Categorie

Aflevering 3

Zwolse Historisch Tijdschrift 1999, Aflevering 3

Door | 1999, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsma-van Hulten en
Wim Huijsmans
ZWOLLE
A R C HIE F
ot™J
001161
Ansichtkaart Grote Markt met Peperbus
Poststempel augustus 1961
‘Beste & Lieve Corrie
Opa is met vacantie in Zwolle en maakt het gelukkig
goed. Ik heb al veel gewandeld en mooie tochten
medegemaakt met Oom Jan. Het weer is best wel
watfrisch maar veel droog. Van Tante Adri heb ik
vanmorgen uit Italië de 2e brief gehad, ze heeft
prachtig weer en geen pijn dus ook zij geniet van
alles. Voor we van huis gingen hebben we je briefin
orde ontvangen. En nu Corrie, ik weet niet of je al
terug bent van vacantie maar in gedachten een flinke
kus van Opa en ook de hartelijke groeten van
Tante Nel, oom Jan en Neven en Litia(l).’
De Grote Markt was in het begin van de jaren
zestig nog een verkeersknooppunt. Op de ansicht
is een deel van de rotonde zichtbaar, die daar in
1929 werd aangelegd. Dat was noodzaak geworden
omdat het verkeer zich voor die tijd willekeurig
over het plein bewoog, hetgeen de nodige hachelijke
situaties opleverde.
Aan de op kaart zichtbare kabels hingen, bij
wijze van straatverlichting, lichtbakken.
Ongeveer midden op de kaart is goed het pand
Grote Markt 15 te zien, het huis met de gevelsteen
van ‘het Hondje’. Het huis was van 1922-1968
eigendom van H.J.G. Paanakker, winkelier in
schoenen. Dit pand was aan het eind van het vorige
jaar een prooi der vlammen, hierover elders in
dit tijdschrift meer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
In het vorige nummer heeft u de jeugdherinneringen
van Ank Meliesie-Appelhof over de Tweede
Wereldoorlog kunnen lezen, deze keer vertelt zij
vooral over haar lagere school tijd: de onderwijzers,
de bijnamen die deze en andere Zwollenaren
kregen, de zondagsschool en hoe vakanties toen
doorgebracht werden.
Een ‘hot item’ is de brand in december 1998 in
Het Hondje op de hoek van de Grote Markt en de
afbraak van het pand. Op dit moment is het een
open plek tegenover de Grote Kerk. Wim Huijsmans
en Johan Teunis onderzochten de geschiedenis
en de bouwkundige aspecten van het pand
aan de hand van archiefstukken, afbeeldingen en
de restanten van het pand zelf. Het wachten is nu
op de (her)bouw van dit beeld bepalende pand.
Tegenover Het Hondje ligt de Grote Kerk.
Hier speelde een eeuw geleden Baron van Aerssen
Beijeren van Voshol een belangrijke rol als president
kerkvoogd. J. Erdtsieck en B. Veltman
beschrijven het leven van deze standsbewuste persoon.
Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in het
bijeenbrengen van gelden voor de restauratie van
de Grote Kerk. Op de ansichtkaart uit 1961 onder
de kop ‘Groeten uit Zwolle’ is deze bekende plek
in de stad ook te zien.
Zeker de moeite waard zijn twee interessante
boeken die onlangs verschenen en die worden
besproken in het literatuuroverzicht: het ene over
Zwolse zilversmeden en het andere over een aantal
karakteristieke huizen uit het eind van de 19de
eeuw. Aan beide boeken is veel onderzoek voorafgegaan.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en wim Huijsmans 74
Herinneringen (2) J.A.M. Meliesie-Appelhof 76
Grote Markt 15, ‘Het Hondje’ Wim Huijsmans en Johan Teunis 81
Baron van Aerssen Beijeren van Voshol (1828-1914),
redder van de Grote Kerk J. Erdtsieck en B. Veltman 91
Boekbesprekingen 102
Mededelingen 104
Agenda 105
Auteurs 106
Omslag: Schoolfoto van Ank Meliesie-Appelhof. Kinderen, keurig met de armen
over elkaar, zitten in ouderwetse schoolbanken (foto: particuliere collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Herinneringen (2)
J.A.M. Meliesie-
Appelhof
De school aan de Turfmarkt,
met meneer
Kronenberg (particuliere
collectie).
School
Enige tijd geleden vond ik een oude schoolfoto
van de eerste klas van de lagere school.
Kinderen van zes of zeven jaar, keurig met
de armen over elkaar, zitten in ouderwetse schoolbanken.
Het zijn van die banken met een vak en
een inktpotje in het midden. Op school schreven
we met een kroontjespen: dunne lijntjes op en
dikke neer.
Ik zat op school II. Vroeger hadden de openbare
scholen een nummer in plaats van een naam.
Het hoofd van de school was meneer Jonkers. Wij
zeiden ‘meneer’ en niet ‘meester’, want dat zeiden
alleen de kinderen op de dorpsscholen het platteland.
Behalve meneer Jonkers waren er meneer
Jansen (een erg aardige onderwijzer) en meneer
De Mik, maar die heb ik nooit gehad. Van juffrouw
Weggemans en juffrouw Jagersma heb ik
wel les gehad.
Ik had geen hekel aan school. Rekenen vond ik
niet prettig. Cijferen ging wel, maar die vreselijke
sommen over een vat dat leegliep en over A en B,
die elkaar ontmoetten, hadden niet bepaald mijn
voorkeur. Taal vond ik fijn. Ik had veel fantasie en
ik vond het heerlijk om opstellen te maken.
Meneer Jonkers bij wie ik in de hoogste Mas zat –
er waren zeven klassen – was niet bepaald een
pedagoog. Hij heeft mijn tere kinderziel zeer
gekwetst met opmerkingen als: ‘Ga jij maar naar je
kaboutertjes en elfjes.’
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Zingen was ook één van mijn favoriete vakken.
We zongen tweestemmig versjes die de jeugd van
tegenwoordig waarschijnlijk niet meer kent: ‘Op
de grote stille heide’, ‘Hela, gij bloempje, slaapt gij
nu nog’ en de vaderlandse liedjes, zoals ‘Waar de
blanke top der duinen’ en ‘O schitterende kleuren
van Nederlands’ vlag.’
Ook de tekenuurtjes waren gezellig, al was ik
beslist geen tekentalent. Uit het hoofd tekenen –
vooral poppetjes – was leuk, maar om een rechte
lijn langs een lineaal te trekken vond ik al moeilijk!
En dan moest je ook nog handwerken. Het
enige prettige eraan vond ik dat juffrouw Jagersma,
die ons handwerkles gaf, altijd voorlas. De
meeste tijd bracht ik door achter de stoel van de
juf om op mijn beurt te wachten om te worden
geholpen. Er was altijd wat. Steken vielen in het
breiwerk, een draad raakte in de war, enzovoort.
Door mijn ongeduldige karakter was ik overal
meestal erg vlug mee, maar met handwerken
kwam ik altijd achteraan. Aan de meeste werkstukken,
waar veel handige klasgenootjes al mee
klaar waren, kwam ik nooit toe. Toch kreeg ik
altijd een voldoende, al had ik die beslist niet verdiend.
Het is op dit gebied nooit goed gekomen
met mij!
Stadhuis
Hoewel ik alleen de eerste zeven jaren van mijn
leven in de binnenstad heb gewoond, heb ik daar
toch prettige herinneringen aan. Zwolle was toen
een gezapige ambtenarenstad en er was nog weinig
verkeer. Vanuit ons huis aan de Oude Vismarkt
keek je uit op de Pius-sociëteit, op de hoek
van de Rode Haansteeg. De groenteboer en de
melkboer kwamen aan huis met paard en wagen.
Het was groot feest als je even op de bok mocht
zitten. Soms speelden we op het Gasthuisplein,
onder de prachtige oude kastanjebomen die in het
voorjaar pronkten met hun ‘kaarsen’ en waar in
het najaar glanzende bruine kastanjes uit vielen.
Wij verzamelden ze en maakten er poppetjes en
paardentomen van. Even verderop was de botermarkt
– de Nieuwe Markt- naast het postkantoor.
Daar verkochten de boerinnen uit de omgeving,
getooid met witte ‘knippiesmutsen’, boter en
eieren. Ze hadden grote klepmanden bij zich.
Mijn moeder ging vaak met mij wandelen in
de Tuin van Eekhout. Het park bestaat nog altijd,
maar het heeft veel van zijn glorie verloren. Ik
vond het altijd erg leuk in het park. Er was een
grote volière met interessante vogeltjes. Ook was
er een grote zandbak. Terwijl de kinderen zich
daarin vermaakten zaten de moeders op een bankje
toe te kijken. Maar ik mocht er nooit in. Dat was
vies!
Het stadhuis heeft altijd een grote rol gespeeld
in mijn leven. Ik kwam daar al als kind omdat
mijn vader er werkte. Hij was verifkateur der
gemeentefinanciën. Ik vond dat een erg moeilijk
woord en het duurde lang voordat ik het zonder
haperen kon zeggen. Later kreeg mijn vaders
functie een andere naam: hoofd van de accountantsdienst.
Mijn vader moest van alle gemeentelijke
bedrijyen en instellingen de boeken controleren.
Een van de bedrijven waar hij kwam was de
gasfabriek – met de grote gashouders – die achter
de gevangenis stond. Die gevangenis sprak hevig
tot onze verbeelding. Soms zag je de ‘boevenwa-
Fietsen leren langs de
Oude Vismarkt; circa
1934 (particuliere collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De collega’s van G.B.
Appelhof van de afdeling
Financiën. Staand:
H. Santing, H. Hellendoorn,
F. Wienbelt, R.
Hogewind, R. Schriemer
en J. Scheper. Zittend:
Z.G. de Ruiter,
G.B. Appelhof W.
Peters (de atleet) en G.
Hoetink; 1948 (particuliere
collectie).
gen’ voorbijkomen. Wij, mijn vriendinnetjes en
ik, waren altijd benieuwd hoe die ‘boeven’ er zouden
uitzien.
Als ik mijn rapport had gekregen ging ik naar
het stadhuis om het aan mijn vader te laten zien.
Aan de Sassenstraat, links van de hoofdingang,
was een deur. Daarachter voerde een steile houten
trap naar de afdeling financiën, waar mijn vader
zat met zijn collega’s: meneer Peters – de bekende
atleet-, meneer de Ruiter, meneer Van de Wal en
meneer Schriemer. Al die ‘meneren’ bewonderden
het rapport, waarop steevast achten voor vlijt
en gedrag prijkten.
Die deur en die trap zijn er allang niet meer.
Mijn vader heeft het nieuwe stadhuis nooit
gekend.
Kerken
Mijn ouders kwamen allebei uit een hervormde
familie. Als dit niet het geval was geweest, dan
hadden hun ouders zeker grote bezwaren tegen
hun verkering hebben gehad. In het algemeen huldigde
men het standpunt: Twee geloven op één
kussen, daar slaapt de duivel tussen.
De familie van mijn vader ‘kerkte’ in de Grote
Kerk. Dit gebouw was vanuit hun woning, Voorstraat
5, in een minuut te bereiken. Mijn vader
vertelde dat hij nog wel eens spijbelde. Na de
dienst stelde hij zich ergens verdekt op om aan zijn
vrienden te vragen waar de dominee over had
gepreekt. Want dat werd door zijn vader altijd
nagevraagd.
Ik’ben gedoopt en heb belijdenis gedaan in de
Grote Kerk, bij dominee Van Noppen. De catechisaties
bij deze predikant, in het catechisatiegebouw
aan de Kamperstraat, waren erg prettig. Hij
had zelf geen kinderen, maar hij hield er erg veel
van. Als de ijsclub aan het Groot Weezenland geopend
was schaatste hij ondanks zijn hoge leeftijd
(als kind vond je iedereen boven de twintig al
oud!) met een hele sliert catechisanten achter zich
aan.
Toch had ik iets met de rooms-katholieke
kerk. De kerkgebouwen vond ik altijd heel interessant.
Ze hadden iets mysterieus, met al die beelden
en wierookgeur. In de vakanties logeerden mijn
nichtje uit Enschede, dat even oud is als ik, en ik
altijd bij elkaar. In de kerstvakantie liepen wij de
katholieke kerken af om kribjes te kijken. We liepen
van de kerk aan de Ossenmarkt naar de
St. Michaëlskerk aan de Roggenstraat.
In onze lagere schooltijd moesten we iedere
zondagochtend naar zondagsschool. Die werd
voor de kinderen uit de Wipstrikbuurt gehouden
in de Koningin Emmaschool aan de Jacob Catsstraat.
Broeder van de Grijp, die met een zuster
van mijn vader was getrouwd, en de heer Bieringa,
de deurwaarder, hadden de leiding. We hadden in
de eerste jaren les van een juffrouw. Die vertelde
verhalen die ik niet altijd begreep. In één verhaal
kwam de zin voor: ‘En Siepie was sociaal, weten
jullie wat dat is?’ Ik wist helemaal niet wat dat voor
vreselijks was. Later leerde ik dat dat ‘rood’ was.
Die ‘rooien’ hielden niet van de koningin. Dat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
vond ik heel erg, want heel jong was ik al koningsgezind.
Logeren
Het was vroeger niet vanzelfsprekend, dat je de
vakantie buiten de stad doorbracht. En een reis
naar het buitenland was slechts voor enkele
bevoorrechten weggelegd. Veel vakantie had men
trouwens niet. De meeste mensen waren hoogstens
twee weken per jaar vrij. Bovendien werkte
men ook op zaterdagmorgen, zodat een lang
weekeinde er niet bij was. De lagere schoolkinderen
hadden ongeveer tien dagen paas- en kerstvakantie
en vier weken grote vakantie. De herfstvakantie
duurde drie dagen en daar was dankdag bij
inbegrepen.
Wij zijn wel enkele malen in Katwijk en Doetinchem
met vakantie geweest. We logeerden in
een pension. Eenmaal gingen we naar het buitenland
en daar was ik hevig trots op. Vanuit Doetinchem
zijn we een dagje in Kleef geweest, net over
de Duitse grens.
Meestal gingen we in de vakantie ergens logeren
of we hadden logees. Als mijn ouders een
avond uitgingen, mocht ik bij oma aan de Voorstraat
logeren. Ik sliep in de alkoof, grenzend aan
de woonkamer. Dat was heel interessant want
door de kier van de deur zag ik licht schijnen en
kon ik alles horen wat er in de kamer gebeurde.
Oma was heel zorgzaam. Het was erg warm in de
alkoof, maar ik moest en zou een wollen omslagdoek
van haar om mijn geringe schoudertjes
slaan: ‘anders krijg je kolde arms.’ Ik vond dat
‘arms’ erg stom klinken.
Meestal logeerden mijn nichtje en ik bij elkaar.
We schuimden de hele stad af. We gingen naar de
Voorstraat, het ouderlijk huis van haar moeder en
mijn vader, en naar de Ruysdaelstraat, waar haar
oma van vaderszijde woonde. Om één of andere
‘duustere’ reden vonden we het hevig interessant
om achterbuurten te bekijken. We hadden een
voorkeur voor hele smalle straatjes. In één van die
steegjes kwam ons eens een vrouw tegemoet, die
tegen ons zei: ‘Kinderen, jullie moeten teruggaan.
Dit is niets voor jullie.’ We deden dat braaf, maar
we waren ontzettend nieuwsgierig, wat voor vreselijks
daar zou zijn gebeurd als wij verder waren
gelopen. We vertelden thuis natuurlijk niets over
onze escapades! Ik herinner mij de vakanties als
een heerlijke tijd.
Tijdens een vakantie
aan zee, kon je ezeltje
rijden langs het strand;
I930 (particuliere collectie).
Broeder A. van de Grijp
(links in zwart pak) gaf
leiding aan de zondagschool.
Hij was wijkverpleger
en hij was een
oom van J.A.M. Meliesie.
Rechts zitten twee
andere ooms allebei Jan
geheten; ervoor Dicky
Appelhof; 1930 (particuliere
collectie).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bij familie in Deventer
stond een schommel in
de tuin; circa 1934 (particuliere
collectie).
Bijnamen
In veel plaatsen en gezinnen kent men het gebruik
van bijnamen. Die worden zo hardnekkig
gebruikt, dat men de werkelijke naam van de persoon
nauwelijks kent of zelfs nooit heeft gekend.
Vroeger kende elke autochtone Zwollenaar ‘de
kalken neüze’, ‘de golden poot’ en ‘Billy-zoek-defout’,
zoals burgemeester Mooiweer ook wel werd
genoemd. In de vorige eeuw waren er nog veel
meer bijzondere namen, zoals in het oude liedje
van ‘Diene met de musse en de waterbusse’ is te
horen.
Thuis hadden we ook voor diverse mensen bijnamen.
Een kennis, van wie de vooruitstekende
kin duidelijk zichtbaar was, noemden we ‘het laatste
kwartier.’ Het had natuurlijk ook het eerste
kwartier kunnen zijn als hij de andere kant op
keek! Dan was er een juffrouw, die werd aangeduid
als ‘het eeuwige leven’, omdat ze een vooruitstekende
onderlip had. Mijn moeder zei namelijk:
‘Als ze de laatste adem uitblaast komt die er bij
haar neus weer in.’ Toen ze werkelijk haar laatste
adem uitblies heeft ze waarschijnlijk een verstopte
neus gehad! Dan hadden we ‘tuutien-kus-mieeens.’
Waar dat op sloeg weet ik niet meer. Verder
kenden we Zebedeüs en zijn zonen Habakuk en
Mordegai. Bijbels klopt dit helemaal niet.
Later op de HBS hadden we voor bijna iedere
leraar een bijnaam. Maar die hadden ze al jaren.
Natte his – zoals biologie werd genoemd – werd
gegeven door ‘de Bezem.’ Het verhaal ging dat
toen ze voor de eerste keer les gaf, leerlingen
klaagden dat ze heel anders les gaf dan haar voorganger.
Daarop werd hen meegedeeld: ‘Nieuwe
bezems vegen schoon.’ Haar opvolger werd ‘de
stofzuiger’ genoemd! De leraar Frans, die Zijlstra
heette, werd omgedoopt tot Sijmen. Dan was er “t
Heufd’ voor wiskunde (wiskunde is predeskunde,
als je niet oplet leer je het nooit, zei hij altijd). Verder
waren er de ‘Ober’, voor Duits, ‘Sam’ voor
geschiedenis, ‘de Paf voor aardrijkskunde en
‘Ghandi’ voor een magere wiskundeleraar. Tenslotte
waren er ‘ome Jan’ en ‘de Sik’, maar die
waren vóór mijn tijd. Het geven van bijnamen is
een beetje in onbruik geraakt al zullen er zeker nog
gezinnen zijn, die onderling iemand bij een zelfbedachte
naam noemen. En in dorpen zal het ongetwijfeld
nog wel voorkomen. Zwolle is ei: echter te
groot voor geworden!
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
Grote Markt 15, ‘Het Hoïïdje’
Vlak bij de Grote Kerk, op de plaats waar de
Grote Markt overgaat in Voorstraat en
Luttekestraat, staat op de hoek het pand
Grote Markt 15, beter bekend als Het Hondje. Dit
gedeelte van de Grote Markt, met de Peperbus op
de achtergrond, is één van de meest afgebeelde
plekjes van de stad Zwolle.
Het hondje of’t untien
Omdat huisnummering in vroegere tijden ontbrak,
hadden veel panden vanaf circa 1600 een
naam. Een groot aantal mensen kon niet lezen of
schrijven, daarom werd zo’n huisnaam met
behulp van een afbeelding duidelijk gemaakt. Uithangborden,
windvanen, muurschilderingen en
gevelstenen werden hiervoor gebruikt. Zo wisten
vreemdelingen bij welk huis ze moesten zijn.
Anderzijds was het ook een vorm van reclame
voor het bedrijf dat in het betreffende pand werd
uitgeoefend.
Het hondje met het jaartal ‘1669’ zou herinneren
aan de laatste torenbrand van de Grote- of
St. Michaëlskerk, toen de bliksem in de spits was
geslagen. Volgens sommigen was het hondje het
enige slachtoffer. Een andere lezing meldt daarentegen
dat het hondje ongedeerd onder het puin
vandaan kwam. Het is niet meer te achterhalen
welke versie juist is.
Op een schilderij van de Zwolse schilder Jan
Grasdorp waar de torenbrand van 1669 staat afgebeeld,
is in de voorgevel (trapgevel met midden
pinakel) de gevelsteen met het hondje te zien.
Vanaf 1665 stond dit pand al bekend als Het
Hondje of op zijn Zwols Et Untien. In dat jaar
kwam deze huisnaam voor het eerst in een
archiefstuk voor. Het jaartal 1669 is misschien aan
de gevelsteen toegevoegd omdat er in dat jaar bij
de val van de toren van de Grote Kerk daadwerkelijk
een hond betrokken was, die daarbij of het
leven liet of wonderwel levend onder het puin
vandaan kwam. Het blijft gissen.
In de zestiende eeuw was in het pand een kuiperij
gevestigd. Vanaf 1557 stond het pand dan ook
bekend als De Kuip. Het is een logische plaats voor
een kuiperij, omdat tegen de Grote Kerk, op de
plaats van de huidige consistoriekamer, het Stadsvleeshuis
was aangebouwd. Bovendien was op de
hoek van de Voorstraat en de Luttekestraat sinds
1600 de Stadswaag gevestigd. De gewogen boter
werd in tonnetjes of kuipen verpakt en in het
nabijgelegen Vleeshuis wilde men weten wat voor
vlees men in de kuip had. In het vleeshuis werd het
vlees o.a. op kwaliteit en versheid gecontroleerd.
De aanwezigheid van een kuiperij in de nabijheid
van beide stedelijke instellingen bood de kuiper
een goed bestaan.
Wim Huijsmans en
Johan Teunis
Gevelsteen met het jaartal
1669 en het hondje
waaraan het pand zijn
naam ontleend (foto
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Grote Markt,
DJ. van Elten, 1782
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
De Grote Markt,
A. Serné, 1834
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Midden in de stad was door overkluizing van
de Grote Aa een marktplaats ontstaan. Op de
kaart van Joan Blaeu (1640) zijn de overkluizingen
te zien. De westgevel van de Grote Markt bestond
toen nog uit vijf panden. Op een schilderij van
Derk Jan van Elten (1782) zien we de vijf gevels
gedetailleerd weergegeven. Een schilderij van A.
Serné uit 1834 laat nog steeds de gevelsteen met het
hondje in de voorgevel zien. In 1851 kwam daar
verandering in, toen JJ. Cavaljè in het pand een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tabakszaak opende. Precies boven de ingang liet
de tabakshandelaar een houten bord met de tekst
‘Tabak’ aanbrengen. De gevelsteen met hondje
werd verwijderd en verhuisde naar de zijgevel.
Tientallen jaren werden in het pand rookwaren
verkocht. In 1915 verdween het sigarenmagazijn en
kreeg het pand de bestemming van schoenmakerij
met als specialiteit het maken van maatschoeisel.
Tot 1968 bleef het een schoenenzaak. In hetzelfde
jaar openden de huidige eigenaren, de gebroeders
Van Beek, er een lederwarenzaak. Daarna verhuurden
de Van Beeks het pand aan een traiteur
met veel Italiaanse specialiteiten. Tot aan de brand
van 1998 was het pand in gebruik bij de Febo.
De brand
De landelijke keten van Febo snacks vestigde zich
in het begin van de jaren negentig in het pand.
Vooral in de kleine uurtjes van het weekeinde trok
de automatiek veel publiek uit omliggende straten
waar het Zwolse uitgaansleven zich afspeelt. Het is
dan in de Voorstraat en bij de Febo drukker dan
op een doordeweekse dag. Er zijn al heel wat
meningsverschillen, vaak als gevolg van overmatig
De Grote Markt,
J. Poppel naar L. Rohbock,
derde kwart 19de
eeuw (collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Zwart geblakerd zijn de
muren van de belendende
percelen nadat
‘het Hondje’ tot de
grond toe afgebroken is,
11 februari J999
(Monumentenzorg,
Zwolle).
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zelfs de brandweerman
kijkt bedrukt wanneer
hij de uitgebrande resten
van ‘het Hondje’
ziet, 3 februari 1999
(Monumentenzorg,
Zwolle).
drankgebruik, voor of na een patatje-oorlog van
de Febo, op de Grote Markt uitgevochten.
Ondanks deze incidenten trok de snacksgigant
veel publiek.
Op de avond van tweede kerstdag 1998 was het
niet anders. Toch is dit voorlopig de laatste dag
dat er een hartige hap aan het adres Grote Markt 15
was te krijgen. Op de vroege ochtend van zondag
27 december werd er brand gemeld. Een steekvlam
in een frituurpan sloeg via de afzuiginstallatie over
naar de hogere verdiepingen. Gadegeslagen door
het uitgaanspubliek bestreed de brandweer het
vuur met groot materieel. Van een afstand keken
vier personeelsleden toe. Amper bekomen van de
schrik vertelde Zik Ria Soltan Ali aan de Zwolse
Courant hoe hij aan het werk was toen de zaak
opeens vol met rook stond. ‘Ik was bezig bij de
snackbar toen opeens een klant “brand” riep. Ik
keek om en zag vuur in de frituurpan. Het was een
kleine vlam, maar in bijna een minuut was het
vuur al boven. Ik heb meteen 1-1-2 gebeld. Toen ik
naar boven wilde gaan om mijn jas te pakken was
daar ook allemaal rook. Ik heb mijn jas laten liggen
en de klanten naar buiten gestuurd. Er was
geen tijd meer om het vuur te blussen. Het ging te
snel.’ De Febo-werknemer stond later klappertandend
te kijken hoe de brandweer het vuur bluste.
Het naast liggende pand Grote Markt 14, waar al
enkele jaren de cd / platenzaak Samsam is gevestigd,
liep enige brandschade op, maar vooral
waterschade. Van discotheek Roots, gevestigd
onder grand café De Harmonie, werd uit voorzorg
de inventaris uit het pand gehaald. Rond half vijf
’s morgens was de brand onder controle. Wel
duurde het nablussen nog lang. Op 28 december
kwamen nog steeds rookpluimen uit het pand.
Met behulp van een hoogwerker werden de smeulende
resten uit het pand geschept. Asbest dat in
het pand zat, werd door de brandweer verwijderd.
De naaste buren prezen het werk van de brandweer.
Als de brandweer niet zo snel was gekomen
dan waren er volgens hen nog meer panden in
brand gevlogen. Wel werden er vraagtekens gezet
bij de brandveiligheid van ondernemingen als de
Febo.
Op straat sprak men vlak na de brand niet
meer over het Hondje maar over ‘Hot Dog’ en
‘Fikkie.’
Bouwhistorische waarnemingen
In samenwerking met het Gemeentearchief Zwolle
en het Instituut voor Bouwhistorische Inventarisatie
en Documentatie (IBID) uit ‘s-Hertogenbosch
heeft de afdeling Monumentenzorg van de
gemeente Zwolle onderzoek verricht naar de
geschiedenis en bouwhistorie. Onderzoek in het
Gemeentearchief, het Stedelijk Museum Zwolle
en bij Monumentenzorg heeft gezorgd voor aanvullende
informatie. Tijdens en na de sloop hebben
de heren Van Beek, eigenaren van het pand,
gelegenheid geboden tot het verrichten van bouwhistorische
waarnemingen aan het pand. Behalve
de beide auteurs heeft Wijnand Bloernink van
het IBID een belangrijke bijdrage geleverd bij het
onderzoek van de geschiedenis van Het Hondje.
Hij heeft in opdracht van Monumentenzorg
Zwolle bouwhistorische waarnemingen gedaant
die grotendeels in dit artikel verwerkt zijn.
In januari, februari en mei van dit jaar is het
pand vijf maal bezocht. Het eerste bezoek was
oriënterend; tijdens het tweede en derde bezoek
kon via een hoogwerker de bovenzijde en buitenzijde
van het pand worden bekeken. Bij het vierde
bezoek was het pand gesloopt, op de kelder en de
rechter zijmuur en achtermuur, de gemene muren
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
met de buurpanden na. Tenslotte werd de kelder
tijdens het vijfde en laatste bezoek onderzocht.
Wegens de gevaarlijke toestand waarin het
huis zich bevond, was het moeilijk het huis binnen
te gaan; de muren waren ontzet, de vloeren onbetrouwbaar
en door de hitte waren de asbest dakplaten
verbrokkeld en in het pand zelf terechtgekomen.
Toch bleek het mogelijk om aan de hand
van hetgeen nog te zien was, enige voorzichtige
conclusies te trekken. Eerlijkheidshalve moet
opgemerkt worden dat ook gegevens zijn gemist.
Dat kan ook niet anders. De sloop heeft anderhalve
week geduurd en het was ondoenlijk daar
voortdurend bij te zijn.
Bouwhistorische constateringen
Het huis was gelegen op de hoek van een huizenblok
aan de Grote Markt tegenover de Grote Kerk
en grensde alleen rechts en achter aan zijn buurpanden.
Het was gebouwd op een L-vormige plattegrond;
een deel achter Grote Markt 14, het rechter
buurpand, behoorde ook tot het onderzochte
huis.
Voor de brand bestond het pand uit een kelder,
drie bouwlagen en een kap. Het gedeelte achter
het buurpand had waarschijnlijk een plat dak.
Merkwaardig is de knik naar buiten in de linker
zijgevel, ongeveer in het midden, die niet uit de
aard van de percelering valt te verklaren. De knik
correspondeerde bijvoorbeeld niet met de diepte
van het buurpand. Mogelijk speelde de omvang
van het tegenover het huis gelegen en nu verdwenen
stadsvleeshuis hier een rol. De kap was uitgevoerd
als een zadeldak met een dakschild aan de
voorzijde.
De kelder bestond, en bestaat, uit twee delen.
De voorkelder grenst aan de voorgevel en de rechter
zijgevel en is even diep als het buurpand, Grote
Markt 14. De achterkelder sluit daarop aan en
omvat een oppervlak die vrijwel het hele westelijk
deel van het huis omvatte; dus ook het deel achter
het buurpand. Links naast de voorkelder was een
strook van ruim 1.50 meter niet onderkelderd. De
voorkelder is oud en overdekt met ribloze kruisgewelven;
de recente achterkelder had een vlakke
zoldering van gewapend beton. Beide kelders zijn
geheel gepleisterd.
Alle balklagen waren enkelvoudig en van grenenhout.
Versierende elementen waren niet aanwezig.
De simpele sporenkap die niet door gebinten
werd ondersteund, was zonder borstwering
uitgevoerd. De binnenmuurtjes waren halfsteens
en fungeerden niet als bouwmuren.
De voorgevel die boven de pui nog gaaf aanwezig
was zal uit ongeveer het midden van de negentiende
eeuw dateren. Hij was uitgevoerd in schoon
metselwerk, drie vensterassen breed en aan de
bovenzijde beëindigd door een simpele kroonlijst.
De vensters waren afgesloten door middel van
strekken, die aan de onderzijde uitgevoerd waren
met een lichte porring. De ramen van de verdieping
waren zesruits schuiframen, die van de tweede
verdieping dubbele naar binnen draaiende
ramen, die ieder uit een paneeltje onder en twee
glasvlakken daarboven bestonden.
De linker zijgevel was boven de pui zowel van
binnen als van buiten geheel gepleisterd. Aan de
achterzijde zaten drie vensters: twee op de verdieping
en één op de tweede verdieping. De twee vensters
van de verdieping zaten op ongelijke hoogte.
Mogelijk lagen de hier aanwezige vloerniveaus ten
tijde van het aanbrengen van de vensters op verschillende
hoogte. Uit de gesloopte balklagen
bleek dit overigens niet. Bij de hoek met de voorgevel
zat de gevelsteen uit 1669 met het hondje.
Zicht op de uitgebrande
tweede verdieping van
‘het Hondje’, 3 februari
1999 (Monumentenzorg,
Zwolle).
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De pui van beide gevels bestond uit grote glasvlakken
en was modern. Tijdens de sloop bleek de
zijgevel te zijn opgebouwd uit IJsselsteenjes van
een oranje-gele tot lichtrode kleur (18 x 8 x 3,6 cm)
die sterk aan de zeventiende eeuw doen denken.
Ongeveer in het midden van de zijgevel, op de
tweede verdieping, bevond zich een dichtgemetseld
rond venstertje, een zogeheten oeil-de-boeuf,
dat eveneens op de zeventiende of vroege achttiende
eeuw wijst.
Na de sloop bleken de scheidingsmuren met
de buurpanden vol bouwsporen te zitten die deels
achter pleisterwerk waren verborgen. Frappant
was de aanwezigheid van dichtgezette balkgaten in
de achtergevel, de scheidingsmuur met Voorstraat
2. Dat wijst erop dat er, gezien de overspanning,
ook een bouwmuur moet zijn geweest evenwijdig
aan, en niet te ver van, deze achtergevel. Gezien de
omvang van de oude voorkelder kan deze eigenlijk
alleen maar op de scheidingsmuur tussen beide
kelders hebben gestaan, ter hoogte van de achtergevel
van het rechter buurpand zoals uit de
reconstructie van de bouwgeschiedenis zal blijken.
Een voorzichtige reconstructie
van de bouwgeschiedenis
Het huis dat in de nacht van 26 op 27 december
1998 afbrandde zal voor een belangrijk deel rond
het midden van de vorige eeuw, de geschatte
ouderdom van de voorgevel, zijn gebouwd. De
vloerhoogten en de verschijningsvorm van de balklagen,
evenals de plaatsing van de kap sluiten
zodanig op deze voorgevel aan, dat deze waarschijnlijk
in één bouwcampagne tot stand zijn
gekomen. De constructie van de sporenkap, zonder
gebinten of borstwering is ook karakteristiek
voor deze periode. Mogelijk vond deze ingrijpende
verbouwing plaats in 1851, toen er een tabakszaak
in het pand kwam en de gevelsteen met het
hondje naar de zijgevel werd verplaatst.
De halfsteens binnenmuren, aansluitend op de
negentiende-eeuwse vloerniveaus, kunnen nooit
ouder zijn. De kelders, achtergevel en linker zijgevel
zijn ongetwijfeld wel ouder. Op de datering
van de rechter zijgevel komen we terug.
De kelder lijkt het oudst. Een opmeting van
architect Karssing maakt duidelijk dat de situatie
hier oorspronkelijk heel anders was. De voorkelder
van Grote Markt 15 vormde een eenheid met
de kelder van Grote Markt 14, het rechter buurpand.
Deze oorspronkelijke kelder was tweebeukig;
in het midden stonden twee kolommen waarop
de kruisgewelven rustten, zes gewelfvakken in
totaal: twee breed, drie diep. De breedte van deze
kelder was binnenwerks 6.55 meter, een normale
maat voor een stadswoonhuis. Als de omvang van
het huis overeen kwam met het oppervlak: van de
kelder was het niet erg diep, de kelder mat binnenwerks
6.80 meter. Dat het huis aan de oost- of
westzijde verder doorliep dan de kelder is niet
helemaal uit te sluiten, maar voor de hand liggend
lijkt dit niet. In ieder geval was het huidige achterdeel
van het huis oorspronkelijk niet onderkelderd,
en waarschijnlijk ook niet bebouwd, waarover
verderop meer.
DJ. de Vries dateerde dit keldertype in de
tweede helft van de vijftiende of eerste helft van de
zestiende eeuw.1 Het ligt voor de hand om dit huis
te identificeren met het huis dat in 1557 bekend
stond als De Kuip. Als de latere huizen Grote
Markt 14 en 15 toen nog een eenheid vormden,
betekent dit dat hier aan de Grote Markt in de zestiende
eeuw vier huizen stonden, terwijl er volgens
afbeeldingen uit de zeventiende eeuw vijfstonden.
Het oude huis is blijkbaar gesplitst in twee huizen.
Hoe dit precies in zijn werk is gegaan is niet
eenvoudig te achterhalen. Beperken we ons eerst
tot de feiten.
De recent gesloopte linker zijgevel, opgebouwd
uit IJsselsteentjes, stond ruim 1.50 meter
links van de linker keldermuur. Het huis is aan
deze kant dus blijkbaar verbreed en het ligt voor
de hand dit met de splitsing in verband te brengen.
Het opgaande werk van de rechter zijmuur,
de scheidingsmuur met Grote Markt 14 is echter
met geheel andere stenen opgebouwd, groter en
roodbakkend. Het is dus onwaarschijnlijk dat de
beide muren in één bouwcampagne tot stand zijn
gekomen. Daar komt bij dat de scheidingsmuur
tussen beide huizen in de kelder, met zijn bochten
en slingers en op meerdere plaatsen ook nog eens
halfsteens, moeilijk gezien kan worden als deugdelijk
fundament voor de opgaande scheidingsZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
üïltekestraat en Grèote Markt
muur. Steenformaten waren in de kelder niet
zichtbaar maar de opmetingstekening geeft voor
de halfsteens muurtjes een maat van 10 centimeter
en voor de steens delen een maat van 20 centimeter.
Dit vormt een aanwijzing dat deze ook uit IJsselsteentjes
is opgebouwd, die in de linker zijgevel
immers respectievelijk 8 en 18 centimeter breed en
lang waren. Maten die met voegen en pleisterlagen
aardig in de buurt van de genoemde muurdiktes
uitkomen.
Alles wijst er dus op dat de huidige, nog
bestaande scheidingsmuur een vervanging is van
een oudere muur van circa 1640, zoals verderop
wordt betoogd. Dit kan ook een verklaring vormen
voor het feit dat in de scheidingsmuur geen
oudere balkgaten zichtbaar waren, hoewel niet is
uit te sluiten dat die nog achter het pleisterwerk
verborgen zaten. Voorlopig is de conclusie dat de
scheidingsmuur rond het midden van de vorige
eeuw is gebouwd als onderdeel van de verbouwing
van Grote Markt 15 of die van het rechter buurpand,
iets later in de tijd.2
Een tweede probleem wordt gevormd doordat
het niet onderkelderde achterdeel bij het huis is
aangetrokken. De zwaarte van de scheidingsmuur
tussen beide kelders maakt duidelijk dat hier oorspronkelijk
een zware bouwmuur stond, waarschijnlijk
een buitenmuur. De recent gesloopte
zijgevel uit de zeventiende eeuw leek tijdens de
sloop echter over de volle diepte van het huis, tot
Voorstraat 2 door te lopen. Toen was het achterdeel
dus al bebouwd. Het achterhuis had echter en
andere ruimtelijke opbouw dan het voorhuis. Dat
blijkt uit de aanwezigheid van de dichtgezette
Doorkijkje vanuit de
Luttekestraat naar de
Grote Markt, ca. 1925.
Op de zijgevel zijn een
aantal reclameborden
te zien: het Hotel-restaurant
Meiberg zat in
de Voorstraat op nummer
11 (thans firma
Runhaar). Het grote
bord van deAmsterdamsche
Spaarkas,
Damrak 48, wekt op om
een prospectus op te
vragen voor een storting
van f 2.50 per maand.
De verdeling van de
ramen in deze gevelwand,
het dak en de
twee deuren laat duidelijk
zien dat het linker
deel een apart pand was
met een deur en een
smal venster op de begane
grond en hierboven
een raam per verdieping
(Gemeentearchief
Zwolle).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schoenmagazijn ‘het
Hondje’ van H. Paanakker,
Grote Markt 15.
De etalage van de winkel
beslaat de hele voorgevel.
Op de hoek van de
Voorstraat en de Luttekestraat
is de winkel in
galanterieën van H. van
Oers (foto A. Meulenbelt,
ca. 1955; Gemeentearchief
Zwolle).
balkgaten in de huidige achtergevel, die aantoont
dat de balklaag hier een andere richting had dan
het voorste deel en uit het feit dat de vensters in de
zijgevel op de verdieping in hoogte verschillen en
tenslotte ook uit de sprong in de kroonlijst op die
plaats. Dit alles maakt een latere bebouwing van
dit deel waarschijnlijk.
De meest voor de hand liggende conclusie is
dat men in de zeventiende eeuw Grote Markt 14
afsplitste van het hoofdhuis en dit laatste tevens
naar links en naar achteren vergrootte, ten koste
van de open ruimte die hier voordien nog aanwezig
was.
Mogelijk had deze open ruimte de vorm van
een straatje dat de Voorstraat met de Melkmarkt
verbond. Op het schilderij uit 1782 van Derk J. van
Elten zien we aan de Melkmarkt ter hoogte van dit
straatje een heel smal huisje staan, mogelijk een
zijkamer van het grote middeleeuwse huis dat
daarnaast staat. In de loop van de tijd zal het
straatje zijn verkaveld en bij de huizen zijn aangetrokken.
Het fenomeen van losse bouwblolJcen op
de markt die in de loop van de tijd vastgroeien aan
oudere bebouwing, kennen we ook uit andere steden
zoals in Deventer rond de bebouwing aan de
Brink.
Wanneer vond deze ingrijpende verbouwing en
splitsing plaats? De schilderijen van Dirk J. van
Elten uit 1782 en Adrianus Serné uit 1834 laten beiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
de een huis met een trapgevel zien, die zoveel
overeenkomsten vertonen dat het beeld zeker
geloofwaardig is. Merkwaardig is de datering van
de bewaard gebleven gevelsteen: 1669. De afgebeelde
trapgevel is voor dat jaar wel erg ouderwets
uitgevoerd en lijkt eerder uit 1630 of 1640 te stammen.
In 1669 zou men eerder een gevel in Hollands-
classicistische trant verwachten, zoals de
halsgevel van het rechter buurpand, die ook op
beide genoemde schilderijen is te zien. Mogelijk
heeft de verandering van naam, in 1641 nog De
Kuip en in 1665 voor het eerst Het Hondje iets met
de bouw te maken. We houden het hier maar op
een datering van rond 1640 met als logische consequentie
dat de gevelsteen later is aangebracht. De
schilderijen laten zien dat het huis nog geen tweede
verdieping had en de kap wel een borstwering.
Op de zolderverdieping zaten in 1782 nog drie bolkozijnen,
ongetwijfeld uit de bouwtijd, en op de
vlieringzolder één. De recent gesloopte zijgevel
stamt met zekerheid ook uit deze tijd, evenals het
ossenoog dat na de brand zichtbaar werd. Op het
schilderij uit 1834, waarop de proporties wat zuiverder
lijken te zijn weergegeven dan op dat uit
1782, zien we dat het huis een hoge begane grond
heeft en een relatief lage verdieping. Deze ruimtelijke
structuur wijkt sterk af van het recent afgebrande
pand. De voor de sloop nog aanwezige
vensters in de gepleisterde zijgevel wijzen waarschijnlijk
op een achttiende-eeuwse verbouwing
van het huis, waarschijnlijk nog binnen de voor
ons onbekende zeventiende-eeuwse structuur.
Ook de schilderijen wijzen op moderniseringen
van het huis uit de achttiende eeuw: de pui- en
verdiepingsvensters, en tussen 1782 en 1834: de
vensters op zolderniveau.
Tijdens de herbouw van het pand in het midden
van de vorige eeuw werden de zeventiendeeeuwse
voorgevel, de vloeren en de kap gesloopt,
en waarschijnlijk ook het opgaande muurwerk
van de rechter zijgevel. Behalve de kelder, de achtergevel
en waarschijnlijk de achtergevel van Grote
Markt 14, bleef alleen de linker zijgevel van het
huis bewaard.3 Men zal toen de vensters achter in
de zijgevel hebben gehandhaafd en de rest van de
gevel hebben gepleisterd om ontsierende bouwsporen
aan het zicht te onttrekken.
Conclusie
Grote Markt 15 bestond voor de brand met enige
zekerheid uit een kelder uit de periode 1450-1550,
die is behouden, een linker zijgevel uit de periode
rond 1640, een voorgevel, balklagen en kap van
circa 1850. Van de bewaard gebleven scheidingsmuren
met de buurpanden is de ouderdom van de
achtergevel, tevens scheidingsmuur met Voorstraat
2 onbekend; waarschijnlijk zijn ze laat vijftiende-
of zestiende-eeuws. Hetzelfde geldt voor
de achtergevel van Grote Markt 14. De rechter zijmuur
dateert uit het midden van de negentiende
eeuw, behoudens het deel in de kelder dat uit rond
1640 zal dateren. Over de rechter zijmuur van het
achterdeel, met Grote Markt 13 valt niets zinnigs te
zeggen.
Sloop en herbouw
Door het lange doorsmeulen van de brand heeft
de constructie van het pand erg te leiden gehad.
Direct na de brand heeft Monumentenzorg Zwolle
het initiatief genomen om zoveel mogelijk van
het pand te behouden, of ten minste datgene wat
verloren dreigde te gaan te documenteren en te
fotograferen. Uit overleg tussen de eigenaar,
architect, de verzekeraar en de Gemeente Zwolle
bleek dat het pand niet te handhaven was. Toen
dit duidelijk werd, liet Monumentenzorg Zwolle
een bouwhistorische waarneming uitvoeren. Het
pand is geen geregistreerd gemeentelijk of rijksmonument.
Wel ligt het pand in het beschermd
stadsgezicht van de gemeente Zwolle en in een historische
omgeving.
De stedenbouwkundigen en monumentenzorgers
van de gemeente Zwolle adviseerden aan
de eigenaar om als uitgangspunt voor een nieuw
ontwerp voor een bouwstijl te kiezen die aansluit
bij de sfeer van de naburige bebouwing. Deze aanbeveling
voor een ontwerp in traditionele stijl
betekent niet dat eigentijdse materialen en vormgeving
taboe zijn, al wordt het toepassen van vlakken
met veel staal, beton en glas in deze historische
omgeving een bijna onmogelijke opdracht.
Of de langsgevel weer als zijgevel moet worden
opgetrokken is ook de vraag. Op deze commercieel
aantrekkelijke plek moet het bij een goed
ontwerp mogelijk zijn dat deze gevel zo wordt
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ingevuld dat deze ook vanaf de Luttekestraat zijde
voor een ondernemer interessant is. Deze overweging
zal bij het ontwerp zeker een rol spelen.
Indien de voorgevel nauwkeurig wordt gedocumenteerd
is een reconstructie van de voorgevel
ook bespreekbaar. Door de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg (RDMZ) en de medewerkers
van Monumentenzorg Zwolle zijn vijf architecten
aan de eigenaar voorgedragen. Van deze architecten
kon verwacht worden dat zij een opdracht met
succes konden afronden. Er werd door de heren
Van Beek geen gebruik gemaakt van het voorstel.
De opdracht werd verleend aan een architect die
niet op het lijstje voorkwam. Een opdrachtgever
weet over het algemeen wie hij als architect uitzoekt.
Dat is ook bij Het Hondje het geval. Van
Beek heeft voor herbouw van het afgebrande pand
gekozen. Hij zit hiermee op dezelfde lijn als de
Vrienden van de Stadskern. In de Zwolse Courant
van 6 januari 1999 gaf voorzitter dr. A.G.P. Cremers
te kennen dat de Vrienden het zouden
betreuren als het pand aan de Grote Markt helemaal
afgebroken zou moeten worden. Als het
inderdaad zover komt, hoopt hij dat er een pand
in de oude trant voor terugkomt. Op zo’n gevoelige
plek in de historische binnenstad moet je dat
gewoon durven, aldus Cremers.
Architectenbureau Karssing uit Hattem kreeg
van de Van Beeks de opdracht voor de herbouw
van het pand Het Hondje. In Zwolle heeft Karssing
restauraties uitgevoerd aan Sassenstraat 3
(restaurant Neeltje) en aan de panden boven de
porterne aan de Eekwal. Een plan voor de restauratie
van Praubstraat 19 is in voorbereiding. In
Hattem heeft de architect een aantal panden waaronder
Het Wheeme gerestaureerd. Volgens het
plan van Karssing wordt het pand opgetrokken in
de stijl van het afgebrande en gesloopte pand. De
voorgevel is een exacte kopie, in de zijgevel vindt
een aantal wijzigingen plaats. Met een knipoog
naar het verleden wil de architect ook een andere
onderpui aanbrengen. Voor en tijdens de sloop is
het pand door de architect nauwkeurig opgemeten
en gedocumenteerd. De gevelsteen, een aantal
kozijnen en een gedeelte van de lijstgoot werden
tijdens de sloop zorgvuldig verwijderd en opgeslagen.
Over historiserend bouwen wordt heel verschillend
gedacht. In 1964 vond in Venetië een Internationaal
Congres plaats van architecten, werkzaam
op het gebied van monumentenzorg. Op dit congres
werd een aantal richtlijnen vastgesteld,
sedertdien bekend geworden als het Charter van
Venetië. Het afgebrande pand mag dan geen
monument zijn, het stond in een historische
omgeving en kon zich op het eerste gezicht meten
met tal van Zwolse monumenten.
Verschillende disciplines die bij de (her)bouw
van Het Hondje zijn betrokken zoals de opdrachtgever,
de architect, de gemeente en de Welstands-
/monumentencommissie, hebben elk hun eigen
inbreng bij de totstandkoming van het nieuwe
hondje. Het is een hele toer om hier een pand neer
te zetten waar een ieder zich in kan vinden en dat
in de toekomst niet als brutaal of wellicht nog
erger, als suf wordt ervaren.
Noten
1. DJ. de Vries, De konstruktieve ontwikkeling van het
stadswoonhuis te Zwolle van 1300 – IJOO. Afstudeerscriptie
HTS, 1979.
2. De gravure van J. Poppel uit het derde kwart van de
negentiende eeuw laat Grote Markt 15 al wel zien
met een moderne gevel, terwijl nr. 14 nog zijn oude,
Hollands-classicistische gevel uit de zeventiende
eeuw heeft. Collectie Stedelijk Museum Zwolle.
3. De scheidingsmuur van het achterdeel met Grote
Markt 13 laat ik hier buiten beschouwing.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Baron van Aerssen Beijeren van Voshol
(1828-1914), redder van de Grote Kerk1
Onze oude kerken zijn vaak rijk aan
gedenkstenen. Ze roepen herinneringen
op aan het verleden en vormen ook een
bron van kennis van dat verleden. Ook in de Grote
of St. Michaëlskerk bevinden zich veel gedenkstenen.
Als u daar rondgewandeld heeft, is u ongetwijfeld
in de noordmuur aan de westelijke kant
een marmeren plaat opgevallen met goudkleurige
letters:
D(eo) O(ptimo) M(aximo) S(acra)
Ter Gedachtenis
aan de Herstelling van dit Kerkgebouw
door de Zorg van Kerkvoogden en Notabelen
onder het Praesidium van
Mr. W.F.E. Baron van Aerssen Beijeren van
Voshol
in de jaren
1882 tot 30 augustus 1896
is deze Gedenksteen alhier
door den Algemeenen Kerkeraad geplaatst
30 augustus 1897
De onthulling van deze gedenksteen geschiedde
op 30 augustus 1897 door de uiterst rechtzinnige
predikant ds. J. Vermeer, die met kwartjes en dubbeltjes
de benodigde kosten van ƒ 600,- had bijeengebracht.
Het was een dankbetoon aan de vrijzinnige
president-kerkvoogd Mr. W.F.E. baron
van Aerssen Beijeren van Voshol.2 Zonder de inzet
van deze laatste zou het hoognodige herstel van
het monumentale kerkgebouw niet tot stand zijn
gebracht. Wie was deze baron van Aerssen en wat
bezielde hem?
Afkomst
De familie Van Aerssen stamt af van een oud
geslacht uit de Zuidelijke Nederlanden. In de zestiende
en zeventiende eeuw kwam de familie door
banden met de Oranje-familie in hoog aanzien. In
1619 werd Francois van Aerssen door prins Maurits
in de ridderschap van Holland opgenomen; de
familie woonde toen in Sommelsdijk. Vanaf 1822
mocht de familie van Aerssen zich officieel tooien
met de titel ‘baron’.
Willem Frederik Ernst van Aerssen werd op 24
januari 1828 geboren in Deventer als zevende kind
van baron Albert Nicolaas van Aerssen en diens
tweede vrouw Antoinette Petronella Jacqueline
Rigano. Albert van Aerssen was officier en zou
zich tijdens de Belgische opstand van 1830-1839
onderscheiden, waarvoor hij het ridderkruis van
de Militaire Willemsorde ontving. Toen Willem
geboren werd, was Albert majoor. Toen het gezin
in 1834 naar Zwolle verhuisde, stond hij te boek als
Lieutenant Kolonel. Albert van Aerssen overleed
in datzelfde jaar. Zijn jongste zoon was toen zes
jaar.
J. Erdtsieck en
B. Veltman
v / D.O.M.
Gedenksteen in de Grote
ofSt. Michaëlskerk
(foto B. Veltman).
T E R G E D A C H T E N I S
– AAN DE HERSTELLING VAN DIT KERKGEBOUW,;,
ÏDOOR DEZORCVAN KERKVOO£DE.N EN .NOTABELE*!*-1
ONDER HET PRAESIBIUM VAN
iR.W.EËJARé’N VAN AERSSEN BfcUEREN V.ANVOSHOL
‘, ï ‘ INDE j;ATï EINf’
! • 1 8 8 2 TOT 30AUGUSTUS 1896,
as DEZE GEDENKSTEEN ALHIER . /:”’;’•.
DOOR DEN ALGEMEENEN KERKEIAAD GEPLAATST’
30 AUGUSTUS ia,8 7. ,
„.„„^ ,.._„ .>*.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. W.F.E. Baron van
Aerssen van Beijeren
van Voshol
(Iconografisch Bureau,
Den Haag).
In de tijd dat Willem van Aerssen opgroeide,
waren hiërarchische structuren van groot belang.
Iedereen behoorde op grond van zijn geboorte tot
een bepaalde stand: de geboorte bepaalde de
plaats in de samenleving. Het was de ‘dubbeltjes
en kwartjes’ maatschappij: geboren als het één
werd je nooit het ander. De verschillen kwamen
tot in de kleding toe tot uiting; zo waren er pettenen
hoedendragers.
De adel stond aan de top van de maatschappelijke
ladder. Tot 1848 speelde de adel zelfs staatsrechterlijk
een rol: de adelijke stand mocht de
leden van de Eerste Kamer kiezen. In 1848 werd dit
voorrecht officieel afgeschaft, maar een standenmaatschappij
bleef Nederland zeker nog tot na de
Eerste Wereldoorlog.
Rechterlijke macht
Willem van Aerssen was dus krachtens geboorte
voorbestemd om een aanzienlijke positie in de
maatschappij in te nemen. Hij doorliep het gymnasium
in Zwolle, waar hij prijzen kreeg voor zijn
goede prestaties. Daarna studeerde hij rechten in
Utrecht. Na zijn promotie op 11 mei 1855 koos Van
Aerssen voor een rechterlijke loopbaan. Hij begon
zijn 52-jarige carrière in 1856 met een aanstelling
als griffier bij het kantongerecht in Zwolle. In
1908, op 80-jarige leeftijd, nam hij afscheid als president
van de rechtbank alhier.
Als beginnend jurist vestigde Van Aerssen zich
in een huis aan de Sassenpoortenwal (nu Van
Nahuysplein). Zijn moeder, douairière Van Aerssen-
Rigano, woonde tot haar overlijden in 1875 in
het huis naast hem. Van Aerssen was inmiddels
gehuwd met Claudina Maria Caroline barones
Bentinck van Nijenhuis. Mr. Jan A.G. baron de
Vos van Steenwijk, burgemeester van Zwolle en
lid van de Eerste Kamer, was één van zijn zwagers.
In 1883, 27 jaar nadat hij als griffier begonnen
was, werd Van Aerssen geïnstalleerd als president
van de Zwolse Rechtbank. Zoals we nog zullen
zien, kende ook zijn nevenfuncties in de kerkvoogdij
en gemeenteraad zo’n lange aanlooptijd.
En dat terwijl hij toch het nodige aanzien genoot.
Vermoedelijk heeft dit te maken met het negentiende-
eeuwse idee dat men een zekere leeftijd
bereikt moest hebben om voor ‘vol’ aangezien te
worden. Het is echter ook mogelijk dat een gevoel
van plichtsbetrachting hem ervan weerhouden
heeft om zich op relatief jonge leeftijd uitbundig
bezig te houden met maatschappelijke activiteiten;
dit in tegenstelling tot de huidige tijd waarin
indrukwekkende lijsten met nevenfuncties vaak
een statussymbool geworden zijn. Van Aerssen
zag in ieder geval gaarne, dat een rechterlijk ambtenaar
zich geheel wijdde aan zijn ambt. Nevenfuncties
mochten niet meer tijd in beslag nemen
dan het eigenlijke ambt, zoals hij onder meer bij
zijn afscheid in 1908 benadrukte.
Van Aerssen behoorde tot de conservatieve
vleugel van het toen heersende liberalisme. Toen
het verwijt opkwam, vooral onder invloed van het
opkomende socialisme, dat de heersende rechtsgang
een klassejustitie was, pareerde hij dit fel. Het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
is echter geen boude bewering te stellen dat in de
toenmalige rechtsspraak met twee maten gemeten
werd. Het gewone volk werd ongetwijfeld harder
aangepakt dan de mensen uit de hogere standen.
Voor leden uit de eigen groep hadden rechters
meer begrip dan voor mensen van wie de levensomstandigheden
mijlenver van hen afstonden.
Vooral misdrijven tegen het eigendom werden
streng gestraft.
Toch bleef Van Aerssen een onkreukbare
jurist. Hij wilde op een gegeven moment graag de
Sociaal Democratische Bond veroordelen, omdat
deze een geweldadige omverwerping van de
bestaande orde propageerde. Toch zag hij ervan af
het aangeklaagde bestuur van de Bond te veroordelen
omdat het Wetboek van Strafrecht niet
voorzag in het probleem. Hij gaf in zijn vonnis wel
de hint om op dit punt het strafrecht aan te scherpen.
Overigens werd de Bond in hoger beroep te
Arnhem wel veroordeeld.
De politicus van Aerssen
Van Aerssen deed op 15 juni 1880 als lid van de
liberale fractie zijn intrede in de gemeenteraad.
Hij stelde zich daar behoudend op. Hij zette zich
onder andere in voor de verfraaiing van de oude
/stadswallen; zo ontstonden het Van Nahuysplein
en het Terpelkwijkpark. De belangen van zijn
stand indachtig, probeerde hij het ontwerp voor
de spoorbrug zo te maken dat ‘de heren er met
hunne rijtuigen zouden kunnen passeren.’
Minder voortvarend was hij toen er maatregelen
nodig waren op het gebied van de volksgezondheid.
In 1866 had zich een ernstige choleraepidemie
voorgedaan. Omdat de afvoer van fecaliën
te wensen overliet en het drinkwater van de
stadspompen gevaar liep besmet te worden, vonden
langdurige beraadslagingen plaats over een
verplichte invoering van het tonnenstelsel en over
de financiering hiervan. Van Aerssen en de zijnen
konden niet erg warmlopen voor deze plannen.
J. W. Meyer. ‘Thans
huis Baron van Aerssen’
(collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zij stelden zich integendeel zeer terughoudend
op. Zij beschikten immers over eigen waterputten
en konden het zonder de openbare watervoorziening
stellen.
Op 28 november 1892, na twaalf jaar, eindigde
Van Aerssens loopbaan als raadslid. Hij kreeg
meer en meer moeite met allerlei besluiten waar
hij niet achterstond maar die wel door zijn eigen
fractiegenoten ondersteund werden. Maar ook
zijn toenemende werkzaamheden voor de Grote
Kerk, waaraan hij meer genoegen beleefde, zullen
een punt van overweging geweest zijn.
Kerkvoogdij
Het instituut kerkvoogdij was in 1829 ingesteld om
te zorgen voor de financiële zaken van de kerk.
Voor 1795 had de overheid die taak uitgevoerd. De
kerkvoogdij beheerde als onafhankelijk lichaam
de financiën van de kerk en bemoeide zich alleen
met materiële aangelegenheden. De leden van de
kerkvoogdij werden benoemd door een college
van notabelen, die op hun beurt gekozen werden
door de lidmaten die bijdroegen aan de inkomsten
van de kerk. Dit was een beperkt gezelschap
omdat de meeste mensen weinig financiële middelen
hadden. Bovendien hadden de meeste mensen
weinig interesse om iets voor de kerk apart te
leggen. In 1908 bijvoorbeeld, vermeldde een
maandtelling als opbrengst van de collecten 66
halve centen en was de gemiddelde gift van de
kerkganger voor de kerkvoogdij 2 cent!
De kerk was overigens niet geheel zonder
bezittingen en vaste inkomsten. In Zwolle ontving
men een ‘rijkstraktement’ voor zes predikanten,
gebaseerd op het prijsniveau van 1810 (ƒ 600,- per
jaar). De kerk bezat bovendien verschillende landerijen
en fondsen. Daartegenover stond het
onderhoud van drie grote en oude gebouwen: de
Grote Kerk, de Broerenkerk en de Bethlehemse
kerk.
Van Aerssen werd in 1876 lid van de kerkvoogdij
van de hervormde gemeente in Zwolle. Twee
jaar later werd hij president van dit college, een
functie die hij tot 1914 – dus 36 jaar lang – bekleedde.
Het presidentschap van de kerkvoogdij was
altijd in handen van aanzienlijke mannen die grote
invloed hadden op de gang van zaken. In de
notulen die we over de periode Van Aerssen hebben
nagelezen komt dit ook duidelijk tot uiting.
Steeds weer klinkt het als een refrein: ‘de president
zegt’ … ‘hij is van mening’… ‘op voorstel van de
voorzitter’ enzovoorts. Van enig tegenwicht was
pas in zijn laatste jaren sprake. Uit de notulen krijgen
we een goed inzicht in de opvattingen van de
baron. We zouden hem een klassieke negentiende-
eeuwer kunnen noemen. Ter illustratie nemen
we enkele zaken onder de loep die regelmatig in de
notulen terugkeren.
Personeel
In de vorige eeuw had de hervormde gemeente
nogal wat personeel in dienst. Van vrijwilligerswerk
zoals we dat nu kennen was geen sprake.
Weliswaar vervulden kerkvoogden en kerkenraadsleden
hun functie op vrijwillige basis, maar
zij deelden alleen orders uit. Alleen de diakenen
hadden een rol bij de bijstanduitdelingen, maar
verder waren er voor elk karwei betaalde krachten.
Allereerst waren er de kosters, die kerkenknechten
onder zich hadden voor het zware werk.
De kerkenknechten waren op hun beurt weer
onderverdeeld in de eerste, tweede en derde
knecht. De kosters vormden de spil van het
bedrijf. In de notulen komen we de koster van de
Bethlehemse kerk tegen die in de kelder van deze
kerk woonde. Hij klaagde over de vochtigheid van
zijn woning met als gevolg dat een klein huisje
voor hem werd gehuurd in de Sassenstraat. Maar
men vond het jammer om de kelder onbewoond
te laten en daarom werd deze weer verhuurd aan
een ander. Niet zo vreemd, want er waren in die
tijd veel meer kelderwoningen.
Een koster van de Broerenkerk was diep in de
tachtig toen hij zijn werk niet meer aankon. De
kerkvoogden zagen dit wel in en gaven hem een
pensioen van ƒ 450,- per jaar. Om de schade te
beperken stelden ze een opvolger aan voor de helft
van het loon met als toezegging dat hij meer zou
krijgen als zijn voorganger was overleden; dat
gebeurde twee jaar later.
Onmisbaar waren ook de stovenzetsters. De
kerken werden pas aan het einde van de negentiende
eeuw verwarmd. Het zetten van stoven
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
werd verpacht aan iemand die vrouwen in dienst
had. Zij zorgden voor het warm maken en plaatsen
van de stoven. In elke kerk was een zogeheten
stovenhok. Het stoken van de turf, de walm en het
heen en weer lopen van de stovenzetsters, was
nogal eens een bron van irritatie. De gelden voor
de stoven werden wekelijks door de exploitant
geïnd.
Vervolgens was er een organist. Uiteraard was
dat een functie van een ander kaliber, maar ook hij
had helpers: de orgeltrappers. In de Grote Kerk
moesten er minstens zes zijn.
Verder was er een college van collectanten.3
Dit was een gezelschap uit de lagere burgerstand
voor wie dit een erefunctie was. Er stond geen
beloning tegenover, maar wel enkele faciliteiten
zoals een zitplaats tegen gereduceerd tarief of gratis
entree bij concerten in de kerk. Men werd
benoemd, maar men kon ook ontslagen worden
als er dingen gebeurden die niet goed waren in de
ogen van de kerkvoogden.
Ook was er een ziekentrooster. In 1896 functioneerde
deze man vanwege zijn leeftijd nauwelijks
meer, maar ontving nog wel zijn volle salaris
van ƒ 245,-. De kerkenraad had hierbij een oogje
toegedaan. De baron drong aan op ontslag maar
gunde hem nog wel een pensioen van ƒ 50,- per
jaar…
Een gewichtige kerkfunctionaris was de ontvanger.
Deze vergaderde altijd met de kerkvoogden.
Hij behoorde zelf ook tot de gegoede burgerij
en genoot een daarbij passend traktement. Deze
functie kon overigens ook alleen door kapitaalkrachtige
mensen vervuld worden, omdat er een
borgsom gestort moest worden van enkele duizenden
guldens.
De predikanten
De verhouding tussen predikanten en kerkvoogdij
was van geheel andere aard. De predikanten
waren veelal ook ‘heren van stand.’ Met hen
bestond geen arbeidsrechtelijke verhouding, maar
wel kon de kerkvoogdij de hoogte van het traktement,
pensioen of andere uitkering bepalen.
In de notulen komen herhaaldelijk te krappe
traktementen (ongeveer ƒ 2000,-) en uitkeringen
bij ouderdom aan de orde. Dergelijke geluiden
kwamen ook van orgeltrappers en kerkenknechten,
maar dan ging het om een paar gulden. Bij de
predikanten speelden veel hogere bedragen. Zonder
veel krimp werden soms kosten van enkele
honderden guldens vergoed.
In 1881 trachtte Van Aerssen de predikanten
tegemoet te komen op een wijze die de kerkenkas
niet zou bezwaren. Hij stelde voor om bij een
vacature deze plaats niet meer te vervullen en het
zo vrijgekomen bedrag te verdelen over de overige
vijf. De baron vond zes predikanten een weelde
met drie kerken. Bovendien vond hij dat voor het
godsdienstonderwijs best een godsdienstonderwijzer
aangetrokken kon worden. Dat was veel
goedkoper. Ook kon op deze manier wat aan de
pensioenen gedaan worden die veel te laag waren,
reden waarom de dominees zo lang bleven doorgaan.
De kerkenraad stond op zijn achterste benen
en wees Van Aerssen op nieuwe impulsen die van
een nieuwkomer zouden uitgaan. De baron vond
echter dat het nieuwtje er meestal snel afwas. Van
de predikanten had hij geen hoge dunk. Van Aerssen
hield lang aan zijn voorstel vast, maar uiteindelijk
wilde hij geen echt conflict en ging overstag.
Van Aerssen nam wel het initiatief om een
pensioenfonds voor predikanten te vormen. Daar
bestond destijds geen voorziening voor; een ieder
werd geacht voor zijn eigen oude dag maatregelen
te treffen. Maar als de nood aan de man kwam
betaalde de kerkvoogdij toch een redelijk bedrag
voor een emeritus of een weduwe.
Standen in de kerk
Binnen de kerk werkte het idee van de standenmaatschappij
net zo hard door als in de rest van de
samenleving. Dat kwam bijvoorbeeld tot uiting in
de positie van de drie Zwolse hervormde kerken.
De ene kerk was deftiger – en duurder – dan de
andere. Dat bleek uit de prijzen van de banken in
de kerken.
Na 1814 was het noodzakelijk de banken te verhuren
om inkomsten te verkrijgen. Op zichzelf
was het geen vreemde gedachte om voor de plaatsen
in de kerk geld te vragen, maar de uitvoering
was zeer tijdsgebonden. De plaats en de prijs in de
kerk reflecteerde namelijk de plaats in de maatschappij.
Zo vonden we een brief van iemand die
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
een duurdere plaats verlangde omdat hij in een
betere stand terecht was gekomen.
Vóór de Franse Tijd kenden de magistratuur,
de officieren en de adel overigens ook hun eigen
plaatsen, maar ze betaalden er niet voor. De meeste
mensen stonden of namen een krukje mee,
omdat de kerk niet vol geplaatst kon worden met
banken, omdat er in die tijd (tot 1829) nog mensen
in de kerk begraven werden.
Na de Franse Tijd werd er bij de zitplaatsen
onderscheid gemaakt in klassen en ook onderscheid
in mannen- en vrouwenplaatsen. Aanvankelijk
werden de plaatsen eenmaal per jaar verhuurd
aan de hoogstbiedende. Later werden vaste
prijzen berekend. Het meest geliefd waren de
zogeheten regeringsbanken. Oorspronkelijk
waren deze bestemd voor de stadsbestuurders,
maar later konden ze ook gehuurd worden.
De huurprijs hing mede af van de kerk. Zo
kostte in 1882 een zitplaats in de Grote Kerk achter
de meensliedenbank – recht voor de preekstoel –
ƒ 5,40 per jaar. De meensliedenbank zelf was met
ƒ 8,- per jaar geprijsd. Dezelfde plaats kostte in de
Broerenkerk ƒ 5,- en in de Bethlehemse kerk ƒ 3,-.
In 1909 waren er vier klassen en de prijs varieerde
toen van ƒ 6,- tot ƒ 1,25 per jaar. De armen werden
verwezen naar de Bethlehemse kerk, maar ook in
de Grote Kerk stonden banken ver achter de
preekstoel voor onvermogenden.
Bij herhaling werd de koster gemaand vooral
geen ‘onbevoegden’ op onbezette verhuurde
plaatsen toe te laten, ook al was de kerk stampvol.
Pas na 1900 werd toegestaan dat vrouwen die bij
een volle dienst geen zitplaats konden krijgen een
lege plaats mochten gebruiken.
Naarmate de tijd vorderde werd het gemor van
de vaste kerkgangers tegen de bankverhuur luider.
Vooral in het orthodoxe deel van de gemeente,
waar men herhaaldelijk geconfronteerd werd met
volle kerken terwijl men niet bij machte was een
vaste plaats te bekostigen, was de weerstand groot.
Maar baron van Aerssen piekerde er niet over om
verandering in het systeem te brengen. In vrijwillige
bijdragen zag hij niets. Wel kwam hij op de
lumineuze gedachte om plaatskaartjes van 25 en 10
cent uit te geven voor niet-verhuurde plaatsen.
Aardige bijkomstigheid is dat we hierdoor de toeloop
bij bepaalde predikanten kunnen nagaan.
Hoe meer kaartjes, hoe voller de dienst! Ook toen
bleek het meteen een middel om de rentabiliteit
van een dominee na te gaan.
Er waren ook plaatsen die weggegeven werden
aan bepaalde groepen. Oud-collectanten kregen
een bescheiden plaats, die ze alleen voor zichzelf
mochten gebruiken. De regeringsbank werd gereserveerd
voor aanzienlijker lieden, oud-kerkvoogden
en notabelen. Hun minderjarige zonen
mochten bij pa zitten; als die er niet was mochten
zij niet van de plaats gebruik maken. De koster
moest dus overal zijn ogen hebben en ook nog
beleefd blijven.
Vanzelfsprekend waren er ook plaatsen gereserveerd
voor familie en gasten van de predikanten.
Ook konden de onderofficieren en ‘minderen’
op (eigen) plaatsen rekenen tegen een gereduceerd
tarief.
Met de verhuur van kerkelijke ruimte was Van
Aerssen ook erg selectief. Een verzoek van het
Leger des Heils in 1896 om de Bethlehemse kerk te
mogen gebruiken werd afgewezen. Het ‘Leger’
had destijds nogal een ‘wild’ imago dat niet paste
bij het beeld dat Van Aerssen had van een godsdienstige
bijeenkomst en bovendien zinde de
sociale laag hem niet. Maar ook de Christelijke
Nationale Werkmansbond viste achter het net
toen zij om de consistoriekamer van de Grote
Kerk vroegen. Ze waren wel christelijk en netjes,
maar dat deze ‘arbeiders’ op de stoelen van de deftige
vergaderruimte zouden zitten, ging de baron
toch te ver.
Redder van de Grote Kerk
Tot dusver hebben we Willem baron van Aerssen
nogal kritisch bekeken en hem ervaren als een
echte regent, die zich veel moeite getroostte de
bestaande orde te handhaven. Zijn grote verdienste
is echter gelegen in zijn rol als redder van de
Grote Kerk.
De negentiende eeuw staat niet bepaald
bekend om z’n monumentvriendelijkheid, omdat
er toen heel wat waardevolle gebouwen zijn gesloopt
in naam van de vooruitgang.
De Grote Kerk leek dat lot ook beschoren. Het
gebouw stond er in de tweede helft van de eeuw
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
treurig bij en het leek of niemand zich om het
gebouw bekommerde. Hierin was baron van
Aerssen een van de weinige uitzonderingen.
Direct na zijn benoeming als kerkvoogd stelde hij
het herstel van de ramen aan de orde. Toen hij nog
maar net president was geworden, startte hij het
herstel van het oude doophek uit 15

