratificatie: gehuwden
ontvingen ƒ 2,50, ongehuwden ƒ 1,50. Dat
hield zelfs in die tijd niet over. Op initiatief van
‘baas’ Reinders mocht het personeel toen eigen
flessen met lijnolie vullen.
Willem Reinders kreeg voor zijn werkzaamheden
bij de firma een koninklijke onderscheiding
Kort daarop kende de directie hem, weliswaar
schoorvoetend, nog een bescheiden oudedagsuitkering
toe, aanvankelijk 20 gulden per week, later
10 gulden. In de jaren dertig verhuisde Willem
Reinders als weduwnaar naar Diezerpoortenplas
30, waar hij in 1938 overleed.
De kinderen van Willem Reinders
Willem Reinders had vier zonen en één dochter.
Twee daarvan waren ook werkzaam bij de firma
Reinders. Willems zonen tekenden ter onderscheid
met de directie altijd met ‘Reinders Wzn.’
(Willemzoon). De oudste zoon Hendrik Reinders
Wzn. was machinist, door het personeel ‘meester’
genoemd. Zoon Siepko was boekhouder. Op een
foto rond 1900 zien we het voltallige personeel van
De Aloë met in het midden meesterknecht Willem
Reinders en zijn zoons Hendrik en Siepko. Nadat
zijn vader naar de Diezerpoortenplas was verhuisd
betrok Hendrik het huis Boerendanserdijk 1. In
april 1938 ging Hendrik in Spoolde wonen. Boerendanserdijk
1 werd toen de woning van een
andere werknemer van Reinders, de heer Koedijk.
Willem Reinders tweede zoon Siepko was aanvankelijk
kantoorbediende en boekhouder bij Reinders’
Oliefabrieken. Siepko Reinders Wzn. heeft
niet lang bij de firma Reinders & Co gewerkt. In
1901 ontstond onenigheid tussen Siepko en de
directie. Siepko was het niet eens met gevoerde
administratie en gooide met een kasboek naar de
directeur. Het gevolg was dat hij de laan uitvloog.
Later vinden we Siepko Reinders terug als winkelier
in tabak en sigaren aan de Diezerpoortenplas.
Van de derde zoon, Jacob Reinders Wzn., is
bekend dat hij bij de gemeente schrijver en bouwkundig
opzichter was bij de bouwpolitie (onze
huidige afdeling Bouw- en Woningtoezicht).
Begin 1904 vertrok hij naar Den Haag. De vierde
zoon Imko Reinders was eveneens bouwkundig
opzichter van beroep. Dochter Aleida Reinders
(1894-1978) trouwde met Albertus Jacobus Polder,
bouwkundige van beroep. In 1926 kregen ze te
Stompwijk hun zoon J.W. Polder. Deze laatste is
de schenker van de bovengenoemde foto’s.
De dienstwoning
Het huis Boerendanserdijk 1 werd omstreeks 1905
als dienstwoning gebouwd naar een ontwerp van
Imko Reinders. Op de begane grond bevindt zich
achter de voordeur een gang met aan de ene kant
een slaapkamer met het venster aan de veranda en
aan de andere kant van de gang een woonkamer.
Verder tekende Imko op de begane grond nog een
keuken met aangebouwde w.c, een kamer en een
trap naar de eerste verdieping waar onder de kap
nog drie slaapkamers gerealiseerd werden. Ruimte
genoeg voor het gezin van Willem Reinders waarvan
de vier zoons op dat moment het huis al uit
waren. Kort na de bouw kreeg het huis elektriciteit
vanuit de fabriek. Zeer modern! Om 22.00 uur
ging dan het licht even aan en uit als waarschuwing
dat kort daarop in de fabriek de stroom werd
uitgezet en men daarmee de dienstwoning in het
donker zou zetten. Zwolle werd na 1914 aangesloten
op het elektriciteitsnet. Imko Reinders is verantwoordelijk
voor meer ontwerpen voor Reinders’
Oliefabrieken in Zwolle. Op ettelijke bouwtekeningen
voor de firma Reinders & Co is zijn
handtekening te herkennen. Imko Reinders is ook
bekend als architect van de glasfabriek in Leerdam.
Ook de man van zijn zus Aleida, Polder, was
als bouwkundige werkzaam voor Reinders’ Oliefabrieken.
Hij ontwierp in 1934 het gebouwvan de
raffinaderij Nievecht. Op een luchtfoto (zie volgende
pagina) zien we het hele terrein van de NV
Reinders aan de Nieuwe Vecht, met linksonder
oliefabriek De Fortuin, de raffinaderij Nievecht
uit 1934, het gedeelte van De Aloë dat in 1877 werd
gebouwd, de uitbreiding van De Aloë omstreeks
1915 en tenslotte rechtsboven de dienstwoning
Boerendanserdijk 1.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De N. V. Reinders’ Olieen
Veevoederfabrieken
aan de Nieuwe Vecht.
Foto KLM Schiphol, ca.
1950. (Particuliere collectie).
Tentoonstelling Reinders en Reinders & Co
Omdat er veel meer foto’s van de firma Reinders &
Co en de familie Willem Reinders zijn dan hier bij
dit artikel kunnen worden afgedrukt, is vanaf september
2000 in het Gemeentearchief Zwolle een
kleine fototentoonstelling gewijd aan Reinders &
Co en Reinders.
* met dank aan Marcel Overbeek (Federatie Industrieel
Erfgoed Nederland), Dirk-Jan Baaiman (Het Oversticht),
Johan Teunis (Monumentenzorg en Archeologie,
Gemeente Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Boekbesprekingen
Aaldert Pol en Gerrit van Hezel. Kraggenburg en de
vaarweg van Zwolle naar zee. Publicaties van de
IJsselacademie nr. 126. Kampen 2000. (Prijs
ƒ29,95. 216 pp.)
Ruim anderhalve eeuw geleden ontstond in de
Zuiderzee een kunstmatig opgeworpen eiland:
Kraggenburg. Hier werd een haven aangelegd,
met daarbij een lichtwachterswoning. Het geheel
lag aan het eind ‘van de vaarweg van Zwolle naar
zee’, het Zwarte Water, dat door twee leidammen
van vijf en zes kilometer lang was verlengd. De
bedoeling was om op die manier het Zwolsche
Diep (gelegen aan de monding van de rivier) beter
bevaarbaar te maken. Deze geul was weliswaar
noch Zwols, noch diep, maar had zijn naam te
danken aan het feit, dat de stad er bakens stak en
tonnen legde. Zwolle had er dan ook alle belang
bij de vaarweg bevaarbaar te houden, omdat die
de toegang vormde tot de wereldzeeën. Dit belang
nam toe mét de concurrentie, vooral die uit Kampen
en Embden.
Een groep Zwolse notabelen stichtte daarom
in 1844 -vanuit de Overijsselsche Vereeniging tot
Ontwikkeling van Provinciale Welvaart, kortweg
‘Welvaart’- de ‘N.V. Maatschappij tot verbetering
van den handelsweg over het Zwolsche Diep,
mede door landaanwinning’. Het was deze ‘Zwolse-
Diepmaatschappij’ die de genoemde leidammen
en Kraggenburg tot stand bracht. De naam
van deze plaats was ontleend aan de kraggen die
werden gebruikt als onderlaag voor de dammen;
een noviteit die werd geïntroduceerd door ir.
B.P.G. van Diggelen. Zijn inzending voor een
prijsvraag waarbij werd gevraagd om plannen ter
verbetering van de vaarweg door het Zwolse Diep
werd beloond met de eerste prijs. (Al was hij de
enige inzender, de waardering voor zijn bijdrage
was er niet minder om.)
Het ontstaan van Kraggenbrug is slechts één
van de onderwerpen, de opmaat, in het boek
Kraggenburg en de vaarweg van Zwolle naar zee. De
beide auteurs, Aaldert Pol en Gerrit van Hezel,
belichten niet alleen de technische aspecten van
dit waterstaatkundig meesterwerk, maar gaan ook
uitgebreid in op de politieke perikelen vóór en na
de totstandkoming ervan. De tegenstand kwam
van verschillende kanten. Aanvankelijk vooral van
Gouverneur Jan Derk van Rechteren, die vond dat
een dergelijk project een taak was van het openbaar
bestuur. Geheel onverdacht was zijn kritiek
niet, want de Gouverneur leek meer op te hebben
met Kampen, waar zijn pleegzoons, de Van Hasselts,
een belangrijke rol speelden in de zeerederij.
Ondanks alles stelde hij zich echter wel coöperatief
op. Op 26 juni 1844 kreeg ‘Welvaart’ de concessie
voor de oprichting van de Zwolse-Diepmaatschappij
en in april 1945 waren de aandelen,
voor een bedrag van 350.000 gulden in totaal, voltekend.
Zelfs koning Willem II nam twintig aandelen
van 500 gulden per stuk. Aan het eind van
1848 kon op Kraggenburg de vlag in top. Maar
daarna begonnen de moeilijkheden pas goed. Er
kwam felle tegenstand van de kant van de kleine
schippers in Zwolle en de regio, die weigerden de
tol die met ingang van het nieuwe jaar zou worden
geheven, te gaan betalen. Ook beriepen zij zich op
het vrije gebruiksrecht van het Zwolse Diep als
openbaar vaarwater. Onder aanvoering van Willem
Jan Schuttevaêr – voorheen schipper en daarna
koopman te Zwolle – voerden ze felle acties. De
1.5 cent per ton laadvermogen en het jaagpadgeld
zouden hen ruïneren, zo betoogden zij. Bovendien
hadden zij voor hun kleine schepen helemaal
geen verdieping van de vaarweg nodig. Daarom
moest de tol niet worden geheven naar de tonnenmaat,
maar naar de diepgang van de schepen. Het
regionaal conflict werd een nationale zaak. Schuttevaêr
en de zijnen kregen belangrijke steun in de
persoon van minister Thorbecke van Binnenlandse
Zaken, die doordrukte dat de tarieven werden
verlaagd. De tegenstand bleef echter toenemen en
dit leidde er zelfs toe, dat in 1856 een parlementaire
enquête werd gehouden. (De tweede in de
geschiedenis, nadat hiertoe in de Grondwet van
1848 de mogelijkheid was geopend.) Tot resultaat
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
voor de schippers leidde dit vooralsnog niet, mede
omdat Thorbecke geen minister meer was. Toen
dat in 1862 echter wel weer het geval was, zorgde
hij er binnen enkele maanden voor, dat een tolheffing
naar diepgang (1.30 m) werd ingevoerd.