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1998, Aflevering 3

Door | 1998, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
N.V. HOTEL V. GUTENBEEK • ZWOLLE TEL 314] (3 LIJNEN)
Ansichtkaart Hotel Van Gijtenbeek
Poststempel 1950
Lieve allemaal.
Ben hier zojuist uit Hardenberggearriveerd en zit op
F. en E. te wachten. Hardenberg is prachtig, echt
voor jullie om eens heen te gaan. Gisteren was
prachtig weer, we zijn veel met de auto uitgeweest,
hebben zelfs op Duitsch grondgebied gestaan. Hartelijke
groeten aan alle huisgenoten en tot maandag
jullie Heleen.
Vijftig jaar lang, van 1929 tot 1979, was Hotel Van
Gijtenbeek gezichtsbepalend voor het Stationsplein.
Van Gijtenbeek was het – bijna klassieke –
tegenover een station gelegen hotel; soortgelijke
gelegenheden vond men in veel steden op eenzelfde
locatie. Vanwege de veranderde mobiliteit is de
functie van deze hotels de laatste decennia vaak
overgenomen door dicht bij de snelweg gelegen
motels. Daar overnachten nu vertegenwoordigers
en passanten, vinden vergaderingen en cursussen,
recepties en feesten plaats, zoals dat vroeger allemaal
bij Van Gijtenbeek gebeurde. Hotel Van Gijtenbeek
was minder chique dan het nabij gelegen
Hotel Wientjes, maar het was degelijk en goed in
zijn soort.
Vóór 1929 stond op dezelfde plek een kleiner
hotel, Beenen genaamd. Dit hotel was in het begin
van de jaren twintig door de heer G. van Gijtenbeek
overgenomen. Na een uitvoerige verbouwing
kreeg het hotel in 1929 het vertrouwde uiterlijk,
zoals dat op de ansichtkaart staat afgebeeld. In
1979 werd Hotel Van Gijtenbeek gesloopt om
plaats te maken voor het Zwolse hoofdkantoor
van de AMRO-bank. In dit huidige ABN-AMRO
kantoor zijn de oorspronkelijke contouren var
het oude hotel nog terug te vinden; bij de bouw is
hier bewust naar gestreefd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
Deze aflevering opent met het tweede deel van de
geschiedenis van het Vliegerhuys in de Nieuwstraat.
De historie wordt nu verteld vanaf 1784 tot
aan de meest recente tijd.
Wil Cornelissen laat ons nog eens proeven hoe
zoet de dikke melk van zijn moeder en van Theetuin
Thijssen smaakte.
R.Th.M. van Dijk beschrijft in zijn artikel over
de ligging van het klooster Windesheim dat hij in
de kroniek van het Agnietenbergklooster
(geschreven door Thomas van Kempen) argumenten
ziet voor een vindplaats ten zuiden van de
Windesheimse Dorpsstraat.
Dokter (en doctor) Ben Kam blijft dicht bij
zijn stiel en beschrijft de interessante en veelal
onbekende geschiedenis van het geneeskundig
badhuis aan de Badhuiswal en de levensloop van
diens stichter dr. E.T. Schaepman.
Mevrouw Leussink en mevrouw Pruim transcriberen
de handelingen en resoluties van de hervormde
gemeenteraad en vertellen daaruit het
hilarische verhaal van de halsstarrige Joris Meesters
die rond 1658 weigert zijn schoonzuster Lysbet
de Swaan voor de kerken raad te laten komen. Leiden
is in last!
En, als altijd staat hiernaast de ‘petite histoire’
die de voor- en achterkant van een ansichtkaart
kunnen opleveren in de rubriek Groeten uit Zwolle.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 74
Vierhonderd jaar Nieuwstraat 55(2) A.M. W. Wiegerinck-van Wiechen
en G.F.A.M. Wiegerinck ‘ 76
Dikke melk Wil Cornelissen 81
Thomas van Kempen over Windesheim R.Th.M. van Dijk 82
Het Badhuis van Schaepman: een dokter die zijn tijd ver vooruit was
Ben Kam 89
De perikelen van procureur Joris Meesters Riet Leussink en
Jennie Pruim 96
Literatuur 100
Mededelingen 102
Agenda 103
Omslag: Schilderij van Thomas van Kempen met op de achtergrond het klooster
waar Thomas leefde en werkte, het Agnietenbergklooster (Stedelijk Museum
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vierhonderd jaar Nieuwstraat 55 (2)
A.M.W. Wiegerinckvan
Wiechen en
G.F.A.M. Wiegerinck
De familie Vos de Wael
De jongste dochter van Arnoldus Helmich,
Arnoldina Antonia, huwde in 1784 op 24-
jarige leeftijd met Gerardus Everhardus
Vos de Wael. Zij werden de nieuwe bewoners van
het huis. Gerardus was in 1749 in Den Haag geboren,
maar doordat in 1750 zijn familie naar Zwolle
verhuisde, werd hij in Zwolle gedoopt.
De familie Vos de Wael was zeer vermogend.
Gerardus was bijvoorbeeld in het bezit van een
huis in Venlo, de stad waar alle negen kinderen
van Arnoldina en hem werden gedoopt. In 1802
kocht hij ook nog een huis in de Schoutenstraat in
Zwolle. Door de scheiding van kerk en staat was
het na 1798 mogelijk dat ook rooms-katholieken
openbare ambten bekleedden. Zo werd Gerardus
tussen 1803 en 1810 burgemeester en wethouder te
Zwolle. Vos de Wael kwam uit een muzikale familie;
zijn vader speelde de gamba en zijn moeder
klavecimbel. Zijn kinderen kregen een muzikale
opvoeding met zang- en pianolessen aan huis. Met
hun vader bezochten zij bovendien regelmatig
concerten.
Gerardus Vos de Wael zette de traditie van
verbouwingen voort. In 1807 liet hij 25 nieuwe
ramen in de voor- en achtergevel zetten, met daarin
84 ruiten van ‘best Boheemsch glas zonder boggels
of drayingen’. Deze ruiten zaten in 1943 nog
steeds op hun plaats. Een jaar later leverde de
Erven Quillot Smit twee marmeren schoorsteenmantels.
In 1826 werd er een muur tussen het huis
van Vos de Wael en dat van Van der Wijk
geplaatst.
Nadat in 1807 het secreet opnieuw was geleegd
en de ongetwijfeld geurige inhoud ‘in den hol
agter ’t ijseren hekje in de grond gesmeeten’ was,
waren de bewoners het gebruik van een secreet
achter in de tuin zat. In 1829 werd het secreet ge-
‘ruyineerd’, ofwel gesloopt.
In 1830 overleed Gerardus Everhardus Vos de
Wael, een jaar voor zijn echtgenote Arnoldina
Antonia Helmich. Hun zesde kind, dochter Anna
Cornelia, was in 1824 gehuwd met mr. Franciscu;
Wilhelmus Johannes Arnoldinus baron var.
Lamsweerde. Het echtpaar werd de volgende eigenaar
en bewoner van Nieuwstraat 55. Baron van
Lamsweerde was een zeer vermogend en hoog in
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Gedurende de sanering
van de binnenstad
(1965-1973) bleef het
huis eenzaam achter.
aanzien staand, vrome rooms-katholiek. Hij was
advocaat en kamerheer in bijzondere dienst van
de koningen Willem II en Willem III. Lang
woonde hij niet in het huis want na zes jaar, op 8
september 1843, verkocht hij samen met zijn echtgenote
het huis aan haar oudste broer voor
10.000 gulden.
Deze oudste broer was de advocaat en hypotheekbewaarder
mr. Egbertus Ludovicus Antonius
Vos de Wael. Hij was getrouwd met jonkvrouwe
Anna Maria van Middagten. Toen hij het huis
betrok, had hij vijf kinderen in de leeftijd van 10
tot 22 jaar. Mr. Egbertus overleed in 1859.
Na zijn dood ging het huis over op zijn tweede
zoon, de 36-jarige Alexander Philippus. Over hem
is niet veel bekend, waarschijnlijk was hij vrijgezel.
Alexander deed het huis in 1902 van de hand en
verkocht het aan zijn neef, Ludovicus Joannes
(Louis); zoon van zijn oudste broer, burgemeester
Vos de Wael.
Deze Louis Vos de Wael was 37 jaar oud toen
hij in 1902 Nieuwstraat 55 ging bewonen. Hij was
getrouwd met Maria Margaretha Henrica Alexandria
van Sonsbeeck en zij hadden op dat moment
al zes kinderen. Hun zevende kind werd in 1903 in
het huis geboren. Louis was kassier en lid van de
bankiersfirma ‘Van Esch en Co:, een bank die in
het begin van de jaren twintig op treurige wijze
aan haar eind kwam. De kassier hield kantoor ‘aan
huis’, in de rechter voorkamer.
In 1904 verhuurde Louis het koetshuis in de
Bitterstraat voor een jaarhuur van 75 gulden aan
J. ten Doesschate, die het gebruikte als pakhuis.
Louis woonde slechts vier jaar op Nieuwstraat
55. Hij verkocht het huis in december 1904 aan de
uit Hilversum afkomstige huisarts Jorritsma. Met
de verkoop verhuisde de bank Van Esch en Co
naar Melkmarkt 43.
Dr. Andreas J. Jorritsma
Voor het eerst in drie eeuwen werd gebroken met
de traditie om het huis binnen de familiekring te
houden. Vanaf burgemeester Werner Hoefslag
was het huis onafgebroken binnen de familiekring
doorverkocht of overgeërfd. De rooms-katholieke
dokter Jorritsma was net afgestudeerd in Amsterdam
toen hij te Zwolle de huisartsenpraktijk van
dokter Theodore Schaepman overnam. In 1906
Links: De achterzijde
van het pand in de jaren
zestig.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
In 1971 was de opgang
naar de voordeur nog
voorzien van een
smeedijzeren hekwerk.
nam Jorritsma zijn intrek in het pand, waar hij tot
in de Tweede Wereldoorlog zijn huisartsenpraktijk
uitoefende.
Jorritsma maakte een duidelijk onderscheid
tussen fondspatiënten en particulier verzekerden.
Het spreekuur voor de eersten werkte hij af in de
bijgebouwen in de tuin, die via de achteringang
aan de Bitterstraat te bereiken waren. Voor particuliere
patiënten daarentegen was het spreekuur
in huis, vermoedelijk in de rechter voorkamer.
Dokter Jorritsma was gehuwd met Anna
Maria Roes. Het huwelijk bleef kinderloos. Alhoewel
dokter Jorritsma tot 1942 in het huis woonde,
is er weinig over hem bekend. Hij en zijn vrouw
waren nauw betrokken bij de vlakbij gelegen Sint-
Michaëlskerk, waarvan zij parochianen waren. In
1942 wenste Jorritsma zijn praktijk neer te leggen
en zocht hij via een advertentie naar een opvolger.
Dr. Hans Jozef van Wiechen
Dokter Jorritsma aarzelde over de wijze waarop de
overname moest gebeuren. Maar toen hij in juli
1942 overleed, moest er gehandeld worden: dokter
Van Wiechen, toen nog wonend in Den Haag,
nam zijn praktijk en het huis over.
Dr. Hans Jozef van Wiechen werd geboren in
1912. Hij studeerde medicijnen te Leiden. In 1941
trouwde hij met A.H. Beek. Zij kregen samen vijf
kinderen die allen in de Nieuwstraat werden
geboren.
De bijgebouwen stonden na het overlijden van
dokter Jorritsma aanvankelijk leeg, maar werden
daarna verhuurd. Van februari 1949 tot in 1954
woonde mevrouw A. Mensink-Oosterwijk daar
met haar gezin. Haar twee kinderen werden er
geboren. Mevrouw A. Mensink was hulp in de
huishouding in het doktersgezin. Zij had de
beschikking over een eigen stuk tuin en ook een
eigen ingang: Bitterstraat 62.
Na 1954 werden de bijgebouwen een paar
maanden bewoond door de heer en mevrouw
Paalman. Vanaf ongeveer 1955 tot aan de verhuizing
van dokter Van Wiechen in 1971 verbleef
mevrouw A.H.J. te Riele, een nicht van mevrouw
Van Wiechen-Beek, er.
Het jonge doktersgezin had tijdens de oorlog
een aantal onderduikers in huis. Ook boden ze in
die tijd onderdak aan familie uit het westen van
het land, toen daar in sommige stadsdelen niet
meer mocht worden gewoond. De Duitsers hebben
nog even overwogen of ze het grote huis voor
inkwartiering van soldaten zouden gebruiken.
Maar bij nader inzien vonden zij het niet geschikt
vanwege de nabijheid van de toren van de
Michaëlskerk, op de hoek van de Roggenstraat en
de Nieuwstraat. De geallieerden zouden vanaf
Hattem op de toren kunnen schieten. Aan het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRI 79
eind van de oorlog gebeurde dit inderdaad. Daarbij
sloeg een granaatscherf in de muur, pal boven
een bed waar het toen jongste dochtertje net even
tevoren uitgehaald was door haar grootmoeder…
Tussen eind 1946 en eind 1947 was dokter Van
Wiechen, behalve huisarts, ook medisch adviseur
en medisch directeur van ziekenhuis De Weezenlanden.
Daar legde hij de grondslag voor wat later
de medische staf zou worden. In 1947 was hij
bovendien enige tijd lid van het bestuur van het
ziekenhuis. Aan deze activiteiten in het ziekenhuis
kwam een eind toen Van Wiechen tijdelijk als
legerarts naar Indonesië vertrok. Verschillende
waarnemers hielden in die tijd de huisartspraktijk
draaiende.
Na zijn terugkeer werd Van Wiechen de
grondlegger van het Spastisch Centrum, later
Centrum Vogelweyde geheten. In het verlengde
daarvan promoveerde hij in 1966 op een proefschrift
over het belang van vroegtijdig onderzoek
naar spastische afwijkingen bij kinderen. Van
Wiechen overleed in 1978. Het pand in de Nieuwstraat
had hij toen al verlaten.
De tijd van de binnenstadssanering
In de jaren 1965-1973 ontwikkelde de gemeente
vergaande sloopplannen voor het gebied rond de
Nieuwstraat, in verband met de sanering van de
binnenstad en de bouw van een nieuw winkelcentrum.
Nieuwstraat 55 stond in de visie van het
stadsbestuur lelijk in de weg. De gemeente probeerde
daarom het huis aan te kopen en ondernam
pogingen om een sloopvergunning te krijgen.
Dit laatste strandde omdat de gemeente geen
eigenaar van het pand was en de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg zich tegen de sloopplannen
verzette. Het huis stond namelijk al sinds de
inwerkingtreding van de Monumentenwet van
1963 op de lijst van rijksmonumenten. Uiteindelijk
bereikten de gemeente en dokter Van Wiechen
overeenstemming over de verkoop. De familie
Van Wiechen verhuisde, waarmee er een voorlopig
eind kwam aan de woonfunctie van Nieuwstraat
55.
Toen de gemeente het huis eenmaal in handen
had, kwam de vraag op wat er mee te doen. In 1972
was er een plan om het huis te verplaatsen naar de
Melkmarkt, naast het Provinciaal Overijssels
Museum. Op deze wijze zou de medewerking van
Monumentenzorg mogelijk zijn terwijl er op de
plaats van het huis plaats kwam voor het nieuwe
stadshart. Maar de uitvoering van dit idee, dat de
landelijke pers haalde, ging vanwege de hoge kosten
van vier a zes ton niet door.
Om het pand tegen vandalisme te beschermen
– het zou immers niet de eerste keer zijn dat een
leegstaand pand in het saneringsgebied ‘ineens’ in
Na het vertrek van de
Culturele Raad Overijssel
in 1989 stond het
pand te koop.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vlammen opging – nam de chirurg R.J. Ponsen er
zijn tijdelijke intrek.
Ondertussen stond vast dat het huis behouden
zou blijven en begon de restauratie, nadat op 3
augustus 1973 een bouwvergunning verleend was.
De bijgebouwen waren toen al afgebroken en de
tuin bestond inmiddels ook niet meer. Deze was,
danig ingekort, een bestraat pleintje geworden. De
achter in de tuin staande notenboom verplaatste
men met veel moeite en groot materieel naar de
Eekwal, waar hij echter spoedig bezweek. Het
koetshuis aan de Bitterstraat verdween in 1971,
evenals trouwens de Bitterstraat zelf. Tijdens de
restauratie stortte de kapel van het huis in, maar
deze werd weer opgebouwd. Verder is interessant
dat men bij de restauratie de resten van een groot
bakstenen kruiskozijn terugvond in de achterwand
van de rechter voorkamer en daarnaast de
resten van een al eerder genoemde deuropening.
Voorts trof men in de kelder een haardsteen aan
uit 1552 met het wapen van keizer Karel V.
Na de restauratie stond het huis enige tijd leeg
en werd er naarstig naar een gebruiker omgezien.
Een probleem voor de gemeente was dat met het
Projekt Ontwikkelings Bureau AMRO en Westland-
Utrecht was afgesproken dat zij het pand na
de restauratie voor twee ton zouden overnemen.
De overdracht vond eind 1977 plaats. Volgens een
krantenbericht becijferde de gemeente het eigen
verlies op 375.000 gulden.
Na berichten dat er mogelijk een kunst- en
antiekcentrum in het huis zou komen, ontstond er
duidelijkheid over de volgende gebruiker. Dat
werd de Culturele Raad Overijssel. De officiële
opening had plaats op 1 juni 1979. Daarbij werd
het huis op verzoek van de gemeente het ‘Dr H.J.
van Wiechenhuis’ genoemd.
Brasserie ‘Het Vliegerhuys’
Na tien jaar, in 1989, vertrok de Culturele Raad uit
het pand. Het huis werd verkocht aan R. Vlieger,
die er een brasserie begon. De familie Vlieger had
al een restaurant in de Nieuwstraat, in het verderop
gelegen Pestengasthuis, een gerestaureerd middeleeuws
‘ziekenhuis’ voor pestlijders. Burgemeester
G. Loopstra verrichtte op 1 juni 1989 de
officiële opening van de brasserie. Aanvankelijk
heette het etablissement ‘Brasserie Van Wiechenhuis’
maar dat werd later veranderd in ‘Brasserie
het Vliegerhuys’. En zo heet het nu nog.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
Dikke melk
Het hoort – of liever gezegd: hoorde – bij
een warme Zwolse zomer: dikke melk
met bruine suiker en wat kaneel; de dikke
melk die niemand zo lekker kon maken als mijn
moeder, al had zij ’t natuurlijk ook van haar moeder
geleerd. En misschien hadden zij ’t recept weer
van Thijssen gekregen. De beroemde dikke melk
met suiker uit de Theetuin van Thijssen. Beroemd
en befaamd in oude Zwolse verhalen.
Mevrouw Van Hille-Gaerthé schrijft er ook
over in haar boekje Zwolse mijmeringen. Ze
schrijft daarin: ‘De achteruitgang van dat vreemd
verbouwde huis leidde naar een stenen tuintrap
tussen twee muurtjes. Op een van die muurtjes
stond in de zomer dikwijls een grote bruine pot
vol melk in de warme zon dik te worden. De
roomlaag was er afgeschept en werd zuur. Als de
melk in de pot klonterde, leegde Caroline, negenendertig
jaar lang onze keukenprinses en voor ons
kinderen de toevlucht van ons leven, de inhoud in
een metalen ster met gaatjes, liet dat uitdruipen
tot de massa stijf was en als een pudding uit de
vorm kon worden geschud. Dikke melk, je at het,
overgoten met zure room, beschuit, basterdsuiker
en kaneel. Was het speciaal Overijssels? De Agnietenberg
is er lang beroemd om geweest en vroeger
werd het ’s avonds ook wel gegeten bij Thijssen
aan de Willemsvaart. Maar zoals het thuis was
bereid! Een godenspijs! Of het nog bestaat? De
melk is zo duur geworden en de roomlaag zo dun.’
Tot zover mevrouw Van Hille-Gaerthé. Ze schreef
het in de jaren vijftig: de melk is zo duur en de
roomlaag zo dun. Wellicht mogen we het van de
dokter nu niet eens meer eten vanwege het vetgehalte,
de hoge bloeddruk, het cholestorolgehalte
en ik weet niet wat allemaal.
Dikke melk met suiker en kaneel. Ik zou er wat
voor over hebben om ’t nog even een keer te
genieten. Maar dan moet je het wel eten in de warme
zomerzon in de schaduw van de pereboom
achter in de tuin, witte pet op het hoofd en buiten
het zicht van de dokter!
Wil Cornelissen
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
R.Th.M. van Dijk
Thomas van Kempen over Windesheim
Over de ruimtelijke structuur van het laatmiddeleeuwse
Windesheimse kloosterleven
zijn wij in het algemeen redelijk goed
ingelicht. Archeologisch en bouwhistorisch
onderzoek heeft reeds in veel gevallen, vooral voor
de Zuid-Nederlandse kloosters, tot heldere
inzichten geleid. Ook ten aanzien van Windesheimse
kloosters in het overige expansiegebied
van de Moderne Devotie, zoals Mariënwald te
Frenswegen bij Nordhorn, Sint-Petrus te Dalheim
en Sint-Anthonius te Albergen, is onze kennis
omtrent hun ruimtelijke inrichting intussen aanzienlijk
verrijkt.1 Thans verricht de Historische
Werkgroep Kloosters IJssel-Vechtstreek onderzoek
naar het klooster Sint-Agnietenberg dat ten
noordoosten van Zwolle lag. Aanleiding voor dit
onderzoek is het zesde eeuwfeest van de stichting
van dit klooster (1398-1998), waarvoor de Werkgroep
in samenwerking met de IJsselakademie te
Kampen een herdenkingsbundel voorbereidt.2
-vï,7f;-;;^*:v’V>:*v^§?vZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het hart van deze bundel wordt gevormd door de
Chronica Montis Sanctae Agnetis, de kroniek die
Thomas Hemerken van Kempen (1379^0-1471)
aan zijn klooster heeft gewijd en die door U.K.J. de
Kruijf integraal vertaald is.
De Agnietenbergkroniek is vervaardigd in de
jaren 1464-1471 en omspant de periode vanaf de
stichting in 1386 tot de dood van de auteur in 1471.
Na Thomas’ dood heeft een onbekende, waarschijnlijk
een medebroeder, de kloosterkroniek
voortgezet tot 1477. De tekst is naar de eerste editie
van H. Rosweyde uitgegeven door M.I. Pohl.3
Aan de eigenlijke kloosterkroniek is een aantal
hoofdstukken, inclusief drie aflaatbrieven voor
Windesheimse kloosters, toegevoegd. Deze teksten,
die een bewerking vormen van enkele hoofdstukken
uit het Chronicon Windeshemense van
Johannes Busch, hebben niet op de Agnietenberg
maar op sleutelfiguren in de Moderne Devotie
betrekking.4 Ze verlenen daarmee aan de socioculturele
context van de Chronica een extra
dimensie.
Minder dan menige andere kroniekschrijver
heeft Thomas aandacht gehad voor de bouwkundige
en artistieke inrichting van zijn klooster. Zijn
belangstelling ging vooral uit naar de spirituele
waarden die de kroniek moest overdragen. Thomas
schreef ‘tot bemoediging van de huidige en
tot toe-eigening van de komende generaties’.5 De
ruimtelijke structuur van het Agnietenbergcomplex
is uit de kroniek van Thomas dan ook niet te
achterhalen. Verder dan een onsamenhangende
lijst van ruimten en opstallen die wij ook van
andere kloosters kennen, komt men niet. Ook
hetgeen aartspriester Arnold Waeijer omtrent de
opgravingen in 1672 bericht, is te gering om een
volledig beeld van het kloostercomplex te krijgen.6
Wij komen niet verder dan dat het claustrum, net
als in Windesheim, aan de zuidzijde van de georiënteerde
kloosterkerk aangebouwd was. Wel
bevat de kroniek door zijn uitvoerige vermelding
van de talrijke begravingen der kloosterbewoners
voldoende gegevens voor een ver reikende reconstructie
van de begraafplaatsen in de kloostertijd.
En passant levert Thomas bovendien, zij het terloops,
een onverdachte bijdrage aan de discussie
over de ligging van het klooster te Windesheim.
Hieraan is het vervolg van deze bijdrage gewijd.
Discussie
Het zesde eeuwfeest van de stichting van dit stamklooster
van de Moderne Devotie vormde in 1987
de achtergrond voor een polemiek over inrichting
en vooral ligging van het verdwenen kloostercomplex.
Nadat archeologisch proefonderzoek in de
bodem van het gebied ten noorden van de Dorpsstraat
te Windesheim niets had opgeleverd, toonde
een door mij op verzoek van de toenmalige
Stichting Windesheim 600 vervaardigd rapport
aan dat het klooster ten zuiden van de Dorpsstraat
gelegen moest hebben.7 Plaatselijke archeologen
handhaafden evenwel de noordelijke locatie.8
Deze visie werd ten grondslag gelegd aan de bijdrage
van R. van Beek en H. Clevis. De wetenschappelijke
onderbouwing van de zuidelijke
locatie werd geleverd door de Historische Werkgroep
Klooster Windesheim. Beide bijdragen vonden
een plaats in de fraaie herdenkingsbundel, die
door de Stichting IJsselakademie te Kampen in
1987 aan het zesde eeuwfeest van de stichting van
het eerste eigen klooster van de Moderne Devotie
gewijd was.9
Een volgende confrontatie over de plaats van
het klooster vond in 1989 plaats in dit tijdschrift,
naar aanleiding van een nieuwe bijdrage van
R. van Beek. Opnieuw lokte het pleidooi voor de
noordelijke locatie gedocumenteerde kritiek uit.
Aanvullend onderzoek van F.D. Zeiler in
opdracht van de IJsselakademie te Kampen bracht
in 1992 aan het licht dat de ligging van het klooster
ongeveer 60 meter naar het noorden tot ongeveer
20 meter onder de Dorpsstraat moest worden
opgeschoven.10 Hiermee blijft ten aanzien van de
oorspronkelijke ligging van het klooster de zuidelijke
locatie, zoals de historiografische bronnen
die reeds aangetoond hadden, uiteraard gehandhaafd.
Van groter belang voor het wetenschappelijk
onderzoek is echter dat deze verschuiving
vooral tegemoet komt aan de dendrochronologisch
gedocumenteerde bezwaren die DJ. de Vries
en G. Berends al eerder hadden geuit tegen de
door mij aanvankelijk veronderstelde bouwhistorische
samenhang van het klooster met de boerderij
aan de Veldweg 15.”
Links: Van het klooster
Korsendonk (bij Turnhout)
is, in tegenstelling
tot het klooster Windesheim,
weleen afbeelding
bewaard gebleven.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Rechts: Contouren van
het klooster te Windesheim,
geprojecteerd op
de zandige hoogte ten
zuiden van de Dorpsstraat
In: Rudolfvan
Dijk en Ton Hendrikman,
Moderne Devotie
in Zwolle en omgeving.
Stadswandeling en
fietsroutes. (Zwolle
1995) 45-
Links: Overzicht van de opgravingssleuven in Windesheim
uit 1986 en 1987 met de plattegrond van het
klooster geprojecteerd ten zuiden van de Dorpsstraat.
In: Rudolfvan Dijk en Ton Hendrikman,
Moderne Devotie in Zwolle en omgeving. Stadswandeling
en fietsroutes. (Zwolle 1995) 44.
Merkwaardig genoeg blijkt De Vries in zijn
overigens voortreffelijke dissertatie uit 1994 de
bewijzen uit historiografische bronnen voor de
ligging van kerk en klooster ten zuiden van de
Dorpsstraat nog steeds te negeren. Hij merkt
slechts zijdelings en enigszins cryptisch op: ‘Over
de plaats van deze, met de reformatie gesloopte
kerk is reeds veel gediscussieerd en gespeculeerd.
Bij gebrek aan “harde” aanknopingspunten hield
de RDMZ zich daarbij relatief afzijdig.’12 Historiografische
bewijzen zijn blijkbaar in de ogen van De
Vries geen ‘harde aanknopingspunten’; een standpunt
dat voor interdisciplinair onderzoek dodelijk
is. De Vries wijst slechts op ‘enkele positieve aanknopingspunten’
die hij in de vorm van zerkresten
en dakleifragnienten voor locatie van het klooster
ten noorden van de Dorpsstraat gevonden heeft.
De verhelderende publicatie van F.D. Zeiler uit
1992 is hem, ook getuige zijn uitvoerige literatuurei
H
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lijst, blijkbaar ontgaan. De Vries herinnert – overigens
met voorbijgaan aan gedocumenteerde
begraafplaatsen buiten de kerk – weliswaar terecht
aan de vrij algemene gewoonte om ook na
opheffing van een klooster begravingen in de
voormalige kloosterkerk te continueren, zoals ook
voor de Agnietenberg vaststaat. Ten aanzien van
Windesheim veronderstelt hij echter ten onrechte
dat er in 1467 een nieuwe kerk zou zijn gebouwd
(lees: ten noorden van de Dorpsstraat). Daarvoor
baseert hij zich op de Kronijk van Arent toe Boecop:
‘Anno 1467 worde dye kerricke toe Wynssen,
dye daer nu teghenwordich ys, op sonte Gregorius
auent begonnen te tymmeren und dye ersten sten
daervan ghelecht, und vordt soe veer ghetymmert,
dat men int iaer 1469, op dat spart dye planken van
dat dack worden gheslaghen, ende worde int iaer
1480, op dye octaue van sont Jan, gheweyt, und int
iaer 1485, des daghes nae sonte Bonnefacius daghe,
begostemen dye toe wolliffuen, ende dat ghewulliffte
was op sonte Migchell rede, und coste 376 g. 8
st.’13 Hieruit zou men kunnen afleiden dat het om
een andere, nieuwe kerk (vanaf 1480) gaat, in
tegenstelling tot een oudere (tot 1467). Maar wij
zullen zien dat in feite in 1467-1485 sprake is van
een ingrijpende vernieuwing van de bestaande
kerk.
Het beginjaar van de bouwperiode die tot 1485
zou duren, is voor De Vries van belang, want deze
jaren vallen na afronding van de tweede redactie
van het Chronicon Windeshemense van Johannes
Busch. De bouwjaren 1467-1485 blijven dus buiten
het tijdsbestek (1386-1464) dat door deze redactie
van het Chronicon Windeshemense gedekt wordt.14
Het jaar 1464 beschouwen De Vries en Berends
immers als een chronologische grens waarachter
zij ‘een relatie tussen deze schriftelijke bron en de
gereleveerde bouwkundige restanten’ geheel ontkennen.
Deze negatie van iedere historische continuïteit
tussen de door Busch vóór 1464 voltooide
beschrijving van het klooster en de latere bouwactiviteiten
heb ik elders aan de kaak gesteld als een
standpunt dat in wetenschappelijk opzicht absurd
is.15
Visie van Thomas van Kempen
De Chronica Montis Sanctae Agnetis werpt helder
licht op deze zaak. In zijn kroniek wijdt Thomas
van Kempen hier en daar aandacht aan het stamklooster
van het Windesheims Kapittel. Zo bericht
hij uitvoerig over de consecratie van de eerste
kloosterkerk en de inkleding van de eerste broeders
in Windesheim op 17 oktober 1387. De dood
in 1424 van Johannes Vos van Heusden, de belangrijke
tweede prior superior van het Kapittel, is
voor hem aanleiding om dieper in te gaan op de
geschiedenis van Windesheim. In 1399 vermeldt
hij dat de wijbisschop (Hubertus Schenck) na de
wijding van het kloosterkerkhof op de Agnietenberg
de volgende dag naar Windesheim vertrok,
om daar het nieuwe koor en vier altaren te consa-
Schilderij van Thomas
van Kempen met op de
achtergrond het klooster
waar Thomas leefde en
werkte, het Agnietenbergklooster
(Stedelijk
Museum Zwolle).
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
C/td ï’ i/e fa Co/urrtt/iWon Je Vitid&xein en fftin •
Afbeelding van een
regulier kanunnik van
de congregatie van
Windesheim. In: P.C.
Du Molinet, Figures des
differents habits des
chanoines reguliers en
ce siècle (Parijs 1666)
77-
creren. Voor het jaar 1467 meldt hij: ‘Eodem anno
fratres et conventus in Windesem construxerunt
et ampliaverunt antiquam ecclesiam suam ad
honorem Dei.’ In de onlangs vervaardigde vertaling
van U.K.J. de Kruijf is dat vertaald als: ‘Eveneens
in dat jaar verbouwden en vergrootten de
broeders en het convent in Windesheim ter ere
Gods hun owdekerk.’16
In feite ging het vanaf 1467 te Windesheim dus
niet om een nieuwe kerk (lees: ten noorden van de
Dorpsstraat), zoals De Vries veronderstelt, maar
om verbouwing en vergroting van de bestaande
oude kloosterkerk (lees: ten zuiden van de Dorpsstraat).
De Vries spreekt dus ten onrechte tweemaal
van ‘de(ze) nieuwe kerk’, die hij ten noorden
yan de Dorpsstraat situeert.17 Daarbij negeert hij
het feit dat in de context van reguliere kanunniken
kerk en klooster (claustrum) een onlosmakelijk
geheel vormen. Een afstand van enkele honderden
meters tussen het oude klooster en de veronderstelde
nieuwe kerk is vanuit ordeshistorisch oogpunt
volstrekt onaanvaardbaar en wordt dan ook
op geen enkele wijze gedocumenteerd. M. Smeyers
concludeert ten aanzien van de Zuid-Nederlandse
Windesheimse kloosters: ‘Overal sloot bij
de kerk het eigenlijke kloostercomplex (clausura)
aan, waarvan de kern gevormd werd door een binnentuin
omgeven door de vier armen van het
kloosterpand die als verbindingsgangen fungeerden.’
18 Er is geen enkele reden om voor verdwenen
Noord-Nederlandse en Duitse Windesheimse
kloosters een afwijkend patroon te veronderstellen;
bewaard gebleven kloostercomplexen als
Frenswegen, Dalheim en Gaesdonk laten wat dit
betreft aan duidelijkheid niets te wensen over.
Thomas gebruikt voor de bouwactiviteiten vanaf
1467 te Windesheim in plaats van het werkwoord
aedificare (bouwen, nieuw bouwen) terecht het
werkwoord construere (bouwen, verbouwen,
samenvoegen), omdat hier geen sprake van
nieuwbouw was, maar van een vergroting {ampliaverunt)
die samengevoegd {construxerunt)
werd met het bestaande complex van kerk en
klooster. In de door De Vries aangehaalde rekening
voor het glasvenster van de stad Zwolle voor
‘den cloester van wyndessim In oerre nye kerke’
moet nye dan ook niet geïnterpreteerd worden als
nieuw, zoals De Vries doet, maar als vernieuwd.19
Ofschoon Arent toe Boecop zelf – zoals wij reeds
vaststelden – niet van een ‘nieuwe’ kerk spreekt,
blijken de verbouwingen in en aan de oude kerk
(1467-1485) dermate ingrijpend te zijn geweest, dat
de indruk van een ‘nieuwe’ kerk gemakkelijk
gewekt kon worden. Ook in het moderne spraakgebruik
is deze betekenis van ‘nieuw’ volop in
zwang. In feite is er geen sprake van een nieuwe
kerk ten noorden van de Dorpsstraat, maar van de
vernieuwde oude kerk ten zuiden van de Dorpsstraat.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ons rest het probleem van de zerk- en leiresten
die De Vries in de bodem ten noorden van de
Dorpsstraat heeft aangetroffen en door hem als
vindplaatsen worden beschouwd. Men behoeft
nauwelijks een professioneel archeoloog te zijn
om te weten dat bij bodemvondsten altijd de primaire
vraag rijst of deze al dan niet in situ zijn.
Met andere woorden: wanneer men stuit op zerkresten,
kan men onmogelijk met alleen een beroep
op de praktijk van de kerkbegravingen beweren
dat ter plaatse de kerk gestaan heeft. Is het immers
niet aannemelijk dat de restanten van grafstenen
wijzen hetzij op verplaatsing of hergebruik, hetzij
op een van de begraafplaatsen buiten de (vernieuwde
oude) kloosterkerk? En kunnen ook de
dakleifragmenten in dit noordelijke gebied niet
wijzen op hergebruik van onbeschadigde leien die
tijdens de verbouwing van de kloosterkerk na 1467
of bij de totale afbraak van het kloostercomplex in
de jaren vanaf 1583 weggenomen werden? Overigens
zijn ook ten zuiden van de Dorpsstraat zerkresten
aangetroffen, en niet in situ!
De vraag rijst of de maandrekeningen voor de
laatste decennia van de zestiende eeuw ons verder
kunnen helpen.20 Deze blijken echter opvallend
veel meer gegevens over de afbraak van het Agnietenbergklooster
dan van het klooster te Windesheim
op te leveren. Slechts voor de jaren 1583-1584
wordt her en der gewag gemaakt van het uitbreken,
schoonmaken en verschepen van stenen en
leien van Windesheim naar de stad Zwolle, die in
die jaren haar ommuring vernieuwde en uitbreidde.
Op de vraag of een gedeelte van dit Windesheimse