Voor de meeste schippers betekende dit dat zij
weer tolvrij konden varen. Voor de Zwolse Diepmaatschappij,
toch al geplaagd door gebrek aan
inkomsten en hoge onkosten, was dit het begin
van het einde. In 1875

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1999, Aflevering 3

Door | 1999, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsma-van Hulten en
Wim Huijsmans
ZWOLLE
A R C HIE F
ot™J
001161
Ansichtkaart Grote Markt met Peperbus
Poststempel augustus 1961
‘Beste & Lieve Corrie
Opa is met vacantie in Zwolle en maakt het gelukkig
goed. Ik heb al veel gewandeld en mooie tochten
medegemaakt met Oom Jan. Het weer is best wel
watfrisch maar veel droog. Van Tante Adri heb ik
vanmorgen uit Italië de 2e brief gehad, ze heeft
prachtig weer en geen pijn dus ook zij geniet van
alles. Voor we van huis gingen hebben we je briefin
orde ontvangen. En nu Corrie, ik weet niet of je al
terug bent van vacantie maar in gedachten een flinke
kus van Opa en ook de hartelijke groeten van
Tante Nel, oom Jan en Neven en Litia(l).’
De Grote Markt was in het begin van de jaren
zestig nog een verkeersknooppunt. Op de ansicht
is een deel van de rotonde zichtbaar, die daar in
1929 werd aangelegd. Dat was noodzaak geworden
omdat het verkeer zich voor die tijd willekeurig
over het plein bewoog, hetgeen de nodige hachelijke
situaties opleverde.
Aan de op kaart zichtbare kabels hingen, bij
wijze van straatverlichting, lichtbakken.
Ongeveer midden op de kaart is goed het pand
Grote Markt 15 te zien, het huis met de gevelsteen
van ‘het Hondje’. Het huis was van 1922-1968
eigendom van H.J.G. Paanakker, winkelier in
schoenen. Dit pand was aan het eind van het vorige
jaar een prooi der vlammen, hierover elders in
dit tijdschrift meer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
In het vorige nummer heeft u de jeugdherinneringen
van Ank Meliesie-Appelhof over de Tweede
Wereldoorlog kunnen lezen, deze keer vertelt zij
vooral over haar lagere school tijd: de onderwijzers,
de bijnamen die deze en andere Zwollenaren
kregen, de zondagsschool en hoe vakanties toen
doorgebracht werden.
Een ‘hot item’ is de brand in december 1998 in
Het Hondje op de hoek van de Grote Markt en de
afbraak van het pand. Op dit moment is het een
open plek tegenover de Grote Kerk. Wim Huijsmans
en Johan Teunis onderzochten de geschiedenis
en de bouwkundige aspecten van het pand
aan de hand van archiefstukken, afbeeldingen en
de restanten van het pand zelf. Het wachten is nu
op de (her)bouw van dit beeld bepalende pand.
Tegenover Het Hondje ligt de Grote Kerk.
Hier speelde een eeuw geleden Baron van Aerssen
Beijeren van Voshol een belangrijke rol als president
kerkvoogd. J. Erdtsieck en B. Veltman
beschrijven het leven van deze standsbewuste persoon.
Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in het
bijeenbrengen van gelden voor de restauratie van
de Grote Kerk. Op de ansichtkaart uit 1961 onder
de kop ‘Groeten uit Zwolle’ is deze bekende plek
in de stad ook te zien.
Zeker de moeite waard zijn twee interessante
boeken die onlangs verschenen en die worden
besproken in het literatuuroverzicht: het ene over
Zwolse zilversmeden en het andere over een aantal
karakteristieke huizen uit het eind van de 19de
eeuw. Aan beide boeken is veel onderzoek voorafgegaan.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en wim Huijsmans 74
Herinneringen (2) J.A.M. Meliesie-Appelhof 76
Grote Markt 15, ‘Het Hondje’ Wim Huijsmans en Johan Teunis 81
Baron van Aerssen Beijeren van Voshol (1828-1914),
redder van de Grote Kerk J. Erdtsieck en B. Veltman 91
Boekbesprekingen 102
Mededelingen 104
Agenda 105
Auteurs 106
Omslag: Schoolfoto van Ank Meliesie-Appelhof. Kinderen, keurig met de armen
over elkaar, zitten in ouderwetse schoolbanken (foto: particuliere collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen (2)
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
De school aan de Turfmarkt,
met meneer
Kronenberg (particuliere
collectie).
School
Enige tijd geleden vond ik een oude schoolfoto
van de eerste klas van de lagere school.
Kinderen van zes of zeven jaar, keurig met
de armen over elkaar, zitten in ouderwetse schoolbanken.
Het zijn van die banken met een vak en
een inktpotje in het midden. Op school schreven
we met een kroontjespen: dunne lijntjes op en
dikke neer.
Ik zat op school II. Vroeger hadden de openbare
scholen een nummer in plaats van een naam.
Het hoofd van de school was meneer Jonkers. Wij
zeiden ‘meneer’ en niet ‘meester’, want dat zeiden
alleen de kinderen op de dorpsscholen het platteland.
Behalve meneer Jonkers waren er meneer
Jansen (een erg aardige onderwijzer) en meneer
De Mik, maar die heb ik nooit gehad. Van juffrouw
Weggemans en juffrouw Jagersma heb ik
wel les gehad.
Ik had geen hekel aan school. Rekenen vond ik
niet prettig. Cijferen ging wel, maar die vreselijke
sommen over een vat dat leegliep en over A en B,
die elkaar ontmoetten, hadden niet bepaald mijn
voorkeur. Taal vond ik fijn. Ik had veel fantasie en
ik vond het heerlijk om opstellen te maken.
Meneer Jonkers bij wie ik in de hoogste Mas zat –
er waren zeven klassen – was niet bepaald een
pedagoog. Hij heeft mijn tere kinderziel zeer
gekwetst met opmerkingen als: ‘Ga jij maar naar je
kaboutertjes en elfjes.’
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Zingen was ook één van mijn favoriete vakken.
We zongen tweestemmig versjes die de jeugd van
tegenwoordig waarschijnlijk niet meer kent: ‘Op
de grote stille heide’, ‘Hela, gij bloempje, slaapt gij
nu nog’ en de vaderlandse liedjes, zoals ‘Waar de
blanke top der duinen’ en ‘O schitterende kleuren
van Nederlands’ vlag.’
Ook de tekenuurtjes waren gezellig, al was ik
beslist geen tekentalent. Uit het hoofd tekenen –
vooral poppetjes – was leuk, maar om een rechte
lijn langs een lineaal te trekken vond ik al moeilijk!
En dan moest je ook nog handwerken. Het
enige prettige eraan vond ik dat juffrouw Jagersma,
die ons handwerkles gaf, altijd voorlas. De
meeste tijd bracht ik door achter de stoel van de
juf om op mijn beurt te wachten om te worden
geholpen. Er was altijd wat. Steken vielen in het
breiwerk, een draad raakte in de war, enzovoort.
Door mijn ongeduldige karakter was ik overal
meestal erg vlug mee, maar met handwerken
kwam ik altijd achteraan. Aan de meeste werkstukken,
waar veel handige klasgenootjes al mee
klaar waren, kwam ik nooit toe. Toch kreeg ik
altijd een voldoende, al had ik die beslist niet verdiend.
Het is op dit gebied nooit goed gekomen
met mij!
Stadhuis
Hoewel ik alleen de eerste zeven jaren van mijn
leven in de binnenstad heb gewoond, heb ik daar
toch prettige herinneringen aan. Zwolle was toen
een gezapige ambtenarenstad en er was nog weinig
verkeer. Vanuit ons huis aan de Oude Vismarkt
keek je uit op de Pius-sociëteit, op de hoek
van de Rode Haansteeg. De groenteboer en de
melkboer kwamen aan huis met paard en wagen.
Het was groot feest als je even op de bok mocht
zitten. Soms speelden we op het Gasthuisplein,
onder de prachtige oude kastanjebomen die in het
voorjaar pronkten met hun ‘kaarsen’ en waar in
het najaar glanzende bruine kastanjes uit vielen.
Wij verzamelden ze en maakten er poppetjes en
paardentomen van. Even verderop was de botermarkt
– de Nieuwe Markt- naast het postkantoor.
Daar verkochten de boerinnen uit de omgeving,
getooid met witte ‘knippiesmutsen’, boter en
eieren. Ze hadden grote klepmanden bij zich.
Mijn moeder ging vaak met mij wandelen in
de Tuin van Eekhout. Het park bestaat nog altijd,
maar het heeft veel van zijn glorie verloren. Ik
vond het altijd erg leuk in het park. Er was een
grote volière met interessante vogeltjes. Ook was
er een grote zandbak. Terwijl de kinderen zich
daarin vermaakten zaten de moeders op een bankje
toe te kijken. Maar ik mocht er nooit in. Dat was
vies!
Het stadhuis heeft altijd een grote rol gespeeld
in mijn leven. Ik kwam daar al als kind omdat
mijn vader er werkte. Hij was verifkateur der
gemeentefinanciën. Ik vond dat een erg moeilijk
woord en het duurde lang voordat ik het zonder
haperen kon zeggen. Later kreeg mijn vaders
functie een andere naam: hoofd van de accountantsdienst.
Mijn vader moest van alle gemeentelijke
bedrijyen en instellingen de boeken controleren.
Een van de bedrijven waar hij kwam was de
gasfabriek – met de grote gashouders – die achter
de gevangenis stond. Die gevangenis sprak hevig
tot onze verbeelding. Soms zag je de ‘boevenwa-
Fietsen leren langs de
Oude Vismarkt; circa
1934 (particuliere collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De collega’s van G.B.
Appelhof van de afdeling
Financiën. Staand:
H. Santing, H. Hellendoorn,
F. Wienbelt, R.
Hogewind, R. Schriemer
en J. Scheper. Zittend:
Z.G. de Ruiter,
G.B. Appelhof W.
Peters (de atleet) en G.
Hoetink; 1948 (particuliere
collectie).
gen’ voorbijkomen. Wij, mijn vriendinnetjes en
ik, waren altijd benieuwd hoe die ‘boeven’ er zouden
uitzien.
Als ik mijn rapport had gekregen ging ik naar
het stadhuis om het aan mijn vader te laten zien.
Aan de Sassenstraat, links van de hoofdingang,
was een deur. Daarachter voerde een steile houten
trap naar de afdeling financiën, waar mijn vader
zat met zijn collega’s: meneer Peters – de bekende
atleet-, meneer de Ruiter, meneer Van de Wal en
meneer Schriemer. Al die ‘meneren’ bewonderden
het rapport, waarop steevast achten voor vlijt
en gedrag prijkten.
Die deur en die trap zijn er allang niet meer.
Mijn vader heeft het nieuwe stadhuis nooit
gekend.
Kerken
Mijn ouders kwamen allebei uit een hervormde
familie. Als dit niet het geval was geweest, dan
hadden hun ouders zeker grote bezwaren tegen
hun verkering hebben gehad. In het algemeen huldigde
men het standpunt: Twee geloven op één
kussen, daar slaapt de duivel tussen.
De familie van mijn vader ‘kerkte’ in de Grote
Kerk. Dit gebouw was vanuit hun woning, Voorstraat
5, in een minuut te bereiken. Mijn vader
vertelde dat hij nog wel eens spijbelde. Na de
dienst stelde hij zich ergens verdekt op om aan zijn
vrienden te vragen waar de dominee over had
gepreekt. Want dat werd door zijn vader altijd
nagevraagd.
Ik’ben gedoopt en heb belijdenis gedaan in de
Grote Kerk, bij dominee Van Noppen. De catechisaties
bij deze predikant, in het catechisatiegebouw
aan de Kamperstraat, waren erg prettig. Hij
had zelf geen kinderen, maar hij hield er erg veel
van. Als de ijsclub aan het Groot Weezenland geopend
was schaatste hij ondanks zijn hoge leeftijd
(als kind vond je iedereen boven de twintig al
oud!) met een hele sliert catechisanten achter zich
aan.
Toch had ik iets met de rooms-katholieke
kerk. De kerkgebouwen vond ik altijd heel interessant.
Ze hadden iets mysterieus, met al die beelden
en wierookgeur. In de vakanties logeerden mijn
nichtje uit Enschede, dat even oud is als ik, en ik
altijd bij elkaar. In de kerstvakantie liepen wij de
katholieke kerken af om kribjes te kijken. We liepen
van de kerk aan de Ossenmarkt naar de
St. Michaëlskerk aan de Roggenstraat.
In onze lagere schooltijd moesten we iedere
zondagochtend naar zondagsschool. Die werd
voor de kinderen uit de Wipstrikbuurt gehouden
in de Koningin Emmaschool aan de Jacob Catsstraat.
Broeder van de Grijp, die met een zuster
van mijn vader was getrouwd, en de heer Bieringa,
de deurwaarder, hadden de leiding. We hadden in
de eerste jaren les van een juffrouw. Die vertelde
verhalen die ik niet altijd begreep. In één verhaal
kwam de zin voor: ‘En Siepie was sociaal, weten
jullie wat dat is?’ Ik wist helemaal niet wat dat voor
vreselijks was. Later leerde ik dat dat ‘rood’ was.
Die ‘rooien’ hielden niet van de koningin. Dat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
vond ik heel erg, want heel jong was ik al koningsgezind.
Logeren
Het was vroeger niet vanzelfsprekend, dat je de
vakantie buiten de stad doorbracht. En een reis
naar het buitenland was slechts voor enkele
bevoorrechten weggelegd. Veel vakantie had men
trouwens niet. De meeste mensen waren hoogstens
twee weken per jaar vrij. Bovendien werkte
men ook op zaterdagmorgen, zodat een lang
weekeinde er niet bij was. De lagere schoolkinderen
hadden ongeveer tien dagen paas- en kerstvakantie
en vier weken grote vakantie. De herfstvakantie
duurde drie dagen en daar was dankdag bij
inbegrepen.
Wij zijn wel enkele malen in Katwijk en Doetinchem
met vakantie geweest. We logeerden in
een pension. Eenmaal gingen we naar het buitenland
en daar was ik hevig trots op. Vanuit Doetinchem
zijn we een dagje in Kleef geweest, net over
de Duitse grens.
Meestal gingen we in de vakantie ergens logeren
of we hadden logees. Als mijn ouders een
avond uitgingen, mocht ik bij oma aan de Voorstraat
logeren. Ik sliep in de alkoof, grenzend aan
de woonkamer. Dat was heel interessant want
door de kier van de deur zag ik licht schijnen en
kon ik alles horen wat er in de kamer gebeurde.
Oma was heel zorgzaam. Het was erg warm in de
alkoof, maar ik moest en zou een wollen omslagdoek
van haar om mijn geringe schoudertjes
slaan: ‘anders krijg je kolde arms.’ Ik vond dat
‘arms’ erg stom klinken.
Meestal logeerden mijn nichtje en ik bij elkaar.
We schuimden de hele stad af. We gingen naar de
Voorstraat, het ouderlijk huis van haar moeder en
mijn vader, en naar de Ruysdaelstraat, waar haar
oma van vaderszijde woonde. Om één of andere
‘duustere’ reden vonden we het hevig interessant
om achterbuurten te bekijken. We hadden een
voorkeur voor hele smalle straatjes. In één van die
steegjes kwam ons eens een vrouw tegemoet, die
tegen ons zei: ‘Kinderen, jullie moeten teruggaan.
Dit is niets voor jullie.’ We deden dat braaf, maar
we waren ontzettend nieuwsgierig, wat voor vreselijks
daar zou zijn gebeurd als wij verder waren
gelopen. We vertelden thuis natuurlijk niets over
onze escapades! Ik herinner mij de vakanties als
een heerlijke tijd.
Tijdens een vakantie
aan zee, kon je ezeltje
rijden langs het strand;
I930 (particuliere collectie).
Broeder A. van de Grijp
(links in zwart pak) gaf
leiding aan de zondagschool.
Hij was wijkverpleger
en hij was een
oom van J.A.M. Meliesie.
Rechts zitten twee
andere ooms allebei Jan
geheten; ervoor Dicky
Appelhof; 1930 (particuliere
collectie).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bij familie in Deventer
stond een schommel in
de tuin; circa 1934 (particuliere
collectie).
Bijnamen
In veel plaatsen en gezinnen kent men het gebruik
van bijnamen. Die worden zo hardnekkig
gebruikt, dat men de werkelijke naam van de persoon
nauwelijks kent of zelfs nooit heeft gekend.
Vroeger kende elke autochtone Zwollenaar ‘de
kalken neüze’, ‘de golden poot’ en ‘Billy-zoek-defout’,
zoals burgemeester Mooiweer ook wel werd
genoemd. In de vorige eeuw waren er nog veel
meer bijzondere namen, zoals in het oude liedje
van ‘Diene met de musse en de waterbusse’ is te
horen.
Thuis hadden we ook voor diverse mensen bijnamen.
Een kennis, van wie de vooruitstekende
kin duidelijk zichtbaar was, noemden we ‘het laatste
kwartier.’ Het had natuurlijk ook het eerste
kwartier kunnen zijn als hij de andere kant op
keek! Dan was er een juffrouw, die werd aangeduid
als ‘het eeuwige leven’, omdat ze een vooruitstekende
onderlip had. Mijn moeder zei namelijk:
‘Als ze de laatste adem uitblaast komt die er bij
haar neus weer in.’ Toen ze werkelijk haar laatste
adem uitblies heeft ze waarschijnlijk een verstopte
neus gehad! Dan hadden we ‘tuutien-kus-mieeens.’
Waar dat op sloeg weet ik niet meer. Verder
kenden we Zebedeüs en zijn zonen Habakuk en
Mordegai. Bijbels klopt dit helemaal niet.
Later op de HBS hadden we voor bijna iedere
leraar een bijnaam. Maar die hadden ze al jaren.
Natte his – zoals biologie werd genoemd – werd
gegeven door ‘de Bezem.’ Het verhaal ging dat
toen ze voor de eerste keer les gaf, leerlingen
klaagden dat ze heel anders les gaf dan haar voorganger.
Daarop werd hen meegedeeld: ‘Nieuwe
bezems vegen schoon.’ Haar opvolger werd ‘de
stofzuiger’ genoemd! De leraar Frans, die Zijlstra
heette, werd omgedoopt tot Sijmen. Dan was er “t
Heufd’ voor wiskunde (wiskunde is predeskunde,
als je niet oplet leer je het nooit, zei hij altijd). Verder
waren er de ‘Ober’, voor Duits, ‘Sam’ voor
geschiedenis, ‘de Paf voor aardrijkskunde en
‘Ghandi’ voor een magere wiskundeleraar. Tenslotte
waren er ‘ome Jan’ en ‘de Sik’, maar die
waren vóór mijn tijd. Het geven van bijnamen is
een beetje in onbruik geraakt al zullen er zeker nog
gezinnen zijn, die onderling iemand bij een zelfbedachte
naam noemen. En in dorpen zal het ongetwijfeld
nog wel voorkomen. Zwolle is ei: echter te
groot voor geworden!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
Grote Markt 15, ‘Het Hoïïdje’
Vlak bij de Grote Kerk, op de plaats waar de
Grote Markt overgaat in Voorstraat en
Luttekestraat, staat op de hoek het pand
Grote Markt 15, beter bekend als Het Hondje. Dit
gedeelte van de Grote Markt, met de Peperbus op
de achtergrond, is één van de meest afgebeelde
plekjes van de stad Zwolle.
Het hondje of’t untien
Omdat huisnummering in vroegere tijden ontbrak,
hadden veel panden vanaf circa 1600 een
naam. Een groot aantal mensen kon niet lezen of
schrijven, daarom werd zo’n huisnaam met
behulp van een afbeelding duidelijk gemaakt. Uithangborden,
windvanen, muurschilderingen en
gevelstenen werden hiervoor gebruikt. Zo wisten
vreemdelingen bij welk huis ze moesten zijn.
Anderzijds was het ook een vorm van reclame
voor het bedrijf dat in het betreffende pand werd
uitgeoefend.
Het hondje met het jaartal ‘1669’ zou herinneren
aan de laatste torenbrand van de Grote- of
St. Michaëlskerk, toen de bliksem in de spits was
geslagen. Volgens sommigen was het hondje het
enige slachtoffer. Een andere lezing meldt daarentegen
dat het hondje ongedeerd onder het puin
vandaan kwam. Het is niet meer te achterhalen
welke versie juist is.
Op een schilderij van de Zwolse schilder Jan
Grasdorp waar de torenbrand van 1669 staat afgebeeld,
is in de voorgevel (trapgevel met midden
pinakel) de gevelsteen met het hondje te zien.
Vanaf 1665 stond dit pand al bekend als Het
Hondje of op zijn Zwols Et Untien. In dat jaar
kwam deze huisnaam voor het eerst in een
archiefstuk voor. Het jaartal 1669 is misschien aan
de gevelsteen toegevoegd omdat er in dat jaar bij
de val van de toren van de Grote Kerk daadwerkelijk
een hond betrokken was, die daarbij of het
leven liet of wonderwel levend onder het puin
vandaan kwam. Het blijft gissen.