bouwmateriaal voor hergebruik ten noorden
of ten zuiden van de Dorpsstraat kan zijn aangewend,
geven de maandrekeningen geen antwoord.
Het probleem van DJ. de Vries over oude en
nieuwe kloosterkerken ten zuiden en ten noorden
van de Dorpsstraat te Windesheim laat zich uiteindelijk
allereenvoudigst oplossen met een
beroep op Thomas van Kempen. Hij noteerde in
1467 met de zakelijkheid van de objectieve toeschouwer:
‘Eveneens in dat jaar verbouwden en
vergrootten de broeders en het convent in Windesheim
ter ere Gods hun oude kerk.’
Noten
1. M. Smeyers e.a., ‘Windesheimse kloosters in Brabant.
Bijdrage tot de bouwgeschiedenis’, in: Arca lovaniensis,
dites atque historiae reserans documenta
(1976) V, 113-219; H. Voort, ‘Die Bauten des Klosters
Frenswegen im Rahmen seiner Wirtschaftsgeschichte,
in: A.J. Hendrikman e.a. (red.), Windesheim
1395-1995. Kloosters, teksten, invloeden. Middeleeuwse
Studies XII (Nijmegen 1996) 29-48; M. Balzer,
‘Kloster Dalheim. Bauten und Baugeschichte” ,
in: Windesheim 1395-1995, 62-82; P.C.M. Rademaker,
‘Bouwgeschiedenis van het Albergse klooster’,
in: 1520-1525. De kroniek van Johannes van Lochein,
prior te Albergen (Albergen; Enschede 1995) 137-154;
T. Hesselink-van der Riet, ‘De overige kloostergebouwen
in hun omgeving’, in: Johannes van
Lochem, 167-185. In al deze publicaties wordt verwezen
naar verdere literatuur.
2. De Historische Werkgroep Kloosters IJssel-Vechtstreek,
bestaande uit A.J. Hendrikman (voorzitter),
dr. R.Th.M. van Dijk en P.C.M. Rademaker, heeft
voor dit project de medewerking ingeroepen van
drs. U.K.J. de Kruijf, B. Pierik en drs. B.J. Thüss.
3. H. Rosweyde, Chronicon Canonicorum Regularium
ordinis S. Augustini Capituli Windesemensis auctore
Ioannes Buschio Can. Reg. Accedit Chronicon Montis
S. Agnetis auctore Thoma B Kempis Can. Reg. (Antwerpen,
1621) 2-136 en 137-146; M.I. Pohl, Thomae
Hemerken a Kempis Opera omnia (Freiburg im
Breisgau, 1902-1922) VII (1922) 331-466 en 466-478.
Over de kroniek zie: Petri Trudonensis Catalogus
Scriptorum Windeshernensium, W. Lourdaux en E.
Persoons (uitg.), Publicaties op het gebied van de
geschiedenis en de filologie, 5e reeks, deel 3 (Leuven,
1968) 202-211 (nr. 33) en M. Carasso-Kok, Repertorium
van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen
(Den Haag 1981), nrs. 210 en 372.
4. Pohl, Opera, 1902-22, VII, 479-525.
5. ‘ad solacium praesentium et memoriam futurorum’
(Pohl, Opera, 1902-22, VII, 333). Meer hierover
in R.Th.M. van Dijk, ‘De spiritualiteit van de devote
regulier. Beschouwingen over de Agnietenbergkroniek
van Thomas van Kempen’, Ons Geestelijk Erf
LXXII (1998) (ter perse).
6. G.A. Meijer (uitg.), ‘Arnold Waeijer, Nopende het
Aerts-priesterschap van Swolle naer de beroerten
deser Nederlanden mitsgaders van eenige gedenckweerdige
voorvallen’, Archief voor de Geschiedenis
van het Aartsbisdom Utrecht, XLV (1920) 1-193; XVI
(1921)193-361.
7. Rapport ‘Het klooster te Windesheim gelocaliseerd’
ten behoeve van de Stichting Windesheim 600 (26
januari 1987).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vgl. R.Th.M. van Dijk, ‘De ligging van het klooster
te Windesheim’, in: F.C. Berkenvelder e.a. (red.),
Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij de IJssel(
Kampen, 1987) 121-122 (noot 12).
F.C. Berkenvelder e.a. (red.), Windesheim. Studies
over een Sallands dorp bij de IJssel (Kampen, 1987).
R. van Beek, ‘Windesheim, klooster in discussie’,
Zwols Historisch Tijdschrift, V (1988) 76-83; R.Th.M.
van Dijk, ‘Windesheim en de nood der archeologie’,
Zwols Historisch Tijdschrift, VI (1989) 11-25 e n
R.Th.M. van Dijk, ‘Grenzen van de archeologie. Geschiedkundige
aanwijzingen voor de locatie van het
klooster te Windesheim’, in: Die Fonteyn der ewiger
wijsheit. Opstellen aangeboden aan prof. dr. A.G.
Weiier ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als
hoogleraar in de Algemene en Vaderlandse Geschiedenis
van de Middeleeuwen aan de Katholieke Universiteit.
Middeleeuwse Studies V (Nijmegen 1989)
125-135. Evenals in 1987 speelde het onvermogen tot
interpretatie van de Latijnse brontekst de voorstanders
van de noordelijke locatie ernstig parten.
F.D Zeiler, Windesheim. Rentambt en dorp. IJsselakademiebrochurereeks
1 (Kampen 1992) 53-57. De
kerk stond als het ware in de achtertuinen van de
huidige bebouwing ten zuiden van de Dorpsstraat.
DJ. de Vries en G. Berends, ‘De bouwkundige restanten
van het klooster te Windesheim’, in: Windesheim,
129-149. Vgl. Van Dijk, ‘Ligging’, in Windesheim,
116. DJ. de Vries, ‘Monumenten dendrochronologisch
gedateerd (2)’, Bulletin KNOB, LXXXVII
(1988) 71-73 vat zijn dendrochronologisch onderzoek
nog eens samen.
12. DJ. de Vries, Bouwen in de late Middeleeuwen. Stedelijke
architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht
(Utrecht 1994) 444 (noot 778).
13. Kronijk van Arent toe Boecop, in: Codex diplomaticus
neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk
de vaderlandsche geschiedenis, uitgegeven door
het Historisch Genootschap, tweede serie, vijfde
deel (Utrecht 1860) 706-707.
14. K. Grube (uitg.), Des Augustinerpropstes Iohannes
Busch Chronicon Windeshemense und Liber de reformatione
monasteriorum. Geschichtsquellen der
Provinz Sachsen und angrenzender Gebiete XIX
(Halle, 1886). Zie over de beide redacties Van Dijk,
‘Ligging’, in Windesheim, 101-102.
15. Zie de bijdragen in: Windesheim, 19,132 en 148.
16. Pohl, Opera, 1902-22, VII, 460. Al eerder citeerde ik
deze passage in Van Dijk, ‘Ligging’, in Windesheim,
109 en 124 (noot 64). Zie ook W. Kohl e.a., Monasticon
Windeshemense. Archief- en Bibliotheekwezen
in België, extra-nummer 16 (4 dln; Brussel 1976-
1984).
17. De Vries, Bouwen, 145.
18. Smeyers, ‘Kloosters’, 217.
19. Gemeente-Archief Zwolle, AAZ01-1432, 41 (jaarrekening
1469); vgl. De Vries, Bouwen, 1994, 145 en
noot 781.
20. Ik dank Drs. F.C. Berkenvelder, die mij toestond
zijn reeds verzamelde gegevens te raadplegen, en
AJ. Hendrikman, die mij op deze nog onuitgegeven
bron attent maakte en voor mij de relevante passages
natrok.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Badhuis van Schaepman:
een dokter die zijn tijd ver vooruit was
Ziek worden in Nederland is in de negentiende
eeuw naar de huidige maatstaven geen
pretje en bovendien gevaarlijk. Operaties
worden slechts in noodgevallen uitgevoerd en
beperken zich tot het afzetten van ledematen en zo
nu en dan een steensnede, waarbij de lijder van
een blaas- of urinewegsteen wordt verlost. Er is
nog geen sprake van narcose, anders dan het drinken
van veel alcohol. Als de dokter komt, heeft hij
nauwelijks onderzoeksmiddelen tot zijn beschikking.
Het beluisteren van borst of buik is in 1818
ontdekt, maar wordt pas veel later in Nederland
toegepast. De dokter kijkt gewichtig naar urine,
ruikt er aan, proeft er soms van om vast te stellen
of er sprake is van suikerziekte en schrijft geneesmiddelen
voor die meestal van plantaardige oorsprong
zijn en door de apotheker worden toebereid.
Aderlaten, waarbij een hoeveelheid bloed
wordt afgetapt, wordt veel toegepast. De meestal
toch al verzwakte zieke zal daar zelden baat bij
hebben gehad.
De geneeskundige verzorging in het begin van
de vorige eeuw is in Zwolle in handen van enkele
medici, een niet exact te bepalen aantal chirurgijns
en vroedmeesters en twee stadsvroedvrouwen.
Everhardus Theodorus Schaepman begint zijn
praktijk op 18 januari 1827. Hij is op 20 september
1800 aan de Thorbeckegracht ter wereld gekomen
als tweede zoon van Joannes Everardus en Theodora
Maria Brandts. Na hem volgen nog zeven
kinderen.1 De familie is katholiek en komt oorspronkelijk
rond 1725 uit Munster in Westfalen
naar Zwolle. Everhardus’ grootmoeder is afkomstig
uit Koerland. Zijn vader is cargadoor en factoor
en gaat in de Russische veldtocht als officier
met Napoleons leger mee naar Rusland.2 Everhard
studeert vanaf 1818 in Groningen en promoveert
er op 29 mei 1824 op een aantal waarnemingen aan
geelzucht-patiënten.
Twaalf soorten dokters, één soort vrouwen
De medische verzorging is tot 1865, wanneer de
wet op de uitoefening der geneeskunst wordt aangenomen,
in handen van liefst twaalf verschillende
soorten medici. Eén soort bestaat uit vrouwen:
de vroedvrouwen. Alle andere, gediplomeerde
uitoefenaren in de genees-, heel- of verloskunde
zijn mannen. Zij zijn naar rang en stand streng
van elkaar gescheiden. Van hen heeft de medicinae
doctorhet hoogste aanzien. Hij heeft aan een universiteit
gestudeerd, is filosofisch geschoold en
houdt zich verre van de buitenkant van zieke
mensen. Die buitenkant is voorbehouden aan de
chirurgijn. Die neemt alles wat daar te repareren is
onder handen, zoals aderlaten, abscessen openen,
Ben Kam
Portret van dr. E. T.
Schaepman; in 1865 uitgegeven
door fotograaf
Deutmann (part. collectie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Badhuiswal; fragment
van een gemeentekaart
uit 1848. Het badhuis
is gearceerd aangegeven
(part. collectie).
wonden verzorgen, amputaties verrichten; kortom
alles wat buiten buik- en borstholte aan een
mens te opereren valt. Verder wordt de chirurgijn
op bevel van de overheid ingeschakeld bij lijkschouwingen
indien een niet-natuurlijke doodsoorzaak
wordt vermoed. Hij doet het vuile werk
van de sectie maar de toeziend medicinae doctor
tekent als eerste de verklaring.3
Ziekten in soorten
De ziekten die de medici behandelen, worden
nader omschreven in de verslagen van de gezondheidstoestand
der gemeente, zoals die verplicht
zijn na het invoeren van de Gemeentewet van 1852.
Zij zullen niet veel verschillen van de ziekten die in
de eerste helft van de eeuw voorkomen, behalve de
cholera (ook genoemd de Aziatische braakloop)
die zich te Zwolle pas in 1832 openbaart.
In de verslagen onderscheidt men haastige en
chronische ziekten. Onder de eerste groep rekent
men de koortsen, waaronder ook tyfus valt,4 de
angina’s, waaronder de difterie en allerlei vormen
van hoesten door bronchitis en pleuritis. Blaas- en
darmontstekingen worden ook onder de haastige
ziekten gerekend evenals geelzucht en belroos. Bij
de chronische ziekten vindt men tuberculose:
‘velen bezweken daaraan.’ Een beroerte wordt
herkend, evenals het verschijnen van bloed waar
het niet hoort. Evenzo toevallen, epilepsie, chronische
oogontstekingen en bloedarmoede als oorzaak
van het flauwvallen van jonge vrouwen. Kinderpokken5
moeten bij het gemeentebestuur worden
aangegeven (met pokken wordt doorgaans
syfilis bedoeld, naar de (vermeende) oorsprong
ook wel Spaanse pokken genoemd). De lijst kan
met allerlei geleerde namen nog worden uitgebreid,
maar wat opvalt, is dat het steeds symptoomdiagnoses
zijn. Dat leidt ertoe dat alleen de
symptomen worden behandeld. En dat gebeurt
met goede woorden, troost en hoestdrank voor
wie het kan betalen. Aan de oorzaak van de ziekte
komt men nauwelijks toe. De uitzonderingen zijn
het inenten van kinderen tegen kinderpokken en
het isoleren van choleralijders in een cholerahospitaal.
De behandeling met medicijnen is zeer
beperkt. De doktoren beschikken over geneesmiddelen
die vrijwel steeds uit plantaardige
grondstoffen zijn bereid. Vandaar dat het vak
botanie bij de medische studie aan de universiteit
een belangrijke rol speelt. Opium is bekend, evenals
de werking van zuidvruchten bij de bestrijding
van scheurbuik. Kininebast wordt als koortswerend
middel in het eerste kwart van de negentiende
eeuw ook gebruikt. Het bereiden van medicijnen
is een ingewikkeld proces. Op ruim 16.000
inwoners van Zwolle zijn er in 1828 dan ook elf
apothekers, die hun gifmengerij vol ernst bedrijven.
Hulpverlening bij rampen.
In het begin van de vorige eeuw treffen twee ernstige
rampen ons gebied. Ten eerste de watersnood
van februari 1825 waarbij grote delen van
Overijssel onder water komen te staan. Ruim een
jaar later grijpt een geheimzinnige ziekte vanaf
juli-september snel om zich heen en maakt veel
slachtoffers. Behalve Groningen en Friesland teistert
de ziekte de kop van Overijssel zodanig dat het
hele economische leven tot stilstand komt.6 Hele
gezinnen kunnen hun werk niet meer doen en er
ontstaat een groot tekort aan eten en onderdak. Er
komt snel hulp in de vorm van landelijke inzamelingen,
het inrichten van opvangcentra en het stuZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ren van geneesheren. Zij worden op verzoek van
de Gouverneur der Provincie in het rampgebied
gedetacheerd. Het zijn de chirurgijn-major J.C.
Croissant die het Zwolse garnizoen van geneeskundige
hulp voorziet en de medicinae doctores
P.G. Ramaer en E.T. Schaepman uit Zwolle. De
laatste vertrekt in de morgen van 23 oktober 1826.
Vooral Croissant zet zich met volle kracht in bij
het organiseren van de hulpverlening. Hij regelt
een noodhospitaal in Blokzijl waar hij op 27
november is aangekomen en zorgt voor het uitdelen
van ‘soupe en bouillon.’
Zieke dokters
Maar de geneesheren ontkomen zelf evenmin aan
besmetting en moeten één voor één ziek naar hun
woonplaats terugkeren. Schaepman komt naar
Zwolle terug, evenals Ramaer, Nourij en Van
Riemsdijk, die als medisch kandidaten vanuit
Groningen in de Noordwesthoek zijn gedetacheerd.
Het lijkt mogelijk om in hedendaagse termen
een diagnose te stellen aan de hand van de rekeningen
die bij de provinciale Commissie door de
apothekers zijn ingediend. Hieruit moet men,
gezien het relatief grote aandeel van hoestdranken,
opmaken dat het een soort virale luchtweginfectie
is geweest. De ziekte had een lange nasleep
en ondermijnde de natuurlijke weerstand, die
toch al niet zo groot zal zijn geweest. ‘De ziekte
tast vooral de geringere klasse aan,’ zoals een particuliere
brief vermeldt.
Schaepman herstelt van zijn ziekte en houdt
zich vervolgens bezig met het opstellen van de
‘Instructie voor het Ziekenhuis van de Roomsch
Catholijke Armenkamer’, gevestigd in de Hagelsteeg
waar zich tot voor kort drukkerij Upmeyer
bevond.7 Daarna zijn de gegevens over zijn doen
en laten schaars totdat hij zich eind 1840 tot het
stadsbestuur wendt om zijn plannen tot het stichten
van een badhuis voor te leggen, waarbij hij
toestemming vraagt om op stadsgrond te bouwen.
Een badhuis te Zwolle? Zwolle als kuurplaats,
net als Spa in België of Bad Ems in Duitsland?
siiiiiïi
Lithografie van het badhuis,
gezien vanaf de
Turfmarkt. Op het bijgebouw
rechts is vaag
het opsch rijt A rtis
Salutiferae (aan de
heilbrengende geneeskunst)
te zien (part. collectie).
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Lithografie van het badhuis
met de Diezerpoort
en de molen op het Genverberg
bastion (part.
collectie).
Het badhuis gewijd ‘aan de zegen brengende
wetenschap’
Het zijn niet alleen de Romeinen geweest die het
kuren in badplaatsen in West-Europa hebben
geïntroduceerd: het ontstaan van de Engelse badplaats
Bath gaat terug op het jaartal 863 vóór het
begin van onze jaartelling.8 In de loop van de eeuwen
krijgt men veel ervaring met het behandelen
van reumatische en neuralgische pijnklachten. De
ervaring is de belangrijkste leermeester voor de
artsen, die ook nu nog in de ons omringende landen
de kuurbehandeling voor alle mogelijke kwalen
toepassen: afwijkingen van de luchtwegen
zoals astma, gewrichtsklachten als reuma, overspanning
en overwerktheid, klachten van het
darmstelsel. Men kan eigenlijk geen ziekte bedenken
waar niet een of andere badplaats voor wordt
aanbevolen.
Een wetenschappelijke verklaring voor de
genezende werking van de badkuren is echter nog
steeds niet te geven. Men moet echter niet denken
dat een badkuur kort duurt: drie tot zes weken zijn
de gemiddelden. De badgast wordt onder een
streng medisch regime geplaatst, de dagelijkse
bezigheden worden tot op de minuut voorgeschreven,
evenals het te volgen dieet. Wie zich niet
aan de voorschriften wil houden, kan direct ver-
OTTTY1
trekken. Ook heden ten dage moet men in de
Duitse en Franse badplaatsen de gastronomische
restaurants met een lantarentje zoeken: een kok
zou daar geen bestaan kunnen opbouwen. De
badgast moet op vaste tijden wandelen in het
kuurpark, op vaste tijden zijn glas bronwater drinken
(en dat smaakt meestal allerafschuwelijkst),
hij moet middagrust nemen en wordt natuurlijk
op vaste tijden gebaad. Deze baden worden op
verschillende manieren ondergaan, van koude en
warme douches en dampbaden tot insmeren met
dikke vette modder die (zoals de familie nu nog
weet) in Zwolle per schuit uit Tsjechië wordt aangevoerd.
Massages en afbeulende spieroefeningen
staan ook te pas en te onpas op het programma.
Een vooruitstrevend geneesheer
Schaepman en ook andere Nederlandse artsen
zien in de vorige eeuw het succes van deze badkuren
in de om ons heen liggende landen. Schaepman
is een medicus die zich op de hoogte houdt
van de ontwikkelingen in de geneeskunde. Hij is
een van de eersten die de percussie en de auscultatie
gaat gebruiken. Ook zorgt hij ervoor dat alle
rooms-katholieke schoolkinderen een medische
‘keuring’ ondergaan in een eerste poging om de
tuberculose te bestrijden.9 Hij is een groot voorstander
van het systematisch inenten tegen kinderpokken,
waarvoor hij in maart 1842 een
Koninklijke medaille krijgt uitgereikt.
Het zal dus geen verwondering wekken dat
juist Schaepman probeert tot rationeler behandelwijzen
te komen. In 1842 doet hij een geslaagde
poging om een badhuis te stichten dat specifiek is
afgeleid van het instituut Eppendorf bij Hamburg.
Hij biedt op 19 december 1840 het gemeentebestuur
een plan aan ‘van eene door hem daar te
stellen Bad-Inrigting volgens bijgaande teekening,
ten doel hebbende het geven van koude, geneeskundig
gewijzigde, warme, douche of stort en zeebaden.’
Hij vraagt om te mogen bouwen op stadsgrond
‘tegen over de Suikerraffinaderij aan de
Diezerpoort, zijnde de plek waar het zuiverste
rivierwater alhier bestendig aanwezig is.’10 Al op 2
januari 1841 krijgt hij toestemming om het
gebouw op eigen kosten (ongeveer 16.000 gulden)
te laten bouwen. Het gebouw, 22 meter lang en 12
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
breed, gelegen aan de Badhuiswal is nu nog vrijwel
in de oorspronkelijke vorm bewaard.
De gemeente is eveneens zeer voortvarend en
maakt plannen om in de directe omgeving van het
badhuis een ‘publieke wandeling’ aan te leggen.
Schaepman protesteert hier in felle bewoordingen
tegen, omdat hij aan het badhuis verdere ‘nuttige
inrigtingen’ wil verbinden zoals een gymnastiekinrichting,
die evenals het badhuis rondom vrij
moet liggen.” Verontwaardigd schrijft hij dat hij
geen met Café Bellevue of Beurs vergelijkbare
inrichting bezit en zeker niet van plan is om als
kastelein zijn bestaan te verbeteren. Om het stadsbestuur
van de wandelplannen te weerhouden,
biedt hij aan de grond om het badhuis te kopen,
waartoe de stad na enkele jaren hem de gelegenheid
geeft.
Stoom en wetenschappelijk onderzoek
In juni 1842 wordt het badhuis geopend. Het heeft
in de onderste verdieping een achttal badkamertjes
met badkuipen, op een afzonderlijke plaats
een stoomketel tot voeding der badkuipen met
warm water en een perspomp om het zuivere
rivierwater ‘in dezelve aan te brengen.’ Schaepman
gebruikt koolzure wateren volgens de badinrichting
Eppendorf, terwijl de zwavelbaden
wegens de hinderlijke en onaangename reuk in
een apart vertrek zijn ondergebracht.12 Uit een
advertentie op 24 mei 1842 blijkt dat de zieken
gelegenheid krijgen om in logeerkamertjes met
toebehoren te verblijven. Voor ‘exquise ververschingen’
en een nette, beleefde en goede bediening
zal zo veel mogelijk worden gezorgd. Men
kan zich ook abonneren op het gebruik van de
‘reinigings-baden’.
In juni 1843 blijken er aanmerkelijke verbeteringen
te zijn aangebracht die door het gemeentebestuur
bezichtigd worden. Schaepman legt daarbij
de werking van de onderscheidene machines
uit en hij toont aan dat de gedane investeringen
werkelijk ten nutte der Zwolse ingezetenen
besteed zijn.
De badgasten
Het badhuis krijgt een goede naam. Vanuit
Leeuwarden vragen burgemeester en wethouders
in juni 1844 naar de mogelijkheid om ‘door Armbesturen
verpleegd wordende lijders op min kostbare
wijze van de baden gebruik te doen maken.’
Schaepman antwoordt dat die lijders dan maar in
de ziekenhuizen van de respectieve gezindte waartoe
zij behoren moeten worden opgenomen. Zo
nodig is in de buurt van het etablissement gelegenheid
voor logies, verzorging en voeding tegen
ƒ 4,- per week. Voor de geneeskundige behandeling
wordt niets gerekend, maar een gewoon bad
kost ƒ 0,60 en een geneeskundig bad ƒ 0,80.’3 De
lijder moet behoorlijk voorzien zijn van verschoningsmiddelen
en moet ‘gezuiverd’ (schoongewassen!)
worden overgezonden. Hij tekent als
eigenaar van het Geneeskundig Badhuis ‘Arti
Salutiferae’.14
In het gastenboek wordt dit bevestigd. Hierin
staat in een zeer ongeschoolde hand:
‘Ik ben in dit badhuis gekomen door tusschenkomst
van den Heer Burgemeester van
Leeuwarden dat ik zelfs met een stok bijna niet
kon gaan en mijn eenen arm geheel niet kon
gebruiken. En nu ik dit Huis verlaat kan ik zonder
stok zeer goed en vlug gaan en mijn arm kan
ik ook weer zeer goed gebruiken. Gelukkig dat ik
hier ben geweest. Ik dank daar voor den goeden
God en den geneesheer die mij hier geholpen
heeft.’]5
Er is helaas slechts één jaarverslag bewaard gebleven.
16 Hierin wordt vermeld, dat sinds 1842 2790
baden zijn gegeven, waarvan 738 zuiveringsbaden,
1881 geneeskundige baden, 171 gezoute en regenbaden
terwijl 208 douches zijn toegediend. De
geneeskundige baden, waaronder staal, zwavel,
pottasch, zeesaline-aromatique en moutsbaden,
zijn toegediend aan 78 lijders, waarvan 36 stadgenoten
en 42 vreemdelingen. Daarnaast gebruikt
men galvanische en elektrische hulpmiddelen,
‘zoo in als buiten het Etablissement.’ Als Maison
de Santé biedt men tijdelijk passerende en ziek
geworden heren verzorging, evenzo aan celibatairen
die in tijd van ziekte geen ‘liefderijke verzorging
te huis hadden.’ Schaepman vermeldt dat er
driemaal daags weerkundige waarnemingen worden
genoteerd: de stand der thermometer, de
windstreken en de weersgesteldheid. De heer mr.
D. Lichtenberg houdt aantekening van de stand
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
der barometer. Daartoe wordt hetzelfde instrument
aangeschaft als in Groningen en Leeuwarden
in gebruik is. Een regen en windmeter zijn
besteld en er wordt een peilschaal aangebracht.
‘Als de gezondheid van de arts zijne middelen niet
te zeer beperkt zal hij trachten in praktisch opzicht
van den geheelen omvang der geneeskunde middelen
aan te schaffen, die dienstbaar kunnen zijn
aan den lijdenden, schijndooden, gewonden en
verdrinkenden mensch, enz.’17
In december 1848 vraagt en krijgt Schaepman toestemming
nog een stukje stadsgrond aan te kopen
en mag hij een gesloten veranda aanbouwen.
Wanneer men afbeeldingen uit die tijd vergelijkt
met de huidige situatie valt op, dat er nauwelijks
ruimte kan zijn geweest om in die tuin wandelpaden
aan te leggen. Om te wandelen stuurt Schaepman
zijn badgasten dan ook naar het bastion vóór
de Diezerbuitenpoort, het dan nog onbebouwde
terrein waar nu een winkelcentrum met parkeergarage
staat.
De zwemschool mislukt
In 1852 heeft Schaepman plannen om bij het badhuis
een drijvende zwemschool op te richten en
doet daartoe een voorstel aan de gemeente. Uit dit
plan blijkt dat hij het nut inzag van beweging en
oefening voor kinderen die door slechte voeding
(rachitis, Engelse ziekte) misvormd waren. Het
zwembad is echter pas in 1860 gerealiseerd. Het
wordt in de Nieuwe .Wetering gelegd, stroomopwaarts
van de Schoenkuipenbrug.
Schaepman heeft het badhuis niet zelf in stand
kunnen houden. In 1858 besluit de gemeenteraad
tot deelneming voor tien aandelen off 2.000.- in
een op te richten maatschappij tot aankoop van
het geneeskundig badhuis en oprichting van een
zwemschool. Wat hiervan terecht is gekomen, is
onduidelijk: de zwemschool is door A.J. Doyer
overgenomen.
Schaepman is op 23 januari 1865 in zijn 64e
levensjaar aan een beroerte overleden. Kort tevoren
was zijn 40-jarig jubileum als medicmae doctor
gevierd met een groot aantal genodigden ‘aan een
rijk voorziene disch, waar gulle vroolijkheid voorzat.’
Op 27 februari van dat jaar adverteert de
boekhandelaar Ezerman met een ‘photographisch
portret’ voor een gulden. In maart krijgt Ezerman
concurrentie van boekhandel Waanders, die hetzelfde
portret (van Deutmann, Photographe)
voor de helft van de prijs aanbiedt.
Tenslotte enkele vermeldingen uit het gastenboek,
dat in 1986 door een kleindochter van Schaepman
aan de gemeente werd geschonken en dat een aantal
namen bevat van belangstellenden, maar ook
warme loftuitingen aan het adres van ‘den bekwamen
en kundigen arts aan het hoofd dezer inrigting.’
Ook komen er onverwacht de namen van de
predikanten N. Beets van Groningen en V. van
Gogh uit Breda in voor.18
‘De eigenaar van het geneeskundig Badhuis
“Arti Salutiferae” te Zwolle verzoekt beleefdelijk
dat zij die het établissement met een bezoek vereeren
of gebruik maken van geneeskundige of
zuiveringsbaden, hunne tevredenheid ofklagten
mogen bekend maken in dit boek. Zwolle, 11 may
1844, E. T. Schaepman Med. dr.’
De eerste ondertekenaars zijn And. van de Vondervoort,
pastoor te Kolmschate en D. Sassen,
pastoor in Zwolle. Daarna staat ook J. Philipson,
griffier bij de Rechtbank te Zwolle, vermeld.
‘…en eenige weken met veel genoegen doorgebracht,
verscheidene baden tegen krampen en
Rhumatische pijnen met succes gebruikt en legt
daarbij gaarne het getuigenis nimmer meerdere
dienstvaardige hulp met beleefde welwillendheid
gepaard ondervonden te hebben.
.. Eene goede welingerichte nette tafel met goede
smaakvolle spijzen toebereid, betuigd daarbij
zijnen opregten dank aan den bekwamen kundigen
Arts aan het hoofd dezer inrigting geplaatst
voor zijn deelnemende oplettendheid om alle
soulaas de lijders aan te brengen welke in zijne
macht staat. Hij neemt dan afscheid met gevoelvolle
dankbaarheid, van Hoëvell Nijenhuis.
Zwolle julij 1844.’
Ds. N. Beets van Groningen schrijft een bloemrijk
gedicht op 31 juli 1844, evenals prof. J. Baart de la
Faille uit Groningen op 25 juli van dat jaar.
Dat kuurgasten soms geruime tijd in het badZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
huis worden opgenomen, blijkt uit een aantal
dankbetuigingen:
‘Na eene zware zenuwen ziekte, en zukkelingen
van bijna^jaar bén ik hier in het geneeskundig
badhuis door het gebruiken der baden en
onder Z. Edele behandelingen in den tijd van 4
maanden geheel hersteld.’
Grietje Wiegmink schrijft op 13 juni 1844 dat zij na
ruim negen weken de baden gebruikt te hebben
volkomen is genezen van een pijnlijke en aller verschrikkelijke
kramphoest ‘welke mijne zenuwen
zoodanig in werking brachten, dat ik een onzinnig
mensch geleek en ik van alle hulp middelen geen
beterschap verkreeg heb ik mij begeven in dit badhuis.’
Maar ook lezen we: ‘Tot mijn leedwezen
moet ik betuigen dat ik niet gebeterd ben. M. van
Ingen geboren Cannenburg.’
Uit het buitenland betuigt Eugenia Tebaldi uit
Casalmaggiore in Italië op 30 oktober 1848 haar
dank, die zij ‘eterna memoria in mio cuore’ zal
bewaren.
Het badhuis is waarschijnlijk na de dood van
Everhardus een tijd lang als woonhuis bij de familie
Schaepman in gebruik geweest. Zijn kleinzoon,
notaris mr. A.P. van der Biesen, heeft er vanaf 1903
tot aan zijn overlijden in 1936 kantoor gehouden.
Er is nog een manshoge, midden in het gebouw
opgetrokken safe met zware metalen deur aanwezig.
Na Van der Biesen was zijn opvolger notaris
Willemse er te vinden. Na 1952 vond het Algemeen
Ziekenfonds Zwolle er een aantal jaren onderdak.
Het pand wordt thans verbouwd tot een aantal
appartementen.
Noten
1. Voor de genealogie zie Nederlands Patriciaat 26, p.
273-298.
2. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), Historische atlas;
mededeling op achterzijde van een portret van J.E.
Schaepman, afkomstig uit familiebezit.
3. Kam, B.J. ‘Pathologische anatomie in de zeventiende
eeuw’ in Zwols Historisch Tijdschriftw (1993), 13.
4. Vreemd genoeg is het niet na te gaan of het hier om
vlektyfus (typhus exanthematicus, door luizen
overgebracht) of om buiktyfus (typhoid fever, buiktyfus,
door water overgebracht) gaat.
5. Variola major.
6. Alle hier vermelde feiten over de ziekte in de kop
van Overijssel komen uit de Provinciale Overijsselsche
Courant, periode september 1826-februari 1827.
7. GAZ, IA026 Rooms Katholieke Armenkamer, ingekomen
stukken doos 19; stuk 41 dd. 16 maart 1827.
Voor de lokalisatie: Oorspronkelijk aanwijzende tabel
der Grondeigenaren gemeente Zwolle, sectie
F 951.
8. Encyclopedia Brittanica 1995, ‘Spa’.
9. Vries, ThJ. de, Geschiedenis van Zwolle, II198, 253.
10. GAZ, AAZo2/oO34-2O29/57.
11. GAZ, AAZo2/bo252l-972en 1846.
12. Provinciale Zwolsche Courant dd. 18 maart 1842.
13. Met een laag geschatte omrekeningsfactor van 50
komt dit dus op ƒ 40,- per bad!
14. (opgedragen) ‘Aan de gezondheid brengende Wetenschap’.
15. GAZ, PA 1259, Gastenboek.
16. GAZ, AAZ02-301-1270.
17. GAZ, AAZ02-301-1270,3 juni 1846.
18. Ds. Vincent van Gogh (1789-1874), de grootvader
van de schilder. De handtekening is niet gedateerd.
Fragment van het gastenboek
(Gemeentearchief
Zwolle).
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De perikelen van procureur Joris Meesters
Riet Leussink en
Jennie Pruim Al enige tijd zijn wij, Riet Leussink en Jennie
Pruim, als vrijwilligers bezig met het transcriberen
van de handelingen en resoluties
van de kerkenraad van de Hervormde Gemeente
in Zwolle in de zeventiende eeuw (aanwezig in het
Gemeentearchief Zwolle, inv.nr. KA017, 001 t/m
006). Deze resoluties zijn voor een leek moeilijk te
lezen omdat ze opgetekend zijn in verschillende
handschriften; door de transcriptie worden ze
bereikbaar voor iedereen die ze wil raadplegen. De
notulen geven duidelijk weer wat de invloed en de
macht van de kerkenraad was en hoe nauw de
relaties met het stadsbestuur waren in die tijd. Wij
stellen ons voor u de komende tijd in de vorm van
korte bijdragen mee te laten genieten van aardige
en interessante voorvallen die we tegen komen.
Joris Meesters
In september 1658 komen Joris Meesters, zijn
vrouw Eva de Swaan en zijn schoonzuster Elisabeth
de Swaan met attestatie van de gereformeerde
kerk van Den Haag naar Zwolle. Uit dit huwelijk
worden te Zwolle twee kinderen geboren,
Ananias en Theodoor, respectievelijk gedoopt op
24 april 1659 en 26 februari 1661. In dit laatste jaar
komen Joris en zijn vrouw te overlijden. Op 20
december 1661 worden beide echtelieden in de
Grote Kerk begraven.
Op 13 december van het jaar 1660 laat Lysbet
de Swaan, ‘jonge dochter, met dewelcke Jan Stil
seyt wettelijck ondertrout te sijn’, de kerkenraad
van de Gereformeerde Kerk in Zwolle weten, dat
ze een tijdje in Zwolle denkt te blijven en dat ze
graag aan het avondmaal in deze kerk wil deelnemen.
De kerkenraad gaat niet over één nacht ijs,
en ontbiedt haar in de kerkenraadsvergadering
van 15 december om haar aan de tand te voelen
over de echtheid van haar geloof en haar onbesproken
levenswandel. Maar, wie er ook verschijnt
op die dag, geen Lysbet. In haar plaats komt Joris
Meesters, procureur, zwager en voogd van Lysbet.
Hij zegt dat zijn schoonzuster hem heeft gevraagd
om haar te vertegenwoordigen.
De kerkenraad vraagt voor alle zekerheid even
aan de koster, wat Lysbet zei, toen hij haar de
oproep van de raad bracht (het rondbrengen van
brieven was één van de taken van de koster). Volgens
de koster zou ze komen.
De kerkenraad wordt argwanend en zegt tegen
Meesters, dat zijn schoonzus morgen tegen één
uur weer opgeroepen wordt ‘ende indien sij dan
weigert te coomen, sal de kerckenraet verdacht
sijn op middelen waerdoor sij haer autoriteit kan
behouden tegen sijn vrouwen suster ende diegeene
dewelcke haer mochten afraeden de eerwaarde
kerckenraet, gelijk het een litmaet betaemt, te
gehoorsaemen.’
Deze dreigende taal maakt weinig indruk,
want de volgende dag komt alleen Meesters. Hij
vertelt uitvoerig dat zijn schoonzuster eigenlijk
lidmaat wil worden van de kerk in Rotterdam en
dat ze de laatste tijd in Winshem (Windesheim)
had ‘gecommuniceerd’.
Groeiend wantrouwen
Maar dominee J. Heesselius (predikant in Zwolle
van 1652 tot 1677) is er van overtuigd dat Lysbet
hem gezegd heeft, dat ze in Zwolle het avondmaal
wil ontvangen en Meesters wordt niet geloofd. De
kerkenraad voelt hem hierover uitgebreid aan de
tand en de gemoederen beginnen aardig op te
lopen. Het enige antwoord dat ze krijgen van
Meesters is: ‘Een mensche kan van sinnen veranderen.’
De heren worden steed