In de zestiende eeuw was in het pand een kuiperij
gevestigd. Vanaf 1557 stond het pand dan ook
bekend als De Kuip. Het is een logische plaats voor
een kuiperij, omdat tegen de Grote Kerk, op de
plaats van de huidige consistoriekamer, het Stadsvleeshuis
was aangebouwd. Bovendien was op de
hoek van de Voorstraat en de Luttekestraat sinds
1600 de Stadswaag gevestigd. De gewogen boter
werd in tonnetjes of kuipen verpakt en in het
nabijgelegen Vleeshuis wilde men weten wat voor
vlees men in de kuip had. In het vleeshuis werd het
vlees o.a. op kwaliteit en versheid gecontroleerd.
De aanwezigheid van een kuiperij in de nabijheid
van beide stedelijke instellingen bood de kuiper
een goed bestaan.
Wim Huijsmans en
Johan Teunis
Gevelsteen met het jaartal
1669 en het hondje
waaraan het pand zijn
naam ontleend (foto
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Grote Markt,
DJ. van Elten, 1782
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
De Grote Markt,
A. Serné, 1834
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Midden in de stad was door overkluizing van
de Grote Aa een marktplaats ontstaan. Op de
kaart van Joan Blaeu (1640) zijn de overkluizingen
te zien. De westgevel van de Grote Markt bestond
toen nog uit vijf panden. Op een schilderij van
Derk Jan van Elten (1782) zien we de vijf gevels
gedetailleerd weergegeven. Een schilderij van A.
Serné uit 1834 laat nog steeds de gevelsteen met het
hondje in de voorgevel zien. In 1851 kwam daar
verandering in, toen JJ. Cavaljè in het pand een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tabakszaak opende. Precies boven de ingang liet
de tabakshandelaar een houten bord met de tekst
‘Tabak’ aanbrengen. De gevelsteen met hondje
werd verwijderd en verhuisde naar de zijgevel.
Tientallen jaren werden in het pand rookwaren
verkocht. In 1915 verdween het sigarenmagazijn en
kreeg het pand de bestemming van schoenmakerij
met als specialiteit het maken van maatschoeisel.
Tot 1968 bleef het een schoenenzaak. In hetzelfde
jaar openden de huidige eigenaren, de gebroeders
Van Beek, er een lederwarenzaak. Daarna verhuurden
de Van Beeks het pand aan een traiteur
met veel Italiaanse specialiteiten. Tot aan de brand
van 1998 was het pand in gebruik bij de Febo.
De brand
De landelijke keten van Febo snacks vestigde zich
in het begin van de jaren negentig in het pand.
Vooral in de kleine uurtjes van het weekeinde trok
de automatiek veel publiek uit omliggende straten
waar het Zwolse uitgaansleven zich afspeelt. Het is
dan in de Voorstraat en bij de Febo drukker dan
op een doordeweekse dag. Er zijn al heel wat
meningsverschillen, vaak als gevolg van overmatig
De Grote Markt,
J. Poppel naar L. Rohbock,
derde kwart 19de
eeuw (collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Zwart geblakerd zijn de
muren van de belendende
percelen nadat
‘het Hondje’ tot de
grond toe afgebroken is,
11 februari J999
(Monumentenzorg,
Zwolle).
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zelfs de brandweerman
kijkt bedrukt wanneer
hij de uitgebrande resten
van ‘het Hondje’
ziet, 3 februari 1999
(Monumentenzorg,
Zwolle).
drankgebruik, voor of na een patatje-oorlog van
de Febo, op de Grote Markt uitgevochten.
Ondanks deze incidenten trok de snacksgigant
veel publiek.
Op de avond van tweede kerstdag 1998 was het
niet anders. Toch is dit voorlopig de laatste dag
dat er een hartige hap aan het adres Grote Markt 15
was te krijgen. Op de vroege ochtend van zondag
27 december werd er brand gemeld. Een steekvlam
in een frituurpan sloeg via de afzuiginstallatie over
naar de hogere verdiepingen. Gadegeslagen door
het uitgaanspubliek bestreed de brandweer het
vuur met groot materieel. Van een afstand keken
vier personeelsleden toe. Amper bekomen van de
schrik vertelde Zik Ria Soltan Ali aan de Zwolse
Courant hoe hij aan het werk was toen de zaak
opeens vol met rook stond. ‘Ik was bezig bij de
snackbar toen opeens een klant “brand” riep. Ik
keek om en zag vuur in de frituurpan. Het was een
kleine vlam, maar in bijna een minuut was het
vuur al boven. Ik heb meteen 1-1-2 gebeld. Toen ik
naar boven wilde gaan om mijn jas te pakken was
daar ook allemaal rook. Ik heb mijn jas laten liggen
en de klanten naar buiten gestuurd. Er was
geen tijd meer om het vuur te blussen. Het ging te
snel.’ De Febo-werknemer stond later klappertandend
te kijken hoe de brandweer het vuur bluste.
Het naast liggende pand Grote Markt 14, waar al
enkele jaren de cd / platenzaak Samsam is gevestigd,
liep enige brandschade op, maar vooral
waterschade. Van discotheek Roots, gevestigd
onder grand café De Harmonie, werd uit voorzorg
de inventaris uit het pand gehaald. Rond half vijf
’s morgens was de brand onder controle. Wel
duurde het nablussen nog lang. Op 28 december
kwamen nog steeds rookpluimen uit het pand.
Met behulp van een hoogwerker werden de smeulende
resten uit het pand geschept. Asbest dat in
het pand zat, werd door de brandweer verwijderd.
De naaste buren prezen het werk van de brandweer.
Als de brandweer niet zo snel was gekomen
dan waren er volgens hen nog meer panden in
brand gevlogen. Wel werden er vraagtekens gezet
bij de brandveiligheid van ondernemingen als de
Febo.
Op straat sprak men vlak na de brand niet
meer over het Hondje maar over ‘Hot Dog’ en
‘Fikkie.’
Bouwhistorische waarnemingen
In samenwerking met het Gemeentearchief Zwolle
en het Instituut voor Bouwhistorische Inventarisatie
en Documentatie (IBID) uit ‘s-Hertogenbosch
heeft de afdeling Monumentenzorg van de
gemeente Zwolle onderzoek verricht naar de
geschiedenis en bouwhistorie. Onderzoek in het
Gemeentearchief, het Stedelijk Museum Zwolle
en bij Monumentenzorg heeft gezorgd voor aanvullende
informatie. Tijdens en na de sloop hebben
de heren Van Beek, eigenaren van het pand,
gelegenheid geboden tot het verrichten van bouwhistorische
waarnemingen aan het pand. Behalve
de beide auteurs heeft Wijnand Bloernink van
het IBID een belangrijke bijdrage geleverd bij het
onderzoek van de geschiedenis van Het Hondje.
Hij heeft in opdracht van Monumentenzorg
Zwolle bouwhistorische waarnemingen gedaant
die grotendeels in dit artikel verwerkt zijn.
In januari, februari en mei van dit jaar is het
pand vijf maal bezocht. Het eerste bezoek was
oriënterend; tijdens het tweede en derde bezoek
kon via een hoogwerker de bovenzijde en buitenzijde
van het pand worden bekeken. Bij het vierde
bezoek was het pand gesloopt, op de kelder en de
rechter zijmuur en achtermuur, de gemene muren
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
met de buurpanden na. Tenslotte werd de kelder
tijdens het vijfde en laatste bezoek onderzocht.
Wegens de gevaarlijke toestand waarin het
huis zich bevond, was het moeilijk het huis binnen
te gaan; de muren waren ontzet, de vloeren onbetrouwbaar
en door de hitte waren de asbest dakplaten
verbrokkeld en in het pand zelf terechtgekomen.
Toch bleek het mogelijk om aan de hand
van hetgeen nog te zien was, enige voorzichtige
conclusies te trekken. Eerlijkheidshalve moet
opgemerkt worden dat ook gegevens zijn gemist.
Dat kan ook niet anders. De sloop heeft anderhalve
week geduurd en het was ondoenlijk daar
voortdurend bij te zijn.
Bouwhistorische constateringen
Het huis was gelegen op de hoek van een huizenblok
aan de Grote Markt tegenover de Grote Kerk
en grensde alleen rechts en achter aan zijn buurpanden.
Het was gebouwd op een L-vormige plattegrond;
een deel achter Grote Markt 14, het rechter
buurpand, behoorde ook tot het onderzochte
huis.
Voor de brand bestond het pand uit een kelder,
drie bouwlagen en een kap. Het gedeelte achter
het buurpand had waarschijnlijk een plat dak.
Merkwaardig is de knik naar buiten in de linker
zijgevel, ongeveer in het midden, die niet uit de
aard van de percelering valt te verklaren. De knik
correspondeerde bijvoorbeeld niet met de diepte
van het buurpand. Mogelijk speelde de omvang
van het tegenover het huis gelegen en nu verdwenen
stadsvleeshuis hier een rol. De kap was uitgevoerd
als een zadeldak met een dakschild aan de
voorzijde.
De kelder bestond, en bestaat, uit twee delen.
De voorkelder grenst aan de voorgevel en de rechter
zijgevel en is even diep als het buurpand, Grote
Markt 14. De achterkelder sluit daarop aan en
omvat een oppervlak die vrijwel het hele westelijk
deel van het huis omvatte; dus ook het deel achter
het buurpand. Links naast de voorkelder was een
strook van ruim 1.50 meter niet onderkelderd. De
voorkelder is oud en overdekt met ribloze kruisgewelven;
de recente achterkelder had een vlakke
zoldering van gewapend beton. Beide kelders zijn
geheel gepleisterd.
Alle balklagen waren enkelvoudig en van grenenhout.
Versierende elementen waren niet aanwezig.
De simpele sporenkap die niet door gebinten
werd ondersteund, was zonder borstwering
uitgevoerd. De binnenmuurtjes waren halfsteens
en fungeerden niet als bouwmuren.
De voorgevel die boven de pui nog gaaf aanwezig
was zal uit ongeveer het midden van de negentiende
eeuw dateren. Hij was uitgevoerd in schoon
metselwerk, drie vensterassen breed en aan de
bovenzijde beëindigd door een simpele kroonlijst.
De vensters waren afgesloten door middel van
strekken, die aan de onderzijde uitgevoerd waren
met een lichte porring. De ramen van de verdieping
waren zesruits schuiframen, die van de tweede
verdieping dubbele naar binnen draaiende
ramen, die ieder uit een paneeltje onder en twee
glasvlakken daarboven bestonden.
De linker zijgevel was boven de pui zowel van
binnen als van buiten geheel gepleisterd. Aan de
achterzijde zaten drie vensters: twee op de verdieping
en één op de tweede verdieping. De twee vensters
van de verdieping zaten op ongelijke hoogte.