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1997, Aflevering 3

Door | 1997, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
/ * 1 ‘ ». • • ‘ ‘ t ‘ – – ‘ ‘ –
Ansichtkaart Grand Hotel Wientjes
Poststempel november 1936
Zwolle 1 Nov ’36
Lieve Nelly
Wij, Willy en ik, zitten hier op een gepaste wijze
haar verjaardag te vieren met een fijn dinertje!
Wij vonden de photo’s die je gezonden hebt buitengewoon
geslaagd en zullen je daarover en over andere
dingen binnenkort een reuzen-brief schrijven.
Hartelijkste groeten van ons beiden ook aan je
ouders
tt Oom Karel, Willy
Een ansichtkaart uit de jaren dertig van het toen
nieuwe Grand Hotel Wientjes. Hotel Wientjes
werd in 1929 geopend na een zeer grondige verbouwing
en uitbreiding van de villa die voorheen
hier aan de Stationsweg stond. Dit pand was in
1928 door de heer F. Th. Wientjes, sinds 1923 hotelier
in de Voorstraat, aangekocht van Mr. W.H.
Roijer, president van de rechtbank. De oorspronkelijke
villa beslaat het rechter gedeelte van het
hotel, de vier ramen naast de ingang. De rest werd
nieuw aangebouwd. Voor het geheel werd dezelfde
bouwtrant als die van het origineel gehandhaafd.
Hotel Wientjes kende in de loop der jaren
heel wat verbouwingen en uitbreidingen, maar het
front bleef altijd in tact. De grootste uitbreiding
vond plaats in 1979. Achter het hotelgebouw werden
toen 30 kamers en diverse zalen aangebouwd;
qua volume ongeveer net zoveel als het hele voorstuk
besloeg. Drie generaties Wientjes stonden
aan de leiding van het hotel. In februari 1992 verkocht
de laatste van hen, Frans Wientjes junior,
het aan de Bilderberg Groep. Wientjes verliet het:
hotel een paar jaar later waarmee een einde kwam
aan de bemoeienis van de familie met het hotel.
De naam Hotel Wientjes is echter gehandhaafd.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
De inhoud van deze aflevering van het Zwols Historisch
Tijdschrift is voor een groot deel geïnspireerd
door de onlangs voltooide bouw van het
nieuwe hoofdkantoor van de Rabobank aan de
Willemskade. Ingrid Wormgoor beschrijft de historie
van deze locatie in Zwolle, Wil Cornelissen
haalt jeugdherinneringen op aan de hier vroeger
gevestigde Raad van Arbeid en de bankhistoricus
Ton de Graaf gaat specifiek in op de geschiedenis
van de Boerenleen- en Raiffeisenbanken, waaruit
de Rabobank ontstond. Zoals u in zijn artikel kunt
lezen, was Zwolle één van de laatste plaatsen waar
deze fusie op lokaal niveau tot stand kwam.
Dit derde nummer van de veertiende aflevering
van het Zwols Historisch Tijdschrift biedt u
echter nog meer: een artikel over meten en wegen
hier te stede in de Middeleeuwen door G.P.M.
Schunselaar en een monografie over de zestiende
eeuwse Zwolse kunstenaar Arent van Bolten. Wim
Huijsmans en Lydie van Dijk schrijven over deze
onbekende tekenaar/ontwerper, zilversmid en
maker van bronzen beeldjes.
Verder de vaste rubriek ‘Groeten uit Zwolle’
met ditmaal een voor Zwollenaren zeer herkenbaar
onderwerp, Grand Hotel Wientjes, de agenda
met daarin opgenomen de nieuwe cyclus van historische
avonden en de tentoonstellingen in het
heropende Stedelijk Museum Zwolle en de mededelingen.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Van rechterswoning tot Rabobank Ingrid Wormgoor
Overpeinzingen bij een bouwput Wil Cornelissen
De Rabobank Zwolle: van bank voor boeren en tuinders
tot algemene bank Ton de Graaf
Meten en wegen in de Middeleeuwen G.P.M. Schunselaar
Arent van Bolten, een maker van monsters
Wim Huijsmans en Lydie van Dijk
Mededelingen
Agenda
Auteurs
74
76
84
86
96
100
103
104
106
Omslag: Het gebouw van de Raad van Arbeid tijdens de veemarkt, ca. 1925. Op
deze plaats staat nu het nieuwe hoofdkantoor van de RA BO bank.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Van rechterswoning tot Rabo-bank
Ingrid Wormgoor
Plattegrond van Zwolle
uit 1846. De Willemsvaart
mondde vlak bij
de Luttekebrug uit in de
stadsgracht (collectie
gemeentarchief Zwolle).
Inleiding
De plaats waar de Rabo-bank haar nieuwe
hoofdkantoor heeft gebouwd, lag lange
tijd buiten de stad en het drukke stadsleven
van Zwolle. Tot ver in de negentiende eeuw
woonde het overgrote deel van de Zwollenaren
namelijk binnen de stadsgrachten. Op een kaart
uit 1846 is dat duidelijk te zien. De bebouwing buiten
de grachten bleef beperkt tot het gebied vlak
buiten de drie stadspoorten.
Wat betreft het gebied buiten de Kamperpoort,
één van die drie stadspoorten, zien we dat
langs de Beestenmarkt (de huidige Harm Smeengekade)
huizen stonden. Datzelfde gold voor de
Hoogstraat. Verder was er enige bebouwing langs
de Pannekoekendijk. Uit een beschrijving die in
het midden van de vorige eeuw gemaakt is, blijkt
dat het er rustig wonen was. Harm Boom, redacteur
van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche
Courant gaf een idyllische beschrijving van
‘de met heerlijke linden beplantte Beestenmarkt,
waarover des namiddags de wandellustige Zwollenaren
zich in bonte groepen naar hun geliefkoosd
Groote Veer (= Katerveer) begeven (…) weldra
stonden wij op den hoek der Beestenmarkt, waar
de buitencingel een aanvang neemt eenige oogenblikken
stil ten einde het heerlijk gezicht daar
volop te genieten.’
In de halve eeuw die volgde op deze beschrijving,
veranderde dit stukje Zwolle grondig. De
Willemsvaart werd verlegd en kwam langs de Willemskade
te liggen. Verder werd de veemarkt vanuit
de binnenstad verplaatst naar de Beestenmarkt.
Tenslotte groeide de bevolking van Zwolle
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
sterk en gingen steeds meer mensen buiten de
stadsgrachten wonen. De meer welgestelde Zwollenaren
lieten herenhuizen bouwen langs de
belangrijke invalswegen van de stad. Zo dateren
de huizen aan het Groot Wezenland en bij het
kerkbrugje uit de periode rond 1880. Aan de andere
kant van de stad liet de rechter mr. P.J.G. van
Diggelen in 1880 een huis bouwen aan de Willemskade
1. Dit pand bleef bestaan totdat het in
1995 werd afgebroken om plaats te maken voor het
hoofdkantoor van de Rabo-bank.
Voordat de lotgevallen van dit pand aan de
orde komen, wordt hier eerst iets verteld over de
veranderingen in de omgeving van het huis.
Willemsvaart
Toen in 1819 de Willemsvaart officieel in gebruik
genomen werd, was dat voor Zwolle een heuglijk
moment. Na eeuwenlang plannenmaken, kreeg de
stad eindelijk haar langgewenste verbinding met
de IJssel. De Willemsvaart liep in die tijd vanaf de
Veerallee langs het tegenwoordige park Eekhout.
Vlakbij het Luttekeveer, waar nu de Nieuwe
Havenbrug ligt, mondde hij schuin uit in de stadsgracht.
Omdat de scheepvaart door deze nieuwe
verbinding sterk toenam, werd in 1836 de Nieuwe
Haven ingericht.
Het kanaal bleek al snel te klein voor de steeds
groter wordende schepen. In 1872 werd daarom
besloten de Willemsvaart te verdiepen en op sommige
plaatsen te verbreden om het geschikt te
maken voor die grotere schepen. De bocht die de
schepen moesten maken om vanuit de Willemsvaart
in de stadsgracht te komen, bleek echter een
onoverkomelijke hinderpaal; de grote schepen
konden de draai niet maken. Verlegging van de
Willemsvaart was onvermijdelijk.
Het gedeelte van de vaart dat langs park Eekhout
liep, werd gedempt. Langs de huidige Willemskade
werd een nieuw stuk gegraven, dat via
een flauwe bocht uitmondde in de stadsgracht.
(Tegenwoordig is hier het parkeerdek Emmawijk
te vinden.) Het hele karwei, inclusief de bouwvan
een nieuwe keersluis en de demping van de oude
arm was gereed in 1878. Op 18 november van dat
jaar vond de officiële opening van het nieuwe
gedeelte plaats.
Veemarkt
Een tweede grote verandering die halverwege de
negentiende eeuw plaatsvond was de verplaatsing
van de veemarkt vanuit de binnenstad naar de
Beestenmarkt. Verplaatsing was noodzakelijk
omdat de groeiende aanvoer van vee te veel problemen
opleverde in het centrum.
Omdat de aanvoer van vee gedurende de hele
negentiende eeuw bleef toenemen, ontstonden
ook op de nieuwe lokatie moeilijkheden. De
Kamer van Koophandel en Fabrieken klaagde in
1872 over de geringe omvang en ongunstige
inrichting van de veemarkt. De gemeenteraad zag
het probleem, maar wilde geen definitief besluit
nemen, voordat de nieuwe verbinding tussen de
Willemsvaart en de stadsgracht gerealiseerd was.
De raad vond dat het voor die tijd niet goed mogelijk
was te beoordelen of de veemarkt op de Beestenmarkt
kon blijven en welke veranderingen
nodig waren.
Inderdaad diende de gemeentearchitect in
1878 een plan in om de veemarkt te verbeteren.
Dat plan werd in de loop van 1880 – nadat de
Bouwtekening uit 1966.
De gevel van het pand
Willemskade 1 werd
vernieuwd en het naastgelegen
pand werd vervangen
door nieuwbouw
(collectie gemeente
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Plattegrond van Zwolle.
De Willemsvaart is verlegd
en loopt langs de
Willemskade (gemeentea
rch ief Zwolle).
Vanuit het huis van
Van Diggelen had men
een fraai uitzicht op de
stadsgracht.
gemeenteraad de nodige wijzigingen had aangebracht
– uitgevoerd. Het terrein van de veemarkt
werd opnieuw ingericht en voorzien van oplopende
staanplaatsen voor het vee met brede gangpaden
tussen de staanplaatsen. De kosten van de verbetering
bedroegen met inbegrip van het ophogen
en bestraten van het plein ƒ 8612,925.
Voor de omwonenden, waaronder veel veehandelaren
en logement-, bierhuis- en koffiehuishouders,
was dit een gunstige ontwikkeling. Er
,
was namelijk ook sprake geweest van verplaatsing
van de veemarkt. Dat plan kreeg geen steun van de
omwonenden en ook niet van de gemeenteraad.
Volgens het raadslid Van Rees zou een nieuwe
veemarkt alleen mogelijk zijn buiten de stad en
‘dit zal onze ingezetenen zeker niet ten voordeel
zijn, wijl de marktbezoekers dan buiten de stad
blijven.’ Bovendien waren de kosten voor verbetering
van de bestaande markt lager dan voor verplaatsing.

Niet lang nadat de verbeteringen waren aangebracht,
was de markt al weer te klein. Geen wonder,
wanneer bedacht wordt dat in 1882 ruim
35.000 runderen werden aangevoerd en in 1888
bijna 50.000. Toen zich in 1903 de mogelijkheid
aandiende een stuk grond met bebouwing te
kopen vlak naast de bestaande veemarkt, aarzelde
de gemeenteraad dan ook niet lang. Zonder veel
discussie besloot de raad de percelen van wijlen
hotelhouder B. Vierdag, gelegen aan de Beestenmarkt,
aan te kopen. Het was de bedoeling de
gebouwen af te breken en de open ruimte te
gebruiken voor uitbreiding van de veemarkt.2
Het college van Burgemeester en Wethouders
was een groot voorstander van uitbreiding,
omdat, zoals het college stelde: ‘Nu het eindelijk
tot de zoolang gewenschte vergrooting der veemarkt
komen zal, meent zij dat nu ook zooveel
mogelijk in eens een zoodanige verandering tot
stand moet komen, dat niet alleen voor de thans
bestaande behoeften de nieuwe ruimte voldoende
mag heeten, maar dat ook door de nieuwe inrichting
der markt een zoodanige attractie op den
handel uitgeoefend wordt, dat een drukker bezoek
van de Zwolsche markt het gevolg is.’3 Het college
wilde dus niet alleen de bestaande problemen
oplossen, maar ook de mogelijkheid voor uitbreiding
van de veemarkt openhouden.
De meeste gemeenteraadsleden vonden dat
niet nodig. Zij vonden een geringe uitbreiding van
de veemarkt voldoende. Bovendien wilden zij het
hotel niet afbreken, omdat: dat gebouw een flinke
huur kon opbrengen. Uiteindelijk werd besloten
een klein deel van de bebouwing af te breken en de
veemarkt in beperkte mate uit te breiden.
Hierdoor bleef het behelpen totdat in 1928
besloten werd de veemarkt, en tegelijk de varkensZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
markt, schapenmarkt en de paardenmarkt (die
plaatsvonden op de Pannekoekendijk, de Thomas
a Kempisstraat en de Brink) te verplaatsen naar
een terrein tussen de Emmastraat en de Hoogstraat.
Ondanks een groot aantal protesten van de
middenstandsvereniging, de bakkers- en slagersvereniging
en de diverse koffiehuis- en logementhouders
– die vreesden voor hun broodwinning –
ging de verplaatsing door. Op 1 mei 1931 werd het
nieuwe terrein in gebruik genomen.
De naam Beestenmarkt was vanaf die tijd niet
langer toepasselijk. De gemeenteraad besloot
daarom in 1938 de naam te veranderen in Harm
Smeengekade.
Bewoners
In hetzelfde jaar waarin de veemarkt voor het eerst
aanzienlijk verbeterd werd, 1880, kocht mr. P.J.G.
van Diggelen grond met de bebouwing aan de
IJselstraat van de fabrikant Joost Pieter Tobias.
Tobias, die in een gedeelte van de toen bestaande
bebouwing woonde, vertrok in juni 1880 naar
Zwollerkerspel.
Kort daarop verzocht Van Diggelen aan het
college van B&W of hij het door hem gekochte
perceel mocht verbouwen. Hij wilde een gedeelte
van de bestaande gebouwen – namelijk drie kleine
woningen – afbreken en deze vervangen door een
herenhuis van twee verdiepingen. De benedenverdieping
van het nieuw te bouwen herenhuis
zou ‘in verband met de bestaanblijvende lokaliteiten’
(het huis waar Tobias had gewoond) worden
gebracht.
Na verkregen toestemming en de benodigde
bouwwerkzaamheden, verhuisde Van Diggelen
met zijn gezin vanuit de Schoutenstraat naar de
Willemskadei.
Pieter Johannes Gesienus van Diggelen was op
24 oktober 1837 in Zwolle geboren. Hij studeerde
rechtsgeleerdheid in Utrecht en promoveerde in
1861. In 1869 kwam hij vanuit Winschoten naar
Zwolle waar hij als substituut-officier ging werken.
In 1876 werd hij tot rechter aan de arrondissementsrechtbank
benoemd en in 1894 kreeg hij een
aanstelling als vice-president. In 1906 vroeg hij
eervol ontslag aan ‘wegens herhaaldelijk voorkomende
ongesteldheid, die hem belette zijn werk
verder naar eisch te vervullen.’4 Hij overleed in
mei 1907.
Zijn eerste vrouw, Catharina Alexandrina Verloren,
was op 21 juli 1881 overleden. Zijn (enige)
zoon Bernard Pieter Gesienus werd in 1866 geboren.
Zijn tweede vrouw, Petronella Henriette
Conradina Engelenberg, overleed op 7 mei 1906.
De liberale Van Diggelen bekleedde diverse
politieke functies. Zo was hij van 1879 tot aan zijn
dood lid van de Staten van Overijssel. Verder was
hij van 1886 tot 1888 lid van de Tweede Kamer.
Tenslotte was hij van 1876 tot 1897 raadslid van de
gemeente Zwolle. Verder was Van Diggelen tussen
Harm Smeengekade/
Beestenmarkt gezien
vanuit het zuidoosten
circa 1900 (foto:
Gemeen tea rch ief Zwolle,
collectie Waanders).
Harm Smeengekade tijdens
hoog water in
januari 1916. Het huis
van Van Diggelen is
uiterst links nog net te
zien.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Willemsvaart circa
1900.
1879 en 1893 schoolopziener en was hij bestuurslid
van verschillende verenigingen in de stad.
Na het overlijden van Van Diggelen stond het huis
aan de Willemskade leeg totdat de familie Peereboom
er in 1912 kwam wonen. Mr. Pieter Peereboom,
rechter bij de arrondissementsrechtbank,
zijn vrouw Theodora Kutsch Lojenga en hun kinderen
Cornelia Elizabeth en Pieter, verhuisden in
dat jaar vanuit Bolsward naar Zwolle. Nadat het
Rijk hun woning had gekocht als huisvesting voor
de Raad van Arbeid, verhuisden ze naar het Klein
Weezenland(nu Burgemeester Van Roijensingel).
Korte tijd later vertrokken zij naar het buitenland.
Het pand waar de familie Tobias tot 1880 had
gewoond, had als adres Beestenmarkt 24. In 1898
woonde hier de familie Kanstein. Nathan Kanstein,
een onderwijzer, kwam in 1884 vanuit Groningen
naar Zwolle, waar hij opklom tot “hoofd
eener school”. Zijn vrouw, Bertha Cohen, was
evenals Nathan geboren in Groningen. Zij kwam
in 1890 naar Zwolle. In 1897 of 1898 verhuisde de
familie – er waren inmiddels twee kinderen geboren
– vanuit de Voorstraat naar de Beestenmarkt.
Nadat de Raad van Arbeid zich in 1919 in het
naastgelegen pand Willemskade 1 had gevestigd,
woonde Th.H. Boelkens, in het huis aan de Beestenmarkt.
Thijs Hendrik Boelkens, die in 1869 in
Bierum geboren was, kwam in juni 1919 naar
Zwolle, waar hij de functie van voorzitter van de
Raad van Arbeid had gekregen. Nadat hij korte
tijd in de Kamperstraat had gewoond, verhuisde
hij met zijn vrouw en vijf kinderen naar de Beestenmarkt.
De familie woonde er tot 1940, toen het
pand als kantoorruimte in gebruik genomen werd
door de Raad van Arbeid.
Raad van Arbeid
De Raden van Arbeid zijn in 1919 ingesteld tijdens
het kabinet Ruys de Beerenbrouck. Het waren
regionaal georganiseerde instellingen, die moesten
zorgen voor de uitvoering van de arbeidswetgeving.
Het bestuur ervan werd gevormd door
vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers,
onder voorzitterschap van een ambtelijk
voorzitter.
Eerder, vanaf het eind van de negentiende
eeuw, waren langzaam verschillende sociale voorzieningen
ontstaan. De meeste daarvan hadden
een vrijwillig karakter: er bestonden bijvoorbeeld
vrijwillige pensioenverzekeringen, vrijwillige
ongevallenverzekeringen en vrijwillige werkloosheidsverzekeringen.
Minister A.S. Talma vond dat
de diverse sociale verzekeringen een verplicht
karakter dienden te krijgen en dat de belanghebbende
werkgevers en werknemers voor de uitvoering
moesten zorgen. Om verplichte verzekeringen
tot stand te brengen, ontwierp hij een Invaliditeitswet,
een Ziektewet en een Radenwet. Die
Radenwet voorzag in de oprichting van Raden van
Arbeid. In mei 1913 werden deze wetten door de
Staten-Generaal aanvaard.
Het kabinet Cort van der Linden (1913-1918)
schortte de invoering van deze verzekeringswetten
op, omdat de nieuwe regering ze grondig wilde
herzien. Pas na de komst van het kabinet Ruys de
Beerenbrouck (1918-1922) kwam er schot in. Met
uitzondering van de Ziektewet werden Talma’s
wetten met spoed ingevoerd, waardoor de Raden
van Arbeid vanaf 1919 functioneren.
De Zwolse Raad vond eerst korte tijd onderdak in
het Odeon, maar verhuisde al snel naar de Willemskade,
waar het Rijk het huis van mr. PeereZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
boom had aangekocht. Behalve voorzitter Th. H.
Boelkens waren er in het begin zes beambten
werkzaam. Zij hielden zich vooral bezig met de
uitvoering van de Invaliditeitswet. Daarvoor
moest vrijwel de gehele in loondienst werkende
bevolking worden geregistreerd.
Met het in werking treden van de Ongevallenwet
1921, Ziektewet (1930), Kinderbijslagwet en
Ziekenfondsenbesluit (1941), Noodwet Ouderdomsvoorziening
(1947), Algemene Ouderdomswet
(1957) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(1959) breidden de werkzaamheden van de
Raad zich gestaag uit. Het aantal personeelsleden
liep eveneens op. Zo werkten er in 1949, dertig jaar
na de oprichting 132 mensen bij de Raad.
Voor dat groeiend aantal werknemers werd
omstreeks 1940 de personeelsvereniging ERVEA
opgericht. Leden moesten in de beginperiode een
kwartje per maand betalen. Eén van de eerste activiteiten
was het opvoeren van een toneelstuk,
waarvoor de deelnemers in het kantoorgebouw
repeteerden. Het optreden was zo succesvol dat
toneelspel jarenlang op het programma bleef
staan.
Verder werd jaarlijks een uitstapje georganiseerd,
de zogenaamde ‘Vrolijke Dag.’ Aanvankelijk
ging men met de fiets op pad en namen de
deelnemers hun eigen boterhammen mee.
’s Avonds at men gewoon thuis. Later werden ook
uitstapjes georganiseerd met een bus, en ging men
zelfs naar het buitenland.
Het blad van de personeelsvereniging, ‘In en
om de Raad’ geheten, besteedde uiteraard aandacht
aan de verschillende jubilea. Zo verschenen
bij het veertig- en het vijftigjarig bestaan van de
Raad speciale nummers. In 1969 mijmerde de
toenmalige voorzitter, R. Gosker, over de veranderingen
in de tien voorafgaande jaren. Volgens
hem zou het vijftig-jarig jubileum eigenlijk met
veel tamtam gevierd moeten worden. Immers
vroeger lag het zwaartepunt van de Raad bij de
premieïnning, terwijl het nu vooral ging om de
uitkeringen. ‘Is er wel een instituut in Nederland
te noemen dat zoveel miljoenen om zich strooit?’,
zo vroeg hij zich af. Verder was de sfeer van het
werk veranderd: ‘De gezapigheid van vroeger
maakte plaats voor de nerveusiteit van vandaag.
Wat dat aangaat is er sprake van een wezenlijke
verandering. Ik onderschat daarmede niet de
stress, die er vroeger ook was op de Ongevallenwet,
toen op een bepaalde datum het totaal van de
premieontvangst moest en zou kloppen met het
totaal van de kaarten. En als het klopte werd door
de chef op croquetten getracteerd.’
Met het groeiende aantal personeelsleden kon
ruimtegebrek niet uitblijven. In 1940 werd het
woonhuis van de voorzitter, Beestenmarkt 24, als
kantoorruimte ingericht. In de jaren 1948-1950
werd het pand uitgebreid met twee lokaliteiten en
een archiefkelder. Tevens werd het oude gedeelte
gerestaureerd. Kort daarna kwam een garageruimte
met een bovenwoning voor de conciërge in
de tuin.
Halverwege de jaren zestig, toen er zo’n 150
mensen bij de Raad werkten, werden nieuwe verbouwingsplannen
opgesteld. Onder leiding van de
architect P.A. Lankhorst werd het oude in vervallen
staat verkerende gedeelte (het woonhuis van
Boelkens) afgebroken en geheel opnieuw opgetrokken,
waarbij ruimte voor een kantine werd
geschapen. De gevel van het hoofdgebouw werd
praktisch geheel vernieuwd. Tegelijk kwam er parkeerruimte
en een nieuwe rijwielstalling. In mei
1968 nam burgemeester J.A.F. Roeien de vernieuwde
huisvesting officieel in gebruik.
De ambtenaren van de
Raad van Arbeid gingen
vaak naar de uitspanning
Madrid bij Vilsteren
voor de jaarlijkse
‘Vrolijke dag’ (foto; H.
Wubbolts-Poppe).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Harm Smeengekade tijdens
de veemarkt ca.
1910. Rondom de veemarkt
lagen veel cafés
o.a. het Bierhuis Welgelegen
dat hier te zien is
(foto: gemeentearchief
Zwolle collectie Schaepman).
Drie kamers in het nieuwe gedeelte waren
bestemd voor verhuur. De Nationale Woningraad
nam deze ruimte in gebruik. Toen deze in 1972
vertrok, vond N.O.B. Wegtransport hier onderdak.
Minder dan tien jaar na de verbouwing was er
weer sprake van ruimtegebrek. In 1976 werd een
bouwcommissie geïnstalleerd om het nijpende
tekort aan kantoorruimte in kaart te brengen. Uit
min of meer toevallige contacten bleek toen dat
het G.A.K. voor het districtskantoor te Zwolle aan
uitbreiding dacht. De gemeente had een perceel
grond aan de Zamenhofsingel aangeboden voor
nieuwbouw, maar dat stuk grond was groter dan
het G.A.K. nodig had. Het perceel was zelfs zo
groot dat de Raad van Arbeid zich eveneens aan de
Zamenhofsingel kon vestigen.
De uitwerking van deze plannen nam zoveel
tijd in beslag dat het nodig was de onderverhuur
aan N.O.B. Wegtransport op te zeggen en tijdelijk
een kontainerkantoor in de tuin te plaatsen. Uiteindelijk
was de nieuwe kantoorruimte in januari
1984 gereed en verhuisde de Raad van Arbeid naar
de Zamenhofsingel.
Vormingscentrum De Vijfhoek
Nadat de Raad van Arbeid uit het gebouw vertrokken
was, vond het vormingscentrum De Vijfhoek
er een nieuw onderkomen.5 Zodra de verbouwing
gereed was – er kwamen leslokalen, een kantine,
een grote keuken, een directiekamer en een doka –
en nadat de medewerkers het interieur eigenhandig
geverfd hadden, kon De Vijfhoek in augustus
1984 zijn werkzaamheden voortzetten in de nieuwe
behuizing.
Het nieuwe gebouw betekende een forse ruimtewinst
voor het vormingscentrum, dat zijn naam
ontleende aan zijn oude adres. Het was namelijk
in de binnenstad van Zwolle gevestigd op het
adres Vijfhoek 3. Dit oude gebouw was te klein
geworden. Bovendien moest het pand ontruimd
worden omdat er plannen waren het Gasthuisplein
opnieuw in te richten.
Het vormingswerk is kort na de Tweede
Wereldoorlog ontstaan. Als eerste werd in 1947 in
Maastricht een (rooms katholieke) Mater Amabilisschool
geopend voor werkende meisjes. Het
doel van deze school was om fabrieksmeisjes beter
voor te bereiden op huishouden en moederschap.
Eenjaar later werd een soortgelijke cursus op algemene
grondslag (De Zonnebloem) ingesteld.
Spoedig kwamen er meisjesscholen in meerdere
plaatsen. Het vormingswerk voor jongens begon
in 1954.
Het vormingswerk voor meisjes speelde zich
vanaf de oprichting grotendeels af in huishoudscholen.
Zo ook in Zwolle, waar de Industrie- en
Huishoudschool Jeanne d’Arc, gelegen aan de
Vijfhoek, Mater Amabilis cursussen en bedrijfsjongerencursussen
ging verzorgen. Na verloop
van tijd ontstond hieruit het vormingscentrum De
Vijfhoek als een zelfstandige instelling.
Behalve De Vijfhoek bestonden in de jaren
tachtig in Zwolle ook het Algemeen Vormingscentrum
‘Kreavorm’, het Gereformeerd Vormingscentrum
voor werkende jongeren en het
Christelijk Vormingsinstituut De Ruimte. In die
tijd werd regelmatig overleg gevoerd over samenwerking
en zelfs over fusie. Dat laatste kwam niet
van de grond, mede doordat de instituten op verschillende
godsdienstige grondslag gebaseerd
waren.
Het vormingswerk veranderde in de loop der
tijd van karakter door de invoering van de partiële
leerplicht en door het idee dat de vormingscentra
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
minder geïsoleerd moesten optreden; enerzijds
zochten de vormingscentra toenadering tot het
club- en buurthuiswerk en anderzijds tot het
beroepsbegeleidend onderwijs. Kortom, toen De
Vijfhoek naar de Willemskade verhuisde, was het
vormingswerk volop in beweging.
Vrij snel na de verhuizing kreeg De Vijfhoek te
maken met een nieuw project, Project Randgroepen
genaamd. Later stond dit project bekend als
Sjorz, Stichting Jongeren onderste laag regio
Zwolle.
Het toenmalige ministerie van WVC had voor
verschillende gemeenten, waaronder Zwolle, subsidie
beschikbaar gesteld voor werk onder randgroepjongeren.
Met behulp van dat geld kon de
gemeente Zwolle vanaf mei 1986 een samenwerkingsproject
opzetten, waarbij De Vijfhoek, Stichting
Stad en Welzijn en verschillende hulpverleningsinstellingen
betrokken waren. Doel van dit
project was het verminderen van de achterstand
op allerlei gebieden in bepaalde wijken. In dat
kader werden activiteiten opgezet om scholing,
arbeid, gezondheid en recreatie te bevorderen en
om criminaliteit, alcoholproblemen en schulden
te verminderen. De gemeente zorgde voor de
coördinatie van alle activiteiten en De Vijfhoek
hield zich bezig met het scholingsgedeelte.
In de loop van 1988 vond een reorganisatie
plaats. Er kwam een aparte stichting, Sjorz
genaamd. Kort daarna vormden Sjorz en De Vijfhoek
één gezamenlijk bestuur. In 1988 verhuisde
het project vanuit het gemeentehuis naar de Willemskade,
waar een barak in de tuin geplaatst
werd om de extra werknemers te kunnen huisvesten.
1
Toen het project in 1991 beëindigd werd, en
toen bovendien de basiseducatie – een van de
werkvelden van het vormingscentrum – overging
naar het IJsselcollege, kwam er ruimte in het
gebouw vrij. Zoveel zelfs, dat een gedeelte verhuurd
werd.
In augustus 1994 fuseerde De Vijfhoek met De
Landstede uit Raalte, tot Onderwijsgroep De
Landstede. Het vormingswerk werd daardoor een
afdeling van De Landstede, naast het MDGO,
MEAO, MAO, BBO Kappersopleidingen en Haarstylistencollege.
In 1985, toen het gebouw verkocht
was aan de RABO, verhuisde het vormingswerk
naar de Assendorperdijk, waar ook andere onderdelen
van De Landstede zijn gevestigd.
In het jaar daarna werd het oude pand aan de
Willemskade afgebroken.
Harm Smeengekade
met de huizen van de
families Vos de Wael en
Van Diggelen circa
1885.
Noten
1.
2.
3-
4-
5-
GAZ. Notulen gemeenteraad 29 oktober 1877.
Notulen gemeenteraad d.d. 7 december 1903.
Brief van het college van B&W d.d. 3 juni 1904.
Zwolsche Courant d.d. 14 mei 1907.
Dit gedeelte is gedeeltelijk gebaseerd op een gesprek
met Aukje Thomas en Janny van de Weide op 20
mei 1996. Beide werkten bij De Vijfhoek toen het
vormingscentrum aan de Willemskade gevestigd
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Overpeinzingen bij een bouwput’
Wil Cornelissen
Vader Wouter Cornelissen.
Een grote bouwput… Eigenlijk zijn ze al veel
verder dan een put. Er komt een nieuw
gebouw. Een bank.
Ik heb het, luisteraars, over de Willemskade; daar,
waar tot voor kort het vormingscentrum De Vijfhoek
was gevestigd.
Ik denk bij die plaats echter altijd aan het kantoor
van de Raad van Arbeid, gevestigd op het
adres Willemskade 1. Dat adres heb ik nog even
gecontroleerd in het adresboek van Zwolle uit
1922. Mijn vader staat ook al in dat adresboek.
Achter zijn naam staat keurig zijn beroep: Ambtenaar
Raad van Arbeid. Hij woonde toen op de
Thorbeckegracht op nummer 61a. Daar was hij op
kamers.
1922. Dat was twee jaar voordat mijn ouders
gingen trouwen. Mijn moeder werkte op hetzelfde
kantoor als mijn vader en ze hebben elkaar daar
leren kennen.
Ontelbare malen ben ik – veel later – in dat
gebouw geweest. Als zoon van meneer Cornelissen
mocht ik zo maar naar binnen. De portier
kende me en ik liep door naar mijn vaders kamer.
Daar werkten ook de heren Rudelsheim en Mulder,
Keuter, Veldhuis, Noordhof en mejuffrouw
Zegeling. Haar broer, Asje Zegeling, werkte er
ook. Meneer Boelkens was de voorzitter en die zat
op zijn kamer; vèr verheven boven de rest van het
personeel. Ik geloof dat ik hem maar één keer heb
gezien.
Eén van de jongste ambtenaren was meneer
Poppe. Mijn moeder sprak altijd nog over Japie
Poppe. Dat kwam omdat deze goede man, die
eigenlijk lacob heette, er ooit als vijftienjarige
jongste bediende, gekleed in de korte broek, aan
het werk was gezet. In de familieslagerij in de Diezerstraat
was voor hem geen plaats meer. Mijn
vader en moeder bleven hem altijd, ook veel later
nog, zien als jongste bediende; ook toen Poppe de
vijftig al lang was gepasseerd en ook al lang was
opgeklommen tot een gewaardeerde kracht op dat
kantoor. Meer dan veertig jaar bracht hij door op
één en dezelfde werkplek. Denk daar maar eens
goed over na. Meneer Poppe is vorig jaar (1995) op
hoge leeftijd overleden. Hij was toen 92 jaar.
Met hem kon ik nog over mijn moeder, en
vooral ook over mijn vader praten. Hij was een
van de laatsten met wie dat kon.
Raad van Arbeid. Ach ja… Mijn vader heeft er bijna
dertig jaar gewerkt als hardwerkend, eerzaam
ambtenaar. Hij werkte zeer consciëntieus op de
afdeling rentezegels. Het had iets met de ziektewet
te maken. Ik herinner mij nog levendig de stapels
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
rentekaarten die hij meenam naar huis om er
’s avonds laat nog aan te werken. Overwerk meenemen
naar huis. Blij zijn dat je een baan had.
Overwerk voor kantoor. Onbetaald natuurlijk.
Bijna dertig jaar werkte mijn vader daar dus.
Soms kwam ik hem van kantoor ophalen. Het was
altijd leuk om samen met je vader naar huis te fietsen.
Maar één keer haalde Helen hem op.
Helen was een Amerikaans nichtje dat in Holland
logeerde. Het was in 1938 of 1939. Helen
logeerde een poosje bij ons aan de Vondelkade.
Bloedmooi was ze; uitdagend en een jaar of zeventien.
Ze had roodgeverfde lippen! En dat in Zwolle,
in die jaren! Ik heb nog een foto van haar uit die
tijd. Daarop draagt ze een leren jasje en ze heeft
een baret schuin op ’t hoofd.
Deze Helen haalde dus eens haar oom Wouter,
mijn vader, van kantoor. Ze stond met haar fiets
voor het gebouw op de Willemskade te wachten
tot de werktijd geëindigd was.
De ambtenaren keken door het raam en zagen
haar. Ze konden hun ogen niet van haar afhouden.
Zou ze op één van de collega’s wachten? De
fluistertoon werd sterker en sterker. Alle jonge
kantoorklerken werden er op aangekeken. Niemand
dacht aan de wat oudere, kale, bedachtzame
en zéér serieuze meneer Cornelissen…
Om half zes ging het kantoor uit. Iedereen
bleef dralen, benieuwd wie de uitverkorene zou
zijn. Niemand kon z’n ogen geloven toen Helen,
die mooie fantastische, schitterende Amerikaanse
Helen, mijn vader om de hals vloog, hem kuste en
toen met hem w£gfietste…
Nog dagen daarna gonsde het op de Raad van
Arbeid van de geruchten. Mijn vader bleef daar
stoïcijns onder. Die was druk aan het werk met
zijn rentekaarten en rentezegels van de ziektewet.
Vijftien jaar geleden heb ik Helen in Amerika
bezocht. Ze wist nog dat ze in Zwolle had gelogeerd,
maar van de opwinding die ze op de Zwolse
Willemskade, in het gebouw van de Raad van
Arbeid had veroorzaakt, kon ze zich begrijpelijkerwijs
niets herinneren. Maar ik zag wel dat ze
veertig jaar later nog steeds een mooie vrouw was
en ik kon me de opwinding van de collega’s van
mijn vader goed voorstellen.
De Amerikaanse Helen
Cornelissen.
De Raad van Arbeid op de Willemskade.
Alleen in mijn herinnering staat dat gebouw er
nog. Als ik mijn ogen open doe is het verdwenen.
Net zoals meneer Poppe, meneer Rudelsheim,
meneer Veldhuis, juffrouw Zegeling, voorzitter
Boelkens en de mooie wachtende Helen…
Deze column is op 7 september 1996 uitgesproken
voor radio Zwolle.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Rabobank Zwolle: van bank voor
boeren en tuinders tot algemene bank
Ton dé Graaf
Rabobank Zwolle, Willemskade;
1997 (foto
Rabobank Zwolle).
De verhuizing in augustus 1997 van het
hoofdkantoor van de Rabobank Zwolle is
de aanleiding voor deze bijdrage over de
geschiedenis van de Rabobank Zwolle. Het artikel
wil een eerste aanzet geven voor een geschiedenis
van deze instelling. Het pretendeert geen volledigheid.
De oudste Zwolse banken
Tegenwoordig is het bankenlandschap in Nederland
tamelijk uniform. De grote, landelijk opererende
banken – ABN AMRO, ING en Rabobank –
vind je tegenwoordig in iedere plaats van enige
omvang. Daarnaast zijn in veel plaatsen de opvolgers
van de vroegere Bondsspaarbanken actief; in
West- en Zuidwest-Nederland onder de naam
VSB-Bank en in Noord-, Oost-, Midden- en Zuidoost-
Nederland onder de naam SNS Bank. De
Generale Bank, F. van Lanschot Bankiers en de
regionaal werkende Friesland Bank besluiten deze
reeks. Alle andere in Nederland werkzame banken
zijn of op één bepaald bancair product gericht of
zijn alleen werkzaam voor één bepaalde doelgroep.
Aan het begin van deze eeuw was dit wel
anders. Landelijke banken bestonden niet en iedere
plaats had zijn eigen bankiers en kassiers waar je
voor financiële transacties terecht kon. Een ander
groot verschil met de huidige banken is dat de
instellingen veel hoogdrempeliger waren. BedrijZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ven en welgestelden vormden de exclusieve klantenkring
van de kassiers en bankiers.
In Zwolle was dit niet anders dan in de rest van
het land; toentertijd waren hier vijf grote kassiersbedrijven
actief. In volgorde van oprichting waren
dit de firma A. van Deventer & Zn. (1824) aan de
Sassenstraat 37, Doijer & Kalff (1825) aan de Kamperstraat
18, Van Esch & Co (1845) aan de Melkmarkt
43, Van der Vegte & Van Reede (1864) aan
het Rode Torenplein 11 en Buisman Gratama &
Co (1870) aan het Bethlehemse Kerkplein 48. Deze
vijf bedrijven – ‘de grote vijf – beheersten het
Zwolse bancaire leven. De in deze tijd ook actieve
Spaarbank van het Departement Zwolle der Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen (1818), later
onder de naam Nutsspaarbank werkzaam en
tegenwoordig actief als SNS-Bank, richtte zich
alleen op de kleine spaarders.
Daarnaast verschenen in het eerste kwart van
deze eeuw nog enige nieuwkomers op het toneel.
Zij waren werkzaam voor één specifieke doelgroep
of probeerden binnen te dringen in het bolwerk
van ‘de grote vijf. Tot deze nieuwkomers hoorden,
ook weer naar chronologie van oprichting:
Frowijn & Thiebout (1902), bankier en commissionair
in effecten aan de Luttekestraat 19, de
Spaar- en Voorschotbank ‘Boaz’ voor Zwolle en
Omstreken (1910) aan de Walstraat 6, G. Veenstra
(1911), commissionair in effecten aan de Walstraat
6 en de Zwolsche Middenstands-Credietbank
(1915) aan de Kamperstraat 14, later Melkmarkt
26-28. Van de landelijke banken die na 1911 bezig
waren zich in de provincie met bijkantoren te vestigen,
kunnen worden genoemd: de Bank-Associatie
Wertheim & Gompertz 1834-Credietvereeniging
1853 aan de Nieuwe Haven 7, de Geldersche
Credietvereeniging (1917) aan de Melkmarkt 1-5
en de Nationale Bankvereeniging (1924) aan de
Thorbeckegracht 59.’
De grote vijf kassiersbedrijven Van Deventer &
Zn., Doijer & Kalff, Van Esch & Co, Van der Vegte
& Van Reede en Buisman Gratama & Co verdwenen
alle in de jaren 1918-1925. Van Deventer & Zn.,
Van Esch & Co en Van der Vegte & Van Reede
gingen alle drie in de jaren 1923-1925 in liquidatie,
veroorzaakt door te grote kredietverlening. De firma
Doijer & Kalff was in 1918 met grote inbreng
van de Amsterdamsche Bank omgezet in een
naamloze vennootschap onder de naam Bank van
Doijer & Kalff. In 1950 verdween deze bank van
het toneel; in het bankgebouw aan de Burgemeester
Van Roijensingel opende de Amsterdamsche
Bank een bijkantoor. Het bedrijf van Buisman
Gratama & Co werd in deze crisisjaren gereorganiseerd,
maar kon het ondanks de steun van De
Twentsche Bank en De Nederlandsche Bank niet
bolwerken. De bank ging begin 1925 in liquidatie
waarbij het gezonde deel van het bedrijf werd
voortgezet als bijkantoor van De Twentsche
Bank.2
Een bijzondere positie werd in Zwolle ingenomen
door het agentschap van De Nederlandsche
Bank aan de Koestraat 24. Dit agentschap werd in
november 1864 geopend en speelde een essentiële
rol bij de kredietverlening, door de disconteringsmogelijkheid
die werd geboden voor de plaatselijke
kassiers. In januari 1986 werden de agentschappen
Zwolle en Meppel samengevoegd en verplaatst
naar Hoogeveen.
De banken die hier tot nu toe niet genoemdzijn,
vormen het eigenlijke onderwerp van dit artikel.
Dat zijn de twee voorgangers van de Rabobank,
de Coöperatieve Boerenleenbank ‘Zwolle’
uit 1908 en haar evenknie de Coöperatieve Boerenleenbank
Raiffeisenbank ‘Zwolle en Omstreken’,
opgericht in 1922.
Om duidelijk te maken wat bijzonder is aan de
structuur van de boerenleenbanken moet hier
eerst iets over de voorgeschiedenis en de oprichting
van dit type bank in Nederland worden verteld.
3
De Boerenleenbanken en Raiffeisenbanken
in Nederland
Vanaf het midden van de jaren zestig van de vorige
eeuw ontstonden op het platteland in Duitsland
de eerste landbouwkredietbanken op coöperatieve
basis.4 Zij waren opgericht om te kunnen
voorzien in de financieringsbehoefte van de aangesloten
participanten, in eerste instantie alleen
boeren en tuinders. Evenals de detailhandel
ondervond ook de boerenstand problemen bij het
verkrijgen van kredieten bij de plaatselijke kassiers.
Om dit probleem op te lossen en om in de
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Friedrich Wilhelm
Raiffeisen (1818-1888);
(foto: Jubileumboek
Boerenleenbank 1948).
eigen financieringsbehoefte te kunnen voorzien,
werd in 1864 in Heddesdorf, in de Duitse Rijnprovincie,
door F.W. Raiffeisen een eigen bank voor
de boeren opgericht. De belangrijkste Raiffeisenbeginselen,
en ook de grootste verschillen met de
andere banken waren:
de lokale banken strekken hun werkzaamheden
slechts over een beperkt (geografisch)
gebied uit;
de bestuurders, die uit de plaatselijke sfeer
komen, genieten in beginsel geen honorering;
de winst wordt niet uitgedeeld, doch aan de
reserve van de bank toegevoegd;
de leden van de plaatselijke kredietcoöperatie
zijn onbeperkt aansprakelijk voor een eventueel
liquidatietekort;
de plaatselijke bank is verantwoordelijk voor
het eigen beheer, doch tevens aangesloten bij
een centrale bank.5
Na korte tijd waren in Duitsland reeds verschillende
banken volgens het Raiffeisen-systeem
opgericht. Oorspronkelijk waren zij uitdrukkelijk
alleen voor boeren en tuinders bedoeld. Zij trokken
gelden aan in de vorm van spaargelden en
deposito’s, en verstrekten aan hun leden kredietmogelijkheden
in diverse vormen, afhankelijk van
de kredietbehoefte.
Voor het boerenbedrijf werden en worden
gewoonlijk drie kredietvormen onderscheiden.
Allereerst het vlottend bedrijfskrediet: dit was
bedoeld voor uitgaven tijdens de productiecyclus,
met een duur van 6 tot 12 maanden. Hiervoor kon
een rekening-courantkrediet worden geopend. De
tweede kredietvorm was vast bedrijfskrediet ten
behoeve van duurzame investeringen met een
duur van 1 tot 3 jaar; in deze kredietbehoefte kon
worden voorzien door voorschotten. De derde
vorm was het grondkrediet voor de aanschaf van
onroerend goed met een looptijd van 10 jaar en
langer; deze kredietbehoefte kon worden gedekt
door de hypothecaire lening.6
De behoefte aan landbouwkredietbanken was
in Nederland niet minder groot dan in Duitsland.
De noodzaak in Nederland werd nog extra
gevoeld door de crisis in de landbouw in de jaren
tachtig van de vorige eeuw. Pas in mei 1896 werd
door de burgemeester van Lonneker, E. Jacobs –
de broer van Aletta, voorvechtster van de vrouwenemancipatie
– de eerste onder deze naam
werkzame landbouwersbank opgericht.7 Spoedig
daarna werden her en der in Nederland soortgelijke
coöperatieve banken opgericht.
Ter versterking van hun structuur bundelden
de plaatselijke banken zich, evenals in Duitsland,
in coöperatieve centrales. Zo werd de Coöperatieve
Centrale Raiffeisenbank te Utrecht in juni 1898
opgericht. Deze omvatte voor het grootste deel de
boerenleenbanken in Nederland die op een algemene
leest waren geschoeid. De andere centrale,
de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank in
Eindhoven werd in december 1898 opgericht. Bij
deze centrale waren de meeste katholieke banken
uit het gehele land aangesloten.8 Beide centrales
namen de overtollige gelden van de aangesloten
banken over om deze rendabel te maken. Verder
voorzagen zij in de extra kredietbehoefte van de
banken. Tegenwoordig verrichten zij ook een
groot deel van het administratieve werk ten
behoeve van het betalingsverkeer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Een jeugdige Norbert
Schmelzer overhandigt
in Zwolle waarschijnlijk
het zoveelduizendste
spaarbankboekje van de
Boerenleenbank, circa
1960 (foto: W.J.G.
Koerhuis).
In de loop der tijd werd de beperking tot uitsluitend
kredietverlening aan boeren opgeheven,
terwijl de banken zich ook in stedelijke gebieden
gingen vestigen. Vanaf de jaren vijftig trad ook
hier de branchevervaging op en gingen de boerenleenbanken
zich bewegen op het terrein van de
financiering van niet agrarische instellingen.
Anderzijds gingen spaarbanken algemene bankdiensten
aanbieden en institutionele beleggers lieten
zich in met middellange kredietverlening aan
het bedrijfsleven. Ook de concentratie van zeer
veel bedrijven in de meest uiteenlopende bedrijfstakken,
zowel in binnen- als buitenland, dwong
het bankwezen tot een optimale bedrijfsomvang.
Dit resulteerde in de grote bankfusies van 1964: de
Amsterdamsche Bank en Rotterdamsche Bank
fuseerden tot Amsterdam-Rotterdam Bank en de
Nederlandsche Handel-Maatschappij en De
Twentsche Bank fuseerden tot Algemene Bank
Nederland. Deze branchevervaging en schaalvergroting
van de financiële operaties, beide bancaire
fusies en de toenemende ontzuiling van de maatschappij
maakten het noodzakelijk dat beide Centrale
Banken in december 1972 fuseerden. Dit
resulteerde tot de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-
Boerenleenbank G.A., later afgekort tot Rabobank
Nederland te Utrecht. Na deze bundeling
van beide centrales was meteen de grootste bank
van Nederland ontstaan.
De belangrijkste taak van Rabobank Nederland
is tegenwoordig, naast een uniforme reclame
en advisering aangaande de te hanteren tarieven,
de controle op de individuele banken in het kader
van de Wet Toezicht Kredietwezen. De plaatselijke
banken hebben echter nog steeds een zeer grote
mate van autonomie.9
De Boerenleenbank en Raiffeisenbank te Zwolle
Eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw
werden in Nederland aan de lopende band boerenleenbanken
volgens het Raiffeisenprincipe
opgericht. In de omgeving van Zwolle was in IJsselmuiden
in 1906 een eigen boerenleenbank
opgericht en het mogelijke succes van deze bank
zal de boeren en tuinders van Zwolle tot oprichting
van hun bank hebben aangezet.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een van de oprichters
van de Zwolse Boerenleenbank,
Hendrik
Zuidberg (1869-1941) en
Beredina Willemina
Jemenschot (met muts)
(1865-1952), te midden
van hun kinderen achter
hun boerderij Willemsvaart
19 in circa
1908 (foto H. Zuidberg).
De initiatiefnemers en oprichters van de Boerenleenbank
in Zwolle waren B. Zuidberg, G.H.
Alferink, H. Zuidberg, J. Dijsselhof, K. Bomhof en
D. Timmerman. Zij waren allen boer of tuinder en
in de gemeente Zwolle woonachtig.’° De bank was
actief in de gemeente Zwolle en in de gemeente
Zwollerkerspel gelegen buurtschappen Spoolde
en Frankhuis. De officiële oprichting van de ‘Boerenleenbank’
te Zwolle vond plaats op 16 februari
1908. Het bestuur maakte gebruik van de conceptstatuten
van de Centrale Bank te Eindhoven. Het
zal dus zeer waarschijnlijk een initiatief van
rooms-katholieke zijde zijn geweest.
De standaardstatuten van Eindhoven werden
echter wel op een aantal punten aan de plaatselijke
omstandigheden aangepast. Het sub-artikel dat
het lidmaatschap van de Boerenbond verplicht
stelde, werd in Zwolle gewijzigd in het lidmaatschap
van de coöperatieve vereniging ‘De Tuinbouw’
te Zwolle. Ook het sub-artikel dat in de
Raad van Toezicht zo mogelijk een geestelijke zou
worden benoemd, werd doorgestreept.
Blijkbaar had men hier geen behoefte aan of
wilde men de mogelijkheid openhouden ook
andersdenkenden als leden aan te kunnen trekken.
Het bestuur, het belangrijkste lichaam van de
bank, bestond uit vijf leden onder voorzitterschap
van een directeur. Het bestuur had, naast de kassier,
de feitelijke leiding over de bank; zij keurden
kredietaanvragen goed of af. De eerste directeur B.
Zuidberg bleef tot aan zijn overlijden in februari
1927 op zijn post. De eerste kassier G.H. Alferink
vervulde zijn functie tot 1912 en werd daarna
opgevolgd door H.J. Brinkhof die in 1921 werd
opgevolgd door G.J. Riesebeek; deze laatste was
nog actief in 1959. Daarnaast werd een uit vijf
leden bestaande Raad van Toezicht benoemd die
op afstand en achteraf het doen en laten van het
bestuur moest beoordelen.
Op de eerste vergadering, op 13 mei 1908, werden
63 leden ingeschreven. Een aantal hiervan vertrok
in 1911 als landverhuizer naar Amerika. Niet
alleen individuele boeren en tuinders konden lid
worden. De coöperatieve Tuinbouwers-vereeniging
‘De Tuinbouw’ trad reeds op de eerste ledenvergadering
toe als lid, in september 1916 gevolgd
door de coöperatieve melkinrichting ‘De Eendracht’
te Zwolle. Het volgende collectieve lid was
‘Het districtsdepot Zwolle en omstreken van de
Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond’ dat in
juli 1920 toetrad tot de Boerenleenbank. Aanvankelijk
had deze instelling zich willen aansluiten bij
de Boerenleenbank te Schelle maar hier werd op
teruggekomen omdat de kassier niet alle dagen de
gehele dag beschikbaar zou zijn. Er werd meteen
een aanvraag ingediend voor een rekening-courantkrediet
van ƒ 50.000,-. Kort daarna werd de
Boerenleenbank Schelle waarschijnlijk door de
Boerenleenbank Zwolle overgenomen.
Wat de oorzaak van de oprichting van de Coöperatieve
Boerenleenbank-Raiffeisenbank ‘Zwolle
en Omstreken’ op 20 februari 1922 is geweest, is
niet geheel duidelijk.” Deze bank sloot zich aan
bij de Centrale Bank in Utrecht. Een mogelijke
oorzaak van deze afsplitsing of scheuring in Zwolle
kan zijn dat de Centrale Bank te Eindhoven een
groot rekening-courant krediet voor een (nieuw)
lid niet wilde toestaan. De lokale banken waren
verplicht om voor kredieten boven een bepaalde
omvang toestemming van de Centrale Bank te
vragen. Toen bleek dat de Centrale Bank in
Utrecht geen probleem met dit krediet zou hebben,
werd besloten om een nieuwe bank in Zwolle
op te richten. Deze werd vervolgens lid van de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Centrale Bank te Utrecht. Waarschijnlijk hebben
ook andere oorzaken bij deze scheuring een rol
gespeeld.
Of de oprichting van de Coöperatieve Landbouwbank
en Handelsvereeniging ‘Zwollerkerspel’
te Zwolle, opgericht vóór 1917, ook aan een
geweigerd krediet is toe te schrijven of de mogelijke
beperking van de Boerenleenbank tot het
gebied van de gemeente Zwolle en dus niet Zwollerkerspel,
is niet duidelijk. De naam van de bank
laat zien dat men zich niet beperkte tot financiële
activiteiten. Het was tevens een coöperatieve aanen
verkoopvereniging voor de aangesloten leden.
De Landbouwersbank was aanvankelijk gevestigd
aan de Holtenbroekerdijk 14 en later aan de Schuttevaerkade
1. Circa 1980 werd de bank overgenomen
door de Raiffeisenbank.
In de beginperiode van beide banken beschikte
men niet over een eigen bankgebouw. In de
woning van de kassier was een aparte ruimte
geschikt gemaakt; hier konden de spaarders en
kredietvragers een paar avonden in de week
terecht. Ook het bestuur van de bank vergaderde
bij de kassier thuis; hiervoor ontving hij een
bepaalde vergoeding in verband met stookkosten
en dergelijke. In de notulen uit de beginjaren van
de Boerenleenbank is te lezen dat de kassier verzocht
werd bij een volgende vergadering de kachel
hoger te stoken omdat de bestuursleden bij de
laatste vergadering ijselijke kou hadden geleden.
In deze vergaderingen werd breedvoerig over kredietaanvragen
gedelibereerd. De bestuursleden
woonden in Zwolle – één van de kenmerken van
de boerenleenbanken – en zij waren zodoende in
staat om iemands persoonlijke situatie goed te
toetsen. Dat de vergaderingen hierdoor soms uren
duurden, zal geen verbazing wekken. Om voldoende
bestuursleden voor de wekelijkse vergadering
te trekken, werd een presentiegeld van ƒ 1,-
per bestuurslid uitgekeerd. In deze jaren was iedere
kredietverkrijger verplicht om lid van de plaatselijke
bank te worden. De leden droegen namelijk
gezamenlijk het risico van verliezen. Hierdoor had
de Boerenleenbank Zwolle op een bepaald
moment ruim 3000 leden. De relatie tussen beide
banken in Zwolle, de Boerenleenbank en de
Raiffeisenbank, was in deze tijd noch goed, noch
slecht; want deze bestond in het geheel niet. Iedere
bank had zijn eigen doelgroep en daar was men
tevreden mee. De verzuilde maatschappij in deze
jaren van het Interbellum zal tot het totaal ontbreken
van contacten het nodige hebben bijgedragen.
Contacten waren er wel met banken van dezelfde
organisatie. Vanaf de oprichting bestond de jaarlijkse
algemene vergadering waar de leden zich
konden laten horen en met elkaar in contact konden
komen. In 1921 voerde de Centrale Raiffeisenbank
de ‘ringen’ in, een soort afdelingen waarin de
banken van een bepaalde streek waren verenigd.’2
De naoorlogse geldsanering bracht voor de
lokale banken een grote toename van de werkzaamheden
met zich mee. Een consequentie was
dat de kassiersfunctie die voorheen naast een
ander hoofdberoep werd uitgeoefend, in een fulltime
functie werd omgezet. Als de activiteiten
groot genoeg waren, dan werden de banken in
eigen bankgebouwen ondergebracht. De diverse
regelingen die via het Ministerie van Landbouw
werden uitgevaardigd of gegarandeerd – zoals bijvoorbeeld
het borgstellingskrediet voor de landbouw
– liepen bijna allemaal via de boerenleenbanken
en hebben zo ook tot de groei van de bank
bijgedragen. Door deze verbreding van het takenpakket
evolueerden de boerenleenbanken tot volwaardige
algemene banken. In 1959 werden de
landbouwkredietbanken voor het eerst opgenomen
in het jaarlijkse Financieel Adresboek; een
blijk dat de emancipatie was geslaagd.
De weg naar één Zwolse Rabobank
Vanaf het midden van de jaren zestig van deze
eeuw ontstond er, zoals reeds vermeld, in het
bankwezen een toenemende branchevervaging.
De Centrale Banken van het landbouwkredietwezen
moesten wel volgen. Inmiddels was men
nader tot elkaar gekomen, deels door de ontzuiling
in Nederland. Na de fusie van de Centrale
Banken Eindhoven en Utrecht in december 1972
tot de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank
te Utrecht, later afgekort tot Rabobank
Nederland, volgde ook op lokaal en regionaal
niveau een golf van fusies en samenbundelingen
van Boerenleen- en Raiffeisenbanken. Vanaf 1965
vond ook de uitbreiding van het kantorennet van
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boerenleenbank,
Eekwal 16-1; circa 1970
(foto: W.J.G. Koerhuis).
de lokale banken plaats, door het openen van bijkantoren
in de buitenwijken. Dit werd noodzakelijk
geacht door de opkomst van het retailbanking;
allerlei bancaire diensten zoals lenen, sparen,
hypotheken en reizen werden aan een breed
publiek aangeboden. Ook de toenemende rol van
de bankrekening en het girale betalingsverkeer
dwongen de banken dichter bij de klanten te gaan
zitten. De Boerenleenbank had in deze tijd naast
haar hoofdvestiging aan de Eekwal – vanaf 1971 aan
de Melkmarkt – kantoren geopend aan de Assendorperstraat,
Campherbeeklaan, Gouwe, Nieuwe
Deventerwég, Petuniaplein en Thomas a Kempisstraat.
De Raiffeisenbank opende in deze jaren
naast haar hoofdvestiging aan de Emmawijk, kantoren
aan de Assendorperstraat, Brederodestraat,
Campherbeeklaan, Diezerpoortenplas, Nieuwe
Deventerwég, Obrechtstraat en het Petuniaplein.
Daarnaast hield men in bejaardenhuizen en wijkcentra
wekelijkse zitdagen. In deze tijd was het
nog mogelijk dat de kassier op zijn fiets en een
flinke tas geld de zitdagen langs ging.
De fusiegolf tussen plaatselijke banken die na
de fusie van de Centrale Banken op gang kwam,
bleef in Zwolle uit. In 1967 waren beide Raden van
Bestuur van de Zwolse banken het eens om te
fuseren en zich vervolgens bij de Centrale Bank te
Utrecht aan te sluiten, maar dit leverde een veto
van de Centrale Bank te Eindhoven op. Bij een
fusie zou deze bank onmiddellijk een nieuwe bank
in Zwolle oprichten. Dit zware geschut was voldoende
om de fusie af te blazen. Op dat moment
was de Zwolse Raiffeisenbank anderhalf keer zo
groot als de beoogde fusiepartner.
In de jaren na 1972 fuseerden in de omgeving
van Zwolle wel diverse andere plaatselijke Rabobanken;
de Boerenleenbank-Raiffeisenbank ‘De
Noord-Oostpolder’ en Boerenleenbank Emmeloord
gingen in 1974 samen op in de Rabobank ‘De
Noordoost-polder’. In 1975 fuseerden de banken
van Kampen en Wilsum tot Rabobank IJsselmond.
In Zwolle waren echter te hoge drempels om
snel tot een fusie te kunnen besluiten. Er vond wel
overleg plaats, maar bij de Raiffeisenbank bestonden
toch zwaarwegende motieven om niet tot een
fusie over te gaan. Ook bemoeienis van de Rabobank
Nederland te Utrecht kon hierin geen verandering
brengen. De Boerenleenbank had haar
naam in de jaren zeventig al gewijzigd in Rabobank.
De Raiffeisenbank bleef wel trouw aan haar
oude naam. Dat dit voor het publiek verwarrend
was, zal duidelijk zijn. Ook de vestigingen van beide
banken aan dezelfde straat maakten dit er niet
duidelijker op. Beide banken waren namelijk met
een kantoor gevestigd aan de Assendorperstraat,
de Campherbeeklaan (Berkum), de Nieuwe
Deventerwég (Ittersum), het Petuniaplein (Westenholte),
de Rijnlaan en het Sweelinckplein/
Obrechtstraat. Ook betekende deze vorm van
concurrentie een beduidende extra kostenpost
voor beide banken in de vorm van overlappingen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
in het kantorennet, kosten voor automatisering en
organisatie. Positief voor de organisatie was wel
dat de cliëntenmarkt door beide banken op een
concurrerende manier werd benaderd, waarbij de
banken probeerden met zo gunstig mogelijke condities
relaties binnen te halen. Dat dit mede in het
belang van de klant was, zal ook duidelijk zijn.
Tevens waren de banken door deze assertieve
benaderingswijze in staat om een groter deel van
de Zwolse bancaire markt te veroveren of te
behouden.
In 1991 was de tijd blijkbaar rijp voor een nieuwe
fusiepoging; dit resulteerde in een fusie van
beide banken tot de Coöperatieve Rabobank
‘Zwolle e.o.’ per 1 januari 1992. Op het moment
van de fusie was de Boerenleenbank iets groter
dan de Raiffeisenbank. De samenvoeging van beide
banken had zo lang geduurd dat het waarschijnlijk
een van de laatste fusies op lokaal niveau
is geweest. Na de fusie werd de noodzakelijke
reorganisatie voortvarend aangepakt: kantoren
die op geringe afstand van elkaar lagen, werden
gesloten en dubbelfuncties in de organisaties bij
de hoofdvestigingen konden verdwijnen. Vanaf
1972 hadden beide banken, naar richtlijnen van
Rabobank Nederland, reeds het grote aantal leden
teruggebracht. De grootte van de kredietportefeuille
werd bepalend voor het lidmaatschap, de
medezeggenschap en de medeaansprakelijkheid
voor mogelijke verliezen. Dit laatste was echter in
deze tijd alleen nog maar theorie; de winst die de
bank behaalde werd niet aan de leden uitgekeerd
maar in de reserve gestopt. Bij mogelijke verliezen
werd dus eerst de reserve aangesproken en pas dan
werd een beroep op de leden gedaan.
Op dit moment behoort de Rabobank Zwolle
bij de grootste tien stedelijke Rabobanken van
Nederland. Door de groei van de organisatie voldoet
de huidige hoofdvestiging aan de Melkmarkt
niet meer. Om de klant in Zwolle beter te kunnen
bedienen – één op de twee Zwollenaren is een relatie
van de bank – is in augustus 1997 een groter,
beter geoutilleerd en beter bereikbaar hoofdkantoor
aan de Willemskade betrokken.
Boerenleenbank, Melkmarkt
15;] 972.
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Raiffeisenbank, Emmawijk
11-12; 1974.
Noten
1. Het bedrijf van Frowijn & Thiebout werd in 1930
door de Bank van Doijer & Kalff overgenomen; de
Spaar- en Voorschotbank ‘Boaz’ ging in 1931 onder
de naam ‘Zwolsche en Overijsselsche Bank’, na malversaties
van de directeur, in liquidatie. Het bedrijf
van Veenstra was in 1971 nog actief; de Zwolsche
Middenstands-Credietbank werd via de Nederlandsche
Middenstandsbank de huidige ING Bank;
de Bank-Associatie Wertheim & Gompertz 1834-
Crediet-vereeniging 1853 was via de Incasso-Bank,
Amsterdamsche Bank en Amro Bank een voorganZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
ger van ABN AMRO. De Geldersche Crediet-vereeniging
ging via de Nederlandsche Handel-Maatschappij
en ABN Bank over in ABN AMRO en de
Nationale Bankvereeniging doorliep het pad van
overnames en naamswijzigingen via de Rotterdamsche
Bank-vereeniging, Amro Bank tot ABN
AMRO.
2. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de
ondergang van de Zwolse kassiers in de crisisjaren
1923-1925 zie: T. de Graaf, ‘Geldhandel en bankieren
in Noordwest-Overijssel in de negentiende en twintigste
eeuw’, in: Overijsselse Historische Bijdragen 110
(1995) 117-152; in het bijzonder 142-149.
3. Waar in dit artikel in algemene vorm over boerenleenbanken
wordt gesproken, wordt in alle gevallen
mede de raiffeisenbanken beoogd.
4. Deze inleiding is gebaseerd op De Graaf, ‘Geldhandel
en bankieren in Noordwest-Overijssel, 124-125.
5. F. de Roos en D.C. Renooij, De Algemene banken in
Nederland (Leiden/Antwerpen 1980; 8e, geheel herziene
druk), 20.
6. J.P.B. Jonker, “Welbegrepen eigenbelang; ontstaan
en werkwijze van boerenleenbanken in Noord-Brabant,
1900-1920”, in: Jaarboek voor de geschiedenis
van Bedrijf en Techniek $ (1988) 188-208; aldaar 188.
7. Vreemd genoeg was deze oudste boerenleenbank
van Nederland tot 1952 niet aangesloten bij een centrale
bank. Zie G. Dijkstra en G. Kuitert, De Nijvere
Stad 100 jaar bedrijvigheid in Enschede (Z.p.z.j.);
uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum
van de Coöperatieve Rabobank Enschede BA
op 21 mei 1996; n.
8. Voor het ontstaan van twee Centrale Banken, in
Utrecht en Eindhoven, zie: Joh. de Vries, De Coöperatieve
Raiffeisen- en Boerenleenbanken in Nederland
1948-1973 : van exponent naar component (z.p.1973),
12-13. I’1 de optiek van De Vries is in de herdenkingsboeken
uit 1948 van beide centrale banken teveel
de nadruk gelegd dat het verschil in organisatievorm
de oorzaak is voor het ontstaan van twee
centrale banken. Bij de Centrale Bank in Utrecht
waren lokale banken aangesloten die waren opgericht
overeenkomstig de wet van 1876 op de coöperatieve
verenigingen. De Centrale Bank in Eindhoven
verenigde plaatselijke banken die opgericht waren
als koninklijk goedgekeurde verenigingen overeenkomstig
de wet van 1855. Deze laatste vorm had
in Brabant en Limburg sterke voorkeur omdat deze
oprichting weinig formaliteiten en nauwelijks kosten
met zich meebracht. Een meer waarschijnlijke
verklaring is dat men in het zuiden van het land aan
de boerenleenbanken een rooms-katholiek karakter
wilde geven. Dus een ordening van de banken naar
voorbeeld van de naar confessies geordende landbouworganisaties.
Een derde verklaring die De
Vries geeft is dat eerstgenoemde twee redenen achteraf
zijn bedacht wat ten tijde van de oprichting
van de Centrales niets anders is geweest dan een banale
ruzie tussen de initiatiefnemers over de bezetting
van de functies in het bestuur. Voor de andere
verklaringen zie: Ph.C.M. van Campen, P. Hollenberg
en F. Kriellaars, Landbouw en landbouwcrediet
1898-1948 Vijftig jaar geschiedenis van de Coöperatieve
Centrale Boerenleenbank Eindhoven (z.p.z.j.)
en C. Weststrate e.a., Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid
van het vijftigjarig bestaan der Coöperatieve
Centrale Raiffeisen-bank te Utrecht 1898-1948
(Utrecht 1948).
9. De Roos en Renooij, De algemene banken in Nederland,
20-21.
10. Het navolgende is voor het grootste deel ontleend
aan het ledenregister van de ‘Boerenleenbank’ te
Zwolle, aanwezig in het archief van de Rabobank
Zwolle.
11. De informatie over de geschiedenis van de Boerenleenbank
en Raiffeisenbank te Zwolle is grotendeels
afkomstig van de heren M. Klein, oud-lid van het
Bestuur van de Coöperatieve Boerenleenbank-
Raiffeisenbank ‘Zwolle en Omstreken’, de heer
W.J.G. Koerhuis, oud-directeur van de Coöperatieve
Boerenleenbank Zwolle/Rabobank Zwolle en drs
G. de Blij, huidig directeur van de Coöperatieve Rabobank
‘Zwolle e.o.’ Mijn vriendelijke dank voor
hun bereidwillige medewerking. Deze dank is tevens
van toepassing voor mijn collega Jaap-Jan Mobron
voor het kritisch doornemen van deze tekst.
12. Weststrate, Gedenkboek Raiffeisen-bank Utrecht
1898-1948,161.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Meten en wegen in de Middeleeuwen
G.P.M. Schunselaar
Zwols gewicht van oorspronkelijk
elf Zwolse
ponden (52/8,35 gram),
aangegeven met het
getal XI, driemaal voorzien
van het Zwolse
wapen. Geijkt vanaf
1675, in 1820 metriek
gemaakt op vijf Nederlandse
ponden en doorgeijkt
tot 1868; collectie
Oudheidkamer van het
IJkwezen, Delft (foto:
G.P.M. Schunselaar).
Meten en wegen heeft altijd en overal een
grote invloed gehad op het dagelijks
leven. Men wilde weten hoeveel men
kocht of verkocht, waardoor men de prijs van de
waren kon bepalen. De overheid, in de Middeleeuwen
de landsheer en het stadsbestuur, bepaalden
op deze manier ook de accijns. Dit had soms
tot gevolg dat door belastingmaatregelen de
maten en gewichten moesten worden aangepast.
Zoals in 1283 toen bisschop Jan van Nassau Zwolle
het recht schonk om op iedere aam wijn die in de
herbergen werd getapt een take of twee kannen
accijns te innen, omdat Zwolle de bisschop had
geholpen in de strijd tegen de graaf van Holland
bij Harderwijk. De bisschop beval dat een aam
wijn na 1283 in deze stad ten eeuwigen dage uit
eenenveertig taken in plaats van veertig, zoals vóór
dat jaar het geval was, zou bestaan.’
Een opvallend detail is, dat er tot in de vijftiende
eeuw nagenoeg alleen gebruik werd gemaakt
van inhoudsmaten en bijna niet van gewichten.
De verscheidenheid aan inhoudsmaten was groot:
kannen, mengelen, pinten en dergelijke voor de
natte waren; mudden, schepels en koppen voor de
droge waren. Dit waren nog bekende namen,
maar wat te denken van een tall, een getalsmaat
voor vis, en van een voeder, een getalsmaat voor
hout (in Deventer 104 bos of ion stuks) of een
vyme stroes, een maat voor 100 tot 104 bossen of
schoven riet of koren.2
Dat Zwolle toch al vroeg een behoorlijke invloed
had, mag wel blijken uit het gebruik van de Zwolse
maten die vaak bij het vaststellen van de pacht of
jaarrente werden genoemd. Zoals in 1304 in een
geschil over een pacht van acht vaten boter Zwolse
maat tussen Rudolfus, de abt van het klooster Ruinen,
en Utetus, de proost van het klooster Bordengo
in het Haskerland.3 Frappant is ook dat veel
van deze pachten of jaarrenten in de Vechtstreek
tot in het graafschap Bentheim in Zwolse maten
werden afgehandeld.4 Ten zuiden van de Vechtlijn
gebruikte men veelal Deventer maten en gewichten.
Kampen, toch ook een van de drie grote steden
in het Oversticht, maakte in de zestiende eeuw
gebruik van Amsterdamse maten. Deze situatie is
tot de invoering van het metrieke stelsel in 1820 zo
gebleven.
Keurmerken
Omdat de steden eigen maten en gewichten hadden,
moesten deze ook als zodanig herkenbaar
zijn. Zo verordonneerde de stad Zwolle in 1419:
‘Item soe en sal nyemant meten mit maten sij en
sijn gheteykent mitter statteyken van Zwolle, ende
gheyket dat sij recht sijn bij 5 pont [boete], alsoe
vake als sij dat deden.’5 En in 1422: ‘Dat men alle
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
tonnen dair men bier in vercopet yken sal ende die
marken mitter statmerck, ende die solen op dat
mynste groot wesen als hierna bescreven staet: In
’t sal een groter tonne holden ende groot wesen,
dat dair umme in gaan sollen 86 quarten ende 3
pynte vates.