Mogelijk lagen de hier aanwezige vloerniveaus ten
tijde van het aanbrengen van de vensters op verschillende
hoogte. Uit de gesloopte balklagen
bleek dit overigens niet. Bij de hoek met de voorgevel
zat de gevelsteen uit 1669 met het hondje.
Zicht op de uitgebrande
tweede verdieping van
‘het Hondje’, 3 februari
1999 (Monumentenzorg,
Zwolle).
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De pui van beide gevels bestond uit grote glasvlakken
en was modern. Tijdens de sloop bleek de
zijgevel te zijn opgebouwd uit IJsselsteenjes van
een oranje-gele tot lichtrode kleur (18 x 8 x 3,6 cm)
die sterk aan de zeventiende eeuw doen denken.
Ongeveer in het midden van de zijgevel, op de
tweede verdieping, bevond zich een dichtgemetseld
rond venstertje, een zogeheten oeil-de-boeuf,
dat eveneens op de zeventiende of vroege achttiende
eeuw wijst.
Na de sloop bleken de scheidingsmuren met
de buurpanden vol bouwsporen te zitten die deels
achter pleisterwerk waren verborgen. Frappant
was de aanwezigheid van dichtgezette balkgaten in
de achtergevel, de scheidingsmuur met Voorstraat
2. Dat wijst erop dat er, gezien de overspanning,
ook een bouwmuur moet zijn geweest evenwijdig
aan, en niet te ver van, deze achtergevel. Gezien de
omvang van de oude voorkelder kan deze eigenlijk
alleen maar op de scheidingsmuur tussen beide
kelders hebben gestaan, ter hoogte van de achtergevel
van het rechter buurpand zoals uit de
reconstructie van de bouwgeschiedenis zal blijken.
Een voorzichtige reconstructie
van de bouwgeschiedenis
Het huis dat in de nacht van 26 op 27 december
1998 afbrandde zal voor een belangrijk deel rond
het midden van de vorige eeuw, de geschatte
ouderdom van de voorgevel, zijn gebouwd. De
vloerhoogten en de verschijningsvorm van de balklagen,
evenals de plaatsing van de kap sluiten
zodanig op deze voorgevel aan, dat deze waarschijnlijk
in één bouwcampagne tot stand zijn
gekomen. De constructie van de sporenkap, zonder
gebinten of borstwering is ook karakteristiek
voor deze periode. Mogelijk vond deze ingrijpende
verbouwing plaats in 1851, toen er een tabakszaak
in het pand kwam en de gevelsteen met het
hondje naar de zijgevel werd verplaatst.
De halfsteens binnenmuren, aansluitend op de
negentiende-eeuwse vloerniveaus, kunnen nooit
ouder zijn. De kelders, achtergevel en linker zijgevel
zijn ongetwijfeld wel ouder. Op de datering
van de rechter zijgevel komen we terug.
De kelder lijkt het oudst. Een opmeting van
architect Karssing maakt duidelijk dat de situatie
hier oorspronkelijk heel anders was. De voorkelder
van Grote Markt 15 vormde een eenheid met
de kelder van Grote Markt 14, het rechter buurpand.
Deze oorspronkelijke kelder was tweebeukig;
in het midden stonden twee kolommen waarop
de kruisgewelven rustten, zes gewelfvakken in
totaal: twee breed, drie diep. De breedte van deze
kelder was binnenwerks 6.55 meter, een normale
maat voor een stadswoonhuis. Als de omvang van
het huis overeen kwam met het oppervlak: van de
kelder was het niet erg diep, de kelder mat binnenwerks
6.80 meter. Dat het huis aan de oost- of
westzijde verder doorliep dan de kelder is niet
helemaal uit te sluiten, maar voor de hand liggend
lijkt dit niet. In ieder geval was het huidige achterdeel
van het huis oorspronkelijk niet onderkelderd,
en waarschijnlijk ook niet bebouwd, waarover
verderop meer.
DJ. de Vries dateerde dit keldertype in de
tweede helft van de vijftiende of eerste helft van de
zestiende eeuw.1 Het ligt voor de hand om dit huis
te identificeren met het huis dat in 1557 bekend
stond als De Kuip. Als de latere huizen Grote
Markt 14 en 15 toen nog een eenheid vormden,
betekent dit dat hier aan de Grote Markt in de zestiende
eeuw vier huizen stonden, terwijl er volgens
afbeeldingen uit de zeventiende eeuw vijfstonden.
Het oude huis is blijkbaar gesplitst in twee huizen.
Hoe dit precies in zijn werk is gegaan is niet
eenvoudig te achterhalen. Beperken we ons eerst
tot de feiten.
De recent gesloopte linker zijgevel, opgebouwd
uit IJsselsteentjes, stond ruim 1.50 meter
links van de linker keldermuur. Het huis is aan
deze kant dus blijkbaar verbreed en het ligt voor
de hand dit met de splitsing in verband te brengen.
Het opgaande werk van de rechter zijmuur,
de scheidingsmuur met Grote Markt 14 is echter
met geheel andere stenen opgebouwd, groter en
roodbakkend. Het is dus onwaarschijnlijk dat de
beide muren in één bouwcampagne tot stand zijn
gekomen. Daar komt bij dat de scheidingsmuur
tussen beide huizen in de kelder, met zijn bochten
en slingers en op meerdere plaatsen ook nog eens
halfsteens, moeilijk gezien kan worden als deugdelijk
fundament voor de opgaande scheidingsZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
üïltekestraat en Grèote Markt
muur. Steenformaten waren in de kelder niet
zichtbaar maar de opmetingstekening geeft voor
de halfsteens muurtjes een maat van 10 centimeter
en voor de steens delen een maat van 20 centimeter.
Dit vormt een aanwijzing dat deze ook uit IJsselsteentjes
is opgebouwd, die in de linker zijgevel
immers respectievelijk 8 en 18 centimeter breed en
lang waren. Maten die met voegen en pleisterlagen
aardig in de buurt van de genoemde muurdiktes
uitkomen.
Alles wijst er dus op dat de huidige, nog
bestaande scheidingsmuur een vervanging is van
een oudere muur van circa 1640, zoals verderop
wordt betoogd. Dit kan ook een verklaring vormen
voor het feit dat in de scheidingsmuur geen
oudere balkgaten zichtbaar waren, hoewel niet is
uit te sluiten dat die nog achter het pleisterwerk
verborgen zaten. Voorlopig is de conclusie dat de
scheidingsmuur rond het midden van de vorige
eeuw is gebouwd als onderdeel van de verbouwing
van Grote Markt 15 of die van het rechter buurpand,
iets later in de tijd.2
Een tweede probleem wordt gevormd doordat
het niet onderkelderde achterdeel bij het huis is
aangetrokken. De zwaarte van de scheidingsmuur
tussen beide kelders maakt duidelijk dat hier oorspronkelijk
een zware bouwmuur stond, waarschijnlijk
een buitenmuur. De recent gesloopte
zijgevel uit de zeventiende eeuw leek tijdens de
sloop echter over de volle diepte van het huis, tot
Voorstraat 2 door te lopen. Toen was het achterdeel
dus al bebouwd. Het achterhuis had echter en
andere ruimtelijke opbouw dan het voorhuis. Dat
blijkt uit de aanwezigheid van de dichtgezette
Doorkijkje vanuit de
Luttekestraat naar de
Grote Markt, ca. 1925.
Op de zijgevel zijn een
aantal reclameborden
te zien: het Hotel-restaurant
Meiberg zat in
de Voorstraat op nummer
11 (thans firma
Runhaar). Het grote
bord van deAmsterdamsche
Spaarkas,
Damrak 48, wekt op om
een prospectus op te
vragen voor een storting
van f 2.50 per maand.
De verdeling van de
ramen in deze gevelwand,
het dak en de
twee deuren laat duidelijk
zien dat het linker
deel een apart pand was
met een deur en een
smal venster op de begane
grond en hierboven
een raam per verdieping
(Gemeentearchief
Zwolle).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schoenmagazijn ‘het
Hondje’ van H. Paanakker,
Grote Markt 15.
De etalage van de winkel
beslaat de hele voorgevel.
Op de hoek van de
Voorstraat en de Luttekestraat
is de winkel in
galanterieën van H. van
Oers (foto A. Meulenbelt,
ca. 1955; Gemeentearchief
Zwolle).
balkgaten in de huidige achtergevel, die aantoont
dat de balklaag hier een andere richting had dan
het voorste deel en uit het feit dat de vensters in de
zijgevel op de verdieping in hoogte verschillen en
tenslotte ook uit de sprong in de kroonlijst op die
plaats. Dit alles maakt een latere bebouwing van
dit deel waarschijnlijk.
De meest voor de hand liggende conclusie is
dat men in de zeventiende eeuw Grote Markt 14
afsplitste van het hoofdhuis en dit laatste tevens
naar links en naar achteren vergrootte, ten koste
van de open ruimte die hier voordien nog aanwezig
was.
Mogelijk had deze open ruimte de vorm van
een straatje dat de Voorstraat met de Melkmarkt
verbond. Op het schilderij uit 1782 van Derk J. van
Elten zien we aan de Melkmarkt ter hoogte van dit
straatje een heel smal huisje staan, mogelijk een
zijkamer van het grote middeleeuwse huis dat
daarnaast staat. In de loop van de tijd zal het
straatje zijn verkaveld en bij de huizen zijn aangetrokken.
Het fenomeen van losse bouwblolJcen op
de markt die in de loop van de tijd vastgroeien aan
oudere bebouwing, kennen we ook uit andere steden
zoals in Deventer rond de bebouwing aan de
Brink.
Wanneer vond deze ingrijpende verbouwing en
splitsing plaats? De schilderijen van Dirk J. van
Elten uit 1782 en Adrianus Serné uit 1834 laten beiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
de een huis met een trapgevel zien, die zoveel
overeenkomsten vertonen dat het beeld zeker
geloofwaardig is. Merkwaardig is de datering van
de bewaard gebleven gevelsteen: 1669. De afgebeelde
trapgevel is voor dat jaar wel erg ouderwets
uitgevoerd en lijkt eerder uit 1630 of 1640 te stammen.
In 1669 zou men eerder een gevel in Hollands-
classicistische trant verwachten, zoals de
halsgevel van het rechter buurpand, die ook op
beide genoemde schilderijen is te zien. Mogelijk
heeft de verandering van naam, in 1641 nog De
Kuip en in 1665 voor het eerst Het Hondje iets met
de bouw te maken. We houden het hier maar op
een datering van rond 1640 met als logische consequentie
dat de gevelsteen later is aangebracht. De
schilderijen laten zien dat het huis nog geen tweede
verdieping had en de kap wel een borstwering.