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1996, Aflevering 3

Door | 1996, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

Historisch
P R I J S F 9 , 5 O
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Groeten uit Zwolle
Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
Waislraal en Vijfhoek
Gemeente
Zwolle
archief
IFIDFKI = z ^
; Ansichtkaart Walstraat en Vijfhoek,
poststempel 16-91910
” Beste Mevrouw,
Na een voorspoedige tocht kwam ik hier aan. De
wind had ik meest schuin op zij. Enkele keer bij de
kromming van den dijk of weg van voren, dus nogal
goed gegaan. Van Windesheim tot Zwolle kreeg ik
gezelschap van A. Wil U Mijnheer van mij groeten
en vooral door UW U toegenegen Tanna [?]”.
Een ansichtkaart uit 1910, met de beschrijving
van een (sportieve?) fietstocht over de IJsseldijk
van Deventer naar Zwolle, ongeveer
30 km.
De daarbij (willekeurig) gekozen kaart betreft
een afbeelding van de hoek Walstraat / Vijfhoek,
een nog herkenbaar punt in Zwolle. Weliswaar
werd het witte huis midden op de voorgrond,
Walstraat 45, in 1932 ingrijpend verbouwd. Er
werd een etage aan toegevoegd en het geheel werd
in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken,
zoals heden ten dage nog duidelijk te zien is.
In dit pand was van 1935 tot 1972 sigarenmagazijn
“De Vijfhoek” gevestigd, 34 jaar lang gedreven
door de heer T. Otterman.
Daarna huisvestte het drie jaar lang een antiquariaat;
vervolgens, meegesleept in de algehele
achteruitgang van dit stukje binnenstad in de
jaren ’70, vormde het van 1975 tot 1990 een onderkomen
voor een sexshop.
Inmiddels is het aanzien van dit stadsbeeld,
ook na de renovatie van het aangrenzende Gasthuisplein,
weer aanmerkelijk hersteld. Ook Walstraat
45 ging daarin mee, het huisvestte de laatste
jaren een uitzendbureau.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Redactioneel Inhoud
In het merendeel van de artikelen in deze aflevering
komt het ingrijpen van het stadsbestuur,
of juist het achterwege blijven daarvan,
aan de orde. De katholieken mochten na de
opstand die in 1580 tegen de Spanjaarden uitbrak,
hun religie niet meer openlijk belijden en kloostergemeenschappen
werden verboden. Enkele
katholieken richtten ruimten in hun huizen in
voor het gebruik als kerk. Vrouwen die niet meer
in het klooster konden treden vormden kloppengemeenschappen.
M.L. Hansen beschrijft wie in
Zwolle tot deze groep behoorden, waar zij diensten
hielden en hoe de stedelijke overheid met
deze ‘papen’ omging.
De stad Zwolle komt er minder goed afin het
artikel van Jeanine Otten. Uit een reisverslag van
de Duitse broers Von Uffenbach blijkt dat zij zeer
teleurgesteld waren over de toestand die zij aantroffen:
de straten waren vies, smal en slecht, en
ook de huizen waren vies. Wel waren zij opgetogen
over de twee bijzondere kunstcollecties die zij
aantroffen. Jan Louwen beschrijft hoe direct na de
bevrijding van zijn Zwolle zijn leerschool als journalist
van start ging, een moeilijke maar leerzame
periode.
Het Stedelijk Museum Zwolle bergt talrijke
kleine schatten. Een hiervan, een theebusje, wordt
door Lydie van Dijk beschreven.
Het heffen van belasting is altijd een manier
geweest om de stedelijke inkomsten te vergroten.
Dat in de achttiende eeuw dit zelfs op pruiken en
kapsels werd toegepast, is te lezen in het artikel
van J.C. Streng.
Groeten uit Zwolle Wim Huijsmans en Annèt Bootsma
De klopjes Van fatsoen’ in Zwolle M.L. Hansen
Schone kunst in vieze huizen :
het bezoek van de gebroeders Von Uffenbach
aan Zwolle gedurende 2 tot 5 mei 1710 Jeanine Otten
Leerling-journalist in 1945 Jan Louwen
Bijzonder theebusje van Zwolse zilversmid Lydie van Dijk
Belastingperikelen over pruiken en kapsels J.C. Streng
Literatuur Marieke Schaap-Steegmans
Mededelingen
Agenda
Auteurs
74
76
86
94
97
99
102
103
105
107
Omslag: Schilderij door Hendrick ten Oever (1639-1716), 1691, in de Grote of
Michaëlskerk.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De klopjes Van fatsoen5 in Zwolle
M.L. Hansen Het katholicisme na de opstand
De opstand van de aanhangers van de nieuwe
religie, de gereformeerden genoemd,
tegen de katholieken brak in Zwolle op
15 juni 1580 uit. Nadat de strijd gestreden was werd
de gereformeerde godsdienst de enig toegestane
religie. De ommezwaai van katholiek naar gereformeerd
mag vrij plotseling lijken, van de bevolking
bleef een groot deel nog geruime tijd katholiek.
Allengs werd voor hen het leven zwaarder. Zij
zagen zich gedwongen in hun huizen ruimten in
te richten die als kerk konden dienen en onderling
waren de huizen rondom een kerk in het geheim
met elkaar verbonden. Al die katholieke slimmigheid
werd door de gereformeerden met lede ogen
aangezien. Een predikant luchtte zijn hart aldus:
‘Dat vuyle Papen-nest, daer huys aen huys
geknoopt
‘Dat Roomsch-Maraensch krioel door holen
t’samen loopt.1
De klopjes
Met het verbod op de uitoefening van de katholieke
religie waren ook de kloostergemeenschappen
verboden. Vrouwen die eigenlijk tot een klooster
hadden willen toetreden maar dit door de
omstandigheden niet konden, vormden een kloppengemeenschap.
Er waren ook mannelijke kloppen,
zij waren echter ver in de minderheid. De
naam ‘clop’ was niet nieuw. In het begin van de
zestiende eeuw komt de naam al voor in een verhaal
en in een rechtszaak.2 De herkomst van de
naam ‘clop’ is onbekend, al zijn er diverse suggesties
gedaan. Het woord zou afkomstig zijn van
[aan-]kloppend bedelen, maar klopjes bedelden
niet. Een andere suggestie was dat het woord afgeleid
was van het kloppend rondgaan langs de huizen
om te laten weten dat er een Heilige Mis opgedragen
zou worden. In het begin van de zestiende
eeuw was daarvoor echter geen enkele noodzaak,
omdat het katholicisme toen de normaalste zaak
van de wereld was. Een derde wel zeer onwaarschijnlijke
verklaring is het aankloppen van de
klopjes aan de hemelpoort. Het woord zou ook als
scheldnaam beschouwd zijn, maar de pastoor van
Zwolle sprak vol waardering van ‘mijn kloppen’,
zodat de naam op zijn minst een dubbele betekenis
gehad moet hebben. De klopjes werden met
diverse namen aangeduid: kloppen, klopsusteren,
kwezels, huysbagijnen, klopbagijnen en geestelijke
dochters. George Rataller Doubleth noemde hen
Jesuitessen en Jacob Cats sprak van Heremytersen.
Er bestond geen vaste, uniforme leefregel die
voor alle kloppen geldig was, zoals dat bij kloosterlingen
het geval was.
Een klop stelde zich onder de leiding van een
overste of biechtvader en hem had het klopje te
gehoorzamen. Een oudere klop kon tot geestelijk
moeder aangesteld worden over een jong klopje
en een grotere groep kloppen kon een ‘moeder’
tot leidster hebben. Maar ook zij had uiteindelijk
te gehoorzamen aan haar overste.3 De klopjes
waren de priesters behulpzaam bij hun taken, zij
verzorgden de kerkruimte, bezochten zieken en
stervenden, legden doden af en waakten bij hen.
Bij de bouw van een kerkelijk onderkomen in
Zwolle werd het klopje Catharina van Voorst door
de priesterlijke bouwheer tot opzichter over de
arbeiders aangesteld en zij betaalde hen ook uit.
De pastoor van Zwolle vond dit waarachtig geen
kloppenwerk.4
Het algemeen streven van kloppen is op schrift
gesteld in ‘De onderwijzingen voor de Geestelijke
Dochters’:
Weest Magdalena in de Kerk,
’t Huys Martha, neirstig in het werk,
Leeft eeniglijk met Barbara,
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
in suyverheyt met Agatha,
Vermaeckt u met Cecilia,
In liefde met Theresia,
Met Clara gij de weirelt haet,
Met Agnes gij de zonden laet,
Met lijden van den Heer beschreydt,
Met Catharin’ in bitterheyt.
Met Thecla staeg Gods woordt aenhoort,
Dus gaet gij vlugs in deugden voort.
Den achterklap met Paula vliet,
Zoo heeft de weirelt in u niet.5
De dreigende pogingen tot opheffing van de kloppengemeenschappen
waren uiteraard te verwachten
van de kant van de gereformeerden en de regeringen,
maar ook van katholieke zijde kwam verzet.
De kerk van Rome had het niet begrepen op
organisaties die zich onttrokken aan het algemene
kerkelijk gezag. De paus verbood de vorming van
een leken-gemeenschap – in 1631 verbood paus
Urbanus vm de stichting van de Jezuitessen van
Engelse Mary Ward – maar het geven van onderwijs
was niet bij het verbod inbegrepen. Het
onderwijs dat de kloppen gaven wist Rome wel te
waarderen. De Staten-Generaal deelden die
mening. In het plakaat van 1641 werd het aan kloppen
verboden godsdienstonderricht te geven,
maar het geven van ander onderwijs werd niet
verboden. In Culemborg was een kostschool
gevestigd, waar twee of drie kloppen les gaven aan
meisjes, uit het hele land afkomstig. De leerlingen
kwamen onder andere uit Amsterdam, Zwolle,
Nijmegen, Friesland en Brussel. Zij betaalden
kostgeld dat verhoogd werd als er sprake was van
‘een camerken’ en van ‘besonder licht’, en dat verlaagd
werd als de leerlinge haar eigen servetten
meebracht. Twee zusjes brachten hun eigen verzorgster
mee. Clavecimbel-lessen werden apart in
rekening gebracht en werden gegeven door de
muziekmeester die aan de school verbonden was.
Hij leerde hen ook Gregoriaans. Het leren van de
Franse taal bij mademoiselle Amande in de buitenschool
was het doel van de wat oudere leerlingen.
6 Maar de meeste kloppenscholen waren
kleinschaliger. De kloppen leerden de meisjes
behalve handwerken ook lezen en schrijven en zij
deden hun best de meisjes geestelijk te vormen
met catechismuslessen. Ondanks het feit dat in
1649 geklaagd werd dat ‘onder pretext van nayen
en hantwercken, de jonghe kinderen de gronden
des Pausdoms te leeren en haer vergift die teere
gemoederen in te scherpen’ gingen ook kinderen
van gereformeerde ouders naar de kloppenscholen.
7 Dat pleit voor de kwaliteit van het gegeven
onderwijs maar voor de magistraat was het een
reden te meer zich tegen de scholen te verzetten.
Circa 1671 brachten Zwolse magistraten en predikanten
een bezoek aan de katholieke naaisters, en
zeiden haar ‘dat se voortaen geen kinderen sullen
leeren naeijen ofte speltwercken’ op straffe van
een boete van 10 goudgulden.8
De kloppen hadden geen uniforme kleding. In het
algemeen gold dat zij zeer eenvoudig gekleed
waren in zwart laken of linnen, zonder versierselen.
Geen dure stoffen zoals fluweel en zijde. Tijdens
het gebed droeg de klop een hoofddoek. De
dagelijkse hoofdbedekking bestond meestal uit
een zwarte kap met twee slippen of uit een ongesteven
doekje, niet te ‘besteecken met veel spelde –
kens’ noch zo op te zetten alsof ‘daer de vogelen in
nestelen souden’. Om minder op te vallen en om
veiliger te kunnen reizen wilde men ook in ‘waereldlijke
kleederen’ gaan, waar de gereformeerden
tegen protesteerden omdat zij het kwaad wilden
herkennen. Maar ‘heur bysonder kleed’ beviel hen
net zo min.9
Is ’t niet een arme saek en jammerlijke schand,
Dat wij se hier noch sien in onse steen en land?
Ja, dat ze ons alhier gestadig en met hoopen
Met heur bysonder kleed op straet op ’t lijf
noch loopen,
Tot smaed van onse leer; tot schand van onsen
Staet;
Tot smert van Godes Kerk en spijt van onsen
Raed?
En sal ’t noch langer sijn, dat dese snoode sielen
In onse Stad wel meest van alle plaetzen krielen?
10
Hoezeer de kloppengemeenschappen hun best
deden om eenvoudig en nederig te zijn, het
wereldse standsverschil was niet volledig verdweZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nen. De klopjes ‘van fatsoen’ waren dochters van
rijkere families, zij waren beter geschoold en hadden
meer invloed via hun familieleden die hoge
maatschappelijke posities bekleedden. Zij kleedden
zich beter dan de kloppen van mindere komaf
en als het klopje van fatsoen ook de kerkruimte ter
beschikking stelde had zij inspraak bij belangrijke
beslissingen zoals de benoeming van een nieuwe
priester. Waar minder rijke kloppen in haar eigen
onderhoud voorzagen door een handwerk of door
uit werken te gaan, leefde een rijke klop van haar
bezit. Een welgestelde vrouw bleef nadat zij een
klopje geworden was, de beschikking houden over
haar eigendommen. Tot in de kerkruimte drong
het standsverschil door. De rijke klop had meer
tijd om te bidden. Een oud geworden klopje dat
niet meer kon werken, was ‘van de eerste en leste
op de kercke, alsof sij een rijke maecht geweest
had’. Een ander wist zo goed haar gebed met het
werk te verenigen, dat zij was ‘als doende bijnae als
de rijkste maechden’. Het standsverschil was ook
zichtbaar in de zitplaatsen in de kerk, de ‘ghemene
Het wapen van de belangrijke roomskatholieke
familie Van Twenhuyzen
(foto: Stedelijk Museum Zwolle).
maechd’ had er een ‘ghemeene plaets’. Zelfs na het
leven was er verschil. Een klop kreeg van een van
haar rijkere medezusters een begrafenis ‘alsof ‘t
een rijcke maecht’ was geweest.”
De Zwolse klopjes van fatsoen en hun familie
Invloedrijke katholieke families in Zwolle
bekleedden na de opstand steeds minder belangrijke
openbare ambten. Maar daarmee was het
met hun invloed niet geheel en al gedaan. Zij konden
nog steeds bogen op aanzien en respect. In de
Michalskerk, de begraafplaats van de betere standen,
konden zij onveranderd hun grafplaats
kopen. Belangrijke Zwolse katholieke families
waren Waeijer, Knoppert en Van Doetinchem. De
katholieke en zeer rijke familie Van Twenhuysen
trad nogal eens op als beschermers van hun
geloofsgenoten en waren als het nodig was gul van
geven. De families waren onderling door huwelijken
verbonden.
Johanna van Oostendorp ( ? -1636), weduwe
van jonker Lubbert van Vilsteren, was gedurende
vele jaren een grote hulp voor de katholieke kerk,
hoewel zij nergens een klopje genoemd wordt.
Haar huisgenoot Volquerus Herckinge (1586-
1662), vicaris van Overijssel, Groningen en Friesland,
had 25.000 gulden bij de weduwe Van Vilsteren
gedeponeerd, waarvoor zij haar huis op de
hoek van de Koestraat en de Praubstraat, aan zijn
statie zou nalaten, hetgeen zij deed. Er rees verzet
tegen het testament. Het waren de Jezuieten en
mogelijk ook haar zoon Gerard die zich niet met
de laatste wilsbeschikking konden verenigen. Het
werd een langdurig proces. Uiteindelijk mochten
de Jezuieten in het huis wonen,l2 dat op naam van
Gerard van Vilsteren stond. Herckinge moest
door het conflict het huis waar hij veertien jaren
gewoond had verlaten en hij vond onderdak in de
Bitterstraat, bij Sophia van Sweersen ( ? -1670),
weduwe van jonker Van Sweersen. Zij was tot de
dood van Herckinge zijn klop.
Als iemand nergens expliciet als klop vermeld
wordt, is het moeilijk uit te maken of zij een klop
was of niet. Dit probleem speelt bij de weduwe
Van Vilsteren die, gezien haar steun aan de katholieke
kerk, een klop genoemd zou kunnen worden.
Datzelfde geldt voor Anna van Haerst
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
(ca.1555-1639). Zij was een dochter van Johan van
Haerst, gedurende vele jaren een belangrijk magistraatvan
Zwolle. Zij trouwde met Emmanuel van
Twenhuysen en zij liet per testament huizen na,
niet te gebruiken als statie maar als tehuis voor
alleenstaande vrouwen: de Emmanuelshuizen.
Een jaar voor haar dood had zij twee huizen in de
Praubstraat gekocht,13 waarschijnlijk met dit liefdadige
doel voor ogen. Haar kleding is voor een
adellijke vrouw eenvoudig.
Een zeer belangrijke Zwolse klop van fatsoen
was Johanna van Haersolte (ca.1590-1670). Zij was
een dochter van Johan van Haersolte tot de Leemcule
en van Geertruit Knoppert. Haar beide zusters
Margaretha ( ? – na 1633) en Alegonda
(? – ?) waren ook geestelijke dochters, klopjes dus.
Jonkvrouwe van Haersolte woonde omstreeks
1629 in de Koestraat. Samen met haar zus Margaretha
kocht zij vier jaar later nog twee woningen in
de Koestraat, waarvan er één ten dienste stond van
de Jezuieten.14 De Haersoltes waren een familie
met veel invloed en macht. Onder hen waren de
drost en de rentmeester van Salland en de schout
te vinden en zij waren goed vertegenwoordigd in
de ridderschap van Overijssel en in de magistraat
van Zwolle. Johanna’s neef, de Zwolse magistraat
Jan van Haersolte was een fanatiek vervolger van
katholieken. Hij liet – rond 1600 – priester Johannes
Waeijer oppakken, gevangen nemen en vervolgens
verbannen. De voorspraak van enige
mede raadsvrienden mocht niet baten. Een van
hen was nota bene zijn oom Thomas Knoppert ‘de
Jonge’, die een invloedrijk katholiek in de raad
genoemd wordt.
De familie Knoppert is nagenoeg geheel
katholiek gebleven en kent enige kloppen. Johanna
Knoppert (ca.1605- ? ), dochter van Thomas
Knoppert ‘de Oude’ en van Elisabeth van Ulenbroeck
was een nicht van Johanna van Haersolte.
De drie zusters Anna ( ? -1676), Sophia Gertrudis
( ? – waarschijnlijk 1701) en Maria Magdalena
Knoppert (? – waarschijnlijk 1703) waren dochters
van Wolfgang Knoppert en van Christina van Lievendael
en alle drie geestelijk dochter. Net zoals
hun nichtje Maria Christina Knoppert ( ? -1723),
een dochter van Reinier Knoppert – tijdens de
Munsterse bezetting magistraat van Zwolle – en
van Maria Gerardina Bruins. Een dochter uit het
tweede huwelijk van Maria Gerardina Bruins met
Hendrik Alexander Bruins was het klopje Gertrudis
Maria (1676-1713). Waarschijnlijk is zij de
Geertruyt Bruins uit Zwolle die van 10 juni 1691 tot
10 december 1692 de Culemborgse kloppenschool
bezocht, ‘Sij is dan met haer papa na huijs
gegaen’.15 Twee dochters van jonker Lucas Aiolij –
sius Bruins die tijdens de Munsterse bezetting ook
magistraat van Zwolle was, waren eveneens klopjes;
Joanna Arnolda (na 1663-1726) en Christina
Geertruijt (na 1663-1702), en Johanna Bruins was
de moeder van het klopje Anna Margaretha Voet
(1647-1682).
De familie Van Doetinchem onderhield nauwe
banden met de Jezuieten. Nadat Maria van
Doetinchem (1598-1673), dochter van Willem van
Doetinchem en van Janne Weeze van Gijsbeck,
een huis in de Diezerstraat had geërfd, stelde zij
het beschikbaar aan de Jezuieten. Op het goed De
Boskamp bij Olst, een bezit van de Doetinchems,
werden omwonenden in de gelegenheid gesteld de
katholieke erediensten te volgen. In 1638 werd een
Jezuietenstatie gevestigd op het huis Randen in
Colmenschate bij Deventer, waar een broer van
Maria woonde. De heer van Randen was in 1671 de
eerste die een bedrag beschikbaar stelde voor de
nieuw ingestelde beurs, waaruit minder draagkrachtige
katholieken financieel geholpen konden
Portret van Anna van
Haerst, de weduwe van
Emanuel van Twenhuyzen.
Waarschijnlijk
is zij niet gekleed in
typische kloppenkleding;
haar kleding is wel
sober wat kleur betreft,
maar zij draagt een rijk
bewerktjak
(foto: Stedelijk Museum
Zwolle).
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Uit alle kerken gebannen
moesten de roomskatholieken
zich tweehonderd
jaar behelpen
met schuilkerken in
afgelegen plaatsen. Wie
vanaf de Melkmarkt
tussen de nummers 6 en
8 het Hoornsteegje
inliep, kwam bij zo’n
schuilkerkje.
worden, als zij omwille van hun geloof beboet
werden. De beurs is of niet goed tot stand gekomen
of bleek onvoldoende te zijn, want vier jaar
later besloot een aantal edelen in te staan voor de
schade die de overheid de katholieken bezorgde.
Een van die edelen was Engelbert van Doetinchem.
Zijn zus Golda Geertruit van Doetinchem
(1631-1671), dochter van Jan Arend van Doetinchem
en van Anna Krijt, was een klopje van fatsoen
van de Jezuietenstatie in de Koestraat. Haar
ouders kerkten daar en hebben er al hun kinderen
laten dopen. Rond 1700 woonde in de Koestraat
de klop Geertruid Cecilie van Doetinchem (1679-
1746), dochter van Jan Lodewijk van Doetinchem
en van Arnolda Geertruid Glauwe. Zij schonk aan
de statie een reliek van het Heilig Kruis, gevat in
een kristallen met zilver filigraanwerk omgeven
kruisje.16
De klop Sibylla van Bolten (ca. 1605- na 1652)
woonde met haar vader Roelof van Bolten en haar
moeder Mechtelt Wijchers naast het O.L. Vrouwekerkhof.
Het waren in totaal vier huizen die
door Sibylla in 1628 verkocht werden. Zij woonde
zo’n vijftien jaar later in de buurt van de kerk in de
Spiegelstraat. Mogelijk was haar buurman Willem
van Twenhuijsen – zijn broer Hendrik was
getrouwd met Elisabeth van Bolten – haar zwager.
De katholieke families Van Voorst en Waeijer
waren aan elkaar verwant en hebben beide priesters
voortgebracht. Conradus en zijn broers
Theodorus en Wilhelmus van Voorst zijn alle drie
pastoor in Kampen geweest. Catharina van
Voorst, mogelijk een dochter van jonker Van
Voorst uit de Kamperstraat, werd in 1666 door
pastoor Arnold Waeijer zijn nicht genoemd en
was toen al veertien jaar zijn klop.17
De klopjes van fatsoen, de priesters en de staties
De priesters in Zwolle hadden vóór 1622 geen vaste
woningen. Zij waren voor huisvesting afhankelijk
van de gastvrijheid van hun geloofsgenoten.
Zij woonden voor een paar dagen nu eens hier,
dan weer voor een paar weken daar. Pater Courten,
het zwerven moe, liet een huis huren door zijn
klopje juffer Maria van Doetinchem.18 De woning
van een klop vormde vaak de kern van een statie,
zoals die na 1600 in veel steden van de Verenigde
Republiek tot stand kwamen. Vicaris Herckinge
ging bij de weduwe Van Vilsteren in huis wonen.
Hij stichtte in haar huis de eerste statie van Zwolle,
het mooie en grote pand bood alle ruimte. Aangezien
het de katholieke kerk als instituut verboden
was enig gebouw te bezitten of te huren, hadden
de priesters de leken-katholieken nodig om het
onroerend goed op hun naam te laten inschrijven.
Dat de klopjes van fatsoen hier een belangrijke rol
in speelden mag duidelijk zijn en klopjes met een
eigen huis waren voor de onderdrukte katholieke
gemeenschap een geschenk uit de hemel.
Na de dood van de weduwe Van Vilsteren verhuisde
Herckinge naar Onder de Bogen in de Bitterstraat,
in het huis van Sophia van Sweersen en
stichtte er zijn nieuwe statie. De kerk ‘Onder de
Bogen’ was op meerdere manieren bereikbaar. Er
was een luikje waardoor men in het huis van Anna
Jans kon komen en er was een geheime doorgang
naar het huis ‘den Antwerpen’ en vandaar liep de
gang door naar het huis van Vermeer. Marcellus
Vermeer, de rentmeester van jonkvrouwe Van
Sweersen, van de katholieke Emmanuelshuizen en
van de Zwolse pastoor,19 was waarschijnlijk de
vader van het klopje Catharina Vermeer. Sophia
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 81
van Sweersens beide buurvrouwen waren klopjes,
Catharina van Voorst en Grietien Lamberts, zodat
ook tussen deze panden een geheime verbinding
zal hebben bestaan.
In 1627 kwam de Jezuiet Nicolaus Barluijt naar
Zwolle ‘voor verandering van lucht’. Hij woonde
heel even bij pater Courten maar nog in het jaar
van zijn aankomst in Zwolle vestigde hij in de Diezerstraat
een Jezuietenstatie, in het huis van jonkvrouwe
Maria van Doetinchem, voormalig klopje
van pater Courten. Zij stelde het huis ter beschikking
tot het vieren van katholieke erediensten. Het
huis lag tegenover de Spiegelsteeg en had een achteruitgang
op de Vismarkt. De statie in de Diezerstraat
hield stand tot de dood van juffrouw van
Doetinchem en verhuisde toen naar het Hoornsteegje,
vlakbij de Nieuwstraat.20
In 1629 kwam de Jezuiet Reijnerus Houtman
naar Zwolle en vestigde in de Koestraat een Jezuietenstatie
in het huis van jonkvrouwe Johanna van
Haersolte. Na zijn dood in 1667 nam pater Ridder21
de statie over ‘seijnde hier de voornaemste
van de Societeijt’. Vanuit het huis van juffrouw
van Haersolte was er een geheime doorgang naar
het huis van juffrouw Weijninckmans en waarschijnlijk
ook naar het buurhuis waar een Knoppert
woonde, haar moeders familie. De huizen
lagen aan de zuidzijde van de Koestraat tegen de
stadswal aan. De statie hield stand tot het overlijden
van juffrouw van Haersolte en verhuisde toen
naar het huis van Van Vilsteren.22
In 1637 stichtte pastoor Arnold Waeijer de
vierde statie van Zwolle: het kerkhuis Sint-Joseph,
gelegen in de Spiegelsteeg op de hoek van de
Nieuwstraat. Ook hier was een aantal huizen door
een gangenstelsel met elkaar verbonden. Het
waren de woningen van pastoor Waeijer, van
Neeltien Egberts, van meester Berents en van Willem
van Twenhuysen en Sibylla van Bolten. In de
Spiegelsteeg woonde ook de ‘Eerbare en deuchtsame’
Ida Gosens, een klopje van de pastoor.23
Het inkomen van de priesters was afhankelijk
van giften, van erfenissen en van het geen de klopjes
hen gaven of voor hen ophaalden. In geval van
nood moesten de priesters wel eens geld lenen van
hun kloppen. In de nalatenschap van Maria van
Doetinchem vond haar erfgenaam onbetaalde
rekeningen van ‘verschoten penningen’ aan pater
Adrianus Courten, een bedrag van 1.500 gulden
had Zijn Eerwaarde gebruikt voor de aankoop van
huizen. De huishuur voor het pand in de Diezerstraat
was na 46 jaar opgelopen tot 4.600 gulden
en was net zo min voldaan.24
Priesters en kloppen konden niet altijd even
goed met elkaar overweg. Sophia van Sweersen
ageerde tegen haar huisgenoot de priester Sommer
over het slopen van het keukentje van haar
buurvrouw, de klop Grietien. Overigens zonder
resultaat. Sommer liet de keuken afbreken en
bouwde er zijn nieuwe kerk. Sophia weigerde het
verzoek van Sommer het ‘getimmer’ op haar
naam te laten schrijven. Tussen Sophia en Sommer
boterde het steeds minder goed. Ze kregen
ook nog ruzie over de opslag van turf en over de
huur van het huis ‘den Antwerpen’ en hij verliet
haar huis. Maria van Doetinchem kon ‘niet wel
overeen comen’ met de bij haar inwonende pater
Van den Dam. Het struikelblok was de erfenis van
een klopje en ook Van den Dam ging een deur verder
wonen.25
De vervolgingen
De Zwolse magistraat gaf in 1604 een resolutie uit
waarin zij het houden van katholieke vergaderin-
Algemeen wordt aangenomen
dat dit een portret
is van pastoor
Waeijer. Het is een
detail van het schilderij
van Thomas a Kempis
op de Agnietenberg in
de Onze Lieve Vrouwekerk
(foto: Stedelijk
Museum Zwolle).
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
gen verbood. Zo’n vergadering was een overtreding
die elders in de Verenigde Republiek in een
adem genoemd werd met andere vormen van
afwijkend, niet getolereerd gedrag zoals vloeken
en de buitenechtelijke bijslaap.26 Of de magistraat
van Zwolle zo ver ging is onbekend. Een enkele
keer was het haar ernst met de vervolging. Dat
blijkt uit een overval in 1617 op het huis ‘De Drie
Cranen’ in de Diezerstraat27 waar de apotheker
Jan Brouwer woonde.
Het groeiende verzet van de gereformeerden
tegen alles wat katholiek was richtte zich ook tegen
de klopjes. De weerzin tegen de ‘overal insluypende
kloppen’ was niet meer af te doen met ‘het
maer vrouwluyden en zijn’28 en hun bewegingsvrijheid
werd steeds meer beperkt. In 1639 werd in
Zwolle een meldingsplicht voor klopjes ingesteld.
Twee jaar later volgde een plakaat van de Staten-
Generaal. In 1650 deed de kerkeraad van Zwolle
hernieuwde pogingen de klopjes uit de stad te
weren, in datzelfde jaar werd ook de meldingsplicht
herhaald.29
Hulp aan personen die omwille van hun geloof
door de magistraat gezocht werden was verboden.
Ook bekeringspogingen waren strafbaar gesteld.
Dat ondervond Johanna van Haersolte. Twee
dochters van de weduwe Heerma neigden naar het
katholieke geloof en zouden daarom aan een
betrekking in katholieke kring geholpen worden.
Het voornemen lekte uit en de magistraat zette
manschappen in om de meisjes op te sporen. Zij
zaten inmiddels verstopt in het ‘hoenderhuijsken’
van juffrouw Van Haersolte. De mannen vonden
de meisjes niet, zij troffen evenwel een onverwachte
buit aan. Een jaar – in 1659 – tevoren was
Johanna van Haersolte als eerste aan de beurt
geweest toen katholieke huizen doorzocht werden,
de hele actie leverde toen niets strafbaars op.
Wat eerder niet gevonden werd, trof men nu aan.
Zij vonden een kerkruimte met altaar en alle voorwerpen
die nodig waren voor een katholieke eredienst,
zij vonden ook een doorgang naar het huis
ernaast. Juffrouw Van Haersolte en haar twee
meiden moesten naar aanleiding van dit voorval
voor de magistraat verschijnen. Van Lingen, oom
van de zusjes Heerma en contactpersoon tussen
zijn nichtjes en hun aanstaande werkgever, kreeg
ook een oproep. De eisen waren zeer hoog. Van
Lingen zou als belangrijkste hulpverlener zijn hals
verbeuren of verbannen worden. Bovendien
moest hij een borg van 2.000 goudgulden neertellen
om te voorkomen dat een van zijn nichtjes
zonder kennis van de magistraat de stad zou verlaten.
Voor zijn meid die de meisjes naar juffrouw
Van Haersolte gebracht had, moest hij met 200
gulden borg staan. Juffrouw Van Haersolte moest
een borg van 1.000 goudgulden betalen. De uitspraak
liet zes weken op zich wachten, het was niet
gemakkelijk recht te doen waar de predikanten
genoegdoening eisten. Van Lingen werd veroordeeld
tot een boete van 200 goudgulden, wat wel
een heel groot verschil was met de eerder geëiste
hals, zijn nicht moest ook 200 goudgulden betalen
en juffrouw Van Haersolte werd tot een boete van
100 goudgulden veroordeeld. Samen draaiden zij
ook op voor de kosten van de rechtszaak.30
Naar aanleiding van het voorval van de meisjes
Heerma besloot de magistraat op verzoek van de
gereformeerden ‘dat sij alle die papisten-huijsen
sullen visiteren van boven, van de hoogste solders
tot in de kelders incluijs, soeckende alle de gemacken
door, removerende alle schilderijen, kasten
ende alderhande huijsraet, daer eenige doorgangen
achter souden kunnen wesen en daer eenige
soodane doorgangen bevonden moghten worden,
daervan pertinente notitie te houden, selfs oock
van dachvensters, die grooter souden mogen
wesen als ordinaris’. Voor juffrouw Van Doetinchem
was het niet de eerste keer dat haar huis
overhoop gehaald werd. Waarschijnlijk was de
magistraat dit keer getipt. Dicke Trijne, een afvallig
klopje van de Jezuieten, was de vermoedelijke
tipgeefster. De magistraat had nota bene op schrift
staan hoe en waar de schuilplaatsen zouden zijn.
Maar juffrouw Van Doetinchem had of alles heel
goed weten te verbergen of de informatie van Trijne
was niet deugdelijk want er werd niets gevonden.
Bij juffrouw Van Sweersen had het onderzoek
meer resultaat, men vond vier ‘aenstootelijcke
plaetsen’. De vondst werd genoteerd, de
mokerhamer kwam er nog niet aan te pas. Bij de
pastoor in huis werd wel een muur gesloopt. Er
werd evenwel niets gevonden en hij bleef met de
ravage zitten. Bij een volgend huis vond men een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
altaar, een schuilplaats en ook nog een doorgang.
Vol goede moed trokken de onderzoekers naar
juffrouw Van Haersolte. Daar bleek de eerder
gevonden doorgang dichtgemetseld maar dat was
ook niet naar de zin van de stadsdienaars, zij sloegen
de nieuwe muur kapot. Ondanks verder
onderzoek werd in haar huis niets verdachts meer
gevonden. De dag werd besloten met een opwekkende
dronk voor de noeste zoekers ten huize van
en op kosten van de pastoor.31
Na de verstoringen in de jaren vijftig werd het
rustiger voor de Zwolse katholieken. De inval van
de Munsterse troepen in 1665 in Overijssel scherpten
de tegenstelling tussen de gereformeerden en
de katholieken echter weer aan. Men deed wederom
een inval bij Johanna van Haersolte, de deur
was notabene open, en men vond priester Houtman
met enige biechtelingen. De priester werd
meegenomen en gevangen gezet. Voor hem, de
huiseigenaresse en de personen die daar gevonden
waren volgde een boete van 1.200 gulden. Op diezelfde
dag wist pater Van den Dam bij een inval in
het huis van Maria van Doetinchem te
ontkomen.32
In 1669 ontdekte de gereformeerde kerkeraad
tot haar grote misnoegen dat de onlangs overleden
jonker Hendrik Knoppert een legaat van 5.000
gulden beschikbaar gesteld had voor een student
die op een katholieke academie ging studeren.33
De stadsdienaars wekken de indruk dat zij zeer
fanatiek naar verboden ruimtes zochten. Dat zij
desondanks hele gangenstelsels misten is verbazingwekkend,
te meer daar zij door verklikking
geholpen werden. En zó goed waren de gangen
niet verstopt. Dat vonden de katholieken ook,
want helemaal gerust na de recente onderzoekingen
waren ze niet. Bij Willem van Twenhuysen
werd de gang die achter langs meester Berent naar
de kapel van de pastoor liep ‘scherpsinnich toegemaeckt’.
Vanuit meester Berents huis was deze
gang ook bereikbaar, ‘de spijcekamer staende op
rolleties’ werd voor de ingang gezet. Bij Neeltien
Egberts bevond zich de doorgang achter de trappen.
Er werden een aantal spijkers door het hout
geslagen zodat het schot niet meer verschoven kon