Op de zolderverdieping zaten in 1782 nog drie bolkozijnen,
ongetwijfeld uit de bouwtijd, en op de
vlieringzolder één. De recent gesloopte zijgevel
stamt met zekerheid ook uit deze tijd, evenals het
ossenoog dat na de brand zichtbaar werd. Op het
schilderij uit 1834, waarop de proporties wat zuiverder
lijken te zijn weergegeven dan op dat uit
1782, zien we dat het huis een hoge begane grond
heeft en een relatief lage verdieping. Deze ruimtelijke
structuur wijkt sterk af van het recent afgebrande
pand. De voor de sloop nog aanwezige
vensters in de gepleisterde zijgevel wijzen waarschijnlijk
op een achttiende-eeuwse verbouwing
van het huis, waarschijnlijk nog binnen de voor
ons onbekende zeventiende-eeuwse structuur.
Ook de schilderijen wijzen op moderniseringen
van het huis uit de achttiende eeuw: de pui- en
verdiepingsvensters, en tussen 1782 en 1834: de
vensters op zolderniveau.
Tijdens de herbouw van het pand in het midden
van de vorige eeuw werden de zeventiendeeeuwse
voorgevel, de vloeren en de kap gesloopt,
en waarschijnlijk ook het opgaande muurwerk
van de rechter zijgevel. Behalve de kelder, de achtergevel
en waarschijnlijk de achtergevel van Grote
Markt 14, bleef alleen de linker zijgevel van het
huis bewaard.3 Men zal toen de vensters achter in
de zijgevel hebben gehandhaafd en de rest van de
gevel hebben gepleisterd om ontsierende bouwsporen
aan het zicht te onttrekken.
Conclusie
Grote Markt 15 bestond voor de brand met enige
zekerheid uit een kelder uit de periode 1450-1550,
die is behouden, een linker zijgevel uit de periode
rond 1640, een voorgevel, balklagen en kap van
circa 1850. Van de bewaard gebleven scheidingsmuren
met de buurpanden is de ouderdom van de
achtergevel, tevens scheidingsmuur met Voorstraat
2 onbekend; waarschijnlijk zijn ze laat vijftiende-
of zestiende-eeuws. Hetzelfde geldt voor
de achtergevel van Grote Markt 14. De rechter zijmuur
dateert uit het midden van de negentiende
eeuw, behoudens het deel in de kelder dat uit rond
1640 zal dateren. Over de rechter zijmuur van het
achterdeel, met Grote Markt 13 valt niets zinnigs te
zeggen.
Sloop en herbouw
Door het lange doorsmeulen van de brand heeft
de constructie van het pand erg te leiden gehad.
Direct na de brand heeft Monumentenzorg Zwolle
het initiatief genomen om zoveel mogelijk van
het pand te behouden, of ten minste datgene wat
verloren dreigde te gaan te documenteren en te
fotograferen. Uit overleg tussen de eigenaar,
architect, de verzekeraar en de Gemeente Zwolle
bleek dat het pand niet te handhaven was. Toen
dit duidelijk werd, liet Monumentenzorg Zwolle
een bouwhistorische waarneming uitvoeren. Het
pand is geen geregistreerd gemeentelijk of rijksmonument.
Wel ligt het pand in het beschermd
stadsgezicht van de gemeente Zwolle en in een historische
omgeving.
De stedenbouwkundigen en monumentenzorgers
van de gemeente Zwolle adviseerden aan
de eigenaar om als uitgangspunt voor een nieuw
ontwerp voor een bouwstijl te kiezen die aansluit
bij de sfeer van de naburige bebouwing. Deze aanbeveling
voor een ontwerp in traditionele stijl
betekent niet dat eigentijdse materialen en vormgeving
taboe zijn, al wordt het toepassen van vlakken
met veel staal, beton en glas in deze historische
omgeving een bijna onmogelijke opdracht.
Of de langsgevel weer als zijgevel moet worden
opgetrokken is ook de vraag. Op deze commercieel
aantrekkelijke plek moet het bij een goed
ontwerp mogelijk zijn dat deze gevel zo wordt
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ingevuld dat deze ook vanaf de Luttekestraat zijde
voor een ondernemer interessant is. Deze overweging
zal bij het ontwerp zeker een rol spelen.
Indien de voorgevel nauwkeurig wordt gedocumenteerd
is een reconstructie van de voorgevel
ook bespreekbaar. Door de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg (RDMZ) en de medewerkers
van Monumentenzorg Zwolle zijn vijf architecten
aan de eigenaar voorgedragen. Van deze architecten
kon verwacht worden dat zij een opdracht met
succes konden afronden. Er werd door de heren
Van Beek geen gebruik gemaakt van het voorstel.
De opdracht werd verleend aan een architect die
niet op het lijstje voorkwam. Een opdrachtgever
weet over het algemeen wie hij als architect uitzoekt.
Dat is ook bij Het Hondje het geval. Van
Beek heeft voor herbouw van het afgebrande pand
gekozen. Hij zit hiermee op dezelfde lijn als de
Vrienden van de Stadskern. In de Zwolse Courant
van 6 januari 1999 gaf voorzitter dr. A.G.P. Cremers
te kennen dat de Vrienden het zouden
betreuren als het pand aan de Grote Markt helemaal
afgebroken zou moeten worden. Als het
inderdaad zover komt, hoopt hij dat er een pand
in de oude trant voor terugkomt. Op zo’n gevoelige
plek in de historische binnenstad moet je dat
gewoon durven, aldus Cremers.
Architectenbureau Karssing uit Hattem kreeg
van de Van Beeks de opdracht voor de herbouw
van het pand Het Hondje. In Zwolle heeft Karssing
restauraties uitgevoerd aan Sassenstraat 3
(restaurant Neeltje) en aan de panden boven de
porterne aan de Eekwal. Een plan voor de restauratie
van Praubstraat 19 is in voorbereiding. In
Hattem heeft de architect een aantal panden waaronder
Het Wheeme gerestaureerd. Volgens het
plan van Karssing wordt het pand opgetrokken in
de stijl van het afgebrande en gesloopte pand. De
voorgevel is een exacte kopie, in de zijgevel vindt
een aantal wijzigingen plaats. Met een knipoog
naar het verleden wil de architect ook een andere
onderpui aanbrengen. Voor en tijdens de sloop is
het pand door de architect nauwkeurig opgemeten
en gedocumenteerd. De gevelsteen, een aantal
kozijnen en een gedeelte van de lijstgoot werden
tijdens de sloop zorgvuldig verwijderd en opgeslagen.
Over historiserend bouwen wordt heel verschillend
gedacht. In 1964 vond in Venetië een Internationaal
Congres plaats van architecten, werkzaam
op het gebied van monumentenzorg. Op dit congres
werd een aantal richtlijnen vastgesteld,
sedertdien bekend geworden als het Charter van
Venetië. Het afgebrande pand mag dan geen
monument zijn, het stond in een historische
omgeving en kon zich op het eerste gezicht meten
met tal van Zwolse monumenten.
Verschillende disciplines die bij de (her)bouw
van Het Hondje zijn betrokken zoals de opdrachtgever,
de architect, de gemeente en de Welstands-
/monumentencommissie, hebben elk hun eigen
inbreng bij de totstandkoming van het nieuwe
hondje. Het is een hele toer om hier een pand neer
te zetten waar een ieder zich in kan vinden en dat
in de toekomst niet als brutaal of wellicht nog
erger, als suf wordt ervaren.
Noten
1. DJ. de Vries, De konstruktieve ontwikkeling van het
stadswoonhuis te Zwolle van 1300 – IJOO. Afstudeerscriptie
HTS, 1979.
2. De gravure van J. Poppel uit het derde kwart van de
negentiende eeuw laat Grote Markt 15 al wel zien
met een moderne gevel, terwijl nr. 14 nog zijn oude,
Hollands-classicistische gevel uit de zeventiende
eeuw heeft. Collectie Stedelijk Museum Zwolle.
3. De scheidingsmuur van het achterdeel met Grote
Markt 13 laat ik hier buiten beschouwing.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Baron van Aerssen Beijeren van Voshol
(1828-1914), redder van de Grote Kerk1
Onze oude kerken zijn vaak rijk aan
gedenkstenen. Ze roepen herinneringen
op aan het verleden en vormen ook een
bron van kennis van dat verleden. Ook in de Grote
of St. Michaëlskerk bevinden zich veel gedenkstenen.
Als u daar rondgewandeld heeft, is u ongetwijfeld
in de noordmuur aan de westelijke kant
een marmeren plaat opgevallen met goudkleurige
letters:
D(eo) O(ptimo) M(aximo) S(acra)
Ter Gedachtenis
aan de Herstelling van dit Kerkgebouw
door de Zorg van Kerkvoogden en Notabelen
onder het Praesidium van
Mr. W.F.E. Baron van Aerssen Beijeren van
Voshol
in de jaren
1882 tot 30 augustus 1896
is deze Gedenksteen alhier
door den Algemeenen Kerkeraad geplaatst
30 augustus 1897
De onthulling van deze gedenksteen geschiedde
op 30 augustus 1897 door de uiterst rechtzinnige
predikant ds. J. Vermeer, die met kwartjes en dubbeltjes
de benodigde kosten van ƒ 600,- had bijeengebracht.
Het was een dankbetoon aan de vrijzinnige
president-kerkvoogd Mr. W.F.E. baron
van Aerssen Beijeren van Voshol.2 Zonder de inzet
van deze laatste zou het hoognodige herstel van
het monumentale kerkgebouw niet tot stand zijn
gebracht. Wie was deze baron van Aerssen en wat
bezielde hem?
Afkomst
De familie Van Aerssen stamt af van een oud
geslacht uit de Zuidelijke Nederlanden. In de zestiende
en zeventiende eeuw kwam de familie door
banden met de Oranje-familie in hoog aanzien. In
1619 werd Francois van Aerssen door prins Maurits
in de ridderschap van Holland opgenomen; de
familie woonde toen in Sommelsdijk. Vanaf 1822
mocht de familie van Aerssen zich officieel tooien
met de titel ‘baron’.
Willem Frederik Ernst van Aerssen werd op 24
januari 1828 geboren in Deventer als zevende kind
van baron Albert Nicolaas van Aerssen en diens
tweede vrouw Antoinette Petronella Jacqueline
Rigano. Albert van Aerssen was officier en zou
zich tijdens de Belgische opstand van 1830-1839
onderscheiden, waarvoor hij het ridderkruis van
de Militaire Willemsorde ontving. Toen Willem
geboren werd, was Albert majoor. Toen het gezin
in 1834 naar Zwolle verhuisde, stond hij te boek als
Lieutenant Kolonel. Albert van Aerssen overleed
in datzelfde jaar. Zijn jongste zoon was toen zes
jaar.
J. Erdtsieck en
B. Veltman
v / D.O.M.
Gedenksteen in de Grote
ofSt. Michaëlskerk
(foto B. Veltman).
T E R G E D A C H T E N I S
– AAN DE HERSTELLING VAN DIT KERKGEBOUW,;,
ÏDOOR DEZORCVAN KERKVOO£DE.N EN .NOTABELE*!*-1
ONDER HET PRAESIBIUM VAN
iR.W.EËJARé’N VAN AERSSEN BfcUEREN V.ANVOSHOL
‘, ï ‘ INDE j;ATï EINf’
! • 1 8 8 2 TOT 30AUGUSTUS 1896,
as DEZE GEDENKSTEEN ALHIER . /:”’;’•.
DOOR DEN ALGEMEENEN KERKEIAAD GEPLAATST’
30 AUGUSTUS ia,8 7. ,
„.„„^ ,.._„ .>*.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. W.F.E. Baron van
Aerssen van Beijeren
van Voshol
(Iconografisch Bureau,
Den Haag).
In de tijd dat Willem van Aerssen opgroeide,
waren hiërarchische structuren van groot belang.
Iedereen behoorde op grond van zijn geboorte tot
een bepaalde stand: de geboorte bepaalde de
plaats in de samenleving. Het was de ‘dubbeltjes
en kwartjes’ maatschappij: geboren als het één
werd je nooit het ander. De verschillen kwamen
tot in de kleding toe tot uiting; zo waren er pettenen
hoedendragers.
De adel stond aan de top van de maatschappelijke
ladder. Tot 1848 speelde de adel zelfs staatsrechterlijk
een rol: de adelijke stand mocht de
leden van de Eerste Kamer kiezen. In 1848 werd dit
voorrecht officieel afgeschaft, maar een standenmaatschappij
bleef Nederland zeker nog tot na de
Eerste Wereldoorlog.
Rechterlijke macht
Willem van Aerssen was dus krachtens geboorte
voorbestemd om een aanzienlijke positie in de
maatschappij in te nemen. Hij doorliep het gymnasium
in Zwolle, waar hij prijzen kreeg voor zijn
goede prestaties. Daarna studeerde hij rechten in
Utrecht. Na zijn promotie op 11 mei 1855 koos Van
Aerssen voor een rechterlijke loopbaan. Hij begon
zijn 52-jarige carrière in 1856 met een aanstelling
als griffier bij het kantongerecht in Zwolle. In
1908, op 80-jarige leeftijd, nam hij afscheid als president
van de rechtbank alhier.
Als beginnend jurist vestigde Van Aerssen zich
in een huis aan de Sassenpoortenwal (nu Van
Nahuysplein). Zijn moeder, douairière Van Aerssen-
Rigano, woonde tot haar overlijden in 1875 in
het huis naast hem. Van Aerssen was inmiddels
gehuwd met Claudina Maria Caroline barones
Bentinck van Nijenhuis. Mr. Jan A.G. baron de
Vos van Steenwijk, burgemeester van Zwolle en
lid van de Eerste Kamer, was één van zijn zwagers.
In 1883, 27 jaar nadat hij als griffier begonnen
was, werd Van Aerssen geïnstalleerd als president
van de Zwolse Rechtbank. Zoals we nog zullen
zien, kende ook zijn nevenfuncties in de kerkvoogdij
en gemeenteraad zo’n lange aanlooptijd.
En dat terwijl hij toch het nodige aanzien genoot.
Vermoedelijk heeft dit te maken met het negentiende-
eeuwse idee dat men een zekere leeftijd
bereikt moest hebben om voor ‘vol’ aangezien te
worden. Het is echter ook mogelijk dat een gevoel
van plichtsbetrachting hem ervan weerhouden
heeft om zich op relatief jonge leeftijd uitbundig
bezig te houden met maatschappelijke activiteiten;
dit in tegenstelling tot de huidige tijd waarin
indrukwekkende lijsten met nevenfuncties vaak
een statussymbool geworden zijn. Van Aerssen
zag in ieder geval gaarne, dat een rechterlijk ambtenaar
zich geheel wijdde aan zijn ambt. Nevenfuncties
mochten niet meer tijd in beslag nemen
dan het eigenlijke ambt, zoals hij onder meer bij
zijn afscheid in 1908 benadrukte.
Van Aerssen behoorde tot de conservatieve
vleugel van het toen heersende liberalisme. Toen
het verwijt opkwam, vooral onder invloed van het
opkomende socialisme, dat de heersende rechtsgang
een klassejustitie was, pareerde hij dit fel. Het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
is echter geen boude bewering te stellen dat in de
toenmalige rechtsspraak met twee maten gemeten
werd. Het gewone volk werd ongetwijfeld harder
aangepakt dan de mensen uit de hogere standen.
Voor leden uit de eigen groep hadden rechters
meer begrip dan voor mensen van wie de levensomstandigheden
mijlenver van hen afstonden.
Vooral misdrijven tegen het eigendom werden
streng gestraft.
Toch bleef Van Aerssen een onkreukbare
jurist. Hij wilde op een gegeven moment graag de
Sociaal Democratische Bond veroordelen, omdat
deze een geweldadige omverwerping van de
bestaande orde propageerde. Toch zag hij ervan af
het aangeklaagde bestuur van de Bond te veroordelen
omdat het Wetboek van Strafrecht niet
voorzag in het probleem. Hij gaf in zijn vonnis wel
de hint om op dit punt het strafrecht aan te scherpen.
Overigens werd de Bond in hoger beroep te
Arnhem wel veroordeeld.
De politicus van Aerssen
Van Aerssen deed op 15 juni 1880 als lid van de
liberale fractie zijn intrede in de gemeenteraad.
Hij stelde zich daar behoudend op. Hij zette zich
onder andere in voor de verfraaiing van de oude
/stadswallen; zo ontstonden het Van Nahuysplein
en het Terpelkwijkpark. De belangen van zijn
stand indachtig, probeerde hij het ontwerp voor
de spoorbrug zo te maken dat ‘de heren er met
hunne rijtuigen zouden kunnen passeren.’
Minder voortvarend was hij toen er maatregelen
nodig waren op het gebied van de volksgezondheid.
In 1866 had zich een ernstige choleraepidemie
voorgedaan. Omdat de afvoer van fecaliën
te wensen overliet en het drinkwater van de
stadspompen gevaar liep besmet te worden, vonden
langdurige beraadslagingen plaats over een
verplichte invoering van het tonnenstelsel en over
de financiering hiervan. Van Aerssen en de zijnen
konden niet erg warmlopen voor deze plannen.
J. W. Meyer. ‘Thans
huis Baron van Aerssen’
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zij stelden zich integendeel zeer terughoudend
op. Zij beschikten immers over eigen waterputten
en konden het zonder de openbare watervoorziening
stellen.
Op 28 november 1892, na twaalf jaar, eindigde
Van Aerssens loopbaan als raadslid. Hij kreeg
meer en meer moeite met allerlei besluiten waar
hij niet achterstond maar die wel door zijn eigen
fractiegenoten ondersteund werden. Maar ook
zijn toenemende werkzaamheden voor de Grote
Kerk, waaraan hij meer genoegen beleefde, zullen
een punt van overweging geweest zijn.
Kerkvoogdij
Het instituut kerkvoogdij was in 1829 ingesteld om
te zorgen voor de financiële zaken van de kerk.
Voor 1795 had de overheid die taak uitgevoerd. De
kerkvoogdij beheerde als onafhankelijk lichaam
de financiën van de kerk en bemoeide zich alleen
met materiële aangelegenheden. De leden van de
kerkvoogdij werden benoemd door een college
van notabelen, die op hun beurt gekozen werden
door de lidmaten die bijdroegen aan de inkomsten
van de kerk. Dit was een beperkt gezelschap
omdat de meeste mensen weinig financiële middelen
hadden. Bovendien hadden de meeste mensen
weinig interesse om iets voor de kerk apart te
leggen. In 1908 bijvoorbeeld, vermeldde een
maandtelling als opbrengst van de collecten 66
halve centen en was de gemiddelde gift van de
kerkganger voor de kerkvoogdij 2 cent!
De kerk was overigens niet geheel zonder
bezittingen en vaste inkomsten. In Zwolle ontving
men een ‘rijkstraktement’ voor zes predikanten,
gebaseerd op het prijsniveau van 1810 (ƒ 600,- per
jaar). De kerk bezat bovendien verschillende landerijen
en fondsen. Daartegenover stond het
onderhoud van drie grote en oude gebouwen: de
Grote Kerk, de Broerenkerk en de Bethlehemse
kerk.
Van Aerssen werd in 1876 lid van de kerkvoogdij
van de hervormde gemeente in Zwolle. Twee
jaar later werd hij president van dit college, een
functie die hij tot 1914 – dus 36 jaar lang – bekleedde.
Het presidentschap van de kerkvoogdij was
altijd in handen van aanzienlijke mannen die grote
invloed hadden op de gang van zaken. In de
notulen die we over de periode Van Aerssen hebben
nagelezen komt dit ook duidelijk tot uiting.
Steeds weer klinkt het als een refrein: ‘de president
zegt’ … ‘hij is van mening’… ‘op voorstel van de
voorzitter’ enzovoorts. Van enig tegenwicht was
pas in zijn laatste jaren sprake. Uit de notulen krijgen
we een goed inzicht in de opvattingen van de
baron. We zouden hem een klassieke negentiende-
eeuwer kunnen noemen. Ter illustratie nemen
we enkele zaken onder de loep die regelmatig in de
notulen terugkeren.
Personeel
In de vorige eeuw had de hervormde gemeente
nogal wat personeel in dienst. Van vrijwilligerswerk
zoals we dat nu kennen was geen sprake.
Weliswaar vervulden kerkvoogden en kerkenraadsleden
hun functie op vrijwillige basis, maar
zij deelden alleen orders uit. Alleen de diakenen
hadden een rol bij de bijstanduitdelingen, maar
verder waren er voor elk karwei betaalde krachten.
Allereerst waren er de kosters, die kerkenknechten
onder zich hadden voor het zware werk.
De kerkenknechten waren op hun beurt weer
onderverdeeld in de eerste, tweede en derde
knecht. De kosters vormden de spil van het
bedrijf. In de notulen komen we de koster van de
Bethlehemse kerk tegen die in de kelder van deze
kerk woonde. Hij klaagde over de vochtigheid van
zijn woning met als gevolg dat een klein huisje
voor hem werd gehuurd in de Sassenstraat. Maar
men vond het jammer om de kelder onbewoond
te laten en daarom werd deze weer verhuurd aan
een ander. Niet zo vreemd, want er waren in die
tijd veel meer kelderwoningen.