worden. Echt degelijk klinkt het allemaal niet. De
deur tussen de kapel van de pastoor en de biechtkamer
was moeilijker te verstoppen. Een grote
kast moest uitkomst brengen. De deuren konden
op slot, de achterwand bestond uit een grote
vurenhouten plaat die het luik moest verbergen en
de achterkant van het geheel was met ‘leijstucken
benagelt ende met kalck bepleijstert’. Net een echte
muur. Het luikje tussen de pastoor en meester
Berent werd met een kistje aan het oog ontrokken.
Hoewel het bestaan van het luikje was verklikt
werd het niet gevonden maar omdat er volgens de
papieren toch een gang moest zijn, zijn de onderzoekers
met grof geweld de muur te lijf gegaan en
hebben er een gat ingeslagen. Aan de andere kant
leek echter alles bemuurd te zijn en ze kropen
weer terug. Bij juffrouw Van Doetinchem liepen
Het huisaltaar van de
Emmanuehhuizen.
Soortgelijke altaren
werden gebruikt in de
rooms-katholieke staties
die tevens als schuilkerken
fungeerden (foto:
Stedelijk Museum
Zwolle).
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ze regelrecht op de gezochte deur af, intussen
dicht gespijkerd en bedekt. De juffrouw was niet
thuis maar de aanwezige jonkers Arent van Oldeneel
en Hendrik Knoppert hebben de honneurs
op galante wijze waargenomen. Het gehele gezelschap
is door hen naar de herberg geleid ‘daer sij
wel getracteert sijn’.34
Boete, afkoping en intimidatie
Het bijwonen van een katholieke kerkdienst werd
beboet met minstens 25 gulden per persoon en de
eigenaar van het huis moest een boete van 200 gulden
betalen. Vaak kwam het niet zover. In de hoop
op een kleine vergoeding wilden de stadsdienaren
de katholieken wel waarschuwen als er een overval
in voorbereiding was,35 maar daar viel niet altijd
op te rekenen.
Vicaris Herckinge werd in 1646 in het huis van
juffrouw Van Sweersen opgepakt en in hechtenis
gezet. De reden was dat hij geen burger van Zwolle
was en zich daarom niet zonder toestemming van
de raad in de stad mocht ophouden. Na betaling
van 600 gulden mocht hij pas vertrekken.36
Gezien de financiële omstandigheden van de clerus
is het niet onwaarschijnlijk dat de katholieken
de fikse boete voor hem betaald hebben.
In 1652 werden Willem van Twenhuysen en
Sibylla van Bolten betrapt. Zij hadden toegang tot
eikaars huis via een deurtje op zolder en zij hadden
een verboden toegang naar de kerk van de
pastoor. Zij kregen voor deze overtreding een boete
opgelegd. De raad had op het hebben van zo’n
doorgang een boete van 100 goudgulden gesteld.
Van Twenhuysen en juffrouw Van Bolten vroegen
kwijtschelding van de boete.37 Dat lukte niet helemaal
maar de boete werd toch verlaagd tot 25
goudgulden. Om te voorkomen dat het verlagen
van de opgelegde boete valse verwachtingen voor
de toekomst zou kunnen wekken, dreigde de
magistraat iedereen die voor nieuwjaarsdag zijn of
haar verboden toegangen niet dicht gemaakt had,
met het opleggen van de volle boete van 100 goudgulden.
In opdracht van de magistraat moesten
metselaar en timmerman alle gevonden doorgangen
dichten, de kosten waren voor rekening van
de huiseigenaars. Juffrouw Van Haersolte kreeg de
werklui over de vloer en na afloop moest zij voor
de verrichte diensten zes gulden betalen.38
Dat de ijver om te zoeken met drank getemperd
kon worden was de katholieken wel bekend. Na
een inval bij juffrouw Van Sweersen, waarbij de
toegang tot het huis zo driftig geëist werd dat het
touwtje van de bel brak, gaf de juffrouw vier ducatons
aan Papen-Berent en zijn drie maten. Het
zoeken werd gestaakt en het geld werd omgezet in
brandewijn en koeken. Bij de magistraat gekomen
met de bedoeling om verslag uit te brengen waren
ze zo ‘bestoven ende besteken, datter twee van
desen qualijck costen sprecken, de andere twee
seijden dat se niemant gevonden hadden’.39
Stadsdienaars wisten echter ook de weg te vinden
als zij krap bij kas waren en een lening moesten
afsluiten. Waar konden ze beter terecht dan bij
een katholiek met geld? In de nalatenschap van
Maria van Doetinchem werd een schuldbekentenis
gevonden van Berent de dynder van 250 gulden.
Op een aanmaning reageerde Berent geprikkeld
en ‘dreighden aenstonds storing te willen
doen op het huis, – die schade wiert haer belooft te
sullen worden vergoedet, maer dat se wat patientie
moest hebben, dat anders oirsake soude sijn, de
gemeente eenigen tijdt van de godsdynst te frustreren’.
40
Ook de stadswacht wist bij de katholieken een
extraatje binnen te halen. Bij juffrouw Van Sweersen
stond de trommelslager op de stoep om de
halfjaarlijkse bijdrage voor de wacht op te halen.
Juffrouw Van Sweersen was gewoon om vier gulden
te geven en was zeer verwonderd dat de trommelslager
zes gulden vroeg. De twee gulden waren
zei hij ‘voor de nieuwe timmeragie’. Het was hem
niet ontgaan dat er onlangs achter het huis
gebouwd was, het was de nieuwe kerk van Sommer.
Hij voegde er aan toe ‘sijt gij onwillich, den
hopman sal ’t wel crijgen’. Om verdere moeilijkheden
te voorkomen heeft juffrouw Van Sweersen
hem het gevraagde bedrag gegeven. Zelfs de magistraten
vroegen onheuse boetes, vijftig goudgulden
omdat ze te lang hadden moeten wachten
voordat de deur voor hen geopend werd. Juffrouw
Van Doetinchem kwam er bij zo’n gelegenheid af
met een boete van 25 goudgulden. Juffrouw Van
Haersolte moest het volle pond betalen. De magiZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
straten hadden te lang moeten wachten totdat
pater Ridder veilig in zijn schuilplaats geholpen
was.41
De laatste klopjes van fatsoen
27 februari 1670 was een sombere dag voor de
Zwolse katholieken. De magistraat liet afkondigen
dat voortaan geen twee katholieken meer naast
elkaar mochten wonen. Met de slinkse doorgangen
was het afgelopen. Twee maanden later overleed
Johanna van Haersolte. Pater Ridder moest
noodgedwongen verhuizen, ten gevolge van de
jongste maatregel mocht hij niet in het huis van
juffrouw Van Haersolte blijven wonen omdat er
aan weerszijde ook katholieken woonden.
Ook Sophia van Sweersen overleed in 1670.
Twee belangrijke kloppen in zo’n korte tijd was
een ernstig gemis voor de katholieken, hun dood
gaf grote verslagenheid. Het bleef niet bij deze
twee sterfgevallen. In 1670 overleden een juffrouw
Van Voorst en een juffrouw Bruins. In 1671 overleed
de klop Golda Geertruit van Doetinchem,
twee jaar later overleed Maria van Doetinchem.
De belangrijkste klopjes van fatsoen waren de
katholieke gemeenschap van Zwolle ontvallen.
De meest invloedrijke katholieke families
stierven uit zoals de Waeijers of trokken weg. De
Van Doetinchems gingen vooral naar België,
Zuid-Duitsland en Oostenrijk.
De Knopperts bleven nog lang in Zwolle
wonen, de latere klopjes uit deze familie zijn vooral
in de Koestraat te vinden. Ernstige verstoringen
hebben zij niet meer hoeven meemaken, dat was
voorbij.
Zwolle bleef achter met de tastbare bewijzen
van katholieke weldadigheid: de Vilsterenshuizen,
de Doetinchemshuizen, de Emmanuelshuizen,
door een kleinzoon van de stichtster aangevuld
met een huis in de Diezerstraat, en het armenhuis
van juffrouw Knoppert bij de Steenpoort.
Noten
1. E. Theissing, Over Klopjes en Kwezels, Utrecht/Nijmegen
1935,185.
2. Theissing, 35-36.
3. Theissing, 12, 69; J. Spaans, Haarlem na de reformatie.
Stedelijke cultuur en kerkelijk leven, 1577-1620,
Leiden 1989,77-79.
4. G.A. Meijer O.P., Nopende het aerts-priesterschap
van Swolle […], Utrecht 1921,161.
5. Theissing, 12.
6. J.C. Alberdingk Thijm, ‘Uit het “Cost Boeck” der
zoogenaamde Kloppenschool te Culemborg’, in:
Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom
Utrecht (ACAU), Utrecht 1879,37 (i9ii’, 326-343.
7. Theissing, 30,199.
8. Meijer, 188.
9. Theissing, 114-120,189.
10. Theissing, 185,189.
11. Theissing, 78-79, 83,96,114,120,160.
12. Th.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, Zwolle, 1961,
32-33-
13. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), inv. nr. AAZOI-I6.
14. A. van Dedem, Register van charters en bescheiden,
Kampen 1913, 638.
15. ACAU, 37 (1911), 339-
16. AG AU, 37 (l91l), 112, 118-120, 132.
17. Meijer, 359 e.v.
18. De Vries, 32-33.
19. VMORG 35 (1918), 28; W.J. Meeuwissen, Inventaris
van het familiearchief Heerkens (1371) 1614-1908,
Zwolle 1982, i452.
20. Th.J. de Vries ‘Neercassel’s dood [..]’, VMORG, 59
(i943). 56; AGAU, 37 (1911), 109-110.
21. Pater Ridder heette eigenlijk Theodorus, ridder van
Groenesteyn. Hij had zich schuldig gemaakt aan bigamie
en was na vergeving van zijn zonde toegetreden
tot de Sociëteit (VMORG, 59 (1943), 69).
22. Meijer, 179.
23. VMOKG 1943,52.
24. AGAU,37(1911), 109.
25. Meijer, 133.
26. A.Th. van Deursen, Mensen van klein vermogen. Het
‘kopergeld’ van de Gouden Eeuw, Amsterdam 1991,
324.
27. De Vries, 28.
28. Theissing, 190.
29. GAZ, AAZOI 65, 207; B.J. van Hattum, Geschiedenissen
der stad Zwolle, Zwolle 1773 (1975), dl. 3,327.
30. Meijer, 62-77.
31. Meijer, 65-75.
32. Meijer, 112-113; Van Hattum, dl. 3,400.
33. GAZ, KA017 004.
34. Meijer, 67-73.
35. De Vries, 40,48.
36. Van Hattum, dl. 3,320.
37. Van Deursen, 324.
38. Meijer, 73.
39. Meijer, 180-181.
40. AGAU,37(1911), 109-110.
41. Van Hattum, dl. 3,327.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schone kunst in vieze huizen:
het bezoek van de gebroeders Von Uffenbach aan Zwolle
gedurende 2 tot 5 mei 1710
Jeanine Otten Inleiding
In de zeventiende en vroege achttiende eeuw
bouwden honderden verzamelaars in Nederland
een collectie op. De verzamelaars waren
ontwikkelde burgers, de een rijker dan de ander,
met grote belangstelling voor de wereld om hen
heen. Ze hoorden tot de stedelijke elite, waren
regent, koopman, arts, apotheker of predikant.
Sommige collectioneurs waren gespecialiseerd,
anderen probeerden de wereld in al zijn verscheidenheid
te vatten en hun verzamelingen waren
meer universeel en encyclopedisch van karakter.
Er werd niet alleen verzameld uit curiositeit, maar
ook uit een behoefte aan kennis. De woon- en
werkvertrekken en studeerkamers van de verzamelaars
konden een mengeling van voorwerpen
herbergen: boeken, globes, koppen van Romeinse
keizers, voortbrengselen van natuur (naturalia) en
mensenhand (artefacta), kunstnijverheidsvoorwerpen
en etnografica.
Geen enkele verzameling is in zijn geheel
bewaard gebleven. In de meeste gevallen werden
de verzamelingen in Nederland na het overlijden
van de collectioneur geveild. De inhoud van veel
verzamelingen is bekend uit veilingcatalogi,
bezitscatalogi, boedelinventarissen, verslagen van
bezoekers, stadsbeschrijvingen of briefwisselingen.
1 De Hollandse verzamelingen waren wereldberoemd
in hun dagen en trokken bezoekers uit
alle delen van Europa. Zeer informatief zijn de
reisverslagen van de Duitser Zacharias Conrad
von Uffenbach (1683-1734), die tijdens drie reizen,
1705,17104711 en 1718 verzamelingen in Nederland
bezocht. Tijdens zijn ‘Merkwürdige Reisen durch
Niedersachsen, Holland und Engelland’, die anderhalf
jaar zou duren, bezocht Von Uffenbach in
1710 ook Zwolle alwaar hij onvermoed twee grote
kunstcollecties aantrof.
In dit artikel zijn de achttiende-eeuwse merkwaardigheden
van Zwolle overgenomen uit de
posthume uitgave van zijn aantekeningen, bijgehouden
op de reis die hij samen met zijn broer
ondernam van november 1709 tot april 1711.2
Gebroeders Von Uffenbach
In het voorjaar van 1710 reisden de broers vanuit
Duitsland naar Holland. Komend van Genemuiden
vertrokken ze op 2 mei 1710 met een bolderwagen
uit Kampen en arriveerden ze na vier uur in
Zwolle. Ze namen hun intrek in het logement ‘op
den Dyck in het gekroonte Munster’ (thans Thorbeckegracht
64). Tijdens hun verblijf bekeken de
broers de stadswallen en vestingwerken, gingen
ter kerke in de Bethlehemkerk waar het achtste
gebod uitgelegd werd, kregen van de koster een
rondleiding in de Grote of Michaëlskerk, bezichtigden
de Onze Lieve Vrouwekerk, bekeken de
verzameling boeken, schilderijen, prenten, instrumenten
en naturalia van uitgever Gerrit Tydeman
(ca. 1640-1714). Daarna bezagen ze de instrumenten
en uurwerken van uurwerkrnaker Willem Bramer
de Oude (overl. 1734) en tot slot de verzameling
schilderijen en prenten van predikant Frederik
van Leenhof (1647-1712)3. Tydeman bezat een
collectie anamorfosen. Een anamorfose is een vertekende,
onsamenhangende of zelfs onherkenbare
figuur, die vanuit een bepaald punt of met behulp
van bijvoorbeeld een cilindervormige spiegel
bekeken een coherent beeld oplevert. Anamorfosen
in encyclopedische verzamelingen golden van
de zestiende tot de achttiende eeuw als een bewijs
van ‘curiositas’, d.w.z. universele belangstelling.
Wie een encyclopedische verzameling bezat, kon
beschouwd worden als iemand van stand. Anamorfosen
hoorden naast allerlei optische instrumenten
thuis bij de ‘rariteiten’ (zeldzaamheden)
in de categorie artefacta.4
De eerste indrukken die de broers in de stad
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 87
opdeden, waren bepaald niet positief. De straten
waren hobbelig, smal en slecht en helemaal niet
goed aangelegd zoals in de door hen gebruikte
reisgids Europaischen Reisen van Paul Jacob Marperger
(1656-1730) vermeld stond. Zowel de straten
als de huizen waren niet schoon maar smerig
en vies. De broers hadden zich van te voren een
heel andere voorstelling van de stad gemaakt
doordat Marperger en Zeiller5 zich zo lovend over
Zwolle hadden uitgelaten: in bijna heel Duitsland
is geen stad te vinden die zo ‘luchtig’ ligt als Zwolle;
er is een overvloed van alle noodzakelijke zaken
te vinden; het stadsbestuur zelf is zó goed
benoemd dat de raad van deze stad in twijfelachtige
zaken ook door andere steden geraadpleegd
wordt, een gelukzaligheid die noch Aristoteles
noch Plato beschreven hebben.
Aantekeningen van Zacharias Conrad
Laten we nu Zacharias Conrad von Uffenbach aan
het woord:6
Ten bewijze [van de verkeerde voorstelling van
zaken in de reisgidsen] merkten we meteen twee
dingen op. Men zegt wel dat zoals het uurwerk
functioneert, ook het bestuur in een stad functioneert.
Hoewel dit gezegde vooral duidt op de
noodzaak van een goed toezicht op het uurwerk,
merkten we dat de stad slecht van klokken was
voorzien: men hoorde heel weinig klokken die
bovendien niet goed sloegen. Men hoorde in het
geheel geen klokkenspel zoals in bijna alle steden
der Zeven Provinciën7. Het tweede dat we
opmerkten waren de smerige straten, hetgeen
waarlijk geen klein gebrek is in de verordeningen,
waarbij ten derde ook de bedelaars te rekenen zijn,
die elders in Holland niet geduld worden.
De derde mei moesten we ’s morgen veel brieven
schrijven en ’s middags regende het de hele tijd
zodat we de hele dag niet buiten kwamen.
De vierde mei, zondagmiddag, wandelden we
over de stadswallen om de vesting te bekijken.
Marperger in Europaischen Reisen, p. 114 e.v. vermeldt
dat de stad is voorzien van elf bolwerken en
met brede en diepe grachten omgeven is. Alleen de
grachten leken ons niet zo breed, ze zijn van een
middelmatige breedte, de wallen en bolwerken
zijn van behoorlijke omvang maar op sommige
plaatsen zeer smal en tussen de Diezer- en de
Kamperpoort zelfs zeer vervallen. Daarna gingen
Schilderij met anamorfose
aan Matthias
Somer toegeschreven
(Utrecht Centraal
Museum; afgebeeld in
tent.cat. Stilleben in
Europa, Munster 1979,
103, afb. 63).
In een cilindervormige
spiegel wordt de voorstelling
herkenbaar als
een bij lamplicht lezende
oude man (afgebeeld
in tent.cat. Stilleben in
Europa, Munster 1979,
103, afb. 63).
De Pelsertoren met vervallen
stadsmuur, tekening
door Gerrit Grasdorp
(1659-1716) (coll.
Stedelijk Museum
Zwolle).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
• Interieur van de Grote
ofMichaëlskerk met de
kansel en het orgel
omstreeks 1880.
Prentbriefkaart van de
Bethlehemkerk
omstreeks 1900.
we in een kerk, de zogeheten ‘Blimische kerk’, ook
wel (zoals ze eigenlijk heet) de Bethlehemkerk
genoemd. Er werd catechisatie gegeven en het
achtste gebod over het kwaadspreken werd uitgelegd.
We verwonderden ons over het feit dat er
geen kinderen aanwezig waren, voor wie toch
eigenlijk het catechiseren bedoeld is, er waren louter
oude mensen van wie de oude mannen de één
na de ander de vragen van de predikant beantwoordden.
8 De kerk is niet groot en het is ook
helemaal geen bijzonder gebouw.
De vijfde mei bekeken we ’s morgens eerst de
zogenaamde Grote ofMichaëlskerk. Deze staat op
de Markt. Het is een mooi, groot, hoog, licht en
prachtig gebouw. De mooie kansel in de kerk is
zeer beroemd. Ze is met zeer veel houtsnijwerk
versierd maar haalt het naar onze mening niet bij
de kansel die we in Bolsward gezien hebben. Ze is
ook van eikehout, de versieringen zijn echter
gewoontjes en niet zo natuurlijk en kunstig
bewerkt. Op of onder de zes treden stonden de
jaren waarin de kansel vervaardigd werd, namelijk
van 1617 tot 1622. Op de bovenste twee treden
stond echter dit: ‘So.la.un.ha.gew.’ Wat dit betekende
en wat de naam van de meester was kon de
koster mij niet zeggen. Het eerste wil echter zoveel
Ceililehcmsche Kerk
zeggen als ‘So lang hat gewerkt’, oftewel ‘So lang
onder handen geweest’. De naam van de meester
vond ik linksvoor onder de kansel:
‘Al quam Godt van boven / Meester van alle
Man / noch sal ’t elck nit loven / ’t welk men
niet laken [moet zijn ‘laten’: aantekening Von
Uffenbach] kan. / Adam Straes van Weilborg
uyt dat Duyts / Landt Nassauwe / heft dit
gemaeckt sonder arch / en dat al door Gods
betruwe.’
Op de andere zijde stonden nog veel meer spreuken,
echter niet de moeite waard om te noteren.
Evenals het bovenstaande is het niet goed Nederlands
en ook niet goed Duits. Het andere, zeer
merkwaardige in deze kerk is de hoge stenen trap
die tot het gewelf van de kerk reikt. Deze staat,
hoewel ze 87 treden heeft, geheel vrij en heeft in
het midden geen post of zuil waarin gewoonlijk de
treden liggen. Ze lijkt daardoor op een slakkenhuis
en men kan heel aardig in het midden van
boven naar beneden en van beneden naar boven
kijken.9
De consistoriekamer is niet groot maar wel
mooi. In het midden, boven de schouw, hangt een
schilderij waarop de nu levende vijf predikanten
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
en drukker naar prenten en kopergravures vroegen,
troffen we daarvan onverwachts een grote
voorraad aan, alsook schilderijen en mathematische
zaken die hij verzameld had. Hij heet Gerrit
Tydeman en is ‘ordinar Drukker van de Staaten
van Overyssel’.” Hij is, zoals hij ons verzekerde, 73
jaar oud en heeft nog helemaal geen bril nodig.
Vroeger was hij schilder van beroep en daarom
heeft hij nu nog plezier in het verzamelen van
schilderijen en dergelijke.
Schilderij door Hendrick
ten Oever (1639-
1716), 1691, in de Grote
ofMichaëlskerk.
Gezicht vanuit de stadhuiskantine
op de Onze
Lieve Vrouwekerk en
Peperbus, pentekening
door Kitty Disch 1989
(coll. Gemeentearchief
Zwolle).
naast de koster om een tafel zitten en consistorie
houden, zeer goed geschilderd door Hendrick ten
Oever, 1691. Het schilderij is zó goed dat, wanneer
men het in de kerk van onder af bekijkt, men
denkt dat de mensen levensecht zijn. We troffen
onder die predikanten o.a. Van Leenhof aan,
beroemd vanwege zijn boekje ‘de Hemel op aarden’.
Op het schilderij is hij afgebeeld met een veer
in de hand. De toren aan de kerk is niet echt hoog.
Tijdens een onweer is de toren namelijk afgebrand.
10 Aan een zijde van de Markt bevindt zich
tegen de kerk de hoofdwacht: een sierlijk stenen
gebouw of huisje, waarboven staat: ‘VIGILATE
ET ORATE. / Anno 1614 / R. (reparatum) 1689.’.
Daarna wilden we de Onze Lieve Vrouwekerk
zien die door Marperger tot de bezienswaardige
gebouwen wordt gerekend. Alleen is er niets aan te
zien omdat ze al een tijdje leeg staat en tamelijk
vervallen is. Het is wel een groot gebouw, jammer
dat het zo verloedert. Op de tamelijk hoge toren
bevindt zich het uurwerk, dat echter zeer slecht is
zoals boven vermeld werd. Omdat het nog vroeg
was gingen we gewoontegetrouw naar een boekhandel
op de Markt. We vonden weinig goede
boeken maar toen we bij de oude boekhandelaar
Vervolgens toonde hij ons in een kamer veel
mooie schilderijen. Waaronder enkele heel bijzondere:
een perspectivisch stuk van de Oude
Kerk in Amsterdam, waarop het door de vensters
vallend zonlicht en schaduwen op de pijlers te
bewonderen waren. Verder een buitengewoon
mooi stilleven met spijzen [banketje] en ettelijke
zeestukken. Daarna leidde hij ons naar zijn druk-
De Hoofdwacht voor de
restauratie van 1883
(foto: F.W.H.Deutmann
omstreeks 1870,
coll. Waanders, coll.
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Emanuelde Witte
(1616/18-1692), interieur
van een protestantse
gotische kerk met
motieven van de Oude
Kerk te Amsterdam
(coll. Rijksmuseum
Amsterdam, inv.nr.
SK-A-4055. Copyright
Rijksmuseum-Stichting
Amsterdam).
Pieter Janssens Elinga
(1623-voor of in 1682),
perspectiefkast (coll.
Museum Bredius Den
Haag).
gelijmd en zeer fraai vervaardigd.
Daarna toonde de heer Tydeman ons zijn
bibliotheek die louter uit mathematische en perspectiefboeken
bestond. Hoewel het meeste in het
Nederlands en Frans was zaten er zeer veel goede
boeken tussen. Zijn bibliotheek bestond uit ongeveer
400 banden.12 Heer Tydeman is een verwoed
verzamelaar en, zoals hij inderdaad door voorwerpen
die door hem zelf vervaardigd waren bewees,
een groot kenner van het Perspectief en de Gnomonica
[kennis omtrent zonnewijzers]. Ten eerste
liet hij ons ettelijke kleine kastjes zien die de
beginselen van het Perspectief tonen. Een van deze
kastjes was van binnen aan alle vier zijden met een
verwrongen figuur beschilderd en men kon, wanneer
men er van bovenaf in keek, er niets uit
opmaken of herkennen. Als men echter door een
klein gaatje keek, dat naar het oogpunt gemaakt of
gericht was, zag men een kamer vol met stoelen.
Een stoel stond in het midden, terwijl er toch in
het midden geen [penseel]streek te zien was .’3
kerij en zijn woonvertrekken die ook vol mooie
schilderijen hingen. Het belangrijkste daaronder
was een klein schilderij met een heel bijzondere
voorstelling van een plundering en brandstichting
van ettelijke huizen bij nacht.
Daarna toonde hij ons zijn prenten. Daarvan
bezat hij een geweldig groot aantal zowel in portefeuilles
als ook van hele collecties en tezamen uitgegeven
werken van de beste meesters.
Hij verzekerde ons, zoals ook wel aannemelijk
was, dat hij meer dan 14.000 stuks bezat. Van bijna
alle bekende meesters, behalve van de oude meesters,
was wel iets aanwezig, van de meesten echter
zeer veel. De prenten waren echter niet zo goed
geordend. En hoewel hij met veel moeite een catalogus
van zijn verzameling heeft gemaakt, is deze
geordend volgens de volgorde van de prenten in
de boeken en op volgorde van aankoopdatum.
Echter er bestaan ook – naar onze mening – verscheidene
verzamelingen die zowel tezamen
gevoegd alsook uitgegeven of in der tijd tezamen
gebracht zijn. In een klein langwerpig boekje (het
leek wel op een stamboek) stonden meer dan dertig
op kaarten met olieverf geschilderde kleine
zeestukjes afgebeeld, op zwartgeverfd karton
Een ander kastje bevatte ongeveer 30 van papier
gescheurde figuren, die men na elkaar in het kastje
kon leggen en bekijken, het kastje was voor het
gemak zo gemaakt dat men niet voor elke figuur
een apart kastje hoefde te hebben. Daarna zagen
we andere verwrongen figuren, waaronder een
buitengewoon mooie kegel waarop een oude
lezende man met bril was voorgesteld.14 De meetZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
kundige instrumenten die hij had, waren ook zeer
mooi. Ik kan ze niet goed beschrijven omdat mij
de tijd ontbrak daarvan een schets te maken. Twee
heel bijzondere universeel zonne-uurwerken
waren buitengewoon mooi, gemakkelijk en zeer
deugdelijk en nauwkeurig voor allerlei observaties.
Ik vermeld niets van de veelhoek met allerlei
klokken en andere bekende voorwerpen. Tenslotte
wees hij ons op ongeveer 30 dozen vol zelfverzamelde
insecten en enige in glazen potten en spiritus
bewaarde zaken. Omdat de heer Tydeman
vol lof sprak over een mecanicien alhier, Bramer
genaamd, gingen wij nog voor etenstijd naar deze
persoon toe, in de veronderstelling enige instrumenten
bij hem aan te treffen.15 Hij verontschuldigde
zich echter dat hij helemaal niets klaar had
staan. Omdat de instrumenten in Zwolle geen
aftrek vonden legde hij zich alleen toe op het
maken van uurwerken. Hij toonde ons enige grote
en kleine zeer zuivere uurwerken die hij goed verkocht.
’s Middags bezochten we dominee Leenhof
[Frederik van Leenhof, 1647-1712]. We gingen
alleen naar hem toe omdat hij beroemd was
geworden door zijn boek, waarover een heftige
strijd ontstaan was. We verwachtten niet iets bij
hem te zien. We troffen echter een mooie voorraad
schilderijen en prenten aan.16 Hieronder
bevond zich een heel bijzonder stuk op doek, zo
geschilderd dat het eruit zag als een plank waarop
een prent was gelijmd. Het zag er zó natuurlijk uit
dat, als men het van heel dichtbij naderde, men
het bedrog niet eerder in de gaten had, dan totdat
men het aanraakte en voelde dat het maar doek
was.17 Verder zagen we bij hem een paneelschildering,
de geschiedenis van Maria Magdalena voorstellend.
Hij had er een houten geschilderde kast
om laten maken en hij beschouwde het als zeer
belangrijk omdat het al aan het begin van de zestiende
eeuw door een tijdgenoot van Lucas van
Leyden [1494-1533] gemaakt was. De schildering
en tekening is naar onze mening echter niet zo bijzonder.
Wat de prenten betreft, die lagen in zulke verschrikkelijk
grote en dikke portefeuilles zoals ik
van mijn levensdagen nog niet heb gezien. Het
papier was met het grote grijze olifant papier
e, die fji in Kertk_geft,ea ,
GehewfiemA God en qujt hier innl « w j n ete
Portret Frederik van
Leenhof met hekeldicht
(coll. Stedelijk Museum
Zwolle).
ongebroken of tezamen gelegd, aan het einde aangehecht
en daarover was in de lengte een stuk van
twee handen breed aangelijmd. Het was bedekt
met onovertrokken vingerdik eikenhout. Deze
uitvinding, zoals men ze vindt bij veel boeken in
oude bibliotheken, vooral in kloosters, is voor zulke
grote portefeuilles zeer geschikt en ik wenste
dat mij dat ingevallen was toen ik mijn portefeuil-
Trompe l’oeil of’bedriegertje’:
schilderij, olieverf
op doek, van plank
waarop een prent is
gelijmd (voorbeeld:
Sebastian Stofikopf toegeschreven,
trompe l’
oeil met gravure,
Wenen Kunsthistorisches
Museum (afgebeeld
in tent.cat. Stilleben
in Europa, Munster
1979, 499)-
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Titelblad Den Hemel op
Aarde opgeheldert van
de Nevelen van Misverstand,
en Vooroordelen,
Eerste Deel door Frederik
van Leenhof, uitgegeven
te Zwolle door
B. Hakvoord 1704 (coll.
Gemeentearchief Zwol-
Ie).
les voor portretten liet maken. Men zou ze van
sierlijk hout kunnen nemen en laten inleggen met
wortelnotenhout zodat het dan veel op een Franse
band lijkt. Wat de prenten zelf betreft, daarvan
was er een zeer grote hoeveelheid, maar voor
zover wij ze gezien hebben, in hoofdzaak van louter
nieuwe meesters zoals Nicolas Ie Brun, Callot,
Ie Fage, enzovoorts. Op een schoorsteenmantel
stonden zeer veel keizerskoppen die in Leiden zeer
fraai gemaakt worden van gips en daarna
gebronsd.
Om terug te komen op de heer Van Leenhof en
zijn strijd: het is een man van ruim 40 jaar, zeer
begaafd in het preken, en hij staat daarom, en vanwege
zijn humaniteit, bij hoog en bij laag in hoog
aanzien, zowel in de stad als bij de Staten van de
Provincie. Maar door zijn boek, de Hemel op
aarde, heeft hij zich door enige qui Classicum cecinere,
is de woede van de hele geestelijkheid van alle
provincies op de hals gehaald. Op zijn minst zijn
zij er op uit dat hij uit het predikambt stapt, maar
de zogeheten Magistraat [= Zwols stadsbestuur]
en de Staten van de Provincie daarentegen proberen
hem te behouden; men weet nog niet hoe het
eigenlijk zal aflopen.
Enigen verzekerden mij dat hij deze week voor
de laatste keer preekt, maar dat de uitdeling van
het Avondmaal, het dopen van kinderen, het
troosten der zieken en dat soort zaken, met uitzondering
van het verkondigen van de leer, voor
hem behouden blijven.
Wat de bezoldiging betreft krijgt hij van de
Magistraat, in plaats van de 1000 gulden die hij
kreeg, 800 gulden; de Staten van Overijssel geven
hem echter uit bijzondere vrijgevigheid 400 gulden
jaarlijks. Daar hij voorheen van de Staten
niets ontving, wordt hij er niet slechter van. Hij
kan er van rondkomen omdat hij nog ongetrouwd
is. Men verwondert zich erover hoe heftig de theologen
over deze kwestie de degens gekruist hebben.
Velen zijn van mening dat als hij zijn traktaatje
niet zo’n bijzondere titel had gegeven, men
zich er niet aan gestoord zou hebben. Maar omdat
de theologen zich tegen alle vernieuwingen verzetten,
zo wilden ze in het bijzonder van geen nieuwe
Hemel op aarde weten. Of de beschuldigingen en
verdachtmakingen tegen de heer Van Leenhof
H E E L
© e j *
M
A A R D E N
OPGEHELDERT
V A N DE
Nevelen vanMisvcrftandjCnVooroprdeclcn.”
EERS.TE.DEEL.
JÜaat (n tw <0;tmtUH rn ctrwtnt %»imf rftlnnrn ut Drtürüiflidae tioiyTiormii/ tmtnatmtRfiijrtrii ilfW!icii&rfj;ffifiiöa4crc 1 WB.HAKVOORD. SSortfccftopreoan onterecht zijn laat ik in het midden. Uiterlijk ziet hij er slim genoeg uit, hoewel in het overige zijn eruditie, voor zover ik dat in het discours kon bespeuren, helemaal zo groot niet is. '9 De zesde mei, dinsdagmorgen om vier uur, vertrokken we uit Zwolle. We kwamen steeds bij de kleine rivier de Aa, die door Zwolle tot in de zee bij Genemuiden gaat. De weg was niet zo goed als in de overige provincies der Nederlanden, maar zeer slecht. Hieruit blijkt dat de voorschriften en de verordeningen van de stad Zwolle toch niet zo goed zijn. Hierbij moet ik dan nog aantekenen dat ik in Zwolle overal naar de wetten en constituties van de stad gevraagd heb, om te zien of ze dan zo voortreffelijk zijn. Ik vernam echter dat die nooit gedrukt zijn en dat men van stadswege alleen maar enkele speciale verordeningen bijvoorbeeld op het gebied van het vuur heeft. Wel heeft men het landrecht van de provincie in druk maar dat geldt niet voor de stad. Nadat we in drie uren anderhalve mijl20 gereden hadden kwamen we bij een dorp, Wijhe genaamd, dat halverwege Deventer ligt en waar de gewone postwagen, die elke dag uit beide plaatsen vertrekt, wisselt. ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93 Noten 1. Op de tentoonstelling De wereld binnen handbereik, 26 juni - ïi oktober 1992 in het Amsterdamse Historisch Museum, werd een representatief overzicht gegeven van wat er in de zeventiende en vroege achttiende eeuw verzameld werd. Zie: De wereld binnen handbereik: Nederlandse kunst- en rariteitenverzamelingen, 1585-1735. Catalogus en esaybundel, Amsterdam (Amsterdams Historisch Museum), 1992. 2. Z.C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engeland, Ulm & Memmingen: Joh. Fr. Gaum 1753-54,3 dln., dl. 2 (1753), p. 361-371. (Rijksmuseum Amsterdam, coll. Bibliotheek, 319-E15A7). 3. Sloet tot Oldhuis publiceerde in 1854 de voornaamste indrukken van VonUffenbach tijdens het verblijf in Overijssel in 1710. Datgene dat Sloet tot Oldhuis met betrekking tot Von Uffenbachs verblijf in Zwolle uit diens geschriften overnam is minder uitgebreid. Zo ontbreken bij Sloet tot Oldhuis de uitvoerige beschrijvingen van de kunstverzamelingen van Gerrit Tydeman en Frederik van Leenhof en het bezoek aan de uurwerkmaker Willem Bramer. Zie: B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, 'Zacharias Conrad von Uffenbach in Overijssel. 1710.', in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren, 19 (1854), 257 e.v., voor Zwolle: 258-264. 4. J. de Meyere, H. Weyma, Anamorfosen: kunst met een omweg, Bloemendaal 1989,7,74. 5. 'Zeiller in itin.Germ. p. 453 aus Braunio en Casp. Ens.'. Von Uffenbach, op cit. (zie noot 2), 361. Schrijver en titel konden niet achterhaald worden. 6. De tekst van Von Uffenbach met betrekking tot het verblijf in Zwolle is in dit gedeelte van het artikel zo volledig mogelijk geparafraseerd. 7. Zie over de uur- en slagwerken van de Zwolse kerken: TJ. de Vries, Hora ruit, tempus fluit, Zwolle 1963,8,28,39. 8. In de kerk werd zondags slechts een dienst gehouden, 's middags vond er een 'publieke catechisatie' plaats. Zie: W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle, Zwolle 1890,177. 9. In de hoek tussen de oostgevel v