Een koster van de Broerenkerk was diep in de
tachtig toen hij zijn werk niet meer aankon. De
kerkvoogden zagen dit wel in en gaven hem een
pensioen van ƒ 450,- per jaar. Om de schade te
beperken stelden ze een opvolger aan voor de helft
van het loon met als toezegging dat hij meer zou
krijgen als zijn voorganger was overleden; dat
gebeurde twee jaar later.
Onmisbaar waren ook de stovenzetsters. De
kerken werden pas aan het einde van de negentiende
eeuw verwarmd. Het zetten van stoven
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
werd verpacht aan iemand die vrouwen in dienst
had. Zij zorgden voor het warm maken en plaatsen
van de stoven. In elke kerk was een zogeheten
stovenhok. Het stoken van de turf, de walm en het
heen en weer lopen van de stovenzetsters, was
nogal eens een bron van irritatie. De gelden voor
de stoven werden wekelijks door de exploitant
geïnd.
Vervolgens was er een organist. Uiteraard was
dat een functie van een ander kaliber, maar ook hij
had helpers: de orgeltrappers. In de Grote Kerk
moesten er minstens zes zijn.
Verder was er een college van collectanten.3
Dit was een gezelschap uit de lagere burgerstand
voor wie dit een erefunctie was. Er stond geen
beloning tegenover, maar wel enkele faciliteiten
zoals een zitplaats tegen gereduceerd tarief of gratis
entree bij concerten in de kerk. Men werd
benoemd, maar men kon ook ontslagen worden
als er dingen gebeurden die niet goed waren in de
ogen van de kerkvoogden.
Ook was er een ziekentrooster. In 1896 functioneerde
deze man vanwege zijn leeftijd nauwelijks
meer, maar ontving nog wel zijn volle salaris
van ƒ 245,-. De kerkenraad had hierbij een oogje
toegedaan. De baron drong aan op ontslag maar
gunde hem nog wel een pensioen van ƒ 50,- per
jaar…
Een gewichtige kerkfunctionaris was de ontvanger.
Deze vergaderde altijd met de kerkvoogden.
Hij behoorde zelf ook tot de gegoede burgerij
en genoot een daarbij passend traktement. Deze
functie kon overigens ook alleen door kapitaalkrachtige
mensen vervuld worden, omdat er een
borgsom gestort moest worden van enkele duizenden
guldens.
De predikanten
De verhouding tussen predikanten en kerkvoogdij
was van geheel andere aard. De predikanten
waren veelal ook ‘heren van stand.’ Met hen
bestond geen arbeidsrechtelijke verhouding, maar
wel kon de kerkvoogdij de hoogte van het traktement,
pensioen of andere uitkering bepalen.
In de notulen komen herhaaldelijk te krappe
traktementen (ongeveer ƒ 2000,-) en uitkeringen
bij ouderdom aan de orde. Dergelijke geluiden
kwamen ook van orgeltrappers en kerkenknechten,
maar dan ging het om een paar gulden. Bij de
predikanten speelden veel hogere bedragen. Zonder
veel krimp werden soms kosten van enkele
honderden guldens vergoed.
In 1881 trachtte Van Aerssen de predikanten
tegemoet te komen op een wijze die de kerkenkas
niet zou bezwaren. Hij stelde voor om bij een
vacature deze plaats niet meer te vervullen en het
zo vrijgekomen bedrag te verdelen over de overige
vijf. De baron vond zes predikanten een weelde
met drie kerken. Bovendien vond hij dat voor het
godsdienstonderwijs best een godsdienstonderwijzer
aangetrokken kon worden. Dat was veel
goedkoper. Ook kon op deze manier wat aan de
pensioenen gedaan worden die veel te laag waren,
reden waarom de dominees zo lang bleven doorgaan.
De kerkenraad stond op zijn achterste benen
en wees Van Aerssen op nieuwe impulsen die van
een nieuwkomer zouden uitgaan. De baron vond
echter dat het nieuwtje er meestal snel afwas. Van
de predikanten had hij geen hoge dunk. Van Aerssen
hield lang aan zijn voorstel vast, maar uiteindelijk
wilde hij geen echt conflict en ging overstag.
Van Aerssen nam wel het initiatief om een
pensioenfonds voor predikanten te vormen. Daar
bestond destijds geen voorziening voor; een ieder
werd geacht voor zijn eigen oude dag maatregelen
te treffen. Maar als de nood aan de man kwam
betaalde de kerkvoogdij toch een redelijk bedrag
voor een emeritus of een weduwe.
Standen in de kerk
Binnen de kerk werkte het idee van de standenmaatschappij
net zo hard door als in de rest van de
samenleving. Dat kwam bijvoorbeeld tot uiting in
de positie van de drie Zwolse hervormde kerken.
De ene kerk was deftiger – en duurder – dan de
andere. Dat bleek uit de prijzen van de banken in
de kerken.
Na 1814 was het noodzakelijk de banken te verhuren
om inkomsten te verkrijgen. Op zichzelf
was het geen vreemde gedachte om voor de plaatsen
in de kerk geld te vragen, maar de uitvoering
was zeer tijdsgebonden. De plaats en de prijs in de
kerk reflecteerde namelijk de plaats in de maatschappij.
Zo vonden we een brief van iemand die
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
een duurdere plaats verlangde omdat hij in een
betere stand terecht was gekomen.
Vóór de Franse Tijd kenden de magistratuur,
de officieren en de adel overigens ook hun eigen
plaatsen, maar ze betaalden er niet voor. De meeste
mensen stonden of namen een krukje mee,
omdat de kerk niet vol geplaatst kon worden met
banken, omdat er in die tijd (tot 1829) nog mensen
in de kerk begraven werden.
Na de Franse Tijd werd er bij de zitplaatsen
onderscheid gemaakt in klassen en ook onderscheid
in mannen- en vrouwenplaatsen. Aanvankelijk
werden de plaatsen eenmaal per jaar verhuurd
aan de hoogstbiedende. Later werden vaste
prijzen berekend. Het meest geliefd waren de
zogeheten regeringsbanken. Oorspronkelijk
waren deze bestemd voor de stadsbestuurders,
maar later konden ze ook gehuurd worden.
De huurprijs hing mede af van de kerk. Zo
kostte in 1882 een zitplaats in de Grote Kerk achter
de meensliedenbank – recht voor de preekstoel –
ƒ 5,40 per jaar. De meensliedenbank zelf was met
ƒ 8,- per jaar geprijsd. Dezelfde plaats kostte in de
Broerenkerk ƒ 5,- en in de Bethlehemse kerk ƒ 3,-.
In 1909 waren er vier klassen en de prijs varieerde
toen van ƒ 6,- tot ƒ 1,25 per jaar. De armen werden
verwezen naar de Bethlehemse kerk, maar ook in
de Grote Kerk stonden banken ver achter de
preekstoel voor onvermogenden.
Bij herhaling werd de koster gemaand vooral
geen ‘onbevoegden’ op onbezette verhuurde
plaatsen toe te laten, ook al was de kerk stampvol.
Pas na 1900 werd toegestaan dat vrouwen die bij
een volle dienst geen zitplaats konden krijgen een
lege plaats mochten gebruiken.
Naarmate de tijd vorderde werd het gemor van
de vaste kerkgangers tegen de bankverhuur luider.
Vooral in het orthodoxe deel van de gemeente,
waar men herhaaldelijk geconfronteerd werd met
volle kerken terwijl men niet bij machte was een
vaste plaats te bekostigen, was de weerstand groot.
Maar baron van Aerssen piekerde er niet over om
verandering in het systeem te brengen. In vrijwillige
bijdragen zag hij niets. Wel kwam hij op de
lumineuze gedachte om plaatskaartjes van 25 en 10
cent uit te geven voor niet-verhuurde plaatsen.
Aardige bijkomstigheid is dat we hierdoor de toeloop
bij bepaalde predikanten kunnen nagaan.
Hoe meer kaartjes, hoe voller de dienst! Ook toen
bleek het meteen een middel om de rentabiliteit
van een dominee na te gaan.
Er waren ook plaatsen die weggegeven werden
aan bepaalde groepen. Oud-collectanten kregen
een bescheiden plaats, die ze alleen voor zichzelf
mochten gebruiken. De regeringsbank werd gereserveerd
voor aanzienlijker lieden, oud-kerkvoogden
en notabelen. Hun minderjarige zonen
mochten bij pa zitten; als die er niet was mochten
zij niet van de plaats gebruik maken. De koster
moest dus overal zijn ogen hebben en ook nog
beleefd blijven.
Vanzelfsprekend waren er ook plaatsen gereserveerd
voor familie en gasten van de predikanten.
Ook konden de onderofficieren en ‘minderen’
op (eigen) plaatsen rekenen tegen een gereduceerd
tarief.
Met de verhuur van kerkelijke ruimte was Van
Aerssen ook erg selectief. Een verzoek van het
Leger des Heils in 1896 om de Bethlehemse kerk te
mogen gebruiken werd afgewezen. Het ‘Leger’
had destijds nogal een ‘wild’ imago dat niet paste
bij het beeld dat Van Aerssen had van een godsdienstige
bijeenkomst en bovendien zinde de
sociale laag hem niet. Maar ook de Christelijke
Nationale Werkmansbond viste achter het net
toen zij om de consistoriekamer van de Grote
Kerk vroegen. Ze waren wel christelijk en netjes,
maar dat deze ‘arbeiders’ op de stoelen van de deftige
vergaderruimte zouden zitten, ging de baron
toch te ver.
Redder van de Grote Kerk
Tot dusver hebben we Willem baron van Aerssen
nogal kritisch bekeken en hem ervaren als een
echte regent, die zich veel moeite getroostte de
bestaande orde te handhaven. Zijn grote verdienste
is echter gelegen in zijn rol als redder van de
Grote Kerk.
De negentiende eeuw staat niet bepaald
bekend om z’n monumentvriendelijkheid, omdat
er toen heel wat waardevolle gebouwen zijn gesloopt
in naam van de vooruitgang.
De Grote Kerk leek dat lot ook beschoren. Het
gebouw stond er in de tweede helft van de eeuw
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
treurig bij en het leek of niemand zich om het
gebouw bekommerde. Hierin was baron van
Aerssen een van de weinige uitzonderingen.
Direct na zijn benoeming als kerkvoogd stelde hij
het herstel van de ramen aan de orde. Toen hij nog
maar net president was geworden, startte hij het
herstel van het oude doophek uit 15

Lees verder