Lees verder

Zwolse Historisch Tijdschrift 1995, Aflevering 3

Door | 1995, Aflevering 3, Afleveringen, Jaartal, Overig, Zoek in ons tijdschrift

– A >5
1
Historische
IETIJD
F
1 2 E J A A R G A N G 1 9 9 5 N U M M E R 3
./ i
t
ï/ó
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Voor en na de revolutie
.DocoetW •-•«”*<«« »anhoud«adiold. er io.ooo ' " *" *iu do Zie gotc$tn, wordou mei ÏÖtcbtea hul» io oiKtc'zoükcn of cl ooit VP>QJ vcippiscQ vucn^^
. Op Keiioj^t EulIcD.t.ll» treitcdebetalxiqEeB vmqdta, en :’r^tv
De veranderingen in het revolutiejaar 1795
kunnen treffend geïllustreerd worden door
een vergelijking van twee exemplaren van de
Zwolsche Courant; een van voor en een van na de
Bataafse revolutie. Er vallen dan drie zaken op: de
naamsverandering, het verschijnen van een uitgesproken
politiek motto en een nieuwe jaartelling.
Voor 1795 heette het blad de Overysselsche Courant.
Op last van het Zwolse revolutionaire stadsbestuur
werden de uitgevers in mei 1795 gedwongen de naam te
veranderen in Zwolsche Courant. Dit was zeer tegen de
uitdrukkelijke wens van de uitgevers, vader en zoon
Tijl, die vreesden daardoor lezers in andere plaatsen te
verliezen.
Deze dwang van het stadsbestuur, die niet toegelicht
werd, is opvallend in strijd met een van de nieuwe
politieke patriottische uitgangspunten die de uitgevers
in de kop van de Zwolsche courant plaatsten. Het waren
de kernbegrippen van de nieuwe maatschappelijke
orde, de bekende trits: vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Tegelijkertijd werd het begin van de aangevangen
revolutionaire tijd aangeduid door een aangepaste jaartelling.
Het revolutionaire bestuur startte met een nieuwe
jaartelling: ‘Het eerste jaar der Bataafsche vryheid’.
Omdat niet alle kranten uit 1795 bewaard zijn is
niet duidelijk wanneer vader en zoon Tijl voor het eerst
revolutionaire kleur bekenden. Het is duidelijk dat zij
zich om commerciële redenen verbonden met de nieuwe
tijdgeest want zo goed als iedereen in Zwolle was patriottisch,
dus Bataafs gezind.
Zo werd de lezer er om de paar dagen (de krant verscheen
nog niet iedere dag) aan herinnerd – zo hij dat al
vergeten kon zijn en misschien wel tot zijn chagrijn – dat
de oude tijd voorbij was en hij in een nieuwe era leefde.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
Redactioneel Inhoud
Tot de bekende, op de lagere school en later
geleerde mooie ronde jaartallen behoort naast
uiteraard 1600 ook 1795, het jaar van de Bataafse
revolutie.
Tweehonderd jaar geleden trokken de Fransen over
de bevroren rivieren de Verenigde Republiek binnen.
Men werd verlost van de ‘tiran’ Willem V, die trouwens
al naar Engeland gevlucht was, en het bewind van de
aristocratie. Ook te Zwolle vond een omwenteling
plaats waarbij de patriotten die in 1787 verdreven waren
weer in het stadsbestuur kwamen. De revolutie zorgde
het hele jaar voor de nodige commotie. Aan een aantal
aspecten wordt in dit nummer aandacht geschonken.
J.J. Seekles beschrijft de activiteiten van het Comité
Revolutionair dat in januari 1795 de omwenteling tot
stand bracht. Hij onderzocht ook welke sociale positie
de leden van het Comité onder de Zwolse burgers innamen.
In maart raakte Zwolle verwikkeld in een regeringscrisis
doordat het zittende stedelijk bestuur het bijltje
erbij neerlegde. Wat de heren bezielde wordt verteld
door H.A. Stalknecht.
Het vervolg van de gebeurtenissen haalt J.C. Streng
op. Daarbij wordt zowel aandacht besteed aan de hoge
idealen van de patriotten en de bestuurlijke democratisering,
als ook aan de dagelijkse beperkingen.
De muziekcultuur werd verrijkt met Frans revolutionair
repertoir. F.D. Zeiler is de aangewezen figuur die
daar meer over kan vertellen.
Nog in 1955 was de Zwolse revolutie voor Hans van
Assen de aanleiding om er een spannend jongensboek
over te schrijven. Aan dit vrijwel vergeten boek, wordt
hier nog eens herinnerd.
Aan het slot een huishoudelijke mededeling. In het vervolg
zal de bibliothecaresse van het Zwolse archief, Marieke
Schaap, de lezers van dit tijdschrift op de hoogte
houden van de belangrijkste nieuw verschenen boeken
en artikelen over de geschiedenis van Zwolle.
Voor en na de revolutie 76
Het Comité Revolutionair te Zwolle J.J. Seekles 78
In memoriam Rob van den Elzen 78
Gantsch wederregtelyk in de wereld gebragt’.
Waarom de municipaliteit bedankte H.A. Stalknecht 85
Het eerste jaar der Bataafse vrijheid J.C. Streng 89
‘Welaan! rechtschapen Vaderlanders!’ Muziek rond het revolutiejaar
1795 F.D. Zeiler 98
Drie jongens in revolutietijd, een jongensboek van Hans van Assen
J.C. Streng 104
Literatuur 106
Agenda 107
Mededelingen 108
Auteurs 109
Omslag: De Bataafse revolutie te Zwolle is door de tijdgenoten niet in beeld
gebracht. Deze afbeelding van het binnenrukken van de Fransen door de Sassenpoortwerdin
1955 door R. van Looy gemaakt voor het boek ‘Drie jongens in
revolu tietijd’. ^^^^HBBB^^^^^H
78 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
J.J.Seekles
Het verslag van de laatste
bijeenkomst van de
meente. Hiermee kwam
een einde aan dit eeuwenoude
instituut.
Het Comité
revolutionair
te Zwolle in 1795
Naar de organisatie, samenstelling, sociale structuur
en activiteiten van burgers die betrokken
zijn geweest bij de staatkundige ontwikkelingen
op landelijk en lokaal niveau tussen 1780 -1812 zijn
diverse onderzoekingen verricht. Vooral de hedendaagse
belangstelling voor deze nieuwelingen of Homines
Novi heeft tot een groot aantal publicaties geleid. Wie
waren zij; hoe kwamen zij aan de macht; wat valt er te
vertellen over hun opleiding, beroep en welstand? In dit
artikel staan vooral de leden van het Comité Revolutionair
te Zwolle centraal.
Door genealogisch en biografisch onderzoek zijn
over de leden van het Zwolse Comité Revolutionair zoveel
mogelijk gegevens verzameld. Hierbij is gebruik gemaakt
van de door Elias en Scholvinck gehanteerde methode
in hun boek Volksepresentanten en Wetgevers, de
politiek elite in de Bataafs-Fanse tijd, 1796-1810. Maar
vooraf aan het onderzoek gaat een paragraaf met een
beknopte beschrijving van de historische gebeurtenisü
/
-&~*-~ (Lus ^ x 1 “>
.’/-tl
sen die hebben geleid tot de fluwelen revolutie te Zwolle
in januari 1795. Besloten wordt met enige conclusies.
De machtswisseling in januari 1795
Eind juni 1787 hield het Goudse vrijcorps prinses Wilhelmina
aan bij Goejanverwellesluis. De Oranjepartij
gebruikte dit als voorwendsel om haar broer koning
Frederik Willem II van Pruisen tot een interventie te
bewegen. De Pruisische commandant Van Goltz trok
op 23 september 1787 Zwolle binnen. Op de interventie
volgde niet meteen een restauratie. Deze kwam pas in
oktober tot de magistraat in orangistische geest werd
hervormd. Slechts drie patriotse burgemeester bleven
gehandhaafd.
Deze zogenoemde restauratieperiode (1787-1795)
verliep betrekkelijk rustig in Zwolle. Oranjeterreur van
betekenis vond niet plaats. Van vervolging van patriotten
was geen sprake. Hoewel openlijke patriotse genootschappen
verboden waren, bleven vergaande
maatregelen tegen patriottischgezinde organisaties, zo-
In memoriam
Rob van den Elzen
Begin juli kreeg de redactie van het Zwols Historisch
Tijdschrift bericht dat Rob van den Elzen zijn activiteiten
als grafisch vormgever voor de vereniging
moest stopzetten. Hij was getroffen door een ernstige
ziekte.
Een maand later – op 3 augustus – is Rob overleden.
Sinds 1991 was hij actief voor het Zwols Historisch
Tijdschrift. Dankzij zijn kwaliteiten kreeg het
blad van de ZHV de uitstraling van een professioneel
tijdschrift. De complimenten die werden ontvangen
voor de nieuwe lay-out hoorden hem toe.
In de afgelopen periode is er sprake geweest van
een zeer plezierige samenwerking; op Rob kon je rekenen.
Rob voelde de aard van de ZHV perfect aan. Hij
moet een zwak gehad hebben voor de vereniging.
Het is triest dat zo’n goede samenwerking zo
bruut afgebroken wordt. Het verlies van de ZHV valt
echter in het niet als dat afgezet wordt tegen dat van
zijn naaste familie. Wij hopen dat zij de sterkte kunnen
opbrengen in deze zo moeilijke periode.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
als het Zwolse Departement van de Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen en het Commercie College, achterwege.
In de loop van 1794 begonnen de Franse militaire
successen de orangisten steeds meer zorgen te baren. Er
vonden bidstonden plaats om Gods bescherming af te
smeken tegen de oprukkende revolutionairen. In januari
1795 naderden de Fransen Zwolle. De stad lag op de
route van terugtrekkende Engelse troepen naar Hannover.
Tegen het eind van de maand maakten de Engelsen
zich op om de stad te verlaten.
In het machtsvacuüm tussen het vertrek van de Engelsen
en de komst van de Fransen grepen de patriotten
hun kans. Zij kwamen samen in de Nieuwe Concertzaal,
gelegen op de hoek van de Bloemendalstraat en de
Koestraat.
Er werd een Comité Revolutionair gevormd. Op 30
januari 1795, de Fransen waren toen al in Kampen, eiste
het comité revolutionair een samenkomst van Raad en
Meente. Het stadsbestuur stemde daarin toe. Intussen
bezetten gewapende burgers de Sassenstraat, de Grote
Markt en het Grote Kerkplein.
De wapens hadden zij kort tevoren van het stadsbestuur
gevraagd en gekregen, zogenaamd om zich te beschermen
tegen losgeslagen Engelse soldaten. ‘
Op deze historische bijeenkomst, het zou de laatste
gezamentlijke vergadering van raad en meente worden,
werden de heren door Pyman – in een door Nolst geschreven
rede – verzocht om af te treden. Er zat met de
Franse troepen voor de poorten en een gewapende burgerij
op de markt voor het stedelijk bestuur niets anders
op dan te vertrekken. Door het Comité Revolutionair
werden vervolgens zestien Volksrepresentanten en een
secretaris gekozen, die de stad twee maanden zouden
gaan besturen. Dit college bestond voornamelijk uit de
patriotse regenten van 1787, aangevuld met andere patriotten.
De grote klok werd geluid om de burgers te
verzamelen en het nieuwe bewind voor te stellen. Door
herhaalde toejuichingen gaf “het Volk” zijn toestemming
aan de keuze. De Volksrepresentanten werden
door het Comité Revolutionair geïnstalleerd en legden
op het balkon van het stadhuis” de Eed af aan het Volk”.
De vaandels van het patriottische burgerexercitiegenootschap,
dat in september 1787 was opgeheven, werden
door Pyman onder toejuichingen aan het volk getoond.
Kanongeschal vanaf de wallen maakte de Zwolse
fluwelen revolutie – en daarmee het einde van het ancien
régime – aan de omliggende plaatsen bekend.2
Een sociale stratificatie van het Comité
Revolutionair
In 1976 publiceerde M. van Heuven-Bruggeman de
resultaten van een onderzoek naar de leeftijd, het
geloof, de woonwijk, het beroep en de gegoedheid van
de ondertekenaars vaneen rekest uit 1785.3 Het bij
Raad en Meente ingediende rekest bevatte bezwaren en
grieven tegen het Regeringsreglement van 1748. Het
rekest werd ondertekend door ongeveer de helft van de
toenmalige Zwolse bevolking. De werkwijze van Van
Heuven-Bruggeman vond navolging in 1988 toen H.
Schrijver de sociale structuur van de Zwolse patriotten-
Gerritjan Pyman
(1750-1839), in 1787
vluchtte hij naarFankrijk,
in 1795 was hij tijdens
de Zwolse revolutie
de leidende figuur.
beweging tussen 1780 – 1787 onderzocht.4 In zijn scriptie
probeerde Schrijver het door Van Heuven-Bruggeman
geanalyseerde rekest uit 1785 te vergelijken met
tien andere namen- en ledenlijsten van Patriotse orga8o
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
nisaties in de periode 1783-1802, teneinde vast te stellen
“welke mannetjes het beeld bepaalden”.
De door Van Heuven-Bruggeman en Schrijver gehanteerde
werkwijze vormde ook de basis voor een nadere
analyse van de leden van het Comité Revolutionair,
met dien verstande dat aan “wijken en welstand”
slechts summiere aandacht is geschonken. Afsluitend
zal worden ingegaan op de rol en positie van leden van
De leden behoorden praktisch allemaal tot de Nederduits
Gereformeerde Kerk. Ook dit is niet zo verwonderlijk.
Ruim 3/4 van de Zwolse bevolking maakte
immers deel uit van dit kerkgenootschap. Wat meer
verbazing wekt is de deelname van twee leden (Van
Cleeff en De Roos) van de Doopsgezinde gemeente, terwijl
drie leden (Lans, Nilant en Pyman) aangesloten waren
bij de Vrijmetselarij. Het was vooral Pyman, die als
Op de pui van de raadstoren
op het Kerkplein
maakte Gerritjan
Pyman de revolutie
bekend.
het Comité Revolutionair na 1795 en zullen conclusies
worden getrokken.
Leeftijden en religie
De leden van het Comité waren tussen de 30 en 56 jaar
oud. De gemiddelde leeftijd bedroeg 41 jaar. Een weinig
opzienbarende conclusie. Dat waren de mensen, die in
het volle leven stonden, als potentiële kiezers.
Pompe van Meerdervoort was met zijn 30 jaar de
jongste, de oudste was de 56-jarige Hendrik van der
Veen. De groep bestond uit negen dertigers, drie veertigers
en vier leden waren ouder dan vijftig.
voorzittend meester van de vrijmetselaarsloge “L’inébranlable”
te Zwolle gedurende de jaren 1786-1788 voldoende
mogelijkheden had om het patriottische gedachtengoed
onder de gegoede burgerij te verspreiden.
Dat geen enkele Jood lid was van het Comité heeft
voornamelijk te maken met verminderende verdraagzaamheid
van regenten en bevolking. De vrijheid van
Joden bleef ook na 1785 aanzienlijk beperkt; de Joden
werden uit de meeste gilden geweerd en waren uitgesloten
van deelname aan verkiezingen.
Het volledige ontbreken van rooms-katholieken,
hoewel 22% van de bevolking uitmakend, werd veroorZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
zaakt door de angst voor represailles door de Magistraat.
De rooms-katholieken durfden het niet aan de
patriottische beweging al te openlijk te steunen.
Beroepen
Delen we de leden van het Comité in naar beroepsgroep,
dan moeten we constateren dat het merendeel
(tien leden) afkomstig is uit de lagere middenstand. Zo
treffen we een bakker, een schoenmaker, een bleker,
een timmerman, een graankoopman, een houtkoopman,
twee branders en twee leerbereiders aan. De
schoenmaker C. Jansen was in 1783 president van het
Schoenmakers-en looiersgilde. De brander Van Cleeff
zat in het bestuur van het St. Nicolaas-of kramersgilde.
Geconcludeerd mag worden, dat de Zwolse ambachtsgilden
in het Comité goed vertegenwoordigd waren en
ongetwijfeld de nodige invloed zullen hebben uitgeoefend.
Nolst en Nilant hadden een academische opleiding
genoten. Nolst was medicinae doctor en had zich na zijn
studie als arts in Rotterdam gevestigd. Vanwege zijn patriottische
gezindheid moest hij in 1788 Rotterdam verlaten.
Nolst trok daarop naar Zwolle. Deze keuze zal
dan ook niet zo toevallige zijn geweest, want Nolst kende
als lid van het dichtgenootschap “Studium Scientiarum
Genitrix” de bekende Zwolse dichter Rhijnvis
Feith.
Nilant behoorde tot het bekende Zwolse gelijknamige
magistraatsgeslacht, dat decennia lang als burgemeester,
schepen en raad in het stadsbestuur vertegenwoordigd
was. Nilant was verwant aan andere invloedrijke
regentengeslachten, zoals Greven, Scriverius en
Gelderman, die zeker sympathieën hadden voor de patriottische
beweging.
In 1778 vertrok Nilant naar Leiden om rechten te
studeren. Hij werd in 1779 aangenomen in de Leidse
vrijmetselaarsloge “La Vertu”, een kweekplaats van patriotse
denkbeelden. Hij trad in 1786 toe tot de Zwolse
vrijmetselaarsloge “L’inébranlable”, die onder leiding
stond van Pyman. Zijn politieke carrière begon in 1782
toen hij namens de wijk Voorstraat tot gemeensman
werd gekozen. Bij de verkiezingen van nieuwe schepenen
op 25 januari 1787 werd hij als patriot tot schepen
van de stad gekozen. Na de Pruisische interventie in
september 1787 verdween Nilant van het politieke toneel.
Zijn terugkeer in 1795 luidde een nieuwe periode
van politieke macht in. Eerst als verwalter-schout van
Zwollerkerspel, later als burgemeester en secretaris van
de gemeente Zwollerkerspel bleef Nilant tot aan zijn
overlijden in 1837 een belangrijke stempel drukken op
het politieke, maatschappelijke en economische leven.
De lagere adel werd vertegenwoordigd door een lid
van het geslacht Pompe van Meerdervoort uit Dordrecht.
Waarom Pompe van Meerdervoort in 1794 naar
Zwolle kwam is niet duidelijk. Na de Bataafse omwenteling
nam hij als commandant van de gewapende burgerwacht
en directeur van het Commercie College belangrijke
sleutelposities in. In de loop van 1796 keerde
hij plotseling terug naar het westen en startte een carrière
in de landelijke politiek. Hij werd lid van de Raad van
Oorlog, daarna van de Raad van Amerikaanse Koloniën
en Bezittingen en uiteindelijk Raad van de Minister van
Koophandel en Koloniën. In 1806 trad hij toe tot het
Wetgevend Lichaam.
Een van de prominentste en toonaangevende leden
van het Comité was de beroepsmilitair Pyman. Over de
betrokkenheid van deze uit Deventer afkomstige Pyman
bij de patriotse beweging in Zwolle is in de literatuur
mondjesmaat geschreven. De Vries noemt hem
“een singulier personage” en beschouwt hem als een
omhoog geklommen opportunist.5 In navolging van de
Vries noemt ook Lettinga Pyman een charlatan en gaat
verder niet specifiek in op zijn rol in de Zwolse patriottenbeweging
tussen 1787 en 1795.
Zeker is dat Pyman tot de leidende figuren van het
Zwolse Comité moet worden gerekend. Pyman begon
zijn loopbaan als stadscommandant van Zwolle. Door
zijn militaire vaardigheden, organisatievermogen en
contacten met hooggeplaatste personen in de landelijke
patriottenbeweging rees de politieke ster van Pyman razendsnel.
Kort na de fluwelen revolutie vertrok Pyman
naar Den Haag om in maart 1795 lid te worden van het
Bondgenootschap te Lande. Tot februari 1807 vervulde
Pyman verschillende belangrijke posten, waaronder die
van Agent (=Minister) van Oorlog, lid en directeur van
het Uitvoerend Bewind, lid van het Staatsbewind en Minister-
plenipotentiaris aan het Hof van Portugal. Hij
verdween in november 1807 geruisloos van het landelijke
politieke toneel.
Tot het Comité behoorden ook de landbouwer
Sluiter en de hovenier De Roos. Sluiter genoot als Gezworene
van de buurschap Dieze zeker aanzien. Hij ondertekende
al in 1785 het rekest aan de Raad en Meente
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Grote kerk in de
achttiende eeuw. Dit
was tijdens de tijd van
de patriotten en de
periode van de Bataafse
revolutie de plaats waar
de Zwolse bevolking bijeenkwam
om te stemmen.
Detail van een
schilderij van DJ. van
Elten (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
tegen het regeringsreglement van 1675 en bleef ook in
de jaren 1796-1798 politiek betrokken. De deelname
van De Roos aan het Comité heeft hem geen windeieren
gelegd. Als voorlezer en voorzanger van de Doopsgezinde
gemeente kende De Roos zeker de leden van de
Doopsgezinde familie Van Cleeff. Mogelijk mede door
hun invloed werd De Roos in januari 1796 tot stadsambtenaar
– aansteker der lantaarnen – benoemd. Tijdens
de eedaflegging verklaarde De Roos voorstander te
zijn van de afschaffing van het erfelijk stadhouderschap,
alsmede van een vrijheid gebaseerd op gelijkheid en respect
voor mensen – en burgerrechten. De rol van De
Roos in het Comité was duidelijk ondergeschikt.
Wijken en welstand
Zwolle kende aan het eind van de achttiende eeuw een
achttal wijken, de Voorstraat, Waterstraat, Diezerstraat,
Sassenstraat, Dijk, Dieze, Voor de Sassenpoort en Voor
de andere Poorten. Geen van deze wijken had de naam
deftig te zijn; delen van straten, gelegen in het oude centrum,
waren dat wel. Gedacht moet worden aan de Lutteke,-
Diezer,- en Sassenstraat, alsmede de Koestraat, de
Bloemendalstraat (alwaar de Patriotse voorman J.D.
Baron van der Capellen tot den Pol woonde) de Grote
Markt en de Melkmarkt. De leden van het comité
woonden hoofdzakelijk in de stad. Slechts een drietal, te
weten De Roos, Sluiter en Westerhof woonden buiten
de stadspoorten. Daar hadden zij immers hun bedrijven.
Over de welstand en vermogenspositie van de leden
is weinig bekend. Er is geen uitputtend onderzoek verricht.
Enkel van Nilant weten we dat hij een vermogend
man was. Hij behoorde in 1812 tot de hoogst aangeslagenen
in de directe belastingen. Als eigenaar van landerijen
nam hij een vooraanstaande positie in. Hij bezat
de buitenplaats IJsselvliet, diverse huizen en een suikerraffinaderij.
Rol en positie van leden van het Comité tussen
1780 en 1803
Verondersteld wordt dat bij de samenstelling van het
Comité Revolutionair geen “democratische spelregels”
zijn gevolgd. Twijfels daarover werden al geuit door de
achttiende eeuwse advocaat en procureur mr. Salomon
van Deventer: “Dog vrijdag den 30 januarij 1795, drie
dagen voor de aankomst van de Fransche Troupen
alhier, zijn alhier 15 Ingezetenen, zeggende uit naam
van het volk te komen (schoon er geen algemeene
oproeping van het volk geweest was, maar wat vergadering
van clubs aan bijzondere huizen, waarbij een
menigte van het volk niet verzogt nog tegenwoordig
geweest waren) en zig noemende het committe revolutionair…”.
Anders dan Van Deventer vermoedt Streng
dat het Comité Revolutionair voornamelijk bestond uit
leden van het door Pyman opgerichte Knuppelgenootschap,
een burgermilitie bewapend met knuppels. De
leden lijken zo van de straat geplukt; niet alleen vanwege
hun sociale status, maar ook omdat geen van hen
voor die tijd een belangrijke rol onder de patriotten
speelde.
Dat laatste is echter niet geheel juist. Hoewel onduidelijk
blijft hoe de samenstelling van het Comité Revolutionair
in zijn werk is gegaan, kan niet worden beweerd
dat individuele leden geen rol speelden in de
Zwolse patriottenbeweging.
C. Jansen en Van Cleeff waren al in 1783 actief. Beiden
ondertekenden in dat jaar een tweetal rekesten aan
burgemeesters, schepenen en raad, die betrekking hadden
enerzijds op het afschaffen van de drostendiensten
en anderszijds op het aangaan van een verbond met
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Frankrijk tegen Engeland.
Van der Veen (juni 1784-aug.l787) en Van Cleeff
(dec. 1786-aug. 1787) maakten deel uit van het vijftien
man tellende College van Burgergecommitteerden, die
in een brief aan het stadsbestuur hun grieven uiten tegen
de Gezworen Gemeente. Het eerdergenoemde rekest
uit 1785 werd gesteund door Van Cleeff, C. Jansen,
Koek, Van der Kolk, Lans, Sluiter, Van der Veen en
Westerhof.
Als kapitein en afgevaardigde namens het Zwolse
Exercitie Genootschap is Van Cleeff in mei en juni 1787
aanwezig op een provinciale vergadering van gecommitteerden
uit de gewapende schutterijen, vrijkorpsen
en genootschappen in Overijssel. Het in 1788 opgerichte
Commercie College kende als leden ondermeer Den
Bouwmeester, Nilant, Pompe van Meerdervoort, Van
der Veen, Van Wijhe en Westerhof.
Ook na de fluwelen revolutie van eind januari 1795
is de rol van de meeste leden van het Comité Revolutionair
niet uitgespeeld. Van Cleeff, Westerhof en Koek
overlijden in respectievelijk 1795, 1796 en 1797. Nolst,
Pompe van Meerdervoort en Pyman zijn vanaf 1795 en
1796 actief in de landelijke politiek. Daarmee is eind
1797 het aantal leden teruggebracht van zestien naar
tien. Tussen 1795 en 1803 zijn in totaal negen leden het
meest actief in de lokale politiek. Zij hadden respectievelijk
zitting in het College van Provisionele Representanten
(Van Cleeff, 1795), het Comité van Waakzaamheid
en Toezicht (C. Jansen, Van der Kolk, Lans, Nolst
en Van der Veen, 1795), het College van Wijkgecommitteerden
(Van der Veen en Van Wijhe, 1797), de Burgerkrijgsraad
(C. Jansen, 1796-1798), een commissie
belast met de herziening van het regeringsreglement
van 1797 (Lans, Van Wijhe en Sluiter, 1797), een commissie
belast met de samenstelling van een plan tot aanstelling
van een nieuwe municipaliteit (Van Wijhe,
1795) en tot slot in het bestuur van Zwollerkerspel (Nilant,
1795-1837).
Daarnaast traden zij geregeld op als afgevaardigden
of kiesgerechtigden namens wijk- en grondvergaderingen.
De overige leden, te weten Den Bouwmeester (vertrekt
in 1819 naar Kampen), R.C. Janssen en de Roos
manifesteerden zich minder nadrukkelijk.
De in 1803 uitgebrachte Verklaring tot onderwerping
aan de Wet en trouw aan de Constitutie wordt
door zes van de tien in Zwolle verblijvende leden
(R. C. Janssen, de Roos, Sluiter, Van der Veen, Van
Wijhe en C. Jans(s)en) ondertekend. Na 1803 is, met
uitzondering van Nilant, geen van de in Zwolle verblijvende
oud-leden van het Comité Revolutionair nog politiek
actief.
Conclusies
Samenvattend mogen we concluderen, dat het Comité
Revolutionair bestond uit mannen tussen de 30 en 56
jaar, dus de potentiële kiezers. Praktisch alle leden
maakten deel uit van de Nederduits-Gereformeerde
Kerk, met uitzondering van de doopsgezinde brander
Van Cleeff en mogelijk de hovenier De Roos. Joden en
rooms-katholieken ontbraken geheel. Gelet op de
afwijzende houding van de magistraat en de Zwolse
bevolking tegen deze bevolkingsgroepen was dat niet zo
verwonderlijk. Opvallend was de betrokkenheid van de
Vrijmetselarij. Zeker drie leden onderhielden banden
met Loges van de Vrijmetselarij. Voorts kenden leden
elkaar van bijeenkomsten in de koopliedensocieteit (het
Commercie College) of ontmoetingen op avonden van
het Zwolsche Departement van de Maatschappij tot
Nut van ’t Algemeen en het Dichtgenootschap “Studium
Scientiarum Genitrix”. Het merendeel van de leden
woonde in de stad, een enkeling in Dieze en buiten de
stadspoorten. Een meerderheid (10) in het Comité
werd gevormd door leden afkomstig uit de lagere middenstand.
Daarnaast waren bij het comité betrokken
leden uit de kringen van de academisch gevormden (2),
de lagere adel (1), het leger (1), alsmede een landbouwer
en een hovenier.
Opgemerkt moet worden, dat de meeste leden zowel
voor als na 1795 in de landelijke en lokale politiek
een rol bleven spelen. Zij waren overtuigde patriotten.
Dat gold in het bijzonder voor Pyman, Van der Veen,
Van Cleeff, Nilant en Nolst. Zij kunnen als leidende figuren
in het Comité worden beschouwd. Anderen, zoals
Lans, Van Wijhe, C. Jansen, Sluiter en Pompe van
Meerdervoort, traden minder nadrukkelijk op de voorgrond.
Terwijl we Den Bouwmeester, Koek, de Roos,
R.C. Janssen, Westerhof en Van der Kolk meer als meelopers
willen bestempelen. Wat in het bijzonder opvalt
is dat sommige Zwolse leden uit patriottenfamilies
stammen. Met name leden van de families Lans en Van
Cleeff worden veelvuldig op de talloze naam – en ledenlijsten
bij patriottische rekwesten of van patriottisch georiënteerde
organisaties aangetroffen. Jan van Zwolle,
schoonvader van Sluiter, was in 1787 lid van het Exerci84
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tiegenootschap te Windesheim. De schoonvader van
Van Wijhe, Jan Brouwer, alsmede de moeder van R.C.
Janssen ondertekenden eveneens de al eerdergenoemde
rekesten in 1783 en 1785. Het bevestigt dat met name in
de periode 1783 – 1803 geen enkele familie verschoond
bleef van het maken van keuzes tussen patriotten en
orangisten.
De totstandkoming van het Comité Revolutionair
blijft in nevelen gehuld. Van Deventer spreekt over “wat
vergadering van clubs aan bijzondere huizen, waarbij
een menigte volk niet verzogt nog tegenwoordig geweest
waren”. 7 Doelt Van Deventer hierbij op bijeenkomsten
van de Vrijmetselaarsloge, het Commercie
College en het Nut, alwaar het een en ander zou zijn
voorbereid?.
Streng vermoedt, dat de leden gerecruteerd waren
uit Pyman*s knuppelgenootschap. Bewijzen hiervoor
ontbreken. H. Schrijver heeft aangetoond, dat de Zwolse
patriotten zeker in de periode 1780 – 1787 over voldoende
organisatorisch kader en aanhang beschikten.
Zwolle was dus patriots genoeg; in die zin is de revolutie
zeker niet “geimporteerd”. In hoeverre is hier sprake geweest
van een door leidinggevende Zwolse patriotten
geregisseerde machtsovername? Was het vertrek van
Pyman, Nolst en Pompe van Meerdervoort – kort na de
bloedeloze fluwelen revolutie – naar belangrijke baantjes
in de landelijk politiek toeval of een beloning voor
hun optreden in Zwolle? Wellicht dat nader onderzoek
meer duidelijkheid kan scheppen.
* Dit artikel, maar dan aangevuld met de biografische
en genealogische gegevens van de leden van het
Comité Revolutionair, is ook gepubliceerd in de Nederlandse
Leeuw 1995.
1. P.J. Lettinga: “Onder Vrijheidskrijgsbanier leeft en
sterft de Batavier”. De patriottenbeweging in Zwolle
1780-1798, (typoscript) Zwolle 1987,45-46.
2. Vriendelijke mededeling van J.C. Streng, uit publicatie
in voorbereiding.
3. M. van Heuven – Bruggenman, “Een rekest in
Zwolle in de nazomer van 1785”, in: Verslagen en
Medeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsen Regten Geschiedenis, 91 (1976), 70-95.
4. H. Schrijver, De sciale structuur van de patriottenbeweging,
(typoscript) Zwolle, 1988.
5. Th. J. de Vries, G.J. Pyman, de geschiedenis van een
singulier personage, Zwolle, 1967.
6. Vriendelijke mededeling van J.C. Streng, uit publicatie
in voorbereiding.
7. “Zwolle’s Regering van 1787-1812, dagverhaal van
mr. Salomon van Deventer”, in: Bijdragen tot de geschiedenis
van Overijssel, 1875,1-29.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
f Gantsch weder regtelyk
in de Wereld gebragt’.
Waarom de municipaliteit bedankte
Op 30 maart 1795 heerste er grote verwarring op
het stadhuis van Zwolle. De op die dag gehouden
verkiezing van een nieuw stadsbestuur had
namelijk een onverwachte wending gekregen. Van de
zestien gekozen representanten lieten er maar liefst
veertien weten onder de heersende omstandigheden
voor de eer te moeten bedanken. Zo zat Zwolle plots in
een heuse regeringscrisis.
Het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
Bijna een maand eerder hadden de Provisionele Representanten
van Zwolle besloten tot het opstellen van een
regelement volgens welke de verkiezing van een definitief
stadsbestuur op 30 maart aanstaande zou moeten
geschieden. Hiertoe werd een speciale commissie ingesteld.
Het plan dat deze commissie op 28 maart in de
Overijsselse Cowrantpubliceerde stuitte echter op de
nodige weerstand van met name de Provisionele Representanten.
Desondanks werd besloten de verkiezingen
op 30 maart gewoon door te laten gaan, maar wel onder
de uitdrukkelijke vermelding, dat dit niet betekende dat
de Provisionele Representanten het met het opgestelde
regelement eens waren. Gezien de bezwaren die er ook
vanuit de burgerij tegen het plan naar voren werden
gebracht besloot de commissie naast het nieuw te
benoemen stadsbestuur ook een zogenoemd Comité
van Waakzaamheid en Toezicht te laten kiezen. Dit
Comité moest de spreekbuis worden via welke de burgerij
haar wensen aan de stadsregering kenbaar kon
maken. Representanten en het Comité van Waakzaamheid
zouden ook samen het omstreden reglement nader
bepalen.
En zo werd het 30 maart. In de Grote kerk verzamelde
zich de stemgerechtigde burgerij van Zwolle om daar
uit hun midden 32 kiesmannen aan te stellen. Aansluitend
kozen de kiesmannen de volgende zestien personen
tot representant: L. Rietberg, A. Gelderman, G.A.
Bezier, C.J. Zebinden, P. van Hoboken, J.A. Ledeboer,
R. Feith, G. Bodde, G.W. van Marie, L. Linthorst, H. Tegelaar,
H. Potgieter, G. van Grol, M. Helmig, P.H. Queisen
en HJ. van Cleef.
De eerste elf genoemden hadden ook al zitting gehad
in het college van Provisionele Representanten.
Als leden van het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
werden gekozen: H. van der Veen, N. Kantelaar,
H. Damman, B. ter Horst, J.W. van Rhijn, L. Nolst, A.
Doyer , S. van der Vegte, H. Lans, J. Klinkert, J. van der
Kolk en P. van Meerdervoord.
De volgende ochtend kwamen de kiesmannen op het
stadhuis bijeen waar zij de aftredende municipaliteit
van hun eed ontsloegen en bedankten voor het verrichtte
werk. Daarna werden onder het luiden van de klok
vanaf het balkon de namen van de leden van de nieuwe
H.A. Stalknecht
VRYHEID. GELYKHEID. BROEDERSCHAP.
VERSLAG
y»M I ! HANDELINGEN
OER
OP DEN soÖE MAA&T TE ZWOL BENOEMDE
KIEZERS
AAN HUNNE
COMMITTENTEN.
T i Z W O L L E ,
CoJrotabyFR.ANCOtS CLEMENT, Boekverkoper
ia de OicfaOnu.
!
Het pamflet waarin de
Voorlopige Representanten
hun besluit om
af te treden toelichten.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Arnoldus Gelderman
(1743-1796), lid van de
Provisionele Representanten
en een van de
bedanken, (foto: Iconografisch
Bureau).
municipaliteit voorgelezen en werd de nieuwe stadsregering
werd opgeroepen om op het stadhuis te komen
om daar de eed af te leggen. Maar zoals we al zagen liep
het net even anders. Van de zestien nieuwgekozen representanten
lieten er veertien weten de post van Representant
niet te kunnen aannemen. Alleen de heren Potgieter
en Van Grol toonden zich bereid hun benoeming
aan te nemen.
Ook het voltallige Comité van Waakzaamheid en
Toezicht, bijeen in de raadstoren, zag geen bezwaar in
het afleggen van de eed.
Om de nu ontstane crisis te bezweren werd besloten een
commissie samen te stellen. Deze commissie kwam met
het voorstel de oude municipaliteit te vragen zolang aan
te blijven totdat alle problemen waren opgelost. En zo
gebeurde het ook, de Provisionele Representanten (van
wie maar liefst elf ook in het nieuwe stadsbestuur waren
gekozen!) beloofden voorlopig aan te blijven, op voorwaarde
dat de zaak snel geregeld zou worden.
Verantwoording
Waarom nu zagen de gekozen representanten er geen
been in plaats te nemen in het nieuwe college? Destijds
is aan ieder persoonlijk gevraagd hun beweegredenen
schriftelijk over te leggen. Uit deze stukken, gepubliceerd
in een gezamenlijk Verslag’, blijkt dat vooral de
rol van het Comité van Waakzaamheid en Toezicht,
zoals omschreven in het omstreden concept-plan, de
verkozenen zorg baarde.
Zo schreef Van Marie: “Dog het geheel wat anders een
tweede lighaam van regeringe zonder enige nauwkeurige
bepalinge van deszelvs magt (waar voor geen oordeelkundig
mensch de 9 artikelen van het 3de hoofdstuk
van het Plan houden zal) in te voeren, waar van de
gehele inrigtinge ene natuirlyke strekking heeft, om het
zelve als het enigst bolwerk van ’s volks vrijheid te doen
beschouwen, en wel als een bolwerk, hetgeen men opzettelyk
heeft moeten opwerpen, tegen de te vrezene
overheerschinge der Municipaliteit”.
Men voelde zich blijkbaar niet gelukkig met de positie
van het Comité van Waakzaamheid en diens verhouding
tot het stadsbestuur. Het optreden van het Comité
lid Nolst heeft blijkens de stukken deze gevoelens alleen
maar versterkt. Rietberg schreef tenminste dat zijn twijfels
over het Comité van Waakzaamheid werden bevestigd
door: “… de Redevoering van Burger Nolst […] op
zulk een gezagvoerenden toon, dat de ondergetekende,
rondborstig moet bekennen, dat hy in geene der Regeeringsvergaderingen,
die hy immer de eer heeft gehad by
te wonen, een taal heeft hooren voeren, meerder geschikt,
om de zo hoognodige eendragt tusschen onderscheiden
Regerings Collegien te verdeelen en twist te
verwekken, en waar door hy ten vollen overtuigd is geworden,
van de gevaren, die er te wagten zyn, van een
Collegie, wat naam dat ook draagt, dat zonder instructie
is aangesteld, en van de schadelykheid van een Regeringsform,
in der haast en zonder qualificatie ontworpen,
en zonder genoegzaam beraad voor de burgery ingevoerd”.
Ook Gelderman wist zich het optreden van Nolst nog
maar wat goed te herinneren:
“Daarenboven moet de Ondergetekende by dezen
verldaaren, dat hy nog zeer gevoelig blijft over ’t gedrag
op den 31. Maart op de Raadkamer in U lieder presentie
door de Burger Nolst […] en over de dreygende aanspraak
aan hun gedaan”.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ook uit de reacties van de overige representanten blijkt
dat men vooral gekant was tegen de onduidelijke plaats
van het Comité van Waakzaamheid. De heer Zebinden
schreef:” Hoe kan ik zweeren van met eene Commissie
van Waakzaamheid te zullen medewerken, dat in zeker
opzigt myne manier van handelen schynd te wantrouwen?”.
Maar hij bracht ook een ander bezwaar naar voren:
“Hoe kan ik zweeren een vry man te zyn, daar men my
zoo wel als myne medeburgers de Soldaaten en Jooden,
myne vryheid om als burger voorlede maandag te mogen
stemmen ontnoomen heeft”. Reden te over dus om
de post te weigeren. Erg veel zin in het lidmaatschap van
de nieuwe municipaliteit had hij overigens toch al niet
gehad, gezien de slotwoorden van zijn schrijven: “van
niet te kunnen gelooven, dat men in een vry Land iemand
een post kan of mag opdringen, welke hy kan
bewysen dat allernadeligst voor zyn lighaams gestel en
ruineus voor zyn huysgezin is”.
Nogal dramatisch formuleerde R. Feith zijn meer persoonlijke
beweegredenen om af te willen zien van zijn
aanstelling:
“Indien ik myn levensdraad niet ontydig wil afgesneden
zien , moet ik, na twee maanden van den vroegen
morgen tot den laaten avond op het Stadhuis, onder
de onaangenaamste en dikwyls de gevaarlykste bezigheden
doorgebragt te hebben, en myne gezondheid hier
door ten eenenmaal bedorven te hebben, voor eerst rust
genieten […] Men dulde, dat thans voor eerst een ander
burger draage, wat ik gedraagen hebbe, en dat ik tot sedert
twee maanden geheel verzuimde plighten, die ik
aan myne huishouding en negen kinderen schuldig ben,
wederkeere”.
En ronduit heftig was de reaktie van Queisen. Hij
waarschuwde in zijn verklaring tegen het woelen van fanatieke
Robespierres, die maar al te gemakkelijk voor
eigen gewin het etiket aristocraat op eerzame medeburgers
plakten. Ook zijn voornaamste reden om te weigeren
de eed af te leggen lag in het reglement zoals dat
door de commissie was opgesteld. Hij vond het zijn
plicht, om “als eerlyk man te moeten verklaren, dat hy
dat reglement als geheel onwettig en onverbindend beschouwd,
vermits de opstellers van het zelve geen last of
volmagt hoe ook genaamd daar toe ontvangen hadden,
maar zy in tegendeel het zelve, geheel tegen den wil des
Volks, en dus gantsch wederregtelyk in de Wereld gebragt
hebben”. De tegenwerpingen van Queisen spitsten
zich eveneens vooral toe op de positie van het Comité
van Waakzaamheid. Daarnaast betoogde hij dat de
kosten van het Comité wel buitengewoon zwaar op de
begroting van de stad zouden drukken. Om ten slotte te
besluiten met de woorden:”[…] dat geene vreemde bedoelingen,
geene slinksche oogmerken, maar dat zyn
pligt, de waare belangens en het welzyn des Volks, dat
de hoogste wet moet zyn, hem heeft doen spreken, zo
als een eerlyk patriot, die niets ontziet, als het op het be-
De boekhandel van
Simon Clement op de
hoek van de Grote
Markt. Detail van een
schilderij van DJ. van
Elten (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
houd van waare vrijheid aankomt, maar alles by zynen
regten naam noemt, spreken moet”.
Samengevat kan worden vastgesteld dat de voornaamste
reden waarom de nieuw gekozen leden van de municipaliteit
hun aanstelling weigerden gelegen lag in de
naar in hun ogen onduidelijke positie van het Comité
van Waakzaamheid en Toezicht. Men vreesde dat het
Comité van Waakzaamheid door de ondeugdelijke instructie
teveel macht naar zich toe zou kunnen trekken
en zo zelfs in plaats van de municipaliteit de regering
van de stad naar zijn hand zou kunnen zetten. Men was
niet de mening toegedaan van de gekozene Potgieter die
vond dat in het reglement voldoende was vastgelegd dat
het Comité slechts onverbindende adressen aan de representanten
kon voorleggen “en geen verdere magt
kunnen uytoeffenen als door de oproeping van het
Volk, by wien de hoogste magt berust”. Een meerderheid
van de gekozenen vreesde voor een dominant en
ongecontroleerd Comité van Waakzaamheid en wilde
onder die omstandigheden niet aantreden.
De nieuwe municipaliteit
Met het voorlopig aanblijven van de Provisionele
Representanten was de regeringscrisis voorlopig van
zijn scherpe kantjes ontdaan. Maar de ongewilde stadsbestuurders
wilden zo snel mogelijk een definitieve
oplossing van de regeringscrisis. Moeilijkheden met de
te Zwolle gelegerde Franse troepen en daarmee samenhangende
grote financiële problemen maakten het
regeren beslist niet tot een pretje. Toch zou het nog tot
begin mei 1795 duren voordat de zaak was opgelost en
de kiezers opnieuw, op basis van een herzien reglement,
een stadsregering mochten kiezen. Op 4 mei werden de
volgende personen gekozen als lid van het stadsbestuur:
G. Bodde, C.W. Rensing., L. Linthorst, J. Doyer, H.
Tegelaar, A. Polier, H. Potgieter, G. van Groll, H.J. van
Cleeff, J. van LUI, D.O. van Riel, J. W. van Rhyn, C.G.
Ramaker, J. van Ulsen, L. Nolst en DJ. van der Laan.
Van de aanvankelijk gekozen zestien bestuursleden
waren er slechts zes herkozen. Twee leden van het
gewraakte Comité van Waakzaamheid namen zitting in
de nieuwe municipaliteit. Op 6 mei moesten de leden
van het nieuwe stadsbestuur de eed afleggen. En ditmaal
was er niemand die weigerde. En daarmee was een
einde gekomen aan een regeringscrisis die een maand
daarvoor zo onverwacht was ontstaan.
Noten
1. Verslag van de handelingen der op den 30ste Maart te
Zwol benoemde kiezers aan hunne committenten, Zwolle
[1795].
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
Het eerste jaar der Bataafse vrijheid
Met recht kan 1795 gezien worden als een revolutionair
jaar. Eeuwenlang was de inrichting
van het stadsbestuur vrijwel ongewijzigd
gebleven. Zelfs de Zwolse patriotten van 1787 wensten
bij hun aanpassingen binnen de bestaande constitutie te
blijven. Nu echter begon een gedurig aftasten en invoeren
van andere, meer democratische bestuurlijke vormen.
In dit artikel wordt veel aandacht besteed aan de
veranderingen in 1795. Maar tevens zullen met enige
voorbeelden de beperkingen van de revolutionaire mogelijkheden
worden geduid.
• • • * .
Het jaar van de commitees
De omwenteling in januari 1795 was door een Comité
Revolutionair (zie het hiervoor geplaatste artikel van
Seekles) tot stand gebracht. Het Comité Revolutionair
stelde een voorlopig bewind aan van zestien personen
onder de naam van Provisionele Representanten.’
Het was de bedoeling dat deze Provisionele Representanten
twee maanden aan het bewind zouden blijven,
tot de invoering van een definitieve nieuwe democratische
bestuursregeling. Daartoe werd er naast de
Provisionele Representanten een Comité gevormd dat
een nieuw ontwerpreglement moest opstellen voor de
wijze waarop in het vervolg een nieuw stadsbestuur van
volksrepresentanten gekozen zou worden. Dit Comité
was echter na twee maanden nog niet klaar zodat de
Provisionele Representanten hun ambtstermijn nog
eens met twee maanden verlengden. Op zes mei werd
uiteindelijk het nieuwe bestuur, luisterend naar de
naam Municipaliteit, benoemd. Het bestond opnieuw
uit zestien leden.
Als toezichthouder, eerst op de Provisionele Representanten
en later op de Municipaliteit, was het Comité
van Waakzaamheid en Toezicht in het leven geroepen.
Dit comité bleef tot september in functie. De opheffing
was een gevolg van een burgerbeweging. In de nacht van
11 op 12 september om circa twee uur trommelden Gecommitteerden
van een niet nader aangeduide Volks
Sociëteit en gewapende kapiteins van de burgerwacht,
enige leden van de Municipaliteit uit bed om hun bezwaren
tegen het Comité van Waakzaamheid en Toezicht
kenbaar te maken. 2 Omdat niet duidelijk was of
de meerderheid van de Zwolse burgers hier achter
stond, besloot de Municipaliteit de volgende dag tot een
volksraadpleging. Men handelde zeer snel. Democratisch
werd op 14 september door een volksstemming
met 2417 stemmen voor en slechts 35 stemmen tegen en
43 onduidelijke stemmen een einde gemaakt aan het
Comité van Waakzaamheid en Toezicht. Het Commité
protesteerde uiteraard tegen de gang van zaken maar
wenste ‘de Stem des Zwolschen Volks’ te eerbiedigen.3
In de plaats van het Comité van Waakzaamheid en
Toezicht werd de controlerende bevoegdheid op de
Municipaliteit in handen gelegd van nieuw op te richten
wijkvergaderingen. In grote haast werd daarvoor op 17
september een krakkemikkig reglement opgesteld. Er
werden twaalf wijken gevormd, acht in de oude binnenstad,
de Dijk en de wijken voor de drie poorten. De keus
J.C. Streng
Een pagina met handtekeningen
van mokkende
patriotten op Orangistische
ambtenaren. In
totaal protesteerde ruim
zeshonderd burgers.
90 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Enkele briefes waarmee
burgers assignaten inleverden.
om de wijken te kiezen lag voor de hand omdat de indeling
ook in gebruik was voor de wijkmeesters, de toezichthouders
op rust en orde in de wijk. De wijkvergaderingen
waren uiters democratisch. In tegenstelling tot
de vroegere meente kon elke Zwolse burger ouder dan
achttien jaar in zijn wijk aan de vergaderingen deelnemen
en stemmen. Ieder wijk stuurde twee afgevaardigden
naar de vergadering van de Gecommitteerden uit
de wijkvergadering waar gezamelijke besluiten werden
genomen. Tijdens de eerste vergadering op 6 oktober
werd er een overkoepelend bestuur van vier personen
gevormd. 4 Het reglement was zeer vaag over de bevoegdheden
van de wijkvergaderingen en de relatie tot
de Municipaliteit. Maar het democratisch gehalte van
het stedelijk bestuur was nog nooit zo groot geweest (en
na afschaffing enige jaren later, werd het ook nooit meer
geëvenaard).
Oud pattriottisch zeer
De Bataafse revolutie betekende de terugkeer van de
patriotten die in 1787 voor de komst van de Pruisen
waren gevlucht. Enkele waren toen naar Munster, en de
radicaalste naar Frankrijk uitgeweken. De Munsterse
vluchtelingen waren al eerder teruggekeerd, maar met
de komst van de Franse legers keerden ook de radicalen
weerom. Daartoe behoorden jonker Adolph Warner
van Pallandt tot Zuthem, die nog met Joan Derk van
der Capellen had samengewerkt en later met diens neef
en navolger, Robert Jasper van der Capellen. Anderen
waren Herman Willem Daendels en Gerrit Jan Pyman.
De drie heren hadden elkaar in Parijs ontmoet. En
vooral Daendels en Pyman hadden geleerd hoe men een
revolutie moest uitvoeren. Waren de patriotten in 1787
nog keurig binnen de stedelijke constitutie gebleven, in
1795 was daar geen sprake van. Al voor de komst van
het Franse leger, was Pyman te Zwolle en omgeving de
revolutie aan het organiseren. Hij en Daendels zouden
na de Zwolse revolutie snel naar Den Haag vertrekken.
Dat was voor ambitieuze mannen de plaats om in deze
tijden snel carrière te maken.
1795 was het jaar van het eerherstel van de patriotten
uit 1787. Bijna iedereen die in dat jaar in de patriottische
magistraat had gezeten, werd gekozen in de Provisionele
Representanten. Een van de eerste bestuursdaden
van de Provisionele Representanten was de verwijdering
van de stadhouderlijke portretten uit het
stadhuis.5 Het besluit van het orangistisch bewind
waarbij de predikant Piere Chevallier uit zijn ambt werd
gezet, omdat hij geweigerd had het herstelde stadhouderlijke
bewind te erkennen, werd ingetrokken.
Nu was het de beurt aan de patriotten om de orangisten
kwijt te raken. Aanvankelijk werden alle aanweziZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ge ambtenaren uit de orangistische periode geschorst
met de verplichting om hun werk gewoon voort te zetten.
Ze zouden op hun loyaliteit aan het nieuwe bewind
gewogen worden en als dat positief uitviel, mochten ze
aanblijven. Enige rancune bestond er wel onder de patriottische
Zwolse burgers. In juni en augustus dienden
ze een rekest in om in het nieuwe provinciale bestuur
geen personen op te nemen die vóór 1795 in het orangistische
bestuur hadden deelgenomen. Pas aan het
eind van het jaar werd definitief vastgesteld welke ambtenaren
in dienst van de stad mochten blijven. De burgers
werden opgeroepen bezwaren tegen ambtenaren in
te dienen. Er kwam een hoop oud zeer boven water.
Adolf Glaser schreef (in keurig handschrift al had hij
moeite met de schrijfwijze en spelde hij in plaats van patriot
‘paterjort’) dat het hoog tijd werd ‘dat die oranje
vrinden eens uyt haar plaats gezet worden en een braaf
en eerlyk paterjort weer aangestelt word’. Door het lange
uitstel waren de burgers aan het morren gegaan. De
reden was dat ‘die klanten nog zulke vette amten hebben
als dat zy nog de wyn drinken uyt schalen en zyn
nog weeldrig op haare koetsen daar menig eerlyk paterjort
met zyn vrou en kinders haast broots gebrek hebben’.
Het sprak vanzelf dat Glaser zich als zo’n eerlijk
‘paterjort’ aandiende.
Glaser stond met zijn standpunt niet alleen. In een
rekest in december verzochten liefst zeshonderddertien
burgers een aantal met naam en functie omschreven
ambtenaren definitief te ontslaan. In hun plaats dienden
‘braave, eerlyke en bekwaame burgers en welke
voor goede patriotten bekend staan wederom aan te
stellen op dat het beste gedeelte des Zwolschen Volks, in
dit geval eens eindelyk haare billijke wenschen worden
vervult’. 6 Het ontbrak ook de patriotten niet aan
ambtsbejag, en ze gebruikten ook ambtsbegeving om
personen te binden. Het waren bekende methoden uit
de tijd vóór 1795. Het kan dan ook nauwelijks toeval
zijn, dat de klagende ‘paterjort’ Glazer een jaar later
werd benoemd tot bezorger van de stadslantaarnen.
Een nieuw begin, een nieuw jargon
In de jaren tachtig werd door de patriotten vooral een
beroep op het verleden gedaan. Ze hadden herstel van
de middeleeuwse democratische invloed op het stedelijk
bestuur geëist. Maar na de Franse revolutie was daar
geen sprake meer van; aan het verleden was hun nog
maar weinig gelegen. De patriotten van 1795 hadden de
overtuiging in een nieuwe politieke tijd te leven. Die
nieuwe werkelijkheid werd in de eerste plaats vorm
gegeven door een op Franse leest geschoeid taalgebruik.
H et gebruik van de term Muncipaliteit in de plaats van
stadbestuur of de oudere magistraat, werd al genoemd.
Michiël Helmich
(1753-1835), secretaris
van de Representanten,
(foto: Provinciaal Overijssels
Museum).
•^e^g
t>«6w-»-^ë
Al spoedig ontwikkelde zich een patriottisch, revolutio- Een aantal valse Franse
nair jargon. assignaten die ongeldig
Als blijk van de breuk met het verleden, introdu- zijn gemaakt door op de
ceerde men binnen de bestaande jaartelling een nieuwe. achterkant een stempel
Bij het aantreden van de Municipaliteit op 6 mei zette van de stad te drukken.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een afrekening voor de
kosten van het onderhoud
van de Fransen,
inclusief tweehonderd
flessen wijn.
. . . . • . . y 7,1 o •• i – z ‘ —
men voorafgaand aan de nieuwe resoluties de aankondiging:
‘Eerste jaar der Bataafsche vrijheid’. Ook bij de
ondertekening van stukken maakte men gebruik van dit
nieuwe type datering. Deze marginale aanpassing van
de kalender was overigens nog maar bescheiden vergeleken
met Frankrijk waar een radicaal nieuwe tijdrekening
tot stand kwam.
Rechtstreeks uit Frankrijk overgenomen was de uitdrukking:
‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’. Voor
het eerst werd dit ideologisch trio in maart gebruikt,
toen het boven een stedelijke keur geplaatst werd. Daarna
was het uit de officiële stukken niet meer weg te
branden.
Een ander uit Frankrijk geïmporteerd begrip was de
‘Regten van den Mensch en Burger’. In het conceptplan
voor de Municipaliteit en het Comité van Waakzaamheid
en Toezicht van april7 werd van beide Franse
begrippen overvloedig gebruik gemaakt. Alle nieuwe
bestuurders moesten een eed doen op het trio vrijheid,
gelijkheid, broederschap en op de rechten van de mens.
Een eed die bovendien afgelegd moest worden, niet in
de tegenwoordigheid van God, maar in die van het
‘HOOGSTE WEZEN’.
Dat al die nieuwe comitées de burgers vertegenwoordigden
werd steeds opnieuw benadrukt. Dit
bracht ook mee dat al die comitées gelijkwaardig waren.
‘Wij’ zo schreef het Comité van Waakzaamheid aan de
Municipaliteit ‘erkennen de hoogste magt in het volk,
wij zijn zowel vertegenwoordigers als gijl[ieden] en zullen
toezien of gijl[ieden] van de uw toevertrouwde magt
een goed gebruik maakt. Ja of neen’.
In de titulatuur van brieven tussen de comitées zijn
talloze voorbeelden te vinden waarin hun wederzijdse
gelijkwaardigheid en burgervertegenwoordiging, vaak
in combinatie met de uit Frankrijk geïmporteerde leuzen,
benadrukt worden. Zo adresseerde het Comité van
Waakzaamheid de Municipaliteit met ‘Aan de provisioneele
Burger Representanten der stad Zwolle en desselfs
vrijheid, uitmakende de Municipaliteit. Burger Vertegenwoordigers!’.
De veronderstelde eensgezindheid
werd uitgedrukt in termen als ‘Heil en Broederschap’.
In ondertekeningen als: ‘Representanten, Medeburgers
en Vrienden’ werden vertegenwoordiging en broederschap
verenigd. Deze benadrukking van gelijkheid staat
in sterk contrast met de situatie in de tijd vóór 1795
toen vooral de hiërarchische ordening werd uitgedrukt.
Het stadsbestuur diende in die tijd aangesproken te
worden met ‘WelEdele Hoog Agtbare Heren’.
De onderlinge gelijkheid van de inwoners kwam
(alweer) in Franse navolging het meest tot uitdrukking
door het gebruik van de term ‘burger’, een vertaling van
het Franse ‘citoyen’. Ongeacht de nog steeds bestaande
sociale verschillen werd iedereen geacht gelijkwaardig
staatsburger te zijn. Al enkele dagen na de omkering
werd mede Representant jonker A.C.W. van Haersolte
aangeduid met ‘Burger Haersolte’.
Dit gelijkheidsidioom nam niet weg dat enkele patriotten
toch enige zorg hadden over de geringe steun
onder de ‘verstandigste mede-Burgers’. Zo betreurde
‘Burger Kantelaar’ in een toespraak voor de wijkvergaderingen
de uittocht van de Voorlopige Representanten
uit het stedelijk bestuur naar aanleiding van het radicale
nieuwe regeringsreglement. De reden van Kantelaars
treurnis was dat zij ‘voor die posten juister berekend
waren’, dan blijkbaar aanwezige leden van de Municipaliteit.
Om de ‘verstandige mede-Burgers’ weer bij het
bestuur te betrekken, hield hij vervolgens een pleidooi
voor een minder radicaal regeringsreglement. De Zwolse
revolutie was nog geen negen maanden oud of er
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
kwam al binnen de patriotten zelf een tegenbeweging
opgang.8
Ook op ander terrein viel het met de praktische verwezenlijking
van de idealen niet mee. Als voorbeeld kan
de gang van zaken rond het verhuren van de kerkbanken
gelden. Aan het eind van de achttiende eeuw beschouwden
velen de zitplaatsen in de kerk naar sociaal
onderscheid niet langer wenselijk. Iedereen, zo was de
gedachtengang, was gelijk voor God en alle burgers
dienden in staat te worden gesteld de prediking te volgen.
9 De Zwolse Municipaliteit benoemde dan ook een
commissie om na te gaan of het mogelijk was alle plaatsen
in de kerken vrij te maken, en dus het sociale onderscheid
in de kerk op te heffen. De idealen liepen stuk op
de barre realiteit. Een lang theologisch betoog over de
wenselijkheid ging aan de uiteindelijke conclusie vooraf.
En die luidde dat – helaas, helaas – de stadskas het
niet kon dulden en de zitplaatsen dus verhuurd dienden
te blijven. De enige veranderingen waren dat de ongesloten
banken door iedereen mochten ‘worden bezeten’
en dat niet bezette plaatsen tijdens een kerkdienst vlak
voor het begin van de preek door iedereen in gebruik
mochten worden genomen.
Speciale aandacht besteedde de commissie aan de
magistraatsbanken. Om deze te handhaven had men
het volgende uitgedacht. Deze banken waren geen bezit
van de magistraten, maar door de burgerij als beloning
voor de diensten afgestaan. Ook in het tijdperk van de
gelijkheid diende dat zo gehandhaafd te blijven.
Religie
Uit het voorgaande bleek al dat de patriotten niet tot de
atheïsten gerekend kunnen worden. De Bataafse revolutie
te Zwolle werd in de eerste plaats gedragen door
leden van de gereformeerde kerk (tegenwoordig de hervormde
kerk). Het Comité Revolutionair (zie het artikel
van Seekles) en de daarop volgende commissies
werden ruim met deze geloofsgenoten bevolkt. In het
verleden had dit revolutionaire gedrag gerformeerde
historici nogal in verlegenheid gebracht. Zij waren
tegen de revolutie, die zij als een goddeloos produkt van
de Franse verlichting zagen.10
De Volksrepresentant Rhijnvis Feith, een gelovig
man en lid van de gereformeerde kerk, was aanvankelijk
heel gelukkig met de revolutie. Hij schreef aan een
vriend, Paulus Chevallier, een patriots geestverwant en
predikant bij dezelfde kerk, dat hij hoopte dat God
‘onze omwenteling’ mocht vestigen. ” Dat was ook de
strekking van het vernieuwde – niet afgeschafte – gebed
dat uitgesproken werd aan het begin van de vergaderingen
om de al genoemde rechten van de mens en burger
te handhaven.
Het was al heel bijzonder dat naast de gereformeerden
ook burgers van de andere religies, behalve de joden,
aan het bestuur deelnamen. Dat burgers van de andere
religies in bestuurlijke functies werden geaccepteerd,
was al twee eeuwen niet voorgekomen. Vóór 1795
waren deze uitsluitend voor lidmaten van gereformeerde
kerk toegankelijk.
De deelname van de gereformeerden in 1795 was
niet verschillend van die in de jaren tachtig. Ook toen
waren ze ruim in de patriottenbeweging vertegenwoordigd.
Vier predikanten hadden er niets on-christelijks
in gezien en schroomden niet om met de burgers rekesten
ter verbetering van het stadsbestuur te ondertekenen.
12
De dominerende positie van de gereformeerden
drong de mogelijkheden van andere religies terug. In
Rhijnvis Feith (1753-
1824), lid van de Provisionele
Representanten,
tussen hoop en vrees zag
hij de voortgang van de
revolutie (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het hele jaar waren vier mennisten actief: twee mannen
uit de familie Cleef en twee uit de familie Doijer, een familie
van predikanten en trijpfabrikanten.
De lutheranen waren vertegenwoordigd door de
zilversmid Cornelis Willem Rensink en Warner Dionisius.
Rensink was al bekend onder de patriotten omdat
hij zilveren keeshondjes vervaardigde.13
De rooms-katholieken waren de grootste groep dissenters
in de stad. In de literatuur wordt herhaaldelijk
vermeld dat zij vooraan stonden te trappelen om de
nieuwe idealen van de patriotten mee tot stand te brengen.
Maar te Zwolle hielden zij zich in 1795 vrijwel volledig
op de achtergrond. Slechts de metselaarsbaas Arnoldus
Forier en de rentenier Michaël Helmich lieten
van zich horen. De laatste vond echter het beheer van
zijn vermogen belangrijker dan het bestuur en hield er
al spoedig mee op. De rooms-katholieken toonden in
1795 dezelfde voorzichtigheid die ze ook in de patriottentijd
in de jaren tachtig aan de dag hadden gelegd. De
uitkomst van de Bataafse revolutie was allerminst zeker
en bij eventueel herstel van het oude bewind zouden ze
ongewijfeld de rekening gepresenteerd krijgen.
In 1795 werd het eerste voorzichtige stapje gezet op
de weg naar de juridische gelijkberechtiging van de religies.
Op ‘de onveranderlyke Rechten van den mensch
en Burger gegronde, Vryheid, Gelykheid en Broederschap,
ten aanzien van alle Burgeren’ werden de juridische
belemmeringen voor huwelijken van de rooms-katholieken
ingetrokken. Voor het aangaan van huwelijken
golden voor alle religies voor de overheid dezelfde
procedure. H Dit liet onverlet dat de gepriviligeerde positie
van de gereformeerde kerk bleef bestaan.
Nieuwe mannen
1795 betekende in de eerste plaats een sociale aardverschuiving
in de rekrutering van bestuurders. Er kwamen
heel wat nieuwe mannen (meestal met het Latijnse
begrip homines novi aangeduid) op de regeringszetels in
het oude stadhuis.
Het grootste deel van de nieuwe bestuurders kwam
uit delen van de burgerij die het Zwolse stadhuis veelal
alleen van de buitenkant zagen en nooit eerder in de
meente of magistraat gekozen waren. Van alle magistraten
uit de periode voor 1795 waren slechts vijf regenten
opgenomen onder de Provisionele Representanten. Het
waren vijf van de patriottische magistraten die in januari
1787 met veel gejuich van de verzamelde burgerij op
het kussen waren gekozen om de stedelijke constitutie
in patriottische zin te wijzigen. In oktober van datzelfde
jaar waren ze na de Pruissische inval door stadhouder
Willem V aan de kant geschoven. Nu vierden ze hun
triomfantelijk herstel.
Slechts drie leden van de in 1795 afgeschafte meente
werden in een van de nieuwe besturen opgenomen. Dit
duidt op een groot wantrouwen tegen alle voormalige
meenteleden. Begrijpelijk, want de meente in de patriottentijd
was niet altijd – of bijna nooit – genegen geweest
aan de patriotse eisen tot democratisering van het
college tegemoet te komen.
Voor het eerst sinds het begin van de achttiende
eeuw werden er weer jonkers in het Zwolse bestuur opgenomen:
de uit ballingschap teruggekeerde A.W. van
Pallandt van Zuthem en Antony van Haersolte. Geen
van de twee bleef overigens lang.
Een kenmerk van het stedelijk bestuur vóór 1795
was de aanwezigheid van veel juristen, voornamelijk
voormalige advocaten. In het eerste jaar van de Bataafse
revolutie waren er slechts acht.
Daartegenover waren personen uit de handel en
ambacht ruim vertegenwoordigd, hetgeen voor 1795
juist niet het geval was. Het was een gemêleerd gezelschap
met onder andere de houthandelaar Lubbertus
Rietberg en de wijnkoper Christiaan Jan Zebinden ‘bedaard
en zeer geschikt, en in goeden doen’. Lambert
Linthorst was een ‘winkelier en gezeten man van kennis’.
Een andere winkelier, Hendrik Tegelaar, was daartegenover
‘niet gezeten, veel aan den mond, goed eeter
en drinker’.
In de loop van de Bataafse tijd konden veel van de
nieuwe bestuurders hun verworven positie niet ophouden.
Zoals de metselaarsbaas Arnoldus Polier die de bestuurlijke
roem naar het hoofd gestegen lijkt te zijn. Hij
was ‘goedhartig, maar niet slim’. Door zijn ‘avancement’
in de politiek had hij veel behoeften gekregen en
was ‘daarna verlopen’. Arnoldus Polier en veel collegae
verwierven dan ook geen toegang tot het bolwerk van
het Zwolse establishment, de Groote Sociëteit. Niet
meer dan tien van de nieuwe regenten uit 1795 komen
in de ledenlijst van 1803 voor.15
Van bevrijders tot lastpakken
De Fransen waren met veel enthousiasme binnen
gehaald. Het Nederlandse volk was dankzij ‘de dapperheid
der vrije Franschen van hare boeijen ontslagen’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
Op verzoek van een aantal burgers was voor de komst
van het Franse leger op stadskosten een Franse vlag
genaaid en op de toren van de Kruiskerk gestoken ten
teken dat de Zwolse burgerij zich had vrij gemaakt en
dat zij niet anders wensten ‘dan hare edelmoedige verlossers
ten spoedigste in haar midden te zien, ten einde
aan dezelve haare dankbaarheid te betuigen en de hand
van vriend- en Broederschap toe te reiken’.
De Franse commandant legde na de intocht dezelfde
verklaring af die ook elders was afgekondigd, namelijk
dat de Fransen gekomen waren als bevrijders van
het Bataafse volk uit de dwingelandij van het stadhouderlijk
bewind en dat ze de onafhankelijkheid zouden
eerbiedigen. Tegelijkertijd werd voor het gedrag van de
Franse militairen een ordonnantie uitgegeven.
Het heeft niet mogen baten. De last van inkwartiering
bij particulieren en instellingen werd nog verhoogd
doordat het geen Voltaire lezende Fransen waren die
men over de vloer kreeg, maar nogal ruig soldatenvolk.
En lezen was het laatste waar ze aan dachten; de Franse
soldaten sloegen aan het drinken. Bij de wijnhandelaar
Zebinden meende men dat gratis te kunnen doen. Met
twintig flessen wijn waren de soldaten genegen te vertrekken.
Bij ene Van Leeuwen werden de ruiten ingegooid
omdat hij de soldaten niet binnen wilde laten.
Het bleef niet alleen bij drank. Drie Franse huzaren verkrachtten
de weduwe Wieriks en haar twee inwonende
meisjes. Ook de eigen commandanten waren niet veilig.
Het stadsbestuur was genoodzaakt een heel regiment jagers
uit de stad te laten verwijderen wegens nachtelijk
wangedrag. 16
In augustus was er onrust in de stad die veroorzaakt
werd door tegenstanders van het nieuwe bewind. Toen
er voor de Fransen feestelijkheden waren omdat het
drie jaar geleden was dat de ‘volkomen needervelling
van den koninglyken Troon’ plaats had gevonden en de
vrede tussen Frankrijk en Spanje was getekend, werden
bij diverse patriotten de ruiten ingegooid en waren er
andere baldadigheden.
De relatie met de Fransen werd verder vertroebeld
door de hoge kosten van onderhoud waar de stadskas,
ondanks subsidies van de provincie, niet op berekend
was. Het Franse papiergeld, de assignaten, maakte de situatie
er niet beter op. De burgers waren verplicht betalingen
in assignaten aan te nemen, maar het gebruik
ervan tussen de burgers onderling was verboden. De assignaten
kon men op het stadhuis omwisselen tegen
schuldbewijzen. Omdat de assignaten een onbetrouwbare
munteenheid waren, liep iedereen ook voor de
kleine bedragen zo snel mogelijk naar het stadhuis om
ze om te wisselen, vooral toen bleek dat er ook nog hele
pakken valse assignaten in omloop waren.
Omzien
Aan het eind van het jaar 1795 viel er voor de Zwolse
burgers veel te overpeinzen, want het was me wel het
jaartje geweest. Het laat zich denken dat niet iedereen
tevreden was. De hoge idealen van vrijheid, gelijkheid
en broederschap en de rechten van de mens waren minder
snel te realiseren dan ee

Lees verder